Instituut voor Huziekwttenschap
der Rijksuniversiteit te Ulrecht
\ l ó^
ONTAARDING.
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2809 304 9
sT/'s-.
ClB-wn â . ? - quot;'j
MAX NORDAU.
ONTAARDING,
Z U T P II E N .
W. J. T HIE ME amp; Cic.
EEN WOOED VOOEAF.
liet ligt in den geest van den tijd, veel na te denken en nog veel meer te praten over allerlei vreemde, moeilijk verklaarbare verschijnselen. Een ieder heeft daarover zijne persoonlijke meening.
Die meeningen verschillen natuurlijk. Toch is er iets eenvormigs in de stemming, waartoe die persoonlijke beschouwingen leiden; over 't algemeen is in die stemming het gevoel van iets bedenkelijks, onheilspellends gelegen, 't Frivole is bij velen maar een dun vernisje , dat het hoog ernstige bedekt.
Op maatschappelijk en staathuishoudkundig terrein is een lievig gewarrel van denkbeelden en theorieën merkbaar; zooveel hoofden, zoovele hervormingsplannen. Men voelt dat er iets gebeuren moet, maar niemand weet wat. hoe en wanneer.
Om die woelige en benauwende gedachten te ontgaan, zoekt men afleiding in de kunst. Wij bezoeken eene tentoonstelling van moderne kunst of nemen een pas verschenen boek ter hand. Maar die beeldende kunst verbijstert ons, de taal van het boek verstaan wij niet. Wat wij zien of vernemen, doet ons denken aqn koortsvisioenen. Wij krijgen den indruk , alsof de artiesten en schrijvers eens een proef willen nemen , tot welke uitersten het geduld en de meegaandheid van het publiek zijn op te drijven.
En velen beginnen zich angstig af te vragen: Hoe is toch dit alles ontstaan? Wat moet uit dit alles worden?
Ook Nordau, de geletterde medicus en physioloog, heeft over de verschijnselen, die zich op maatschappelijk en kunstgebied voordoen, veel nagedacht. Ook hij heeft gezocht, met inspan-
ning gezocht naar een verband, naar aanknoopingspunten tus-sclien hetgeen achter ons ligt en wat wij nu ervaren. Zoo ia hij gekomen tot eene beschouwing, tlie het resultaat is van zijne waarnemingen en overdenkingen. En dit resultaat luidt;
Ontaarding.
Nordau's werk, dat hier in een Nedeiiandsch gewaad verschijnt , is een werk van veelzijdige studie en scherpe waarneming.
Nordau tracht het verband aan te toonen tusschen de nicuwo richtingen in de kunst en de groote gebeurtenissen, die op het maatschappelijk leven van grooten invloed zijn geweest. Daarbij plaatst hij zich op een psychologisch s'andpunt, van daar uit maakt hij zijne combinatiën en gevolgtrekkingen.
Zijn literarisch talent vrijwaart hem tegen dorrs geleerdheid. Zijne manier van schrijven is in de hoogste mate pikant, humoristisch , dikwijls sarcastisch. Zijne pijlen zijn scherp gepunt. In zijn zoeken naar do waarheid schroomt hij niet te zeggen , wat hem voor den mond komt. Hij heeft den moed van zijne overtuiging. En men moge die overtuiging al of niet deelen, â de lezer, die eens in zijn spoor is getreden, volgt hem met belangstelling tot het eind van den weg.
Natuurlijk geeft dit werk niet meer , dan eene individueele beschouwing, getoetst aan de ervaringswetenschap, geven kan: wij zien hier de verschijnselen , beschenen door het licht van Nordau's geest. Maar juist in dat eigenaardige licht treedt nu en dan ecu verrassend schouwspel voor ons op; soms zien wij op eens een verband, dat in het halt-licht, waarin de dingen zich dikwijls voordoen , nog onopgemerkt was gebleven. Zoo heb ik bijv. nog nergens eene zoo glasheldere voorstelling en uiteenzetting van het begrip fin de siècle aangetroffen _ een woord, dat in de meest vage en verschillende betceke Jjsge^ wordt gebruikt â als in dit werk.
In veel grootere mate dan in do overige werken ⢠/fU) ^ J1.(]all o a. dan in het bij ons welbekende: Die c o n v e ^ j q n e i} e n' L lig en der K u 1 t u r m e n s c h h e i t, evenzeer
eene Nederlandsclie bewerking verscheen jreit ⢠men hier eeii
meer wetenscliappelijken zin, een meer ernstig streven naar juiste gevolgtrekkingen aan.
Nu en dan verleidt zijn temperament hem tot uitersten. Niet altijd zal men met zijne meening kunnen meegaan. Maar waar Nordau niet overtuigt, daar wekt hjj ontegenzeglijk op tot nadenken en tot wrijving van gedachten. Et du choc des opinions jaillit.....?
Al die bijzondere hoedanigheden van dit werk, in verband met het hoogst belangwekkende van liet onderwerp, dat hier behandeld wordt, gaven mij aanleiding tot het in 't licht geven van deze bewerking.
Tegenover enkele kleine bekortingen, die ik wenschelijk achtte, heb ik mij hier en daar, vooral op verzoek van de uitgevers, enkele aanvullingen veroorloofd. Ook in ons land toch telt de mystieke richting hare aanhangers en apostelen. Nordau, die hoogst waarschijnlijk weinig bekend is met onze literatuur, maakt daarvan in zijn werk, waarin de verschijnselen in Frankrijk, Engeland en Duitschland hoofdzakelijk ter sprake komen, natuurlijk geen melding. Voor een Nederlandsch publiek achtten wij liet echter wenschelijk om ter geschikter plaatse het Nordau-licht ook op de Nederlandsche artiesten en navolgers der nieuwe richting te laten vallen. Deze plaatsen zijn door mij gemerkt met een *.
En hiermee den lezers heil!
MAUK1 rS SMIT.
I N H O TI D.
Een woord vooraf van don bewerker.
EERSTE BOEK.
Fin de siècle.
Hoofdst. pag.
I. Volkenschemering....................1
II. Ken teekenon............11
III. Diagnose..............25
IV. Oorzaken.............51
TWEEDE BOEK.
Het mysticisme.
I. Psychologie van liet mysticisme......69
II. De Praerafaëlicten..........91
III. De Symbolisten...........139
IV. Het Tolstoïsme...........2ÃG
V. De Wagner-vereering.........240
VI. Parodievormen der mystiek.......301
I.
VOLKENSCHEMERING.
Met het Tvoord fin-de-sièclo wil men niet alleen liet algemeene karakter van een tal van verschijnselen aanduiden, maar ook do eigenaardige stemming, die zich daarin openbaart, liet is een bekende waarheid dat ee:i woord, dat eon bepaald begrip aanduidt, altijd ontleen;! is aan de taal van dat volk, waarbij zich dit begrip het eerst heeft gevormd. Altijd is het taalonderzoek van dal; beginsel uitgegaan , waar liet zich ten doel stehlc om u'.t de afstaniming der wortelwoorden den oorsprong van de vroegste vindingen en den ontwikkelingsgang der mensch-heid op te sporen. Daar nu fi u-de-si è c 1 o Fransch is, kan men veilig de gevolgtrekking maken, dat de gemoedstoestand , dien men mot dien naam bestempelt, zich ook het eerst in Frankrijk lieeft geopenbaard. Als met een too-verslag heeft ziek dat woord door alle werelddeelen verbreid ; wel een bewijs, dat er een zekere behoefte aan bestond. Den fin-de-siècle-toestand treft men tegenwoordig overal aan ; in vele gevallen is luj louter navolging van een voor voornaam gehouden mode en heeft hij zich niet organisch ontwikkeld. Uet duidelijkst openbaart zich och-
NORDAU, Ontaarding. 1
tor ilio toestand in zijn geboortelaui; i?i Panjs vooral is hij in moest oulers'lieidone uitingen, waar to nemen.
Het is bijna oanoodig to zoggen, dat hot woord op zich zelf hoogst kinderachtig is. Alleen in het brein van eon kind of van een wilde ko:i de gedachte opkomen, dat een eeuw oen soort van levend wezen zou zijn , dat evenals een dier of inenscli wordt geboren, vervolgens do verschillende perioden van zijn bestaan doorloopt en na een bloeiende jeugd en een krachtigen wasdom begint af te takelen, om dan met het einde van het honderdste jaar te sterven , nadat het in de laatste tien jaren van zijn bestaan door allerlei plagen van den ouderdom was bezocht geworden. Dit kinderachtige Anthropo- of Zoömorphisme bedenkt niet, dat de willekeurige indeeling van den in alle eeuwigheid voortgaan len tijd niet bij alle beschaafde volken dezelfde is, en dat op hot «ogenblik, waarop dat uitgeputte lichaam, waarin men zich de negentiende eeuw der Christenen vertegenwoordigd denkt, op zijn eind loopt, de veertiende eeuw der Mahoniedanen nog in de kiader-schoenen van haar eerste tiental jaren rondhuppelt, terwijl do zevenenvijftigste eeuw der Joden iu haar twee-envijftigste jaar nog deftig in den bloei harer ontwikkeling rond wandelt. Eiken dag worden er op onzen aardbol 130,000 menschen geboren, waarvoor dus de wereld op zo«'n dag als splinternieuw aanvangt; en de jonge wereldburger zul er niet zwakker of krachtiger «m zijn , of hij in 't jaar 1900 te midden van den doodstrijd van de oude eeuw, of iu 1901 op den geboortedag van do twintigste eenv liet levenslicht aanschouwt.
iioe dwaas dan ook de benaming fin-de-siècle moge zijn, zoo is toch de geestestoesti-nd , welken men daarmee wil aanduiden, wol degelijk voorhanden. Het gevoel, dat daarbij op den voorgrond treedt, is dat van een koortsachtige
3
gejaagdheid, een doffe moedeloosheid, een bang voorgevoel van ondergaan, van uitdocven. Fin-de-siècle is een boetvaardige bekentenis en tegelijk een aanklacht. In het oude Jfoorsche geloof treft men de ijzingwekkende leer aan van do ijodenschemeriug. In onze dagen kruipt in do hooger ontwikkelde geesten de duistere vrees op voor een Volkenschoniering, waarin :ille zonnen en sterren allengs uitdooven on do menschen, te midden van een stervende natuur, met al hunne werken en scheppingen zullen ondergaan.
Jlet is niet voor de eerste maal in den loop dor ge-schiedonis dit zulk een vrees zich doet gevoelen. Toen het jaar 1U00 in aantocht was, openbaarde zich bij de christelijke volken een dergelijk gevoel. -.Maar die gewaarwording was van een geliool andoren aard als de tegenwoordige fm-de-sièclo-gevoelens. Bij de nadering van het einde van 't eerste duizendtal jaren onzer tijdrekening ontsproot do wanhoop der mensehen uit een gevoel van levenslust en levenskracht. Het bloed vloeide toen nog zoo onstuimig door do aderen, de mensch was nog zoo in 't volle bezit van zijn heerlijke lichaamskracht, dat men 't een wanhopig deukboold vond om met do gehoele wereld te gronde te gaan, nu er nog zooveel volle bekers te ledigen en nog zoo heerlijke lippen te kussen waren. Maar juist hot tegenovergestelde vinden wij in deze Hii-do-sièclo-stemming. Zij is do onmachtige wanhoop van oen zwakkeling, die zich te midden van een rijke, altijd voortlevende natuur langzaam voelt sterven. Wie âHet adellijke 2festquot; van Turgenjew heeft gelezen, zal zich het slot van dit mooie werk nog wel heriimeren. De held van 't verhaal , L ivretzkv , bezoekt als een bejaard man het huis , waarin hij vroeger zijn liefdesroman hoeft doorleefd. Hij vindt alles onveranderd ; in den tuin geuren de heerlijke
1 *
4
bloemen , in de groote boomen nestelen zich de vroohjk kweelende vogels, op de frissclie grasperken dartelen en spelen de kinderen ; alleen hij , Lavretzky , is oud geworden , en met een blik vol weamoed aanschouwt hij dat beeld van die natuur, die maar vroolijk verderleeft en er zich niet om bekommert, dat zijn geliefde Lize is verdwenen en dat hij een gebroken, levensmoede man is geworden. Lavretzky's bekentenis, dat te midden van deze jonge eeuwig bloeiende natuur voor hem alleen do morgen niet meer zal aanbreken â Alving's angstkreet: âDe zon, de zou!quot; in Ibsen's Spoken, dat is hot eigenlijke fin-de-siècle-gevoel van onze tijdgenooten.
Eigenaardig is hot op te merken, hoe met dit modewoord al die onbepaalde, halfbewuste en onklare gevoelens worden aangeduid, waarmee de mensehen in onzen tijd zijn behept. Evenals de woorden vrijheid, ideaal, vooruitgang, die bepaalde begrippen schijnen uitte-drukken, in werkelijkheid maar klanken zijn, zoo zegt ook fin-de-siècle op zich zelf niets en krijgt een verschillende beteekenis , naargelang van de onderscheidene ideeën en voorstellingen van hen, die het gebruiken.
Om zoo duidelijk mogelijk aan te geven , wat men onder fin-de-siècle verstaat, willen we eeuige voorbeelden beschouwen van gevallen , waarop dit woord is toegepast.
Een koning doet afstand van do regeering; hij verlaat zijn land en gaat in Parijs wonen. Hij heeft zich echter nog enkele staatkundige rechten verzekerd. Op zekeren dag verliest hij met spelen een massa geld en raakt in het nauw. Nu sluit hij met de regeering van zijn land een overeenkomst, waarbij hij tegen betaling van een millioen franc voor altijd afstand doet van al zijno titels, waardigheden en rechten. Een fin-de-siècle-koning.
Een bisschop wordt wegens beleediging van den minister
5
van eeredienst gerechtelijk vervolgd. Bij de eindbehande-ling der zaak laat lnj door zijne domheeren, die hem vergezellen , in de gerechtszaal verschillende exemplaren van zijne verdedigingsrede aan de journalisten uitdealen. JNa zijne veroordeeling tot een geldboete houdt Lij eene openbare voordracht, die hem meer dan iiet tienvoud dei-geldboete opbrengt. ILj geeft reclame-brochures uit, waarin alle hem toegebrachte betuigingen van sympathie zijn opgenomen. Jlij reist het land rond, stelt zich in al de hoofdkerken voor het publiek, dat benieuwd is die beroemdheid van den dag te zien , ten toon en laat bij die gelegenheden ijverig met het collceteer-zakje rondgaan. Een fin-de-siècle-bisschop.
De moordenaar Pranzini wordt na zijne terechtstellins1
O
in de zaal der anatomie gebracht. Do chef van de geheime politie snijdt een groot stuk van de huid van het lijf af, laat het behoorlijk looien en laat er dan voor zich en voor eenige vrienden sigarenkokers en visiteboekjes van maken. Een fin-de-siècle-ambtenaar.
Een Amerikaan en zijne bruid laten zich trouwen in een gasfabriek, waar eeu groote luchtballon , geheel gevuld , voor anker ligt. Terstond na afloop van de plechtigheid neemt hij met zijne vrouw plaats in den ballon en maakt ziju huwelijksreisje door de wolken. Een fin-de-siècle-bruiloft.
Een attaché van de Chineesche legatie geeft onder zijn naam interessante geschriften uit in de Fransche taal. Hij onderhandelt met bankiers over een groote leeuing van zijne regeering en neemt hierop alvast hooge geldsommen in voorschot op. Later blijkt het, dat de geschriften door zijn Eranschen secretaris zijn samengesteld en dat hij de bankiers bij den neus heeft gehad. Een fin-de-siècle-diplo-maat.
6
Een gymnasiast gaat mot een makker voorbij do gevangenis, waarin zijn vader, een rijk bankier, herhaaldelijk wegens bedriegelijko bankbreuk, verduistering van gelden en dergelijke handelingen, lieofr gezeten. Op het gebouw wijzend, zegt de knaap glimlachend tot zijn vriendje: âKijk, daar heb je nu 't gymnasium van papa.quot; Een fin-de-siècle-zoon.
Twee jonge dames van goede familie, kostschoolvriendinnen , zitten met elkaar te keuvelen. De ocne slaakt een zucht. âWat scheelt er aan?quot; vraagt de andere. âIk heb veel verdriet,quot; luidt het antwoord. âHoe zou?quot; âIk houd zooveel van Raoul en luj bemint mij.quot; âO, maar dat is heerlijk,quot; zegt de andere, âhij is jong, mooi, elegant â en daarover beu je bedroefd ?quot; âJa, maar hij is niets en hij heeft niets, en nu willen mijne ouders dat ik met dien baron zal trouwen , een kerel, die schatrijk is, maar leclijk, d:k en kaal.quot; âWat ben je toch een gansje,quot; zegt de andere, âtrouw met den baron eu ontvang Raoul bij je aan huis.quot; Een fin-de-siècle-dame.
Uit deze voorbeelden, die ontleend zijn aan Frausche dagbladen en boeken van de twee laatste jaren, kan men zien hoe het bedoelde woord in zijn geboorteland wordt opgevat. Door de naaapers van de Panjsche mode wordt fi n-de-s i è c 1 e gewoonlijk in den zin van ontuchtig en gemeen gebruikt, 't geen even verkeerd is, als de betee-kenis, die doorgaans aan de uitdrukking demi-monde wordt gehecht. Terwijl men daarmee toch in 't algemeen vrouwen van licht allooi wil aanduiden, heeft Dunas, die dit woord in de wereld hoeft gebracht, daaronder in 't algemeen personen willen verstaan, in wier leven iets duisters is, waarvan men vreemde dingen vertelt, tengevolge waarvan zij buiten den maatschappelijken kring worden gesloten, waartoe zij door hunne ontwikkeling en
opvoeding feitelijk behoorden, terwijl zij tegenover den oningewijde zicli nog altijd blijven voordoen, alsof zij nog in hun vroegeren kring worden meegeteld.
JSTu schijnt er op het eerste gezicht weinig verband te bestaan tusschen een koning, die zijne rechten en aanspraken voor een aardig sommetje verschachert en een jonggehuwd paar, die hun bruiloftsreisje in een luchtballon maken; of tusschen een bisschop , die als ecu Barnuni rondtrekt, en een welopgevoed diniet;e, dat haar vriendin ia ernst eou mariage-de-raison aanraadt, dat dragelijk gemaakt moet worden door de bezoeken van een hinsvriend. En toch komen deze verschillende gevallen in één hoofdzaak overeen, namelijk in de miskenning en geringschatting van onze oudvadcrlijke begrippen van fatsoen en zedelijkheid. liet overboord gooien van die begrippen en gevoelens, die tot helen toe de zedelijke wereld bohcersch-ten , dat is de hoofdgedachte, die in liet woord fin-de-siècle ligt opgesloten. Voor den wellusteling beteckent dit do meesc ongebonden verdierhjking, de volkomen invrijheidstelling van het mensch-beest; voor tien nuchtcien egoïst het verachten van alle gevoel voor zijn nevemuensch, het wegnemen van alle grenzen, waarbinnen de zucht naar gold en naar genot bleven beperkt; voor den wereldverachter liet onbeschaamd optreden van de lagere neigingen en driften, die men tot heden deugdzaam wist te onderdrukken of huichelend trachtte te verbergen ; voor den goloovige het afschudden van alle dogma's, het loochenen der bovenzinnelijke wereld; voor den fijngevoelige, de dorst naar aesthetische zenuwtrillingen, het verdwijnen van het ideaal in de kunst en de onmogelijkheid , omdoolde oude kunstvormen nog emoties op te wekken ; ten slotte voor allen het einde van een wereldorde, die duizenden jaren lang de logica heeft bevredigd, het verdorvcne heeft
8
beteugeld en in alle kunsten liet sclioone lieeft doen rijpen.
Een hoofdstuk van de geschiedenis der mensehheid schijnt onmiskenbaar afgespeeld, en een ander kondigt zich aan. Er loopt een gapende kloof door alles wat van vroeger is , en de dag van morgen schijnt zich niet aan den d ig van heden te willen aanknoopen. Het bestaande wankelt op zijne grondvesten, het ploft neer en men laat liet vallen, omdat men er genoeg van heeft en omdat men niet gelooft, dat zijn behoud nog een enkele poging waard is. Do meeningen , die tot nu toe hebben gelieerscht, zijn dood en worden als onttroonde vorsten verjaagd ; aanmatigende nakomelingen worstelen om de nalatenschap, waarop zij recht nieenen te hebben. Inmiddels heerscht de tusschenregeering met al hare verschrikkingen : overal verwarring in. het gezag; de menigte, in den steek gelaten door hunne leiders, is ten einde raad ; alom willekeur van de sterkeren, liet optreden van valsche profeten en van bewindvoerders, die een kort bestaan hebben , maar daarom ook des te tyrannieker zijn. Met een vurig verlangen ziet men uit naar het nieuwe, dat komen zal, zonder in de verste verte te vermoeden uit welke richting dat te verwachten is en wat het zijn zol. In deze warreling van gedachten verwacht men van de kunst openbaringen over den toestand, die uit dezen chaos zal geboren worden. Ue dichter, de musicus moet verkondigen, raden of althans doen vermoeden, in welken vorm de ontwikkeling verder zal voortschrijden. Wat zal morgen zedelijk, wat zal schoon genoemd worden? Wat zal men morgen weten of gelooven, waarvoor zal er geestdrift bestaan, wat zal er te genieten zijn? Zoo klinken de duizenden vragende stemmen, en waar zich maar een kwalzalver opdoet, die beweert een antwoord te kunnen geven, of een dwaas of een bedrieger, die eensklaps in verzen of
9
in proza , in klanken of kleuren begint te profeteeron of die voorwendt, zijn kunst op een andere manier te beoefenen dan zijne voorgangers, daar heeft liij plotseling een machtigen toeloop. De lieden, die zich o;u hom verdringen, zoeken uit zijne scheppingen oen zin vol beteekenis op te maken, zooals men vroeger de orakelspreuken der Pythia trachtte te ontcijferen; en hoe dwazer en onbeduidender die uitingen zijn , met des te meer hartstochtelijken ijver legt men er zicli op toe , om die zoogenaamde openbaringen te verklaren en er een toekomst aan te verbinden.
Ziedaar het tafereel dat liet monsehengewemel in het roode licht dor volkenschemcruiquot;- aanbiedt. De wolkje-
O O
vaarten aan den hemel worden getint door dien veront-rustend-schoonen gloed, die na de uitbarsting van Ivraka-tau nog jaren lang werd waargenomen. Over de aarde kruipen schaduwen, die, al breeder en donkerder vtordend , de verschijnselen hullen in een geheimzinnig duister, dat alle zekerheid verbant en aan de opgezweepte verbeelding vrij spel laat. De vormen verliezen hunne omtrekken eu lossen zich op in nevelen. De dag neigt ton einde en maakt plaats voor den nacht. Angstig zien de ouden van d.igen hom te gemoet, want zij vreezen, dat zij het einde niet zullen beleven. Enkele jongeren en sterken voelen in hunne aderen do levenskracht stroomen en verheugen zich op den zonsopgang. In die uren der duisternis droomt de ecu van troostelooze herinneringen, de andere van hoogmoedige verwachtingen âdroomen, die hun oorsprong vinden in de kunstmatige voortbrengselen van onzen tijd.
Het is hier de plaats, om te waarschuwen tegen een misverstand. De groote meerderheid van de middel- en lagere standen is natuurlijk niet fin-de-siècle. quot;Wel is waar woelt die stemming tot in de onderste lagen der maatschappij, maar die groote drang naar het nieuwe,
10
naar andere aesthetische en zedelijke behoeften, is daar niet waar te nemen. De gewone burgerman, wanneer liij althans weet, dat hij buiten het bereik is van de honende blikken der modepoppen en zich vrij aan zijne neigingen kan overgeven, vindt nog altijd een voldoende bevrediging, een ongemengd genot iu do ouderwetsche kunst- en dichtvormen. Hij leest liever Ohnet dan de symbolisten , en hij geeft verre de voorkeur aan Mgcagni's Cavalleria liusti-cana boven de kunstuitingen van Wagner en van allo Wagïer-discipelen ; hij amusoert zich nog kostelijk , als hij een kluchtspel gaat zien, waar duchtig klappen worden uitgedeeld, of met de grappen van een café-chantant, en hij verveelt zich gruwelijk bij Ibsen; voor bontgekleurde oleografieën on wandplaten in bierhuizen blijft hij in verrukking staan, terwijl de produkten der impressionistische kunst hem totaal koud laten. Het is maar een kleine minderheid, die oprechte bewondering scheukt aan de produkten der nieuwe kunst, en deze voor de toekomst als de eenig ware en opbouwende beschouwt. Maar deze minderheid bezit de gave, om geheel de zichtbare oppervlakte van het publiek in te nemen, evenals een kleine iioe-veellieid olie in staat is, in breede uitspreiding den wijden waterspiegel te overdekken. Zij bestaat voor het meerendeel uit rijke en voorname lui, of uit dwepers, die ouder dwaze en oppervlakkige menschen den toon aangeven en zwakke , onzelfstandige lieden weten te overbluffen. Op die manier is er een huichelachtig ploertendom ontstaan, dat voorwendt dezelfde richting te zijn toegedaan als do excentrieke minderheid , die met de diepste minachting neerziet op alles, wat vroeger voor goed en schoon werd gehouden. Zoodoende zou men in den waan kunnen verkeeren, dat geheel het beschaafd publiek ware bekeerd tot de schoonheidsleer der volkeusche-mering.
II.
KENTEEKENEN.
quot;\Vat merken we op, wanneer wij eens een kijkje nemen op de boulevards van de hoofdsteden in Europa, op de wandelwegen der eerste badplaatsen of op de soirees bij voorname lui, en ons oog laten gaan over do menschen , die zich daar vertoonen?
Do eene vrouw draagt hot haar naar achteren los-han-gend, evenals de Maddalena Doni van Rafael, de andere draagt het hoog-krullend naar boven, als Julia, de dochter van Titus of als Plotina, de gemalin van Trajanus op de busten in het Louvre ; weer een derde heeft het van voren kort afgesneden , lang-golvend langs de slapen en in den nek , gekroesd of luchtig opgepoft volgens de mode van de vijftiende eeuw, zooals men liet bij Crentile Belliui, bij Botticelli, bij Mantegna aan do koppen van pages en jonge ridders aantreft. Velen hebben het haar geverfd en wel zoo, dat het door zijn tegenstelling met het uiterlijk en met het geheele toilet sterk in het oog loopt. Hier treffen wij eeue vrouw aan met donkere gelaatskleur en zwarte oogen , die de natuur wil verschalken, door haar donkergetint gelaat te omlijsten met een koperrood ot
12
goudgeel; daar zien we eeue blondine met blauwe oogeu en rozen op de wangen, die haar lichtkleurig gelaat scherp doet afsteken bij kunstmatig-zvvartblauwe lokken. Deze bedekt haar hoofd met een ontzaglijk breeden, groo-ten vilten hoed, die door den aan de achterzijde opgeslagen rand en door zijne versiering met pluche bollen dui-d cl ijk aan den sombrero van de Spaansche stierenvechters herinnert; gene heoft een smaragdgroene of robijnroode baret opgezet, in navolging van de reizende scholieren uit de middeleeuwen. Het geheele toilet is voor 't overige in overeenstemming met het excentrieke van den haartooi en het model van hoeden. Hier zien we een manteltje, dat tot aan het middel reikt, aan een zijde gespleten, de borst drapeerend als een schuifgordijn, en vorder aan den zoom ijazet met kleine bolletjes, waarvan het aanhoudend geklepper een zenuwachtig toeschouwer in den kortst mo-golijken tijd moet hypnotiseeren of op de vlucht jagen.; daar een Griekschen Peplos, met wiens naam do modiste al even vertrouwd is geworden als een eerbare beoefenaar der klassieke talen; naast het stijve staatsiekleed van een iEaria de Medicis en den hoogen kraag van Maria Stuart, liet golvende witte gewaad van een engel op de schilderijen van Memling, en als grootste tegenstelling daarvan een caricatuur van mannelijke kleederdracht: een nauwsluitende lakensche rok, van voren met wijdgeopende omslagen , vest, gesteven overhemd, kleine staande halsboord e:i das. Het toilet van de groote meerderheid , die zich niet op den voorgrond wil stellen en het opzichtige vermijdt, bestaat doorgaans in een pijnlijk JJoccoco met verwarrende sïhuinc lijnen, ongemotiveerde iunjgingen of uitsteeksels, poffen en opzwellingen, plooien zonder begin of einde, waarin alle lijnen en omtrekken van het menschelijk lichaam verdwijnen, en waardoor de vrouw gaat gelijken
13
op een dier uit de Openbaring, of op een leunstoel , een Tryptichon of op een of ander staatsiepoppetje.
Eu naast die opgedrilde moeders wandelen de kinderen als belichaming van oen der ellendigste dwalingen, waartoe ooit de ziekelijke inbeelding van een beklagenswaardige ou le vrijster is vervallen. Die ongelukkige stumpers zijn do levend geworden afbeeldingen van die onuitstaanbare Kate Greenaway, die, daar zij door haar oudevrijsterstaat de moedervreugde heeft moeten ontberen, nu een soort van bevrediging zoekt in allerakeligst opgeschroefde teskeningen , die kinderen voorstellen in de be-laclielij kste kleederdrachten â in alle opzichten een ontheiliging' en bespotting der lieve jeugd.
Daar zien wij een dreumes van 't hoofd tot de voeten gestoken in het bloedroode pakje van een beul uit do middeleeuwen ; hier een vierjarig meisje met een grooton hoed , die aan den tijd van haar overgrootmoeder herinnert, en omhangen met ecu fluweelen staatsiemantel van schreeuwende kleur; weer een andere stumper, die zich nog op z'n bost op do beentjes kan staande houden, draagt oen japon met een langen sloep, pofuiouwen, oen kort lijf, langen schoot, hoogen gordel, enz.
Wat de mannen betreft, misschien Liten dezen, uit vrees van zich in do oogen van den burgerman belachelijk to maken of door een laatste greintje van gezonden smaak, zich van al te overdreven opschik terughouden ; behalve enkelen, die, in oen rooden rok mot vergulde knoopen gestoken, met korte broek en zijden kousen en gewapend met een monocle, do kunstenmakers van een honden-en-apen-spel schijnen te willen evenaren, dragen zij weinig, dat van de algemeen in zwang zijnde mannelijke kleed ij afwijkt. Daarentegen maken zij ontzaglijk veel werk va:i haar- eu baardvorm: de een vertoont zich met korte
14
lokjes eu met den gekrulden tweepimtigen baard van een Lucius Veras; een ander draagt het haar aan weerszijden lang, afhangend, niet een breede scheiding in 't midden, en doet met zijn sober kneveltje, waarvan do haartjes zijn opgestreken als de snorharen van een kat, onwillekeurig deuken aan een Japansclien kakemono ; weer anderen laten hun baard groeien a Henri IV, of naar het model van den schutter in âDe Xaehtwachtquot; van J{om-braudt, enz.
^ a,r is ten slotte het algemeeno karakter van al deze zonderlinge vertooningen ? Dat een ieder wat wil schijnen, dat hij niet is. Zij stellen er zich niet mee tevreden, zich in hun natuurlijk uiterlijk voor te doen of door middel van een gepaste kleeding luui individueel type te volmaken, maar zij trachten een of ander kunst-type na te bootsen, dat doorgaans in hoegenaamd geen betrekking staat tot hun uiterlijk voorkomen, ja dikwijls daarmee geheel in strijd is. (tp die manier ziet men hoofden op schouders zitten, waarop zjj niet beliooren ; kleederdrach-ten, tusschen wier bestanddeelen hoegenaamd geen logische verhouding bestaat, kleurenverbindingen, die zoo maar op goed geluk af schijnen bijeengebracht te zijn. Men waant zich op een maskerade, waar iedereen verkleed en behoorlijk gegrimeerd rondwandelt. Lij sommige gelegenheden , zooals op de veimsdagen van het Parijsche Salon quot;wm hei (Jhamps-de-Mars of bij de opening van de schilderijententoonstelling van de Royal Academy te Londen, kan doxo indruk zoo onrustbarend overweldigend worden , dat men meent onder allerlei gemaskerde poppen rond te wandelen, die in een fabelachtig lijkenhuis uit stukken uiu lichamen op goed geluk af werden samengelapt; koppen, rompen, ledematen, die maar voorluuiden waren, alles door elkaar gesmeten en bekleed met de eerste-de-
15
beste kleedingstukken, uit de onderscheidene historische tijden ou uit alle werelddeelen bijeengeraapt, 't Is of het eenige streven is, om door opzichtigheid zooveel mogelijk iu 't oog te vallen, indruk te maken; ot' men alleen een krachtige zenuwprikkeling wil to weeg brengen, om 't even of die aangenaam of onaangenaam zij.
Laat ons dien gemaskerden troep eens volgen naar hunne woningen. Deze ziju tegelijk theaterversieringen, rommelkamers , musea en uitdragerswinkels. De werkkamer van het hoofd van 't gezin is een gothische ridderzaal met harnassen, schilden en banieren langs de wanden, of gelijkt op een oostersche bazar met Turksche tapijten, Perzische pijpen en doozen en voorwerpen van Indisch lakwerk. Naast den schoorsteenspiegel grijnzen de lee-lijke of bespottelijke gezichten van een paar Japansche maskers. Tusschen de vensters zijn wapenrekken aangebracht , waarin sabels, dolken , strijdkolven en ouder-wetsche pistolen. Het daglicht dringt als door een ril ter door geschilderde glasruiten, waarop uitgemergelde heiligen in waanzinnige aanbidding zijn afgebeeld. In het salon zijn de wanden bedekt niet wormstekige gobelins , wier kleuren twee honderd jaar lang door de zon (of misschien ook door een handig aangebracht chemisch preparaat) zijn verbleekt; of behangen met Morrissche tapijten , waarop vreemdsoortige vogels fladderen door de verwarde takken en groote schitterende bloemen koket-teeren mot ij dele vlinders. Tusschen leunstoelen en canapés, zooals de verwende lichamen onzer tijdgenooten die verlangen , staan renaissance-stoeltjes, wier schelp- of hartvormige zittingen nog op z'n hoogst de verharde partes posteriores van ruwe tournooihelden tot plaats nemen zouden uitnoodigen. Een vergulde en beschilderde draagstoel biedt in gezelschap van pronk kastjes , een chinccsch
16
tafeltje en een ingelegde (laiucs-sch rijf tafel in lieftalligen roccoco-strjl, een verrassend schou wspel aan. In alle kasten en op alle tafeltjes vindt men kleinere en grootere, doorgaans onechte, antiquitaiten en galanteriewaren: een Tanagra-Hguurtje naast een doos van doorschijnenden bitter-steen, een Linioges-plaat naast een Perzische messingen schenkkan , een bonbondoos naast een gebedenboek met snijwerk van ivoor op den band en een snuiter van geciseleerd koper. Op schildersezels, met fluweel behangen, staan schilderijen , waarvan de opzichtige omlijsting, bijv. een spin i:i haar net, een bundel distels van metaal en dergelij ken, bijzonder de aandacht trekt. In een hoek ziet men in een soort van tempeltje een neergehnrkten of rechtopstaan-den Boeddha. Het boudoir van de huisvrouw gelijkt op een kapel en ook wel een weinig op het vertrek van een harem. De toilettafel is versierd als een altaar, een bal-stoeltje staat ons borg voor de vroomheid der bewoonster, terwijl een breede divan met een daarop rondslingerend kussen ons tegelijkertijd waarschuwt, dat wij 't toch met die vroomheid niet al te nauw moeten nemen. In de eetzaal zijn de wanden behangen met den geheelen voorraad van een porseleinwinkel; op een ouderwetsch buffet staat kostbaar zilverwerk te pronk, op de tafel bloeien aristocratische orchideën en prijkt een prachtig zilveren middenstuk tusscheu de antieke landelijke aarden borden en schotels. liet licht, dat in deze vertrekken van de hooghangende lampen uitstraalt, wordt door roode, gele of groene kappen. van de meest opzichtige vormen en voorzien van kostbaar kantwerk, tegelijk gedempt en gekleurd , zoodat de menschen, waarop dat licht valt, zich in een bontgekleurden doorzichtigen nevel schijnen te baden, terwijl kunstige halfschaduwen de hoeken en den achtergrond van liet vertrek in een geheimzinnig duister
17
hullen ; do inoubels , de mcnschen, alles wat zieh in de kamer bevindt, wordt op die wijze als 't ware overdekt met een kunstmatig blanketsel, alles is even onnatuurlijk, tot zelfs da bestudeerde houdingen der personen , op wier gezichten de lichteffecten van een Rembrandt of Schalken worden getooverd. Het is of men 't er op heeft aangelegd o.n door alles, wat hier voorhanden is, de zenuwen te prikkelen , de zinnen te verwarren, en door die schrille contrasten tusschen vorm en doel van de meeste voorwerpen to overbluffen. Het rustige, behagelijke gevoel, dat men ondervindt in een kalme omgeving, waar men met gemak alles kan overzien, kan hier onmogelijk tot stand komen; wie hier binnentreedt, moet vibreeren. Wanneer do heer dos huizes volgens het voorbeeld van U.ilzac in deze vertrekken in een wit monniksgewaad , of in navolging van Richepin in den rooden mantel van een rooverlioofdman rondwandelt, dan drukt hij daardoor de erkenning uit dat bij deze komedie voorstelling ook een hansworst behoort. Alles is hier ongelijksoortig, schijnt zonder keus of oordeel dooreengerommeld ; de eenvormigheid van een bepaalden historischen stijl geldt voor ouder-wetsch , voor provinciaal-burgerlijk. Een eigen keumerkenden stijl heeft deze tijd nog niet opgeleverd. Het is mogelijk dat de stijl der meubelen van Carabin, die in het Salon van hot Champ-de-Mars waren tentoongesteld, tot zoo iets zouden kunnen leiden. Maar toch kan men in die trapleuningen, langs welke naakte furiën en bezetenen zich als razend naar beneden wringen; in die boekenplanken , waarbij een stapel van afgesneden hoofden van ongelukkigen als draagstuk moet dienen; zelfs in die tafel, die een reusachtig boek voorstelt, door aardgeesten gedragen , niets anders zien dan een stijl voor koortslijders en verdoemden. quot;Wanneer de hoofdopzichter van Dante's Nordau , Ontaarding. 2
18
hel er eon ontvangkamer op na houdt, dan kan die in zoodanigen stijl gemeubeld zijn.
Wij hebben gezien hoe het beschaafde publiek zich kleedt en hoe het woont. AVij willen nu eens nagaan hoe het zich vermaakt, waar het ontspanning en verstrooiing zoekt. Op een tentoonstelling van schilderijen verdringt men zich onder zichte uitroepen van bewondering voor de vrouwen van Benard, die grasgroene haren, zwavelgele of vuurroole gezichten en violette of rosé-gevlekte armen hebben, terwijl zij gehuld zijn in een lichtende blauwe wolk, die ongeveer deu vorm heeft van een cham-ber-cloak. Men schijnt dus bijzonder gesteld op een stout revolutionnair zwelgen in kleuren ? Ja, maar toch niet uitsluitend. Want na Besnard schenkt men diezelfde bewonderende aandacht aan een verbleekten, als door een h ilf doorzichtige pleisterlaag bedektenPuvisdeChavanr.es, aan een door een raadselachtigen nevel omhulden en als door wierookdamp bewalmden Carrière, of aan een Roll, wegtrillend in een zilveren schemerschijn. Al die vale, wazige tinten , zooals bijv. de volgers van Manet de ge-heele zichtbare schepping dompelen in een violetkleurig tooverlicht, of zooals de vergane en uitgedoofde , als uit een graf ie voorschijn gehaalde, kleurspooksels der Ar-chaïsten , trekken in 't algemeen nog meer dwepende oogen tot zich dan de weelderige schelle kleuren van Besnard. at het beeld eigenlijk moet voorstellen, daarom bekommeren deze uitverkorene toeschouwers zich doorgaans heel weinig; natuurlijk dat alleen boeren en naaisters, het d.mk-baar bewonderend publiek van oleografieën, vragen âwat het beteekent.quot; En toch leggen die verfijnde kunstbewonderaars eene groote voorliefde aan den dag voor het stuk van Henri Martin : âEen iegeljjk heeft zijn hersenschimquot;, waarop verwrongen menschelijke gestalten in een geel
19
sappig waas allerlei onbegrijpelijks uitvoeren, wat eerst door een zeer diepzinnige verklaring kan worden opgehelderd ; of voor Joan Bérauds's; âChristus en de overspelige vrouwquot;, waar in een cabinet particulier van een Fransch restaurant, waar zicli een dame in baltoilet in gezelschap van eenige gerokte lieeren bevindt, een werkelijke Christusfiguur in oostersche kleederdracht, met den orthodoxen lichtkrans om het hoofd, binnentreedt. Inderdaad, wie in liet vaarwater van voorname kunstkenners door een tentoonstelling van nieuwe kunst heen boegseert, zal steeds ervaren dat zij de oogen verdraaien en de handen vouwen voor schilderijen , waarbij gewone monschen in een uitbundig lachen uitbreken of duidelijk te kennen geven, dat zij meenen dat de schilder hen in 't ootje wil nomen ; terwijl de eerstgenoemden schouderophalend en met een verachtehjken blik zich juist daar voorbijspoeden, wa.ar do laatsten dankbaar genietend een oogenblik blijven stilstaan.
In de opera- en concertzaal oefenen de melodische vormen der oudere composities weinig aantrekking uit. De doorzichtigheid en klaarheid van den thematischen arbeid der klassieke meesters, hun streng vasthouden aan de wetten van het contrapunt geldt voor gewoon en vervelend. Bij een langzaam uitgaand of een helder klinkend slot, bij een orgelpunt met breede harmonie zit men te geeuwen. Het applaus en de kransen worden bewaard voor Wagner's Tristan en Isolde, zijn âmystiekenquot; Parsival, de kerkmuziek in Bruneau's âDroomquot; en voor de sym-phoniëen van Cesar Franck. Wil muziek in den smaak vallen, dan moet 'zij godsdienstige aandacht huichelen , of door haren vorm de menschen van hun stuk brengen. Een muzikaal toehoorder zal altijd onwillekeurig het motief, dat in de compositie optreedt, in zijne eigen gedachten eea
quot;weinig oat wikkelen. Nu behoort tegenwoordig de wijze, waarop de toondichter zijn motief doorvoert, geheel en al af te wijken van die voorgevoelde ontwikkeling. Deze mag in de verste verte niet geraden kunnen worden. Het publiek moet kunnen zeggen: hé! hoe vreemd, hoe verrassend, hoe bizarre! De toonaarden en de hoogteliggingen moeten plotseling veranderen ; waar uien een consonant verwachtte 7 moet een dissonant optreden. In het orkest moet een ingewikkelde polyphonic de aandacht naar vier, vijt zijden tegelijk in beslag nemen; enkele instrumenten of instru-mentgroepen moeten, zonder zich aan elkaar te storen, tegelijk tot den toehoorder spreken, totdat hij in den zenuw-achtigen toestand geraakt van iemand, die te vergeefs tracht, om uit een dozijn door elkaar kakelende stemmen enkele woorden op te vangen. Het thema, dat in den aanvang een duidelijk, sprekend karakter kan hebben, moet hoe langer hoe onbepaalder worden ; langzaam moet het vervagen , tot het zich ton slotte in een nevel oplost, waarin de verbeeldingskracht als in jagende wolken aan den nachtelijken hemel alle mogelijke vormen kan zien, die zij wil; in. chromatisch stijgende en dalende eindelooze triolengangen moet de stroom der harmonie zonder waarneembare grenzen of zonder eenige kennelijke bedoeling zich voortbewegen; en de in dien stroom meedrijvende toehoorder , die met smachtend verlangen uitziet naar land, komt bijna altijd bedrogen uit, als hij ontwaart, dat het beloofde land niet meer was dan een vervloeiende luchtspiegeling. De muziek moet onophoudelijk beloven , zjndei iets te vervullen; zij moet zich voordoen, alsof zij een groot geheim wilde openbaren, maar op hetzelfde oogen-blik, waarop met een kloppend hart wordt gewacht op het groote woord, moet zij zwijgen en verstommen. De toehoorder zoekt in de concertzaal rechte lantalus-stem-
21
ïiiingen en gaat naar huis in een toestand van zenuwuitputting, gelijkstaande met die van een minnaar, die bi, het nachtelijke rendez-vous uren lang met zijn geliefde door een dichtgetralied venster heeft trachten te keuvelen.
De boeken , waarin het hier geschilderde publiek zich verlustigt, verspreiden een eigenaardigen geur van wierook en eau de Lubin, nu en dan vermengd met een vies luchtje. Want met de geuren van den beerput alleen richt men niet veel meer uit: de periode toch , waarin de slijkprodukten van Zola en zijne volgelingen de hoogste bewondering konden opwekken, is zoo goed als voorbij. De troep, die aan de spits der geestesontwikkeling voort-marcheert , heeft zich van den poel van het krasse naturalisme afgewend en toont hare belangstelling eerst dan, wanneer de geuren van 't boudoir of van de sacristie de zenuwen komen kittelen. De zinnelijkheid wordt tegenwoordig eerst dan voor echt en waar aangezien, wanneer zij optreedt in den vorm van tegennatuurlijkheid en van ontaarding. Alles wat klaar en recht op den man af is, de ruwe schildering der geslachtsdriften incluis, noemt men laf, onbeduidend, verouderd. Wil een boek in de mode komen, dan moet het in do eerste plaats duister zijn. Het verstaanbare en begrijpelijke is nog alleen goed voor den burgerman en het keukenpubliek. De schrijver behoort een zalvenden preektoon aan te slaan en op gewaagde passages de meest sentimenteele uitingen van liefde of de vurigste ontboezemingen van godsdienstige geloovigheid te laten volgen. Bijzonder in den smaak vallen de spookgeschiedenissen , die echter in een wetenschappelijk pakje moeten gestoken zijn, dat den naam draagt van hypnotisme, telepathie of sonnambulisme; poppenspelen, waarin men de naïef voorgestelde, maar in werkelijkheid de meest doortrapte, schavuiten allerlei
22
kinderachtigen onzin laat uitkramen , of esoterische romans, waarin de schrijver duidelijk te kennen geeft dat hij over Magie, Kabbala, Astrologie en over het Fakirisme veel zou kunnen vertellen, als hij maar wilde. Men zoekt bedwelming in het nevelachtig woordenspel van symbolische gedichten, Goethe wordt door Ibsen van den troon ge-stooten , Maeterlinck wordt naast Shakespeare geplaatst, Nietzsche wordt door üuitsche en zelfs door Fransche critici do eerste Duitsche schrijver van den tegenwoordigen tijd genoemd ; âde Ivrcutzersonatequot; is de bijbel geworden van dames, die hare aanbidders bij dozijnen kunnen tellen en fijne heefen vinden de straatliedjes van Jouy, Bruant, Max Xab en Xanroff âtrès-distinguéquot;, uit hoofde van het warme medegevoel, dat door die liederen stroomt (sic); terwijl eindelijk de meest wereldsche individuen, die alleen gelooven aan Baccarat en aan do Beurs, opgaan naar de Passiespelen van Oberammergau en zich de oogen afdrogen, wanneer zij Verlaine de Heilige Maagd hooien aanroepen.
Maar al die tentoonstellingen, concerten, theaters en boeken, al geven zij ook het meest excentrieke, zij bevredigen de aesthetische behoeften van het fijne publiek toch nog lang niet in voldoende mate. Dit haakt naar nog intensiever prikkels en tracht die te vinden in voorstellingen , waarin verschillende kunsten door eene eigenaardige combinatie op alle zinnen tegelijk trachten te werken. Dichters en kunstenaars streven er onophoudelijk naar aan dezen drang te voldoen. Een schilder, wien het minder om nieuwe impressies dan wel om een flinke reclame te doen is, stelt zij ne schilderij , dat op vrij gebrekkige wijze den stervenden Mozart voorstelt, arbeidend aan zijn Requiem , 's avonds ten toon in een zaal, die in een dof schemerlicht is gehuld, terwijl een verblindende
23
straal olocfcrisch licht op het schilderij valt e n een onzichtbaar orkest heel zachtjes hot Requiem speelt. Een musicus gaat nog een stap verder. De Bayreuther-gedachte tot de uiterste consequentie ontwikkelend , geeft hjj een concert in een stikdonkere zaal, en stelt zoodoende de toehoorders in do gelegenheid, om hunne muzikale opwinding nog door emoties van anderen aard op de meest aangename wijze te verhoogen. De dichter Haraucourt laat op het tooneel door Sara Bernhardt eene omschrijving van het Evangelie in gezwollen versregels declameeren, waarbij een zachte muziek op echt melodramatische wijze deze woorden begeleidt. Terwijl tut dusver de neus door de schoonc kunsten op snoode wijze werd miskend, wordt nu ook deze door de baanbrekers tot deelneming aan de aesthetische genietingen uitgenoodigd. In hot theater wordt een fontein geplaatst, door middel waarvan men onophoudelijk de ruimte, waarin de toeschouwers hebben plaats genomen, met reukwater besproeit. Op hot tooueel wordt een gedicht gereciteerd van min of meer dramatischen vorm. Het eigenaardige van dit gedicht is, dat elk hoofdstuk, of elk tafereel, zooals men hot noemen wil, gekarakteriseerd is door een bepaalde klinkletter, die tallooze malen wordt herhaald. Xu wordt bij elke verandering van tooneel het theater ook door een ander licht beschenen , de toonaard, waarin liet orkest speelt, wordt mede veranderd en ook de geuren uit de fontein wisselen gestadig. In der tijd heeft Ernst Eckstein eens een dergelijke parfum-begeleiding van een gedicht voor de aardigheid voorgesteld; in Parijs heeft men dit dolle denkbeeld verwezenlijkt. De jongeren halen de poppenkast uit de kinderkamer te voorschijn om daarmee vertooningen voor volwassenen te geven , welke voorstellingen in een kunstmatig kinderlijken toon een zoogenaamden diepen zin bevatten of verbergen. Ook de
20
weinig oat wikkelen, behoort tegenwoordig de wijze,
waarop de toondichter zijn motief doorvoert, geheel en al af te wijken van die voorgevoelde ontwikkeling. l)eze mag in de verste verte niet geraden kunnen worden. Het publiek moet kunnen zeggen: hé! hoe vreemd, hoe verrassend, hoe bizarre! De toonaarden en de hoogteliggingen moeten plotseling veranderen; waar men een consonant verwachtte, moet een dissonant optreden. In het orkest moet een ingewikkelde polyphonic de aandacht naar vier, vijf zijden tegelijk in beslag nemen ; enkele instrumenten ot instru-mentgroepen moeten, zonder zich aan elkaar te storen, tegelijk tot den toehoorder spreken , totdat hij in den zenuw-achtigcn toestand geraakt van iemand, die te vergeefs tracht, om uit een dozijn door elkaar kakelende stemmen enkele woorden op te vangen, liet thema, dat in den aanvang een duidelijk, sprekend karakter kan hebben, moet hoe langer hoe onbepaalder worden ; langzaam moet het vervagen , tot het zich ton slotte in een nevel oplost, waarin de verbeeldingskracht als in jagende wolken aan den nachtelijken hemel alle mogelijke vormen kan zien, die zij wil ; in. chromatisch stijgende en dalende eindelooze triolengangen moet de stroom der harmonie zonder waarneembare grenzen of zonder eonige kennelijke bedoeling zich voortbewegen; en de in dien stroom meedrijvende toehoorder , die met smachtend verlangen uitziet naar land, komt bijna altijd bedrogen uit, als hij ontwaart, dat liet beloofde land niet meer was dan een vervlosiende luchtspiegeling. De muziek moet onophoudelijk beloven , zonder iets te vervullen; zij moet zich voordoen, alsof zij een groot geheim wilde openbaren, maar op hetzelfde oogen-blik, waarop met een kloppend hart wordt gewacht op het groote woord, moet zij zwijgen en verstommen. De toehoorder zoekt in de concertzaal rechte lantalus-stein-
21
luingen en gaat naar Ituia in een toestand van zenuwuitputting, gelijkstaande met die van een minnaar, die b.^ het nachtelijke rendez-vous uren lang met zijn geliefde door een diehtgetralied venster heeft trachten te keuvelen.
De boeken , waarin het hier geschilderde publiek zich verlustigt, verspreiden een eigenaardigen geur van wierook en eau de Lubin, nu en dan vermengd met een vies luchtje. Want met de geuren van den beerput alleen richt men niet veel meer uit: de periode toch, waarin de slijkprodukten van Zola en zijne volgelingen de hoogste bewondering konden opwekken, is zoo goed als voorbij. De troep, die aan de spits dor geestesontwikkeling voort-marcheert , heeft zich van den poel van liet krasse naturalisme afgewend en toont hare belangstelling eerst dan, wanneer de geuren van 't boudoir of van de sacristie de zenuwen komen kittelen. De zinnelijkheid wordt tegenwoordig eerst dan voor echt en waar aangezien , wanneer zij optreedt in don vorm van tegennatuurlijkheid en van ontaarding. Alles wat klaar en recht op den man af is, de ruwe schildering dor geslachtsdriften incluis, noemt men laf, onbeduidend, verouderd. Wil een boek in de mode komen , dan moet het in do eerste plaats duister zijn. Het verstaanbare en begrijpelijke is nog alleen goed voor den burgerman en het keukenpubliek. De schrijver behoort een zalvenden preektoon aan te slaan en op gewaagde passages de meest sentimenteele uitingen van liefde of de vurigste ontboezemingen van godsdienstige geloovigheid te laten volgen. Bijzonder in den smaak vallen de spookgeschiedenissen , die echter in een wetenschappelijk pakje moeten gestoken zijn, dat den naam draagt van hypnotisme, telepathie of sonnambulisme; poppenspelen, waarin men de naïef voorgestelde, maar in werkelijkheid de meest doortrapte, schavuiten allerlei
22
kiuderachtigen onzin la-at uitkramen , of esoterische romans, waarin de schrijver duidelijk te kennen geeft dat hij over Magie, Kabbala, Astrologie eu over het Fakirisme veel zou kunnen vertellen, als hij maar wilde. Men zoekt bedwelming in het nevelachtig woordenspel van symbolische gedichten, Groethe wordt door Ibsen van den troon ge-stooten, Maeterlinck wordt naast Shakespeare geplaatst, Nietzsche wordt door Duitsche en zelfs door Fransche critici de eerste Duitsche schrijver van den tegenwoordigen tijd genoemd ; âdc Krcutzersonatequot; is de bijbel geworden van dames, die hare aanbidders bij dozijnen kunnen tellen en fijne heeren vinden do straatliedjes van Jouy, Bruant, Max Xab en Xanroff âtrès-distinguéquot;, uit hoofde van het wanne medegevoel, dat door die liederen stroomt (sic); terwijl eindelijk de meest wereldsche individuen, die alleen gelooven aan Baccarat en aan do Beurs, opgaan naar de Passiespelen van Oberammergau en zich de oogen afdrogen, wanneer zij Verlaine de Heilige Maagd hooien aanroepen.
Maar al die tentoonstellingen, concerten, theaters en boeken , al geven zij ook het meest excentrieke, zij bevredigen de aesthetische behoeften van het fijne publiek toch nog lang niet iii voldoende mate. Dit haakt naar nog intensiever prikkels en tracht die te vinden in voorstellingen , waarin verschillende kunsten door eene eigenaardige combinatie op alle zinnen tegelijk trachten te werken. Dichters eu kunstenaars streven er onophoudehjk naar aan dezen drang te voldoen. Een schilder, wien het minder om nieuwe impressies dan wel om een fiinke reclame te doen is, stelt zijne schilderij, dat op vrij gebrekkige wijze den stervenden Mozart voorstelt, arbeidend aan zijn Requiem , 's avonds ten toon in een zaal, die in een dof schemerlicht is gehuld, terwijl een verblindende
23
straal electrisch licht op het schilderij valt en een onzichtbaar orkest heol zachtjes hot Requiem speelt. Een musicus gaat nog een stap verder. De Bayreuther-gedachte tot te uiterste consequentie ontwikkelend , geeft hij een concert in een stikdonkere zaal, en stelt zoodoende de toehoorders in de gelegenheid, om hunne muzikale opwinding nog door emoties van anderen aard op de moest aangename wijze te verhoogeu. De dichter Haraucourt laat op liet tooneel door Sara Bernhardt eene omschrijving van het Evangelie in gezwollen versregels declameeren, waarbij een zachte muziek op echt melodramatische wijze deze woorden begeleidt. Terwijl tut dusver de neus door do schoone kunsten op snoode wijze werd miskend, wordt nu ook deze door de baanbrekers tot deelneming aan de aesthetische genietingen uitgenoodigd. In het theater wordt een fontein geplaatst, door middel waarvan men onophoudelijk de ruimte, waarin de toeschouwers hebben plaats genomen , met reukwater besproeit. Op het tooneel wordt een gedicht gereciteerd van min of meer dramatischen vorm. Het eigenaardige van dit gedicht is, dat elk hoofdstuk, of elk tafereel, zooals men het noemen wil, gekarakteriseerd is door een bepaalde klinkletter, die tallooze malen wordt herhaald. Nu wordt bij elke verandering van tooneel het theater ook door een ander licht beschenen, de toonaard, waarin het orkest speelt, wordt mede veranderd en ook de geuren uit de fontein wisselen gestadig. In der tijd heeft Ernst Eckstein eens een dergelijke parfum-begeleiding van een gedicht voor de aardigheid voorgesteld; in Parijs heeft men dit dolle denkbeeld verwezenlijkt. De jongeren halen de poppenkast uit de kinderkamer te voorschijn om daarmee vertooningen voor volwassenen te geven , welke voorstellingen in een kunstmatig kinderlijken toon een zoogenaamden diepen zin bevatten of verbergen. Ook de
24
Chiueesche schiitmien worden niet gi-oofce vindingrijkheid tot een zekere volkomenheid opgewerkt; kunstig geteekende en gekleurde figuren bewegeu zich voor een verrassend verlichten achtergrond en verduidelijken den inhoud van den tekst, die door den auteur wordt voorgelezen, terwijl de stemming van liet geheel nog door pianomuziek wordt verhoogd. En om van deze voorstellingen te genieten, verdringen zich de menschen in de benauwde ruimte van een klein cirque, op een zolder van een huis in do eene of andere achterbuurt, of in een phantastische kunste-naarskroeg, waar men de onooglijke vaste bezoekers kan aantreffen in gezelschap van doorluchtige markiezen.
III.
DIAGNOSE.
Do verschijnselen, die in de voorgaande hoofdstukken zijn besproken, moeten door iedereen, zelfs door den meest bekrompen mensch, zijn waargenomen. Do oppervlakkige toeschouwer ziet in doze verschijnselen niet veel meer dan een mode, een zucht naar het excentrieke en het nieuwe; het dichterlijk vernuft, dat door zijne eenzijdige aesthetische ontwikkeling niet in staat is al die dingen in hun behoorlijken samenhang to vatten en er de rechte betookenis van te verstaan, bedriegt zich zelf en anderen , door op een hoogmoedigen toon gewag to maken van âeen onrustig zoeken naar een nieuw ideaalquot;, van âde snellere vibratie van de verfijnde zenuwen der tijd-genooteuquot;, of van âonbekende zinswaarnemingen van bijzondere en uitverkorene individuenquot;. Xaar do geneesheer, die eene bijzondere studie heeft gemaakt van zenuwziekten en geestesaandooningen, herkent in die fin-de-siècle-stemming, in die richtingen der nieuwere kunst en in hot wezen van die scheppers van mystieke en symbolistische werken , in de houding van de bewonderaars en in de neiging van hun smaak hot beeld van twee bepaalde
26
ziektetoestanden, waarmee liij wel vertrouwd is, namelijk: de degeneratie of ontaarding en de hysterie , die in ge-ringen graad als neurasthenie wordt aangemerkt. Deze beide toestanden van het organisme zijn op zich zelf onderscheiden , maar hebben ook vele eigenschappen met elkaar gemeen; meerendeels komen ze vermengd voor, zoodat men ze zelden geheel van elkaar afgescheiden waarneemt.
Het begrip van degeneratie , dat tegenwoordig de ge-heele wetenschap der zielsziekten beheerscht, is het eerst door Morel duidelijk ontwikkeld en omschreven. In zijn menigmaal aangehaald en toch niet genoeg gelezen hoofdwerk geeft deze uiterst bekwame krankzinnigenarts de volgende verklaring van degeneratie : âWij moeten ons de ontaarding voorstellen als eene zedelijke afwijking van het oorspronkelijke type. Deze afwijking, in hoe geringe mate ook voorhanden, sluit zoodanige erfelijke eigenschappen in zich , dat iemand, die daarvan de kiem in zich ronddraagt, hoe langer hoe meer ongeschikt wordt voor de verrichting zijner menschehjke functies en dat de geestelijke ontwikkeling, die reeds in zjjn persoon is gestuit, ook in zijne nakomelingschap wordt bedreigd.quot;
Wanneer een organisme door schadelijke invloeden wordt verzwakt, dan vindt men in zijne afstammelingen niet het normale, gezonde type terug, maar dezeu vormen een bastaardsoort, waarvan al de ziekelijke afwijkingen , gebreken en misvormingen in steeds stijgende mate op de komende geslachten worden overgedragen. De ontaarding onderscheidt zich van de soortvorming daardoor, dat zij zich niet evenals de gezonde en normale soort voortdurend staande houdt en voortplant, maar dat zij gelukkiger wijze zich ten slotte door onvruchtbaarheid kenmerkt, zoodat zij , na eenige geslachten te hebben doorloopen,
27
soms nog voordat zij den laagsten graad van organischen teruggang heeft bereikt, uitsterft.
De ontaarding verraadt zich bij den mensch door sobere lichamelijke ken teekenen, die men Stigmateu of brandmerken noemt, een slecht gekozen w oord, aangezien hierbij het denkbeeld voorop staat, als zou de ontaarding het gevolg zijn van eigen schuld en het merkteekcn van een straf. Zulke stigmateu zijn misvormingen, dubbelvor-miugen of verstoring in de ontwikkeling; als zoodanig hoeft men de asymmetrie, dat is de ongelijke ontwikkeling van de beide helften van liet gelaat en van den schedel, onvolkomenheden aan de oorschelp, die door bijzondere grootte iu 'toog valt of van het hoofd afwijkt, waarbij hot oorlelletje ontbreekt of is vastgegroeid en do zoom (helix) niet is omgeslagen; verder scheelziende oogen, de hazenlip, onregelmatigheid in den vorm en de plaatsing der tanden, den puutboogvorm of de platheid van het verhemelte, samengegroeide of overtollige vingers, enz. Morel geeft in zijn werk een geheolen staat van anatomische ontaardingsverschijnseleti; dit aantal is door volgende waarnemers nog aanmerkelijk vergroot.
Een van de zekerste middelen om te bewijzen, dat de bewering, dat allen die onderhevig zijn aan de fin-de-siècle-stemming in kunst eu literatuur, gedegenereerden zouden zijn, niet willekeurig, maar een daadzaak is, zou dit zijn, dat men al die personen onderwierp aan een zorgvuldig lichamelijk onderzoek en bovendien hun geslachtsregister naging. Het is buiten twijfel, dat men bijna bij allen ontaarde bloedverwanten eu ecu of meerdere stigmaten zou aantreffen.
Ma ar de wetenschap heeft naast de lichamelijke ook geestelijke stigmaten gevonden, die even juiste kenteeke-nen zijn voor de verbastering als de eersten ; eu deze ken-
28
merken, zijn in een tal van uitingen en verrichtingen dei-ontaarden gemakkelijk aan te wijzen, zoodat het onnoodig is den schedel van een auteur uit te nieten of het oorlelletje van een schilder te zien , om te bewijzen dat hij tot de ontaarden behoort.
Dezen worden op zeer verschillende wijze betiteld. Maudsley en Buil noemen ze: âGrensbewonersquot;, namelijk bewoners van liet grensgebied tusschen volkomen waanzin en gezond verstand; Magnan noemt ze: dégénérés supérieurs en Lombroso spreekt van âMattoidenquot; (van het Italiaansche âmattoquot;, waanzinnig) en van âGraphoma-nenquot;. Maar in weerwil van deze onderscheidene benamingen heeft men hier toch een bepaalde groep van personen op het oog, die bij elkaar behooren door een zekere overeenkomst in geestestoestand.
Dezelfde ongelijkmatigheid, die wij in de lichamelijke ontwikkeling van de ontaarden opmerken , treffen wij ook in hunne geestelijke ontwikkeling aan. De asymmetrie van het gelaat en van deu schedel vindt als 't ware haren tegenhanger in de functies der hersenen. Sommige ontaarden hebben iets uitermate kwijnends, weer anderen zijn ziekelijk overdreven. Wat bijna alle gedegenereerden missen, is de zin voor zedelijkheid en recht. Voor hen bestaat er geen wet, geen fatsoen, geen schaamte. Zij begaan misstappen en wandaden met de grootste bedaardheid en zelfgenoegzaamheid , om maar toe te geven aan een luim of een aandrift, en zij begrijpen niet, dat anderen dit aanstootelijk of ongehoord vinden. Is dit verschijnsel in sterke mate voorhanden, dan spreekt men van âmoreelen waanzinquot; (m oral insanity); maar dit verschij nsel treedt ook in minderen graad op ; voorzoover de ontaarde wel is waar niets doet, dat hem direkt met den strafrechter in aanraking brengt, maar toch in beginsel voor
29
't begaan der misdaad pleit en mot mooie wijsgeerige redeneeringen tracht te bewijzen, dat het begrip van goed en van kwaad geheel op willekeur berust, en verder waar hij een bijzondere belangstelling toont voor misdadige haadelingen en in de gemeenste en afstootendste dingen nog altijd zoogenaamde schoonheden ontdekt. De moreele waanzin gaat altijd samen met oen ongehoorde zelfzucht en met een groote mate van impulsiviteit, waardoor men verstaat het onvermogen oru weerstand te bieden aan oen bepaalde aandrift of drang, een verschijnsel, dat men algemeen bestempelt met den naam van dwang-voorstelling.
Een ander kenteeken van de ontaarden is hunne overgevoeligheid (emotiviteit); deze eigenschap komt ook menigmaal voor bij hysterische personen en ook wol bij gezonde menschen, die door ziekten, uitputting of verdriet tijdelijk verzwakt zijn. Bij den gedegenereerde zal zij zelden ontbreken. De geringste oorzaak is voldoende, om hem te doen schudden van het lachen of in tranen te doen uitbarsten ; bij het lezen of hooren van een gewoon stuk in proza of in dichtvorm, gaat hem een rilling over hot lijf, en in 't bijzonder de muziek, zelfs de meest gewone , wekt terstond sterke aandoeningen bij hom op. Gewoonlijk laat hij er zich zeer op voorstaan, dat hij zoo gevoelig en prikkelbaar is; hij meent hierdoor een zekere macht, een overwicht te hebben op meer kalme naturen, die bij kunstgenot vrij bedaard blijven, en zelfs zal hij meermalen schimpen op de zoogenaamde onverschilligen, die niet voelen zooals hij. De ongelukkige vermoedt niet, dat hij zich alleen beroemt op een ziekelijke aandoening van zijne zenuwen en hersenen; het komt niet zelden voor, dat dwaze critici, uit vrees dat men van hen zal zoggen dat zij hoegenaamd geen gevoel hebben voor een of ander werk, de ziekelijke uitingen van den ontaarde gaan na-
30
bootsen, zonder te begrijpen dat zij daarmee een stigma van halven waanzin naaapen.
De hier genoemde kenteekenen gaan nog dikwijls gepaard met een zekere moedeloosheid, die naar gelang van de omstandigheden den vorm aanneemt van pessimisme, van een ongegronde vrees voor alle menschen en de geheele wereld of' ook wel van een beslisten afkeer. âDeze ziekenquot;, zegt Morel, âgevoelen voortdurend behoefte zich te beklagen, te weenen en dezelfde vragen en woorden tot in hot oneindige toe te herhalen. Zij hebben allerlei waanzinnige voorstellingen van ondergang, verdoemenis en dergelijke ingebeelde verschrikkingen. Soms hebben zij een walg van zich zelf. lïonbiuoviteh (1) maakt ook melding van hunne ongegronde vrees, wanneer zij iets zullen aanraken of beruiken; van hun onbewnsten angst voor iedereen en voor alles. In een dergelijke schildering van melan-colieke menschen, die, somber en neerslachtig, aan de wereld wanhopen en gepijnigd worden door de vrees voor het onbekende of voor denkbeeldige gevaren, herkent men weer geheel den mensch van de volkenschemering en die fin-de-siècle-stemming, die in het eerste hoofdstuk is besproken.
Met die kenmerkende neerslachtigheid gaat doorgaans gepaard een zekere afkoer van handelen, die tot een bepaalden afschuw van elke bezigheid en tot een totaal onvermogen van den wil kan toenemen. Nn is het een van de eigenaardigheden van den menschelijken geest, dat deze, aangezien de wet der oorzakelijkheid al zijn denken beheerscht, aan al zijne besluiten beredeneerde motieven ten grondslag legt. Reeds Spinoza heeft dat zeer eigenaardig uitgedrukt. âWanneer een steen, door menschcn-
1
J. Koubinovitcli, Hystn-ie et dryén/rescettce, Paris 1S00.
31
hand weggeworpen, kon denkenquot;, zegt hij, âdan zon hij zich zeker verbeelden dat hij vloog, omdat hij wilde vliegen.quot; Een tal van zielstoestanden en handelingen, waarvan wij ons bewust worden, zijn het gevolg van oorzaken, die niet tot ons bewustzijn doordringen. In dat geval zoeken we altijd naar gronden, die onze behoefte naar een duidelijke oorzakelijkheid bevredigen eu wij maken dan onszelven gemakkelijk wijs, dat wij ze hebben verklaard. De ontaarde, die, willoos en afkeerig van daden, niet vermoedt, dat zijne ongeschiktheid tot handelen een gevolg is van zijn overgeërfde geesteskwaal, maakt zich wijs dat hij uit vrije beweging het handelen veracht en behagen schept in werkeloosheid ; om zich dan in de oogen van anderen te rechtvaardigen, bouwt hij een wijsgeerig systeempje op , waaruit hij logisch zijn manier van doen en zien tracht te verklaren, geeft voor dat hij voor zich overtuigd is van de voortreffelijkheid van zijn gevoel van volkomen berusting, noemt zich vol zelfbewustzijn Boeddhist en roemt in dichterlijk pathetische bewoordingen de Nirwana , als het hoogste en waardigste ideaal van den men-schelijken geest. De gedegenereerden en de gekken maken de voorbeschikte volgers uit van Schopenhauer en Hart-mann ; zij behoeven het Boeddhisme maar even te leeren kennen, en terstond voelen zij zich daartoe bekeerd.
Met die ongeschiktheid tot handelen hangt samen een bepaalde voorliefde tot droomen en soezen. De ontaarde is niet in staat lang achtereen zijne aandacht op één punt te vestigen ; hij kan de indrukken van de buitenwereld , die door zijne gebrekkig werkende zintuigen naar zijn verstrooid bewustzijn worden overgebracht, niet behoorlijk vatten, rangschikken eu tot voorstellingen en begrippen verwerken. Het valt hem veel gemakkelijker om door zijne hersencentra onduidelijke, wazige voor-
32
stellingen, ter nauweraood gevormde kiemen van gedachten te laten voortbrengen en zich in zijne voortdurende droomenj over te geven aan een doelloozon, onbepaalden gedachtenloop; hij kan zich gevvoonlyk niet genoegzaam inspannen om die verbinding van ideëen en voorstellingen een weinig tegen te gaan en orde te brengen in zijne vagö dankbeelden en gevoelens. Integendeel, hij verheugt zich in die verbeeldingskracht, die zoo'n scherpe tegenstelling vormt met de nuchtere beschouwingswijze van een gewoon mensch , en bij geeft zich met voorliefde over aan al die bezigheden, waarbij zijn geest in vage sferen vrij kan rondzwerven; in een geregelde beroepsbezigheid, waarbij de aandacht voortdurend tot de werkelijkheid wordt bepaald, zou hij het niet kunnen uithouden. Hü noemt dat: âzin hebben voor het idealequot;; hij kent zich aesthetische neigingen toe en verbeeldt zich artiest te zijn.
Nog andere eigenaardigheden, die den ontaarde kenmerken , mogen hier in 't kort vernield worden. Hij wordt gekweld door twijfel, vraagt onophoudelijk naar den grond van alle verschijnselen, in 't bijzonder van zoodanige, waarvan de laatste gronden voor onze kennis volkomen onbereikbaar zijn en hij is diep ongelukkig, wanneer zijn zoeken en peinzen tot hoegenaamd geen resultaat leidt, hetgeen natuurlijk voor de hand ligt. Hij stelt zich ten doel den steen der wijzen te vinden, of hij wil het probleem van het perpetüum mobile of van de quadratuur yan deu cirkel oplossen ; vooral deze laatste drie onderwerpen trekken hem zoo onweerstaanbaar aan , dat, om een voorbeeld te noemen , de patentenkamer van Washington gedrukte antwoorden in voorraad moei hebben op de ontelbare aanvragen , waarin voortdurend patenten verlangd worden voor de beantwoording van die phantastische
33
vraagstukken. Volgens de onderzoekingen van Lombroso valt het ook niet te betwijfelen, dat de handelingen en gasclu'iften van een tal van anarchisten en omverwerpers moeten worden toegeschreven aan ontaarding. De gedegenereerde is ongeschikt om zich naar de bestaande verhoudingen te voegen; deze ongeschiktheid is kenmerkend voor ziekelijke afwijkingen van elke soort en tevens een hoofdreden van h i-ir spoedig uitsterven. Hij komt dus in verzet tegen toestanden en beschouwingen, die hij reeds daarom niet kan uitsiaan, omdat zjj hem de plicht der zelfbeheer-soiling opleggen, iets waartoe hij niet in staat is. Dan haalt hij zich in het hoofd dat hij tot wereldverbeteraar is geroepen, hij beraamt plannen om het nienschdom gelukkig te maken, en al deze plannen kenmerken zich zoowel door overdreven naastenliefde en soms roerende oprechtheid als door absurditeit en volkomen onkunde van alle werkelijk bestaande verhoudingen.
Een hoofdstigma eindelijk van ontaarden is liet mysticisme. Volgons Colin (1) zijn er weinig eigenaardigheden die den ontaarde zoo duidelijk karakteriseeren, als het mystische delirium ; is die neiging tot het mystieke ook al niet tot waanzin gestegen , dan treft men toch bij hen een onophoudelijk tobben aan over mystieke en godsdienstige vraagpunten, een overdreven vroomheid, enz. Ik hoop in het vervolg van dit werk den lezer duidelijk aan te toonen, dat er werkelijk tusscheu deze richtingen en de godsdienstige dweperij , die men bij nagenoeg alle ontaarden en erfelijk belasten aantreft, geen onderscheid bestaat.
Ik heb nu de voornaamste kenteekenen opgenoemd r waardoor de gedegenereerde zich van den normalen mensch onderscheidt. De lezer zal nu zelf kunnen uitmaken , in
1
Henry Colin, Essai sur Vétat mental deshystériques. Paris, 1890. Noudaü, Ontaarding. 3
34
hoever Je diagnose âOntaardingquot; op do scheppers en volgers der nieuwe kunstrichtingen toepasselijk is. Men meene overigens niet dat degeneratie altijd zou moeten samengaan met het ontbreken van talenten. Door alle onderzoekers , die zich met dit onderwerp hebben bezig ge-liouden, wordt zolt's liet tegendeel beweerd. Een ontaarde kan een genie zijn. Diepte en oorspronkelijkheid van gedachten worden uiet zelden bij de evenwichtsloozen aangetroffen ; maar dikwijls gaan dan die verhevene eigen-schappen gepaard met treurige afwijkingen en kleingees-tigheden , die juist door hare tegenstelling met die hoogere hoedanigheden des te meer in 't oog vallen. In zijn geestelijk leven kan do gedegenereerde soms een liooge ontwikkeling bereiken, terwijl zijn moreel leven volkomen is verwoest. Lombroso haalt een tal van geniëen aan, die toch ontegenzeglijk tegelijk mattoïden, graphomanei of bepaalde krankzinnigen waren ; en volgens Lasègue, een Fransch geleerde, zou zelfs het genie niets anders zijn dan C3n zenuwziekte. Deze uiting was echter op zijn minst genomen onvoorzichtig, omdat zij den onwetenden zwetser ainleiding gaf, met eoa schijnbaar recht van overdrijving-te spreken en den draak te gaan steken met de psychiaters , omdat dezen , zooals het heette, in iederen mensch, die wat meer wilde zijn dan de meest gewone, onderdanige burger, een waanzinnige zouden zien. De wetenschap beweert niet, dat elk genie een waanzinnige zou zijn ; er bestaan frissche , oorspronkelijke genieën, wier hooge gave juist daarin bestaat, dat de eene of andere geestelijke functie in hen zeer hoog is ontwikkeld, zonder dat deze ontwikkeling ten nadeele is gekomen van hunne andere functies en hoedanigheden. Even ongerijmd zou het zijn iu iederen waanzinnige een genie te zien ; de meeste gekken zijn zelfs beklagenswaardig do:n en onbekwaam tot
35
iets. Maar de zoogenaamde âhooger-ontaardenquot;, die zicli nu en dan ook wel kenmerken door een reusachtigen lichaamsbouw of door een vervorming van enkele lichaams-deelen , iDczitten niet zelden grooto geestesgaven, maar toch altijd min of moer ten koste van hunne overige kwaliteiten. Juist dat is het, wat liet normale, gezonde genie van zeer hoog begaafde ontaarden onderscheidt. Ontneem aan den eerste die bijzondere hoedanigheid , waardoor hij een genie is, en men houdt nog altijd een flink, verstandig, oordeelkundig menscli over, die zich overal in de wereld nog op zijn plaats zal voelen; beproef 't zelfde bij den ontaarde , en men houdt niets over dan een schepsel, rijp voor de gevangenis of voor het krankzinnigengesticht, iemand, met wien niets is aan te vangen. Al had Goethe ook nooit in zijn leven een gedicht geschreven dan zou hij toch een verstandig mensch geweest zijn, iemand van degelijke beginselen, een beschaafd kunstkenner, die veel smaak toonde voor merkwaardige verzamelingen, een scherp natuuronderzoeker. Men stelle zich echter de persoon van Schopenhauer voor zonder den schrijver van zijne beroemde werken, men zou dan immers niets overhouden dan een afstootenden zonderling, die in geen enkele fatsoenlijke omgeving op zijn plaats zou zijn en door zijne voorstellingen van vervolgingswaan alleen geschikt zou zijn voor het dolhuis. Het is juist dat gebrek aan harmonisch evenwicht, dat nuttelooze en onbevredigende, zelfs in de bijzondere bekwaamheid bij den genialen ontaarde, dat iederen onpar-tijdigen beoordeelaar direkt in het oog moet vallen. Ik ben dan ook de meening niet toegedaan van Lombroso, die in de geniale gedegenereerden de drijfkracht wil zien van den vooruitgang der menschheid. Wanneer dezen ook al een diepe, ingrijpende werking uitoefenen, dan is het toch doorgaans een schadelijke. Al ziet men dat niet zoo ter-
3 *
36
stonï in, zoo openbaart zich dat toch later. De gesehied-vorschers brengen zoo menigmaal iets aan 't licht, dat door de vroegere tijdgeriooten niet werd erkend. De ontaarden voeren de menschheid langs nieuwe paden, die zij zelf ontdekken, naar nieuwe doeleinden, maar dezen blijken veelal afgronden en woestenijen te zijn. De onvruchtbaar-hci 1 van hun werken en streven is door verschillende wiarneiuers meermalen aangetoond. Volgens Tarabaud (1) zijn de ontaarden altijd zonderlingen, evenwichtsloozen; zij behooren tot diegenen, waarvan men niet kan zeggen dat zij geen verstand hebben, maar wier verstand toch niets deugdelijks voortbrengt. Volgens Legrain (f) hebben zij allen met elkaar gemeen de zwakheid van hun vermogen om te oordeelen en de ongelijke ontwikkeling hunner geestelijke vermogens. Hunne voorstellingsreeksen zijn nooit van hoogere orde. Zij zijn niet in staat tot een groote, een vruchtbare gedachte. Dit feit vormt een scherpe tegenstelling met de vaak overmatige ontwikkeling van hunne verbeeldingskracht. Zijn zij schilders, dan hebben zij uitsluitend oog voor kleur; zijn zij dichters, dan zullen hunne verzen rijk en schitterend van vorm zijn, maar zonder gedachten ; over 't algemeen zijn zij decadenten.
Zoo is quot;t gesteld met diegenen, welke in de kunst en in de literatuur nieuwe wegen vinden en door hunne opgewonden volgelingen worden beschouwd als de ware gidsen naar het beloofde land der toekomst. Onder hen vindt men hoofdzakelijk gedegenereerden eu mattoïden. Op de menigte, die deze baanbrekers toejuicht eu bewondert en do door hen uitgedachte moden blindelings navolgt,
1
Tarabaud , Du rapport do la dcgénérescence mentale ot do l'liys-térie. Paris 1888.
(f) Legrain , Du délire chez les dégéuórós. Paris 1880.
37
is daarentegen, meer de tweede van de hierboven gestelde diagnosen toepasselijk: bij lien hebben we voornamelijk; met hysterie en neurasthenie te doen.
Vooral in Frankrijk heeft men zich bijzonder toegelegd op de studie der hysterische aandoeningen. quot;Wat wij daarvan weten, hebben wij in hoofdzaak te danken aan Franscho onderzoekers en geleerden. Bij hetgeen ik verder over deze verschijnselen wensch te zeggen, zal ik mij dan ook voornamelijk beroepen oj) de belangrijke en uitvoerige verhandelingen van Axenfeld, Paul Richter en Gilles de la Tourette, die in de laatste jaren te Parijs het licht hebben gezien.
Bij de hysterici â en nu verbeelde nieii zich niet dat dezen uitstuitend bij het vrouwelijk geslacht voorkomen, want men treft ze even goed, soms zelfs nog meer, onder de mannen aan dan onder de vrouwen, â bij de hysterici treedt, even als bij de gedegenereerden, eene buitengewone gevoeligheid op. Hun voornaamste kenmerk zetelt in liunne buitengewone ontvankelijkheid voor psychische indrukken, in de overgevoeligheid hunner psychische centra. Een gevolg daarvan is doorgaans hunne bijzondere ontvankelijkheid voor suggestie-werkingen; over 't algemeen kan men hen gemakkelijk in hypnotischen slaap brengen. De vroegere waarnemers hebben altijd gesproken van de verregaande leugenachtigheid van hysterische menschen, en deze eigenaardigheid als het voornaamste kenmerk van hun geestestoestand beschouwd. Maar daarin hebben zij zich vergist. Een hysterisch mensch liegt niet bewust; hij gelooft zelf aan de waarheid van zijne verzinsels. Door de ziekelijke bewegelijkheid van zijn geest en zijne buitengewone prikkelbaarheid zendt zijne fantaisie onophoudelijk «en nieuwen toevoer van allerlei wonderlijke en onzinnige voorstellingen aan zijn bewustzijn toe ; hij suggereert zich
38
zelven dat deze voorstellingen op werkelijke waarnemingen, berusten eu gelooft zoo lang aan de waarheid van die dwaze vindingen, tot eene nieuwe suggestie, 't zij van hem zelf of van anderen uitgaande, do vorige verdringt. Een gevolg van zijn groote ontvankelijklieid voor suggestieve invloeden is zijn zucht tot nabootsen en de buitengewone aandacht, die hij wijdt aan allerlei ingevingen eu uitspraken van schrijvers en kunstenaars. Ziet hij een beeld of schilderij , dan gevoelt hij lust de kleeding en houding na te bootsen ; leest hij een boek, terstond maakt hjj zich de daarin vervatte beschouwingen eigen , ziet in de romanhelden modellen voor zijn leven eu handelen, en hij vereenzelvigt zich geheel met het karakter dor personen, die zich op liet tooneel aan hem vertoonen.
Bij die groote gevoeligheid eu suggestibiliteit komt gewoonlijk nog een mate van zelfingenomenheid, zooals nie.i nimmer bij een gezond mensch zal aantreffen. De hysterische heeft altijd het reusachtige beeld van zijn eigen-ikheid voor oogen, en dat neemt zijn geestelijken horizon zoo geheel en al in, dat al liet overige daardoor voor hem wegvalt. Hij kan ook niet velen dat anderen hem voorbijzien. Voor zijne evenmcnschon wil hij even wichtig zijn, als hij zich zelf vindt; liet is hem een bepaalde behoefte dat anderen in zijn persoon belang zullen stellen. Om deze behoefte te bevredigen, denkt hij allerlei dingen uit, waardoor hij zich intressant kan maken. Vandaar die avontuurlijke geschiedenissen, die dikwijls genoeg ae politie en de verslaggevers van dagbladen werk genoeg geven. De hysterische mensch wordt in do drukste straat door onbekende mannen aangevallen, beroofd, mishandeld, gewond, naar een afgelegen plaats gesleept, waar men hem half dood heeft laten liggen. Hij staat met moeite op en gaat bij de politie de zaak aangeven. Hij kan de
39
ontvangen wonden nog op zijn lichaam aantoonen. Hij weet alles tot in do kleinste bijzonderheden mee te deelen. Per slot van rekening blijkt dat van de gelieele geschiedenis geen woord waar is, dat alles is verzonnen en dat hij zich de wonden zelf heeft toegebracht, om voor een oogenblik de aandacht tot zicli te trekken. Bij geringere graden van hysterie toont zich deze behoefte, om de aandacht te trekken, in meer onschuldige vormen. Zij uit zich alsdan in vreemden opsclr.k, in een zonderlinge manier van doen en van kleeding, waarbij de schelle kleuren en opzichtige bizarre vormen dienst moeten doen.
Het is zeker onnoodig den lezer cr nog opmerkzaam op te maken, hoe dit geneeskundig portret van den hystericus geheel overeenstemt met de schildering van het fin-de-siècle-publiek en hoe wij daarin al die eigenaardigheden terugvinden, die wij bij de beschouwing van do verschijnsüfën van onzen tijd hebben opgemerkt, onder anderen ook op zoo sprekende wijze die zucht, om door een opzichtig uiterlijk, door iets bijzonders in kleeding, houding, manieren, haard- en baardgroei bepaalde typen van schilderijen of uit boeken na te bootsgn en de aandacht tot zich te trekken. Bovendien heeft de waarneming van gedegenereerden en hysterici, wier toestand geneeskundige behandeling heeft noodig gemaakt, ook geleid tot de juiste verklaring van enkele modeverschijnselen van ondergeschikt belang. De verzamelingswoede onzer tijdge-nooten , het volproppen der woningen met nutteloozen rommel, die er niet mooier of nuttiger om wordt, doordat men daaraan den liefelijken naam van âbibelotsquot; geeft, verschijnt ons nu in een heel ander licht, wanneer wij weten dat Magnan bij de gedegenereerden een onweerstaanbare neiging tot het verzamelen van allerlei nutte-looze prullen heeft waargenomen. Die neiging is zoo sterk
38
zelvcn dat deze voorstelling-en op werkelijke waarnemingen, berusten en gelooft zoo lang aan de waarheid van die dwaze vindingen, tot eenc nieuwe suggestie, 't zij van hem zelf of van anderen uitgaande , do vorige verdringt. Een gevolg van zijn groote ontvankelijklieid voor suggestieve invloeden is zijn zucht tot nabootsen en de buitengewone aandacht, die hij wijdt aan allerlei ingevingen en uitspraken van schrijvers en kunstenaars. Ziet hij een beeld of schilderij , dan gevoelt hij lust de kleeding en houding na te bootsen; leest hij een boek, terstond maakt hij zich de daarin vervatte beschouwingen eigen , ziet in de romanhelden modellen voor zijn leven en handelen, en hij vereenzelvigt zich geheel met het karakter der personen, die zicli op liet tooneel aan hem vertoonen.
Bij die groote gevoeligheid en suggestibiliteit komt gewoonlijk nog een mate van zelfingenomenheid, zooals men nimmer bij een gezond mensch zal aantroffen. De hysterische heeft altijd het reusachtige beeld van zijn oigen-ikheid voor oogen, en dat neemt zijn geestelijken horizon zoo geheel en al in, dat al het overige daardoor voor hem wegvalt. Hij kan ook niet velen dat anderen hem voorbijzien. Voor zijne evenmenschen wil hij even wichtig zijn, als hij zich zelf vindt; het is hem een bepaalde behoefte dat anderen in zijn persoon belang zullen stellen. Ora deze behoefte te bevredigen, denkt hij allerlei dingen uit, waardoor hij zich intressant kan maken. Vandaar die avontuurlijke geschiedenissen, die dikwijls genoeg de politie en de verslaggevers van dagbladen werk genoeg geven. De hysterische mensch wordt in de drukste straat door onbekende mannen aangevallen, beroofd, mishandeld, gewond, naar een afgelegen plaats gesleept, waar men hem half dood heeft laten liggen. Hij staat met moeite op en gaat bij de politie de zaak aangeven. Hij kan de
39
ontvangen wonden nog op zijn lichaam aantoonen. Hij weet alles tot in de kleinste bijzonderheden mee te doelen. Per slot van rekening blijkt dat van de geheele geschiedenis geen woord waar is, dat alles is verzonnen en dat hij zich de wonden zelf heeft toegebracht, om voor een oogenblik de aandacht tot zich te trekken. Bij geringere graden van hysterie toont zich deze behoefte, om de aandacht te trekken, in meer onschuldige vormen. Zij uit zich alsdan in vreemden opschik , in een zonderlinge manier van doen en van kleeding, waarbij de schelle kleuren en opzichtige bizarre vormen dienst moeten doen.
Het is zeker onnoodig den lezer cr nog opmerkzaam op te maken, hoe dit geneeskundig portret van den hystericus geheel overeenstemt niet de schildering van liet fin-de-siècle-publiek en hoe wij daarin al die eigenaardigheden terugvinden, die wij bij do beschouwing van do verschijnselen van onzou tijd hebben opgemerkt, onder anderen ook op zoo sprekende wijze die zucht, om door een opzichtig uiterlijk, door iets bijzonders in kleeding, houding, manieren, haard- en baardgroei bepaalde typen van schilderijen of uit boeken ua te bootsgn en de aandacht tot zich te trekken. Bovendien heeft de waarneming van gedegenereerden en hysterici, wier toestand geneeskundige behandeling heeft noodig gemaakt, ook geleid tot de juiste verklaring van enkele modeverschijnselen van ondergeschikt belang. De verzamelingswoede onzer tijdge-nooten , het volproppen der woningen met nutteloozen rommel , die er niet mooier of nuttiger om wordt, doordat men daaraan den liefelijken naam van âbibelots' geeft, verschijnt ons nu in een heel ander licht, wanneer wij weten dat Magnan bij de gedegenereerden een onweerstaanbare neiging tot het verzamelen van allerlei nutte-loozo prullen heeft waargenomen. Die neiging is zoo sterk
40
gekarakteriseerd, dat Magnan liaar als een bepaald stigma van de ontaarden beschouwt en daaraan den naam heeft gegeven van oniomanie of' koopwoede. Men moet deze niet verwarren met den kooplust van zieken, die zich in het eerste stadium van paralyse bevinden. De in-koopen van deze menschën zijn een gevolg van hun grootheidswaan. Zij slaan verbazend veel in, omdat zij zich voor millionairs houden. Daarentegen koopt de onio maan geene aanmerkelijke hoeveelheden van dit of dat voorwerp , zooals de geparalyseerde , en ook is de prijs hem niet onverschillig. Hij kan alleen geen prul hier of daar zien , zonder direkt een zekeren drang te voelen het aan te schaffen.
De merkwaardige kunstuiting van sommige nieuwere schilders, die hun kracht zoeken in schelle kleureffecten of in grauwe en vale tinten, van de impressionisten en de stippelaars wordt terstond begrijpelijk, wanneer wij rekening houden met de eigenaardige gestichtsstoringen, die Charcot en zijne school bij de hysterici en ontaarden hebben ontdekt. De schilders, die verzekeren dat zij oprecht zijn en de natuur teruggeven, zooals zij haar zien, spreken de waarheid. De gedegenereerde die lijdt aan nystagmus, het trillen van den oogappel, zal werkelijk alles min of meer bevend, rusteloos, zonder vaste omtrekken waarnemen en als hij een nauwgezet artiest is, zal hij de omgeving ook zoo getrouw mogelijk naar zijne eigene indrukken teruggeven.
Nagenoeg bij geen enkelen hystericus ontbreekt de ongevoeligheid van een deel van het netvlies. In den regel hangen de ongevoelige plaatsen samen en nemen de buitenste helft van het netvlies in. In zulke gevallen is het gezichtsveld meer of minder vernauwd en doet zich niet voor als een cirkel, â zooals bij het normale oog het geval
41
is â maar als een beeld, dat door een grillig in- of uitspringende lijn wordt begrensd. Soms zijn de ongevoelige plaatsen niet verbonden, maar als afzonderlijke stippen over het netvlies verspreid. In dat geval moet de zieke in zijn gezichtsveld verschillende leege plekken hebben, die op zijne waarneming eene zonderlinge werking zullen uitoefenen en schildert hij , dan zal hij vanzelf er toe komen grootere of kleinere puntjes of vlekjes naast elkaar te plaatsen, die of niet öf onvolledig met elkaar zijn verbonden. Soms bestaat de ongevoeligheid alleen voor bepaalde, niet voor alle kleuren. Mist de hystericus do gewaarwording van kleuren geheel en al (âAchromatop-siequot;), dan ziet hij alles als een eentonig grauw, maar hij noemt toch de verschillende graden van helderheid en lichtsterkte waar. Hij ziet dan de omgeving als een kopergrauwe of als een potloodteekening, waarin de werking der afwezige kleuren vervangen is door verscheidenheid in lichtsterkte, door meerdere of mindere kracht en diepte van de zwarte plaatsen. Het spreekt van zelf, dat schilders, die ongevoelig zijn voor kleuren, een bepaalde voorliefde zullen hebben voor vale schilderingen, en een publiek, dat aan hetzelfde euvel lijdt, zal daarin niets aanstootelijks vinden. A\ anneer wij echter opmerken, dat niet alleen de vervagende tinten van een Puvis do Chavannes, maar ook het razende geel en blauw en rood van een Besnard de noodige bewonderaars vinden, dan bestaat ook daarvoor een reden, die de kliniek ons verklaart. âGreel en blauwquot;, zegt Gilles de la Tourette, âzijn peripherisehe kleuren (d. w. z. zij worden met de buitenste deelen van het netvlies gezien); âzij worden dus tot het laatste toequot; (wanneer het gevoel voor de overige kleuren reeds is uitgedoofd) âwaargenomen. Nu zijn dit de beide kleuren, voor welke de gevoeligheid eu de hysterische stompzich-
42
tigheid (Amblyopic) het langst bewaard blij ven. Bij menigen zieke is liet overigens het rood, en niet het blauw, dat het laatste verdwijnt.quot;
Het rood bezit nog een andere eigenaardigheid, waaruit verklaard kan worden dat de hysterici daarvoor zoo'n groote voorliefde hebben. De onderzoekingen van Binet (1) hebben namelijk bevestigd dat de inirukken, die door de zintuig-zenuwen naar de hersenen worden overgebracht, een belangrijken invloed uitoefenen op de soort en op do sterkte dor werkingen, die de hersenen op de bewegings-zenuwen uitoefenen. Sommige zintuigelijkc gewaarwordingen werken verzwakkend en verhinderend op de bewegingen (âdepressief, inhibeerendquot;), andeie daarentegen werken versterkend en versnellen de bewegingen, zij zijn âdynamogeenquot; of krachtopwekkend. Daar nu met dynamogenie of krachtopwekking steeds oen aangenaam gevoel gepaard gaat, zoo bestaat er in elk levend wezen een neiging om bij voorkeur naar dynamogene zintnigelijke indrukken te streven, en de verzwakkende te vermijden. Nu is rood bij uitstek dynamogeen. Binet vermeldt het volgende van een proefneming met eene hysterische vrouw , die aan ongevoeligheid leed van eene helft van 't lichaam: âWanneer wij in hare gevoellooze rechterhand een dynamometer leggen, dan geeft de hand een druk van l2 kilogram. Laat men haar op het zelfde oogenbük op een roode schijf staren, dan stijgt die onbewuste druk terstond tot 24 kilogram.quot; Wij kunnen nu begrijpen, waarom hysterische schilders in rood zwelgen en waarom hysterische toeschouwers zulk eon ongemeen behagen vinden in roode kleuren:
|
alterations do la Revue Philosophique, |
1
Alfred Binet, Recherches sur les conscience c h e z les hystcriqnes. 1889, Vol. XXVII.
43
dezen werken dynamogeen en wekken dus aangename gevoelens bij hen op.
Even als rood dvnamogreen is, zoo werkt omsrekeerd
^ «/ O 7 O
violet verzwakkend oi' belemmerend. Het is niet louter toeval, dat door verschillende volken liet violet is gekozen als kleur voor lichte rouw. Do indruk, dien deze kleur geeft, heeft iets gedrukts, zij werkt mat en stemmend op een treurend gemoed. JIct is dus begrijpelijk, dat schilderende zenuwlijders, die een gevoel van gedruktheid eu matheid hebben, hunnen beelden bij voorkeur die tinten geven, die in overeenstemming zijn met hun gevoel en wijze van zien. Zoo ontstaan de kunstprodukten van Manet en van zijne volgelingen, welke schilderingen gegrond zijn, niet op de directe uitwendige waarneming der natuur, maar op eene innerlijke aanschouwing. Waar gehoele muur-vlakten . van hedendaagsche âsalonsquot; eu tentoonstelli^gs-zaleu in die rouwkleuren gehuld schijnen , daar drukt zich in deze voorliefde voor violet eenvoudig de zenuwzwakte der schilders uit.
Er is nog ecu verschijnsel dat in do hoogste mate karakteriseerend is voor de ontaarding der eenen , eu do hysterie der anderen, eu dat is dat tot stand brengen van bepaalde clubs, van besloten en streng afgezonderde groepen en scholen, die tegenwoordig in de kunst- en in do literarische wereld bestaan. Xormale kunstenaars eu schrijvers , bij welke het harmonisch evenwicht nog niet is verbroken, zullen er nooit aan denken zich aan een te sluiten tot een bepaalde groep, en een sekte of een bende te vormen, die er een bepaalden catechismus op nahoudt en die gebonden is aan zekere aesthetische dogma's, welke met de fanatieke onverdraagzaamheid van Spaausclie Inquisiteurs moeten worden gehandhaafd. De kunstenaarsarbeid is zeker een van de meest individueelo van alle menscheljjke
44
verrichtingen. Een werkelijk talent is altijd persoonlijk. In zijue scheppingen geeft het zichzelf, zijn eigen aanschouwingen en gevoelens, niet echter de aangeleerde geloofsartikelen van den eenen of anderen zoogenaam-den kunstapostel. Een oorspronkelijk talent volgt zijn eigen drang tot scheppen en kiest zich een vorm, die een uitvloeisel is van zijn eigen natuur eu die als zoodanig aan zijne scheppingen is verbonden ; maar uim-mer zal liet zijne werken in den vorm kunnen wringen, die door een aanvoerder van de heerschende mode als de eenig juiste wordt geproclameerd. Nu is het verschijnsel, dat een artiest of een schrijver zich direkt voor een bepaalde âismequot; verklaart, en dat hij juichend zich onder eene vaan schaart, die met volle muziek en turksche trom wordt rondgedragen, toch wel een bewijs van gebrek aan persoonlijkheid, van gebrek aan talent. Wanneer in de geestelijke ontwikkeling van een tijdperk belangrijke hoofdrichtingen worden aangegeven, die ieder een bijzonderen naam ontvangen, dan is dit het werk van schrijvers over de geschiedenis der literatuur of der zeden van een tijdperk; zij brengen dan indeelingen en classificaties aan , om zoodoende later des te gemakkelijker en des te beter het geheel te kunnen overzien. Maar deze indeelingen zijn bijna altijd willekeurig en kunstmatig. Ue zelfstandige geesten, die door een degelijk critisch schrijver worden vereenigd tot eene groep, zullen altijd wel eenige overeenkomst vertoonen , maar in den regel zal deze niet het gevolg zijn van eene werkelijke inneihjke verwantschap, wel echter van uitwendige invloeden. Niemand kan zich geheel en al aan de inwerking var. zijn tijd onttrekken en ouder den indruk van de voor alle tijdgenooten gelijke gebeurtenissen, even als van de op een bepaald moment heerschende wetenschajipelijke be-
45
grippen ontwikkelen zich in alle werken van een bepaald tijdperk zekere trekken en eigenaardigheden, waardoor ze als met een jaartal worden gestempeld. Maar dezelfde men-schen, die later in de goschiedboeken op natuurlijke wijze zijn bijeengebracht, dat zij als 't ware een zelfde familie schijnen uit te maken, zijn toch in het leven ieder hun weg s:eg:aan en hebben 't zeker niet vermoed, dat men ze nog
o O ; 1 amp;
eens niet een gemeenschappelijke aanduiding en ondereen zelfden naam zou vereenigen. Maar heel iets anders is het wanneer schrijvers of artiesten bewust en opzettelijk zich aaneensluiten eu oen aesthetische school gaan uitmaken, zooals men een bankiershuis opricht: met een titel, waarvoor men rechtspersoonlijkheid aanvraagt, met reglementen en bepalingen, met gemeenschappelijke bedrijfsmiddelen, enz. Dat mag een gewone speculatie zijn, maar in den regel is hot een ziekteverschijnsel. De neiging om zich in groepen te vereenigen, treedt in verschillende vormen bij de ontaarden eu hysterici op. Bij de misdadigers leidt zij tot de samenstelling van bonden; bij de geesteskranken tot de folie a deux, waarbij de eene zijne waanzinnige voorstellingen aan een tweede geheel en al opdringt; bij do hysterici tot die soort van verbroedering, die Charcot aanleiding geeft tot do herhaalde uitspraak ; les nerveux se recherchent, â de zenuwlijders trekken elkaar aan. Bij do schrijvers eindelijk voert die neiging tot de oprichting van aesthetische scholen.
Sporen wij do gemeenschappelijke oorzaak op voor al do verschillende vormen van ditzelfde verschijnsel, van de âfolie a deuxquot;, do onderlinge aansluiting van neuropathen, do oprichting van aesthetische scholen en het tot stand-komen van misdadigers-benden, dan vinden wij hiervoor bij het werkzame deel, dat zijn de ontwerpers en aanvoerders, het op den voorgrond treden van dwangvoor-
46
stellingen, bij de meeloopers en volgelingen de ziekelijke ontvankelijkheid voor suggestie werkingen. Wie met een dwangvoorstelling is behept, is een apostel zonder weerga. Er bestaat geen enkele overtuiging, die de vrucht is van gezonden hersenarbeid, die zich zoo geheel en al van den geest meester maakt en zoo onweerstaanbaar tot woorden en daden voert, als hot delirium. Den delireerende of halt-waanzinnige laten spot, tegenspraak, verachting, de meening van de groote meerderheid volkomen onverschillig; daadzaken, die met zijne denkbeelden niet overeenkomen, bemerkt hij niet of hij verklaart ze zoodanig, dat ze zijne dwangvoorstelling schijnbaar te hulp komen; hindernissen schrikken hem niet at', daar zelfs de zucht tot zelfbehoud niet is opgewassen tegen de macht van zijn delirium, en uit dien hoofde is hij dan ouk niet zelden bereid martelaar te worden voor zijne zaak. Zwakke of nerveuze men-schen, die met zoo iemand in aanraking komen, zullen us door de macht van zijne ziekelijke voorstellingen direkt worden overvleugeld en loopen al heel spoedig naar hem over. Soms is het mogelijk hen van deze op hen overgegane dwangvoorstellingen te genezen, door hen aan die sugge-reerende invloeden te onttrekken; maar ook menigmaal blijft de storing ook na deze verwijdering aanhouden.
Ziedaar de natuurlijke gang van het ontstaan der aesthe-tische clubs en scholen. Een gedegenereerde verkondigt onder den invloed van eene dwangvoorstelling een of ander letterkundig dogma, het realisme, de pornografie, het mysticisme, het symbolisme, liet diabolisme. Hij doet dat op eene uiterst welsprekende wijze, in een opgewonden, heftigen toon, met onverbiddelijke consequentie. Andere gedegenereerden eu neurasthenici scharen zich om hem heen, nemen het dogma gewillig nan en leven voortaan om daarvoor propaganda te maken.
47
In dat geval zijn allen, die daaraan deelnemen, to goeder trouw, zoowel de stichters als de volgelingen. Wat zij doen, kunnen zij niet nalaten, tengevolge van hunne ziekelijke dispositie. In den regel echter wordt deze voorstelling, die uit een klinisch oogpunt volkomen helder is, een weinig troebel, wanneer het den apostel en zijnen volgelingen gelukt ook in wijdere kringen de aandacht te trekken. Dan ontstaat die toeloop van lieden, die niet meer te goeder trouw zijn, daar zij zeer goed het onzinnige van het aesthetisch dogma inzien, maar het toch maar aannemen, in de hoop om als medeleden van de nieuwe sekte er geld mede te verdienen. Bij elk beschaafd volk van hooge ontwikkeling in kunst en literatuur treft men van die armen van geeste aan, die niet in staat zijn tot een oorspronkelijke geestelijke daad, maar toch hot vermogen hebben de manier van werken van andeven uitstekend na te bootsen. Deze stumpers vormen zelfs overal do groote meerderheid onder de schrijvers eu artiesten van beroep, en het oorspronkelijke talent wordt niet zelden door dien talrijken troep verdrongen en onderdrukt. En juist die zijn het, die voor elke nieuwe richting, die tijdelijk in de mode komt, de sterkste propaganda maken. Daar zij geen artistiek geweten hebben, bestaat er bij hen geen enkel beletsel, dat hen zou terughouden van de meest slaafsche naaiiperij; zij scharen zich om elke verschijning , die de aandacht trekt, onverschillig of die ziek of gezond is, en haasten zich daarvan allerlei ver-valschte afdrukken in omloop te brengen. Vandaag zijn zij symbolisten, morgen zullen zij realisten en pornografen zijn. Zij schrijven met hetzelfde gemak en met dezelfde schijnbare overtuiging mysteriën , indien er in deze richting maar eenige kans bestaat op room en voordeel. als zij ridder- of rooverromans, Homeinsche treurspelen of
48
volksverhalen zouden schrijven, voor 't geval dat naar deze soort van lectuur voel navraag zou zijn. Deze kwakzalvers nu, die, gelijk boven is gezegd, verreweg de meerderheid uitmaken van de mode-clubs, in kunst en litaratiiur, zijn volkomen gezond en normaal, al staan zij ook op een lagere trap van ontwikkeling. Daarom moet men bij het onderzoek naar de gedegeneerden onder de artiesten en schrijvers van den nieuwen tijd heel voorzichtig to werk gaan en altijd de oprechte ontwerpers onderscheiden van de bedriegclijke navolgers, do ware apostelen van het janhagel, dien het niet te doen is om de Bergrede, maar wel om de Wonderbare Yischvangst en de Yermeer-dering der Brooden.
Wij hebben nu gezien , hoe de scholen en sekten ontstaan; zij komen voort uit de degeneratie harer stichters en van hunne overtuigde volgelingen. Dat zij in de mode komea en een tijdlang een geruchtmakend succes kunnen hebben, vindt weer zijn grond in de hysterische aandoeningen van hot publiek. Dezelfde macht der dwangvoorstelling die den ontwerper er toe brengt, zijn beginsel wijd en zijd te verkondigen, verschaft hem ook de noudige aanhangers onder de voor zijne suggestie vatbare personen; hij behoeft maar to zeggen dat dit of dat werk mooi en diepzinnig is, en zij zullen hot gelooven. Een hysterisch monsch gelooft aan alles wat hem maar krachtig gonoog sresuo'sreroerd wordt. Toen de kleine melkmeid Bernadette
O O O
de Heilige Maagd in do grot van Lourdes meende te zien, sloegen de toestroomendo nonnetjes en vrome lieden uit den omtrek daar niet alleen geloof aan, maar velen zagen met eigen oogen eveneens de Heilige Maagd. Goncourt verhaalt dat in 1870 in Parijs gedurende den Fransch-Duitschen oorlog een massa van meer dan tienduizend monschen, die zich in en voor de Beurs verdrongen, hoi-
49
lig overtuigd was dat zij een telegram hadden gezien, waarin een overwinning van de Franschen werd meegedeeld ; sommigen hadden het zelfs gelezen en wezen op een beurspilaar, waar de telegram zou zijn aangeplakt. En tocli was er geen woord van waar. Zoo zou men oen tal van voorbeelden kunnen opnoemen, waaruit blijkt, hoe eon opgewonden menigte onderhevig kan zijn aan hallucinaties. Hysterische monschen laten zich zonder eenigen tegenstand van de heerlijkheid van een kunstwerk overtuigen en zij eindigen er niet zelden mee, daarin ten slotte nog een tal van schoonheden en bijzonderheden te ontdekken , waaraan de maker zelf in de verste verte niet heeft gedacht. Heeft een sekte zich dan eens zoover uitgebreid, dat zij behalve den stichter en de priesters, do betaalde tempeldienaars en de koorknapen, er ook nog een ge-meente op nahoudt, die ijverig deel neemt aan de processies met vaandels en gezangen en luid klinkende klokken, dan sluiten zich bij de hysterische geloofsgenooten, die zich lieten suggereeren, ook nog andere volgelingen aan. Jonge lieden, wier oordeel nog niet is gevestigd en die luin weg nog zoeken, gaan dien kant op, waar zij de menigte zieu heenstroomen; zij sluiten zich onbedachtzaam bij die menigte aan, in de meening dat zij nu op den rechten weg zijn. Domkoppen, die voor niets zoo'n vrees hebben als voor achterlijk te worden gehouden, scharen zich onder geschreeuw en gejubel bij den stoet, om maar duidelijk te laten uitkomen dat zij toch ook werkelijk aanhangers ziju van de allernieuwste beroemdheid. Afgeleefde grijsaards, die een belachelijke vrees koesteren, dat men ze voor oud en verouderd zal aanzien, gaan mede op naar don tempel en blaren met hunne afgesleten stemmen in liet koorgezang mede, in de hoop dat men hen toch voor jong zal houden, dat men toch van hen zal Nordau , Ontaarding. 4.
50
zeggen, dat zij niet zijn achtergebleven en met hun tijd zijn meegegaan. Op die manier ontstaat er om een enkelen ongelukkigen ontaarde een geheele oploop; en onder
al die hysterici en modegekken mengt zich de nieuwsgierige
straatjeugd, die overal bij moet zijn, waar maar wat te doen is. Zou'n troep maakt, gedreven door ziekelijkheid, zelfzucht en ijdelheid, natuurlijk veel meer lawaai dan een veel grooter aantal normale menschen, die zonder eenige zelfzuchtige bedoelingen een kalm genot ^ inden in de werken van frissche, gezonde talenten en die zich hoegenaamd niet geroepen voelen, om hunne appreciatie langs de straat uit te bazuinen, en om lederen voorbijganger, die niet van hun gevoelen is, met moord en doodslag te bedreigen.
ir~
IV.
OORZAKEN.
Nu wij de voor fin-de-siècle geldende richtingen in de kunst en literatuur alsmede de vatbaarheid van het publiek voor die modeverschijnselen hebben leeren kennen als ziekelijke aandoeningen, blijft ons nog over te onderzoeken, hoe deze ziekten des tijds zijn ontstaan en waarom dezen juist nu zoo veelvuldig optreden.
Morel, de groote vorscher op het gebied der ontaarding, zoekt de oorzaak iu vergiftiging. Een geslacht dat regelmatig allerlei verdoovende en prikkelende stolfen in den een of anderen vorm gebruikt (gegiste, alcoholische dranken, tabak, opium, haschisch, arsenic), dat vervalschte en bedorven voedingsmiddelen eet (brood met moederkoren, slechte maïs), dat organische vergiften in zich opneemt (moeraskoortsen, syphilis, tuberculose), verwekt eene ontaarde nakomelingschap, die snel tot de laagste trap van ontaarding moet vervallen, indien zij aan die zelfde invloeden blijft blootgesteld. De statistiek wijst duidelijk aan, dat het gebruik van narcotische middelen en alcoholische dranken aanhoudend is toegenomen. In Frankrijk is het tabaksverbruik van 0,8 kilo per hoofd in het jaar 1841
4*
52
gestegen, tot 1,9 kilo in het jaar 1890; voor Engeland vindt men daarvoor de cijfers 13 en 26 ons, voor Uuitsch-land 0.8 en 1,5 kilo. Het alcoholverbruik is in datzelfde tijdsverloop in Duitschland toegenomen van 5,45 mengel tot 6,86 mengel, in Engeland van 2,01 tot 2,64 liter, in Frankrijk van 1,33 tot 4 liter. De toeneming van het gebruik van opium ea haschisch is zelfs nog sterker; maar dat punt is voor ons van minder belang, daar voornamelijk de oostersche volken hieronder lijden. Bij deze schadelijke invloeden voegt er zich nog een, dien Morel niet genoemd heeft: het leven in do groote steden. Zelis de groote-stadsbewoner , die onder de meest gunstige om-standigheden leeft, is voortdurend blootgesteld aan ongunstige invloeden, die op den duur zijne levenskracht ondermijnen. De lucht, die hij inademt, is verontreinigd; hij gebruikt vervalschte spijzen en dranken eu bevindt zich voortdurend in een toestand van zenuwprikkeling. De werking van het groote-stadsleven op het menschelijk organisme is bijna geheel gelijk te stellen met die van de maremiuen en moerassen; in beiden maakt de malaria ontelbare slachtoffers. De sterfte in eene groote stad is ruim een vierde grooter dan de gemiddelde sterfte in het ganscho land, en zij is tweemaal grooter dan op het platte land, ofschoon zij eigenlijk geringer moest zijn, aangezien hot grootste deel van de bevolking eener groote stad uit volwassen menschen bestaat, in den bloei hunner jaren, waaronder de sterfte kleiner is dan onder grijsaards en kinderen. Ook de kinderen, die in een groote stad leven, zijn aan belemmerende invloeden blootgesteld, die hunne ontwikkeling in den weg staan en die van gelijke soort zijn als die, welke Morel aan koortsachtige streken toekent. De kinderen ontwikkelen zich namelijk regelmatig tot het 14e of 15e levensjaar, zijn tot dien tijd opgewekt,
53
menigmaal goed begaafd en veelbelovend; maar nu treedt er dikwijls een stilstand in, de geest wordt dof, het be-vattingsvennogen wordt minder en menigmaal ziet men een Hinken scholier veranderen in een stompzinnig, tamelijk onbruikbaar mensch. Met deze geestelijke veranderingen gaan de lichamelijke hand aan hand. De groei van de pijp van het been hoeft uiterst langzaam plaats of houdt heelemaal op, de beenen blijven kort, het bekken van den knaap behoudt een vrouwelijken vorm on ook andere organen ontwikkelen zich niet verder. Het geheel vertoont een vreemdsoortig en onooglijk mengsel van onrijpheid en onvolkomenheid.
ïïu is het algemeen bekend hoe schrikbarend in den laatsten tijd de bevolkingen der groote steden zjjn toegenomen. (1) Tegenwoordig is een veel grooter deel van het geheele volk blootgesteld aan do ongunstige invloeden van het stadsleven dan vijftig jaar geleden, en het aantal slachtoffers daarvan neemt dus ook in verhouding sterk toe. Met de toenemende uitbreiding der groote steden gaat dus voortdurend samen eene vermeerdering van ontaarden van allerlei soort, zoowel van de misdadigers en de waan-zinnigen als van de hoogere ontaarden, en liet is heel natuurlijk , dat dezen in het geestelijk leven eene steeds gewichtiger rol gaan spelen en dat de waanzin-elementen in kunst en literatuur aanlioudend toenemen.
1
Do 2R groote steilen van Duitschland boven do 100000 inwoners telden in 1891 te samen 6 millioen, in 1831 slechts 1,400000 inwoners; voorde 31 steden van Engeland van dezelfde categorie vinden wij de cjjt'ers van 10,870000 in 1890 en 4,590000 in 1841; voor 11 steden in Frank-ryk vindt men 4,180000 in 1891, 1,710000 in 183G. Tegenwoordig wonen in Duitschland, Frankrijk en Engeland 21,050000 menschen in de groote steden, terwijl in het jaar 1840 dit aantal slechts 4,800000 bedroeg.
54
Behalve het leven in de groote steden is er nog een reien aan te voeren voor de snelle toeneming der zenuwaandoeningen in onze dagen, en die is de afmatting, de uitputting van het tegenwoordig levende geslacht. Dat hysterie werkelijk een gevolg is van vermoeidheid en uitputting, heeft Fór6 door overtuigende proefnemingen aangetoond. (1) Féri heeft bewezen, dat bij oen gezond mensch onder den invloed van vermoeidheid zich dezelfde eigenaardige bewogiugsverschijnselcn voordoen als bij de lijders aan hysterie; ook de verschijnselen van prikkelbaarheid en overgevoeligheid doen zich bij een normaal gezond mensch, die is uitgeput van vermoeidheid, op geheel dezelfde wijze voor, zoodat hij tot het besluit is gekomen, dat de physiologische oorzaken van hysterische aandoeningen geheel zijn terugtebrengen tot vermoeidheid en vermindering van levenswerkzaamheid.
Nu is zonder eenigen twijfel geheel de beschaafde wereld sedert de laatste halve eeuw onophoudelijk aan groote vermoeienissen blootgesteld. In alle levensvoorwaarden heeft in dien tijd eene verandering plaats gegrepen, waarvan in de historische tijden geen tweede voorbeeld is te vinden. In geen enkele eeuw hebben de nieuwe uitvindingen zoo diep en zoo snel in alle levensomstandigheden ingegrepen, als in de onze. De ontdekking van Amerika , de kerkhervorming bijv. zullen vroeger ongetwijfeld veel opwinding hebben gebracht onder de gemoederen en hier en daar het evenwicht merkbaar hebben verstoord; maar toch is toen in het stoffelijk bestaan der menschen daardoor weinig verandering gekomen. Do menschen stonden op en legden zich te slapen, zij aten, dronken en onderhielden zich met elkaar op dezelfde wijze, als zij jaren
1
Féré, La Semaine Médicale. Paris. Jaargang 1890.
55
laug waren gewoon geweest. Maar in onzen tijd hebben stoom en electriciteit een totalen ommekeer in alle gewoonten van het leven gebracht, een verandering, die ingrijpt tot in het leven van den meest gewonen eu een-voudigen inensch.
Bij gelegenheid van een zeer belangwekkende voordracht, die Prof. von Hofmann in 1890 voor de Vereeni-ging van [Duitsche Natuuronderzoekers in Bremen hield , gaf hij aan het slot een korte beschrijving van het leven van den stedeling in het jaar 1822. Hij verhaalt ons van oen natuuronderzoeker, die in dien tijd met den postwagen uit Bremen in Leipzig aankomt. De reis heeft vier dagen en vier nachten geduurd , zoodat de man min of meer geradbraakt is. Hij wordt door de vrienden ontvangen eu zou zich wel een weinig willen verfrisschen. Maar er is nog geen Münchener-brau in Leipzig te krijgen.
een kort samenzijn met zijne ambtgonooten besluit hij dus zijn logement op te zoeken. Maar dit is geen gemakkelijk werk, want in de straten heerscht eene Egyptische duisternis ; hier en daar ontwaart men alleen de walmende vlam van een olielampje. Eindelijk vindt hij zijn nachtverblijf en zou nu wel licht willen maken. Maar er zijn nog geen lucifers, zoodat hij eerst met een vuursteen zijne vingers half kapot moet slaan, voordat het hem gelukt is een vetkaars aan te steken. Hij verwacht een brief, maar die is nog niet aangekomen en kan ook eerst over eenige dagen in zijn bereik zijn , want de post tusschen Frankfort en Leipzig gaat maar tweemaal in de week . . .
Maar het is zelfs niet noodig dat wij tot het jaar 1822 teruggaan. Verplaatsen wij ons eens een oogenblik in hetr jaar 1840. Ongeveer om dezen tijd is immers het geslacht geboren dat nu dien overweldigenden invloed der nieuwere
56
uitvindingen ondervindt en al de veranderingen, die daardoor zijn veroorzaakt, in zijn eigen leven heeft ervaren. Dit geslacht bestaat nn en geeft overal den toon aan, en zijne zonen en dochteren vormen de Europeesche en Amerikaansche jeugd , waaronder de nieuwe aesthetische richtingen hare dweepzieke proselieten maken. Laten wij nu eens even zien, hoe het in het jaar 1840 toeging en vergelijken wij dit eens met het leven in den tegenwoor-digen tijd.
In 1840 bestonden er in Europa 3000 kilometer aan spoorwegen , in 1891 bedraagt deze lengte 218000 kilonieter. Het aantal reizigers bedroeg in 1840 in Duitsch-land, Frankrijk en Engeland 2V3 millioen, in 1891 is dit aantal 014 millioen. In Duitschland bedroeg in 1341 hot aantal brieven per hoofd van de bevolking 85 , in 1888 is dit aantal 200 geworden. In 1840 verzond de post in Frankrijk 94, in Engeland 277 millioen brieven; in 1881 zijn deze bedragen geklommen tot 595 en 1299 millioen.
Het geheele onderlinge postverkeer tusschen de verschillende landen, waarbij dus het binnenlandsch verkeer niet is meegerekend, beliep in 1840 20 millioen, in 1889 2759 millioen brieven, fn Duitschland verschonen in 1840 305, in 1891 6800 dagbladen ; de respectievelijke bedragen zijn voor Frankrijk 776 en 5182, voor Engeland 551 en 2255. De Duitsche boekhandel bracht in 1840 1100 nieuwe nummers, in 1891 18700. De uit- en invoer-handel over de geheele wereld had in 1840 eene waarde van 17 milliard gulden, in 1889 van ongeveer 50 milliard. De schepen, die in 1840 de Engelsche havens binnenliepen, hielden 9V2 millioen ton in, in 1890 daarentegen 74Vs millioen. De inhoud van alle Engelsche koopvaardijschepen te samen bedroeg in 1840 ruim 3 millioen, in 1890 bijna 10 millioen.
57
Dezo getcillen geven veel te denken. Die 18000 nieuw verschenen boeken, die 6800 couranten willen gelezen worden, daargelaten dat dit voor enkele tot de vrome wenschen blijft behooron ; die 2759,000000 brieven moeten geschreven worden en al die meerdere omzet van koopwaren , al dat reizen en veelvuldig verkeer duidt dus op eene kolossale toeneming van menscheljjke werkzaamheid. De gewone dorpsbewoner bezit tegenwoordig oen veel ruimeren geografischen gezichtskring en heeft veel meer dingen, die zijn geest bezighoudan , dan een honderd jaar geleden de eerste minister van een staat. Al leest hij maar alleen zijn courantje, misschien een niets beteekend provinciaal blaadje, dan neemt hij toch in zijn geest deel aan duizenden gebeurtenissen, die op de moest uiteengelegen punten van de aarde voorvallen; hij schenkt zijn aandacht aan en praat mee over don hongersnood in Rusland, een opstand in Chili, een oorlog in Afrika, het Panama-schandaal en eene wereldtentoonstelling in Amerika. Eene keukenmeid ontvangt en verzendt tegenwoordig meer brieven, dan een eeuw geleden een hooggeleerde aan een universiteit.
Ma ar al deze bozigheden, zelfs do eenvoudigste, zijn gebonden aan een inspanning van het zenuwstelsel, aan een verbruik van zenuwarbeid en van stof. Elke regel, dieu wij lezen of schrijven; elk gezicht, dat wij zien; elk gesprek, dat wij voeren; elk beeld, dat wij door het venster van een voorthollenden sneltrein opvangen, ver-eischt eene werkzaamheid van onze zintuigen en van onze zenuwcentra. Ja zelfs de niet geheel en al bewust waargenomen schokken gedurende een spoorwegreis, het onophoudelijk rumoer en de snel wisselende indrukken in een groote stad, onze spanning over den afloop van allerlei gebeurtenissen , het voortdurend geloop van brievenbestel-
58
Iers, courantenjongens, bezoekers, dat alles vereischt hersenarbeid. De bevolking van Europa heeft zicli in de laatste vijftig jaren niet alleen verdubbeld, maar hare werkzaamheid is gestegen tot het tien-, misschien voor velen wel tot het vijftigvoudige. Een werkzaam mensch uit de beschaafde wereld verricht tegenwoordig zeker vijfentwintig maal meer arbeid, dan een halve eeuw geleden van hem verlangd werd.
Met al dien meerderen arbeid, die tegenwoordig van ons organisme wordt gevergd, kan do vermeerdering of verbetering in voeding van liet organisme onmogelijk gelijken tred houden. De Europeanen mogen tegenwoordig wat meer en wat beter eten dan een vijftig jaar geleden, maar die meerdere steun voor het organisme is natuurlijk op verre na uiet geëvenredigd aan de meerdere inspanning. Onze maag kan onmogelijk gelijken tred houden met ons zenuwstelsel; wanneer wij zooveel voedsel zouden willen nemen, als noodig zou zijn ter compensatie van den meerderen zenuwarbeid, dan zouden wij onze raasen bederven. Het gaat ons dus zooals het overal
O O
gaat, waar de uitgaven de inkomsten overtreffen: eerst wordt het gespaarde verbruikt, en dan stort de boel ineen.
De beschaafde menschheid is door de nieuwe uitvindingen als 't ware overrompeld. Er was geen tijd om zicli behoorlijk aan de nieuwe manier van doen en leven te wennen. Wij weten dat onze organen door oefening een grooter vermogen van werkzaamheid krijgen en nagenoeg aan de meeste eischen kunnen voldoen, die daaraan worden gesteld; maar slechts onder één voorwaarde: namelijk dat dit langzamerhand geschiede , dat men hun tijd geve zich te bekwamen, zich te accomodeeren. Wordt zonder dien behoorlijken overgang aanhoudend het buitengewone van hen verlangd, dan zullen zij spoedig verlammen en
59
bezwijken. En dit is nu het geval geweest met onze vaderen, hun is geen tijd gelaten zich te accomodeeren. Gewoon als zij waren om hun werk op oen bedaarde, kalme manier te verrichten, moesten zij, zonder eenige voorbereiding, hun gematigden tred op eens met den stormpas gaan verwisselen, en dat niet voor een oogenblik, maar aanhoudend, en altijd sneller. Het spreekt van zelf dat hun hart en hunne longen dat niet uithielden. De sterksten konden nog zoowat meekomen en den nieuwen gang volgen, maaide zwakkeren vielen rechts en links neer De meesten waren niet bestand tegen die in korten tijd zoo snel toenemende vermeerdering van arbeid. Daardoor zijn zij afgemat en uitgeput en deze uitputting komt nu bij het eerste geslacht als verworvene, bij liet tweede als erfelijke hysterie te voorschijn.
De nieuwere kunstrichtingen en hare invloeden , haar aanvankelijk succes, zijn niets anders dan een vorm van die hysterische aandoeningen. Zij zijn echter niet de eenige vormen: de ziekte dezer eeuw openbaart zich nog in vele andere verschijnselen, die gemeten en geteld kunnen worden, en dus uiterst geschikt zijn voor een wetenschappelijke bepaling. En zeker zullen deze door de ervaring vastgestelde en ontwijfelbare kenteekenen van uitputting ten slotte de oogen openen van hen , wien het misschien nog wel wat willekeurig toeschijnt om de in de mode zijnde richtingen in kunst en literatuur maar zoo geheel terug te brengen tot den toestand van uitputting van een deel der beschaafde menschheid.
Het is bijna een gemeenplaats geworden om te spreken van de voortdurende toeneming van misdaden, van waanzin en van zelfmoorden. In 1840 kwamen in Pruisen op 100,000 meerderjarige personen 714 veroordeelden voor, in 1888 1102. In 1865 kwamen op 100,000 inwoners
60
van Europa 63 zelfmoorden voor, in 1883 109, en sedert is dat aantal nog belangrijk gestegen. In de laatste twintig jaren heeft men ook nog een aantal nieuwe zenuw-aandoeuingen en ziekten ontdekt. Men zou verkeerd doen te onderstellen , dat die ziekten altijd aanwezig zijn geweest en dat zij vroeger eenvoudig over 't hoofd zijn gezien. Indien zij ergens waren opgetreden, dan zou men er ook wel melding van hebben gemaakt; want al lieten de medische theorieën in vroegeren tijd veel meer te wenschen over dan nu , ten allen tijde zijn er toch helderziende, knappe doctoren geweest, die wel degelijk goed wisten waar te nemen. Heeft men dus vroeger die nieuwe zenuwziekten niet opgemerkt, dan moet dit zijn omdat ze niet voorkwamen. Zij zijn dan ook uitsluitend een gevolg van de hedendaagsche levenswijze en van de levensomstandigheden van het beschaafde menschdom. Ileeds uit de benaming, die men aan sommige aandoeningen van liet zenuwstelsel heeft gegeven, blijkt dat men die wel degelijk erkent als onmiddellijke gevolgen van de beschavingstoestanden. Zoo spreken do Engelsche en Amerikaansche pathologen van ârailway-spinequot; en âlailway-brainquot;, waaruit blijkt dat zij dus het reizen per spoor als de onmiddellijke oorzaak erkennen van bepaalde aandoeningen van het ruggemerg en van do hersenen. Do sterke toeneming in het gebruik van narcotische middelen vindt zonder twijfel evenzeer haren grond in de uitputting onzer tijdgenooten. Daarbij heeft een rampzalige kring van wisselwerkingen plaats. Iemand die drinkt (misschien ook wel de sterke rooker) verwekt zwakke, erfelijk uitgeputte nakomelingen, en dezen drinken en rooken weer; want zij voelen zich uitgeput en verlangen dus naar een prikkelend middel, om voor een oogenblik dat gevoel van matheid te verjagen ; deze behoefte naar een opwekkenden prikkel maakt
61
eindelijk het nemen van narcotische middelen tot eeue gewoonte, die zij niet meer kunnen nalaten, ofschoon zij overtuigd zijn dat hunne zwakte en prikkelbaarheid daardoor op den duur alleen erger worden.
Velen zijn van oordeel dat het tegenwoordige geslacht veel eerder oud wordt dan liet vroegere. 2sog onlangs, in het laatst van 1891 , heot't Sir James Erichton-Browns in een voordracht voor de medische faculteit aan de universiteit te Victoria een belangrijke mededccling gedaan over den invloed van do hedendaagsche levensomstandigheden op den mensch. In Engeland stierven aan hartziekten in het tijdperk van 1859 tot 1863 92181 personen, daarentegen van 1884 tot 1888 224102 personen. Aan zenuwziekten stierven in den tijd van 1864â1868 196000 men-schn ; dit aantal bedroeg in de jaren 1884â1888 260558. Het onderscheid tusschen deze getallen zou nog veel meer iu 't oog loopend zijn geweest, indien Sir James een tijdperk had gekozen , dat nog meer in het verleden lag ; want in Engeland waren de omstandigheden, waaronder de burgers in 1865 leefden eu werkten, niet zoo sterk verschillend van die in 1885. Al die menschen, die gestorven zijn aan hart- eu zenuwlijden, zijn gevallen als slachtoffers der beschaving. Door de overmatige inspanning worden het hart en de zenuwen het eerst aangetast en verwoest. Sir James voegt er nog bij, dat de mannen en vrouwen tegenwoordig voor hun tijd oud worden; de grijze haren ver-toonen zich al op middelbaren, soms op jeugdigen leeftijd. De doodehjke aandoeningen , die vroeger alleen op hoogen leeftijd voorkwamen, doen zich nu voor op den leeftijd van 45 tot 55 jaren. Mr. Eritchett, een beroemd oogarts, zegt: âMijne ervaring, die zich nu over een kwart-eeuw uitstrekt, geeft mij aanleiding- te onderstellen, dat mannen en vrouwen tegenwoordig vroeger naar den bril grijpen
62
dan onze voorvaderen deden. Vroeger dacht men zelden aan een bril voor de vijftig jaar; nu brillen de meeste menschen op 45-jarigen leeftijd. De tandartsen constateeren, dat tegenwoordig de tanden vroeger bederven en uitvallen eu Dr. Lieving beweert, dat liet kaalworden veelvuldiger en eerder voorkomt, vooral bij nerveuze menschen, die veel met hun geest arbeiden. Maar wij hebben ten slotte voor dergelijke gevolgtrekkingen de beweringen der genees-heeren niet noodig ; alle dergelijke verschijnselen kunnen wij dagelijks opmerken in onze naaste omgeving.
Dat nu al die verschijnselen van uitputting en oververmoeidheid , die zich in de geheele beschaafde wereld voordoen , waar de ontwikkeling met reuzenschreden is voortgegaan, zich in Frankrijk nog duidelijker en sterker moesten openbaren dan elders, daarvoor bestaat een zeer gegronde reden. Tengevolge van het ontzaglijke bloedverlies , dat het Pransche volkslichaam geleden heeft gedurende de omwenteling der vorige eeuw en in de oorlogen onder Napoleon, door de ontzettende schokken, waaraan het onophoudelijk is blootgesteld , was dit volk natuurlijk buitengewoon slecht voorbereid op den storm der nieuwe uitvindingen van deze eeuw ; het kon niet anders of zijn weerstandsvermogen moest veel geringer zijn dan dat van andere volken, die een minder bewogen leven achter zich hadden. En nu brak over dit volk , door zijne nerveuze dispositie als 't ware voorbeschikt tot ziekelijke storingen, nog de vreesehjke storm los van 1870. Alle gevoelens van hooge zelfbewustheid, van grootheid en eigenwaan werden daar op eens meedoogenloos geknakt, vernietigd. Het Pransche volk zag zich in al zijne verwachtingen en overtuigingen plotseling teleurgesteld , bedrogen ; behalve het verlies van geld en goed en land en vrienden en bloedverwanten, voelde hot zich geknakt in zijne staat-
63
kundige grootheid, in zijne eer. Het geheele volk geraakte in een toestand , waarin een nienscli kan vervallen, wanneer lijj door een onverwachten slag eensklaps alles verliest , wat het geluk van zijn leven uitmaakt. Duizenden werden waanzinnig. Men merkte in Parijs zelfs een ware epidemie van geestesaandoeningen op, waaraan men den naam van folie obsidionale, belcgerings-waanzin, gaf. En ook zij , wier geest niet direkt gestoord werd, ondervonden toch de blijvende gevolgen van dien slag in hun zenuwtoestand. Daaruit is het te verklaren, waarom neurasthie en hysterie in Frankrijk zoo veelvuldiger voorkomen dan elders , en waarom juist daar die verschijnselen zooveel nauwkeuriger konden worden bestudeerd. Maar hieruit is ook tevens te verklaren, waarom juist in Frankrijk de waanzinnigste richtingen in kunst en literatuur moesten ontstaan en waarom men zich daar van die ziekelijke uitputting voor 't eerst zoo duidelijk bewust werd, dat men daarvoor eene bijzondere benaming ging zoeken en die vond in 't woord fin-de-siècle.
Zoo mag dan wel de bewering, die wij boven uitspraken , bewezen geacht worden. In de beschaafde wereld heerscht onmiskenbaar eene stemming, die een schemeren, een naderend ondergaan kenteekent en die zich onder anderen in allerlei zonderlinge aesthetische modevormen openbaart. Al de voorstanders dier nieuwe richtingen, de realisten, de naturalisten, de symbolisten, de mystieken, zij zijn openbaringen en vormen van de ontaarding en van de algemeen heerschende zenuw-krankheid, kenbaar aan de dooide kliniek waargenomen eu met zekerheid aangewezen stigmaten. Maar deze ontaardingsverschijnseleu zijnde gevolgen van een overmatig afslijten van het organisme, veroorzaakt door de snelle en reusachtige stijging der eischen, die aan het arbeidsvermogen van den mensch gesteld worden, en
64
door het leveii in tic grooto steden, waar de bevolking zich meer en meer ophoopt.
Uitgaande van deze algemeen erkende waarheden zal ieder, dio tot logisch denken in staat is, wel direkt willen toegeven, dat iijj in dwaling verkeert, wanneer hij in de nieuwere kunstrichtingen de boodschappers van een nieuwen tijd, van de toekomst, ziet. De verkondigers van de zoogenaamde nieuwe leer wijzen niet op de toekomst, maar zij wijzen op hot verledene. Hun woord is geen bljde voorspelling , maar het onzinnig stamelen en zwetsen van ongelukkigen , wier geestvermogens zijn gekrenkt.
Dat men zicli niet late misleiden door de groote woorden , waarmee in de werken der jongeren zoo handig wordt omgesprongen. Zij spreken van socialisme , van bevrijding van den geest, enz. en nemen op die manier den schijn aan, als zouden zij doortrokken zijn van den geest en de gevoelens van onzen tijd. Maar dat alles is niets dan een vernisje op de buitenoppervlakte ; al die groote woorden zijn zonder eenig logisch verband in het werk rondgestrooid. Bij elk delirium kan men het verschijnsel waarnemen dat de waan-voorstellingen getint zijn door de denkbeelden, die den tijd beheerschen, eu dat zij in nauw verband staan met de trap van ontwikkeling, waarop de lijder staat. In den grootheidswaan houdt de katholiek zich voor den paus, de Duitscher voor den keizer, de Jood voor den Messias, de Franschman voor den president der republiek. In den vervolgingswaan klaagde de zieke vroeger over de boosheid en de listen van toovenaars en heksen. Tegenwoordig verbeeldt hij zich dat denkbeeldige vijanden electrische stroomen door zijne zenuwen laten gaan en hem met magnetisme kwellen. En zoo bazelen nu tegenwoordig de gedegenereerden over darwinisme en socialisme, omdat zij zoo gemakkelijk niet deze woorden,
65
ook dikwijls met du hiermee verbonden begrippen, overweg kunnen, ilaar de maatschappij zal in haar streven naar meer volkomene economische toestanden en naar een meer degelijke wereldbeschouwing met al die socialistische en zoogenaamde vrijzinnige werken van de gedegenereerden evenmin gebaat zijn, als de studie der electrische verschijnselen zal bevorderd worden door do klachten en schilderingen van een waanzinnige, die do electriciteit de schuld geeft van zijne pijnlijke gewaarwordingen. Al die duistere en ziekelijk-opgescliroeide werken, die beweren eene oplossing te geven van do groote vragen, die onzen tijd beheerschen , houden de ontwikkeling tegen; want zij brengen do zwakke hoofden en slecht onderlegde geesten in de war, en, door het suggereeren van valsche voorstellingen , maken ze hen minder ontvankelijk of zelfs geheel onvatbaar voor eene verstandige, logische manier van denken.
Xu wij dan den lezer het standpunt hebben aangewezen, waarvan hij de nieuwe kunstrichtingen in het ware licht en in hare werkelijke gedaante kan aanschouwen, zullen wij verder nagaan, in hoever en in welke mate bij elk van do voornaamste en meest bekende typen dezer richtingen de liicr besproken ontaardings-verschijnselen zich voordoen.
IsOEDAU, Oniacirdiiig.
TWEEDE BOEK.
HET MYSTICISME.
PSYCHOLOGIE VAN HET MYSTICISME.
De neiging tot het mysticisme hebben wij reeds in liet voorgaande (zie pag. 33) als een der hoofdkenmerken van de ontaarding leeren kennen. De eerste vraag, die zich nu als van zelf opdoet, is deze : Wat hebben wij eigenlijk onder mysticisme te verstaan? Het woord mysticisme be-teekent een geestestoestand, waarin men tusschen de verschijnselen allerlei geheimzinnige en onverklaarbare betrekkingen meent waar te nemen of te voorzien ; de dingen worden beschouwd als zinnebeelden , door middel waarvan eene geheimzinnige macht zou trachten ons aanwijzingen of onthullingen te geven omtrent allerlei wonderbaarlijke zaken, die men te vergeefs tracht te verklaren of te ontraadselen.
Aan de mystieke denkers doen zich de verschijnselen in het leven heel anders voor dan aan den gezonden, normalen mensch. In het eenvoudigste woord zien zij direkt eeue toespeling op iets geheimzinnigs en verborgens; in de meest gewone en natuurlijke bewegingen zien zij veelbeteekenende wenken en gebaren, alle dingen hebben voor hen diep verborgen achtergronden en werpen hunne breede schaduwen over verwante gebieden. Ieder beeld,
70
dat voor hun geest opdoemt, wijst met een geheimzinnig zwijgen en met een veelbeteekenenden blik en vinger op andere nevelachtige beelden en geeft hun aanleiding daaraan voorstellingen vast te knoopen, tusschen welke andere mensehen geenerlei samenhang erkennen. Ten gevolge van deze eigenaardige manier van denken ziet de mysticus zich altijd omringd door verdachte maskers , achter welke vreemde oogen hom onophoudelijk aangluren en die hij met een zekere vrees beschouwt, daar hij er nooit zeker van is de vermomde gestalten, die zich aan hem opdringen, te herkennen. De uitdrukking: âde dingen zijn niet wat zij schijnenquot; ligt in zijn mond bestorven. In do ergste gevallen kan deze ziekelijke aandoening van den geest stijgen tot hallucinaties van het gehoor, van het gezicht of van de andere zintuigen. In dat geval hoort en ziet de lijder allerlei dingen, die voor den normalen mensch niet bestaan.
Om nu goed te kunnen begrijpen , op welke wijze de zwakke of uitgeputte hersenen tot mysticisme vervallen, achten wij het voor de meeste lozers , ook voor de zeer ontwikkelde, raadzaam, dat zij eerst hunne aandacht schenken aan enkele hoofdpunten van de psychische verrichtingen , die wij hier in 't kort willen meedeelen.
Onze hersenen bestaan uit eene grijze massa, een mengsel van vezels en cellen, en eene witte massa , bestaande uit vezels of zeer dunne draden, die binnen de grijze massa zijn besloten. Al de zenuwen onzer organen en van ons lichaam zijn met de hersencellen verbonden ; het bewuste denken is een werkzaamheid van de grijze hersencellen. Wordt nu een zenuw door een lichtstraal, of dooi een geluidsgolf, of door eene aanraking geprikkeld, dan wordt die prikkel overgebracht naar de cel, waarin die zenuw uitloopt. In deze cel zullen daardoor chemische
71
veranderingen plaats hebben, die bij een gezond menseh in een bepaalde verhouding staan tot de sterkte van don prikkel. De cel, die door hare geleidingszenuw den prikkel ontvangen heeft, deelt dien door middel van de ver-bindingszenuweu weer mee aan andere cellen , zoodat de geheele werking zich naar alle zijden als 't ware uitbreidt als een golfkring in het water , en ook , evenals die golving , langzamerhand vermindert en verdwijnt.
Iedere prikkel, die een plaats van de grijze hersen-winding treft, heeft een toestroomen van bloed ten gevolge, waardoor haar voedingsstoffen worden toegevoerd. In de hersencel worden die stoffen scheikundig ontleed en met elkaar verbonden, en aan die werking knoopt zich ons bewustzijn, ons denken vast. Het denken verslijt evengoed de zenuw-substantie, als de arbeid de spieren. Hoe echter uit die chemische omzettingen bewustzijn en voorstelling kan ontstaan , weet niemand.
Tot de eigenschappen van eene zenuwcel behoort nu ook deze , dat zij niet alleen in staat is om op een prikkel met eene chemische werking te beantwoorden , maar ook een beeld van de sterkte en den aard van dien prikkel te bewaren. Zij herinnert zich als 't ware hare indrukken. Wanneer nu een nieuwe , al zij 't ook een zwakke , prikkel de cel treft, dan wekt deze in haar hot beeld van daarmee overeenkomstige prikkels, die haar vroeger hebben getroffen , en dat herinneringsbeeld versterkt den nieuwen prikkel, maakt dezen duidelijker voor het bewustzijn. Bezat de cel dit vermogen niet, dan zou het bewustzijn nimmer de indrukken kunnen fixeeren en het zou onmogelijk zijn, zich een voorstelling van de uitwendige wereld te vormey. De eerste voorwaarde voor een normale hersenwerking is dus het geheugen.
Zooals wij gezien hebben, geeft iedere prikkel die een
hersencel treft, aanleiding tot een uitbreiding van dezen prikkel over de in do nabijheid liggende cellen. En daar nu elke prikkeling van een cel aan het ontstaan van bewuste voorstellingen is gebonden, zoo volgt hieruit, dat elke prikkel een groot aantal voorstellingen in liet bewustzijn roept. Daar de prikkel nu liet sterkst is aan den oorsprong en bij de verbreiding allengs in intensiteit afneemt, zoo zullen ook de voorstellingen, waarvan do dragers do collcn zijn die het dichtst bij do oorspronkelijk geprikkelde cel liggen, hot lovendigst zijn , terwijl die in de meer ver-wij der Je collen al zwakker en zwakker worden, tot liet bewustzijn ze niet meer kan waarnemen. Een enkele prikkel doet dus niet alleen in do cel, waarheen hij geleid wordt, maar ook in ontelbare andere cellen werkingen ontstaan, die aan voorstellingen zijn gebonden. Zoo ontstaan dus nagenoeg gelijktijdig duizenderlei voorstellingen van regel-matig afnemende duidelijkheid on daar nu onophoudelijk duizenden van die prikkels de cellen treffen , zoo loopen onophoudelijk duizenden van zenuwstroomingen in de hersenen door on over elkaar heen, elkaar snijdend en kruisend, millioeuen voorstellingen opwekkend, eerst krachtig, dan afnemend, ton slotte vervloeiend on vordwijnond.
Het vermogen der herinnering komt niet alleen aan de zenuwcel toe, maar ook aan de zenuwdraden, die de cellen verbinden. Elke zenuwdraad wordt door den prikkel, dien hij reeds vroeger heeft geleid, gemakkelijker door-loopen , dan door oen nieuwen prikkel die van den eersten verschilt. Daar nu oen prikkel altijd dien weg zal kiezen, waar hij den minsten weerstand ondervindt, zoo zal een bepaalde prikkolingsgolf ook oen bepaalden weg volgen, als uit gewoonte. Zoo zijn het dus altijd dezelfde zenuwcellen die elkaar prikkels toezenden, de oene voorstelling wekt dus altijd dezelfde daaruit voortvloeiende voorstellingen
73
op. Dit verschijnssl noemt men de associatie van denkbeelden.
Wie niet als de ongelukkige Laura Bridgeman, die door alle psychologen wordt aangehaald, blind en doof is geboren, zal nooit door één prikkel, maar wel door verschillende prikkels tegelijk worden aangedaan. Elk verschijnsel werkt gewoonlijk op verschillende onzer zintuigen tegelijk, door de onderscheidene eigenschappen waarmee zij optreden; onze hersenen zijn er dus aan gewoon, van elk verschijnsel meerdere prikkels tegelijk te ontvangen. Soms is een enkele dezer prikkels al voldoende om , tengevolge van het bestaan der herinneringsbeelden, ook de overige prikkels, waarmee het verschijnsel optreedt, in werking te doen treden. Hoorcn wij bijv. den donder, dan krijgen wij tegelijk den indruk of de voorstelling van een bewolkten hemel, van den bliksem, van regen. Zoo is dus de gelijktijdigheid der indrukken een der oorzaken van de ideeën-associatie.
Daar vele verschijnselen gekenmerkt zijn door oen zelfde hoofdeigenschap, zoo is dikwijls de prikkel, die door die hoofdeigenschap wordt uitgezonden, voldoende om ons ile voorstelling te geven van een tal van verwante verschijnselen , die alle door die eigenschap zjjn gekenmerkt. Zoo is bijv. de blauwe kleur eigen aan den onbewolkten hemel, aan de korenbloem, aan de zee, aan blauwe oogen, enz. Do enkele waarneming nu van blauw zal de herinnering aan verschillende van die dingen, die wij altijd blauw zien , in ons opwekken. De overeenkomst in eigenschappen is dus een tweede oorzaak der ideeën-associatie.
Nog eeue andere eigenschap van do hersencel is deze, dat zij tegelijk met eene voorstelling ook de tegenstelling daarvan doet ontstaan. Yermoedelijk is datgene, wat wij als contrast waarnemen, in zijn oorspronkelijks tan en
74
eenvoudigston vorm alleen liet zich bewust worden van liet ophouden van eene bepaalde voorstelling. Evenals door afmatting der gezichtszenuw door een bepaalde kleur de gewaarwording van de complementaire kleur wordt opgewekt, zoo schijut ook door de vermoeienis van een hersencel de contrasteerende voorstolling te worden opgewekt. Ook deze eigenaardigheid is mede eene der oorzaken van de associatie van denkbeelden en voorstellingen.
Wil een organisme zich nu in stand houden , dan moet liet in staat zijn , do natuurkrachten aan zich dienstbaar te maken en zich tegen schadelijke invloeden weten te vrijwaren. Voor dit laatste is weer allereerst noodig een voldoende kennis van die schadelijke werkingen. Bij de hooger georganiseerde schepsels nu rust de taak van het verwerven van die kennis op de hersenen en op het zenuwstelsel. Het geheugen stelt de hersenen in staat om deze taak te volvoeren, en het mechanisme, door middel waarvan het geheugen aan het dool van de erkenning wordt dienstbaar gemaakt, is do ideeën-associatie. Want het is licht begrijpelijk dat een brein , waarin eeu enkele waarnoining door de werking der associatie oen geheole reeks van voorstellingen opwekt, veel sneller tot begrijpen eu oordoelon in staat zal zijn dan dat, waarin een dergelijke associatie-werking niet voorhanden zou zijn. Toch zou men verkeerd doen met te deuken, dat het associatio-verraogon alleen voldoende zou zijn, om do hersenen in staat te stollen hunne taak naar behooron te vervullen. Want wij moeten niet vergoten, dat eigenlijk al onze waarnemingen , voorstollingen en begrippen door associatie van denkbeoldon moor of minder nauw samenhangen. Wanneer bijv. de waarneming van blauw de voorstellingen van den hemel, van de zee, van blauwe oogen , enz. in ons opwekt, dan geeft elk dezer voorstel-
75
liugen weer aanleiding tot daarmee geassocieerde voorstellingen ; bijv. de hemel doet ons aan sterren, wolken, regen denken ; de zee aan parelen , schepen, visschen, reizen , vreemde landen ; blauwe oogen aan een meisjeskopje , aan de liefde met al hare emoties, zoodat door dezen chaos van voorstellingen het blauwe voorwerp, dat wij werkelijk waarnemen , niet verduidelijkt of verklaard zou kunnen worden. Om dus in dezen chaos een zekere orde te brengen en de opgewekte voorstellingen dienstbaar te maken aan ons oordeel, moet zich nog iets aan de ideeën-associatie toevoegen, en dat is de opmerkzaamheid.
De opmerkzaamheid nu is niets anders dan het vermogen van de hersenen om van de herinneringsbeelden, die
ZJ O 7
tengevolge van de prikkeling onzer hersencellen door de associatie-werking ontstaan, enkele te onderdrukken en daarentegen weer andere vast te houden; en wel die vast te houden, welke onmiddellijk betrekking hebben op het ding, dat den prikkel teweegbrengt, dus op het waargenomen voorwerp.
Hoe komt die keuze tusschen de onderscheidene herinneringsbeelden tot stand? Eenvoudig door den prikkel zelf, die de cellen in werking brengt. Het sterkst worden natuurlijk die cellen geprikkeld, welke in direkt verband staan met de geleidings-zenuwen. De werking in de cellen, die door den prikkel, van de eerste cel uitgaande, worden aangedaan, moet al eenigszins zwakker zijn, en nog zwakker is de werking in de cellen, wier prikkeling weer afhankelijk is van de laatsten. Diezelfde trapsgewijze vermindering moet dus ook in de intensiteit der voorstellingen bestaan, die door de associatiewerking ontstaan. Verder moeten wij hierbij in aanmerking nemen, dat een verschijnsel nooit een enkelen prikkel uitzendt, maar verschillende prikkels te gelijk. Wanneer wij bijv. een mensch voor ons zien, dan nemen wij niet alleen een enkel punt
76
van hem waar, maar een vrij groot deel van zijn lichaam, dus een groot aantal verschillend gekleurde en verlichte punten; wij hooren hom misschien tegelijk spreken of loopcn, wij raken hem aan en wij zien tevens ook iets van zijne omgeving. Zoo onstaan dus in onze hersenen op een oogenblik ecu groot aantal centra van prikkeling. In ons bewustzijn ontstaan dus op dat oogenblik een reeks van oorspronkelijke voorstellingen, welke sterker en duidelijker zijn. dan de daaruit voortvloeiende geassocieerde voorstellingen. 13ic eerste voorstellingen zijn als 't ware de helderste lichtpunten onder een tal van minder schel verlichte punten. Die helderste lichtpunten zijn het, die leiden tot do hoofdgedachte, tot het oordeel. Dat overwicht, dat de helderste indrukken over de minder heldere bezitten, maakt het mogelijk, dat wij met behulp van onzen, wil een tijdlang de gansche werkzaamheid van onze hersenen ten hunnen voor-deele aanwenden, waarbij de zwakkere gevolgsvoorstellingen welke mot den hoofdindruk niet vereenigbaar zijn, worden bestreden eu vernietigd. Het ingrijpen van den wil in dezen strijd om 't bestaan der ideeën stel ik mij zoo voor , dat hij (hoewel onbewust) bewegingsimpulsen aan de aderen ge aft, die in de hersenen liggen. Daardoor worden do bloedvaten naar behooren verwijd of vernauwd cn de toevoer van bloed dus grooter of geringer. De cellen, die geen bloed ontvangen, moeten hare werking staken, terwijl de andere des te krachtiger kunnen arbeiden. Do wil, die dezen toevoer van bloed regelt, is dus te vergelijken met een knecht, die voortdurend bezig is, met in een kamer sommige gaslichten op- en andere af'.'e-draaien, zoodat dan eens de eene, dan weer de andere hoek van het vertrek in 't halfdonker of in het duister ligt. Dat zich op den voorgrond stellen van een groep
77
van voorstellingen heeft dus ten gevolge, dat niet alleen de liersencellen, maar het geheele organisme een tijdlang aan de waarneming van een bepaald ding wordt dienstbaar gemaakt. Ik zie bijv. op de straat een voorbijganger, die om do cone of andere reden mijne aandacht trekt. De oplettendheid nu onderdrukt alle andere voorstellingen, die nog in mijn bowiistziju waren, en laat alleen die be-bestaan, welke betrekking hebben op de waargenomen persoon. Om die voorstellingen te versterken, kijk ik hem na, dus ontvangen de oogspieren, de halsspieren, wellicht ook de spieren van den romp en van de boenen bewe-gings-impulsen, die alleen ten doel hebben , nieuwe zintuiglijke indrukken te ontvangen van het voorwerp, waarop mijne aandacht is gericht, waardoor dus die voorstellingen voortdurend \rorden onderhouden en versterkt. Andere personen, die in dien tijd iu mijn gezichtsveld verschijnen, zie ik niet; den geluiden, die mijn oor treffen, schenk ik geen aandacht, ik hoor ze misschien in 't geheel niet; maar ik zou zo wel degelijk hooren, indien zij van den voorbijganger uitgingen, of op hem betrekking hadden. Zoo wordt dus ous geheele organisme een tijdlang in dienst gesteld van de verwerking, van het fixceren van een bepaalde voorstelling of gedachte. Door dit vermogen wordt de associatie van voorstellingen een voor het organisme voordeelige eigenschap, en het is onze wil, die den graad van sterkte en helderheid, den duur en het vervagen der voorstellingen in ons bewustzijn bepaalt. Hoe krachtiger die wil is, des te volkomener kunnen wij ons organisme dienstbaar maken aan de opwekking van klare, duidelijke voorstellingen , en met des te meer kracht en zekerheid zullen wij d i e voorstellingen kunnen onderdrukken , die de klaarheid van liet beeld, dat zich aan ons bewustzijn opdringt, kunnen verstoren.
78
Onze beschaving, onze heerschappij over de natuurkrachten, zij zijn alleen liet gevolg van het bestaan onzer oplettendheid; alle bijgeloof, alle dwalingen zijn een gevolg van gebrek aan oplettendheid. Valsche voorstellingen van den samenhang der verschijnselen ontstaan door een gebrekkige waarneming en worden verholpen door een nauwkeurig, oplettend observeeren. Want waarnemen is niets anders dan het toevoeren van-bepaalde indrukken naar de hersens, indrukken, die opzettelijk gewild en bedoeld zijn; hierdoor wordt de intensiteit en de graad van helderheid van een groep van voorstellingen zoodanig verhoogd , dat dezen daardoor het overwicht verkrijgen, dooide ideeën-associatie de daarbij passende herinneringsbeelden opwekken en de daarmee onvereenigbare voorstellingen onderdrukken. Geheel onze vooruitgang in kennis en oordeel, geheel onze ontwikkeling is het gevolg van waarnemen , dat is de door de oplettendheid geëisohte dienst-baarmaking van onze organen en van hunne centra van waarneming aan een voorstelling of' aan een groep van voorstellingen , die zich aan ons bewustzijn opdringen.
De oplettendheid gaat dus noodwendig gepaard met een vasten wil in eene bepaalde richting; wilskracht, de kracht om te willen, is alleen eigen aan normaal gebouwde, niet-vermoeide hersenen. Die kracht nu ontbreekt geheel of gedeeltelijk bij den gedegenereerde, wiens zenuwstelsel en hersenen door aangeboren gebreken of onregelmatigheden abnormaal zijn, en bij den hystericus, die lijdt aaa uitputting. Het gevolg van deze willoosheid is het onvermogen opmerkzaam te zijn. Alexander Starr (1) heeft 23 gevallen gepubliceerd van aandoeningen van de hersen-
1
Brain, Januari 1886. Aangehaald door Kibot, Psychologie de l'attention, pag. 08.
79
windingen, waarbij het den lijders onmogelijk was, hunne aandacht bjj iets te bepalen en Ribot doet hieromtrent opmerken : âIemand, die door eene lange wandeling vermoeid is, of die na eene zware ziekte aan de beterhand is, in één woord alle zwakke menschen zijn in meer of minderen graad onbekwaam tot opmerkzaam-zijn... Dat onvermogen gaat altijd samen mot allerlei vormen van uitputting.quot;
De werkzaamheid der hersenen bij ontaarde en hysterische menschen wordt niet door de oplettendheid in toom gehouden, zij is willekeurig, zonder plan of doel. De voorstellingen worden door het ongebonden spel der ideëen-associatie in het bewustzijn geroepen en kunnen daarin vrijelijk rondwoelen. Automatisch doemen zij op en dooven zij uit, de wil ontbreekt om ze te versterken of ze te onderdrukken. Voorstellingen treden hier in 't bewustzijn, die elkaar vreemd zijn, niets met elkaar gemeen hebben, en zoo ontstaan onzinnige gedachten, die een valsche voorstelling uitdrukken van de uitwendige verschijnselen. Maar daarbij doet zich nog een tweede versobijnsel voor. Die verwarde strooming en chaotische verbreiding der prikkels langs de banen der ideëen-associatie brengt ook cellen in werking, die ver van het centrum van prikkeling zijn verwijderd; dezen blijven nagenoeg aan zich zelf overgelaten en hare werking zal in duur en sterkte geëvenredigd zijn aan de kracht van den prikkel, die ze heeft aangedaan. Zoo ontstaan in het bewustzijn heldere, duistere en nog duisterder voorstellingen, die na eenigen tijd weer verdwijnen, zonder boven haren oorspronkelijken grond van klaarheid te zijn gestegen. De klare voorstellingen geven eene gedachte, die echter geen oogenblik helder en vast kan zijn; want in de bepaalde voorstellingen, waaruit zij is samengesteld, mengen
80
zicli ook andere, minder duidelijke, minder bepaalde voorstellingen. In normale hersenen treedt nu liet vermogen van opmerkzaamheid op, om die halfduistere voorstellingen óf te verhelderen en te versterken, óf ze geheel te onderdrukken. Die meeklinkende boventonen, die elke gedachte vergezellen, kunnen dus den grondtoon van de gedachte alsdan niet benadeelen of verzwakken; de opdoemende gedachtenschiinmeu kunnen dan geen direkten schadelijken invloed op het denken uitoefenen. Geheel anders is hot eshter gesteld bij den gedegenereerde of den vermoeide; bij hem treden de grensvoorstellingen tegelijk met de heldere voorstellingen van hot centrum in het bewustzijn, de sterk meeklinkende boventonen ontstemmen en overvleugelen den grondtoon, het oordeel, de gedachte wordt wankelend en nevelachtig. AVie wel eens in een donkeren nacht heeft beproefd, onduidelijke gestalten op een grooten afstand waar te nemen, die kan zich eenigermatc eene voorstelling maken van het beeld, zooals zich dat in de gedachtcnwereld van een zwak, uitgeput mensch moet vertoonen. Daar zien wij een zwarte massa. Wat zou het zijn? Eeen boom? Een hooiberg? Een dief? Een roofdier? Zullen wij vluchten â er op aanvallen?
De neiging om meer het vermoede dan het waargenomen voorwerp te observeeren, vervult met een zekere onrust, met angst. Dat is dan ook feitelijk de zielstoestand van een mensch met abnormale hersenen ten aanzien van zijne grensvoorstellingen. Hij meent daarin honderderlei dingen tegelijk te zien en brengt alle vormen, die hij schijnbaar waarneemt, in verband met de hoofdvoorstelling. Maar hij gevoelt zeer góed, dat dit verband onbegrijpelijk en onverklaarbaar is. Hij vereenigt allerlei voorstellingen tot een gedachte, die met alle ervaring in strijd is, maar die hij toch op gelijke wijze met zijne overige gedachten
81
en denkbeelden moet vergelijken en overwegen, omdat ze bij hem op eenerlei wijze tot stand zijn gekomen; maar tracht hij zich nu een oordeel over den inhoud dier gedachten te vormen, dan bemerkt hij, dat ze slechts schimmen van voorstellingen zijn, waarvoor hij te vergeefs naar een naam zoekt. Deze geestestoestand nu, waarbij men zich inspant om te zien en ook werkelijk meent te zien, waarin gedachten en voorstellingen ontstaan waardoor het bewustzijn wordt verward en geplaagd, zooals de wandelaar gekweld wordt door dwaallichten die zweven over een moeras, waar hij een zeker verband tracht te ontdekken tusschen vormelooze schimmen en enkele duidelijk waarneembare verschijnselen, â â die geestestoestand nu is het, dien men mysticisme noemt.
Met dien geestestoestand gaat samen een wijze van zich uit te drukken, die even nevelachtig is als de voorstelling, die do mysticus zich vormt. In de mystiek moet men zich voor het weergeven van die vage, vormelooze voorstellingen bedienen van bekende woorden, die dan echter een geheel andere beteekenis krijgen, of men moet zijne toevlucht nemen tot nieuwe, zelf-uitgedachte woorden, die voor een gewoon-denkeud mensch volkomen onverstaanbaar zijn. Dikwijls tracht de mysticus dan ook zijne gedachten uit te drukken door het naast elkaar stellen van oen groote massa woorden, bij het schrijven door streepjes verbonden; eene manier, die hij van groote beteekenis acht en waarmee hij de toehoorders of lezers tracht te overbluffen en te begoochelen.
Dat er velen zijn, die zich door die mystieke woorden-smederij laten overbluffen, is een bekend feit. Er zijn menschen genoeg die zich verbeelden, neiging te hebben voor de mystiek; zij beweren alsdan, dat die eigenaardige nevelachtige uitdrukkingen hun veel te denken geven.
Nordau , Ontaarding. C
82
Maar feitelijk brengen die uitingen hen alleen in een toestand van vage droomerij, die hun veel gemakkelijker valt en daarom ook aangenamer is dan liet grondig nadenken over een met juistheid aangegeven en scherp omtrokken denkbeeld. Voor zwakhoofden schijnt de mystieke denker altijd een zeer diepzinnig wezen, eene uitdrukking, die bijna beleedigend is geworden door de be-teekenis, die zij er aan hechten. Waarlijk diepzinnig toch zijn alleen heldere, krachtige geesten, die in staat zijn hun denkvermogen door eene buitengewoon sterke opmerkzaamheid te breidelen. Want dezen bezitten het vermogen, de ideëen-associatie op do meest doelmatige wijze aan hunne voorstellingen dienstbaar te maken en daaraan de grootst mogelijke scherpte en klaarheid te geven , terwijl zjj de voorstellingen, die daarbij niet passen, zeker en snel onderdrukken ; op die manier ontvangen zij een beeld van onvergelijkelijke klaarheid en ontdekken zij meermalen nieuwe betrekkingen tusschen de verschijnselen , die voor zwakkere geesten verborgen blijven. Deze ware diepzinnigheid van uitverkoren krachtige geesten is een en al helderheid. Zij schuwt het nevelachtige en werpt een stralend licht in diepe afgronden. De schijnbare diepzinnigheid van den mystieken denker daarentegen is een en al duisternis. Zij wischt de grenzen en omtrekken der verschijnselen uit, omhult ze met nevelen en plaatst ze in het donker. Wie de wereld door de oogen van den mysticus beschouwt, staart in een zwarte, woelende massa, waarin hij alles meent te vinden wat hij wil, maar waarin hij toch feitelijk niets waarneemt. Zwakhoofden noemen alles plat en gewoon, wat helder, scherp begrensd, duidelijk is aangewezen ; daarentegen is voor hen alles even diepzinnig wat geen zin heeft, of wat naar believen is te verklaren.
Do inhoud van het mystiek denken wordt natuurlijk
83
bepaald duor het karakter van den gedegenereerde en van de trap van ontwikkeling, waarop hij staat; want de ziekelijke en uitgeputte hersenen maken slechts den bodem uit, die het levenszaad ontvangt van de opvoeding, het onderwijs, de indrukken en de ervaringen van het leven, enz. Die zaden ontstaan niet in de hersenen, maar zij krijgen alleen m en door hen die storingen in do ontwikkeling, welke leiden tot al die misvormingen en wilde loten. De natuuronderzoeker die het vermogen zijner opmerkzaamheid kwijtraakt, wordt een zoogenaamde natuurfilosoof en gaat zich verdiepen in de kwestie van de vierde afmeting. De ruwe en onwetende mensch uit de laagste rangen der maatschappij vervalt tot bijgeloof. De godsdienstige, mot dogma's opgevoede, mysticus past zijn nevelachtig denken toe op geloofszaken en ziet daarin openbaringen omtrent de natuur, de drieëenheid of hot bestaan voor de geboorte en na den dood. De tot do mystiek vervallen technicus meent de oplossing van het perpetuum mobile op het spoor te zijn en peinst over verbindingswegen tusschen de aarde en de sterren. De astronoom wordt astroloog; de scheikundige alchymist en zoeker naar den steen der wijzen ; de wiskundige gaat zich toeleggen op de oplossing van de kwadratuur van den cirkel of tracht een integraalvorm te vinden, waarin het geheele beginsel der menschelijke ontwikkeling zou zijn vervat.
Zooals boven werd gezegd, ontvangen de hersenen niet alleen prikkels van de buitenzenuwen , maar ook van de zenuwcentra van het ruggemerg en van den nervus sym-pathicus. Elke prikkelingstoestand van deze centra wekt in de hersencellen meer of minder duidelijke voorstellingen op , die noodwendig betrekking hebben op de werkzaamheid van die centra , waarvan de prikkel uitgaat. Een paar voorbeelden kunnen dit duidelijk maken. Wanneer het organisme behoefte heeft aan voedsel, dan zijn wij ons
G *
84
niet alleen in 't algemeen bewust van een vaag verlangen naar spijs, maar in onzen geest ontstaan ook bepaalde voorstellingen van gerechten , gedekte tafels en van allerlei dingen , die met het eten in verband staan. Wanneer om
O J
de eene of andere reden onze ademhaling belemmerd is, dan hebben wij niet alleen behoefte aan lucht, maar allerlei voorstellingen van angstigen, gedrukten aard dringen zich aan ons op, zwaarmoedige herinneringen, voorgevoelens van dreigend gevaar, kortom allerlei gedachten, die drukkend werken en het ademen belemmeren. Ook in den slaap oefenen de organische prikkels hun invloed uit; dan worden wij gekweld door droomen die betrekking hebben op de werkzaamheid van die organen, die zich niet in normalen toestand bevinden.
Nu is het bekend, dat bij gedegenereerden zekere organische zenuwcentra, namelijk de geslachtscentra in het ruggemerg en in het verlengde ruggemerg, dikwijls misvormd of buitengewoon prikkelbaar zijn. De daardoor opgewekte prikkels zullen dus in de hersenen voorstellingen doen ontstaan, die met het geslachtsleven nauw samenhangen, en deze voorstellingen zijn blijvend, aangezien ook de prikkelingstoestand, die ze doet ontstaan , voortduurt. Van daar dat een gedegenereerde, waarbij zich dit verschijnsel voordoet, aan alle voorstellingen ook voortdurend erotische gedachten verbindt; bij hem gaan de meeste indrukken en gewaarwordingen samen met gevoelens van verliefden en erotischen aard. Van daar dat hot mysticisme zoo vaak een erotischen tint heeft. De eigenaardige vermenging van bovenzinnelijkheid en zinnelijkheid, van dweepzucht op het punt van geloof en van liefde, die het m ystiek denken kenmerkt, is zelfs door velen opgemerkt die niet weten, aan welke oorzaak die eigenaardigheid moet worden toegeschreven.
85
Behalve de hier besproken vorm van mysticisme, waarvan de hoofdoorzaak in het gemis van het vermogen der opmerkzaamheid moet gezocht worden, treedt de mystiek ook nog in een anderen vorm op , die veroorzaakt wordt door eene afwijking van de normale prikkelbaarheid der hersencellen en van het zenuwstelsel. In een gezond or-ganisme zal de prikkeling der hersencellen altijd in een bepaalde verhouding staan tot de sterkte van den aangewenden prikkel. Geheel anders is liet gesteld met een abnormaal organisme ; hier zal de werking van den prikkel op de hersenen óf te zwak, of te sterk zijn. De eerste vorm van afwijking, het dof en afgestompt zijn, komt bij de hoogere gedegenereerden te zeldzaam voor om het hier ter sprake te brengen. Daarentegen treedt de boven matige prikkelbaarheid en overgevoeligheid der hersenen zeer veelvuldig op. Zijn alle cellen overgevoelig, dan ontstaan die ziekelijke naturen , die in de gewoonste dingen de meest buitengewone verschijnselen zien; zij hooren âhot steunen van liet avondroodquot;, zij huiveren bij de aanraking van eeue bloem , bij het suizelen van den wind vernemen zij geheimzinnige profetien en vreeselijke bedreigingen. De bovenmatige prikkelbaarheid van enkele celgroepen der hersen windingen geeft aanleiding tot andere verschijnselen. In dat geval zal de werking in die gevoelige cellen veel sterker en van veel langer duur zijn, dan waartoe tie kracht van den toegevoerden prikkel aanleiding-geeft. Zulk een celgroep kan moeilijk, soms in 't geheel niet, tot rust komen ; zij trekt de voedingsstoffen in groote kwantiteit tot zich, om ze te verwerken en onttrekt die aan de andere deelen der hersenen. Zij gedraagt zich als eeu werktuig, dat door onbekwame hand in beweging is gebracht en nu niet meer tot stilstand kan komen. Wanneer wij de normale hersen werking vergelijken met eene
86
langzame verbranding, dan is de werking der ziekelijlege voelige celgroep te vergelijken met een explosie, en wel met een ontploffing die even hevig als duurzaam is. Na een enkelen prikkel vlamt alsdan in het bewustzijn eene voorstelling ot een reeks van voorstellingen en gedachten op , die alle andere voorstellingen door haren gloed en glans verduisteren.
Treedt dit verschijnsel in middelmatigen graad op, dan ontstaan do dwangvoorstellingen, die bij hoogeren graad overgaan in het idéé fixe. Hiermee gaan doorgaans delirium en hallucinaties gepaard. Eindelijk in den hevig-sten graad ontstaat do extaze, door Ribot genoemd : âde acute vorm van het streven naar eenheid van bewustzijn.quot; In de extaze werken do geprikkelde hersencellen met zulk een hevigheid , dat daardoor de werkzaamheid der overige hersendeelen nagenoeg geheel wordt onderdrukt. De extaticus is volkomen ongevoelig voor uitwendige prikkels ; er heeft geen waarneming , geen voorstelling , geen verbinding van voorstellingen tot begrippen en van begrippen tot gedachten plaats; een enkele voorstelling of een groep van voorstellingen neemt hier het geheele bewustzijn in, en deze voorstellingen zijn buitengewoon scherp en duidelijk. Hier heeft dus juist het tegenovergestelde plaats van hetgeen bij den gewonen mysticus wordt opgemerkt. Met de extaze gaan bijzonder hevige gevoelens samen , gevoelens van den hoogsten lust en van de hevigste smart. Zulke gevoelens zijn altijd verbonden aan een bovenmatige werkzaamheid van zenuwcellen en aan die als 't ware explosieve verwerking van voedingsstoffen. Van daar dat het gevoel van wellust ook samengaat met de werking in de geslachtscentra; bij den normalen mensch zijn dit namelijk de eenige zenuwcellen die zoodanig zijn ingericht, dat zij geene voortdurende werking verrichten, maar gedurende
87
geruimen tijd de haar toegevoerde voedingsstoffen vasthouden en bewaren, om dan in een kort tijdsbestek die stoffen als 't ware explosief te verwerken. Elk zenuwcentrum , dat op die wijze arbeidde, zou ons het gevoel van wellust geven ; maar bij don gezonden mensch bestaan er buiten de geslachtscentra geene , die aldus werken. Bij den gedegenereerde echter is dit niet het geval; bij hem werken enkele hersencentra op overeenkomstige wijze als de geslachtscentra en het daardoor opgewekte gevoel van genot is in dezelfde mate sterker dan de gevoelens van wellust, als de hersencentra meer gevoelig zijn dan de ondergeschikte en minder prikkelbare centra van het ruggemerg. Wanneer eeue heilige Therese, een Mohamed, een Ignatius van Loyola verzekeren, dat het zalige gevoel, dat hen in den toestand van hoogste extaze doorstroomt, met geene aardsche gevoelens zijn te vergelijken en dat die voor een sterveling bijna te machtig zijn, dan zeggen zij de volkomen waarheid. Maar dit bewijst ook dat zij zich van de groote smart bewust worden, die met de stofwisselingen in de sterk geprikkelde hersencentra als reactie op de genotrijke gewaarwordingen gepaard gaat. De omstandigheid , dat liet eenige ons bekende normale gevoel, dat met de extaze-gevoelens overeenkomt, het gevoel van wellust is, verklaart dat de extaticus door de ideeën-associatie voorstellingen van liefde met zijne extatische voorstellingen verbindt en dat do extaze zelve als een soort van bovenaardsche liefdesdaad, als een onstoffelijke vereeniging van den hoogsten en reinsten aard met God of met de Heilige Maagd moet worden gedacht. Deze neiging om dergelijke gevoelens in verband te brengen met God en de heiligen is natuurlijk weer een gevolg van eene godsdienstige opvoeding, waardoor de gewoonte ontstaat, om al het onverklaarbare als bovennatuurlijk
aan te merken en aan bepaalde geloofsstellingen vast te knoopen.
Wij hebben dus nu gezien, dat mysticisme berust op het onvermogen , de ideeën-associatie door opmerkzaamheid te beheerschen, en dat dit onvermoge'1 op zwakheid van wil is gegrond , terwijl de extaze een gevolg is van eene ziekelijke prikkelbaarheid van bepaalde hersencentra, liet hierbovenbedoelde onvermogen leidt, behalve tot de neiging tot de mystiek, ook nog tot andere eigenaardigheden in het denkvermogen, die wij hier in 't kort willen mee-deelen. Bij den hevigsten graad van ontaarding, bij het idiotisme , ontbreekt hot vermogen van de opmerkzaamheid geheel en al. Geen enkele prikkel is bij machte de opmerkzaamheid hier op te wekken en er bestaat geen uitwendig middel, waardoor in het bewustzijn van den idioot bepaalde voorstellingen zijn op te wekken. Bij de mindere graden van ontaarding, bij de imbeciliteit, is do opmerkzaamheid mogelijk, maar zij is doorgaans zeer zwak en vluchtig. Bij den imbeciele, don onnoozele, vindt men het onvermogen om do voorstellingen , die volgens de wetten der ideeën-associatie achtereenvolgens in liet bewustzijn worden geroepen , vast te houden en die tot een bepaalde gedachte of een oordeel te verbinden : ook treft men bij hem de neiging lot droomen en soezen aan, dat weer een anderen vorm is van vluchtigheid van gedachten. De voorstellingen , waaruit die droomerige gedachten zijn samengesteld , zijn ook nevelachtig en onduidelijk, somtijds zelfs in die mate, dat de droomer, indien men hem plotseling vraagt, waaraan hij op zulk oen oogenblik zit te denken, niet in staat is aan te geven, wat zich aan zijn bewustzijn voordoet. Dat belet evenwel niet, dat deze soort van gedegenereerden dikwijls oorspronkelijk en geestig kunnen
89
zijn en menigmaal artistieke neigingen vertoonen, maar zij z|jn ongeschikt voor werkzaamheden, waarbij een strenge en geregelde opmerkzaamheid wordt vereischt. Al deze eigenaardigheden zijn terug te brengen tot het onbeteugeld heerschen der ideeën-associatie.
Men zal zich herinneren op welke wijze hersenen , die het vermogen der opmerkzaamheid missen, arbeiden : eene waarneming doet een voorstelling ontstaan, die tevens duizenden daarmee verwante voorstellingen in het bewustzijn roept. De normale geest onderdrukt dan terstond de minder geschikte en tegenstrijdige voorstellingen, maar de imbeciele is daartoe niet in staat. Soms wordt dan zijn gansche gedachtenloop bepaald door een louteren klankvorm : hij hoort een woord en moet dat meermalen herhalen â echolalio ; soms worden dan woorden , die daarmee wel in klank, maar niet in beteekenis overeenstemmen, in zijn bewustzijn geroepen, en dan denkt of spreekt hij in onsamenhangenden rijm. Bezitten in dat geval de woorden ook nog een zwakke overeenkomst van beteekenis, dan ontstaat het woordenspel. Een onnadenkend mensch is dikwijls geneigd dat gerijm van klanken en dat woordenspel geestig te noemen; maar lnj bedenkt niet, dat deze wijze van het verbinden van voorstellingen juist het dool van het denken verijdelt, aangezien daardoor do erkenning van den waren samenhang der verschijnselen wordt tegengewerkt. Geen woordspelingen hebben ooit geleid tot de ontdekking eener waarheid en wie ooit heeft beproefd, met een dergelijken imbeciele een ernstig gesprek aan te knoopen, zal de onmogelijkheid hebben bespeurd van hem bij den toom te kunnen houden en hem een daadzaak of een causaal-verband aan zijn verstand te brengen. Het aaneenschakelen van woorden , waartusschen geen of maar een heel zwak verband in beteekenis bestaat, is in den regel een bewijs
90
van imbeciliteit, hoewel het meermalen voor geestig wordt aangezien, daar het soms op de lachspieren werkt. Ook die soort van geestigheid, die men in Parijs âblaguequot; of âboulevard-espritquot; noemt, erkent de psycholoog als stompzinnigheid. Dat ook deze met artistieke neigingen kan gepaard gaan, spreekt van zelf.
Tusschen het denkvermogen en het vermogen van beweging bestaat een nauw parallellisme, dat reeds daaruit is te verklaren, dat het uitwerken van voorstellingen niets anders is dan eene modificatie van het ten uitvoer brengen van bewegings-impulsen. Het mechanisme van de werkzaamheid van het denken kan het best verzinlijkt worden door de bewegingsverschijnselen. Met de ideeën-associatie komt overeen het automatisch samengaan van de samentrekkingen van spieren, met de opmerkzaamheid de coördinatie-werking. Even als bij gebrek aan opmerkzaamheid geen verstandige gedachte ontstaat, zoo komt bij ontbrekende cöordinatie-werking geene doelmatige beweging tot stand. Het idiotisme der hersenen is gelijk te stellen met de verlamming, de dwangvoorstelling en het idée-fixe zijn te vergelijken met bewegings-tic, het onwillekeurig trekken. Het gebazel van stompzinnigen is als een doelloos schermen in de lucht, het denken en oor-deelen van gezonde hersenen daarentegen is als een doelmatig vechten , met een juist beraamd plan van aanval of verdediging. Het mysticisme vindt zijn spiegelbeeld in de doellooze en krachtelooze bevingen, die den afgeleefde en den geparalyseerde eigen zijn, en de extaze is voor een hersencentrum precies dezelfde toestand als een aanhoudende en hevige kramp voor een spier of voor een spiergroep.
II.
DE PRAERAFAÃLIETEN.
Het mysticisme is liet gewone bestaan van den meusch en geenszins een buitengewone toestand van den geest. Een krachtig brein, waarin elke voorstelling tot volle klaarheid komt, een sterke wil, die de lastige opmerkzaamheid steeds aan den gang houdt, zijn zeldzame gaven. Zich overgeven aan soezen en droomen, zijne fantasie vrij laten rondzweven langs de kronkelwegen der ideeën-asso-ciatie is veel gemakkelijker en aangenamer dan het scherp waarnemen en overdenken. Zoo draagt dus het bewustzijn van den mensch een groote hoeveelheid nevelachtige voorstellingen in zich rond ; doorgaans neemt men alleen de dagelijks terugkeerende verschijnselen, die nauw met hot leven verbonden en hot voorwerp zijn van 's menschen behoeften , in hunne volle klaarheid waar.
De taal, dat ontzaglijk belangrijk hulpmiddel voor de ontwikkeling van het menschelijk denken, is geen onvermengde weldaad. Zij brengt in het bewustzijn van de menschen veel moer duisternis dan licht. Zij vult het
90
van imbeciliteit, hoewel het meermalen voor geestig wordt aangezien, daar het soms op de lachspieren werkt. Ook die soort van geestigheid, die men in Parijs âblaguequot; of âboulevard-espritquot; noemt, erkent de psycholoog als stompzinnigheid. Dat ook deze met artistieke neigingen kan gepaard gaan , spreekt van zelf.
Tusschen het denkvermogen en het vermogen van beweging bestaat een nauw parallellisme, dat reeds daaruit is te verklaren, dat het uitwerken van voorstellingen niets anders is dan eene modificatie van het ten uitvoer brengen van bewegings-impulsen. Het mechanisme van de werkzaamheid van het denken kan het best verzinhjkt worden door de bewegingsverschijnselen. Met de ideeën-associatie komt overeen het automatisch samengaan van de samentrekkingen van spieren, met de opmerkzaamheid de coördinatie-werking. Even als bij gebrek aan opmerkzaamheid geen verstandige gedachte ontstaat, zoo komt bij ontbrekende cöordinatie-werking geene doelmatige beweging tot stand. Het idiotisme der hersenen is gelijk te stellen met de verlamming, de dwangvoorstelling en het idée-fixe zijn te vergelijken met bewegings-tic, het onwillekeurig trekken. Het gebazel van stompzinnigen is ais een doelloos schermen in de lucht, het denken en oor-deelen van gezonde hersenen daarentegen is als een doelmatig vechten , met een juist beraamd plan van aanval of verdediging. Het mysticisme vindt zijn spiegelbeeld in de doellooze en krachtelooze bevingen, die den afgeleefde en den geparalyseerde eigen zijn , en de extaze is voor een hersencentrum precies dezelfde toestand als een aanhoudende en hevige kramp voor een spier of voor een spiergroep.
II.
DE PRAERAFAÃLIETEN.
Het mysticisme is het gewone bestaan van den inensch en geenszins een buitengewone toestand van den geest. Een krachtig brein, waarin elke voorstelling tot volle klaarheid komt, een sterke wil, die de lastige opmerkzaamheid steeds aan den gang houdt, zijn zeldzame gaven. Zich overgeven aan soezen en droomen, zijne fantasie vrij laten rondzweven langs de kronkelwegen der ideeën-asso-ciatie is veel gemakkelijker en aangenamer dan het scherp waarnemen en overdenken. Zoo draagt dus het bewustzijn van den mensch een groote hoeveelheid nevelachtige voorstellingen in zich rond; doorgaans neemt men alleen de dagelijks terugkeerende verschijnselen, die nauw met het leven verbonden en het voorwerp zijn van 's menschen behoeften , in hunne volle klaarheid waar.
De taal, dat ontzaglijk belangrijk hulpmiddel voor de ontwikkeling van het menschelijk denken, is geen onvermengde weldaad. Zij brengt in het bewustzijn van de menschen veel meer duisternis dan licht. Zij vult het
92
geheugen met klanken, niet altijd echter met scherp omtrokken beelden der werkelijkheid. Het woord doet altijd eene voorstelling bij den mensch ontwaken, maar die voorstelling is niet altijd even waar en duidelijk. Alleen de voorstellingen, die wij door eene direkte zintuigelijke waarneming hebben verkregen, die de vrucht zijn onzer onmiddellijke ervaring, kunnen voor ons juist zijn; voor 't overige werkt ieder, om zich eeue voorstelling te vormen van datgene , wat hij niet heeft waargenomen, met de voorstellingsstof, die hij zich verworven heeft. Wat wij nu zelf niet ervaren hebben, dat laten wij ons door anderen zeggen ; hot woord treedt dan in de plaats van den onmiddellijken zintuiglijken indruk. is het duidelijk, dat die voorstellingen, door woorden opgewekt, veel vager, veel meer individueel zijn dan die, welke wij door direkte waarneming hebben verkregen. De waarde van het woord als zoodanig wordt dus voortdurend overschat. AVij vergeten dat de taal alleen het middel is, waarvan individuen zich bedienen om zich voor anderen verstaanbaar te maken; dat zij een maatschappelijke functie, maar geenszins een bron van erkenning is. Uo mensch kent toch feitelijk niet datgene wat hij gelezen of gehoord heeft, of wat hij napraat, maar alleen wat hij zelf aandachtig heeft waargenom : en wanneer hij zich van dwaalbegrippen wil losmaken, die door het woord bij hem zijn ontstaan , dan is daartoe de eenige weg, zijn voorraad van juiste voorstellingen door eigen nauwgezette waarneming te vermeerderen. En aangezien nu de mensch hiertoe alleen binnen zekere grenzen in staat is, zoo is een ieder veroordeeld om in zijn bewustzijn mot onmiddellijke voorstellingen en tegelijk met woorden te arbeiden.
Op die manier zijn ontstaan een tal van verkeerde uitleggingen van de natuurverschijnselen , de meeste valsclio
93
wetenschappelijke hypothesen , alle godsdiensten en meta-physische stelsels; naast do indrukken, die uit direkte waarneming ontstonden, hebben de menschen ook die voorstellingen in hunne gedachten ingevlochten , die door woorden waren opgewekt. Die woorden waren of door mystici uitgedacht, of zij hadden voor een groot gedeelte eene geheel andere beteekenis dan de napraters daaraan hebben gegeven.
Daaruit volgt dus, dat wij allen, zonderonderscheid, in zekere opzichten mystieke denkers zijn. Van alle verschijnselen, die de mensch niet heeft kunnen waarnemen, maakt bij zich onbepaalde, nevelachtige voorstellingen. Maar toch zal men den normalen mensch gemakkelijk kunnen onderkennen van den eigenlijken mysticus. De normale mensch toch is in staat, zich uit zijne direkte waarnemingen scherp omtrokken voorstellingen te vormen en haren waren samenhang te vatten; de mysticus daarentegen mengt zijne nevelachtige grensvoorstcllingen ook in zijne direkte waarnemingen , die daardoor gestoord cn verduisterd worden. Zelfs do meest bjjgeloovige boer heeft van zijn veldarbeid en van de voedering en verzorging van zijn vee zeer juiste voorstellingen. Hij mag aan weerheksen gelooven , omdat hij niet weet hoe de regen ontstaat, maar hij wacht er geen oogenblik op of de engelen zijn land ook voor hem zullen beploegen. Hij mag misschien zijne velden laten zegenen, maar zijn vertrouwen op de bovennatuurlijke begunstiging strekt zich toch nooit zooveruit, dat hij niet op zijn tijd zal zaaien, lïij den eigelijken mysticus daarentegen doordringt het onbegrijpelijke al zijne voorstellingen, ook die van zijne dagehjksche ervaring; hij is niet in staat de eenvoudigste verschijnselen te nemen voor wat zij zijn, terwijl hij de oorzaak daarvan zoekt in nevelachtige begrippen , die in zijn bewustzijn rondspoken.
94
Deze kenschets van den mysticus is op geen verschijnsel in de kunst van onze eeuw zoo geheel van toepassing als op de stichters en aanhangers der âpraerafaëüetische bewegingquot; in Engeland. Wij willen hier in korte trekken do geschiedenis van deze beweging nog even in de herinnering brengen. Drie schilders, Dante Gabriël Rossetti, Holman Hunt en Millais, vereenigden zich in 1848 tot een club, waaraan zij den naam gaven van âpraerafaëlietische broederschapquot; , âP r e r a p h a e 1 i t i c Broth er hoo dquot;. Spoedig sloten de schilders F. G. Stephens en James Col-linson en de beeldhouwer Thomas Woolner zich bij hen aan. In het voorjaar van 1849 hielden zij in Londen eene tentoonstelling van schilderijen en beeldhouwwerken, die behalve met de namen van de makers ook voorzien werden met het merk P. 11. B. Hunne werken maakten een totaal fiasco. Het publiek , dat nog niet lastig gevallen werd door de fanatieke geloovers aan een zekere soort van schoon en ook niet onder den invloed stond van eene ziekelijke mode, haalde voor deze kunstproducten de schouders op; men maakte zich er vroolijk of boos over, naar gelang van de stemming. De P. R. B.-tentoonstelling werd niet herhaald en de club werd ontbonden. De verschillende leden vormden in het vervolg nog slechts een vriendenkring, zonder bijzonderen naam of vormelijke toelating; later sloten zich Burne Jones en Madox Brown bij hen aan, die insgelijks voor praerafaëlieten gelden , hoewel zij niet tot de oorspronkelijke P. R. B. behoorden. Later werd deze benaming van de beeldende kunstenaars ook tot dichters uitgestrekt en men rekent nu tot de praerafaëlietische schrijvers, behalve D. G. Rossetti, die al spoedig het penseel met de pen verruilde, Algernon Charles Swinburne en AVilliani Morris.
Welke is de leidende gedachte, wat is het hoofddoel van de praerafaëlietische beweging ? Een criticus van naam.
95
F. Hüffer, (1) meent het antwoord op deze vraag te geven, door te zeggen : âIk zou deze beweging kunnen noemen de wedergeboorte van eene middeleeuwsche wijze van zien en gevoelenquot;. Behalve dat deze woorden eigenlijk niemendal beteekenen , omdat de uitdrukking âmiddeleeuwsche wijze van zien en voelenquot; veel te vaag is, heeft deze definitie op het eigenlijke wezen van het praerafaëlitisme in 't geheel geen betrekking.
Het is waar dat de praerafaëlieten in beeld en woord een zekere voorliefde voor het middeleeuwsche aan den dag leggen, maar het middeleeuwsche in hunne gedichten en schilderijen is niet het historische, maar wel een fabelachtig element, dat thuis hoort in den tijd en in het rijk der droomen, waarheen onwaarschijnlijke handelingen en gestalten gemakkelijk zijn te verplaatsen. Dat in liuiine werken figuren voorkomen , die in de verte aan de middeleeuwen herinneren, zooals koninginnen en ridders', edelvrouwen met kroontjes op de gouden haren en pages met vederen op de baret, laat zich verklaren uit de denkbeeldige modellen, die den praerafaëlieten voor den geest hebben gezweefd.
De stroomingen in de kunst en de literatuur ontstaan niet plotseling en spontaan. Zij hebben hare voorvaderen , waarvan zij langs natuurlijken weg afstammen. Het praerafaëlitisme is een kleinzoon van de Duitsche en een zoon van de Fransche romantiek. Maar op haar reis door de wereld heeft de romantiek door de tijdsomstandigheden en de bijzondere eigenaardigheden dor volken ceuo zoodanige verandering ondergaan, dat men in don Engelschen afstammeling bezwaarlijk nog eenige familiegelijkenis met het Duitsche voorgeslacht zou herkennen.
(1) Poema bij Dante Gabriel Rossetti. AVitli a memoir ol' the author bij Franz Hüffer. Leipiig 1873.
96
De Duitsclio romantiek was oorspronkelijk eene reactie tegen den geest der Fransche encyclopaedisten, die de achttiende eeuw onbestreden hadden beheerscht. Hunne critische beschouwingen over vroegere dwalingen, hunne nieuwe stelsels, die de raadsels van de wereld en van de natuur der menschen wilden verklaren, vonden in den beginne veel bijval en werkten bijna bedwelmend. Op den duur konden zij echter niet bevredigen: zij gaven verklaringen van do wereldverschijnselen met een onvoldoende kennis van zaken en hielden den mensch voor oen zuiver verstandswezen. Trotsch op hun streng logisch en mathematisch denken , zagen zij over het hoofd dat dit wel een weg is om tot kennis te geraken, maar dat dit niet de kennis zelve is Er werden feiten bekend , die in tegenspraak waren niet de voorbarige uitingen der encyclopaedisten en waarop hun systeem hoegenaamd niet kon worden toegepast, zoodat al die niet verklaarde verschijnselen spotachtig buiten de zoomen van hun philosofisch manteltje kwamen uitkijken. Toen kwam natuurlijk aan het geschreeuw van de teleurgestelde nieuwsgierigen geen einde: de kritiek der encyclopaedisten was een valsche methode, hot logisch denken leidde tot niets, de openbaringen hunner philosofie waren even onbewezen en onbewijsbaar als die van den godsdienst en van de meta-physica, alleen maar wat koeler eu harder; niet een zekeren hartstocht begon men over te hellen tot het geloei en hot bijgeloof, waar wel is waar de boom der kennis niet groeide, maar waarin toch liefelijkeluchtspiegelingen oog eu hart in verrukking brachten. *
Mot do psychologie der encyclopaedisten was het rog erger gesteld dan met hunne philosofie. Zij meenden dat liet denkon en handelen van den mensch geheel werd bepaald door het vorstand cn naar de wetten der logische
97
rede en vermoedden niet, dat de groote drijfveer zeteltin de emoties, in de aandoeningen, die in de diepten van het organisme worden opgewekt, wier oorsprong zich aan de rede onttrekt en die plotseling als een wilde horde te voorschijn komen, zonder te melden van waar zij komen. Het gansche gebied van de organische behoeften en van de erfelijke dnjfveeren, van datgene, dat E. v. Harthiann âhet onbewustequot; noemt, was voor hen een gesloten boek. Zij zagen niets dan dien engen kring van het zieleleven, die door het spaarlampje van het bewustzijn wordt verlicht. In hunne psychologie was geen plaats voor hartstochten en dwaasheden. Zij zagen in de wereld niets dan logische formules op twee beenen en wiskundige vormen met gepoeierde hoofden en geborduurde moderokken. Het natuurlijk gevoel nam wraak over deze schromelijke dwaling en deed een waren storm over hunne hoofden losbreken. Toen ontstond de romantiek; zij was do vrucht van het oproerig verbet tegen de rationalistische methode, wier onvolkomenheid ten aanzien van de verklaring der verschijnselen op maatschappelijk gebied en op dat van het zieleleven duidelijk aan don dag was gekomen. Do stemming en de gebeurtenissen van den toenmaligen tijd waren oorzaak, dat zij den vorm aannam van dweperij met de middeleeuwen. Want hot ontstaan der romantiek valt juist in het tijdperk van de diepste vernedering van Duitschland en zoo gaf het verdriet van de jeugdige talenten over den smaad, Duitschland aangedaan, aan den inhoud hunner gedachtenwereld onwillekeurig eene vaderlandsehe tint. Voor Napoleon vluchtten zij naar Frederik Barbarossa en uit tegenzin tegen Voltaire zochten zij verkwikking bij Walther von der Vogelweide. De buitenlandsche navolgers der Duitsche romantici weten niet, dat zij , waar ze op hun vlucht uit de werkelijkheid een honk zoeken in de ïy oudau , Ontaarding. 7
98
middeleeuwen, de Duifcsche vaderlandsliefde tot reisgids hebben.
In de patriotisclie richting dor romantiek werd overigens de toon aangegeven door de meest frissche talenten. Bij de overigen openbaart zich duidelijk het verschijnsel van ontaarding. De gebroeders Schlegel gaven o. a. dit programma der romantiek; âHot begin van alle poëzie bestaat daarin, den gang en de wetten van het logisch denkende verstand te laten varen, en ons weer te verplaatsen in den liefelijken doolhof der fantasie, in den oorspronkelijken chaos dor menscholijke natuur .... De willekeur van den dichter duldt geen wet boven hemquot;. Dat is dus juist die denk- en spreekwijze van monschen, die wij als geesteskrank eu imbeciel hebben leercn kennen; met de zelfingenomenheid , die hun eigen is, geven zij luinne gebreken uit voor deugden en voorrechten, terwijl zij hun nevelachtig denken voor de eenige juiste en aanbevelenswaardige methode houden.
Bij de meeste volgers der romantiek treffen wij ook die neiging tot mystiek aan. Zij openbaart zich vooral in een groote voorliefde voor het Katholicisme. âOnze godsdienstquot;, schrijft H. von Kleist, âis geen godsdienst. Hij spreekt alleen tot het koude verstand. Maar een katholiek feest werkt op de zinnenquot;. Nu is het ongetwijfeld waar, dat het duistere zinnebeeldige van den katholieken godsdienst, al het uiterlijk vertoon van de priesters, het altaar, de beelden der heiligen, de versiering der kerken, de wierook veel meer nevelachtige voorstellingen suggereert dan het kalme protestantisme. Den lezer, die hot vorige hoofdstuk oplettend heeft gevolgd, zal het nu duidelijk zijn, waarom uit de bekeering van Frederik Schlegel , Adam Müller, Zacharias Werner en Graaf Stolberg tot liet katholicisme valt te verklaren, dat bij deze romantici de cp-
99
wellingen van vroomheid zoo menigmaal met die van grove zinnelijkheid gaan gepaard.
Een menschonleven later trad do romantiek in Frankrijk op. Dat zij zich in Frankrijk zooveel later openbaarde dan in Duitschland, is gemakkelijk te verklaren. In do stormen der omwenteling en onder de oorlogen van Napoleon hadden de toonaangevende menschen in Frankrijk geen gelegenheid om tot zich zelf te komen ; de aandacht werd door een tal van ingrijpende gebeurtenissen van de encyclopaedisten on hun fiasco afgeleid. Eerst na Waterloo begonnen de aesthetische neigingen zich weer meer te ontwikkelen en in hare rechten te treden en nu zag men in Frankrijk hetzelfde gebeuren, als vroeger in Duitschland. Jonge schrijvers plantten ook hier de vaan van opstand tegen do heerschende aesthetische en filosophische richtingen. Ook hier begon de worsteling van de fantasie tegen de logische rede en werd het recht van den hartstocht gehandhaafd tegen de omzichtige en beredeneerde tucht en zeden. Door Mad. de Staol en de werken van A. W. von Schlegol, die voor een deel spoedig in hot Fransch waren vertaald, sloten zij zich van zelf bij de Duitsche beweging aan. Van de verschillende drijfkrachten, die in de Duitsche romantiek werkzaam waren, bleven de patriotische en de katholiek-mystische zonder werking op den Franscheu geest; alleen do liefde voor het in tijd en ruimte meer verwijderde en voor het zedelijk en geestelijk ongebondene vond hier den meesten ingang.
De Fransche romantiek was evenmin middeleeuwsch als vroom; liever koos zij haar verblijf in deu tijd der renaissance. Bij Victor Hugo vinden wij maar één drama, D e Burggraven, dat in de dertiende eeuw speelt; do overige, zooals Cromwell, Maria Tador, Lucretia Borgia, Angel o, Ruy Bias, Hernani, Marion Dolor me.
100
L e r o i s' a m u s e , spelen allen in de zestiende en zeventiende eeuw. Ook de handelingen in zijne romans, van Han d'Islande af, dat op een Thule , in liet rijk dor droomen, speelt, tot Les Misérabies en 1 7 93 valllen voor in deze of in de vorige eeuw; alleen in Not re-Da me de Paris treden middeleeuwsche toestnnden op. De neiging van de Pransche romantiek voor den renaissancetijd is natuurlijk verklaarbaar. In dien tijd toch hooren thuis de groote hartstochten en de groote misdaden, de marmeren paleizen, de bedwelmende feesten en do van goud stralende kleederen ; in dien tijd heerschte het aesthe-tische over het doelmatige en het fantastische over het verstandige en zelfs de misdaden werden mooi gevonden , als de sluipmoord ten uitvoer werd gebracht met geciseleerde en gedamasceerde dolken en hot gift werd toegediend in bekers a la Benvenuto Cellini. De Franschen zochten opzettelijk naar fantastische tooneelen en kostumes om daardoor des te gemakkelijker aan hunne figuren eigenschappen te kunnen toekennen , die tot in het monsterachtige werden overdreven. Zoo leeren wij het mannen- en vrouwenideaal kennen uit de helden van Victor Hugo, Alexandre Dumas, Theophile Gautier, Alfred de Musset. Die helden zwetsen er maar op los, vechten één tegen tien, beminnen als Hercules in den nacht der Hespiden en hun leven is een en al zwelgen in strijd, wellust, wijn, geulen pracht; een soort van grootheidswaan met gladiator-, Don Juan- en Monte Christo-voorstellingen, een dolzinnig verbrassen van onuitputtelijke schatten van lichaamskracht, vroolijkheid en goud. Om dergelijke denkbeelden te belichamen, waren kleederen en spreekwijzen noodig, geheel verschillend van de werkelijkheid, thuisbehoorend in onbekende tijden en streken.
In Engeland ging het met de romantiek op juist tegen-
101
overgestelde wijze. Waar de Franschen uit de Duitsche romantiek bijna uitsluitend de neiging tot het fantastische, het onwerkelijke en de verkondiging van de heerschappij van den hartstocht gingen navolgen, daar namen de Engel-schen bij voorkeur de Katholiek-mystieke bestanddeelen over. De groote aantrekkelijkheid van de romantiek bestond voor hen juist in dien tijd, toen men nog kinderlijk geloofde aan deletter van het woord, in dien persoonlijken omgang met de drieëenheid, de heilige maagd en mot al de beschermheiligen.
Nergens bloeiden handel en nijverheid, nergens werkten de menschen in die mate, als daar ; nergens leefde men onder zoo kunstmatige verhoudingen en omstandigheden. Van daar dat de toestand van uitputting en ontaarding, dien wij tegenwoordig in alle landen als gevolg van overspanning waarnemen , in Engeland eerder merkbaar moest worden dan elders. En de aard van het Engelsche volk moest het als van zelf meebrengen dat die ontaardings-emoties een sterk-godsdieustigc tint aannamen.
Het Angelsaksische volk is van nature gezond en sterk van geest en gevoelt daarom een hevigen drang naar weten en kennen. Ten allen tijde heeft het gevorscht naar het hoe en waarom der verschijnselen en ieder, die het daaromtrent inlichtingen beloofde, kon rekenen op zijne hartstochtelijke belangstelling en groote dankbaarheid. I)e bekende diepzinnige redevoering van den Angelsaksischen edele over hetgeen het leven van den mensch voorafgaat en wat er op volgt, eene rede, die door Beda in zijn verhaal van de bekeering van koning Edwin tot het christendom is bewaard, wordt door alle schrijvers aangehaald , die de geestesontwikkeling in Engeland hebben bestudeerd, o a. ook door Gr. Freijtag en H. Taine. Zij bewijst dat reeds in het begin der zevende eeuw de Angel-
102
saksers een vurig verlangen naar eene wereldverklaring aan den dag legden. Deze loffelijke weetgierigheid nu is tegelijk de sterke en ook de zwakke zijde der Engelschen geworden. De natuurwetenschap ontwikkelde zich daar gelijktijdig met de theologie. De natuuronderzoekers kwamen mot hunne door inspannende waarneming verkregen daadzaken aan en tegelijk verkondigden de godgeleerden hunne stelsels^ samengeknoopt uit willekeurig uitgedachte begrippen; allen beweerden het wezen der dingen te kunnen verklaren. Toch was men don godgeleerden over 't algemeen meer dankbaar voor hun streven dan den natuuronderzoekers, omdat de leer van de eersten zooveel meer troost schenkt en een uitzicht opent voor blijde verwachtingen. Over 't algemeen is de theoloog en de metaphysicus in 't voordeel tegenover do natuuronderzoekers, omdat bij de meeste menschen de neiging bestaat, woorden gelijk te stellen met feiten, en aan beweringen dezelfde waarde toe te kennen als aan bewijzen. Zoo heeft ook de weetgierigheid der Engelschen geleid tot de inductieve-wijsbegeerte en tot het spiritisme. Aan haar heeft de menschheid Lord Bacon, Harvey , Newton , Locke , Darwin , John Stuart Mill te danken , maar ook Bunyan , Berkeley , Milton , de Puriteinen , de Kwakers en al de godsdienstige dwepers en mediën van deze eeuw. Geen volk heeft voor zijne natuuronderzoekers zooveel gedaan en ze zoo hoog geëerd, als de Engelschen ; maar ook nergens heeft men met zooveel innigheid en toewijding de kennis der dingen gezocht in het geloof. Verlangen naar kennis is dus de hoofd'.iron van de Engelsche vroomheid. Daarbij komt nog dat in Engeland de eerste standen op dit punt steeds den toon hebben aangegeven ; de godsdienstigheid is daar stelselmatig een kenteeken van voornaamheid geworden, terwijl juist in Frankrijk het omgekeerde plaats vond en in de acht-
103
tiende eeuw de adel aldaar in 't bijzonder de beginselen van Voltaire was toegedaan. De historische ontwikkeling leidde in Engeland tot twee verschijnselen, die elkaar schijnbaar uitsluiten : tot de heerschappij der kasten en tot persoonlijke vrijheid. De kaste, die in het bezit is van rijkdom en macht, wenscht natuurlijk haar bezit te verdedigen. Lijfelijken dwang kan zij daartoe niet aanwenden bij den stoeren onafhankelijkheidszin van het Engelsche volk; maar zij houdt door de geestelijke middelen de lagere standen aan zicli onderworpen, en onder die middelen is ongetwijfeld de godsdienst het krachtigste.
Zoo laat zich dan de vroomheid der Engelschen en tegelijk het godsdienstig karakter hunner geestelijke ontaarding verklaren. Het eerste verschijnsel der epidemische degeneratie was de Oxforder beweging van 1840 en 1850. quot;VVyseman bracht de hoofden van alle zwakkelingen op hol, Newman ging tot de katholieke kerk over, Pusey stak de geheele Engelsche kerk in een roomsch gewaad. Spoedig daarop vertoonde zich het spiritisme en het is zeer kenmerkend , dat alle mediums het erg druk hadden over theologische kwesties en openbaringen gaven over paradijs en hel. De Revival-bijeenkomsten en het tegenwoordige Leger des Heils zijn als de onmiddellijke voortzetting van de Oxforder beweging te beschouwen. En eindelijk zocht op kunstgebied de geloofsdweperij van de ontaarde hysterische Engelschen hare uitdrukking in het praerafaëlietisme.
Een juiste verklaring van de beteekenis van dit woord is moeilijk te geven, want het is door mystici uitgedacht en als zoodanig deelt het in de neveligheid en dubbelzinnigheid van de uitdrukkingen, die door geesteskranken worden gebezigd. De eerste leden van deze broederschap meenden, dat zij geestverwanten waren van de kunstenaars der veertiende en vijftiende eeuw en van de voorgangers
102
saksors een vurig verlangen naar ecne wereldverklaring aan den dag legden. Deze loffelijke weetgierigheid nu is tegelijk de sterke en ook de zwakke zijde der Engelschen geworden. Denatuurweteuscliap ontwikkelde zicli daar gehjktij-diquot;- met de theoloorie. De natuuronderzoekers kwamen met hunne door inspannende waarneming verkregen daadzaken aan en tegelijk verkondigden de godgeleerden hunne stelsels^ samengeknoopt uit willekeurig uitgedachte begrippen; allen beweerden het wezen der dingen te kunnen verklaren. Touh was men den godgeleerden over 't algemeen meer dankbaar voor hun streven dan den natuuronderzoekers, omdat de leer van de eersten zooveel meer troost schenkt en een uitzicht opent voor blijde verwachtingen. Over 't algemeen is de theoloog en de metaphysicus in 't voordeel tegenover de natuuronderzoekers, omdat bij de meeste menschen de neiging bestaat, woorden gelijk te stellen met feiten, en aan beweringen dezelfde waarde toe te kennen als aan bewijzen. Zoo heeft ook de weetgierigheid der Engelschen geleid tot de inductieve-wijsbegeerte en tot het spiritisme. Aan haar heeft de menschheid Lord Bacon y Harvey , Newton , Locke , Darwin , John Stuart Mill te danken , maar ook Bunyan , Berkeley, Milton , de Puriteinen , de Kwakers en al de godsdienstige dwepers en mediën van deze eeuw. Geen volk heeft voor zijne natuuronderzoekers zooveel gedaan en ze zoo hoog geëerd , als de Engelschen ; maar ook nergens heeft men met zooveel innigheid en toewijding de kennis der dingen gezocht in het geloof. Verlangen naar kennis is dus de hoofdbron van de Engelsche vroomheid. Daarbij komt nog dat in Engeland de eerste standen op dit punt steeds den toon hebben aangegeven; de godsdienstigheid is daar stelselmatig een kenteeken van voornaamheid geworden, terwijl juist in Frankrijk het omgekeerde plaats vond en in de acht-
103
tiende eeuw de adel aldaar in 't bijzonder de beginselen van Voltaire was toegedaan. De historische ontwikkeling leidde in Engeland tot twee verschijnselen, die elkaar schijnbaar uitsluiten : tot de heerschappij der kasten en tot persoonlijke vrijheid. De kaste, die in het bezit is van rijkdom en macht, wenscht natuurlijk haar bezit te verdedigen. Lijfelijken dwang kan zij daartoe niet aanwenden bij den stoeren onafhankelijkheidszin van het Engelsche volk; maar zij houdt door de geestelijke middelen de lagere standen aan zich onderworpen , en onder die middelen is ongetwijfeld de godsdienst het krachtigste.
Zoo laat zich dan de vroomheid der Engelschen en tegelijk het godsdienstig karakter hunner geestelijke ontaarding verklaren. Het eerste verschijnsel der epidemische degeneratie was de Oxforder beweging van 184à en 1850. quot;VVyseman bracht de hoofden van alle zwakkelingen op hol, Newman ging tot de katholieke kerk over, Pusey stak de geheele Engelsche kerk in een roomsch gewaad. Spoedig daarop vertoonde zich het spiritisme en het is zeer kenmerkend , dat alle mediums het erg druk hadden over theologische kwesties en openbaringen gaven over paradijs en hel. De Revival-bijeenkomsten en het tegenwoordige Leger des Heils zijn als de onmiddellijke voortzetting van de Oxforder beweging te beschouwen. En eindelijk zocht op kunstgebied de geloofsdweperij van de ontaarde hysterische Engelschen hare uitdrukking in het praerafaëlietisme.
Een juiste verklaring van de beteekenis van dit woord is moeilijk te geven, want het is door mystici uitgedacht en als zoodanig deelt het in de neveligheid en dubbelzinnigheid van de uitdrukkingen, die door geesteskranken worden gebezigd. De eerste leden van deze broederschap meenden, dat zij geestverwanten waren van de kunstenaars der veertiende en vijftiende eeuw en van de voorgangers
104
der gi'oote genieën van de Umbrische en Venetiaansche school ; zij trachtten hunne manier van schilderen na te volgen en noemden zich praerafaëlieten, een naam, die zeker daarom bijzonder in hun smaak viel, omdat het voorvoegsel âpraequot; voorstellingen aan het overoude, nauwelijks waarneembare, geheimzinnig-nevelachtige opwekt. Het woord klinkt eenstemmig met prae-Adamieten, prae-historie, enz., kortom met alles wat in het duistere ligt en den geest een vrij en doelloos rondzweven in hot onbekende veroorlooft. (1) Dat echter de praerafaëlieten hun kunstideaal juist in de quattrocento-schilders verwezenlijkt vonden, dat hebben zij aan Jolin Ruskin tc danken.
Ruskin is zeker een van de grootste stilisten van deze eeuw, maar zijne theorieën en beschouwingen zijn zoo troebel en verdorven mogelijk. Hij is de Torquemada der aesthetica, zijn geestestoestand is die van den echten Spaan-schen Grootinquisiteur. Alle critici, die liet niet met hem eens zijn, en iedereen, die de door hem voorgestane kunst-richting niet is toegedaan, zou hij het liefst maar levend willen laten verbranden. Aangezien nu echter brandstapels niet in zijn bereik liggen, schimpt en raast hij met liet woord en vernietigt de ketters met zijn smaad en vloek. Den grooten invloed , dien hij in Engeland op het gebied van kunstcritiek en kunstkennis heeft gekregen, heeft 1quot;J voornamelijk te danken aan zijne ontzaglijk uitgebreide kennis van daadzaken ; hij is een meester in het doen van nauwkeurige opgaven , in maat en getal, â pijnlijk geleerd. Dat heldere positivisme valt bijzonder in den smaak van de Engelschen. Geef hun cijfers , feiten en nog eens feiten, â zij zullen tevreden zijn en zich weinig bokom-
1
De benaming Prae-Ko!'aclietcn bctcckent natuurlijk voorgangers van Bafaël.
105
meren om de uitgaugspunten. Wanneer Ruskin over de vormen van wolken spreekt, dan haalt lnj de wolken aan van een zestig of tachtig schilderijen, die wijd en zijd in Europa zijn verspreid, en let wel: dat deed hij al in 1840, toen de photographieën der groote meesterwerken, die nu de vergelijkende kunstgeschiedenis zoo gemakkelijk maken, nog niet bekend waren. Zoo iets pakt bij den Engelsch-man. Het is bijv. echt Engelsch dat Milton bij de beschrijving van do hel en van hare bewoners zoo nauwgezet te werk gaat als een landmeter en een natuuronderzoeker en dat Bunyan den tocht der pelgrims naar hot mystische Rijk der Verlossing schildert mot een nauwkeurigheid, een Kapitein Cook of Burton waardig.
In het jaar 1843, bijna gelijktijdig met het uitbreken der groote Katholiseerende beweging, begon Ruskin do opgewonden kunststudies in 't licht te geven, die later onder den titel Modern Painters gezamenlijk werden uitgegeven Toenmaals was hij een jong theoloog en begon als zoodanig zijne asthetische studiën. De oude scholastiek wilde uit de philosophie âde maagd der godgeleerdheidquot; maken. Het mysticisme van Ruskin beoogde met de kunst hetzelfde doel. Do schilderkunst, de beeldhouwkunst moesten een vorm van den godsdienst zijn of anders in het geheel niet bestaan. Het kunstwerk had alleen waarde door de bovenzinnelijke gedachte , die daarin lag opgesloten, door de hooge stemming , waarin het was geconcipieerd en die zich daarin openbaarde, â â niet door het meesterschap over den vorm.
In zijne Modern Painters zegt hij o.a.: âHet schijnt mij toe, dat een ruw zinnebeeld dikwijls krachtiger op het gemoed werkt dan een verfijnd beeld en dat schilderijen in dezelfde mate als kunstwerken in rang stijgen, als zij met minder verheven aandacht en met meer nieuwsgierig-
106
heid worden beschouwd . . . Wat de zoogenaamde kunstkenner altijd zoekt en aanbidt, dat is de mensch en zijne inbeelding, de mensch met zijne kunstgrepen, zijne uitvin-din^en , altijd die armzalige, erbarmelijke, zwakke, zelfzuchtige mensch. Tusschou scherven en mesthoopen, tus-schen beschonken kerels en gerimpelde madams, door de afschuwelijkste tooneelen van uitspatting en verdorvenheid volgen wij den ronddolenden kunstenaar, niet om oene gezonde leering te ontvangen, niet om door medelijden of ergernis getroffen te worden, maar alleen om de bekwaamheid van het penseel te bewonderen en te zwelgen in een zee van kleuren . . . Schilderkunst is niets dan een edele taal, rijk aan uitdrukking, onwaardeerbaar als draagster van gedachten, maar op zich zelf niets . . . Niet door de wijze waarop de dingen worden voorgesteld, maar wel door datgene wat zij voorstellen en zoggen, wordt de grootheid van den schilder of van den schrijver in laatste instantie bepaald ... De eerste pogingen van Cimabue en Giotto zijn de brandende profetieën, verkondigd door de stamelende lippen van kleine kinderen . . . Het beeld, waarin meer en edeler gedachten liggen opgesloten , al waren zij nog zoo onbeholpen uitgedrukt, is grooter en beter dan dat, waarin minder en minder edele gedachten, hoe schoon ook voorgesteld, zijn vervat... Hoe gebrekkiger de middelen schijnen in verhouding tot het doel, des te krachtiger zal de indruk zijn, dien het kunstwerk teweeg brengt.quot;
Deze uitingen werden voor de kunstrichting der jongere Engelschen, die zich tot het mystieke voelden aangetrokken , beslissend. Zij houden als 't ware de schoonheidsleer in der eerste praerafaëlieten. Dezen voelden dat Ruskin nu eens duidelijk had gezegd wat in hen woelde en gistte. Dat was nu het kunstideaal, dat zij zich voor-
107
stelden: de vorm onverschillig, de gedachte alles; hoe onbeholpener de uiting, des te dieper de werking; de geloovige vrome stemming de eenige inhoud van het kunstwerk. Zij begonnen nu uit de kunstgeschiedenis met grooten ijver alle modellen op te visschen, waarop de theoriëen van Ruskin pasten, en wat zij zochten, vonden zij in de eerstelingen der Italiaansche kunst, waaraan de Xational-Gralery in Londen bijzonder rijk is. Daar ontdekten zij uitstekende voorbeelden om na te volgen, zooals Fra Angelico , Giotto , Cimabue , Ghirlandajo , Pollajuolo. Daar waren een tal van schilderijen voorhanden, slecht geteekend, zwak geschilderd of door den loop der eeuwen ontkleurd en verbleekt, voorstellingen uit de hjdensge-geschiedenis van Christus, uit het leven der heilige maagd of uit de gulden sage, of kinderachtige afbeeldingen van hel en paradijs , met de onbeholpenheid van een eerstbeginnende op het doek gebracht, maar uitmuntend door innigheid en geloof en roerende vroomheid. De nabootsing was gemakkelijk genoeg: want wanneer men in den stijl der Italiaansche primitieven schilderde, dan kregen foutieve teekening, gebrek aan zin voor kleuren en allerlei onbeholpenheid op kunstgebied den naam van bijzondere knapheid en van hoog kunstgevoel, en die nieuwe kunst-produkten vormden eene tegenstelling met den gewonen kunstsmaak van dien tijd, die kras genoeg was, om de neiging tot het piraioxile, tot tegenspraak, tot ontkenning en tot het ongewone te bevredigen, welke wij als de karakteriseerende eigenaardigheid van zwakken van geestvermogens hebben leeren kennen.
De theorie van Ruskin , die in de werken der beeldende kunsten alleen de gedachte wil laten gelden, is eene volkomen onzinnige, geheel in strijd met de eenvoudigste beginselen der schoonheidsleer. Ruskin bedenkt niet of ziet
108
moedwillig over 't hoofd, dat het genot, dat door de aanschouwing van een schilderstuk wordt opgewekt, niet direkt door den gedachteninhoud , maar wel door do zinnelijke verschijning wordt veroorzaakt. De schilderkunst wekt door kleur on teekening (dat is een nauwkeurig vatten en teruggeven van verschillen in lichtsterkte) allereerst een zuiver zinnelijke en aangename gewaarwording op van licht-effekten en kleurharmonieën ; in de tweede plaats geeft zjj eene illusie der werkelijkheid en daardoor het hoogere geestelijke genot van liet begrijpen der voorgestelde verschijnselen en van de bedoeling van den artiest; en in de derde plaats stelt zij ons in staat, met de oogen van den kunstenaar te zien en zoodoende eigenaardigheden en bijzonderheden te ontdokken, die voor den niet artistiek begaafden beschouwer verborgen zouden zijn gebleven. De schilder werkt dus alleen in zooverre met de middelen, aan zijne kunst eigen, als hij den zin voor kleur aangenaam aandoet, aan den geest de illusie der werkelijkheid en tegelijkertijd het besef geeft dat het illusie is, en door zijn dieper en scherper zien den toeschouwer verborgene schoonheden doet ontdekken. Wanneer nu bovendien nog do inhoud, âde anekdote,quot; van het schilderstuk indruk zal maken, dan is dat niet zoozeer de schilderkunst die deze werking te weegbrengt, maar wel het schilders-verstand , dat de stof wist te kiezen en aan de schilderachtige voorstelling wist dienstbaar te maken. De werking van de anekdote wordt niet door de middelen der schilderkunst teweeggebracht. Die werking vindt niet haren grond in de vreugde, die de toeschouwer smaakt aan de kleur en aan de werkelijkheids-illusie, maar wel in de eene of andere vooraf bestaande neiging, in eene herinnering, in een vooroordeel. Een beeld, zooals de Mona Lisa van Leonardo, brengt iedereen, die een weinig idee heeft
109
van schilderkunst, in verrukking, zonder verdere commentaar of verklaring. Daarentegen zal een beeld, waaraan eene geschiedenis of anecdote is verbonden , en dat niet door mooie opvatting en artistieke behandeling uitmunt, iedereen koud laten, die niet niet de anekdote bekend is Het beeld van een Russischen heilige kan een moejik ontroeren, maar het laat den kunstenaar van het westen onverschillig.
Voorzeker, er bestaat eene schilderkunst die zich niet ten doel stelt do gezochte indrukken en de daardoor onmiddellijk opgewekte emoties vast te houden en in den toeschouwer wakker te roepen, maar die gedachten wil uitdrukken en die wil werken door den geestelijken inhoud van het beeld; maar deze schilderkunst heet: schrift. De teekens, waarvan zij zich bedient, behooren alleen eene symbolische waarde te hebben ; daarbij abstraheeren wij van den vorm en geven alleen acht op de beteekenis; die teekens zijn: letters. En de kunst, die zich van die zinnebeelden bedient, om uitdrukking te geven aan de gedachten , heet niet schilderkunst, maar dichtkunst. Reeds in het begin van de ontwikkeling der schilderkunst scheidde zich deze, die alleen aesthetische behoeften had te bevredigen, af van de schrijfkunst, die alleen dient tot verwezenlijking der gedachte ; en eerst een Ruskin kreeg het in zijn hoofd, om eene onderscheiding uit de wereld te willen helpen, die al zesduizend jaren voor hem de schriftgeleerden van Thebe hadden weten te maken.
Maar de praerafaëlieten gingen nog verder dan Ruskin, wiens leidende gedachten zij hadden overgenomen. Zijn misverstand werd door hen misverstaan. Hij had alleen gezegd, dat het gebrekkige in den vorm kon worden opgewogen door de verheven stemming en het veredelend gevoel van den artiest. Zij begonnen nu echter van het
110
beginsel uit te gaan dat de gebrekkigheid in den vorm eene noodzakelijke voorwaarde is voor de uitdrukking van edele eu verhevene gevoelens. Evenals alle zwakken yan o-eest. niet in staat om do ware oorzaak uit te vorschen
O '
van de werking, die de scheppingen der primitieven op hen uitoefende, begonnen zij met groote moeite eu inspanning de gebrekkige teekenmauier van do primitieven na te bootsen.
Want de onbeholpenheid der primitieven is inderdaad aangrijpend. Maar waarom? Omdat Giotto's en Cimabues oprecht en waar zijn. Zij wilden de natuur meer naderbij-komen eu zich losmaken van deu dwang der overlevering van de geheel onwaar geworden Byzantijnsehe school. Zij worstelden met groote inspanning tegen de slechte gewoonten , die zij van hunne schoolsche leermeesters hadden overgenomen, en het schouwsspel van zulk een strijd, gelijk elke hevige krachtsinspanning van de persoonlijkheid, die hare ketens wil afschudden en haar ikheid uit de verdrukking wil redden , is het schoonste, dat een niensch kan aanschouwen. Het groote onderscheid tusschen de primitieven en de praerafaclieten ligt dus juist hierin , dat de eersten het juiste teekenen en schilderen nog moesten uitvinden, terwijl de laatsten het trachtten te verleeren en te vergeten. Daarom kunnen de primitieven in verrukking brengen, waar de praerafaëlieten afstootend werken: hetzelfde onderscheid bestaat hier als tusschen het eerste stamelen van een aanvallig kind en het wezenloos gebrabbel van een grijsaard, die aan horsenverweeking lijdt â tusschen kinderlijk en kindsch. Maar juist dat gewild terugkeeren tot de eerste beginners, dat zich tooien met valsche naiëveteit, met een voorgewenden zin voor kinderlijk spelen in woorden en gebaren, is ccn veelvuldig voorkomend verschijnsel bij geesteskranken, dat wij ook
Ill
nog dikwijls bij de mystieke dichters zullen aantreffen.
Geheel in overeonstemming met do leer van hun meester Ruskin , begint voor de praerafaëlieten het verval in de kunst met Rafaël. Om licht verklaarbare redenen. Giotto en Gimabue na te volgen, is betrekkelijk gemakkelijk. Maar om Rafaël na te volgen, moet men zelf bijzonder goed kunnen teekenen en schilderen, en dat nu was juist het zwakke punt van de eerste leden dezer broederschap. Dan leefde Rafaël in het schoonc tijdperk der Renaissance. Het morgenrood van het nieuwe denken straalt in zijn wezen en zijne werken. Hij schildert als vrijzinnig cinquecen-tist niet meer alleen godsdienstige, maar ook mythologische en geschiedkundige,âde mystici zeggen: wereldlijke, onderwerpen. Zij werken niet meer alleen op den godsdiensti-gen, maar ook op den schoonheidszin. Eu omdat zij niet meer uitsluitend godsdienst bëoogen, zegt Ruskin,â en zijne jongeren herhalen het â, dat zij den duivel dienen en daarom verwerpelijk zijn. Dan kwam daarbij de zucht tot tegenspraak, tot het excentrieke. Driehonderd jaar lang had de geheele wereld beweerd : âRafaël is het hoogste, dat in de schilderkunst te bereiken is;quot; reden genoeg voor de praerafaëlieten om te zeggen : âbij Rafaël begint het verval in de schilderkunst.quot; Zoo gebeurde het, dat zij bij de aanduiding van hunne kunstrichting Rafaël, en niet een der andere groote meesters uit do kunstgeschiedenis bij den kop namen.
Eenheid en logische gevolgtrekking mag men van het mystieke denken niet verwachten; integendeel, men treft hier soms de grootste tegenstrijdigheden aan. Ruskin zegt ergens in zijne Modern Painters: âHet verkeerde is daarin gelegen, dat de schilder Gods werken naar zijn eigen goeddunken gaat veranderen en zijne schaduw werpt op alles, wat hij ziet. Elke wijziging in de werken en vormen der
112
natuur heeft haren oorsprong óf in onbekwaamheid en traagheid, of in blinde vermetelheidquot;. Daaruit moeten wij dus besluiten : do schilder moet alles nauwkeurig teruggeven , zooals hij 't ziet; hij mag zich niet de geringste wijziging veroorloven. En eenige bladzijden verder lezen wij : âEr is een ideale vorm voor elk gewas, voor eiken boom en elke bloem. Deze vorm is het, naar welken elk individu der soort streeft, wanneer het bevrijd is van den invloed van het toeval of van ziekte.quot; En dezen idealen vorm te vatten en weer terug te geven , zegt Inj verder , dat moet het eenige streven van den schilder zijn.
Iedereen zal terstond inzien dat de eene bewering de andere volkomen uitsluit. Want dien idealen vorm, waarnaar elke verschijning streeft, ziet de schilder niet met zijne lijfelijke oogen voor zich, maar hij voert dien naar zijne individueele opvatting in het verschijnsel in. Hij heeft met individueele vormen te doen, welke van dien idealen vorm afwijken Om dien laatsten te scheppen, is hij noodzakelijk verplicht om veranderingen aan te brengen. Ruskin vordert dus tegelijk twee dingen, die met elkaar volkomen in strijd zijn. De schilder kan slechts een van de twee dingen doen, en natuurlijk doet hij het eerste. Want de ideale vorm is geene waarneming; de scheiding van het wezenlijke van hot toevallige in de verschijning is abstractie, is een werk van het verstand, niet van het oog en van het kunstgevoel. De schilderkunst tracht niet naar hot abstracte en veronderstelde, maar naar het werkelijke en concrete; het ligt niet op haren weg om te schematiseeren, zij wil individualiseeren. Vooreerst, omdat het schema eene voorstelling veronderstelt van do wet, die de verschijning bepaalt; en deze voorstelling kan verkeerd zijn, daar zij verandert met de heerschende wetenschappelijke theoriëen, die de schilder niet wenscht terug
113
te geven; en ten tweede omdat het schema den arbeid van liet denken en niet liet gevoel opwekt, terwijl juist de kunst allereerst op het gevoel werkt.
Maar de praerafaölicten hadden geen oog voor deze tegenstrijdigheden en volgden blindelings al de wijze uitspraken van Ruskin. Zij gaven eene schematische voorstelling van monschelijke gestalten, maar zij gaven ook al het bijwerk gatronw terug en hadden niet de âvermetelheid , de onbekwaamheid ot' traagheidquot; daaraan iets te veranderen. Met groote nauwgezetheid schilderden zij het landschap, waarin hunne personen stonden, alsmede de voorwerpen, die dezen omgaven.
Juist dat volkomen correct teruggeven van alle verschijnselen , die in het gezichtsveld treden , is voor den schilder het bewijs van zijn onvermogen tot opmerkzaamheid. I5ij liet denken onderdrukt do opmerkzaamheid een deel van de in het bewustzijn opgenomen voorstellingen en laat alleen eene bepaalde groep hiervan bestaan, iïij het zien moet evenzoo een deel der verschijnselen in hot gezichtsveld worden onderdrukt, om een bepaald gedeelte, dat juist in het oog wordt gevat, duidelijk te kunnen waarnemen Iets beschouwen wil zeggen een voorwerp scherp zien en andere dingen op dat moment niet zien. Wanneer de schilder niet al zijn aandacht op een bepaald punt van het gezichtsveld richt, maar het geheel op dezelfde manier uitwerkt en gelijkmatig voordraagt, dan kunnen wij nimmer te weten komen, wat eigenlijk zijn oog heeft geboeid en waarop hij hoofdzakelijk onze aandacht heeft willen vestigen. Eene dergelijke manier van schilderen is gelijk te stellen met liet ousamenhmgend zwetsen van een onnoozel mensch, die zelf niet weet waar hij heen wil en wat hij ons duidelijk wil maken ; het is echolalie met het penseel.
En Juist deze manier van schilderen heeft een grooten
Kokd.vc , Ontaarding. 8
114
invloed gekregen in de hedendaagsche kunst; zij is do praoi'afaëlietisehe bijdrage tot hare ontwikkeling. Ook de niet-mystieke schilders begonnen zich vooral op een nauwkeurig en juist teruggeven van het bijwerk toeteleggen, waarbij zij echter wijselijk vermeden in de fouten hunner voorgangers te vervallen en de eenheid van hun werk te verstoren, doordat zij ook de diepste achtergronden met stillevens opvulden, die geschilderd waren met eene akelige nauwkeurigheid. De botanisch juist voorgestelde grasper-kon, bloemen en boomen, de geologisch ware rotsen, vlakten en berg vormingen, de duidelijke patronen van tapijten en behangsels, die wij onder nieuwere schilderstukken aantreffen, hebben wij aan Ruskin en de praerafaëlioten te danken.
Deze mystici meenden geestverwanten te zijn van de r.rimitieven, omdat zij godsdienstige onderwerpen kozen voor hunne schilderstukken. Maar dit was zelfbedrog. Giotto, Cimabue, Fra Angelico waren geene mystici, of liever voorzoover zij er toe gerekend kunnen worden, waren zij het uit onwetendheid, niet uit hoofde van organische geestesgebreken. De middeleeuwschc schilder, die een godsdienstig onderwerp schilderde, was overtuigd dat hij iets volkomen waars schilderde. Eene verkondiging, een opstand of hemelvaart, een voorval uit de geschiedenis der heiligen, een tooneel uit het leven in het paradijs of in de hel bezat voor hem hetzelfde ontwijfelbare karakter der realiteit als een of ander drinkgelag in een soldatenkroeg, of een pronkmaal in een paleis. In zijne afbeeldingen van liet bovenzinnelijke was hij toch realist. Do sage van het geloof werd hem als eene daadzaak verteld, hij was van' hare letterlijke realiteit doordrongen en gaf zo evenzoo terug, als hij elke andere ware geschiedenis, zou hebben voorgedragen. En de toeschouwer vatte het
115
beeld met die zelfde overtuiging op; het godsdienstig Jcunstwerk was do bijbel der armen. Voor den niensch van de middeleeuwen had dit kunstwerk dezelfde beteekenis als de afbeeldingen in do historische en natuurwetenschappelijke werken voor onze tjjdgenooten hebben Van die werken moest een verhaal en een leering ui Uraan, en daarom
O O 7
moesten zjj nauwkeurig zijn. Wij weten o. a. uit de roerende mededeeling van Villon, hoe het volk, dat niet lezen kon, destijds de kcrkscliilderingen opvatte. JIjj laat zijne moeder tot de heilige maagd aldus spreken: âik ben eene arme en oude vrouw, die niets weet en die nooit een letter heeft gelezen ; in het klooster, waartoe ik behoor, heb ik eene afbeelding van het paradijs gezien, met harpen en fluiten en ook een van de hel, waar de verdoemden worden gekookt. Daar ben ik bang voor, maar liet paradijs vervult mij met vreugde cn blijdschap. Schenk mij de vreugde, o hooge godin, wier hulp alle zondaars moeten inroepen; vervul mij zonder ophouden met geloof, in dat geloof wil ik leven en sterven.quot; Met deze ongekunstelde geloovigheid zou eene mystieke wijze van schilderen onvereenigbaar zijn geweest. I)c schilder venneed dan ook al het vage en geheimzinnige; hij scl.ihhrde geene nevelachtige droomen en stemmingen, maar utcl'.ige oorkonden. Hij had te overtuigen cn dat kon hij, omdat hij zelf overtuigd was.
Geheel anders was het met do praerafaëlieteu gesteld, zij schilderden geene werkelijke aanschouwinger, maar alleen gewaarwordingen. Zij brachten in hun werk van die geheimzinnige toespelingen en duistere symbolen, die met hot teruggeven van de werkelijkheid niets te maken hebben. Ik wil hiervan maar een voorbeeld aanhalen; âUe schaduw dos doodsquot; van Llolman Hunt. Men ziet hier Christus voorgesteld in biddende houding, op oostersche
8 *
116
wijze met uitgestrekte armen, en de op den giond \al lende schaduw van zijn lichaam vertoont de vorm van een kruis. Hier hebben wij nu een zeer leerrijk exemplaar van de mystieke denkwijze. Holman Hunt stelt zich den biddenden ' Christus voor. Hoor ideeën-associatie ontwaakt gelijktijdig in hem de gedachte aan den kruisdood van Christus. Hij wil met de middelen der schilderkunst deze ideeën-associatie zichtbaar maken. En daarom laat hij den levenden Christus een schaduw werpen, die den vorm van een kruis aanneemt en die dus als 't ware het toekomstig lot van den Heiland profeteert, net alsof de eene of andere geheimzinnige macht zijn lichaam zoo naar de zonnestralen had gericht, dat eene wonderbaarlijke verkondiging van zijne bestemming op den grond moest worden geschreven. Zulk eene vinding is olkoiuen onzinnig. Wij zouden het oen kinderachtig spel van Ciuis tus hebben gevonden, indien hij zijnen verhevenen ottci-dood op eene kunstige of pralende wijze met zijne schaduw op den grond was gaan uitteekenen. Ook zou dat schaduwbeeld niet aan het doel beantwoord hebben, want geen tijdgenoot van Christus zou de beteekenis Nan htt schaduwkruis hebben begrepen, voor Christus den kruisdood had geleden. Maar in het bewustzijn van Holman Hunt is door emotie het beeld van den biddenden Christus en van het kruis gelijktijdig gewekt en hij verbindt de beide voorstellingen, zonder zich zeli af te vragen, of zij a o niet bij elkaar passen Indien een van de oude schilders diezelfde gedachte had willen uitdrukken, namelijk en biddenden Christus, die een voorgevoel heeft van zijnen naderenden offerdood, dm zou hij ons een realistischen Christus in het gebed hebben getoond en op den achter-o-rond eeue evenzeer realistische kruisiging; maai hij zou nimmer beproefd hebben deze verschillende tooneelen door
117
eeno vage aanecnknooping in eene voorstelling samen te smulteu. Ziedaar liet onderscheid tussclion de godsdienstige schilderkunst van gezonde, krachtige rechtgeloovigen en van emotieve ontaarden.
* Ook ouder de Xederlaudsclie schilders vindt men er tegenwoordig enkelen, die als navolgers van de praerefaë-lieten zich wijden aan de symbolistische en archaïstische kunst. Tot hen behooren o. a. J. Toorop , J. Thorn Prikker, M. IJ uier, enz. Toorop is tevens stippelaar. De bezoekers van de laatste tentoonstellingen in don Haag en elders zullen zich nog wel de bizarre cn voor oningewijden volkomen onbegrijpelijke figuren herinneren van stukken als .,De oude Tuin der Weëenquot;, âLenorequot;, âo Grave where is thy Victoryquot;, enz. In 't algemeen is bij velen onzer jongere schilders oen streven naar wazigheid en onduidelijkheid , naur nevelachtige voorstellingen duidelijk merkbaar, terwijl het excentrieke en soms dolzinnige in coloriet en teekening voor velen eenc groote aantrekkelijkheid schijnt te bezitten. Zoo bracht o. a. eene tentoonstelling van Vincent van Gogh, een Xederlandsch schilder, die te Parijs krankzinnig stierf, ons in kennis met de voorstellingen van een waanzinnig brein en een troebel oog. met enkele opflikkeringen van helderheid. ^Natuurlijk waren er direkt bewonderaars te vinden, die de geniale grootheid van dezen beklagenswaardige ongelukkige in opgeschroefde dagbladartikelen uitbazuinden. In Jan Veth hebben wij een niet onverdienstelijk schilder, die nu en dan het penseel neerlegt, om de pen ter hand te nemen; dan teekent hij met het woord en schrijft impressies of beschouwingen over moderne kunst. Veth is een vurig bewonderaar van de beoefenaars der decoratieve en symbolische kunst; zoodra hij daarover schrijft, vervalt hij terstond in een ge-zwollen, pathetischen toon, â misschien is 't ook niet
|
118
wel mogelijk oai in gewone, kalme bewoordingen over deze soort van kunst te spreken. Zoo besluit hij o. a. zijne beschouwing over eenige etsen van Bauer (La légende de St. Ju li en rilospitalicr) aldus:
âKunst van een droomerigen fantast die met een rijk vermogen van miso-en-scène, niet gelukkige vinding van een gekruide fijnheid , slepend maar schitterend improvi-zeort, kosteljjkon weerschijn van overstelpende Gezichten.â Uit ritselende grijze lijnen geweven , het dichterlijk suggestief d 'cor voor een zinrijk begoochelend verhaal. â Fata morgana eener heerlijke legendenwercld, vol hoogheid van middeneeuwsche koningsavonturen, vol gerucht van heiligheid, en echo's van geweld.quot;
Natuurlijk noemt Veth iemand als Alberdingk Thijm , die geen smaak vindt ia dc kunst, waarveor Veth wegsmelt, âeen prachtstuk van onnoozele incompetentie.quot; Het geldt hier de affiches van den Panjschen teekenaar Chéret,. waarvoor Veth in aanbidding neerknielt, uitroepend :
âHà heoft, in den besten artistieker! roos, langs de muren der groote straten, â met fijne/)^vasten smaak voor het luchtige, het vluchtige, het vroolijke, â eenlijnen-élan, een kleurgetrompet doen gaan, waar men bij denkt aan het sensueel gekweel van gracieuzen achttiende-eeuwer, gezet op volle orkest-muziek â nagonzend in ons hoofd, als bij het gaan door een drukke stad, de open klank van een opwindend blij, een zonnig wereldsch carillon.quot;
Dat Nordau in zijne scherpe afkeuring van de excentrieke richtingen niet alleen staat, getuigen de vele stemmen, die zich vooral van bevoegde zijden in den laatsten tijd in denzelfden zin hebben doen hooren. Zoo schrijft onder anderen een van de meest beroemde hedendaagsche etsers, de Engelschman Hamerton, in het laatste jaarboek
119
van The Portfolio over do âFrench Follies in Artquot; en zegt:
âIedereen te Parijs kent do namen der brutaalste klad-ders onzer dagen, maar men is wijs genoeg aan hen hun hartewensch te onthouden, nl. van liever vermeld te worden om hun dwaasheid, onbeschaatudheid, oubeholpcnheid, onkunde ou platheid, dau in het geheel niet. Twintig jaren geleden werd in Frankrijk algemeen aangenomen, dat een schilder schilderen, een graveur graveeren moet hebben geleerd en dat de toegang tot den Salon op zich zelf' voor een certificaat van zekere kunstbeschaviug gold. Tegenwoordig zijn er âartiston,quot; wier eenige onderscheiding daarin bestaat, dat zij brutaal zijn zonder zich eenigszins om de uitvoering te bekommeren. Een der beroemdste Frausche schilders verzekerde mij dat een voornaam aanhanger der nieuwe beginselen groote verwachtingen omtrent ecu jong genie koesterde op grond, dat zijn maagdelijke zie! onbesmet was door esnige kennis van teekenen of ervaring van schilderen, zoodat hij zijn ideaal kon uitdrukken zonder bekneld te worden door eenige artistieke overleveringen.quot; (Zie Hvt Vaderland 4 Febr. 1893)
Verder kan ik den belangstellenden lezer nog verwijzen naar hot onlangs verschenen werkje van Willem Otto: Het Xicuwe, Parabelen en Cr i tie ken, waarin op ironisclie wijze de onzinnige afdwalingen in de kunst worden besproken en het ziekelijk geschrijf, met al de oude mystiek, met al hot spiritisme eu hypnotisme en de magie aan de kaak worden gesteld. *
In don loop der tijden hebben de praerafaëlieten vele hunner wonderlijke eigenaardigheden laten varen. Alillais eu Holman Hunt zijn niet meer zoo overdreven gemaakt in het gewild slecht teekenon en in het kinderachtig na bauwen van de taal van Giotto. Zij hebben alleen van de
120
leidende gedachten hunner school het zorgvuldig teruggeven van het onwezenlijke en het schilderen van gedachten behouden Eon welwillend criticus, Eduard Rod, zegt van hen: âZij waren zelf schrijvers, hunne schilderkunst is schrijfkunst.quot; Dit woord is op de school nog altijd volkomen van toepassing. Sommigen van de eerste praera-faëlieten hebben dat dan ook spoedig begrepen. Zij hebben te rechfcertijd ingezien, dat zij zich in hun beroep hadden vergist,
hebben het penseel ter zijde gelegd en naar de pen gegrepen.
De meest bekende onder hen is Dante Gabriel Rossetti. Hij werd in Engeland geboren en was do zoon van den bekenden Dante-vereerder, tevens lid van de Italiaansche Carbonari. Zijn vader gaf hem den naam van den grooten dichter in het leven mee, en die naam salujnt op den jongen Rossetti aanhoudend eene sterk suggereerende werking te hebben uitgeoefend. Wij vinden hierin een van da duidelijkste voorbeelden van de dikwijls aangehaalde bewering van Balzac omtrent den grooten invloed van een naam op de ontwikkeling van hem, die dien na am draagt. Al het dichterlijk gevoel van Rossetti wortelt in Dantc. Zijne wereldbeschouwing is eene zwakke afspiegeling van die van den grooten Florentjjner. In al zijne voorstellingen straalt eene zwakke of duidelijke herinnering door aan de groote werken van Dantc.
Wquot;jj behoeven maar kennis te maken met een zijner meest bekende gedichten: âThe blessed damozelquot; (âhet gelukzalige meisjequot;) om direkt in te zien, hoezeer deze mysticus bij Dan te te gast gaat; ook tretfen wij daarin eigenaardige staaltjes aan van de manier, waarop een mystiek brein bij zijn geestelijken arbeid te werk gaat. Het eerste couplot van dit gedicht luidt aldus: âHet godzalige meisje leuiide tegen de gouden omheining des hemels; hare oogen waren dieper dan do diepte der wa-
121
teren, die de avond gladstrijkt. Zij had drie leliën in de hand en in heur haar flonkerden zeven sterren.quot; Geheel dit beeld van de verlorene geliefde, die uit den paleisachtig gedachten hemel in parijdijstooi op hom neerblikt, is een weerschijn uit Dante's âParadijs,quot; 3e. Gezang, waar de heilige maagd van uit tie maan tot den dichter spreekt. Ook enkele bijzonderheden vinden wij terug, bijv. die stille en diepe wateren (âver per aequo ui tide e tranquille Non si profonde, che i t'oudi Si en persi.quot;) âDe leliën in de handquot; heeft lij uit de afbeeldingen der primitieven overgenomen , maar zij herinneren tocli ook aan liet âPurgatoriumquot; 00e Gezang) âjlanibus o date lil ia plenis.quot; 11 ij duidt de geliefde aan met liet anglo-uoorscho woord âdamozel.quot; Daardoor vaagt hij de scherpe omtrekken vau een meisje of een juffrouw weg en hult het heldere beeld in een sluier van wolken. A Va ut bij liet woord âmeisjequot; of âmaagdquot; zou men aan een meisje denkoii en aan niets anders. Maaide uitdrukking âdamozelquot; doet in liet bewustzijn van den Engelschen lezer voorstellingen ontwaken van slanke edel vrouwen, wandelend over verschoten, oude ts pij ten, van trotsche noordsche ridders, zwaar gepantserd, kortom van iets dat in de verste verte ligt, dat overoud en halfvergeten is; âdamozelquot; verplaatst de geliefde in de geheimzinnige diepten der middeleeuwen en doet de betooverende gestalte der ballade voor ons opdoemen. In de hand van de âDamozelquot; legt ilossetti drie leliën, om haar hoofd vlecht hij zeven sterren. Xatuurlijk zijn deze getallen niet toevallig; zij hebben eene symbolische beteekenis, want zij gelden bij de ouden voor heilig en geheimzinnig. Juist dat âdriequot; en âzevenquot; wijst op iets onbekends en diepzinnigs, dat de lezer mag trachten uittevorschen.
122
Nu beweve men niet dat deze mijne critiek van de middelen, die Rossetti aanwendt om zijne droomerige gedachten uittedrukken en bij den lezer daarmee overeenstemmende gedachten optewekken, eigenlijk tegen alle lyriek en de verdichting in 't algemeen is gekeerd, en dat ik deze daarom zou veroordeelen. Voorzeker is het eene bijzonderheid, aan alle dichtkunst eigen, dat zij zich van woorden bedient, die naast de bepaalde voorstellingen, daarin vervat, ook emoties opwekken, die in ons bewustzijn weerklank vinden. Maar een gezond dichter gaat hierbij op eene geheel andere wijze te werk dan de mysticus. Het woord, dat hij gebruikt, heeft een verstandigen en verstaanbaren zin; het is uitermate geschikt om in een gezond mensch emoties optewekken welke direkt op het onderwerp van liet gedicht betrekking hebben. Laat mij dit met een enkel voorbeeld ophelderen. I hland bezingt den lof der lento met deze woorden;
Saatongriln, Vcilclionilaft,
Lcrchcmvirbe!, Amselsclilag,
Sonnenregeii, linde Lult,
Wenn ieh snlchc Worte singe,
livauc.lit os dann nneli grosse Dinge Dich zu pveisenj'viililingstag?
In ieder woord van de drie eerste versregels ligt eene zakelijke voorstelling opgesloten. Elk van die woorden wekt in een natuurlijk gevoelend mensch gevoelens van blijdschap. Al die gevoelens te samen leiden tot de stemming, die hot ontwaken der lente in de ziel doet ontstaan, en de bedoeling van den dichter was juist die stemming optewekken. Wanneer daarentegen Rossetti de mystieke getallen drie en zeven in do schildering van zijne damozel invlecht, dan zeggen deze getallen op zich zelf niets; zij zullen bij een lezer, die gezond is
123
van geest, niet de geringste aandoening opwekken ; maar ook zelfs bij don ontaarden en hysterischon lezer, opwien Kabbala indruk maakt, zullen do door deze getallen opgewekte aandoeningen niet direkt betrekkinq hebben op liet onderworp van liet gedicht, namelijk op do gestorven geliefde; op zijn hoogst zullen zij een meer algomceno gemoedsbeweging in hot leven roepen, die misschien nog in do verte de damozei ten goede kan komen.
ilaar laat ons het gedicht van Rossotti eens verder analyseoren. Hot gelukzalige juffertje meent dat zij pas een dag tot Grods koorzangeressen behoort; voor de achtergebleven stervelingen heeft die eene dag echter do be teekenis van tien jaren. âVoor eon sterveling duurde hij tien jaren van jaren. âTo one, it is ton years of y e a i s. Een echt mystieke tijdrekening. Zij beteekent namelijk niemendal. Misschien stelt Rossotti zich voor dat er oen hoogere eenheid bestaat, tot welke bet tijdsverloop van oen jaar zich verhoudt als oen dag tot een jaar, zoodat 365 dagen oen jaar van hoogere orde zouden uitmaken. Met een âjaar van jarenquot; zouden dus 305 jaren bedoeld zijn. Maar Rossotti drukt dit zoo nevelachtig uit, dat hot do vraag blijft of dit zoo bedoeld is.
âZij stond to leunen tegen den ringmuur van Gods huis; door Grod gebouwd boven de ledige diepte, die niets anders is dan do aanvang dor ruimte; zoo hoog, dat zij, van daar in de diepte blikkend, ternauwernood do zon kon onderscheiden. Het huis ligt in den hemel, aan geuo zijde van den aotherstroom, als een brug. Daaronder krioelen de getijdon van dag en nacht in de leoge ruimte in vlammen on duisternis tot diep daaromlaag, waar deze aarde ronddoolt als een grillige mot. En rondom haar spraken geliefden, die op hot geroep der onsterfelijke liefde waren samengekomen, altijd en altijd
124
weer ouder elkaar hunne verrukkelijke namou uit En de tot God opstijgende zielen gingen haar voorbij als dunne vlammen . . . Van de onveranderlijke plaats m den hemel uit zag zij den tijd ais eca polsslag woest
door allo werelden wegheven.'
Het bljjve den lezer overgelaten zich cene voorstelling te maken van al do bijzonderheden dezer beschrijving en die tot een totaalindruk te verbinden. Indien hem dit in weerwil van zijn ijverige inspanning niet gelukt, dan kan hij gerust tot zichzelf zeggen, dat liet met zijne,
maar de schuld Viiu üossGfcfci is.
üe da 1110zei begint te spreken. Zij wenscht dat do geliefde al tot haar ware gekomen. V* aut komen zal hij toch âWanneer om zijn hoofd de stralenkipis is bevestigdquot; (het prozaische woord âclings' laat goene edelcie vertaling toe) âen hij in het wit is gekleed, dan zal ik hem bij de hand nemen en met hem gaan naar de diepe bronnen des lichts. Vuj willen daarheen afdalen ak naar
een stroom en daar te samen baden in het aangezicht Gods.
Men morka hier vooral op, hoe te midden van die gezwollen bovenzinuelijk-zinnelooze spreekwijzen de voorstelling van een. âgemengd badquot;' een duidehjken vorm aanneemt. In dit mystiek gelroom is nog altijd plaats
voor een beetje zinnelijkheid.
Wij zullen niet ons beiden de heilige bosschen zoeken, waar do maesfcares Maria is met hare vijf volgelingen, wier namen vijf zoetklinkende symphonieën zijn, Cecily, Gertrude, Magdalen, Margaret en llosalijs.quot;
De opsomming van die vijf vrouwennamen nseint twee versregels in. Dergelijke versregels, die alleen uit namen bestaan, karakteriseeren weer den mysticus. Hier toch is het woord niet meer het zinnebeeld van eene bepaalde voorstelling of van een begrip, maar het daalt af tot een
125
nietsbetcekenenden klank, die alleen ten doel heeft door ideeën-associatie allerlei aangename aandoeningen oj) te wekken. Hier doen die vijf vrouwennamen zeer vaag aan mooie jonge meisjes denken, de naam Rosalys bovendien nog aan rozen 011 leliën; de beide regels moeten een sprookjesachtig beeld doen ontstaan van een heerlijk bloeienden tuin, waar tusschen. rozen en leliën slanke jonkvrouwen op en neer wandelen.
Het gestorven meisje vervolgt hare schildering van de vereeniging met haren geliefde cn dan vernomen we: âZij legde hare armen op de gouden omheining en verborg het gel.iat in hare harden en weende. Ik hoorde hare tranen.quot;
Die tranen zijn al hoogst misplaatst. Het meisje leeft na haren dood in do hoogste gelukzaligheid, in een paleis van goud, in do direkte omgeving van God en de heilige maagd. Waarover is zo nu zoo verdrietig ? Dat haar geliefde nog niet bjj haar is ? Maar tien jaren van sterfelijke menscheu maken voor haar maar één dag uit! Gesteld dus dat do geliefde een vrij hoogeu leeftijd zal bereiken, dan behoeft ze maar hoogstens een dag of vijf, zes te wachten, ou na dit niet noemenswaardig tijdsverloop zal haar de grootste zaligheid deelachtig worden. Er bestaat dus hoegenaamd goeue aanleiding voor die tranen.
Hieruit bljjkt alweer de schromelijke verwarring in het brein van een mystiek dichter. Hij stolt zich voor eon gelukzalig leven na den dood, maar gelijkujdig schemeren in zijn bewustzijn donkere beelden van dc vernietiging der persoonlijkheid en de scheiding door den dood en wekken die smartelijke gevoelens op, die mot de gedachten aan sterven, vernietisrina: en het scheiden van quot;eliof-
J ~ 'j O
den gepaard gaan. Op die manier komt hij er toe eene hymne aan de onsterfelijkheid met tranen te besluiten,
126
die alleen dan een ziu hebben, wanneer men niet aan den voortduur van liet leven na den dood gelooft. Het wemelt in dit opzicht van allerlei tegenstrijdigheden, die duidelijk bewijzen ;dat bij Rossetti geen enkele voorstelling zoo scherp wordt gevormd, dat zij daarmee in strijd zijnde voorstellingen uitsluit. Xu eens worden ons de afgestorvenen voorgesteld in 'twit gekleed, getooid met een stralenkrans, zij wandelen in paren en noemen elkaar bij de liefste naampjes. Zij moeten dus als menschelijke verschijningen worden gedacht. Maar een oogenblik daarna zijn zij weer dunne vlammen, die door do ruimte wegzwcv en. Op die manier vervluchtigt elk beeld in het gedicht in duisternis en vormeloosheid.
In Dante's âDivina Comedia,quot; die Rossetti onoplioude-lijk door 't hoofd spookt, treffen wij zulke ongerijmdheden niet aan. Dante was, evenals de primitieve schilders, een mysticus uit onwetendheid, maar niet tengevolge van ontaarding of geesteszwakte. De grondstof voor zijn denken, het materiaal, waarmede bijwerkte, deugde niet; maar de verwerking daarvan door zijn geest had op eene juist een logi-sjhe mmier plaats. Bij hem vindt men eene juiste overeenstemming tusschen zijne klare voorstellingen en stuit men niet op allerlei tegenstrijdigheden. Da ure bouwde zijn hel, zijn paradijs, zijn vagevuur op uit de wetenschap van zijn tijd, die hare kennis van de wereld uitsluitend uit de dogmatische theologie putte. Dante was vertrouwd met het stolsel van zijn tijdgenoot Thomas van Aquino (hij was negen jaar oud toen de doctor angelic us stiei i/ en daarvan doordrongen. Den eersten lezers van de âinfernoquot; moest dit gedicht even grondig en overtuigend toeschijnen als tegenwoordig voor ons het natuurlijke scheppingsverhaal van een Ilackel is. Latere eeuwen zullen onze voorstellingen van een atoom, dat niets dan een
127
âüeiilruiii van krachtquot; zou zijn, of van de ligging der atomen in de molecule van eene organische verbinding, ot van den ether en zijne trillingen waarschijnlijk evengoed als dichterlijke droomen aanmerken, gelijk wij nu de middeleeuwsche begrippen omtrent de woning van de zielen der afgestorvenen beschouwen: maar daarom heeft men nog niet het recht om denkers, zooals een Helmholtz of-een Thompson, met den naam van mystici te betitelen, omdat zij met begrippen arbeiden, waaronder zij zich nu reeds niets bepaalds kunnen voorstellen Evenmin mag men Dante in dezelfde bcteskenis als llossetti een mysticus noemen. Dante drong mot zijne waarnemersoogen diep in de realiteit der wereld door cn bracht haar beeld tot zelfs in zijn Hel over. Maar Rossetti is niet in staat do werkelijkheid te vatten of te zien, omdat hom daartoe de gave der opmerkzaamheid ontbreekt; en omdat hij zich van deze zwakheid bewust is, maakt hij zich volgens menschelijke gewoonte wijs dat hij niet wil, waartoe hij feitelijk niet in staat is. âWat kan het mij schelen,quot; zei Rossetti eens, âof de aarde om de zou draait of de zon om de aarde.quot; Natuurlijk iaat zoo iets hem oaver-schillig, omdat hij niet in staat is het te vatten.
Het gaat natuurlijk niet aan om hier al de gedichten van Rossetti zoo in bijzonderheden na te gaan als âThe blessed damozel,quot; maar het is ook geheel ounoodig, aangezien wij toch overal dien poespas van bovenzinnelijkheid en erotische gedachten, dat nevelachtig denken en die onzinnige verbindingen van onsamenhangende voorstellingen zouden aantreffen. Op enkele eigenaardigheden van dezen dichter wil ik nog wijzen, daar zij don hersenarbeid vau den ontaarde en don zwakke van geest ken-teekencn.
Vooreerst treedt zijne voorliefde voor het keerrijm sterk
128
op don voorgrond. Het keerrijm is een voortreffelijk kunstmiddel om een zielstoestand te schilderen, waarbij eene sterke emotie op den voorgrond treedt. quot;S oor den miiuiaar, die vurig smacht |iaar zijne geliefde, is het heel natuurlijk dat zich tusschen alles, wat hij met zijne gedichten vervolgt, altijd weer het beeld van zijne geliefde aan hem opdringt. Zoo is het ook begrijpelijk dat bijv. de ongelukkige, die omgaat met gedachten aan zelfmoord, zich maar niet kan losmaken van do met zijnen zielstoestand overeenstemmende voorstelling van de armezon-diarsbloem, die hij op eene nachtelijke wandeling aanschouwt. (Vergelijk bijv. het gedicht van Heine: «Am Ivreuzwcg wird begraben,' waarin de regel âde aimezon-daarsbloemquot; aan het slot der beide coupletten huiveringwekkend- veelbeteekenend terugkeert). De keerrijmen bij Rossetti wijken och ter van het gewone keerrijm sterk at, want zij staan in hoegenaamd geen verband met de emotie of handeling, die in liet gedicht is uitgedrukt. Zij hebben alleen het karakter van eene dwangvoorstelling, die de zieke niet kan onderdrukken, hoewel hij erkent dat zij in hoegenaamd geen logisch verband staat met den op een gegeven oogenblik bcstaanden inhoud zijner gedachten. Zoo wordt in het gedicht âiroy town verhaald hoc Helena, lang voordat Paris haar schaakte, in Sparta in den tempel van A enus neerknielt en, liefdedronken, de godin smeekt haar een naar liefde dorstenden man te schenken, onverschillig wie het ook zij. Het gedicht begint aldus:
Heavenborn Helen, Spartas queen
(O Troy town !1 Hail two breastsquot;oheavenly slieen The sun and the moon o' the hearts desire j All Loves lonlslr.p lay between.
(0 Troy's down,
Tall Troy's on tire.)
129
Helen knelt at Venus shrine
(0 Troy town!)
Saying: âA little gift is mine,
A little gilt for a hearts desire.
Hear me speak and make nic a sign !quot;'
(0 Troy's down,
Tall Troy's on fire.)
En zoo keert veertien coupletten lang altijd na den eersten regel liet; âO stad Troje!quot; in den derden regel op het eind het woord âhartewenschquot; en na den vierden regel: â(3 l'roje is ondergegaan, het hooge Troje staat in brand !quot; terug. Het valt licht te verklaren, wat llos-setti hiermee beoogt. Hier toch treffen wij weer een dergelijk denkproces aan, als wij in Holman Hunts schilderij âDe schaduw des doodsquot; hebben leeren kennen. Gelijk llosseth zelf door het denken aan Helena in Sparta door ideeën-associatie tot de voorstelling van de latere lotgevallen van Troje komt, zoo moet zich de lezer, terwijl hij de jonge, door hare schoonheid bedwelmde, koningin nog in Sparta ziet, tegelijk het beehl van de in de verre toekomst liggende tragische gevolgen van haar verlangen naar lietde voor den geest halen. Maar nu beproeft hij niet die twee voorstellingen verstandig niet elkaar te verbinden, maar hij dreunt op litaneiachtige manier voortdurend die zelfde geheimzinnige aanroepingen van Troje op, terwijl hij het tooneel in den Yenustempel te Sparta schildert.
Sollier heeft in zijn werk Psychologie de ITdiot et de 1'Imbecile met nadruk gewezen op deze eigenaardigheid van nienschen, wier geestvermogens gekrenkt zijn. âDe Idiotenquot; zegt hij, âlasschen woorden in, die in hoegenaamd geen verband staan met het onderwerp. Bij hen wordt het herhalen een ware manie.quot;
In een ander bekend gedicht âEden bowerquot; dat tot noiidau , Ontaarding. 9
130
onderwerp heeft do Prae-adamietisclie Lilith, haar geliefde, de slang in het paradijs en de wraakneming op Adam, worden achtereen in 49 coupletten altijd achter den eersten regel de litanei-woorden âE d e n b o w e r's i n fl o w e rquot; en âAnd o the b o w e r a n d the hourquot; ingelascht. Ook hier bestaat niet het geringste verband tusschen die ingelaschte zinneloozc frasen en het couplet, dat zij at-breken. Een verrassend voorbeeld van ocholalie.
Die echolalie, die dikwerf voorkomt bij menschen met gekrenkte geestvermogens, treffen wij bij Rossetti veelvuldig aan. Ziehier eenige staaltjes: âSo wet she comes to wed?quot; (Zoo nat komt zij ter bruiloft?) (âSt rat ton waterquot;.) Hier heeft de klank âwedquot; den klank âwetquot; te voorschijn geroepen In'tgedicht âMij sister'ssleepquot;, waarin sprake is van de maan, wordt gezegd: âThe hallow halo it was in â was like an icy crista 1 cupquot; â (nüe holle ring, waarin de maan zich bevond, geleek op een kristallen beker van ijs.quot;) Is het niet onzinnig een oppervlakte, zooals de maan ons vertoont, met het woord hol aan te duiden ? Deze samenvoeging, ongerijmd van een logisch standpunt, is dus alleen door de gelijkluidendheid ontstaan. Men vergelijke daarmede ook de regels ; Yet both were ours, but ho u r s will come and goquot;(âA new years bur denquot;) en âForget it not, nay, but got it not.... (âBeauty.quot;)
Sommige van Rossetti's gedichten zijn niets anders dan aaneenschakelingen van onsamenhangende woorden, en het is opmerkenswaardig dat de mystieke lezers juist in die nietsbeteekenende klanken don diepsten zin meenen to vinden. Zoo luidt onder anderen het tweede couplet van âThe song of the bowerquot; aldus: â^Iijn hart, als het heenvliegt naar uw prieel, wat vindt het daar, dat het weder herkent ? Daar moet het vallen als een bloem,
131
neergeslagen door eene regenbui, rood in haar vaneen-gereten boezem, zwart van den regen. Ach ! en toch, welk dak strekt zich nog over haar uit, welke wateren weerspiegelen nog hare verscheurde blaadjes? Uw ziel is de schaduw, waarmede ze zich omringt om te bemiunen, en tranen vormen den spiegel diep in het binnenste van uw hart.quot;
Xu is het eigenaardige van dergelijke woordverbindingen dat elk woord op zich zelf eene emotie kan opwekken (zooals âhart,quot; âprieel,quot; âvallen,quot; âbloem,quot; âvaneen-gereten,quot; âweerspiegelen,quot; âtranen,quot; enz.) en dat zij elkaar in een wiegenden rhythmus en op een welluidende wijze opvolgen, waardoor hot oor aangenaam wordt aangedaan. Zij kunnen dus bij een zeer gevoeligen lezer licht alge-meene, vage emoties opwekken, net als de harmonische tonen van een molakkoord, en de lozer verbeeldt zich Jan dat hij den zin dier woorden begrijpt, terwjjl hij toch feitelijk niets dan zijn eigene emoties waarneemt, die samengaan met zijn graad van beschaving, zijn karakter en zijn literarisch geheugen.
Behalve Dante Grabriël llossotti worden gewoonlijk ook Swinburne en Morris onder de praerafaëlietische dichters gerekend. Toch zijn deze laatsten slechts in de verte verwant met het hoofd dezer school. Swinburne behoort tot de âhoogere ontaardenquot;, zooals Magnan die onderscheidt, terwijl Rossetti meer tot de lagere, de imbecielen van Sollier, moet gerekend worden. Swinburne is niet zoo overgevoelig als Kossetti, maar hij staat geestelijk veel hooger. Zijne denkbeelden zijn menigmaal ongerijmd en en dwaas, maar er bestaat toch een behoorlijk verband tusschen zijne voorstellingen. Uij is mystiek, maar zijne mystieke gedachten hellen meer over naar het verdorvene en misdadige dan naar paradijsachtige en gelukzalige toestanden.
9 *
132
Hij is de eerste vertegenwoordiger vnu liet âDiabolismequot; in de Eagelsclie diclitkunst. Diit valt daaruit te verklaren, dat hij, behalve onder den invloed van Rossetti, ook sterk onder dien van Baudelaire heeft gestaan. Evenals allo ontaarden is hij buitengewoon suggestiebei en heeft hij op de rij af een tal van dichters, die hij heeft gelezen, nagevolgd. In zijne gedichten vindt men een weerklank van Rossetti, Baudelaire, Gautier, Victor Hugo, en men kan daarin duidelijk den gang van zijne lectuur op den voet volgen.
Zoo is bijv. âA Christmas carolquot;: Three damsels in the Queens Chamber . . . . geheel in het genre van Rossetti. Datzelfde geldt van âThe masque of Queen Bersabequot;, dat een navolging is van een middelceuwsch mirakel-spel met zijne latijnsche tooneel-aanwijzingen en zijn poppenkast-stijl. Dit is een model geworden voor vele Fransche gedichten, waarin niets dan onzin wordt uitgekraamd en evenals in de kinderkamer op handen en voeten wordt rondgekropen.
Swinburne treedt in de voetstappen van Baudelaire, wanneer hij in âAn actor iaquot; zijn gelaat eene duivelsche uitdrukking tracht te geven en de eene vrouw tot de andere laat zeggen: âLk wilde dat mijne liefde je kon dooden. Ik heb er genoeg van je te zien leven. Ik wenschte dat je dood waart, dat de aarde je lichaam had om te verteren en dat geen mond , maar dat een of andere wurm je lekker vondquot; â enz. Of quot;wanneer hij vloekt en smaadt (âBefore dawnquot;): âVan de schaamte zou ik willen zeggen : wat is dat ? Van de deugd: wij hebben haar niet noodig. Van de zonde : wij willen haar kussen , zij is niet meer zonde.quot;
Onder de gedichten van Swinburne komt er oen voor, getiteld: âDe Koningsdochterquot;, dat nog onze bijzondere aandacht verdient, daar wij reeds hierin de kiem
133
van liet latere symbolisme aantreffen en liet een sprekend voorbeeld is van dezen vorm van mysticisme. De Koningsdochter is een soort van ballade, waarin in veertien vierregelige coupletten de geschiedenis wordt verteld van tien koningsdochters, waarvan ecne altijd boven de andere werd voorgetrokken : do eene ging altijd prachtig gekleed, sliep op liet heerlijkste bed en werd eindelijk aan eeu schoonen prins nitgohu wel ijkt, terwijl hare zusters werden veronachtzaamd ; inplaats van echter aan de zijde van den prins hot geluk te vinden, wordt zij diep ongelukkig en verlangt naar haar dood. Deze geschiedenis nu wordt verteld in den eersten en derden regel van elk couplet; de tweede regel echter spreekt van eene fabelachtige molenbeek, die op eene onbegrijpelijke manier in deze ballade is ingelasclit en die door een geheimzinnigen invloed voortdurend de handeling met al de daarin voorkomende veranderingen op eene zinnebeeldige wijze weerspiegelt, terwijl in den vierden regel een litaneiachtige uitroep voorkomt, die eveneens op den loop der gebeurtenissen betrekking heeft. âWij waren met ons tienen meisjes in het groene korenquot; , zoo vangt het gedicht aan, âkleine roode blaadjes in het molenwater. Mooiere meisjes werden er nooit geboren; gouden appels voor de koningsdochter. â Wij waren met ons tienen meisjes bij de springende bron ; kleine witte vogeltjes in het molenwater. Liefelijker meisjes werden nimmer gevrijd ; ringen van rood voor de koningsdochterquot;. In de volgende coupletten worden de voortreffelijke eigenschappen van elke der tien prinsessen geschilderd en de symbolische tusschenregels luiden: âTarwekorrels in het molenwater â wit en bruin brood voor de koningsdochter. Mooie groene planten in het molenwater â witte en roode wijn voor de koningsdochter. Mooi dun riet in het molenwater â honig in raten voor
134
de koningsdochter. Afgevallen bloemen in het molenwater â gouden handschoenen voor do koningsdochter. Afgevallen ooft in het molenwater â gouden mouwen voor de koningsdochterquot;. Nu komt de jonge koningszoon, kiest de uitverkoren prinses en versmaadt do negen overige. De symbolische regels toonen de tegenstelling tusschen het schitterende leven der uitverkorene en het droevig bestaan der andere. âEen zachte wind ruischt over het molenwater â een kroon van rood voor de koningsdochter. Een zachte regen in het molenwater â een bed van geel stroo voor de overige, een bed van goud voor de koningsdochter. De regen plast in het molenwater â een kam van gele mosselschelpen v oor de overige, een kam van goud voor de koningsdochter. Wind en hagel in het molenwater â een gordel van gras voor al de overige, een sierlijken gordel voor de koningsdochter. Sneeuw sneeuwt in het molenwater negen kleine kusjes voor al de overige, honderdmaal zoo veel voor de koningsdochter.quot; De koningsdochter schijnt dus bijzonder gelukkig te zijn en benijd te worden door hare zusters. Maar dit geluk is slechts schijn, want met esno plotselinge wending gaat het gedicht voort: ^ ernielde booten in het molenwater, -â geschenken in goud voor al de overige, harteleed voor de koningsdochter. Graaft een graf voor mijn mooi lichaam. Het stortregent in het molenwater â en leg mijn broeder aan mijne zijde. Helsche smart voor de koningsdochter.quot; Wat aanleiding gegeven heeft tot dezen ommekeer in de omstandigheden^ vermeldt de dichter niet. De lezer moge daar het zijne van denken. Maar dit is ook van minder belang; wij hebben hier vooral te letten op het symbolisme van den dichter.
Psychologisch is het volkomen gerechtvaardigd, wanneer wij tusschen onzen tijdehjken gemoedstoestand en de uit-
135
^vendige versclujnselen eene subjectieve betrekking waarnemen en in onze omgeving een weerschijn van onze stemming aanschouwen. Wanneer onze omgeving een sprekend karakter heeft, geschikt om cene stemming op te wekken, dan doet zij dit ook, en omgekeerd, wanneer wij onder den invloed van eene stemming zijn, dan hebben wij in onze omgeving alleen oog voor die verschijnselen, die mot die stemming overeenkomen of die deze stemming nog meer verlevendigen. Het overige laat ons tijdeljjk onverschillig, of wij nemen het niet waar. Een donkere afgrond met een bewolkten hemel daar overheen maakt ons treurig Maar wanneer wij om de eene of andere reden reeds treurig zijn, dan vinden wij overal, waar wij om ons heen zien, dingen van bedroevenden aard: in de straat uitgehongerde kinderen, in lompen gekleed, magere koetspaarden, die niet meer voort kunnen ; eene blinde bedelares; in het bosch verwelkte, afgevallen bladeren, giftige paddestoelen, slijmige slakken, enz. Zijn wij vroolijk gestemd, dan zien wij die dingen ook, maar wij slaan er minder acht op, omdat wij daarnaast waarnemen : in do straat een bruiloftsstoet, een aardig jong meisje met een mandje kersen aan den arm, vroolijk geverfde muuradvertenties, een grappigen dikken man met den hoed achter op zijn. hoofd; in het bosch huppelende vogels, zwevende vlinders, kleine witte anenomen enz. Ue dichters wenden met alle recht beide vormen van verbinding van onze stemming met de uitwendige wereld aan. Wanneer Heine zingt:
Es ragt ins Meer der Ruiiens'cin,
Da sitz' ich mit mcinen TriUimen ;
lis pfeiit der Wind, die Möwen sehrein,
Die Wellen, die wandern und schiiumen.
Ich liabo preliebt nianeh schönes Kind Und manehen guten Gesellen â
Wo find sie hin ? â Es pfeift der Wind,
Es scliiiumen und wandern die Wellen.quot;
136
dan brengt hij ons in ecne sombere, zwaarmoedige steiu-miiig. Hij beklaagt de vluchtigheid van liet mcnschelijk bestaan, de onbestendigheid der gevoelens, liet nevelachtig voorbijgaan van de menschen, die wij hebben liefgehad.
In die gemoedsstemming zit hij aan het strand en staart op de zee, en nu neemt Inj verschijnselen waar, die geheel beantwoorden aan zijne oogenblikkelijke stemming en die als ,'t ware belichamen: hot jagen van den wind, het haastig opduiken en verdwijnen van do meeuwen, het rollen en weer langzaam wegvloeien der golven. Dat zijn allen symbolen van het vergankelijke, en dit symbolisme is door en door gezond en gegrond op de wetten, waaraan ons denkvermogen is gebonden.
Van een gansch andere soort is het symbolisme van Swinburne. Hij laat de omgeving geene stemming uitdrukken, maar hij laat haar eene geschiedenis vertellen ; haar uiterlijk verandert voortdurend al naar het karakter van de zich ontknoopende gebeurtenis; als een orkest begeleidt zij al de tooneelen, die ergens worden afgespeeld. Hier is de natuur niet meer de witte muur, waarop als bij een spel van schaduwfiguren de bontgekleurde beelden van onze stemming vallen; maar zij is een levend en denkend wezen, dat een akelige liefdesroman met belangstelling volgt en dat, even als de dichter, zijn welgevallen en zijn leed over de verschillende voorvallen uitdrukt. Eene dergelijke voorstelling is volkomen onzinnig. Zij is in de dichtkunst, wat do hallucinatie is in de ziekte der geestvermogens Zij is een vorm van het mystieke, zooals wij dien bij allo ontaarden aantreffen Gelijk bij Swinburne het molenwater âkleine roode blaadjesquot; en, wat nog zeldzamer is, âkleine witte vogelsquot; voortstuwt, zoolang alles goed gaat, daarentegen door sneeuw en hagel wordt gegeeseld en vernielde booten voortstuwt, wanneer
137
de omstandigheden een slechten keer nemen, zoo laat .Zola in lAssommoir het afvoerwater uit een ververij eene rozenkleurige of goudgele kleur aannemen in dagen van voorspoed, en een zwarte of grijze kleur, zoodra er een tragische wending komt in de lotgevallen van Gervaise en Lantier. In Ibsens âSpokenquot; giet het van don regen, wanneer mevrouw Alving en haar zoon voel verdriet hebben, en de zon breekt door, wanneer de catastrophe intreedt. Ibsen gaat zelfs met zijn hallucinatie-achtig symbolisme nog verder; want bij laat do handelende natuur niet alleen deelnemen aan de gebeurtenissen, maar hij laat haar die ook bespotten of er zich vroolijk over maken.
Geestelijk gezonder dan Rossetti en Swinburne is William Morris, bij wien liet evenwichtsverlies moet gezocht worden in zijn gebrek aan oorspronkelijkheid en overdreven navolgingszin. Zijne manier bestaat in middel-eeuwschheid ; hij noemt zich een volgeling van Chaucer. Hij schrijft geheele coupletten van Dante na on maakt zich wijs dat hij een roerend zanger is van do dertiende of veertiende eeuw, waarbij hij zich alle mogelijke moeite geeft om allo dingen zoo te zien, zooals hij zou gedaan hebben, indien hij een tijdgenoot van Chaucer geweest ware. Behalve deze dichterlijke buiksprekenj, waarmee hij den klank van zijne stem zoo tracht te veranderen, dat zij schijnbaar uit de verre verte in ons oor klinkt, zijn er niet veel ontaardingskenteekenen bij hem waar te nemen. ^Nu en dan vervalt hij in echolalie, bijv. in âEarthly Paradisequot; :
âOf Margaret sitting glorious there
In glory of goiii and glory of hair
And glory of glorious face most fair,quot;
waar âgloryquot; en âgloriousquot; in drie regels vijfmaal herhaald
138
worden. Zijne overgevoeligheid heeft hem in den laatsten tijd tot een aanhanger gemaakt van een ziekelijk socialisme, dat hoofdzakelijk op het gevoel van medelijden berust en dat wonderlijk genoeg werkt, wanneer het op kunstige manier in de taal der oude balladen wordt uitgedrukt.
De praerafaëlieten hebben op de Engelsche dichters van de laatste twintig jaar een grooten invloed uitgeoefend. Alle hysterici, allo ontaarden hebben in navolging van Rossetti de âdamozelquot; cn dc heilige maagd bezongen, of in navolging van Swinburne dc tegennatuurlijke ontucht, de misdaad, de hel cn den duivel geprezen of, zooals Morris, in den trant van de âCanterbury talesquot; de taal geradbraakt. Indien op dit oogenblik de geheele Engelsche dichtkunst nog niet de pracrafaëlietische richting is toegedaan, dan heeft zij dit te danken aan het gelukkige toeval, dat gelijktijdig met de praerafaëlieten een zoo groot en gezond dichter, als Tennyson, heeft geleetd en gewerkt. Gelukkig dat wij uit de groote vereering, die een groot deel der Engelsche natie voor dezen âpoet laureatequot; koestert, mogen opmaken dat er nog beminnaars van dichtkunst zijn , die zich aan den invloed van ontaarde zangers weten te onttrekken.
In zijne verdere ontwikkeling nam het praerafaëlitisme den vorm aan van het âAesthetismequot; in Engeland cn van het âSymbolismequot; in Frankrijk. Beide richtingen wenschen wij meer in bijzonderheden te beschouwen.
III.
ÃE SYMBOLISTEN.
Hetzelfde verschijnsel, dat wij bij do praerafaëlieten hebben waargenomen, troffen wij weer aan bij do Fransche symbolisten. Ook hier zien wij een aantal jonge lieden, die zich aaneensluiten en met bewustzijn en opzettelijk eene school vormen, waaraan zij een naam geven, zonder daarom nog enkele gemeenschappelijke kunstbeginselen te zijn toegedaan of een klaar aesthetisch doel te vervolgen, maar alleen om lawaai in de wereld te maken, door een zekere zonderlingheid en excentriciteit de aandacht te trekken en op deze manier hun ijdele zucht naar genot en roem zooveel mogelijk te bevredigen.
Het was ongeveer in het begin van 1880 dat er in het Quartier Latin te Parijs een troepje letterkundigen woonde van ongeveer denzelfden leeftijd, die geregeld 's avonds in eeu café, Quai St. Michel, bijeenkwamen, waar zij tot in den vroegen morgen al bierdrinkend en rookend op de bekende geldmakende schrijvers hevig zaten te schimpen, terwijl zij natuurlijk hoog opgaven van hunne eigene verdiensten, waarvan het publiek nog onkundig was. Onder hen voerde vooral een zekere Emile Goudeau het
140
hüogc woord, eeu zwetser, van wiea alleen eenige onzinnige spotgedichten zijn bekend geworden; verder zag men daar Maurice Rollinat, de schrijver dor iSTévroses, en Edmond llaraucourt. Zij gaven zich den naam van Hydropathen, een onzinnig woord, dat blijkbaar ontstaan is uit een combinatie van Hydro therapie on X e v r opja t h e n , waarmee zij vermoedelijk wilden te kennen geven, dat hunne gezondheidstoestand lang niet bevredigend was, dat zij lijdend of onder geneeskundige behandeling waren. In elk geval straalt in deze benaming een donker bewustzijn en een bekentenis door van een gestoord zenuwleven. Het troepje bezat ook eeu weekblaadje Lutèce, dat maar een zeer kort leven had.
Tegen 1884 verliet de vereeniging de oude plaats van bijeenkomst en sloeg hare tenten op in het café Francois I, Boulevard St. Michel De roem van dit café is hoog gestegen; het is de bakermat geworden van het symbolisme. Xog altijd is het de tempel van enkele eerzuchtige jongelingen, die, door zich aan te sluiten aan de symbolistische school, een naam hopen te maken, dien zij door hunne eigene gaven nooit zullen krijgen. Het is ook de Kaaba, waarheen alle buitenlandsche zwakhoofden opgaan, die wol eens van de nieuwe Fransche richting hebben gehoord en in hare leer en geheimen wenschen ingewijd te worden. Enkelen van de Hydropathen bleven echter aan hunne eerste plaats van bijeenkomst getrouw ; nieuwe geestverwanten sloten zich bij hen aan, zoor.ls Jean Moréas, Laurent ïailhade, Charles Morice. Zij lieten ook hun oude benaming varen en waren een tijdlang bekend onder den naam van decadenten. Eigenlijk was hun deze naam door enkele critici als scheldnaam toegevoegd ; maar evenals eertijds de Geuzen trotsch wa-
141
ren op don naam, waarmee men hen aanvankelijk wilde besohnnpen en bespotten, liopoii ook de decadenten met de beleediging, die men lum in 't gezicht had geslingerd, statig te pronk. De club, die in hot café Francois 1 samenkwam, veranderde later ook haar naam in die van Symbolisten, eene vinding van .Moreas, terwijl een kleine groep, die zich van hen afscheidde, den naam van decadenten behield.
In de symbolisten treffen wij een sprekend voorbeeld aan van die zucht tot club-vorming, die wij als eene kenmerkende eigenaardigheid van alle ontaarden hebben leeren kennen. Zij hadden al de kenteekenen van gedegenereerden met elkaar gemeen : eene onbegrensde ijdelheid en zelfoverschatting, sterke overgevoeligheid, het verward, onsamenhangend denken , de zucht tot babbelen en pochen (in de pathologie der hersenen Logorrhöe genoemd), en de volkomen ongeschiktheid tot erastigen, geregelden arbeid. Enkelen van hen hadden de middelbare school doorloopen, sommigen zelfs niet eens deze. De moesten waren hoogst onwetend en daar zij uit willoosheid, of uit onvermogen tot opmerkzaamheid ook niet in staat waren iets systematiesch te leeren, zoo maakten zij zich naar de bekende psychologische wetten natuurlijk wijs, dat zij alle positieve kennis verachtten en alleen het droomen en raden, de âintuïtiequot;, voor menschwaardig hielden. Eenigen hunner, zooals Moróas en Guaita, die later âmagiërquot; werd, lazen zonder methode allerlei geschriften , die zij aan de boekenstalletjes machtig konden worden , en droegen dan voor hunne kameraden de vruchten hunner lektuur in grootsche en geheimzinnige spreekwijze voor. De toehoorders verbeeldden zich dan, dat zij zich aan eene ijverige studie overgaven en op die wijze kwamen zij in 't bezit van die rommelzoo van wetenschappelijke
142
en aesthetisclie frasen, die zij in hunne artikels en brochures uitkraamden en waarin de ontwikkelde lezer tot zijne groote verbazing de namen van Schopenhauer, Darwin, Taine, Renan, Shelley, Goethe aantreft, die dienst moeten doen, om de juistheid hunner beweringen , die over t algemeen niet meer zijn dan de onverteerbare brokstukken van onbegrepen en schandelijk verdraaide uitingen en gezegden van de groote deakers , te staven. Deze onwetendheid der symbolisten en hun kinderachtig pronken met een schijn van geestelijke ontwikkeling wordt door een hunner openlijk erkend. âIn de leer van het geloof en van de philo-sofiequot; , zegt Charles Morice in La Li tt ér at ure de tout-a-l'heure, âhebben zeer weinige van deze jonge lieden eene nauwkeurige kennis. Maar van de uitdrukkingen der kerk onthouden zij mooie woorden, zooals Monstrans, Ciborium, enz. Ook enkelen bewaren eenige kunstuitdrukkingen van Spencer, Mill, Schopenhauer, Comte, Darwin. Zelden zijn zij diegenen, die nauwkeurig weten waarvan zij spreken, die, welke niet beproeven met de eene of andere spreekwijze te pronken , welke geer. andere verdienste heeft dan een ij delheid van syllabenquot;. (Voor den onzin van deze laatste frase ben ik natuurlijk niet verantwoordelijk, maar Charles Morice.)
De vaste bezoekers van het café Francois I kwamen daar gewoonlijk 's middags om één uur en bleven dan tot liet avondeten samen. Terstond na den maaltijd keerden zij daar terug en verlieten hun hoofdkwartier eerst lang na middernacht. Geen van de symbolisten bekleedde cemge betrekking; evenmin als zij in staat waren tot methodisch leeren, waren zij geschikt tot eene geregelde plichtsvervulling. quot;Wanneer zich deze ongeschiktheid voordoet bij een man van do lagere volksklasse, dan wordt hij een vagebond; bij eene vrouw uit de mindere klasse leidt
143
zij tot prostitutie ; bij iemand van de moer ontwikkelde standen neoiut zij den vorm aan van beuzelarij in kunst en literatuur. De volksgeest toont een juisten blik te hebben op den waren samenhang der dingen, wanneer hij dergelijke aesthetieke luiaards met den naam van dagdieven bestempelt. Want werkelijk komen die dagdieverij en die onoverwinnelijke neiging tot kletsen en leegloopen , waarbij men zich nog een air van wichtigheid geeft, voort uit dezelfde bron, namelijk uit een aangeboren zwakte der hersenen.
Vermoedelijk zijn die bierdrinkende clubgenooten zich niet van hunne geestelijke mismaaktheid bewust. Zij geven aan hun onvermogen, om zich aan eenigen tucht te onderwerpen of hunne opmerkzaamheid blijvend op iets te vestigen, allerlei lieve en mooie naampjes. Zij noemen dat âkunstzinquot; of âideale natuurquot; of âvrije genialiteitquot; en âverheffing boven de dompige alledaagschheid,quot; âzich losmaken van den slendergeest,quot; enz. Zij steken den draak met den eenvoiidigen burgerman, die als een paard in den tredmolen zijne geregelde bezigheden verricht; zij verachten de bekrompen stumpers, die verlangen, dat een mensch een behoorlijk omschreven burgerlijk ambt bekleedt en die een diep wantrouwen koesteren tegenover die nutte-looze kunsten. Zij verheerlijken de lieden die doelloos rondloopen, vol zijn van lyriek, die zorgeloos vechten en als hun ideaal hot kind der zon erkennen, dat zich wascht in morgendauw, onder bloemen slaapt en zich bjj dezelfde firma kleedt als de leliën des velds, waarvan in het evangelie wordt gesproken. De typische uitdrukking van deze levensopvatting vindt men o.a. in Richepins gedicht: Ghanson der Gueux; in de Duitsche literatuur heeft Baumbach haar bezongen in zijne Spiel m an nsliedern en L ieder u ei nes fali renden Gesellen. Zelfs
'
I
144
Scliillor schijnt cene lans daarvoor te breken in zijn: Pegasus ini Joch; maar dit doet hij toch maar in schijn, daar hij alleen partij kiest, niet voor de zwakke leegloopers, maar wel voor de opbruisende kracht, die meer eu dio hoogere dingen kan tot stand brengen, dan een gewone ambtenaar of een nachtwacht.
Toch kan de leeglooper, die kunst huichelt, zich in weerwil van zijn zwakheid van geest niet ontveinzen, dat zijne manier van doen in tegenspraak is met de wetten, waarop de maatschappij en de beschaving zijn gegrond; hij voelt behoefte zich in zijne eigen oogen te rechtvaardigen. i 1 ij doet dat door aan zijne droomerijen en aan zijn gosuap een groot gewicht toe te kennen, waardoor hij in den waan geraakt, dat zijne beuzelarijen niet alleen gelijkstaan met de bezigheden van anderen, maar die zelfs in belangrijkheid verre overtreffen. âZietquot;, zegt Stéphane Mallarmé , âde wereld is geschapen om ten slotte tot ecu mooi boek te leidenquot;. En Charles Morice klaagt op bewogen toon over den ellendigen invloed, dien ie handel, de indusiric en do wetenschap op het denken van de groote menigte hebben uitgeoefend, waardoor do zin voor het schoone wordt onderdrukt en vernietigd (1).
De wartaal, die de symbolisten uitkraamden , ging in den walm van hunne cafés niet geheel en al verloren met
1
*Dat Nordau hier niet overdrijft, kunnen de bewoners onzer residentie, die onlangs de voordracht van een priester dermystiekerichting. Sar Péladan, die zich magiër noemt en die in liet laatste hoofdstuk van dit werk ter sprake wordt gebracht, getuigen. Onder de menschen, die de kunst van Péladan niet begrijpen , rekende deze mysticus de industriëelen, de kooplui, de ingenieurs, de militairen, de geleerden, de professoren et to us ees gens, qui ne pensent pas. Meer nog dan deze krankzinnigentaai ergerde mij de bijval, waarvan bij die gelegenheid sommigen van het auditorium bij dergelijke uitingen blijk gaven *
145
den rook hunner cigaretten en pijpen. Een doel daarvan werd vastgelegd en verscheen in de Revue i n d é p e n-dante ou de Revue contemporaine, die de voornaamste organen uitmaakten in den kring der gasten van de Frangois I. Van deze blaadjes en van de boeken , die de symbolisten in 't licht gaven, werd in den beginne b.iitaa hoi café niet ve'jl notitie genomen. Maar toen ge-geschiedde het dat âChroniqueursquot; van boulevard-couranten , die deze blaadjes toevallig in handen kregen gt; op dagen, dat zij gebrek aan stof hadden, enkele artikelen daarover gingen schrijven, doch alleen om den draak met hen te steken. Dat was nu juist, wat de symbolisten, noodig hadden. Spot of lof, dat kwam er niet op aan, wanneer er maar over hen werd gesproken. Xn zaten zij in den zadel en toonden al direkt, dat zij voortreffelijke manegerijders waren. Zij deden nu hun uiterste bost om ook ingang te vinden bij do grootere bladen, en gelukte het maar een van hen , even als den smid van Jüterbock in het bekende sprookje , om zijn muts door de kier van de deui eener redactiekamer te werpen, dan volgde hij direkt met huid en haar, maakte zich van de plaats meester en wist die in een oogwenk voor de partij der symbolisten te winnen. Een tal van omstandigheden werkten daarbij hunne pogingen in de hand ; de twijfelzucht en de onverschilligheid dor Parijsche redacteurs , die geen ernst kennen en die er maar op uit zijn om nieuwsgierigheid op te wekken en anderen met wat nieuws voor te zijn ; hot gebrek aan critischen zin en de naaaperij van het publiek, dat alles geloovig napraat wat de courant vertelt ; de lafheid en do oogendienst der critici, die daar een grooten troep opgewonden jongelui voor zich zagen y wier bedreigingen en gebalde vuisten hun den noodigen eerbied inboezemden; eindelijk de lage sluwheid van spe-nordau , Ontaarding. 10
146
culatieve lieden , die goede zaken, hoopten te maken , door op liet stijgen der aandoelen van liet symbolisme te spe-culeeren. D it alles werkte er toe mede, om de trouwe bezoekers van Francois I bekend en zelfs beroemd te maken en bij vele zwakhoofden do overtuiging te vestigen, dat hunne richting de tegenwoordige literatuur beheerschte en de kiemen van de kunst der toekomst in zich bevatte. Deze triomf van het symbolisme getuigt van de overwinning van cone bende op den eenling. Hij bewijst hot overwicht van den aanval op de verdediging en de machtige uitwerking der wederzijdsclie verzekering van lof, ook bij het treurigste onvermogen.
1 )j werken der symbolisten hebben bij alle verscheidenheid twee eigenschappen met elkaar gemeen : zij zijn duister, dikwijls geheel onverstaanbaar, en zij zijn vroom. Na alles, wat hier over de eigenaardigheden van het mystiek denken is gezegd, kan die duisterheid geene verwondering baron. De eigenaardige vroomheid, die in die werken doorstraalt, is daarentegen eene zaak, die wij nader dienen te beschouwen.
Toen in do laatste jaren een gansche reeks van mysteriën , passiespelen, legenden on cantaten verscheen, toen kort na elkaar een dozijn, twee dozijn nieuwe dichters en schrijvers in hunne eerste gedichten, romans en verhandelingen vurige geloofsbekentenissen aflegden, in verrukking spraken over misoffers en de heilige maagd aanriepen, toen schreeuwden reactionnairen, wier partijbelangen liet meebrengen om te doen gelooven aan een terugkeer tot de geestverduistering van vroegere tijden: âziet, de jeugd, de hoop, de toekomst van het Fransche volk keert zich af van de wetenschap, die veel beloofde, maar die niets houdt; de gemoederen ontsluiten zich weer voor dan godsdienst en de heilicre katholieke kerk aan-
O O
147
Taardt opnieuw haar verheven ambt van leerares en voorgangster van de beschaafde menschheid !quot;
liet opzet wordt de symbolistische richting aangeduid met den naam van âneo-katholieke,quot; en enlcele critici meenon uit haar optreden en haar succes te moeten afieidjn, dit dj vrije gedachte door liet geloot' is overwonnen. âZelfs de meest oppervlakkige blik op deu toestand der wereld,quot; zegt Eduard Rod, âtoont ons, dat wij op allerlei gebied iu volkomen reactie zijn. âIk geloof in do reactie en iu alle richtingen, die in dit woord liggen opgesloten. Maar tot waar deze reactie zal gaan, dat is het geheim van den dag van morgen.quot;
l)o juichende verkondigers tier nieuwe reactie vragen naar do oorzaak van deze beweging en vinden daarop een merkwaardig overeenstemmend antwoord: de betere en meer ontwikkelde geesten keeren terug tot het geloof, omdat zij ontdekt hebben dat de wetenschap hou heeft teleurgesteld en bedrogen. âDe niensch van deze eeuw,quot; zegt Melchior de Vogué, âliad in zich zelve eeu groot vertrouwen, dat zeer te verontschuldigen was.. . Het verstandige mechanisme dor wereld had zich aan hem geopenbaard. ... Dij de verklaring der dingen sloot men al het goddelijke uit... waartoe was het nog noodig zich te verdiepen in twijfelachtige oorzaken, daar toch de inrichting van het heelal en van den mensch voor don natuurkundige eu den physioloog volkomen duidelijk was ? ââ Het geringste onrecht van God bestond noi, in zijne totale overbodigheid. Groote geesten verzekerden dit en de middelmatige waren or van overtuigd. De achttiende eeuw had de vereering van het verstand ingewijd. Een oogenblik loefde men iu den roes van dit duizendjarig rijk. Toen kwam de eeuwige ontgoocheling, de regelmatig terugkeerende verwoesting van alles, wat de mensch
10*
148
bauwt op de holte van zijn verstand. Pljj moest bekennen dat... aau gene zijde van den kring der verworven kennis de afgrond van onwetendheid hem even reusachtig en verontrustend bleef aangapen.quot;
Charles Iforice, de theoreticus on filosoof der symbolisten, klaagt bijna op elke bladzijde van zijn boek La littérature de tout-a-l'heure de wetenschap wegens hare groote zonden aan. Het wetenschappelijke onderzoek heeft, volgens hem, niets meer teweeggebracht dan een afmatting van den geest, totdat men is gaan wanhopen aan hot verstand ; men heeft er een walg van gekregen De wetenschap had de woorden schoonheid, waarheid, vreugde, mysterie uit haar woordenboek geschrapt, maar nu komt de overtuiging van liet mysterie die wetenschap weer alles ontnemen, wat zjj had geroofd, en bovendien ook nog wel wat van hare eigen bezittingen. Het verzet tegen do onbeschaamde en troostelooze ontkenningen der wetenschap leidt tot de dichterlijke restauratie van het katholicisme.
Da schrijver van het bekende werk âRembrandt als Erzieherquot; is nagenoeg van dezelfde meening. âDe belangstelling voor do vetenschap en in 't bijzonder voor de vroeger zoo populaire natuurwetenschap begint in Dnitsch-land belangrijk te verminderen.... Men heeft meer dan genoeg van de inductieve methode, men verlangt naar synthese. De dagen der objectiviteit gaan allengs onder en de subjectiviteit klopt aan de deuren.quot;
Ed. Rod zegt; âDe eeuw is voortgegaan zonder al hare beloften te houden.quot; Herhaaldelijk spreekt hij ^an de ouder wordende en bedrogen eeuw.
Paul Desjardins valt in een klein geschrift, L e devoir présent, dat een soort van evangelie voor de onnoozelen van geeste is geworden, voortdurend uit tegen het rzoo-
149
genaamde wetenschappelijke empirisme.quot; Hij spreekt van de ânegatieven, de empiristen en mechanisten, wier aandacht alleen in beslag' is genomen door do physieke en onvermurwbare krachten,quot; en beroemt er zich op dat hij zich ten doel stelt âde waarde der empirische methode te verwoesten.quot;
Zelfs een ernstig denker als F. Paulhan komt in zijn onderzoek naar do gronden van het Fransche neo-mysti-cisme tot het besluit, dat de natuurwetenschap heeft bewezen dat zij onmachtig is de behoeften der menschheid te bevredigen. âWij voelen ons omringd door liet reusachtig onkenbare en wij verlangen dat ons daartoe ten minste een toegang open blijve. De ontwikkelingsleer en het positivisme hebben den weg versperd... Op dezen grond moest de ontwikkelingsleer, al liet zij ookgrootsche gedachten achter, zich ongeschikt betoouen, de geesten te leiden.quot;
Hoe overweldigend deze overeenstemming van achtenswaardige, groote denkers en zwakhoofdige graphoma-nen ook schijnen moge, zoo is toch de waarheid van deze beweringen nog ver te zoeken. Wanneer wij in aanmerking nemen dat de wetenschap in deze eeuw vragen heeft kunnen oplossen, aan wier beantwoording in don aanvang dezer eeuw nog niet kon gedacht worden; dat zij niet alleen door do spectraal-analyse onze kennis der zichtbare hemelruimte ontzaglijk heeft vergroot, maar dat ook onze kennis van liet wezen en do ontwikkeling der bewerktuigde en onbewerktuigde stof met reuzenschreden is vooruitgegaan, waarvan groote verbeteringen in 't maatschappelijk leven, in de geneeskunde, enz. liet gevolg zijn geweest; dan is 't de vraag , of men 't recht heeft te zeggen, dat de ervaringswetenschap den mensch heeft teleurgesteld. Welke belofte heeft de wetenschap dan niet
150
gehouden ? Heeft zij ooit iets anders toegezegd dan eene eerlijke en nauwkeurige waarneming van de verschijnselen , ten einde daaruit zooveel mogelijk de voorwaarden vast te stellen, onder welke die verschijnselen zich voordoen ? Moet men het der wetenschap tot een verwijt maken, dat zij het antwoord op de vraag naar de laatste oorzaak, naar liet hoe en waarom der dingen, is schuldig gebleven ? ilaar wie dat antwoord van haar heeft verwacht, bewijst daardoor in 't geheel niet bekend te zijn met de methode en het doel der ervaringswetenschap. Wat de wetenschap geven kon, dat heeft ze gegeven; wat zij nog geven kan, kan niemand weten, of zelfs vermoeden.
Ja, er zijn, helaas, onder de grootste geesten die in die wetenschap hebben geschitterd, enkelen, die verklaard hebben dat de laatste oorzrak der dingen nimmer een onderwerp van wetenschappelijk onderzoek zou kunnen zijn. Herbert Spencer spreekt van âhet onkenbarequot;, en het woord van Du Bois-Reijmond; âIgnorabimusquot; â wij zullen hot niet weten â heeft door de geheele wereld weerklonken en duizenden hebben het herhaald. Deze uitspraken zijn echter even voorbarig als onrechtvaardig. Do wetenschap mag niet spreken van liet onkenbare , aangezien hieruit zou volgen dat zij precies de grenzen van het kenbare zou kunnen aangeven; dat echter kan zij onmogelijk t daar met elke nieuwe ontdekking de grenzen zich al meer en meer verwijden. Zoodra wij het onkenbare aannemen , dan sluit dit dus de erkenning in dat er iets is, dat wij niet kunnen weten; maar wij kunnen dit tooh niet beweren zonder van dat onkenbare eenige, zij 't dan ook nog zoo vage en onklare, voorstelling te hebben, en zoodra wij die aannemen, heeft niemand het recht a priori te verklaren dat onze tegenwoordige vage opvat-
151
ting van liet onkenbare mettertijd niet door een juistere en diepere kennis zou kunnen vervangen worden. Of indien wij bsweren dat wij van liet onkenbare ook niet liet minste begrip kunnen hebben , dan is liet als zooda-dig ook niet voor oas voorhanden , en dan berust liet ge-beele begrip op niets en liet woord is niets dan eene leege schepping van eene droomeude verbeeldingskracht. Hetzelfde laat zich van het âignorabimusquot; zeggen. Het is onwetenschappelijk. Het is niet een juiste gevolgtrekking uit degelijke, grondige praemissen, het is niet een gevolg van waarneming, waar eene mystieke profetie. De wetenschap kan alleen aangeven wat zjj nu weet. Zjj kan ook nauwkeurig aanduiden wat zjj niet weet. Maar te zeggen wat zij eens weten of niet weten zal, daartoe is zij niet bevoegd.
Zeker, wie van de wetenschap eischt, dat zij op al de vragen van droomende eu geagiteerde menschen met onwankelbare en overbluffende zekerheid zal antwoorden, die komt bedrogen uit. Do theologie en de metaphysica hebben 't natuurlijk heel wat gemakkelijker; zij nemen de eene of andere legende bij den kop en verkondigen die mot een overweldigenden ernst; voor hen die er geen geloof aan slaan, hebben ze hare bedreigingen en smaadredenen gereed. De theologie en de metaphysica kunnen nooit iu verlegenheid gebracht worden. Het kost haar niets aan do woorden nog meer woorden toe te voegen, aan eene willekeurige bewering en aan een dogma een nieuwe bewering en een nieuw dogma vast te knoopen. Een ernstig, gezond verstand, dat naar kennis dorst, zal het wel nooit invallen, die bij de metaphysica of theologie te zoeken. De wetenschap gaat met dezen ook geen wedloop aan. Wanneer de metaphysica en theologie eene wereldverklaring willen geven, dan tikt de wetenschap
152
haar op do vingers en zegt bescheiden: âHier hebben wij eene daadzaak, hier eene veronderstelling, hier een vermoeden. Een schelm, die meer geeft dan hij heeft.quot; Wanneer de neo-katholieken daarmee niet tevreden zijn, laten zij dan nieuwe daadzaken uitvinden cu daarmee de groote levensvragen helpen oplossen. Dat zou althans een bewijs zijn van werkehjken dorst naar kennis. Aan de tafel der wetenschap is plaats voor allen, en wie zich bij de ernstige onderzoekers wil aansluiten, is van harte welkom.
Het :s waar, de wetenschap vertelt ons niets van een leven na den dood, van harpconcerten in liet paradijs en van do herschepping van domkoppen cu hysterische ganzen in engeltjes, in 't wit gekleed, met regenboogkleurige vleugeltjes. De wetensphap is veel platter en prozaïscher, eu stelt er zich mee tevreden, liet aardsch bestaan van den mensch zooveel mogelijk te verlichten cu te veraan-genaineu. D.3 symbolist, die, na eeae operatie te hebben ondergaan, zich door antiseptische middelen tegen ettering eu bederf kan behoeden, die zich door eeu Chainberland-sche filter tegen den typhus beschut, die zijn kamer in een oogwenk verlicht door even op een knopje te drukken en door ecu telefoon met ziju geliefde kan babbelen, die uren ver van hem is verwijderd, diende te bedenken, dat hij dit alles verschuldigd is aan de wetenschap eu niet aan de theologie, waarvoor hij zoo'u machtige inclinatie voelt.
Zij, die op de wetenschap schimpen, verwijten haar ook dat zij liet ideaal iieeft verwoest eu aan het leven zijn waarde heeft ontnomou. Ook dat verwijt is volkomen ongegrond. Er kan geen hooger ideaal denkbaar zijn dan do vermeerdering onzer kennis. Welke legende van heiligen is zoo roerend en verheffend als liet bestaan vau eeu wetenschappelijk onderzoeker, die zijn leven doorbrengt,
153
gebogen over liet mikroskoop, bijna zonder materieele belioeften, door weinigen gekend en geëerd, alleen arbeidend voor zijn eigen geweten, zonder eenige andere eerzucht dm die, misschien één enkele kleine daadzaak te constateeren, die een gelukkig navolger wellicht kan benuttigen tot eene schitterende synthese, die hij als een bouwsteen in het grootsohe gedenkteeken van de natuurkennis zal invoegen ? Welke geloofssage heeft zulke verheven martelaren tot doodsverachting bezield als een Ghelen, die bij de bereiding van zij:i zijn arseen-waterstof vergiftigd neerzinkt; als een Croce en Spinelli, die door een al te suelle opstijging van hunne luchtballons bij hot waarnemen van den luchtdiuk dood neervallen; als een Ehren-berg eu een Hyrtl, die het licht huuner oogen aan hunne onderzoekingen ten offer brengen; als de «rtsen die zich eene doodehjke ziekte inenten, om niet te sproken van die onafzienbare schare van ontdekkers naar den noordpool en naar do binnenlanden van onbekende gewesten ? Vond Archimedes zijn leven waardeloos, toen hij den krijgsknecht van Marcellus toeriep : âRaak mijne cirkels niet aan!quot; Dj degelijke, gezonde poëzie heeft dat ook ten allen tijde erkend en hare meest ideale gestalten zijn niet de vromen, die daar zeeverend een gebed mompelen eu met verdraaide oogen op de visioenen hunner hallucinaties staren, maar het zijn een Prometheus en een Faust, die worstelen, om te komen tot de waarachtige erkenning der dingen.
De bewering dat de wetenschap niet zou gehouden hebben, wat zij beloofde, is geheel uit de lucht gegrepen. Die bekrachtiging van het neo-katholicisme is onzinnig, al mogen do symbolisten ook honderdmaal verzekeren dat hun afkeer van de wetenschap hen tot mystieken heeft gemaakt. Zelfs de verklaringen, die een mensch met
154
gezonde hersens omtrent de beweeggronden van zijne handelingen geeft, moeten met Je meeste omzichtigheid worden aanvaard ; die, welke de ontaarden ons geven, zijn doorgaans valsch en geheel onbruikbaar, want de impulsen tot handelen en denken komen bij de ontaarden voort uit het onbewuste, en het bewustzijn voert dan later, om die handelingen te motiveeren, schijngronden aan. Dit verschijnsel is herhaaldelijk bij personen waargenomen, die tot eonige handeling waren gesuggereerd; later verzinnen zij allerlei redenen, om hunne handeling te verklaren, niet wetende dat zij in hypnotischen toestand tot die handeling zijn gedwongen.
Eene verklaring van dit verschijnsel geeft de hypothese van de gebroeders Janet over het dubbel-ik. (Pierre Janet, Les actes inconscients et le dódoub-1 e m e n t de la person nalité. Jules Janet, L' h y s-t é r i e et 1' H y p n o t i s m e d' a p r è s la théorie de la, double person nalité.) âIeder mensch bestaat uit twee persoonlijkheden, een bewuste en een onbewuste. Bij den normalen mensch bestaat tnssclien beide persoonlijkheden een behoorlijk evenwicht. 13ij hysterische nien-schen is dit evenwicht verbroken ; doorgaans ia de bewuste persoonlijkheid incompleet, de andere heeft dus een overwicht over de eerste.quot; Do bewuste persoonlijkheid heeft lt;le ondankbare taak to vervullen, beweegredenen uit te denken voor do handelingen der onbewuste persoonlijkheid. Bij den ontaarde vervult de bewuste persoonlijkheid dc rol van de onverstandige moeder, die de domme streken van haar ondeugend kind, dat zij niet in toom kan houden, zoekt te verontschuldigen.
De oorzaak der neo-katholieke beweging moet dus niet daarin gezocht worden, dat do jeugd zich over de wetenschap heeft te beklagen. Een Yogué, een Desjardins, een
155
Paulhan, die daarin de reden wil zoeken van het mysticisme der symbolisten, geeft een geheel valsche voorstelling van zijn eigenlijken oorsprong. Die oorsprong zetelt alleen in de verbastering van de uitvinders, in hunne overgevoeligheid en hunne neiging tot het mystieke, do twee sprekendste stigmaten der ontaarden.
Het kan op het eerste oogenblik eenige bevreemding wekken, dat het mysticisme der ontaarden ook in Frankrijk , het land van Yoltaire, zoo veelvuldig den vorm van geloofsdweperij hoeft aangenomen ; toch wordt dit begrijpelijk, wanneer wij ons oog vestigen op de staatkundige en maatschappelijke verhoudingen van het Fransche volk in den loop dezer eeuw.
De groote omwenteling verkondigde drie idealen: vrijheid , gelijkheid en broederschap. Van die drie idealen heeft vooral de gelijkheid den meesten aanstoot gegeven aan de bezittende klissen. Zij is de eenige groote vrucht der omwenteling geweest, die alle latere veranderingen van regesringsvorm niet hebben kunnen wegdringen, het eenige groote gevoel, dat bij do Franschen levendig is gebleven. Want van do broederschap, een vageleus weet de Franschman niet veel af; zijne vrijheid heeft menigmaal den muilband tot zinnebeeld; maar de gelijkheid bezit hij feitelijk en daaraan houdt hij vast. Die Fransche dweperij met gelijkheid berust nu juist niet op de edelste gronden. Zij steunt op niet een trotsch mannelijk zelfbewustzijn en op het gevoel van eigenwaarde, maar op een lagen afgnnst en een boosaardige onverdraagzaamheid, Jfiets mag uitsteken of uitmunten. Er mag niets beters, mooiers, opvallenders zijn dau de algemeenheid van het gemiddelde. Natuurlijk dat de hoogere klassen , en vooral zij, die door de omwenteling naar boven zijn gewerkt, zich kanten tegen dien zucht naar gelijkmaking.
156
Do afstammelingen van do dorpsche lijfeigenen , die do landgoederen plunderden en verwoestten , hunne eigenaars vermoordden en de goederen in beslag namen , de nakomelingen van kleinhandelaars en schoenlappers, die zicli door straat- en clubpolitiek , door speculatie in nationale goederen en assignaten in de hoogte hebben gewerkt, willen uiot met het gros verward worden. Zij willen een bevoorrechten, een voornameren stand uitmaken. En met dit duel zochten zij naar een onderscheidend kenteeken, waardoor zij zich als leden van een bijzondere kaste konden aanduiden. Dat kenteeken vonden zij in de kerkelijke gezindheid.
Die keus laat zich gemakkelijk begrijpen, wanneer men in aanmerking neemt, dit de steedsche bevolking in Frankrijk zeer ongeloovig is en dat de oude adel, die in de achttiende eeuw pronkte met vrijzinnige denkbeelden, weer heel vroom uit den zondvloed van 1789 is te voorschijn gekomen, aangezien deze adel den samenhang van al die oude voorstellingen en zimieboolden met het geloof in het koningschap begreep of vermoedde. Door hunne kerkelijke gezindheid vormen dus de parvenu's eene scherpe tegenstelling met liet groote publiek, waarvan zij zich wilden afzonderen, en toonden tevens eeu zekere voorliefde voor de heerschende gevoelens van den stand, waarbij zij zich gaarne zagen ingelijfd.
De ervaring leert, dat de zucht tot zelfbehoud dikwijls de slechtste raadgeefster is in hachelijke omstandigheden. Iemand die in het water valt en niet kan zwemmen, steekt onwillekeurig de armen in de hoogte en bewerkt daardoor juist dat het hoofd onderduikt, waardoor hij verdrinkt; terwijl mond en neus boven water zouden blijven, indien hij de armen stil onder water liet liangen. Eeu ruiter, die slecht te paard zit, trekt gewoonlijk de
157
beenen in de hoogte, zoodra 7ijn paard bokkesprongen maakt, waardoor hij er aftuimelt, terwijl hij zijn evenwicht had kunnen behouden, door de boenen te strekken. Zoo heeft ook de Fransche bourgeoisie, die zich er van bewust is, dat zij alleen de vruchten van de omwenteling heeft geplukt, terwijl de vierde stand , die de omwenteling in het leven heeft geroepen, er geen zier beter door is geworden, het slechtste middel gekozen om het bezit van hare onrechtmatig verkregen goederen en voorrechten te verzekeren en d'3 nivelleering, die haar tegen do borst stuitte, te voorkomen. Want door haar vasthouden aan de kerk , zijn een tal van hare krachtigste en verstandigste jongelieden, op wier steun zij anders had kunnen rekenen, tot het socialisme overgegaan, dat zich met zijne onmogelijke begrippen van gelijkheid lijnrecht tegenover de bourgeoisie stelt, en dan is de kerkelijke gezindheid aanleiding geworden dat bijna allo rijke parvenu's, die zich een air van voornaamheid wilden geven, hunne zonen hebben laten opvoeden in de scholen en gestichten der jezuïeten. Opgevoed te zijn in een jezuiëten-school geldt evengoed voor een teeken van rang en voornaamheid , als lid te zijn van de Jockeij-club. De voormalige kweekelingen der jezuiëten nu vormen een soort van zwarte vrijmetselarij , die hare beschermelingen zooveel mogelijk in de wereld voorthelpt, hen aan rijke vrouwen uithuwelijkt, hun hunne zonden kwijtscheldt, schandalen smoort, enz. Maar tevens hebben do rijke en voorname jongelui de eigenaardige manier van denken van de jezuïeten overgenomen ; in de jezuïeten-scholen iiebben hunne van nature zwakke hersenen, die dus tot mystisch denken geneigd waren, die religieuse begrippen opgenomen. Dit is geeue willekeurige onderstelling, maar een feit. Charles Morice, do aestheticus en de wijsgeer der
158
symbolisten, heeft volgens getuigenis zijner vrienden zijne opvoeding gekregen van de jezuïeten. Evenzoo Louis Le Cardonnel, Henri de Kégnier en anderen. Het zijn vooral de jezuïeten, die die praatjes omtrent de gebrekkige resultaten der wetenschap in de wereld hebben gebracht; natuurlijk was dit koren op hun molen. Eu nu kakelen hunne lesrlingen e:i kweekeliugou hen na. âWij kèeren tot het geloof terug, omdat de wetenschap ons niet bevredigt,quot; zeggen zij. Welzeker, dat staat heel voornaam, want het geeft eeu schijn van drang naar weten eu erkennen; het zou toch ook moeilijk aangaan te bekennen: â Wij dwepen met do drieëenheid en de heilige maagd, omdat wij ontaarden zijn eu onze hersenen niet in staat zijn tot opmerkzaamheid en tot helder, geregeld denken.quot;
Het publiek laat zich natuurlijk door dergelijke frasen als : âde wetenschap is overwonnen, de toekomst behoort aan don godsdienst,quot; suggereereu, De groote menigte heeft een sterke mate van suggestibiliteit, vooral in Eraukrijk. Zij let niet op daadzaken. Indien zij met feiten rekening wilde houden, dan zou ze kunnen weten dat het aantal der natuurwetenschappelijke faculteiten, leeraars en leerlingen, boeken, wetenschappelijke tijdschriften en lezers, laboratoria, wetenschappelijke vereenigingeu en mededee-lingen aan akademiën van jaar tot jaar toeneemt. Men kan met cijfers staven dat de wetenschap voortdurend terrein wint, geen terrein verliest. Maar daarom bekommert zich de menigte niet; van weteaschap, van hare uitgangspunten, methoden en resultaten, hectt ze uooit iets geweten. Indertijd was ze in de mode. Toen las men dagelijks in de couranten; âwij leven in ecu wetenschappelijk tijdperk,quot; de dagbladen gaven berichten omtrent reizen en bruiloften van natuuronderzoekers; in de feuilletons kwamen geestige eu pikante toespelingen op Darwin
159
voor, en de uitvinders van wandelstokken en reukwatertjes bedachten teeltkeus stokjes en evolutie-parfum. Maar in den laatsten tijd hebben de maatschappelijke kringen, waarvan de mode uitgaat, en de bladen, die deze kringen vleien, liet decreet uitgevaardigd, dat niet meer de wetenschap, maar het geloof chic is ; nu vertellen de nieuwsblaadjes pikante aardigheden van predikers ; in de feuilletons vindt men aanhalingen uit de âImitatio Christi,quot; do uitvinders komen voor den dag met elegante bidstuel-
O O
tjes en heerlijke rozenkransen en de vrome burger voelt met diepe aandoening de wonderbloem van het geloof in zijn hart ontluiken. Maar de wetenschap heeft geen enkele harer trouwe discipelen verloren. Alleen liet salonpubliek, waarvoor ze nooit moer is geweest dan een mode-artikel, heeft haar op hooger bevel den rug toegedraaid.
Zooveel omtrent het neo-katholicisme, waaraan men gedeeltelijk oai partij-redenen, gedeeltelijk uit onwetendheid en ploerterij, den schijn geeft van een ernstige geestelijke strooming van den tegenwoordigen tijd.
Het symbolisme beoogt echter niet alleen een terugkeer
v O O
tot het geloof, maar ook eene nieuwe theorie van kunst en poëzie. quot;Wij hebben dus dit verschijnsel ook nog van deze zijde te beschouwen.
Wanneer wij in de eerste plaats wenschen te weten, wat de symbolisten onder oen symbool en het symbolisme verstaan, dan zullen wij op dezelfde bezwaren stuiten als bij het onderzoek naar den eigenlijken zin van de betee-kenis van praerafaëlieten, en wel om dezelfde redenen; omdat de uitvinders van die benamingen zich daarbij honderderlei verscheidene, tegenstrijdige en onduidelijke dingen, of zelfs in 't geheel niets voorstelden. Een bekwaam en handig journalist, Jules Huret, heeft zich tot de voornaamste leiders der nieuwere literarische richting in
160
Frankrijk gewend, om de noodige inlichtingen daaromtrent te erlangen. Van de daarop ontvangen mededeelingen en antwoorden wil ik hier enkele laten volgen. Zij zullen ons echter weinig verder brengen met de kwestie, wat mea onder symbolisme heeft te verstaan ; wel kunnen ze ons een blik doen slaan op de wijze, waarop de symbolisten denken.
Stéphane Mallarmó, oen van de minst bestreden jongeren der svmbolistische schare, laat zich hierover aldus uit: âEcu voorwerp noemen is drie vierden van het genot aan een gedicht onderdrukken, dat uit liet geluk bestaat, het langzamerhand te raden. Het ding suggereeren, dat is de droom. De volkomen aanwending van dit geheim vormt het symbool; langzamerhand een ding te voor-sehijn roepen, om een zielstoestand te scheppen, of om-«rekcerd, een dintc kiezen en daaruit door een reeks van
O / 'J
ontr.iadselingen een zielstoestand ontpoppen.quot;
Mocht de lezer deze mystische woorden niet direkt verstaan, dan moet hij zich maar niet te veel moeite geven ze te ontcijferen.
Verlaine, een andere hoogepriester der sekte, zegt: âIk was het, die in het jaar 1885 den naam van symbolist voor ons gebruikte. Den Parnassiens en den meesten romantici ontbrak het in zekeren zin aan symbolen . . .. Vandaar do dwaling omtrent de plaatselijke kleur in de geschiedenis, de mythe door een valsche philologische verklaring verminkt, do gedachte zonder de waarneming der gelijkenissen, het gevoel uit de anecdote geput.quot;
Hooren wij eenige dichters van den tweeden rang van dezen groep âIk verklaar de kunst,quot; zegt Paul Adam, âals de invoering van een dogma in een symbool. Zij is een middel, om een systeem tot heerschappij en waarheden aan het licht te brengen.quot; Remy de Gourmont be-
161
kent eerlijk : âIk kan u de geheimzinnige beteekenis van het woord symbool niet onthullen, want ik bon evenmin theoreticus als toovenaar,quot; en Samt-Pol-E,oux waarschuwt diepzinnig; â?i[eii rjenie zicii in acht. Het overdrevene symbolisme voort tot het naveldom (nombrilisme) en tot het verpeste mechanisme.... Dit symbolisme is eenigs-zins eene misvorming van het mysticisme... Het uit-sluitende symbolisme is abnormaal in onze opmerkelijke eeuw, die belust is op strijd. Beschouwen wij deze overgangskunst als een geestelijke j^oets, die men het naturalisme heeft gespeeld, als een voorlooper van de dichtkunst van morgen.quot;
Yan de theoretici en philosofen der sekte mogen wij een meer afdoende verklaring van hunne wegen en van hun streven verwachten. Charles 3Iorice geeft deze lezing: âHet symbool is de vermenging der dingen, die onze go\ ojIcus hebben wakker geroepen, en van onze ziel in een fictie. Het middel is de suggestie; het komt er op aan. luenschon iets in de herinnering te brengen, dat zij r. ;\.:i hebben gezien.quot; En Gustaaf Kalm zegt: âDe symbolische kunst bestaat daarin, dat men in een reeks van werken zoo volledig mogelijk al de geestelijke wen-dinyeu en tribulaties inlascht van een dichter, die i^ 'oerd is door een doel, dat hij heeft te bepalen.quot;
Och buiten Frankrijk hebben zich eenigo bekrompenen van geeste, hysterici en graphomanen opgedaan, die be-wcivn, dat zij dit onzinnig gebazel verstaan en die dit bij voordrachten, of in dagbladartikelen en boeken verder ouhvikkclcn. Er zijn er die bij het lezen van zulke woorden ..'ohtbaar angstig worden en die zich afvragen, of er achter deze volkomen zinnelooze woorden toch misschien niet iets steekt. In Frankrijk heeft men over 'talgeincsn hot symbolisme aangeduid voor wat het is,
NOUDAU, Ontaarding. 11
162
als waanzin ot als zwenlelarij. Deze woorden zullen wij in den mond van alle bevoegde vertegenwoordigers der vcr-sshillende letterkundige richtingen aantreffen.
.,D3 symbolisten!quot; roept Jules Lemaife uit, âdie bestaan feitelijk niet. Zij weten zelf niet wat zij zijn en wat zij willen. Daar, onder de aarde, is er iets dat beweegt, dat wemelt, maar dat zieli geen weg kan banen. Begrijpt ge ? Wanneer zij met veel getob iets hebben te berde gebracht, dan zouden zij graag formules en theorieën daaromheen willen bouwen. Maar dat gelukt hun niet, omdat zij daartoe de noodigo geestkracht missen.. .. Zij zjj:i grappsnmakers, niet een beetje oprechtheid, dat gejf ik toe, maar toch altijd grappenmakers.quot;
Jules Ilois laat zich veel barscher over hen uit. âOnsamenhangende bewegingen, een stamelend gebrul â dat zijn de symbolisten. Kattenmuziek van wilden, die in eene Eugelsche spraakkunst en in eene verzameling van oude in onbruik geraakte woorden hebben gebladerd. Wanneer zij ooit wat hebben geweten, dan wenden zij voor dat zij het hebben vergeten. Verwaterd, gebrekkig cn kreupel, duister, zijn zij nochtans even ernstig als waarzeggers ... Zij willen ons foppen met hun abracadabra en hun kinderachtige woordvoeging.quot; Zelfs Verlaine noemt in een oogenblik van oprechtheid zijne navolgers âPlatvoeten, ieder met zijn eigen vaandel, waarop het woord reclame staat.quot; Henri de R 'gaier merkt verontschuldigend op: âZij gevoelen behoefte om zich onder een gemeenschappelijke banier te scharen, om zoodoende mot meer effect tegen de tevredenen te kunnen strijden.quot; Zola sr.reekt van hen als âvan een troep haaien, die, daar ze ons niet kunnen verslinden, elkaar opvreten.quot; Edmond Haraucourt erkent op klara wijze liet doel der symbolisten. âZij zijn ontevredenen en menschen, die haast hebben. Zij zijn de
163
Euulangistcu uit de sclmj vers wereld. Men moet toch loven! ilen wil een plaats innemen, men wil bekend, in aanzien zijn. Men trommelt er maar op los, maar de trommel is nog niet eaas eoa pauk. i [au waar symbool is : vrachtgoed, zoo snel mogelijk te verzenden. Allen nemen zij den sneltrein. Plaats van besteiuming: Roem.quot; Pierre Quillard meent dat men in de benaming symbolisten zoowel âdichters van werkelijke begaafdheid als de grootste domkoppenquot; moet zoeken , en (xabriël Vicaire ziet in do verriclitingen der symbolisten niets dan âschooljongens-streken.quot; (*)
Maar met spotten en schimpen bewijst men niets; wan-wanneer men door trap te ji_ bedriegers, die op kiezentrek-kersmauier den eonvoudigen marktlui hot geld uit den zak kloppen, ook de scherpste verwijten mag doen, dan is tegenover oprechte zwakhoofden oen smadelijke spot misplaatst. Zulke individuen zijn ziek en zij hebben als zoodanig slechts aanspraak op ons medelijden. Hunne gebroken mag men bloot leggen , maar van eene hardvochtige behandeling heeft men sedert Pinel ook in do krankzinnigengestichten afgezien.
üo symbolisten, voor zoover zij eerlijke ontaarden en zwakzinnigen zijn, kunnen alleen mystisch , dat is verward denken. In hen is liet onbewuste sterker dan het bewuste , de werkzaamheid van do zennwen der organen heeft een overmacht boven die dor grijze horsonzelfstandigheid , luinuo voorstellingen worden geheel door hunne emoties behoerscht. Wanneer menschen van deze soort
(w) (ly vergadering van do Maatschappij der Jsedcrlandsclie letterkunde in 1890 werd door den voorzitter niet betrekking tot de jongere Nederlandsclic schrijvers , die in de voetstappen der Fransehe synibolisteu treden, gezegd: âZij verkoopen hun talent in de slavernij van een dier half waanzinnige theoriëen of stelsels, die tegenwoordig letteren en kunst met den ondergang bedreigen.quot;*
11 *
166
Leziekl, is Paul Verlaine. Het is opmerkelijk, dat wij in dezen man alle lichamelijke en geestelijke brandmerken der ontaarding op een verbazend complete manier aantreffen en dat op niemand van de bekende schrijvers de beschrijvingen, die in de kliniek van de ontaarden worden gegeven , zoo volledig van toepassing zijn, als op hem.
Van zijn uiterlijk zegt Jules Kuret: âDat hoofd van een verouderden kwaden engel niet don onverzorgden dunnen baard en den breeden, zich plotseling ontwikkelenden neus; zijne stoppelige en baardige wenkbrauwen, waaronder groene en diepliggende oogen uitkijken; zijn kolossale schedel, die geheel kaal is en zonderlinge builen en bulten vertoont, geven hem het tegenstrijdige voorkomen van een verstokt ascetisme en cyclopische begeerten.quot; (1) iiet is vooral die onregelmatigheid in den schedelbouw , die zeer in 't oogloopend is en die iedereen mwet hebben opgemerkt, die Verlaine of zijn buste , die in het Salon van Rose et Croix was tentoongesteld, heeft gezien. Die onregelmatigheid in hoofdvorm , alsmede de uitsprin gende wangbeenderen en do scheeve stelling der oogen, beantwoor len geheel aan de bepaalde degeneratie-ken-teekenen.
1
*Jan Veth schildert zijn uiterlijk aldus : â . . Een kop van grof beengestel, met donkere borstels gezet op de ongelijk gespannen , verweerde huid, â verweerd, want de driften hebben gerameid op die trekken, en de rampspoed staat gevreten in die felle knepen. Op de zware, bijna ineengegroeide wenkbrauwsnorren, drukt het legendnriesch indrukwekkende, wonderlijk gebulte, in bloote, ver naar aehtergaande wangbeen partij en wegwelvende voorhoofd, waarin met zin in de eharge van een gevat teekenaar Anangkè werd geschreven, en onder het noodlot-wicht van die brauw-bogen fonkelen onrustig, tusschen gebrande randen uit, zwartvurige oogen, met een woestheid, die ook in de breed gespalkte neusgaten, die ook in den zwaren sapeurskuevel schuilt, den goedigen knevel, waaronder een mond met iets grimmig-dierlijks verborgen gaat.quot;*
167
Er ligt eo;i geheimzinnig waas over hot lovcn van Verlaine, maar men weet uit zjjii eigen bekentenissen dat hij twee jaren in de gevangenis heeft doorgebracht. In zijn gedicht: âEcrit en 1875quot; vertelt hij uitvoerig en niet alleen zonder de minste schaamte, maar vroolijk onbevangen, zelfs met zekeren trots; âIk heb onlangs liet beste slot bewoond, in het schoonste landschap met stroomende wateren en heuvelen. Vier torens verhieven zich aan het einde van evenzoovele vleugels en een daarvan heb ik lang, lang bewoond . . . Een zorgvuldig gesloten kamer, een tafel, een stoel, een armzalig bed , waarin men zich ter nauwernood kon neerleggen; dat was mijn lot gedurende de lange maanden , die ik daar heb doorgebracht. Ik was gelukkig met dit leven, dankbaar voor een bezit, om hetwelk mij z'eker niemand zal benijden.quot;
Het is bekend geworden dat Verlaine is veroordeeld wegens een vergrijp tegen do zeden, en dat kan geen
168
verwondering baren, want zijne ontaarding lieeft een sterk orotisoli karakter.
Zijn geest is voortdurend vervuld van allerlei erotische gedachten en voorstellingen. Het lust mij niet, hier plaatsen aan te halen, waarin de walgelijke zielstoestand van dezen ongelukkigen slaaf der lagere driften is uitgedrukt; de belangstellende lezer zij hiervoor verwezen naar de gedichten : Les coquillages, Fille en Auburn.
Tot zijne grove uitspattingen behoort ook een onweerstaanbare neiging tot drinken; hij is, zooals bij een ontaarde is te verwachten, een paroxystisch dronkaard, die, wanneer hij uit zijn roes is ontwaakt, den diepsten afschuw heeft van liet alcoholische vergift en die van âlos breuvages exécrésquot; spreekt, maar die toch bij de eerste de beste gelegenheid weer voor de verzoeking bezwijkt
Toch is bij Verlaine niet direkt moreele waanzin voorhanden ; hij zondigt uit onweerstaanbare aandrift. Hij behoort tot de Impulsieven. Het ouderscheid tusschen deze beide vormen van waanzin ligt hierin, dat de lijder aan moreelen waanzin zijne misdrijven niet voor iets kwaads houdt, maar deze pleegt met dezelfde gemoedsrust als een normaal mensch zijne gewone handelingen volvoert; terwijl de impulsieve het bewustzijn heeft van de verdorvenheid zijner handelingen, wanhopig tegen zijne aandrift vecht en later het grootste berouw over zijne handelingen gevoelt. Verlaine spreekt over zicli zelf vol verwijt als van een ellendigen verworpeling {Un soul Pervers, Sagesse) âHardvochtige menschen!quot; roept hij uit, âafschuwelijk leven hier beneden ! Ach , bleet er toch , ver van kussen en worstelingen, nog iets over op den berg, iets van het kinderlijke, teedere hart, iets van goediieid en eerbiedigheid ! Want wat vergezelt ons en waarlijk , als de dood komt, wat blijft?quot; âSluit de oogen , arme ziel, ga terstond
169
t naar luiis. Eon der ergste verzoekingen komt aansluipen. Vlucht weg voor de laaghartige . , . Als de oude dolheid nog eens altijd onderweg ware ? O, die herinneringen! Zal men ze nog eens moeten dooden ? Een woedende bestorming, de uiterste zonder twijfel! O, ga bidden tegen het onweer, ga bidden.quot; âMijn hart dat in noodgevaar verkeert, zou willen overvliegen naar de ongehoorde en tesdere middeleeuwen, ver van onze dagen van vlee-
schelijke lusten en van het treurige vleesch.....
Daar zon ik deel willen nemen aan ffewichti^e dino-en van
O O O
het leven, een heilige zijn, met goede handelingen en rechtschapen denken, hooge Grodskennis en onwankelbare zedelijkheid, slechts door den eenigen waanzin van het kruis op uwe steenen vleugels, o, waanzinnige kathedraal , naar den hemel omhoog strevend!quot;
Zooals hieruit blijkt, ontbreekt ook bij Yerlaine de gewone gezellin van do erotische geyoelens, de godsdienstige dweperij , niet. In verschillende andere gedichten van Yerlaine komt deze nog duidelijker uit. âO mijn God !quot; roept hij uit, âgij hebt mij met liefde gewond en de wond is nog levend, o, mijn God, gij liebt mij met liefde verwond. O mijn God, uw vrees heeft mij getroffen en het brandmerk is nog aanwezig en dondertquot; (men lette hier vooral op de uitdrukkingen en de veelvuldige herhalingen) âO mijn God, uw vrees heeft mij getroffen. O mijn God, ik heb erkend, dat alles erbarmelijk is, en iiw roem heeft zich in mij neergelaten. O mijn God, ik lieb erkend, dat alles erbarmelijk is. Verdrink mijne ziel in den stroom van uw wijn, smelt mijn leven in het brood van uw tafel, verdrink mijne ziel in den stroom van uw wijn. Neem hier mijn bloed , dat ik niet vergoten heb, neem hier mijn vleesch, dat onwaardig is, te lijden, neem hier mijn bloed, dat ik niet vergoten hebquot;,
170
enz. De heilige maagd roept hij aldus aan: âIk wil niemand anders meer liefhebben dan mijne moeder Maria, Elke andere liefde is bevolen, noodzakelijk, zooals zij is, kan mijne moeder ze alleen in de harten, die haar hebben aangebeden, ontsteken. Voor haar moet ik mijne vijanden teedor liefhebben, door haar heb ik dit offor geprezen en de mildheid der harten en den ijver in den dienst Toen ik haar aanriep, heeft zij het mij vergund. En toen ik nog zwak en slecht was, toen mijne handen zwak en mijne oogen verblind waren, sloeg zij de oogen op mij neer en vouwde mijne handen en leerde mij de woorden, waarmee men aanbidtquot;, enz De tonen , die hier worden aangeslagen , zijn welbekend in de kliniek der krankzinnigen. Men vergelijke daarmee de schildering,die Legrain in zijn werk Du dél ire chez les dégénérés van eenige lijders geeft: âICet is altijd God en de Maagd, zijne tante, waarover hij onophoudelijk spreektquot; (de lijder is hier een krankzinnige tram-conducteur) Mystieke gedachten voltooien het beeld. Hij spreekt van God, van den hemel, slaat eeu kruis, knielt neer en zegt dat hij do geboden van Christus volgt.quot; (Hier is het eer dag-looner) âDe duivel wil mij in verzoeking brengen, maar ik zie God, die mij beschermt. Gij moet voor mij bidden. Ik heb van God verlangd, dat alle menschen goed zijnquot;, enz.
Die voortdurende afwisseling van tegenstrijdige stemmingen bij Verlaine, deze geregelde overgang van dierlijke drift tot godsdienstige overdrijving en van zonde tot berouw is zelfs hen opgevallen, die de beteekenis van dit verschijnsel niet kennen. âHij is bij afwisselingquot;, zegt Anatole France, âgeloovig en atheïstisch, orthodox en goddeloos.quot; Dat is ook zoo , en waarom ? Omdat hij tot de zoogenaamde circulair en behoort. Onder deze door
171
de Fransclie psychiaters niet bijzonder gelukkig gekozen benaming verstaat men zenuwlijders, waarbij do toestanden van opwekking en uitputting elkaar geregeld opvolgen In liet tijdperk van prikkeling en opwekking heeft die onweerstaanbare aandrang tot misdaad en lasterlijke praat plaats, terwijl de periode van matheid zich kenmerkt door vlagen van berouw en vroomheid. De âcirculairenquot; behoo-ren tot de ergite soort van ontaarden ; men treft daaronder dronkaards en boosdoeners aan , boosaardige en val-sche lieden. Yoor eene geregelde bezigheid zijn zij totaal ongeschikt; door den aard van hunne kwaal zijn zij veroordeeld tot een leven van vagebonden. Verlaine is zijn leven lang niets anders dan een vagebond geweest. In Frankrijk, België en Engeland heeft hij geleefd als een gewoon landlooper. Sedert lnj uit de gevangenis is ontslagen , houdt lnj zich liet meest in Parijs op ; lij heeft hier echter geen vaste woning, maar hij laat zich, omler voorwendsel van rheumatische pijnen, die hij zich als landlooper in de nachten onder den blooten hemel gemakkelijk op don hals kon halen , in de ziekenhuizen verplegen. De overheid doet een oog dicht en verschaft hom vrije tafel en een dak, in aanmerking nemend zijne dichterlijke werkzaamheid. Geheel overeenkomstig de neiging van den menschelijken geest om te verontschuldigen, wat men niet kan veranderen, maakt hij zich wijs dat zijne landlooperij, waartoe hij door zijne organische gebreken is genoodzaakt, een benijdenswaardige toestand is, waarop hij zich beroemt; hij noemt dien schoon, artistiek cn verheven en hij beschouwt de vagebonden met teedere blikken. âHunne boenenquot;, zegt hij: (Grotesques) zijn hun eonig ros, dat hen draagt; hun eenige bezitting is het goud van hun blik, langs den weg der avonturen wandelen zij voort, vermagerd en in lompon gehuld. Do
172
wijze haalt de schouders over hen op , de domkop beklaagt die zorgelooze gekken (bij eiken waanzinnige en zwakhoofdige treft men die overtuiging aan, dat verstandige luensclion , die hen kennen en beoordeelen, âdomkoppenquot; zijn) âde kinderen steken de tong tegen hen uit.. . Maar in hunne oogen lacht en weent gevoelig do liefde der eeuwige dingen, der oude dooden en der gestorven goden. Wandelt dan voort, rustclooze vagebonden, zwerft rond , ongelukkig en verwenscht, langs afgronden en kusten onder het gesloten oog van het paradijsquot;, enz. En in een ander gedicht (Autre) roept hij zijnen lievelingen toe: âXu , mijne broeders, goede oude dieven, beste vagebonden, gauwdieven in den knop, mijne waarden, mijne goeden, laat ons philosofisch rooken, laat ons berusten in ons lot, niets doen is kostelijk!quot; Evenals de vagebond zich tot zijns gelijken voelt aangetrokken, zoo ook de gekrenkte van geest tot den krankzinnige. Verlaine gevoelt eono onbegrensde bewondering voor Koning Lodewijk II van Beijeren, dien ongelukkigen waanzinnige, wiens bewustzijn reeds lang voor zijn dood was uitgedoofd, en zingt hem toe: âKoning, eeuige ware Koning van deze eeuw, heil u, majesteit, die u wildet wreken op de politiek der zich opdringende wetenschap die de prediking, de kunst, het lied, geheel de Lyra vermoordt â Heil u Koning! Bravo majesteit! Gij waart een dichter, een soldaat, do eenige koning van deze eeuw . . , een martelaar van het verstand door het geloof.quot;
In de uitdrukkingswijze van Verlaine valt tweeërlei op te merken. Vooreerst hot herhaald terugkeeren van een en hetzelfde woord , of van dezelfde zinwending, een soort van herkauwen, rabachage, dat zoo veel bij zwakhoofdigen voorkomt. Bijna in elk van zijne gedichten worden enkele regels of halve regels eenige malen onver-
173
anderd herhaald, on in plaats van eon rijmwoord vor-ssliijnt soms eenvoudig weer liet zelfde woord. 'Wilde ik dit met voorbeelden uit zijne gedichten aantoonen, dan zou ik wel al zijne gedichten kunnen aanhalen. Met een paar voorbeelden kan ik dus volstaan.
Nuit du Walpurgis classique begint aldus: âEen rhythmische sabbat, rhythmisch, uiterst rhythmisch.quot; In de Serenade worden de beide eerste coupletten woordelijk herhaald als vierde en achtste couplet; evenzoo in Ariettos oiibliées: âIn de eindeloozeeentonigheid dor v! ikto gliiistert do onzekere sneeuw als zand. De hemel is van koper, zonder eonig licht hoegenaamd. Men zou gelooven d it men do maan ziet leven on sterven. De eiken der naburige bosschon grauwen in den nevel als damp. De hemel is van koper, zonder eenig licht hoegenaamd, ifen zou gelooven dat men de maan ziet leven en sterven. Kort-i loniige kraaien en gij , magere wolven, wat geschiedt er met u bjj dozen snijdenden wind ? In de eiudoloozo eentonigheid der vlakte glinstert de onzekere snoeu v ils zand.quot; Chevaux de bois begint aldus :
Tourncz, fn âvr., bons clievanx do bois,
Touriipz cciit tours, tourncz luillc tours,
To.ivnez ;j uivcut ct tournez toujours,
ïounioz, au soa des hautbois.
In Pierrot G mi ,i Ijzen wij:
Ce yas Pierrot en herbo NV.: â .% iiio Pierrot en gerbe ,
Cost Pierrot, Pierrot, Pierrot,
Pierrot ymiiin , Pierrot gosse ,
Le eerneau liors de la eosse,
C'est Pierrot, Pierrot, Pierrot.
174
Zijn dat geen bakerrijmpjes, waarbij het op geen zin aankomt, maar waarin maar enkele klanken worden aangegeven, die liet kindje pleizier doen ? Op een volkomen stilstand van het denken, op een werktuigelijk in zich zelf mompelen wijzen de slotregels van liet gedicht Mains: âO, als dit droomhanden zijn â des te beter â of des to erger â of des te beter.quot;'
Do tweede eigenaardigheid van Verlaine's dichttrant is het verbinden van volkomen onsamenhangende woorden , die elkaar door eene zinneloos dwalende ideeën-associatie of door overeenstemming in klank roepen. Enkele voorbeelden daarvan hebben we reeds in de vroegere aanhalingen aangetroffen: bijv. waar sprake was van âde ongehoorde e;i to3 lere middeleeiiwe:iquot; en van âhet brandmerk dat dondert.quot; Verlaine spreekt ook van voeten âdie met eene reine en wijde beweging gledenquot;, van âeen langzaam landschapquot;, een âslap sapquot; (âjus flasquequot;), een âvergulde geur ', een âsamengevattequot; of âgedrukte omtrekslijnquot; (âgalbe succintquot;) enz. De symbolisten bewonderen dit echte kenmerk van hot inibeeiliteits-verschijnsel als âla recherche de l'épithète rare et précieuse.quot;
Verlaine is zich bewust van de vaagheid van zijn deuken: in een uit een psychologisch oogpunt hoogst belangrijk gedicht Art poetique, waarin hij eene theorie van zijne lyriek beproeft te geven, verheft hij het nevelachtige tot eene grondige methode. âDoven alles muziek!quot; roept hij , âen verkies met dit doel boven alles de zich verliezende en in do lucht gemakkelijkere oplosbare onbeholpenheid, sans rien en lui qui pöse ou qui posequot; (natuurlijk zijn dio twee werkwoorden alleen door overeenkomst in klank bij elkaar gebrachc.) âGij moogt ook uwe woorden niet zonder eenige verachting kiezen. Er is niets heerlijkers dan het grauwe lied, waar
175
liet onbepaalde zich paart aan het nauwkeurige. Blauwe oogeu achter sluiers . een volle dag trillend in de middagzon , in een warmen herfsthemel de blauwende opeen-hooping van sterren. Want wij willen altijd nog meer schakeering: niet de kleur, maa^ de schakeering. O ! de schakeering alleen bindt den droom aan den droom en do fluit aan den waldhoorn.quot;
Dit laatste couplet is geheel onzinnig ; hier wordt toch een tegenstelling gemaakt tusschen sehakeeringen en kleur alsof de laatste in de eerste niet ware begrepen. Waarschijnlijk zweefde hier Verlaine voor den geest, wat hij niet in staat was duidelijk in te zien en uit te drukken, namelijk dat hij aan doffe en gemengde tinten, waarin de verschillende kleuren als 't ware vervloeien, de voorkeur geeft boven sterke volle kleuren.
Jlet valt niet te loochenen, dat deze dichttrant in de hand van Verlaine menigmaal tot bijzonder schoone gewrochten heeft geleid. Er zijn in de Fransche poëzie weinig gedichten , die op één lijn kunnen gesteld worden met zijn C li a n s o n d' auto m n c. Ook A v a ut que t u n e t' e n ai lies en II pleure dans mon coeur zijn als paarlen van Fransche lyriek te beschouwen. Aroor een zuiver stem-mingsgedicht zijn ook de gaven van een zeer gevoeligen droomenden geest wel toereikend, maar hier is ook de grens, waarbuiten hij zich niet kan bewegen. Dit valt licht te begrijpen, wanneer wij nagaan wat eigenlijk stemming is. Dit woord toch duidt op een zielstoestand, waarin het bewustzijn door organische prikkels, die niet onmid-delijk zijn waartenemen, vervuld wordt met gelijkmatige voorstellingen, die meer of minder duidelijk zijn uitgewerkt en die op de bedoelde prikkels, waarvan men zich niet volkomen bewust is, betrekking hebben. Door het aaneenvoegen van woorden, die deze geassocieerde voor-
176
stollingcu , welke haren oorsprong in liet onbewuste vinden, uitdrukken , wordt do stemming opgewekt en kan die ook bij een ander worden opgewekt. Hierbij is geen grondgedachte noodig, geen voortgaande handeling, die de gedachte verder ontwikkelt. Zulke stemmingsgedichten gelukken dan ook Verlaine nu en dan op eeno verrassende wijze. Maar zoodra oen bepaalde aanschouwing, een gevoel, waarvan do aanleiding in ons bewustzijn helder is, of een in tijd en ruimte geregeld voortgaande handeling dichterlijk moet worden uitgedrukt, dan schiet de poëtische gave van den overgevoeligen ontaarde te kort. Bij den niet-ont-aarden dichter knoopt zelfs de zuivere stemming zich nog aan duidelijke beelden vast. Gedichten, zooals Ueber allen Clip fel n ist Ruh, Der Fischer, Freud-v o 11 n n d 1 e i d v o 11 , kan de gevoelige ontaarde nooit schepf^n; maar ook overigens zijn zelfs de zonderlingste stemmingsgedichten van Goetlio niet zoo totaal onbelichaamd, niet zoo nevelachtig en vluchtig als de drie of vier beste gedichten van Verlaine.
Zoo staat dan het beeld van dezen meest geprezen leider van do symbolisten duidelijk voor ons. Wij zien een afzichtelijken ontaarde met een asymmetrischen schedel en een mongoolsch type ; een impulsieven landlooper en dronkaard ; een zwakken, overgevoeligen droomer, die te vergeefs tegen zijne kwade aanvechtingen worstelt en in zijn jammer menigmaal klaagtonen vindt, waarmee hij ons roert; een mysticus, door wiens vaag bewustzijn voorstollingen van God en van heiligen heen zweven, een brabbelaar, die door onsamenhangende woorden en zegswijzen duidelijk het niet-bestaan van een bepaalde gedachte in zijn geest verraadt. In de krankzinnigengestichten wordt een tal van lijders verpleegd, wier geestelijk verval niet zoo diep en ongeneeslijk is als dat van dezen
177
âcirculairenquot; ontoerekenbare, dien men tot zijn eigen nadeel vrij laat rondloopen, en die wegens zijne epileptische misdrijven door onwetende rechters werd veroordeeld.
Een tweede leider van de symbolisten , eene merkwaardige verschijning in het geestesleven van het hedendaag-sche Frankrijk, is Stéphane Mallarmé. Het is namelijk een eigenaardig verschijnsel, dat deze man, ofschoon hij al diep in do vijftig is, niets heeft geschreven dat eenigs-zins de moeite waard is, en dat hij toch bij de symbolisten in hoog aanzien is, ja, zelfs voor een beroemdheid doorgaat. Hooren wij, hoe Charles Morice zich over dezen genius uitlaat : âHet staat niet aan mij de verborgenheden der werken van een' dichter te onthullen , die , zooals hij zelf heeft opgemerkt, van elke deelneming aan de ontvouwingen van ambtelijke schoonheden is uitgesloten. Het feit dat deze werken nog onbekend zijn . . . schijnt ons te verbieden, den naam van Mr. Mallarmé te plaatsen naast de namen van hen , die ons boeken hebben gegeven. Ik wensch geen antwoord te geven aan hen, die gemeene kritiek uitoefenen, en merk hier alleen op dat Mr. Mallarmé , zonder ons boeken te hebben gegeven ... beroemd is. Eene beroemdheid , die natuurlijk in de kleine en groote couranten den lachlust van domkoppen opwekt, maar die toch aan de publieke en private domheid geen gelegenheid geeft hunne schandelijkheden te openbaren, welke do nadering van een nieuw wonder ergert . . . , De menschen hebben , in weerwil van bun afschuw van het schoone, en namelijk van het nieuwe in hetschoone, ten [spijt van henzei ven langzamerhand de toovermacht van een gerechtvaardigd aanzien begrepen. Zelfs zij schamen zich over hun dom gelach en voor dezen man, wiens bedaardheid bij zijn nadenkend zwijgen nimmer door dien Noudau , Ontaarding. 12
178
spot werd verstoord, is het verstomd en heeft het als door een goddelijken invloed plaats gemaakt voor zwijgen. Zelfs voor zulke lieden werd deze man, die geen boeken drukte en dien men nochtans terecht een dichter noemt, tot eene als 't ware symbolische gestalte van den dichter, inderdaad, die zooveel mogelijk het absolute tracht naderbij te komen... Door zijn zwijgen geeft hij duidelijk te kennen, dat hij . .. nog niet het ongehoorde kunstwerk kan verwezenlijken , dat hij wil scheppen, enz.
In het bovenstaande, dat een merkwaardig staaltje geeft van den gewrongen en onzinnigen schrijftrant van Morice, vernemen wij dus dat Mallarmé misschien toch nog eens zijn âongehoord kunstwerkquot; zal scheppen. Maar Mallarmé zelf heeft ons toch daarop alle hoop ontnomen. âDe kostelijke Mallarmé,quot; verhaalt Paul Hervieu, âzeide mij eens. . . dat hij niet begreep, dat men zich liet drukken Zulk eeno handelwijze maakte op hem den indruk van iets ontuchtigs, van een afdwaling, gelijkstaande met een aandoening van den geest, die men âexhibitionismequot; noemt. Overigens heeft niemand zijn zielstoestand zoo volkomen geheim gehouden als deze onvergelijkelijke denker.quot;
De vereering van do clubgenooten voor dezen âonver-gelijkelijken denkerquot; is dus gegrond op zijn voortreffelijk zwijgen. Moeten wij hierin niet een van de wonderen van onzen tijd begroeten? Lessing laat Conti in Emilia Galotti zeggen, dat âRafaël het grootste schilders-genie zou geweest zijn, ook wanneer hij ongelukkiger wijze zonder handen ware geboren.quot; In Mallarmé treffen wij een man aan die als een groot dichter wordt vereerd, ofschoon hij âongelukkigerwijze zonder handen is geboren,quot; d. w. z. ofschoon hij de kunst, waartoe hij geroepen mag zijn, niet uitoefent. AVaut behalve een paar brochures,
179
zooals Les dieux de la Grece en L'apres-midi dü'n Faune, enkele versjes, die in tijdschriften en tooneelkri-tieken zijn verspreid, en eenige vertalingen uit het En-gelsch en een paar schoolboeken (Mallarmé is leeraar in de Engelsche taal aan een gymnasium te Parijs) is er niets van hem uitgekomen (1).
(1)* Nadat Nordau dit schreef, is er toch een werk van Mallarmé uitgekomen. Althans in de A m s t e r d a in m er, W e e k b 1 a d v o o r ïf e-der land, van 18 Dec. j. 1 lezen wij een uitvoerig artikel over Mallarmé, overgenomen uit de Figaro. Ter wille van de curiositeit, cn ook als aanvulling van 't geen Nordau ons over Mallarmé zegt, deel ik hieruit het volgende mee :
âHij (Mallarmé) heelt eindelijk er in toegestemd, dat er een populaire editie van zijne gedichten in verzen en in proza zon worden gegeven; tot nog toe waren deze verspreid gebleven in ver uiteen gelegen tijdschriften of vereenigd in dure buiuleltjes, in beperkt aantal uitgegeven. De nieuwe editie is eigenlijk maar een bloemlezing, ot', zooals hij het allerliefst noemt, een âflorilège,quot; maar de daarin bijeengezochte bloemen vormen een voldoend grooten, kostbaren en zeldzamen ruiker, cn ik word het nooit moede, er den geur van op te snuiven ... Ik heb geen vrede ermede, dat een moralist duister is; onder de stukken van Ibsen bijvoorbeeld kan ik alleen die bewonderen die ik begrijp. Maar heel anders is het met een dichter. Naarmate ik beter gevoel, hoe duister Mallarmé's poëzie is, raad ik beter, en bewonder ik meer de oorzaken die ze duister maken .. . Hij heeft gedroomd van een poëzie, waarin harmonisch samensmolten de meest verschillende reeksen van aandoeningen en denkbeelden. In ieder van zijne verzen, om zoo te zeggen, heeft hij verschillende beteekenissen over elkander heen willen leggen. Ieder van z[jn verzen moet in zijn bedoeling het plastisch beeld zijn, de uitdrukking van eene gedachte, het weergeven van een gevoel, en ook een wijsgeerig symbool. .. Dat is de edelste poging, die ooit gewaagd is, om de poëzie te wijden en haar definitief een hoogere taak te verzekeren boven het onvoldoende, onjuiste, banale proza. En als menige nuance noodzakerwijs ons ontgaat, onder zooveel verschillende nuances, toch bemerken wij de grootschheid van het geheel . . .
Och, die verwenschte behoefte te begrijpen, die wij tegenwoordig in alles meebrengen, en die ons leven verwoest, onze eenige ware genoegens in de bron vergiftigend. Ik schaam mij, daaraan zoo lang te hebben toegegeven, het komt mij nu voor dat toen ik de gedichten van
12*
/ 180
Mallarmé verzamelt eens in de week eerstbeginnende dichters en schrijvers om zich heen en dan ontwikkelt hij voor hen zijne theorieën over kunst. Hij spreekt zooals Morice en Kahn schrijven. * In het bovenvermeld artikel uit de Figaro, overgenomen in de Amsterdammer, wordt door zijn vereerder, den heer De Wijzéwa, daaromtrent gezegd; âZijn gedachte komt spontaan, met al haar versiering voor den dag, elegant, subtiel, eenig, als het de gedachte van een dichter past, zijn conversatie is een spel van beweeglijke beelden, een teer bekoorlijk spel, zich met gemak over de meest verschillende onderwerpen bewegend, zonder ooit iets te verliezen van haar kunstigheid en haar poëtische gratie. â En onder dat alles een onvermoeide welwillendheid, de glimlachende toegevendheid van een wijze, en de bewonderenswaardigste voorbeelden van waardigheid, zielenadel, belangeloosheid. â Dat onderwijst Mallarmé ook aan de jonge dichters die zich roud hem verdringen. Maar men zou zich vergissen als men meende, dat hij ook hun onderwijzer is in poëzie. Hij heeft geen leerlingen; hij wil er geen hebben. De opvatting die hij zich van poëzie gevormd heeft is te hoog, zij veronderstelt een te reusachtige kraclitsinspan-
Mallarmé wilde verklaren, ze overbrengen in abstracte denkbeelden, ik ze verlaagde tot een soort wonderlijke rebussen. Hun waarde is veel hooger. Zij zijn geen werken van litteratuur, maar van kunst, zij richten zich tot ons gevoel, ver voorbij onzen geest . . . Hun poëzie is voor alles muziek. . . quot;Voor ons allen, die het geluk hadden met hom in aanraking te komen, zal Mallarmé altijd de volmaakte incarnatie van den idealen dichter blijven. De man is wel zoo, als Whistier hem heeft voorgesteld op het frontispice van de nieuwe editie van zijne werken, met opgeheven hooid, de oogen omhoog, kalm en het mindere versmadend, maar wat een andere eigenschappen kennen we nog van hem, die Wistler niet kon weergeven! Mallarmé is een dichter, de laatste dichter. *
181
ning, dan dat anderen het denkbeeld zouden hebben er hun leven aan te wijden in een tijd nu er om poëzie niet meer gegeven wordt, en langdurige inspanning niemand meer aanlokt.quot; *
Den jongen artiesten, die zich om Mallarmé verdringen, moet het, wanneer hij zijne onverstaanbare philosofie voor hen uitkraamt, dikwijls groen en geel voor de oogen worden ; toch zijn zij na elke bijeenkomst dankbaar voor de bovenmenschelijke openbaringen, die zij meenen ontvangen te hebben. Eindelijk is Mallarmé diegene, die de symbolisten op de school der Praerafaëlieten opmerkzaam heeft gemaakt en die hen steeds tot de navolging daarvan heeft aangenaamd. Door Mallarmé hebben de Fransche mystici die voorliefde opgevat voor de middel-eeuwschheid en voor het neokatholicisme van hunne En-gelsche voorgangers.
De derde onder de leiders der symbolisten is Jean Moréas, een Griek, die Fransche verzen maakt en die nu op zijn zes en dertigste jaar (enkelen zijner ondeugende vrienden beweren dat hij zich voor jonger uitgeeft dan hij is) drie dunne boekjes, waarvan elk op z'n hoogst 120 pagina's bevat, verzamelingen van gedichten, heeft te voorschijn gebracht onder de titels Les syrtes (De syrten !), Les cantilenes en Le Pélerin passioné. JJu komt het natuurlijk niet op de hoeveelheid aan, die een dichter heeft voortgebracht, wanneer het weinige dan maar van veel beteekenis en mooi is. Maar wanneer een man jaren lang dag in dag uit in de cafe's theoriëen zit te verkondigen over de vernieuwing van de dichtkunst en over de kunst der toekomst en ten slotte als vrucht van die wereldberoerende inspanning met drie boekjes met de meest onbeduidende en kinderachtige verzen komt aanzetten, dan moet een dergelijk resultaat noodwendig op de lachspieren werken.
182
Moréas is een van diegenen, die het woord BSymbolisme'T quot;hebben uitgedacht. Jaren lang was hij de hoogepriester van deze geheimzinnige leer en verrichtte haren altaardienst met den noodigen ernst. Maar op zekeren dag zwoer hij plotseling het geloof, dat hij zelf had gesticht, af, verklaarde dat het symbolisme nooit ernstig gemeend was en alleen ten doel had , domkoppen bij don neus te hebben,, en dat het ware heil der dichtkunst in het âRomanismequot; was te vinden. Met deze nieuwe uitdrukking beweert hij het teruggaan tot do taal, den dichtvorm en de gcvoels-wijze van de Fransche dichters in het laatst der middeleeuwen en in den tijd der Renaissance te bedoelen; maar men zal verstandig doen aan zijne uitingen niet al te veel vertrouwen te schenken, daar het best mogelijk is, dat hij binnen een paar jaar het âRomanismequot; even goed voor oen bier-huis grap verklaart, als hij vroeger het symbolisme deed.
De verschijning van zijn Pélerin passioné in hot jaar 1891 werd door de symbolisten gevierd als een gebeurtenis , waarmee voor de dichtkunst eene nieuwe tijdrekening aanvangt. Er word een feestmaal voor Moréas aangelegd, bij welke gelegenheid hij in do toespraken werd verheerlijkt als do verlosser uit de oude banden en vormen , als de heiland , die het godsnjk van de ware dichtkunst zou brengen. En diezelfde redenaars, die Moréas aan den feestdisch tot in 't oneindige hadden bewierookt, waren eenige weken later do eersten om hem te bospot-pen en uitteschelden âMoréas een symbolist ?quot; roept Charles Vignier uit. âMisschien door zijne gedachten ? Maar daar lacht hij immers zelf om! Die gedachten beteekenen niemendal, die gedachten van Jean Moréas !quot; âMoréas ?quot; vraagt Adrieu Renacle , âwij hebben allen om hem gelachen. Dat is het, wat hem beroemd heeft gemaakt.quot;
183
René Ghil noemt zijn Pélerin passione âdwaze rijmelarij , 't werk van een sclioolvosquot;, en Gustaaf Kahn verklaart : âMoréas heeft geen talent... hij heeft nooit iets buitengewoons geschreven. Hij houdt er alleen zijn eigen brabbeltaal op na.quot; Deze uitingen doen zoo duidelijk zien hoe hol en onbeteekenend die geheele symbolistische beweging is, die toch buiten Frankrijk door domkoppen , die er in zijn geloopen , of door speculanten als een zeer ernstige en veelbeteekenende strooraing in do dichtkunst wordt geproclameerd,
Na deze beoordeelingen van zijne broeders in den sym-bolischen Parnassus zou ik verder Moréas mot stilzwijgen kunnen voorbijgaan; maar toch wil ik hier nog een paar staaltjes uit zijne gedichten laten volgen, opdat de lezer zich een denkbeeld zal kunnen vormen van den graad van hersenverweeking, die zich hier voordoet.
In Le Pélerin passioné vangt het gedicht âAguesquot; aldus aan: âEr waren bogen, onder welke een lange stoet met rouwbanieren en gesnoerd (?) ijzer doortrok, machthebbers van allerlei soort, â er was â in do stad aan de zeekust. De pleinen waren zwart en goed geplaveid en de poorten, aan den oost- en westkant hoog ; en evenals in den winter hot woud, vervielen de zalen van het paleis en de voorgalerijen en de zuilengangen van het Lugaus. Het was (gij moet u dit nog goed herinneren), het was in de schoonste dagen van uwe jongelingsjaren- â In de stad aan de zeekust, mantel en dolk, zwaar van gele steenen en op uw hoed papa-gaaien-veeren , zoo kwaamt gij , allerlei onzin sprekend , zoo kwaamt gij aanloopen tusschen twee opgezwollen en zoo veel zware knechten â in waarheid : ledepoppen ! -â-in de stad aan de zeekust kwaamt gij en dooldet rond onder groote grijsaards, die aan de feloeken langs de
184
oevers en landingstrappen werkten. liet was (gij moet u dit nog goed herinneren) het was in de schoonste dagen van uwe jongelingsjaren quot;
Zoo duurt dat onzinnig gebazel nog aqht coupletten lang voort en in eiken regel vinden wij de door Sollier (Psychologie do 1' Idiot et de 1' Imbecile) duide-deljjk aangewezen kenteekenen van de spreekwijze vau idioten : het herhalen van de dezelfde uitdrukkingen, het droomerig onsamonhangende en het inlasschen van woorden die op het onderwerp geenerlei betrekking hebben.
Twee van zijne liederen luiden bij getrouve overzetting aldus:
âDe pluvieren in de biezen! (Moet ik u van hen spreken, van de pluvieren in de biezen ?) O gij liefelijke waternimf! De zwijnenhoeder en de zwijnen! (Moet ik u van hen spreken, van den zwijnenhoeder en de zwijnen ?) O gij liefelijke waternimf! Mijn hart in uw net gevangen. (Moet ik daarvan spreken, van mijn hart in haar net ?) O gij liefelijke waternimf!quot;
âMen heeft op de bloemen aan den rand van den weg getrapt en de herfstwind blaast zoo sterk, bovendien. De postwagen heeft het oude kruis aan den rand van den weg omgeworpen; het was ook zoo vermolmd, bovendien. De idioot (gij weet het) is aan den rand van den weg gestorven en niemand zal hem beweenen, bovendien.quot;
Waar Moréas in zijn toestand van hersenverweeking geen dolhuistaal uitkraamt, daar ontwikkelt hij zoo'n bombast, dat zijn geschrijf doet denken aan de slechtste pro-dukten van Hofmann von Hofmannswaldau. Zoo zegt hij bijv.: âIk heb, o mijne geliefde, zulk een dorst naar uw mond, dat ik daaruit in kussen den afgeleiden loop vamp;n den Strymon, van de Araxes en van den wilden Tanaïs zou willen drinken, en de honderden kronkelingetjes, die
185
Pitane besproeien, en den Hermus, waarvan de bron ontspringt daar, waar de zon ondergaat, en al de heldere bronnen, die in Gaza zoo talrijk zijn, en mijn dorst zou daardoor nog niet gelescht zijn.quot;
Achter Verlaine, Mallarmé en Aloréas schaart zich die troep van kleinere symbolisten, van welke ieder zich natuurlijk voor een groot dichter houdt, maar wier grootheidswaan hen toch nog niet voldoende aanspraak geeft op bijzondere bekendheid. Men laat hen voldoende recht wedervaren, wanneer men hunne denkwijze door aanhaling van enkele regels kenteekent. Zoo zegt Jules Lafor-gue â volgens Morice âde eenige, niet alleen van zijn tijd, maar van geheel de letterkundequot;â : âAch, wat is het leven toch alledaagsch ! (quotidienne).quot; En in zijn gedicht Pan et la Syrinx treffen wij het volgende aan: âO Syrinx! Ziet en begrijpt gij de aarde en het wonder van dezen morgen en den kringloop van het leven ! O, gij daar! en ik, hier ! O gij ! o ik! Alles is in alles!quot; Gustaaf Kahn, de aestheticus en wijsgeer van het symbolisme, zingt in zijn Nacht op do heide: âVan uwe schoone oogen daalt de vrede af als een groote avond en tippen van langzame tenten dalen af, bezet met edelgesteenten, geweven uit ver verwijderde stralen, en onbekende manen van toovertuinen bloeien aan mijne borst.quot; De uitdrukking: âtippen van langzame tenten dalen afquot; is volkomen onzin; ook iu het Fransch blijft dit onverstaanbaar, maar de oorsprong wordt dan verklaarbaar. Daar toch luidt het: Et des pans do tentes lentes descendent. Hier heeft dus de maker van het gedicht den verstaanbaren zin geheel aan de echolalie opgeofferd.
Charles Vignier, de âlievelingsdiscipel van Verlainequot; zegt tot de geliefde : âDaar beneden dat is te ver, arm waterjuffertje ; blijf in uw hoek en neem pillen in. Wees
186
Edniond About en van eene aangename stemming, wees een Maraboet van den plantentuinquot; ... Een gedicht âDe beker van Thulequot; luidt aldus: âIn een beker van Thule, waar de aantrekkelijkheid van het uur verbleekt, slaapt het grijsachtige en lijdende lokaas van den laatsten vertroetelden droom. Maar haren uit gesponnen zilver maken . voor de weenenden een sluier in een beker van Thule, waar do aantrekkelijkheid van het uur is uitgebluscht,quot; enz. Zulke onzinnige frasen doen zoo volkomen denken aan die soort van brabbeltaal, waarin opgewonden kwajongens wel eens behagen vinden en die wij âschreeuwenden onzinquot; noemen, dat ik stellig overtuigd ben dat zij, in weerwil van de verzekeringen van Fransche critici, niet ernstig gemeend zijn. Is mijne onderstelling juist, dan zouden deze gedichten natuurlijk niet pleiten tegen den geestestoestand van Vignier, maar wel tegen dien van zijne lezers, bewonderaars en critici.
Louis Damur spreekt de Xewa op do volgende wijze toe : âMachtige, grootsche, roemvolle, ernstige, edele koningin ! O Tsaritsa van het ijs eu van de pracht! Heer-scheres ! Hiëratische en plechtige en vereerde Matrone..-. Gij, die mij dwingt tot droomen, die mij uit het evenwicht brengt, gij in 't bijzonder, die ik bemin, heerlijk kleurenspel, schoonheid, gedicht, vrouw ! Newa! Ik roep uw schouwspel op en do hymno van uw ziel !quot;
En Renó Grhil, een van de moestgenoemdo symbolisten (hij noemt zich zelf âinstrumentistquot;) ontlokt aan zijne lier deze tonen, die men wel in 't oorspronkelijk moet teruggeven, daar ze niet voor vertaling vatbaar zijn:
Ouïs! ouïs aux nues haat et mies ou
Tirent-ils d'aile immense qui vire___
et quand vi'le,
et vevs les grands pétales dans l'air plus aride â
(Et en le lonrd veuir grandi lent stridule, et
187
Titille qui n'alentissc cl'aiv qui dure, et!
Granrtie, erratile et multiple d'éveils, stride Mixte, plainte et splendeur! la plenitude aride)
et vers les grands pétales d'agitatious Lors évaiiouissait un vol ardent qui stride... (des saltigrades doux n'iront plus vers les mers . ..)
Een ding moet erkend worden : alle symbolisten hebben eene bijzondere begaafdheid voor het uitdenken van titels. Het boek zelf moge louter dolhuis-literatuur zijn, de t.;tel is altijd even merkwaardig. Zoo noemt Moréas, gelijk wij boven zagen, een van zijne gedicht-brochures : âLes syrtes quot; Hij had evengoed kunnen zeggen: âDe ^Noordpoolquot; of âHet mormeldierquot; of âAbd-cl-kader,quot; want deze woorden hebben op den inhoud evenveel betrekking als âDe Syrtenquot; ; maar deze naam van twee zeeboezems in de noordkust van Afrika heeft zeker ten doel om over het geheel een glans van de Afrikaansche zon en een bleeken weerschijn van de klassieke oudheid te verspreiden, die het oog van een hysterisch lezer welgevallig kan zijn. Zoo koos Gustaaf Kalm tot titel âDe nomadische paleizenquot;, Maurice du Plessis: âDe huid van Marsyas.quot; Ernst Raynaud: âWereldlijk vleesch,quot; Henri de Régnier: âPlaatsen en episoden,quot; Arthur Rimbaud: âDe verlichtingen,quot; Albert Saint Paul: âDe sjerp van Iris,quot; Vielé-Griffin: âAncaensquot; en Charls Vignier: âCenton.quot; * âEen teug ruimtequot; is de titel vau een onzinnig opstel, voorkomende in de Nieuwe Gids van 1890. *
Van het proza der symbolisten hebben wij hier reeds eenige proefjes meegedeeld. Onder hunne prozawerken wordt La Littérature de tout-a-l'heure van Cliarles Morice aangemerkt als een der eerste werken, waarin de richting en het streven der symbolisten het duidelijkst wordt uitgesproken. Dit werk bevat een soort van overzicht over de geheele ontwikkeling van de literatuur tot
i
188
op heden, een vluchtige critiek van de nieuwere en de nieuwste boeken en schrijvers en een programma voor de literatuur der toekomst. Inderdaad, dit boek is een der wonderlijkste werken, die er bestaan. Het heeft veel overeenkomst met âRembrandt als Erzieherquot;, maar overtreft dit nog in de onzinnige wijze, waarop woorden met elkaar zijn verbonden. Het is een waardig gedenkteeken voor den schrijfwaanzin, âde graphomanie,quot; en noch Delepierre in zijne Littérature des fo u s, noch Philomnestes in Les fous littéraires voert voorbeelden aan van een sterkei-e verwringing, dan men in dit boek opquot; iedere bladzijde kan vinden. De lezer vestige bijv. even zijne aandacht op de volgende geloofsbelijdtnis van Morice, die op pag. 30 van zijn werk voorkomt: âHoewel men in dit boek van louter aesthetica â nochtans eene aesthetica, die oo metaphysica is gegrond â zich denkt te onthouden van het zuivere philosofeeren, moet men toch eene benaderende bepaling geven van een woord, dat men meer dan eens zal aanwenden en dat in de hoofdbeteekenis, waarin het hier wordt opgevat, ook wel te bepalen is. â God is de eerste en algemeene oorzaak, het eindige en algemeene einde; de band der geesten, het snijpunt waarin twee evenwijdige lijnen elkaar zouden ontmoeten , de vervulling van onze neigingen, de voltooiing, die beantwoordt aan het ongeziene on ongehoorde en nochthans zekere ideaal van onze eischen der schoonheid in de waarheid. God is par excellence het eigenlijke woord, â het eigenlijke woord, dat wil zeggen, dat onbekende en zekere woord, waarvan elke schrijver de onwederlegbare, maar niet te onderscheiden voorstelling heeft, het erkende en verborgene doel, dat hij nooit zal bereiken en waartoe hij onophoudelijk nadert. In om zoo te zeggen practische aesthetica is hij de lichtsfeer van vreugde, waarin de
189
geest rondzweeft, die overwinnaar is, omdat hij het onoverwinlijke mysterie tot de onvergankelijke symbolen heeft overwonnen.quot;
Dat theologen deze onvergelijkelijke wartaal zeer begrijpelijk vinden, wil ik geen oogenblik betwijfelen. Evenals alle mystici ontdekken zij in iederen klank een zin en maken zich zelf en anderen wijs, dat do nevelachtige voorspellingen, die de klank door ideën-associatie in hunne hersenen opwekt, de beteekenis van den klank zal zijn. Wie echter verlangt dat woorden de bemiddelaars van bepaalde gedachten zullen zijn, zal moeten erkennen, dat de schrijver bij al dit gebrabbel hoegenaamd niets dacht, ofschoon luj van vele dingen droomde, toen hij het neerschreef. âHet geloofquot; is voor Morice (pag. 55) âde bron van de kunst en de kunst is in haar wezen godsdienstig,quot; â eene bewering, die hij van Ruskin heeft overgenomen, hoewel hij dezen niet aanhaalt. âDe verlichte geesten der negentiende eeuw, de geleerden en donkersquot; zijn (pag. 57) âEdgar Poe, Car-lijle , Herbert Spencer , Darwin , Auguste Comte , Claude Bernard, Berthelot.quot; Edgar Poe naast Spencer , Darwin en Claude Bernard, â inderdaad, een bespottelijke!' quadrille is nimmer door voorstellingen in een verwoest brein uitgevoerd.
En toch is van dit boek in Frankrijk, evenals van âRembrandt als Erzieherquot; in Duitschland, door erkende critici verklaard dat het is: âzonderling, maar toch in-tressant en opwekkendquot;. quot;Wij kunnen voor een ongelukkigen ontaarde , die een dergelijken onzin schrijft , en voor den onnoozelen lezer, die in deze wartaal diepzinnige gedachten meent te ontdekken, alleea medelijden gevoelen. Maar met welke woorden zou men zijne verachting moeten uitdrukken voor die lorren, die wel degelijk normaal zijn, en die, om het met niemand aan den stok te krijgen ,
\
186
Edmond About en van eene aangename stemming, wees een Maraboet van den plantentuinquot; .., Een gedicht âD e beker van Thulequot; luidt aldus: âIn een beker van Thule, waar de aantrekkelijkheid van hot uur verbleekt, slaapt het grijsachtige en. lijdende lokaas van den laatsten vertroetelden droom. Maar haren uit gesponnen zilver maken . voor de weenenden een sluier in een beker van Thule, waar de aantrekkelijkheid van het uur is uitgebluscht,quot; enz. Zulke onzinnige frasen doen zoo volkomen denken aan die soort van brabbeltaal, waarin opgewonden kwajongens wel eens behagen vinden en die wij âschreeuwenden onzinquot; noemen, dat ik stellig overtuigd bon dat zij, in weerwil van de verzekeringen van Fransche critici, niet ernstig gemeend zijn. Is mijne onderstelling juist, dan zouden deze gedichten natuurlijk niet pleiten tegen den geestestoestand van Vignier, maar wel tegen dien van zijne lezers, bewonderaars en critici.
Louis Damur spreekt de Xewa op do volgende wijze toe : âMachtige, grootsche, roemvolle, ernstige, edele koningin ! O Tsaritsa van hot ijs en van de pracht! Heer-scheres ! Hiëratischo en plechtige on vereerde Matrone. ... Gij, die mij dwingt tot droomon, die mij uit het evenwicht brengt, gij in 't bijzonder, die ik bemin, heerlijk kleurenspel, schoonheid, gedicht, vrouw! Newa! Ik roep uw schouwspel op en do hymne van uw ziel!quot;
En Reno Ghil, een van de moostgenoemde symbolisten
(hij noemt zich zelf âinstrumentistquot;) ontlokt aan zijne
lier deze tonen, die men wel in 't oorspronkelijk moet
teruggeven, daar ze niet voor vertaling vatbaar zijn;
Ouïa! oiiïs aux nues haut et mies ou Tirent-ils d'aile immense qui vire...
et quand vi'le,
et vers les grands pétales dans l'air plus aride â
(Et en Ie lourd venir grandi lent stridule, et
187
Titille qui n'alentisso d'air qui dure, et!
Grandie, erratile et multiple d éveils, stride Mixte, plaintc et splendeur! la plenitude aride)
et vers les grands pétales d'agilations Lors évaiiOuissait un vol ardent qui stride ... (des saltigrades doux n'iront plus vers les mers ..)
Een ding moet erkend worden; allo symbolisten hebben eene bijzondere begaafdheid voor het uitdenken van titels. Het boek zelf moge louter dolhuis-literatuur zijn, do titel is altijd even merkwaardig. Zoo noemt Moréas, gelijk wij boven zagen, een van zijne gedicht-brochures : âLes syrtes quot; Hij had evengoed kunnen zeggen: âDe Noordpoolquot; of âHet mormeldierquot; of âAbd-el-kader,quot; want deze woordeii hebben op den inhoud evenveel betrekking als âDe Syrtenquot; ; maar deze naam van twee zeeboezems in do noordkust van Afrika heeft zeker ten doel om over het geheel een glans van de Afrikaansche zon en een blecken weerschijn van de klassieke oudheid te verspreiden, die het oog van een hysterisch lezer welgevallig kan zijn. Zoo koos Griistaaf Kalm tot titel âDe nomadische paleizenquot;, Maurice du Plessis: âDe huid van Marsyas,quot; Ernst Raynaud: âWereldlijk vleesch,quot; Henri de Régnier: âPlaatsen en episoden,quot; Arthur Rimbaud : âDe verlichtingen,quot; Albert Saint Paul: âDe sjerp van Iris,quot; Vielé-Griffin: âAncaeusquot; en Charls Vignier: âCenton,quot; * âEen teug ruimtequot; is de titel van een onzinnig opstel, voorkomende in do Nieuwe Gids van 1890. *
Van het proza der symbolisten hebben wij hier reeds eenige proef|es meegedeeld. Onder hunne prozawerken wordt La Li tt ér at ure de tout-a-Theure van Charles Morice aangemerkt als een der eerste werken, waarin de richting en het streven der symbolisten het duidelijkst wordt uitgesproken. Dit werk bevat een soort van overzicht over de geheele ontwikkeling van de literatuur tot
188
op heden, een vluchtige critiek van de nieuwere en de nieuwste boeken en schrijvers en een programma voor de literatuur der toekomst. Inderdaad, dit boek is een der wonderlijkste werken, die er bestaan. Het heeft veel overeenkomst met âRembrandt als Erzieherquot;, maar overtreft dit nog in de onzinnige wijze, waarop woorden met elkaar zijn verbonden. Het is een waardig gedenkteeken voor den schrijfwaanzin, âde graphomanie,quot; en noch Delepierre in zij ne Littérature des f o u s, noch Philomnestes in L e s fous littéraires voert voorbeelden aan van een sterkere verwringing, dan men in dit boek opquot; iedere bladzijde kan vinden. De lezer vestige bijv. even zijne aandacht op de volgende geloofsbelijdtnis van Morice, die op pag. 30 van zijn werk voorkomt: âHoewel men in dit boek van louter aesthetica â nochtans eene aesthetica, die oo metaphysica is gegrond â zich denkt te onthouden van het zuivere phüosofeeren, moet men toch eene benaderende bepaling geven van een woord, dat men meer dan eens zal aanwenden en dat in de hoofdbeteekenis, waarin het hier wordt opgevat, ook wel te bepalen is. â God is de eerste en algemeene oorzaak, het eindige en algemeene einde; de band der geesten, het snijpunt waarin twee evenwijdige lijnen elkaar zouden ontmoeten , de vervulling van onze neigingen, de voltooiing, die beantwoordt aan het ongeziene on ongehoorde en nochthans zekere ideaal van onze eischen der schoonheid in de waarhe:.d. God is par excellence het eigenlijke woord, â het eigenlij ke woord, dat wil zeggen, dat onbekende en zekere woord, waarvan elke schrijver de onwederlegbare, maar niet te onderscheiden voorstelling heeft, het erkende en verborgene doel, dat hij nooit zal bereiken en waartoe hij onophoudelijk nadert. In om zoo te zeggen practische aesthetica is hij de lichtsfeer van vreugde, waarin de
189
geest rondzweeft, die overwinnaar is, omdat hij het onoverwinlijke mysterie tot de onvergankelijke symbolen heeft overwonnen.quot;
Dat theologen deze onvergelijkelijke wartaal zeer begrijpelijk vinden, wil ik geen oogenblik betwijfelen. Evenals alle mystici ontdekken zij in iederen klank een zin en maken zich zelf en anderen wijs, dat de nevelachtige voorspellingen, die de klank door ideën-associatie in hunne hersenen opwekt, de beteekenis van den klank zal zijn. Wie echter verlangt dat woorden de bemiddelaars van bepaalde gedachten zullen zijn, zal moeten erkennen, dat de schrijver bij al dit gebrabbel hoegenaamd niets dacht, ofschoon hij van vele dingen droomde , toen hij het neerschreef. âHet geloofquot; is voor Morice (pag. 55) âde bron van de kunst en de kunst is in haar wezen godsdienstig,quot; â eene bewering, die hij van Ruskin heeft overgenomen, hoewel hij dezen niet aanhaalt. âDe verlichte geesten der negentiende eeuw, de geleerden en denkersquot; zijn (pag. 57) âEdgarPoe, Car-lijle , Herbert Spencer , Darwin , Auguste Comte , Claude Bernard , Berthelot.quot; Edgar Poe naast Spencer, Darwiu en Claude Bernard, â inderdaad, een bespottelijke!' quadrille is nimmer door voorstellingen in een verwoest brein uitgevoerd.
En toch is van dit boek in Frankrijk, evenals van âRembrandt als Erzieherquot; in Duitschland, door erkende critici verklaard dat het is : âzonderling, maar toch in-tressant en opwekkendquot;. Wij kunnen voor een ongelukkigen ontaarde , die een dergelijken onzin schrijft, en voor den onnoozeleu lezer, die in deze wartaal diepzinnige gedachten meent te ontdekken, alleea medelijden gevoelen. Maar met welke woorden zou men zijne verachting moeten uitdrukken voor die Ionen, die wel degelijk normaal zijn, en die, om het met niemand aan den stok te krijgen,
190
of om zicli een schijn te geven van bijzonder vernuft, of om een zekere welwillendheid te veinzen ook tegenover hen, wier gevoelens zij niet zijn toegedaan , ons komen verzekeren dat zij in dergelijke boeken âmenige waarheid, veel diepen zin , eene ideale warmte en vele geestige gedachten'' ontdekken ?
In de poëzie eischen de symbjlisten eene vrijere behandeling van het Frans-he vers. Stormachtig kanten zij zij zich tegen de oude alexandrijnen, met de caesuur in het midden, ' tegen het verbod van hiaten, tegen de wet van de regelmatige afwisseling van mannelijke en vrouwelijke rijmen. Zij schijnen echter niet te begrijpen dat de Duitsche, de Engelsche , de Italiaansche, zelfs de Slavische dichtkunst reeds lang hadden gebroken met de oude vormen en wetten van rijm en maat, voor de Franschen er aan begonnen te denken om eindelijk de oude pruik, die langzamerhand door de motten was verteerd, eens af te werpen. Toen zijn zij van het eene uiterste in het andere vervallen , en terwijl zij feitelijk achteraan kwamen strompelen , hebben zij hunne zoogenaamde nieuwe vindingen geproclameerd als een nieuw en vrij en idealistisch vooruitstreven, en hebben de groote mannen der nieuwe beweging verheerlijkt als de padvinders en baanbrekers naar het morgenlicht der toekomst.
Een andere aesthetische eisch van de symbolisteTi is deze, dat het vers, zonder den zin in aanmerking te nemen, alleen door den klank eene emotie behoort op te wekken. Vele symbolisten liebben dan ook titels voor hunne werken gekozen, die duidelijk aangeven, dat zij daarmee muzikale voorstellingen willen opwekken. Zoo heeft men Les Grammes van Stuart Merril, Les Cantilenes van Jean Mor éas. Klokken in den nacht van Adolphe lletté, Romances sans paroles van Paul Verlaine,
191
étiz. Nu is het naar mijn inzien een volkomen valsch begrip om het woord te gebruiken voor een zuiver muzikaal doel. Dat men hiertoe is gekomen, is alleen een gevolg van de willekeurige uitbreiding dor gi'enzen, die aan elke der kunsten, door den aard van haar wezen en hare techniek, zijn gesteld. De praerafaëlieten hebben aan de beeldende kunst, door te verlangen dat deze niet alleen het concrete, maar ook het abstracte zou uitdrukken, eene plaats willen geven , die te lioog voor haar was ; de symbolisten willen den rang, die het woord in de kunst inneemt, verlagen, door dit als een klankwerktuig te gebruiken. Oorspronkelijk ligt natuurlijk in een uitgesproken of uitgeschreeuwden klank iets muzikaals; hij drukt dan geene bepaalde voorstelling , maar wel eene algemoene dierlijke aandoening uit. Naarmate nu echter de hersenen der dieren meer ontwikkeld worden en hun geestesleven een trap hooger stijgt, ontplooien en differentiëeren zich ook de middelen van uitdrukking meer en meer en worden geschikt om meer bepaalde en begrensde groepen van voorstellingen , en zelfs, wanneer men ten minste geloof mag slaan aan de onderzoekingen van Prof. Garner over de taal der apen , een enkele bepaalde voorstelling weer te geven. Eindelijk bereikt de toon als middel van uitdrukking zijn hoogste volkomenheid in de grammaticale taal, aangezien hij dan den arbeid van het denken nauwkeurig kan volgen en in alle bijzonderheden objectief waarneembaar kan maken. Gaat men nu het woord, dat een bepaalde gedachte vertegenwoordigt, terugbrengen tot een klank, die alleen moet dienen voor hot uiten van eene vage aandoening, dan staat dit gelijk met van allo organische ontwikkeling af te zien en den denkenden en sprekenden mensch te willen verlagen tot den piependen krekel en den kwakenden kikvorsch. Maar per slot van
192
rekening 'leiden de pogingen van de symbolisten ook in 't geheel niet tot die muziek van woorden , die zij zich voorstellen. Het meer of minder muzikale van een woord hangt te veel af van de wijze, waarop het wordt uitgesproken, om eigenlijk van de directe muzikale waarde van een woord te kunnen spreken. En waar blijft de klankwerking, wanneer het woord toonloos wordt gefluisterd of alleen als schrijfteeken zichtbaar is ? En toch kan het in beide gevallen precies dezelfde aandoeningen te weeg brengen. Het zal toch wel onmogelijk zijn om bij iemand door het uitspreken van eenige woorden van eene hem geheel onbekende taal, zekere emoties op te wekken. De kracht van het woord ligt altijd in zijne beteekenis, in zijn zin, niet in zijn klank. De meer of minder mooie klank van een woord hangt vooral af van het gehalte der stem , die het uitspreekt. Ik heb er mij van kunnen overtuigen, dat zelfs het Hottentotsch ons nog aangenaam in de ooren klinkt, wanneer het door een liefelijke altstem wordt uitgesproken.
* In âDe Nieuwe Gridsquot;, dat gastvrije asyl voor de producten van de Nederlandsche navolgers der Fransche symbolisten, vindt men voortdurend allerlei proefjes in proza- en dichtvorm , waarin het streven naar klankeffect op den voorgrond staat. De lezer, die niet ongevoelig is voor harmonische tonen, zal zelf moeten beoordeelen in hoever zijn muzikaal gevoel wordt gestreeld door versjes als :
Hot is weebleekerig grijs
het regent wat,
de wind zingt een arme wijs,
de daken zijn nat.
O, om een lichte bleeke meid
die nu opbloeie,
Wat weïege lelieheid,
mij warme, moeie.
193
Of do verzen van Herman Gorter :
Zaclitlichte Icntcnen mogen nu wentelen aan wentelen,
hoogliclite luchten wolkenlicht luchte i ,
de lentenen â
Dan oogen lichtgrijzig spelen open, waarin de vele doorschijn-lieht gedachten vervelen zich â den ganschen goudgelen lichtlichten lentenadag â
enz.
Of door âGedichten in prozaquot; van Frans Erens (tntoelit van den keizer): âEn dansend liet water, zilver-toppend in blijdschap, schommelend de botters, do schepen, de bootjes. De Keizer komt aan; witplekkend in de verte, de hoogo man op het plechtige schip ... Vurend en wol-kend en schallend do geweldige kanonnen ; de kruitdamp wolkond, ijlend verdwijnend. De schal dreunend zich spreidend en hortend en echoënd in de verte verdwijnend.quot;
Of waar Erens de Warmoesstraat schildert: âDe draaiorgel bruischt in slingerend geklaag door do ruimte dei-straat en plettert de muren, in golvend gcpletter, langs steenen en vensters kletterend, in hagelend gespartel van heldere zangen, in weenenden gang. In het luidende roepen van venters met karren valt de motregen neer, op de kleppen der petton der venters, in het voetengeklets der rennende menschen.quot;
Of als Jac. van Looij (Gekken) spreekt van: âde tintellichte lucht,quot; âplotsflappende schitterlichten,quot; âschuim-uitkruivingen,quot; enz. *
Nog bespottelijker gedraagt zich eene onderafdeeling van de symbolisten, die zich den naam geeft van âIn-Nordau , Ontaarding. 13
194
strumentisten,quot; wier aanvoerder René Ghil is. Zij knoopen aan eiken klank ocue bepaalde kleurgewaarwording vast cn eischen dat liet woord niet alleen eeue muzikale emotie zal opwekken, maar dat het ook als klenrenharmonie aesthetiseh zal werken. De oorsprong hiervan is waarschijnlijk te zoeken in een meermalen aangehaald sonnet van Arthur Rimbaud, Les vo vel les, waarvan de eerste regel luidt: A zwart, e wit, i rood, u groen, o blauw. Morice betuigt uitdrukkelijk dat Rimbaud met dit gedicht niets dan een grap heeft bedoeld. Enkele van zijne makkers hebben het echter in ernst opgenomen en er eene kunsttheorie uit afgeleid. René Ghil geeft in zjjn boek Traité du ver be de waarde der kleuren aan, niet alleen die aan do klinkers, maar ook die, welke aan do muziekinstrumenten eigen zijn. Hij noemt de tonen der harp wit, die der violen blauw, der koperinstrumenten rood en dei-fluiten geel. Francis Poictevin heeft in zijne Derniers Songes ook de gevoelens beschreven, die met bepaalde kleurgewaarwordingen samengaan.
De âingewijdenquot; waren natuurlijk direkt bij de hand om hierop eene wetenschappelijke theorie over het hooren van kleuren op te bouwen. Nu zou volgens sommigen de opwekking van kleurgewaarwordingen door klanken daarop berusten, dat bij sommige menschen eene abnormale verbinding door middel van zenuwvezels zou bestaan tusschen het centrum van de gezichts- en dat van de gehoorzenuwen in de hersenen. Deze veronderstelling is echter geheel willekeurig. Het meeste wat hieromtrent tot heden bekend is geworden, vindt men in het werk van den oogarts Dr. F. Suarez de Mendoza, L'audition colorée. Hij zegt daarin dat bij sommige personen de waarneming van geluiden van voldoende sterkte, of zelfs de herinneringsvoorstellingen daarvan, een meer of minder
195
helder beeld doen. ontstaan, dat voor dezelfde letter of voor denzelfden klank van eeue stem of van een instrument, bij dezelfde sterkte 311 toonhoogte, ook steeds hetzelfde is Suarez heeft het zeker wel bij het rechte eind, wanneer hij zegt: âHet hooren van kleuren (hij noemt dit psendo p li o t es t li é s i e) âis menigmaal een gevolg van ideëen-assoeiatie, die in de jeugd is ontstaan ... menigmaal ook van eeu bijzonderen hersenarbeid, waarvan de eigenlijke natuur ons onbekend is en die eeue zekere overeenkomst kan hebben met het zinsbedrog of niet de hallucinatie.quot; Voor mij lijdt liet geen twijfel dat het hooren van kleuren altijd een gevolg van ideëen-associatie is, 'waarvan de oorzaken altijd duister zullen blijven, daar de verbinding van bepaalde kleur-indrukken met zekere geluidsgewaarwordingen mogelijkerwijze op zeer vluchtige waarnemingen in de vroegste kinderjaren berusten. In elk geval blijft deze waarneming altijd zeer individueel, zoodat een zelfde toon bij verschillende personen ook gewaarwordingen van geheel verschillende kleuren kan opwekken. Zoo hebben wij gezien dat voor Ghil de toon van de fluit geel is Yoor L Hofmaun, dien Goethe in zijne âFarben-lehrequot; aanhaalt, is hij vuurrood, liimbaud noemt de a zwart; andere personen, die Suarez aanhaalt, hoorden dezen klinker blauw, enz.
Het waarnemingsvermogen van laag bewerktuigde dieren is, gelijk bekend is, zeer eenvoudig. In de natuur hebben voortdurend bewegingen plaats en het protoplasma der levende cel neemt deze bewegingen waar. De eenheid van oorzaak beantwoordt aan eeue eenheid van werking. De laagst bewerktuigde dieren ervaren van de uitwendige wereld niets anders dan dat zich in hen iets verandert, misschien ook of deze verandering sterk of zwak is, of dat zij snel of laugz.uuu plaats heeft. Zij ontvangen verschil-
13 *
196
lende indrukken quantitatief, niet qualitatief. Wij weten bijv. dat de siphon van de steenmossel (Pholas dactylus), die zicli bij elke prikkeling meer of minder krachtig en snel samentrekt, voor alle uitwendige indrukken, licht, geluid, aanraking, geuren, enz, gevoelig is. Dit weekdier ziet, hoort, voelt, ruikt dus met een en hetzelfde lichaamsdeel; zijn siphon is tegelijk oog, oor, neus, vinger enz. Bij de hoogere bewerktuigde dieren verdeelt zich het pro-toplasma: er vormen zich zenuwen, gangliëncellen, hersenen, organen. En nu worden de bewegingen in de natuur ook verschillend waargenomen. De verschillende organen zetten de eenheid van verschijning om in de menigvuldigheid der waarneming. Maar zelfs in de hoogst ontwikkelde hersenen blijft nog altijd eene vage en duistere herinnering bestaan, dat de oorzaak, die verschillende organen aandoet, eene en dezelfde beweging is. en er vormen zich dan voorstellingen en begrippen, die onverstaanbaar zouden zijn, indien wij niet aan het vermceden konden toegeven, dat de oorzaken van het wezen van al
O i
die waarnemingen toch één zijn. AV ij spreken immers ook van âhoogequot; en âlagequot; tonen, en kennen daarmee aan de geluidstrillingen betrekkingen in de ruimte toe, die zij niet kunnen hebben. Zoo spreken wij ook van do nuances en van het timbre van een geluid of van een stem (in 't Duitsch Klangfarbe), waarmee wij dus eigenlijk de acoustische en optische eigenschappen van die verschijnselen met elkaar verwisselen, âHardequot; en âweekequot; lijnen en tonen zijn uitdrukkingen, die berusten op het overbrengen van de waarnemingen van het eene zintuig op de indrukken van het andere. In vele gevallen kan deze spreekwijze ongetwijfeld verklaard worden uit eene zekere traagheid van den geest, die het gemakkelijker vindt de waarneming door een zintuig aan te duiden door
197
een licht verstaanbare uitdrukking, hoewel dio dan ook tot hot gebied van de waarnemingen door een ander zintuig behoort, dau oeu passend woord voor die bijzondere waarneming uit te denken. Maar zelfs deze neiging, die uit gemakzucht voortvloeit, wordt alleen mogelijk en be-grijpelijk, wanneer men toegeeft, dat er een zekere over-eaukomst bestaat tusschen de subjectieve gewaarwordingen van de indrukken der verschillende zintuigen. Met schijnt dus dat nu en dan in de bewuste waarneming eene neiging bestaat om terug te keeren tot eene vroegere periode van ontwikkeling, wiarin do onderscheidene indrukken eu gewaarwordingen minder scherp onderscheiden tot het bewustzijn doordrongen. Vooral bij hysterische cn overgevoelige personen komt die eigenaardigheid dikwijls in sterke mate aan den dag. Binet heeft proeven genomen met hysterische personen, wier huid voor een gedeelte geheel ongevoelig was, zoodat zij er niets van bemerkten, wanneer men ze, zonder dat zij 't zagen, met een naald prikte. Maar op het oogenblik van den prik zag de een altijd een zwart, een ander een schel verlicht punt. Het bewustzijn zette dus den indruk der huidzenuwen, die als zoodanig niet werd waargenomen, om in een indruk van het netvlies en van de oogzenuw.
In elk geval is het een bewijs van een ziekelijke en een verzwakte werkzaamheid der hersenen, wanneer een werkelijke samensmelting van de verschillende subjectieve gewaarwordingen plaats vindt. Het is inderdaad een terugkeer in den ontwikkelingsgang, een afdalen van de hoogte, waarop de mensch staat, tot de laagte der boorschel-pen, â een overgang van het hoog menschelijk bewustzijn tot oester-gewaarwordingen.
Overigens is het een bekend klinisch verschijnsel dat geestelijk verval samengaat met kleuren-mystiek. Legrain
198
maakt melding van een krankzinnige, die liet goede en kwade trachtte te onderscheiden door verschillende kleuren , waarbij hij alle kleuren van wit tot zwart doorliep; wanneer hij las, hadden de woorden volgens hunne kleur een verborgen zin, dien hij meende te verstaan. Filon bestreek elke bladzijde van een door hem geschreven boek met eene andere verf. Barbey d'Aurevilly, dien de svmbolysten als een voorlooper vereeren, placht brieven te schrijven, waarin elke letter van een woord met inkt van verschillende kleur was geteekeud.
De toerekenbare symbolisten verklaren hunne beweging als een reactie tegen het naturalisme. Een dergelijke reactie was zeker rechtmatig en noodzakelijk, want het naturalisme was in zijne beginselen, zoo lang het door Groncourt en Zola werd vertegenwoordigd, ziekelijk, en in zijne latere ontwikkeling, in de handen der navolgers, is het gemeen en misdadig geworden. Maar het symbolisme is allerminst geschikt het naturalisme te overwinnen , daar het eerste nog ziekelijker is dan het laatste en in de kunst de duivel moeielijk door Beëlzebub zal worden uitgedreven.
Eindelijk wordt nog wel eens beweerd , dat het symbolisme zou zijn âde vertegenwoordiging van een zinnebeeld, door een menschelijke gestaltequot; Op gewone wijze uitgedrukt wil dat zeggen, dat de symbolisten door een enkele persoon niet alleen de natuur en het lot van een enkelen mensch willen aanduiden, maar daardoor een algemeen menschentype en een algemeene levenswet willen belichamen. Dit is echter een eigenaardigheid die niet alleen aan de symbolistische , maar aan alle dichtkunst eigen is. Green dichter die er ooit naar heeft gestreefd een wezen tot onderwerp te kiezen, dat in het leven of in de geschiedenis der menschheid zijn weerga
199
niet heeft. Wat den dichter bindt aan den mensch en zijne lotgevallen, dat is juist de samenhang niet de geheele menschheid en niet de algemeene wetten van geheel liet menschelijk leven. En in hoe sterker mate in de personen, die de dichter kiest, die algemeene wetten en verschijnselon zijn belichaamd, des te aantrekkelijker worden die tijpen voor den dichter, des te liooger wordt de waarde van zijne schepping. Het is dus een dwaze aanmatiging van de symbolisten , te willen beweren dat deze eigenaardigheid alleen geldt voor do werken van hunne school. Overigens bewijzen zij daardoor, dat zij hunne eigen formule in 't geheel niet begrijpen ; want dezelfde theoretici van de school, die van de dichtkunst eischen dat deze zal zijn de vertegenwoordiging van een zinnebeeld door eene menschelijke gestalte, verklaren tegelijkertijd , dat de dichter zich alleen moet bezighouden met âhet zeldzame, enkele gevalquot; , âIe cas rare , uniquequot; , dat dus precies het tegengestelde van een zinnebeeld moet zijn-
Wij hebben dan nu gezien, dat het symbolisme, evenals tot bet Engelsche praerafaëlietisme, waaraan liet eenige uitdrukkingen en begrippen heeft ontleend , niets anders is dan een vorm van mijstiek van ontaarden, die overgevoelig en wier geestvermogens gekrenkt zijn. Alle pogingen , die door eenige meeluopers van deze beweging in 't werk zijn gesteld, om aan het gebrabbel van hunne leidslieden een zin toetekennen en hun een soort van programma toe te dichten, weerstaan de critiek geen oogenblik en blijken bij nader inzien niets anders te zijn dan een onzinnig gewawel, zonder eenige zweem van waarheid of gezond verstand. Een jong Erauschman, Ungues le Roux, die in 't geheel niet afkeerig is van een zedelijke vei-nieuwing en hervorming in de litteraire kunst, schildert
200
in zijii werk Portraits de Cire do symbolisten zeer juist, wanneer hij van hen zegt: âZij zijn belachelijke stumpers: de een kan den ander niet uitstaan, zij worden niet begrepen dour het publiek, velen ook niet door hunne vrienden ; sommigen begrijpen ziclizeltquot; niet. Dichters of prozaschrijvers, komen zij allen daarin overeen; geen stuf, geen zin, alleen woorden aangeschakeld, om een muzikaal (j3) knaleffect te weeg te brengen, eene zonderlinge rijmelarij , een samenraapsel van onvoorziene tinten en tonen , een onzinnig op-en-neer-ge wiegel en doorelkaar-gehaspel, waanvoorstellingen en te voorschijn geroepen suggesties.quot;
* Wie eonigszins met do hedendaagsche Xederlandsche literatuur bekend is, weet, dat wij in Nieuwe-Gids-mannen de vertegenwoordigers en navolgers hebben van de decadenten, symbolisten, in één woord, van de modernisten. Aan 't hoofd van deze beweging staat van Deijs-sel. Verder worden tot hen gerekend Frans Erens, Jac. van Looij , Kloos, Albert Yerweij, Gorter, F. van Eeden, Veth, Delang en anderen. Ook de laatste geschriften van Couperus (Xoodlot, Extaze), ofschoon hij niet tot de Nquot;. Gids-mannen wordt gerekend, getuigen van eene weeke overgevoeligheid en een sterke neiging tot het mystieke. Verder maken de gedichten van Hélène Swarth, die, evenals Couperus, de taal meesterlijk hanteert en wier ongemeen talent ongetwijfeld bewondering afdwingt, over 't algemeen den indruk van een smachtend, dwepend weegeklaag en verraden eene mate van gevoeligheid, waarbij de grenzen van liet normale schijnen overschreden.
Vele eigenaardigheden, die Xordau van de symbolisten en mystici heeft opgenoemd, vindt men bij de meesten onzer N. Gids-mannen terug; zij hebben in hunne terminologie , in hunne opvattingen en denkwijzen (of niet-
201
denkwijzen) hunne Fransche meesters getrouw nagevolgd. Ook bij hen vindt men die zucht tot woordeusmeden, dat herkauwen en samenlappen van woorden, waarbij dikwijls de logische samenhang ontbreekt dat werken op klankeffect; die weinig logische gedachtengang; dat zich bij voorkeur verdiepen in godsdienstige, mystieke en sociale kwesties; dit sensacele en erotische; dien grootheidswaan; die vijandige gezindheid jegens andersdenkenden; die voorgewende of werkelijk minachting voor de wetenschap; kortom, al die bijzonderheden, die Xordau en anderen aanvoeren als kenmerken van ontaarding. Alleen van Eeden maakt in zoover eene uitzondering op de boven-genoemden, dat zijne opstellen vaak een veel degelijker, logischer karakter dragen dan die der andere modernisten. AVaarschijnlijk is dit daaraan toe te schrijven, dat bijeen der weinigen is van deze richting, die wetenschappelijk zijn ontwikkeld. Het maakt dikwijls een komischen indruk, wanneer men in eene aflevering van de N.-Cirids een degelijk opstel van v. Eeden of van van Deventer aantreft naast het gebrabbel van een Delang, die niets dan onzin schrijft. Toch mag hier niet onopgemerkt blijven, dat ook van Eeden in zijne laatste werken, zooals in Ellen en in Johannes Viator, zeer sterk tot het mystieke overhelt, hetgeen zijn groot literarisch talent zeker niet ten goede komt.
De merkwaardigste onder deze figuren is echter de hoofdman, van Deyssel. Die looze guit bakt met olie of met boter, al naar gelang het publiek wil bediend zijn. Schrijft hij in de N. Gids, dan onthaalt hij den lezer op een abracadabra (zooals bijv. in Menschen en bergen): âde dag is verschonen in zijn kleurenschijnen. Zoo stil aan-te-gaan in zijn alom aangelicht schijnen, in den liggenden dag, de groene heestenvêeren koesteren,
202
binnen zijn hun broeijerig duistere holen , de mos-hellingen rusten, het blauw bovene zacht-welft, zoo o]) de beenen-deining door de weeke daglagen, zachte luchte-oogen zien teer regenend op armen en hoofd ligt trouw de vrouwe-dag te rusten.quot; enz..) dat het iemand, die getracht heeft een bladzijde hiervan te lozen en te verstaan, groen en geel voor de oogen moet worden. Schrijft hij echter onder do initialen A. J. voor het tijdschrift Xederland, dan trekt hij hot X. Gids-pakje uit, kleedt zich in een ouderwetschen staatsierok en schrijft een goed begrijpelijk, logisch, ouderwetsch proza, zoo uitstekend in vorm en stjjl , dat men het naast de beste producten dor Xederlaudsche auteurs kan plaatsen, getuige zijne biografie van Alberdingk Thym. Wel oen bewijs dat het X. Gids- geschrijf bij hem niets dan een een maniertje is, dat hij aanwendt, wanneer het in zijn kraam te pas komt. Volgens de classificatie van Nordau zou dus v. Deijssel moeten gerekend worden totdepseudo-ontaarden. In hoever het den overigen niet hunne kunstrichting ernst is, is moeilijk te bepalen. In 't algemeen maakt het geschrijf in de X. Gids dikwijls den indruk van eene slaafsche navolging van de Fransche en Eiigel-sche symbolisten, een napraten van Ruskin, ilorice en andere kunst-theoretici, die de praerafaëlietische en mystische zienswijze hebben aangeprezen Op die soep onthaalt ons b.v. Jan Veth, wanneer hij in eene beoordeeling van teekeningen van Walter Crane (Queen Sumner) schrijft:
âZoowel als de voorname Florentijnsche beeldenaars van de onvolprezen vroeg-renaissance, na langen duur van bewonderend aanschouwen en studieus vereeren der hervonden antieken, met den heimelijken zin. van hunnen schoonen gevoelsaanleg, die geopenbaarde grootheid ver-
203
werken konden tot een per slot volkomen onafhankelijke en in haar innigst wezen nieuwe kunst, â zoo ook iioef't de artistieke cultuur van de beste Eugelschen dezer dagen,
.....bewonderenswaardige kunst van een waarlijk geheel
bizonderen, zeer Engelsehen stijl vermogen te creëeren. â In de schilderijkunst is naast Rossetti, onder de levenden Burne Jones de beste glorie van die Engelsehe pleiade â hadde de (?) prerafaëlietisehe mouvement niets anders dan diens King Kopethua voortgebracht, men zou daarom alleen die beweging dankbaar mogen zijn â maar in de kunst van het gedrukte kleurbeeldenboek waarin tot lieden alleen de Japanners zich hoog hadden uitgesproken, is Walter Crane de artiest bij uitnemendheid van dit nog jonge tijdperk.quot;
Nog een ander staaltje van kunstphilosofie vindt men in de N. Gids aflevering van l Februari 1892. Daar lezen wij, naar aanleiding van de Muurschildering van Uerkin-deren:
^.....Zooals in heugenis het vroeger mooi geziene,
dat thans ver weg is, zich verzuivert, verinnigt en vermoeit, zoo ziju de door liem verbeelde figuren en daden van historische personen, uit den verren tijd der middeleeuwen, uit dien grooten mystieken tijd, wezens en handelingen geworden van pure hoogheid en wijding.. .. Dat doof de werkelijkheid heen zoeken naar het abstrakte heeft zich altijd in een spiritualistische, vaak symbolieke kunst geuit, een kunst die nooit heeft opgehouden te bestaan, maar die zich altijd het volkomenst heeft geopenbaard in die tijden en bij die volken, waar de religie het sterkst was ... Zoo is de kunst der primitieven ... geworden de door ons zoo hoogvereerde uiting van de devote midden-eeuwers ..
Naar aanleiding van hetzelfde werk vinden wij onder
204
den titel: Gemeenschapskunst nog deze beschon-winquot;':
O
âEen gemeenschap kan nooit onreligieus zijn : in haar midden ontstaat a 11 ij d een godsdienst. Want de stroomin-gen van de volken en de groote verlangens zijn altijd naar God. Wat men noemt God, dat is: het gemeene veelvoud (vraag: moet dit misschien het kleinste gemeene veelvoud zijn y) van de verwachtingen en de liefden van een gemeenschap; dien God te dienen de godsdienst is.
âDaarom do artist die do gemeenschap in zich voelt, die een gemeenschap zijn moeder voelt, zal religieus genaamd worden en vroom en kinderlijk....
âDit nu van een bepaalden tijd, niet geweten maar gevoeld, als persoonlijke herinneringen, als eigen gedachten en indrukken en verlangens en extazes en vele smarten, en gewoonheden en de daden, gezien neergeschreven, dat is epiek, de epiek van de gemeenschap ... enz.quot;
Voor zoover deze taal een zin bevat, vinden wij hierin niets spontaans en origineels, 'tls alles modegeschrijf, volgens eeu schooltje, een koppig vasthouden aan een systeempje, waarin de slachtoffers met opoffering van alle in lividualiteit zijn vastgegroeid, of, zooals bjj van Deijssell, een manier, die men als een maskeradepak afwerpt, zoodra er geen navraag meer naar is. AVij vinden hierin niets terug dan napratenj, een akelige en onsmakelijke imitatie van de metaphysische hutspot, waarop Péladan en consorten ons willen onthalen, en die alleen door de Fransche saus, waarmee zij is overgoten, nog enkele tongen kan streelen.
De N.-Gids-mannen beweren dat de invloed vau de N.-Gids-methode en praktijk in elk degelijk boek, dat tegenwoordig verschijnt, merkbaar is. Dit is in 't algemeen genomen onwaar. Waar de individualiteit wordt onder-
205
drukt door slaafsclie navolging en schoolschhoid, kan dit de kunst nooit ten goede komen ; een kopiist, eeu gebiologeerd persoon, is als zoodanig het tegenovergestelde van een artiest, die zijn grootste kracht vindt in zijn individualiteit Wel is liet waar, dat do invloed der Fransche letterkunde, en vooral van de groote Fransche prozaschrijvers, merkbaar is op de Xcderlandsche auteurs welke door die schrijvers zijn geïnspireerd, en dat die inspiratie onze literatuur zeer teu goede is gekomen.
Ook De (oude) Gids, die niet oud wil heeten, heeft iit de laatste jaren concessies gedaan aan de mystieke en symbolistische kunst. Daarvan getuigen niet alleen enkele stukkeu, die in dit tijdschrift zijn opgenomen, maar ook ziju Letterkundige Kroniek. Men kan in dit verschijnsel vooral den sterk suggereerenden invloed erkennen van wijlen Busken ïïuet, die indertijd in eene beschouwing over do Nelorlanlsche tijdschritten onzen deftigen Gids herinnerde aan die eene natuurwet, aan welke men doorgaans liever niet herinnerd wenscht te worden. Zoo is de aanvankelijk zeer stroeve verhouding tusschen de beide Gidsen allengs overgegaan in eene kalme, vriendschappelijke genegenheid. Wellicht beleven wij nog den tijd, waarin ze broederlijk, hand aan hand, aan het hoofd van hunne getrouwe schare zullen opgaan naar den tempel, om hun offer van wierook neer te leggen op het hoogaltaar van het mysticisme.*
IV
HET TOLSTOÃSME.
Graaf Loo ïolstoi is in de laatste jaren een van de meestbekende en waarschijnlijk ook wel een van de meest gelezen schrijvers der wereld geworden. Zijn groote invloed op onze tijdgenooten is onmiskenbaar; maar die invloed is niet van een zuiver aesthctischen aard. Er heeft zich naar hem geene school gevormd, op de manier van de praerafaëlietische en symbolistische school. Ue geschriften, waartoe hij heeft aanleiding gegeven, hebben grootendeels een verklarend of een critisch karakter; er zijn geene dichterlijke scheppingen ontstaan volgens een model van Tolstoi. Do invloed, dien hij op ons donken en gevoelen heeft uirgeoefend, is van een meer bepaald zedelijken aard en strekt zich meer over de groote menigte van lezers uit, dan dat hij zich bepaalt tot een kleinen kring van letterkundigen, die naar iets nieuws streven en naar een gids uitzien Door het ïolstoïsme heeft men dus uiet te verstaan cene aesthetische theorie, maar wel eene wereldbeschouwing.
Om het bewijs te leveren, dat het Tolstoïsme eene geestelijke afdwaling, een vorm van ontaarding is, zal het noodig zijn, dat wij eerst ïolstoï zelf en daarna het
207
publiek, dat zijne theorieën toejuicht, op critische wijze beschouwen.
Tolstoi is zoowel dichter als philosoof, het laatste in den uitgebreiden zin van theoloog, moralist en verkondiger van socialistische stellingen. Als schepper van werken der fantasie staat hij zeer hoog, al kan hij ook niet op een lijn gestold worden met Turgenjew, boven wien toch velen hem verkiezen. Tolstoï mist als romanschrijver die prachtige artistieke eenheid en evenredigheid van vorm en inhoud, die de werken van Turgenjew'kenmerken , waarin geen woord te voel ot' te weinig is en waarin nimmer noodelooze uitweidingen en afwijkingen voorkomen. En het zijn juist die ontzaglijke uitweidingen, dat gemis aan eenheid , die de kunstwaarde van Tolstoï's beste werken, zooals Anna Kar e ui na. Oorlog en Vrede, De Kozakken, ontegensprekelijk verminderen. Terecht zegt de Vogué, in Le Roman rus se, sprekend over âOorlog eu vredequot; : âPast den naam van roman eigenlijk wel voor dit ingewikkelde werk ?... De vrij losse draad van de handeling dient alleen om enkele hoofdstukken uit de geschiedenis , de staatkunde , de philosofie , welke in deze polygraphie van de Russische wereld bont dooreen zijn gehaspeld, te verbinden... Men moot hier het genot koopen als bjj hot bestijgen van een berg. De weg is vermoeiend en slecht begaanbaar; men verdwaalt, men moet zich verbazend inspannen .. . Aan hen, die ontspanning in een roman zoeken, zal Tolstoï zeker niet voldoen. Deze nauwgezette ontleedkundige kent of versmaadt de eerste regelen der anatomie, die aan het Fransche genie van nature eigen zijn ; wij wenschen dat de romandichter een keus zal duen , dat hij uit den grooteu baaierd van wezens eu dingen eeu persoon, eene daadzaak zal afzonderen, om dat voorwerp zijner keuze in alle
208
bijzonderheden te beschouwen. Deze Rus , overmand door het gevoel van den grooten samenhang tussehen alle ver-scliijnselen, kan er niet toe ko;uen de duizenden banden door te snijden, die een mease!;, c;'iio daad, eene gedachte aan goheel den werelds â¢hen loop verbinden quot;
Vogué geeft, ofschoon onbewust, op deze manier zeer scherp de methode' aan, die do mystieke ontaarde volgt bij zijne beschouwing der wereld verschijnselen. Wij weten dat de eigenaardigheid van het mystisch donken zetelt in het gebrek aan opmerkzaamheid. W aar deze laatste ontbreekt, daar vertoont zich het wereldbeeld als een gelijkmatige stroom van raadselachtige toestanden, die zonder onderlingen samenhang opduiken en verdwijnen en dio niet tot een klare uitdrukking komen in het bewustzijn. De opmerkzame staat actief tegenover de uitwendige verschijnselen, de onopmerkzame daarentegen passief; do eerste rangschikt ze naar een bepaald plan, de laatste ontvangt den chaos der indrukken, zonder die indrukken genoegzattm te kunnen scheiden en regelen. Wij hebben hier hetzelfde onderscheid als bij het teruggeven van een verschijnsel door een goed schilder en door eene lichtgevoelige plaat. In de schilderij zullen enkele onderdeden van het verschijnsel onderdrukt zijn, terwijl andere sterk op den voorgrond treden ; in liet photografisch beeld worden alle détails van het verschijnsel nagenoeg met dezelfde nauwkeurigheid teruggeven. In de schilderij is de wil, de bedoeling van den schilder merkbaar ; de pliotografie is daarentegen willoos tot stand gekomen. Hierbij valt op te merken, dat ook het lichtbeeld geen volkomen getrouwe afdruk der werkelijkheid i?, want de chemisch bereide plaat is alleen gevoelig voor bepaalde kleuren ; bijv. van de roode en gele lichtstralen ontvangt zij maar een zeer zwakken, of in 't geheel geen indruk. De gevoeligheid
209
der chemische plaat nu komt overeen met de gevoels-wijze van den ontaarde. Ook deze heeft een voorkcui' voor bepaalde gedeelten van het verschijnsel, maar die voorkeur wordt niet bepaald door de wetten der bewuste opmerkzaamheid, maar door den drang van zijne onbewuste gevoeligheid. Hij neemt waar wat samenklinkt met zijne emoties; wat daarmee niet overeenstemt, is voor hem niet aanwezig. Zoo ontstaat de arbeidsmethode, die Vogué in de romans van Tolstoi aanwijst. De bijzonderheden worden gelijkmatig waargenomen en naast elkaar gestold, niet in verband met haar meer ot' minder gewicht voor de hoofdgedachte, maar wol volgens hare betrokking tot de emoties van den dichter. Hot is de lezer, die de hoofdgedachte in den roman moet loggen. De roman is alleen geschreven, omdat de dichter sterke emoties ondervond eu omdat enkele voorvallen uit het maatschappelijk beeld, dat zich voor hem ontrolde, deze emoties aanwakkerden. Zoo gelijkt de roman van ïolstoi op het beeld der prae-rafaëlieten: een overvloed van wonderlijk nauwkeurige op zich zelf staande dingen, een nevelachtige, nauw hor-kenbare grondgedachte, eene diepe en hevige emotie. Ook dit beseft Vogué duidelijk, ofschoon hij het niet verklaart. âDeze gevoelige en weifelende geest,quot; zegt hij, âdie zich in de nevelen van het nihilisme baadt, ziet duidelijk, schielijk eu analytisch alles, wat zich op aarde voordoet... Meu zou kunnen zeggen : de geest van een Engelsch scheikundige in de ziel van een Indisch Boeddhist. AVie dat kan verklaren, zou geheel Rusland kunnen verklaren... De verschijnselen bieden hem een vei-ligen grond aan, zoolang hij ze afzonderlijk waarneemt ⢠wanneer hij echter wil doordringen tot hunne onderlinge betrekkingen eu hunne ondoorgrondelijke oorzaken, dan verduistert zich de heldere blik, de grond zinkt hem noudau, Ontaarding. 14
208
bijzonderheden te bescliouwen. Deze Rus , overmand door het gevoel van den grooten samenhang tusschen alle ver-schjjaselen, km er niet toe konion de duizenden banden door te snijden, die een mensch, eene daad, eene ge-dachto aan geheel don werelds 'hen loop verbinden quot;
Vogué geoft, ofschoon onbewust, op deze manier zeer scherp de methode' aan, die do mystieke ontaarde volgt bij zijne beschouwing der wereld verschijnselen. 'W ij weten dat de eigenaardigheid van het mystisch denken zetelt in het gebrek aan opmerkzaaiuheid. Waar deze laatste ontbreekt. daar vertoont zich het wereldbeeld als een gelijkmatige stroom van raadselachtige toestanden, die zonder onderlingen sainenliang opduiken en verdwijnen en die niet tot een klare uitdrukking komen in het bewustzijn. De opmerkzame staat actief tegenover de uitwendige verschijnselen, do onopmerkzame daarentegen passief; de eerste rangschikt ze naar een bepaald plan, de laatste ontvangt den chaos der indrukken, zonder die indrukken genoegzaam te kunnen scheiden en regelen. quot;Wij hebben hier hetzelfde onderscheid als bij het teruggeven van een verschijnsel door een goed schilder en door eene lichtgevoelige plaat. In de schilderij zullen enkele onderdeelen van het verschijnsel onderdrukt zijn, terwijl andere sterk op den voorgrond treden ; in liet photografisch beeld worden alle détails van het verschijnsel nagenoeg met dezelfde nauwkeurigheid teruggeven. In de schilderij is de wil, do bedoeling van den schildoi merkbaar ; de photografie is daarentegen willoos tot stand gekomen. Hierbij valt op te merken, dat ook liet lichtbeeld geen volkomen getrouwe afdruk der werkelijkheid is, want de chemisch bereide plaat is alleen gevoelig voor bepaalde kleuren ; bijv. van de roode en gele lichtstralen ontvangt zij maar een zeer zwakken, of in 't geheel geen indruk. De gevoeliglieid
209
7
der chemische plaat nu komt overeen met de gevoels-wijze van don ontaarde. Ook deze heeft een voorkeur voor bepaalde gedeelten van het verschijnsel, maar die voorkeur wordt niet bepaald door de wetten der bewuste opmerkzaamheid, maar door den drang van zijne onbewuste gevoeligheid. Mij neemt waar wat samenklinkt met zijne emoties; wat daarmee niot overeenstemt, is voor hom niet aanwezig. Zoo ontstaat de arbeidsmethode, die Vogué in de romans van ïolstoi aanwijst. De bijzonderheden worden gelijkmatig waargenomen en naast elkaar gesteld, niet in verband met haar meer of minder gewicht voor do hoofdgedachte, maar wel volgens hare betrekking tot de emoties van den dichter. Het is de lezer, die de hoofdgedachte iu deu roman moet leggen. Do roman is alleen geschreven, omdat do dichter sterke emoties ondervond en omdat enkele voorvallen uit het maatschappelijk beeld, dat zich voor Item ontrolde, deze emoties aanwakkerden. Zoo gelijkt de roman van ïolstoi op het beeld der prae-rafaëlieten; een overvloed van wonderlijk nauwkeurige op zich zelf staande dingen, een nevelachtige, nauw herkenbare grondgedachte, eene diepe en hevige emotie. Ook dit beseft Vogué duidelijk, ofschoon hij het niet verklaart. âDeze gevoelige en weifelende geest,quot; zegt bij, âdie zich in de nevelen van het nihilisme baadt, ziet duidelijk, schielijk en analytisch alles, wat zich op aarde voordoet... Men zou kunnen zeggen : de geest van een Engelsch scheikundige iu de ziel van een Indisch Boeddhist. Wie dat kan verklaren, zou geheel Rusland kunnen verklaren ... De verschijnselen bieden hem een vei-
ligen grond
aan, zoolang hij ze afzonderlijk waarneemt ; wanneer hij echter wil doordringen tot hunne onderlinge betrekkingen en hunne ondoorgrondelijke oorzaken, dan verduistert zich de heldere blik, de grond zinkt hem
NOUDAU, Ontaarding. 14
h
f
'M
210
ouder de voeten weg en hij stort in een afgrond van wijsgeerige tegenstrijdighoden, in en om zich voelt hij niets meer dan den nacht en het Niet.quot; Den lezers, die onze beschouwing over het mysticisme hebben gevolgd, zal de verklaring van dit verschijnsel, waarvan Vogué de uitlegging niet kan vinden, niet moeilijk vallen. De mystieke denker toch is niet in staat de waargenomen afzonderlijke verschijnselen logisch in verband met de hoofdgedachte te verbinden.
Toch heeft Tolstoi, hoe hoog ook zijne romantische werken bij velen mogen aangeschreven staan , zijne vermaardheid en zijn invloed op de tijdgenooten niet in de eerste plaats hieraan te danken. Vóór de verschijning van zijne Kreutzer-Souate gold hij voor âeen ongewoon belletristisch talent, waaraan echter de eigenschappen van eene onvoldoende technische vorininar en van eene zekere
O
eenzijdigheid in levensbeschouwingen niet konden ontzegd worden.quot; Meer opzien dan de eerstgenoemde romantische werken baarde echter zijne Kreutzer-Sonate, een klein geschrift dat in 1889 verscheen, spoedig in alle talen overgezet, in duizende exemplaren verspreid en door millioenen met de grootste bewondering gelezen werd. Van dat oogenblik af leeft eigenlijk de naam van Tolstoi in aller mond, dagteekent de algemeene bekendheid, de roem van Tolstoi en is hij geworden een vau de meest merkwaardige figuren van de op haar eind loopende eeuw. Tooh staat de Kreutzer-sonate literarisch lang niet zoo hoog als Anna Karenina of Oorlog en Vrede, waaruit dus volgt, dat niet de dichter als de oorzaak van het Tolstoïsme moet beschouwd worden. Inderdp.ad steunt deze geestesrichting geheel op den wijsgeer Tolstoi. Voor ons onderzoek is dan ook de wijsgeer veel belangrijker dan de dichter.
211
Tolstoi heeft zich eene beschouwing van de wereld, van den mensch en van het doel des levens gevormd, lt;lie duidelijk in al de genoemde werken doorstraalt, maar die ook tevens meer bepaald in enkele kleinere theoretische geschriften wordt uitgesproken , zooals in: âMijne bekentenissenquot; , âMijn Geloofquot; , âBeknopte uiteenzetting van het evangeliequot; âVan het levenquot; en âVerderfelijke genoegensquot;. Zijne wereldbeschouwing komt in het kort hierop neer: de mensch op zich zelf is niets , hij betee-kent alleen iets als deel van het geheel; het individu leeft alleen om zijnen medeschepselen wel te doen; in het denken en in het onderzoeken ligt het grootste kwaad, de wetenschap is het verderf, heil is alleen te wachten van hot geloof.
Tolstoi verhaalt in âMijne Bekentenissenquot; hoe hij tot die overtuiging is gekomen. âIk werd al vroeg ougeloovig. Ik leefde een tijdlang even als alle andere menschen, van de ijdelheden des levens. Ik schreef boeken en verkondigde even als de anderen , wat ik niet wist. Toen begon de Sphinx mij al wreeder eu wreeder te vervolgen: los mijne raadsels op, of ik zal u verscheuren. De wetenschap heeft mij niets verklaard. Op mijne eeuwigdurende vraag, de eenige , die iets beteekent: waarvoor leef ik ? â gaf de quot;wetenschap mij antwoorden, die mij iets anders zeiden, dat mij volkomen onverschillig was- De wetenschap zeide mij alleen: het leven is een zinneloos kwaad. Ik wilde mij van het leven berooven. Toen kwam ik op de gedachte om toe te zien, hoe die ontzaglijk groote meerderheid vau menschen leeft, die niet, zooals wij , behooren tot de hoogere standen, die zich niet bezighouden met studie en onderzoek , maar die handenarbeid verrichten en lijden en nochtans omtrent het dool des levens niet in het onzekere zijn . Ik begreep, dat iLen behoorde te leven als zij en
14*
212
dat men tot hun eenvoudig geloof moest terugkeeren.quot;
Wanneer men dezen gedachtenloop ernstig wil nagaan, dan komt men al spoedig tot do ontdekking, dat de hoofdvraag , die hier gesteld wordt: Waarvoor leef ik, wat is het doel van ons leven ? oppervlakkig en foutief is. Hierbij gaat men toch stilzwijgend uit van de meening, dat ons leven een bepaald doel zou hebben ; en daar nu ons leven niets anders is dan een verschijnsel in het totaal-leven der geheele natuur, in de ontwikkeling onzer aarde , van ons zonnestelsel, van alle zonnestelsels, zoo moet dan ook uit die onderstelling volgen, dat het totaal-leven der natuur een bepaald doel zou hebben. Deze veronderstelling moet weer noodzakelijk gegrond zijn op het aannemen van het bestaan van een bewusten, denkenden en leidenden geest in het heelal. Want door doel verstaat men toch eene zoodanige werking van de op een oogenblik aanwezige krachten, dat daardoor iets bepaalds in de toekomst zal worden voortgebracht. Het doel oefent dus op deze krachten een invloed uit en is als zoodanig dns zelf eene kracht. .Dat doel kan echter niet als een voorwerp in tijd en ruimte voorhanden zijn , want dan zou het tevens ophouden doel te zijn; het zou een oorzaak worden, d. w. z. eene kracht, die in liet algemeene mechanisme der natuurkrachten moest worden ingelascht, en in dat geval zou dus van een streven naar een doel geen sprake meer kunnen zijn. Is het doel echter onafhankelijk van tijd en ruimte, dan moet het als gedachte , als plan voorhanden zijn; maar wat als zoodanig voorhanden is, noemen wij bewustzijn, en een bewustzijn, dat een wereldplan uitdenkt en dat de natuurkrachten tot verwezenlijking van dat plan aanwendt, is datgene, wat wij bedoelen met den naam Godheid. Gelooft men aan een God, dan komt de vraag: Waarvoor leef ik ? allerminst te pas In dat
213
geval toah is hot een bespottelijke aanmatiging, eene belachelijke poging van den kleinen, zwakken mensch, om God's bedoelingen nit te vorschen en zich op te werken tot de hoogte van het alomvattend weten. Bovendien is dan de vraag geheel onnoodig: want een God kan niet gedacht worden zonder do hoogste wijsheid, en wanneer Hij een wereldplan heeft uitgedacht, dan is het zeker volkomen; alle onderdeelen moeten harmonisch zijn , en de mensch kan met volkomen rust en vertrouwen naaide in hem gelegde drijfveeren handelen en leven, daar hij alsdan overtuigd is , dat hij meewerkt tot de uitvoering van een goddelij k, ofschoon onbekend , maar toch volkomen wereldplan.
Gelooft men daarentegen niet aan een' God, dan kan er ook geen sprake zijn van een doelmatigsheids-begrip, daar alsdan bij gebreke van een wereldbewustzijn, voor een dool ook geen plaats is in de natuur. Het leven heeft dan geen doel meer, doch alleen oorzaken. AVij moeten dan niet meer vragen: waart-oor leef ik ? maar: waarom leef ik ? Het antwoord op deze laatste vraag nu is uiet zoo moeilijk te vinden. AVij leven, omdat wij evenals de geheele kenbare natuur staan onder de alomvattende wet der oorzakelijkheid Volgens deze wet wortelen de verschijnselen van het tegenwoordige in het verledene, niet in de toekomst. Wij leven, omdat onze ouders ons hebben voortgebracht, omdat wij van hen eene hoeveelheid levenskracht hebben meegekregen, die ons in staat stelt een tijd lang weerstand te bieden aan de ontbindende natuurkrachten , die op ons inwerken. Objectief beschouwd is dus ons leven het noodwendige resultaat van de aan de natuurwetten gehoorzamende natuurkrachten. Subjectief houdt het een zekere hoeveelheid genoegens en smarten in zich opgesloten. De genoegens bestaan in een bevrediging
214
van organische driften en verlangens, de smarten in het vergeefsch streven naar bevrediging. In een normaal organisme, dat een hoogen graad van accomodatievermogen bezit, treden alleen zulke neigingen op, waarvan de bevrediging, althans tot een zekeren graad, ten nutte komt aan het individu; in een dergelijk leven moet dus het genoegen verre de overhand hebben boven de smart, een zoodanig leven wordt genoten als het hoogste goed. In een ziekelijk gestoord organisme bestaan ontaarde neigingen en driften, die niet bevredigd kunnen worden of wier bevrediging het individu schaadt; in een dergelijk leven heeft de smart de overhand boven het genot. Mijne verklaring van het raadsel des levens is nauw verwant met de zoogenaamde eudaemonistische, maar zij berust op biologischen, niet op metaphysischen grondslag. Hieruit wordt op natuurlijke wijze verklaard, dat optimisme en pessimisme gelijkstaan met toereikende of ontoereikende levenskracht, met voldoend of onvoldoend accomodatievermogen , met gezondheid eu ziekte. De onbevangen waarneming van het leven toont, dat de geheele menschheid bewust of onbewust op hetzelfde wijsgeerige standpunt staat. De menschen leven gaarne, en eerder stilvergenoegd dan treurig, zoolang het leven hen in staat stelt aan hunne verlangens te voldoen. Wordt het lijden grooter dan het gevoel van genot, /.oodat de zucht tot zelfbehoud, de sterkste der menschelijke dnjfveeren verloren gaat, dan verlangen zij naar den dood, of zij dooden zich zelf. Toen Bismarck eens zeide: âIk weet niet, waarom ik alle ongemakken van het leven zou dragen, indien ik niet aan God en aan een leven hiernamaals zou geloovenquot; â bewees hij daarmee, dat hij van de vorderingen in het menschehjk denken sedert Hamlet, die ongeveer dezelfde vraag stelde, niet genoegzaam op de hoogte was. Hij draagt
215
de ongemakken van liet leven, omdat en zoolang hij ze dragen kan; zoodra zijne krachten niet meer toereikend daarvoor zijn, werpt hij ze af. Daarom leeft de ongeloovige en is blijmoedig, zoolang het genot in het leven de overhand heeft, en daarom kan ook de geloovige, zooals trouwens de ervaring leert, een zelfmoordenaar worden, wanneer hij zijne levensrekening ziet sluiten met een schadelijken post aan bevredigingen. Het argument van het geloof heeft, evenals het argument van eer en plicht, eene sterk overredende kracht en moet als een actieve post in rekening gebracht worden. Maar zijn bedrag heeft ook een eindige waarde, en het kan alleen opwegen tegen een kwantiteit lijden, gelijkstaande met dat bedrag.
Uit deze beschouwingen volgt, welk antwoord op die ontzettende vraag: âwaarvoor leef ik ?quot; die Tolstoi bijna tot zelfmoord heeft gedreven, kan gegeven worden. De geloovige, die aanneemt dat zijn leven een doel moet hebben, zal volgens zijne neigingen en krachten leven en zeggen, dat hij meewerkt tot de volvoering van een hem onbekend wereldplan, zooals een soldaat gewillig zijn plicht doet, zonder dat hij van den geheelen loop en de bedoeling van den veldtocht ook maar het flauwste denkbeeld heeft. De ongeloovige, die overtuigd is dat zijn leven niets is dan een noodzakelijk gevolg van de wet van oorzakelijkheid, weet dat Inj leeft omdat en zoolang het leven voor hem een bron van bevrediging van genot is.
Heeft Tolstoi in zijn wanhopig zoeken een ander antwoord gevonden ? Jïeen. Het besluit, waartoe hij na al zijn denken is gekomen, namelijk dat de ontzaglijke groote meerderheid, die niet denkt, zich van het doel van het leven bewust is en dat men tot het eenvoudig geloof van de niet-ontwikkelde menschheid zou moeten terugkeeren, is willekeurig en onjuist.
216
Het verraadt een mystieken gedachtensprong. Die groote meerderheid toch leeft rustig en blijmoedig, niet omdat zij het âeenvoudige geloofquot; heeft, maar omdat zij gezond, normaal is, omdat zij gehecht is aan het leven, dat haar bij 't gebruik en in 't volle genot harer krachten, bevredigt. En omdat zij in het leven behagen vinden, zijn zij optimistisch, en omdat zij optimistisch zijn, âgeloovenquot; ze. Tolstoi wil in het âgeloofquot; do oorzaak vinden van het betrekkelijk geluk van deze meerderheid van 't volk, terwijl het toch werkelijk als gevolg van hunne geringe ontwikkeling, van hunne eenzijdige opvoeding en van bijkomende levensomstandigheden moet beschouwd worden.
Hoe Tolstoi tot den terugkeer tot het eenvoudig geloof is gekomen, verhaalt hij aldus: âIk werd tot het Christendom niet door theologische of historische onderzoekingen teruggebracht, maar wel door de omstandigheid dat ik, toen ik op 50-jarigen leeftijd mijzelven en de verstandige menschen in mijne omgeving afvroeg, wat mijn leven te beduiden had, tot antwoord kreeg: âGij zijt eene toevallige aaneenschakeling van deeltjes, liet leven heeft geen bepaalde beteekenis, het leven op zich zelf is een kwaad,quot; â dat ik toen wanhopig werd en mij van het leven wilde berooven. Maar toen viel het mij in dat vroeger, in mijne jeugd, toen ik geloofde, liet leven voor mij wel eene beteekenis had en dat de menschen rondom mij, die ook gelooven en die niet door rijkdom zijn verdorven, toch ook goed en tevreden leven ; en toen begon ik te twijfelen aan de juistheid van het antwoord, dat de wijsheid uit mijne omgeving mij had gegeven, en ik deed mijn best om het antwoord te verstaan, dat het Christendom geeft aan de menschen, die een degelijk leven leiden quot;
Hij vond dit antwoord âin de Evangeliën, deze bron van licht.quot; âHet was mij,quot; zoo gaat hij voort, âvolkomen
217
onverschillig, of Jezus Christus een God of geen God was, of de heilige geest van dezen of van een ander uitging; het was evenmin noodig of gewichtig voor mij te weten, wanneer of door wien het evangelie of eenige gelijkenis was geschreven en of men die aan Christus behoorde toe te schrijven of niet. Yoor mij was alleen belangrijk het licht, dat 1800 jaren lang de wereld verlichtte en nog verlicht; welke naam echter aan do bron van dit licht moest gegeven worden, uit welke bestanddeelen het zou bestaan en door wien het ontstoken zou zijn, dat was mij totaal onverschillig.quot;
De opmerkzame lezer zal terstond inzien dat ïolstoi hier weer, op echt mystieke wijze, oen grove denkfout begaat, door het evangelie een licht te noemen en tegelijkertijd te zeggen , dat het hem volkomen onverschillig is, waarin de oorsprong van dit licht zetelt. Het evangelie kan toch maar alleen in figuurlijken zin een licht genoemd worden, en de vergelijking is dan alleen juist, wanneer het de waarheid bevat; indien nu het onderzoek eens mocht aantoonen dat het evangelie het werk van menschen is en berust op sagen en overleveringen, dan zou de vergelijking met het goddelijk licht der waarheid volkomen mank gaan. Terwijl dus ïolstoi het evangelie een licht noemt en tegelijkertijd de noodzakelijkheid ontkent, om de bronnen van dat licht op te sporen, neemt hij als bewezen aan, wat juist nog te bewijzen overblijft. Onwillekeurig doen deze verwarring in gcdachtenloop, die minachting der werkelijkheid en die voorbarige gevolgtrekkingen, die op geen vasten grond steunen, denken aan de woorden van Rossetti; âWat kan het mij schelen, of de zon om de aarde draait, of de aarde om de zon.quot;
Hoe Tolstoi met het evangelie omspringt, dat kan men lezen in zijne âBeknopte uiteenzetting.quot; Hij bekommert
218
zich in 't minst niet omtrent den letterlijken zin van de woorden der Schrift, maar legt daarin wat hem door het hoofd gaat. Zoodoende komt hij tot het bekende Pantheïsme, een leer, die in de gescliiedenis der philosofie wel bekend is, maar die niet door Tolstoi is uitgedacht. Zij is reeds voorbereid in het Boeddhisme en door Spinoza verder ontwikkeld. Maar in liet evangelie is zij als zoodanig niet vervat; met al de wijzigingen en uitleggingen, die men aan de Bijbelsche geschriften moge geven, kan men nooit het geloof aan een persoonlijk God en aan de goddelijke natuur van Christus laten varen, zonder daarmee gelijktijdig de geheele christelijke leer prijs te geven en deze van hare voornaamste gronden en organen te berooven.
De inconsequentie, waarmee Tolstoi in zijne beschouwingen te werk gaat, komt in zijne theoretische geschriften herhaaldelijk aan het licht. Wanneer hij in âüijn godsdienstquot; uitdrukkelijk de opstanding van het lichaam en de individualiteit der ziel ontkent, dan bemerkt hij niet dat hij precies dezelfde leer verkondigt als die, welke vei-vat was in liet antwoord der wijzen, dat hem vroeger bijna tot zelfmoord had gedreven. Wanneer hij toch beweert dat het leven niet in het verledene of in de toekomst, maar alleen in het tegenwoordige ligt, dan kan het ook geen doel hebben, omdat een doel altijd op het toekomende wijst; Tolstoi heeft dus, ofschoon hij 'tzich zelf niet bewust is, ten slotte volkomen vrede met dezelfde leer, die hem vroeger radeloos maakte, d. w. z. met de bewering dat de mensch eene noodzakelijke, oorzakelijk bedongene aaneenschakeling van deeltjes zou zijn, zonder een bepaald doeleinde.
De geheele wereldbeschouwing van Tolstoi, hoe goed bedoeld zij ook moge zijn, is dus niets dan nevel; hij
219
begrijpt zijn eigene vragen evenmin als de antwoorden, die hij er op geeft. Met zijne moraal, waaraan liij log grooter gewicht hecht dan aan zijne philosofie , ziet het er niet veel beter uit. Hij vat die moraal samen in vijf geboden, waarvan het vierde het belangrijkste is: âVerzet u niet tegen het kwaad, dat u wordt aangedaan. Verdraagt het onrecht en doet meer, dan de menschen verlangen , dus oordeelt niet en laat niet oordeelen . . . Wraak leidt tot wraak.quot; Daaruit volgt dus : geen rechtbanken , geen legers, geen gevangenissen, geen openbare bijzondere vergelding, geen oorlogen of vonnissen. De wet van het loven is do strijd om liet bestaan, de wet van Christus is de opoffering van zijn eigen leven voor anderen. .
Het zal wel onnoodig zijn om op het ongerijmde van deze zedeleer te wijzen; 't zou de vraag zijn, of zij in het Duizend-jarig Rijk , in een Utopia , waar de ondeugden der menschen niet meer bestaan, zou kunnen toegepast worden. Wat zal er van liet leven terecht komen, wanneer de moordenaars en de dieveu de galg of de gevangenis niet meer behoeven te vreezen, wanneer de menschen niet meer door vrees voor straf en vergelding worden teruggehouden van kwaaddoen , en wat zou de groote massa van onverschilligen, die geen bepaalde neiging hebben tot het goede , noch tot het kwade , terughouden het voorbeeld van boosdoeners na te volgen ? Zeker niet de leer van Tolstoï, âdat het ware leven in het tegenwoordige leven is.quot; Het eerste waarop de menschen , die zich aaneensluiten tot eene maatschappij , bedacht zijn , is de verdediging van hunne medeschepselen tegen de zieken , die aan moordzucht lijden , en tegen de boeven die, evenzeer afwijkend van het normale menschentijpe, alleen kunnen leven van den arbeid van anderen en die ter bevro-
220
diging van hunue lusten iedereen , die hen wil tegenhouden, uit den weg zouden willen ruimen. De individuen met de ziekelijke neigingen zouden spoedig de meerderheid uitmaken , indien de gezonden ze niet bestreden en in toom hielden; de geheele maatschappij zou zoodoende haar ondergang te gemoet rennen.
Behalve de negatieve leerstelling, dat wij ons niet moeten verweren tegen het kwaad, dat ons wordt aangedaan , bevat Tolstoi's zedeleer ook eene positieve : men moet allo menschen liefhebben , voor hen alles, ook zijn leven, opofferen, hen goed doen, waar men kan. âAlleen zij leven, die het goede doen,quot; zegt hij. âNiet de aalmoes werkt vruchtbaar, maar de broederlijke verdeeling. Wie twee mantels heeft, moet er een geven aan hem, die er geen heeft.quot; Dit onderscheid tusschen aalmoes en verdeeling kan niet in ernst worden doorgevoerd. Elke gave , die een mensch van een ander aanneemt, zonder dat hij daarvoor arbeid verricht of een wederdienst bewijst , is een aalmoes. Zieken, ouden, zwakken, onge-lukkigen die niet kunnen werken, moeten geholpen worden ; dat is niet alleen plicht van den medemensch, maar ook een natuurlijke drang. Maar aan iemand, die tot werken in staat is, een aalmoes te schenken, is valsche en verkeerd begrepen barmhartigheid. Vindt iemand, die kan arbeiden, geen werk, dan is dat een fout van de huishoudelijke inrichting der maatschappij , en dan moet ieder naar zijn vermogen er toe meewerken om die fout uit den weg te ruimen ; maar in dit geval zal het geven van aalmoezen de werkloosheid nog meer in de hand werken. Heeft de werklooze bovendien nog een afkeer van arbeid, dan zal do aalmoes hem nog dieper doen zinken en kan er alleen toe bijdragen om de neiging tot het aanwenden zij ner krachten, waardoor het organisme
221
alleen gezond kan zijn of worden , geheel te dooden. Op die manier vernedert de aalmoes zoowel den gever als den ontvanger en werkt verderfelijk op het gevoel van plicht en van zedelijkheid van beiden.
Om de naastenliefde in praktijk te brengen, zooais Tolstoi dit wenscht, d. w. z. om hot leed van anderen te verminderen en het geluk te vermeerderen , is het in dfe de eerste plaats noodig, dat men zich nauwkeurig op Je hoogte stelle van de levensomstandigheden, de behoeften en gevoelens van anderen, en hiertoe worden ver-eischt nauwkeurige waarneming en goed nadenken. Men moet zich daarbij inspannen om voor een tijd lang niet te deuken aan zijne eigen voorstellingen en gewoonten; men moet zich als 't ware in de huid steken van den menscli, dien men een weldaad wil bewijzen. .Men moet de bedoelde weldaad bekijken met het oog van hem, die ontvangt, niet met het oog van deu weldoener. Doet Tolstoi dat? Zijne verhalen, waarin hij voorbeelden van zijne naastenliefde geeft, bewijzen eer het tegendeel.
In de vertelling âAlbertquot; neemt een zekere Dellessow een ziekelijkeu en halfverhongerden violist uit bewondering voor zijne groote gaven en uit medelijden met zijne armoede in zijn huis op. Daar de ongelukkige kunstenaar aan den drank is, sluit Delessow hem als 't ware op, laat hem bewaken door zijn bediende Sachar, en onthoudt hem allo spiritualiën. Den eersten dag schikt Albert zich in zijn lot, hij is echter gedrukt en ontstemd. Den tweeden dag werpt hij op zijn weldoener al boosaardige blikken. âKij scheen bang te zijn voor Delessow; telkens wanneer hunne oogen elkaar ontmoetten, was een hevige schrik op ziju aangezicht te lezen.. . Hij antwoordde niet op de vragen, die tot hem werden gerichtquot; Den derden dag eindelijk komt Albert in verzet tegen
220
diging van hunue lusten iedereen , die hen wil tegenhouden, uit den weg zouden willen ruimen. De individuen met de ziekelijke neigingen zouden spoedig de meerderheid uitmaken , indien de gezonden ze niet bestreden en in toom hielden; de geheele maatschappij zou zoodoende haar ondergang te gemoet rennen.
Behalve de negatieve leerstelling, dat wij ons niet moeten verweren tegen het kwaad, dat ons wordt aangedaan , bevat Tolstoi's zedeleer ook eene positieve : men moet allo menschen liefhebben , voor hen alles, ook zijn leven, opofferen, hen goed doen, waar men kan. âAlleen zij leven, die het goede doen,quot; zegt hij. âNiet de aalmoes werkt vruchtbaar, maar de broederlijke verdeeling. Wie twee mantels heeft, moet er een geven aan hem, die er geen heeft.quot; Dit onderscheid tusschen aalmoes en verdeeling kan niet in ernst worden doorgevoerd. Elke gave , die een mensch van een ander aanneemt, zonder dat hij daarvoor arbeid verricht of een wederdienst bewijst , is een aalmoes. Zieken, ouden, zwakken, onge-lukkigen die niet kunnen werken, moeten geholpen worden ; dat is niet alleen plicht van den medemensch, maar ook een natuurlijke drang. Maar aan iemand, die tot werken in staat is, een aalmoes te schenken, is valsche en verkeerd begrepen barmhartigheid. Vindt iemand, die kan arbeiden, geen werk, dan is dat een fout van de huishoudelijke inrichting der maatschappij , en dan moet ieder naar zijn vermogen er toe meewerken om die fout uit den weg te ruimen ; maar in dit geval zal het geven van aalmoezen de werkloosheid nog meer in de hand werken. Heeft de werklooze bovendien nog een afkeer van arbeid, dan zal do aalmoes hem nog dieper doen zinken en kan er alleen toe bijdragen om de neiging tot het aanwenden zij ner krachten, waardoor het organisme
221
alleen gezond kan zijn of worden , geheel te dooden. Op die manier vernedert de aalmoes zoowel den gever als den ontvanger en werkt verderfelijk op het gevoel van plicht en van zedelijkheid van beiden.
Om de naastenliefde in praktijk te brengen, zooais Tolstoi dit wenscht, d. w. z. om hot leed van anderen te verminderen en het geluk te vermeerderen , is het in dfe de eerste plaats noodig, dat men zich nauwkeurig op Je hoogte stelle van de levensomstandigheden, de behoeften en gevoelens van anderen, en hiertoe worden ver-eischt nauwkeurige waarneming en goed nadenken. Men moet zich daarbij inspannen om voor een tijd lang niet te deuken aan zijne eigen voorstellingen en gewoonten; men moet zich als 't ware in de huid steken van den menscli, dien men een weldaad wil bewijzen. .Men moet de bedoelde weldaad bekijken met het oog van hem, die ontvangt, niet met het oog van deu weldoener. Doet Tolstoi dat? Zijne verhalen, waarin hij voorbeelden van zijne naastenliefde geeft, bewijzen eer het tegendeel.
In de vertelling âAlbertquot; neemt een zekere Dellessow een ziekelijkeu en halfverhongerden violist uit bewondering voor zijne groote gaven en uit medelijden met zijne armoede in zijn huis op. Daar de ongelukkige kunstenaar aan den drank is, sluit Delessow hem als 't ware op, laat hem bewaken door zijn bediende Sachar, en onthoudt hem allo spiritualiën. Den eersten dag schikt Albert zich in zijn lot, hij is echter gedrukt en ontstemd. Den tweeden dag werpt hij op zijn weldoener al boosaardige blikken. âKij scheen bang te zijn voor Delessow; telkens wanneer hunne oogen elkaar ontmoetten, was een hevige schrik op ziju aangezicht te lezen.. . Hij antwoordde niet op de vragen, die tot hem werden gerichtquot; Den derden dag eindelijk komt Albert in verzet tegen
220
diging van hunue lusten iedereen , die hen wil tegenhouden, uit den weg zouden willen ruimen. De individuen met de ziekelijke neigingen zouden spoedig de meerderheid uitmaken , indien de gezonden ze niet bestreden en in toom hielden; de geheele maatschappij zou zoodoende haar ondergang te gemoet rennen.
Behalve de negatieve leerstelling, dat wij ons niet moeten verweren tegen het kwaad, dat ons wordt aangedaan , bevat Tolstoi's zedeleer ook eene positieve : men moet allo menschen liefhebben , voor hen alles, ook zijn leven, opofferen, hen goed doen, waar men kan. âAlleen zij leven, die het goede doen,quot; zegt hij. âNiet de aalmoes werkt vruchtbaar, maar de broederlijke verdeeling. Wie twee mantels heeft, moet er een geven aan hem, die er geen heeft.quot; Dit onderscheid tusschen aalmoes en verdeeling kan niet in ernst worden doorgevoerd. Elke gave , die een mensch van een ander aanneemt, zonder dat hij daarvoor arbeid verricht of een wederdienst bewijst , is een aalmoes. Zieken, ouden, zwakken, onge-lukkigen die niet kunnen werken, moeten geholpen worden ; dat is niet alleen plicht van den medemensch, maar ook een natuurlijke drang. Maar aan iemand, die tot werken in staat is, een aalmoes te schenken, is valsche en verkeerd begrepen barmhartigheid. Vindt iemand, die kan arbeiden, geen werk, dan is dat een fout van de huishoudelijke inrichting der maatschappij , en dan moet ieder naar zijn vermogen er toe meewerken om die fout uit den weg te ruimen ; maar in dit geval zal het geven van aalmoezen de werkloosheid nog meer in de hand werken. Heeft de werklooze bovendien nog een afkeer van arbeid, dan zal do aalmoes hem nog dieper doen zinken en kan er alleen toe bijdragen om de neiging tot het aanwenden zij ner krachten, waardoor het organisme
221
alleen gezond kan zijn of worden , geheel te dooden. Op die manier vernedert de aalmoes zoowel den gever als den ontvanger en werkt verderfelijk op het gevoel van plicht en van zedelijkheid van beiden.
Om de naastenliefde in praktijk te brengen, zooais Tolstoi dit wenscht, d. w. z. om hot leed van anderen te verminderen en het geluk te vermeerderen , is het in dfe de eerste plaats noodig, dat men zich nauwkeurig op Je hoogte stelle van de levensomstandigheden, de behoeften en gevoelens van anderen, en hiertoe worden ver-eischt nauwkeurige waarneming en goed nadenken. Men moet zich daarbij inspannen om voor een tijd lang niet te deuken aan zijne eigen voorstellingen en gewoonten; men moet zich als 't ware in de huid steken van den menscli, dien men een weldaad wil bewijzen. .Men moet de bedoelde weldaad bekijken met het oog van hem, die ontvangt, niet met het oog van deu weldoener. Doet Tolstoi dat? Zijne verhalen, waarin hij voorbeelden van zijne naastenliefde geeft, bewijzen eer het tegendeel.
In de vertelling âAlbertquot; neemt een zekere Dellessow een ziekelijkeu en halfverhongerden violist uit bewondering voor zijne groote gaven en uit medelijden met zijne armoede in zijn huis op. Daar de ongelukkige kunstenaar aan den drank is, sluit Delessow hem als 't ware op, laat hem bewaken door zijn bediende Sachar, en onthoudt hem allo spiritualiën. Den eersten dag schikt Albert zich in zijn lot, hij is echter gedrukt en ontstemd. Den tweeden dag werpt hij op zijn weldoener al boosaardige blikken. âKij scheen bang te zijn voor Delessow; telkens wanneer hunne oogen elkaar ontmoetten, was een hevige schrik op ziju aangezicht te lezen.. . Hij antwoordde niet op de vragen, die tot hem werden gerichtquot; Den derden dag eindelijk komt Albert in verzet tegen
220
diging van hunue lusten iedereen , die hen wil tegenhouden, uit den weg zouden willen ruimen. De individuen met de ziekelijke neigingen zouden spoedig de meerderheid uitmaken , indien de gezonden ze niet bestreden en in toom hielden; de geheele maatschappij zou zoodoende haar ondergang te gemoet rennen.
Behalve de negatieve leerstelling, dat wij ons niet moeten verweren tegen het kwaad, dat ons wordt aangedaan , bevat Tolstoi's zedeleer ook eene positieve : men moet allo menschen liefhebben , voor hen alles, ook zijn leven, opofferen, hen goed doen, waar men kan. âAlleen zij leven, die het goede doen,quot; zegt hij. âNiet de aalmoes werkt vruchtbaar, maar de broederlijke verdeeling. Wie twee mantels heeft, moet er een geven aan hem, die er geen heeft.quot; Dit onderscheid tusschen aalmoes en verdeeling kan niet in ernst worden doorgevoerd. Elke gave , die een mensch van een ander aanneemt, zonder dat hij daarvoor arbeid verricht of een wederdienst bewijst , is een aalmoes. Zieken, ouden, zwakken, onge-lukkigen die niet kunnen werken, moeten geholpen worden ; dat is niet alleen plicht van den medemensch, maar ook een natuurlijke drang. Maar aan iemand, die tot werken in staat is, een aalmoes te schenken, is valsche en verkeerd begrepen barmhartigheid. Vindt iemand, die kan arbeiden, geen werk, dan is dat een fout van de huishoudelijke inrichting der maatschappij , en dan moet ieder naar zijn vermogen er toe meewerken om die fout uit den weg te ruimen ; maar in dit geval zal het geven van aalmoezen de werkloosheid nog meer in de hand werken. Heeft de werklooze bovendien nog een afkeer van arbeid, dan zal do aalmoes hem nog dieper doen zinken en kan er alleen toe bijdragen om de neiging tot het aanwenden zij ner krachten, waardoor het organisme
221
alleen gezond kan zijn of worden , geheel te dooden. Op die manier vernedert de aalmoes zoowel den gever als den ontvanger en werkt verderfelijk op het gevoel van plicht en van zedelijkheid van beiden.
Om de naastenliefde in praktijk te brengen, zooais Tolstoi dit wenscht, d. w. z. om hot leed van anderen te verminderen en het geluk te vermeerderen , is het in dfe de eerste plaats noodig, dat men zich nauwkeurig op Je hoogte stelle van de levensomstandigheden, de behoeften en gevoelens van anderen, en hiertoe worden ver-eischt nauwkeurige waarneming en goed nadenken. Men moet zich daarbij inspannen om voor een tijd lang niet te deuken aan zijne eigen voorstellingen en gewoonten; men moet zich als 't ware in de huid steken van den menscli, dien men een weldaad wil bewijzen. .Men moet de bedoelde weldaad bekijken met het oog van hem, die ontvangt, niet met het oog van deu weldoener. Doet Tolstoi dat? Zijne verhalen, waarin hij voorbeelden van zijne naastenliefde geeft, bewijzen eer het tegendeel.
In de vertelling âAlbertquot; neemt een zekere Dellessow een ziekelijkeu en halfverhongerden violist uit bewondering voor zijne groote gaven en uit medelijden met zijne armoede in zijn huis op. Daar de ongelukkige kunstenaar aan den drank is, sluit Delessow hem als 't ware op, laat hem bewaken door zijn bediende Sachar, en onthoudt hem allo spiritualiën. Den eersten dag schikt Albert zich in zijn lot, hij is echter gedrukt en ontstemd. Den tweeden dag werpt hij op zijn weldoener al boosaardige blikken. âKij scheen bang te zijn voor Delessow; telkens wanneer hunne oogen elkaar ontmoetten, was een hevige schrik op ziju aangezicht te lezen.. . Hij antwoordde niet op de vragen, die tot hem werden gerichtquot; Den derden dag eindelijk komt Albert in verzet tegen
220
diging van hunue lusten iedereen , die hen wil tegenhouden, uit den weg zouden willen ruimen. De individuen met de ziekelijke neigingen zouden spoedig de meerderheid uitmaken , indien de gezonden ze niet bestreden en in toom hielden; de geheele maatschappij zou zoodoende haar ondergang te gemoet rennen.
Behalve de negatieve leerstelling, dat wij ons niet moeten verweren tegen het kwaad, dat ons wordt aangedaan , bevat Tolstoi's zedeleer ook eene positieve : men moet allo menschen liefhebben , voor hen alles, ook zijn leven, opofferen, hen goed doen, waar men kan. âAlleen zij leven, die het goede doen,quot; zegt hij. âNiet de aalmoes werkt vruchtbaar, maar de broederlijke verdeeling. Wie twee mantels heeft, moet er een geven aan hem, die er geen heeft.quot; Dit onderscheid tusschen aalmoes en verdeeling kan niet in ernst worden doorgevoerd. Elke gave , die een mensch van een ander aanneemt, zonder dat hij daarvoor arbeid verricht of een wederdienst bewijst , is een aalmoes. Zieken, ouden, zwakken, onge-lukkigen die niet kunnen werken, moeten geholpen worden ; dat is niet alleen plicht van den medemensch, maar ook een natuurlijke drang. Maar aan iemand, die tot werken in staat is, een aalmoes te schenken, is valsche en verkeerd begrepen barmhartigheid. Vindt iemand, die kan arbeiden, geen werk, dan is dat een fout van de huishoudelijke inrichting der maatschappij , en dan moet ieder naar zijn vermogen er toe meewerken om die fout uit den weg te ruimen ; maar in dit geval zal het geven van aalmoezen de werkloosheid nog meer in de hand werken. Heeft de werklooze bovendien nog een afkeer van arbeid, dan zal do aalmoes hem nog dieper doen zinken en kan er alleen toe bijdragen om de neiging tot het aanwenden zij ner krachten, waardoor het organisme
221
alleen gezond kan zijn of worden , geheel te dooden. Op die manier vernedert de aalmoes zoowel den gever als den ontvanger en werkt verderfelijk op het gevoel van plicht en van zedelijkheid van beiden.
Om de naastenliefde in praktijk te brengen, zooais Tolstoi dit wenscht, d. w. z. om hot leed van anderen te verminderen en het geluk te vermeerderen , is het in dfe de eerste plaats noodig, dat men zich nauwkeurig op Je hoogte stelle van de levensomstandigheden, de behoeften en gevoelens van anderen, en hiertoe worden ver-eischt nauwkeurige waarneming en goed nadenken. Men moet zich daarbij inspannen om voor een tijd lang niet te deuken aan zijne eigen voorstellingen en gewoonten; men moet zich als 't ware in de huid steken van den menscli, dien men een weldaad wil bewijzen. .Men moet de bedoelde weldaad bekijken met het oog van hem, die ontvangt, niet met het oog van deu weldoener. Doet Tolstoi dat? Zijne verhalen, waarin hij voorbeelden van zijne naastenliefde geeft, bewijzen eer het tegendeel.
In de vertelling âAlbertquot; neemt een zekere Dellessow een ziekelijkeu en halfverhongerden violist uit bewondering voor zijne groote gaven en uit medelijden met zijne armoede in zijn huis op. Daar de ongelukkige kunstenaar aan den drank is, sluit Delessow hem als 't ware op, laat hem bewaken door zijn bediende Sachar, en onthoudt hem allo spiritualiën. Den eersten dag schikt Albert zich in zijn lot, hij is echter gedrukt en ontstemd. Den tweeden dag werpt hij op zijn weldoener al boosaardige blikken. âKij scheen bang te zijn voor Delessow; telkens wanneer hunne oogen elkaar ontmoetten, was een hevige schrik op ziju aangezicht te lezen.. . Hij antwoordde niet op de vragen, die tot hem werden gerichtquot; Den derden dag eindelijk komt Albert in verzet tegen
230
geeft liet eane verklaring van de wereld en van het leven-door middel v.iu eonige onzinnige en tegenstrijdige om-â s;hrij vinden van verkeerd opgevatte bijbelteksten Als zede-leer schrijft liet voor , allen weerstand tegen kwaad en misdiad op te geven; verder de verdeeling van alle goederen en den onderging van het mensohdom door onthouding. Als staathuishoudkundige leer predikt liet liet nut-telooze der wetenschap , het heil van de afstomping van den geest, de vernietiging der inlustrie en de verplichting tot het landbouwbedrijf, maar zonder daartoe aan te geven, hoe de boer aan het noodige land moet komen. Het merkwaardige van dit stolsel is, dat het blind blijft voor zijn eigen overtolligheid. Want waartoe zijn hoofd te breken met kwesties over misdaden en menschenliefde, over het stads- en landleven, wanneer toch de mensch-heid door onthouding met het tegenwoordige geslacht zal uitsterven ?
Rod 1) ontkent dat Tolstoi een mysticus zou zijn. âHet mysticismequot;, zegt hij, âwas altijd, zooals het woord aangeeft, eene transcendentile leer. De mystici, in t bjzonder de christelijke , hebben altijd het tegenwoordige leven aan het toekomende opgeofferd... AVat daarentegen iederen onpartijdige in de werken van Tolstoi in 't oog moet vallen, dat is de nagenoeg volkomen afwezigheid van alle metaphysica, zijne onverschilligheid omtrent de vragen betreffende het leven hiernamaals,quot;
Rod begaat hier de fout, dat hij het woord mysticisme-in een al te beperkten zin opvat. Geloof'sdweperij, het zich verdiepen in vragen betreffende het leven hiernamaals is slechts een bijzonder geval van een algemeenen geestes-
(t) Ed. Rod. Les idees morales du temps présent. Paris 1892.
231
toestand, dien wij met den naam van mysticisme hebben bestempeld; biertoe dient dus ook die nevelachtige en onlogische manier van denken gebracht te worden, waarvan de vrucht het pantheïstische, christelijke, ascetische, Rous-seausche en tegelijk materialistische en communistische systeem van Tolstoi is.
Er is veel over Tolstoi geschreven en velen hebben zich door de bewondering voor zijn groot literarisch talent en door de sympathie voor zijn humanistisch streven zoodanig Liten verblinden, dat zij voor het onlogische en onhoudbare van zijn systeem geen oog meer hadden. Zijne overdrijving werd op rekening gesteld van zijn dichterlijken aard; sommigen hebben lioni verheerlijkt als âeen ongewone kracht, die ver boven liet kunnen van onzen tijd staat en aan de komenden den weg wijst.quot; Hen, die deze meening mochten zijn toegedaan, moet ik er wel opmerkzaam op maken dat Tolstoi behoort tot een type van menschen, zooals wij in elk tijdperk van de geschiedenis onzer ontwikkeling kunnen aanwijzen. Zoo haalt Lombroso als voorbeeld een zekeren Knudsen aan, een waanzinnige, die in 1G80 in Sleeswijk leefde. Deze man beweerde dat er geen hel of duivel was , dat priesters eu rechters geheel overbodig waren en dat het huwelijk onzedelijk was ; dat de mensch mot don dood ophield te bestaan en dat een ieder zich door zijne inwendige iiupulsies moest laten leiden. Knudsen heeft echter het komende geslacht zoo weinig âden weg gewezenquot;, dat hij nu nog alleen als een merkwaardig type van geestesstoornis in de boeken van geestesziekten staat aangeteekend.
Do waarheid is, dat al die ziekelijke en overdreven uitingen van Tolstoi kunnen worden teruggebracht tot de meest bekende en meest waargenomen stigmaten der hoc-gere ontaarding. Tolstoi zegt van zich zelf: âDe twijfel-
232
zucht bracht mij indertijd in een toestand, die aan waanzin grensde. Ik stelde mij voor dat behalve ik niemand en niets in de wereld aanwezig was, dat de dingen geen dingen waren , maar alleen voorstellingen, die alleen in de verschijning treden wanneer ik mijne aandacht daarop vestig en die direkt weer verdwijnen, zoodra ik ophoud er aan te denken... Er waren oogenblikken, waarin ik onder den invloed van deze idóe fixe zoodanig verward was, dat ik soms plotseling omkeek, in do hoop, dat ik, waar ik zelf niet was , door een niets zou worden verrast ... Ik voelde dat ik geestelijk niet geheel gezond wasquot; Zijn gevoel was Juist. Hij leed aan twijfelzucht, aan die onweerstaanbare neiging om in zijn gedachten rond te wroeten, dat aan de meeste hoogere ontaarden eigen is. Vele psychiaters, als Kowalewski, Grriesinger, Lombroso, halen voorbeelden aan van geniale waanzinnigen , waarbij twijfelzucht, het zich verdiepen in vragen omtrent het leven, de bestemming van den mensch, godsdienstige kwesties tot de vaste en gereseld terugrkeerende kenmerken
O O O
van hun geestesstoornis behooren. Diezelfde ziekelijke aandoening van den geest is het ook, die Tolstoi onophoudelijk dwingt zich bezig te houden met vragen naar het doel en de beteekenis van het leven. Aan die zucht paart zich een vaak voorkomende heftige neiging tot tegenspraak , die door vele deskundigen , o. a. door Sollier , als een eigenaardig stigma der ontaarding wordt genoemd. Bij Tolstoi is deze neiging in sommige tijden in sterke mate opgetreden. Löwenfeld, een van zijne biografen, vermeldt daaromtrent: âIn zijn streven naar zelfstandigheid ging Tolstoi soms buiten de grenzen van zijn smaak, terwijl hij het aangevoerde bestreed, alleen omdat het was aangevoerd. Zoo noemde hij Shakespeare een veelschrijver en beweerde dat de bewondering voor
233
den grooten Brit eigenlijk geene .andere oorzaak had dan de gewoonte, om de opinie van anderen gedachteloos nate-bauwen.quot; â
Wat raoQ in Tolstoi het meest bewondert, dat is zijne grenzenlooze liefde voor don naaste, zijn humanisme. In zeker opzicht zou men van hem kunnen zeggen â in tegenstelling met hetgeen van sommige preekers wordt beweerd â: doet naar mijne daden, niet naar mijne woorden.quot; Want de wijze , waarop hij de liefde tot den medemensch wil uitgeoefend zien, is onzinnig en evenzeer als zijne overige ziekelijke theoriëen een ontaardings-stigma. Turgenjew, die altijd even helder en normaal van geest was, heeft, zonder iets van de ervaringen van psychiaters te weten, de innige liefde van Tolstoi voor het verdrukte volk spottenderwijze âeeno hysterische liefdequot; genoemd. Wij treffen die neiging bij vele ontaarden aan. Legrain zegt: âIn tegenstelling met de geestes-kranken die uiterst zelfzuchtig zijn. zijn er anderen, die tot in het overdrevene menschlievend zijn , die allerlei onzinnige stelsels opbouwen , om liet geluk van den nevenmensch te bevorderen .. . Zij pakken met een zekere voorliefde de sociale kwestie van den moeilijksten kant aan en lossen die ter goede trouw op door een reeks van belachelijke vindingen.quot; De onverstandige liefde voor den medemensch, die niet door het oordeel wordt geleid, en die Turgenjew zeer naiëf, ofschoon niet geheel juist, hysterisch noemt, is niets anders dan een vorm van die overgevoe-
7 O
ligheid , die volgens Morel het grondkarakter van de ontaarding uitmaakt. Zelfs het feit, dat Tolstoi gedurende den laatsteu hongersnood in Rusland met zelfopofferende hulpvaardigheid veel heeft toegebracht tot de leniging van de vreeselijke ellende , kan aan deze diagnose niets veranderen. Hierbij kon toch de barmhartigheid in haar
234
meest oorspronkeljjken vorm in werking treden : in het uitdeden van spijzen en kleeren. Een dieper indringen on indenken in de behoeften en wenschen der ongelukkigen was geheel onnoodig. Eu dat Tolstoi's bemoeiingen tot ondersteuniiig dor lijdenden meer hebben uitgewerkt dan die der overheid , bewijst vooral hoe schandelijk en ellendig het met de overheid in Rusland gesteld is.
Ook de eigenaardige opvatting van Tolstoi over den omgang met vrouwen, eene opvatting, waarover zich zelt de bewonderaars van Tolstoi ten hoogste hebben verbaasd, wordt, zoodra wij haar uit een klinisch oogpunt beschouwen, zeer begrijpelijk. Reeds meermalen is er hier op gewezen, dat de gevoeligheid der ontaarden doorgaans een erotische tint heeft, die een gevolg is van de abnormale prikkelbaarheid der geslachtscentra. Hierdoor kan even goed eene bijzondere aantrekking tot de vrouw als eeu bijzondere afkeer van haar worden veroorzaakt. Zoowel het een als het ander leidt er toe om zich voordu-durend met do vrouw bezig te houden; het bewustzijn van den ontaarde , die aan deze abnormale prikkelbaarheid lijdt, is onophoudelijk vervuld van allerlei voorstellingen, die op de vrouw betrekking hebben (1).
In het geestesleven van een gezond mensch speelt de vrouw op verre na niet zulk eeu rol als in dat van den ontaarde. De normale verhouding van den man tot do vrouw is nu en dan een toestand van verlangen, en wanneer dit verlangen niet aanwezig is, eene rustige onverschil-
(1) Hut ligt niet in mijne bedoeling hier nog meer over dit onderwerp uit te weiden , aangezien dit boek bestemd is voor den lezer van algemeene ontwikkeling. Wie lust gevoelt, zich in deze soort van ziektetoestanden verder te verdiepen , leze do werken van Paul Moreau, Des aberrations du sens g é n é s i q u e , 2me Edition, Paris 1893, en Kralt-Ebbing, Psycho pothia Sexualis, Stuttgart, 1880.
235
ligheid. Bepaalden afkeer of vijandige gezindheid voelt een normaal man nimmer tegenover de vrouw. Verlangt een man naar zijne vrouw, dan bemint hij haar op dat oogen-blik ; is zijn verlangen bevredigd , dan zal hij zich tegenover haar kool en rustig gedragen , maar hij heeft geen gevoel van vrees of afschuw voor haar. Het huwelijk, de onafgebroken verbinding met eene vrouw, is niet ontstaan als een gevolg van de subjectieve en physiologische behoeften van den man. Tiet huwelijk is eene maatschappelijke instelling. Het huwelijk is niet gegrond op de natuurlijke behoeften van het individu, maar het is eene instelling die steunt op de behoeften van de maatschappij. Deze instelling hangt nauw samen met de geheele huishouding van den staat en met de verhouding van den staat tot het individu. De man kan â of behoorde â uit liefde eene bepaalde vrouw tot echtgenoote kiezen; wat hem later aan deze vrouw zal verbinden, is niet meer physiologische liefde , maar eene samengestelde combinatie van gewoonte, dankbaarheid, herinnering, het gevoel van vriendschap, gemeenschappelijke belangen, liet gevoel van plicht tegenover de kinderen eu den staat en eindelijk de meer of minder gedachtelooze navolging van een algemeen gebruik. Gevoelens , zooals in de âKreutzer-Sonatequot; zijn geschilderd , koestert een normaal man nimmer voor zijne vrouw, ook wanneer hij heeft opgehouden haar in den eigenlijken zin van het woord te beminnen.
Geheel anders is het gesteld met den ontaarde. Bij hem heeft de gedachte aan do vrouw altijd den vorm en de macht van eene dwangvoorstelling; alles wordt bij hem beheerscht door de ziekelijke prikkelbaarheid der geslachtscentra. Hij kan aan den invloed , die van de vrouw uitgaat , geen weerstand bieden, hij voelt zich den onmach-tigen slaaf van de vrouw , op wier oogwenk hij tot alles,
236
zolfs tot Gen misdaad, iu staat zou zijn. Idij ziet dus in de vrouw eene verontrustende, oppermachtige natuurkracht, die hem het hoogste genot verschaft en waarvoor hij tegelijkertijd siddert, omdat hij zich weerloos aan haar voelt overgeleverd. Wanneer daar mi nog bij komt, dat hij ter wille van de vrouw dingeu doet, die hem in zijn eigen oog vernederen, waardoor hij de achting voor zich zelf verliest, of wanneer de vrouw gedachten in hem opwekt, wier laagheid en boosheid hem doen ontstellen, dan moet zijn gevoel van onrust en vrees iu de oogenblikken van uitputting, waarin het oordeal (de zelf-critiek) sterker is dan de ziekelijke drift, overslaan in afschuw en wocsten haat. De erotische ontaarde staat tegenover de vrouw als de dipsomanische tegenover de alcoholische dranken Mag-nan geeft in zijne Leg ons cliniques sur la Dipso-manie, faites a 1'A si le Sainte-Anne een verschrikkelijke schildering van den strijd tusschen het hartstochtelijk verlangen mar de tiesch en de walging en den afschuw, die in den geest van dergelijke ontaarden bestaat. Waarschijnlijk is de geest van den erotomaan het schouwspel van oen nog heviger strijd. Menigmaal voeren zij den ongelukkige, die geen middel ziet om aan zijue dwangvoorstellingen te ontkomen, tot zelfverminking.
Het is bekend dat er in Rusland een geheele sekte van ontaarden bestaat, de Skoptzen , waarbij deze verminking stelselmatig wordt aangewend, als het eenige middel om den duivel te ontloopen en zalig te worden. Die Pozdnischeff in de K r e n t z e r-S o n a t e is een Skopetz , zonder het te weten en de sexueele moraal, die ïolstoi in dat boek en in zijne theoretische geschriften verkondigt, is de letterkundige uitdrukking van de sexuaal-psychopathie der Skoptzen.
Voorzeker moet aan de hooge dichterlijke begaafdheid van Tolstoi het succes van zijne geschriften voor een deel
237
worden toegeschreven. Maar toch niet voor het grootste deel. Want zooa.ls wij in het begin van dit hoofdstuk reeds hebben opgemerkt, zijn het niet de literarische werken uit zijn bosten tijd, maar wel zijne latere mystieke geschriften, die de gemeente van den profeet van Toela hebben tot stand gebracht. Dj invloed van Tolstoi berust niet op aesthetische , maar op pathologische gronden. Tolstoi zou onopgemerkt zijn gebleven evenals een Knudsen van de zeventiende eeuw, indien zijne overdreven mysti-s3he theorieën de tjjdgenooten niet behoorlijk tot hare opneming hadden voorbereid gevonden. De toestand van de algemeen verbreide zenuwuitputting was de bodem, waarin de zaden van hot Tolstoïsme alleen konden ontkiemen. (1)
Dat het ontstaan en do verspreiding van het Tolstoïsme niet alleen berust op het aosthetisch gehalte zijner geschriften , maar hoofdzakelijk op den aard van den geestestoestand
(t) *Nordau stelt zich hier op hetzelfde standpunt als Taine in zijne Philosophie de 1' Ar t. Taine vergelijkt hier de zedelijke temperatuur, die noodlg is voor het tot stand komen van een kunstwerk, bij de physieke temperatuur, die vereischt wordt voor het groeien van eene lijne plant. Een zaadkorrel kan alleen ontkiemen onder gunstige omstandigheden van temperatuur en van bodem. Is bijv. de heersehende temperature morale een geest van droefheid, dan zal ook het publiek bij voorkeur grijpen naar die kunstwerken , waarin die geest het sterkst is teruggegeven , en dan zullen ook kunstwerken in dien geest bjj voorkeur worden geproduceerd. Op dien grond laat zich bijv. ook verklaren het tegenwoordige succes van de in-ziekelijke geschriften van Couperus. Men wil ze niet alleen lezen â men wil ze zien â op het tooneel. De geschriften van Couperus konden alleen voortgebracht worden en gedijen in een tijd, waarin de heersehende zedelijke temperatuur van de omgeving die is van eene verfijnde overgevoeligheid, van zwevende adspira-ties, van eene weeke en droomende ziel, van vage verlangens en mys-tische gedachten, â in een woord, wat Nordau noemt van âontaarding.quot; *
238
vail zijns lezers, blijkt nog duidelijk uit het onderscheid in de onderdeelen van zijne leer, die in verschillende landen indruk maakten. Bij elk volk resoneerden toch alleen die tonen, waarop zijn eigen zenuwstelsel was gestemd.
In Engeland vond do sexueele moraal van Tolstoi den meesten weerklank Daar toch zijn door de heerschende gebruiken en economische instellingen een groot aantal meisjes, vooral uit de hoogere standen , tot den ongehuw-den staat veroordeeld , en het spreekt van zelf, dat de leer, die de hoogste waarde en bestemming van den mensch legt in de volkomen kuischheid , voor die dames een groote bron van troost kon worden. De âIvreutzer-Sonate' is dan ook een soort van catechismus voor alle oude vrijsters in Engeland geworden. *Dit werk heeft zelfs geleid tot theoretische geschriften in denzelfden geest, waarin de middelen worden aangegeven om de theorieën van Tolstoi te verwezenlijken. Zoo verscheen o. a. in 1890 te Xew-York de brochure van Burns: Diana, a psycho-physiological essay on sexuels relations for married men and women.*
Iu Frankrijk vinden die punten van Tolstoi's leer de meeste instemming, waarin de wetenschap de deur wordt gewezen, de geringschatting van de gezonde rede en de terugkeer tot het geloof worden gepredikt en de armen van geest zalig worden genoemd. Natuurlijk is dit koren op den molen der neo-katholieken. Dezelfde mystici, die voor het vrome symbolisme eene kathedraal bouwen, richten daarin voor Tolstoi een hoofdaltaar op.
In Duitschland is voor den vromen kant van Tolstoi's leer weinig geestdrift te bespeuren: daarentegen vinden zijne humanistische en socialistische gevoelens nog al veel weerklank. Vooral zijn het do aanhangers van den heer
239
von E^idy (1) die sedei-t eeaigea tijd veel propaganda maakt voor de christelijk-hiunanistisclie leer, â welke uit den aard der zaak groote vereerders zijn van Tolstoi's staathuishoudkundige en philantropische stellingen.
*In Nederland is het vooral de schrijver Tolstoi, en wel de schrijver van Oorlog en Vrede, Anna Ivare-nina, Ivatia en De Kozakken, die zich onder het lezend publiek, en terecht, een grooten aanhang heeft verworven Naar mijne persoonlijke ervaring te oordcelen, worden zijne stellingen, die liij inde Kre utzer-Sonate verkondigt, over 'talgemeen vrij belachelijk gevonden, uitgezonderd door enkele volbloed-aanhangers van liet sym-bolisiue, waarop de qualificutie, hierboven door Nordau gegeven , volkomen van toepassing is. Ook voor Tolstoi's humanistische begrippen bestaat bij ons in 't algemeen veel sympathie, terwijl er bij de aanwezigheid van 't gezond verstand en de kalme zienswijze, die gelukkig nog velen Nederlanders eigen zijn, nog weinig kans bestaat, dat deze denkbeelden in een ziekelijk uiterste zullen overslaan. Voor 't overige kan ik den lozer omtrent de beteekenis van de Tolstoi-figuur in de economische en de philosofische Avereld verwijzen naar mijn âKunst en Levenquot; (pag. 130) waar aan Tolstoi een plaats onder de fin-de-siècle-typen is toegekend.*
(1) *Moritz von Egidy is eon ijvcraar voor de ethisch- sociale richting. Hij was overste bij het Duitsehe leger, maar moest naar aanleiding van zijn werk âErnste Gedaukenquot; waarin liij pleit voor eene meer moderne ricliting in de Proteatantsche Kerk, zijn ontslag nemen uit den militairen dienst. Voor verdere bijzonderheden omtrent dezen verkondiger der Cliristelijk-linmanistische leer verwijs ik den lezer naar Los en Vast 1892, 3e aflevering, waarin Geertruida Carelsen een opslel aan von Egidy heelt gewijd.*
V.
DE W A GN ER-VEREER ING.
AVij hebben in een voorgaand hoofdstuk gezien, dat geheel de mystieke strooming wortelt in de romantiek, en dat zij als zoodanig oorspronkelijk van Duitschland uitgaat. In Engeland nam de romantiek de gedaante aan van het praerafaëlietisme; dit verwekte met de laatste overblijfselen van zijne levenskracht in Frankrijk het symbolisme en het neo-katholicisme, en deze aaneengegroeide twee-linsien sloten in Rusland een hecht verbond met het Tol-stoïsme. Terwijl do bijna geheel onherkenbare afstammelingen van de Duitsche uitgewekene, die reeds bij haar vertrek uit het vaderland alle kiemen van de misvorming in zich droeg welke zij later onderging, pogingen begonnen aan te wenden om weer relaties aan te knoopen met de in het vaderland achtergeblevene familiebetrekkingen, bracht Duitschland een nieuw verschijnsel voort, dat wel is waar met zeer veel moeite en bezwaren kon worden opgekweekt en dat jaren lang onopgemerkt bleef, maar dat toch eindelijk op de groote kermis der ijdelheid een veel machtiger aantrekking vermocht uit te oefenen dan al zijne mededingers. Dit verschijnsel is de Wagner-ver-
241
eering. Het is Duitschland's bijdrage tot liet moderne mysticisme en deze weegt ruim op tegen alles, wat do overige volken daaraan ten otfer hebben gebracht.
Li Ilichard Waguer vinden wij op eeu bijzonder volledige wijze alle kenmerken van de ontaarding vereenigd. Zijn geestelijk bestaan wijst duidelijk op vervolgings-waan-zin, grootheidswaan en mysticisme ; in zijn karakter en in zijne neigingen bespeuren wij cene sentimenteele en verwaterde pliilantropie, anarchisme, een sterke zucht tot tegenspraak cn verzet; in zijne geschriften al de kenteeke-nen der graphomanie , namelijk gemis aan samenhang en verband , vluchtigheid van gedachten en een neiging tot flauwe aardigheden, en eindelijk als grondtoon van zijn gaheele wezen de kenmerkende overgevoeligheid, die eene sterk erotische tint heeft, doorgaans vermengd met godsdienstige dweepzucht.
Voor den vervolgingswaanzin van quot;Wagner hebben wij de getuigenis van zijn' jongsten biograaf en vriend Ferdinand Praeger, die verhaalt, dat Wagner jaren lang vast overtuigd was dat de Joden zich met elkaar hadden verbonden om de opvoering zijuer opera's te verhinderen, eene waanvoorstelling, die hem heeft geleid tot zijn nijdig Anti-semietisme. Zjn grootheidswaan is uit zijne geschriften , zijne mondelinge uitingen , uit zijn geheele gedrag on zijne levenswijze zoo zeer bekend, dat hot voldoende is daartoe te verwijzen. Natuurlijk moest die waan nog-versterkt worden door het dolzinnig gedrag van do omgeving van Wagner. Zelfs een veel sterker evenwicht dan ooit in Wagner's geest heeft bestaan , zou door den walgelijken eeredienst, die in Bayreuth ziju zetel had, wel moeten zijn verstoord geworden. De âBayreuther Blatterquot; zijn eene verschijning, eenig in hun soort. Mij ten minste is geen tweede voorbeeld bekend van een blad, dat uit-nordau , Ontaarding. 1g
242
sluitend werd opgericht met het doel om eeu ia leven zijnd mensch te vergoden en waar in elk der nummers de aangestelde tempeldienaars hunnen huisgod met het woeste fanatisme van huilende en dansende Derwischen wierook toezwaaiden, zich voor hem neerbogen in het stof en do tegenstanders en afvalligen als offers werden geslacht.
Laat ons den graphomaan Wagner wat meer van nabij beschouwen. Zijiie âverzamelde geschriftenquot;' vormen niet minder dan tien groote dikke boekdeelen, en onder de 4500 pagina's, die zij bevatten, zal er moeilijk een te vinden zijn , waar de onpartijdige lezer niet de eene of andere onzinnige gedachte of onmogelijke uitdrukking zal aantreffen Onder zijne prozawerken â de dichtwerken komen later aan de beurt â is wel het voornaamste 1) a s Kunstwerk der Zukunft. (Het kunstwerk der toekomst). Do daarin uitgesproken gedachten â voor zoover men aan de nevelachtige schaduwvoorstellingen van oen mystieken ontaarde dien naam kan gevenâ-hebben Wagner gedurende zijn geheele leven bezig gehouden en zijn door hem telkens weer in een anderen vorm en in eone nieuwe inkleeding voorgedragen. Op er und Drama, Das Judenthum in der Musik, Ueber Staat und lieligion, Ueber die Bestimmung der Oper, Heiig ion und Kunst, zijn niets anders dan omschrijvingen en wat broeder uitgewerkte plaatsen uit het Ku n s t w e r k der Zn k u n f t. Reeds dat rusteloos herhalen van een en dezelfde gedichtenreeks is in de hoogste mate kenteekenend. Een schrijver met normale hersens, wien zijne denkbeelden helder voor den geest staan en die ziah g3.ifang3!i voelt iets te zeggen , zal dat zoo duidelijk traehten te doen, als hem mogelijk is, en daarbij laat hij het blijven. Het is mogelijk dat hij later nog eens op het onderwerp terugkomt om een misverstand op te
243
helderen of om leemten in ziju werk aan te vullen, maar hij zal er nimmer toe overgaan 0111 zijn boek in zijn geheel of gedeeltelijk voor een tweede of derde maal te schrijven, met woorden die weinig van de eerstgebruikte verschillen , zelfs ook dan niet, wanneer hij tot het inzicht komt dat het hem niet gelukt is daarvoor den meest ge-sohikten vorm te vinden. Een verward graphomaan daarentegen komt er toe om zijn arbeid, waarmee hij maar geen genoegen kan nemen, weer telkens van voren af aan te beginnen, een wanhopig iets, aangezien het onmogelijk is aan vormelooze voorstellingen een vasten , duidelijken vorm te geven.
De hoofdgedachte van het âKunstwerk der Zukunftquot; is deze: De eerste en oorspronkelijke kunst was de danskunst ; haar eigenlijk wezen is do rhythmus en deze heeft zich ontwikkeld tot do muziek ; de muziek, uit rhythmus eu toon bestaande, heeft haar klankelement verhoogd (Wagner zegt; verdicht) tot taal en zoo de dichtkunst doen ontstaan ; de hoogste vorm van dichtkunst is het drama, dut zich verbindt met de architectuur, voor den bouw van het tooneel, en met de schilderkunst, voor do afbeeldingen van landschappen en de tooncelen , waar de handelingen der menschen plaats grijpen ; de beeldhouwkunst eindelijk is niets dan het vasthouden van de verschijning van den tooneelspeler in dooden, verstijfden vorm , en de tooneel-speelkunst de eigenlijke , levend geworden beeldhouwkunst. Zoo groepeereu zich alle kunsten om het drama , waarin zij op natuurlijke wijze worden vereenigd. Tegenwoordig treden zij nog afzonderlijk op, tot groot nadeel voor elk harer en voor de kunst in 't algemeen. De splitsing van die verschillende kunsten is een onnatuurlijke toestand, die moet leiden tot haar verval, en liet streven van den waren kunstenaar moet zijn hen weer op natuurlijke wijze
10 *
244
tot elkaar te brengen. Het eclite kunstwerk kan alleen worden geboren door do samensmelting van de verschillende kunsten» Het kunstwerk der toekomst is dus een drama met muziek en dans, dat in een geschilderd landschap wordt afgespeeld, waarvan de omgeving is bewerkt naar de regels van eou meesterlijke bouwkunst, die geheel is gericht op het poëtisch-muzikale doel, en waarin de figuren naar de regels der beeldhouwkunst hunne plastische ingevingen door hunne lichamelijke verschijning verwezenlijken.
Aldus heeft Wagner zich de ontwikkeling der kunst voorgesteld. Zijn stelsel kan niet in alle deelen de critiek doorstaan. Da beproefde historische afleiding der kunsten uit elkaar is onjuist. Al kan men de verwantschap van gezang, dans en dichtkunst toegeven , dan is toch zeker de ontwikkeling der bouwkunst, der schilder- en ^v eldbouw kunst van de dichtkunst in haar dramatischen vorm geheel onafhankelijk. Dit in het theater voor alle kunsten plaats is, is waar ; maar dit is een van die waarheden die zoo van zelf spreken, dat het haast niet noodig is er melding van te maken en vooral niet met een zoo grooten ophef en met het misbaar van een profeteerenden priester. Een ieder weet dat men in den schouwburg een tooneel kan vinden, met geschilderde coulissen en decoraties, die landschappen of gebouwen of kamers voorstellen , en dat op het tooneel gespeeld en gezongen en gesproken en gedanst wordt. Wagner voelt zelf in 't geheim dat hij zich belachelijk maakt met over deze zaak zoo bijzonder uit te weiden, en daarom gaat hij zijn pathos overdrijven tot liet in onzin overgaat. Hij stelt niet alleen vast dat in het drama, of beter gezegd in de opera of in het muziekdrama, yooals Wagner het bij voorkeur noemt, verschillende kunsten samenwerken, maar hij beweert dat elke van deze kunsten in hare uitdrukking door die samenwerking wordt
245
verhoogd, 011 dat terwille van de kunst elke dezer kunsten hare zelfstandigheid moet prijs geven.
De eerste bewering is op z'n minst twijfelachtig. De bouw van den dom te Keulen spreekt tot ons ook zonder dat een drama daarin wordt opgevoerd ; de schoonheid en de diepzinnigheid van Faust of van Hamlet zouden door een orkestrale begeleiding zeker niet worden verhoogd; do lyrische poezie van Goethe en de Divina Comedia ver-eischen geen landschapschildering als achtergrond of als omgeving; de Mozcs van Michel Angelo zal bezwa arhjk een dioperen indruk maken, wanneer rondom hem gezongen en gedanst wordt en om de symphonie pastorale van Beethoven hare volle betoovering te laten uitoefenen , hebben wij geen woorden noodig. Schopenhauer, die door Wagner als de grootste denker vuu alle tijden word vereerd, laat zich hieromtrent zeer bepaald uit. âDo groote operaquot;, zegt hij in Par er ga und Paralipomen a, âis eigenlijk geen voortbrengsel van reinen kunstzin, maar veeleer van hot eenigszins barbaarsch begrip van verhooging van liet esthetisch genot door opeen-hooping van middelen, gelijktijdigheid van geheel verschillende indrukken en versterking van de uitwerking door vermeerdering van de werkende krachten, terwijl toch de muziek, als de machtigste van alle kunsten, op zich zelve den daarvoor ontvankelijken geest volkomen kan bevredigen; ja zelfs hare hoogste voortbrengselen vereischen, om behoorlijk begrepen en gonoten te worden, den geheel onverdeelden , door niets afgeleiden geest, opdat deze er zich geheel aan zal kunnen overgeven en zich in haar zal kunnen verdiepen, teneinde hare zoo innige taal volkomen te verstaan. In de opera is de werking veel te gecompliceerd ; behalve de operamuziek werkt ook nog het oog op den geest, door al de bontheid van het tooneel
246
en de phantastische beelden en de levendige licht- en kleurindrukken , terwijl hij nog bovendien door den tekst der handeling wordt bezig gehouden... In den striksteu zin zou men dus de opera eene onmuzikale vinding kunnen noemen, uitgedacht ten behoeve van onmuzikale men-schen, voor wie de muziek eerst begrijpelijk moet gemaakt worden door een soort van medium, dus ongeveer als begeleiding van een breed uitgesponnen liefdesgeschiedenis en de daarbij behoorende verwaterde soep; want eene degelijke poëzie, rijk aan geest en gedachten, kan voor esn operatekst niet dienen.' Hierin ligt eene complete veroordeeling opgesloten van do voorstelling die Wagncr zich vormt van het muziekdrama als het kunstwerk der toekomst. Enkele van de nieuwste waarnemingen der Psychophysica komen schijnbaar do theorieën van Wagner te hulp. Charles Féré heeft toch aangetoond â zooals hij in Sensation et mouvement meedeelt â dat het oor scherper hoort, wanneer het oog gelijktijdig door eene aangename (dyna-mogene) kleur wordt aangedaan; maar dit verschijnsel kan ook aldus verklaard worden, dat de gezichtsindruk niet als zoodanig, maar alleen door zijne dynamogene functie de scherpte van het gehoor verhoogt en het ge-heele zenuwstelsel tot meerdere gevoeligheid opwekt. In dat geval hebben de proefnemingen van Féré alleen betrekking op de enkelvoudige zintuigelijke waarnemingen, terwijl het muziekdrama juist eene verhoogde werkzaamheid der hersenen, voorstellingen en gedachten wil opwekken, waarbij dus elke der samenwerkende kunsten, uithoofde van de verdeelde opmerkzaamheid, een zwakkeren indruk moet teweeg brengen dan wanneer zij alleen op den geest inwerkte.
De tweede bewering van quot;Wagner, dat de natuurlijke ontwikkeling der kunsten noodwendig moet voeren tot de
247
verdwijning van Je zelfstaudiglieid van elke kunst, (1) is geheel in strijd met de ervaring en met alle wetten van ontwikkeling. Doze toch gaat altijd van de eenheid naar het veelvuldige, uiet omgekeerd ; de ontwikkeling bestaat in hot differontiëeren, d. w. z in do ontwikkeling van oorspronkelijk gelijke deelen tot bijzondere organen van verschillende gesteldheid en zelfstandige verichtingen, maar niet in de terugvoering van hot speciale met eigen karakter tot een samengesmolten massa zonder karakter. De kunsten zijn niet ontstaan bij toeval, hare differenties zijn het gevolg van ecne organische noodzakelijkheid ; zijn zij eens zelfstandig geworden, dan geven zij die zelfstandigheid niet meer prijs, Zij kunnen ontaarden, verdwijnen, maar zij kunnen niet meer inschrompelen tot de kiem, waarvan' zij zijn uitgegaan. Maar liet willen teruggaan tot den begintoestand is eon kenmerk der ontaarding, dat in haar diepste wezen is gjgrond. Dj ontaarde zelf bevindt zich op
(1) Das Kunstwerk der Zukunft (Leipzig, 1850) Pag. 109. âKerót wanneer de artistieke drang van den beeldhouwer is overgegaan in do ziel van den danser , van den mimischen , zingenden en sprekenden ver-tooner, dan kan deze drang als werkelijk gestild worden gedacht. Eerst wanneer de beeldhouwkunst niet meer bestaat, otquot; zich hee.t ontwikkeld in eene andere, in do mcnschelijk-lichanielijke richting , â wanneer zij in do architectnur is opgegaan, wanneer de verstijfde eenzaamheid van dezen cenen in steen gehouwen mensch zich zal hebben opgelost in de oneindig stroomende veelheid van den werkelijken, den levenden mensch . . . dan eerst zal de ware plastiek voorhanden zijn.quot; En op pag. 182: âWat zij'' (de schilderkunst) âbij degelijke aanwending tracht te bereiken, dat bereikt zij op de meest volkomene wijze â wanneer zij van linnen en kalk wordt overgebracht in het tragische schouwspel . . . Do landschapschildering echter zal als de laatste en de volkomene afsluiting dor beeldende kunst, de eigenlijke, levenwekkende ziel der architectuur worden; zij zal ons op die wijze loeven, hoe het tooneel voor het dramatische kunstwerk dor toekomst moet worden ingericht, waarin zij, zelf levend, den warmen achtergrond dor natuur voor den levenden , niet meer nagebootsten , mensch zal uitmaken.'
248
de afdalende helling van do hoogte der organische ontwikkeling, die ons geslacht heeft bereikt; zijn abnormale hersenen zijn niet in staat tot den hoogsten en fijnsten denkarbeid. Daarom voelt hij een neiging om dezen arbeid te verlichten, hij haakt naar hot meer eenvoudige en meer gemakkelijke en wenscht allo levende en doode stof tot een lagere trap van onwikkeling terug te voeren, opdat hij het gemakkelijker in zich zal kunnen opnemen. Wij hebben gezien, dat de Fransche symbolisten met hun hooren van kleuren en hun zien van tonen terug willen naar den toestand van boorschelpen en oesters: quot;Wagner's samensmelten der onderscheidene kunsten levert hierbij een merkwaardig pendant. Wat hij voor toekomstwerk houdt, is het werk van hot verledene. Het is geen ontwikkeling, maar ecu teruggang tot den oer-toestand.
Noc veel buiton^ewoner dan de hoofdgedachte is de taal-
O o ^
kundige vorm van het boek. Men lette bijv. op de volgende opmerkingen betreffende do toonkunst: (pag. GSl âDe zee scheidt en verbindt do landen; zoo ook scheidt en verbindt de toonkunst de twee uiterste tegenstellingen van men-schehjke kunst: de dans-en de dichtkunst. Zij is hot hart van don mensch ; het bloed, dat daarvan uit zijn omloop begint, geeft aan het naar buiten gekeerde vleesch zijn warme levenskleur â maar de naar binnen strevende zenuwen der hersenen voedt hot mot golvende trillingskracht. Zonder de werking van het hart zou de werkzaamheid der hersenen niets dan een werktuigelijk kunststuk zijn, terwijl do werkzaamheid dor uitwendige ledematen evenzeer eene mechanische, govoellooze handeling zou blijven. Door het hart voelt hot verstand zich met het geheelo lichaam verwant, verheft zich do zinnelijke mensch tot de hoogte van do verstandelijke werkzaamheid Het orgaan van het hart echter is do
249
toon , zijne artistiek bewuste taal: de tooonkunst.'quot; quot;Wat hier Wagner voor den geest zweefde, was eene reeds op zichzelf onzinnige vergelijking tusschen do rol van de muziek als middel van uitdrukking der gevoelens en de rol die het bloed speelt als drager van de voedingsstoffen van het organisme. Daar hij echter niet in staat was de enkele bestanddeelen van deze verwarde voorstelling redelijk te ordenen, verviel hij in den onzin van eone âwerkzaamheid der hersenen of hartwerkingquot;, van eene âverwantschap van het verstand met het geheele lichaam door het hartquot; enz., en zoo komt hij er toe den âtoonquot; te noemen âhet orgaan van het hart.quot;
Om de algemeen bekende waarheid uit te spreken , dat de muziek geene bepaalde voorstellingen, maar alleen algemeene gevoelens kan uitdrukken, gaat hij aldus to werk (pag. 88): âZij kan nimmer in don zinnelijk en zedelijk bepaalden mensch uit zich zelve eene nauwkeurig waarneembare en onderscheidbare voorstelling opwekken ; zij is , in hare oneindige verheffing, toch altijd slechts gevoel, zij begeleidt de zedelijke daad , maar zij is de daad zelve niet, zij kan gevoelens en stemmingen naast elkaar plaatsen, maar niet noodzakelijk do eene stemming uit de andere ontwikkelen ; â haar ontbreekt de zedelijke wil.quot; (!)
Men schenko nog even zijne aandacht aan deze plaats (pag. 159). Juist in dezelfde mate als do vrouw bij volkomen vrouwelijkheid in hare liefde tot den man en door het zich vereenzelvigen met zijn wezen , ook het mannelijke element van deze vrouwelijkheid ontwikkelt en het rein vrouwelijke in zich volkomen heeft bevredigd, in dezelfde mate als zij voor den man niet alleen eene geliefde maar ook een vriend is, kan de man reeds in de liefde der vrouw totale bevrediging vinden,quot;
De AVagnerianen verzekeren, dat zij dergelijke uitingen
250
zeer goed begrijpen. Maar er zijn lezers, die alles begrijpen , voor wie niets duister of onzinnig is. Zij zoeken in de woorden, waarover hun vluchtige blik heenglijdt, niet de gedachte van don schrijver, maar eene afspiegeling van hunne eigene nevelachtige droomenjen. Zij gedragen zich als kleine kinderen , die een courant of boek voor zich nemen, waaruit zij geen letter kunnen lezen, maar waaruit zij schijnbaar een verhaaltje gaan opdisschen, dat misschien hunne mama hun den vorigen avond hoeft verteld, toen zij naar bed werden gebracht. Zoo doen ongeveer de gezegende lozers, die alles begrijpen. Zij lezen de gedachten, die in hun eigen brein rondwoolen, en voor hen is 't dus vrij onverschillig wat de schrijver heeft gedacht of gezegd.
Het onsamenhangend denken van Wagner, dat alleen het gevolg is van het toegeven aan oogenblikkelijke opwellingen, openbaart zich ook door een tal van uitspraken, die geheel met elkaar in strijd zijn. Op pag. 187 zegt hij : âliet hoogste doel van den mensch is het artistieke doel, en liet hoogste in do kunst is het dramaquot;, en in een noot op pag. 1!)-1 lezen wij: âAlles hooren en zien deze gemoedel.jke lieden gaarne, alleen niet don werkelijken, natuurlijkeu mensch, die vermanend aan het einde hunner droomen staat. En juist dezen moeten wij op den voorgrond plaatsen.quot; Xu is het duidelijk, dat de eerste bewering de laatste lijnrecht tegenspreekt. De artistieke dramatische mensch is niet de werkelijke mensch, eu wie zich ten doel stelt zich met den werkelijken mensch bezig te houden, die zal onmogelijk de kunst als het hoogste doel van den mensch kunnen beschouwen.
Op pag. 20G zqgt Wagner: âWie zal dus de artiest der toekomst zijn ? Zonder twijfel de dichter. Maar wie zal de dichter zijn? Natuurlijk de acteur, de vertooner. Maar wie zal de vertooner zijn ? Noodzakelijkerwijs de vereeni-
251
ging van alle kunstenaars.quot; Do beteekenis van deze woorden kan alleen deze zijn, dat voortaan het volk gemeenschappelijk zijne drama's zal dichten en opvoeren , en dat Wagner dat werkelijk heeft gemeend, blijkt uit de woorden waarmede hjj op pag. 225 het denkbeeld , dat het plebs de schepper van het kunstwerk dor toekomst zou zijn, verder aanbeveelt: âBedenkt, dat dit plebs geenszins een normaal product van de werkelijke menschelijke natuur is, maar veeleer het kunstmatig voortbrengsel van eene onnatuurlijke beschaving â dat al het kwaad en al de afzichtelijkheden , die u in dit plebs hinderen , alleen de wanhopige gevolgen van den strijd zijn, dien do werkelijke menschelijke natuur tegen hare wreede onder drukster, de moderne beschaving, voert.quot; Men vergelijke met deze bewering de volgende plaats uit het opstel: âWas ist Deutsch? âDat uit den schoot van het Duitsche volk Groethe, Schiller, Mozart en Beethoven verrezen, verleidt de groote menigte van middelmatig begaafden maar al te licht om deze hooge gasten te beschouwen als van rechtswege hun toebehoorend, en de groote volksmassa met demagogisch behagen voor te preeken, dat zij zelf Goethe, Schiller, Mozart en Beethoven zou zijn.quot; Maar wie anders heeft haar dit voorgepreekt dan Wagner zelf, die de massa van het volk verklaart voor âdon kunstenaar dor toekomst? En het is juist deze waanzinnige bewering, welke hij in de zoo even aangehaalde plaats zelf erkent, die een ver-bazenden indruk op het publiek lieeft gemaakt. Het publiek heeft dat letterlijk opgenomen ; het heeft zich verbeeld de kunstenaar der toekomst te zijn en wij hebben het beleefd, dat zich in verschillende plaatsen in Duitsch-land vereenigingen vormden , de een toekomst-schouwburg bouwden en die zelf daarin toekomst-werken wilden spelen! En niet alleen dat aan die vereenigingen deel namen studenten
en joug'e kantoorklerken, die zicli gemakkelijk wijsmaken, dat zij het âideaalquot; dienen, wanneer zij in een belachelijk kostauin voor hunne geroerde en bewonderende familieleden gesticuleeren en declameeren, maar zelfs gezeten burgers, die de eerste jeugd reeds lang achter den rug hadden, lieten hunne whisttafeltjes in den steek om zich voor den grooten dramatischen arbeid behoorlijk te gaan voorbereiden!
In de aangehaalde plaats, waar Wagner in echt Rous-seau'schen trant het plebs verheerlijkt, van de âonnatuurlijke ontwikkelingquot; spreekt en de âmoderne beschavingquot; de wreede onderdrukster der menschelijke natuur noemt, verraadt Wagner dien geestestoestand, dien de ontaarden met de verlichte hervormers, met vele misdadigers en met do martelaren voor de ontwikkeling der menschheid gemeen hebben, namelijk de groote, knagende ontevredenheid met liet bestaande. Maar toch doet zicli deze bij den ontaarde geheel anders voor dan bij den hervormer. De laatste is alleen verontwaardigd over werkelijk bestaande, verkeerde toestanden en stolt verstandige middelen voor om die uit te rooien; de hervormers zijn hun tijd verre vooruit, zjj wijzen op mogelijke en te verwezenlijken verbeteringen, die op oordeelkundige gronden zijn te verdedigen. Daarentegen kiest de ontaarde uit de bestaande maatschappelijke inrichting enkele punten, waarover hij zicli woedend boos maakt. Dikwijls schermt hij in de lucht en richt zijn toorn zich tegen een zaak, die niets om 't lijf heeft. Ernstig denkt J'Ã over eene verbetering niet na, of hij vormt plannen om de menschen gelukzalig te maken, welke plannen geheel onuitvoerbaar zijn. Zijne stemming is eene voortdurende woede tegen alles eu iedereen; die stemming uit zicli in giftige ontboezemingen en woeste bedreigingen. Wagner doet meermalen aan deze soort van geweldenaars denken. Hij zou de âStaats und Kriminalculturquot;, zooals hij zegt.
253
wel willen vermorzelen. En waarin openbaart zich dan voor hem al die verdorvenheid der maatschappij en die onhoudbaarheid der toestanden ? Daarin, dat er opera's met oudarwetsche aria's en balletten worden opgevoerd ! En hoe zal dan liet menschdom tot zijn gelukstaat gerakend Door het muziekdrama der toekomst op te voeren !
quot;Wagner is een verklaard anarchist. Op pag. 217 van liet Kunstwerk der Zukunft lezen wij: âAllo menskien hebben slechts een gemeenschappelijke behoefte,____
dat is de behoefte te leven en gelukkig te zijn. llierii! ligt de natuurlijke band tusschen alle menschen opgesloten .... de bijzondere behoeften, zooals die volgens tijd, plaats en individualiteit zich openbaren en stijgen, moeten in den gezonden toestand der toekomstige menschheid de grondslagen der bijzondere vereenigingen prijsgeven .... Deze vereenigingen zullen evenzoo veranderen, een nieuwen vorm aannemen, zicli oplossen en zich weer met elkaar verbinden, als do behoeften veranderen en terugkee-ren.quot; Hij ontveinst niet dat die âgezonde toestandquot; alleen door geweld in het leven kan geroepen worden, (pag. 22S). âOok ons moet de nood door de roode zee heen jagen. willen wij , van onzen smaad gereinigd, het beloofde land bereiken. Maar wij zullen niet in die zee verdrinken, zij is alleen verderfelijk voor de Pharao's dezer wereld, die reeds eens met man en muis .... door haar werden verzwolgen , â die overmoedige, trotsche Pharao's, die vergeten waren , dat eens een arme herderszoon door zijn verstandige raad hen en hun land voor den hongerdood bewaarde.quot; Behalve door een anarchistische verbittering wordt het bewuste en onbewuste geestesleven van Wagner gclieel be-hesrscht door erotische aandoeningen. Al zijne gedachten en voorstellingen draaien altijd on dj vrouw. Dj meest gewone dingen verwekken dikwerf in zijn bewustzijn
en joug'e kantoorklerken, die zicli gemakkelijk wijsmaken, dat zij het âideaalquot; dienen, wanneer zij in een belachelijk kostauin voor hunne geroerde en bewonderende familieleden gesticuleeren en declameeren, maar zelfs gezeten burgers, die de eerste jeugd reeds lang achter den rug hadden, lieten hunne whisttafeltjes in den steek om zich voor den grooten dramatischen arbeid behoorlijk te gaan voorbereiden!
In de aangehaalde plaats, waar Wagner in echt Rous-seau'schen trant het plebs verheerlijkt, van de âonnatuurlijke ontwikkelingquot; spreekt en de âmoderne beschavingquot; de wreede onderdrukster der menschelijke natuur noemt, verraadt Wagner dien geestestoestand, dien de ontaarden met de verlichte hervormers, met vele misdadigers en met do martelaren voor de ontwikkeling der menschheid gemeen hebben, namelijk de groote, knagende ontevredenheid met liet bestaande. Maar toch doet zicli deze bij den ontaarde geheel anders voor dan bij den hervormer. De laatste is alleen verontwaardigd over werkelijk bestaande, verkeerde toestanden en stolt verstandige middelen voor om die uit te rooien; de hervormers zijn hun tijd verre vooruit, zjj wijzen op mogelijke en te verwezenlijken verbeteringen, die op oordeelkundige gronden zijn te verdedigen. Daarentegen kiest de ontaarde uit de bestaande maatschappelijke inrichting enkele punten, waarover hij zicli woedend boos maakt. Dikwijls schermt hij in de lucht en richt zijn toorn zich tegen een zaak, die niets om 't lijf heeft. Ernstig denkt J'Ã over eene verbetering niet na, of hij vormt plannen om de menschen gelukzalig te maken, welke plannen geheel onuitvoerbaar zijn. Zijne stemming is eene voortdurende woede tegen alles eu iedereen; die stemming uit zicli in giftige ontboezemingen en woeste bedreigingen. Wagner doet meermalen aan deze soort van geweldenaars denken. Hij zou de âStaats und Kriminalculturquot;, zooals hij zegt.
253
wel willen vermorzelen. En waarin openbaart zich dan voor hem al die verdorvenheid der maatschappij en die onhoudbaarheid der toestanden ? Daarin, dat er opera's met oudarwetsche aria's en balletten worden opgevoerd ! En hoe zal dan liet menschdom tot zijn gelukstaat gerakend Door het muziekdrama der toekomst op te voeren !
quot;Wagner is een verklaard anarchist. Op pag. 217 van liet Kunstwerk der Zukunft lezen wij: âAllo menskien hebben slechts een gemeenschappelijke behoefte,____
dat is de behoefte te leven en gelukkig te zijn. llierii! ligt de natuurlijke band tusschen alle menschen opgesloten .... de bijzondere behoeften, zooals die volgens tijd, plaats en individualiteit zich openbaren en stijgen, moeten in den gezonden toestand der toekomstige menschheid de grondslagen der bijzondere vereenigingen prijsgeven .... Deze vereenigingen zullen evenzoo veranderen, een nieuwen vorm aannemen, zicli oplossen en zich weer met elkaar verbinden, als do behoeften veranderen en terugkee-ren.quot; Hij ontveinst niet dat die âgezonde toestandquot; alleen door geweld in het leven kan geroepen worden, (pag. 22S). âOok ons moet de nood door de roode zee heen jagen. willen wij , van onzen smaad gereinigd, het beloofde land bereiken. Maar wij zullen niet in die zee verdrinken, zij is alleen verderfelijk voor de Pharao's dezer wereld, die reeds eens met man en muis .... door haar werden verzwolgen , â die overmoedige, trotsche Pharao's, die vergeten waren , dat eens een arme herderszoon door zijn verstandige raad hen en hun land voor den hongerdood bewaarde.quot; Behalve door een anarchistische verbittering wordt het bewuste en onbewuste geestesleven van Wagner gclieel be-hesrscht door erotische aandoeningen. Al zijne gedachten en voorstellingen draaien altijd on dj vrouw. Dj meest gewone dingen verwekken dikwerf in zijn bewustzijn
en joug'e kantoorklerken, die zicli gemakkelijk wijsmaken, dat zij het âideaalquot; dienen, wanneer zij in een belachelijk kostauin voor hunne geroerde en bewonderende familieleden gesticuleeren en declameeren, maar zelfs gezeten burgers, die de eerste jeugd reeds lang achter den rug hadden, lieten hunne whisttafeltjes in den steek om zich voor den grooten dramatischen arbeid behoorlijk te gaan voorbereiden!
In de aangehaalde plaats, waar Wagner in echt Rous-seau'schen trant het plebs verheerlijkt, van de âonnatuurlijke ontwikkelingquot; spreekt en de âmoderne beschavingquot; de wreede onderdrukster der menschelijke natuur noemt, verraadt Wagner dien geestestoestand, dien de ontaarden met de verlichte hervormers, met vele misdadigers en met do martelaren voor de ontwikkeling der menschheid gemeen hebben, namelijk de groote, knagende ontevredenheid met liet bestaande. Maar toch doet zicli deze bij den ontaarde geheel anders voor dan bij den hervormer. De laatste is alleen verontwaardigd over werkelijk bestaande, verkeerde toestanden en stolt verstandige middelen voor om die uit te rooien; de hervormers zijn hun tijd verre vooruit, zjj wijzen op mogelijke en te verwezenlijken verbeteringen, die op oordeelkundige gronden zijn te verdedigen. Daarentegen kiest de ontaarde uit de bestaande maatschappelijke inrichting enkele punten, waarover hij zicli woedend boos maakt. Dikwijls schermt hij in de lucht en richt zijn toorn zich tegen een zaak, die niets om 't lijf heeft. Ernstig denkt J'Ã over eene verbetering niet na, of hij vormt plannen om de menschen gelukzalig te maken, welke plannen geheel onuitvoerbaar zijn. Zijne stemming is eene voortdurende woede tegen alles eu iedereen; die stemming uit zicli in giftige ontboezemingen en woeste bedreigingen. Wagner doet meermalen aan deze soort van geweldenaars denken. Hij zou de âStaats und Kriminalculturquot;, zooals hij zegt.
253
wel willen vermorzelen. En waarin openbaart zich dan voor hem al die verdorvenheid der maatschappij en die onhoudbaarheid der toestanden ? Daarin, dat er opera's met oudarwetsche aria's en balletten worden opgevoerd ! En hoe zal dan liet menschdom tot zijn gelukstaat gerakend Door het muziekdrama der toekomst op te voeren !
quot;Wagner is een verklaard anarchist. Op pag. 217 van liet Kunstwerk der Zukunft lezen wij: âAllo menskien hebben slechts een gemeenschappelijke behoefte,____
dat is de behoefte te leven en gelukkig te zijn. llierii! ligt de natuurlijke band tusschen alle menschen opgesloten .... de bijzondere behoeften, zooals die volgens tijd, plaats en individualiteit zich openbaren en stijgen, moeten in den gezonden toestand der toekomstige menschheid de grondslagen der bijzondere vereenigingen prijsgeven .... Deze vereenigingen zullen evenzoo veranderen, een nieuwen vorm aannemen, zicli oplossen en zich weer met elkaar verbinden, als do behoeften veranderen en terugkee-ren.quot; Hij ontveinst niet dat die âgezonde toestandquot; alleen door geweld in het leven kan geroepen worden, (pag. 22S). âOok ons moet de nood door de roode zee heen jagen. willen wij , van onzen smaad gereinigd, het beloofde land bereiken. Maar wij zullen niet in die zee verdrinken, zij is alleen verderfelijk voor de Pharao's dezer wereld, die reeds eens met man en muis .... door haar werden verzwolgen , â die overmoedige, trotsche Pharao's, die vergeten waren , dat eens een arme herderszoon door zijn verstandige raad hen en hun land voor den hongerdood bewaarde.quot; Behalve door een anarchistische verbittering wordt het bewuste en onbewuste geestesleven van Wagner gclieel be-hesrscht door erotische aandoeningen. Al zijne gedachten en voorstellingen draaien altijd on dj vrouw. Dj meest gewone dingen verwekken dikwerf in zijn bewustzijn
258
toch eenc gewaarwording opwekt en liet bewustzijn met scheaierende voorstellingen vervult. Bij Wagner wordt voortdurend âerlöst.quot; Wanneer (in het âKunstwerk der Zukunftquot;) de schilderkunst ophoudt niet portretten en landschappen te vervaardigen eu zich alleen wijdt aan de theaterschildering, dan is dit hare âErlösung.quot; Zoo is ook de muziek, die als begeleiding en uitdrukking dient van de woorden van een gedicht, âerlöstequot; muziek. Al zijne scheppingen draaien om âErlösung.quot; Dat heeft Sietzsche reeds opgemerkt en hij steekt in zijn geschrift Der Fall Wagner, wel is waar wat oppervlakkig, daar vrij welden draak mee. â Wagner,quot; zegt hij, âheeft over niets zooveel nagedacht als over âErlösungquot; (dit is onjuist, want bij Wagner is de âErlösungquot; niet een kwestie van nadenken, maar alleen een nagalm van gewaarwordingen uit zijne kinderjaren.) âZijne opera is een opera âder Erlösung.quot; Altijd moet er iemand bij hem âerlöstquot; worden , nu eens een mannetje , dan weer een vrouwtje. Wie zou het ons geleerd hebben , als Wagner het niet gedaan had, dat de onschuld met voorliefde interessante zondaars verlost ? (Taunhauser). Of dat zelfs de wandelende Jood wordt verlost , dat hij rust krijgt, wanneer hij gaat trouwen ? (Der Eliegende Hollander). Of dat slechte vrouwen er de voorkeur aan geven, door kuische jongelingen verlost te worden? (Kundry). Of dat mooie meisjes het liefst door een ridder worden verlost, die Wagneriaan is ? (Die Meistersinger). 'Of dat ook gehuwde vrouwen graag door een ridder worden verlost ? (Tristan uud Isolde). Of dat de oude God , nadat hij zich moreel en in elk opzicht heeft gecompromitteerd, door een vrijzinnig denker en een onzedelijk persoon wordt verlost? (Xibelungcu). Bewondert gij in 't bij zonder deze laatste diepzinnigheid? Begrijpt gij-die? Ik â wacht cr mij voor, die te begrijpen.quot;
259
Het werk van Wagner, dat men in 't bijzonder âhet werk der Verlossingquot; kan noemen, is P ars i val. In dit werk worden twee personen âerlöst,quot; namelijk Koning Amfortas en Kundry. De koning heeft zich door de schoone Kundry laten verleiden. Tot straf daarvoor werd hem de speer , aan welke eene tooverkraeht was verbonden en die hem was toevertrouwd, ontnomen en hij zelf werd met dat heilige wapen gewond. Deze wonde gaapt en bloedt aanhoudend en veroorzaakt hem vreeseljjke pijnen. Xiets kan die wond genezen dan de speer zelf, die haar heeft veroorzaakt. Maar deze speer kan alleen aan den boozen toovenaar Klingsor âdure h M i 11 e i d wissend der reine T h orquot; ontnemen. Kundry heeft eens als jong meisje den Heiland op zijn lijdensweg gezien en heeft toen gelachen, ïot straf daarvoor moet zij eeuwig loven , te vergeefs uaar den dood verlangen, alle mannen, die haar naderen , tot zonde verleiden. Zij kan alleen van den vloek, die op haar rust, bevrijd worden, indien een man hare verleiding weerstaat. (Eén man heeft haar reeds weerstaan, namelijk de toovenaar Klingsor. Toch heeft hij haar niet verlost, zooals toch het geval moest zijn. Waarom niet? Wagner verklaart dit niet.) Parsival nu is de persoon, die den beiden vervloekten de verlossing brengt. âDeze âreine Thorquot; heeft niet het minste vermoeden, dat hij bestemd is om Amfortas en Kundry to verlossen; bij deze daad lijdt hij geene smarten en zelfs behoeft hij zich niet eens aan een noemenswaardig gevaar bloot te stellen. Wel is waar moet hij , als hij den toovertuin van Klingsor binnendringt, een weinig schermutselen met de ridders, die zich daar bevinden , maar dit is voor hem eerder een genot dan een inspanning, want hij is veel sterker dan zijne tegenstanders en na een kort gevecht jaagt hij ze al gauw op de vlucht. Hij weerstaat de schoonheid van Kundry, en dat
quot; 17 *
260
is zeer verdienstelijk, maar men kan dit toch bezwaarlijk eene handeling van vernietigende zelfopoffering noemen. Die wonderdadige speer krijgt hij ook zonder veel inspanning in handen. Klingsor slingert hem die speer na, om hem te doo ien ; maar het wapen blijft âboven zijn hoofd zwevenquot;, zoodat hij maar even de hand behoeft uit te steken om liet te grijpen, en dan heeft hij zijne zending vervuld.
Zoo is er geen trekje in deze mystieke schepping, dat nieï in lijnrechte tegenspraak is met het christelijke idéé van verlossing, door welke zij toch is geïnspireerd. Am-fortas is door eigen schuld en zwakheid, niet door een onweerstaanbaar noodlot, in omstandigheden gekomen dat hij eone verlossing noodig heeft, en hij wordt ook verlost, maar zonder dat hij iets anders doet dan klagen en jammeren. Het heil, dat hem wacht en dat hem ook ten deel valt, wortelt geheel buiten zijn wil en zijn bewustzijn. Een ander verwerft liet voor hem, het gaat geheel buiten hem om en hij neemt het ten slotte als een geschenk aan. Deze verlossing is dus een gelukkige vondst voor Am fur-
o o O
tas, niet de belooning van een zedelijk worstelen. Xog ongehoorder zijn de voorwaarden voor de verlossing van Kundry. Niet alleen dat hot haar niet gegeven is iets voor haar eigen heil te doen, maar zij moet zelfs al hare wilskracht aanwenden om haar heil te verijdelen. Want hare verlossing wordt bedongen door do omstandigheid, dat een man haar versmaadt, en de taak, waartoe zij is gedoemd, bestaat juist daarin, dat zi j al hare verleidende kracht van schoonheid en hartstocht moet aanwenden om den man in den val te lokken. Zij moet met alle middelen, die haar ten dienste staan , den man , die haar verlosser moet worden , daarin trachten tegen te werken. Weerstaat nu een man de verzoeking, dan erlangt zij de verlossing zonder oenige verdienste van hare zijde , ja zelfs in weerwil van
261
haar uiterste tegenwerking. Zou iemand ecne meer onzinnige en meer onzedelijke verhouding mot mogelijkheid kunnen uitdenken ? De verlosser Parsival eindelijk is een gelukskind zonder weerga. Alles gelukt hem, zonder zijn toedoen. Hij trekt uit om eeu zwaan te dooden, eu hij vindt den Graal en de koningskroon. Zijn verlossingswerk is geen zelfopofferende daad, maar oen benijdenswaardig eervol ambt, waartoe de hemelsche gunst hem heeft geroepen â op welke gronden , dat vermeldt Wagner niet. Eu bij nader inzien ontdekt men nog veel erger dingen. Parsival, de âreine Thorquot;, is niets anders dan het residu van verwarde heriunerinoren aan de Ohristolo^ie. Wajrner, door
O O O 7
de dichterlijke elementen van do levens- en de lijdensgeschiedenis van den Heiland geroerd , heeft een aandrang gevoeld, om zijne indrukken en emoties te uiten ; hij schept deu Parsival, dien hij enkele van de aangrijpendste tooneelen uit het Evangelie laat doorleven en dien hij onder de hand, misschien voor een deel onbewust, tot een onzinnige en bespottelijke karikatuur van Christus maakt. De verzoeking van Jezus in de woestijn wordt in deze mystieke schepping de verleiding van Parsival door Kundry. Het optreden in liet huis van den Parizeer, waar de zondares den Heiland de voeten wascht, wordt in zijn geheel herhaald: Kundry wascht en zalft de voeten van Parsival en droogt ze af met hare loshangende haren en de âreine Thorquot; praat de woorden van Christus na: âU zijn uwe zonden vergevenquot; in deu uitroep: âMein erstes Amt verricht icli so : â die Taufe nimm und glaub 'au den Erlöser.quot;
Dat de gewone schouwburgbezoeker aan deze misbruikte verdraaiing van de Christus-sagen geen aanstoot neemt, en zelfs bij de gewrongene brokstukken van liet Evangelie godsdienstige emoties ondervindt, is begrijpelijk. Maar
260
is zeer verdienstelijk, maar men kan dit toch bezwaarlijk eene handeling van vernietigende zelfopoffering noemen. Die wonderdadige speer krijgt hij ook zonder veel inspanning in handen. Klingsor slingert hem die speer na, om hem te doo ien ; maar het wapen blijft âboven zijn hoofd zwevenquot;, zoodat hij maar even de hand behoeft uit te steken om liet te grijpen, en dan heeft hij zijne zending vervuld.
Zoo is er geen trekje in deze mystieke schepping, dat nieï in lijnrechte tegenspraak is met het christelijke idéé van verlossing, door welke zij toch is geïnspireerd. Am-fortas is door eigen schuld en zwakheid, niet door een onweerstaanbaar noodlot, in omstandigheden gekomen dat hij eone verlossing noodig heeft, en hij wordt ook verlost, maar zonder dat hij iets anders doet dan klagen en jammeren. Het heil, dat hem wacht en dat hem ook ten deel valt, wortelt geheel buiten zijn wil en zijn bewustzijn. Een ander verwerft liet voor hem, het gaat geheel buiten hem om en hij neemt het ten slotte als een geschenk aan. Deze verlossing is dus een gelukkige vondst voor Am fur-
o o O
tas, niet de belooning van een zedelijk worstelen. Xog ongehoorder zijn de voorwaarden voor de verlossing van Kundry. Niet alleen dat hot haar niet gegeven is iets voor haar eigen heil te doen, maar zij moet zelfs al hare wilskracht aanwenden om haar heil te verijdelen. Want hare verlossing wordt bedongen door do omstandigheid, dat een man haar versmaadt, en de taak, waartoe zij is gedoemd, bestaat juist daarin, dat zi j al hare verleidende kracht van schoonheid en hartstocht moet aanwenden om den man in den val te lokken. Zij moet met alle middelen, die haar ten dienste staan , den man , die haar verlosser moet worden , daarin trachten tegen te werken. Weerstaat nu een man de verzoeking, dan erlangt zij de verlossing zonder oenige verdienste van hare zijde , ja zelfs in weerwil van
261
haar uiterste tegenwerking. Zou iemand ecne meer onzinnige en meer onzedelijke verhouding mot mogelijkheid kunnen uitdenken ? De verlosser Parsival eindelijk is een gelukskind zonder weerga. Alles gelukt hem, zonder zijn toedoen. Hij trekt uit om eeu zwaan te dooden, eu hij vindt den Graal en de koningskroon. Zijn verlossingswerk is geen zelfopofferende daad, maar oen benijdenswaardig eervol ambt, waartoe de hemelsche gunst hem heeft geroepen â op welke gronden , dat vermeldt Wagner niet. Eu bij nader inzien ontdekt men nog veel erger dingen. Parsival, de âreine Thorquot;, is niets anders dan het residu van verwarde heriunerinoren aan de Ohristolo^ie. Wajrner, door
O O O 7
de dichterlijke elementen van do levens- en de lijdensgeschiedenis van den Heiland geroerd , heeft een aandrang gevoeld, om zijne indrukken en emoties te uiten ; hij schept deu Parsival, dien hij enkele van de aangrijpendste tooneelen uit het Evangelie laat doorleven en dien hij onder de hand, misschien voor een deel onbewust, tot een onzinnige en bespottelijke karikatuur van Christus maakt. De verzoeking van Jezus in de woestijn wordt in deze mystieke schepping de verleiding van Parsival door Kundry. Het optreden in liet huis van den Parizeer, waar de zondares den Heiland de voeten wascht, wordt in zijn geheel herhaald: Kundry wascht en zalft de voeten van Parsival en droogt ze af met hare loshangende haren en de âreine Thorquot; praat de woorden van Christus na: âU zijn uwe zonden vergevenquot; in deu uitroep: âMein erstes Amt verricht icli so : â die Taufe nimm und glaub 'au den Erlöser.quot;
Dat de gewone schouwburgbezoeker aan deze misbruikte verdraaiing van de Christus-sagen geen aanstoot neemt, en zelfs bij de gewrongene brokstukken van liet Evangelie godsdienstige emoties ondervindt, is begrijpelijk. Maar
264
een diepen indruk op hem gemaakt, zij heeft oene sterk mystieke aandoening in hem gewekt en hij heeft behoefte gevoeld aan deze symbolische handeling een dramatischen vorm te geven en datgene, wat in het misoffer alleen aangeduid en in geestelijken zin bedoeld wordt, zoo uitvoerig en zinnelijk mogelijk terug te geven. Hij wilde zien en voelen hoe de uitverkorene onder hevige aandoeningen het lichaam van Christus en zijn bloed nuttigen en hoe bovenaardsche verschijningen , zooals het purperliehten van don graal , het afdalen van de duif enz. de werkelijke aanwezigheid van Christus en de Goddelijke hoedanigheid van het maal als 't ware tastbaar maken. Evenals Wagner deze ingeving aan dc kerk heeft ontleend en hierin de Liturgie voor zijn eigen gebruik in den trant van de Bib li a pauperum hoeft gepopulariseerd, zoo vinden de toeschouwers op zijn tooneel de kathedraal en de hoogmis terug en leggen in het stuk al de gewaaarwordingen, die hun van vroeger van de kerkgebruiken zijn bijgebleven. Do werkelijke priester in zijn misgewaad, de herinnering aan zijne gebaren, aan het klokje en do kniebuigingen der ministranten, aan den walm en de geur van den wierook, aan het geruisch der orgeltonen en het spelen van het zonlicht door de gekleurde vensters van de kerk, zijn in dc gemoederen van het publiek de medewerkers van Wagner en het is niet zijne kunst, die deze gemoederen in mystisohe verrukking brengt, maar wel de diepe stemming, die door twee duizend jaar van christelijk voelen in de blanke menschen is aangekweekt.
Mystiek en erotiek gaan, zooals wij weten, altijd samen, namelijk bij ontaarden, wier overgevoeligheid hoofdzakelijk in de ziekelijke prikkelbaarheid van de geslachtscentra bestaat. Wagner ziet in de verhouding van den man tot de vrouw nooit eene gezonde, natuurlijke liefde, die voor
265
beiden eene weldaad en eene bevrediging is. Evenals Yerlaine en Tolstoi kan hij in de vrouw slechts een demon zien, die den man tot haar slachtoffer maakt. Voor quot;Wagner is de vrouw de afschuwelijke Astarte der Semieten, de menschenverslindende Kali Bhagawati der Indiërs ,⢠een apokalyptisch visioen van lachenden moordlust, van eeuwig verderf en van helsche smart in een demonisch schoone belichaming. Creen dichterlijk probleem heeft hem dieper aangegrepen dan dat der betrekkingen tusschen den man en de verdelgster van zjjn geluk. Menigmaal laat Wagner den man voor do verleidster bezwijken , en dan komt hij in verzet tegen deze zwakheid, waarvan hij zich zelf maar al te diep bewust is en laat in zijne voornaamste werken den man wanhopig worstelen en ten slotte overwinnen. Haar deze overwinning heeft do man niet aan zijn eigen kracht te danken: bovennatuurlijke hulp kan hij niet ontberen. Deze versclnjnt gewoonlijk in den vorm van eene reine , onzelfzuchtige maagd, die geheel hot tegenbeeld is van de Sphinx met het zachte vrouwenlichaam en de klauwen van een leeuw. Volgens do psychologische wet van do contrastwerking vertoont zich naast de afschuwelijke vrouw, die hij in zijne verbeelding aanschouwt, liet beeld van een engelachtig wezen, dat een en al liefde, trouw , toewijding en opoffering is, een vrouw, die streelt en wonden heelt, kortom, een vrouw, naar welke de ongelukkige smacht, die, verteerd door liefdegloed, zich in do witgloeiende armen van Belit heeft geworpen.
Zoowel in een van zijne eerste scheppingen als in zijne laatste, zoo in âïannhauserquot; als in âParsival,quot; is het hoofdthema altijd de strijd van den man tegen de verlokkende vrouw, van de vlieg tegen de spin , en daarmee legt quot;Wagner de getuigenis af, dat dit onderwerp drie en dertig jaren lang, van zijne jongelingsjaren af tot op zijn
236
ouden dag, zijn geest onophoudelijk heeft beziggehouden. In âTannhauserquot; is het de schoone duivelin Venus zelf die den held lagen legt en in den val lokt. Do vrome en kuische Elisabeth, dat droomwezen, geweven uit maneschijn, gebod en liefde, moet hom verlossen. In âParsivalquot; heet de sohooao duivelin Kundry en het gevaar , waarin zij Pcirsiv.il brengt, ontloopt hij 'alleen daardoor, dat hij âder reine Thorquot; is ea dat hij zich^in den staat der genade bevindt.
In do â Walkiirequot; geeft de verbeeldingskracht van Wagner zich onbeteugeld aan den hartstocht over. Hier schildert hij den vurigen man, die zich woest aan zijne driften overgeeft, zonder eenige poging in 't werk te stellen zijne lusten te beteugelen. Siegmund ziet Sieglinde en begeert alleen haar te bezitten. Dat zij de vrouw van een ander is, dat hij haar herkent als zijne eigene zuster, houdt hom geen oogënblik terug. Hü boet zijne liefdedaad met deu dood, want bij Wagner is de liefde altijd een noodlot en rondom haren poe! brandt steels het helsche vuur. En daar hij de beelden van verdelging , die de gedachte aan de vrouw in he;n verwekt, niet in Sieglinde laat optreden, belichaamt hij die in de Walkuren. Haar optreden in het drama is voor Wagner een psychologische behoefte. De eigenschappen die voor hein van de vrouw onafscheidelijk zijn en die hij anders in een persoon vereenigt, zijn hier verdeeld en tot zelfstandige typen opgevoerd. Venus, Kundry vertegenwoordigen de verleiding en de verdelging in een persoon. Maar in de Walkure is Sieglinde alleen de verleidster, terwijl hier de verdelgster aanwast tot een horde van woeste vrouwen, die het bloed der strjjdende mannen drinken, zich verlustigen in den aanblik der doodelijke slagen en juichend op hunne wilde rossen over de vlakte jagen.
26T
âSiegfriedquot;, âGötterdömmerungquot;, âTristan und Isoldequot; zijn vrij getrouwe herhalingen van den werkelijken inbond der âAValküre. Ook hier treffen wij weer de dramatiseering aan van diezelfde dwangvoorstelling van de verschrikking der liefde. Siegfried ziet Brunhilde, zij vallen elkaar in de armen en hij boet de bevrediging zijner liefde met zijn leven, want hjj valt door de hand van Hagen. Maar alleen die dood van Siegfried, als onvermijdelijk gevolg der liefde , bevredigt Wagner's verbeeldingskracht niet in voldoende mate, het is noodig dat er een vreeselijker noodlot optrede. Da Asenburcht zelf gaat in vlammen op en de vernielende slaaf der liefde sleept alle goden des hemels in zijn eigen ondergang mee Ook âTristan en Isoldequot; is de tragedie van den hartstocht; ook hier de geheele varnietiging van het plichtgevoel en van de zelfbeheer-sching door het opbruisen der liefde zoowel bij Tristan als bij Isolde en ook weer de dood, als het natuurlijke doel, naar 't welk die liefde heenvoert. In deze schepping neemt Wagner zijn toevlucht tot een hulpmiddel, waardoor de werkeloosheid van don held en de bovennatuurlijke aard van den hartstocht nog sterker worden gemotiveerd en uitgedrukt, namelijk tot een liefdedrank, die op Tristan en Isolde eene zoodanige werking uitoefent, dat zij geheel de speelbal worden van noodlottige machten.
Zoo laten de scheppingen van Wagner ons een diepen blik slaan in zijn geestestoestand ; zij toonen ons de snel wisselende zielstoestanden der grofste zinnelijkheid , van het verzet van het zedelijkheidsgevoel tegen de dwingelandij der begeerte, van den ondergang van den hoogeren mensch en van zijn wanhopig berouw. Wagner was, ge-lijk reeds vroeger is vermeld, een vurig bewonderaar van Schopenhauer en van diens philosofie. Hij was dan ook de meening toegedaan, dat het leven een ramp, het
268
niet-zjju een weldaad moest zijn. Do liefde met haar altijd werkzamen prikkel tot instandiioudirig van liet geslacht en van liet leven met al de daarmee samengaande ellenden moest liem dus de bron van alle kwaad toeschijnen, daarentegen in den roemrijken weerstand tegen dien prikkel, de maagdelijkheid, de onvruchtbaarheid in dit alles moest de hoogste wijsheid en zedelijkheid bestaan. En terwijl zijn overleg deze begrippen vasthield, werd hij door zijne neigingen onweerstaanbaar tot de vrouw gedreven en werd hij zijn loven lang gedwongen om alles te doen, wat zijne overtuigingen in liet aangezicht sloeg en zijne leer verdoemde. Deze tweespalt j tnsschen zijne piii-losofia en zijne organische neigingen is de intieme tragedie van zijn geestesleven en in al zijne scheppingen kan men het verloop van dien aanhoudenden strijd volgen. Hij ziet de vrouw en voelt zich terstond verloren onder hare betoovering. (Sieqnumd en Sieglinde, Siegfried en Brun-hilde, Tristan en Isolde.) Dat is een zware zonde en deze moet geboet worden met den dood. (Slotscène van de âWalkiirequot;, âGrötterdammerungquot;' âTristan en Isoldequot;.) Ma ar de zondaar had eene zwakke verontschuldiging.
âIk kon geeu weerstand bieden ; ik was liet slachtoffer van hoogere machten. Mijne verleidster behoorde tot het geslacht der godenquot; (Sieglinde, iBrunhilde) âik was bedwelmd door den liefdedrankquot; (Tristan, Siegfried in zijne verhouding tot Gutrune.) Hoe heerlijk zou het zijn , wanneer men sterk genoeg was dat ondier der begeerten te overwinnen, wanneer men den voet kon zetten op liet hoofd der demonische vrouw ! (Tannhauser, Parsi-val). En hoe schoon en aanbiddelijk zou de vrouw zijn, die in den man niet het helsche vuur van den hartstocht ontstak, maar die hem behulpzaam zon zijn dien hartstocht te onderdrukken, hem een voorbeeld zou zijn van
269
zslfverlooclieniug en onthouding, dio den man niet in hare strikken zou gevangen houden, maar hem zou dienen als een liefhebbend maagd, kortom eene vrouw, die de weerloosheid van den man ongevaarlijk zou maken , omdat zij zelve ongewapend is! (Elisabeth, Elsa, Senta, Gutrune). Do vinding van deze vrouwentijpen is eon soort de pro-fund is van den hingen zinnel'jkcn mensch, die in zijn nood omziet naar een hulp , welke hem tegen zichzelven zal beschutten.
Wagner heeft ook dit mot de ontaarden gemeen , dat hij als dichter geheel onvruchtbaar is, al heeft hij ook eene lange reoks van tooneelwerken geschreven, lljj mist do scheppende kracht, die in staat is liet leven van den algeiueenen, den normalen mensch te schilderen. Een gezond dichter doet een greep in het menschelijke leven en wat hij daarin aanschouwt en ervaart, dat geeft hij terug, bozield door zijn dichterlijken adem, tot een stuk nieuw, frisch leven, geïdealiseerd door zijne kunst, ontdaan van allerlei nevenzaken, die den totaal-indruk zonden kunnen bederven. Maar de ontaarde kan met het leven niets aanvangen. Hij gevoelt zich een vreemdeling te midden van normale menschen. ] [et ontbreekt hem aan organen om ze waar te nemen en te begrijpen. Ifij heeft liet niet in zijne macht om naar hot model te werken. Hij kan alleen voor-heelden nateekenen en die dan subjectief met zijne eigene emoties kleuren. Hij ziet liet leven eerst, wanneer het op papier, zwart op wit, voor hem ligt. Terwijl do normale dichter gelijkt op de chlorophylhoudende plant, die in den aardbodem inzinkt om zich daaruit door eerlijken wortel-arbeid de voedingsstoft'cn te verschaffen, waaruit ze hare bloesems en vruchten opbouwt, gelijkt de ontaarde op do woekerplant die zich voedt ten koste van den stam, waarop zij zich heeft gezet. Er zijn eenvoudige en schitterende
270
woekerplanten, van het onbeteekenende leverkruid tot de wonderschoone Rafflesia, wier kolossale bloesem in wilde donkerroode kleurenpracht vonkelt in Sumatra's duistere wouden. De scheppingen van Wagner doen eenigs-zins denken aan do rotlucht en de griezelige schoonheid van deze roofplant. Met uitzondering van de ileistersinger zijn zij geteeld op den Sögur van IJsland, op de heldendichten van Gottfried van Straatsburg, Wolfram von Escheubach , op de copieën van oude handschriften, waaraan zij hare kracht, haar voedsel ontleenen. .Men denke slechts aan âTannhüuserquot;, de âXibelungen-ïetralogiequot;, âTristan und Isoldequot;, âParsivalquot; en âLohengrin.quot; Van de volkssagen heeft de overlevering van den Wandelenden Jood den incest diepen indruk op hom gemaakt. Eens heeft hij die verwerkt in den âFliegenden Hollanderquot;, oen tweede maal heeft hij die in de gestalte van Kundry in het vrouwelijk element overgebracht, waarbij ook een lichte toespeling op de Herodias-sage duidelijk is te herkennen. Dat alles is lapwerk en dilettantisme. In plaats van menschen, voert hij goden en halfgoden, demonen en spoken ten tooneele , wier handelingen zich niet uit menschclijkö beweeggronden, maar wel uit geheimzinnige en noodlottige voorspellingen , uit tooverwerken en bavenaardsche machten laten verklaren. Wat in de stukken van Wagner plaats grijpt, is niet het leven, iniar eon spookhistorie , een heksensabbath of een droom.
Men zou hiertegen kunnen aanvoeren dat ook gezonde genieën uit de volksoverleveringen en uit de historie hebben geput, zooals bijv. Goethe in zijn âTassoquot;. Maar dan moet het toch terstond in 't oog springen op welk een geheele andere wijze iemand als Goethe de daaruit geputte stof heef tv verwerkt. Voor den echten dichterlijken geest is zoo'n sage niet meer dan een vaatwerk, dat hij vult met
271
nieuw, friscli leven, zoodat de inhoud het wezenlijke wordt; voor iemand als Wagner blijft de schaal altijd de hoofdzaak, en zijn eenige werkzaamheid bestaat daarin, dat hij die volstopt met een brei van onzinnige woorden en gesprekken. Oak de groote dichters hebboii zich het recht toegekend van den koekoek , hun ei in een vreemd nest te leggen. Maar de vogel, die uit dit oi kruipt, is zooveel schooner, grooter en sterker dan de oorspronke-kelijke bewoners van het nest, dat deze reddeloos verdrongen worden en de jonggeborene de eenige bezitter blijft. Er komt altijd eenige gemakzucht, eenige armoede aan vinding, een weinig rekenen op reeeds bestaande emoties in het spel, zoodra een schrijver of dichter nieuwen wijn in oude kruiken giet. Maar men kan hem dit niet zoo zwaar aanrekenen , daar hij toch tegelijkertijd zooveel oorspronkelijks, zoo veel eigen werk levert. Wanneer men bijv. van Faust alle eigenaardigheden van het oude volksboek wegdenkt, dan blijft er toch over de zoekende, naar kennis en geluk dorstende mensch. geheel die strijd tussehen de genotzuchtige lagere driften en de hoogere zedelijke drijfveeren, waarin wij nog altijd het beeld van ons tegenwoordig leven en strijden zien afgespiegeld. Maar wat blijft er van de marionetten van Wagner over, wanneer men hun hunne harnassen en prachtgewaden uittrekt ? De Faust is te moderniseeren, maar een Lohengrin, een Tristan, een Par-sival zouden , in een allerdaagsch pakje gestoken , zelfs als parodie niet te gebruiken zijn. Wagner droomde en zwetste veel over het kunstwerk der toekomst en zijne aanhangers hebben hem toegejuicht als den schepper van werken voor de toekomst. Hij, de kunstenaar der toekomst? Hij is ceu nagalm van het grijze verleden. Zijn weg voert terug naar woestenijen, waaruit het leven sinds lang is gevloden.
272
Alleen de stof van Wagner's dichtwerken kan in aanmerking komen voor eene ernstige beschouwing. Hun vorm is bsneden alle kritiek. Hunne belachelijke manier van uitdrukking, zijne platheid, de onbeholpenheid zijner verzen, geheel zijn onvermogen om voor zijne gevoelens en gedichten ook maar eenigermate passende woorden te vinden, zijn reeds zoo dikwijls besproken en aangetoond, dat ik mij de moeite kan besparen, daarop hier nog te wijzen. Toch kan men hem één ding, die tot de noodzakelijke bestanddeolen van do gave der tooneeldichting behoort, niet ontzeggen , en dat is zijn groot talent om te schilderen. Bij hem is dat talent inderdaad tot genialiteit gestegen. De dramaticus Wagner is eigenlijk een historieschilder van den eersten rang. Nietzsche bedoelt vermoedelijk hetzelfde, wanneer hij Wagner, zonder bij dit punt lang stil te staan, behalve een âmagnetiseurquot; en een âverzamelaar van prullekraamquot;, bovendien een âfrescoschilderquot; noemt. Dat wil dan zeggen in een mate, zooals men dat nog nimmer bij een tooneeldichter heeft aangetroffen. Elke handeling vertoont zich aan hem als
O O
eene reeks van grootsche beelden, die, indien zij zoo worden teruggegeven als Wagner ze in zijne innerlijke aanschouwing heeft gezien, dea toeschouwer moeten meeslepen en overweldigen. De ontvangst der gasten in de Wartburgzaal; het optreden en vertrekken van Lohengrin in het bootje, door de zwaan voortgetrokken ; het spelen van de drie Rijn-dochters in den stroom; de tocht van de goden over de regen boogbrug naar den Asenburcht; het vallen van het maanlicht in de hut van Hunding; de rit der Walküren over het slagveld; de slotscène van âGrötterdammerungquot;, waar Brunhilde op het paard springt en zich in den brandstapel stort, terwijl Hagen zich in den sterk gezwollen Eijn werpt en de hemel
273
gekleurd is door den vuurgloed van den brandenden godenburcht ; de uitvaart van Titurel, de genezing van Amfortas zijn tooneelen , waarbij alles, wat de kunst tot nog toe heeft voortgebracht, moet achterstaan. Nietzsche noemt Wagner wegens dat talent een komediant. Dat woord is hier geheel misplaatst, en ook, voor zoover er een minachting in ligt opgesloten, onbillijk. Wagner is geen komediant, maar een geboren schilder. Ware hij een gezond genie geweest, wiens geestelijk evenwicht niet was verstoord , dan zou hij zeker een groot schilder zijn geworden. Zijne innerlijke aanschouwing zou hem het penseel in de hand gegeven en hem gedrongen hebben zijne indrukken op hot linnen terug te geven. Lionardo had dezelfde gave. Zij maakte hem tot den grootsten schilder dien de wereld tot nu toe heeft gekend en stelde hem in staat om al die feestelijke optochten, allegorische tooneelen eu triumftochten te ontwerpen en te regelen, die hem, meer nog dan zijne schilderijen, de bewondering schonken van zijne vorstelijke begunstigers, van Ludovico Moro, Isabella van Aragon, Caesar Borgia 7 Karei VIII, Lodewijk XII en Frans I. Maar Wagner had geen klaar besef van zijn eigen wezen, hij begreep zijne natuurlijke roeping niet. Misschien ook dat hij in het gevoel van zijne organische zwakheid de inspanning schuwde, die onontbeerlijk is voor den zwaren arbeid van het teekenen en schilderen, en dat zijne neiging , gehoor gevende aan de wet van den minimum-arbeid, hem dreef naar het tooneel, waar zijne voorstellingen konden worden teruggegeven door decoratie-schilders, machinisten en vertooners, zonder dat hij zich daarvoor behoefde in-tespannen. Ongetwijfeld brengen zijne schilderingen zeer veel toe tot de machtige werking, die zijne stukken uitoefenen. Men bewondert ze, zonder zich af te vragen of Nordac , Ontaarding. 18
274
die verschijningen gegrond zijn op den logisclion gang van het drama ; zij reclitvaardigen zich door hare schoonheid, die ze tot zelfstandige aesthetische verschijningen maakt.
Van den musicus Wagner, die ongetwijfeld hooger staat dan de schrijver, tooneeldichter en schilder, spreek ik het laatst, omdat het mijne bedoeling is, het bewijs te leveren voor de ontaarding van Wagner, en deze komt in zijne geschriften veel duidelijker aan het licht, dan in zijne muziek. Het onsamenhangende openbaart zich toch in de muziek alleen dan, wanneer het buitengewoon sterk wordt geuit; ook kan in de taal der tonen weinig sprake zijn van onzinnigheid en tegenstrijdigheid, aangezien de muziek geen bepaalde gedachte heeft uit te drukken en cene sterke fijngevoeligheid liaar zelden een ziekelijk karakter geeft; want do emotie is het eigenlijke wezen der muziek.
Het is bekend, dat Wagner als musicus juist door erkende musici herhaaldelijk is aangevallen. In zijne geschriften legt hij daarvan zelf getuigenis af. âquot;Dat ik geen bijzonder musicus was , daarover waren de twee vrienden (Ferd. Hiller en R. Schumann) het vrij wel eens. Het scheen hun toe dat mijn succes vooral was toeteschnjven aan de door mij geschreven teksten.quot; Dus weer de oude historie: de musici hielden hem voor een dichter, en de dichters voor een musicus. Het is natuurlijk zeer gemakkelijk om het ongunstige oordeel van deskundigen, die tot de oprechte vrienden van Wagner behoorden, daaruit te verklaren, dat de richting van Wagner te nieuw was, om terstond door hem gewaardeerd en begrepen te kunnen worden. Maar toch is deze bewering ten aanzien van Schumann moeilijk voltehouden, aangezien deze een groot vriend was van allerlei nieuwigheden en afwijkingen van het oude systeem; zelfs die, welke van zijne eigene vindingen veel verschillen, trokken hem eerder
275
aan, dan dat ze hem hinderlijk waren. Ook Rubinstein maakt nog tegenwoordig (M u s i c i e n s moderne s) groote bedenkingen tegen de kunst van quot;VVagner en beweert dat deze muziek de ontwikkeling der toonkunst meer zou hebben tegengehouden dan bevorderd ; en onder de vele muziekcritici , die van het ontstaan, de ontwikkeling en den triumf van don quot;VVagner-dienst zijn getuigen geweest, bleef Hanslick zeer lang ongunstig gestemd, tot hij eindelijk, juist niet tot zijn eer, voor het oppermachtig fanatisme der hysterische Wagnerianen de vlag streek. Wat Nietzsche in zijn geschrift (der Fall Wagner) tegen Wagner als musicus zegt, is van geen beteekenis, aangezien dat geschrift even krankzinnig is als zijne ver-heerlij kings-brochure Wagner in 13 a y r e u t h, die twaalf jaren vroeger verscheen. (1)
Wagner is, in weerwil van de ongunstige uitspraken van velen zijner vakgenooten, ontwijfelbaar een bijzonder begaafd musicus. Natuurlijk zal deze koele erkenning den dweependen Wagner-vereerders, die hem boven Beethoven stellen, vrij belachelijk toeschijnen. Maar niemand, die met ernst naar de waarheid tracht, behoeft zich te bekommeren om de indrukken, die hij bij deze sooit van kunstliefhebbers teweeg brengt. Ongetwijfeld heeft Wagner, vooral in de eerste periode van zijn scheppen, veel meer dan in de laatste, bijzonder schoone composities voortgebracht, die als echte paarlen in de muziekliteratuur behooren aangemerkt te worden en die zich waarschijnlijk lang in de waardeering van gezonde en verstandige menschen zullen verheugen. Maar de toondichter Wagner heeft zijn leven lang met een grooten vijand te
18 *
1
Nietzsche is sinds eenigen tijil totaal krankzinnig cn wordt in een gesticht verpleegd.
276
kampen gehad, die hem bij de volle ontplooiing van zijne gaven geducht in den weg stond, en deze vijand was de muziektheoreticus Wagner.
De hoofdpunten in het muzikaal systeem van Wagner zijn, gelijk bekend is, het âLeitmotivquot; en de âeeuwige melodiequot; (âunendli che Melodiequot;). De meesten onzer lezers zullen zeker wel weten wat Wagner hieronder verstaat. Het âLeitmotivquot;, dat de basis moet vormen voor de zoogenaamde programma-muziek, is eene opvolging van tonen, waardoor een bepaald begrip moet worden uitgedrukt en die in het orkest optreedt, zoodra de componist den toehoorder het bedoelde begrip in de herinnering wil terugroepen. Door hot âLeitmotivquot; wil Wagner de muziek veranderen in taal. Het orkest, dat van het eene motief in het andere overgaat, roept niet meer algemeene aandoeningen in ons bewustzijn te voorschijn,, maar wendt zich tot ons geheugen en tot ons verstand , om ons een bepaalde voorstelling van een handeling of van een persoon te geven. Wagner j-aat daartoe met zijne toehoorders eene zekere overeenkomst aan, door te zeggen : deze toonfignur beteekent strijd, een andere een draak r een derde zwaard, enz. Gaat de toehoorder deze overeenkomst niet aan , dan verliezen die motieven hunne betee-kenis, want in zich zelf bevatten zij niets dat tot het vatten van den hun willekeurig toegedichten zin kan leiden; dit laatste behoort ook doorgaans tot de onmogelijkheden , aangezien het vermogen van nabootsing door muziek zich noodwendig moet bepalen tot zuiver acoustische en verder tot die optische verschijnsels, die in den regel met do acoustische samengaan. De muziek kan docr nabootsing van den donder het begrip van onweer, door trompetgeschal het begrip van een in aantocht zijnd leger zoodanig uitdrukken, dat omtrent de beteekenis van die
277
opvolging van tonen bij den toehoorder geen twijfel kan bestaan. Daarentegen is de muziek niet in staat met de middelen , die haar ten dienste staan , de uitwendige zicht-â en voelbare wereld, of zelfs bepaalde abstracte begrippen, ondubbelzinnig uit te drukken. De âLeitmotivenquot; zijn dus op zijn hoogst koude zinuobeelden, evenals de geschreven letters, die op zichzelf niets zeggen en alleen voor de ingewijden, de schriftgeleerden, tot dragers van eene bepaalde voorstelling worden.
Wij treffen hier weer eene eigenaardige overeenkomst â¢aan met de manier, waarop de praerafaëlieten en de symbolisten in de kunst te werk gaan, namelijk dat streven, om de grenzen der kunsten te overschrijden en de verschillende kunsten , wier differentieering een gevolg is van eene rijpe historische ontwikkeling, weer tot haren oertoestand terug re voeren. Wij hebben gezien, dat de praerafaëlieten het beeld willen vervormen tot een schrift, dat niet meer door de schilderachtige eigenschappen zijne werking zal uitoefenen maar dat eene abstracte gedachte moet uitspreken, terwijl de symbolisten het woord, dat een begrip aanduidt, willen vervormen tot eene muzikale harmonie die geen gedachten , maar alleen klankeffecten op het oog heeft. Zoo wil nu Waguer de muziek haar eigenaardig karakter ontnemen en haar tot de draagster maken van bepaalde voor-* stellingen, in plaats van vage emoties. De schilders willen dus schrijvers zijn , de dichters gedragen zich als â componisten , de musicus wil den schrijver en den dichter uithangen. In dit moedwillig miskennen van den aard der verschillende kunsten, in deze opzettelijke verwisseling van middelen van uitdrukking, ligt inderdaad iets onzinnigs. Waarom bedienen de praerafaëlieten, die de kernspreuk van hun geloof vsillen uitspreken, zich dan niet van woorden, in plaats van hun toevlucht te nemen tot
278
het tijdroovend en omslachtig teekenen van figuren , waarmee zij toch hun doel niet bereiken ? Waarom schrijft een symbolist, die zoo tuk is op klanken, niet een eenvoudige melodie en waarom gaat oen musicus, die liet begrip âdwergquot;, âreusquot;, draakquot; wil uitdrukken, in plaats van gewone woorden eene rij noten neerschrijven, waarvan de beteekonis zonder een sleutel door geen schepsel is te raden ?'
Wagner is blind en doof voor de eigenaardige en hooge beteekenis der muziek. Wanneer het woord, dat een begrip uitdrukt, orkestraal of door gezang wordt begeleid, dan geschiedt dit uiet om de beteekenis daarvan , maar wel om de eniotic, die liet in ons opwekt, te versterken. De muziek is een soort van klankbodem, waarin liet woord iets als ecu weergalm uit de oneindigheid moet opwekken. Zulk een gevoelde en geheimzinnige echo klinkt ons echter niet tegemoet uit de zorgvuldig in elkaar gezette âLeitmotivenquot;, die volgens een werktuigelijk schema terugkeeren, als gold het 't peuter werk van een registerbewaarder der kanselarij. â
* Het is wel eigenaardig op tc merken , dat de raeening van Nordau omtrent de onwaarde van het âLeitmotivquot; en de onjuiste aanwending van de muziek tot uitdrukking van bepaalde begrippen o. a. gedeeld wordt door Emil Naumann, wiens geschrift: De ontwikkeling d er T o o n k un s t v a n d e n a a n v a n g t o t o p den tegenwoordige n tijd. bewerkt door J. C. Boers, aan velen onzer landge-nooten wel bekend is. Ook hier vinden wij het feit vermeld (Tweede deel pag. 452), dat Wagner is teruggekeerd van den door onze classici gevestigden p o 1 y-thematischen stijl tot den m o n o-theniati-schen stijl, die gelijk staat met de oud-Florontijnsche monodie, die in vergelijking met de ontwikkeling, welke een Gluck, Mozart , Beethoven , enz. aan het muzikaal kunstwerk hebben gegeven , gelijk staat met een naiëf, kinderlijk stamelen. Vooral in het âLeitmotivquot; toont Wagner zich monotheraatiens. Hij heeft het âLeitmotivquot; ook niet uitgevonden , want het bestond reeds vroeger , al werd het ook op andere wijze aangewend. Op pag. 453. lezen wij nog: âDaar... een âLeitmotivquot;, al is het nog zoo verschillend geharmoniseerd of geïnstrumenteerd.
279
Met de âunendliclie ^[elodiequot;, liet tweede hoofddenkbeeld van Wagner, is het al op dezelfde wijze gesteld als met het âLeitmotivquot;. De âeeuwige melodiequot; is een echt mystieke vinding, de vorm, waarin zich in de muziek hot onvermogen tot opmerkzaamheid merkbaar uit, In do schilderkunst leidt do opmerkzaamheid tot de compositie , het ontbreken daarvan tot de photografisch gelijkmatige behandeling van hot geheele gezichtsveld, zooals bij de praerafaëlioten; in de dichtkunst leidt de opmerkzaamheid tot helderheid van gedachten, logisch verband, het onderdrukken van het onbelangrijke en het op den voorgrond stellen van het wezenlijke, terwijl bij gemis van
zich volgons zijne grondgedaclite niet kan veranderen ... zoo kan het eigenlijk dan ook slechts één gedeelte in het leven van oen dramatisehen persoon, maar niet diens gansche gevoelen, willen, handelen en zijn uitdrukken. Wanneer nu Beethoven , ten einde ons een blik te doen slaan in de ziel zijner Leonore, haar in den loop van zijne opera âFido-lioquot;' ongeveer twintig verschillende thema's in den mond legt, die alle althans oven sterk sprekend en zeker nog rijker in geledingen zijn dan eon âLeitmotivquot; van Wagner, is de grootmeester in zulk een geval de dramatische polythematicus, Wagner daarentegen, voor wiet hiertoe meestal een enkel steeds wederkeerend hoofdmotief voldoende is , de dramatische monothematicus. In dezelfde verhouding tot V* agner staan alle overige voorname meesters na Gluck. Ook zij kenden geen toteene muzikale formule versteend bestaan van hunne dramatische personen, maar laten hunne karakters .. . zich ontwikkelen uit oene geheele reeks van stemmingen en handelingen. Met zulk eene opvatting, doch niet met oenen aan het karakter vooruit opgelegdon on veranderlijken vorm, valt hot bestaan van ons geslacht samen , dat geen stilstand, maar een eeuwig worden voorstelt, alleen mot zulk oene opvatting zijn de vrijheid en verscheidenheid van wil en daad te rijmen, welke door hot âLeitmotivquot; ten eenenmale worden opgeheven.quot;
Ook op pag. 457â400 breekt Naumann den staf over het streven van Wagner, om de reeds lang verouderde uitdrukkingsvormen van een achter ons llggenden tijd weder ten troon te verheffen en do verschillende kunsten in zijn âKunstwerk der Toekomstquot; tot één kunst samen te smelten.*
280
opmerkzaamlieid de verwarring en de langwijligheid ontstaan, zooals bij Tolstoi; eindelijk in de muziek is de opmerkzaamlieid kenbaar uit de gesloten vormen , d. w. z. uit begrensde, afgeronde melodieën, â ontbreekt ze, dan verwateren hare grenzen en vormen, en wij krijgen de eeuwig voortgaande melodie, zooals bij Wagner. Dit parallellisme is geen willekeurig spel van den geest, maar het werkelijk bestaande beeld van de denkverrichtingen in het bewustzijn van de verschillende groepen van ontaarden, welke in de verschillende kunsten verschillende verschijnselen te voorschijn brengen.
Laat ons eens nauwkeurig nagaan, wat wij eigenlijk door melodie hebben te verstaan. Melodie is in de muziek wat een gedachte is in de taal ; oen gedachte is duidelijk begrensd, zij heeft een begin en oen einde. Zoo is ook een melodie een zekere toonopvolging, waarin oene bepaalde uitdrukking, een bepaald karakter is gelegen. Evenmin als het droomerig nevelachtig denken zal kunnen leiden tot een klaren, afgeronden zin, zal uit de stroo-mende beweging van verwarde emoties eene melodie kunnen ontstaan. Ook aandoeningen kunnen min of meer duidelijk zijn, ook die kunnen in een chaotischen en in een geordenden toestand voorkomen. In het laatste geval kunnen zij begrepen worden en kunnen zij zich ook uiten in een verstaanbaren vorm, die rijk is aan uitdrukking: in het eerste geval, waar geen bepaalde aanleiding of kennelijk doel voorhanden is, zal hare verzinnelijking door tonen even nevelachtig en onduidelijk zijn als de aandoeningen zelve. Men zou de melodie kunnen noemen eene poging van de muziek om iets bepaalds te zeggen. liet ligt voor de hand, dat een emotie, die zich van hare oorzaken en doeleinden niet bewust is en niet is verhelderd dooide opmerkzaamheid, hare muzikale uitdrukking ook niet
281
tot een melodie kan opvoeren, daar zij niets bepaalds heeft te zeggen.
Eerst door eene eeuwenlange ontwikkeling is de melodie in de muziek ontstaan. In den primitieven toestand was muziek niet veel meer dan een stampen, kloppen en in de handen klappen, dat als een rliythmiseh geruisch het gezang begeleidde , eu dit gezang was niet anders dan een door gemoedsbeweging luider wordend en met grootere intervallen zich bewegend spreken. Uit alles wat over dit onderwerp is geschreven, wil ik een enkele plaats aanhalen. Herbert Spencer zegt in zijne bekende verhandeling The Origin and Function of Music: âAlle muziek is oorspronkelijk zangmuziek (vocal).â Het gezang, waarmee de wilden hunne dansen begeleiden, is zeer eentonig en door die eentonigheid is het veel nauwer verwant met het gewone spreken dan het gezang van ontwikkelde men-schen. De vroegere gedichten der Grieken, die , men ver-gete het niet, heilige sagen waren, belichaamd in rhyth-mische beeldspraak, die sterke gevoelens opwekken , werden niet gesproken, maar gezongen (chanted); tonen en intervallen werden door dezelfde invloeden, die de spraak dichterlijk maken , muzikaal gemaakt. Dat zingen was niet wat wij zingen noemen, maar liet was nauw verwant met ons recitatief. Zelfs nog veel eenvoudiger dan dit, wanneer wij althans in aanmerking nemen dat de oude Grieksche lier, die maar vier snaren had, unisono met de stem bespeeld werd, en dus tot vier noten was beperkt. â Dat het recitatief, boven hetwelk â dit zij in 't voorbijgaan opgemerkt â de Chineezen en Hindoes zich in hunne muziek nooit hebben kunnen verheften, natuurlijk is ontstaan uit de modulaties en de cadans van een krachtig gevoel, daarvoor vinden wij nog in de heden-daagsehe verschijuselen het treffend bewijs. Ook in onze
282
dagen uit zich liet gevoel nog meermalen op deze manier. Wie ooit een bijeenkomst van kwakers heeft bijgewoond, waar een prediker aan het woord was (zij spreken gewoonlijk alleen onder den invloed van godsdienstige emoties) , die moet het buitengewoon zangerige in den toon hebben opgemerkt, waarin de toespraak doorgaans wordt gehouden.quot;
Het recitatief, het eigenlijke spreekzingen, waarin geen gesloten melodische vorm is te herkennen, is dus de oudste vorm der muziek; het behoort tot den graad van ontwikkeling waartoe de toonkunst bij de wilden, bij de oude Grieken cn bij de tegenwoordige Oost-Aziatische volkomen is gekomen. Wagners âunendliche melodie'' is niets anders dan een rijk geharmoniseerd 011 levendig recitatief, maar het blijft toch altijd een recitatief. Wagner gebruikt hot woord melodie met een bjjvoegelijk naamwoord , waardoor de melodie ophoudt melodie te zijn. Hij laat het voorkomen alsof met de âeeuwige melodiequot; een hoogeren trap van ontwikkeling in de muziek zou bereikt zijn, terwijl zij hiermee toch feitelijk naar haren oor-spronkelijken toestand teruggaat. Zoo doet zich ook weelbij Wagner dat verschijnsel voor, dat wij vroeger ook bij andere ontaarden hebben opgemerkt, namelijk dat zij het teruggaan tot een lageren trap van ontwikkeling houden voor eene vooruitstrevende ontwikkelmcr in do toekomst.
o
Wagner geraakte tot zijne theorie van de âeeuwige melodiequot; door zijne beperkte en geringe gave voor het vinden van begrensde of werkelijke melodiëen. Alle musici hebben die zwakheid en armoede in melodische schepping in zijne werken opgemerkt. Tu zijne jeugd was zijne scheppingskracht grooter en toen heeft hij ook enkele prachtige melodiëen (in âLohengrinquot;, âTannhauserquot;, âFliegende Hollanderquot;) gemaakt. Met de jaren werd die scheppingskracht
283
hoe langer hoe minder en naarmate de stroom van melodische vinding in hem opdroogde , begon hij zijne theorie van do âeeuwige melodiequot; met meer nadruk en ijver toe te passen. Dus alweer de bekende methode een theorie te verzinnen om daarmee te willen verontschuldigen en rechtvaardigen, waartoe men uit onbewuste noodzakelijkheid wordt gedreven. Daar Wagner niet in staat was, de personen van zij no toonscheppingen door zuiver muzikale karakteriseering uit elkaar te houden, nam hij zijne toevlucht tot het âLeitmotivquot; ; daar het hem met do jaren steeds moeilijker werd om karakteristieke melodiëen te vinden , voerde hij de âeeuwige melodiequot; in.
Het laat zich nu ook gemakkelijk verklaren, waarom Wagner in liet âKunstwerk der Zukuuftquot; zoo hevig te keer gaat tegen liet contrapunt en de contrapuntisten. Dezen noemt hij uitgedroogde schoolvossen, die de levendigste van alle kunsten verlagen tot een dorre, doode mathesis; eigenlijk eene flauwe navolging van zijn meester Schopenhauer, die op een dergelijke wijze de ihiitsche professoren in de wijsbegeerte heeft doorgehaald. Het ia toch duidelijk dat Wagner, als een onopmerkzaam mysticus, die zich onmachtig aan vormelooze droomerjjen overgeeft, door do strenge tucht en de vaste regels der compositie leer, die aan de stamelende taal der tonen eerst eene grammatica heeft gegeven en haar tot een waardig middel van uitdrukking van de gemoedsaandoeningen van ontwikkelde menschen heeft verhoven , zeer in 't nauw gebracht moest worden. Hij verklaart de zuivere instru-mentaal-muziek met Beethoven voor afgesloten, na hem is geene ontwikkeling op dit gebied meer mogelijk; de âmuzikale declamatiequot; daarentegen is de eenige weg, langs welken de toonkunst zich nog verder kan ontwikkelen. Het is best mogelijk dat na Beethoven de instru-
284
meiitaal-miiziek zich gedurende eenige tientallen of misschien honderdtallen van jaren niet meer zal ontwikkelen. Beethoven was zulk een reuzengenie, dat wij ons werkelijk moeilijk kunnen voorstellen, hoe iemand hem nog zou kunnen navolgen of overtreffen. Van Lionardo, van Shakespeare , van Cervantes, van Goethe krijgt men een â¢dergelijken indruk. Het is ook zeer goed denkbaar dat er grenzen ziju, die eene bepaalde kunst niet kan overschrijden, zoodat een groot genie daarin zijn laatste woord spreekt, waarna geea hoogere ontwikkeling in dat genre meer mogelijk is. Dan moet echter de artiest ootmoedig zeggen : Beter dan de grootste meester van mijne kunst kan ik het toch niet doeu; ik moet mij dus tevreden stellen met als epigoon in de schaduw van zijn grootheid te werken en voldaan zijn, wanneer mijn werk enkele bijzonderheden van mijne persoonlijkheid uitdrukt. Maaibij moet niet met eene brutale zelfoverschatting gaan beweren : Het zou moeilijk zijn te gaan wedijveren met de adelaarsvlucht van den oppermachtige, dus is er nog â alleen ontwikkeling mogelijk in mijn vleermuisgefladder. En zoo doet Wagner. Daar hij voor de zuivere instru-mentaal-muziek geen bijzonder talent heeft, verordineert hij op een tooquot;, van onfeilbaarheid: âDe instrumentaal-muziek is met Beethoven afgesloten. Het zou een dwaasheid zijn op dit afgegraasde veld nog iets te willen vin-â den. De toekemst der muziek ligt in de begeleiding van het woord en ik wijs u den weg naar die toekomst.quot;
Zoo maakt Wagner eenvoudig van den nood eene deugd â¢en zoekt niet zijne zwakheid roem te verwerven. De sym-phonie is de hoogste ditt'erentiëering der toonkunst. Deze heeft zich daarin van hare verwantschap met het woord zooveel mogelijk ontdaan en hare hoogste zelfstandigheid bereikt. AVie de symphonie verloochent, verloochent de
285
muziek als bijzondere, gedifferentieerde kunst, want de symphonic is het meest muzikale, wat de muziek kan voortbrengen. De muziek als begeleidster van het woord boven de symphonische muziek stellen is hetzelfde als aan eene dienstbode eene hoogere plaats toekennen boven hare meesteres. Green muzikaal voelend en denkend toonkunstenaar zal op de gedachte komen, om datgene, waaraan hij een vorm wil geven , in woorden, in plaats van in tonen uit te drukken. Want komt bij op die gedachte, dan is daarmee tevens bewezen , dat hij in zijn innerlijk wezen meer dichter of schrijver dan musicus is. De koren der negende symphonie zijn niet als bewijs tegen de juistheid van deze stelling aan te voeren. In dit geval werd Beethoven door een zoo sterke, overweldigende emotie beheerscht, dat liet meer algemeene en veelzijdige karakter van de zuiver muzikale uitdrukking hem niet meer kon voldoen en hij onvoorwaardelijk het woord te hulp moest roepen. In de diepzinnige bijbelsche sage krijgt zelfs de ezel vau Bileam het vermogen van te spreken, wanneer hij iets bepaalds heeft te zeggen. De emotie, die zich van haren inhoud en van haar doel duidelijk bewust wordt, houdt op emotie te zijn; zij verandert dan in voorstelling, gedachte en oordeel, en dezen uiten zich niet in de muziek, maar in de gelede taal. Wanneer nu Wagner in principe de muziek als begeleidster en draagster vau het woord en van do handeling boven de zuivere instrumentaalmuziek stelt, en dat niet als middel vau uitdrukking van gedachten, â want daarover kan geen verschil van meening bestaan â maar als eigenlijke vorm , dan is dit een bewijs, dat hij volgens zijn natuur en aanleg niet zuiver musicus is geweest, maar wel een ingewikkelde combinatie van een zwak dichter , een traag schilder, die liever zelf niet naar het pen-
286
«eel greep, en een ijdel musicus. Zulks is het geval met de meesten der hoogere ontaarden, alleen dat de enkele brokstukken van hun zendeling ineengegroeid tweeslachtig talent niet zoo sterk en zoo groot zijn als bij hem.
De muzikale scheppingen, die Wagner het best gelukt ^ijn , de Venusbergmuziek, âTannhauserquot;, het 136-maal herhaalde Wigala-Weia-Es-g-b der âRheintochterquot;, de âWalkürenrittquot;, de âFeuerzauberquot;, âWaldvvebenquot;, de treur-marsch uit âGötterdainmerungquot;, de âSiegfried-idjilequot;, de âCharfreitag-Zauberquot;, ware prachtstukken , die met recht hoog gesteld worden , toonen juist hot eigenlijke onmuzikale in het muziekgenie van Wagner. Want al die stukken hebben dit met elkaar gemeen, dat zij schilderen. Zij zijn niet de muzikale ontboezeming van eene zielsaandoening, maar de innerlijke aanschouwing van een geniaal schildersoog , die Wagner met de kracht, maar ook met de dwaling van een titan , in tonen , in plaats van in lijnen en kleuren tracht te vatton. Hij geeft natuurverschijnselen en natuurklanken terug, hetzij dat hij ze onmiddellijk nabootst of door ideëenassoeiatie de voorstelling daarvan opwekt; zijn muziek doet ons het ruischen der golven , het suizelen der boomtoppen, het zingen der vogels in het woud hooren of door een acoustisch parallellisme den dans van weelderige vrouwengestalten, het voortjagen van woest snuivende rossen, het opflikkeren der vlammen zien. Deze scheppingen zijn niet geput uit gemoedsbewegingen , maar zijn door uitwendige indrukken ingegeven ; ZIJ Z1j11 geen .vertolking van een gevoel, maar een weerspiegeling , dus iets wezenlijk optisch. Geput uit de zinnelijke waarneming, werkt deze muziek ook allereerst op de zinnen. (1). Men zou deze muziek, juist waar ze het
(1) *Hiâ¬rmec geeft Nortlnu, naar mijne mecning, het duidelijk ver-
287
beste is, kunnen vergelijken met de vlucht van vliegende visschen. Een verrassend en verblindend gezicht, en toch iets onnatuurlijks, toch eene afwijking uit het eigenlijke in het oneigenlijke element, en wel iets geheel onvruchtbaars , dat noch voor normale visschen, noch voor normale vogels als rescel kan dienen.
O O
Wagner heeft dit zelf zeer goed begrepen ; hij was met zichzelf daarover in 't reine dat men op zijn sijsteem van toonschildering niet verder kan voortbouwen. Want ten aanzien van het streven van musici, die gaarne eene Wagner-school zouden hebben gevormd, klaagt hij in zijn geschrift: Ueber die A uwen dung der Mus ik auf das Drama âdat jongere componisten op onverstandige wijze er zich op toeleggen, hem natevolgen.quot;
Zooals ik in het bovenstaande heb trachten aan te too-nen, moet dus deze zoogenaamde toonkunstenaar der toekomst beschouwd worden als de musicus van het grijze verleden. Alle eigenaardigheden van zijn talent wijzen niet vooruit, maar ver achter ons. Atavisme is zijn ,Leitmotivquot;, dat de muziek verlaagt tot een conventioneel zinnebeeld in klanken, atavisme zijne âunendliehe Melodiequot;, die den gesloten vorm terugbrengt tot het verwaterd recitatief van een primitief geslacht, atavisme zijn stellen van de hoog-gedifferentieerde instumentaal-muziek beneden het muziekdrama, waarin muziek en dichtkunst nog zijn vermengd en dat geen der beide kunst vormen tot zijn volle recht laat komen, atavisme zelfs zijne manier, om een persoon op het tooneel te laten zingen eu bij ^voorkeur veelstemmige geharmoniseerde stukken vermij-
klavcnde antwoord op de zoo dikwerf voorkomende vraag; âWaarom brengt de muziek van Wagner, ook bij de ovenveldigendste indrukken, ons in zoo'n geheel andere stemming, dan bijv. de muziek van Bcetho-von , of die van Schumann en van andere groote meesters?quot;*
288
den. Als individueele verschijning zal Wagner in de muziekgeschiedenis altijd eene belangrijke plaats blijven innemen, als bevorderaar van zijne kunst echter geene of maar een zeer kleine. Want het eenige , wat gezonde muzikale talenten van hora kunnen leeren, is, zich in de opera met gezang en begeleiding streng aan het woord te houden, waar eu karakteristiek te deklameeren en door orkestrale werking voor de verbeelding vormelijke voorstellingen te doen optreden. Ik waag het echter niet te beslissen, of dit laatste nog als eene uitbreiding of reeds als eene overschrijding van de grenzen der toonkunst moet aangemerkt worden ; zeker is het dat Wagner's discipelen zijne rijke muzikale kleuren met de grootste omzichtigheid moeten benuttigen , willen zij niet op dwaalwegen geraken.
O O
De machtige invloed van Wagner op de tijdgenooten laat zich niet uitsluitend verklaren uit zijne dichterlijke of muzikale begaafdheden, noch uit eenige persoonlijke eigenschap , misschien uitgezonderd âdat hardnekkig vasthouden aan een en dezelfde gedachtedat Lombroso aanvoert als een kenmerk van graphomanen, maar wel uit het bijzondere zenuwleven van het tegenwoordig levende geslacht. Het leven van Wagner gelijkt op dat van die zonderlinge planten van het Morgenland (Anastatica, Astericus) bekend onder den naam van Jericho-rozen, die een onooglijke bruine kleur hebben en droog en dor door de winden worden verstrooid, tot zij op een gunstigen bodem aankomen , daarin wortel vatten en zich clan tot fraaie bloeiende bloemen ontplooien. Tot op gevorderden leeftijd was het bestaan van Wagner niets dan strijd en bitterheid, zijne grootsprekerij werd belachelijk gevonden. Eerst als oen goede vijftiger begon hij beroemd te worden en op het eind van zijn leven was hij onder de halfgoden
289
geplaatst. Dat wil zeggen : de wereld was inmiddels voor hem â en voor het gekkenhuis â rijp geworden. Hij had het geluk zoo lang te leven, tot de algemeene ontaarding en de ziekelijke zenuwtoestand eene zoodanige hoogte hadden bereikt, dat zij een gunstigen bodem aanboden voor de ontwikkeling van zijne theorieën en van zijne kunst.
Het verschijnsel, dat wij hier herhaaldelijk geconstateerd en verklaard hebben, namelijk dat de ontaarden en hysterici elkaar aantrekken als de magneet en het ijzervijlsel, is in het leven van Wagner bijzonder duidelijk waar te nemen. Onder zijno begunstigers merken wij vooreerst op vorstin Metternich, de dochter van den zonderlingen graaf Sandor, wier vreemde eigenaardigheden genoegzaam stof hebben gegeven voor de kroniek van het hof van JSapoleon ; verder Frans Liszt, die een zeer groote overeenkomst met Wagner aanbood: hij was schrijver (zijne werken, die zes dikke deelen omvatten, nemen een eereplaats in onder de voortbrengselen der graphomanen), componist, erotomaan en mysticus , alleen in mindere mate dan Wagner , dien hij alleen als piano-virtuoos verre overtrof. Wagner dweepte met alle graphomanen , waarmee hij in aanraking kwam, o. a. met A. Gleizès, dien Lombroso bepaald krankzinnig noemt, en verder vormde hij een gan-scheu kring van uitverkorene graphomanen om zich heen , waaronder Nietzsche, die wegens zijn waanzin in een gesticht moest worden gebracht, H. von Wolzogen , wiens Poetise he Laut-symbolik kon geschreven zijn door de meest excentrieke Fransche symbolisten of instrumen-tisten , H. Forges , E. von Hagen, enz. Do belangrijkste betrekking van dezen aard was echter die met den onge-lukkigen Koning Lodewijk 11 van Beieren. In hem vond Wagner den geest, dien hij noodig had. Hier trof hij de volkomen sympathie aan voor zijne theorieën en scheppin-Nordau , Ontaarding. 19
290
gea. Meu kan gerust beweren, dat Lodewijk van Beieren de schepper is geworden van den Wagner-dienst. Eerst nadat de Koning de verklaarde bescliermer van Wagner werd, werden Wagner en zijn streven van beteekenis in de geschiedenis der beschaving. ïsict alleen omdat Lodewijk I[ Wagner in staat stelde zijne groote en kostbare kunstplannen te verwezenlijken, maar vooral omdat hij het aanzien van zijne kroon in dienst stelde van de richting van Wagner. Want incn moet wel in aanmerking nomen dat de groote meerderheid van hot Duitscho volk zeer monarchaal gezind is en aan vorstelijke bescherming een groote beteekenis hecht, zoodat dus liet aanzien van Wagner bij alle koningsgezinde en vaderlandslievende burgers ontzaglijk moest stijgen, toen een jonge en mooie koning, wiens ziekelijke geestestoestand toenmaals nog voor âidealismequot; gold, ccne onbegrensde geestdrift voor den kunstenaar aan den dag legde , in nog veel sterker mate dan indertijd Karl August voor Goethe ! De muziek van Wagner werd toen eene door kronen en wapenen gesierde Koninklijke Beiersche muziek, om later eene Keizerlijke Duitsche te worden. Aan het hoofd van de Wa gner-beweging stelt zich dus, zooals 't behoort, een waanzinnige koning.
Zoo kon Lodewijk II Wagner dus bij het Duitsche volk in do mode brengen, misschien alleen niet bij de Beieren, die vertoornd waren over de ongehoorde geldver-kwisting van hun koning; maar om de Wagner-mode te doen stijgen tot het Wagner-fanatisme , daartoe moest nog eene andere oorzaak meewerken, en deze oorzaak was: de hysterische toestand der tijdgenooten.
In Duitschland is deze weliswaar nog niet zoo sterk opgetreden als in Frankrijk en Engeland, maar toch is hij in de laatste kwart-eeuw merkbaar toegenomen ; de
291
invloed van de groot-industrie en van de groote steden lieeft zich ook in Duitschland doen gelden en vooral hebben nog twee groote oorlogen er het hunne toe bijdragen, o;ii hot zenuwleven te prikkelen en de menscheu ontvankelijk te maken voor schadelijke invloeden.
^Tog nooit heeft nicn den invloed van een oorlog op de zenuwen van do deelnemers stelselmatig onderzocht, en toch zou een dergelijk onderzoek zoo noodig en belangrijk zijn! De wetenschap is er van op dc hoogte , welke een ingrijpende en vernielende werking sommige hevige gemoedsbewegingen, bijv. een plotseling doodsgevaar, op den mensch uitoefenen; zij heeft duizenden gevallen waargenomen , waarin personen, die uit het water of bij een scheepsbrand of bij een spoorwegongeluk waren gered, soms het verstand verloren of ernstige en langdurige, soms ongeneeslijke zenuwziekten kregen.
In don oorlog zijn honderdduizenden voortdurend aan die vreesdijke indrukken blootgesteld; maanden lang worden zij bedreigd door verminking en door een plotseliugen dood. Meuigmaal zijn zij aan de grootste vermoeienissen, soms ook aan allerlei ontberingen blootgesteld; zij moeten marscheeren tot zij er bij neervallen en kunnen niet altijd op voldoende voeding en slaap rekenen. En nu zou bij die honderdduizenden niet die werking merkbaar zijn, die eeu enkele van die omstandigheden, welke in den oorlog onophoudelijk voorkomen, met zich brengt? Men bewere niet, dat de soldaat in den veldtocht tegen de hem omringende gruwelen wordt afgestompt. Dat be-teekent alleen, dat de opmerkzaamheid van zijn bewustzijn tenslotte niet meer door al die ellenden wordt opgewekt. Maar door de zintuigen en de hersencentra wor-d mi zij toch steeds waargenomen en zoo blijven de sporen d iirvan in het zenuwstelsel achter. Dat de soldaat dö
19*
292
«chokken, die zijn gemoeds- en zenuwleven ontvangt T niet terstond bemerkt, dat bewijst niets. Ook de âtraumatische hysteriequot;, het railwayspine (spoorweg-rugge-merg), ook de zenuwaandoeningen die het gevolg zijn van een moreelen âshockquot; vertoonen zich soms eerst maanden lang na het optreden der aanleidende oorzaak.
Naar mijiio meening is het boven allen twijfel verheven dat in eiken grooten oorlog de oorzaak moet gezocht worden van den prikkelbaren, hysterischen toestand, die tijdelijk is waar te nemen bij allen, die aan dien oorlog hebben deelgenomen. Zeker geldt dit voor den overwinnaar in mindere mate dan voor den overwonnene , want de zegepraal is een der sterkste krachtopwekkende gevoelens, die de hersenen kunnen ondervinden, en een dergelijke dynamogene werking is zeker wel geschikt om do vernielende invloeden van de indrukken van den oorlog te verzwakken en tegentegaan. Maar toch zal zij deze niet geheel en al kunnen opheffen en ook de overwinnaar laat ten slotte een tamelijk groot deel van zijne zenuwkracht op liet slagveld en in het bivouak achter.
Men is gewoon te zeggen dat na eiken oorlog het volk ruwer is geworden; de waarneming leert, dat na een veldtocht de toon onder het volk heviger en ruwer wordt en dat de statistiek meer daden van geweld aanwijst. Het feit is juist, maar de verklaring is oppervlakkig. Wanneer de naar huis teruggekeerde strijder eerder opvliegt en spoediger naar het mes grijpt, dan is dat niet omdat de oorlog hem ruwer heeft gemaakt, maar wel omdat hij prikkelbaarder is geworden.
Die verhoogde prikkelbaarheid is echter maar een vorm, waarin de zenuwzwakte zich openbaart.
Onder den invloed der beide groote oorlogen, in verband met de ontwikkeling van de groot-industrie en van
293
lt;ie groote steden, moet ook sedert 1870 bij het Duitsche volk de hysterie sterk zijn toegenomen. Maar nu ontleent elke hysterische aandoening, evenals elke waanzin en elke ziekte, haar bijzonderen vorm aan persoonlijke eigenaardigheden van den lijder. De graad van ontwikkeling, het karakter, do neigingen en de gewoonten van den â zieke geven aan de storing hare eigenaardige kleur. Bij de Engelschen, die van ouds naar den vromen kant overhellen, moesten de ontaarding en hysterie noodzakelijk een mystiek-religieuze tint krijgen. Bij de Fransehen met hun hoogontwikkelden smaak en liunne liefde voor kunst was het natuurlijk, dat de hysterie een artistieken vorm aannam en tot de bekende verbastering in de schilderkunst, in de literatuur en de muziek leidde. Maar bij de Duitsohers openbaart zich in 't algemeen niet zoo'n vrome en aesthetische aanleg. Hun gevoel voor 't schoone uit zich meest in het bekende: reizend! of entzückend! dat elke zoogenaamde fijnopgevoede Duitsche vrouw onophoudelijk uitkwaakt, wanneer zij verrukt is over een mooi-geschoren poedel of met verdraaide oogen smachtend naar een Maria-beeld van Holbein opziet; of wel in het beha-gelijk gebrom, waarmee de brave burgerman ouder het aanhooren van een liedertafel zijn bier naar binnen slaat. 3uet omdat den D uitschei- de zin voor het schoone zou ontbreken; integendeel, ik geloof dat de Duitschers in hun diepste wezen daarvoor meer zin hebben dan de meeste andere volken, maar die zin heeft zich uit hoofde van de ongunstige omstandigheden nooit vrij kunnen ontwikkelen. Sedert den dertigjarigen oorlog waren de Duitschers te arm, hadden al te veel te kampen met de bezwaren en moeihj kheden van het leven, om voor eenige weelde veel over te kunnen hebben. De hoogere standen waren daarbij al te veel navolgers en slaven van de Fransche modegt;
294
waavdoor zij Je lagere volksklassen van zicli vervreemdden; daardoor namen dezen geen deel aan de artistieke vorming en de bevrediging van aesthetische behoeften van de hoogere standen, waarvan zij als door een ondempbaro kloof bleven gescheiden. Op die manier kon dus de Duit-sche hysterie, die zich niet uitsluitend tot de hoogere standen beperkte, geen artistieken of aesthetischen vorm aannemen.
Zij nam andere vormen aan, deels afschuwelijke, deels lage, daels belachelijke. Zij openbaart zich in liet antisemietisme, den gevaarlijksten vorm van den vervolgingswaanzin, waarin do zich vervolgd wanende tot den woes-ten vervolger wordt, in staat tot elke misdaad. Op hypochondrische wijze houdt de Duitsche hystericus zich ijveng bezig met zijne kostbare gezondheid. Zijn delirium draait voornamelijk om zijne huiduitwaseming en de verrichtingen van zijn buik. Hij dweept met Jaeger-wol en met eigengemalen meel voor vegetariërs. Hij geraakt in hevige emotie bij de Kneipp-waterkuur en bij het barrevoets wandelen door het natte gras. Middelerwijl gaat hij in zijne ziekelijke liefde voor dieren ontzaglijk te keer tegen de vivisectie, terwijl als grondtoon van dien antisemi-tieschen, Jaegerschen, Kneippschen, vegetarischon en anti-vivisectionistischen waanzin een ongeëvenaard chauvinisme opklinkt, dat al de kenmerken van een grootheidswaan bezit, waarvoor de edele keizer Friedrich te vergeefs heeft gewaarschuwd.
Wagner's hysterie nu nam al de verschillende vormen der Duitsche hysterie aan. Met eene kleine verandering van het Homo sum van ïerentius, kon hij van zich zelf zeggen: âIk ben een ontaarde en geenerlei ontaarding is' mij vreemd.quot; Als Anti-semiet kon hij Stöoker een lesje geven (Wagner, Das Ju dent hum in der
295
Musi k). Hij handhaafde de chauvinistische phraseologie met ongeëvenaard meesterschap (Wagner, Deutsche Kunst und Deutsche Politik, quot;Was ist Deutsch?). Hij wist zijne gemeente zoodanig te hypnotiseeren, dat hjj hen wijsmaakte, dat de helden van zijne kunstscheppingen oer-Duitsche figuren waren, â al die Franschen, die Brabanders, die IJslanders en Noren, al die vrouwen uit het land van Palestina, al die droomwezens, die hjj uit do Provenoaalsche en Xoord-Fransche dichtwerken had opgevischt en die â wanneer men Tannhauser en de Meistersinger niet meerekent â geen droppel Duitscli bloed in hunne aderen, niet één Duitschen vezel aan hun lichaam hebben! Zoo maakt een hypnotiseur bij openbare voorstellingen zijnen sujetten wijs dat de rauwe aardappelen, die zij eten, perziken zijn! quot;VVagner was een voorstander van hot vegetarisme eu daar alleen in de warme gewesten een genoegzame voorraad fruit voorhanden is, die voor zijn voedingsstelsel wordt vereischt, ried hij zonder aarzelen aan: een met verstand overlegde volksverhuizing naar die gewesten van onze aarde, dio, gelijk dit ook van het Zuid-Amerikaansche schiereiland is beweerd, wegens hunne overvloedige productiviteit in staat zijn om de tegenwoordige bevolking van alle werelddeelen van voedsel te voorzienquot; (Religion und Kunst) Ook trok hij zijn ridderzwaard tegen de physiologen, die aan vivisectie doen. Voor wol maakte hij zich niet warm, daar hij do voorkeur gaf aan zijde on dit is de eenige leemte in hot overigens volmaakte beeld. Den roem van den hoogeerwaarden pastoor Kneipp heeft Wagner niet beleefdr anders zou hij waarschijnlijk voor de oud-Duitsche zegening van natte voeten en de verlossende kracht van de kniebesproeiing wel diepzinnige woorden hebben gevonden.
Toen nu de dwepende vriendschap van den koning van
296
Beierea voor Wagner eerst aan dezen het noodige aanzien had gegeven en de aandacht van geheel Duitschland op hem had doen vestigen, toen het Duitsclie volk Wagner niet al zijne eigenaardigheden had leeren kennen, kon het niet anders, of alle mystici van het joodsche bloedoffer, van de wollen hemden, de plantenmenu's en de sympathische kuren moesten hem gaan toejuichen, want hij was de belichaming van al hunne dwangvoorstellingen. Zijne muziek namen ze op don koop toe mee. Verreweg de groote meerderheid van de Wagner vereerders begreep er niemendal van. De aandoeningen, die zij bij opvoering van de werken van hun afgod ondervonden, werden niet door do zangers en door het orkest opgewekt , maar door de schoonheden van het decoratief en vooral door de bijzondere deliria, die zij zelf in den schouwburg meebrachten. Toch zou het onbillijk zijn niet toe te geven, dat ook zijn muziek bijzonder geschikt was, om de nerveuze menschen in verrukkinc; en in extaze te brengen. Door die machtige orkestwerkingen werden zij gehypnotiseerd â in de Salpétrière te Parijs brengt men sommige verpleegden meermalen in hypnose door plotseling op een gong te slaan â en de vormeloosheid van de âunendlichen Melodie'' was geheel in overeenstemming met hun nevelachtig denken. Een drijvend recitatief zonder begin of einde vraagt hoegenaamd geen inspanning van den geest â in tegenstelling met de klare melodie, die opmerkzaamheid vereischt; bovendien bekommeren zich de meeste toehoorders niet of maar een zeer korten tijd om het verstoppertje spelen van de âLeit-motiven.quot; Bij het recitatief laat men zich door de muziek dragen en wiegen, men drijft met den stroom mee, nu en dan eens opduikend, met het behagelijk gevoel een zenuvvprikkelend heet toonbad genomen te hebben. De
297
âunendlicliequot; melodie verhoudt zich tot de eigenlijke, als het grillige, zich duizendmaal herhalende en niets bepaalds voorstellende arabeskenwerk van een op Moorsche wijze beschilderden wand tot een genrestuk of een historisch tafereel, en de man uit het Oosten weet van cuds hoezeer het staren op die slingerfiguren bevorderlijk is voor den âTvefquot;, een droomtoestand, waarbij het verstand is ingedommeld en de dolle verbeeldingskracht naar willekeur kan huishouden.
De muziek van Wagner heoft do Daitsche hysterici in de genotvolle geheimen van den Turkschen Kef ingewijd. Jsïetzsche mag daarmee met zijne idiote woordspeling âSursuiu-boemboemquot; en zijne opmerkingen over den Duit-sjhen jongeling, die âAhnungquot; zoekt, den draak steken, het feit valt niet te loochenen, dat een deel van de quot;VVagner-gemeente, en wel dat gedeelte dat de ziekelijke mystiek in den schouwburg meebracht, bij hem bevrediging vond, daar niets zoo geschikt is om âAhnungenquot;, d. w. z. nevelachtige grens-voorstellingen die voor allerlei uitlegging vatbaar zijn, op te roepen, als eene muziek die zelf haar ontstaan aan nevelachtige gedachtenschim-men heeft te danken.
Wagner won de nerveuze vrouwen voor zich, zoowel door zyue erotische muziek, als door de dichterlijke wijze waarop hij de verhouding van den man tot de vrouw voorstelt. Mets is zoozeer in staat eene overspannen vrouw in verrukking te brengen, als demonische onweerstaanbaarheid bij de vrouw en sidderende aanbidding van hare bovennatuurlijke macht bij den man. Ongetwijfeld heeft Wagner zich veel meer vrouwelijke bewonderaars verworven door zijn Fran Venus, Brunhilde, Isolde en Kundry dan door Elisabeth , Elsa, G utrune en Senta.
JJadat Wagner Duitschland had veroverd en het vurige
298
geloof in hem het eerste artikel in den catechismus der Duit-sche vaderlandsliefde was geworden, kon men ook elder» zich niet lang aan den quot;VVagner-dienst onttrekken. De bewondering van een groot volk heeft eene buitengewoon sterke macht van overtuiging. Het dringt zelfs zijne dwalingen door eene onweerstaanbare suggestie aan andera volken op. Wagner is een van de voornaamste overwinnaars van de Dnitsche oorlogen geweest. De slagen van Ãadowa en van Sedan zijn voor hem geleverd geworden. Met betrekking tot don man, dien Duitschland voor zijn Xationaal-toondichter verklaarde, moest de wereld nolens volens partij kiezen. Hij begon zijn zegetocht om den aardbol, gedekt door de Dnitsche rijksvlag. Do vijanden van Duitschland waren ook zijne vijanden en daardoor werden de Duitschers in het buitenland, die overigens voor Wagner onverschillig waren, er van zelf toe gedwongen zijn partij op te nemen. Ik beken het eerlijk, ik heb ook met het woord en met de pen tegen de Franschen voor hem gestreden. Ik heb hem verdedigd tegen do koekenbakkers, die in Parijs âLohengrinquot; uitfloten. Hoe zou men zich aan dien plicht kunnen onttrekken ? Hamlet doet een stoot naar liet gordijn, wel wetend dat Polonius daar achter staat; nu is het plicht hem vastberaden te lijf te gaan, wanneer men een zoon of een broer van Polonius is. Wagner was zoo gelukkig de rol van het gordijn te vervullen tegenover den Franschen Hamlet, die een stoot deed naar Polonius-Duitsch-land. Daardoor kon de houding van iederen Duitscher in de Wagner-kwestie niet twijfelachtig zijn.
Bij het ijveren vau de Duitschers voor Wagner in het buitenland voegden zich nog andere omstandigheden, die het succes van Wagner in do hand werkten. Eene minderheid , die voor een deel uit onafhankelijke menschen
299
bestond, zonder bepaalde veroordeelen , voor een deel ook uit ziekelijke kribbebijters, koos voor hem partij , juist oiudat hij door esn meerderheid , die geheel beheerscht werd door nationale anti-Duitsche gevoelens, woedend werd aangevallen. âHet is afschuwelijk,quot; riep deze minderheid uit âeen knustenaar te veroordeelen, omdat hij een Duitscher is. De Kunst heeft geen vaderland. De kunst van Wagner mag uiet met do herinnering aan Elzas-Lotharingen worden beoordeeld.'' Deze beschouwingen zijn zoo verstandig en edel, dat zij, die daarmee voor den dag kwamen, daarover verblijd en er trotsch op moesten zijn. Zij hadden, wanneer zij Wagner hoorden, het klare gevoel: âWij zijn veel beter en verstandiger dan die chauvinistenquot;, en dit bracht hen reeds van te voren in eene zoo aangename en welwillende stemming, dat zjj zijne muziek veel mooier vonden, dan zij zouden gedaan hebben, wanneer zij die banale en lagere gevoelens niet onderdrukt en door betere en vrijere gedachten verjaagd hadden. De emoties, die hunne zelftevredenheid hun schonk, schreven zij aan do muziek van Wagner toe.
Dat men de kunst van Waarner alleen in Bavreuth
O V
onvervalscht en naar waarde kon genieten, bracht ook zeer veel tot hare verheffing toe. Waren de stukken van Wagner in eiken schouwburg opgevoerd en was het even gemakkelijk geweest om een W agner-voorstel ling bij te wonen als eene opvoering van de âTroubadourquot;, dan zou Wagner juist niet zijn voornaamste publiek in het buitenland voor zich hebben gewonnen. Maar nu moest men, om den echten Wagner te leeren kennen, naar Bayrenth reizen; dit kon alleen op bepaalde tijden plaats hebben, men moest zich van te voren van plaatsen en van logies verzekeren. Het werd een pelgrimstocht, waarvoor veel tjjd en veel geld noodig waren, waarvan dus
300
jan en alleman waren uitgesloten. Op te gaan naar Bay-reuth werd op die manier een voorrecht voor de voorname en rijke lui ; men kon er goede sier mee maken, het stond chic te zeggen: âik ben in Bayreuth geweest.quot; Zoo kreeg de Wagner-waardeeriug en vereering een aristocratisch tintje en al die bijzoudeie omstandigheden moesten dus ook wel in het buitenland een gunstige stemming voor Wagner doen ontstaan. Bovendien moest âParsivalquot; de Fransche neo-katholieken en de Engelsch-Amerikaansche mystici, die achter de vaan van het Leger dos Heils marscheeren, geheel en al inpakken. Vooral met dit werk heeft Wagner zijne niet-Duitsche bewonderaars gewonnen. Het aanhooren van de Parsival-muziek is een godsdienstige handeling geworden voor allen, die het avondmaal in een muzikalen vorm wenschen te nemen.
Dit zijn de redenen die het verklaren, dat Wagner eerst Duitschland en daarna de geheele beschaafde wereld heeft ingepakt. Het onzelfstandige publiek, dat or geen â eigen oordeel op na houdt en bij het psalmzingen ijverig het wisselgezang onderhoudt, de navolging van musici, die alle oorspronkelijkheid missen en die getuigen waren van zijn succes en zich als de knaapjes, âdie willen meege-nomen wordenquot;, aan zijne rokspanden vastklemden, deden het overige, om de wereld aan zijne voeten te leggen. Van alle dwalingen van het thans levende geslacht is de Wagner-vereering niet alleen de meest algemeeiie, maar â¢ook de meest belangrijke. Het âFestspielhausquot; in Bayreuth, â¢de âBayreuther-Blatterquot;, de âRevue Wagnériennequot; in Parijs zijn blijvende gedenkteekenen, die het nageslacht met verbazing zal aanschouwen en naar welke het de gansche uitgebreidheid en diepte van de ontaarding en de hysterie onzer tijdgenooten zal kunnen afmeten.
VI
PARODIEVORMEN DER MYSTIEK.
De artistieke en dichterlijke vormen der mystiek, die wij tot nu toe hebben beschouwd, kunnen op oppervlakkige en niet genoegzaam voorbereide mensclien den indruk maken van openbaringen eener echte en vruchtbare begaafdheid. Maar naast deze vormen treffen wij andere aan , die zelfs den meest lichtgeloovigen lezer , hoe ontvankelijk hij ook moge zijn voor de suggestie van het gedrukte woord en voor een brutale reclame, verbaasd doen staan en hem het hoofd doen schudden. Er verschijnen boeken en theorieën, die zelfs den leek niet in het onzekere laten omtrent den treurigen geestestoestand der schrijvers. Hier beweert de een, dat hij den lezer in de zwarte kunst inwijden en dat hij tooveren kan; daar komt een ander, die aan de dolzinnigste voorstellingen â- in de psychopathie duidelijk aangewezen â een dichterlijken vorm wil geven; een
302
â¢derJe schrijft boeken in een trant, die gelieel overeenkomt met de manier van denken en gevoelen van kleine kinderen of van idioten. Een groot gedeelte van de werken, die ik hier op hot oog heb, zouden zonder er verder een woord over te zeggen, getuigen van de volkomen onmondigheid der schrijvers. Maar aangezien, in weerwil van die in 't oog vallende onzinnigheid, de zoogenaamde âingewijdenquot; ijverig aan het werk zijn om in dit geschrijf oen zekere âtoekomst'', ânieuwe zenuwprikkelsquot; en mysterieuze schoonheden te oitdekken en ze aanprijzen als openbaringen van het genie, acht ik liet niet overbodig, daaraan eene korte beschouwing te wijden.
De mystiek leidt, waar zij in geringe mate aanwezig is, tot liet geloof; in sterker mate voert zij tot bijgeloof, en hoe meer verward en ziekelijk het denken is, des te dwazer vormen neemt dit bijgeloof aan. Zoo leidt de mystiek in Engeland en in Amerika veelvuldig tot spiritisme en tot liet stichten van sekten. Zenuwlijders ontvangen goddelijke ingevingen en beginnen te prediken en te profeteeren, of zij roepen geesten op en beweren in gemeenschap te staan met do doodcn. Spookgeschiedenissen nemen iu de Engelsche literatuur een ruime plaats in en dienen in de Engelsche dagbladen als bladvulling. Er heeft zich zelfs eene vereeniging gevormd, die zich alleen ten dool stelt, spookhistories te verzamelen en de waarheid daarvan te onderzoeken; zelfs geleerden van naam zijn zich voor die bovennatuurlijke kwesties gaan intresseeren en laten zich als zegslieden van de dolzinnigste dwaasheden gebruiken.
Ook in Duitschland heeft het spiritisme ingang gevonden, maar tot nog toe sleuhts in zeer geringe mate. In da groote steden hoeft men eukclo spiritistische vereeni-gingen; de uitdrukking trance is zelfs bij de deelnemers
503
zoozeer in gebruik gekomen, dat zij die als trans in het Duitseh hebben overgenomen, waarschijnlijk omdat zij daaraan het begrip verbinden van âaan gene zijdequot;, hoewel liet Engelsclie woord eigenlijk gebruikt wordt om dien toestand aan te duiden, waarin hot medium zich moet bevinden, om zich met de geestenwereld in gemeenschap te stellen. Toch heefc het spiritisme op de Duitsche literatuur nog zeer weinig invloed gehad. (1) Mot uitzondering van enkele kindsch geworden romantici van den laatsten tijd, ik bedoel de zoogenaamde dichters van noodlot-tragediën, hebben maar weinige schrijvers het gewaagd, om liet bovenzinnelijke op eenc andere duu zinnebeeldige wijze in hunne romans en geschriften intevoeren.
Alleen bij Kleist en Kerner krijgt hot bovenzinnelijke eene zekere beteekenis; to -h zullen normaal-denkende lezers dit zeker niet als een bijzondere deugd van de drama's van den ongelukkigen schepper van den IIer-ma nnschlacht en van de Sehcrin von 1're vorst aanmerken. Daartegenover staat dat juist dat spook-ele-ment bij de beide genoemde schrijvers in den laatsten tijd eene sterke aantrekking heeft uitgeoefend op de Duitsche ontaarden en hysterici. Maximiliaan Perry , die blijkbaar zijn tijd vooruit was , vond bij liet nog niet genoegzaam warhoofdige geslacht, dat het onze voorafging , met zijne lijvige verhandelingen over geestverschjjningen maar weinig bijval en onder do tijdgenooten is Karl du Prei do
11) * Oudorde spiritistische gescliril'ten in Nedsrlaiul nemen, behalve enkele kleinere geschriften van den laatsten tijd, de werken van Elise van Calcar een voorname plaats in. Ook een paar tijdschrirten, zooala De Blijde Boodschap, het maandblad li o z e u k r u i s , zijn an het spiritisme en alles, wat daarmee in verband staat, gewijd. *
304
eenige , die zich in zijne ron ans en theoretische geschriften bijzonder met de spookwereld bezighoudt.
De weinige geestenzieners, die zich in Dnitschland voordoen, doen natuurlijk hun best om aan hun geestes-storingen een wetenschappelijke tint te geven. Zij beroepen zich op enkele professoren in de wis-en natuurkundige wetenschappen, wier raeening en inzichten geheel of althans voer een groot deel niet de hunne zouden overeenkomen. Vooral beroepen zij zich op Zöllner, die een treurig bewijs levert, dat een professoraat niet altijd tegen waanzin vrijwaart; ook halen ze nog wel eens enkele uitingen over n afmetingen aan van Helmholtz en van andere mathematici, die zij opzettelijk, of bij gebrek aan gezond verstand, geheel verkeerd uitleggen. De mathematicus kan in een analytisch probleem in de plaats van een, twee of drie dimensies, n dimensies stellen, zonder dat deze verwisseling eene verandering zal teweegbrengen in de wet van het probleem of in de daaruit voortvloeiende gevolgtrekkingen ; maar het zal hem niet invallen, zich onder de meetkundige uitdrukking ân-de dimensiequot; iets tastbaars, dat ruimte inneemt, voortestel-len. Wanneer Zöllner daarentegen met het bekende voorbeeld van het omslaan van den caoutchouc-ring het begrip van het leggen van een knoop in een gesloten ring meent te vergemakkelijken, door dit voortestellen als eene handeling die in eene vierde dimensie is uittevoeren, dan geeft hij daardoor een voorbeeld van de bekende neiging van den mysticus om zich zelf en anderen wat wijs te maken met woorden, die eene diepzinnige beteekenis schijnen te hebben, maar die toch in werkelijkheid in het geheel geen begrip uitdrukken en slechts ijdele klanken zijn.
Het eigenlijke vaderland voor het geloof aan spoken en geesten is Frankrijk. De landslieden van Voltaire hebben
305
op het gebied van het bovennatuurlijke den vromen An-gelsaksers reeds de loef afgestoken. Ik denk daarbij niet aan den gewonen burgerman, voor wien het droomboek (La clé des songes) naast den kalender en het gebedenboek (Paroissien) tot de gewone huisleetuur behoort ; ook niet aan de voorname dames, die van ouds tot de vaste klanten behooren van de kaartuitlegsters en planeetlezeressen , maar aan de mannelijke individuen der ontwikkelde klassen. Een tal van spiritistische vereenigingen tellen duizenden leden. In de talrijke salons van voorname beschaafde kringen worden de geesten van afgestorvenen opgeroepen. Een maandblad L'initation (âDe Inwijdingquot;) verkondigt in diepzinnigen toon en met ontzaglijk geleerde termen â ontleend aan de natuurwetenschappen en de wijsbegeerte â de leer van de wonderen van het bovenaardsche. Het tijdschrift Annales des science» psychiques, dat om de twee maanden verschijnt, geeft eene verzameling van â waarnemingen en proefnemingen op dit gebied. Behalve deze twee tijdschriften, die de voornaamste zijn , bestaat er nog een tal van kleinere in dezelfde richting, die met graagte worden gelezen. Van streng theoretische werken over hypnotisme en suggestie verschijnt de eene oplaag na de andere en voor een tal van artsen, die niet veel te doen hebben, is het een vruchtbare speculatie geworden, om over dat onderwerp zoogenaamde hand- en leerboeken te schrijven. Romans hebben in Frankrij k, behalve van de meest bekende auteurs, weinig aftrek meer ; daarentegen gaan werken, waarin beschouwingen- voorkomen over mystieke verschijnselen in het zenuwleven, grif van de hand, zoodat slimme uitgevers hunnen ontmoedigden schrijvers den raad geven: âLaat het schrijven van romans maar achterwege , pakt liever liet magnetisme bij den kop.quot;
NORDAU, Ontaarding. 20
306
Enkele van de in de laatste jaren in Frankrijk ver-sshenem werken over toovenj maken den indruk van direkt gegrond te zijn op de verschijnselen van hypnotisme en suggestie, zoo bijv. Les états profonds de 1'Hyp-nose van A. de Rochas, Traits de lumière van C. A. de Bodisco. Dit heeft menigeen op het denkbeeld gebracht , dat de ontdekkingen en de onderzoekingen van de school van Charcot allereerst den stoot hebben gegeven tot deze beweging. Het hypnotisme, zoo redeneert men dan, heeft zoo merkwaardige dingen aan het licht gebracht , dat men niet langer mag twijfelen aan de waarheid van enkele volksoverleveringen en van een tal van berichten, die men tot nog toe als voortbrengselen van het bijgeloof had beschouwd. Bezetenheid, behekst zijn, het dubbel-zien , genezing door het opleggen van handen, waarzeggen, het geestelijk verkeer met afwezigen zonder bamiddeling van het woord, al die zaken werden op eene nieuwe wijze verklaard en moesten als mogelijk worden erkend; wat was nu natuurlijker dan dat menschen van geringe wetenschappelijke ontwikkeling en wier evenwicht was verstoord, het wonderbaarlijke, waartegen zij zich hadden verzet zoolang zij het voor een sprookje hielden, gingen aannemen, toen het hun als wetenschap werd op-gedischt ?
En toch is deze meening even verkeerd, als zij waar schijnt. Het is de paarden achter den wagen spannen , â oorzaak verwarren met gevolg. Geen enkel verstandig mensch is door de proefondervindelijke daadzaken der nieuwe hypnotische wetenschap tot het wondergeloof bekeerd. Vroeger had men opzettelijk die duistere verschijnselen niet aangeroerd, omdat ze zich niet in de toen lieerscliende stelsels lieten inlasschen en men ze daarom voor een hersenschim of voor bedrog hield. Sedert twaalf
307
jaar neemt de offioieele geleerde wereld daarvan kennis «n men beoefent die wetenschappen aan de universiteiten. Maar men denkt er geen oogenblik aan, haar voor bovennatuurlijk te houden of dat daarbij bovennatuurlijke werkingen in het spel treden , maar men tracht die verschijnselen te schakelen in de keten der natuurwerkingen , die voor zinnelijke waarneming vatbaar zijn en door de alge-meene natuurwetten worden bepaald. De grenzen van onze kennis hebben zich eenvoudig uitgezet en een soort van feiten opgenomen , die daar vroeger buiten stonden. Verschillende werkingen der hypnose zijn meer of minder bevredigend verklaard, andere nog in 't geheel niet. Maar daaraan hecht een ernstige en gezonde geest geen groot gewicht, want hij weet, dat de zoogenaamde verklaring der verschijnselen nog zeer veel te wenschen overlaat en â dat wij ons in de meeste gevallen moeten tevreden stellen met het vaststellen van de feiten en van de voorwaarden, waaronder zij plaats grijpen. Het is ook niet gezegd , dat de nieuwe wetenschap haar onderwerp uitgeput en hare â¢grenzen reeds bereikt heeft. Maar welke onbekende dingen en verrassingen zij ook nog aan het licht moge brengen , wij behoeven er niet aan te twijfelen dat het daarbij niet altijd met natuurlijke dingen zal toegaan en dat de eenvoudige laatste wetten der natuur- en scheikunde en der biologie ooit zullen te niet gedaan worden.
quot;Wanneer dus tegenwoordig zoo velen de verschijnselen der hypnose als bovennatuurlijk willen verklaren en de hoop voeden, dat het oproepen van geesten van afgestorvenen , het reizen op Faust's toovermantel, de alwetendheid , enz. nu weldra even gewone dingen zullen zijn als lezen en schrijven, dan zijn het niet de ontdekkingen der wetenschap die hen in dien waan hebben gebracht, maar het is de waan, die reeds bestpud, en die zich nu geluk-
20 *
308
kig prijst, dat hij zich voor wetenschap kan uitgeven. Die waan houdt zich niet meer schuil, maar hij vertoont zich trotsch aan den arm van professoren en geleerden in het openbaar. Paulhan heeft dat zeer terecht opgemerkt. âHet is niet de liefde voor ware feiten,quot; zegt hij in Le nouveau mysticisme, âdie de menschen heeft meegesleept, maar wel een soort vergelding van de liefde voor het wonderbaarlijke, van de in vroegeren tijd bevredigde, doch nu onderdrukte begeerten, die in het verborgene sluimerden. De magie, de tooverjj , de astrologie en waarzeggerij , dit gansche oude bijgeloof beantwoordt aan eene zekere behoefte der menscheljjke natuur, en die behoefte zoekt naar middelen, waardoor men met zekerheid en gemakkelijk op de buitenwereld kan werken.quot; Het zoo stormachtig te voorschijn komende bijgeloof stort zich met een zekere gretigheid in de kanalen , die door de hypno-logische onderzoekers zijn gegraven. Al meermalen is er hier op gewezen dat menschen met ziekelijke geestvermogens hunne waanvoorstellingen altijd toepassen op de in zwang zijnde denkbeelden en zich met voorliefde van de nieuwste wetenschappelijke ontdekkingen meester maken, om daarmede die voorstellingen te verklaren. De natuurkundigen hielden zich nog lang niet met magnetisme en electriciteit bezig, toen de lijders aan vervolgingswaanzin hunne onaangename gevoelens en hallucinaties reeds aan electrische stroomen en vonken toeschreven, die hunne vervolgers door de muren of den zolder naar hen zouden hebben overgebracht en zoo waren 't ook alweer de ontaarden, die het eerst de resultaten der hypnologi-sche onderzoekingen voor zich in beslag namen en die als wetenschappelijke bewijzen voor het werkelijk bestaan van hunne geesten, engelen en duivels uitgaven. Het geloof aan wonderen is den ontaarden altijd eigen ge-
309
weesfc; het is eene van hunne kenmerkende eigenaardigheden en in 't geheel niet te voorschijn geroepen door de waarnemingen der hypnologen van Parijs en van Nancy.
Indien voor deze bewering nog een bewijs werd verlangd , dan zou dit daarin te vinden zijn , dat de meeste âoccultistenquot;, zooals zij zich noemen , in hunne verhandelingen over de geheime kunst en tooverijen bij voorkeur de uitkomsten der hypnologische proefnemingen geheel ter zijde te laten , en zonder eenige moderniteit voor te wenden, met totaal voorbijzien van het eerbare natuuronderzoek, zich direkt vastknoopen aan de oudste overleveringen. Papus (pseudoniem van een arts, Dr. Encausse) schrijft een ïraitéméthodiquede scienceocculte, een deel groot-octavo van 1050 bladzijden , met 400 afbeeldingen. Deze verhandeling wijdt den lezer in in de Kabbala, Magie, Nekro- en Chiromantie , Astrologie , Alchemie, enz. Een oud maar niet onverdienstelijk geleerde, Adolf Pranck van het âInstitut de Prancequot;, heeft de onvoorzichtigheid gehad aan dit werk eene lange lofrede als voorwoord toe te voegen, vermoedelijk zonder het boek gelezen te hebben. Stanislaus de Guaita , dien de jongeren als een eersten meester in de zwarte kunst en als aarts-toovenaar eene schuwe vereering toedragen, geeft twee verhandelingen Au Seui 1 du Mystère en Le serpent de la Grénèse, die zoo diepzinnig zijn, dat daarmee vergeleken Nicolaas Flamel, de groote alchemist , die, zooals bekend is, nooit door eenig sterveling is begrepen, nog duidelijk en doorzichtig moet zijn. Ernst Bosc bepaalt zich tot de leer van de hekserij der oude Egypte-naren. Zijn boek Isis dévoilée ou 1' Egyptologie sacrèe handelt over: âHieroglyphen , papyri, alchemistische boeken , religie , mythen , symbolen , psychologie , philosofie , moraal, gewijde kunst, occultisme , mysteriën.
308
kig prijst, dat hij zich voor wetenschap kan uitgeven. Die waan houdt zich niet meer schuil, maar hij vertoont zich trotsch aan den arm van professoren en geleerden in het openbaar. Paulhan heeft dat zeer terecht opgemerkt. âHet is niet de liefde voor ware feiten,quot; zegt hij in Le nouveau mysticisme, âdie de menschen heeft meegesleept, maar wel een soort vergelding van de liefde voor het wonderbaarlijke, van de in vroegeren tijd bevredigde, doch nu onderdrukte begeerten, die in het verborgene sluimerden. De magie, de tooverjj , de astrologie en waarzeggerij , dit gansche oude bijgeloof beantwoordt aan eene zekere behoefte der menscheljjke natuur, en die behoefte zoekt naar middelen, waardoor men met zekerheid en gemakkelijk op de buitenwereld kan werken.quot; Het zoo stormachtig te voorschijn komende bijgeloof stort zich met een zekere gretigheid in de kanalen , die door de hypno-logische onderzoekers zijn gegraven. Al meermalen is er hier op gewezen dat menschen met ziekelijke geestvermogens hunne waanvoorstellingen altijd toepassen op de in zwang zijnde denkbeelden en zich met voorliefde van de nieuwste wetenschappelijke ontdekkingen meester maken, om daarmede die voorstellingen te verklaren. De natuurkundigen hielden zich nog lang niet met magnetisme en electriciteit bezig, toen de lijders aan vervolgingswaanzin hunne onaangename gevoelens en hallucinaties reeds aan electrische stroomen en vonken toeschreven, die hunne vervolgers door de muren of den zolder naar hen zouden hebben overgebracht en zoo waren 't ook alweer de ontaarden, die het eerst de resultaten der hypnologi-sche onderzoekingen voor zich in beslag namen en die als wetenschappelijke bewijzen voor het werkelijk bestaan van hunne geesten, engelen en duivels uitgaven. Het geloof aan wonderen is den ontaarden altijd eigen ge-
309
weesfc; het is eene van hunne kenmerkende eigenaardigheden en in 't geheel niet te voorschijn geroepen door de waarnemingen der hypnologen van Parijs en van Nancy.
Indien voor deze bewering nog een bewijs werd verlangd , dan zou dit daarin te vinden zijn , dat de meeste âoccultistenquot;, zooals zij zich noemen , in hunne verhandelingen over de geheime kunst en tooverijen bij voorkeur de uitkomsten der hypnologische proefnemingen geheel ter zijde te laten , en zonder eenige moderniteit voor te wenden, met totaal voorbijzien van het eerbare natuuronderzoek, zich direkt vastknoopen aan de oudste overleveringen. Papus (pseudoniem van een arts, Dr. Encausse) schrijft een ïraitéméthodiquede scienceocculte, een deel groot-octavo van 1050 bladzijden , met 400 afbeeldingen. Deze verhandeling wijdt den lezer in in de Kabbala, Magie, Nekro- en Chiromantie , Astrologie , Alchemie, enz. Een oud maar niet onverdienstelijk geleerde, Adolf Pranck van het âInstitut de Prancequot;, heeft de onvoorzichtigheid gehad aan dit werk eene lange lofrede als voorwoord toe te voegen, vermoedelijk zonder het boek gelezen te hebben. Stanislaus de Guaita , dien de jongeren als een eersten meester in de zwarte kunst en als aarts-toovenaar eene schuwe vereering toedragen, geeft twee verhandelingen Au Seui 1 du Mystère en Le serpent de la Grénèse, die zoo diepzinnig zijn, dat daarmee vergeleken Nicolaas Flamel, de groote alchemist , die, zooals bekend is, nooit door eenig sterveling is begrepen, nog duidelijk en doorzichtig moet zijn. Ernst Bosc bepaalt zich tot de leer van de hekserij der oude Egypte-naren. Zijn boek Isis dévoilée ou 1' Egyptologie sacrèe handelt over: âHieroglyphen , papyri, alchemistische boeken , religie , mythen , symbolen , psychologie , philosofie , moraal, gewijde kunst, occultisme , mysteriën.
312
eenigea God, eu in Petrus, den eeaigen koning, enz , of: âAd Rosain per Crucem, ad Crucem per Rosam, in ea, in eis gemmatus resurgamquot;. Dit is tevens de wapenspreuk van zijne orde. Het slot luidt gewoonlijk: Amen, Non nobis, Domine, non nobis, sed nominis tui gloriae solaequot;. Zijne romans noemt hij âEthopeesquot; , zich zelf als schrijver âethopoetquot; , zijne drama's quot;Wagaéries, hun inhoudsopgaaf âEiuuolpöen.quot;
Elk van zijne boeken is versierd met een groot aantal zinnebeelden. Bij de meeste komt een vignet voor, waarop een soort van sphinx is afgebeeld die op een zuil is neergehurkt , met een vrouwenkop , de voorpooten en klauwen van een leeuw, terwijl het achterlijf staartvormig uitloopt. Zoo heeft zijn boek: Co mme on devient Ma ge een lubbel titelblad, waarop stieren met vleugels , Assyrische afgodsbeelden, het mystieke kruis, enz. prijken; dan volgt een lange opdracht aan: âGraaf Anton van La.i'oche-foucauld, Grootprior van den Tempel, Archont van de Rose f Croix,quot; vervolgens een latijnsch âGebed van den heiligen Thomas van Aquinoquot;, daarna een âElenctiquequot; (tegenbewijsvoering) , een soort vau Katholieke geloofsbelijdenis , eindelijk een in den stijl van eeu Chaldeïsch gebed geschreven: âAanroeping der voorvaderenquot; en een lange aanspraak âaan den jeugdigen tijdgenootquot; , waarna eerst het eigenlijke werk een aanvang neemt.
Aan het hoofd van elk hoofdstuk staan negen geheimzinnige formules, bijv.: âI. De Neopliyt. Goddelijke naam: Jood.quot; (De hebreeuwsche letter, die dezen naam draagt.) âSacrament: doop. Deugd: geloof. Gave : de vreeze Gods. Zaligheid: Armoede van geest. Werk: Leerstellingen. Engel: Michael. Arcanum : Eenheid. Planeet: Samas,quot; enz. De inhoud is verder geheel in overeenstemming met den aard dezer opschriften.
313
Zijne romans of âEthopeesquot;, waarvan hij er veertien heeft aangekondigd, zijn in groepen van zeven, het mystieke getal, gerangschikt. Péladan heeft zelf een âSchéma de concordancequot; opgesteld, dat zou moeten dienen om de leidende gedachte aan te geven. Zoo vindt men in La décadence latine, Ethopée IX, La Grynandre in het voorafgaande schema bijv.: I. De hoogste ondeugd. Zedelijke en geestelijke diathese van het latijnsche verval. Mérodack, het toppunt van het bewuste willen, type van absolute entiteit. Alta , prototype van den monnik in aanraking met de wereld. Courtenay, onvoldoend noodlot-mensch, behekst door de sociale voltrokken daad; L. d'Este, de hoogste trots, de groote stijl in het kwade; Coryse, het ware jonge meisje ; La Nine, de slechte An-dr ogyne of de ware Grynander; Dominicaux, bewuste snoodaard, karakter der ongeneeslijkheid, voortvloeiende uit een kleingeestige aesthetische theorie voor iedere ondeugd, die het bewustzijn en dus ook de bekeeriug doodt. Elke roman heeft een Merodack , dat wil zeggen een abstract orphisch beginsel, tegenover een ideaal raadsel, enz.
Ik heb mijn best gedaan om die zonderlinge uitdrukkingen van Péladan hier zoo getrouw mogelijk weer te geven. Ik ben echter overtuigd dat zjjue âConcordancequot; niet de minste verklaring geeft van den inhoud zijner geschriften. Ik wil daarom in niet-magische taal nog een paar woorden daarover zeggen.
De denkbeelden vau Péladan bewegen zich i n drie hoofdkringen , die elkaar telkens ontmoeten: het hoogste geestelijke doel van den mensch is muziek van AVagner te hooren en die in al hare diepte te kunnen bevatten (1);
(1) *Om den lezer een deukbecld te geven van den zin , waarin Péladan de kunst wenaeht opgevat en beoefend te zien, volgt Lier een uittreksel uit de voorrede van de Geste esthétique do 1892,
314
de hoogste ontwikkeling der zedelijkheid bestaat in het onderdrukken van de geslachtsdriften en de vervorming in een tweeslachtig wezen (âAndrogynequot; en âGynanderquot;); de hoogere mensch kan zijn lichaam naar willekeur verlaten on weer aannemen, als â Astraal wezenquot; in de ruimte rondzweven en de geheele bovennatuurlijke macht der geestenwereld, zoowel van de goede als van de kwade, aan zich dienstbaar maken.
Catalogue illustré du salon de la Rose-f-Croix , waarin hy o. a. zegt: âArtiste, tu es prêtre: I'Art est le grand mystère, et lorsque ton effort aboutit au chef-d'oeuvre, un rayon du divin descend comme sur un autel . . . Artiste, tu es roi: l'Art est rempire véritable. Lorsque ta main écrit une ligne parfaite, les chêrubins eux-mêraes descendent s'y complaire comme dans un inirolr. Spirituel dessin, ligne d'ame, forme d'entendcment, tu donnés le corps a nos rêves. Samothrace et Saint Jean, Sixtine et Cenacolo, Saint Ouen, Parsival, Neuvièrae Sym-phonie, Notre-Dame.
Artiste, tu es wage; l'Art est le grand miracle et prouve notre immortalitê... Sublimité indicible et seroine, Saint Graat toujours rayonnant, ostenso'r et relique, oriflamrae invaincu, Art tout puissant, Art dien, je t'udore a genoux, dernier reflet d'En Haut sur notre putrescence... Tout est pourri, tout est lini, la décadencc lézarde et fait trembler l'édifice latin ; et la croix esseulce n'a plus même aupi-ès d'elle l'épée des Guise, le fusil d un Chouan. Plenre, Grégoire VII, o pape gigantesqne, toi qui eus tout sauve, pleure du haut du ciel sur ton Kglise enténébrée, et toi, vieux Dante, lève-tquot;i de ton tröne de gloire, Homêre catholique, et mêlo ta colère au désespoir du Buonarotti...
Oui, le Straus a nié, mais Parsival affirme: et l'archange de Franck de sa sublime voix a couvert le commcrage impie du Eenati... Misérables modernes, vous ne vaincrez jamais... Nous sommes peu contre to us, mais les anges sont notres... Miracle ! miracle! une rose s'élêve et s'ouvre grandissante, s'effor^ant d'enserrer en ses feuilles pieuses la croix divine du salut, et la croix consolée resplendit enz...
Door zijne ware of voorgewende vereering van de Wagner-kunst heeft Péladan de Wagnerianen voor zich gewonnen. Een volbloed-Wagneriaan â vvil geen kwaad van den Sar hooren.*
315
In elk zijner werken komt dan ook een held voor, die de kenteekenen der beide geslachten in zich vereenigt en de geslachtsdriften niet afschuw bestrijdt, die muziek van Wagner speelt of geniet of die een tooneel van een mu-ziek-drama van Wagner beleeft of vertoont, die geesten bezweert of hunne aanvallen heeft af te weren.
Het is niet zoo moeilijk om na te gaan hoe al die onzinnige voorstellingen bij Póladan zijn ontstaan. Bij het lezen van den bijbel merkte Péladan op een keer den naam van den Babylonischen koning Merodak Beladan op. De overeenkomst in klank van Póladan en Beladan gaf zijne verbeeldingskracht aanleiding om nauwere betrekkingen tusschen hem en dezen koning te vermoeden, en toen hij daaraan dacht, vond hij ook in den vorm van zijn gezicht, in de kleur van zijn haar en baard een sterke overeenkomst met de Assyrische koningskoppen in de gebeeldhouwde groepen van het paleis van Nineveh. Zoo kon hij allicht op den inval komen dat hij vermoedelijk ean afstammeling zou kunnen zijn van Beladan of van andere Assyrische koningen ; hij werkte deze gedachte meer en meer uit en gaf zich ten slotte op zekeren dag den titel van âSar.quot; Was hij maar eerst een afstammeling van de koningen van Babyion , dan kon hij ook de wijsheid dor magiërs geërfd hebben. Zoo begon hij zijne magische leerstellingen te verkondigen. Die droomenjen werden nog op eigenaardige wijze vermengd met de indrukken , die hij in Bayreuth van âTristanquot; en vooral van âParsivalquot; ontving. Zoo werkte zijne fantasie zich in de Graal-sage in, hij zag zichzelf als beschermer van den Graal en vond zoo zijne orde van het rozen-kruis, die in alle opzichten sterk aan de Parsival-ideeën doet deuken. Zijne vinding van het geslachtslooze wezen toont duidelijk, dat zijne fantasie zich veel met voorstellingen
316
Tan erotischen aard bezighoudt en onbewust gevoelens, die daarmee contrasteeren, tracht te idealiseeren.
Bij Péladan laat zich weer bijzonder duidelijk de eigenaardige gang van het mystisch denken aantoonen. Hij wordt geheel en al door de ideeën-associatie beheerscht. Een toevallige klank doet bij hem een reeks van gedachten ontstaan, waarvan hij zich niet kan losmaken; de klank Beladan dringt hem tot de waanvoorstelling dat hij verwant is met Assyrische koningen en magiërs, en het valt hem niet in dat men Péladan kan heeten, zonder d'it men met die voorvaderlijke wezens iets heeft uit te staan. Hij is voor elke artistieke suggestie in de hoogste mate ontvankelijk. Hoort hij een opera van Wagner, dan meent hij zelf een figuur uit die tooneelen te zijn; leest hij van tempelridders en van het rozenkruis, dan voelt hij zich grootmeester der tempeliers en van alle andere geheime orden. Hij bezit de erotische gevoeligheid, die den hoogeren ontaarden eigen is ; daardoor wordt hij geleid tot het scheppen van die fabelachtige wezens, die den heimelijken strijd in zijn bewustzijn tusschen zijne ziekelijke driften en zijn oordeel, dat hem het gevaar van die driften doet erkennen , op een verrassend duidelijke wijze aanschouwelijk maken.
Gelooft Péladan zelf aan de waarheid van zijne waanvoorstellingen ? Met andere woorden: is hij te goeder trouw ? Het antwoord op deze vraag is niet zoo eenvoudig, als het menigeen wel toeschijnt. De twee wezens, die de menschelijke geest in zich houdt opgesloten , staan bij zulke naturen als Péladan op eene eigenaardige wijze tegenover elkaar. Het onbewuste in hem is geheel samengegroeid met de rol van een Sar, een Magiër, een Graalridder enz., maar het bewuste weet, dat dit alles onzin is; toch schept hij er een groot behagen in en daarom laat
317
hij het onbewuste maar naar willekeur in hem huishouden (1). Zulke menschen zijn het best te vergelijken met kleine meisjes, die met hare pop spelen, ze liefkozen en streelen en daarmee omgaan, alsof 't levende wezens waren, ofschoon de kinderen toch heel goed weten dat 't maar levenlooze dingen zijn, maakwerk van leer of van porselein.
Het oordeel van Péladan heeft geen heerschappij over den drang van het onbewuste in hem. Hij heeft het niet in zijn macht de rol van een Sar of Magiër te laten varen en niet langer grootmeestertje van de eene ot andere orde te spelen , altijd moot hij weer op zijne Androgyne-absur-diteit terugkomen. Al deze afdwalingen , even als de voor hoogere ontaarden kenmerkende zucht om nieuwe woorden , stelsels en titels uit te denken , vinden haren oorsprong is zijn organischen aanleg en onttrekken zich aan de inwerking zijner hoogere zenuwcentra. In het bewuste deel is de geesteswerkzaamheid van Péladan werkelijk rijk en schoon. In zijne werken vindt men bladzijden, die met het beste van de tegenwoordige Fransche schrijvers kunnen vergeleken worden. Zijn zedelijk ideaal is hoog en edel. Hij bestrijdt alles wat laag en gemeen is, eiken vorm van zelfzucht, valschheid, genotzucht, met gloeien-den haat, terwijl zijne figuren van voornaam gehalte zijn.
(1) *De enkele keeren die Péladan in Nederland is opgetreden , heeft hjj op de meeste onbevooroordeelde toehoorders een zeer ongunstigon indruk gemaakt. Over 't algemeen was men van gevoelen , dat hij een âcharlatanquot; is, die speculeert op de beurzen van excentrieke tijdgenoo-ten. Zelden zag men een zoo groote mate van eigenliefde en brutale waanwijsheid in één mensch vereenigd. Zijn verdienste is, dat hij mooi Fransch spreekt; de onzinnigheden, die hij zegt, kleedt hij in een keu-rigen en dichterlijken vorm. Zijn uiterlijk draagt in hooge mate den stempel van zinnelijkheid.*
318
wier gedachten zich bij voorkeur met de meest waardige «u aesthetische belangen der menschheid bezighouden. Hot is diep beklagenswaardig, dat zijne groote begaafdheid 4.oor de overheersching van zijne ziekelijke mystische voorstellingen zoo totaal onvruchtbaar wordt gemaakt.
Ver beneden Péladan staat Maurice Rollinat, die hier «chter dient genoemd te worden, vooreerst omdat hij een eigenaardigen vorm van mystieke ontaarding vertoont en dan omdat hij door alle Fransche en bovendien door een tal van buitenlandsche hysterici als een groot dichter wordt gevierd.
In zijne gedichten , die hij met opmerkelijke zelfkennis Les Névroses (De zenuwziekten) betitelt, verraadt hij al de stigmaten der degeneratie waarmee de lezer reeds genoegzaam is vertrouwd. Ik zal er mij dus toe bepalen ze in het kort aan te wijzen.
Hjj voelt misdadige neigingen in zich. âDe kwade gedachten komen overal, ten allen tijde, midden onder mijn werk, in mijne ziel... Ik luister onwillekeurig naar de helsche tonen, die in mijn hart weerklinken, waar Satan klopt, en in weerwil van mijn afschuw van de gemeene saturnaliën, wier schaduw reeds voldoende is om mjj in woede te doen ontsteken , luister ik onwillekeurig naar de helsche klanken.. . Het spook van de misdaad sluipt in mijn schedel en in mijn verstand rond ... Moord, schending, moedermoord schieten door mijn geest als woeste bliksemflitsenquot; enz. (Le fantome du cri 111 e.)
Het schouwspel van den dood en de verrotting oefenen een sterke aantrekking op hem uit. Hij verlustigt zich aan bederf en zwelgt in ziekelijkheid. âMijne geliefde, op een geest gelijkend, reeds door den dood gevat, speelde voor mij , blauwachtig en violet; .. knokige naaktheid, kuisch in hare magerheid ! Schoonheid van de
319
even treurige als teer beminde teringlijderes!... Naast haar deed een doodkist begeerig haren langen muil open
en scheen haar te roepen.....quot; (L'a man te macabre.)
âZij was zoo mager! Ik gaf haar den bijnaam van juffrouw skelet......Zij spoog een droppeltje karmozijnrood bloed uit...... Haar longtering was ver gevorderd ...... Haar gezicht was groenachtig....... Op
een avond hing zij zich op aan mijn vensterkozijn. Vreeselijk! Het koordje sneed den hals van juffrouw skelet middendoor. Maar zij was ook zoo mager! {Mademoiselle Squelette.) âOm do doode, die daar neer lag, zoo schoon als een engel, voor de afschuwelijke kussen der wurmen te behoeden, liet ik haar in een winternacht inbalsemen. Men haalde uit het ijskoude, verstijfde en blauwachtige lichaam de arme doode ingewanden en in den bloedigen en ledigen buik goot men welriekende zalvenquot; enz. (La mor te embaumée.) âVleesch, wenkbrauwen, haren, doodkist, lijkwa, alles heeft het graf verteerd, zijn werk is gedaan... Mijn schedel is tot het xiiterste ingekrompen en nu ben ik zoover, dat ik, overblijfsel van een tot stof vergaan lijk, terugverlang naaide verrotting en naar den tijd, toen de worm nog geen vastendag had â.quot; (Le mauvais mort.)
Zulk een verdorvenheid van smaak wordt bij ontaarden niet zelden waargenomen. Bij Rollinat leidt zij tot walgelijke verzen. Andere schepsels voert ze soms tot het gretig verslinden van menschelijke uitwerpselen en tot necrophilie. In een reeks van gedichten (Les lux u-r e s) treft men de meest grenzenlooze zinnelijkheid aan; bij djzen dichter schijnen de sterkste afdwalingen der sexueele psychopathie voor te komen.
Het meest in 't oogloopend zijn echter de gewaarwordingen van onbestemde vrees en schrik, die hem voort-
320
durend vervullen. Alles maakt hem angstig, alle natuur-tooneelen schijnen een vreeselijk geheim voor hem te verbergen, bevend en sidderend verwacht hij onophoudelijk iets ontzettends. âIk huiver altijd bij het zien van zekere schoenen of laarzen. Ja â gij moogt spottend de schouders ophalen ; ik huiver plotseling, en aan den voet denkend, dien zij omkleeden, vraag ik mjj af; is hij kunstmatig of leeft hij?quot; (Le Maniaque) âMijn vertrek is als mijn ziel... Zware, heel oude gordijnen hangen in kreuken over het lage bed ; lange, phantastische insekten dansen en kruipen over de dekens. Wanneer mijn klok slaat, maakt ze een huiveringwekkend geraas; elke trilling golft op zich zelf lang eentonig voort; ... Huisraad, schilderijen , bloemen , zelfs do boeken , alles ruikt naar naar hel en vergift; en het afgrijzen, dat mij lief heeft, omhult als een laken deze gevangenis.quot; (La chambre.) âDe bibliotheek deed mij aan een heel oud bosch denken;, dertien ijzeren lampen, langwerpig en spookachtig, stortten daar dag en nacht haar graflicht op de dorre boeken, vol schaduw en geheimzinnigheid. Ik huiverde altijd wanneer ik daar binnentrad. Ik voelde mij, te midden van nevel en gerochel, door de armen van dertien bleeke leunstoelen aangegrepen, terwijl de oogen van dertien groote portretten mij aanstaarden. (La bibliothèque)enz.
Het zal wel overbodig zijn om nog meer staaltjes hiervan aan te halen; alleen de titels van enkele zijner gedichten zeggen genoeg: De levend begravene; alleenspraak van Troppman (een bekend moordenaar); de waanzinnige beul; liet monster ; de waanzinnige ; de hoofdpijn ; de ziekte ; de dolzinnige ; de doode oogen ; de afgrond ; de tranen ; de angst; de langzame doodstrijd; de begrafenis; de doodkist ; het lied van den onthoofde, enz.
Al deze gedichten zijn voortbrengselen van een delirium,.
321
dat bij ontaarden veelvuldig voorkomt. Ook Dostojewski, die, gelijk bekend is, tijdelijk krankzinnig was, heeft daaraan geleden. âZoodra de schemering invielquot;, â zoo bericht hij van zich zelf, âmaakte zich langzamerhand die geestestoestand van mij meester, die mij zoo dikwijls in den nacht overvalt, sedert ik ziek ben, en dien ik den mystischen schrik noem. Het is een folterende angst voor iets dat ik niet kan verklaren en dat ik mij niet eens kan voorstellen; het is iets dat nog niet werkelijk bestaat, maar dit zich plotseling, op dat oogenblik, kan verwezenlijken , dat voor mij zal oprijzen als een onverbiddelijke, afschuwelijke, vonnelooze daadzaak.quot; Legrain haalt een voorbeeld aan van een ontaarden waanzinnige, wiens waanzin begon met âvreesachtige gevoelens, met angst voor iets denkbeeldigs.quot; Professor Kowalewski noemt als trappen van de geestesstoornissen bij de ontaarden ten eerste de neurasthenie , ten tweede de dwang-neigingen en de ziekelijke gewaarwordingen van angst. Maguan geeft daaraan den passenden naam van âA.nxiomaniequot;, angstwaanzin , en beschouwt dien als een zeer gewoon kenmerk van ontaarding. De angstwaanzin is een dwaling van het bewustzijn, dat vervuld is van voorstellingen van vrees en nu de oorzaak daarvan in de buitenwereld zoekt, terwijl ze in werkelijkheid uit de ziekelijke aandoeningen van de organen voortspruiten. De lijder voelt zich benauwd en onrustig, stelt zich de hem omringende wereld voor in eene dreigende, schrikwekkende gestalte, om zoodoende zijn gevoel van angst te verklaren , welks oorsprong hem. ontgaat, doordat deze in het onbewuste wortelt.
Hebben wij in Kollinat een dichter der anxiomanie lee-ren kennen, dan ontmoeten wij in een anderen schrijver, wiens naam in de twee laatste jaren wijd en zijd is bekend geworden, namelijk den Belg Maurice Maeterlinck,
NOUDAU, Ontaarding, 21
322
een voorbeeld van een nagenoeg kindsch geworden en van de meest stompzinnige, onsamenliangende mystiek. Het duidelijkst openbaart zich die storing zijner geestvermc-. gens in zijne gedichten, waarvan ik er hier een paar zal aanhalen. Zoo bijv. het eerste van de verzameling Serres chaudes (Broeikassen).
âO broeikas midden in het geboomte! En uwe eeuwig gesloten deuren! En alles, wat onder uwen koepel is! En onder mijne ziel in uwe analogieën! De gedachten van eene princes, die honger heeft, de mismoedigdheid van een matroos in de woestijn , ketelmuziek voor de vensters der ongeneeslijken. Gaat in de koelste hoeken ! men zou zeggen, een vrouw, die op een oogstdag in zwijm is gevallen; het zijn postillons in de voorgalerij van het gasthuis; in de verte gaat een elandjager voorbij , die ziekenoppasser is geworden. Onderzoek het in den maneschijn! (O, niets is op zijne plaats!) Men zou zeggen, een waanzinnigs voor de rechters, een oorlogschip met volle zeilen op een kanaal, nachtvogels op de leliën , het luiden van doodsklokken op het middaguur, (daar achter onder deze klokken !), een wandeling van zieken op de weide, een reuk van ether op een zondag! Mijn God! mijn God ! wanneer zullen wij regen hebben en sneeuw en wind in de broeikas!quot;
Deze onzinnige opeenvolging van woorden is uit een psychologisch oogpunt be/ien belangrijk, omdat daaruit zoo duidelijk blijkt, hoe het in een gestoord brein toegaat. Een bepxalde hoofdgedachte, waaromheen zich andere gedachten groepeeren, komt in liet bewustzijn niet meer tot stand. De voorstellingen ontstaan en duiken op, zooals zij door de werktuigelijke ideeën-associatie worden wakker geroepen. Daar het vermogen van de opmerkzaamheid ontbreekt, is er niets dat eenige orde brengt onder de
323
komende en gaande beelden , alles blijft in een chaotischen toestand, zonder eenig logisch verband of eenigen samenhang.
Hetzelfde eigenaardige verschijnsel treffen wij aan in de gedichten (?) âGlazen klokkenquot; en âZielquot;. In het laatste leest men o. a.: âMijiie ziel! o mijne ziel, al te veel beschut onder het dok! Eu deze kudden van verlangens in een broeikas! Verwachtend een storm op de weide! Laat ons naar de ergste zieken gaan: zij hebben vreemde uitwasemingen. Te midden van hen loop ik over een slagveld met mijne moeder. Men begraaft een wapenbroeder in den middag, terwijl de schildwachten aan den maaltijd zijn. Laat ons ook naar de zwakste gaan: zij zweeten op eene vreemdsoortige wijze; hier is een zieke bruid, een verraad op zondag en kleine kinderen in de gevangenis. (En verder, door den damp,) is het een stervende aan de keukendeur ? Of eene non, die aan den voet van het bed van eeu ongeneeslijke groenten schoonmaakt? Gaan wij eindelijk naar de treurigste : (het laatst, want zij hebben vergiften.) O, mijne lippen namen de kussen van een gewonde aan! Al de burchtvrouwen zijn van honger gestorven, dezen zomer, in de torens van mijne ziel! Hier is het grauwen van den morgen, dat in het feest binnentreedt! Langs de oevei-s onderscheid ik lammeren en er is een zeil aan de vensters van het hospitaal! Het is een lange weg van mijn hart naar mijne ziel! En al de schildwachten zijn op hunne posten gestorven ! Op zekeren dag was er een arm klein feest in de voorsteden van mijne ziel! Men maaide daar den dollen kervel op ee.i zondagmorgen; en al de maagden uit het klooster zagen de schepen op het kanaal voorbijvaren, enz.quot;
Ik heb de woorden van bovengenoemde stukken uit Maeterlincks gedichten zoo getrouw mogelijk vertaald. Het
21 *
324
zal geen mensch moeite kosten , om naar dit model andere kunststukken te vervaardigen , die voor Maeterlinck niet behoeven onder te doen. Dat is maar een kwestie van durven. Bijv.: âO bloemen ! En men kreunt onder de zoo zware belastingen! Een zandlooper, waartegen de hond in Mei blaft, en die vreemde enveloppe van den neger, die niet geslapen heeft. Een grootmoeder, die oranjeappels at en niet kon schrijven! Matrozen in den luchtballon, maar blauw ! blauw ! O, twee soldaten in den koestal en het scheermes is bot! En aan de lamp zijn inktvlakken ! enz.quot; â Maar genoeg, waartoe Maeterlinck nog parodieeren ? Zijn werk is toch reeds een en al parodie, hier zijn de uiterste grenzen van stompzinnigheid bereikt. Bovendien is het minder waardig, wanneer wij ons over zoo'n armen drommel van een idioot vroohjk maken.
Enkele van Maeterlinck's gedichten bestaan alleen uit woorden, die een geljjkluidenden klank hebben, maar die verder zonder eenig verband of eenigen zin naast elkaar staan. Zoo komt bijv. in een daarvan voor: (Ennui)-âLes paons nonchalants, les paons blancs out fui, les paons blancs ont fui l'ennui du réveil; je vois les paons blancs... attendre indolents l'étang sans soleilquot; enz. â Hier is dus sterk gewerkt op den neusklank âenquot;, â âanquot; â âaonquot;. Wij ontmoeten hier weer dat streven naar echolalie (1) dat ook bij de symbolisten dikwijls voor-
(1) * Gelijk bekend is, komt de door Nordau bedoelde echolalie ook reeds bij onze oude dichters voor. Zoo bijv. in: âBij 't dot gebrom der domklok van den dom Tan 't om en om befaamd en roemrijk Romequot;, waarin het luiden der klok in klank en rhythmus wordt n?.gebootst. De oudere dichters bewaarden bij dezen gekunstelden vorm echter den lo-gischen zin. Het is dus weer de OTerdrijving der jongeren, waardoor y.y bjj imitatie der ouderen vervallen in onzin, die grenst aan de verstan-delooze uitingen der imbecielen.*
325
komt (Grhil) en dat voor idioten doorgaans kenmerkend is. _Zoo'n ongelukkige hoort men bijv. \vawelen: âde pauw dauw blauw gauw gauwquot; enz. en met dit gezeur gaat hij voort, totdat hij moe wordt of een nieuw uitgesproken woord hem op een anderen klank brengt, waarmee hij weer op dezelfde manier te werk gaat.
Wanneer men de gedichten van Maeterlinck met aandacht leest, dan bemerkt men spoedig dat de verwarde beelden, die zich aan hem zonder verband als in een droom voordoen, tot een tamelijk kleinen kring van voorstellingen zijn beperkt, waarvan de inhoud in 't algemeen of in 't bijzonder voor hem hoofdzakelijk van sensitieven aard is. âBevreemdendquot;, âoudquot;, âverquot;, zijn de bijvoege-lijke naamwoorden, die hij voortdurend herhaalt; die woorden beteekenen iets onduidelijks en onbestemds, dat ontleend is aan de grenzen van den gezichtskring en geheel beantwoordt aan het mystisch denken. Ook het woord âlangzaamquot;, lent, treffen wij veel bij hem aan, evenals bij de symbolisten, die het dikwijls gebruiken. Het slepende en trage in de beteekenis en in den klank van het woord doet denken aan de bewegingen en de klanken van -een priester, die de mis leest ; het wekt daardoor emoties van religieuze mystiek bij hen op. Bovendien denkt Maeterlinck voortdurend aan hospitalen met zieken en alles, wat daartoe behoort, zooals nonnen, ziekenkost, artsenijen , verbanden, bedden, enz., aan kanalen en schepen, aan princessen en zwanen. Vermoedelijk zijn die voorstellingen hem nog bijgebleven uit zijn kindsheid, posthypnoti-sche suggesties, want België is hier en daar rijk aan kanalen en hospitalen. Daarentegen zijn de prinsessen, die in gevangenissen en torens honger lijden, door moerassen waden, verdwalen, enz. hoogst waarschijnlijk afkomstig uit de sprookjes en praerafaëlietische legenden, die hij vroeger heeft gelezen.
326
Enkele zijner gedichten zijn in den gebruikelijken dichterlijken vorm geschreven; in andere daarentegen treft men maat noch rijm aan ; zij bestaan uit prozaregels van afwisselende lengte, niet in den trant van de vrije gedichten vaa Goethe of de Nordseelieder van Heine, waarin altijd een krachtige rhytmische en golvende beweging kenbaar is, maar zoo dof en stomp en onbeholpen , dat zjj soms doen denken aan het opsommen van een inventaris. Deze stukken zijn een slaafsche navolging van de voortbrengselen van Walt Whitman, een imbecielen Ame-kaan, tot wie^ Maeterlinck, volgens de wet dat de ontaarden elkaar zoakeri, zich noodwendig moest voelen aangetrokken.
Een paar woorden wensch ik hier over Walt Whitman in te lasschen. Ook hij behoort tot de afgoden, voor welke de ontaarden en hysterici van de nieuwe en de oude wereld tegenwoordig altaren oprichten. Lombroso rekent hem onder de waanzinnige geniëen (1) Waanzinnig was
(1) Lombroso, Genie en Waanzin, pag. 322. Walt Whitman, de dichter der moderne Anglo-Amerikanen en stellig een waanzinnig genie, was typograaf, onderwijzer, soldaat, schrijnwerker en eenigen tijd ook bureaucraat, dat voor een dichter zeker wel de vreemdsoortigste bezigheid is.quot; Lombrosor ziet in een zoo veelvuldige verandering van beroep terecht een kenteeken van storing in de geestvermogens. Een Franschman die met Whitman dweept, Gabriel Sarrazin, verontschuldigt in zjjn werk La Renaissance de la poésie arglaise 1798â1889 deze kenmerkende ontstandvastigheid en willoosheid van Whitman op de volgende wijze; âDeze echt Amerikaansche lichtvaardigheid van het overgaan van het ecne beroep in het andere is geheel in strjjd met onze oude Europeesche vooroordeelen en onze onuitwisch-bare vereering voor de recht hiërarchische, bureaucratische jn routineachtige betrekkingen. Wjj zjjn hierin even als in zoo vele andere opzichten zeer bekrompen gebleven en wij kunnen niet begrijpen, dat jttist die verscheidenheid van beroepen den mensch eene veel grootere
327
hij zeker. Mciar een genie ? Dat zou nog bewezen moeten worden. Whitman was een landlooper en een verworpen woesteling; zijne gedichten zijn de uitbarstingen van eene zoo schaamtelooze erotomanie, als in de literatuur van bekende schrijvers ternauwernood voor de tweede maal voorkomen. Zijne reputatie heeft hij te danken aan de dierlijk-zinnelijke stukken , die de aandacht van alle Ame-rikaansche vuilpoesen hebben getrokken. Hij lijdt aan moreelen waanzin en behoort tot hen, die geen onderscheid kunnen maken tusschen goed en kwaad, tusschen deugd en misdaad. âDeze is de ware leer der toegankelijkheidquot;, zegt hij ergens, âzonder voorkeur en achterstelling ; de neger met zij n kroeshaar , de straatroover, de zieke, de onwetende, zijn niet verloochend.quot; En op eene andere plaats verklaart hij, dat hij âdon moordenaar en den dief, den vrome en den goedige evenveel liefde toedraagt.quot; Een babbelaar, de Amerikaan W. D. O'Connor, heeft hem om die reden genoemd : âThe good grey Poet.quot; Wij weten echter dat deze goedigheid, die niets dan ziekelijke overgevoeligheid en zedelijke afstomping is, menigmaal bij ontaarden en zelfs bjj de afschuwelijkste moordenaars , bijv. bij Ravachol, voorkomt. Whitman lijdt aan grootheidswaanzin en zegt van zichzelf: âvan dit uur af aanbeveel ik, dat mijn wezen van alle perken en grenzen bevrijd zal zijn ; ik ga waarheen ik vril, ik ben mijn eigen onbeperkte en volkomene meester. Ik haal diep adem in de ruimte. Het oosten en het westen behooren mij toe. Het noorden en het zuiden behooren mij toe. Ik ben grooter
maatschappelijke waarde geeft.quot; Dat is zoo de ware manier, waarop de voorstander van bepnalde richtingen ook aan de grootste gebreken van de geestverwanten nog een schijn van deugd en rechtvaardiging weet te geven.
328
en beter dan ik zelf heb gedacht. Ik wist niet dat er zoo oneindig veel goedheid in mij was..,. Wie mij verloochent, valt mij niet lastig. Wie mij erkent, die zal gezegend zijn en zal mij zegenen.quot; Hij lijdt aan mystischen waanzin en roept: âIk heb het gevoel van alles, ik ben alles en geloof aan alles. Ik geloof, dat het materialisme waar is en dat ook het spiritnalisme waar is, ik verwerp niets.quot; En vorder zegt hij op eene andere plaats, die den mysticus geheel teekent: âSanta spirita! Adem, leven aan gene zijde van het licht, lichter dan licht, aan gene zijde van de vlammen der hel, vroolijk, gemakkelijk over de hel heenhuppelend , aan gene zijde van het paradijs, alleen doorgourd van mijnen geur, al het leven op aarde begrijpend, God bereikend en begrijpend, den Heiland en Satan begrijpend, fijn, alles doordringend (wat ware alles, wat zou God zijn zonder mij ?), werkelijkheid der vormen, leven der werkelijke identiteiten , leven van den grooten, ronden bol, van de zon en van do sterren en van den mensch, ik, de algemeene ziel.quot; In zij ne nationale gedichten toont hij zich een echte strooplikker van de verdorven Amerikaansche geld-democraten, die stemmen koopen , beambten omkoopen en van hunne macht een schromelijk misbruik maken en hij kruipt voor de opgeblazen Yankees. In zijne krijgszangen, de hooggeroemde Drum taps (Trommelslagen), is vooral de opge-sihroefde taal en het geklepper der steltenlooperij opmerkenswaardig. Zijne zuiver lyrische stukken met de aanhoudende uitroepingen van verrukking ,,o !quot; en âach!quot; en de afgezaagde lofredenen op weiden, zonneschijn en lente, doen aan de weekste en zoetste producten denken, die doar den gelukkig reeds lang begraven en vergetei Geszner zijn voortgebracht. Als mensch biedt Whitman eene verrassende overeenkomst aan met Verlaine, met wien hij
329
alle stigmatea van ontaarding, de wisselende lotgevallen en zelfs de rlieumatische aandoeningen gemeen heeft. Als dichter heeft hij den gesloten vorm van het couplet, maat en rijm maar opgegeven, daar die te moeilijk voor hem waren; aan zijne emotieve vlucht van gedachten geeft hij in hysterische uitroepen lucht, waarop de benaming âdol geworden prozaquot; uitstekend van toepassing is. Onbewust schijnt hij den dichttrant der psalmen en der klaagliederen van Jeremia zich tot model te hebben gekozen. De vorige eeuw bracht ons de âParamythiënquot; van Herder en de onuitstaanbare âpoëtische prozaquot; van den reeds vermelden Geszner. Onze moderne smaak heeft ons spoedig het gekunstelde en onartistieke van dezen dichttrant doen erkennen, die dan ook sedert ongeveer een eeuw geene navolgers meer heeft gevonden. Toch vindt dit opwarmen van eene literarische mode uit het verre verleden een tal van lofredenaars in de hysterische bewonderaars van quot;Whitman ; men beschouwt zijn geschrijf als een nieuwe vinding van zjjn genie en zelfs als toekomst-werk.
Maeterlinck nu heeft in zijne gedichten Whitman slaafsch nagevolgd en hem in het absurde voor zooveel mogelijk nog overtroffen. Behalve die gedichten heeft Maeterlinck ook dingen geschreven, die men drama's wil noemen, omdat ze in den vorm van dialogen zijn gegoten. Een daarvan, La Princes se Maleine (1) dat vrij algemeen is bekend geworden, wensch ik hier wat meer in't bijzonder te beschouwen.
Dramatis personae zijn hier : Hjalmar, koning van een deel van Holland; Marcellus, koning van een ander deel van Holland; Prins Hjalmar , zoon van koning Hjalmar;
(1) Maurice Maeterlinck, La princesse Maleine. Dixième (!!) Edition. Bruxelles, 1892.
330
Angus, vriend van prins Hjalmar ; de kleine Allan, zoon van koningin Anna; Stephano en Vanox, offRcieren van Marcellus; Anna, koningin van Jutland ; Godelive, vrouw-van koning Marcellus : prinses Maleine, dochter van Marcellus ; hare voedster; prinses üglyane, dochter van koningin Anna. Verder komen hier nog bij de welbekende ledepoppen en de afgezaagde figuren uit de stoffigste hoeken van de romantische rommelkamer als: een hofnar, drie arme lieden , twee oude boeren , hovelingen, pelgrims, een badelaar, een kreupele, landloopers enz.
Men geve vooral acht op de namen, die Maeterlinck aan zijne figuren geeft. Als Vlaming weet hij zeer goed dat de naam Hjalmar geen Hollandsch is, maar Noorsch, en dat Angus Schotsch is. Maar die verwisseling geschiedt met opzet, o-n de Duitsche omtrekken , waarmee hij zijne figuren schijnt te omgeven , weer uit te wisschen en ze van den vasten grond , waarop hij ze schijnbaar wil plaatsen , weer los te maken. Hun plaats in ruimte en tijd moet zoo vaag mogelijk, niets meer dan schaduw en nevel zijn.
Koning Hjalmar komt met prins Hjalmar op het slot van koning Marcellus, om voor den prins de hand van prinses Maleine te vragen. De twee jongelieden zien elkander nu voor het eerst en slechts een oogenblik, maar zij zijn direkt smoorlijk verliefd op elkaar. Bij het feestmaal ter eere van den koning breekt een twist uit, waaromtrent wij verder niets vernemen; koning Hjalmar wordt zwaar beleedigd, zweert wraak en verlaat woedend het slot. In een tusschenacte trekt Hjalmar tegen Marcellus op , doodt hem en zijne vrouw Godelive en verwoest zijn slot en zijne stad. Prinses Maleine en hare voedster worden bij deze gelegenheid â hoe, waarom en door wie wordt niet gezegd â in een gewelfde torenkamer opge-
331
sloten; de voedster weet echter, door drie dagen lang met hare nagels te werken, een steen uit den muur los te maken en de beide vrouwen ontvluchten.
Daar Maleine Hjalmar bemint en hem niet kan vergeten , begeven zij zich op weg naar het kasteel van zijn vader. Daar laat echter de huiselijke vrede veel te wen-schen over. Koningin Anna van Jutland, die door hare onderdanen werd verdreven , is met hare volwassene dochter Uglyane en haar zoontje Allan (ook hier is den Deen systematisch een Schotsche naam gegeven) naar koning Hjalmar gevlucht en is door hem gastvrij ontvangen. Koningin Anna heeft den ouden man het hoofd op hot gebracht. Zij is zijne maitres geworden en heeft hem in alle opzichten in hare macht. Zij wil nu dat zijn zoon met hare dochter zal huwen. Hjalmar is wanhopig over het verval van zijn vader. Hij heeft een diepen afkeer van koningin Anna en huivert bij de gedachte aan een huwelijk met Uglyane. Hij gelooft dat Maleine in den oorlog met hare ouders is gedood, maar hij kan haar nog niet vergeten.
Inmiddels is Maleine mot hare voedster door een soort van tooverwoud en door een raadselachtig dorp getrokken , waar zij allerlei zonderlinge ontmoetingen heeft en onbegrijpelijke woorden wisselt met bedelaars, landloopers, boeren, oude vrouwen enz. en eindelijk komt zij in het slot van Hjalmar, waar niemand haar kent, maar waar zij desniettegenstaande toch direct tot hofdame van prinses Uglyane wordt aangesteld.
Op zekeren avond besluit prins Hjalmar toch tot een toenadering tot Uglyane en bepaalt met haar een samenkomst in het park van het slot, niet een geheim , maar om zoo te zeggen een officieel rendez-vous , met toestemming van zijn vader en van de moeder van Uglyane.
332
IMaleine verhindert dit echter, doordat zij tot Uglyane, die zich voor die gelegenheid prachtig opsiert, zegt, dat prins Hjalmar het bosch is ingegaan en niet zal komen. JMaleine gaat dan zelf naar liet slotpark, waar Hjalmar stipt op zijn tijd present is, en maakt zich aan, hem bekend. Verrukt brengt Hjalmar haar naar zijn vader, â die Maleine nu als zijne aanstaande schoondochter begroet lt;!ii van een verloving van Hjalmar en Uglyane is nu geen sprake meer. Koningin Anna vat nu het plan op de indringster uit den weg te ruimen. Zij is eerst zeer vriendelijk voor haar en wijst haar eene prachtige kamer aan in het slot en dan dwingt zij den koning, die lang tegenwerpingen maakt, met haar Maleine in hare kamer te overvallen en haar te verworgen. Dit gebeuru. Bij die gelegenheid geschieden er allerlei teekenen en wonderen : het stormt en raast buiten, er verschijnt een komeet, een vleugel van het slot stort in, het bosch gaat in vlammen op, gewonde zwanen vallen uit de lucht naar beneden, enz.
Den volgenden morgen wordt het lijk van Maleine gevonden. Koning Hjalmar , die na dezen moord de laatste rest van zijn verstand heeft verloren, verraadt alles. Prins Hjalmar doodt daarop koningin Anna en steekt zich daarna zelf den dolk in de borst, waarna het stuk iildus besluit:
De voedster. Kom, arme heer.
De koning. Mijn God! Mijn God! Zij wacht nu aan de poorten der hel.
De voedster. Kom toch, kom!
De koning. Is hier iemand die bang is voor de verwen-schingen der dooden ?
Angus. Ja , heer , ik.
De koning. jSu goed. Druk hun dan de oogen toe en laat ons heengaan.
333
De voedster. Ja, ja, kom, kom.
De koning. Ik kom, ik kom. O, o! wat zal ik nu alleen zijn! Xu zit ik tot over de ooren in de ellende. Met mijne zeven en zeventig jaren. quot;Waar zijt gij ?
De voedster. Hier, hier.
De koning. Zijt ge niet boos op mij. Wij gaan ontbijten. Krijgen wij salade? Ik zou wel wat salade willen hebben.
De voedster. Ja, ja, u zult salade hebben.
De koning. Ik weet niet waarom, maar ik voel mij vandaag wat treurig. Mijn God! Mijn Grod! Mijn God! Wat zien die dooden er toch ongelukkig uit. (Af met de voedster.)
Angus. Nog een dergelijke nacht en wij zullen allen wit zijn. (Allen af, uitgezonderd zeven ^natuurlijk zeven) nonnen, die een Miserere zingen, terwijl zij de lijken op het bed leggen. Het klokkengelui houdt op. Buiten hoort men de nachtegalen. Een haan springt op de vensterbank en kraait. Einde.)
Wanneer men dit stuk begint te lezen, dan vraagt men zich met verbazing af: âWaarom komt mij dit alles zoo bekend voor ? Waaraan doet mij dit toch denken ?quot; Maar na eenige bladzijden wordt ons dit plotseling duidelijk : het geheel is niets anders dan een soort lapwerk van brokstukken uit Shakespeare! Elke gestalte, elk tooneel, elke samenspraak, die maar iets beteekent â het is alles Shakespeare! Koning Hjalmar is samengesteld uit koning Lear en Macbeth, Lear door zijn waanzin en de manier waarop hij zich uit, Macbeth door zijn medeplichtigheid aan den moord van prinses Maleine; koningin Anna is samengesteld uit Lady Macbeth en koningin Gertrude, prins Hjalmar is onmiskenbaar Hamlet, met zijne duistere redeneeringen en diepzinnige toe-
334
spelingen en zijn innerlijken tweestrijd tusschen kinderplicht en zedelijkheid; do voedster is uit Romeo en Julia, Angus is Horatio, Vanox en Stephano zijn Rosencrantz â¢en Griiildenstern, hier en daar getint door eigenaardigheden , ontleend aan Marcellus en Bernardo (Hamlet) en alle bijfiguren: de nar, de arts, de hovelingen enz., ze hebben allen Shakespeareaansche trekken.
Het stuk vangt op de volgende wijze aan: âDe tuin van het slot. Stephano en Vanox treden op. Vanox. Hoe laat is het ? Stephano. Volgens de maan moet het middernacht zijn. Vanox. Ik geloof dat het zal gaan regenen.quot; Men vergelijke daarmee het eerste bedrijf van Hamlet: âEen terras voor het kasteel. Francisco , Bernardo .... Francisco. Gij zijt wel stipt op uw tijd ? Bernardo. Het sloeg juist twaalf uur... Francisco... het is bitterkoud. Het is me niet wel te moedequot;, enz. Zoo zou men, regel voor regel, de imitatie van Shakespeare kunnen aanwijzen. In de âPrincesse Maleinequot; vindt men achtereenvolgens de schildering van den vreeselijken, stormachtigen nacht uit âJulius Caesarquot; (le bedrijf, 3e tooneel) het tooneel van âkoning Learquot; in het slot van Albany (le bedrijf, 4e tooneel.... âLear. Geen oogenblik langer wil ik op het middageten wachten. Ga, breng het spoedig op .. .quot; enz.), de nachtscène uit Macbeth , waar Lady Macbeth haar gemaal overreedt den moord te plegen, het driemaal herhaalde âO! O! O! van Othello, dat hier door koningin Anna wordt uitgeroepen, de gesprekken van Hamlet met Horatio, enz. Eindelijk heeft de geschiedenis van Desdeinona en van prinses Cordelia Maeterlinck op liet denkbeeld gebracht van den dood van Maleine. Al die dingen zijn op de dolste wijze door elkaar gemengd, soms onkenbaar verwrongen en verdraaid, maar met eenige oplettendheid kan men ze toch wel terugvinden.
335
Men stelle zich voor dat men voor een kind, dat op den leeftijd is, waarop het juist in staat is de gesprekken van volwassenen te volgen, de âHamletquot;, âLearquot;, âMacbethquot;, âRomeo en Juliaquot; voorleest of vertoont en dat dit kind, in de kinderkamer teruggekeerd, aan de kleine broertjes en zusjes op zijne eigenaardige manier gaat ver-tellea, wat het gehoord of gezien heeft, men zal dan zoo ongeveer een begrip krijgen van den aard van het stuk âLa Princesse Maleinequot;. Maeterlinck heeft met Shakespeare zijn maag overladen en geeft nu de brokken onverteerd terug, maar walgelijk veranderd en met een begin van ontbinding. Het beeld is onappetijtelijk, maar het is juist geschikt om een aanschouwelijk beeld te geven van de geestelijke werkzaamheid, die bij het zoogenaamde âvoortbrengenquot; door ontaarden plaats heeft. Zij lezen met graagte, ontvangen tengevolge van hunne groote overgevoeligheid een zeer sterken indruk, die hen vervolgt met de macht van eene dwangvoorstelling en zij rusten niet, voor zij het gelezene, doorgaans op de allertreurigste wijze verminkt, weer hebben teruggegeven. Hunne werken hebben soms veel overeenkomst met de vreemde munten, waarop Romeinsche en Grieksche typen ziju afgebeeld, maar waarbij het toch duidelijk in 't oog valt, dat de vervaardigers daarvan de nagekrabbelde letters en zinnebeelden niet konden lezen en verstaan.
Maeterlinck's âPrincesse Maleinequot; is eene bloemlezing nit Shakespeare voor kinderen of voor Yuurlanders. Uit de figuren van den grooten Brit zijn rollen gemaakt voor de kunstenmakers van een honden- en apentheater. Zij doen nog zoo ongeveer aan de houdingen en bewegingen van de, personen denken, die zij naiipen, maar zij hebben geena menschen-hersenen in hun hoofd en kunnen geen t ,veo verstandige woorden praten. Hier nog een paar voor-
336
beelden van de wijze waarop Maeterlinck zijne personen laat spreken:
Koning Marcellus tracht (in het eerste bedrijf) prinses Maleine hare liefde voor Hjalmar uit het hoofd te praten.
Marcellus. Nu , Maleine !
Maleine. Sire ?
Marcellus. Verstaat gij mij niet?
Maleine. Wat Sire ?
Marcellus. Gij belooft mij, Hjalmar te vergeten ?
Maleine. Sire ...
Marcellus. Wat zegt gij ? Bemint ge Hjalmar nog ?
Maleine. Ja, Sire.
Marcellus. âJa, Sire !quot; O demonen en stormen 1 Zij bekent mij dat cynisch , zij waagt 't mij dat zonder schaamte toeteroepen ! Zij heeft Hjalmar een enkele maal gezien , op een enkelen namiddag en nu is zjj nog heeter dan de hel!
Godelive. Heer!
Marcellus. Zwijg! âJa, Sire !quot; En zij is nog geen vijftien jaar oud! Ze moest hier op de plaats doodgeslagen worden!
Godelive. Heer!
De voedster. Kan zij niet even goed liefhebben als een ander ? Wilt u haar onder een glazen stolp bewaren ? Moet men zoo met een kind omgaan ? Zij heeft niets geen kwaad gedaan.
Marcellus. O ! Zij heeft geen kwaad gedaan. Zwijg maar. Ik spreek niet tot u. Waarschijnlijk hebt gij als eene koppelaarster...
Godelive. Heer !...
De voedster. Koppelaarster ! ik , eene koppelaarster !
Marcellus. Zult gij mij eindelijk laten spreken? Gaat toch heen , allebei. O, ik weet wel dat gij 't met elkaar
337
eeus zijt, dat nu de knoeierijen beginnen ! quot;Wacht maar ... Maleine, gij moet nu verstandig zijn Belooft gij verstandig te zijn?
Maleine. Ja, Sire.
Marcellus. O! ziet gij wel! gij zult dus niet meer aan dit huwelijk denken?
Maleine. Ja.
Marcellus. Ja? Bat wil zeggen dat gij Hjalmar zult vergeten ?
Maleine. Neen.
Marcellus. Gij ziet dus nog niet af van Hjalmar ?
Maleine. Neen.
Marcellus. En als ik u nu daartoe dwong ? enz.
Dan het tooueel in het tweede bedrijf, waar Maleine en Hjalmar eene samenkomst hebben in het donkere park van het kasteel.
Hjalmar. Kom toch.
Maleine. Nog niet.
Hjalmar. Uglyane! Uglyane! (Hij kust haar. De waterstraal , door den wind bewogen , buigt af en bevochtigt haar.)
Maleine. O ! wat hebt gij gedaan ?
Hjalmar. Het is de waterstraal!
Maleine. O ! O !
Hjalmar. Het is de wind.
Maleine. Ik ben bang.
Hjalmar. Denk er niet moer aan. Laat ons wat verder gaan. Laat ons niet moer daaraan denken. O ! O ! O ! Ik beu heelemaal nat.
Maleine. Hier weent iemand.
Hjalmar. Weent hier iemand ?
Maleine. Ik bon bang.
Hjalmar. Hoort gij dan niet dat het de wind is?
Maleine- Maar wat zijn dat voor oogen op de boomen ?
Nouüau , Ontaarding. 22
338
Hjalmar. AV'aar dan? O, dat zijn de uilen, die teruggekomen zijn. Ik zal ze wegjagen. (Hij werpt zand naar hen.) Weg ! weg !
Maleine. Daar is er een , die niet weg wil.
Hjalmar. Waar is hij ?
Maleine. Daar op den treurwilg.
Hjalmar. Weg!
Maleine. Hij gaat niet weg.
Hjalmar. Weg! Weg! (Hij werpt met aarde)
Maleine. O ! Gij hebt aarde op mij geworpen.
Hjalmar. Heb ik aarde op u geworpen ?
Maleine. Ja. Er is aarde op mij gevallen.
Hjalmar. O, mijne arme Uglyane.
Maleine. Ik heb zoo'n angst.
Hjalmar. Zijt ge angstig, als ik bij u ben ?
Maleine. Er zijn daar vlammen tusschen de boomen.
Hjalmar. Dat is niets. Het zijn bliksemstralen. Het is vandaag heel warm geweest.
Maleine. Ik ben bang! O, waarom beweegt de grond hier om ons heen ?
Hjalmar. Het is niets. Het is een mol, een arme kleine mol, die werkt. (De mol uit Hamlet! Aan dezen ouden bekende onzen groet!)
Nadat het gesprek nog eenigen tijd in denzelfden toon is voortgezet, maakt Maleine zich dan eindelijk bekend.
Hjalmar. Waar denkt gij aan?
Maleine. Ik ben treurig.
Hjalmar. Waarom zijt ge treurig? Waar denkt gij aan, Uglyane ?
Maleine. Ik denk aan prinses Maleine.
Hjalmar. Wat zegt gij ?
Maleine. Ik denk aan prinses Maleine.
Hjalmar. Kent gij prinses Maleine ?
339
Maleine. Ik ben prinses Maleine.
Hjalmar. AVat?
Maleine. Ik ben prinses Maleine.
Hjalmar. Zijt ge dan niet Uglyane ?
Maleine. Ik ben prinses Maleine.
Hjalmar. Gij zijt prinses Maleine! Gij zijt prinses Maleine ! Maar die is immers dood!
Maleine. Ik bon prinses Maleine!quot; enz.
Heeft men ooit in eenig boek grootere idioten aangetroffen ? Al die uitroepen van ach ! en o !, dat niet begrijpen van de eenvoudigste opmerkingen, dat vier- of vijfmaal herhalen van de meest onnoozele gezegden geven wel het meest duidelijke beeld van ongeneeslijke imbecili-teit, dat denkbaar is. En juist deze plaatsen worden door de bewonderaars van Maeterlinck het meest geroemd. Dat moet alles met een diep artistieken zin bedoeld zijn. Maar een verstandig lezer laat zich zoo iets niet wijsmaken. Die ledepoppen van Maeterlinck zeggen niemendal, omdat zij niets te zeggen hebben. Hun schepper heeft hun geene gedachten in hunne holle schedels kunnen leggen, omdat hij zelf geen gedachten heeft.
Toch is iu âPrincesse Maleinequot; niet alles nababbelarij van Shakespeare. Bijv. de zeven nonnen, die in dit stuk voorkomen, zijn eene vinding van Maeterlinck. Werkelijk is dit iets verbazends. In een waanzinnigen ganzenmarsch treden zij voortdurend in het stuk op, zij slenteren onder het zingen van psalmen door alle kamers en gangen van het slot, door den tuin, door het park, door het woud ; nu en dan komen ze onvoorzien om een hoek te voorschijn, draven over het tooneel, don eenen kant in en den anderen weer uit, zonder dat men begrijpt waar ze vandaan komen of waar ze naar toe gaan en waarom ze telkens verschijnen. Die nonnen zijn eene levend geworden dwangvoorstelling.
340
die in alle deelen van het stuk is gemengd. Verder vinden wij ook hier â weer die bijzondere trekjes terug, die men in de âBroeikassenquot; aantreft. Prinses Maleine is de belichaming van die hongerlijdende, zieke en verdwaalde prinsessen, die in Maeterlinck's gedichten rondspoken cn onmiskenbaar ontleend zijn aan Swinburne's ballade van de Koningsdochter. Ook do kanalen zijn hier niet vergeten (Pag. 27. âHot was of men plotseling in een groot kanaal Was.quot; Pag. 110: âWij keken naar de windmolens langs liet kanaal,'' enz.)
Behalve âPrincesse Maleinequot; heeft Macterlinck nog eenige andere stukken geschreven. In L'i n t r u s e (De indringer) is de hoofdgedachte deze dat de dood in een huis , waar iemand zwaar ziek ligt, tegen middernacht binnendringt, dat hij hoorbaar door den tuin loopt, met zijne zeis op liet grasperk buiten eenige voorbereidende oefeningen schijnt te houden, dan aan do deur klopt, die openduwt, ómdat men hem niet wil inlaten , ei dan zjjn offer haalt. In een ander stuk , Ij e s Avengles, wordt vertoond hoe een aantal blinden , die in een blindeninstituut thuishooren , door een ouden priester in een boscli worden gebracht, waar de priester eensklaps, zonder een kik te geven, sterft; hoe de blinden dit aanvankelijk niet bemerken , maar eindelijk ongerust worden, angstig gaan zoeken en tasten, eindelijk liet reeds koud geworden lijk vinden, en nu beginnen in te zien dat de doode hun gids was, waarna zij in doffe wanhoop hun einde door honger en koude afwachten. Want deze kostelijke geschiedenis valt voor op een woest eiland in het hooge noorden en tusschen hot bosch en liet gesticht ligt een rivier., waarover maar één brug ligt, die de blinden zonder gids niet kunnen vinden. Dat men in het gesticht, waar, zooals nog uitdrukkelijk wordt vermeld, ook nog verpleegsters voorhanden zijir
UI
het lange uitblijven van do blinden zou bemerken en iemand zou uitzenden , om hen te gaan zoeken, komt noch bij Maeterlinck , noch bij een van zijne ontroostbare blinden op. Na deze kennismaking zal de lozer mij een nadere beschouwing van zijne overige stukken, waaronder Les sept princesses en Pelléas en Mélisande, zeker wel willen besparen.
L'intruse is in onderscheidene talen vertaald en in vele plaatsen opgevoerd. In Weeuen heeft men over dezen onzin gelachen. In Parijs en Londen heeft men het hoofd geschud. In Kopenhagen was een publiek, dat uit vereerders der âtoekomst-dichtkunstquot; bestond , verrukt en in geestdrift. Dit is even kenmerkend voor de ziekelijkheid der tijdgenooteu als hot stuk zelf. *Iii Nederland is het stuk op een paar plaatsen, o.a. in den Haag, opgevoerd, met weinig of geen succes. In onze tijdschriften is Maeterlinck vooral besproken â eu met waardeering â door âDe Gids.quot; en âDe Nederlaudsche Spectator.*
Zeer merkwaardig en leerzaam is ook de geschiedenis van de beroemdheid van Maeterlinck. Jaren lang leefde deze arme van geeste onopgemerkt in Gent; zelfs de Belgische Symbolisten, die de Fransche nog overtreffen, namen niet de minste notitie van hem en van het groote publiek had niemand eenig vermoeden van zijn bestaan. Daar kwamen op zekeren dag van het jaar 1890 zijne geschriften toevallig in handen van den Franschen romanschrijver Octave Mirbeau. Hij las ze en het zij dat hij zijne tijdgenooteu eens op groote schaal in 't ootje wilde nemen, het zij dat hij aan de eene of andere ziekelijke dwang-impulsie gehoorzaamde , genoeg, hij publiceerde in âFigaroquot; een artikel, onzinnig overdreven, waarin hij Maeterlinck den schitterendsten en verhevensten dichter noemde , dien de drie laatste eenwen hebben voortgebracht,
342
cn hem een plaats naast, ja zelfs boven Shakespeare aanwees. En nu beleefde do wereld een van de kolossaalste en overtuigendste voorbeelden van suggestie-werking. De honderdduizend voorname lieden, die Figaro lezen , namen terstond de meening over, die Mirbeau hun gebiedend had gesuggereerd. Oogenblikkelijk zagen zij Maeterlinck met de oogen van Mirbeau. Ook zij vonden schoon, wat Mirbeau bijzonder in hem prees. Het sprookje van Anderson van De Onzichtbare Koningskleederen werd van 't begin tot het einde waarheid. Zij waren er niet, maar toch werden ze door den geheelen hofstoet gezien. Sommigen verbeeldden zich werkelijk dat zij do prachtgewaden aanschouwden, anderen zagen ze niet, maar wreven hunne oogen zoolang tot zij begonnen te twijfelen of zij ze al of niet zagen, en weer anderen bespeurden wel niets, maar waagden het toch niet de overigen tegen te spreken. Zoo werd Maeterlinck door de genade van Mirbeau op eens een groot dichter, en wel een dichter van de toekomst. Mirbeau had in zijn artikel ook wel proefjes nit Maeterlinck's dichtkunst aangehaald , die voor een niet gehypnotiseerd lezer ruim voldoende waren om Maeterlinck te doen kennen voor wat hij is, namelijk voor een geestcloozen naprater; maar juist deze proefjes ontlokten het Figaro-publiek kreten van bewondering , want Mirbeau had ze als schoonheden van den eersten rang aangeprezen en wij weten , dat eene besliste verzekering voldoende is, om gehypnotiseerden de overtuiging te geven , dat de rauwe aardappelen, waarin zij bijten, heerlijke oranje-appelen zijn.
Natuurlijk waren er direkt apostelen bij de hand , die don nieuwen meester verkondigden en wijd en zijd zijn naam en zijne grootheid uitbazuinden. Onder do beunhazen van de critiek, die er een groote eer in stellen om vooral het nieuwste en allerlaatste, dat de mode hun aan de hand
343
doot, aan te kondigen en op te hemelen, ontstond nu een ware wedijver om over Maeterlinck te schrijven en hem in de hoogte te steken. Zoo is de Maeterlinck -verheerlijking het waardige evenbeeld geworden van de vereering van zoovele beklagenswaardige ontaarden , eene vereering, die alleen haar grond heeft in de ziekelijke modezucht van een zenuwzwak en in de hoogste mate suggestiebei publiek.
Zoo hebben wij dan de verschillende vormen leeren kennen, waaronder het ontaard!ngs-mysticisme in de he-dendaagsche kunst zich vertoont. De magie van een Guaita en Papus, de Androgyne van een Péladan , de anxiomanie van een Rollinat, het stompzinnig gewawel van een Maeterlinck zijn wel als de uiterste grenzen van den ziekelij-ken drang naar mystiek aan te merken. Zullen die grenzen nog worden overschreden , zal de menschelijke geest ten slotte in een volkomen nachtelijk duister worden gehuld ? Of zal na deze periode, waarin de afzichtelijke mode den wansmaak tot het uiterste heett opgevoerd, een tijdperk aanbreken, waarin, als eene weldadige reactie op het voorafgegane, de kunst voor het toch reeds zoo moeitevolle menschenleven weer zal worden, wat het licht is in de natuur ?
ALFABETISCH REGISTER,
van schrijvers, artiesten en geschriften, die in dit werk worden vermeld en besproken.
Pag.
Adam (Paul)............IGO
Bauer (M.), La léyoiflc de St. Jiilicti IHospifalier. (Prentwerk) . 118 Binet (Alfred), Becherches sur les alterations de la conscienceches
les hystériques..........4?, 197
Bois (Jules)............1C2
Bosc (Ernest), Isis dévoilée on VEgyptologie sacre'e.... 309 Colin (Henri) , Essai sur Vétat mental des hystériques . . .33
Couperus (Louis).......... 200, 237
Damur (Louis)...........1^6
Desjardins (Paul), Le devoir présent......148
van Deyssell (Alberdingk Thijm).......201
van Eeden (F.)...........201
von Edigy (Moritz) ..........239
Erens (Frans)...........193
Fêré (Charles'), Sensation et Mouvement, La semaine 'médi-
cale . ........... 54 , 246
C41iil (Reué)...........180, 194
Gids (De)............204
Gids (De Nieuwe)......... 192, 200
Gilles de la ïoiiTette..........41
van Gogh (Vincent)..........117
Gorter (Herman)...........193
de Guaita (Stanislaus), Au veuil du Mij stère , Le serpent de la
Génèse............309
Haraerton , French Follies in Art.......119
Hanslick (Eduard), Musilcalische Stationen .... 254, 275
Haraucourt (EdmomP.........140, 162
Huret (Jules) . . , .......159, 160
ALFABETISCH REGISTER.
Pag.
Janet (Pierre et Jules), VHystérie et VHypnotisme d'après la thborie
de la double personnalité........154
Kahn (Gustaphe)..........161, 185
von Kleist........... 98, 303
Laforgue (Jules)...........185
Legrain , Du délire chez les dégénérés . . 30 , 170 , 197 , 233 , 321
Lemaitre (Jules)...........162
Liszt (Frans)...........289
Lombroso, {Genie en Waanzin). . . 28 , 34 , 231, 288, 289, 320
van Looy (Jac)...........193
Maeterlinck (Maurice), Serres cliandes 322, La Princesse Maleine 320 L'intruse 340, Les aveugles . . . 340
Magnan.......... 28 , 39 , 230 , 321
Mallannë (Stéphane)..........177
Morèas (Jean), Le Pélerin passioné.......182
Morel.............51
Morice (Charles), La littérature de tont-a-l'heure 142, 148, 161, 177,187
Morris (William) , Poems . . . ......137
Nehor, Les Mayes et le secret maf/ique......310
Nietzsche (Friedrich), Der Fall Wagner 25S , Wayner in Bay-
reuth........ . . 272 , 273 , 275 , 207
Papns (Dr. Encausse), Traité méthodique de science occulte . 300 Paulhan (F.) , Le nouveau mysticisme ..... 140 , 308 Péladan (Sar Joséphin) 310, Co mme on deoient ilaye 312, La décadence latine IX La Gynandre 313, Geste esthétique .... 314
Quillard (Pierre)...........103
de Rögnier (Henri)..........162
Rimbaud (Arthur).....⢠. . . 187, 103
Rod (Edouard), Les idéés morales du temps présent 120, 147, 148, 230
Rolllnat (Maurice), Les néeroses . ......318
Rossetti (Dante Gabriel), The blessed damozel 120, Troy town 128,
Eden bower...........130
Roubinovitch, Hystérie mede et déyénérescence .... 30
Le Roux (Hii 'ues), Portraits de cire......199
Ruskin (John), Modern Painters.......104
Schopenhauer (Arthur) 35, Parerga mid Paralipomena . . . 245 Sollier, Psychologie de VIdiot et de VImbécile . . 129, 184, 232 Spencer (Herbert), The Origin and Function of Music. . .281
Suarez de Mendoza, L'audition colorée......194
Swarth (Hélène)...........200
Swinburne (Algernon Charles)....... ⢠132
Tolstoi (Graaf Leo), Oorlog en Vrede 207, Mijn Geloof 211,
n
alfabetisch register.
Pag.
Mijne bekentenis 211, 22g, Wat moeten wij doen? 227, üeKreut-zersonate 210, 225, De vruchten der beschaving .... 227
Toorop (J. Th.)...........117
Verlaine (Paul), Choix de poësies.......166
Venveü (Albert)...........200
Veth (Jan)...........117, 202
Vicaire (Gabriel)...........163
Viguier (Charles). ..........185
de Vogué (Melchior), Le roman rasse .... 147, 207 , 209 Wagner (Richard), Dus Kunstwerk der Zukunft 242, Parsival 259, 300 , Walk Ure 266 , Siegfried , Gütterdammerung , Tristan und Isolde 267, 268, Ueber die Anwtndung der Mus ik auf das Drama 287, Das Judenthum in der Musik 294, Religion und
Kunst............295
Walt Whitman , Leaves of Grass 326 , Drum taps.... 328 Züllner..................304
Ill
â
CENTRAAL LTUZ!
ro^DS
i rgt; i i quot;t
UTTERAquot;
15. JAN. 1915 UTRECHT.
CENTRAAL LTUZ!
ro^DS
i rgt; i i quot;t
UTTERAquot;
15. JAN. 1915 UTRECHT.