ocr page 1
ocr page 2

'

:

■

i

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

HANDBOEK

DEE

A A R D R IJ K S K U N D E.

ocr page 6
ocr page 7

Vak 134

a 3,

DOMSEIFFEN EN/KÜYPER'S

HANDBOEK

D E II

AARDRIJKSKUNDE,

HERZIEN EN VERMEERDERD DOOK

A. BRANDES Sz.,

Leeruur uan de IIoog ere Burgerschool met bjarig en cursus te 's Graveuhuge.

Gorinchem, J. XOORDUYX EN ZOON. — ISSfi.

ocr page 8
ocr page 9

VOORREDE.

Op verzoek van de Uitgevers belastte ik mij met (ie bewerking van den U'1'quot; druk van dit Handboek. Dat deze niet slechts bestaan heeft in het opgeven van het tegenwoordig aantal inwoners, of van de staatkundige veranderingen in de laatste jaren op de kaart aangebracht, zal men ook bij een oppervlakkig inzien terstond bemerken. Immers in de eerste plaats is het natuurkundig gedeelte nagenoeg geheel omgewerkt en belangrijk vermeerderd. Bij vele steden zijn overeenkomstig de eischen der nieuwere methode de oorzaken van haar ontstaan en hare ontwikkeling, haar bloei of verval telkens vrij uitvoerig opgegeven, üok is nooit verzuimd op punten van vergelijking te wijzen, als de gegevens zich daartoe ongezocht aanboden; onder meer zijn vooral Nederland en Indië uitvoerig behandeld, hoewel de uitgebreidheid der stof dikwijls tot ongewenschte beperking dwong.

Dat dit Handboek den leerlingen zonder verdere bespreking in handen mag gegeven worden zou ik niet durven beweren; daartoe daalt het dikwijls te vee,! in details af en konden daarentegen belangrijke gedeelten somtijds slechts even ter nadere bespreking worden aangegeven.

Mochten er zijn, die het opsommen van merkwaardigheden in de steden eene overtolligheid noemen, dan vraag ik, waarom men die merkwaardigheden niet vermelden zou, als misschien menigeen daarmede gediend is; men behoeft ze immers niet te laten memoriseeren.

De kaartjes zijn weggelaten uit overweging, dat het ons tegenwoordig niet aan degelijke atlassen voor de scholen ontbreekt, en dat het teekenen op het bord bij het aanschouwelijk onderwijs, waartoe de aardrijkskunde zich zoo uitnemend leent, toch zelden meer wordt nagelaten.

Dat het Handboek in zijn' tegenwoordigen vorm zich moge blijven verheugen in de sympathie zijner oude vrienden en veie collega's zullen willen erkennen, dat mijn arbeid niet geheel onverdienstelijk is geweest, is mijn oprechte wensch.

A, BKANDES Sz.

Den Haag, Augustus 1886.

ocr page 10
ocr page 11

INHOUD.

HOOFDTREKKEN DER AARDRIJKSKUNDE.

Blz.

De aarde...........1

I. Azië...........quot;

II. Afrika..........7

III. Europa..........11

IV. Amerika.........'25

V. Australië.........59

VERDERE MTBREIDING DER AARDRIJKSKUNDE.

a. De aarde als hemellichaam ... 32

b. De aarde als natiiurlichaam ... 39

c. De voortbrengselen dor aarde. . . 60

d. De aarde als woonplaats van den menscb..........G2

c. Geschiedenis der aardrijkskunde . 65 f. Overzicht der grootte van de deelen der aarde en vau hunne bevolking, 71

AZIK. Inleiding........7 3

A. Z u i d - A z i ë.

1. Aziatisch-Turkijë.......75

Palaestina.........7 8

2. Arabië..........79

3. Hel Hoogland van Iran.....81

a. Hot Perzische rijk (West-Iran). 82

b. Afghanistan (Noordoost-Iran) . 83

c. Beloetsjistan (Zuidoost-lran). . 83

4. Voor—Indië.........8!

De eilanden van Voor-Indië. . . 89

5. Achter-Indië........89

A. I'iitsch Achter indie .... 90

13. Birma.........90

t. Het koninkrijk Siam. ... 90

D. Hel onafhankelijke Malaka. . 91

E. Het rijk Anam......91

K. De Indische Archipel.....91

B. Oost-Azië.

7. Japan..........102

8. Korea..........lOf

9. China...........105

a. Eigenlijk China......105

C. Midden- o/quot; H o o g - A z i ë.

10. b. Mantsjoerije........108

11. c. Mongolië (Oostelijk Hoog-Azië) . 109

12. d. Dsongarije........109

13. e. Hoog-Tatarije of Oostelijk Toeran. 109 H. f. Tibet (Zuidelijk Hoog-Azië) . . 109

15. Toeran, Toerkestan......lil

D. Noord-Azië.

16. Azialisch-Rusland.....,111

17. Kaukasië en het Transkaspische gebied..........113

Blz

At'BIKA. Inleiding........119

A. N o o r d • A f r i k a.

1. Egypte en do Egyptische Soedan. 1)9

2. De Egyptische Soedan.....121

3. Abessinië of Habesj......121

■1. Hot Atlas-land (Barbarije). . . . 122

a. Tripolis.........122

b. Tunis.........123

c. Algerië.........123

d. Marokko . ......I2lt;

5. De Sahara.........125

6. Senegarabië........126

7. Soedan of Takroer......127

B. Zuid-Afrik a.

8. De Oostkust........127

a. Het Soinali-land......128

b. Het Sowaheli-land of de kust van Zanzibar.........128

c. Dekust vanMozambiqueenSofala. 128

d. Het land der Zoeloe-Kaffers. . 129

9. Het Zuidelijk binnenland. . . .129

a. De Oranje-vrijstaat en de Transvaal ..........129

b. Het verdere binnenland van Zuid-

A frika..........130

10. De Britsche Kaapkolonie . . . .130

('. W e s t - A f r 1 k a.

11. Zuid- (of Neder-) Guinea (heiland

der Boenda-volken)......131

12. Noord- (of Opper)-Guinea. . . .131

D. De eilanden om Afrika.

EUROPA. Inleiding.......136

A. Z u i d - E u r o p a.

1) Hel Grieksch-Turksche schiereiland. tiO

a. Het Turksche rijk......142

b. Montenegro........l-i-I

c. Bosnië...........H-)

d. Servië..........1 H

e. Roemenië........1(4

f. Griekenland........H5

2) Het llaliaansche schiereiland . . .147

I. Italië..........1-49

De eilanden........155

a. Sicilië.........155

b. Sardinië........156

II De republiek San Marino. . . .157 Hl. Do groep van Malta.....157

3) Het Iberische schiereiland .... 157

a. Spanje..........160

b. Portugal.........164


ocr page 12

INHOUD.

VIII

B. Midden-Europa. Blz.

De Alpen...........165

De middelgebergten van Midden-Europa. 170

A. De Duilsche middelgebergten . .170

B. Het oostelijke middelgeb. (Karpaten). 173

C. De westelijke (Fransche) middelgeb 174

De Duitsche viakte.......175

De stroomgebieden van Midden-Europa. 176 De Staten van Midden-Europa.

4) Frankrijk.........181

5) Zwitserland........191

6) Luxemburg........196

7) België..........196

8) De Nederlanden.......199

9) Groot-Britannië en Ierland . . .212 10) Het Duitsche Rijk......224

a. Pruisen.

1. Provincie Brandenburg

. 227

2.

»

Pom meren ....

229

3.

B

Pruisen......

229

4.

»

Posen......

229

5.

»

Scblesien ....

230

6.

1)

Sachsen......

. 230

7.

I)

Hannover.....

231

8.

»

Schleswig-Holstein en

Lauenburg. ...

232

9.

n

Westphalen . . .

. 232

10a.

«

Rheinland ...

. 233

10b. De

Hohenzollernsche landen .

. 234

11. Provincie Hessen-Nassau.

2M

6. De kleinere Staten van Duitschland.

1) Koninkrijk Saclisen......235

2) Groot-Hertcgdoni Saclisen-Weimar . 236

3) Hertogdom Sachsen-Meiningen-

Hildburghausen.......237

4) Hertogdom Sachsen-Coburg-Gotha . 237

5) Hertogdom Sachsen-Altenburg . . 237

6) en 7) De Vorstend. Schwarzburg-Son-dershausen en Scbwarzburg-Rudolstadt. 237 8 en 9) De Vorstendommen Reuss. . 237

10) Vorstendom Waldeck.....238

11) Vorstendom Lippe......238

12) Vorstendom Schaumburg-Lippe . . 238

13) Hertogdom Braunschweig. . . . 238

14) Hertogdom Anhalt......238

15) Groot-Hertogdom Oldenburg . . . 239

16—18) De 8 vrije steden.....239

19—50) De Groot-Hertogd. Mecklenburg 240

c. De Zuidelijker Staten van Duitschland

240 243

243

244 24 f

1) Koninkrijk Bayern. . .

2) Koninkrijk Württemberg

3) Groot-Hertogdom Baden

4) Elsass Lotharingen . .

5) Groot-Hertogdom Hessen

Blz.

11) Vorstendom Liechtenstein. . . . 245

12) Oostenrijksch-Hongaarschc mo

narchie .........245

A. Oosten rij ksche monarchie . 248

B. Hongaarsche monarchie . .252

C. Noord- en Oost-Europa.

13) Denemarken...... • 255

14) Het Skandinavische Schiereiland

Zweden en Noorwegen . . . .257

15) Rusland..........262

Steden van Europa met meer dan

100,000 inw. 271 Vlakte-inhoud en bevolking der Euro-peesche Staten........271

AMERIKA. Inleiding......273

A. Noord- Amerika.

1. Deensch Noord-Amerika (Groenland). 279

2. Britsch Noord-Amerika. .... 280

3. Vereenigde Staten van Noord-Amerika. 282

4. Mejico...........290

B. Midden-A merika.

l Het vasteland.

1—6. De republieken Guatemala, San Salvador, Honduras, Nicaragua, Costa-Rica en Panama.......292

2. De West- Indische Archipel.

a. De Bahama- ot Lucayische eilanden. 294

b. De Groote Antilles......294

c. De Kleine Anlilles...... 295

C. Zuid-Amerika.

1. Vereenigde Staten van Columbia. 296

2. Republiek Venezuela.....296

3. » Ecuador......296

4. » Peru.......297

5. i. Bolivia......298

6. . Chile.......298

7. De Argentijnsche republiek . . .299

8. Republiek Paraguay.....300

9. » Uruguay......300

10. Keizerrijk Brazilië .... ■ 300

11. Guyana......301

12. Het voormalige Vrije Zuid-Amerika 302

1) Patagonië........302

2) Vuurland........302

AUSTRALIË. Inleiding.....303

A. Nicuw-Holland of het vasteland Australië....... . • 304

B. Do eilanden der Papoea's . . . 308

C. De eilanden der Maleiërs . ■ • 309

nap

US|

Bid

n •

nar

sx

IT *

0


\

ocr page 13

!

z.

5

: n9? HOOFDTREKKEN DER AARDRIJKSKUNDE.

nej

Y

DE AARDE.

Onze aardbol is een der 8 groote planeten, draait even als deze om de zon en ontvangt evenals dsze daarvan zijn lieht. De z o n zelve is een der vaste sterren, die allen haar eigen licht bezitten.

Om sommige der planeten als het middelpunt wentelen zich weder kleinere b ij planeten of wachters; zoo ook de maan om de aarde.

Kometen bestaan uit eene nevelachtige kern en hebben eenen van de zon afgekeerden verlichten staart. Zij bewegen zich ook om de zon, maar in zeer lang-uitgerekte banen.

De aarde heeft eene bijna kogelvormige gedaante, want de middellijn aan de evennachtslinie is 1718; en de pool-as 1712 i geographische mijlen lang. Om deze as wentelt zij zich in 24 uren. Van daar de dag en nacht. Maar te

* gelijker tijd loopt zij ook, in eenen eenigszins schuinen stand (vanwaar de af-- wisselende j a a r g e t ij d e n), in een jaar om de zon, die ons op eenen afstand 1 van ongeveer 20 millioen mijlen, licht, warmte en vruchtbaarheid schenkt.

II0' De aarde is omringd door eenen dampkring of atmosfeer, die zich

* met haar om de zon beweegt en het tooneel is van vierderlei verschijnselen:

1) der winden of bewegingen in den dampkring,

2) van wolken, regen, sneeuw, dauw en andere verschijnselen, die met waterdamp in betrekking staan,

SJquot; 3) van onweder, weerlicht, noorderlicht enz., die door de elektriciteit

worden voortgebracht,

4) van regenbogen, kringen om de zon en maan, bij-zonnen of bij-manen, luchtspiegelingen, avondrood, morgenrood, schemering en andere, die door de breking der lichtstralen zich aan ons oog voordoen.

Daar, bij de omwenteling der aarde om de zon, de as, waarom zij zich schijnt te draaien, altijd in dezelfde richting m. a. w. evenwijdig aan zich zelve, blijft, vallen de stralen der zon alleen op het middelste gedeelte der aarde in eenen rechten stand (heete zone of aardgordel), doch verder op naar de twee uiteinden der as (de polen} in steeds schuiner richting, waardoor deze streken minder warmte genieten (2 gematigde en 2 koude zonen of aardgordels).

De oppervlakte der aarde bestaat uit driemaal meer w a t e r dan 1 a n d.

De zee verdampt aanhoudend en vormt zoo de wolken, wier water weder als regen en sneeuw op de aarde terugkeert; het in de aardkorst gedrongen water komt van de hoogere streken als bronnen of wellen te voorschijn,

IT

vloeit in de meren of in de rivieren en zoo weder naar de zeeën.

Naarmate van de meerdere of mindere warmte of koude verschillen ook de voortbrengselen van het planten- en d i e r e n r ij k in soort, grootte en aantal. De mensch alleen kan overal leven; de hond en het paard volgen hem het (- verst. Het delfstoffenrij k, waartoe de metalen behooren, is aan geene 3[ warmte of koude gebonden.

Het water verdeelt zich over de navolgende zeeën 1) den Atlantischen Oceaan; 2) den Grooten Oceaan; 3) den Indischen Oceaan; 4) de Noordelijke IJ s z e e; 5) de Zuidelijke IJ s z e e.

I

ocr page 14

hoofdteekken der aardrijkskunde.

Het land bestaat uit 5 groote hoofddeelen:

Het oostelijk vasteland of de oude wereld: 1) Azië, het oosten; 2) Europa, het westen; 3) Afrika, het zuiden:

Het westelijk vasteland of de nieuwe wereld; 4) Amerika (Noord- en Zuid-); Tegenover deze vier werelddeelen: 5) Australië; of Niéuw-Holland met Polynesië te zamen.

Tusschen welke landen liggen die zeeën? Welke zeeën begrenzen die landen?

1. A Z I ID.

(800,000 □ m.)

Azië is het grootste werelddeel, 5 maal zoo groot als Europa. Midden-Azië is eene hoogvlakte, door randgebergten omringd, die zich van den Griekschen Archipel tot den Grooten Oceaan uitstrekt. Het hoogland van Achter-Azië (8—10,000'hoog) vormt het grootste, oostelijke deel, welks zuidelijke rand, Himalaja „de woning der eeuwige sneeuw,quot; tot de hoogste bekende sneeuwtoppen der aarde opstijgt (de Dawala-giri 25,000', de Kantsjindzjinga 26,000', de Mount-Everest 27,000 ). De overige randgebergten zijn: tegen Siberië de Altai, in het O. het Alpenland van Mantsjoerijë, in het W. dat van Toerkestan (Pamirplateau waaruit 5 groote ketens loopen; zie de kaart). Het westelijke of Voor-Aziatische hoogland bestaat uit de hoogvlakten van Klein-Azië, die door het hoogland van Armenië verbonden zijn aan de bergvlakte van Iran, welke door middel van den Hindo-Koesj met het oostelijke hoogland in verbinding staat. Van de drie zuidelijke schiereilanden hebben Arabië en Voor-Indië afgezonderde hoogvlakten, doch het bergland van Achter-Indië hangt met het hoogland door een' bergknoop samen. Van de lage vlakken, die \ van het geheele werelddeel beslaan, hebben die van Siberië en die van To er an met het meer Aral de meeste uitgebreidheid. — De grootste der groote rivieren van Azië zijn: de Ob, Jenisseï en Lena naar de Noordelijke IJszee, de Amoer, Hoangho en Jantsekiang naar den Grooten Oceaan, en de Irawadi, Bramapoetra, Ganges, Indus, Tigris en Euphraat naar den Indischen Oceaan. — Eijkdom aan meren; de Kaspische zee (12 maal grooter dan Nederland), het meer Aral, Balkasj en Baikal.

Zuid-Azië levert de heerlijkste voortbrengselen der drie natuurrijken; het is het vaderland van al onze graan- en ooftsoorten; het bezit de fijnste en krachtigste specerijen en kruiden: thee, koffie, opium, tabak, indigo, katoen, zijde in overvloed, olie en kostbare houtsoorten. Kijst, maïs, sago, dadels en kokospalmen leveren de voornaamste voedingsmiddelen op. Bovendien ■vindt men er schatten van goud, zilver, koper, edelgesteenten (de zuiverste diamanten) en paarlen. In het N. zijn pelterijen het kostelijkst produkt.

Van de bevolking behoort het grootste gedeelte tot het geelbruine of Mon-goolsche ras (in het O. en N.); het kleinste gedeelte tot de zwartbruine of Maleische ras (in het Z.O.); de kleinste helft tot het blanke of Kaukasische ras (in het Z. en W.). In het noorden zijn de volken vissehers en jagers, in Midden-Azië meest nomaden (zwervende herdersvolken), in het zuiden landbouwers, handwerkslieden en kooplieden. — 85 millioen bewoners zijn Mohammedanen, 15 millioen Christenen, meest van de Grieksche kerk, en de overige 700 millioen aanbidders van Boedda en Brama of wel volslagen Heidenen.

2

ocr page 15

ZUID-AZIË.

A. Zuid-Azië.

1) Aziatisch Turkije.

Bijna elfmaal zoo groot als Europeesch-Turkije. In het W. omvat dit het hoogland van Klein-Azië, met den Taurus als zuidelijken rand. In het O. grenst het aan het Armenische hoogland (berg Ararat 16,000') en omvat het bronnen-gebied der tweelingsstroomen Euphraat en Tigris.

Kle'n-Azië of Anadoli; met de steden; Skoetari, aan den Bosporus, de voorstad van Constantinopel, Smyrna, de gewichtigste handelsstad van den geheelen Levant.

Hierbij de eilanden: Chics en Ehodus.

Armenië: Erzeroem, middelpunt van den handel tusschen Perzië en Turkije.

Al-Dzjesira of Mesopotamië: M o s o e 1 aan den Tigris (moesseline). Hier tegenover lag weleer N i n i v é.

Irak-Arabi: Bagdad, aan den Tigris, eens de eerste stad der wereld. Zuidelijker aan den Euphraat lag Babylon, — Basra, aan den Sjat-el-Arab, de samenvloeiing van Tigris en Euphraat.

Syrië, tusschen de Middellandsohe zee en de Arabische woestijn: Aleppo, de nieuwe-, Damascus, de oude hoofdstad, beide fraai en welvarend.

Palaestina, dat, hoe weinig meer bebouwd, toch nog zeer vruchtbaar is: Jeruzalem, met vele kloosters en bouwvallen.

2) Ar ab i ë.

De Westkust (de landschappen Jemen en H e d z j a s) behoort aan Turkije. De binnenste hoogvlakte is dor en arm aan water. De zwervende Bedoeïenen staan onder afzonderlijke Sjeiks, de Mohammedaansche sekte der Wahabieten onder eenen Emir. De schoonste paarden der wereld in het noordelijke hooge binnenland Nedsjed; koffie, arabische gom, dadels, enz.

De heilige steden Mekka, de geboorteplaats, en Medina, de begraafplaats van den profeet; — Dzjidda is de havenstad van Mekka; — Mokka, in het zuiden, uitvoer van koffie; — Mask at, handelshaven in hel O.

3) Het Hoogland van Iran.

Ten N. begrensd door de Kaspische zee en door de lage vlakten van den Oxus, in het W. door den Tigris, in het O. door den Indus, in het Z. door de Perzische golf. De westelijke gedeelten zijn waterrijk en bebouwd; het midden en de oostelijke helft bestaan hoofdzakelijk uit zout- en zandwoestijnen en worden in het N.O. door den ruwen Hindo-Koesj doorsneden. De 3 voornaamste rijken zijn:

a. Perzië of West-Iran, vroeger veel vruchtbaarder dan thans.

Teheran, residentie van den Sjach; — De nieuwe stad Isfahan, met

prachtige ruïnen der oude, — Sjiras in het door de natuur bevoorrechte landschap Ears; in de nabijheid de ruïnen van het oude Persepolis: — Aboesjir of Boesjier aan de Perzische golf, Balfroesj aan de Kaspische zee, en Tauris of Tebris in het N.-W. zijn de voornaamste handelssteden.

b. Afghanistan of Hoord-oostelijk Iran.

Aan den grooten Indischen handelsweg liggen de steden Kaboel en Kandahar, slechts genaakbaar door enkele bergpassen. Herat in het noordwesten.

c. Beloetsjistan of Zuid-oostelijk Iran. Langs de kusten van de Arabisch-Indische zee. Schrale grond.

3

ocr page 16

HOOFDTREKKEN DEK AARDKIJKSKUNDE.

4) Voor-Indië of Hindoestan.

Eens de woonplaats van een volk, welks taal eene der oudste van de ons bekende talen is, en die van denzelfden oorsprong is als die der Perzen, Grieken, Romeinen en Germanen. Wellicht het rijkste en meest begunstigde land der wereld, daarom ook sedert de oudste tijden het doelwit der veroverende en handeldrijvende volkeren. Bijna zoo groot als Europeesch Eusland, doch veel sterker bevolkt, thans bijna geheel onder Britsche heerschappij. Als bolwerk heeft het in het N. het Alpenland van den Himalaja met de bronnen van den Ganges op den zuidrand en den Indus op den noordrand. Aan de vlakte van den Indus en aan de uitstekend vruchtbare Bengaalse he lage vlakte van den Ganges en de Bramapoetra sluit zich ten Z. het hoogland van D e k a n tot aan kaap C o m o r i n, met de randgebergten der O o s t e 1 ij k e en W e s t e lij k e Gates. DeNerboeda, de grootste rivier van dit schiereiland, vloeit naar het W., de meeste overige naar het Oosten.

Steden; Lahore, in het land der „vijf stroomen;quot; — Delhi of Dehli [dilli], vroeger de prachtigste en ontzaglijke residentie van den grooten Mogol ; — Benares, de heilige stad der Hindoes, aan den Ganges; — Calcutta, de aanzienlijkste handelsstad, aan den Hoegly, een der monden van den Ganges, zetel van den Gouverneur-Generaal; — Madras, de gewichtigste stad aan de O.kust; — Bombay, aan de W.-kust; op twee eilandjes in de haven bevinden zich beroemde in de rots uitgehouwen tempels; — G o a, Portugeesch. — Nabij den westelijken mond van den Indus de belangrijke katoenhaven K a r a t s j i.

Ook het eiland Ceylon is eene Britsche bezitting; het is het vaderland van het echte kaneel en bevat ijzer en edelgesteenten. Aan de N.O.kust worden de kostbaarste parelen gevischt.

Het onafhankelijke Nipal met de hoofdstad Katmandoe ligt langs den voet van den Himalaja.

5)Achter-Indië. j

de

Half zoo groot als Voor-Indië, tusschen de golf van Bengalen en het zuidelijk rpot gedeelte der Chineesche zee (golven van Siam en ïonking). Vijf ketens doorsnijden

het naar het Z.; een daarvan vormt het schiereiland Malaka. Van de 4 groote ^|lec

stroombeddingen tusschen deze bergketens zijn die van de Mekong of Menam- j k o n g en van de I r a w a d i het aanzienlijkst.

Achter-In dië bevat: ejja]

1) De Britsche Bezittingen op de Westkust; Het vroeger nog grootendeels (

onafhankelijke Birma, met de hoofdstad Mandalai. De kuststreken zooals: van

Arakan met de rijsthavens Arakan en Akjab, en zuidelijker Pegoe met voo

Eangoen op de delta der Irawadi, waren reeds langer onder Brit?cli bestuur. j Op de punt van het schiereiland; de provincie Malaka met het Prir.s-Wales (oecels)-eiland of Poeloepinang ten W. en het eiland Singapore ten Z.

De twee groote onafhankelijke rijken;

a. Siam, Veel handel, maar drukkend despotisme. Hoofdstad Bangkok I aan de Menam. _ _ plio

h. Anam. Zeer vruchtbaar; veel handel en nijverheid. Steden, in de / hoo

provincie Tongking; Ketsjo, de grootste handels- en fabrieksstad van het het

rijk; in de delta van de Songka hebben zich de Franschen gevestigd. In de Chi

provincie Kosjinsjina; de hoofdstad H u é (Hoë-foe). In het Z. aan den J a i

mond der Mekong de handelsstad S a ï g o n g, thans met de geheele provincie bar(

Kambpdsja eene bezitting der Fransehen. kun

por

4

ocr page 17

ZUID- EN OOST-AZIË.

6) De Oost-Indische Archipel.

De 4 groote Soenda-eilanden, bijna geheel Nederlandsche bezitting;

1) Soematra. Steden aan de W.kust: Padang en Benkoe 1 en. Aan de O.kust: Palembang en De li. In 't noorden Atjeh. Oostelijker de tinrijke eilanden Bangka en Biliton of Blitong.

2j Java, de rijkste bezitting van Nederland, 4 maal zoo groot als het moederland. Op de N.kust, die vlakker is dan de Z.kust, liggen de steden Batavia, hoofdstad, Samarang en, tegenover het eiland Madoera, Soe-rabaia, de 3 voornaamste uitvoerhaveus der hoofdprodukten, koffie, suiker, rijst, thee, tabak en indigo.

3) Borneo, met Pontianak aan de W.kust, en niet ver van de Z.kust Bandjarmasing, met steenkolenmijnen in de nabijheid.

4) Celébes, met Mangkasar of Vlaardingen in het Z.W. en Men ado in het N.O.

De kleine Soenda-eilanden ten O. van Java.

De Molukken of Specerij-eilanden, ten O. van Celebes, allen Nederlandsch, waaronder Amboina (hooidprodukt kruidnagelen) ten Z.W. van Ceram, en Ban da (vaderland van den notemuskaatboom) ten Z.O. van Ceram; Ter na te en Tidore, twee kleine eilandjes ten W. van het grillig gevormde Hal-maheira.

De Philippijnen, ten N. der vorigen, Spaansche bezitting, waarvan Magin-danao het zuidelijkste en Luzon [loesson] het voornaamste eiland is, vooral door den tabak en de manila-hennep bekend, met de hoofdstad Manila.

B. 0 o s t - A z i ë.

7) Japan.

Een keizerrijk, dat uit vier grootere en tallooze kleine eilandjes bestaat. Over de krachtige, nijvere en verstandige bevolking heerscht een keizer of Mikado. Tot voor niet langen tijd strenge afsluiting van het buitenland, behalve voor Nederland en China. Rijkdom aan metalen (het beste koper); rijst- en theebouw, zijde, porselein, glas, verlakte waren.

Eilanden: Kioesioe met Nagasaki; ten Z. hiervan het kleine Decima, dat 2 eeuwen lang alleen voor de Nederlanders open stond. N i p o n, het hoofdeiland , met de geweldig groote steden Jedo of Tokei, en Miako, thans Kioto. Kan a wag a (met het daaraan grenzende Jokoehama), in de baai van Jedo, en Hakodadi op Jeso zijn met Nagasaki de voornaamste havens voor den buitenlandschen handel.

De groep der L i o e - k i o e-eilanden ligt ten Z.W. der hoofdgroep; de K o e r i e 1 e n-eilanden strekken zich N.O. waarts uit tot Noord-Amerika.

8) China.

Een keizerrijk, grooter dan Europa, met 400 millioen inwoners (de cijns-pliehtige landstreken in Hoog-Azië medegerekend). In het N. en W. heeft het hooge en woeste sneeuwgebergten. Tot beveiliging der noordelijke grenzen van het eigenlijke China werd in de 3de eeuw n. Ch. de groote, 275 m. lange Chineesche muur gebouwd. Aan de monden van den Hoangho en van den Jantsekiang de grootste vruchtbaarheid en de dichtste bevolking. De vruchtbare grond brengt zeer veel thee, rijst, suikerriet en katoen voort; de nijvere kunstvlijt der zeer bedrijvige doch aan het oude gehechte bevolking levert veel porcelein, verlakt-werk, zijde waren, nanking.

5

ocr page 18

HOOFDTREKKEN DEK AARDRIJKSKUNDE.

Steden: Peking, in het N., de hoofdstad, in omvang de grootste stad der wereld; — Nanking, aan de Jantsekiang; — Shang-hai, Ning-po-foe en Foe-tsjeoe-foe aan zee, Amoi op een eiland, eu Kanton aan den Tsikiang. Niet ver van hier ligt de Portugeesehe stad Macao, op een sehier-eilandje, en het eilandje Hong-kong met de Britsche hoofdstad Victoria.

Eilanden: Hainan en Formosa.

9) Het schiereiland Korea.

Een koninkrijk, waarvan de vorst slechts in naam van China en van Japan afhankelijk is. Het is zeer weinig bekend. Het vruchtbare gedeelte ligt aan de W.zijde, aan den voet der bergen. Soeël, volkrijke hoofdstad.

C. Midden- of Hoog-Azië.

10) Mantsjoerije.

Het gebied van den Amoer (waarvan Euslaud de noordzijde en het kustgebied in bezit genomen heeft) en van het Alpenland van Mantsjoerije (N.O.lijke helling van het Midden-Aziatische hoogland). De bewoners, Toengoezen, zijn deels nomaden, deels in steden gevestigd. De Mantsjoe-Toengoezen in het Z. zijn tegenwoordig de beheerschers van China, waaronder ook dit land grootendeels als Vazalstaat behoort.

11) Mongolië, Oostelijk Hoog-Azië

De woestijn Gobi of S j a m o beslaat een groot gedeelte van het midden: in het N.W. in de Altai het grensgebergte. In dit aan China cijnsbare land liggen de bronnen van den Irtisj, Obi, Amoer en Jenisseï; op de hooge steppen zwerven Kalmukken en Mongolen met hunne kudden rond.

12) Klein-Boekarije of Oost-Toeran.

De uiterste westelijke bezitting van China, met zeer hooge, koude bergvlakten en vruchtbare streken aan de rivier Tarim.

Jarkand en Kasjgar, hoofdhandelssteden aan den karavanenweg tusschen W. en O. Azië.

13) Tibet, Zuidelijk-Hoog-Azië.

Aan de N.lijke helling en den voet van den Himalaja, het Aziatische Zwitserland, bronnenland van den Hoang Ho, Jantsekiang, Bramapoetra, Ganges en Indus; akkerbouw tot 15,000' hoogte, veefokkerij is echter het hoofdbedrijf; bovendien wol- en andere weverij (merkwaardig zijn de fijnharige geiten).

Dit land is het heilige land van de Boeddaïsten of Lamaïsten, waarvan het algemeene geestelijke opperhoofd, de Dalaï-Lama, in het klooster-paleis te L'hassa woont. Ook deze landstreek is aan China onderworpen, evenals het kleinere

14) B o e t a n.

Een berglandje ten Z. van Tibet, dat gedeeltelijk door de Britten bezet is.

15) To er an.

In het Z. en O. zeer bergachtig, doch naar de Kaspische zee en het meer Aral zeer laag afhelleud; zandige grond met de rijke dalen van de tweeling-rivieren Sir-darja en Amoe-darja of Dzjihon, welke zich in het meer Aral storten; de vlakke streek was waarschijnlijk vroeger een bodem der zee.

De welvaart der gedeeltelijk zwervende doch meestal gevestigde bevolking der verschillende Khanaten (staatjes) bestaat in karavanenhandel, veeteelt en

6

ocr page 19

MIDDEN- OP HOOG- EN NOOttD—AZIË.

landbouw. In den laatsten tijd heeft Rusland hier uitgebreide veroveringen gemaakt ora zijne grenzen te bevestigen.

Boekara is de hoofdhandelsplaats van Midden-Azië. — Samarkand, beroemd door Tamerlan. — Khokan bij den Sir-darja. — Khiwa bij de mondii.g van de Amoe. Het eerste en vierde zijn nog in schijn onafhankelijk, de beide andere zijn reeds in Euslands bezit.

16) De Eaukasische landengte.

Tussohen de Zwarte en de Kaspische zee, met hooge bergstreken, thans ook aan de Eussen onderworpen. — Dit sneeuwgebergte bereikt in den Elbroes 17,300' hoogte; de bekende Ararat (16,000') ligt op de grens tusschen Eussisch-en Turksch-Armenië. De dappere, fraai gevormde Tsjerkessen of Circassiërs woonden aan de oostkust der Zwarte zee, doch hebben zich thans op Turksch grondgebied gevestigd.

Tiflis, aan den Koer, de hoofdstad in Georgië of Grusië. —Eriwan, ten N. van den Ararat, hoofdstad van Kussisch-Armenië.

D. Noord-Azië.

17) Siberië of A z iatisch Buslan d.

Dit beslaat een vierde gedeelte van geheel Azië en is grootendeels met wouden bedekt; in het N. slechts een bevroren moeras. In het Z. omvat het den noordelijken rand van Midden-Hoog-Azië, het Altaïgebergte, het mijnrijke Daoerische Alpenland (waarin het meer Baikal ligt, 1| maal zoo groot als Nederland) en het land ten noorden van den Amoer en, bij den mond, ook ten zuiden daarvan. Het Z.westelijk deel is het steppenland der zwervende Kirgiezen. De meestal heidensche nomaden-volken zijn de Ostiaken, Toengoezen, Jakoeten, Samojeden, Kamtsjatdalen en Tsjoektsjen.

Tobolsk, Omsk, Tomsk, Irkoetsk en Jakoetsk zijn hoofdsteden; — Blagowiëstsjensk en Nikolajefsk, handelssteden aan den Amoer. Op het door eene rij vulkanen doorsneden schiereiland Kamtsjatka de stad Petropaflofskaja. — Het eiland Sachalin behoort insgelijks aan Rusland.

II. AFRIKA.

(544,000 □ m.)

Het zuidelijk schiereiland van het oude vasteland. Geen werelddeel heeft zoo weinig bochten en inhammen en geen ander heeft zulk eene eenvormige oppervlakte. Immers geheel Zuid-Afrika rijst van de kusten terrasvormig op tot een slechts hier en daar door vruchtbare dalen doorsneden hoogland, en bijna geheel Noord-Afrika is ten zuiden van het Atlasgebergte ingenomen door zandige landstreken, welke door veelal naakte gebergten worden doorsneden. — Een deel van het binnenland, vooral in het midden, is nog onbekend, doch zooveel weet men reeds, dat dit werelddeel bijna overal bewoond en veelal vruchtbaarder is dan men voorheen vermoedde. De vlakten verheffen zich trapsgewijze tot hoogland, in het W. in Senegambië en het bronnenland van den Niger (Hoog Soedan), in het O. langs den Nijl en vooraf in het bronnenland van den Blauwen Nijl (Abessinië). In het N. verrijst het Atlas-gebergte uit de vlakte der groote woestijn of Sahara, die van den Atlantischen Oceaan

7

ocr page 20

HOOFDTREKKEN DER AARDRIJKSKUNDE.

tot aan den Nijl als zand- of steenwoestijn voortloopt, ecliter door menigvuldige oasen (vnielitbare plekken gronds) afgewisseld. Het klimaat is zeer eenvormig: in het grootste deel van Afrika kent men slechts twee jaargetijden , een langer droog en een korter regenachtig; alleen op de hoogere bergtoppen heerseht winterkoude. — Hoofd voortbrengselen zijn uit het plantenrijk: dadels, koffie, katoen, gommen en palmolie; uit het dierenrijk: ivoor en struisvederen; uit het mineraalrijk vooral stofgoud. — Veel veeteelt, vooral van den dromedaris of éénbultigen kameel (het schip der woestijn) en goede paarden.

De bevolking, Berbers, Mooren, Arabieren en Kopten, behoort in Noord-Afrika tot het blanke ras. In Midden- en Zuid-Afrika zijn de Negerrassen gevestigd; de meest ontwikkelde zijn de Mandingo's, DzjoloHen en Soedaners in het N.; op veel lageren trap staan de Zuidelijke Kaffers, Hottentotten en Bosjesmannen; de oostelijke Galla's zijn zeer oorlogzuchtig. — De meesten zijn heidenen, in N.-Afrika heerseht echter Mohammeds leer, die dweepzuchtig beleden wordt. In dit werelddeel heeft het Christendom de minste vorderingen gemaakt.

A. Noord-Afrika.

1) Egypte.

Dit smalle doch uiterst vruchtbare Nijl-dal brengt veel rijst, tarwe, dadels en katoen voort. In Opper- en Midden-Egypte wordt het aan beide zijden overal eng begrensd door dorre zandwoestijnen en kale rotsgebergten; Beneden-Egypte (het Delta-land) breidt zich ruimer uit. De regelmatige overstroomingen van de rivier vergoeden den zeldzamen regen. Het land is onder het bestuur van eenen erfelijken Onderkoning (Khedive), die aan den Sultan van Turkije onderhoorig is.

Steden: Het op nieuw bloeiende Alexandrië aan de Middellandsche zee, Kaïro, de hoofdstad aan den Nijl, middelpunt van den handel van Noord-Afrika: nabij Dzjizeh lag het oude Memphis en verrijzen de pyramiden (die van Cheops 450' hoog). — In Opper-Egypte liggen de grootsche ruinen van het honderdpoortige Thebe. In een zijner vroegere tempels ligt het dorp Loeksor. — Aan het nieuw gegraven kanaal van de Middellandsche naar de Roode zee liggen de handelssteden Suez, Ismaëlia en Port-Saïd.

2) N u b i ë.

Dit bestaat uit de trapsgewijs oprijzende landen langs den middelsten loop van den Nijl, welke aan den Khedive van Egypte onderworpen zijn.

De stad Sen na ar, aan den Blauwen Nijl, en waar deze zich met den Witten Nijl vereenigt, Khartoem, het middelpunt van den handel en van het bestuur.

3) Abessinië of Habesj.

Vulkanisch hoog bergland, bronnenland van den Blauwen Nijl (Bahar al Azrek).

De Witte Nijl (Bahar al Abiad) komt uit twee onder den evenaar., dus veel zuidelijker gelegen meren, Albert en Victoria-Nyanza genoemd. Ir. dat land wordt een Christendom gevonden met Oostersehe, Joodsche en Heidensche gebruiken vermengd.

Gondar, bij het hoog gelegen Tsana-meer, is de hoofdstad van één der grootste rijken.

4) Het Atlasland (Barbarij e).

Langs de Middellandsche zee uitgestrekt, grenst dit ten W. aan den Atlan-tischen Oceaan, ten Z. aan de Sahara en ten O. aan Egypte. De kleine Atlas

8

ocr page 21

NOORD-AFRIKA.

verheft zich aan de noordkust, het gebergteland van den Midden-Atlas stijgt in het W. tot den Hoogen Atlas; de Groote Atlas grenst ten Z. aan Belacl oei D z j e r i d, het //dadelland''. De bevolking bestaat uit Berbers ofKabylen (oorspronkelijke bewoners), Arabieren en Mooren, een volk ontsproten uit inboorlingen, Arabieren en vreemden, dat meest vaste woonplaatsen heeft.

De afzonderlijke Staten zijn:

a) Tripolis.

Tarksche provincie met de hoofdstad Tripolis, waarbij zuidelijk de groote dadelrijke oase F e z z a n , met de hoofdstad M o e r z o e k. Het oostelijke hoogland van Noord-Afrika, Barka, dat onder de Grieken en Romeinen bloeiender was dan thans, is eene van de Turken bijna onafhankelijke provincie.

I) Tunis.

Veel kleiner dan Tripolis, doch vruchtbaarder en beter bevolkt. Het is door de Fransehen bezet.

Hoofdstad Tunis, niet ver van het oude Carthago.

c) A1 g e r i ë.

Sedert 1830 Franache bezitting, door zorgvuldige bebouwing langzaam toenemend in gewicht en beschaving; de zuidelijke gedeelten zijn onveilig door de krijgszuchtige Kabylen en nomadische stammen.

Oran, Algiers en Constantine zijn de hoofdsteden der drie gelijknamige provinciën.

d) Marokko.

Afrika's noordwestelijkst deel en tevens het machtigste rijk; de Mohamedaansche bevolking is rijk in allerlei vee.

Marokko en Faz of Fez, volkrijke handelssteden in het binnenland. M o-g a d o r ligt aan den Atlantischen Oceaan en T e t o e a n aan de Middellandsehe zee.

5) De Sahara.

Deze woestijn wordt in twee deelen verdeeld, een zandig westelijk en een rotsachtig oos'.elijk; zij beslaat een oppervlakte zoo groot als | van Europa, met ettelijke vruchtbare oasen, de rust- en verkwikkingsplaatsen voor de karavanen, doch is overigens waterloos. Hier en daar zwerven eenige roofzuchtige stammen rond. Giraften en struisvogels, kudden antilopen en verscheurende dieren.

6) Senegambië.

Terrasvormig gebied van de Senegal en de Gambia; bevat zeer heete maar vruchtbare landstreken, met rijke gom- en palmboomwouden. — Fransche nederzettingen aan de Senegal, Britsehe aan de Gambia.

7) Soedan of Takroer.

Hoog-Soedan in het W., met de bronnen van den Niger (eerst Dzjoliba, dan Majo of Isa, lager Kworra, aan den hoofdmond Noen genaamd) op het Kong-gebergte; niet ver van de handelsstad Timboektoe vloeit deze rivier naar het Z.O. en, na de vereeniging met de oostelijke Binoewé, Z.waarts in de golf van Benin. Zij besproeit eene menigte landbouwende en zelfs vrij beschaafde negerstaten. Laag-Soedan in het O. met het groote meer T s a d is zeer vruchtbaar, goed bevolkt en bevat onder meer rijken ook het groote rijk B o r n o e, welks Sultan een voorstander van beschaving is.

9

ocr page 22

HOOFDTREKKEN DEE AARDRIJKSKUNDE.

B. Zuid-Afrik a.

8) De Oostkust.

Vooral in het N. bijna geheel onbekend, gedeeltelijk onafhankelijk en gedeeltelijk in het bezit:

a. In het noorden, van eenen te Zanzibar gevestigden en veel handeldrijvenden Arabischen Sultan. Het binnenland thans grootendeels door Duitsehland in bezit genomen.

l. In het midden, van Portugal, namelijk de kusten vau Mozambique en Sof al a, tusschen welke beide de rivier de Zambezi, tegenover Madagaskar, in zee uitloopt.

c. In het zuiden, van de Britten: de kolonie Natal een deel van de vruchtbare Kafferkust, met de hoofdstad Pieter-Maritzburg.

9) Het Zuidelijke Binnenland.

Achter Natal liggen de Transvaalsche Staat en de Oranje-Vrijstaat, bevolkt door Kaapsche veeboeren van Nederlandsche afkomst, met uitgestrekte en rijke diamant- en goudvelden en de nog onaanzienlijke steden Bloemfontein, Potchefstroom, Pretoria en Lijdenburg.

Ten W. en ten N. hiervan wonen de ruwe, deels onafhankelijke stammen der Bosjesmannen, Beetsjoeanen en Hottentotten.

10) Het Kaapland.

De zuidelijke zoom van Hoog-Afrika bestaat uit drie bergterrassen, waarvan de onderste de eigenlijke Britsche Kaap-Kolonie uitmaakt, die tot 1806 in het bezit van Nederland was. Dit terras is geschikt voor wijnbouw en schapenfokkerij. Het heeft tot hoofdplaats:

De Kaapstad aan de Tafelbaai, aan den voet van den Tafelberg, in het westen. Port Elisabeth, aan de Algoa-baai, in het oosten.

De twee overige terrassen worden door landbouwers en veeboeren bewoond, die veel te lijden hebben van de naburige oorlogzuchtige Kaffer-stammen.

11) De Westkust.

a. Neder-Guinea [ginéa] tusschen kaap Negro en den aequator, zeer arm aan water, ongezond en weinig bekend. De slavenhandel heeft de bevolking zeer gedund. In het gebied van den Congo is de Congo staat gesticht, hoofdplaats V i vi.

De Portugeezen bezitten de landschappen: Angola en Benguèla met de steden San Paolo de Loanda en San Eelipe de Benguela.

I. Opper-Guinea, ten W. van den Niger, ten Z. van het Konggebergte, eindigt met de Siërra Leone-kust met de stad Ereetown [frietaun], eene stichting der Engelschen voor bevrijde negerslaven; met gelijk doel hebben de Noord-Amerikanen op de daaraan grenzende Peperkust de negerrepubliek Liberia gesticht met Monrovia. Oostwaarts volgt de Ivoorkust, de Goudkust, met bezittingen der Britten (vroeger ook der Nederlanders en anderen, waarvan St. George del Mina en Cape Coast Castle [keep koost kess'1] de hoofdplaatsen zijn); eindelijk de Slavenkust. Onder de negerstaten is die der Asjanti de voornaamste.

Tusschen Neder-Guinea en het Kaapland is de kust in bezit genomen door Duitsehland, dat zich ook vestigde aan de kust van Opper-Guinea en te Kameroen aan de golf van Benin.

10

ocr page 23

DE EILANDEN OM AFRIKA. — EUROPA.

C. De eilanden om Afrika.

1) In den Indischen Oceaan; Madagaskar; een der grootste eilanden ier wereld, goed bevolkt en bebouwd; onder inlandsche vorsten, die min of meer afhankelijk zijn van Frankrijk. Ten O. hiervan de Maskareensche eilanden: Reunion (vroeger Bourbon), Fransch, en Mauritius (vroeger een tijdlang Isle de France), Britsch, beide vruchtbaar en sterk bevolkt.

3) In de golf van Guinea of Benin; de Guinea-eilanden, vooral St. Thomas, Portugeeseh.

3) In den Atlantischen Oceaan: St. Helena (tot 1840 Napoleons grafplaats) ten N. W. hiervan Ascension, beide Britsch. Tegenover Senegambië de Kaap-Verdische eilanden, Portugeeseh. Noordelijker de Kanarische eilanden, met de piek van Teneriffe (eenen 11,000' hoogen vulkaan) en het kleine eiland Ferro (waardoor bekend?), Spaansch. Tegenover de Middel-landsche zee liggen de Azoren of Westersche eilanden; nader bij de Marokkaansehe kust Madeira en Porto Santo, allen bezittingen der Portugeezen.

III EUROPA.

(180,000 □ m.).

Geen der overige werelddeelen heeft eene zoo voordeelige vorming als het onze, zoowel door de diepe inhammen die door den omringenden Oceaan gevormd worden, als door de rijke verscheidenheid der verheffing van den grond. Aan de grens van Azië verrijst de Oeral; in het Zuiden het hooge gebergte der Alpen, waarvan het westelijke gedeelte zieh aan de Apennijnen aansluit. Gebergten van middelmatige hoogte omringen de Alpen in het W., N. en O.; de Karpaten in het O. zijn daarvan het hoogst. Meer afgezonderd verheffen zieh ten W. de Pyreneën en het Iberische hoogland, in het N. het Skandinavische bergland en het bergland van het Balkanschiereiland in het zuidoosten. Aan de Europeesche middelgebergten grenst in het N. en O. eene lage vlakte, de Noord-Duitsche ten westen-, de Sarmatische (Eussische) ten oosten van den Weichsel. Door de volgende inhammen maakt de zee Europa tot een rijkgeleed werelddeel:

Als deel der Noordelijke IJszee: 1) de Witte zee :

Als deelen van den Atlantischen Oceaan ; 2) de lersche zee; 3) de Noordzee (met het Kattegat); 4) de Oostzee (met de Bothnische en Finsehe golven); 5) de Biscaïsehe golf; 6) de Miüdellandsehe zee, waarvan de afzonderlijke deelen zijn: a) de Tyrrheensche of Tosoaansehe zee; i) de Adriatisehe zee; c) de Ionische zee; d) de Egeïsche zee of Archipel, die door de straat der Dardanellen (Hellespont) eerst met de Voorzee (Propontis) of zee van Marmara en deze weder door de straat van Constantinopel (Bosporus) in verbinding staat met e) de Zwarte zee en de Zee van Azof.

De grootste rivieren zijn: de Wolga; lang 470 m., Donau, 375 m., Dnjepr, 270 m.. Don, 230 m., Elbe, 156 m., Rijn, 165 m., Weichsel, 142 m,, Loire, 125 m.

De meeste en grootste meren liggen in de groote oostelijke vlakte, voorts in Skandinavië en aan den voet der Alpen.

De gunstige gesteldheid van bodem en van klimaat maakt Europa niet alleen geschikt om de gewichtigste voedingsmiddelen voort te brengen, maar bevordert ook wetenschap en kunst, en geeft aan dit kleine werelddeel door de beschaving

11

ocr page 24

hoofdtrekken deb aardrijkskunde.

de heerschappij over de helft van het geheele menschdom. Bijna overal en vooral in Midden-Europa heeft de bewoner partij getrokken van die natuurlijke vruchtbaarheid en heeft vlakten en dalen tot rijke graanakkers of grazige weiden gemaakt; de toppen en hellingen der bergen, waar zij niet tot de gure sneeuwgewesten oprijzen, zijn veelal met bossehen bedekt. Terwijl pelsdieren, hout, teer, traan en allerlei visschen tot de hoofdprodukten van het koude N. behooren, is Midden-Europa door de gematigde luchtgesteldheid de voorraadkamer van granen, oliezaden, aardappelen, vee, boter en kaas, ooft, wijn en van vele andere nuttige voortbrengselen, waaronder ook timmerhout eene aanzienlijke plaats bekleedt; het wanne Z. is weder belangrijk door de olijfolie, zijdeteelt (moerbezieboom) en zuidvruchten : zooals chinaasappelen, vijgen , rozijnen, krenten, kastanjes, ook de wijn is daar krachtiger dan in de gematigde luchtstreek. De rijkdom aan gewassen en vee wordt bovendien nog aanmerkelijk vergroot door de opbrengst der mineralen, die in het O. en W., het N. en Z. van het werelddeel voorkomen. Steenkolen, ijzer, tin en lood in het midden en W., goud in het uiterste O., koper en ijzer in het N., kwik, zwavel en marmer in het Z., zijn de voornaamste schatten, die de schoot der aarde bevat.

De bevolking behoort tot twee rassen : het grootste deel tot het blanke Indo-Germaansche of Kaukasische, 285 mill., en slechts 15 mill, tot het Mon-goolsche.

A. Zuid-Europa bevat: 1) Het Balkan-schiereiland (Turkije, Griekenland, Bulgarije en Oost-Eoemelië, Roemenië, Servië, Bosnië en Herzegowina, Montenegro); 2) het Italiaansche schiereiland); 3) het Iberische schiereiland (Spanje en Portugal).

B. Midden-Europa bevat: 4) Frankrijk; 5) Zwitserland; 6) Luxemburg; 7) België; 8) Nederland; 9) De Britsche eilanden; 10) Het Duitsehe Rijk; 11) Oostenrijk-Hongarije.

C. Noord- en Oost-Europa bevat: 12) Denemarken; 13) Het Skandinavische schiereiland (Zweden en Noorwegen); 14) Rusland.

Zuid-Europa.

1) Het Griekseh-Turksche Schiereiland.

De Dinarische Alpen, de Hem us of Balkan, deSkardus of Tsjar-dagh, en de Find us zijn enkele van de voornaamste gebergten. De Donau vormt de noordelijke grenzen; welke zeeën de overige grenzer. ?

A) Het Osman ische Rijk in Europa, Turkije, neemt na de gebeurtenissen van het jaar 1878 nog slechts een klein deel van dit schiereiland in, zoo groot als ongeveer T\ van Duitschland, maar met TV der bevolking. Moham-medaansch is wel de heerschende bevolking, maar het grootste deel der bewoners behoort tot de Grieksche kerk. Heerlijk klimaat en vruchtbare grond, doch weinig welvaart. Tarwe en maïs, vijgen en rozijnen, dadels, noten, olie (ook rozenolie) en eenig vee worden in den handel gebracht.

Constantinopel (oudt. Byzantium), hoofd-, residentie- en belangrijke handelsstad aan de uitwatering der Zwarte zee. — A drianopel, aan de Maritsja, als fabriek- en handelsstad van gewicht. — Salonika (oudt. Thessalonika), handelshaven aan eene golf der Egeïsche zee.

Onder de Europeesche eilanden van T u r k ij e is Kandia of Kreta het belangrijkste.

13

ocr page 25

ZUID-EUROPA.

B) Het koninkrijk Griekenland, sedert 1832. Van het noorderdeel, Thes-salie en liet bergachtige L i v a d i a, voert de landengte van Korinthe (Isthmos) naar het niet minder ruwe schiereiland Morea (Peloponnesus), welks midden door het hoogland van Ark a die ingenomen wordt. De bebouwing van den grond wordt verwaarloosd, zelfs in de vruchtbare streken, die nochtans niet bijzonder uitgestrekt zijn. In 1863 zijn ook de Ionische eilanden er bijgevoegd., die niet het minst belangrijke gedeelte uitmaken. Olie, krenten, zout, zijde en wijn worden uitgevoerd.

In de Egeïsche zee de eilanden Negro pont of Euboea, eenige der Cykladen en Sporaden. — De hoofdstad en residentie is Athene. — Op het eiland Syra, eene der Cykladen, ligt de handelsstad Her mo po lis. — Op het schiereiland Morea de sterke havenstad Nauplia, aan de golf van dien naam. — Op de Ionische eilanden is Korfoe de voornaamste handelshaven.

C) Het koninkrijk Roemenië bestaande uit de vruchtbare, vooral zeer vee-rijke provinciën; Moldavië met de hoofdstad Jassy [jassji] en Walachije met de hfdst. Boekarest. — Het koninkrijk Servië, met de hfdst. Belgrad, vesting aan de Donau en San. — Het vorstendom Montenegro, met de hfdst. Cettinje. — Dit zijn allen zelfstandige staten; maar het vorstendom Boelgarije, met de hfdst. Sofia en de provincie Oost-Roemelië, met de hfdst. Phi-lippopel zijn den Sultan schatplichtig; Bosnië en Herzegowina zijn door Oostenrijk in bezit genomen en ontwikkelen zich snel.

2) Het Italiaanscho Schiereiland.

Eene in de Middellandsche zee uitstekende landtong, in de richting van het N.W. naar het Z.O. Als noordgrens de met sneeuw bedekte Alpen keten met den Montblanc (14,800') en den Monte-Eosa. Ten Z. der Povlakte deelen de Apennijnen het schiereiland in twee helften; het gebied van den Tiber en van den Arno behoort tot de westzijde. Het klimaat is heerlijk, vooral rondom de Lombardische meren; Lago maggiore (madzjiore), di Como en di Garda. Midden- en Zuid-Italië zijn echter op vele plaatsen ongezond door de uitdampingen der moerassen bij de monden der rivieren. Het land is, bij slechten aanbouw vooral in het Z., toch rijk aan rijst, maïs, zuidvruchten en zijde; daarentegen is de uitmuntende bebouwing van den grond in de noordelijke vlakten (Lombardije enz.) vermaard. Zwavel is een voornaam artikel van uitvoer van Zuid-Italië.

Het koninkrijk Italië bestaat uit de navolgende landen;

1) Het voormalige koninkrijk Sardinië, de meest ontwikkelde staat, met de steden:

Turijn (Torino), aan den Po; Genua, zeehaven; Alessandria, sterke vesting aan den Tanaro; Gagliari [kaljiari] op het eiland Sardinië.

2) De op Oostenrijk veroverde provincie Lombardije, rijk bebouwd en bevolkt, met de steden :

Milaan (Milan o) en Pa via, aan den Ticino [tietsjino], en Cremona aan den Po.

3) Het Venetiaansch Koninkrijk, in 1866 door Oostenrijk afgestaan, tusschen den Po, de Adriatische zee en de Alpen; vruchtbare vlakte, met de steden;

Mantua, Verona, Padua en Venetië, de stad der lagunen, wier tallooze paleizen van vroegere grootheid getuigen.

4) De voormalige hertogdommen P a r m a en Modena, met de steden:

P a r m a, M o d c n a. Beroemde marmergroeven bij C a r r a r a.

13

ocr page 26

HOOFDTREKKEN DER AARDRIJKSKUNDE.

5) Het voormalige hertogdom Toscane, met de steden:

Firenze [-entze] (in het Fransch Florence), prachtig gebouwd en gelegen, Livorno, handelsstad, Pisa en Lucca [loekka].

6) Het grootste gedeelte (N. en O.) van den voormaligen Kerkdijken Staat met de steden:

Bologna [-nja], hare akademie is de oudste Christelijke van Europa, en Ancona, zeehaven aan de Adriatische zee.

7) Het voormalige Erfdeel van St. Pieter.

Rome, wereldberoemd, zetel van den Paus en hoofdstad van geheel Italië. — Civita Vecchia (tsjivita vekkia], Rome's zeehaven.

8) Het voormalige koninkrijk der Beide Siciliën, op het vasteland en op het eiland van dien naam, met de steden:

Napels, de volkrijkste stad van geheel Italië; niet ver van daar de Vesuvius (3900'). — Palermo en Messina zijn de groote handelssteden op het eiland Sicilië; de Etna (10,000').

Het eiland Malta behoort aan Groot-Britannië, dat daardoor de Middellandsche zee beheerscht.

3) Het Iberische Schiereiland.

Aan de zijde van Frankrijk de hooge Pyreneeën (Maladetta) (10,500'), in het Z.O. de hooge Siërra Nevada („sneeuwgebergtequot;) tot boven de 10,000'. Het hoogland van Oud-Castilië ten N. van het Castiliaansch scheidingsgebergte, en dat van Nieuw-Castilië ten Z. daarvan, beslaat het grootste gedeelte van het land. Behalve de Ebro behooren de groote rivieren allen tot het gebied van den Atlantischen Oceaan: de Douro of Dnëro, Taag of Tajo Ltag0]gt; 'Guadiana en de Guadalquivir, die de vruchtbare vlakte van Andalusië doorstroomt. Door de roekelooze slooping der bosschen valt er in het binnenland minder regen dan vroeger en zijn vele vruchtbare streken tot dorre woestenijen vervallen. Toch levert de grond noch onderscheidene artikelen tot uitvoer op, zooals: tarwe, zuidvruchten, wijn, olie, zijde, verfstoffen, kurk, zout en metalen.

A. Het koningrijk Spanje, bijna ^ van het geheele schiereiland, met:

De hoofd- en residentiestad Madrid. — Sevilla [sevielja] en Córdova aan den Guadalquivir. — Cadiz [kadiez], beroemde zeehaven in het Z.W. — Malaga, wijnhandel. — Barcelona, eerste zeehaven, aan de N.O.kust — De zuidspits, met de vesting Gibraltar, is sedert 1704 Britsch. — De Balearische eilanden Mallorca [maljorka] en Menorca.

B. Het koninkrijk Portugal, het westelijke kustland van het Iberische schiereiland, heeft minder hooge gebergten en is daardoor zachter van klimaat dan Spanje.

De hoofdstad en voornaamste zeehaven is Lissabon, prachtig gelegen op den rechter-oever van den Taag.—Oporto „de haven,quot; aan den mond van den Douro, wijnhandel. — Setübal [setoeval] of St. Ubes, zout-uitvoer.

B. Midden-Europa.

4) Frankrijk.

Sedert 1870 een republiek. De grenzen zijn: in het W. de Atlantische Oceaan, in het N. het kanaal (la Manche), de Noordzee en België, in het O. Duitschland, Zwitserland en Italië, in het Z. de Middellandsche zee en Spanje. Grensgebergten zijn in het Z. de Pyreneeën, in het O. de W e s t e 1 ij k e Alpen, de Zwitsersche Jura (tusschen Genève en Basel) en de V o s g e s.

14

ocr page 27

MIDDEN-EUKOPA.

Niet ver van de Middellandsclie zee verheft zich noordwaarts het Fransche Middelgebergte, waartoe o. a. de Ce vennes en het Hoogland van Auvergne behooren. Van de rivieren vloeien N.W.waarts: de Seine in het Kanaal, de Loire en Garonne in den Atlantischen Oceaan en de Rhone Z.waarts in ce Golfe du Lion.

Een heerlijk klimaat en een grootendeels vruchtbare grond verschaffen dit rijk eene groole verscheidenheid van voortbrengselen (wijn, graan, olie, zijde en vee), en maken het tot een der schoonste landen van Europa; doch de onrustigheid der overigens nijvere bevolking (modewaren, manufakturen, galanteriën) staat vaak de ontwikkeling der algemeene welvaart in den weg.

Parijs (Paris) (ruim 2 mill, inw.), fraaie hoofd- en eerste fabriek- en handelsstad, aan de Seine. — Versailles [-ssalje], voormalige residentie. — Kou en, met katoenfabrieken, aan de Seine. — Orleans en Nantes, beide aan de Loire. — Le Havre, handelsstad aan den mond der Seine. — Bordeaux, handel, vooral in wijn, en Toulouse, beide aan de Garonne. — Marseille, met groeten handel en nijverheid in modewaren en galanterieën, en Toulon, gewichtige oorlogshaven, beide aan de Middellandsche zee. — Lyon, aan de Ehóne, met zijdefabrieken. — Galais, sterke vesting, aan de zeeëngte tegenover Engeland. — Tot Frankrijk behoort het eiland Corsica in de Middellandsche zee.

5) Zwitserland.

Een tusschen Frankrijk, Italië en Duitschland gelegen Statenverbond van 22 kantons, bijna geheel bergland. In het Z. de besneeuwde Alpen met den St. Gotthardt als middelpunt, waarvan de Eijn met zijne zijtakken de Aar en de Eeuss naar het N., de Rhone naar het W. en de Tessino naar het Z. in de Po vloeien. Te midden der Berner-Alpen verrijzen de Finster-Aarhorn en de Jungfrau tot 13,000'. Van de heldere Alpenmeren, het sieraad van het schoone land, zijn de aanzienlijkste: in het Z.W. het meer van Genève of Lac Leman, in het N.O. het meer van Gonstanz of de Bodensee, in het W. het meer van Neuchatel, in het midden het meer van Zurich en het Vierwaldstadtermeer, dat de vier oude woudkantons Uri, Schwyz [sjwiets] , Ürt er walden en Lucern bespoelt.

De nijverheid der bevolking toont zich in de alom bekende manufakturen, kanten, horlogiën, die grootendeels op het platteland worden vervaardigd; ook de landbouw en vooral de veeteelt worden met voorbeeldige zorg uitgeoefend.

De gewichtigste steden zijn: Basel, Zürich, Bern (de hoofdstad) en Genève.

6) Luxemburg.

Tusschen België, Frankrijk en Pruisen, in het Moezelgebied en het Ardenner-woud, met de hoofdstad Luxemburg. Het heeft belangrijke ijzermijnen. De koning van Nederland is ook het hoofd van dit Groot-Hertogdom, dat thans geen deel meer uitmaakt van Duitschland.

7) België.

Een koninkrijk sedert 1831; tusschen Frankrijk, Duitschland, Nederland en de Noordzee. Slechts in het Z. en O. is het bergachtig door de Ardennes, en wordt besproeid door Maas en Schelde. Het is een vruchtbaar, uitmuntend bebouwd en het dichtst bevolkte land van Europa, tevens bloeiend door fabrieksnijverheid en steenkolen- en ijzermijnen. De bevolking spreekt in het W. en N. meest Vlaamsch, een tongval van het Nederduitsch, in het O. en Z. uitsluitend Fransch (Walen of Walons).

15

ocr page 28

hoofdtrekken der aardrijkskunde.

De hoofd- en residentiestad Brussel heeft met de uitgebreide voorsteden ruim 395,000 inw. — De belangrijkste handelsstad is Antwerpen aan de Beneden-Schelde. — De gewichtigste fabrieksteden zijn Gent, ook aan de Schelde, en Luik, aan de Maas. — In aanzien volgen dan nog in het W., Brugge, fabrieksstad, en Ostende, zeehaven en badplaats, in het N. Mechelen en Leuven, in het O. Verviers en Namen, in het Z. Mons, Doornik en Kortrijk, meest allen fabrieksteden.

8) Nederland.

Sedert 1815 een koninkrijk, begrensd door België, Pruisen en de Noordzee, welke hier de Zuiderzee vormt. Door dijken en duinen worden die gedeelten van dit land, welke aan de zee ontwoekerd zijn, behouden. Talrijke kanalen vermeerderen de natuurlijke waterwegen, die door de menigvuldige monden van Rijn, Maas en Schelde gevormd worden. Het gemakkelijke verkeer te water gat' reeds vroeg, toen de kunst, die de landwegen baande, nog sluimerde, aan dit kleine land een voorrecht boven andere landen en schiep uitgebreiden handel en groote welvaart, terwijl de door het vette, vruchtbare bezinksel der rivieren gevormde landerijen tot bebouwing en veeteelt uitlokten.

Het is verdeeld in 11 provinciën:

1) Nooru-Holland. De rijkste provincie, met de steden:

Amsterdam, met ruim 3ö6,000 inw., hoofdstad van het rijk, van den handel en van verschillende fabriekmatige bedrijven, vooral suikerraffinaderijen en diamantslijperijen. — Zaandam, met zijne menigte pel-, olie-, papier- en houtzaagmolens. — Haarlem, fabrieksstad, aan het Spaarne, tevens hoofdstad der provincie, Amsterdams buitenplaats. — Alkmaar en Hoorn, middelpunten van den kaas- en veehandel. — Purmerende, Edam en Monnikendam, kleinere steden ten N. van Amsterdam. — Medemblik en Enkhuizen, kwijnende zeehavens aan den N.O.lijken uithoek. — Nieuwediep, tegenover Texel, aan den mond van het Noord-Hollandsche kanaal, de beste zeehaven, vereenigd met den Helder. — Oostelijk van de hoofdstad: Weesp, Muiden en Naar den, kleine bevestigde steden, en het dorp Hilversum met tapijt-fabrieken.

Hierbij ten N. de eilanden Texel, Vlieland en Terschelling.

In de Zuiderzee: Wieringen, Marken en Urk.

3) Zuiu-Holland. Met liet sterkst bevolkte platteland, met de steden: 'sGravenhage, de fraaie hofstad en hoofdplaats der provincie, met de zeebadplaats Scheveningen, 140,000 inw. — Leiden, aan den Ouden Rijn, hoogeschool, wolfabrieken en drukke markten. — Delft, eens het verblijf, thans de grafplaats der vorsten, middelpunt van boter-en kaashandel. — Schiedam, met jeneverstokerijen. — Rotterdam met oud-Delfshaven, aan de Nieuwe Maas, met 170,000 inw., den bloeiendsten handel en tal van fabrieken. — Dordrecht, aan de Merwede, de oudste der Hollandsche koopsteden; veel houthandel. — Zetels van de haringvisscherij: Vla ar din gen en Maassluis, beneden Rotterdam aan de Maas. — Goriuchem, nabij de vereenig.ng van Maas en Waal, met drukke markten evenals Gouda, aan den Hollandsehen IJsel. — Nog kleiner zijn: Woerden aan den Ouden Rijn, Oudewater aan den IJsel, Schoonhoven aan de Lek en Leerdam aan de Linge.

Hierbij ten Z. de rijkbebouwde eilanden Rozenburg, IJselmonde en het eiland van Dordrecht. — Voorne (met de steden Brielle en Hellevoetsluis), Putten en de Hoeksche Waard. — Goeree en Overflakkee, thans één eiland.

16

ocr page 29

middek-europa.

3) Zeeland. Met den vetsten grond; op de eilanden:

Schouwen (met de steden Brouwershaven en Zieriksee), Duiveland en Tholen. — Walcheren, Zeelands tuin, thans met Z.-Beveland door spoorwegdammen aan het vasteland verbonden (met Middelburg, de hoofdstad, en Vlissingen, zeehaven). — Noord- en Zuid-Beveland, met de marktplaats Goes; — voorts een gedeelte vastland: Zeeuwsch Vlaanderen, waarin Hulst, Axel, Aardenburg, Sluis, Oostburg en de versterkte haven Ter Neuzen aan de Wester Schelde.

4) Noordbbabaivt. De grootste provincie, met de steden:

's Hertogenbosch, hoofd- en voornaamste stad der provincie, waar de Dommel en Aa zich tot Dieze vereenigen. — Tilburg, wolfabrieken. — Breda, met een kasteel, thans het gebouw der militaire akademie. — Bergen op Zoom, bij de Schelde, vroeger sterke vesting. Ten Z. van de hoofdstad de belangrijke fabrieksplaatsen Boxtel, Eindhoven en Helmond. — Langs de Maas liggen in het N. de versterkte plaatsen Grave, Heusden aan eenen arm der Maas, Woudrichem, Geertruidenberg en Willemstad. — Steenbergen, Rozen daal. Zevenbergen en Oos-t e r h o u t liggen meer binnenwaarts.

5) Utrecht. De kleinste provincie, maar in het hart van het rijk.

Voorn, steden: Utrecht, aan de verbinding van den Vaartschen- en den

Krommen Eijn met de Vecht en den Ouden Rijn, levendige handels- en fabrieksstad, hoogeschool. — Amersfoort, waar eenige beken den Eem vormen; veel tabaksbouw in de richting van R h e n e n aan den Rijn. — W ij k b ij Duurstede, iets lager aan deze rivier. — IJ s e 1 s t e i n aan den Holland-schen Usel.

6) Gelderland. Met de schoonste natuur.

'Voorn, steden: Het bloeiende, bijna geheel vernieuwde Arnhem, hoofdstad aan den Rijn. — Nijmegen, vesting aan de Waal. — Zutfen, waar de Berkel in den Usel valt. — Noemenswaard zijn ook Tiel en Bommel aan de Waal. — Wageningen aan den Rijn ligt aan den zuidelijken zoom, N ij k e r k, H a r d e r w ij k, E 1 b u r g en H a 11 e m aan den noordelijken zoom der dorre Veluwe, en het volkrijke dorp Apeldoorn als eene oase midden in. Hierbij het vorstelijke lustslot het L o o. — Rechts van den Usel liggen nog Doesburg, Doetichem, Lochem, Groen lo en de aanzienlijke dorpen A a 11 e n en W i n t e r s vv ij k.

7) Overijsel, paart nijverheid aan landbouw, met de steden:

Deventer, waar de Schipbeek in den Usel valt. — Zwolle, hoofdstad

aan het Zwarte Water, dat zich met de Overijselsche Vecht vereenigt. — Kampen, bij den mond van den Usel. — Goor, Hengelo, Enschede, Oldenzaal, Ootmarsum en Almelo, kleine, maar bedrijvige fabrieksplaatsen.

8) Drente, het armst in bevolking; het rijkst in hooge venen. — Assen, ds nette hoofdstad, ligt in het N. — De marktplaats Meppel, de veenkolonie Hoogeveen en de voormalige vesting Koevorden in het Z.

9) Friesland. Met de uitgestrektste en schoonste weiden. Hierin de steden:

Leeuwarden, hoofdstad, waar half Friesland ter markt gaat. — Franeker,

welvarende landstad. — Harlingen, door den handel zich vernieuwend. — Bols ward en Sn eek, welvarende marktplaatsen in het W., gelijk het vlek Heerenveen in het Z. — Dokkum in het N.O. — De eilanden Ameland en Schiermonnikoog behooren tot dit gewest.

17

2

ocr page 30

hoofdtrekken der aardrijkskunde.

10) Groningen. Het best bebouwd. Met de steden:

Groningen, akademie- en handelsstad, waar het Hoornsche en Schuitendiep zich vereenigen tot Eeitdiep, dat in de Lauwerszee valt. — Delfzijl, haven aan den Dollart. — Appingedam, Winschoten, Veendam, Wil-dervank, Sappemeer en Hoogezand zijn aanzienlijke vlekken (de vier laatste zoogenaamde veenkoloniën).

Tot deze provincie wordt het eilandje Rottum gerekend.

11) Limburg, langs de oevers der Maas, behoort staatkundig tot Nederland, natuurkundig tot België. Met de steden:

Maastricht, de hoofdstad aan de Maas, de zuidelijkste Nederlandsche stad; in de nabijheid de eeuwen lang voor bouwsteen uitgeholde St. Pietersberg. — Roermond en Venlo, nijvere steden aan den rechter Maas-oever. — Sittard in het Z. en Weert in het W. zijn van minder belang.

9) Groot-Britannie en Ierland.

Een koninkrijk, dat uit de landstreken Engeland, Schotland en Ierland is samengesteld en uit twee groote en vele kleinere eilanden bestaat. Tot grenzen heeft het in het N. en W. den Atlantischen Oceaan, in het O. de Noordzee, in het Z. het kanaal; tusschen Engeland en Ierland de lersche zee. Het is ruim 9^ maal grooter dan ons land en heeft ruim 35 mill. inw. — De vlakke deelen van het land zijn naar het vaste land gekeerd. Het gebergte ligt in het W. en het N.: het P e a k-[piek]gebergte in Engeland, het Grampian [grempiënjgebergte in Schotland. — Niettegenstaande den korten loop der rivieren worden zij spoedig bevaarbaar en zijn zij hierdoor en door de diepe insnijdingen der kust aan veler monden als voor handel en scheepvaart gevormd, vooral de Theems en de Humber, in Ierland de Shannon [sjenn'n]. — Het land is rijk aan steenkolen en ijzer, tin, koper en lood, zeer vruchtbaar, en vooral in Engeland uitnemend bebouwd. De Britten zijn nog de eerste fabrikanten en kooplieden der wereld. De grootste steden zijn:

In Engeland: Londen, aan de Theems, de grootste stad en eerste handelsplaats der aarde, met 4 mill. inw. — Greenwich [grennitsj], bekende sterrewacht. — Brighton [brait'n], zeebadplaats. — Portsmouth [poorts'muzh] en Plymouth [plim'muzh], beide oorlogshavens aan de Z. kust. — Bristol [brist'1], aan de Avon [evvun]. — Birmingham [burming'em], Wolverhampton, Leicester [les'ster], Derby, Stoke, Stockport, Norwich [nórritsj], Sheffield [sjef-], Leeds [lieds] en Manchester [mentsj'ster] zijn alle aanzienlijke fabriekssteden. — Liverpool [livverpoel], tweede handelsstad van Engeland, aan de Mersey. — Hull, aan de Humber, Sunderland en Newcastle [njoekas'1], aan de Tyne, ook handelssteden op de O.kust. — Merthyr-Tydvill, de grootste stad van Wales [oeëels], Engelands westelijkste deel.

In Schotland: Edinburg, hoofdstad. — Glascow [glesko], aan de Clyde, sterk bloeiende fabrieksstad.

In Ierland: Dublin, hoofdstad, Waterford [oeóterfurd], Cork, Limerick en Belfast [belfest], allen fabrieks- en handelssteden.

In het N. de groepen der Hebriden, Orkadische en Shetlandsche eilanden in den Atlantischen Oceaan; in het Kanaal de Normandische eilanden en Whigt [oeait], in de lersche zee Angle sea [eng'lsie] en Man [men].

10) Het Duitsche Bijk.

Dit Keizerrijk bestaat uit 26 verschillende staten, begrensd door Noord- en Oostzee, Rusland, Oostenrijk, Zwitserland, Frankrijk, België en Nederland.

18

ocr page 31

MIDDEN-EUROPA.

Tot aan eene lijn, denkbeeldig getrokken in de richting van Minden aan de Weser naar Krakau, wordt het land door talrijke en lange bergketens doorkruist. Tot het hoogste dier gebergten behoort het Schwarzwald, langs den Midden-Kijn, welks hoogste top, de Peldberg (4000') in hoogte alleen overtroffea wordt door den Reuzenkop (4950') in het Reuzengebergte, de hoogste keten der Sudeten, het oostelijkste gebergte van Duitschland. Aan de grens van de Noordduitsche lage vlakte, die ten N. van gemelde lijn ligt, rijst het Harz-gebergte met den Broeken of Bloksberg tot 3500'. Het geheele stelsel is bekend onder den naam van „het Duitsche Middel-Gebergtequot;.

Rivieren, naar de Zwarte zee: de Donau met den Lech, Isar en Inn r., den March 1.; — naar de Noordzee: de Rijn met de Moezel 1., met den Neckar en den Main r.; de Ems, in den Dollart; de Weser, uit de Werra en Fulda; de Elbe, met de Havel r.; de Mulde en Saaie 1.; — naar de Oostzee: de Oder, met de Warthe r.

Onder de landen van Europa brengt Duitschland het meeste zilver en zink voort, de fijnste schapenwol, den Rijnwijn, en, door de groote massa steenkolen langs den geheelen noordrand van het Middel-Gebergte, en de kunstvlijt der inwoners, allerlei fabrieksgoederen.

I. Pruisen.

Dit koninkrijk beslaat het grootste gedeelte van Duitschland, van de Neder-landsche en Belgische grenzen tot aan de Russische; enkele kleinere staten van het Duitsche rijk worden door het Pruisische grondgebied ingesloten. Het is verdeeld in de 8 oude provinciën en de in 1866 daarbij gevoegde 3 gewesten Hannover, Sleeswijk-Holstein en Hessen-Nassau (Keurhessen, Nassau, Hessen-Homburg en de Vrije stad Frankfort), benevens de kroonlanden Lauenburg en Hohenzollern. Door deze vermeerdering, gepaard aan den invloed des Konings als Keizer van Duitschland, is het thans de machtigste staat van het vasteland van Europa. Het westelijkste deel is voor de helft bergachtig, het oostelijkste behalve in het Z. geheel vlak. Van de groote rivieren behoort alleen de Oder bijna geheel tot dien staat, de Weichsel in het benedenste deel van haren loop, het beste bevaarbare deel van de Elbe, de Weser bijna geheel, en de Rijn in het W. in zijnen middelsten loop.

Ofschoon de grond niet overal even vruchtbaar is, wordt hij uitnemend bebouwd; granen, beetwortelsuiker, wijn, hout en vee (vooral beste schapen) zijn de hoofdvoortbrengselen; de mijnwerken in de bergachtige streken leveren voornamelijk steenkolen, ijzer en zink (zie boven); bovendien heeft de nijverheid eene groote vlucht genomen, vooral wat betreft het verwerken van metalen en katoenen en wollen stoffen. Het onderwijs staat op zeer hoogen trap.

1) Provincie Brandenburg, aan de Oder (met de Warthe) en de Elbe met de liavel (Spree).

Oder-gebied: Frankfort, aan de Oder.

Elbe-gebied ; Berlijn (Berlin), bloeiende rijkshoofdstad met 1,316,000 inw. — Charlottenburg, aan de Spree. — Devesting Span da u, Potsdam en Brandenburg, alle drie aan de Havel.

2) Prov. Po mm eren, aan de Oostzee en de Oder, de minst bevolkte provincie, met het eiland R ü g e n.

Stettin, hoofdstad, handelsplaats en vesting, aan de Oder. — Stral-s u n d, aan zee.

3) Prov. Pruisen, de grootste provincie, aan de Oostzee. De Memel met het Kurische Haft', de Pregel en Weichsel met het Frische Haff.

In Oost-Pruisen: Memel aan zee en aan het Kurische Haff. —

19

ocr page 32

HOOFDTREKKEN DER AARDEIJKSKUNDE.

Tilsit, aan den Memel. — Koningsbergen (Königsberg), hoofdstad aan den Pregel.

In West-Pruisen: Danzig, handelsstad aan den mond der Weich-sel. — Elbing, met handel en fabrieken. Tegenwoordig zijn Oost- en West-Pruisen weder afzonderlijke provinciën.

4) Prov. Posen, dwars over de Netze en Warthe, van de Weichsel tot nabij de Oder.

Posen, hoofdstad aan de Warthe. — Bromberg, aan de Poolsehe grenzen.

5) Prov. Silezië (Schlesiën); het meest bevolkt, vol fabrieken. De Oder stroomt er door heen, het Eeuzengebergte en de Sudeten begrenzen het aan de Boheemsche grenzen.

Aan de Oder; Eatibor, Breslau, nijvere hoofdstad, en de vesting G 1 o g a u.

Links van de Oder: Görlitz, aan de Lausitzer Neisse, grootste stad na Breslau.

6) Prov. Saksen, Elbeland, dwars over de Elbe, Saaie en Unstrut; gedeeltelijk in den Harz en het Thüringerwald.

Magdeburg, hoofdstad, en Wittenberg, vestingen aan de Elbe; Halle, aan de Saaie; Erfurt, vesting.

7) Prov. Hannover; voormalig koninkrijk, tusschen het Harzgebergte, de Noordzee, Nederland en de Elbe.

In het Ems-gebied: Era den, zeehaven aan den Dollart, en Osnabrück.

In het Wreser-gebied: Hannover, hoofdstad, enGöttingen, akademie-stad, beide aan de Leine.

In het Elbe-gebied: L u n e b u r g.

8) Prov. Sleeswijk-Holstein en Lauenburg, tusschen Elbe en Eider, Oost- en Noordzee, met de steden Altona, aan de Elbe naast Hamburg, en Kiel aan de N.O.kust; het behoorde tot 1863 aan de kroon van Denemarken, maar is toen daaraan ontnomen, aan Duitschland gebracht, en in 1866 bij Pruisen ingelijfd; het kleinere Lauenburg als kroonland

9) Prov. Westphalen, aan de Weser, Ems, Lippe en Ruhr, de kleinste, maar door hare mijnen en fabrieken hoogst gewichtige provincie.

Münster, hoofdstad; Minden, vesting aan de Weser; Bielefeld en I s e r 1 o h n.

lOffi) Prov. Eheinland, ten Z.O. van den Rijn, dwars over de Moezel en het Eifelgebergte.

Aan den Rijn: Koblenz, hoofdstad en vesting (Ehrenbreitstein) bij den mond der Moezel; Bonn; Keulen (Köln), vesting en koopstad; Dusseldorp (Düsseldorf); Wesel, vesting, tevens aan de Lippe.

Rechts van den Rijn: Elberfeld en Barmen, aan elkander grenzende fabriekssteden.

Links van den Rijn: Saarlouis, vesting aan de Saar; Trier, aan de Moezel, de oudste stad van Duitschland; Aken (Aachen, Aix la Chapel le), met lakenfabrieken en warme bronnen.

lOi) Hohenzollern, kroonlandje, tusschen Württemberg en Baden, dwars over de Boven-Donau.

II) Prov. Hessen-Nassau ten O. van den Midden-Rijn, bevattende:

0. het voormalige keurvorstendom Hessen, tusschen Weser en Main;

In het Weser-gebied: Kassei, hoofdstad aan de Fulda.

In het Rijn-gebied: Hanau, aan den Main.

1. het voormalige hertogdom Nassau, in de bocht van den Midden-Rijn,

besproeid door de Lahn, omvat het Tauims-gebergte en het Westerwald;

Wiesbaden, hoofdstad en badplaats; E m s , badplaats;

20

ocr page 33

MIDDEN-EUROPA. 21

c. het voormalig landgraafschap Hessen. Het hoofdlandje tussehen Nassau en het groothertogdom Hessen, met de hoofdstad en badplaats Homburg;

d. de voormalige vrije stad Frankfort, met aanzienlijke jaarmarkten (missen), aan den Main, vroeger zetel der bondsregeering.

II. Kleinere Staten van Duitschland.

Koninkrijk Saksen; dwars over Mulde, Elbe, Spree en Lausitzer Neisse, aan de noordelijke helling van het Ertsgebergte.

Aan de Spree: Bautzen.

Aan de Elbe: Dresden, de fraaie hoofdstad, en Meissen.

Aan de beide Muiden: Freiberg en Zwickau.

Aan de Witte Elster: Leipzig, aanzienlijke koopstad.

De Thüringsche Staten. Het voornaamste gedeelte door Werra en Saaie besproeid en door het Thüringerwald doorsneden, ligt ten W. van Saksen. Het kleinere, iets noordelijker, wordt door Pruisen omsloten.

Groot-Hertogdom Saksen-Weimar-Eisenach. Hoofdstad Weimar.

Hertogdom Saksen-Meiningen-Hildburghausen. Hoofdstad Meiningen.

Hertogdom Saksen-Koburg-3otha. Hoofdsteden Koburg en Gotha.

Hertogdom Saksen-Altenburg. Hoofdstad Altenburg.

Vorstendommen Reuss-Greiz en Reuss-Schleiz

Vorstendommen Schwarzburg-Rudolstadt en Schwarzburg-Sondershausen.

Vorstendom Waldeck, tussehen Keurhessen en Westphalen.

Hoofdstad Arolsen, en ten N. afgezonderd, ook in het linker gebied der

Weser, de badplaats P y r m o n t.

Vorstendom Lippe-Detmold, aan het Teutoburger-wald.

Vorstendom Lippe-Schaumburg, aan de bocht van de Weser.

Hertogdom Erunswijk (Braunschweig), verbrokkeld tussehen Hannover en Pruisen, in de vlakte en op den Harz, tot aan de Weser.

Erunswijk (Braunschweig), hoofdstad, en Wo 1 f e n b ü 11 e 1, met

beroemde bibliotheek.

Hertogd om Anhalt, dwars over de Saaie, Mulde en Elbe in de vlakte, en een afgezonderd deel in den Harz.

Dessau, hoofdstad aan de Mulde.

Groot-Hertogdom Oldenburg, aan Weser en Noordzee, door Hannover ingesloten.

Oldenburg, aan de Hunte, hoofdstad.

De Vrije steden: Bremen aan de Weser, Hamburg aan de Elbe, Lübeck aan de Trave; allen belangrijke zeehandelssteden, Hamburg zelfs de belangrijkste van het vaste land van Europa.

Groothertogdommen Mecklenbuvg-Schwerin en Meaklenburg-Strelitz, tussehen Elbe en Oostzee, met de hoofdsteden Schwerin en Strelitz; beide landen verkeeren in eenen achterlijken toestand, wat de volksontwikkeling betreft; de vruchtbaarheid waarborgt welvaart aan de weinige grondbezitters.

Rostock en Wismar zijn handelssteden.

Groot-Hertogdom Hessen; dwars over den Rijn en Main, twee van elkander gescheiden stukken.

Ten Z. van den Main: de hoofdstad Darmstadt, aan de Bergstrasse,

die langs de westelijke helling van het Odenwald naar Heidelberg voert.

Aan den Rijn: Worms en de sterke vestingstad M a i n z.

K o n i n k r ij k Beieren. Het hoofdland ligt tussehen de Alpen, het Bohemerwoud, het Rhöngebergte en den Bodensee, en sluit in zich den Frankischen Jura en het Fichtelgebergte. Het kleinere gedeelte ligt aan de linkerzijde van den Rijn (de Paltz)

ocr page 34

HOOFDTREKKEN DER AARDRIJKSKUNDE.

In het Donau-gebied: München, hoofdstad aan de Isar, door de kunsten

bloeiend, Augsburg aan den Lech, Regensburg aan de Donau.

In het Main-gebied: Bamberg, aan de Eegnitz, Neurenberg (Nürn-

berg) „het puik der middeleeuwen,quot; aan de Pegnitz, Würzburg, aan

den Main.

Aan den Eijn, in den Paltz: Spiers (Speyer).

Koninkrijk Wtirttemberg. Tussehen Baden en Beieren, van den Bodensee tot nabij den Main, aan de oostelijke helling van het Schwarzwald; omvat de Eauhe Alp en het hoogste gedeelte van den Zwabischen Jura.

In het Neckar-gebied: Stuttgart, de fraai gelegen hoofdstad.

In liet Donau-gebied: de vesting U 1 m aan de Donau.

Groot-Hertogdom Baden. Langs den Rijn over het Schwarzwald van den Bodensee en Zwitserland tot aan den Main; omringt half WürLiemberg.

Karlsruhe, hoofdstad. — Heidelberg, akademiestad aan den Neckar. — Mannheim, aan Neckar en Rijn. — Baden, badplaats met heerlijke omstreken.

Het Rijksland Elzas-Lotharingen. Op Frankrijk veroverd in den oorlog van 1870—71, ten westen langs den Rijn, dwars over Saar en Moezel, rijk door landbouw, wijnteelt en fabrieken.

Straatsburg aan den Rijn, hoofdstad. — Mülhausen met katoen-fabrieken. — Metz, aanzienlijke vesting aan den Moezel.

Vorstendom Liechtenstein. Deze voormalige Duitsche Staat (2^ □ m.), ligt afgezonderd aan den Boven-Bijn, tussehen Zwitserland en Oostenrijk, met de hoofdstad Vaduz [-doets].

II) Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie.

Twee monarchieën onder één Keizer. Van de Adriatische Zee en de San tot aan de Weichsel, tussehen Rusland, Pruisen, Midden- en Zuid-Duitschland, Zwitserland, Italië, Turkije en de Donau-Vorstendommen. Buiten de vlakte om Weenen en de breede Hongaarsehe vlakten is het land overal meer of minder bergachtig. De hoogste bergen zijn: het Oostelijke Alpenland van de Ortlesapits (12000') tot aan Weenen, de Karpaten in het N.O., de Zevenburgsche Alpen in het Z.O. en het Boheemsch-Moravische bergland in het N.W. — Het grootste gedeelte van den middelsten loop der Donau, met de zijrivieren Leitha, Raab, Drau en Sau r. en de March en Theiss 1., doorstroomt deze monarchie; verder de bovenste loop der Elbe met de Moldau 1. in Bohemen en de Weichsel als grensrivier. — Een uitgestrekte staat met zeer verschillende bevolking: in het N. en W. Duitschers, in het O. Hongaren en Slaven; daardoor is de band die allen bijeenhoudt zwak. Voor het overige is het een rijk gebied; want akkerbouw, veeteelt, mijnwerken, wijn- en zijdeteelt worden in de verschillende landstreken met goed gevolg uitgeoefend, fabrieken en handel komen meer en meer tot ontwikkeling.

A. Oostenrijksche monarchie.

De gewesten waaruit dit deel van het keizerrijk bestaat, zijn:

1) Het Aarts-Hertogdom Oostenrijk, a. onder en b. boven de Ens, Donauland, met Weenen, aan de Donau, de hoofdstad van het geheele rijk met ruim 1 millioen inw. — Linz, aan de Donau.

2) Het Hertogdom Salzburg; Donauland. Salzburg, in de Alpen.

3) Het Hertogdom Stiermarken (Steiermark); Donauland, dwars over de Mur en de Drau tot aan de Sau. G r a t z, aan de Mur.

4) Het Hertogdom Karinthie (Karnten); Donauland. Klagenfurt.

5) Het Hertogdom Krain ; Donauland. L a i b a c h.

6) Het Kustland aan de Adriatische zee, met het schiereiland Istrië en de handelsstad Triëst; — Pola, oorlogshaven.

22

ocr page 35

MIDDEN—EUROPA.

7) Het Graafschap Tyrol en Vorarlberg, Donau-, Etsch- en Eijngebied, dwars over de Alpen. Innsbruck aan den Inn; — Bregenz, aan den Bodensee.

8) Het Koninkrijk Bohemen (Böhmen); Elbeland, ingesloten door de Sudeten, het Ertsgebergte, het Bohemerwoud en den Moravischen bergrug (geen eigenlijk gebergte, maar waterscheiding tusschen de Elbe en de Donau), het rijkste fabrieksland van Oostenrijk.

Praag, aan de Moldau, hoofdstad; Karlsbad en Töplitz, badplaatsen.

9. Het Markgraafschap Moravia (Mahren), Dcnaulaud, even als Bohemen een scheve vierhoek. Brünn en Olmütz.

10. Het Hertogdom Sileziën (Sclilesiën); Oder en Weichselland. T r o p p a u, hoofdstad.

11) Dalmatië, kustland langs de Adriatische zee; Zara, Spalato, Ka-gusa, havens.

12) Het Koninkrijk Galicië met het Groot-Hertogdom Krakau, Weichselland, ten N. langs de Karpaten. Lemberg of Leopol, hoofdstad; — Krakau, aan de Weichsel. Eijke zoutmijnen bij Wieliczka [wjelietska],

13) Het Hertogdom Bukowina, ten O. der Karpaten.

B. Hongaarsche Monarchie:

14) Het Koninkrijk Hongarije (Ungarn); Donauland tusschen de Drau en de Karpaten. Presburg, Buda-Pest, de hoofdstad; beide aan de Donau. — Kecskemet [ketsjkemet], Groot-Wardin, Szeged i n [séggedien] en O u d - A r a d ten O. dier rivier.

15) Het Woiwodschap Servië en het Banaat; Donauland, met Temeswar en het uitgestrekte Maria-Theresiopel.

16) Het Groot-Vorstendom Zevenburgen (Siebenbiirgen); Donauland, doorstroomd door den Maros. — Hermannstadt, hoofdstad. — K r o n-s t a d t, aan de Z. grens.

17) Kroatië en Slavonië, tusschen de Drau en Sau, en van Zevenburgen tot aan de Adriatische zee. A g r a m aan de Sau en E s s e k aan de Drau; Fiume, zeehaven.

C. Noord- en Oost-Europa.

12) Denemarken.

Koninkrijk, bestaande uit: 1) het koninkrijk Denemarken, of het noorder-deel van het schiereiland Jutland met de Deensche eilanden, waarvan Seeland en Fünen de grootste zijn; 2) de eilandengroep der Far-oër, ten N.N.W. van Schotland in den Atlantischen Oceaan; en 3) IJ s 1 a n d, nabij de Groen-landsche kusten, een waar vuurland met heete bronnen (Geyser) en 29 vulkanen (Hekla). Denemarken heeft schoon vee, akkerbouw en handel.

Kopenhagen (Kiöbenhavn) op Seeland, hoofd- en handelsstad.

13) Het Skandinavische Schiereiland.

Het grootste der Europeesche schiereilanden; 11 maal het Iberische, doch slechts met l van diens bevolking. De hooge bergvlakten, de Scandinavische Alpen, behooren geheel tot de westkust en tot Noorwegen; maar de landen aan de helling dier bergen, met de vlakten en de voornaamste, grootendeels onbevaarbare rivieren (Dal-Elf, Klara-Elf) en de vele en groote meren (Wener-, Wetter- en Malar-meer) behooren aan Zweden; toch is ook het noorderdeel van Zweden even

23

ocr page 36

HOOFDTREKKEN DER AARDRIJKSKUNDE.

als het binnenland van Noorwegen bijna onbewoond en vindt men eigenlijk gezegden landbouw slechts in het Z.; vischvangst en scheepvaart is de bron van weivaart voor de kustbewoners. Het is rijk aan ijzer, koper en zilver. In het uiterste N. der monarchie zwerven de onbeschaafde Lappen met hunne rendieren rond. Het zijn twee koninkrijken onder eenen Koning, maar met verschillenden regeeringsvorm.

a. Zweden. Amei

Stockholm, hoofd- en residentiestad aan het Miilarmeer; — Upsala, Ocea;

hoogeschool; — Gothenburg, handelsstad aan de Gotha-Elf; — Ka ris- IS oor

krona, zeehaven; — Norköping, fabrieksstad. Euro

der

6. Noorwegen. ]and

Christiania, hoofdstad, en Drammen aan de zuidkust; — Bergen Da'*

en Drontheim (Trondhjem), handelssteden aan de westkust; — Kongs- vaste

berg, mijnwerken en fabrieken. w e s

Spitsbergen, een eilandengroep in de noordelijke IJszee, op één na het van

noordelijkste land der aarde, wordt door Zweden als zijne bezitting gerekend. de s

V u

14) Rusland. berg

Keizerrijk; dat in het O. Azic tot grens heeft; in het N. de IJszee; in het werl

W. Skandinavië, de Bothnische en Tmsche golf, de Oostzee, Pruisen en Oostenrijk; Hin

in het Z. Eoemenië, de Zwarte zee en Kaukasië. Het ertsrijke O e r a 1-gebergte van

verheft zich langs de Aziatische grenzen, de Ponto-Kaspische Laagte in (

in het Z., de K a r p a t e n in het Z.W.; de groote Sarmatische vlakte Qui

met het centrale Plateau in het Zuiden beslaat bijna de geheele opper- top]

vlakte des lands. Deze vlakte is buitengemeen waterrijk; de Wolga, de grootste El

der Europeesche rivieren (470 m. lang), wordt door haar gevoed; op deze volgen vas

naar grootte: de Dnjepr, Oeral, Don, Dwina, Petsjóra, Du na, (pi

Weichsel, Njemen en Dnjestr (ook nog 140 m. lang). De afvloeiing grc

van de meren Onéga en Ladoga vormt de N e w a. In welke zeeën hebben rii

deze rivieren hare uitwa'ering? — Door de verbazende uitgestrektheid van dit M

rijk (het beslaat meer land dan al de overige landen van Europa, doch bezit de

slechts i der bevolking van het geheele werelddeel), vindt men hier groote af- en

wisseling van klimaat, bodem en van produkten; in het N. hout en pelsdieren, of

in het midden graan en vee, in het Z. wijn en ooft. Allerlei volken bewonen Ee

dit rijk, doch meer dan | der bevolking van de 90 mill, zielen zijn van den Sla- na

vonischen volkstam; Duitschers vindt men vooral in de zoogenaamde Oostzee- in

provinciën, waar zij de meerderheid uitmaken. In het N. zwerven de Lappen en B Samojeeden als jagers over den meestal bevroren grond, in het Z. en O. drijven

Kalmukken, Tataren en Kozakken hunne talrijke kudden over de onafzienbare ee

steppen. n

St. Petersburg, aan de Newa, 690,000 inw., gewichtige handelshaven, ee

nieuwe hoofd- en residentiestad. — Moskou, oude hoofdstad, middelpunt der bi

nijverheid. — Nizjniej-Novgorod, met groote jaarmarkten, en Kazan b in het hart van het land. — Astrachan aan de Kaspische, Odessa aan

de Zwarte zee en Archangel in het N. aan de Witte zee, zijn daar de grootste wgt; ai

zeehandelssteden. — In Polen, dat in 1863 bij Eusland ingelijfd werd, de 'lt; si

hoofdstad Warschau. — In Finland de hoofdstad Helsingfors. e

In de noordelijke IJszee ligt NovaZembla (Nówaja-Zemlja), dat s

echter meestal tot Azië gerekend wordt. ! i'

24

ocr page 37

NOORD- EN OOST-EUROPA. — AMERIKA.

IV. AMERIKA.

(De nieuwe wereld.)

(750,000 □ m.)

Een zeer lang uitgestrekt eiland (of twee schiereilanden: Noord- en Zuid-Amerika) op het westelijk halfrond, bespoeld in het O. door den Atlantischen Oceaan, in het W. door den Grooten of Stillen Oceaan, in het N. door de Noordelijke IJszee. Ongeveer 2000 mijlen lang, ruim 4 maal zoo groot als Europa; na Azië het grootste werelddeel. De golf van Mexico en de zee der Antilies scheiden N.- en Z.-Amerika bijna van elkander; het smalle deel land dal hen verbindt heet de landengte van Panama. In het N. voeren de Davisstraat en Baffinsbaai, tusschen Groenland en het eigenlijke vasteland, naar een doolhof van eilanden en zeei ngten, het gebied der Noord-westelijke doorvaart, een gedeelte van de noordelijke IJszee. In het Z. van Amerika is de Atlantische Oceaan met den Grooten Oceaan verbonden door de straat van Magelhaes [-galjeings) tusschen de zuidspits en het eiland V u u r 1 a nd. Langs de geheele westkust loopt eene meer dan 1900 m. lange bergketen, de Cordilléras [kordieljèraas] de los Andes, met een aantal werkzame en uitgedoofde vulkanen, vooral in het midden, en met (na den Himalaja) de hoogste toppen van den aardbol; de A c o n c a h u a in de Andes van Chile, 21,000', de Sorata en de Illimani, beide omstreeks 23,000', in die van Bolivia, en de Chimborazzo [tsjiemborasso] 20,000', en die van Quito [kito]; in Mexico de vulkaan Popocatepetl, 17,000', die alle verdere toppen in de bergketens van Noord-Amerika in hoogte overtreft, ook den St. E1 i a s b e r g in het kustgebergte op 60° N.Br. Twee derden van het geheele vasteland worden ingenomen door de bijna onafgebrokene oostelijke vlakten (prairieënin N. A., 11 a n o's [Ijanoos] en p a m p a's in Z. A.). Ontzettend groote stroomen doorsnijden deze vlakten; in N.-Amerika; de St. Laurens-rivier, de afvloeiing der navolgende 5 groote meren; Superior (Bovenmeer), Michigan [mietsjigen], Huron [joer'n], Erie [iri] en Ontario [onterio]; de Mississippi (570 m., Mississippi-Missouri 900 m.) met de Missouri en Ohio [oheio]; — in Z.-Amerika; de Ma ra non of Maranhon [maranjon] of Amazonen-rivier (660 m. lang); de Orinoco en de La Plata. Eenige afgezonderde bergketenen verheffen zich in deze vlakten, waarvan de voornaamste zijn: in N.-Amerika het Alleghany-gebergte of de Apalachen in het O.; in Z.-Amerika het hoogland van Guyana in het N. en het Braziliaansche bergland in het midden en oosten.

Dit werelddeel heeft over het algemeen eenen zeer vruchtbaren grond, doch een klimaat dat in de onderscheiden deelen zeer verschillend is; in het N. en Z. ruw en koud, in het midden overmatig heet, al koelen de zeewinden die streken eenigszins af, en tusschen die uitersten twee breede gematigde gordels; de uitgebreide landstreken ten O. der Cordilléras meestal vochtig en afwisselend, de smalle kustzoom ten W. bijna overal, vooral in Z.-Amerika, droog en helder.

Hoofd voortbrengselen zijn, uit het plantenrijk: de hier inheemsche aardappelen, katoen, suikerriet, koffie, tabak, cacao, rijst, maïs en andere graansoorten, kina, indigo, enz. Uitmuntend timmerhout, fijn werkhout (mahagoni) en kostbaar verfhout in de onmetelijke wouden. Uit het rijk der delfstoffen: schatten van goud, zilver, ijzer en kwik, eenig platina, steenkolen, en diamanten in Brazilië.

Het roodbruine menschenras (10 mill.) maakt de oorspronkelijke bevolking uit; buitendien zijn ongeveer 20 millioen Negers uit Afrika

26

ocr page 38

HOOFDTREKKEN DEB AARDRIJKSKUNDE.

(of hunne afstammelingen), 60 millioen blanken en een aantal kleurlingen (mestiezen, kinderen van Europeanen en Amerikaansclie inboorlingen of Indianen, en mulatten, kinderen van Europeanen en Negers) in Amerika gevestigd; tot de blanke bevolking rekent men ook de kreolen, afstammelingen van aldaar gevestigde blanke vaders en moeders.

A. Noord-Amerika.

a) Deensch Noord-Amerika of Groenland.

Een zeer groot eiland, rijk aan sneeuw en ijs, met slechts enkele nederzettingen aan de Z.W.kust; haring- en robbenvangst. De 18 hier gevestigde Broedergemeenten bekeerden de Eskimo's tot het Christendom.

b) Britsch Noord-Amerika

Een wijd uitgestrekt gebied, vol groote meren en rivieren: de Mackenzie [mekkénzi] met het Slavenmeer en Groote Berenmeer naar de IJszee; de Saskatsjewan met het Winipegmeer naar de Hudsonsbaai, de St. Laurens-rivier met den breedsten waterval de wereld (der Niagara, 160' hoog). De schaarsche bevolking bestaat hoofdzakelijk uit Indianen (roodhuiden), in het N. uit Eskimo's, in het Z.O. aan de St. Laurensrivier uit Pransehen en Engelschen. Het gewichtigste en meest bebouwde gedeelte van dit gebied, welks voornaamste rijkdom overigens graan, hout en pelsdieren zijn, is:

1) Kanada, aan de SI. Laurensrivier, met de sterke vestingstad Quebec en Montreal. Aan het meer Ontario [onterio] ligt de hoofdstad Toronto.

2) Nieuw-JBrunswijk, aan den reehter-oever van den mond der St. Laurens, met de stad St. John [sent djun] aan de Fundy-baai.

3) Het schiereiland Nieuw-Schotland, met Halifax [héllifex], de grootste oorlogshaven van N. Amerika.

4) Het land ten westen en ten zuiden van de Hudsonsbaai; pelterijen.

5) Aan de westkust: Britsch-Columbia, met goudmijnen, en Van Convers eiland.

6) Manitoba met de hoofdplaats Winnipeg of Garry, veel tarwe. Deze Staten vormen te zamen het «Dominion of Canadaquot;. Hiertoe behoort niet het eiland New-Foundland [njoefoundl'nd] met de vermaarde kabeljauwvangst op de bank ten Z.O., tot welke kolonie men het oostelijk deel van Labrador (met zendingsposten) rekent.

c) De Vereenigde Staten van Noord-Amerika

Samengesteld uit 39 staten, 1 bondsdistrikt en 10 (nog niet genoeg bevolkte) gebieden of territoriën van het Westen; bijna zoo groot als Europa; met 50 mill, inw., waaronder ruim 6 mill, vrij verklaarde negers en kleurlingen, hoofdzakelijk in de zuidelijke staten.

Engelschen en Duitschers vormen de hoofdbevolking; in de uitgestrekte westelijke gebieden leven nog vrije Indianen als jagersvolken. De Staten hebben hun eigen bestuur, doch verkiezen om de 4 jaren gemeenschappelijk eenen president. De poging van de zuidelijke slavenhoudende staten 1860 om zich van de noordelijke niet-slavenhoudende af te scheuren, mislukte na eenen hard-nekkigen oorlog, en eindigde in 1865 met de geheele afschaffing der slavernij. De bijzonder vlijtige bebouwing van den grond, waarvan koorn en ooft in de noordelijke staten, maïs en tabak in de middelste staten, katoen en suiker in

26

ocr page 39

NOORD-AMEBIKA.

de zuidelijkste de hoofdprodukten zijn, vereenigd met aanzienlijke veeteelt, mijnwerken en groote liandelsbedrijvigheid, hebben deze Vereenigde Staten verheven tot de eerste handelsnatie na de Britten.

Boston, 363,000 imv., in handel en rijkdom slechts overtroffen door: New-York [njoejork], aan den mond van de Hudson, met ruim 1,000,000 inw., behalve de haar omringende voorsteden op den anderen oever en op het eiland Long-Island [eil'nd] (W illiamsburg, Brooklyn [broeklin], Hoboken enz.) — Philadelphia, 850,000 inw., hoofdstad der Duitsehers in N. Amerika aan de Delaware [dilleweer]. — Aan dezelfde rivier de stad Baltimore, 330,000 inw., de grootste tabaksmarkt der Vereenigde Staten, een der grootste meelmarkten der wereld. — Washington [oeëssjingt'nl, in het bondsdistriet Columbia aan de Potomac [potómek], de zetel van den president en vergaderplaats van het Congres. — New-Or leans [njoe-orlieëns], 216,000 inw., te midden van katoenplantages in het mondingsgebied van de Mississippi. — St. Louis, met 350,000 inw., de „keizerin van het westen,quot; aan de vereeniging van Mississippi en Missouri. — Cincinnati, 355,000 inw., „de koningin van het westen,quot; aan de Ohio [oheio], eene linkerzijrivier van de Mississippi. — Pittsburg, waar twee rivieren vereenigd het eerst den naam van Ohio krijgen, 160,000 inw., de aanzienlijkste fabrieksstad van het westen. — Buffalo, aan het meer Erie, 155,000 inw. — Chicago, aan het meer Michigan, de bloeiendste stad der Vereenigde Staten door den levendigen graanhandel, 500,000 inw. — San Francisco, aan den Grooten Oceaan, de goudstad, in 1848 gegrond, thans 234,000 inw.

Het A 1 a s k a-gebied, of voormalig Russisch-Noord-Amerika, aan de N.W. kust, door de Bering-straat van Azië gescheiden, vol inhammen, rotseilanden en sneeuwbergen. S i t k a, op het eiland S i t k a, is de voornaamste der handelsposten voor den pelterijhandel.

d) Mexico of Mejieo [megiko].

Vroeger Anahuac; eene republiek op de hooge vulkanische bergvlakte; rijk aan goud en zilver, met het schiereiland Oud-Californië; sedert 1823 door binnenlandsche onlusten verontrust; de grens aan de zijde der Vereenigde Staten wordt door de Rio grande del Norte gevormd.

Mexico, 241,000 inw., de schoonst gelegen stad van Amerika, tusschen twee meren, 7000' boven de zee. Vera Cruz [-kroes], aan dc golf, waar Cortez, de veroveraar van Mexico, in 1519 landde. — Yucatan [joekatan], met de hfdst. Merida, had zich sedert 1851 van Mexico afgescheiden, doch heeft zich in 1863 weder daarbij gevoegd.

B. Midden-Amerika.

a. Ten Z. van Mexico liggen de volgende onafhankelijke maar tevens onbeduidende republieken: 1) Guatemala met Nieuw-Guatemala; 2) San Salvador met San Salvador; 3) Honduras [ondderas] met Comoyagua; 4) Nicaragua met Managua; 5) Costa-Rica met San José; 6) Panama, waar een spoorweg over de landengte Panama en A spin wall verbindt en thans het groote sclieepvaartkanaal wordt gegraven. — Aan de Britten behoort B a 1 i z e [bellies].

1) De B a h a m a-eilanden, Britsche bezitting, even als de Bermuda-eilanden ten N.O. van deze in den Atlantischen Oceaan. Op Watlings, het middelste eiland der Bahama's, landde Columbns den 12 Oct. 1493.

27

ocr page 40

HOOFDTREKKEN DER AAKDRIJKSKUNDE.

3) De Groote Antilles, vruchtbare eilanden, bezet met plantages door negers bearbeid.

Cuba met Havana, («de haven, La H a b a n aquot;) en Portorico, beide Spaanseh, rijk in suiker en tabak. — Jamaica met Kingston, Britsch; niet bloeiend. — Haïti, een ten gevolge van binnenlandsche oorlogen verwaarloosd eiland, waarvan het oostelijkste en grootste deel eene Mulatten-republiek is met den naam van Santo Domingo; het westelijke deel is de Neger-republiek H a ï t i.

3) De Kleine Antilles, waaronder ook vele zeer vruchtbaar. Noemenswaardig zijn;

Guadaloupe en Martinique, Fransch. — Antigua, Barbados, Trinidad [-daad], Britsch. — Curacao, hoe klein ook, het grootste der Nederlandsche West-Indische eilanden, met de hfdst. Willemstad.

C. Zuid-Amerika.

a) Voormalige Spaansche Landen.

(Alle republieken.)

1) Columbia, vroeger Nieuw-Granada, een bondsstaat van verschillende kleine republieken, nabij de landengte.

Cartagéna, zeehaven bij den mond der Magdalena-rivier. — Santa Fé de Bogota, 8000' hoog gelegen, bondshoofdstad.

2) Venezuela [zoeëla], tegenover Curasao en Trinidad.

Caracas, bloeiende hoofdstad, 4 uur van hare zeehaven La G u a y r a [goeajra] verwijderd.

3) Ecuador [ekoeadoor'], het „land onder den aequator,quot; met hemel-hooge bergen.

Quito [kito], hoofdstad nabij den Chimborazo (tsjiemborasso] en de vulkanen Antisana en Cotopaxi [-pagi]. Zij ligt op 14 minuten zuiderbreedte, maar bijna 9000' boven de zee, met een altijddurend lenteklimaat en wolkenloozen hemel. — Guayaquil [goeojakiel], haven.

4) Peru [peroe], heeft aan de kusten streken zonder regen; de hooge bergvlakten daarentegen waren het gezegende land der Inca's, wier heerschappij in 1532 door Pizarro omvergeworpen werd.

Lima, hoofdstad, 2 uur van de zee en van hare havenstad C a 11 a o [kaljao.] — Cusco [koesko], de voormalige residentie der Inca's.

B) Bolivia, met zeer hooge gedeelten van de Cordilleras [-ieljeraas], hier Andes genoemd, in welke op 12,000' hoogte het groote Alpenmeer Titicaca ligt.

La Paz [paas], niet ver van het meer Titicaca, den Sorate en den Illimani. — Chuquisaca [tsjoekisaka], hoofdstad. — P o t o s i, een der hoogst gelegen steden der aarde, 12,460' boven de zee, met weleer beroemde zilvermijnen.

6) Chile [tsjile], een heerlijk, gezond kustland aan de W.zijde der Andes.

Santiago, hoofdstad. — Valparaiso, druk bezochte havenstad nabij den

Aconcahua.

7) De Argent ij nsche Republiek, eene vereeniging van 14 staten, van welke Buenos-Ayres [boeénos a-aires] de machtigste is. Besproeid door de Parana, die, na de vereeniging met de Paraguay [-goeaaj] rechts en Uruguay [oeroegoeaaj] links, Rio de la Plata wordt genoemd; eene ontzaglijk uitgestrekte vlakte met verwilderde kudden runderen en paarden; in

28

ocr page 41

ZDID-AMERIKA.

bet N. wouden, in het W. de besneeuwde Andes. Allerwege koloniën van landbouwers (Zuid-Europeesche landverhuizers).

Buënos-Ayres; aan den breeden mond der La Plata-rivier, aanzienlijke handelsstad. De zetel van het bestuur is de nieuw aangelegde, iets lager gelegen stad La Plata. — Bajada [bagada], ook wel Parana geheeten. Hiertoe behoort ook het weinig bekende, woeste Patagonië, met eene meestal te paard rijdende bevolking, alsmede het oostelijk deel van Vuurland, door de straat van Magelhaes [magaljeings] van Patagonië geseheiden; een aantal eilanden, waarvan de zuidspits kaap Hoorn vormt, bewoond door de zwervende Pesje'ra's.

8) Paraguay. Kijk aan wouden en weiden, midden in het binnenland tusschen de Parana en Paraguay.

Assuncion, hoofdstad, aan de Paraguay.

9) Uruguay, met uitgestrekte pampa's.

Montevideo, aan de La Plata-rivier, hoofd- en handelsstad.

b) Voormalige Portugeesche landen.

10) Brazilië, een keizerrijk, bijna zoo groot als Europa, doch welks bevolking nauwlijks die van het kleine Nederland driemaal overtreft. De Maranhon [-njon] stroomt er doorheen, met de groote zijrivieren Negro links, Madeira en ïoeantins rechts. Het Braziliaansche gebergte is rijk aan goud en edelgesteenten (diamanten), daarbij is de grond in de uitgestrekte vlakten uiterst vruchtbaar (koffie, tabak, suiker, katoen, fernambukhout).

Rio Janeiro, 296,000 inw., hoofdstad, een der beste en grootste havens der wereld. —Bahia (San Salvador), 129,000 inw., aan de Allerheiligenbaai. — Pernambuco, de oostelijkste stad.

In het binnenland wonen bijna uitsluitend zwervende Indianen.

c) De bezittingen van andere Europeesche Staten.

11) Guyana, zoo groot als Spanje, met suikerplantages aan de rivieren, doch heet, moerassig en dun bevolkt.

1. Fransch Guyana, van Kaap Oranje tol de Marowijne, met de stad Cayenne, op een eilandje bij de kust, zeer ongezond gelegen.

2. ïledcrlandsch Guyana of Suüname , tusschen de Marowijne en de Corentijn. De kwijnende toestand van Fransch- en vooral van Nederlandsch Guyana, het gevolg van de afschaffing der slavernij in 1863, schijnt eenige verbeteringen te gemoet te zullen gaan door de ontdekking van goud in het hoogere binnenland. Paramaribo, hoofdstad aan de Suriname.

3. Britsch Guyana of Essequibo , van de Corentijn tot den mond van de Orinoco; met Georgetown, hoofdstad aan de Demerary [demmercri]; de bloeiendste dezer drie koloniën.

V. AUSTRALIË

EN DE EILANDEN IN DEN GROOTEN OCEAAN.

(161,000 □ m.)

Het zoogenaamde vasteland is onder den Steenbokskeerkring ten Z. van Borneo gelegen, dus gedeeltelijk in den gematigden en gedeeltelijk in den heeten gordel; met tallooze eilanden, die vooral ten O. en N.O. van dat vasteland tot in den

29

ocr page 42

HOOFDTREKKEN DER AARDRIJKSKUNDE.

noordelijken gematigden gordel over den Grooten Oceaan verspreid zijn; te zamen bijna zoo groot als Europa.

De voortbrengselen zijn op het vasteland meest gelieel andere als op de eilanden, die bijna zonder uitzondering een heerlijk klimaat genieten.

a) Nieuw-Holland of het vasteland van Australië.

Tusschen den Indischen en Grooten Oceaan. Alleen de kuststreken vooral aan de O. en Z.O.zijde zijn volledig bekend; van het geheele land niet veel meer dan een derde. Het binnenland is gebleken over het algemeen vlak en weinig boven den spiegel der zee verheven te zijn. Ook de bergketenen, die niet ver van de kusten verrijzen en wel hoofdzakelijk aan de O. en Z.O.zijde, zijn niet hoog genoeg om door hunne sneeuw in droge tijden, zooals in Australië vaak geheele jaren zijn, altijd-doorstroomende rivieren te kunnen voeden; hierbij komt dat de regens zeer ongelijk en vaak zeer hevig zijn. De eenige groote stroom, de Murray [-ree] met zijne rechter zij-rivier de Darling, is in het droge seizoen bijna onbevaarbaar. Het zachte klimaat van de meest bewoonde deelen is echter zeer gezond. De bewoners zijn in het binnenland de ellendige, voor beschaving onvatbare en niet talrijke inboorlingen, en aan de kusten Europeanen, meest Britten, vooral in het Z. en Z.O., die zich met vee-, vooral schapenfokkerij, en met het delven van goud, koper en steenkolen bezig houden; ook de landbouw is hier en daar zeer aanzienlijk.

De Britten hebben het in vijf koloniën verdeeld;

1) Queensland [kwienslend] in het N. O. met de hoofdstad Brisbane [brisbeen] aan de gelijknamige rivier, gaat met vaste schreden haar ontwikkeling te gemoet.

2) N i e u w-Z u i d-W ales [oeëels], in het Z. O. met Sydney, 225,000 inw., de hoofdstad en eerste handelsstad, aan de haven „Port Jacksonquot; [dzjeks'n]. Vroeger ballingsoord voor misdadigers, thans bloeiend vee- en goudrijk land.

3) Victoria, de zuidelijke hoek, in 1845 nog een onbekende wildernis, nu het volkrijkste en bloeiendste deel, waarin Melbourne [mèlburn], met hare voorsteden 283,000 inw., aan de baai Port-Phillip, door de gouddelving en den wolhandel verbazend snel ontwikkeld.

4) Z u i d - A u s t r a 1 i ë, midden aan de zuidkust, met Adelaide, 38,000 inw., aan het Torrensriviertje, dat in de golf van St. Vincent uitloopt, bloeiend door koper- en loodmijnen en door veeteelt. Hiertoe behoort ook

Noord-Australië, het vroegere Arnhemsland, dat nog op ontginning wacht.

5) West-Australië, aan de Z.W. punt, tot voor korte jaren ballingsoord voor Britsche veroordeelden, het minst rijke der 5 koloniën.

Ten Z. van Nieuw-Holland het eiland Tasmania of van Diemensland, met de stad Hobarton [hobbaart'n]; veeteelt en landbouw zijn ook hier de hoofdzaak.

b) Naastbijgolegene eilanden der Papoea's.

1) Nieuw Guinea, door de Torres-straat van de noordelijkste punt van Nieuw-Holland gescheiden; vooral in het bergachtige binnenland en het O. nog onbekend. De westelijke helft behoort aan Nederland, ook Engelschen en Duit-schers hebben zich hier gevestigd. Het is het vaderland der paradijsvogels.

2) De archipel van Nienw-Britannië ten N.O. van Nieuw-Guinea, tegenwoordig Bismarcks-Archipel genoemd, eene Duitsche bezitting.

3) Nieuw-Caledonië, ten O. van Nieuw-Holland, thans Fransehe bezitting en bestemd tot ballingsoord voor misdadigers. Tusschen de beide laatstgenoemde eilandengroepen liggen tallooze kleine eilanden.

30

ocr page 43

AUSTRALIË.

c) Eilanden der Maleiers en meer verspreid liggende

groepen (Polynesié).

4) Nieuw-Zeeland, ten 0. van Tasmania, twee groote door de smalle Cook-[koek]-straat gescheiden vulkanische eilanden, met sneeuwbergen van 10,000' hoogte (Australië's Zwitserland). De inboorlingen zijn grootendeels aan Groot-Britannië onderworpen en tot het Christendom bekeerd; ten gevolge der rijke goudbeddingen neemt de bloei snel toe.

5) De V i t i of F i e d zj i-eilanden, uit twee groote en vele kleine bestaande, oostelijk van Nieuw Caledonië; in 1871 door Groot-Britannië in bezit genomen. Nog oostelijker:

6) De V r i e n d s c h a p E-eilanden, wier zachtaardige bewoners met bijna Europeesche gelaatstrekken meest Christenen zijn.

7) De S a m o a-eilanden in de laatste jaren wegens ligging en vruchtbaarheid tot ontwikkeling komende.

8) De Schippers- of Bouman s-eilanden, ten N. der laatsten, gedeeltelijk beschaafd.

9) De Gezelschap s-eilanden, verder oostwaarts gelegen, waaronder het schoone Tahiti (minder goed O t a h e i t e geheeten), met eene vrij beschaafde Christelijke bevolking, het bekendst is. De Franschen hebben sedert 1844 dit eiland onder hunne bescherming genomen.

10) Ten N.O. der vorigen ligt de Archipel van Mendaïia [danja], met het groote vruchtbare eiland Noekahiwa, fraai gevormde, reeds vrij beschaafde inwoners. De Franschen vestigden zich hier op de zuidelijkste groep, de M a r q u e z a s [-kezas].

11) De C a r o 1 i n e n ten N. van Nieuw-Guinea, met vrij beschaafde inwoners, over 50 groepen verdeeld; in naam aan Spanje behoorend.

12) De Marianen of Ladronen, iets noordelijker. De inwoners zijn door Spanje onderworpen en tot het Christendom bekeerd.

13) De S a n d w i c h s-eilanden, onder den Kreeftskeerkring. Het bekendst is Owaihi of Hawaii', waar 1779 de groote reiziger Cook [koek] vermoord werd. De eilanders zijn Christenen, de landbouw ontwikkelt zich en de handel met N. Amerikaansche vaartuigen is zeer levendig. Hunne vlag vertoont zich somtijds zelfs tot in Nederland. De koning en de regeeringsmachten resideeren te Honoloeloe (12,000 inw. op Owahoe), dat op Europeesche wijze gebouwd en ingericht is.

31

ocr page 44

VERDERE UITBREIDING DER AARDRIJKSKUNDE.

ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDE.

a.) De aarde als hemellichaam.

§ 1. Men deelt de hemellichamen in vaste sterren of zonnen, planeten of dwaalsterren, en kometen of staartsterren.

De vaste sterren veranderen voor het ongewapende oog niet van plaats ten opzichte van elkander en hebben haar eigen licht. Om ze gemakkelijker te- kunnen vinden heeft men ze in sterrenbeelden verdeeld, denkbeeldige figuren, die ieder een zeker bepaald getal sterren omvatten; op de gansche aarde zijn voor het bloote oog bijna 8000 sterren zichtbaar. De meeste nevelvlekken aan den hemel en de geheele melkweg lossen zich, door sterk-vergrootende verrekijkers gezien, in ontelbare vaste sterren op. Van deze nevelvlekken moeten wel onderscheiden worden sommige onoplosbare nevelvlekken, waarin met de sterkste verrekijkers geen sterren zijn waargenomen en omtrent welke het thans beslist is, dat zij liclitende gassen, en betrekkelijk niet ver verwijderd zijn. Dubbele en veelvoudige sterren zijn zonnen, die om elkander of om een gemeenschappelijk middelpunt draaien.

De planeten ontvangen haar licht van de zon en bewegen zich allen in meer of minder langwerpig ronde banen, ellipsen, in wier brandpunt de zon staat; de beweging is des te sneller naarmate zij nader bij de zon zijn. Rondom sommige planeten wentelen zich op dezelfde wijze b ij - p 1 a n e t e n of manen, die eveneens haar licht van de zon ontvangen. Men kende reeds zeer vroeg 5 van de 6 met het ongewapende oog zichtbare planeten, thans zijn behalve de aarde nog 2 groote en 200 kleinere planeten (planetoïden of asteroïden) bekend, die ieder jaar met nieuw ontdekte vermeerderd worden.

De kometen bewegen zich in lang gerekte elliptische banen om de zon en bestaan uit eene zeer ijle nevelachtige door de zon verlichte massa, waaruit zich in de nabijheid van de zon gewoonlijk een van dit lichaam afgekeerde lichtende staart ontwikkelt. Zelfs door de kern heen neemt men het licht van andere sterren waar. Enkele kometen hebben waarschijnlijk nog haar eigen licht. Hoogstwaarschijnlijk zijn er ook met ongesloten banen, zoodat zij slechts éénmaal bij de zon komen en zich dan weder in de oneindige ruimte verliezen. Van bijna 200 kometen kent men den loop en den omloopstijd vrij nauwkeurig; doch het vermoedelijke aantal van allen heelt men met de visschen in den oceaan vergeleken; de zoodanige echter, die zichtbaar worden voor het bloote oog, zijn zeldzaam.

§ 3. De z o n met de zich daarom bewegende hemellichamen maken ons zonnestelsel uit. (Nic. Copernicus 1473—1543). Hare middellijn is gelijk aan 107 middellijnen der aarde, zoodat haar volumen meer dan 1 millioen maal grooter is dan dat van onze aarde. Zij is 700 maal grooter dan alle planeten en manen te zamen. Als wij ons de zon hol denken en in het middelpunt daarvan de aarde met de maan, dan zoude er rondom den omloopscirkel van de maan nog eene onaangevulde ruimte overblijven, die de dikte had van ruim een vierde van de middellijn der zon. Zij is de eenige bron van licht en warmte voor de

ocr page 45

DE AARDE ALS HEMELLICHAAM.

aarde en voor alle planeten, is waarschijnlijk een duistere bol, maar door een licMend omliulsel omringd. De zonnevlekken houdt men voor openingen in d;.t omhulsel, waardoor de donkera kern zichtbaar wordt; daardoor heeft men bemerkt dat zij zich in 255 dag om hare as beweegt.

De volgorde, grootte, omloopstijd en afstand der planeten is:

33

heeft eene middellijn van:

1. Mercurius.......... 640 m

2. Venus............ 1600 „

3. De Aarde.......... 1719 „

4. Mars............. 867 „

5. De 231 planetoïden of asteroïden, allen zeer klein en eerst in deze eeuw ontdekt.

6. Jupiter........... 19,300 m.

7. Saturnus........... 19,000 „

8. Uranus........... 7,000 „

9. Neptunus......ongev. 7,000 „

loopt om de zon in;

88 dagen. 224ij dag. 365^ dag. bijna 687 dagen.

jaren.

u 11 11 11

3—7 12

291 84

bijna 165

op ecnen gemiddelden afstand van:

8 millioen m. 14 a a 19,853,930 „ 3U mill. a

36—70 101

189 360 600


Een blik op dit lijstje doet bemerken, dat, als wij de 2 kleinste der 8 hoofdplaneten (Mercurius en Mars) niet mederekenen, de overige zich in paren laten rangschikken, die, buiten hare nabijheid van elkander, nog in vele opzichten punten van overeenkomst hebben, zooals in den afstand van de zon, in hare omloopstijden, maar vooral in hare grootte. Deze zijn: Venus en de Aarde, — Jupiter en Saturnus, — Uranus en Neptunus.

Men kan ze ook nog in de volgende groepen verdeelen:

1) middelmatig groote, het naast bij de zon: Mercurius, Venus, de Aarde en Mars.

2) kleine, de Planetoïden, tusschen de voorgaanden en de volgenden.

3) groote, met rijkdom van manen, ver van de zon: Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus.

De Aarde heeft 1 maan, Jupiter 4 manen, Saturnus 8, Uranus 6 en Neptunus 2. Buitendien is Saturnus door 3 ringen omgeven. Neptunus werd in 1846 gevonden door middel van de storingen in de loopbaan van Uranus, volgens de berekeningen van Adams te Cambridge en van Le Verrier te Parijs, maar door Galle te Berlijn op aanwijzing van den laatste het eerst gezien.

$ 3. Onze planeet, de aarde, neemt in het zonnestelsel eene plaats in, die als woning en ontwikkelingsoord van den mensch opmerkenswaardig is, daar zij verwijderd is van alle idtersten.

Zoodra de mensch de enge grenzen van zijn geboorteland begon te verlaten, breidde ook de aarde zich voor hem uit tot eenen kring, aardschijf (or/iis ter-raruri), die bleef aangroeien, tot dat de wetenschap haar eindelijk als eenen bol leerde kennen, en wel uit de volgende waarnemingen:

1°. Men zeilt rondom de aarde in alle richtingen.

2°. Als men hoog verheven voorwerpen nadert, dan verschijnen daarvan de bovenste gedeelten het eerst, de onderste het laatst.

3°. De zon en de overige sterren gaan niet altijd ter zelfder tijd op: dus is de aarde in de richting van het O. naar het W. gebogen. Op eene reis van het N. naar het Z. komen steeds andere sterren in het gezicht, bij gevolg is zij ook in de richting van het N. naar het Z. gebogen.

4°. De schaduw die de aarde op de maan werpt bij maansverduisteringen is altijd rond.

3

ocr page 46

DE iARDE ALS HEMELLICHAAM.

5°. Verscheidene wetenschappelijke graadmetingen,

6°. De uitbreiding van den horizon, naarmate men zich van de aarde verwijdert.

De aarde is echter geen volkomen ronde bol, maar om den aeqnator meer gewelfd en aan de polen vlakker of afgeplat, doch zoo luttel, dat de as der polen (1712^ m) slechts 6 mijlen korter is dan de middellijn van den aequator (1718-| m.) De hoogste bergen geven aan den ronden vorm der aarde even weinig verandering als zandkorrels aan eenen kegelbal. Wat beteekent ± 27000', de hoogte van den hoogsten berg, bij 1718 X 24000'?

Op eenen bol heet iedere cirkel, waarvan het vlak door het middelpunt gaat, een groote cirkel. Van oudsherwerden de cirkels in 360 graden verdeeld, evenzoo dus ook iedere groote cirkel van den aardbol; het 15de gedeelte van zulk eenen graad noemt men eene geographische mijl. De omvang der aarde is dus 360 X 15 = 5400 □ mijlen. En daar het oppervlak van eenen bol gelijk is aan het produkt van omtrek en middellijn van een der groote cirkels, is dus de vlakte-inhoud der aarde, met inachtneming der afplatting, 9,261,000 □ mijlen.

34

§ 4. Letten wij in lange, heldere nachten op de beweging der gesternten, dan zien wij dat allen zich in grootere of kleinere cirkels van het O. naar het W. om de aarde bewegen. Deze beweging is echter slechts schijnbaar en heeft haren grond daarin, dat de aarde in tegenovergestelde richting omdraait en wel in 24 uren eenmaal om eene van hare middellijnen, met haren ganschen dampkring en met alles wat zich op hare oppervlakte bevindt. De middellijn, waarom de aarde draait, heet hare as, de einden hiervan {p en pr) de polen en wel de eene de noordpool, de andere de zuidpool. Denkt men de as der aarde verlengd tot aan het schijnbare hemelgewelf, zoo heet zij de wereld-as (PP'), hare einden de wereldpolen. Van deze wordt de noordpool tamelijk nauwkeurig door de poolster in de staart van het sterrenbeeld den Kleinen Beer aangeduid.

Die groote cirkel der aarde (aq), welke van de beide polen 90° verwijderd is, heet de aequator of evenaar of evenachtslinie, deze deelt de aarde in een n o o r d e 1 ij k en een zuidelijk halfrond. Het vlak van dezen aequator, tot aan het hemelgewelf uitgestrekt, snijdt dit bij den hemel-aequator {AQ) en deelt dit evenzoo in twee halfronden. Cirkels, die men zich op de aarde en aan het hemelgewelf evenwijdig met den aequator getrokken denkt, heeten parallelcirkels. Cirkels, die door de polen gaan, heeten

ocr page 47

DE AAEDB ALS HEMELLICHAAM.

meridianen of middagcirkels. Iedere meridiaan deelt den aardbol in een o o s t e 1 ij k en een westelijk halfrond.

De afstand van eene plaats op aarde tot den aequator heet hare g e o g r a-phische breedte, die noordelijk en zuidelijk zijn kan. Haar afstand van eenen willekeurig getrokken, maar ééns daartoe aangenomen meridiaan, heet de geographischelengte, die oostelijk en westelijk zijn kan. De geographische breedte eener plaats is de boog van den meridiaan tusschen die plaats en den aequator. De geographische lengte eener plaats is de boog van haren parallel of van den aequator begrepen tusschen haren meridiaan en den eersten of 0 meridiaan. Plaatsen, die op denzelfden parallelcirkel gelegen zijn,

hebben gelijke breedte, die welke onder denzelfden meridaan liggen gelijke lengte.

(Is het goed de parallellen lengte — en de meridianen breedtecirkels te noemen?) Gewoonlijk wordt de lengte gerekend of van den meridiaan van Ferro, of van dien der sterrewacht te Parijs (20° oost. van Ferro), öf van dien der sterrenacht te Greenwich (17° 40' oost. van Ferro). De oostelijke en westelijke lengte eener plaats maken dus te zamen 360 graden.

§ 5. Ziet men ergens van eene vlakte op aarde om zich heen, dan aanschouwt men van de oppervlakte der aarde en van den hemelbol een gedeelte, dat door eenen cirkel begrensd is, die de schijnbare horizon, kim of gezichtseinder eener plaats heet, en die grooter is, naarmate de plaats hooger boven de oppervlakte der aarde ligt (1). Denkt men zich daarentegen eenen grooten cirkel (br) 90° verwijderd van eene plaats (o) op aarde, zoo snijdt het vlak van dezen cirkelden hemelbol evenzeer in eenen grooten cirkel {HR), den waren horizon dier plaats. Als in het vervolg van horizon gesproken wordt, dan moet de ware verstaan worden.

Verlengt men de middellijn der aarde van eene plaats (o) aan beide zijden naar het hemelgewelf, dan heet het punt, waar zij dit boven aanraakt, het toppunt (Z. zenith) eener plaats, en aan de andere zijde het voetpunt (N. nadir). Al de door deze punten getrokken cirkels staan loodrecht op den horizon en heeten vertik alen of vertikaalcirkels. De boog {PH)

van den vertikaalcirkel, die tusschen de poolster en den horizon eener plaats ligt,

heet de poolshoogte dier plaats. De poolshoogte eener plaats is gelijk aan hare geographische breedte, [_ PUM = i_oMq omdat elk van beide met /_PMZ 90° uitmaakt. Daarom wordt de geographische breedte eener plaats gevonden, als men de poolshoogte weet.

De horizon eener plaats wordt door haren meridiaan op 2 punten gesneden, van welke het eene in het noordelijk, het andere in het zuidelijk halfrond valt; het eerste heet het ware noorden, het laatste het ware z u i d e n.

De rechte lijn tusschen beide heet de middaglinie; 90° van deze punten af liggen het ware oosten en het ware westen. Men noemt deze 4 punten de 4 hemelstreken (Xoord, Oost, Zuid, West).

§ 6. De wenteling der aarde om hare as van het W,. naar het O., en dus ,

ook de schijnbare draaiing der sterren van het O. naar^EeT W^ ' ffcscliiedt geLiik-' .Jtt

-----r- cJ-

(1) Van den Domtoren te Utrecht, 339 voet hoog, ziet men mim S geogr. mijlen ver. H .tl'

• » Broeken, 3500 voet hoog................15,8 » » » 1

» » Riesenkopf in het Reuzengebergte, 5000 voet hoog. 18,9 » » •

» » Monlblanc, 14,800.................... 32,5 • » »

• » Mount Everest, 27,000 .................44,1 » » »

Lag dus de Mount Everest op de plaats, waar Amsterdam ligt, dan zouden Sédan en

Luxemburg zich in zijnen horizon bevinden.

Weet men, hoeveel Engelsche voeten men boven den waterspiegel verheven is, dan zal het wortelgetal hiervan aangeven hoeveel Engelsche z e e in ij 1 e n (4 Eng. mijlen = 1 geogr. mijl) ver men zien kan. (H. von Schlagintweit).

35

ocr page 48

DE AARDE ALS HEMELLICHAAM.

matig. Men verdeelt den tijd van eene omdraaing (eenen dag) in 24 uren, het uur in 60 minuten, de minuut in 60 seconden. Iedere ster beschrijft derhalve in 1 uur eenen boog van ISquot;, in eene minuut eenen boog van 15' en in eene seconde eenen boog van 15quot;.

Komt de zon boven den horizon van eene plaats, dan zegt men: zij gaat op (morgen), verdwijnt zij beneden den horizon, dan gaat zij onder (avond). Komt zij in den meridiaan eener plaats, dan is het aldaar middag. De plaatsen, die onder denzelfden meridaan of middagslijn liggen op de naar de zon gekeerde helft van den aardbol, hebben dus te gelijk middag. De plaatsen op de tegenovergestelde zijde van denzelfden meridaan hebben dan ter zelfder lijd middernacht.

Hoe komt liet, dat iemand die eene reis om de aarde maakt, deze wisseling van dag en nacht éénmaal meer of eenmaal minder ondervindt, dan men waarnam aan de plek waarvan hij uitging, al naarmate zijne reis naar liet oosten of naar het westen ging?

§ 7. De zon beschrijft in de richting van O. naar W. in 365 dagen, 5 uren, 48 minuten en 48 seconden eenen cirkel aan het hemelgewelf. Doch slechts schijnbaar; want niet de zon beweegt zich om de aarde, maar de aarde om de zon, en wel van het W. naar het O. (Copernicus, Galilei), in eene ellips, wier excentriciteit nochtans zeer gering is, en in één wier beide brandpunten de zon staat. De aarde is alzoo niet altijd op gelijken afstand van de zon; als zij haar het naastbij staat, noemt men dit perihelium, staat zij het verst van haar af, aphelium. De gemiddelde afstand van de zon bedraagt 19,853,930 mijlen: de omvang van de gansche baan ongeveer 129,853,000 mijlen; de aarde doorloopt derhalve in iedere minuut meer dan 240 mijlen.

De as der aarde maakt met de baan der aarde eenen scherpen hoek, en blijft steeds evenwijdig aan zich zelve.

De groote cirkel, welken de zon in haren schijnbaren loop aan het hemelgewelf beschrijft, heet de zonneweg of ecliptica. Deze maakt met den hemel-aequator eenen hoek van 23quot;27f'. welke de helling der ecliptica genoemd wordt. De twee punten, waar de ecliptica en de aequator elkander snijden, heeten de evennachtspunten [aequinoctid)-, de twee het verst van den aequator verwijderde punten noemt men zonnestandspunten {solstitia), en wel het op het noordelijk halfrond gelegene het zomerzonnestandspunt, dat op het zuidelijk halfrond gelegene het winterzonnestandspunt.

Zooals iedere cirkel, zoo wordt ook de ecliptica in 360°, maar buitendien nog in 12 gelijke bogen ieder van 30° verdeeld, die men de 12 teekens der ecliptica noemt, naar de namen der sterrebeelden van den dierenriem [zodiacus)-. ram, stier, tweelingen (lenteteekens), kreeft, leeuw, maagd (zomerteekens), weegschaal, schorpioen, schutter (herfstteekens), steenbok, waterman, visschen (winterteekens). De 6 eersten heeten noordelijke, de 6 laatsten zuidelijke.

§ 8. De twee punten aan den hemel, die 90° van de ecliptica verwijderd zijn, heeten polen der ecliptica. Bij de schijnbare omdraaiing van het hemelgewelf beschrijven zij 3 cirkels, den noordelijken en den zuidelijken poolcirkel. Evenzoo beschrijven de beide zonnestandspunten 2 cirkels evenwijdig met den aequator, welke de keerkringen itropicï) genoemd worden, en wel op het noordelijk halfrond den kreefts-keerkring en op het zuidelijk den steen bok s-keerkring. De afstand der keerkringen van den aequator, even als die der poolcirkels van de wereldpolen, is gelijk aan de helling der ecliptica op het vlak van den aequator en bedraagt dus 230 27|'.

De as der ecliptica en de beide zonnestandspunten raken ook de oppervlakte dei-aarde ieder op 2 punten, die bij de omdraaiing der aarde om hare as evenzoo

36

ocr page 49

DE AARDE ALS HEMELLICHAAM.

4 parallelcirkels op de oppervlakte beschrijven, welke insgelijks poolcirkels eti keerkringen genoemd worden. Door deze cirkels wordt de oppervlakte in 5 gordels (zonae) gedeeld; van deze heet de middelste, die tusschen de twee keerkringen ligt, de heete aardgordel, wiens vlakte-inhoud bijna | van de geheele oppervlakte (of 3,700,000 □ m.) bedraagt, de twee die tusschen de keerkringen en de poolcirkels liggen, heeten de gematigde (4,818,000 □ m., dus meer dan de helft van de oppervlakte der aarde), en eindelijk de gedeelten die binnen de poolcirkels liggen, de koude gordels (742,500 □ m.) of TV van de geheele oppervlakte.

§ 9. Door de draaiing van de aarde om de zon, steeds in denzelfden schuinen stand, ontstaat het lengen en het korten der dagen en ontstaan de jaargetijden.

Op de volgende figuur staat de aarde 1) in het zomerzonnestandspunt (ongeveer 21 Juni). 2) in het winterzonnestandspunt (ongeveer 21 Dcc.).

In den eersten stand is van het noorderhalfrond een grooter gedeelte naar de zon toegekeerd dan van het zuiderhalfrond; de noordpool en de geheele noordelijke koude zone heeft licht, de geheele zuidelijke koude zone heeft schaduw. Overal op het noorderhalfrond zijn de dagen alsdan langer dan de nachten, op het zuiderhalfrond korter. Men ziet duidelijk het verschil van lengte tusschen de dagen en nachten minder worden naarmate men den aequator nadert, en daar eindelijk gelijk nul worden.

In den daartegenovergestelden stand heeft juist het omgekeerde plaats: het zuiderhalfrond heeft langere en het noorder- kortere dagen, het is daar zomer als het bij ons winter is en omgekeerd. Aan ieder der twee polen staat de zon 6 maanden lang boven, en evenzoolang onder den horizon. Op alle overige plaatsen in den poolgordel is er een korter of langer tijd, waarop dag en nacht elkander geregeld aflossen. Zoo is het bijv. aan de Europeesche Noordkaap van 16 Nov. tot aan 25 Jan. onafgebroken nacht; van dit tijdstip tot 14 Mei afwisseling van dag en nacht, vervolgens tot 28 Juli bestendig dag, en daarna tot 16 Nov. weder afwisseling van dag en nacht. Aan de poolcirkels zeiven is de langste dag of nacht van 24 uren.

Treedt de zon in het eene evennachtspunt (lente-aequinoctium) dan begint op het noorderhalfrond de lente, op het zuider- de herfst (ongeveer 21 Maart); staat zij in het andere evennachtspunt (herfst-aequinoctium), dan vangt bij ons de herfst en op het zuiderhalfrond de lente aan (omstr. 31 Sept.).

Deze jaargetijden noemt men de astronomische of sterrekundige; daarvan zijn onderscheiden de zoogenoemde meteorologische of weerkundige jaargetijden. Dewijl namelijk de werking eerst dan het sterkst wordt, als de oorzaak het langst geduurd heeft, zoo is het eerst eenigen tijd na den hoogsten stand der zon het warmst, en eerst eenigen tijd nd den laagsten het koudst, en men rekent daarom op het noorderhalfrond de maanden Maart, April, Mei tot de lente, de

37

ocr page 50

DE AABDE ALS HEMELLICHAAM.

maanden Juni, Juli, Augustus tot den zomer, September, October, November tot den herfst en eindelijk December, Januari en Februari tot den winter. Op liet zuiderhalfrond heeft juist het omgekeerde plaats.

Voor de koude aardgordels en voor den heete past de indeeling dezer meteorologische jaargetijden niet juist. In de koude gordels nemen de tijden van overgang, de lente en herfst, allengs af, en er blijft slechts een korte zeer warme zomer (dewijl de dagen daar zeer lang zijn) en een lange, koude winter (wegens de zeer korte dagen). In den heeten gordel daarentegen, die de zonnestralen altijd of rechtstandig of onder tamelijk rechten hoek ontvangt is de temperatuur het gansehe jaar door vrij gelijkmatig, daar heerscht bijna een bestendige zomer. Maar ook in de gematigde gordels is het karakter der jaargetijden zeer verschillend: naar de keerkringen toe nadert zij aan dat van den heeten, naar de poolcirkels aan dat van den kouden gordel.

§ 10. De aarde wordt in haren loop om de zon door eene maan in de richting van W. naar O. vergezeld. De baan der maan is elliptisch en maakt met de baan der aarde of ecliptica, die zij op twee punten (k n o o p e n) snijdt, «enen hoek van 5° 9'. In 18^ jaar verplaatsen zich deze knoopen allengs de geheele ecliptica over, in- de richting naar het W. De middellijn der maan bedraagt ongeveer 468 mijlen, (gelijk aan den afstand van de Noordkaap tot Athene), haar omvang 1465 mijlen; de gemiddelde afstand van de aarde bijna 53,000 mijlen. De maan loopt om de aarde in 27 dagen 7 uren en 43 minuten, maar evenals de groote wijzer van een horloge niet 60 maar 65TV minuut moet loopen om den kleinen wijzer weder in te halen, daar deze intusschen ook voortgegaan is, zoo moet ook de maan, daar de aarde in dien tusschentijd niet stilgestaan heeft, 29 dagen 12 uren en 44 min. loopen, eer zij, van de aarde af gezien, weder recht tegenover de zon (of tegenover een vaste ster, die men zich als uitgangspunt genomen had) staat. Het eerste noemt men haren periodieken of sidérischen loop. Let laatste haren synodischen.

In evenveel tijd als zij zich om de aarde beweegt, draait zij ook om hare as; zoo komt het, dat wij altijd eene en dezelfde helft van de maan zien.

Daar zij even als de aarde haar licht van de zou ontvangt, is zij altijd slechts aan eene zijde verlicht. Als maan en zon, van de aarde uit, in dezelfde richting gezien worden (Z-M-A) {coniunctio), dan is de naar de aarde toegekeerde zijde van de maan geheel duister, nieuwe maan. Na 7| dagen is de maan zoover

voorgegaan dat zij met de aarde en de zon eenen rechten hoek maakt dan

is de rechts liggende helft van de naar de aarde toegekeerde helft verlicht, eerste kwartier. Na weder 71 dagen komt de maan in zoodanigen stand, dat, van de aarde uit, maan en zon in tegenovergestelde richting gezien worden (Z-A-M) (pppositio); dan is de geheele vcrliclite zijde naar de aarde toegekeerd, volle maan; eindelijk maken na 71 dagen de drie hemellichamen weder eenen

rechten hoek ^a) ' van naar aarcle toegekeerde zijde is nu slechts de linieer

helft verlicht, laatste kwartier.

Als de schaduw der aarde op de maan valt, dan heeft er eene maansverduistering plaats. Dit kan alleen bij volle maan gebeuren, en het zoude, daar de schaduw der aarde bijna 200,000 mijlen lengte heeft, bij iedere volle maan gebeuren, indien de baan der maan met den zonneweg in één vlak gelegen was. Evenzoo zoude, daar de schaduw der maan 49,000 tot 51,000 mijlen lengte heeft, deze bij iedere nieuwe maan op de aarde vallen, of haar toch zeer nabij komen, zoodat ten minste op eenig gedeelte der aarde eene zonsverduistering plaats vond. Dat beide soorten van verduisteringen (eklipsen) slechts als bij uit-

38

ocr page 51

BE AAKDE ALS NATUUR LICHAAM.

zondering plaats hebben, ligt juist daarin, dat de ecliptica en de baan der maan elkander slechts op twee punten snijden. De verduisteringen zijn geheel of gedeeltelijk, somtijds ringvormig.

b) De aarde als natuur lichaam.

1. De aardkorst.

§ 11. Men heeft uit de afplatting der aarde aan de polen, uit de met de diepte toenemende inwendige warmte der aarde (ongeveer 1° van den 100-deeligen thermometer op 33 meter) en uit de samenstelling der gesteenten die de kern der gebergten vormen, het besluit getrokken dat de aarde oorspronkelijk een gloeiende vloeibare klomp was, die allengsi aan de oppervlakte verkoeld is, en dat zich om de kern, die zich thans nog in gesmolten toestand bevindt (vulkanische uitbarstingen), eene vaste korst gevormd heeft. Bij de afkoeling der aarde sloeg het water neder, dat als nevel tegelijk met de lucht den bol omhulde, en verzamelde zich op de diepste plaatsen der aardoppervlakte, terwijl de lucht hare gasvormige gedaante behield en nu nog een omhulsel om de aarde vormt, welks hoogte waarschijnlijk ongeveer 10 mijlen bedraagt. Vele geologen verwerpen deze gissing en wijten de ontwikkeling van warmte, waarvan wij de verschijnselen op aarde waarnemen, aan de beweging in de verschillende aardlagen door het allengs oplossen van sommige zachtere lagen, aan de drukking van geweldige massa's rots daarboven, aan de wrijving door de verschuiving van hooger afkomende of afglijdende lagen, aan de verdichting, de ontwikkeling en verbindingen van gassen en water, waardoor de verschillende olie- en pekachtige stoften gevormd worden, waardoor ook de zoogenaamde gasbronnen en koolzuurhoudende bronnen, en eindelijk ook de vuren op aarde ontstaan. Intusschen wordt tegenwoordig door anderen aangenomen, dat het binnenste der aarde eene vaste (ijzeren) kern is, en dat zich tusschen die kern en de buitenste aardkorst eene gloeiend vloeibare massa bevindt.

De gesteenten waaruit de aardkorst bestaat, kunnen verdeeld worden in :

1. Vuurvormingen of gestolde gesteenten. 3. Watervormingen of gezonken (sediment-) gesteenten. 3. Metamorphische of langs drogen of natten weg veranderde gesteenten. 5. Conglomeraten of samengegruisde gesteenten. Te zamen vormen zij eene korst van vermoedelijk ongeveer 2? geogr. mijl dikte, welke opmerkelijk genoeg uit een in verhouding zeer klein aantal bestanddeelen is samengesteld, zoodat eene menigte verschillende steensoorten uit volkomen dezelfde grondstoffen bestaan, bijv. kalksteen en krijt, die echter bij de eene in geheel andere verhouding zijn vermengd dan bij de andere.

De eerste vormingen, te onderscheiden in de oudere en nieuwere, maken de dikste lagen uit; daartoe kan men de eigenlijke grondgesteenten rekenen; gneis, glimmerlei en leisteen, ofschoon deze door hnnne laagvormige samenstelling ongetwijfeld doen zien dat zij de hulp van waterdampen en stortregens bij hunne vorming niet konden ontberen. Voorts behooren hiertoe de later uit de diepte naar boven gedreven gloeiende massa's van graniet, siëniet, portier, groensteen en bazalt, die de eerste korst herhaaldelijk doorbraken; eindelijk ook de door vulkanische werkingen in veel lateren tijd en ook thans nog uit de diepte naar de oppervlakte gedreven gloeiendvloeibare massa's trachiet en lava. Deze na verkoeling gestolde gesteenten komen zeer onregelmatig en in zeer ongelijke hoeveelheden voor, en leveren getuigenis van de verbazende omwentelingen, welke die aardkorst meermalen onderging.

Veel geregelder, naar het tijdperk hunner wording, liggen de gesteenten dei-tweede soort, de bezonken lagen, op elkander, al zijn ze volstrekt niet overal even

39

ocr page 52

DE AAUDE ALS NATUUELICHAAM.

dik, hier gebogen, elders gebroken en verschoven. Men onderscheidt drie for-matiën; a. de primaire, ook overgangsvormingen genoemd, het visschen-tijdvak vertegenwoordigende; deze toch vormen met dieren van lagere ontwikkeling en verschillende planten de talrijke versteeningen welke deze formatiën bevatten; in het onderste ligt de granwakke-groep, daarboven de steenkolengroep vergezeld met kalk- en zandsteen; h. de secundaire formatiën, het amfibieën-tijdvak, met de van beneden of op elkander volgende groepen: de schaclitsteen-formatie, de trias- en schelpkalk-formatiën (met veel steenzont), de Jura-formatie en de krijt-formatie; c. de tertiaire formatie of de molasse-groep, het zoogdierentijdvak, waarvan de overblijfselen hier het eerst gevonden worden.

Bozen al deze gesteenten liggen dan nog de diluviaalvormingen, doorgaans het gevolg van geweldige overstroomingen of opheffingen, en de jongste of alluvia a l-vormingen, de bovenste laag der bebouwde aardkorst, venen, enz. Deze beiden behooren tot den zoogenoemden historischen tijd, waarin de mensch optrad. Zoowel de metamorphische als de conglomeratisch vergruisde gesteenten hebben geene geregelde ligplaats, maar komen overal verspreid voor, vooral aan de oppervlakte; aan gloeihitte, scheikundige ontleding, verweering en verbrokkeling hebben zij hun ontstaan te danken.

Het land beslaat ruim j, het water bijna f van de geheele oppervlakte. Van het land bezit het noordelijke halfrond |, het zuidelijke tti bet oostelijke f, het westelijke -}. Van het water ligt | op bet noordelijke halfrond, f op het zuidelijke halfrond. Men kan de aarde verdeelen in een landhalfrond met Londen en een waterhalfrond met het Antipodeneiland, ten Z.O. van N ieuw-Zeeland, tot middelpunt. In het eerste is de helft, in het tweede ^ land.

2. Het land.

§ 12. Het land op de aarde wordt in 5 groote werelddeelen (vastelanden of kontinenten) en ontelbaar vele kleinere stukken (eilanden) verdeeld. Vastelanden en eilanden zijn beiden door water omringd, maar bij de eersten doet zich de invloed der zee niet, bij de laatst en wel overal gevoelen. Het oostelijk vasv.e-land der aarde, of de oude wereld omvat: 1) Azië, het oosten, 2) Europa, het westen, 3) Afrika, het zuiden. 4) Als eenig werelddeel staat Amerika in het westen hiertegenover. Omringd door een eilandenwereld ligt in het midden der wateren: 5) Australië ofNieuw-Holland. Stelt men Europa, 180000 □ m., =1, dan zijn Azië, Afrika, Amerika en Australië respectievelijk 4,5, 3, 4,2 en 0,9.

Het is van belang opmerkzaam te maken op den naar verhouding grooteren of kleineren romp der vastelanden en op de uitspringende deelen of leden daarvan. Door de zee bespoelde landen zijn kustlanden, de andere binnenlanden. Hangt een stuk land alleen met écne zijde van het vasteland aaneen, terwijl het voor het overige door de zee omringd is, dan heet het een schiereiland, zeer smalle schiereilanden heet men landtongen. Gebergten die tot aar. de kusten der zee gaan, eindigen in een voorgebergte of eene kaap, hoofd, neus, enz. De verbinding van twee landen door een smalle strook lands heet landengte of isthmus. Ook is het van gewicht te letten op de verhouding van de meerdere of geringere lengte der kusten tot den vlakte-inhoud van een land.

De verhouding tusschen de oppervlakte van het land en de lengte der kustlijn (eigenlijk niet te bepalen, waarom niet?) heet kustontwikkeling. Europa heeft op iedere 35, Afrika op iedere 152 □ mijl, 1 m. kust. Linden met groote kustontwikkeling zijn Griekenland en Engeland. Zeer weinig kustontwikkeling heeft Afrika; Australië is te veel verbrokkeld.

40

ocr page 53

DE AABDE ALS NATTJURLICHAAM.

§ 13. Tot eene eenigszins volledige waardeering van de vaste oppervlakte der aarde heeft men behalve de kennis van hare uitgebreidheid en van hare uitspringende leden ook nog eene meer nauwkeurige kennis van hare gedaante ten opzichte van hoogte en laagte noodig. Is de verhevenheid van een land boven den spiegel der zee hoogstens 600', dan heet het laagland; is die hoo-ger, dan hoogland. Spreidt het land zich zonder oneffenheden uit, dan heet het of laagvlakte, of hoogvlakte, t a felland, plateau. De overgang van hoogvlakte tot laagvlakte geschiedt dikwijls door terrassen, trapsgewijze.

Gelede verheffingen van den bodem van aanzienlijke grootte en hoogte noemt men gebergten. De afzonderlijke deelen daarvan door inzinkingen, dalen, gescheiden, heeten bergen. Eer.e juiste onderscheiding van de verschillende vormen der aardoppervlakte is noodig. Het volgende overzicht leert ze gemakkelijk:

a. Land.

h. Laag — 600'. c. Hoog 600'.

d. Vlak. e. Oneffen,

b met a : Laagland.

c „ a : Hoogland.

a a d : Vlakland.

a „ e : Oneffenland.

a i, b en d : Laagvlakte.

a ii Cud-. Hoogvlakte.

a n b „ e : Heuvelland.

a ii Cue: Bergland.

Men geve nu eene juiste bepaling van elk dezer vormen.

Laaglanden beneden de oppervlakte der zee heeten depressies of inzinkingen, b. v. de Kaspische inzinking (-78'), de Doode zee (-1180').

Naar den plantengroei verdeelt men de vlakten in:

Toendra's, mosvlakten in het hooge noorden, 's winters met sneeuw of ijs bedekt, 's zomers groote moerassen, die niet door te trekken zijn.

S t e p p e n, grasvlakten, die alleen in den regentijd met gras bedekt zijn; zij heeten in N.-Amerika p r a i r i e ë n; in de Argentijnsche Republiek p a m p a's; in Venezuela llano's; in Hongarije poeszta's; in enkele tropische gewesten savannen; in Spanje campo's. Is de grond met zout doortrokken, dan gaat de grassteppe over in eene zoutsteppe ;

Weilanden, grasvlakten in de gematigde luchtstreek, altijd groen. Heidevelden en woestijnen, niet geheel onbegroeide vlakten; de eerste in de gematigde, de laatste in de warme luchtstreken.

Venen, moerassen der koudgematigde zone. (Hoog-, laag- en moerasveen). Wouden met naaldboomen, loofboomen, altijd groene boomen met lederachtige bladen; s e 1 v a ' s, de oerwouden langs de Amazonen; catinga's met boomen, die (in Brazilië) in het droge jaargetijde hun loof verliezen.

Akkers. Vega's en Huerta's zijn de kunstmatig besproeide tuinvelden van Zuid- en Oost-Spanje.

Hoogvlakten hebben doorgaans een ongunstig klimaat, groote hitte en strenge koude staan tegenover elkander, zij zijn het best geschikt voor veeteelt, minder voor landbouw. (Zoek de voornaamste hoogvlakten op de orographische kaarten der werelddeeléii).

Het gedeelte lands van onbepaalde uitgebreidheid, dat de zeeman uit zee komende, waarneemt, wordt kust genoemd. De grens tussehen de kust en de zee heet k u s 11 ij n. Loopt het land langzaam in zee af en staat een gedeelte bij vloed onder water, dan heet dit strand. De kusten zijn a steil of

41

ocr page 54

DE AARDE ALS NATÜURLICHAAM.

4 v 1 a k. De eersten rijzen min of meer loodreclit uit zee op, de laatsten zijn eene voortzetting van het laagland onder de oppervlakte der zee.

Steile kusten bevorderen, als zij ingesneden zijn, het volken verkeer; als zij gesloten zijn houden zij den ondekkingsreiziger van het binnenland af. Voorbeelden van de eerste soort (h a v e n r ij k e) kusten zijn: de noord-oostkust der Vereenigde Staten,

de zuidkust van Engeland,

de noordkust van Spanje,

de kust van Malabar,

de kust van Nieuw Zuid-Wales en Zuid-Australië.

Voorbeelden van de tweede soort (havenarme) kusten zijn:

de zuidkust van Australië (met uitzondering van eenige golven in het oosten, welke?)

de falaises tusschen Seine en Somme;

de westkust van Amerika van 40° Z.B. tot van Couverseiland; (eene belangrijke haven?)

Andere vormen van steile kusten zijn die met klippen, fjorden en koraalvormingen; (dus in het geheel v ij f).

Klippen, onregelmatig verstrooide rotsen langs eene steile kust, bevorderen zeeroof, b. v.

langs de kust van Dalmatië (in de oudheid),

„ a n ii S c a n d i n a v i ë (in de middeleeuwen),

ii ii n ii A r a b i ë, e 1 H a s a; verder de Calvados van Normandië.

Fjorden, diepe en smalle insnijdingen in eene steile kust, treft men aan: op de westkust van Scandinavië,

ii i, Ierland en Schotland,

ii n Bretagne,

noordwestkust van Noord-Amerika,

zuidwestkust „ Zuid-Amerika en H i, Nieuw-Zeeland.

Koraalvormingen in helder, bewogen water van eene bepaalde diepte (100') en temperatuur (30° C.) zijn kustriffen met het land verbonden, — d a m-, barrière- of walriffen door een kanaal er van gescheiden, eu atollen, de overgebleven koraalranden van een verzonken land.

Waar koude zeestroomingen langs de kust strijken, of rivieren bij hare uitmonding het water troebel maken, kunnen de koraaldiertjes niet leven.

Kustriffen liggen langs Florida en Ceylon,

Walriffen u „ Nieuw-Holland (de Groote Barrière) en d e

Caroline n.

Atollen u ii deMaledieven.

Langs eene vlakke kust treft men aan:

1°. Duinen, als er in de zee zand en eb en vloed is, en zeewinden het zand landwaarts in jagen.

Voorbeelden van duinkusten:

van Calais — tot kaap Skagen,

den mond der Adour — dien der Garonne,

langs den zuidrand der Oostzee,

ii Afrika's noordwestkust, en ten zuiden van den mond der Amazonen-rivier, enz.

Duinkusten worden geteisterd door branding, zandbanken bemoeilijken de nadering, vliegende banken versperren soms de rivierhavens. Handel bloeit er niet, daarentegen is strandroof gebruikelijk.

42

ocr page 55

DE AARDE ALS NATUURLICIIAAM. 4S

2°. Kleigronden, als rivieren slik in zee werpen, dat door den vloed weer meegevoerd, bij de kentering van het getij achterblijft. Daartoe behooren; de Kwelderlanden op c'e Zeeuwsclie en Zuid-Hollandsche eilanden; de Mangrovekusten (mangroven zijn boomen, waarvan de stam en de wortels uit den grond omboog getrokken schijnen). Men vindt ze langs de noordkust van Java,

„ de oostkust van Sumatra,

// de kust van Guyana en Venezuela,

;; de kust van Mexico, enz.

Deze kusten zijn zeer ongezond, waarom?

3°. Nehrungen met daarachter liggende Haffen. Nehrungen zijn landtongen, waarvoor het materiaal door de rivieren op eenigen afstand van den mond in zee wordt neergelegd; haften zijn de riviermondingen. Deze kustvormen heeten: langs de westkust van de Golf du Lion Lidi en Etangs;

langs de noordkust van de Zwarte zee Peresips en Limans;

langs de noordwestkust der Adriatische zee Lidi en Lagunen;

Strandmeren langs de Golf van Valencia heeten Albufera's.

Nergens komt de Nehrung- en Haffvorming schooner voor dan op de oostkust der Vereenigde Staten.

Vele rivieren vormen bij haren mond aan eene vlakke kust Delta's, welke men onderscheidt in opvullingsdelta's, als het bezinksel in een' inham der zee wordt neergelegd, vooruitgeschoven delta's, als de vorming bij de kustlijn begint en negatieve delta's, als het slib op eene dalende kust, dus onder water bezinkt.

Bij de Gebergten zijn twee hoofdrichtingen op te merken, naarmate zij min of meer nauwkeurig de richting van eenen meridiaan (N—Z) of die van eenen parallel (O—W) volgen, de eerste noemt men meridiaanketens, de andere parallelketens. (In Azië hebben de laatste, in Amerika daarentegen de eerste de bovenhand). Transversale ketens, die tusschen beide richtingen instaan, vindt men in Europa. (Welke ketens zijn het gunstigst voor het verkeer?)

Zie over den invloed der parallelketens op planten en dieren enz. bij Azië, bi. 73. (Waarom zou Amerika zich ten opzichte zijner dierenwereld kenmerken door zwakke individuën en vele soorten? Welk is het eenige meridiaangebergte der oude wereld?)

De hoogte der gebergten of der bergen wordt bepaald naar de verheffing loodrecht boven deu spiegel der zee, volstrekte hoogte, of boven de omringende vlakte, boven een nabijgelegen meer enz., betrekkelijke hoogte. De opgaven van hoogte in getallen zonder verdere bijvoeging zijn steeds volstrekte hoogten. Naar de maat der volstrekte hoogte verdeelt men in het algemeen de gebergten in: Hoog- of Alpengebergten (boven de 6000'), middelgebergten (tusschen 4000' tot 6000') en v o o r - gebergten (die onder de 4000' blijven). Verder verdeelt men de bergen nog in de zoodanige, die eene groep vormen, opheffingen regelmatig om een gemeenschappelijk middelpunt opgehoopt (Massagebergten) en bergketenen (siërra = zaag, cor-d i 11 é r a s = gordels), die zich hoofdzakelijk naar eene hoofdrichting uitstrekken en het meest parallelketens vormen. Voorbeelden van Massagebergten zijn die van Scandinavië, Schotland en Sardinië; verder het Zwartewoud en de Vogeezen e. a. Welke zijn de voornaamste ketengebergten in de verschillende werelddeelen?

Bij alle op zich zelf staande gebergten moeten de volgende deelen onderscheiden worden: de kam, de helling, de top en deberg-passen. — Onder

Hi

ocr page 56

BE AATIDE ALS NATÜUBLICHAAM.

den kam van een gebergte verstaat men eene golvende lijn, waar langs men de hoogste toppen vindt; niet die welke de toppen vereenigt. De kam vormt eene waterscheiding, als de hoogste bronnen der rivieren naar tegenovergestelde richtingen loopen. Daarvoor is overigens de geringste verheffing van den bodem voldoende. — De vlakken, die van den kam tot aan den voet van bet gebergte zich voortzetten, zijn de helling; de toppen daarentegen zijn de enkele deelen die zich boven het gebergte verheffen; doen zij zich voor als punten, dan heeten zij piek, hoorn, spits, dent, naald, aiguille (angnlha), kegel, als stompere toppen, dan kop, dom, tafel of hoed; de vulkanen hebben meest de gedaante van eenen kegel, de uitgedoofde vulkanen die van afgeknotte ketels. — Bergpassen (des pas, cols, Joche, poorten in alle talen), zijn inzinkingen in den kam en vormen den overgang over een berg, dalen zijn de ruimten tusschen twee bergen.

Beteekenis der bergen:

1°. Zonder bergen, waar de waterdamp verdicht wordt, zouden er bronnen, beken, rivieren noch stroomen zijn.

2°. Hunne richting bepaalt den loop, hunne meerdere of mindere helling, de snelheid, hunne hoogte, den waterrijkdom der rivieren.

3°. Zij regelen den neerslag voor de landen ter weerszijden en houden warme winden op en koude luchtstroomen tegen. (Noord- en Zuidzijde van den Himalaya, Oost- en Westzijde der Andes, Noord- en Zuidzijde der Alpen).

4°. Zij veroorzaken eene groote afwisseling van klimaat in de streken tusschen voet en top gelegen en daardoor een snellen overgang van plantengordels in elkander. (Palmen — Eeuwige sneeuw langs den Himalaya).

5°. De mensch op de bergen is krachtig, kalm, opgewekt, godsdienstig, gehecht aan het oude. Landbouw, veeteelt, dikwijls ook bergbouw, zijn zijne voornaamste middelen van bestaan. Dikwijls moet hij naar de vlakte trekken om in zijn onderhoud te voorzien.

6°. De bergen scheiden volken (Franschen en Spanjaarden, Duitschers en Italianen, Hindoe's en Mongolen), enz.

De dalen zijn afhankelijk van de richting der bergen en worden diensvo.'gens in twee hoofdsoorten verdeeld; lengt e-dalen en d w a r s-dalen; de eerste, tegelijk met de opheffing der bergen ontstaan, loopen in de richting van het gebergte, de dwarsdalen daarentegen vormen gapingen in de voortzetting der gebergten en doorsnijden bergketens; daarin bevinden zich de voornaamste watervallen, katarakten. Lengtedalen bevorderen het verkeer in het gebergte, dwarsdalen dat tusschen het gebergte en het aangrenzende land.

3. Het water.

§ 14. Het water staat overal op aarde in onderlinge verbinding en vormt alzoo eenen Oceaan; waarvan de volgende deelen de voornaamste zijn:

1) De noordel ij ke IJszee of de Arktische zee, 278,000 □ m., biunen den noordelijken poolcirkel, staat met den Grooten Oceaan in verbinding en gaat over in

2) den Atlantischen Oceaan, 1,448,000 □ m., die de westkusten der oude wereld en de oostkusten van het nieuwe vasteland bespoclt.

3) De Groote Oceaan, 3,000,000 □ m., ook, schoon niet zoo juist. Stille Zuidzee genoemd, tusschen de oostelijke kusten der oude eu de westelijke der nieuwe wereld, bijna zoo groot als al het laud dor aarde, hot dubbele van don A. O. en de helft van de overige zeeën beslaande.

4) De Indische Oceaan, 1,332,000 Q m., die in het W. met den Atlantischen Oceaan eu in hot O. met den Grooten Oceaan gemeensohap heeft.

5) De Zuidelijke IJszee of de Antarktische zee, 372,000 Q m., binnen den zuidelijken poolcirkel.

44

ocr page 57

DB AARDE ALS NATUUELICHAAM.

Over deze zeeën stippen wij het volgende aan ;

A. De noordelijke IJszee is niet alleen voor de wetenschap, maar vooral ook voor den handel van groot belang. De expedities echter naar N. Amerika's noordkust van het einde der 15quot; (John Cabot) tot het midden der 19e eeuw (Mac Clintock) hebben bewezen, dat er van eens ,/noordwestelijke doorvaartquot;, d. i. eene gemeenschap tusschen den Atlantischen en den Grooten Oceaan langs N. Amerika geen sprake is. Wel geeft de kaart in de opeenvolging van Davisstraat — Lancaster Sont — Barrowstraat — Melville Sont — Prince- of Walesstraat — Mond der Mackenzie — Beringsstraat zulk oen' weg aan, maar drijvende ijsvelden en beneden tegen-stroomen maken het varen onmogelijk. Van meer beteekenis zijn de expedities voor het zoeken eener ,/noordoostelijke doorvaartquot;, d. i. eene gemeenschap tusschen den Atlantischen en den Grooten Oceaan langs Noordelijk Europa en Azië. Dezen zijn begonnen onder Barendsz, die meende „Kataïquot;, d. i. China, gemakkelijk oostwaarts te zullen bereiken, want men wist toen nog niet, dat Azië zich zoo ver noordelijk uitbreidde en meende dus langs den Oeral onmiddellijk zuidwaarts te kunnen varen. Eerst Nordenskjöld heeft op zijne bekende reis van 1879—1880 het vraagstuk opgelost, maar ook bewezen, dat deze doorvaart in haar geheel nimmer bruikbaar zal zijn. Daar Siberië echter rijk is aan wouden en vruchtbare akkers, de zee er wemelt van traangevende dieren, het zuidelijk gebergte veel goud en de kusten veel ivoor van voorwereldlijke dieren opleveren, kunnen tochten naar den mond der Jeuisseï voor den handel zeer winstgevend worden. (Zie verder hierover bij Azië).

B. De Atlantische Oceaan (genoemd naar den Atlas) is arm aan eilanden en rijk aan inhammen (de voornaamste op de kaart aan te wijzen !). Begrensde hij voor de ontdekking van Amerika de toenmaals bekende aarde en durfde men hem niet bevaren omdat men, meenende, dat de aarde eene schijf was, vreesde er in het westen te zullen afvallen, na 1493 werd dit anders.

De handel verplaatste zich van den Middellandsche Zee naar dezen Oceaan. Lissabon, Antwerpen, Amsterdam en Londen namen de plaats in van Venetië, Genua en Augsburg De ontwikkelde westkust van Europa en de havenrijke oostkust van Amerika zijn naar elkander toegekeerd; de reis van Liverpool naar New-York duurt slechts 11 dagen; de eerste onderzeesche telegraafkabel werd gelegd van Valentia op lerlands westkust, naar St. Johns op New-Foundland; stoombooten en zeilschepen gaan onophoudelijk heen en weer, kortom hij is de brug, waarover de bewoners aan zijne oevers, het levendigste verkeer met elkander houden.

C. De Groote Oceaan draagt zijn' naam terecht. Balboa, die hem op de landengte van Panama, van oost naar west zich uitstrekkende, het eerst en wel in het zuiden zag, noemde hem Zuidzee.

De volgende oorzaken hebben het wereldverkeer in dezen Oceaan buitengewoon uitgebreid, nadat hij door de geslotenheid van Amerika's westkust en het isolement van China en Japan gedurende ruim 200 jaren niet was bevaren :

De reizen van James Cook in de vorige eeuw; de walvisch vangst in de Bassstraat en bij de Sandwicheilanden; het stichten van Engelsche koloniën in Nieuw-Holland; het zelfstandig worden der Amerikaansche republieken, de voormalige, verwaarloosde Spaansche bezittingen; het vinden van goud in Californië en de ontwikkeling van San-Francisco; de uitbreiding der Eussen in het Amoergebied: de verbinding van N.-Amerika's oost- en westkust door spoorwegen; het openstellen van de havens van China en Japan voor den handel met Europa en de Vereenigde Staten en de in den laat-sten tijd geopende Duitsche stoomvaartlijnen o. a. op Australië. (Welke zijn de voornaamste zeeën, golven en straten langs zijne kusten ?)

45

ocr page 58

DE AARDE ALS NATUURLICHAAM.

D. De Indische Oceaan kreeg eerst beteekenis toen Vasco de Gama in 1498, geholpen door den Scheich van Malenda op Afrika's oostkust, met den zuidu'estmoeson in 23 dagen de stad Calicoet bereikte.

Welke zijn de landgrenzen?

Welke de twee voornaamste golven en hare voortzettingen?

Deze zeeën dringen weder in het binnenste der landen en vormen daar binnenzeeën (middellandsche), rand zeeën (tussehon de kust en aangrenzende eilanden), zeeboezems of golven en baaien (bay, fiord), bochten (kleinere boezems met betrekkelijk wijde opening), re eden (als er ankergrond is) en zeeëngten (straten, kanalen, sond).

Middellandsche zeeën worden door vastelanden omsloten. Deze zijn drie in getal: 1°. De Afrikaansch-Europeesche, tusschen 45° en 30» N.B. 2°. De Amerikaansche tusschen 30° en 10° N.B.

3°. De Austraal-Aziatische tusschen 23i0 N.B. en 9° Z.B.

Welke zijn de voornaamste golven en straten in elke dezer zeeën? § 15. Sedert men de vastelanden en eilanden door onderzeesche telegraafkabels ging verbinden, was het noodig, den bodem der zee te leeren kennen. De peilingen daartoe gedaan hebben bewezen, dat hij, geheel ongelijk aan de oppervlakte van het land, vrij effen, zonder groote afwisseling van hoogten en laagten, is. Het water, dat oneffenheden op het land vormt, door afschuring en wegvoering van het gesteente, werkt op den bodem der zee nivelleerend.

De peilingen hebben voor de diepte de volgende resultaten gegeven: l». De gemiddelte diepte der oceanen bedraagt 0,5 m. of ruim 10000'. 2°. De grootste tot nu bekende diepte, de Tuscaroraholte (naar het schip de Tuscarora) ligt ten oosten van de Koerillen en de Japansche kust, en bedraagt 1,1 m. of 25000'.

3°. Men heeft de grootste diepte niet in het midden der oceanen maar nabij de kusten aangetroffen.

4°. De binnenzeeën zijn minder diep dan de open zee. De gemiddelde diepte der Oostzee bedraagt 180'; die der Noordzee in het noorden 540', zuidelijker wordt zij minder diep; de Middellandsche zee is veel dieper vooral in het oosten, waar het dieplood tot ruim 9000' zinkt.

5°. Aangezien de hoogste berg, de Gaoerisankar, bijna 1.2 m. of ruim 26000' is, blijkt hieruit, dat de grootste diepte slechts weinig door den hoogsten berg wordt overtroffen. Men bedenke echter, dat eene diepte zich over eene groote ruimte uitbreidt en dat de top van een' berg een' zeer kleinen omvang heeft.

6°. Men heeft berekend, dat de gemiddelde hoogte der vastelanden 8 maal minder is dan de gemiddelde diepte der oceanen. Verder, dat de kubieke inhoud van het land boven water uitstekende 31 maal kleiner is dan de ruimte die door de wereldzee ingenomen wordt; deze ruimte zou men dus met zooveel maal dat land geheel kunnen vullen.

Het zeewater heeft zijne kleur vooral aan de straalbreking van het ILsht, aan de atmosfeer eu den verschillenden aard van den bodem der zee te dansen, doch onderzoekingen hebben doen zien, dat het diepe zeewater eene blauwe kleur (ultramarijn) heeft. Nabij de kusten is het water troebel. Waar eigenaardig gekleurde organismen aanwezig zijn, spreekt men van:

de Melkzee (in de golf van Guinea);

de Olijfzee (bij Groenland);

de Vermiljoenzee of de golf van Californië;

de Zaagselzee (in den Ind. Oceaan).

Ook zijn de Zwarte-, E. o o d e- en Gele zee bekend.

De bitterachtige zoute smaak die aan het zeewater eigen is, wordt ver-

46

ocr page 59

47

DE AARDE ALS NATUURLICHAAM.

oorzaakt door verscheidene daarin opgeloste zouten, waarvan ons gewone zout het voornaamste is (Aanmaak van zout in zoutarme streken). Door dit zoutgehalte wordt het soortelijke (specifieke) gewicht van het zeewater tot op 1,029 (regenwater = ] ,000) verhoogd. Plaatselijke invloeden wijzigen intusschen het zoutgehalte in bijzondere zeeën: bij de Oostzee is het slechts 0,66% gt; bij de Roode zee echter 40/o (Wat zijn daarvan de redenen? Welke stroomingen ontstaan er in bij elkander liggende zeeën met verschillend zoutgehalte?). In de passaatstreken is het zoutgehalte zeer groot (waarom?); het neemt af naar den equator (grooten neerslag) en naar de polen (smelten van ijs). — Een vooral bij het zeewater waargenomen verschijnsel is het lichten der zee, dat te weeg gebracht wordt door levende zeedieren (molusken, weekdieren) die, in tallooze menigte aanwezig, bij eene zekere verhooging van levenswerking door warmte en beweging der zee licht ontwikkelen.

§ 16. De zee heeft drieërlei beweging: golving, schommeling en strooming.

De golven worden door den wind (soms door aardbevingen en vulkanische uitbarstingen) veroorzaakt. Hare beweging is plaatselijk; het water gaat daartoe op en neer, terwijl de bewogen deeltjes een' zijdelingschen druk op de naastbij-liggende uitoefenen. Kwamen de golven op de kust „aanzettenquot;, dan zou een voorwerp, in zee geworpen, onmiddellijk weer terug moeten komen, terwijl het eerst na eenigen tijd aanspoelt. De beweging van het water is het best te vergelijken bij die van de hamertjes eener piano, over welker toetsen men snel met de hand strijkt.

Men spreekt van eeu' golfberg, een golfdal, de breedte en de hoogte der golf. De laatste is afhankelijk van de kracht van den wind en van de diepte der zee. (In welk opzicht?) De grootste hoogte der golven bedraagt, zooals sommigen meenen, zelfs bij de hevigste stormen in volle zee niet meer dan 30 voet; anderen daarentegen beweren, dat deze hoogte bij stormen zeer gewoon is en zelfs tot 60 voet kan stijgen. Tot op eene diepte — 350 maal de hoogte der golven is de zee in beweging; zoodat de Noordzee op den bodem bijna nooit in rust en dus steeds troebel is. Stooten de golven op klippen, zandbanken en stranden, dan ontstaat eene branding.

De belangrijkste bewegingen van de zee, waardoor de schommeling worden te weeg gebracht, zijn vloed en eb (de getijden); hieronder verstaat men een regelmatig terugkeerena stijgen en vallen van net water, hetgeen tusschen de keerkringen en in open zee het regelmatigst, aan de kusten het meest bemerkbaar is, maar in binnenzeeën zeer weinig vindt. Dagelijks tweemaal bereikt het water aan dezelfde plaats zijn' hoogstm stand (vloed, hooge zee), en wel eenigen tijd, nadat de maan den meridiaan dier plaats gepasseerd is, daarna valt het gedurende fi uur, totdat liet zijnen laagsten stand (eb, lag ; zee) bereikt heeft; vervolgens stijgt het weder 6 uren lang tot aan de hooge zee.

Daar de maan iederen dag voor eene bepaalde plaats 50 minuten later opkomt en dus 50 minuten later door den meridiaan dier plaats gaat, en de vloed ook na 24 uur en 50 minuten intreedt, kwam men er al zeer vroeg toe, het verschijnsel der getijden toe te schrijven aan de aantrekkingskracht der maan, op de aarde.

Waarom juist 50 minuten? De maan beschrijft in ± 28 dagen een cirkel of

een' weg van 360° om de aarde, dit is per dag ongeveer —— = 12|0. Daar

3 8

nu een graad = 4 tijdminuten

n \ 360

nog 12-j X 4 min. = 50 min. wentelen eer eene plaats de naam op nieuw opkomen.

ocr page 60

DE AARDE ALS HEMELLICHAAM.

De maan M oefent op het punt der aarde dat naar haar toegekeerd is A, e de grootste aantrekking uit,

eene geringere aantrekking op

epunt C en de minste op B. Bevindt zich bij A water, dan verwijdert zich dit van C. en ~ff verheft zich uit zijnen cirkel-punt C en de minste op B. Bevindt zich bij A water, dan verwijdert zich dit van C. en ~ff verheft zich uit zijnen cirkel-

vormigen stand, dien het door de gelijkmatige aantrekkingskracht der aarde had. Tegelijk wordt ook C eenigzins door M aangetrokken, en, daar M sterker op C dan op B werkt, worden de vaste deelen der aarde naar M getrokken, terwijl de vloeibare deelen, die zoo spoedig niet kunnen volgen, moeten achterblijven en zoo bij B zich schijnbaar verheffen. Alzoo vloeit er uit E en van D water naar A en B toe. Bij A en B is het dus hooge, bij D en E lage zee. Hetzelfde geschiedt, als M op de andere zijde in de verlenging van de lijn CB staat. Bevindt zich daarentegen M in de verlenging van DE, dan is er bij D en E hooge, bij A en B lage zee. — Staat de zon met de aarde en de maan in eene lijn (volle en nieuwe maan tijdens de nachtevening), dan wordt door de vereenigde aantrekking van zon en maan de vloed het hoogst (springvloed); ten tijde der kwartieren echter, als zon en maan rechthoekig tegenover oè aarüe stafin, is die het kleinst, omdat dan een Maan (of Zon) vloed en eene Zon (of Maan) eb voor eene zelfde plaats samen vallen. Men lette er vooral op, dat het niet de grootte der aantrekkingskracht is, welke de getijden veroorzaakt, want dan zouden zij aan de groote zon en niet aan de kleine maan, ook al brengt men haar verschil in afstanden tot de aarde in rekening, moeten toegeschreven worden. Eb en vloed worden merkbaar door het verschil in aantrekking van elk der beide hemellichamen op een punt aan de oppervlakte en het middelpunt der aarde. Dit verschil is bij de maan zeer groot, want de aardstraal is van den afstand der maan en yjj-oTr van dien der zon tot de aarde. Bij de maan komt zij dus wel degelijk in aanmerking; bij de zon kan zij verwaarloosd worden. Deze oefent gelijke aantrekking uit op een punt aan de oppervlakte en het middelpunt.

De vloed beweegt zich niet als een stroom in de zee, maar is eene aaneenschakeling van door de maan opgetrokken waterdeeltjes. Dit optrekken geschiedt in de richting van oost naar west, omdat de aarde van west naar oost om hare as wentelt. (Toon dit uit eene figuur aan). Deze redeneering geldt voornamelijk voor de vloedgolf in den Grooten Oceaan. (Waarom?)

Aangezien het water door banken, eilanden en andere oorzaken in zijn' loop wordt tegengehouden verloopt er eenigen tijd tusschen den doorgang der maan door den meridiaan eener plaats en het oogenblik van den hoogsten vloed; dit tijdsverschil noemt men ha ven tijd.

De vloedgolf (of wat men daaronder verstaat) verdeelt zich soms in takken, als zij op een vooruitspringend gedeelte van een vastland of eiland stuit. Daardoor kunnen eb en vloed op één punt samenkomen, zoodat men daar nooit verschil in waterstand waarneemt. Dit heeft bijv. plaats bij den mond der Eio de la Plata en bij Arklow op de oostkust van Ierland. In het kanaal van Bristol heeft men daarentegen zeer hooge vloeden.

In de Middellandsche zee en de Oostzee is de vloed wel gering, maar toch waar te nemen. De Scylla en Charvbdis in de straat van Messina en de stroo-mingen in den Euripus (tusschen Negroponte en Griekenland) zijn de gevolgen van eb en vloed. Ook de gevaarlijke (?) maalstroom bij de Lofodden wordt er door veroorzaakt.

Dringt de vloed een golf of riviermond binnen die zich vernauwt, dan wint

48

ocr page 61

BE AAllDE ALS N ATUURLIC H A AM.

hij aan hoogte wat hij aan breedte verliest. Zoo ontstaan de hooge vloeden in de Fundybaai;

de Bar res in den mond der Seine,

de Mascarets of Eaz de Maree „ „ ;/ „ Gironde, de Boren nun van den Ganges,

de Pororoca's n n n der Amazonen.

Havensteden werden zeer dikwijls daar aan eene rivier gesticht, waar de vloed geladen zeeschepen nog kon brengen, zoo b. v. Hamburg, Bremen, Antwerpen, Bordeaux e. a. Tegenwoordig nu de schepen steeds grooter diepgang krijgen, kunnen zij eene rivier zoo ver niet meer opvaren, maar lossen zij bij de voorhavens, die langzamerhand met de stad vergroeien. (De voorhavens voor de genoemde steden op de kaart aan te wijzen.)

Moge over de genoemde verschijnselen geen verschil van meening meer bestaan, vele vraagstukken, die zich bij eb en vloed voordoen wachten nog op eene afdoende oplossing.

§ 17. De zee-stroomingen bestaan in een aanhoudend bewegen van het water naar bepaalde richtingen. Hoewel zij niet, gelijk eene beschouwing der kaart zou doen veronderstellen, als eene rivier door de zee heen vloeien en ook niet rechtstreeks merkbaar zijn, weet men toch, dat zij er zijn:

1°. door vergelijking van den weg, dien een schip in zijne gewone vaart aflegt met dien welke het logboek op bepaalde gedeelten der reis aangeeft. Is de snelheid grooter, dan is het duidelijk, dat men door een gunstigen stroom wordt voortgedreven. Het tegengestelde is ook waar;

2°. door zoogenaamde flesschenreizen, welke echter geen aanwijzing geven over den weg, dien de flesch heeft afgelegd;

3quot;. door de beschouwing van drijfproducten.

De zeestroomen hebben nut voor den zeevaarder en voor de verspreiding van planten en dieren. Zoo is de kokosnoot door hen naar de verschillende eilanden van Australië overgebracht. Zij wijzigen het klimaat door warm water naar hooge breedten, koud water naar lage breedten te voeren (warm en koud met betrekking tot de temperatuur der plaatsen, waar zij aankomen). De eigenlijke zeestroomen gelijk Golfstroom, Peruaansche stroom e. a. onderscheiden zich van de drift-stroomen daarin, dat de eersten standvastig, de laatsten afhankelijk zijn van jaargetijden en heerschende winden.

Als oorzaak der stroomingen ten N. en ten Z. van den aequator neemt men algemeen de passaten aan, die gedurende duizenden jaren het water steeds in eene (westelijke) richting gedreven hebben. De ongelijke temperatuur van het water aan de polen en den aequator kan er de oorzaak niet van zijn, aangezien de verwarmde laag hier slechts iV van de geheele massa is en het soortgelijk gewicht daar minder wordt door het nitvriezen van het zout. Bovendien staat tegenover de sterke verdamping aan den aequator een grooter neerslag, waardoor het zoutgehalte er gering is. Daardoor is de gemiddelde temperatuur en het gemiddelde s. g. in den geheelen Oceaan vrij wel gelijk en dus is er geen reden voor het ontstaan van zulke machtige stroomen, die een verbroken evenwicht zouden moeten herstellen.

Tusschen 20° N. B. en 20quot; Z. B. gaan zoowel in den Atlantischen als in den Groeten Oceaan van oost naar west de Noord- en Zuidaequatoriale stroom. Hun water wordt door de passaten in het westen opgestuwd, en er ontstaat tusschen beiden een tegenstroom, welke oostwaarts vloeit.

Deze in den Atlantischen Oceaan Guineastroom geheeten, reikt in Augustus veel verder westelijk dan in Februari, omdat de passaat in den zomer van ons halfrond krachtiger waait dan in den winter.

49

4

ocr page 62

DE AARDE ALS NATUUELICHAAM.

De zuidaequatoriale stroom van den Atlantischen Oceaan wordt door de kust van Zuid-Araerika bij Kaap San Koque in tweeën verdeeld. Een tak gaat langs Brazilië als warme Braziliaansche stroom, buigt zich. op 30° Z.B. oostwaarts om en vereenigt zich mei den kouden Zuid-Atlantischen stroom (koud, omdat hij uit de Zuidelijke IJszee komt), die langs Afrika's westkust van zuid naar noord trekt om langzamerhand verwarmd, als zuidequatoriale stroom den kringloop te voltooien. Een tweede tak loopt langs Guyana, door de Caraï-bische Zee en de Golf van Mejico (de stoomketel van Europa) en treedt door de straat van Florida den Atlantischen Oceaan binnen. Tot 40° N.B. strijkt hij langs de Amerikaansche kust, wordt dan door de aswenteling der aarde noord-oostwaarts gedreven en verdeelt zich in 4 takken,

een gaat langs Groenlands westkust,

een tweede n IJslands „ ,

een derde ;/ Scandinavië's u en

de vierde buigt zich op Portugals westkust zuidwaarts om, om als noordequa-toriale stroom den kringloop ten noorden van den equator te voltooien. De vierde tak, gaande van noord naar zuid werkt temperatuur verlagend op de kust van Portugal en die van Afrika. De derde verdient eene nadere bespreking, hij is d e algemeen bekende Golfstroom (men spreke nooit van een golfstroom!). Door den zuidwestenwind wordt hij noordwaarts gedreven en verhoogt de temperatuur van Europa's westkust in den winter, terwijl hij des zomers de koude stroomen uit de Noordelijke IJszee daarvan afhoudt. In Januari is de zee op de kust van Frankrijk nog 11° C., bij Noord-Amerika op dezelfde breedte 0°; in Friiholm op 71° breedte, waar de zon de geheele maand niet opkomt nog 3°, terwijl de Zee van Azof dan met ijs bedekt is.

De Noordkaap blijft des zomers vrij van ijs, terwijl ijsschotsen, waarop robben en ijsberen, op de Amerikaansche kust afdrijven tot 36° breedte of die van Gibraltar.

Graan verbouwt men in Europa nog tot 70° breedte, terwijl men in Amerika op gelijke hoogte de sneeuwhuiten der Eskimo's aantreft.

Welk een verschil tusschen de landen om de Hudsonsbaai en die om de Noordzee! De Golfstroom voert drijfhout aan uit het binnenland van Noord-Amerika naar de noordelijke streken van Europa, waar de bewoners gebrek aan brandhout hebben. Op Jan Mayeneiland ligt het huizenhoog opgestapeld. Hij is echter ook de baan voor heftige orkanen, waarom de Engelschen hem den „stormkoningquot; noemen.

Tusschen de kust van Amerika en den eersten tak dringt de Labradorstroom, zuidoostwaarts gedreven door de noordwesten winden uit de Noordelijke IJszee, en als „Cold Wallquot; (koold oeol), koude muur, door de aswenteling der aarde langs New-Foundland gaande. De visch door dien stroom aangevoerd blijft staan vóór het warme water van den Golfstroom, vandaar de groote visscherijen bij dat eiland.

In den Grooten Oceaan, vooral ten noorden van den aequator is het stelsel der stroomingen bijna gelijk aan het pas beschrevene. Wat hier Golfstroom heet, is daar de Koero Siwo of Zwarte stroom, waarvan één tak de Japansche zee, en een smalle tweede de Beringstraat binnendringt. De ombuiging heeft plaats op 45° breedte. De koude Ochotskstroom, die langs Mandsjoerije en Korea strijkt, stemt overeen met den „Cold Wallquot; (visscherij bij Japan!).

Ten zuiden van den aequator loopt, van zuid naar noord, langs Z.-Amerika's westkust de koude Peruaanse he of Alexander von Humboldtstroom, die, langzamerhand verwarmd, overgaat in den Zuidaequatorialen stroom, welke zich tusschen de eilanden van Polynesia in verschillende lakken verdeelt. (Door dezen kwam de verbinding tusschen Azië en Australië tot stand).

50

ocr page 63

DE AARDE ALS NATUURL1CHAAM.

Een daarvan, de Oost-Australische stroom, verhoogt de temperatuur van Nieuw-Hollands oostkust.

In den Indischen Oceaan trekt de Zuidaequatoriale stroom langs Afrika's oostkust als warme Mozambique stroom, die zich als Kaapstroom op 40° breedte oostwaarts ombuigt, om zich te vereenigen met den kouden West-Australi-schen stroom. Een tak van den Mozambique stroom gaat als Agulhas stroom misschien naar de Zuidpool.

Langs welke kusten strijken nu warme, langs welke koude stroomen?

Ook in verscheidene binnenzeeën komen vaste stroomingen voor. Zoo stroomt de Atlantische Oceaan bij Gibraltar aan de oppervlakte altijd in de Middellandsche zee, hetgeen veroorzaakt wordt: 1°. doordien het water van de Middellandsche zee, onder den invloed der zon verdampend, zwaarder wordt in specifiek gewicht, en zoo, 40 tot 50 voeten onder het Atlantische binnendringende zeewater, weder in den Oceaan stroomt; 2°. omdat er zoo weinig rivieren in de Middellandsche zee uitmonden, waardoor het niveau er lager is dan in den Atlantischen Oceaan. Uit de Zwarte zee naar de Middellandsche zee heeft iets soortgelijks plaats. (Men denke aan de vele rivieren, die in de eerste uitmonden). Welke stroomen gaan er door de straat van Bab el Mand eb?

Behalve deze altijd-voortgaan de stroomingen zijn er nog periodieke (op vaste tijden terugkomende), hoofdzakelijk in het noordelijke gedeelte van de Indische zee, en veranderlijke in alle zeeën, vooral aan de kusten; zij worden door periodieke of door onregelmatige winden (§ 21«) veroorzaakt.

Op sommige plaatsen in zee, waar door den kringloop ecu zekere rust van deze stroomingen heerscht, hoopt zich het door golven en strooming losgerukte zeewier bijeen. Zoo bedekt dit in den Atlantischen Oceaan tusschen 22° en 26° N.B. en 5°—4° W.L. eene uitgestrekte oppervlakte, meest bekend onder den Portugeeschen naam Mar de s a rg a c o of kruidenzee. Ook elders doet zich hetzelfde verschijnsel voor, bijv. in het Z. van den Atlantischen Oceaan en in de Indische zee tusschen 40° en 50lt;gt; Z.Br.; verder ook in het Z. van den Grooten Oceaan, ten W. van Nieuw-Zeeland en eindelijk nog benoorden de Sandwich-eilanden. Op dit wier verzamelen zich weekdieren, die den walvisschen tot voedsel strekken. En den walvischvaarder noemt men wel eens den pionier der beschaving!

§ 18. De zee is door verdamping van haar water de voortbrengster en de voedster van al het zoete water, daar de in de lucht opgestegen waterdamp als regen en sneeuw weder nedervalt, in de aarde dringt of zich er op verzamelt en en op deze wijze wellen, bronnen, beken, rivieren, poelen en meren vormt. Het in de aarde gedrongen water komt als wel of bron weder daaruit te voorschijn; sommige bestanddeelen der aardlagen waardoor het vloeit, zijn daarin opgelost; bij de mineraalbronnen, zoutbronnen enz. is dit in groote mate het geval. De warmtegraad der bronnen is zeer verschillend (koude, warme en heete bronnen), evenzeer de hoeveelheid water; eenige vloeien bestendig, andere slechts op bepaalde, vooral vochtrijke tijden. Men verdeelt das de bronnen:

1°. Naar de bestanddeelen, die er in opgelost zijn in zoutbronnen of soolen, kalk- en minerale bronnen.

2n. Naar de temperatuur in thermen of warme-, absolu ut-warme en koude bronnen. De eerste hebben eene hooger temperatuur dan de plaats, waar men ze vindt; de tweeden eene, die hooger is dan die van eenige plaats op aarde; de derden zijn kouder dan de streek, waar men ze aantreft; eene bron van b. v. 10° C. in Indië kan dus eene koude zijn, terwijl eene met eene temperatuur van 1^° in Lapland reeds eene warme bron genoemd wordt. Tot de absoluut warme bronnen behooren de Geysers.

51

ocr page 64

DE AARDE ALS NATU0BLICHAAM.

3°. Naar den tijd, gedurende welken zij stroomen in permanente, inter-mitteerende en periodieke bronnen. Wat beteekenen deze woorden? Wat is het versoliil tusschen eene intermitteerende en eene periodieke bron?

Uit de vereeniging van bronnen ontstaat eene beek, uit de vereeniging van beken eene rivier. Zijrivieren heeten de kleinere rivieren, die baar water in eene hoofdrivier ontlasten. Kustrivieren zijn dezulken, die na korten loop zich in zee storten; steppen rivieren die, welke in het zand van steppen of woestijnen zich verliezen.

Iedere rivier heeft hare bedding, haren rechter- en haren linker-oever (van de bronnen naar den mond gezien), haar verval (het verschil van hoogte tusschen twee punten van den waterspiegel op verschillende plaatsen van haren loop), somwijlen watervallen, of over en door rotsblokken en engten stortend water (katarakten, Stromschnellen, rapids. Loch), en haren boven-, middel- en benedenloop. De eerste is in het hooge bergland; als zij hieruit te voorschijn treedt in het lagere heuvelland, vangt zij haren middel-loop aan, terwijl de beneden-loop het lage land toebehoort, waarin zij zich vaak in menigvuldige vertakkingen verdeelt en tusschen hare in zee loopcnde armen of takken eene Delta (naar den driehoekigen vorm) maakt (Nijl, Ganges, Niger, Rijn). — De geheele uitgestrektheid lands, waarvan eene rivier hare voeding ontvangt, is men gewoon haar stroomgebied te noemen, en de grenzen van twee naburige stroomgebieden, die gemeenlijk door een hoogeren of lageren rug gevormd worden , de waterscheiding.

Een zeegebied is de som der stroomgebieden van de rivieren, die in eene zee nitloopen. Welke landen vormen dus het zeegebied der Oostzee? Welk is het verschil tusschen een stroomgebied en een stroomstelsel ? — Zeldzamer wordt door een door de natuur gevormd kanaal eene gemeenschap tusschen twee rivieren van twee verschillende stroomgebieden gemaakt (bifurcatie), zoo als dit plaats heeft met de Cassiquiare in Z.Amerika, die de stroomgebieden der Amazonen-rivier en Orinoco verbindt.

De waterrijkdom der rivier hangt af:

van den omvang van haar stroomgebied;

haar afwateringsgebied;

de hoeveelheid regen, die daar valt;

a het klimaat, dat meer of minder water doet verdampen.

De rivier voert puin mede, dat fijner wordt naarmate men zich van de bron verwijdert,

1°. omdat de zwaarste steenen het eerst bezinken;

2°. ii a steenen elkander door wrijving fijn maken.

Het bezinksel valt neer:

1°. aan de binnenzijde eener groote kromming;

2quot;. bij de in monding van woeste bergstroomen;

3°. als de rivier in de vlakte treedt en

4°. bij haren mond in zee of een meer.

Zoo ontstaan:

a. kiezel en zandbanken in de rivier;

b. steen velden aan den voet van het gebergte;

c. alluviale vlakten in het laagland en

d. delta's aan den mond.

Door de verplaatsing der kiezelbanken, een gevolg van de afwisselende richting en de kracht der rivier krijgt deze haren meanderloop. (De Meander is eene rivier in Klein-Azië).

In den Bovenloop zijn de wild- en stortbeken, die de rivier moeten vormen.

52

ocr page 65

DE AARDE ALS NATCURLICHAAM.

den mensch van geen nut. Aan den voet wordt de bergstroom dikwijls gezuiverd in meren, (welke ter weerszijden van de Alpen?)

In den Middelloop is de rivier slechts geschikt voor de dalvaart (naar den mond toe), niet voor de berg vaart (de rivier op).

Zoo b. v. de Donau tot Presburg, en de Eufraat en Tigris tot ongeveer bij Bagdad. De steden liggen gewoonlijk op eenigen afstand van den oever, gelijk die langs den Rijn van Bazel tot Straatsburg.

In den Benedenloop worden de natuurlijke oevers vervangen door kunstoevers, d ij k e n. De steden liggen bij voorkeur op enkele heuvels aan den oever. (Bremen, Hareburg, Nijmegen, Arnhem). Het verval en de snelheid worden minder, wat de rivier aan diepte verliest, wint zij in breedte, (overstrooming, overlaten, ijsgang, kistingen, d e 11 a v o r m i n g, uiterwaarden zomer-, winter-, schaar-, waak- en slaperdijken komen hier ter sprake).

Niet van alle rivieren is de loop in drieën verdeeld, van de Donau en den Mississippi is de bovenloop zeer onbeduidend, bij den St. Laurens ontbreekt hij geheel.

Eivieren die in de richting der meridianen loopen zijn van meer beteekenis voor het volkenverkeer dan die, welke vau west naar oost of omgekeerd stroomen. Waarom?

Bij eene goed ontwikkelde rivier is de stroomlengte (gemeten langs alle kronkelingen) grooter dan de stroomafstand (de rechte lijn, die bron en mond verbindt). Tegenwoordig dijkt men vele kronkelingen in en geeft de rivier een' rechten loop. (Welke zijn daarvan de voor- en nadeelen)?

Plateau rivieren gelijk die van Spanje, de Zwabisch-Beiërsche hoogvlakte en Afrika gebruiken al hare kracht om zich eene bedding (ingesloten tusschen steile oevers) zonder dal te vormen. Zij belemmeren het verkeer. (Zie over de Canons van de Colorado bij Amerika).

Groot is het nut der rivieren:

Zij brengen de volken langs hare oevers met elkander in aanraking; schenken leven en vruchtbaarheid aan de landen, die zij doorstroomen; bevorderen handel, scheepvaart, vischvangst en landbouw, soms ook nijverheid.

De beschaving op de hooglanden geboren verspreidde zich langs de rivieren naar de vlakte (bij den Nijl, den Ganges en in Mesopotamic). Daarom werd de heilige Ganges door de Brahmanen en de Nijl door de Egyptenaren vereerd. De Chineezen, Egyptenaren en de Nederlanders werden waterbouwkundigen.

Andere verzamelingen van het water op de aarde zijn de meren; deze hebben öf toevloed en afwatering, of alleen afwatering, of alleen toevloed, of zij missen beiden (de twee eerste soorten zijn open, de beide laatste gesloten meren); tot de meren zonder merkbare uitwatering behooren vooral de staande wateren in de laagten der vlakten, de steppen meren; verder eenige zeer hoog gelegen bergmeren, gevoed door onderaardsche bronnen of door sneeuw- en gletscher-water (b. v. het meer Titicaca op de Andes van Bolivia in Z.-Amerika, 12000' boven den spiegel van den Grooten Oceaan). — Er zijn zoetwater- en z o u t-water meren. Tot de eerste soort behooren alle meren die eene afwatering hebben; vele dergenen die geene afwatering hebben, tot de tweede; vooral is Azië hierin rijk; het beroemdste aller zoutmeren is de Doode zee (ruim 1200' beneden den zeespiegel). St ran dm eren (Haffe, laguna's) zijn dikwerf zoetw a termeren, die met de zee in verbinding staan. (Zie boven).

4. De Dampkring.

§ 19. De dampkringslucht, die onze aarde omgeeft en er zoo goed als de zee een deel van uitmaakt, bestaat wat haar volume betreft, uit eene vermenging van 79 deelen stikstof en 21 deelen zuurstof. Daarbij komt nog koolzuur en waterdamp

53

ocr page 66

DE AARDE ALS NATUURLtCHAAM.

in geringe en zeer veranderlijke hoeveelheid. De lucht heeft gewicht (1 M3 lucht weegt 1,293 Kg.); daardoor oefent zij drukking uit op de voorwerpen, waarop zij rust. Door den barometer toont men aan, dat zij in staat is 76 c.M3 kwik omhoog te houden; m. a. w. op 1 c.M2 oefent de lucht eene drukking uit van 76 X 0,0136 K.g. (omdat 1 d.M3 kwik 13,6 Kg. weegt) = 1,0336 Kg.; d. i. op 1 M2 — 10336 Kg. Met den afstand boven de oppervlakte der zee neemt ook de dichtheid der lucht en dus de hoogte van den barometerstand af, omdat men minder luchtlagen boven zich heeft; vandaar is de barometer, een geschikt middel om de hoogte eener plaats te vinden.

{ 20. De onderste lagen van den dampkring worden op verschillende plaatsen der aarde in verschillende tijden ongelijk verwarmd; daardoor wordt het evenwicht in den dampkring verbroken, want lucht die verwarmd wordt zet zich uit, wordt lichter en stijgt omhoog, zoodat er van nabijgelegen plaatsen koudere en dus zwaardere lucht moet toestroomen om het verbroken evenwicht te herstellen; die luchtstroomen noemt men w inden. Als de lucht niet altijd even warm is, kan zij ook niet altijd even veel waterdamp bevatten: stijgt de temperatuur boven «het verzadigingspuntquot; dan kan ook het waterdampgehalte grooter worden; daalt zij er beneden, dan moet dit klainer worden en er volgt een neerslag.

Warmte, winden en neerslag noemt men meteoren, (verschijnselen in den dampkring); de wetenschap, die er zich mede bezig houdt, meteorologie. De samenwerking dier verschijnselen vormt het klimaat eener streek.

De zon verwarmt de aarde, welke de ontvangen warmte uitstraalt in den dampkring. Deze wordt dus van beneden naar boven, rechtstreeks door de aarde, verwarmd. Intusschen verliezen de zonnestralen op hun' weg naar de aarde een gedeelte van hunne warmte in den dampkring, bij loodrechten inval 250/o. Hoe langer die weg is, hoe grooter het warmteverlies; redenen waarom bij de morgen- en avondschemering en des winters, wanneer de zonnestralen onder een' zeer schuinen hoek de aarde treffen, de warmte, die zij haar schenken zoo gering is. Dit is althans écne reden. Eene tweede van meer beteekenis is de volgende: wanneer een bundel zonnestralen loodrecht invalt op een vlak, zal het gedeelte, dat hij beschijnt veel kleiner zijn, dan wanneer hij dat vlak onder een scherpen hoek treft. In het eerste geval ontvangt elk punt van het kleine deel meer warmte dan eenig punt van het tweede, grootere deel. Daar de aarde de warmtebron is voor de lucht, zal de temperatuur van deze afnemen naarmate men zich van die warmtebron verwijdert: op eene hoogvlakte is het kouder dan op de laagvlakte, op den top van een' berg kouder dan aan den voet. Wel is waar vormen beide een deel der aarde, de warmtebron, maar inderdaad een zeer klein deel, zij steken als eilanden uit midden in den luchtoeeaan , welken zij slechts eene geringe hoeveelheid uitgestraalde warmte kunnen meedeelen. Bovendien is er de lucht ijler, waardoor de warmte er spoediger verloren gaat.

Het is echter een feit, dat 's morgens en 's avonds de uitwerking der zome-straleu op hooge bergen grooter is dan in de vlakte. Stijgt men in den vrijen dampkring op dan neemt de temperatuur voor iedere 100 meter -j0 C. af, gelijk blijkt uit de waarnemingen door luchtreizigers (Gay Lussac en Glaisher) gedaan. De ligging eener plaats ten opzichte van den aequator, d. i. hare geografische breedte, bepaalt den hoek, waaronder zij de zonnestralen zal ontvangen, darrom is hare gemiddelde temperatuur in de eerste plaats afhankelijk van die breedte. Maar voor alle plaatsen op gelijken afstand van den aequator is zij daarom nog niet gelijk. Hamburg, Barnaul (in West-Siberië) en Nikolajewsk (aan den mond van den Amoer) b. v. liggen op 53° breedte en hebben toch respectievelijk 4-8, — 0,3 en — 2,6° C. jaartemperatuur. Er moet dus naar plaatselijke oorzaken gezocht worden, waardoor zoo groote verschillen in warmte, een der hoofdfactoren voor het klimaat, ontstaan.

54

ocr page 67

DE AARDE ALS NATÜURLICHAAM.

Van dezen zijn de voornaamste: 1) de hoogte eener plaats boven den spiegel der zee; 3) de nabijheid van hooge bergketens, daar deze ter beschutting voor koude of verzengende winden kunnen strekken; 3) de grootere of geringere verwijdering van de zee, die zoowel de zomerhitte als de winterkoude matigt; de zee wordt n.1. minder snel verwarmd dan het aangrenzende land; maar behoudt de warmte langer (kust- of zee- en vastelandsklimaat; het laatste gekenmerkt door warme zomers en vooral door zeer koude winters); 4) warme of koude stroomen in de zee en de richting der heerschende winden. (In Hamburg waaien 's winters zuidwesten, in Nikolajewsk noordwestenwinden); 5) de gesteldheid van den grond, die of rijk of arm aan water is, die kaal is of bedekt met planten en bosschen, welke door het verhinderen der verdamping koude en vochtigheid doen toenemen.

Verbindt men nu rondom de aarde alle punten, die gelijke jaarlijksche warmte hebben, dan ontstaan kromme, van de parallelcirkels veelvuldig afwijkende lijnen, welke men isothermen (van twee Grieksche woorden, die gelijk en warmte beteekenen) noemt. Verder onderscheidt men nog isotheren, lijnen, die plaatsen verbinden met gelijke zomertemperatuur, en isochimenen die, welke over plaatsen loopen met gelijke wintertemperatuur. Op eene (jaar) isothermenkaart zien wij:

1°. Dat de isothermen op de westkusten van Noord-Amerika en Europa zich naar de pool richten, maar in het binnenland en op de oostkusten van N.-Amerika en Azië naar den aequator gekeerd zijn. In het eerste geval zijn verwarmende, in het tweede afkoelende invloeden werkzaam. (Welke?)

2°. Dat de isothermen, van de hoogste temperatuur, 25° en 30° C., niet met den aequator samenvallen maar in onregelmatigen vorm in midden-Afrika, noordelijk Zuid-Amerika en Oost-Indië liggen.

N.B. De lijn, die de plaatsen met de hoogste temperatuur verbindt heet warmte-aequator.

3°. Dat op het Zuidelijk halfrond tot 40° Z.B. de isothermen op de oostkusten der werelddeelen naar de pool (door verwarmende invloeden), op de westkusten naar den aequator (door afkoelende invloeden) gericht zijn. (Men denke evenals bij 1°. aan de verschillende zeestroomen).

4°. Dat de temperatuur in de streken van den aequator — 40° Z.B. lager is dan tusschen dezelfde breedten op het N. H. gelijk blijkt uit de isothermen, die over 40° N.B. en 40° Z.B. loopen. (Waarom)?

5°. Dat in de tropische gewesten de isothermen in het binnenland naar den aequator, op de kust naar de polen zijn gekeerd, dus juist andersom als bij 1°. (Waarom)?

Men ga op de kaart den loop der isothermen van lOquot; en 0° C. na en trekke daaruit belangrijke gevolgen.

Welke streken hebben de gemiddeld laagste jaartemperatuur?

De Januariisothermen zijn in denzelfden zin als de vorige, maar veel sterker gebogen, ja, op Europa's westkust loopen zij bijna recht van noord naar zuid. Ook lette men op de isothermen van 25° C. in het zuidelijk halfrond en op de isothermen van — 40° C. in den Arctischen archipel van Noord-Amerika en bij Werchoejansk in Siberië. De laatste twee punten, de Amerikaansche en Aziatische koude pool genaamd, de streken met de laagste wintertemperatuur, vallen dus niet samen met de noordpool der aarde. (Waarom niet?)

De Isotherenkaart van het noordelijk halfrond geeft ons echter een geheel ander beeld te aanschouwen. Dezen zijn op de westkusten van Europa en Amerika naar den aequator gekeerd en stijgen in liet binnenland naar de pool. Werchoejansk heeft nu niet — 40° maar 15° C. temp., zoodat o. a. bij Jakoetsk de ijsbodem,

55

ocr page 68

DE AARDE ALS NATUURLTCHAAM.

die tot eene aanmerkelijke diepte onder de oppervlakte reikt, nu eenige voeten ontdooid is en er nog gerst kan verbouwd worden.

Over Egypte, Arabië en Perzië loopt nu de isothenne van 35° C., eene temperatuur, welke men nergens anders aantreft, want in Amerika en Zuidelijk Afrika vindt men 30° als maximum aangegeven. (Wat zou daarvan de reden zijn?)

Ten slotte merke men op, dat op het Z.-H. op de 3 isothermenkaarten van 40° Z.-B. naar het zuiden de isothermen vrij wel evenwijdig met de parallellen loopen. (Ook dit te verklaren1.

Kamtsjatka, Groot-Britannië en Labrador hebben gelijke geografische breedte, maar zeer ongelijke jaar-, zomer en win ter-temperatuur; het eerste en derde staan te dien opzichte verre achter bij het tweede. Hoofdzakelijk is dit te wijten aan de koude stroomen, die er langs strijken en de noordwestenwinden, die er (vooral 's winters, zie § 31) waaien. Groot-Britannië geniet de voordeden van een' warmen stroom en zuidwestenwinden, die geen koude en droogte maar warmte en vochtigheid aanbrengen.

§ 31a. Waarom er in den dampkring luchtstroomen zijn, die men winden noemt, is in § 30 aangetoond. Door verwarming van den aeqnator zetten de onderste luchtlagen zich uit, worden lichter en drijven de boven haar rustende lagen omhoog; de barometerstand zal hierdoor aan de oppervlakte der aarde niet veranderen, aangezien eene zelfde kolom lucht hare drukking blijft uitoefenen. Ware nu de verwarming in de benedenste lagen van den dampkring overal gelijk, en nam zij gelijkmatig naar de hoogte af, dan zoude men op gelijken afstand van de oppervlakte eene zelfde drukking (zich openbarende door gelijken barometerstand) waarnemen. In werkelijkheid is dit het geval niet.

Hoe meer men zich van den aeqnator noord- of zuidwaarts begeeft, hoe lager (in het algemeen) de temperatuur wordt, hoe minder hoog de gelijk verwarmde luchtlagen zullen opgestuwd worden. De afstanden van de oppervlakte der aarde, waar men een gelijken barometerstand heeft, worden van den aeqnator naar hoogere breedten steeds kleiner.

De luchtlagen, die gelijken druk uitoefenen, krijgen eene zekere helling en er zal in de bovenste lagen van den dampkring lucht stroomen van den aeqnator naar hoogere breedten. Deze zal langzamerhand koeler en zwaarder worden en eene neiging krijgen om te dalen. Om nog eene andere reden is dit het geval. De aarde is een bol, de lucht maakt er een onafscheidelijk deel van uit. De ruimte tusschen twee meridianen wordt naar de polen toe steeds kleiner en eene zekere hoeveelheid lucht, van den aequator afkomstig, vindt op hoogere breedten niet zooveel ruimte meer, zij wordt samengeperst, zwaarder en daalt neer. Dit neerdalen heeft op gemiddeld 30° breedte plaats. Hier zal de barometerstand dus hooger zijn dan bij den aequator, althans aan de oppervlakte der aarde. De lucht stroomt daarom als onderstroom van 30° breedte naar den aequator en als b o v e n s t r o om in tegengestelde richting. Stond de aarde stil dan zou (op het noordelijk halfrond) de eerste een noorden- de tweede een zuidenwind zijn, want men benoemt de winden naar den hoek, waaruit zij waaien; (de zeestroomen naar de windstreek, waarheen zij zich bewegen). Door de aswenteling veranderen zij echter in een noordoosten en een zuidwestenwind.

Een punt aan den aequator heeft n. 1. eene grootere omwentelingssnelheid dan een ten noorden of ten zuiden daarvan, omdat de parallellen steeds kleiner worden. De luchtdeeltjes van hoogere breedten komende blijven dus bij de wenteling van west naar oost hoe langer hoe meer in het westen achter. Zij worden westwaarts afgeleid en komen alzoo tegelijk uit het noorden en oosten: de noordenwind wordt een noordoostenwind, noordoostpassaat geheeten. Om dezelfde reden verandert op het zuidelijk halfrond de zuidenwind in een zuidoostpassaat. Naar-

56

ocr page 69

DE AARDE ALS KATUUKLTCHAAM.

mate de passaten den aequator naderen vermindert lumne kracht, zij worden verwarmd en stijgen op. De smalle gordel ter weerszijden van den aequator, waar dit geschiedt heet kalmte- of winds tilt engordel. De breedte en de ligging van de passaatstreek en van dezen gordel zijn echter niet het geheele jaar door gelijk. Immers met de beweging der zon naar den kreeftskeerkring (noorder-declinrtie) komt de streek der grootste verhitting of van den opstijgenden luchtstroom en dien ten gevolge het punt, waar de bovenstroom neerdaalt, noordelijker te liggen: de passaat begint noordelijker te waaien en het punt van opstijging wordt verder verwijderd van den aequator.

In Maart, wanneer de lucht boven den Atlantischen Oceaan sterk afgekoeld is ligt tusschen 0° en 3° N.B. de windstiltengordel en waait „ 3° „ 26° „ „ noordoostpassaat.

In September, wanneer daar de temperatuur het hoogst is ligt tusschen 3quot; en 11° N.B. de windstiltengordel en waait „ 11° „ 35° „ „ noordoostpassaat; in het oostelijk deel zelfs tot 39» N.B.

De streek tusschen 26° en 39° N.B., die slechts in den zomer tot het pas-saatgebied behoort heet sub-tropische of half-tropische gordel.

Op het zuidelijk halfrond waait de zuidoostpassaat in Maart van 0°—25° Z.B. en in September van 3° N.B — 25° ZB.

Boven den Grooten Oceaan is de verdeeling van passaten en windstiltengordel de volgende:

In Maart \ 0P het noorllelijk lla,fl'ond I

I n if zuidelijk v 3° N.B. — 28° Z.B.

, , 30° „ —10» N.B.

i, noordelijk „ i iq0 , — 7° /,

In September

„ zuidelijk „ 7° „ — 20° Z.B.

Vergelijk de breedte der verschillende gordels boven de beide Oceanen en verklaar het verschil.

Staat de barometer in den windstiltengordel laag of hoog?

Waarom woeden hier soms zulke hevige stormen of cyclonen?

Niet al de neerdalende lucht op 30° N.B. keert naar den aequator terug, een gedeelte vloeit af naar hoogere breedten als zuidwestenwind. Zij komt n. 1. uit het zuiden, uit streken, die zich sneller bewegen van west naar oost, dan die waarheen zij gericht is. Zij vliegt deze laatste vooruit naar het oosten en is dus een anti-passaat of zuidwestenwind. Het is deze wind, die meer nog dan de golfstroom (over welks bestaan twijfel begint te rijzen) de westkust van Europa zulk eene hooge temperatuur schenkt. Hij is echter niet standvastig maar wisselt door plaatselijke verwarming of afkoeling af met winden uit alle hoeken:

Ten noorden van 39° N.B. ligt het gebied der veranderlijke winden. (De passaten zijn bestendige winden.)

Eene dergelijke beschouwing geldt voor het zuidelijk halfrond, maar hier heet de antipassaat noordwestenwind.

Voor het waaien der winden in het gebied buiten de tropen (d. i. ten noorden van o9u N.B.) heeft Prof. Buvs Ballot, directeur van het meteorologisch instituut te Utrecht, de volgende wet waargenomen, die daarom den naam draagt van „Wet van Buys Ballotquot;. Daarbij komen eenige namen ten sprake, die verklaring behoeven. Men spreekt bij de behandeling van het windstelsel van isobaren, pleiobaren, meiobaren, maxima en minima van luchtdruk, depres-sie's, cyclonale en anti-cyclonale beweging.

57

ocr page 70

DE AARDE ALS NATUUBLICHAAM.

Isobaren (van gelijk en zwaarte) zijn lijnen, die plaatsen verbinden met gelijken barometerstand.

Is deze hoog, een maximum, dan heeten de verbindingslijnen pleiobaren; is hij laag een minimum, dan noemt men ze meiobaren.

Is het minimum van luchtdruk zeer laag, dan spreekt men van eene depressie.

(Verschil tusschen een minimum en eene depressie is er eigenlijk niet).

Nu de wet: Do lucht stroomt steeds van een maximum naar een minimum, maar laat dit door de aswenteling der aarde op het noord el ij k halfrond links, op het zuidelijk halfrond rechts liggen.

Anders: Staat men i n een maximum met het gezicht gekeerd naar het minimum, dan komt de lucht van de linkerhand.

De beweging der lucht om eeu minimum heet cyclonale beweging (van cyclus of kring). Zij geschiedt in eene richting tegengesteld aan die van de wijzers van een uurwerk, dus van rechts naar links.

De lucht die naar het minimum stroomt, draait van het maximum af in dezelfde richting als de wijzers van een uurwerk, dus van links naar rechts.

Deze beweging is eene anti-cyclonale.

Geldt deze wet ook voor de passaten?

Hier volgen eenige voorbeelden ter toepassing:

In den winter van het noordelijk halfrond ligt boven den Atlantischen Oceaan nabij IJsland een minimum, op 30° breedte een maximum (waarom?), dus waaien langs de westkust van Europa zuidwestenwinden (die warm zijn).

In het noorden van Noord-Amerika ligt ook een maximum, daarom waaien op de oostkust noordwestenwinden (die koud zijn).

Bij de Aziatische koude pool ligt een maximum, in den noordelijken Grooten Oceaan een minimum : Azië's oostkust heeft koude noordwestenwinden.

In den zomer ligt op den noordelijken Atl. Oceaan een maximum, naar Azië toe een minimum: de westkust van Europa heeft westen en zuidwestenwinden.

In Midden-Azië ligt eene depressie (waarom?), op den Gr. Oceaan een maximum; China en Japan hebben oostelijke winden.

In den Indischen Oceaan ligt dat zelfde maximum: in den Indisohen Archipel ten noorden van den aequator waait van April—October een zuidwestenwind, hier moesson geheeten (van het Arabische woord moesim, jaargetijde, Portug moncam. Eng. monsoon). Daar hij over zee strijkt is het de natte moesson.

Ligt van October tot April het maximum in Midden-Azië (waarom?) en het minimum in zee, dan heeft dat gedeelte van den Archipel een noordoost- of drogen moesson.

In die maanden heeft het zuidelijk halfrond zomer en ligt het minimum in Nieuw-Holland: Indië ten zuiden van den aequator heeft een noordwest- of natten moesson.

58

ocr page 71

T)F, AARDE ALS NATUURLICHAAM.

Verklaar nu den zuidoost- of drogen moeson ten zuiden van den aequator van April tot October.

Intussoheu bedenke men wel, dat plaatselijke invloeden, als vertikale bouw, meerdere of mindere nabijheid der zee het karakter der moessons wijzigen. Timor en Amboina b. v. hebben bij denzelfden moesson, droogte en regen.

Waarom waait tussehen Nieuw-Holland en Madagascar altijd de zuidoostpassaat?

Waarom waait van Juni—September in Opper-Guinea een zuidwestmoeson ?

De verklaring der moessons of periodieke winden is volstrekt niet moeilijk, wanneer maar steeds in het oog gehouden wordt, dat waar in de tropen betrekkelijk groote streken land en water in elkanders onmiddellijke nabijheid liggen er luchtstroomen geboren worden, omdat het land sneller en sterker verhit wordt dan het water, maar de warmte ook spoediger verliest. De lucht enz.

Waarom waait in de tropische gewesten 's avonds een land- 's morgens een zeewind? Is de naam kahnteg orde 1 volkomen juist?

§ 215. Van groot belang is eene beschouwing van den waterdamp in den dampkring en zijne afscheiding als neerslag in den vorm van nevel, wolken, dauw, regen, enz.

De zee is de groote bron van den waterdamp, die er door verwarming uit opstijgt.

Dat de lucht bij iedere temperatuur eene zekere hoeveelheid waterdamp kan bevatten, dat die hoeveelheid toeneemt met stijging en afneemt met daling van temperatuur is reeds gedeeltelijk gezegd (§ 20).

Het volstrekt waterdampgehalte is de hoeveelheid, die er op een gegeven oogenblik in de lucht aanwezig is; het betrekkelijk gehalte wordt aangegeven door het percentgetal, dat aanwijst, hoeveel deelen waterdamp de lucht bevat, van de geheele hoeveelheid, die zij bij dezelfde temperatuur zou kunnen bevatten. Zoodra dus met waterdamp verzadigde lucht in aanraking komt (op welke wijze ook) met koudere lucht, of tot opstijging en dus tot afkoeling gedwongen wordt, ontstaat er een neerslag, (Voornamelijk zal hier van regen gesproken worden).

De passaten zijn in het algemeen droge winden, want zij waaien van hooge naar lage breedten en hunne temperatuur stijgt; de antipassaten daarentegen (z.w. en n.w. winden) zijn vochtig, want zij gaan naar hooger breedten en koelen af; (hun betrekkelijk waterdampgehalte wordt grooter, terwijl zij waterdamp verliezer).

Wanneer de passaten en antipassaten door bergen worden opgehouden, stijgen zij omhoog, koelen af en er wordt waterdamp verdicht (gecondenseerd).

Op hoogvlakten door randgebergten omsloten, regent het minder dan in de vlakte; in het binnenland minder dan nabij de kust; op zee minder dan bij eilanden; in de tropen meer dan op hoogere breedten en op die breedten in Amerika meer dan in de oude wereld. In den windstiltengordel, (met uitzondering van het moessongebied) wordt door de grootte hitte en vooral omdat hij zich over zoo'n groote watervlakte (Indischen-Atlantischen en Grooten Oceaan) uitstrekt verbazend veel waterdamp gecondenseerd. Daarom regent het er bijna het geheele jaar door.

De westkusten van de gematigde luchtstreken in beide halfronden (zie de kaart) zijn zeer rijk aan regen, (waarom)?)

Bij Cerrapoenji in noordoostelijk Voor-Indië valt in een jaar de grootste hoeveelheid regen, 1420 c.M., tegen 70 c.M. bij ons en 184 c.M. bij Bergen.

Eegenarme streken zijn de woestijnen van de Sahara — tot den noordrand van Perzië, waarbij zich de steppen om de Kaspische zee en het Aralmeer aansluiten; het woestijngebied van Mongolië, de woestijn Gobi; de westelijke hoogvlakten van de Vereenigde Staten tussehen Rotsgebergte en Sierra Nevada; de kust van Noord-Chile en Peru; het binnenland van Australië achter het oostelijk kustgebergte.

69

ocr page 72

DK AARDE ALS NATUÜRLICHAAM.

De verklaring van al deze verschijnselen kan in dit beknopte werk niet gegeven worden. Zij is eckter niet moeilijk te vinden, als men zich afvraagt:

op welke breedte ligt de streek,

welke winden waaien er, komen die van het land of over zee, hebben zij vrijen toegang tot het land, of worden zij door bergen tegengehouden,

hoe is er de vertikale bouw, soms ook, welke stroomen strijken langs de kust?

Wat de verdeeling van den regen over het geheele jaar betreft, merken wij op, dat hij in de gematigde luchtstreken gelijkmatig verdeeld is, omdat men zich hier in het gebied der veranderlijke winden bevindt. De meeste regen valt er echter in den zomer, daarom heet het ook het gebied der zomerregens. In den subtropischen gordel, waar de passaat alleen 's zomers waait, regent het in den winter, wanneer de antipassaat hem vervangt: deze gordel heet daarom het gebied der winterregens. In de tropen onderscheidt men behalve den kalmtegordel, waar het bijna altijd regent, nog het gebied, waar het regent eenigen tijd na den hoogsten zonnestand. Is er het tijdsverloop tusschen twee zenithstanden der zon aanzienlijk dan is het een gebied met dubbelen regentijd; ligt de streek nabij de keerkringen , dan vallen de twee regentijden tot één grooten samen en zij is een gebied met enkelen re gent ij d.

De regen valt alzoo:

1°. in de gematigde luchtstreken in alle jaargetijden;

2''. in de sub-tropische gewesten, tusschen 40° en 28° breedte, gedursnde den winter;

Bquot;. in de streken nabij de keerkringen, tusschen 28° en 15° breedte een geruimen tijd voor en na de hoogste zonnestanden;

4°. in de streken tusschen 0° en 15° breedte tweemaal 's jaars bij iederen zenithstand der zon;

5°. in den aequatorialen stiltengordel het geheele jaar, maar voornamelijk in Maart en September. Het moessongebied maakt hierop eene uitzondering.

c) De voortbrengselen der aarde.

§ 22. Bodem en klimaat zijn de kweekers van de voortbrenselen der aarce, welke het verstand en de kunst der menschen op velerlei wijze verplant, verplaatst en veredeld hebben. Alle voortbrengselen der natuur brengt men onder drie groote klassen, natuurrijken genoemd: het mineraal of delfstoffenrijk het plantenrijk en het dierenrijk.

De delfstoffen zijn in hare verbreiding en verdeeling op de oppervlakte der aarde onafhankelijk van het klimaat der landen.

§ 23. Het plantenrijk daarentegen neemt af in rijkdom, grootte en pracht van den aequator naar de polen, en van den spiegel der zee naar de hoogte. Die planten, welke de mensch vooral voor zijn voedsel gebruikt, zijn voor het grootste deel door den landbouw overgebracht, ook naar andere streken als waarin zij oorspronkelijk inheemsch waren. De voornaamste graansoorten, die gebouwd worden, zijn voor Europa, voor het aangrenzende gedeelte van Azië en voor de gematigde gedeelten der nieuwe wereld, de t a r w e (in Europa tot 62° N. B.), rogge (tot 87° N. B.) gerst (tot 70° N. B. en in Labrador slechts tot 49° N. B.) en haver; de rijst voor hel geheele zuiden en oosten van Azië, de maïs voor de warmere deelen van Amerika en de doer a of kaffergierst voor het tropische Afrika. — De aardappel heeft zijn vaderland in Amerika (omstreeks het midden der tweede helft van de 16de eeuw werd deze, waarschijnlijk het eerst door Spanjaarden, naar Europa overgebracht). Op de Andes van Bolivia wordt de aardappel tot op een hoogte van 9000 —1200Ó'

(50

ocr page 73

DE VOOIITBRENGSELKN UER AARDE.

gebouwd, gaat in het N. nog over de noordelijke grenzen van den gerstbouw, en heeft zich over Europa naar Azië eu Australië uitgebreid. — Het suikerriet is eerst door de Europeanen in de nieuwe wereld ingevoerd (omstreeks het jaar 1513 brachten de Spanjaarden het van de Canarische eilanden naar St. Domingo) en wordt tegenwoordig in alle warme landen der nieuwe wereld gekweekt (vooral op de Westindische eilanden, in Brazilië, in Louisiana, en op de eilanden van den Grooten Oceaan), in de oude wereld in Britsch Indië, China en de Neder-landsche koloniën; de gordel waar het suikerriet gedijt, strekt zich over de keerkringen uit tot op eene hoogte van 3000'.

De lijnen op de volgende f chets wijzen voor Europa de grenzen aan, binnen welke de belangrijkste plantensoorten groeien ;

1) Gebied der mossen en beziën.

Lijn G. K. Noordergrens van de gerst en van de naaldboomen.

2) Gebied der bossclien van naaldhout eu berken, van de gerst en den haver, weinige bouwing van rogge, boekweit en aardappelen (veeteelt en vischvangst liet voornaamst).

Lijn T. E. B. Noordergrens der tarwe, van den eik en van den beuk. De poolgrens van den eik wordt meer nauwkeurig gevormd door de lijn: Drontheim-Gcfle-Finsche golf-Kasiln; die van den beuk door de lijn Christiania-Königsbcrg-zee van Azof; zij loopt zuidelijker dan die van den eik, omdat de beuk geen groote zomerwarmte verlangt, maar wel strenge kou vreest.

Lijn O. Noordergrens der ooftboomen, die naar het oosten heen, wegens de grootere koude der winters in Oost-Europa, zuidelijk daalt.

3) Gebied der vier Europeesche graansoorten en der bossclien van loofboomen.

Lijn W. M. K. Noordergrens van den wijnstok; n.l. mond der Loire-Parijs-Bonn- de Main-Bohemen-Moravië-langs den zuidrand der Karpathen-Astrakan; vrij wel stemmen hiermede overeen die van de maïs eu der kastanje.

61

ocr page 74

DE VOORTBRENGSELEN DER AARDE.

4) Gebied van den tarwe- en wijnbouw.

Lijn O. R. K. (vrij wel door de zuidelijke helling der hooge gebergten en plateaux van Z. Europa en TV. A.ziö aangegeven), noordelijke grens van den o 1 ij f b o o m, eu bijna overeenstemmend hiermede van de r ij s t en van het katoen; iets zuidelijker de N.grens der zuidvruchten.

5) Gebied der zuidvruchten, lauriersoorten, myrt, plataan, cypres, kurkeik, cactus.

Lijn P. Noordergrens der p a 1 m e n ; begin van den plantengroei der keerkringslanden; kokos-, dadel- en sagopalm, banaan, koffie, cacao.

§ 24. Voor de verbreiding der dieren geldt, als bij de planten, de wet, dat zij in den lieeten aardgordel op den hoogsten trap van ontwikkeling zijn en naar de polen allengs zoowel in grootte, sterkte en scbooniieid, als in menigte afnemen, waarop echter vele bewoners der zee eene uitzondering maken. Onder de dieren van den heeten aardgordel zijn hoofdzakelijk te vermelden de reusachtige dieren, zooals de olifant, rhinoceros en hippopótamns; de roofdieren leeuw, tijger, panther en andere,' vele soorten van apen en amphibieën van vreeselijke grootte en sterkte, zocals de krokodillen en slangen; tallooze lastige en gevaarlijke insekten, zooals de schorpioenen, de termieten of witte mieren, sprinkhanen en muskieten. De vogels van den heeten gordel, zooals de pauw, de paradijsvogel, de papegaai en de kolibrietjes munten uit door hun prachtig gevederte, andere zooals de struisvogel en de condor door hunne grootte en sterkte. De gematigde gordel heeft van de grootere verscheurende dieren slechts den wolf, den beer en den los, van ander wild het hert, den haas, den eland, den bison en den bever; de amphibieën en insekten nemen er in getal en schadelijkheid af; daarentegen is hier het vaderland der nuttige huisdieren, van het paard, rund, schaap, den ezel en het muildier. De vogels moeten bij die der tropische gewesten wel in grootte en prachtig gevederte onderdoen, doch overtreffen hen in gezang. De koude gordel levert hoofdzakelijk pelsdieren, zooals de sabel en het hermelijn; hier is het vaderland van rendier en ijsbeer; alle klippen wemelen van watervogels en de wateren herbergen haringen, kabeljauwen, robben en vischotters, walrussen en walvissch.en.

d) De aarde als woonplaats van den mensch.

§ 25. De mensch alleen is onder alle schepsels een burger der geheele aarde. Toegerust met eene verwonderlijke buigzaamheid van lichaamsgestel en te gelijk begaafd met krachten van den geest, waarmede hij de natuurkrachten tot zekere grens tot zijn' dienst kan dwingen, is de mensch in staat, onder alle klimaten der aarde te wonen.

Toch mag hierbij het feit niet uit het oog verloren worden, dat b. v. de Europeanen in Britsch- en in Nederlandsch-Indië zich dikwijls moeten vestigen op de hooger gelegen plaatsen, zoogenaamde sanitariën of gezondheidstations, zooals Simla en Dardschilling in den Himalaya; Sello, Oenarang en Sindanglaya in Ned.-Indië.

Naar gestalte, kleur en schedelvorm kan men het menschelijk geslacht (ruim 1400 millioen) in zeven groepen of rassen verdoelen, die de voornaamste schakeeringen zijn van eene enkele soort.

Deze rassen zijn:

I. Het Kaukasische, beter gezegd het Indo-Europeesche ras, van IJsland tot den Ganges en gekenmerkt door een ronden of ovalen vorm van het hoofd, niet, of slechts zeer weinig vooruitstekende kaken, loodrecht staande tanden, gezichtshoek 80—90°. De kleur van huid en haar wisselt van lichtblond in 't Noorden tot donkerbruin in het Zuiden.

Hiertoe behooren: de Europeanen (behalve de tot het Mongoolsche ras behoo-rende Finnen, Lappen en Hongaren), alle Turksche stammen, Arabieren, Noord-Afrikanen, Perzen en Hindoes (ruim 550 millioen).

62

ocr page 75

DE AABDE ALS WOONPLAATS VAN DEN MENSCH.

II. Het Mongoolse he ras met vooruitstekende wangbeenderen, smal, acliteruitwijkend voorhoofd, plat gezicht, een' hoekigen schedelvorm, nauw gespleten, schuins geplaatste oogen, weinig vooruitstekenden neus met wijde neusgaten, grooten mond, sluik, stijf en meestal zwart hoofdhaar. De huidkleur is geelbruin, en gaat bij eenige volken over in olijf bruin.

Hiertoe behooren: de Mongolen, Kalmukken, Chineezen en Japanners (550 millioen).

III. Het Ethiopische of Negerras. Dit ras wijkt het meest in lichaamsvorm van het Kaukasische af. De hoofdkenmerken er van zijn; Langwerpige schedelvorm, vooruitstekende kaken en schuinstaande snijtanden. Gelaatshoek 70—75°. Breede en platte neus. Groote mond met dikke omgekrulde lippen. Het haar is zwart, kort en wollig. De huidkleur is eveneens zwart, doch in verschillende schakeeringen (130 millioen).

IV. Het Amerikaansche ras, gekenmerkt door een koperkleurige huid, in 't Zuiden echter bruin of zelfs zwartachtig; zwart, lang en stijf haar, kleine, schijnbaar slaperige oogen, zeer langwerpigen schedelvorm en achteruitwijkend voorhoofd, waartoe de kunst van samendrukken van den schedel in de jeugd dikwijls meewerkt.

Dit ras wordt meer en meer door de Europeanen verdrongen of vermengt zich met Europeanen of met Negers, zoodat het allengs uitsterft (10 millioen). Uit die vermenging van personen uit verschillende rassen, ontstaan bastaarden. Zoo heeft men in Amerika de verschillende graden van vermenging een' eigennaam gegeven: Mulatten zijn vermengde afstammelingen van Blanken en Negers; Mestiezen, van Blanken en Amerikanen; Zambo's (dzamvoos), van Negers en Amerikanen. Terceronen, Quarteronen en Quinteronen zijn vermengde afstammelingen tusschen Mulatten en Blanken , bij welke door voortgezette vermenging met Blanken het Kaukasische type voortdurend meer op den voorgrond treedt, maar zelfs bij Quinteronen (vermengden in den 5'lcn graad) herkent men nog aan de eenigszins gekleurde nagels en het golvende haar de laatste kenmerken van het Negerras.

V. Het Maleische ras gekenmerkt door eene huidkleur, die wisselt van licht- tot chocoladebruin; dicht, zacht, zwart haar; vooruitstekende wangbeenderen, eenigszins schuinstaande oogen, hetgeen den Maleiërs een Mongoolsch voorkomen geeft; grooten neus en breede neusvleugels.

De Maleiërs bewonen vele eilanden en eilandengroepen van den Grooten Oceaan. Hunne uiterste verspreidingsgrenzen zijn Madagascar in 't Westen, 't Paasch-eiland (nabij Z.-Azië) in 't uiterste Oosten, de Sandwicheilanden in 't Noorden, Nieuw-Zeeland in 't Zuiden (35 millioen).

VI. Het Papoeasche ras en de bewoners van Australië. De eersten bewonen in hoofdzaak Nieuw-Guinea en den zoogenaamden binnengordel van eilanden in den Grooten Oceaan, met uitzondering van Nieuw-Zeeland (Maori's = Maleiërs).

De laatsten bewonen alleen Nieuw-Holland en tot 1867 ook nog Tasmanië, doch zijn daar totaal uitgestorven.

Aan de Papoea's is het lange, weelderige hoofdhaar eigen, dat het hoofd bij wijze van pruik of kroon omgeeft. De huidkleur van de Papoea's is zeer donker, soms bij zwart af. Zoo ook bij de Australiërs, vanwaar de benaming Austraal-negers ontstaan is. Zij behooren echter niet tot het Ethiopische ras (4 millioen).

VII. Het Zuid-Afrikaansche ras omvattende de Hottentotten en Bosjesmannen.

Niet minder dan door lichaamsvorm zijn de menschen door hunne taal onderscheiden. Men verdeelt alle tot nu toe bekende talen in drie klassen. De eerste is 1) die der éénsylbige talen, tot welke b. v. het Chineesch behoort. Deze talen staan op den ondersten trap; want als in de kindertaal zijn

63

ocr page 76

DE AARDE ALS WOONPLAATS VAN DEN MENSCH.

alle woorden van ééne lettergreep en de betrekking der woorden wordt in het geheel niet door klanken, maar slechts door nadruk en gebaren, of ook wel door de plaatsing uitgedrukt. 2) De tweede taaiklasse is die der aanvoegende talen, welke de betrekking van een woord daardoor uitdrukken, dat zij daaraan een ander woord hangen, gewoonlijk achteraan, of ook wel er tusschen inlas-schen. Daartoe behooren de F i n s c h e talen, b. v. het Hongaarsoh, maar ook de A m e r i k a a n s c h e talen en het B a s k i s o h. 3) De derde taalklasse is die der verbuigende talen, in welke de betrekking van een woord door verbuiging (declinatie of conjugatie) uitgedrukt wordt. Deze klasse is de voornaamste; de meeste Europeesche talen behooren hiertoe, leder van deze drie taaiklassen vervalt weder in taalstammen. Zoo onderscheiden wij in de klasse der verbuigende talen den Indo-Europeeschen taalstam (Latijn , Grieksch, Germaansch, Keltisch, Slavonisch, Perzisch, Sanskriet) en den S e m i-tischen taalstam (Arabisch, Hebreeuwsch en andere). De taalstam vervalt in talen (bij welke men iveder d o o d e en levende talen onderscheidt) en de talen zelve in d i a 1 e k t e n of tongvallen.

Ten opzichte der godsdiensten verdeelt men het menschelijk geslacht vooral in twee hoofdklassen, in belijders van ééne godheid (monotheïsmus) of van meerdere godheden (polvtheïsraus). Onder de laatsten heeft de vereering van Bram a (in Voor-Indië) en van Boedda (op Ceilon, in Achter-Indië, Japan en China) de meeste aanhangers. Het Fetisjismus (vereering van allerlei voorwerpen uit de natuur, afgeleid van het Fransche fétiche of Pcrtu-geesche woord feiticao, tooverij) heeft de meeste aanhangers onder het Ethiopische ras; de Mongolen en de Noord-Azië en Amerika bewonende volkeren belijden het Sjamanismus, dat alleen aan booze geesten gelooft, terwijl de Ameri-kaar.sche Indianen daarentegen den Grooten Geest aanbidden, wiens macht zich vooral in het onweder openbaart:

Belijders van een hoogste wezen zijn:

1) Joden, 7 millioeu.

2) Christenen, 420 mill., Roomseh-Katholieke, Grieksche, Armenische en Evangelisclie (Luthersclien, Gereformeerden, Anglicanen, Presbyterianen, Doopsgezinden, Kwakers, Hernhutters of Moravische broedergemeente, Methodisten).

3) Mohammedanen, 170 millioen (Sonnieten, die naast den Koran nog de sonna of overlevering aannemen. Sjiieten, die zich alleen aan den Koran houden, en Wachabieten, die aan Mohammed geen goddelijke eer toekennen).

Naar de onderscheiden levenswijzen zijn de menschen verdeeld in 1) wilde volkeren (rondtrekkende jagers en visschers); 2) herdersvolkeren of nomaden; ook deze hebben geene vaste woonplaats, geen vasten grondeigendom; 3) volken met vaste woonplaatsen (beschaafde); den 1 a n d b o u w, de eerste voorwaarde voor het kiezen van een vast verblijf, begeleiden mijnbouw, handel, scheepvaart, allerlei a m b a c h t en, wetenschappen en kunsten.

De wetenschap, die de menschen in hunne verbreiding over de aarde beschouwt, en in hunne vereeniging tot zulke samenwoningen, die vooral door g e m e e n-schappelijke zedelijke banden te zamen gehouden worden, roemt men volkenkunde (ethnographic). De beschrijving der aarde ten opzichte der burgerlijke en staatkundige indeeling van hare oppervlakte noemt men staatkundige aardrijksbeschrijving.

Naar den regeeringsvorm der gevestigde staten deelt de staatkunde die in twee hoofdklassen, in staten met één opperhoofd (monarchieën) en met meerdere (republieken). Bij de monarchie onderscheidt men 1) de onbeperkte of dc a u t o k r a t i s e h e (in hare ontaarding despotische),

64

ocr page 77

GESCHIEDENIS DER AARDRIJKSKUNDE.

bij welke de wil van den alleenheerseter als eenige bron van alle wetgeving geldt, 2) de beperkte (oonstitutioneele) monarchie, bij welke enkele standen of liet geheele volk door vertegenwoordigers aan de wetgeving deelnemen en een toezicht over het bestuur hebben. Bij de republiek onderscheidt men 1) de demokratische, in welke het geheele volk het hoogste staatsgezag uitoefent, (zij is o c h 1 o c r a t i s c h, als het gemeen regeert), en 2) de aristokratische republiek, bij welke dit door enkele geslachten gehandhaafd wordt; (zij is eene oligarchische, wanneer slechts eenige familiën het bestuur in handen hebben.)

e.) Geschiedenis der Aardrijkskunde.

Vroegste t ij den.

§ 26. De beschaafde voorvaderen der Chineezen en Indiërs zijn reeds in de verste oudheid niet zonder belangrijke kennis van het aardrijk geweest. Ds Indiërs vergelijken in dichterlijke voorstelling de landen der aarde met de lotus-plant, die op den bodem der zee wortelt en hare bloemen ten hemel verheft; het midden der aarde, het stampertje der bloem, is de Himalaja; uit de honig-cellen komen de vier wereldstroomen; de zuidelijke bladeren der bloem zijn Indië, het oostelijk blad China; het westelijk blad Perzië, het noordelijk blad Hoog-Azië; de groene bladeren die op de zee drijven, de omliggende eilanden. Belangrijker echter dan hunne kennis worden voor de geographic de natuurvoortbrengselen van Indië, die de volken der aarde zeer spoedig niet meer meenden te kunnen ontbeeren. De edele metalen, edelgesteenten, paarlen, ivoor, katoen, zijde, suikerriet, verfstoffen en artsenijen uit Indië werden de een vroeger, de ander later, voorwerpen voor den wereldhandel, die tot in den nieuwsten tijd de hoofdaanleiding tot ontdekkingen op het aardrijk gebleven is.

De Phoeniciërs zien wij eerst in het bezit van dezen handel; in hun oorspronkelijk vaderland, deBaharein-eilanden in de Perzische golf, hadden zij gunstige gelegenheid, om langs den kortsten weg naar het Oosten en het Westen te kunnen varen, daar zij zoowel ter zee naar Indië, als den Euphraat op tot in de nabijheid van den Orontes en langs dezen naar de kusten der Middellandsche en Atlantische zee kwamen, waar hunne volkplantingen T y r u s, S i d o n, A r v a d of A r a d u s, Carthago en G a d e s (Cadiz), in Syrië, Afrika en Spanje lagen. Zelfs hadden zij tin uit Engeland en het barnsteen (elektron), dat toen ter tijd even hoog als liet goud gewaardeerd werd, van de kusten der Oostzee. Maar ook de oude Israëlieten moeten door de Roode zee in handelsverbinding met Indië gestaan hebben; althans ontbiedt Salomo (omstr. 1000 v. Chr.) voor het bouwen van den tempel goud en elpenbeen uit Ophir (waarschijnlijk Indië) over Ezion-Geber (Akaba) aan de Roode zee.

De geschriften der G rieken zijn belangrijke bronnen voor de kennis der oude aarde. Bij Homerus is de aarde eene schijf met verheven rand, door den Okeanos omstroomd, die als Phasis in het O. in de aardschijf instroomt. Op de uiterste kanten vau den Okeanos rust het door hooge zuilen (Atlas, Kaukasus) gedragen hemelgewelf. In het midden wonen de Hellenen, en de Olumpos is de hoogste top van het land, de zetel der goden. De aardrijkskunde van Homerus reikt in het Z. tot aan het Aegyptische Thebe; maar niet zoo ver naar andere richtingen.

Eerst door de volkplantingen werden de verwijderde kusten der Middellandsche zee bekend, voornamelijk door inwoners van Phocaea, die omstreeks den tijd van Cyrus uit de streek van Smyrna naar Zuid-Frankrijk verhuisden en M a s-silia (Marseille) stichtten. Miletus, bet toenmalige Venetië, was de plaats, waar geographischc studiën beoefend werden, waar Th ales, Anaximander en Hecataeus leefden, riet zuidelijker gelegen Halicarnassus zag

03

ocr page 78

66 GESCHTEDENIS DER AARDRIJKSKUNDE.

Herodotus, den vader der oude geschiedenis en geograpMe, geboren worden. Deze bereisde geheel Klein-Azië, bevoer de Zwarte zee tot aan den mond van den Borysthenes (Dnjepr), den Ciramerisclien Bosporus en het land der Colehiërs; hij bezoeht Babyion, Syrië, het Aegyptisehe Thebe; waarschijnlijk ook Carthago.

Met de veroveringen van Alexander treedt Indië, het land der wonderen, te voorschijn en de gezichtseinder der Grieken breidt zich uit tot Ceilon {Taprobane); Aristoteles verzamelde de berichten.

Maar ook het westen verrijst uit de duisternis door Pytheas uit Massilia, die in 340 v. C. om Iberië en Gallië zeilt, het eerst Albion (Engeland) en Balt ia (de kusten, waar de barnsteen gevonden wordt) vermeld, en een eiland T h u 1 e als het uiterste land der aarde noemt.

Na Alexanders dood komen in de wereldstad Alexandrië onder de Ptole-maeussen de geograpliiscbe studiën eerst recht tot bloei. Eratosthenes, opzichter der bibliotheek te Alexandrië, schreef omtrent 200 v. Chr. de eerste groote geographic der geheele bekende wereld, berekende het eerst met een meetkunstig instrument de breedtegraden van sommige volgens hem onder denzelfden merediaan gelegen plaatsen enHipparchus, 50 jaren later, was de eerste die op astronomischen weg waarnemingen deed omtrent plaatsen van gelijke poolshoogte; hij voegde er dus lengtegraden bij. Daardoor werd een begin met wetenschappelijke geograpliie gemaakt.

De geographische kennis der Alexandrijnsclie school ging op de Romeinen over, toen deze Aegypte veroverden. In het Oosten kwamen zij niet over den Tigris, in het W. echter worden Spanje, Noord-Afrika, Gallië, Britannië (dat door Agricola omgezeild wordt) en Germanië steeds meer bekend; Drusus komt tot aan den beneden-Eijn en het middelste gedeelte van den loop der Elbe bij Magdeburg; Trajanus verovert Dacië, het huidige Zevenburgen met de omliggende landen.

Van Grieksche geographen zijn uit den Romeinschen tijd nog te vermelden Strabo in de eerste eeuw en Olaudius Ptolemaeus uit Pelusium in de tweede eeuw. De laatste, die te Alexandrië leefde, gaf eene astronomie en eene volledige beschrijving der aarde uit naar de breedte- en lengtegraden, met 77 landkaarten, bij welke ook de kromming der oppervlakte reeds in acht genomen is. De eerste meridiaan gaat reeds over de Gelukkige (Kanarische) eilanden.

Middeleeuwen.

§ 27. In dit tijdperk zijn de vorderingen in de geographic verbonden aan de uitbreiding van het Evangelie en van den Islam, aan den strijd van beiden met elkander in de kruistochten, aan de zeereizen en avonturen der Noormannen en aan den handelsgeest der Italiaansche steden, vooral van Genua en Venetië.

Aldra na het besluit van Constantijn den Groote om de Christenen te dulden, zien wij de Gothen aan de beneden-Donau (350) door Ulfila tot het Christendom bekeerd worden. Omstreeks 400 is het reeds tot de Armeniërs en de thans nog eenigs-zins christelijke Abessiniërs voortgedrongen, in 450 is Ierland tot het Christendom overgegaan eu dringen Nestoriaansche Christenen tot het O. van China door; van Ierland uit worden, ongeveer gelijktijdig met de Eranken (Chlodwig 496 gedoopt), de Scoten en Pieten, en 100 jaren later (598) ook de bewoners van Engeland bekeerd. Dan volgen in de bekeering Vlaanderen, Holland, Thuringen en Hessen (door Bonifaeius 720), Saksen (d. i. Westfalen en Hannover) door Karei den Groote 803, Oostenrijk, Boelgarije, Hongarije, Rusland, Brandenburg, Polen, Skandinavië en (999) Groenland.

Omstreeks het jaar 1000 is de geheele geographic van Europa aan het licht. Het hardnckkigst verzette zich de Lithausche stam tegen de aanneming van het

ocr page 79

GESCHIKDENIS DElt AARDRIJKSKUNDE.

Christendom. Hiertoe behoorden ook de oude Pruisen, maar nadat de Duitsclie orde zich in Pruisen gevestigd had (1338), verliepen nog bijna twee eeuwen, voordat ook de Lithausche staat, de laatste in Europa, voor het Christendom gewonnen werd.

Niet minder gewichtig zijn de gevolgen, die de uitbreiding van den Islam voor de geographic met zich voerde, vooral doordien er zich onder de Mohammedanen talrijke wetenschappelijke beoefenaars der geographic bevonden. Eceds in de 10de eeuw dringen de Arabieren door tot Madagaskar en tot den Niger; het gebied der verbreiding van den Islam verkreeg tot aan het jaar 1300, toen ook de laatste Turken bekeerd werden, dc ontzaglijke uitgestrektheid van den Altaï tot aan den Senegal, van Kasan tot aan de Kaffers, van Spanje tot aan Ceilon, later zelfs tot aan Nieuw-Guinea. Van hunne talrijke geleerde geographen willen wij slechts de volgenden noemen:

Edrisi uit Córdova (omstr. 1150); deze leefde, daar ziju geslacht van deu troon gestooten werd, als vluchteling aan het hof van Roger 1 vau Sicilië (die cenc zilveren aardglobe bezat). Van zijne talrijke werken zijn do beschrijving van Afrika, Spanje en Syrië het rneest bekend.

Abulfeda (f 1285), Syrisch vorst, dc grootste aardrijkskundige ongeleerde van zijn' tijd. Hij maakt gebruik van 60 andere geographen en selirijft een werk, dat de grondslag voor alle latere werken wordt.

Ebn Batuta, een der grootste geleerden, bereist van 1334 onafgebroken 30 jaren lang als dorwis te land en te water de landen van Spanje en van den Niger af tot naar China en beschrijft zijne reizen.

Oeloeh Bei (f 1450), kleinzoon van ïimoer, resideert te Herat, daarna te Samarkand, bouwt eenc groote strrrewacht, bepaalt nauwkeurig de poolshoogte van Samarkand, dat hij tot eene verzamelplaats der geleerden maakt.

Leo Afrioanus van Granada (omstr. 1500), vluchteling in Fez, bereist bijna allo Noord-Afrikaansche landen; eindelijk in Rome gevangen gezet, wordt hij door Pans Leo beschermd, die hem zijn' naam geeft.

Hoe ook de verbreiding der beide godsdiensten den geest der middcleeuwsche volken levendig maakte en opwekte, zoo was beider strijd in de kruistochten toch voor de kennis van het aardrijk bijzonder vruchtbaar. Daar dc schatten van het oosten nu eerst aan het westen beter bekend werden, ontwaakte de wereldhandel en de Italiaansche steden Amalfi, Florence, vóór allen evenwel Venetië en Genua, die ook dikwijls den overtocht der kruisvaarders bevorderd hadden, werden allengs de wereldhandelaren.

Een nieuwe weg naar Indië werd gevonden over de Zwarte zee en de zee van Azof den Don op, die met eene kromming de bocht der Wolga bij Tsaritsin tot op 9 mijlen nadert, voorts door de Wolga de Kaspische zee over in het meer Aral, daarna den Oxus geheel op, en zoo den Hindokoesj over in den Indus. Ja zelfs naar Mongolië en naar China ging een handelsweg, langs welke tur-koozen, robijnen, porcelein, thee, rhabarber, katoenen stoffen, pelswerk en vele andere voortbrengselen voor het eerst naar Europa verzonden werden. Azof en Kaffa waren in dien tijd bloeiende steden, totdat in het jaar 1406 de Krim door Timoer veroverd en aldaar een Khannaat opgericht werd. Toen de Venetianen door de Genueezen uit Constantinopel verdrongen werden, veroverden zij Cyprus, Kandia en Negroponte, heerschten in Alexandrië, maakten handelsverdragen met de sultans van Aegypte en gebruikten alzoo ook den ouderen weg naar Oost-Indië. Constantinopel, Barcelona en Cadiz werden de hoofd-stapelplaatsen van deze Italiaansche republieken, zij hadden hunne markten in Indië, maar ook in Neurenberg, Augsburg en Antwerpen.

Nadat vele zendelingen reeds den weg naar Hoog-Azië gevonden hadden, vergezelde 1273 de Veneliaan Marco Polo, de Herodotus der Middeleeuwen,

67

ocr page 80

GESCHIEDENIS DER AARDRIJKSKUNDE,

zijnen vader, die als gezant naar het hof van den Mongoolsehen keizer Kublai-Khan ging, naar de Mongolen, die te dier tijden China veroverden. Marco Polo, die als gunsteling van Kublai-Khan den tocht naar China medemaakte, doorreisde Mongolië, China en Tibet, ja zelfs Zuid-Azië tot aan Pegoe, en keerde na een 26jarig verblijf in Azië, tn scheep uit China door de groepen der Thilippijnen, Molukken en Soenda-eilanden (hij bleef een half jaar op Sumatra) naar Europa terug. In zijn belangrijk reisverhaal, dat eerst in 1496 in druk uitgegeven is, beschrijft hij niet alleen al deze merkwaardige landen, maar hij geeft ook de eerste berichten omtrent het land Japan.

De luister der Italiaansche republieken moest afnemen, toen de veroveringen der Turken in Voor-Azië die handelswegen versperd hadden. Zij traden van het tooneel af en brachten hunnen ondernemingsgeest op andere volken over, en wel door den Venetiaan Aloyse de Catamosco, die aan de Portugeezen den weg naar Oost-Indir, eu door den Genuees Colombo, die den Spanjaarden den weg naar Amerika wees.

Intusschen moeten wij hier nog van het aandeel der Noormannen aan de vorderingen der geographic spreken. Dit zeerooversvolk , dat sedert 520 alle Europeesche en Noord-Afrikaansche kusten tot Marokko en Jeruzalem plunderde, ja langs de rivieren in het binnenland drong, b. v. tot Trier en Magdeburg, moet voor den uitvinder van het eigenlijke zeeschip gehouden worden. De Noormannen dreven handel door Kusland heen tot Constantinopel, ontdekten 861 de Far-öer, 874 het onbewoonde IJsland, dat weldra een zetel der wetenschappen werd, 982 Groenland, later ook Wijnland (Newfoundland?) en werden zoo de ontdekkers van Amerika lang vóór de Spanjaarden,

Op de westkust van Groenland werden van IJsland uit volkplantingen aangelegd, die eens 2600 pond walrustanden als Petrus-penning aan Kome leverden, 16 kerken, 2 kloosters, 100 gehuchten en 2 steden telden en een eigen bisschop hadden; dertien bisschoppen werden achtereenvolgens over deze koude diocese aangesteld. Doch de Noorweegsche regeering, die den handel op Groenland als een monopolie aan zich gehouden had, en dien zelfs aan hare eigene onderdanen verbood, moest, in oorlogen gewikkeld, de verre volkplanting aan haar lot overlaten, en Groenland werd vergeten. Onderlinge twisten, Eskimo's en eindelijk eene vijandelijke scheepsmacht vernielden daarinmiddels leven en beschaving. Toen na de opheffing van den monopoliehandel onder Christian III expeditiën daarheen ondernomen werden, bleven zij zonder gevolg, vooral omdat men zich uit onkunde richtte naar de door ijs ontoegankelijke Oostkust. Eerst 1721 werd door den onvermoeiden ijver van den Noorweegschen zendeling Hans Egede weder eene kolonie op de Westkust aangelegd. Hij vond slechts de stomme sporen der vroegere bevolking.

Daar de Noormannen sinds het jaar 1018 als veroveraars in Napels en Sicilië optraden, laat het zich verklaren, dat het zeeschip, zooals het door hen volmaakter geworden was, ook door hen aan de volkeren van Italië bekend werd, die door de uitvinding van het scheepskompas (Flavio Gioja [dzjioija] 1302) geheel en al in staat gesteld werden, door de opene zee van het nog onbekende halfrond den weg te vinden.

De nieuwere t ij d.

§ 28. Nadat de Kanarische eilanden en later in 14S6 de kaap de Goede Hoop door den Portugees Bartolomeo de Diaz ontdekt waren, bereikte Yasco de Gama 1498 Calicoct op de kust van Malabar, en begonnen de Portugeezen hunne heerschappij in Indië en in de Perzische golf (Ormus) uit te breiden. Terzelfder tijd waren de Spanjaarden, die onder Columbus een' westelijken weg

68

ocr page 81

GESCHIEDENIS DEK AAHDRIJKSKUNDE.

naar Indië gepoogd hadden te vinden, in 1492 op Watlingseiland, in het midden der Bahama-eilanden, geland. Met geen ander doel voor oogen landde Columbus, bij zijnen tweeden tocht, op Dominica in het midden der kleine Antilles, op zijn' derden op Trinidad en bij den mond van den Orinoco, op zijn' vierden aan kaap Catoche [-totsje] tegenover het westeinde van Cuba, en van daar langs de kust zuidelijk over kaap Gracias a Dias tot Portobello in de nabijheid van de landengte van Panama.

Eerst na zijnen dood echter werd ontdekt dat Amerika niet was een deel van Indië, zooals men geloofd had, maar een afzonderlijk vastland. Amerigo Vespucci gaf de eerste kaart van dat nieuwe werelddeel en de dagboeken zijner vier eerste reizen (1497—1501) uit. Deze, weldra in uittreksel in andere talen overgezet, waren de aanleiding dat het geheele werelddeel niet naar Columbus, maar naar hem genoemd werd.

Fernando de Magalhaès [-galjeings] vond den weg naar Oost-Indië om Amerika heen, door de naar hem genoemde straat en de door hem benoemde Mare pacifico; zijn schip zeilde het eerst om de aarde, en wel in 1123 dagen.

Ongeveer om dezen tijd (1453) schiep Copernicus uit Thorn in Posen zijn nieuw wereldstelsel; volgens hetwelk de zon stil staat en de planeten daar om heen draaien, en wel in eene dubbele beweging, om de zon en om zich zei ven. De nitvinding van het astrolabium door Martin Behaim 1484, waardoor men, ook zonder kompas, kon berekenen op welke plek men zich op zee bevond, en aldus het gevaar om van de bedoelde richting ongemerkt af te dwalen vermeden werd, had reeds haar groot nut aan de scheepvaart opgeleverd, toen het later door den veel meer nauwkeurigen sextant van het schip verdrongen werd.

Sneller volgen de ontdekkingen nu elkander op. Aan Portugeezen en Spanjaarden sluiten zich weldra Nederlanders, Franschen, Italianen, Engelschen, Denen en Zweden aan. Staten wedijveren met handelskompagnieën en met koene zeevaarders, met natuuronderzoekers, ja met zeeroovers (de Flibustiers), om de zee in alle richtingen te doorkruisen en nieuwe landen, nieuwe natuurvoortbrengselen te ontdekken.

De ontdekkingen die om hare gevolgen de belangrijkste waren, zijn behalve de reeds genoemde vooral;

1407. Caboto (vader en zoon) ontdekken Newfoundland en de kusten van Noord-Amerika.

1500. De Cabral ontdekt Brazilië.

1511. De Portugeezen vestigen zich op Java.

1512. Portugeezen ontdekken de Molukken.

1513. De Spanjaard Bal boa aanschouwt het eerst den Grooten Oceaan op dc landengte van Panama.

1520. Magalhaës vaart door de straat ten Z. van Zuid-Amerika in de Stille Zuidzee.

1521. Fernando Cortez verovert Mexico.

1526. Nieuw-Guinea door Portugeezen ontdekt.

1536. Francisco Pizarro verovert Peni.

1542. Portugeezen ontdekken Japan; Spanjaarden de Sandwich-eilanden.

1581. De Kozakken dringen tot in Siberië (Sibir aan den Irtisj) door.

1594. Mercator (Gerard de Cremer) van Antwerpen vervaardigt voor het eerst eene wereldkaart met de naar hem genoemde projectie.

1596. Jacob Heemskerek en Willem Bareudsz. ontdekken Spitsbergen en overwinteren op Nowaja Zemlja.

1605. Luiz quot;V aez de Torres bevaart de straat tussehen N.-Guinea en Australië.

1606. Willem Jansen met het schip Duyffken ontdekt de bay van het Zuidtlandt, later „golf van Carpentariaquot;, in Nieuw-Holland.

1609. Hudson (Engelschman in Hollandschen dienst) ontdekt de rivier bij Nieuw-York.

09

ocr page 82

GESCHIEDENIS DER AAUDRIJKSKUNDE.

1610. Hudson ontdekt de Hudsonsbaai en straat.

1C15. De Hollanders Le Maire en Schouten stevenen het eerst om kaap Hoorn.

1616—1628. Eendrachtslaud (door Dirk Hartochsz met hot schip dc Eendracht) , Edelsland (door Jacob 1)'E del), Leeuwinnenland (naar het schip), Arnhemsland (door Jan Carstensz, met de schepen Arnhem en Pera), Nuitsland (naar Pieter Nuits) en de Wittsland (door dc Witt) op Nieuw-Holland ontdekt.

1642. Abel Tasman, de grootste zeevaarder zijner eeuw, ontdekt van-Diemens-land, Nieuw-Zeeland, de Vricndschaps- en de Viti of Piedsji-eilanden.

1696. Kamtsjatka door de Russen ontdekt en vervolgens veroverd.

De beroemdste zeereizen in de 16de eeuw zijn die van Francis Drake (frensis dreek] en Olivier van Noordt, in de 17de die van de Quiros [kiros], le Maire en Schouten, Jacob rHermite, William Dampier, in de 18de eeuw die van Roggeveen, Bougainville, la Peyrouse, maar vooral van James Cook [dzjeems koek], den wetenschappelijken ontdekker van Australië en Polynesië.

De walvischvangst lokte de scliepen in de IJszee, en daar de reeds bekende zeewegen naar Oost-Indië nog altijd te ver waren, was men bedacht om een' weg te vinden om Noord-Amerika of om Noord-Azië. Eene reeks van moeite- en gevaarvolle ondernemingen met bet doel om een' zoogenaamden N.W. doortocht om Amerika heen, en een' N.O. doortocht om Siberië heen te vinden, werd tot in de jongste tijden voortgezet. Voor Siberië mogen de namen genoemd worden der vier Nederlanders Nay, Barendsz, Heemskerek en Rijp, verder van Wrangel, Kotzebue en Wasiljef. Voor Amerika de namen van Hearne [heme], Mackenzie [mekkénzie], Parry [perry], Scoresby [scoorsbie]. Franklin [frenklin]. Bak [bek], der gebroeders Ross en van Kane [keen]; de jongste der gebroeders Ross ontdekte in 1829 den magneti-schen pool op liet schiereiland Boothia Felix, op 70° 5' N.B. Het noordeliikste land werd in 1875 ten O. van Spitsbergen ontdekt door Weyprecht en Payer en naar Oostenrijks Keizer Franz-Josefs land genoemd.

In deze eeuw werden ook in de Zuidelijke IJszee of de Antarktische Poolzee kusten ontdekt: bet Grahams- en Victoria-land met den 12000' hoogen vulkaan Erebus; of zij tot een vastland of tot met vaste ijsmuren omgorde eilanden behooren, bleef nog onzeker.

Onder de wetenschappelijke tochten tot onderzoek der landen is geen beroemder geworden, dan die van Alexander von Humboldt, den wetenschappelijken ontdekker van Amerika, die zijne waarnemingen mededeelde in zijne vermaarde reisbeschrijving naar de warme streken van het nieuwe vastland, 1799—1804. Sedert hem arbeidden tallooze tijdgenooten en volgelingen aan eene grondige kennis van onze planeet.

Het grootste gewicht voor den handel, zoowel als voor de landverhuizing, verkreeg sinds dezen tijd Amerika, waar een verjongd menschengeslacht met de ordervinding van het oude op geheel nieuwe grondslagen eene nieuwe wereld schiep, in een werelddeel, welks geschiktheid tot voortbrenging grooter is, dan die van elk ander, en welks toekomstige invloed op het oude zich niet laat berekenen. Tegelijk steeg het verkeer over den Grooten Oceaan met de ontdekking van den rijkdom in goud van Californië in 1848 en den ontluikenden handel van San Francisco, dat reeds in druk verkeer met China, Japan en Australië is en met de in Azië daar tegenover liggende rivier Amoer. (Zie verder bl, 45.)

De goud-ontdekking in Nieuw-Holland in 1851 deed ook dat land met reuzenschreden in bevolking toenemen en eene aanzienlijke plaats in den handel innemen; het oostelijke binnenland is thans reeds herhaaldelijk doorkruist en zelfs eene telegraaflijn van de N.- naar de Z.-kust dwars door het binnenland gelegd.

70

ocr page 83

geschiedenis dee aardrijkskunde.

De weg daarvoor was aangewezen door Stuart, wien het na de vergeefsche reizen van Leiclihard en Burke het eerst gehikte Australië van zuid naar noord door te trekken. Over den aanleg van een' spoorweg langs de telegraaflijn is reeds ernstig gedacht.

De ontdekking van diamanten en van goud in Zuid-Afrika belooft ook aan dat land dezelfde voordeelige gevoigen; de politieke toestanden werken hier echter ongunstig op de ontwikkeling van de welvaart.

De nieuwe waterweg door de landengte van Suez naar Oost-Indië werd in 1869 voor den handel opengesteld. De in 1849 zoo bescheiden aangevangene onderneming onder Eichardson, Barth en Overweg voerde tot eene betere kennis van het raadselachtige Midden-Afrika. Ver over de 100 reizigers bezweken in de 19de eeuw voor het Afrikaansche klimaat of voor de moordzuchtige bewoners als offers vaa hunnen ijver; ook Eichardson (f 18S1 in de nabijheid van Koeka) en Overweg (f 1852 bij de oevers van het door hem het eerst bevaren meer Tsad), maar Barth bereikte Timboektoe, de beroemdste van alle steden van het binnenland van Afrika, en had het zeldzame geluk, om in 1855 behouden terug te keeren. Wat hij in het N. deed, verrichtte de zendeling Livingstone in Zuid-Afrika, die tot 1874, steeds onvermoeid voortging de onbekendste landstreken van Midden-Afrika te doorvorschen. Ook de moedige tochten der Engelschen Grant, Spekeen Baker werden beloond. De twee eersten drongen van de oostzijde Afrika binnen en hadden het voorrecht de twee groote meren, de vergaderbakken der bronnen van den Witten Nijl te ontdekken, die eeuwen lang den moed van ontelbare reizigers getard hadden; de laatste, vergezeld van zijne echtgenoote, voltooide hunne ontdekkingen door uit het N. binnen te dringen. Later drong hij weder, maar nu met eene krijgsmacht van den Onderkoning van Egypte, van het N. langs denzelfden weg tot de groote meren door, onderwierp die volken en legde daar den eersten grondslag tot afschaffing der onmenschelijke en verderfelijke Slavernij. Het laatste woord over de ontdekking van de Nijlbronnen is echter gesproken door Stanley, den reporter van de New-York Herald, van wiens reizen langs den Congo evenals van die van Savorgnan de Brazza, een' Franschman, ieder gehoord heeft. Nog moeten de namen van v o n H e u g 1 i n, E o h 1 f s, Schweinfürth en Nachtigall vooral vermeld worden. Wat Cook voor de Geographic van de wereldzee, wat von Humboldt voor de kennis van Amerika gedaan heeft, dat hebben zij voor de ontdekking van Afrika verricht.

f) Overzicht der grootte van de deelen der aarde en van hunne bevolking.

, ..i met de eilanden 163,000 □ m

ustralie j zon(jer c|e eiianciell 140,000 u 420 m. br., 560 m. lang.

Europa......... 173,000 „ 520 „ 750 „

Afrika......... 543,000 „ 1020 H 1070 „

Amerika........ 697,000 „ | quot; j 2020

Azië.......... 813,000 „ 2400 „ 1100

De bevolking van Australië bedraagt ruim 4 millioenen, die van Amerika ruim 95 millioenen, van Europa 316 millioenen, van Afrika waarschijnlijk zeer veel minder (200 millioenen?), van Azië 835 millioenen.

71

n

I/

ocr page 84

AZIE.

(813,000 □ m. met 835 millioen inw.)

Het vastland van dit grootste werelddeel, ligt geheel op het noordelijk halfrond, vormt met Europa eigenlijk één samenhangend geheel, heeft verband met Afrika door de 15 mijl breede landengte van Suez, en met Amerika en Australië als door eene brug van eilanden, zoodat het zich in het midden en in de nabijheid van alle bewoonde vastlanden bevindt. Terwijl Afrika, welks kusten hel; minst zijn ingesneden, geene schiereilanden aanbiedt, breiden zich daarentegen van de kern van Azië naar drie zijden schiereilanden uit, welke 4 gedeelte van dit werelddeel beslaan, maar te klein zijn in verhouding tot den massieven romp, dan dat men de kustontwikkeling eene gunstige zou kunnen noemen. Bovendien vormen de bergen ecnc zoo scherpe afscheiding tusschen romp en leden, dat de bevolking dezer laatste zelden met die des eersten in aanraking zijn gekomen. (Hoe gunstig daarentegen zijn deze verhoudingen in Europa)! Azië's romp heeft den vorm van een' vierhoek met de hoekpunten Joegorstraat-Basra-Canton-Anadyrgolf.

Aanmerking: Ten einde zich eene juiste voorstelling van het beeld der kaart te vormen is het van het grootste belang de voornaamste zeeën, golven en straten met de aangrenzende of omringende kusten van het vasteland en de eilanden in het geheugen te prenten.

Evenals bij Europa (het, Spaansche, Italiaansche en Grieksehe schiereik.nd) ontving het zuiden de gunstigste vorming, namelijk de groote door de Indische wereldzee omspoelde schiereilanden, het Arabische, Indische en Indo-Chineesche, verbonden met de grootste verzameling van eilanden. Het oosten telt insgelijks drie schiereilanden, die echter in vlakte-inhoud tienmaal zoo klein zijn, Korea, Kamtsjatka en het schiereiland der Tsjoektsjen; het westen slechts één: Klein-Azië.

Azië is het werelddeel, waarvan hoogvlakten, door randgebergten omgeven, de kern uitmaken. Dit hoogland strekt zich uit van de Egeïsche zee, naar het oosten in breedte toenemend, tot aan den Grooten Oceaan. Het kan verdeeld worden in het groot ere en hoogere Hoogland van Achter-Azië en in het kleinere en lagere Hoogland van Voor-Azië; terwijl de scheiding v/ordt gevormd bij de plaats, waar de Amoe Darja naar het n.w. en de Indus naar het z.w. uit elkander gaan. Het eerste (gemiddeld 8000—10,000' volstrekte hoogte) heeft aan zijnen rand ten Z. den Himalaja, ten W. het Alpenland van Toerkestan, in het N. den Altai en de Daoerische Alpenland, in het O. het Alpenland van Mantsjoerije en China, terwijl in het midden de ketens van den Thian-Sjan, van den Kuen-Luen en Karakorum evenwijdig met den Altaï en Himalaja loopen. In het N.O. staat het bergland van Kamtsjatska, en in het Z. staan de bergketens van Achter-Indië als vertakkingen met het oostelijk hoogland in verbinding. De Hindo-Koesj vereenigt met dat groote hoogland de westelijke bergvlakte van Voor-Azië, die slechts 4000' gemiddelde hoogte heeft; de grootere oostelijke helft

ocr page 85

AZIË.

hiervan, de hoogvlakte van Iran, wordt door het Armenische Hoogland, met de kleinere westelijke helft, de hoogvlakte van Klein-Azië, verbonden en hangt in het N. met den Kankasus, in het Z. met het Syrische Hoogland te zamen. Afgezonderd verheffen zich in het Z. van het werelddeel de hoogvlakten van Dek an of het Voor-Indische schiereiland en het Arabische Hoogland. Door terrasvormige landschappen, de overgang van de hooglanden tot de laaglanden, wordt het gebouw der hoogten van Azië voleindigd; men telt er 14 zoodanige en even zoo vele groote stroomen, van welke er 6 tot het Z. behooren: de I ra wadi, Ganges, Bramapoetra, Indus, Euphraat en Tigris; 2 tot het W.: de Amoe-Darja of Dzjihon en de Sir-Darja in het meer Aral; 3 tot het N.: Ob, Jenesseï en Lena, en 3 tot het O.: de Amoer, Hoangho en J a n t s e k i a n g. Bijzonder kenmerkend voor den loop der verbazend groote stroomende wateren van Azië is het verschijnsel der dubbele of tweeling-stroomen, tusschen welke veelal de heerlijkste, vruchtbaarste landen liggen. (Aanwijzing dezer rivieren op de kaart.)

De uitgebreidheid van Hoog-Azic in het O. en W. bedraagt 340,000 □ m.: 185,000 □ m. nemen de afgezonderde gebergte-landschappen in, 284,000 □ m. blijven voor het Aziatische laagland over, dat zich in 6 van elkander afgezonderde en geheel verschillende deelen splitst, 4 daarvan liggen aan de zijde van den Oceaan; het Chineesche laagland, van den oostelijken rand van Hoog-Azië tot aan den Oceaan, „het waterrijkste en meest bevolkte graanveld der aardequot;, het Indo-Chineesche tusschen de golven van Tongking en Siam, het laagland van Hindostan, met de stroomgebieden van den Ganges en Indus, tusschen de Bengaalsche en Indo-Perzische golven, en het Syrisch-Arabische, dat, in het O. door de Perzische golf begrensd, slechts in het N.O. door het stroomgebied van den Euphraat bevochtigd wordt, en arm aan water is in de naar Afrika gekeerde deelen. Van de beide overige laaglanden, die inzinkingen van het vaste land zijn en in vlakte-inhoud de bovengenoemde ver overtreffen , ligt het Siberische laagland in zijne gansche lengte vóór het hoogland van Midden-Aziö, maar de vlakte van Toer an om het meer Aral behoort geheel tot het midden, en reikt noordwestelijk tot over de Wolga, waar de breede poort der volksverhuizingen Azië met Europa verbindt.

De vlakte van Eufraat en Tigris, die van den Ganges en van China waren de zetels ecner oorspronkelijke beschaving (Babyion, de Brahmanen, de Chineezen). Door den ongunstigen vertikalen bouw kwamen de bewoners der verschillende vlakten echter nooit met elkander in aanraking. Daar verder de randgebergten zich uitstrekken in de richting van west naar oost wordt het land van noord naar zuid in eenige scherp gescheiden deelen verdeeld, waar tusschen de gemeenschap hoogst moeilijk is tot stand te brengen. De strekking der woestijnen en hoogvlakten leverde hetzelfde bezwaar op voor het verkeer tusschen het westen en het oosten. Slechts tusschen het Tarimbekken en de laagvlakte van Toeran, waar verschillende ketenen als coulissen voor elkander geplaatst zijn, ligt een doorgangsland van Azië naar Europa. Langs dien weg rukten de volksstammen tijdens de Groote volksverhuizing Europa binnen. De natuurlijke verdeeling in eenige op zich zeiven staande landschappen had ook dit gevolg, dat de dieren in elk landschap niet gemakkelijk konden verhuizen. Kwamen er nu te veel indi-viduën, dan gingen de zwakken onderin den strijd om het bestaan (de hoeveelheid voedsel, was voor allen niet meer voldoende) en zoo is Azië het werelddeel der groote en sterke dieren.

Azië is gemiddeld koeler dan Europa, daar het in het Z. geen verwarmend Afrika, en in het W. geen lauwen Oceaan, maar integendeel in het N. een ijs-en sneeuwland en in het O. cene koele zee tot naburen heeft. Daar de noordpunt,

73

ocr page 86

AZIË.

Kaap Tsclieljuskin op 77|0 N.Br., en de zuidpunt, Kaap Boeroe op 1|0 ten N. van den aequator ligt, strekt het zich uit door alle luchtstreken van het noordelijk halfrond.

Ter vergelijking; Europa ligt grootendeels in de verschillende gordels van de noordelijke gematigde luchtstreek. — Afrika strekt zich uit van den zuidelijken tot den noordelijken subtropischen gordel. — Amerika over alle luchtstreken, behalve de zuider koude. — Nieuw-Holland tusschen den tropischen en gematigden gordel van het zuidelijk halfrond.

Keeds bij 62° begint in Siberië het arktische klimaat met den dood van alle groeikracht, terwijl in Europa op dezelfde breedte zelfs nog ooft- en graanbouw gevonden wordt. Maar bovenal doet zich in Azië het vastelandsklimaat gelden, dat zich kenmerkt door zeer heetc zomers en zeer strenge winters in den gematigden gordel, korte overgangen tusschen zomer en winter, en door zeer weinig regen. De groote uitgestrektheid en het groote verschil van hoogte van dit werelddeel veroorzaken voor het overige een groot verschil van klimaat en daarmede gepaard gaande groote verscheidenheid van voortbrengselen in de verschillende landstreken; van het eeuwige ijsgewest tot aan het dorre, gloeiende woestijnzand van Arabië en de tropische, zoele en vochtige bergwouden der Achter-Indische eilanden. — Het koude noorden is het land der mossen en lage planten, Midden-Azië is het vaderland der tarwe, van het eerst in de middeleeuwen naar Europa overgebrachte rogge en boekweit, der erwten en boonen en van de gierst. Al orze edele ooftsoorten zijn uit Azië afkomstig, druif, appel, peer, kers, abrikoos, perzik, pruim, mispel, tamme kastanje, noot, hazelnoot, citroen, china'sappel, komkommer, meloen, enz., waarvan evenwel de meeste door zorgvuldiger kweeking in Europa zeer veredeld zijn. Hetzelfde geldt van eene menigte bloemen, zooals de tulp, hyacint, hortensia, rhododendron, de paeonia, camellia, vele rozen, de aster, de reseda, enz. In Zuid-Azië staat als voedingsmiddel boven aai de rijst; dan volgen maïs, batate, jam, maniok, de mango, banaan of broodboom en verschillende soorten van palmen, waaronder vooral sago-, dadel- en kokospalm, andere eetbare vruchten, zooals vijgen, amandelen, olijven, granaten. Voorname produkten van Zuid-Azië zijn nog het katoen en de zijde, de thee, koffie en suiker, de uit Amerika overgeplante tabak, indigo, opium, muskaatnoot, kruidnagel, peper, betel, getapertja, kaoetsjoek en vele kostbare houtsoorten, zooals het tiek-, ebbenhout (van verschillende soorten van boomen), sandelhout en vele andere.

Uit het dierenrijk zijn, behalve de vele pelsdieren en de nuttige rendieren van het N., vooral vermeldingswaardig de menigte paarden en schapen van de edelste rassen (waaronder ook de vetstaart), de buffels en rundersoorten (waaronder de langharige jak op de hoogvlakten), de geiten (vooral kasjmier- en angora-geit), de kameelen (de twee-bultige in de koudere meer noordelijke streken) en de olifant. Onze pauwen, hoenders en duiven stammen insgelijks uit Azië.

In opbrengst van delfstoffelijke produkten staat Azië in het algemeen bij Europa achter, althans wat de nuttige metalen en de steenkool betreft. Eene bijzondere vermelding verdienen de goud-, zilver-, koper- en ijzermijnen vr.n den Oeral en van Siberië, het tin van het schiereiland Malaka en van de eilanden Bangka en Blitong en het Japansche koper. Edelgesteenten bezit het van allerlei soort, vooral diamanten in het Voor-Indische schiereiland.

Azië is het vaderland van drie menschenrassen. Van de ruim 800 millioencn behooren f in het N. en O. tot het geel-bruine Mongoolsche, j in liet Z. en W. tot het Indo-Europeesche ras; op de Achter-Indische en Chineesche eilanelen en Malaka wonen ongeveer 20 mill. Maleiers. Laten wij de eigenaardige ontwikkeling der Japanners, Chineezen en Indiërs, die evenwel gedurende eeuwen lang niet één' stap vooruitging, buiten aanmerking, zoo zijn bijna al

74

ocr page 87

AZIË.

de Aziatische volken nog op lagen trap van bschaving, die slechts zeer langzaam hare verbetering door Europa te gemoet gaat.

Van deze bewoners telt men millioen Christenen, namelijk 10 m. Oostersche en 13 m. Westersche kerk; Mohammedanen 80 millioen; Joden 1$ millioen; de overige 700 millioen zijn vereerders van Boedda, Brama of andere Heidensche godheden.

A. Z u i d - A z i ë.

I. Aziatisch Turkije (de Levant).

(34,300 □ m., ruim 16 mill, invr.)

Het 93,000 □ m. groote schiereiland Klein-Azië (Jsia, sedert de 4de eeuw jisia minor) vormt eene hooge vlakte van 4000', die, in de richting naar het N. dalende, ten deele door gebergten aan haren rand omgeven is. De hooge zuidelijke rand, de Taurus, zet zich tot de golf van Iskenderun voort; in liet O. wordt de hoogvlakte door de dubbele keten van den Antitan rus begrensd. Maar ook op de hoogvlakte zelve bevinden zich bergraggen en enkele bergen, van welke laatste de Ardsjis of Erdzjia [Argaeiis) bij Raisarieh (13,000') het hoogste punt van het gansche land is. De rivier Kisil-Irmak, de Halt/s van Croesus, deelt het land in twee helften. Steden vindt men niet op de hoogvlakte, wel langs den rand er van. De weg, die ze verbindt werd door Alexander den Groote en de Kruisvaarders gevolgd. Ook de Indische waren vervoerde men er langs en verder dwars door het Balkanschiereiland naar de Donau, althans vóór den tijd, dat Genua en Venetic zelfstandige verbindingen met het oosten aanknoopten. (Zie verder bij Gonstantinopel.)

De verbinding van Anatolië (1) met den Kaukasus en het Perzische hoogland geschiedt door het Armenische hoogland, het land der bronnen van den Euphraat, Tigris en Araxes, met de zoute alpenmeren Wan en Oermia en met sneeuwtoppen ter hoogte van den Kaukasus (de stompe kegel van den Ararat, (16,000').

Van dc tweeling-rivieren Euphraat en Tigris ontstaat de eerste uit den Moerad en Frat, nadert, beneden de hoogvlakte van Erzeroem de Anti-Taurus-keten in watervallen doorbrekend, boven Diarbekir tot op één uur afstands de bronnen van den Tigris, en wendt zich dan, na in westelijke richting naar de Middellandsehe zee gegaan te zijn, juist, waar de golf van Iskenderun het land oostwaarts binnendringt, weder zuid-oostelijk tot den Tigris; met welken hij tot aan Bagdad het landschap Mesopotamic (d. i. het land tusschen de rivieren: Al-Dzjesira, het eilandenland der Arabieren) vormt. De Tigris, d. i. pijl, heeft eene diepere bedding dan de Euphraat, doorstroomt tot zijn intrede in het laagland de vruchtbare vlakte van Diarbekir en breekt eveneens de Taurus-keten door. Verderop liggen, op zijn' rechteroever, de handelsstad Mosoel, en hiertegenover op zijn' linkeroever de ontzaglijke bouwvallen van het oude Ninivc. Van Bagdad (2) af (in welks nabijheid de overblijfselen van Bahylon, Seleucia en Cteüphon zich bevinden) wordt de vlakte tusschen de rivieren breeder, en heet Irak-Arabi, oudtijds Babylonië, doorsnellen

(1) Levant uit het Italiaansch, Anatoli uit het Grieksch, Grient uit het Latijn, beteekenen hetzelfde, opkomen der zon, het Oosten.

(2) Dit punt, waar beide rivieren elkander naderen, is merkwaardig, omdat men ze van hier af zoowel op als af kan varen. Geen wonder dat elke nieuwe veroveraar van het hoogst vruchtbare land daar zijne hoofdstad stichtte.

75

ocr page 88

AZIË.

Kaap Tscheljuskin op 771quot; N.Br., en de zuidpunt, Kaap Boeroe op 11° ten N. van den aequator ligt, strekt het zich uit door alle luchtstreken van het noordelijk halfrond.

Ter vergelijking: Europa ligt grootendeels in de verschillende gordels van de noordelijke gematigde luchtstreek. — Afrika strekt zich uit van den zuidelijken tot den noordelijken subtropischen gordel. — Amerika over alle luchtstreken, behalve de zuider koude. — Niemv-Holland tusschen den tropischen en gematigden gordel van het zuidelijk halfrond.

Eeeds bij 62° begint in Siberië het arktische klimaat met den dood van alle groeikracht, terwijl in Europa op dezelfde breedte zelfs nog ooft- en graanbouw gevonden wordt. Maar bovenal doet zich in Azië het vastelandsklimaat gelden, dat zich kenmerkt door zeer heete zomers en zeer strenge winters in den gematigden gordel, korte overgangen tusschen zomer en winter, en door zeer weinig regen. De groote uitgestrektheid en het groote verschil van hoogte van dit werelddeel veroorzaken voor het overige een groot verschil van klimaat en daarmede gepaard gaande groote verscheidenheid van voortbrengselen in de verschillende landstreken; van het eeuwige ijsgewest tot aan het dorre, gloeiende woestijnzand van Arabië en de tropische, zoele en vochtige bergwouden der Achter-Indische eilanden. — Het koude noorden is het land der mossen en lage planten, Midden-Azië is het vaderland der tarwe, van het eerst in de middeleeuwen naar Europa overgebrachte rogge en boekweit, der erwten en boonen en van de gierst. Al onze edele ooftsoorten zijn uit Azië afkomstig, druif, appel, peer, kers, abrikoos, perzik, pruim, mispel, tamme kastanje, noot, hazelnoot, citroen, china'srppel, komkommer, meloen, enz., waarvan evenwel de meeste door zorgvuldiger kweeking in Europa zeer veredeld zijn. Hetzelfde geldt van eene menigte bloemen, zooals de tulp, hyacint, hortensia, rhododendron, de paeonia, camellia, vele rozen, de aster, de reseda, enz. In Zuid-Azië staat als voedingsmiddel boven aan de rijst; dan volgen maïs, batate, jam, maniok, de mango, banaan of broodboom en verschillende soorten van palmen, waaronder vooral sago-, dadel- en kokospalm, andere eetbare vruchten, zooals vijgen, amandelen, olijven, granaten. Voorname produkten van Zuid-Azië zijn nog het katoen en de zijde, de thee, koffie en suiker, de uit Amerika overgeplante tabak, indigo, opium, muskaatnoot, kruidnagel, peper, betel, getapertja, kaoetsjoek en vele kostbare houtsoorten, zooals het tiek-, ebbenhout (van verschillende soorten van boomen), sandelhout en vele andere.

Uit het dierenrijk zijn, behalve de vele pelsdieren en de nuttige rendieren van het N., vooral vermeldingswaardig de menigte paarden en schapen van de edelste rassen (waaronder ook de vetstaart), de buffels en rundersoorten (waaronder de langharige jak op de hoogvlakten), de geiten (vooral kasjmier- en angora-geit), de kameelen (de twee-bultige in de koudere meer noordelijke stroken) en de olifant. Onze pauwen, hoenders en duiven stammen insgelijks uit Azië.

In opbrengst van delfstoffelijke produkten staat Azië in het algemeen bij Europa achter, althans wat de nuttige metalen en de steenkool betreft. Eene bijzondere vermelding verdienen de goud-, zilver-, koper- en ijzermijnen van den Oeral en van Siberië, het tin van het schiereiland Malaka en van de eilanden Bangka en Blitong en het Japansche koper. Edelgesteenten bezit het van allerlei soort, vooral diamanten in het Voor-Indische schiereiland.

Azië is het vaderland van drie menschenrassen. Van de ruim 800 millioencn behooren | in het N. en O. tot het geel-bruine Mongoolsche, i in het Z. en W. tot het Indo-Europees che ras; op de Achter-Indische en Chineesche eilanden en Malaka wonen ongeveer 20 mill. Maleiers. Laten wij de eigenaardige ontwikkeling der Japanners, Chineezen en Indiërs, die evenwel gedurende eeuwen lang niet één' stap vooruitging, buiten aanmerking, zoo zijn bijna al

74

ocr page 89

AZIË.

de Aziatische volken nog op lagen trap van bschaving, die slechts zeer langzaam hare verbetering door Europa te gemoet gaat.

Van deze bewoners telt men 33 millioen Christenen, namelijk 10 m. Oostersche en 13 m. Westersche kerk; Mohammedanen 80 millioen; Joden li millioen; de overige 700 millioen zijn vereerders van Boedda, Brama of andere Heidensche godheden.

A. Z u i d - A z i ë.

I. Aziatisch Turkije (de Levant).

(34,300 □ m., ruim 16 mill, inw.)

Het 92,000 D m. groote schiereiland Klein-Azic {Asia, sedert de 4de eeuw Asia minor) vormt eene hooge vlakte van 4000', die, in de richting naar het N. dalende, ten deele door gebergten aan haren rand omgeven is. De hooge zuidelijke rand, de Taurus, zet zich tot de golf van Iskenderun voort; in liet O. wordt de hoogvlakte door de dubbele keten van den Antitaurus begrensd. Maar ook op de hoogvlakte zelve bevinden zich bergruggen en enkele bergen, van welke laatste de Ardsjis of Erdzjia (Argaeus) bij Kaisarieh (13,000') het hoogste punt van het gansche land is. De rivier Kisil-Irmak, de lialys van Croesus, deelt het land in twee helften. Steden vindt men niet op de hoogvlakte, wel langs den rand er van. De weg, die ze verbindt werd door Alexander den Groote en de Kruisvaarders gevolgd. Ook de Indische waren vervoerde men er langs en verder dwars door het Balkanschiereiland naar de Donau, althans vóór den tijd, dat Genua en Venetic zelfstandige verbindingen met het oosten aanknoopten. (Zie verder bij Constantinopel.)

De verbinding van Anatolic (1) met den Kaukasus en het Perzische hoogland geschiedt door het Armenische hoogland, het land der bronnen van den Euphraat, Tigris en Araxes, met de zoute alpenmeren Wan en Oermia en met sneeuwpoppen ter hoogte van den Kaukasus (de stompe kegel van den Ararat, (16,000').

Van de tweeling-rivieren Euphraat en Tigris ontstaat de eerste uit den Moerad en Frat, nadert, beneden de hoogvlakte van Erzeroem de Anti-Taurus-keten in watervallen doorbrekend, boven Diarbekir tot op één uur afstands de bronnen van den Tigris, en wendt zich dan, na in westelijke richting naar de Middellandsche zee gegaan te zijn, juist, waar de golf van Iskenderun het land oostwaarts binnendringt, weder zuid-oostelijk tot den Tigris; met welken hij tot aan Bagdad het landschap Mesopotamië (d. i. het land tusschen de rivieren: Al-Dzjesira, het eilandenland der Arabieren) vormt. De Tigris, d. i. pijl, heeft eene diepere bedding dan de Euphraat, doorstroomt tot zijn intrede in het laagland de vruchtbare vlakte van Diarbekir en breekt eveneens de Taurus-keten door. Verderop liggen, op zijn' rechteroever, de handelsstad Mosoel, en hiertegenover op zijn' linkeroever de ontzaglijke bouwvallen van het oude Ninive. Van Bagdad (3) af (in welks nabijheid de overblijfselen van Bahylon, Seleucia en Ctesiphon zich bevinden) wordt de vlakte tusschen de rivieren breeder, en heet Irak-Arabi, oudtijds Babylonië, doorsnellen

(1) Levant uit het Italiaansch, Anatoli uit het Grieksch, Orient uit het Latijn, bcteekenen hetzelfde, opkomen der zon, liet Oosten.

(2) Dit punt, waar beide rivieren elkander naderen, is merkwaardig, omdat men ze van hier af zoowel op als af kan varen. Geen wonder dat elke nieuwe veroveraar van het hoogst vruchtbare land daar zijne hoofdstad stichtte.

75

ocr page 90

AZIATISCH TURKIJE.

door een groot kanaal, dat het water van den Eupliraat naar den Tigris voert, een der vele kanalen die reeds in de oudheid in Mesopotamië de verbinding tusschen de beide rivieren tot stand brachten. (Waarom niet omgekeerd?) Nadat zij tot eenen stroom, den Sja t-el-Arab, vereenigd zijn, vloeien zij indezelfde richting van den Tigris voort naar de Perzische golf, waarin zij met 7 armen uitstroomen, 7 mijlen beneden Basra, de handelsstad tusschen het Oosten en het Westen, tusschen de Syrisch-Arabiscbe en Perzische rijken. Vroeger liep elke rivier afzonderlijk in zee, maar de Perzén verstopten de mondingen om den handel van het land te vernietigen. Door verwaarloozing der besproeiings- en afvoerkanalen is het land woest geworden. Wellicht staat het een tijdperk van bloei te wachten, wanneer eenmaal de „Eufraatbaanquot; Constantinopel met Bombay verbindt.

In het Z. van het Armenische hoogland strekt zich tot aan de landengte van Suez, ingesloten door de Middellandsche zee en de Arabische woestijn, de smalle hoogvlakte van Syrië uit. Evenwijdig met den smallen kustzoom verheft zich de Libanon (d. i. het witte gebergte, door de Israëlieten zoo genoemd, omdat zij uit de woestijn komende, hier voor het eerst sneeuw zagen, riet naar het witte kalkgesteente), en daarachter de Antilibanon met den 900Ü' hoogen H e r m o n, waartusschen zich het dal van den O r o n t e s naar het N. uitstrekt, naar het Z. dat van den Jordaan. De Libanon, beroemd om zijne ceders, was door zijne dalen met steile wanden het toevluchtsoord voor hen, die om het geloof vervolgd werden, b. v. Maronieten en Drusen. Eene tot 2000' zich verheffende hoogvlakte, die in het Z.O. in de Arabische woestijn overgaat, vormt den oostelijken rand.

De bewoners zijn: 1) Belijders van den Islam, Turken (de beheerschers, bijna 10 millioen), nomadische T o er k o m a n n en, de schrik der karavanen. Koerden (deels Mohammedanen, deels Christenen), Arabieren, en de bijna Mohammedaansche Drusen. £) Christenen: Armeniërs, Grieken en Syrië rs; de Maronieten zijn, evenals de Drusen, de nijvere en dappere bewoners van het gebergte Libanon. 3) Joden. 4) Zigeuners.

1) Klein-Azië of (Turksch) Anadoli. Rijk, maar verwaarloosd; vol van prachtige en merkwaardige ruïnen.

a. Aan of bij de kusten:

Trebizonde ofTrabezon (1) [Trapezus naar den vierkanten vorm van eene tafel, trapeza), gewichtige zeehaven voor Armenië; 40,000 inw.

Sinope of Sinop, gewichtige handelsstad aan de Zwarte zee; kortste overtocht naar de Krim. In den omtrek kersen- en wijngaarden: deze werden van hier naar Europa overgebracht.

Skoetari of Oeskoedari aan den Bosporus; geldt als zomerverblijf des sultans, voorstad en voornaamste begrafenisplaats van Constantinopel; belangrijk karavanenstation; 100,000 inw.

Broes sa {Fnisd), prachtig gelegen, doch door aardbevingen sterk geteisterd, met fabrieken van prachtige tapijten, zijdewaren, goud- en zilverstoffen, 70,000 inw. In het naburige gebergte beroemde groeven van het zoogenaamde meerschuim.

Smyrna, de eerste zeeliandelstad van de Levant, met katoen-en zijde- fabrieken, uitvoer van vijgen, rozijnen en sponzen. Een paar spoorwegen voeren naar het binnenland; 150,000 inw.

h. Op het hoogland:

Kjoetahia, hoofdstad. Thans in verval; 30,000 inw.

(1) Van de meeste Turkschc steden is bij do Westersche volken die naam, welke de Italianen tijdeus hun' alleenhandel op de Middellandsche zee daaraan gegeven hebben, of zelfs de Oud-Grieksohe naam, meer bekend dan de Turkschc; gewoonlijk is deze eene verkorting of besnoeiing der voormalige.

76

ocr page 91

AZIATISCH TURKIJE.

A'ngora of E'nguri, in het oude Galatië, hooggelegen en daardoor kouder; shawl-fabrieken. In den omtrek van deze stad hebben sommige dieren, zooals honden, katten, konijnen en vooral geiten, zijdeachtig lang haar, waarvan het zoogenaamde keraelgaren; 40,000 inw.

Konia (Iconium), middelpunt van karavanen wegen, voorheen zeer bloeiend; 25,000 inw.

In den Archipel: de eilanden Tenedos, tegenover de vlakte van het voormalige Troje; Mitilene of M e t è 1 i n o {Lesios , met de stad Miti/lenae), Ski o (C/iios) vroeger 130,000 inw., maar na het bloedbad door de Turken in 1822 tot op 30,000 ontvolkt; Sam os, tegenover de puinhoopen van JEphesjis; K o s, tegenover de stad B o e d r o e m (Halicarnassus) ; E h o d u s, boschrijk, 27 G ra., na Alexander den Groote en in de middeleeuwen onder de St. Jansridders gewichtig, thans met 30,000 inw. Het heerlijke maar verachterde Cypius, 172 Q m., met 200,000 inw., in het W. en O. bergachtig, met de in de dorre vlakte van het binnenland gelegen hoofdstad Nicosia of Lefkosia is in 1878 aan Engeland afgestaan. De oostelijke helft van de M. Zee en het kanaal van Suez worden er door beheerscht.

2) Armenië. De bevolking bont samengesteld uit Armeniërs, Osmanen en Koerden, is voor de helft Christen , voor de helft Mohammedaansch. Het vaderland van onze meeste ooftboomen.

Erzeroem, aan den karavanenweg tusschen Perziö en Trebizonde; 30,000 imv.

3) Koerdistan, tusschen den Tigris en het Perzische grensgebergte het oude Assyrië. Het is de zuidelijke helling van het Armenisch-Perzische hoogland, 4000' hoog; de dappere nomadische Koerden, die alleen des winters vaste woonplaatsen hebben, zijn ruw en vrijheidslievend en nooit geheel ten onder gebracht. Eeeds Xenophon leerde de roofzuchtige Kardoechen op zijn' beroemden tocht kennen.

Huune hoofdstad is Diarbekir, aan de bronrivier van den Tigris, waar deze den Eufraat voor het eerst nadert, het noordelijkste punt tot waar Arabische bevolking en taal zich uitstrekt; 10,000 inw.

4) Al-Djezira {Mempotltamiii).

Mos o el, aan den rechteroever van den Tigris, ook nu nog rijk door moesscline-fabrieken, doch slechts eene schaduw van haren vroegeren roem; 75,000 inw. Hiertegenover de in 1842 weder ontdekte overblijfselen van Xinivc; 19 uren in omtrek.

5) Irak-Arabi, het mondingsgebied van Tigris en Euphraat.

Bagdad, aan den Tigris en den karavanenweg van Damascus en Aleppo naar de Perzische golf en Indië. Het oude Bagdad, uit do puinhoopen van het eenmaal bloeiende Ctesiphon opgerezen, was gedurende 500 jaren (tot 1258) de hoofdstad van het Mohammedaansche wereldrijk, ten tijde van Haroen-Al-Radsjid [ar-rasjied] de eerste stad der wereld met 2 mill, inw.; thans 50,000 inw. doch weder opluikend door den handel.

Basra of Bassora, aan den Sjat-el-Arab, door den Kalief Omar gesticht, verloor wel de vroegere grootheid, maar heeft toch nog aanzienlijken handel.

Zuidelijk van Bagdad, aan den Euphraat, worden de oudste ruïnen der wereld, die van Babyion gevonden, met den nog 200' hoogen toren Birs Nimrod.

6) Soristan [Syria in den minst ruimen zin), met veel zijde-winning. De verbinding met de kust is hoogst gebrekkig.

Antakieh, de poort tusschen de zee en Mesopotamië beneden aan den Orontes, vroeger AntiocMa, hoofdstad der Seleuciden, met 700,000 inw.; thans 6,000 inw.

Halep {Jlejipó), de nieuwe hoofdstad van Syrië, de fraaiste, welvarendste en verliehtste ïurksche stad in Azië, vóór de vernielende aardbeving van 1822 de derde stad van het Turksehe rijk, nu nog levendige handel- en fabrieksstad, met 100 moskeeën en ongeveer 70,000 inw. Niet ver van de bronnen van den Orontes in Coelesyrië, d. i. in het dal tusschen den Libanon en Antilibanon, liggen de grootste overblijfselen der Zonnestad Baalbek (Ileliopolis).

77

ocr page 92

PALAF.STINA.

Damascus, aan den weg, die langs den noordrand der Syriselie woestijn de M. Zee met. den Buphraat verbindt, cte oude hoofdstad van Syrië, aan de overzijde van den Antilibanon tussehen heerlijke wijn- en boomgaarden gelegen, vandaar „het oog van het oostenquot; genoemd, is niet minder rijk door fabrieksnijverheid van staalwaren, satijn en zijden, met goud en zilver doorweven stoifen (damast); 150,000 inw.

Van Palmyra of Tadmor, aan dienzelfden weg, in eene oase der Syrische Woestijn, eens de residentie van koningin Zenobia, zijn niet meer dan uitgestrekte bouwvallen over.

De vroegere havens van Phoenicië zijn meestal verzand (doordat een stroom uit de straat van Gibraltar komende hot nijlslik er neder legt), behalve die van Beiroet (Benjtus) de haven van Damascus, eerste handelplaats na Smyrna, 70,000 inw., en die van Tripolis.

7) Palaestina. Naar den omvang behoort dit wel tot de weinig beduidende landen der aarde, maar als de wieg van den Joodsehen en Christelijken godsdienst is het van niet gering belang. Het lag tussehen zes der meest beschaafde volken der oude wereld, de Babyloniërs, Assyriërs, Meden, Perzen, Phoeniciërs en Egyp-tenaren, daar waar de drie oude werelddeelen elkander het meest nabij komen.

De grootste lengte van liet N. naar het Z. bedraagt 32, de grootste breedte

23 mijlen, de vlakte-inhoud 461 □ m. Op deze uitgestrektheid, tussehen den Libanon en Antilibanon in het N. en het schiereiland van den Sinaï in het Z., tussehen de Middellandsehe zee in het W. en de Syrische woestijn in het O., strekt zich een hoogland uit, dat zich van den voet van den Libanon af naar het Z. allengs tot 2000' verheft en naar de kusten langzaam afdaalt. Van kenmerkenden invloed op het land is de diepe ligging van het Jordaandal. De Jordaan ontspringt op den Hermon (0500') en stort zich dan in een diep dal, dat, van het begin tot het einde tussehen steile bergwanden als tussehen twee muren van zelfs 2000' hoogte besloten, lager ligt dan de spiegel der Middellandsehe zee. In zijn' loop van 25 mijlen vormt de Jordaan als op drieërlei verdiepingen eerst het moeras Merom, daarna het heldere vischrijke meer Kin-nereth of Genezareth, ook dat van Galiléa of van Tiberias gelieeten, in eene heerlijke streek, 700' beneden den spiegel der zee. Aan het einde van zijnen loop vormt de Jordaan eindelijk de Doode zee, 10 m. lang en 3 m, breed, waar vroeger de steden So dom en Gomorra stonden en waarvan de spiegel 1235' beneden de Middellandsehe zee ligt. Dit asphaltrijke meer bestaat uit een grooter noordelijk bekken, dat 1000' diep is, en een kleiner zuidelijk, dat zeer ondiep is. Het water, bijna het zoutste der aarde (op 100 dcelen water

24 deelen zont), bevat geene levende dieren. Aan de eenzame boorden stapelen zicli na sterken golfslag losgerukte stukken asphalt even als ijssohollen op. De reden, waarom dit meer ondanks den toevoer van zoet water door den Jordaan even zout blijft, is deze: langs den zuidelijken oever verheft zich over een' afstand van 1-j m. een zoutberg, waarin het regenwater scheuren heeft gemaakt, zoodat er van tijd tot tijd zoutblokken afvallen, die bij hoog water in het meer storten. Een van de loodrechte zoutzuilen, die bleven staan, noemen de Arabieren Lots vrouw. Deze verdieping van den bodem zet zich onder den naam van Ghor, d. i. vlakte, als een droog dal voort tot aan de golf van Akaba.

Van de rivieren die in dwarsdalen naar de Middellandsehe zee vloeien, is de voornaamste: de Leontes, die bij de puinhoopen-stad Baalbek ontspringt en tussehen Tyrus en Sidon in zee valt.

De ligging van het land is 5—6° zuidelijker dan de zuidelijkste spits van Europa; vandaar heerscht er, vooral in het laag gelegene Jordaandal en om het bekoorlijke meer van Genezareth, een keerkringsklimaat en de weelderigste plantengroei. Josua en de overige bodcu schilderden Palestina af als „het land, dat

78

ocr page 93

AZIË.

van melk en honig is vloeiende, een land van waterbeken, fonteinen en meren.quot; Tegenwoordig evenwel is Palaestma ongelooflijk woest en ontvolkt; waar de Turk zijn' voet zet, zegt een Syrisch spreekwoord, daar wordt de aarde voor honderd jaar onvruchtbaar. Toch levert het nog wijnstokken en vijgeboomen, granaat-en oranjeappelen op, olierijke olijf boomen en dadelboomen, ook cederen (thans slechts nog één bosch op den Libanon), terpentijn en katoen.

De taal der tegenwoordige bewoners (000,000) is de Arabische, evenals het raeerendeel der bewoners Arabieren zijn en verder Joden. De Arabieren zijn gedeeltelijk Mohammedanen, gedeeltelijk Grieksche, en voor een klein deel Katholieke en Armenische Christenen.

Het land ten W. van de Jordaan.

a) J u d e a. In het zuiden.

Jeruzalem (d. i. erfdeel des vredes), liquot;t 2420' boven de Middellandsche zee, (hoe hoog boven do Doode zee ?), in het N. aoor een gracht, maar overigens rondom door steilten beschermd. Met zijne geweldige ringmuren en zijne tallooze koepeldaken en minarets, die afsteken bij liet donkere groen der cypresseu, levert het nog een verrukkend fraai gezicht op, dat des te verrassender is, omdat de stad aan alle kanten door nog hoogere bergen zoo omringd is, dat, men haar nergens uit de verte zien kan, en men eerst op een' afstand vau slechts tien minuten eensklaps het gezicht van het geheel geniet.

Van de 4 bergen der stad heeten de twee voornaamste Zion en Mor ia.

Op den Zion stond vroeger do burcht Davids; thans staat daar de kerk en het klooster der Armeniërs, met 1000 kamers voor bedevaartgangers. Noordelijk daarvan de evangelische kerk der Eugelsclicn en Pruisen, en sedert 1851 het Protestantsehe diakonessenhuis, dat een hospitaal, een opvoedingsgesticht en een gebouw tot her-bergiug voor vreemdelingen bevat.

Op den Moria, den laagsten heuvel der stad, stond vroeger Salomo's tempel, thans de prachtige, in 637 door Omar gebouwde moskee Sakhara.

Jericho, de palraenstad, 3 mijlen ten O van Jerusalem, aan den rand van het Jordaandal, vroegere zetel der koningen, in eene heerlijke en sterk bebouwde streek; thaus een armoedig dorp.

Gaza, in eene vruchtbare streek, is tegenwoordig volkrijker dan Jeruzalem. Station voor de karavanen, die naar Egypte trekken.

Jaffa, het Joppe der Phoeniciërs, is ook thans nog, hoe vervallen ook, de aanzienlijkste handelsstad aan de kust.

i) Samaria, met vruchtbare, door stroompjes besproeide dalen en uitstekenden landbouw.

c) Galilea, ten Z. van den besneeuwden Hermon, met boschrijke hoogten en liefelijke dalen.

Acra, Akka of Ptolcmaïs, aan zee, tegenover het voorgebergte Karmel. Van 1192 tot 1291 was het de zetel der ridders van St. Jan en heet van daar St. Jean 1 d'Aere.

Tyrus of Sur, aan zee, en

Si don, noordelijk aan zee, beide eens bloeiende handelssteden der Phoeniciërs, nu diep vervallen.

d) Peraea, d. i. het aan de overzijde gelegene.

Het land ten O. van de Jordaan.

2. Arabië.

(57,300 □ m., ongeveer 5 mill, inw.)

79

Het Arabische schiereiland wordt tot Azië gerekend, maar om de gesteldheid ■ vap bodem en klimaat niet ten onrechte wel eens Klein-Afrika genoemd. Het wordt aan drie zijden door de zee, doch ten N. door het Syrisch-Arabische laagland begrensd. Het is een nog weinig bekend, ten deele waterloos hoogland,

j

ocr page 94

AZIATISCH TURKIJE.

omzoomd door bergen, die meestal steil, doch vooral in het Z.W. meer terrasvormig naar zee afdalen.

De dalen en kuststreken, alwaar vooral in den regentijd de grond onder den invloed der keerkringszon uitstekend vruchtbaar is, waren van ouds beroemd als het land van wierook en mirre en andere welriekende planten en gomsoorten; hoogerop groeit de uit Afrika aangebrachte koffieboom; de dadelpalm tiert in het gloeiende klimaat der laagten, cn de weiden der noordelijke binnenlanden voeden de fraaiste paarden en vlugge kameelen.

De landstreek tusschen Azië en Afrika werd in de vroegere geographie Petreïsch-Arabië genoemd, ofschoon de Arabieren zelf het niet tot hun land rekenen; den naam ontving het naar de handelsstad Petra, in het land der Edomieten, waarvan nog bouwvallen aanwezig zijn, weshalve de vertaling van „steenachtig Arabiëquot; onjuist is. Naar het gebergte Sin ai [sinaj] is daarvoor in nieuwen tijd de juistere naam van „het schiereiland Sinaiquot; gegeven. Het trotsche graniet-gebergte in het Z. hiervan bestaat uit twee groepen, waarvan de voornaamste, de Dzjebel-Mosa (Mozesberg) met den Horeb, zich tot 7000' boven de zee verheft. Aan den voet van dezen berg ligt het Katharina-klooster met een' verblijfplaats van christelijke pelgrims, die binnen de door Justinianus gebouwde kloostermuren beschutting voor de zwervende Pedoeïnen vinden.

Terwijl het schiereiland Arabië van de vroegste tijden af, door zijne afgezonderde ligging en door woestijnen en koraalklippen beschermd, van vreemde overheersching bevrijd bleef, heeft het zelf eenmaal zijn' schepter gezwaaid over Azië, Afrika en Europa. Van China af tot aan het westelijk uiteinde van den Atlas, over Zuid-Italië, en zelfs Zuid-Frankrijk, deed het eens zijn' godsdienst (den Islam, d. i. onderwerping aan God), taal, zeden en handel zegepralen.

De bevolking van het binnenland bestaat uit roofzieke Pedoeïnen „de kinderen der woestijnquot; door Sjeiks aangevoerd en de gevestigde, minder bruine Arabieren der steden en oasen. De in de vorige eeuw door Abdoel-VVahab gestichte sekte der Wahabi of Wachabieten breidde in het begin dezer eeuw, strijdende voor eene hervorming van den Islam (zij gelooven aan een' eenigen God, geven Mohammed, welken zij voor diens middelaar houden, geen goddelijke eer en verwerpen, terwijl zij alleen de leer van den Koran volgen, de overlevering) hunne heerschappij over bet geheele schiereiland uit, tot dat zij in 1818 door de Egyptenaren in het noordelijk binnenland of Nedsjed teruggedrongen werden.

a) De noordwestelijke kust, H-dzjas, vormt met de beide provinciën der heilige steden Mekka en Medina, een Turksch stadhouderschap (Ejalet).

De stad Mekka, in een zandig, door vruchtbare bergen omgeven dal, is heilig als geboorteplaats van Mohammed. Het merkwaardigste gebouw is de quot;roote moskee Bait-Allah (Godshuis) met de heilige bron Semsem, welker water ais een geneesmiddel voor alle ziekten gedronken wordt, verseheidene mijlen in den omtrek wordt geen zoet water gevonden Het grootste heiligdom is de Kaaoa, een kubiek gebouw van 34 voet, dat 2000 jaren voor de schepping der wereld in den hemel gebouwd en door de engelen aangebeden zoude zijn. Het bevat in zijn binnenste den heiligen zwarten steen, dien Abraham van den engel Gf.briël uit den Hemel ontving; 45,000 inw. — 15 mijlen van de stad Mekka aan de Roode zee ligt hare havenstad Dzjidda, vooral in de 3 heilige maanden der bedevaarten het brandpunt van den Oosterschen handel tusschen Egypte en Indië. De bedevaart heet Hadsch, de pelgrim Hadschi. De punten van vertrek zijn Konstantinopel voor de Syrische —

Kaïro „ „Egyptische —

Tabris „ „Perzische —

Marokko of Algiers „ „ Mogghrebinische —

Yemen „ „Arabische —

S i n g a p o e r „Indische en

Massa ua „ „ Gentraal-Afrikaansche Iladseh.

80

ocr page 95

De tweede plaats in het heilige land der Muzelmannen bekleedt Medina, de 50 m. noordelijker, op eene met pa!men begroeide vlakte aan den rand der woestijn gelegen grafplaats van den profeet, eigenlijk Medinat-al-Nabi „de stad van den profeet,quot; die op den ICden Juni 622 van Mekka hierheen vluchtte. Deze vlucht (Hedsjra) is het begin der tijdrekening van de Mohammedanen. Naar dez.e steden doet ieder vrome Muzelman ten minste ééns in zijn leven een' bedevaartstocht; 18,000 inw.

b) De zuidwestelijke kust, lemen, Arabia felix, vormt een Turksch Ejalet met de twee provinciën lëmen en Mokka.

Sana, belangrijke hoofd- en residentiestad van den Imam; 50,000 inw.

Mokka, eens de aanzienlijkste hiven voor uitvoer van koffie, wierook en balsem en voor den handel met Indisnhe waren, die zich thans naar het noordelijker Hodeïda en vooral naar Aden verlegd heeft.

In het Z., in de 3| m. breede ^poort des gevanrs of' der rouwequot; Bab-el-Mandeb, hebben de Britten in 1857 het eilandje Perim bezet, de sleutel op de vaart der Roode zee, en noordelijker het eilandje Kam er an.

Aden, geheel in het Z.W. op eene kale, heete en waterlooze rots, gewichtige vesting, sinds 1839 in bezit van Groot-Britannic, het „Gibraltar van het oosten,quot; dat als vrijhaven reeds een groot deel van den handel van Mokka tot zich getrokken heeft, 30,000 inw., met de bezetting.

c) De zeer eenvormige zuidkust wordt door het landschap Hadramaut ingenomen, dat van Turkije onafhankelijk is.

d) De oostkust bevat in het Z.O. tot aan de straat van Ormns het dadelrijke landschap Oman. De Itnan van Maskat heeft van hier uit zijne heerschappij over een gedeelte der tegenover liggende kust van Iran uitgebreid.

Maskat, belangrijke havenstad; 60,000 inw.

Het landschap Ei Ahsa aan de Perzische golf, grootendeels onbekend, aan de Wahabi onderworpen. Dezen zijn ook de door paarlvisscherij van ouds beroemde Baharein-eilanden, die met de tegenover gelegen kuststreek Baharein een' afzonderlijken staat vormen, schatplichtig. (Baharein beteekent twee zeeën, omdat in hunne nabijheid bronnen van zoetwater in de zee opborrelen.) In 1819 maakte de Engelsche vloot voor goed een einde aan de zeerooverij in die golf.

e) Het weinig bekende noordelijke hooge binnenland of .Nedsjed, rijk aan weiden, maar ook aan zandvlakten, is voor het nomadenleven der Bedoeïnen met hunne paarden en kameelen als geschapen; toch vindt men in dit binnenland ook verscheidene gevestigde stammen. Het wordt bewoond door de Wahabi.

R i a d, hoofdstad te midden van palmwouden en bloeiende akkers.

3. Het Hoogland van. Iran (Iran = Airjana = Land der Ariërs).

(50,000 □ m.)

Van den Ararat en het Zagros-gebergte breidt het zich naar het O. tot aan den Hindo-koesj (het verbindingsgebergte met het Achter-Aziatische hoogland), over i300 m. uit, in het Noorden begrensd door de Kaspische zee en het laagland van Toeran, in het Z. door de Perzische golf en den Indisclien oceaan, in het W. door den Tigris, in het O. door den Indus. Dit hoogland heeft tot randgebergten in het N. den Elboers (vulkaan Demawend li),000'), verder oostelijk den Paropamhus en den sneeuwrijken Hindo-Koesj, waar de bronnen zijn van den noordelijken Dzjüion of Amoe (Oxus) en van de zuidelijker Kaboel en Hilmend, in het Z.O. de Solimans-keten, in het Z. een aantal evenwijdige bergrijen waar tusschen enkele oasen, en in het W. het bergachtige landschap van Koer-distan. Het binnenste van het hoogland vervalt in eene westelijke welbegroeide, en eene oostelijke met zout- cn zandwoestijnen vervulde helft, afgewisseld door

6

ocr page 96

AZIË.

enkele in vruchtbare oasen gelegen steden. (Deze liggen niet op de hoogvlakte, maar er om heen. Zie de kaart!) Hier stroomt de Hilmend, die in het step-penmeer Hamoen of Zareh uitloopt. Een' rijkeren plantengroei 'daarentegen hebben, door middel van kunstmatige bevochtiging, de terrasvormige landschappen aan de rivier Knboel, die om den Elboers en het landschap Faristan; vele der nuttigste planten hebben hier haar vaderland of groeien althans in het wild in het gebergte Zagros en op andere plaatsen, zooals de tarwe, de hennep en het vlas, de katoenstruik, de papaver of opiumplant, de granaat-, citroen-, abrikozen-, amandel en noteboom. De tegenstelling tusschen woestijn en vruchtbare vlakte leidde tot het aannemen van twee goden (dualisme) Ormoezd, den god des lichts en Ahriman, den god der duisternis.

Dit hoogland is verdeeld in drie geschiedkundig gewichtige rijken:

a. Het Perzische rijk (West-Iran).

(30,000 □ m., 7 mill. inw).

De bewoners bestaan uit; 1) de Guebers (vuur-aanbidders) of Parzen, die aan de leer van Zoroaster getrouw bleven en in aantal het geringst zijn; nauwelijks 100,000, men treft hen nog aan in de stad Jezd; 2) Mohammedanen (hoofdzakelijk Schiïeten). De regeering is despotiek in den hoogsten graad, het derde deel van den grond behoort aan den Sjach, die zijne onderdanen, de Tatvjiks of gevestigde Perzen zooveel mogelijk uitzuigt; zelfs het water der bronnen en rivieren is zijn eigendom; de steden- en dorpsbewoners hebben niet eens het recht om van daar te verhuizen. De nomadische oorlogzuchtige stammen onder bijzondere Khans erkennen hem slechts in naam als hun opperhoofd. Door de ligging van Perzii; tusschen de Kussische macht, die van het noorden, en de Engelsche, die uit het oosten voorwaarts dringt, heeft het Perzische rijk in nieuweren tijd in staatkundig gewicht gewonnen.

Van de provinciën zijn de belangrijkste:

A. Aan de Turksche grenzen;

Azerbeidsjan of Adertidsjau, het oude Alrojtatcnt, Noord-Medië, een trotsch bergland, met de grensrivier Aras (Araxes). De hoofdplaats is:

Tab ris (Tauris) door Harocn-al-Radsjid gesticht; oorlogen eu aardbevingen (vooral die van 1727) hebbeu de inwoners van 1 millioeu tot op 120,000 doen verminderen. Het is echter nog eene zeer aanzienlijke handelsstad, waar de koopwaren van het Oosten en Westen ter markt komen, met eene op Europeeschen voet ingerichte akademie.

Kcerdistan (ecu gedeelte van het oude Assyria), in het Zagros-gebergte.

Sjoesistan (Susiana), van het Zagros-gebergte tot den Tigris en de Perzische golf.

Sjooster, in de nabijheid bevinden zich de overblijfselen van Susa, eens ds winter-residentie van Darius Hystaspis.

B. Aan de Kaspische zee:

Mazenderan, klein, doch het best bevolkt.

Balferoesj, gewichtige handelsstad, niet ver van de Kaspische zee; 50,000 inw.

Kcsoilt in het landschap Gilan, stapelplaats voor de Perzische zijde; 60,000 inw.

C. Aan de Perzische golf:

Farsistan (het eigenlijke Persia), ontzaglijk vruchtbaar op de middelste bergterrassen. In de zoogenoemde rozengaarden van Ears ligt de door het gezonde klimaat en hare veelvuldige vruchten beroemde stad :

Sjiras, met graven der dichters Saadi en Hafiz uit de 13de en 14de eeuw, toen het nog de zetel was van Oostersche pracht,, wetenschap en poëzie. 7 mijlen N.O., bij het dorp Merdasjt, liggen, onder den naam van Tsjihil-Minar, dc overblijfselen van Persépoiis en ook die van Pasdrgadae.

Aboesjire of Boesjier, hoofdhaven aan de Perzische golf, maar doodend klimaat.

82

ocr page 97

HET HOOGLAND VAN IRAN. 83

Kerman (Carmanid) oostelijk tegen Beloetsjistan, met gelijknamige hoofdstad. D. In het binnenland:

Khorasan {Hyremia en Par tl lui) in het N.O., een ruw berg- en steppenland, bewoond door krijgszuchtige bergvolken.

Mesjhed, in de noordelijke vlakte bij de grenzen, het Mekka der Sehiieten, die den tocht naar Mekka als afgodendienst besoliouwen. Daarom moeten ook de Sonnietische Turkraenen den weg over Rusland of Indië nemen om Mohammeds graf te bezoeken.

Jezd, in eene oase te midden eener groote zout woestijn; 60,000 inw.

Irak Adsjmi {Media), het middelpunt van het rijk. Niet ver van den voet van den Demawend ligt;

Teheran, de tegenwoordige hoofdstad en residentie, door hare sterke ligging als tot heerseheres bestemd, doch zoo ongezond, dat, het des zomers door de grootste helft van de 200,000 inwoners verlaten wordt. Het heerlijkste klimaat daarentegen heeft

Isfahan, in dc 17de eeuw de rijkste residentie van Sjaeh Abbas den Groote met meer dan 3 mill, inw.: na de verwoesting door de Afghanen (1723) is zij in de 19de eeuw op nieuw opgekomen. Zij bevat Perzië's grootste hoogesehool, heeft veel handel, eene gezonde ligging en 00,000 inw.

Hamadan (Ecbatand), de vroegere zomer-residentie der Perzische koningen, is daarentegen achteruitgegaan, niettegenstaande de fraaie ligging; 30,000 inw.

b. Afghanistan {Drangiana en Arachotia (N o ord - Oost-Iran) (13,000 □ m., ongev. 4 mill, inw.)

De Afghanen (door de Indiërs Patau's genoemd) zijn sonnietische Moha-medanen; zij zijn daarom aartsvijanden der schiïetische Perzen, terwijl zij jegens de Christenen verdraagzaam zijn. Deze staat ontstond eerst met Sjach Nadirs dood, toen het zich in 1750 onder Achmet-Abdallah aan de Perzische heerschappij onttrok. Evenzoo ook Beloetsjistan, doch oneenigheden over den troon en oorlogen , in welke de Engelschen zich mengden (hun veldtocht 1S39—181-2) hebben de macht van het rijk gebroken. Het land is uit het N., O. en Z. slechts over enkele lastige bergpassen toegankelijk, van welke de voornaamste zijn 1°. de Bamianpas over den Hindoe-koesj die noordwestelijk naar Russisch Centraal-Azië voert, (weg door de Ariërs en Baber gevolg I om naar Indië te komen); 2quot;. het dal van de rivier Kaboel, dat naar de Kaiberpas in Voor-Indië leidt. Rusland en Engeland hebben er dus belang bij invloed uit te oefenen in Afghanistan. In het algemeen is dit land Rusland zeer genegen; voor den vrede tusschen de beide Europeesche mogendheden is het echter wenschelijk dat afgha-nistan een neutraal land blijve. Het bestaat nu uit 5 van elkander eenigermate onafhankelijke Khannaten en gebieden, waarvan de voornaamste zijn:

Kaboel, door zijne sterkte en ligging aan de Kaboel tot zetel der regeering en belangrijkste handelsstad bestemd; 60,000 inw.

Kandahar, handelsstad in eene oase gelegen.

Herat, nabij de Perzische grens, bloeiende door handel en industrie. Tot in de nabijheid dezer stad stond onlangs een Russisch leger, 50,000 iuw.

c. Beloetsjistan {Gedrosid) (Zuid-Oost-Iran)

(5000 □ m., ruim 1 mill, inw.)

Het schraalst bewoonde gedeelte van Iran, nog moeilijker te bereizen dan Afghanistan, voor het grootste deel de oude woestijn Gedrosia, door welke Alexander de Groote uit Indië terugkeerde. Evenals de oude inwoners zijn de Reloetsjen (sonnietische Mohammedanen) roofzuchtige nomaden, wier achttal hoofdlieden den Khan te Kei at slechts in zoo verre gehoorzamen, als hun welgevallig is. De kust is grootendeels woest; zij heet tot den mond der Sjat el Arab Germesir d. i. het heete land, en is geheel van het binnenland afgesloten.

ocr page 98

VOOR—TNDIE,

4. Voor-Indië.

(68,500 □ m., 253 mill, inw., waarvan ruim i onafhankelijk van Gr. Britannië).

In het raidden der schiereilanden van Zuid-Azië ligt Indië, als een Oosterseh Italië, het land, dat om zijne schoonheid zijn' kwistigen rijkdom in allerlei voortbrengselen, zoowel boven den grond als daaronder, de begeerte was van volken, veroveraars en zeevaarders. (1000 n. C. Mohammedanen van Afghanistan; 1526 Baber van Turkestan sticht het rijk van den Groot-Mogol; uit Europa kwamen achtereenvolgens Portugeezen, Nederlanders en Engelschen).

V-an de noordelijkste tot de zuidelijkste punt, of van Kasjmier tot kaap Komorin , bedraagt de lengte ongeveer 430 mijlen (= den afstand van Napels naar Archangel, of van Bordeaux naar Moskou). De lengte der twee bijna even lange kusten Malabaar en Koromandel bedraagt over de 800 mijlen. Door de lijn van den Narbadda in het N. wordt een driehoek gevormd, het plateau van Dekan (d. i. het zuidenquot;), waaraan zich ten N., begrensd door den Himalaja en Solimansketen, het laagland van Hindostan evenzoo in driehoekigen vorm aansluit.

Deze hooge muur van den Himalaja (d. i. verblijf van den sneeuw), langer dan de afstand van Parijs naar Moskou en breeder dan ons land lang is, overtreft ook in zijne opheffing alle hoogten der aarde. Lang genoot de Dawalagiri (25,171' boven de zee) de onderscheiding van voor den reusachtigsten onder de reuzen gehouden te worden; hij moet echter voor acht andere onderdoen , waarvan de driehoogste zijn: de Kan tsj indzjinga (27,419'), de Dapsang, een top van de Karakoru m-keten (114' hooger) ten N. van Kasjmier, en de Mount Everest of Gaurisankar (27,212'). Tot op 17,000 is er plantengroei. Ten Z. daalt dit hooge gebergte in terrassen af, welke in een' 6 mijl breeden, moerassigen zoom van bosschen (Tarai) eindigen, tot aan het laagland ran het gebied van den Indus en van den Ganges. (De Tarai = de Koeolla van Abes-synië = de Tierra Caliente van Mejico). In het Z. verheft zich het driehoekige schiereiland Dekan tot eene zacht gematigde hoogvlakte van 2—4000' Loogte, die langzaam naar het O. af helt, begrensd in het N. door het 7000' hooge Vindhja-gebergte (d. i. het gescheurde, door kloven en passen), langs den rechter oever van den Narbadda en in het W. en O. door de Gates of Ghats, twee ketens, eene oostelijke (omstr. 4000') en eene westelijke (8—1200'), die in het Z. door diepe inzinkingen van het 13,000' hooge Nilgerri- of Nila- (blauwe) giri-gebergte gescheiden zijn. De West-Gates rijzen steil uit zee op en worden afgebroken door passen, die uit zee naar de hoogvlakte leiden. Zij zijn begroeid met palmen, tekhout en peper. De Oost-Gates zijn lager, liggen 20 m. van de moerassige kust van Caromandel en hebben weinig besproeiing. Geen wonder, dat de meeste koloniën op de westkust gesticht werden en dat men op de oostkust slechts weinig plaatsen van beteekenis aantreft. In het Z. van Gap, de vallei der rivier Ca very, reikt de hoogvlakte van het Aligiri gebergte tot aan kaap Komorin.

Het laagland in het Z. van den Himalaja splitst zich in twee deelen: 1) de vruchtbare vlakte van den Ganges en Brainapoetra; 2) de vlakte van den Indus of Sind. De Ganges (Ind. Ganga, d. i. stroom) ontspringt op het hoogste gedeelte van den Himalaja, en neemt in zijn' loop van 420 mijlen 12 rivieren op, die grooter dan de Rijn zijn, rechts de Dzjamna (de meeste daarvan vallen onder een zeer scherpen hoek in den hoofdstroom en zijn dus goed bevaarbaar, beter dan vele zijrivieren van den Po, die loodrecht op dezen staan. (Zie hierover bij Italië). In het middelste deel van zijn' loop nadert hij de Bramapoetra (zoon van Brama, die haar meeste water, volgens de laatste onderzoekingen, niet uit den Tsambotsjoe, maar uit den Lohit of L antsankiang ontvangt).

84

met i meest inijlei die di gedee (loop J de ï welke (oinsl i het ( weg verbi plate Cav H Het aan drog of n daar Voo moe stref in d

1 aarc de 1 dien is g plai: met en leeu de de

I

kw;

eers

walt;

in c

83(

en

var

eu

Ine

ger

ovc

vol

vai

Br;

nal

13

ocr page 99

VOOR—INDIË,

met welke Lij zich in zijn mordingsgebied vereenigt en tusschen tallooze, doch meest slijkerige monden de grootste delta der aarde vormt, 50 mijlen lang en 50 mijlen breed (het vaderland van cholera en tijgers), naar de soort van boomen die daar voorkomen door de Hindoe's San der ban ds genaamd, die in de benedenste gedeelten vooral bij zuidelijke winden telkens overstroomd wordt. — De Indus, (loop 430 mijlen) ontspringt aan de N.zijde van den Himalaja; zijn bronnenland de Pandzjab (Perzisch: Vijfwater) wordt genoemd naar de vijf rivieren, van welke de grootste, de Satlesj, in Klein-Tibet uit het heilige meer Eawana Hrad (omstr. 13,000' hoog gelegen) ontspringt. De eenige weg naar het W. levert het enge dal der rechter zijrivier Kaboel, welke met den Bamianpas en den weg over Herat (in Afghanistan), Mesjhed (in Iran) naar de Kaspische zee de verbinding vormt tusschen Britsch-Indië en Russisch Centraal-Azië. — Het zuidelijke plateau heeft eene menigte groote en kleine rivieren; de Godavery, Kistna, Cavery die O.waarts, de Narbadda en Tapty die westwaarts loopen.

Het hooge gebergte in het N. heeft een Alpenklimaat met zeer heete zomers. Het land van den Ganges is altijddurend gioen, maar in Dekan is alies dor tot aan den tijd der regens, die hier in ontzaglijke hoeveelheden vallen. Eegen en droge tijd hangen af van de heerschende moessons. Dezen weder van de meerdere of mindere verwarming van het Plateau van Dekan en der Gangesvlakte en den daardoor veroorzaakten lageren of hoogeren barometerstand. Wordt noordelijk Voor-Indie sterk verwarmd, dan waait in de Indusvlakte een zuidwest of regenmoesson , in Bengalen een zuidoostmoesson, die ook regen aanbrengt. Ligt de streek der grootste verhitting zuidelijk, dan waait in de Indusvlakte een noordoost in die van den Ganges een noordwestmoesson, die beiden droogte brengen.

De voortbrengselen van Indië zijn de rijkste en meest verscheidene der aarde. Inheemsch is hier de rijst, het hoofd-voedingsmiddel, het suikerriet, de kokospalm, de jamswortel, de indigoplant, de betel en de kaneelboom. Bovendien wordt hier veel hennep en papaver voor de opium gebouwd. Het laatste is gouvernementsmonopolie en werd voor 1865 op 85 mill, gulden begroot. De plantengroei vereenigt den rijkdom aan sappen der Amerikaansche plantenwereld met den geur der Afrikaansche. Daarbij levert het dierenrijk de reusachtigste en sterkste, maar ook de verscheiirendste en giftigste dieren: olifant en rhinoceros, leeuw en tijger, krokodillen en giftige brilslangen; van de gevederde vogelen heeft de pauw in Indië zijn vaderland. Even rijk is de schoot der aarde, zoowel aan de schoonste edelgesteenten (zuivere diamanten) als aan ijzer.

De bewoners van het Kaukasische ras, die over de N.W. bergen hierheen kwamen, noemden zich Ariërs, (d. i. verhevenen, meesters) en hadden hun' eersten zetel tusschen de Kaboel en den Indus (Sindhoe, d. i. groote stroom), waarvan hun naam Hindoe's. Hunne allereerste taal en godsdienst is vervat in de heilige boeken der Veda (d.i. het weten) welker oudste hymmen naar berekening 3300 jaren oud zijn. De dochter dezer taal is de Sanskrita (d. i. beschaafde) en de hieruit voortgesproten volkstaal, P r a k r i t a. De overblijfselen dier oudste van de ons bekende talen getuigen niet alleen van eene reeds hooge ontwikkeling en beschaving, maar dragen ook het bewijs in zich, dat de Arische volken van Indië, de Perzen, Slaven, Lithauers, Grieken, Romeinen en Germanen uit één' gemeenschappelijken stam zijn voortgesproten. Die Ariërs breidden zich allengs over geheel Voor-Indië uit en vernederden de oorspronkelijke donkerkleurige bevolking , die zij van alle deelneming aan geestbeschaving uitsloten, tot slaven; van daar hunne indeeling naar de kleuren in zoogenaamde „kastenquot;. Zij vereerden Brama als het hoogste wezen. Van de oorspronkelijke bevolking leven nog nakomelingen in de hoogstgelegen deelen van het binnenland van Dekan. Ongeveer 130 mill, behooren tot hel volk der Hindoe's. Nergens zijn zoo talrijke en zoo

85

ocr page 100

VOOB-INMË.

grootsche overblijfselen en gedenkteekenen van een eigenaardig beschaafd verleden te vinden, als in dit belangwekkende land, vooral in de groote steden van het Ganges-dal.

Bijna geheel Voor-Indië is, behalve eenige landstreken, meestal in het gebergte, en de weinige bezittingen van Portugal en Frankrijk, door de Britten onderworpen; het vormt het Anglo-Indische rijk, dat eerst aan de O.-Indische compagnie behoorde, eene vereeniging van omstreeks 2000 personen, welke tweeërlei aard in zich vereenigde, dien vau handelaar en van veroveraar, en die reeds lang vóór het jaar 1756, waarin zij door den groeten Mogol bij volmacht gerechtigd werd om de inkomsten van Bengalen, Bahar en Orissa te beheeren, het karakter eener staatsmacht bezat. Van het verval des rijks, veroorzaakt door den strijd tusschen den (■ root-Mogol en zijne Stadhouders of Nabobs, maakte de Compagnie gebruik, om het bestuur der Provinciën aan zich te trekken. Lord Clive begon in 1765 met de verovering van Bengalen en onder voortdurenden strijd met de Maratha's breidde zich het gebied der Compagnie allengs uit. Sedert den laatsten Indischen opstand echter, in 1857, waartegen de ('ompagnie niet bleek opgewassen te zijn, heeft de Britsche regeering de teugels van het bestuur zelve in handen genomen. Zoo beheerscht Engeland op verren afstand een land, dat grooter en volkrijker is dan Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Duitschland, België en Nederland te zamen, en zorgt krachtig voor de ontwikkeling door het aanleggen van spoorwegen, telegrafen, kanalen en waterleidingen; 199 mill, leven onder Britsche beambten, 54 mill, nog onder inheemsche vorsten. Deze 253 mill, menschen, onder welke slechts 150,000 Europeanen, worden nu door 12,000 Engelsche ambtenaren bestuurd! Waarlijk geéh gemakkelijke taak, als men eens denkt aan de moeilijkheden , aie b. v. het verschil in godsdienst oplevert. Be 55 mill, mohammedanen, de oude beheerschers des lands, wijzen beslist allen Europeeschen invloed af; den Brahmanen is de koe heilig, en dagelijks zien zij haar slachten. Daarbij kennen de ambtenaren, in tegenstelling met die van Nederlandsch-Indië de taal des lands niet: zoo konden zij dan ook door den boven vermelden opstand verrast worden.

Het Anglo-Indische rijk, thans tot den rang van een Keizerrijk verheven, wordt verdeeld in; 1) rechtstreeksche bezittingen, verreweg het grootste deel, onder 3 presidentschappen: Bengalen (waaronder het onder-president-schap van Agra), Madras en Bombay. Verder 2) in de afhankelijke staten, daar een aantal stammen, zoo als de Seikhs, Eadzjpoeten, Maratha's en andere schatplichtig zijn en gehouden om het Britsche bestuur te helpen ondersteunen, maar door eigen vorsten (Peisjwas, Nabobs, Kadzjas, Nizams) geregeerd worden.

Het Indische laagland.

Gebied van den Ganges. In Bengalen:

Calcutta [kalkatta], (eig. kalikata, de stad der godin Kali), de jongste, maar gewichtigste handelsstad van Azië, op de delta van den Ganges, a/d Hoegly, den westelijken arm, zetel van den Gouverneur-Generaal; de nieuwe stad der 20,000 Europeanen is schitterend en smaakvol, de zwarte stad, de woonplaats der Hindoes, geheel het tegendeel. Ter verdediging van dit Indische London dient het Fort William in het Z. Met de omliggende voorsteden 800,000 inw.

Moersjid-abad, aan de noordpunt van de delta', de voormalige hoofdstad; 46,000 inw.

Patua, het middelpunt van de opiumkaltuur, beslaat een gedeelte van de uitgestrektheid der oude residentie Patalipoetra van het oud-Indische rijk Bahar; 159,000 inw.

Hadzjpoer (stad der Hadzjies of Mekka-pelgrims, nieuwe stad aan de overzijde

86

ocr page 101

AZIË.

der rivier, waar ten tijde van de groote markt in den herfst dnizendcn handelaren uit de vérstafgelegen deelen van Indië vereenigd zijn.

Benares, de overoude zetel der Braminenscholeu, de heiligste bedevaartplaats voor de Indische wereld, met hare Chats, of trappen naar de rivier ten behoeve der badende bedevaartgangers, de straten zijn vol van pelgrims, bedelaars, zelf-

Sijnigers en heilige stieren; op de daken krielt het van heilige apen, gewijd aan e godin Doerga; 175,000 inw.ijnigers en heilige stieren; op de daken krielt het van heilige apen, gewijd aan e godin Doerga; 175,000 inw.

A11 a - a b a d (stad Gods), aan de vereenigiug van de Dzjamna met deu Gauges, belangrijke vesting, die de wegen naar Bombay en Peschawer beheerseht; 14é,00ü inw.

Agra, a/d Dzjamna, de stad der Moslimen, merkwaardig door hare praolitgeboawen der Mongolenkeizers. Het prachtigste is het paleis van den Sjach Dzahangir in zuiver Arabisehen (moorschen stijl), nog veel grootscher dan het zoo beroemde Alhambra in Spanje. Vooral een waar kleinood is het mausoléum van Sjach Dzjahan en zijne gemalin uit wit gepolijst marmer, dat grooter is dan de grootste kathedralen en waaraan 20,000 arbeiders 22 jaren werkten; 149,000 inw.

Delhi ofDehli [dilli], het Kome van het oosten, ook a/d Dzjamna, de vroegere residentie van den grooten Mogol, waarvan de ruïnen mijlen ver de omstreken bedekken (toenmaals 2 mill inw.). Tot de best bewaarde gedenkteekeuen behooren eenige poorten met beeldhouwwerk; maar vooral de Koetab-Minar (poolster-minaret) eene vrijstaande konische zuil, 250 hoog, 7 eeuwenoud. Eene waterleiding vele mijlen lang, 25' breed en 20' diep, is in 1820 geheel hersteld. Thans heeft het nog grooten handel, zoowel in ruwe als in kostbare weefsels, en weverijen van zware en kostbare met goud en zilver doorweven stoffen ; 154,000 inw.

Hard war (=Ganga Dwara, Ganges-deur), waar de Ganges in de vlakte treedt. Hier nemen jaarlijks 1—2 mill, pelgrims der Hindoes een van zonden reinigend bad en wordt in Maart en April eene der grootste missen van Azië gehouden.

Bareilly, 122,000 inw.

K a n p o e r, ei-n der voornaamste krijgskundige punten aan den Ganges; 123,000 inw.

L a k n a u , aan eene linkerzijrivier van den Ganges, de vroegere hoofdstad van den tegenwoordig afhankelijken staat Aude, 285,000 inw.

Gebied van Jen Indus; In de Pandzjab, berucht om hare heete zomertemperatuur en stofstormen uit het N.W., wonen de oorlogzuchtige, sinds 1849 onderworpen S e i k h s.

Pesjawer [pesjauer], een dagmarsch van den Kaiber-pas, den westelijken toegang tot Indië door het dal van de Kaboel; 59,000 inw.

Amritsjar, de oude heilige stad der Seikhs, en daaxdoor tevens eene der eerste handelssteden van Noord-Indië; 136,000 inw.

Lahore, sinds den laatsten oorlog bijna geheel nieuw opgebouwd, punt van samenkomst van de wegen uit Afghanistan en Sind; 100,000 inw.

Moeltan, met zijde-weverijen; 57,000 inw.

Haider-abad, op de delta van den Indus; 41,000 inw.

Karatsji, de aanzienlijkste uitvoerhaven van katoen, ten W. van den mond van den Indus: 54,000 inw.

In de oasen van de groote, oostelijk van den Indus gelegen woestijn Thoer, wonen de insgelijks onderworpen Eadzj poeten.

Diu [dioe], op een klein eilandje ten Z. van het bergachtige schiereiland Goedzjerate (Guerate) ten Z.O. van den mond van den Indus, is eene bezitting der Portugeezen.

Ahmedabad, weleer eene der volkrijkste Indische steden, nog met vele overblijfselen daarvan en 117,000 inw.

Bar o da, 112,000 inw.

S o e r a t e ligt hier tegenover aan de Tapty, door haren katoenhandel nog gewichtig, hoewel de handel zich veel naar Bombay en Karatsji heeft verplaatst; 107,000 inw.

Het Indische Hoogland (Dekan).

Aan de kust Malabaar:

Bombay („goede baaiquot;), op een eilandje, reeds sedert eeuwen de gewichtigste

87

ocr page 102

VOOB-INDIË.

grootsche overblijfselen en gedenkteekenen van een eigenaardig beschaafd verleden te vinden, als in dit belangwekkende land, vooral in de groote steden van het Ganges-dal.

Bijna geheel Voor-Indië is, behalve eenige landstreken, meestal in het gebergte, en de weinige bezittingen van Portugal en Frankrijk, door de Britten onderworpen; het vormt het Anglo-Indische rijk, dat eerst aan de O.-Indisehe compagnie behoorde, eene vereeniging van omstreeks 2000 personen, welke tweeërlei aard in zich vereenigde, dien van handelaar en van veroveraar, en die reeds lang vóór het jaar 1756, waarin zij door den grooten Mogol bij volmacht gerechtigd werd om de inkomsten van Bengalen, Bahar en Orissa te beheeren, het karakter eener staatsmacht bezat. Van het verval des rijks, veroorzaakt door den strijd tusschen den (iroot-Mogol en zijne Stadhouders of Nabobs, maakte de Compagnie gebruik, om het bestuur der Provinciën aan zich te trekken. Lord Clive begon in 1765 met de verovering van Bengalen eu ouder voortdurenden strijd met de Maratha's breidde zich het gebied der Compagnie allengs uit. Sedert den laatsten Indischen opstand echter, in 1857, waartegen de Compagnie niet bleek opgewassen te zijn, heeft de Britsche regeering de teugels van het bestuur zelve in handen genomen. Zoo beheerscht Engeland op verren afstand een land, dat grooter en volkrijker is dan quot;Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Duitschland, België en Nederland te zaraen, en zorgt krachtig voor de ontwikkeling door het aanleggen van spoorwegen, telegrafen, kanalen en waterleidingen; 199 mill, leven onder Britsche beambten, ö4 mill, nog onder inheemsche vorsten. Deze 353 mill, menschen, onder welke slechts 150,000 Europeanen, worden nu door 12,000 Engelsche ambtenaren bestuurd! Waarlijk geéVi gemakkelijke taak, als men eens denkt aan de moeilijkheden, die b. v. het verschil in godsdienst oplevert. De 55 mill, mohammedanen, de oude beheerschers des lands, wijzen beslist allen Europeesehen invloed af; den Brahmanen is de koe heilig, en dagelijks zien zij haar slachten. Daarbij kennen de ambtenaren, in tegenstelling met die van Nederlandsch-lndië de taal des lands niet: zoo konden zij dan ook door den boven vermelden opstand verrast worden.

Het Anglo-Indische rijk, thans tot den rang van een Keizerrijk verheven, wordt verdeeld in: 1) reehtstreeksche bezittingen, verreweg het grootste deel, onder 3 presidentschappen ; Bengalen (waaronder het onder-presidentschap van Agra), Madras en Bombay. Verder 2) in de afhankelijke staten, daar een aantal stammen, zoo als de Seikhs, Eadzjpoeten, Maratha's en andere schatplichtig zijn eu gehouden om het Britsche bestuur te helpen ondersteunen, maar door eigen vorsten (Peisjwas, Nabobs, Eadzjas, Nizarns) geregeerd worden.

Het Indische laagland.

Gebied van den Ganges. In Bengalen:

Calcutta [kalkatta], (eig. kalikata, de stad der godin Kali), de jongste, maar gewichtigste handelsstad van Azië, op de delta van den Ganges, a/d Hoegly, den westelijken arm, zetel van den Gouverneur-Generaal; de nieuwe stad der 20,000 Europeanen is schitterend en smaakvol, de zwarte stad, de woonplaats der Hindoes, geheel het tegendeel. Ter verdediging van dit Indische London dient het Fort William in het Z. Met de omliggende voorsteden 800,000 inw.

Moersiid-abad, aan de noordpunt van de delta', de voormalia-e hoofdstad; 46,000 inw.

Patna, het middelpunt van de opiumkaltuur, beslaat een gedeelte van de uitgestrektheid der oude residentie Patalipoetra van het oud-Indische rijk Bahar; 159,000 inw.

Hadzjpoer (stad der Hadzjies of Mekka-pelgrims, nieuwe stad aan de overzijde

86

ocr page 103

AZIE.

der rivier, waar ten tijde van de eroote markt in den herfst duizenden handelaren uit de vérstafgelegen deelen van Indië vereenigd zijn.

Benares, de overoude zetel der Braminenseliolen, de heiligste bedevaartplaats voor de Indische wereld, met hare Chats, of trappen naar de rivier ten behoeve der badende bedevaartgangers, de straten zijn vol van pelgrims, bedelaars, zelf-

Sijnigers en heilige stieren; op de daken krielt het vau heilige apen, gewijd aan e godin Doerga; 175,000 inw.ijnigers en heilige stieren; op de daken krielt het vau heilige apen, gewijd aan e godin Doerga; 175,000 inw.

Alla-abad (stad Gods), aan de vereeniging van de Dzjamna met den Ganges, belangrijke vesting, die de wegen naar liombay en Peschawer beheerscht; 144,000 inw.

Agra, a/d Dzjamna, de stad der Moslimeu, merkwaardig door hare praolitgebouwen der Mongolenkeizers. Het prachtigste is het paleis van den Sjaeli Dzahangir in zuiver Arabischen (moorsehen stijl), nog veel grootscher dau het zoo beroemde Alhambra in Spanje. Vooral een waar kleinood is het mausoléum vau Sjach Dzjahan en zijne gemalin uit wit gepolijst marmer, dat grooter is dan de grootste kathedralen en waaraan 20,000 arbeiders 22 jaren werkten; 149,000 inw.

Delhi of Dehli [dilli], het Kome van het oosten, ook a/d Dzjamna, de vroegere residentie van den grooten Mogol, waarvan de ruïnen mijlen ver de omstreken bedekken (toenmaals 2 mill inw.). Tot de best bewaarde gedenkteekeueu behooren eenige poorten met beeldhouwwerk; maar vooral de Koetab-Minar (poolster-minaret) eene vrijstaande konisehe zuil, 250 hoog, 7 eeuwenoud. Eene waterleiding vele mijlen lang, 25' breed en 20' diep, is in 1820 geheel hersteld. Thans heeft het nog grooten handel, zoowel in ruwe als in kostbare weefsels, en weverijen van zware en kostbare met goud en zilver doorweven stoften; 154,000 inw.

Hard war (=Ganga Dwara, Ganges-deur), waar de Ganges in de vlakte treedt. Hier nemen jaarlijks 1—2 mill, pelgrims der Hindoes een van zouden reinigend bad en wordt in Maart en April eene der grootste missen van Azië gehouden.

Bareilly, 122,000 inw.

K an p o e r, ei-n der voornaamste krijgskundige punten aan den Ganges-, 123,000 inw.

L a k n a u , aan eene linkerzijrivier van den Ganges, de vroegere hoofdstad van den tegenwoordig af hankelijken staat Aude, 285,0UU inw.

Gebied van den Indus: In de Pandzjab, berucht om hare heete zomertemperaluur en stofstormen uit het N.W., wonen de oorlogzuchtige, sinds 1S49 onderworpen S e i k h s.

P e s i a w e r [pesjauer], een dagmarsch van den Kaiber-pas, den westelijken toegang tot Indië door het dal van de Kaboel; 59,000 inw.

Amritsj ar, de oude heilige stad der Seikhs, eu daardoor tevens eene der eerste handelssteden van Noord-Indië; 136,000 inw.

Lahore, sinds den laatsten oorlog bijna geheel nieuw opgebouwd, punt van samenkomst van de wegen uit Afghanistan en Sind; 100,000 inw.

Moei tan, met zijde-weverijen; 57,000 inw.

Haider-abad, op de delta van den Indus; 41,000 inw.

Karatsji, de aanzienlijkste uitvoerhaven van katoen, ten W. van den mond van den Indus; 54,000 inw.

In de oasen van de groote, oostelijk van den Indus gelegen woestijn Thoer, wonen de Insgelijks onderworpen Kadzjpoeten.

D i u [dice], op een klein eilandje ten Z. van het bergachtige schiereiland Goedzjerate (Guerate) ten Z.O. van den mond van den Indus, is eene bezitting der Portugeezen.

Ahmedabad, weleer eene der volkrijkste Indische steden, nog met vele overblijfselen daarvan eu 117,000 inw.

B a r o d a, 112,000 inw.

S o e r a t e ligt hier tegenover aan de Tapty, door haren katoenhandel nog gewichtig, hoewel de handel zich veel naar Bombay en Karatsji heeft verplaatst; 10/,000 inw.

H et Indische Hoogland (Dekan).

Aan de kust Malabaar:

Bombay („goede baaiquot;), op een eilandje, reeds sedert eeuwen de gewichtigste

87

ocr page 104

VOOR-INDlij.

grootsche overblijfselen en gedenkteekenen van een eigenaardig beschaafd verleden te vinden, als in dit belangwekkende land, vooral in de groote steden van het Ganges-dal.

Bijna geheel Voor-Indic is, behalve eenige landstreken, meestal in het gebergte, en de weinige bezittingen van Portugal en Frankrijk, door de Britten onderworpen; het vormt het Anglo-Indische rijk, dat eerst aan de O.-Indisehe compagnie behoorde, eene vereeniging van omstreeks 2000 personen, welke tweeërlei aard in zich vereenigde, dien van handelaar en van veroveraar, en die reeds lang vóór het jaar 1756, waarin zij door den grooten Mogol bij volmacht gerechtigd werd om de inkomsten van Bengalen, Bahar en Orissa te beheeren, het karakter eener staatsmacht bezat. Van het verval des rijks, veroorzaakt door den strijd tusschen den Uroot-Mogol en zijne Stadhouders of Nabobs, maakte de Compagnie gebruik, om het bestuur der Provinciën aan zich te trekken. Lord Clive begon in 1765 met de verovering van Bengalen en onder voortdurenden strijd met de Maratha's breidde zich het gebied der Compagnie allengs uit. Sedert den laatsten Indischen opstand echter, in 1857, waartegen de ('ompagnie niet bleek opgewassen te zijn, heeft ie Britsche regeering de teugels van het bestuur zelve in handen genomen. Zoo beheerscht Engeland op verren afstand een land, dat grooter en volkrijker is dan Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Duitschland, België en Nederland te zamen, en zorgt krachtig voor de ontwikkeling door het aanleggen van spoorwegen, telegrafen, kanalen en waterleidingen; 199 mill, leven onder Britsche beambten, 54 mill, nog onder inheemsche vorsten. Deze 253 mill, menschen, onder welke slechts 150,000 Europeanen, worden nu door 12,000 Engelsche ambtenaren bestuurd! Waarlijk gedh gemakkelijke taak, als men eens denkt aan de moeilijkheden , die b. v. het verschil in godsdienst oplevert. De 55 mill, mohammedanen, de oude beheerschers des lands, wijzen beslist allen Europeeschen invloed af; den Brahmanen is de koe heilig, en dagelijks zien zij haar slachten. Daarbij kennen de ambtenaren, in tegenstelling met die van Nederlandsch-Indie de taal des lands niet; zoo konden zij dan ook door den boven vermelden opstand verrast worden.

Het Anglo-Indische rijk, thans tot den rang van een Keizerrijk verheven, wordt verdeeld in; 1) rechtstreeksche bezittingen, verreweg het grootste deel, onder 3 presidentschappen : Bengalen (waaronder het onder-presidentschap van Agra), Madras en Bombay. Verder 2) in de afhankelijke staten, daar een aantal stammen, zoo als de Seikhs, Eadzjpoeten, Maratha's en andere schatplichtig zijn en gehouden om het Britsche bestuur te helpen ondersteunen, maar door eigen vorsten (Peisjwas, Nabobs, Kadzjas, Nizams) geregeerd worden.

Het Indische laagland.

Gebied van den Ganges. In Bengalen:

Calcutta [kalkatta], (eig. kalikata, de stad der godin Kali), de jongste, maar gewichtigste handelsstad van Azië, op de delta van den Ganges, a/d Hoegly, den westelijken arm, zetel van den Gouverneur-Generaal; de nieuwe stad der 20,000 Europeanen is schitterend en smaakvol, de zwarte stad, de woonplaats der Hindoes, geheel het tegendeel. Ter verdediging van dit Indische London dient het Port William in het Z. Met de omliggende voorsteden 800,000 inw.

Moersjid-abad, aan de noordpunt van de delta, de voormalige hoofdstad; 46,000 inw.

Patna, het middelpunt van de opiumkaltuur, beslaat een gedeelte van de uitgestrektheid der oude residentie Patalipoetra van het oud-Indische rijk Bahar; 159,000 inw.

Hadzjpoer (stad der Hadzjies of Mekka-pelgrims, nieuwe stad aan de overzijde

86

ocr page 105

AZ1E.

f

87

der rivier, waar ten tijde van de groote markt in den herfst dnizenden handelaren uit de vérstafgelegen deelen van Indië vereenigd zijn.

Benares, de overoude zetel der Braminenscholon, de heiligste bedevaartplaats voor de Indische wereld, met hare öhats, of trappen uaar de rivier ten behoeve der badende bedevaartgangers, de straten zijn vol van pelgrims, bedelaars, zelf-pijnigers en heilige stieren; op de daken krielt het van heilige apen, gewijd aan de godin Doerga; 175,000 inw.

A11 a - a b a d (stad Gods), aan de vereenigiug van de Dzjauma met den Gauges, belangrijke vesting, die de wegen naar Bombay en Pesehawer beheerscht; 144,000 inw.

Agra, a/d Dzjamna, de stad der Moslimeu, merkwaardig door hare prachtgebouwen der Mongoleukeizers. Het prachtigste is het paleis vau den Sjach Dzaliangir in zuiver Arabischen (moorscheu stijl), nog veel grootscher dan het zoo beroemde Alhambra in Spanje. Vooral een waar kleinood is het mausoléum van Sjach Dzjahan en zijne gemalin uit wit gepolijst marmer, dat grooter is dan de grootste kathedralen en waaraan 20,000 arbeiders 22 jaren werkten; 149,000 inw.

Delhi ofDehli [dilli], het Rome van het oosten, ook a/d Dzjamna, de vroegere residentie van den grooten Mogol, waarvan de ruïnen mijlen ver de omstreken bedekken (toenmaals 2 mill inw.). Tot de best bewaarde gedenkteekeuen behooren eenige poorten met beeldhouwwerk; maar vooral de Koetab-Minar (poolster-minaret) eene vrijstaande konisehe zuil, 250 hoog, 7 eeuwenoud. Eene waterleiding vele mijlen lang, 25' breed en 20' diep, is in 1820 geheel hersteld. Thans heeft het nog groeten handel, zoowel in ruwe als in kostbare weefsels, en weverijen van zware en kostbare met goud en zilver doorweven stollen; 154,000 inw.

Hard war (=Ganga Dvvara, Ganges-deur), waar de Ganges in de vlakte treedt. Hier nemen jaarlijks 1—2 mill, pelgrims der Hindoes een van zonden reinigend bad en wordt in Maart en April eene der grootste missen van Azië gehouden.

Bareilly, 122,000 inw.

K a n p o e r, ei-n der voornaamste krijgskundige punten aan den Ganges; 123,000 inw.

L a k n a u , aan eene linkerzijrivier van den Ganges, de vroegere hoofdstad van den tegenwoordig af hankelijken staat Au de, 285,000 inw.

Gebied van den Indus; In de Pandzjab, berucht om hare heete zomertemperatuur en stofstormen uit het N.W., wonen de oorlogzuchtige, sinds 1849 onderworpen S e i k h s.

Pesjawer [pesjauer], een dagraarsch van den Kaib er-pas, den westelijken toegang tot Indië door het dal van de Kaboel; 59,000 inw.

Amritsjar, de oude heilige stad der Seikhs, en daardoor tevens eene der eerste handelssteden van Noord-Indië; 136,000 inw.

Lahore, sinds den laatsten oorlog bijna geheel nieuw opgebouwd, punt van samenkomst van de wegen uit Afghanistan en Sind; 100,000 inw.

Moei tan, met zijde-weverijen; 57,000 inw.

Haider-abad, op de delta van den Indus; 41,000 inw.

K a r a t s j i, de aanzienlijkste uitvoerhaven van katoen, ten W. van den mond van den Indus: 54,000 inw.

In de oasen van de groote, oostelijk van den Indus gelegen woestijn Th oer, wonen de insgelijks onderworpen Radzjpoeten.

Diu [dioe], op een klein eilandje ten Z. van het bergachtige schiereiland Goedzjerate (Guerate) ten Z.O. van den mond van den Indus, is eene bezitting der Portugeezen.

Ahmedabad, weleer eene der volkrijkste Indische steden, nog met vele overblijfselen daarvan en 117,000 inw.

Bar o da, 112,000 inw.

S o e r a t e ligt hier tegenover aan de Taptv, door haren katoenhaudel nog gewichtig, hoewel de handel zich veel naar Bombay en Karatsji heeft verplaatst; lU/,000 inw.

Het Indische Hoogland. (Dekan).

Aan de kust Malabaar;

Bombay (,/goede baaiquot;), op een eilandje, reeds sedert eeuwen dc gewichtigste

ocr page 106

AZIË

handelsplaats aan deze kust, misschien belangrijker dan Calcutta, ligplaats der Britsch-Indisohe vloot. Zij werd in 1531 door de Portugeezen gesticht en kwam in 1668 als huwelijksgift aan Karei II, koning van Engeland. De opening van het Suezkanaal en de katoenbouw op het plateau van Dekan hebben veel tot hare ontwikkeling bijgedragen. Van hier uit gaan in alle richtingen spoorwegen (zie de kaart). In de onvergelijkelijk fraaie haven liggen de eilandjes Salsette en .Elcphanta, beroemd door hunne in de rotsen uitgebouwen Boedda-tempels; 644,000 inw.

Goa, op een eiland in het midden der westkust, met de beste haven van Oost-Indië behoort aan de Portugeezen; de handel is er in verval.

Aan de zandige, ongezonde en van havens ontbloote kust van Koromandel zijn de voornaamste handelssteden:

Madras, eene stichting der Eugelschen , belangrijke omzet van waren uit het binnenland; met eene gevaarlijke reedc, 400,000 inw.

Masoelipatnam, aan den mond van de Kistna, de hoofdplaats van den In-dischen edelgesteenten- en paarlhandcl

Dzjaggernat, aan den mond der Mahamaddy, met den heiligsten tempel van Visnoe.

Kattak, aan die rivier zelve; 50,000 inw.

Midden in het hoogland, ligt de schatplichtige staat Mysore [maissoor].

Seringapatnam, aan den Cavery.

Noordelijker liet voormalige rijk Golconda de grootste diamantenmarkt, thans de schatplichtige staat van den Nizam van Haider-abad.

Haider-abad, hoofdstad, 200,000 inw. Iq het N.W. bij E 11 o r a en Poena, 80,000 inw., liggen de grootste der rotstempels van Indië.

Een geheel bij de Britsche heerschappij ingelijfde staat is B e r a r.

Nagpoer, hoofdstad der vroegere Maratha's, in eene streek die tot de beste graaulanden van ludië behoort en waar ook veel katoen gebouwd wordt, gewichtige handelsstad tusseheu het binnenland eu de kusten; 84,000 inw.

Tusschen de Dzjamna en de Narbadda, in het bergland, ligt de staat van de Maratha's, S i n d i a, met

G w a 1 i o r, eene sterke rotsvesting; 280,000 inw., en Z.W. hiervan:

Oedsjein, de hoofdstad; 100,000 inw.

Pondichery, 25,000 inw., C a r r i e a 1, 38,000 inw., ten Z. van Madras aan de kust van Koromandel, en Chandernagore [sjan-] 120,000 inw., ten N. van Calcutta, zijn de voornaamste bezittingen der E ranse hen.

De Staten aan de zuidelijke helling van den Himalaja.

1) Het Alpenland Kasjmier, aan den VV. rand van den Himalaja, een sterk bevolkt, bekoorlijk dal tusschen hooge gebergten, met een zacht klimaat en weelderigen plantengroei. Het erkent wel de Britsche opperheerschappij, maar wordt niet onder het Anglo-Indische rijk gerekend.

Kasjmier ofSerinagoer, te midden van rozen- en saffraan velden, beroemd door de uitstekende weverijen van shawls; bedevaarten van Hiudoe's en Mohammedanen; 40,000 inw.

3) Het bevriende en beschermde doch overigens nog onafhankelijke N i p a 1, een smalle, 112 mijl lange strook land, met 2 mill. inw. In dit rijk liggen 3 der hoogste bergen der aarde: de Dawalagiri, de Monnt Everest en de Kantsjindzjinga, de grensberg van Nipal, Tibet en Sikkim.

Katmandoe, de hoofdstad, 50,000 inw.

8) Sikkim, klein, bergachtig, maar zeer bevolkt staatje tusschen Nipal en Boetan, met gezondheidsinrichtingen voor verzwakte Europeesche gestellen.

4) Boetan, waarin, aan den westelijken voet van den 24000' hoogen Tsja-

88

ocr page 107

VOOK-INDIE. 89

malare, en aan de oostzijde van den Kantsjindzjinga, een bruikbare pas uit Indië naar Groot-Tibet voert; het staat tot China in eenige betrekking. Tot in 1864 was het de voornaamste geheel onafhankelijke staat van Voor-Indië, toen de Britten voor hunne eigene veiligheid meenden een gedeelte daarvan te moeten bezetten; later voegden zij dit bij het Presidentschap Bengalen.

5) Assam, langs de Bramapoetra, dicht bezet met bosschen, overigens zeer geschikt voor thee-kuituur, waarin het reeds met China wedijvert.

De eilanden van Voor-Indië.

1) Het eiland Ceylon (Taprob.rne) 1160 O m., bijna mill, imv., hangt door zandbanken, de Adamsbrug geheeten, bijna met het vasteland samen, maar is daarvan gescheiden door de paarlrijke g o 1 f van M a n a a r en de P a 1 k s-straat. Binnen in het land verheft zich de Hoogvlakte van den Adamspiek (7000'). Een' zeldzamen indruk maken de rijkdom der tropische natuur en de warme, vochtige, door verschillende bloemen en kruiden welriekende lucht. Prachtige groepen van boomen, die het ebbenhout leveren, van broodboomen, tulpenboomen, mango's en palmen, groote katoenstruiken en de hier inheemsche echte kaneelboom wisselen af met rijst- en koffieplantages. De in het binnenland bijna ondoordringbare wouden huisvesten eene menigte wild gedierte, waaronder vooral kudden van olifanten, die reeds in de oudheid beroemd waren.

De grond is zoo rijk aan kostbare gesteenten als geen andere, bevat ook ijzer, en in de holen van het gebergte salpeter. — Sedert 1795, toen het uit de handen der Hollanders, die het 1| eeuw in bezit hadden, in die der Engelschen kwam, is het eene rechtstreeksche bezitting der kroon (free crown colony) en wedijvert met Java in bloei. — Ceylon is de hoofdzetel van het Boeddaïsmus. In het binnenland ligt:

Candy, de residentieplaats van den vroegeren kouiug. In liet W.:

Colombo, de tegenwoordige hoofdstad, doch met niet veilige haven, met eene akademie; 100,000 inw. Iets zuidelijker in N.W. ligt:

Point de Galle, 48,000 inw.

Trincomale, a/d noordoostkust, de aanlegplaats der mail-stoombooten.

2) Ten het W. van de kust Malabaar liggen de door koraalriffen omgorde groepen der Lakkediven en Malediven.

5) Aehter-Indië.

(34000 □ m., 33 mill. inw.).

Dit schiereiland nadert den aequator tot op 20 mijlen, dus veel meer dan dat van Voor-Indië, en strekt zich slechts zeer weinig over den noordelijken keerkring uit. Geheel verschillend van Voor-Indië, gaan van het hoogland van Azië 5 meridiaan-bergketens van Tibet af door het schiereiland, waartusschen 4 groote rivieren zich een' weg banen, die door regelmatige overstroomingen de oeverlanden buitengewoon vruchtbaar maken ; van deze vallen de I r a w a d 1 en de S a 1 o e r n in de golf van Martaban, de M e n a m in die van Siam, en de Mekong of M e n a m k o n g in de Chineesche zee. Zij zijn behalve de Iniwadi slecht bevaarbaar, en vormen aan den mond moeiassige delta's, die uitmuntend geschikt zijn voor den rijstbouw. Het klimaat is tropisch. De produkten zijn als van Hi n dos tan; vooral te noemen is de rijkdom aan edele metalen en best scheepstimmerhout. De bevolking bestaat hoofdzakelijk uit Indo-Chineezen, in het Z.W. is zij uitsluitend Maleisch. De godsdienst is meest die van Boedda.

F

i

i PU

ocr page 108

AZIË

handelsplaats aan deze kust, misschien belangrijker dan Calcutta, ligplaats der Britsch-Indische vloot. Zij werd in 1531 door de Portugeezen gesticht eu kwam iu 1668 als huwelijksgift aau Karei II, koning van Engeland. De opening van het Suezkanaal en de katoenbouw op het plateau van Dekan hebben veel tot hare ontwikkeling bijgedragen. Van hier uit gaan in alle richtingen spoorwegen (zie de kaart). In de onvergelijkelijk fraaie haven liggen de eilandjes Salsette en Elephanta, beroemd door huune in de rotsen uitgehouwen Boedda-tempels; 644,000 inw.

Goa, op een eiland in het midden der westkust, met de beste haven van Oost-Indië behoort aan de Portugeezen; de handel is er in verval.

Aan de zandige, ongezonde en van havens ontbloote kust van Koromandei zijn de voornaamste handelssteden;

Madras, eene stichting der Engelschen, belangrijke omzet van waren uit het binnenland; met eene gevaarlijke reede, 400,000 iuw.

Masoelipatnam, aan den mond van de Kistna, de hoofdplaats van den In-dischen edelgesteenten- en paarlhandcl.

Dzjaggernat, aan den moud der Mahamaddy, met den heiligsten tempel van Visnoe.

Kat tak, aan die rivier zelve; 50,000 inw.

Midden in het hoogland, ligt de schatplichtige staat Mysore [maissoor].

Seringapatnam, aan den Cavery.

Noordelijker het voormalige rijk G cl c o n d a de grootste diamantenmarkt, thans de schatplichtige staat van den Nizam van Haider-abad.

Haider-abad, hoofdstad, 200,000 inw. Ia het N.W. bij E 11 o r a en Poena, 80,000 inw., liggen de grootste der rotstempels van Indië.

Een geheel bij de Britsche heerschappij ingelijfde staat is B e r a r.

Nagpoer, hoofdstad der vroegere Maratha's, in eene streek die tot de beste graanlanden van Indië behoort en waar ook veel katoen gebouwd wordt, gewichtige handelsstad tussclieu het binnenland en de kusten; 84,000 inw.

Tusschen de üzjamna en de Narbadda, in het bergland, ligt de staat van de Maratha's, S i n d i a, met

G w a 1 i o r, eene sterke rotsvesting; 280,000 iuw., en Z.W. hiervan:

Oedsjein, de hoofdstad; 100,000 inw.

Pondichery, 25,000 inw., Carrie al, 38,000 inw., ten Z. van Madras aan de kust van Koromandei, en Chandernagore [sjan-] 120,000 inw., ten N. van Calcutta, zijn de voornaamste bezittingen der Eranschen.

De Staten aan de zuidelijke helling van den Himalaja.

1) Het Alpenland Kasjmier, aan den W. rand van den Himalaja, een sterk bevolkt, bekoorlijk dal tusschen hooge gebergten, met een zacht klimaat en weelderigen plantengroei. Het erkent wel de Britsche opperheerschappij, maar wordt niet onder het Anglo-Indische rijk gerekend.

Kasjmier of Serinagoer, te midden van rozen- en saffraan velden, beroemd door de uitstekende weverijen van shawls; bedevaarteu vau Hiudoe's en Mohammedanen; 40,000 inw.

2) Het bevriende en beschermde doch overigens nog onafhankelijke Nipal, een smalle, 112 mijl lange strook land, met 2 mill. inw. In dit rijk liggen 3 der hoogste bergen der aarde: de Dawalagiri, de Mount Everest en de Kantsjindzjinga, de grensberg van Nipal, Tibet en Sikkim.

Katmandoe, de hoofdstad, 50,000 inw.

3) Sikkim, klein, bergachtig, maar zeer bevolkt staatje tusschen Nipal en Boetan, met gezondheidsinrichtingen voor verzwakte Europeesche gestellen.

4) Boetan, waarin, aan den westelijken voet van den 24000' hoogen Tsja-

88

ocr page 109

VOOE-INDIE.

malare, en aan de oostzijde van den Kantsjindzjinga, een bruikbare pas uit Indië naar Groot-Tibet voert; het staat tot China in eenige betrekking. Tot in 1864 was het de voornaamste geheel onafhankelijke staat van Voor-Indië, toen de Britten voor hunne eigene veiligheid meenden een gedeelte daarvan te moeten bezetten; later voegden zij dit bij het Presidentschap Bengalen.

5) Assam, langs de Bramapoetra, dicht bezet met bosschen, overigens zeer geschikt voor thee-kuituur, waarin het reeds met China wedijvert.

De eilanden van Voor-Indië.

1) Het eiland Ceylon (Taprohïné) 1160 □ in., bijna 2^ mill, inw., hangt door zandbanken, de A d a m s b r u g geheeten, bijna met het vasteland samen, maar is daarvan gescheiden door de paarlrijke golf van Man a ar en de Palks-straat. Binnen in het land verheft zich de Hoogvlakte van den Adamspiek (7000'). Een' zeldzamen indruk maken de rijkdom der tropische natuur en de warme, vochtige, door verschillende bloemen en kruiden welriekende lucht. Prachtige groepen van boomen, die bet ebbenhout leveren, van broodboomen, tulpenboomen, mango's en palmen, groote katoenstruiken en de hier inheemsche echte kaneelboom wisselen af met rijst- en koffieplantages. De in het binnenland bijna ondoordringbare wouden huisvesten eene menigte wild gedierte, waaronder vooral kudden van olifanten, die reeds in de oudheid beroemd waren.

De grond is zoo rijk aan kostbare gesteenten als geen andere, bevat ook ijzer, en in de holen van het gebergte salpeter. — Sedert 1795, toen het uit de handen der Hollanders, die het 1-j eeuw in bezit hadden, in die der Engelschen kwam, is het eene rechtstreeksche bezitting der kroon (free crown colony) en wedijvert met Java in bloei. — Ceylon is de hoofdzetel van het Boeddaïsmus. In het binnenland ligt:

Candy, de residentieplaats van den vroegeren koniug. In het W.:

Colombo, de tegemvoordige hoofdstad, doch met niet veilige haven, met eene akademie; 100,000 inw. Iets zuidelijker in N.W. ligt:

Point de Galle, 48,000 inw.

Trincomale, a/d noordoostkust, de aanlegplaats der mail-stoombooten.

2) Ten het W. van de kust Malabaar liggen de door koraalriffen omgorde groepen der L a k k e d i v e n en Malediven.

5) Achter-Indië.

(34000 □ m., 33 mill. inw.).

Dit schiereiland nadert den aequator tot op 20 mijlen, dus veel meer dan dat ■ van Voor-Indië, en strekt zich slechts zeer weinig over den noordelijken keer-i kring uit. Geheel verschillend van Voor-Indië, gaan van het hoogland van Azië , 5 meridiaan-bergketens van Tibet af door het schiereiland, waartusschen 4 groote rivieren zich een' weg banen, die door regelmatige overstroomingen de oeverlanden buitengewoon vruchtbaar maken; van deze vallen de I r ii, w a d i en de Saloeëu in de golf van Martaban, de Menam in die van Siam, en de Mekong of Menamkong in de Chineesche zee. Zij zijn behalve de Irawadi slecht bevaarbaar, en vormen aan den mond moeiassige delta's, die uitmuntend geschikt zijn voor den rijstbouw. Het klimaat is tropisch. De produkten zijn als van Hindostau; vooral te noemen is de rijkdom aan edele metalen en best t scheepstimmerhout. De bevolking bestaat hoofdzakelijk uit Indo-Chineezen, in het Z.W. is zij uitsluitend Maleisch. De godsdienst is meest die van Boedda.

89

ocr page 110

AZIË.

A. Britsch Achter-Indië.

(12500 □ m., 17 mill. inw.).

1) De noordelijke helft van de westkust van Achter-Indië, van de oevers van de Bramapoetra tot aan den aanvang van het schiereiland Malakka, werd voor het grootste gedeelte sedert 1824 aan de Binnanen ontnomen. De rijkdom aan voortbrengselen doet voor die van Voor-Indië niet onder, vooral waren het de rijstbouw en de uitgestrekte wouden van het voor den scheepsbouw onschatbare teka-, tiek- of djatihout, welke het tot eene begeerlijke bezitting voor Groot-Britannië maakten. De afzonderlijke landschappen heeten Arakan, aan de golf van Bengalen, met het eilandje en de stad Akjab, van groot belang als krijgskundig punt en uitvoerhaven van rijot; Pégoe, de delta der Irawadi, in 1853 veroverd, met de steden Pegoe en Eangoen (100,000 inw.), tot dien tijd hoofdhandelsplaats van het rijk Birma, Malm ei n (54,000 inw.) en Tenasserim, tegenover den Andamanschen Archipel; ook de Nikobaren behooren hiertoe.

2) De Straits settlements, die eene afzonderlijke kroonbezitting uitmaken en bestaan uit:

a) P o e 1 o e Pinang (d. i. betel-eiland) of Prins W a 1 e s-[oeels] eiland, bij het schiereiland Malakka, telt met de hiertoe behoorende provincie Welles ley op het vasteland 100,000 inw. en heeft zijne steeds vermeerderde belangrijkheid te danken aan de voortreffelijke voortbrengselen, rijst, suikerriet, kruidnagelen enz. Ten Z. hiervan :

b) Het gebied van Malakka, op het schiereiland van dien naam, rijk in tin, 31 L i m., met 78,000 inw.

c) Het eiland Singapoer, in 1819 door Engeland gekocht, aan de zuidelijke punt van Malakka, 10 □ m., met 100,000 inw.

Singapoer, bloeiende hoofdstad en vrijhaven, die het drukst verkeer van aide koopsteden dezer streken heeft, want hier kruisen elkaar de handelswegen uit Oost-Indië, Oost-Azië en Australië; 100,000 inw.

3) Birma (8300 □ m., 4 mill. inw.). Dit koninkrijk is onlangs bij Britsch-Indië ingelijfd, doch de toestand is nog niet geregeld, want allerwege zwerven horden inboorlingen, die de hoofdstad ongeveer geheel verbrandden.

Ofschoon dapper en oorlogzuchtig, met goeden aanleg en weetgierig, staan de Birmanen, ten gevolge van het despotism us van den nu afgezetten koning Thebau, van het slechte bestuur en van inwendige oorlogen toch nog op lagen trap van beschaving.

Amarapoera en Ava, bij elkander aan de Irawadi, zijn de vroegere hoofdsteden; ieder met 30,000 inw.

Mandalai, iets hoogerop aan die rivier en minder bereikbaar voor diepgaande schepen, is de nieuwe hoofdstad; 100,000 inw.

C. Het koninkrijk Siam.

(13,200 □ m., 6 mill. inw.).

Bestaat hoofdzakelijk uit het dal der Menam en een gedeelte van iiet schiereiland Malakka. Dit dal wordt jaarlijks van Juni tot November door de rivier overstroomd en doet in vruchtbaarheid niet onder voor eenig land der aarde.

De koningen stammen af van een dapper Chineesch geslacht, dat in 1768 het land van het juk der Birmanen bevrijdde en hun gebied uitbreidde; daarom hebben zich in dit hoogst vruchtbare rijk de Chineezen neergezet. Ofschoon er eenige beschaving heerscht, drukt het strenge despotismus op alles. Na de twee gelijktijdig, doch niet met gelijke macht regeerende koningen geniet de witte olifant

90

ocr page 111

f

ACHTER-INDIË. 91

i de grootste onderscheiding; wie zulk een' olifant opspoort, wordt voor den geluk-i kigsten der stervelingen gehouden.

Bangkok, de tegenwoordige residentie en handelsstad, is door vele kanalen doorsneden; met uitzondering van het koninklijke paleis zijn alle huizen op palen gebouwd, of drijven op hamboesvlotten; 500,000 inw., waarvan de helft Chmeezen.

S i a m, aan de Menam, is de vroegere, thans minder gewichtige hoofdstad.

D. Het Onafhankelijke Malakka.

(1500 C m., 300,000 inw.).

Onafhankelijk is slechts de kleinste zuidelijke helft van het schiereiland, dat met woudrijke gebergten bedekt is cn door Mohammedaansche Maleiers bewoond wordt; het eindigt met kaap Romania, de zuidelijkste punt van Azië.

E. Het rijk Auam (Cochin-China).

(8,000 □ m., 21 mill. inw.).

Dit rijk staat onder een' keizer die door China bevestigd wordt, en is samengesteld uit de gebieden :

Tong king (Noord-Anam), tegenover het Chineesche eiland Hainan, met:

Ketsjo, de grootste handels- eu fabrieksstad van het geheele rijk; 150,000 inw. Over dit gebied en wel over de delta van de Sougka is onlangs oorlog gevoerd tus-sehen Frankrijk en China. Voorloopig zullen do Fransehen haar niet verlaten.

Cochin-China (Zuidoost-Anara), met:

Hue (Hoë-foe), residentie en hoofdstad, met door Fransche ingenieurs (1802) gebouwde vestingwerken. In 1859 door de Fransehen in dea oorlog ter bescherming der talrijke R. K. Christeneu in Auam ingenomen, maar weder verlaten; 500,000 inw.? In de laatste tijden ontzettende Christenuitrnoordiiig.

Kambodzja, koninkrijk onder bescherming van Frankrijk met 1 mill. inw. op 1500 □ m., grootendeels ten W. van den benedenloop van de Mekong.

Zuid-Cochinchina, het vruchtbare land ten Z., met de delta dier rivier en de daaraan grenzende eilandjes, is in 1867 door de Fransehen in bezit genomen, 1000 □ m., H mill- inw-

S a ï g o n g, vroeger de hoofdstad en aanzienlijke handelsstad , met eene citadel die insgelijks door officieren van Lodewijk XVI gebouwd is; thans zetel van het Fransehe bestuur. Haar bloei is door de gunstige ligging op den weg naar China gewaarborgd. Met nog andere havens van dit rijk is zij als vrijhaven voor alle handeldrijvende volken opengesteld; 70,000 inw., grootendeels Chineezen.

6) De Indische Archipel.

(37,150 □ m., 22^ mill, inw.)

Dit eilanden-gebied, in omvang het grootste der aarde, omvat het zuidelijkste einde van Azië van den mond der Irawadi tot het eiland Formosa. Al deze eilanden zijn bergachtig, vaak met hooge bergen, en van vulkanischen aard. Daar zij in de nabijheid van den aequator liggen, die midden door de grootste eilanden Sumatra en Borneo gaat, Celebes en Halmaheira snijdt, is de hitte bovenmatig groot, en het klimaat, vooral aan de lage kusten, bij de groote vochtigheid voor de Europeanen niet gezond. Het plantenrijk is schitterend weelderig: bij de gekweekte planten van den heeten aardgordel komen nog de hier inheemsche kostbare specerijen, de kamferboom, de ongemeen vruchtbare arekapalm en de b r o o d b o o m, die hier hun eigenlijk vaderland hebben. Verder de kokospalm, waarvan tot verschillende doeleinden gebruikt worden: de bloemkolf, de jonge vruchten, de bast, de schil, de pit, de melk, de knoppen, het vleesch, (alles van de vrucht) en de bladeren. Van het dieren-

ocr page 112

92 AZIË.

rijk verdienen liier vooral vermelding de menigte apen en buideldieren, de orang-oetan (alleen op Sumatra en Borneo), de tapir (niet op Java), de easuaris, de papegaaien en de salangane (liirundo esculenta), eene zwaluw, die hare in China zoo gezochte eetbare nesten uit eene soort van wier maakt en aan ontoegankelijke rotsen vastkleeft. Men vindt ze o. a. in de „Steenen Moskeequot;, eene grot bij het eiland Noesa Kembangan. — Alle eilanden liggen in den moesson, die ten noorden van den aequator in het zomerhalfjaar uit het zuid-westen, in het winterhalfjaar uit het noordoosten waait. Ten zuiden van die lijn waait in het winterhalfjaar van het zuidelijk halfrond de zuidoostmoesson, in het zomerhalfjaar de noord westmoesson. De oostmoessons brengen in het algemeen droogte, de westmoessons regen aan. In den tijd der kentering (omdraaiing) heerschen hevige orkanen, t i p h o n s (van het Cliineesche thai-foen „groote windquot;).

Nergens op aarde vindt men zulk eene mengeling der verschillende rassen, godsdiensten en beschaving. De oorspronkelijke bewoners behooren tot twee (of drie) zeer verschillende rassen , het Maleische, het Bataksche of Alfoersche ras, en dat der Papoea's. De Philippijnen, wellicht het oorspronkelijk vaderland der Maleiers, vormen het middelpunt van het gebied, waarover zij verbreid zijn. De bewoners der eilanden van Achter-Indië en van Madagaskar noemt men westelijke, de bewoners van de eilanden van den Grooten Oceaan oostelijke Maleiers. Waarschijnlijk omstreeks het begin onzer tijdrekening werden de bewoners van Java het hoofdvolk onder de westelijke Maleiers, terwijl zij den godsdienst van Brama en later ook dien van Boedda en de hoogere beschaving der Hindoes aannamen en de naburige eilanden aan zich onderwierpen. Getuigen hiervan zijn de grootsche overblijfselen van tempels op Java en de gedenkteekenen der letterkunde, die in het Oud-Javaansch van voor 800 n. O. tot 1300, de zoogenaamde Kawitaal vervat zijn, welke nog door de geleerden van dat eiland verstaan wordt. Omstreekt 1260 veroverden de Javanen het schiereiland Malakka en namen spoedig daarna den Mohammedaanschen godsdienst aan. Deze Mohammedaansche Maleiers van Malakka werden nu onder de westelijke Maleiers het hoofdvolk, verbreidden den Islam tot op de Philippijnen en bevolkten en beheerschten als oostersche Noormannen alle kusten van den Indischen archipel tot aan de komst van de Portugeezen en Spanjaarden in het begin der 16de eeuw, die 100 jaren later weder door de Hollanders gevolgd werden. Ook de Maleiers van den tegenwoordigen tijd zijn koene zeevaarders en maken door zeerooverij de Indische wateren onveilig. De Portugeezen bezitten nog slechts een gedeelte van Timor, de Spanjaarden heerschen op de Philippijnen, en de Nederlanders, het hoofdvolk, op al de Soenda-eilanden en op de Molukken. De Nederlandsche bezittingen, waarvan echter sommige gedeelten slechts zóó onderworpen zijn, dat alleen de invloed van het Nederlandsche gouvernement overwegend is, hebben gezamenlijk eene oppervlakte van 28,000 Q ra., dus bijna 50 maal zoo groot als Nederland doch met eene bevolking van 25—26 mill., waaronder ruim 35,000 Europeanen, behalve de militairen.

De regeering wordt uitgeoefend door een* Gouverneur-Generaal, op Java resi-deerende, bijgestaan door den Kaad van Indië. Onder zijn onmiddellijk bestuur staan de Gouverneurs, Eesidenten en mindere Opperhoofden der verschillende residentien op Java en de overige eilanden, waaruit de zoogenaamde buitenbezittingen bestaan. Als stelsel is aangenomen dat het volk overal door inlandsche regenten en distriktshoofden onder zijne eigene wetten bestuurd wordt (adat), doch steeds onder toezicht der verantwoordelijke hoogere Europeesche beambten.

1) De Andaman en, waarvan de N.lijkste punt 40 mijlen van de delta der Irawadi ligt, zijn van de Britten afhankelijk.

2) De Nikobaren zijn in 1872 door de Britten ingelijfd bij het Gouvernement der Andamanen.

ocr page 113

DE INDISCHE ARCHIPEL.

3) De vier groots Soenda-eilanden;

a) Sumatra, tusschen bijna 6quot; N.B. en 6° Z.B., 8000 □ m. ruim 18 maal ons land, en 3| mill, inw., evenwijdig met Malakka, en door staat Malakka daarvan gescheiden. Het is ongeveer zoo groot als Nederland, België, Groot-Britannië en Ierland te zamen. De westkust is steil en heeft goede havens — de oostkust is vlak en wordt afgebroken door vele riviermonden. De vloed in de straat van Malakka, die hooger wordt naarmate Malakka en Sumatra elkander meer naderen dringt daardoor ver de rivieren binnen en bevordert hare bevaarbaarheid. (De hooge vloedgolven heeten rollers). — Een bergketen, Boekit Barisan, met ondoordringbare bosschen bezet, en waaruit zich verscheiden vulkaankegels (Merapi en Dempo) verheffen, doorloopt het in de lengte, nagenoeg overal tot aan de westkust reikend. Hier en daar loopen ketens evenwijdig met de hoofdketen en zijn met deze door dwarsketens verbonden. In de aldus gevormde lengtedalen stroomen rivieren, die door een dwarsdal brekend de vlakte bereiken. Van de hoogvlakten zijn de voornaamste het Plateau van Toba en dat van A gam. De oostelijke gedeelten van het eiland zijn vlak, moerassig, niet gezond en het minst bekend; deze worden doorstroomd door vele aanzienlijke rivieren, van welke de Moeni of rivier van Palembang, de rivier van Djambi en die van Indragiri de voornaamste zijn. De westelijke deelen der Nederlandsche bezittingen bereikten, door het gunstige klimaat op den hooggelegen grond, den meestcn bloei; de Padangsche bovenlanden vooral zijn zeer gezond en leveren Europeesche voortbrengselen van het Plantenrijk; wie Zwitserland en Italic wil vereenigd zien, bereize het met goede wegen doorsneden hooge binnenland van Sumatra. Het eiland levert rijst, kamfer, peper, gom-elastiek, getah-pêrtja (zoo genoemd naar den Maleischen naam van Sumatra, Poeloe 1'ertja), benzoë, vooral zeer goede (Padang-) koffie, goud, beste steenkolen, ijzer en zwavel, het heeft ongeveer het karakter van het Indische vastland, zooveel verscheidenheid levert de plantengroei op en zoo krachtig is het dierenrijk vertegenwoordigd. Zorgvuldig onderhouden wegen vereenigen het westelijke binnenland met de kusten en bevorderen welvaart en vooruitgang. De dungezaaide bevolking (3 —4 mill.?) bestaat grootendeels uit Mohammedaansche en Heidensche Maleiers, en verder uit Chineezen en Europeanen. Op het plateau van Toba wonen de Batta's, die ofschoon halfbeschaafd nochtans menscheneters zijn.

Staatkundige indeeling van Sumatra en omliggende eilanden;

A. Gouvernement van Sumatra's westkust bestaande uii de residentiën Tapa-noeli, Padang en Padangsche Bovenlanden. (De Gouverneur is zelf resident van Padang).

B. De residentie Benkoelen.

C. a „ Lampongsche Districten.

D. u „ Palembang.

E. „ rijken Indragiri en Koeantan.

E. « residentie Sumatra's Oostkust.

G. Het gouvernement Atjeh en O nderhoorigheden.

H. De residentie Banka.

I. De adsistent resid. Billiton.

K. De residentie Riouw.

Gouvernement van Sumatra's Westkust;

A. S i n g k e 1, noordelijkste, vrij belangrijke handelsplaats aan de gelijknamige rivier.

Baros, handel in kamfer en benzoë.

Siboga, in de baai van Tapanoeli, de grootste cn beste van geheel Sumatra.

Natal, A j er ban gis en Pr ia man, niet onbelangrijke handelsplaatsen.

Padang, hoofdstad, zetel van den Gouverneur, hoofdmarkt van de kolhe en van het goud op Sumatra; 15,000 inw.

93

ocr page 114

DB INDISCHE ARCHIPEL.

In het Padangsche bovenland beschermen een aantal forten den belangrijken landbouw en daaruit voortspruitende!! handel. Hoofdplaats Fort de Koek. Van grooto beteekenis voor het verkeer op Sumatra en wellicht voor het fabriekswezen van N.-l. zal de ontginning worden van de steenkolen in het gebied der Ombiliën, eene zijrivier der Indragiri. De afvoer zou het ; gemakkelijkst kunnen geschieden naar de Oostkust, maar de dan te doorsnijden streek in het binnenland is uog weinig bekend; de weg naar de Westkust is wel ! de kortste, maar levert vele bezwaren op.

B. Bengkoelen, hoofdplaats van het in 1S24 door de Engelschen afgestane gedeelte van Sumatra, in ruil tegen Malakka, Singapoer en de kantoren op het Indische vasteland; 12,000 inw

C. De Lampongsche distrikten aan de znidpunt, met veel wouden en weinig kultuurland. Hoofdplaats Telok Beton g.

D. Op de O.kust Pa 1 é mbang met Djambi en andere onderhoorigheden ; uitgestrekte, dikwerf moerassige veelal nog onbekende woudvlakten.

Palembang, hoofdstad aan de Moesi, meest op eilandjes door bruggen verbonden gebouwd, sommige woningen staan op vlotten; hoewel 17 uur van den mond der Moesi, nabij het delta dier rivier gelegen, is het tengevolge van den sterken vloed door vrij diepgaande schepen te bereiken, terwijl de eb vele stoffen medevoert, die de gezondheid zouden kunnen schaden. Handel in getah-perdsja, goud, ivoor, tijgervellen, peper en was; de hier wonende Chineezen zijn bekend als de beste handwerkslieden; 50,000 inw.

E. De rijken Indragiri en Koeantan zijn in het bezit van den Sultan van Lingga, die zijne bevelen ontvangt van den resident van Kiouw.

F. De residentie Sumatra's Oostkust met het sterk zich ontwikkelende landschap Deli, vermaard door de tabakscultuur. Het bestuur wordt uitgeoefend door inlandsche vorsten onder toezicht van Nederlandschc ambtenaren.

Bangkalis, hoofdplaats; Siak, uitvoer van kamfer, koffie, was en ivoor.

G. Atjeh, 900 D m., is nagenoeg geheel onafhankelijk. Hoofdplaats Kotta Radja. Uitvoer van peper uit de peperhavens. (Welke?)

Tegenover Palembang liggen de eilanden-.

H en I. Bangka, 237 Li m. met 64,000 inw. Biliton of Blitong, 119 □ m. met 27,000 inw. Deze eilanden bevatten het fijnste tin der aarde, een der gewichtigste handelsartikelen onzer koloniën, dat bijna uitsluitend door Chineezen (op eerstgenoemd eiland in dienst der regeering, op het tweede van de Billiton maatschappij) bewerkt wordt; j arlijks ongeveer 100,000 pikol (het pikol = 62 kilo).

M u n t o k is de bloeiende hoofdstad van Bangka.

K. Tusschen deze en Singapoer ligt eene groep eilanden, waarvan Lingga en Bin tan de grootste zijn en van welke alleen het 1 G mijl groote Tandjong Pinang, bijna aan Bintan vastgehecht, onmiddellijk aan ons bewind gehoorzaamt. Op dit eiland ligt

R i o u w, vrijhaven, bloeiende hoofdstad ; 20,000 inw.

b) Java (eigenlijk Djawa), tusschen bijna 6° en bijna 9° Z.B., 2313 □ m. met ruim 20 mill, inw., waaronder 36,000 Europeanen (buiten het leger) en 220,000 Chineezen; dus ongeveer 4 maal grooter en ruim 4 maal meer bevolkt dan Nederland. Van Sumatra wordt het gescheiden door straat Soenda. De noord- en westkusten zijn vlak en leveren meer veilige reeden, althans in den goeden moesson, dan de steil afdalende, grootendeels ongenaakbare zuidkust. Men ziet dus, dat de kusten van Sumatra gunstiger gevormd zijn dan die van Java. Het binnenland, dat zich tot een hoogland met toppen van 9000'—11000' verheft, telt ten minste 28 vulkanen, van welke de Salak, de Gedee, de Slamat, de D i ë n g, de S i n d ó r o en M e r a p i, de A r d j o e n o, de B r o m o en de S e m é r o e (11480') het meest vermeldenswaard zijn. Eene menigte verschijnselen

94

ocr page 115

DE INDISCHE ARCHIPEL.

getuigen mede van den vulkanischen aard van den grond, zooals gas-, modder-, aardolie- en minerale warme en koude bronnen, mofetten, stikvalleier; en stik-grotten, zwavel-meren en -beken. (Aanmaak van zout, 12000 pikol, uit de mod-derbronnen van Koe woe; liet eeuwige vuur van Demak en het doodendal of de pakaraman in het Diënggebergte. Een vertoeven daarin kan door het koolzuur voor dieren somtijds doodelijk zijn.)

Samenhangende of op zich zeiven staande vlakten liggen 1°. van straat Soenda langs de noordkust tot nabij Djapara; 2°. in de residentie Soerabaia bij de monden van de Solo en de Brantas; 3°. in het zuiden van de residentiën Banjoemas en Hagelen; 4°. tusschen de vulkanen van Oost-Java. Overigens bestaat het westen van Java uit een massief bergland (met de plateau's van Bandong en van Garoet), het midden uit een bergland met vlakten ter weerszijden en het oosten uit afzonderlijk staande bergen, waar tusschen de rivieren zich kronkelen. Ook strekken zich hier drie rijen kalkgebergten uit, 2 ten noorden van de afzonderlijke bergen, 1 ten zuiden (Goenong Kidoel of zuidergebergte).

De rivieren loopen met sterken stroom, voornamelijk naar de noordkust. Zij zijn dikwijls onbevaarbaar en leggen breede strooken aangeslibt land voor haren mond neder. De voornaamste zijn:

De Solo of B e n g a w a n, die op den Merapi ontspringt en in de straat van Madoera valt. (De rivier van Madioen is hare rechterzijrivier.)

De Brantas of Kediri, ontspringt op den Ardjoeno, verdeelt zich bij Soerabaia in Kali-Mas en Kali-Porong en valt eveneens in de straat van Madoera.

De Tji Losari en Tji Tandoewi vormen de grens tusschen West- en Midden-Java.

De Tji Manoek of Vogelrivier, dienende voor den afvoer van koffie uit de Preanger regentschappen, valt voorbij Indramajoe in de .lava-zee.

Verder de Tji T a r o e m en de Tji L i w o n g of rivier van Batavia.

Aanmerking: Tj i = rivier in het westen, Kali = rivier in het oosten van Java.

Ten gevolge van het verschil van hoogten en den invloed hiervan op de temperatuur wordt op Java voor de planten van alle werelddeelen de voor haren groei en bloei vereischte warmtegraad gevonden.

Naar temperatuur en plantengroei verdeelt men het eiland in de volgende gordels:

le Gcrdel van den zeespiegel tot 2000' daarboven, 27,5° C. aan het strand, 23,5° C. aan de bovenste grens; geregelde afwisseling der moessons.

Kweekplanten: rijst, indigo, suikerriet, kaneel, peper, betel en katoen.

Van het strand naar het binnenland groeien vrij; rhizophoren, palmen, alang-alang (h; og gras), acacia's (in het westen), djatiboomen (in het oosten).

2e Gordel van 2000' — 4500 ; 23,5° C. — 18,5° C.; weinig verschil tusschen de moessons.

Kweekplanten: kina, koffie, thee, tabak en Europeesche groenten, (de koffiegordel).

Vrij groeien: acacia's, vijgeboomen, hoogstammige boomen.

3e Gordel van 4500' — 7500'; 18,5° C. — 13° C.; bestendige zuid-oosten-wind, iederen dag regen.

Kweekplanten: tabak, Europeesche groenten, mais en aardappelen.

Vrij groeien: dichte wouden en bloeiende heesters.

4e Gordel van 7500' — de hoogste bergtoppen; 13° C. — 8° C.; bestendige oostenwind zonder regens, somtijds hagel.

Kweekplanten: geene.

Vrij groeien : eenige myrthen.

Gelijk men ziet reiken de toppen nergens in de eeuwige sneeuw, maar zijn allen, zij het ook schraal, begroeid.

95

ocr page 116

DE INDISCHE ARCHIPEL.

Behalve het hoofdprodukt rijst (sawah's of natte-, tegals of droge en gaga's of bergrijstvelden) worden alzoo met goed gevolg aangekweekt suikerriet, indigo, koffie, thee, tabak, de kokospalm, de kaneelboom, de vanille en de kinaboom. Betooverend schoon zijn de altijd groene landschappen, vooral in het woeste binnenland. Het herbergt echter ook eeue menigte verscheurend en giftig gedierte, waaronder de eigenaardige zwarte tijger of panter en de rhinoceros; nochtans geen olifanten, tapirs of beren zooals Sumatra, cn geen leeuwen zooals Ceilon.

Het wordt reeds jaren lang zoo zorgvuldig beheer;!, dat geen andere buiten-landsche bezitting daarmede kan worden vergeleken; rechtspleging en onderwijs deelen gelijktijdig in de zorg der regeering; voor het geregelde verkeer werd in het begin dezer eeuw door den gouverneur-generaal üaendels de uitmuntende postweg aangelegd, die Java in de geheele lengte langs de noordkust doorloopt; vele later daaraan gevoegde vertakkingen voeren naar de binnenlanden en het zuiden van het eiland. Spoorwegen en telegrafen bleven insgelijks niet uit. (Men ga nauwkeurig den loop der spoorwegen op de kaart na.) Als hoofdbezitting wordt het door een tal van forten en versterkte plaatsen verdedigd, waaronder vooral te noemen is de boven Samarang gelegen vesting Willem I. Het in 1830 ingevoerde kuituurstelsel, dat de inlanders zoowel dwong tot arbeid, als beloonde voor den aanbouw van koffie, suiker, kaneel, peper of indigo, droeg aanvankelijk zeer veel bij tot uitbreiding der ontginningen, doch wordt thans door velen beschouwd de ware belangen der bevolking te benadeelen, zoodat het zich nog slschts tot de koffie bepaalt, terwijl daarentegen de ontginning van woeste gronden door partikulieren wordt bevorderd.

De agrarische (akker) wet van het jaar 1870 heeft het stelsel der cultures, behalve voor de koffie, afgeschaft. Na 1890 is er geen gedwongen cultuur van suiker meer.

De bepalingen van het cultuurstelsel waren op zich zei ven niet onbillijk, maar de verkeerde toepassing leidde tot schromelijke misbruiken.

Men verdeelt Java naar de bevolking in drie deelen; West-Java, bewoond door Soendaueezen — Middel-Java door Javanen — Oost-Java door Javanen en Ma-doereezen.

Volgens het Nederlandsch Bestuur wordt het verdeeld in 23 residenticn, waarbij het eiland Madoera is medegerekend. Iedere residentie is verdeeld in adsistent-residentiën, bestuurd door een' adsistent-resident, naast of onder wien een regent staat, dien de adsistent-resident heeft te beschouwen als zijn' jongeren broeder. De regent, die de bevelen van het Gouvernement aan de bevolking overbrengt is dus feitelijk aan ons gezag onderworpen, maar moet toch ontzien worden om den hoogen eerbied, dien de bevolking voor hem heeft. Geen wonder, dat de adsistent-resident dikwijls met veel tact moet te werk gaan. Een regent draagt den titel van Eadèn adipati of Raden of Mas Toemenggoeng, soms ook dien van Pangéran (prins). Rang en waardigheid blijken uit de kleuren en ringen van den pajoeng (zonnescherm). Ieder regentschap wordt achtereenvolgens verdeeld in districten (hoofd de Wedono), onderdistricten, dessa's (hoofd de Bekel), en wijken (hoofd Tjonkok).

Van de 22 residentiën liggen 5 in het westen, n. 1. 4, Bantam, Batavia, Krawang, Tjeribon om de vijfde, Preanger-Regentschappen; 10 in het midden n. 1. 5 ten noorden : Tegal, Pekalongan, Samarang, Djapara, Rembang, 4 ten zuiden: Banjoemas, Bagelen, Djokjokarta, Soera-karta, 1 in het midden: Kedoe; 7 in het oosten, van welke 1, Soerabaia, alleen aan de Java Zee ligt, Madioen en Kediri alleen aan den Indischen Oceaan, Pasoeroe au, Probolingo en Bezoeki aan beide zeeën grenzen; verder Madoera. Van enkele residentiën en meer of min belangrijke plaatsen volgt hier eene korte beschrijving.

96

ocr page 117

DE INDISCHE ARCHIPEL.

Bantam of Ban tem, de oudste handelsbetrekking der Europeanen.

S e r a n g is de tegenwoordige hoofdplaats, daar het eens luisterrijke Bantam in het lot vau Batavia deelt en ongezond is, vooral door de steeds aanslibbende baai.

De residentie Batavia:

B a t a v i a is de hoofdstad van Nederl. Indië. De zetel dor Regeering is in het meer landwaarts gelegen paleis te Weltevreden, één der fraai gebouwde buurten of wijken, die (met Rijswijk, Noordwijk, Koningsplein en Molenvliet) Nieuw-Batavia vormen; want de eigenlijke stad Batavia, die in 1621 op de plaats van het oude Jakatra volgens het gewone oud-Hollandselie model met grachten en lanen aangelegd werd, is allengs ongezonder geworden en bevat thans bijna uitsluitend de pakhuizen en kantoren der Europeanen en de woningen der inlanders en Chineezen. Stad en buitenwijken bevatten 97,000 iuw. De reede van Batavia wordt gedekt door 17 eilandjes, ouder welke vooral Onrust, met werven voor de herstelling voor oorlogsvaartuigen; zij is door een kanaal met de stad verbonden, dat niet meer voldeed aan de behoeften der scheepvaart, daarom is de nieuwe haven bij Tandjong P r i o k aangelegd. — Het groo-tendeels door Chineezen bewoonde, versterkte dorp Meester Cornelis ligt een uur zuidwaarts van de hoofdplaats en heeft eeae militaire school.

Buitenzorg, 13 uur van Batavia in hot gebergte, S-10' boven de spiegel der zee, thans door een'spoorweg met Batavia verbonden, bezit een klimaat als een' zoelen Europeesohen zomer, en strekt tot gewoon verblijf van den Gouverneur-Generaal; wereldberoemd is de uitgestrekte kweektuin voor allerlei nuttige keer-kringsgewasscn nabij het paleis.

De Preanger-Regentschappen, verreweg de uitgestrekste residentie, op het hooge binnenland en langs de zuidkust, bijna zoo groot als } van ons land, met Ij millioen zachtaardige bewoners; de meeste koffie, veel rijst en indigo worden in deze vruchtbare, sterk bloeiende landstreken verbouwd.

Bandong, hoofdplaats, eeue der fraaiste inlandsche steden (negeriën) van Java.

Tjiandjoer en Soemedang insgelijks welvarende negeriën.

De W ij n k o o p s b a a i in het zuiden wordt druk bezocht door koopvaarders.

Tjeribon in het N., met gelijknamige hoofd- en handelsstad, zeer boschrijk.

Banjoemas langs de zuidkust, uitmuntende tabaksteelt.

Tjilatjap, de schoonste, veiligste en belangrijkste handels-eu oorlogshaven der zuidkust, door een kanaal van 's m. breed van het insgelijks versterkte rotseiland Noesa Kambangan gescheiden. Het is eene uitvoerhaven voor de Preanger Regentschappen, Banjoemas en Bagelen, die door hooge bergen van de noordkust zijn gescheiden; tevens eene oorlogshaven, omdat de Schildpadden baai op de oostzijde zonder loods niet is binnen te varen. De Segara Ana kan (Kleinkinderbaai) en Penandjoeng baai op de westzijde beletten door geringe diepte en smallen ingang ten allen tijde eene landing.

Sam ar a ng of Semarang, hoogst gewichtige en zeer volkrijke residentie midden aan de noordelijke kust. In deze residentie vindt men slijkvulkanen, zwavel en minerale bronnen, het eeuwige vuur bij Demak. Een spoorweg voert naar Soerakarta en Djokjokarta met een zijtak naar de vesting Willem I.

Samarang is de stapelplaats voor den handel met de binnenlanden en hoofdzetel der inlandsche nijverheid; jammer, dat do ankergrond er zoo slecht en de branding er zeer hevig is. Vooral in den westmoesson gebeuren er veel ongelukken, de meeste gegoeden wonen in do voorstad Bodjong; 70,000 inw. Behalve de reeds genoemde centrale vesting Willem I bij A m b a r a w a en het aangenaam gelegen Salatiga, zijn nog bijzonder merkwaardig de vele overblijfselen van tempels en steden uit een roemrijk verleden, welke vooral in deze residentie en in Banjoemas, Kediri eu Djokjokarta gevonden worden.

DJapara, met veel nijverheid, vooral in houtenmeubelen. Het was vroeger een eiland, maar de berg M o e r 1 a is door aanslibbing met den vasten wal verbonden.

7

ocr page 118

AÏIË.

E em bang in het N.O., vruchtbaar en nog rijk aan Djati-bosschen, met oo:

goede havens en scheepsbouw. voi

Soerabaia, tegenover het mede in bloei toenemende eiland Madoera (eene dit afzonderlijke residentie) met 1,743,000 imv. op 109 □ m., met vruchtbaren meestal vlakken bodem, waarover de twee hoofdrivieren van Java naar zee stroomen;

daar echter het Nauw en de Trechter tusschen de kust en Madoera dreigden nai

te verzanden door de groote massa slib en gruis, door de Solo aangevoerd, heeft bir

men den mond der rivier noordelijk verlegd, maar de eb, die naar de Java zee mc

gaat, schijnt niet sterk genoeg te zijn om eene voldoende diepte te behouden. p o

In deze oostelijke residentie wordt de meeste suiker geteeld. eei Soerabaia, aan de Kali-Mas of goudrivier, den noordelijksten mond van de

Brantas of Kediri-rivier, de beste naven en eerste wapenplaats van Ned.-Indië, on(

met uitgebreide maritieme etablissementen en veel handel, levendiger en meer ten

Europeesch van voorkomen dan Batavia; fabriek voor stoomwerktuigen; 121,000 inw. ma Grissee of Gresik, aan straat Madoera, met veel houthandel en scheepsbouw.

Pasoeroean, eene veelbelovende bestbebouwde residentie, die even als be\

de twee volgende, zoowel ten N. als ten Z. door de zee bespoeld wordt, met pla

trotsche bergen en heerlijke valeien, onder welke die van Malang als herstel- ora lingsoord voor verzwakten beroemd is. Behalve meer andere voortbrengselen

levert deze residentie uitmuntende koffie op. 30

Probolinggo goed bevolkt en bebouwd met de hoofdstad van dien naam. De

Bezoekie, de oostelijkste residentie, nog in het begin van haar' bloei. of

Aan de zuidelijke helling van het gebergte, dat Java in de lengte doorkruist. To

liggen de twee vorstenlanden, Soerakarta of Solo, met gelijknamige Loofd- toe stad van 125,000 inw., waar de naam-keizer of Soesoehoenan resideert, en Öj okjo- gt; aoc

karta, met de evenzoo genoemde residentie van den sultan; de residenten zorgen (PI

voor de naleving der kontrakten en zijn de eigenlijke bestuurders dezer door de quot;De

zorg der talrijke, hier gevestigde Europeanen wélbebouwde landstreken. Nabij scb Prambanan in Djokjokarta, aan de zuidelijke helling van den Merapi, liggen

hoogstmerkwaardige tempelruïnen uit den Hindoe-tijd. in Eenige punten van verschil tusschen West- en Oost-Ja va:

1°. West-Java heeft het meer vochtige klimaat van Sumatra, — Oost-Java de herinnert in dat opzicht meer aan Timor.

2°. In W.J. treft men schaduwrijke wouden aan, — inO. J. de sombere tjemoro- bri

boomen (de dennen van Oost-Indic). In de Preanger kweekt men vooral koffie, sto in de oostelijke residenties suiker en tabak. ]

3°. In W. J. wonen Soendaneezen, wier huizen vlak op den grond staan (roemah gladag), die bijgeloovig, niet zeer slaafsch en streng mohammedaansch zijn en bij wie men particulier grondbezit aantreft — in O. J. wonen Javanen, wier huizen op palen staan (roemah limasan), die meer beschaafd en slaafsch (invloed der Hindoe's) zijn en bij wie communaal grondbezit in gebruik is.

4°. Soendaneezen en Javanen zijn landbouwers en industrieelen, — de Madoe-reezen houden zich bezig met handel en scheepvaart. (Hun land is niet zeer vruchtbaar.)

Op het verschil in vertikalen bouw tusschen de beide deelen van het eiland is reeds gewezen. Hier zij nog aangemerkt dat het westelijk bergland nergens beneden de 1000' daalt; het plateau van Bandong b. v. ligt nog ruim 2000' boven de oppervlakte der zee.

Steeg de zee 1000' in het oosten, dan zou van den Merbaboe af Oost Java 93

in een aantal eilandjes verdeeld worden. Se

c) Borneo, tusschen 7° N.B. en 4° Z.B., 13000 □ m., ruim 22 maal ons de:

land, met slechts 1| mill, inw., een der grootste eilanden van den aardbol, aai

98

(na Nieuw-Holland en Nieuw-Guinea het grootste), heeft aan de west- en zuid- zee

h

ocr page 119

DE INDISCHE ARCHIPEL.

oostkusten de meeste volkplantingen, ofsclioon langs sommige breede rivieren, vooral aan de Kapoeas, sterke posten tot diep in het binnenland gevestigd zijn; dit laatste is vooral in het N. weinig bekend. Geef nauwkeurig de grenzen op.

Het eiland heeft weinig golven; die er nog zijn, liggen open en zijn ondiep.

De bergen, die niet vulkanisch zijn, gaan uit één middelpunt in 5 hoofdstralen naar alle inrichtingen; daardoor hebben de rivieren gelegenheid diep het land binnen te dringen, zijn daar wel bevaarbaar, maar uit zee door de zand- en modderbanken aan de monding moeilijk op te varen. De voornaamste zijn: d e K a-p o e a s of rivier van Pontianak , de B a r i t o of rivier van Bandjarmasin, met een stroomgebied = 3 maal ons land en de M a h a k k a m of rivier van Koetei.

Ten gevolge van dien eigenaardigen vertikalen bouw staat het gcheelc eiland onder den invloed der zeewinden. Natuurlijk heeft men er evenals op Sumatra ten noorden en ten zuiden van den aequator tegengestelde moessons in dezelfde maanden des jaars. In de streken nabij den aequator regent het bijna altijd.

De vruchtbaarheid doet voor die van de andere eilanden niet onder, maar de bevolking houdt zich weinig met landbouw bezig, dus vindt men er weinig kweek-planten. Wel zijn er verbazend uitgestrekte bosschen, waarin de olifant en de orang oetan (mensch uit het bosch, ook majas geheeten) leven.

De iulandsche bevolking wordt gevormd door de Maleische Dajaks, 30000 Chineezen vooral te Montrado en Sambas, Arabieren en Europeanen. De woningen der Dajaks staan op palen, zij hebben geen letterschrift, tijdrekenkunde of duurzaam grondbezit; verlaten grond is niet meer het bezit van den eigenaar. Toch zijn zij ondanks hun koppensnellen (het mes heet mandau; ngajoe- en assan-tochten, al naar mate zij door één' man of meerderen ondernomen worden), niet zoo woest, als men vroeger meende. Zij smelten ijzer en zijn goede wapensmeden. (Platina, dat zij niet kunnen smelten, heet mas kódok = goud voor de kikkers). De Chineezen kenmerken zich ook hier door hunne neiging om geheime genootschappen of hoeï's te vormen.

Aanmerking. Interessante mededeelingen over Borneo geeft Majoor Perelaer in zijn' ethnogralischen roman: Borneo van Zuid naar Noord.

Staatkundig verdeelt men het Nederlandsche gebied in: A. d«- We ster a f-deeling. B. de Zuider- en Oosterafdeeling.

Borneo is rijk aan goud, koper, diamanten en steenkolen, die echter meer bruinkolen zijn; de steenkolenmijnen voorzien evenwel reeds in de behoeften der stoomfabrieken van Ned. Indië.

De voornaamste plaatsen zijn; in de Westerafdeeling Samb as, zuidelijker Montrado, met eeue geheel Chineesche bevolking, en Pontianak, aau den noordelijksten mond van de Kapoeas, juist ouder den aequator, met zijne goudwasscherijeu en diaraantgroeven, die in liet bezit van Chineezen zijn.

Sin tang, binnen in het land aan dezelfde rivier in een vruchtbaar gewest, dat ook goud eu ijzer voortbrengt.

In de Zuider- ca Oosterafdeeling: Bandjarmasin nabij den mond van den Barito, en Martapoera aan de linker-zijrivier van den Barito, belangrijk door de naburige steenkolenmijnen.

Amoentai a/d Negara of Bahan, eene linker-zijrivier van den Barito, de hoofdplaats eener Afdeeling, wier bewoners zich onderscheiden door grootere verstandelijke cn zedelijke ontwikkeling, door welvaart en beschaving.

De grootste, zuidelijke helft van het eiland erkent het Nederlandseh oppergezag; ÖST-i □ m., 1,000,000 inw. Onafhankelijk zijn het landschap en de stad Sera wak in het N. Westen (door den zoon van Kadjah James Broek bestuurd; deze kreeg het in 1841 van den Sultan van Broenei). Het kleine eiland Laboean aan de Noordkust, een verbanningsoord, is een der steunpunten voor Engelands zeemacht. Het bevat steenkolen. Op de noordpunt van Borneo heeft zich eene

99

ocr page 120

AZIË.

factorij gevestigd van de Engelsche firma Dent-Overbeck, die echter onafhankelijk is van het Britsche Gouvernement. Overigens behoort het noordelijk deel den Sultan van Broenei of dien der Solo-eilanden.

d) Celébes, tussehen 2° N.B. en 6° Z.B. = de zuidpunt van Sumatra en de noordpunt van Java; 3400 □ m. (ruim 5 maal ons land), 938,000 inw. Het is grooter dan Java en bestaat uit 4 groote door bergketenen gevormde schiereilanden, die te zamen eene kustlengte hebben = die van Borneo, hoewel dit laatste 4 maal grooter oppervlakte heeft.

De golven, welke die schiereilanden scheiden, zijn die van To mi ui, Tomori en Boni. Bepaal nauwkeurig de grenzen van het eiland.

Door de groote kustontwikkeling doet de zee overal haar' invloed in het binnenland gevoelen, daar toch geen punt verder dan 20 uur van de kust verwijderd is. De zuid-oostmoesson, die droogte aanbrengt op de kleine Soenda-eilanden is de regenwind voor zuid-Celebes (waarom?).

De vorm der schiereilanden wordt bepaald door de bergketens, die evenals op Borneo uit één punt als stralen naar verschillende kanten gaan. Alleen de noordelijkste punt is vulkanisch. De voornaamste toppen zijn de Klabat in het noorden, de Latimodjong in het midden, de Lompo Batang in het zuiden. Daar de bergen bijna overal de kust naderen moeten de rivieren een' korten loop hebben. De voornaamste is de Sadang, misschien zoo groot als de Solo.

De vruchtbaarheid is niet gelijk aan die van de overige groote Soenda-eilanden, (veel bergen en hoogvlakten, weinig besproeiing). Naast rijst is sago een voedingsmiddel, dat weinig arbeid vereischt, bijna geen geld kost en na korten groei voor geruimen tijd voedsel verschaft. Daarom staat de bevolking, als zij zich met sago voedt, op zoo lagen trap van beschaving. De koffie van Menado is beroemd. („Menado is een goed merkquot;).

Ook ten opzichte van het dierenrijk staat het achter bij de westelijke eilanden.

De bevolking bestaat uit Alfoeren (vrijen, omdat zij niet onder Mohamme-daanschen invloed zijn gekomen), Boegineezen en Mangkasaren (Mohammedanen en stoute zeevaarders); verder Europeanen en Chineezen. In de Minahasa (bondgenootschap) belijden de Alfoeren voor het grootste deel den christelijken godsdienst.

Het wordt verdeeld in:

A. de Residentie Menado.

B. de Landen van den Sultan van Ternate (het oostelijk deel van de middelste schiereilanden).

C. het Gouvernement van Celebes en onderhoorigheden, waartoe Soembawa en de westelijke helft van Flores behooren.

Al de verschillende rijkjes van dit eiland erkennen Neêrlands oppergezag.

Mangkasar (Makassar), op het zuidelijkste schiereiland, hoofdstad vau deu Gouverneur van Celebes. Het oude, op Europeesohe wijze gebouwde stadsdeel heet eigenlijk Vlaardingen. De stad heeft, sedert de openstelling als vrijhaven, aanzienlijken handel in olie, paarden, veeren voor hoeden en wordt beschermd door 2 forten; 20,000 inw.

Menado, op de N.O. punt van het noordelijke schiereiland of de Minahasa, hoofdzetel van de zendelingen, die reeds het meerendeel der inlandsche bevolking tot het Christendom bekeerd hebben; ruim 6000 inw.

4) De Kleine S oen da-eilanden liggen in de oostelijke verlenging van Java.

Het zijn Bali, Lombok, Soembawa, Elores, Soemba, Solor, Aller, Timor en Rotti.

Alle zijn vulkanisch, (geweldige uitbarsting van de Tambora op Soembawa in 1815); slijkbron bij Poeloe Kambing (geiteneiland). Soembawa heeft evenals

100

ocr page 121

DB INDISCHE AUCHIPEL.

Gilolo en Celebes een sterk ingesneden vorm ; Timor stemt in vorm overeen mee Sumatra, maar strekt zich in tegengestelde richting uit.

Tusschen Bali en Lombok (en verder tusschen Borneo en Celebes) loopt de lijn , (vaardoor men den archipel naar de flora en fauna verdeelt in een Aziatisch- en een Australisch gedeelte.

Het klimaat herinnert aan dat van Oost-Java. Hoe verder men naar het oosten komt, hoe minder regen er valt; op Timor regent het nooit gedurende den zuidoostmoesson (nabijheid van Australië). Dit eiland heeft dan ook in plantengroei eene merkwaardige overeenkomst met Nieuw-Holland (eucalypten en casuarinen). Nog grooter verschil dan in de plantenwereld merkt men op bij de dieren ; op Bali en westwaarts leeft de tijger, van Lombok af oostwaarts het buideldier.

De bevolking gaat van het Maleische langzamerhand over in het Papoeasche ras.

Bali noemt men wel eens eeue Hindoe-antiquiteit van den Archipel (kasten-verdeeling, verbranden van weduwen , vereering van Siwa).

Soemba levert sandelhout.

Timor ook sandelhout, was en koper; de bewoners zijn katholieke Zwarte Portugeezen; de noordelijke helft, hoofdplaats Delhi, behoort Portugal; de rest, hoofdplaats Koepang, ons land.

E o 11 i levert paarden.

Staatkundige indeeling;

A. residentie Bali met Lombok.

N.B. Banjoewangi is thans een onderdeel van en ingelijfd bij de residentie Bezoeki.

B. residentie Timor, waartoe Soemba en de oostelijke helft van F 1 o r e s behooren.

5) De Molukken of Specerij-eilanden liggen aan de grenzen van dit werelddeel, tusschen Celebes en Nieuw-Guinea. Van deze is Timorlaoet het zuidelijkste. Ten N. hiervan ligt Banda-Neira, dat wel zeer klein, maar belangrijk is als het vaderland van den muskaatnotenboom, die er nog het eenig produkt vormt. — Amboina, ten Z.W. van Ceram (waar sago het hoofd voedsel is), was na Java langen tijd de gewichtigste volkplanting van den Indischen archipel om den aanbouw der kruidnagelen. (Perkeniers. Hongitochten werden ondernomen om de overtollige (?) boomen uit te roeien: te groote aanvoer zou de prijzen gedrukt hebben).

Amboina, vrijhaven aan eene diepe baai aan de zuidzijde, met belangrijken handel, bevat menig grootsch gebouw van vroegere dagen; 10,000 iuw. grooteudeels Christenen en Cliineezen.

Boeroe, hoofdplaats Kajeli, levert de kajoepoetie-olie.

Halmaheira of Dzjilolo, het grootste der Moluksehe eilanden, 27,500 inw., J van Celebes, waarop het in zijne spinachtige gedaante verwonderlijk gelijkt, is weinig bekend. Bij Dzjilolo:s westkust liggen Batjan (goud en steenkolen), Ternate en Tidóre, twee kleine vulkanische eilanden; aan den sultan van het laatste is een groot aantal eilanden onderworpen, onder anderen ook Halmaheira en het westelijk gedeelte van Nieuw-Guinea: al deze landen zijn met de onderwerping dier sultans aan Nederland gekomen, maar werpen tot dus verre meer na- dan voordeel af; het binnenland van Nieuw-Guinea is zelfs genoegzaam onbekend.

Staatkundige indeeling:

Residentiën Ambon en Ternate.

De inboorlingen zijn:

Heidensche Alfoeren op de groote en Mohammedaansche Maleiërs op de kleine eilanden. Ook is er natuurlijk eene bevolking ontstaan uit de vermenging van Maleiërs en Papoea's.

fi) De Solo- of Soeloe-eilanden, tusschen Borneo en de Philippijnen, zijn

101

ocr page 122

DE INDISCHE ARCHIPEL.

in 1851 door de Spanjaarden in bezit genomen, om aan de zeerooverijen dier Moharnmedaansche Maleiers een einde te maken.

7) De Philippijnen werden ontdekt door Magalhaes [-galjeings] in 1521, doch door de Spanjaarden in bezit genomen in 1571 onder Philips II, naar wien zij genoemd zijn ; zij worden door de Chineesche zee van Azië gescheiden en hebben op 50000 □ m. ongeveer 7 mill. inw. Het eiland Manila of Luzon [loesson], het noordelijkste en verreweg het belangrijkste, is bijna zoo groot als Engeland en zeer vulkanisch; de hoofdstad Manila is de zetel van den Spaanschen Gouverneur, 160,000 inw. De handel is zeer levendig; het hoofdprodukt voor den handel is tabak; ook de hennep is zeer gezocht. Grootendeels onder Moharnmedaansche vorsten staat het zuidelijkste eiland Mindanao of Magindanao.

Aanmerking.

Men kan de Oost-Indische eilanden, voor zoover zij tot Nederland in betrekking staan, verdeelen :

1°. Naar de grootte in verhouding tot Nederland. (Hoe is deze voor de groote Soenda-eilanden ?)

2°. Naar de ligging ten opzichte van elkander in eeue buiten- en eene binnenrij. De buitenrij: van Sumatra tot en met de Zuid-Oostereilanden; Borneo, Celebes en de Molukken vormen de binnenrij.

3°. In een vulkanisch, en een niet vulkanisch gedeelte. (Welke eilanden be-hooren tot elk ?)

4°. Naar de flora en fauna, in eene Aziatische en Australische helft. (De scheidingslijn?)

5°. Naar den vorm, in gerekte (de meeste eilanden van de buitenrij), massieve (b.v. Borneo en Boeroe) en ingesneden (Celebes, Soembawa en Halmaheira) eilanden.

6°. In groepen: Groote- en kleine Soenda-eilanden, elk met omringende eilanden (op de kaart na te gaan) en de Molukken.

7°. Naar de bevolking: Maleische eilanden in het westen, Papoea eilanden in het oosten, eilanden met eene gemengde bevolking tusschen beide.

B. 0 o s t - A z i ë.

7. Japan.

(6900 □ m., 36 mill, inw.)

Dit eilandenrijk, door de stormachtige .Tapansche zee van het vasteland van Azië gescheiden, en door talrijke klippen, kolken en zandbanken omringd, strekt zich van den 30sten tot den 46sten breedtegraad uit, en is over het algemeen zeer bergachtig, bereikt zelfs de hoogte der altijddurende sneeuw, bijv. in den Foesi-jama (14177') ten Z.W. van Jedo, Het is de hoofd-oven van den grooten vulkaangordel, die zich van de Soenda-eilanden naar Kamtsjatka uitstrekt en daar hij zich over de Aleöeten langs Amerika's westkust voortzet, is de geheele Groote Oceaan door een* krans van vulkanen omringd. Door de bergen wordt het land in eenige natuurlijke provinciën verdeeld, van welke sommige naar de kust toe open liggen en door het' van de hoogte afvloeiende rijk besproeid worden. In deze vruchtbare landschappen woonde de bevolking dicht bijeen. Maar daar zich het grondbezit in handen van enkele machtige heeren bevond, die zich vrij onafhankelijk van het centrale gezag gevoelden, trof men hier toestanden aan als in Europa tijdens de middeleeuwen, Duitschland b. v. Het klimaat is gezond en warmer dan op het tegenover gelegen vastland, doch de winters zijn strenger dan aan de westelijke kusten van Europa onder gelijke breedte; terwijl de oostkust des winters door ijs versperd is, omdat er een koude stroom

102

ocr page 123

AZIË.

uit het noorden langs strijkt, heeft de westkust eene hoogere temperatuur, daar zij bespoeld wordt door een' tak van den Koero Siwo, den Golfstroom van den Grooten Oceaan. De bergen zijn vooral rijk aan best koper, ook goud komt veel voor; het land, gelijk een tuin bebouwd, brengt een' overvloed van rijst (de beste der aarde) en van thee voort, en voedt een krachtig, bijzonder werkzaam, eigenaardig beschaafd volk, dat zich beroemen kan alle behoeften, zelfs voor de meest verfijnde levenswijze, te kunnen bevredigen en de hulp van het buitenland niet te behoeven. Nadat het Christendom, dat door den Jezuiet Frans Xaver in de 16de eeuw het eerst aldaar gepredikt was, reeds meer dan een millioen belijders telde, werd het na verscheiden woedende vervolgingen, waarbij zich de naijver der op Japan handeldrijvende Europeesche volken voegde, in 1639 voor goed in het bloed zijner belijders gesmoord, en werd een stelsel van afzondering in het leven geroepen, ten gevolge waarvan aan de Japanners op doodstraf verboden werd het rijk te verlaten en aan de vreemdelingen aile toegang op Japan ontzegd werd. Aan de Hollanders alleen werd in lö-ll onder talrijke en kleingeestige voorwaarden een beperkte handel op de haven Nagasaki en eene faktorij op het zeer kleine eilandje Decima ten Z. hiervan toegestaan; ook de naburige Chineezen en inwoners van Korea en der Lioekioe-eilanden mochten slechts onder gelijke beperkingen op Japan handel drijven. Alle latere herhaalde pogingen der verschillende Europeesche volken om het verbod op te heffen, bleven vruchteloos, tot dat in 1854 de Amerikanen, en achtereenvolgens de Engelschen en anderen, vooral door de bemoeiingen der Nederlandsche regeering, verkregen dat twee havens voor hen werden opengesteld, die in 1858 nog met eenige andere werden vermeerderd. De bijna onafhankelijke D a i m o ' s bleven zich echter tegen dien maatregel sterk verzetten, maar deze belemmering is opgeheven door de nieuwe staatsregeling van 1869, toen al deze leenroerige Prinsen werden hervormd in provinciale Gouverneurs , die 10% zouden ontvangen van de opbrengst van het geheele gewest. Sedert is het echter noodig gebleken hun ook deze macht te ontnemen en burgerlijke Gouverneurs aan te stellen. Ook de Siogoen, die zich in den loop der tijden van oppersten dienaar der kroon tot tweede opperhoofd, naast den Mikado of keizer had weten te verheffen werd van zijne waardigheid vervallen verklaard. Het lange verkeer met de Hollanders heeft ten gevolge gehad, dat de Hollandsche taal in Japan, vooral bij de geleerden, zeer bekend is; aan de drie hoogescholen (natuur- en geneeskunde) zijn thans nog Nederlanders als leeraren aangesteld.

De Japanners behooren tot den Tataarsch-Mongoolschen stam, hebben drieërlei godsdiensten, den Sinto-godsdienst, dien van Boedso, eene soort van Boed-daïsmus, welke twee thans ineengesmolten zijn, en dien der Wijzen, of van Confucius; de tegenwoordige regeering is voortdurend bezig dezen laatsten godsdienst meer en meer ingang bij het volk te doen vinden, daar hij de minste misbruiken met zich voert. Hunne kustvaardiglieid doet voor die der Chineezen niet onder en is oorspronkelijker; uitstekend zijn hunne verlakte waren, porceleinen, metaalwaren, meubelen enz., die op de Japansehe toko of markt te Batavia den grootsten aftrek hebben. Niet onbelangrijk is de maatregel van de regeering, om de Europeesche kleederdracht aan te bevelen als gezonder en minder den arbeid belemmerend. Van meer belang zijn de hervormingen met misschien te grooten ijver ingevoerd in nijverheid, rechtspleging en onderwijs. Stoombooten worden naar Europeesch model gebouwd; Duitsche leerboeken over wis- en werktuigkunde in het Japansch vertaald ten gebruike op de scholen. Knappe jongelui bezoeken Europeesche hooge scholen om er te promoveeren en dan als leeraren in het vaderland op te treden. Maar .... aldaar teruggekeerd kunnen zij zich niet meer gewennen aan de leefwijze der vaderen. Ook is het volk niet altijd te winnen voor de snel ingevoerde

103

ocr page 124

AZIË.

niemvigheden. Eene reactie is dan ook reeds merkbaar, vooral omdat der menigte haar godsdienst werd ontnomen , zonder dat men er haar iets voor in de plaats gaf.

De Keizer, wiens geslacht sedert 630 v. Chr. regeert, heet Mikado en is sedert 1869 het hoofd der uitvoerende macht, welke beperkt wordt door eens vergadering van 239 vertegenwoordigers dér Hans (provinciën), waarin de voormalige bijna onafhankelijke Prinsdommen thans zijn opgelost.

Het rijk bestaat uit vier groote en meer dan 3800 kleine eilanden en rotsen, doch wordt staatkundig verdeeld in drie afdeelingen van bestuur: 1) de Foe, de drie groote Keizerlijke steden Jedo (Tokio), Miako (Kioto) en Osaka; 2) de Ken, alle overige vroeger Keizerlijke steden en districten; 3) de Han, alle voormalige Prinsdommen of leenroerige provinciën, verreweg het grootste deel des rijks beslaande.

Het eiland Nipon, waarop aan de zuidoostkust de stad

Jedo of Tokio, 5 mijlen in omvang, de residentie van don Mikado ; 810,000 inw. Kaiiaga wa en het bijna daaraan grenzende J okoehama, eenc der opengestelde havensteden, ligt in de baai van Jedo en heeft een levendig handelsverkeer; hier hebben zich de meeste vreemdelingen gevestigd; voor twintig jaar een visschers-dorp, telt het nu 67,000 inw.

Miako of Kioto, voormalige zetel van den Mikado of geestelijken Keizer en

toen vooral het middelpunt der Japansehc geleerdheid en kunst; 230,000 inw. Iets zuidelijker Osaka, voor vreemdelingen geopende haven en aanzienlijke stad,

273,000 inw.

Nagoja, aan de Z.kust, zeer nijvere stad.

Kjoesioe, ten Z.W. van Nipon. Op de westkust

Nagasaki, 300,000 inw. (waaronder 200 Europeauen) met het kleine, daaraan door eene brug verbonden, eertijds streng bewaakte eilandje De ei ma, waar gedurende meer di'U twee eeuwen (ook zelfs ten tijde der Fransche overheersching) de Holiandsehe vlag wapperde; hiernaast lag de nog angstvalliger ingesloten zetel der Chineezen. Thans is deze haven nog eene der gewichtigste voor den bniten-landschen handel.

Sikok ten Z. van Nipon, even sterk bevolkt.

Op het vruchtbare doch bijna onbebouwde Jesso, ten N. van Nipon, ligt de vrijhaven Hakokadi, aan de zuidkust; 30,000 inw.

Ook de 30 Koerielen-eilanden staan allen onder Japansche heerschappij. De Lioe-Kioe-eilanden, ten Z. van Japan, waarover de keizer eene soort van oppermacht had, hebben in 1872 hunne onderwerping aangeboden, en zijn thans als provincie bij Japan ingelijfd.

8 Korea.

(4000 □ m., ongev. 9 mill, inw.)

Dit ons zeer weinig bekende schiereiland kan eenigszins met Italië vergeleken worden; want terwijl het naar het Z. lang uitgerekt is tussehen de Japansche en de Gele zee, ligt er in het N. het hooge sneeuwgebergte Sjan-jan-alin voor, waarmede zich de bergketen verbindt, die in Z.O.Iijke richting bet schiereiland bedekt en steil afloopt naar het O. Aan de westzijde gaat deze in vruchtbare dalen over.

De vermoedelijk uit eene vermenging van Mantsjoes, Japanners en Chineezen gesproten bevolking staat onder een' onbeperkt heerschenden koning „den regeerder der 10,000 eilandenquot;. De afhankelijkheid van China en Japan schijnt of niet te bestaan of zeer gering tc zijn; wel betaalt het den keizer van China schf.tting, maar het is den Chineezen streng verboden het land binnen te dringen.

Kjöng in het W. is de versterkte, zeer volkrijke hoofdstad.

104

ocr page 125

CHINA.

0, China of Tsjina.

(210,000 □ m., twee en twintigmaal Frankrijks vlakte-inhoud, met 380 mill, inw.). Door de Chineezen wordt het rijk in 3 deelen verdeeld : 1) e i g e n 1 ij k China, 2) de onderhoorige landen Mantsjoerije, Mongolië, Dsongarije, Oost-Toeran en Tibet.

a) Eigenlijk China (73,100 □ m., 350 mill. inw.).

Dit groote land in oostelijk Midden-Azië wordt in het Z. en O. door den Grooten Oceaan, in het N. door de bergketenen Yn en de groote woestijn Gobi, die in het Chineeseh Sja-mo (zandzee) genoemd wordt, in het W. door de bergen van Tibet en in het Z.W. door andere hooge bergketens begrensd, die het van Birma en Tong-king afscheiden. In het X. worden de grenzen aangewezen door het reuzenwerk, den grooten muur, die naar het W. over de Gele rivier zich uitstrekt, en de twee provinciën, Pe-tsje-li (de gewichtigste der 18 van eigenlijk China), en Tsjan-si van het land der Mongolen afscheidt. Omstreeks 214 na Chr. werd deze muur 275 m. lang over vlakten en bergketenen gebouwd, voornamelijk om de omstreken van de hoofdstad van het rijk tegen de horden Tataren te beschutten; ofschoon de bouw daarvan hier dan ook werkelijk fraai en grootsch is, werd zij echter, daar zij over hare geheele uitgestrektheid geenszins even breed, even hoog of even sterk is, dikwerf overschreden. Tegenwoordig is zij op vele plaatsen geheel vervallen.

Behalve een aanzienlijk aantal kustrivieren in het zuiden bezit dit dichtst bewoonde land der aarde, dat uitnemend bebouwd wordt, 3 hoofdrivieren, de Ho (Hoang-ho, d. i. gele rivier), de Kiang («den stroomquot; bij uitnemendheid) van 700 m. lengte, na de Maranhon in rang de vijfde rivier der aarde, en in hel zuiden de T si kiang, van welke de twee eersten het middelpunt van het rijk, het vruchtbare, 10,000 □ m. groote Chineesche laagland van water voorzien. Daarbij komt eene menigte kanalen, waarop in China het vervoer van personen zoowel als van waren bijna alleen plaats heeft; het beroemdste, het grootsche Keizerskanaal (175 m. lang, 200—1000' breed, zoo lang als de Elbe) doorsnijdt het oostelijk gedeelte des rijks, van het N. naar het Z., van de rivier Pei-ho naar de stad Hantsjeu. Het werd in de 13e eeuw gegraven om de belasting in rijst naar het noorden te vervoeren en bewijst dat de Chineezen slechte zeevaarders zijn, anders hadden zij zoo dicht langs de kust geen kanaal gegraven, maar den weg over zee genomen. (Zij werden intusschen niet gelijk de Engelsehen of de Grieken door eilanden op zee gelokt). In de vlakte bereiken weinig kustrivieren de zee, omdat zij haar water aan het kanaal moeten afstaan. Hier en daar is het droog gelegd omdat de Hoang-Ho, die het meeste water aanvoerde zijn' loop veranderd heeft; maar dit hindert weinig, aangezien de stoomvaart langs de kust zich meer en meer ontwikkelt. De rijst komt over zee in de Pei Ho, behalve in den winter, wanneer de kust met ijs bedekt is.

Het klimaat van China bezit niet alleen alle verscheidenheden van den gematigden aardgordel, maar heeft ook deel aan den kouden en heeten. Het noorden heeft Siberische winters, maar in Kanton evenaart de hitte die van Hindostan; in liet N. ziet men het rendier, in het Z. den olifant. Hoewel de Chineesche vlakte op dezelfde breedte ligt als Zuid-Europa, dat winterregens heeft, brengen de oostenwinden uit den Grooten Oceaan, aangetrokken door het sterk verhitte binnenland van Azië, hier des zomers regen aan.

Het rijk kan in drie gordels verdeeld worden, die met den aequator evenwijdig loopen en in temperatuur en producten zeer verschillend zijn; de noordelijkste

105

ocr page 126

AZIË.

tot 35° N.B., waar gierst en haver gebouwd, en ijzer en steenkolen in overvloed aanwezig zijn; de middelste tot aan 26° N.B., waar de rijst, het voornaamste voedsel van alle Chineezen, en de tarwe uitstekend is en de beste soorten van thee, moerbeziënboomen, katoen, suikerriet eu bamboes gevonden worden. Het oostelijke gedeelte van dezen gordel is beroemd door zijne zijde- en katoen-fabrieken, het middelste is het graanmagazijn van het rijk, het westelijke is de groeiplaats van den echten rhabarber en rijk aan werkhout. De zuidelijke gordel, die door de zee begrensd wordt, heeft bijna dezelfde produkten, maar is nog rijker aan thee en suiker. Bijzonder groot is de tabaksbouw; het gebruik daarvan, door de Mantsjoe's in het „Tlijk van het middenquot; ingevoerd, is door het geheele rijk verspreid.

Bij dezen rijkdom van bodem komt de bijzondere aanleg der bewoners voor kunstwerken van allerlei aard; hun porcelein is het fijnste der aarde, hunne zijde- en katoenwaren (het nanking) en hun verlakt werk zijn uitstekend; bewonderenswaardig arbeiden zij in ivoor, paarlemoer en schildpad; hun vast en fijn papier, hunne inkt en eene menigte andere dingen, die geduld, nauwkeurigheid en kunstvaardigheid vereischen, zijn wereldberoemd. De boekdrukkunst en houtsneekunst , het kruit en het kompas, bankpapier en wissels, mac-adamwegen, draineering en artesische bronnen, koepokinenting en ijzergieten waren hun lang vóór ons bekend. Geleerdheid en ontwikkeling voeren tot de hoogste ambten.

Buiten opium, waarvan het gebruik in alle rangen en standen schrikbarend is toegenomen en Indisch katoen, dat China door den buitenlandschen handel ontvangt, behoeft het slechts te verkoopen, niet te koopeu. Bovendien is de bevolking te arm om vele Europeesche waren te komen koopen. Nooit begunstigde echter de regeering den handel met Europa; de binnenlandsche handel daarentegen is buitengewoon levendig. Van het N. naar het Z., van het O. naar het W., ziet China er als eene altijddurende marktplaats uit, even als eene handelsmis, die het gaheele jaar door onafgebroken voortduurt. Kanton was de eenige voor den Europeeschen handel geopende haven, sedert 1842, toen nog vier havens, later 21, en thans allen zijn opengesteld.

Volgens de leer van Confucius (500 v. Ch.) leidt de hemel als de hoogste macht de groote bewegingen van het rijk, en is daarvan de ware en eenige Heer. De keizer (de Chineezen noemen hem meestal Tien-dse, zoon des Hemels, of ook Hoang-ti, opperste beheerscher) is, volgens de Chineesche uitdrukking, vader en moeder van het rijk; hij heeft aanspraak op de achting, vereering, ja aanbidding van al zijne kinderen; zijne macht is onbeperkt, de staat is de Keizer.

Staatsomwentelingen en verschrikkelijke burgeroorlogen vervullen de Chineesche geschiedenis tot heden toe; vijftien veranderingen van vorstenhuizen beleefde China tusschen het jaar 420 na Ch. tot 1644, toen de Mantsjoe-Tataren, de tegenwoordige beheerschers van het land, Peking bemachtigden

Van Eigenlijk China is het voornaamste deel de Chineesche laagvlakte, zoo groot als Duitschland, met eene bevolking van 140 mill. Geen wonder, dat men hier te klagen heeft over overbevolking, waardoor vele Chineezen gedwongen zijn tijdelijk hun vaderland te verlaten. Zoo vestigen zij zich als kooplieden in de havens van Achter-Indië; pachten in Nederlandsch-Indië belastingen , houden er amFbenkitten, ontginnen de mijnen op Banka, verkoopen alle mogelijke waren in toko's; ontginnen de mijnen in Australië; graven in Peru de guanolagen af; op de Antillen en in Zuid-Amerika treft men hen aan als koeli's op de plantages; Noord-Amerika trokken zij in zoo grooten getale binnen om te arbeiden in de bergwerken van het Rotsgebergte en de goudmijnen van Californië, dat volgens de wet van 1870 hun aantal te San Erancisco niet meer dan 30,000 mag bedragen.

lOfi

ocr page 127

CHINA.

Over het algemeen ontvangt hen de blanke bevolking niet gunstig en daarvoor is reden. Immers zij blijven in zeden, gewoonten, kleederdrachten altijd Chineezen en nemen niets uit den vreemde over. Daar zij zeer werkzaam, zuinig en met weinig verdiensten tevreden zijn, doen zij den blanken arbeiders groote concurrentie aan. Hun eenig doel is, fortuin te maken en dan naar China terug te keeren.

Sterven zij in den vreemde, dan wordt hun stoffelijk overschot overeenkomstig een bij hun leven geuit verlangen in hunne Chineesche woonplaats begraven.

Hier worden alleen eenige voor den handel met het buitenland belangrijke steden genoemd.

In de provincie Pe-tsje-li ligt:

Peking, „de tuin van het noordenquot; de fraaie regelmatige en tegelijk zeer sterke hoofstad en residentie, 5 mijlen in omvang; 500,000 inw.

Tientsing-foe (foe = stad van den eersten rang), aan de vereeniging van de Whenbo en het Keizerskanaal met de Peiho, is de havenplaats der hoofdstad, haar sleutel en voorraadkamer aan de zeezijde; 930,000 inw.

Aan de Blauwe rivier of Jantsekiang ligt:

Nanking „de tuin van het zuidenquot;, in de löde eeuv residentie der Ming-dynastie; hoofdzetel der Chineesche geleerdheid, der zijde- en uanking-fabrieken. Beroemd was weleer de door brand vernielde porseleinen toten, 200' hoog met 9 verdiepingen, uit de 14de eeuw; 450,000 inw.

In de provincie Kanton ofKwantong ligt, in het Z. van het Rijk, de derde belangrijke stad:

Kanton (eig. Kwantong-foe), aan den Tsjoe-kiang of Paarlrivier, die gevormd wordt door de vereeniging van drie rivieren, de Oost-, Noord- en West-rivier, van welke de laatste, de ï s i - k i a n g, verre de grootste is ; na eenen loop van 500 mijlen stort hij zich door vele monden, van welke de Bocca-Tigris de bekendste is, in zee. De rivier is niet minder bevolkt dan de stad: eene ongelooflijke menigte vaartuigen, „jonkenquot; van allerlei grootte en in allerlei gedrochtelijke gedaanten bedekt het water; Ij mill. inw. Kanton werd het eerst voor den handel met de Engelsehen opengesteld.

Sjanghai, nabij den mond van den Jantsekiang, met den levendigsten buiten-landschen handel, die thans reeds aanzienlijker is dan van eenige haven op het vastland van Europa, groote uitvoer van thee over zee naar Hamburg, tienmaal meer dan over den landweg naar Rusland; 270,000 inw.

Ningpo-foe, de oostelijkste haven, bij het eiland ïsjoesan; 115,000 inw.

Foetsjeoe-foe, belangrijk voor zijde en thee, belooft veel voor de toekomst; 600,000 inw.

Amoi, op een eilandje aan de kust van het heerlijke distrikt Poekian; de handel in koeli's, hier gedreven, doet in gewelddadigheid niet onder voor den vroegeren slavenhandel; 300,000 inw.

S wat au, in een dicht bevolkt distrikt, waar veel suikerriet en tabak gebouwd wordt.

Hank au, aan eene bocht van den Jantsekiang, die hier reeds een uur breed en voor groote zeeschepen bevaarbaar is, met grooten theehandel; 600,000 inw.

In het binnenland vermelden wij Si-ngan-foe, op het kruispunt van twee belangrijke handelswegen, één uit het noordoosten van Peking; de andere is de lü-mönn weg (Yü is een kostbare steen), die langs den zuidrand van Mongolië naar het noordwesten voert. Het is de oude hoofdstad, 1 mill. inw. T s c h i n g-toe-foe in het vruchtbare door den Min- kiang besproeide „Eoode Bekkenquot;, 800,000 inw.

Aan de Britten behoort verder sedert 1842 , ten O. van den mond der Kantonrivier, het rotsige eiland Hong-kong (14 □ m., met 155,000 inw.) met de bloeiende hoofdstad en vrijhaven :

Victoria, de stapelplaats niet alleen voor de.Europeesche, Amerikaansche en Indische waren, maar ook voor de Chineesche koopwaren; 102,000 inw.

107

ocr page 128

108

Eeeds sedert de 16de eeuw bezitten de Portugeezen, eerst tegen betaling van een jaarlijksch tribuut en sedert 1863 in eigendom afgestaan, het schiereiland Macao, ten W. van den mond der Kantonrivier.

Macao, op een' in zee uitstekenden berg, langen tijd de eonigo handelsplaats der Europeanen met het Heiuelsche rijk; ten gevolge van het aanslibben der havens en de kortzichtige Portugeesehe politiek, die het te laat tot vrijhaven verklaarde, verplaatste zich echter allengs die handel naar Hongkong; 70,000 inw.?

Van de Chineescbe eilanden zijn vooral noemenswaardig; het bekoorlijke vulkanische Formosa, door den kreeftskeerkring in tweeën verdeeld, iu het westen door Chineezen, in bet oosten door Maleiers bewoond, verder het evenz;er bijzonder vruchtbare Hainan.

Taiwan-foe, de hoofdstad vau het eiland Formosa, wel slechts met eene ondiepe reede, maar voor den rijsthandel van gewicht; 235,000 inw.

C. Midden- of Hoog-Azië.

De gebergten aan den rand van dit hoogland, dat in den vorm van een onregelmatig vierkant aan de westzijde 100 mijlen lengte heeft, terwijl de 3 overige zijden langer dan 400 mijlen zijn, werden reeds opgegeven. Op die hoogvlakte verheffen zich drie met sneeuw bedekte bergketenen, die 300 mijlen lang zijn en van W. naar O. loopen.

1) De Thian-Sjan (Hemelgebergte) de noordelijke; 2) zuidelijker de Kuën-1 u n (Uiengebergte), welks verlenging is de H i n d o - K o e s j in Afghanistan , westelijk van den Kisel Tart keten, en oostelijk de Altyn Tag en de Nan Sjan, die de scheiding vormen tusschen de Han Haï (opgedroogde zee) ten noorden eu Tibet ' ten zuiden. 3) de Karakoroem-keten, tusschen den Kuënlun en het Himalaja-gebergte.

De oostelijke helft van dat hoogland omvat de 6—8000'hooge Mongoolsehe hoogvlakte met de woestijn Gobi of Sjamo.

10. i) Man t s j o er ij e (To engo e zi ë).

(ruim 17,400 n m., ruim 12 mill, inw.)

Mantsjoerije wordt in het zuiden begrensd door het Alpenland van dien naam, in het westen door het Khingan gebergte, in het oosten door het Tataren gebergte, dat steil oprijst uit zee en het land dus onttrekt aan den weldadigen invloed van de regen aanbrengende winden uit den Grooten oceaan maar ook aan dien van den kouden stroom, die uit de zee van Ochotsk komt. Aan de kust liggen geen andere havens, dan die van Nikolajewsk (thans weinig meer bezocht) in het noorden en die van Wladiwostok (heer van het oosten) in het zuiden. (Waarom is M. nu grootendeels een steppenland)? Het wordt verdeeld in een Chineesch en een Eussisch gedeelte, waartoe de geheele oostelijke kust en al het land links van den Amoer behooren. De Chineezen bestemden hun gedeelte langen tijd tot een verbanningsoord maar bij de groote overbevolking in eigenlijk China beginnen zij er meer landbouwcolonies te stichten. Het is rijk aan groote steden, waaronder het meest bekend Moekden (170,000 iuw.) Girin (120,000 inw.) en Tsitsikar (60,000 inw.).

De Amoer stroomt met eene groote bocht langs de noordergrens; zij ontspringt aan den N.O.rand van Hoog-Azië en heeft hare uitwatering verder N.O.lijk tegenover de noordelijke punt van het eiland Sachalin of Tarakai.

ocr page 129

MONGOLIË.

11. c) Mongolië (Oostelijk Hoog-Azië).

(61000 □ m., 2 mill, imv., met inbegrip van de volgende 12rf en 13e).

Het grootste deel van dit aan China onderworpen wilde steppen- en bergland wordt in het midden door de kiezelige, steenige en zoutrijke Gobi of Sjamo ingenomen (400 m. lang, 50—150 m. breed).

De hoofdstad van eigenlijk Mongolië is:

Oerga of Koeren, ten Z. van het meer Baikal, de heilige stad der Mongolen, zetel van een' Chincesehen onderkoning, 70,000 inw.; 55 m. ten Z.W. liggen de overblijfselen van Karakoram, de beroemde residentie van den eersten opvolger van Dzjengis-khan; 35 m. ten N. van Oerga ligt:

Maimatsjin, zeer dieht bij de Rassische grensstad Kjaehta, de hoofdstapelplaats voor den Russisehen handel op China.

12. d) D son ga rij e.

(0900 □ m., \ mill, inw.)

Aan de noordelijke helling van den Thian-Sjan ligt de rechtstreeksehe Chineesehe provincie Thian-Sj a n-Peloe (d. i. provinciën ten N. van het Hemelsche gebergte), het bronnenland van dsn Irtisj met de meren Dsaisang, Balkasj (500 □ m.) en Issik-Koel, die echter reeds tot Russisch grondgebied behooren.

Ili of Koeltsja, aan den Ili, die in het meer Balkasj stroomt, is nog de zetel van een' Chineesehen bevelhebber en hoofdstapelplaats voor den grenshandel; 30,000 inw.

13. e) Hoog-Tatarij e of Oostelijk Toeran.

(20,300 □ m., I mill. inw.).

Door eenen overweldiger uit West-Toeran, lakoeb Khan genaamd, werd het sedert 1863 van China geheel onafhankelijk verklaard, maar bij zijn' dood in 1877 bemachtigde China het weder zonder veel moeite. Thian-Sjan-Nanloe (d. i. provinciën ten Z. van het hemelsche gebergte) bestaat uit H oog-Ta t a rij e of Klein-Boekarije met het westelijke deel van de woestijn Gobi, vruchtbaar in het dal van de rivier T a r i m, die ontstaat uit de samenvloeiing van den Jarkand en Kasjgar, en in het Steppenmeer Lop valt. Aan den over hemelhooge passen voerenden karavanenweg zijn als hoofdhandelsplaatseu tussehen Rusland en Britsch-Indië in het binnenste van Azië belangrijk:

Jarkand, 80,000 inw., en N.W.lijker Kasjgar, ongeveer even bevolkt.

14 f) Tibet (Zuidelijk Hoog-Azië).

(30,000 □ ra., met 6 mill. inw.).

In het Z. verrijzen de besneeuwde koppen van den Himalaja; de Kuënlun vormt de noordelijke grenzen. Eene hooge keten scheidt het westelijk gelegen Klein-Tibet of Ladak van het oostelijk gelegen Groot-Tibet, dat het bronnenland der Achter-Indische rivieren is. De wilde natuurtafereelen van Zwitserland komen in dit hoogste, 13—14,000' hooge, golvende bergland in grooteren maatstaf voor, gevaarlijke rotswegen , sneeuw- en ijsvelden , ijzingwekkende afgronden, moerassen eu hooggelegen bergmeren. In Groot-Tibet ligt;

L'Hassa, door hooge muren omringd, 6 ureu in omvang, de residentie van den Dalaï-Lama, den altijd weder jong wordenden vertegenwoordiger van Boedda; zijn beroemde tempel, op den nabijgelegen berg gebouwd, bevat 10,000 kamers; 35,000 inw.

Een tweede kloosterpaleis, dat door 3000 monniken bewoond wordt, bevindt zich in de stad Ïisjoe-Loeinboe aan de Dzjambo, waar de Bogdo-Lama, eene tweede mensehwording van Boedda, zijne woning heeft.

109

ocr page 130

AZIË.

15. Toer an, Toerkestan.

(60,000 □ m., 7 mill. inw.).

De oostelijke en zuidelijke rand bestaat uit verschillende terrassen van de hooge sneeuwgebergten van Midden-Azië, afkomende van het hooge Pamir-platau, zuidelijk de Hindo-Koesj. Van deze hoogten daalt het land allengs tot aan het laagste gedeelte van geheel Azië rondom het meer Aral en aan de Kaspische zee. De waterspiegel van dit laatste zout-watermeer, dat omstreeks 8000 □ m. beslaat is 80' lager dan die der Zwarte-zee, en schijnt nog steeds af te nemen, ofschoon groote rivieren er in uitloopen. Die van het meer Aral (1300 □ m.), ligt 144' boven de Zwarte en dus 224' boven de Kaspische zee.

In het meer Aral vloeien, van liet Pamir-plateau, de Amoe-darja of Dzjihon {Oxus), en van den Thian-Sjan, de Sir-darja {/axaries). Het is grootendeels een steppenland, dat in sommige deelen geheel in woestijn overgaat; b. v. de Kizil Koem of de Roode-, de Karakoem of de Zwarte- en de Turkménen-woestijn. Alleen langs de rivieren vindt men bebouwde streken. Daar vruchtbaarheid en leven afhangen van de besproeiing door het rivierwater en dit door de bewoners langs de oevers in kanalen over de velden wordt afgeleid, volgt hieruit, 1°. dat vele rivieren in het zand smoren, 2quot;. dat er eeuwig strijd is om het water tusschen de omwonende volken.

De bewoners (verscheidene volkeren onder eenige Khans) zijn bijna allen dweepzuchtige Mohamedanen. Schiïetische Perzen, Tadsjiks of Boekaren genaamd, maken de voornaamste bevolking uit. Veel minder talrijk is het heerschende volk, de Sonnietische Turken; daartoe behooren deUsbeeken, de vroegere veroveraars, de in het westen rondzwervende onrustige Toerko-mannen of Troechmeenen en de Kirgiezen, wier horden aan Eusland onderworpen zijn.

1) Het machtigste khannaat is üoekara, na de Russische veroveringen nog de rijkste, meest bevolkte en eigenlijk eenige geregelde staat van Onafhankelijk Tatarije, op den rechteroever, van den middelloop van de Amoe-darja, raaar vooral sterk bevolkt en goed bebouwd aan de oevers van de biunenlandsche rivier Zerafsjan, die geheel aan de bebouwing van den grond wordt dienstbaar gemaakt, zoodat haar water zelfs niet eens de Amoe bereikt. In dit rijk bestaat een spionnen-systeem, waarin het slechts door Japan wordt overtroffen.

Boekara, rechts van den middelsten loop van den Amoe; residentie van den Khan, met bloeiende fabrieken en handel; 70,000 inw.

2) Het khannaat van Khiwa, beperkt tot een gebied op den linkeroever van de Amoe.

De inlijving van deze beide khannaten bij de Russische bezittingen is slechts eene questie van tijd.

3) De Russische bezittingen of Centraal-Azië in staatkundigen zin.

a) Het land der Kirgiezen, roofzuchtige horden, die onder vilten tenten en alleen 's winters in een vast kamp wonen. Zij zijn verdeeld in de Groote Horde van 400,000 man tusschen het meer Balkasj en Issik-koel en westelijker de veel talrijker Middelste en Kleine Horden.

b) De vroegere khannaten aan den bovenloop van den Sir Darja in de laatste jaren veroverd en in 1867 tot een afzonderlijk generaal-gouvernement Toerkestan gevormd. Zoo wordt thans de Amoe en Sir-darja voor een groot deel door stoom-booten bevaren. Vooral om het Balkasj- en Issi-meer is de grond vruchtbaar.

Toerkestan, aan eene rechterzijrivier der Sir-darja; hoofdstad der nieuwe provincie.

Tasjkend, aan eene andere rechterzij rivier, kruispunt van handelswegen uit Siberië, China en Midden-Azic, 100,000 inw.

110

ocr page 131

TOEKAN.

Kodsj end, aan de Sir-darja, op de plaats waar Alexander de Groote zijne verste

stad, Alexandria éschata, grondvestte; 30,000 inw.

Samarkand (Maraoandd), eens de schitterende residentie van Timoer Tamerlan

en nog de zetel van Mohainedaansehe geleerdheid en dweperij; 20,000 inw. Kopal, nieuw gestichte bloeiende hoofdplaats tussohen de meren Balkasj en Issi.

D. N o o r d - A z i ë.

16. Aziatisch-Rusland.

(Met inbegrip van Kaukasië en het pas vermelde Midden-Azië, 304,300 □ m ,

met 16 mill. inw.).

Siberië, IJ maal Europa, tusschen de parallellen van Venetië en van Spitsbergen, van den Oeral tot aan de Beringstraat en van den noordrand van Hoog-Azië tot aan de IJszee, is voor het grootste deel laagland (i van geheel Azië), dat in het N. uit ondoordringbare veenmoerassen (toendra's) bestaat en meest met ijs bedekt is. Drie groote stroomgebieden behooren hiertoe: dat van de Ob (580 m. lang, ontvangt links de Irtisj met de Tobol), dat van de Jenisseï (700 m. lang, de grootste rivier van NO.-Azië, wanneer men als hoofdbron de Selenga aanneemt, die als Angara door het 1900' hoogte en 034 D m. groote meer Baikal vloeiend, in de Jenisseï uitstroomt) eu dat van de Lena (550 m. lang).

Deze rivieren hebben haar' mond in eene zee, die maar zelden vrij van ijs is, en als middel van verkeer tusschen binnen- en buitenland beteekenen zij dus weinig. Toeh zijn zij door de bewoners langs de oevers ten zuiden van de streek der akkers (d. i. Siberiê's steppengebied), door de „visch (zalm) oogstenquot; van groot belang. In de laatste jaren is de vraag aan de orde gesteld; Is de Karische zee, „de ijskelder van Europaquot; des zomers zoo lang open, dat men door eene der zeeëngten tusschen de eilanden van Nova Zembla (Matotsjkin Sjar, Joegorstraat, Karastraat) haar binnen komende, de genoemde rivieren ver genoeg kan opvaren om granen, hout, pelterijen uit Siberië naar Europa over te brengen, na er Europeesche fabrikaten te hebben gelost? Nordenskjöld, wien het eenige keeren gelukte in betrekkelijk korten tijd de heen- en terugreis te volbrengen, was van meening, dat de groote massa gesmolten rivierwater een' stroom naar de genoemde zeeëngten zou doen ontstaan, krachtig genoeg, om het ijs den oceaan in te drijven. Jammer maar, dat de hier dikwijls heerschende westenwinden dat wegdrijven verhinderen. In elk geval is b. v. de Jenisseï, hoewel tot de stad Jenisseïsk voor rivierbooten bevaarbaar, zoo lang met ijs bedekt, dat dezen zich moeten haasten na het lossen der lading terug te keeren, willen zij geen gevaar loopen van invriezen in de Karische zee.

De noordrand van Hoog-Azië heeft, tusschen de Irtisj en Ob in den bovensten loop, den naam van het A11 a ï-, d. i. goud-gebergte; om het groote alpenmeer Baikal ligt in 't Z.O. het Daoerische Alpenland; van hier af neemt het Daoerische Ertsgebergte de ruimte in tusschen de Sjilka en Argoen, de bronrivieren van den Amoer, en draagt verder, als noordoostelijke voortzetting en waterscheiding tusschen de Amoer en Lena, den naam van J a b 1 o n n o i-gebergte tot aan het gebergte van Kamtsjatka.

De grootste helft van dit uitgestrekte land laat geene bebouwing toe; de 1 a n d-bouw voedt slechts in het W. de bewoners, helgrootste deel leeft van veeteelt (in het Z. ijlt de kameel over dc onafzienbare steppen, in het N. trekken het rendier en de hond de sleden over de sneeuwvlakten), van de j acht op de onuitputtelijke menigte wild en pelsdieren, en van de zeer voordeelige visscherij. Ueu rijkdom van het land maken de kostbare pelterijen uit (sabel, hermelijn,

Ill

ocr page 132

AZIË.

zwarte eu blauwe vos) en de rijke ijzer-, koper-, zilver-, goud- en platina-mijnen. In liet algemeen is de bevolking hoe oostelijker, des te dunner gezaaid.

Aan de kusten der IJszee wonen: 1) F i n s c li e volken, en wel aan de Ob Ostiaken, aan de Jenisseï Samojeeden, aan de Kolyma Joekagieren en Korjakeu. Aan de Beringstraat; 2) de tot den stam der Eskimo's behoorende Tsjoektsjen en Aleoeten (de laatsten op de eilanden). 3) Tot den stam der Mongolen bebooren de Kamtsjadalen, Toengoezen, Koerielen, Mongolen en Kalmukken. 4) Tot den Turkschen stam bebooren de Jakoeten aan de Lena, de Kirgiezen en Baskieren. — Kussen en vooral Kozakken, vormen de overgroote meerderheid der bevolking: 3 mill, tegen i mill. Zij trokken naar Siberië, 1°. om de pels-dieren, 2°. als bannelingen, 3°. als arbeiders (vrijwillig of gedwongen) in de mijnen en 4°. door de ontwikkeling van den llussiscli-Chineeschen handel.

d) Generaal-Gouvernement West-Siberië.

Het meest bevolkte en bebouwde gedeelte.

Berisof, stapelplaats aau den benedenloop van de Ob.

Tobolsk, vroeger hoofdstad, vesting aan de samenvloeiing van de ïobol eu Irtisj, hoofdstad van eten pelterijhandel; 18,500 inw.

Omsk, zuidelijker aan de Irtisj, op de grens tussehen wouden en steppen, zetel van den Generaal-Gouverneur; 16,000 inw.

Tomsk, aan de Tom. Hier begint het in 1830 ontdekte goudland; zeer levendige handel met de nomaden; 30,000 inw.

Kolywan, aan de Ob, met eene groote keizerlijke steenslijperij; 2000 inw.

Barnaul, aan de Ob, voornaamste bergstad aan den Altai, met goud- en zilvermijnen en eene munt; 13,500 inw.

Bij West-Siberië wordt door Rusland gerekend de provincie Semipalatinsk aan de boven-Irtisj, een land met gezegend klimaat, groote vruchtbaarheid en rijk in natuurschoonheden, het Siberisch Italië.

Semipalatinsk, aan de Irtisj; 10,000 inw.

Hieraan grenzen de nieuw verworven landschappen in Toeran op bl. 110 onder b) genoemd.

b) Generaal-Gouvernement Oost-Siberië.

Veel grooter dan het westelijk gedeelte, bijna zoo groot als Europa en in belangrijkheid sterk toegenomen, sedert de Russen bezit hebben genomen van al het land ten noorden en aan den mond van den Amoer, en daardoor eenig handelsverkeer op die rivier is ontstaan.

Krasnojarsk, aan den bovensten loop van de Jeuissei, bloeit door rijke goud-wasscherijen en door den hierlangs loopenden handelsweg; 10,000 inw.

Jenisseïsk, aan de Jenisseï, beneden den mond van de boven-Toengoeska; beroemde mis in Augustus; handel met de benedenrivier; 7000 inw.

Irkoetsk, hoofdstad, aan de kristalheldere Angara, 1000 mijlen van Eerlijn, 300 m. van Peking, dc aanzienlijkste en fraaiste stad van Siberië, waar men geheel op Europeesche wijze leeft; 33,000 inw.

Kjaehta, slechts door eene beek van de Chiueesche stad Maim at sj in gesclieiden, is op de grenzen de hoofdzetel voor den handel op China. Op de groate mis in December werd vroeger voor 10 mill, roebels waren omgezet, gemiddeld jaarlijks voor 30 mill, roebels; thee, pelterijen, laken en rhabarber maakten de voornaamste handelsartikelen uit; in de laatste jaren heeft dc handel zieli meer naar de zeehavens verplaatst.

Tsjita, aan de Sjilka, de bron-rivier van de Amoer, hoofdstad van het ertsrijke Trans-Baikalië, (Land aan de overzijde van het. Baikalmeer).

Nertsjinsk, niet ver van de Sjilka, 100 m. oostelijk van Kjaehta; lood- en zilvermijnen, in welke omstreeks 50,000 menschen (vooral bannelingen) arbeiden; 3S00 inw.

112

ocr page 133

AZIATISCH—RUSLAND,

Jakoetsk, aan de Lena, middelpunt van gezellig, beschaafd verkeer, hoofd- en stapelplaats voor den pelterij- en ivoor-handel in Oost-Siberië. De grond is hier zeer diep bevroren, ontdooit 's zomers slechts eenige voeten, maar levert dan rijkelijk gras op; hier ligt „de Aziatische Koude Poo 1quot;, met eene win-tertemperatunr van — 40° C. en eene zomertemperatuur van -I- ISquot; C., een verschil dus van 55quot;. (Wat is daarvan oorzaak ? Zie bl. 55.)

Hieronder behoort verder nog;

1) DeKust-provincie, waartoe, behalve een gedeelte van het beneden-stroomgebied van de Amoer en de kuststreken van Mantsjoerije en oostelijk Siberië, ook Kamtsjatka gerekend wordt. Dit laatste schiereiland, zoo groot als Italië, heeft ontzaglijke rijen werkzame vulkanen (28 in getal) tot bijna 15,000' hoogte langs de oostkust, terwijl uitgedoofde lagere vulkanen de middelste bergketen vormen. Het klimaat is iets minder streng dan in het tegenover liggende Siberië, vooral in de zuidelijke deelen dezer provincie, zoodat de vruchtbare grond nog aardappelen voortbrengen kan, de vochtige lucht is er voor den groei van het gras bijzonder gunstig. Geen streek der aarde heeft grooteren overvloed van de beste en smakelijkste visschen. De Kamtsjadalen, vóór de verovering door de Eussen twintigmaal zoo talrijk, zijn door de wreedheid der Kozakken en door vreeselijke pokken-epidemiën tot 5000 zielen versmolten; zij zijn Grieksche Christenen. Het ligt tusschen dezelfde breedtecirkels als Groot-Britannië, maar welk een verschil in klimaat, plantengroei, middelen van bestaan en maatschappelijke toestanden in beide landen! Gr. Br. staat onder den invloed van de zuidwestenwinden en den golfstroom, Kamschatka onder dien van noordwestenwinden en koude stroomen uit het noorden. Ook in de verheffing van den bodem, de gesteldheid van het naburige vasteland en andere omstandigheden zijn de oorzaken voor het verschil gelegen.

Blagowjes-tjensk, hoofdstad aan de Amoer, reeds bloeiend en door stoomvaart niet den Grooten Oceaan verbonden.

Petropavlofsk, voormalige zetel van den gouverneur, die, na de belegering door de Engelsclien en Pranschen in 1856 , van hier verhuisd is naar Nikolajefsk; 500 inw.

Ochotsk, aan den noordelijken zoom der gelijknamige zee, op gelijke breedte als Petersburg, doch onherbergzaam banningsoord der gevaarlijkste veroordeelden; 200 inw.

A jan, zuid westelijker, aanzienlijkste pelterijen-markt.

Nikolajefsk, aan den mond van de Amoer. Deze nieuwe stad drijft eenigen handel met het daartegenover gelegen San I'ranoiseo; de scheepvaart is echter meer dan de helft dos jaars door het ijs gestremd. Zij wordt overvleugeld door het nabij Korea gelegen VYladiwostok (Heer van het Oosten); 9000 inw. eene prachtige haven.

2) Het eiland Sachalin, 1420 □ m., vóór den mond van de Amoer, rijk aan steenkolen.

3) De 4 eilanden van Nieuw-Siberië in de Noordelijke IJszee, onbewoond, maar evenals de tegenoverliggende monden van de Lena merkwaardig door de ontzaglijke menigte voorwereldrijke tanden en beenderen van mammoeten, buffels, rhinocerossen en andere gedierten, en lagen van drijfhout van meer dan 100' hoog.

17 Kaukasië en hot Transkaspisclie gebied.

(14500 □ m., 5,700,000 inw.).

Het Cirkassische land werd in 1774, na den vrede van Koetsjoek-Kainardzje, door de Kussen in bezit genomen en sedert 1800, na de overdracht van Georgië door den laatsten Koning, werd voortdurend om de daarmede samenhangende berglandschappen gekampt, totdat in 1859 quot;Rusland zich dit bezit door de gevangenneming van het opperhoofd Sjamyl verzekerde; een aanzienlijk aantal bergbewoners ontweek de Eussische overheersching door zich in de Dobrocdsja, op Turksch

113

ocr page 134

AZii.

grondgebied en onder eene hun onbekende heerschappij te vestigen, hetgeen eene spoedige versmelting heeft ten gevolge gehad.

Behalve talrijke overal verspreide Russen, Duitschers, Grieken, Joden en Zigeuners, leven hier inheemsch Tataren, Perzen, (op het schiereiland Apsjeron), Christelijke Armeniërs en de talrijke Mohammedaansche bergvolken, van welke de voornaamste zijn: de Tsjerkessen, Tsjetsjenzen, Georgiërs en Mingreliërs. Deze volken wonen in Transkaukasië (het land ten zuiden van den Kaukasus) en voeren strijd met elkander om het bezit der weiden in de bergen, om dat van het stroomende water in de vlakte. De Eussen hebben hier militaire landbouwkoloniën gesticht, waar de troepen zicli kunnen oefenen in den strijd met de bergvolken, evenals de Franschen in Algiers (verschil met Siberië, waar de inheemsche bevolking grootendeels reeds is ondergegaan). In C i s-Kaukasië maken de Eussen de meerderheid uit. De Osseeten om den berg Kasbek behooren insgelijks tot de Indo-Europeanen.

De provincie Cis-Kaukasië is eene uitgestrekte, vruchtbare, maar weinig bebouwde vlakte aan den noordelijken voet van den Kaukasus.

Stavropol, hoofdstad en vesting; 35,000 inw.

Kis Ij ar, handelsstad a/d Terek, niet ver van zijne uitwatering in de Kaspische zee; zijdeteelt eu wijnbouw.

In Trans-Kaukasië liggen:

Tiflis, a/d 'K.ocx {Cyrus), tot 1800 rosideutic der Georgische koningen, thans van een' Grootvorst als stedehouder; middelpunt van den levendigen handel van dit land, vooral ook met Perzic. Spoorweg naar Poti en Bakoe. Verbinding met Wladikaukas, (Heer van deu Kaukasus) over den D arië 1 pas. In de heerlijke omstreken bevinden zich bloeiende Dnitsche volkplantingen; 105,000 inw.

Poti, a/d Zwarte zee, te midden van ongezonde moerassen en meren, eens de Milesische kolonie Phasis. Ruïnen uit Romeinschen en Perzischen tijd liggen over het gansche land verspreid.

K o e t a ï s, meer binnenwaarts in de dichtst bevolkte streek, aan den spoorweg van Poti naar Tiflis.

Eriwan, gescheiden van den Ararat door het dal van de Aras, in het Russisch-Armenische gebied; in de nabijheid ligt

Etsjmiatsin, zetel van den oppersten Armenischen patriarch; 12,000 inw.

Bakoe, aan het begin van het schiereiland Apsjeron, in de voormalige Perzische provincie Sj irwan, vesting en oorlogshaven voor een gedeelte der Kaspische vloot; invoerhaven van Trans-Kaukasië voor de waren uit Astrakan aangevoerd; bedevaarts-oord voor Indische en Perzische vuuraanbidders (Gnebers en Parzen) naar de vuren, die in de omstreken overal uit den met aardpek en gas verzadigden grond tevoorschijn komen; intnssehen boezemen deze „eeuwig brandende vurenquot; veel minder belang in dan de petroleum, van uitmuntende qualiteit, welke de omtrek oplevert en die thans reeds Rusland en in de naaste toekomst geheel Europa onafhankelijk maakt van den aanvoer uit Amerika; 16,000 inw.

Derbend, de poort der volken aan de oostelijke helling van den Kaukasus, volgens de sage door Alexander den Groote gegrondvest. In de nabijheid overblijfselen van den beroemden muur, welke eens die Kaspische pas afsloot; 15,000 mw.

K a r s, vesting in Russisch Armenië.

Tot het Transkaspisch gebied behoort het land der Turkmenen, dat bestuurd wordt door den aanvoerder van het Kaukasusleger. De aanhoudende rooverijen dezer laaghartige, moordzuchtige woestijnbewoners maakten hunne tuchtiging en onderwerping noodig. («Een Turkmeen te paard kent vader noch moeder; hij rust noch onder de schaduw eens booms, noch onder de bescherming eens konings.quot;) Ook hebben de Russen hun de oase Merw afgenomen, een belangrijk punt op den weg naar Britsch-Indic. HetOestj-Oertplateau tusschen Kaspische zee en Aral-mecr is bijna onbewoond. Krasnowodsk aan de Kaspische zee, door een' spoorweg verbonden met Kisil Arwat en Geok Tepe, zijn oasen in de woestijn. Deze is onlangs verlengd tot Ask a bad en de verbinding met Merw volgt spoedig.

114

ocr page 135

sene

AFRIKA.

(545,000 □ m., ongev. 306 mill. imv.).

Afrika is lang onbekend gebleven, hoewel het, althans met den noordrand, zoo dicht bij het beschaafde Europa ligt. Daarvoor zijn verschillende redenen van geografischen aard;

1°. Het noorden kenmerkt ziel door arme, waterlooze streken, weinig havens en rivieren, groote hitte;

2quot;. het westen en oosten door moerassige, hoogst ongezonde kusten, terwijl

3°. het zuiden evenals Zuid-Amerika en Nieuw-Hollend te ver lag van de beschaafde deelen der aarde.

Redenen genoeg om te begrijpen, waarom het koopman, geleerde, noch zendeling gemakkelijk viel het land binnen te dringen. En al waren nu de moeilijkheden aan de grenzen overwonnen, dan deden zich voor den ontdekker nieuwe bezwaren op; b. v. moerassige wouden, gelijk langs den Nijl; rivieren met watervallen, gelijk langs den Congo en Zambezi; armoed aan eilanden, waardoor het verkeer ter zee en met naburige landen kan bevorderd worden, eene fanatieke, bloeddorstige bevolking gelijk de Toearegs en Niam-Niamnegers.

Dat het wel degelijk redenen zijn aan de ligging en de natuurlijke gesteldheid des lands ontleend, die de bevolking op zoo lagen trap van beschaving doen staan, blijkt daaruit, dat Egypte, bij Azic gelegen, de zetel is geweest eener oorspronkelijke beschaving; dat in Soedan tusschen Nijl, Nigir en Sjari, en in Midden-Afrika tusschen Zambezi, Congo en de Equatoriale meren oude, goed georganiseerde staten werden aangetroffen. In het eerste land deden zich de nadeelige invloeden van grooten afstand van beschaafde landen, van slecht verkeer in het binnenland, van de moeilijkheid om producten te ruilen niet gevoelen ; in de andere landen werkte de vruchtbaarheid van den bodem gunstig op de welvaart der bewoners. Ware de landengte van Suez een breed kanaal geweest en Afrika 10° graden zuidelijker gelegen, waarschijnlijk zoude men er toestanden aangetroffen hebben, gelijk men ze in Australië bij de ontdekking vond.

Het bleef voor onzen tijd bespaard, om de ontoegankelijkheid van het binnenland te overwinnen, Barth, Nachtigall en Rohlfs in het N., Livingstone in het Z. en midden. Grant, Burton, Speke en Baker in het O., Cameron en Stanley in het W., en anderen zooals Lenz, Schweinfurth , Serpa Pinto waren daarin het gelukkigst.

Ofschoon het naar de grootte het derde is, heeft Afrika van alle werelddeelen den minst afwisselenden kustvorm; terwijl b. v. in Europa reeds op elke 35 □ m. ééne mijl kustlengte komt, heeft Afrika er slechts ééne op elke 153 □ m. De romp van dit werelddeel, „den stam zonder takken,quot; heeft den vorm van een trapezium (het noordelijkst deel) met daartegen geplaatsten gelijkbeenigen driehoek ; zoodat | er van op het noordelijk, ^ op het zuidelijk halfrond is gelegen. (Men bepale nauwkeurig de grenzen en leere de golven die de kaart aangeeft). De grootste lengte van N. tot Z., van kaap Blanco tot de Naaldkaap, bedraagt 1100 mijl., de grootste breedte, van het westelijke Groene voorgebergte (kaap Verd) tot aan de oostelijke kaap Guardafui, 1000 m.

Bijna even weinig afwisseling biedt de oppervlakte aan: Hoogvlakten in ter-

611 I on),

van ; en den de bier den rië,

i s-Jerg

inig ■

sclie

van dit met de

QW.

de gen

veg

ich-

'er-

che rd;

en)

len !nquot;

de eel

ÏHS

len

rd

ien en ist

quot;) I

en al-)r-in.

ocr page 136

AFRIKA.

rassen afdalende kenmerken den vertikalen bouw. Zuid- en midden-Afrika's binnenland schijnt één groot hoogland te wezen, dat terrasvormig van het Z. en het W. stijgt en hier en daar afgezonderde bergketenen torscht, die onder den aequator tot 20,000' rijzen; in het O. daalt de bergrand steil naar de breede kustvlakte, die soms door berggroepen wordt afgewisseld. In de noordelijke helft breidt zich eene onzaglijke groote vlakte uit, grootendeels — van den Atlantisehen Oceaan tot nabij deu Nijl op 20° N.B. — ingenomen door de Sahara, eene woestijn die evenwel volstrekt niet verstoken is van rotshoogten en gebergten, eene oppervlakte beslaat zoo groot als | van geheel Europa, en die zich in het noordwesten aansluit aan het stelsel van den Atlas. De kleinere zuidelijke helft der vlakte bezit een' veel gelijkmatiger ellen bodem en bestaat uit het voor korte jaren nog bijna onbekende Soedan of Nigritië, met het meer ïsad als laagste plek in het midden. Naar het W. en Z.W. rijst het land langzamerhand in Hoog-Soedan tot het Konggebergte, dat de kust van Opper-Guinea begeleidt en in verbinding staat met het bergland van Senegambië. In het Kong-gebergte, nauwlijks 40 mijlen van den Ivoor-kust, ontspringt de gewichtige Niger, die onder den naam van Djoliba door het meer Dibbie stroomt, dan als I s s a of Majo nabij Timboektoe den rand der woestijn nadert, zich vervolgens zuidoostelijk wendt, als Kworra, daarop GO mijl van den mond harer aanzienlijkste zijrivier de B e n o e w é of Tsjadda opneemt en eindelijk eene woudrijke delta vormend, vooral door den hoofdmond Noen in de Golf van Benin valt.

In het O. verheften zich daarentegen de hooge Abessinische gebergten met hunne zuidelijke vertakkingen, die, hoewel zoo nabij den aequator, toch duurzaam sneeuw dragen en in het meer T s a n a den oorsprong geven aan den Blauwen N ij 1 (Bahar el Azrek), eene zijrivier, die zich bij Kharlhoem vereenigt met den hoofdstroom, den Witten Nijl (Bahar el Abiad), die uit de meren Victoria- en Albert-Nianza onder en nabij den aequator vloeit. De bovenloop van den Nijl reikt tot de watervallen van Assoean {Syaie), en daalt langzamerhand tot de Middellandsche zee. Hij is op één na de grootste rivier der aarde. In zijn' loop van 300 mijlen door Nubiii en Egypte heeft deze stroom geen enkele zijrivier, en is daar voortdurend begrensd in een eng dal door steile rotsen en zandwoestijnen.

Geheel anders is het hooger op bezuiden 10° N.B. gesteld. Uit het door Stanley ontdekte A 1 e x a n d r ameer stroomt de Nijl naar het 3400' hooge U k e-re wemeer, hetwelk hij verlaat, om het Mwoetanmeer binnen te stroomen. Weldra komt hij we-ler te voorschijn als Bahar el Gebel, d. i. bergstroom, die van Khartlioem af tot Ladó op 5° N.B. door stoombooljes wordt bevaren. Intusschen wordt het verkeer dikwijls gestremd door verbazende massa's slik en waterplanten, van welke de Ambatsch als vlot in staat is acht man te dragen. Onder 9° N.B. ontvangt hij een groot aantal rivieren, die zich vereenigen tot B. e. Ghazal (Gazellenrivier), maar door hare overstroomingen het naburige land in een onbegaanbaar moeras veranderen. Van nu af heet de Nijl B. e. Abiad, die door zijn' gelijkmatigen wateraanvoer als hoofdstroom moet beschouwd worden, terwijl de B. e. Azrek door zijn wisselenden waterstand en aanvoer van slib „Egypte tot een geschenk van den Nijlquot; maakte.

Het grootste stroomgebied van Zuid-Afrika schijnt dat der Zambezi te zijn, die haren oorsprong vindt door de vereeniging der Liambey of Sesjeke met de T s j o b e, en die later door eenige armen, waarvan de Q u i 1 i m a n i de voornaamste is, in de straat van Mozambique valt. Ook het gebied van de Ga riep (d. i. stroom) of Oranje-rivier is zeer belangrijk; zij ontspringt nabij den Indischen Oceaan en stort zich in den Atlantisehen.

Bijzondere belangstelling wekt in de laatste jaren het gebied van den Kongo. De namen van Livingstone, Cameron, Stanley, de Brazza eu koning Leopold II

116

ocr page 137

AFKIKA.

van België mogen daarbij niet onvermeld blijven. De Kongo is de grootste van Afrika's stroomen en heeft den grootsten rijkdom aan water, omdat hij en zijne zijrivieren, van welke nog weinige bekend zijn, liet water afvoeren van het «equatoriale en tropische regengebied. De berichten over de vruchtbaarheid van zijn stroomgebied en zijne beteekenis voor het verkeer in Midden-Afrika loopen zeer uiteen. Hij heeft zijn' oorsprong nabij het ïanganjikameer, gaat door het Bang-weolomeer, heet van hier tot het Moero Okatameer, Loeapoela, en stroomt als Loealaba (zoo heet ook eene linkerzijrivier) voorbij de groote markt Nyangwe. Hij is nu best bevaarbaar tot de Stanley-vallen; gaat in een' grooten boog door den equator zuidwestwaarts; verbreedt zich tot een breed bekken, Stanley-Pool genaamd en komt na de Livingstone- of Yeliala-vallen gevormd te hebben, in de alluviale vlakte van zijn' mond, welke groote schepen slechts 20 mijlen kunnen opvaren. Iets noordelijker breekt de Ogobai door het kustgebergte om zich ook in dien Oceaan te werpen.

In Westelijk-Afrika stroomen de Rio Grande, de Gambia en de Senegal naast elkander door het Senegambische terrasland naar de vlakke kuststreken.

Het verdient te worden vermeld, dat eenige kusten op afstanden van 100—300 mijl geen enkel kuststroompje opleveren (zie de kaart in het N., N.O. en O. en Z.W.), doch dat daarentegen de lage ligging van het meer Tsad, Ngami en andere meren in het Z., aan verscheidene op de randgebergten ontspringende rivieren aanleiding geeft om haar water binnenwaarts af te voeren naar die vooral in den regentijd uitgestrekte doch veelal ondiepe plaatsen.

De ligging van dit werelddeel tusschen 37° N. en 35° Z. Breedte (| in de tropen), de uiterst geringe invloed van het zeeklimaat door de groote uitbreiding van het vaste land en de verbazend hooge temperatuur der noordelijke vlakten, verschatten Afrika den betrekkelijk hoogsten graad van warmte; een Arabisch reiziger zegt: „in Nubië is de aarde vuur, de wind eene vlam.quot; Op die gloeiende daghitte volgt echter nachtvorst, op de grootste dorheid dikwerf hevige stortregens. Intus-schen is de gemiddelde temperatuur ten noorden van den equator veel hooger dan ten zuiden, omdat daar het meeste land ligt. In de noordelijke deelen der Sahara en van Egypte regent het slechts des zomers en dan nog zoo zelden, dat men die streken //regenloosquot; noemt; daarentegen bezitten dc keerkringslanden slechts twee jaargetijden, den drogen- en den regentijd. Het kustklimaat is behalve aan den noordrand en de zuidspits bijna overal ongezond. Uit de opgave van de breedtegraden, waar tusschen Afrika gelegen is, volgt, dat men in het uiterste noorden en zuiden een klimaat zal hebben gelijk dat van Zuid-Europa; droge zomers en regen in den winter. Tusschen ongeveer 15° ten N. en ten Z. van den evenaar, waar het tijdsverloop tusschen de twee zenith-standen der zon aanzienlijk is, heeft men een' dubbelen regentijd, omdat eenigen tijd voor en na een' zenithstand door de groote hitte veel water verdampt, dat in de hoogste lagen van den dampkring condenseert. Van hier tot de keerkringen, waar de 2 zenithstanden der zon snel op elkander volgen, vallen de beide regentijden samen tot één'. Aan dit gebied sluit zich noord- en zuidwaarts eene woestijn aan, hier de Kalahari, daar de Sahara. Intussehen is de eerste woestijn door de versmalling van Zuid-Afrika en dien ten gevolge door den invloed der zeewinden niet zoo arm aan regen als de laatste. Oostenwinden (des winters) uit Azië komende, zijn van zelf regenloos; noordoostenwinden (des zomers) uit de Middellandsche zee waaiende worden warmer en de waterdamp, dien zij bevatten, kan niet condenseeren; zuidwestenwinden (ook des zomers) verliezen den waterdamp tegen den zuidrand van het Konggebergte. De Sahara, behoudens de enkele gebergten, moet alzoo steeds regenloos zijn.

Daar aan den noordrand eeue groote verwantschap met de Europeesehe vormen

117

I

ocr page 138

AFRIKA.

heerscht, krijgen Afrika's fauna en flora over het algemeen eerst ten Z. van de Sahara haar eigenaardig karakter; de plantengroei is het weelderigst in moerassige lage streken. De doera of kaffergierst komt als gewoon voedingsgewas in geheel Afrika voor, koffieboom en dadelpalm zijn hier inheemsch, gewichtig zijn de oliegewassen van allerlei aard, onder welke vooral de oliepahn moet genoemd worden, omdat door den handel in olie de slavenhandel is afgenomen; in Egypte vooral de katoenstruik en de sykomore, eene soort vijgeboom, uit welks hard hout men de doodkisten voor mummiën vervaardigde.

De plantengroei van tropisch Afrika is niet minder reusachtig dan die van het zoo hooggeroemde woudgebied langs de oevers van den Amazonenstroom, al komen er ook minder soorten van planten voor. De grootste boom is er de baobab met een' stam van 25 Meter omtrek.

De beide woestijnen, vooral de Kalahari, zijn niet geheel zonder plantengroei. In de Sahara, afgezien van de oasen, waar palmen en granen groeien, treft men doornachtige struiken, harde grassoorten, de mannastruik en den gomboom aan. In de Kalahari vele bolgewassen met vleezige schillen, en verder de zonderlinge welwitschia, waarvan de stam in den grond is verborgen, terwijl de 3 bladen, die 4 tot 6 Meter lang en 100 jaar oud kunnen worden zich slechts even boven den grond uitbreiden. De dierenwereld onderscheidt zich meer door wildheid en eene verbazende ontwikkeling van enkele soorten in grootte en kracht, dan door afwisseling. De tijger ontbreekt er, deleeuw is overal verspreid; uitsluitend in dit werelddeel behooren te huis de hippopotamus, die in alle groote stroomen voorkomt, de giraffe, de zebra, het geslacht antilope en meer andere. De veeteelt der bewoners bepaalt zich tot paarden en vooral tot den nuttigen dromedaris of één-bultigen kameel, het /,schip der woestijnquot;; de veelvuldig verbreide olifant is hier nergens getemd. In Zuid-Afrika is de os trekdier en koeien maken den grootsten rijkdom der bewoners uit. Naar het noorden verhindert de Tsetsevlieg, een giftinsect, de uitbreiding der veeteelt. Daar lastdieren in het binnenland ontbreken en goederen op de hoofden der menschen moeten vervoerd worden, kan er geen druk verkeer zijn.

Door de invoering van het schaap behoort Zuid-Afrika tot die landen, welke wol in aanzienlijke hoeveelheid opleveren. Onder de delfstoffen, waaraan Afrika stellig rijk is, wordt goud vooral in Guinea, Soedan, West-Abessinië en de zuidelijke staten gewonnen, ijzer en zout in belangrijke hoeveelheden, (het laatste vooral in de Sahara, van waar het door de Toearegs en Tibboes wordt vervoerd naar Soedan, waar het geheel ontbreekt) steenkolen aan de Z.O.kust, zeer groote en zeer zuivere diamanten nabij de Vaalrivier in het Kaapland.

Het meest gezochte voortbrengsel van Afrika was echter de bewoner zelf. Door de afschaffing der slavernij onder de beschaafde volkeren heeft niet alleen deze handel, maar ook de daarop gegronde welvaart der koloniën en faktorijen van de oostelijke en westelijke kusten (vooral der Portugeezen) hare grootste waarde verloren.

De bewoners, wier aantal slechts bij benadering kan worden begroot, zijn inboorlingen of vreemden. Tot genen behooren de Negers (Ethiopisch ras) op het zuidelijke hoogland en de aangrenzende N.O.- en N.W.lijke landstreken. De lichtkleurigste en meestbegaafde zijn de M a n d i n g o's in Senegambië en de F e 1 1 a 11 a's in Soedan. De talrijke Negerstammen onderscheiden zich door menigvuldig kleurverschil, door gelaatstrekken en verschillende talen, welke evenwel door hel gebruik van voorvoegsels voor de woorden een gemeenschappelijk kenmerk bezitten. De Hottentotten (met de Bosjesmannen) en Kaffers (met de Beetsjoeanen) bezitten eigenaardige talen en staan, hoewel ook tot het Negerras behoorend, toch eenigermate op zich zeiven, terwijl de Abessiniërs tot het Indo-Europeesche ras moeten worden gerekend, al zijn ze donkerbruin

118

ocr page 139

NOOBD-AFRIKA.

gekleurd. De Berbers zijn de oorspronkelijke bewoners der Sahara en van den noordrund, blanker dan genen en insgelijks Indo-Europeanen. De later herwaarts gekomen bewoners zijn de talrijke Arabieren, de Joden vooral in het noorden en de Europeanen in de kustlanden, Nederlanders en later Britten in het Kaapland, Franschen en Spanjaarden in Algiers, en ook Eranschen aan den Senegal, Portugeezen aan de O. en W.kusten van het zuidelijkste gedeelte. — Senegambië, Opper-Guinea en het Nigergebied zijn met het Nijldal wel de dichtstbtwoonde streken van dit werelddeel.

De Mohammedaansche godsdienst heeft, door de heerschappij der Arabieren, onder de aan fetisj-dienst en veelwijverij overgegeven inboorlingen in het N. en VV. de grootste vorderingen gemaakt en breidt zich nog nit. Ten zuiden van den evenaar behoort bijna de geheele bevolking tot het heidendom. Het Christendom treedt eerst in onze eeuw, vooral in Algerië, in het Kaapland en de aangrenzende republieken der Boeren, eenigszins op den voorgrond.

A. Noord-Afrika.

Egypte en de Egyptische Soedan

(50,000 □ m., 17 mill. inw.).

Egvpte, door de Arabieren Mesr, door de Kopten Chemi (naar de donkere kleur van den vruchtbaren grond) genaamd, 113 mijl lang, doch in het midden slechts j tot 2 uur breed, door den Is ijl doorstroomd, is «een bebouwd dal, een strook vruchtbaar land, die zich door de woestijn slingertquot;, met den Arabischen bergketen in het O., — waaruit de oude Egyptenaren de bouwstoffen (rozenrood graniet, zandsteen en kalksteen) voor de trotsche gewrochten hunner bouwkunde ontleenden, en de Libysche bergketen in het W. Ten noorden van Kairo verwijderen die bodemverheffingen zich van elkander, zoodat de Nijl zich in vele armen over de vruchtbare delta verspreidt en met twee hoofdarmen bij Damiëtte (rechts) en Rosette (links) in zee uitloopt.

In Egypte is regen eene zeldzaamheid, doch in Abyssinië en zuidelijker doen de periodieke regens, die in de maand Maart aanvangen, den Nijl gedurende 3 maanden buiten zijne oevers treden; dan gelijkt het geheele land eene zee, waarboven de steden en dorpen, palm- en sykomoorbosschen als groene eilanden uitsteken; na wederom 3 maanden, waarin het water voortdurend zakt, prijkt de grond, bevrucht door het achtergebleven slijk, met weelderige graanvelden en rijke katoenplantsoenen, doch verandert na den oogst in eene bestoven woestenij. Zoo werd de Nijl de schepper van dat land, en door de oude Egyptenaren als een god vereerd.

De voortreffelijkste voortbrengselen van dezen aangeslibden grond zijn rijst, maïs, tarwe en sedert de laatste jaren vooral veel katoen. De bevolking is hoofdzakelijk van Arabische afkomst en verdeelt zich in de Fellah's (boeren) en de nomadische Bedoeïnen. Het aantal Christelijke Kopten (afstammelingen van de oude bewoners des lands) bedraagt 150,000. De Christelijke bevolking neemt in Alexandrië en Kaïro steeds toe.

Egypte wordt bestuurd door een' Onderkoning of Khedive, erfelijk vazal van den Sultan van Turkije, wiens regeering ook in Nubië, noordelijk Abessinië, de kuststreken van de Roode zee en de golf van Aden, en zelfs tot in de zuidelijke landen aan den rechteroever van den bovenloop van den Witten Nijl tot aan den evenaar wordt geëerbiedigd. De Sultan van Turkije beschouwt daarom deze landstreken als provinciën van zijn rijk.

119

ocr page 140

AFRIKA.

Hoe de toestand in de Egyptische Soedan sedert den dond van den Mahdi is, valt moeilijk te zeggen. Ondanks den heldenmoed door de Engelschen daar in den laatsten oorlog betoond, werden zij door het heete klimaat gedwongen terug te keeren. Engeland moet zich wel met Egypte en vooral met zijne finantieele aangelegenheden bemoeien, omdat; 1°. het kanaal van Suez, de weg naar zijne bezittingen, door dit land loopt;

3°. de aandeden Suez-kanaal het eigendom zijn van den Engelschen Staat;

3°. de Egyptische effecten grootendeels door Engelschen gehouden worden.

1) Beneden-Egypte of de Delta. Het zeldzame voortbrengingsvermogen van dezen grond, welke zelfs tot drie oogsten in een jaar levert en eens Eome en Byzantium met graan verzorgde, is weder voor deze landstreek herwonnen, sedert de herstelling der lang verwaarloosde kanaalwerken (het groote Mahmoedie-kanaal) door Mehemet-Ali, den hervormer van Egypte, die ook nieuwen bloei verschafte aan

Alexandrië (Iskanderijeh), op eeuc zandige landtong tusschen deMiddellandsche zee en het meer Mareótis; tijdperken van bloei en verval wisselden elkander in deze stad af. (De Ptolemaeën, de val van liet Hora. rijk; de kruistochten, de verplaatsing van den wereldhandel naar den Atl. oceaan; de opkomst van Egypte en de opening van liet Suez-Kanaal); 370,000 inw. Op het westelijk einde van de landtong ligt het sterke Aboekir. Even als Damiëtte de haven is voor den handel met Syrië, is dit Alexandrië voor den handel met Europa; 166,000 inw., waarvan T'j Europeanen. Door een' spoorweg over Kairo is het verbonden met

Suez, in eene onvruchtbare streek aan de Roode zee en aan den mond vaa het kanaal, dat door de landengte naar de Middellandsche zee gegraven eu in 1869 geopend is. Geregelde stoombootdiensten door het kanaal uit Europa naar Indië; 13,000 inw.

Ismaëlia, nabij het midden van het kanaal en aan het zoetwaterkanaal, dat Suez van drinkwater uit den Nijl voorziet, is eene schepping van den jongsten tijd, evenals

Port Saïd aan den noordelijken mond, dat zich reeds op goede handelsinriehtingen en zelfs op een groot Kederlandsch magazijn en hotel beroemen kan; 13,000 inw.

2) Midden-Egypte met

K a ï r o, de grootste stad van het Turksehe rijk na Constantinopel, in de 10de eeuw gegrondvest, met éOO moskeeën, 30 kerken, 1300 winkels, het middelpunt van Noord-Afrik a's handel; het ligt nabij de delta en wordt verdeeld in liet oude gedeelte, waarop de gegeven beschrijving van toepassing is en het moderne, Eu-ropeesche gedeelte; door spoorwegen is het verbonden met de havens van Neder-Egypte en door een kanaal met Alexandrië; 370,000 inw. Op den tegenoverlig-genden oever verheffen zich, bij de overblijfselen van het aloude Memphis, de grafplaats der Oud-Egyptische koningen, de meest uit kalksteen gebouwde 40 pyramieden, in vier groepen, waarvan do belangrijkste (die van Cheops, 450' hoog, Cephren en Mycerinus) bij liet dorp D z j i z e h liggen, omringd door een' uit-gestrekten doodenakker.

Even ten N. der karavanenstad Si-joet betreedt men

3) Boven-Egypte tot aan

Assoean ofSoean (Syenè), „intredequot; van den Nijl, welke zich bij het eiland Elephantine door watervallen en kolken, een weinig benoorden den kreeftskeerkring, den weg naar Egypte baant.

Van hier voeren talrijke overblijfsels van tempels tot de bouwvallen van het voormalige honderdpoortige ïhebe op de beide Nijloevcrs, eene lijkenstad vol tempels en paleizen, vol kunstschatten boven en onder den grond. Het dorp Loexor ligt geheel binnen een' enkelen tempel. Onder de ruïnen bij het dorp Karnak bevindt zicli nog een paleis, in welks door zuilen gedragen zaal de Parijsche Notre Dame gemakkelijk staan kan. N.W.waarts op eene ware reuzenvlakte do beroemde, voormaals geluid-gevende Memmons kolos.

120

ocr page 141

NUBIE. - ABESSIN1E.

De Egyptische Soedan.

Hiertoe behooren de landschnppeii Nubië, Korrlofan, Sennaar, Darfoer, en het gebied van den boven-Niji (althans in naam) tot het Mwoetan-meer; verder een gebied ten oosten van Abessvniö en ten westen van de Roode zee tot voorbij de haven van Berbera. De Nijl, die met zijne zijrivieren door de eerste 4 landschappen stroomt, vormt, na zijne vereeniging met de Atbara of Tak as see, twee groote bochten, breekt op 10 plaatsen met aanzienlijk verval door de rotsgebergten, en is soms ter nauwernood 40 schreden, elders, zooals bij Wadi Halfi, 3 mijl breed. Ontzaglijke, hooge vlakten strekken zich uit over het zuidelijke en middelste gedeelte des lands; in het zuidelijke heerscht de weelderigste plantengroei onder den invloed der keerkringsregens, terwijl daarentegen door hef. gebrek aan regen de oppervlakte van Midden-Nubië eene groote woestijn is (de vreeselijke K o r o s k o-woestijn ten W. van den Nijl). Het noorderdeel des lands is bezet met evenwijdig loopende bergketenen.

De bevolking van Nubië (eigenlijk beter Noebië) bestaat 1) uit de inboorlingen, Noeba, door hunne lichtere huidkleur eu hun meestal lang haar van de Negers onderscheiden, en 3) uit stammen van Arabische afkomst, meest nomaden. Khartoem, in eene ongezonde vlakte, aan de samenvloeiing van den Blauwen met den Witten Nijl, werd in den jongsten tijd de hoofdzetel van den slavenhandel en het punt van uitgang voor alle veroverings-, wetenschappelijke- en zendingsexpedities naar de bronnen van den Nijl; hier werd Gordon vermoord. 40,000 inw.

Berber in verbinding met Soeakin, aan de Roode zee.

Korosko en Aboe Hammed zijn de uiteinden van den noordelijken Nijlboog; die rechte lijn volgen de karavanen.

3. Ab e s sin ië of H ab e s j.

(6000 □ m. met 3 mill. inw.).

Het boomlooze, grasrijke hoogland met rechtstandige wanden tot een hoogte van 6—10,000', rijst steil op uit de woeste kuststrook Samhara. Uit die kale golvende vlakte, welke — behalve ten tijde der keerkringsregens — door een donker azuurblanwen hemel wordt gedekt en waarop een gematigd en gezond klimaat heerscht, verrijzen nog afgezonderd staande bergreeksen en sneeuwtoppen ter hoogte van 14,000', hier en daar ook zuilenvormige rotsgevaarten en uitgedoofde kraters. Ook liggen er afzonderlijke hoogvlakten, Amba's, die zoo steile wanden hebben, dat men ze met ladders moet bestijgen. Zij dienen de bevolking tot natuurlijke vestingen, zoo b. v. Magdala. Op de westzijde der hoogvlakte ligt een moerassig tropisch woudlandschap, K o e o 11 a geheeten, die het land afsluit. Stijgt men hooger dan komt men in de Woina-Dega's met een klimaat en een' plantengroei gelijk die van Zuid-Europa of der Tierra Tem-plada van Mejico; nog hooger liggen de D eg a's, waar gerst en haver groeien en het volk in wol en pels gekleed is. Van dit hoogland wendt zich de A t b a r a noordwaarts, terwijl de Blauwe Nijl door het eiland- en vischrijke, van heete bronnen omringde meer T s a n a vloeit eu aan de zuidzijde het bergland verlaat. Gelijk overal op hoogvlakten hebben de rivieren zich ook hier diepe beddingen uitgegraven, waardoor het verkeer belemmerd wordt Hier zij nog opgemerkt, dat het de Blauwe Nijl is, die het vruchtbare slib voor Egypte aanvoert en dat zijn waterstand de mate van overstrooming aldaar regelt.

De eigenlijke Abessiniërs, sterk bruin gekleurd, een krachtig schoon gevormd mensclienras, zijn aan de Arabieren verwant. Zij staan — reeds sedert 1600 jaren

121

ocr page 142

AFRIKA.

Christenen, althans in naam (met veelwijverij), — grootendeels onder een te G o n d a r resideerend geestelijk Opperhoofd, A b o e n a (d. i, onze Vader). Staatkundige en godsdienstige geschillen en het plunderen en rooven der krijgszuchtige Galla-negers uit het Z.O. hebben het land zeer verzwakt.

Zoo was het verbrokkeld in eenige kleinere staatjes van welke ïigre, Schoa en A m h a r a de voornaamste waren. Met de troonsbestijging van den N e g o e s (d. i. opperkoning) Theodoras in 1852 werd de eenheid van het rijk hersteld en na zijn krachtig terugdringen der Galla's scheen een betere tijd te zijn aangebroken. Spoedig echter deed hij zich kennen als een bloeddorstig despoot. In 1868 raakte hij in oorlog met Engeland, die met zijn' dood na den val van Magdala eindigde. Sedert heerschte er volslagen wanorde, waaraan weer een einde gemaakt werd door een' stadhouder van Tigre, die als Koning Johannes, zijn gezag over geheel Abessynië en Schoa uitbreidde, en zelfs Egyptische legers versloeg, welke de eerzuchtige Khedive Ismacl tegen hem afgezonden had. Schoa is het vaderland van den koffieboom. In plaats van Gondar is Debra Tab or de hoofdstad.

4. HetAtlasland.

(Barbar ij e).

Dit hoogland wordt van den Atlantischen Oceaan in het W. tot de golf van Sidra in het O. door een aantnl bergketens doorsneden; de H o o g e Atlas stijgt in het W. met toppen van 11,000' tot in het sneeuwgebied; de keten langs de noordkust van Marokko heet het Rif, die langs de noordkust van Algiers de kleine Atlas, terwijl zich aan de noordgrens van het droge land Blad oei Dzjerid (Biledoelgerid), het natuurlijke vaderland der dadelpalmen, de Groote Atlas uitstrekt. Zoowel langs den Kleinen als den G r o o t e n Atlas liggen vruchtbare landschappen, Tell, (van 't Lat. Tellus) geheeten. Tusschen de beide ketenen als randgebergten ligt eene hoogvlakte begroeid met Haifa of Espartogras en bedekt met zoutmeren, Sjotts genaamd. Dezen drogen 's zomers uit en gelijken dan op sneeuwvlakten. Niet te verwarren met deze Sjotts, zijn die welke in Tunis, in de Algerijnsche Sahara 80' beneden de golf van Gabes liggen. Kolonel Eoudaire heeft het plan gevormd om eene verbinding tusschen golf en sjotts door doorsteking van de landengte tot stand te brengen, terwijl E. de Lesseps daartoe zijne medewerking heeft beloofd. Er zou dan eene watervlakte van 250 □ m. ontstaan, welke regen en vruchtbaarheid in de woestijn kon aanbrengen, wat door sommigen met het oog op de kleine oppervlakte betwijfeld wordt. Anderen vreezen daarvan nadeelige gevolgen voor de cultuur van den dadelpalm, die alleen door vocht uit den bodem kan groeien, maar sterft als hij besproeiing uit den dampkring ontvangt.

De algemeene taal der bewoners, allen Mohammedanen, is de Arabische. De oorspronkelijke bewoners de Berbers of Kabylen, zijn naar het binnenland teruggedrongen; de stedenbewoners, eene vermenging van inboorlingen, Arabieren en vreemden, worden in navolging van het Spaansch, Mo or en genoemd.

Het hoogland bevat de volgende vijf staten:

a. Tripolis.

(18000 □ m., ruim 1 mill. iirw.).

Deze Turksche provincie is gelegen rondom de kust van de gevaarlijke golf van Sidra {Groote Syrtis). Het kustland is eene vlakte, waar boven zich de steenachtige hoogvlakte of Hammada steil verheft. Het land is van beteekenis als poort naar Soedan, waarheen de volgende wegen leiden;

122

ocr page 143

ALGT5BIÜ.

123

TUNIS. —

1. Tripolis-Ehadames-Toeat-Timbuktoe.

2. Tripolis-Rhat-Agades-Sokcto.

3. Tripolis-Moerzoek-Bilma-lsadmeer.

4. Bengasi-Audsjela-Koefarah-Wadaï.

In 1835 nam de Sultan den Bey van het land gevangen en laat het sedert dien tijd door een generaal-gouverneur, met den titel Moesjier besturen.

Tripolis, 20,000 inw., de hoofdstad van het geheele land, wier haudel sterk verminderd is, doch het verkeer met het binnenland is nog vau belang over de 100 mijlen zuidelijker gelegen, dadel- en zoutrijke oase Fezzan (een onderworpen gedeelte van de woestijn), waarin de handelsstad

Moerzoek, met de voorsteden 8,000 inw., vanwaar karavanenwegen voeren naar Timboektoe, Bornoe en Dar-Foor.

Eene hiervan thans bijna onafhankelijke provincie vormt het tafelland van B a r k a, Noord-Afrika's oostelijk hoogland, dat aan de hooge bronrijke westzijde met dichte wouden van altijd groene eiken, 150' liooge cypressen, jeneverbeziën, laurieren, oleanders en reusachtige vijgeboomen bedekt is, met een tal van bouwvallen der steden uit den ouden tijd, toen liier de Fentapolis Cyrenaika bloeide.

Bengasi {Berenice) slechte haven, ofschoon nog de beste van het land; 5,000 inw.

h Tunis.

(2100 □ m., 2 mill. inw.).

Aan de golf van Gabes {Kleine Syrtis), dicht bij Sicilië, met een zeer gunstig klimaat en krachtigen plantengroei (granen en zuidvruchten).

Tot 1881 was het in naam eene Turksche provincie. Toen werd het door Frankrijk bezet, omdat de Bey de invallen der woeste Kroemirs in Algerië niet wist tegen te gaan. Thans is hij nog Frankrijks vazal; de tijd is echter waarschijnlijk niet ver meer, dat Tunis eene Fransche kolonie wordt.

Tunis, met de versterkte haven Goletta, nabij het oude Kurihago, met veel handel en eenige nijverheid; 125,000 inw., waarvan ^ Joden.

Kairwau, de heilige stad der Muzelmannen.

c Algerië.

(12,000 □ m. met 3^ mill inw., waaronder 400,000 Franschen en 2^ mill, inboorlingen (Berbers en Arabieren).

Ruim zoo groot als Frankrijk en juist ten Z. van dit land, in 1830 veroverd, doch eerst sedert 1846, na de gevangenneming van Abd-el-Kader, eene zekere bezitting.

Eene kolonie, waarvoor het door zijn klimaat, (de stad Algiers is voor teringlijders boven Nizza te verkiezen), zijne ligging, dicht bij Europa (waarheen de Balearen, Corsika en Sicilië de bruggen zijn) en zijne buitengewone vruchtbaarheid (uitvoer van granen, vruchten en groenten) zoo bijzonder geschikt is, is het eigenlijk niet, men kan het nog slechts eene bezitting noemen.

Daarvoor zijn verschillende redenen: 1°. de Franschen verlaten hun vaderland niet gaarne;

2°. zij toonen weinig geschiktheid om overzeesche gewesten te besturen, (men denke aan Tongkin), daar zij nu eens te streng te werk gaan tegenover de inboorlingen dan weer te veel consideratie gebruiken. Toch ontbreekt het hun niet aan goeden wil om het land productief te maken; zij planten bossehen aan, (die de nomaden weer vernielen in het belang van hun vee); zij boren artesische putten, waardoor vruchtbare oasen ontstaan; zij denken over de verbinding van de golf van Gabes met de daarachter liggende Sjotts; over eene spoorwegverbin-

ocr page 144

AFRIKA.

ding van Algiers met St. Louis aan den Senegal over Wargla en Timboektoe, (kolonel Flatters, die de baan zou opnemen, is vermoord door de Toearegs). Langs den noordrand hebben zij reeds spoorwegen aangelegd, welke in verband met de nabijheid van Spanje en Italië een druk verkeer in het westelijk bekken der Middellandsche zee zullen in het leven roepen, in tegenstelling met het oostelijk bekken, waar slechts transito verkeer is (door het kanaal van Suez), en waar de landen door het wanbestuur der Turken sterk zijn achteruit gegaan.

Intusschen trekken zij nog geen direct voordeel van deze bezitting; integendeel, jaarlijks kost zij hun 40 a GO millioen francs. Toch zijn de directe voordeden door den handel niet gering. De voornaamste handelsartikelen zijn: halfagras, (waarvan men papier en touw maakt), wijn, tabak, kavaleriepaarden, struisveeren en marmer. De staatkundige indeeling is in drie departementen, Algiers, Oran en Constantine, die elk uit een territoire de commandement (een door nomaden bewoond gebied) en een territoire civil bestaan. In het eerste is een militair- in het tweede een burgerlijk bestuur ingevoerd. Een Gouverneur-Generaal, bijgestaan door een' regeeringsraad, staat aan hot hoofd van het geheel.

Algiers (Arabisch Al dzjezair, d. i. de eilanden), amphitheatersgewijs, fraai gelegen, zetel van den Gouverneur-Generaal, beheerscht door de hooggelegen citadel Kasbah, het voormalige paleis van den Bey; met verscheidene moskeeën, 1 R. Katholieke eu 1 Evangelische kerk. Van den aanzieulijken invoer der ge-heele bezitting ontvangt Algiers 65,000 iuw.

Constantine (Ciria), in het O., op een hooge rotsvlakte; 40,000 inw.

Philijipe vill e, in 1839 aangelegd, dieut als haven voor Constantine; 10,000 inw.

Boua (Hippo Regius)-, belangrijkste uitvoerhandel; 16,000 inw.

Oran, in het W., met grootendeels Spaansche bevolking; 41,000 inw.

Het zuidelijke deel van Algerië, de Sahara genoemd, bestaat uit een groot aantal oasen met vrij schrandere bewoners, die steden bewonen van wallen omringd, eene regelmatig gekozen regeering bezitten, industrie en dadelteelt uitoefenen en uitgestrekte handelsverbindingen hebben. De bergbewonende krijgszuchtige Kabylen en de zwervende stammen in de Sahara maken echter door hun' oprocrigen geest deze streken bijna voortdurend tot een oorlogstooneel.

d. Marokko.

(15,000 □ in., met 6 mill. inw.).

Over dit rijk Magr'ib-al-Aksa, in het //uiterste westen,quot; heerscht een Sultan als Emir-al-Moemenim (d. i. onbeperkte beheerscher der rechtgeloovigen). De verzorging van den zeer vruchtbaren grond en van den handel lijdt onder de roofzucht der regeering, van oudsher bloeit hier de vervaardiging van leder (marokijn), tapijten (vooral in Eez) eu geweren. Het heeft eene merkwaardige ligging tusschen twee zeeën, maar het is nog weinig opgenomen in het wereldverkeer , omdat 1°. een steile, tegen de noordenwinden onbeschutte kust, waar langs een sterke stroom uit den Atl. oceaan trekt, zeerooversbedrijf bevorderde (zie over dien stroom bij Syrië; wordt er in de geschiedenis wel eens melding gemaakt van Barbarijsche zeeroovers?); 2°. omdat de bevolking zeer fanatiek is, en 3°. de vertikale bouw het binnenland van de zee afsluit. Zelfs de sultan moet zijn' vazallen verlof vragen als hij het binnenland wil bezoeken. Behalve Berbers, Arabieren en Mooren wonen hier vele uit Spanje verdreven Joden. De aanzienlijkste plaatsen zijn:

Fez (beter F a z), aanzienlijke handelsstad in een bekoorlijk d;d in het N. des lauds; het leder is in IS.-Afrika als het fijnst en sterkst bekcud; bloementeelt; fraai aardewerk; Arabische hoogeschool; 100,000 inw.

Marokko, de hoofdstad, romantisch gelegen aan den voet van de sneeuwtoppen van den Atlas, daarom door de Arabieren genaamd Maiukesj, „de sierlijkequot;, 50,000 inw.

124

ocr page 145

SAHARA..

Mogador, zechandolsstad aan de woeste, onvruchtbare, westelijke kust; verbinding met ïiraboektoc; 15,000 inw.

El Arasj en Rabat, kleinere maar meer bloeiende zeehavens.

Tang er [tandzjer], voorbij kaap Spartel, aau den ingang van de straat van Gibraltar, met welke stad liet een levendig verkeer heeft; 20,000 inw.

C e u t a [ceoeta], de voornaamste van de 4 vestingen der Spanjaarden aan de Noordkust (de Presidios), is een verbanningsoord.

Tétoean, fraaie eu rijke handelsstad, toegankelijk voor Europeanen; 25,000 inw.

Tafilelt, oase in het binnenland ten Ü. van den A.tlas, gewichtig als kruispunt van veel karavanenwegen, met 360 dorpen eu 10,000 inw.

5 DeSamp;hara.

(166,000 Q m., 1 mill. inw.).

Tusschen de Kanarische- en Kaap-Verdische eilanden neemt, bij de gevaarlijke duinen aan den Atlantischen Oceaan, deze zeer groote woestijn haren aanvang; zij is 3—300 mijl breed en 700 m. lang, strekt zicli uit tot den Nijl, en heeft verder tot grenzen, de Middellandsche zee in het noorden, de lijn Senegal-Tsadmeer-Dongola aan den Nijl in het zuiden. Zij is een deel van den groeten woestijngordel der oude wereld, die zich over Arabië, Syrië en Perzië uitstrekt, terwijl op eenigen afstand de Gobi de reeks woestijnen voltooit. Het waaien van den N.O. passaat gedurende een deel van het jaar en de randgebergten, die het geheele jaar door vochtige luchtstrooraen afweren, zijn de oorzaken van de regenloosheid in dit gebied, liet hecrschend karakter van eentonigheid is echter niet overal hetzelfde. De grond bestaal vooral in het VV. somtijds uit diep, fijn zand, gevormd door de verweering ten gevolge van de groote hitte bij dag en de sterke uitstraling bij nacht: het gesteente van binnen uitgezet, aan de oppervlakte ingekrompen barst en vergruizelt. De wind jaagt het op en vormt duinen die zich. in de richting van zuidoost naar noordwest uitstrekken, en anders dau bij ons hun' steilen kant aan de westzijde hebben; dagen lang trekken de karavanen er langs, eer zij een geschikt doorgangspunt vinden. Hier en daar vindt men zeeschelpen, een bewijs dat hier vroeger eene zeebedding was, met name in het O.; elders treft men steenachtige vlakten aan, Hammada's genaamd; zelfs zijn er gebergten ter hoogte van het Silezische Heuzcngebergte en van veel grooter uitgestrektheid. Daartoe behooren hetPlateau van A h a g g a r, dat van Ta s i 1 i, het T a r s o G e b. eu het Bergland AirofAsben; hunne wanden zonder eenigen plantengroei leveren een' schrikwekkend en aanblik op. Niet overal echter is de streek geheel daarvan beroofd; ten minste overdekken krijtwitte vlechten den naakten rots, of dwergwouden van distelplanten bedekken den grond en leveren voedsel aan den kameel en brandstof aan den mensch. De armoede van den plantenwasdom regelt de fauna; struisvogels en kleine troepjes gazellen zijn de hoofdbewoners; leeuwen en andere roofdieren houden zich alleen aan den rand der woestijn op.

Door de buitengemeene helderheid van den dampkring doen zich somtijds alle verwijderde voorwerpen reusachtig van vorm voor: „een mensch wordt tot kemel, een kemel tot bergquot;, gelijk de Bedoeïnen zeggen; ja het gebrek aan bezigheid brengt de zintuigen soms in zulk eene spanning, dat men te midden van de luchtzee dingen meent te zien, die de opgewekte verbeeldingskracht anders alleen in het duister ziet. Dikwerf wordt de pijnlijke stemming verhoogd door luchtspiegeling {Jfata Morgana) , of door den gevaarlijken wind S a m o e m, die de lucht met het fijnste stof vervult en soms geheele karavanen bedekt of verstikt, maar welks nadeeligste uitwerking, de dood door versmachting is, en, heeft men des daags genoeg geleden van den heeten grond, van de gloeiende lucht en den brandenden dorst, dan komt de nacht, waarin men van koude kan bezwijken, want door den

125

ocr page 146

AFRIKA..

steeds onbewolkten hemel (het regent bijna nimmer en slechts een sterke dauw valt er 's nachts) is de uitstraling van den kalen, harden grond buitengemeen groot.

In dezen zand-oeeaan liggen de talrijke oasen (eig. oeah of woning) als eilanden. De groote oase, het door gebergten omgorde Fezzan, deelt met het Tarso Geb. de Sahara in twee helften, de westelijke, grootere, Sahei, d. i. vlakte, genaamd, welks vlugzand door de van het O. naar het W. strijkende stormen aan kaap Bojador [-zjadoor] tot 400' hooge duinen opgewaaid is en zelfs gevaarlijke zandbanken gevormd heeft, is arm aan water en oasen, evenzoo het kleinere oostelijke deel, de Lybische woestijn, tusschen beide ligt eigenlijk eene depressie, die naar het Tsadmeer helt. Daarin zijn vele wadi's of rivierbeddingen zonder water, want van de twee westelijke gebergten storten wel eens woeste bergstroomen ten tijde van de tropische regens. In de eigenlijke Sahara, voornamelijk laagland, zijn de twee meest woeste streken n. 1. El Dzjoef; «de buik der woestijnquot; en Igidi ten noorden daarvan, die met El Erg of de Algerijnsche Sahara in verbinding staat. Van een Saharakanaal door de laagvlakten kan volgens Dr. Lenz geen sprake zijn, omdat het laagste punt er minstens 305' boven de zee ligt, behalve in het noordoosten. In Fezzan heerscht de hoogste zomertemperatuur die bekend is, namelijk 56° C. Met deze oase staan in verbinding die van Aud schel ah, Siwah, Fara-frah, Dachel en Chargeh. Zij leveren onder andere kuituurgewassen als hoofd voedsel de dadels in weelderigen rijkdom; Dr. Vogel op zijne reis naar Midden-Afrika meldde uit Moerzoek in 1853: «geheel Fezzan en half Tripolis leeft er van, dadels zijn het voedsel van menseh en dier; kameelen, p;iarden, tonden, alles eet hier dadels.quot;

De bevolking van de Sahara is zwervend en bestaat uit 1) Arabieren (Mooren), die zich zelf Bedoeï (Bedoeïnen, d. i. woestijn-mannen) noemen; zij wonen van den Atlantischen Oceaan tot aan den handelsweg van Toeat en Timboektoe, en ook in het oosten; 2) de tot het Berbervolk behoorende T o e a r e g s, ten O. der vorige wonende, tot aan den weg van Moerzoek naar het Tsadmeer, zij zijn gidsen en roovers; de T i b b o e's, ten O. van Fezzan tot zuidwaarts aan gemeld meer, nemen het beste gedeelte der woestijn in en schijnen aan het Negerras verwant te zijn.

6. Senegambie.

(Grootte en bevolking onbepaald.)

Tegenover de Kaap-Verdische eilanden, met eene kustlengte van 85 mijlen, grootendeels vlak, door de 3 evenwijdige rivieren de Gambia, Senegal en Rio Grande besproeit en door deze, even als door de tropische regens buitengemeen vruchtbaar gemaakt, zoodat grasvlakten met akkers en met dichte, oorspronkelijke wouden afwisselen.

De bevolking bestaat uit Negers met regelmatigen gelaatsvorm, welgevormde ledematen en helderen geest, die de ontwikkeldste van hun geheele ras z:jn. Zij leven onafhankelijk in 24 verschillende staten, doch behooren naar afstamming en taal tot de drie volgende familirn;

1) Mandingo's, aan de Gambia en de boven-Dzjoliba, de verstandigste en vlijtigste van alle Negers.

2) Foela's, de lichtkleurige Negers, langs den geheelen Senegal en langs de Dzjoliba. Onder deze beide stammen heeft de Islam hoofdzakelijk wortel gevat.

3) Dzjoloffen, tusschen den Senegal en de Gambia, de fraaist gevormde en tegelijk zwartste Negers.

De zeer uitgebreide handel van Senegambië, vroeger in slaven, thans in gom-soorteu, vederen, ivoor en stofgoud, is vooral in handen van Europeesche volk-

136

ocr page 147

SOEDAN.

planters, Franschen aan den Senegal (St. Louis, 16,000 inw.) en bij Kaap Verde (eil. Goree), Britten aan de Gambia (Bathurst), Portugeezen aan de Casamansa, een' arm van de Gambia.

7. Soedan of Takroer.

(23,000 □ m., 30 mill. inw.).

Het binnenland van Afrika tusschen Senegambië en Darfor en tussclien de Sahara en de onbekende landstreken onder den evenaar, in het gebied der keerkringsregens , is rijk aan stroomend en aan stilstaand water; het spaarzaam waaien van noordenwinden uit de woestijn veraangenaamt de luchtgesteldheid, de nachten zijn er soms gevoelig koud. Ofschoon de bewoners Negers zijn, deels Mohammedanen deels heidenen, heerscht hier eenige beschaving en vindt men er groote steden en marktplaatsen; landbouw en veeteelt zijn niet onbelangrijk, de kunstmatige nijverheid wordt niet geheel verwaarloosd, en de handel in granen, goud, ivoor, struisvederen, gommen, verfwaren en lijne houtsoorten is vrij gewichtig, maar ook de slavenhandel. Het grootste gedeelte des lands is vlak en zinkt in het midden tot het bekken van het vooral in den regentijd uitgestrekte meer Tsad, dat grooten toevoer ontvangt uit de terraslanden van het Z.VV. en O., daar de bronnen dezer stroomen door waterscheidingen van den Niger in het W. en van den Nijl in het O. zijn afgesloten.

De beschaafde stam der Moharamedaansche F e 11 a t a' s heeft bijna geheel Midden-Socdan overmeesterd; hun gebied omvat den geheelen loop van den Midden-Niger (Majo of Issa en Kworra) en een groot gedeelte van den Benoewé, en reikt in het N. tot bijna aan de oase Agades. De aanzienlijkste Fellatastaten, (150,000 m., 20 mill, inw.), zijn Adamawa, Sokoto, Gwandoe en Massina. Om bet Tsadmeer liggen de onafhankelijke staten Bornoe, Bagirmi en Kanem, ten oosten daarvan het rijk Wad ai.

Timboektoc in eene armoedige streek nabij den Niger, aan do grens der woestijn, wordt in zijne ontwikkeling belemmerd door de twisten tusschen Toearegs, Fellata's en Moeren. Hier komen de karavanen van Marokko, Algiers en Ghadames samen. De Kaoerischelp is pasmunt in den handel (4000 — ƒ 1,80); 13,000 inw., welk getd in den handelstijd tot 23,000 stijgt.

Kano liet Londen van Soedan, waar Europesche waren tegen inlandsche fabrikaten geruild worden, van groot belang zijn de goeroenoten, die even gezocht zijn als de coca in de Andes ; 30,000 inw.

K o e k a hoofdplaats van Bornoe, zetel van den Sultan, een' vriend der Europeanen. Handel in slaven, weefsels, huiden en goeroenoten. De Maria-Theresiadaalder, die te Weenen geslagen wordt en dien de inboorlingen slechts vuil (en dus echt!!) aannemen is standaardmunt; bij gebrek aan voldoende pasmunt (katoen en schelpen) breekt men hem aan stukken; 60,000 inw.

B. Zuid-Afrika.

8. De Oostkust.

Van de straat Bab el Mandebquot; tot aan het KafFerland; bijna geheel in den heeten gordel, 80 m. lang, aan de zeekust meest ongezond, in het Z. met Europeesche volkplantingen bezet, doch in het N. genoegzaam geheel onbekend.

Van de Delagoabaai tot den mond der Dzoeb is de kust zoo moerassig en bezet met mangroven (hoornen met luchtwortels), dat de steden van eenige be-teekenis zooals Sofala, Mozambique, Quiloa en Zanzibar niet onmiddellijk aan de kust, maar op eilandjes op eenigeu afstand daarvan zijn gesticht.

127

ocr page 148

AFRIKA.

a. Het Somali-land, of de kusten van Adzjan.

De oosthoek van het werelddeel, een driekant, welks hoeken aan de „straat der rouwequot;, kaap Guardafui en aan den mond der rivier D z j o e b (onder den evenaar) liggen. Als regio aromatiferi door de handelsvolken der oudheid dikwerf bezocht, wint het thans weder in belangrijkheid door do nabijheid van de in Z. Arabië recht tegenover deze kust gelegen handelshaven Aden, door de opening van het Suez-kanaal en de bedrijvigheid van den Oost-Indisehen handel; havenstad B e r b e r a.

h. Het Sowaheli-land, of de kust van Zanzibar.

Van de D z j o e b tot kaap D e 1 g a d o (tegenover de noordspits van Madagaskar). In het binnenland verheft zich een hoog bergland, waarop, op ongeveer 3° Z. Br., de sneeuwtoppen van den Kilima Ndjzaro (18,800', sneeuwgrens 15,400', beklommen door von der Decken tot 14,000'), de Kenia en andere bergreuzen verrijzen. Verder westelijk daalt het naar de twee groote meren Victoria- en Albert-Nianza, de vergaderbakken voor het water van den Witten Nijl, welke in 1863 en 1806 door Burton, Speke en Grant van de kust uit en door Baker langs de rivier komende ontdekt werden. Z.W.lijk hiervan het langwerpige meer Tanganjika, aan welks oostelijken oever de door Livingstone bekende stad O e d z j i d z j i ligt. Stanley neemt het Alexandermeer waaruit de Kagera vloeit, als hoofdbron van den Nijl aan. Het Tanganjika-meer staat niet in gemeenschap met de Nijlmeren.

De bewoners dezer kusten zijn de zwarte Mahomedaansehe Sowaheli's, d. i. „bewoners der kustenquot; welke door den Arabischen Imam van M a s k a t onderworpen zijn en onder een' Sultan werden geplaatst, wiens afstammeling zich echter sedert jaren aan het oppergezag van zijn' leenheer heeft ontrokken en wiens hoofdplaats is Zanzibar [-baar] (10,000 inw.) op het gelijknamige vruchtbare eiland, dat vroeger aan de geheele kust den naam gaf. Het is het uitgangspunt van de ontdekkingstochten naar het binnenland; ook wordt er een levendige handel gedreven in specerijen en oliën; de Sultan heeft echter met de Engelschen een verdrag gesloten, waarbij hij zich verbond den slavenhandel in zijn gebied tegen te gaan. — In het achter deze kust gelegen binnenland heeft Duitschland zich in de jongste tijden een aanmerkelijk groot gebied weten te verwerven, door vredelievende overeenkomsten met de inlandsche opperhoofden; de terraslanden en hooggelegen berghellingen zijn er niet alleen vruchtbaar maar ook niet ongezond, derhalve wellicht geschikt ter koloniseering.

c. De kust van Mozambique en van Sofala.

Van kaap Delgado tot aan de Zambezi strekt zich de kust van Mozambique uit, aldus geheeten naar de hoofdstad, die op een zandig eiland aan het smalste gedeelte der gelijknamige straat ligt en de zetel is van den Gouverneur-Generaal der Portngeezen, aan wie dit ongezonde, bijna havenlooze kustland behoort. Achter de bergketen, die evenwijdig met de kust loopt, ligt het meer S j i r w a en het groote meer N i a s s a.

Ook de kust van Sofala, ten Z. van de Zambezi tot aan kaap Corriëntes, geheeten naar de vroeger bloeiende maar thans bijna geheel vervallen havenstad , is eene van de verwaarloosde bezittingen der l'ortugeezen. Dezen strekken zich nog zuidelijker uit tot de Delagoa baai, waarin het den Portngeezen door de Engelschen ontnomen maar weder teruggegeven eiland Lorenzo Marquez ligt. Deze baai zal naar de Transvalers hopen eenmaal de uitvoerhavcn van hun land worden. Een spoorweg moet dan de gemeenschap tot stand brengen.

138

ocr page 149

HET ZUIDELIJK BINNENLAND VAN AFRIKA.

d. Het land der Zoeloe-Kaffers.

Een veelioudende, scherpzinnige, doch zeer oorlogzuchtige stam, die de streek bewoont tusschen kaap Corriëntes, de zee, de grensrivier van Natal en het Drakengebergte, thans gedeeltelijk bezet door Hollandsche boeren (republiek „Vrijheidquot;) en gedeeltelijk beschermd door de Britten, zoodat de onafhankelijkheid sterk bedreigd is.

9. Het Zuidelijke Binnenland. a. De Oranje-Vrijstaat en de Trans-Vaalsehe Republiek.

(2000 □ m. met 134,000 inw. en 5-100 □ m. met 800,000 imv.).

Ten W. van het Drakengebergte, begrensd in het N. door de Limpopo, in het Z. door een gedeelte der Oranje-rivier, ligt een golvend hoogland met gematigd klimaat en uitstekend vruchtbaren grond. Hier liggen de Oranje-Vrijstaat, tusschen Kai-Gariep, Nu-Gariep en Drukengeb. en de Tranvaalsche of Zuid-Afrikaansche Republiek, tusschen Kai-Gariep, Limpopo, en D r a k e n - g e b.

De geschiedenis dezer republieken is in het kort de volgende;

In 1838 trokken Hollandsche Boeren uit de Kaapkolonie, ontevreden over het heffen van belastingen en het emancipeeren der slaven zonder schadeloosstelling voor de eigenaars, naar Natal. Doch hun staat werd in 1845 bij Engeland ingelijfd. Wederom zeiden zij «inspan en trekquot;. Op de westzijde van het Draken-geb. stichtten eenigen hunner eene nieuwe stad Lijden(!)burg. Anderen, onder Pretorius, joegen de Engelschen uit Bloemfontein, maar moesten later weer over de Vaal vluchten. De Engelschen wien de bezetting te zwaar viel, erkenden in 1853 den Oranje-Vrijstaat. De over de Vaal geweken boeren hadden iutus-schen de Trans-Vaalsche Eepubliek gesticht, tegen welke de naburige Kaffers door de Engelschen onophoudelijk werden opgezet, zoodat dezen, bewerende dat zij niet in staat was de rust te handhaven, haar in 1877 annexeerden. De Boeren vochten zich daarop in 1881 vrij. Eene Commissie, met President Kniger aan het hoofd, bezocht ons land en andere landen van Europa om belangstelling voor den jongen Staat op te wekken. Het sluiten eener leening voor het aanleggen van een' spoorweg naar de Delagoabaai is echter nog niet gelukt en gemeenschap met den Oceaan is voor de Transvaal toch eene levensvraag. Den Oranje-Vrij staat werden door Engeland de diamantvelden van Griqualand ontnomen. De hoofdmiddelen van bestaan zijn in beide republieken veeteelt en landbouw. In den Oranje-Vrijstaat vindt men hier en daar ijzer en steenkolen. In de Transvaalsche Eepubliek veel goud, o. a. bij Lijdenburg en Pretoria; verder steenkool, ijzer en lood. Het ontbreekt hier echter aan arbeidskracht, kapitaal en goede verkeerswegen. (Over een' spoorweg. Zie boven). De meerderheid der bevolking behoort in de beide republieken tot de Hollandsch-Gereformeerde kerk. Aan het hoofd van elk staat een President met een' Volksraad, terwijl het dagelijksch bestuur berust bij eerstgenoemder., bijgestaan door een' uitvoerenden Baad.

In den Oranje-Vrij staat zijn veel Britten gevestigd in de voornaamste plaatsen:

Bloemfontein, aan de Modderrivier, de zetel der regeering; Smithfield; Winburg en Harrissmith ofVredendorp.

In de Transvaal, bijna uitsluitend Boeren-republiek:

Pretoria; Potchefstroom; Rustenburg; LiidenburK en Zout-p a n s b e r g.

Aan de westelijke grenzen hebben de Boeren een tweetal kleine republiekjes, „Stellaquot; en „Gozenquot;, trachten te vormen, welker onafhankelijkheid echter uog niet is gewaarborgd.

!

ocr page 150

AFRIKA.

b. Het verdere binnenland van Zuid-Afrika.

Van het binnenland ten W. en O. dezer Staten en ten N. van de Oranjerivier of Gariep ligt het zuidelijke deel nog in de gematigde luchtstreek. Het is eene over het algemeen zeer vruchtbare hoogvlakte, waarvan de oostelijke rand tot 3500' hoog is en door de Z a m b e z f (d. i. vischrivier) indeLoepata-kloof met geweldige stroomversnelling doorbroken wordt. Veel merkwaardiger is echter de Victoria -waterval, «de donderende rookquot;, die de rivier in haren bovenloop vormt en die in trotschheid den Niagaraval overtreft. Ten Z. hiervan, tot nabij de Oranje-rivier, strekt zich de waterlooze, doch slechts tijdelijk onvruchtbare woestijn Kalahari uit; de overige aangrenzende landen bieden eene afwisseling van uitgestrekte grasvlakten en bosclirijke bergen aan, bevolkt door ontelbare kudden van antilopen, wier verwoestende kruistochten bijna niet minder gevreesd worden dan dc alles vernielende sprinkhanen; verder olifanten, giratten, leeuwen, enz. in menigte. — De volksstammen, die deze landen bewonen, zijn de D a m a r a' s en de gedeeltelijk reeds tot het Christendom bekeerde N a m a q u a ' s in de minder vruchtbare landen in het Z.W. naar den Atlantischen Oceaan , thans door Duitschland in bezit genomen; voorts de Bosjesmannen, die met de Kalahari's ook de vermelde woestijn bewonen, de Beetsjoeanen, die met de Zoeloe-Kaffers in bestendigen oorlog leven, en nader bij de Oranjerivier , de Hotten totten en Griqua's. — Enkele stammen der Kaffers en der hiermede volstrekt niet verwante Hottentotten leven onder de beschaafde bewoners en zijn bij hen in dienst als veehouders, enz.

10. De Britsche Kaapkolonie.

(Met alle aanhoorigheden: 12,800 □ m., 1,600,000 inw.).

De 250 mijlen lange kust heeft alleen ten Z. van de Kaapstad een' ruim 3000' hoogen rotswand op het Kaapsehe schiereiland, aan welks zuideiude de Kaap de Goede Hoop ligt; (de eigenlijke Z.spits van het vasteland, kaap Agulhas [agoeljaas] of Naaldkaap, is nog 20 m. Z.O.lijker). Wel zijn er eenige havens, maar zij liggen onbeschut tegen de zuidenwinden en gevaarlijke stroomingen: men noemt de Kaap wel eens het matrozenkerkhof; (herinnert deze kust ook aan eene andere in Afrika?) Van de kust tot de Oranjerivier strekt zich eene hoogvlakte uit, bezet met randgebergten en wel in deze volgorde: Een smalle kustzoom — twee dicht bijeenloopende evenwijdige ketens, waarvan de Zwarte Bergen de noordelijkste zijn; smalle spleten of Kloofs door ossenwagens moeilijk over te trekken, vormen eene gebrekkige gemeenschap tusschen kust en binnenland—-de Karro (d. i. hard), in den regentijd een weelderig tapijt van heerlijke bloemen en grasrijke weiden, bezocht door antilopen, leeuwen en herders met hunne kudden, doch in den drogen tijd een dorre, steenharde leembodem — de Koggeveld-, Nieuwevel d-. Sneeuw- en S t o r m b e r g e n — eindelijk eene hoogvlakte tot de Oranjerivier.

Oorspronkelijke bewoners zijn de vuil-olijfkleurige, morsige Hottentotten, de Bosjesmannen en de Kaffers. Het Kaapland werd in 1651 eene kolonie der Nederlanders, die er thans nog de meerderheid der Europeesche bevolking uitmaken, terwijl er zich verder Béfugiés (1685), Engelschen en Duitschers vestigden; ook zijn er Maleiers en Chineezen als koeli's werkzaam. Het kwam iu 1806 in het bezit der Britten, die het tot staatkundige en merkantiele hoofdwacht aan den Zuidelijken Oceaan verhieven. De voornaamste bronnen van bestaan zijn wijn, wol, kopermijnen, guano, struisveeren en sedert 1869 diamanten uit Gri-qualand. De veeteelt heeft krachtige bescherming iioodig tegen de roofzucht der zwarte grensbewoners.

130

ocr page 151

ZU;_.D- EN NOORÜ-GUINEA.

De Kaapstad, tussclien de Tafelbaai ten K. en de Valsehe baai ten Z., in eene van welke men ankert, naar gelang der lieersclieude winden (N.W. of Z.O.); zetel van den Gouverneur-Generaal en ververscliingsplaats voor de O.I.vaarders; spoorwegverbinding over Beaufort met den Oranje-Vrijstaat (nog niet met Bloemfontein); 45,000 inw.; waarvan bijna de helft kleurlingen. In bet Z. de 3440' hooge Tafelberg, en weder iets meer zuidwaarts; Constautia, met den beroemdsten Kaapwijn.

Port Elisabeth, in het O. aan de Algoa-baai, waarvan het toenemend handelsverkeer, vooral met de boven vermelde „6oerenquot;-staten, dat der Kaapstad in belangrijkheid van omzet overtreft; do weg direct noordwaarts over de randgebergten (zie boven) is echter zoo lastig, dat men van Bloemfontein eerst over het Drakengeb. naar Port d'Urban en van daar over zee naar de Algoabaai gaat; 18,000 inw. Een spoorweg verbindt haar met Graham stow n [greenstaun], aan de Groote Vischrivier, hoofdstad der oostelijke distrikten en bloeiende handelsstad te midden van het beste sohapenland der kolonie. Aan de oostelijke grens der Kolonie, die door de Groote Kei-rivier gevormd wordt, ligt het vruchtbare en in de toekomst belangrijke Brits ch Kaffraria.

Verder N.O., van liet hoofdland afgescheiden door het onafhankelijke, in engeren zin zoogenaamde Kafferland, bevindt zich de lintsche kolonie Natal, 880 □ m., 400,000 inw., een sterk bloeiend kustland, het land van melk en melis, zooals de maïs daar genoemd wordt.

d'Urban, vroeger Port Natal, de eenige havenstad, uitvoer van suikerriet,

katoen en wol. Door een' spoorweg verbonden met Pieter Maritzburg, de hoofdstad door de „Boerenquot; aangelegd; (Piet er Retief en Gerrit M a r i t z).

11. Zuid- (vroeger Neder-) Guinea.

Het land der Boenda-volken.

Op gelijke breedte met de Sowaheli- en Mozambique-kusten verrijzen aan de westzijde van het werelddeel, onmiddellijk uit den Oceaan, geheel naakte, wild-romantische, duizende voeten hooge rotskusten, 350 m. lang en slechts afgebroken door het mondingsgebied van Koenene, Coanza, Congo en Ogowe. Hier leeft de gorilla, de grootste soort van aap, en de sjimpansé. Eijst, maïs eu maniok (het hoofdvoedsel) worden er gekweekt. Palmolie en ivoor worden uitgevoerd.

De bewoners naderen in schoonen en krachtigen lichaamsbouw en in taal (Boenda genaamd) aan de Kaffers en zijn volkomen zwart, maar zeer traag; allen zijn beidenen en fetisj- of afgodendienaars. In enkele der tallooze despotieke rijken wordt de koning goddelijk vereerd, Slaven-vervoer en bloedveten hebben de bevolking zeer gedund. (Volgens de Negers moet de dood van een' mensch, die eigenlijk onsterfelijk is, toegeschreven worden aan den boozen invloed van een' ander. Een toovenaar spoort den schuldige (!) op, die meestal ten gevolge van de gruwelijke proefnemingen bezwijkt).

Neder-Guinea heeft in de laatste jaren door de reizen van Stanley en de Brazza, hel stichten van den Congo-Staat en de nederzettingen der Duitschers bijzonder de aandacht getrokken van de Europeanen.

Hier liggen van zuid naar noord;

1°. De Portugeesche Bezittingen Mossamedes en Benguela. met gelijknamige hoofdsteden, verder Angola met de hoofdstad San Paolo de Loando; 20,000 inw. Het verblijf der Portugeezen in deze gewesten heeft eerder nadeelig dan gunstig gewerkt. Zij dreven niet minder dan de Arabieren een' uit-

131

ocr page 152

AFRIKA.

gebreiden slavenhandel, deden niets voor het verkeer, verwaarloosden in één woord het belang van een gebied , dat 250 maal zoo groot is als ons land. Geen wonder, dat op hunne pretenties op het Congogebied geen acht geslagen werd, toen men te Berlijn, 1885 , de aangelegenheden van dien staat regelde.

2°. De Congo-Staat, waar de koning van België (voor zijn persoon, niet voor zijne dynastie) onder den titel van Vorst aan het hoofd staat; of Europeesehe kolonisten hier op den duur kunnen werken wordt betwijfeld. In het zuidoosten moet overvloed zijn van katoen , palmolie en ivoor (zoo beweert Stanley). Hoofdplaats Leopoldville, nabij den linkeroever der rivier.

Noord-oostelijk hiervan ligt Stanley Pool, daar tegenover Brazzaville in een gebied, waar Frankrijk koloniën denkt te stichten.

3°. Het gebied van Loan go, voor ons van beteekenis, omdat hier de Nieuwe Afrikaansehe Handelsvereeniging, gevestigd te Botterdam, een veertigtal faetorijen heeft, waarvan de voornaamste zijn Cabinda en Banana; Europeesehe waren worden er verruild tegen palmolie, aardnoten en gommen.

4quot;. De Fransche koloniën aan de Gaboen en Ogowé, die van de 17e eeuw dagteekenen en nu vermeerderd zullen worden met nieuwe nederzettingen langs den Congo.

Ten zuiden van Neder-Guinea hebben zich onder bescherming hunner regeering Duitsche kolonisten gevestigd, en wel aan de Angra Pequenabaai, alsmede ter wserszijden van de Walvischbaai, eene bezitting van Engeland. Daar Duitseh-land ook bezit genomen had van de Luciabaai ten oosten van de Transvaal, was de vraag niet ongegrond, welke der beide groote Mogendheden deze republiek ten slotte ten deel zou vallen, wanneer zij zich inwendig niet krachtig ontwikkelde (1).

12. Noord- of Opper-Guinea.

Onder denzelfden parallel als de rotsige Somalikust ligt de bijna overal vlakke of met lage heuvels bezette kust van Guinea, gemiddeld 10 m. breed, in het noorden begrensd door het Konggebergte, 2300'hoog, de waterscheiding naar de zijde van het Nigerland. Zij draagt achtereenvolgens den naam van;

1°. Sierra Leonekust (Leeuwengeb., het geraas der branding is gelijk het brullen van een' leeuw).

2°. Peperkust niet naar de peper, maar naar het paradijszaad.

3quot;. Ivoorkust.

4°. Goudkust, naar den ontzaglijken rijkdom aan stofgoud genoemd; vroeger werden ook slaven verhandeld. Hier vindt men bij uitzondering goede havens: daarom vestigden er zich sedert de 17e eeuw Europeesehe kolonisten.

5°. O 1 i e- vroeger Slavenkust; maar de slavenhandel is in Opper-Guinea afgeschaft.

Langs de kust strijkt oostwaarts de Ouinea-stroom, in den zomer van het noordelijk halfrond verder uit het westen komende dan in den winter. Hij is n. 1. een reactiestroom tusschen den noord- en zuidaequatorialen stroom, die door de passaten westwaarts worden opgedreven. Het slib van het Nigerdelta wordt langs de kust van de Golf van Benin en van Biafra door dien stroom neergelegd.

132

Opper-Guinea wordt bewoond door eehte Negers met den scherpen gelaatshoek , de vooruitstekende snijtanden en den onaangenamen reuk, in talrijke stammen en staten, die zich naar hunne talen in 4 groepen splitsen;

(1) Sedert heeft Engeland, het gevaar begrijpende, zonder slag of stoot daar zijne vlag gcheschen.

ocr page 153

NOORD-GUtNEA.

1) Gebied der Mandingo's of Sierra-Leone kust.

Freetown [frietaun], op het schiereiland Sierra-Leone. Sedert 1791 hoofdplaats der Britsehe volkplanting voor vrije Negers uit Amerika, vooral uit Jamaica, werwaarts ook do Negers der verbeurdverklaarde slavenschepen werden vervoerd; zetel van den Gouverneur-Generaal der Britsehe bezittingen aan de westelijke kust van Guinea; dc kolonie is 50 Q m. groot en telt 60,000 inw. ouder welke 18,000 in de hoofdstad. Deze is het uitgangspunt van de zeuding in Midden-Afrika.

Liberia (met de hoofdplaats M onro via), eene souvereine republiek, gedeeltelijk op het gebied der Peperkust, door eene maatschappij te Washington in 1821 gegrondvest, met het doel om Afrika's bevolking door het voorbeeld van een' uit Christelijke Amerikaansche negers gevorraden vrijen staat te beschaven. Tegenwoordig is het bijna Smaal zoo groot als ons land, met 1 a 3 mill, inwoners, waarvan er slechts 15,000 uit Amerika zijn overgebracht. De Engelsche taal is de heerschende; nochtans mogen er zich geene blanken vestigen; de koffie wast in het wild en wordt ook veel verbouwd, de beschaving neemt echter zeer weinig of niets toe: de nieuw aankomende negers worden geminacht en een republikeinsch bestuur past niet voor natuurkinderen. In het zuid-oosten wonen de Kroenegers, goede zeevaarders, terwijl de negers in het binnenland voor eene rivier blijven staan.

2) Gebied der Asjanti's, met de hoofdstad Koemassie (70,000 inw.) het aanzienlijkste Negerrijk, dat zich uitstrekt langs de Peper-, Ivoor- en Goudkust. De Nederlandsche bezittingen op de Goudkust zijn in 1872 aan Engeland afgestaan, zoodat dit thans aldaar 6700 □ m. bezit met 410,000 inw. Oorsponkelijk aangelegd als faktorijen voor den slavenhandel, werden zij, merkwaardig genoeg, later gehandhaafd juist om dien handel het best te fnuiken; de hoofduitvoer bestaat thans uit stofgoud en palmolie. St. George del Mina was de Nederlandsche, Cape Coast Castle [keep koost kessl] ten O. daarvan is de Britsehe hoofdpost. Lagos is het belangrijkst voor den handel.

3) Gebied der Dahomey's, aan de Oliekust en op de Nigerdelta. In deze rijken behooren alle jonggeborenen aan den koning, zij worden den ouders ontnomen en ontvangen eene soort van opvoeding op algemeene kosten; wie eene vrouw wil huwen moet haar van den koning koopen; wie den koning ziet eten of drinken moet sterven; bij hoffeesten worden honderden gevangenen geslacht. Abomey, residentie in het binnenland; 60,000 inw.

4) Gebied der Golf van Biafra, het Amboser-hoogland tot de rivier Gaboen, waar eene Fransche faktorij is voor den handel in palmolie, ivoor en dierenhuiden. Deze volken hebben geen' gezamenlijken naam, staan op lagen trap van ontwikkeling en schijnen volgens hunne taal met de Boendavolken verwant te zijn.

D. De eilanden om Afrika.

a. In den Indischen Oceaan.

1) Sokotora, in de golf van Aden, rotsachtig en onvruchtbaar, doch het vaderland van de beste aloë, behoort aan den Arabischen Imam van Maskat.

2) Zanzibar, zie boven, bl. 128.

3) De Amiranten en Sasjellen (Britsch); haven Mahé.

4) Madagaskar (10,750 □ m. met 3 mill, inw,), grooter dan Frankrijk, na Nieuw-Guinea en Borneo het grootste eiland der aarde, wegens de ligging „koningin van den Indischen Oceaan,quot; genoemd; een hoogland van 4000', waarboven toppen van 12,'000, daaronder uitgebrande vulkanen. Weelderige vruchtbaarheid en veelvoudige flora en fauna; de flora herinnert door acacia's, baobab en koffieboom aan Soedan; door pandanen en casuarinen aan Indic, terwijl de heidestruiken op

133

ocr page 154

AFRIKA.

eene verwantschap met het Kaapland wijzen; de dierenwereld heeft eene opmerkelijke overeenkomst met die van Indië; groote roofdieren komen echter niet voor.

Dit eiland zijn de Lemurs of halfapen eigen, en het wordt wel eens beschouwd als de rest van een verzonken vastland, dat men naar die dieren Lemuria heeft genoemd, waartoe dan de Maskarenen, Sesjellen, ja zelfs Ceylon zouden behoord hebben. Het bestaan van Lemuria wordt echter betwijfeld, daar men halfapen o. a. versteend in de Vereenigde Staten heeft aangetroffen. De bewoners zijn Maleiers, die koffie, tabak, suiker, katoen, rijst, peper, enz. bouwen, zich gastvrij en gezellig betoonen, maar voor het grootste deel nog ruwe, de Zon aanbiddende heidenen zijn. — In het westen wonen de Sakalaven of Negers. De Franschen bezitten St. Marie (6,000 inw.) en nog 3 kleinere eilanden in het N.W. (in het geheel 15,000 inw.); de oorlog, dien zij met de Hova's, de voornaamste Maleiërs, gevoerd hebben is met een' voor hen voordeeligen vrede geëindigd.

Antananarivo, 80,000 inw., hoofdplaats der krijgszuchtige Hova's, die alle overige Madagassen beheersclien, omdat zij dapper zijn en hun leger uitmuntend is ingericht.

4) De 4 Komorische eilacden, in de noordelijke invaart van straat Mozambique, door Arabieren beheerscht; Mayotte evenwel is Fransch.

5) De Maskarenen. u. Mauritius (vroeger een tijd lang lie de France), sedert 1814 Britsch, zeer aanzienlijke suikerbouw; de hoofdstad Port Louis heeft 64,000 inw. en eene uitnemende haven; — 80 mijlen oostelijker het kleine eiland Rodriguez. — h. La Reunion (tot 1848 Bourbon), Fransch, belangrijke koffie- en suikerteelt. Ook de kruidnagelboom van Amboina is naar hier overgebracht.

h. In den Zuid-Atbntischeu (ceaan en de golf van Guinea.

1) De 3 Ververschings eilanden, W.Z.W. van de Kaap; het grootste, naar den ontdekker (1506) Tristan da Cunha [koenja] genoemd, heeft eene onder het bestuur van het Kaapland staande zeer kleine, bloeiende kolonie; alle Euro-peesche voedingsgewassen gedijen hier nog.

3) St. Helena, Britsch, eene bijna ontoegankelijke bazaltrots, 2700' hoog, van 2 □ m., met 5000 bewoners.

Jamestown [dzjecmstauu], hoofdplaats en ververschingsoord voor de O.I.vaarders.

Longwood [longwoed], waar Napoleon 1 in ballingschap leefde en stierf (5 Mei 1821), is eene pachthoeve binnen in het eiland.

3) Asccniion of Hemelvaarts-eiland, Britsch, vroeger mede eene ververschings-plaats voor O.I.vaarders, slechts door 500 inw. bewoond.

4) De 4 Guinea-eilanden, in eene richting-in de baai van Biafra, rijk aan voortbrengselen, maar meest overal ongezond. De twee buitenste zijn Spaansch: Fernando Po en Annobon; de twee middelste St. Thomas en Principe Portugeesch. De bewoners zijn Negers; vroeger bloeiden de eilanden door den slavenhandel, maar in 1875 is de slavernij afgeschaft; zelfs is Fernando Po hoofdstation voor de Engelsche kruisers die slavenschepen moeten nemen.

c. In den Noord-Atlantischen jDceaan.

1) De Kaap-Verdische eilanden of eilanden van de Groene Kaap (door de Portugeezen zoo genoemd, nadat zij weken aaneen langs de woeste kust der Sahara gezeild hadden), 70 mijlen van de Senegambische kust; 70 □ m., 100,000 inw., met hooge vulkanische gebergten, dikwerf hevig gebrek aan regen. Het hoofdeiland van het tiental is Santiago, zetel van den Portugeeschen stadhouder. Door wanbestuur en hongersnood worden zij geteisterd.

134

ocr page 155

DE EILANDEN OM AFRIKA.

2) De Kanarische eilanden (7 grootere, 5 kleinere, te zamen 188 □ m., { mill, imv., de instclae fortunatae der ouden), steil en vulkanisch, doch met vruchtbare streken en eene eeuwige lente, behooren sedert 1478 den Spanjaarden. De belangrijkste eilanden zijn: Ferro, onder den eersten meridiaan van dien naam (eigenlijk O'SS'tlquot; ten W. van dezen nauwkeurig berekenden middagcirkel), Palma, suiker-, amandel-en zijdeteelt, Teneriffa, 42 p m., met den 11,500' hoogen Pico de Te y des, een' bestendig rookenden vulkaan, en K a n a r i a, het vruchtbaarst.

3) De Madeira-groep of Hout-eilanden, naar de bossehen, die echter door de kolonisten verbrand werden, aan Portugal belioorend, evenzeer vulkanisch, met heerlijk klimaat, rijk aan zuidvruchten, vroeger ook aan wijn, in welks plaats om de druivenziekte sedert 1852 vooral suikerriet gebouwd wordt. Madeira 185,000 imv. met de stad F u n c h a 1 [foensjaal] (20,000 inw.), wegens het frissche, gelijkmatige klimaat door borstlijders 's winters veel bezocht.

4) De Azoren, Wester- of Vlaamsche eilanden, insgelijks vulkanisch, op den weg der meeste O. en W.I.vaarders, behooren aan de Portugeezen en worden door hen tot Europa gerekend; en te recht, om ligging, klimaat eu voortbrengselen. Het grootste dezer eilanden Sao Miguel brengt ongelooflijk veel china's-appelen voort; Terceira, het aanzienlijkste, heeft 47,000 inw.

135

ocr page 156

EUROPA.

180,000 □ m., 328 mill, inw.j.

Ofschoon bijna het kleinste, is Europa toch het belangrijkste onder de wereld-deelen. Het ligt in het midden van het land half rond der aarde, wordt door den betrekkelijk smallen Atlantischen Oceaan verbonden met de meest ontwikkelde zijde van Amerika; door den N.W.-Z.O. waterweg Adriatische Zee-Suez-kanaal en Roode Zee met In die en weldra door het Panama-kanaal met China en Japan. — 750 Mijlen lang tusschen kaap Vincent en de Karische golf, en 520 mijlen breed tusechen de Noordkaap en kaap Matapan, is het aan I de laatstgenoemde landpunt nog bijna 200 mijlen verwijderd van den heeten gordel 1 en dringt met de Noordkaap slechts 60 mijlen ver (dus minder ver dan Azië en | Amerika) in den noordelijksten konden gordel, zoodat het vasteland zich bijna geheel I in de noordelijke gematigde luchtstreek uitstrekt. De noordelijkste punt, de Noordkaap op het eiland Mageroe, ligt op 71° N.B.; Kaap Tarifa in Spanje, ' Kaap Portio de Palo, Sicilië's zuidpunt, en Kaap Matapan in Griekenland, I liggen op 36° Z.B. (althans met een rond getal). Kaap da Ho ca ligt ruim 8°, j| de meridiaan van den Oeral 78° O.L. van Perro. (Deze punten verschillen dus | 4 uur 40 min. in tijd; bereken dit). Behalve in het O., heeft Europa nergens / uitgestrekte oppervlakten lands; bijna overal dringt de zee diep het land in, zoodat de daardoor gevormde schiereilanden bijna het | van den geheelen inhoud uitmaken. Europa's romp heeft den vorm van een A, waarvan de hoekpunten zijn, Waigatsj straat, Bayonne, Mond van den Oeral. De grootste schiereilanden zijn: in het N. het Skandinavische met het meer oostelijke Kola, en het Deensche; in het Z. het Pyreneesche, het Italiaansche, het Grieksch-Turksche en de Krim. Hierbij komen nog 9000 Q m. eilanden: waaronder de grootste zijn: Groot-Britannië, IJsland, Ierland, Sicilië, Sardinië, Corsica en Kandia; zoodat het vasteland met de onderdeden een' kustzoom van 4300 m. bezit. Op 1 m. kust komen dus 35 0 m. land (in Amerika 81, in Nieuw-Holland 74, in Aziö 94, Afrika 152). Eene zoodanige insnijding, zooals geen ander werelddeel aanbiedt, begunstigde het ontstaan van verschillende middelpunten van beschaving, en spoorde tot levendig onderling verkeer aan. Zoo kon Europa het hoofdtooneel worden waarop de mensch lot ontwikkeling geraakte, de kweekschool van die beschaving, welke den overgang maakt van het leven der Aziatische bevolking tot den toestand, waartoe ons werelddeel met Amerika en Australië rijpt. Hoe geheel anders zou deze zijn als b. v. eene hoogvlakte = Centraal Azië in geografischen zin in het midden, of een gebergte = de Andes langs de westkust gelegen waren! Griekenland is de zetel van de oudste beschaving in ons werelddeel, in aardrijkskundige vorming niet anders dan een beeld van Europa in het klein.

(De grenzen volgens de kaart na te gaan, maar in aanmerking te nemen, dat men Kaukasië tot Azië rekent , zoodat in het oosten de grens als volgt genomen wordt: de Manitschlaagte, Kaspische zee, Wolga, Obtsjei-Syrt, Oeral.)

De oppervlakte van dit werelddeel vertoont eene rijke afwisseling van verschillende vormen van grond, met allerlei overgangen van den eenen tot den anderen, een voorrecht dat niet alleen liet vasteland, maar ook de schiereilanden, en zelfs

ocr page 157

EUROPA.

de grootere eilanden hebben. Slaan wij den blik op liet vasteland van Europa, dan zien wij dat de Skandir.avische gebergten, de Oeral, de Pyreneën, het Iberische hoogland en het hooge gebergte van de Siërra Nevada afgezonderd liggen.

Eene rechte lijn, van het Wesergebergte bij Minden naar de Kaspische zee getrokken (de „gebergte-diagonaalquot;), geeft de grenzen aan van het vlakke en van het bergachtige vasteland van Europa, welk laatste zijn middelpunt in de Alpen heeft (4000 □ m.). Als voortzetting der Westelijke Alpen vullen de A p e n n ij n e n het Italiaansche schiereiland, terwijl het bergstelsel van het Grieksch-Turksche schiereiland een zelfstandig geheel vormt, slechts voor een klein deel met de Alpen verbonden. Om de Alpen heen ligt in het W., N. en O. een krans van middelgebergten, als: van den rechteroever van de Rhone naar het W. als westelijke vleugel het F r a n s c h e middelgebergte, van den linkeroever van de Donau naar het N., het centrale of Duitsche middelgebergte, van den linkeroever van de Donau naar het O. als oostelijke vleugel de Karpaten. De scheiding tegen het eerste wordt gevormd door de Ehöne-Saonevlakte, die met de Bourgondische Poort tnsschen Jura en Vogeezen, de Boven- en Benedenrijnsche laagvlakte één' handelsweg vormt van de Noordzee naar de Middellandsche zee (een van de oude barnsteenwegen); — tegen het derde door de vlakte van de March en de Kleine-en de Groote Hongaarsche vlakte; de verbinding met het tweede geschiedt door de Zwitsersch-Zwabisch-Beiersche Hoogvlakte.

Veel grooter ruimte neemt de Europeesche lage vlakte in, want bijna | van Europa is laagland, slechts | hoogland. Die vlakte wordt in het W. en N. door de zee begrensd en strekt zich uit van den Oeral tot de Pyreneën. Met haar staan andere (kleinere) vlakten in verbinding:

1°. de Kaspische tusschen Oeral en Kaspische zee, die naar de vlakte van Toeran voert, zuidoostwaarts, en

2°. de Pontische en Walaehijsche langs den noordrand der Zwarte zee er. den linker Donauoever, zuidwestwaarts.

Op zich zeiven staan die van Hongarije, van den Po, van Provence, van den Boven-Rijn e. a.

Uiterst gunstig is de rijkdom aan rivieren, en al kan ons werelddeel zich, wat de grootte der stroomgebieden betreft, met de meeste andere niet meten, zoo staan deze toch achter in aantal bevaarbare stroomen.

De Wolga...... 470 m., heeft een stroomgebied van 25,000 □ m.

De Jang tse Kiang 700 n n „ „ 35,000 „

De Amazonen . . . 770 „ ,/ « „ „ 130,000 /, „

Vele rivieren hebben een gemeenschappelijk brongebied en verspreiden zich van daar straalsgewijze naar alle richtingen. Zoo ontspringen

Op de Waldaï: Duna, Dnjepr en Wolga.

Bij de Moravische Poort, tusschen Sudeten en Karpaten: March, Oder en Weichsel.

Op het Fichtel Gebergte: Nab, Eger, Main en Saaie.

Op den St. Gothard: Rijn, Rhone, Reuss, Aar en Tessino.

Op den Rilo Dagh: Maritza, Isker, Stroema en Karasoe.

Zeer gemakkelijk worden dikwijls de waterscheidingen opgeheven door kanalen, die twee rivieren verbinden:

Het Rijn-Rhónekanaal, gegraven door de Bourgondische Poort;

Het D o n a u-M a i n k a n a a 1, over de Frankische Jura;

Het Rijn-Marnekanaal, door den Pas van Zabern over de Vogeezen.

Verder de kanalen in Frankrijk e. m. a.

137

ocr page 158

EUROPA.

Doch niet alleen de rivieren, maar ook de zee werkt mede tot het zoo voor-deelige verkeer te water; geen ander werelddeel heeft, in verhonding der grootte, zoo vele en zoo diep in het land dringende golven en baaien, zoo vele straten en zeeëngten. (Ten einde zich een juist beeld van de kaart te vormen, is het van het hoogste belang zich de zeeën, golven, straten, eilanden, rivieren met voorname zijrivieren in het geheugen te prenten.)

Ook door zijn gematigd klimaat en zijne gezonde lucht is Europa boven de anderen gezegend. Dank zij den matigenden invloed van den verwarmenden Golfstroom (zie bl. 55) mist Europa de koude van Siberië en Noord-Amerika, de verschroeiende hitte van Afrika; de orkanen van West-Indië en andere uitersten der weersgesteldheid kent het niet. Moge de grond de vruchtbaarheid van vele keerkringslanden missen, de v 1 ij t i g e arbeid wordt er toch r ij k e 1 ij k beloond en de belangrijkste voedingsplanten zijn er inheemseh geworden. De graansoorten gedijen voortrett'elijk, zelfs aan tabak levert Europa de helft op zijner behoefte (vooral in Duitschland, Hongarije en Nederland), en de uit Klein-Azië overgebrachte wijnstok tiert zoo welig (vooral in Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Hongarije en Duitschland), dat de opbrengst der andere werelddeelen daarbij nog niet in aanmerking komt. Even gewichtig is de zijdeteelt (in Italië en Frankrijk), Het dierenrijk (de fauna) komt grootendeels met dat van het naburige Azië overeen, maar het hert, de auer-os, de gems, de steenbok, de moeflon en de marmot zijn met nog enkele andere dieren uitsluitend aan Europa eigen. De beer, de los, de wolf zijn in Britannië en Duitschland uitgeroeid, doch komen in vele andere landen voor, het meest in Lithauen. Van de zoogenaamde huisdieren vindt men er de edelste rassen, in het Z.O. ook den buffel, ja zelfs den kameel. Steenkolen en andere nuttige metalen in groote menigte, vooral in Groot-Britannië, Pruisen en België, kwik in Spanje, Illyrië, Hongarije en Kijn-Beiëren, goud vooral in den Oeral en in Zevenburgen.

De oudste bewoners van Europa, van welke wij iets met zekerheid wsten, zijn de Grieken, die reeds lang voor Salomo hunne door de zee ingesneden landen bewoonden, en daar langzamerhand onder eene gunstige natuur hunne grootste ontwikkeling tot stand brachten. Zij vestigden volkplantingen aan de kusten der Zwarte Zee tot aan de monden der Kussische rivieren, verder in Beneden-Italië en op de omringende eilanden, ja zelfs in Zuid-Erankrijk en Spanje. Hunne taalverwanten, de Romeinen (Latijnen), die later optraden, verbreidden, te gelijk met de uitbreiding der grenzen van hun gebied, ook hunne taal. De Spanjaarden, Portugeezen, Italianen, Franschen, Walen en de Walachen in Zevenburgen en in de landen tusschen Donau, Teiss en Dnjester, zijn nakomelingen dier Latijnen of althans erfgenaam hunner taal; al die volken noemt men R o m a n e n.

De sporen van het aandeel der Grieken aan deze Romaansche (eerste) volksverhuizing, welker richting uit het Z. zoowel naar het W. en O. als naar het N. ging, zijn uitgewischt. Dat volk bewoont nog altijd zijne eerste woonplaats, namelijk alle kusten en eilanden van den Archipel en der Ionische zee, benevens Kandia en Cyprus, doch de adel (de Bojaren) van Moldavië en Walachije, welke Grieksch is te midden van een zuiver Romaansch volk, verkondigt de voormalige verbreiding van dien taalstam. Ook de nakomelingen der oude wereldveroverende Macedoniërs, de Arnauten of A 1 b a n e e z e n , vinden wij thans bijna alleen in hunne voormalige woonplaatsen, het oude Macedonië Thessalië, Illyrië (niet het tegenwoordige) Epirus, in Peloponnesus en eenige eilanden.

De bewoners van geheel West-Europa, Spanje, Gallië, Britannië en Ierland waren toenmaals de Kelten of Galliërs; in het jaar 389 vóór Chr. komen zij voor het eerst in de geschiedenis voor, toen zij onder hun' Breunus Rome

138

ocr page 159

EUROPA.

belegerden. Zij ondernamen toen de tweede Europeesche volksverhuizing, van het W. naar het O., daar zij geheel Boven-Italië en Zuid-Duitschland tot Bohemen en Hongarije bevolkten, ja zij drongen door tot aan de Thermopylae en tot in Klein-Azië, waar de provincie Galatië van hen den naam heeft ontleend. Sporen der Keltische taal zijn nog overig gebleven in Normandië, de westelijke helft van Britannië (Wales en Cumberland), West-Schotland, op het eiland Man en in Ierland. Een andere gewichtige volksstam, welke toenmaals Spanje bewoonde, waren de Iberiërs. Sporen van hunne taal vindt men nog bij de B a s k e n aan beide zijden der westelijke Pyreneën.

De derde Europeesche volksverhuizing, die der Germaansche en Slavische volken, voert bij voorkeur dien naam. Zij vond plaats in eene richting van het N. naar het Z. Eerst zien wij omstreeks 113 v. Chr. üs Germanen te voorschijn treden, met de Cimbren en Teutonen. Zoowel deze als de daarop volgende Gothen, Wandalen, Suéven, Alanen, Borgondiërs, Longo-barden en vele anderen gingen geheel verloren in den Romaanschen grondvorm. De veel later optredende Slaven wonen tegenwoordig in Oost-Duitschland en in geheel Oost-Europa, van de IJszee tot in Macedonië, alleen niet aan de Donau-oevers. Daartoe behooren de Kussen in Poolsch- en Midden-Rusland, verder al de Polen en Roethénen, Mazoeren, Kassoeben, de Lausitzer-Wenden, de Poolsche Opper-Sileziërs, de Moraviërs, de Czechen [tzeggen], Galiciërs, Slowaken, Kroaten, Raitsen, Serviërs, Bosniaken, Boelgaren, Dalmatiërs, Mon-tenegrijnen en de Wenden in Illyrië en Stiermarken. Alle Slaven werden door de oude Duitschers Wenden genoemd.

De verwantschap der talen van al de hier genoemde volken met de Perzische en Indische staat in verband met hunne afkomst uit Azië, de bakermat der volkeren. Daarom spreekt men van een' Indo-Europeeschen taalstam, waartoe al die volken (behalve de Basken) behooren. Ook moet men daar nog onder rekenen de Lithauers, in het stroomgebied van Njemen, Pregel en Beneden-Duna, en de Osseeten, midden in den Kaukasus.

Alle nog niet genoemde Europeesche volken zijn waarschijnlijk met de vierde volksverhuizing van het O. naar het W. in dit werelddeel binnengedrongen. Zij begint met de Hunnen 375, waarop 555 de Avaren, 888 de Magyaren, nog later de Boelgaren (niet de nu zoo genoemde), 1340 de Mongolen, 1355 de Turken (reeds 100 jaren voor de verovering van Constantinopel) volgden.

Deze laatste volksverhuizing strekt zich derhalve, schoon met groote tusschen-poozingen, over 1000 jaren uit en duurde dus het langst van allen. Hiertoe moeten ook gerekend worden de Joden en Zigeuners, van welke de eerste tot den Semitischen, en de laatste, uit Indië afstammend, tot den Indo-Europeesehen taalstam behooren. Beide volken leven in Europa zeer verspreid; de Joden (het meest in Polen en Rusland), ruim 6 mill, zielen sterk. De Zigeuners, waarvan men voor het eerst in Moldavië omstreeks 1417 hoorde; leven nog aldaar en ook in Turkije, Hongarije, Spanje en Groot-Britannië, ongeveer ten getale van 360,000. Van de zoogenaamde natiën zijn de Hunnen, Avaren en Boelgaren geheel ten onder gegaan. Verder zijn nog aanwezig:

1) de Turken in Turkije (in betrekkelijk gering getal), in de Krim en ten O. der Wolga tot aan Kasan, ongeveer 2 mill., in Rusland Tataren genoemd.

2) de Pinnen; hierbij behooren de Magyaren, midden in Hongarije en in Zevenburgen, 6^ mill., de Lappen en Pinnen, de Esthen in Esthland en Lieflands noorderdeel, de Mordwienen, Tsjeremiesen, Wotjaken, Surjeenen, Samojeeden van de Wolga bij Kasan naar het N.O. tot aan de IJszee.

3) de Mongolen in zeer klein aantal als Kalmukken aan de bocht van de Wolga bij Sarepta.

139

ocr page 160

HÜKOPA.

In aantal en staatkundig gewicht zijn de Eomanen, Germanen en Slaven hel belangrijkst. Er is (behalve het kleine Montenegro) slechts één Slavische staat met Slavische landtaal, namelijk Puisland, alle andere zijn Germaansch ot' Komaansch. Zoo is er ook slechts één van Slavische voorouders afstammend vorstenhuis, de Hertogen van Mecklenburg; de meeste andere zijn van Germaansche afkomst.

Bijna het geheele vasteland van zuidwestelijk Europa wordt door Ho manen bewoond; in het hart van Europa en op de noordelijke schiereilanden en eilanden hebben de Germaansche stammen bijna uitsluitend hunne woonstede gevonden. Het vlakke, eenvormige oostelijke gedeelte van het werelddeel is den Slavischen volken ten deel gevallen.

Ongeveer alle Europeanen behooren tot het Indo-Europecsche ras; de Kalmukken zijn zuiver Mongolen; de Turksche en Finsche stam, aan welken men ook eene Mongoolsche afkomst moet toekennen, zijn volgens de nieuwere wetenschap van meer gemengd ras, vooral de laatsten die met de Boreaalsche stammen nauw verwant zijn.

Onder de ruim 328 mill., die Europa bewonen, bevinden zich slechts 12-j mill, die niet-Christen zijn, namelijk de Israclieten, de Mohammedanen, eenige Boeddaïstische Kalmukken en de heidensehe Zigeuners. De Eoomsch-Katholieke kerk in Middel- en Z.W.Europa met 150 mill, aanhangers is verreweg het talrijkst; het aantal Protestanten (177 mill, op het kleinste gedeelte midden in het werelddeel en in het N.W. en N.) staat vrij wel gelijk met dat der Grieksche Christenen (80 mill, op de grootste oppervlakte in het O.). De niet-vereenigde Grieksche Christenen tellen buitendien nog 5 mill, zielen.

Door de natuurlijke vorming en de ligging is Europa bij voorkeur geschikt tot akkerbouw en scheepvaart; onder al die millioenen is ter nauwernood één millioen nomaden. De landbouw maakt echter bij geene Europeesche natie meer de éénige bron van bestaan uit; mijnwerken, handel en kunstvlijt (Britten, Duitschers, Franschen, Zwitschers, Belgen en Nederlanders overrreften hierin verre de oostelijke volksstammen), in verband met de ontwikkeling van wetenschap en kunst (waaraan hoofdzakelijk de Germaansche en een gedeelte der Eomaansche volken het meest toebrachten), bloeien steeds meer en meer op eene telkens verrassender wijze: de Europeesche beschaving heeft de middelen gevonden om het verkeer tot alle volken der wereld uit te breiden, allerwege het Christendom te verspreiden, en Christelijke staten te grondvesten in alle wereld-deelen te midden der ruwste bevolking.

Europa telt 76 staten, en wel:

4 Keizerrijken (waaronder het Duitsche Rijk); 14 Koninkrijken; 7 Groot-Hertogdommen; 5 Hertogdommen; 1 Groot-Vorstendom; 12 Vorstendommen; 32 Eepublieken (w. o. Zwitserland met 25 staten) en het Eijksland Elzas-Lotharingen.

De 6 gewichtigste dezer staten, de zoogenaamde groote mogendheden zijn Duitschland, Groot-Britannië, Frankrijk, Eusland, Oostenrijk en Italië. De overige heeten staten van den tweeden (Spanje, Nederland enz.), derden of vierden rang.

A. Z u i d - E u r o p a.

1. Het Grieksch-Turksche Schiereiland (Talkan Schiereiland).

Niet alleen zijn de noordelijke kusten der Middellandsche zee rijker en veel-zijdiger getakt dan de zuidelijke Lybische, maar van de drie zich daarin uitstrekkende schiereilanden heeft in dit opzicht het Helleensche schiereiland den voorrang boven het Iberische en Italiaansche. Immers Spanje hangt wel als een schiereiland met Europa's vasteland samen, maar vormt door zijne vierkante

uo

ocr page 161

HEÏ GRIEKSCH-TURKSCHE SCHIEREILAND.

gedaante bijna op zich. zelf een klein vastland; Italië, dat zelfs geene landengte kan aanwijzen, is eigenlijk een vrij eenvormig, door den Apennijnschen bergrug in twee deelen gescheiden sohiereiland. Het Balkanschiereiland daarentegen hangt aan het vasteland met eene basis van 150 mijl (van de Adriatisehe zee tot aan den mond van de Donau) en ontwikkelt dan door diep insnijdende bochten een aantal schiereilanden , om met het volledigst ontwikkelde, Feloponnmis, te eindigen. In dezelfde verhouding als deze landstreek van den vastelandsvorm in het N. tot den eilanden vorm in het Z. overgaat, neemt zij ook in de geschiedenis in belangrijkheid toe. Hierbij is op te merken, dat de oostzijde veel meer ontwikkeld is dan de westzijde, zoodat de bewoners hier nog op zeer lagen trap van ontwikkeling-staan, niettegenstaande de groote zeeweg naar Indie langs hun land gaat. (Hoe neemt de kustontwikkeling in Engeland toe?)

Ook in rijkdom van eilanden is dit schiereiland de beide westelijke vooruit; in dit opzicht, en in den veelvuidigen vorm van landtongen is het slechts te vergelijken met Europa's noordwestelijke eilandengroep. Behalve eenige groepen aan de westzijde in de Adriatisehe en Ionische zee wordt het grootste aantal eilanden in de Egeïsche zee gevonden. In het Z. begrensd door eene lijn die van de zuidkust van Kleiu-Azië over Khodus, Creta en Cerigo gaat, vormen de daar binnen liggende groepen der Europeesche Cycladen en Aziatische Sporaden bruggen waarover de beschaving haren weg nam en die door de ondernemingstochten ter zee veel bijdroegen tot de uitbreiding van den kring van gedachten en de verstandelijke ontwikkeling van het volk.

Met den vertikalen bouw van het schiereiland ten noorden van de lijn kaap Glossa—Konstantinopel is men alleen in zooverre bekend, dat men de beschrijving, vroeger daarvan gegeven, onjuist kan noemen. De jongste onderzoekingen hebben tot de volgende verdeeling geleid:

1°. Het Illyrische bergstelsel, waarvan de Dinarische Alpen tusschen Bosnië en Dalmatië slechts een klein gedeelte (15 m.) vormen, begrensd door de Sau en de Adriatisehe zee tot de bocht van Scutari.

3°. Servië en de Centrale Hoogvlakten of de vierhoek met de hoekpunten Sjar Dagh, Novi Bazar, Nisch, Sofia.

3°. Het Beneden-Don a ubekken tusschen de Transylvanische Alpen en den Balkan, door de Donau verdeeld in Walachije ten noorden en Boelgarije ten zuiden.

4°. Het landschap Roeme 1 ië ten oosten van den Sjar Dagh, en door den Ehodope verdeeld in Tliraeië ten oosten en Macedonië ten westen. Het eerste bevat het bekken der Maritza, het laatste dat van Vardar en Stroema.

5°. Albanië en Epirus ten westen van het Pindusstelsel.

Ten Z. van 40° N.Br. begint, met den Lakmon, het meer bekende gebergte van het eigenlijke Griekenland met zijne veelvuldige takken, daar de Pin dus, de scheidsmuur tusschen Epirus en Thessalië, drie dwarsketens naar het O. zendt, waarvan het Vo 1 o e t za-gebergte en de Othrys het land van de Salambria in N. en Z. begrenzen, en door de üeta, met den bergpas der Thermopylae, midden-Griekenland van Noord-Griekenland afscheidt; de hoofdbergrug loopt zuidoostwaarts tot aan de kaap Colonne met een aantal afgezonderde bergtoppen: den Parmssm met zijne talrijke toppen, den Helicon, den OiHtaeron, den Par nes (de grensmuur tusschen Boeotië en Attica), den Peutelkon en den Hymettus. Als zuidwestelijke voortzetting van den Cithaeron gaat het lagere bergland van Mega ris over de landengte, die Midden-Griekenland verbindt met het bergachtige schiereiland, de Peloponnesus, waarvan de kern, het Arkadische hoogland, door randgebergten is ingesloten. De noordrand hiervan bereikt in den Cyllene, tegenover den Parnassus, zijn hoogste punt; naar het Z. vormen de ver-

141

ocr page 162

EUROPA.

schillende ketenen vier schiereilanden, van welke de Taygetm, 7416', evenals de Pindus, van het N. naar het Z. loopt, en ten W. van den Eurotas, als de hoogste en langste keten van het bergland, met kaap Matapan, de zuidelijkste spits, eindigt. Evenwijdig met den Pindus loopt in het O. eene rij kustgebergten, waartoe de Olympus, Osm en Peliou en de bergketen op Euboea behooren.

De heerlijke ineensmeltende opvolging der jaargetijden in Hellas, die door Herodotus zoo geroemd wordt, en geheel verschilt van die in de ruwere noordelijke landstreken, heeft het te danken aan de zuidelijke ligging niet alleen, maar ook aan den matigenden invloed der zee en de versterkende, vruchtbaarmakende noordwestenwinden, de Etesiën, die 's zomers worden aangetrokken door het gebied met een minimum van luchtdruk in de sterk verhitte Sahara. Ten noorden van den Balkan vertoonen zich reeds de ruwe winters van Oost-Europa, ten zuiden daarvan perst men vurigen wijn na den langen, heeten zomer en herinneren ons rozenvelden en bosschen van walnoten aan het klimaat van Zuid-Europa.

Ten Z. van 39° breedte groeien rijst en katoen in de vlakten en treden de myrt, laurier en oleander op.

Jammer, dat men hier en daar de bosschen heeft uitgeroeid, ten gevolge waarvan b. v. het oude Boeotië, eens zoo vruchtbaar, eene korenschuur voor Attica, woest en dor geworden is.

Onder de rivieren zijn, behalve de twee rechter-zijri vieren van de Don au, de Sau en Mo raw a, alleen de op den llilo Dagh ontspringende kustrivieren M a r i t z a, K a r a s o e en V a r d a r van gewicht. Tot het eigenlijke Griekenland behooren de Salambria in Thessalië, de Aspropotamo in het W., en de E o e f i a en Eurotas in M o r e a.

De bevolking bestaat uit: a) S 1 a v e n (ruim 44 mill.), tusschen de Donau en den Balkan en ten Z. van den Balkan; zij zijn de Grieksche leer toegedaan, behalve een gedeelte der Bosniërs, dat Mohammedaansch is. Wat de taal betreft, onderscheidt men de westelijke Slaven (M o n t e n e g r ij n e n, Bosniërs en Serviërs ofRaitsen) van de oostelijke (B o e 1 g a r e n).

b) Ho man en (ruim 4 mill.), ten N. van de Donau, de gemengde afstammelingen van de Walachen of Homanjers, zooals zij zich zeiven noemen.

c) DeArnauten, H mill., aldus door de Turken geuoemd, doch door de Italianen Albaneezen; zij zijn een overblijfsel van den Illvrischen volksstam.

d) Osmanen of Turken, ruim li mill.; e) Grieken, 4 mill.; f) Armeniërs, 400,000 in handelssteden; g) Israëlieten, 70,000 en h) Zigeuners 100,000.

De staten op het schiereiland zijn:

a. Het Turksche Rijk.

(In Europa, met de autonomische provincie üost-lloemelië verbonden met het schatplichtige vorstendom Boelgarije, 4815 □ m., met ruim 7-j mill, inw., in Azië, 34,100 □ m., met ruim 10 mill, inw.,

in Afrika (met Egypte), 68,000 □ m., met ruim 17 mill. inw.

Vroeger eene onbeperkte alleenheerschappij, waar de Sultan of Padisja de 'aoogste wereldlijke macht met het kalifaat of de hoogste geestelijke macht vereenigde, doch ml de staatkundige verwikkelingen der jongste jaren zijn in 1877 twee kamers van Vertegenwoordigers ingesteld, te kiezen uit de onderdanen van verschillende nationaliteiten en godsdiensten. Oorspronkelijk hadden alleen muzelmannen hier burgerlijke recliten en werd aan de „ongeloovigenquot; slechts het gebruik van goederen toegestaan, maar onder jjeheel willekeurige belasting. Reeds in 1839 en'later werd dit beginsel echter zoo gewijzigd, dat voor alle onderdanen der Portc nagenoeg gelijkheid van rechten zou bestaan; eerst door den jungsten

142

ocr page 163

TURKIJE.

is geen adel, maar wel slavernij; de Vroeger werden de belastingen in dier voege geheven, dat aan ieder distrikt eene zekere som werd opgelegd, doch. zonder verdere bepalingen; hetgeen ten gevolge had, dat die belasting het allermeest op de ongeloovigen (de landbouwers) drukte, en dat eindelijk de bebouwing van den grond tot het hoognoodige beperkt werd. Dit is eene hoofdoorzaak van het verval dier eens zoo bloeiende streken. Een verder euvel is het dat groote stukken lands in bezit zijn van moskeeën en geestelijke stichtingen en slecht verzorgd worden. Tegelijk vormen juist deze groote grondbezitters eene politieke macht, die vooruitgang en Europeesehe beschaving tegenwerkt. Intusschen houdt de naijver van de Europeesche mogendheden (voornamelijk Rusland en Oostenrijk) op elkanders invloed op het Balkanschiereiland het wankelende Turksche staatsgebouw nog staande.

Het Turksche rijk in Europa bestaat uit:

1) Eoem-lliofEomanië, het oude T h r a c i c.

Coustantiuopel of Istamhoel (liyzantiuni), (vóór 336 n. Ch.), prachtig gelegen hoofdstad aan do uitwatering der Zwarte zee, op de grcus van Europa en Azië, derhalve eene hoofddoorgaugsplaats voor liet verkeer tusschen twee werelddeelen, want van Belgrado heeft men door eene reeks van rivierdalen en passen een' onafgebroken verkeersweg naar Constantinopel: Boel-gaarscheMorawa-Nisohawa-Plateau van Soiia-PortaTrajana-Maritza-Constantinopel.

van het

passen-vlakte van '1'arsus-JiuIrat-Perzische golf-Indiö. Dit is de oude Indische handelsweg (vóór de kruistochten), die der kruisvaarders enz De eigenlijke stad is een driehoekig schiereiland, tusschen de zee van Marmora en de diep landwaarts indringende bocht van den Gouden Hoorn, waarin een bovenstroom uit de Zwarte zee visch aanbrengt, terwijl een onderstroom naar die zee de vuile stoffen der stad wegvoert. De Gouden Hoorn is bovendien eene veilige haven, daar zij door liet Istrandsja geh. beschut wordt tegen de veelvuldige stormen in de Zwarte zee. Op de in zee uitstekende spits ligt het Serail of de paleizen van den Sultan en aan den ingang daarvan de hooge poort (porte), d. i. de paleizen van den Groot-Vizier, en de door Justinianus gebouwde aan Christus als de goddelijke wijsheid (8 o p h i a) gewijde kerk. thans moskee. De rijkste en voornaamste Grieken, die aan den Gouden Hoorn wonen, heeteii naar hunne stadswijk (Phanar, vuurtoren) Phanarioten, zij zijn meest nakomelingen der voornaamste familiën uit deu tijd van het Byzan-tijusehe keizerrijk; uit hun midden werden vroeger de Hospodars van Moldavië en Walaehije gekozen. Op den Z.W. hoek der stad ligt het slot der zeven torens. Aan gene zijde van den Gouden Hoorn liggen Ga lata en Pera, waar de Europeanen (E ranken) en de buitenlandsche gezanten wonen; 600,000 inw. Voor liet hier tegenoverliggende Skoetari verg. bl. 76.

Adrianopel of Edirné, a/d Maritza, door Hadrianus gebouwd, en van 1366-1453 residentie der Turksche sultans, waarvan nog vele prachtige gebouwen getuigen, het nieuwe en oude serail, de moskee van Selim 11, die voor de prachtigste der aarde gehouden wordt, enz., doch, zooals alle of de meeste Turksche steden met enge, hoekige en vuile straten. Hier wordt de kostbaarste rozenolie vervaardigd; leerindustrie; 60,000 inw. (?).

Gallipoli, oorlogshaven en handelsstad op het ïhracisehe schiereiland, aan den ingang der ^ uur breede straat der D a r d a n e 11 e n (3 paar sterke kasteelen met meer dan SÜO kanonnen) of Hellespont; 20,000 inw.; dat ook deze stad een overgangspunt van Europa naar Azië was en omgekeerd, toonen de volgende feiteu aan:

515 v. C. Tocht van Darius.

4S0 u „ „ „ Xerxes.

334 „ „ „ „ Alexander.

1189 n. „ „ „ Erederik Barbarossa.

1357 » „ „ // Solimau naar Gallipoli.

143

maatregel

is dit daad geworden. Er slaven worden ecliter goed beiiandeld.

Deze wordt iu Azië aldus voortgezet: de steden langs deu westrand va plateau van Klein-Azië-Cilicische passeu-vlaktc van Ïarsus-Eafrat-Perzische

ocr page 164

144 EUROPA.

2) Macedonië, een der bloeiendste landschappen, met

Saloniki (Thessalonïcd), de hoofdstad en eerste koopstad; 80,000 mw.; langs dc Vardar—de pas van Uskjub-de Ibar en de Morawa door een' spoorweg verbonden met Belgrado.

Seres, 25,000 inw.; eu in hetzelfde dal 300 dorpen met beroemden katoenbouw.

3) Oost-Koemelië (eene autonomische provincie verbonden met Boelgarije).

Philippopel of Filibe, a/d Maritza, door Philippus van Macedonië gesticht,

gewichtige handels- en fabrieksstad in eene vruchtbare streek, met wijn-, olie-, rijst- en katoenbouw; 40,000 inw. Boergas, haven; 5000 inw. Kasanlyk, vesting, die den Sjibka Bas beheerscht; 12,000 inw.

4) Het schatplichtige Vorstendom Boelgarije (vroeger Moesia), langs en ten Z. van de Beneden-Donan, bekoorlijk en vruchtbaar, doch slecht bebouwd: 1160 □ m., 2 mill. inw.

Sophia, aan den voet van den Balkan, beschermt den westelijken pas; residentie van den vorst; 21,000 inw.

Sjoemla, in den Balkan, aan den grooten weg van het N. naar Constantinopel; 23,000 inw.

Nicopoli, Widdin, Roestsjoek, Silistria, sedert 1878 ontmantelde vestingen, langs de Donau, en aan de Zwarte zee Varna, eene handelshaven op de plaats van het oude Odessus met 25,000 inw.

5) De eilanden in den Archipel; 1) in het noordelijk gedeelte: Thaso (Tnasos), Samondraki {Samothrake), Imbro (lm.hron), Stalimene of l.imni {Lemmos), 8 □ m., met naakte, doch niet onvruchtbare vulkanische bergen; 2) in het zuiderdeel: Kandia (Cmta, Kriti, Turksch Kir id), 156 □ m., met ongeveer 275,000 inw.; hooge gebergten, met den Ida, 8000'.

6) Albanië. Van de Ambracisebe golf tot het Akrokeraunische voorgebergte heette dit oudtijds Epirus, ten N. daarvan het oude Hlyricum. Vooral in Ncord-Albanië wonen nog vele onafhankelijke stammen.

De hoofdstad der Skypetaren (d. i. Kotsbewoners) is Scutari [skoc-]; 20,000 inw.

In Zuid-Albanië Jan in a (Jan ia), niet ver van het oude Dodóna; 25,000 :.nw.

h. Het Vorstendom Montenegro, 164 □ m., 200,000 inw., een krijgshaftig, onafhankelijk volk van Slavische afkomst en Griekschen godsdienst.

De hoofdplaats is Cettigne [tsjettieuje]; 2000 inw. Bodgoritza; 5000 iuw. Antivari, haven; 8000 inw.

c. De Oostenrijksche prov. Bosnië, 1110 O m., U mill, inw., daartoe behoort de Herzegowina, met de hoofdplaats M o s t a r. De aanzienlijkste stad van deze door Oostenrijk tot welvaart gebrachte landstreek is;

Bosna-Serai of Sera-Je wo, fabrieks- en handelsstad; 21,000 inw.

d. Het Koninkrijk Servië, 880 □ m., If mill, inw., het bergachtige stroomgebied van Morawa en Donau. De Serviërs streden zich vrij onder Czerni Georg 1804—12. Vorst Milosj breidde die vrijheid uit, en in 1878 werd het geheel onafhankelijk.

Belgrad (Ital. Belgrado), hoofdstad van het land, aan de Donau en Sau; 30,000 inw.

Semendria, lager aan de Donau, vesting nabij de IJ zeren poort (de Donau-engte).

Kragojévatz, de oiiiciëele hoofdstad, vesting in het midden van het land.

e. Het Koninkrijk Roemenië, 2360 □ in,, bijna 5è mill, inw., van welke de Grieksch-Katholieke Roemenen de meerderheid vormen. Landbouw (maïs en tarwe) is het hoofdmiddel van bestaan. Leeningen, landbouwmachines en spoorwegen bevorderen de welvaart.

Het bestaat uit: a) Walachije, door de Aloeta in Klein- (westelijk) en Groot- (oostelijk) Walachije verdeeld.

ocr page 165

TURKIJE EN GRIEKENLAND.

Boekarest [-csjt], hoofd- en residentiestad met West-Europeesche beschaving; universiteit; 220,000 inw.

Braïla, aan de Donau., hoofdhandelsstad, vooral voor granen en zout; 28,000 m\v_

b) Moldavië.

J a s s y (J a s c h), hoofdstad; evenals te Boekarest prachtige gebouwen te midden van ondoorwaadbaren modder; 90,000 inw. De zeehandel der Donau-vorstendommen geschiedt hoofdzakelijk over

G a 1 a c z [-atsj], bij de vereeniging van den Proet met de Donau; 80,000 inw.

ƒ. Het Koninkrijk Grieknnland.

(1175 O m., 1,980,000 inw.).

De bevolking van dit land, dat ten N. begrensd wordt door eene lijn van de golf van Arta naar Metzowo, het dal Tempe en den zuidvoet van den Olympus, bestaat uit Grieken, nakomelingen der oude Grieken en der in de 13e en 15e eeuw herwaarts getogen Al ba nee zen, die inden liardnekkigen krijg van 1821—1829 tegen de Turken en Egyptenaren krachtig deel namen aan het grondvesten der vrijheid. De Grieksehe kerk is de heerschende. De regeering is sedert 1833 eene erfelijke beperkte monarchie. Het land is verdeeld in 14 gewesten (Nomen) met 60 Eparnhicn, buiten de Ionische eilanden.

Ofschoon de scheepvaart bloeit en de landbouw eenige vorderingen maakt, is dit land op de meeste plaatsen nog woest, onbebouwd en arm aan water door het sloopen der bosschen. Ook de geldelijke toestand van het rijk is slecht.

Attica en Boeotia.

Athene, residentie aan deu voet van den honingrijken Hymettus, met eene beroemde universiteit; 03,000 inw. Van het oude Athene (200,000 inw.) zijn op de Akropolis overblijfselen van grootsche gebouwen nog in vrij goeden toestand, namelijk de Propylaeën, liet Erechthéum en het Parthenon. In de stad zelve nog de vrij goed bewaarde Theseus- (eigenl. Dionysos-) tempel. Door ecu' spoorweg is Athene verhouden met

Piraeos (Piréus), de voornaamste der drie havens van Üud-Athene; 22,000 inw.

Thessalië. Het gebied van de Salambria, aan welker mond het beroemde dal Tempe, tusschen den 7000' hoogen Olympus ten N. en den Ossa ten Z. Nabij de rivier ligt;

Larissa, fabrieksplaats, de belangrijkste stad van dit welvarende landschap; 25,000 inw. '

Phthiotis en Phocis, met vruchtbare streken; omvat ook het oude Doris en Locris.

Aetolië en Acarnania.

Nep act o of E pak to (vroeger Nmipaktos), aan de gelijknamige golf. De meer bekende Italiaansche naam dezer handelsstad, Le panto, is daar niet gebruikelijk.

Mesolongi, in Aetolië, vesting te midden van moerassige rijstvelden, vandaar door de Grieken ook Klein-Venetië genoemd, aan een' modderigen inham van de golf van Patras (roemvolle doch vruehtelooze verdediging tegen de Turken in 1826).

Euboea of Negropont (door de Italianen, in wier handen tot aan het begin dezer eeuw de handel van Griekenland was, alzoo verbasterd uit En Eg rib o of Eurypos, den vroegeren naam der zeeëngte), het grootste Grieksehe eiland, 24 mijlen lang.

C h a 1 c i s, met het vasteland door eene brug verbonden.

Tot deze provincie behoort ook de N.O.lijk gelegen eilandengroep der noordelijke Sporaden, waaronder Scyros het grootst.

De Cycladen, eene groote eilandengroep in een' cyclus of kring gelegen, ten

145

10

ocr page 166

EUROPA.

Z.O. van Attica en Euboea, gedeeltelijk vulkanisch. Het meest bevolkt is tegenwoordig Syra (Sj/ros), met

Hermopoiis, hoofdstad der Cycladen, met bloeieudon handel; vereenigingspunt van de stoombooten uit Marseille, Athene, Smyrna, Alexandrië en Coustantinopel; 21,500 inw.

Tinos (Tenos), 4 □ m., 25,000 inw., van alle Cycladen het best bebouwd en sterk bevolkt.

Delos, alleen gedierten bewonen de bouwvallen van den weleer zoo beroemden tempel van Apollo.

N a x o s, het grootste, ook thans nog hoogst vruchtbaar ,5dm.

Paros, met het westelijk gelegen kleinere Antiparos, veel scheepvaart.

Op het schiereiland Peloponnesus of Morea.

(390 □ m.).

Argolis en Corinthia.

Corinthus, op de slechts | mijl hreede landengte, zoodat de stad aan beide zeeën eeue haven heeft. Men is bezig beide havens door een kanaal te verbinden, dat door de grootste zeehooten zal te passeeren zijn en den afstand van ïriëst naar de Levant met 130 zeemijlen zal verkorten. Men vreest echter, dat er weinig gebruik van gemaakt zal worden omdat men den tol te hoog moet berekenen, wil het rentegevend zijn. In de nabijheid de 1400'hooge vesting Arco-Corinthus met een vermaard vergezicht tot naar Athene.

Nauplia, hoofdstad achter de golf van Argos; Ij m. noordwaarts ligt de stad Argos of Argia, vóór de wederopkomst van Athene de hoofdstad van het nieuwe Griekenland; thans 10,000 inw.

De eilanden Hydra en Spezzia, welker bewoners zich in den vrijheidsoorlog als zeehelden onderscheidden, behooren hiertoe.

Ac ha ia en El is, grootendeels woest bergland.

Patras, de eerste handelsstad van Morea, ongev. 2 m. van het schuins daar tegenover liggende Naupaktos; 20,000 inw.

Mes sen ia, de vruchtbare zuid-westkust, met de havens

Navarino, (1827 vernietiging der Turksch-Egyptische vloot).

M e t h o n e of M 0 d 0 n, eu K 0 r 0 n.

Laconia, de Z.O.hoek, doorstroomd door den Eurotas.

Het oude Sparta, tegenwoordig slechts bouwvallen, lalt;j aan diens oever nabij liet iets westelijker gelegen Mistra, dat thans den ouil-klassieken naam overgenomen heeft.

Monemhasia (Ital. N a p o 1 i d i M a 1 v a s i a), met wijnbouw.

Arcadia, hooggelegen biunenland.

ïripolitza, op de plaats, waar het oude Mantinea stond, dat de wegen 'u den Peloponnesus beheerschte (Slag in 362 v. Ch.); de vervallen hoofdstad met tor nauwernood 10,000 armoedige inwoners.

De Ionische eilanden.

(47 Q m., 230,000 inw., het dichtst bewoonde gedeelte van het rijk.)

Zeven groote en eenige kleinere eilanden aan de oostzijde der Ionische zee langs de ürieksche kusten; bergachtig, doch vruchtbaar in druiven (krenten), olijven en andere zuidvruchten. Zij vormden sedert 1815 een' Bondstaat onder bescherming van Groot-Britannië, maar zijn in 1804 met Griekenland vereenigd.

Tegenover het oude Epirns: Korfoe of Kérkyra (Corcyrd) (10 0 m.), met gelijknamige hoofdstad van 16,500 inw., waar zeilschepen zuid-oostenwinden afwachten, die na de n.w. winden van den zomer waaien. Paxo, voor de golf

146

ocr page 167

ITALIË.

van Arta. Leukas of Santa Maura. Thiaki (ItJiaca). Kcphalonia, het grootste eiland, doch schaars bebouwd. Zan te, vruchtbaar, vooral in krenten, en volkrijk, met gelijknamige hoofdstad van 16,000 inw. Ten Z. van Morea: Cerigo [tsjerigo].

2. Het Italiaansche Schiereiland.

(5240 □ m., 28i inw., zonder Corsica.)

Dit lange schiereiland ligt tusschen dezelfde middagcirkels als Duitschland en zoo ver noordwaarts als Walachije (Donau, Garonne en l'o loopen op ongeveer 45° br. in zee); het strekt zich naar het Z.O. uit, deelt zoo de Middellandsche zee in twee gelijke deelen, en nadert Afrika's vasteland tot op 80 mijlen (waarvan Sicilië slechts 15 mijlen verwijderd is), terwijl het van Griekenland gescheiden blijft door eene slechts 6 m. breede zeeëngte, die van Otranto. De golf van Tarente deelt de zuidelijke spits in het westelijke Galabrië en het oostelijke Apulië. Door die ligging was het als tot middelpunt van allen handel en verkeer bestemd, zoo lang de wereldhandel zich tot de Middellandsche zee beperkte. Nu de weg naar Indië na de doorgraving van het Suezkanaal weder door de M. zee leidt, en alpentunnels (welke ?) de verbinding tot stand brengen tusschen Zuid- en Middel-Europa is er één groote handelsweg gevormd in de richting Z.W.— N.O. Daarvan zijn Rotterdam en Bombay of Batavia de eindpunten, en Genua en Brindisi hoofdstations. Het plaatselijk verkeer in de Adriatische zee heeft er echter niet veel door gewonnen, daar langs hare beide oevers de gebergten tot dicht bij zee komen, den aanleg van havens niet bevorderen en de kusten van het binnenland afsluiten. Langs de meer breede, vlakke kust van de Tyrrheensche zee, waar de rivieren uitmonden, de eilanden liggen en vele goede havens zijn, zal zich natuurlijk het drukste handelsverkeer met al zijne gevolgen ontwikkelen.

Italic bestaat uit twee zeer van elkander verschillende deelen:

1) Het hoogstvruchtbare dal van den P o, dat van de Illyrische grenzen in het O. tot aan den voet van den bergpas Col di Tenda bij Coni in het Z.W. reikt, Z.O.waarts zich uitstrekt tot aan cene rechte lijn van Piacenza [-tsjentsa] naar Rimini, en aan de Adriatische zeekusten door groote moerassen en ondiepe strandmeren (lagunen) begrensd wordt. De stad Adria, die vroeger aan zee lag en thans 2 uren daarvan verwijderd is, bewijst, dat de geheele Lombar-dijsche vlakte door de eeuwen als een voortbrengsel van den Po gevormd is. — In het W. en N. verrijzen de Alpen. Van den Col di Tenda tot nabij den St. Gotthardt vormt de hoofdketen de grens van Italië, maar raakt de grenzen van dat land later slechts nog enkele malen en wel: noordwaarts van Ch ia ven na [kiawenna] bij den Splttgen, verder bij de Bern in a en bij de bron der Adda. Westelijk van de Etsch of Adige [adiedzje] treden de Ortler-Alpen nog eenmaal op Italiaansch grondgebied. Daar bijna alle passen, die over de Alpen voeren, aan de zijde van het buitenland veel minder steil zijn dan aan de Italiaansche, zoo hebben van oudsher de naburige volken over het lot van Noord-Italië beslist.

In bijna alle gedeelten der vlakte heerscht de weelderigste vruchtbaarheid, veroorzaakt door den vruchtbaren bodem zei ven en door de rivieren en kanalen, die haar in alle richtingen doorsnijden; vooral zijn de landen aan de linkerzijrivieren van den Po met een zuidelijk klimaat begunstigd, daar de Alpen hen in het N. beschutten en de zomerwarmte niet verloren gaat. Wijn, tarwe, m a is en z ij d e maken den hoofdrijkdom des lands uit.

Elke medalje heeft hare keerzijde, zoo ook hier. Door het geringe verval en de ophooging van de bedding van den Po, is de aanleg van kostbare dijken

147

ocr page 168

EUUOPA.

noodig geworden. Toch worden de bewoners (om dezelfde redenen als in ons land) herhaaldelijk met overstroomingen en doorbraken bedreigd. De aanleg en het onderhond van verschillende waterwerken vereischen groote sommen, welke door de rijke stedelingen worden verstrekt. De pacht der landerijen is daarom zeer hoog en de plattelandsbevolking zeer arm, terwijl groote weelde, zedenbederf en politieke twisten de Lombardische steden ten allen tijde kenmerkten.

Men heeft de Povlakte wel eens het slagveld van Zuid-Europa genoemd. Van waar die naam? De zijrivieren van den Po staan aanvankelijk loodrecht op den hoofdstroom, naar het oosten vloeien zij meer onder scherpe hoeken met dezen samen. (Zie de kaart). Zij hebben daardoor een snellen loop, en hoewel gezuiverd in de Alpenmeren (welke?) en rijk aan water, zijn zij niet bevaarbaar, maar vormen door buiten de oevers te treden vele moerassen. Daardoor werden zij van groote bet eekenis voor de legers van vorsten en volken, die een be-geerig oog sloegen op het schoone Italië. Op eene vlakte te midden van de voornaamste bergen van Europa, doorsneden door rivieren, welke overgetrokken moeten worden, maar waar de overtocht gemakkelijk is tc betwisten, werden de groote volkenslagen beslissend gestreden:

217 v. C. Strijd tusschen Hannibal en de Romeinen bij de Trebbia. 101 v. C. Marius verslaat de Kimbren bij Vercelli.

1176 n. C. Barbarossa bij Legnano verslagen.

1525 n. C. Slag bij Pavia tusschen Karei V en Frans I.

1849. Slag bij Novara tusschen Karei Albert van Sardinië en Kadetzky.

1859. De Oostenrijkers bij Magenta verslagen.

1796. Napoleon bij Lodi en Castiglione.

1849 en 1866. Slagen bij Custozza.

De vestingvierhoek ^ntuM'^^e^rw}1 's val1 or00'' belang voor het beheer-

schen van den weg over de Brennerbaan.

2) Het Apennijnsche schiereiland, aldus genoemd naar het gebergte der Apennijnen, dat het in de lengte doorsnijdt. Dit gebergte begint aan den Col di Ten da en gaat als Noordelijke Apennijnen, onder den naam van Ligurische en Toscaansche of Etrurisehe, tot aan de bronnen van den Tiber voort; van deze tot aan den oorsprong van den Volturno als Midden-Apen n ij n en, die tot aan den Monte Si bi 11a den naam van Romeinsche voeren, en dan in het hocgland der Abruzzen de gr.otste hoogte bereiken (G r a n S a s s o d'I t a 1 i a, 9200'). De Z u i d e 1 ij k e of Na p o 1 i t a a n s c li e Apennijnen gaan van de bronnen van Volturno tnt aan kaap Spartivento; de zuidoostelijke landtong draagt slechts lage bergen. Uit de C a m p a n i s c h e vlakte in het W. verrijst de Monte So m m a met den Vesuvius 3900'; uit de Apulische in het O. op het schiereiland Manfredonia verrijst de Monte G a r g a n o, 4800'.

Op de westzijde der Apennijnen ligt geen vlakte maar eene reeks lage middelgebergten en heuvels, die men onder den naam van Sub-Apennijnen samenvat. Daarin hebben zich de rivieren vlakten uitgeschuurd, waar landbouw met vrucht en voorliefde wordt uitgeoefend.

Slechts onbeduidende stroompjes wenden zich naar de Tyrrheensche, Adriatische en Ionische zee, die aan de W.zijde der Apennijnen, vooral in de kuststreken, vergezeld gaan van m a r e m m e n , ongezonde poelen met moerassige maar soms zeer vruchtbare weiden, waar men, zooals het spreekwoord zegt, „in een jaar rijk wordt, maar in zes maanden sterft.quot; Zoo liggen aan de zeekusten in het gebied van den Arno: de Toscaansche maremmen, en ook hooger op, nabij do steden A r e z z o [-etso] en Sic n a, waardoor de

148

ocr page 169

ITALIË.

Arno door het C h 1 a n a-kanaal met de C h i a n a [kiana], een' zijtak van den boven-Tiber, verbonden is, vindt men zulke moerassen. De Tiber of Tévere, de grootste rivier van het schiereiland (35 m. lang), met eene zuidelijke richting, neemt links de Nera (Nar) op, en 5 in. boven zijnen mond den Tevf?-rone {Anio). Tot liet Tiber-gebied behoorea de Romeinsehe ma rem men; aan den voet der Albaansche bergen, tusschen den beueden-Tiber en den Garigliano [Garieljano] (Liris), ligt de woeste, verlatene, ongezonde C a m-pagna di Roma, aan welke in het Z. tot bij Terracina [-tsjina] de Pomtijnsche moerassen (naar de oude stad Pometia) grenzen. Even ongezond door de slechte moerasdampen „aria cattivaquot; zijn de Napelsche ma remmen rondom Salerno en Policastro. De rivieren aan de O.zijde, zelfs de beroemde O fan to (A njides), zijn zeer onbeduidend.

Het grootste gedeelte der kalkachtige Apennijnen heeft slechts een' karigen wasdom, die zich niet dan op enkele bijzonder gunstige plekken in volle pracht ontwikkelt, zoonis bijv. in het voormalige Toscane, waar wijn- of olijven-plantsoenen algemeen verspreid zijn. In den voormaligen Kerkdijken Staat wordt slechts i van den bouwgrond bearbeid, het overige ligt braak en wordt door zwervende kudden vee beweid.

De bevolking, waarvan de verschillende stammen meer en meer in elkander smelten, heeft het Toscaansche d i a 1 e k t, als het meest veredelde tot algemeene schrijftaal verheven. Euim 28^ millioen mensehen spreken Italiaanseh doch daarvan wonen ongeveer 1 millioen in landstreken, die onder vreemde overheersching staan, zoo als in Zwitserland, Tirol, Dalmatië, Istrië, Malta en Corsica. Om den voet van den Monte llosa tot aan den Dora Baltea liggen Duitsche dorpen, die, met de set te communi [-moe-] bij Vieenza [vietsjentsa] en de 13 gemeenten ten N. van Verona, de zuidelijkste voorposten der Germaansche bevolking van Zwitserland en Duitschland zijn.

De Eoomsoh-Katholieke godsdienst is de heersehende, doch andere Christelijke belijders worden geduld. In de omstreken van Pigncrol in de Cot-tische Alpen wonen de overblijfselen der W aide n z e n „hervormden vóór de hervorming;quot; 20,000 zielen.

1) Italië.

(5240 C m-gt; 28i mill. inw.).

Dit in 18fi0 gevormde constitutioneele koninkrijk is bijna zoo groot als het Britsche koninkrijk en omvat de Lombardische en Venetiaansche vlakte ten Z. der Alpen, de valleien van Piémont, den kustzoom van de Ligurische zee, geheel het Apennijnsche schiereiland, en de eilanden Sardinië en Sicilië benevens ettelijke kleinere.

Al de vroegere Staten van Italië zijn onder den koning van Sardinië vereenigd.

De verlichting, ontwikkeling en bloei van het voormalige Sardinische rijk is echter bij lange na niet in alle zuidelijke deelen doorgedrongen; de regeling van het onderwijs en de aanleg voor spoor- en andere wegen moeten daaraan voorafgaan. Hoewel het aantal leerlingen der lagere school van 1862—1880 met 1 mill, vermeerderd is, had in 1881 toch nog 30°.o der bevolking geenerlei onderwijs genoten. De kosten echter van een groot leger en der niet onaanzienlijke vloot zijn een bezwaar voor een land dat bovenmatig gedrukt is door een' grooten schuldenlast en behalve in het noorden over het algemeen slecht wordt bebouwd, al levert het kostbare handelsartikelen op, zooals: olijfolie, moerbezieboomen voor de zijdeteelt, wijn, granen, zuidvruchten, rijst, kastanjes en boomwol, zonder nog te gewagen van den mineraalrijkdom , die zeer verwaarloosd wordt. De armoede

149

ocr page 170

EUROPA.

aan steenkolen is oorzaak, dat Italië zich nooit tot een land van giroot-industrie zal kunnen ontwikkelen; het ijzererts moet zelfs naar Swansea in AVales ter smelting gezonden worden. Alleen voor de zijde-industrie neemt het ee.ne voorname plaats in onder de fabriekslanden van Europa (| van de geheele opbrengst van ruwe zijde). Frankrijk en Engeland hebben echter meer zijdefabrieken. Zwavel, marmer en puimsteen worden veel uitgevoerd. Door afwatering van moerassen worden duizenden hectaren voor den landbouw gewonnen.

A. Provinciën tusschen de Alpen, de Ligurische en Adriatische zeeën en de Apennijnen.

1) In het voormalige koninkrijk Sardinië, dat, in het W. door de Alpen omgeven, in het O. tot grenzen had het Lago Maggiore [-dzjiore] en de hieruit-stroomende Ticïno [tietsjmo] en verder in de richting hiervan beneden den Po, tot aan de golf van Genua, liggen:

Torino (Turijn), aan den Po en de Dora, fraaie, zeer regelmatig gebouwde hoofdstad van liet vroegere vorstendom Piéinont, van het latere koninkrijk Sardinië en tot 1865 van het tegenwoordige koninkrijk Italië; met eene akademie, eene citadel en veel zijdefabrieken; 250,001) inw.

Aosta, links aan de Dora Baltea en aan de opening der twee dalen van den Grooten en Kleinen St. Bernhard, de grens in het N.O.

Sn sa [soe-], aan de Dora Riparia, in de Cottische Alpen, ten Z. van den berg Cenis, welke sedert 1870 doorboord is voor den spoorweg tusschen Frankrijk en Italië.

Genova (Genua), sterke stad en druk bezochte vrijhaven aan de zuidelijke helling der Ligurische Apennijnen en aan de door have schoonhedeu beroemde kust der golf van Genua (waarvan de oevers de naam dragen van Riviera di Levante en Riviera di Ponente), vol prachtige paleizen (la superb a). Hare fraaie ligging wordt, in Europa slechts overtroffen ioor Napels en Constantinopel; tot op Kapoleous tijd liet hoofd eener republiek, welke eens de eilanden Corsica en Sardinië bezat, de Zwarte zee beheerschte en aan verscheidene handelssteden in de Krim het aanzijn gaf; haar bloei verminderde, toen de handel zich verplaatste van de M. zee naar den A. oceaan, maar door de ligging aan den Pochettapas, die haar met het binnenland in verbinding stelt en de opening van den St. Gothard-tnnnel en het kanaal van Suez wordt zij tot nieuw leven gewekt; 180,000 inw.

Ten Z.W. ligt de haven Savona, 25,000 inw. en ten Z.O. Spezia [-edzia], die Napoleon I om de gunstige ligging tot de eerste havens van zijn rijk had willen maken.

Alessandria, vesting aan den Tanaro, door de partij dor Guelfen in 1168 gebouwd en ter cere van Paus Alexander III aldus genoemd, met veel handel; 62,000 inw.

Iets zuidwaarts het dorp Marengo.

Ca sale, aan den Po, in het bergachtige voormalige hertogdom Monferrato, 17,000 inw.

Vercelli [tsjelli], aan de Sesia, linker-zijnvier van den Po ; 20,000 inw.

Novara, ten Z. van het 10 m. lange en ruim 1 m. breede Lago Maggiore met zijne bekoorlijke Porromeïsche eilanden (Isola bella en Isola madre); 33,000 inw.

Ten N.W. hiervan de S i m p 1 o n - p a s over Domo d'0 s s u 1 a.

3) In Lombardije, dat tot 1859 aan Oostenrijk behoorde, tusschen den Ticino, Po, Mincio [mientsjio], het meer Garda en de Retische Alpen, eene vruchtbare, goed bevolkte en uitnemend bebouwde vlakte;

Mi la no (Milaan, Duitsch Mail and, Mediolanum), .,il grande,quot; schoone handeldrijvende stad, te midden van kanalen en spoorwegen; punt van samenkomst van de wegen over Simplon-St. Gotliard-Bernardin- en Splügenpas, waardoor zij eeue stapelplaats is voor den handel tusschen Duitschland en Italië; met eene wereldberoemde marmeren hoofdkerk, eene groote schouwburg voor 3600 toe-

150

ocr page 171

ITALIË.

sclioviwers „la Scala,quot; belangrijke bibliotheken, eene citadel en een aantal gewicLtige fabrieken van manufakturen; 320,000 imv.

Pa via, akademiestad cn vesting aan de Ticino; 30,000 inw.

Lodi, aan de Adda, welvarend door veeteelt; 2(5,000 inw.

Cremona, aan den Po, fabrieken van zijdcwarcn en muziekinstrumenten; liare violen en snaren zijn sedert lang beroemd (Amati, Guarneri, Stradivari); 39,000 inw.

Solferino, ten Z. van het Lago di Garda; slag in Juni 1859.

B r e s c i a [bressjia], met fabrieken, fraaie paleizen en merkwaardige overblijfselen uit de oudheid; 60,000 inw.

Bergamo, heeft 2 citadellen, talrijke fabrieken, vooral in zijde, en levendigen handel; 40,000 inw.

Como, fraai gelegen aan het verrukkelijk sehoone Lago di Como, met vele fabrieken en levendigen handel; 26,000 inw.

Hiertoe belioort ook het vruchtbare Alpendal Val tell i na of Vel tl in, besproeid door de Adda, die later door het Lago di Como stroomt. Met

B or mi o of Worms, nabij het Stilfser Joch (Monte Stelvio), de hoogst gelegen bergpas van Europa, bij den oorsprong der Adda, 8600'.

Chiavenna [kia-], ten N. van het meer Como, hoofdplaats van dat landschap, met nijverheid en levendigen handel; 35,000 inw.

3) Het Venetiaanscli koninkrijk, in 1806 door Oostenrijk aan Italië afgestaan. Het was reeds door keizer Otto I onder den naam der Marken Verona of Friaul of Friuli bij Duitsehland gevoegd; later met Dalmatié en Istrië het hoofdbestanddeel der republiek Venetië, aan welke Napoleon I een einde maakte. Thans in het W. begrensd door den Mincio; evenals Lombardije uitnemend bebouwd en rijk in zijde.

Venezia (Venetië, Duitsch V ené dig), „la riccaquot;, in dc Lagunen der Adria-tische zee, op bijna 100 eilanden endoor 450 bruggen (de groote marmeren brug, Ponti di Rialto) over 400 kanalen, verbonden; eene brug over 222 bogen (tevens waterleiding) verbindt het door een' spoorweg met het vaste land; het Canal grande vormt in do gedaante eeuer omgekeerde S de hoofdstraat der stad. De lidi worden gevormd door het slib, dat de Po en andere Alpen;ivieren aanvoeren , en dat moet bezinken, omdat een stroom uit het Z.O. der Adriatische zee aanbotst tegen deu stroom der genoemde rivieren. De openingen tusschen de Lidi (Porto di Lidi, di Chioggia), geven toegang tot dc stad en kunnen in tijd van nood versperd worden door één schip te laten zinken. Zóó kon zij de zee beheerschen en was zij tegen aanvallen van buiten beschermd. Het prachtige St. Marcusplein en de St. Marcuskerk, hot voormalige paleis van den Doge, met de schrikwekkende staatsgevangenissen en de rijke St. Marcusbibliotheek, het groote arsenaal met de kanongieterij zijn de vermaardste gedonkteekoneu van deze eiland-stad, die, in 452 door de voor Attila hierheen gevluchte Veneti gesticht, tot aan de ontdekking van den zeeweg naar Oost-Indië de beheerseheres der zee was ; weleer 200,000, thans 130,000 inw., weder ontluikend door den handel sedert hot kanaal van Suez is geopend en een spoorweg over dc Brennerbaan Italië met Oostenrijk verbindt.

Chioggia [kiodzjia], ten N. van de monden van den Po, evenals Venetië op paalwerk te midden der Lagunen; door de Murazzi (een' reusachtigen steenen dam) met het noordelijke fort Malamocco verbonden; 19,000 inw.

Mcintova of Mantua, „la gloriosaquot;, op een eiland iu den Mincio [mientsjio], sterkste vesting van Boven-Italië, door moerassen omgeven; 28,000 inw.

Peschicra fpeskièra], aan het Garda-meer, de noordwestelijke vesting van den vermaarden vierhoek (Verona, Peschiera, Mantua en Legnano) (zie bl. 128).

V e r o n a, vesting en aanzienlijke binnenlaudsohe handelsstad aan de Adige [adiedzjej of Etsch, met een oud-Romeinsch amphitheater; 70,000 inw. In de nabijheid der stad de Campi Ruudii, waar de Cimbren, 101 v. dir., en Ar cole, waar de Oostenrijkers 1796 overwonnen werden.

V i c e u z a [vietsjentzal, vesting aan de Bacchiglione [bakkieljione]; de hier geboren beroemde architekt I'alladio (omstreeks 1550) bouwde de fraaie paleizen dezer stad; 90,000 inw.

151

ocr page 172

EUROPA.

Pit do va of Padua, de hoofdstad der Veneti, insgelijks aan de Baeehiglione, met de fraaie kerk van den heiligen Antonius en de van ouds beroemde universiteit, eens met (5000 studenten (van daar „la dottaquot;); 70,000 inw. Iets Z.W.Iijker E s t e, de stamzetel van het huis van dien naam.

U d i n e [oédine], middelpunt der zijdekuituur iu Friaul; 32,000 inw. lu de nabijheid ligt het dorp Cam po Por raio (vrede 1797).

4) Het landschap Emilia, het rechter gedeelte van het gebied van den Po. Den naam heeft het te danken aan de nog aanwezige Eomeinsche heirbaan {via Jemilia), die in 187 v. Chr. door Aemilius Lepidus, dwars hierdoor van Ariminum (thans Rimini) aan de Adriatische zee tot aan l'lncautia (Piaoenza) aan den Po, werd aangelegd. Het beslaat de. plaats der vroegere hertogdommen Parma en Modena, en van liet voormalige noordelijkste gedeelte van den Kerkdijken Staat (de zoogenaamde II cm a g n a met de moerassige delta van den Po).

Aan de oude via Jemilia de 6 eerstvolgende steden:

Piaoenza [pjaatsjentsa], op dat punt van den Po, waar de rivier door de verderaf liggende moerassen voor het laatst gemakkelijk kan overgetrokken worden. Daarom vereenigen zich hier de wegen van Frankrijk over Turin en van Zwitserland over Milaan. In den omtrek der stad liggen dc Konealisclie velden, waarop de keizers gewoon waren hunne legers te monsteren, voor zij verder trokken. Het is eene van de belangrijkste strategische punten der vlakte; 35,000 inw.

Parma, niet zeer bloeiend; doch met den ruimsten schouwburg van Europa; 45,000 inw.

Reggio [redzjio], 50,000 inw.

Modena, 60,000 inw.

Eologna f-nja] met de oudste Christelijke universiteit in Europa, in 1158 gesticht, waar in 3e duistere barbaarsche eeuwen dc fakkel der wetenschap niet uitdoofde; 125,000 inw.

Faenza [faëntsa], de aardewerk-(fayenne) fabrieken vereeuwigen den uaara der stad; 36,000 inw.

Ravenna, te midden van moerassen, vroeger bijna aan zee, nu twee uren daarvan verwijderd; vroeger eene eerste havenstad van het Roraeinscbe rijk en residentie van de laatste Romeinsche keizers, van Odoacer en ïlieoderik den Groote; nu is de haven verzand om dezelfde reden als die van Adria, Aquilea en weldra van Venetië; aanwas der lidi; 60,000 inw.

Comaechio [-akio], vesting te midden der lagunen.

F er rara, met eene sterke citadel aan een' arm van den Po, eenmaal rijk en groot door het geslacht £ste (Tasso, Ariosto); 75,000 inw.

Guastalla [^oeas-], kleine vesting aan den Po.

Aan de zuidelijke helling der Apennijnen nabij de kust:

Massa, en Carrara met de rijke groeven van het bekende blauwgeaderde witte marmer en van het geheel witte heeldhouwersraarmcr.

B. Provinciën in Midden-Italië.

ó) ten W. van de Apennijnen.

Het voormalige groothertogdom T o s e a n a, in het Arno-gebied, het dichtst bevolkt. De kunstvlijt (vooral het vlechten van stroo) en het volksonderwijs staan nergens elders in Italic op zoo hoogen trap. Westelijk Toscana bevat schatten van koper en ijzererts.

Firenze [-tse], Fransch Florence aan den Arno, in een vruchtbaar, verrukkelijk dal, dat wegens zijne rijke besproeiing en zorgvuldige bebouwing het best met de Povlakte kan vergeleken worden. De olijfboomen, enkele oranjeboomen en dadelboomen herinneren er ons aan, dat wij in het eigenlijke Italië zijn. Florence heeft eene gemiddelde wintertempcratuur van 6,2° C. Om dc fraaie ligging, het gezonde klimaat en de pracht der gebouwen wordt het met recht /,1a bel laquot; genaamd; van 1S65 tot 1871 de hoofdstad van het koninkrijk Italië

152

ocr page 173

ITALIË.

en toen buitengemeen bloeiend; in vele opzichten nog het middelpunt der 11 a-1 i a a n s e h e beschaving. Het fraaiste is het binnengedeelte der stad om het plein Santa Croce. De dom, S'1 Maria del Fiore, een reusachtig meesterstuk van verscheidene eeuwen, de Kruiskerk, het Toscaansche Pantheon met de graven van Michel Angelo, Dan te, Macchiavelli [makkia-J en Galileï, de kerk van Lorenzo met de kapel der Medici; ïloreuce's wonder, het oude paleis der Medici met uitgebreide verzamelingen, de rijke Laurentiaansche bibliotheek, de universiteit en de Academia della Crusea ter bevordering der Italiaansehe taalstudie, de weverijen en verwerijen van zijde en het kunstige vlechten der bekende fijne stroohoeden, linten, kwasten enz. zijn wereldberoemd; 170,000 inw.

L ucca [loekkii], „la industriesaquot;; 70,000 inw.

Pi sa, aan den Arno; de Doniplaats met den dom, het baptisterium, het campo-sauto, do 168'hooge scheeve toren en de in 1388 opgerichte universiteit getuigen van de vroegere grootheid; 54,000 inw. (in de 13de eeuw 150,000 inw).

L i v o r n o (Engelsch Leghorn), belangrijke zee- en handelsstad met twee havens, een hoofdzetel van den handel met de Levant. Nadat Pisa door verzanding van den mond der Arno vervallen was, stichtten de Medici in de 15e eeuw Livorno en bevolkten het met kolonisten uit alle landen, zoodat het thans nog de minst Italiaansehe stad van Italië is. Uitvoer van olijfolie; 98,000 inw.

Volterra, halverwege tusschen Livorno en Siëna, met een rijk museum van Etrurische oudheden.

Siëna, juist midden in het land, in de middeleeuwen 150,000; onder de overblijfsels van gebouwen is de marnieren dom het belangrijkst; 23,000 inw.

Chiusi [dioezi], nabij het meer van Perugia [-oedzjia] (Lacus Trasimenus).

Arezzo, tusschen Tiber en Arno; 11,000 inw.

Ten Z. hiervan;

Lati um, het St. Pie ter s Erfdeel, tot 1870 wereldrijk grondgebied van den Paus, thans de provincie lloma. Dit gedeelte werd in 1102 door de Markgravin Mathilda van Toscane als Erfdeel van den Heiligen Petrus aan den Heiligen Stoel geschonken en ligt, met Rome als middelpunt, langs de Tyrrheensche zee, ten Z.W. der Apennijnen. De landbouw is er, even als de opleiding van het volk, zeer verwaarloosd; het land wordt vaak door rooverbenden onveilig gemaakt. De zoogenaamde St. Pieterspenning, eene inzameling van ten minste een cent per ziel elke maand in alle Êoomsch-Katholieke oorden, strekt tegenwoordig met de aanzienlijke inkomsten door de Italiaansehe regeering voor de geannexeerde provinciën aan den Paus verzekerd, tot instandhouding van den hofstaat in het Vatikaan.

R o m a (R o m e), thans weder de hoofdstad vau Italië, oudtijds bijna alleen aan de linkerzijde van den Tiber, op 7—10 heuvelen, tegenwoordig aan beide zijden op 11 heuvels, maar vee! minder bevolkt (op de linkeroever de Monte Pincio Cpientsjio] eu de Monte Testocio [-tsjio], op den rechter de laniculus en V a t i c a n u s. Kleine zceschecpjcs konden iu de oudheid tot hier den Tiber opvaren, eu deze omstaudigheid heeft aanleiding gegeven tot het stichten eener stad. Deze lag zeer gunstig in het midden van Italië's meest ontwikkelde kust, waar zich natuurlijke wegen over de Apennijnen vereenigden, b.v. de Via Cassia van de Arno, de via El a mini a vau Ancona, de via Appia over Capua naar Eoggia en Tarente. De hoofdinerkwaardigheden uit de klassieke oudheid liggen op den linkeroever: aan den voet van het Capitool het, Eorum (campo vaccino f-tsino]), het door Augustus' admiraal Agrippa gebouwde Pantheon of de R o t o n d a (sedert ] 2 eeuwen in de kerk Sa Maria-ad-Martyres herschapen met de grafsteden van Raphaël Mengs, Petrarca en Ariosto), de zuil van Traiar.us (118' hoog) het best in wezen gebleven; het Colosseum (een amphitheater voor 100,000 toeschouwers), de triomfbogen van Titus, Septimius Severus en Constantinus. Iu dit stadsdeel liggen het tegenwoordige koninklijke paleis, het Quirinaal, en dc parochiale kerk van den Paus, S. Giovanni in L a f c r a n o. De godenkteekenen der Christelijke tijdrekening liggen meestal aan de rechterzijde van den Tiber: tegenover dc Engelenbrug (ponte St. Angelo) de

158

ocr page 174

154 EUROPA.

Engelenburg (eastel St. Angelo, Molis Hadrianï), bestaande uit een' zeer dikken, ronden toren. Dit kasteel staat in verbinding met bet beroemde pauselijke paleis, het Va tik aan, hetwelk, zoo men zegt, 11,000 vertrekken bevat en vermaard is door de Sixtijnsche kapel (welks gewelf en achtermuur door Michel Angelo ziju beschilderd), door 4 Stanze (feestzalen) di Rafaele, met Raphaels fresco-schilderijen, door de boven den grond iu drie verdiepingen oprijzende en met bijbelsche voorstellingen versierde Loggie [-dzie], eindelijk door het uitgebreidste museum van boeken en kunstschatten (Apollo van Belvedere, Laocoön enz.). Op het door zuilenrijen omringde, met een obelisk en 2 fonteinen getooide plein van St. Pieter, verheft zich aan het westelijke uiteinde de St. Picter.-kerk, San Piétro in Vatic a no, de grootste der 500 kerken van Rome, ja van de geheele wereld, 485' hoog, 666' lang, 285' breed. Paus Julius II legde den grondslag in 1506; onder Sixtus V, in 1626, werd de koepel, het aan Miehei Augelo's genie verschuldigde hoofddeel van het gausche gebouw, voltooid; 300,000 inw.

In de omstreken bevinden zich uitgestrekte onderaardsehe gangen, de Katakomben, oorspronkelijk de steengroeven voor de gewone gebouwen te Rome. De bouwsteen uit den omtrek is vulkanische tuf, waarvan de zachtere decleu door hot water worden afgeschuurd, zoodat er steile rotsen blijven staan. In het Sabijnsche en Albaansche gebergte liggen T i v o 1 i aan den Teverone [Anio), met prachtige watervallen, Fr as e at i {Tnsculum) en Al ba no {Jlha longa).

Vitcrbo, op den weg naar Florence nabij het meer van JBolsena (Lams Vulsi-niensis)-, 16,000 inw.

Civita Vecchia [tsjiwita wekkial, het buitenverblijf van Traianus), vesting en zeehaven voor het tegenwoordige Rome; 12,000 inw.

ïerraeina [-tsjina], de zuidelijkste stad in den voormaligen Kerkdijken Staat, aan het einde der Pomtijnsche moerassen.

c. Ten O. der Apennijnen.

De voormalige provinciën van den Kerkelijken Staat: de Marken en Un brie, op en ten N.O. der Apennijnen; zij bestaan uit vruchtbare, rijk besproeide dalen, afgewisseld door woeste bergstreken, hier en daar met wijngaarden, olijfboomen of bosschen bedekt.

Ancóna, sterke vesting, besteen drukste haven aan de westzijde der Adriatische zee; verbinding door den Pas van Foligno met de westkust; in den omtrek de Rubico en de Metauro; 83,000 inw. Ten Z. daarvan

Loretto, bedevaartsoord naar do Santa casa, het huis van Maria van Nazareth.

P e r u g i a [-roedzjia], tusschen den Tiber en het oude lactis Trasimenus), te midden der Apennijnen, met meer dan 100 kerken, zijdcfabrieken en handel; 50,000 inw.

C. Beneden-Italië.

Dit gedeelte van het koninkrijk Italië bestaat geheel uit het voormalige konir. krijk der beide Sililiën, voor zoover dit op het vasteland lag. De grens aan de Adriatische zee wordt aangegeven door het riviertje de Fronto, en aan de Tjrrheensche ongeveer door de Pomtijnsche moerassen der Romeinsche landen.

Het vasteland wordt van het eiland Sicilië gescheiden door de | mijl breede straat van Messina (Faro di Messina) met de Seylla en Charvbdis, een gevolg van de getijden. Dit door gebergten en wilde bergstroomen vaneengereten land is het minst bevolkt in de Abruzzen, Calabrië en in het binnenland van Sicilië, het dichtst (13,000 inw. op de □ m.) in Napels omstreken, het oude Campania, de campagna felice [-nja felietsje], het Paradijs van Europa met vruchtbaren vulkanischen tuf bedekt. De oranjeboomen groeien er algemeen, de heerlijkste druiven, katoen, cactus, zuidvruchten worden er gekweekt. — Het klimaat is warm, doch wordt veraangenaamd door de zeewinden en de gebergten; gedurende den korten regenwinter blijven boomen en weiden groen; in Januari beginnen de

ocr page 175

ITALIÜ.

boomen reeds te bloeien. De grond is vulkanisch; sedert het jaar 79 onzer tijdrekening telt men reeds 80 belangrijke uitbarstingen van den Vesuvius. Eene plaag voor het land is de seiroceo [sji-] , die uit de Adriatische zee wordt aangetrokken, als eene depressie de kust van Europa nadert op de breedte van Midden-of Zuid-Frankrijk. De landbouw wordt zeer verwaarloosd, nog slechter is het met de veeteelt gesteld, van belang is daarentegen de zijdewinning. Het gewichtigste handelsprodukt is de zwavel, die vooral op het eiland Sicilië, meer dan elders op de geheele aarde, wordt gewonnen, in hoeveelheden die ruimschoots in Europa's behoefte voorzien.

Landschap Napels.

Napoli (Napels), 24 m. vau Rome, aau den voet van den Vesuvius ampliitheaters-gewijs om de gelijknamige golf gebouwd, met eene onvergelijkelijk schoone ligging, waarvan do Italiaan zegt: vedi Napoli e poi muonquot;, zie Napels en sterf dan! lu de oudheid kou hot door de nabijheid van het machtige Home niet tot bloei komen. Het werd eerst eene stad van boteekonis toen het in 1435 hoofdstad werd van hot koninkrijk der beide Siciliën. Vau het kasteel St. Elmo heeft men hot uitgestrektste gezicht over de stad: over do haven, die door den molo (havendam) do gedaante vau een L hoeft bekomen en op de voor do golf liggende eilanden I s e h i a [ieskia] on P r o e i d a [-tsjida] noordelijk, en in het zuiden het sterke Capri, met de blauwe grot, 10U' diep en 50' broed, (waarin het licht door de kleine opening indringend en op de zee terugkaatsend toover-achtig gekleurd wordt). Sieraden der stad zijn de lijnrechte Toledostraat mot hare prachtige paleizen, het Musoo-Borbonico met eene groote bibliotheek en met duizenden voorworpen uit Herrulaneum en Pompeii■, 500,000 iuw. Langs de golf naar Procida toe, door de grotta del in onto di Pausilipo, den oudsten tunnel van Europa, bereikt men

Pozzuoli [potsoeóli] (Putéoli), met de solfatara (de Camjn Phlegraei der oudheid) en de hondsgrot. Op deu weg naar Salorno:

Portici [-tsji], met koninklijk slot; 11,000 iuw. eu Resiua, boven het door 60'—70' hard geworden slijk diep bcdolvono Uerculaneum. lu deze omstreken oogst men beroemden wijn (laerimac Christi).

| m. ton Z.O. van Jon Vesuvius ligt, vroeger aan zee, nu ruim ^ uur daarvandaan, Pompeii, 12—14 voet onder zand, steenen eu asch bedolven, doch voorde helft weder opgegraven.

Castellamare, belangrijke havenstad en gezondheidsbronnen; 33,000 inw.

Sorrento, op het schiereiland tegenover Capri. Aan de golf van Salerno;

A m a 1 fi, eens een machtige zeestaat, wiens zee-wetten in geheel Italië geldig waren.

Salerno, in de middeleeuwen beroemde medische universiteit, 31,000 inw.

Landschap Abruzzo, gelegen in de oostelijke richting van Rome.

Tagliacozzo [-Ijiakoto], kleine stad, 9 m. van Rome, ten N.W. van het in 1869 drooggemaakte meer Fücino [foetsjino].

Landschap Apulia, het oostelijkste der twee zuidelijke schiereilanden.

F o g g i a [-dzjia], 40,000 inw., B a r i, 00,000 inw., Brindisi [-brien], de afvaarten aankomsthaven van de Indische mail, 17,000 inw., L e e c e [-tsje], 23,000 inw. en ï a r e n t o, 34,000 inw.

Landschap Calabria, het westelijkste der zuidelijke schiereilanden.

Reggio [-dzjio], iu 1783 bijna geheel door eene aarbeving verwoest; 40,000 inw.

C o s e n z a, binnen in het land.

De eilanden.

d) Sicilië.

(met de hierom gelegen eilanden 531 □ m,, ruim 2i mill. inw.).

Als voortzetting der Apennijnen loopt langs de noordkust eene bergketen, de

155

ocr page 176

EUROPA.

Nettunische bergen; hooge vlakten sluiten zich daaraan in het Z. en dalen trapsgewijze naar de zuid- en oostkust. Nabij deze laatste verrijst geheel afgezonderd de Mongibello [-dzji-] c.f Etna, met een' omvang aan den voet vau 20 mijlen en 10,171' hoog. - De inwoners zijn diep gezonken in vergelijking met hunne vroegere grootheid; behalve levensmiddelen, zwavel en wol, wordt alles uit het buitenland aangevoerd en de handel is geheel in vreemde handen; wegen ontbreken bijna overal; vele streken dezer voormalige korenschuur van Rome liggen tegenwoordig ongebruikt en woest ten gevolge van de uitroeiing der wouden.

Aan de noordzijde ligt;

Palermo {Panornms), uitstekend schoon gelegen, fraaie en regelmatige hoofd-, handel-, fabriek- en akademiestad, aan den voet vau den Monte Pellegrino, door de menigvuldige oproeren sterk in bloei achteruitgegaan. Daar zij residentie was van de Arabieren, de Noormannen, de Arragonsche stadhouders en de koningen van Napels tijdens do Pransche revolutie zijn er gebouwen uit die verschillende perioden aan te wijzen; 250,000 inw.

Aan de oostkust:

Messina, aanzienlijke handelsstad met zijde- en katoenfabrieken en visseherij; insgelijks in 1783 bijna geheel door eene aardbeving verwoest; 130,000 inw.

ïaormina, met vele overblijfsels uit de oudheid, bekoorlijk gelegen aan den voet van den Etna, evenals

Catania, Sicilië's fraaiste stad, 100,000 inw. in de eenig overgebleven vruchtbare vlakte van Sicilië.

Si rag o se, een klein deel van het voormaals zoo machtige Syracnsae (1 mill, inw.)

Nog bestaat een gedeelte der waterleidingen, zelfs onder de zee door naar het daarmede verbonden eilandje; 24,000 inw.

Aan de zuidkust:

Girgenti [dzierdzjenti] (Agrigentuni), in de oudheid zeer belangrijk, uitvoer van zwavel; 22,000 inw.

Marsala (Mars Allah = Gods haven, Lilybaeum), sterke havenstad, heeft den grootsten wijnbouw en wijnhandel van Sicilië; 18,000 inw.

ï r a p a n i. Het opvissciien en bewerken van de bekende bloedkoraal, die hier en tussehen de Egadische eilanden en bij de Afrikaansche kust in groote banken gevonden wordt, maakte deze stad oudtijds en ook nu nog tot eene der aanzienlijkste van Sicilië; 38,000 inw.

Ten N. van Sicilië liggen de Liparische eilanden in de Tyrrheensehe zee, allen vulkanisch, waarvan het N.lijkste S t r o m b o 1 i {Stróngylé), met een' vulkaan, waaruit met kleine tusschenpoozingen steeds een vuurkolom oprijst, waarom men hem den vuurtoren der Tyrrheensehe zee noemt.

Ten W. van Sicilië de Egadische eilanden, tegenover Trapani.

Ten Z.W. het eiland Pantellaria, slechts 9 m. van Afrika's kust.

li) Sardinië.

(440 □ m., j mill. inw.).

Zeer weinig landbouw; de oostkust is steil en zonder havens, langs de kusten overvloed van koraal, het binnenland rijk aan zink, ijzer en bossche.i.

G a g 1 i a r i [kaljiari] , hoofdstad en oorlogshaven aan de zuidkust aan den ingang eener vruchtbare vlakte, Campidauo genoemd; 39,000 inw.

S a s s a r i, niet ver van de noordkust; 36,000 inw.

Iglesias, bergbouw.

Nabij Toscane liggen in de Tyrrheensehe zee :

Het eiland Elba, 7 D m., met onuitputtelijke ijzermijnen, die de Carthagers reeds bewerkten; gedurende één jaar Napoleons verblijf, met de kleine vesting Porto-Ferraja [-aio], (ijzerhaven); voorts de eilandjes C a p r a j a [-aïa], Pi a nose, Monte-Gristo, Giglio [dzjieljio] enz.

I5rgt;

ocr page 177

HET IBERISCHE SCHIEREILA.ND.

II. Republiek San Marino.

(1ï □ m., 8000 inw.).

Deze kleine, vrije staat ten Z.W. van Rimini, die in 469 door den monnik Marius gegrond werd, en dus sedert 14 eeuwen (reeds tijdens liet Romeinsclie Rijk) bestaat, beeft zijne onafhankelijkheid aan zijne onbeduidendheid te danken. Olijven- en ooftteelt, doch zonder handel en nijverheid. Het stadje San Marino ligt op eene steile rots, en aan den voet hiervan het dorp B o r g o, de zetel der voornaamste inwoners van den staat.

III. De groep van Malta.

(Malta, Gozzo en Comino, 7 □ m., 154,000 inw.).

Zoowel door den handel als uit een staatkundig oogpunt vormt dit groepje voor de Britten, die sedert 1800 hiervan meester zijn, het gewichtigste punt in de Middellandscbe zee. Door de ongemeen zorgvuldige bebouwing van de oorspronkelijk onvruchtbare bdkrotsen, die door teelaarde uit Sicilië bebouwbaar gemaakt zijn, worden veel voortbrengselen gewonnen, vooral katoen en zuidvruchten. Zoo is Malta een tegenhanger voor het naburige Sicilii', waar de natuur alles, en de mensch niets doet. Door de dichte bevolking komen bijna 21,000 inw. op elke □ m.

La Valetta, aan de O.kust, een der beste havens en sterkste vestingen van Europa; 90,000 inw.

3) Het Iberische Schiereiland.

' Een onverdeeld geheel, bijna een vierkant, van de zuidelijkste kaap Tarifa 36quot; tot kaap Va res ruim 43° in het noorden, 110 m. lang, en van kaap Roca in het W. tot kaap Nao in het O. even zoo breed, ruim 10,000 O m. beslaande, dus grooter dan Frankrijk of het Grieksch-Tiirksche scliiereiland en dubbel zoo groot als het Apennijnsche schiereiland, doch kleiner dan het evenzoo afgezonderde Skandinavische. Door zijn' massieven vorm is het 't minst toegankelijk gebleven en herinnert in dat opzicht evenals in zijn' vertikaleu bouw, karakter der rivieren, armoed aan eilanden enz. aan Afrika. Aan Europa's zuidwestelijk uiteinde gelegen nadert het Afrika aan de straat van Gibraltar tot op weinige mijlen, (2| uur), en scheidt de Middellandscbe zee van den Atlantischen Oceaan, die de noordelijke en westelijke kusten bespoelt.

Daar de Pyreneën door eene breede vlakte van de Fransche gebergten ge-; scheiden zijn, doch aan de zuidelijke zijde met de Spaansche bergen samenhangen, zoo behooren zij orographisch tot dit land. Als de zee 4—500' hooger stond, dan werd het Iberische schiereiland zelf een eiland en de dalen van den Beneden-Ebro en Guadalijuivir werden zeeboezems met nauwe ingangen; de hooggebergten der Pyreneën en der Siërra Nevada zouden echter twee in verschillende richtingen loopende schiereilanden zijn, terwijl het hoofdland (hoogvlakte) een door rand-i gebergten besloten geheel bleef. Op deze hoogvlakte rusten vier evenwijdige bergketenen , die allen glooiend uit het N. oprijzen en steil aan de zuidzijde afdalen.

1) De noordelijke rand, van kaap Finisterre tot kaap Creuz [-krcoes] 130 m. lang, gevormd door;

Het Cantabrisch-Asturisch gebergte, tot 6000' hoog, in Asturic en ; Galicië. Het bevat ijzer in het oosten en steenkolen in het midden, en treedt tot dicht aan zee, die tal van kleine in de havens in de kust vormt. Daar verder hout en ijzer niet ontbreken, ontwikkelde zich hier scheepvaart: walvischvangst in de middeleeuwen en transatlantische ontdekkingstochten in het begin der nieuwe geschiedenis. De 1'arameras of plateau's tusschen de bergtoppen waren te allen

157

ocr page 178

EUROPA.

tijde eene schuilplaats voor overwonnen volksstammen; hier vluchtten de Basken voor de Romeinen, de Sneven voor tie west-Gothen, de west-Gothen voor de Arabieren (711).

De Pyreneën, 55 m. lang. De midden-Pyreneën hebben eene breedte van 15 m., dewijl hier de zuidelijke of Spaansche keten (Westelijke Pyreneën) als voortzetting van het Cantabrisclie gebergte naast de noordelijke of Fransche reeks voortloopt. Geene dalen overlangs en slechts aan de noordelijke helling op 7800' hoogte enkele gletschers. De hoogste toppen zijn 4000' lager dan die der Alpen, de kam echter zelfs hooger, zoodat er slechts twee voor voertuigen bruikbare passen zijn, en wel eene op de oostzijde, die Gerona met Perpignan verbindt (weg van Hannibal in 318 v. G.), de andere, de pas van Roncesvalles, leidt van Pamplona naar St. Jean (weg voor de volken tijdens de volksverhuizing, nederlaag van Karei den Groote). De hoogste berg, de Mala-detta of Pic d'Anethou 10,489', ligt juist in het midden; oostwaarts, in Frankrijk, de Canigou, westwaarts de Mont Perdu, Vignemale en Pic du Midi, welke allen de grens der eeuwige sneeuw, die aan de noordelijke helling 700' lager aanvangt dan aan de zuidelijke, overschrijden.

Daar de dalen der Pyreneën zoo nauw zijn, kan er slechts weinig aan landbouw gedaan worden. In het algemeen is er een spaarzame boomgroei; west- en oostzijde hebben ten gevolge van verschil in klimaat verschillende boomsoorten: daar beuken en esschen, hier kurkeiken en olijven, in de hoogere streken dennen en boxboom. Ook veeteelt en zuivelbereiding zijn van weinig beteekenis; liier niet het leven der Alpensennen. Als men nu nog weet, dat er geen bergbouw kan zijn, dan behoeft hetgeen betoog, dal het gebergte slecht bevolkt is en middelen van verkeer ontbreken. Alleen de badplaatsen op de Fransche zijde brengen eenige levendigheid aan.

2) Het Castiliaansche scheidingsgebergte, van kaap Koca

tot het Iberisch bronnenland, bestaande uit

Some Siërra [si-erra]; l

Siërra Guadarama [Goea-], bij Madrid het smalst, in het ( qqqq/

westen Sierra de G r e d o s genaamd; ƒ

Siërra Estrelha [-elja] in Portugal.

3) Het Andalusische gebergte, van kaap St. Vincent in Portugal

tot kaap Nao;

Siërra Morena, of zwarte gebergte (wegens de donkere wouden);

Sierra de Mon chique [-ntsjiki] in Portugal.

4) De Z u i de 1 ij k e r a n d, van kaap Tarifa tot kaap Palos.

Siërra Nevada („sneeuwgebergtequot;), hooger dan de Pyreneën, met den Cumbre del Mulahacem 10,940'.

Deze vier evenwijdige ketenen worden door geene dwarse bergreeksen met elkander verbonden, doch niet onbelangrijk is de waterscheiding tnsschen de Middellandsche zee en den Atlantisehen Oceaan, welke den naam van Iberisch bronnenland verdient, daar, behalve de Mino, alle belangrijke stroomen van het schiereiland hier hunnen oorsprong hebben. ïoeh vormt dit bronnenland niet eene vast aaneengesloten massa, want moge de waterscheiding over het geheel wel te volgen zijn, meermalen bestaat zij niet gelijk bij de Jucar en de Gnadiana.

Naar den vertikalen bouw kan men nu het Iberische Schiereiland in het algemeen in de volgende deelen verdeelen.

A. de Hoogvlakte van Oud-Kaslilië en Leon 2500' omringd door het Asturisch-Kantabrisch randgebergte, een deel van het Iberische bronnenland en het Kastiliaansche Scheidingsgebergte.

158

3500'.

ocr page 179

HET IBERISCHE SCHIEREIIAN1).

B. de Hoogvlakte van Nieuw-Kastilië 1800' fen zuiden van de vorige met het

tweede deel van lier, Iberische bronnenland en de Siërra Morena tot

randgebergten.

C. de Laagvlakte van Andalnsië, waaruit men noordwaarts naar de Sierra Morena,

zuidwaarts naar het Andalusisch kustgebergte opstijgt.

D. de Vlakte van de Ebro, 500' een driehoek met de Pyreneën, het Iberisch

bronnenland en kustgebergte van Katalonië tot zijden.

De scherpe afsluiting van de verschillende deelen der hoogvlakte door de genoemde randgebergten belemmerde de aaneensluiting van de verschillende staten. Arragon had zijne eigene staatsregeling, de Basken hunne „Fuero'squot; : Spanje kon geen eenheidsstaat worden, zonder dat inheemsche wetten en privilegiën geschonden werden.

De voornaamste rivieren van het schiereiland zijn : de Minlio, de Dnero, de Taag , de Guadiana, de Guadalquivir, die naar den Atlantischen oceaan, — de Ebro, de Jucar en de Segura, die naar de Middellandsche zee stroomen.

Zij stroomen evenwijdig met de bergketenen en wel links van de waterscheiding in zuid-westelijke, en rechts in zuidoostelijke richting. De Duero [doe-cro] en Taag zijn slechts in Portugal bevaarbaar, de Guadiana slechts tot 8 m. van den mond af, tot Mértola. In Spanje is de eenige bevaarbare stroom de Guadalquivir [-kiwier] tot Córdoba, want de Ebro is slechts bij hoogen waterstand eu dan alleen afwaarts bevaarbaar; daarom is het niet geheel voltooide Keizers-kanaal gegraven. De Spaansche rivieren zijn nergens, zooals bijv. de Eransche, met elkander door kanalen verbonden; als echte plateaustroomen graven zij zich diepe beddingen uit en krijgen daardoor steile oevers; 's zomers, in den drogen tijd, lijden zij aan waterarmoede, 's winters richten zij door overstroomingen groots verwoestingen aan. Voor hare intrede in de vlakte, vormen zij bij het doorbreken van de randgebergten stroomversnellingen en watervallen (de Pulo de Lobo of wolfssprong van de Guadiana). Groote meren ontbreken geheel.

Het gewest ten N. en N.W. van het hoogland heeft onder den invloed van den Oceaan en van den regen-aanbrengenden westenwind een kustklimaat zooals Engeland. Daarentegen heerscht op het middelste hoogland, ten gevolge van het vastelandsklimaat en de armoede aan bosschen, die veelal roekeloos gesloopt zijn, gebrek aan regen en een karige plantengroei. Hier en daar, b. v. in de Mancha langs de Guadiana, herinnert eene zoutsteppe reeds aan Afrika's woestijnen. Weilanden ontbreken er, maar op de heidevelden groeien geurige kruiden, tijm en brem, een gezocht voedsel voor de schapen.

Schapenteelt is dus een voornaam middel van bestaan, maar de Spaansche wol wordt door de Engelsche en Duitsche overtroffen. De merino's dwalen steeds rond en komen nooit onder dak. In den winter trekken de kudden meer naar de dieper liggende dalen van Estremadura, maar het overoude „weiderechtquot; wordt langzamerhand opgeheven.

Voor het vastelandsklimaat spreken de volgende getallen:

Te Madrid valt jaarlijks 390 m.M. regen, te Lissabon 730, te Santiago 1760.

De uitersten voor de zomer- en wintertemperatuur zijn te Madrid 40° en — 7° C.

De gemiddelde temperatuur is echter voor Januari 5°.

„ Juli ■ - 20° C.

In de zuidelijke streek komt de plantengroei van Zuid-Europa door het zachte klimaat die van Noord-Afrika nabij; subtropische en tropische gewassen zooals suikerriet, katoen en cochenillecactus worden reeds gekweekt. De olijf en de kastanje zijn verwilderd. Onder de boomen dient de kurkeik genoemd. Schilderachtige vega's met dadelpalmen wisselen gelijk de oases van Afrika met woeste door de zon verbrande campo's af. Zoo leven ook op de rotsen van Gibraltar eenige weinige

159

ocr page 180

T.UROPA.

apen van dezelfde soort als die, welke in het tegenoverliggende gedeelte van Afrika gevonden worden; men gelooft evenwel dat zij eerlang zullen uitsterven.

b. K e t K o n i n k r ij k Spanje.

(9089 □ m., 16,620,000 mill. inw. zonder de Kanarische eilanden,

l van het schiereiland.)

De bewoners zijn R. Katholiek en noemen zich Castilianen; zij stammen af van eene vermenging van Celtibeeren , Romeinen, Gothen (vooral in het N.) en Arabieren (vooral in het Z.). De scherpe, door de natuur gevormde afscheidingen hebben de provinciale eigenaardigheden bij hen meer dan elders in Europa doen bewaren. De taal is Romaansch; van de verschillende tongvallen heeft zich de Castiliaansche tot schrijftaal verheven. In de Baskische provinciën en half Navarra wordt door de nakomelingen der oude Iberiërs, even als in het aangrenzende gedeelte van Frankrijk, het Baskisch gesproken, eene merkwaardige taal, die met geene der tot heden bekende talen verwant schijnt te zijn. In Catalonië tot Valencia wordt geen Spaansch maar een dialect van het oude Pro-vencaalsch gesproken. In de Sierra Nevada wonen nog 50,000 afstammelingen der Mooren en Arabieren en ten minste evenveel Zigeuners (Zincali), door de Spanjaarden ook Gitanos (d. i. Egyptenaren) genoemd.

Ten gevolge van het staatkundig verval staat de geestbeschaving in Spanje zelfs bij die van Italië achter; geen { der bevolking kan lezen of schrijven; handel en scheepvaart zonken met het verlies der Amerikaansche koloniën, zoodat de invoer den uitvoer ver overtreft; ook de mijnwerken werden meer en meer verwaarloosd, want er is geen geld, geen ondernemingsgeest, geen zekerheid in de politieke toestanden, er zijn geen voldoende middelen van verkeer; doch in de laatste 30 jaren zijn meer dan 200 mijnen in handen van Engelschen gekomen. De meeste ertsen worden uitgevoerd, omdat de mijnen dicht bij zee liggen. Koper vindt men in de Siërra Morena; vitriool bij de Rio Tinto; lood bij Linarès niet ver van de Guadalquivir; kwikzilver bij Almaden; zilver bij Cartagena en in Catalonië; ijzer vooral in het noorden, steen- en bruinkool in verschillende streken. De voornaamste middelen van bestaan zijn 1) de landbouw, olijven, moerbezieboom en en wijnteelt in het Z. en O., granen aan den Guadalquivir en op het middelste hoogland, boomvruchten in het noordelijk kustgebied; 2) de veeteelt, vooral der merino's (d. i. rondtrekkende) schapen), die op de hoogvlakten weiden; de landbouw wordt in Castilië, door de voorrechten aan de veelal aanzienlijke eigenaars dier schapen toegekend, zeer benadeeld, doch er werd reeds veel verbetering in aangebracht.

De wetgevende macht is de Cortes, in een' Senaat en eene kamer van Afgevaardigden gescheiden. Staatkundige rust heerseht er zelden en door de partijschappen lijdt de ontwikkeling en de financieele toestand van het land. Wel is het reeds met spoorwegen doorsneden, doch deze kunnen hier slechts geringen invloed uitoefenen, omdat de gewone wegen te ongebaand zijn om binnenlandschen aan- en afvoer toe te laten. Leger en vloot worden in voldoenden staat gehouden om moederland en koloniën te besehermen.

Het land is in 47 provinciën ingedeeld, die groot endeels de namen der hoofdsteden dragen. Hierbij worden nog gevoegd 2 provinciën der Balearisehe en Kanarische eilanden. Deze verdeeling van 1856 past vrij nauwkeurig in de overoude indeeling in 19 koninkrijken, vorstendommen en landschappen, die de natuurlijkste is, omdat daardoor de verschillende volksstammen der Spaansche natie gescheiden worden.

160

ocr page 181

HET IBERISCHE SCHIEREILAND.

A. De kroon van C a s t i 1 i ë.

Omvat al fle landen ten W. van de waterscheiding, benevens Granada en Murcia, Asturië en Galicië.

Asturië (asta = rots en ura = water) is de kleinste der Spaansche provincies, maar belangwekkend, omdat van hier uit de strijd tegen de Arabieren werd begonnen; de wieg der Spaansclie monarchie, waarom de kroonprins nog steeds den titel draagt «Prins van Asturië.quot;

1) Vorstendom Asturië, een afgesloten bergland langs de Noordkust.

Oviëdo [ovi-édol, hoofd- en akadcmiestad; 34,000 inw.

Gij on [gigon], bloeiende zeehaven aan do golf van Vizcaya; 30,000 inw.

2) Kon. Galicië, ruw van klimaat door de bergen, doch met vruchtbare dalen, met weiden en vlijtig bebouwden grond, door den Mifio [mienjo] besproeid. Het is overbevolkt; jaarlijks gaan daarom duizende arme bewoners (Gallegos) als waterdragers enz. van Mei tot September naar andere provinciën en naar Portugal.

Santiago de Com postel a, hoofdstad in het binnenland. Tallooze bedevaarders bezoeken hier het graf van den Apostel Jacobus, waarvan ieder een bewijs (eompostela) ontvangt; 24,000 inw.

La Corufia [-oenja], oorlogsliaven en handelsstad; 24,000 inw.

F e r r o 1, met het. grootste zee-arsenaal van Spauje; 24,000 inw.

3) Kon. Leon, welks bewoners zich christianos vieogos of oude christenen noemen, gebied van Duero en Mifio. Nevens goed bebouwde streken ook vele woeste velden voor de merino's.

Leon, vroeger hoofdplaats van den oudtijds bloeienden linnen- en wolhandel en toen zeer machtig; 11,000 inw.

Salamanca; van onds beroemde universiteit; 18,000 inw.

Ciudad llodrigo [cioeda'), westelijke grensvesting.

4) Kon. Oud-Castilië, genoemd naar dc vele kasteelen der Gothen. Ann aan water en dor in de binnenlanden.

Burgos, 2500' hoog, hoofdplaats en voormalige residentie vau Castiliaansche koningen, met wereldbcroemden dom in zuiver Gothischen stijl; 30,000 inw.

Val la dol id [waljadolied], de vroegere residentie; het gcograflsch en handels-middelpuut der hoogvlakte; 52,000 inw.

Segovia, aan den voet van de Sierra de Gnadarama, met eene trotsehc oud-Romeinsohe waterleiding over 159 dubbele bogen; 11,000 inw.

San Ildefonso of La G ranja, koninklijk lustslot voor den zomer, met het hoogstgelegen paleis van Europa (3850', dus bijna zoo hoog als de top van den Vesuvius).

5) Kon. Nieuw-Castilië, groote provincie, maar op vele plaatsen onbebouwd uit gebrek aan water.

Madrid, fraaie hoofdstad aan het riviertje Manzanares, op eene kale, bijna 2000' hooge vlakte, mot, blauwe gebergten rondom aan den gezichteinder; zij ligt als eene oase midden in eene zeer woeste streek ; van hier gaan spoorwegen naar Santander (op de noordkust, de haven der stad) en over Burgos naar Bayonne, naar Saragoza, Alicante en Cadiz. Beroemde universiteit; 400,000 inw.

Alcala de Henares, akadcmiestad in het dal van den Taag, oostwaarts.

El Escoreal, westwaarts, te gelijk klooster, kerk, bibliotheek, herfstpaleis en graf der kouingen.

Aranjuez [-goeës], zuidwaarts, de voorjaarsresidentie; de stad en tuinen zijn voor een groot deel in oud-Hollandsohen trant aangelegd 's winters 8000, 's zomers 10,000 inw.

Toledo, aan den Taag, Spanje's oude hoofdstad, zetel van den Primaat-aartsbisschop; vroeger 200,000, thans slechts 21,000 inw.

Al maden geheel in het Z., in het stroomgebied van de Guadiana, met de rijkste kwikiuijnen der aarde, reeds door de Romeinen en Mooreu bewerkt.

161

11

ocr page 182

EUROPA.

6) Landschap Estremadura [-doera], in oude tijden sterk bevolkt en bebouwd, thans eene der minst bevolkte en minst bebouwde provinciën; dit zal echter wellicht verbeteren, nu het rondtrekken der schapen hier verboden is.

Badajoz [-agos], grensvesting aan de Guadiana tegen Portugal; 23,000 inw.

7) Kon. Andalusië, d. i. land der Wandalen of van Andalos (Arabisch) = westen. Gebied van den Guadalquivir, Spanje's vruchtbaarste provincie.

C ó r d o b a [-ova], in eene sclioone streek aan den Guadalquivir; hare Moorsche akademie was dc oudste van Europa; lederfabriekeu (corduaau), weleer onder de Mooren 1 mill, inw., maar thans de meest vervallen stad van Spanje; 50,000 inw.

Sevilïa [-wielja], in de graanrijke vlakte van die rivier; ondanks hare ligging op 12 m. afstand van de zee, kan men dc stad nogeene zeehaven noemen, daar de vloed den waterstand tot 2 a 3 M. verhoogt. Daarom werden van hier uit alle ondernemingen naar Amerika bestuurd en zetelde er de Raad van Indië; tabaksen zijdefabrieken; 135,000 inw.

J eres [gerès] de la Frontèra, handelsstad met wijn-uitvoer (sherry bij de Engelschen); 67,000 inw.

Cadiz [kiidiesl, op eene landtong, door moerassen tegen een' aanval van de landzijde, door klippen en versterkingen tegen een' van de zeezijde beschermd, de oudste stad van Europa, wellicht reeds in 1200 v. Chr. door de Plioeniciërs gesticht, zetel van het bestuur der zeemacht en hoofdzetel van den Indischen handel; uitvoer van den wijn van Jerez, van zout en zuidvruchten; station voor de booten tusschen Engeland en Egypte; stoomvaart op Amerika; 65,000 inw.

De sterk bevestigde rots en haven van Gibraltar, 1550' voet hoog, behoort sedert 1704 aan de Britten, 35,000 inw., waaronder 7000 man bezetting.

8) Kon. G r a n a d a omvat de Sierra Nevada en was het laatste Moorsche koninkrijk in Spanje.

Granada, de hoofdstad, aan den Jenil [geniel] en den rand der vruchtbare, altijd groene , 2000' hooge , allerwege door bergen ingesloten hoogvlakte la V ega; 75,000 iuw. Eene hooge rots draagt het schoonste overblijfsel van alle Moorsche gebouwen, het koningspaleis A1 - li a m h r a.

Malaga, handelsstad van den eersten rang, aan de steile zuidkust en den rand eener vlakte, welke door het achteruit tredende gebergte wordt begrensd en op welks naar het zuiden gekeerde glooiing de wijnstok tot op 3000' hoogte gekweekt wordt; 115,000 inw.

9) Kon. Murcia, gebied der Segura, zonder het land aan haar' mond, met de meeste zijdeteelt en veel mijnwerken.

Murcia, aan de Segura in een hoogst vruchtbaar dal; zijdefabrieken; 90,000 inw.

Cartagena {Carthago Navö), oorlogshaven. In de nabijheid groeit vooral esparto, het taaie gras, dat thans veel uitgevoerd wordt en waarvan manden, matten, touw, sandalen, papier enz. gemaakt worden; 75,000 inw.

B. De kroon van A r a g o n.

10) Kon. Valencia. Steile helling van het hoogland. De smalle, kunstmatig besproeide kustvlakten zijn zeer vruchtbaar, zij zijn in tuinvelden verdeeld, die men vega's en huerta's noemt (in den zomer, het droge jaargetijde, door middel van schepraderen, noria's, met zorgvuldig bewaard regenwater besproeid), daarom het «Moorsche Paradijsquot; geheeten.

Valencia, in eene vruchtbare vlakte aan den Guadalaviar met de kunsthaven Villa nueva del Grao verbonden; 145,000 inw.

Alicante, de uitvoerhaven van Murcia, zuidwaarts aan de kust, levert wijn en zuidvruchten; 35,000 inw.

11) Kon. Ar agon. Aan beide zijden van den Ebro, van Tudela [toedéla] tot aan den Beneden-Ebro, eene breede, 's zomers dorre vlakte aan den voet der Pyreneën, door het Keizcrskanaal doorsneden.

162

ocr page 183

het iberische schiereiland.

Saragoza [ssaragossa], aan den Ebro, akademiestad, doodscli overblijfsel van een seliitterend verleden; punt, van samenkomt van de wegen uit Frankrijk (Bayonne) cn Madrid (langs de rivier .Talon); vandaar, dat er zoo dikwijls heftig om gestreden werd; 85,000 inw.

12) Vorstendom Catalufia [loenja], d. i. G o t li a 1 a n i ë, vlijtig bebouwd, rijke wijnbouw, hoofdzetel der Spaansche industrie: het Cntalonisch kust-gebergte is rijk aan metalen, steenkolen, zout en minerale bronnen.

Barcelona, vesting, hoofdzetel der nijverheid vooral in zijde, belangrijkste havenstad van Spanje na Cadiz, even ten N. van den mond van het riviertje Llobregat [Ijo-], dat ook langs den afgezonderden , 4000' hoogen, heiligen berg M o n t-s err at loopt; 250,000 inw.

Tarragona, havenstad, ten tijde dor Romeinen misschien Ij mill, inw., herhaalde malen geheel verwoest; 23,000 inw.

R e u s [re-oes], bloeiende fabrieksstad ; 28,000 inw.

In de Pyreneën ligt het reeds sedert 805 onzijdige republiekje Andorra, 9 □ m., rnet 8,000 inw., die van houthandel, landbouw en veeteelt leven.

13)- Kon. M allo r ca [maljorka], bestaat uit de Baharinche eilanden M a 1-lorca (Maior), 209,000 inw.. Men or ca (Minor), 37,000 inw., en de Pityu-sische eilanden Iviza [iviessa], 23,000 inw. en Form entera.

M a 11 o r c a, het grootste en vruchtbaarste eiland, heeft een zacht klimaat en 4500' hooge bergen aan den noordrand, met de hoofdplaats:

Palma, havenstad aan de zuidwestkust; 60,000 inw.

Aan Menorca's steile kust;

Mahon, in het Z.0, uitmuntende haven. Aanlegplaats voor de stoomschepen tusschen Toulon en Algiers. Do naam herinnert nog aan den Carthaagsehen veldheer Mago; 16,000 inw.

C. De kroon van Navarra.

Na var ra reikt van den Boven-Ebro over de voorste terrassen der Pyreneeën tot aan den mond der grensrivier Bidassoa bij Irnn.

Pamplona, sterke stad, in de Pyreneeën; 26,000 inw. Dicht hierbij is de bergpas van Roncesvalles.

D. B a s k i s c h e provinciën.

Overal bebouwd en levendig door fabrieken. De eigenaardige bevolking had tot nog toe eene menigte voorrechten en in zekeren zin eene eigene regeering; de burgeroorlog van 1874—5 maakte hieraan een einde.

A 1 a v a, in bet dal van den boven-Ebro.

Vit, or ia, aan den hoofdweg van Bayonne over Mirando-Burgas-Valladolid naar Madrid; slag van 1813; 25,000 inw.

Guipuscoa [gipoeskoa].

San Sebastian, vesting en havenstad aan de golf van Vizcaya; 21,000 inw.

Viz caya [vies-] (bij ons Biscaye), met

Bilbao [vielv-], welvarende handelsstad; in den omtrek worden honderden ijzersmelterijen en werkplaatsen gevonden; 33,000 inw.

Santander, ook nog in het voormalige vorstendom Biscaye , aan do gelijknamige golf, hopfd-uitvoerplaats van do wol; 41,000 inw.

Spaansche Koloniën.

In Afrika: de Presidios (Espofia presidial), 4 versterkte plaatsen aan de Afrikaansche kust van de Middellandsche zee, waarvan de westelijke Geut a [ce-óeta], tegenover Gibraltar, het gewichtigste is. — De Kanarische eilanden. — De eilanden aan de W.kust van Afrika: F er nam do Po cn Annobom.

163

Ij

ocr page 184

EUROPA.

6) Landschap Estremadura [-doera], in oude tijden sterk bevolkt en bebouwd, thans eene der minst bevolkte en minst bebouwde provinciën; dit zal echter wellicht verbeteren, nu het rondtrekken der schapen hier verboden is.

Badajoz [-agos], grensvesting aan de Guadiana tegen Portugal; 23,000 inw.

7) Kon. Andalusië, d. i. land der Wandalen of van Andalos (Arabisch) = westen. Gebied van den Guadalquivir, Spanje's vruchtbaarste provincie.

Córdoba [-ova], in eene schoone streek aan den Guadalquivir; hare Moorsehe akademie was de oudste van Europa; lederfabriekeu (corduaan), weleer onder de Mooreu 1 mill, inw., maar thans de meest vervallen stad van Spanje; 50,000 inw.

Sevilia f-wielja], in de graaurijke vlakte van die rivier; ondanks hare ligging op 12 m. afstand van de zee, kan men de stad uoquot; eene zeehaven noemen, daar de vloed den waterstand tot 2 a 3 M. verhoogt. Daarom werden van hier uit alle ondernemingen naar Amerika bestuurd en zetelde er de Raad van Indië; tabaksen zijdefabrieken; 135,000 inw.

Jeres [gerès] de la Erontèra, handelsstad met wijn uitvoer (sherry bij de Engelsohen); 67,000 inw.

Cadiz [kadiesl, op ecuc landtong, door moerassen tegen een' aanval van de landzijde , door klippen en versterkingen tegen een' van de zeezijde beschermd, de oudste stad van Europa, wellicht reeds in 1200 v. Chr. door de Phoeniciërs gesticht, zetel van het bestuur der zeemacht en hoofdzetel van den Indischen handel; uitvoer van den wijn van Jerez, van zout en zuidvruchten; station voor de booten tusschen Engeland en Egypte; stoomvaart op Amerika; 65,000 inw.

De sterk bevestigde rots en haven van Gibraltar, 1550' voet hoog, behoort sedert 1704 aan de Britten, 25,000 inw., waaronder 7000 man bezetting.

8) Kon. G r a n a d a omvat de Sierra Nevada en was het laatste Moorsehe koninkrijk in Spanje.

Gr anada, dc hoofdstad, aan den Jenil [geniel] en deu rand der vruchtbare, altijd groene, 2000' hooge , allerwege door bergen ingesloten hoogvlakte la V e g a; 75,000 inw. Eene hooge rots draagt het schoonste overblijfsel van alle Moorsehe gebouwen, het koningspaleis A1 - li a m b r a.

Malaga, handelsstad van den eersten rang, aan de steile zuidkust en den rand eener vlakte, welke door het achteruit tredende gebergte wordt begrensd cn op welks naar het zuiden gekeerde glooiing de wijnstok tot op 3000' hoogte gekweekt wordt; 115,000 inw.

9) Kon. Mureia, gebied der Segura, zonder het land aan haar' mond, met de meeste zijdeteelt en veel mijnwerken.

Mureia, aan de Segura in een hoogst vruchtbaar dal; zijdefabrieken; 90,000 inw.

Cartagena (Carthago Navo), oorlogshaven. In de nabijheid groeit vooral esparto, het taaie gras, dat thans veel uitgevoerd wordt en waarvan manden, matten, touw, sandalen, papier enz. gemaakt worden; 75,000 inw.

B. De kroon van A r a g o n.

10) Kon. Valencia. Steile helling van het hoogland. De smalle, kunstmatig besproeide kustvlakten zijn zeer vruchtbaar, zij zijn in tuinvelden verdeeld, die men vega's en huerta's noemt (in den zomer, het droge jaargetijde, door middel van schepraderen, noria's, met zorgvuldig bewaard regenwater besproeid), daarom het „Moorsehe Paradijsquot; geheeten.

Valencia, in eene vruchtbare vlakte aan den Guadalaviar met dc kunsthaven Yilla nueva del Grao verbonden; 145,000 inw.

Alicante, de uitvoerhaven van Mureia, zuidwaarts aan de kust, levert wijn en zuidvruchten; 35,000 inw.

11) Kon. Ar agon. Aan beide zijden van den Ebro, van Tudela [toedéla] tot aan den Beneden-Ebro, ceue breede, 's zomers dorre vlakte aan den voet der Pyreneën, door het Keizcrskanaal doorsneden.

162

ocr page 185

HET IBERISCHE SCIIIEREILAlvD. 163

Saragoza [ssaragossaj, aan den Ebro, iikaderaicstad, doodsch overblijfsel van een schitterend verleden; punt van samenkomt van de wegen uit Frankrijk (Baycnne) en Madrid (langs do rivier .Talon); vandaar, dat er zoo dikwijls heftig om gestreden werd; 85,000 inw.

12) Vorstendom C a t a 1 u fi a [loenja], d. i. Gothalanië, vlijtig bebouwd, rijke wijnbouw, hoofdzetel der Spaansche industrie: het Catalonisch kusi-gebergte is rijk aan metalen, steenkolen, zout en minerale bronnen.

Barcelona, vesting, hoofdzetel der nijverheid vooral in zijde, belangrijkste havenstad van Spanje na Cadiz, even ten N. van den mond vau het riviertje Llobregat [Ijo-], dat ook langs den afgezonderdeu, -1000' hoogen, heiligen berg M o n t-s e r r a t loopt; 250,000 inw.

Tarragona, havenstad, ten tijde der Romeinen misschien Is mill, inw., herhaalde malen gehesl verwoest; 23,000 inw.

Reus [re-oes], bloeiende fabrieksstad ; 28,000 inw.

In de Pyreneën ligt het reeds sedert 805 onzijdige republiekje Andorra, 9 □ m., rnet 8,000 inw., die van houthandel, landbouw en veeteelt leven.

13). Kon. Ma 11 or ca [maljorka], bestaat uit de BalearUche eilanden M allo rca (Maior), 209,000 inw.. Men or ca {Minor), 37,000 inw., en de Pityu-sische eilanden Iviza [fviessa], 23,000 inw. en F o r m e n t e r a.

M a 11 o r c a, het grootste en vruchtbaarste eiland, heeft een zacht klimaat en éSOO' hooge bergen aan den noordrand, met de hoofdplaats:

Pal ma, havenstad aau de zuidwestkust; 00,000 inw.

Aan Menorca's steile kust:

Mahou, in het Z.O, uitmuntende haven. Aanlegplaats voor de stoomschepen tusschen Toulon en Algiers. De naam herinnert nog aan den Carthaagschen veldheer Mago; 16,000 inw.

C. De kroon van N a v a r r a.

Na var ra reikt van den Boven-Ebro over de voorste terrassen der Pyreneeën tot aan den mond der grensrivier Bidassoa bij Irnn.

Pamplona, sterke stad, in dc Pyreneeën; 26,000 inw. Dicht hierbij is dc bergpas van Ronccsvallcs.

D. Baskische provinciën.

Overal bebouwd en levendig door fabrieken. De eigenaardige bevolking had tot nog toe eene menigte voorrechten en in zekeren zin eene eigene regeering; de burgeroorlog van 1874—5 maakte hieraan een einde.

Ala va, in het dal van den boven-Ebro.

Vitoria, aan den hoofdweg van Bayonne over Mirando-Burgas-Valladolid naar Madrid; slag van 1813; 25,000 inw.

Guipuscoa [gipoeskoa].

San Sebastian, vesting en havenstad aan de golf van Vizcaya; 21,000 inw.

Vizcaya [vies-] (bij ons Biscaye), met

Bilbao [vielv-], welvarende handelsstad; in den omtrek worden honderden ijzersmelterijen en werkplaatsen gevonden; 33,000 inw.

S a n t a n d è r , ook nog in het voormalige vorstendom Biscaye , aan do gelijknamige golf, hoofd-uitvoerplaats van dc wol; 41,000 inw.

Spaansche Koloniën.

In Afrika: de Presidios (Espoüa presidial), 4 versterkte plaatsen aan de Afrikaansche kust van de Middellandsche zee, waarvan de westelijke Geut a [ce-oeta], tegenover Gibraltar, het gewichtigste is. — De Kanarische eilanden. — De eilanden aan de VV.kust van Afrika: Pernam do Po en Annobom.

ocr page 186

EUROPA.

In Amerika: de groote Antilles, Cuba [koeba], Puërto rico en de Vir-ginische eilanden.

In Azië: de Philippijnen.

In Australië: de Marianen of Ladronen, en de Carolinen of Nieuwe Philippijnen.

b. Koninkrijk Portugal.

(1677 □ m., ruim 'H mill. inw. met de Azoren en Madeira).

Langs den Atlantisehen Oceaan, 70 m. lang, 28 m. breed, tusschen de monden van de Minho [mienjo] en Guadiana en doorsneden door den Douro [Portug. uitspr. doiroe] en Taag [Portug. Tejo], was door zijne ligging aan de zee als bestemd om overzeesche ontdekkingen te doen en handelswegen op te sporen. Thans is de veerkracht, verlamd en gaat het land onder Britschen invloed gebukt; dezen zijn meester van handel, wijnoogst en andere hulpbronnen, zij legden er ook de spoorwegen aan, zoodat thans Lissabon en O Porto met St. Petersburg zijn verbonden. Toch zijn er, vooral in de noordelijke provinciën bewijzen van eenigen vooruitgang in landbouw, verkeer, enz. op te merken. — De bewoners zijn van Eomaansche afkomst met eene eigen taal en van den R. Kath. godsdienst; hunne geestontwikkeling is nog op lageren trap dan die der Spanjaarden, maar voor rechtspleging, leger, vloot en schuldregeling wordt veel gedaan. De staatsvorm is eene beperkte monarchie. Het land is verdeeld in 8 provinciën, de vroegere historische indeeling bestond uit het „Moorschequot; koninkrijk Algarve in het Z. en de 5 navolgende oude, kerkelijke provinciën van Portugal:

1) Tras os Montes, „achter de bergenquot; ten N. van den Douro, met de hoogste bergtoppen

Braganca, middelpunt van de Portugeesehe zijdeteelt; 5000 inw.

2) Entre Minho e Douro, of bij verkorting Minho, met het goed bebouwde Douro-dal; de dichtst bevolkte en meest welvarende provincie.

O P o r t o (d. i. de haven), aan den Douro (Partus Cale, waarvan de naam Portugal), stapelplaats voor den portwijnhaudel; velerlei fabrieken; 105,000 inw.

3) Beira, met

Coïrabra, eenige akademie van het rijk aan den beneden-Mondego [-degoe]; 13,000 inw.

4) Estremadura, besproeid door den Taag, met naakte bergruggen, doch met betere bebouwing der dalen dan in de meeste andere provinciën, waar de akkerbouw zeer verwaarloosd wordt.

Lissabon of L i s b o a [liesboang], op den rechteroever van den hier 2 ra. breeden Taag, amphitheatersgewijs uit de zee oprijzend, eene der fraaist en voor den handel best gelegen steden van Europa; de prachtige bosschen in den omtrek bevorderden met de ligging aan zee, de scheepvaart (het bouwen der Armada); 6000 villa's in den omtrek; 250,000 inw.

Setübal [-toeval] (St. Yves bij de Engelschen; St. Ubes bij de Pranschen), stapelplaats voor den zout- en wijnhandel; 15.000 inw.

5) Alemtejo [-tézjoe] (d. i. „aan deze zijde van den Taagquot;), grootste maar karigst bevolkte provincie, vlak en dor.

Evora, met vele sporen van vroegere grootlieid; 13,000 inw.

6) Algarve (d. i. „land van het westenquot;), de zuidelijkste en kleinste provincie, rijk aan zuidvruchten.

Faro, hoofdplaats cn voornaamste havenstad ; 9000 inw.

Tavira, vroegere hoofdstad, met uitgebreide visch vangst; 11,500 inw.

De Azoren of Westereilanden, 180 m. westwaarts, op gelijke breedte als Lissabon, worden door de Portugeezen tot Europa gerekend.

164-

ocr page 187

portugal.

poetugeesche koloniën.

(70 □ m., 340,000 inw.).

In Afrika: Madeira, de Kaapverdisehe eilanden en St. Thomas en Principe in de golf van Benin. Verder het gebied van Angola en Benguèla op de W.kust en dat van Mozambique op de O.kust. In Azië; Goa en Diu, op de kust van Malabaar.

Macao, bij Kanton in China.

Het N.O.Iijke gedeelte van Timor.

B. Midden-Europa.

Het hoogland.

Dit bestaat uit het hooggebergte met de middelgebergten, die in het O., N. en W. daarvoor gelegen zijn en de daaraan grenzende vlakten.

De Alpen.

Door de ligging der Alpen tusschen 43° en 48° N.Breedte, beslaan zij het midden tusschen den aequator en den noordpool, en door de ligging tusschen 22° en 34° O.lengte juist het midden in hoog-Europa. Hunne grenzen zijn in het Z. de Adriatische zee, de Po-vlakte, waaruit zij steil oprijzen, en de Ligurische zee; in het N. Duitschland met zijne middelgebergten, waarheen hunne hellende zijde gekeerd is. Langs eene grenslijn, die over het meer van Genève, den Bodensee en het Chiemermeer [kiëmrner] tot bij Weenen voortloopt; in het W. en O. Frankrijk en Hongarije, de twee vleugels der lagere gebergten van Europa. Terwijl vóór den Himalaja eene uitgestrekte hoogvlakte ligt, en de Andes, in hunne richting van N. n. Z., den Oceaan in het W. tot grens hebben, openen zich van de Alpen af de vlakten waarover de 4 stroomen Po, Rhone, Rijn en Inn (Donau) hun water en al de daaraan verbonden weldaden uitspreiden.

De geheele Alpengordel splitst zich op eene oppervlakte van 4000 □ m. in twee vleugels: de westelijke, van Nice tot den Montblanc, ongeveer 37 m, lang, heeft de grootste hoogte, doch slechts 20 m. breedte; de oostelijke, van het Z.W. naar het N.O., meer dan 100 m. lang. Waar de West- in de Oostalpen overgaan, is de breedte slechts 18 m., bij de scheiding tusschen Midden- en Oostalpen, d. i. bij het dwarsdal Adige-Eisack-Breimerpas-Innsbrück echter 32 m.

Opmerking verdient het, dat de Alpen, hoewel de helft van de oppervlakte der Skandinavische Alpen beslaande toch bijna evenveel inhoud hebben:

Oppervlakte der Alpen = 4000 □ m. Oppervlakte der Sk. Alpen = 9000 □ m.

Gemiddelde hoogte = 1400 M. Gemiddelde hoogte = 650 M.

Volgens de geologische vorming splitsen de Alpen zich in twee gordels: den middel-gordel of de Centrale Alpen, die uit kristallijngesteente bestaande, het eigenlijke gebergte uitmaken, en aan welken zich in het N., W. en Z. (hier evenwel eerst van het meer Maggiore oostwaarts) nevengordels aansluiten, die, naar het meest voorkomende gesteente, met den naam van Kalk-Alpen bestempeld, met de Vóór-Alpen en de aangrenzende vlakten ineensmelten. In de Middel- en Oost-Alpen is de scheiding tusschen kristallijn- en kalkgesteente duidelijk aangegeven door eene reeks van lengtedalen. Voor de Middel-Alpen d. i. westelijk van de lijn Zillerthal-Brenner-Adige wordt /ij gevormd door Rhonedal-Urserendal (op den St. G.)-Voor-Eijn met een' sprong over de Rhatische Alpen-Engadindal; van het meer Maggiore tot de Adige bestaat er zulk eene grens niet. Oostelijk van die lijn wordt de scheiding gevormd door Salzachdal-Ennsdal-Wiener Neustad-Weenen ten noorden — en het Draudal ten zuiden.

165

ocr page 188

DE ALPEN.

De liooge toppen, waarvan er 740 boven de grenzen der eeuwige sneeuw verrijzen (welke grens in liet W. 8358' en in het O. 8100' hoog is), doen zich niet voor als alleenstaande kegels, maar als hoogste deelen van den kam, die in trotsche vormen opwaarts rijzen, dikwerf als rotsnaalden, tanden of hoornen (aiguille, dent, pic, Horn), soms als afgeronde torens, of als de Montblanc in de gedaante van eenen grootschen dom. Breede ijs- en sneeuwvelden legeren zich tusschen de donkere steile Wanden, aan wier einde — in de Alpen niet boven de 10,000' — de gletscher-vormingen aanvangen, die zich op den nevengordel der Kalk-Alpen veel zeldzamer vertoonen. Als afvloeiingen der eeuwige ijsbronnen en sneeuwvelden van de hoogere bergstreken, glijden de gletschers, die met lavastroomen vergeleken kunnen worden, als bevrozene, soms 80—100' dikke, uiterst langzame rivieren tot ver beneden de gewone sneeuwgrens en vervolgen hun' weg, dikwerf 6 tot 10 uur lang, tot op ongeveer 7000', ja somtijds tot slechts 3000' boven de zee (de Grindelwaldgletscher), door uitholingen van soms ontzaglijk breede kloven, die meermalen aan de hellingen der bergketenen voorkomen. Ophoopingen van rotsblokken — moraines genoemd, die door verweering van de rotsen, waartusschen de gletschers naar beneden glijden op dezen neervielen,— vormen somtijds ringmuren, of verdeden de gletschers over zekere uitgestrektheid in de lengte, als zij dezen in hunne benedenwaartsehe richting in evenwijdigen loop volgen. Vereenigen zich twee gletschers, uit nabijgelegen dalen bij elkander komende, tot een, dan komen één linksche en één rechtsche zijmoraine van beiden naast elkander op den vereenigden gletscher te liggen, en ontstaat er eene middelmoraine. Groote scheuren in den gletscher ontstaan of door plotselinge daling of door verhooging van den bodem, waarover hij stroomt. Dezen zijn, met losse sneeuw gevuld zeer gevaarlijk voor den bergbeklimmer. Gletschers en sneeuwvelden bedekken in de Alpen 38 □ m.

Een bijzonder voordeel geeft de rijke vorming der dalen. De belangrijkste en langste dal-inzinkingen volgen in richting den hoofdkam van het gebergte. Zulke lengtedalen vormen de lihone en de Eijn, in hun' bovenloop, de Inn, de Salzach, de Drau en de San. Waar zij van richting veranderen, houdt ook de tot hiertoe flauwe helling van den bodem plotseling op en vernauwingen doen zich voor, zeer geschikt voor den aanleg van vestingwerken, zoogenaamde „klausen,quot; of zij dringen door engten met stroomversnelling of watervallen op eenmaal in de vlakte. Zulke krijgskundig gewichtige punten vormt het dal van de Enns bij het zoogenaamde G e s il u s s e (gesuisel), de Salzach in het nauw van den pas Lu eg, de Inn bij den breeden uitgang nabij Kufstein, de Lech boven Füssen, aan de Reutter poort. Korter en steiler, wijl zij zich tegen de richtingslijn der bergkammen aankanten, zijn de dwarsdalen, die zich kenmerken door eene regelmatige afwisseling van dalengten en kleine ingesloten vlakten, b. v. het Haslidal van de Aar, het Gasteiner-dal. De grootste dwarsdalen vormen de Eeuss en de Etsch, en de Eijn boven den Bodensee. Aan de zuidzijde, waar slechts enkele lengtedalen zijn, worden de dalbekkens meer door meren ingenomen.

Van de vorming der dalen hangen de doorgangen der Alpen af (geheele wegen door de Alpen, wel te onderscheiden van de bergpassen, overgangen van een hoofddal in een ander over den hoofdkam), welke ook of lengte- bf dwarswegen zijn. De kortste voeren uit een dwarsdal in een ander, zooals het Eeuss-en Tessin-dal bij den St. Gotthard, bet Achter-Eijn- en Limmat-dal bij den Splügen.

(Wil men een goed overzicht krijgen van de Alpen, dan oefene men zich in het vlug schetsen der lengte- cn dwarsdalen eu der natuurlijke wegen die dezen met elkander en met de passen in alle richtingen vormen).

Geen hooggebergte der aarde bezit zulk een' rijkdom van rij- en voetwegen als de Alpen, door niet minder dan 40 dalen, van welke 4 zich naar het Ehöne-dal

1(56

ocr page 189

DE ALPEN.

openen, 5 naar het Rijn-dal, 8 naar het Po-dal, 12 naar het dal van de Drau en 7 naar de zee. De overgangen uit het eene hoofddal naar het andere zijn aanzienlijke dalingen of inzinkingen van den kam (jukken, Jöcher), dikwijls tot 3 uren lang, die eerst door het doen springen van rotsen, door den aanleg van steenen bruggen, door het maken van terrassen en dammen, en het uithouwen van gaanderijen tot kunstwegen zijn gevormd, waar toevluchtshuizen den reiziger herberging aanbieden. Zoo zijn er thans reeds 14 breede wegen over de Alpen, waarvan Napoleon I er zeven heeft gebaand of verbreed; de hoogste is het Stilfser of Wormser Joch (Stelvio), 8600'. De oudste wegen over de Alpen zijn de Brenner pas, de voornaamste voor het verkeer van het noorden met Italië, vroeger de eenigste voor wagens, thans ook als spoorweg aangelegd, de Groote St. Bernhard, en de weg over den St. Gotthard, door welken een 14900 M. lange tunnel van Göschenen naar Airolo voert; 9 m. oostwaarts de Splügenpas van Chiavenna naar het dal van den Achter-Rijn, Z.westelijk over den Simplon van Brieg naar Domo d'Ossola en den Mont Cénis (thans mede voor een' spoorweg doorboord, die eigenlijk door den Col de Frcjus gaat; Modane en Bardonêche zijn de stations ter weerszijden), en O.lijk over de Semmering met een' spoorweg, een der hoogst klimmende der aarde. Van belang, voor het bevolken der Alpen, is het feit, dat alle lange dalen zich openen naar de buitenzijde, d. i. naar het westen, noorden en oosten. Daarom vestigden zich er wel Kelten, Duitschers en Slaven, maar geen Italianen. Het dal der Adige maakt hierop natuurlijk een uitzondering.

Door het groot aantal lengte- en dwarsdalen hebben de Alpen, hoewel zij Germanen en Romeinen scheidden, nooit de gemeenschap tusschen de landen ter weerszijden belemmerd. Een weg voor den barnsteenhandel liep van den Oder door het Marchdal en door de dalen der Oost-Alpen naar de Adriatische zee. In de middeleeuwen werden de Indische waren van Venetië en Genua door het gebergte naar de Zuid-Duitsche steden (voorn. Augsburg) vervoerd, en dat zich tegenwoordig de handelsgemeenschap tusschen Zuid- en Middel-Europa door spoorwegen en alpentunnels op nieuw ontwikkelt, is ons boven gebleken.

Naast de schilderachtigste en indrukwekkendste natuurtooneelen in de granietformatie der Hoog-Alpen liggen de minder woeste, vaak met welig groen bedekte lagere gebergten. Daar wordt de tarwe tot op 3300' hoogte geteeld; haver tot op 4500', garst tot op 4800'; de eik wordt op meer dan 4000' hoogte, de pijn- en larixboomen tot op 0000' boven de zee aangetroffen, en de alpenroos groeit tot op de grens der sneeuwlinie. Door de groote hoeveelheid regen, die in het gebied der Alpen valt, is de vruchtbaarheid vrij groot.

Men kan de Alpen naar hoogte en in verband daarmede naar den plantengroei in de volgende gordels verdeelen:

A. Voor-Alpen van 1800'—5400', d. i. tot de grens van den boomgrosi en tot vaste woonplaats der menschen. Ondanks het groote nut der wouden die den bodem beschermen tegen lawinen en overstroomingen, worden de boomen vooral van de zuidzijde uit verkeerd begrepen eigenbelang verkocht aan de bewoners der Lomb. vlakte, waar gebrek aan hout is. De gewone gevolgen; hevige stortbuien, wegvoering van kostbare teelaarde enz. blijven dan ook niet uit.

Men verdeelt dezen gordel in 3 gewesten.

a. gewest van wijnstok, noot, kastanje en maïs van 1800'—2400'.

b. gewest van beuk, europeesche granen en ooft van 2400'—3900'.

c. gewest van de naaldboomen, waar de graanbouw en de winterwoningen der menschen langzamerhand verdwijnen, van 390U'—5400'.

NB. Op de zuidzijde komen enkele gewassen, de druif b. v., hooger voor dan op de noordzijde.

167

ocr page 190

EUROPA.

B. Middel-A.lpen van 5400'—8100', verdeeld in 2 gewesten:

a. gewest van de lage naaldboomen, heerlijke alpenrozen, laag gras en sappige kruiden. Hier lieersclit het echte alpenbedrijf met zijne talrijke kudden en senn-(herder») hutten, die alleen 's zomers bewoond zijn. Van 5400'—6900'.

h. gewest van de alpenkruiden met kleine bladen en groote bloemen met levendige en zuivere kleuren (edelweiss). Geen sennhutten meer, slechts enkele schapen klimmen zoo hoog. Hier huist het murraeldier en de gems, maar de steenbok is bijna geheel uitgeroeid. Van 6900'—8100':

C. H oog-Alpen,

niet meer verdeeld:

gewest van de firn (sneeuw van het vorige jaar), waaruit zich de gletschers vormen. Op enkele steile gedeelten, waar de sneeuw niet blijft hangen, groeien nog weinige bloemen en mossen. Alpengloeien. Föhn.

Belangriiker dan de kleine meren in het hooggebergte zijn de talrijke groote waterbekkens in het voorland der Alpen, bijzonder in het N. en Z.; daar van het meer van Bourget in Savoye tot aan dat van Traun in Salzburg, over een gebied van meer dan 70 mijlen; hier aan den zuidelijken voet, van het meer van Orta tot aan dat van Garda over 20 m. lengte uitgespreid. Terwijl de frischheid, helderheid en fraaie kleur van hun water, dat van het donkerst blauwgroen tot het doorschijnendste en zachte blauw afwisselt, een' aangenamen indruk maakt, zijn ze te gelijker tijd de zuiveringsbekkens, die de steenen en den afval uit de valleien verzwelgen.

Naar hare hoofddeelen verdeelt men de Alpen in West-, Midden- en Oost-Alpen.

A. De West-Alpen van den Col di Tenda noordwaarts tot den Montblanc, bestaan uit de Zee-Alpen, de Cottische en de Grajische of Grauwe Alpen.

1) De Zee-Alpen, van den Col di Tenda tot den Monte Viso. Zij zenden het Esterel-gebergte Z.W.waarts tot Aix in Provence.

2) De Cottische Alpen, tot aan den Mout Cénis. De Pelvoux, in Frankrijk, is ruim 13,000' hoog.

3) De Grauwe Alpen, tusschen Savoye en Picmont tot den Montblanc (14,770') die, door 18 gletschers omringd, ten Z.O. van het vermaarde 3100' hooge dal van Chamounix ligt. Hij geeft den oorsprong aan de Arve en de Dora Bal tea, welke tot Ivrea het dal van Aosta besproeit (weg van Hannibal). Op den meer zuidelijk gelegen Mont Iséran ontspringt de Iscre. Tusschen den Iséran en den Montblanc ligt de Kleine St. Bernard.

B. De Midden-Alpen, van den Montblanc tot den Brennerpas. Zij verdeelen zich in C e n tra al-Al pe n (Penninische-, Lepontische-, Eetische-), Noord-Alpen (Berner-, Vierwaldstadter-, Glarner- en Schwyzer-, Thur- en Allgauer- en Noorder-Alpen) en Zuid-Alpen (Veltlin- of Valtelliner-, Ortler- en Adame'Jo-Alpen). Een zelfstandige groep vormen de Oetzthaler-Alpen rondom door dalen omsloten.

De Midden- of Centraal-Alpen.

1) De Pennische Alpen tot aan den Simplon tusschen Wallis en Italië, met den Grooten St. Bernhard pas en klooster 75000 ). In het N.O. de Simplon (10,000') met den beroemden door Napoleon 1 aangeiegden weg, 6000' hoog, die uit Wallis naar het Lago Maggiore voert.

2) Het centraalgebergte der Lepontische Alpen, tusschen. het boven-Ehonedal en dat van den Achter-Eijn, met 3 wegen over de passen van den St. Gotthard, Bernhardin en Spliigen.

De loop van den St. Gothardweg: Hij begint bij Plüelen, de haven van Alt-dorf, volgt dan het dal der Eeuss, dat aan weerszijden door steile rotsen wordt

1(58

ocr page 191

DE ALPEN.

ingesloten, zoodat hij van den eenen oever naar den anderen oevei over bruggen slingert; over de rotsvernauwingen ,/die Schöllenenquot; heeft men die neue Teufels-hrücke 900' boven de Heuss geslagen. Hier schijnt het dal gesloten. Maar in 1707 is cr een tunnel geboord, waardoor men in het Urserendal komt (4500'); Andermatt met prachtige gletschers in den omtrek is hier het middelpunt van het verkeer. Nu stijgt de weg tot voorbij Hospenthal tot 6300', maar spoedig daalt hij af naar Airoio tot 3500' en verder naar Bellinzona. Natuurlijk maakt men tegenwoordig bijna uitsluitend gebruik van den spoorweg, die door het Keussdal en den boven vermelden tunnel is gelegd en welks hoogste punt ruim 3400' boven den zeespiegel ligt. (Waarom is deze van meer beteekenis dan die door den Mont-Cenis, den Arlberg en alle andere Alpentunnels?)

3) De K e t i s c h e Alpen tot aan den Eeschen-Scheideck, den overgang van Inn naar Etsch.

4) De Oetzthaler Alpen tot den Brenner. In dezen merkt men een groot verschil op tusschen den ijzigen noordrand en den zuidrand, waar men kastanje wouden en wijngaarden aantreft. Het Inndal, dat beide groepen scheidt, is evenals het Ehönedal gemiddeld 3000' hoog, maar daar het naar het N.O. open ligt, zijn er slechts weiden; in het laatste, toegankelijk voor Z.W. winden, groeien reeds amandelen.

II. Noordel ij ke voormuur der Centraal-Alpen.

1) Bern er-Alpen, ongeveer in gelijke richting als de zuidelijke Pen-nisehe Alpen; in het midden van een ontzaglijk ijsveld de Finsteraarhorn, 13,700', en de Schreckhorn, 13,053', en in het N.W. de M o n c h, 13,103' en de Jungfrau, 13,322'.

2) De Vierwaldstadter Alpen, tusschen de kantons Bern en Unter-walden aan de west-, en Uri aan de oost-zijde, met toppen van ruim 11,000' hoogte; de P i 1 a t u s, 6,G00'.

3) De G1 a r n e r- en Schwyzer-Alpen, van den St. Gotthard tot den Galanda, 3,000', noordelijk van Chur [koer], met den Tödi, ruim 11,000', aan de bron der Linth; van den Galanda wendt zich eene keten naar het N.W. tot den E. i g i (Rigi-Kulm, 5550'), tusschen de Vierwaldstadter-, Zuger-, Egeri- en Lawerts-meren.

III. Zuid el ij ke voormuur der Centraal-Alpen.

De Ortles-Alpen buigen zich tusschen de bronnen van Adda en Etsch van de hoofdketen der Eetische Alpen af, met het Stilfser of Wormser Joch. Uit deze groep rijst de Ortles-spits (Ort) ruim 12,000' hoog op.

C. De Oost-Alpen.

De middelste keten of de II o h e T a u e r u , tusschen den Inn en den Salzach aan de eene zijde, en de Etsch en Drau aan de andere zijde, tot de bronnen van de Enns en Mur, verheft zich tot in het gebied der eeuwige sneeuw met eene onafgebroken reeks gletschers (hier „k e e squot; genoemd) en met de statige rotstoppen van den Dreiherrnspitz (10,780'), den Grooten Venetiaan (11,397'), en den Gross-Glockner (11,675'), aan de grenzen van Tirol en Karinthic. Bij de bronnen van de Mur verdeelt zich het gebergte in Norische Alpen ten N. en Stiermarksche Alpen ten Z.

Ten N. van den li o o f d r u g.

1) Tusschen Inn en Salzach verheffen zich de aan schilderachtige meren, marmer en zout, zoo rijke S a 1 z b u rg e r-A 1 p e n.

2) Ten N. en ten O. der Enns de Neder-Oostenrijksche Kalk-Alpen.

169

o

ocr page 192

EUROPA.

Ten Z. van den h o o f d r u g.

1) De Tridentiner Alpen, tusschen de Etsch en Brenta.

2) üeKarnisclie Alpen, ten Z. van den Drau. Bij den oorsprong van den San en bij den Tergloc (Tg.)) 9131', vangen de Karawanken aan, en naar liet Z.O.:

3) De Juliselie Alpen (z/. luliae), die in evenwijdige ketens tot naar Dalmatië loopen, maar niet, gelijk men vroeger meende, de verbinding vormen met den Balkan. Tot aan de bronnen van de Knlpa heeten zij Karst, met naakte, eenvormige hoogvlakten, later Dinarisclie Alpen. De kalk wordt in dit geb. aanhoudend opgelost, tengevolge waarvan zich holen en grotten vormen, riviertjes plotseling in de aarde verdwijnen om op andere plaatsen te voorschijn te komen. In de holen stalaktieten en stalagraieten. Op zulk een bodem kan weinig groeien; een ijzige N.-O.wind, de Bora, teistert het plateau.

De Middel-gebergten van Midden-Europa.

A. De Dnitsche middel-gebergten.

a. Het noordel ij ke voorland der Alpen, of de Zwitsersche en Duitse he hoogvlakten.

De eerstgemelde hoogvlakte heeft in het Z. en Z.O. de Alpen tot grens, de Jura in het W. en N.W., den Kijn en Bodensee in het N. en N.O.; zij is lang uitgestrekt in de richting van het Z.W.—N.O., heeft eene volstrekte hoogte van 1500', en wordt doorsneden door de Aar of Aare en hare ver uitgespreide vertakkingen.

Als voormuur aan Frankrijks zijde wendt zich de grauwe-kalk vorming van den Jura, van den Ehóne beneden Genève tot aan den Kijn bij SchalFhausen. De hoogste toppen bevinden zich in het Z.W. gedeelte: de Molesson en de Dole, 5—6000'.

De richting van den Zwitserschen Jura zet zich ook voort in den geognostisch verwanten Duitschen Jura, die in het westelijk deel, tot aan de Altmühl, Zwabisehe Jura genoemd wordt, het hoogst is in den E a u h e n Alp bij Ulm, met toppen van 3000', en in zijn oostelijk gedeelte tot aan het Fich-telgebergte den naam van Frankischen Jura draagt.

Door de Alpen, den Jura en het Bohemerwald wordt de Z w a b i s c h-Beiersehe hoogvlakte ingesloten, tusschen 1500—3000' (dus hooger dan de Zwitsersche; München 1500'), besproeid door de waterrijke en snelvlietende zijrivieren van de Donau, (even als alle plateaustroomen tusschen steile oevers stroomende en dus het verkeer belemmerend), die veelal haren loop nemen door onvruchtbare aanspoelingen (front- of eindmoraines van voormalige gletsehers), uitgestrekte moerassen en poelrijke vlakten, welke door kunstmatige afwatering bebouwbaar gemaakt, in Zwaben i e d equot;, in Beieren „M o o s equot; genoemd worden. Door armoed aan bosschen, door venen, zandlagen waardooi het tertiair gesteente hier en daar uitsteekt, turfsteken enz., gelijkt de hoogvlakte veel op de Noord-Duitsehe vlakte. De „heidenquot; zijn droge zandige hoogten tusschen de zijrivieren van de Donau, zoo b. v. het Lechveld (slag in 933 n. C.). Ondanks de zuidelijke ligging is het klimaat er door de hoogte zeer onaangenaam, zoodat iemand die noordwaarts naar den Kijn gaat, den indruk krijgt, alsof hij naar het zuiden reist.

h. De terrasvormige landstreken van Midden-Duitschland.

Zij vormen een lang terras langs het voorland der Alpen, in het N. begrensd

170

ocr page 193

J)E MIDDELGEBERGTEN VAN MIDDEN-EUKOPA.

door een' dam van bergen, den hoofdkam der Duitsche middel-gebergten, welke, dat land in eene noordelijke en zuidelijke helft verdeelende, over eene lengte van ruim 130 mijlen, van de hoogten der Karpaten over de Sudeten, het Erts- en Pichtel-gebergte, het Thüringerwald, het llhön- en Vogels-gebergte, den Taunus, het Westerwald, den Hunsrüok en den Eifel tot naar de Ardennen voortloopt.

Om een gemakkelijk overzicht te krijgen van het schijnbaar onregelmatig samengestelde Duitsche Middelgebergte, nemen we als punt van uitgang het Fichtel-gebergte aan. Van hier gaan naar het noordoosten 1) het Saksische Ertsgebergte en 2) het Sudeten stelsel; naar het zuidoosten 3) het Boheemsche woud; naar het zuidwesten 4«) de Frankische en 4i) Zwabische Jura en naar het noordwesten 5) het Er anken w aid en Thüringerwald. Door 1, 2 en 3 worden ingesloten d e B o h e e m s c h-Moravische terrassen; door 3 en 4a het Plateau van de Opper Palts; door 1 en 5 Thüringen en Saksen; ten westen van 4a en 4S de Frankische Hoogvlakte. Al deze landen liggen open naar de buitenzijde, waardoor het verkeer met hunne naburen gemakkelijk werd gemaakt. Bovendien bevorderen vele natuurlijke wegen de gemeenschap tusschen de deelen onderling.

Als tweede afdeeling nemen we het Bergstelsel van den Boven-E, ij n, n. 1.:

Het Schwarzwald, het Neck ar Bergland, het Oden w a ld op den rechter Rijnoever en de S pes sart op den rechter Mainoever, alsmede de V o gee zen en de H aardt op den linker Rijnoever, waarbij zich het Lotharingsche terrassenland aansluit.

Eene derde afdeeling vormt het Bergstelsel van den Benedenrijn, n. 1.: Taunus, Westerwald, Zevengebergte en Sauerlandsche hoogland rechts en Hunsrück, E i f e 1 en Ardennen links. Als zelfstandige groepen blijven dan nog over het Hessische Bergland, n. 1.: Rhön en Vogelsgebergte; deHarz en hetWezer Bergland. Van sommige deelen van het bergstelsel volgt hier eene korte beschrijving.

I. De Boheemsche en Moravische terrassen

zijn omgrensd door de Sudeten, het Reuze n-gebergte (Schnee- of Riesen-kopf, 5955'), het L a u s i t z e r-gebergte en het Zandsteen-gebergte der Elbe of Saksisch-Zwitserland als noordwestelijke vertakkingen, het Ertsgebergte, B o h e m e r w a 1 d en de Kleine-Karpaten.

Door deze bergranden is de oppervlakte van Bohemen als een eiland op het , vasteland van de naburige landen gescheiden; het is echter geene vlakte, maar een golvend heuvelland, dat uit vier naar het n.o. gerichte terrassen bestaat. Tusschen elk paar daarvan stroonien rivieren, waaraan steden liggen, welke de ; wegen beheerschen b. v. Koniggratz, Eger. Praag, enz. De op Bohemen gelijkende oppervlakte van Moravië gaf aanleiding tot den ethnographischen samenhang der beide landen en tot hunne verbinding met Oostenrijk.

11. De Frankische Hoogvlakte.

IZij wordt grootendeels ingenomen door het stroomgebied van den Neckar en zijne zijrivieren. In het noorden loopt zij hellend af naar den Main.Zij wordt grootendeels ingenomen door het stroomgebied van den Neckar en zijne zijrivieren. In het noorden loopt zij hellend af naar den Main.

I Ten O. het Schwarzwald (met de reeds genoemde gebergten) dat na het i Reuzengebergte het statigste der Duitsche middel-gebergten is; het strekt zich uit I van de bocht van den Rijn bij Bazel tot aan de Murg, is steil aan ds zijde der

171

ocr page 194

EUROPA.

Eijnvlakte en daalt hellend af naar het oosten. Het bestaat in de zuidelijke helft uit groote met dennenwouden bedekte bergruggen, die door diepe kloven vaneen-geschenrd, met poelen en bergmeren gevuld, en door koepelvormige bergtoppen gekroond zijn (de Feldberg 4600').

III. Het Bergstelsel van den Bovenrijn en de Rijnvlakte.

Ten W. de evenzoo gevormde V o s g e s, die het hoogst zijn bij de bronnen van de Moezel, in den Ballon d'A Isaee of Sulzer Belch en; ook zij zijn steil aan de zijde der Rijnvlakte, en langzaam dalende naar de Moezel en de Lotharinger bergvlakte. De voortzetting hiervan is het minder hooge, maar rijk bebouwde Haardtgebergte in Rijn-Beieren. Tegenover het Odenwald, ten noorden van de inzinking bij Kaiserslautern, waardoor Napoleon I den beroemden straatweg van Metz naar Mainz heeft aangelegd, bevindt zich het aan steenkolen-beddingen rijke bergland van den Donnersberg.

Het Lotharingsche terrassenland, de N.W.lijke helling der Vosges, zeer breed en met eene gemiddelde hoogte van 700—800', wordt doorstroomd door de Moesel en in het N. begrensd door de Ardennen en den Hunsrück, in het Z. door het gebied der Saóne, in het W. door dat der Maas.

Uit het tusschen twee bergreeksen gelegene vlakke en vruchtbare Rijndal, dat slechts eenige honderde voeten boven den zeespiegel verheven is, verrijst bij Freiburg in den Breisgau de Kaiserstuhl, als een schilderachtig eiland van bazalt. In het N. vormen de Hunsrück links, en het aan gezondheidsbronnen rijke Taunus-gebergte rechts van den Rijn, het uiteinde. Die vlakte vereenigt zich met de dalen der Nahe, van den Main en der Nidda, en is rijk gezegend in graan en druiven, vooral in de zoogenaamde Wetterau en in den Rheingau.

Van groot belang is het feit, dat de gebergten die het Rijndal begrenzen, allen steil er uit oprijzen en naar de buitenzijde zachthellend ailoopen. Daardoor wordt n. 1. het dal beschermd tegen de winden, die van de omringende hoogvlakten waaien. Hoe noordelijker men komt, hoe warmer het wordt: Bazel 19° C. en Mannheim 20° C. in den zomer. Daar vooral de herfst er droog en •■varm is, kan de druif met goed gevolg gekweekt worden; dit is het geval in „die Berg-strassequot;, van Heidelberg tot halverwege Darmstad, bij Worms en in den ,/Rheingauquot; van Wiesbaden tot Rüdersheim op den linkeroever. Toch is de welvaart in deze streken niet groot, daar de opbrengst altijd wisselvallig is.

De Rijn is tot Straatsburg nog bergstroom; bewijzen: 1°. de steden liggen niet aan de rivier, maar op eenigen afstand er van, aan den voet der gebergten, 2°. van Bazel over Mühlhausen naar Straatsburg is een kanaal gegraven voor het goederenvervoer, wat niet noodig zou zijn, als de rivier goed te bevaren was. Beneden Straatsburg wordt de loop rustiger en liggen de steden meer naar den oever toe. Groot verschil merkt men op in de oude door de Romeinen (voor wier gebied de Rijn eene grens was) gestichte steden op den linkeroever, van welke vele later zetels van machtige kerkvorsten werden (die Pfatt'engasse), en die op den rechteroever, eerst in later jaren gesticht. (Mannheim 1606, Karlsruhe 1715).

IV. Het bergland van den Beneden-Rijn en Westphalen:

Dit sterk golvende bergvlak, in de gedaante van een onregelmatig vierkant, gemiddeld 1500' hoog, nergens tot 3000' rijzend, voert den naam van het Rijnsche lei-(schiefer)gebergte, door hetwelk de Rijn tusschen Bingen en Bonn heenbreekt, en dat door de dalen der zijrivieren Lahn, Sieg en Ruhr rechts, Moezel en Ahr links, in de volgende deelen gescheiden wordt:

a. Tusschen Main en Lahn de Taunus of de „Hoogtequot; aan het oosteinde einde bij Homburg de Feldberg (2600'), aan het westeinde bij Bingen het Niederwald.

172

ocr page 195

DE MIDDELGEBERGTEN VAN MfDDEN-EUKOPA.

h. Tusschen Lahn en Sieg het Westerwald, eigenlijk Weisserwaldquot;, omdat het in den herfst zoo spoedig met sneeuw is bedekt, welks noord-westeinde, het Zevengebergte, eene groep die uit dicht bij elkander liggende kegelvormige bergen bestaat, met den Draohenfels bij Köningswinter (1001') aan den Eijn grenst (de Lüwenberg, 1400')-

c. Ten N. van de Sieg het Sauerlandsche (suderlandsche) hoogland (1000').

d. Tusschen Ruhr en Lippe de Haarstrang. In de beide laatste landschappen liggen Duitschlands belangrijkste kool- en ijzermijnen en dus tal van fabriekssteden.

Op de linkerzijde van den Rijn:

a. Tusschen Moezel, Ahr en Maas:

]) De Eifel, een aantal regelmatige kegelvormige bergen, dikwerf met zeer goed bewaarde kraters of kratervormige inzinkingen, waarvan het bekendst is het Laachermeer, bij Andernach.

2) Het Hooge Veen, ten N.W. van den Eifel, ten Z. van Aken, tusschen Roer en Ourthe, is eene kale vlakte van 2000' tot 2200' hoogte, met tnrfvenen tot nabij Nederlandsch Limburg.

3) De Ardennes strekken zich langs de Midden-Maas uit, met boschrijke heuveltoppen en moerassen.

h. Tusschen Moezel en Nahe, Saar en Rijn de Hunsrück.

V. De berg- en heuvellanden ten N. van de Midden-Duitsche hoofdgebergten.

1) Het Wesergebergte, dat zich tusschen den rechter Weser-oever en de Leine verheft, draagt de namen van Solling, meer noordelijk van Deis ter en van Süntel-gebergte, dat aan de linkerzijde der Weser en der Porta West-phalica bij Minden in het Wiehen-gebergte overgaat, evenwijdig hiermede ligt het Teutoburgerwold of de Osning.

2) Het Hessische berg- en heuvelland, links van de Werra. Op den linker Fulda-oever het Habichtswald met de Wilhelmshöhe bij Kassei.

3) Het Thüringerwald, met boschrijke hellingen, van het N.W. naar het Z.O. 36 uur lang, is de scheiding van het voormalige Thüringen en Frankenland, van de Noord-Duitsche rivieren en het Maingebied. Over zijn' rug loopt de Rennstieg, d. i. Rain- of grensweg. Van den noordelijken voet van het Thüringerwald daalt het Thüringer-heuvelland trapsgewijze tot in de „Goldene Auequot; (in het dal der Hclme) aan den zuidelijken voet van den Harz.

4) De Harz, eene op zich zelf meer noordwaarts staande, bosch- en ertsrijke berggroep, naar het verschil in hoogte in Oostelijken of Beneden-Harz (met loof-boomen) en Westelijken of Boven-Harz (met naaldboomen) verdeeld. In het N.W. verheft zich de Broeken of Bloksberg tot 3500'.

B. Het Oostelijke Middel-gebergte of de Karpaten.

De Karpaten zijn van alle zijden omringd door vlakten, en wel door die van den Beneden-March, en van de Hongaarsche, Walachische en Noordoost-Europeesche lage vlakten; zij bestaan uit twee groote, bijna vierkante berglanden, het Noord -Hongaarse he en het Zeven burgsehc hoogland, van welke het eene de Donau bij Presburg (tegenover het Leithagebergte), het andere dien stroom bij Orsowa raakt. Deze twee berglanden zijn verbonden door het breede Karpatische Woudgebergte, zoo genoemd omdat het nergens boven den boomgroei reikt. Het kenmerkt zich door rijke goud- en zilver-

173

I

ocr page 196

EUROPA.

produktie en door een' ontzaglijken rijkdom aan zout (Wieliczka [wjelietska], Marmarosj, Bukowina [boe-], Zevenburgen).

1) Het Noord-Hongaarsche Hoogland. In het midden verheft zich een hooggebergte, de HoheTatra, een 7000' hooge kam, met toren-vormige, kale spitsen (Lomnitzer Spits 8133', Eisthaler Thurm 8100'), met sneeuwgroeven (geen gletschers) en eenige grondelooze Alpenmeren, door het volk z/zeeoogenquot; genoemd. De noordelijke wand stijgt onder den naam van Beskiden met zijne bergtoppen boven de sneeuwgrens. Evenwijdig met het zuidelijke gedeelte loopen eenige ketenen, die naar de Donau trapsgewijze lager worden, te zamen het Hongaarse he Ertsgebergte vormen, en de Donau aan de kromming bij Waitsen, tegenover het Bakony-wald, naderen. Van de bronnen van de Weichsel, tusschen de Waag en de March tot Presburg, tegenover het Leitha-gebergte, strekken zich de Kleine of Witte Karpaten uit.

3) Het Zevenburg sc he hoogland vormt een' tegenhanger voor het pas beschrevene. In plaats van eene kern van hooggebergten vindt men hier in het midden een uitgestrekt hoogland, dat door verscheidene evenwijdige heuvelketenen doorsneden wordt en omringd is door hooge randgebergten, die boven het gewest der wouden stijgen: de Transsylvanische Alpen in het O. en Z., die zich in den Z.O.lijken hoek tot 9000' hoog verheften, en het Zevenburgsche Ertsgebergte in hel W. en N. Door zijne hoogte 1500' is het klimaat er gelijk dat van Midden-Duitschland. Toch is er nog de wijnbouw mogelijk, daar de zomer er zeer warm en droog is.

3) Beider verbindingsketen, het Karpatische Woudgebergte, tusschen den Poprad, de voedingsbeken van Weichsel en Dnjester, den Proet en het bovengebied der Theiss, is op eenige plaatsen meer dan 000Ü' hoog.

De Karpaten begrenzen met de oostelijke uitloopers der Alpen de Hongaarse he vlakte, de welgelijkende afbeelding van de steppen, die het westelijk gedeelte van het Aziatische vasteland kenmerken. (Zie verder bij Hongarije.)

C. De Westelijke (Fransche) Middel-gebergten.

De waterscheiding tusschen den Boven-Eijn en den Rhone en de overige stroomgebieden van Frankrijk strekt zich uit van den Donnersberg in Rijn-Beieren tot aan Carcassonne in het Z. aan de Aude, en verdeelt Frankrijk in twee zeer ongelijke helften- Zij bestaat van het N. naar het Z. uit de volgende gebergten:

I. De Vosges, reeds beschreven bij het Boven-Piijnsche terrasvormige land, bladz. 172; rijk aan hout, metalen, marmer en steenkolen.

II. De Monts Fauci lies (Sikkelbergen), lage hoogten (tot 1600'} van de bron der Moezel noordwestelijk tot die der Saóne.

III. Het plateau van La n gres, van den oorsprong der Saóne Z.W.lijk tot het kanaal van Bourgondië, dat de Saóne, door de Yonne, met de Seine verbindt. Hier ontspringen de Maas, de Marne en de Seine. Aan de bronnen der Maas begint het lage forêt d'Argonne, dat den linker Maasoever tot aan Frankrijks noordgrens begeleidt en den west-rand van het Lotliaringsehe heuvelland uitmaakt.

IV. De C ó t e d'0 r. Van het kanaal van Bourgondië tot aan het Canal du Centre, dat de Saóne met de Loire verbindt; ongeveer 2000'. Onafgebroken wijnbouw; steenkolen op de westelijke helling.

V. Het gebergte v an C h a r o 1 a i s. Van het Canal du Centre langs de Saóne tot den T a r a r e bij Lyon.

VI. Het gebergte van L y o n n a i s, langs den Rhóne, met den M e z i n (6000'), aan de bron der Loire, het hoogste punt der geheele waterscheiding.

VIL De Cé vennes, van den Mezin tot aan Carcassonne aan de Aude en

174

ocr page 197

DE FBANSCHE MI DUELGEBERGTEN.

het Canal dn Midi. In de nabijlieid van de bron der Loire gaan twee bergketens van de Cévennes naar het midden van Frankrijk, namelijk:

a. Het gebergte van Forez, tusschen Loire en Allier, evenwijdig met de waterscheiding.

h. Het Margéride-gebergte, tot den Cantal, 5000', bij Aurillac, waar het zich N.waarts buigt en weder evenwijdig met de waterscheiding loopt. Dit gedeelte, van den Cantal af, heet het gebergte van Auvergne eu bevat eene groep van 7 0 vulkanische afgeknotte kegels, Domes geheeten, met den M o n t Dore H258', het hoogste punt van Midden-Frankrijk, uit welks voormaligen krater de Dore en de Dogue vlieten, die verderop de Dordogne vormen; noordelijker den Puy de Dome. Van wouden ontbloot en met heidekruid dicht begroeid is het Hoogland van Auvergne slechts geschikt voor schapenteelt en de bewoners moeten naar de steden trekken om in hun onderhoud te voorzien. Gelijksoortige toestanden vindt men in den Eifel.

Alle genoemde middel-gebergten liggen ten O. van den meridiaan van Parijs. Westelijk van dezen meridiaan op het noord-westelijke schiereiland van Frankrijk verheft zich geheel afgezonderd het Arrce-gebergte, weinig boven de 1000'.

De Duitsche vlakte.

Een gedeelte van de groote Oost-Europeesche vlakte, welke, zuidwaarts om den Oeral heen, met de uitgestrekte Kaspische eu Siberische vlakten in onafgebroken verbinding staat.

Het Westelijke laagland (de Saksische vlakte van de Elbe tot de Ems en het Beneden-Kijnsche laagland van de Ems tot de Schelde) bevat de landen aan de monden van de Schelde, den Rijn en de Maas, het geheele gebied van de Ems en de beneden-Weser en Elbe, van het Pas de Calais (de Hoofden) tot aan Jutland. Deze gansche kust is door de werking van ebbe en vloed voortdurend aan nieuwe vorming en vernieling blootgesteld; de eilanden, die zich in eene lange rij van de spits van het schiereiland Noord-Holland tot naar Jutland uitstrekken, zijn slechts de overblijfselen van grootere landstreken, die eenmaal met het vasteland verbonden waren, doch in historischen tijd, met het ontstaan van Zuiderzee, Dollart, Jade en van den Oost-Frieschen archipel bij Sleeswijk, door de zee verzwolgen werden. Menschel ijke volharding zoekt voortdurend door dammen en dijken de bijna overal ontbrekende duinen te vergoeden; zelfs zandbanken of wadden die slechts bij den vloed door de zee worden overdekt, ontrooft men, wanneer er genoeg klei op bezonken is, aan de macht der wateren en herschept ze, door ze in te polderen, in vruchtbare landouwen (polders, kogen).

Het land achter deze lage doch uiterst vruchtbare kuststreek is eene boomlooze vlakte, waarvan de gedeelten die het hoogst liggen (geestland) vaak nog bebouwbaar zijn, doch grootendeels uit zandwoestenijen bestaan, welke met heideplanten overdekt zijn, terwijl het aangeslibde, lage, vochtige land vruchtbaar m a r s c h 1 a n d of uitgestrekte turfvenen bevat. De eigenaardige wijze van bebouwing dezer venen (boekweit) vordert het verbranden der dorre bovenste korst in de lente, waarvan do N.O.wind aan Nederland eu de N. of N.W.wind aan de Z.iijk of Z.O.lijk gelegen landen den drogen, onaangenamen reuk (heidamp, hei-brand, Heerrauch) toewaait. De meren bepalen zich tot de lage deelen en zijn dan nog dikwerf uitgeveende plassen; hooger op liggen alleen de kleine Dümmer-eu Steinhuder-meren; de vorming van haffen is aan deze lage kusten onbekend.

Het Oost-Duitse he of Oostelijke laagland ten Z. der Oostzee, van Weichsel tot Elbe, de Wendische vlakte. Alle Duitsche Oostzeckusten zijn hooger dan die der Noordzee en hetzij door duinen, hetzij door hooge kusten, die op sommige plaatsen meer dan 500' uit het vlakke strand verrijzen, tegen

175

ocr page 198

EUROPA,

de zee beschut, die door het ontbreken van ebbe en vloed bovendien veel minder gevaarlijk is; om deze reden doet zich hier dan ook zeldzaam eene vernieling der kusten voor, men heeft echter eene daling aangetoond. De reeks zandige eilanden, zoo als in de Noordzee, ontbreekt hier; het eiland Rügen en de Deensche eilanden bestaan voor een gedeelte uit krijtrotsen, het verwijderde Gottland uit kalkrotsen; Bornholm grootendeels uit graniet. Daarentegen vertoonen de kusten aan de riviermonden de eigenaardige vorming van haffen — strandmeren van zoet water —, die door smalle met duinen bezette landtongen (N e h r u n g— Niederung) of door bijna aan elkander sluitende eilanden van de zee gescheiden zijn. De Kurische Nehrung is 13 m. lang en op de meeste plaatsen nog geen i m. breed; het daarachter liggende 30 □ m. groote Kurische Haft heeft eene uitmonding van slechts TV m. breedte. Marschland en polders zijn hier onbekend.

Het binnenland van dit laagland onderscheidt zich van het westelijk vooral daardoor, dat daar de beide landruggen, de Baltische merenplateau's en de Zuid-Duitsche hoogten (zie onder Rusland) een' aanvang nemen. De eerste, de noordelijke, een breede gordel, die zich uit Holstein langs de zuidgrenzen van Mecklenburg, Pommeren en Pruisen naar het Wolchonskische woud wendt, vormt de waterscheiding voor talrijke binnen- en kustrivieren, draagt op zijn' breeden rug zandbergen, die met dennenwouden bedekt zijn, en in Achter-Pommeren tot 800', in West-Pruisen in denThurmberg aan het Eadaunenmeer zelfs tot ruim 1000' oprijzen. Die handrug kenmerkt zich door eene menigte meren, waarvan sommige, even als Alpenmeren, eene diepte hebben van 400—700', en ten andere door het menigvuldig voorkomen der zoogenaamde zwerfblokken of erratische gesteenten, groote, afgeronde stukken rots, die, dewijl zij naar hunne samenstelling van het noorden van Europa afkomstig zijn, in een verwijderd tijdperk op ijsbergen of gletschers moeten overgebracht zijn naar die streken, welke toen de stranden der zee waren, waartegen die ijsschollen aanspoelden. Men merkt echter een groot verschil op tusschen de blokken (moraines) ten westen en ten oosten van de Elbe.

De zuidelijke hoogten zetten zich van den linker Weischseloever tot den Elbemond voort onder den naam van Lysa Gora, Plateau van Tarnowitz, Flaming e.i Lüne-burgerheide.

De stroomgebieden van Midden-Europa.

Tot het Alpenstelsel behooren de volgende rivieren, die hun' loop richten: A. Naar de Zwarte zee.

De Donau (Banuvius, in haren benedenloop is^ws), 400 in. lang, ontspringt op het Sehwarzwald, wendt zich in haren bovenloop tot Presburg, eerst naar het N.O., totdat zij bij Regensburg haar noordelijkste punt bereikt, stroomt vandaar naar het Z.O. en neemt de volgende zijrivieren op:

links: Rechts:

1) De 111 e r (bij ülm) uit Vorarlberg.

1) De A 11 m ü h 1 (tusschen Ingolstadt 2) Den L e c h (beneden Augsburg), en Regensburg).

2) De N a a b van het Fichtelgebergte.

8) Den Regen van het Bohemerwoud,

(even als de vorige bij Regensburg).

3) De T s a r even als de Iller en Leeh uit de Allgauer Alpen.

4) Den Inn bij Passau, van den Sep-timer. Het bovcndal van d n Inn

176

ocr page 199

DE STROOMGEBIEDEN.

Links; Eechts:

wordt 10 m. lang Engadin genoemd; zijne grootste rij-rivier is de Salzaeh, die van den Dreihernnspitz af het lengte-dal van den Pinzgau vormt.

5) De Enns (bij Enns), van de No-rische Alpen bij Eadstadt.

4) De M a r e li (boven Presburg), van den Selineeberg in de Sudeten, met de Taya van den Moravisehen bergrug rechts.

De Midden-Donau, van Presburg tot Orsova, vormt tusschen Presburg en Komorn het 12 m. lange eiland S c li ü 11 en ontvangt op haar' weg door de Hongaarsche vlakten:

177

Links:

5) De Waag (bij Komorn) van de Karpaten.

Hechts:

6) De E a a b bij Eaab, van de Stier-marksehe Alpen.

7) De Drau, (ontspringt zuidelijk van den Dreiherrnspitz), door het Pus-terdal, met de M u r links.


6) De Th ei ss (beneden Peterwardein) met de Samosj, Körösj en M a r o s j links.

8) De Sau of Save, van den Tergloe, met deKulpa, Bosna enDrina rechts.

De Beneden-Donau, van Orsova tot aan de zee; van de 3 hoofdmonden is alleen de middelste, de Soelina-mond, voor groote schepen bevaarbaar; zij neemt nog op:

7) De. A1 o e t a of A 11.

8) Den S e r e t h.

9) Den P r o e t.

B. Naar de Adriatische Zee;

a. De Po, van den Monte Viso in de Cottische Alpen (de richting op de kaart aan te wijzen), 88 m. lang, ontvangt in zijn' bovenloop, d. i. tot aan den Tessmo:

Links;

1) De Dora E i p a r i a uit de Cottische Alpen.

2) De Dora Baltea, van den Mont-blanc.

3) Sesia, van den Monte Eosa.

In zijnen middenloop ontvangt hij (bij Pavia):

4) Den Tessino of Ticino, van den St. Gotthard, door het Lago Maggiore, hetwelk rechts tegenover de Borromeïsche eilanden de

Eechts:

1) Den Tanaro, van den Col di Tenda.

12

ocr page 200

EUROPA.

Links: Hechts:

T o s a opneemt, die door haar' waterval van 400' hoogte beroemd is.

3) De Trebbia, van de Apennijnen.

5) De Adda (boven Cremona), van het Wormser Joch, door het Val Tel-1 i n a en het Com o-meer.

6) Den Oglio [oljio], door het Iséo-meer.

7) Den Mincio, door het Garda-meer.

Van de 7 monden van liet drassige delta-gebied worden vooral bevaren de Po d e 11 a M a ë s t r a en de Po d e 11 a G n o c c a [njokka],

h. De E t s e h of A d i g e [adiedzje], van de Malser-heide in de Eetische Alpen, 30 m. lang, door de dalen van den Boven- en Benede n-Vintschgan.

c. Tot het kustgebied van de Adriatische zee behooren nog de Brenta, bij Venetië, de Piave, de Tagliamento [taljia-] en de Is on zo.

C. Naar de Middellandsche zee:

De Rhone {RJiódanus, welke naam, Rotten ofRhodan, nog in dien van 3 kleine bronnen is overgebleven) 109 m. lang, ontspringt uit den 6 uur langen Rhone-gletseher aan de Purka, op de westzijde van den St. Gotthard, stroomt door het 10 m. lange en 1^ m. breede meer van Geneve of lac Leman, breekt door de Jura heen, neemt de Arve op, die van den Montblane afkomt, en verdween vroeger in het enge rotsbed een' tijd lang onder de overhangende rotswanden (Perte du Rhone), welke echter in 1828 door de Sardinische regeering uit den weg geruimd zijn. Nadat de rivier in haar' loop verder de richting der Alpen gevolgd is, ontvangt zij rechts: de rustig vlietende Saóne, die versterkt is door de Jura-rivier de Doubs [doe]; later de Is ere van den Iséran; de Durance van den Mont Genèvre, en stort zich met eene delta-vorming in de g o 1 f e du Lion.

D. Naar de Noordzee (1):

178

De Rijn of Rhein, 200 m. lang, ontspringt aan de oostzijde van den St. Gotthard uit drie bronnen, den Voor-Rijn uit het Toma-meer, den Midden-Rijn en den Achter-Rijn, die de belangrijkste bron is, van den Rheinwald-gletscher. Als Boven-Rijn, van Chur of Coire tot Bazel, maakt hij met den Bodensee de grenzen uit van de Zwitsersche hoogvlakte in het O. en N. Uit dezen Bodensee of het meer van Constanz, 1200' boven de zee, eene geweldige klove aan den noordelijken voet der Alpen, 85 □ m. groot, treedt de Rijn bij Constanz in het Zeiler- of Benedenmeer. Kort daarna vormt hij den bekenden waterval bij Schatfhausen. Na dan tussehen den Jura en het Schwarzwald te zijn doorgedrongen, wendt hij zich weder naar het N. en stroomt nog altijd als Boven-Rijn tot Mainz door de Boven-Rijnsclie vlakte. Als Midden-Rijn breekt hij tussehen Bingen en Bonn door het Neder-Rijnsche bergland en vloeit vandaar als Beneden-Rijn door het Neder-Rijnsche laagland. Hij ontvangt:

(1) Zie Frankrijk voor de uitsluitend tot dat rijk behuorende rivieren.

ocr page 201

DE STBOOMGEBIEDEN.

179

Links:

1) De Aar of Aare, die aan de westzijde van den St. Gotthard ontspringt, het Bricnzer- en Thunermeer vormt, ziet links door de wateren van het Mürtener-, Neuenburger- (Neucha-teller-) en Bielermeer voedt en rechts ontvangt: 1) de Eeuss, met de wateren van het Vierwaldstadter-, Zuger- en Egerimeer, en 2) de Li mm at, met die van het Wallen-stildter- en Züriehermeer.

2) De 111 (vroeger Eli, vanwaar de naam van het land Ell-sas).

3) De N a h e (bij Bingen).

4)

De Moezel, Mosel of Moselle (bij Koblenz), van het zuideinde van de Vosges of Waasgau, met de M e u r t li e en S a a r rechts. De Ahr, van de Eifel.

5)

Rechts:

1) Den 46 m. langen Neckar (bij Mannheim).

2) Den Main (bij Mainz), 56 m. lang, uit de beide bronnen van den E o o-d e n en Witten Main van het Fichtelgebergte, met de Eegnitz links, en de Frankische Saaie rechts.

3) De Lahn, tegenover Stolzenfels.


(bij Bonn), van den (bij Duisburg), van den (bij Wesel), van het

De S i e g Ederkopf. De E ii h r Winterberg. De L i p p e

4)

5)

6)

Eggegebergte.

Op 20 m. afstand van de kust begint, met de westelijke richting van den stroom, de Rijn-delta. Even binnen de grenzen van Nederland splitst de Rijn zich in twee hoofd-armen, de noordelijke behoudt den naam, zendt boven Arnhem den IJsel naar de Zuiderzee bij Kampen en vloeit zelf voorbij Wijk bij Duurstede onder den naam van Lek en verder als Nieuwe Maas, Scheur en Nieuwe Waterweg in zee. De zuidelijke arm, Waal genoemd, neemt bij het fort Loevestein de Beneden-Maas op en stroomt als Boven- en Beneden-M er wede naar Dordrecht, terwijl | van zijn water zich als Nieuwe Merwede in het Hollandsch Diep stort. Bij Dordrecht verdeelt zich de Merwede in Noord en Oude Maas, welker water grootendeels door de Dordsche Kil insgelijks in het H. Diep valt, terwijl het overige voorbij den Briel de zee bereikt.

Aanmerking. Uit deze beschrijving blijkt 1°. dat Rijn—Lek en Nieuwe Maas éene rivier vormen; 2°. dat de Merwede de voortzetting is van de Waal, waarvan de Maas eene zijrivier is; 3°. dat het meeste Maas- en Waal water in het H. Diep valt; 4°. dat dit Diep evenals Haringvliet, Volkerak en Krammer geen takken van de Maas maar inhammen van de zee zijn, en 5°. dat de Maas in

ocr page 202

EUROPA.

Frankrijk, alleen door den Noord, in verband staat met de Nieuwe Maas bij Rotterdam.

De Maas, la Meuse, 88 m. lang, ontspringt ten N. van het plateau van Langres, reikt in haar' bovensten loopt tot Sédan, in haar' middelsten tot Maastricht, neemt links bij Namur de Sambre op, rechts boven Luik de O u r t h, en bij Roermonde de Roer. Bij het fort Loevestein valt zij in de Waal.

Tot de Duitsche middel-gebergten behooren de volgende rivieren, die haar' loop richten:

A. Naar de Oostzee:

De Oder, die van de Sudeten of eigenlijk van het. „Gesenkequot; komt, en eerst in Z.O.lijke richting, even als de Elbe, dan door het O. en N. naar het N.W. ombuigt. Zij verwijdt zich vóór haar' mond in het Stettiner- of Pommersche Haff, en vormt met hare drie monden: Peene, Swine en Divenow, de eilanden Usedom en Wollin. Zij neemt op:

Links: Rechts:

Den B o b e r, met den Q u e i s, De W a r t h e (bij Küstrin), versterkt

van het Reuzengebergte. door de N e t z e.

Naar de Noordzee:

a. De Elbe, van het Reuzengebergte, eerst naar het Z.O., dan door het W* naar het N.W., mondt bij Cuxhaven en neemt op:

1) De Mo ld au (bij Melnik), van het Bohemerwoud, met de Beraunka links en de Sassawa rechts.

2) De Eger (bij Leitmeritz), van het Fichtelgebergte.

1) De Z w a r t e E 1 s t e r (boven Wittenberg), van het Lausitzergebergte.

3) De M u 1 d e (beneden Dessau), die als Ereiberger en Zwickauer Mul de van het Ertsgebergte stroomt.

4) De Saaie, van het Fichtelgebergte met den Unstrut en Bode links,

de Witte E 1 s t e r rechts.

3) De Ha vel (bij Werben), kamt met eene bocht uit het N. uit Mecklen-burg-Strelitz, en ontvangt links bij Spandau de Spree, die van Bautzen en het Lausitzergebergte komt.

I. De Weser, ontstaat uit de vereeniging van de Werra (van het Thüringer-wald) en de Fulda (van het Rhöngebergte) bij Münden, breekt door het Weser-bergland, tot zij door de Porta Westphalica nabij Minden in het Ger-maansche laagland treedt.

Links: Rechts:

1) De Fulda, ontvangt de E d e r 1) De W e r r a.

van den Ederkopf. De Aller (bij Verden), met de

Leine en Ocker links.

180

ocr page 203

DE STROOMGEBIEDEN.

De rivieren van het O o s t e 1 ij k e m i d d e 1 - g e b e r g t e zie men bij de Donau, en bij de stroomstelsels van Oost-Europa; die der Westelijke middel-gebergten bij Frankrijk.

De rivieren, die geheel tot de Gerraaansche vlakte behooren, zijn:

Naar de Noordzee:

a. De Schelde of Escaut, door het Beneden-Eijnsche laagland, met de Lys of Lis links, bij Gent. Zoodra zij op Nederlandsch grondgebied gekomen is, stort zij zich in de Wester-Schelde, die men ook als een' inham der Noordzee heeft te beschouwen; de Ooster-Schelde heeft met de rivier slechts den naam gemeen. Beide zeegaten staan met elkander alleen nog in verbinding door het kanaal van Wemeldinge naar Kansweerd en door het kanaal dwars door Walcheren. De natuurlijke verbindingen, het Sloe en de Kreekerak zijn echter afgedamd.

Jgt;. De (Over-IJselsche) Vecht heeft haar' oorsprong in het Munstersche en mondt door het Zwarte water in de Zuiderzee.

c. De E e m s of E m s ontspringt op het Teutoburgerwald, vloeit geheel door vlak land, dikwerf te midden van venen, en valt in den Dollart.

d. Door den Eider en verder door een kanaal wordt de Noordzee met de Oostzee verbonden.

De Staten van Midden-Europa.

4) De republiek Frankrijk.

(9688 □ m., met ruim 37,700,000 imv.).

De grenzen, waarvan de meeste door de natuur zijn aangewezen, zijn: de Atlantische Oceaan en de Middellandsche zee; naar den kant van Spanje de Pyreneën, naar de zijde van Zwitserland en Italië de Jura en de Alpen of de scheiding tusschen de rivieren van Boven-Italië en den Ehóne, en aan den kant van Duitschland de Vosges met de reeks hoogten en bergvlakten, die de stroomgebieden van Rijn en Seine scheiden. Aldus gelegen tusschen de Romaansche en Germaansche landen heeft Frankrijk in zooverre eene begunstigde ligging, dat het naar al de genoemde landen dadelijken toegang te land en te water heeft. Boven Spanje heeft het een voorrecht door de binnenwaartsche ligging, boven Italië door de betere afronding, boven Engeland door de verbinding met het vasteland, en boven Duitschland door de sterke natuurlijke grenzen (behalve in het meest bedreigde N.O., waar men dan ook de voornaamste vestingen vindt). Vóór de ontdekking van Amerika lag Frankrijk aan den Atl. Oceaan op het einde der aarde. Zijne geschiedenis en ontwikkeling werden dan ook grootendeels bepaald door invloeden uit het oosten en noordwesten (Engeland). Thans onderhoudt het een druk verkeer met Amerika.

Door zijne ligging aan de Middellandsche zee is het in verbinding gekomen met Afrika en het Oosten. Dat het, ondanks de vrij lange kustlijn en de gemakkelijke verbinding der beide zeeën door kanalen, geen groote zeemogendheid geworden is, is een gevolg van de ongunstige kustvormen, die (op eenige uitzonderingen na) den aanleg van havens niet toelieten.

181

ocr page 204

EUROPA.

Die kustvormen zijn de volgende:

A. Steile kusten in Provence.

B. Delta der Rhone, en kusten van Langued'oc met Etangs en daarvoor gelegen Lidi, door een' stroom uit de golf van Genua aangevoerd. Oude zeesteden zijn hier landsteden geworden.

C. Duinkusten van Bayonne tot den mond der Gironde met daarachter gelegen Landes.

D. Kleikusten van de Gironde tot de Vilaine, met daarvoor gelegen eilanden, evenals in Groningen en Friesland.

E. De rots- en granietkusten van Bretagne van den mond der Vilaine tot de golf van St. Malo. Wel oorlogshavens, maar door gebrek aan verbinding met het binnenland geen handelshavens.

F. De Westkust van Normandië, afwisselend steil en vlak, groot verschil tusschen eb en vloed (16 M.), waardoor de kust verbrijzeld wordt.

G. De klippen (calvados) van Noord-Bretagne tot den mond der Seine (zeeroof en smokkelhandel).

H. De steile kalkkusten (Falaises) van Bretagne, van de Baie de la Seine tot den mond der Somme. Dezen worden door den sterken golfslag in het kanaal ondermijnd en de havens worden met puin opgevuld.

I. De duinkusten van den mond der Somme tot kaap Skagen in Jutland.

Hoe arm aan havens is dus de noordkust van Frankrijk tegenover de zuidkust van Engeland. Hier is de vloot de trots der natie, daar beschouwt men haar als eene politieke noodzakelijkheid.

De grootste doorsnede van N.—Z., van Duinkerken over Parijs tot den Canigou, bedraagt 135 m.; bijna even zoo breed is het van W.—O., 130 m., van Bretagne's westspits, kaap Finistère, over Parijs tot op den kam der Vosges niet ver van Straatsburg. Frankrijk is arm aan kust-eilanden, doch het is in het bezit van Corsica, in het midden van de westelijke Middellandsche zee.

Trekt men eene lijn van Ba3'onne naar Luxemburg, dan wordt het land verdeeld in een Z.O. hoog en een westelijk laag deel. Het hooge gedeelte is niet aaneengesloten maar wordt door de laagvlakte van de Garonne—de Aquitanische poort (waardoor het Canal du Midi is gegraven) — en de laagvlakte van Rhone-Saóne in 3 zelfstandige deelen verdeeld: het Centrale plateau of Fransche Middelgebergte, dat in terrassen naar de vlakte afdaalt, de Pyreneen en de Alpen. Ook het laagland wordt door verheffing van den bodem in bekkens verdeeld, welke het stroomgebied der groote rivieren Seine, Loire en Garonne vormen. In het uiterste N.W. verheffen zich nog de Middelgebergten van Bretagne en Normandië en ten zuiden van de Loire de Gatine-boogten. Tusschen beide groepen Middelgebergten loopt nu de groote weg: Parijs-Orleans-Tours-Poitiers-Angoulême-Bordeaux-Bayonne. (Slagen bij Vouillé, westelijk van Poitiers 507; bij Tours en Poitiers 732, bij Maupertuis 1356).

Het hooggebergte der Pyreneën is reeds bij het Iberische schiereiland beschreven. Van de Alpen liggen de zoogenoemde Zee-Alpen, de Cottische Alpen en Grajische Alpen langs Frankrijks grenzen; de dwarsketenen hiervan vullen met hare vertakkingen bijna het gansche gebied tot aan den Ehöne, vooral het E s t e r e 1-gebergte, dat van de Zee-Alpen langs den zuidelijken oever der Durance tot aan Aix reikt. De Middelgebergten werden vroeger vermeld.

Geen land van die grootte bezit zulk een regelmatig rivierstelsel; de richting der rivieren en de gesteldheid van het land maken eene kanaalverbinding zeer gemakkelijk. Men telt meer dan 100 bevaarbare rivieren met meer dan 1000 m. lengte te water, en 86 kanalen.

182

ocr page 205

DE STATEN VAN MIDDEN-EUROPA.

Behalve de Maas (zie bl. 179) ontspringen op de Fransche middel-gebergten: a) De Seine van den Cöte d'Or naar het Kanaal of la Manche, met de zijrivieren: Links: Rechts:

1) l'A u b c.

1) l'Y o n n e, die door het kanaal van Bourgondië met de Doubs bij Besancjon vereenigd is.

2) la M a r n e, boven Parijs.

3) l'O i s e.

3) l'Eure.

i. De Loire ontspringt ten Z. van den mont Mezin in de Cé vennes, loopt door het N. naar het W., heeft door het Canal du Centre gemeenschap met den Doubs, door dat van N i v e r n a i s met de Yonne, door dat van B r i a i r e en Loing met de Seine in de nabijheid van Fontainebleau, en door een ander kanaal met de Vilaine, en heeft voorbij Nantes zijn' mond in den Atlantischen Oceaan. Schoon de grootste rivier van Frankrijk is zij niet diep; zij treedt dikwijls buiten hare oevers. In den bovenloop heeft men n. 1. bosschen uitgeroeid; de teelaarde door de wortels der boomen niet langer vastgehouden wordt bij zware stortbuien van de bergen af en in de rivier gevoerd. Zoodra deze in de vlakte komt wordt haar loop rustiger, het meegevoerde slib bezinkt (vooral door den mond) en de bedding wordt opgehoogd. Zij neemt op:

Links: Rechts:

1) l'Allier, beneden Nevers, die zijne bronnen niet ver van die der Loire heeft.

3) le Cher (bij Tours), van het gebergte van Auvergne.

3) la Vien n e.

1) la M a y e n n e (bij Angers), versterkt met de S a r t h e. c) De Garonne, ontspringt W. van de Maladetta in de Pyreneeën, stroomt eerst N.O.- en vervolgens N.W.-waarts , heeft beneden Bordeaux, te zamen met de Dordogne, één' breeden mond naar den Atlantischen Oceaan, G i r o n d e genoemd. Zij ontvangt rechts:

1) 1 e Tarn, van de Cévennes.

3) 1 e Lot.

3) la Dordogne, van den Mont Dore.

Tot het kustgebied van den Atlantischen Oceaan behooren: De Schelde, zie blz. 181; la Som me, la Vilaine, la Ch a rente en l'A dour bij Bayonne.

Tot het kustgebied der Middelandsche zee behooren: l'Aude en 1 e Var.

In de zuidoostelijke provinciën is het klimaat als in Italië; korte winters en heete zomers; het zuidelijke Rhönedal heeft door zijne scherpe afsluiting in het oosten en westen reeds een volkomen Zuid-Europeesch klimaat; jammer dat eene ijzige wind, de Mistral, de olijf boomen soms (loet bevriezen; in het midden en noorden worden de uitersten van warmte en koude door den invloed van den Oceaan tot een gematigd klimaat verzacht, waarom Normandië en Bretagne op gelijke breedte als Champagne geen' wijn opleveren. Dien ten gevolge zijn de hoofd-p rodukten van het noorden en midden, granen, wijn en ooft; van het zuiden, olijven en moerbezieboomen. De zijde van Lyon, de olie van Provence,

183

ocr page 206

EUROPA,

de wijnen van Bordeaux, Champagne en Bourgondië, de aromatische kruiden uit het Khöne-dal (odeurs) zijn kostbare voorwerpen van handel over de gansche aarde.

De voortbrengselen der n ij verheid, vooral van artikelen van weelde, zijn niet minder gewichtig voor den Franschen handel.

Het hoofddeel der bevolking vormen de Franschen (34j mill.), gesproten uit eene vermenging van drie grondvprmen: Keltisch, Eomaansch en Germaansch. Sporen van de taal der Kelten, de oudste bewoners van Gallia, zijn bewaard gebleven bij de West-Bretagners (de Bretons, 1 mill.); van de nakomelingen der Iberiërs leven nog 125,000 Bask en in het westelijke uiteinde der Pyreneën. Voor meer dan ff belijdt de bevolking de Eoomsch-Katholieke leer; het grootste gedeelte van het \ millioen Protestanten bewoont vooral de Noordelijke en Zuidelijke midden-departementen.

Tengevolge van de ontzaglijke groote uitgaven, die vooral onder de regeering van Napoleon III gedaan werden voor de vergrooting der oorlogskrachten, voor de grootsche verbetering der havens, de middelen van vervoer, voor de verfraaiing en verbreeding van de straten der hoofdstad, maar vooral tengevolge van den oorlog met Duitschland, was de financieele toestand ongunstig geworden en waren de belastingen hoog opgevoerd. Doch de rijkdom der voortbrengselen en der hulpmiddelen van het land, de weder ontwikkelde nijverheid, en de daaruit voortgesproten welvaart der middelklassen heeft Frankrijk dien ongunstigen toestand weder geheel doen te boven komen. Het volksonderwijs en de toestand der wegen is echter op het platteland nog achterlijk, hoewel spoorwegen en kanalen reeds veel bijbrengen tot de algeraeene ontwikkeling. Door de onzekere spanning, waarin de staatkundige toestand van Frankrijk voortdurend verkeert, worden vele belangen verwaarloosd en veel geld onnoodig verkwist.

De tegenwoordige verdeeling en benaming der departementen naar de rivieren, bergen, ligging enz. bestaat reeds sedert 1790, toen door de Constitueerende Vergadering 83 departementen gevormd werden. Deze zijn later tot 86 vermeerderd en in 1860 door de bijvoeging van Hoog- en Laag-Savoye en Zee-Alpen tot 89 gebracht; maar in 1871 verminderd met Neder- en Boven-Eijn- en het grootste deel van het Moezel-departement, welks overblijfsel met het Maas-departement vereenigd is. De vroegere indeeling telde 36 provinciën, welke hier uit 19 groepen zijn vereenigd.

A. Provinciën, welke noch aan de grenzen noch aan de kusten liggen.

1) Isle-de-France.

P a r ij s (Lutetia, hoofdstad der Farisii), het middelpunt der beschaafde Europeesche wereld, aan den zuid voet van den 400' hoogeu Montmartre, aan beide zijaen der Seine, welker zijrivieren de verkeerswegen naar België, Duitschland en Zuid-Frankrijk vormen. De voornaamste weg is die langs de Marne, over Maas, Moezel, Meurthe, Marne Rijnkanaal en den pas van Zabern naar Straatsburg. Hieraan liggen Chalons, (Catalaunische velden) en Nancy, van waar de weg over Metz naar Coblenz gaat. (Groote veldslagen in den oorlog van 1870). Beneden de stad vormt de Seine vele kronkelingen, waardoor haar loop rustig wordt en groote schepen haar kunnen bevaren. De stad ligt 35 ni. van de noordelijkste punt van Frankrijk (bij Duinkerken), 100 m. van de zuidelijkste punt bij de Canigou, 55 m. van de oostelijke punt in de Vosges en 72 m. vau de westelijke punt; na Londen de volkrijkste stad van Europa. Zij bloeit vooral in handel en industrie; jaarlijks wordt er voor 2000 mill. fr. aan voorwerpen van luxe vervaardigd. De stad is verdeeld in 20 arrondissementen , waarvan ieder onder een' afzonderlijken maire eene bijzondere gemeente uitmaakt. Binnen den ringmuur en buiten de boulevards (deels vroeger bolwerken, — waarvan de naam, — thans volkrijke en prachtige straten) liggen

184

ocr page 207

FRANKRIJK.

dc zoogenaamde voorsteden, faubourgs, waar veelal de nijverheid van Parijs hare werkplaatsen heeft; de gedeelten der stad buiten den ringmuur heeten de baulieue. Dezen zijn sedert 1848 weder door een met bastions voorzieneu vestingmuur omringd, rondom welke sterke forteu liggen. A.aii de verfraaiing der stad werden sedert Napoleon III fabelachtige sommen besteed, waardoor in het oude gedeelte der stad de nauwe straten door grootsche hoofdstraten vervangen zijn. De 3 kleine eilanden in de Seine maakten de Cité uit, het oudste gedeelte der stad. Hier ligt ook de gothisehe kerk dc ïfotre-Daine en het paleis van Justitie. Op den linkeroever liggen de Universiteit, het Panthéon (met de graven van Voltaire en .Rousseau), de Katakom-ben, de Jardin des Plantes, de fabriek van de Gobelins, het Paleis Luxembourg, het paleis der Afgevaardigden, het Invalidenhuis (met het prachtige graf van Napoleon I) en het Champ de Mars. Het grootsche op den rechteroever liggende door de brandstichting in 1871 geheel vernielde Hötel de Ville verrijst thans weder iu nieuwen luister. Hier volgen achter elkander de Champs Elisécs, de Place de la Concorde, de tuin eu het thans gesloopte paleis der Tuilerien en de Louvre met al zijne verschillende merkwaardige museum's, welke laatste gelukkig gespaard bleven. Voorts iets verder oostwaarts de overdekte markten. Vermeldenswaardig zijn vooral ook de Place Vendöme, de rues de la Paix eu de Castiglione en het kerkhof Père la Chaise, welks tallooze gedenkteekenen de in steen gebeitelde geschiedenis van ïrankrijks roem iu oorlog en in vrede, in kunst en in wetenschap bevatten; ruim 2{ mill. inw.

Rondom Parijs liggen op korten afstaud;

Vincennes, met een sterk kasteel, fraai bosch en merkwaardig gesticht voor herstellende werklieden; 22,000 inw.

Boulogne, eene der plaatsen van uitspanning voor de Parijzenaars, wegens het sierlijk aangelegde Bois de Boulogne met de vermaarde acclimatatietuin; 22,000 iuw.

Neuilly, bijna geheel vernield tijdons do Commune; 18,000 iuw.

Clichy-la-Garenno, vooral chemische fabrieken; 14,000 inw.; en

St. Denis, ten N., met do koninklijke graftomben: 43,000 inw.

Versailles, vroeger zetel van de rogeering ou van de Nationale Vergadering; het slot en park van Lode wijk XIV, mot kunstmatige waterwerken, kostte 100 mill, franken; beroemde verzameling schilderijen en merkwaardigheden, die op de geschiedenis van het Prausche volk betrekking hebben; 50,000 inw.

Sèvres, met de vermaarde porselein-fabriek.

St. Cloud; hot keizerlijke slot in het sctioone park is in den oorlog van 1870 door de Franschen zeiven vernield.

St. Germain-en-Lay e. Het oude kasteel is herschapen in ecu museum voor oudheden der vroegere bewoners van ïrankrijk; 17,000 inw.

Fontainebleau, liuks vau de Seiue, met het vorstelijke slot en beroemde bosch; 12,000 inw.

Beau va is, 17,000 inw. De namen van de Gallische volkstammen zijn voor een groot deel nog bewaard gebleven in de namen hunner hoofdplaatsen. Zoo hoeft Beauvais haren naam naar de Bellóoacie.

Compiègne, met voormalig keizerlijk slot en bosch; 13,000 inw.

Laon [lang], op oen 181 m. lioogen berg, voormaals aanzienlijker; 12,000 inw.

St. Gobain, heeft de beroemdste splegelfabriok van Europa.

Soissons, aan de Aisne, eens hoofdzetel der Merowiugiërs, 11,000 inw.

St. Quentin, a/d Somme eu het kanaal van St. Qacntin, grooto handel in allerlei manufacturen; 45,000 inw.

2) Auvergne, Limousin en Marche.

In liet Bronnengebied der Loire.

C 1 e r m o n d-F e r r a n d, op de plaats van het sterke Oergovia, hfdst. der Arverni, waarvan nog de naam van Auvergne; 45,000 inw.

Aurillac, aan don voet van den Plomb du Cautal; 11,000 inw.

Limoges, aan dc Boven-Vieune; 05,000 inw.

Tuil c, als stad. minder bekend dan de stof aan welke zij den naam gaf; 12,000 inw.

i 85

ocr page 208

EUROPA.

Bonrbonnais, Nirernais en Berry.

Moulins, a/d Allier, naar de talrijke molens genoemd; 21,000 inw.

Montlupon, met spiegelfabrieken; 22,000 inw.

Viehy, eene der meest bezoehte badplaatsen van Europa.

Ne vers [nevèrr], a/d Loire, het aardewerk was eertijds beroemd; 23,000 inw.

Bourges, oud en slecht gebouwd, de dom echter is een der fraaiste gebouwen van Europa; 40,000 inw.

4) Orléanais.

Dwars over de Midden-Loire.

Orleans, a/d noordelijkste bocht der Loire; welvarende stad, met vele getuigen van middeleeuwsche grootheid; 60,000 inw.

Chartres, a/d Eure, fraai van ligging, maar somber van binnen; de prachtige dom is de oudste van Frankrijk; 20,000 inw.

B1 o i s, a/d Loire, hier zegt men dat het zuiverste Fransch gesproken wordt; 20,000 inw.

5) Anjou, Touraine en Maine.

„Le Jardin de la France,quot; dwars over de Loire, en aan de Mayenne met den Loir.

Angers [-zje], a/d Mayenne, met veel fabrieken van linnen en katoen; wijnhandel; talrijke leigroeven in de nabijheid; 05,000 inw.

Tours, a/d vereeniging van den Cher met de Loire, in eene zeer vruchtbare landstreek; 52,000 inw.

Mettray, dorp, vermaarde landbouw-kolonie voor jeugdige veroordeelde:!.

Le Mans, a/d Sarthe; 55,000 inw.

Laval, a/d Mayenne, beide met Ir.menhaudel; 30,000 inw.

B. Provinciën die aan de grenzen of aan de kusten liggen. 6) Picardië met Artois en Vlaanderen.

Gebied van Somme en Schelde. Het rijkste, best bebouwde en meest bevolkte gedeelte van Frankrijk.

Amiens, a/d. Somme; fluweel-, tapijt-, linnen- en cachemire-fabrieken; 75,000 inw.

Abbeville, a/d Somme, laken-, trijp- en linneufabriekeu 20,000 inw.

A r r a s (of A t r e c h t), vesting; 27,000.

Boulogne (-su r-M e r), 45,000 iuw., en Calais, 13,000 inw., vesting- en havensteden met aanzienlijk stoombootenverkeer op Engeland.

St. Om er, vesting a/d Aa; 22,000 inw.

L i 11 e (of R ij s s e 1), in het Fransche Vlaanderen , eene der sterkste vestingen van Europa en hoofdzetel van den handel in N.W. Frankrijk; fraaie, echt Vlaamsche stad, omgeven door vruchtbare velden, 100 windmolens en wijd vermaard door hare 330 fabrieken van linnen, kant, enz.; 180,000 inw.

Roubaix, nieuw opgekomen fabrieksstad; 90,000 inw., evenals

Tourcoing, 50,000 inw., nabij de grenzen van België.

Dunkerque (of Duinkerken), oorlogs- en handelshaven en zeebadplaats, in de duinen; 37,000 inw.

Douai, bijna 2 uren in omtrek, met vestingwerken en gothisch stadhuis op de door merkwaardige huizon van dien stijl omgeven marktplaats; 27,000 inw.

C a m b r a i (of K a m e r ij k), sterke vesting a/d Schelde en aan het kanaal van St. Quentin; welberoemd is het „kamerdoekquot;; 23,000 inw.

7) Nor mandie.

Valenciennes, fijne manufakturen en kant (dentelles de Valenciennes). In de nabijheid de grootste steenkolenmijn van Frankrijk met duizenden arbeiders; 27,000 inw.

Ron en, a/d Seine, hoofdplaats der linnennijverheid, 105,000 iuw.

186

ocr page 209

FRANKRIJK.

Le Havre, door Frans I gesticht, voornaamste haven aan den Atlantisehen Oceaan, uitvoerliaven voor Parijs. Scheepvaart op Amerika; invoer van ruwe produkten, vooral katoen van Rouen (dus als Liverpool voor Manchester). Als oorlogshaven heeft zij niet veel te beteekenen, want groote schepen kunnen de stad alleen bij vloed bereiken; 106,000 inw.

Dieppe, als zeebadplaats beroemder dan als havenstad. Het ivoor-snijwerk is zeer

fezocht; 20,000 inw.ezocht; 20,000 inw.

b e u f, met groote lakenfabrieken; 25,000 inw.

Caen [kang], a/d Ome; fabriek- en handelsstad met vele wetenschappelijke inrichtingen; 40,000 inw.

Cherbourg, oorlogshaveu voor 400 schepen, beveiligd Moor een' sterken zeedam en uitstekende vestingwerken; 35,000 inw., zij is door kunst gemaakt van 1783—1854.

A 1 e n 9 o n, a/d Sarthe; 16,000 :nw. Het vervaardigen van de vroeger wijdberoemde kant (points d'Al.) en der valsche kristahvaren (diamants d'Al.) heeft bijna geheel opgehouden. In de nabijheid het klooster la Trappe (strengste monnikenorde, aan wie o. a. het spreken onderling ontzegd is).

8) Bretagne.

Met de eilanden Belle-isle en Ouessant.

R e n n e s a/d Vilaine, met aanzienlijken handel; 64,000 inw.

St. Malo, handelshaven en sterke kustvesting, eene van Frankrijks gewichtigste zeesteden; 10,000 inw.

St. Brieuc, belangrijke papierfabrieken; 14,000 inw.

Brest, Frankrijks westelijkste en aanzienlijkste oorlogshaven welke door een smal kanaal, le Gonlet, met de open zee gemeenschap heeft; belangrijke handelsstad; 65,000 inw.

V a n n e s, vooral handel in koorn en sardines; 16,000 inw.

L orient, met eene handels- en eene oorlogshaveu; 31,000 inw.

N antes, fraaie stad a/d Loire, aanzienlijke handelshaven, 120,000 inw., welke groote schepen niet meer kunnen bereiken. St. N a z a i r e is de voorhaven voor de trans-atlantische stoomvaart.

9) Poitou, Angoumois, Aunis en Saintonge.

Met de eilanden d'Yeu, Ee en O léren.

Poitiers bijna twee uren iu omtrek. Het bevat overblijfselen van 3 tijdperken; het Keltische, Romeinsche en Middeleeuwsche; 36,000 inw.

Niort, a/d Sèvre Niortaise; fabrieken vau saai, handschoenen en verfwaren; 21,000 inw.

Napoléon -Vendée, vroeger Bourbon-Vendée. In de Vendée, waaronder men niet alleen het Departement, maar geheel Neder-Poitou verstaat, d. i. de driehoek tusschen la Rochelle, Saumur, de Loire en de zee, woedde de burgeroorlog in de godsdiensttwisten vau de 16e eeuw, en in de omwenteling van 1792 door de getrouwheid der bevolking aan het Koninklijke huis.

Angoulème, a/d Charente; wollen-, papier-, porcelein-, en suikerfabrieken: 33,000 inw.

Cognac, a/d Charente, bekend door den druivenbrandewijn dezer streken: 15,000 inw.

La Rochelle, versterkte havenstad, vroeger gewichtigste sterke plaats der Huge-nooten; 20,000 inw.

Rochefort, oorlogshaven, a/d mond der Charente, eene der bevalligste steden van Frankrijk; 27,000 inw.

Saintes, a/d Charente, met fraaie overblijfselen uit den Romeinschen tijd; 11,000 inw.

10) Guyenne en Gascogne met Béarn.

Aan den Atlantisehen Oceaan eu de Spaansche grenzen. De breede kuststreek

was vroeger een dor heideland, de L an des, met eene reeks ondiepe strandmeren,

dat nu voor meer dan | door beplanting en draineering ontgonnen is.

Bordeaux, 15 m. van de zee aan den linkeroever der Garonne, waar meer dan 1000 schepen kunnen ankeren. Trans-atlantische booten komen niet verder dan

187

ocr page 210

EUROPA.

Pauillac. 't Zijn ook weer de hooge vloeden (raz de marée), die gelijk de „mas-caretsquot; bij de Seine het opvaren der rivier bevorderen; middelpunt van den wijnen brandewijuhandol van Z.W. Frankrijk, eene der fraaiste steden; 220,000 inw.

Agen, a/d Garonne, bloeiende handel; 18,000 inw.

Montauban, a/d Tarn, met eene gereformeerde akademie en een opvoedingsgesticht der Broedergemeente; 27,000 inw.

M o n t-d e-M a rs a n, a/d Midonze, eene liefelijke oase in de treurige heide-landen. Handel in wijn en in knrk en harst van de wouden der Landes.

Dax of Acqs, met warme baden, reeds teu tijde der Romeinen bekend.

Auch, de oude vernieuwde hoofdstad van Gascogne, met eene der schoonste hoofdkerken van Frankrijk; 12,000 inw.

ïarbes, a/d Adonr; 21,000 inw.

Ten N, en ten Z. van den Pic-dn-Midi de veel bezochte badplaatsen Bagneres-dc-Bigorre, aan den ingang van het bekoorlijke Campaner-dal, waardoor de Adonr stroomt, Barèges, Cauteretsen St. Sauveur. In de richting van hier naar den Mont Perdu de 1202' hooge waterval van Gavarnie, de hoogste in Enropa.

Pan, a/d Gave do Pan, winterverblijf voor borstlijders; 29,000 inw.

Bayonne, vesting a/d mond van den Adour. Het gaf don naam aan de in 1670 uitgevonden bajonetten; 27,000 inw. Eene mijl ten Z.W. de bekende zee-badplaats B i a r r i t s. In de nabijheid de grensrivier de B i d a s s o a.

11) Languedoc, met Roussillon en Foix.

Toulouse, aan de Garonne en het kanaal du Languedoc of du Midi, eenmaal de hoofdstad van het Westgotlüsche rijk, fraai gelegen en gebonwd; akademie enz., vanwaar de naam „la savantequot;; metaalfabrieken en kanongieterij; 140,000 inw.

Al bi, a/d Tarn, hoofdstad van het landschap Albigeois, naar hetwelk de Waldenzen , vroeger ook Albigenzen werden genoemd; 17,000 inw Dezen vonden evenals later de Camisards eene schuilplaats in de door de rivieren gevormde dalen van het Centrale plateau.

Castres, fraaie en rijke laken-fabrieksstad, 26,000 inw.

Carcassone, a/d Ande, een deel der stad is van Gothischen tijd; 26,000 inw.

Nar bonne, waarnaar dit gedeelte van het land Gallia Narbonensis genoemd werd; 18,000 inw.

Montpellier, met eene geneeskundige akademie; 60,000 inw.

G e 11 e, aan den Etang de Thau, dien men met groote moeite open houdt, want hier eindigt het Canal du Midi, waar langs de wijnen van Languedoc worden aangevoerd. Het is eene zeebadplaats; 35,000 inw.

Beziers, de fraaie ligging en de gezonde lucht der drie laatste steden zijn tot spreekwoord geworden; 42,000 inw.

N i m e s, met de weinig geschonden overblijfselen van een' Romeinschen tempel (maison quarree) en van een amphitheater (les arènes), met dat van Verona het eenige dat nog ten huidigen dage voor openbare vertooningen gebruikt wordt; 4 uren ten N.W. in een woest dal vindt men nog de grootsche overblijfselen van eene waterleiding door Agricola gebouwd, de zoogenaamde Pont dn Gard; 65,000 inw. Een uur hiervandaan ;

Beaucaire, een stil stadje a/d Rhóne, welks jaarmarkt in Juli voorheen door 100,000 handelaren uit alle landen tot zelfs uit Turkije bezocht werd; 10,000 inw.

Al ais, a/d Gard; zijdefabrieken en smederijen; 20,000 inw.

Le Puy, romantische ligging; oudheden, kanten; 19,000 inw.

Annonay, met papier-, leer- en zijdefabrieken; 16,000 inw.

Perpignan, grensvesting met veel handel; 33,000 inw.

Foix, rijke ijzermijnen. Aan de Z.grens ligt de Republiek Andorra.

. 12) Provence, met Venaissin en Orange.

Tusschen den Rhone, de Middellandsche zee en Sardinië, gedeeltelijk door de

Durance begrensd. Beroemd om het zachte klimaat.

188

ocr page 211

FRANKRIJK.

Marseille. Reeds vóór 500 v. Cli. door de Phoeaeërs uit Klein-Azië gegrondvest {Massilia); door hare gunstige ligging werd zij reeds vroeg de aanzienlijkste handelsstad van westelijk Europa. Hier eindigde n. 1. de groote weg langs den Rijn -—- de Bourgondische Poort (tusschen Jura en Vogeezen) — het Saone-Rhonedal. Tin uit Engeland en barnsteen uit de Oostzee werden zoo naar Marseille vervoerd. Ook in de middeleeuwen was het Fr. belangrijkste haven aan de M. zee. Sedert de verovering van Algiers is hare beteekenis aanzieijlijk toegenomen; thans is zij 1'rankrijks grootste zeestad met ruime doch voor oorlogschepen te ondiepe haven; 360,000 inw.

Aix {Aquae Sexliaè), 4 in. noordwaarts van Marseille; warme baden; handel in Provence-olie; 23,000 inw.; eve.nzoo

Ar les (Arelatè), bij het begin der Rhone-delta; zeer gewichtig in Romeinscheu tijd, zooals blijkt uit de overblijfselen van een amphitheater, grooter dan dat van Nimes, van een theater en van andere ruïnen. Ook in de Middeleeuwen gaf het als hoofdstad aan het gansehe Ehóne-gebied den naam van koninkrijk Arelat (of Bonr-g o n d i ë); 25,000 inw.

Toulon, de belangrijkste oorlogshaven a/d Middellandsche zee, ook in bloei toegenomen sedert 1830; in de nabijheid de eilanden van Hyères; 70,000 inw.

E r é j u s , veel merkwaardiger in Romeinschen dan in nieuweren tijd.

Nice of Nizza, a/d Middellandsche zee; 61,000 inw.; om het heerlijke klimaat zeer bezocht door vreemdelingen, even als de O. en W.waarts gelegen plaatsen Cannes en M e n t o n a.

Ten O. ligt ook Monaco, hoofd]ilaats van een klein zelfstandig Vorstendom van dien naam; de speelbank is met die van Saxon in Wallis de cenige van Europa. In den gunstig gelegen tuin van liet slot gedijen reeds palmen en allerlei tropische planten, 2,000 inw. Het geheele landje heeft nog geen 4,000 inw.

Avignon, a/d Rhone. Van 1309—1377 Pauselijke residentie met 100,000 inw. en bezitting tot 1792. Van deze grootheid getuigen nog, ander andere overblijfsels, het Pauselijk paleis, thans kazerne, met de bijgebouwen en eenige bogen van eenc prachtige brug over den Rhóne. Thans heeft het grooten handel in wijnen, olie en parfumeriën; 40,000 inw.

Orange (Arausio), met vrij goed bewaarde overblijfsels uit Romeinschen tijd, een amphitheater en een triumfboog buiten de stad. In 1531 ging het souvereine vorstendom Oranje bij erfenis over aan den stam van JSassau, tot dat het bij den vrede van Utrecht 1713 aan Frankrijk kwam.

13) Lauphiné en Lyonnais.

Dwars over Saone en Rhone.

Valence, a/d Rhöne, met veel wijnbouw; 23,000 inw.

Grenoble, vesting aan de Isère; handschoenen- en likeurfabrieken; 50,000 inw.

Vienne, a/d Rhone, met eenen vrij goed bewaard gebleven tempel uit de oudheid; loodmijnen; 27,000 inw.

Lyon {Lugdunum), a/d verecniging van Rhone en Saöne, hoofdfabriekstad der zijdewaren (de zijde wordt uit het Zuiden aangevoerd), tweede stad van Frankrijk, prachtig vooral langs de beide rivieren, en bijna geheel vernieuwd; met de volkrijke arbeiders-voorsteden; 370,000 inw.

Tarare, geeft aan meer dan 00,000 mousseline-wevers werk, 20,000 inw.

S t.':E t i e n n e, de mededingster van Birmingham en Luik in het vervaardigen van wapenen en ijzerwaren; rijke steenkolenmijnen van hier tot Vienne in de //Torre Noirequot; 130,000 inw.

Rive-de-Gier, ijzerfabrieken, in het midden van het rijke steenkolentcrrein; 14,000 inw.

14) Bourgogne (of Bourgondië1.

Van de bronnen der Seine tot aan den Rhóne.

Dij on, tusschen het plateau van Laugres en den Cóte-d'Or, aan het Bourgondische kanaal, dat door de Yonne, de Seine met de Saóue vercenigt; het land der Bourgogne-wijnen; 55,000 inw.

1S9

ocr page 212

190 EUROPA.

Auxcrrc, a/d Youno, in een zeer vruchtbaar oord, groote wijnhandel; 15,000 inw. Sens, belangrijk om zijne hooge oudheid; 11,000 inw.

Ma con, fraaie stad en omstreken, met veel wijnbouw, 17,000 inw. Chalon-sur-Saóne, hier gaat het Canal du Centre van de Saone af naar de Loire; 21,000 inw.

Le Creusot, eigenlijk céne fabriek bovea ijzer- en steenkolenmijnen, met 26,000 inw., tot 1870 zonder kantonrechter; twee agenten van politie waren toen voldoende voor de orde.

A u t u n. Geen Fransche stad heeft meer overblijfselen van Komeinschcn oorsprong, tempels enz. Eene harer poorten is een Rom. triumfboog, eene der straten heet Marchoux {Martus campus), een harer bergen Montdru {mons Bnddum) , een andere Montjeu (inons Jmis); 12,000 inw.

15) Franche-Comté.

Eigenlijk het vrije graafschap Bourgondië of Iloog-Bourgondië, tusschen de Saone en Zwitserland.

Besancon a/d Doubs, sterke vesting, hoofdfabriekplaats der fransche horlogiën;

60,000 inw.

Lous-le-Saunier, met zoutbronucn.

16) La Lorraine (Lotharingen).

Dwars over Moezel, Maas en Argonnerwoud en zuidwaarts tot aan de Monts Faucilles.

Nancy, a/d Meurthc, gewichtige handel, kant-en tapijtfabrieken, na den teruggang

van Metz nog sterker bloeiend; 70,000 inw.

Luneville, a/d Meurthe, porceleinfabrieken; vrede 1801; 16,000 inw.

ï o u 1, a/d kromming der Moezel, grensvesting.

Verdun, a/d Maas, vesting en fabrieksstad; 16,000 inw.

Bar 1 e Due, aangename ligging; 17,000 inw.

Epinal, fabrieken, vooral van papier, hier en in de omstreken; 14,000 inw. Plombicres, beroemd door zijne minerale bron.

17) Champagne.

Dwars over Maas, Marne, Aube, Seine en Yonne, een der bloedigste groote slagvelden van Europa, rijk door den wijnbouw op den kalk- en krijtbodem van het westelijk gedeelte, maar met on vruchtbaren grond in het oosten (Champagne p o u i 11 e u s e).

Troyes, a/d Boven-Seine, hoeden-, linnen- en lakenfabrieken; 45,000 inw.

L a n g r e s, hoogste stad van Frankrijk, bij de bronnen van Marne en Maas; beroemde messenfabrieken;

C h a 1 o n s - sur-Ma rne (hfdst. der Catalaunï), met Reims en Epernay de hoofdplaats

van den handel in Champagne wijn; 21,000 inw.

Reims, vroeger kroningstad, 95,000 inw.

Epernay, a/d Marne; 16,000 inw.

Mézières, Sedan, 17,000 inw., Givct en Charleville, 11,000 inw^ vestingen a/d Maas.

18) Savoie (Savoye).

In 1860 bij Frankrijk geannexeerd. Het hoogste Alpenland in Europa, dat zijne bevolking niet kan onderhouden, zoodat jaarlijks een aantal daarvan als kramers, schoorsteenvegers of met marmotten naar het buitenland trekken en, als zij iets hebben overgewonnen, weder huiswaarts keeren.

Chambéry, te midden vau wijnbergen; 19,000 inw.

Annecy, cle bcdrijvigstc stad van Savoie; katoen, glas; 13,000 inw.

ocr page 213

FRANKRIJK. Ï91

Aan den voet van den Montblanc, rechts van de Arve, breidt zicli het 4.j uur lange en 5 uur breede dal van Cliamounix uit, 3100' boven de zee en 340' boven het meer van Genève gelegen. Reizende Britten vestigden in 1741 voor het eerst, de aandacht op dit merkwaardige, thans zoo druk bezochte dal.

In het Z. gedeelte van dit departement, in het graafschap Mauriennc, begint, bij het dorpje Modane, de 1| m. lange tunnel door den mont Gén is.

19) Het eiland Corsica.

(160 □ m., 260,000 imv.).

Wilde natuur, bergen tot boven de 8000' hoog, rijkdom aan bosschen en mineralen, maar karige bebouwing van den grond. Door de ontoegankelijkheid van het land zijn de bewoners steeds ruw van zeden gebleven (de bloedwraak of vendetta), niettegenstaande Frankrijk er sedert 1768 over gebiedt, en het vóór dien tijd in verschillende handen was overgegaan.

Ajaccio [aiatsjio], a/d W.kust, geboorteplaats van Napoleon I; 17,000 inw., cn Bastia, aan de O.kust; 18,000 inw., beide goede havens.

Buitenlandsche Bezittingen.

Te zamen 34,000 □ m., met 6i mill. inw.).

1) In Afrika: Algérie met Algiers, 65,000 inw., sedert 1830 in

hunne macht. Fransch-S e n e g a m b i ë , (4500 □ m.) 209,000 inw. Nederzettingen aan de Gab oen onder den aequator en bij Madagaskar; liet rijke eiland Reunion (vroeger Bourbon).

2) In Azië: Pondichéry, Tsj ander nagor, en enkele andere

handelsfaktorijen in Üost-Indië, en de kolonie in Z u i d-Gochinchina.

3) In Amerika: Het oostelijk deel van Guyana met Cayenne, de Kleine

Antilles Martinique, Guadeloupe enz., en de visschers-eilanden St. Pierre en Miquelon bij Newfoundland.

4) In Ocean ië: De Marquesas-eilanden, Nieuw-Caledonië

en het beschermheerschap van de Gambier-eilanden en Tahiti.

5) Zwitserland.

(752 □ m., ruim 2J mill. inw.).

De grenzen der Zwitsersche hoogvlakte worden door bergen en rivieren scherp afgebakend. In het Z. de trotsche hoofdkam der Alpen, de Penninische en Lepontische keten, in het W. naar Frankrijk het steile bolwerk van het Jura-gebergte en in het O. en N. de Rijn met den Bodensee; het kanton Schatfhausen ligt echter gedeeltelijk ten noorden van den Rijn. Binnen deze grenzen besloten, kan noordelijk Zwitserland als een groot, ongeveer 10 uren breed lengte-dal beschouwd worden, gemiddeld met eene volstrekte hoogte van 1500'. Al de wateren die de hoogvlakte doorsnijden, behooren tot het gebied van den Rijn, welke hier groot wordt; de Rhone, Tessin en Inn dalen binnen de Zwitsersche grenzen niet tot aan de hoogvlakte, maar blijven in het Alpenland.

Ofschoon midden in den gematigden gordel gelegen, heeft Zwitserland de grootste ongelijkheden van klimaat: Siberische koude op de hoogste bergen, keerkrings-hitte in de zuidelijke besloten valleien; daar is de groeikracht verstijfd, hier aan den voet der Alpen rijpen bijna alle Italiaansche vruchten; het weder is snel afwisselend, maar over het algemeen zeer gezond.

ocr page 214

EU 110 PA.

De bevolking van Zwitserland is dezelfde als die der naburige rijken. De oude Keltische stam (met E o m a n e n vermengd) bewoont nog den Jura. en de omstreken der meren van Genève en Neuchatel tot aan de Saóne, met de Fraiische taal, door 21% van de bevolking gesproken. Duitschers, 720/o met den tongval der A 11 e m a n n e n in het W., met dien der Schwaben in het O., bewonen verreweg het grootste gedeelte der hoogvlakte en bijna de ge-heele N.zijde van het gebergte; in het Z. heeft de Italiaan sche taal de bovenhand (Tessino is geheel Italiaansch). Eetische bevolking en Eomaansche taal werden vroeger in geheel Grauwbunderland, thans nog in de hooge valleien van dat kanton gevonden. Van de 2| mill. inw. is ruim 1 mill, r o o m s c h-katholiek, de overigen zijn gereformeerd. Akkerbouw, ooft-en w ij n t e e 11 zijn de middelen van bestaan der bewoners van de vlakte, waar ook de steden en fabrieken uilsluitend te huis behooren; de n ij verheid bloeit in de dalen in het W. (uurwerken enz. in Gencve en Neuchatel) en in het N.O. (kanten, manufakturen te Zurich, St. Gallen, Appenzell), ofschoon het land kolen noch metalen heeft. In het gebergte vindt men geene fabrieken of mijnwerken, maar alleen herders met aanzienlijke kudden runderen, schapen en geiten op de voedzame, geurige weiden, en karige maar zorgvuldige bebouwing van den grond. Het aantal vreemdelingen, dat jaarlijks de verrukkend schoone meer- en Alpenstreken komt bezoeken, brengt veel bij tot den bloei van dit kleine, maar nijvere land, waar opvoeding en onderwijs op hoogen trap staan, vooral in het W. en N.: een net van spoor- en andere wegen bevordert alom de welvaart.

De Zwitsersche eedgenooten, door de natuur van het land begunstigd, bevochten hunne onafhankelijkheid met beteren kans van welslagen dan de verbonden steden van het meer toegankelijke Nederland en Duitschland. De zoogenaamde woudsteden Schwyz, Uri en Un ter wal den vestigden in 1307 het Zwitsersche eedgenootschap, tot hetwelk nog in dezelfde eeuw Luzern, Zurich, Zug, Glarus en Bern, in de 15de eeuw Aargau, Grauwbunderland, St. Gallen, Wallis, Thurgau, Freiburg en Solothurn toetraden. De naam en de kleuren van het kanton, dat vroeger de ziel en het middelpunt der vereenigde kantons was, gingen op het gansche staten verbond over. In de 16de eeuw werden Basel, Schaffhausen, Tessino, Appenzell, Gencve en Waadtland opgenomen en eerst in 1814 voegde Neuchatel er zich bij. Eenige dezer landstreken verkregen niet dadelijk de rechten van kantons, maar werden bondgeuooten of bleven onderdanig aan andere kantons. Vóór de Fransche omwenteling telde men er dus slechts 13; de 9 anderen werden eerst later gevormd, zooals Waadtland en St. Gallen in 1798, Thurgau, Aargau, Tessiuo en Grauwbunderland in 1803, Wallis, Genève en Neuchatel in 1814. Maar in 1848 veranderde bet Zwitsersche eedgenootschap in een Statenverbond van 25 afzonderlijke staten, daar ünterwalden reeds sedert lang, Bazel en Appenzell sedert 1847 ieder in twee zelfstandige deelen gesplitst zijn.

Deze staten hebben cene republikeinsche maar beperkte zelf-regeering, welke in sommige kantons geheel demokratisch is (in Uri, Ünterwalden, Appenzell, Glarus is bijna de geheele mannelijke bevolking bevoegd om bestuur en overheden te kiezen), in andere meer aristokratisch. De algemeene belangen worden in eene Bondsvergadering, die te Bern bijeenkomt, behandeld. Bij den Bondsraad met den President aan het lioofd berust de uitvoerende macht. De Bondsvergadering (onze Staten-Gencraal) bestaat uit den Nationalen Eaad (2de Kamer) cn de:.i Stenden-raad (1ste Kamer). Hoezeer Zwitserland geen' buitenlandschen invloed uitoefent, maar een' geheel onzijdigen staat te midden der Grootmachten van Europa uitmaakt, wekt het steeds belang door de krachtige houding der bevolking in tijden van gevaar; dan is ieder Zwitser soldaat, ofschoon in gewone lijden het slaande

192

ocr page 215

ZWITZEKLAND.

leger onbeduidend is. De geldmiddelen van het Bondgenootschap en der meeste kantons zijn in gunstigen staat.

De 15 Duitsehe kantons.

(In het Eijn-gebied en in een klein gedeelte van het Rhone-gebied.)

A. De 6 bin n en-kantons zijn roomsch-katholiek, behalve het grooten-deels gereformeerde Glarus.

1) U n t e r u' a I d e n, hoewel klein en weinig bevolkt, vormt twee van elkander gescheiden staten. Plet grootste Ob dem Wald met Samen, en Nid d e m Wald met S t a n z.

2) Uri, een der dunst bevolkte kantons, in het boven-Eeuss-dal.

A 11 o r f, hoofdplaats en wieg der Zwitsersche vrijheid, met liet standbeeld van Teil.

Bürgleu, een dorp, geboorteplaats van Teil (?). Op de bergweide Rü11 i, aan den westelijken oever van liet Vierwaldstadter-meer werd hot eedgenootschap gevormd.

3) G 1 a r u s. Het dal der Linth tusschen de Glarner- en Schwyzer-Alpen en het Wallenstadter-meer; een fabrieksland.

Glarus, sedert 1860 weder uit de asch herrezen.

4) Schwyz [sjwiets], tusschen het Vienvaldstildter-meer, het meer van Zug en het bovenste (Z.O.lijkste) gedeelte van het meer van Zürieh (Rapperswyler-meer), met den Èigi, den meest bezochten berg, waarop een 7-tal hotels van den eersten rang.

Schwyz, hoofdstad.

K ü s s n a c h t, vlek aan het N.einde van het meer en aan den voet van den Tligi.

Einsiedeln, beroemd bedevaarts-oord (jaarlijks ]50,000), slechts door Loretto in Italië en Santiago di Compostela in Spanje, ten opzichte van het getal bezoekers, overtroffen.

5) Zug, het kleinste kanton.

Zug, hoofdstad, aan liet meer.

M o r g a r t e n, is eene hellende vlakte aan het Egeri meer, bekend door de kampstrijden tegen vreemde overheersehing (overwinning 1315, gevecht tegen de Fran-sehen 179S, onafhankelijkheid en tijdelijke ondergang der Republiek).

6) L u z e r n, aan de Vierwaldstiidter- en Zuger-meren en de Reuss; met den belangrijksten veeteelt.

Luzern, heerlijk gelegen hoofdstad, ter plaatse waar de Reuss het meer verlaat, 18,000 inw.

Sempach, aan het gelijknamig meertje, slag 1386.

Entlibuch, dorp in het gelijknamige dal, aan den voet van den Pilatus.

B. De 9 grens-kantons omringen de binnen-kantons in een' halven cirkel. Zij zijn geheel of voor het grootste gedeelte gereformeerd, behalve het roomseh-katholieke Solothurn en hei grootendeels roomsch-katholieke St. Gallen.

7) St. Gallen, tussehen den Bodensee en het meer van Zürieh, den Rijn en de Linth, en doorstroomd door de Thur. In het Z. bij S a r g a n s is zulk eene diepe insnijding, dat men met grond vermoedt dat de Rijn vroeger niet door den Bodensee, maar door het Wallenstadter-meer afvloeide; 30 voet hooge, breede dammen richten de rivier noordwaarts, wier doorbraak thans onberekenbare verwoestingen zou aanrichten.

St. Gallen, hoofdstad met de door den heiligen Gallus gestichte abdij; gewichtig

door fabrieken van linnen, katoen en andere stoffen; 21,000 inw.

Rorschach, havenplaats aan den Bodensee.

Rapperswyl, met eene lange brug over het Zürieher-meer; (de hoofdweg naar

Schwyz en het Lucernermeer leidt over Morgarten).

Pfaffers of Pfiivers, badplaatsje aan de grenzen van Grauwbunderland, in

eene merkwaardige diepe bergkloof door de Tamina gevormd.

133

13

ocr page 216

EUROPA.

8) Appenzell. Geheel omringd door St. Gallen, bestaat uit twee van elkander gescheiden staten:

Inner-Khoden, zuidelijk gedeelte, geheel roomsch-katholiek.

Appenzell, hoofdstad.

Ausser-Rhoden, noordelijk deel, grooter en veel bedrijviger dan het andere, geheel gereformeerd.

He ris au, keurig nette plaats met aanzienlijke manufaktuorfabrieken; 11,000 inw.

9) Thurgau, aan den Bodensee en den Eijn, besproeid door de Thur; het vruchtbaarste kanton.

Frauenfeld, voornaamste, sterk bloeiende plaats, met veel katoenfabrieken.

10) Schaffhausen, op de Duitsche zijde van den Rijn, bijna geheel door Baden omringd.

Schaffhausen, hoofdstad, in welker nabijheid de waterval van den Rijn, in het Zwitsersche taaleigen Laufen genoemd; 13,000 inw.

11) Zürich, van het Zttricher-meer tot den Rijn.

Zürich, hoofdstad liefelijk gelegen aan het schoone meer, punt van samenkomst van de wegen over den St. Gotthard en den Splügenpas, kan om hare wetenschappelijke richting liet Zwitsersche Athene genoemd worden. Universiteit, Polytechnische school, fabrieken en levendige expeditiehandel naar Italië; 25,000 inw., maar met de daaraan grenzende fabneksoorden 76,000 inw.

Winterthur, eene der fraaiste en bedrijvigste Zwitsersche steden.

12) Aargau, aan den Rijn en de uitwatering van de Aar; zeer bevolkt.

Aar au, aan de Aar, nijvere hoofdstad.

Baden, a/d Limmat, met beroemde warme zwavelbronnen. Aan de Aar, niet ver van de Reuss, de bouwvallen van het kasteel Habsburg. Op de landtong, die door de Aar in de Reuss gevormd wordt, waar thans het dorp Windisch ligt, lag in deu Romeinschen keizertijd het groote militaire hoofdpunt Vindonissa.

13) Basel, dwars over de kromming van den Rijn; twee afzonderlijke staten:

Basel-Stad.

Basel, in de 15de eeuw de machtigste vrije Rijksstad aan eene kniebocht van den Boven-Rijn en aan de Bourgondische poort (een deel van den grooten handelsweg Noordzee—Rijn—Rhone—Middell. zee); zij was eene der vele bisschopssteden, die aan den Rijn, die Pfaffengasse, lagen (Chur, Constanz, Bazel, Straatsburg, Spiers, Worms, Mainz, Keulen, Utrecht). Hoogste bloei tijdens het Concilie 1431—48. Thans is zij nog de eerste koopstad van Zwitserland, welker welvaart tot een spreekwoord is geworden; universiteit; eerste boekdrukkerij van Zwitserland; 61,000 inw.

Basel-Lan dschap.

L i e s t a 1, hoofdplaats.

14) Solothurn (Fr. Soleure), van de Aar tot aan de grenzen van den Elzas, rijk in ooft.

Solothurn, nette zeer oude hoofdstad met prachtigen dom, 3 uur van den Weis-senstein (400 ), het punt vanwaar de Alpen en de Jura gelijktijdig het schoonst kunnen beschouwd worden.

15) Bern, het belangrijkste kanton (-j mill, inw.), dat zich uitstrekt uit het midden van Zwitserland, van de Furka en de Berner-Alpen, tot aan de grenzen van Franche Comte en den Elzas, het meest bezochte kanton om het overschoone „Oberland.quot;

Bern, a/d Aar, op de grens van bergland en hoogvlakte, aau het begin eener vruchtbare vlakte, die zich tot Aarau uitstrekt; zetel der Bonds-regeering; universiteit; fabrieken van het beste buskruit van Europa; merkwaardige bouworde; 44,000 inw'.

Briënz, aan het gelijknamige meer, hoofdplaats der houtsnijwerken.

194

ocr page 217

ZWITSERLAND.

Meyringen, groot dorp in het Hasli-dal, beroemd door den waterval van den Reichenhaoh; 4 uur hooger op de trotsche Handeek, de waterval van de Aare,

Interlaken, bijna uitsluitend logementen, heerlijk gelegen op een' dam, das Bödeli, tusschen liet ïhuner- en Briënzer-meer, in de nabijheid het dorp

Lauterbrunnen met den Staubbaeh (900' hooge waterval) en het dorp G r i n-d e 1 w a 1 d met de laagst gelegen gletschers (3200').

De 7 Welsche kantons.

A. De drie Fransche kantons, gereformeerd, uitmuntend in kunstnijverheid, maar dikwerf ten prooi aan binnenlandsehe tweespalt tusschen de radicale en de meer conservatieve ingezetenen en daardoor het zwakke punt dat Zwitserlands onafhankelijkheid in gevaar brengt:

16) Genève, het zuidwestelijkste kanton.

Genève, liefelijke ligging a/d Rhóne, de Arve en het meer van Genève; grootste en nijverste stad van Zwitserland, tevens de zuidwestelijkste punt van het gebied der protestantsche bevolking van Europa, ofschoon de R. katholieken thans de meerderheid uitmaken; toevluchtsoord voor vervolgde Protestanten in de 16e en politieke vluchtelingen in de 19° eeuw; om haar zacht klimaat en lieve omstreken wordt zij door vele vreemdelingen bezocht; 50,000 inw.

17) Pays de Vaud (Waadtland), tussclien den Jura en de Berner-Alpen, het meer van Genève en dat van Neuchatel; Zwitserlands tuin.

Lausanne, hoofdstad, heerlijk gelegen nabij het meer van Genève; 30,000 inw.

V e v ay, meer oostelijk aan den oever, met de naburige vlekken geliefkoosd verblijf der vreemdelingen.

18) Neuchatel (Nenenburg), in den Jura, tusschen den Doubs en het Neuchateller-meer.

Neuchatel, 16,000 inw., Ie Locle, 10,000 inw., en la Chaux de Fonds, 22,000 inw., in den Jura, zijn de drie hoofdzetels der fabrikatie van uurwerken, chronometers en muziekdoozen.

B. De twee Franseh-Duitsche en het Italiaansche kanton T e s s i n o, roomsch-katholiek;

19) Freiburg, door de Saane doorstroomd, aan de meren van Murten en Neuchatel; rijk aan prachtige kudden runderen.

Freiburg (in Uechtland, om het te onderscheiden van 4 andere plaatsen van gelijken naam in Europa), aan den hoogen rotsoever der Saane; 12,000 inw.

Murten, aan het gelijknamige meer, is protestantsch.

Even ten Z. van het meer van Murten ligt het dorp Avenches, waar, onder den naam van Aventicum, eens de zeer gewichtige hoofdstad der oude Ilelvetii lag.

20) Wallis (le Valais), het wondrijke, trotsche dal van den boven-Ehóne. De Europeesche bergreuzen omgeven het aan alle zijden.

Het Duitsche deel boven Siders, met

Het bad Leuk (fr. Louéche), bij den steilen Geinmi-pas (7800'), aan den zuidelijken voet der woeste Berner Alpen, en

B r i e g, a/d Rhóne, vanwaar de weg over den Simplon naar hst Italiaansche Domo d'0 s s o 1 a geleidt.

Het Fransche gedeelte, met

Sion (Sitten, hoofdplaats;

M a r t i g n y (M a r t i n a c h), a/d kromming van den Rhóne; kruispunt der bergwegen naar Savoie en den St. Bernhard, en

St. Maurice, waar het breede Walliser-dal zoo nauw wordt, dat het door eene poort zou kunnen worden afgesloten.

De Triënt werpt zich hier door eene merkwaardige kloof (gorge) in liet Rhóne-dal.

21) Tessino (ital. Ticino, fr. en d. T e s s i n) van den St. Gotthard en

193

ocr page 218

EUROPA.

Bernhardino over de noordkust van het Lago Maggiore, dwars over het Luganer-meer tot nabij Como.

Belliiizona, kleine doch sterk gelegene en levendigen handel drijvende stad, door de vele Alpenwegen, die hier samenkomen.

Locarno, aan het lago Maggiore, met eene groote jaarmarkt.

Lugano [loega-], de hoofdplaats, aan het gelijknamige meer.

C. Het gemengde kanton Graubünden (Grauwbunderland, Fr. les Grisons), grootendeels protestantseh, vooral in de Welsche streken.

22) Graubünden is schraal bevolkt, doch het grootste kanion, 147 □ m., en was vroeger, als afzonderlijke bond nevens het Zwitsersche eedgenootschap, uit 3 verbonden samengesteld; het Grauwe- of Obere-, het Gotteshaus-en het Zehngerichts-bund.

a. Het Duitsche deel is verreweg het belangrijkst en bevat het achter- en beneden-Rijndal met de hoofdstad:

C h u r [koer] (fr. C o i r e), levendige doortocht langs de kunstige Via mala over den Splügen naar Italië. Samenkomst van alle Alpenpassen van den Lückmaniër tot den Albulapas (bij het Engadindal).

'b. Het Romaanse he gedeelte bevat het R ij n d a 1 boven Reiehenau waar de Achter-Rijn in uitloopt, het Engadindal (Inn) en het Munster-d a 1 (Etsch).

c. Het Italiaanse he gedeelte, de deelen die aan de zuidelijke helling der Retische Alpen liggen.

6) Het Groot-Hertogdom Luxemburg.

(47 □ m., 209,000 inw., meest R. Kath.).

Eigenlijk Lützelburg, d. i. kleine burg, ligt ten Z.O. van België in het Moezelgebied en is bezet door de noord-oostelijke Ardennen, dus boschrijk en bergachtig met enkele rijke dalen, maar veel heidevelden; de ijzerwinning is hoogst belangrijk; voorts bloeiende leerbereiding. Vereenigd met het Belgische Luxemburg werd het als Groot-Hertogdom bij het Weener-congres aan den Koning van Nederland gegeven, in ruil voor zijne Nassausehe landen. Na 1830 werd de helft bij het Koninkrijk België ingelijfd.

Luxemburg, 17,000 inw., voormalige bondsvesting aan de Elze of Alzettc, met vele fabrieken; niettegenstaande hare sterkte meermalen ingenomen; sedert 1867 worden de vestingwerken allengs in nieuwe stadsgedeelten of bekoorlijke wandelplaatsen herschapen.

7) Het Koninkrijk België.

(537 □ m., ruim 5^ mill. inw.).

Het grenst aan Nederland, Pruisen, Luxemburg, Frankrijk en de Noordzee. In de Noordzee heeft het slechts voor een klein gedeelte eene natuurlijke grens. Aan de zuid-, noord- en oostzijde ligt het geheel open voor aanvallen van buiten, daarom werd het door de groote mogendheden tot neutraal land verklaard Door zijne ligging tusschen het industrieele gedeelte van Duitsohland en Frankrrk, met het handeldrijvende Nederland en de zee-, handels- en industriëele mogendheid Engeland tot naburen, moeten, bij eigen rijkdom aan kolen en metalen, handel en nijverheid eene hooge vlucht nemen. Bij de ligging tusschen de Germaansche en Gallisch-Romaansche volkstammen en door de tamelijk effen oppervlakte, werden hier de zwaarste kampstrijden gestreden, waarom men het ook met recht het L o m b a r d ij e van bet noorden heeft genoemd; de veldslagen van Bouvines (1214, tusschen Philip August van Frankrijk en Jan zonder land ge-

196

ocr page 219

BELGIË.

holpen door keizer Otto IV), van Pleurus, waar meermalen gestreden werd (1022, 1690, 1794, 1815), van Malplaquet (1709), Gemappe (1792), Doornik (1794), Seneffe (1674 en 1794), van St. Amand en Ligny, van Quatrebras, Wavre en la Belle Alliance (1815).

Zorgvuldige bebouwing van den vruchtbaren grond (vooral in het land van Waes, ten N.O. van Oent), bloeiende metaal- en manufaktuurfabrieken (waarin het alleen door Engeland, Duitschland en Frankrijk wordt overtroffen), zeer rijke steenkolen- en ijzermijnen en levendige doorvoerhandel (zie boven) verschaffen eene vrij algemeene welvaart, vooral in het Waalsche Maasgebied, daar de Vlaamsche provinciën misschien al te dicht bevolkt zijn, waarom dan ook velen naar elders verhuizen. De natuurlijke waterwegen zijn door het graven van kanalen zeer uitgebreid en alle eenigszins belangrijke plaatsen zijn onderling en met het buitenland door een net van spoorwegen verbonden, zooals nergens in Europa. (De hoofdspoorweg, die van Keulen naar Parijs loopt door Maas— Sambre-dal). In het Z. en O. loopt een tak der Ardennen, welke eene reeks van fraaie heuvellanden vormt, maar ten gevolge van het ruwe klimaat en den schralen grond slechts schraal bevolkt zijn.

De bevolking is bijna uitsluitend roomsch-katholiek (slechts 15000 protestanten en 8000 Israëlieten) en onderscheidt zich in Germaansche Vlamen (4 der bevolking) in de vlakte, die Nederlandsch spreken (de Vlaamsche beweging), en in Eomaausche Walen (?) die het Z.O.lijk heuvelland bewonen, de Pransche taal bezigen en het staatkundig overwicht bezitten. Het onderwijs is geheel in handen der geestelijkheid en is bij lange na niet zoo algemeen verspreid als in Nederland.

De financiën zijn in bloeienden toestand, ofschoon spoorwegen en vestingwerken veel geld hebben gekost; het leger is in goeden staat, doch de vloot zeer onbeduidend; de 9 m. lange kust is een gedeelte der duinkust van Calais—Kaap Skagen en de Schelde heeft haar' mond op N. grondgebied.

De regeering is constitutioneel monarchaal. De Koning deelt de wetgevende macht met den Senaat en met de Kamer van Vertegenwoordigers, die beide door het volk gekozen worden.

A. Vlaamsche Provinciën.

1) Brabant (half Vlaamsch, half Waalsch), de eenige binnen-provincie, het dichtst bevolkt (16,300 inw. op 1 □ m.) en goed bebouwd.

Brussel (Bruxelles), hoofdstad a/d Senne; de boven- en beneden-(oude-)stad onderscheiden zich scherp van elkander; daar wonende koning, de ministers, de hooge standen en heerschen de Pransche taal en gebruiken; in de eenvoudige beneden-stad, het middelpunt van nijverheid en verkeer, wordt Vlaamsch gesproken. De hoofdkerk (St. Gudule), het raadhuis, liet paleis van justitie en het park zijn vermaard. Het bezit fabrieken van velerlei aard; 160,000 inw. binnen de boulevards (met de 8 voorsteden ruim 350,000).

Leuven (Louvain), a/d Dyle; met eene katholieke universiteit en een keurig gothisch raadhuis; 34,000 inw. (vroeger meer dan 100,000 inw.).

Tienen (Tirlemont), veel te groot van omvang voor de 13,000 inw.

D i e s t, voormalige vesting.

Het slagveld van Waterloo ligt in het Z. van deze provincie.

2) Limburg, aan den linker Maas-oever, uitsluitend landbouwend gewest.

Hasselt, vesting aan den Demer, met talrijke jeneverstokerijen; 11,000 inw.;

St. ï r u i j e n (St. T r o n d); 11,000 inw.; en Tongeren (Tongres).

3) Antwerpen, aan den rechter-oever van de Schelde, met veel heide-ontginningen. (11,000 inw. op 1 □ in.).

197

ocr page 220

EUROPA.

Antwerpen (Anvers), hoofdverdedigingspunt van geheel België, fabrieksstad en belangrijke zeehaven aan de Schelde, met een door JJapoleon aangelegd bassin en verscheidene dokken. Hoewel de stad 10 m. van den mond der rivier is ge-gelegen, kunnen de grootste schepen haar met vloed nog bereiken. Een' korten tijd was het in de 16de eeuw de eerste handelsstad der wereld, met 200,000 inw.; thans meest doorvoerhandel. Invoer van katoen voor de fabrieken van België en steden aan den Rijn. Van hier vertrekken de landverhuizers. Prachtige hoofdkerk met den hoogsten toren van België; 169,000 inw.

Mechelen (Malines), a/d Dyle, zetel van den aartsbisschop, middelpunt der noordelijke Belgische spoorwegen; 42,000 inw. (Punten van overeenkomst met Utrecht.)

Lier, 16,000 inw, brouwerijen, beetwortelsuikerfabrieken.

Turnhout, nabij de Nederlandsche grenzen; 16,000 inw.; niet ver vandaar het groote vlek Geel, waar een 1000-tal krankzinnigen door de inwoners verpleegd wordt.

4) Oost-Vlaanderen, dwars over de Schelde, met uitstekenden landbouw en groote fabriekssteden, sterk bevolkt (16,000 inw. op 1 □ m.).

Gent (G a n d), fraaie stad a/d Schelde, waar deze links de Lys opneemt en eene bocht naar het oosten maakt, op 26 eilanden door 88 bruggen verbonden; om hare belangrijke en vele katoenfabrieken wel eens het Belgische Manchester

fenoemd (vlasbouw in het ten N.O. van de stad gelegen Land van Waes); zee-andel (door het kanaal naar Ter Neuzen) en universiteit. Vroeger was Gent zoo machtig, dat het in de middeleeuwen geheel alleen een' strijd waagde tegen Frankrijk; 130,000 inw.enoemd (vlasbouw in het ten N.O. van de stad gelegen Land van Waes); zee-andel (door het kanaal naar Ter Neuzen) en universiteit. Vroeger was Gent zoo machtig, dat het in de middeleeuwen geheel alleen een' strijd waagde tegen Frankrijk; 130,000 inw.

L o k e r e n, met linnen-, katoen- en wolfabrieken; 17,000 iuw.

St. Nicolaas, open plaats in het midden van het zoo vruchtbare land van Waes; belangrijke katoenfabrieken en vlasmarken; 25,000 inw.

Dendermonde (Termonde), vesting a/d Schelde, bij den mond van de Dender.

Aalst (Alost), a/d Dender, met linnen- en katoenfabrieken en handel in koren, hop en linnen. Oudste klokkenspel, van 1469; 20,000 inw.

Oudenaarde (Audenarde), a/d Schelde, belangrijke leerlooierij.

5) West-Vlaanderen aan de Noordzee, bijna evenzoo gesteld als het vorige gewest, doch iets minder dicht bevolkt. (12,000 inw. op 1 □ m.).

Brugge (Bruges), a/d vereeniging van verscheidene kanalen, met fabrieken, vooral van kant, en eenigen zeehandel; schoon merkwaardig om de menigte fraaie gothische gebouwen, is bet slechts ais een schaduw bij den luister, dien het in de middeleeuwen verspreidde; 45,000 inw.

Ostende, vesting en eenige haven aan de Noordzee, vermaarde badplaats; 17,000 inw. In de laatste jaren doet het hoogerop aan het strand gelegen smaakvolle Blankenberg he veel afbreuk.

Y per en, met fabrieken van fijne linnens en kanten; 13,000 inw.

Kortrijk (Courtra i), beroemd door hare fijne linnens en kanten; 26,000 inw.

B. Waalsche Provinciën.

6) H a i n a u t (Henegouwen), dwars over de Sambre, Dender en Schelde, bergachtig, rijk aan mijnen en tevens vruchtbaar. (14,500 inw. op 1 □ m.).

Mons (Bergen), het middelpunt eener aanzienlijke industrieele nijverheid, met rijke steenkolenmijnen in den omtrek ; 25,000 inw.

Tournai (Doornik), a/d Schelde, met beroemde tapijtfabrieken; 32,000 inw.

Charleroi, a/d Sambre, met allerlei soort van ijzerfabrieken; 16,000 inw.

7) N a m u r (N a m e n), dwars over de Maas en Sambre, bergachtig en rijk in mijnen, vooral van ijzer, lood en marmer.

Nam ii r (Namen), a/d vereeniging van de Sambre met de Maas; met een citadel die twee wegen naar Frankrijk beheerscht, en vele fijne metaalfabrieken; 25,000 inw.

Dinant, a/d Maas, schilderachtig gelegen, met zwart-marmergroeven in den omtrek,

198

ocr page 221

BELGIË.

8) Liége (Luik), dwars over de Maas, bergachtig, doch vruchtbaar; rijk in ijzer en steenkolen, lood, zink en koper. (12,500 inw. op 1 □ m.).

Liége (Luik, duitsch Lü11ich) a/d Maas bij de vereemging met de Ourth, met eene citadel, eene universiteit en een aantal staal- en ijzerfabrieken (jaarl. 5 mill, geweren), kanongieterij en steenkolenmijnen ; 115,000 inw.

Hierbij het dorp Seraing, a/d Maas, beroemd door de grootsehe fabriek voor machines, door Cockerill gesticht; 25,000 inw.

Vervier s, a/d Vesdre, met wereldberoemde lakenfabrieken; 38,000 inw.

Spa, druk bezochte badplaats, in de vorige eeuw de beroemdste van Europa, in eene fraaie streek.

Hui of Hoei, aan de Maas, aan den voet eener loodrechte rots met de aanzienlijkste papierfabriek van het land.

9) Luxemburg, te midden der ruwe Ardennen, betrekkelijk schraal bevolkt.

A r 1 o n, hoofdstad op het hoogst gelegen gedeelte van België.

Bouillon, in het diepe dal van de Semoy.

8) Het Koninkrijk der Nederlanden.

(596 □ m. of 3,284,000 hektaren, met 4,336,012 inw.).

Ons land ligt tusschen Pruisen en België, aan de zeegaten, waarin Rijn, Maas en Schelde uitstroomen, daarom (oneigenlijk) de monden dezer rivieren geheeten, rondom de Zuiderzee tot den mond van den Eems of Ems (Dollart), en om hel punt, waar de lijnen Noordkaap-Kaap Tarifa en Koningsbergen-Londen elkander snijden. (Welke provinciën van Duitschland en België liggen langs de grenzen?) De Noordzee vormt de natuurlijke N. en W. grenzen, heiden en venen de zuidelijke en oostelijke; de talrijke breede rivierarmen deelen het land in een aantal eilanden en bieden bescherming tegen buitenlandsche aanvallen. De zee, die in de 13de eeuw de 60 □ m. groote Zuiderzee, het IJ, het Haarlemmermeer en den Dollart, later in de 15de eeuw den Biesbosch had veroverd, is allengs door de bewoners door dijken, dammen, zeeweringen van palen en sluizen, binnen tamelijke vaste grenzen beperkt geworden en dit moerassige delta-land is daardoor en door het gebruik maken van den waterrijkdom, de eenvoudigste en dus eerste van alle handelswegen, tot een scheeprijk handelsgewest, tot eene door vruchtbare weiden uitmuntende landstreek en tot een der best bebouwde landen der aarde gemaakt. De handel, die in de 16de en 17de eeuw de eerste der wereld was, verminderde door de latere zeeoorlogen zeer, doch is, begunstigd door de ligging, weder aanzienlijk toegenomen, vooral door den handel tusschen de Midden-Euro-peesche Rijken en met de Koloniën. (Waterwegen van Rotterdam, Amsterdam; verruiming van de haven van Harlingen, Vlissingen enz.).

Nederland ligt tusschen 50045'—53030' N.B., en 21°—24° 58' O.L. van Ferro, dus in het midden van de gematigde luchtstreek en heeft een door de nabijheid der zee getemperd klimaat, dat echter daardoor en door de lage ligging vrij vochtig en afwisselend is. De gemiddelde jaartemperatuur in ons land is 10° C.; die van Juli 20° C., die van Januari ongeveer 0° C.; de invloed van de meerdere of mindere nabijheid der zee doet zich op plaatsen in het westen of het oosten van ons land duidelijk gevoelen. Gemiddeld valt er jaarlijks 70 cM. regen, de relatieve vochtigheid is in Dec. het grootst, in Mei het geringst; in Aug. valt de meeste, in Maart de minste regen.

Vooral dat gedeelte des lands is het vruchtbaarste en rijkste, dat door de aanslibbingen der groote rivieren gevormd werd, en door kunstmatige zeeweringen voor overstroomingen beschut moest worden, althans waar de zee zelve geene duinen van zand had opgeworpen. Ook de groote rivieren moesten door dijken beperkt worden, daar zij, bij vermeerderden toevoer van water van de bergen, dikwijls het 'and overstroomden, en hare beddingen door het medegevoerde zand

199

ocr page 222

EUROPA.

en slib allengs gelijk werden met de landstreken welke zij doorloopen, ja tegenwoordig veelal zelfs hooger liggen. Op vier punten zijn echter langs de Zuiderzee geen dijken noodig, n. 1. bij Oudemirdum in Gaasterland, op de landpunt van Vollenhove, tusschen Doornspijk en Putten, en in het Gooiland. Ook vindt men geen dijken langs den Rijn tot Amerongen, met uitzondering van het gedeelte, waar de Geldersche Vallei aan den oever treedt; langs de Waal bij Nijmegen, en langs de Maas in Limburg op beide oevers, daarom is de strook rivierklei hier zoo smal.

Nadert men eene aan weerszijden door de dijken ingesloten rivier, dan krijgt men achtereenvolgens voor zich: den binnenpclder (bouw- of weiland), den winterdijk, de uiterwaard, den zomerdijk, griendland, de rivier, 's Zomers zijn de uiterwaarden veelal droog, 's winters staat het water tusschen de twee winterdijken. Dan ontstaat gevaar voor overstrooming of doorbraak, vooral als het ijs begint te kruien. Somtijds zijn in den dijk lage vakken, overlaten, waarover het water bij hoogen waterstand kan wegvloeien in eene streek, die als weiland of om andere redenen daarvan geen nadeel ondervindt, zoo b. v. het oostelijk deel van Noord-Brabant ten zuiden van de Beersche Maas; verder heeft men de Heerenvvaardensche en Baardwijksche overlaat e. a.

De bodem van Nederland behoort bf tot het alluvium, 590/o) of tot het diluvium, 410/o, tertiaire vormingen komen slechts bij uitzondering voor.

Tot het alluvium behooren: zee- en rivierklei, hoog- en laagveen, beekbezinkingen of groengronden, duinen en zandstuivingen.

Tot het diluvium; zand, grint, leem en Limburgsche klei of löss. lt;

Zeeklei, 24%, (slikken, kwelders, gorzen en schorren, gevormd aan kusten, waar bij eb het slib bezinkt, dat de vloed heeft aangevoerd) vindt men:

a. op de Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche eilanden,

h. in Drechterland,

c. in het westen en noorden van Friesland eu het noorden van Groningen,

d. op het Kampereiland.

Eivierklei, ll0/o, ligt langs de groote rivieren. Landbouw is hoofdmiddel van bestaan.

Veen is eene massa halfvergane planten, die door overvloed van water, gebrek aan warmte, en afsluiting van de lucht in dien halfverganen toestand blijft. Verwijdert men het water en droogt het veen op, dan gaat het tot volkomen verrotting over en heet tuin-, bak-, blad-, teelaarde of humus, d. i. dezelfde aarde, die de warmoeziers kunstmatig maken en die men in de weistreken van Zuid-Holland „zwarten grondquot; noemt. (Waarom vindt men in de tropen geen veen?)

N.B. Onze beste weilanden rusten op laag veen.

Hoogveen, 30/o. is ontstaan op het hooge (oostelijke) deel van ons land uit bosschen, die men nog aantrof ten tijde van Romeinen en Bataven.

De afgestorven boomen worden vervangen door struiken en dezen dorr mos. Men vindt het:

a. in het zuid-westen van Groningen,

h. in het oosten en zuiden van Drente,

c. op de grens van Drente en Friesland (de venen van Appelsga),

d. in het noord-oosten van Overijsel (Almelo),

e. in de Peel in Noord-Brabant.

Het hoogveen vormde eene goede grens tegen Duitschland; de weinige wegen, waardoor het wordt afgebroken, werden voorheen door vestingen beschermd.

Middelen van bestaan: Schapenteelt, veenbranden (verbouwen van boekweit en bijenteelt), turfgraven, kleidelven, landbouw, scheepvaart en aanverwante bedrijven, kalkbranderijen, fabriekswezen.

goo

ocr page 223

NEDERLAND.

Veenkoloniën zijn altijd langs de hoofd vaart in de lengte gebouwd (gegroeid zou men kunnen zeggen).

Laagveen, 12%, is ontstaan uit waterplanten, die in plassen van 2—4 Meter diepte, niet geheel verrotten.

Achtereenvolgens groeien steviger planten, die gedeeltelijk afsterven en door andere vervangen worden: fonteinkruid , riet.

Deze veenmassa's, die rijzen en dalen met de meerdere of mindere hoeveelheid water, heeten ladden, kraggen, rietzodden, tillen.

Men vindt laagveen;

a. in het midden en zuiden van Friesland,

b. ten zuiden van de stad Groningen, ter weerszijden van den Hondsrug ,

c. in het noordwesten van Overijsel,

d. in Amstelland ten zuiden — en Waterland ten noorden van Amsterdam,

e. in Bijnland, Delfland, Sehieland, de Krimpenerwaard, de Alblasserwaard en de Vijf Heerenlanden in Zuid-Holland,

ƒ. in de Lopikerwaard en ter weerszijden van de kleistreek langs de Vecht in Utrecht.

Middelen van bestaan: veeteelt en dus boter- en kaashandel en door de groote welvaart goud- en zilversmederijen, turf baggeren, en in de leeggemalen plassen van Zuid-Holland landbouw. In Friesland rust het laagveen op zand, waarom men de plassen niet alle droog maalt. (Voornaamste meren?)

N.B. Niet alle meren waren vroeger venen.

Beekbezinkingen, 3%gt; vindt men langs de kleine riviertjes van Overijsel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg, dus op het diluvium. Zij bevatten ijzeroer.

Middelen van bestaan: vlasbouw en ijzersmelterijen.

Tot het alluvium rekent men verder nog de duinen en de zand stuivingen op de heide.

Zand en grint zijn de moraines, die op de gletschers van Skandinavië zijn aangevoerd, of wel het puin, dat door Rijn en Maas van het Leisteengebergte van den Eijn naar hier is gebracht.

Men vindt:

a Skandinavisch diluvium (waartoe de erratische blokken behooren) ten noorden van de O. Vecht, (in Drente, Gaasterland, het oosten van Overijsel en op de Lemeler- en Harikerberg in die provincie),

b. Gemengd diluvium hoofdzakelijk op de Veluwe en in Utrecht (van Rhenen tot Naarden ten westen van de Geldersche vallei),

c. Eijn diluvium ten oosten van Boer en Maas (de Mookerheide), Maasdiluvium in Noord-Brabant.

Men gebruikt grint en zand; voor zeeweringen, grintwegen, spoorbanen, het maken van glas- en aardewerk, enz.

Bijenteelt (voor de was) bloeit op de heide, die op zand rust. Door het afsteken der plaggen of zoden (voor mest en plaggenhutten) ontstaan z a n d-stuivingen.

De landbouw op zand bepaalt zich tot rogge, boekweit, spurrie en knollen. Aardappelen groeien op nagenoeg alle eenigszins vruchtbare grondsoorten.

Limburgsche klei ligt in het zuiden van Limburg en- is uitmuntend geschikt voor landbouw. Toch is er de welvaart niet zoo groot als b. v. in Groningen. Hier geldt „het beklemrechtquot; waardoor de pachters voor dezelfde pachtsom als voor honderden jaren het land van de eigenaars huren. Deze zijn dan ook meer eigenaars in naam dan in der daad. De grondeigenaars van Limburg wonen veel buiten de provincie, zoodat daar de winst van den landbouw niet verteerd wordt.

Tertiair en ander gesteente, rotsgrond, komt slechts in het oosten van

201

ocr page 224

EUROPA.

Gelderland en Overijsel, het zuiden van Limburg en in Staats-Vlaanderen aan de oppervlakte.

De bewoners zijn allen van Germaanschen oorsprong en afstammelingen van a) Franken, i) Friezen, die eens langs de gelieele Noordzee-kust van de beide monden der Schelde tot aan Sleeswijk woonden; en c) Saksers, die uit het zuidoosten tot aan de Utrechtsche Vecht doordrongen.

De taal van het volk van Nederland behoort (even als het Vlaamsch in België, dat zich daarvan afgezonderd heeft) tot den Nederduitschen tongval, een der beide hoofdtongvallen van het Duitsch, doch heeft enkele Komaansche, vooral Fransche woorden en vormen in zich opgenomen. Het grondgebied van het Nederduitsch strekt zich uit ten N. eener nagenoeg rechte lijn, van Calais over Aken (met uitzondering van enkele gedeelten van Zuid-Limburg, waar ook Hoogduitsch gesproken wordt), Göttingen, Wittenberg tot hoog aan de kusten der Oostzee. De andere tongval heet Opper duitsch. Hoogduitsch heet de taalvorm, die overal in Duitschland door de beschaafden gesproken en geschreven wordt. — In de tegenwoordige Nederlandsche provincie Friesland is, naar men zegt, de Germaansche stam het zuiverst bewaard gebleven; oostelijker is Slavische, en westelijker Keltische invloed te bespeuren. Het zoogenaamde Boeren-Friesch, dat nog op het platteland van Friesland gesproken wordt, is het minst verbasterde overblijfsel hunner taal.

Drie vijfden der bevolking zijn Protestantsch (Gereformeerd, Luthersch, Doopsgezind, Eemonstrantseh enz.); twee vijfden Roomsch-Katholiek, vooral in het Z.O., 82,000 Israëlieten leven meerendeels in de groote steden. Op elke □ m. wonen gemiddeld 6800 menschen. (In België 10,000, in Groot-Brittanië en Ierland 6200, Duitschland 4600, Frankrijk 3900). Zelfs als de steden niet in aanmerking genomen worden, is toch in Holland de bevolking het dichtst en in Drente het schraalst; de jaarlijksche toeneming door meerdere geboorten dan sterfgevallen is niet groot (nauwelijks | ten honderd), doch ook de landverhuizing is zeer gering. Het volksonderwijs is goed geregeld en vrij algemeen.

De voortbrengselen van het land zijn hoofdzakelijk tarwe, rogge, boekweit, gerst, haver, aardappelen, erwten, boonen, cichorei, meekrap, vlas en hennep, oliezaden, beetwortels en tabak; tuinbouw bloeit in de Streek tnsschen Hoorn en Enkhuizen, in de Langendijk ten N. van Alkmaar, in de Beemster, in den omtrek van Amsterdam, bij Beverwijk, in het Westland en den omtrek van Breda; vooral komt de veeteelt in aanmerking, jaarlijks wordt wel 30 mill, kilogram boter en 50 mill, kaas uitgevoerd; de turfvenen leveren ruim 10 mill, ton turf uit de lage, en meer dan 25 mill, ton uit de hooge venen op; de steenkolenmijlen in Limburg brengen ongeveer 45 mill, kilogram op; andere delfstoffen van beteekenis zijn grint, keien, zand, klei, leem, ijzeroer, bouwsteen (en schelpen); — paardenfokkerij, bijenteelt, aankweeking van pluimgedierte en vooral visscherij zoowel in de binnenlandsche wateren als in de zee zijn mede belangrijk; millioenen haringen worden gezouten en gerookt.

De nij verheid heeft zich sterk ontwikkeld sedert de afscheiding van België in 1830; in de handelssteden bloeien vooral de fabriekmatige bedrijven, die met scheepvaart en handel in betrekking staan, zoo als scheepstimmerwerven tusschen Kotterdam en Dordrecht, te Amsterdam en in Groningen, werktuig-fabrieken en houtzaagmolens te Amsterdam en Rotterdain; suikerraffinaderijen en diamantslijperijen brengen veel bij tot den bloei der hoofdstad. De nijverheid in manufakturen heeft zich, behalve in de provinciën Holland, te Leiden (wol) en Haarlem (katoen), vooral gevestigd in de Meierij van 's Hertogenboscb (wol en linnen) en in Twente (katoen en linnen); de Zaanstreken zijn bekend wegens de olieslagerij, houtzagerij, pellerij en papierfabrikatie, Schiedam wegens de brande-

202

ocr page 225

NEDERLAND.

rijen en gestmakerijen; de quot;Veluwe telt vele papierfabrieken; Limburg, vooral Maastricht, vele fabrieken van allerlei aard; eindelijk een aantal steen- en pannen-bakkerijen langs IJsel, Waal en Lek, benevens kalkbranderijen vooral in noordelijke gewesten. De nijverheid werkt hoofdzakelijk voor het binnenland; noemenswaardig is alleen de uitvoer van jenever en margarineboter naar Engeland en A.merika, van katoenen stoffen, machineriën, stearinekaarsen en bier naar Oost-Indië, en van geraffineerde suiker naar verschillende Middellandsche zeehavens, Engeland, de Oostzee en Zuid-Amerika.

Er is in ons land een levendige binnenlandsche handel ontstaan, omdat er verschil is in de produkten tusschen het westelijk en het oostelijk deel; hij wordt bevorderd door kanalen en goede wegen. Er is doorvoerhandel, omdat rivieren elders ontsprongen hier haren mond hebben. Er is buiten-landsche handel, omdat er meer weiland dan bouwland, gebrek aan hout, katoen, ijzer en steenkool maar overvloed van koloniale waren is. Deze laatste bevorderen tevens scheepvaart, fabriekswezen en handel. (Op welke wijze?)

Intusschen is de uitvoer, ƒ600 mill, geringer dan de invoer, ƒ 1000 mill. De ƒ 400 mill., die wij dus te veel uitgeven, krijgen wij van het buitenland terug aan rente van effecten. (Er zijn nog groote kapitalen uit den tijd der republiek).

Eene koopvaardijvloot van 786 zeeschepen met ruim 870,000 (waarvan meer dan j gedeelte op de zeeschepen komt) Ms inhoud helpt een' leven-digen handel in stand houden, vooral met Groot-Britannië, Java, het Tolverbond, België, Frankrijk, Rusland, Noorwegen en Amerika. Gemiddeld loopen jaarlijks meer dan 8000 geladen schepen van ruim 11,600,000 M3 de zeehavens van het rijk binnen, terwijl 25,000 geladen schepen met ruim 5,554,000 M3 langs de rivieren binnenkomen; de Zuid-Hollandsche handelssteden wijzen telkens grooter handelsvertier aan; in de overige provinciën blijft dit meer op dezelfde hoogte.

De Koning der Nederlanden heeft de uitvoerende macht, benoemt zijne ministers ter bestiering der landszaken; de wetgevende macht deelt de Koning met de Staten-Generaal ot de volksvertegenwoordigers, die in twee Kamers verdeeld zijn. De Eerste Kamer bestaat uit 39 leden, die uit de Provinciale Staten voor 9 jaren gekozen worden uit die burgers boven de 30 jaren, welke het hoogst in de directe belastingen zijn aangeslagen. Een derde treedt om de driejaren af. De leden der Tweede Kamer (een op de 45,000 inwoners, thans 86), worden voor vier jaren door kiesgeregtigden (d. i. de meerderjarige Nederlanders, die ten minste ƒ 20— ƒ160 in de directe belastingen betalen) gekozen uit de Nederlanders boven de 30 jaren. De helft treedt om de twee jaren af. — De leden der Provinciale Staten, aan welke de uitvoering der wet, de regeling en het bestuur der belangen in iedere provincie opgedragen is, worden door de kiesgerechtigden voor 6 jaren gekozen. Om de 3 jaren treedt de helft af.

Ofschoon Nederland een' grooten schuldenlast draagt, verkeeren de geldmiddelen door de geregelde betaling der belastingen en de verkoop der Oost-Indische produkten, in vrij goeden toestand. Leger en vloot vorderen echter veel uitgaven, vooral omdat de laatste steeds voldoen moet aan den eisch om desgevorderd de uitgestrekte bezittingen te verdedigen. De landmacht beloopt ruim 20,000 manschappen, de zeemacht 6500 koppen op ruim 100 bodems.

Indeeling in Provinciën.

1) Noord-Holland, gedeeltelijk ten zuiden van het thans grootendeels ingedijkt IJ, doch voor het grootste deel een vlak schiereiland tusschen de Noorden Zuiderzee, met de daarbij behoorende eilanden Texel, Vlieland en

203

ocr page 226

EUROPA.

Terschelling ten N., en Wieringen, Marken en Urk (voor ^ uit diluvialen en voor | uit alluvialen grond bestaande) ten O. in de Zuiderzee. Hoofdzakelijk bestaat deze provincie uit grasrijke polders; in het Z. met bouwland (het Gooi en de Haarlemraermeerpolder). Op 49f ö m. 773,539 inw.

Amsterdam, a/d Amstel, de hoofdstad van het rijk, is voor het grootste deel op een' weeken, moerassigen veengrond vau 10—20' dikte gebouwd, uitgezonderd in het midden op eene smalle, ondiepe strook harde zandgrond en eene laag klei langs het IJ. Door de ligging aan den diepen Amstel en de vorming der Zuiderzee, waardoor de gemeenschap met de Noordzee tot stand kwam, ontwikkelde zich Amsterdam van een visschersdorp tot eene wereldhandelsstad, tot een' Staat in den Staat. Door het verval van Antwerpen (1585 en 1048) nam haar handel eene steeds hooger vlucht. De acte van navigatie, handelsoorlogen, de naijver van naburige Staten en andere oorzaken deden dien echter achteruitgaan. Dat tijdperk van verval is echter voorbij! Koning Willem I liet, daar de Pampus de nadering van de Zuiderzeezijde bemoeilijkte het Noord-Hollandseh kanaal

fraven. Die weg van den Helder naar Amsterdam is echter te lang, de schepenraven. Die weg van den Helder naar Amsterdam is echter te lang, de schepen

rijgen grooten diepgang en.....het kanaal van Umuiden geeft zwaar geladen

koopvaardijschepen directen toegang uit de Noordzee tot de stad. Van hier worden de waren langs binnenvaarten—de Vecht—den Vaartschen Rijn—het Zederik-kauaal—Kanaal van Steenenhoek—de quot;VVaal—naar Duitschland vervoerd (de Rijn is te ondiep). Een kanaal langs de Zuiderzee en door de Geldersche Vallei naar den Riin zon dien wee aanmerkelijk verkorten, maar de kosten van aanleg ziin vooralsnog te hoog.

Met Rotterdam is A. verbonden door den waterweg Amstel—Aar—Gouwe— Hollandsehe Usel—Nieuwe Maas (langs welke plaatsen P) Haar handel is hoofdzakelijk stapelhandel, die van Rotterdam meest doorvoerhandel. (In welke stad heeft men dus het meeste kapitaal. Welke spoorwegen komen te Amsterdam samen?) Zij bevat ruime dokken, scheepstimmerwerven en entrepots, is de zetel der Ncder-landsche Handelmaatschappij en der Nederlandsche Bank; is buitendien de hoofdplaats der suikerraffinaderij in Nederland, heeft de talrijkste diamantslijperijen der wereld, en daarbij groote werktuigfabrieken. Met recht vermaard is het op duizende palen gegrondveste Koninklijke Paleis, vroeger Raadhuis, met zijne prachtige groote zaal (1648—55), voorts de Oude Kerk om de fraai beschilderde glazen en de praalgraven van Abraham van der Hulst, Isaak Sweets, Jacob Heemskerck, Willem van der Zaan en andere beroemde personen, de Nieuwe Kerk om zijn' fraai uit hout gesneden preekstoel en praalgraven van de Ruyter, van Galen en Vondel. Het Trippenhuis is de vergaderplaats der Koninklijke Akademie van wetenschappen; voor schilderijen en andere kunstwerken is onlangs het nieuwe Rijksmuseum gebouwd. Ook de Dierentuin „Natura artis magistraquot; en het Paleis voor Volksvlijt verdienen vermelding. Standbeelden van Rembrandt, Vondel en ïhorbecke, uitmuntende inrichtingen voor lager-, middelbaar- en hooger onderwijs; 366,600 inw.

Op ruim 1 uur afstand in het Z.W. ligt de drooggemalen Haarlemmermeer, met ruim 12,000 inw.

Weesp, vesting a/d Vecht, die van Utrecht af stroomt, met branderijen.

Mui den, vesting aan den „mondquot; der Vecht, vanwaar de naam; toch is de Vecht, hoewel steeds van zuid naar noord stroomende, geen eigenlijke rivier, daar zij door eene schut- en uitwateringssluis met de Zuiderzee gemeenschap heeft; ook is zij volstrekt geen tak van den Rijn meer, daar deze onverdeeld van Arnhem naar Rotterdam stroomt; het slot te Muiden en de stad zelve varen in de geschiedenis gewichtig.

N a a r d e n, vesting bij de Zuiderzee.

Haarlem, a/h Spaarne, de hoofdstad der provincie in eene liefelijke streek aan dc duinen, met manufaktuurfabrieken, vooral katoeufabricken, beroemde bollen-, bloem- en boomkweekerijen, lettergieterij en vele kabinetten, waaronder bovenal dat van Teylers Stichting, en het Koloniaal- en Kunst-Museum in het Paviljoen. Nabij de Groote kerk met haar wereldberoemd groot orgel en met het monument van Bilderdijk, die daar stierf, staat het standbeeld van Laurens Coster. De fraai

304

ocr page 227

NEDERLAND. amp;05

aangelegde bolwerken, en vooral de Haarlemmerhout, versieren stad en omstreken; 45,600 inw.

Zaandam, aan den mond van de Zaan in liet nieuwe kanaal naar de Noordzee, mot meer dan 200 houtzaag-, olie-, pel-, papier-, tras-, snuif- en stijfselmolens. Zoowel door de eigenaardige volksgebruiken, als door de vooral oudtijds groote welvarendheid zijn Zaandam en de Zaanstreek met hare aanzienlijke dorpen (Koog aan de Zaan, Zaandijk, Worraerveer, Krommenie, West-zaan) alom bekend. Vroeger was het moer dan eenige andere plaats om den scheepsbouw vermaard. In 1097—98, toen Tsaar Peter I Holland en Zaandam bezocht, en ook gedurende S dagen als schecpstimmermansknccht het nog aanwezige huisje betrok, waren daar 60 scheepstimmerwerven, thans geene; 13,900 inw. Monnikendam, door de zoogenaamde Goudzee (eigenlijk Gouwzee) van

het eiland M arken gesoheideue hoofdmarkt voor bokking en ansjovis.

Edam, aan de Zuiderzee, bekend om de kaas, waarvan echter de voornaamste

handel gedreven wordt te Alkmaar en te Hoorn, dat ook om hare groote veemarkten vermaard is; bijna 10,900 inw. Aan hetzelfde in de Zuiderzee uitstekende schiereiland Dreehterland, waarvan het gedeelte tusschen Hoorn en Enkhuizen „deStreekquot; wordt genoemd; het beste stukie land van Nederland in vruchtbaarheid en zorgvuldige bebouwing, hoofdzakelijk van fijne zaden, ooft en moezerij, liggen nog de twee volgende steden : Enk huizen, welks voormalige bloei verdwenen is , onder anderen ook door het

E n k h u i z e r Zand in do richting naar liet eiland U r k, en Medemblik, insgelijks kwijnend, doch met eene goede haven.

Het Nieuwe Diep, met uitnemende door de kunst gewrochte haven aan het Marsdiep, dat Holland van het eiland Texel afscheidt, en aan het einde van het grootsehe Noord-Hollandsche kanaal, dat, langs Alkmaar en Pnrmerend gegraven (1812/25), tegenover Amsterdam in het IJ uitloopt (16 uur lang, en meer dan 20' diep). Deze maritieme plaats met hare ruime dokken is thans door een lange rij huizen verbonden met den Helder, eene der veiligste en schoonste reden van Europa en zeer versterkt,

aan de N.W.lijkste punt van N.-Holland. Te zamen 20,500 inw.

Alkmaar, a/h N. H. kanaal mét de grootste kaasmarkten en lieve omstreken, vooral door het Alkmaardcrhont, dat met het Haarlemmerhout en het 's-Graven-haagsche bosch een overblijfsel is van ecu vroeger groot duinwoud; 14,600 inw. Purmcrend, handeldrijvend stadje, a/h N. H. kanaal, met aanzienlijke markten, tusschen Beemster en Purmer, twee der vele drooggemaakte meren of polders van Noord-Holland (Wormer, Schermer, Hcer-Hugowaard, Zijpe en Anna-Paulowna-polder). (Verschil tusschen Polder en Droogmakerij!)

2) Zuid-Holland, uitstekend vruchtbaar en bebouwd, met vele weiden en enkele veenplaatsen, en met een tal van steden en dorpen, zooals bijna nergens elders; het platteland is van alle provinciën het sterkst bevolkt. Tot deze provincie behooren de aanzienlijke, rijk bebouwde eilanden, tusschen de Nieuwe-Maas en de Zeeuwsche stroomen: Rozenburg, IJ s e 1 m o n d e en het eiland van Dordrecht; — Voornc, Putten en de Hoekse he Waard; — Goeree en Overflakkee, thans één eiland. Op 54.j Q m., 896,585 inw. 's-G raven h age, bloeiende residentiestad en zetel van de verschillende centraal-besturen van het rijk, door natuur en door kunst een der bevalligste steden van Europa. Onder de vele paleizen en gebouwen en merkwaardige instellingen munten uit de met recht Koninklijke bibliotheek met het kabinet van munten en gesneden steenen, het Mauritshuis met een museum van schilderijen, het Stedelijk Kabinet van zeldzaamheden en antiquiteiten en het Huis ten JBosch, gebouwd door Amalia van Solms, de gemalin van Erederik Hendrik, in het aloude Haagse he Bosch; standbeelden van Prins Willem den Eersten en van koning Willem II; monument ter herinnering aan Ncêrland's verlossing van het Erausehe juk. Met liet groote visschersdorp tevens badplaats Seheveuingcn; 134,552 inw. Inde fraaie omstreken vooral Rijswijk en Voorburg {Forum Hadriana, waarvan bouwvallen gevonden zijn op het buitengoed Arcntsburg).

ocr page 228

EUROPA.

Delft, vroeger eene zeer bloeiende fabrieksstad, en het verblijf van sommige stadhouders , thans het middelpunt van den boter- en kaashandel dezer provincie. Nog zijn er niet onaanzienlijke fabrieken van tapijten en destilleerderijen, benevens de landsgeweerfabriek met de magazijnen. Sedert 1864 is hier de Polytechnische school. In de Oude kerk met haar' scheeven toren bevinden zich de graftomben van Piet Hein, Tromp en van den grooten natuurkenner Van Leeuwenhoek; in de Nieuwe kerk de grafkelder der Vorsten van Nederland met het praalgraf van Prins Willem I, het prachtigste van Nederland, en de tombe van het Delftsche orakel, Hugo de Groot; 27,200 inw.

Rotterdam, a/d Nieuwe-Maas, eigenlijk aan den mond van den Rijn, met buitengewoon bloeienden handel en scheepvaart, waarin zij met Amsterdam om den eersten rang wedijvert. De stad is slechts 2 m. van zee verwijderd en staat dus in dit opzicht boven Antwerpen, dat 10 m. boven den Scheldemond ligt. Aan den mond van de voornaamste rivier van Middel-Europa, die haar met het industrieele

fedeelte van Duitschland in verbinding brengt en die voor groote stoombooten evaarbaar is tot Mannheim; — door spoorwegen met het binnenland-Duitschland-België- en Frankrijk verbonden, (bruggen over Nieuwe-Oude Maas en Hollandsch Diep) zou zij de voornaamste haven op de westkust van Europa zijn, als haar waterweg steeds diep genoeg ware geweest. Uitvoer van landbouwprodukten van ons land en van fabriekswaren uit Duitschland; aanvoer van hout uit het Schwarzwald; invoer van koloniale waren, katoen en manufacturen.edeelte van Duitschland in verbinding brengt en die voor groote stoombooten evaarbaar is tot Mannheim; — door spoorwegen met het binnenland-Duitschland-België- en Frankrijk verbonden, (bruggen over Nieuwe-Oude Maas en Hollandsch Diep) zou zij de voornaamste haven op de westkust van Europa zijn, als haar waterweg steeds diep genoeg ware geweest. Uitvoer van landbouwprodukten van ons land en van fabriekswaren uit Duitschland; aanvoer van hout uit het Schwarzwald; invoer van koloniale waren, katoen en manufacturen.

Daar de mond van de Nieuwe Maas bij den Briel en van het Haringvliet door zandbanken niet zijn binnen te varen, werden zwaar geladen schepen te Brouwershaven gelicht en dan langs Grevelingen-Krammer-Volkerak-Hollandsoh Diep-Dordsche Kil-Oude Maas-Noord en Nieuwe Maas gesleept naar Rotterdam. Die weg was te lang; daarom werd het kanaal van Voorne gegraven, dat men van Brouwershaven door Volkerak en Haringvliet bij Hellevoetsluis bereikte. En daar ook die omweg te groot was, werd de waterweg van Rotterdam naar zee gegraven. (Belangrijk verschil met den Amsterd. TVaterweg !) Deze voldoet thans aan alle eischen voor eene onbelemmerde scheepvaart, want geladen zeestoombooten van ruim 7 meter diepgang gaan er ongehinderd door. Rotterdams breede grachten zijn diep genoeg, om aan de zeeschepen den toegang tot het midden der stad te geven, eene vaste spoorwegbrug over de Maas en viaducten over de stad verbindt het noorder- en zuidemet. Van de vele groote fabrieken munt uit die van stoom- en andere werktuigen te Fijenoord, schuins over de stad aan de Maas, de uitgestrekste van dien aard in het rijk. De zoogenaamde Groote Markt werd in 1622 versierd met het standbeeld van Erasmus, die daar geboren was in 1467, in het Park staat dat van Tollens en bii het museum Boymans dat van Van Hogendorp; 169,500 inw.

Delfshaven (op den naam te letten), even als de 3 volgende steden aan de Nieuwe Maas, met branderijen en scheepstimmerwerven, sedert 31 Januari 1886 met Rotterdam vereenigd; standbeeld van Piet Hein, die hier geboren was; 13,800 inw.

Schiedam, de hoofdplaats der branderijen, jeneverstokerijen en gestmakcrijen, 314 in getal, die jaarlijks niet minder dan een mill, hectoliters graan verbruiken en gemiddeld 300,000 vaten gedestilleerd leveren); 24,500 inw.

Vlaardingen en Maassluis, hoofdzetels der haringvisscherij.

Brielle of den Briel, vesting aan de noordkust van het eiland Voorne, merkwaardig als de eerste hoeksteen der Nederlandsche onafhankelijkheid.

Helvoetsl uis, vesting, oorlogshaven aan de zuidkust van hetzelfde eiland, aan het Haringvliet en de mond van het Voornsche kanaal, thans sterk achteruitgegaan. Waarom?

Dordrecht a/d Merwéde, eens de grootste koopstad van het land, thans nog handel in hout en wijn. Standbeeld van Arie Schefler. Synode 1618/19; 29,000 inw.

G o r i n c h e m of G o r k u m , vesting a/d mond van het Zederikskanaal (een gedeelte der Keulsche Vaart) in dc Merwede, die een weinig boven de stad uit de vereeniging van Maas en Waal ontstaat en hier de Linge uit de Betuwe opneemt. Belangrijke markten van boter, kaas, vee, graan en hennep. (Is de handel in die artikelen ook te verklaren uit de grondsoorten in den omtrek ?)

206

ocr page 229

NEDERLAND.

V i a n e n , aan de Lek, evenals

Schoonhoven, dat de meeste goud- en zilversmeden heeft na Amsterdam.

Gouda, a/d Hollandschen IJsel, die van hier tot Krimpen nog rivier, maar tot Vreeswijk gekanaliseerd is. Veel kaas- en vlashandel, 54 (vroeger 300) pijpen-fabrieken. De fraaie hoofdkerk heeft wereldberoemde geschilderde glazen van de gebroeders Crabeth; 19,200 inw.

Oudewater, a/d IJssel, belangrijke kaas- en vlasmarkt.

Woerden, a/d Ouden Rijn, met militaire magazijnen.

Leiden, 2 uren boven de uitwatering van den Ouden Rijn in de Noordzee door de sluizen te K a t w ij k. (De zoogenaamde Oude Rijn voert geen droppel Rijnwater naar zee, is ook geen rivier, maar dient voor den afvoer van het polder water van liet waterschap Rijnland.) Ofschoon de fabrieken reeds lang hare wereldvermaardheid verloren hebben, bekleeden toch de laken-, duffel-, baai-, wol-, garen- en sajetfabrieken nog een eerste plaats in Nederland. De hoogeschool, de oudste van ons land, in 1575, één jaar na de beroemde belegering gesticht, handhaaft nog haar' ouden roem. De daarbij behoorende bibliotheek is zeer rijk; het rijksmuseum van natuurlijke historie wordt bijna nergens geëvenaard; de hortes botanicus is om aanleg en rijkdom beroemd; een nieuw astronomisch observatorium kan aan de eischen van den tijd voldoen; het museum van oudheden, vooral Egyptische, is een der schoonste van Europa; het munt- en penningkabinet insgelijks. In de Pieterskerk bevinden zich de graven van Boerhave (voor wien ook een standbeeld is opgericht), P. Camper, J. J. Scaliger, Meerman, J. M. Kemper en van der Palm, in de Hooglandsche kerk dat van P. A. van der Werf, wiens kloek standbeeld het ruime ruïne-plein versiert. De Burg is de hooggelegen ruïne van een gebouw dat eeuwen heugt. Ook het stadhuis, op de fraaie Breedstraat, is om zijn' bouwtrant merkwaardig. Zestig dorpen gaan hier ter markt (Leidsche boter en kaas; 43,800 inw.

3) Zeeland, aan de zeegaten, waarin Schelde en Maas uitloopen, bestaat uit de eilanden: Schouwen, Duiveland, St. Filipsland en Tholen, ten N. van de Oosterschelde.

Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, tussehen de Ooster-en Wester-Schelde, die thans gescheiden zijn door spoorwegdammen, welke Zuid-Beveland aan het vasteland en aan Walcheren verbinden, en

Zeeuwsch-, voorheen Staats-Vlaanderen, op het vasteland, ten Z. van de Westersehelde.

Het is eene der vruchtbaarste en best bebouwde provinciën , die telkens door inpoldering aangroeit. Een hoofdprodukt is de tarwe, met de Poolsehe de beste der aarde. Op 32 □ m. 196,373 inw.

Op Schouwen;

Brouwershaven, met eene veilige reede, diep genoeg voor de grootste zeeschepen, aan de Grevelingen of het Brouwershavensche gat, vroeger inklaringsplaats voor Zuid-Holland. (Waarom achteruitgegaan?)

Zie rik see, misschien de oudste stad vau Zeeland; door hare haven heeft zij gemeenschap met de Oosterschelde, daar Roompot genoemd. Hare voornaamste middelen van bestaan zijn koolzaad- en vlashandel, vroeger ook meekrapbereiding, tegenwoordig gebruikt men aniline om rood te verven.

Op T o1e n:

T o 1 e n , aan de Eendracht.

Op Walcheren, „Zeelands tuin,quot; thans geen eiland meer, ten gevolge van de spoorwegverbinding over Zuid-Beveland met Noordbrabant, liggen :

Middelburg, rijke stad, maar waarvan de handel slechts eene schaduw is van dien van vroegere eeuwen; het stadhuis is om zijn' ouderdom en schoonen bouwtrant merkwaardigr. Talrijke buitenplaatsen versieren de omstreken; 16,300 inw.

Vlissingen, uitmuntende havenstad aan den ingang der Westersehelde; een breed scheepvaartkanaal voert langs Middelburg en het vervallen V e e r e naar het noorden; vooral als handelsstad is Vlissingen uitmuntend gelegen, maar de

207

ocr page 230

EUROPA.

Delft, vroeger eene zeer bloeiende fabrieksstad, en het verblijf van sommige stadhouders , thans het middelpunt van den boter- en kaashandel dezer provincie. Nog zijn er niet onaanzienlijke fabrieken van tapijten en destilleerderijen, benevens de landsgeweerfabriek met de magazijnen. Sedert 1864 is hier de Polytechnische school. In de Oude kerk met haar' scheeven toren bevinden zich de graftomben van Piet Hein, Tromp en van den grooten natuurkenner Van Leeuwenhoek; in de Kieuwe kerk de grafkelder der Vorsten van Nederland met het praalgraf van Prins Willem I, het prachtigste van Nederland, en de tombe van het Delftsche orakel, Hugo de Groot; 27,200 inw.

Rotterdam, a/d Nieuwe-Maas, eigenlijk aan den mond van den Rijn, met buitengewoon bloeienden handel en scheepvaart, waarin zij met Amsterdam om den eersten rang wedijvert. De stad is slechts 2 m. van zee verwijderd en staat dus in dit opzicht boven Antwerpen, dat 10 m. boven den Scheldemond ligt. Aan den mond van de voornaamste rivier van Middel-Europa, die haar met het industrieele gedeelte van Duitschland in verbinding brengt en die voor groote stoombooten bevaarbaar is tot Mannheim; — door spoorwegen met het binnenland-Duitschland-België- en Frankrijk verbonden, (bruggen over Nieuwe-Oude Maas en Hollandsch Diep) zou zij de voornaamste haven op de westkust van Europa zijn, als haar waterweg steeds diep genoeg ware geweest. Uitvoer van landbouwprodukten van ons land en van fabriekswaren uit Duitschland; aanvoer van hout uit het Schwarzwald; invoer van koloniale waren, katoen en manufacturen.

Daar de mond van de Nieuwe Maas bij den Briel en van het Haringvliet door zandbanken niet zijn binnen te varen, werden zwaar geladen schepen te Brouwershaven

felicht en dan langs Grevelingen-Krammer-Volkerak-Hollandsch Diep-Dordsche jl-Oude Maas-Noord en Nieuwe Maas gesleept naar Rotterdam. Die weg was te lang; daarom werd het kanaal van Voorne gegraven, dat men van Brouwershaven door quot;V olkerak en Haringvliet bij Hellevoetsluis bereikte. En daar ook die omweg te groot was, werd de waterweg van Rotterdam naar zee gegraven. (Belangrijk verschil met den Amsterd. Waterweg !) Deze voldoet thans aan alle eischen voor eene onbelemmerde scheepvaart, want geladen zeestoombooten van ruim 7 meter diepgang gaan er ongehinderd door. Rotterdams breede grachten zijn diep genoeg, om aan de zeeschepen den toegang tot het midden der stad te geven, eene vaste spoorwegbrug over de Maas en viaducten over de stad verbindt het noorder- en zuidernet. Van de vele groote fabrieken munt uit die van stoom- en andere werktuigen te Fijenoord, schuins over de stad aan de Maas, de uitgestrekste van dien aard in bet rijk. De zoogenaamde Groote Markt werd in 1622 versierd met het standbeeld van Erasmus, die daar geboren was in 1467, in het Park staat dat van Tollens en bij het museum Boymans dat van Tan Hogendorp; 169,500 inw.elicht en dan langs Grevelingen-Krammer-Volkerak-Hollandsch Diep-Dordsche jl-Oude Maas-Noord en Nieuwe Maas gesleept naar Rotterdam. Die weg was te lang; daarom werd het kanaal van Voorne gegraven, dat men van Brouwershaven door quot;V olkerak en Haringvliet bij Hellevoetsluis bereikte. En daar ook die omweg te groot was, werd de waterweg van Rotterdam naar zee gegraven. (Belangrijk verschil met den Amsterd. Waterweg !) Deze voldoet thans aan alle eischen voor eene onbelemmerde scheepvaart, want geladen zeestoombooten van ruim 7 meter diepgang gaan er ongehinderd door. Rotterdams breede grachten zijn diep genoeg, om aan de zeeschepen den toegang tot het midden der stad te geven, eene vaste spoorwegbrug over de Maas en viaducten over de stad verbindt het noorder- en zuidernet. Van de vele groote fabrieken munt uit die van stoom- en andere werktuigen te Fijenoord, schuins over de stad aan de Maas, de uitgestrekste van dien aard in bet rijk. De zoogenaamde Groote Markt werd in 1622 versierd met het standbeeld van Erasmus, die daar geboren was in 1467, in het Park staat dat van Tollens en bij het museum Boymans dat van Tan Hogendorp; 169,500 inw.

Delfshaven (op den naam te letten), even als de 3 volgende steden aan de Nieuwe Maas, met branderijen en scheepstimmerwerven, sedert 31 Januari 1886 met Rotterdam vereenigd; standbeeld van Piet Hein, die hier geboren was; 13,300 inw.

Schiedam, de hoofdplaats der branderijen, jeneverstokerijen en gestmakerijen, 314 in getal, die jaarlijks niet minder dan een mill, hectoliters graan verbruiken en gemiddeld 300,000 vaten gedestilleerd leveren); 24,500 inw.

Vlaardingen en Maassluis, hoofdzetels der haringvisseherij.

Brielle of den Briel, vesting aan de noordkust van het eiland Voorne, merkwaardig als de eerste hoeksteen der Nederlandsche onafhankelijkheid.

Helvoetsl uis, vesting, oorlogshaven aan de zuidkust van hetzelfde eiland, aan het Haringvliet en de mond van het Voornsche kanaal, thans sterk achteruitgegaan. Waarom?

Dordrecht a/d Merwéde, eens de grootste koopstad van het land, thans nog handel in hout en wijn. Standbeeld van Arie Scheffer. Synode 1618/19; 29,000 inw.

Gorinchem of Gorkum, vesting a/d mond van het Zederikskanaal (een gedeelte der Keulsche Vaart) in de Merwede, die een weinig boven de stad uit de vereeniging van Maas en Waal ontstaat eu hier de Linge uit de Betuwe opneemt. Belangrijke markten van boter, kaas, vee, graan en hennep. (Is de handel in die artikelen ook te verklaren uit de grondsoorten in den omtrek ?)

206

ocr page 231

NEDERLAND.

Vianen, aan de Lek, evenals

Schoonhoven, dat de meeste goud- en zilversmeden heeft na Amsterdam.

Gouda, a/d Hollandschen IJsel, die van hier tot Krimpen nog rivier, maar tot Vreeswijk gekanaliseerd is. Veel kaas- en vlashandel, 54 (vroeger 300) pijpen-fabrieken. De fraaie hoofdkerk heeft wereldberoemde geschilderde glazen van de gebroeders Crabeth; 19,200 inw.

Oudewater, a/d IJssel, belangrijke kaas- en vlasmarkt.

Woerden, a/d Ouden Rijn, met militaire magazijnen.

Leiden, 2 uren boven de uitwatering van den Ouden Rijn in de Noordzee door de sluizen te K a t w ij k. (De zoogenaamde Oude Rijn voert geen droppel Rijnwater naar zee, is ook geen rivier, maar dient voor den afvoer van liet polderwater van het waterschap Rijnland.) Ofschoon de fabrieken reeds lang hare wereldvermaardheid verloren hebben, bekleeden toch de laken-, duffel-, baai-, wol-, garen- en sajetfabrieken nog een eerste plaats in Nederland. De hoogeschool, de oudste van ons laud, in 1575, één jaar na de beroemde belegering gesticht, handhaaft nog haar' ouden roem. De daarbij behoorende bibliotheek is zeer rijk; liet rijksmuseum van natuurlijke historie wordt bijna nergens geëvenaard; de hortes botanicus is om aanleg en rijkdom beroemd; een nieuw astronomisch observatorium kan aan de eischen van den tijd voldoen; het museum van oudheden, vooral Egyptische, is een der schoonste van Europa; het munt- en penningkabinet insgelijks. In de Pieterskerk bevinden zich de graven van Boerhave (voor wien ook een standbeeld is opgericht), P. Camper, J. J. Sealiger, Meerman, J. M. Kemper en van der Palm, in de Hooglandsche kerk dat van P. A. van der Werf, wiens kloek standbeeld het ruime ruïne-plein versiert. De Burg is de hooggelegen ruïne van een gebouw dat eeuwen heugt. Ook het stadhuis, op de fraaie Breedstraat, is om zijn' bouwtrant merkwaardig. Zestig dorpen gaan hier ter markt (Leidsche boter en kaas; 43,800 inw.

3) Zeeland, aan de zeegaten, waarin Schelde en Maas uitloopen, bestaat uit de eilanden: Schouwen, Duiveland, St. Filipsland en Tholen, ten N. van de Oosterschelde.

Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, tusschen de Ooster-en Wester-Schelde, die thans gescheiden zijn door spoorwegdaramen, welke Zuid-Beveland aan het vasteland en aan Walcheren verbinden, en

Zeeuwsch-, voorheen Staats-Vlaanderen, op het vasteland, ten Z. van de Westerschelde.

Het is eene der vruchtbaarste en best bebouwde provinciën , die telkens door inpoldering aangroeit. Een hoofdprodukt is de tarwe, met de Poolsche de beste der aarde. Op 32 Q m. 196,373 inw.

Op Schouwen;

Brouwershaven, met eene veilige reede, diep genoeg voor de grootste zeeschepen, aan de Grevelingen of het Brouwershavensche gat, vroeger inklaringsplaats voor Zuid-Holland. (Waarom achteruitgegaan?)

Zieriksee, misschien de oudste stad van Zeeland; door hare haven heeft zij gemeenschap met de Oosterschelde, daar Roompot genoemd. Hare voornaamste middelen van bestaan zijn koolzaad- en vlashandel, vroeger ook meekrapbereiding, tegenwoordig gebruikt men aniline om rood te verven.

Op T o1e n:

T o 1 e n , aan de Eendracht.

Op Walcheren, „Zeelands tuin,quot; thans geen eiland meer, ten gevolge van de spoorwegverbinding over Zuid-Beveland met Noordbrabant, liggen :

Middelburg, rijke stad, maar waarvan de handel slechts eene schaduw is van dien van vroegere eeuwen; het stadhuis is om zijn' ouderdom en schoonen bouwtrant merkwaardiz. Talrijke buitenplaatsen versieren de omstreken; 16,300 inw.

Vlissingen, uitmuntende havenstad aan den ingang der Westerschelde; een breed scheepvaartkanaal voert langs Middelburg en het vervallen V e e r e naar het noorden; vooral als handelsstad is Vlissingen uitmuntend gelegen, maar de

207

ocr page 232

EUROPA.

schepen varen de stad voorbij om te Antwerpen te lossen. Standbeeld van de Ruyter; bijna 11,600 inw.

Op Zuid-Beveland, het best bebouwd, met het vaste land vereenigd, doch doorsneden met een kanaal voor zeeschepen, dat Oester- en Westerschelde verbindt:

Goes, levendige marktplaats.

In Zeeuwsch-Vlaanderen :

Hulst, Axel, Bas van Gent, Terneuzeu, vesting a/d Westerschelde en het kanaal naar Gent, Uzendijke, Oostburg, Aar den burg en Sluis aan het thans toegeslibde en ingedijkte Zwin (Willem-Leopold-polder), dat vroeger van daar naar de Noordzee liep; deze kleine landstadjes waren voor eeuwen flinke zeesteden, langzamerhand werden zij kleine visschersplaatsjes, thans zijn liet landstadjes, die van den landbouw leven.

4) Noordbrabant, ten Z. van de Maas, gedeeltelijk heide en moerasgrond (de Peel), maar vooral in het N.W. vruchtbaar; rogge is het hoofdprodukt, verder veel beetwortelen. De nijverheid ontwikkelt zich in dit gewest meer en meer, met name in de Z.O.lijke, minder vruchtbare streken, omdat grond en arbeidskrachten er evenals in Twente zeer goedkoop zijn; op 93j □ m. 495,377 inw.

's-H ertogenb oseh, ontmantelde vesting a/d vereeniging van den Dommel (1) met de A (r) tot Dieze, en a/d mond van de Zuid-Willemsvaart naar Maastricht, met eene omstreeks 1300 gebouwde, thans gerestaureerde hoofdkerk, het schoonste en grootste gothische gebouw in Nederland. Velerhande fabrieken en binnen-handel; 26,000 inw.

H e u s d e n, aan een' arm der Maas, en iets lager :

Woudriehem of Worknm, vesting a/d Maas en Merwede, tegenover Loevestein.

Geertruidenberg, vesting a/d Donge, nabij den Biesbosdi.

Willemstad, vesting a/h Hollandseh Diep.

Bergen op Zoom, a/d Zoom nabij de Oostersehelde; hare vestingwerken, het meesterstuk van Coehoorn, zijn thans geslecht; veel handel, onder anderen in (Bergsche) ansjovis; 11,500 inw.

Breda, a/d Mark, met eene militaire akaderaie in het geschiedkundig vermaard kasteel. In de groote kerk prijkt de graftombe van Engelbert II van Nassau en gemalin, welke men aan Aliehel Angelo Buonarotti toeschrijft; 19,500 inw. en velerlei fabrieken.

Oosterhout, Zevenbergen en Steenbergen, bloeiende landsteden.

Tilburg, aanzienlijke wol- en lakenweverijen, het „Leedsquot; van Nederland; 31,000 inw.

Eindhoven, door een zijkanaal met de Z.Willemsvaart verbonden, met prachtige hoofdkerk, en Helmond, beide bloeiende door fabrieken, vooral van linnen, wol, katoen en tabak.

Grave, door Coehoorn aangelegde, voormalige vesting a/d Maas.

5) Gelderland, tusschen Maas en Zuiderzee, door Waal, Eijn en IJsel doorsneden; krachtige, meestal landbouwende bevolking. Weleer was hunne spreuk: ,/hoog van moede, cleyn van goede, een sweerdt in de handt, ist wapen van Gelrelandt.quot; Het Z. bevat de hoogst vruchtbare Betuwe {insula Batavoruni), tusschen Maas en Rijn (voor de afzonderlijke deelen zie men de kaart), en het land tusschen Maas en Waal; het N. daarentegen de meerendeels onbebouwde, zandige V e 1 u w e en het vroegere graafschap Zutfen aan de rechterzijde van den IJsel, dat zich sterk ontwikkelt. Dit gewest bezit de fraaiste streken van Nederland, vooral om Arnhem en Nijmegen, waar de bodem tot boschrijke heuvels rijst. Deze provincie brengt de meeste tabak voort. Op 291 □ 496,588 inw.

Arnhem, a/d rechteroever van den Rijn, d. i. den hoogen Veluwezoom, bijzonder bloeiende stad te midden van heerlijke omstreken; veel expeditiehandel; 45,500 inw., met tallooze buitenplaatsen, vooral in het naburige Velp en Oostcrbeek.

Wageningen, insgelijks a/d Rijn, mat tabakshandel.

Kuilenburg of C uien borg, a/d Lek, vervaardiging van stoelen. De spoorwegbrug heeft dc grootste spanning (150 meters) van alle bruggen in Europa.

208

ocr page 233

NEDERLAND.

Zalt-Bommel of Bommel, a/d Waal; groote fabriek van ijzeren keukengereedschao.

Ti el, a/d Waal, vóór de invallen der Noormannen eene rijke koopstad, thans wei-varende marktplaats voor koren, aardappelen en ooft.

Nijmegen (Noviómagus), eertijds sterk bevestigd bruggelioofd en handelsstad a/d linker Waaloever, d. i. het hooge Nederrijks wond, op en langs henveis gebouwd. Van het Valkhof, weleer een Paleis van Karei den Groote, is nog de zoogenaamde Heidensche kapel en een gedeelte van eene zaal aan de sloopzucht der vorige eeuw ontkomen. Het antieke stadhuis bevat onder andere merkwaardigheden ook Ro-meinsche oudheden in den omtrek gevonden; 29,000 inw. Fraaie omstreken.

Z e v e n a a r, grensplaats aan den Rijnspoorweg.

Doesborg, vesting a/d IJsel, met houthandei en eenige fabrieken.

Doetichem, a/d Ouden IJsel.

Groenlo of Grol, Borkelo eu Loc hem, de twee laatste a/d Berkel, kleine steden.

Winterswijk eu Aalten, aanzienlijke dorpen met fabrieken, vooral van katoen.

Zutfen, voormalige vesting en handelsplaats a/d IJsel, waar die den Berkel opnoemt; 16,000 inw.

Drie uren N. W.waarts ligt het vorstelijk lustslot het Loo, met heerlijk park, nabij het welvarende dorp Apeldoorn, dat talrijke papiermolens bezit, en 17,000 inw.

Hattem, bij den IJsel, en Elburg, Harderwijk en Nijkerk, op de Veluwe a/d Zuiderzee, zijn kleine steden, do drie laatste met visscherijen en bokkingrookerijen.

6) Utrecht, vroeger «het Stichtquot;, tusschen de Lek eu de Zuiderzee, kleinste, doch fraaie, vooral in het Z.W. goed bebouwde provincie. Op 25 □ m. 209,332 inw.

Utrecht. (Trajectum ad Rhemm), aan de samenkomst van den Ouden-, Krommen-en Vaartschen Rijn en de Vecht. Door de gunstige ligging in het midden van het land en van de welvarende provincie, en hare verbinding door water- en spoorwegen bloeit de stad als marktplaats en als punt van aan- en doorvoer; (den loop der spoorwegen, die te Utrecht samenkomen nauwkeurig na te gaan, voornaamste stations; oruggenspoorweg.) Hiertoe dragen nog bij: de in 1636 gestichte hoogesehool, de rijks-veeartsenijschool, het meteorologisch observatorium en de rijks-munt. De vroegere wallen zijn in fraaie wandelingen veranderd, maar in wijderen omtrek omringt haar een halve kring van forten aan de O.zijde ter bescherming van de stad en van Holland. De kaden der grachten, die over gewelfde kluizen loopen, zijn eenig in hare soort. De domtoren (1321—82) is de hoogste van ons land, 331'. Bovendien bezit Utrecht eene historische eerwaardigheid, zooals geen andere stad in Nederland. Hier werd door Dagobert in 628 de eerste Christenkerk gesticht: het bisdom werd de wieg van het Christendom in Nederland en van daar gingen beschaving en verlichting uit. Hier werd in 1579 door het sluiten der Unie de grondslag gelegd tot Nederlands onafhankelijk volksbestaan; 76,000 inw. (In welke twee opzichten stemt het met Mechelen overeen ?)

Amersfoort, a/d Eem, die hier uit de vereeniging van eenige Veluwsche beken ontstaat, en 4 uur N.waarts in de Zuiderzee valt; 15,000 inw. Eenige koehareu tapijtenfabrieken en ook tabaksbouw in de richting naar

Renen, a/d Rijn; W ij k-b ij- Duurstede, waar de Rijn zijn' naam met dien van Lek verwisselt.

IJ seist ein, aan het begin van den Hollandschen IJsel (tot Gouda een kanaal), de plaats der hoepelmakerijen, en Montfoort, kleine steden.

7) Overijsel, tusschen Pruisen en den IJsel, doorsneden door de Vecht en de Regge, in het W. vruchtbaar, in het O. helde en veengrond, doch met nijvere bevolking, vooral in Twente het Z.Olijk gedeelte. Rogge is het hoofdprodukt, aanzienlijke ooftteelt langs den IJsel. Óp 60j □ m. 288,809 inw.

Zwolle, a/h Zwarte Water, dat door kanalen met den IJsel eu de Vecht verbonden is, en haar ecu' levendigcn binnen- en ook buitcnlandschen handel verschaft; 24,500 inw.

Kampen a/d IJsel, met eene prachtige vaste brug over dieu stroom, die niet ver

309

14

ocr page 234

EUROPA.

schepen varen de stad voorbij om te Antwerpen te lossen. Standbeeld van de Jluyter; bijna 11,600 inw.

Op Zuid-Beveland, het best bebouwd, niet het vaste land vereenigd, doch doorsneden met een kanaal voor zeeschepen, dat Ooster- en Westerschelde verbindt:

Goes, levendige marktplaats.

In Zeeuwsch-Vlaanderen:

Hulst, Axel, Bas van Gent, Terneuzen, vesting a/d Westerschelde en het kanaal naar Gent, IJ zend ij ke. Oostburg, Aardenburg en Sluis aan het thans toegeslibde en ingedijkte Zwin (Willem-Leopold-polder), dat vroeger van daar naar de Noordzee liep; deze kleine landstadjes waren voor eeuwen flinke zeesteden, langzamerhand werden zij kleine visschersplaatsjes, thans zijn het landstadjes, die van den landbouw leven.

4) Noordbrabant, ten Z. van de Maas, gedeeltelijk heide en moerasgrond (de Peel), maar vooral in het N.W. vruchtbaar; rogge is het hoofdprodukt, verder veel beetwortelen. De nijverheid ontwikkelt zich in dit gewest meer en irieer, met name in de Z.O.lijke, minder vruchtbare streken, omdat grond en arbeidskrachten er evenals in Twente zeer goedkoop zijn; op 93^ □ m. 495,277 inw.

's-H e r t o ge n b o s c h, ontmantelde vesting a/d vereeniging van den Dommel (1) met de A (r) tot Dieze, en a/d mond van de Zuid-Willemsvaart naar Maastricht, met eene omstreeks 1300 gebouwde , thans gerestaureerde hoofdkerk, het schoonste en grootste gothische gebouw in Nederland. Velerhande fabrieken en binnen-handel; 26,000 inw.

H e u s d e n, aan een' arm der Maas, en iets lager:

Woudrichem of Workum, vesting a/d Maas en Merwede, tegenover Loevestein.

Geertruidenberg, vesting a/d Donee, nabij den Biesbosch.

Willemstad, vesting a/h Hollandsch Diep.

Bergen op Zoom, a/d Zoom nabij de Oosterschelde; hare vestingwerken, het meesterstuk van Coehoorn, zijn thans geslecht; veel handel, onder anderen in (Bergsche) ansjovis; 11,500 inw.

Breda, a/d Mark, met eene militaire akademie in bet geschiedkundig vermaard kasteel. In de groote kerk prijkt de graftombe van Eugelbert II van Nassau en gemalin, welke men aan .Michel Angelo Buonarotti toeschrijft; 19,500 inw. en velerlei fabrieken.

Ooster hout. Zevenbergen en Steenbergen, bloeiende landsteden.

Tilburg, aanzienlijke wol- en lakenweverijen, het „Leedsquot; van Nederland; 31,000 inw.

Eindhoven, door een zijkanaal met de Z.Willemsvaart verbonden, met prachtige hoofdkerk, en Helmond, beide bloeiende door fabrieken, vooral van linnen, wol, katoen en tabak.

Grave, door Coehoorn aangelegde, voormalige vesting a/d Maas.

5) Gelderland, tusschen Maas en Zuiderzee, door Waal, Rijn en IJsel doorsneden; krachtige, meestal landbouwende bevolking. Weleer was hunne spreuk: «hoog van moede, cleyn van goede, een sweerdt in de handt, ist wapen van Gelrelandt.quot; Het Z. bevat de hoogst vruchtbare Betuwe {insula Batavorum), tusschen Maas en Rijn (voor de afzonderlijke deelen zie men de kaart), en het land tusschen Maas en Waal; het N. daarentegen de meerendeels onbebouwde, zandige V e 1 u w e en het vroegere graafschap Zutfen aan de rechterzijde van den IJsel, dat zich sterk ontwikkelt. Dit gewest bezit de fraaiste streken van Nederland, vooral om Arnhem en Nijmegen, waar de bodem tot boschrijke heuvels rijst. Deze provincie brengt de meeste tabak voort. Op29è □ 496,588 inw.

Arnhem, a/d rechteroever van den Rijn, d. i. dcu hoogen Veluwezoom, bijzonder bloeiende stad te midden van heerlijke omstreken; veel expeditiehandel; 45,500 inw., met tallooze buitenplaatsen, vooral in het naburige Velp en Ooster beek.

Wageningen, insgelijks a/d Rijn, mat tabakshandel.

Kuilenburg of Culenborg, a/d Lek, vervaardiging van stoelen. Dc spoorwegbrug heeft dc grootste spauuing (150 meters) van alle bruggen in Europa.

208

ocr page 235

NEDERLAND.

Zalt-Bommel of Bommel, a/d Waal; groote fabriek van ijzeren koukengereedscliap.

Ti el, a/d Waal, vóór de invallen der Noormannen eene rijke koopstad, thans welvarende marktplaats voor koren, aardappelen en ooft.

Nijmegen (Noviómagus), eertijds sterk bevestigd bruggelioofd en handelsstad a/d linker Waaloever, d. i. het hooge Nederrijks woud, op en langs heuvels gebouwd. Van het Valkhof, weleer een Paleis van Karei den Groote, is nog de zoogenaamde Heidensehe kapel en een gedeelte van eene zaal aan de sloopzueht der vorige eeuw ontkomen. Het antieke stadhuis bevat onder andere merkwaardigheden ook Ro-meinsche oudheden in den omtrek gevonden; 29,000 inw. Fraaie omstreken.

Zevenaar, grensplaats aan den Rijnspoorweg.

Doesborg, vesting a/d IJsel, met houthandel en eenige fabrieken.

D o e t i c h e m , a/d Ouden U ssl.

Groenlo of Grol, Borkelo en Lochem, de twee laatste a/d Berkel, kleine steden.

Winter swijk en Aalten, aanzienlijke dorpen met fabrieken, vooral van katoen.

Zutfeu, voormalige vesting en handelsplaats a/d JJsel, waar die den Berkel opneemt; 16,000 inw.

Drie uren N.W.waarts ligt het vorstelijk lustslot het Loo, met heerlijk park, nabij het welvarende dorp Apeldoorn, dat talrijke papiermolens bezit, en 17,000 inw.

Hattem, bij denlJsel, en Elburg, Harderwijk en Nijkerk, op de Veluwe a/d Zuiderzee, zijn kleine steden, de drie laatste met visscherijen en bokkingrookerijen.

6) Utrecht, vroeger „het S t i c h tquot;, tusschen de Lek en de Zuiderzee, kleinste, doch fraaie, vooral in het Z.W. goed bebouwde provincie. Op 35 □ m. 309,332 inw.

Utreeht [Traject-urn ad Rhemini), aan de samenkomst van den Ouden-, Krommcn-en Vaartschen Rijn en de Vecht. Door de gunstige ligging in het midden van het land en van de welvarende provincie, en hare verbinding door water- en spoorwegen bloeit de stad als marktplaats en als punt van aan- en doorvoer; (den loop der spoorwegen, die te Utrecht samenkomen nauwkeurig na te gaan, voornaamste stations; bruggenspoorweg.) Hiertoe dragen nog bij: de in 1636 gestichte hoogeschool, de rijks-veeartsenijschool, het meteorologisch observatorium en de rijks-munt. De vroegere wallen zijn in fraaie wandelingen veranderd, maar in wijderen omtrek omringt haar een halve kring van forten aan de O.zijde ter bescherming van de stad en van Holland. De kaden der grachten, die over gewelfde kluizen loopeu, zijn eenig in hare soort. De domtoren (1321—82) is de hoogste van ons land, 331'. Bovendien bezit Utrecht eene historische eerwaardigheid, zooals geen andere stad in Nederland. Hier werd door Dagobert in 628 de eerste Christenkerk gesticht: het bisdom werd de wieg van het Christendom in Nederland en van daar gingen beschaving en verlichting uit. Hier werd in 1579 door het sluiten der Unie de grondslag gelegd tot Nederlands onafhankelijk volksbestaan; 76,000 inw. (In welke twee opzichten stemt het met Mechclen overeen ?)

Amersfoort, a/d Eem, die hier uit de vereeniging van eenige Veluwsche beken ontstaat, en 4 uur N.waarts in de Zuiderzee valt; 15,000 inw. Eenige koeharen tapijtenfabricken en ook tabaksbouw in de richting naar

Renen, a/d Rijn; W ij k - b ij - D u u r s t c d e, waar de Rijn zijn' naam met dien van Lek verwisselt.

IJ selstein, aan het begin van den Hollandschen IJ sel (tot Gouda ccn kanaal), de plaats der hoepelmakerijen, cn Montfoort, kleine steden.

7) O ver ij sel, tusschen Pruisen en den IJsel, doorsneden door de Vecht en de Regge, in het W. vruchtbaar, in het O. heide en veengrond, doch met nijvere bevolking, vooral in Twente het Z.O.lijk gedeelte. Rogge is het hoofdprodukt, aanzienlijke ooftteelt langs den IJsel. Óp 60| □ m. 288,809 inw.

Zwolle, ii/h Zwarte Water, dat door kanalen met den IJsel en de Vecht verbonden is, en haar ecu' levendigen binnen- en ook buitenlandschen handel verschaft; 24,500 inw.

Kampen a/d IJsel, met eene prachtige vaste brug over dien stroom, die niet ver

309

14

ocr page 236

EUROPA.

van daar de vruchtbare delta, liet Kamper-eiland vormt. Door den aanhoudenden aanwas van deze aan de stad Kampen toebehoorende gronden, door een' vrij uit-gebreiden handel en eenige fabrieken, vooral van kousen, katoen, trijp en sigaren, is deze stad, in het bijzonder sedert 1830, weder eene der bloeiendste van Nederland; vermeldenswaardig is de druk bezochte inrichting ter opleiding voor den krijgsdienst; 18,000 inw.

Voorts de volgende kleinere steden: Hasselt, Zwartsluis en Genemuiden, allen a/h Zwarte Water, met mattenmakerijen van de biezen die in deze streken groeien, en veel handel in turf.

Vollenhoven en Blokzijl, a/d Zuiderzee, met visschcrijen en bokkingrookerijen.

Steen wijk, met leerlooierijen.

Hard enb erg en Ommen a/d Vecht, het laatste vooral bekend door de N.waarts gelegen strafkolonie O m m e r s c h a n s.

Almelo, Oldenzaal en Enschede zijn kleine steden in Twente, zeer welvarend door belangrijke stoom-weverijen en spinnerijen van allerlei katoenen en halfkatoenen en linnen waren; ook de aanzienlijke dorpen Hengelo en Lon-neker bloeien door die nijverheid. In 1833 toen wij door den oorlog met België uit dit land geen linnen meer kregen, en dus genoodzaakt werden ons zeiven te helpen, werd de eerste stoomkatoenspinnerij te Enschede opgericht, thans telt men er in Twente reeds 30. In 1858 werd te Almelo de eerste stoomweverij opgericht en nu bedraagt het getal in Twente reeds 35. Enschede werd reeds vóór de bijna totale vernietiging door den brand in 1862 „Neerlands Manchesterquot; genoemd; thans telt het weder een 30tal stoomspinnerijen en weverijen, en ca de vergrooting met een deel van Lonneker ruim 13,000 inw. De ïwentsche fabrieken verzenden de katoenen stoften, shirtings en calicots, voornamelijk naar Indië.

Deventer, a/d IJsel, waar die de Schipbeek opneemt, levendig handelsvertier, bekende tapijtfabriek en ijzergieterij; 21,500 inw.

Het in 1859 verlaten eiland Schokland wordt onder deze provincie gerekend.

8) Drente; schrale grond doch veenrijk, vooral in bet midden en oosten; slechts s/5 dezer provincie is bebouwd, doch zij ontwikkelt zich merkbaar, sinds een aantal afgegraven venen door goede waterwegen in bloeiende veenkolonicn zijn herschapen; de verlengde Hoogeveensche vaart vooral beeft daartoe veel bijgedragen; rogge, boter en turf zijn de hoofdvoortbrengselen. In de oostelijke helft dezer provincie liggen bier en daar verspreid meer dan 50 Hunnebedden. Op 403 □ m. 125,703 inw.

Assen, net gebouwde hoofdplaats a/d Drentsche hoofd- of Smildervaart, welke langs de aanzienlijke veenkolonie de S mil de loopt naar Meppel; in 1810 000, thans 8500 inw.

In het Z.W. ligt, grootendeels in deze provincie, de weldadigheidskolonie Ere-deriksoord.

Meppel, a/d verceniging van verscheidene kanalen, die zich als Meppeler diep naar het Zwarte Water wenden; welvarend door hare markten, vooral vf.n boter.

Kocvordcn, te midden van venen en kanalen, vroeger eene vermaarde vesting.

Hoogeveen, welvarende veenkolonie; 11,000 inw.

9) Friesland, tusschen de Noord- en de Zuiderzee, bezit de beste weiden; venen vindt men in het Z.O.; meren, maar ook boschrijke streken (het Gaaster-land) in het Z.W., en vruchtbare, goed bebouwde polders in het N. en W.; overal wordt het doorvaarten en wegen doorsneden, welke laatste het tot voor niet zeer vele jaren miste, hetgeen de krachtige bevolking veel eigenaardigs deed behouden. Op 595 □ m. 333,435 inw.

Leeuwarden, uitstekend nette eu fraaie hoofdstad in het midden van het rijkste platteland, dat daar ter markt gaat en aan deze stad haar' voornaamslen bloei schenkt; 29,000 inw.

Erauckcr, met een bekend planetarium, 1773—80 door den wolkammer Eisc Eisinga vervaardigd, voor dien tijd een merkwaardig werkstuk.

210

ocr page 237

NEDERLAND.

Harlingen, a/d Zuiderzee, éénige maar zeer goede handelshaven van Friesland met aanzienlijke vaart op Engeland, door den spoorweg van Nieuwe Schans naar Ihrhove in Duitsehland, met het geheele noorden van dit rijk verbonden. Die spoorweg heeft de scheepvaart op de Oostzee, nit de Groningsohe veenkoloniën ondernomen, nagenoeg vernietigd; vooral uitvoer van boter, kaas, vee en visch; invoer van grondstoffen voor de ïwentsche fabrieken; 10,300 inw.

Weleer bloeiende handelssteden aan de Zuiderzee waren :Workum en Hindeloop e n, welk laatste zich, even als het naburige dorp Molkwerum, door de eigenaardige gewoonten en taal der inwoners onderscheidt, maar bovenal Stavoren, de oudste stad van Friesland, eenmaal de machtigste residentie der Friesche koningen. Nu zi^u die havens grootendeels verzand en verlaten, doch Stavoren heeft thans weder eene spoorweghaven bekomen, die de kans opent op veel doortocht uit en naar Holland. De steden om de Zuiderzee werden door Havard „les villes mortesquot; genoemd. Op vele, vooral die in N.-H., is die naam niet meer toepasselijk.

Sloten en IJ 1st zijn kleine steden in het land. Lemmer, eene zeehaven.

Sneek, 11,000 inw., en Bolsward, markt- en handelsplaatsen, vooral in boter, kaas en vee.

Dokkum, de noordelijkste en op eene na de oudste stad van Friesland, vroeger aan zee, nu bijna 2 uur van de Lauwerszee verwijderd, met aanzienlijken handel in kaas, rundvee, vlas, wol en cichorei.

Tot deze provincie beliooren de eilanden Ameland, met zijne eigenaardige mythologie, en Schiermonnikoog; beiden zijn door de Wadden, aanslibbingen, welke thans door een' in zee gelegden dam van Araeland naar de Friesche kust bevorderd worden, bijna met den vasten wal verbonden.

10) Groningen, het N.O.lijkst gedeelte van Nederland, aan den Dollart en de Noordzee, met het Bourtanger moeras in het Z.O., doch overigens met een' vetten kleibodem, die volgens deskundigen op eene bijna nergens geëvenaarde wijze bebouwd wordt; haver en gerst zijn de hoofdprodukten. Het volksonderwijs in dit gewest staat op hoogen trap. Op 24 □ m. ruim 268,198 inw.

Groningen, in het raidden van de provincie, aan de vereeniging van verscheidene wateren en kanalen, die vroeger ouder den naam van Reitdiep in de Lauwerszee uitstroomeu, terwijl zij nu door het Eemskanaal naar de Eems geleid worden; ruim gebouwd (de Breede markt het grootste plein van Nederland); met belangrijken binnen- en niet onbelangrijken zee-handel (zie echter bij Harlingen), met eene hoogeschool in 1614 gesticht, en een doofstommen-instituut, lang het eenige in Nederland (het tweede 1840 te Nieuw-Herlaar bij 's Hertogenbosch, het derde 1853 te Rotterdam), waarbij het standbeeld van den stichter Guyot; 51,000 inw.

Ap pin ge dam, a/h Damsterdiep, met groote paardenmarkten.

Delfzijl, veilige zeehaven waar het scheepvaartkanaal van Groningen den wijden mond van de Eems bereikt.

Winschoten, bloeiende markt-en handelsplaats; een klein uur N. Wlijker verrijst het sierlijke monument te Heiligerlee.

Hoogezaud, Sappemeer en Veendam, 10,600 inw., aanzienlijke, bloeiende veenkoloniën vroeger met veel scheepsbouw; VVildervank, Oude- en Nieuwe-P e k e 1 a, ook zeer belangrijk in dat opzicht.

Tot deze provincie wordt het eiland Rottum gerekend (door één gezin bewoond).

11) Limburg, langs de Maas uitgestrekt. In het N. met veel venen en heiden, in het Z. heuvelachtig, boschrijk en goed bebouwd, wedijvert het met Gelderland in natuurschoon; rogge, haver en tarwe zijn de hoofdprodukten. Op 40 □ m. 252,134 inw.

Maastricht, aan de linkerzijde der Maas in den Z.W.lijken uithoek, aan den voet van den door zijne uitholingen en fossiele overblijfselen zoo vermaarden St. Pietersberg; het middelpunt van verscheidene kanalen, straat- en spoorwegen; aanzienlijke nijverheid in glas, aardewerk, papier, zoutraffinaderij, branderij en bierbrouwerij; 30,000 inw. Aan de rechterzijde der Maas ligt de door eene brug hiermede verbonden voorstad W ij k.

211

ocr page 238

C/- ,

tisjr* —■ ►*-

^ J24.f/y _______

//Z^A /a f//,

K^-Wquot;/ ' I -----r - -y j y £ f6 ,

'Kerkrad e, in denZ.(/lijkstcn uithoek van/Limburg, is de eenige/plaats van //geheel Nederland,/\vaaï steenkolen gegraven/worden; eene DuitsCne .-liiaatsehappij ( laat er nieuwe mijnen ontginnen. C

S i 11 a r d, landstadje.

Roermond, fabrieksstad (halfwollen goederen) aan de Maas en den mond der

Roer; 11,000 inw.

Weerd, aan de Zuid-Willemsvaart.

Ve n 1 oo, aan de Maas, met belangrijken doorvoerhandel, kruispunt van spoorwegen. Buitenlandsche Bezittingen.

In Azië: het grootste gedeelte van den uitgestrekten Indischen Archipel, vooral de S o e n d a -e i 1 a n d e n en M o 1 u k k e n. Op 28,000 □ m. ongeveer 25 mill. \\\w

In Zuid-A merik a: Suriname met de stad Paramaribo. Van de kleine Antilles: St. Eustathius, de helft van St. Martin, Saba, en de eilanden onder den wind, waarvan Curacao het voornaamste is. In Australië; het westelijke gedeelte van N i e u w - G u i n e a, zonder vaste nederzetting.

/mJZ.

Lijst der 30 grootste steden in Nederland

Amsterdam . . . 366,660 Tilburg..........31,000

Rotterdam. . . . 169,500 Maastricht. . . . 30,000

's Gravenhage . . 134,552 Leeuwarden. . . 39,000

Utrecht..........76,000 Dordrecht. . . . 29,000

Groningen. . . . 51,000 Nijmegen .... 29,000

Arnhem..... 45,500 Delft/............27,200

Haarlem..........45,600 's Hertogenbosch 26,000

Leiden............43,800 en de bezittingen.

Schiedam .... 24,500

Zwolle............24,500

Deventer..........21,500

den Helder . . . 20,500

Breda............19,500

Gouda............19,200

Middelburg . . . 16,300


Paramaribo Mangkasar.

70,000 45,000 40,000

22,000 20,000

Soerakarta. . . . 125,000 Soerabaia .... 121,000 Batavia..... 97,000

In de koloniën. Samarang . . .

Palembang . Djokjokarta .

Groot Britannië en Ierland.

(5720 □ m. 35,700,000 inw.).

Gelegen tusschen Noordzee en Atlantischen Oceaan, in het midden van het landhalfrond der aarde, als geroepen tot vorming eener groote zeemacht, heeft Groot-Britannië zich met al zijne hulpbronnen en al zijne krachten op het zeewezen toegelegd, overal aanlegplaatsen voor zijn wereldverkeer bemachtigd en als beheer-scher van den Oceaan in alle werelddeelen staten gegrondvest; zoo is dit eilanden-rijk de eerste markt der aarde geworden, en ziet zich, door het bezit zijner over de geheele wereld verspreide koloniën, als Protestantseh rijk in slaat, om met kracht van geest en wil de uitbreiding van het Christendom allerwege te bevorderen. Intusschen is Engeland eerst in de 15e en 16e eeuw den kring der zeevarende natiën binnengetreden. Vóór de ontdekking van Amerika lag het aan het einde der aarde; de handel bepaalde zich toen tot de Middellandsche-, Oost- en Noordzee; de oorlogen met Frankrijk en binnenlandsche twisten namen alle krachten der natie in beslag; bovendien had het niets anders uit te voeren dan koper, wol, tin en huiden. Na die ontdekking, onder Elizabeth en Cromwell, vormde het zich tot eene zeevarende natie, voornamelijk door de acte van navigatie, waardoor Hollands vrachtvaart een zware slag werd toegebracht. Sedert het midden der

ocr page 239

GllOOTUUITANNIK EN IERLAND.

vorige eeuw heeft het zich als handels- en zeemogendheid zegevierend gehandhaafd; gelijktijdig breidde het zijne koloniën in alle werelddeelen uit.

De ligging van de vlakten en van de gebergten was van grooten invloed op de Britsche geschiedenis. Terwijl het bergachtige westelijke deel in Ierland toevluchtsoorden voor de oudste bevolking werden, maakten de vlakke naar het vasteland toegekeerde zuidoostelijke gedeelten van Groot-Britannië de overkomst van nieuwe bewoners gemakkelijk. De Kelten, de oudste bewoners, waren het Kanaal overgestoken, toen het Nauw van Galais misschien nog niet bestond; zij werden gevolgd door de Eomeinen; van de monden van Elbe en Wezer kwamen de Anglen en Saxen; over de Shetlandsche en Orkadische eilanden landden de Denen en Noren; in lOfiG eindelijk werd het land veroverd door de Normandiërs; omgekeerd waren vroeger eenige Kelten (Britten) naar het schiereiland getrokken, dat van hen den naam van Bretagne kreeg.

Wat de ligging aangaat, bevindt noordwestelijk Engeland zich onder gelijke breedte met Labrador en ligt Groot-Britannië tusschen de parallellen van Stockholm en Krakau, terwijl Ierland dezelfde noordelijke breedte heeft als Pruisen en Polen. Het Hoofd-eiland (Engeland en Schotland) is in het N. smal, in het Z. breed, 120 m. lang; het nadert Frankrijk bij Dover tot op nog geen 5 mijlen, en Ierland tot op 10 mijlen met de Z.W.spits van Wales en in het N.W. tot op 3 mijlen met het schiereiland Cantire of Kintyre.

Ten opzichte van zijn' vorm bezit Groot-Britannië veel overeenstemming met Europa's Z.O.lijkste schiereilanden, aanzienlijke kust-ontwikkeling, diep insnijdende zeeboezems, vér uitstekende schiereilanden, smalle landengten en talrijke groepen eilanden aan Schotlands N.W.zijde. (Volgens de kaart, evenals de voornaamste eilanden en kapen, op te noemen.) Terwijl echter in Engeland de ontwikkeling toeneemt van Zuid naar Noord, heeft op het Balkanschiereiland het omgekeerde plaats. (Zou dit voor Engeland ook niet beter geweest zijn?)

Door de naburige zeeën is het klimaat zeer vochtig, doch buitengemeen zacht, vooral in het Z.W. De winter is er warmer dan in het grootste deel van Frankrijk en niet strenger dan in Lombardije, de zomer is er koeler dan in Zweden; voorjaar en herfst zijn vochtig, vandaar de zoo welige groei van het gras. Het loof der groene wouden wederstaat zelfs hier en daar den winter; hetgeen aan Ierland, waarop het gezegde bijzonder toepasselijk is, den naam van het altijdgroene of smaragd-eiland gegeven heeft. De nabijheid der zee oefent niet alleen haar' matigenden invloed op de jaargetijden uit, maar tempert ook het verschil van ligging onder verschillende breedtegraden; zoo is het klimaat van Edinburg weinig kouder dan in het Z., maar dat der noordelijke hooglanden van Schotland is ruw. De zomerwarmte is echter niet voldoende om de wijndruif te doen rijpen. De grond is, enkele bergachtige distrikten en heide- en moerasgronden uitgezonderd, buitengemeen vruchtbaar en levert, vooral in Engeland, door de uitstekende bebouwing, de ruimste vruchten op. De vruchtbare akkergrond wordt niet als op onze delta-eilanden aangevoerd, maar ontstaat (evenals in Zuid-Zweden) door verweering op de plaats zelf (da maar de).

De bewoners der beide landen zijn Germanen en Kelten of Galen. In de 5de eeuw togen de Saksers er voor het eerst heen; dezen werden wel sedert 1066 (de verovering door Willem van Normandië) onderworpen, doch hunne taal maakt nog den grondslag uit der Engelsche taal, zoodat zelfs de woorden van Noord-Franschen oorsprong, waaruit zij voor de helft bestaat, naar den Saksischen klemtoon zijn vervormd. In de rechtspraak en het parlement gebruikt men thans nog eenige Fransche termen. De Kelten, het overblijfsel der oorspronkelijke bewoners van Britannië, verwant met de in de 3de eeuw naar Britannië getogen stammen, spreken eene geheel eigenaardige taal in verscheidene zeer van

213

ocr page 240

EUROPA.

elkander afwijkende tongvallen in Hoog-Schotland en op alle westelijke eilanden, in Wales en Cumberland en op het eiland Man, vooral in Ierland, waar zij als Ieren de hoofdbevolking uitmaken.

In Engeland is de Engelscli-Episcopaalsclie kerk do heerscliende, ofschoon alle Christelijke sekten („I) issentersquot; genoemd ter onderscheiding van de aanhangers der staatskerk), even als alle overige eerediensten vrije godsdienstoefening hebben. In Schotland is de strenge Presbyteriaansche de godsdienst van het land, ofschoon de helft der bevolking toegetreden is tot de Free Kirk, welke gesticht werd omdat den gemeenten bij de keuze der geestelijken eene stem geweigerd werd. Ook voor Ierland gold tot 1869 de Episcopaalsche kerk als staatskerk, | der bevolking behooren daar echter tot de Eoomsch-Katholieke kerk.

De regeering is ook in de vrouwelijke linie erfelijk. De macht van den vorst wordt beperkt door het Parlement, de wetgevende macht, dat uit twee lichamen bestaat, namelijk; 1) het Hoogerhuis (House of Lords), dat erfelijk, uit den hoogsten adel gevormd en tegelijk het hoogste landsgerechtshof is, en 2) het Lagerhuis (House of commons), uit de burgers naar verhouding van het getal inwoners en van hunne bezittingen gekozen.

Het staande leger voldoet ter nauwernood aan de behoefte van moederland en koloniën, doch het vertrouwen op den goeden nationalen geest tot vrijwillige dienstneming bij het uitbreken van een' buitenlandschen oorlog en op de hoogst aanzienlijke en voortreffelijk onderhouden vloot verwijdert iedere bezorgdheid. (Een staand leger is eene bedreiging der vrijheid; daarom weigerde het parlement den koningen steeds de middelen zulk een te vormen. Als insulaire mogendheid heeft Engeland het tegenover het buitenland ook niet noodig.)

Niettegenstaande de renten der schuld bijna evenveel bedragen als die van alle West- en Midden-Europeesche rijken te zamen, uitgenomen Frankrijk, overtreffen de inkomsten meest altijd de uitgaven, ten gevolge van de ontwikkelde nijverheid en den sterk bloeiendeu handel.

Met de bezittingen in andere werelddeelen omvat het 405720 □ m., met bijna 305 mill, inwoners.

Ter vergelijking diene:

Het Russische Rijk, groot 403340 □ m. met 98 mill. inw. Het Chineesche „ „ 214000 Q m. „ 380 „ „

Engeland (met Wales).

(2743 □ m., 24 mill. inw.).

De gebergten nemen 1 der oppervlakte in, behooren tot het westelijke gedeelte en splitsen zich in de volgende afgezonderde groepen; 1) in het Z.W. de granietketen van het schiereiland Cornwall (1500') met onuitputtelijke tin- en koper-beddingen ; 2) de Penninische bergketen of het Peak [piek] gebergte in het midden van Engeland, van de bron van de Trent tot aan de Schotsche grenzen, met vlakten rechts en links, rijke steenkolen- en ijzermijnen aan de hellingen, vooral aan het dal van de Beneden-Tyne bij Newcastle, in het westen van Yorkshire, in het westen van Lancashire en in de vlakten tusschen de Trent en Severn, ten N. van Birmingham; 3) westelijk van den berg Crossfell (2900') in het N.W., het steile Cumberlandsche gebergte op het Cambrische schiereiland, met beddingen van steenkool en grafiet (vervaardiging der Engelsche potlooden in het naburige Keswick); de mijnen worden tot onder de zee uitgegraven, zoodat men de branding boven zich hooren kan; somtijds storten zij dan ook in. 4) het met het St. George-kanaal evenwijdig loopende hooggebergte van het schiereiland W ales [oeëels], met de op zich zelf staande groep van den S n o w d o n

214

ocr page 241

GROOT-BRITANNIE EN IERLAND.

[snood'n] 3500', tegenover het eiland Anglesea. Ook zijn rijkdom bestaat in steenkolen en ijzermijnen, vooral in het zuidelijke graafschap Monmouth [-muzk].

De Britsche rivieren hebben haar' oorsprong over het algemeen op geringe hoogte van de zee, dus weinig verval en rustigen loop, daarbij monden zij in lage vlakten en in wijde, diep indringende zeeboezems uit, waarvan het gevolg is, dat de vloed tot ver in het land dringt; zij zijn daardoor ook op verren afstand van den mond bevaarbaar. Drie zoodanige bezit het gewest der industrie in het zuidelijke deel; de Severn in het kanaal van Bristol, de Mersey in de lersche zee en de Trent in de Noordzee. De breede landbouwende vlakte, naar de Noordzee en het Kanaal hellend, bezit twee voorname rivieren: de Theems en de Ouse, beide naar de Noordzee. Aan die rivieren liggen verscheidene der belangrijkste van de 500 havens van Engeland. Buitendien wordt door tallooze kanalen (meer dan 100 in Engeland en Schotland, van welke het Bridgewater-kanaal in het W. het Derby-kanaal, Grand Junction en Grand Trunc, in het midden van Engeland en het Caledonische in Schotland de gewichtigste zijn) en door de steeds vermeerderende spoorwegen het verkeer begunstigd. (Engeland vereenigt het kanalennet van Nederland met het spoorwegnet van België.)

De hoofdmiddelen van bestaan zijn: 1) de landbouw; de bron van welvaart der vruchtbare oostelijke vlakke streken, vooral der schiereilanden Kent en Norfolk; 3) de veeteelt, op de hellingen der bergen van Yorkshire, Northumberland, Cumberland, en op de keten van krijtheuvels in het Z. van Londen; 3) de nijverheid, wier verschillende takken aan de hellingen van het Peakgebergte het krachtigst bloeien; in het W. de verwerking van boomwol te Manchester, waarvan Liverpool de wereldmarkt is; in het O. te Leeds de verwerking van schapenwol, welke vooral in Yorkshire, maar het meest in het graafschap Lincoln gewonnen of over Huil binnengevoerd wordt; in het midden Sheffield, iets zuiderlijker Birmingham, middelpunten der bewerking van het ijzer; 4) het met die nijverheid zoo nauw verbonden mijnwezen, vooral in de bovengenoemde bergdistrikten; de steenkool „de zwarte diamantquot; neemt als onontbeerlijk middel voor Engelands reusachtige industrie de eerste plaats in; daarop volgen in belangrijkheid het ijzer, tin, koper en lood.

Overzicht van de voornaamste kolenbekkens en der daarmee samenhangende nijverheidsdistrikten;

A. Kolenbekken van Oheviotgeb.-Durham: uitvoer van Newcastle naar Londen en de havens der Noord- en Oostzee.

B. Kolenbekken van Leeds-Derby:

a. lakenindustrie in Leeds, Bradford, Halifax en Huddersfield.

b. kousenweverijen in Derby, Nottingham en Leicester.

c. staalfabrieken in Sheffield.

C. Kolenbekken van Liverpool-Freston:

a. katoenspinnerijen in Blackburn, Manchester, Preston, Bolton, Oldhain en Stockport.

h. zijdeweverijen in Macklesiield.

c. horlogefabrieken in Coventry.

cl. pottenbakkerijen (potteries) in Stoke a/d Trent.

D. Kolenbekken van Birmingham: metaalfabrieken van die stad.

E. Kolenbekken van Zuid-Wales. De kool is anthraciet, welke men eerst door den toevoer van heete lucht leerde verbranden. Sedert worden ertsen van de geheele aarde gevoerd naar de hoogovens van Swansea en Cardill.

P. In Schotland strekt zich eene. kolenlaag uit door de vlakte Glasgow-Edinburgh , waardoor Glasgow de wereldmarkt voor het ijzer geworden is.

Door de ontwikkeling der nijverheid is het politieke zwaartepunt van de landbouwende steden in het zuid-oosten verplaatst naar de fabriekssteden in het noord-westen.

215

ocr page 242

EUROPA.

5) de handel en sckeepvaart, begunstigd door de prachtigste kanalen en de reeds vermelde talrijke havens, waarvan de belangrijkste aan de west- en zuidkust; aan de zuidkust liggen tevens de grootste oorlogshavens. Middelpunten van het handelsverkeer ter zee zijn Londen, Liverpool, Bristol en Hull.

De 7 koninkrijken der Saksen en Anglen, welke dagteekenen van de 5de en 6de eeuw, zijn later verdeeld in Graafschappen of Shires, 40 in Engeland en 12 in het Prinsdom Wales, zeer verschillende in grootte en belangrijkheid.

A. Z u i d - E n g e 1 a n d.

1) Xoninkrijk Kent (Cantium).

Tusschen de Theems en de Hoofden. Het eerst gegrondveste en kleinste der Saksische koninkrijken.

Canterbury [kénterb'ri], zetel van den eersten aartsbisschop der Anglikaansche kerk, met eene prachtige kathedraal uit de 13de eeuw. De St. Martinuskerk, van Rorneinsche steenen gebouwd, is volgens zeggen uit de 2de eeuw, dus de oudste kerk van Engeland. Vooral hopteelt in den omtrek; 28,000 inw.

Dover [doov'r], havenstart, omsloten door krijtrotsen, waarop het kasteel en de vestingwerken staan; 28,000 inw. Overvaart naar Calais, jaarlijks 30—40,000 reizigers, ïunbridge Wells, zeer bloeiende badplaats, beroemd om de gezonde lucht en

bekoorlijke omstreken; 14,000 inw.

Maidstone, handel vooral in hop, koorn en vruchten; 30,000 inw.

C h a 11 a m [tsjett'm], a/d mond van den Medway [-oeëe], hoofdligplaats der oorlogsvloot,

met groote scheepswerven en arsenaal, tevens vesting; 48,000 inw.

E, o chest er [rótsj'ster], dat met Strood [-oed], als het ware ééne stad vormt

en bijna met Chattam te zamenhangt, van hooge oudheid; 22,000 inw. Gravesend [greevs'endl havenstad, in de laatste jaren zeer bloeiend, met uitgestrekte wannoezerijen, die Londen en de uitzeilende schepen van groenten voorzien, geliefkoosd uitspanningsoord voor de burgers van Londen; 23,000 inw.

Woolwich [oeöellitsj], bij Londen a/d Theems, met de verbazende kon. scheepswerven, tuighuis voor de kon. marine en artillerie en bijbehoorende geschutgieterij (Armstrongkanonnen). Militaire akademie. Museum van wapenen van allerlei tijden en volken; 80,000 inw.

Greenwich [grienitsj], a/d Theems, grenst aan Londen; met het prachtige invalidenhuis voor rijkszeelieden, door onzen Willem 111 gesticht. Het park, waarin het alom bekende astronomische observatorium staat, is eene der wandelplaatsen van de bevolking van Londen; 100,000 inw.

Deptford [des'furd], grenst onmiddellijk aan Grcenwieh en aan de voorsteden van Londen. Kon. marinewerf. Ook hier bestudeerde Peter de Groote de scheepstim-merkunst; 40,000 inw.

2) Kon. Sussex.

Aan de Theems gelegen.

Richmond fritsjmund], met een groot koninklijk park, in den zomer de wandelplaats van rijk en arm uit Londen.

Kew [kjoe], met een' prachtigen, rijken botanischen tuin, die voor iedereen toegankelijk is en jaarlijks door wel 500,000 personen bezocht wordt. HarnptonCourt [hempt'n koort], park met kasteel, een weinig verder a/d Theems, een waardige tegenhanger van de beide vorigen.

Aan het kanaal:

Hastings [hee-], van hooge oudheid, beroemde badplaats en uitnemende scheepsbouw; 42,000 inw.

Brighton [breit'n], snel in bloei toenemende haven- en luisterrijke badplaats. In het begin van deze eeuw 8000 inw., thans 108,000 inw.

216

ocr page 243

GEIOOT-BKITANNIÜ EN IERLAND.

3) Kon. Wessex.

Tusschen het Engelscbe- en het Bristol-kanaal, in het N.W. door de Theems begrensd.

Windsor, a/d Theeras. Hier is sedert acht eeuwen de koninklijke residentie, met

vele bewijzen van vroegere en tegenwoordige grootheid; 13,000 inw.

Reading [rieding], oude stad; meelhandel; 42,000 inw.

Portsmouth [poorts'rauzh], vesting en grootste oorlogshaven; de scheepswerven en magazijnen voor seheeps- en oorlogsvoorraad zijn de grootste der aarde, hoofdverzamelplaats voor de Britsche vloot op de veilige rcede, Spithead [hed] genaamd; 130,000 inw, Hiertegenover ligt het vruchtbare en bekoorlijke eiland:

Wight [oeeit], met aangenaam gematigd klimaat; de heuvels in het zuiden houden de stormen uit het kanaal tegen; 55,000 inw. Aan de X.zijde ligt de voornaamste haven Cowes [kau's] en het koninklijke zomerverblijf Osborn house. Southampton [zauzhempt'n], a/d zeeboezem van dien naam. Uitstekende handelshaven; eerste aanlegplaats voor de stoomvaart uit Amerika, Azië en Australië; 60,000 inw.

Winchester [oemtsj'ster], oude stad van eerwaardig uiterlijk, reeds gewichtig vóór de Romeinen en later nog meer onder de Angelsaksen, residentie en hoofdstad van Alfred den Grootc en van Kanoet; 17,000 inw.

Salisbury fsolsberf], met de beroemdste hoofdkerk van EnKeland, uit de 13de eeuw; 15,000 inw.

If ra. N. van Salisbury bevindt zich op eene vlakte een vermaard gedenkteeken der oudheid (waarschijnlijk der Druïden), Stone h enge genoemd, bestaande uit een aantal ontzaglijke steenen, die grootendeels nog overeind staan, in drie cirkels, terwijl andere platte steenen nog gedeeltelijk daar boven op liggen.

Aan het kanaal.

Dorchester [dórtsj'ster], met Ilomeinsche oudheden, vooral een stuk muur van 20' dik, en de ruïnen van een groot amphitheater.

Aan het kanaal van Bristol.

Bath [baazh], in een eng dal, a/d Avon [evv'n1, beroemde heete zwavelbronnen, jaarlijks ongeveer 25,000 badgasten; laken- en papierfabrieken; 50,000 inw. Van het Engelsche kanaal tot het kanaal van Bristol.

Exeter, in eene vruchtbare streek met veel handel en wolfabrieken; 38,000 inw. Plymouth [plim'muzh], met eene oorlogshaveu, de tweede in rang en eene handelshaven, aan de Plymouth-sound. De dijk in zee aangelegd om de golven te breken (Break water [breekoeóter]) is een der grootste werken van onzen tijd; 89,000 inw.

Stone house, hiermede onmiddellijk verbonden, bezit een viktualie-magazijn op reusachtige schaal.

Devonport, dat van Plymouth slechts door een' inham van den Sound gescheiden ia, heeft zeer sterke vestingwerken en bijzonder fraaie scheepswerven met al de daarbij behoorende fabrieken; 50,000 inw.

Bovengenoemde drielingstad is uit een krijgskundig-, handels- en ook industrieel oogpunt merkwaardig. Op eene rots midden in zee hiertegenover ligt de vuurtoren van Eddystone.

Het eindigt in het W. bij de kapen Landsend [lend-] en Lizard [iïzzurd]. Hierbij de Scilly-[silli-]-eilanden (Er. Les Sorlingues), volgens sommigen de Kassi-terides (tin-eilanden) der Phoenieiërs; dezen leveren echter thans geen tin op, maar ö daarvan zijn bewoond door loodsen, visscbers en veehoeders; Cornwall daarentegen is rijk in tin en koper, en telt eenige wegens het zachte klimaat zeer bezochte kustplaatsjes.

Truro, de stapelplaats van de tin- en kopcrerts, die hier voor den handel omgesmolten wordt; 11,000 inw.

Falmouth [félmuzh], goede zeehaven.

B. Midden-Engeland en Wales.

217

ocr page 244

EURO l'A.

4) Kon. Essex.

Aan de Beneden-Theems en de Noordzee.

Harwich [harritsj], de naaste zeeliaveu voor Nederland.

Londen (London), eene wereldhandelsstad, de hoofdstad van liet eerste handelsvolk der aarde, in het middelpunt der rijkste en vruchtbaarste provinciën van Engeland, eene wereld op zich zelve, Engelands levensader, aan de oevers der Theems, welke zich lager aanmerkelijk verbreedt. (De Theems, E. grootste rivier, stroomt op dat punt in zee, waar het land het continent het dichtst nadert; verder kan het bekken der rivier door kanalen gemakkelijk met het binnenland in verbinding gebracht worden). De stad beslaat 32000 H.A. of 6—7 maal meer oppervlakte dan Parijs, van het O. naar het W. 3 geogr. mijlen lang, van den zeespiegel in de wijk Hampstead tot 135 meter hoogte reikende. Het grootste gedeelte ligt aan den noordelijken oever en bevat: 1) de oude stad of de City, voornaamste zetel der kooplieden, met de Beurs, de Bank en de St. Pauluskerk, en aan de Theems de Tower [touw'r], vroeger een versterkt paleis, later eene staatsgevangenis, thans bewaarplaats der archieven, kroonjuweelen en historische wapenrustingen. Westelijk hiervan 2) Westminster, woonplaats der grooten, met de meeste en fraaiste parken en pleinen (Grosvenor Square [groov'ner skweer], Hydepark [haipaark]), parlementsgebouw, Westminster-abdij en koninklijk paleis. Buiten deze hoofddeelen onderscheidt men nog het elegante Noordwest- en het nijvere Oost-eind, dit laatste met de Londen-, Oost- en West-Indische dokkeu. Aan den zuidelijken oever, binnen de kromming, in Surrey en met de voorsteden zelfs tot in Kent reikende, ligt 3) Southwark [süzhurk], voornamelijk de zetel der nijverheid; 13 bruggen verbinden de twee oevers met elkander; de sierlijke Waterloobrug, een reuzenwerk, is 1300' lar,g. Van de Londenbrug, de benedenste, oudtijds de eenigste, thans de nieuwste, voert een spoorweg over de huizen van Southwark over 1000 bogen naar Greenwich; buitendien doorsnijden verscheidene andere spoorbanen de stad boven en onder den grond. Verder naar beneden, waar de scheepvaart geen brug meer gedoogt, onderhouden twee tunnels ouder de Theems het verkeer, waarvan de eene voor voetgangers, de andere (oudste) uitstekend voor spoorwegverkeer dient. Als middelpunt van de ontwikkeling van den geest bezit Londen twee hoogescholen en talrijke andere vereenigingen en verzamelingen tot bevordering van wetenschap en kunst, bovenal het wereldberoemde Britsche museum, dat de grootste bibliotheek van handschriften, oorkonden en boeken, de rijkste verzameling van kunst- en natuurschatten

• van alle landen en tijden bevat. Het welbekende Cristal palace [krist'1 pélles] bij Sydenham [sidd'nhem], ligt Ij m. ten Z. van het station Londonbridge. De bevolking, in het begin dezer eeuw 1 mill., bedraagt nu met de voorsteden ruim 4 mill.

5) Kon. Oost-Angeln.

Tusschen de Guse en de Noordzee vooruitspringend.

Lowestoff, visscherij en badplaats, de oostelijke plaats van Britaunië; van hier gaat een telegraafkabel naar Zandvoort; 11,000 iuw.

Norwich [nórrits]. Beeds in de 15e eeuw waren in deze streek lakenfabrieken door Vlamingen opgericht, die later onder Elisabeth door 4000 nieuwe Vlaamsehe vluchtelingen vermeerderd werden, zoodat het in de 17de eeuw de eerste manuvaktuurstad van Engeland was. Thans nog eene nijvere stad (shawls, zijde enz.); 90,000 inw.

Yarmouth, belangrijke zeehaven, de hoofdplaats der Engelsche haringvisscherij; 42,000 inw.

Cambridge [keembritsj], met eene beroemde oude hoogesehool, 500 studenten; 33,000 inw.

6) Kon. Mercia.

Het grootste der Angelsaksische koninkrijken, een groot vierkant in het midden

van Engeland.

a. Theemsgebied.

Oxford, a/d noordelijkste bocht der Theems, die van hier hooger op ook Isis [aisis] heet, met de beroemdste en rijkste universiteit, met grootsche daarbij behooreudc

218

ocr page 245

GROOT-BRIÏANNIË EN IERLAND.

gebouwen, zalen en merkwaardigheden en 1800 studenten. De Bodleyaansche bibliotheek bevat wellicht Europa's rijkste handschriften-verzameling. Grooter aantal van oude en prachtige Gothisene gebouwen van 300—1000 jaren ouderdom wordt nergens elders bijeen aangetroffen. Het bezoek van een dezer colleges behoort van ouds tot de opvoeding van lederen adellijken erfzoon; 38,000 inw.

h. Gebied van den zeeboezem Wash [oeosj].

Bedford, a/d Ouse, beroemd om de verscheidenheid en grootte der inrichtingen van weldadigheid en opvoeding; 13,000 inw.

Northampton [norzhémten], lederwerk en paardemarkten; 50,000 inw.

Lincoln, ook in den tijd der Normandiërs eene der eerste steden. Menigte oudheden uit beide tijdperken; 27,000 inw.

Great -[greet-] Grirasbv, bii den mond van de Humber, geduchte mededingster voor Huil; 30,000 inw.

c. Gebied van de Trent.

Leicester [les'terl, tusschen Londen en Manchester; kousen en katoenfabrieken; 120,000 inw.

Stafford [steffurd], hoofdzakelijk leder-industrie; 13,000 inw.

Wolverhampton, 75,000 inw. Van hier tot aan Birmingham binnen een cirkel van slechts 3 m. middellijn liggen nog zes aanzienlijke fabrieksplaatsen van 15—45,000 inw.; Willen hall, Bilston, Walsall, Wednesbury, West-Brom-wieh en Dudly, een land van ijzer- en steenkolenmijnen, en van fabrieken van allerlei aard.

Stoke, a/d Trent, is de hoofdwerkplaats van een distrikt, dat in kleinen omtrek nog verscheidene aanzienlijke fabrieksplaatsen omvat en gewoonlijk genaamd wordt de „Potteriesquot; naar de vervaardiging van het aardewerk. De uitvinder in het laatst der vorige eeuw, Josiah Wedgwood, gaf zijn landgoed den naam van Etruria. De klei, mergel en steenkolen worden in de nabijheid gevonden; 160,000 inw.

Derby, bekend door de vermaarde wedrennen, welke thans echter nader bij Londen gehouden worden, groote zijde- en poreelein-fabrieken; 80,000 inw.

Nottingham [-ingem], a/d Trent, met de grootste kousenweverijen van Engeland; 90,000 inw.

d. Gebied der Dee [die] en Mersey [-sie].

Chester [tsjst'r], oude en ouderwetsche stad a/d Dee, te midden van vruchtbare weiden; uitvoer van Chester-kaas en van zout, 37,000 inw.

Macklesfield [mékkels-], hoofdzetel der zijdespinnerijen; 35,000 inw.

Stockport, a/d Mersey, katoen-, maar vooral hoedenfabrieken, ook in de hierbij gelegen plaatsen; 60,000 inw.

e. Gebied van de Severn.

Much Wenlock [mutsj oeënlok], te midden van uitgestrekte kalksteengroeven; 22,000 inw.

Worcester [wors'ster], a/d Severn; beroemd porselein. De hopmarkt is eene der grootste van Britannic; 35,000 inw.

Lea m ington [li-], eene der aanzienlijkste badplaatsen van Engeland; 16,000 inw.

Coventry [kóvv'ntri], handel, fabrieken vooral ook van horloges; 42,000 inw.

Bi rmingham [burming'em], de grootste werkplaats der wereld voor metaalwaren; met S o h o vereenigd 400,000 inw

Monm outh [-muzh], a/d Wye; ijzer- en tinmijnen in don omtrek,

Gloucester fglos'ster], handels- en fabrieksplaats a/d Severn; 17,000 inw.

Cheltenham [tsjelt'nhem], bezochte badplaats; 44,000 inw.

Bristol [brist'1], a/d Lower-Avon [évvun], derde handelsstad des rijks; glas-, suiker-, brandewijn- en metaalfabrieken. Hoewel 1-^ m- T!ln de kust verwijderd kan de stad door den hoogen vloed (waarom hoog?) nog door groote zeeschepen bereikt worden. Druk verkeer met Z.W. Europa. Van hier uit deden de Cabots, vader en zoon, hunne ontdekkingstochten naar N.Amerika; 200,000 inw.

219

ocr page 246

EUROPA,

C. Noord-Bngeland.

7) Kon. Northumberland.

a. Gebied der lersclie zee.

Lancaster [léngkester], uitvoerhandel van katoen- en ijzerwaren, steenkool en kalksteen; 21,000 inw.

Liverpool [livverpoell, a/d mond der Mersey, tweede handelsstad van het rijk. De toegang tot de stad wordt door zandbanken zeer bemoeilijkt. Door uitbaggeren, vuurtorens, vuursehepen, klokken, bakens enz. heeft men de nadering eehter te allen tijde mogelijk gemaakt. Het is de eerste haven van Engeland met aanzienlijker reederij dan die van Londen; druk verkeer met Noord- en Zuid-Amerika, West-Indie en Zuid-Afrika. Vooral door de katoenindustrie in dc oostelijke naburige distrikten heeft de stad, die tot in het midden der vorige eeuw niet genoemd ■werd, zulk eene hooge vlucht genomen. Zij is de eerste katoenmarkt der aarde. Reusachtige dokken langs de rivier en bij het hier tegenover in het graafschap Chester gelegen Birkenhead [burk'nhed] (met GG,000 inw.) vervullen de plaats van eene haven; een tunnel verbindt thans beide oorden. Het kanaal van Leeds naar Liverpool, dat over de hergen van Yorkshire loopt, 20 m. lang, is het stoutste van Engeland. De spoorweg van Liverpool naar Maneliester was de eerste in Europa. De voornaamste invoerartikelen zijn ruwe katoen en tabak. Men berekent dat Liverpool van de scheepvaart van Engeland 1/10 bezit, van dcu buitenlandsellen handel 1/10, van den algemeenen handel 1/0 en half zooveel handel als Londons haven. Bijna de helft van Engelauds uitvoer vindt plaats over Liverpool; 1/3 van den uiten invoerhandel van Liverpool heeft plaats met Amerika; 550,000 inw.; in 20 jaren is de bevolking verdubbeld.

Manchester [mentsj'ster], a/d Irwell eu het Bridgewater kanaal, met het tegenover gelegen Sal ford [sélfurd] de eerste plaats der aarde in katoenwaren-fabrikatie. Het genoemde kanaal, m. lang, werd aangelegd door den hertog van Bridge water voor het steenkolenvervoer uit zijne mijnen, eerst J uur in den berg en daarna zelfs over het dal waardoor de Irwell vloeit, zoodat daar de schepen boven elkander heen varen. Het heeft buitendien gemeenschap met andere kanalen in het Z. en N.; 520,000 inw.

Als men de steden Liverpool, Sheffield, Leeds en Preston door denkbeelcige lijnen vereenigt, dan bevindt zich binnen dit vierkant van 7 m. lengte en 11 — 14 m. breedte, met Manchester als middelpunt, een groep steden en dorpen zoo groot en talrijk en dicht bijeen als nergens ter wereld, met honderden fabrieken, waarin katoen, ijzer, glas, wol eu zijde tot alle mogelijke vormen verwerkt worden. Do grootsten hiervan zijn (in Lancashire):

Warrington, 102,000 inw,, Oldham [óldhem], 110,000 inw., Rochdale [rótsjdeel], 70,000 inw., Boltou [boolt'n], 105,000 inw.. Preston [-t'n], 100,000 inw., Blackburn [blék-], 105,000 inw.

Carlisle [kaarlail], a/d Eden. Hier langs gaat de Pieten-muur (in 120 door Hadrianus gebouwd) van de golf van Solway naar den mond van de Tyne bij Newcastle; 36,000 inw.

Van de landsteden is Penrith de grootste. I5 m. NO. hiervan wordt het merkwaardige gedenkteeken der Druïden gevonden, namelijk een kring van 67 ontzaglijke steenen met de grootste, 18' hoog, daarbuiten, door het volk ,/Meg (d. i. Griet) en hare dochtersquot; genoemd.

h. Gebied der Noordzee.

ï o r k, a/d Ouse. Als Eboracum onder de Romeinen de eerste stad van dc provincie Britannia; ook in de middeleeuwen groot en gewichtig. De gothisehe dom is een der fraaiste van Europa; het orgel na dat van Haarlem het grootst. Thans eene stille stad met 55,000 inw.

Scarborough fskarbro], fraaie zeebadplaats; 30,000 inw.

Huil, eigenlijk Kingston upon Hull (eene zijrivier van de Humber), vierde zeehandelsstad van het koninkrijk; uitvoerhaven voor de Britsehe fabrikaten naar het noorden van Europa; stoomvaart op de voornaamste plaatsen aan het Kanaal, de Noord- en Oostzee; 150,000 inw.

220

ocr page 247

OKOOT-BRITANNIË EN IERLAND.

Leeds [lieds], de belangrijkste fabrieksplaats van wol en laken, in het boven bij Manchester vermelde dicht bevolkte vierkant; 300,000 inw. De grootste naastbij-gelegen steden dezer deels aan de wol, deels aan het ijzer gewijde streek zijn: Bradford [bréd'furd], 185,000 inw., Halifax [héllifex], 75,000 inw. en H u i-

dersfield, 80,000 inw.

Sheffield, zuidelijkste stad van het koninkrijk Northumberland, de stad van scharen en messen, in het algemeen van fljne staalwaren, plated en mathematische en optische instrumenten; zij dingt met Birmingham om den eersten rang. Bovendien rijk door kolenmijnen; 280,000 inw.

Sunderland, zeer belangrijke haven a/d mond van do Wear, over welke het door eenc der grootste ijzeren hangbruggen met Monk W e a r ra o u t h verbonden is. Hoogst aanzienlijke scheepsbouw, veel handel, vooral in steenkolen, ook met Nederland in boter, kaas en vlas; te zamen 120,000 inw.

South Shields [sauzh sjields], a/d mond van de Tvne; steenkolenhandel; 57,000 inw. Newcastle [njoekas'1], a/d Tvne, met talrijke machinenfabrieken, middelpunt van het uitgestrekte steenkolengebied; 145,000 inw.; door eene vermaarde ijzeren brug is het verbonden met de drukke havenstad Gateshead [geetshed], 65,000 inw. Tynemouth, aan zee; dit en het hieraan grenzende

North Shields hebben evenzeer hun' bloei aan den steenkolenhandel te danken; te zamen 50,000 inw.

Prinsdom quot;Wales.

Engelands bergaclitigste gedeelte aan de lerscbe zee.

Pembroke [-broek], havenstad a/d schoone Milford-baai, eene van de uitmun-tendste havens der wereld, maar te ver van het centrum van het land; 14,000 inw. Swansea [soeunsi], de bloeiendste zeestad van Wales, tevens zeebadplaats met gezondheidsbronnen; rijke kopermijnen in de nabijheid en reusachtige kopersmelterijen, ook voor van elders, zelfs uit Californië en Australië, aangevoerd erts; 65,000 inw.

Cardiff, de belangrijkste uitvoerhaven van ijzer eu steenkolen; 85,000 inw. Landwaarts in;

Merthyr-Tydvill, in een dal vol van bedrijvigheid door de rijke ijzer- en steenkolenbeddingen; 50,000 inw.

Tegenover den Snowdon in het N.W. ligt liet vlakke eiland Anglesea [eng'lsi], dat met het vasteland is verbonden door eene kettingbrug en door de ijzeren Britannia-kokerbrug over de Menai-straat, 100' hoog, waardoor de spoorweg loopt. Deze gaat voorts naar het eilandje Holy head [hóllihed], vanwaar de kortste overtocht (12 m.) naar Dublin is.

Tot Engeland behooren nog de volgende eilanden:

1) Man [men], bergachtig eiland ten N. van Anglesea, 54,000 inw.

2) De fraaie, bergachtige, met een aangenaam klimaat gezegende N o r m a n-dische eilanden: Jersey [dzjersi], Guernsey [gernsi] en Alderney [ólderni] of O r i g n y, in het Kanaal, nabij de Fransehe kust, te zamen met 90,000 inw.

3j Helgoland, 2200 inw., boomlooze rots voor de monden van Elbe en Weser, 20 m. van Hamburg, iets dichter bij Bremen, en 8 m. van de kust bij Guxhavcn; zeebadplaats.

4) Cyprus, gelegen tegenover de monding van het Suezkanaal.

Schotland.

(1433 D m., bijna 4 mill, inw.)

Het gansclie land is een hoogland van ruim 1000' hoogte, behalve de smalle dalen aan het Clyde- [klaid] en Caledonische kanaal; in den mond des volks wordt evenwel alleen dat gedeelte hoogland (highlands) genoemd, wat ten

231

ocr page 248

EUKOPA.

N.W. ligt van eene lijn, die van Glasgow naar Aberdeen [ebberdien] gaat, het andere laagland (lowlands). Dit hoogland is een wild-romantisch, door de zee gescheurd, ontoegankelijk en schraal bewoond land, met gevaarlijke passen en ontzettende kloven, meren, watervallen enz., alleen begroeid met heide, brem, alpen- en moerasplanten. (Men vergelijke hiermede het vruchtbare landschap Schonen — in Zuid-Zweden — en de Eussische Oostzeeprovincies, die toch op gelijke breedten liggen.) In het midden van Schotland, tusschen het Caledonische en Clydekanaal, is het Grampian- [grémpiën-] gebergte gelegen, met den Ben Nevis [nevis], de hoogste top van het geheele Vereenigde Koninkrijk, die, ruim 4000' hoog, echter nog beneden de sneeuwgrens blijft. In Zuid-Schotland de Cheviot-bergen [tsjiviot], de scheidingsmuur tusschen Engeland, ten Z. van de Tweed [twied] en Clyde, met den Hart feil midden in het land. — Eene reeks van meren, lochs genoemd, loopt met de bergen in ééne richting van Z.W. naar N.O.; het grootste. Loch Lomond, 2 m. breed, 5 m. lang, ligt met een 30-tal gedeeltelijk bewoonde eilanden in eene' bekoorlijke landstreek. De diep in het land dringende zeeboezems (firths) hebben ook dikwerf het karakter van binnenmeren.

Zuid-Schotland.

Edinburg, 72 m. van Londen, 5 uur ten Z. van de golf van Eorth, eene der fraaiste steden der aarde, gelegen op drie rijen heuvels in de richting van W.—O., door diepe kloven van elkander gescheiden en door verbazingwekkende bruggen vereenigd. De nieuwe stad, het vlakke noordelijkste gedeelte, is de prachtige woonplaats der rijken, het middelste en tegelijk hoogste is de zetel der universiteit en het zuidelijkste is de werkplaats van fabrikanten en handwerkslieden; dit bevat ook nog het oude koninklijke paleis Holyrood [holliroed] en het zoo men zegt onneembare kasteel van Edinburg, vanwaar een verrukkend vergezicl t, evenals van de O.waarts gelegen bazaltrots, Sir Arthurs zetel genoemd; 230,000 inw.

Leith [liezh], hare havenstad, wedijvert met Londen in fraaie en groote dokken en pakhuizen; 60,000 inw.

Glascow [glesko], a/d Clyde, inde nabijheid van rijke steenkolenmijnen, in grootte, industrie en handel de eerste stad van Schotland, vooral katoen- en chemische fabrieken, tevens zeer belangrijke zeehandel en scheepsbouw; 500,000 inw.

Paisley [peeslil, levert de tijnste shawls; 55,000 inw.

Greenock [grinuk], a/d mond van de Clyde; fabrieks- en zeehavenstad; 70,000 inw.

M i d d e n - S c h o 11 a n d. In het laagland;

Stirling, a/d Eorth, eenmaal een geliefkoosd verblijf der Stuarts; 14,000 inw.

Perth, a/d Tay [tee], eene der fraaiste Schotsche steden, met katoen-en linnen-fabrieken; 25,000 inw.

Dundee [dundi], a/d golf van de Tay, zeehandel en linnenfabrieken; 140,000 inw.

Aberdeen [ebberdien], a/d mond van de Dee [die], universiteit, aanzienlijke scheepsbouw en zeehandel; 105,000 inw.

In het hoogland:

Inverness, met handel in wol en schapen aan het noordeinde van het Caledonische kanaal, dat dwars door Schotland de Noordzee met de lerselie zee verbindt en voor zeeschepen bevaarbaar is doch weinig gebruikt wordt; het ward gegraven opdat men de stormen in de Caledonische zee zou kunnen ontgaan; 15,000 inw.

Noofd-Schotland.

Zonder belangrijke steden, doch met een aantal omliggende eilanden.

In het W.; de Hebriden of We s t e r-e i 1 a n d e n, 300 in getal, waarvan slechts 200 bewoond zijn door 70,000 Kelten, die van veeteelt, visch- en vogelvangst leven. Deze eilanden vormen twee evenwijdige rijen, die door de Groote en Kleine Mi neb [minsj] gescheiden ; worden. In de oostelijke keten ligt:

222

ocr page 249

(rBOOT-BRITANNIË EN IERLAND.

S k y e [skai], het grootste.

Mull, ten W. waarvan hel kleine eiland Staf fa ligt, met de door merkwaardig regelmatige bazaltzuilen gevormde Fingalsgrot.

Van de westelijke eilanden is Ij e w i s [loeis] het grootst.

In het N.: de Orkadische eilanden (O r k n e y's) : 67 in getal, waarvan 27 bewoond door 32,000 iuw.

De 86 Shetlandische [sjot-] eilanden, met 32,000 inw. op 30 eilanden; op beide groepen is visscherij en jacht op eiderganzen en andere watervogels hoofdzaak.

Ierland.

(1530 □ m., ruim 5 mill, inw.)

Ierland, het voorland van Europa naar de zijde van den Atlantischen Oceaan, bestaat voor ^ uit vlak land, waarvan een groot gedeelte turfvenen, die zich ook tot de heuveltoppen uitstrekken. De bergen bevinden zich meest aan de randen, vooral in het N. en Z. en wel als talrijke kleine op zich zelve staande ketenen, die in gelijke richting als de Britsche gebergten, van het Z.W. naar het N.O. loopen. In het Z.W. bereikt de Macgillycuddy reeks [mekdzjillikoeddirieks] bijna 4Ü00' hoogte, doch de waterscheiding der grootere rivieren vormt nergens eene merkbare verhooging.

De grootste rivier, de Shannon [sjennun], ontspringt in Connaught [konnaat], vormt verscheidene meren, is in haar' middelsten loop de grens der 3 zuidelijke Koninkrijken en heeft haar' mond in Munster. Onder de meren is het grootste het L o u g h N e a g h [lag nee] in het N.O.

lerlands vruchtbare grond is door het vochtige klimaat meer voor gras dan voor granen geschikt. Aardappelen zijn het hoofdvoedsel, dikwijls het eenige der armste klassen; want er heerscht, vooral in het Z. en W., schrikkelijke armoede (mudcabins), een gevolg van vroegere onderdrukking, van het wonen der groote grondbezitters buiten Ierland en van de slechte inrichting van het pachtstelsel en der grondverdeeling; 750 personen bezitten de helft van het eiland. Ofschoon in den laatsten tijd, sedert 1870, hierin veel verbetering is gebracht en veel voor Ierland gedaan is, vermindert de bevolking vooral der zuidelijke en westelijke graafschappen door landverhuizing op groote schaal naar Amerika en Australië.

De 4 voormalige koninkrijken, wier namen hier volgen, zijn in 32 graafschappen (counties) verdeeld;

Leinster [Unster], langs het St. George-kanaal, met

Dublin fdübblin], hoofdstad a/d Lifly, is, niettegenstaande de uitgestrekte, ongelooflijk armoedige voorsteden, eene der fraaiste steden van Europa, met universiteit en handel, vooral op Liverpool; 340,000 iuw.

D rog he da [dróhidè], zeehaven; 15,000 inw. en Kilkenny, fabrieksplaats; 13,000 inw.

Ulster, in het N.O.; het best bevolkte en welvarendste gedeelte van Ierland, dat zich hoofdzakelijk met linnenfabrikatie bezig houdt. De geheele naar Schotland toegekeerde kust bestaat uit steile bazaltrotsen, die, juist ten Z. van Statta, den bekenden Giants-causeway [dzjeients kós-oeëe] of Eeuzendam vormen.

Belfast [bélfest], aan een' diepen zeeboezem, neemt steeds in bloei toe door de linnen- en katoenweverijen; 180,000 inw.

Londonderry [iaaud'udcrri], vesting en zeehaven; 25,000 inw.

Connaught, het westelijke en minst bevolkte gedeelte.

Gal way [gélloece], zeehaven; 16,000 iuw. Talrijke eilauden liggen voor de kust.

Munster, in het Z„ met talrijke havensteden.

Waterford [ocoterfurdj, 23,000 iuw., en Cork 78,000 inw., aanzienlijke uitvoer-

223

ocr page 250

EUROPA.

havens van landbouwprodakten, vooral van slachtvee, even als Limerick, a/d Shannon; 45,000 inw.

Queeustown, eene voorhaven van Cork, is tegenwoordig gewichtig voor don handel op Amerika, de eerste en laatste aanlegplaats der stoomschepen.

Britsclie buiten-bezittingen.

(413,000 □ m., 269 mill, inw.)

In Europa: Behalve de op blz. 321 genoemde eilanden, nog:

Gibraltar, de sleutel der Middellandsche zee, en Malta. In Afrika: Het Kaapland, Port Natal, aan de Goudkust, en in Senegambië, en de eilanden St. Helena, Ascension, Mauritius en de S e s j e 11 e n. (Zie onder Afrika). In Azië: Vóór-In dië (gedeeltelijk als verbonden, gedeeltelijk als vazalstaten) en C e y 1 o n , een groot deel der westkust en van het binnenland van Achter-In dië, eenig grondgebied op Ma 1 akka met het naburige Prin ce-of -Wales-eiland, het eiland Singapore aan Malakka's zuidspits, Aden in Arabië; het eilandje P e r i tn aan den mond der Eoode zee en het eiland Hongkong voor Kanton. (Zie onder Azië). In Australië: Geheel Nieuw- Holland, Tasmania of Van Die-mensland, Norfolk, Nieuw-Zeel and en de Pidsji-eilanden.

In Amerika: Het vasteland ten N. der Vereenigde Staten bijna geheel, de Bermudas-en Bahama-eilanden, 13 der Kleine A n t i 11 e s en Jamaica, een gedeelte van de kust op het schiereiland Yucatan (B r i t s c h Honduras), het noordwestelijk deel van Guyana en de P a 1 k 1 a n d s eilanden, bij de zuidspits.

Deze koloniën kunnen in de volgende 4 groepen verdeeld worden :

1°. Landbouwkoloniën, waar de meerderheid der bevolking door Europeesebe landverhuizers wordt gevormd. Hezen liggen natuurlijk in de gematigde luchtstreken. Daartoe behooren : Britsch-Noord-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika.

3°. Plantagekoloniën, waar de meerderheid der bevolking, de arbeiders, uit de tropen is overgekomen. Daartoe behooren de tropische bezittingen in W.-Indië, Br. Honduras, Guyana, op Afrika's westkust, Mauritius, Ceylon, Noord-Borneo, de Pidsji-eilanden en oostelijk Nieuw-Guinea.

3°. Steunpunten voor E. zeemacht, als: Gibraltar, Malta, Cyprus, Perira, Aden, Singapore, Hongkong, de Bermudas-eilanden, Ascension, St. Helena en de P alklandseilanden.

4°. Britsch-Indië, dat het moederland in grootte en bevolking zes- a achtmaal overtreft. Opmerkelijk is het, dat dit gebied met 353 mill, inwoners door 13000 Engelsche ambtenaren wordt bestuurd.

Directe voordeden (gelijk vroeger Nederland van Java) trekt Engeland niet van zijne koloniën. Zij dienen eerder tot markten voor de industrieprodukten van het moederland; ook vinden er vele Engelschen een bestaan of verdienen er een pensioen, dat te huis verteerd wordt.

10) Het Duitsche Rijk.

(9800 □ m. met ruim 45 mill, inw.)

Natuurlijke grenzen bezitten de gezamenlijke lauden van dit Keizerrijk, als men

234

ocr page 251

DUITSCIIIAKD.

de zee, de moerassen aan de Xederlandsche grenzen, de Vosges, het Bohemerwoud en het Eeuzen- en Erzgebergte uitzondert, zoo goed als niet.

Het wordt omgeven door Nederland, België, Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk (dat echter ethnographisch nog voor een deel daartoe moet worden gerekend), Eusland en Denemarken.

Door deze ligging in het hart van Europa is het als bestemd, om de belangen en het verkeer der omliggende landen te helpen bevorderen en in vrede en oorlog veelal het veld van ontmoeting der volken te zijn, terwijl het, uit een ethnographisch oogpunt, onmerkbaar met die naburen ineensmelt, want het heeft aan zijne grenzen Slavisch-Duitsche, Pransch-en Belgisch-Duitsche, Italiaansch- en Eetisch-Duitsche; eindelijk ook Skardinavisch-Dnitsche volks-overgangen of verinengingen.

Wat de oppervlakte betreft, doet Duitschland zich voor als eene noordelijke helling van het Alpenstelsel, verdeeld in hoog- en laagland door eene lijn die men denkbeeldig trekt van het westeinde der Karpaten tot aan het noordeinde van het ïeutoburgerwald. Door deze helling stroomen ook bijna alle wateren naar de noordelijke zeeën; alleen het Donau-gebied behoort tot dat der Zwarte zee.

Vergeleken met de omliggende landstreken geniet Duitschland over het geheel genomen een Euro pc es ch gemiddeld klimaat, dat evenzeer behoedt voor de armoede der noordelijke gewesten van dat werelddeel, waar de geest verstompt, als voor den zuidelijken overvloed, die de werkzaamheid in slaap wiegt en de zinnelijkheid overprikkelt. Door zijne ligging nadert het meer aan het vastelandsklimaat, zoodat op de zuidelijke hoogvlakten en in de noordelijke lage vlakten de winters kouder, de zomers warmer zijn dan bij ons te lande.

De bevolking behoort voor verreweg het grootste deel (141 mill.) tot den Germaan schen volksstam, een klein gedeelte tot den Slavischen. Yerder wonen er nog Litthauers en Franschen. Het aantal Denen bedraagt 150,000.

Van de 2,790,000 Slaven wonen; 1) de Kassoeben in de oostelijke punt van Pommeren; 2) de Wenden in de beide Lausitzen, aan de Spree, van Lubben tot boven Bautzen; 3) de Polen in het grootste gedeelte van Opper-Silezië en in een gedeelte van Midden-Silezië aan den rechter oever van de Oder en in Posen.

De Duitschers splitsen zich naar hunne taal in : 1) Neder- of P1 a t - D u i t-schers in het noorden; 2) Hoog-(Opper-)Duitschers in het zuiden. De in Midden-Duitschland tot Sileziö toe heerschende Opper-Saksische tongval vormt even als de N e d e r - E ij n s c h e (beneden de Ahr-monding) den overgang van het Hoogduitsch tot het Neder- of Platduisch, d. i. vlakte-duitsch.

De C h r i s t e 1 ij k e bewoners zijn voor | Protestantsch en ^ Roomsch-Katholiek. In de Zuid-Duitsche staten bijna omgekeerd en wel f Protestantsch en | Eoomsch-Katholiek. Daarbij komt nog ruim j mill. Israëlieten. Ter loops zij hier opgemerkt, dat in Saksen de bevolking protestant, de dynastie katholiek is.

De vruchtbaarheid van den grond is zeer verschillend: Midden-Duitsch-land, vooral Saksen, is het vruchtbaarst; verscheidene andere streken in het N., zooals Mecklenburg en Holstein, wedijveren daarmede, maar op sommige plaatsen laat de grondgesteldheid veel te wenschen overig, vooral in Hannover en Oldenburg, waar vele heiden en uitgestrekte moerassen gevonden worden; zoodanige onbe-bouwbare streken vindt men ook in Zuid-Duitschland, onder anderen enkele gedeelten der Isar- en Donau-mose of moerassen. Het belangrijkste middel van bestaan is de bebouwing van den grond, tot welker ontwikkeling de talrijke landhuishoudkundige scholen en model-inrichtingen veel bijdragen; ook de veeteelt wordt, als de gewichtigste tak der landhuishoudkunde, met gunstig gevolg gedreven; de paardenfokkerij is in de Noord-Duitsche vlakte, vooral in Mecklenburg, Holstein, Noord-Hannover en gedeeltelijk ook in de oude provinciën van Pruisen voortreffelijk; hier en in Saksen wordt ook de schapenfokkerij met groote

225

15

ocr page 252

EUROPA.

zorgvuldigheid gedrevenen is een der voordeeligste bedrijven. De mijnwerken, die in alle Duitsche staten gevonden worden, behalve in Oldenburg, Mecklenburg, Sleeswijk-Holstein en enkele kleinere, leveren vooral ijzer, het nuttigste aller metalen, bijzonder goed in Kijn-Pruisen en Thüringen; zilver jaarlijks 3 mill, gulden; Eijn-Pruisen en Rijn-Beieren bezitten de dikste en uitgebreidste steenkolen-lagen; Silezië de meeste bruinkolen. In het algemeen liggen de kolenmijnen langs den noordrand van het Duitsche Middelgebergte, waarom men daar ook de voornaamste fa-brieksstaten zal aantreffen. De kunstnijverheid is in Duitschland zeer belangrijk, want niet alleen worden de staten van het Tolverbond door de inheemsche industrie van fabriekgoederen voorzien, maar van enkele takken worden groote hoeveelheden produkten uitgevoerd. Tot de gewichtigste behooren de wollenen de kat oen en-war en, het linnen- en het ijzerwerk; onovertroffen zijn de houtwaren (Neurenberg, Fürth, Berchtesgaden enz.). De hoogstbelangrijke binnenhandel langs de uitmuntende wegen, spoorwegen en kanalen is sterk bevorderd geworden door het in het jaar 1838 door Pruisen gestichte Tolverbond (Zollverein), dat zich steeds uitgebreid heeft. Sedert Hamburg, Altona en Bremen gedwongen zijn toe te treden, hebben al de Duitsche staten en Luxemburg zich onder deze handelsvereeniging verbonden. Het voorname en algemeene doel daarvan is vrijheid en gemakkelijkheid van handel en verkeer tusschen de verschillende staten. De buitenlandsche handel wordt jaarlijks belangrijker, ofschoon die nog niet in verhouding staat lot de uitgestrektheid van het land en de vlijt der bewoners. De hoofdzetels van den zeehandel aan Noord- en Oostzee zijn van het W. naar 't O.: Emden, Bremen, Hamburg, Kiel, Lübeck, Stettin, Danzig en Koningsberg.

In de plaats van het in het jaar 1S06 opgeloste «Heilige Eoomsehe Eijk der Duitsche natiequot; trad in 1815, na de bevrijding van de Eransehe heerschappij, „het Duitsche Verbondquot; in het leven, waarvan de Leden, lij volkomen soevereiniteit, elkander buitenlandsche en binnenlandsche zekerheid waarborgden. Dat bestond uit 35 soevereine Staten, zoowel met monarchale, als met republi-keinsche regeering. Men vergaderde te Frankfort aan den Main. Bonds vestingen waren de in eene rechte lijn gelegen steden Luxemburg, Rastadt en Ulm, en aan den linker Rijn-oever Landau en Mainz.

Dit verbond werd opgelost in 1866, toen, door de Pruisische staatkunde en wapenen, de band die Oostenrijk met de overige staten van den Duitschen Bond aaneenhechtte, verbroken werd en Pruisen bezit nam van Hannover, Sleeswijk-Holstein, Keurhessen, Hessen-Homburg, Nassau en de vrije stad Frankfort. Al de overige onafhankelijk gebleven staten van Noord-Duitschland, van de Noorden Oostzee tot aan den Main en het Erzgebergte, traden toe tot een' Noord-Duitschen Bond onder de krijgskundige oppermacht van Pruisen. Daarentegen waren de andere Zuid-Duitsche Staten, namelijk het grootste deel van het groothertogdom Hessen, Beieren, Baden, Württemberg en Liechtenstein onafhankelijke op zich zelf staande staten gebleven, terwijl Mainz door Pruisen werd bezet.

De met gunstigen uitslag gevoerde oorlog tegen Frankrijk in 1870 en 1871 bracht veel grooter verandering te weeg. Alle Duitsche staten namen deel aan dien krijg en nog voor het einde daarvan werd aan den koning van Pruisen de waardigheid van Duitsch Keizer opgedragen, die daardoor geplaatst is aan het hoofd der thans feitelijk vereenigde legers van het geheele Duitsche Rijk (Beieren en Württemberg hebben zich het bestuur over hun leger in vredestijd voorbehouden; ook hebben zij hun eigen post- en telegraafwezen) en geholpen door zijn' Rijkskanselier eu een llijksparlcment de algemeene binnen- en buitenlandsche belangen van Duitschland moet ontwikkelen en regelen. Het bestuur der inwendige aangelegenheden van iederen staat in het bijzonder blijft in handen der verschillende

226

\

ocr page 253

DUITSCHLAND.

regecringen. Het overwicht dat Pruisen hierbij in de schaal legt is natuurlijk zeer groot, daar dit rijk alleen de helft grooter en volkrijker is dan al de overige staten te zamen, die bij minder ruime bronnen van welvaart sterk gebult gaan onder de dure huishouding van het groote Eijk.

A. Pruisen.

(6324 □ m., 27i mill, inw.)

De Pruisische monarchie beslaat verreweg het grootste gedeelte van noordelijk Duitschland, en wordt begrensd door Noord- en Oostzee, Eusland met Polen, Oostenrijk, verschillende Duitsche Staten, Frankrijk, Luxemburg, België en Nederland. Een kleiner deel wordt gevormd door de sedert 1850 bij dit Koninkrijk-ingelijfde twee Vorstendommon Hohenzollern. Daarentegen omsluit het binnen zijne grenzen een aantal kleinere staten van het Duitsche rijk. De Noord- en Oostzee bespoelen de kusten over eene lengte van ruim 200 mijlen. Door deze ligging heeft Pruisen het verkeer zoowel met het Romaansche westen, als met het Slavische oosten; het geluk en doorzicht der Vorsten heeft de geografisch ongunstige grenzen, zoo als die ten tijde der grondvesting onder den grooten Keurvorst bestonden, meer en meer verbeterd, en ontstond er snelle ontwikkeling en bloei.

Het noordelijk en oostelijk gedeelte behoort bijna geheel tot de Noord-Duitsche vlakte, het zuidwestelijk is grootendeels bergachtig; zooals men bij de beschrijving der Duitsche middelgebergten heeft kunnen opmerken. Van de voornaamste stroomgebieden van Duitschland is er niet een voor Pruisen uitgesloten (Hohenzollern ligt in het Donaugebied), terwijl het in het O. nog zijn deel heeft aan den Memel en Weichsel.

De bevolking verdeelt zich volgens taal en afstamming in; Duitschers 23 mill.; Slaven 3 mill, (en wel Polen, Wenden, Moraven, Boliemen, Kassoeben, Koerlanders en Letten of Lithauers), zeer weinig Roman en (Franschen en Walen), ruim i mill. Israëlieten, Denen in Sleeswijk, Friezen daar en in Holstein.

De Christelijke bevolking splitst zich in ruim 17è mill. Evangelischen, 14,000 Mennonieten, 9 mill. Roomsch-Katholieken ruim 50,000 Oud-Roomschen en 1330 Grieksche Christenen.

Akkerbouw en kunstvlijt staan op hoogen trap. Tarwe wordt in de uitgestrekte vlakte van Memel, Pregel, Weichsel, Oder en Elbe veel verbouwd; in Westphalen bovenal om Soest [zoost] en den Heilweg, en in de Rijnprovincie in de geheele noordelijke helft beneden Aken en Bonn. De levendige handel en de nijvere kunstvlijt worden door een tal van natuurlijke en kunstmatige middelen en verkeerswegen bevorderd, door gewichtige koopsteden in het land en aan de kust, door eene niet onaanzienlijke handelsvloot, en door het reeds vermelde Tolverbond.

Wat de ontwikkeling van den geest betreft, neemt Pruisen eene eerste plaats in; geen land bezit in verhouding zoo vele en zulke goede inrichtingen van onderwijs en wetenschap (11 akademicn: te Göttingen, Marburg, Munster, Kiel, Greifswald, Königsberg, Halle, Breslau, Berlijn en Bonn).

Het rijk wordt bestuurd door een' Koning (tevens Duitseh Keizer) met medewerking van twee huizen van afgevaardigden; het bezit steeds een talrijk leger, daar alle onderdanen van hun 20ste tot hun 39ste jaar dienstplichtig zijn; ook wordt de oorlogsvloot jaarlijks zeer vergroot. Het is verdeeld in 12 provinciën: Brandenburg, Pommeren, Oost-en West-Pruisen, Posen, Silesië, Saksen, Hannover, Sleeswijk-Holstein met het kroondomein Lauenburg, Westphalen, de Rijnprovincie met Hohenzollern en Hessen-Nassau. Berlijn vormt thans ook eene zelfstandige provincie.

1. Provincie Brandenburg met Berlijn. (724 □ m. 4 mill, inw., Prot.).

Op het golvend vlakke, meerendeels niet zeer vruchtbare land verrijzen eenige

a27

ocr page 254

EUROPA.

meer of minder hoogc, zandige heuvels, veelal met naaldhout bezet. Langs dc rivieren en talrijke meren breiden zich vruchtbare lage vlakten of broeklanden, dikwerf uitgestrekte veenbeddingen uit. Deze landstreek is rijk aan kanaal-verbindingen, het Friedrichs-Wilhelms- of Müllroser-kanaal dat de Oder met de Spree, en het Finow-kanaal dat de Oder met de Havel verbindt, zijn de belangrijkste; groote plannen zijn in bewerking.

Berlijn (Berlin), hoofdstad en eerste residentie, aan de bevaarbare Spree en eene niet onbelangrijke waterverbinding van Midden-Elbe en Oder. De omstreken der stad zijn zand- en moerasgronden. De plaats zelve, waar zij ontstond, is echter niet bepaald ongunstig te noemen; in do Spree ligt n. 1. een eilandje, waarop oudtijds een dorpje ,,Kölnquot;; dit werd met een ander „Berlinquot;, op den rechteroever der rivier, in de 14e eeuw vereenigd. De aldus gevormde stad kreeg beteekenis als residentie van de landsvorsten, onder wie vooral de Groote Keurvorst moet genoemd worden. Ouder zijne regeering vestigden zicli na 1(585 vele réfugiés in de stad en brachten er de zijde-industrie. Met de uitbreiding van Pruisen nam ook de hoofdstad in aanzien toe. Maar hare bouworde toont aan, dat de wil van één persoon, den koning, haar heeft voorgeschreven. Zij is gelijk München, Stuttgart, Dresden, gemaakt, niet geworden, en een treffend voorbeeld van hetgeen de energie des mensehen vermag, al zijn de hinderpalen ook vele, die de natuur hem in den weg legt. Zij is niet alleen de eerste industriestad van Duitschland (400 stoomwerktuigen), eene der gewichtigste binnenlandsclie koopsteden van Europa, vereenigingspuut van het groote Midden-Europeesehe spoorwegnet (tien spoorwegen, druk verkeer met Rusland) en eene der grootste en regelmatigste steden van dit werelddeel (de ringmuur heeft 2-j m. in omvang), maar zij bekleedt ook door wetenschappelijke en letterkundige inrichtingen een hoogst aanzienlijke plaats. Door hare ligging in het centrum der Noord-Duitsche laagvlakte heeft zij een' aanzienlijken groothandel: vooral de geldhandel overtreft dien van alle andere groote steden in Europa. Het fraaiste en belangrijkste stadsgedeelte bevindt zich tusschen de Brandenburger poort en het Koninklijk slot, welke door wandelingen, pleinen en de lange en breede straat „Unter den Kndenquot; met elkander vereenigd zijn. Van de vele en groote gebouwen, die dit gedeelte omzoomen, zijn merkwaardig het „Keue Museum,quot; met de verzameling Egyptische oudheden, welke wedijvert met die te Londen, Parijs, Rome en Leiden, en waarin geheele graven met de mummiën en een nagebootst voorhof eens tempels ten toon gesteld zijn. Het aangrenzende „Alte Museumquot; bevat groote verzamelingen van beeldliouwwerkeu en schilderijen. De groote kom van graniet van 22' middellijn vóór dit sehoone gebouw, is een erratisch blok, aldus geslepen. Het „Antiquariumquot; bevat eene kostbare verzameling antieke vasen, mozaïken en vooral kameen. Het gebouw der Universiteit, — eene der beroemdste van Europa, — heeft vermaarde museums, vooral van natuurkunde. Hier tegenover de Koninklijke bibliotheek. Verder verdient ook het prachtige ruiterstandbeeld van Frederik den Groote door Rauch, aan het begin der reeds genoemde straat, bijzondere vermelding. De Brandenburger poort, die, naar het voorbeeld der Atheensche pro-pylaeën in 1793 gebouwd, met de uit koper gedreven „quadriga (vierspan) der zegegodinquot; prijkt, voert naar de zoogenaamde „Diergaardequot; of wandelplaats met hare talrijke lanen, tuinen en gebouwen voor uitspanning; met de voorsteden 1,316,000 inw.

Charlottenburg, alleen door de bovengemelde Thiergarten van Berli;:n gescheiden, met een Koninklijk slot en park; 42,500 inw.

Spandau, a/d mond van de Spree en de Havel, vesting met eene aanzienlijke geweerfabriek: 29,000 inw.

Potsdam, a/d Havel, tweede residentiestad; 50,000 inw. In de nabijheid het paleis Sanssouci, met een fraai park, lievelingsverblijf van Erederik deu Groote.

Brandenburg, a/d Havel, oudste stad der Mark; hoogesehool voor jongelieden van adellijken huize; 30,000 inw.

Erankfurt aan de Oder, scheepvaart en stoomvaart op Warschau, Danzijr, Hamburg en Stettin, 3 groote jaarmarkten; 50,000 inw.

Küstrin, vesting a/d Oder en Warthe; 14,000 inw.

228

ocr page 255

PRUISEN.

2. Provincie Ponunem (Pommeren). (575 □ m., bijna mill, inw., Prot.).

De minst volkrijke provincie. Het zeer vruchtbare Vóór-Pommeren (links van de Oder) ligt meestal laag, het veel grootere en doorgaans minder vruchtbare Achter-Pom meren wordt door de Baltische merenplateau's doorsneden.

Stettin, a/d Oder, hoofdstad en vesting, bloeiende hoofdstapelplaats voor de Odergewesten, uitvoer vau de fabrikaten uit Berlijn ; 90,000 inw.; Stettin's li;.ven is Swinemunde (zeebad).

Greifswald: de universiteit is verbonden met de landhuishoudkundige akaden.-ie van het naburige El den a; 21,000 inw.

Stralsund (Straalsond), a/d zeeëngte Geilen, oude, sterke zeestad; behalve Pillau de eeuige Pruisische stad die onmiddellijk aan zee ligt; 30,000 inw.

Hiertoe behoort het bekoorlijke, grillig gevormde, eiland Eügen, ongeveer 18 Q m. Bij het stadje Bergen, in het midden, verrijst de Ru gard; het noordoostelijk uiteinde wordt gevormd door de Stubbenkammer, een' 500' hoogen oever van krijtrotsen; aan den noordhoek het kale voorgebergte Arkona, in welks nabijheid het monument ter eere van den geschiedschrijver Arndt, dichter van het volkslied: „Was ist des Deutschen Vaterland.quot;

Putbus, vlek en zeebad aan de zuidkust.

3. Provincie Pruisen. (1134 □ in., 3^ mill, inw., { R. Kath.,

13,000 Mennonn.).

De grootste provincie. Evenwijdig met de Oostzee loopen de Baltische merenplateau's, die aan den linker Weichsel-oever, tusschen Putzig (bij de Oostzee) en Thorn (aan de Weichsel) hunne grootste breedte en hoogte bereiken. Van de Noord-Duitsche merenvlakte behooren de meeste en grootste meren tot deze provincie, de grootste westelijke helft (het Weichsel-gebied) wordt West-Pruisen, de grootste oostelijke helft (het gebied van Pregel, Memel en van de kustrivieren der beide Haffs) Oost-Pruisen genoemd. Langen tijd verwaarloosd en weinig bekend, komt de provincie in de laatste jaren tot ontwikkeling, doordat de spoorweg naar Rusland er door loopt.

Danzig, a/d Weichsel, Mottlau en Radaune, tweede zeeliaudelsstad des rijks eu eene der sterkste vestingen, met 3 citadelleu als buiteuwerken, stapelplaats van hot Poolsche graan en timmerhout. Van de talrijke merkwaardige gebouwen uit den ouden tijd ziju vooral noemenswaardig de Mariënkirche, het raadhuis, het oude tuighuis eu het Artus- of Junkerhof uit deu tijd der llanse, nu de beurs; 110,000 inw.

Elbing, nabij den mond van Nogat; 35,000 inw.

Königsberg, a/d Pregel, de eerste zeehandelsstad, universiteit, nieuw versterkt aan de landzijde, aan de zeezijde beschut door de voorhaven en vesting Pillau; 140,000 inw. Vau hier tot Briisterort, 5 m. noordwaarts, strekt zich de barnsteenkust uit.

Memel, a/d mond van het Kurische Haff, zeehaven met handel, de noordelijkste Pruisische stad, de groote stapelplaats voor het land, dat door deu Njemen besproeid wordt; 20,000 inw.

ïilsit, a/d Memel, in eene vruchtbare vlakte; 22,000 inw.

Trakehnen, paardenstoeterij.

Thorn, vesting a/d Weichsel; in 1453 (toen Poolsch) werd hier de groote Copernicus geboren; het stadhuis werd gebouwd naar het model vau het Amsterdamschc; 20,000 inw.

4. Provincie Posen. (526 □ m., 1| mill, inw., meest Polen.)

Een golvend vlakland, over het algemeen vruchtbaar, vooral in het (5 mijlen lange broekland van de Obra.

229

ocr page 256

EUROPA.

Posen, vesting a/d Warthe, met talrijke fabrieken, vooral van linnen, 3 bezochte missen en levendigen handel; 68,000 inw., waaronder 10,000 joden.

Bromberg, a/d JBrahe vóór hare uitwatering in de Weiehsel, en aan liet Brombergerkanaal, dat de Netze met de Brahe (en dus de Oder met de Weiehsel) verbindt, vol fabrieken, levendige scheepvaart en graanhandel; 35,000 iuw.

5. Provincie Schlesien (Silezië). (732 □ m., 4 mill, inw.,

bijna de helft K. Kath.).

De volkrijkste en de nijverste der oostelijke provinciën. De Oder loopt in de richting der kolenbekkens en hare bevaarbare linkerzijrivieren voeren de industrie-produkten aan. De Silezische vlakte gelegen tusschen Oost- en Middel-Europa, tusschen Pruisen en Oostenrijk, is een der slagvelden van Europa.

Aan de Oder:

Ratibor. Van hier wordt de Oder bevaarbaar; 18,000 inw.

Breslau (Poolsch Wraclaw) [wratslafj, aan Oder enOhlau, hoofdstad, tweede stad des rijks naar de bevolking en derde residentie, hoofd handelsplaats der groote oostelijke kom aan den voet der Sudeten, met tallooze fabrieken, vooral van manu-fakturen, suiker en wagons; universiteit met beide godgeleerde fakulteiten, 275,000 inw.

Grosz-Glogau, vesting; 25,000 inw.

Links van de Oder:

N e i s s e, sterke vesting, a/d Glatzer-Neisse, buskruit- en geweerfabriek; 19,000 inw.

Sehweidnitz, vesting a/d Weistritz; 10,000 inw.

Liegnitz, a/d Katzbach, adellijke hoogeschool; vermaarde tuin- en groenten-bouw, piano's; 43,000 inw. (Slagen in 1241 en 1813).

G ö r 1 i t s , a/d Lausitzer A'eisse, gewichtigste stad na Breslau, met lakenfabrieken; 50,000 inw.

Grünberg, lakenfabrieken en v?elomvattenden wijnbouw in de omstreken (jaarlijks 11—12,000 hektoliters); 25,000 inw.

6. Provincie Sachsen (Saksen). (428 □ m., ruim 2 mill. inw.. Prot.).

Uit zeer verschillende gebieden samengesteld, en door de Anhaltsche en Schwarz-burgsehe Staten bijna geseheiden, in het Z. vruchtbaar, in het N. zandig.

Magdeburg (M a a g d e b u r g), a/d Elbe, op een eiland in de rivier ligt de citadel. Midden in een zandgrond treedt hier op den linkeroever het vaste gesteente aan de oppervlakte, waardoor het bouwen eener stad bevorderd werd. Hier had men een geschikt overgangspunt over de Elbe, zoodat de stad nog eene belangrijke vesting is. Door de ligging midden in het Elbe-gebied , in eene vruchtbare vlakte en in de nabijheid van de noordelijke uitloopers van den Harz, verhief het zich reeds vroegtijdig tot de eerste koopstad van de Midden- en Boven-Elbe; de beet-wortel-suikerfabrikatie heeft hier haar' hoofdzetel: 140,000 inw. met de voorsteden Neustadt, Sudenburg en Buekau.

Schönebeck, a/d Elbe, het rijkste zoutwerk van Pruiseu vóór de ontginning in 1854 van de groote zoutlaag bij het ten Z. hiervan gelegen

Stas sfurt, a/d Bode. De schoot der aarde bevat hier een meer dan 1400' dikke laag kristalhelder zout, zoo zuiver als wel nergens ter aarde , en daarenboven eene zelfs nog rijkere hoeveelheid chemische zouten, die door een aantal alhier verrezen fabrieken tot allerlei doeleinden verwerkt worden.

Aan den noordelijken voet van den Harz;

Halberstadt, a/d Holzemme, die van den Broeken naar de Bode vloeit; 30,000 inw.

Quedliuburg, tuinbouw, drukke branderijen, geboorteplaats van twee groote mannen. Klopstock (1724) en Karl Bitter (1799), 18,000 inw.

In het zuidelijker deel der provincie, door Anhalt gescheideu.

Wittenberg, vroegere hoofdstad van Keur-Saksen, vesting a/d Elbe, omdat men haar hier, waar de Flaming dicht aan den oever treedt, het best kan overtrekken. Hare voormalige universiteit, aan welke eens Luther en Melanchton onderwezen, is thans met die van Halle vereenigd. Behalve de herinneringen aan Luthers leven en werken, is hier ook zijne grafplaats; 14,000 inw.

230

ocr page 257

PRUISEN.

Halle, a/d Saaie, beroemde universiteit, groote salinen en bruinkolenbeddingen ; in de voorstad G1 a u e h a het vermaarde weeshuis, gesticlit door den vromen Aug. Herm. Francke (1663—1727), bestaande uit een weeshuis, paedagogiuni, gymnasium, burger- ea armenschool, zendelingsschool, Cansteinsohe bijbeldrukkerij en boekhandel; 82,000 inw.

E i s 1 e b e n, in het graafschap Manstcld, waar Luther geboren werd en stierf (1483—1546); in de nabijheid zilvermijnen; 12,000 inw.

N a ii m b u r g, a/d Saaie, met missen, en fabrieken van Champagnewijn, die in den omtrek gebouwd wordt; 15,000 inw.

P fort ha of Schulpforta, een uur van Naumburg, de beroemdste der 3 oud-Saksische zoogenoemde Landes-of rürstenschulen, welke, oorspronkelijk met een klooster verbonden , na het opheffen hiervan tot rijksscholen veranderd werden, in welke een groot aantal scholieren deels kosteloos, deels voor geld opgevoed en onderwezen worden.

Erfurt, a/d Gera, oude vesting, met 2 sterke citadellen; inden omtrek wereldberoemde kweekerij van groenten, bloemen , allerlei kruiden en zaden ; het ligt aau den hoofdweg door Thüringen: Eisenach-Gotha-Erfurt-Weimar-Leipzig; 53,00(3 inw.

Mühlhausen, a/d Unstrut; 18,000 inw., en Nordhausen, a/d Zorge, welvarend door fabrieken van Champagne, door branderijen en landbouw; 2é,000 inw.

7. Provincie Hannover.

(698 □ m., 2 mill, inw.,)

Deze door landbouw, handel en mijnen bloeiende provincie is gevormd uit het in 1866 veroverde koninkrijk Hannover, tot dat jaar na Pruisen de grootste staat in Noord-Dnitscliland. Het N.O. gedeelte, dwars over de Weser tot aan de Elbe, en het N.W. gedeelte, dwars over de Ems en de Vecht, zijn vlak en met veel heiden; het zuidelijk gedeelte, van de Fulda tot het Harzgebergte, door het Brunswijkselie Harz- en Weserdistrikt van de noordelijke deelen gescheiden, is woud- en ertsrijk.

In het Noord-oostelijk gedeelte;

Har burg, tegenover Hamburg, aan de eilandrijke Elbe, fabrieken van caoetsjoek en getah pertsja, grens-tolkantoor; 20,000 inw.

L ü n e b u r g, a/d Ilmenau, met eenc der krachtigste zoutbronnen van Duitsehland, in het midden van het grootendeels uit heidevelden bestaande, tusschen Elbe en Aller gelegen Vorstendom Lüneberg; 16,000 inw.

Hannover, a/d Leine, door haudel en fabrieken zeer bloeiende voormalige residentie, in deze eeuw meer dan driemaal grooter en volkrijker geworden , met de voorsteden Linden en Glocksee; 125,000. Op ^ uur afstand het lustslot Herrn-h a u s e n.

Hildesheim, in het vroegere bisdom van dien naam, aan de lunerste, met een' zeer ouden dom waartegen een bijna lOOOjarige rozenboom ; 20,000 inw.

Goslar, a/d voet van den zilverrijken, sedert 968 bewerkten Rammelsbcrg, dikwijls residentie der Saksische keizers, rijksstad tot 1803; 11,000 inw.

In het Noord-westelijk gedeelte, welks noorderdeel veelal nog door ons Oost-Friesland genoemd wordt:

Osnabrüek, a/d Haase, vroeger afwisselend door een' Hannoverschcn Vorst en een' Bisschop geregeerd; 33,000 inw.

Bentheim, badplaats in het gelijknamige aau Overijsel en Drente grenzende graafschap.

Leer, a/d Ems, en Emden, a/d Dollart, 14,000 inw.; handelssteden, misschien spoedig door een kanaal met Dortmund verbonden. Daardoor zal de handel vau Rotterdam zeer benadeeld worden. (Waarom) ?

Hiertoe behooren verscheidene eilanden, waaronder N order ney, zeebadplaats, en B o r k u m voor den mond van de Ems.

231

ocr page 258

EUROPA.

In het Zuidelijk gedeelte:

Münden, fraai gelegen aan de verceniging van Werra en Fulda tot Weser.

Göttingen, a/d Leine, universiteit, met eene zeer belangrijke bibliotheek; 22,000 inw.

Op het Harzgebergte liggen de kleine steden Klaustlial, Zellorfeld en St. An-dreasbcrg, met eene vooral in de zilver- en loodmijnen werkende bevolking-

8. Provincie Schleswig-(Sleeswijk-)Holstein en Lauenburg.

(342 □ m., ruim 1 mill, inw.)

Is in 1864 aan de kroon van Denemarken ontnomen, heeft de Noord- en Oostzee, ten Z. van de Elbe tot grens en reikt ten N. tol voorbij het stadje Hadersleben. Vooral in het W. bestaat het uit marsehland, in het midden is het hooger, met onvruchtbare heidestreken in Sleeswijk. Aan de grillig ingesneden hooge oostkust ligt het liefelijke eiland Al sen, 6 □ m., met de stad en het slot Sonderburg; aan de lage westkust de Noordzee-eilanden Sylt, Föhr en de in 1634 door een orkaan vaneengeseheiden eilanden Pel worm en N o r d-strand, het laatste sinds 1852 door afstammelingen van Nederlanders bewoond.

Onder de bevolking telt men, behalve een aantal Denen in het N., in Sleeswijk ruim 30,000 Friezen langs de westkust, Angeln aan de Oostzee, en Ditniarschen aan de Noordzee.

In Schleswig (Sleeswijk) het noordelijkste deel, dat van Holstein gescheiden wordt, door de Eider en het verder naar de Oostzee gegraven kanaal:

Schleswig, aan de verzande fiord Schley; 15,000 inw. Ten Z. de D a n e w i r k, weleer de greusmuur tussehen Denen en Duitsohers.

Eckernförde, zeeslag van 1849.

Friedrichsstadt, a/d Eider, 2 uren van de Noordzee, in 1622 door Hol-landsehe remonstranten aangelegd.

Flensburg, fraai gelegen aan de gelijknamige fiord, belangrijke landelsstad; 30,000 inw.

Apenradc, de noordelijkste zeehaven, tegenover de noordspits van Alsen, prachtig gelegen.

Hadersleben, lief stadje, het noordelijkste van Sleeswijk.

Kiel, oorlogs- en handelshaven a/d Oostzee, met universiteit; 45,000 mw.

Glückstadt, a/d Elbe; handel en fabrieken.

A Ito na, mede a/d Elbe, grenst aan Hamburg, aanzienlijke handels-en fabrieksstad, binnen | eeuw van bevolking verdubbeld; 90,000 inw.

In Lauenburg, dat als domein aan de kroon geschonken is (21 □ m., met 50,000 inw.), doch sedert 1 Juli 1876 eene kreits van de provincie Sleeswijk-Holstein vormt:

Lauenburg, a/d Elbe.

Ratzeburg, a/h gelijknamige meer; de Mecklenburgsche grens loopt midden door de stad.

9. Provincie Westphalen. (367 □ m., ruim 2 mill, in tv., de grootste helft E. Kath.).

Deze kleinste maar niet minst gewichtige provincie omvat het grootste gedeelte van het Nederrijnsche bergland aan de rechterzijde van den Eijn en een deel van de westelijke helft der Noord-Duitsche vlakte.

Munster, niet ver van de Ems, akademie met eene B. Katholieke theologische en philosopMsclie fakulteit. In het gotliischc raadhuis werd in 1648 de West-phaalsche vrede gesloten; 40,000 inw.

Minden, vesting a/d Weser, een uur ten N. der Porta Westphalica, door de landlieden „die Schartequot; genoemd. In de nabuurschap steenkolenmijnen; 18,000 inw.

232

ocr page 259

FRülSSHN.

Bielefeld, in een dwarsdal van het Teutoburgerwald, hoofdzetel van den West-phaalsehen linnenhandel en fabrikatie; 30,000 inw.

Paderborn, eene stichting van Karel den Groote ; 13,000 inw.

Dortmund, aan den noordelijken zoom van eene der mijn- en fabriekriikste streken; 78,000 inw.

Iserlohn, in het Lenne-gebergte, gewielitige fabrieksstad van metaalwaren, liet Duitsche Birmingham, 13,000 inw.

Deze beide laatstgenoemde plaatsen liggen inliet volkrijke regeeringsdistrikt Arns-berg, het nijverste plekje van geheel Pruisen. De hoofdplaats zelve is onbeduidend , doch het middelpunt der nijverheid in ijzer, wol en linnen.

lOa. Provincie Rheinland. (490 □ rn., 3| mill, inw., ruim i Evang.).

Ten N. van Aken, Düreu en Bonn is het een deel van liet Noord-Duitsche laagland, ten Z. daarvan belioort het tot het Kijnsehe bergland. Het is de dichtst bevolkte provincie, bekend wegens de Pijn- en Moezelwijnen.

De industrie van het Wupperdal is wereldberoemd, men vindt er:

Elberfeld en Bannen, eene ware tweeling-stad met ruim 100 belangrijke stoomfabrieken van allerlei waren, vooral van katoen, zijde en linnen; te zamen 209,000 inw.

Solingen, 17,000 inw., Remseheid, 30,000 inw. en L en nep, hoofdzetels van de Rijnsche ijzer- en staalwaren-industrie.

Niet minder bedrijvigheid heerscht in het Ruhr dal, ten gevolge der steen-kol enbeddingen, die 8 □ m. beslaan, de bron van bloei en rijkdom der drie eerstvolgende steden:

Essen, met de beroemde gietstaalfabriek van Krupp, met zijn 7100 werklieden (in 1871); de 56 stoomhamers wegen te zamen 155,000 kilogr.; ééne fabrieks-bakkerij levert het brood voor de huisgezinnen, d. i. voor 25,000 zielen; 57,000 inw.; Muhlheim, 22,000 inw. en Ruhrort a/d mond van de Ruhr.

Wesel, vesting aan de uitwatering van de Lippe in den Rijn, belangrijke koopstad; 20,000 inw.

Emmerich (Emmerik) a/d Rijn, bij de Nederlandsehe grenzen.

Krefeld, a/d linkerzijde van den Rijn, het Duitsche Lyon; de eerste manufak-tuurplaats (fluweel en zijden doeken); 75,000 inw.

Dusseldorf, aan den rechter Rijn-oever; voormalige hoofdstad van het Hertogdom Berg, in het dichtstbevolkte distrikt van den Pruisischen staat, de Rijn-havenstad voor de nijvere oorden van het W upperdal, door wier bloei ook Düsseldorfs welvaart toeneemt; beroemde schilder-akademie; 95,000 inw.

Köln (Keulen), vesting op den linker Rijn-oever, door een' ijzeren spoorwegen eene schipbrug met het evenzeer versterkte D e u t z verbonden. De gunstige ligging deed haar reeds vroeg als plaats van overtocht (de oevers zijn hoog en droog) als haven, vesting- en handelsplaats (hauzestad) bloeien, om de zekerheid der Rijn-oevers, om de diepte van den stroom (nog kunnen kleine zeeschepen de rivier tot hier opvaren), den toenmaligen handelsweg naar Holland en Engeland, en eindelijk ook door de hier uit de VTestphaalsclie, Belgische en Pransche berglandschappen bijeenkomende wegen. Vandaar het geseliiedkundige gewicht sinds bijna 20 eeuwen: eerst neêrzetting der Ubiërs, vervolgens vaste legerplaats der Romeinen, (Agrippina, gemalin van keizer Claudius (Colonia Agrippina) en keizer Vitellius werden hier geboren), daarna hoofdplaats der Frankische macht, middelpunt voor de uitbreiding van het Christendom in Beneden-Duitschland, zoodat het het Duitseh Rome genoemd werd, met Engeland en het Welfische huis de gevaarlijke tegenstander van de macht der keizers uit het huis Hohenstaufen; hoogst belangrijke koopstad, zetel van nijverheid en kunsten (vaderstad van Rubens en Vondel); de onvergelijkelijke dom, het prachtigste gothisehe bedehais, werd in 1248 gegrondvest, doch alleen het koor werd (1322) voleindigd; sedert 1814 begon men echter weder met de herstelling van het vervalleue en het afwerken van het onvoltooide; — heden nog de rijkste en grootste stad aan den Beneden-Rijn, verlevendigd door stoomvaart en zich hier kruisende spoorwegen van Berlijn naar

238

ocr page 260

EUROPA.

België, Parijs en Engeland; zetel van de groote Rijnstooravaartraaatsehappijen. Meer dan 1 mill, flesschen eau de cologne wordt jaarlijks door de 2-1 fabrieken verzonden. Te zamen met Deutz 100,000 inw.

Bonn, insgelijks op den linker Riju-oever, met het uitzicht op het Zevengebergte; beroemde universiteit, fraai standbeeld van Arndt; 32,000 inw.

Andernach, evenzoo a/d linker Rijn-oever, met grooten handel in tras en molen-steenen van het naburige Niedermendig.

Cobleuz, a/d samenvloeiing van Rijn en Moezel [Conjiuentes, echter zonder sporen eener zeer vroege Romeinsche bewoning, — de steenen brug over de Moezel is van de 14de eeuw) en nabij den mond der Lahn, vormt met de tegenoverliggende bergvesting Ehrenbreitstein het centrum van een plan van versterking tegen Frankrijk; met Ehrenbreitstein 35,000 inw.

Kreuznach, a/d Nahe, salinen en veelbezochte zontbaden; 15,000 inw.

Trier (Er. Treves), beneden den mond der Saar in de Moezel, waar deze het westelijke Midden-Rijnsche bergland doorbreekt; in het middelpunt der wegen, welke in het vruchtbare en schoone Moezeldal voeren, wellicht de oudste stad van Duitschland. Zetel der Gallische Treveri, als Augusta Treverorum tot na de 4de eeuw residentie der Imperatoren en tweede stad van het Romeinsche rijk, daarna bijna 1500 jaar lang de machtige hoofdstad van geestelijke Vorsten. Als getuigen van hare voormalige belangrijkheid zijn nog overig de overoude Moezel-brug, de Romeinsche Porta nigra en de basilica, de dom en de oud-gothisohe Lieve-Vrouwe-kerk; thans handel en kunstvlijt; 37,000 inw.

Saarlouis, vesting a/d Saar, en Saarbrück, te midden van steenkolenvelden; 15,000 inw.

Aachen (Aix la Chapelle, Aken), op den weg van Parijs langs den noordrand der Ardennen naar den Rijn; zeer oude residentie van Karei den Groote, wiens graf in den eerwaardigen dom is, krooniugsstad der Keizers; evenals het naburige Burtscheid of Borcette belangrijk wegens de laken vervaardiging, velerlei andere fabrieken en de heete zwavelbronnen; f uur van de Nederlandsche grenzen; 86,000 inw.

E u p e n (Fr. N é a u x), met de belangrijkste laken- en cachemire-fabrieken van den Pruisischen staat; 14,000 inw.

103. De Hohenzollernsche landen. (21 □ m., met 67,000 inw.,

bijna allen R. Kath.)

Dwars over Neckar en Donau, op den Rauhen Alp, sedert 1850 Pruisisch. Het bestuur staat onder opzicht van den Opper-voorzitter der Rijn-provincie.

Hechingen, stadje aan den voet van den 2600' hoog gelegen burg Üïohenzollern.

Sigmaringen, a/d Donau.

11. Provincie Hessen-Nassau. (285 □ If mill, inw., Prot.,

behalve het E. Kath. Fulda.)

Tusschen Main en Weser; gevormd uit het vroegere Kur-Hessen en eenige kleinere stukken, die vroeger tot Beieren en het Gr. Hert. Hessen behoorden.

Kassei, fraaie hoofdstad aan beide zijden der Fulda; een uur westwaarts het veelbezochte park en slot Wilhelmshöhe, aan den voet van den koperen Hercules, 1700' boven den zeespiegel, op het hoofdzakelijk uit bazalt gevormde Habichtswald; 63,000 inw.

Marburg, universiteitstad, fraai gelegen op een' ver in het Lahudal vooruitspringenden stellen bergrug; pottebakkerijen; 13,000 inw.

In en bij den Taunus liggen vele en veelbezochte badplaatsen, als;

Wiesbaden, do hoofdstad aan de zuidzijde van den Taunus; jaarlijks 70,000 bezoekers; 50,000 inw.

So den, in den Taunus zeiven, evenals Schlangenbad en Sc hwalbach; ten N. daarvan Selters aan de Ems die in de Lahn valt, en Fac hingen a/d Lahn zelve.

Homburg, vroegere hoofdstad van het voormalige Landgraafschap Hessen, als badplaats jaarlijks (zelfs iu den winter) door meer dan 10,000 personen bezocht.

234

ocr page 261

PRUISEK. 235

In den rijk gezegenden Rheingau de beroemde wijnstreken:

A s s m a n s li a u s e n, Rüdesheim, Geisenheim, Slot Joliannisberg, Hattenheim (Markobruuner eu Stcinbcrger) en H o c h h e i m.

Aan de Main:

Frankfort (der Franken Furt of overzetplaats). Haar' vroegtijdigen bloeien hare historische vermaardheid heeft deze stad aan de gunstige ligging te danken, aan het uiteinde van de vruchtbare Rijnvlakte cn der boorden van den Main, die hier even groote schepen draagt als de Rijn, in het natuurlijke middelpunt van den Rijnhandel, waar Je verkeerswegen van overal samen liepen; thans centrum van een aantal spoorwegsn. Van die verkeerswegen zijn de voornaamste: 1°. die over Hanau—Fulda—door Thüringcn naar Leipzig; 2°. die door de Wetterau over Kassei naar de Noordzee; 3°. die langs de Main naar Bohemen; 4°. die over Kaiserslautern en Metz naar Frankrijk; 5o. de groote handelswegen den Rijn op en af. Als Villa Franconofurt was zij reeds de residentie van Karei den Groote en Lodewijk den Vrome; rijksdagen cn conciliën werden daar dikwijls gehouden; reeds sedert 1240 zijn hare missen wijd vermaard; sedert Karei IV was het de stad waar het Rijks opperhoofd gekozen werd; in de 18de eeuw kroningsstad en van 1816 tot 180G zetel van den Bondsdag, thans nog aanzienlijken binnenhandel en tevens groote geldmarkt; met het aan den anderen oever gelegen Sachsenhansen 165,000 inw. van welke 13,000 Joden.

Aan den Rijn:

Biberich, voorheen de tweede Kassausche residentie, met een fraai park en slot.

Aan de Lahn:

Diez, Nassau, met den stamburg der vorsten van Nassau, en Ems of Bad-E m s, beroemde en veel bezochte warme bron.

In liet N.O. op liet Westerwald.

Dillenburg, geboorteplaats van Prins Willem I van Oranje, van zijne vier broeders Jan, Lodewijk, Adolf en Hendrik en van zijn' zoon Maurits; met een monument ter herinnering aan den grooten Zwijger.

B. De kleinere Staten van Duitschland. 1) Het Koninkrijk Sachsen.

(272 □ m., bijna 3 mill, inw., bijna allen Prot., het regeerend huis R. Kath.)

Het bevat in den vorm van een' driehoek de noordelijke helling van het Ertsgebergte en van het Lausitzer-gebergte tot in de lage vlakte. In dit schoone land onderscheidt men 3 landschappen: 1°. het zuidelijkste en hoogste, de streek der uitgeputte mijnen met huisindustrie (kant, passement, naalden enz.); 2°. het middelste, de streek der steenkolen en grootindustrie (laken, kousen, katoen, machines); 3°. de streek van den landbouw. Terwijl de temperatuur van het woudrijke Erzgebergte in enkele streken van het zoogenaamde Saksisch Siberië nauwlijks den bouw van aardappelen en haver toelaat, rijpt de wijn in het Elbedal; het is een rijk bebouwd, sterk bevolkt en buitengemeen nijver land.

Dresden, a/d Elbe, in het midden van een dal, dat zich van Pirna tot Meissen uitstrekt, een even schoon als staatkundig en militair gewichtig middelpunt voor Bohemen, Saksen en de Lausnitz. De stad ontleende haar bloei aan de omstandigheden , dat zij tot residentie der keurvorsten werd verheven. Dezen vonden de kosten voor hare verfraaiing in de opbrengst van dc mijnen in het Ertsgeb. De beide Elbebruggen en iets lager de nieuwe, nog langere en brecdcre spoorwegbrug (Mariënbrücke) verbinden de beide gedeelten der stad met elkander. Het Kon. slot met het /,grüne Gewölbe,quot; eene groote verzameling van allerlei zeldzame kostbaarheden en edelgesteenten, de „Zwingerquot; het onvoltooide begin van een

Srachtig slot, met zijne uitstekende verzamelingen, zooals van schilderijen (aan eze zijde der Alpen zeker het rijkste), van kopergravures, van gips-afgietselsrachtig slot, met zijne uitstekende verzamelingen, zooals van schilderijen (aan eze zijde der Alpen zeker het rijkste), van kopergravures, van gips-afgietsels

ocr page 262

EUROPA.

der beroemdste antieke beelden, van oude wapenen en wapenrustingen (het rijkste in Duitschland), enz., het zoogenaamde Japansche paleis met eene uitgezochte verzameling van antieke beelden, de prachtig herbouwde schouwburg, eene bijzouder rijke bibliotheek en porseleinvcrzameling, met museum van oudheden, en andere bewondereuswaardige kunst- eti bouwwerken, zooals de hoofdkerk, gaven het den naam van het „Duitsehe Florencequot; en maken, met de nabijheid der bekoorlijke Sachsische Schweiz, Dresden tot eene der belangwekkendste en meest bezochte steden; 281,000 inw.

Königstein, in Saksische Zwitserland (1100' hoog), schoon van gering krijgskundig gewicht, eene der weinige vestingen die nog nooit genomen zijn; hiertegenover de berg Lilienstein.

Meissen. Hier betreedt de Elbe de vlakte; het is beroemd door de porseleinfabriek, welks produkt in fijnheid op het Chineesche en Japansche volgt; 15,000 inw.

Freiberg, heeft de beste mijn-akademie van Europa; reeds sedert het begin der tweede helft van de 12de eeuw trekt zij het voordeel van de naburige zilvermijnen, van andere sedert de 15de eeuw; 27,000 inw.

Chemnits [kem-1, groote katoenfabrieken, in nijverheid de eerste, in handel de tweede stad van het rijk; 111,000 inw.

Zwickau, a/d Mulde, te midden van talrijke en groote steeukolenmijnen; 38,000 inw. Een uur ten Z. bevindt zich de sedert 1500 brandende onderaardsche steenkolenlaag van Planitz.

Annaberg, raijnstad in het Erzgebergte, hoofdzetel van de kantvervaardiging, der zijdeweverij en passementwerken. In de nabijheid zilver-, tin- en kobaltmijnen; 13,000 inw.

Plauen, a/d Witte Elster, oude hoofdstad van het Voigtland, belangrijke katoenen neteldoekfabrieken; 35,000 inw.

Leipzig, bij de vereeniging van de Partha met de Pleisse en met de Witte Elster. Beroemde akademie- en sterk bloeiende koopstad met 3 groote missen, de grootste kommissie- en expeditie-plaats van den Duitschen boek-, muziek- en kunsthandel, te gelijk de zetel van aanzienlijke boekhandelaren en uitgevers, en van het Hooggerechtshof voor het geheele Duitsehe Rijk. Dit alles heeft Leipzig aan zijne ligging te danken, in het gebied tusschen Mulde en Saaie, ongeveer in het midden van het vlakke dal der Midden-Elbe, tusschen de hellingen van Harz, Erzgebergte en Thüringerwald. Twee hoofdwegen komen hier samen: l' die ven Frankfort over Eisenach door Thüringen; 2e. die uit Zuid-Duitschland van Regensburg langs de Nab over Hof, Plauën en Altenburg. Ook de weg van Bohemen naar de Koordzee loopt over de stad. Daarom ligt bij en om Leipzig het terrein der bloedigste veldslagen van Duitschland, ja van Europa (Gustaaf Adolf met Tilly bij Breitenfeld (1632) en met Wallenstein (1642); de slag der Verbondenen in den bevrijdings-oorlog (1813) tegen de Frauschen bij Grosz-Görschcn, Lutzen en rondom Leipzig); 150,000 inw.

Hernhutt, hoofdplaats der Èvangelisehe broeders, wier aantal in alle werelddeelen, met de bekeerde heidenen, ongeveer 99,000 bedraagt. In het dorp Berthelsdorf is de zetel van het bestuur dier secte gevestigd, dat de aangelegenheden van al de gemeenten in de verschillende werelddeelen leidt.

Zittau, nabij de Neisse; 25,000 iuw. Rondom liggen louter liuuenweversdorpen.

De Thüringsche Staten.

Het hoofdgebied ligt rondom het Thüringerwald aan de Werra en de Saaie; twee kleinere stukken noordwaarts aan de Ünstrut, twee nog kleinere zuidwaarts in Beieren. Rijke landbouw in de dalen en vlakten, aanzienlijke houtteelt op de bergen en nijvere maar kleine steden.

2) Het Groot-Hertogdom Sachsen-Weimar-Eisenach.

(65 □ m., 309,000 inw., Prot.)

Het lioofdland behoort tot het Elbegebied. Hiertoe behooren enkele afgezonderde deelen, o. a. het lief gelegen Ilmenau aan de bron van de Hm.

2SR

ocr page 263

DE KLEINERE STATEN VAN DUITSCHLAND. 237

Weimar, hoofdstad a/d Ilm, eene dev gedenkwaardigste steden van Duitschland , wegens het leven en sterven van Schiller, Gothe , Wieland en Herder; 20,000 inw. J e n a, a/d Saaie; universiteit; 12,000 inw.

Tot het Wesergebietl behoort Eisenaeh, aan de Werra, met den Hörsel rechts. Eisenach, in eene bocht van het Hörseldal, de hoofdpas tusschea N.O. en Z. W. Duitschland (de poort van Thüringen) Akadcmie voor het boschwezen. In den aanvang der 13de eeuw was het hof van Herman van Thüringen het vereenigings-punt van groote dichters (Wolfram van Esohenbach, Walter von der Vogelweide enz.) gelijk Weimar dit later werd; 20,000 inw. In dc nabijheid de lieflijk gelegen Wart burg, Luther's Patmos, waar hij bijna een jaar lang aan zijne bijbelvertaling arbeidde.

3) Het Hertogdom Sachsen-Meiningen-Hildburghausen.

(48 □ m., 307,000 inw,, Prot.)

Het hoofdland ligt in een' hal ven cirkel van 20 m. lengte en 2 m. breedte aan de zuidelijke helling van het Thüringerwaid.

Meiningen, a/d Werra; 11,000 inw.

Sonueberg, beroemd wegens dc gesneden houtwaren en het kinderspeelgoed, dat naar alle deelen der wereld verzonden wordt; hier en in den omtrek leven • er 8000 menschcn van.

4) Het Hertogdom Sachsen-Coburg-Gotha.

(36 □ m., 195,000 inw., Prot.)

Co burg, de gewone residentie, aan de Itz eu de zuidelijke helling van het

Frankische Wald; 16,000 inw.

G o t h a , de nijvere hoofdstad , nabij dc noordelijke helling van het Thüringerwaid. Geografisch instituut eu worstfabrieagc; 28,000 inw.

5) Het Hertogdom Sachsen-Altenburg.

(24 □ ra., 155,000 inw., Prot.)

Twee gescheiden deelen; in het eene , Altenburg, door de Pleisse besproeid. Altenburg, nabij do rivier, levendig verkeer, talrijke fabrieken van allerlei aard; 29,000 inw.

In het andere, met de Saaie in het noordwestelijk gedeelte:

Eisenberg, met fabrieken.

6 en 7) De twee Vorstendommen Sehwarzburg-Sondershausen en Schwarschburg-Rudolstadt.

(Het eerste 16 □ m., 71,000 inw., het laatste 17 □ m., 80,000 inw., Prot.) Sondershausen, a/d Wipper, eu

Rudolstadt, in het bekoorlijke dal der Saaie, de twee hoofdplaatsen. 8 en 9) De twee Vorstendommen Heuss, oudere en jongere linie.

(Het eerste 6 □ m., 51,000 inw., het laatste 15 □ m., 101,000 inw., Prot.).

Greisz, a/d Witte Elster, hoofdplaats van het eerste, met aanzienlijke weverijen;

15,000 inw.

S e h 1 e i z, hoofdstad van het laatste.

Gemeenschappelijk bezitten deze staten Gera, dat noordoostelijk afgezonderd van de Elster ligt, met de stad.

Gera, de grootste stad van deze beide Vorstcndommeu, met veel industrie; 34,000 iuw.

ocr page 264

EUROPA.

10) Het Vorstendom Waldeck, door een' Pruisisclien Commissaris geadministreerd.

Een woudrijk berglandje, tusschen Eder en Diemei; met het 10 m. noordelijker tussclien Weser en Teutoburgerwald gelegen kleine Vorstendom Pyrmont. a. In het Hoofdland: b. InPyrmont:

Arol sen, residentie, 2500 iuw. Pyrmont, met beroemde staalbronnen.

11) Het Vorstendom Lippe.

(22 □ m., 120 inw., Gereform.)

Van de bronnen van de Lippe en Ems in het Z.W. tot den linker Weseroever in het N.O. Het landje bloeit door linnenweverij en garenspinnerij.

Detmold, residentie aan deu K.W.lijken voet van het Teutoburgerwald; op den 1200' lioogen, | uur daarvan gelegen „Grotenburgquot; het Hermann's gedenk-teeken, ter herinnering aan de vernieling van liet Romeinsehe leger onder Varus door de Germanen in het jaar 9.

Lom go, het nijverste plaatsje, vooral in het bewerken van meerschuim.

12) Het Vorstendom Schaumburg-Lippe.

(6 □ m., 36,000 inw., Gereform.)

In de bocht der Weser, doch zonder die rivier te raken, met een gedeelte van het Snntelgebergte in het Z.; in het N.O. het Steinhuder-meer; het geheele landje is een liefelijk park.

Bückeburg, residentie.

13) Het Hertogdom Braunschweig (Brunswijk), waarover Prins Albert van Pruisen, zoon van Prinses Marianne, regent is.

Vijf van elkander gescheiden deelen, die bijna geheel door Pruisen ingesloten worden; graanbouw en suikerbieten in de vlakte, bosschen en mijnen in den Harz.

1) Het Hoofdland, dwars over Aller en Ocker in de vlakte. Braunschweig (Brunswijk), a/d Ocker. Met Danzig, Lüneburg cn Lübeck

heeft Braunschweig van al de Noord-Duitsche steden het allermeest in hare gebouwen het uiterlijke der Middeleeuwen bewaard. Vóór don dom, waarin Hendrik de Leeuw begraven is, staat nog de metalen leeuw, dien deze aldaar in 1166 liet plaatsen. Aanzienlijke binnenhandol, bierbrouwerijen en levendige jaarmarkten; 85,000 inw.

W olfenbüttel, ook a/d Ocker, met beroemde bibliotheek.

2) Het Harz- en Weserdistrikt, juist tusschen het noordelijke en zuidelijke gedeelte der pruisischc provincie Hannover, dwars doorsneden door Ocker, Innerste, .Leine en Weser.

3) Het Harzdistrikt, van het N. tot liet Z., dwars midden over den Harz, door de Bode besproeid.

Blankenburg, a/d noordelijken voet van het gebergte, met een hoog gelegen Hertogelijk residentieslot.

14) Het Hertogdom Anhalt.

(43 □ m., 232,000 inw., Evangel.).

Aan de Midden-Elbe en den TJnter-Harz, door Pruisen omsloten.

Dessau, a/d Mulde, residentie, nijvere plaats; 23,000 inw.

K ö then, vereenigiiigspunt van de spoorweeren van Bcrliiu, Magdsbun;, Halle cn Bernburg; 16,000 iuw. quot; J b i

238

ocr page 265

DE KLEINERE STATEN VAN DUITSCHLAND.

15) Het Groot-Hertogdom Oldenburg.

(116 □ m., 337,000 inw., f Evangel., | K. Kath.).

Het hoofdland in het westelijk deel der Noord-Duitsche vlakte is geheel effen, met turfvenen, geest- en marsehgronden aan Weser, Hunte, Haase en Jade, geheel omsloten door Pruisen en de Noordzee; veeteelt en akkerbouw zijn de hoofdmiddelen van bestaan; ook de zeehandel is niet onbelangrijk. Het gebrek aan hout wordt vergoed door de onuitputtelijke veenbeddingen. Het land bestaat uit:

1) Het Hertogdom Oldenburg.

Oldenburg, a/d bevaarbare Hunte, hoofd- en residentiestad. Vermaarde paardenmarkten; 20,000 inw.

Brake, bloeiende nieuwe zeehaven, is buiten het Tolverbond.

2) Het Vorstendom Liibeek, in Holstein, ten N. van de vrije stad Lübeck.

3) Het Vorstendom Birkenfeld, ter linkerzijde van den Rijn aan den Hunsrück en de Nahe, dus vér verwijderd van het hoofdland.

Birkenfeld, a/d Nahc, mot wijnhandel.

De kleine stadjes Oberstein, a/d Nahe, en vooral Idar, f uur N.O.waarts gelegeu, waren lang de eeuige plokken der aarde, waar do industrie van het kleuren en slijpen vooral van agaatsteen, reeds vóór 1500, in het groot uitgeoefend wordt en nu nog aau meer dan 3000 personen arbeid verschaft.

16) De vrije stad Bremen.

(4-j □ m., 157,000 inw.. Evangel.)

De stad Bremen, bestond reeds in den tijd van Karei den Groots. Zij ligt op den hoogen rechteroever, terwijl de linkeroever door dijken beschermd wordt. Door verwaarloozing van het vaarwater nabij den mond kunnen groote zeeschepen haar niet meer bereiken; daarom concentreert zich de trasatlantische vaart te Bremerhaven en Geestemünde, die den geheelen winter ijsvrij zijn. Hier vereenigt zich al het verkeer van het Weser-gebied, zoowel voor den uitvoer van Duitsohe voortbrengselen en fabrieksgoederen, als voor den invoer van vreemde produkten, katoen, tabak en petroleum. Na de annexatie van Hannover door Pruisen, werd Bremen even als Hamburg met Westfalen en de Bijnprovincie door spoorwegen verbonden, hetgeen het eerstgenoemde land steeds had belet. Het aanzien der stad is sterk toegenomen sedert 1827, toen zij van Hannover het gebied van Bremerhafen, 14 uren vandaar aan zee, bekwam. De handel is door het verkeer met Amerika zeer gewichtig geworden; van hier vertrekken de meeste landverhuizers van het vaste land van Europa'naar de nieuwe wereld; vooral de tabakshandel en bereiding is aanzienlijk. Hier is de Noordduitsche Lloyd gevestigd.

17) De vrije stad Hamburg.

(7j □ m., 410,000 inw.. Evangel.).

De stad ligt op den hoogen rechter oever der Elbe, 12 m. van haar' mond en aan de Alster, die binnen de stad eene wijde kom vormt. De ebbe en vloed doen zich tot Hamburg gevoelen en verliezen zich hier in de vele armen om de talrijke eilanden der Elbe. Daar de vloed nog 3 M. hoog is, kunnen groote zeeschepen de rivier tot hier opvaren. Harburg ligt er tegenover op eene streek hoogen geestgrond tusschen 2 stukken marschgrond, zoodat men hier het eenige punt had, waar de rivier altijd te. naderen was; de overgang in het Holsteinsche Altona is onmerkbaar. Na den brand van 5—J0 Mei 1842, waardoor ^ gedeelte der stad verwoest werd, is midden in de oude stad een prachtig nieuw gedeelte verrezen, welks schoonste deel aan het Alster-bassin ligt (de Jungferstieg), eene breede met eenige rijen boomen versierde straat of gracht, die de kom aan

239

ocr page 266

EUROPA.

3 zijden omringt. Hamburg telt 300,000 imv. (met de voorsteden 410.000 inw.,) en is de eerste zeehaven van Europa's vasteland, daar haar handelsomzet onmiddellijk volgt op dien van Londen en Liverpool, (niet minder dan 3000 mill. Mark.) — Aan de stad behoort het ambt Ritzebüttel, aan den linker Elbe-oever bij den mond, met de voorhaven Cuxhaven. Ook de V i e r-1 an den, tussehcn de Elbe en Bille, uitmuntend door graanbouw, moezerij en ooftteelt (met het stadje B e r g e d o r f), behooren thans geheel aan Hamburg; de in kleeding en leefwijze eigenaardige bewoners zijn van Nederlandsche afkomst.

18) De vrije stad Liibeck.

(5 □ m., 64,000 inw.. Evangel.)

Aan de Trave, 3 meter van haar' mond Travemünde, haven en zeebad, tnsschen Holstein , Lauenburg en Mecklenburg. De stichting vond plaats in 1143, haar bloei in de tijden toen de Oostzee meer verkeer bezat dan de Noordzee. Vóór de ontdekking van Amerika en den zeeweg naar Oost-Indië telde L ü b e c k 100,000, thans 51,000 inw.

De Groot-Hertogdommen Mecklenburg.

Van den beneden-loop der Trave tot aan de boven-Havel, en van de Elbe tot de Oostzee, doorsneden door de breede, zachtgolvende, met tallooze meren bezetten Baltische merenplateau's, die zich op eenige plaatsen tot ruim 570' verheffen. Deze landstreken staan in vele opzichten , wat inwendig bestuur, ontwikkeling en beschaving betreft, bij alle overige Duitsche staten ten achteren, de grond is voor de helft in het bezit van den adel, die afkeerig is van hervormingen, waarom vele boeren het land verlaten, evenzoo is het met de nijverheid gesteld, maar door den vruchtbaren grond bloeien landbouw (tarwe), veeteelt en handel.

19) Het Groot-Hertogdom Mecklenburg-Schwerin.

(343 □ ra., 577,000 inw., Prot.).

Schwerin, hoofdstad, fraai gelegen aan ecu groot meer; 30,000 inw.

Wis mar, zeestad, weleer rijke Hausestad; 15,000 inw.

Rostock, a/d War now, belangrijkste stad met eenc universiteit; zee cn handelsstad (haven W a r u e in ü n d e); 39,000 inw

Dobberan, zeebad, met don Heiligen Dam, eeue bank van steengruis vau een uur lang vóór het strand.

20) Het Groot-Hertogdom Mecklenburg-Strelitz.

(53 □ m., 116,600 inw., Prot.).

Door het vorige Mecklenburg in twee gedeelten gescheiden, het zuid-oostelijke hoofdland met:

Neu-Strelitz in den vorm ecner ster gebouwd.

Het vroegere bisdom Ratzeburg, het meest bloeiende doch verreweg kleinste gedeelte, noordwestelijk aan de Trave met:

Ratzeburg, waarvan het grootste gedeelte met het gymnasium tot Lauenburg behoort.

C. De zuidelijker Staten van Duitsctiland.

1) Het Koninkrijk B a y e rn (Beieren).

(1878 □ m., 5i mill, inw., t R. K., i Prol.)

Bestaat 1) uit het vooral in het noorden, rijk gebouwde hoofdland, aan beide zijden van de Boven-Donau en van den Boven- en Midden-Main, dat

340

ocr page 267

1)E KLEINERE STATEN VAN UUITSCHLANl).

241

- BEIEREN.

bezet is door de Frankische Jura en hare vertakkingen, en in het zuiden eene uitgestrekte hoogvlakte vormt, en 2) uit een kleiner westelijk deel, R ij n-B eieren of de Eheinpfalz, die in de Rijnvlakte buitengemeen vruchtbaar is; het westelijk gedeelte hiervan wordt door de noordelijke Vosges en het Haardt-gebergte ingenomen.

Het is eene erfelijke constitutioneele monarchie met 2 kamers.

Ten Z. van de Donau:

München, op de vlakte a/d Isar, gesticht door Hendrik den Leeuw op dei' zuidrand van het Erdiuger Moos, bij welk puut de zoutweg van Let Salzkam-mergut naar Augsburg over do rivier ging. Thans kruisen elkander hier de spoorwegen van Parijs naar Weenen en die, welke Noord- en Zuid-Duitsehland verbinden. Zij ligt 1600' boven de zee; hoofd- en akadeuiiestad. Hare grootheid heeft zij niet aan de natuur, maar aan de kunstliefde der Beiersehe Vorsten te danken. Onder de vele prachtige gebouwen bekleeden de eerste plaats de nieuwe kerken, ieder in haar' stijl, de Italiaansche Ludwigskerk, de gothischc hoofdkerk in de voorstad Au, de Byzantijnsche Allerheiligen-kapel en de Basilica van den heiligen Bonifacius. Rijk in uitstekende werken van schilder- en beeldhouwkunst zijn: het koninklijk slot, de oude en de nieuwe Pinakot heek (sehilderijen-verzaraelingen van oude en nieuwe meesters, waarbij ook eene bijzonder rijke verzameling van Oud-Grieksehe - zoogen. Etrurische - vazen) en de Glyptotheek (standbeeldenmuseum). Het Bavrisehe Nat ion a al-Museum overtreft in rijkdom van voorwerpen van geschiedenis en kunst de soortgelijke van Parijs en Londen. Nog vele andere verzamelingen van wetensehappelijken aard wedijveren met de volledigste van hare soort in Europa. De bibliotheek is even rijk van inhoud als merkwaardig door hare inrichting. In de nabijheid der stad staat het 54' hooge koperen standbeeld der Bavaria. Be 361 bierbrouwerijen zijn de aanzienlijkste tak van nijverheid (in Beieren zelf zijn meer dan 5400 brouwerijen met ruim 15000 werklieden); de locomotieven van Mattel en de verrekijkers van Fraueuhofen en Ertl zijn wereldberoemd. Ondanks al deze merkwaardigheden is het stil in de prachtige straten, waarin vreemdelingen slechts eenig leven aanbrengen. Dc universiteit en de polytechnische school zijn beroemd. Met de voorsteden heeft zij 260,000 inw.

Berchtesgaden, in het Z.O. aan den voet van den Watzmann, en Reichenhall putten hun' rijkdom uit de steenzoutbeddingen der Salzburger-Alpen.

L i n d a u, in het Z. W., belangrijke en lief gelegen handelshaven op een eilandje in den Bodensee.

Aan de Donau:

Augsburg, a/d Lech, verkreeg als Rijkshandelsstad haar' hoogsteu bloei aan het einde der Middeleeuwen (confessio Augustana 1530); hier vereeuigden zich n. 1. de handelsweg uit het noorden over Donau worth, met dien van Genua over de Spliigen en dien van Venetië over dc Brenner; toen was zij beroemd om haar' linnenhandel. Met de verplaatsing van den wereldhandel naar don Atl. oceaan ging zij achteruit, en herinnert thans, ondanks het spoorwegverkeer door de Alpen met het zuiden, nog slechts in eenige oude wijken aan haar' vroegeren bloei. (Waarom ligt Augsburg niet aau de samenvloeiing van Donau en Lech?) Thans aanzienlijke linnen-, goud- en zilverfabrieken en wisselhandel; 61,000 inw.

Ingolstadt, sterke vesting a/d linker Donau-oever; 19,000 inw.

Regensburg, a/d noordelijkste Donaukromming, zoodat men uit Saksen (langs de Nab) bij deze stad de rivier het eerst bereikt. Zij ligt op den rechter Donau-oever , door de Romeinen gesticht, als eerste van de vestingen van hier tot Keulen. (Alle voorname steden boven R. liggen aan den linkeroever, wegens de moerassen op den rechteroever). Hier vloeit de Regen in de Donau. Zij is eene oude Rijksstad, langen tijd de voornaamste rivierhaven voor den handel uit Italië en het oosten; toen echter tijdens do kruistochten Venetië en Genua zelfstandige verbindingen met het oosten aanknoopten, werd Augsburg stapelplaats voor de Indische waren; voorheen was R. zetel van den Rijksdag. Iets lager, nabij Donau-stauf, de marmeren tempel van Walhalla, met de borstbeelden van beroemde mannon van den Gormaanschcn stam (ook van Nederland, zoo als van Prins Willem I, de Ruytcr, Boerhaave enz.); 36,000 inw.

16

ocr page 268

EUROPA.

1' a s s a u {Bafdoa Castra, waar het 9de Bataafsehe cohort in garnizoen lag), grensvesting aan de samenvloeiing van Inu, Ilz en Donau, met prachtig gelegen citadel; 15,000 inw.

Tusschen Donau en Main:

Ansbach, a/d Kezat, hoofdstad der provincie Mittel-Franken; 14,000 inw. In de richting van hier naar Ingolstadt ligt aan dc Altraühl het dorp Solnhofen; waar het gesteente gegraven wordt, dat, aan de Romeinen reeds bekend, ook nu nog naar alle werelddeelen gaat om te dienen als lithografisehen steen, dekplaten voor tafels, slijpsteen enz.

Nürnburg (N eur enbu rg), a/d Pegnitz, omringd door een' dubbelen muur met 100 torens, vertoont nog liet karakter der middeleeuwen. Gelegen midden tusschen de handelssteden Hamburg, Leipzig, .Regensburg, Weenen, Augsburg, Venetië, Frankfurt, Mainz en Keulen, werd het reeds voor lang het middelpunt van het verkeer; de groote kunstvlijt dor bewoners verhief er het handwerk tot kunst.en maakte dit „juweel der middeleeuwenquot; tot hoofdzetel der kunsten, waar de Duitsche meesters in gezang, schilder- en beeldhouwkunst zich vereenigden (Albrecht Diirer, Peter Visscher, Hans Sachs, Melchior Pfintzig, Martin Behaim enz.). De voornaamste oorzaak voor haar' bloei was de vereering van den heiligen Sebaldus, naar wiens graf men ter bedevaart toog, hetgeen weer tot het houden van jaarmarkten aanleiding gaf. Zij werd spoedig rijksvrij cn bleef verschoond van twisten tusschen geslachten en gilden; zoo kon zij zich langs vreedzamen weg ontwikkelen. Haar handel ging later om dezelfde reden achteruit als die van Venetië, Genua, Augsburg enz.; 116,000 inw.

Het Ludwigs-kanaal (waarvan de aanleg reeds door Karei den Groote beproefd werd) verbindt de quot;Regnits met de Altmühl. Dit brengt dus Duitschlands groote stroomgebieden, den Eijn met de Donau, en derhalve ook de Zwarte zee met de Noordzee en Amsterdam met Hongarije in verbinding. Het is 23i mijl lang en beeft 94 sluizen; het hoogste punt ligt 1333' boven de zee, ruim 270' boven den spiegel van de Donau en 630' boven dien van den Main; wegens de kostbaarheid wordt het echter weinig gebruikt en kan zoowel uit het oogpunt van handel als van financieel voordeel eene mislukte onderneming genoemd worden.

F ü r t h, waar dc Reduitz en Pegnitz zich tot Regnitz verecnigen, tweede fabrieksstad van Beieren van zoogenaamde Ncurenburger waren, van bladgoud en spiegelglas , vooral door toedoen der Joden, wien het verblijf in het naburige Neurenberg ontzegd was. De spoorweg van hier naar Neurenberg is dc oudste van Duitschland, 1833 geopend; 36,000 inw.

Erlangen, a/d Regnitz, de Protestantsohe akademie van Beieren; 15,000 inw.

Bamberg, a/d bevaarbare Regnitz, in eene uitgestrekte, vruchtbare kom, eens dc boofdwapenplaats tegen de hcidensehe Slaven aan den Boven-Main, thans dc hoofdstapelplaats voor den Boven-Main; 53 bierbrouwerijen, 31,000 inw.

Kissingen, a/d Saaie, beroemde badplaats.

Aan den Main:

Baireuth, a/d Rooden Main; met Wagners schouwburg; 22,000 inw.

W ü r z b u r g, krijgskundig en geschiedkundig het belangrijkste punt van den Midden-Main, met universiteit eu het oude bergslot Maricnberg; in het vruchtbare Maindal wordt dc beroemde Steinwijn gewonnen; buitendien fabricatie van Champagnewijn; 51,000 inw.

Ascnaffenburg, a/d Main, waar deze de vlakte van den Boven-Rijn betreedt; 15,000 inw.

In Rijn-Beieren of de Pfalz; vurige wijn, goede tabak en rijke landbouw in 't O.

Spcyer (Spiers), a cl Rijn, door dc Karolingcrs cn de Salisehe keizers tijdelijk als residentie gebezigd, tevens de begraafplaats der Duitsche Keizers. In den buitengewoon fraaien, in Byzantijnschen stijl gebouwden eu keurig gerestaurcerden dom rusten S Duitsclie keizers, Koenraad 11, Hendrik lil, l\ en V, Philips, Rudolf van Habsburg, Adolf van Nassau en Albrecht 1; 15,000 inw.

ocr page 269

DE ZUIDELIJKERE STATEN VAN DUITSCIILAND.

243

— WÜKTTEMBERG.

Z w c i b r ü c k e u (Twee brugge), in het gebergte zelf.

K aise rsl auteru, aan de westelijke helling, groote korenmarkt; 26,000 inw.

Ludwigs haven, a/d Riju, door eene brug met Mannheim verbonden en door handel steeds in bloei toenemend; 15,000 inw.

2) Het Koninkrijk Württemberg.

(354 □ m., 1,971,000 inw., | Prot., ^ R. Kath.)

Het grootste gedeelte behoort tot het Rijn-gebied, vooral aan het Neckardal, waar het klimaat het zachtst is en veel graan en ook wijn en ooft gewonnen worden; veel ruwer is de Zwabisehe Jura, waarop slechts tot 2800' akkerbouw en hooger op uitgestrekte bossehen gevonden worden.

Beperkte monarchie met 2 kamers. De volksontwikkeling staat hier op hooger trap dan in Beieren.

Hall, a/d Kooher, mot eene aanzienlijke bron.

Heilbronn, a/d Neekar, reeds in het lage land, door do verbeterde bevaarbaarheid gewichtig voor den handel wegens het verkeer met den Beueden-Rijn; 23,000 inw.

Ludwigs burg, tweede residentTC en belangrijke wapenplaats van Württemberg; 10,000 inw.

Stuttgart, residentie, in een' zijvleugel van het dal van Kannstadt, als het ware te midden van een uitgestrekt park tusschen woud- en wijnrijke heuvels; evenals Leipzig en Berlijn een hoofdzetel van den Dmtschen boekhandel; 125,000 inw.

Kannstadt, aan eene bocht van den Neekar, badplaats, -j uur van Stuttgart gelegen, middelpunt van het gebcele Neekardal, waarmede liet door de natuurlijke handelswegen en den spoorweg in verband staat.

Nabij de voormalige vrije Rijksstad Ess ling en, die do grootste maehinenfabriek van Württemberg heeft en 21,000 inw., lag de stamburg Württemberg.

Tubingen, in eene verwijding van het Boveu-Xeckardal, rijksuniversiteit; 12,000 inw.

Reutlingen, iets oostelijker, met vele fabrieken; 10,000 inw.

ülm, -L uur beneden den mond der Tiler in de Donau, die hier bevaarbaar wordt; is dus uitgangspunt van do scheepvaart op deze rivier, (Ulmer Schaehtelu) en door de ligging als aangewezen tot eene vesting van het üuitsche zuidelijke leger, want beneden do stad maken moerassen het overtrekken der rivier onmogelijk; de groote weg over de Zwabisehe Jura door het Neckardal naar den Rijn begint hier; 33,000 inw.

3) Het Groot-Hertogdom Baden.

(274 □ m., 1,570,000 inw., | R. Kath., ^ Prot.)

Van de Donau bezit het slechts het brongebied, van den Main een klein gedeelte, van den Rijn daarentegen den geheelcn rechter-oever van den Bodensee tot voorbij den Neekar. Vruchtbare vlakten langs den Rijn; prachtige bossehen op het Schwarzwald, dat de oostelijke grens vonnt.

Donauësehingen, waar eene bron ontspringt, die, in het riviertje Brigach geleid, een weinig verder, bij de vereeniging met het riviertje Brege, den naam van Donau ontvangt.

Konstanz of Kostnitz, a'd Bodensee, op den Zwitserschen oever; 14,000 inw. Conciliën; (welke 5 staten liggen om dat meer?)

Freiburg in den B r e i s ga u; aan den uitgang van het Dreisamdal, vereenigt het verkeer op Donau en Rijn; R. K. universiteit, met den best voltooiden gothischen dom van Duitsehlaud. Even ver van hier (beide 2 m.) liggen in het Z.O. de F o 1 d b c r g, hoogste top van het Schwarzwald en in liet N.W. de onmiddellijk uit de vlakte verrijzende Kaiserstuhl, aan welks voet Alt-Breisach, door alle tijden heen ,,de sleutel van het Duitsche Rijkquot;; 30,000 inw.

Kehl, a/d mond der Kiuzig, tegenover Straatsburg; met sterke vestingwerken.

I

ocr page 270

EUROPA.

Baden-Baden, reeds vroeg vermaard door de gezondheidsbron en heerlijke omstreken, het „Parijs van den zomerquot;, do schitterendste badplaats der wereld; vóór den Duitsoh-ïransohen oorlog, 50,000 bezoekers.

Rastadt, bondsvesting a./d Murg en aan de plaats vaar de Rijn het gebergte het diehtst nadert, vormt een dekkende voorpost van Ulm en Maiuz; 11,000 inw.

Karlsruhe, hoofdstad en residentie, eerst sedert 1715 gebouwd, munt uit door den regelmatigen waaiervormigen aanleg en de fraaiheid der gebouwen; 49,000 inw. In de nabijheid;

Pforzheim, eene der gewichtigste fabriekssteden van Baden, niet name van bijouterijen, 27,000 inw.

Heidelberg, aan het einde van het Neekar-dal, aangename en schoone ligging, met de trotsche bouwvallen van den ouden Pfalzburg. Evangelische universiteit (in 1387 gesticht), met die van Praag de oudste van Duitschland; wijnhandel; 27,000 inw.

Mannheim, a/d mond van den Neckar, de Rijnhaven, eene der eerste handelsplaatsen van Duitschland aaa den Boven-Rijn. Deze regelmatige stad is door onzen Coehoorn aangelegd en versterkt; 54,000 inw.

4) Het Rijksland Elsass-Lotharingen.

(263 □ m. met 1,567,000 inw.)

Bloeiende landbouw en wijnteelt. Talrijke nijvere steden en dorpen.

S t ras z burg of Straatsburg, het Argentoratum der Romeinen, aan de 111, bij den Rijn, nog steeds de grootste handelsstad van den geheelen Boven-Rijn, aan den grooten weg over de pas van Zaberu naar Parijs; sterk bevestigd, met eene protestantsche universiteit, beroemd door den gothiselien dom met zijn' 440' hoogen toren, gebouwd door Erwin van Steinbach; bij Kehl bevordert eene brug over den Rijn het verkeer met den rechteroever; van 28 Sept. 1681 tot 28 Sept. 1870 was zij eene Pransche stad; 112,000 inw.

C o 1 m a r, a/d 111, hoofdstad van den Opper-Elzas; 26,000 inw. en evenals;

M n h 1 h a u s e n of M u 1 h o u s e n, vermaard door de katoenfabrieken en de daaraan verbonden inrichtingen ter verbetering van het lot der werklieden; 69 000 inw.

Ste-Marie-aux -Mines, zoo geheeten naar de lood-, zilver- en kopermijnen;

Metz, grensvesting aan den Moezel; 55,000 inw.

5) Het Groot-Hertogdom Hessen.

(139 □ m., 936,000 inw., { R. Kath.)

Aan iedere zijde van den Main eene helft; de kleinste noordelijke, Ober-Hessen bevat den Vogelsberg en de vruchtbare Wetterau tusschen den Tannus en Vogelsberg. Het Z.O. gedeelte, R ij n - H e s s e n, bevat het Oden-wald en is over het algemeen vruchtbaarder en zachter van klimaat dan het eerste, hier groeit de Laubenheimer, Bodenheimer, Niersteiner, Liebfraumilch Scharlach berger, enz.; in het Z.W. deel verrijst de Donnersberg.

Tusschen Rijn en Main:

Darmstadt, aan het noordelijk uiteinde van de 7 mijl lange Bergstrasse, die door eene der vruchtbaarste streken van Duitschland, tusschen het Odenwald en den Rijn, loopt; hoofdstad en bloeiende residentie; 48,000 inw. Westelijk van hier ligt het door aardbevingen herhaaldelijk verontruste vlek Grosz-Gerau.

O f f e n b a c li, a/d Main, de gewichtigste fabrieksstad van het Groothertogdom ; 32,000 inw.

Tusschen Rijn en Nahc:

Mainz, handelsstad ann den linker oever van den Rijn, die even boven deze plaats den Main opneemt. Als de sleutel van Germanic werd het reeds door de Romeinen tot de voornaamste sterkte aan den Rijn verheven. Sedert het midden der 8ste eeuw (door de bemoeiingen der eerste Karolingiërs en van den met hen hevrienden

244

ocr page 271

HESSEN. — LIECHTENSTEIN. -OOSTENllIJKSCH—IIONGAARSCHE MONARCHIE. 343

Bonifacius) het eerste aartsbisdom in de Duitsche landen, later vrije Rijksstad, rijk nn machtig door scheepvaart en Rijnhandel. Napoleon I omringde Mainz liet eerst met vestingwerken cn na zijn' val werd het de sterkste Duitsche vesting, omdat hier zoo vele wegen elkander kruisen. Ecu schipbrug verbindt het mrt liet ingelijks zeer sterke Kastel aan den rechter Rijnoever, en een vaste brug bevordert het vorkeer met Z.Ü. Duitschland; 06,000 inw. zonder het talrijke garnizoen.

Bingen, aan de uitvloeiing der Nahe in den Rijn, die hier doorliet rotsgebergte breekt (Bingerloch, Muizentoren); wijnhandel.

Worms, in het midden van den veelgeprezen Wonnegau of Wo r m s v e 1 d, even oud en vermaard als Spiers, even diep gezonken en, even als deze stad, na de vernielingswoedc van liet Fransche leger tegen het einde der 17de eeuw, alleen nog prijkende met ceiv eerwaardigen dom ; eertijds de lievelingszetel veler keizers, de residentie der Oostfrankisehe Koningen , de stad der oude Duitsche heldensagen. Luther-mouument; 22,000 inw., voor 400 jaren driemaal zooveel.

In het noordelijkste gedeelte, door Pruisisch grondgebied van het overige gescheiden;

G i e s s e n , 19,000 inw., a/d Labn; universiteit.

11) Het Vorstendom Liechtenstein.

(2,9 □ m., 8300 inw, R. Kath.).

Dit kleine Vorstendom behoorde vroeger tot het Duitsche Verbond, het ligt tusschen Tyrol en Zwitserland aan den Roven-Pujn en bsvat de heerlijkheden Vaduz of Liechtenstein en Schellenberg. Het heeft geen leger en bijna geene belasting. De Vorst resideert doorgaans te Weenen.

12) DeOostenrijksc h-H ongaarsche Monarchie.

(11,400 □ m, ongeveer 38 mill. inw.).

Bijna in het midden van Europa, tusschen 27° 13' en 44° 15' O.L. en 42l, 10' en 52° 3' N.Br. De noordelijkste punt, in Bohemen, ligt onder den parallel van Duinkerken en de zuidelijkste, het zuid-einde van Dalmatië, ligt iets zuidelijker dan de Canigou, de afstand dier beide punten bedraagt 14H mijlen, de grootste uitbreiding is van het W. naar het O, van de westelijkste punt aan de Rodensee tot de oostelijkste in de Bnkowina, 175 mijlen.

Oostenrijk-Hongarije kan niet als Nederland of Rusland een eenheidsstaat zijn: daarvoor is er te veel verscheidenheid in vertikalen bouw en dus in middelen van bestaan, maatschappelijke toestanden enz. Maar vooral verschillen de volken te zeer in ras, taal, karakter. Eekent men de Zigeuners, Boelgaren, Israëlieten niet mee, die te zamen slechts 0,3% der bevolking uitmaken, dan blijven er niet minder dan negen stammen over, met wie rekening moet gehouden worden. Van dezen vormen de Duitschers (260/„) de ontwikkelde, beschaafde meerderheid; dc Slaven (460/o) de meerderheid naar het getal. Daarom is de spanning tusschen die twee nationaliteiten bet sterkst. Toch zijn de Slaven het ook niet weer in alles met elkander eens; de Polen b. v. zijn Roomsch-Katholiek, hunne buren de Roetheenen Grieksch-Katholick, wat tot grooten naijver aanleiding geeft. Nu bestaat er een streven bij de verschillende nationaliteiten om een zelfstandig bestuur te krijgen en zich van elk der beide rijkshelften los te maken. Zelfs de Kroaten duldden onlangs het llongaarsche wapen niet langer voor de woning-van den landvoogd.

De Magyaren (13n/o) zagen in 1868 hun' vvensch naar onafhankelijkheid vervuld ; Hongarije met Zevenburgen, Kroatië cn Slavonië vormen één koninkrijk.

ocr page 272

EUROPA.

Nochtans zijn Oostenrijk en Hongarije niet uitsluitend door eene personeele unie, zooals Zweden en Noorwegen, verbonden; wnnt zij liebben nog één muntstelsel, ééne tollinie, één gezant bij liet buitenland en één leger; overigens zijn zij wat hun bestuur en hunne wetgeving betreft geheel onafhankelijk van elkander. T)e volksvertegenwoordiging (onze Staten-Geueraal) heet in Oostenrijk Eijksraad en bestaat uit het Heerenhuis (door den keizer samengesteld) en het Huis der Afgevaardigden (afgevaardigden van de landdagen der verschillende kroonlanden). Die van Hongarije heet Kijksdag bestaande uit Magnatentafel en Kepresentantentafel, (elk op dezelfde wijze als in Oostenrijk samengesteld). Rijksministers en Delega-tiën behartigen de bovengenoemde gemeenschappelijke aangelegenheden.

Ook de Czechen iu Bohemen zouden zich gaarne los maken van het rijk en treden vooral tegen de Duitschers zeer vijandig op. Gelukkig, dat de dynastie en de persoon van den Keizer en van den Aartshertog Rudolf zeer bemind zijn. Ook is het een voordeel dat 78n/o der bevolking, dus eene overgroote meerderheid, Roomsch-Katholiek is. In Oostenrijk is er te dien opzichte meerdere eenheid; de Protestanten vormen er slechts ruim 5% der bevolking. In Hongarije is 60°/,, E. K., 20% Pr., 1 60/o Gr. K. en 4% Isr.

Eene groote moeilijkheid bij de scheiding in 1868 leverde «de Ausgleichquot; op, of de bepaling van het deel, dat elke rijkshelft van de nationale schuld zou overnemen.

Eene groote zeemogendheid kan O.-H. nooit worden. De Triester Lloyd, die alleen over 70—80 koopvaardijschepen beschikt, stelt den Staat in onafgebroken verbinding met de Levant en Oost-Azië.

Oostenrijks grenzen zijn in het O. de vlakte van Midden-Eusland, in het Z. de Walachische vlakte en het noordelijke hoogland van het Turkscli-Grieksche schiereiland, de Adriatische zee, de Karnisclie Alpen, het meer van Garda, ten W. de oostelijke takken der Centraal-Alpen, de Rijn, de Bodensee, de Beiersche hoogvlakte met het Frankische terrassenland, in het N. het Saksische bergland, de zuidoostelijke Sudeten en de Poolsche en Volhynische landverheftingen.

Staatkundig beschouwd grenst Oostenrijk aan 8 staten (zie de kaart).

De oppervlakte is zeer afwisselend, doch over het algemeen bergachtig. Afgezien van eenige kleinere landschappen bestaat het land uit 4 scherp onderscheiden deelen: 1) de Alpen, 2) de terrasvormige Boheemsche en Moravische grondverheffingen, 3) het oostelijke middel-gebergte of de Karpaten met de hoogvlakten ter weerszijden, en 4) de rondom afgesloten Hongaar-sche vlakte (verg. bl. 253).

Van de hoofdrivieren der Alpen, waarvan er twee aan dit keizerrijk behooren, is de D o n a u voor de welvaart de gewichtigste, zij besproeit deze monarchie tusschen de steden Passau en Orsova over eene lengte van 180 mijlen en bezit hoogstbelangrijke zijrivieren; de R ij n slechts met eene lengte van 5| m. Van de drie oostelijke rivieren van het midden-gebergte behoort de Elbe met den korten bovenloop en het grootste gedeelte van den midden-loop tot Oostenrijk, de Oder, slechts met het brongebied (12^ m.), de Weichsel met de bronnen 45 m.

De bevolking, 38 mill. (3460 op de □ m.), overtreft wel is waar die van twee der Europeesche Groote Mogendheden, doch wordt door deze weder in betrekkei ij ke bevolking overtroffen; Rusland echter heeft een veel geringere betrekkelijke bevolking (in Europa 900 op één □ m.) dan Oostenrijk, terwijl de volstrekte veel grooter is (hoeveel?).

Onder de staten van het Keizerrijk is Bohemen (gemiddeld 5900 bewoners op de □ m.) het dichtst bevolkt, Tyrol (gemiddeld met 1660, doch het Pusterdal met slechts 900 op de □ m.) het zwakst.

34.6

ocr page 273

DE OOSTENRIJKSCH—H0NGAAESC1IE MONARCHIE.

De bevolking behoort gedeeltelijk tot Europeesehe, gedeeltelijk tot Aziatische stammen. Tot de eersten behooren

a. Duitschers, hoofdzakelijk in de landen, die voormaals tot het Duit-sehe Verbond behoorden, 10 mill.

b. Slaven, 18 mill. Eeeds weinige eeuwen na Chr. onderscheidde men de Slaven naar hunne taal in twee stammen. Volgens hunne woonplaats verdeelt men ze als volgt:

a. De noordwestelijke Slavische volken (B o h e e m s c h-

P o o 1 s c h e stam).

1) De C z e c h e n [tsjegchen] of Bohemers.

2) De L e c h e n of Polen, in Krakau en Galieië, vooral in de westelijke helft.

3) De Slow aken, in noordelijk Hongarije, aan de Karpaten en in oostelijk Moravië.

4) Roetheenen (Eussienen of Klein-Bussen), in noordelijk Hongarije en Oost-ftalicië, de minst beschaafde Slavenstam.

h. De zuidoostelijke Slavische volken;

1) De Wenden of Winden, in het Kustgebied, in Karintië, in Krain, Stiermarken en een deel van Kroatië.

2) De Kroaten en Slavoniërs, aan de Midden-Drau en Sau.

3) De Dalmatiërs, Istriërs, Ragusers, Morlaken (te zamen Illyrische Slaven genoemd),

c. Romanen, Walachen en Italianen, ruim 33. mill., nakomelingen

der naar Dacië verplaatste Romeinen, in oostelijk Hongarije, in Zevenburgen, in de Bukowina en in de zuidelijke Alpen.

Tot de Aziatische stammen behooren:

1) De Magyaren of Hongaren (ruim Gi mill.), die tot den Finschen stam behooren, bewoners der vlakten.

2) De Szekler [see-] (grensbewakers), in het N. en O. van Zevenburgen.

3) Do Joden (1| mill.), verspreid onder de Slaven, vooral in Bohemen,

Moravië, Galieië en Hongarije.

4) De Zigeuners (90,000), met eene taal, verwant aan die van den Indischen volksstam.

Hoewel de financiën in ongunstigen toestand verkeeren, omdat de uitgaven zoo aanzienlijk zijn en zoowel adellijken als geestelijkheid van vele opbrengsten zijn vrijgesteld, is er in Europa eigenlijk geen slaat, die aan voortbrengselen en inwendige hulpmiddelen ter bevordering van de welvaart rijker is. De kostelijkste oogsten levert Hongarije: granen in overvloed, wijn en tabak; de zuidelijke streken (Dalmatië enz.) geven rijst, zuidvruchten en olijven; de middelste streek tusschen 46quot;—4!)° N.Br. heeft de geurigste wijnen, waarin de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie, na Frankrijk en Italië den eersten rang bekleedt; de noordoostelijke (Galieië) is slechts gunstig voor den graanbouw. Bovendien bezit Oostenrijk de gewichtigste voortbrengselen van het delfstoffenrijk, ofschoon de opbrengst nog niet evenredig is aan den rijkdom van dat bezit; edele metalen (allen, behalve platina) meer dan al de westelijke landen van Europa te zamen, ijzer, steenkool, lood, en bruinkolen, zout (Wieliczka [wjelietska], Salzkam-mergut) en talrijke en voortrelfelijke gezondheidsbronnen.

Hoofdzetels der nijverheid zijn Bohemen, Moravië en Oostenrijk beneden de Enns (Weenen); vooral het eerstgenoemde land heeft talrijke ijzer-, werktuig-, linnen-, porselein-, glas- en katoenfabrieken; daar echter op de noordwestgrens industriestaten liggen, moeten de waren naar het oosten vervoerd worden. De handel, welks omvang niet in verhouding staat tot den rijkdom van den grond

247

ocr page 274

EUROPA.

en tot de nijverheid der bevolking, vindt in de natuur vele belfimmeringen: geringe kustontwikkeling; groote zwarigheden geeft de Donau aan de scheepvaart, die nog verre terug blijft bij die op den Rijn; daarbij komt ook dat de monden van Donau en Elbe buiten Oostenrijk liggen. Allengs echter beginnen de spoorwegen, waarvan sommige ware kunststukken zijn, in de behoeften van het verkeer te voorzien. Het grootste deel der wagons, locomotieven, rails enz., wordt in het land zelf gemaakt.

Met betrekking tot de ontwikkeling van den geest bestaat er een groot verschil tusschen de Duitsche landen aan de eene zijde en de oostelijke landen der monarchie aan de andere zijde, waar de verscheidenheid in talen eene groote stremming voor de volksbeschaving is. — Oostenrijk bezit 7 universiteiten, 4 Duitsche: te Praag waar thans ook colleges in het Czechisch gegeven worden, Weenen, Gratz cn Innsbruck, en 3 in de niet-Duitsche landen; te Krakau, Budapest en Lemberg.

De regeering is erfelijk in het huis Habsburg-Lotharingen, en sedert 18fi6 beperkt monarchaal. Zie verder boven.

A. De Oostenrijksche monarchie.

De in den Rijksraad vertegenwoordigde Koninkrijken en Landen.

(5450 □ m., 22 mill inw.)

1) Het Aartshertogdom Oostenrijk. (Oostmark, 799 n. Chr. door Karei den Groote).

1. Osterreich unter der Enns (3G0 □ m., 2^ mill. inw.).

Weenen (W i e n), de hoofdstad van het Donau-rijk, residentie van den Keizer, op de plek van de Romeinsehe sterkte Vindóbona en der hieruit in het begin der middeleeuwen ontstane stad Faviana; eerste handels- en fabrieksstad des rijks, natuurlijk vereeuigingspunt der waterwegen van Donau en March en der doorgangen over de lage Oost-Alpen, welke liet hart des rijks met de zeehaven Triëst verbinden. (Langs den weg Oostzee-Oder-Moravische Poort-Mareh-Weenen-Ooste-lijke Alpendalen-Adriatische zee werd o. a. het barnsteen vervoerd. Welke was daarvoor de andere weg?) Vroegtijdig reeds was Weenen de voornaamste vesting der Duitseliers tegen de uit het Oosten voortdringende barbaren, vooral tegen de Turken (belegeringen in 1529 en 1683). — De oude of binnenstad bevat den Keizerlijken burg, waariu de zeer merkwaardige bibliotheek, het uitstekende natuurkundige museum, het mineraliënkabinet, het volledigste in zijne soort, de ontzaglijk rijke schatkamer, het munt- en antiekenkabinet; voorts de Stephanuskerk, cn de universiteit (wier getal studenten gewoonlijk over de 2000 bedraagt, en in het bijzonder voor de medicijnen en chirurgie de beroemdste van Europa genoemd wordt); dit oudere gedeelte werd vroeger van de voorsteden gescheiden door bolwerken en een daarvoor liggend „glacis,quot; welke beide thans met prachtige wijken bebouwd zijn. Eraaie stadsgedeelten zijn nog de Jagerzeil cn de Leopold-stad met de beroemde wandelplaatsen Prater en de A u g a r t e n. In het keizerlijk lustslot Belvedère bevindt zich eene der voornaamste schilderij verzamelingen der wereld. De polytechnische hoogeschool, eene handels- en nijverheidsschool op breede schaal, met 1000 leerlingen, heeft op de ontwikkeling der Oostenrijksche industrie en der ambachten van allerlei aard ia den jongsten tijd zeer gewichtigen invloed gehad. — Do bedrijvigheid van neringen, handwerken en fabrieken is zeer groot en veelsoortig. l)o stad, die thans in 9 distrikten verdeeld is, bevat met de 18 onmiddellijk daarmede verbonden en daarbij behoo-rende voorsteden ruim 1,100,000 inw. In de nabijheid de keizerlijke lustsloten Schönbrunn ten W. en Laxenburg ten Z.

De Weener vlakte, vooral het N.O.lijk Marchfeld (42 □ m.), is een der bekendste slagvelden van Europa. Hier kampten reeds de Romeinen met de Marcomannen , Karei de Groote met de Avaren, de Duitseliers met de Magyaren,

3 8

ocr page 275

OOSTENRIJK.

quot;Rudolf van Habsburg met Ottokar van Bohemen, de Zuid-Duitschers en Polen met de Turken, en eindelijk Napoleon met Aartshertog Karei (Aspern, 21/22 Mei 1809, Wagram, 5/6 Juli 1809). (Welke vermaarde slagvelden zijn er in Europa nog meer?)

2. Östorreieli ob der Enns (218 C m., 768,000 inw.). Nog bergach-tiger dan beneden-Oostenrijk, voor } met boscli bedekt.

L i n z, nabij de uitwatering der Traun in de Donau, aan een der vele bekkens, welke de rivier tussehen Passau en Weenen vormt, nieuw versterkt; met aanzienlijk vertier door de verbinding van Bohemen met de schat,ton van het Salz-kammergut; 42,000 iuw.

Isehl, a/d Tmm, wereldberoemde badplaats; middelpunt en hoofdplaats van het heerlijke Salzkammergut.

Steier, a/d Enns, wordt om de aanzienlijke ijzer-industrie weieens het „Oostenrijksehe Birminghamquot; of Sohlingen genoemd; 17,000 inw.

2. Het Hertogdom Salzburg. (130 □ m., 160,000 inw.).

Een grootsch Alpenland.

Salzburg, a/d Salzacli; de liuizen met platte daken, prachtige marmeren gebouwen, waaronder vooral het aartsbisschoppelijk slot, en talrijke fonteinen doen reeds aan Italië denken; 25,000 inw,

Hal lei n, a/d Salzach en den voet van den Dürrenberg met zijne „zoutkamersquot;, wier zout door water opgelost, in buizen naar de stad geleid en daar uitgedampt wordt.

3. Het Hertogdom Steiermark (Stiermarken). 400 □ m., ruim 1 mill, inw.)

Het gebied van de Boven-Mur en Enns, van de Salzburger-Alpen en den Semmering, over den hoofdkam der Norische Alpen tot aan de San.

De bewoners zijn Duitschers in het geheele Mur-gebied, Slaven in het overige gebied der Dran, ten Z. van de Windische Büheln, eene reeks heuvelen.

Gratz of Griiz, a/d Mur, hoofd- en akademiestad, aan den weg van Weenen naar Triëst over den Semmering, in eene heerlijke landstreek; 98,000 inw.

Leo ben, a/d Mur. De streek ten N. hiervan bevat de beroemde ijzergroeven, die het beste Europeesche staal leveren.

ïe Mar ia-Ze 11 aan de N.grens komen jaarlijks 100,000 bedevaartgangers bijeen.

4. Het Hertogdom Karaten (Karintië). (188 □ m., 350,000 inw.).

Gebied der Drau, tussehen de Tauern, de Karintische en Karnisclie Alpen en het Karawanken-gebergte.

De bewoners zijn Duitschers.

Klagenfurt, de hoofdstüd, met loodwit- en lakenfabrieken; 19,000 inw.

Villach, a/d Drau. De naburige Bleiberg heeft de rijkste lood mijn en van Europa.

5. Het Hertogdom Krain. (181 □ m., 480,000 inw.).

Het gebied der Sau, tussehen het Karawanken-gebergte en de Julische Kalk-Alpen.

Laibach, hoofdstad, 1 m. ten Z. van de Sau; 26,000 inw.

Adelsberg, met de beroemde druipsteengrot, in wier onderaardsche wateren eene merkwaardige hagedis yProteus anguinms) leeft, die alleen nog slechts op Sicilië gevonden wordt. Een weinig oostelijk het veel genoemde Z i r k n i tz e r-m e e r, 1 m. lang en bijna | m. breed, met ouderaardsehe afvloeiingen en voedingsbeken; het stijgen en vallen houdt zich evenwel niet aan bepaalde tijdperken; sedert 1834, toen 's zomers zelfs de diepste plaatsen droog lagen, is eene aanzienlijke vlakte van dit meer voor den akkerbouw gewonnen. De grotten ontstaan door het oplossen der kalk door het regenwater.

Idria, tussehen Laibach en Gorz, met aanzienlijke kwikmijnen.

349

ocr page 276

EUROPA.

6. Het Kustland of de Vorstelijke Graafschappen Görz en Gradiska, het Markgraafschap Istrie en de Stad Triest en haar gebied.

(145 □ m., 600,000 inw.).

G ü r z, a/d Tsonzo; 21,000 inw.

Pirauo, Rovigno enP ola, voortreffelijke havens op de rotsige westkust van liet schiereiland Istrie; de laatste cone krijgshaven van Oostenrijk, evenals reeds vroeger in llomeinsehen tijd, uit welken tijd nog bijzonder merkwaardige overblijfselen bestaan.

Triest, vrijhaven a/d Adriatisehe zee ; de eerste zeehandelsstad van Oostenrijk, met ongemeen bloeienden handel op Italië en de Levant; 145,000 iuw.

Kiirnten, Krain, Görz, Gradiska, Istrië en Triëst vormen te zamen het Koninkrijk Illyrië, de vier laatste worden gezamenlijk ook wel het Kustland genoemd.

7. Het Vorstelijk Graafschap Tyrol en Vorarlberg.

(532 □ m., 920,000 inw.).

In het noorden en midden Duitschcrs; in het Z. Italianen.

Het bergachtigste landschap der monarchie en van Europa, zoo groot als België, maar het | van het getal bewoners. Door zijne ligging in het centrum der Alpen, aan weerszijden van den hoofdkam, is het een doorgangsland (verbinding van Inn en Etschdal) door den Brenner spoorweg, en van de Bodensee met het Salzachdal door den Arlbergtunnel. Weiden in het N., olijven, citroenen en zijde-kuituur in het Z.

Innsbruck, hoofdstad a/d Inn en den voet van den 9000' hoogen Solstein , tusschen den Brennerpas en den in het J\. naar de Isar voerenden pas; akademie; S0,000 inw.

Kufstein, bergvesting aan de wijde opening van het Inn-dal.

Botzen, a/d Eisach, met handelsmissen; vroeger vooral, maar ook thans nog de aanzienlijkste handelsstad van Tyrol; 11,000 inw. Van Innsbruck n(;ar Botzen ligt sedert 1867 een spoorweg over den Brennerpas (4325'), na den Paeific-spoorweg in N. Amerika en dien over dc Andes in Peru de hoogste der aarde. Van hier voert ook een weg naar het door zijn gezond klimaat bekende Méran in het Boven-Etschdal (den Vintschgau).

Triënt, rijkste en aanzienlijkste stad van Tyrol. Concilie 1545/63; 20,000 inw.

Rove redo, insgelijks a/d Etsch, te midden van bosschen en moerbeziënbooinen voor de zijdeteelt (Italiaansche taal).

R i v a, a/h Garda-meer, welks noordspits nog tot Oostenrijk behoort.

Bregenz, in Vorarlberg, a/h oosteinde vau den Bodensee. 8. Het Koninkrijk Bohemen (Böhtnen). (943 D m., 5| mill, inw.)

Voor de gesteldheid van den grond zie men bl. 171. De Bohemers (C z e c li e n [tsj-]) wonen in het midden van het land en over de grenzen tot in Moravië, de Duitschers daar bijna rondom, vooral in het N. in het gebied van de Eger; zij hebben het in de laatste jaren tegen de Czechen hard te verantwoorden; in het noordelijk gedeelte, met name in de nijvere streek rondom Bunzlau en Bidschow, leven 12,000—20,000 inw. op 1 □ mijl.

De Boheemsche nij verheid neemt in Oostenrijk de eerste plaats in. Bovenaan staat de glasvervaardiging (meer dan 100 glasblazerijen en eene groote menigte slijperijen), verder porceleinfabrieken, dan volgt de rijke uitvoer der lijnwaden (meer dan I mill, stukken jaarlijks), van het fijnste kantgaren en van de wol- en katoenspinnerijen. — Wereldberoemd zijn de talrijke gezondheidsbronnen aan den voet van het Erzgebergte (K a r s b a d, T c p 1 i t z, M a r i ë n b a d), welke die streken tot „de zomer-residentie van Oostelijk Europaquot; gemaakt hebben. Aan dezen rijkdom der natuur paart zich overvloed van waterkracht, houtrijive bosschen, ertsrijke bergen (zilver, ijzer, lood, zink, granaten), groote bruinkolen- en steen-kolenbeddingen, rijke graanvelden, uitmuntende wijnbergen en beste hopvelden.

330

ocr page 277

OOSTENRIJK.

Met volle recht wordt Bohemen dan ook de „schoonste diamant in Oostenrijks kroon genoemd.

Prag (Praag); in het midden van het land, punt van samenkomst van de wegen uit Saksen, Moravië, de Opperpalts en van de Donau; a/d Moldau, die iets hoogerop liet water ontviug van de aanzienlijke zijrivieren Beraunka en Sassava, en weinige uren lager in de Elbe valt; in een romantisch bekkeuvormig dal, de stad van kerken en paleizen. De hooggelegen en prachtigste wijk der stad, het H rad sch in met den Keizerlijken burg en de „K1 e i n s e i t equot;, links van de Moldau, is door eene zeer vermaarde en lange steenen- en eene ijzeren kettingbrug met de Alt- en Neustadt verbonden. In handel en ook in wetenschaj) bekleedt Praag eene eerste plaats. Door Karei IV werd in deze stad, zijn lieve-lingsverblijf, de eerste universiteit van Duitschland gesticht (1348); 220,000 inw.

R e i c li e n b e rg, a/d Lausitzer Neisse, de grootste fabrieksstad (lakeu) des lands. In den omtrek liggen 38 volkrijke fabrieksdorpen; 28,000 inw.

B u d w e i s, a/d Boven-Moldau; de spoorweg van hier naar Linz was als paardenspoorweg de eerste in Duitschland (1S28). Bruiukoleaiiiijueu; 24,000 inw.

E g e r, a/d Boven-Eger; 1(3,000 inw.

Pil sen, in een komvormig dal a/d Beraunka, de mijnenstad, met ijzermijnen en uitgestrekte steenkolenbeddingen iu de nabijheid; 3(J,000 inw.

9. Het Markgraafschap Mahren (Moravië). (404 □ m., ruim 2 mill. inw.).

De Slaven (bijna |) verdeelen zich in onderscheidene kleine stammen: Hannaken, Walachen; de Duitsche bewoners vindt men aan den noord- en zuidrand van het land, rondom Olmiitz en Brünn. De vruchtbare grond wordt ijverig bebouwd. Belangrijke schapenteelt.

Brünn, a/d Sehwarza, hoofdstad en handelsstad, met laken- en lederfabrieken. Bekend is de voormalige bergvesting Spielberg; 83,000 inw.

Olmütz, sterke vesting op eene rots a/d Morawa; uuiversitcit; 23,000 inw.

Iglau, a/d Iglawa en aan de Boheemsohe grenzen. Hier en in Brünn is de hoofdzetel der Moravische wolfabrieken; 12,000 inw.

Austerlitz, slag door 3 Keizers geleverd, 2 Dcc. 1805.

10. Het Hertogdom Schlesien (Silezië). (94 □ m,, 570,000 inw.).

Troppau, 25,000 inw., en J a g e r n d o r f, beide a/d Oppa, met manufaktuurfabriekcn.

T c s c h e n, in het oostelijk gebied a/d noordelijken voet der lieskiden. Half Duitscb, half Poolseh.

11. Het Koninkrijk Dalmatië. (233 □ m., 480,000 inw.).

Eene strook kustland van 70 mijlen lang en slechts 10 tot | mijl breed langs de Adriatische zee tot aan den parallel der Abruzzen en dien van Frankrijks zuidelijk uiteinde; zeer bergachtig door de 7000' hooge Dinarische Alpen. Hier wast reeds de laurier en de myrt in het wild, en geeft de druif overvloedig en goeden wijn, althans in de dalen. Oudtijds, toen het beter bebouwd werd dan thans, gaf Diocletianus zelfs de voorkeur aan dit land boven het veel geprezen Italië. Het grootste deel van het land is door de Venetianen van zijne wouden beroofd. (Venetië had veel hout noodig voor zijne schepen en gebouwen en de vlakte van Lombardije is arm aan hout.) Dus bleven de gewone gevolgen niet uit (welke?), terwijl het aanplanten van nieuwe wouden wordt belemmerd door de schrale n.o. winden. Alleen in de Dolinen, bekkens door het instorten van den kalkbodem ontstaan, en in de 1'oljcn, verbreedingen der rivierdalen, kan de teelaarde niet weggespoeld worden, zoodat vruchtbare akkers en weilanden er de bevolking ruime middelen van bestaan verschaften. De tegenwoordige bewoners zijn Slaven. Alleen de volgende versterkte kustplaatsen zijn van eenig belang:

Zara, de oude versterkte hoofdstad; 25,000 luw.

251

ocr page 278

EUROPA.

Spiil a to, R, a pen sa en C attar o, gewichtige oorlogshaven aan de grenzen van Montenegro. Geene dezer havens staat in verbinding met het arme binnenland.

Van de vele rotsige eilanden, die voor de kusten liggen en rijk aan olie en zuidvruchten doch arm aan drinkwater zijn, liggen de 4 grootste (geen zoo groot als de provincie Utrecht) ten N. van Eagusa rondom eene landtong, welke tegenover den mond der kustrivier Narenta ver in zee uitsteekt.

12. Het Koninkrijk Galicie en Lodomirië met het Groot-Hertogdom Krakau. (1420 □ ra., bijna 6 mill. inw. R. Kath. en Grieken, en 686,000 Israël.).

Eene ware graanschuur, ethnographiscli in twee deelen onderscheiden, in het door Polen bewoonde Weiclisel-gebied en het grootendeels door R u s-s e n bewoonde Dnjester-gebied, ann welk laatste eigenlijk de naam van Galicië (oorspronk. = zoutland) en Lodomirië toekomt.

1) West-Galieië, in het Weiehsel-gebied, Poolsche taal.

Krakau, op den hoogcu linker Weichsel-oevcr, eens de hoofdstad van het machtige

rijk der Jagello's, en van 1815—1846 die van den kleinen Vrijstaat; universiteit, levendige handel; 78,000 inw., waaronder 19,000 Joden.

Wieliczka [wjelietska], ten Z.O. van Krakau, met wereldvermaarde steenzoutgroeven, die eene ondcraardselie stad vormen; zoo ook in liet oostelijker gelegen Boehnia.

2) Oost -Galicië, gebied van den Boven-Dnjester, noordelijken Boeg en Dnjepr. Volkstaal het Roeteenisch of Russiniscli, d. i. Klein-Russisch.

Lemberg, midden in het land, hoofdstad en universiteit, welvarend door uitge-breiden handel en velerlei nijverheid; 110,000 inw. (waarvan { Joden).

Brody, aan de grenzen van Volhynië; 20,000 inw. (| Joden), heeft evenals

T a r n o p o 1, in het Dnjestr-gebied, levendigen handel met Rusland en Moldavië; 26,000 inw.

13. Het Hertogdom Bukowina. (190 □ m., 573,000 inw.).

Het land ten Z. van den boven-Proet en Seret. De volkstaal is W a 1 a-chisch, het onderricht achterlijk. Het gewichtigst is de voortbrenging van mineralen, vooral van zout; voorts veeteelt en bosschen. (Bukowina = Beukenwoud).

Czernowitz [isjer-l, a/d Proet, welvarend, met levendigen expeditie- en graanhandel, op den hoofdweg van Galicië naar Moldavië, 46,000 inw.

B. De Hongaarsche monarchie.

(5986 □ m., 15i miii. inw.).

1. a. Het Koninkrijk Ungarn (Hongarije). (4876 □ m., ruim 13 5 mill. inw. met !gt;.).

Tusschen het Leitha-gebergte en de Kleine Karpaten opent zich de kleine Hongaarsche vlakte, welker omvang (220 □ m.) door eene gebogen lijn van Presburg over Neutra, Gran en Güns naar üdenburg wordt aangeduid. Zij was vroeger een binnenmeer, dat door het puin van Alpen cn Karpaten is opgevuld. De Donau vormt er verscheidene eilanden, welker vorm en omvang onophoudelijk veranderen, daar ten tijde van de voorjaarsregens de jOssc grond hier weggespoeld, elders neergelegd wordt. Geen wonder dus dat de rivier in dit gedeelte van haar' loop weer even moeilijk te bevaren is als in het gedeelte Passau-Weenen. Groot en Klein Schütt door drie Donautakken ingesloten zijn de korenschuren van Weenen.

252

ocr page 279

OOSTENRIJK.

Aan den westelijken zoom der vlakte bevindt zich het Neusiedler-meer, dat in het laatste dozijn jaren tweemaal drooggemaakt en bebouwd, doch ook tweemaal weder volgeloopen is ; aan de zuidzijde van het Bakony-woud ligt het 24 □ m. groote meer van B a J a t o n (Duitsch : P 1 a 11 e n m e e r).

De L)onau treedt tusschen Gran en Waizen als door eene poort de Groote Hongaarse he vlakte binnen (eene oppervlakte van niet minder dan 1700 □ m.). Ook deze was een binnenmeer, dat door Donau, Theis, Drau en Sau gevoed werd, maar droog liep, nadat de IJzeren Poort van Orsowa was uitgeschuurd. Naarmate deze ruimer wordt, kan het water gemakkelijker afvloeien , groole moerassen verdwijnen maar met de vochtigheid van den bodem ook zijne vruchtbaarheid. Slechts enkele hooge punten treft men in de vlakte aan, die daarom het karakter eener heide of zelfs zandwoestijn hebben, zoo b. v. de heide van Debreczin en Kecskemet. De vischrijke rivieren hebben een' tragen loop, vormen talrijke eilanden en treden dikwijls buiten de met dicht riet begroeide oevers, waarin talrijke watervogels nestelen. De rijkdom aan visch (de Hongaren zeggen, dat de Theiss er voor '/n uit bestaat) vermindert echter aanzienlijk door het kanaliseeren der rivieren. Verlaten wij den oever, dan komen wij op de eenzame steppe, in het voorjaar met gras begroeid en dus slechts geschikt voor veeteelt. Dat is de Poeszta. Wordt de grond echter kunstmatig besproeid, of brengen de rivieren door overstrooming voldoend water aan, dan ontwikkelt zich eene buitengewone vruchtbaarheid; maïs en tabak. Het meest bevoorrechte landschap in dit opzicht is het Banaat, de rechthoek tusschen Theiss, Donau, Banater geb. en Ternes. (Vergelijk daarmee het Karstplateau). Toch , was die vruchtbaarheid den bewoners van weinig nut, daar er geen wegen waren om de produkten te vervoeren (volkomen gebrek aan steenen!). Industrie is er ook weinig, want er is hout noch steenkool. Slechts zeep wordt er gemaakt, want de soda, uit den grond opgelost, wordt vermengd met het vet der runderen. (Hongaarsch vet wordt ook naar de margarine-boterfabrieken verzonden.)

Daar landbouw en veeteelt het voornaamste middel van bestaan waren en de bewoners van de dorpen welke gedurende de oorlogen tusschen Turkije en Oos-tenrijk verwoest werden, zich ter onderlinge verdediging dicht bij elkander vestigden , hebben de Hongaarsche steden het karakter van uitgebreide dorpen, waarin men bij gebrek aan bouwmateriaal te vergeefs naar monumentale gebou-(: wen of vast plaveisel zoekt.

Het dienstpersoneel der grondeigenaars woont in leemen hutten of Tanya's op de uitgestrekte akkers.

Van groote beleekenis voor het vervoer der granen is de aanleg van spoorwegen, waardoor de landbouw eene hooge vlucht neemt en het land met de buitenwereld in gemeenschap komt.

Voornaamste spoorweg: Szegedin—Theresiopol—Zombor—Fünfkirchen—Fiume, waarmee zich die van Buda over Stnhlweissenburg vcreenigt.

Het klimaat der vlakte is een vastelands-klimaat, des zomers drukkend heet, zoodat in het uiterste zuiden zelfs de katoeuplant groeit. Ook de Hongaarsche hennep is bijzonder gezocht.

Tot 1850 hadden de Hongaren een zelfstandig bestuur, toen werd liet een kroonland onder een' stedehouder te Ofen, verdeeld in 5 burgerlijke distrikteu en 49 comitaten of gespanschappen, doch sedert 18G7 is het met de overige landen beoosten het Leitha-gebergte weder een afzonderlijk beheerd land. (Zie boven.)

Aan de Donau;

Buda-i'est. Eeue tweelingstad aan beide zijden der Donau, sedert 1874 tot algemecue hoofdstad van Hongarije verecnigd. Pest, op de lage linkerzijde, met breede straten eu groote pleinen, is, na. Weenen, de fraaiste, rijkste en gewich-

353

ocr page 280

EUROPA.

tigstc stad en handelsplaats der monarchie, vooral in granen, wol _ en -wijn; op de 4 jaarmarkten en de wekelijksehe wolmarkten komt half Hongarije; het heeft ook de eenige Hongaarsehe universiteit (1000 stud.). Ecne der grootste kettingbruggen der aarde en nog 2 andere nieuwe bruggen geleiden naar B n d a met nauwe straten (Duitseh Of en, zoo geheeten naar de warme zwavelbronnen, aan de Romeinen reeds bekend, die de oostelijke voorstad, Alt-Of en, Aquineum noemden) dat in oen 3 .j uur lang ovaal gelogen is, rondom een' stompen kegelberg van eenige honderden voeten hoogte, waarop de vesting en het koninklijk slot; in eene wijnrijke streek, te zameu 360,000 inw.

Presburg, a/d bergpoort die uit Oostenrijk naar Hongarije leidt, boven hot hier aanvangende groote, 12 m. lange Donau-eilaud Sehütt, op welks zuidoostelijk uiteinde de bijzonder sterke vesting Komorn (13,000 inw.) ligt; 48,000 inw.

Aan de rechterzijde van de D o n a u;

S t ii h 1 w e i s s e n b u r g, in de nabijheid van uitgestrekte moerassen, waarvan een kanaal langs de Donau het water afvoert; 20,000 inw.

Ö den berg, f m. W. van het Neusiedler-meer, met veel wijnbouw, vooral in het naburige Rust; 23,000 inw.

In liet Theiss-gcbied:

Kecskemet [ketsjkemet], verbazend ruim gebouwd midden in de op stoppen gelijkende Pocszten, met groote veemarkten, in 1869 tot stad verheven; 45,000 inw.

Szcgcdin fseggedien], in 1879 door overstrooming van de ïheiss bijna geheel verwoest. Hier vereenigen zich drie waterwegen (welke?) en vijf spoorwegeni 74,000 inw.

Vasarhelv („marktplaatsquot;), het grootste vlek van het rijk; 51,000 inw.

Oud-A rad, a/d Marosj, tegenover de vesting Nieuw-Arad, die één weg naar Zevenburgen beheerscht; 36,000 inw.

Debreezin [débbretsien], met liet zuivere karakter cener Magyaarsebe stad, buitengemeen wijd uit elkander gebouwd, bijna uitsluitend huizen van ééne verdieping en geheel open, na Pest de tweede handelsstad; 51,000 inw.

Tokay, a/d Boven-Tlieiss, vermaard door den besten Hongaarschen wijn, aan do zuidelijke helling van het Hegyallra-[hedjalta] gebergte.

In liet Hongaarseli Erts-gebergte, in het N.O.:

Schemnitz, voorname mijnstad met de mijn-akademie eu rijke goud- cn zilvermijnen; 15,000 inw., en

Kremnitz, welks beroemde goudmijnen aan het verminderen zijn; 15,000 inw.

Aan beide zijden van de Theiss liggen de distrikten die niet dan door edellieden bewoond worden, der Cnmanen, met Felegyliaza [féledzjhazo] 18,000 inw., der Jazygen, met Jasz Bereny [bereeni], en der Haiducken.

Met Hongarije is sedert 1800 vereenigd:

4. Het vroegere Woiwodschap Servië en het Banaat.

Tussclien de Donau, de Theiss en de Marosj, zeer vruchtbare grond.

Maria There siopol, in het Woiwodschap; 61,000 inw., evenals

Neusatz, tegenover Poterwardein, mot leveudigen handel; 21,000 inw.

Ternes war, vesting iu het Banaat aan de Bega en een kanaal, dat van hier naar hot bevaarbare benedengedeelte der rivier voert. Fraai en neringrijk, maar ongezond; 34,000 inw,

2. Het Groot-Vorstendom Siebenbtirgen (Zevenburgen, Transsylvauie).

(1080 □ m., ruim 2 mill. inw.).

De bewoners zijn hoofdzakelijk Walachen, voorts Hongaren en Saksers, of afstammelingen van Noord-Duitsehers en Vlamingers, die in de zuidelijke deelen van dit woudrijke zuidoostelijke gedeelte der Oostenrijkseh-Hongaarsclie monarchie gevestigd zijn. Het heeft een beperkt verkeer met het buitenland. De in het O. en N. des lands gevestigde S z e k 1 e r s (grensbewakers) zijn van onbekende afkomst.

254

ocr page 281

OOSTENRIJK.

In het Hongaarsclie land, in het N.W. ligt:

Klausenburg, sterke hoofdstad aau de Szamosj; 30,000 iuw.

In het Saksenland, in het Z. liggen:

Kronstadt, vesting, de eerste fabrieks-en handelsstad van Zevenburgen; 30,000 in v.

Hermannstadt, met veel nijverheid en handel op Walaehije en Turkije; 20,000 inw. Deze steden hebben nog een geheel middeleeuwseh karakter, meï betrekking tot bouworde, stedelijke vrijheden en misbruiken. Hare bewoners onderseheiden zich voordeelig door beschaving, werkzaamheid, reinheid en welvaart van de Walaohen en Hongaren. Zij zijn Luthersch en waren steeds vrije steden zonder adelstand.

3) De Koninkrijken Kroatië en Slavonië met de vroegere Militaire grenzen.

(791 □ m., bijna 2 mill, inw.)

Slavonië heeft de Drau, de Donau en de San tot grenzen en wordt doorsneden door het Warasdiner gebergte en de met wijngaarden beplante hoogten der Syrmische heuvels. Heerlijke wouden en boomgaarden, de vruchtbaarste vlakten langs Drau en San.

Kroatië strekt zich van de Mur, dwars over de Drau, de Sau en den Karst tot aan de Adriatisehe zee uit.

Ag ram, hoofdstad van Kroatië, met veel handel; slavisehe universileit; spoorwegen naar Triest en Fiume; 28,000 iuw.

Fin me [fioc-], ouder direkt bestuur van het Hongaarsclie ministerie, zeehaven a/d golf van Quaruero; uitvoer van graan; 21,000 inw.

Essek, sterke vesting a/d Drau (waarom aan den rechteroever; waarom niet aan de samenvloeiing van Drau en Donau?), hoofdstad vau Slavonië; 18,000 inw.

Langs de Sau en de Beneden-Donau lagen de Kroatische, Slavonische en Banater Militaire-Grenzen. Tot 1881 werd dit gebied van 200 m. lengte op bijzondere wijze beheerd; de mannelijke bevolking was tegelijk boer en soldaat en het bestuur geheel op militaire leest geschoeid, zoodat het land verdeeld werd in generaliteiten, regimenten en gemeenten. Deze grensbewoners bewaakten de zuidelijke linie tegen de Turken, den smokkelhandel en het binnendringen van de pest; doch daar de vrees voor invallen van die zijde geweken is en de pest bij onverhoopte verschijning op eene andere wijze zoude worden geweerd, heeft men het gebied vereenigd met dat van Slavonië en Kroatië. In oorlogstijden klom het grensleger van 50,000 tot 100,000 man.

P e t e r w a r d e i n, sterke vesting a/d Donau op eene rots in de ontzaglijk vruchtbare vlakte; het Hongaarsclie Gibraltar.

Semlin, vesting a/d Donau bij de monding der Sau, tegenover Belgrado.

Orsova [órsowa], aan do vernauwing van de Donau bij de „IJzeren poortquot; (dooide Turken Demirkapi genoemd).

C. Noord- en Oost-Europa.

13) Denemarken (Danmark).

(Met IJsland en de Fiiröer, 2(525 □ m., 2,051,000 inw.)

Tusschen Oost- en Noordzee (hier W e s t z e e genoemd). De 10 m. lange denkbeeldige lijn van kaap Skagen (Jutlands N.O. punt) naar de Zweedsche stad Gothenburg, die daartegenover onder denzelfden parallel ligt, scheidt het Skager-rak, tusschen Jutland en Noorwegen gelegen, van het meer zuidelijke Kattegat, welk laatste door den S o n d (den oostelijksten zeearm) en de beide Belten

255

ocr page 282

EUROPA.

(«gordels,quot; rondom Funen), gemeenschap heeft met de Oostzee. De Sond wordt bevaren door koopvaardijschepen, omdat hij de kortste weg is tusschen N. en O. zee. l)e Groote Bell is dieper, maar langer en wordt bevaren door oorlogsschepen.

De bodem is eene voortzetting van de Germaansche vlakte; de oostkust en vooral de eilanden hebben geheel het karakter der Duitsche Oostzeekust, vele insnijdingen (tiorden) en riviermonden, hooge oevers, beukenwouden, meren en groote vruchtbaarheid; de westkust behoort tot de westelijke Duitsche vlakte. Het midden is onvruchtbare heide, eene voortzetting van do Baltische meren-plateau's.

De laatste oorlog, waarbij Denemarken de Hertogdommen Sleeswijk, Holstein en Lauenburg verloor, benadeelde ook de financun die, met den afkoop van den Sond-tol door de handeldrijvende mogendheden, in gunstigen toestand waren gekomen. Landbouw, veeteelt en vissclierij zijn de hoofdmiddelen van bestaan.

De regeering wordt in de laatste jaren sterk bemoeilijkt door een ultra-demagogische oppositie.

a. Het eigenlijke Denemarken.

A. De eilanden, 227 □ m., met 866,000 inw.

a. Ten O. van den Grooten Belt:

1) See land (Sjalland), 133 □ m., het grootste, uitmuntend bebouwd, met

Kopenhagen (Kiöbenhavn d. i. koophaveu), aan den Sond, sterke vesting

met eene der schoonste havens van Europa, welke door het eiland Amager en andere eilandjes gevormd wordt, tegenover het Zweedsehe Malmö, sedert 1443 residentie, de tweede stad van liet noorden (Petersburg is de eerste), duor spoorwegen en stoomvaart direkt verbonden met Korsör—Nyborg en Middelfahrt (op ïquot;ünen) — ïredericia (op Jutland); akademiestad eu centrum van de wetenschappelijke ontwikkeling van het gansehe rijk. Door het verlies van Zuid-Zweden eu Noorwegen is hare beteekenis wel wat verminderd. Een in den ouden Griekschen stijl van Pompeii gebouwd huis op welks binnenplaats liet graf van den beroemden man is, bevat liet museum der beeldhouwwerken van Thorwaldscn; ook de fabrieksnijverheid en de handel der geheele monarchie bepalen zicli bijna uitsluitend tot de hoofdstad, zij is het Parijs van Denemarken; de vele en goede gelegenheden tot uitspanning (Lumbey's concerten, enz.) worden geroemd; 235,000 inw, -!,• van de geheele bevolking van het rijk. De 7000 bewoners van het vruchtbare eiland Amager (Duitsoh Amak'), ten Z. der stad, stammen voor het grootste deel van 24 Hollandsche huisgezinnen af, die Christiëm II in 1515 uit Noord-Holland deed komen. Zij zijn ook thans nog de warmoeziers der hoofdstad, doch alleen de bouwtrant der huizen van hun dorp'II ollanderbyeen enkele grafsteenen herinneren nog aan de Hollandsche voorvaders R o e s k i 1 d e, het Delft voor de Deensche koningen.

Helsingör (Elseneur), a/d Sond, de sleutel der zeeëngte, achteruitgegaan sedert de Sondtol niet meer gelieven wordt; 10,000 inw.

2) Möen [meuën], in het O. de 200' hooge krijtrots Möensklint, die van het 7 m. verwijderde eiland Eügen te zien is.

3) F al ster, Deneraarken's boomgaard.

4) Laalland ([lolland], d. i. laagland), 22 □ m.

5) Born holm, 10 □ m., met 29,000 inw., midden in de Oostzee, met ontoegankelijke granietrotsen, in het Z. vruchtbaar.

h. Ten W. van den Grooten Belt:

6) Funen (Deensch F yen [füen]), 53i □ m., met de stad

O den se [-sec], 21,000 inw.; in eene vruchtbare streek.

7) Langelan d.

B. Jutland (Deensch Jylland [juull-]), 460 □ m., dus bijna dubbel zoo groot als de eilanden, doch met slechts 869,000 inw. Het gedeelte dat ten

256

ocr page 283

DENEMARKEN. — ZWEDEN EN NOORWEGEN. 357

N. van dc 30 m. lange Liimfiord [liemfior] ligt, is sedert de doorbraak der Noordzee in 1835 van liet vasteland gesclieiden. Het westen en midden bevat hooge heideruggen, liet oosten vooral vruchtbaar marschland.

A al borg [oolborrc], a/d Liimfiord, 14,000 iuw.; Randers, a/d Guden-Aa, 13,000 iuw.; Aarhuus [oorhocs], a/h Kattegat, 25,000 iuw., handelssteden; Predericia, vesting aan deu hier slechts | m. breeden Kleinen Belt.

b. DeFar-öer (öe = eiland).

(34 □ m., 11,000 inw.)

Bestaan uit 23 steile vulkanische eilanden, waarvan 17 bewoond, die, door stormen geteisterd, geheel boomloos zijn, en een wel uiterst vochtig en nevelig, maar voor de noordelijke ligging vrij gematigd eiland-klimaat bezitten; een voordeel, dat mede toe te schrijven is aan den verwarmenden Golfstroom. De 9000 inwoners vinden hun middel van bestaan in eene menigte half wilde schapen (vandaar de naam Schapen-eilanden), kleine paarden en vooral eiderganzen; verder uit de visch- en robbenvangst. Hoofdplaats Thorshavn.

c. Het eiland IJsland. (Een zelfstandig deel der monarchie met

een eigen bestuur).

(1903 □ m., 70,000 inw.).

Aan den noordpool-cirkel reikend, slechts 37 mijlen van Groenland. Een boomloos bergland, vol lava-woestenijen en steile rots-, sneeuw en ijsgevaarten. Van het Z.W.—N.O. verheft zich een breed en woest bergvlak. Onder de 39 werkzame vulkanen is de belangrijkste de H e k 1 a (4800') in het Z.W. Heete bronnen ontspringen overal; de Geyser springt dikwerf van 90 tot 150' hoog. Het klimaat is ruwer en strenger geworden, sedert het eiland bijna geheel van hoornen beroofd is; alleen de kusten zijn bewoond en, opmerkelijk genoeg, de noordoostkust het meest, hoewel de zuidkust door den warmen golfstroom bespoeld, vochtiger en warmer is dan deze; ja zelfs is zij altijd vrij van ijs, terwijl de havens op de noordkust, waar langs een koude poolstroom gaat, tot in Juli door ijs versperd zijn. Daar het land hier echter vlak is en de weilanden in dc rivierdalen liggen, moesten de bewoners er zich wel vestigen. De golfstroom voert drijfhout uit Amerika aan. Omstreeks 1300 bloeide hier eene bevolking, die vooral in poëzie, geschiedkundige sagen en geschiedenis zeer ontwikkeld was; thans vindt de nog vrij beschaafde bevolking haar onderhoud in visch- en vogelvangst en veeteelt. De IJslandsche wol is beroemd (70,000 schapen.)

Reikiavik, inliet Z.W., is de aanzienlijkste plaats, zetel van deu Stifts-amtmann en van den Bisschop, waar eene openbare bibliotheek, eene geleerden-sehool en een observatorium wordt gevonden, maar geen schouwburg of gevangenis; het onderwijs den kinderen door de ouders verstrekt is er zeer goed; boeken zijn de voornaamste weelde van den IJslander; 1200 inw.

Buitenland sc he Bezittingen.

In Amerika: De westkust van Groenland, 10,000 inw.

St. Thomas, St. John en St. Croix in de Kleine Antilles, 38,000 inw.

Het Skandinavische Schiereiland.

14) Zweden en Noorwegen.

(14,100 □ m., ruim 6 mill, inw.)

Dit grootste schiereiland van Europa, 350 m. lang, 50—90 m. breed, strekt zich uit van het Z.W.—N.O., juist ten N. van Italië en het Balkan-schiereiland,

17

ocr page 284

EUROPA.

en van den parallel der uitmonding van den Memel tot ver in den kouden aardgordel, en wel tot voorbij den parallel van het eiland Jan Mayen en de zuidspils van Nowaja Zetnlja. Het nadert Finland's kust bij Umea [oemeo] tot op 10 m., bij de Alandsrlt;51ands]eilanden tot op 20 m., üuitscliland is met kaap Arkona op Kügen 10 m., en het Deensche vasteland met kaap Skagen 8 mijlen er van verwijderd. De Sond is nog geen mijl breed.

Een derde van dit uitgestrekte schiereiland ligt hooger dan 2000'; want langs de diep gescheurde westkust van den Waranger-fjord in het N.O. tot kaap Lin-desnaes in het Z.W., strekt zich, 100 mijl langer dan de Alpen, een golvend hoogland (niet eene eigenlijke bergketen maar eene vereeniging van grillig tegen elkaar geplaatste hoogvlakten, welker hoogste deelen met sneeuw en rendiervlechten bedekt den naam dragen van Fjeld, Heidi, Vidden en Kjölen) van 10—12 m. breedte uit, dat van 2500' in het N. tol 4500' in het Z. stijgt, vooral in het N. een tal van gletsehers bezit, en waarboven zich eenige kegels nog even zoo hoog verheffen, onder den naam van Hauba, Ka a be (mantel) en T i n d (tinne). Westelijk breken deze hoogvlakten overal met steile rotsoevers van soms 2000' hoogte in zee af, terwijl zij naar het oosten in terrassen afdalen en eene laagvlakte van 10 m. langs de Oostzee overlaten. Dit groote berggebied bestaat uit de volgende deelen:

Het Laplandsche gebergte, het noordelijk gedeelte van het hoogland, dat geheel in Noorwegen ligt en in het Z. reikt tot aan het punt waar Noorwegen, Zweden en Eusland samentreffen. Ten Z. hiervan:

Eene hooge vlakte die in steilten en dalen naar beide zijden afdaalt, langs de grenzen van Zweden en Noorwegen, tot de Noorweegschc mijn-stad Röraas [reuroos] bij de bronnen van den Klara-Elf, met den Sulitelma [soe-] 5796', nog benoorden den Noordpool-cirkel.

De Noorweegsche gebergten, van Eöraas tot Lindesnaes, met den Snehilttan (Sneeuwhoed, 7100', in het Dovre-fjeld, den Skagstöls Ti nd 7568', en even ten N. hiervan den Galdhöpigg of Ya. esfjeld 8017', den hoogsten berg van het geheele schiereiland in het Sogne-fjeld [song-ne], en den Haarteigen [hoort-] in het H a r d a n g e r -f j e 1 d. De dalen in het bergland zijn smal en diep = afgronden; passen zijn er bijna niet en dus is de communicatie zeer moeilijk : van Christiania naar Bergen is de direkte afstand 40 m,, de weg zelf 80 m. De bevolking woont in gaarden, d. z. de verwijdingen in het dal. Zij is zeer ontwikkeld, het onderwijs wordt er gegeven door rondreizende onderwijzers, zoodat enkele leerlingen slechts tijdelijk onderwijs ontvangen. Twee of drie hoofdwegen zijn van beteekenis; 1quot;. die van Drontheim—dal der Goela—Eöraas—dal der Glommen—Mjösenmeer—Christiania (spoorweg en weg voor de trekvogels); 2°. die van Chr. langs de Dovrefjeld naar Molde; 3°. die van Drontheim oostwaarts naar Ostersund en Sundsval.

Het laagste gedeelte van hel schiereiland ligt ten Z. eener insnijding, welke door de Wener-, (110 □ m.). Wetter-, Hjelmar- en Mülar-meren wordt aangeduid. Dit deel nadert vooral in het Z. in bouw en gesteldheid aan de Deensche eilanden en rijst in het hoogste punt den Taberg, aan de zuidspits van het Wetter-meer weinig boven 1000'.

Langs de Noorweegsche kusten liggen tallooze eilanden vooral in het N, met name deMageroë-groep en de zuidelijker Lofodden, dein't geheel niet gevaarlijke maalstroom ontstaat hier door eb en vloed; in het zuiden en oosten dragen de talrijke kleine eilanden den naam van S k il r e n (= ons S c h e e r e n).

Even als in Spanje loopen alle wateren rechts van de waterscheiding naar het Z.O. en links naar het Z. W., met dat onderscheid dat de laatste meestal fjorden (Zweedsch f j a r d - a r) zijn , onder welke de H a r d a n g e r- , S o g n e- en

258

ocr page 285

ZWEDEN EN NOORWEGEN.

Drontheimer-fjorden, bijna 25 m. lang, tot aan den voet der hoogste bergtoppen reiken. Aan deze kusten zijn talrijke watervallen, die tot de hoogste van den aardbol behooren, daar vaak rivieren van de hoogvlakte onmiddellijk in zee storten; op de oostelijke terrassen zijn ze niet minder talrijk, maar niet zoo hoog.

De tallooze, waterrijke rivieren zijn wegens klippen en het sterke verval riet goed bevaarbaar; toch worden er groote houtvlotten langs afgevoerd. Uit let Kattegat bij Göteborg voert echter een binnenlandsche waterweg het G ö t a -kanaal, met 75 sluizen, om de beroemde Trolhiitta-watervallen heen, door het Wener- en Wetter-meer en de Motala-Elf, naar de Oostzee, zoodat hierdoor de vaart door den Sond kan vermeden worden.

Het klimaat in het zuidelijkst gedeelte is bijna als in Denemarken, zacht, gezond, doch vochtig, verder naar het N. in verhouding tot de ligging door den invloed van den Golfstroom zoo gematigd als geen ander land, en in het bijzonder geen kust van den ganschen aardbol op dien breedtegraad. Zweden heeft meer de eigenschappen van een vastelandsklimaat dan Noorwegen. Terwijl het aan de Z.W.kust van Noorwegen bijna evenveel regent als bij Coïmbra in Portugal en alle voedingsgewassen veel noordelijker gedijen dan in Zweden, is hier overal in het midden en Noorden de zomer zeer warm, de winter zeer koud, en gaan die beide jaargetijden bijna zonder lente en herfst in elkander over. Terwijl Noorwegen veel regen en nevel heeft, zijn er in Zweden meer heldere dagen dan in Midden-Europa. Eene hoofdoorzaak van een en ander is de ligging van het gebergte ten opzichte der Z.W. winden. Bergen heeft eene wintertemp, van 0° en eene zomertemp. van -f- 14^ 0; Falun heeft eene wintertemp. van 7° en eene zomer-temp. 16°. — De rotsige grond is slechts dun met teelaarde bedekt, dikwerf met steenen bezaaid, derhalve niet zeer vruchtbaar (soms wordt er brood van berkenbast gebruikt^, trots de moeilijke bewerking, die men vooral in Noorwegen kan opmerken in den kunst matigen aanbouw der berghellingen. Ongeveer TV van den grond is met bosschen bezet (teer, zwartsel, potasch) en nauwlijks zö bebouwd; 350 □ m. van het gebergte zijn met eeuwige sneeuw bedekt. Van Zweden is de helft, van Noorwegen | geheel inproduktief.

De bewoners houden zich bezig met akkerbouw en veeteelt in het Z., met vischvangst (stokvisch, gezouten visch, traan, levertraan enz.) en m ij n e n in het midden en in het N. — Steenkolen en bouwsteen ontbreken, daarom zijn er veel houten huizen en kunnen de rijke ijzermijnen niet goedkoop genoeg ontgonnen worden. IJ z e r vindt men bij Oerebro (tusschen Wener en Wettermeer); bij Dannemora (ten noorden van Stokholm), bij Gellivara, ten N. van den poolcirkel; ook om den Christianiafjord. Koper treft men aan: bij Palun in Zweden, bij Eöraas in Noorwegen; zilver bij Kongsberg zuidelijk van Drammen en bij Sala.

De bewoners zijn bijna allen Lutherseh, met een bisschoppelijk kerkbestuur, ongeveer als in Engeland; tot in 1866 was het alleen aan vreemden geoorloofd eene andere leer te omhelzen. Zij behooren tot den Germaanschen taalstam, terwijl in het N. de Finnen en Lappen — nauwlijks 15,000 zielen — tot den Öeralischen stam behooren. Naar hunne levenswijze onderscheidt men de Lappen in visschers-Lappen, gezeten-Lappen en nomadische rendier-Lappen (de rijkste). Zij noemen zich zeiven, evenals de Finnen, Samen, en verschillen met dezen weinig in taal. — De Germaansche Zweden en Noren maken met de Denen den Skandinavischen stam uit en waren tot aan 1523 ook staatkundig onderling verbonden. Hunne talen zijn als tongvallen van dezelfde afkomst te beschouwen, nauw verwant aan den Duitschen, vooral Neder- of plat-Duitschen tongval. In N.W. spreekt men Deensch. Het Zweedsch is zeer welluidend; wegens hun opgewekten aard noemt men de Zweden de Franschen van het noorden.

259

ocr page 286

EUROPA.

Do beide Rijken zijn onder één' Koning vereenigd, en hebben gemeenscliap-pelijke buitenlandsche betrekkingen, maar verschillend bestuur, verschillende wetten en volksvertegenwoordiging. De kroon is erflijk in de mannelijke linie. De macht van den Koning wordt in Zweden door den in 1866 in vrijzinniger geest dan vroeger hervormden Eijksdag (onze grondwet is tot voorbeeld genomen) en in Noorwegen nog sterker door de meer demokratische volksvertegenwoordiging Stor-thing (d. i. groot parlement) beperkt; hier heeft de Koning bijna geen macht. Eene talrijke vloot, vooral van kleine schepen, dekt de uitgestrekte kusten; het leger wordt in vredestijd grootendeels tot bebouwing van den grond gebezigd en doet slechts 4 weken van het jaar dienst. In de laatste jaren worden zuidelijk Zweden en Noorwegen door verscheidene spoorwegen doorsneden.

1) Zweden (Sverige [sweri-je]).

(8183 D m., 4| mill. inw.).

Verdeeling: 4 hoofdprovinciën in 24 Liine gesplitst.

1) Zweden (Swea-land) in het midden; rondom het Millar-meer liggen de oudere provinciën Upland, Westmannland, Nerike en Södermanlila n d, aan den Boven-Dal-elf ligt Dalekarlië.

Stockholm, slechts 8 minuten zuidelijker dan Christiauia en St. Petersburg, aan het Malar-Meer, gebouwd op 10 hohnen of eilanden in schilderachtige groepen, met 12 bruggen; hoofdstad cn koninklijke residentie, wedijvert met Lissabon in schoonheid van ligging; middelpunt van den handel en groote fabrieksstad. Op een eiland in het meer de zomerresidentie Drottningholm [dron-]; 175,000 inw.

Upsala [oepsala], 9 m. noordwaarts; universiteit en zetel van den primaat-aartsbisschop ; in don praohtigon dom zijn de graven van Gustaf Wasa en van Linnaeus; 16,000 inw.

D a n n e m o r a , 5 m. noordelijker met de grootste en gewichtigste ijzermijnen van Zweden.

S a 1 a, W. van Upsala, met de oudste zilvermijn.

Palun [faloen], nabij het Siljan-meer, met zeer beroemde kopermijnen en eene akademie voor mijnbouw.

2) Gothland, Zwedens fraaiste en meest bevolkte gedeelte, bevat in het Z. de oude provinciën Wermeland, Dalsland, Bohuus [bohoes] (aan het Skagerrack en Westgothland, alle rondom het Wener-meer; Halland aan het Kattegat, Skaanen [skoo-] of Schonen, Blekinge, Smaland [smoo-] en Oostgothland, aan de Oostzee.

Norköping [nörtsjenping], aan de Motala, na de hoofdstad de belangrijkste fabrieksplaats; 27,000 inw.

Niet ver ten zuiden van Linköping, zijn thans Zwedens rijkste kopermijnen van A dvidaberg.

Kal mar, vesting aan de Oostzee. Unie 1397.

Lund, met universiteit en fabrieken; 14,000 inw.

Karlskrona, op 5 rotseilanden, hoofdzetel der Zweedsche Marine; 19,000 inw.

M a 1 m ö, in het vruchtbare Schonen; 37,000 inw.

Góteborg [geuteborg] (Gothenburg), aan het Kattegat en do Göta-elf, door Gustaf Adolf gesticht, tweede hoofd- en handelsstad van Zweden, met bijna Hol-landseh uiterlijk; 77,000 inw.

Helsingborg, overvaart naar Seeland.

3) Het eiland Geland [en-], tegenover Kalmar. Het eiland Gottland, 50 □ m. eene 200' hooge kalkvlakte, met

W i s b y, eenmaal na Lübock de belangrijkste handelsplaats van het N., met ongeveer 40,000 inw., thans 7000 inw.

4) Norland, uitgestrekt, maar weinig gebouwd en zeer schaars bevolkt.

Gefle, uitvoer van ijzer, hout en teer, scheepsbouw en aanverwante bedrijven;

19,000 inw.

260

ocr page 287

ZWEDEN EN NOORWEGEN.

5) Lapland nog ruwer en minder bevolkt (6 inw. op de □ m.), meest zwervende Lappen.

2) Noorwegen (Norge [norge]).

(5900 m., 3 mill, inw.)

Alleen de kusten en enge dalen zijn bewoond, het uitgestrekte ongastvrije hoogknd niet. Het is verdeeld in 6 stiften, deze weder in 18 ambten.

a. In het gebied van het Skager-rack;

F rederiks h aid of Pr ederiks hall, vesting aan de Zweedsche grenzen.

Christiania, handelshaven, fraai gelegen aan een' diepen en veiligeu zeeboezem, de Vik genaamd, waarom de Noren ook wel Vikinger heetten. In den omtrek der stad bloeit de vischvangst (verzending van makreel en oesters naar Engeland), de landbouw en het mijnwezen; beuken-, eiken- en naaldhout bevorderen den handel met Holland. Langs natuurlijke wegen verbonden met de westkust (zie boven); hoofdstad en zetel van den stadhouder; universiteit; 80,000 inw. en nog 4-0,000 in de voorsteden.

Drammen, hoofdplaats vau den houthandel; 20,000 inw.

Kongsberg, met eene rijke zilvermijn.

A r e n d a 1, met voortreffelijke ijzermijnen.

Christian sand, met gewiehtigen houthandel; 13,000 inw.

h. Aan de Westkust:

Stavanger, eene der oudste en gewichtigste steden van Noorwegen, uitvoer vooral van haring; 21,000 inw.

Bergen, eerste handelsstad van Noorwegen, met twee jaarmarkten, ééne in Mei voor de levertraan, ééne in Juli en Augustus voor de zoutevisch; de regenstad, maar ook de stad van stokvisch, zoutevisch en levertraan; Spaansehe en Italiaansehe, in 't algemeen schepen uit katholieke landen komen hier de meeste visch laden (op vastendagen is het gebruik van vleesch niet geoorloofd); 40,000 inw.

Trondhjem (Duitsch Drontheim), aan een' vischrijken fjord, met vlakke oevers en dus dichter bevolking dan ergens op de kusten; gemakkelijke verbinding met het binnenland: uitvoer van het koper van Röraas; vroeger kroningstad met veel handel; 23,000 inw.

Röraas [reuroos], 5500' hoog, met dc rijkste kopermijn van Noorwegen.

Hammcrfest, noordelijkste handelshaven der oude wereld, op een eilandje, dat reeds tot de noordelijkste provincie, het onherbergzame Finmarken, behoort; punt van uitgang voor de expedities naar Spitzbergcn; hier eindigt de telegraaf; de ligging onder 70^° is oorzaak, dat de zomer er 2i maand duurt, inzameling van eiderdons; 40,000 inw.

Op het eiland Mager eindigt het gebergte onder 71° N.Br. met den 947' hoogen Noord kaap, waar de langste dag reeds 72 etmalen duurt. De hoofdbezigheid dezer kustbewoners is de vischvangst, vooral tusschen de groepen der rotsige Lofodden-eilanden, waar in Februari en Maart soms Ifi millioen vissehen gevangen worden.

Spitsbergen, dat tot aan de ontdekking van Grinnell si and en Grants-land (ten N. van Amerika door Kane in 1853, later door Dr. Hayes tot 81° 35', in 1872 door Hall tot 82° 16', in 1875 door Markham en Parr tot 83° 20' bezocht), het noordelijkste land der aarde heette, is eene onbewoonde eilandengroep, die tot aan den 80sten breedte-graad reikt, weshalve de langste dag hier 4—5 maanden duurt. Alleen op de laagste plaatsen (de met eeuwige sneeuw bedekte bergen rijzen tot 4000') ontwikkelt zich in de zomermaanden een karige plantengroei. Zweden nam het in 1870 in bezit.

Daar werd in het begin der 17de eeuw door dc Hollandsche Noordsche Maatschappij, op het eilandje Amsterdam ten Z.W. van Spitsbergen, een faktorie Smeeren-burg aangelegd, met pakhuizen, („Harlingschequot;) traankokerij enz., waar gedurende de walvischvangst (^de goudmijn van het Noordenquot;) in dc zomermaanden

261

ocr page 288

EUROPA.

een druk en levendig gewoel heerschte door de duizende arbeiders en matrozen, die daar bijeen waren.

Ten N. van Spitsbergen bereikte Parry in 1827 met ijssleden de breedte van 82° 45'.

Dc eenige buiten-Europeescbe bezitting van Zweden is het nog geen vlerk, mijl groote, vruchtbare St. Barthelémy, een der kleine Antilles.

15) Rusland.

In Europa (bijna 100,000 □ m., ruim 83 mill, inw.)

Euslands noordelijkste punt ligt onder TH0; de zuidelijkste punt van de Krim op 44°, de oostelijkste onder 83° O.L., de westelijkste op 35° O.L. Op 531° is de afstand van W.-O. 410 m,, van N.-Z. 380 m. Daar de Eussen geen Europeesch en Aziatisch Rusland kennen, maar het rijk als een geheel beschouwen, is de grens aan de Aziatische zijde moeilijk te bepalen.

Gewoonlijk neemt men haar aldus:

Het Oeralisch gebergte — de Obtschei Syrt — de Wolga tot haar' mond aan de Kaspische zee — de Manytschlaagte — de zee van Azof — den noordrand der Zwarte zee tot den noordelijken Donaumond. Voor de verdere grenzen zie men de kaart.

Het geheele Kussische rijk wordt op 403,340 □ m. met 98 mill, inwoners berekend.

Ter vergelijking diene:

Het Britsche Èijk groot 405,720 □ m. met 305,000,000 inw.

De Vereenigde Staten van N.-A., groot 171,500 □ m., met 50,000,000 inw.

Het Chineesche Rijk, groot 214,000 □ m., met 380,000,000 inw.

Ondanks de verbazende grootte van het Europ. gedeelte (de helft van Europa, ruim 160 maal Nederland), heeft het niet een' daaraan geëvenredigden invloed op het westen uitgeoefend, en wel om de volgende redenen:

1°. Het begiut in het zuiden, waar de zuidelijke leden reeds hunne noordgrens hebben.

2°. Eene landstreek van 120 m. breedte in het noorden is ongeschikt voor landbouw.

3quot;. Het heeft een continentaal klimaat, zoodat in het Z.O. de steppen van Azië ver binnen dringen. Een groot gedeelte in het noorden en oosten wordt dus onttrokken aan den landbouw.

4°. Van de 4 landbruggen, tusschen Witte zee en Bothnische golf, tusschen Oeral en Kaspische zee, tusschen Zwarte en Kaspische zee en tusschen Karpaten en Oostzee, voert slechts eene (de laatste) naar een beschaafd land d. i. Duitschland.

5°. De Oost-, Zwarte- en Kaspische zee zijn binnenzeeën, terwijl de uitgangen van de eerste 2 niet in Euslands bezit zijn. De Witte zee, hoewel eene open zee, is maanden lang met ijs bedekt.

De groote Oost-Europeesche of Sarmatische vlakte vult het geheele vasteland van Rusland, eindigt aan de zeekusten, aan den Oeral en de Karpaten, en zet zich in het W. in de Noord-Duitsche, in het Z.O. in de Kaspische, en in het Z.W. in de Walachische vlakten voort; een droog geworden zeebodem, gelijk de zoutbeddingen aan de randgebergten doen vermoeden.

Zij kan, voor zoo ver zij tot Rusland behoort in de volgende deelen verdeeld worden:

1°. De Arctische vlakte ten noorden van den Noord-Russischen landrug of het stroomgebied van Petschora, Mezen, Dwina en Onega.

2°. De Finsche rots- en merenvlakte.

3°. Het Newabekken en het gebied der Ru ssische-oostzeeprovinciën.

4°. De Waldaïheuvelen en het Centrale plateau tusschen Dnjepr en Wolga, dat in het noorden afholt naar het centrale bekken of dat van Moskau,

2fi2

ocr page 289

RUSLAND.

waarvan het zuidelijk deel door de Zwarte aarde wordt ingenomen en dat naar de Zwarte zee overgaat in de Pontische steppen. Van de Waldaïheuvelen loopt naar het Z.W. de Westrussische landrug, die zich langs de Oostzee voortzet, onder den naam van P r u i s i s o h e-P o m m e r s oh e-Mecklenburgsche Meren vlak te en tot in Noord-Jutland te volgen is.

Een tak van dien landrug strekt zich uit als L y s a - G o r a, Plateau van Tarnolvitz, Flaming en Lüneburger heide langs den zuidrand der Xoord-Duitsche vlakte.

Het meridiaan-gebergte van den Oeral, (300 m. lang en tot 6000' hoog), splitst zich in den w o u d r ij k e n zuidelijken Oeral, den ertsrijken midden-Oeral (ijzer, koper, zilver, platina en vooral goud, marmer, malachiet, mangaan-kiezel, porphyr, jaspis, smaragden, berillen, topazen), tusschen 55° en 61° N.Br., en den noordelijken woe sten Oeral tot aan de straat van Waigatsj.

Het Taurische gebergte, in den Tsjatyr-dagh (Tentberg), 5000' hoog, neemt de zuidkust der Krim (beter Krym [kruum]) in en vormt er voortreltelijke havens.

Door 10 aanzienlijke stroomgebieden wordt de Sarmatische vlakte rijk besproeid. Naar de Kaspische zee vloeien de Oeral (230 m. lang) en de Wolga (430 m. lang), Europa's grootste rivier, hare bron ligt op de Waldaïhoogten; spoedig reeds wordt zij in haren bovenloop door groote zijrivieren versterkt, waaronder vooral rechts de Oka en links de van den Oeral komende aanzienlijke Kama (215 m. lang). Na met scherpe bochten het centrale Plateau te zijn doorgebroken, wendt zij zich bij Sarepta oostwaarts en vormt in 8 hoofd-armen uitloopende een uitgestrekt delta-land.

Naar de Zwarte zee vloeien, behalve de Don au (Dantwius, hiér), wier zijrivier de P r o e t, de grens tegen Eoemenië vormt, nog de D n j e s t r, de D n j e p r en de Don, die, nadat zij den zuidrand van het centrale plateau in zuidwestelijke richting doorgebroken zijn, in ondiepe golven (door de Russen limans geheeten) uitloopen; onder deze limans is de zee van Azof (= meer, oudtijds palm Maeotis) het grootste. Van die 4 rivieren heeft de Dnjepr (240 ra.) de grootste stroomontwikkeling; deze wordt van het Wolchonskische woud komende reeds spoedig bevaarbaar; neemt vele rivieren op, waaronder de voornaamste zijn, rechts; de J5 e res in a en de Pripetz, en links de aanzienlijke D e s n a, breekt dan met watervallen (saboren) en stroomversnellingen (porogi) beneden Kjef door het centrale Plateau heen en mondt bij Chersón in denzelfden liman, waarin zich ook de zuidelijke Boeg werpt.

Naar de Oostzee vloeit de Weichsel, Poolsch Wisla, 130 m. lang; tot Krakau ontvangt zij al haar water uit de Beskiden (met de bronbeken zoowel van de Witte- en Kleine- als van de Zwarte Weichsel), van den Iloogen-Tatra rechts den Doenajetz met den Poprad; in haar' middenloop, tot aan den mond van de Drewenz op den rechter-oever, ontvangt zij, met eene wijde buiging naar het O., rechts den San (bij Sandomierz van het Karpatische woudgebergte), hare grootste zijrivier de noordelijke Boeg (van de waterscheiding van de Dnjester) met rechts de Naref, en links de Pilica. In den benedenloop breekt zij door de Baltisehe merenplateau's, vormt beneden Memel in Pruisen eene 36 □ m. groote delta en stroomt gedeeltelijk onmiddellijk in de Oostzee — door dc Danziger Weichsel en (sedert 2 Feb. 1840) door de doorbraak bij Neufahr — en ook gedeeltelijk in het Frische Half door de oude Weichsel en de Nogat.

De Njemen, 115 m. lang (Memel genaamd aan den beneden-loop), van den Westrussisehen landrug, valt door twee armen (R u s s en G i 1 g e) in het Kurische Hatt'.

De Diina, door de Russen westelijke Dwina genoemd, 140 m. lang, van het Wolchonskische-woud.

363

ocr page 290

EUROPA.

De Narowa, de afvloeiing van liet ruim 66 □ m. groote Peipus-meer (PM.).

Het gebied der slechts 8 m. lange Newa, in de Finsohe golf; zij is de afvloeiing-van het 366 □ m. groote Ladoga-meer, dat uit het O. door den Swirr het water van het 195 □ groote Onéga-meer en uit het Z. door de Wolchof de in het II men meer vloeiende wateren van de Lovat en Msta ontvangt:

Naar de Noordelijke IJszee vloeien;

De Onega, die verscheiden meren doorstroomt en in de Witte zee valt, evenals

De (noordelijke) Dwina, 160 m., die ontstaat uit de vereenigde wateren van de Joeg, Soetsjóna en Wytsjegda van den Noord-Eussischen landrug.

De Petsjóra, 150 m. lang, van den Noordelijken Oeral.

Tusschen bijna alle groote stroomgebieden bestaan verbindingen door kanalen: het Beresina-kanaal verbindt de Düna met den Dnjepr; een ander kanaal de Düna met de Newa. De Dnjepr staat bovendien door kanalen in verbinding met de Oostzee langs den Njemen en de Weichsel. Het kanaalstelsel der Welga is het rijkst; met de Zwarte zee heeft zij gemeenschap door de Oka en den Don; met de Noordelijke IJszee door hare zijrivieren de Sjeksna en de Kama met de beide bron-armen der Dwina; met de Newa door 3 kanalen, waarvan twee de bronrivieren met het Onéga-meer verbindt.

Bij de Eussische rivieren is in het algemeen het volgende op te merken:

1°. Het zijn laaglandsrivieren, welker gering verval bevorderd wordt door sterke ontwikkeling.

2°. Zij zijn door kanalen gemakkelijk te verbinden, daar zij elkander dikwijls naderen (overdraagplaatsen of Wologs der Russen).

3°. Wordt daardoor de binnenlandsche handel bevorderd, omdat de ruwe pro-dukten, waaraan Rusland zoo rijk is, het gemakkelijkst en goedkoopst langs waterwegen vervoerd worden.

4quot;. Zij bevriezen een groot deel van het jaar, waarom de aanleg van spoorwegen bij ontwikkeling van den handel noodig werd.

5°. Zij loopen met ondiepe mondingen (limans met daarvoor gelegen banken of Peressips aan de Zwarte zee) in binnenzeeën uit.

Bevolking.

A. Tot den Indo-Europeeschen volksstam behooren:

1) De Slaven, de hoofdbevolking in Europeesch-Rusland (ruim 83 mill.).

Tot hen behooren 1°. de Groot-Russen ten oosten van de lijn Dunaburg-

Wiasma-kniebocht van den Don; 2quot;. de Wit- en Klein-Russen ten westen van dezen en van elkander gescheiden door de rivier Pripets. Zij (73 mill.) behooren tot de O :st-Slaven, dc Polen (7 mill.) tot de West-Slaven.

2) De Romanen (Walachen) en Grieken in het Z.W., ongeveer 1 mill.

3) De Letten (2| mill.) met hunne aanverwanten of afstammelingen de L i t h a u e r s en Koerlanders, in het gebied van Düna en Njemen, in geheel Koerland en in de zuidelijke helft van Liefland.

4) Germanen (ruim 1 -j- mill.), de bevolking der Oostzee-provinciën, de Duitsche koloniën om Saratof aan de Wolga en aan de Azofsche en Zwarte zee. Voorts de Z w e e d s c h e bevolking van Finland en der eilanden Dagö en Oesel [euz-].

Israëlieten ((2ij- mill.) worden vooral in Polen en West-Rusland gevonden.

De Kaukasièrs (ruim 2^ mill.) eigenlijk in Azië wonende.

B. Tot den Finschen stam, die naar zijne oorspronkelijke woonplaats de Oeralische, en naar een der takken van dat gebergte de Oegrische genoemd wordt (maar door de Russen onder de algemeenen naam van ïsjoeden begrepen wordt), behooren:

1) De Finnen (bijna 5 mill.); daartoe behooren de M or d win en, Tsje-remissen, Samojeeden en Syrjeenen, van Kasan tot de IJszee verspreid.

ocr page 291

RUSLAND.

2) De E s t e n in Noord-Liefland en Koerland.

3) De L i e v e n in een gedeelte van Liefland en Koerland.

4) De L a p p e n in Finland.

C. Tot den Tataarse hen stam (2§ mill.) behooren:

De Turkselie stammen der Kirgiezen in de steppen van de Kaspische zee en de B a sj kieren in de Kussisehe gouvernementen Perm en Orenburg.

Voorts de Mongoolsche stammen der K a 1 m u k k e n aan de bocht der Wolga tot Sarepta.

De Grieksche kerk is de staats-godsdienst (63 mill.). De Tsaar is het zichtbare opperhoofd der kerk; eene heilige synode en Metropolitanen staan hem ter zijde. Buitendien worden de volgende eerediensten beleden: de Jloomsch-Katholieke (vooral in Polen) door bijna 8i mill., de Protestantsche (meest Lutherschen in de Oostzee-provinciën) door 5 mill., de Mohammedaansche (bij de Kaukasische en Tataarsche stammen) door 2^ mill., de Israclietische (door 2^ mill.; Boeddaïsten, Heidenen, enz.

De verbazende uitgestrektheid van het rijk doet de sterkste tegenstellingen van klimaat in de verschillende deelen ontstaan; er zijn landstreken waarin ijsbeer en rendier nauwlijks hun voedsel kunnen opsporen, en andere in welke de kameel over het gloeiende zand heensnelt. Ten opzichte van het klimaat onderscheidt men 3 gordels: 1) de zuidelijke tot 50° N.Br., waar de olijf en de zuidvruchten rijpen, 2) de middelste tot 57°, het beste en welvarendste deel, dat overal don graanbouw beloont, 3) de noordelijke die tot 64° huisdieren, tot 67° ^ kreupelhout en verder noordwaarts bijna niets meer oplevert; mensch, dier en plant krimpen daar ineen.

Belangrijk is de rijkdom aan natuurvoortbrengselen. In het N. en W. is de w o u d t e e 11 hel voordeeligst, in het midden de akkerbouw, in het Z. de wijnbouw; in de Siberische gebergten en den Oeral de mijnen (goud, koper, ijzer, zilver, platina, zie bl. 263); hier, en vooral in de zoutmeren der zuidelijke steppen, is de zoutwinning allergewichtigst, (Het Eltonmeer levert jaarlijks 64 mill. KG. zout.) De ontginning der mijnen geeft Kusland direkt voordeel, hetgeen duidelijk is; maar vooral bedenke men, dat door het uitwisselen van ruwe produkten uit het oosten tegen voorwerpen van kunst en smaak uit het westen de beschaving zich tot in het oosten van Azië uitbreidt. De rijkdom van het N. bestaat grootendeels in de kostbare pelsdieren; de veeteelt wordt bijna overal op groote schaal gedreven.

De kunst-nijverheid is nog van weinig beteekenis, hoewel zij door geldelijke hulp der regeering en hooge beschermende rechten tegenwoordig sterk vooruitgaat. Het gouvernement Moskou is het nijverst en tevens het dichtst bevolkt, ten zuiden van Moskou worden n. 1. de kolenmijnen van Kaloega, Kjasan en Toela ontgonnen. De handel, door rivieren, kanalen en des winters door vaste sneeuwbanen gemakkelijk gemaakt, is zeer levendig en voordeelig.

Kusland verkeert nog in het eerste tijdperk van ontwikkeling zijner ontzaglijke natuur- en volkskrachten. Hoe laag de geestbeschaving nog staat, volgt reeds daaruit, dat nauwlijks T'l7 der bevolking het allereerste onderwijs geniet, maar de afschaffing der lijfeigenschap in 1861 oefent bereids zeer gunstigen invloed uit. Er zijn vele goede inrichtingen voor hooger onderwijs: de 8 aka-demiën zijn te Dorpat, Charkof, Moskou (de oudste, van 1755), Helsingfors, St. Petersburg, Kjef, Odessa en Kasan.

Als Staat is het rijk eene onbeperkte geestelijke en wereldlijke alleenheerschappij. De kroon is erfelijk in mannelijke en vrouwelijke linie; de kroning en zalving van den //Alleenheerscher aller Bussenquot; geschiedt te Moskou door den Mecropolitaan.

De groote ontwikkeling zoowel der landmacht als der zeemacht, en de belang-

2fi5

ocr page 292

EUROPA.

rijke maatregelen, die de regeering steeds neemt om beschaving en welvaart in alle standen te doen doordringen, vergt veel van de linanoiëele krachten der bevolking. Spoorwegen verbinden de hoofdstad met de Zwartezee-havens, met westelijk Europa en dringen reeds door tot in Azië.

Het geheele rijk is in gouvernementen of provinciën verdeeld, die meestal den naam der hoofdstad dragen; wij volgen hier de geschiedkundige indeeling.

A. Groot-Rusland.

(39,000 □ m., dus ruim 4 maal zoo groot als Frankrijk, 26 mill, inw.)

Grootendeels vruchtbaar, met de nijverste en volkrijkste provinciën, in het N. bijzonder woudrijk en daar schraal bewoond.

a. Ten Z. van den Noord-Eussischen landrug:

Moskou, E-uss. Moskwa, de oude hoofdstad van het Russische Rijk, tweede residentie, a/d Moskwa (linker zijrivier der Oka), bijna in het midden van Euro-peeseh Rusland, op eene heuvelachtige vlakte, 5 m. in omvang, de eerste fabrieksstad des rijks en middelpunt van den handel met Azië, die de bron is van een' verbazenden rijkdom (hoofdartikel is de thee). De stad is verdeeld in 2 deelen, het oude oostelijke deel is de Kitaigorod (Chineezenstad), die ons aan het oosten herinnert, het westelijke deel is geheel modern. In het midden ligt het bijzondere stadsgedeelte, het K r e m 1, met het oude paleis der Tsaren en 32 kerken, omringd door 4 uitgebreide wijken en nog talrijker voorsteden, te zamen met 400 kerken; 600,000 inw.

Smolensk, 50 m. Z.W. van Moskou, vesting a/d Dnjepr; 24,000 inw.

Kaloega, a/d Oka; 39,000 inw.; en To el a (met de grootste, door Peter den Groote opgerichte geweerfabriek); 58,000 inw. Deze twee gewichtigste fabriekssteden na Moskou, liggen er 23 mijlen van verwijderd.

Orel, talkbereiding en aanzienlijke handel. Rijna 6000 oliemolens worden in dit gouvernement gevonden; 54,000 inw.

Jelez, 31,000 inw.; Koersk, in eene vruchtbare streek; 32,000 inw.

Worónesj, a/d Worónesj, nabij den Don, handelsstad; 46,000 inw.

Tam bof, a/d Zna, in eene hoogst vruchtbare streek, met bloeiendeii handel en nijverheid; 27,000 inw.

R i ii s a n, a/d Oka; 25,000 inw.

De volgende steden liggen allen aan de Wolga;

Nizjniej-Nóvgorod (d. i. beneden- of zuidelijke nieuwstad), bij den mond van de Oka. Hier heeft in Juli en Augustus de grootste jaarmarkt van Europa plaats, waarvan in 1869 o. a. meer dan 300,000 menschen deel namen (Europeanen, Perzen, Hindoes, Chineezen). Voor meer dan 190 mill, gulden waren worden aangevoerd; 45,000 inw.

Kostroma, met meelfabrieken; 30,000 inw.

Jaroslavl, met, katoenfabrieken; 30,000 inw.

Rybinsk, 15,000 inw., waar de kleine vaart overgaat in de groote.

Twer, tevens aan den spoorweg van Moskou naar St. Petersburg, handelsstad; 38,000 inw.

h. Ten N. van den Noord-Russischen landrug :

Novgorod-Weliki (d. i. groote nieuwstad), aan den noordliock van het IImen-meer bij de uitvloeiing in den Wolchof; eeuwenheugende stad; in 862 residentie van Rurik en zijne Noormannen of Waregers, later Russen genoemd, daarna machtige republiek en Hanse-stad, toen zeer volkrijk, 400,000 inw., thans slechts 18,000 inw. In de middeleeuwen zeide men; „wie is tegen God en K. bestandquot;!

W o 1 o g d a, nabij de bron der Soetsjóna; bewerking van leder en linnen, middelpunt van den handel op Siberië; einde van het Russische spoorwegnet; 17,000 inw.

Archangelsk, aan de mondings-delta der Dwina, houthandel, haring-en wal-vischvangst; uitvoer van vlas, traan en pelterijen; 20,000 inw. Dc kortste dag

26fi

ocr page 293

UUSLANI).

is liier van 3 uur en 12 min. Dit gouvernement alleen is 27 maal grooter dan Nederland, doch heeft eene bevolking als de provincie Overijsel.

Kola, in het N.W. a/d IJszee, op het gelijknamige schiereiland, noordelijkste stad van Europeesch Rusland; hier blijft de zon des winters zes weken onder de kim.

B. Kléin-Rusland of de Ukraine.

(3800 Q m., 7i inw.).

Behoort tot de vruchtbaarste graanlanden der wereld.

Kjef, aan de samenvloeiing van Desna en Dujcpr, nadat deze reeds belangrijke zijrivieren heeft opgenomen (Beresina en Pripetz); de waterrijkdom is dus aanzienlijk. Belangrijk punt op den ouden handelsweg Zwarte zee—Dnjepr—Oostzee. Wladimir liet zich hier ia 988 doopen, en sedert werd van hier uit het Christendom gepredikt; het was dus de hoofdstad van het Slavisch-Hussische rijk onder Ruriks opvolgers, totdat Moskou hare plaats innam; in het hooge versterkte gedeelte der stad ligt het oudste eu heiligste klooster van Rusland (uit de 9de eeuw); de verbazend ruime grafgewelven bevatten de lijken van bijna 100 heiligen der Grieksche kerk; over den Dujepr is de grootste kettingbrug van Europa gespannen; 130,000 inw.

Berditsef, zuid westelijker, bijna uitsluitend door Joden bewoond; 53,000 inw.

Polta wa [palt-], overwinning van Peter I over Karei XII in 1708; 34,000 inw.

Charkof, ten W. van den Donétz, fraaie stad met groote jaarmarkten; 100,000 inw.

C. De Oostzee-provinciën.

(2700 □ m., 4 mill. inw.).

1) Ingermanland, naar de rivier Inger vroeger aldus genoemd, tusschen liet Peipus- en Ladoga-meer, meest vlakke landstreken, met veel dennenwouden; het is sedert 1871 staatkundig gescheiden van de overige Oostzee-provinciën, en maakt een op zich zelf staand gouvernement St. Petersburg uit.

St. Petersburg, aan de uitwatering der Newa in de Finsche golf; door kanalen met alle bevaarbare rivieren van Rusland in verbinding gebracht; gesticht 16 Mei 1703, en dus de jongste, maar eene der grootste en prachtigste residentiën van Europa; bijna geheel bestaande uit paleizen en reusachtige gebouwen, het schitterende middelpunt van het moderne Rusland, in tegenoverstelling van het oostersche Moskou; eerste zeehandclsstad van het rijk en na Moskou de belangrijkste fabrieksstad. De fraaiste straat, de Xefksi-prospekt, | m. lang, doorsnijdt zoowel de arme voorsteden als de wijken der rijken in het hart der stad; aan den linker Newa-oever het winterpaleis, waarvoor de Alexander-zuil uit één stuk graniet, 154' hoog; daarnaast het uitgestrekte admiraliteits-gebouw met de scheepstimmerwerven en magazijnen, allen uitziende op een plein, dat 100,000 man troepen bevatten kan; onder de talrijke kerken neemt de prachtige Isaiicskerk op het Petersplein de eerste plaats in; 900,000 inw.; 4 m. ten Z. ligt het fraaiste en rijkste der keizerlijke lustsloten, Tsarskoié-Selo („dorp van den Tsaarquot;); 13,000 inw.

Kroonstad, op het rotsige eiland Kotlin in de Finsche golf, onoverwinnelijke vesting, oorlogs- en handelshaven van St. Petersburg (de ondiepe Newa-mond is thans door een scheepvaartkanaal met Kroonstad verbonden en bruikbaar gemaakt voor den groothandel); 13,000 inw.

2) Estland, aan den zuidrand van de Finsche golf. Zoowel hier, als in de beide volgende provinciën, zijn de beschaafde standen (sedert den tijd der Duitsche orde) Duitschers en allen Protestanten. Zij hebben nog vele privilegiën en wekken daardoor den naijver op der nationaal-russische partij. — Het eiland Dagö behoort tot Estland.

Re va, vesting en handelsstad; 30,000 inw.

3) Liefland, tusschen de golf van Riga en het meer Peipus. — Vóór die golf ligt het eiland Oesel [euzel], 110 □ m., met 35,000 inw.

Riga, sterke vesting aan den mond der Dim a, tweede handelsstad des rijks. Vlas,

267

ocr page 294

EUROPA.

lijnzaad, koren, hout en hennep. Zij is eene stichting van Bremer kooplieden, die hier een graanpakhuis „Riegequot; hadden; 170,000 inw.

D o rp a t, fraai gelegen a/d Embaeh niet ver van het meer Peipus, met eene Duitsche akademie, waarbij eene zeer beroemde sterrewaeht; 30,000 inw.

4) Koerland, een laag gelegen bosclirijke driehoek, welks spitse hoek (Semgallen) ten Z. van Liefland ver naar het O. reikt; tusschen de Oostzee en de golf van Riga.

Mitau, ten Z. van Riga, a/d Aa, met veel fabrieken; 24,000 inw.

Li ban, gewichtigste zeehaven en handelsstad, door spoorwegen met het binnenland verbonden en daardoor Riga overvleugelend. Haar haven is slechts 1 maand, die van Riga 5 maanden toegevroren; zeebaden; 11,000 inw.

D. Polen.

(2310 □ m., 7 mill.; Roomscli-Katholiek, behalve g mill. Israëlieten).

Sedert het jaar 1831 is dit eene provincie van het Eussische rijk en sedert 1861 administratief geheel daarmede ineengesniolten. Dit vruchtbare vlakke land is een graanschuur voor een groot deel van Europa; een derde is met bossehen bedekt, in het Z. is het rijk aan mineralen; opstanden verstoorden herhaaldelijk den bloei van dit land.

Warschau (Poolseh Warsj a wa, Fr. Varsovie), aan de Weiehsel, in het oude Masovië, vol fraaie kerken en paleizen (het Saksische, het slot) tusschen armzalige hutten. Menigvuldige fabrieken en levendige handel. Beschermd en bestreken door de sterke Alexander-citadel en de vestingmuren der voorstad P r a g a aan de andere zijde der rivier; 340,000 inw. (50,000 Isr.).

Kalisj, aan de grensrivier Prosna in het voormalige Groot-Polen; 20,000 inw.

Lublin [Ijoe-], met levendigen handel, behoorde tot Klein-Polen; 33,000 inw.

P 1 o c k [plotsk], voormalige hoofdstad van Masovië, handel in graan; 22,000 inw.

E. West- of Wit-Rusland.

(6800 □ m., Os mill. inw.).

1) Lithauen (vroeger Letland).

Reikt van de uitgestrekte woudrijke Rokitno-moerassen aan de Pripetz in het Z. tot zeer nabij de Oostzee bij Memel, en van den noordelijken Boeg sn Beneden-Njemen tot aan de poort van het eigenlijke Rusland, bezuiden Smolensk ; eene afwisseling van boseh, akkerland, weiden en moerassen.

In het gebied van Dnjepr en Düna :

Minsk, midden in het land, kruispunt van spoorwegen, die om de Rokitnomoe-rassen zijn aangelegd, de bronlanden van Dnjepr, Njemen en Düna; 44,000 inw.

Mohiléf, a/d Dnjepr; handel, fabrieken en tuinbouw; 42,000 inw.

Witepsk, a/d Düna, met vele fabrieken; 40,000 inw.

D ü n a b u r g, sterke vesting aan den rechteroever der beneden-Düna en aan den grooten westelijken spoorweg Warschau—Grodno—Wilna—Dünaburg—Pskow— Petersburg, welke hier Koerlands oostspits (Semgallen) snijdt. Scheepvaart en expeditiehandel; 52,000 inw.

In het Nj emen-gebied :

Wilna, a/d Wilia, groote stad in dit gedeelte des rijks, waarvan het de hoofdstad was; universiteit en binnenlaudsche handel; 90,000 inw.

Grodno, aan de zuidelijke bocht van den Njemen; 35,000 inw. f Joden.

K o f u o , aan de noordelijke bocht; 42,000 inw.

In het W e i c h s e 1-gebied :

Bjelostok, Poolsch Byalystok, in het oude Podlachië, dat tot Klein-Puien 'behoorde, en nog na de 3de verdeeling van Polen (tot ISOö'i Pruisisch was; 17,000 inw.

B r z e s c [brtsests]-L i t e f s k i, a/d Boeg, vesting en fabrieksstad aan den grooten spoorweg van Warschau over Minsk en Smolensk naar Moskou; beroemde Israëlieten-akademie; 39,000 inw.

2()8

ocr page 295

RUSLAND.

2) Volhynië en P o d o 1 i ë. Deze rijke graanprovinciën vormen R o o d-Rusland.

Sjitómir, hoofdstad van Volhynië, met veel handel; 42,000 inw. Kamjenjets-Podolski, vroeger eene sterke vesting tegen de Turken; 23,000 inw.

F. Zuid- of Nieuw-Rusland.

(7120 □ m., bijna 7 mill. inw.).

Van Moldavië tot nabij de bocht der Wolga bij Sarepta. Het grootste gedeelte van dit land bekoorde in de vorige eeuw nog aan Turkije en was vroeger een afzonderlijk onafhankelijk Khannaat, zeer vlak, grootendeels weiden en steppen. Odessa, a/d Zwarte zee, in rechte lijn 200 m. van St. Petersburg, aanzienlijke handelsstad, vooral voor graan, de eenige haven die voor groote schepen toegankelijk is, eerst in 1792 gesticht en genoemd naar het oude Odessus, dat echter nabij het tegenwoordige Varna in Turkije lag; de bevolking is uit verschillende nationaliteiten samengesteld; 200,000 inw.

Nikolajef, oorlogshaven a/d zuidelijken Boeg; 83,000 inw.

Cher són, a/d liman van den Dnjepr, vesting met dokken en eene ruime doch

ondiepe haven, handel en fabrieken; 130,000 inw.

Jekaterinoslaf, hooger op a/d Dnjepr, stapelplaats van Odessa; 34,000 inw. Taganrog, a/d noordhoek der Azofsche zee; 48,000 inw., tegenover Azof, a/d mond van den Don, alle drie met gewiehtigen graanhandel; 17,000 inw. Akjerman, nabij Odessa, a/d mond van den Dnjepr; 40,000 inw.

I Kis j ene f, de hoofdstad, met eene bevolking uit allerlei natiën samengesteld, meest Joden; veehandel; wijnbouw en fabrieken; 103,000 inw.

Simferopol, de tegenwoordige lioofdstad, Oosterschvan bouwen aanleg; 53,000 inw. | Sevastopol (minder goed Sebastopol), uitmuntende zeehaven, vóór het beleg in 1853/53 43,000 inw., later bijna geheel verlaten, thans wordt het weder opgebouwd; 13,000 inw.

Kaffa of F e o d os i a, door de Gcnueezen gesticht, in de middeleeuwen eene aanzienlijke handelsstad, aan de zeeöngte van dien naam, welke echter ook naar de stad Kertsj of Jcnikale heet.

Kertsj, a/d ingang van de straat van dien naam; 22,000 inw.

TI et land der Donsclic Kozakken. Door Don en Donetz besproeid, doeli zonder den mond van den Don. De vorm van hun bestuur gelijkt op dat der vroegere Oostenrijksehe Militaire-grenzen, eenigen dienen in regimenten, als geregelde troepen ingedeeld, anderen als ongeregelde troepen. De Donsehe Kozakken zijn de minst ruwe en meest ontwikkelde en houden zich niet alleen bezig met veeteelt, maar ook met land- en wijnbouw.

Nieuw -Tsjerkask, a/d Don, zetel van den Hetman der Kozakken; 17,000 inw. Cis-Ka ukasië. liet land der Tsjernomorskische Kozakken of Kozakken der Zwarte zee.

Jakaterinodar, a/d K o e b an, zetel van den Hetman.

Op T a m a n, een schiereiland tusschen den mond van den Koeban en de straat van Kertsj, liggen bij de stad Taman de overblijfselen der reeds 640 v. Chr. door Grieken gestichte en later zeer rijke handelsstad Phanagoria.

G. Het rijk Kasan.

(11,570 D m., 91 mill. inw.).

Dit land behoorde met het tegenwoordige rijk Astrachan tot het door de voorvaderen van Dzingis-Khan gevormde Mongoolsclie Khannaat K a p t s j a k of ' der Gouden Horde en werd in 1852 door de Russen veroverd. Eikenbosschen j en graanbouw.

Kasan, a/d Kasanka, bij eene scherpe bocht der Wolga, 100 m. ten O. van Moskou, verecnigingspunt van den handel tusschen Siberië eu Europa, universiteit, bc-

369

ocr page 296

EUROPA.

laugrijk voor de studie der Noord-Aziatische talen; leder-, laken- en zeep-fabrieken; 95,000 inw.

Perm, a/d Karna, eene linker zij-rivier van de Wolga, ijzer- en kopermijnen; 22,000 inw. In het algemeen heeft deze provincie, die zich tot aan gene zijde van het Oeral-gebergte uitstrekt, de rijkste goudwinning en de grootste ijzersmelterijen van het rijk.

Jekaterinenburg, reeds oostwaarts van den bergrug in Azië gelegen, zetel van het mijn-bestuur van den geheelen Oeral en van Siberië; 25,000 inw.

Beide steden zijn door een' spoorweg over den Oeral verbonden.

H. Het rijk Astrachan.

(.12,730 □ m., 71 mill. inw.).

Vele zoutrijke steppen.

Astrachan, op de delta der Wolga, die men van hier uit slechts met Z.O. wind kan opvaren, met Mohammedaansche en Boeddaïstische tempels; hoofdzetel der Russische stoombootvaart naar Perzië; de vischvangst op steur en andere groote en kleine visschen wordt, na die bij Newfoundland, als de aanzienlijkste der aarde geschat; kaviaar-bereiding; 58,000 inw.

Orenburg, vesting a/d rivier Oeral, aan welks tegenovergestelden oever geen spoor van Europeesche beschaving meer te vinden is; karavaauhandel, steurvangst, kaviaar-bereiding; 48,000 inw. en 9000 man garnizoen.

Samara, op den linker Wolga-oevcr, waar de rivier oen' slinger naar het oosten maakt, daarom de eerste Europ. stad, die men uit Azië komende, bezocht; 52,000 inw.

Sara tof, a/d Wolga; in de omstreken leven in 102 koloniën wel 150,000 Duitsche volkplanters; 86,000 inw.

Sarepta, eene volkplanting der Hernhutters, a/d bocht der Wolga, waar deze het water van de Sarpa ontvangt, slechts 9 m. van de bocht van den Don (Wolog tusschen Pjati Ibansk en Sarepta), vroeger eene vermaarde stapelplaats voor de Oost-Indische waren, die naar Venetië en Genua bestemd waren, thans veel ooftteelt en wijnbouw in den omtrek.

J. Grootvorstendom Finland (vóór 1S09 Zweedsch).

(6790 □ m., ruim 2 mill. Protestantsche inw.).

Deze landstreek wordt geheel afzonderlijk bestuurd, en maakt eigenlijk geen deel uit van het rijk.

Merkwaardig land, nergens bergachtig, doch overal rotsig en met meren en rivieren doonveven; het grillig gevormde Saïma-meer, 75 □ m. groot, ontlast zich door de Wuoxa in het Ladoga-meer.

Abo [obo], zeehaven a/d Finsche golf; 23,000 inw. De hoogeschool en de zetel van den stadhouder zijn verplaatst naar Heisin gfors meer oostwaarts, 43,000 inw., dat verdedigd wordt door de vesting S w e a b o r g, het Gibraltar van het Noorden.

Toruea ftorneo], 700 inw., aan het noordelijkste uiteinde van de Eothnische golf. Waarom wordt dit stadje in het midden van Juni door veel rekigers bezocht?

De Alands-eilanden [obo-] een archipel, waarvan de eilanden dichter bij elkander liggen dan ergens elders op aarde. Ligtplaats der Russische scheerenvloot. Evenals de noordelijker Qvarken vormen zij eene brug tusschen Zweden en Finland.

Buitenlandsche bezittingen.

Zoowel de uitgestrekte vlakten van Siberië en Toeran als de zuidelijke hellingen van den Kaukasus (Trans-Kaukasië) beschouwt Rusland als uitmakende één onverdeeld geheel met het in Europa liggende gedeelte. Die Aziatische provinciën beslaan ruim 304,300 □ m., met eene schaarsche bevolking van ruim 16 mill. inw.

270

ocr page 297

271

Steden van Europa met meer dan 100,000 inw.

Sevilla.....

Inwoners. 4,000,000 Palermo 2,269,000 1,316,000 1,100,000 900,000

600,000

550,000

Londen . . .

Parijs ....

Berlijn. . . .

Weenen . . .

St. Petersburg Moskou . . .

Konstantinopc Liverpool . ManchesterSalford. 520,000

I

500,000

410,000

400,000

370,000 367,000

360,000

350,000

340,000

320,000

300,000

299,000

380,000 275,000 260,000

250,000

138,000 der Europeesche Staten.

□M.

Vlakte-inhoud en bevolkins

□ M.

97,040 14,100 11,400 9,800 9,688 9,089 6,324

5,720 5,240 4,815 2,625 2,360

Rusland........

Zweden en Noorwegen. Oosten rijk-Hongarije .

Duitsche Rijk.....

Frankrijk.......

Spanje.........

Pruisen........

Groot-Britannië en

Ierland.......

Italië .........

Turkije........

Denemarken m.IJsland Roemenië.......

Bulgarije met Oost-

Roemelië.....

Portugal.......

Beiëren.......

Griekenland.....

Bosnië........

Servië........

Zwitserland.....

Nederland......

België........

Wurttemberg . . . .

Baden........

Saksen........

Glasgow. . Napels. . . . Hamburg . . Birmingham. Madrid . . .

Lyon.....

Amsterdam . Marseille . . Buda-Pest. . Brussel . . . Warschau . . Dublin. . . . Milaan. . . . Leeds .... Home .... Edinburg en Leith . . . Breslau . . . Sheffield. . . Kopenhagen . Munchen. . . Barcelona . . Turin .... Lissabon. . .

Dresden . . Bordeaux . Praag . . . Newcastle met

Gateshead. Eiberfeld-Bar-

men. . . . Bristol. . . Odessa. . . Bradford. . Bucharest . Genua. . .

Lille. . . . Belfast. . . Stockholm. Leipzig . . Florence. . Riga. . . . Rotterdam. Stoke upon Trent Bremen . . . Frankfort a/M Antwerpen. Hull. . . . Keulen. . . Valencia. . Triest . . . Königsberg Toulouse. . Dundee . . Hannover met Linden . . ,

Inw. 83,700,000 6,600,000 38,000,000 45,000,000 37,700,000 16,620,000 27,280,000

35,700,000 28,500,000 7,500,000 2,051,000 5,500,000

Inwoners. 250,000 245,550

220,000

210,000

209,000 200,000 185,000

180,000

175,000

170,000

169,500 160,000 157,000 154,000

150,000 145,000

140,000

den Haag met Scheveningen

Gentj.....

Venetië . . . Cherson . . . Portsmouth .

Kjef.....

Bologna . . . Plymouth-De-venport . . Stuttgart. . . Nantes. . . . St. Etienne. . Leicester. . . Sunderland. . Numberg . .

Luik.....

Malaga. . . . Magdeburg . Straatsburg . Oldham . Lemberg. Danzig. . Brighton. Oporto. . Rouaan . Aberdeen Bolton. . Blackburn Kisjenef. Le Havre Charkof .

1,815

1,677 1,378 1,175 1,110 880 752 590 537 354 274 272

Inwoners. 135,000

130,000

125,000

120,000

116,000

115,000

114,000 112,000

110,000

108,000

105,000

Inw.

2,800,000

4,550,000 5,280,000 1,980,000 1,300,000 1,700,000 2,850,000 4,278,872 5,520,000 1,971,000 1,570,000 2,973,000

100,000

ocr page 298

■ - - I -

372

Elsas-Lotharingen . Mecklenburg-Scliwerin

Montenegro.....

Hessen........

Oldenburg......

Brunswijk......

Saksen-Weimar . . . Meeklenburg-Strelitz

Luxemburg.....

Saksen-Meiningen . .

Anhalt........

Saksen-Gotlia .... Saksen-Altenburg . .

Waldeck.......

Keizerrijken......

Koninkrijken.....

Groot-Hertogdommen Hertogdommen .... Groot-Vorstendom . . Vorstendommen . . .

Kepublieken.....

het Eijksland Elzas-Lotharingen

□ M.

Inw.

263

1,567,000

243

577,000

164

200,000

139

936,000

116

337,000

67

349,000

65

309,000

53

116,600

47

209,000

48

307,000

43

333,000

36

195,000

34

155,000

31

57,000

Lippe-Detmold . . . Schwarzburg-Eudolst. Schwarzburg-Sondersh. Eeuss-jongere linie

Andorra.......

Hamburg......

Lippe-Schaumburg , Eeuss-oudere linie. .

Liibeck.......

Bremen.......

Liechtenstein ....

San Marino.....

Monaco.......

4 (waaronder het Duitsche Kijk).

14.

7.

5.

1.

12.

32 (w. o. Zwitserland met 25 staten) 1.

□ M.

Inw.

33

130,000

17

80,000

16

71,000

15

101,000

9

8,000

n

410,000

6

36,000

6

51,000

5

64,000

41

157,000

3

9,100

lè

8,000

2

5

7,000


76.

ocr page 299

AMERIKA.

(750,000 □ m., waarbij Groenland en de Arktische archipel zijn meegerekend, hoewel ze tot heden onbeheerd zijn, 103 mill. imv.).

(De n i e u w e w e r e 1 d).

In uitgebreidheid bekleedt Amerika de tweede, in lengte de eerste plaats; van de noordelijkste punt van het vasteland, kaap F reward [forward] op Boothia-[boezhia] Felix, 73°, tot aan de zuidelijkste kaap Hoorn, 56°, op een rotsig eilandje bezuiden Vuurland, heeft het ongeveer 3000 m. lengte, omtrent gelijk aan den afstand van Gibraltar tot aan de Beringstraat. Al/.oo strekt zich Amerika uit door alle luchtstreken, behalve de zuidelijke koude. (Boor welke luchtstreken strekt zich elk der overige werelddeelen uit?)

Aan de oostzijde nadert Amerika de oude wereld het dichtst tusschen den 63sten en fiüsten graad N.Br., Groenland en Noorwegen zijn ongeveer 200 m. van elkander verwijderd. Ten Z. van den aequator, tusschen kaap St. Eoque en de Siërra Leone-knst, bedraagt de afstand het dubbele hiervan. Aan de westzijde is de kortste afstand tusschen de Prince-of-Wales-kaap en de Oostkaap van Azië, aan de 13 m. breede Beringstraat. De afstand van Columbia tot de Philippijnen, 3350 m. =dien van kaap Hoorn tot de zuidpunt van Kamschatka.

Het vasteland bestaat uit twee rechthoekige driehoeken, die in grootte, breedte (650 m.) en vorm vrij wel aan elkander gelijk zijn, Noord- en Zuid-Amerika, wier rechte hoeken aan de noordoostelijke kaap van Labrador en aan de oostelijke punt van Brazilië liggen, die met hunne scherpste hoeken naar het Z. gekeerd zijn en door het smalle Midden-Amerika (de spoorweg van 1'anama naar Aspinwall is slechts 13,0 m. lang) niet elkander verbonden zijn. (Welken vorm hebben Europa, Azië en Afrika?)

Ten opzichte der knst-ontwikkeling heeft Zuid-Amerika veel overeenkomst met Afrika, want het bezit geen enkel noemenswaardig schiereiland. Daarentegen bezit Noord-Amerika er 5 die dezen naam mogen dragen; op de oostzijde Labrador, Nieuw-Schotland of Acadië, Florida en Yucatan [joe-], en aan de westzijde Californië; ook de vorming van eilanden aan de N. en O zijde en den grooten archipel in het Z. heeft Noord-Amerika in zijn voordeel.

In Amerika is ongeveer evenveel laagland als bergland. De verschillende vormen van den vertikalen bouw liggen in de richting der meridianen en dus ten opzichte van elkander van west naar oost. Langs de westkust strekt zich een hooggebergte de Cordilleras uit; langs de oostkust wisselen hoogvlakte of middelgebergte met laagvlakte elkander af, in deze volgorde: Hoogvlakte van Labrador, Vlakte van de St. Laurens, Alleghany-gebergte, Laagvlakte om de golf van Mejico, Kustgebergte van Venezuela, Laagvlakte van den Orinoco, Bergland van Guyana, Laagvlakte van de Amazonen, Brazili aansch - Bergland, Laagvlakte van de Eio de la Plata, Hoogvlakte van Patagonië.

Van de Noordelijke IJszee tot de Golf van Mexico en van de Orinoco tot Patagonië breidt zich ééne groote laagvlakte uit, die door geringe verheffingen

18

ocr page 300

AMEUIKA,

van den bodem in bekkens wordt, verdeeld, waarin zich groote rivierstelsels kunnen ontwikkelen: Amerika is liet land der renzenstroonien.

Ter vergelijking: In Europa volgen van het zuiden naar het noorden: Hooggebergte, Middelgebergte, Laagvlakte, terwijl zelfstandige laagvlakten tusschen de verschillende verheffingen zijn ingeschoven. In Azië is hoogvlakte met hooge randgebergten de hoofdvorm. In Afrika is eene groote hoogvlakte, die in terrassen naar den smallen kustzoom afdaalt. In Australië ligt een laag tafelland in het westen, plateau's, kleine laagvlakten en onregelmatige kustgebergten in het oosten.

Het voornaamste gebergtestelsel is dat der Andes, de Cordilleras [-dieljéraas] de los Andes, dat het gansche werelddeel van de zuidelijkste punt van het vasteland, de klip Diëgo Eamirez, tot aan den mond der Mackenzie [mekkénzie]rivier en de Beringstraat over meer dan 2000 m. lengte doorloopt, belangrijk door de verheffing zijner toppen, de menigte zijner vulkanen, de menigvuldigheid der hooglanden en den rijkdom in metalen.

De Andes van Zuid-Amerika, welke naar de landen waarin zij zich bevinden, die van Patagonië, Chile, Peril [-roe], Bolivia, Quito [ki-] en Nieuw-Granada genoemd worden, vormen, van het Z. naar het N. rijzend, één trotsche onafgebroken bergketen tot aan 35° Z.Br. Van hier af begint de vorming van dubbele ketens met ingesloten hoogvlakten, die aan de Cordilleras van Zuid-Amerika bijzonder eigen is. In Chile vormen zij, onder eene gemiddelde hoogte van ongeveer 12000', zelfs eene drievoudige keten, waaruit in het midden, ten N.W. van Santiago, de Aconcahua tot 21,000' opstijgt, die waarschijnlijk allen en ook den Chimborazo [tsjiemborasso] overtreft. De Andes van A t a c a m a zijn gekenmerkt door vormingen van hoogvlakten, waarop uitgestrekte zoutmeren liggen, zij strekken zich uit tusschen 27° en 19° Z.Br. De westelijk hiervan gelegen w o e s t ij n van A t a c a m a bepaalt zich slechts tot eene regenlooze en dus dorre strook aan de kust van 10 m. breedte en omstreeks 3—.5000' hoogte tusschen 21^—247° Z.Br. (Kegenloos, omdat de zuidoost-passaat, die hier altijd waait, zijn' waterdamp op de oostzijde van het gebergte verliest). — Ten N. van 20° omsluiten twee ketenen der Andes van Peru en Bolivia, tusschen Por co en Po to si in het Z. en hunne aaneenknooping in het N. bij Cuzco, het groote Alpendal van het meer Titicaca (12,000' boven den Grooten Oceaan) en der hieruit afvloeiende rivier Desaguadéro; deze ketenen zijn over het algemeen het hoogst aan de oostzijde in den Illimani 19,844' en Sorata 19,973', wier hoogte echter zeer verschillend, soms 3000 tot 4000' hooger wordt opgegeven. Na nogmaals bij Pasco (10° Z.Br.) vereenigd te zijn geworden, verdeden de Andes zich in 3 takken, waarvan de middelste tusschen den H u a 11 a g a en Maranhon [-anjou] gelegen, door deze laatste rivier bij de rotspoort (pongo) van Manseriche doorboord wordt. Een tweede hoog-dal, van 5S m. lang en tot 4 m. breed tusschen de bergknoopen van Loxa en Pas to, behoort tot de Andes van Quito. Uit eene rij van reusachtige vulkanen verheft zich op de westzijde de Chimborazo 19,768' en op de oostzijde de Cotopaxi en Antisan a. Evenzoo verdeelen zich de Cordilleras van Nieuw Granada in 3 takken, die door de M a g d a 1 e n a-rivier en de C a u c a [ka-oeka] gescheiden worden; de middenketen met den Tolima, den hoogsten berg van Z, Ameiika ten N. van den aequator (17,000'), de oostelijke arm met de berggroep van Santa Pé de Bogota. — De Andes van Midden-Amerika beginnen na de daling bij Panama met heuvels van 300—500' hoogte en zetten zich, met rijen van dicht bij elkander liggende vulkanen van 10,000—15,000' aan de westzijde, ten N. van het meer van Nicaragua [goea], in de hoogvlakten van Honduras [-doe-] en Guatemala voort tot aan de landengte van Tehuantepec; hier sluit zich onmiddellijk het bergland van Mejico of Anahuac aan, met de grootste vulkanen en bergen van

274

ocr page 301

GEBERGTEN.

Midden- en Noord-Amerika, den Popocatepetl (16,686') den Citlaltepetl of Piek van Orizaba, en aan den Grooten Oceaan den in 1759 verrezen vulkaan van Jorullo [goroeljo]. (In tegenstelling met de andere vulkanen langs beide oevers van den Grooten Oceaan, strekken dezen zich uit van Oost naar West). Ten N. van 34° N.Br. beginnen paralleiketens met ingesloten hoogvlakten, aan de westkust de Cordilleras van Sonora, het Kustgebergte en de Sierra Nevada van Californië, en dat van Oregon en Washington (Cas-cadengeb.), met eene reeks uitgedoofde en werkzame vulkanen, van welke de Eliasberg, onder 60° N.Br., lang voor den hoogsten berg van het vasteland van Noord-Amerika gehouden werd. De Oostelijke Cordilleras, die in het Z. Sierra Madre, en in hunne voortzetting naar de noordelijke IJszee E o e k y mountains „Botsgebergtenquot; genoemd worden, sluiten in het W. woeste, zont-rijke vlakten in van 4—5000' hoogte en ten minste 8000 G m. grootte, met een afgezonderd stelsel van meren en rivieren. Intusschen bestaan deze Rocky-mountains niet uit een enkel aaneengesloten gebergte, maar uit twee hoofdketens die evenwijdig loopen en door dwarsketens zijn verbonden. De hoogvlakten daardoor ingesloten dragen den naam van Parken en zijn 4 in getal: Zuid-, Middel-, Noord- en Nationale Park. Dezen zijn merkwaardig als middelpunten van de hydrographie, daar van hen uit verschillende rivieren naar alle windstreken stroomen. (Zie vooral de kaart!) Het Nationale Park, 250 □ m., 7000', is rijk aan warme bronnen, slijkvulkanen, solfataren en geysirs. (Geysirs treft men ook aan op Nieuw-Zeeland en IJsland.)

Ook de hoogvlakten tusschen de Cordilleras langs de kust en het pas beschreven gebergte worden door verschillende gebergten in op zich zeiven staande plateau's verdeeld, waarvan sommigen geheel het karakter van woestijn dragen, b. v. de Colorado en Mohave woestijn. (Wij zijn hier in het gebied van den N.O. passaat, de waterdamp wordt op de oostzijde van het gebergte gecondenseerd).

De rivieren en voornameiijk de Bio Colorado maken diepe spleten (canons) in de hoogvlakten, zoodat de oevers soms 3000' hoog zijn.

[Redenen voor het ontstaan der cations zijn: ln. zeer geringe verweering, omdat de lucht er zoo droog is; 2°. zeer sterke uitschuring van den bodem door de groote helling, den aanzienlijken aanvoer van water en eene beperkte hoeveelheid puin, voldoende voor do uitschuring, maar onvoldoende om de kracht der rivier te verbruiken.]

De afzonderlijke gebergte-stelsels.

a. In Noord-Amerika:

Het Apalachisch- Acadische gebergte van 2700' gemiddelde hoogte, met toppen van 6000', dat door de dwarskloof van den Hudson, den grooten verkeersweg van New-York naar het noorden, in de zuidelijke evenwijdige ketens van het Alleghany -gebergte en het noordelijke bergland van Nieuw-En geland en Acadië gedeeld wordt.

b. In Zuid-Amerika:

3) Het kustgebergte van Venezuela dat in 2 ketens van W. naar O. tot aan het eiland Trinidad voortgaat, eene oostelijke vertakking der Andes, welke evenwel ten opzigte der geognostische samenstelling op zich zelve staat, bij Caracas met vulkaantoppen van meer dan 8000'.

4) De Sierra Nevada de Santa M a r t a tusschen de Magdalena-rivier en de golf van Maracaïbo, eene pyramide van sneeuwbergen in de nabijheid der Andes, in den Pi cache [-tsje], 16,890' hoog.

5) Het Hoogland van Guyana, met het gebergte der Parimez, aan de eene zijde door de zee en aan de andere zijde door den Orinoco en de

275

ocr page 302

AMERIKA.

Amazonen-rivier begrensd, verheft zich boven de vlakte als een uitgestrekt berg-eiland van omstreeks 17,000 □ m.

6) Het gebergte van Brazilië neemt bijna 1 van de gelieele oppervlakte van Z. Amerika in; in het Z. en O. wordt het begrensd door den Atlan-tischen Oceaan, en in het W. en N. door de vlakten van de La Plata- en der Amazonen-rivier. Het is eene hoogvlakte met verscheiden bergketenen, die bij den 26sten graad Z.Br. met de Sierra do Mar beginnende, deels min of meer evenwijdig met de kust voortgaan, deels in dwarse richting tot aan de Campos Parecis loopen en als waterscheiding tusschen de zijrivieren der Amazonen-rivier en die der Parana den algemeenen naam van Sierra dos Vertentes „der waterscheidingenquot; voeren. Sommige landschappen dragen den naam van C a m p o ' s, als zij bedekt zijn met weiden, die slechts een gedeelte van het jaar groen zijn, of van Catinga's, bosschen, die in den drogen tijd hun loof verliezen.

Het laagland, -j van het geheele kontinent, bestaat uit 5 ontzaglijke groote vlakten :

1) De noordelijke helft van de groote centrale vlakte of het bekken der Mackenzie-rivier en dat van den Churchill [tsjurtsjil], hetwelk door de waterscheiding der Black [blek] hills („zwarte bergenquot;) tusschen de Hudsons-baai en de Rocky mountains van de zuidelijke helft gescheiden is.

2) Het bekken van de Missisippi, bijna i der geheele oppervlakte van N. Amerika; in het O. van de Missisippi nog dichte wouden; in het W. de Prairieën („grasvlaktenquot;) van den Missouri.

3) Het bekken van den Orinoco en der vlakten van Venezuela. In het noorden Llano's [Ijanoos], boomlooze vlakten, en tusschen de Guaviari en de Rio Negro woudrijke vlakten. De Llano's veranderen achtereenvolgens in woestijn, grasvlakte, watervlakte, hetwelk afhangt van den stand der zon, waardoor regen en droge tijd bepaald worden. (Regen in den zomer, droogte tijdens de zuiderdeclinatie).

4) De S e 1 v a ' s of woudrijke vlakten der Amazonen-rivier tusschen de Andes van Quito en den Atlantischen Oceaan; in het Z. gaan zij over in

5) De Pampa's van deRio de la Plata, die in het oostelijke gedeelte eene onafgebroken zee van gras zijn; de zuidelijke Patagonische steppe is eene rotsige kale oppervlakte.

Door het ontbreken van middelgebergten tusschen de hoog- en de laaglanden is de ontwikkeling der rivierstelsels zeer eenvormig eu het verval gering; eene uitzondering hierop maken die kustrivieren van Noord-Amerika, welke op het Alleghany-gebergte ontspringen.

Ter vergelijking:

De rivieren van Amerika zijn laaglandsrivieren, die nagenoeg over de geheele lengte bevaarbaar zijn. Bijna allen stroomen in de richting der meridianen (welke niet ?)

In Europa is één punt dikwijls het brongebied voor verschillende rivieren (Waldaï heuvelen, Moravische Poort, Pichtelgebergte, St. Gothardt, Plateau van Sofia). Van hier verspreiden zij zich als stralen in alle richtingen, maar voornamelijk öf naar het noordwesten of naar het zuidoosten.

Azië wordt gekenmerkt door evenwijdig loopende rivieren en continentale rivieren, die óf in het zand smoren, of in meren uitloopen. Zij houden het midden tusschen die van Amerika en die van

Afrika, dat uitsluitend plateaustrooraen heeft, die door steile oevers, stroomversnellingen en watervallen het verkeer belemmeren.

Australie's rivieren verdienen over het geheel dien naam niet; zij missen

276

ocr page 303

OEBEBGTEN, VLAKTEN EN RIVIEREN.

eene vaste bedding en 'nebben in verschillende tijden eene zeer ongelijke hoeveelheid water. In den regentijd treden zij verwoestend buiten de oevers, in den drogen tijd lossen zij zish op in eene reeks moerassen.

B. Naar de Arktische Zee stroomen:

a. De Mackenzie-rivier, uit 2 bronnen van de Eocky mountains; zij heet Elenn tot het Atabasca-meer, gaat als Slaven-rivier in het Slaven-meer en valt als Mackenzie, na het opnemen van het Groote Beren-meer, in de IJszee.

J). De Kopermijn-rivier.

B. Naar den Grooten Oceaan:

a. Frasers-rivier, van de Rocky mountains, met zuidelijken loop tot niet ver van haren mond tegenover het Van Convers-eiland.

h. De Columbia of Oregon, welke met hare bronnen die der Mackenzie-rivier nadert (tusschen 40° en 50° N.Br.), neemt links de Lewis Tloeïsl op.

c. Colorado, met de linker-zijrivier de G i 1 a, naar de golf van Caïifornië. 't Is vooral deze rivier, die bovengenoemde canons vormt.

C. Naar den Atlantisch en Oceaan,

door de Hudsonsbaai:

a. De Saskatsjewan, uit 3 bronnen van de Kocky mountains, valt ongeveer 144 m. lager in het 60 m. lange W i n i p e g - m e e r, welks uitvloeiingen Nelson, Hill en Severn heeten; noordwaarts vloeit evenwijdig met deze h. De Churchill of Missisippi.

O n m i d d e 11 ij k n a a r d e n Atlantisch en Oceaan, a. De St. Laurens-rivier, de afvloeiing der 6 Canadasche meren (met eene oppervlakte, grooter dm 7 maal die van Nederland, en zoo groot als Engeland met Schotland, 4600 □ m.) in 4 terrassen boven elkander; op de hoogste het Lake Superior, op het tweede het meer Michigan [mietsjigén] en het meer Huron jjoerun], op het derde het meer Erie [iri] en nog lager het meer Ontario [óntério], waarin zich de 160' hooge waterval van de rivier Niagara stort. Die grootste zoetwatervlakte wijzigt in hooge mate het klimaat van het omliggende land. (Waarom?)

I. Atlantische kustrivieren; de St. John s-[dzjons-]rivier in de F u n d y-bay. de Connecticut, de Hudson [-sun], de Delaware [delleoeëer], de Susquehanna in de Chesapeak-bay [tsjisepiek], de Potomac [potómek] en de J a m e s-[dzeems-] rivier.

Door de golf van M e j i c o :

a. De Missisippi, uit het meer Itasca, ter hoogte van 1575', 880 m. lang, neemt op:

Van het W. Van het O.:

1. Bij St. Louis de M i s s o u r i van 1. De 111 i n o i s [illineis]. de Rocky mountains, eigenlijk de hoofdtak, maar zijn water en dat zijner zijrivieren Yellowstone, Nebraska, enz. verdampt voor een groot deel in de droge

prairie. Hoewel zij dus weinig beteekenen

voor de scheepvaart, waren toch de dalen, 2. De O h i o [oheio] met de linkerdie zij doorstroomen de wegen voor de zijrivier de Tennessee, welke het reizigers naar het verre westen. meeste water aanvoeren.

2. De A r k a n s as.

4. De R e d - r i v e r.

277

ocr page 304

AMERIKA.

h. De Rio grande del Norte, van de Eocky-mountains, niet ver van de bronnen van de Arkansas en van den Colorado, n. 1. in het Zuid Park.

Door de zee der Antilles;

a. De San Juan [goean], de afvloeiing van liet meer van Nicaragua.

h. De Atrato, in de golf van Dariën.

c. De Magdalena-rivier, met hare linkerzijrivier de Cauca [kaoeka]. De hoofdrivier wordt het drukst bevaren door stoomschepen van den mond tot Honda, dat nog op vier dagreizen van de hoofdstad Bogota verwijderd is.

Onmiddellijk naar den Atlantischen Oceaan:

a. De Orinoco (wiens bronnen vermoedelijk liggen tusschen 2° en 3° N.B., en 64quot; en 65° W.L.), 300 m. lang, met de linkerzijrivieren de Guaviari, M e t a en A p u r e. Door het zeldzame verschijnsel van een kanaal, dat de natuur zelve gevormd heeft, de Oassiquiare, staat hij ook nog in verbinding met den E i o Negro en door dezen met

h. De Amazonen-rivier, die uit het meer Llauricocha [Ijaoericotsja] op de Andes van Pasco ontspringend, in het bovenste gedeelte van haar' bijna 770 m. langen loop, voor dat zij de Ucayale opneemt, Marafion [-anjon] heet, en lager, tot aan den mond van de Madeira, Solimoes [-moëings]; aan haar' mond vormt de Para met de wateren van deTocantins en Araguay den hoofdarm. De geheele stroom wordt zonder eenige belemmering zesdehalfhonderd mijlen ver door groote stoombooten bevaren.

Enkele punten ter vergelijking tusschen Missisippi en Amazonen-rivier.

De bron van de M. ligt op 1700',

„ ,, ;/ „ A. „ 8è maal hooger.

Beiden worden spoedig bevaarbaar:

de M. op 45° Br. bij St. Paul,

de A. zoodra zij in de vlakte treedt.

De M. stroomt van Noord naar Zuid :

ijs en naaldboomen bij de bron,

gele koorts en palmen bij den mond,

groote afwisseling van produkten en dus levendig handelsverkeer.

De A. stroomt van West naar Oost:

weinig verschil in klimaat, plantengroei, enz.

Van de M. voeren slechts eenige zijrivieren veel water aan, — bij de A. alle, omdat zij door een regenrijk gebied stroomen.

De M. vormt aan den mond eene delta, die men moeilijk kan binnenvaren,

In de A. mond dringen verbazende vloedgolven, Pororoea's genoemd; dezen worden bovendien door de passaten zeer ver de rivier opgedreven.

c. De kustrivieren van Guyana: de Essiquibo (Eng. Essequibo) ie Demerary en de Suriname.

d. De San Francisco van het Braziliaansche hoogland tusschen de Sierra Tabatinga en Espinhaco [espienjaso],

e. De Rio de la Plata, 470 m. lang, gevormd uit de Paraguay van de Sierra dos Parecis (onder 14° Z.Br.) met de rechterzijrivieren de Pilcomajo en de V e r m e j o van de Andes, en uit dc Para n a van de Montes-Pirenéros nabij de bronnen van de Tocantins, in het mondings-gebied ontvangt zij de Uruguay [oeroegoeaai] van de Sierra do Mar.

Uit de ligging, waardoor de groote vlakten voor den heerschenden wateraan-voerenden zeewind open zijn, uit het ontbreken van hooge bergketenen in het O. en uit het aantal der waterrijke rivieren en meren, verklaart het zich, waarom

278

ocr page 305

GEBERGTEN, VLAKTEN EN RIVIEREN,

Amerika grootendeels een oceaan-of zee-klimaat bezit, terwijl daarentegen de oude wereld over liet algemeen meer een vastelands-klimaat heeft.

Warmte eu voclitiglisid hebben aan de nieuwe wereld eene pracht en een' rijkdom van plantengroei geschonken, die zich nergens zoo algemeen en m zoo weelderigen overvloed voordoet. Alle kweek-planten der aarde gedijen voortreffelijk in het land waar de maïs, de tabak, de talrijke melige knolgewassen, zcoals de aardappelen, de maniok, de bataten, de koka, en voorts de cacao, de kina en de palmen (wier toppen in Zuid-Amerika eene hoogte van 150—300' bereiken) hun vaderland hebben. Verder is vooral Z. Amerika met zijne vochtige tropische atmosfeer het rijk der insekten en der kruipende gedierten; de klassen der zoogdieren echter doen, zoowel in getal der soorten als in grootte en kracht, voor die der oude wereld onder. Voor olifant, rhinoceros, leeuw en tijger, giraffen en kameelen, heeft het slechts den jaguar en cuguar, den tapir, de llama, vicuna [vikoenja] en vrij zeldzame alpaca aan te wijzen. Noord-Amerika echter toont, bij zijn eeuigszins meer kontinentaal klimaat, eenige meerdere verwantschap met de oude wereld (bison, buffel, hert, eland, beer).

De bevolking van Amerika (bijna lOO.j mill.) bestaat uit de oorspronkelijke bewoners, „het koperkleurige rasquot;, met inbegrip der mestiezen ten getale van 10 mill., dat door tongvallen in meer dan 100 stammen verdeeld is, en zich van Labrador tot aan kaap Hoorn uitstrekt, en bijna 00 mill, blanken, voor de grootste helft met Engelse he, voor de kleinste helft met Romaansche taal. De toekomst van dit werelddeel rust in handen van den Engelschen stam, welke, door een ontzaglijk aantal volkplanters uit dat land en vooral ook uit Duitschland versterkt, met bewonderingswaardige snelheid de natuur stelselmatig tot gehoorzaamheid dwingt en nieuwe maatschappelijke toestanden schept. Ecu vijfde der bevolking, ongeveer 20 mill., vormen de uit Afrika ingevoerde Negers en de daarvan afkomstige mulatten. De slavernij bestaat nog alleen in Brazilië en op Cuba, hoewel ook daar, volgens regeeringsbesluit van het moederland, alle na 1868 geboren slavenkinderen vrij zijn verklaard op hun 18de jaar.

A. Noord-Amerika.

1. Deensch Noord-Amerika (Groenland).

(Minstens 35,700 □ m., 10;000 inw., waaronder 200 Europeanen.)'-^

Van dit grootste eiland der aarde is de oostkust door ijs bijna ontoegankelijk. De westkust, 300 m. lang, van kaap Farewell [feeroeël] of Statenhoek tot aan Noord-Devon^ [devv^nl (dat, aan het N.W. einde gelegen, aan de Britten behoort), vei^iï^ii^^t eëheïBogfe^van 2000—3000'. De zuidelijkste punt, schoon nog onder dezelfde breedte gelegen als Christiania en St. Petersburg, is ongelijk veel kouder dan deze. De nederzettingen der Eskimo's eindigen bij 78° N.Br.; die der Denen bestaan sedert 1721, toen de Noorweegsche predikant Hans Egede met zijne vrouw en kinderen en eenige Denen de bekeering der Eskimo's begon; ook de Hernhutters hebben voordeelig voor zedelijkheid en beschaving gewerkt. (In Groenland verschijnt eene geïllustreerde courant in het Eskimoosch). Van de 18 Ueinevolkplantingen zijn J u 1 i a n s h a a b de gewichtigste. Christians-haab, (i ni-Hi nnTL (d. i. goede hoop) de oudste, en Upernivik de noordelijkste, met handel in walvischspek, op 72° 55'; Lichtenau, Lichtenfels en N e u - H e r r n h u t zijn plaatsen der Broedergemeente.

Het eiland is onder zijne sneeuw- en ijsbedekking rijk in koper, zilver en andere metalen, maar wacht nog op de ontginning dier schatten, Aj-

279

ocr page 306

y ' /y*' s. r■ amp;*-amp;— i /'/ ' sf— lt;^ t

280 AMERIKA.

2. Britsch Noord-Amerika.

(107,000 □ m., met 4è mill, inw.. waaronder 150,000 Indianen.)

Het reikt in het W. tot aan (jeyi Grooten Oceaan en den meridiaan van den Eliasbe'rg, in giet Z. tot aan damp;h'^-lOstcn graad N.Br, en de Canadasche merend Eene rechte lijn van het voorgebergte Barrow in het N.W. tot kaap Charles op Labrador, dus van N.W.—Z.Ü., geeft ongeveer do noordgrenzen van het Ameri-kaansche vasteland aan, in hetwelk de Hudsonsbaai diep naar het Z. indringt, terwijl de door smalle landengten met het vasteland verbonden schiereilanden Melville en Boothia Felix (waarop de door James Ross ontdekte magnetische noordpool op 70°) die lijn aanmerkelijk in het N. overschrijden. dsïn het noordelijk gedeelte dier Hudsonsbaai ligt het eiland Southampton. Het eiland Baffinsland (Cumberlajid^, Co^kb^rn-ci^an^dji dattgii N.O. hiervan ligt, reikt tot aan de groote NóordVesteTijKif aoo fvaa'rf, die onder 74quot; N.Br., uit de Baffinsbaai naaF^het VV. voert, onder de namen van Lancaster-sound (bezuiden het eiland N. Devon), Barrowstraat (boven heT' eiland N. Somerset), straaj Melville (ten noorden tusschen de eilanden Banksland en Melville) en PFince- of Wales-straat of N.W. Passage (langs de Z.O.zijde van het laatste eiland). Eenë^doorvaart naar Azië bestaat derhalve. maar zij is onbruikbaar, dewijl de zee voor al te korten tijd vrij van ijs is.

amp;Dj Het vasteland wordt verdeeld in:

1) Gebied van Canada, 165,000 □ m., met 4 mill, inw., onder het bestuur van een' gouverneur-generaal.

a. Provincie Ontario, bewoond door protestanten, landbouwende, beschaafde Engelschen, aan gene zijde der Ottawa, welks klimaat door de nabijheid der drie groote meren vrij zacht is, hoewel druif en perzik daar niet meer tot rijpheid komen. Uitvoer van graan.

Ottowa. aan de gelijknamige rivier, sterk bloeiende hoofdstad van al de ver-eenigde provinciën van Canada, in 1833 aangelegd, juist op de grenzen van de twee voornaamste provinciën; 21,500 inw.

Kingston, aan het meer Ontario, na Q.nebec de sterkste vesting in Canada; 16,000 inw.

Toronto, insgelijks aan het meer Ontario; 56,000 inw.

Op het zuidwestelijk gedeelte van het schiereiland, dat door do meren Huron en Erie gevormd wordt, niet ver van de westelijke grensrivier St. Clair, werd in 1860 eene streek ontdekt, merkwaardig door een' ontzaglijken rijkdom van aardolie. Weldra kwam daar uit meer dan 500 gegraven bronnen de vloeistof op en zij heeft aan li 1 a c k Creek [blek kriek] en andere plaatsen aanzien en onge-hoorden wasdom gegeven; 45,000 inw.

b) Provincie Quebec: de 1| mill. inw. zijn meest E. K. Pranschen (aan wie het tot 1763 behoorde); uitvoer van hout, potasch, schepen en vee.

Quebec, aan de St. Laurens-rivier, met de sterkste citadel der nieuwe mitcld-en grooten houthandel; 60,000 inw.' ^ a?

Montreal, bloeiende handelsstad op de mondingsdelta der Ottowa, die in de St. Laurens valt; 107,000 inw. Tot hier is deze rivier voor do grootste zeeschepen toegankelijk, behalve van December tot in April door het ijs. Even beneden Montreal is daarom de beroemde lange Victoria-brug gebouwd, tor verbinding van Westelijk Canada met Nieuw-lirunswijk en Nieuw-Sehotland door oen' spoorweg.

c) N ieu w -B rnn swijk, een bergland rijk in wouden, steenkolen en andere mineralen, aan den rechter oever van den mond der St. Laurens, met 321,000 inw.

St. John [sent dzjun], aan den mond der gelijknamige rivier in de Fundy-baygt; eene baai waarin de opgestuwde vloed de verbazende hoogte van 30', 40' tot 60' ?/„.^bereikt; 30,000 inw. (Waar hecten de hooge vloeden Boren, Pororoca's, Mas-carots, Eaz de Marée?) tA*-*/' -9 ■

ocr page 307

BK1TSCH NOORD—AMERIKA. 381

-r ^ — ^ 0

d) Nieuw-Schotland (Acadië), 441,000 inw., een schiereiland doo,quot; eene smalle landengte met het vorige verbonden, voor j; uit meren, rivieren en zee-inhammen bestaande, die rijk in visch zijn.

Halifax i hellifexl, veilige en grootste oorlogsliaven van N. Amerika. De dokken zijn de grootste buiten Groot-Britannië; 40,000 inw.

e) Manitoba, aan de grenzen der Vereenigde Staten, ten Z. van het Wini-pegmeer met nederzettingen aan de Red river, in 1871 nog slechts 13,000 inw., in 1881 met de landverhuizers om het Winipegraeer reeds 100,000 inw.

Fort Garry, hoofdplaats van dit veelbelovend landbouwdistrikt. Verbouw van tarwe, ondanks de groote koude des winters.

f) E rit sob Oolinnliin. 16.000 □ m., 00,000 inw., tusschen de Eocky mountains, den Grooten Oceaan en het Alaskagebied der Vereenigde Staten, voor 1858 gedeeltelijk Nieuw-Caledonia, Nieuw-Georgia en Nieuw-Hannover genoemd. Eenige gouddelving aan de Fraser-rivier sedert 1858. Zooals op de geheele westkust van N.Amerika, is ook hier het klimaat zachter dan op de oostkust onder gelijke breedte (hier Z.W., daar N.W. winden des winters; hier de Koero Siwo, daar de Cold Wall); toch is dit gebied bijna onbewoond. Bij dit onmiddellijk onder de Britsche regeering staande land behoort het Koningin-Charlotte-eiland (quot;380 [! m.) en het zuidelijker Van Couvers-eiland (678 □ m. met 30,000 Indiaansche en Chineesche inw., die van vischvangsf leven). Dit laatste, het //Engeland der Stille zeequot;, ofschoon rotsig en met veel onbebouwbare gronden, heeft door zijne ligging te midden van vischrijke wateren , zijn klimaat (het ligt een paar graden zuidelijker dan Engeland), zijne ruime veilige havens, zijne steenkolen en zijn goud eene steeds vermeerderende belangrijkheid.

New Wcstrainstor, aan den mond der F raser-rivier i s de hoofdplaats van Columbia.

Victoria die van Van Couvcrs-eiland.

Nu Ensland zich uitbreidt langs den westelijken oever van den Grooten oceaan is het voor Engeland van belang dit gebied op den oostelijken oever te bezetten.

g) De Hudsonsbaai-landen, ruim 138,000 □ m., bestaande uit;

a) Bupertsland, het stroomgebied der Hudsonsbaai, woudrijk jachtgebied met tallooze meren.

Fort York, hoofdplaats.

b) Het N o o r d w e s t- of Indianen-gebied, ten W. hiervan, tot aan de Rocky mountains en de voormalige Russische bezittingen, welks handel in 1858 weder bij vernieuwing aan de Compagnie is toegestaan. In het Z. woudrijk, met elanden, bisons, bruine en zwarte beren, eekhorens, bevers, enz., in het N. kaal, woest land, dat door ontelbare scharen van rondtrekkende rendieren doorkruist wordt. Dezen zijn het hoofdvoedsel der Atabasea- of Athapeskow-Indianen. De faktorijen der Engelsche pelshandelaren reiken tot bijna aan de IJszee. De hoofdstapelplaats van dien handel is het fort William aan het Bovenraeer in Canada.

c. Het schiereiland_Labrador. 20,000 □ m., tusschen Rupertsland en

den Atlantischen Oceaan. Ofschoon dit tusschen 50° en 60° N.Br. ligt, en dus onder dezelfde breedte als Nederland, Noord-Duitschland en Zweden tot aan Stockholm, is het een der koudste en onherbergzaamste landen der aarde: het is dertigmaal zoo groot als Nederland, maar heeft van diens bevolking (12,000 inw.), die uit Algonki-Indianen, Eskimo's, onder welke 5 zendelingsposten der Broedergemeenten met ruim 1000 Christenen, en aan de zuidelijke kusten uit een gemengd ras van Eskimo's en Europeanen bestaat.

Deze gezamenlijke bezittingen leverden in één jaar 13,000 beren, 60,000 bevers, 80,000 marters, 20,000 wezels, 323,000 muskusratten en 50,000 zeehonden.

ocr page 308

.rf., ^ *4 lt;7z^;f *s /' ' * )' ^ •/ -'■' ^ 'quot;* ^

■ _ _ yV V ? 'S-Ce^-i o J r-''^ 'amp; ■**■ / /gt; '/ ■-'^ ^ //f **gt;/■?t*-r* /J/S

^ */' A*rU ,-f S''S-g' --J *' ■•r- lt;? gt;' '''■* ' *-/e' -St'^ytS,? rr^

^ -f / 'Z 5 i* , J- W * • y

282 AMERIKA.

r Ofschoon de Hudsonsbaai-landen natuurkundig vele punten van overeenkomst

c . ,• ■gt; hebben met Siberië, verschillen zij er uit een maatschappelijk oogpunt ten eenenmale

i/tivr-' vaD- Hier steden en dorpen met vele duizenden inwoners — daar slechts enkele ' Tuf forten door weinig menschen bewoond. De vroegere compagnie wilde in haar gebied p \-lr-yï geen landverhuizers toelaten, tenzij dezen zich met den pelshandel wilden bezig ■irfW * „houden.

* 2) De 4 eilanden in en om de golf van St. Laurens: Anticosti, Prins

/V

.Ltt'quot;' / Ed w a r d s - e i 1 a n d (vroeger St. J o h n s - e i 1 a n d, thanggok in^het Gebied Ui ] /' van Canada opgenomen^ iOSjÓOp ii),w.. Cape Breton en K eVF oirn d°I and

\ kV*x' fwir»p_fr*nnrl 1 pnrl 1 1 fiO 000 inw mpf rip l^pvnpmrlp Irnl^plifjiiw-rcfnl-uicpli-^^rono'cf

wt

-quot;^'[Bjoe-foundlend], 160,000 inw. met de beroemde kabeljauw-(stokvisch-)vangst - f'7 {jaarlijks voor ruim 20 millioen gulden) op de Groote bank ten Z.O. van '/9' /fh het eiland, dat evenals deze bank bijna altijd in nevels gehuld is. (De visch 7,,Mdoor den kouden stroom uit de Baffinsbaai aangevoerd, kan niet in het warme 'h 7 '/. Y water van den Golfstroom leven en blijft bij New-Foundland). De kleine visschers-j^h \..j eilandjes St. Pierre en Miquelon zijn de eenige overblijfselen der groote

i .

rir ' voormalige macht van Frankrijk in Noord-Amerika.

3) De Bermuda- of Some r s-eilanden, de noordelijkste koraal-eilanden der aarde (TnvToed van den Golfstroom). li°-o-én~op het midden van de. vaart tnsschen

Wvfr?

^ . • ' ÏSew-Foundland en de Bahama-eilanden : zij zijn belangrijk ook uit een krijgskundig

■ t eifTiandeTsoogpunt; slechts 15 van de 300 zijn bewoond, door 15,000 inw.; oppervlakte «leehtp 2 □ m.

^ .1 3) De Vereenigde State^, van Noord-Amerik^,/

, (171,500 □ m., 50 mill, inw., waaronder 30Ó,^00'roottliÏÏKlén''(63,000 CKineézen^Ti y 7 ^'£ / C a b o t o ontdekte deze landen in 1497; maar eerst in 1607 begonnen met ' ',1, 7»' Virginia de volkplantingen, die steeds in bloei toenamen. Nederlanders stichtten iquot;i ƒ jlHl '-m 1612 Nieuw-liolland met Nieuw-Amsterdam, P e n n stichtte Pennsylvania in Tl11 ■s*r' 1681, qnz. In deze eeuw trokken als landverli'uiz^rsquot; naar aé v. s.rzftziizz* B r i tt e iï 'en' aruïerëi? om hun bestaan te verbeteren. ' %taj£

D u i t s c li e r s [ quot;sedert 1840, om staatkundige redenen.

Ieren, van 1845—47 door het mislukken van den aardappeloogst. Nederlanders, «n'ootendeels Afgescheidenen, onder de regeerins van Willem I vervolgd.'^- —

Zweden en Noren.

Na een' tienjarigen vrijheidsoorlog (1773—1783) wierpen zij het juk van het moe-quot;derland Engeland af. Destijdswaren het eerst 13 Staten met 3 mill, inw., thans aangegroeid tot een verboiuLvan 40 Staten, waaronder het voormali^boridsdistrict Columbiaf%n 9 Territories of Gebieden die minder dan 60,000 bewoners hebben, of om andere redenen nog niet in het verbond kunnen worden opgenomen. Iedere Staat heeft zijn eigen bestuur en zijne eigene staatsinrichting, maar jemeensehap-^/^^Jpclijk vormen zij een Congres, dat uit een' Senaatjenjien^Huis van verte-mi,. ..•-■^rfj?|renwoorcligers bestaat. Een PresidenC'flie vóör 4 jaar^'gekoz'eti'wor'dt. heeft de uitvoerende macht. ^^De Protestantsche kerk heeft de meerilerheid. maar alle belijdenissen hebben volle godsdienstvrijheid en er zijn bijna honderd verschillemlë kerkgenootschappen , waaronder 20 hoofdsekten.'— Het schcrpe onderscheid tusschen de noordelijke en zuidelijke staten der Unie, dat zich voorheen reeds uit karakter en levenswijze deed kennen, maar zich vooral kenmerkte in de opheffing der slavernij in de noordelijke en het behoud daarvan in de zuidelijke (om staatkundige. redenen), bracht verwikkelingen te weeg, welke in 1865 na een' bloedigeu worstelstrijd van 4 jaren eindigden met de onderwerping der zuidelijke staten, en dus met de algeheele afschaffing der slavernij. De afkeer der blanken van het negerras en zelfs van kleurlingen js echter niet opgeheven en geeft aanleiding tot tallooze

'/%.ïtj-£*=• ' 's'.i j' tr* Cvcj?*- / vt—.-V /f /1,

*

ocr page 309

'.•sCty.d-

9: l/fa -f tl r. ' ftf k n-rt^^ ^

DE VEREENIGDE STATEN VAN NOORD-AMERIKA. 283^

' 1WK r - ^ -

• • • • •' - t 'fy' moeilijkheden. — In de noordelijke Staten vormt de graanbouw en de veestapel ;•,

den rijkdom des lands, in het zuiden vervangen katoen, suiker, rijst en tabak twT'quot; d'

die plaats; maïs wordt bijna overal overvloedig gebouwd; ook de wijnoogst begint

in sommige staten een belangrijke tak van industrie te worden, in de bergachtige {' staten is de mijnbouw een bron van bloei. Het westen is rijk aan edele metalen. I j-™ quot; ^ het oosten aan ijzer en steenkool. Door den langdurigen, hardnekkigen oorlog ■' ƒƒ„. echter werd de schuldenlast tot ongekende hoogte opgedreven en is de welvaart; gt; f.' / van het zuiden voor langen tijd verdwenen; in het N. bloeien de fabrieken tegen- 'yy''r woordig ongemeen, maar dit berust op een' kunstmatigen grondslag, daar de ■ y invoerrechten zoo hoog zijn opgevoerd dat de buitenlandsche mededinging er door, ' ,■ wordt uitgesloten en de handel er gevoelig ouder lijdt. f

I. Noordelijke Staten (ten N. van de Ohio).

a. Aan den Atlantischen Oceaan;

1) Maine [meen'^^een zesde gedeelte der oppervlakte is water; in dezen Staat wordt j der N.-Amerikaan^che schepen gebouwd.

Portland, 34,000 inw. ■ r-i-J■ lt; 'i*.

2) New-Hampshire [njoè-hemsjier], „Npord-Amerika's Zwitserlandquot;, meer vjDor veeteelt dan voor akkerbouw geschikt. JCp// . 'iquot;?- r^-rv. . rM*f A.

Portsmouth, éénige, maar uitstekende zeehaven; 31,000 inw.

3) Vermont, grenst nergens aan zee. In den N.W.hoek het jChamplain-[tsjémpleen-]meer; hoofdzakelijk landbouw en veeteelt.^ •//gt; .*///?

Burlington, verrukkelijk schoon gelegen; 14,000 inw. ' v ■ -

4) Massachusets [messetsjoesets]^de dichtst bevolkte Staat, in alle takken van beschaving en, industrie vooraan. ' ~ * '/

Boston [post'n], „de wieg der Amerikaansehe vrijheidquot;, en tevens het „Ameri-• ' kaaïïsêlïe Athenequot;, met verbazende fabrieken van allerlei aard en uitschreiden handel; met de haar omringende voorsteden 362,000 inw.'X/

Lowell, het „Manchester der Uniequot;, voorbeeldeloos snel opgekomen, vooral door het groote verval der Merrimac-rivier, met welker water de fabrieken voor katoen en vooral papieren kleedingstukken gedreven worden. In 1825 slechts 200 inw., v L thans 50,0ü(Hnw. (veel vrouwelijke fabriekarBeidsters). / ^ •- ■

5) Rhode-Island [r'oód' eilend], de, kleinste/ majir 'op een'na de dichtst bevolkte Staat. f 'J v*. / fif •/

Providence, aan de Narragauset-baai, het Middelpunt van een met wol- en katoenfabrieken bezet distrikt: 69,000 inw. / • ' ///..'

6) Connecticut. •'Langs de geneele kust ligt het lange, tot New-York behoorende Long-Island [long eiland].

New-Haven, aan eene goede baai, met groote fabrieken, b. v. eene van horloges,

die jaarlijks 150,000 stuks aflevert; 51,000 inw.

Hartford, insgelijks met groote fabrieken; 37,000 iuw.

(Dezec6 n oo rd-o.ost-elij,ke; staten heetten ypeger Ni^ipv^l^ngeland). ^ ^

7)flJ'ew-York rnjoejorkl. (' quot;

7) New-York [njoejorkl, de'ineest bevolkte staat. Vóór 1664, toen het door ,/',,„4 de Engelschen aan onze West-Indische Compagnie ontnomen werd, droeg dit met New-Jersey en een gedeelte /«p, Pen^nsylvanië, Maryland en Ehode-Island

rl v* n f\ v-»r*vi '\',irwiiT*T /-ï/-! /I '/ 7 1-'

den naam van Nieuw-NederlamL/?/^- ó- ^

/ s ' / % J /7 b /J /i

N e w - Y o r k. in 1621 door Hollanders, oi^der den. naam van Nieuw-Amsterdam, ^ -

op het eiland Manhattan in den nioudj der Hudscn-riTier aangelegd, wprut •

door Long-Island voor den stormaclitigoir?üccaan beschut. Het is i«a.-isey-jvL alle zydèn op de nabij'gelegen eilanden-oevers eiTlandtongen door voorsteden/,/--.-/^' omgeven: op Lpng-Island door Williamsburg, met 50,000 inw. Brooklyn - ^ ^

irrK v* M- * *quot; quot; H.v-yvCf trut e ■'* h*.

O' /// f / /'•

ocr page 310

I* 'trj ■ ■ -* %, ' ' fy At. 0/,f ,

Tamp;rtfS au '.. ^ tf f ïsS'A amp; Sir'i* m-? * ** ; •gt;}/, /6X/ s''''quot;** , ■'■■f. t -r'^/ *' ££-s **y*'-y/

/V-^.wlt; -lt;? -' . ''A/fJ r hfn-C*.. / / '

284 AMERIKA..

[broeklin] (oorspronkelijk Breukelen), voorbeeldeloos snel opgekomen, met 567,000 inw.; en op den westelijken oever der rivier, in New-Jersey, door Jersey-City, met 83,000 inw., en H o b o k e n met 20,000 inw. New-York is do hevolkste en invloedrijkste stad _van_Amerika, na Jjonden eu iLiverpoolyide voornaamste handelsstad der aarde en lieoft, zonrier lini-p. vonrsteden reeds nTeer dim 14raillioen nTw. De invoer is grooter dau die van alle Duitsohe liavens samen, f dér landverhuizers landen te N.-Y. Dezen gaan óf over Albany naar Montreal óf over Buffalo naar Chicago. Van New-York naar San Francisco duurt de reis , / '/ (J % dagen.

V ^\ Albany [aalbenni], aan den Hudson, in 1623 als „Beeverwijckquot; door Hollanders 'fa*,• gesticht, gunstig gelegen voor den handel van het binnenland, te midden van ' fanalen en spoorwegen; 91,000 inw.

Troy of ïroia, aan de Hudson en aan den voet van de Ida en van den ■' V' fquot; Olympus. Tot hiertoe is de eb en vloed bemerkbaar; 45,000 inw.

'7lt;/ /'/ Vquot;' quot;quot; l S y r a c u s e, 43,000 inw.

ritvfquot;-1 / Rochester, in 1812 slechts 2 houten huizen. Behalve aan zijne gunstige ligsing, /r'fw' heeft het, evenals Lowell, zijn' snellen wasdom te danken aan de watervallen

/ v ?,// /L der rivier Genessee (263' hoog), die voor eenc menigte meelmolens aangewend /■/•'. / i''/,..' worden; 62,000 inw.

' 'v?'y, Buffalo [büffelo], het eindpunt van het Erie-kanaal aan het meer Erie, grootsch / r en weelderig, stapelplaats voor den binnenhandel met liet Noordwesten, universi-lt; teit; 155,000 inw..

11 ) wvyxw, Jy _,■?

/ 8) New-Jersey ' [njoedzjursi], op een soliiereiland, aan den linkeroever der

PI

^ Delaware [delleoecer]; l der bevolking is van Nederlandsche afkomst. Het is quot;■ ' rijk in ijzererts en bijzonder rijk in zinkerts, die ook hier verarbeid ^worden.

6'quot;°]' A Bovendien heeft het ontzaglijk uitgebreide glas- en aardewerkfabriekeo/'quot;gt;/• '' Newark, regelmatige, fraaie en bloeiende stad; 105,000 inw. / quot;■

J ersey-City, voorstad van New-York; 83,000 inw.

Hoboken, voorstad van New-York; 20,000 inw.

9) Delawai^V het oostelijk gedeelte van een scliiereiland ti^ssc]i=n de 40 m. lange Chesapeak-[tsjisepiek-]baai en den Atlantischen Oceaan.■ S/• s

Wilmington; 31,000 inw.

' ' Columbus, handelsstad, 22,000 inw. ,, , , y

| ^ ____' t f------C-— t- t ' (J ^ ^

10) Penn'sylvania,. bet N. Amenkaansclie Duitschland, in 1682 door den kwaker Pen n^gegrondvest. Aanzienlijke produktip vaji pjejroleum? hoogst gewichtige landbouw, «|rteelk zeeha^Ö^ en nijverheid. •'AnrrtJAu-rj.

Phil afl'e 1 p h la^ aan cfei/reede Delaware / vóór de stichting van Washington de hoofüsta'd Jler Vereenigde Staten en zetel van het Congres, vóór den bloei van New-York de 'eersfé' stad der Vereen. Staten, thans de tweede. Om haar' boekhandel het „Leipzigquot; van N. Amerika, om hare menigte fabrieken het „Birminghamquot; van dat werelddeel genoemd; uitvoer van petroleum; voornaamste steenkolenmarkt, talrijke wetenschappelijke inrichtingen. Eerste cellulaire gevangenis; 847,000 inw. Pittsburg, waar de bronrivieren van de Ohio te zamen komen, te midden van onuitputtelijke steenkolenbeddingen, de gewichtigste fabrieksstad van het Westen, vooral in ijzer, „het Amerikaansche Sheffieldquot;. In 1775 stonden hier 25 hutten, /4/; a thans heeft het met // / Alleghany City; 235,000 inw.

,5) In het binnenland, tusschen de Canadasche meren, de Ohio en de Missisippi: jA6

11) Ohio [oheio], tusschen het meer Ërie en de Ohio, het rijkste graanland der Unie; daarbij jbezit het rijke petroleiun^jronhen en reeds noemenswaardigen wijnbouw.

Cincinnati, aan de Ohio, „de koningin van het Westenquot;, in 1791 nog eeue

om de groote varkeuij-enoemd (in den winter

' r tY' ■ sC 'lt;--■ -Z. rs fj f 1 ■. 'lt; ■ '(S , Y-S.

•■--'t' A , : Arx

f . '2 S'1* f Alt; ^--------s'f ^ ^ --- yS '

-----V.C-. ■ Scy .-' * A' / S ^-f ' ' . ■ ' . ^ r* 'yA'•LJ'YA l ^ ' - '''

COgt; y JfuSZAA/^ CAAL^A / /

ocr page 311

100

DE VEREENIGDE STATEN VAN NOORD—AMERIKA,

van 1851/52 werden er 1,871,000 varkens geslacht); dooh om de vele wetenschappelijke en weldadige inrichtingen ook „het westelijk Philadeiphiaquot;; zij schijnt y ,gt; echter het toppunt van bloei bereikt te hebben, sedert door de spoorwegen hct''y.'/-V/ verkeer racer naar het westen is verplaatst; ^5ö,000 inw. *',■■/•? S

C 1 e,v_eland [klievlend], aan het meer Eric en Jiet èinde van het Ohio-kanaaljV-/

niet alleen de voornaamste haven van den grootsten landbouwenden staat, ma.ir.fvV' ' vvl ook een der vo0rn^.inste voor het „Noordwestenquot;; 160,000 inw.

12) Indian^,,'iu'sschèh net^frieér Mi'cliigarFen de Ohio, rijk graanland met ^ /' //-/jndiauopolis, fabrieksstad; middelpunt van den liandel in landbouwprodukten;y

75,000 inw. ^ ^ ,

13) Illinois' illineis] mét de Missisippi in liet W. en het meer Michigan m het N.GI Voor ^ deel prairisën in het N., in het Z. bosschen. Eijke loodmijnen.

rC h i c a g o. aan het meer Mieliigan. grootendeels Duitsehers, ongelooflijk snel toe-. --genomen en herbouwd na de groote branden van 1871 en 74, grootste graan- en /ïT^X^meelmarkt der wereld, jaarlijksche omzet 60 mill. HL.; door spoorwegen met den Atlantischen en met den Grooten Oceaan verbonden, langs een uitmuntend kanaalstelsel kunnen stoomschepen van Londen direkt tot hier varen; 600.000 inw.^ , ^

14) Iowa [eiowee], een prairiën- en woudstaat, even als, Illinois, met zeer'quot; ', rijke lood- en steenkolenmijnen, ^ontwikkelt zich sneL-^'quot;quot;'

Des Moines, 22,000 'mw. ,tS- r /■

Uubuque, middelpunt v^ji hot^loodmijnen-distrikt; 18,000 inw.

15) y/isconsin/j fussche'ti de Missisippi, hut Bovenmeer eu het meer Michigan,

met een kouder klimaat dan Nederland. In deze en de beide volgende Staten vestigden zich in de laatste jaren de meeste Nederlandsche landverhuizers. Zeer vruchtbaar en rijk iu mijnen, vooral van koper. In 1S71 werd deze Staat door ontzettende boschbranden geteisterd, waarbij eene oppervlakte als Zuid-Holland met een dozijn stadjes en dorpen afbrandde.

Milwaukee Jmilocóki], aan het meer Michigan, eene 40jange stad; 115,000 inw.

16) Michigan [mietsjigen]. Twee woudrijke groote schiereilanden tussehen het Boven-, Michigan- en Huron-meer.

D e t.V o ft, stapelplaats tussehen het Huron- en Erie-meer. de hoofdmarkt van het gansche omringende land, ook van Z.W.lijk Canada; 116,000 inw.

17) Minnesota, aan de noordelijke grens der Unie, met de talrijke bronmeren van de Missisippi; de North Eed-rivier vormt de westelijke grens; sedert het in 1858 als Staat werd opgenomen, heeft het zich snel ontwikkeld, vooral door landbouw (tarwe).

St. Paul, bloeiende hoofdstad, aan de Missisippi, die tot hiertoe bevaarbaar is;

41,000 inw.

/quot;y- ■

II. Zuidelijke Staten (voorheen met slavernij). - --v, *

- -/4 ,U

d) Aan den Atlantischen Oceaan. De vijf laatste (26—30) liggen langs de golf van Mcyico en/hcjsbei^ene jpoote iwgerbevolking.

18) Marylamj/fmerilend]^ aan f)eide zijden der Chesapeak-baai eu aan den linker oever der Potomac [potomekj; hier zijn reeds bijna » der bewoners negers.

Baltimore-; de derde stad der Unie, „de stad der monumentenquot;, de grootste tabaks-markt der Unie eu de grootste meclmarkt der wereld na Chicago; 332,000 iuw.

Het distrikt Columbia, aan de Potomac, in 1790 door Maryland en Virginia als Bondsdistrikt afgestaan (3 □ m.). Het invoeren en verkoopen van slaven was hier reeds in 1850 verboden. (Sedert Mei 1886 tot Staat verheven).

W a s h i n g t o nToeosiingt'nl. dc hoofdstad, met het kapitool, waar liet Congres , bijeenkomt, liet paleis van den 1'rcsidcut cn liet tuighuis. De volgens het grootsche

285

jfp lOT-lan en, •eal reis

ers ran

ieu

ng.

Hen end

;soli :rsi-

der ; is len.

2V

'Al

gt; /s/s.

den tige

i de van oek-amquot; rkt, inw. van ten, ten,

4 J,-)

'■/n ?' * »

1

i de

land igen

eeue £Uiir inter

ocr page 312

T

^t-

T

• ^ •

/*.

'/quot;^■- W* /ÏA- rvf .quot;irt-r i^z-

/~ '(/', 'f quot;quot;if ' ^ ' ' ' ^ £■ ' quot; -' lt;y f/gt; t

/ sfVVt t^/ f ftfrrr-ï-t.Jll' '/?**' .'

jj 7 f t i lt;. -t / z* *

286

AMERIKA.

/ ''^7 quot; kolenmijnen in den omtrek; 64,000 inw.

West-Virginia, tusschen het gemelde gebergte en de Ohio, met petroleum-^ If} ^ bronnen.

Wheeling, a^njle^Ohio; 19,000 inw.

( 21) Kentucky/ten N. van de Missisj,ppi, in liet binnenland, ten N. door de Ohio begrensd, woudrijk heuvelland.^,-' /- quot;'S ■

Louisville, aan de Ohio, na Ciueinnati en Pittsburg de gewichtigste handelsstad in het Ohio-gebied; varkens-slachterijen; 134,000 inw.

22) Noord-Carolina-,quot;quot;'rijstbouw, tabak en, katoen, eryterpentijn van de uitgestrekte dennenbosschen./^'-' S~/Jir «-v ^-quot;-4«-^--

Raleigh .[réllee], lioofdsta^.

23) Tennessee [tennessiy, in het binnenland, ten Z. van Kentucky, met de Missisippi als westelijke grens; uitnemend klimaat en rijke bodem.

^ ^ Memphis; 40,000 inw.

Nashville [nesjviel], meer handels- dan fabrieksstad. De omstreken zijn om hare veeteelt beroemd; 43.0p0 inw; y/yf. y

24) Zuid-Carolina/ De grootste helft der bewopers waren slaven^/-'' • ur/.vy, Charlestown [tsjaarlstaun], met ecne voortreffelijke haven, hoofdmarkt voor ^ het, katoen, dceh^OB^zoijde Inging; 50^000 inw.

25) Georgip,^ zeer vru'cntamp;ar, doctt'zonder industrie en zonder veeteelt. S a v an n ah,^mct d^ djejste^pn^g^nakkelijkste haven van het Z.; 31.000 inw.

26) Florida,quot;iif 1821quot; door Spanje jifgesta.'in, sinds 1814 Staat, nog uiterst schraal bewoond, heet, zandig en moerassig, slechts gedeeltelijk vruchtbaar.

Key-West, op 4 eilandjes bij de zuidsnits, tegenover Havana, beheorseht den ingang quot; ......f./W.

van de Mejicaansche golf. f

27) Alabama , de helft der' bewoners bestond uit slaven.' -quot;'«v 7'

Mobile [mobiel'], de eenige zeehaven, na New-Orleans de voornaamste katoenmarkt^'

der time; 31,000 inw.

Montgomery, aan de Alabama, was de voorloopige vergaderplaats van het Congres der Zuidelijke- Staten die zjclr af^escheidcg hadden.

28) Missisippi,'ten Ö' vtm 'die rivier, tegelijjf met Louisiana in 1803 van Frankrijk gekocht./, llet^meerendeel der bewoners bestond uit slaven; vruchtbaar en gezond land. ^

Natchez en A7 i c K s b u r g, beide a/d Mississippi, zijn de middelpunten van den

Eijk aan suikerplantages, uiterst vruchtbaar, maar moerassig en ongezond.

[njoe-orlie'ens], aan den linkeroever van de Missisippi, 20 m. ioven den mond; dc grootste katoenmarkt der woreld, ïïiT grootste stapelplaats voor den handel met het Missisippi- gebied Yoo.r suiter, rijst ^^piak^n|eel. toffle en varkensvleeseh, iu eene lage en ongezonde' möeras'sigeTiggiii^en dooi-quot;dijke

liggingen door dijken voor overstroomingen beselmt; de Frausche taal wordt hier nog doorgaans ge-

' ^—3 1 ^ '—-* ? T0, c/a-tr

, c-t —( i .7 '/ i -gt; rf-*' • -lt;/

un-i-e.

plan aangelegde, maar onvolbouwde stad heeft (zooals men gewoon is te zeggen) meer straten dan kuizen; 160,000 inw.

19) en 30) Virginia, sedert 1863 in twee afzonderlijke staten verdeeld: Virginia/(Oostelijk deel), tusschen de Chesapeak-baai en het Apalachen-

,4

' Jr

//jf-i gt; '^quot;of Alleghany-geb(gt;rgt.e, iet-meest l^evolkt; meer dan | der bevolking waren vóór

^quot;'quot;'/l 865 slaven

f»

A

ff/- '74 f ' ' ■y.rri?'■

RichmoiKd [rilsj-], aan de James-rivier, cene der voornaiimste tabaksmarkten; ' ; de meelmolens voorzien de markten van Zuid-Amerika met het beste meel. Steen-

vU

/

Urii.

LInlt; i.

Louisiana! tm W.quot;van' He Missisippi 'en quot;niet het geheele delta-gebied dier

katoenhandel; ieder 12,000 inw.

TL t-* ir.c l c ^ct

y rivier.

vr'

Q \JÏ ' ' -j , ]'

(j/M H**'

N^éf' w-Orleans

sproken; 261,000. inw. o-

ocr page 313

V KR r, FN TG DE STATEN VAN NOORD-AMERIKA.

287

.■f,

yy / tyS / ■ /l Uï - - ■ /' ••

30) .Texas of Tejas [tegas], tussclien den Rio grande del norte en den bovensten loop der Red river; de grootste Staat, zoo groot als Frankrijk en Groot-Britannië te zamen, doch met slechts ruim i mill, inw.; in 1836 van Mexico afgescheiden, rijk in weiden en wouden.

Galveston, waarvan -j-L negers; op eene zandige landtong met eeae goede haven, 22,000 inw.

zeer achterlijk; alleen üe rivierdalen zijn

33) jJi s r o i:;-j '(Te'tjeiflequot; 'zijden cn 'aanquot;0den mond der gelijknamige rivier,

de meest centrale Staat, «de tuin van het westenquot;; de loodmijnen zijn onuitputtelijk. Slechtsytj dajr bewroner.s bestond tot ,1865 uit slaven. T

St. Louis^aah ke Slissi'sippi. béneden ae uitwatering van de Missouri, „de kéizerin ;n a ffr.'* van liet westenquot;, door hare gunstige ligging en steeds vermeerderende verbin- quot;'M' ' ■ dingen door spoorwegen de stapeTplaats van de gansche Missouri, Illinois en Boven-Missisippi; zij ligt op het kruispunt van de twee belangrijkste verkeerswegen in /■/

Amerika; Missouri—Missisippi vau noord naar zuid en den Atlantic—Pacific spoor- / ■*'?' •-weg van oost naar west. De aanleg van de Union-Pacilicbaan van Omaha naar San Francisco heeft het verkeer wel wat minder doen worden. Langs den JN.Z.

weg worden ijzer, koper en lood aangevoerd; naar het westen worden fabrikaten en koloniale waren verzonden. Steenkool en ijzer liggen in de onmiddellijke nabijheid; 480,000 inw.

III. Binnenlandsché Staten en Gebieden (Far West).'

33) Het Dacota-gebied (territory)'aan de noordelijke grens^ler '^ereérfT.i Staten, doorstroomd door de Missouri, heeft den 104den graad W.L. van Gr. ' •

als grens in het W. en den 43° N.Br. in het Z. Thans tot Staat verheven; /trf doch de noordelijke helft, boven 46° N.Br., is gevormd tot een afzonderlijk .

gebied (1) Lincoln genoemd. In de Black Hills, het gebergte dat het Z.W. '' '

van dezen Staat bedekt, zijn rijke sporen van goud, ijzer en steenkolen gevonden, yj^11:

34) Nebraska, ten Z. hiervan, doorstroomd door de Nebraska of Platte, eene / rechterzijrivier van de Missouri, in 1867 als Staat opgenomen, bestaat grooten- quot; V/ ■ deels uit prairieën met ontelbare troepen bisons. De oostelijke bergen bevatten

goud, zilver, koper, zink enz.

Omaha, aan de Missouri, hoofdplaats, van hier gaat de Pacificspoorweg door geheel zuidelijk Nebraska naar San Francisco; 16,000 inw.

35) Kansas, ten Z. van het vorige, met den Missouri als N.W. grens; doorstroomd door de Kansas en een deel der Arkansas; in 1861 als Staat opgenomen.

Hier IndwB|^ed^yj]y^ !

^ Het 1 naian-1err11orv. tussclien Kansas en Texas, met de Red nvier*^-^-^^ als Ti. g-rens, wordt eigenliiK: niet beschouwd als een deel der Vereenigde Staten hoewel het in 't hart daarvan ligt, maar het is bestemd om de daarheen ver-plaatste Indianen voor de beschaving te winnen. De beschaafdste stammen ziju^'j.'/ :

de Choctaws, Creeks [krieks], Cherokees, Osagen, enz. Geen blanke^» mag zonder vergunning zich hier vestigen; verkoop van sterken drank is verboden;' ' ' de middelen van bestaan zijn landbouw7, veeteelt en eenige handel.

3. Het gebied Nieuw-Mejico, dwars doorsneden door de Sierra blanca en de Sierra Madre tusschen welke de Rio grande stroomt; in 1848 door Mejico afgestaan. Ofschoon het rijk is in allerlei metalen, worden deze door de plotselinge invallen der naburige Indianenstammen en door gebrek aan menschenhanden nog niet gedolven.

Santa F é, 6600' hoog, reeds over Denver City met den Paciflc-spoorweg en over Franklin langs den Southern Pacific mot San Francisco verhouden.

i

ocr page 314

AMERIKA.

36) Colorado, ten N. van het vorige, in 1874 als Staat opgenomen. De Rocky mountains (de Pike's-Peak en een aantal andere toppen, van ruim 14,000') deelen het in twee deelen; westelijk vloeien daarvan de bronnen van de Colorado, oostelijk die van de Znid-Platte-rivier en van de Arkansas. Ook deze Staal bevat goud, vooral aan de oostelijke helling der Rocky-mountains, aan de westelijke zilver in schijnbaar onuitputtelijke hoeveelheid; verder koper, tin, nikkel, lood-, ijzer- en steenkolenbeddingen van ontzaglijke dikte aan den voet der bergen en minerale bronnen van allerlei soort. Dit alles, gevoegd bij de groote geschiktheid van dit gewest voor landbouw en veeteelt, is te meer gewichtig, omdat de Pacific-spoorweg (met een' zijtak naar het bloeiende Den ver-City) langs de N. grens van dit land loopt.

4. Het Wyomi n g-[waióming]gebie d. In het W. liggen de Eocky-mouutains, waarop het hoogste station van den Pacific-spoorweg, Sherman geheeten, 8335' hoog; in het Z.O. de Black Hills.

5. Het Montana-gebied, grenst ten N. aan de Britsche bezittingen, bevat de bronnen der Missouri en heeft de Rocky-mountains als westelijke grens; het is rijk aan zilver en goud, vooral aan de Yellowstone rivier, eene rechter zijrivier van de Missouri; merkwaardig is hel gebied van haar' bovenloop door de diep gekloofde dalen (canons), geysirs en andere natuurschoonheden. (Zie boven National Park).

6. Het I d a h o-[aidaho-]ge b i e d. Grenst voor een klein gedeelte nog aan de Britsche bezittingen. De Rocky mountains vormen de oostelijke grens. In het Z. bevat het een' onberekenbaren rijkdom aan allerhande metalen en mineralen.

7. Het U t a h-Hoete'g e b i e d . eene moeilijk genaakbare hoogvlakte van 4000' hoogte met grootezoutrijke woestenijen ^ enjiet Gxjifi t e Zoutmeer. Toch is de PacSTc-spoorweg nb5r3elTj6 om ïet meer fieen door dit gebied gelegd. Dit land werd door de godsdienstige sekte--der MormoneiOif //heiligen van, den jongsten dagquot; (voor een deel ook bekeerden uit Europa), die zicli door grooten trek tot onafhankelijkh_eid_en door veelwijverij van de „Heidenenquot; (aldus noemen

szjj aiie andere menschen) onderscheiden. tot zetel gekozen (quot;100.000 inw.). Hun arbeid, „het middel om het geven van aalmoezen onmogelijk te makenquot;, maakte in minder dan 20 jaren eene groote woestenij tol eene bloeiende en rijke woonplaats. De veelwijverij, welke hunne toetreding als Staat in de N. A. Unie belette, is in 1872 door het Congres geheel afgeschaft. Den 9e Januari 1886 is door den Senaat eene wet aangenomen, waarbij de Mormonen van al hunne staatkundige voorrechten worden beroofd; in Idaho heeft men den Polygamisten alle burgerschapsrechten ontnomen; een leger is bij Salt-Lakecity geeoncentreerd om mogelijk verzet te keeren; uit eeïTeu ander volgt, dat de dagen van Young's volgelingen geteld zijn. Granen, suiker en katoen.

Salt-lake-eitv, vroeger Nieuw-Jeruzalem, hoofdstad, ruim 4000' boven den Oceaan, aan den oostelijken oever van deu Jordaan, fraai gelegen en gebouwd, door oen' zijtak met den Pacific-spoorweg verbonden; 31,000 inw.

37) Nevada, tusschen Utah en de Sierra Nevada, gemiddeld 4000' hoog, breede, woeste vlakten en vruchtbare dalen tusschen de bergketenen, in 1864 als Staat in de Unie opgenomen, het „zilverlaudquot; der Vereen, Staten, bovendien ook nog rijk in andere kostbare metalen (in 1869 ongeveer 33 mill, gulden).

Virginia City, met de aangrenzende plaatsen Gold-Hill en Silver-City, 20,000 inw., aan den voet van den 1500' hoogen, geheel door zilvermijnen doorsneden berg Davidson.

Treasure City, 9000' hoog, dc hoogste, geregeld door incnschen bewoonde stad van N. Amerika, met waterleidingen enz.

9, Het Arizona-gebied, ten Z. der twee vorige; grenst aan Mejico; de Colorado vormt grootendeels de westelijke grens, en diens zij-rivier de Gila

288

ocr page 315

VEREENIGDE STATEN VAN NOORU-AMERIKA.

doorstroomt het; ook dit land behoort tot de metaalrijke landen van Noord-Amerika; doch het nog gering aantal der gevestigde bewoners wordt door den bereden Indianenstam der Apachen steeds verontrust.

IV. Staten aan den Grooten Oceaan.

Q

38) Californië. ten N. van het gelijknamige schiereiland (Beneden- of Oud-gt;^ ''quot;quot;S Californië), omvat het stroomgebied van de Sacramento en San Joaquin,

die, van tegenovergestelde kanten tusschen twee hoogs woudrijke bergketens voortstroomende, te zamen in een' grooten boezem uitloopen, welke door de engtV^Vquot;/ 'quot;^

rivier 11

Goudenpoort, als door een' bergpas in de keten aan de kust, met deh,'-quot;'-Oceaan gemeenschap heeft. In het N.Ó. heeft het de Sierra Nevada, in het-^,

Z.O. de R i o C o 1 o r a d o tot grenzen. Het kwam na den oorlog met Mejico^'jl in 1848 aan de V.ereen. Staten, toen reedsden 19 Jan. 1S4» het eerste goud' ' gevonden was//m 1850 had dit goudland reeds ruim het aantal inwoners om als Staat te Kunnen worden opgenomen en steeds nam het met reuzenschreden toe in bevolking en bloei. In 1847 telde het nog geen 15,000 blanken, in 1860 ongeveer 380,000, meest mannen; in 1880 865,000 (waaronder bijna 75,000 Chineezen), nog i meer mannen dan vrouwen. Men schat de waarde van het goud, dat Californië in de 23 jaren na de ontdekking opleverde, op minstens 2400 millioen gulden, hoofdzakelijk uit de Sierra Nevada, en het waarseliijnlijlc bedrag Tier tegenwoordige en naast volgen de jaren op ongeveer 50 millioen gulden jaarliJE. Eeusaclïtig^ is ook de rijkdom aan kwik uit het Kustgebergte of Coast-rangc, niet ver ten Z. en N. van San Francisco; minstens de helft van al het kwik dat thans op de gansche aarde gewonnen wordt, komt van Californië. Rijke z i n k-mijnen zijn in 1870 ontdekt. Koper op telkens meerder plaatsen, na 1866 reeds jaarlijks voor meer dan 50 mill.

Maar nog rijker dan door dien metalen-schat heeft het land zichi door zijn heerlijk en gezond klimaat en door zijn' vruchtbaren bodem doen kennen. In het Z. bloeit de oranjeboom en de wijnstok, en het N. ia nog geschikt voor allerlei granen. De tarwe van Californië behoort onder de beste der aarde; de wijn is voortreffelijk en wordt mede reeds in aanmerkelijke hoeveelheden uitgevoerd,

zoo ook zijde en wol. Vermeldenswaardig zijn ook de groepen van reusachtige boomen op de hoogvlakte der Sierra Nevada ten O. van San Francisco, waaronder er zijn die^meer ^an ,30jj' hoog, 56' dik en wellicht over de 3000 jaar oud zijn.

o a n f r^a'u'cTf s'c cf! genoemd naar de franciscaner mouuikcn , die zich hier in 1776 vestigden, aan de zuidelijke bocht der gemelde baai, voor^O^jaren Ye r,ba ^

-B u e n a metlT oT G hutten eu 30quot; blanken; eerst eene^verzaincTpfaats vaii^elulc gt;?

zoekers uit alle laudeu . vooral uit Chiua, nu reeds eeue wereldstad met uitgebreide luindelsbetrekkingen, haven van vertrek voor de walvisclivaardcrs bij de Sandwicheilanden; stoorabootlmiëii op China, Japan cu Nieuw-Holland, 250,000 inw.,

waaronder 35,000 Chineezen, wien volgens de wet van 1879 geen grond meer ^ .

/ • verpacht wordt en die slechts tot een beperkt getal mogen immigreeren. /f-

gt;£j® ac ram cnto-ci ty, aan den Sacramento; de stapelplaats voor de kleinere stedei^^/C^V lt;•--in de oostelijke gouddistrikten; 21,000 inw.

Stockton, „de stad der windmolens,quot; door haar' bloeienden graan- cu transito handel de gewichtigste stad van het San Joaquin's dal; 10,000 inw.

39) Oregon. het gebied der Columbia-rivier tot aan de rivier Lewis in het O., in 1857 tot Staat verheven. De stammen der hier rondzwervende Indianen zijn reeds tot op eenige weinige duizende individuën versmolten.

10. Het W a s h i n t o n-gebied aan de noordelijke grens, met de Columbia-ivier en gedeeltelijk de Lewis-rivier als grens in het Z *

289

1 iet A f a s k a-'g' ^ ^

______ oord-Amerika, 27,000

□ m., 75,000 inw., door Britsch gebied van dat der Vereen. Staten gescheiden.

grens in fc b i e 37 'vcxmriifig 'SussiScïi

-x/

19

ocr page 316

290 AMERIKA.

De door de zee gekloofde en onherbergzame N.W.kust van dit werelddeel met de Aleoetisehe eilanden zijn in 1867 van Eusland gekocht. Jacht en vischvangst maken de hoofd-inkomsfen uit; de meeste levensmiddelen worden aangevoerd.

Sit ka, op het gelijknamige eiland, aan de Norfolk-Sund, is de hoofdstad en zetel van den Gouverneur; 1500 inw.

De meeste Staten van dit Verbond zijn zoo uitgestrekt, dat zij de Europeesche rijken evenaren. Zoodra een nieuw gebied bezet werd, verdeelde men het in een aantal territoriën met rechtlijnige grenzen. Terwijl nu één gedeelte in dienzelfden omvang later tot Staat verheven werd, werd een ander door het verschil In klimaat, produkten, leefwijze der bewoners weer in kleinere stukken verdeeld. Slechts aan de noordoostkust vinden wij acht oudere Staten, (New-Hampshire, Vermont, Massachusetts, quot;Rhode-Island, Connecticut, New-Jersey, Delaware en Maryland), die naar omvang met Dnitsche of andere Europeesche Staten van den tweeden rang zijn te vergelijken: Maryland, de kleinste, is bijna zoo groot als België; Maine is driemaal, New-York en Pennsylvanië ruim viermaal zoo groot. Zoo ook de meeste Staten ten oosten der Missisippi.

Ten westen van deze rivier zijn zij in omvang gelijk aan de grootere Europeesche koninkrijken, sommige gelijk Dacota, Montana en Californië uitgebreider dan Italië of Groot-Britannië, Texas of Tejas overtreft zelfs Oostenrijk-Hongarije.

Ten opzichte van de bevolking zijn de verhoudingen omgekeerd. De kleine noordoostelijke Staten hebben evenals de territoriën in het steppengebied elk van 100,000 tot 400,000 inwoners. Alleen Pennsylvanië en New-York stemmen overeen met Nederland, Beiëren en België, ruim 4 a 5 mill. Het opgeven van het aantal inwoners van iederen Staat heeft slechs oogenblikkelijke waarde, daar het door emigratie en immigratie telkens verandert.

4. Mexico ofMejico [mésjiko].

(35,000 □ ra., met 9| mill. inw.). ,

Eene republiek, in het N. tot aan den Eio grande del norte en den mond der Gila, in het Z. tot aan de golf van Tehuantepec en Honduras, terwijl het grootste gedeelte van het schiereiland Yucatan het oostelijkste, en het geheele schiereiland Neder-Californië het westelijkste deel uitmaakt. De heete ongezonde streek (Tiërras caliëntes, eene zelfde soort landschap als de Koeolla van Abessynië of de Taraï langs de Himalaya), het vaderland der gele koorts, ligt langs de kusten, die, vooral aan de golf van Mejico, zandig en vlak, gemiddeld 3 mijlen breed zijn; de gematigde (T. templadas), bijzonder aangenaam en gezond met eene altijddurende lente en weelderigen plantengroei, ligt aan de oostelijke en westelijke helling van het hoogland en op de plateau's, ongeveer tussehen 3500' en 5000' hoogte; de hoogere koelere streek (T. frias) beslaat | van het land en bevat bijna al de steden der terrassenlanden. Behalve campèche- en mahagonihout, cacao, vanielje en cochenielje bestaat de voornaamste rijkdom in goud en vooral zilver, dat uit 775 mijnen gewonnen wordt. Het mijngebied strekt zich uit van Guanajuato over Potos^^Zaciitecas, Sonibrerete, Durango en door de geheele Sierra Madre. Het gebrek aan goedequot; wegen, de

drukkende uitvoerrechten en de voortdurende burgeroorlogen, gevoegd bij de on-vefsctiiUiglieid en onkundF~der~t^lïïiangTtt'cremmeren echter den bloei van dit (Ioor~rte—nntTTur'bijzonder gezegende, doch slechts voor een klein gedeelte be-bouwde land.

Eertijds, lang vóór de ontdekking van Amerika, heerschte over dit land en de verschillende stammen een verwonderlijk beschaafd volk, dat van het N.W. schijnt

ocr page 317

yl'r:- T- /? ~y £~*^ yyo ï•* ' ^quot;■' ./^ ^ •' ^^ ,7 ^

MEXICO. 291

gt;-y'

gekomen te zijn. Dit volk, de Tolteeken, verschijnt omstreeks het jaar 548 op de hoogvlakte van Anahuac, maar verdwijnt weder omstreeks het jaar 1000. Op deze volgen andere stammen en ten laatste hunne taalverwanten, de niet minder beschaafde Azteeken, die omstreeks 1335 de hoofdstad,- Te n o c li v i 11 a n of Mejico stichten! Aan dit rijk maakte Cortes een*quot;einde en stichtte het Viee-koninkrijk JN i e u w- S p a n j e. Overigens worden in de Mejicaansche republiek thans nog meer dan 40 verschillende talen gesproken waarvan echter de Azteektche de meeste verbreide is.

Naar het voorbeeld der Noord-Amerikaansche Staten vormde__Mejico na den afval van Spanje in 1820 ^ene republiek van 26 vereenigde staten met een' president voor 4 jaren verkozen. Sedert 1823 telt deze staat echter de jaren als J / / v ■c~' .v;

); ook net keizerrijk/clat van

ulp dor Fransche wapenen de rust

niet herstellen; De helft van de bevolking vormen nog heden de nakomelingen der Meiicanen. welke Cortcz hier in 15%) aantrof. Een derde komt op de kleurlingen en ongeveer 1 k mill, op de Creolen (quot;de in Mejico geboren blanken,van Spaansche afkomst). Negers zijn er slechts weinig.

i-v/Zooals in geheel Amerika noemt men ook hier de afstammelingén van ülankea^j^^'^j' en Indianen mestiezen, van blanken en negers mulatten, van Indianen en negers z a m b o's.

Mexico of M e j i c o, op de bouwvallen van Tenochtitlan, de residentiestad, ook van het oude keizerrijk Anahuac, in een breed dal der Andes, 7200' boven den spiegel der zee, tusschen het zoute meer Tez cue o en liet zoetwater-meer Clialco [tsjalko], eene der prachtigste steden der aarde, met breede, rechte en uitstekend verlichte straten, het paleis van den President en de van goud, zilver en diamanten overvulde hoofdkerk op de Plaza-raayor, een dor grootste stadspleinen der wereld;

universiteit. In de nabij lieid oud-Mejieaansehe pyramiden en op de meren drijvende bloemen- en moestuinen. Belangrijke fabrieken vooral iu bijouteriën^en goud- en

r/llTTQt'TITOl'QY-l TV T gt; rl/1 ol TM quot;1 V» TTOV» rl . OKA OAO I VI *TT ''' ' quot; ^

zilverwaren. Middelpunt van deu handel; 250,000 inw.^

Vera Cruz f-kroesl, (ware kruis) door een'quot;spoorweg met Mejico verbonden. Deze .

loopt langs den voet van den Citlaltepetl (berg der Sterren) en stijgt op een' afstand van 13 □ niet minder dan 7000'; 14,000 inw., T a m p i e o. aan de golf van Mejico, en Acaoulca. aan den Grooten Oceaan, allo drie hoogst ongezond, zijn .

de havens der stad Meiieo of liever van het geheele land. l

La Puebla [poeévla]; de oudste Spaansche stad op het vasteland van Amerika^^.-quot; de eerste in industrie, de tweede in bevolking, bijna 7000' hoog; 09,000 inw.

In do nabijheid do beroemde pyramide van

Cholula [tsjoloela], eens de tweede stad van het rijk der Azteeken met 60,000 inw. en 400 tempels, thans 5000 inw.

O a j aca [-gaka], hoofdplaats van deu coehenielje-en chocolade-handel, zilvermijnen,

20,000 inw.

Quorétaro, eene der fraaiste en nijverste steden van het land; 48,000 inw.

Guanajuata [goeanagoiito], hot middelpunt van meer dan 100 rijke goud- en zilvermijnen; 04,000 inw.

San Luïs Potosi [loeie's potosie], vroeger goud- en zilvermijnen, thans vrij aan-

, zienlijke handel in manufakturen, 45,000 inw.

Matomoros, aan don Rio Grande del Norto, voor 20 jaren een klein dorp, aanzienlijke sluikhandel; 41,000 inw.

Guadalajara [agara], universiteit, zeer voel arbeid in zilver, goud en leder,

70,000 inw-

Morolia of Val I ad olid, in eene moerassige hoogvlakte, maar met heerlijk klimaat; 25,000 inw.

C o 1 i m a, handelsstad aan den voet van den vulkaan Colima; 31,000 inw.

Het boschrijke doch vlakke schiereiland Yucatan stond sedert 1851 met Mejico niet meer als provincie, maar als verbonden (federatieve) Staat met eene

ocr page 318

AMERIKA.

De door de zee gekloofde en onherbergzame N.W.kust van dit werelddeel met geko de Aleoetische eilanden zijn in 1867 van Eusland gekocht. Jacht en op c vischvangst maken de hoofd-inkomsten uit; de meeste levensmiddelen worden Op aangevoerd.

Sitka, op het gelijknamige eiland, aan de Norfolk-Sund, is de hoofdstad en zetel van den Gouverneur; 1500 inw.

De meeste Staten van dit Verbond zijn zoo uitgestrekt, dat zij de Europeesche rijken evenaren. Zoodra een nieuw gebied bezet werd, verdeelde men het in een aantal territoriën met rechtlijnige grenzen. Terwijl nu één gedeelte in dienzelfden omvang later tot Staat verheven werd, werd een ander door het verschil In klimaat, produkten, leefwijze der bewoners weer in kleinere stukken verdeeld. Slechts aan de noordoostkust vinden wij acht oudere Staten, (New-Hampshire, Vermont, Massachusetts, quot;Rhode-Island, Connecticut, New-Jersey, Delaware en Maryland), |

met der quot; linge Spaa

O

Q G

die naar omvang met Dnitsche of andere Europeesche Staten van den tweeden rang zijn te vergelijken ; Maryland, de kleinste, is bijna zoo groot als België;

Maine is driemaal, New-York en Pennsylvanië ruim viermaal zoo groot. Zoo ook de meeste Staten ten oosten der Missisippi. quot;Jfquot;quot;

Ten westen van deze rivier zijn zij in omvang gelijk aan de grootere Europeesche koninkrijken, sommige gelijk Dacota, Montana en Californië uitgebreider dan en Italië of Groot-Britannic, Texas of Tejas overtreft zelfs Oostenrijk-Hongarije. en r

Ten opzichte van de bevolking zijn de verhoudingen omgekeerd. De kleine M noordoostelijke Staten hebben evenals de territoriën in het steppengebied elk van 100,000 tot 400,000 inwoners. Alleen Pennsylvanië en New-York stommen overeen met Nederland, Beiëren en België, ruim 4 a 5 mill. Het opgeven van het aantal inwoners van iederen Staat heeft slechs oogenblikkelijke waarde, daar het door emigratie en immigratie telkens verandert.

4. Mexico of Mejico [mésjiko].

(35,000 □ ra., met 9| mill. inw.). -

Eene republiek, in het N. tot aan den Éio grande del norte en den mond der Gila, in het Z. tot aan de golf van Tehuantepec en Honduras, terwijl het grootste gedeelte van bet schiereiland Yucatan het oostelijkste, en het geheele schiereiland Neder-Californië het westelijkste deel uitmaakt. De heete ongezonde streek (Tiërras ealiëntes, eene zelfde soort landschap als de Koeolla van Abessynië of de Taraï langs de Himalaya), het vaderland der gele koorts, ligt langs de kusten, die, vooral aan de golf van Mejico, zandig en vlak, gemiddeld 3 mijlen breed zijn; de gematigde (T. te mp 1 adas), bijzonder aangenaam en gezond met eene altijddurende lente en weelderigen plantengroei,

ligt aan de oostelijke en westelijke helling van het hoogland en op de plateau's, ongeveer tusschen 3500' en 5000' hoogte; de hoogere koelere streek (T. frias)

beslaat | van het land en bevat bijna al de steden der terrassen'.anden. Behalve campèche- en mahagonihout, cacao, vaniclje en cochenielje bestaat de voornaamste rijkdom in goud en vooral zilver, dat uit 775 mijnen gewonnen wordt. Het mijngebied strekt zich uit van Guanajuato over Potosij^Zacatecas, Sonjbrerete, Durango en door de geheele Sierra Madre. Het gebrek aan goede wegen, de

M

M

C B Mej

drukkende uitvoerrechten en de voortdurende burgeroorlogen, gevoegd bij de on-verscliilliglieid en onkunilë^ef^t^dtemTTTbelemmereii echter :leii Ijloei van ïïïï

Joof de' natnufbijzonder gezegende, doch slechts voor een klein gedeelte be-bouwdo land.

Eertijds, lang vóór cle ontdekking van Amerika, heerschte over dit land en de verschillende stammen een verwonderlijk beschaafd volk, dat van het N.W. schijnt

290

mine ofj koni than de n N afval stctëï

'Ui

ocr page 319

^-^4 s ^ ^ -eZ./J^^yCïcC,..

■e-, V, ' /^^ ^ tTf tyk^-es-

^ '' /

MEXICO. 291

gekomen te zijn. Dit volk, de Tolteeken, verschijnt omstreeks het jaar 548 op de hoogvlakte van Anahuac, maar verdwijnt weder omstreeks het jaar 1000. Op deze volgen andere stammen en ten laatste hunne taalverwanten, de niet minder beschaafde Azteeken, die omstreeks 1335 de hoofdstad„Tenochti11 an of Mejico stichten! Aan d;T rijk maakte Cortes eeiTeinde e'iT'stichtte het Vict-koninkrijk JN i e u w - S p a n j e. Overigens worden in de Mejicaansche republiek thans nog meer dan 40 verschillende talen gesproken waarvan echter de Azteeksche de meeste verbreide is.

Naar het voorbeeld der Noord-Amerikaansche Staten vormde-_Meiico na den afval van Spanje in 1820 eene republiek van 26 vereenigde staten met een' pre-sicleht voor 4 jaren verkozen. Seïïert 1823 telt^deze stajjt echter de jajrenJ als 'tjfare bii jomwentelmo-en (tof heckn reeds 240); oolc nef Kazerrijk^aaf van ' i 1863—1867^ïestaan^ieèrt7 Icon'-^ffs' inet ^ljemilp der Fransche wapenen de rust niet herstellen; De helft van de bevolking vormen nog heden de nakomelingen der Meiicanen. welke Cortez hier in 157)!) aantrof. Een derde komt op de kleurlingen en ongeveer lè mill, op de Creolen fde in Mejico geboren blanken,rvan Spaansche afkomst). Negers zijn er slechts weinig.

esche j^^Zooals in geheel Amerika noemt men ook hier de afstammelmgén van dan en Indianen mestiezen, van blanken en negers mulatten, van Indianen

en negers z a m b o's.

Mexico of Me j ie o, op de bouwvallen van Tenochtitlan, de residentiestad, ook van liet oude keizerrijk Anahuac, in een breed dal der Andes, 7200' boven den spiegel der zee, tusschen het zoute meer Te z cue o en het zoetwater-meer Cli al co [tsjalko], eene der prachtigste steden der aarde, met breede, rechte en uitstekend verlichte straten, het palcis van den President en de van goud, zilver en diamanten overvulde hoofdkerk op de Plaza-mayor, een der grootste stadspleinen der wereld; universiteit. In de nabijheid oud-Mejicaanschepyramidenen op de meren d rij vend e bloemen- en moestuinen. Belangrijke fabrieken vooral in bijouteriën en goud- en zilverwaren. Middelpunt van den handel; 250,000 inw.-

Vera Cruz T-kroesl. (ware kruis) door een''spoorweg met Mejico verbonden. Deze loopt langs den voet van den Citlaltepetl (berg der Sterren) en stijgt op een' afstand van 18 □ niet minder dan 7000'; 14,000 inw., Tampico. aan de golf van Mejico, en Acanulca. aan den Grooten Oceaan, alle drie hoogst ongezond, zijn .

de havens der stad ALeiico of liever van het geheele land. z

La Puebla [poeévla]; de oudste Spaansche stad op het vasteland van Araerika''^ -de eerste in industrie, de tweede in bevolking, bijna 7000' hoog; 69,000 inw. '

In de nabijheid de beroemde p3-ramide van

Cholula rtsjoloelaj, eens de tweede stad van het rijk der Azteeken met 60,000 inw. en 400 tempels, thans 5000 inw.

Oajaca [-gaka], hoofdplaats van den cochenielje- en chocolade-handel, zilvermijnen, 26,000 inw.

Querétaro, eene der fraaiste en nijverste steden van het land; 48,000 inw.

Guanajuata [goeanagoato], het middelpunt van meer dan 100 rijke goud- en zilvermijnen; (34,000 inw.

San Luïs Potosi [loeie's potosie], vroeger goud-en zilvermijnen, thans vrij aan-

, zienlijke handel in manufakturen, 45,000 inw.

Matomoros, aan den Bio Grande del Norte, voor 20 jaren een klein dorp, aanzienlijke sluikhandel; 41,000 inw.

Guadalajara [agara], universiteit, zeer veel arbeid in zilver, goud en leder, 70,000 inw-

Morelia of Val lad olid, in eene moerassige hoogvlakte, maar met heerlijk klimaat; 25,000 inw.

Co lima, handelsstad aan den voet van den vulkaan Colima; 31,000 inw.

Het boschrijke doch vlakke schiereiland Yucatan stond sedert 1851 met Mejico niet meer als provincie, maar als verbonden (federatieve) Staat met eene

quot;7quot;

ocr page 320

392 AMERIKA.

eigen regeering in betrekking, doch wordt thans weder als onderdeel aangemerkt. Het bijna onbekende binnenland is bezaaid met de bouwvallen der woonplaatsen J00S eener uitgestorven talrijke bevolking, en is ten prooi aan vernielende oorlogen f ^ ^ der verschillende stammen.

Mcrida, in welker nabijheid de grootsclie bouwvalleu liggen van Uxmal (3 m. in omvang, het Amerikaansche Thebe, met overblijfselen van tempels, torens, paleizen, pynimieden, graven enz., van een' van de Azteeken verschillenden volksstam); 24,000 inw.

Campèche, de ruimste, doch onveilige haven; de stad ligt op gewelven uit den tijd der Indianen; 15,000 inw.

B. Midden-Amerika.

1. Het vaste laud.

Men kan spreken van een Midden-Amerika in geografischen en van een ander in staatkundigen zin. Het eerste strekt zich uit vnn de golf van Tehuantepec tot die van Panama en omvat dus behalve Midden-Amerika in staatkundigen zin nog een deel van Mejico en van Columbia. Tusschen 8° en 18° N.Br. treft men in den horizontalen vorm van dit gebied eene herhaalde versmalling aan. Tegenover de Campèche baai ligt de Golf van Tehuantepec ^tegenover de Baai van Honduras de Fonsecabaai en tegenover de Golf van Dariën die van Panam?i. Daardoor werd reeds door Columbus en Cortez de vraag aan cle orde gesteld : «hoe zal men ^ Amerika's oost- en westkust op den gemakkelijksten en koristen weg met elkander evenl verbinden ?quot; M

Het loont zeer zeker de moeite, als men denkt aan de massa produkten, die Ï7 men van Amerika's westkust langs dien weg naar Europa kan vervoeren, veel S i spoediger dan om kaap Hoorn en veel goedkooper dan per spoor. Drie natuurlijke wegen bieden zich voornamelijk aan voor den aanleg van een kanaal:

l0 «PoltXaJ^I)ariën—rivier Atrato—rivier San Juan—Chocobaai. 5)

/ y -Colon—landengte van Panama—Panama. door

I ^ 3quot;. Kivier San Juan—Nicaraguameer—Managuameer—Brito. S lt;

Voor den middelsten verklaarde zich eene vergadering van ingenieurs, onder voorzitterschap van Ferdinand de Lesseps. in 1875 te Parijs gehouden, overeen- 6] komstig het rapport van de Heeren Eeclus en Wyse. Het kanaal volgt dezen prov wegj van Colon naar de rivier Chagres tot de stad Matachin, vervolgens zumÏ- zich oostwaajts naar dc Rio Grande en de Bocht van Panama. De lengte bedraagt waai 7S KM., de diepte 26', de breedte aan de oppervlakte van 32—60 Meter. Volgens het plan van de L. wordt de nieuwe waterweg geen kanaal in den gewonen zin maar eene zeeëngte of //Bosporusquot;. De reis van New-York naar San Pran-cisco, die nu om kaap Hoorn 50—60 dagen duurt, zal door het kanaal tot op ruim 7. van dien tijd verkort worden.

De verbinding van Europa met Oost-Azië, China en Japan, wint door het kanaal niets in tijd, daar de weg over Suez iets korter is; het inppst znllpn ilg Amerikaansche havens er bij protiteeren.^

De 300 m. lange strook lands, die Noord- en Zuid-Amerika met elkander verbindt, bestaat uit een op zich zelf staand stelsel van breede hoogvlakten van 2000' tot 6000' hoogte, die met enkele bergketenen, wier toppen tot 12,000' reiken,

bezet en door hooge vulkanen omzoomd zijn, tot 70 in getal. Op twee plaatsen dalen die hoogteruggen tot op slcehts 280' en 800' boven den spiegel der zee. ^ Het ligt geheel in den heeten aardgordel, en bevat 6 soevereine Republieken (M. A. in staatkundigen zin)^ waar „de welvaart en de beschaving,

S'-

ocr page 321

houdende revoluties zeer acliterliik ziin • te zamen 8000 □ m. met 21quot;mill, iuw.. voor de helft Indianen, 1 mill, kleurlingen en 150,000 blanken.

Guatemala [goe-]; waar eerst in 1885 de pijnbank werd afgeschaft.

N i e u w - G u a t e m a 1 a, in 1774 aangelegd op eene 4732' liooge vlakte en door vulkanen omgeven; reeds quot;twee oudere steden van dien naam (antigua, vie ja) op kleinen afstand hiervan gelegen, zijn door vulkanische uitbarstingen en door aardbevingen vernield?^ Trots de ongunstige ligging is het de voornaamste en rijkste stad van Midden-Amerika; 45,000 inw.

2) San Salvador [-door]; de eenige dezer republieken die slechts aan één' Oceaan grenst; de kleinste staat, maar het dichtst bevolkt en in ontwikkeling en bebouwing van den grond het meest vooruit, lloofdvoortbrengsel is de beroemde Guatemala-indigo; het is het eenige land dat den zoogenaamden Peruviaanschen balsem oplevert.

San Salvadqr, voordat het in 1854 door eene aardbeving bijna geheel verwoest werd; 20,000 inw.

B) Honduras [-doe'ra], in bevolking de armste en meest achterlijke, maar in natuur de rijkste dezer staten (zilver, gond, kostbare houtsoorten en uitgestrekte weiden).

Comayagua, op eene zeer vruchtbare en gezonde vlakte; 8,000 inw.

nerkt. wtsen •logen

(3 ra. arens, enden

t den

a) Een gedeelte der bijna niet bevolkte, hoogst onge-

zonde Mosquitokust, aan de Caraïbische zee tot aan de kaap Gracias a Dios; en V) de ten N. voor de kust gelegen Baai-eilanden, waarvan B u a t a n [roe-] het grootste is.

4) Nicaragua, in vruchtbaarheid, maar ook in geringe ontwikkeling het evenbeeld van Honduras.

Managua, tegenwoordige hoofdstad; 10,000 inw.

Leon, a/h meer Nicaragua (160 □ m. groot en 128 boven de zee); 25,000 iuw.

San Juan de Nicaragua, vroeger Greytown, vrijhaven a/d Mosquito-baai en aan het begin van don weg te water over den Isthmus van Nicaragua; 6000 inw.

5) Costa-Rica, met San Salvador de meest bebouwde, en het minst door binnenlandsche oorlogen geteisterde staat; levert beste cacao en koffie.

San José, in het binnenland, met een heerlijk lenteklimaat, hoofdstad en middelpunt van den niet onbelangrijken handel; 12,000 iuw.

6) Panama of Istmo, 1485 □ ra. met 226,000 inw., eigenlijk de negende provincie der Vereenigde Eepubliek Columbia (Nieuw-Granada. zie bl. 296)t die zich tot afzonderlijken Staat verheven heeft ingevolge de bepalingen van 1855, waarbij aan alle provinciën het recht gegeven werd om zich, met toestemming van het Congres, voor soeverein te verklaren onder zekere verbintenissen jegens den moederstaat, welke echter niet te best worden nageleefd.

Panama, a/d ondiepe golf van dien naam; 18,000 inw. Sedert 1855 bereikt men in 6 uren met den spoorweg de snol in bloei toenemende handelsstad A spin wall (Colon) aan de Caraïbische zee, de verbinding der gemeenschap tusschen New-York en New-Orleans met San l'rancisco en de westelijke havens van Amerika.

Britsche Bezitting.

^De kolonie Honduras of B a 1 i z e [bellies], aan de oostelijke kust van Yucatan, zeer ongezond en door de Engelschen slechts om de oampèche- en mahagonihout, de cochenielje- en indigoteelt in bezit genomen; 635 □ ra., met 25,000 inw.

2. West-Indische Archipel.

(4440 □ m., 4| mill. inw.).

Bestaat uit 3 groepen, de bergachtige G r o o t e-, de Kleine Antilles en

Hiertoe behooren

■een- 1 ezen uid-aagt Pol-men ran-_0£

ider van een, tsen zee. :en

ocr page 322

AMERIKA.

de vlakke Ba ham a-eilanden ten N. daarvan. Bijna geheel zonder zoogdieren,

maar daarentegen met grooten rijkdom in het plantenrijk; meest alle kweekplanten /7 en vooral goede koffie en tabak worden hier gevonden, maar niet in zoo grooten £gt; ! overvloed als suikerriet (Cuba jaarlijks 10—15 mill, centenaar). — De op sommige eilanden vreedzame, op andere eilanden mensehen-etende volksstam der , Caraïben is bijna geheel uitgeroeid. Viermaal meer negers en kleurlingen dan blanken.

£ ■ a. De Baliama-(of Lucayische) eilanden.

Tussehen Florida en Haïti, ruim 500 in getal, meest vlakke kalkrotsen (264 □ m., 44,000 inw.); zij worden door koraalriffen omringd en dienden dikwijls zeeroovers (Plibustiers) tot schuilplaats, het grootste is slechts 18 Q m. groot. Britsche bezitting. San Salvador of Gat-eiland werd lang ge-houden voor het eerste door Columbus ontdekte gedeelte van het nieuwe werelddeel op 12 Oct. 1492, doch thans weet men dat dit eigenlijk het Z.O.lijker W a 11 i n g s is. —~

c - j b. De Groote Antilles.

Het uitroeien der bosschen op deze eilanden (een gevolg van het aanleggen van plantages), waardoor de vochtigheid verminderd is, en het voortdurend verbouwen van eene en dezelfde soort van plant, waardoor de grond uitgeput wordt, hebben de vroegere groote vruchtbaarheid veel doen afnemen. Over het algemeen zijn vooral de kusten in het natte jaargetijde ongezond (gele koorts) en bezocht met hevige -orkanen.

1) Cuba fkoelja] jSpaanscIi); 21G0 □ m., 150 m. lang en 1.400.000 inw.. waarvan nog ruim eeri vlefdellaven, «de Koningin der Antillesquot;, wier rijkdom Spanje eerst leerde waardeeren, toen het al zijne bezittingen op het vasteland verloren had. Suiker, tabak (165 mill, sigaren), tarwe en koffie zijn de hoofd-produkten; de veeteelt is belangrijk, het heeft na Chile de rijkste kopermijnen.

Havana of la H aba na, „de haven,quot; hoofdstad, aan do N.W.lijkste punt, uitstekend gelegen, met eene voortreflelijke haven (voor 1000 schepen), tegelijk eene hoofdvesting met 8 forten; bloeiende handels- en fabrieksstad (sigaren, chocolade). In 1794 werd het gebeente van Columbus van Santo Domingo hierheen gebracht. Met de voorsteden 230,000 inw.

Matanzas, de tweede handelsstad der N.W.kust; 36,000 inw.

Cardenas, iets oostelijker, door de Amerikanen aangelegde bloeiende havenstad; 15,000 inw.

Puerto Principe, iu het land, met vele sigarenfabrieken, dooreen' spoorweg verbonden met de havenstad Nuevitas; 50,000 inw.

Santiago de Cuba, versterkte havenstad a/d Z.kust, uitvoer van koffie en koper; 37,000 inw. , ___^ ^ ^ ■

2) Jaffiaica (Britsch), 197 □ m,, ruim 560,000 inw., slechts 13,000 blanken. De slavernij der negers is hier sedert 1834, even als in alle Britsche koloniën, afgeschaft; de vorige bloei is echter nog niet teruggekeerd.

Kingston, vesting, met herlevenden handel; 38,000 inw.

Spanish Jown ofjiantiago de la Vega.

3) HaïtiTTvaarranhet bergachtige oostelijke en grootste deel tot 1861 eene mulatten-republiek was en Santo Domingo [-miengo] heet; aet kleinere westelijke gedeelte is eene neger-republiek, en was van 1803—1857 sen keizerrijk. De blanke bewoners werden bijna allen ten tijde der Fransche omwenteling van 1192 vermoyd, (j 4 r cSC»

(ié'reputïïeirTP'a ï t i, 480 □ m., 572,000 inw., voorheen het Fransche gedeelte van het eiland :

294

ocr page 323

WEST-INDISCHE ARCHIPEL. 295

Port Rcpiiblicain (vroeger, vóór het verdrijven van keizer Faustin I, Port

* au l'nnce), hoofdstad; 27,000 inw.

0 S a n t o Domingo, S38 □ m., met slechts 350,000 inw. In 1861 ver-klaarcle het zich op nieuw met het Spaansohe moederland te willen vereenigen, . doch is in 1864 wegens den onrustigen toestand weder aan zich zeiven overgelaten. Onlangs heeft quot;men^goud in aanzienlijke hoeveelheid en in het Z. zulke rijke kopermijnen ontdekt en ontgonnen, dat die van Cuba daarbij niet te vergelijken zouden zijn.

Sjyito Domingo; eens de hoofdstad van liet geheele eiland; fraai gebouwd.

14) 4) Puerto Rico TSpaansch). bijna 170 □ m., 660,000 inw., het gezondste en bloeiendsti~ëiIand der Groote Antilles. Suiker, tabak, veeteelt en handel.

S an J u a n . vesting op eeu eilandje aan de noordkust, door eene brug met het hoofdeiland verbonden; 18,000 inw.

c. De kleine Antilles.

St. Thomas en St. John, Deensch. St. Thomas is het centrum der mail-diensten; in 1871 zwaar geteisterd door een orkaan; 15,000 inw.

St. Croix, 33,000 inw., Deensch. Met eenige naburige eilandjes voeren deze ook de namen van Virginische eilanden. Verscheiden Broedergemeenten en zcndelingsposten met 6000 bekeerde negers.

Barthélémy, 3000 inw., Zweedsch, met de stad G u s t a v i a.

St. Martin. i Nederlandsch (ruim ^ □ m. met 3000 inw.) en § Fransch, 3000 inw., Saba. J D m., met 1800 inw., Nederlandsch, evenals St. EnstatiusT h □ m., 3000 inw.; onbelangrijke landbouw; op St. Martin tevens zoutwinning.

Antigua, 30,000 inw., Barbuda, 5000 inw,, St. Christopli of St. Kitts, 34,000 inw., en Nevis, 13,000 inw., met de stad C h a r 1 e s t o w n , Britsch.

Guadeloupe, 30 □ m., 113,000 inw., Désirade en Marie Galante, 13,000 inw., Fransch. Het eerste is een door een' smallen zeearm vaneengescheiden dubbel-eiland met een' nog rookenden vulkaan.

Dominica, 37,000 inw., Britsch.

Martinique, 153,000 inw., Fransch; sterk bevolkt en goed bebouwd. Van twee door de Franschen in 1737 op Martinique geplante koflieboompjes stammen, zoo men zegt, alle Amerikaansche koffieboomen af.

Sta Lucia, 33,000 inw., St. Vincent, 36,000 inw., de Grenadillen en Grenada, 38,000 inw., Britsch.

Barbados, 163,000 inw., buiten de rij iets oostelijker, bloeiend en geheel bebouwd, Tabago, 17,000 inw., en Trinidad [-daad'], Britsch. Het laatste, 83 □ m. groot, met 110,000 inw., is het grootste eiland der Kleine Antilies, en bevat een merkwaardig meer van aardpek van i uur in middellijn. Suiker en cacao.

Port of Spain, hoofdstad; 19,000 inw.

Curacao (10 D m., 34,000 inw.), in het midden tusschen Aruba, 4300 inw., Bonaire, 3800 inw., Klein Cura9ao en de Aves-(,/Voger')-eilanden, Nederlandsch. Op het eerste, eene dorre, waterlooze rots, waaraan alleen door noeste vlijt eenige weinige tropische voortbrengselen worden afgedwongen, ligt aan de zuidkust:

quot;Willemstad, de zindelijke hoofdstad en vrijhaven , met het fort A in s t e r d a m, waardoor de prachtige haven Santa Barbara verdedigd word; 8000 inw.

Andere eilanden (Margariia, enz.), die in de nabijheid der Z, Amerikaansche kust liggen, behooren bij Venezuela. Dezen voeren te zamen met Curasao en Trinidad den naam van //eilanden onder den windquot;, terwijl de eilanden, die tusschen

ocr page 324

AMERIKA.

deze en de Virginische eilanden gelegen zijn, weilanden boven of in den windquot; genoemd worden, omdat de oostpassaatwind deze vroeger bereikt dan die meer zuidwestelijk gelegen eilanden.

C. Zuid-Amerika.

Dit bevat 9 republieken: de Vereenigde Staten van Columbia, Venezuela, Ecuador [ekoeadoor] (welke drie tot 1831 de republiek Columbia vormden), Peru [peroe], Bolivia, Chile, Paraguay, de Argemijnsche republiek en Uruguay, vervolgens het keizerrijk Brazilië en het kolonieland Guyana.

1. Vereenigde Staten van Columbia, vroeger Nieuw-Granada.

(Zonder Panama, zie blz. 293, 13,600 □ m., 2| mill, inw., waarvan de helft blanken).

Van den aequator tot aan de Caraïbisehe zee, en van de Cassiquiare tot aan den (irooien Oceaan; derhalve de eenige Z. Amerikaansche staat, die door twee Oceanen bespoeld wordt. Tabak, koffie, indigo, katoen worden gekweekt; ook levert het land kinabast en kaoetschoek op. Sedert 1858 is deze republiek in 9 staten gesplitst, die in 1861 den naam van Vereenigde Staten van Columbia aangenomen hebben.

Santa Fe de Bogota, de hoofdstad dezer vereenigde staten, ligt op de 8000' hooge vlakte en bezit eene universiteit; 52,000 inw.

P o p a y a n, het middelpunt voor de zuidelijke hoogvlakten.

Cartagena (de los Indios), eene der fraaiste steden van Amerika, op een schiereiland aan de Caraïbisehe zee, met eene voormaals sterke haven; nog belangrijk door zeehandel en paarlvisseherij, ofschoon half in ruïnen verscholen; 8000 inw.

2. De Republiek Venezuéla.

(19,000 □ m., ruim 1| mill. inw.).

Bevat de streek aan de N.O.lijke kust met de beide oevers van de Orinoco; slechts j der bevolking zijn blanken, -j van gemengd bloed; van de Indianen behoort het grootste deel tot de Caraïben; aan de Boven-Orinoco leven de aard-etende Ottomaken. Slavenhandel is verboden, de kinderen der nog aanwezige slaven zijn op hun 18de jaar vrij. Eijke oogsten van tabak, cacao, indigo en koffie (Venezuela levert de meeste koffie na Brazilië, Java en Ceylon), maar stremming van alle bronnen van welvaart door voortdurende binnenlandsche onlusten. (Federalisten en unitarissen).

Maracaïbo, a/d mond van het zoetwatermeer van denzelfden naam, enkele Indianen leven hier nog op paalwoningen; 20,000 inw.

Caracas, hoofdstad, met eene universiteit; in een 2772' hoog en lieflijk dal; 50,000 inw.; 3 m. van hare havenstad la Guayra [goeajra].

Porto Cabello en de laatstgenoemde zijn de uitvoerhavens van het land.

C u m a n a, tegenover het welhebouwde eiland Margarita, veel handel in cacao; 8000 inw.

C i u d a d [cioeda] Bolivar, vroeger Angostura, gewichtige handelsstad aan de Orinoco.

V arinas, ook in het binnenland, beroemd door zijne tabak; 12,000 inw.

3. De Republiek Ecuador.

(11,700 □ m., ruim 1 mill. inw.).

Het „land van den aequator,quot; met de hoogvlakte van Quito [kitol,

296

ocr page 325

ECUADOR. — PERU.

weinig bloeiend door de ongeloofelijke luiheid der bewoners. De handel kan zich echter niet ontwikkelen door de ongenaakbaarheid der plateau's.

Quito, op 14 minuten Z.br., maar door de booge ligging (8800') in eene altijddurende lente, aan den voet van de 15,000' Imogen vulkaan Pichincha [piet-sjientsja] , met het gezicht op do vulkanen Antisana en Cotopaxi [-paggi] e.i op den Chimborazo [tjsiemborassol; universiteit. In 1859 werden stad^ en omstreken door eene aardbeving grootencfeels verwoest; 80,000 inw.

Guayaquil [^oeajakoeT] aan de gelijknamige golf, is de hoofdstad van Quito. Do weg tusschen die twee steden loopt 12600' hoog langs den voet van den Chimborazo, en men heeft soms een maand noodlg om hem af te leggen. Uitvoer van cacao, zoogenaamde panamahoeden , tabak, koffie, kina (jaarlijks 1000 centenaars) ; de kina groeit op do oostzijde der Andes eu wordt door kinajagers „Cascarillerosquot; naar de havens gebracht; 24,000 inw.

Cu en pa, 8000' hoog; in de nabijheid wordt de beste kina gevonden; 20,000 inw.

Hiertoe behooren ook de vulkanische , onbewoonde G a 1 a p a g o s - („s c h i 1 d-p a d d e nquot;-) eilanden, in den Grooten Oceaan.

4. De Republiek Perü [peroe].

(237000 □ m.. 3| mill. inw.).

Van de Amazonenrivier tot 19° Z.B., bijna voor de helft uit hoog en ertsrijk Alpenland bestaande, ten W. waarvan eene dorre kuststreek, ten O. uitgestrekte vruchtbare vochtige en ongezonde vlakten. Het dorre kustland is nochtans dichter bevolkt dan het binnenland. Eens was hier het bloeiende en zeer beschaafde rijk der uitstekende Inca's (//kinderen der zonquot;), dat door Manco Capak in de 11de eeuw gesticht en in 1525 door Pizarro voor de kroon van Spanje veroverd werd, maar tot 2° N.Br. reikte en waartoe ook een gedeelte van Chile behoorde.

Het land heeft vele hulpbronnen, maar de ellendige politieke toestand belemmert de ontwikkeling van handel, welvaart en beschaving. De opbrengst van de rijke guanolagcn wordt sedert jaren verkwist. Eerst in den laatsten tijd heeft men ze ter beschikking van de vreemdelingen gesteld, die den handel in banden hebben, om er spoorwegen voor aan te leggen. Dezen hebben echter behoefte aan personen en goederen, en daarom moesten er landverhuizers heen trekken. Behalve guano, vindt men er ook al door de regenloosheid dikke salpeterlagen. (Peru's kust is regenloos, omdat 1°. de zuidoostpassaat zijn' waterdamp verliest op de oostzijde der Andes en 2°. omdat langs de kust van zuid naar noord de koude Peruaansche of Alexander von liumboldtstroom strijkt. De lucht boven dien stroom is zwaarder dan die op lage r breedte; zij stroomt dus noordwaarts, wordt verwarmd en kan geen vocht aanbrengen. Regende het in die streken dan zou de ammonia van de guano worden opgelost. Om te drinken behelpt men zich met gedistilleerd zeewater.)

Lima, de tegenwoordige hoofdstad, slechts 2 uren van zee, met de oudste, thans bijna opgeheven universiteit vau Amerika, 56 kerken en de schoone Plaza major, het middelpunt van het leven en van den handel; 100,000 inw., waaronder slechts i deel blanken. Hare haven is

C a 11 a o [kaljaoj; 34,000 inw.

Arequipa [-kipa[, 8 m. van zee en 7800'hoog gelegen, na Lima de gewichtigste stad eu handelsplaats der Republiek, met een aantal havenplaatsen langs deze kusten zeer geteisterd door de aardbevingen van 1869 cn 1877, zij is door een' spoorweg (14000' boven de oppervlakte der zee) verbonden met Puno aan het Titieacameer en met Islay aan zee; 10,000 inw.

Cuzco, de voormalige residentie der Inca's, waar nog talrijke trotsche overblijfselen (zonnetempel, paleis der Inca's), de grootheid van Oud-Perü verkondigen, thans bewoond door nijvere Indianen, de derde stad van Perü. Van hier liep over

297

ocr page 326

AMERIKA.

de Cordilleras naar Quito een der hoofdwegen van hun rijk, gemiddeld op 12,000' hoogte, een meesterstuk van bouwkunst, 18,000 inw.

C e r r o de P a s c o, 13,100' hoog in het gebergte, met ruw klimaat en ruwe zeden, doch de gewichtigste mijnstad door do overrijke zilvermijnen; 14,000 inw. Van hier loopt over de Andes naar de verschillende zilvermijnen de hoogste spoorweg der aarde, ruim 14,000' hoog.

Aan Peru behooren ook de kleine, door Spanje betwiste, aan guano zoo rijke Lobos- en C li i n c h a-[tsjientsja]eilandeu aan de kust, op 13° Z.B.

5. De Eepubliek Bolivia.

(25,000 □ m., ongeveer 2 mill. inw.).

Dit hoogste en bergachtigste land van geheel Amerika ligt ten Z.O. van Peru, strekt zich uit van het meer Titicaca tot aan de Paraguay [.goeaaj], en is sedert den met Peril tegen Chile ongelukkig gevoerden oorlog geheel een binnenstaat geworden. De oorlog werd gevoerd om het bezit der saipetermijnen tusschen 23° en 24° Z.B. en om de zilvermijnen van Caracoles. In 1825 verklaarde zich dit land onafhankelijk en nam, ter eere van zijn' bevrijder Bolivar, den naam van Bolivia aan. De hoogvlakte, die het grootste deel vau het land beslaat, is aan weerszijden door bergketens ingesloten; het water, dat van de bergen afvloeit, kan dus geen uitweg naar zee of naar de oostelijke vlakten vinden. Zoo worden er groote poelen gevormd en de salpeter door het water opgelost, blijft na verdamping daarvan achter. Zonder de mineralen zou het land geheel onbewoond zijn.

La Paz [paas], 11,500' hoog, hoofdstad nabij het ïiticaca-meer, sedert bijna eene eeuw het brandpunt van omwentelingen; hoewel zij met het meer ï:.tioa en verder per spoor met Islay is verbonden en dus tot bloei kan komen, zijn de inwoners te lui. In de nabijheid merkwaardige monumenten der oude Peruanen, 70,000 inw.

Cochabamba [kotsjavamba], 7900' hoog; 40,000 inw.

Chuquisaea [tsoeki-] (vroeger Char ca s en ook Sucre); 9,900' hoog, met zilvermijnen in de nabijheid; 24,000 inw.

Potosi, achteruitgegaan door de onafhankelijkheids- en bnrger-oorlogen, en door de mindere opbrengst der beroemde zilvermijnen. Het ligt 12,461' boven de zee, in een ruw, veranderlijk klimaat en eene onvruchtbare bergstreek; 23,000 inw., vroeger 235,000.

6. De Eepubliek Chile [tsjile].

(6000 □ m., ruim 2 mill. inw.).

Een smal kustland, 20—40 m. breed, dat zich van Amerika's zuidpunt tot (sedert 1881) 19° Z.B. uitstrekt. Deze staat is na de vrijheidsoorlogen sterk vooruitgegaan in ontwikkeling, maatschappelijke instellingen en rijkdom, want de rust werd in het binnenland niet gestoord.

Geografisch is het land te verdeelen in 2 deelen:

a. een zuidelijk vruchtbaar deel tot 28° Z.B. tusschen de Andes en een laag kustgebergte, waar talrijke rivieren het land besproeien, de kust rijk aan havens en het klimaat zeer zacht is; waar koper, goud, zilver en zwavel overvloedig gevonden worden en met tarwe de voornaamste artikelen van uitvoer zijn.

b. een noordelijk deel van 28°—19° Z.B. regenloos, onvruchtbaar, onbewoond van de woestijn Atacama af. Intusschen komt hier leven door den bergbonw in de streken, die in den oorlog tegen Peru en Bolivia zijn veroverd. (Zilver, salpeter en borax.)

De rijkdom van het land lokte vele landverhuizers aan, die voornamelijk in het zuiden zijn gevestigd (waarom?). De bevolking behoort overigens geheel tot de nakomelingen der Spanjaarden en pas geëmigreerde Europeanen.

298

ocr page 327

DE ZUID-AMER1KAANSCHE KEPUBLIEKEN.

Het dappere volk der Araucaners in het Z.lijk gedeelte (400,000 in getal) heeft zijne onafhankelijkheid bewaard.

Santiago, fraaie welvarende stad mot aanzienlijke openbare gebouwen, universiteit en sterrewaclit; 156,000 inw.

Valparaiso, „dal van het Paradijs,quot; niet om de bekoorlijke streek, maa.quot; voor hen die den moeilijken tocht om kaap Hoorn gemaakt hebben, de gewichtigste handelsstad van Chile, hoofdstation voor de stoomvaart op Panama. De stad heeft het gezicht op den Aconcalma; 70,000 inw.

Huaseo, havenstad, en Al to in het binnenland, in eene kortelings nog geheel onbewoonde streek; kopermijnen; 10,000 inw.

V a 1 d i v i a, havenstad in het land der Araucaners; hier wonen vele Duitschers,

Aan de zuidspits ligt de archipel van Chiloë, 3000 eilanden, meest klippen met rijke lagen guano; het grootste, Chiloë, 300 □ m. groot.

Ingevolge eene overeenkomst met Argentina behoort de zuidwestrand Patagonie en het westelijk deel van Vuurland tot Chile.

7. De Argent ij nsche Kepubliek.

Deze republiek omvat de lauden aan de oostelijke helling der Cordilleras de daarvoor gelegen berglanden, het grootste deel van het stroomgebied la Plata-rivier met haar' geheelen middelloop (de Parana) en den benedenloop. De oostelijke grenzen worden gevormd door een klein deel van de Paraguay, de Uruguay en den Atlantischen Oceaan. Sedert 1816, niet lang nadat Buenos Ayres zich van de Spaansche heerschappij had vrijgestreden, is dit land ten prooi aan onlusten, vooral met de machtigste provincie Buenos Ayres, die zich in 1853 tot eene afzonderlijke republiek verklaarde, maar in 1859 zich weder met de 13 overige Staten vereenigd heeft. Aan de rivieren vooral is het hoogst vruchtbaar; in het Z. voeden de Pampa's millioenen runderen en paarden, den hoofdrijkdom van het land, althans in het oosten, want een aantal rivieren verliest zich in het westen in zoutrijke steppen of in uitgestrekte moerassen. Het voornaamste bestanddeel der bevolking vormen de Gauchos [gaotsjoos], afstammelingen van Spanjaarden en inboorlingen, ruwe lieden, doch uitmuntende veehoeders te paard, gekleed in hunne gekleurde Poncho en gewapend met Lazzo en Bolas. In het N.O. van dezen Staat ligt het distrikt Gran Chaco, (groot jachtgebied) met de Llano's de Manso 6666 □ m., met ongeveer 100,000 vrije Indianen. Door de landverhuizers, voornamelijk Italianen en Spanjaarden, is het land sterk vooruitgegaan. Hun aantal bedroeg in 10 jaar niet minder dan 50,000. De regeering rekent geheel oostelijk Patagonië tot haar gebied (zie bij Chile).

De voornaamste steden in de evenzoo genoemde staten zijn:

Buenos Ayres, [boeénos a-airesl („goede luchtquot;), 35 m. van den mond der La Plata-rivier; die hier 8 m. breedte, maar zeer weiniquot; diepte heeft (eb en vloed treffen hier altijd samen); voormalige hoofdstad eu zetel der regeering, voert allerlei Z. Amerikaansche produkten en in het bijzonder huiden van runderen en paarden uit, vooral van de uitgestrekte Pampa's; 200,000 inw., waaronder de helft vreemden, en waarvan in 1881 een derde door de gele koorts werd weggesleept. De nieuwe hoofdstad heet L a Plata en ligt weinige mijlen oostelijker aan de La Plata-monding.

K o s a r i o, a/d Parana, de tweede stad, zeer in bloei toenemend, begin van den hoofdspoorweg, westwaarts naar Mendoza (later misschien naar den Grooten Oceaan door te trekken, noordw. naar Tucuman); 28,000 inw.

Santa Fé, a/d Kio Salado; 10,000 inw.

Corriéntes, beneden de uitwatering van de Paraguay in de Parana, 10,000 inw.

Salta, in een fraai bergachtig landschap; 12,000 inw.

ïucuman, in eene heerlijke oase te middeu van zoutrijke steppen; 17,000 inw.

C a t a in a r c a, te midden van katoenvelden en in de nabijheid van rijke kopermijnen; 12,000 inw.

San Juan [goean] de la Frontéra, in het N.quot;Wquot;., eene provincie die rijk is aan goud- en zilvermijnen; 20,000 inw.

399

van

met der

ocr page 328

AMERIKA.

M c n d o z a [-dossa], aan den voet der Andes, in een heerlijk klimaat en eene vruchtbare en welbebouwde streek, de koornselmur eu vruehtentuin der republiek ; levendig door den handel over de bergpassen naar Chile, 15,000 inw.

Córdoba, de zetel eener oude universiteit, met oude fraaie hoofdkerk, ten tijde der Jezuïeten eene gewichtige plaats; goud-, koper- en loodmijnen; 28,000 inw.

8. De Republiek Paraguay.

(4300 □ m., 300,000 inw.)

Een tamelijk vlak, bijzonder vruchtbaar weiden- en boschrijk land, gelegen in de bocht van de statige Parana en de Paraguay. De Indianenstam derGunrani, die (sinds 1608) door Jeznïeten-zendelingen meerendeels bekeerd is, maakt het grootste gedeelte der bevolking uit. Het land werd in 1811 onafhankelijk en bleef gedurende de diktatunr van Dr. Francia (1816—1840) en van Lopez, vader en zoon, voor alle vreemdelingen gesloten; in 1858 is echter de vaart op de Paraguay voor de schepen van alle volken opengesteld. Een belangrijk handelsartikel is de Paraguay-thee of mate. De laatste hardnekkige oorlog met Brazilië en de overige naburen deed de bevolking buitengemeen sterk dalen en de grenzen inkrimpen, vooral ten bate van de Argentijnsche Eepubliek. Sedert is het gebied weer uitgebreid en de bevolking in aantal toegenomen.

Asuncion of Assumption, hoofdstad aan de Paraguay, tegenover den mond van de Pilcomayo, 20,000 inw.

9. De Republiek Uruguay [oeroegoeaaj].

(3400 □ m., 340,000 inw.).

Een soort van schiereiland, dat aan twee zijden door de zee en aan de derde door de bevaarbare Uruguay bespoeld wordt en daardoor zeer toegankelijk is voor de scheepvaart. Het klimaat is als dat van Zuid-Europa, maar vochtig. De vele campo's maken het land geschikt voor veeteelt. De inheemsehe bevolking bestaat uit Gauehos; geen enkele Indiaan wordt meer in deze republiek gevonden. Akkerbouw en handel, vooral in huiden, wol en vleesch, wordt in dit veelbelovende land door Duitsehers, Engelschen en Pranschen gedreven.

Montevideo, de sterke hoofd- en handelsstad, hoewel met ondiepe haven; 102,000 inw.

Pray Bentos, uitvoer van vleesehextrakt.

10. Het Keizerrijk Brazilië.

(151,400 □ m., bijna 1000 m. kust, ruim 11 mill. inw.).

De monarchale regeeringsvorm heeft dit schoonste land der wereld voor de omwentelingen der naburige staten bewaard en een' meer gelijkmatigen voortgang van beschaving doen genieten. Het kwam volgens het recht van ontdekking door den Portugees Cabral in 1500 aan Portugal. In het eerst werd er weinig werk van gemaakt, maar door de ontdekking van goud- en diamantmijnen in Minas Geraes kreeg het groote beteekenis, toch maken niet dezen maar wel de opbrengst der koffieplantages in het zuiden Br. grootsten rijkdom uit. Eerst met de komst der koninklijke Familie in 1807 en met de afscheiding van Portugal in 1831 begint het tijdperk van bloei. Het is verdeeld in 20 Provinciën, waarvan er niet minder dan 16 aan zee liggen. In het N. beslaan de oorspronkelijke, onbegane wouden der Amazonen-rivier nog bijna eene ruimte van 70,000 □ m. Landbouw is een voornaam middel van bestaan, niettegenstaande slechts Ver gedeelte van het rijk ontgonnen is; de veeteelt wordt op uitgebreide schaal in de zuidelijke grasvlakten gedreven; ook gaan hier aanplant van mais en varkensteelt samen. De vaart op de Amazonenrivier werd wel reeds voor alle volken geopend, maar beteekent nog weinig. De voornaamste produkten zijn koffie, suiker, katoen , rijst en verfhout (brazielhout, van braza ,/gloeiende koolquot;); goud en diamanten

300

ocr page 329

BKAZ1LIË.

in rijke hoeveelheid aan de bronnen der rivieren San Franeisco, Araguay (linker zijrivieren van de Tocantins) en Paraguay; ook platina. Brazilië levert de helft van de geheele koffieproduktie der aarde: van de 1100 mill. KG. ruim 500 mill.; van de plantages zijn er enkele in handen van Dnitsehers; zij liggen in het gebied van den voehtigen Z.O.passaat; dier haven van uitvoer is Porto Alegre. Artikelen van industrie worden uit Engeland, Frankrijk, N. Amerika en Duitsch-land ingevoerd.

De bevolking bestaat 1) voor het grootste deel uit gemengde rassen; 2) uit Indianen, die meest nog vrij leven, maar voor de beschaving steeds verder in de bosschen terugwijken, zcoals de Botoeuden (met doorboorde lippen, neuzen en ooren), 3) uit negers, wier afstammelingen sedert 1S73 zijn vrij verklaard, en 4) uit blanken, voornamelijk Portugeezen, nauwlijks ^ der gansehe bevolking, en vrij wat Dnitsehers, in het Z. in min of meer bloeiende koloniën gevestigd.

De belangrijkste steden langs de kust zijn, van Z. tot N.;

Rio de Janeiro [rioe de dzjaueiroe] („Januari-rivierquot; op een „Nieuwjaarsdagquot; ontdekt; de haven is zoo ruim, 11 □ ra. en met zooveel eilandjes bezet, dat men meende den mond eener „rivierquot; voor zich te hebben), bijna onder den Steenbokskeerkring, hoofdstad en residentie, de eerste handelsstad des rijks en de eerste stad vau Z. Amerika, mot eene vrij goede hoogeschool. Vooral ten N.W. dezer stad bij P e t, r o p o 1 i s, het hoog gelegen zomerverblijf (Jan.—Mei) van het hof en der grootcn, vestigden zich veel Duitsohers, die vruchtbare oorden in ontginning brachten; 275,000 inw.

B a h i a, voluit Ciudad de Sau [sang] Salvador de Bahia de todos os Santos, d. i. „stad van den Heiligen Verlosser aan de Allerheiligenbaaiquot;; tweede handelsstad des rijks; 129,000 inw.

Pcrnambuco, met de handelsstad Recife en het daaraaugrenzende O 1 i n d a 117,000 inw., groote handel en uitvoer vau liet beste brazielhout; derde handelsstad des rijks.

Natal, a/d mond van de gelijknamige rivier; 20,000 inw.

Ceara; 1(5,000 iuw.

Sao L u i z de M a r a n h o n, vrij gewichtige handelsstad op liet goed bebouwde eiland Maranhou. Dit is geen delta, maar ecu stuk lands van de kust losgescheurd.

Para of (Santa Maria de) Bel cm, aan de I5 m. breede Para, in cene gunstige ligging, doch stil en met weinig handel; 35,000 iuw.

In het binnenland :

SaoPaulo, in het Z., 7 m. van de kust; levendige fabrieksstad, met dc beste hoogeschool van het rijk; spoorwegverbinding met de hoofdstad; 25,000 inw.

Villa Rica, ook (Ciuda Imperial de) Ouro Preto [oiroe pretoe], 40 m. ten N.W. van Rio Janeiro, nan den voet van den Itacolumi, is de hoofdstad van het diamanten- en goud-distrikt, namelijk der provincie Mi nas Geraes [minaas zjeras], die grooter is dan Duitschland; 20,000 inw. Maniios is de grootste stad aan dc Amazonenrivier, in een omtrek van 70,000 Qj in. en zij telt 8000 inw. Er is dus in Brazilië nog wel wat te doen.

In de laatste 30 jaren zijn in het liooge binnenland, niet ver van de kust of van bevaarbare rivieren, vele koloniën aangelegd, waarvan echter de minsten tot bloei geraakten.

11. Guyana.

(8400 □ m., 350,000 inw.).

Ligt ongeveer tusschen de monden van de Orinoco en Maranhon, maar bevat slechts de oostelijke helft van het hoogland van Gnyana, buitengemeen vruchtbaar in de zeer lage kuststreken dichte wouden bedekken het hooge binnenland, dat bewoond wordt door Caraïben en Marron-negers (weggeloopen negers). Ontzaglijke regens en overstroomingen maken het klimaat in bet natte jaargetijde minder gezond. — Het kustland is in het bezit der Europeanen.

301

ocr page 330

AMERIKA.

a. Iquot; r a n s c h Guyana.

(2300 □ m,, 31,000 inw.)

Tusschen de Marowyne en de Oyapoc. Sleclits ongeveer 7-^,- van het land is bebouwd.

Cayenne, versterkte hoofdstad, op oen eilandje bij de kust aan den mond der-gelijknamige rivier, hoogst ongezond gelegen; ballingsoord voor staatkundige veroordeelden ; 8000 inw.

h. Nederlandseli Guyana.

(2100 □ m., 60,000 inw.)

Het gebied der Saramacea en der Suriname, tusschen de Corentijn, Mar on ie en Marowyne, met dichte wouden en savannes bezet, alleen aan de oevers der rivieren eenige bebouwde grond (plantages), die echter ten gevolge van de afschaffing der slavernij en tijdelijk gebrek aan arbeidskrachten grootendeels verlaten of in kwijnenden toestand zijn. Het ontdekken van goud in het hoogere binnenland heeft de kolonie eenigszins uit haar verval opgebeurd.

Paramaribo (d, i. bloementuin), aan de breede Suriname, 3 uren boven den mond, cene fraai aangelegde stad; voor 100 jaren ecne der bloeiendste handelssteden van Z. Amerika; 22,000 inw.

c. B r i t s c h Guyana.

(4000 □ m., 340,000 inw.)

Het grootste gebied. Van den mond van de Orinoco tot de Corentijn; het gebied van de Essequibo. Hier groeit de Victorio regia, door Sshomburgk gevonden.

Georgetown (vroeger Stabroek) of Demerarj [demmereri], goede haven aan den mond van de Demerary; 87,000 inw.

Nieuw-Amsterdam, aan den mond van de Berbice; 5000 inw.

12. Het voormalige Vrije Zuid-Amerika, onder Argentina en Chili verdeeld.

1) Patagonië.

(40 maal grooter dan Nederland, nauwlijks ^ der bevolking van Amsterdam.)

Naar de veelvuldig gekloofde en met tallooze eilanden omzoomde westkust dalen de Andes steil af, terwijl in het O. de vlakten van Argentina zich als boomlooze uitgestrekte rotsige zandvlakten voortzetten. Het klimaat is, hoewel het land in den gematigden aardgordel ligt, zelfs in den zomer ruw en mistig, en in den winter zoo aanhoudend streng en stormachtig, als het nauwlijks ergens in het noordelijk halfrond is. Men merke op, dat ten noorden van 38° Z. B. de westkust regenloos is, de oostkust daarentegen veel regen heeft. Ten zuiden van dien breedtegraad, zijn de verhoudingen geheel omgekeerd. (Wat is daarvan de reden? zie bl. 57 en fiO).

De bewoners zijn woeste krachtige te paard rijdende jagers, die men door de overdreven berichten van reizigers lang voor een reuzengeslacht gehouden heeft.

2) Vuurland, Tiërra del Fuëgo.

De onherbergzame archipel aan de zuidelijke spits van het werelddeel. vol rotsige sneeuwtoppen en gletschers, en van Patagonië gescheiden door de 80 m. lange en I—6 m, breede Magalhaes-straat, bewoond door de Pesjera's, een bijzonder ruw en stompzinnig, nauwlijks 5 voet hoog nomadisch menschenras.

Ten N.O. van Vuurland liggen de Malouïnes of P alk lands-eilanden, naakt en ruw, maar met veilige havens, bewoond door veehoeders, en aan de kusten rijk aan zeevogels, zeeleeuwen en zeehonden. Walvisch- en robbenvangers landen hier om te proviandeeren. In 1835 is de Britsche vlag Hop nieuwquot; hier geplant; in 1871 was het getal inwoners 811.

302

ocr page 331

AUSTRALIË EN DE EILANDEN IN DEN GROOTEN OCEAAN.

(162,700 □ m., 4f mill. inw.).

Een werelddeel dat uit een zoogenaamd vastland en tallooze eilanden bestaat, het kleinste in vlakte-inhoud, doch geenzins in uitgebreidheid. Het ligt in het midden van het waterrijkste halfrond, gelijk Europa, de tegenvoeter, in het midden van liet landrijkste (eontinentale) halfrond; (Spanje en Nieuw-Zeeland zijn eikaars antipoden). Hoewel, blijkens de getuigenis der gesteenten en fossiele overblijfselen, dit vasteland het oudste is, dat is, van allen het eerst tot zijn' tegenwoordigen toestand gevormd werd, zoo werd het echter het laatst bekend. De Hollandsehe zeevaarders, die het noordwestelijk gedeelte van dit vastland in het begin der 17de eeuw ontdekten, geloofden met die kusten een deel van het groote «onbekende Zuydtlandtquot; of terra Australis, gevonden te hebben, dat men zich voorstelde de zuidelijkste deelen van den aardbol te beslaan; daar zij echter in een woest gedeelte aanlandden, drongen zij het land niet verder binnen. Na de ontdekkingen van Abel Tasman heette het Compagnies Nieu-Nederlandt. Later (1770) noemde de eerste grondige onderzoeker Cook de oostkust South Wales. De strekking van Afrika en Zuid-Amerika zoo ver naar het zuiden maakt den afstand van Europa naar Australië, die toch reeds groot is, nog grooter.

Onder Australië heeft men het volgende te verstaan:

1°. Nieuw-Holland met Nieuw-Guinea door de Torrestraat en met Tasmanië door de Bassstraat er van gescheiden.

2°. Nieuw-Zeeland (zoo groot als Italië en Sicilië.)

3°. Polynesië of Oceanië, zijnde al die eilanden, welke gelegen zijn tusschen de keerkringen en tusschen 134° O.L. en 109° W.L. van Greenwich, (van de Peleweilanden—Paascheiland is 1700 m.).

Naar de ligging verdeelt men ze in 1°. Een binnengordel, die van Nieuw-Guinea—Nieuw-Zeeland het vasteland omsluit; 2°. Een buitengordel, in N.W.—Z.O. richting van den eersten gelegen en 3°. verstrooide eilanden. De binnengordel heet, met uitzondering van Nieuw-Zeeland, naar de bevolking Melanesië (Papoea's); ten oosten daarvan ligt Polynesië (Maleiers, ook op Nieuw-Zeeland); Micronesië (de kleine eilanden) wordt door eene gemengde bevolking bewoond, die in het oosten meer met de Maleiërs, in het westen meer met de Papoea's overeenstemt.

Ofschoon men gewoon is dit vasteland en de eilanden te zamen als één geheel te beschouwen, vertoont zich echter tusschen die beiden een groot onderscheid. Vooreerst in de vorming: de eilanden zijn door koraaldieren opgebouwd of van v ulkanischen, dus van veel jongeren oorsprong. Ten andere in het plantenen dierenrijk: de eilanden, behalve die, welke dicht bij het vasteland liggende beider overgang uitmaken, hebben in dat opzicht meer overeenkomst met de Indische eilanden. Hetzelfde verschil vertoont zich in de bevolking. Want de bewoners van het vasteland en van den kring der eilanden die het omgeeft, de Australiërs (beter Papoea's) zijn nagenoeg zwart en buitengewoon mager van armen en beenen, hebben platte gezichten, breeden neus en mond met dikke vooruitstaande lippen, kussenvormig voorhoofd en zwart kroes (niet wollig) haar; de Alfoeren

ocr page 332

304 AUSTRALIË.

in liet binnenland van Nieuw-Guinea zijn een daarmede verwante stam. Zij staan op den benedensten trap van vatbaarheid, kunnen slechts tot 5 tellen en spreken eene taal, die vergelijkbaar is met het gekweel der vogels. De Papoeas, een ras dat op N.-Guinea en de eilanden verspreid is in den kring rondom het vasteland, zijn donker roetachtig bruin, hebben dicht zwaar zwart haar, dat veelal het hoofd als een geweldige pruik omgeeft, een eenigszins gerekt aangezicht, platachtig voorhoofd, vooruitkomende wenkbrauwen, grooten eenigszins gebogen neus, en breede neusgaten met overhangende spits. Zij ziju levendig van aard en niet onvatbaar voor verstandelijke ontwikkeling. De bevolking der eilanden buiten dezen kring en van Nieuw—Zeeland bestaat uit M a 1 e i e r s van krachtigen, fraaien lichaamsbouw, met bijna Kaukasische gelaatstrekken en ongeveer lichtbruine kleur, vatbaar voor ontwikkeling van geest en gezellig, zoodat zij spoedig en bijna overal tot het Christendom overgingen. Op de westelijke eilanden leven vele Chineezen; Europeanen ruim If millioen, vooral aan de zuidoostzijde en zuidwestelijke kustsstreken van Nieuw-Holland, op Tasmanië en Nieuw-Zeeland.

A. Nieuw-Holland of het vasteland Australië.

(140,000 □ m., 1,820,000 Europeanen en 50,000 oorspronkelijke bewoners.)

Het is gelegen onder den Steenbokskeerkring ten Z. van Borneo en Japan; de noordelijkste punt, kaap York, ligt op liquot;, de zuidelijkste op 39° /.Br., dus deels in den heeten, deels in den gematigden gordel. Door de met rotsen en klippen bezette, snel stroomende Torres-straat (20 m. breed) wordt het van Nieuw-Guinea en in het Z. door de Bass-straat (32 m. breed) van Tasmanie gescheiden. Dank zij de peilingen der Engelschen, heeft men thans in het Prince-of Waleskanaal een' goeden verbindingsweg tusschen Batavia en Sydney. Deze straat en de aangrenzende Harafoerazee wordt druk bevaren door trepnngvisschende Maleiërs. De Bass-straat, waarin men al naar de heerschende winden oostelijke of westelijke stroomen heeft, wordt gepasseerd door schepen tusschen Europa en Oost-Australië varende. Vroeger deed men hier veel aan walvischvangst. De kust heeft zeer weinig inhammen; de grootste is de golf van Carpentaria in het N., welker oevers nochtans moerassig zijn en begroeid met mangrovewouden.

Op de kust van Noord-Australië zijn enkele goede havens, welke op de westkust ontbreken. Langs de Austraal-golf zal de steile kust zonder eene enkele insnijding-steeds zeevarenden en kolonisten van het binnenland afhouden.

In het oostelijk deel der Zuidkust treft men aan: de Spencer golf, die van St. Vincent, de Encounter baai met eene weldra weggeruimde Nehrung voor den mond der Murray; de baai van Port Phillip; de Botany-baai, door Cook om de vele zeeplanten zóó genoemd; de baai van Port Jackson, schooner dan die van Napels of van llio Janeiro. Verder de havens van New-Castle en Brisbane. Van den Zuider keerkring tot kaap York strekt zich „the Great Barrierquot;, een groot rif uit, dat hier en daar wordt afgebroken door smalle kanalen, en wel daar, waar eene rivier in zee uitloopt. (Hoe verklaart men dat?)

Nog 'gelijkvormiger dan de kust is de oppervlakte. Een groot deel van het binnenland, dat zich meestal slechts weinige honderd voeten bovea den zeespiegel verheft, is bij lange droogte zandig, met zoutlagen bedekt en onvruchtbaar, en in den' regentijd met groote ondiepe zoute meren en poelen bezet. Het grootste en meest bekende is het T o r r e n s-meer, eigenlijk grootendeels een moeras. Ten W. hiervan ligt een ander, het G a i r d n e r-meer, 132 D m. groot, in welks nabijheid men uitgestrekte, vruchtbare en voor de veeteelt geschikte vlakten gevonden heeft, die met tallooze heuvels bedekt zijn, waarop bronnen ontspringen.

Naar de kusten toe is het binnenland als door eene krans van lage gebi/rgten

ocr page 333

NIEmV—HOLLAND OF HET VASTELAND AUSTRALIË.

omgeven. In het door de natuur bevoorrechte en meest bekende zuidoostelijk gedeelte strekt zich evenzoo, meest evenwijdig met de kust, van kaap Wilson (de zuidelijkste punt) tot aan het eiland en kaap Sandy (de oostelijkste punt) eene reeks van smalle hoogvlakten uit, waarop bergketens rusten, die, steil aan de vlakkere zeekust, langzaam glooiend naar het binnenland afdalen. De voornaamste daarvan zijn van Z.—N.: de Australische Alpen met enkele toppen van 7000', o. a. den Kosciuskoberg, en met de bronnen van de Murray [-rree], de grootste der Australische rivieren (langer dan de Rijn) en van de rechterzijrivieren de Murrumbidgee [-dibzji] en anderen; vervolgens de bergketen Argyle, die de oostkust neer nadert; de woeste en ontoegankelijke Blauwe bergen, die naar de oostzijde steil afdalen, maar in het W. in de vruchtbare en weidenrijke hoogvlakte van Bathurst overgaan en verder terrasvormig afdalen naar het goudrijke distrikt aan de Lachlan (rechterzijrivier van de Murrumbidgee) en aan de Macquarie (linkerzijrivier van de Darling). Noordelijker nog de L i v e r p o o 1-keten (4000') en het koele weidenrijke hoogland van N i e u w - E n g e 1 a n d en de even vruchtbare hoogvlakte van de Darling en Condamine.

Daar echter slechts zeer enkele toppen der bergen van Australië de sneeuwgrens bereiken en de regens bijzonder onregelmatig vallen, kunnen zij in het droge jaargetijde, dat gewoonlijk 8 maanden aanhoudt, maar soms letterlijk geheel regenloos is, geen groote, altijd krachtig voortstroomende rivieren blijven voeden. Zeer vele rivieren drogen ook vaak geheel uit, ja zelfs de meeste hebben geene vaste bedding of veranderen in eene reeks van meren of moerassen, die eerst door aanhoudende regens weder tot eene rivier verbonden worden. De Murray en Murrumbidgee zijn de eenige bekende groote rivieren die niet geheel uitdrogen, maar altijd ten minste éenig water behouden. Daarbij zijn de monden óf breede golven zonder delta vorming, of smalle door zand verstopte kanalen, zoodat de rivieren van Australië bijna zonder uitzondering onbruikbaar zijn als wegen van verkeer. De onbeduidende kustrivieren hebben in haar' korten loop een te groot verval en voeren in den regentijd te veel zand mede dat de monden verstopt, dan dat zij anders dan voor kleine booten bevaarbaar kunnen zijn. Somtijds zwellen zij door de soms bovenmatig hevige stortregens plotseling en sterk; zoo steeg eens de Hawkesbury bij Sydney in weinige uren 100'.

De grondtrekken van het klimaat zijn; droogte en zeer groote v c r-anderlijkheid van warmte, die soms binnen weinige uren tot gevoelige koude overgaat. Ook is er geen gelijkmatige verdeeiing van den regen; na lange droogte valt soms plotseling veel water. Niettemin is het zeer gezond. In het noorden wisselt het jaargetijde met de moessons. De Z.-O.kust heeft door het waaien van den passaat regen in alle jaargetijden. De West- en Zw.-kust heeft j winterregens van Juni—Augustus. Het Binnenland is arm aan regen. (Welke

zijn de oorzaken van dit alles? zie blz. GO).

j De bij uitstek eigenaardige, van alle landen der aarde geheel verschillende inheemsche plantengroei is arm aan verscheidenheid van soorten en eentonig; vooral de Z.W.hoek kenmerkt zich door den typisch-Australischen plantengroei. Met uitzondering der noordoost- en zuidoostzijde behooren bosschen tot de zeldzaamheden; meest zijn het groepen van doornachtige struiken („scrubquot;), aan de oevers 1 van rivieren en in de moerassen. Het geslacht acacia (mimosa) en de 1 mirte n-soorten zijn het talrijkst vertegenwoordigd. Wel zijn zij altijd groen, maar 1 de bladeren zijn onaanzienlijk en somber blauwachtig groen, doorgaans naaldvormig, 'lt; houtachtig, harstachtig en de meesten keeren niet de vlakke zijde, maar den scherpen j kant der bladeren naar het licht toe; de stammen zijn leelijk, daar bij de meest algemeenc soorten de bast rondom afspringt. De bloemen zijn bijna zonder uit-

303

20

ocr page 334

306 AUSTRALIË.

zondering geurloos. Boomen met eetbare vrucliten, zooals broodboom, pisang of kokos, ontbreken geheel en al; de aarde voedt dus de mensclien hier niet rijkelijk zonder hun toedoen, zooals dit op de eilanden het geval is. Daarentegen worden in Australië de hoogste der op aarde bekende boomen (van het geslacht Eucalyptus, Gomboom) gevonden, die de lengte hebben van 480' en wellicht nog meer; de meest bekende is de blauwe gomboom, ook wel koortsboom genoemd, daar hij in de moerassige streken der subtropische gewesten de lucht zuivert. De weiden bestaan veelal niet uit gelijke aaneengeschakelde grasvelden, maar uit eene soort van gras, dat wel overvloedig, maar op pollen bij elkander groeit, terwijl er de boomen, als in parken, verspreid staan. Zulke grasvlakten met boomen noemt men hier Woudsavannen. Intusschen gedijen de menigte soorten ingevoerde planten voortreffelijk, vooral het koorn. Men verbouwt tarwe voornamelijk in Victoria en Zuid-Australië; de uitvoer naar Europa overtreft dien van Amerika, ('t Is natuurlijk dat onze landbouw op den duur tegen die concurrentie niet bestand is). Queensland en N.-Z. Wales leveren maïs; de wijnbouw ontwikkelt zich krachtig in het oosten; ook verbouwt men suikerriet in Queensland , en worden appelen en peren naar elders verzonden.

De zoogdieren bestaan hier, behalve de Australische hond (dingo) en de twee vogelbekdieren, louter uit de in de oude wereld onbekende buideldieren, zooals de kangoeroe, die tevens het grootste inlandsche zoogdier is. Lijnrecht tegenover deze armoede in land-zoogdieren staat een groote rijkdom aan zee-zoogdieren nabij de zuidkusten. Kenmerkend voor het land zijn : witte arenden, zwarte zwanen en papegaaien, struisvogels, de cas naris met haren in plaats van vederen, en met korte beginselen van vleugels, de prachtige menoera of bosch fazant, de miereneter, maar geene zangvogels. De van Europa ingevoerde huisdieren hebben nochtans ook hier een ander vaderland gevonden, bovenal het schaap, waarvan de wol der vele millioenen eene der groote bronnen van rijkdom van dit werelddeel is. In 1881 telde men in de koloniën 571 mill, stuks.

Zeer rijke steenkolen lagen, zout, koper (het laatste vooral in het Elindersgebergte, ten noorden van de Spencer golf, dat men wel eens een blok kopererts heeft genoemd), en bijna alle nuttige metalen worden hier gevonden, maar bovenal het in 1851 ontdekte goud. Nieuw-Holland is met Californië het rijkste goudland der aarde; in het jaar 1852 alleen werd voor 70 millioen gulden gevonden, in 1853 bijna dubbel zooveel; sedert is de goudproduktie niet veel vermeerderd, maar kan ongeveer met die van Californië gelijk gesteld worden. Tot 1881 bedroeg de geheele opbrengst ƒ 3400 mill.

In 1788 werd dit land het eerst door de Eritten als strafkolonie in bezit genomen. Thans is het in 5 koloniën verdeeld, die geheel onafhankelijk van elkander zijn en wier regeeringsvorm in het algemeen eene nabootsing is van den Engelsehen. De invloed van het moederland op de regeering strekt zich niet verder uit dan tot de benoeming der Gouverneurs, aan welken eeu Kaad is toegevoegd uit de aanzienlijkste kolonisten gekozen. Er is geheele vrijheid van godsdienst, geen staatskerk; | der bevolking is Protestantsch (waarvan § Anglikaansch), ^ B, Katholiek.

1) De kolonie Queensland, het N.ü.lijk gedeelte. De zuidelijke grens langs den 29sten parallel Z.Pgt;r.; de westelijke grens is in het N. de 138ste en in het Z. de 141ste meridiaan O.L. van Greenwich. Ofschoon nog slechts 214,000 menschen, waaronder 15,000 inboorlingen, wonen op eene oppervlakte meer dan driemaal zoo groot als Frankrijk, zoo doet echter de allengs toenemende belangrijkheid der goudvelden, de ligging tusschen Indië en den Grooten Oceaan, begunstigd door verscheidene uitstekende havens, de vrij talrijke rivieren die hier steeds genoeg water behouden, gedeeltelijk bevaarbaar zijn en vruchtbare oevers hebben,

ocr page 335

AUSTRALIË.

eenige spoorwegen, van welke misschien één Brisbane met de golf van Carpentaria zal verbinden, steeds meerderen wasdom verwachten. Daarenboven zijn sommige streken, die niet in het algemeen karakter van Australië, de uitdroging, deelen, met de beste weiden voor schapenteelt of met nuttige bosschen bezet. Het katoen is in kwaliteit van de besce der aarde.

Brisbane [brisbeen], aan de gelijknamige rivier, telde iu 1856 4400 inw., thais 31,000 inw., stoomvaart op Londen.

Somer set, op een eilaudje bij kaap York, de N.lijkste punt van Nieuw-Holland, aangelegd tot verzorging der vele schepen die door de Torresstraat varen.

2) De kolonie Nieuw-Zuid-Wales (eertijds BotanyBay [bot'ni-bee] genoemd), tusschen Queensland, den I4lsten gr. O.L. van Gr., de Murray-rivier en den Grooten Oceaan; met 759,000 inw. Hoewel eerst in 1788 gesticht, is deze kolonie echter de oudste. Tot 1843 was zij evenals het 230 m. ten N.O. van Sydney gelegen eilandje Norfolk het verbanningsoord voor misdadigers, thans eene bloeiende, zich sterk ontwikkelende provincie, wier weiden, akkers, goudvelden, rijke koper- en steenkolenmijnen steeds grooter rijkdom beloven.

Sydney, fraai gelegen aan de ruime Port Jackson [dzjeks'nl, het centrum der Australische koloniën, de oudste en eene der gewichtigste steden van Australië, zetel van den gouverneur; zij bezit allerlei inrichtingen voor onderwijs, genoegen, weelde, weldadigheid en nijverheid, als eene voorname Europeesehe stad; spoorwegen verbinden haar met de weidedistrikten ten westen van de Blauwe Bergen; stoomvaart op Londen, Hamburg, Batavia, Nieuw-Zeeland, de Sandwicheilanden en San ïrancisco; met de voorsteden 225,000 inw.

Paramatta, nabij Sydney, aan het uiteinde der Port Jackson, de sterrewaeht van het zuidelijk halfrond.

Ne w-C ast le, bij de uitwatering van de Hunter, na Sydney de gewichtigste plaats dezer kolonie, met onuitputtelijke kolenmijnen; 1(5,000 inw.

Maitland, aan dezelfde rivier, stapelplaats voor de wol; wijnbouw.

Bathurst [béshurstj, in het binnenland, aan gene zijde der Blauwe bergen, aan de Macquarie, het middelpunt van het rijkste gouddistrikt dezer kolonie, en van voortreflelijke weiden.

3) De kolonie Victoria, de Z.O.lijke punt, tegenover Tasmanie, vroeger, vóór 1851, een deel van Nieuw-Z.-Wales onder den naam van Port Phillip of Australia Felix. Dit heerlijke, vruchtbare bergland is het eigenlijke goudland; het hier gegraven goud is het fijnste der aarde. Hoewel bijna 4 maal kleiner dan N. Z. Wales, heeft het echter reeds grooter bevolking, 862,000 inw., waaronder 1330 inboorlingen; het bloeit ook sterk door scheepvaart, schapenfokkerij en veeteelt.

Melbourne [mélburn], de fraai in 1835 gebouwde hoofdstad ten N. van de baai Port Phillip , ligt op 7 heuvels ; universiteit. Stoomvaart op Engeland, Bordeaux, Antwerpen en de voornaamste Austral, havens. De goudmijnen in het N.lijke binnenland gaven het ziju' snellen wasdom; met de voorsteden 212,000 inw.

G e e 1 o n g, aan den westelijken inham der Port Phillip; de voornaamste stapelplaats voor de wol en de best bebouwde distrikten; 21,000 inw.

Ballarat, dat aan de goudmijnen zijne opkomst verschuldigd is.

Sandhurst, in een gouddistrikt; 28,000 inw.

Al deze steden ziju reeds door spoorwegen met elkander verbonden.

4) De kolonie Zuid-Australië, tegenover het Kengoeroe-eiland en aan den mond van de Murray; de 16de graad Z.Br. dient tot noordelijke grens. Het is niet alleen rijk in nuttige metalen, vooral koper, maar ook een fraai land, waarin vruchtboomen en koorn, olijven, tabak en wijnstok uitstekend gedijen, een der beste graanlanden der aarde, beroemd door zijne wol en zijne paarden; 280,000 inw., waaronder 3370 inboorlingen; zij lijdt tegenwoordig ontzettend door eenige bijzonder droge jaren, zoodat de bevolking sterk verminderde in 1885 en 1886.

307

ocr page 336

AUSTRALIË.

Adelaide, ten W. aan den mond van de Mnrray aan het Torrensriviertje, dat in de St. Vincent-golf uitloopt; 38,000 inw. Hare havenstad aan de St Viucent-golf is Port Adelaide. Van hier loopt cene telegraaflijn langs do Austraal golf naar de havens van West-Australië, eene andere dwars door het binnenland naar Port-Darwin , vanwaar men over Banjoewangi, Batavia en Singapoer naar Calcutta en Londen kan telegrafeeren. De stations aan het Austr. gedeelte zijn middelpunten voor veeteelt geworden, en men heeft er ook wel eens over gedacht langs die lijn Adelaide en Port-Darwin door een' spoorweg te verbinden. In de rondte liggen vele welvarende landbouwende dorpen, vooral door Duitschers bewoond. Een spoorweg loopt van hier naar de kopermijn K a p u n d a.

Nog noordelijker ligt Koeringa bij de rijkste kopermijn der aarde, Burraburra.

5) De kolonie West-Anstralië, aan de Zwanen-rivier, met den 193sten graad O.L. v. Gr. als oostelijke grens; 29,000 inw., het laatste verbanningsoord; de mindere vruchtbaarheid stremt deu bloei.

Perth, hoofdstad aan de Zwanenrivier.

Freeman tie [friement'1], havenstad aan den mond der rivier.

Noord-Australië (Northern Territory), het vroegere Arnhemsland, behoort vooreerst nog onder het bestuur van Zuid-Australië, waaraan het grenst.

TasmaniëofVan Diemensland.

(1230 □ m., 115,000 inw.).

Onder de zuidelijkste punt van Nieuw-Holland, waarvan het door de Bassstraat gescheiden is, maar waarbij het staatkundig wordt gerekend. Het is bergachtig, rijk in Wouden en in water, met frisschen, weligen plantengroei en zacht klimaat, dat wel geene zuidvruchten, maar toch besten wijn en graan doet voortkomen. Tin wordt er verbazend veel gevonden; verder goud, ijzer, bismuth, koper, lood, steenkolen en bouwsteen. Van de dappere oorspronkelijke bewoners, in 1815 nog 5000, is de laatste afstammeling in 187(5 overleden.

Hobarton [hobbaartn], aan de zuidelijke kust, hoofdstad, bloeiend door handel en walvischvangst; 21,000 inw.

Launceston, stapelplaats voor het noordelijk gedeelte; 11,000 inw.

B. De eilanden der Papoea's.

Hiertoe behooren al de eilanden die noordoostelijk Nieuw-Holland in een' halven cirkel omgeven, behalve Nieuw-Zeeland. Zij liggen allen ten Z. van den aequator en in den zuidoost-passaat. Zij zijn allen bergachtig, dikwerf tot de hoogte der Alpen en met den weligsten plantengroei.

1) Nieuw-Gninea, 14,000 □ m., misschien 1 mill, bew., het grootste eiland der aarde. Een groot deel der kusten is laag en moerassig en begroeid met mangroven. Het binnenland is onbekend, doch zeer bergachtig; de voornaamste top is de Owen Stanley, de voornaamste rivier de Flyriver, die goed bevaarbaar is; het land der paradijsvogels. Het westelijkst schiereiland wordt door de Geelvinksbaai van het hoofdeiland bijna afgescheiden. De westelijke helft tot aan 141° O.L. van Greenwich staat onder Nederlandsch gezag, ten gevolge van de onderwerping van den machtigen Sultan van Tidore, aan wien onder vele eilanden, ook dit uitgestrekte land cijnsbaar is. Ook Engelschen en Duitschers hebben zich op het eiland gevestigd. De Duitsche nederzettingen, aan de noordkust gelegen, heeten gezamenlijk Keizer Wilhehnsland.

3) De Archipel van Nieuw-Britannië, waarvan de grootste eilanden zijn; Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierlaud en Nieuw-Hannover. Ook van (leze eilanden heeft Dnitschland bezit genomen; Nieuw-Britannië heet nu Nieuw-Pom-meren; Nieuw-Ierland Nieuw-Mecklcnburg.

808

ocr page 337

DE EILANDEN DEB PAPOEA'S.

3) De Salomons-eilanden of Nieuw-Georgië, ten Z.O., welker bewoners nog kannibalen zijn, zij vergastten zicli, in 1859, op de geheele bemanning van een koop vaa rdijschip.

4) De Koningin-Charlotte-, Santa Cruz- [kroes-] of Nitendi-eilanden. Op

Wanikolo of Vanicoro verongelukte La Peyrouse in 1788.

5) Nieuwe Hebriden of Heilige-geest-archipel, in eene door weinig klippen bezette zee, met hooge en steile kusten, docli weinig havens, bijzonder vruchtbaar. De plantengroei heeft hier tegelijk een Indisch en een Nieuw-Zeelandsch karakter. De 70,000 bewoners, hoewel minder ontwikkeld dan andere Polynesiërs, toonen toch voor maatschappelijke deugden en ontwikkeling niet onvatbaar te zijn.

6) Nieuw-Caledonië (55,000 bew., waaronder 40,000 inboorlingen). Sedert 1854 verbanningsoord van Fransche staatkundige misdadigers, in 1871 ten getale van 2400; de bekeering der inwoners is tot nog toe met weinig goed gevolg beproefd.

C. De eilanden der Maleiers.

Hiertoe behooren de eilanden, die liggen buiten den eilanden-ring welke Nieuw-Holland omgeeft, benevens Nieuw-Zeeland. Dit laatste heeft geheel het karakter der overige eilanden van dien ring, maar door zijne ligging in den gematigden aardgordel (tegenvoeter van Spanje) heeft het natuurlijk andere voortbrengselen; de anderen liggen meestal in den heeten aardgordel, en zijn, als tegenvoeters van het tropische gedeelte van Afrika, bijna alle bekoorlijke oasen in de waterwoestijn, en met een gezond klimaat gezegend, welks hitte door den omringenden Oceaan zeer gematigd wordt. Het meerendeel is het gewrocht van billioenen bijna onzichtbaar kleine polypen, wier jeugdig geslacht een kunstig huis van kalk bouwt op het kerkhof zijner vaderen en zoo steeds hooger en hooger werkt, totdat na een tal van eeuwen de oppervlakte der zee bereikt is en hierdoor een onoverkomelijke slagboom gevormd wordt voor hun' verderen bovenwaartschen groei. Zij kunnen slechts leven onder de volgende voorwaarden: 1°. de temperatuur van het water moet minstens 20° C. zijn; 2°. er moet strooming inde zee zijn, opdat deze hun voedsel kunne aanbrengen. Door de eerste voorwaarde zijn zij beperkt tot de keerkringen. Toch komen zij ook daar niet voor wanneer zij 1°. niet op hoogstens 20 vademen beneden de oppervlakte grond vinden om hunne rotsen op te bouwen; 2°. wanneer, gelijk langs de westkusten der werelddeelen op het zuidelijk halfrond, koude stroomen de temperatuur verlagen, of wanneer 3°. rivieren bij haar' mond het zeewater troebel maken. Bij de Bermudas-eilanden maakt de warme golfstroom hunne aanwezigheid nog mogelijk.

Deze ontelbare koraaleilanden of atollen, waarvan de onderzeesche grondslag geleverd werd dcor steile vulkanische rotsen meestal op weinig diepte onder den zeespiegel, zijn somtijds veel grooter dan Nederland, hebben een' rondachtigen vorm en bestaan uit een' boven het water zich verheffenden wal of ringdijk van koraalgruis van verschillende breedte, gewoonlijk niet breeder dan 5 minuten, soms echter van 1 uur, binnen welken zich doorgaans een meer, lagune genaamd, bevindt. Deze dijk is meestal hier en daar afgebroken, doch heeft somtijds den vorm van een hoefijzer, zeer enkele malen vult hij het geheele eiland, en is steeds bedekt met den plantengroei der hier aangespoelde vruchten , vooral van kokospalmen, want de kokosnoot verliest hare kiemkracht niet in de zee. Andere eilanden zijn geheel van vulkanische vorming, deels met uitgebrande, deels met nog rookende kraters ter hoogte der hoogste Alpen. Allen zijn zij door koraalriffen omgeven. Het grootste dier riffen ia het groote Barrière-rif, 260 in. lang, langs de N.O.kust van Nieuw-Hol-

309

ocr page 338

AUSTRALIË.

land zelf. De broodvrucht, de pisang en kokosnoten leverden den bewoners vroeger het eenige plantaardige voedsel.

Aanmerking. Uit hetgeen hier over de koraaldiertjes en hunne wijze van bouwen gezegd is, blijkt dus, dat voor het ontstaan der koraalrotsen volstrekt geene voortdurende daling van den zeebodem behoeft aangenomen te worden. Integendeel, zij ontstaan dikwijls op banken, door ophooping van uitgeworpen vulkanische stoften gevormd. Het kanaal tusschen een dararif en de kust (bl. 42) wordt gevormd doordat de koolzuur van het zeewater de kalk der doode koralen oplost.

1) Nieuw-Zeeland, sedert 1840 Britsch, eigenlijk twee eilanden die door de Cookstraat gescheiden worden, te zamen bijna 5000 □ m., dus zoo groot als Italië, met 540,000 volkplanters en 44,000 inboorlingen. Zij zijn vulkanisch en bergachtig (de Cooksberg op het zuidelijk eiland 13,000'), met schilderachtige Zwitsersche landschappen, (in het zuidwesten van het zuidelijk eiland herinnert ons het landschap met zijne lang gestrekte meren en fjorden aan Skan-dinavië), rijk aan goud en andere mineralen, met tallooze beken, weelderige vruchtbaarheid, en een' aan deze eilanden voor een gedeelte bijzonder eigen' plantengroei, zware boomen (kaori-pijnboom) en nuttige planten (N. Zeelandsch gras), doch geen eetbare vruchten of palmen. Het heerlijke en gematigde klimaat doet nochtans de Europeesche kweekplanten uitstekend gedijen. Eene merkwaardige plek treft men aan op het noordelijk eiland rondom het Taoepo-mser. Dat is het merendistrikt of het Geysirgebied met zijne warme en koude meren, zwavelbronnen, terrasvormige bekkens van kalksinter uit het water afgezet, van welke het bekken van de Tetaratabron bij het Eoto-maliana of Warme meer het voornaamste is. Het is dus een gebied als dat van het Nationale Park in het Ilotsgebergte.

De inwoners, Maori's, die in 1861 nog op 55,000, waarvan 53,000 op het N.lijk eiland, thans op nog slechts 44,000 geschat worden, en van alle Australiërs het krachtigst en ridderlijkst, maar ook krijgszuchtig en wraakgierig, zelfs menscheneters waren, wonen in omrasterde dorpen, Pa geheeten; zij toonen zich hoogst leerzaam, zijn meestal tot het Christendom overgegaan, (de zendeling Marsden arbeidde onder hen van 1814—1837), en drijven akkerbouw, veeteelt en wijnbouw, dienen als Engelsche matrozen of lagere beambten en vermengen zich gaarne met de Engelsche kolonisten; op het noordelijkst eiland echter zijn verscheiden stammen in bloedigen oorlog geweest met de kolonisten, die aanvankelijk tot het uitschot der maatschappij behoorden. Evenals in Nieuw-Holland werden zij ook hier aangetrokken door het goud, waarvan de opbrengst echter aanzienlijk verminderd is. Tegenwoordig leeft \ van de bevolking van landbouw en veeteelt, i van het zoeken naar goud.

Auckland, op het smalste, grillig gevormde gedeelte van het noordelijkst eiland; stoomvaart van de booten der Paciflc-Mail C0. op Sidney, Honoloeloe en San Francisco; 38,000 inw.

Wellington, op hetzelfde eiland aan de Cookstraat, de hoofdstad, 21,000 imv.

Nelson, aan dezelfde straat, maar op het zuidelijk eiland, G000 imv.

D u n e d i n , de rijkste handelshaven, waarover het goud van de goudvelden der provincie Otago, zijn' loop vindt; voor 16 jaar een dorpje, nu 43,000 inw.

2) De Viti- of Fiedzji-eilanden, twee grooteen vele kleine eilanden, ten N. van Nieuw-Zeeland, gewichtig om hunne gunstige ligging en groote vruchtbaarheid. Vulkanisch. De krachtige bewoners (115,000) zijn gedeeltelijk Christenen geworden en hebben zich, om de kwellende ijverzucht der verschillende Europeesche zendelingen te ontgaan, onder het Britsche bestuur gevoegd.

3) De Vriendschaps-eilauden, ten O. der vorige, evenals de volgende 4 groepen, en even boven den steenbokskeerkring gelegen. De meeste zijn laag.

310

ocr page 339

DE EILANDEN IN DEN GROOTEN OCEAAN.

De fraai gevormde, donkerbruine, goedwillige bewoners (35,000) zijn bijna allen tot het Christendom overgegaan. Het hoofdeiland is Tongataboe („heilig Tongaquot;).

4) De Schippers-, Samoa- of Boumans-eilanden behooren tot de bekoorlijkste eilanden en zijn meest van vulkanischen oorsprong. De bewoners (33,000) zijn van alle Australiërs het lichtst van kleur, en bijna allen Christenen.

6) De Cooks-ArcMpel, laag. Christenen; 10,000 inw.

C) De Societeits- of Gezelschaps-eilanden, oorspronkelijke gebergten (tot 8000') en ook vulkanische vorming. De bewoners (21,000) zijn tot het Christendom overgegaan. Tamatoa V, de zoon van koningin Pomare, die in 1844 door de Pranschen afgezet werd, resideert thans op llajatea. Het hoofdeiland Tahiti (minder goed Otaheite), tevens het zuidelijkste, dat met nog 4 andere oostelijke onder Frankrijks «beschermingquot; staat, is een bekoorlijk, gezond en vruchtbaar eiland, met rijk begroeide bergen. De bewoners, 9000, zijn eenvoudig en vrij beschaafd; een uitmuntende weg loopt langs het vlakke strand, rondom het eiland. Op het naburige Eimea (1260 inw.) bevindt zich eene boekdrukkerij en eene akademie, waar reeds menig ijverig zendeling van het Christendom gevormd werd.

7) De Pomotoe of Lage eilanden, in eene gevaarlijke zee, allen klein en laag, behalve de zuidoostelijke door Prankrijk bezette groep der Gambiet-eilanden , waarvan het hoofdeiland Mangareva heet en bijna onder den Steenbokskeerkring ligt. De bewoners der westelijke eilanden zijn Protestantsch, die der Gambier-eilanden Eoornsch-katholiek, de overige heidenen, zelfs leven op de oostelijke nog menscheneters, in het geheel 4000 inw. Het zuidoostelijke P i t-cairn [kern], nog geene i m. lang, is merkwaardig doordien het gedurende eenigen tijd eene kolonie was van Engelsche matrozen en bewoners van Tahiti, wier nakomelingen men in 1865 uit vrees voor overbevolking en gebrek naar het eiland Norfolk had trachten over te plaatsen; de meesten keerden echter weder terug naar Pitcairn. Op aanzienlijken afstand ligt het oostelijkst bewoonde Austraal-eiland, het vulkanische Paasch- eiland, slechts 450 m. van Valparaiso. Nog verder oostelijk de rots S a 1 a y Gomez.

8) Mendaria-[-anja-]archipel, ten N. der vorige, vulkanisch en bergachtig (tot 60Ö0'), F r a n s c h. De bewoners (5800) zijn de fraaist gevormde Australiërs, deels Roomseh-katholiek, deels heidenen. Men verdeelt ze in twee groepen ; de Marquesas [kesa's], de grootste en zuidelijkste, waaronder W a ï-t o e, dat bestemd was om de ergste staatkundige misdadigers der revolutie van 1871 op te nemen, endeWashington-groep, de noordelijkste. N o e k a Hiwa, 2700 inw., een liefelijk berg-eiland, is het grootst.

9) De Marshalls-rniérsjels]archipel, op 10° N.Br., laag. Bewoners als op de Carolinen (10,000).

10) De Carolinen onder den parallel van Mindanao, lage eilanden. De westelijke groep wordt veelal Palaos of Pelew-[peljoe]archip0l genoemd. De bewoners (10,000) zijn vreedzaam en gastvrij.

11) De Marianen (Spaansch), ten O. der Philippijnen, in eene rij van N. naar Z. bergachtig en vulkanisch, reeds in 1521 door Magalhaès ontdekt, die ze eilanden der Ladrones «dievenquot; noemde. De schandere en dappere oorspronkelijke bewoners (150,000) verkozen den ondergang boven de afhankelijkheid van de Spanjaarden. Thans slechts 8200 bewoners. 9—11 behooren tot Mikronesië. De bevolking is ontstaan uit eene vermenging van Papoea's en Polynesiërs.

12) De Sandwich.-[send-oeitsj-] eilanden of Hawaii-Archipel, eene met uitnemend klimaat en vruchtbaarheid gezegende groep van 4 grootere, en eenige kleine eilanden aan beide zijden van den Kreeftskeerkring, 500 m. van Californië.

311

ocr page 340

313 AUSTRALIË.

Eerst in 1778 door Cook ontdekt, die hier 13 maanden later, op Hawaii', vermoord werd; in 1784 vereenigd onder den Koning Kamehameha I, den «Peter den Grootequot; der Sandwieli eilanden, en sedert 1851 onder besckerming der N. Amerikaansche Unie, waarmede zij vroeg of laat wel zullen vereenigd worden. Het golieele volk, 58,000 edelaardige, fraai gevormde Maleiers, wier getal ' echter steeds afneemt, belijdt het Christendom; 5400 Europeesche, 11,000 Aziatische (Chineezen) en Amerikaansche volkplanters hebben zich daar nedergezet, daar zij sedert de ontdekking om hunne gunstige ligging zoowel door walvischvaardcrs als koopvaardijschepen werden bezocht. De tegenwoordige koning Kalakaua, die, even als zijne voorouders. Engelanti en de Vereenigde Staten bezocht heeft, regeert met een' staatsraad, ministers, een op Europeeschen voet ingericht leger, oorlogsvloot en erkende gezanten.

Hawaii of Owaihi, het zuidelijkste en grootste eiland, 230 □ m., dus grooter dan Friesland, Groningen, Drente en Overijscl te zamen, met den hoogsten bergtop van Australië, den Mouna Kea, 13,804', en den steeds met vloeibare lava gevulden krater Mouna Loa, 13,168'. Het eiland is sedert 1854 de aanlegplaats voor de stoom- en zeilvaart tusschen China en Amerika.

Op het eiland Owahoe (33 D m., 21,000 inw.) ligt

Honoloeloe, dc beste haven en regelmatig gebouwde residentie, met een op Europeesche wijze ingericht paleis en kasteel, scholen, sierlijke winkels, logementen, enz.; 14,000 mw.

Op het eiland Mauwi of M a u i (37 □ m., 12,000 inw.).

L a h a i n e , na Honoloeloe de grootste handelsplaats met eene hoogeschool.

ocr page 341

r/, £0 ' * #

gf/U-i . /gt; - ' - '■'

gt; ' ^v:. ■

. niyyf

0

r v-t-'*-'1

{ftoxrt* tsi' • ■r • • , *

d^T^J'-.h lycnrt-*** ' ï

- ' jl j , , wl „ a. - jf-

lt; :.-7 / / 0 4 f' *■ lt;*'quot; ^ * i

■ , * ï-rotr.***quot; ' r ,

i w / 4

li.men - '■y'

- y [

' quot;{/üL

/2 , i.v'C

Jf Jl ff 11 . * 9

/AxO' '■■■ t'_' , iT /J gt; { O •lt;

(: C-'. V i^'t.' — ,

sy^- /i j / ^ j ______ '•

,/

n u/ l// / t é Squot;' i/'V~amp;- ■. I

• yj 0 /^ 1 ., h/f.:,.-. _ t; v. lt;

\ fa /'T. ^ L ,.- ^^or- tquot;*-- '■'• Y ■ J-^owv,

d 'Ir* m\

yt/vuVl-. 'A T gt; i'wv^ k^) ^'iT* N

t 'U. lt;-^ h^ -L ^i/^dy'h O- jy j ^ ■

4'•■ { yVvt *«. A a^i » j / iJ / 1 A t bma* Jify\;f 0 gt; i' f L/ ^ ^

Ur

I

ocr page 342

■ ■ I

WÊmmMsmmmm.

■ ^- amp; I MM

I| B |

S

'■S--' ' t^/quot; ' f? ' quot; quot; ' ,, :;... ...

I^HH IDHHBH|HiH

ocr page 343
ocr page 344