ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

1

'

*

ocr page 4
ocr page 5

ÏERKLARENII HANDWOORDENBOEK

DER

NBDERLANDSCHB TAAL.

ocr page 6
ocr page 7

DE BETEI-KEXIS VAN WOORDEN EN riTDÜl'KKIXCEX, EIGENE EN VREEMDE, OOK VAN VERKORT1NOEN, ZOO MEDE HET NOODKiE VAN HUN SPELLING, GESLACHT. MEERVOUD EN VERVOEGING, MET EEN AANHANGSEL BEVATTENDE 0. M. EEN ALI'HABETISCHE LIJST VAX SVXOXIEMEN.

DOOR

M. J. KOENEN.

Vak 4

/A C

TK HKOXI.WEJl DIJ J. };. Wdl.TEKS. 1S'J7.

ocr page 8

STOOMDRUKKERIJ VAN J. B WOLTERS

ocr page 9

VOORBERICHT.

Een „Handwoordenboekquot; moet vóór alles een handitj boek zijn.

Dit werkje vraagt een bescheiden plaatsje op de studietafel van leerlingen van gymnasia, H. B. S. rn kweekscholen van onderwijzers en onderwijzeressen. Ook op den kantoorlessenaar kan het van dienst zijn — en verder overal, waar men iets heeft op te ■slaan over de beteelccnis, het geslacht, de spelling, het vteervotid, de vervoeging van eenig woord, eigen of vreemd.

Bij liet stellen kan de lijst van synoniemen dienst bewijzen, en de verdere rubrieken van het Aanhangsel komen het nauwkeurig schrijven ten goede.

Absolute volledigheid bezit het werkje zeker niet, en als wetenschappelijke vraagbaak wil het niet fungeeren. Met voordacht zijn uitgelaten: 1°. allerlei afleidingen en samenstellingen bij werkwoorden , zelfst. nw. enz., die door niemand ooit gezocht worden, 2°. die woorden en uitdrukkingen. welke in de beschaafde spreek-en schrijftaal zelden of nooit gehoord worden. De opengevallen ruimte is gebruikt tot het verklaren van woorden en uitdrukkingen, ook in overdrachtelijken zin, van zegswijzen, spreekwoorden, enz.

Verder zijn de gangbare vreemde of uitheemsche woorden in ruime mate opgenomen en verklaard; hun getal bedraagt duizenden, zoodat liet werkje ook in dit opzicht als tolk kan dienen.

Voor het gebruik zij verder verwezen naar den Sleutel op de eerst volgende bladzij den.

Dit werkje geeft alzoo op zeer breede schaal, wat in mijn Verklarend Zakwoordenboekje in het klein is te vinden. Het vertegenwoordigt een eigen richting.

M. .1. KOKXK.V.

Maastricht, 1807.

ocr page 10
ocr page 11

SLEUTEL VOOU DEN GEBRLIKEK.

F. VKRKOKTIMJKX.

nardr. aardrijkskunde.

alg. algebra.

bet. beteekent. beteekenis.

Bijb. Bijbel.

bn. bijvoeglijk naamwoord.

bouwk. bouwkunde.

bv. bijvoorbeeld.

bw. bijwoord, bijwoordelijke uitdrukking.

d. i. dat is.

dicht. dichterlijk.

dierk. dierkunde.

dw. tegenwoordig deelwoord.

eig. eigenlijk, eigenlijke beteekenis.

enz. en zoo voort.

fab. fabelleer of mythologie.

fig. figuurlijk, figuurlijke beteekenis.

geneesk. geneeskunde.

gesch. geschiedenis of geschiedkundig.

gew. gewestelijk of provinciaal.

gmv. geen meervoud.

gmz. gemeenzaam of tot den gewonen

spreektrant behoorende.

godg. godgeleerdheid.

H. Heilig of Heilige.

Herv. Hervorming of Hervormde godsdienst,

inz. inzonderheid.

ir. Ironisch.

jagerst. jagersterm.

kooph. koophandel.

krijgsw. krijgswezen.

landb landbouw.

m. mannelijk.

meetk. meetkunde.

mil. militair.

muz. muziek of tot

mv. meervoud.

nat. natuurkunde.

o. onzijdig.

ontl. ontleding of ontleedkunde,

onr. onregelmatig werkwoord.

oorl. oorlog, tot het oorlogswezen behoo-

phoi. photographie. [rende,

plantk. plantkunde.

pleon. pleonasme, pleonastisch.

R. K. Roomsch Katholiek, of tot den R. K.

eeredienst behoorende.

rechtst. rechtsterm of tot het rechtswezen behoorende.

de muziekleer behoo-[rende.

rekenk. rekenkunde, rekenkundig.

sarc. sarcasme, sarcastisch.

scheepst. scheepsterm, ook schippersterm.

scheik. scheikunde.

smed. smederij, smidsvak.

spotn. spotnaam.

spraakk. spraakkunst.

spreekw. spreekwijze.

stoomw. stoomwezen.

teekenk. teekenkunde.

telw. telwoord.

timm. werk van den timmerman.

tuinb. tuinbouw.

tw. tusschenwerpsel.

t. w. te weten.

typ» typographic, typographisch (boekdr.) uitdr. uitdrukking.

v. vrouwelijk.

vd. verleden deel woon 1.

vergelijk.

verouderd.

voornaa m woord.

voegwoord.

voorzetsel.

wederkeerend.

waterstaat. waterbouwkunde.

weinig gebruikelijk, t. werktuigkunde.

wisk. wiskunde.

w. w. wederkeerig werkwoord.

zeew. zeewezen, zeemanswoord, zgw. zegswijze.

zn. zelfstandig naamwoord.

Rild.

Bogaers

Conscience

C. O.

Da Costa

De Gén.

Poot

Spandaw

Staring

Tollens

Vondel

Uit een gedicht Uit een gedicht Uit een werk \ Uit de Camera Uit een gedicht Uit een gedicht Uit een gedicht l it een gedicht Uit een gedicht Uit een gedicht Uit een gedicht

van Bilderdijk. van Bogaers. mi Conscience. Obscura.

van Da Costa. van I gt;e Génestet. van Poot. van Spandaw. van Staring, van Tollens, van Vondel.

enz. enz.

vero. vnw.

wat. w. g.


ocr page 12

STOOM DRUK KEU IJ VAN J. B WOLTEHS.

ocr page 13

VOO RH K RICH T.

Een „Handwoordenboekquot; moet vóór alles een handig hoek zijn.

Dit werkje vraagt een hescheiden plaatsje op de studietafel van leerlingen van gymnasia, H. II. S. en kweekscholen van onderwijzers en onderwijzeressen. Ook op den kantoorlessenaar kan het van dienst zijn — en verder overal, waar men iets heeft op te slaan over de beteekenis, het geslacht, de spelling, het meervond, de vervoeging van eenig woord, eigen of vreemd.

Bij het stellen kan de lijst van synoniemen dienst bewijzen, en de verdere rubrieken van het Aanhangsel komen het nauwkeurig schrijven ten goede.

Absolute volledigheid bezit het werkje zeker niet, en als wetenschappelijke vraagbaak wil het niet fungeeren. Met voordacht zijn uitgelaten: 1°. allerlei afleidingen en samenstellingen bij werkwoorden , zelfst. nw. enz., die door niemand ooit gezocht worden, 2°. die woorden en uitdrukkingen, welke in de beschaafde spreek-er schrijftaal zelden of nooit gehoord worden. De opengevallen ruimte is gebruikt tot het verklaren van woorden en uitdrukkingen, ook in overdrachtelijken zin, van zegswijzen, spreekwoorden, enz.

Verder zijn de gangbare vreemde of nitheemsrhe woorden in ruime mate opgenomen en verklaard; hun getal bedraagt duizenden, zoodat het werkje ook in dit opzicht als tolk kan dienen.

Voor het gebruik zij verder verwezen naar den Sleidel op de eerstvolgende bladzijden.

Dit werkje geeft alzoo op zeer breede schaal, wat in mijn Verklarend Zakwoordenboekje in het klein is te vinden. Hot vertegenwoordigt een eigen richting.

M. ICOK.NKX.

maastukmt, 1807

ocr page 14
ocr page 15

DE BETEEKBX1S VAN WOOHDEX EX niDRCKKIXllEN, EIGENE EX VREEMDE, OOK VAX VERKORTlNliEX, ZOO MEDE HET XOODKiE VAX HUN SPELLING, GESLACHT. MEERVOUD EN VERVOE-GIXG, MET EEX AANHANGSEL BEVATfEXDE 0. M. EEX ALriIABETISCHE LIJST VAX SVXOXII-MEX.

DOOR

M. J. KOENEN.

Vak 4

A, (7

TK OBOIfra«EN IM.) J. li. WOLTEKS, 1SÜ7.

ocr page 16

STOOMDRUKKERIJ VAN J. B WOLTERS

ocr page 17

VOORBERICHT.

Een „Handwoordenboek'' moet vóór alles een haiuliy boek zijn.

Dit werkje vraagt een bescheiden plaatsje op de studietafel van leerlingen van ggnniasia, H. B. S. en kweekscholen van onderwijzers en onderwijzeressen. Ook op den kantoorlessenaar kan het van dienst zijn — en verder overal, waar men iets heeft op te .slaan over de beteekenis, het geslacht, de spelling, het meervoud, de vervoeging van eenig woord, eigen of vreemd.

Bij het stellen kan de lijst van synoniemen dienst bewijzen, en de verdere rubrieken van het Aanhangsel komen het nauwkeurig' schrijven ten goede.

Absolute volledigheid bezit het werkje zeker niet, en als weten-schappelijke vraagbaak wil het niet fungeeren. Met voordacht zijn uitgelaten: 1°. allerlei afleidingen en samenstellingen bij werkwoorden , zelfst. nw. enz., die door niemand ooit gezocht worden, 2°. die woorden en uitdrukkingen, welke in de beschaafde spreek-en schrijftaal zelden of nooit gehoord worden. De opengevallen ruimte is gebruikt tot het verklaren van woorden en uitdrukkingen, ook in overdrachtelijken zin, van zegswijzen, spreekwoorden, enz.

Verder zijn de gangbare vreemde of uitheemsche woorden in ruime mate opgenomen en verklaard; hun getal bedraagt duizenden, zoodat het werkje ook in dit opzicht als tolk kan dienen.

Voor het gebruik zij verder verwezen naar den Slenlel op de eerstvolgende bladzijden.

Dit werkje geeft alzoo op zeer breede schaal, wat in mijn Verklarend Zakwoordenboekje in het klein is te vinden. Hot vertegenwoordigt een eigen richting.

M. KOEXK.V.

Maastrk ut, ISOT

ocr page 18
ocr page 19

SLEITKL \TlOi; DEN GKBRUKEK.

r. VKRKOKTI N( IKN.

aardrijkskunde.

algebra.

beteekent. Iieteekenis.

Bijbel.

bijvoeglijk naamwoord.

bouwkunde.

bijvoorbeeld.

bijwoord, bijwoordelijke uitdrukking.

dat is.

dichterlijk.

dierkunde.

tegenwoordig deelwoord.

eigenlijk, eigenlijke beteekenis. en zoo voort.

tabelleer of mythologie.

figuurlijk, figuurlijke beteekenis. geneeskunde.

geschiedenis ot' gescliiedkundig. gewestelijk of provinciaal.

geen meervoud.

gemeenzaam of tot den gewonen

spreektrant behoorende. godgeleerdheid.

Heilig of Heilige.

Hervorming of Hervormde godsdienst.

inzonderheid.

ironisch.

jagersterm.

koophandel.

krijgswezen.

landbouw.

mannelijk.

meetkunde.

militair.

muziek of tot de muziekleer behoo-meervoud. [rende,

natuurkunde.

onzijdig.

ontleding of ontleedkunde, onregelmatig werkwoord.

oorlog, tot het oorlogswezen behoo-photographie. [rende,

plantkunde.

pleonasme, pleonastisch.

Roomsch Katholiek, of tot den H.K.

eeredienst behoorende.

rechtsterm of tot het rechtswezen behoorende.

aardr.

alg.

bet.

Bijb.

bn.

bouwk.

bv.

b\v.

d. i.

dicht.

dierk.

d\v.

eig.

enz.

fab.

fig-

geneesk.

gesch.

gew.

gmv.

gmz.

godg.

H.

Herv.

inz.

ir.

jagerst.

kooph.

krijgsw.

landb.

m.

meetk.

mil.

muz.

mv.

nat.

o.

ontl.

onr.

oorl.

phol.

plantk.

pleon.

R. K.

rechtst.

rekenknnde. rekenkundig.

sarcasme, sarcastisch.

scheepsterm, ook schippersterm.

scheikunde.

smederij, smidsvak.

spotnaam.

spraakkunst.

spreekwijze.

stoomwezen.

teekenkunde.

telwoord.

werk van den timmerman, tuinbouw.

tusschenwei-psel.

te weten.

typographic, typographisch (boekdr..

uitdrukking.

vrouwelij k.

verleden deelwoord.

vergelijk.

verouderd.

voornaamwoord.

voegwoord.

voorzetsel.

wederkeerend.

waterstaat. waterbouwkunde, weinig gebruikelijk.

werktuigkunde.

wiskunde.

wederkeerig werkwoord.

zeewezen. zeemanswoord.

zegswijze.

zelfstandig naamwoord.

Bild. Uit een gedicht van Bilderdijk.

Bogaers Uit een gedicht van Bogaers.

Conscience Uit een werk van Conscience.

C. O. Uit de Camera Obscura.

Da Costa Uit een gedicht van Da Costa.

De Gén. Uit een gedicht van De Génestet.

Poot Uit een gedicht van Poot.

Spandaw Uit een gedicht van Spandaw.

Staring Uit een gedicht van Staring.

Tollens Uit een gedicht van Tollens.

Vondel Uit een gedicht van Vondel.

enz. enz.

rekenk.

sarc.

scheepst.

scheik.

smed.

spotn.

spraakk.

spreekw.

stoomw.

teekenk.

telw.

timm.

tuinb.

tw.

t. w.

typ.

uitdr.

v.

vd.

verg.

vero.

vnw.

vw.

vz.

w.

wat.

w. g.

werkt.

wisk.

w. w.

zeew.

zgw.

zn.


ocr page 20

II. TKEKKXS.

— vervangt in uitdrukkingen het titelwoord, bv. Dunk. Een goeilen —. een slechten — van iets hebben.

— vervangt bij verbuiging het titelwoord, bv. Drukkeiid. —e belastinyen.

— vervangt in afleidingen en samenstellingen van zelfst. nw. en bijv. nw. den stam of het grondwoord, bv. Ilmiken, —er, —erij; liidoiiipelcu. —ins: Kiimeii-waartM. —t-li: Alleman, —«gek, —Hvriend.

— vervangt bij de ww. het voorvoegsel of wel het eerste lid. bv. Ilenlenkfii. ik heb -dacht; Inhalen, ik heb gehaald.

—en. —s, —'s. —eren. —ers achter zelfst. nw. duidt de vorming van het meervoud aan.

—/V, —/gt;/gt;. — (/gt;, —i'tje duidt, hier en daar. de vorming van het verkleinwoord aan.

Opmerkingen, iquot;. Van de ongelijkvloeiende of sterke w.w. zijn twee vormen van de vervoeging opgegeven, idem voor de onregelmatige zwakke en sterke w.w. Van de regelmatige zwakke w.w. is alleen het verleden deelwoord opgenomen. De inrichting is alzoo deze:

zinnen — ik zong — heb gezongen.

brengen — ik bracht — heb gebracht.

leer en — ik heb geleerd.

straffen — ik heb gestraft.

i*1. De samengestelde w.w. zijn dan alleen opgenomen, als het om de verklaring der beteekenis noodig was: dus zoeke men in dit boek niet: annbedelcn. aaneen-groeien, aanloeren, belijmen, bemodderen, enz. enz. Werkwoorden, afgeleid met de voorvoegsels be-, er-, ge-, her-, ont- en ver-, zijn slechts opgenomen, als dit om de beteekenis of het gebruik wenschelijk bleek.

3quot;. Van de werkwoorden op -eeren, als: studeeren, soapeeren , wier vervoeging natuurlijk regelmatig zwak is: ik studeerde. heb gestudeerd. is kortheidshalve niets van de vervoeging vermeld.

4°. Van de verkleinwoorden is alleen het allernoodigste aangeduid: — idem van de trappen van vergelijking.

5°. Achter de grondwoorden zijn in den regel slechts enkele afleidingen en samenstellingen vermeld: alleen vormen deze een afzonderlijk artikel, zoo er een of andere reden voor bestond (bv. om de spelling of verklaring).

(gt;\ De beteekenis vindt men beknopt achter elk woord gevoegd-, de fig. beteekenis en het taalgebruik blijken uit de niet karig opgenomen uitdrukkingen en haar verklaringen.

7°. Van duizenden nitheernsche moorden vindt men de beteekenis opgegeven, en waar het noodig was een of meer voorbeelden ter toepassing.

Si'. Tn de lijsten der Verkortingen is het meest gangbare vermeld.

A. v.

Bekei 24 et hoofd prijs groot den 2 betee ven (

— IK

zegt, halve van A. -de quot;v (C. C a eaj zang paus a. a. a. a. A. of A. of in hi A. B van ] in D

! A. c

I tus. A. C A. C 1 nati Av. A. 11 A.F A. I. vlee oork A. I mee A. A. ster met a. in van ook A. ^ tot An. A. e laat j Fig ! van i A. i | der A. lt; i na A. I

k

ocr page 21

A. v. —*s. Eerste letter van het alphabet. Bekend is het raadsel: Je suis a la tète de 24 et sous mot Paris est pris (Ik sta aan het hoofd van 24 letters en zonder mij zon Parijs prijs zijn). In de algebra de eerste bekende grootheid. In de muziek de benaming van den zesden toon. la. In Latijnsche opschriften beteekent A 500 en met een streepje er boven (A), 5000. Uitdr. en zgw.: Hij kent geen — voor een ƒ?.. hij is zeer onwetend: wie — zegt, moet B zeggen, men dient niets ten halve te zeggen of te doen: hij heeft het mij van — tot Z verteld, d. i. in alle bijzonderheden. A. — AA. enz. tot AA AA A A merken van de vroeger beroemde Zeeuwsche chocolaad (C. O.).

a capHIa fmuz. in kapelstijl. d. i. alleen voor zangstemmen zonder begeleiding, zooals in de pauselijke kapel).

a. a. — Ana (op recepten), van elk evenveel, a. a. a. — (scheik.) amalgama (kwikmengsel). A. of Ao. — Anno, in het jaar.

A. of Ao. aer. vuig. — Anno aeris vulgaris, in het jaar der gewone tijdrekening. A. B. — A ure a hnlla. de gouden bul: — edict van keizer Karei IV. regelende de keizerskenze in Duitschland (1356).

A. C. — Anno Christi, in het jaar van Christus. of na de geboorte van Christus. A. C'. — Anni currentis. van het loopendejaar. A. C. X. — A. Clir. X. — Ante Christum natum.' vöör Christus geboorte. Ar. — Academia, hoogeschool.

a. n. - a nno Domini, in het jaar des Heeren. a. f. — Anni fnturi. van het toekomende jaar. a. i. — Anni incarnationis. van het jaar der vleeschwording (formule in Middeleeuwsche oorkonden).

a. l. m. — Artium liberalium magister. meester der vrije kunsten.

A. M. — Anno mundi. in het jaar der wereld. A. M. - A rtinm magister, meester der kunsten (gewoonlijk M. A.), een titelge'ijkstaande met doctor in de letteren, enz. a. in. — Arnica ma na, door of met de hand van een vriend (op brieven of adressen); ook: van den schrijver.

A. M. I). (■. — Ad majorem Dei gloriarn. tot meerdere eer van God.

An. of Annex. — Annexinn, aangehecht. A. et O. — Alpha et omega. De eerste en de laatste letter van het Grieksche alphabet. Fig.: het begin en het einde. Ook toenaam van Christus.

A. O. C. - Ab orbe condito, van de schepping der wereld.

A. O. U. — Anno orb is redemti, in het jaar na de verlossing der wereld. A. I'. — Amsterdamsch peil.

koenen. Verkl. Handivdh. d. Nederl. taal.

A. P. of Ao. Po. — Anno passato, in het afgeloopen jaar.

A. Pr. — Anni praesentis, van het tegenwoordige jaar.

A. praoe. of A. pmet. — Anni praecedentis of praeteriti, van het vorig jaar.

A. p. R. v. — Anno post Romam conditam, in het jaar na de stichting van Home.

A. K. — Academiae rector, rector der universiteit.

A. r. — Anno regni, in het jaar der regeering.

A. r. w. — Anno restauratae (recuperator) salutis, in het jaar na de herstelling des heils.

Art. — Artikel.

A. S. S. — Acta sanctorum, de Handelingen of Levens der Heiligen.

A. ii. c*. — Anno urbis conditae, het jaar der stichting van de stad (Rome). — Ook: Ah urhe condita. na de stichting der stad (Rome).

A. li. — Arium ut supra, verhandeld (of gedaan) als boven (n.1. op den datum als boven), op akten, enz.

A, A a {rivier, water; eigennaam van vele riviertjes), v.

Aalquot;, ave (middelstuk van wielen), v. Ook: naaf. nave. Zie Avegaar.

Aal' (groet bij den dronk, verkort uit avoes [Fr. a vous]. Aaf [Aafje\ is dood, de drank is op. woordspeling.

Aafsch (afwaarts, ter zijde), bn. en bw. Fig. listig, sluw.

Aagje, nieuwsgierig A. (nieuwsg. vrouw of kind: hoofdpersoon uit een oude klucht: Nieuwsg. Aagje van Enkhuizen).

Aagtappel, aagJeHappel (zekere appel), m. —s. —en.

Aai (liefkoozing). m. —en. Ir. pijnlijke slag. stoot.

Aaien (streelen, strooken; fig. vleien), ik heb geaaid. Ir. iemand pijn doen. Aaier (persoon). m.; aaiing. v.

Aak (platboomd lang rivierschip), v. aken. Een Keulse he —. een kolen—.

Aaks. akse. aks (slagbijl. timmerbijl met langen steel), v.: —en.

Aakster (ekster), v. —s.

Aai (oudtijds een drank. bier), o. Tn Engeland ale (eel), o. bv. pale-ale (lichte, bleeke aal). Christmas-ale (Kerstmisbier), enz. Van mooi Aaltje zingen, lustig bier drinken, woordspeling.

Aal (gier, vocht van den mestvaalt), v. gmv.

Aal (rolronde visch), m. alen. Als stofnaam, v. bv. Houdt gij van aal? Een gladden — bij den staart hebben, geen vat aan of op een zaak hebben: hij is zoo glad als ee)i —. hij is moeielijk te vangen, hij is zeer sluw. listig: hij is te vangen als een — bij zijn staart. hij is zeer beweeglijk, men kan niet bedaard met hem overleggen. Zie: Paling.

1


ocr page 22

ANBOEGEN.

AALBES—A.

Aalbes (aalbezie; roode, witte, zwarte bes), v. —sen; —ae bv. aalbesachtige planten; —Mehooin, m.; —sengaanl (tuin met aalbesboompjes beplant), in.; —seiijenever, v.; —Heimat, o.; — sensap, o.; —sensaiiH, v.; —seiitro», m.; —senvla (dessertspijs), v.; —weiiwijn, m.

Aalfuik (ti 'echtervormige korf of' net met zak om aal of paliny te vangen), v. —en.

Aalgeer (drietandiye cork om aal te steken), m. —en. In den regel ebjer geheeten. ook: aalvork, aalspeer, aalsteker, palingsteker. (Het woord aalelger is een pleon.).

Aalgnuidel {visch, soort van karper), m. —s.

Aalkaar {vischhouder, korf of bak om aal levend in te bewaren), v. —karen.

Aalkort' (korf, waarin aal wordt gevangen uf verzonden), m. —korven.

Aalkuahbe. aalkwab (visch, vaak verkeerdelijk aalpuit of puitaal geheeten), v. —kwabben: ook: kwabaal, kwabbe, mag ge.

Aalmoes {liefdegift), v. —moezen. Hij vroeg orn een —. Hij moet van aalmoezen leven, is doodarm.

Aalmoezenier {li. K. geestelijke, uitdeeh'r van de aalmoezen van een vorst of heer; verder bedienaar van den li. K. godsdienst op een kasteel, in een kamp; ook elke arm-meester), m. —s, —en.

Aalmoezenierwter (liefdezuster), v. —s.

Aalmoezeiiierslnii» (liefdehuis), o. —huizen; —kamer, v.; —kind, o. —ers, —eren.

Aaloud, aloud (zeer O(ul), bn. —beid, v.gmv.

Aalpuit (ook wel puitaal, kabeljauwachtige visch), v. —en.

A a 1 schaar (aalger, elger. aaluork),v. —scharen.

Aalseliolver (zwemvogel, in N.Brab. rotgans genaamd), m. —s.

Aalsgeweer (vischnet voor de aal- of paling-vangst). o. —geweren.

Aalspeer (aalvork), v. —speren.

Aalsteek (het recht om aal te steken, ook het steken zelf), m. gmv.

Aalsteek (plaats), v. —steken.

Aalstekel (moerasplant), in.; ook: water-kaarde, ruiter kruid.

Aalstreep (ruggestreep van een aal), v. —strepen.

Aalsvel (huid van den aal), v. —len.

Aalt (zie aal, d. i. g 'ter, meststof), v. gmv.

A-al-tolletje (zeskant tolletje met letters gemerkt one zeker kansspel te spelen; draait de A boven, dan wint men alles), o. —s.

Aalwaardig, aalwarig (zeer waar, eenvou-

Aam (vat), o. amen. 1.552 H.L. \dig), bn.

Aambeeld (smidswerktuig), o. —en. Ook: Aanbeeld.

Aambei (gezwollen ader), v. —en. Ook: Aaiibei.

Aamborstig (engborstig), bn. —beid, v.

Aamtoeht (ademtocht), m. —en.

Aanaarden (rondom ophoogen met aarde). heb aangeaard; —aarding, v. —en; —aard-pP.oeg, m.

Aanademen, —asemen (den adem over iets heen laten gaan), ïk heb aangeademd. Het goud —ademen (boekbinderij), het bladgoud doen kleven.

Aanbassen (aanblaffen), de hond heeft aan-gebast. — basser, m.

Aanbeeld (smidsgereedschap), o. —en. Ook Aambeeld. Steeds opJietzelfde — slaan, voortdurend op hetzelfde onderwerp terugkomen.

Aanbeeldsbeen (ontl. gehoorbeentje), o.

Aanbeeldsblok, o. —ken.

Aanbei (bloedwrat), v. —en. Ook: Aambei.

Aanbelang o. Een zaak van —, d. i. van groot belang.

Aanbelangen (betreffen), alleen in den 3en pers. enk. van den onv. tegenw. tijd der aant. wijs: wat dit aanbelangt (bv. die zaak, dit, dat. u, haar).

Aanbermen (verzwaren met een berm, bv. een dijk), ik heb aangebermd. — benning, v.

Aanbesteden (de uitvoering van eenig werk bij inschrijving opdragen), heb aanbesteed.

— besteder, m.; —besteding, v.

Aanbesterven (bij erfenis ten deel vallen)*,

het goed bestierf aan, is aanbesterven, —bester ving. v.

Aanbetrefren (betreffen, raken, aangaan\ wat mij aanbetreft, aanbetrof. 't Verleden deelw. is niet in gebruik.

Aanbetrouwen (toevertrouwen), ik heb aanbetrouwd. Dit is hem wel aanbetrouwd. Het werd mij aanbetrouwd.

Aanbevelen, ik beval aan. heb aanbevolen. Ik hond mij aanbevolen. De schrijver houdt zich aanbevolen voor op- en aanmerkingen.

Aanbeveler (hij die aanbeveelt), m.: —ling, v.;

— lingsbrier (brief van recommandatie), m. —brieven.

Aanbidden (goddelijke eer bewijzen), ik bad aan, heb aangebeden; God aanbidden; de Zon. de Maan aanbidden: bet gouden kalf aanbidden, d. i. naar rijkdom trachten, vereerder zijn van al, wat rijk is.

Opmerking. Dit w.w. wordt deels scheidbaar met den klemtoon op aan, deels onscheidbaar met den klemtoon op bid vervoegd. Zoo ook in de gebiedende wijs: bid aan', aanbid'. In het verleden deelw. wordt bijna uitsluitend de vorm aangebeden gebruikt; aanbeden is echter nist geheel in^ onbruik, in den zin van met geestdrift of hartstochteli.. k vereeren komen het meest voor de vormen aanbad, aanbeden, als: Zijn leerlingen aanbaden hem. Uw door mij aanbeden dochter, doch ook: Een veldheer door zijn soldaten aangebeden. Zij vliegen voor den wind naar de aangebeden stranden (Tollens). Bilderdijk zegt: quot;k Aanbad haar. neen, ik bad haar aan, bij wijze van climax, omdat het laatste meer uitsluitend in den zin van godsdienstige vereering wordt gebezigd.

Aanbieden, ik bood aan. heb aangeboden. Er biedt zich weldra een gelegenheid aan, d. L voordoen, —bieder, m.; —bieding, v.

Aanbinden (vastmaken), ik bond aan, heb aangebonden. Den strijd met iem. —. d. i. beginnen: de kat de bel —, dc kastanjes uit het vuur halen; —binder, m.; —binding, v.

Aanblazen (doen ontvlammen), ik blies aan, heb aangeblazen, —blazer, m. —s; —blazing, v. Een twist, de hartstochten —, d. i. opstoken, aanhitsen.

Aanblik (kijk. gezicht op iets), m. gmv. Bij

den eersten —.

Aanblikken (strak aanzien), ik heb aangeblikt.

Aanbliiiken (tegenblinken), het blonk aan, heeft aangeblonken. Fig. aanlachen, toelachen, de oogen streelen.

Aanbod, o. De prijs regelt zich naar vraag en —,

Aanboegen (in de richting van iets zeilen), ik heb aangeboegel.


ocr page 23

AA N B O E KEN-A ANGEZIC HTS K ENN E lï.

Aaiiborken (in het daybook inschrijven), ik heb aangeboekt. Zijn alle posten aangeboekt? Aaiiboeten (feller doen branden), ik heb (het vuur) aangeboet.

Amibomv (het gebouwd worden), m. gmv. Dit huis is in —: —bouwer, m.: -bouwsel, o.

Aanbraak (het aanbreken, het begin), v. De

— van den morgen, vero.

Aanbrasseii (sclieepst. de brassen aanhalen of doorhalen), heb aangebrast.

Aanbreek, m. hetzelfde als aanbraak, v. Aanbreken (beginnen, met iets beginnen), de dag brak aan, is aangebroken; ik brak (iets bv. een flesch) aan. heb (iets) aangebroken. — breking, v.

Aanbrengen (ergens heen voeren, dragen). onr. ik bracht aan, heb aangebracht. Fig. verklikken, verraden, —brenger, rn.: —brenging, v.; — brengMt, v.

Aanbi iii.scn (bruisend naderen),heeft en isaan-gebruist. De golven, de vlammen kwamen Fig. onstuimig bejegenen; met een opgezet zeil aankomen.

Aandaelit (oplettendheid, godsvrucht, devotie), v. gmv.

Aandaehtig (opmerkzaam), bn.; —lijk, bw. Aandainmen (wat.), ik heb aangedarnd. -dam-ining. v.

Aandeel {deel, gedeelte, bewijsstuk, effect), o. —en. — aan iets hebben, d. i. zoowel ten goede als ten kwade aan iets meegewerkt hebben; — hebben in een zaak, a If aire, fabriek; ik heb mijn spoorwegaandeelen verkocht.

Aandenken (herinnering, voorwerp, dat ons aan iets of iemand herinnert), o. gmv. In gezegend — voortleven.

Aandienen (aanmelden), ik heb aangediend. Zich laten —. —diening. v.

Aandiepen (zeew. loodende en peilende het land naderen), ik heb aangediept. —dieping, v. Aandikken (dikker maken, aanvetten van letters b.v.). ik heb aangedikt. Een letter, zonder aandikken niet goed te krijgen (C. O.), —dikking, v.

Aandih.Ht'lien (dot disch bereiden), ik heb aan-gedischt; —di.sseliing, v. De bedienden hebben aangedischt.

Aandoen (aantrekken, zich kleeden met). onr. ik deed —. heb —gedaan; b.v. Doe nog een jas aan; zij is netjes aangedaan. Ook, in een haven vallen: Een of andere haven

— (er kort vertoeven)', iemand verdriet, last. schande — (veroorzaken); iemand een proces

— (gerechtelijk aanspreken, vervolgen). Aandoening (ziekelijkheid), v. —en. Een —

der longen, der hersenen. Ook: een — (aanval) van koorts.

Aandoenlijk (treffend, roerend), bn. Een — verhaal. Ook: een — gemoed (week, licht geroerd)^ -beid, v.

Aandraaien (dichter bijeen doen komen door te draaien), heb aangedraaid. Een schroef — (verder door draaien). Fig. Iemand een neus. een wassen neus foppen, om den tuin leiden; ik zal hem dat wel —, (gmz.) aansmeren, aan zijn broek doen houden; daar komt zij weer —, (gmz.) aandrentelen, langzaam vooruitgaan.

Aandragen (in de richting van iemand heen dragen), ik droeg aan. heb aangedragen. Daar komt Jantje weer met een stoof —. Fig. Je moet niet alles komen — (verklikken).

Aandrang (gedrang, nadruk bij het doen van een verzoek), m. Een groote — van menschen. Ik zal komen op — van mijn vader. Ik vraag het u met —.

Aandribbelen (met kleine pasjes naderen), ik ben —gedribbeld.

Aandrift (neiging der natuur, vuur),v. gmv. Ik deed het uit vrije —: — voor de kunst. Aandringen (samenpakken, fig. aanzetten), ik drong —, heb en ben —gedrongen. Op iets —. d. i. met nadruk vragen. Aaiidrinken, ik dronk —, heb —gedronken. Zich een roes —, iemand een roes —. Aanduiden (verklaren, aanwijzen), ik heb —geduid: -duider, m.; -duiding, v. Aandurven, ik durfde of dorst —. heb —gedurfd. Iemand wel of niet —. d. i. zich al of niet opgewassen voelen tegen iemand. Aandweilen (reinigen\ ik hel» —gedweild. Meisje, dweil de gang wat aan.

Aaneen (bij elkaar, samen), bijw. Aaneengeboren, bn. De twee — Siameesche broeders.

Aaneengeseliakeld (met schakels verbonden), bn. Fig. Een — verhaal. Aaneengesloten (nauw verbonden), bn. Aaneenwellen (door smeden of soldeer en verbinden, b.v. Zweedseh ijzer), ik heb —geweld; -welling, v.

Aanerven (bij erfenis ontvangen als talenten, deugden, enz.), ik heb —geërfd; —erving, v. ook: onp.w. het erfde —, is —geërfd. Aanllniten (tegen iets fluiten), ik tloot —, heb -gefloten; — finiting, v. Fig. uitjouwen, bespotten, beschimpen.

Aangaan, ik ging —, heb en ben —gegaan. Aangaande (betreffende), vz.

Aangang (begin, eerste s^/p),m. —en; — maken. Zeew. sturen, stevenen, koers nemen. Op den — komen (gmz.), juist van pas komen. Aangapen (met open mond aanstaren), ik heb —gegaapt: —gaping, v.

Aangebedene (hoogvereerde, boninde), m. en v. —n.

Aangeboren (van nature eigen), bn. Aangedaan, vd. en bn. De familie was tot schreiens —, d. i. bewogen.

Aangehuwd (door huwelijk vermaagschapt), bn. Een —e tante, oom.

Aangeklaagde, m. en v. —n.

Aangelegen, bn.; —beid, v.

Aangemerkt (opgemerkt), bn.

Aangenaam (pgt;*e«lt;(/,lt;7enoe(/iij7c),bn.; — lieid,v. Aangenomen, vd. en bn. Een — kind; een — werk (bij aanbesteding).

Aangespen, ik heb —gegespt: —gesping, v.

Den degen —. gaan strijden.

Aangeteekend (ondertrouwd), bn. Zij zijn —: een. —e brief, een — pakket (bij de postadministratie verzekerd).

Aangetogen, vd. en bn. van het veroud. w. aantieën, d. i. aantrekken.

Aangetrouwd (aangehuwd), bn.

Aangeven, ik gaf —. heb —gegeven. Den toon —, fig. de eerste zijn in zijn kring; zich of zijn goed —, zich melden, reidgoed aan de grenzen declareeren; in hoofdtrekken iels — d. i. aanduiden.

Aangezielit (gelaat), o. —en. Ook aanzicht; iemand van — kennen, d. i. hem persoonlijk kennen; de waarheid in het aanzicht slaan, de waarheid krenken, d. i. brutaal liegen. Aaiigezielitskenner, m. —s; —kunde, v.;


r

ocr page 24

AANGEZIEN-.

AANLIJKEN.

4

—kundige, m. —n; —pijquot; (gelaatspijn), v. —en.

Aangezien (dewijl, vermits, omdat), vw. Aangifte of —Riït, v. —giften; — doen, d. i. kennis geven, bij den bevoegden ambtenaar melden, b.v. de geboorte van een kind. Aangramven (norsch bejegenen), ik heb — gegrauwd; —grauwer, m.; —gramving, v. Aangraven (door te graven verbinden), ik groef —, heb —gegraven; —graving, v. Aangreep (aanval), m. gmv.

Aangrenzend, dw. en bn. Een — land. Aangrijnzen (dreigend, valseh aankijken), ik heb —'gegrijnsd; —grijnzing, v.

Aangroei (aanwas, toename), m. gmv. Aangroeien (toenemen), het is —gegroeid; —groeiing, v.

Aangroenen (groener worden), de weide is —gegroend.

Aanhalen, ik heb —gehaald; -haler, m.;

—haling. v. Aangehaalde goederen, d. i. in beslag genomen goederen.

Aanhalig (vriendelijk, innemend), bn.; — heid, v.

Aanhang (partij, handlangers), m.; —eling, m. en v.

Aanhangig {nog niet beslist), bn. De zaak is — Aanhangsel, o. —s. —en. ((rechtst.).

Aanhankelijk (verknocht), bn.; —heid, v. Aanhebben' (dragen, gekleed zijn in), onr. ik had —. heb —gehad. Fig. een roes, een laars, een buis —. dronken zijn. gmz. Aanheeliten, ik heb—gehecht: —hechter,m.;

—hechting, v.; —hechtingspiint, o. Aaiilieehtsel, o. —s.

Aanhef (begin, inz. bij gedichten of mnz. en zang), m. gmv.

Aanheflen, ik hief —. heb —geheven; —heller, m.: —ïielTnig, v.

Aanhijgen (hijgend toeademen), ik hijgde —, heb —gehijgd.

Aanhitsen (opstoken, aanvuren), ik heb —gehitst; —bitser, m.; —hitsing, v. Aanhooren, ik heb —gehoord; —hoorder, m.:

— hooring. v. Men schrijft ten aanhooren van. niet ten aanhoore.

A an hoor ig. bn.; —heid (wat tot eenig goed behoort), v.

Aanhoud (plaats waar men ophoudt, rustplaats), m. —en.

Aanhouden, ik hield —. heb —gehouden;

— houder, m.: — houding, v.: Op iets zeew. koers zetten.

Aanhoudend (voortdurend), bn. en bijw.; —heid, v.

Aaiibiiwen, ik heb —gehuwd; —huwing, v.

Aanjagen, ik jaagde of joeg —. heb—gejaagd; Iemand schrik — d. i. veroorzaken; daar komt de koo'ier —, snel rijden.

Aankalken (met krijt aanschrijven), ik heb —gekalkt; —kalking, v.

Aankanten (zieh), (zich verzetten), ik heb mij —gekant: —kanting (verzet), v. Aankerven (aanteekenen), ik korf of kerfde—, heb —gekorven; —kerving, v. vero. Aankijken, ik keek —. heb —gekeken. Iemand met schele oogen —. d.i. benijden; ion. niet —. d. i. kleinachten, niet tellen. AnnMacht (beschuldiging), v., —en. ook ««n-klage.

Aanklagen, ik heb —geklaagd; —klager, m.

Aanklampen (aanhaken, enteren), ik heb —geklampt. Fig. iem. aanspreken.

Aaiiklauwen (opharken van paden), ik heb —geklauwd.

Aankleeden, ik heb —gekleed. Een aange-kleede aap, sarc. een foeileelijk persoon: een — boterham, een boterham met vleesch of zoo iets.

\i\\\\i\eeï (toevoegsel, aanhoorigheid), m. (met den aankleve van).

Aankleniuieii, ik heb —geklemd. Fig. nader met bewijzen staven.

Aankleven, ik heb —gekleefd. Fig. eigen zijn b.v. Dat gebrek kle ft hem aan. Iem. aankleven. trouw aanhangen.

Aankloppen, ik heb —geklopt. Fig. bij iem. —. iem. iets verzoeken.

Aanknoopen, ik heb —geknoopt. Fig. een gesprek, vriendschap, betrekkingen beginnen. tot stand brengen.

Aankoineling (nieuweling), m. en v. —en: voor het v. ook Aaiikoinelinge.

Aankomen (een plaats bereiken), ik kwam —, ben —gekomen. De stoomboot is reeds aangekomen. Met iets aankomen, d. i. voor den dag komen. Kom nergens aan, d. i. handen thuis. Er is geen aankomen aan, d. i. het is niet of voor grof geld te krijgen.

Aankomend (aanstaande, toekomstig, toekomend, groot wordend), bn.

Aankomst, v. gmv.

Aankondigen (bekendmaken), ik heb —ge-kondigd: —kundiger, m.: —kondiging, v.

Aankooien (typ. den vorm vastslaan), ik heb —gekooid.

Aankoop, m. —en. Door d.i. coortekoopen. Aankoopen, onr. ik kocht —. heb —gekocht; —kooping, v.

Aankruien (snel voortkruien), ik kruide (kroot) —. heb —gekruid (—gekrooien). Het ijs is —gekruid, d.i. opeengehoopt. Aankunnen {baas kunnen, berekend zijn voor), onr. ik kan —, wij kunnen —. ik konde of kon —, heb —gekund. Hij kan den knaap niet aan. Zij kan die taak niet aan. Ik kan zoö'n biefstuk niet aan. Hij kan heel tv at aan.

Aankweek (aanplanting), m. gmv. Fig. ontwikkeling.

Aankweeken (opvoeden, opfokken), ik heb —gekweekt; —kweeker, m.: —kweeking, v. Aanlandig, bn. De wind is —, d. i. waait landwaarts.

Aanleg, m. gmv. — hebben tot, d. i. natuurlijke geschiktheid; de — van een dijk, van een plantsoen, park. d. i. het plan. ook het aanleggen; rechtbank van den eersten —. een lagere rechtbank.

Aanleggen, ik legde of leide — heb —gelegd of —geleid: —legger, m.;—legging, v.;—legplaats (hoven), v.

Aanlenen, zie Aanleunen.

Aanlengen (verdunnen), ik heb —gelengd: —lenging. v.

Aanleunen (schuin tegen iets rusten), ik heb —geleund (—geleend). Fig. Ik laat mij dit niet —, d. i. toeschrijven, zeggen; —leuning, v.

Aanlichten (beginnen te lichten of te schijnen). de dag is —gelicht.

Aaniiggen (bij een maaltijd in 7 Oosten), ik lag aan. heb aangelegen.

Aanliggend {aangrenzend), —e hoeken (wisk.). Aanlijken (zeew.). ik heb—gelijkt. Een lijk—. een omboordsel maken rondom het zeil.


ocr page 25

AAN LOE VEN- AANSLA AN.

Aaiiloeven {dichter bij den wind houden), ik heb —geloefd; —loeving. v.

Aanlokkelijk {verleidelijk), bn.; —lieid, v. AanlokHel {verleidsel), o. —s of —en. De —en der zonde.

Aaiiloiiken {vriendelijk aanzien), ik heb —gelonkt.

Aanlooden {peilende de kast naderen), ik heb —gelood.

Aanloop, m. Een — nemen. d. i. een korte loop. Fig. een inleiding maken. Hij heeft veel — d. i. bezoek.

Aanmaak (vervaardiging), m. gniv. Aanmaken (.voortmaken, aansteken), ik heb —gemaakt; —making;, v. Sla —. bereiden. Aanmaren {een schip met touwen vastleggen), ik heb —gemaard, vero.

AaninarNcli {optocht, aantocht), m. gmv. De troepen zijn in — d.i. op komst. Aanmatigen (zirli), ik heb mij —gematigd; -matiging;, v. Zich een recht —, Aanmatigend (eigendunkelijk, trotsch), bn. en bijw.

Aaiimennen (paarden meteen toom bestoren). ik heb —gemend.

Aanmeren (hetzelfde als Aanmaren), ik heb —gemeerd.

Aanmerkelijk (belangrijk), bn. en bijw. Aanmerken (bedenking opperen), ik heb —gemerkt: —merker, m.: —merking, v. Aanniin(ne)lijk {aanminnig), bn. en bijw.;

— heid of —ihinniglieid, v.

Aanminnig (bevallig, lief), bn.; —lieid, v. Aanmoeren (aanschroeven), heb —gemoerd. Aanmoeten, onr. het moest —, heeft —gemoeten. De jas moet aan, het vaar moest aan, enz.

Aanmogen, onr. het mocht —: 't vd. is niet in gebruik. Mag ik dat kleedje aan:' Aanmonsteren (scheepst. in dienst nemen), ik heb —gemonsterd: —monstering, v. Aanninnten (nieawe mant slaan), ik heb —gemunt: —iiinntins. v.

Aannagelen (vastspijkeren), ik heb —genageld; —nageling, v.

Aannemen, ik nam —, heb —genomen; -nemer, m.; —neming, v.

Aannopen (aansporen), ik heb —genoopt. Aanopperen (in oppers zetten van hooi), ik heb —geopperd.

Aan pa lend (aangrenzend), bn.

Aan peil (opneming van den voorraad sterken drank), m.; —peiling,-v.

Aanpennen (voortmaken met schrijven), ik heb —gepend.

Aanplakken, ik heb —geplakt: —plakker.m.; —plakking, v.; —plakhiljet, o.

Aanplant (teelt), m. De — van koffie. Aanplanten, ik heb —geplant: —planting,v.

Aanplempen (dempen), ik heb —geplempt;

— plemping. v.

Aanploegen, ik heb—geploegd: —ploeging.v.

Hij heeft er een lap grond bij aangeploegd, d.i. verbinden door beploeging.

Aanpoten (aanplanten), ik heb —gepoot; —poter, m.: —poting. v.

Aanpraaien (zeew. een schip aan- of toeroepen). ik heb —gepraaid.

Aanpraten, ik heb—gepraat. Hij heeft mij dat aangepraat, d.i. door mooie praatjes verkocht. Aanpressen (aandringen), ik heb —geprest. Aanprijzen (aanbevelen), ik prees —. heb —geprezen; — prijzer, m.: —prijzing, v.

Aanprikkelen, ik heb —geprikkeld. Fig. aanzetten, aansporen.

Aanpunten, ik heb —gepunt: —pnnter, m.; —piinting. v.; —piintring, m : —piintHeliijl'

(om spelden te punten), v.

Aanraden, ik raadde of ried —, heb —geraden; —rader, m.; — rading, v.

Aanraken, ik heb —geraakt; —raking, v.; —rakingspiint, o.

Aanranden (aantasten, overvallen), ik heb —gerand; —rander, m.; —randhig. v. Aanransen (aanranden), ik heb —geranst; —ranser, m.: —ranging, v. vero. Aanrazeeren (bouwk. aanvallen), ik heb —ge-razeerd; —razeering, v.

Aanreelit, o. —en; hetzelfde als Aanreelithank, v. —en.

Aanrechten (opdisschen), ik heb —gerecht; —reeliting, v. Ook: een feest —, geven. Aanreelitkenken, v. —s.

Aanreelittaiel (aanrechtbank), v. —s. Aanreiken, ik hei» —gereikt; —reiking, v. Aanrennen {rennend naderen), ik ben en heb —gerend.

Aanrieliten (veroorzaken), ik heb —gericht. Een bloedbad, schade, verwoestingen, enz. —, d. i. doen ontstaan.

Aanrieliting. v.

Aanrijden (rijdend aanraken, doen naderen), ik reed —. heb en ben —gereden.

Aanrijden, ik reeg —. heb —geregen. Koralen, paarlen —: iemand aan den degen rijgen, d. i. doorsteken.

Aanristeii (aanrijgen), ik heb —gerist; —rin-ting. v. Hen, vinken —.

Aanrit (aanval der miterij), m. gmv. Aanritsgeld (handgeld), o. —en. vero. Aanroepen, ik riep —, heb —geroepen; —roeper, m.: —roeping, v. Üe schildwacht riep den vreemdeling aan; God aanroepen, d.i. om hulp smeeken.

Aanroeren, ik heb —geroerd. Gij moet die snaar niet —. d. i. van die teere zaak niet spreken.

Aanrooken (even aansteken), ik heb —gerookt. Een —gerookte sigaar.

AaiiMelienden (aanranden), ik schond —, heb —geschonden. Ook aanschennen: Ü.schen zijn macht niet aan. (Tollens).

AaiiMeiiijn (gedaante, aangezicht, gelaat), o. In het — van den dood; in het zweet zijns —s, gmv.

Aanselionw (gezicht, blik), m. Met den eersten —; in — nemen, d. i. in overweging nemen.

Aan.seliomvbaar (zichtbaar), bn. en bijw. Aanselionwelijk. bn. en bijw.; —lieid, v.

Ook: Aanscliónwlijk. — onderwijs. AaiiHelionwen (zien, wint roemen), ik heb —schouwd: —seliomver, m.: —selioinving, v.

Aanselireemven (ietn. toeroepen), ik neb —geschreeuwd; — mi* li reen wing, v.

Aan.selireien, ik heb —geschreid. lem. om hulp —^schreiend smeeken.

Aanselirijden (met groote. stappen naderen), ik schreed —. ben —geschreden. AaiiHciirijven (schriftelijk bevelen), ik schreef —. heb —aangeschreven. Fig. Bij iem. goed aangeschreven staan, in de gunst staan. Aanslaan, ik sloeg —. heb eti ben aangeslagen. Een toets —; voor iem. —. d.i. iem. groeten (mil.); een huis —, ten verkoop aanbieden; iets hoog waardeeren; ook in de


ocr page 26

AANSLAG-AANVAREN.

0

belasting taxeeren; de ruiten waren (lange-slagen, d. i. bewasemd.

Aanslag, m., —en.

AaiiMlaghiljet (belastingbiljet), o., —ten. AaiiNliJmen (unit morden), het geweer slijmde —, is —geslijmd, d. i. van binnen aangeslagen door kruitdamp: —MlijiniiiK. v.

AaiiHloflVn {sleepvoetend naderen), ik ben —gesloft.

Aaii.sliiikcn {smokkelend waren invoeren), ik slook —. heb —gesloken.

AaiiHllt;ii|M'ti, ik sloop —, ben —geslopen; —v.

Aaiisliiiten, ik sloot (mij) —, heb (mij) —gesloten. Dr gelederen —.

AaiiNliiitinu;. v. —en: —MliiNiiiKM|gt;laiit.s, v. —en; —sliiitiiigHpiiiit, o. —en.

AaiiHincnMi (nvt smeer bestrijken, met kalk. enz.), ik heb —gesmeerd: —Mincriiig, v. Ook: Jem.iets foppen met iets; zie: Aandraaien. AaiiMiiuMilcn (sterker smeulen en ontvlammen). het smeulde —. is —gesmeuld. Aaiituiamven (norsch antwoorden), ik heb —gesnauwd.

AaiiHiKMlf en AaiiNiiee, v. —sneden. AaiiMiioercn {dom' een snoer verbinden), ik heb —gesnoerd.

AaiiMpaiincii {aanbinden), ik heb en ben gespannen. Jan, span de paarden—I Een snaar wat —. d. i. sterker spannen.

AaiiM|M'l«'ii {het eerst spelen, opspelen bij 't kaarten), ik heb —gespeeld.

AaiiMporeii (opwekkm), ik spoorde —, heb —gespoord: —wpooriler, m.: —.sporina, v. fem. tot een daad —, aanzetten; hij spoorde zijn paard —. d. i. aanzetten.

Aanspraak (to('spraak).v., -spraken: — op iets maken. d. i. beweren recht te hebben op;

— of aanspreking, aangesproken persoon (vocatief).

Aansprakelijk en —spraaklijk {verantwoordelijk). bn.

Aanspreken, ik sprak —, heb —gesproken; —spreker (doodbidder), m.: —sprekin^ v.

Hij heeft zijn bears duchtig aangesproken; evenzoo de flesch. de koekjestrommel, enz., d. i. er ruim gebruik van gemaakt.

Aanstaan {bevallen), het stond —. heeft —gestaan. Ook: De dear staat aan. is half open. Aanstaand (toekomend), bn. De —staande week, den —staanden Zondag, het —staande jaar. mij}) —staande vrouw, enz. Aanstaande (verloofde), m. en v., —n. Aanstalte {toebereidselen), v.. —n.

Aanstaren (strak aankijken), ik heb —gestaard ; —staring, v.

Aanstekelijk {besmettelijk), bn. en bijw.;

— held, v.*

Aansteken (vaststeken, ook iloen ontbranden), ik stak —. heb en het is—gestoken: —steker, m.: —steking, v.

Aanstekend, bn. Een —e ziekte.

Aanstellen {benoemen), ik heb —gesteld: —steller, m.; —stelling, v.: —stellerij (bin ff er ij), v.

Aansterken (sterker worden), ik ben —gesterkt. De zieke sterkt zachtjes aan. Aansterven, liet is —gestorven. Ook: Aanbesterven; aansterving (erfenis).

Aanstijven (stijver, heviger worden), destroop stijfde' —: de wind is —gestijfd.

Aanstip en (stijver tnaken, b.v. linnen), ik steef —, heb —gesteven.

Aanstippen {aanteekenen), ik heb —gestipt: —stipping, v. Fig. iets —, terloops vermelden. Aanstoflen (losjes bij vegen), ik heb —gestoft; stolTing, v.

Aiinstonds (terstond, dadelijk), bijw. Aanstoot (schok, fig. ergernis), m. Hij is mij een steen des aanstoots, een groote ergernis: — geven, ergernis geven; — lijden of hebben, vijandig bejegend worden; verlokt, bekoord worden.

Aanstootelijk, bn. en bijw.; —lieid, v.

Aanstoot en. ik stiet (stootte) —, heb —ge-stooten: —stooting, v.

Aanstormen (stormend naderen), ik heb en ben —gestormd: —storining. v.

Aanstort (veenderij), o. —en.

Aanstonwen (samenpakken), ik heb —gestouwd. Hetzelfde als Aanstnwen. Aanstralen {stralen op iets werpen), het licht heeft —gestraald.

Aanstiiwen {aanduwen, een lading vast in elkaar werken), ik heb —gestuwd.

Aantal, o. —len.

Aantasten {aanvallen), ik heb —getast; —tasting, v.

Aanteekenen (merken, opschrijven), ik heb —geteekend: — teekening, v. AaiiteekeningspartiJ {bruidspartij), v. —en. Aantieliten {aanwrijven, beschuldigen), ik heb —geticht.

Aantijgen (beschuldigen), ik teeg —, heb —getegen (ook) ik tijgde —. heb —gétijgd; —tijger, m.: —tijging (beschuldiging), v. Aantocht (nadering), m.gmv. In — zijn, naderen. op komst zijn.

Aaiitoonen (aanwijzen, doen zien), ik heb —getoond; —tooner, m.: —tooniug, v. Aantoonend, bn. De —e wijs (werkelijkheidswijs).

Aantrede en —tree, v. —treden.

Aantreden (mil. zich verzamelen, in 't gelid gaan staan), ik trad —, heb en ben —getreden: —treding, v.

Aantreflen, ik trof —, heb —getroffen. Aantrek, m.; —king, v.

Aantrekke'ijk (gevoelig), bn.: —heid, v. Aantrekken', ik trok —. heb en ben —getrokken; —trekker, m.: —trekking, v.; — trekkingskraeht, v.

Aantroiiwen (door huwelijk verwant worden), ik heb —getrouwd; —trouwing, v. Een aangetrouwde nicht, neef, oom, enz.

Aaiitnren {turend aanzien), ik hei»—getuurd. Aanvaarden (aannemen, beginnen), ik heb —vaard. Een reis —, een tocht —. een opdracht —: het bevel —. het bewind —; —vaarder, m.; —vaarding. v.

Aanvaart, v. De aan- en af vaar* van schepen. Aanval, m. —len.

Aanvallen (aantasten, aangrijpen), ik viel—, ben en heb —gevallen; —valier, m. Aanvallenderwijs en -wijze, bijw. Aanvallig (lief, aanminnig), bn.: —heid. v. Aanvalsfront (mil.), o. —en: —kolonne, v. —n en —s: —kreet, m. —kreten: —plan. o. —nen: —punt, o. —en; —sein. o. —en: —teeken, o. —s.

Aanvang (begin), m.

Aanvangen, ik ving —, heb en ben —gevangen; —vanger. m.: —vangspunt, o.

Aanvankelijk (beginnend), bn. en bijw. Aanvaren {tegen iets varen), ik voer —, ben en heb —gevaren: —varing. v.


ocr page 27

AANVATTEN

—AARDVEIL.

7

Aanvatten (aanpakken), ik vatte —. heb —gevat: — vatter. in.: — vatthiR. v.

Aanvechten (aanvallen), ik vocht —. heb —gevochten; —veelithiK ihekonny), v.

Aanvegen, ik heb —geveegd. Very den vloer irat aan.

Aanversterven (bij erfenis toevallen), het verstierf —. is —verstorven; —verstorven {loederen; — verMterving;. v.

Aanvertrouwen (toevertrouiven]. ik heb —vertrouwd.

Aanverwant (bloedverwant), m. —en.

Aanverwante, v. —n.

Aanverwantseliap, v. gmv.

Aanvetten, ik heb en het is —gevet. Letters —. dikker maken.

Aanvlakken (bouwk.). ik heb —gevlakt;

— vlakking;, v.

Aanvletten {aanvoeren van grond met een vletschuit), ik lieb —gevlet.

Aanvneden (aankweeken), ik heb —gevoed.

Aanvoegend, bn. De —e wijs.

Aanvoer (het ter markt brengen), m. —en.

Aanvonken, het vuur —. is —gevonkt.

Aanvraag en — vrage, v. —vragen; — doen. verzoeken; zijn — is verworpen, quot;t verzoek is van de hand gewezen.

Aanvragen, ik vraagde of vroeg —. heb —gevraagd: —vrager, m.

Aanvriezen, het vroor —. heeft en is —gevroren. Het vriest maar alle dagen aan. het ijsveld wordt uitgestrekter.

Aanviillen. ik heb —gevuld; —vulling, v.;

— vullingstroepen, in. mv.: —vnlMel. o.

Aanvuren (aanwakkeren), ik heb —gevuurd:

—vuring, v.; — vuurder, m.

Aanwaaien, het waaide (woei) —. hel» en ben —gewaaid. De kennis zal u niet —, d. i. zonder studie komt gij er niet.

Aanwa» (toeneming), m. —sen; — van grond, recht van —.

AanwaHHen (aangroeien), ik wies —. ben —gewassen: — waswing. v.

Aanwenden (ergens heen wenden), ik heb —gewend; —wending, v. Fig. gebruiken, besteden.

Aanwennen (gewend maken), ik heb (mij) —gewend; —wenning, v.

Aanwensel {gewoonte, hebbelijkheid), o. —s en —en.

Aanwerven (van troepen), ik wierf —, heb —geworven; —werver, m.: —werving, v.

Aanwetten (door wetten scherp maken), ik heb —gewet. Een mes —.

Aanwezen (het bestaan), o. gmv.

Aanwezend, bn. Eerstaanwezend ingenieur, hoofdingenieur, directeur.

Aanwezig (tegenwoordig), bn.: — heid, v.

Aanwijzen, ik wees —, heb —gewezen; —wijzer, m.: —wijzing, v.

Aanwijzend, bn.: een — vnw.

Aanwinnen (toenemen, vergrooten), ik won —, heb —gewonnen: —winning, v.

Aanwinst, v. -en.

Aanwrijven (wrijvn tegen), ik wreef —. heb —gewreven. Fig. te laste leggen, toedichten, beschuldigen. Ik laat mij zoo iets niet

Aanzakken (fig. langzaam naderen), ik ben —gezakt.

Aanzeg, m. —ging. v. Gerechtelijke — (dagvaarding).

Aanzegiiru {bekend maken), ik zeide —. heb —gezegd (—gezeid). Fig. Den dood — (aan-koneftgen): den oorlog — (verklaren): menzon het hem niet — het van hem nie^ denken.

Aanzetsel iaanzetstnk), o. —s.

Aanzetten (vast zetten naast), ik heb en ben —gezet. Fig. aansporen: tot het kwade —.

Aanzeulen (aansleepen), ik hei) en het is —gezeuld.

Aanzielit, o. —en. Zie Aangezicht.

Aanzichten (/emam/een zeker aanzicht geven), het —zicht. De tijden met hebben zijn niet in gebruik. Hoe aanzicht me dit hoedje-*

Aanzien (aankijken), ik zag —. heb —gezien. /-'///. mrt drn nek, over schouder — doet gedenken, zonder — des persoons.

Aanzien, o. In — zijn. staan, geacht worden: een man van —. gewicht, invloed: ten — van, met betrekking tot.

Aanziend (wapenkunde), bn.; twee —e leeuwen, d. i. met do beide oogen naar den beschouwer gekeerd.

Aanzienlijk (voornaam), bn. en bijw.: — heid. v.

Aanzijn (bestaan, leven), o. gmv.

Aanzoek (verzoek, huwelijksaanzoek), o. —en.

Ai\nz\\ vv\)vi\(voortdrijven), ik heb —gezweept.

Aap {vierhandig dier), m. apen. Kig. dom, leelijk. ondeugend schepsel: Je bent een rechte —. Iemand voor den — honden, voor den gek houden: de — kwam uit de mouw, de heimelijke bedoeling bleek. D) den — gelogeerd zijn. bedrogen uitkomen. Ook wel: schat. buit. erfenis.

Aar (korenaar), v. aren.

Aar (ader), v. aren.

Aard (natuurlijke gesteldheid), m.

Aard, v. verkorting van Aarde.

Aardaker (aardnoot), rn. —s.

Aardainaiidel (eensoort v. aardvrucht), v. —s.

Aardanu;el (onkruid), v. gmv.

Aardappel, m. —en en —s. Je bent maar een —. d. i. zeer nietig van persoon; een mensch is geen —. ieder wil zijn genoegen.

Aardbei, v. —en. ook: Aardbezie.

AardheHchrijving, v. —en.

Aardbevint!;,, v. —en.

Aardbezie (—bei), v. —beziën (—beien)-— plant. v. —en: -struik, m. —en.

Aardbodem, m.

Aarde. v. Hemel en — bewegen, alles in 't werk stellen; het heeft veel voeten inde—, het kost veel moeite.

Aardeliiii; (aardbewoner), m. env. —en; voor het v. ook —e. Ook: Aard.schgezinde.

Aarden (den aard hebben), ik heb geaard. Een knap kind. dat naar zijn vader aardt (lijkt op zijn vader).

Aardewerk ( pannen. schotels, enz. van aarde), o.

Aardgeest (aardmannetje), m. —en.

Aardig, bn. en bijw.: —heid. v.

Aardkrekel (molkrékel), m. —s.

Aardkunde (kennis van de aardkorst), v. gmv.

Aardkundige, m. en v. —n.

Aardmannetje {kabouter), o. —s.

Aardrijk, o.: —sbeschrijver. m. —s: — sbe-schrijving. v. —en: —skunde.v.; —kundig, bn.; —skundige. m. en v. —n.

Aardroering (rechtst.). v. —en. vero.

Aardrol (landb.). v. —len: —rolling, v.

Aardrook (plantk. duiven kervel), m. gmv

Aardschgezind. bn.: —heid. v.

Aardvast (rechtst.). bn. — en nagelvast.

Aardveil (zeker kruid), o. gmv.


ocr page 28

AARD WAS-,

ACADEMIE.

8

Aardwas (delfstof), o. gmv.

Aardwerk (in de aarde), o. —en; —werker (gronddelver), m. —s.

Aars (achterste), m. aarzen.

Aartsbedrieger ujeslepen bedrieger), m. —s. Aartsbisdom, o. —men.

Aartsvader, m. —s, —en.

Aarzelen (weifelen), ik heb geaarzeld; aarzeling;. v.

Aas (voedsel; ook een dood lichaam of kreng), o. gmv.

Aas (gewicht en eenheid in het spel, ook het minste en geringste), o. azen; —je, o. —s. Aasdomsreelit (erfrecht in Friesland), o. AB of ABC (alphabet), o. AB's of ABC's. Abab (Tarksch matroos), m.

Abaca (Indische hennep), m.

Abaliéiiatie (rechtst. vervreemding), v. Abandon (afstanddoening, afstand; losheid, ongedwongenheid), o.; a l'abandon, zonder opzicht, zonder orde.

Abandonnenient (afstanddoening, afstand),o. A bas! (voort, naar onder!).

Abat-jour (venster met schainsche ruiten, vallicht; ook lampekap en zonneblind), o. Abatteinent (neerslachtigheid), o.

Abattoir (slachthuis), o.

Abattn (vermoeid, afgemat, krachteloos gemaakt), bn.

Abat-vent (afdak, windscherm), o.

Abba. Abbas (vader), m.

A B-bank, v. —en; —boek, o. —en; —bord, o. —en.

Abbe (wereldlijk geestelijke, in Frankr.), m. Abberdaan. of liever labberdaan (zoatevisch), uit Ie Labonrd (Bayonne), v. gmv.

Abres (ettergezwel), 'o.

Abd-Allali. knecht van God; Abd-el-Kader.

knecht van ilen machtigen God.

Abdicatie (vrijwillige afstand van troon, ambt of goederen), v.

Abdieeeren (afstand doen van ambt of goederen). Ook abdiqneeren.

Abdij (klooster), v. —en.

Abdis (kloostervoogdes), v. —sen.

Abdnetie (afleiding, overgang), v.

Abeel (witte populier), m. —en.

Abel (bekwaam), bn.; —heid. v. vero. Aberratie (afdwaling, afwijking van het licht), v.

Abhor reeren (verafschuwen, verfoeien). Abinieeren (in den grond bederven, ten ondergang brengen).

Ab intestato (zonder testament). Abindiratie (gerechtelijke ontzegging), v. Abjnratie (herroeping, afzwering), v. Ablativns (Lat. spraakk. zesde naamval), m.; ook ablatief.

Ablegaat (Pauselijk afgezant), m.

Ablntie (reiniging, handwassching), v. Abnorin (afwijkend van den gewonen vorm of toestand, onnatuurlijk), bn.

Abnorniaal (tegen den regel), bn. Abnonniteit (afwijking van den gewonen vorm of toestand, misvormdheid), v.

A bol it ie (afschaffing), v.

Abolitionist (voorstander van de afschaffing, vooral van den slavenhandel), m. en v. Aboininabel (ver faciei ijk, schandelijk), bn. Aboiniiiatie (verfoeiing, vervloeking, ver-wensching), v.

\hoiu\i\tu-e (overvloed), v. Ook: Abondantie.

Abondant (overvloedig), bn.: ook: Abnndant.

A bonne, ook: A bonnent.

Abonneeren (zich) (voor een vaste som zich het recht verzekeren om gebruik te maken van een of ander, b.v. spoor of tram, enz., inteekenen op een tijdschrift, enz.). Abonneiiient (inteekening, betaling ineens bij uitkoop), o.

Abonnent (inteekenaar, geabonneerde), m. en v. Ook: Abonné.

A bord (aanblik), o.

Abordaye (het aanstooten of enteren der schepen, iemand aanspreken), v.

Abordeeren (landen, enteren, aanspreken). Abonelieeren (raadplegen over, ergens over spreken).

Aboiielienient (bespreking, mondgesprek, onderhoud), o.

A bont (op het uiterste, radeloos).

A bont portant (schieten van zeer nabij). Abracadabra (too ver woord), o. Fig. zinledige Abreviatie (verkorting), v. [taal, onzin.

Abrevieeren (verkorten).

Abrikoos, m. voor den boom; v. voor de vrucht; —kozen.

Abrikozebooni. m. —en.

Abrikozentaart, v. —en.

Abrogatie (afschaffing, opheffing), v. Abrogeeren (a fschalfen, ophejfen, buiten werking stellen).

Abrupt (plotselijk, afgebroken), bn. Abrntiseeren (dom als een beest of beest-achtig ïnaken, verdierlijken, verstompen). Abriitissenient (geestverstomping), o.

Absent (afwezig), bn.

Absenteeren (zich) (zich verw jderen). Absenten (afwezigen), m. en v. mv. Absentie (afwezigheid, verstrooidheid), v. Absint (elixir op alsem getrokken), o. gmv. Absolutie (vrijspraak, kwijtschelding), v. Absolntisine (al wat onbeperkt is, onbepaalde heerschappij), o.

Absolutist (aanhanger of voorstander der onbepaalde alleen-heerschappij), m. Absoluut (volstrekt; onvoorwaardelijk), bn. Absoluutheid (onbeperktheid, onbepaald' heid), v.

Absolveeren (vrijspreken, kwijtschelding geven aan).

Absorbeeren (opslorpen, inzuigen, verteren). Absorptie (opslorping; inzuiging), v. gmv. Abstineeren (zich onthouden).

Abstinent (onthoudend, matig), bn. Abstinentie (onthouding, matigheid), v. Abstinentie-daKcn (vastendagen), m. mv. Abstract (afgetrokken), bn.

A bstractie (afgetrokkenheid; verstrooidheid; de vorming van een algemeen begrip), v. Abstraheeren (aftrekken, afleiden, in gedachten verdiept zijn).

Absurd (ongerijmd, dom, onjerstandig), bn. Absurditeit (ongerijmdheid, onzin, bespottelijkheid), v. —en.

Abt (kloostervoogd), m. —en. Zoo de zoo de monniken, zoo heer, zoo knecht!

Abnis (misvatting, vergissing), o. abuizen. Abundant (overvloedig, rijkelijk). Abiindantie (overvloed, weelde), v. Abnseeren (zich vergissen, dwalen, misbruik maken).

Abusief (verkeerd), bn.

! Abusievelijk (bij vergissing), bijw.

Acacia (zekere boom), m. acacia's, i Academie, v. —miën en —mies; —misch, bn.


ocr page 29

ACCABLEEREN—ACHTERLEI.

O

Accableeren (overladen, overstelpen,belasten, nederdr ukken).

Arrablement {hartzeer, neerslachtigheid), o. Accedeeren {toetreden, bijvallen). Accelerando {met toenemende snelheid in de maat), muz.

Aecelereeren {verhaasten, bespoedigen). Aceent {toon der stem; klemtoon; toon-teeken), o. —en.

Accenf natie {toonbuiging, klemtoongeving), v. Accentiieeren {toon leggen op, klemtoon geven aan).

Accept {schriftelijke verbintenis tot betaling onder een wissel), o.; ook acceptatie. Acceptabel {aannemelijk), bn.

Acceptant {onderteekenaar van een accept of van een acceptatie), m.

Acceptatie {orderbriefje, d. i. wisselverbintenis tot betaling van een zekere som; ook accept), v.

Accepteeren {aannemen; )net zijn handtee-kening voor geldig erkennen).

Acceptie {aanneming; zin, beteekenis van een woord), v.

Acces {toegang tot iets), o.

Accessibel (toegankelijk, genaakbaar), bn. Accessit {tweede prijs), o.

Accessoir {bijkomend, bijbehoorend), bn. Een bij behoor end iets; de accessoiren, het bijbehoo-rende op een tooneel, op een schilderij), zn. o. Accessoriên (bij behoor ende zaken, aanhangsels), v. mv.

Accident {toe- of voorval, ook lichamelijk letsel), o.

Accidenteel {toevallig), bn.

Accijns {belasting op waren, enz.), m. accijnzen.

Aeciiiinatie {algemeene toejuiching); bij — aannemen, onder gejuich, handgeklap eenparig goedkeuren in een vergadering.

Accliinatatie (gewenning aan een luchtstreek), v.

Accliniateeren (aan een luchtstreek gewennen).

Acclimat isatie (gewenning, ook van dieren, aan een luchtstreek), v.

Accliniatiseeren (aan een luchtstreek gewennen).

Accolade (omarming; ridderslag; haakje in de algebra), v. — s.

Acconiniodatie (schikking, inschikkelijkheid), v.

Aeconmiodeeren (schikken; een schikking treffen met; in orde brengen; bedienen; vereenigen, verzoenen).

AccoinpaKiieeren {begeleiden met een instrument; samen zingen of spelen). AcconipaKnenient (begeleiding^, o. Acconipaxnist (begeleider op een instrument). m. en v. —en.

Accompli (voltooid, voleindigd), bn.; fait — (zaak die onherroepelijk haar beslag heeft). Aeconiplissenient (vervulling, voltrekking).o. Accoord (overeenstemming van tonen, ook: verdrag, vergelijk), o. Zie Akkoord. Accordeeren (overeenstemmen, schikken; bewilligen, toestaan).

Accordeon (een muziekinstrument), o. Accosteeren (op zijde komen, aanspreken). Acconclienient (bevalling), o. —en. Acconclienr (vroedmeester), m. —s. Acconcliense {vroedvrouw), v. —s. Accontnineeren (gewennen).

Accrediteeren (crediet, vertrouwen ver-scha If en; als gevolmachtigde doen erkennen), een geaccrediteerd gezant, d. i. een officieel toegelaten of erkend gezant.

Accres (aanwas, aangroeiing. toename), o. Accresseeren (aanwassen; aanbesterven, te beurt vallen).

Accretie (aanwas, aangroeiing. toename), v. Accrocheeren (aanklampen). Zich — aan, zich vastklampen aan.

Accneil (onthaal, ontvangst), o. Accneilleeren (onthalen, ontvangen, verwelkomen).

Acciininlatie (opeenstapeling, aangroeiing, ophooping), v.

Accuraat {zorgvuldig, nauwkeurig), bn. Accuratesse (juistheid, stiptheid), v. Accusatïe (beschuldiging, aanklacht), v. Accusativus {vierde naamval), m. Ook: accusatief, accusatieven.

Accuseeren {beschuldigen, aanklagen; bericht geven van).

A charge (ten laste: in het nadeel). Acliilles-hiel (kwetsbare plaats van eenij stelsel), m.

Achroniatiscli (kleurloos, ongekleurd, van kijkglazen), bn.

Acht {een vonnis van den keizer van het oude Duitse he rijk, waarbij de schuldige met den rijksban werd getroffen), v. gmv.

Acht (zorg, oplettendheid, toezicht), v. gmv. Acht, telwoord. Als zn. is het v.; achterlei, soortgetal; achttien, telw.; met z'n achten. Achtbaar (geacht), bn.; —heid, v.

Achten {letten op), ik lieb geacht. lem. of iets niet —. niet tellen.

Achtentwintig (een goudgulden), m. —en. Achtentwintiger {iem. van 28 jaar), m. —s. Achtentwintigste {28 Aug.. feestdag in stad Groningen), m. Naar den — gaan, dut feest bijwonen.

Achteraf (geheim gemak, sekreet), o., —fen. Achterbaks (verborgen), bw. eig. [ets — houden, achter den rug h ouden, verbergen; zich — houden, zich verschuilen, zich achteraf houden. AchterhakMch (stil, geheim), bn. Een achterbakse he brief tv i sse ling.

Achterdocht (argwaan), v. gmv. Achterdochtig, bn. —heid, v.

Achtereen, bijw.; —volgend, bn.: —volgens, bijw.

Achteren (ten, naar of van —). bijw. Achtererve, m. en v. —n. {Alleen in het mv. gebruikelijk: nazaat, nakomeling). Achtergrond, m. —en. Fig. Op den — treden, wijken. verdwijnen, vergeten worden. Achterhalen (inhalen), ik heb —liaald. Fig. verschalken, ontmaskeren.

Achterhand (in het kaartspel), v. Wie zit op de —'/

Achterhande (van acht soorten), bn. Achterhoede (van leger of vloot), v. —en. Achterhool'd, o. —en.

Achterhouden (verbergen), ik hield —, heb —gehouden; -llOllllillg (verzwijging), v. Achterhondend (geneigd om te verzwijgen), bn.; —heid, v.

Achterin, bijw.

Achterklap (kwaadspreh'ndheid), m. gmv. Achterkousig (wantrouwend, ergd»'nkend), bn. en bijw.; —heid, v. vero.

Achterlader (geweer), m. —s.

Achterlei (van acht soorten), soortgetal.


ocr page 30

ACHTERLIJK—ADHESIE.

10

Acliterlijk (trn achter zijnde), bn.: —lieid. v. Afiitern'oen inamiddau). m.

A«'iiteroiii (straat, steeg, wey), o. gmv. Aclifenmi {langs den achterkant), bijw.: — varen, langs Schotland en Ierland naar Indië varen.

Arlifermider (scheepst., ruimte achter in 't onderschip), o. —s.

Acliterop. bijw.

Acliteropkoiiieii (nakomen), ik kwam —. ben

— gekomen.

Achterover, bijw.

Aeliterst [het meest naar achter), bn. De achterste jongen, d. i. de laatste. Acliferstaami (hierachter volgend), bn. Aelitersfal (schald), m. —len.

Aelifersfiilli^ (onbetaald, onafgedaan), bn.: —e belasting, schuld; — werk.

Achterste (achtereinde van iets), o. Aeliterwlellen (geringer schatten), ik heb —gesteld: —«tellingf, v-Aehteruif. bijw.; als zn. o.

Aeliternitzeiieii (zeew. terngzeilen), ik ben —gezeild. Fig. in zaken teruggasin. Aelitervolgen» (na elkander, een voor een), bijw.

Aeliterwaairts (rugwaarts), bijw. Aeliferwaartseli. bn. Een — beweging. Aehterwege. bw.: — laten, weglaten; - blijven, wegblijven van personen: — liomlen. achterhouden.

Aehtlielinis (plantenk.). bn.

Aelitlioek (meetk.). m. —en.

Aehtliondeni, telw.

Aelitins; ^waardeering), v. gmv. Iemands — genieten, iem. — toedragen, iem. zijn — schenken. — hebben voor ionand.

Achtkant (meetk.). o. —en: bn. d. i. acht-kantig. ^

Achtkant (stevig gebouwd, fig. lomp), bn. Een —e boer.

Achtkantig, bn. Een — latje.

Achtinannig (plantenk.), bn.

Achtpomler (gewicht, kanon), quot;i- —s-Aclitpootig (dierk.). bn.

Achtregelig, bn. Een — couplet.

Achtste, bn.. als zn. o. —n.

AchtHtiJlig (plantk.), bn.

Achttalquot;, o. —len.

Achttien, telw.: —de {ranggetal)^ bn. Achtvlak (meetk.). o. —ken; —kig. bn. Achtvoud, o. —en.

Achtwerl' (achtmaal), bijw.

Aclitwijvig (plantenk. ach ts tij lig), bn. A condition (op voorwaarde).

A con iet (wolfswortel, een vergiftige plant), o. A conti» (geldsom, die men op rekening of mindering ontvangt), o.

A conto nnovo (quot;/) nieawe rekening). A contre coenr (met tegenzin).

Acquisitie (aanwinst), v.

Acquit (kwijtbrief, qnitantie. ontvangbewijs', vatte plaats voor den gemaakten bal op het biljart), o.

Acre (morgen lands), m. —s.

Acroainatisch (hoorbaar), bn.; —e leervorm, samenhangende voordracht, waarbij de leerling slechts heeft te luisteren.

Acrobaat (koordedanser, koordedanseres), m. en v.

Acte (handeling, bedrijf can cm Utoneelspel), v. Acteur (t» toneelspel er. komediant), m. —s. Actie (aandeel in eene maatschajypij of onderneming: handeling; gevecht of schermot-seling; rechtsvordering), v.

Actief (werkzaam, dienstdoend), bn. en als zn. (werkelijk bezit), o.

Actionaris (aandeelhouder, deelhebber), in. Actioneeren (aanklagen, in rechten betrekken).

Activiteit (werkzaamheid, werkijver), v. Actrice (tooneelspeelster, komediante), y. Actualiteit (werkelijkheid, het wezenlijk bestaande), v.

Actueel (werkelijk: tegenwoordig, huidig), bn. Actnni (gedaan, gemaakt): — in senatu. gedaan in den raad: — ut supra, gedaan als boven. Acnstiek (gehoor-, geluid-, klankleer), v. gmv. Acntns (scherp, spits, snijdend), bn.: accen-tus — (scherp toonteeken), m.

Acnnt (scherp), bn.: in de geneeskunde; snel verloopend.

Ad (ten, bij, met), bijw.

Adagio (langzaam en zacht), o. muz.

Adam (mansnaam), m.; —sappel, m. —s en —en: in —skostuum (naakt), o.: met de —s-vorken eten, d. i. met de vingers eten.

A dato {van heden af).

Ad calendas graecas (met St. Jutmis, nooit). Ad decretnin (volgens besluit).

Addeeren (optellen, samentellen., verineer-deren).

Addenda (bijlagen, aanhangsels, toevoeg-seis), v. mv.

Adder (giftslangetje), v. —s en -en. Fig. Er schuilt een — in het gras. er is een gevaar onder fraaien schijn, er is bedrog: een — in den boezem kweeken, iem. weldaden bewijzen, die ze met gruwelijken ondank zal vergelden. Adderachtig (verraderlijk), bn. vero. Additioneel (toegevoegd, aanhangend; bijkomend), bn. —e artikelen.

A deconvert (open en bloot, onbeschut).

Adel. m.: —dom, m.: —lijk. bn.; —stand, m. Adelaar (arend) m. —laren otquot; —laars. Fig. veldteeken: de keizerlijke—A.i. legerstandaard; ridderorde: de Pruisische —, de Witte — (een Russische orde).

Adelborst (cudet bij de niarine). m. —en. Adelen (in den adelstand verheffen), ik heb en ben geadeld. Fig. veredelen, zedelijk verheffen. Adelijk. adellijk (onfrisch. bedorven), bn. Een '— haas.

Adem (asetn). m.

Ademen, ik heb geademd: adeniing. v.

Adem halen, ik heb —gehaald; —haling, v.

A demi (ten halve).

Ademtocht (ademhaling), m. —en. Tot den lautsten —. Fig. Op den — der winden. Adept (ingewijde, ivonderman. vinder van den steen der wijzen), m. en v. —en. Alt;leqiiaat (passend, toepasselijk, ge'éven-redigd). bn.

Ader (aar), v. —en.

Aderlaten, ik heb—gelaten; —later,m.; —lating. v.: —latinkje, o.

Aderlijk, bn.: — hloed (ontl.).

A dessein (opzettelijk, met oogmerk).

A den\ mains {voor beide handen). Adhereeren {oanhangen, navolgen, iemands gevoelen aankleven).

Adhei'ent (aanhangend), bn.: — aan (een geheel vormend met. onafscheidelijk behoorend bij) en als zn. (aanhanger), m. en v. —en. Adhesie (toetreding, goedkeuring. mede-instemming). v. gmv.


ocr page 31

-AFBASTEN.

ADHESIEF

11

AfllicHiel' {aanhangend^ tuelredenrl). bn. Ad liolt;* (desbetre/fend): een commissie —. een tot die zaak benoemde commissie: — antwoorden, rechtstreeks antwoorden.

A «li {na zicht), op wisselbrieven.

Allien (vaarwel!), tw. als zn. o.(het afscheid). Ad interim (voor een tijd lan'j, voorlaopig, tot nader order).

A discretion (zooveel als mlt;'n slechts verlangt; op genade ;gt;f ongenade).

Adjectief (hijvneglijk naamiv.). o. adjectieven. Adjonrneeren (aiisteUen. verschuiven). Adjudant (toegevoegd officier, ook onderofficier), m. —en.

Adjudieatie (toewijzing), v.

Adjiidieeeren (toekennen, gerechtelijk toewijzen).

Adjunct (ambtenaar, die aan ee)\ ander is toegevoegd als hulp in zijn betrekking), m. —en.

AdJnnct-adniiniHtr.iteiir. m. —s. Adjnnrt-coniinieM, m. —iezen.

Adjnnseeren (toevoegen als helper in ambt of bediening).

Ad lihitnni (naar verkiezing).

Ad inanns (in handen, ter hand). AdininiMtratenr (beheerder, voogd, waarnemer). m. —s.

Administratie (beheer, beheer voering, zaken-beheer). v.

Administratien/Wf'v'/v'n'/. beheervoerend),hn. Adininistreeren (beheeren. waarnemen). Adiniraul (bevelhebber ter zee), m. —s en —ralen. Vroeger: ami ran I.

Admiraalschap (rnng vin ndmiranl). o. Admiraalxeilen (een speeltocht doen onder een verkozen admiraal)', nis zn. o. Admirahel (bewonderenswaardig), bn. Admirahiliteit (bewonderensicaardigiteid). v. Admiraliteit (zeeraad, college van toezicht). v. —en.

Admiraliteitscollege, o. —s; —hof. o.: —kamer. v.

Admiratenr (bewonderaar), m.

Admiratie (bewondering), v.

Admireeren (bewonderen).

Admissihel (aannemelijk, toe te laten), bn. Admissihiliteit (aannemelijkheid, vatbaarheid inn toegelaten te worden), v.

Admissie (toelating, vergunning), v. Admitteeren {toelaten, inwilligen). Ad notiini neme ii (opmerken, m gedachte honden).

Adolescent (aankomend, opgeschoten), bn. als zn. (jongeling), m.

Adonis (mooie jongen, jonkman vol behaagzucht). m. —sen.

Adoniseeren (zich) (beeldschoon maken; opschikken).

Adopteeren (aannemen, inzonderheid als kind).

Adoptie (aanneming, inz. tot kind), v.

Adoptief (aangenomen), bn.

Adorabel (aanbiddelijk, hooijst heminlijk). \)ii.

Adoratenr (aanbidder), in.

Adoratie (aanbidding), v.

Adoreeren (aanbidden).

Ad patres gaan (tot de vaderen qaan. d. 1. sterven).

Ad perpetiiam meinoriain (tot eenwig aandenken. ter eeuwige gedachtenis).

Ad pios nsns (tot een vroom of godsdienstig cfebmik, tot liefdadige bedoeling).

Ad rem (gepast, gevat, ter zake. ter snede). Adres (bestelling, beschikking; opschrift eens briefs), o. —sen; —boek, o.; —kantoor, o. Adressant (briefschrijver; verzoek sch rift-indiener), m. —en.

Adresseeren (het opschrift schrijven op; aan iemand iets zenden; zich tot iemand wenden).

Adret (geschikt, vlag, handig), bn.

Adspirant (dinger naar of aanspraakmaker op een ambt), m. —en. Ook: aspirant. Adspirant-inffenienr. m. —s.

A d st r i n gee ren (samen trekken); adstri n gee-rende middelen (geneesk.), samentrekkende middelen.

Adstringent (samentrekkend), bn. Ad snmmain (in 't geheel, somen). Ad siiinicinni (op zijn hoogst, ten uiterste). Adnltereeren (echtbreken: bederven, verdra n ien, ver va Ischen).

Ad nniini omnes (allen zonder uitzondering; zoo een, zoo allen).

Ad iiMiim (ten gebrnike).

Advenant (voorkomend, vriendelijk, aardig)-, naar —. naar evenredigheid, naar omstandigheden.

Advent (li. K. de laatste vier weken vóór Kerstmis), m.

Adverbiaal (bijwoordelijk), bn.

Adverbium (bijwoord), o. —s.

Adversiteit {tegenspoed), v. —en. Adverteeren (bekendmaken in de courant, berichten).

Advertentie (openlijke bekendmaking, ann-kondiging). v.

Advies (bericht, mededeeling), o. adviezen. Adviesboot, y. —fregat, o. —jacht o. (eaar-tahg. dat berichten overbrengt).

Adviseeren (advies geven, als deskundige zijn gevoelen over iets mededeelen). Ook: a viseer en. Advocaat, m. —caten.

Advocaat*generaal. m. advocaten-generaal. AeqnaaJ (gelijk), bn.: .'equales, tijdgenooten. Aeqnatie (vergelijking, evening), v.: —nnr-werk (werktuig ter bepaling van den waren en middelbaren zonnetijd).

A eq n a tor (even nach tslijn. linie), m. Aeqnilibrist (koordédanser). m. Aeqnilibriiim (evenwicht), o.

Aeqninoctinni (dag- en nachtevening), o. A eq li i va lent (vergoeding, schadeloosstelling, iets dot tegen iets anders opweegt), o.

Aera (tijdrekening, jaartelling), v. Aêrographie (Iachtbeschrijving). v.

Aeroliet (lucht-, meteoorsteen), m. —en. Aerometer (lachtmeter), m. —s.

Aèron int (luchtreiziger), m. —en.

Aêrostiek (de lachtvaartknnst), v. Aesthetica (schoonheidsleer), v.

Aesthetisch (smaakvol, met schoonheidszin en kunstkennis), bn.

Aether (de fijne boven- of hemellucht), v. At baarden (schelpdieren ontdoen van doi baard), ik heb —gebaard: —baarder. m. Afb aar/.en (de baarzen wegvangen), ik heb —gebaarsd. Fig. iets afhandelen, afpraten: Kran ten n ienwtjes —.

Afbakenen ()net bakens afzetten), ik heb —gebakend: ook: Een vaarwater —. d. i. met merken of tonnen bezetten. Fig. den weg aanwijzen. de grenzen aanduiden: de leerstof —. Al bakten {ontbolsteren, van den bast oiitdoen), ik heb en het is —gebast.


ocr page 32

12 AFBEELDEN-AFFRONT.

Afding;en (minder bieden), ik dong —, heb —gedongen. Fig. op dat werk is veel af te dingen, d. i. af te keuren, —dinger, m. —dinging;, v.

Afdoen (wegdoen, verwijderen), ik deed —, heb —gedaan. Een schuld —. betalen.| kwijten: den kerfstok —. alle schulden betalen; —doend, bn. —doener, m. —doening, v. Afdokken (betalen), ik heb —gedokt. Afdouwen (afduwen), ik douwde (duwde) —T heb —gedouwd (—geduwd).

Afdraaien, ik heb en het is —gedraaid; —draaier, m.: —draaiing, v. , x

Afdragen (naar beneden dragen, afslijten), ik droeg —, heb —gedragen; -drager, m. Afdreigen (geld afpersen), ik heb en ben —gedreigd.

Afdrift (zeew. het afdrijven van den koers), v. Afdrijven, ik dreef —. heb en ben—gedreven. Fig. met den stroom —, met de mode meegaan. Geneesk.: wormen —, uit het lichaam verwijderen.

Afdrijvend (afdrijvende middelen), bn. Afdrinken, ik dronk —, heb —gedronken. Fig. zich onder een glas verzoenen met. Afdruipen (druipstaartend heengaan), ik droop —, ben —gedropen. Fig. hij is stil afgedropen, d. i. heimelijk heengegaan.

Afdruk (nadruk), m. —ken.

Afdrukken, ik heb—gedrukt; -drukking, v.; —druksel, o.

Afdru|gt; (het drops wijze neervallen van eemcj vocht), m.

Afdruppeleii, het is —gedruppeld: —druppeling, v.

Afdruppen, het is —gedrupt.

Afduwen, ik heb en ben —geduwd. Afdwalen, ik ben —gedwaald; —dwaling, v.

Van den tekst —, afwijken, den draad verliezen.

Alfabel (spraakzaam, vriendelijk), bn. Alfabiliteit (spraakzaamheid, minzaamheid), v.

Affaire (zaak, ver richting, voor val, gevecht), v. Affanieeren (uithongeren).

A fleet (hartstocht, vuur), o.

Affeetatie (gemaaktheid), v.

Alfecteeren (voorwenden, den schijn aannemen).

Affectie (genegenheid, welwillendheid, gunst, liefde), v. ....

AffeetueiiH (hartelijk, vriendschappelijk, innemend), bn.

Affettuose (teeder), muz.

A füelie (aankondig i ngsbi Ijet; tooneelbericht),o. Afiielieeren (aanslaan, aanplakken). Affiliatie (aanneming als kind, opneming als medelid in een genootschap), v. Afülièeren (als kind aannemen, als medelid opnemen in een genootschap).

Aflineeren (verfijnen, zuiveren, louteren). AfTmiteit (maagschap, verwantschap), v. Afiiriiieeren (bevestigen, beamen, bekrachtigen).

Afti\a (aanhangsels, toevoegsels), v. mv.

A III ie tie (hartzeer, droefheid), v.

Aflligeeren (bedroeven, krenken).

Aflodil en Alfodille (lelievormig gewas, graflelie), v. affodillen.

AHolen (tot het uiterste plagen), ik heb —gefoold.

Affreus {ontzettend, verschrikkelijk), bn. Alfront (hoon, smaad, eerrooving), o. —en.

Afbeelden, ik heb -gebeeld. Fig. schetsen, naleekenen. —beelding, v.; —beeldiiikje, o.; — beeUlwel, o.

Af'beeiien (een afstand snel afleggen), ik heb —gebeend.

Af betten (voorzichtig reinigen, b.u.een wond), ik heb —gebet.

Af beuken, ik heb —gebeukt. Fig. afrossen, afranselen.

Afbeulen (uitputten, afmatten), ik heb (mij) afgebeuld. .

Afbidden (door bidden verkrijgen), ik bad—, heb —gebeden. Een afgebeden kind. (dicht.) Afbijten, ik beet -. heb —gebeten. Het spits —. zich op de gevaarlijkste plaats stellen: iern. het spits laten —; zijn woorden —. kort. nijdig spreken.

Af biljoenen (timm. lt;le scherpe kanten wegnemen). ik heb —gebiljoend.

Afbinden (losmaken), ik bond —. heb —gebonden: — binder, m.; —binding;, v.

Af blokken (inspannend studeeren), ik heb mij en ben —geblokt.

Afboeken (alles boeken, wat er te boeken valt), ik heb —geboekt.

Afboeten (door boetedoening geheel uit-wisschen), ik heb —geboet.

Af bonken (afsteken van de bovenste veenlaag). ik heb —gebonkt.

Afbooinen (een vaartuig door middel van een boom voortduwen), ik heb en het is —geboomd. Afbooinen (door middel van een sluitboom afsluiten), ik heb —geboomd.

Af borgen (op crediet nemen), ik heb —geborgd. Fig. lem. een gedachte —, overnemen. Af bottelen (bier in flesschen aftappen), ik heb —gebotteld; —botteling;, v.

Afbouwen (voltooien), ik heb —gebouwd. Afbraak (puin), v. Een huis voor — ver-koopen, om gesloopt te worden.

Afbraken (zich overwerken), ik heb (mij) —gebraakt.

Afbraswen (zeew. de brassen aanhalen), het is —gebrast.

Afbreken (stuk tnuken. stuk gaan), ik brak —. heb en het is afgebroken. Fig. een stelsel —. te niet doen; een woord —, zijn rede —, een gesprek —, eindigen.

Afbrengen, onr. ik bracht —. heb —gebracht —breng;er, m.; — breng;ing;, v. Een schip —, vlot maken.

Afbreuk (schade), v.; — doen, nadeel doen, — lijden, ondergaan.

Afbrijnen (van zout water ontdoen), ik heb —gebrijud. Stoomw. een ketel het bovenste zoutachtige water laten wegloopen. Afbrokkelen, ik heb en het is —gebrokkeld: —brokkeling, v.

Afbrnieii (afrossen), ik heb en ben—gebruld. Afbuig;en. ik boog —. heb en het is —gebogen. Afbuitelen, ik heb en ben —gebuiteld. Afdagen. ik heb —gedaagd; dicht. Gods straf uitdagend afroepen.

Afdak (laag schuin dak), o. —en.

Afdanken {zijn afscheid geven), ik heb —gedankt: troepen —: een schip —, buitendienst stellen: iem. b.v. een vrijer, een minnaar —, bedanken.

Afdeelen (verdeden), ik heb —gedeeld: —deeling;, v.; deze maatschappij, deze bond telt honderd afdeelingen.

Afdeinzen (achteruitgaan, mil. den aftocht blazen), ik ben —gedeinsd.

ocr page 33

AFFRONTEEREN—AFKEUREN.

13

AfTroiiteeren (stout ondei* do oog en treden, smadelijk bejegenen, beschimpen).

Affuit (onderstel van een kanon), v. —en. AfTutage (affuitwerk, onderste ran het geschut), o.

Afgaan, ik ging —. heb en ben —gegaan. Op iets op iem. in de richting gaan van; op iem. woorden —, rekenen, bouwen; zeew. afgaand water, vallend water; die verf gaat af. laat los: in 't — van hetleven, in de jaren des ouderdorns.

Afgaiis;. m. —en.

Afffehliksfiiid. afgeblikseniHcli (m hooge maté), bw. gmz.

Afgedieft, bw. Een — aardig mutsje, d. i. een zeer aardig mutsje, gmz.

Afffcdokterd {erg, in hooge mate), bw. gmz. Afgedrieduivekatei-d (in hooge mate), bw. gmz.

Afgeduiveld, bw. gmz.

Afgeemi (schuins loopen), heeft afgegeerd. De sloot geert af. loopt schuins.

Afgehageld (érg. zeer), bw. gmz.

Afgeknot, bn. Een —te kegel, pyramids (de top er af), wisk.

AfgelaMten (afbestellen, af oom mandeeren), ik heb —gelast. De parade is afqelast. Afgeleefd (oud), bn.; —lieid. v.

Afgelegen (eenzaam), bn. en bw.; —heid, v. Afgemat {zeer vermoeid), bn.: —held. v. Afgerazend (erg druk, in hooge m«te),bw.gmz. 1 Afgericht (bedreven), bn.; —field, v. A fge.Hclieidene (lid van de Christ. Gereformeerde gemeente), m. en v. —n.

Afgekloofd (afgetobd), bn.; — heid. v. Afge.stanipt (erg. zeer), bw. gmz. A fge8tonipt.(hetzelfde a Is afgestampt), bw.gmz. Afgestorvene, m. en v. — n.

Afgeteerd (vermagerd, ontvleesd), bn. Afgetrapt (versterkingswoord voor erg. zeer). bw. gmz.

Afgetrokken, bn. en bw.: — denkbeelden. abstracte begrippen; hij redeneerde erg —. Afgevaardigde (afgezondene), m. en v. —n. Afgevallene, m. en v. —n.

Afgeven (uit de hand geven), ik gaf —, heb —gegeven. Zijn geld —. een brief —. Fig. op iem. —. d. i. iemand laken, berispen. Afgewonden, bn.: — heid. v.

Afgezaagd (vervelend), bn. Een - liedje, een — onderwerp, d. i. te lang gezongen, behandeld. Afgezant, m. —en. Afgezsinte. v. —n. Afgieten, ik goot —, heb —gegoten; —gie-Jer: ni- —v. —gietsel, o.

Afgifte en —gift, v. gmv.

Afgluren (afloeren), ik heb —geg'uurd.

Afgod (valsche godheid), m. —en. Van zijn buik een — maken, zich overgeven aan lekkerbekkerij.

Afgodeeren '(afgoderij plegen), ik heb ge- 1 afgodeerd. Fig. dwepend vereeren: een persoon i of zaak —.

Afgodendienaar.m. —s of—en; -dienares,v.

—sen.

Afgoderij, v. —en.

Afgodisch, bn. en bw.; —e plechtigheden. ' —c vereering, —e liefde; iets — vereeren. Afgodist (afgodendienaar), m. —en. Afgodsbeeld, o. —en.

Afgodslang (reuzenslang, boa), v. —en. A fgoeden (een voorkind zijn deel uitkeeren). ik heb —gegoed; —goeding. v.

Af grauw (snauw), m. gmv.

Afgraiiwen (norsch bejegenen,, ik heb —gegrauwd; —grauwer, m.: —grauwing, v. Afgrazen (het gras afeten), ik heb —gegraasd; —grazing, v.

Afgreppelen (met greppels afscheiden), ik heb —gegreppeld; —greppeling. v. Afgrijselijk en Afgrijslijk, bn. en bw.; —Iieid. v.

Afgrijzen (groute afkeer), o.: —grijzing. v. Afgrissen (afkapen), ik heb —gegrist. Afgrond (grondeloozediepte), m. —én. In een — vallen; een — van ellende, d.i. de onpeilbaar-Afgunst (nijd, wangunst),v. |heid derellende. Afgunstig, lm.: — heid. v.

Afhandelen (afdoen, regelen), ik heb —gehandeld: — handeling, v.

Afhandig, bw. Iem. iets — maken, d. i. ontnemen. afkapen.

Al hangen, ik hing —. heb —gehangen. Fig. van iehi. —. de ondergeschikte zijn van: iets laten - van. de regeling afhankelijk stellen van: het hangt er van af, d. i. van de omstandigheden: alles hangt af van die eéne zaak. alles draait op die ééne zaak. Afhankelijk en Afhanklijk. bn. en bw.; —heid. v.

Af haren (het haar verliezen, van de huiden doen), ik heb en het is —gehaard.

Afhebhen (gereed hebben), ik had —. heb —gehad.

Afheinen (met een heining afsluiten), ik heb —geheind; —heining, v.

Af hoeven, het heeft —gehoefd: b.v. die taak hoeft niet af, het is niet noodig. dat ze gereed is.

Afhouden (verwijderd houden), ik hield —. heb —gehouden: zeew. Van den wal —. den wal mijden; —houder, m.: —iioiiding, v. Afhuiven (de huif of kap afzetten, bij valken b.v.), ik heb —gehuifd.

Af jacht (ruw bescheid), v. Iem. een — geven, d. i. hem afsnauwen.

Afjakkeren (afjagen, afrossen), ik heb —gejakkerd. Een paard —, zijn zenuwen —, hevig inspannen en verzwakken.

Af japen (afsnijden), ik heb —gejaapt. Afkaatsen (in andere richting slaan), ik heb en het is —gekaatst; —kaatsing. v. Alkahhelen (ondermijnen), ik heb en het is —gekabbeld. Den oever —. d. i. ondergraven door den golfslag: de oever is afgekabbeld. d. i. afgebrokkeld..

Afkaden (afsluiten), ik heb —gekaad: -ka-ding. v.

Afkalken (van kalk ontdoen), ik heb en het is —gekalkt; —kalking, v.

Afkalven (het losschuiven van aardwerken). het is —gekalfd: —kalving, v.

Afkanten (de scherpe hoeken tvegnemen), ik heb —gekant: —kanting, v.

Alkapen (ontstelen), ik heb —gekaapt.

Afkeer (weerzin), m.

Afkeeren (afwenden), ik heb —afgekeerd, liet hoofil —. de oog en —, de blikken een stoot —. d. i. afweren; zich van iets of iem. —. den rug toe draaien.

Afkeerig, bn.: —heid, v. gmv.

Afkerven (den kerfstok elfen m^/.-eu), ik kerfde of korf —. heb —gekorven; —kerver, m.: —-kerving. v.

Afketsen (afwijzen, doen mistakken), ik heb en het is —geketst.

Alkeiiren (niet goedkeuren), ik heb afgekeurd:


ocr page 34

AFKLAGEN—AFPIJNIGEN.

14

Een adspirant —, (jeleverde(joedeveu —, boiiiu-stoffen —, een uitdnikkirKj een handelwijze —, maten, yeiuichten, munten Arklagcii {zich moe klagen), ik heb mij en ben —geklaagd.

ATklaren (z ai veren), ik heb en liet is —geklaard: suiker, siroop —, het schuim er van verwijderen. I

At'kleiiiineii {door klemmen afscheiden), ik | heb —geklemd: hij heeft een vingerlid af- \ geklemd.

A ik lep pen (afkondigen met klokgeklep), ik heb atgeklept: —klepper, m.: —klepping, v. | At'klniveii (klaivende afeten), ik kloof - . heb | —gekloven; ook: ik kluifde —. heb —gekluifd; i —kluiver, m.: —kliiivin^, v.

Af'kiiahbelen. ik heb —geknabbeld; —knabbel ing. v.

Afknagen, ik heb —geknaagd; —knager,ni.: | — knasins. v.

Arknakken (knakkend afbreken), ik heb en het is —geknakt. Een tak —, de peretak is afgeknakt.

At'knarpen {afknagen), ik heb —afgeknarpt. : Een been —. d. i. knarsend afpluizen; fig. van ! een zaak iets —, er inhalig munt uit slaan; iemand iets —, een kleinigheid met list ontnemen.

Alkiievelen (afpersen), ik heb —gekneveld; —kneveling, v.

Afknotten (afstompen), ik heb —geknot; een kegel, pgr amide (meeik.).

Afkonieling (afstammeling), m. en v. —en, ook: —e, v.

Afkoinst {oorsprong, geboorte), v. Hij is van goede —, geboorte, familie; — ig, bn. Afkondigen (openbaar bekend maken), ik heb —gekondigd: —koniliger, m.: —kondi-ging, v.: het — der geboden (huwelijk). Afkooksel, o. —s.

Afkoop (het vrijkoopen), m. —en; — van tienden, renten, enz.

Afkoopen. onr.ik kocht—, heb—gekocht; zich laten —. zich met geld laten overhalen af te zien van eenige aanspraak, eenig recht.

Afkrooien (de bovenste veenlaag verwijderen), ik heb —gekrooid; —krooier,m.: —krooiiiig.v. Afkrnien (wegvoeren), ik kruide of krooi —. heb en het is —gekruid of —gekrooien; — krniing, v.

Afknnnen {kannen afdoen), onr. ik koude of kou —, heb —gekund.

Aflaat {kivijtschelding of vermindering van kerkelijke straf), m. —laten.

AflaiHlig (zeew. van het land af afgericht), bn. de wind is —.

Aflaten (iets omlaag laten), ik liet —, heb —gelaten; —later, m.: —lating, v.

Aflaveeren (scheepst. stroomafwaarts lavee-ren), ik heb en ben —gelaveerd.

Afleeren (verleeren), ik heb en ben afgeleerd. Wij zullen hem dat wel —, dwingen na te laten.

Afleggen, ik heb —gelegd en —geleid. Een kleedingstuk —, de wapenen een gewoonte Hij heeft het a/'gelegd, is gestorven. Afleiden (naar een andere plaats leiden), ik heb —geleid: —leider, m.; —leiding (ontspanning), v.; — leidkunde (woordvorming), v.; —ieidkundig. bn.; —e, m. en v.

Afleidsel (een afgeleid woord), o. — s. Aflenzen (scheepst. voor wind en stroom drijven), ik heb —gelensd.

Afleveren (ter hand. stellen, gereed hebben\ ik heb —geleverd; —levering (evenmatig deel van eenig groot boekwerk), v.

Aflezen, ik las —, heb —gelezen; —lezer,m.; —lezing, v.

Aflijvigbn.; — overlijden;

— 'zijn, dood zijn; iem. — maken, dooden. Aflonken (dicht, vriendelijk omlaag zien), ik

heb —gelonkt.

Aflooden (een water afpeilen), ik heb —gelood; —looding, v.

Afloogen (het vet of schuim verwijderen), ik heb —geloogd; —looging, v.

Afloop, m. —en.

Afloopen, ik liep —, heb en het is —geloopen; —looper, m.: —looping, v.

Aflossen (vervangen), ik heb —gelost. De wacht —; een kapitaal —, afdoen; —lossing, v.

Aflniden (afzeggen door middel van klokgeklep). ik heb —geluid; de parade is —geluid.

Afiiiisteren, ik heb —geluisterd; —luisteraar, m.: -luistering, v.

Afmaaien, ik heb —gemaaid; —maaier, m.; —maaiing, v.

Afmaken (voltooien; ook dooden), ik heb — gemaakt: —maker, m.: —making, v. Afmalen (alb'n voorraad door den molen laten gaan), ik heb —gemalen.

Afmalen (afschilderen), ik heb —gemaald; personen, tafereelen —, schilderen. Afmarelieeren (wegtrekken), ik ben —gemarcheerd; de troepen mar cheer en —, gaan op marsch; —marseli, m.

Afmartelen (door marteling uitpuUen}, ik hel) —gemarteld: —marteling, y.

Afmatten (krachteloos maken), ik heb —gemat: een ziekte, het spel, de koorts kan iem. —. Afmeten (geheel meten), ik mat —. ik heb —gemeten: —nieter, m.: —meting, v. Afmijnen (bij afslag verkoopen), ik heb —gemijnd: —mijner, m.; —mijiiing, v. Afnaasten (benaderen van onroerend goed), ik heb —genaast. Men wilde hem zijn huis —. Afnemen, ik nam —, heb —genomen; —neming. v.

Afneuzen (nieuwsgierig afkijken), ik heb —geneusd: —nenzer, m.: —nenzing, v. Afnonimeren en —uxumtieren (alles van een nummer voorzien)* ik heb —genommerd (genummerd); —nonimering en -nummering. v.

Afpachten (in huur nemen), ik heb —gepacht. Ik heb u die weide af gepacht.

Afpalen (met palen afzetten), ik heb —gepaald;

— paler, m.: —paling, v.

Afpeil (peilen van zekeren voorraad), m. gmv. Afpeilen, ik heb —gepeild: —peilf.ng, v. Afpeinzen (zieli), ik heb mij —gepeinsd. Afpelen (de huid van het haar ontdoen), ik heb —gepeeld: — peling, v.

Afpellen {de pel of schil verwijderen), ik heb —gepeld; —peller, m.: —pelling, v. Afperken (afbaken), ik heb —geperkt; —perking, v.

Afpersen (uitpersen), ik heb —geperst;

— perser, m.; —persing, v. Iem. tranen, een zucht —.

Afpijnen (zirli) (d. i. zich aftobben), ik heb mij —gepijnd: —pijning, v.

Afpijnigen (door pijn doen bekennen), ik heb —gepijnigd; -pijniging, v.


ocr page 35

AFPINGELEN—AFSCHRIJVEN.

15

Af pi ii self ii {kleingeestig afdingen), ik heb —gepingeld.

\i plat ten (iets platter maken), ik heb —geplat; — platting, v.

Alplooien (in gereedheid brengen), ik heb

— geplooid.

Afphiixen (bij pluisjes afplakken), ik ploos —, heb —geplozen; het vleesch van een been een karkas van een hoen —.

Afpluizen {pluisjes wegnemen), ik heb en het is —gepluisd; een ruk, een jas —; kom hier, ik zal je eens —.

Afplukken, ik heb —geplukt; —plukker, m.;

— plnkking, v.

Af poetsen {schoon poetsen, reinigen), ik heb —gepoetst.

Afpolderen (indijken), ik heb —gepolderd;

— polderin^, v.

Afpomlen (afwegen), ik heb —gepond. Zorg er voor goed wat rijst af te ponden, d. i. in pondsbuilen af te wegen.

Afpraelien {afbedelen), ik heb —gepracht; iem. een aalmoes —, d. i. smeekend afvragen. —pracher, m.: —pracliing, v. Af'prakkezeeren {zich moe peinzen), ik heb —geprakkezeerd. ginz.

Af pressen (dicht, voor afpersen), ik heb —geprest: —pressing, v.

Af'prieselen (afranselen), ik heb —gepriegeld. Af'piinten {de lippen afsnijden), ik heb —gepunt: —punter, m.; —piinting, v. Af'ralibelen (met overhaasting opzeggen, lezen enz.), ik heb —gerabbeld; zijn les, zijn gebed —. Afraden, ik ried of raadde —, heb —geraden; —rader, m.

Af rafelen {ontdoen van de rafels), het is —gerafeld; — rafeling, v.

AfrafTelen {slordig afmaken), ik heb —ge-raffeld. Het schoolwerk

Afr agen (het spinrag met den raagbol wegnemen), ik heb —geraagd.

Afraken, ik ben —geraakt; —raking, v.

A f'ra in nielen (afrossen, slaan), ik heb —gerammeld; —raniineling {een pak slaag), v. Afraninielen (afrabbelen, veel te snel oplezen of opzeggen), ik heb —gerammeld. Afranselen {gevoelig slaan), ik heb —geranseld.

Af'raspen (wegschrapen), ik heb —geraspt: —rasper, m.; —rasping, v.

Afrasteren (met rasterwerk afsluiten), ik heb —gerasterd: —rastering, v.

Aireeden (afwerken), ik heb —gereedquot;; vlas, hennep, wol, papier —.

Afreeliekel {werktuig bij de vlas- of hennepbereiding), m. —s.

Afreis {vertrek, afvaart), ook: Af'reize, v. Afreizen, ik ben en heb —gereisd.

AfVekenen {de rekening elfenen), ik heb —gerekend: —rekening, v.

Afrennen, ik ben en heb —gerend.

Af'repelen (knotten, vlas ontdoen van de knoppen). ik heb —gerepeld; —repeling, v. Al ricliten (leeren, bekwamen voor eenig doel), ik heb —gericht. Een hond —, een valk —, een knaap voor een examen soldaten

— (dresseeren).

Afrij (het afrijden), m.; (helling bij 7 afrijden), v. gmz.

Afi-ijden, ik reed —, ben en heb —gereden:

— rijder, m.

Afrijgen. ik reeg —. heb —geregen; —rijger. m.; —rijging, v.

Afrijten (losscheuren, scheiden), ik reet —r heb —gereten: — rijting, v.

Afrijzen (afstijgen), ik rees —, ben —gerezen; -rijzing, v.

Afrik aan, m. (zekere sierplant [donkerbruin met geel]), —kanen.

Afristen (afstroopen), ik heb —gerist; bes-Afrit. m. gmv. ' [sen —.

Afritsen (afperken), ik heb —geritst; — rit-sing, v.

Afrollen (naar beneden rollen), ik ben en heb

—gerold; een kaart van een hen vel —. Afronden (de hoeken wegnemen), ik heb —gerond; —ronding, v.

Af'roonien (van den room ontdooi), ik heb —geroomd; —rooniing, v.

Afrooven (ontrooven), ik heb —geroofd; —rooving, v.

Af rossen {roskammen, reinigen, ook slaan), ik heb —gerost: —rosser, m.; —rossing, v. Afroven (van 't roofje of korstje ontdoen), ik heb —geroofd.

Afrukken {met een rul, : ontnemen), ik heb en ben —gerukt; —rukker, m.; —rukking, v. Afscliaafsel {krullen, enz.), o. —s. Afseliadnwen (afschetsen, zinnelijk afbeelden), ik heb —geschaduwd: —seliadu-wing, v.

Afsrliaflen (doen ophouden, buiten gebruik stellen), ik heb —geschaft; —seliaffer, m.; —scliaf'fing. v.

Af sell aven (door schaven wegnemen), ik heb —geschaafd; —seliaving, v.

Afscheep (verzending per schip), m. gmv. Afseliein. o. Een hartelijk —, een koel — ; — nemen; tot —, ten —.

Afseheiden (scheiden van), ik heb en ben —gescheiden; —scheiding, v.; —scheidinkje, o. Afsclieidneinen. o.; —neming, v. Afschcidshezoek, o. —en. [ferd.

Afschelferen (afschilferen), het is —geschei-Afschenken (afgieten), ik schonk —. heb —geschonken; al de thee —. de room van de melk —.

Afschepen {per schip verzenden), ik heb —gescheept. Fig. iem. met bits bescheid wegzenden. —scheper, m.; —scheping, v. Afsi-heppen, ik heb —geschept; —schep-ping, v.

Afscheren {afknippen)*, ik schoor —. heb —geschoren; —scheerder,m.: —schering, v. Afschetsen (nateekenen), ik heb —geschetst;

—schetser, in.; —schetsing, v.

Afscheiiren, ik heb en ben —gescheurd; —scheurder, m.: —scheuring, v.

Afschijn (dicht, afschijnsel), m. gmv. Afschilderen {met kleuren nabootsen), ik heb

—geschilderd; —schildering, v.

Afschilferen {in schilfers of plaatjes afval len)r het is —geschilferd: deze muur is geheel afgeschilferd, de witkalk of het pleister is er afgevallen. Ook: AfscheHeren.

Afschillen (de schel of schil van iets afdoen). ik heb —geschild; de schors van een boom—: een appel, een aardappel —.

Afschoffelen (met de schoffel losmaken), ik heb -geschoffeld: —schoffeling. v. Afschoonen {opklaren), het is —geschoond; de lacht begint af te sclwonen, is aardig af-geschoond. —schooning, v.

Afschot (afloop, helling), o. gmv.

Afschrift, o. —en.

Afschrijven, ik schreef —. heb -geschreven.


ocr page 36

AFSCHRIK—AFTAKELEN.

16

—«rlnijfgeld. o.: —selirijflooii, o.: —schrij-VillR, v.

AfMtlirik {afkeer, innerlijke schrik), m. gmv.

ArHclirikken, ik heb —geschrikt; —«elirik-ker, m.: —si hrikkins;. v.

AfHoImiin'ii {schuin afsteken), ik heb —geschuind: —st'liiiinms:. v.

AfHcliiiiven. ik schoof —. heb —geschoven; —Mcliiiiving;, v. Geld —. afdokken. AfMcliiiren (reinigen), ik heb —geschuurd; —Hcliuiirder, m.; —«rlmrlng, v.: -sclniur-sel, o.

AlHclmfMel (heining, afslniting), o. —s. AfseliiiHen (afscheiden door een heining), ik heb —geschut; —srlmtting. v.

Alsclmw (afkeer), m.

A fsc huwelijk (verfoeielijk). bn. en b\v.; —In'id. v. Ook: Afcclmuiijk.

AfHijpelcn {druppelsgewijze afvloeien), het is —gesijpeld: —Hijppling;. v,

Afsjormi {het tofnawerk losmaken), ik heb —gesjord.

Al'slaan {verjagen, verdrijven, van de hand wijzen), ik sloeg —. heb en ben —geslagen: den vijand —. een aanval —, een storm —. een eisch —. een aanbod —; de bajonet —. van het geweer nemen.

Afslag (vermindering), m. —en; — van straf, van schuld; — van visch (verkoop), de plaats waar men visch verkoopt.

Afslager {openbare verkooper, vendumeester), m. —s.

Afsla ven (ziHi). ik heb mij —geslaafd. Afcleeliteii {metalen gladhameren), ik heb. het is —geslecht; —sleelitliainer, m.: — Hleclitiiig, v.

Afsleepen {aftrekken), ik heb —gesleept. De booten sleepen een vlot de rivier af; —sleeper, m.: —sleeping, v.

Afslepen {afhangen), het heeft -gesleept Een japon met afslepende slrooken. Afslieren {afglijden), ik ben —geslierd. Afslijpen {door slijpen wegnemen), ik sleep —. heb —geslepen; —slijper, m.; —slijping, v.; —slijpsel, o.

Afslónzen {kleedij slordig dragen), ik heb —geslonsd; —slonzer, m.: —slonzing, v. Afsloofen {door een sloot omringen), ik heb —gesloot: —sloofing. v.

Afslorpen en —slurpen, ik heb —geslorpt

(—geslurpt); de room van de melk —, het vet van den bouillon —.

Afslorping en —slnrping, v.

Afsloven (zich), ik heb mij —gesloofd; zich dag aan dag —. z\v?ar vermoeien.

Afsluiten, ik sloot—, heb—gesloten: —shiit-flijk. m.: —slnitdain, m.: —sluiting, v. Afslnitingsdeelen (scheepst. al ivat dient om een schip waterdicht te houden), o. mv. Afsineekeii (afbidden), ik heb —gesmeekt; —snieeker, m.: —smeeking, v.

Afsnauw {norsch woord), m. gmv. Afsiuniwen {iem. bits iets zeggen), ik heb —gesnauwd; —snauwer, m.: —snauwing, v. Afsnede en —snee, v. —sneden.

Afsnijden {door snijden afscheiden), ik sneed —. heb —gesneden; —snijder, m.: —snijding. v.: —snijdsel, o.: —s'nijsehaar. v. Afsnoeien, ik 'heb —gesnoeid: —snoeier, m.:

—snoeiing, v.: —snoeisel, o.

Afsnoepen {behendig ontfutselen), ik heb —gesnoept.

Afsnuiten, ik snoot —, heb —gesnoten. Een kaars —.

Afsnuiten {een stuk hout van de scherpe punt ontdoen),\k\\Qh —gesnuit: —snuiting, v.; —snuitsel, o.

Afspannen {een trekdier losbinden), ik heb —gespannen: —spanner, m.: —spsinning. v. Afspelen (ten einde spelen, geheel vertoonen). ik heb en het is —gespeeld; het dominospel —, een blijspel —.

Afspieden (afloeren), ik heb —gespied: —spieder, m.: —spieding, v.

Afspiegelen {terugkaatsen), ik heb —gespiegeld; —spiegeling, v.

Afsplijten {splinters verliezen), het spleet —, het is —gespleten: —splijting, v. Afsplinteren, ik heb en 'het is —gesplinterd; —splintering, v.

Afspoelen, ik heb —gespoeld; —spoeling, v.

Afspraak {mondelinge overeenkomst), v. —spraken.

Afspreken, ik sprak —, heb en ben —gesproken. Afspringen {zich met een sprong verwijderen), ik sprong —. ben en heb —gesprongen. Fig. De onderhandeling is afgesprongen, d. i. plotseling geëindigd; —springer, m.; — springing. v.

Afstaan (afstand doen), ik stond —, heb —gestaan.

Afstaniineling, m. en v. —en; v. ook Af-stainmeliiige.

Afstammen (ziy'n oorsprong ontleenen), ik ben —gestamd: —stamming. v.

Afstand, m. —en: — 'doen, opgeven, laten varen: een groote —, een — afleggen, op eerbiedigen — blijven, de — van twee tonen, tusschenruimte, iem. op — houden, terughouden.

Afstaiidsmetiiig, v. —en; —wijzer, m. —s.

Afstappen, ik ben en heb —gestapt. Afsteken, ik stak —. heb en ben —gestoken: een schip doen —. afvaren; de randen —. wegsteken, verwijderen; —steker, m.: — steking, v.

Afstel, o. gmv. Van uitstel komt —. door uit te stellen komt van een plan ten laatste niets. Afstemmen, ik heb —gestemd: —steinming, v. Afstempelen, ik heb —gestempeld; —stempeling, v.

Afsterven, het stierf —. is —gestorven;

—sterving. v.

Afstijgen, ik steeg —, ben —gestegen; —stijsiiig. v.

AfstófTen (reinigen van stof), ik heb —gestoft;

—stoffmg. v.

Afstompen {stomp maken), ik heb —gestompt; —stomping. v.

Afstooten. ik stiet en stootte —. heb —ge-stooten: —stooting. v.

Afstorten {doen néderstorten), ik heb en ben

—gestort: —storting, v.

Afstraffen (de noodige straf toedienen, ook den mantel uitvegen, doorhalen), ik heb —gestraft: —straffmg, v.

Afstroopen {door strijken verwijderen), ik heb —gestroopt: een haas het vel —. een paling Afstuiten (met een stoot terugspringen), het j is —gestuit; -stuiting, v.

| Afstuiven {wegstuiven), ik stoof —. ben

—gestoven: —stuiving, v.

| Afsturen (doen heengaan), ik heb—gestuurd. | Afsiillen (afglijden), ik ben —gesuld. Aftakelen (scheepst. ontdoen van zijn want).


ocr page 37

AFTANDSCH-AGAAT.

17

ik heb —getakeld. Fig. hij is heel wat afgetakeld. d. i. achteruitgegaan in gezondheid. ArtandHoli (van paarden), bn.

Aftappen (xit het vat op flesschen tappen). ik heb —getapt; —tapper, m.; —tapping v. Al'tarneii (aftornen), ik heb —getarnd. Afteekenen, ik heb —geteekend; —teeke-iiaar, m.; —teekeiiing;, v.

Aftellen, ik heb —geteld: —telling;, v. Aftohlx'ii, ik heb —getobd; ook: zich — (zich overmatig inspannen).

Aftocht, m. —en. De — der Franschen, het vertrek; dm — slaan of blazen. Fig. iem.een veiligen — bezorgen, in veiligheid brengen. Aftonnen (afbakenen), ik heb —getond. Aftrek. m.: — hebben. — vinden (koopers vinden); nu — van dr onkosten (in mindering). Aftrekken, ik trok —. heb en ben —getrokken; —trekker, m.: —trekking, v.: —treksel, o. Aftroeven (in het kaartspel), ik heb —getroefd; —troever. m.: —troeving. v. Aftroggelen (door mooie praatjes zien tgt;' krijgen), ik heb —getroggeld; — troggelins:,v. Aftuigen (ontdoen ran tuig), ik heb—getuigd. Aftuimelen (van een hoogt'' tuimelend neervallen). ik ben —getuimold; —tnimeling, v. Aftninen (afheinen, afschutten), ik heb —getuind: —tnining. v.

Afvaardigen (afzenden), ik heb —gevaardigd: —vaardiger, m.; —vaardiging. v.

Afvaart (vertrek van schepen), v. —en. Afvagen (afvegen), ik heb —gevaagd.

Afval (het losgaan, scheiden), m. gmv.

Afval (het afgevallene), o. gmv.

Afvallen, ik viel —. ben —gevallen.

Afvallig (ontromr). bn.: —lieid, v.

Afvallige {verzaker van zijn geloof), m. en v. —n.

Afvaren, ik voer —. heb en ben —gevaren. Afvegen (afvagen, reinigen), ik heb —geveegd: —veegsel, o.: — veger, m.;—veging, v. Afvergen (eischen). ik heb —gevergd; •— verging, v.

Afvleien (door vle-ien verkrijgen), ik heb —gevleid; —vleier, m.; — vleiiiig, v. Afvlieten. het vloot —. is —gevloten: —vlieting. v.

Afvlijmcii (afsnijden), ik heb —gevlijmd; —vli|niing. v.

Afvloeien, het is —gevloeid; —vloeiing, v.

Afvorderen (afvoeren, b.v. het ree), ik heb —gevoederd (—gevoerd); —voedering, v. Afvoeren (wegvoeren), ik heb —gevoerd; —voe rder. m.; —voering, v.: —voerkanaal, o. Afvorderen (eischen). ik heb —gevorderd; — vorderaar. m.; —vordering, v.

Afvragen, ik vraagde (vroeg) —. heb —gevraagd; — vraging. v.

Afvuren (doen ontbranden), ik heb —gevuurd: —vnring, v.

Afwaaien. het woei of waaide —, heeft en is —gewaaid.

Afwaarts (nederwaarts), bw.

Afwachten (wachten op iets of iem.), ik heb —gewacht; -wachter, m.; —wachting. v. Afwasschen (iets reinigen), ik wiesch —. hel) —gewasschen; —waschster, v.; — was-sching, v.

Afwateren (water afvoeren), ik heb —gewaterd. Bnarnians land ivatert af op onze sloot, -watering, v.

Af wecken (door weeking Ins maken), ik heb en het is —geweekt; —weeking. v.

koenen. Ver Li. Handwdb. d. Ncderl. taal.

Afweg (zijweg), m.

Afwegen, ik woog —, heb —g weger, m.; -weging, v.

Afweiden (kaal grazen), het vee heeft —geweid; — weiding, v.

Afwenden (een andere richting geven), ik heb —gewend; —wender, m.;' —wending. v.; —wendster, v.

Afwennen (afleggen, b.v. een slechte gewoonte). ik heb —gewend; —wenning, v.

Afwentelen, ik heb —gewenteld; —wenteling. v.

Afweren, ik heb —geweerd; — weerder. m.; —wering, v.

Afwerpen, ik wierp —. heb —geworpen; —werper, m.; —werping, v.

Afwezen (er_ niet zijn), o.; — wezend, bn.; —wezendlieid, v.; —wezig. bn.; — wezig-heid, v.

Afwezenden (de niet tegenwoordig zijnde personen), m en v. mv.

Afwijken (in andere richting gaan of loopen), ik week —. ben —geweken; — wijker. m.: —wijking, v.

Afwijzen (van de hand wijzen), ik wees —. heb —gewezen; —wijzing, v.

Afwinden, ik wond —, heb —gewonden;

— winder, m.; —winding, v.; —windster, v.

Afwinnen, ik won —. heb —gewonnen.

Afwisselen (op zijn heart vervangen), ik ben

en heb —gewisseld; —wisselend, bn.enbw.:

— wisseling, v.

Afwrijven (schoonwrijven), ik wreef —, heb —gewreven; —wrijving, v.

Afwringen (loswringen), ik wrong —. heb —gewrongen: —w ringing, v.

Afzadelen (ontdoen van het zadel), ik heb —gezadeld; —zadeling, v.

Afzagen (met een zaag afsnijden), ik heb —gezaagd. Een afgezaagd liedje, onderwerp, enz. d. i. te lang gezongen of behandeld.

Afzakken (naar beneden zakken), ik ben en heb —gezakt; —zakker, m.; —zakkertje (borrel), o.; —zakking, v.

Afzeggen (afwijzen, bedanken voor), ik heb —gezegd of —gezeid; —zegger, m.; —zegging. v.; —zegster, v.

Afzenden, ik zond —. heb —gezonden; —zender. m.; —zending, v.

Afzet (verkoop), m. gmv.

Afzetbaar, bn. Een — ambtenaar, d. i. die ontslagen kan worden; de rechterlijke macht is niet afzetbaar: — heid, v.

Afzetten, ik heb —gezet; -zetsel (Joot. stek), o.: —zetter, m.; —zetterij (bedrog), v.: -zetting, v.

Afzichtelijk (aartsleelijk). bn.; -heid. v.

Afzichtig,' bn.; -held, v.

Afziedsel (afkooksel), o. —s.

Afzien, ik zag —. heb —gezien; —zienhaar. bn.

Afzijn (afwezigheid), o. gmv.

Afzonderen (afscheiden, verwijderen), ik heb

Afzonderlijk, bn.enbw. Een —e slaapkamer. afgescheiden, vrij; de kinderen zaten —. d. i. niet bij de volwassenen.

Afzweren (bij eede verwerpen), ik zwoer —. heb —gezworen; —zweerder. m.: —zwering, v.; de afzwering van Philips II (1581).

Afzweren (afetteren), de pink zwoor —, is —gezworen: —zwering. v.

Agaat (e, leisteen vol klearschakeering). m. agaten; o. voor de stof.


ocr page 38

AGACEEREN-ALE.

•18

A cc re ii (opivuidm, sarren^ Uirten; aan-vuren. belust malceu).

Aga«*erie (teryiny, -sard' rij. tarting), v. Agaten {van quot;(jant), bn. Een — unnbcind. Ageeren {handelen, te werk lt;jaan). Tegen iem. —. hem gerechtelijk aanklagen.

Agenda (ijetijdeuboek. dagboek), v. — s.

Agent {zaakbezorger) m. —en; —weluip, o. Agent «Ie change {wisselaar, wisselmaker), in. Asrent van politie {gerechtsdienaar, diender), m.

Aggiiwtaniente {stipt, zeer naawkearig), muz. Aggloniaratie (samenhooping, opeen hooping)^ v.

Aggloinereeren (zieli) {zich ophoopen, groo-ter worden; ophoopen, dicht bij elkander bonwen).

Aggravatie {bezwaring, verzwaring, b.v. van een straf), v.

Aggraveeren (verzwaren, vergrooten). Aggregeeren (toevoegen, ergens in opnemen). Agiel {bi'hendig, vaardig, gezwind), bn. Agiliteit {vlagheid, behendigheid), v.

Agio {opgeld), o.

Agiotage {actiehandel, kanstgrepen in aen e/fectenhandel). v.

Agiotenr {actiehandelaar; woekeraar), m. Agitatie {gisting, woeling, onrast, opgewondenheid), v.

Agitator {volksmenner, opruier), m. —s. Agiteeren {bewegen, verontrasten; vervolgen, in spanning brengen).

Agnatcn {naaste bloedverwanten van vaders zijde), m. mv.

AgnoHceeren {erkennen, voor geldig verklaren).

\\ri\namp;\\i'\\s{ongeloovige,\e\XQi'\. o nametende), tn. AgniiM Dei {lam Gods. de eerste woorden van het vijfde zangstuk tier Mis; ook een beeldje), o.

Agonie {doodstrijd), v.

Agoniseeren {zieltogen,op het aiterste liggen). Agrainlissenient {vergrooting), o.

Agrarisch {den akkerboaiv quot;/ de akkers be~ treilende), bn. De —e wetten der Romeinen. Agrarische wet {nkkerawt, graanwet). Agreeeren {aangetaaim zijn, gunstig aannemen).

Agrenienten {sieraden, garneersel), o. mv. Agriciiltnnr {hmd-. akkerbouw), v. Agriinonie {zeker bitter kraid, leverkruid, boelkenskraid), v.

Agronooni. AgronoiniHt {wetenschappelijk gevormd landbunwer). in.

Agnrk {soort van kleine komkommer), v.: —en. Ook: Augurk.

Ai. t\v.

Aï {de luiaard, viervoetig dier in lirazihë, n ld as geheeten naar het geluid dat het voortbrengt). m. —'s.

Aide, {halp, bijstand; helper, handUuiger), m. —s.

Aide de camp {gencraal-adjadant), m. (mv. aides de camp).

Ai in a hel {bemi n nensivaardig, lieftallig), bn. Air (schijn, niterlijk, hoading), o. —s. Zich airs geven. d. i. zich grootsch aanstellen. Aisance (ongedwongenheid in manieren; gemakkelijkheid; welgesteldheid), v.

Ai se {gemak, welbehagen), o. Op zijn — ~ijn, d.i. ergens op zijn gemak zijn.

Aisc (genoeglijk, gel a k Lig). bn.

A jour {doorschijnend, met openingen).

AJonrneeren {verdagen, tot een anderen dag verschaii'en).

Ajuin {ook ai of' siepel), m. —en.

Ajiisteeren (gelijkmaken, aanpassen; zich gereed nn (ken).

Akant {zekere boom), m. —en.

Akelietje, o. —s. 't Is geen —. quot;tis een lastig of vuil werk.

Akelei (zekere bloem), v. —en. Ook: Akolei {klokbloem).

Akelig {naar, treurig), bn. en bw.

Aker, m. —s. Zie: Kikel.

Akker {een stak bouwland), m. —s. Gods water over Gods — laten loopen, zich ter wereld niets aantrekken; hoogst zorgeloos zijn. AkkerinaalsboMcIi {eikenopslag), o. —bos-schen.

Akkerinaal.shont (eiken hakhout als zoom om akkers), o. gmv.

Akkoord (overeenkomst, vergelijk), o. —en. Akolei, zie Akelei.

Akoniet (vergiftplant), ook: Aconlet (monnikskap), o.

Akte {(vettig bewijssc/trift), v. —n. — van geboorte. — van beschuldiging, — van overlijden. Een — passeeren of verlijden, d. 1. doen opmaken door den notaris; een onder-hundsche —.

Al {als zn.), o. gmv.

Al, bw.

A la baisse {op daling). Spec alee ren —. A la bonne henre (het zij zoo! goed!). A la liiinnte (dadelijk, op staanden voet). A la lettre {letterlijk, naar d- letter).

Alarm {wupen kreet, noodkreet ), o. gmv. Alamiant {verontrustend), bn.

Alarmeereii (opschudding maken, onrust maken, schrik aanjagen).

Albast (gipssoort), o.

Albasten (van albast), bn. Een — vaas. Albatros (stormvogel), m. —sen.

Albe (miskleed, koorhemd), v. —n.

Albedil (albeschik), m. en v. —len.

AI bed rij I* (persoon), m. en v. —bedrijven. Al bed ril (persoon), m. en v. —len.

Albescliik {persoon, moetal), m. en v. —ken. Albino {mensch of dier zonder eenige kleurstof in huid, oogappels, haar, enz.), m. en v. —quot;s.

Albion {oude |en tegenwoordig dichterlijke\ naam van Engeland), o.

Album (portrctboek, vriendenrol), o. —s. Alcalde (vrederechter in Spanje), m.

Alcali (loogzout), o.; —sch {loogzouthoudend). bn.

Alcliimie (goadmakerij), v.

Alchimist (zoogenaauidegoadmaker), m. —en. Alcohol (gezuiverde wijngeest), m. De — is een kanker onzer maatschappij; —isch (— bevattend), lm.

Alcoholisatie, —isccringC/w t onderhevig zijn of maken run een volk run het alcoholmisbruik), v. De — van d.' Negers door de Eu ropeanen.

Alcoholisme (lerr van de waarde of onwaarde van den alcohol: misbmii» van alcohol), o. Alcoholist (misbruiker of niet-bestrijder van den ulcohol), m. —en.

Al corso {naar den u'issell,oers).

Alderman (eig. oudste, d. i. overheidspersooi in de steden van Engeland), m. —nen. Ale {En'geIsch ongehupt bier), o. Lees: eel. Zie: Aal.


ocr page 39

ALENTOURS—AL R1GORE Dl TEMPO.

ia

Alentours {omstreken), m. mv.

Alert {vaardiy, wakker, vh'n). bn.

Alexaiiclrijii {versregel, bestaande quot;it 6 Jambische voèten. das uit 12 of 13 lettergrepen), m. —en; —sell, bn.

Al ïretico(schildering op verschepleisterkalk).

All't (elft. zekere vise li), m. —en.

Algarade {belecdigiag, hoon), v.

Algebra (stelkunde), v.: —ïscli, bn. Dat is — roor mij, daarvan versta ik niets.

Algemeèn.o. De maatschappij to1: nut van 't —: in 't d. i. over 't geheel.

Algemeen, bn. en bw. — lieid, v.

Algen (wiersoorten, zeegras), v. mv.

Algeno«'Kzaaiii, bn.; —ïieid, v.

Algoeil. bn. en als zn. Al goede, voor God, m.; —lieiil, v.

Alias (anders gezegd, anders bijgenaamd; als zn. snaak), m. —sen.

Alibi (aanwezigheid elders), o. —'s. Zijn — bewijzen, in rechten aantoonen, dat men elders was op 't oogenblik van zeker misdrijf.

Aligiieeren {volgens een rechte lijn afmeten, op een rij plaatsen).

Alikruik [kleine zeeslak), v. —en.

Aliment (voedsel), o.

Aliineiiteeren (onderhouden, verplegen).

Alinea (van de linie af, nieuwe regel), v. —'s.

Alizariwortel (meekrap), m.

Alkali, zie Aleali.

Alkoof (afgesloten gedeelte in een kamer, slaapplaats), v. —koven.

Alkoran (wet en geloofsboek der Turken), m.

AHa breve (nog eens zoo schielijk), muz.

Allah (naam van het Opperwezen bij de Turken), m.

Alledaagseh (gewoon), bn. Mijn —e bezigheden, een — mensch, dichter, kunstenaar.

Allee (laan), v. In de omstreken van Zwol gebruikelijk voor: weg.

Alleen, bn.enbw. —handel, m.:—Iieerselier, m.: —lieerseliing, v.

Alleenbli|ven, ik bleef —, ben —gebleven.

Al leen ig.' bw.

Alleenlaten. ik liet —, heb —gelaten.

Alleenlijk, bw.

AlleeiiMtaan. ik stond —. heb —gestaan.

Allegaar (allegader, altegader), bw.

Allegaartje (mengelmoes), o. —s.

Allegeeren (aanhalen van Schriftuurplaatsen enz.; aanvoeren).

Allegorie (zinnebeeldige voorstelling, beeld-sprauk), v. —ën.

Allegoriiseli (zinnebeeldig, verbloemd), bn. en bw.

Allegraniente (haastig, c rooi ijk), muz.

Allegro (vroolijk, levendig, snel), muz.

Allenian (iedereen), vnw.; Jan en —sgading, geschikt voor iedereen; —sgek, m.; —svrienil, m.; —svriendMehap. vr.

Allengs en allengskeiiM, bw.

Allerbest, bn. en bw.

Allerehri*telijk*t (titel der Fransche koningen). bn.

Allerhande (van alle soort), soortgetal.

Allerhande (kleingoed, koekjes), o. gmv.

Allerheiligen, —dag. m.; — IVest. o. (gedachtenis vmr alle heiligen in de U.K. kerk, / Nov.).

Allerhoogst, bn. en als zn. Allerhoogste, voor God. m.

Allerlei (van alle snort), soortgetal en o. als zn.

Allerwegen (overal), bw.

Allerzielen, —dag. m.; —leest (gedachtenis voor alle overledenen in de It. K. kerk, 2 November), o.

Alles, o. als zn.

Allesbehalve, bw.

AlleHzins. bw.

Allez (komaan, loop heen), tw.

Alliage (legeering, metaalmengsel; toevoeg-

AMiimiie (verbond, bondgenootschap), v.; —tiën en —ties.

Allieeeren (tot zich lakken).

Alligatie (menging, toevoegsel), v.

Alligator (Amerik. krokodil,kaaiman), m. —s. Allo (gauw, toe), tw.

Alloentie (aanspraak van den paus tot de kardinalen, redevoering), v. —tiën en —ties. Allodiaal (eigen geërfd, niet leenplichtig), bn. Allodinm (eigen bezitting, zonneleen, vrij en onvervreemdbaar erfgoed), o.

Allonge (verlengstuk), v.; —pruik (staartpruik), v.

Allongeeren (verlengen, uittrekken, lang-'r maken).

Allons (komaan; voorwaarts, loten wij gaan!), tw.

Allooi (gehalte van munten), o. gmv. Allooieeren (quot;/gt; het. juiste gehalte brengen). Allopaath (voorstander der allopathie), m. —palhen: —thiseh. bn.

Allopathie (geneeswijze niet middelen die de ziekte tegenwerken), v. Zie: honilt;igt;opathie. Ali* ottava (octaafsgewijze, acht tonen hoo-ger), muz.

Allndeeren (toespelen, stekelig zinspelen, spotten).

AHquot;unisono (eensluidr'nd.gelijkluidend), muz. Allure (gang, pas. uiterlijk en manieren: voetstel van puurden), v. —s. Hij neemt de —s van een groot heer aan.

Allusie (toespeling, zinspeling, wenk), v. —siën.

Alluviaal (aangeslibd, aangespoeld), bn. Allnvie (uunspoeling of aanslibbing van land), v. gmv.

Alma (de voedende, de grootbrengende).

Alma mater (de voedende moeder, een eere-nuarn voor de hoogescholen), v.

Alinaeht (alvermogen), v. De Godheid. Ahnaehtig, bn. en bw. en als zn. Almachtige. voor God, m.

Almanak (dagwijzer, jaarboekje), m. —ken; Mijn hoofd is geen —, ik kan niet alles onthouden.

Al niarco (nnnr het gewicht der munten). Almogend, bn. en als zn. Almogende, voor God. m.; -beid, v.

Aloë (naam van een uitheemscheplant), v. —'s. Alom, bw.: —tegen woonlig, bn. als zn. Alomtegenu oordige, voor God, m.; —tegenwoordigheid. v.

Alomvattend, bn.

Aloud (zeer lt;nid). bn.; -beid, v.

Alpen (bergen, gebergte), m. mv.

Alpenroos (kleine bloem der hooge Alpen), v. —rozen.

Alpenstok, m. —ken.

Alpha (eerste letter run 't Griekse he Abc), v. Alphabet (het abc), o.; -isi-ll, bn. en bw. Al pnnto (nu uw keurig), muz.

Aireede en al ree, bw., hetzelfde als:

Alreeds, bw.

Al rigore di tempo of Al tempo (in de

juiste tijdmaat), muz.


2*

ocr page 40

ALRUIN—AMPHITHEATER.

20

Alruin (zeker slaapverwekkend knnd), v. gmv. Al segno (van het teeken af), muz.

AlNem (bitter kruid), m. gmv.

Alt (tweede zangstem), v.; —sleutel, m.; -stem, v. muz.

Altaar, o. —taren.

Altegader, bw.

Alteiuaal. bw.

Altemet (soms, bijgeval), bw. gew.

Al tempo, zie Al rigore enz. muz.

Alteratie (verandering; ontsteltenis, ontzetting. ontroering, schrik), v. —tien. Altereatie (woordenwisseling; twist), v. Altereeren (veranderen; ontroeren).

Alter ego (tweede ik. fig. plaatsvervdrtger), o. Alternatief (gedwongen keuze), o. gmv. Alternatief (afwisselend), bn.

Alterneeren (om beurten aftrisselen).

Altesse (Hoogheid. Doorluchtigheid), v. Althans, bw.

Altijd, bw.; —durend, bn.

Altimeter (hoogtemeter, werktoig), m. —s. Altlmetrie (hoogte-meet ka nde). v.

Altoos, bw.: —durend, bn. Een — almanak. Aluin (een samentrekkend zont), v. gmv. Alvermogen (almacht), o. gmv. Alvleesehklier (ontl.), v. —en.

Alvorens, bw. en vw.

Alweder en alweer, bw.

Alwetend, bn. en als zn. Alwetende, voor God. m.: — heid, v.

Al wijs. bn. en als zn. M wijze, voor God, m. Alzegenaar (de Godheid), rn.

Alziend, bn. en als zn. Alziende, voor God. m.

Alzijdig, bn.; —e vorming, —e beschoawing. Amahile (liefelijk^ beminnelijk, tea Ier), muz. Amahiliteit (lieftalligheid, vriendelijkheid), v. Amalgama (mengsel van metaal en kwik, mengel moes), o.

Amaigameeren (met kwik bestrijken, innerlijk verbinden, vermengen, samensmelten). Amandel (boom), m. —s; (vracht), v. —s en —en.

Amanuensis (handreiker bij het onderw. in natuurk. enz.; hersteller enz. van de werktuigen), m. —sen.

Amarant (purperkleurige, herfstbloem), v. —en.

Amaril (polijststeen), v. gmv.

Amasseeren (ophoopen).

Amatenr (liefhebber, kunstvriend), m. —s. Amazone (strijdbare vrouw der oudheid; heldin), v. — n.

Amazoneiikleed (rijkleed, voor dames), o. —en. Amharlit (handwerk), o. —en. 'tis met liem: Twaalf —en en dertien ongelukken, spottend, voor: hij slaagt in niets.

Amharlit (heerlijkheid), o.; —sbewaarder (rentmeester), rh. —s: —sheer, m. —en; —sheerlijklieid. v.; —slieden (.werklieden)', —shuis (gemeentehuis), o. —huizen. Amhages (omwegen, wijdloopigheden), mv. Ambassade (gezantschap), v. ambassadeur, m. ambassadrice (afgezante), v.

Amber (welriekende gom), m. gmv. Ambieeren (streven, staan naar). Ambigeeren (weifelen, aarzelen, besluiteloos zijn).

Ambigu (dubbelzinnig), bn.

Ambiguïteit (did/belzinnigheid). v. —en. Ambitie (eerzucht, eergevoel; eergierigheid, ijver), v. gmv.

Ambitieus (eerzuchtig; vol werkijver), bn.

Ambitioneeren (aanmoedigen, iemands eerzucht of eergevoel opwekken).

Amblyopie (kortzichtigheid, bijziendheid), v.

Ambrosia, v.; Ambrozijn (godenspijs), o. tab.

Ambt (betrekking, vooral van het rijk), o. —en.

Ambtenaar (die een ambt of post heeft), m. —s of —naren; —sleven, o.

Ambtgenoot, m. —en.

Ambulanee (veldhospitaal), v. —s.

Ambulant (rondtrekkend), bn.

Ambiileeren {wandelen, rondtrekken, afwisselen).

Ameclitig (onmachtig, afgetobd), bn. en bw.: —beid. v.

Amelioratie (verbetering), v. —ties en —tiën.

Amelioreeren (verbeteren).

Amen. bw. en tw. (als zn. o. beteekenende: het zij zoo).

Amendabel (voor tuijziging vatbaar; strafschuldig), bn.

Amendeeren (wijzigingen voorstellen op een -wet).

Amende honorable (openlijke verklaring, dat men vei'keerd gehandeld d. i. gedwaald heeft, openlijke schuldbekentenis), v.

Amendement (wijzigingsvoorstel), o. —en.

Amerij (korte poos), v. Een — nog geduld!

A merveille (voortreffelijk, opperbest).

Amethist (een violetkleurig edelgesteente), m. —en: als stof. o.

Amlioen (naam van het opium in Oost-In dié), o.: —kit (publiek huis. waar — geschoven wordt), v.: —srlmiver (—roo/cer),m.

Aniiant (steen- of bergvlas, draad- of vezelsteen, welke zich laat spinnen en door vuur niet verteerd), o. Ook: Asbest.

Amiraal (vriendschappelijk), bn. en bw.

Amicaliteit (vriendschappelijkheid), v. —en.

Amiee (vriend!), m.

Amirissime (beste vriend!).

Amiritia (vriendschap), v.

Amieiis (vriend), m.

Amitié (vriendschap), v. gmv.

Ammoniak (vlugzout, vluchtig loogzout), m.

Ammonshoorn (versteende zeeslak in den vorm van een ramshoren), m. —en.

Ammunitie (/.r//V/*wv;o/Tm/'/). v.; ook: munitie.

Amnestie (kwijtschelding van straf). v. —ën.

Amnestieereii (kwijtschelding verleenen aan).

Amor (god der liefde, zoon van Venus), m.

Amoroso (feeder), muz.

Amortisatie (schulddelging, ongeldig-verklaring), v. —tiën en —ties.

Amortiseereii (staatsschuld delgen door aflossing, voor ongeldig of r ietig verklaren, uitwisschen).

Amotie (afbraak, het afbreken), v. Tot — verkoopen.

.\numrette(minnarij,minnehandel).\'.—n,—s.

Amoureus (verliefd, minziek). bn.

Amours(minnarijen), v. mv.: —Wf/Av/?,vrijen, het hof maken.

A moveeren (afbreken, wegnemen ; ontvreemden. ontzetten).

Ampel (omstandig, breedvoerig), bn. en bw.

Amper (ternauwernood), bw.

Aniphibie (tweeslachtig dier, op het land en in het water levende, b.v. een kikvorsch), o. —ën.

Amphibiologie (beschrijving van de tweeslachtige dieren; amphibiekunde), v.

Ampliitheater (halfronde schouwburg; in


ocr page 41

AMPHITHEATERSGEWIJZE—ANTECEDENT.

21

schouwburgen de rij zitplaatsen recht tegenover het tuoneel). o. — s.

Lniphitlieaterwsewljze {in een halfrond, schuin oploopend), b\v.

Linpliitryoii {gastheer of onthaler), m. —s. Lmpliatie {uitbreiding, verdaging van een rechtsgeding), v. — ën.

Lmplieercii {aanvullen; uitstellen, verschuiven b.v. een rechtszaal,).

Lmplilieatie {uitbreiding, uiteenzetting), v. i in pi i liceeren (uitbreiden).

LinpliHHiiiiiiH {Hoogaanzienlijk, hoogedel), m. Liiiputafie (afzetting van een lichaamsdeel), v. Linputoereii {afzetten van ledematen). Liimlet {tooverkrachtig voorwerp, voorbehoedmiddel tegen gevaren en ziekten), v. —ten. Lniii^aiit {vermakelijk, tijdkortend), bn. LiniiHeereii {aangenaam bezighouden, vermaken, verlustigen). Zich —.

LiniiMeiiK'iit {vermakelijkheid), o. —en. LiiahaptiMine {wederdooperij)^ o. gmv. l na baptist {wederdooper), m. en v. —en. Liiaolioreet {kluizenaar), m. —reten. Liiaclironisme, aiialt;*liroiiiMiiiii8 {fout of verschuiving in de tijdrekening), o. —n. Liiasram {letterverzetting, wisselwoord, b.v. kolk en klok), o. —men.

kiialecten {bloemlezing, uittreksels), o. mv. iiialogie {overeenstemming), v. —ën.

kiialooK (overeenstemmend.geëvenredigd), bn. malyse, analvHiH {ontleding; oplossing), v. Liialyseeren {ontleden; oplossen).

LiialytiMcli {ontledend, ontbindend), bn. Liianiorplioseii {schijnbeelden, droombeel-len), v. mv.

inaiias {een Zuid-Amer. Hjne dessertvrucht), v. —sen.

Liiarehie {regeeringloosheid, wanorde), v. ?mv.

LiiarelijNt( {woelgeest, onruststoker), m. —en. LiiareliiHtiMfli {regeeringsloos). bn.

Liiatliema {vervloeking, banvloek, kerkban), o. jiatlieiiiatiseeren {vervloeken, in den kerkban doen).

Liiatocisme, aiiatoei.HiniiH {ren te-woeker, riterest van interest), m.

iiiatomif {ontleedkunde), v. gmv.

JiatoiniHcli {ontleedkundig), bn. JiatoiiiiHeereii {ontleden, vooral van het nenschelijk lichaam).

Jiatooiii. anatomist {ontleedkundige), m. gt;iicieiiiiiteit {voorrang naar dienstouderdom, lioistjaren), v.

Jicora {zooveel als da capo, cl. i. nog eens )an voren af aan), muz.

udante {gematigd snel), muz.

iidaiitino {eenigszins langzaam), muz.

iider {tweede, niet dezelfde), telw.; —daagsch de —e koorts), bn.; —deels, bw.; — hall' — halve), bn.; —maal, bw.; —werl', bw. iideniiaiiM {eens anderen, wat een ander /ehoort). De voeten onder — tafel moeten •teken, bij vreemden moeten dienen, 't Is loed riemen snijden van — leer.

nders. bw.; —denkend (nl. op 'tgebied van len godsdienst), bn.: —om, bw.; —ziiih, bw. ndijvie {tuingewas, groente), v. gmv.

ndoren (plant), m. —s.

ndoniile {vleeschworst), v. —s.

ndroide {mechaniek menschenbeeld, lede-gt;op, automaat), v. —n.

ndropliaag {menscheneter), m. —phagen. iieantiHseeren (vernietigen).

AiieaiitiHNenient {vernietiging), o.

Anekdote {geheim of onbekend bericht; snakig vertelsel, korts wij lig verhaal), v. —n en —s. Aneinnon (windbloem), v. —monen.

Anerie {ezelsstreek, domheid, ongeschiktheid), v. —ën.

Angel ('rapen der bijen en wespen, ook haak of hoek om visch te vangen), m. —s. Daar is een — onder verborgen, daar schuilt eenig gevaar onder.

AnglaiNe {Engelsche vrouw. Engelsch meisje; ook Engelsche dans), v. —s.

Aiiglieaan (lid der Anglicaansche kerk), m. en v. —canen.

AnglieiHinc {woord of uitdrukking aan het Engelsch eigen en in een andere taal gebezigd), o. —n; b.v. De trein stopt daar! AiiKlmnaaii {naaper of prijzer van al, wat Engelsch is), m. en v. —manen.

Anglomanie {naaperij nf verheerlijking van al, wat Engelsch is), v.

Anj;.st {beklemdheid), m. —en.

AiiK^tig, bn.; —held, v.

AngMtvallis (vreesachtig), bn.: —heid, v. Angnlair (hoekig), bn.

Anijl (indigoplant in W.-lndi'c), m. gmv. Aiiijs (zeker gewas, ook drank), m. gmv. Animaliseh (dierlijk), bn.

Anima to (bezield, levendig), muz.

Animeereii {bezielen, uanvuren). Animositeit{vijandschap, verbittering,haat),v. Animoso (bezield, aandoenlijk), muz. Anisette (anijslikeur), v. gmv.

Anjelier (tuinbloem). v. —en.

Anjer {enkele anjelier), v. —s.

Anker, o. —s. Ergens zijn — gooien, werpen, er zijn intrek nemen; hij ligt voor zijn laatste —, het is slecht met hem gesteld. Ankeren (het anker urerpen), ik heb geankerd; ankerinu:, v.

Annalen v. mv.

Annexatie (aanhechting van veroverd land), v. Annexeeren (aanhechten, bijvoegen). Annihileeren (voor nietig verklaren).

Aiiiii versari ën {jaarlij ksche plech tig heden), v. mv.

Annonce (aankondiging, udvertentie), v. —s. Annonceeren (aankondigen, berichten, bekend }na ken).

Annotatie (aanmerking, opteekeni ng), v. —tiën.

Annoteeren (aanmerken, aanteekenen). AnnlieeI (jaarlijksch. bw. jaarlijks), bn. Anninteit (lijfrente, juarlijksche aflossing), v. —en.

Annulleeren (vernietigen, opheffen). Annunciatie (Maria-Boodschap, li. K. feestdag op 25 Mnnrt). v.

Anomalie (onregelmatigheid, afwijking van d n regel), v. —liën.

Anoniem (ongenoemd, naamloos), bn. Anonimiteit (naamsverzwijging), v. gmv. Anonymus (een ongenoemde), m. Anorganisch (onbewerktuigd, onbezield), bn. Anormaal (abnormaltl, afwijkend eau den regel), bn.

Ansjovis (klein visch je), v. —sen. AiitagoniMiiie (tegenwerking, bestrijding), o. Antagonist (tegenwerker, bestrijder), m. env. —en.

Antecedeeren {voorafgaan, den voorrang hebben).

Antecedent (voorafgegane zaak, vroegere ge-


ocr page 42

ANTECESSOR-APPEL.

22

draginy), o. —en. Iemands —cu. iem. vroeger leven, doen en laten.

Antecessor (yoopv/r/jK/er, ambtsvoorgander). m. Anfedafeeren, antidafeeren vroegere

dagteeken ing green aan).

Antediliiviannseli {van vói'tr den zondvloed; doodtmdenvetsch), bn.

Aiitediliiviaiien (de menschen of dieren van vóór den Zondvloed), m. mv.

Anterieur (eerder, vroeger), bn. en b\v. Anthologie (verzameling van gedichten, opstellen, enz.), v. —ën.

Antliropologie (menschkunde, natuurleer van den rnenseli), v. gmv.

Antliropolooi;. m. —logen.

AntliropopliaaK (menscheneter), m. en v. —phagen.

Antlirophohie (menschensc/nnvheid), v.

Anti (Grieksch voorvoegsel, bet. tegen), b\v. Antielianilgt;re(/,oogt;7»Y7)gt;/lt;'r, waclitkanter).\. —s. Aiitieliainhreeren(ivachten in een voorkamer, eer men toegelaten wordt).

Antichrist (bestrijder of tegenstander van het Christendom), m. —en. *

\\\i\v\\M\i\?( roor uit nemi)ug ,voor a it looping).\. Antifipeeren (vooruitnrmen of genieten ran zijn inkomen; vooruitloopen). Antieonstitntioneel (strijdig met de grondwet: tegen de gevestigde staatsregeling), bn. Anticritiek (wederlegging van een boek- of kunstbeoordeeling), v. —en.

Antidotnni (tegengif, behoedmiddel tegen gift), o.

Antiek (oud, eolgens den smaak of den trant der oudheid), bn.

Antiinoniiini (spiesglas), o. gmv. Antinationaal (strijdig met de belangen of met den geest der natie), bn.

Antipathie (natuurlijkeafkeer, tegenzin), v. Antiphona (teissehgezang,beurtzang), muz.—'s. Antipode (tegenvoeter, fig. tegenstrever), m. —n.

Antiquair (oudheidkenner, oudheidminnaar, handelaar in oudheden), m.

Antiquiteit (oudheid)', —en (overblijfsels der oudheid), v.

Antirepiihlikeinseh (tegen ile re])ubliek), bn. Antirevolutie (tegenomwenteling), v. Antirevolutionair (tegen omwenteling gezind. naam van de leden eener partij in den lande), bn. Als zn. m. —en.

Antiseptiseh (bederfwerend), bn.

Antithese (tegenstelling), y. —n.

Antithesis (tegenstelling), v. —theses. Antonius-viiiir (herige roos), o. gmv.geneesk. Antwoord (wederwoord), o. —en. Antwoorden, ik hel» geantwoord.

Apaiiiige (jaargeld eau jonge prinsen), o.—s. Ap aiiügceren (een prins met jaargeld begiftigen).

Apart (bijzonder, afzonderlijk, voiw zich, ter zijdquot;), bn. en b\v.

A partem»'ut (eertrek, kamer in een hotel), o. —en.

Apatlietiseli (bedrieglijk, valsch), bn. Apathie (ongevoeligheid, onverschilligheid, lusteloosheid), v. gmv.

Ap- en dependeutien (al wat er bij behoort). Apenhiikhiiis (a; ten tronie), o. —bakhuizen; — bakkes, o. —en.

Apei^u (kort overzicht,schets, ontwerp), o. —'s. Apert (open. openbaar, onverholen), bn. Aperij (brlachrlijke nabootsing), v. —en.

Apheliuni (verste afstand eener planeet iwn de zon), o.

Aphorisnien (korte spreuken, regels, stellingen), v. mv.

A piacere (op wissels: na zicht, binnen vier en twintig uren).

Apin (vrouwlijke aap), v. —nen.

Aplaneeren (gelijkmaken, slechten. effenen).

Aplomb (loodrechte stand; vastberadenheid van taal, handeling, houding), o. Met —. zonder weifeling, zonder haperen, meesterlijk.

Apoealypsis (Openbaring aan Joannes), v.

Apocalyptisch (duister, onverklaarbaar, raadselachtig), bn.

A poco a poco (een tueinig, allengs, langzamerhand), muz.

Apocrief (eerdicht. van een onbekenden schrijver, niet geloofwaardig), bn. De —e boeken, bijbelschrifturen, door de Kerk niet erkend.

Apodictisch (onwederlegbaar, afdoend, voldingend), bn. Een — bewijs.

Apologeet (lofredmaar, verdediger, beschermer), m. —geten.

Apologie (verdediging, lofrede), v.

Apoplectisch (onderhevig aan beroerten, beroer te-a ch tig), b n.

Apoplexie (beroerte), v.

Apostaat (geloofsverzaker, afvallige), m. en v.; —staten.

ApoHtatie (afral. grloofsverloochening), v.

Apostel (Godsgezant), m. —en. De Handelingen der —en, een der boeken van het Nieuwe Testament; een rreemde — (snuiter): komen met —paarden (te voet); daar komen mijn —en aan, nl. mijn jongens, kinderen.

Apostelschap, o. gmv.

Apostelzalt' (zalf uit twaalf verschillende bestanddeelen), v. —ven.

A posteriorie (van achteren, aan de ervaring ontleend).

Apostille (kantteekening, naschrift in brieven), v. —n.

Apostolisch (komend ran de Apostelen), bn.

AiiUHimpUe (ver kor tings-of weg bitingsteeken; aanspraak, toespreking), v. —'s, —n.

Apostropheeren (van weglatingsteekens voorzien, met bijnamen bestempelen, aanspreken).

Apotheek (artsenijivinkel), v. —theken.

Apotheker (artsenijbereider), m. —s; —sjon-gen, m. —s; —skuecht. m. —s.

Apotheose (rrrgoding, liet plaatsen in den rang der goden), v. gmv.

Appaiseeren (bedaren, nederzetten).

Apparaat (toestel, toerusting, kunstige schei-handige werktuigen), o. —raten.

Apparent (waarschijnlijk, schijnbaar, oogen-schijnlijk), bn.

Apparentie (waarschijnlijkheid), v. gmv.

Apparitie (verschijning), v.

Appartenient (vertrek, gedeelte van een woonhuis), o. —en. Zie Apurtemeiit.

Apparteiiunce (eigendom, bijbehooren), v. —s.

Appèl, o. (in rechtszaken), beroep op een hoogere rechtbank: (in het krijgswezen) naams-afroeping. — blazen. — slaan: een — doen aan, een beroep doen op.

Appel (boomvrucht), m. —en en —s. IJ tor ee)gt; zuren — bijten, van den nood een deugd maken: voor een — en een ei, zeer goedkoop, haast om niet; de — valt niet ver van den boom. het kind heeft een aartje naar zijn vaartje (in ongunstige opvatting).


ocr page 43

APPELAAR—ARM.

Appelaar {appelboom), m. —s.

Appe!l!iiit(in h'xtijcr beroepypho}nmo).m. —en. Appelleeren (zich op een an fier of op een lioogere rechtbank beroepen).

Appendix (aanhangsel, toevoegsel), o. —dices. Apperceptie (wanrnemin/j, opvatting, voorstelling ua't bewustheid), v. —ën.

A ppelijt (eetlust,graagte, h'tnger, trek), m.gmv. Appetijtelijk (smakelijk), bn. ApplaiidisWereu (toejuichen, zijn goedkeuring door handgeklap geren). ApplamlisHeiiient (algemeene toejuiching), o. —en.

Applicatie (toepassing.aanwending ten natte; naarstigheid, ijver, vlijt), m.

Applieatimr (vingerzetting), muz.

Appoint (pasmunt, saldo, remise), o. —s. Appointeinent (beslechting, bezoldiging), o. —en.

Apporteeren (brengen, halen. bv. door een redresseerden hond).

Appreciatie (schatting, ivaardeering),v. -en. Apprecieeren (ivaardeeren).

Appreliemleeren (duchten, gevangennemen, ; grijpen, vasthouden).

Appreliensief (vreesachtig, bezorgd), bn. Apprentitmage (leertijd), o. gmv.

Appreteeren (toebereiden, laken enz.glanzen, katoen pappen), v.

Approbatie (goedkeuring, vergunning),\. —s, Appro bee ren (goedkeuren). |—ën.

Approclie (loopgraaf), v. —s.

Approclieeren (naderen, aanraken). Approximatie (raming, begrooting), v. —n. Approximatief* (begrootenderwijze, bij ruining). bn. en b\v.

Approximeeren (ramen, schatten, naderen). Appni (steun), m.

Appuyeeren (een voorstel otalersteunen, op iets aandringen, den toon of nadruk aan woorden geven).

April (grasmaand), m.

Aprilgek (ion. dien uwn fopt op 1 April). m. —ken.

AprilviMcli (fopperij op 7 April), m. —sschen. A prima vista (op la't eerste gezicht), muz. A priori (van voren af. vooraf, b' voren). A proportion (naar evenredigheid).

A propos (bw. ter rechter ure, te gelegener tijd. Juist run pus: tw. zeg crus).

Apteeren (van pus maken, aanpassen). Aptitude (geschiktheid, bekwtunnheid), v. Aqna Ibrti.s (sterkwater), o.

Aquamarijn (zeegroen), bn. en als zn. (edelgesteente van een zeegroene kleur), m. Aquarel (teekening of schilderstuk in waterverf). v. —len.

Aqiririiiin (kunstmatige waterkom tot het bewaren van visschen, schelpdieren, planten enz.), o. —s. —ia.

Aquarius (Waterman, teeken van den dierenriem). rn. gmv.

A qnatre mains (voor of met vier handen). muz.

Ar (winterslede voor vermaak, door een of meer paarden getrokken), v. —ren. Arabesken (Arabische versieringen, die meest uit planten, bloemen, struiken, enz. samengesteld en opgelegd of geschilderd worden), \' mv.

Arabic, o.: —bier, m. —bieren; —biscli, bn.

Arak (rijstbrandewijn), v. gmv.

Arbeid (werk, inspanning), m. gmv.

Arbeiden, ik heb gearbeid: —er(werkman),m. Arbiter (scheidsman, scheidsrechter), m. —s. Arbitrage (scheidsrechterlijke beslissing; vergelijking der gelden, wisselwaarde) v. gmv. Arbitrair (willekeurig, eigenmachtig, naar goeddunken), bn. en bw.

Arcade (booggewelf tusschen pilaren), v. —n. Arcadisch (herderlijk, landelijk), bn. en bw. Arcaniim (geheim: geheim middel), o. —na. Arcliaïsme (verouderd woord), o. —n. Archeologie (oudheidkunde), v. gmv. Archeolosisch (oudheidkundig), bn. Archeoloou; (oudheidkundige), m. —logen. Archi, den hoogsten trap aanduidende in samenstellingen. als: urchiduc, aarts-, eerste of opperhertog, enz.

Archief (bewaarplaats run belangrijke geschriften, verzameling van oorkonden), o. —chieven.

Archipel (eilandenzee), m. —s.

Architect (b(nnvmeester), m. —en. Architecturen [bouivsieruden), v. mv. Architectuur (bouwtrant), v.

Ai'chitraat' (onder- af bindbalk, onderdeel der kroonlijst), v. —traven.

Archivaris (bewaarder van een archief), m. —sen.

Arduin (hardsteen, zerksteen), m.. (stof), o. Arena (worstelperk, kampplaats), o.

Arend (vogel, sterrenbeeld, zeevisch), m. —en. Areometer (dichtheidsmeter van vloeistolfen), Areometrie (dichtheidsmeting), v. gmv. fm. Ar»;denkend (kwand d-nkend). bn. vero. Argeloos (onschaldig, te goeder trouw), bn. en bw.: -beid. v.

Arglist (booze trek), v. gmv.

Arglistig, bn.: -beid. v.

Argonauten (Grieksche zeelieden, die het Gulden Vlies uit Colchis gingen halen), m. mv. tab. Ook zeestuk (papiernautilus).

Argnment (bewijsgrond, betoog), o. —en. Argnmentatie (bewijsvoering, aanvoering van bewijsgronden), v.

Argnmenteeren (bewijsgronden aanvoeren voor een betoog).

Argns (ivaakzaam mensch), m.; —oog. o. —en. Argwaan (achterdocht), m. gmv.

Argwanen (wantrouwen), ik hebgeargwaand. Aria (gezang, lied mor een stem), o. —'s. Arianen (aanhangers der leer van Ariaan. d. i. loochenaars van de Godheid van Christus, een kettersche sekte), m. mv.

Aries (de Itam. sterrenbeeld), m.

Arioso (zangmatig, o/) de wijze van een aria), muz.

Aristocraat (lid of voorstander der regeering van (umzienlijken). rn. —craten.

Aristocratie (heerschappij vun aanzienlijken, minachting voor den burgerstand), v. Aristocratisch (gezind vonr de regeering van aanzienlijken, den burgerstand mi nachtend). Arithinctica (reken- of cijferkunst), v. |bn. Arithmetisch (rekenkunstig), bn. Ark (vuurtuig van Xoach; tuoonschip voor opzichters of werklui bij waterbouivk. werken enz.; huis met een overgroot aantal bewoners), v. —en. Ook: arke. Arm (lichaamsdeel), m. —en. Icm. de —en binden, hem machteloos maken; lamge —en hebben, d.i. verregaande macht bezitten; een slag om den — louden, d.i. zich niet onherroepelijk en stellig voor iets verklaren; met zijn ziel onder den — loopen, leegloopen, zich


ocr page 44

ARM—ASSIGNATIE.

vervelen; icm. met open —en ontvangen, d. i. zeer hartelijk, zeer voorkomend: een sterken — hebben, d.i. macht bezitten; de wereldlijke —. de wereldlijke macht; de —en een er balans, van een iveeyschaal, ran een (jaskroon, enz. Arm (behoeftiy), bn.; —«'lijk. b\v.

Aniiatiinr (wapenrusting, bewapening, bekleeding), v. gmv.

Arme (persoon), m. en v. —n.

Armee (leger, heer, groote menigte), v. —ën. ArmeekorpH (leg er af deeling), o. —en. Armeereii (wapenen, aitrusten). Armenbelasting, v. —en; —geld, o.; —sil't, v. —en.

Armenierwteen ((groene of lichtblauwe steen), Armliartit!: (ellendig), bn.: —lieid, v. |m. Arminiaan (aanhanger can Arniinins, lle-monstrant), m. —anen; —wch, bn. ArmiHtice (wapenstilstand), o.

Armoeile (groote behoefte), v. armoeflje, o. ArmoiMlig, bn. en b\v.: —heul. v.

Armoriaal (wapenboek), o.

Arnio/ijn (dunne, weinig glanzige taf), o. ArniHgat (in een kleedingstuk), o. —en. Armzalig; (gering, slecht, rllendig); —lieid,v. Arnliemmer. m. —s. Hij is een —.

Aroma (geurigheid. geur), o. gmv.

Aromaliet (welriekende steen, specerijsteen, mirresteen), m. —en.

Aronskelk (bloem), m. —en.

Arpent (morgen lands), v.

Arpenteereii (meten, opmeten).

Arraelieeren (uitrukken, afrukken). Arrangeeren (inrichten, schikken, zaken in orde brengen).

Arrangement (schikking, inrichting), o. —en. Arre (Zie Ar), v. —n; —«lede of —slee, v. —sleden of —sleeën.

Arrement (toestand of staat, waurin een rechtszaak gebleven is), o.

Arren (of Karren), ik heb geard.

Ar rerages (achterstallige vertraagde betalingen), v. mv.

Arrest (hechtenis van personen, beslag op goederen, t echter lijk gewijsde, uitspraak, vonnis), o. —en.

Arrestant (gevangene), m. —en.

Arrestante, v. — n.

Arrestatie (inhechtenisneming), v. — tiën. Arresteeren (in hechtenis nemen, aanhouden, in beslag nemen, vaststellen, goedkeuren, bekrachtigen b.v. van notulen).

Arrière (achterste of laatste), o.

Ar rit'ré (achterstand,achterstalligheid), o. —s. Arrière-garde (achterhoede), v. —s. Arrière-pensée (bijoogmerk), v. —s. Arriveeren (aankomen, gebeuren). Arrivement (aankomst), o. gmv.

Arroganre (verwaandheid, trots, aanmatiging), v.

Arrogant (verwaand, laatdunkend, aanmatigend), bn. en bw.

Arrondeeren (afronden, staten in onafgebroken samenhang brengen). Arrondissement (gedeelte eener provincie), o. —en.

Arrondissements-reelitbank, v. —en. Arrondissements-reeliter. m. —s. Arroseeren (besproeien, begieten). Arrowroot (pijlwortelmeel), o. geneesk. Arsenaal (wapenmagazijn, tuighuis), o. —nalen.

Arsenicum (rattenkruid), o. Ook: arsenik.

Arteriën (slagaderen, polsaderen), v. mv. Artesische pnt (geboorde welput), aldus ge-heeten naar het voormalige Fransche graafschap Ar to is. waar zulke putten hel eerst geboord werden), m.

Articulatie (duidelijke uitspreking), v. (in de ontl.: geleding).

Artificieel (kunstig, meesterlijk), bn.

Artikel (afdee ling, handelswaar, lidwoord), o. —en en —s.

Artikelbrief (een in urtikelen afgedeeld reglement voor krijgslieden), m.

Artillerie (grof geschut), v. gmv.

Artillerist (kannonier), m. —ea.

Artisan (werkman), m. —s.

Artisjok (eetbare distel), v. —ken.

XviiHi (uitoefenaar van eenig kunstvak),v. —en. Artiste (kunstenares), v. —en.

Artistiek of Artistiscli (volgensdekunst),h\\. Arts (geneesheer), m. —en; lijf—.

Artsenij, v. —en.

As (van een wiel, enz.), v. —sen.

Asbest (steenvlas. vlassteen, amiant), o. gmv. Ascendent (overwicht, meerderheid), o. Zie ook Ascendenten.

Ascendenten (bloedverwanten in de opgaande lijn), m. mv.

Asceten (bijzonder godsdienstigen, fijnen), mv. Ascli (van turf), v. Fig. overblijfsel, stojf. over-Asem (beter Adem), m. |.s-c/iOf.

Asiel (toevluchtsoord), o. Zie Asyl. Asmodens (opperste duivel, h'u wel ij ksd ui-veh, m. gmv.

Aspect (aanblik, uitzicht, voorteeken), o. —en. Asperge (plunt), v. —s.

Asi»ergenhed, o. —deti.

Aspersie (bij de It. K. besproeiing, besprenkeling met wijwater), v.

Asphalt (««gt;•lt;/- of berg harst, joden lijm), o.giw. Aspliyxie (schijndood, onmacht, stikking), v. Aspliv xiceren (doen stikken). Ook: schijndood maken.

Aspirant, m. Zie Adspirant.

Aspireeren (naar iets dingen).

Aspis-slang (kleine, zeer vergiftige slang), v. —en.

Assaisonneeren (kruiden toebereiden, smakelijk maken).

Assassinaat (sluipmoord), o.

Assant (schermgevecht, stormloop), o. —s. Asschepoester (verstooteling), v. —tje. o. Assemblee (verzameling, voornaam of schitterend gezelschap), v.

Assenteeren (toestemmen, inwilligen). Assereeren (beweren).

Assermentatie (beëediging), v. Assermenteeren (beëecligen).

Assertie (bewering, het beweerde), v. — Mën. Asserveeren (bewaren).

Assessor (bijzitter, hij die in de vergudering den voorzitter de besluiten helpt regelen; wethouder bij een dorpsgemeenteraac'), m. —en, —s. vero.

Assidn {volhardend, onverpoosd), bn. Assidnïteit {volharding, vlijt), v.

Assiette {kleine schotel, bord), v. Hij is niet in zijn gewone —, hij mist zijn gewone kalmte, gemoedsrust.

Assignaat (aanwijzing op vaste staats goederen, vervallen Fransch papieren geld), o. assignaten.

Assignatie (schriftelijke aanwijzing ter betaling), v. —tiën.


ocr page 45

ASS I ON E E REN - A ü FON D.

2igt;

AHHiamp;;iieemi (fot aaniuijzhnj of. beta liny yeven).

AHHimileereii (uereenzelviyen. yel.'jkuormiy maken).

AsniMes (zitdayen van ecu ycrechtshof), v. in v.; hot; van — (hooy yerechtshof).

Aswisteeren {bijstaan, helpen).

AH»iNteiit (helper, toeyevoeyde), ni. —en. AsHiHtentie (hulp, bijstand), v.

AsHucieeren (zich) {zich verbinden, tot ye-rneenscha ppel ij ke uitoefeniny ran een bedrijf). AHMOi'teeren {aitzoeken, schikken; wel voorzien).

ANMortimriit {voorraad van y(iederen, verscheidenheid), o. —en.

AMHimieemi (aan- of bijnemen).

AMNiimtie (Maria-Hemelvaart, feestday bij de It. K. op 15 A ay ust us), v.

AMMiiradeur (waarboryer, verzekeraar), m. —en en —s.

Assurantie (wuarbory toy en schade van brand, hayelslay, enz. uerzekeriny, zelfvertrouwen, eigendunk), v. —tiën en —ties. Assurceren {verzekeren, waarboryen).

Aster {sterrenbloem, uit Amerika), v. —s. Asteroïden {kleine planeten), v. mv.

Astlmia {kortademiyheld, benauwdheid op de borst), o. gmv.

Astlimatiseh {aamborstiy, benauwd op de borst), bn.

Astrant (vrjpostiy), bn. Een — kind. Astringent (adstrin^ent), bn. samentrekkend, bindend (geneesmiddel), bn.

Astros;ra|)liie {sterrenbcschrijviny), v. Astrolahiiini {werktuiy om de hooyte tier sterren te meten; yraadbooy, hoekmeter), o. Astrttlogie {sterrenwichelarij), v.

Astrollt;»oigt;; {sterrenwichelaar), m. —logen. Astronomie {sterrenkunde), v. gmv. Astroiioniiseli {sterrenkundiy), bn. en b\v. Astronooni {sterrenkundiye), rn. astronomen. Astriieeren (adstrueeren), bijbouwen, bijvoegen. bevestigen, aanleggen.

Asyj {vrijplaats voor uervolyden en mis-dadiyers; yesticht, verpleeyhuis), o. —en. \Hyn\nwi\'\v{ongelijkheid,onevenrediyheid),\. Asyniplionie {wanklank, wanluidendheid). Atelier{werkplaats van een kunstenaar), o. —s. A tempo {in den rechten tijd, nauwkeuriy in de maat), muz.

A tempt» ginsto {in den juisten tijdmaat, in afyemetene beweyiny), muz.

Aterlinu: {ontaard wezen, slecht mensch), m. en v. —en.

Aternioyeeren (den beta liny stermijn verlengen, een verdray met zijn schuideischers maken).

Atheïsme {onyodisterij^yodloocheniny), o. gmv. Atheïst (godloochenaar, onyodist), m. —en. Athene {stad in Griekenland), o. Athener, m. Atheenscli. bn.

Atlienenni {school voor hooyer onderwijs), o. atheneums, athenea.

Aihleet (kampvechter, worstelaar, forseh ye-bouwd man), m. —leten.

Athletisch (kampuecht- of worsteikundiy; sterk in de vuisten; forsch yebouwd), bn. Athopie (yezichtszwakheid), v.

Atlas (een lu gt;oyyeberyte in Afrika); ook een kaartboek), m. —sen.

Atlas (ze kere satijnen stof), o. gmv. Atinosleer (luchtkring, dampkriny), v. atmosferen.

Atoom (yrondstof,oorspronkelijke stof, zonnestofje, vezeltje), o. atomen.

Atoinisnie (leer der stofdeeltjes), o.

Atomist (voorstander van de leer der stofdeeltjes)^ m. —en.

Atonie (verslapping, verzwukkiny der zenuwen, zwakte des lichaams), v. gmv.

A tort et a travers (in het honderd, in het wild; met alle geweld).

Atonr {opschik der vrouwen; stoet eener aanzienlijke vrouw; bevalligheid), o. —s.

A tont pri\ (tot eiken prijs, het kuste wat het wil).

Atrahilair en i\ivi\hi\ie\iH{yulzurhHy, zivart-yalliy), bn.

Atramentsteen {inktsteen), m. en o.

Atroee (wreed, afschuwelijk), bn.

Atroeiteit (wreedheid, ufschuwelijkheid), v. —en.

A trois (met zijn drieën).

Attaehé (onbi'zoldiyde leerliny-diplomaat), tn. —s. Hij is — bij ons gezantschap. Attaeheeren (aankleven, genegen zijn, lief-krijgen).

Attai'hement (genegenheid, gehecht/wid), o. —en.

Attaque (aanval, toeval), v. —s.

Attaqneeren (aanvallen, uunyrijpen). Attemleeren (letten op, ucht geven). Attemlrisseeren {bewegen, het gevoel opwekken, verteederen).

Attent (opmerkzaam), bn. en b\v.; —heid, v. Attentaat (gewelddadigheid, misdadige aanslag), o.

Attentie (oplettendheid), v. —s. gmv. Attermineeren (uitstellen).

Attest (getuigschrift), o. —en. Ook: Attestatie. Attestatie (getuigschrift), v. —tiën en —ties. Attesteeren (verklaren, getuigen, bekrachtigen).

Attiseh (sein ton, sierlijk, smaakvol: vernuftig, zinrijk, fijn), bn.: — zout (geestigheid). Attitude (houding, lichaamsstand), v. —s. Attonehement (aaiirakiny, bevoeliny), o. Attraetie (aantrekkiny, aantrekkende kracht), v. —s. —en.

Attrait (bekoorlijkheid, uaulokkelijkiwid), o. —s.

Attrapeeren (betrappen, vanyen). Attrihneeren (toeschrijven, toeëiyenen, toe-voeyen).

Attrihnut (zinnebeeldiy ken tee ken, kenmerkende eigenschap van eeniye yodheid), o. —buten.

Attronpeeren {samenscholen, te hoop loopen). Attronpement (sumenscholing), o. —en. Aubade {ochtendbegroeting met muziek of zang), v. —s.

An eontraire (integendeel).

Au eonrant (op de hoogte): — zijn.

Anetie (veiling, openbare verkoopiny, meestal van boeken), v. —tiën en —ties.

Anetionaris {reiIer, verkoopinyhouder), m. —sen.

Audientie (plechtiy yehoor), v. —s. —ën. Andientiehlad (door den yriffier opgemaakt proces-verbaal van het behandelde op de terechtzittiny). o. —en.

Anditenr-militair (ambtenaar run het openbaar ministerie bij den krijgsraad), m. auditeuren- en auditeurs-militair.

An l'ait (bekend met een zuak, op de hoogte). An fond (in den grond, in het wezen der zuak)*


ocr page 46

AUGI AS-STAL—BAR.

•26

Aiiu;ia»-Htal (fab.) beestenstal, (fig.) vuil, moeielijk werk. Den — reinigen, misbruiken uitroeien, een verwaarloosden boel redderen. Ang;iiieiifatie(iw,»ïmv/#'Wgt;?f/.f'quot;'w/gt;m,).v.--ön. Augiiientatiei' (vermeerderenri). bn. AiiKineiitperen {verhoogen, vermeerderen, versterken).

Augurk, v. Zie Asurk.

AngiiHtiiN (Oogstmaand), m.

Aula (groot»' gehoorzaal), v. —la's. —lae. Au porteur (aan toonder).

Aurea bulla {gouden balie), v. Zie ook onder A. B.

Aureool (licht- of stralenkrans aai het Inofd van heiligen), o. —olen.

Aurora (dageraad, morgenrood), v.

A uso (ini'ir a.'isselgebrai/«■). Ook: a usance. Austraal (zaidelijk). bn.

Autaar. o. autaren.

Auteur (opsteller, schrijver; dader, leider, hoofdpersoon), m. —s.

Authenticiteit (geloofwaardigheid, echtheid, iets dat gezag heeft), v. gmv.

Autlieiitiek (rechtsgeldig, geloofwaardig, echt), bn.

Autlientiweeren (in den rechtsgeldigen vorm bekrachtigen).

Autohio^rapliie (eigen levensbeschrijving), v. AiitobiosraphiMcli (door den persoon zeiven geschreven), bn.

Autocraat (alleenheerscher), m. —craten. Autocratisch (onbeperkt), bn.

Auto»fla-fê (geloofshandeling, ketterverbranding. terechtstelling, rechtsdag \ook vonnis] der inquisitie), o.

Autodidact, autodidact us (iem. die een ivetenschap of kunst door zelfoefening geteerd heeft), m. —en: —sen.

Autosraal' (copiëer-machine, zelfsch rijver, eigenhandig geschrift), v. autografen. Autosrapliisch (eigenhandig geschreven).bn. Automaat (een zich zelf bewegend menschen-beeld; schertsenderwijs, iemand die werktuiglijk doet wat onderen hem laten doen, speelpop of stroopop). m. —maten. Autoiiouiie (zelfwetgeving, eigen staatsregeling; vrijheid run wil), v.

Autopsie (lijkopening, lijkschouwing), v. Autorisatie (volmacht; wettelijke goedkeuring, machtiging), v.

Autoriseeren {machtigen, volmacht geven). Autoriteit (gezag, waardigheid; gestelde macht), v. —en (overheidspersonen), m. Aux amies! te wapen!

Auxiliair {tot hulp verstrekkend, hulp).

Aval (wisselborgtocht), o. gmv.

Avance {winst in ilen handel; toenadering, voorschot), o.; —s maken, de eerste schreden of stappen doen.

Avanceeren {voorwaarts gaan. bevorderen; voorschieten).

Avancement {bevordering), o. —en.

A vantage (voordeel, winst, overhand), o. —s. Avantaseus (voordeelig i. bn. en bw. Avant-ffarde {voorwacht, voorhoede), v. —s. Avant-scène {voorgrond van het tooneel). v. Aveelziiad (raapzaad, waaruit nien olie slaat), o. gmv.

Avegaar (groote boor), m. —s en —garen. Ave Maria {gebed bij de li. K., het Wees Gegroet!), o.

Avenue {laan, oprijlaan, toegang), v. —s. Averechts {verkeerd), bw.

Averechtsch. bn. De —e zijde.

Averij {schade, verlies aan een schip of aan koopwaren), v. —en.

Avers (beeld- of voorzijde van ni'tnten en medailles), v.

Aversie {tegenzin, afkeer, walging), v. Avertissenient {aankondiging, bericht, kennisgeving), o. —en.

Averuit {een altijd groene plant, ook wel A veroen genoemd), v.

Aven {toestemming; bekentenis), o. —s. A vista (op zicht, op vertoon).

Avitiiilleeren {proviandeeren, van levensmiddelen voorzien).

Avocasserie {rechtsverdraaiing, advocaten-streek), v.

A voreeren {terugroepen, afvorderen; berichten).

Avond (;ivendgt;. m. —en. De — des levens, de liooge ouderdom.

Avondmaal, o. Het heilig — des Heeren. Avonturen {wagen, op 't spel zetten), ik heb geavontuurd.

Avonturier {gelukzoeker), m. —s.

Avontuur {zeldzaam geval, zonderlinge gebeur ten is), o. —turen: —tje. o. Op — voren. uitzeilen zonder bestemming; op — uitgaan, lotgevallen opzoeken.

Avontnuiiijk (vreemd), bn. en bw.

Avoué {beschermer; pleitbezorger), m. Avoueeren (erkennen, toestemmen, belijden). A vous {mijn dienst aan u, op uw gezondheid!).

A vue. op zicht (betaalbaar): — zingen, lezen. Axioma {grondstelling, klaarblijkelijke waarheid), o. —'s.

Azen (zijn voedsel zoeken), ik heb geaasd. Op iets —. gretig zijn op.

Aziif. ook Azins: (Friesche wet vertolker of rechter), m. azigèn en azingen.

Azijn. m. —en (soorten).

AzijiifMi {met azijn begieten), ik heb geazijnd. Azimuth {toppuntshoek, boog van den horizon), o. sterrenk.

Aziiik (F riesche rechter). Zie Aziff.

Azinu; (het azen), v.

Azosi-schip {waarmede de Sptnijaarden het kwikzilver naar Amerika verzenden), o. Azotnin {stikstof, stikgas), o. nat.

Azuur {hemelsblauw), o. azuren, b.i. Het —gewelf ties Ir'mels.


II.

II. v. b's. Tweede lettei- van het Alphabet, de eerste van de medeklinkers. — In de muziek de naam van den zevenden toon. si genoemd: sleutel van /gt;-mol. — Tn Ro-meinsche opschriften bet eekent B 300. en

met een streepje er boven (aldus B) 3000. B. - !lasso (muziek).

B. — fiachelor (Kn^elsch). d.i. candidaat. B. - Heat us of Beata, de zalige.

Bar of Boa. — baron.


ocr page 47

B.B.—BAKKES.

27

lgt;.b. — bene hou*, zeer goed.

B.C. — Balm 'inn cweris. aschbad. — (als opschrift boven muziekstukken): Basso continuo, generale grond- of hoofdbas. B.c.D. — Bono nnn Deo, met (hulp van) den goeden God, met Gods genade.

Beo. — Banco.

B.D. — Bachelor of Divinity, candidaat in de godgeleerdheid.

Bilgt;l. — BibIia, de Bijbel, Heilige Schrift. Bihliotli. — Bibliotheek.

B.Ij. — Bene vole Lector, toegenegen of welwillende lezer.

BI. of

Blz. - Bladzijde.

B.M. — Beat a memoriae, zaliger gedrchtenis. Ook wel Balneatn maris, zeebad. B.P.F. — Bon pour — francs (op Fransche wissels».

Br. — Broeder (vrijmetselaar, enz.). B.S. — beschadigd.

B-to of Btto. — Bruto of Brutto (Ital.). B.v. of

Bijv. — Bij voorbeeld.

Ba (foei), tw. Hij rW boe noch —.

Biiadje. o. Op zijn — krijgen (bekeven,

afgerost worden).

Baai {wollen stof), v. —en.

B;iai {zeearm), v. —en.

Biiai (a'ijn), v. Boocle —.

Baai (tabak), v. gmv. Beste, fijne heer en —. Biiaierd (mengelklomp, warrelklomp, warboel), m. gmv.

Baai-tiihak. v. gmv.

Bi aivmmen {sierlijk op schaatsen rijden). Alleen gebruikelijk in de onbepaalde wijs. Baai vanger (een sierlijk rijder op schaatsen, ook zwierbol, doordraaier), m. —s: — vans;-ster, v. —s.

Baak. haken (ton. paah. v. baken, bakens. De baken(s) zijn t erzet, de toestand is veranderd: als het tij verloopt verzet men de bakems), men moet zich richten, vooral financieel. naar de omstandigheden.

Baal, v. balen.

Baiil (afnod), m. Baalprie.stfM'. m.

Baan (weg, rijweg), v. banen. Ter — brengen, te pas brengen: ruun — maken, de — vegen, alles uit den weg ruimen: op de lange — schaivcn. onbepaald uitstellen: tig. zonnebaan, ecliptica.

Baaiuleiiiepr {banierheer), m. —en: (de — had het recht een eigen banier te voeren). Baar (bar, barrevoets), bn.

Baar (draagwerktuig; zeegolf; metaaIstaaf), v. baren.

BiiarhÜJkclijk, bn. en bw.: —lieid, v. vero. Baard (kinhaar), m. —en. Spelen om '.s keizers — . om niets spelen: in den — vliegen, aanvallen, tegen iemand opvliegen: —en van korenaren, visschen, oesters (= wat op een — gelijkt): den — in de keel hebben, de stem gaat breken.

Büardcii (een baard krijgen), ik heb gebaard. Baardig, bn. Een — man.

Baarlijk (wezenlijk), bn. De —e daivel. Baar» («?gt;? visch), m. baarzen. Als stofnaam, v. B aas, m. bazen; —schap, o.

Baat (winst, voordeel), v. baten: —zucht, v.; -zuchtig, bn. en bw.; —zuchtigheid, v. Alle baten helpen, vele kleintjes maken één groote.

Bahhelen. ik heb gebabbeld: hahhelaar, m.: hahhelarij (gesnap), v.

Bahheli*uiK.je (ijdele praat), o. —s: —kous

djdele snapster), v. —en: —moer. v. —s. Bahiju (garenklos), v. —en.

Bahijiien (op klossen winden), ik heb ge-babijnd: hahijuer, rn.

Bahioleu (kinderspeelgoed; fig. beazelingen), v. mv.

Bahok (lomperd), m. —ken: —kig, bn. en bw. Bahoiiches (soort van mailen )net achterstukken), v. mv.

Baccalaureaat (laagste academische graad of waardigheid), o. Baccalaureus (hij, die dien graad verkregen heeft), m. Baccliaiialieu (drinkgelagen aan Bacchus gewijd), v. mv.

Bad. o. —en. Een — nemen, de —en ge-bruiken.

Baden, ik heo gebaad: hader, m.; baadster, v.; hading;, v.

Badinage (kortswijl, vroolijke scherts), v. gmv. Batline (dun rottinkje), v. —s.

Badineeren (kortswijlen, schertsen),

Baden (bassen), de hond heeft gebaft: ba fier, m. vero.

Bag (hagge) (steen in een ring), v. —gen. Bagage (reisgoed), v. —s.

Bagatel (kleinigheid), o. —len.

Bagger (modder), v. gmv.

Baggeren (slijk, modder uithalen), ik heb gebaggerd.

Bagirernian. m. —lieden en —lui: —molen, m. —s: —net, v. —len: —schuit, v. —en.

Bamio (slavengevangenis in Turkije. Tunis, galeistraf, gevangenis in Frankrijk), o. —'s. Baguette (stokje), v. —n.

BaigneiiKe (bmlmutsje; baadster), v. —s. Baignoir (badkuip; plaats onder de galerijen in het theater), o. —s.

Bajonet (geweerdolk, in 1670 te Baitonne vervaardigd), v. —ten.

Bak (kom, nap), m. —ken. Aan den —. aan tafel: —(genooten, dischgenooten. Ook middelruimte in een schouwburg (de kronen vielen in den — (Brand van den Amst.schouwburg). Bakbeest (lomp gevaarte), o. —en. Een — van een wagen, kachel, tafel, enz.

Bakboord (linkerboord), o. —en: —swacht, v. —en.

Bakelaar (laurierbezie), v.

Baken, o. —s: —geld. o. -stok. m.

Bakenen (bakens stellen), ik heb gebakend. Baker (bakermoeder), v. —s.

Bakeren (verzorgen, koesteren), ik heb gebakerd. Een zuigeling

Bakennand, v. —en: —mat. v. —ten: —speld, v. —en: -stoel, m. —en.

Bakhuis (bakkes, aangezicht; Ook bakplaats, bakkerij), o. —huizen.

Bakkebaard (baard op de bakken of (rangen). m. —en: —Je, o. —s.

Bakkeleien (vechten), ik heb gebakkeleid, gmz. Bakken, ik heb gebakken. Een poets —. iem. beet hebben: zoete broodjes —. trachten goed te maken: hij is bakkeraan. d. i. hij is aangebakken of gesnapt, bekeurd, in boete vervallen, heeft 't spel verloren.

Bakken (op 7 triktrakbord spelen), ik heb gebakt.

Bakker, m. —s: —ij. v. —en.

Bakke.s (aangezicht), o. —sen. Iem.on zijn — geven.


ocr page 48

BAKLOON-BARDEZAAN.

Bakloon, o. —en: —oven, m. —s; —pan, v.

—nen.

BaksH. o. —s: —tje, o. —s.

Bak»!aperij (rechtpartij), v. —en.

Bakstag; «scheepst. touiuwerk^o.: —8koelte,v.; —wind, m.

Baksteen {gebakken steen), m. —en. Zwaar als een —, zeer zwaar.

Biiktand [kies), m. —en.

Baktrog, m. —gen.

BakviHcli {allerlei oisch om te bakken. ook aankomend meisje), v.

Bal {bol), m. —len: —spel, o.; —zak (op het oude biljart), m.

Bal (danspartij), o. bals: —kleed, o.: —kleeding. v.

BalaneeiTen dn evenwicht honden; lig. besluiteloos zijn).

Balaneeermes (deel ran een ba lans), o. —sen: -stok, m. —ken.

Balans [boom der weelt;jschaal), v. —en.

Baldadig (boosaardig), bn.: — heid, v.

Balderen (balderen), de wind heeft gebulderd.

Balein, o. voor de stof en v. voor het uit de stof bewerkte, —en.

Balg (buik, lichaam), m. —en, gmz.

Balie ((jroote tobbe, ook hekwerk, ook rechtbank), v. —liën en —lies.

Baliekluiver (N/o/^ctr), m. —s: —niand,v. —en.

Ba Ijnw {hoofdschout, drost), m. —en of —s; —schap, o. —pen. vero.

Balk, rn. —en. Iets aan den — schrijven, als zeer zeldzaam beschouwen: den — niet in eigen oogen zien, eigen groote gebreken niet inzien: noten—: een — in zijn wapen voeren, een bastaard zijn, niet van echten adel zijn: er liggen —m onder 't ijs, het is zeer sterk.

Balken (schreeuwen als een ezel), ik heb gebalkt: balker. m.; halkster. v.

Balkon, o. —s en —nen. bouwk.

Ballade (verhalend gedicht over een avon-tnnrlijke gebeurtenis), v. —n.

Ballast, m. —en.

Ballasten (met ballast bezwaren), ik heb geballast, b.v. een schip.

Ballen. ik heb gebald. De vuist —, tot een bal vormen.

Ballet (tooneeldans), o. —ten.

Bal ling (verfean/jme), m.en v. —en: —schap, v.

Ballistiek (werpkuode), v. gmv.

Ballon (luchtbol, windbal), m. —s.

Ballot (baal, koopwaren), v.

Ballotage (stemming, stemuitbrenging door middel van een witten bal voor of een ge-kleurden bal tegen), v. —s.

Balloteeren (door balletjes of boontjes zijne stem uitbrengen, daardoor als lid van een gezelschap kiezen of afwijzen).

Bal masqué (gemaskerd bal), o. mv. bals masqués.

Baloorig (slecht hoor end, onwi llig), bn.: — heid, v.

Balsem (reukwerk), m. —s. Fig. troost, opbeuring, — in het lijden: —achtig. bn.

Balsemen (een. lijk met bederfwerende stoffen bewerken), ik heb gebalsemd: balseming, v.

Balsturig (weerspannig), bn.: —heid, v.

Balustrade (leuning; hekwerk, hek), v. —n of —s.

Bamhoches (marionetten), v. mv.

Bamhoes (O. !. riet), o. bamboezen.

Ban, m. —nen. In den — doen, uitbannen: rechts—, rechtsgebied.

Banaal (alledaagsch, gemeen), bn. en bw.

Banaliteit (gemeenplaats, alledaagsche uitdrukking). v. —en.

Banaan (pisang, boom), v. bananen.

Banco (hank, bankgeld), o.

Band (voor de stof), o.: b.v. Garen en — verkoopen; voor een stuk der stof, m. —en. b.v. De — van een boek. Door den —, door elkaar genomen (niet hank): hij wint door den - 20o/o.

Bandage (bindsel, verband), o. —s.

Bandelier (degenhanger van ridders), m. —en.

Bandclotten (oorhangers), v. mv.

Banderol (scheepswimpel; ruitervaan; trompetkwast), v. —len.

Bandiet (roover), m. —en.

Bandictentroep. m. —en.

Bandrekel (kettinghond), m. —s. Fig. een kwaadwillige Jongen, een bandelooze knaap.

Banen, ik heb gebaand. Den weg —, de hindernissen uit den weg ruimen.

Bang, bn.: —heid en hangigheid. v.

Banier (vaan), v. —en.

Banjer (banjerheer), m. —.s. gmz.

Banjerheer (pronker, pocher; man, die rijk leeft), m. —en. Zie: Baanderheer.

Bank, v. —en. De Neder la ndsche —, inrichting voor den handel; de — van leening, de lommerd: de speel—: de — doen springen, alles winnen: iets onder stoelen en —en steken, verborgen, geheim houden; de bier—', achter de — raken, vergeten worden: zand—.

Bankaard (onecht kind), m. —en en —s.

Bankbiljet, o. —ten.

Banken {aan of op een bank spelen): lig. het ergens niet —, lang volhouden.

Bankeroet. o. —ier. Zie: Bankroet.

Banket (gastmaal, gebak), o. —ten.

Banketceren (smullen, brassen), ik heb ge-banketeerd.

Bankier, m. —s; —shnis, o. —huizen: —s-kantoor, m.

Bankroet (bankbreuk), o. —en: —ier, m. —s.

Baniieiie (rechtsgebied, fig. naaste omgeving),v.

Banneling (balling), m. en v. —en.

Bannen, ik heb gebannen: banning, v.

Bannissement (verbanning uit het land), o.

Banquet (groot en prachtig gastmaal), o.

Bar (ruw, onvruchtbaar, dor), bn.: —heid, v.

Bar (bulfet, kroeg, bierhuis), v. —s.

Barak (ook brak. soldutenverhlijf ), v. —ken.

Barbaar (onbeschaafde, wreedaard), m. —baren.

Barbaarsch, bn. en bw.: —heid, v.

Barbarisme ( woord of gezegde, verkeerdelijk naar een uitheemsch, b.v. F ra use h, Duitse h, Engelsch voorbeeld gevormd), o.

Barbeel (zekere riviervisch met baarden aan den bek), m. —en.

Barbette (brits, slaapbank), v.

Barbier (baarclschrabber, scheerder), m. —s en —en: —sjongen, m. —s: —swinkel, m. —s.

Barbieren (den baard afnemen, scheren), ik heb gebarbierd.

Barbonilleeren (kladschi kleren, opsmeren, opkletsen).

Barcarolle {bootje om te spelevaren; spelevaart lied). v. —s.

Bard (zanger en dichter bij de Galliërs), m. —en.

Bardenzang, m. —en.

Bardezaan (voormalige breede hellebaard,m. —zanen.


ocr page 49

BAREN-BE ANTWOOKDEX.

2'.*

Baren {ter ivereld brcmjen). ik heb gebaard. De tijd baart vozen, de tijd brengt alles terecht: dit baart mij verdriet, veroorzaakt mij leed. Barensteel (m de wapenkunde hetzelfde als

lambel). m. —stelen.

Baret (muts; doctorale hoed), v. —ten.

Biirgf (gesneden zwijn), m. —en.

Barge (trekschuit), v. —s. Ook: hargie. Bargoenscli (onverstaanbave taal; koetev-waalsch; kramerslatijn), o. gmv.

Bariton (lichte bas. lichte baszanger). —s: muz. Bark (zeker vaartuig), v. —en.

Barkan {zekere stof geweven uit geitenhaar en wol), o. —s.

Barkas (groote sloep), v. —sen.

Barkoen (scheepst. rondhout), o. —s.

Harm (barbeel, baardvisch), m. —en. Barmhartig, bn. en bw.: —iieiil.v.: —lijk.bw.

Barinte (aardhoop), v. —n.

Barnen {branden), het heeft er gebarnd. In het — van den nood. der gevaren, als de nood ten top is gestegen.

Barnsteen {harsachtige stof), o. gmv.

Barok {scheefrond: fig. zonderling, wonderlijk, grillig, belachelijk), bn. en bw.

Barometer (luchtzwaartemeter). m. —s. Baron (vrijheer), m. —s of —nen. Den — spelen, den grooten heer uithangen: —es, v. —sen.

Baronet (hoogste erfelijke titel van den kleinen adel in Engeland), m. —s.

Baronie (vrije heerlijkheid), v. —ën. In de — van Breda.

BaroplioiniN {bassist, die een zeer zware stem heeft), m. muz.

BaronHiet {licht rijtuig np vier wielen), v. —ten.

Barqiierolle (klein lustvaartuig; kleine Ita-

liaansche bark), v.

Barre voet broeder (ongeschoeide monnik). m. —s.

Barrevoets, bw. Hij liep —. blootsvoets. Barrieade (versperr-ng bij stedelijk oproer). v. —s.

Barrif adeeren (verschansen, afsluiten door allerlei voorwerpen, versperren).

Barriere (slagboom, hek. grots), v. —s. Barrlêre-traetaat (in 1713). o. —taten. Barseli {onvriendelijk, ruw), bn. en bw.: —Iieid. v.

Harst {berst, spleet), m. —en.

Barsten (scheuren, splijten), het barstte, borst, is g€5barsten, geborsten.

Baryton (hooge-baszanger), m. —s. Bas (baszanger), m. —sen.

Bas {speeltuig en baspartij), v. —sen.

Basalt (zeer harde steen), o. gmv.

Basciile (werktuig om te wegen; hefboom; slinger; schommel; fig. weifeling, onbestendigheid): —stelae! (het draaien met alle winden, weifelende staatkunde), v.

Baseeren {gronden, grondvesten, bevestigen). Basement {voetstuk voor beelden of zuilen), o. —en.

Basiliea (stiftkerk. domkerk, kathedraal), o. —ca's.

Basilisk {zekere hagedis; hersenschimmig gedrocht), m. —en.

Basis (grond, grondslag, voetstuk), v. —sen of bases.

Bas-reliel' (half verheven beeldhouwwerk of qietwerk), o.

Bassa (pacha, regent eener provincie in

Turkije of eeretitel van Tarksche ambtenaren), m. —'s.

Bassen (blaffen), de hond heeft gebast.

Bassethoorn en —horen, m. —s.

Bassetspel (zeker kaartspel), o. gmv.

Bassin (kom, bekken, dok; een door natuur of kunst gevormde haven), o. —s.

Bassist (baszanger of basspeler), m. —en.

Basso rontiniio (generale grond- of hoofdbas). muz. Zie B.C.

Hast (schors, schil), m. —en.

Basta {klaverenaas in het omber- en quadrillespel), v. —'s.

Basta {genoeg! halt! houd op!), tw.

Bastaard en basterd (onecht kind), m. bastaarden en bastaards of basterds.

Bastaardij (onwettige geboorte), v. gmv.

Basterdnaelitegaal, m. —s en —galen.

Basterdsuiker (niet gezuiverde suiker), v.

Bastiaan (uransnaam, op slavoiplantages kleurling, die, onder den blank-officier, over de slaven gesteld is), m. —s.

Bastion (bolwerk van een vesting), o. —s.

Bastonnade (stokslagenstraf). v. —s.

Hastonneeren en hatonneeren (met slokken exerceer en, rechten, afrossen).

Hataiile (veldslag, strijd, gevecht), v. —s.

Batailleeren (vechten, sabelen; zwetsen).

Bataljon (deel ean een reg'nnent). o. —s.

Haten (voordeelig zijn), het heeft gebaat. Wat zul het —, helpen: het zal niet —. dienstig zijn.

Hathengel (zeker kruid), v. gmv.

(voor dee lig), bn. Een — slot.

Batist (kamerdoek, fijnst linnen van Katne-7'ijk): batisten, bn. ken — zakdoek.

Hatraehiet (vorsch- of jmddesteen), o.

Hatscli doos, trotsen), bn. en bw.: —beid. v.

Batterij (kanonlaag). v. —en. Een — opwerpen, maken: de —en laten spelen, de kanonnen losbranden: een electrische,een galvanische —. vereeniging van eenige electr. of galvanische elementen (nat.».

Battoir (stamper; palet in het kaats- of beugelspel), m. —s.

Battologie (ijdel gesnap, nuttelooze omhaal van woorden), v. gmv.

Bauwen {geluid green), ik heb gebauwd. De echo bauwt de geluiden na.

Ba^ardage (gezwets, snorkerij), v. —s.

Baviaan (nap), m. —anen.

Bayadere (Indische danseres of tooneel-speelster; vrouwenrok met gel, leurde dwars-loopende strepen), v. —n of —s.

Ha/.aar. of itaxai* (Turksche marktplants; groote winkel, afgedeeld in vakken nuar den verschillenden aard der koopwaren: winkel, waar olie waren denzelfden prijs gelden), m. —s en bazaren. Liefdadigheids—.schellings—.

Bazelen (onzin zeggen), ik heb gebazeld.

Ha/.ii: (meesteres), v. —nen.

Ba/nin (zware hoorn), v. —en. De — steken, op de — blazen.

Haxninen. ik heb gebazuind.

Beaarden (tnet aarde bedekken), ik heb benard: beaarding, v.

Beambte (ambtenaar van lagen rang), rr.. en v. —n.

Beamen (toestemmen), ik heb beaamd: beaming. v.

Beangst, bn. en bw.: —beid. v.

Beantwoorden, ik heb beantwoord: beant-woorder, m.: beantwoording, v.


ocr page 50

BEATISME—BEELDEN.

30

BeatiNine (sch ijnli ei I i u he ilt;h. o.

Beau {minnaar, begeleider), m.; mv.: beaux.

Beaii-inoiide ule eerste standen), m. gmv.

Beau-wxe (het schoone tjeslacht), m. gmv.

Beaiitê (schoonheid), v. Zij is een —.

Behlaard (rol blaren), bn.

Beboeten (in de boete slaan), ik heb beboet: beboeting, v.

Bebouwen (den grond bemerken), ik heb bebouwd: bebuuwer, in.: bebouwing, v.

Becij leren (narekenen), ik heb becijferd: beeijlering, v.

Bed. o. —den: —legerig, bn.: —stede en —Mtee, v. —steden. Het — houden, ziek zijn: het — eener rivier, de bedding: het — van eer, slagveld: scheiden ran tafel en —. rechtst., tijdelijk gescheiden leven: een tain—. een bloem—, een rozen—, enz.

Bedaagd (bejaard), bn.: —beid, v.

Bedaard, bn. en bw.: —beid, v.: —elijk, b\v.

Bedaelitzaani (onizichtig). bn.: —beid, v.

Bedanken, ik heb bedankt: bedanking, v.: bedankje, o.

Bedaren, ik heb en ben bedaard: bedaring, v.

Bedauwen (bevochtigen), ik hel) bedauwd: bedauwing. v.

Bedding (rivierbed), v. —en.

Bede. v. —n: —dag. m. —en: —ImiH, o. —huizen; —«tond, m. —en: —vaart,v.—en: — vaartganger. m. —s.

Bedeelen (een deel geven ran), ik heb bedeeld: bedeeier, m.: bedeeling. v. Fig. Hij is rijk bedeeld, bezit veel gaven, talenten: de fortuin heeft hem goed bedeeld, hij is zeer rijk.

Bedeesd (verlegen), bn. en bw.: —beid, v.

Bedekken, ik heb bedekt: bedekking, v.: bedeksei. o.

Bedekt {geheim, geveinsd), bn. en bw.: —elijk, bw.

Bedelen, ik heb gebedeld: bedelaar, m. Een bedeldeken, deken, overtrokken met lapjes katoen van alle kleur en soort, bij vriend en kennis bijeengescharreld: evenzoo: bedelarmband, d. i. met zilveren aanhangseltjes.

Bedelaarsdeken (een veelkleurige lappendeken). v. —s.

Bedelarij, v.

Bedelbrief, m. —brieven: —monnik, m.—en: —orde. v. —n: —stal', m.: —xak, m. —ken.

Bedelven (begraven), ik bedolf, heb bedolven: bedelving, v.

Bedenkdag (bedenktijd), m. —en.

Bedenkelijk, bn. en bw. Een —e ziekte, erge, gevaarlijke ziekte: hij is — ziek, d.i. erg ziek. -beid. v.

Bedenken, onr. ik bedacht, heb bedacht: bedenker, m.: bedenking, v.: bedenktijd, m.

Bederf, o. gmv.: —elijk. bn.: —beid, v.:

—werend, bn. Zout is —werend.

Bederven {onbruikbaar maken), ik bedierf, wij bedierven, heb en ben bedorven; bederver. m.: bederving, v.

Bediende, m. en v. —n.

Bedienen, ik heb bediend: bedienaar, m.;

bediening, v. Het geschut —; Iwt Evangelie, het altaar —, een stervende —. d. i. in de l{. C. 1 kerk tie Sacramenten der stervenden toedienen. '

Bedijken (met een dijk omringen), ik heb bedijkt: bedijker, m.; bedijking, v.

Bed i I a I (albesi h i /.quot;). m. en v. —len.

Bedillen {bevitten), ik heb bedild: bediller, m.; bedilling. v.: bedilxuebt, v.

Bedilziek, bn. Een — rroiuvtje.

Beding (voorwaarde), o. —en.

Bedingen, ik bedong, heb bedongen: bedinging, v.

Bedisseleii (met den dissel bewerken), ik heb bedisseld: bedissellng, v. Fig.: in orde brengen, regelen.

Bedlegerig (ziek), bn.: —beid, v.

Bedoelen {op het oog hebben), ik heb bedoeld; bedoeling, v.

Bedoen (zieb) (zich bevuilen), ik bedeed mij, heb mij bedaan.

Bedompt (duf, donker, benauwd), bn. —er, — st: —beid. v.

Bedotten {misleiden, ergerlijk foppen), ik heb bedot: bedotter, m.: bedotting. v.

Bedrag (som), o. Tot een — van, d. i. een som van: ten bedrage van.

Bedragen (een som uitmaken), het bedroeg, heeft bedragen. Die schuld bedraagt f 20.

Bedreigen, ik heb bedreigd: bedreiging, v.; met boete, met straf

Bedremnield {verlegen), bn.: —beid. v. ^

Bedreven (geoefend, ervaren), bn.: —beid, v.

Bedriegen, ik bedroog, heb bedrogen: bedrieger, m.; bedriegerij, v.

Bedrieglijk, bn. en bw.:*—beid, v.

Bedrijf (beroep, handwerk, daad), o. bedrijven.

Bedrijfal, m. en v. —len.

Bedrijven (doen, volvoeren), ik bedreef, heb bedreven: bedrijver, m.; bedrijving, o.

Bedrijvig (werkzaam), bn. en bw. Een —e huismoeder, het —e Amsterdam.

Bedrilal (bedrijfal). m. en v. —len.

Bedroefd (treurig, droevig), bn. en bw.; -beid. v. Een —e vrouw, zij ziet er — uit, een — beetje, zeer weinig.

Bedroeven {droefheid veroorzaken), ik heb bedroefd: bedroeving, v.

Bedrog, o. gmv.: — plegen, bedrieglijk handelen.

Bedroppelen en bedruppelen (droppelsge-wijze natmaken), ik heb bedroppeld (bedruppeld).

Bedruipen {bevochtigen met droppels), ik bedroop, heb bedropen; lig. hij kan zich —, eigen kost winnen.

Bedrukken (ro kir ukken), ik heb bedrukt; bedrukking, v.

Bedrukt (bedroefd, neerslachtig), bn.; — beid. v.

Bedruppelen, bw. Zie: Bedruppelen.

Beduelit. bn.: — zijn voor iels. iets vreezen; —beid, v.

Beduiden, ik heb beduid; beduider, m. beduidenis. v. beduiding, v.

Beduimelen {verlegen maken, ompraten) ik heb beduiveld: bedui veling. v.

Bedunken (mijns, zijns, onzes —s), o.

Bedwang, o. fn — houden, in zijn macht hebben: onder — zijn, beheerscht worden Jour.

Bedwelmd (duizrlig. rerward), bn.; —beid, v.

Bedwelmen {duizrlig maken, benevelen), ik heb bedwelmd: bedwelming, v.

Bedwingen (in bedwang houden), ik bedwong, heb bedwongen: bedwinger, m.

Beêedigen {drn red laten a/leggen), ik heb beëedigd: beêediging, v. Een beërdigdschatter, klerk.

Beefaal {sidderaal), m. beefalen.

Berk (kle'me rivier), v. beken: —Je. o.

Beeld. o. —en: —je. o. —s.

Beelden, ik heb gebeeld: beeldenaar, m. De

—de kansten (teeken-. graveer-, schilder- en beeldhouwkunst).


ocr page 51

BEELDERIG—BEHOEDEN.

31

Beelderig; {zeer fraai), bn. Een — hoedje.

Beeldhouwen, ik heb gebeeldhouwd: beeld-I urn we r. m.: — liouwerij. v.; —houwers-knecht, m.; —hoiiwerawinkel, m.; —liouw-kmiHt, v.; —bouwwerk, o.

Beeldig; (beelderig), bn.

Beeldjeskoop (renter), m. —en.

Beeldrijk, bn.: —lieid, v.

Beeldsttu'iner (vernieler van heelden, plan-deraar), m. —s; —Htormerij (Vad. gesch. 1560), v. —en.

BeelteniH (afbeeldimj), v. —sen.

Beemd (laag weiland, dicht, bebloemd veld), m. —en.

Been. o. —en (lichaamsdeelen); —deren (knoken, gebeente).

Beenen (van been), bn. Een — knoop, kant, knop. enz.

Beeneter (kanker), m. geneesk.

Beenig (met been), bn. Een — stak vleesch, d. i. met veel knoken.

Beenzwart (poeder), o. gmv.

Beer (varken, luaterkeering, maar stat, heiblok), m. —en.

Beer {verscheurend dier), m. beren.

Beer (drel.). m. gmv.

Beërven (door erfenis verkrijgen), ik heb beërfd: beèrving. v.

Beest (dier. lig. slecht mensch, onhandigheid in het spel), o., (v. in: de — spelen), —en.

Beest (bakker-na n, zaar), bn. Jongen blijf of, als de diender je ziet, ben je —.

Beest is; (erg, zeer), bn. en bw. Een —e rommel; — koad; —lieid (beestachtigheid), v.

Beet (hap), m. beten.

Beet (biel), v. —en: —wortel, m.

Beetlielihen, ik heb beetgehad (bij 't visschen). Fig. iem. —. d. i. foppen, bedotten.

Beetje (kleine hap, klein stak), o. —s.

Beetkri|ü;en, ik kreeg beet, heb beetgekregen. Fig. iemand te pakken krijgen.

Beetnenien, ik nam beet, heb beetgenomen. Fig. iem. bedriegen.

Beetpakken, ik heb beetgepakt.

Bef, v. —fen; —Je, o. Dominees—, de — aandoen, gmz. zich op zijn Zondagsch kleeden.

Beriianid (bekend, vermaard), bn. en bw.: —heid. v.

Behaald (talentvol), bn. en bw. Een — dichter, spreker, zanger, redenaar, schrijver enz.

Begaan, ik beging, hel» en ben begaan. Een diefstal —, een moord —. d. i. plegen. Ik ben met hem —, ik heb medelijden met hem.

Begaanbaar, bn.: —beid. v.

Begeeren (verlangen), ik heb begeerd: beheerder, m.

Begeerig igretig), bn.: —beid, v.

Begeerlijk (aanlokkend), bn.: —beid, v.

Begeerte (verlangen, ivensch, ivil), v. —en.

Begeleiden (veniezellen). ik heb begeleid: In •geleider, m.: begeleilt;liiig. v.

Begenadigen (ka'ijtschelding schenken), ik heli begenadigd: begenadiging, v.

Begeven (schenken, bederlrn). ik begaf, heb begeven: begever. m.; begeving, v. Een ambt zijn vrienden —. d. i. verlaten:

zijn krachten — hem, verlaten hem.

Blt; 'gieten, ik begoot, heb begoten: begieter, m.; begieting, v.

Begiftigen (beschenken met), ik heb begiftigd: begiftiger, m.: begiftiging, v.

Begijn (klopje), v. —en.

Begijnenhof, o.: —koek, m. —en.

Begin (aanvang), o. In den —ne; van den —ae aan; alle — valt zwaar.

Beginnen, ik begon, heb en ben begonnen; beginner, m.

Beginsel (grondregel), o. —en en —s.

Begluren (bespieden), ik heb begluurd: begluring, v.: beglunrder, m.

Begooehelen (verblinden), ik heb begoocheld: begooehelaar, m.: begooelieling, v.

Begraafplaats (kerkhof), v. —en.

Begraasd (met gras bedekt), bn.

Begrafenis, v. —sen.

Begrauwen (toegraawen, bekijven), ik heb-begrauwd.

Begraven, ik begroef, heb begraven: be-graver. m.: begraving, v.

Begrenzen, ik heb begrensd; begrenzing, v.

Begrijpelijk (verstaanbaar), bn.: — maken.

Begrijpen' (beselfen, inzien), ik begreep, heb begrepen. Daar heeft hij het niet op be-grepen, d. i. daar is bij een vijand van.

Begrinten (met grint beleggen, b.v. een-weg), ik hel» begrint: begrinting. v. Ook: Begrinden.

Begrip (oordeel), o. —pen. Vlag ran —. verstand: een kort — ran iets, een korte inhoud,, uittreksel.

Begripswoord, o. —en.

Begroeien, het is begroeid: begroeiing, v.

Begroeten, ik heb begroet: begroeting, v.

Begrooten (berekenen, schatten), ik heb begroot: begrooting. v.; —derwijze, bw.

Begunstigen (becoordeelen). ik heb begunstigd; begunstiger, m.: beguiiHtiging, v.

Behaaglijk (aangenaam), bn.; —heid, v. Zich — maken.

Behaagziek, bn. Een —c ja/fer.

Behaagzueht. v. gmv.

Behaard (met haar begroeid), bn.: —heid. v.

Behagen (goedvinden, bevallen), ik heb behaagd. Ook onpers. w.w.: het behaagt mij, ik begeer het: het behage a; het be hag e den goeden God!

Behalen (rerkrijgen), ik heb behaald: beha-Ier. m.: behaling. v. Den prijs —, de overwinning —.

Behandelen, ik heb behandeld: behandeling. v.

Behangen, ik behing, heb behangen: behanger. m.: behangerij, v.

Behangsel, o. —s.

Behartigen (ter harte nemen, verzorgen), ik hel» behartigd: behartiger, m.: behartiging, v.

Belieeren (bestaren), ik heb beheerd: beheer, o.; beheerder, m.: beheering, v.

Beheersehen (regeeren over), ik heb be-heerscht: beheerseher, in.; beheersehing. v.

Beheien (palen inheien op een boa allerrein), ik heb beheid: beheiing, v.

Behelpen (zich), ik behielp mij, heb mij beholpen. Hij behielp zich met die som. hij wist rond te komen.

Behelzen (bevatten), het heeft behelsd, veelal gebruikelijk in den 3den persoon: Dit bericht behelst, dat...

Beheniot (een monsterachtig dier, waar ran. in den Bijbel gesproken wordt), m. —s.

Behendig (vlag, lig. listig), bn. en bw.; —heid, v. —heden: —lijk, bw.

Behept (onderhevig), vd. |van het werkw. hebben, ontstond uit: behebdj. Met een gebrek, een ondeugd — zijn.

Behoeden (het ree oppassen, beschermen.

:

i

fl1 i' li

li

^ é

: s, fll

■i i

M

\ 'r

lil


i

ocr page 52

BEHOEDZAAM—BEKRIJGEN.

32

verzorgen), ik heb behoed: behoeder, m.; bflioeding. v.: belioedmiddel, o. BelHX'dzaain {voorzichtig), bn. en bw.: — lieid, v.

Rehoef', o. Ten behoeve van, ten nutte van. Belioel'te (gebrek, nood). —n.

Behoeftis (arm), bn.: —lieid. v.

Behoeven (noodig hebben), ik heb behoefd. Het behoeft niet, is niet noodig.

Behooren (toebphoorcn). het heeft behoord. Dot boek behoort mij. Dnt behoort zoo (passen, j eischen. betamen).

Behoorlijk (betamelijk), bn.; —lieid, v. Behoud,'o. Mei — run salaris.

Behondeii, ik behield, heb behouden: behouder. m.: hehoiidins;. v.

Behoudt'iiiH (redding, zalighamp;id), v. gmv. Bi'houdeiiH. vz.

BelioiidHiiian {conservatief), m. —lieden. B«gt;liou\vlt;'ii (door kappen gesehil.t maken), ik behieuw, heb behouwen: behouwiug. v. gmv. Behuisd, bn. Goed — zijn. goed wonen. Behulp, o.

Behulp/.aaui. bn.: —heid, v.

Behuwd (aangetronmd). bn.: —broeder, m.: —dorliter. v.: —moeder, v.: —vader, m.; —zoon, m.: —zuster, v.

Behuwen (door hmvelijk verwerven), ik heb behuwd. Een aardig vermogen —.

Bei (bezie, bes), v. —en: alleen gebruikelijk in samenstellingen, als: aardbei, moerbei; gew. de —en ran a irdappels.

Beide (van 'aken), —n (van personen), telw. Beiden (wachten), ik heb gebeid.

Beiderlei. —bande (van beide soort).

Beiereu (naatn van het land),o. Beierseh. bn. — bier. Beier (een man uit —), m. Beieren, Beierschen, mv.

Beieren (op de klokken spelen), ik hel» gebeierd: beieraar. in.: beieriiigf. v.

Beijveren lt;ziehgt; (zich bevlijtigen), ik heb mij beijverd: heijveraar. m.: beijverins:, v.

Beitel (timm! iverktuig). m. —s. Ken steek—, een kant—, een kromme —.

Beitelen (met den beitel maken), ik heb gebeiteld: — iiitf

Bejaard (hoog van jaren), bn.: -beid. v. Bejaen (bevestigen met ja), ik heb bejaad. Bejag o. gmv.

Bejagen (streven naar), ik bejoeg of bejaagde, héb bejaagd: bejager, m.: bejaging, v. Bejauiuieren (jammeren over), ik heb bejammerd.

Bejegenen (overkomen, behandelen), ik heb bejegend: bejegening, v.

Bek (mail), m. —ken. Bek (gt;/}ogt;irf),gmz.onder de laagste klassen.

ftelumld(beschaatnd.verlegoD.hn.enhw. Er — afkomen (gmz. er slecht of verkeerd afkomen). Bekaden (bedijken). ik hebbekaad: bekading,v. Bekaf (bek-af, d. i. doodmoe), bn. en bw. Bekamen ihet met haam bedekt morden van ivijn. bier. enz.), is bekaamd.

Bekanipen (bestrijden), ik heb bekampt:

bekainpiiig. v.

Bekeeren (tot inkeer brengen), ik heb bekeerd: bekeerder, m.: bekeering, v. Bekeeringsijver. m.- —zueht, v.

Bekeerling i persoon). m. en v. —en: v. ook —e. Bekend, bn.: —heid. v.

Bekende, m. en v. — n.

Bekendinakeii. ik heb —gemaakt: —maker, m.: —making, v.: —wording, v.

Bekeiinen (erkennen, belijden), ik heb bekend: bekeniier, m.; bekenning. v.: bekentenis, v. Beker (kelk), m. —s.

Bekeuren (beboeten), ik heb bekeurd: be-keurder, m.: bekeuring, v.

Bekijk (veel bekijks hebben), o.

Bekijken, ik bekeek, heb bekeken: bekijker. m.: bekijking. v.

Bekijven', ik bekeef, hel» bekeven: bekijver. m.; bekijving, v.

Bekken, o. —s. Een doop—, een scheer—. Op de —s slaan. muz.

Bekkeneel (hersenpan), o. —en.

Bekkesnijden (elkaar met messen te lijf gaan): —snijder, m. Geen kermis, of men 'hoort in Friesland van —.

Keklaaglijk. bn. en bw.: —heid, v Bekladden (bevlekken), ik heb beklad: be-kladder. m.: bekladding, v. Fig. ion. goeden naam —. tem. eer —, d. i. bezoedelen.

Beklag, o. gmv.

Beklagen (troostwoorden toespreken), ik heb beklaagd: beklager, m.: beklaging, v. Beklant, m. Een —e winkel.

Bekleeden (bedekken), ik heb bekleed: be-kleeder. m.: bekieeding. v.: bekleedsel, o. Fig. een ambt —, vervullen: met een ambt —, benoemen tot.

Beklemd (benauwd, beangst), vd. en bn.: —heid, v.

Beklemmen (benauwen), ik heb beklemd: beklemming, v.

Beklemrecht (erfelijk recht tegen hun)- van l landerijen, huizingen, enz.), o.

: Beklijven (gedijen, doren), het heeft beklijfd: 1 heklij ving. v. De leerstof doen —.

Beklinken (vastklinken), ik beklonk, heb lie-I klonken. Fig. regelen, schikken, in orde brengen, i Beknibbelen (nauw bedingen), ik heb beknibbeld: beknibbelaar. m.; beknibbeling, v. Beknopt (kort samengevat), bn. en bw.: —elijk. bw.: —heid. v.

Bekoeht. vd. en bn. — zijn. te duur gekocht | hebben: ik ben er aan —, ik heb het te duur. ' Bekuuien (bijkomen, herleven), ik bekwam, heb en ben bekomen: bekoming. v. Bekommerlt;l (vol zorg), bn.: —heid. v. Bekommeren (ongerust maken), ik heb bekommerd. Itekommer u daar niet over. maak u niet bezorgd: bekommering, v.: bekommernis, v.

Bekomst (verzadiging), v. II,- heb er mijn — van.

Bekoopen (ornkoopen), ik bekocht, heb bekocht. Hij heeft het met den dood bekocht. d. i. geboet.

Bekoorlijk (aanlokkend, schoon), bn. en bw.: —heid, 'v.

Bekoren (aanlokken), ik heb bekoord: be-koorder. m.: bekoring, v.

Bekorten (kort maken), ik heb bekort: bekorting. v. Zich —, het kort maken met zijn rede.

Bekostigen (betalen), ik heb bekostigd: be-kostiger, m.: bekostiging, v.

Bekraehtigen (wettigen, bevestiger), ik heb bekrachtigd: bekraehtiger, m.: bekrachtiging, v.

Bekransen (met een of meer kransen sieren). ik heb bekranst: bekransing. v.

Bekreunen (zich), ik heb mij bekreund. Zich niet — over. zich niet bekommeren. Bekrijgen (beoorlogen), ik hel» bekrijgd.


i

ocr page 53

BEKHÏJTEN—BEMALEN.

33

Be krijten {beschreien), ik bekreet, heb bekreten. Met bekreten ooyen.

Bekrimpeii (ziHi). ik bekromp mij. heb mij bekrompen: hpkriinping (beiierkiny), v. Bekroinpeii (beperkt), bn. en bw.: —hvid, v. Bekronen (een kroon opzetten: fig. den eereprijs toekennen), ik heb bekroond: bekroner. m.; bekroning, v.

Bekruipen {kruipende bereiken), ik bekroop, heb bekropen: bekruiping, v. De lust bekroop mij, kwam in mij op.

Bekuipen (in kuipen), ik heb bekuipt: b«'kui-ping, v. Fig. Een ambt —. listig verkrijgen. Bekwaam Ojesrhikt), bn. en bw.: —liei«J, v. Bekwamen (bekwaam maken), ik heb bekwaamd: bekwaming, v. Zich tot iets —. Hekavijlen (bezeeveren), ik heb bekwijld. Bel (schel, klokje), v. —len.

Belabberd (ellendig), bn. en bw.: —lieid. v. Belaelielijk. bn. en bw.: —beid. v.

Belaelien. ik belachte of beloeg. hel» belachen:

belaeber. m.; belacbing;, v.

Beladen {bevrachten), ik heb beladen: belading, v.

Belagen (la'jen ley (jen aan), ik heb belaagd:

l»elag;er. m.: belaging, v.

Belakken (belasteren), ik heb belakt: be-lakker. m.; belakking. v.

Belanden (aanlanden), ik ben beland: belauding, v. Waar zal ik —? terechtkomen. Belang, o. —en. Een zaak van —, gewicht. BelangelooH (zonder eigenbaat), bn. en bw.:

— beid. v. —ze halp.

Belangen (betreffoi), het heelt belangd. Belangende {aangaande), vz. Belanghebbende, m. en v. —n. Hij is er — bij, er geldelijk bij betrokken.

Belangrijk (gewichtig), bn.: —beid. v. BelangHtellen (deelneming htonen), ik heb belanggesteld: belangHteliiiig. v. Belangstellend, bn. Een — toehoorder. Belangwekkend, bn. Een — verhaal. Belastbaar, bn.: —beid. v. Een — inkomen. Belasten, ik heb belast. lem. — met; belast en beladen.

Belasteren, ik heb belasterd: belastering, v.

Belasting (opbrengst), v. —en: —biljet, o. —ten: —seliuldige. m. en v. —n. Directe en indirecte —; bed rij fs—. vermogens—, grond—, enz.

l^eleedigen (hoonen, fig. kwetsen), ik heb be-leedigd: beleediger. m.: beleediging. v.

Beleeld (vriendelijk), bn. en bw.: —beid, v.:

—elijk. bw.

Beleenen (geld opnemen met iets als onderpand). ik beb beleend: beleener. m.; beleening. v.: beleenbank, v.

Beleg (insla Hing eener vesting), o. Het — slaan om; het — opbreken; instaat van — verklaren. Belegen, bn.: — bier, — kaas, — wijn, d.i. oud. Belegeren, ik heb belegerd: belegeraar, m. Belegsen (dekken met), ik heb belegd (of beleid): belegger, m.: belegging, v.: belegsel, o.; belegstuk, o. Gelden —. op interest zetten: een vergadering —. samenroepen.

Beleid (overleg), o. Met — handelen. Beïeiden (bestaren),ik heb beleid: beleider. m. Beleiiimeren (Storen, hinderen), ik heb belemmerd: belemmeraar, m.: belemniering, v. Befemnieten (versteeningen van onbekende zeedieren), m. mv.

Belenden (grenzen aan), ik heb en het is be-lend: belending, v.

koenen, Verkl. Handivdb. d. Nederl. taal.

Bei-esprit (schrander hoofd, geestig schrijver), m. (mv. beaux-esprits).

Belet (verhindering),o. — hebben, vragen,geven. Bel-êtage (eerste verdieping), v. —s.

Beletsel (hindernis), o. —en, —s.

Beletten (verhinderen), ik heb belet: belet-ting, v.

Beleven (leven tot aan, ondervinden), ik heb beleefd.

Belezen, ik belas, heb belezen: belezer, m.; belening, v. Zich laten —, overhalen. Belezen, bn.: —beid, v. Een — man, die veel gelezen heeft.

Belgicisme (Vlaamsche uitdrukking), o. —n. Belgen (zieb), ik heb mij gebelgd: belging, v. Het beige u niet, d.i. make u niet boos. Belgziek (driftig, oploopend), bn.

Belhamel, m. —s. Fig. Voorganger, raddraaier. Belial {hellevorst), m.: —skind {duivelskind),o. Belichamen ( 'oncreet voorstellen), ik heb belichaamd: belicbaining. v.

Beliegen, ik beloog, heb belogen: belieger, in. Believen, ik heb beliefd: als zn. o.: believer, m.; believing, v.

Belijden (bekennen), ik beleed, heb beleden: belijdenis, v.: belijder, m. Een godsdienst —. Belijiien (van lijnen voorzien), ik heb belijnd: belijning, v. Fig. schetsen, in beeld brengen. Belladonna (schoone vrouw: wolfskers, vergift), v. —donna's.

Belle (schoone), v —s.

Bellen (aan de schel trekken), ik heb gebeld. Belles-lettres (fraaie 'etteren, letterkunde), v. mv.

Bellettrie {letterkunde), v.

Bellettrist {een criend of kenner der fraaie letteren), m. —en.

Bellettristiscb (letterkundig), bn. Het — leesboek.

Bellevue en Belvedère {een plaats met schoon uitzicht), o.

Beloeren (begluren), ik heb beloerd: bi'loer-der, m.; beloering. v.

Belofte (toezegging), v. —n. Het land van—, Kanaiin: — maakt schuld.

BeloCtenis. v. —sen. godg.

Beloken, vd. en bn. van het oude Beluiken. — Paschen, de eerste Zondag na Paschen. Belommeren (beschaduwen), ik heb belommerd: belommering, v.

Belonken, ik heb belonkt: belonking. v. Beloonen, ik heb beloond: belooner, m.: belooning. v. belooninkje. o. —s.

Beloop (gang), o. Iets op zijn — laten, iets zijn gang laten gaan.

Beloopen. ik beliep, heb beloopen. Een pud —, begaan: de scha ie beliep duizend gulden, bedroeg.

Beloven (toezeggen), ik heb beloofd: belover, m. beloving, v.; belofte, v.

Belroos (huidziekte), v. gmv.

Belt (aschbelt), v. —en.

Beluiden (beluien), ik heb beluid. Een lijk, een doode —, de doodsklok trekken.

Beluiken (sluiten, eindigen): slechts het vd. beloken is gebruikelijk.

Beluisteren, ik heb beluisterd: beluisteraar, m.: beluistering, v.

Belust (begeerig), bn. en bw.: -beid, v. Belvedère en Bellevue (schoon uitzicht), o. Beuiaebtigen dn zijn macht krijgen), ik heb bemachtigd: bemaehtiging. v.

Bemalen onet den watermolen het Witter in

3


ocr page 54

BEMALEN-BERADEN.

34

een polder enz. o/t peil honden), ik heb —. Bemalen (beschilderen), ik heb bemaald. Bemaling (het malen met een' watermolen), v. —en.

BeiiialiiigHwerktuiK, o. —en.

Beiiiaiiiien {van manschap voorzien), ik heb bemand: heinaiiniiiK- v. Een schip —. Benisinteleii. ik heb bemanteld: bemaiite-lins. v. Fig. bedekken, bewimpelen, vergoelijken.

Bemèrken uie», umarneinen), ik heb bemerkt: bemerking, v. (Men bezige niet bemerking voor aanmerking).

BemeHten. ik heb bemest: bemesting v. Bemiddeld {welgesteld), bn. en bw.; —Iieid.v. Bemiddelen {bevredigen), ik heb bemiddeld: bemiddelaar, m.: bemiddeling Uusschen-komst), v. Een geschil —, bijleggen.

Beminde {geliefde), m. en v. — n.

Beminnen {liefhebben), ik heb bemind: naar, m. —naren en —naars. Zie: Beininner. Bemiiiner, m. —s. Ook beminnaar, b.v. van schoone kunsten, lectuur, enz.

Bemoedigen (aanmoedigen), ik heb bemoedigd: bemoediging, v.

Bemoeial, m. en v. —len. Deze dame is een echte —.

Bemoeien, ik heb bemoeid (\v\v. ik bemoeide mij, heb mij bemoeid): benioeienis. v.: hemoeiing, v.; bemoeiziielit, v. Bi'inoeilijkeii (lastig maken), ik heb bemoeilijkt: bemoeilijking, v.

Be-mol (de zachte toon: be-molsleatel), m. mi./.. Bemorsen {bevuilen), ik heb bemorst: be-inorMing. v.

Bemost (met mos begroeid), bn. Len — dak. Ben (hengelkorf), v. —nen. Een visch—. Benaarstigen (zich toeleggen op), ik heb be-naarstigd: benaarstiger. m.: benaar»ti. ging, v.

Benaiisten (benaderen van goederen), ik heb benaast: benaasting. v.

Benadeelen (schade berokkenen), ik heb benadeeld: benadeeler, m.: benadeeling. v. Benaderen (beslat/ leggen op». ik heb benaderd: benadering, v. Bij —ing, ongeveer. Benaming, v. —en. Onder — van, d. i. onder den titel, naam van.

Benard, bn.: —beid, v. Zie: Benarren. Benarren (angstig maken), ik heb benard. Benarde omstandigheden, d. i. lastige, moeilijke omstandigheden.

Benauwd {eng. naaw, drakkend), bn. en bw.: — beid. v.

Benaiiwen, ik heb benauwd: benauw er. m.: ben:iiiwing. v.

Bende {troep), v. —n. Een — movers, dieven. Benedietie {zegening, zaligspreking), v. —tiën. Benedietijn {monnik van de orde van St. Benedictie, in 424 gesticht), m. —en. Beneliee (voordeeleen uit gunst verleend ambt. voorrecht), o.

Benefieeeren (be voor dee len, gunst betoonen). Benelieiant (tooneelspeler ten wiens voor-deele de voorstelling wordt gegeven), m. —en. Benelieiaiite. v. —n.

Mmvi'wi (voordeel; voorstelling in den schouwburg ten voordeele van een bijzonder persoon), o.

Benemen (ontnemen), ik benam, heb benomen: benenier. m.: beneniing. v.

Benepen (benauwd), bn. en bw.: —beid. v. Benevelen {verduisteren), ik heb beneveld: beneveling, v. Het versland —, de waar-BenevensimeO, vz. \heid

Bengel {klok, klepel), m. —s. Fig. levenmaker, lomperd, kwajongen.

Bengelen (luien), ik heb gebengeld. Bengelkrnid( bm0eftovfid),o.gmv. Zeker gewas. Benieuwd (nieuwsgierig, verlangend om te hoor en, om te zien, om te weten), bn. Benienweii. het heeft benieuwd. Het —t mij, d. i. ik ben nieuwsgierig.

Benijden, ik heb benijd: benijder. m.: be-

nijding. v. Beter benijd dan beschreid. Benijpen (beknellen), ik beneep, heb benepen, Benjnin (benzoin), (zekere welriekende gom). v. gmv.

Benoemen, ik heb benoemd: benoemer, m.: benoeming, v.: benoemingsbrier, m. Tot

een ambt —. d. i. aanstellen.

Benoodigd. bn.: —beid, v.

Benoorden (teil noorden van), bijw. en vz. Bent (dub), v. Een letterkundige —. de schilders—. (Het woord veroudert.)

Benul (besef), o. Ook: belui.

Beoeleiien (bestudeeren), ik heb beoetend: beoelenaar, m.: beoerening, v.

Beolien (met olie bestrijken), ik heb beolied. Beoogen (bekijken), ik heb beoogd: beooging. v. Fig. bedoelen, doelen op. Beoordeelen (een oordeel vellen), ik heb beoordeeld: beoordeelaar, m.: beoordeeling, v. Beoorlogen, ik heb beoorloogd: beoorloger, m.: beoorloging, v.

Beo«»sten (ten oosten van), bijw. en vz. Bepaald (vastgesteld), bn. en bw. Een —e tijd, prijs, afspraak, belofte enz.

Bepalen (begrenzen, regelen, vaststellen), ik heb bepaald: bepaler, m.: bepaling, v. bepalinkje, o.

Beparelen (met parels sieren), ik heb be-pareld. Met dauwdroppels —.

Bepeinzen (overdenk e n), Ik heb bepeinsd: lepe inzing, v.

Beperken, ik heb beperkt: beperker, in.; beperking, v.

Beperkt {eng, bekrompen), bn.: -beid, v. Beplakken, ik heb beplakt: beplakker, m.r beplakking, v.: beplaksel. o.

Beplanten, ik heb beplant: beplanter, m.: beplanting, v.

Bepleisteren (met witkalk, cement beplakken). ik heb bepleisterd: bepleistering, v. Bepleiten, ik heb bepleit: bepleiter, m.: bepleit ing. v. Een zaak —, met woorden verdedigen.

Beploegen, ik heb beploegd: beploeging, v.

Een akker —: de zee —. bevaren.

Bepluisd (met pluizen bedekt), bn.

Bepoten (met poten beplanten), ik bepoótte, heb bepoot; bepoting. v.

Bepraten (zich laten overhalen), ik heb bepraat: beprater, m.: beprating, v.

Beproefd (op de proef gesteld, deugdeli k). bn. Hij is zwaar —, hem trollen veel ongelukken; —e trouw, echte, degelijke trouw. Beproeven, ik heb beproefd: beproever, m.;

beproeving {tegenspoed), v.

Beraad {overleg), o. Na rijp —. Beraadslagen (overleggen, te rade gaan), ik heb beraadslaagd: —slager, m.: —staging, v. Beraden {bedachtzaam, bezonnen), bn.: — beid, v.

Beraden (zieb), ik beried of beraadde mij. heb mij beraden: berading (overleg), v.


ocr page 55

B E KAMEN—BKSCHüLDIGDK.

Beramen (ontwerpen), ik lieb beraamd: be-rainer, m.: heraininp;, v. Een plan

Berapen (bepleisteren), ik heb beraapt: be-rapins, v.

Berberi.s {zeker ge was), v. —sen.

Berean [stof ran wol eii 'jeitenhaar), o.

Berceau (pri'êeL, boomgewelf; een wieg), o. berceau's.

Berd (bord), o. Fig. Te —e brengen (komen), ter sprake brengen (komen). Zie ook: Bret.

Beredderen {in orde brengen), ik heb beredderd: beredderaar. m.: bereddering, v.

Bereden, vd. en bn. Een — officier, raiter, d. i. geoefend.

Beredeneeren (bespreken), ik heb beredeneerd.

Bereiden (gereedmaken), ik heb bereid: be-reider, in.: bereiding v.

Bereids (reeds), b\v.

Bereidvaardig, bn. en bw.: —beid. v. Bereidwillig;, bn.: —beid, v.

Bereik, o. Onder het — ran. kunnende bereikt worden.

Bereiken, ik heb bereikt: bereiking, v. Zijn doel —.

Bei'ei.nd, bn. Een — man. die veel gereisd heeft.

Bereizen, ik heb bereisd. Ü^• krrmissen —.

Berekenen, ik heb berekend: berekenaar. m.: berekening:, v.

Berenbiiid, v. —en: —jong, o.—en: —klauw

(klaaw ran een beer en ook plant), m. —en.

Berennen (omsingelen of inslaiten ran een resting), ik heb berend: berenner. m.: be-renning;, v.

Berg, m. —en. Een vanrs/iKwendr —.

Bergamot (peer), v. —ten.

Bergen (wegleggen, redden), ik borg, heb geborgen : berger, m.: berging, v.

Bergère (herderin; leuningstoel met een voetbankje), v. —s.

Beriebt (tijding gt;, o. —en. Een telegraphisch —.

Beriebten (doen iveten), ik lieb bericht: be-riehter. m.

Berieken (beruiken), ik berook, heb beroken.

Berijden, ik bereed, heb bereden: berijder, m.: berijding. v.

Berijmen (op rijm zetten), ik heb berijmd: berijmer, m.: berijming, v.

Beril (steen), m. —ien: (voor de stof), o. gmv.

Berin (wijfjesbeer). v. —nen.

Berispelijk (laakbaar), bn. en bw.: —beid. v.

Berispen' (beknorren), ik heb berispt: be-risner. m.: berisping, v.

Berk. rn. —en: —eboom. in. —en: —emeier (beker), m. —s: —enbast, m. —en: —en-liout, O.

Berkoen (dwarsbalk), m. —en.

Berlijnseli-blauw (blauwe kleurstof), o. gmv.

Berline (lichte koets roor rier paarden», v. —n.

Berm (hooge rand langs een dijk of weg). m. —en.

Bernage (zeker gewas), v. —s.

Beroemd (rermnard), bn.: —beid. v.

Beroemen (xieb), ik heb mij beroemd: be-roemer, m.: beroeming, v. Zich — up, \ trotsch zijn op.

Beroep (bedrijf, ambacht), o. —en. Een — uitoefenen; een — doen op, zich gronden op: in honger — komen (rechtst.), niet berusten bij een vonnis van een lagere rechtbank.

Beroepen, ik beriep, heb beroepen (ook ww. ik beriep mij, heb mij beroepen): beroeper, m.; beroeping, v.

Beroerd (naar. ellendig), bn.enbw.; —beid, v.

Beroerdeling (ellendeling), m. -en.

Beroeren, ik heb beroerd; beroerder, m.: beroering, v.

Beroerte (beslag), v. —n (onlusten).

Berokkenen (reroorzaken), ik heb berokkend; berokkenaar. m.: berokken ing. v.

Berooid (arm, uitgeput), bn.enbw.; —beid, v.

Berooven (door roof ontnemen), ik heb beroofd; benmver, m.: berooving, v.

Berouw (leedwezen), o. gmv.

Berouwen, het heeft berouwd. Die daad zal u —.

Berrie (draagbaar), v. —s.

Berst, m. Zie: H.irst.

Bersten. Zie : Barsten.

Beruelit (slecht befaanid), bn. en bw.: —beid. v.

Beruiken (ook berieken), ik berook, heb beroken).

Berusten, ik heli berust; berusting, v. Fig. in iets —, vrede hebben met; de heele zaak berust op hem, komt op hem neer.

Bes (bezie), v. —sen.

Beseiiaal'd, bn. en bw.; —beid, v. Een — eolk.

Besebaamd, bn. en bw.: — lieid, v.

Besebadigen. ik lieb beschadigd: beseliu-diger, m.: besebadiging. v.

Besebaduwen, ik heb beschaduwd; beseba-duwing, v.

Beseliainen, ik heb beschaamd; beseba-miiig. v.Fig. teleurstellen. lem. hoop —.

Besebansen (ran schansen voorzien), ik heb beschanst; besebaiising. v.

Besebaren (ontfutselen), ik heb beschaard; besehaarder, m.

Besebaven (glad maken met de schaaf). ik heb beschaafd: besebaver. m.: besebaviiiir. v. Fig. verbeteren, ont wikkelen, zedelijker maken.

Beseheid {a.ïitwoord), o. —en.

Beselieilt;leii (ontbieden), ik heb bescheiden.

Bescheiden (nederig), bn.;—iieid. v.;—lijk, bw.

Beseberen (toebedeelen), ik beschoor, heb beschoren; besebering (afschering). v.

Beseliermen (beschutten), ik heb beschermd; beseiienner, m.: beseherming, v.

Beschik (beschikking), o. gmv.

Besebikal (persoon), m. en v. —Ien.

Besebikken (regelen), ik heb beschikt; be-se bikker. m.: beschikking, v.

Besebilderen (kleuren), ik heb beschilderd; besebildering. v.

Besebiinmeld, vd. en bn.; —beid. v.

Beseliiinmelen. het is beschimmeld: be-sebiniineliiig. v.

Besejiinipeii (hoonen) ik heb beschimpt: be-sebimper, m.: besebiniping. v.

Beselioeien (een waterkant met hout of steen bekleeden), ik heb beschoeid; beseboeiing. v.

Besebonken (dronken), vd. en bn.: —beid, v.

Beseboren (toebedeeld), bn. Dat lot is mij —.

Beschot (afscheiding), o. —ten.

Beschot (opbrengst), o. gmv. Een goed — oplereren (in den oogst).

Beschouwen (bezie)i), ik heb beschouwd: besehouwer. m.: beschou w ins;, v.

Beschreien, ik heb beschreid: beschreier. m.

Beschrijden (b.v. schrijdelings op een paard gaan zitten), ik beschreed, heb beschreden.

Beschrijven, ik beschreef, heb beschreven. Een blad papier —: beschrijver, m.; beschrijving. v.: beschrijf ingsl»iljet, o.

Beschroomd (hang), bn. en bw.;'—beid, v.

Beschuit, v. —en.

Beschuldigde nningrkbmgde), m. en v. —n.


3*

ocr page 56

BESC HL LDIGEN-BETALEN.

3t)

Beschiildi^ii ((nmkltdjcn), ik heb beschuldigd: be«c-liiillt;liger, m.: heHcliuldiging, v. BeHcnntsel {al tvat eiy. beschut), o. —s. Bescliiitteii (bescluTincu), ik heb beschut; beseli utter, m^henvhutiln^ibeschcnnuig)^'. BeHct' ibeiirip), o. Geen — ran iets hebben, denkbeeld, idee, bewustzijn; zijn — kwijt zijn, verstand, begrip.

Bi'Hi'flVn {ijToncliij inzien), ik heb beseft; bcsening, v.

Beslaan (beklecilen, bedekken), ik besloeg, heb en liet is beslagen. Een ptKinl een rad —; beslcnjen (d. i. goed toegerust) ten ijs komen; fig. bevatten: ilit werk beshint achthonderd bladzijden; innemen: die plaat beslaat de ijeheele tafel; enz.

Beslag {bekleedsel), o. gmv. Ifrt hoe!—. Besleeliten {een 'jeschil rerelf'enen), ik heb beslecht: heslec-liter, m.; besleelitiiig, v. Beslissen (bes I och ten, ronnis rellen), ik heb beslist; beslisser, m.: beslissing, v.

Besloten {ijesloten, iniilt;'shiten),bn.; —lieid. v.;

— jacht, een — veiyaderiny; ren — terrein. Besluit, o. —en. Een — nemen, een — trekken. Besluiten {(nnslnitcn. omvatten), ik besloot, heb besloten: besliiiting, v. Fig. Een besluit nemen, a/leiden.

Besinettelijk {aanstekelijk), bn.; — beid, v. Besmetten {be tuur sen, bezoedelen), ik heb l'e-smet; besmetter, m.: besmetting, v. Besnanwen (toe*iranicen), ik heb besnauwd. Besnijden, ik besneed, heb besneden; be-snijder, m.; besnijding, v.; besnijdenis {(jo'dsdienstig Isr. (jebrnik). v.

Besnoeien, ik heb besnoeid: besnoeier, m.; besnoeiing, v. Fig. h-m. macht —.

Besogne {arbeid, werk, bezujheid), v. —s. Besogneeren {zaken behandelen).

Besominen {o/tbrenijen), ik heb besomd. Besparen, ik heb bespaard; bespaarder, m.;

besp.iring. v.

Bespatten (bevlekken), ik heb bespat; be-

spatting, v.

Bespelen, ik heb bespeeld. Het tooneel —, een viool —, d. i. spelen op.

Bespeuren {bemerken), ik heb bespeurd; bespeurder, m.; bespeuring, v.

Bespieden {beloeren), ik heb bespied: bespieder. m.; bespieding, v.

Bespotten {den spot drijven met), ik heb bespot: bespotter, m.; bespotting, v. Bespraakt {vhuj ter taal), l»n.: —beid, v. Besprek (movideliinje onderhandeümj), o. In — zijn orer iets met iem., d.i. onderhandelen. Besprengen (besprenkelen), ik heb besprengd (besprenkeld); besprenging (besprenkeling), v.

Bessebooni. m. —en; —struik, m. —en. Bessengelei, v. —en: —jenever, v.; —nat,o.;

—sap (het sap ran bessen), o. (als toebereide drank), v.', —tros, m. —sen: — vla,v. —vlaas. Best. bn. en bw. (overtr. trap van^ goed).

Best (oude rronw), v. —en; bestje. o. —s. Bestaan (onrlernemen), ik bestond, heb bestaan. Wie zon dal — ? d. i. wagen, durven doen; de tnenseh bestaat nit zielen lichaam; zijn vermogen bestaat in hnizen; hij moet van een klein pensioen —, d.i. leven: inden bloede —, verwant zijn; zon bestaat hij niet, zóó is hij niet van aard.

Bestand {irapenscltorsing). o. Hel twaalf-jarig —. [ tegen.

Bestand (kannende weerstaan), bn.; — zijn

Bestanddeel, o. —en.

Bestedeling (weeskind, verlaten kind), m. en v. —en; v. ook —e: —sbuis, o. —huizen. Besteden {uitgeven, betalen), ik heb besteed: besteder, m.; besteding, v.

Bestek (ontwerp), o. —ken. In Groningen

maat van turf in het veen.

Bestekamer (sekreet), v. —s.

Besteken (steken op, overleggen), ik bestak, heb bestoken; besteker, m.; besteking, v.; besteekband {overstekende rand) m.; be-steeksel {geschenk ap een verjaardag), o. Bestel {bestnnr, leiding), o. Vertronwen op Gods —.

Bestel (dubbele beschuit), v.; —len.

Bestellen, ik heb besteld; besteller, m.: bestelling, v.; bestellinkje. o.

Bestelpen (overladen), ik heb bestelpt. Met

werk —.

Bestemaat (vriend), m. —s.

Bestemmen, ik heb bestemd; bestemming, v.

Ter plaatse zijner —; dat was zijn —, d. i. lot.

Bestemoer {overgrootmoeder), v. —s. Bestempelen, ik heb bestempeld; bestempeling, v. Met een naam —.

Bestendig (duurzaam, aanhmdend), bn. en bw.: —beid, v.: —lijk, bw.

Bestendigen (duurzaatn maken), ik heb bestendigd: bestendiging, v.

Besterven, ik bestierf, ben bestorven. Ik zal dal —. d.i. sterven van; het woord bestierf op zijn lippen, hij dorst of kon het niet uitbrengen; bestorven vleesch, visch, d. i. niet al te versch.

Beste vaar {overgroot vader), ook naam. dien de matrozen aan den luitenant-admiraal De Ruyter gaven), m. —s.

Bestiaal {dierlijk, beestachtig), bn. en bw. Bestialiteit (dierlijkheid, beestachtigheid), v. —en.

Bestier, o. Zie Bestuur.

Bestieren (regeeren over), ik heb bestierd: bestierder, m.: bestiering, v.

Bestoken {aan ra Hen, beschieten), ik heb bestookt; bestoker, m.: bestoking, v. Bestormen (storm loopen op), ik heb bestormd: bestormer, m.: bestorming, v. Bestorven, vd. bn. Een — kind. een weeskind; er — uitzien, bleek van kleur zijn; een onbestorven weduwe, een vrouw, die door haren man is verlaten.

Bestrallen {berispen, straf opleggen), ik heb bestraft: bestraffer, m.: bestralTmg, Bestralen, ik heb bestraald: bestraling, v. Bestraten, ik heb bestraat; bestrating, v.

Een bestrate weg, een bestraat pal, d. i. j geplaveid.

■ Bestrijden {strijden tegen), ik bestreed, heb bestreden; bestrijder, m.; bestrijding, v.

Bestrijken {strijken over), ik bestreek, heb bestreken. Met zalf —, dit kanon bestrijkt dien weg.

Bestrooien (strooien over), ik heb bestrooid; bestrooier, m.; bestrooiing, v.

Bestuiven, ik bestoof, heb en ben bestoven. Bestoven boeken, d. i. met stof bedekt; hij is bestoven, dronken.

Besturen (beheereri). ik heb bestuurd; besturing. v.

Bestuur (beheer, bewind), o. besturen. Betalen (in geld enz. voldoen), ik heb betaald: betaler, m.: betaling, v. Fig. hel


-

ocr page 57

BETAMELIJK—BEVEILIGEN.

37

yeUuj —, voor anderen boeten; den tol — aan de natunr, d. i. sterven; iem. iets betaald zetten, zich wreken over; metyelijke munt —, op gelijke wijze vergelden.

Kctainclijk {zedelijk, roeyzaam), bn. en bw.; —Iieid.

Betamen {roeyen, passen), het heeft betaamd.

Betalten {bevoelen), ik heb betast: —iny;. v. i

Bete (hap), v. —n. Zie Beet.

Bete (dom, onnoozel), bn.

Beteekenen, ik heb beteekend: heteekeninu;, v. Een ran nis —, het bij deurwaardersexploit | bekend maken.

Beteekeni» {zin, beduidenis), v. —sen.

Betlt;gt;l (zekere slinyerplant in O. /.), v. gmv.

Beter (meer dan yard), bn. en bw.

Beteren (beter worden), ik heb en ben gebeterd, heb mij gebeterd: —ins. v.: —ni.s, v.; —seliap, v: —liancl. v. (aan de —hand).

Beteren (met teer besmeren), ik heb beteerd.

Beteugelen (bedwingen), ik heb beteugeld: beteiiKHinu:, v.

Beteiiniehloein (primala veris), v. —en.

Beteuterd (verteyen), bn. en bw.: —heid, v.

Betieliten (besehaldiyen), ik heb beticht: be-tieliter, m.: Igt;etielitiim. v.

Betijen (alleen yebraikelijk in deonbep. wijs): laten betijen, d. i. laten begaan. Laat hem—. laat hem zijn gang gaan, meng er u niet in.

BêtiNe (zotternij, doinmii/heid), v. —s.

Betitelen (noemen, een titel geven), ik heb betiteld: hetitelin£, v.

Betjoegd (slatv, listiy), bn. gew.

Betjoend (behekst, betooverd), bn. gew.

Betogen (overdekt), vd. en bn.

Beton (metselspecie, een soort van mortel), o. gmv.

Betonen (den toon «/' klemtoon ley yen), ik heb betoond: hetoniiiK, v.

Betonnen (van de noodiye tonnen of'bakens voorzien), ik heb betond: betoniiinu;, v.

Betoou; (bewijs), o. —en.

Betoou;en (breedvoeriy bewijzen), ik heb betoogd: beiooser. m.: betoo^inu;, v.: hetooy;-i^rond. m.: betoogtrant, m.

Betoonien (in toom honden), ik heb betoomd, betoonier, m.: betooinin^v. Zijn hartstochten beteugelen.

Betoon (betooniny), o.

Betoonen (doen blijken), ik heb betoond: be-tooninu;. v.

Betooveren (fiy. verrukken), ik heb betooverd: betoovering, v.

Betondo verdroot moeder, v. —s: —vader,

m. —s.

Betouwen (een schip van touwwerk voorzien), ik heb betouwd.

Betraand (vol tranen), bn. Met —e ooyen.

Betraeliten dn acht nemen, doen), ik heb betracht: betraeliter, m.: betrac hting, v.

Betraliën, ik heb betralied. Een kooi —.

Betrappelen, ik heb betrappeld.

Betrappen {treden op. ontdekken), ik heb betrapt: betrapper, m.; betrapping, v. leoi. op heeler daad —. iem. op een loyen —.

Betreden, ik betrad, heb betreden: betreding. v. Het /tad drr deugd —.

Betreflen (aanyaan, raken), het betrof, heeft betroffen. Dat yezeyde betreft mij.

Betrekkelijk (naar evenrediyheid), bn. en bw. Dit boek is — goedkoop.

Betreuren (treuren over), ik heb betreurd; betreurder, m.: betreuriiig. v.

Betrokken, bn.: de — ambtomar. d. i. die met de zaak belast is.

Betrokkene (persoon), m. en v. —n.

Betten (bevochtiyen), ik heb gebet: betting, v.

Betuigen (verklaren, verzekeren), ik heb betuigd: betuiging, v.

Betuinen (omtuinen), ik heb betuind: be-tuining. v.

Betweter ('üijsneus), m. —s: betweterij

(pedanterie), v.

Betwijfelen (in twijfel trekken), ik heb betwijfeld: betwijleling. v.

Betwisten, ik 'heb betwist: betwlster. m.; betwisting, v.

Beu (afkeeriy), bn. leta — zijn, er een walg van hebben.

Beugel (riny, band), m. —s.

Beugelbaan, v. —banen.

Beugelen (in de beuyelbaan spelen), ik heb gebeugeld.

Beuk (boom), m. —en: beuk (beukenoot). v. — en.

Beuk (slay of stoot), m. —en.

Beuk (yril), v. —en.

Beukeblad, o. —en: —boom, m. —en.

Beukelaar (rond schild), in. —s.

Beuken (kloppen, shmn), ik heb gebeukt; beuker, m.: benkerij, v.: beuking. v.

BeukenbaHt, m. —en:quot; —boseli, o. —bosschen: —laan. v. —lanen.

Beul (scherprechte/-), m. —en. Fig. wreedaard.

Beulen (hard werken, zwoeyen). ik heb gebeuld.

Beuling (worst), m. —en. Bloed—.

Beun (vischkaur), v. —en.

Beun (zolder), v. —en.

B 'nuliaas (onbevoeyde). m. —hazen.

Beunliaxen (op allerlei werk azen), ik heb gebeunhaasd: beunlia/erij. v.

Beuren (ip'ld ontcanyen), ik heb gebeurd: beurder, m.: beuring. v.

Beurs (yeldzakje), v. beurzen.

Beurs (yebouw). v. —zen: —klok. v. —ken: —knecht, m. —s: —plein. o. —en: —prijs, m. —prijzen: —tijd. m.: —uur, o.

Beurseh (buikzie'k), bn. —beid. v. Die peer is —.

Beurt, v. —en. — om —. bij —en, te — vallen.

Beurtman (schipper), m. —nen.

Beurzenmaker, m. —s: —snijder (zakkenroller), m. —s.

Beurzig (aangestoken van vruchten), bn. -beid, v.

Beuzelen, ik hel) gebeuzeld: beuzelaar, m.; beuzelarij, v.; beuzeling, v.

Benzelaelitig (nietiy. yeriny), bn. —beid, v.

Beuzelpraat (kinderpraat), m.

Bevallen (behayen), ik beviel, heb bevallen.

Bevallen (baren), ik beviel, ben bevallen: bevalling (verlossiny), v.

Bevallig (lief), bn. en bw.: —beid, v.

Bevang (omvany), o. gmv.

Bevangen, ik beving, heb bevangen: bevanging, v. De slaap heeft mij —.

Bevaren, ik bevoer, heb bevaren: bevaring. v.

Bevaren, bn. Een — met ondervinding.

Bevattelijk (schrander, vluy), bn. en bw.: —-beid. v.'

Bevatten (beyrijpen), ik heb bevat: bevatting, v.: bevattingsvermogen (aanley), o.

Beveiligen (in veiHyheid stellen), ik heb beveiligd; beveiliger, m.: beveiliging, v.

-

iü


ocr page 58

BEVEL—BEZIJDEN.

3S

Bevel O jcbod, comïuandu). o. —en.

Bevelen, ik beval, heb bevolen: heveler, m. Bevelhebber, m. —s: —schap, o.

Beven, ik heb gebeefd: —beving, v. Van

schrik

Bever {zeker knonydier). m. —s: {zekere stof), o.

Be verse il {olieacht'uie stuf), o. gmv.

Beverig {hoortsifj). bn.; — lieid. v.

Bevernel (zeker kruid), v. gmv.

Bevergeil {van herer), bn. Eet) — borstrok. BeveHtia^en {bekrar/iiiyen), ik heb bevestigd: Iveve.sfiser, m.: beveMtixiiis, v.

Bevestigeml (roe.s,rr,////y/e»rf) bn. en bw. Een — antwoord; hij antwoordde —.

Bevind {berindiny), o. Xnar — ran zaken. Bevinden, ik bevond, heb bevonden: bevin-dinu;. v. Ik bevind mij tuèl. d. i. gevoel. Bevli|tiu;eii (xieli). ik heb mij bevlijtigd: bi'vIijliiAiny;, v.

Bevoêlitiu;en {nat maken), ik heb bevochtigd: ftevoelifisins. v.

Bevoegd (ijeschikt, yemaehtiyd, yerechtiyd), bn. en bw.: —beid. v.

Bevolken {voorzien ran volk'), ik heb bevolkt: tlgt;evo!kini!;, v.

Bevolkt, bn. —beid. v. Emi dicht —e stad. Bevoordeelen {voordeel aanbrenyen), ik heb bevoordeeld: bevoordeeling. v. Bevooroordeeld (kortzirhtiy, vol vooroor-deelen). bn.: —beid, v.

Bevoorreehten, ik heb bevoorrecht: bevoor-reelitinu;. v.

Bevorderen (beynnstiyen. beschermen), ik heb bevorderd: bevorderaar, m.: l»evorde-riiiff, v.

Bevorderlijk, bn. -beid, v.; — aan, tot, gunstig voor.

Bevreeinden (meest gebruikelijk in den 3den pers.), het heeft bevreemd: 'bevreeindina; (verwonderiny), v.

Bevreesd ibany), bn. en bw.: —beid, v. —

maken.

Bevriend, bn. Zij zijn —. d.i. vrienden: de —e )noyendhede)t.

Bevriezen, ik bevroor, ben en heb bevroren (berrozen): bevriezing^ v.: ook: onp. w. het bevroor, heeft en is bevroren {bevrozen). Bevrijden (vrij maken), ik heb bevrijd; bevrijder, m.; bevrijdin:;. v.: bevrijdinsM-ooi'lou:. m.

Bevroeden (beseU'en), ik heb bevroed; be-vroeding. v.

Bévne (misyreep, abuis, veryissiny), v. —s. Bewaken \ waken over), ik heb bewaakt; bewaker, m.: bewakiiiK, v.

Bewaren [behoeden, verzoryen), ik heb bewaard: bewaarder, m.; bewarinu;, v. Bewassen (beyroeien), (het bewast, teg. tijd), het bewies, is bewassen.

Beweeggrond, m. —en; —reden. v. —en. Beweeglijk (drak. haast iy). bn. en bw.: —beid, v. Fig. Een — yearned.

Beweeneii (ween en over), ik heb beweend; beweener, m.: beweening. v.

Bewegen (fig. roeren, tre/fen), ik bewoog, heb bewogen: beweger, m.: beweging, v. Beweren { volhouden, aIs zeker aanvoeren), ik heb beweerd; beweerder, m.; bewering, v.; beweerselitift {rechtst.), o.

Bewerkelijk {veel arbeid kostend): —beid,v. Bewerken', ik heb bewerkt; bewerker, in.: bewerking, v.

Bewerkstellingen {aitvoeren, votbrenyen), ik heb bewerkstelligd; bewerkstelliging, v. Bewerktnigen, ik heb bewerktuigd: bewerktuiging {org misme), v.

Bewerp {ontwerp), o. vero.

Bewesten, vz. — Gibraltar, d.i. ten westen van. Bewierooken {wierook toezwaaien), ik heb bewierookt: bewierooker, m.: bewierooking. v. Fig. vleien, uitbundig prijzen. Bewijs {blijk, teeken),o. bewijzen. Een — van eerbied, van ontvanyst.

Bewijsgrond {argument), m. —en; —kraebt, v.; —plaats, v. —en: -stuk, o. ken. Bewijzen {aan toon en), ik bewees, heb bewezen. Een 'stelliny lig. eer, vriendschap —, betoenen.

Bewilligen {toestaan, veryannen), ik heb willigd: bewilliger, m.: bewilliging.v.(zijne — tot iets yeven).

Bewimpelen {bedekken), ik heb bewimpeld; bewimpeling, v. Fig.ontveinzen, verbloemen; de waarheid —, een miss lay —.

Bewind {beheer), o.; —hebber, m. —s: — s-nian, m. —slieden; —voerder, m. —s. Bewonderen, ik heb bewonderd; bewonderaar. m.; bewondering, v.

Bewonen {wonen in), ik heb bewoond; bewoner. m.: bewoning, v.

Bewoording {term. uitdrukkiny),v. —en. Het contract is vervat in de volyende —en. Bewust {bekend, wetende), bn.; —beid. y. Bewusteloos {baiten kennis), bn.; —beid., v. Bey (Turksch landvooyd), m. —s.

Bezaan {achterzeil van een schip), v. bezanen; —smast {tweede mast), m. —en.

Bezadigd {bedaard), bn. en bw. Een — man. een — yedray; — heid, v.

Bezeeren {pijn doen), ik heb bezeerd: bezeering, v.

Bezegelen {een zeyel drukken op), ik h3b bezegeld; bezegelinu;, v. Fig. bevestigen: met een eed —.

Bezeilen, ik heb bezeild. Er is yeen haven met hem te —, hij is altijd aan 't dwarsdrijver). Bezem, m. —'s. Nieawe —s veyen schoon (van dienstboden enz.), in 't begin doen zij hun best. Bezemkrnid {veeykraid), o. gmv. Bezemseboon {raw, enkel met den groven bezem yeveeyd). bn.

Bezending {hoeveelheid), y. —en. Een — kaas. Bezet, bn.; —heid, v. Mijn tijd is —. [papier. Bezeten {doL dwaas), —e (persoon), m. en v. —en. Gij tiert als een —e.

Bezetten, ik heb bezet: bezetting (V/«rmroe»ï). flet was na bezetten tijd. d. i. na het sluitingsuur der herbergen.

Bezielitigen {naaalt;keariy bezien), ik heb bezichtigd: beziehtiger. m.: beziehtiging. v. Bezie {bes, bei), v. beziën.

Bezield {vol vaar), bn. Een — spreker, dichter. Bezie'.en. ik heb bezield: bezieling, v. Hij weet zijn hoorders te —, op te wekken, in geestdrift te brengen.

Bezien {van alle kanten bekijken), ik bezag, heb bezien.

Bezig {doende, aan 't werk), bn. en bw.; — heid, v. —heden.

Bezigen (yebridken, besteden), ik heb gebezigd: beziger, m.

Beziglioiiden, ik hield bezig, heb beziggehouden. lem. —. aan den gang houden. Bezijden {naast), vz. — het kasteel, d. i. ter 1 zijde van.


ocr page 59

B EZ INN EN - BIJ KOM EN.

39

Hexiimeii (bedenke)}), ik bezon, heli bezonnen; ook ww.: ik bezon mij. heb mij bezonnen; l»e-/Jiiniiiu;, v.

Hc/.it. o. gmv.; —iieining, v.: —recht. o.

Bezitten (zitten op, in bézit hebben), ik bezat, heb bezeten: bezitter, m.: hezittinu, v. Bezoedelen {besmetten, vuil maken), ik heb bezoedeld; hezoedelins;. v.

Bezoek, o. —en; Een — brengen, apeyyen. Bezoeken, onz. ik bezocht, heb bezocht: bezoeker, m.: bezoeking, v.

lie'/AtUWsn'ti (betalen), ik heb bezoldigd: Eei. — veldwaehter, een — ambt.

Bezolflinu; (bezolcliginy), v. en.

Bezlt;»iMiiKeii (zicli). ik heb mij bezondigd; bezoiKli^iiiff, v.

Bezonnen (beraden. igt;oorzicliti(j),\m.: —lieiil,v. Bezorgd (vol zorg, onrust), bn.; —beid, v. Bezorgen (bestellen, afgeven), ik heb bezorgd; bezorger, m.; bezoi'Kins;. v.

Bezuiden, vz. — het Kanaal, d.i. ten zuidenv«in. Bezuinigen (uitsporen) ik heb bezuinigd; bezuiniger, m.: bezniiiJgins;, v.

Bezuren (boeten), ik heb bezuurd. 11: zol dat wel —.

Bezwaar (lost), o. bezwaren.

Bezwaard (bezorgd), bn. en bw.: —beid, v. Bezwaarlijk (moeilijk), bn. en bw. Ilc kon het — geloot'en: —beid, v.

Bezwaarnis (overlast), v. —sen. Bezwaarsciirirt {beklag), o. —en. Bezwacbteten (met zwachtels omw'mden), ik heb bezwachteld; bezwacbteHnu;, v. Bezwadderen (bezoedelen), ik heb bezwadderd. Bezwalken (bezoedelen), ik heb bezwalkt: bezwalker. m.: Iiezwaiking, v.

Bezwaren (beladen), ik heb bezwaard; bezwaarde!', m.: bezwarins;, v.

Bezweren {m^t eede bevestigen), ik bezwoer, heb bezworen: bezweerder, m.; bezwering.v. Fig. verbidden: iem. den storm —. een boozen geest —.

BezwerinsMboek, o. —en; — iiiu'iiiiilier, o. —en: — voorwrbrilt, o. —en.

Bezwijken, ik bezweek, ben bezweken; be-zwijkinu;. v. Voor de verleiding —, onder ren 'ziekte —.

Bezwijineii (in onmacht rallen), ik lien bezwijmd, ook: ik bezweem, ben bezwemen; bezwijinins. v.

Bibberen (rillen, b.v. van kou), ik heb gebibberd: btbbering. v.

Biblio^raai' (boekbeschrijver, boekenkondige). m. —grafen.

Bibliograpbie (boekbeschrijving), v. Bibliograpbi.M-h (boekbeseh rij rend, boekkundig),^ bn.

Biblioniaan (overdreven minnaar ran boeken). m. —manen.

Biblionianie (boekenzacht. hartstochtelijke liefhebberij voor boeken), v. gmv. Bibliophile {boekenvriend), m. —n. Bibliothecaris (opziener een er boekerij), m. —sen.

Bibliotheek (In jekuerzameling. boekerij), v. —theken.

Biblist (bijbelkenner), m. —en.

Biblistiek (bijbelkennis), v. gmv.

Bidden wen gebed doen. smeeken, magen), ik bad, heb gebeden: bidder, m.

Biecht (belijdenis), v. —en.

Biechten (zijn zonden belijden), ik heb gebiecht: biechteling (hij, die biecht), m. en v.

Biechtkind, o. —eren; —stoel, m. —en; — vader (geestelijke), m. —s.

Bieden (een bod doen), ik bood, heb geboden: bieder, m.

Biefstuk, m. —s.

Bien public (algemeen welzijn, gemeene-best), o. gmv.

Bien veim (welkom), o. gmv.

Bier. o. —en (soorten).

Bierbuik (dikkerd, bierdrinker), m.env. —en.

Biersteker (bierverkooper), m. —s.

Bierstekerij (bierkelder), v. —en.

Bies (oevergewas), v. biezen. Zijn — pakken, er van door gaan.

Biest (eerste melk), v. gmv.

Bietebauw (bullebak), m. —en. Fig. s/wok.

Big (jong varken), v. —gen: —getje, o. —s.

Bigamie (dubbele echt), v. gmv.

Bigar (bont, veelkleurig, gespikkeld), bn.

Biggelen (afrollen van tranen), liet heeft gebiggeld.

Bigot (bijgeloovig, overdreven vroom), bn. —ter. —st.

Bigotterie (overdreven vroomheid, bijgeloovig-he id), v. gmv.

Bij, vz.; Het is — twaalf; — zijn leven, d. i. tijdens. — monde, enz.

Bij (insect), v. —en: —tje, o. —s.

Bijaldien (ingeval), vw.

Bijbel (het Woord, de II. schrift), m. —s.

Bijbelvast (bedreven in bijbelteksten), bn.

Bijblad (bijvoegsel), o. —en.; bijblaadje, o. —s.

Bijbrengen, onr. ik bracht bij, heb bijgebracht: bijbrenger, m.; bijbrenging, v. Wat kunt gij ter uwer verontschuldiging —, d.i. aanvoeren ?

Bijdehand en Bijderhand ( rlug.schraniler),hn.

Bijdeliandscli (het paard links) en Bijder-haiidsch, bn.

Bijdraaien (zeew. tegen dm wind wenden), ik heb en ben bijgedraaid; bijdraaier, m.; bijdraaiing, v. Hij zal wel weer —. zijn toorn vergeten, goede vrienden worden.

Bijdr age. v. — n. Een geldelijke —, letterkundige — (aanvulling, toevoegsel). — tot de kennis der geschiedenis, enz.

Bijdragen (helpen, steunen), ik droeg bij, heb bijgedragen: bijdrager, m.: bijdraging. v.

Bijeen (te zamèn vereenigd), bw.

Bijeenbrengen, onr. ik bracht —, heb —gebracht: —breng in g, v.

Bijeenzamelen, heb —gezameld; —zame-ling, v. Giften, sprokkels —.

Bijeenzijn (samen zijn), ik was —, ben —geweest. Als zn. o.

Bijenangel, m. —s: —cel, v. —len; —eter (vogeltje), m. —s: —houder, m. —s; —koning. m.: —koningin, v.; —korf. m. —korven.

Bijgaand (ingesloten), bn. Met — briefje.

Bijgelegd (in der minne geschikt), bn.

Bijgelegen (aayig ren zend), bn. Een — akker.

Bijgeloof (dwaas, kinderachtig geloof ),o. gmv.

Bijgenaamd (een toenaam hebbend), bn.

Bijgeval (indien), vw.

Bijgevolg (dus, daarom), bw.

Bijhoorig (behoorende tot), bn.

Bijhouden (bijblijven), ik hield bij, heb bijgehouden; bijbonding, v.

Bijkaart (kleine kaart), v. —en: (kaartspe'), kaarten buiten de troeven.

Bijkans (bijna), bijw.

Bijker (bijenhouder), m. —s.

Bijkomen (ergens bij pussen, inhalen, tot zich


ocr page 60

RUL—BIOLOOG.

40

zelf kouten), ik kwam bij. ben bijgekomen; bijkoineiid, lm.: hijkoinst, v.

Bijl, v. —en. Er met de tjrove of raive — inhouwen, grof verteren, ruw aanpakken ot' te werk gaan: de — aanleggen, afbreken, vellen. Bijlade {toegevoegd stuk), v. —n.

BijlaiKlcr (jjlatboouid raartuig), m. —s. Bijlandiu; (naburig, aangrenzend), bn. BijleRgen, ik heb bijgelegd of bijgeleid. Gelden d. i. bijdragen tot een gezamelijken inleg: een twist —, vereffenen.

Bijlcinaii {bijldrager, oud Amst. schutter), m. —nen en —s.

Bijloop (toeloop), m. gmv.

Bijna ( ten naasten bij), bw.

Bijnaam (toeïiaatn, bok spotnaam), m. bijnamen.

Bijou (kleinood, juweeltje, prachtstuk), o. BijM-iirift (opschrift onder een plaat of portret), o. —en.

Bijslag (bijkomend voordeel), m. Een aardig —je, voordeeltje.

Bijsmaak (vreemde smaak), m. bijsmaken. BijNpreiik (leenspreuk), v. —en.

Bijstaan (ondersteunen, helpen), ik stond bij. heb bijgestaan.

Bijstand (hulp, ondersteuning), m. Een commissie van —.

Bijstandei' (helper), m. —s.

Bijstelling; (hulpstellage; appositie in de spraakk.), v. —en.

Bijster (verdwaald), bn. Men was het spoor (d.i. den rechten weg) —.

Bijsternis (verbijstering), v. gmv. BijsterKinniy; (lt;iek), bn.: — lieid, v.

Bijt (opening in het ijs gehakt), v. —en. Bijten (happen), ik beet,quot; hel» gebeten; hijter. m. Zich op de tanden —, zijn spijt verkroppen: iem. iets in het oor —, toesnauwen: in het stof —. vallen, sneuvelen: blaffende honden — niet, harde schreeuwers durven weinig doen: doode honden — niet, voor de dooden geen vrees!

Bijten (een bijt hakken), ik bijtte, heb gebijt. Bijtend (grievend), bn. —e spot.

Bijtijds (vroeg), bw. De koetsier tuas er Bijval (toejuiching), m. —len; —letje (winstje), o. — s.

Bijvoegen (bijdoen), ik heb bijgevoegd; l»ij-voeser, m.: hijvoegiiitf, v.: hijvoeKsel, o. Bijvoegend, bn. De —e wijs, d. i. aanvoegende wijs (conjunctief), spraakk.

Bijvoeglijk, bn. Een — naamw. (adjectief).

voet (St.-Janskruid), v. gmv.

Bijvorm, m. —en.

Bijwagen (hulpwagen) m. —s.

Bijweg, m. —en. Fig. slinkse he weg. Bijwerk, o. —en.

Bijwezen (bijzijn), o. In het — der moeder, d. i. tegenwoordigheid.

Bijwijlen (soms), bijw.

Bijwijzen, ik wees bij, heb bijgewezen. Met den vinger, met een stokje —.

Bijwonen (getuige zijn van), ik heb bijgewoond: hijwoner ('persoon, vrouw)-, bijwoning, v.

Bijwoord, o. —en; —elijk. bn. spraakk. Bijzaak, v. —zaken: —je, o. —s.

Bijzetten (plaatsen bij), ik heb bijgezet; bijzet, m.: bijzetter, m.; bijzetting, v. Fig. Alle zeilen —, alle krachten inspannen; een lijk —. in den grafkelder zetten.

Bijziend (kortzichtig), bn.; —lieicl, v.

Bijzijn (tegenwoordigheid), o.

Bijzonder (afzonderlijk), bn. en bw.: -beid, v. Bikkel (speelgoed), m. —s. Zoo hard als een —, d. i. zeer hard.

Bikkelen, ik heb gebikkeld: bikkelspel, o.

Bikken (uithakken), ik heb gebikt: bikker, m.; bikking. v.; bikbainer. m.; biksteen, m.

Fig. Er is hier niet veel te —. d. i. eten. Bilateraal (tweezijdig), bn. Ken —contract, wederzijdsche overeenkomst.

Bilboquet (balvanger, vangstokje; tuimc-laartje; fig. een lichtzinnig mensch), m. Biiliamer (molenaarshamer), m. —s: —ijzer, o. — s.

Biljart, o. —en: —keu (stok), v. —s en —en. Biljarten (spelen op het biljart), ik heb gebiljart.

Biljet (briefje, bewijs), o. —ten: —je, o. —s. Biljoen (slechte munt: zilver can gering gehalte, tot versmelting geschikt), o. gmv. Billen (bikken, molensteenen scherpen, uitkanten), ik heb gebild; biiliamer, m.; — ijzer, o.

Billet-doux (minnebriefje), o. —s-doux. Billijk (rechtmatig,eerlijk, redelijk): — lieid^v. Billijken (goedkeuren), ik heb gebillijkt; billijking. v.

Billioen (millioen van den tweeden rang)., o. —en.

Bilzenkruid (giftplant, dolkruul), o. gmv. Bimbeloterie (speelgoedwinkel, speelgoed), v. Binden, ik bond, heb gebonden: bindend.r binder, m.; binding, v.; bindsel, o. Fig. Iem. iets op het hart —. op zijn geweten drukken: de handen —. belemmeren; gebonden zijn aan, zedelijk verplichting hebben.

Bindgaren, o. —s: — rijs, o.; —spier, v. —en; —touw, o. —en.

Bink (lomperd), m. —en; de — steken, schoolverzuim plegen.

Binnen, bw. en vz.

Binnendijks (liggende binnen den dijk), bw. Binnengaats (in het land, binnen de zeegaten), bw.

Bimienkoorts (sluipkoorts). v. —en. Binnenkort, bijw.

Binnenlaiidseli (in het land), bn. —e zaken, d. i. het inwendig bestuur rakende: — beheer, —e oorlog, d. i. burgeroorlog.

Biniiensliuis, bw.

Biniieiiskamers. bw.

Biniieiislands, bw.

Binnensinonds, bw.

Binneiisrands, bijw.

Binnenste, o. Het — van een huis: in ons —. Binnenstijds, bw.

Binnenvallen (in de haven vullen, ook onverwachts binnenkomen) ik viel —. ben —gevallen.

Binnenvet je (een persoon, die meer is dan hij toont), o. —s.

Binnenwaarts, bw.; —eb, bn. Binoeulair-teleseoop (dubbele verrekijker, met twee glazen, voor de oogen).m. —copen. Bi nominaal (met twee namen), bn.

Bint (bouwk. dwarsbalk), o. —en.

Biograaf (levensbeschrijver), m. —grafen. Biograpbie (levensbeschrijving), v. —ën. Biograpbiseli (levensbeschrijvend), bn. Biologie (levensleer; zenuwbeheersching), v. gmv.

Bioloog (levensleerkundige, zeuuwbeheer-scher), m. biologen.


ocr page 61

BIPED—BLIK.

41

BiptMl (tweevoetig dier), o. —en.

Bipedisrli (tweevoet'uj), bn.

Biquadraat {het dnhhel vierkant, de vierde macht eener grootheid), o. —aten. BirkwortH (priemkruid). m. —s. Bi» (tweemaal: aolt;i eens), bw.

BiMhille (geschil, twist, gehaspel), v. —s. Biscuit (beschuit, tweebak; deeg, waarvan porselein en ander aardewerk gebakken wordt), o. —s.

BiHfiom (gebied van den bisschop), o. —men Bisette (geringe kantsoort van garen gemaakt), v. gmv.

Bi.Hmiitli (spiegeltin, asrhtin), o. gmv. Bisschop {kerkvoogd, hoofd der R. K. geestelijkheid), m. —pen.

Bisschop (drank), v. gmv.

Bistouri (een krom insnijdingsmes), v. ge-Bit (gebit), o. —ten. [neesk.

Bits (scherp, onvriendelijk), bn. en bw.; —Iieid, v.

Bitsig (xpijtig), bn. en bw.; —lieid. v.

Bitter, bn. en bw.: —lieid. v. Ken —e amandel; een — beetje, d. i. zeer weinig.

Bitter (sterke drank), o.; —tje, o. —s. Bitumen (aardhars, aardpek, asphalt), o. Bivouak (bij- of nachtveldwacht, onderden blooten hemel), o. —ken.

Bivonakeeren (onder den blooten hemel slapen, zonder tenten legeren).

Bizar (zonderling, grillig), bn.

Bizarrerie (zot gedrag, grilligheid), v. —en. Bizon (bnltos of buffel in N.-Amerika), m. —s. Blaii^ (lastig, stout kind), m. en v. gew. Blaam (smet), v. Er kleeft een — op hem; iem. een — aanwrijven.

Blaar (witte plek), v. blaren. Een koe met een

Blaar (blein), v. blaren. Een — aan den voet, een brand—.

Blaas, v. blazen.

Blaasbalg; (gmz. blaasbalk), m. —en. Blaaslioren of Blaaslioom (blaasinstrument), m. —horens of —hoornen.

Blaaskaak {pocher, opsnijder, blaffer), m. —kaken; — kakerij (snoeverij), v.

Blaaspijp (pijp om het vuur aan te blazen), v. —en.

Blad (van boomen en struiken), o. —eren, —ers, blaren; blaadje, o. —jes, bladertjes. Blad {van bloemen en in alle andere bet.), o. —en; blaadje, o. —s. Het — van een roos, van een tulp; het — van een tafel; een — muziek; een dag—, een presenteer—: het — van een zaag; —goud; goud in —en; van het — zingen, d. i. op het eerste gezicht of a vue zingen.

Bladeren, ik heb gebladerd. In een boek —, d. i. blaadjes omslaan.

Blaffen, hij heeft geblaft; blaffer, m. Tegen de maan —. het onmogelijke willen.

Blaffer en Blafferd (register), m. —s. Blaken (branden, gloeien), ik heb geblaakt. — van toorn: in —den welstand.

Blaker (lage kandelaar), m. —s; —tje,o. —s. Blakeren (zengen, schroeien). ik heb geblakerd. Blameeren (een blaam werpen op, belasteren; afkeuren).

Blanc-bec (baardelooze knaap, melkmuil, jonge wijsneus), m. (mv. blancs-becs). Blanco (in) (oningevuld, opengelaten), bw. In — teekenen.

Blank (wit), bn. en bw.; — beid, v.

Blank (oudt. een denkbeeldige munt van zes duiten), m. —en.

Blanketsel (kleursel van het aangezicht)r o. —s.

Blankettcii. ik heb (/gt;////lt; ^///r/er/^Ogeblanket. Blaren (blaten, bulken, schreeuwen), ik heb geblaard.

Blaspheineeren (godslasteringen uitbraken). Blaspbeinie (godslastering), v. —ën.

Blaten (schreeuwen can schapen), het heeft geblaat.

Blauw, bn. en bw. (en als zn. o.): —beid, v.

Bont cn —; ecu —e Maandag, korte tijd. Blauwbaard (wreedaard, monster), m.

Blanu bekken (koude tijden), ik hel) geblauwbekt.

Blanwblan w, bn. — laten, d. i. het laten zooals het is.

Blauwen (blauw worden), het heeft geblauwde De duinen — reeds, d. i. worden zichtbaar; het lamplicht gaat —, d. i. verduistert; (gew.) de melk —. d. i. wasschen. vermengen met water.

Blauw kiel (boer, een Belgisch koopman) r v. —en.

Blauwkous (spotnaam voor een vrouw, dievoor geleerd wil doorgaan), v. —en. Blauwlakeiiscb, bn. Een —ejus.

Blauwsel, o. gmv.

Blauwtje, o. —s. Een — hopen, door een meisje afgewezen worden.

Blauwvoet (valk), m. —en.

Blazen, ik lilies, heb geblazen, fem. iets igt;i. het oor —. iets influisteren; glas —. al blazende maken; den aftocht —. het sein tot den aftocht geven; een dam —, in het damspel een dam wegnemen, omdat de tegenpartij niet geslagen heeft.

Blazoen (banier, adellijk schild), o. —en. Bleek. bn. en bijw. Een —e klear. mat, flauw-

— beid. v.

Bleek (bleekveld), v. —en.

Bleeken, ik heb gebleekt: —er, m.; —erij, v.

Bleekerd (zekere' Rijnwijn), m. gmv.

Bleekziekte (witte koorts), v. gmv.

Bleekzuclit (ziekte in het bloed), v. gmv.

Blei, blik. bliek (zekere visch), v. —en.

Blein (bbfar). v. —en.

Bles (witte plek), v.; (paard), m. —sen.

Blesseeren (wonden, kwetsen).

Blessuur {wond, verwonding), v. blessuren-

Bleu (bloo, schroomvallig), bn.: —beid, v.

Bleu inoiirant (matblauw), bn.

Bliek, blei ( visch). v. —en.

Blij en Blijde (eerheugd), bn.: —beid. v. De

— Bootlsc/uip, het évangelie: de — Inkomst (la joyeuse entree), de plechtige intocht van een nieuwen Brab. hertog in Brussel.

Blijde (krijgstuig der Romeinen), v. —n. Blijde (eerheugd) bn. Zie Blij.

Blijdscbap. v.

Blijgeestig (oplt;ieruinid). bn.: —beid. v.

Blijk (bewijs), o. —en. Een — vun eerbied. Blijken (duidelijk zijn), het bleek, is gebleken-Blijkens (zooals blijkt uit), vz.

Blijmare (blijde tijding), v. —n.

Blijmoedig (opgeruimd, getroost) bn.: —beid. Blijspel (vroolijk tooneelspel), o. —en. [v. Blijven, ik bleef, ben gebleven. Achterwege —: in den strijd of op het slagveld —. sneuvelen: het schip is op de klippen gebleven, d. i. gestrand, vergaan: bij iets —, volharden.

Blik (opslag der oogèn), m. —ken.


ocr page 62

BLIK—BOCHTIG.

Hlik (erts, dun ijzerbUid; ook een stuk keuken' (jereedscliap), o. —ken: —Je. o. —s.

Blikken (met de oogleden knippen), ik heb geblikt.

Kiikken (de schors aftrekken), ik heb geblikt. Fig. rillen.

Klikken {bleek worden), ik heb geblikt. Hij iveet ran — noch blozen, is hoogst onbe-schaamd.

Klikkeren {pikkeren, {/linsteren), zijn oog heeft geblikkerd; blikkeriny;. v.

jilikoo^en (het ooyivit laten zien), ik heb geblikoogd.

Bliksem.' in. —s. Fig. Zoo snel als de —; hij sto.id als door den — getroH'en.

Bliksemen (rn'Hchten, fig. vloeken), ik heb en het heeft gebliksemd.

Bliksems (oen bastaardvloek), bw. gin/.. Bliksemseli. bn.: —e jonnen, d. i. ondeugende iongen.

Blikslager {werker in blik), m. —s. Bliktamlen (de tanden laten zien), ik hel) gebliktand. Fig. dreigen.

Blikvuren (scheepst.. seinen geven niet blikvaar), ik heb geblikvuurd.

Blikvuur {los krnit, dat op het dek ontbrand wordt), o. —uren.

Blind, bn. en bw. Fig. Een —e klip (onder water), een —e maar (d.i. zonder vensters), een —e kaart (zonder namen), een —e steeg (zonder uitgang).

Blind (een luik), o. —en.

Bliiicliisc {overdekking, bekleeding), m. —s. Blinddoeken, ik heb geblinddoekt; lilind-«loeking, v. Fig. misleiden.

Blinde (persoon), m. en v. —n.

Blindt 'eren unet een ondoordringbare huid bekleed en; kogelvrij maken): hlindeerins. v. Blindeiinus. bw.' Hij moest — gehoorzamen. Blindeman, m. —nen en —s: — nelje. o. —s. Blinden {blind maken), ik heb geblind.

Vinken —. de oogen uitbranden. Blindicelmrene. m. en v. —n.

Bliiidliokken (blinddoeken), ik hel» geblind-bokt; hlindhokker. m.; blindliokkiiii;. v. Blinken, ik blonk, hel) geblonken. Het is niet (dies goud wat blinkt, schijn bedriegt. Blinkerd (hooge duintop), m. —s.

Blink worm {glimujorni), m. —en.

Blue (en —) {voetstoots), bw.

Bloed (roode vloeistof in het dierlijk lichaam), o. Het — kruipt, waar het niet gaan kan. het verwantschapsgevoel is sterker dan alle redeneering: ook: de aard en afkomst verloochenen zich nooit. Het blauwe —. de adel. Bloed {sukkel), in. —en.

Bloeden, ik heb gebloed. Fig. Mijn hart bloedt, nog treur ik: hij zal hier moeten —. d. i. veel betalen; bloeding, v.

Bloederig (vol bloed), bn. Een — stuk vleesch. Bloedig, bn. en bw. Een —e wonde, een diepe wonde; een — gevecht, een hevig gevecht. Bloedspuwing, v. —en.

Bloei {het bloeien), m. Ia den — des levens. Bloeien, ik heb gebloeid: bloeiinaainl, v.;

bloeiset. o.; bloeitijd, m.

Bloem, v. —en; —pje en —elje. o. —s.

Bloemig {melig), bn.: —e aardappelen. Bloemist (bloernkweeker), m. —en. Bloemisterij (kweekerij) v. —en. Bloemlezing (verzameling van proza- en dichtstukken), v. —en.

Bloesem, in. ——pje. o. —s.

Blok {brok), o. —ken en —s.

Blokhuis (wachttoren), o. —huizen.

Blokkade (insluiting, omsingeling), y. —s. Blokkeeren (omsingelen, insluiten). Een stad. een haven —; blokkeering, v.

Blokken (hard studeeren), ik heb geblokt: blokker (werker), m.

Blom (bloem), v. —men: —nietje, o. —s. Blond, bn.: —lieid. v. Een —e vlecht.

Blonde (mode-artikel), v. —n of —s.

Blondine (blond meisje, blonde vrouw),v. —s. Blondje (meisje), o. —s.

Blood {vreesachtig: bedeesd), bn. en bw. Bloodaard (lafaard), m. —s.

Blooliartig. bn.: —lieid, v.

Bloolieid [beschroomdheid), v. gmv.

Bloot (naakt), bn. en bw. Fig. Dit is ccn — vermoeden, d.i. louter een vermoeden: —elijk {alleenlijk, slechts), bw.: —lieid, y.

Bloot en (lt;/6 huiden in de looierij ontharen), ik heb gebloot.

Blootgeven (zieli). ik gaf mij —. heb mij

-gegeven. . .

Blootleggen (openbaren, toonen). ik hen —gelegd en —geleid; —legging, v. Blootliggen, ik lag—. heb—gelegen. Het land lag — voor den vijand.

Blootsliool'ds (met ongedekten hoofde), bw. Blootstaan (blootgesteld zijn aan), ik stond—, heb —gestaan.

Blootstellen, ik heb —gesteld. Zich aan iets —.

Blootsvoets (met bloote voeten), bw.

Blos (roode kleur op de wangen), m. gmv. Ue — der jeugd, de — der schaamte, de — der gezondheid.

Blouse (bloese, kieltje), v. —s.

Bionwel (hennepbraak), m. —s.

Blomven (hennep ontbolsteren), ik heb ge-blouwd.

Blozen (een blos krijgen), ik heb gebloosd: Gij doet mij —; blozing. v.

Bint' (grootspraak), m. -feu. Een — slaan. Blniren, ik heb gebluft: hinder, m.; binderij, v. Blunder (abuis, misgreep), m. —s. Een — maken, een abuis begaan.

Blnsselieii (uitdooven vun brand), ik heb gebluscht: blnsselier, m.; blnssciiiiig, v. Bint of Blntseli (alles in het spel verloren hebbende), bn. Ik ben )iu —.

Bluts (gezwel, deuk), v. —en.

Blutsen (kneuzen, deuken), ik heb geblutst; blntsing, v.

Bintskoorts (scharlakenkoorts), v. —en. Boa {reuzenslang; slangvormige halsbeklee-ding van bont), v. —'s.

Bobbel (waterbel), m. —s.

Bobbelen (met bobbels opkoken), het heeft gebobbeld: bobbeling. v.

Bobbelig (hobbelig), bn. Het ijs is hi r —. Bobberd (lomperd), m. —s.

Bobijn (garenklos), v. —en.

Bobijnen (garen opwinden ), ik heb gebobijnd. Boebei, m. —s.

Boelielen (naarstig arbeiden), ik hel» gebocheld: fig. Wat kan 't mij —, d.i. schelen. Boelieljoen (spotn. gebochelde), m. —en. HovUi '(buiging, inham, baai), v. —en. Een weg met —en; de — van Guinea; fig. in de — springen, helpen, bijstaan.

Boelit (slechte waar), o. — van wijn. van sigaren

BoeJjtig. bn.: —lieid. v. Een — pad.


ocr page 63

HOD-BOM.

43

Bod (aanbucl). o. Een — doen. het houijate

Bode. m. en v. —n. 1— doen.

Bodem (grond, diepte, onderdeel), m. —s: —pje, o. —s. Fig. Aan iets den — inslaan, het met geweld doen eindigen, het vernietigen.

Bodemen (van een bodem voorzien), ik heb gebodemd.

Bodemery (scheepst. heieening), v. —en.

Bodenhrood y ken henbrood), o.: —kamer, v. —s; —loon. o.

Bodescliap (bodeambt), o. gmv.

Bodin {.vrome, bode), v. —nen.

Boedel (nalatenschap), m. —s. Een — aanvaarden. een — verstoeten, een — scheiden, een — redderen, d. i. regelen.

Hoeï (deugniet), m. boeven.

Boe;; ( voorste ronding van een schip), m. —en. Fig. Het over een anderen — wenden, het op andere wijze beproeven.

Boegen (koers zetten, staren), ik hebgeboegd.

Boeskruiseii (laveeren), ik heb geboegkruist.

Boegseeren (op sleepton te nemen), ik heb ge-boegseerd; —ins. v.; —lijn. v.

Boei (kluister), v. —en. In —m klinken.

Boei [drijvend baken), v. —en. Een kleur als een —. d. i. vuurrood.

Boei (reddingsiverktnig, leer en gordel met kurk gevuld), v. —en.

Blt;ieieii (scheepst. een schip bekleeden), ik heb geboeid: boeier (pleziervaartuig), m.: l»oei-plank. v.; hoeisel. o.

Boeien, ik heb geboeid. De aandacht —, d. i. kluisteren; de toehoorders —. d. i. hun aandacht trekken.

Boek (leesboek), o. —en; —je (ook hoekske en hoekskeii). o. —s.

Boek (papiemnnit. d. i. l-'t vel), o. —en.

Boekanier (buffeljager, wilddief), m. —en

Boekei ihaarkruh. m. —s. |en —s.

Boeken (in het boek opschrijven), ik heb geboekt: boeker, m.: boekinu. v.

Boekerij (bibliotheek), v. —en.

Boekhouder, m. —s.

Boekstaven de boek stellen, opschrijven), ik heb geboekstaafd.

Boekweit ( plant), v. gmv.

Boel (menigte), m. —en.

Boel (bijzit), m. en v. —en.

Boela^e (minnarij, overspel), v. gmv. vero.

Boeleeren (in ontucht leven). ik hel»geboeleerd; boeleerder, m.: ixteleerin»;. v.

Boelhnis (venduhuis), o. —huizen.

Boelkenskrnid (leverkruid), o. gmv.

Boeman (kinderschrik), m. —nen

Boender (werktuig), m. —s.

Boenen {reinigen, oppoetsen), ik heb geboend; boener (man), m.: boen*el. o.; boenster. v.; boenwas, o. Ik zal hem —. wegjagen.

Boer (ook voor oprisping), m. —en.

Boerderij, v. —en: —tje, o. —s. fboerd.

Boeren (den landbouw drijven), ik heb ge-

Boerenarbeider. m. —s; —l»edrijl'. o.; —be-droa;. o.: —draebt, v.; —bolstede, v. —n; —kool. v. —en.

Boerenjongens (brandewijn met rozijnen), m. mv.

Boerriebter (lid van een rnarke of waterschap). m. —s.

Boerin, v. —nen. Fig. lompe of dikke vroutu.

Boerseli (als een boer. loïn/i). bn.; —lieiii. v.

Boert (scherts), v. Iets voor — opnemen

Boerten (schertsen), ik heb geboert; —er. m.: — erij, v.

Boertend (op schertsenden toon), bn. Een — gesprek.

Boertenderwij/e en —wijs (al schertsend),

Boertig, bn.; —beid, v. [bijw.

Boeskool (witte kool), v. —en. gew.

Boete (geldstraf), v. —en. Ivm. in — slaan.

Boetedoening, v. —en.

Boetelinu;. m. en v.; v. ook Boetelinge.

Boeten (herstellen, boete doen, voldoen), ik heb geboet; boeter, m.; buetin^. v. Een net —. een ketel d. i. herstellen: hij zal voor dat verraad —. d. i. lijden; zijn lusten zijn gouddorst —, bevredigen.

Boetsecren (van klei of was vormen), ik heb geboetseerd; —der. m; —ins. v.; -kunst. v.

Boetvaardig; (gezind tot boete), bn. —beid. v.

Boezelaar (voorschoot), m. —s.

B(»ezeni (hart, borst), m. —s; —pje. o. —s;

— vriend, m. —en; —vriendin, v. —nen. Een adder in den — kweeken, een verrader weldoen, zijn vijand grootbrengen.

Boezeroen (een kleeding stuk), o. —en of —s.

Bol' (slag, stoot), m. —ten.

Bollen (gelul, hebben in zijn promotie of zo ken), ik heb geboft: boiler, m.

Boflerd. Boller (pocher), m. —s. gew.

Bou;en (roonen, trotsch zijn), ik heb geboogd.

— op zijn geboorte, — ojgt; zijn talenten.

Bolia (getier), tw. en nis zn. nu Eengrooten —

nniken; —maker, m.; —makerij, v.

Bojaar (vrijheer in Slavonië), m. bojaren.

Bok (mannetje der geit), rn. —ken. Op den-zitten. bij den koetsier zitten. Fig. hij is een —, een stuursch mensch; een — schieten, een domheid begaan; hij maakt den eenen — over den anderen, d. i. fout. misslag.

Bokaal (groole beier), v. bokalen.

Bokkenleder en —leer (boksleer), o.

Bokkesprong {'grillige sprong), m. —en. —en maken, losbandig leven, grof verteren.

Bokkig, bn. en bw.; —beid, v.

Bokking (gerookte haring), in. —en. l(ym. een — geven, gmz. d. i. scherp berispen: bokkinkje, o. —s.

Boksbaard {plant), m. gmv.

Boksen (vuistvechten). ik heb gebokst; bokser (vuistvechter), m.

Boksvoet (sater, boschgod), m. —en.

Bol (bal), m. —len; —letje, o. —s. Warme —len, broodjes; pijn in den. —. het hoofd: hij is een —. een zeer knap mensch.

Bol (bolrond), bn. en bw.; —beid, v.

Bolderwasen (hoeren wat/en op riemen), m. —s.

Bolk (wijting, een soort schelvisch), v. —en.

Bolleboos (knap mensch), m. —boozen.

Bollen (voor den Kop slaan), ik heb gebold. Een os —. ook dollen.

Bollen [behagen, streden), het heeft gebold. Dat bolde hem zeer.

Bolster (kaf), m. —s.

Bolsteren (ontbolsteren), ik heb gebolsterd.

Bolus (zegelaarde; aartsenijballetje; slikbrok; zeker broodje), in. —sen.

Bolwerk (hoog bastion, hoofdwerk), o. —en; —je. o. —s. De grondwet is een — der vrijheid.

Bolwerken (versterken), ik heb gebolwerkt. Hij zal het wet —. d. i. klaarspelen.

Bolworm (hersenworm, ziekte der schapen), m. —en. Fig. De — steekt hem. hij in slecht humeur.

Bom {ontplofbare kogel), v. —men: —nietje.


ocr page 64

BOM-BORST.

44

Bom (uisclischuit). v. —men.

Boiiihaiiiiiien (de klok luiden), ik heb ge-bombamd.

Koiiil»ar(llt;gt; (sleengcschut; het sterkste bromwerk in orgels), v. — n.

Btunhardeerfii (beschieten met bommen), ik hel» gebombardeerd; —deenier, m.; —dement, o.; —deerins. v.

timnhnrïe{betve(iiii(/,opslt;'liii(l(lii)(i),v.gm\T.gm7..

Bombast (opgeblnzene en hoogdravende stijl), m. gmv.

Boiiiliazijn i.sfo/'), o. —en.

Boiiiheen (een opgezet been), o. —en; —gat, o. —en; —ij» (ijs dot hol ligt), o.

Bommel ( prop), m. —s. De — brak hts, alles lekte uit.

Bommen (igolinen), het heeft gebomd. Leege raten — het hardst, leeghoofden hebben de meeste praats.

Bon (goed. wel), t\v.

Bon {schriftelijk betvijs, dut goed en geldig is voor de daarin aitgedrukte som of waarde),

Bona tide (ter goeder troaw, op goed geloof). Boiil»on (suikergoed, snoeperij), o. —s.

Bond (verbond), m. (Duitsehe —). m. Bomlsenoot, m. —en.

Bonlt;ti2;enoot.selia|». o. —pen.

Blt;mdiK (kort en duidelijk), bn. en bw. Een —e stijl; —lieid, v.

Bon genre (goede stijl), o.

Bon gré mal grê (tegen wil en dank). Bonlienr (geluk, buitenkansje), o. Par —, bij geluk.

Bonliomie (goedaardigheid), v. gmv.

BoniH (in) %ijn (gegoed zijn, in ruime omsta ml hg ln'den rerkeeren).

Bonjoiir (goeden dag), m. —s.

Bonjouren (afschepen, wegzenden), ik heb gebonjourd.

Bonk (stuk, schonk), m. —en. Fig. oud paard, ook zeeman.

Bonken (ufrossen), ik heb gebonkt.

Bon mot (kwinkslag), o. (mv. bons mots). Bonne (kindrrmeid), v. —s.

Bonnelooi (te goeder trouw). Op de —. op goed geluk af.

Bonnet (muts, kap; voorlaag bij verschansingen), v. —ten.

Boiih (slag), v. bonzen. De — krijgen, zijn afscheid krijgen. —, duur ligt hij. t\v. Bon wens (gezond verstund), o. gmv.

BoiiHoir (goeden avond; goeden nacht), o. Bont (geruit weefsel; harig diereu vel), o. Friesch —: een —cn pelsjas.

Bont (paars, veelkleurig), bn. en bw. Het te — maken, d. i. te erg; — lieid, v.

Bon ton {spreekmanier van welopgevoede

lieden; goede levens toon ), m. gmv. Bon-vivant (een vroolijke Frans, een doordraaier), m. (mv. bons-vivants).

Bon voyage (goede reis), v.

fion7.eu(stooten, hard kloppen). ik heb gebonsd. Een deur open —. mijn hart ging —. Bonding (roofdier), m. Zie: Bnimng. Bood.seliap. v. —pen. Een kind om een — sturen, een te lage kaart inleggen of opspelen. 4 Boodseliappen (berichten), ik heb geboodschapt: —Heliapper, m.; —«eliapping. v. Boog (wapentuig, kromming), m. bogen. Den — spannen; de — kan niet altijd gespannen zijn; (wisk.). deel van den cirkelomtrek; (bouwk.) gewelf, b.v. De — van een brug.

Boogerd (boomgaard), m. —s. gew. Boogswijze en -wijs, bw.

Boom, m. —en; — pje, o. —s. De appel valt niet ver van den het kind gelijkt den vader in doen en laten (zie bij appel)', een kerel als een —. een soort reus.

Boom (slagboom), m. —en.

Boom (samentrekking van bodem), m. —en. 7 Is botertje tot den —. er heerscht geluk en voorspoed: ook: de onderlinge verstandhouding is uitstekend.

Boomgaard, m. —en. Een kersen—, een noten—.

Boomloopertje (grijs vogeltje niet spitsen bek), o. — s.

Boon ( peulgewas), v. —en. Hij is in de —en, d. i. in de war: honger maakt rauwe —en zoet. honger geeft den waren eetlust.

Boontje, o.; — komt om zijn loontje, d.i. het kwaad straft zich zelf; ik mag een — wezen, als 't niet waar is, 't is wezenlijk waar.

Boor (timm. werktuig), v. boren.

Boord {uitersten kunt), m. Vol tot den —. Booi'd (rand van een schip), o. Kom aan —! Boorden (een boord of rand ma leen aan), ik heb geboord: hoorder, m.; boordHel. o. Boordevol, bn. De tobbe is —.

Boordt* vollef je (een glas tot aan den rand vol), 0. — s

Boos (kwaadaardig, nijdig), bn. en bw.; —lieid. Boosdoener, m. —s; —doenster, v. —s. |v. Booswicht (boosdoener), m. —en.

Bout (vaartuig), v. —en en —s.

Boot (halssieraad), v. —en. Een Juweelen —. Bootsgezel (nmtroos). m. —len; —man. m, —lieden en —lui; —uiiinsmaat (onderboots-mun). m. — s.

Booze (de duivel), m. gmv.

Borat (brat, zekere wollen stof), o. gmv.

Borax (soda), v. gmv.

Bord. o. —en. Fig. Een — voor het hoofd hebben, onbeschaamd zijn; de —jes zijn verhangen, er is een andere richting aan de orde; te horde (berde) brengen, ter sprake brengen. Boi'deel (huis van ontucht), o. —en.

Borderel (briefje; lijstje, uittreksel uit een rekeningboek), o. —len.

Bord és (hooge stoep), o. —sen.

Bordig (hard), bn.: —lieid, v.

Bordings. Bordingen (kleine platte vaartuigen, oiil,' lichters genoemd), v. mv. Borduren, ik heb geborduurd; hordniirster. v.; hordunrder. m.: borduursel, o.

Boreaal (noordelijk), bn.

Boreas (noordenwind), m. gmv.

Boren, ik heb geboord: boorder, m.: boring, v. Fig. Een schip in den grond —. doen vergaan: iem. iets door den neus —, door list doen verliezen.

Borg (persoon, ook: onderpand), m. —en. Welke zijn uw —en? die zich voor u verantwoordelijk stellen: ik blijf er — voor; zich — stellen.

Borgen (credietgeven), ik heb geborgd; borger (hij, die leent), m.; borging, v.

Boigtoelit (pand), m. —en.

Boni (bron), v. —en. vero.

Borneeren (begrenzen, beperken): geborneerd (beperkt; kortzichtig, onnoozel), bn.

Borrel (slokje), m. —s.

Borrelen (slokjes drinken: opwellen), ik heb en het heeft geborreld: borreling. v.

Borst (lichaamsgedeelte, v.; Jongeling), m. —en.


ocr page 65

BORSTEL—BHANDPIK KT.

45

KorNtel {schuier, ook één var Lens!t aar), ni. —s. Borstelen (schuieren, reinigoi). ik heb geborsteld.

Borstweer (borstbeschuttiikj ). m. —weren. Borstwering (hoogte op reu stadswal), v. —en. Bos (bundel), m. —sen.

Blt;»s (bus), v. —sen.

Bosch duoud), o. bosschen.

Bosquet (lust- of kuustboschje). o. —ten; —je, o. —s.

Bosseliaffe (ijeboomte), o. —s.

Bosse (buil. bochel. Knobbel; rial: verheven beeld of boetseer(verk). v. —s.

Bosseleeren ((jedreven werk in tjoudof ziloer maken).

Boston (zeker kaartspel), o. gmv.

Bostonnen {boston spelen), ik heb gebostond. Bot (zekere platvisch), v. —ten. De — ver- | gallen, de visch (fig. de zaak) bederven. Bot (knop, scheut, uitspruitsel), v. —ten. Bot {been), o. —ten. Pijn in de —ten, gmz. {

onlekker, rheumatisch zijn.

Bot (eind touw, vliegertouw), o. gmv. — geven, — vieren, ruimte geven, inwilligen.

Bot (dom, stomp), bn. en b\v. Een — mes, ! een botte schaar; — lieid, v.

Botanicus (kruidkundige),m. Ook: botanist. Botanie (kruidkunde), v. gmv.

Botanisch (kruidkundig), bn.; —e tuin, plantentuin.

Botanisceren (planten zoeken).

Botanist (plantkundige), m. —en.

Boter, v. gmv. — bij de visch, contante be- gt; taling; 't is — aan de galg gesmeerd, j tevergeefs.

Boterbiesje (koekje), o. —s.

Boterham, v. —men.

Botervlootje {bakje voor boter), o. —s. Botmuil (lomperd), m. en v. —en.

Bots (slag. stoot), v. —en.

Botsen (stooten). ik heb gebotst: hotsinu;. v. Bottel (flesch), v. —s: rozehottel (vruchtje van de roos), v. — s.

Bottelarij (wijn- of bierkelder), v. —en. Bottelen (o/gt; fb-ssrhen tappen), ik hel) gebotteld. Bottelier (keldermeester), m. —s en —en. Botterik (lomperd), m. —en.

Botnit (Zonder omwegen), bw. Hij zei het —. | Botvieren, ik heb —gevierd. Zijn hartstochten —. inwilligen; zijn wraak —. bevredigen. Botweg ibotuit), bw.

Bonche close (mondje dicht), bw.

Boncherie {slachterij; bloedbad), v. —s. Boude (krul), v. —s. [sprak

Bond (onbevreesd, vermetel), bn. en bw. Hij Boiideeren (pruilen, mompelen, pruttelen). Bouderie (kwalijk verborgen wrevel), v. Boudoir (dameszitvertrekje), o. —s. Bonirante (langwerpige wollen doek om den hals als das), v. — s.

Bonfle (grappig), bn. Opera —, kluchtspel. Boiiüon (potsen- of grappenmaker, komiek), m. — s.

Bougie (kunstkaars van uitgestoomd vet), v. —s.

Bonilli (gekookt, rundvleesch), o.

Boni'lie (vleeschnat). v. gmv.

Bonilloir (schenkketel), v. —s.

Bouillon (vleeschnat; boordsel aan kleederen; samengestelde goud- of zilverdraden), m. —s. Boulevard (singel, walgang als wandelplaats aangelegd), m. —s.

Boiiieverseeren (het onderste boven keeren).

Bouquet (bloemruiker; wijngeur), o. —ter». Bonqnin (oud boel:), o. —s.

Boiiqniiiist( koopman in oude boeken), m.—en. Hourdon (zware bas van een orgel, sterk brommend pijpwerk), m. muz.

Bout (ijzeren staaf, been, enz.), m. —en.

Bout (eendvogel), m. —en.

Boutade (wonderlijke inval; vreemde kuur of gril. eigenzinnigheid), v. —n.

Houtig (stevig), bn. Een —e knaap.

Boutique (winkel; sa)itenkraam), v. —s. Bouw (het bouwen, de samenstelling, het gebouw), m.

Boutje (liefje), o. —s.

Houwen (vrouwenrok), m. —s. vero.

Bouwen (oprichten, ook ploegen, zaaien), ik heb gebouwd; bouwer, m.; bouwerij, v.; bouw ilig. v.

Bouwvallig (oud, verratten), bn.; —beid, v. Hovenu;euield (eenige regels hottger genoemd), —genoemd, —gezegd, lm.

Bovenhuis, o. —huizen; —kamer. v. —s. Bovenlander (iem. uit Westphalen), m. —s. Braar('/''quot;'/'/7'/quot;m,^'W//7i ).bn.en bw.: — beid, v. Braak ( inbraak, breking), v. Diefstal uwt —, Braak (ont/ebouwd), bn. Die akker ligt —. Braakloop (geweldige diurrhee), m. gmv. Braakpoeder en —poeier, o. —s. Braakwortel, m. —s: (stof), v. gmv.

Braam (bes), v. bramen; —pje, o. —s.

Bra ba ut; oil n(k (de naam van het Belgische volkslied), v. gmv.

Brabbelen (verward spreken), ik heb gebrabbeld: brabbelaar, m.; bvabbeling. v.; brabbeltaal, v.

Bracelet (armband), v. —ten.

Brachuiaiien (priesters en wetgevers der Indiërs), m. mv. Ook: Bralinianen, Brah-niinen.

Braconiiler (strooper, wilddief), m. —s. Braden, ik heb gebraden. Een gebraden duif, onverwacht geluk; den gebraden haan uithangen, een pronker zijn, den grooten heer spelen. \\vi\\i. (jachthond), m. —ken. Fig.straatjongen. Braken Barak (kermistent: kazerne),v. —ken. Brak (zoutachtig), bn. en bw.: —beid. v. Braken (breken can vlas en hennep), ik heb gebraakt; braker, m; braking, v.

Braken (spuwen, overgeven), ik heb gebraakt; braker, m.; braking, v.

Brallen (pochen, schreeuwen, tieren), ik heb gebrald. — op de overwinning.

\ivi\u\ (bramzeil),m. —men. Hij is een rechte—, bluffer, windbuil; hij is een lieele—, hij hangt den grooten heer uit.

Bi 'atna (godheid der Hindoes), m. Bramarbas (snoever, windbuil), m. —sen. Branche (tak, zijlinie, familietak), v. —s. Brand. m. —en; — in het koren, een ziekte in de korrels; moord en — schreeuwen, vree-selijk schreeuwen, in den — zitten, erg in verlegenheid zijn.

Brandemoris (brandewijn), m. vero. Branden, ik heb gebrand; brander (jeneverstoker). in.; branderij, v.

Branding ((golfgebruis), v. gmv.

Brandewijn (sterke drank), m. —en. Brandmerken (een brandmerk opdrukken). Braiidoven (smeltoven), m. —s.

Brandnetel (plant), v. —s.

Brandpiket (troep gewapende schutters om bij brand de orde te bewaren; ook een schip, dat bij de vloot de tracht houdt), o. —ten.


ocr page 66

B R AN DSC H ATT EN - B RO K.

4C

BniiiflHcliatttMi (gedwongen schutting in oorlogstijd), ik heb gebrandschat; —tiiiR, v. Hrandsciiilih'K'ii {in 7 vuur vergulden), ik heb gebrandschilderd; —HcliilderHkuiiHt. m. liraiidNpiegel (spiegel, die als brandglas werkt), m. —s.

Hraiidstielitcii (in brand steken), o.; —ter,

m. —s.

Brandy (brandewijn), m. gmv.

BraH (scheepst. de touwen, waarmede men de raus omhuult), m. —sen.

BraHilas (slempdag), m. —en: —maal, o. — malen; -partij. v. —en; —penning (oude munt can 6^4 cï). m. —en.

BraH-deMMiiM lna.s-dcssoiiw (arm in arm, gearmd), b\v. De hceren wandelden —. Brasem (riciercisch). m. —s.

Bras.M'ii (slempen), ik heb gebrast: —Mer. m.; —erij. v.

Brat. Borat (zekere stof), o.

Bra vilde (pocherij, snorkerij). v. —s. Braveeren (trotseeren, spotten met; tarten). BraviHNimo ( uitmuntend. coortre/J'elijk, heerlijk), t\v.

Bravo (een gehuurde moordenaar in Italië), m. —?s.

Bravo (goed zoo!), tw.

Bravour-aria (muz.. groot aria. aria dut slechts door een meesterlijk tulent kan worden 'jezongen), o. —aria's.

Bravoure (dapperheid, on verschrok henheid).y. Breed (ruim, groot), bn. en bw. Wie het — heeft, laat het — hangen: — opgeven van iets: iets in het breed' verhalen, d.i. uitvoerig. Breedsprakig; (lungdrudig), bn. en bw.; —Iieiil, v. Een —e stijl.

Breedte, v. —n. Op hooge —n, d. i. zeer noordelijk.

Breed V4»erig 1 omstandig). bn. en bw.; —lieid.v. Breetok (noodzeil), v. —ken.

Breeuwen (kulfuten), ik heb gebreeuwd; —er. m. Mijn vader is geen breeuwer (verbast, tot liremer), d. i. ik iaat mij het werk niet uit de hand nemen.

Breidel (toom, teugel), m. —s.

Breidelen (beteugelen), ik heb gebreideld; —int;, v. Zijn hartstochten —.

Breidelloos (fig. toomeloos), bn.: —lieid. v. Breien, ik heb gebreid: —er, m.: — hiR. v. Brein (de hersenen), o. Fig. het verstand. Brekebeen isukkeluar), m. —en.

Breken, ik brak, heb en ben gebroken. Zijn woord —, niet houden; het ijs —, iets moeilijks aanvangen: zich het hoofd —, zijn hersens kwellen; nood breekt wet; men kun geen ijzer met handen —, aan het onmogelijke is niemand gehouden.

Brekespel (ruziemaker), m. en v. —len. Brem (pekel), v. Zoo zout als —.

Brem (heideplant), v. gmv.

Brengen, onr. ik bracht, heb gebracht; —er. m.; —ins. v. Fig. Aan het verstand —. doen begrijpen: tot stand —. doen ontstaan: tot den bedelstaf —, uan den man van de hand doen: onder het oog —, vermanen.

Bres (opening), v. —sen. — schieten: in de — springen, fig. helpen Bret (bord, uithangbord), o. —ten. gew. Bretel (draagband), v. —s en —len.

Breuk (gebroken), v. —en.

Breve (pauselijke brief), v. —n.

Brevet (open brief, uanstelling, vergunning; ook octrooi; patent), o. —ten.

Breveteeren (ee// brevet of octrooi geven aan). Brevier (gebedenboek der U.K. geestelijken), o. Brieoleeren (in het biljartspel, op den band spelen en, door den terugstoot, een bal raken; fig. omwegen gebruiken).

Brief, tn. —ven.

Bries (zacht windje), v. gmv. Een frissche —. Brieselien (hinniken, ook brullen), ik heb gebriescht: —Ing, v. Een —de leeuw. Brievenpost (bode), m. —en.

Brievenpost (posterij), v. —en.

Brigade (legerafdeeling), v. —s en —n.

Brit; «dier (korporaal bij de ruiterij), m. —s. Brigand (roover), m. —s.

Brigantijn (vaartuig met luag boord), v. —en. Brij (een soort van pap), v. —en. Veel koks bederven de —.

Brijn (zoutwater), o. gmv.

Brij/.el (kruimel, scherf), v. —s.

Brijxelen (klein muien), ik heb gebrijzeld;

— ing, v.

Brik (vaart uig). v. —ken, Oor logs—, handels—. Bril. m. —len. lem. een — opzetten, bedriegen: twee .loden weten wat een — kost, zijn even slim.

Briljant (een geslepen diamant), m. —en.

Een horloge met —en omzet.

Brillant (schitterend, glinsterend), bn. en bw. Brilleeren (glinster' ti, schitteren). Fig. uitmaken.

Brillenhiiisje (doosje voor den bril), o. —s. Brink (grasveld in de kom uan 't dorp, als markt dienende, vooral in Drente), m. —en. Brits (slaapplaats), v. —en.

Britsen (sluun), ik heb gebritst.

Brittanniè (Engelund), o.: —niseli. bn. Broeanteur (kunstkooper of rui Ier in schilderijen), m. —s.

Broêart of Broeat (gebloemde zijde, goud- of zilverstof). 0. gmv.

Broelie (doekspeld), v. —s. Een diamanten —. Broelieeren (innuuien van boeken; bloemen, met levendige kleuren, in zijden en wollen stoffen weven).

Broeiiure (vlugschrift; blauwboekje), v. —s. Broddelen (knoeien, bederven), ik heb gebroddeld; —aar, m.: —arij, v.: —werk, o. Brodden (broddelen), ik heb gebrod. Brodeeren (opsieren, opsmukken, vergr00ten). Broderie (borduurwerk, borduursel), v.

Broed (broedsel). 0. gmv.

Broeden, ik heb gebroed. Kwaud —. willen berokkenen; op iets zitten te —, te peinzen. Broeder, m. —s en —en.

Broeder Jonatlian (schertsende naam voor de N.-Amerikanen), m.

Broederlijk (alsbroeders),hn.en bw.: —lieid,v. Broederseliap (de betrekking), o. gmv.; (ver-eeniging van broeders), v. —pen.

Broedertje (poffertje), 6. —s. Broedertjeskraam, v. —kramen; —pan, v.

— nen.

Broedseli (broeiziek), bn. —lieid, v. Die hen

is

Broedsel (het gebroed), 0. —s. Ook: Broed. Broei h ik (tuinb.). m. —ken.

Broeien, de kip heeft gebroeid: —erij, v.; -ing, v.

Broeisel. o. —s.

Broek (kleedingstnk), v. —en.

Broek (moerassig land), o. —en.

Broer (broeder), m. —s.

Brok (stnk, afgebroken deel), m. —ken.


ocr page 67

BROKKELEN—BULL.

^7

Brokkelen (in stukjes breken), ik heb gebrokkeld; —ins;, v.

Brlt;»kk('ii (in stukjes breken), ik heb gebrokt. Broiiimen (grommen), ik heb gebromd; —nier, m.; —iniiiK, v.

Broinmert je (laag rijtuig), o. —s. vero. Bromvlieg; (groote vlieg), v. —en.

Bron (wel), v. —nen. Dit is de — ran a! mijn lijden, d. i. oorsprong; geschied—, boeken, archieven.

Bronelieeren (struikelen, haperen, blijven steken).

Bron» (metaalmengsel), o.; bronzen (soorten). Bronst (tochtigheid van de dieren), v. gmv. BroiiMtig. bn.; — heid, v.

BroiiNftijd (tijd der paring), m. gmv. Bronzeii (een bronskienr geven), ik heb gebronsd.

Bronzen, bn. Een bronzen beeldje, kandelaar. Bron/Jno (soort van marmer, dat, als men er tegen slaat, een klank geeft), o.

Brood. o. —en. Zijn — verdienen; het da ge-lij ksch hij heeft daar rijk zijn —, d. i. onderhoud: ik kreeg dat op mijn —. men verweet mij dat.

Broodilronken (overmoedig), bn. en b\v.; — Iieid, v. Een — menigte, dartel.

BrooH (tooneellaars), v. brozen.

Broos (zwak.breekb (ar), bn. en b\v.; —lieid.v. Bros (brokkelig), bn.: —lieid, v.

Brossia;. bn. —lieid, v. [den).

Brouilleeren (oneenig maken; oneenig ivor-BroiiilUtn (kladboek; ruwe schets), o. —s. Brouwen (met de stem), ik heb gebrouwd. Brouwen (bier), ik brouwde, heb gebrouwen; —er, m.; —erij. v.; —sel. v.

Brug;, v. —gen! Hij moest over de — komen. betalen.

Brusgenlioof'd (vast gedeelte der brug). o. —en. Brui (slag, stoot), m. Ergens den — van geven, zich niet bekommeren om: daar is nu al de —, alles samen.

Bruid (verloofde in ondertrouw), v. —en; —je, o. —s.

Bruidegoni en Bruigom, m. —s.

Brnieii (slann, smijten), ik heb en ben gebruid. Ik zal hem van de trappen wat bruit het mij, wat geef ik er om; gij moet mij zoo niet —, plagen.

Bruikleen (i)i leen zonder rente), o. —en. Bruilol't (trouwfeest), v. —en. Zilveren, gou-Bruin (bruin paard), m. —en. [den —.

Bruin (bruine kleur), o.

Briiineeren (bruin maken, polijsten), ik heb gebruineerd; —der, m.; —ing, v. Bruineerijzer. o. —s; —sleen, m. —en.

Bruiiien (bruin worden of maken), ik heb en Bruinet, zie: Brunette. |ben gebruind.

Bruinkolen (delfstof), v. mv.

Briiinviseli (een walvischachtig dier), m. — Bruis (schuim), v. en o. [visschen.

Bruisen (schuimen), het heeft gebruist; —iiiK. v.; —ter, v.

Bruispoeder en —poeier, o.

Bruit (geraas, leren, gedraisch; ophef, betvc' ging; los gerucht), m.

Brullen (schreeuwen), ik heb gebruld: —Ier, m.; —ling;, v.

Bruniaire (rijp- of nevelmaand, van 22 Oct. tot 20 Nov.), m.

Bruinniel (braambes), v. —s.

Brunette (vrouw of meisje met donker of bruin haar), v. —ten.

Brusque (ojivliegeud, barsch, grof. onbescheiden; eensklaps, onverhoeds), lm. en bw. Ook: brusk. [wen).

Briisqiieeren (onheusch bejegenen, afsnau-Bruslt;|uerie (opvliegendheid, driftigheid, ruwheid, v.

Brutaal (onbeschoft, onwellevend), bn. UvuiwWamp;vrvetKonweUevendof grof bejegenen)* Brutaliteit (grofheid, onbeschoftheid), w —en. Bruto (in di'n handel: het gewicht der waren met den omslag: onzuiver)', —bedrug, het beloop zonder aftrek der onkosten.

Biieentaur (stiermensch'. een monster, half stier, half mensch), m. —en.

Bueepliaal (lievelingspaard van Alexander den Grooten». m.

Budget (begrooting der juarlijksche uitgaven; staatsbegrooting), o. —ten en —s.

Bullel (een soort van rund), m. —s. Fig. Een

— van een vent, een dom, brutaal man. BuH'elen (onmatig eten), ik heb gebuffeld. Bu (Iels (zekere Itaiiaansche vaartuigen om

dv uit zee komende schepen den stroom op te brengen).

BuHet (tapkast, schenk- of aanrechttafel)T o. —ten.

Bui (regenvlaag), v. —en: —tje, o. —s. Buidel, ook Buil, m. —s, —en. Met den buidel gaan, met het kerkzakje collecteeren: hebt ge-wat in den —? (gew.), hebt ge geld bij u? Buien (regenen, waaien), het heeft gebuid. Buig;en (krommen), ik hoog, heb en ben gebogen; — ing;. v. —en.

Buiig;, bn.; —heid, v. Het weer is —.

Buik (lichaamsdeel), m. —en: —je (zwaar-Buikspreken, o. [lijvige), o. —s*

Buikspreker, m. —s.

Buil ((gezwel), v. —en. Zich een — vallen. Buil (meelbuil), m. —en.

Builen (ziften met den meelbuil), ik heb gebuild: —er of —der, m.

Buis (goot), v. buizen. Een glazen, koperen —. Buis (kleedingstuk), o. huizen.

Buis (haringbuis), v. buizen.

Buiskool (kropkool), v. Zie: Kahuiskool. Buit, m. gmv. Iets — maken, op den vijand; veroveren; op — vuren, als kaper varen. Buitelen (tunnelen), ik heb en hen gebuiteld; —aar, m.; —ing;. v.

Buiten (buit maken), ik heb gebuit: —er, nu Buiten (lustplaats, landgoed), o. —s. Buitenbeentje (onecht kind), o. —s. Buitengaats (in zee. in een vreemdeh/tven), bw. Biiitengeineen (zeldzaam), bn. en bw. Buitengewoon, bn. en bw. Een — talentr zeldzaam; — tevreden.

Buitenkansje (onvoorziene winst), o. —s. Buitensporig; bn.enbw.; —lieid. v.

Buitentijds en Buitenstijds, bw.

Biiitinaken {veroveren, 'winnen), ik heb — gemaakt.

Bukken (den mg krommen), ik heb gebukt,

— ing. v. Fig. onderdoen, b.v. — voor gewekL Buks (korte snaphaan), v. —en.

Bul (stier), m. len.

Bul (oorkonde), v. —len.

Bulderbast (bulderaar), m. —en.

Bulderen wazen, tieren), ik heb gebulderd. Bulliond (kettinghond), m. —en.

Bulken (loeien van rundvee), de koe heeft gebulkt; —er. m.: —ing;, v.

Buil (.lohn). Hans Stier (spotnaam voor het Engelsche volk), m.

II1

'k;

i

I

. -'4

1

f Él

1 i-


y

ocr page 68

BULLEBAK—CACOGRAPHIE.

48

Bullebak (sc/fWfcbfWrO, rn. —ken. Fig. sclireeu-Biilletiii {bericht), o. —s. [wer.

Hulster (heddetioed), v. —s.

Bult (bochel, rerherenheid), m. —en Birtenaar iuebochelde), m. —s.

Bu!toH (bison, N.-Amer. os), m. —sen. Bumper (zeer (jroot driuh'dlos), m. —s. Bun (visch/coai'). v. —nen.

Buudel, ni. —s. Een — gedichten, een — /n'eeken.

Bnuder (landniaat, H.A.), o. —s.

Biinselen (schommelen, slimjeven), het heeft geliüngeld.

Biiiiziug of Bouxius; (roofdier), ni. —s. Bureht (1: o steel), m. —en.

Bureau (schrijftafe/, schrijflxos.schrijfknnier;

certrek voor ambtsiverkzitamheden], o. —'s. Bui'eaucratie (fnnlttenadrsheei'sclm/i/iij.fii'oote invloed der ambtenaren o/) de regeering), v. Bureel (kantoor), o. —en. Ten —e.

liureeliHt (klerk, beambte), ni. —en.

Buren (bunrpraatjes maken), ik heb gebuurd. Buik, ni. — en.

Burgjeiueester, 111. —s; —lijk. lm. en bw. Burger, m. —s.

Burgeres, v. —sen.

Burgerij {'le gezamenlijke burgers), v. —en. Burgerlijk (eenvoudig, tot den burgerstand behoorend), bn.: —lieid. v.

Burgerseliap (burgerij), v.; —reeht, o.

Burin (graveerstift, graveerijzer), o. —s. Burlesque (koddig, wonderlijk, grappig), bn. Burrie (berrie), v. —s.

Bu« (blikken trommeltje), v. —sen.

Buskruit, o. Hij vliegt op als —.

Bussel (bondel), m. —s. Vlaainsch.

Busselen (in schooven binden), ik heb ge-busseld.

Bussen (in bussen pakken), ik heb gebust. Buste (borststuk of borstbeeld), v. —en, —s. But (houten kan. ook draagkorf). v. —ten. But (doel, oogmerk), o. Dit axis zijn —. Butoor (pitoor; roerdomp, moerasvogel), m. butoren.

Buur. in. buren. Heter een goede —, dan een verre vriend.

Biiurscliap (buurt), \. —pen; (betrekking als buur), o. goiv.

Buurt. v. —en. In de — wonen, dichtbij wonen; uit de —. veraf.

Buurten (op bezoek gaan bij buren: in de buurt bel,end maken). ik heb en het is gebuurd.


C.

v. c's. De derde letter van het alphabet wordt in het Nederlandsch alleen gebruikt in ch, en in aan vreemde talen ontleende woorden. — In de muziek is de c de benaming van den eersten toon. do genoemd. — Tn het Romeinsche cijferschrift heeft C de waarde van 100; in de nat. is C = Celsius. l'.A. — Cum annexis. met den aankleve van

dien. met het bijbehoorende.

l'a. — Circa, ongeveer, omtrent, rondom, t . a d. — Cest a dire, dat is te zeggen, dat

is, dat be teekent.

lt;'and. of C'. — Candidatus, candidaat; iemand, die naar een ambt dingt.

Cant. — Cantor, zangmeester, voorzanger. 1'ap. of i'. — Caput, hoofd, hoofdstuk. 1'ent. — Centmu. honderd.

i et. — Cetera, het overige.

C. Ex. — C'nn eccpensis, met de kosten. C.li. — Cituto loco, op de aangehaalde plaats. 4quot;.M. ofC'and. gt;Iin. — Candiilntus ministei'ii, candidaat in de godgeleerdheid. C.M. — currentis men sis, in de loopende maand. Co. — Conto, i-ekening.

i'od. — Codex, wetboek; ook handschrift, oorkonde.

Coll. — Col lat is, vergeleken zijnde, na verge-' lijking, nagelezen.

Cóninient. — Commentarius oïaommentatio, verhandeling of uitlegging.

lt;'onip. of Cie. — Compagnie.

Conlquot;. of Cl'. — Conferatur, men vergelijke. Cons. — Consul.

lt;'.S. — Cum suis met de zijnen, of cinn socius,

met zijn deel- ot 'lotgenooten.

Crese. — Crescendo, met toenemende of klimmende sterkte.

Ct. - ( lent of Centime.

Ct., Crt. — Courant, krant. Ctr. — Centenaar.

Cts. — CV mts of Centen.

Cab (klein, licht rijtuig), v. —s.

Cabaal (geheim verbond; verraderij; slume tegenwerking) o. —balen. Ook: Kabaai (lawaai, rumoer).

Cabaleeren (sumenspannen).

Ciibaleur (samenspanner), m. —s.

Cabane (een Imt of stulp; scheepskooi), v.—n. Cabas (platte biezen tasch), o. —sen. Cabotage (kusthandel, kustvaart), v. Cabretleder en —leer (leder van het jong een er geit, inz. voor bandschoenen. Ciibriolet dichte wagen, met t/vee wielen en één paard), v. —ten.

Cabriool, C apriool (luchtsprong, kunstsprong, bokkesprong), v. —olen.

Caeao (de vruchten en eeltige boonen van den cacao-boom, die, fijn gemaakt, dienen om er chocolade-poeder van te bereiden], v. Caebé (geheim, verborgen), bn.

Caelieeren (verbergen, verhelen, geheimhou-Caebelot (potvisch). m. —ten. den).

Caelie-nez (zijden winterdas), m. (mv. ook cache-nez).

Caebet (zegel, signet, zcgelstempel), o.; —je, o. —s.

Caebeteeren (dichtmaken )net een cachet, verzegelen).

Caebot (donker gevangenhok, provoost), o. —ten.

Caeograpbie (gebrekkige schrijfwijze; opstel met fouten ter verbetering t^oor de scholieren), v. —ën.


ocr page 69

CACTUS—CANTINE. 49

Cactus (fakkekUstelx, v. —sen.

Cadanceereii (afmeten, afronden).

Cadans (muz., de stemralliiui, dans- of zangmaat; juiste overeenkomst der dee ten eener rede in de redekunst), v.

Cadaver (een lijk, dood lichaam, aas), o. —s. Cadavereu8 (lijkkleurvj, ingevallen en bleek, ook vermagerd, als een lijk), bn.

Cadeau (klein vriendschaps- of gelegenheidsgeschenk), o. —'s.

Cadet (militair kweekeling), m. —ten, —s Cadre (schilderlijst, rand enz.), o. —s. Zie Kader.

Cadue (boKivrallig, broos, vergankelijk), bn. Cadueiteit (boawvalligheid, broosheid, vergankelijkheid). v. gmv.

Caesuur (dichtk., vers-snede; de stemrast in een versregel), v. —uren.

Cafe {koffiehuis), o. —'s.

Cai'tau (Turksch opperkleed), m. —s.

Cahier (schrijfboek, aantal samengevoegde vellen papier), o. —s.

CaiHHon (kruitwagen i leger kist, proviandwagen, kistje onder den bak van een rijtuig), v. —s.

Cajoleereu (liefkoozen, flikflooien). Calamiteit (ongeval, algemeene nood, ellende, landplaag), v. —en.

CalamiteiiH (ellendig, rampzalig, rampspoedig, in nood verkeerend), bn. en b\v. Caiaudo (muz., afnemend, wegsmeltend). Calange (bekeuring, aanhaling van smokkelwaren), v. —s.

Calangeeri*!! (bekeuren, (atnhalen, in rechten betrekken).

Caleiiieereu (door oxg dee ring tot kalk gt; stof maken : metalen in sterk water oplossen). Caleul (rekening, berekening), m. —s. Caieuliitie (berekening), v. —ën.

Calculeeren (rekenen, berekenen, uitrekenen). Calèehe (een lichte, open wagen of koels), v. —s. Ook: Kale».

Caleidoseoop (kleurenkijker of schoonheidskijker). m. —copen.

CalemlMMirg; (woordspel, dubbelzinnig gezegde, geestige naamspeling), m. —s.

Calieot (gele katoenen stof, ook cassa gehee-ten), o. — s.

Calligraaf (schoonschrijver), m. —graten. Calligraphie (schoonschr ij fkunst, schoonschrift). v. gmv.

Calliio^ie (kunst van fraai spreken, welsprekendheid), v. gmv.

Calliope {muze van het heldendicht), v. Calineereii (verzuchten, stillen, geruststellen). Calomel (dikwijls gelouterd kwikzilver),o.gm\\ Calomnie (luster), v. gmv.

Caloril'êre (warmte leider, verwarmingstoestel voor een gansch gebouw), m. — s. Calorimeter (warmtemeter), rn. —s.

Calotte (platte muts, priestermutsje), v. —n. Calqueereu (doortrekken), nat eekenen). Cahimnie (luster), v. gmv.

CaliiiiiKiieren (lusteren. l:waad spreken, eer' rooven).

Calvinisme (de leer van Culvijn), o.'gmv. Calvinist (protestant, gereformeerde), m. en v. —en.

Calvinisti.seli, bn.

Calyptra (hoofddeksel der Grieksche geestelijken, die geen monniken zijn), v. —'s. Camaclie.H (knoop- of overkousen, slobkou-st'n), v. mv.

koenen. Verkl. Handwdb. d. Xederl. taal.

Camaraderie (kameraadschap, bent, kliek), v. Camarilla (regeering door geheime kuiperijen; heerschzuchtige kliek, die in het geheim werkt), v. — s.

Cambiaal recht (wisselrecht), o.

Cambieren (wisselen of wisselhandel drijven). Camhio (wisselbrief, wissel), o.

Cambrai (kamerdoek,batist),o. Ook: Cambriek. Camee (gesneden kostbare steen), v. —en. Ca mei eon ti sell (verander lij k. begin se l loos), b n. Camelia (Chineesche of Japanscheroos),v. —'s. Cameltkt (van kemelshaar vervaardigde stof), o. Camera (kamer), v. —'s.

Camera elara (heldere of lichte kamer)., v Camera ««ItHeiira (duistere kamer van een photographietoestel), v.

Camera illneida (misleidende, bedrieglijke of ophelderende kamer), v. —'s.

Camera Ineida (heldere kamer), v. Ci\u\\HiuW(onvoorz'umeaanval van den vijand, of vijandelijke inval in het duister), v. —n. Campagne (landgoed,buitenplaats; veldtocht; in smeltovens: de tijd van het onafgebroken werken), v. —s.

Campeeren (in het veld gelegerd zijn). Campemeiit (veld-, lust- of oefeningslegering onder tenten), o. —en.

Campus (veld, vlakte), o.

Campus Martins (het veld van Mars, waar i)i Rome de wapenoefeningen plaats hadden). Canaille (laag gespuis), o.; (hondsvot;gemeens vrouw), v. —s. Ook: Kanalje.

Canailleus (schandelijk, gemeen, schelmachtig, verachtelijk), bn. en b\v.

Caualisatie (kanaalgraving), v. gmv.

Canapé (rustbed, slaapstoel, rustbank, kussen-ba ui:), v. —'s.

Caneelleeren ( in een hekwerk besluiten, om-heinen; doorschrap pet t, uitvegen). Caudelaber (tn'm- of kroonluchter; kroon-kandelaar), v. —s.

Candidaat ( iemand, die «gerechtigd is om naar een ambt te staan), m. —daten.

Caiididatnur (het dingen naar een ambt), v. Canevas (voeringlinnen), o. gmv. Canneleeren (uithalen, van groeven of ribbeltjes voorzien).

Cannibaal {woest en wreed mensch, menschen-eter), m. —balen. Ook: Kannibaal. Cannibaalseli (wild, woest, wreed, bloeddorstig). bn.

Cam» (kanoe, uit een boomstam vervaardigd vaartuig der wilden. Indiaansch bootje),\. —'s. Canon (regel, richtsnoer, wet; kettinggezang, waarin de melodie door alle stemmen herhaald wordt; verzameling van Bijbelsche boeken), m. —s.

Canoniek (volgens kerkelijke wette}!, geloofwaardig). bn. —e boeken. Bijbelboeken met volle geldende bewijskracht; —recht, li. K. kerkrecht. Ook: canonisch.

Canonieus (domheer, kanunnik), m. —sen. Ca no n i sa t i e (hei l ig vet 'k la rit ug). v.—tiën, —ties. Canoniseeren (heiligspreken, iemand in den canon [lijst] der heiligen opnemen. Cantabel.eaiitabile (zingbaar,zangerig), muz. Cantaloep (wrat. meloen), v. —en.

Cantate (zangdichtstuk), v. —n. —s. Cantatriee (zangeres), v. —s.

Cantliariden (Spaansche vliegen), v. mv. Cantilie (goud- en zilverdraud voor passe-mentwerk). v. —s.

Cantine (verkoop/daats vun ververschingen.


ocr page 70

CANTINI ERE—CATACOMBE.

ÖO

inzonderheid voor het lener te velde, ook in kazernes, werk- en verbeterhinzen), v. —s. CantiiiM're (cantine-hoadater, marketentster), v. —s.

Canto (zang), o. —'s. muz,

Canto i'erino (eenstemmiy \koraal\gezang), o. Cantor {.zanger, voorzanger), m. —s. Caoiitc-lioiu- (gom-eldstiek), o. gmv.

Capabel (bekwaam, gesc ikt, vatbaar), bn. Capaciteit (inhondsgroottei bekwaamheid, geschiktheid), v. —en.

Capillaire buizen (nat. haarbaizen), v. mv. Capiilair-»te!«el (haarvatenstelsel), o. Capitaine (hoofdman), m. —s.

Capitatie (Ivtofdelijke omslag), v.

Capitool {sterkte of barcht in Rome: fig. het hoofd, de hersenkas), o.

Capitulatie {onderhandeling tot, of overeenkomst betre/fende ileovergave), v. —tilt;:n, —ties. Capttnleeren (een verdrag betrelfende de overgave aangaan', zich o/gt; zekere voorwaarden overg(ven).

Caprice (eigenzinnigheid, luim, gril; een schielijke en bijzondere inval een* kanste-naors), v. —s.

CaprieieuH (eigen zinnig. grilziek, wisjteItnrig), Capsule (zaadhaisje, ornhnUsel), v. —n. [bn. Capteeren (bejagen, vatten, verstrikken). Cap'tie (vei*rassing; aanmerking', bedenking), v. —tiën. —ties.

Captiei' (gevangen, in slavernij), bn. Captivatie (boeiing, verrukking), v. Captiveeren (gevangennemen, vasthoaden; inpakken, inrekenen, boeien, ver rakken). Capuee (ka/), kraag- of mantelkap), in. —s.

Ook: capachon. rn.

Caquet ((gebabbel, gekakel), v. gmv. Calt;|neteeren (snappen* snoeven, kakelen). Caraeoli (metaal, hetirelk ait goail, zilveren koper samengesteld is en nooit verkleurt), o. Caranilgt;olage {het raken van twee ballen door den spelenden biljartbal), v. —s.

Carambole, v. —s. Zie Carainbolage. Caraniboleeren {twee biljartballen raken met

den spelenden bah.

Caramel (tot hardheid gekookte saiker, borst-

ulevelletjé), v. —len.

Caravanserai (groat gebouw tot huisvesting van reizende karavanen), v. —'s.

Caravelle (snelzeilend schip), v. Ook: Kara-welle.

Carbonisade (verkoling), v. gmv. CarboniMeeren (verkolen).

Cardinaal (voornaamste, dat tot de hoofdzaak behoort), l»n. Het cardinale punt, het punt, waarop de zaak eigenlijk neerkomt; cardinale deugd, hoofddeugd.

Carewwe (liefkoozing, gevlei), v. —s. Carewweeren (troetelen, liefkoozen; vrijen). Carga dading, scheepslading), v. —'s. Carga(lolt;»r (scheepsmakelaar of bevrachter),

m. —s. Ook: Cargo.

Carieaturiseeren (belachelijk maken, in een belachelijk daglicht stellen', bij wijze van spot afbeelden).

Caricaturist (spotprentteekenaar), m. —en. Caricatnnr (een spotprent', belachelijke, voorstelling in een teekening, prent of schilderij: overdrijving van het gebrekknie), v. —turen. Carillon (i'en klokkenspel, beiaard), o. —'s. Cariole dicht rijtuig met twee wielen), v. —n. CarliHten {aanhangers van Don Carlos in Spanje), m. mv.

Carmagnole (Fransch patriottisch volkslied met. dans in ilVO), v.

Carnage (bloedbad, slachting), o.

Carnati (vleeschkleur: nabootsing van het vleesch in de schilderkunst), o.

Carnaval (vastenavond, ook vastenavond-pret), o. —s.

Carogne {ondeugende, lastige vrouw), v. Carpeereii (berispen, bedillen,alles beter willen weten).

Carré (vierkant: fig. netjes), bn.

Carré (vierhoek, vierkant, vierhoekige slagorde), o. —s.

Carrière (loopbaan, levensloop, levenswandel, leven*weg: steengroeve), v. —s. Zijn — maken, zijn — eindigen.

Carrière-attaque (stormende ruiteruanval). v.^ CaroiiMsel (plechtig ridderspel, te paard of met rijtuig: ringsteken : rijbaan of rijschool: mallemolen), o. —s.

Carte {kaart, wijnkaart, spijskaart), v. —s. Carte blanclie (vrij spel. de handen ruim, algeheele volmacht), v. Men gaf mij —. Cartel (verdrag tot uitlevering, vergelijk: uitdaging tut tweestrijd), o. —s.

Carton (modelblad voorschiUiers,tapijtwerkers enz.), o — s.

Caryatiden {vrouwelijke beelden, dienende als of zuilen), v. mv.

Cascade {waterval), v. —n.

Casco (de eigenlijke, bodem of de romp van een schip), m. —'s.

Casimir (h/dflaken, gekeperde tvollenstof), o. Casino (een huisje: naam van een last- en gezelschapshuis: aangename annter-avond-bijeenkomst, besloten gezelschap), o. —'s. Cassa (geldkas, geldvoorraad), v. gmv. Per —, tegen gereed preld.

Cassatie (vernietiging, te niet doening: ontzetting van een post), v. Hof van —, hoogst gerechtshof. dat de vonnissen, door andere rechtbanken geveld, kan vernietigen.

Casseeren (ophe[fen. afzetten, vernietigen, te niet doen). Ken soldait —. afdanken: iets —, van de hand wijzen.

Cassette (een koffertje, geldkistje, bijzondere schat des konings), v. — n.

Castagnetten (muz. klaphoutjes, daimkleppers), v. mv.

Castel {kleine vesting, kasteel, slot), o. —len. Castellaan (slotvoogd, kastelein), m. —anen. Castigeeren (tuchtigen).

Castraat (een gesnedene, ontmande), m. —aten. Castratie (ontmanning), v. —tiën, —lies. Castreeren (ontmannengt;.

Casn. Casn lt;|no (toevallig, toevalligerwijze). In —, in dit geval.

Casn-ilist (iemand die de. leer. dat alles van een bloot toeval afhangt, is toegedaai), m. —en.

Casnalistiek (de leer. dat alles slechts tun 7 toevul afhiïigt), v. gmv.

Casnaliteit {toevalligheid), v. —en.

Casueel (toevall'ug, bij (gelegenheid), bn. enbw. Casnïst (beslisser van gewetenszaken), m. —en. Casuïstiek (de leer om voor alle gewetensvragen, die zich voordoen, raad te weten en alle ingewikkelde vraagpunten op te lossen), v. Casn quo I in welk geval (tok, in allen gevalle), Casns {toeval, geval: in de taalkunde: naamval), m. Een — criticus, een kritiek geval: een Casus belli, een aanleiding tot oorlog. Catacombe {onderaardsche gewelfde begraaf-


ocr page 71

CATALOGISEEREN—CHANGEEREN.

plaats, hewa'irpl tats ran dmdsbeenderen in Parijs), v. —n, — s.

CataiogiMeert'ii (in een ratfiloi/itsbeschrijven). Catalo^iiM (lijst, naamlijst), m. —sen. Catapnit (aarlofiswerptaig der ouden ), v. —en. Catarrhaal (zinkinyaeiituj), bn. —ale koortsen, zinkingkoortsen.

C'ataNf roplie (pntknoopiny van een treurspel; ieder trearUj einde een er zaak, (jroot onhe'd, volksramp), v. —s.

( afcolM'fiscli (vraagswijze; in den vorm van een gesprek), bn.

CateeliiHaiit (iemand die de ratechisatiën bjwoont), m. en v. —en.

CaterliiHalie (onderwijs in de godsdienstleer), v. —tiën, —ties.

CatecliiMreren (onderwijs in den godsdienst geven bij rragen en antwoorden). CateHiiHcerineeiütcr (onderwijzer in den godsdienst), m. —s.

('afccliisiiniN (vragenboek), m. —sen. Categorie (klas* afdeeling), v. —ën. CategoriHeli {bepaald, onvoora.'aardelijk, zonder omtuegen). bn.

Catlieder (leerstoel, lessenaar), m. —s. Ook;

Katheder.

('atliolieiMine. o.

('allioliek en Katholiek, rn. —en.

('aiielieiiiar (nachtmerrie), m. —s.

C'an.sa (oorzaak, aanleiding, gereehtelijkt handeling), v. —s.

CaiiMe eêlêbre (opzienbarend rechtsgeding, ger acht makende zaak), v. i^i\\i»w\if(gepra(d,gekegt;ivel,gekout),\. —ën, —s. C'iiiiHeiiHe (sofa, voor twee personen), v. —s. CaiiteriHeeren (uitbranden, d gt;odbranden). Cautie (borgstelling, onder pand, borg tocht), v. Caiitioiineereii (zich borg stellen, voor iemand borg blijven).

Cavalcade ( prachtige optocht te paard, schitterende ruiteroptocht), v. —s.

Cavalerie (ruiterij, paardenvolk), v. gmv. C a va 1 e r i«t (A / • ijgsu i ■in te paard, ruiter), m. —en. Cavalier (ridder, begeleider eener d imquot;), m. Cnviiliéreiiirnt (niiirrliil,), liw.

Ciivatine (kort z'tngstulc, zonder tweede couplet), v. —s.

Caveeren (borg of aansprakelijk blijven, zich

in de bres stellen voor).

Caviteit (holte, holligheid), v. —on. Cayenne-peper (peper uit F) -a nsch G • gt; ia na). v. Cedeeren cifstund doen van. afstaan).

Cedel en Ceèl (lijstje, briefje, h iurcontract), v. cedelen, cedels en ceólen.

Ceder (pijnboom), m. —en of —s.

Cedille (h uikje ouder de tetter c (c), ingeval ilie letter als s uitgesproken wordt), v. —s. Ceèl, v. —en. Zie Cedel.

Ceintuur (gordel, lendenband), v. —turen. Cel (kamertje, hok), v. —len: —let je, o. —s. Cel (zeshoekig raLjeeener honigraat), —len. Celebreereu (eieren, kerkelijk of feestelijk gedenken).

Celebriteit (rermaardheid, beroemd persoon,

uitstekend talent), v. —en.

Celeriteit [gezwindheid), v. gmv.

Celibaat (de ongehuwd ■ stoot, echteloosheid), o. Cellist (bespeler van de violoncel), m. —en. Cellui air (celrormig. met cellen, eenzaam), bn. —gerangenis, eenzame opsluiting.

lenient (tros, mortel, metsel kolk). o. —en. Ceuieiiteereii (met cement bepleisteren). Censeereu (oordeelen, beoordeelen, berispen).

Censor (beoord 'elaar), m. —en en —s. CeiiMiireeren (uit d - kerkelijke gemeenschi/) sluiten; ivruken).

CeiiMU» (belasting, aansla t in de belasting), m. Censuur (toezicht op de drukpers), v. gmv. Cent (bronzen munt), m. -en en —s.

Cent (pro of per) (ran of ten honderd). Centaur (myth, puardmensch), m. —en. Centenaar (gewicht ran honderd pond), m. —s. Centiare (M-. honderdste deel der vierk. roede), v. —n en —s.

Centisrani (honderdste deel van een wichtje of O.pOOOl K.G.). o. -men.

Centiliter (vingerhoed, honderdste deel der kun of 0.01 L.m. —s.

Centime (honderdste deel van een frank,

1« cent nagenoeg), v. — n of —s.

Centimeter (duim. honderdste deel van een M. 0 01 M.), m. —s.

Centraal (tot het middel/unit behoorend), bn. —Amerika, d. i. Midden-Amerika; een — bestuur, d. i. van één hoofd of leider uitgaande; een — pont. een middelpunt.

Centralisatie (samentrekking der macht, ver-eeniqinq in een punt), v. gmv.

Central iseeren (bijeentrekken, vereenigen in één punt).

Ontrifugaal (middelpuntschuwend), bn. Centriiiu (middel pun t,/iont van vereen iging),o. Cerele (een gezelschapskring, kransje), m. —s. veru.

Centurie (schare of getal van honderd), v. —ën. Centurion {hoofdman over honderd), m. —s. Cerealien (gewassen met melig zaad, granen; akkerbouw feesten), v. mv.

Ceremonie ( plechtigheid, hof- of kerkgebruik), v. —nieën en —nies.

Cerenioniêel (het gebruik bij feesten of plechtigheden; drukte, omslag), o. gmv. Cereinonienieester (bestuurder of leidei- van feestelijkheden), m. —s.

Cerenioniens (vol plichtplegingen), bn. Cerneeren (insluiten, omsingelen, omringen). Certiiieaat (verklaring, bewijs, getuigschrift), o. —caten.

Certificeeren (verzekeren, door een certificaat

of getuigschrift bevestigen).

Cervelaatworst (gekookte en gekruide vleesch-ivorst), v. — en.

Cesseeren (ophouden, een einde nemen, wegvallen ).

Cessie (afstanddoening, afstand), v. —siën. Cetera (voor het overige, hetgeen er meer volgt). Cliagrin (kommer, verdriet), o. gmv. ook; chagrijn.

Cliagrineeren (bedroeven, krenken, kwellen). Chaine (keten, ketting; de kettingdans; de boeien, schering op het weefgetouw), v. —s. Cliais (gewoonlijk sjees), v. —en.

Cliainpètre (landelijk, wat tot het tand behoort), bn. Bil —. danspartij in een tuin, buiten; garde —. veldwachter.

Clianipignon (eetbare paddenstoel; snel rijk geworden me nsch, opkomeling), m. —s.

Chain pion (strijder, voorvechter, kampioen), m. —s.

Chance (kans. gelul, ), v. —s.

Chaneeleeren (wunkelen, in twijfel staan). Change (wissel, ruiling), v. —s.

Changeant (veranderlijk, met een weerschijn). bn.

Cliangeeren (veranderen, verwisselen, verkleuren).


4*

ocr page 72

CHAOS—CHRONOLOGIE.

Cliao8(£fc uormlooze hlouip of baaierd, waarin alle hoofdstoffen, voor de schepping der wereld, onder elLander vermengd waren: fig. wanorde, verwarriny, warboel), m. gmv. C'haotiscli (wanordelijk, verward), bn. enbw. Chapeaii (hoed', fig. heer, begeleider eener dame), m. —'s.

l'liapeau ba» (onderdanig, blootshoofds), b\v. C'liaperoii (helmdeksel, kapje, beschermend geleide eener jonge dame), m. —s. Cliaperoiineeren (een jonge dame tot beschermend geleide verstrekken). Ook: cha-pronneeren.

Cliapitre (hoofdstak', onderwerp van een gesprek), o. — s.

t/liar-a-bani'S (lange en open banKwagen, met zitplaatsen langs de zijden), m. chars-a-bancs. Charade (lettergrepenraadsel), v. —s.

i'liarge (bist; lading, bij schietgeweren: bediening; eerepost), v. —s. Pas de storm-of looppas; getaigen a—, getuigen ten nadeele van den beschuldigde.

Cliargc d'aiFaires (zaakgelastigde), m. (mv. chargés d'allaires).

C'liargcereii (belasten, bezwaren, overladen', bij de cavalerie: een aanval doen op, ook de kanonnen laden).

Cliaritabel (milddadig, weldadig), bn.

Cliarité (liefdadigheid, christenliefde),^, gmv. i'ïiarivari (verward geraas, geklank met ketels, enz.; geschreeuw, twist; ketelmaziek; een stel kleinoodiën aan een horlogeketting), o. —'s.

Cliarlatan [kwakzalver; ivindbuil, snoeshaan), m. —s.

CliarJataiKM-ic (Kwakzalverij, snoeverij, pocherij), v.

Cliarmaiit [bel,oorlij/,-, zeer aardig),hn.enhw. Cliarmr taan lokkei ijk beid; welbehagen), v. —s. Cliarmeereii {bekoren, betooveren, verrukken). Charta magaa (eigenlijk een groot papier of blad; de grondwet der Engelschen ). v. Charte-partie. Zie: Cherte-partij.

Charter (oude oorkonde, getuigschrift, grondwet), o. —s.

ChaMsiiii't (gazen raam met een of ander opschrift), o. —ten.

Cliatouille (geld- of juweelkistje: de huisschat of privaatkas van een vorst), v. —s. Chaiissée (straat- of steenweg, kunststraat), v. —s.

Cliaiisseeren (kousen en schoenen aantrekken, schoeien; plaveien).

ChauviiiiHiiie (dweepzieke staatkande), o. gmv. ChaiiviniMt (politiek dweper), m. —en.

Check (kassiersbriefje), v. —s.

Chef (hoofd, aanvoerder, bevelhebber), m. —s. Clief d'eseadre (schout-bij-nacht), m. (mv. chefs d'escadre).

Chel* d'rtMivre (meesterwerk, meesterstuk), o. (mv. chefs d'ceuvre).

Cheiniealieii (scheikundig bewerkte waren), v. mv.

Cheiiiieii» (scheikundige), m. —sen.

Chemie (scheikunde, oplossings- of ontbin-dingskunst), v. Ook: Cliymie. CheiiiiHrh(scheikundig).hn. Een — preparaat. Cheiii(»e (hemd), v. —s.

Cheiniwette (ha If hemdje), v. —s.

Chenille (boordseltje van fluweel; zekere vrouwenmantel; een soort van k)loopwerk), v.—s. Cherte-partij (zeew. vrachtbrief, vrachtcontract), v. —en.

Cherub, m. —s; hetzelfde als Cherubijii (v lammenbode; benaming van hemelgeesten of engelen van den 2en rang, die Gods troon omringen), m. —en; —f je, o. —s. Chetif' (zwakkelijk, kwijnend: niet goed ontwikkeld), bn.

Cheval (paard), o. — de bataille, strijdros, ook stokpaardje.

Chevalere»k (ridderlijk), bn.

Chevalier (ridder), m. —s.

Chevalier d'iudiiHtrie (bedrieger, oplichter, fortuinzoeker, reizende goochelaar), m. mv. chevaliers d'industrie.

Chicane (rechtsverdraaiing, haarklooverij), v. —s.

Chicaiiepren (hanrklooven. spijkers op laag

water zoeken, bedillen, vitten).

Chicaneur (haarkloover, bediller, lastig schepsel). m. —s.

Chicaneurig (haarklooveng, bedillerig, lustig: vasthoudend), bn.

ChifTon (vodje, nes ter ij), o. —s.

Chitronneeren (frommelen, in wanorde brengen. kreuken; ontrusten).

Chiffonnière (ladekast, liooge latafel), v. —s. Cliiïfre (schriftteeken, cijfer), o. —s.

Chignon [bundel nekhaar), o. —s.

Chijl (spijsbrij, sap dat door de sjnjsvertering bereid wordt en dan uit de maag in het bloed overgaat), v. gmv. Ook: Chylu». Chimère (ongerijmd verdichtsel; inbeelding, hersenschim), v. — s.

Chimeriek (hersenschimmig, ingebeeld), bn. Cninees, m. Chineezen.

Chineesch (de taal), o.; ook bn.

Chirologie (hemden- of vingerspraak), v. gmv. Chirurg (heelmeester), m. —en.

Cliirurgicaal (heelkundig), bn.

Chirurgie (heelkunde), v. gmv.j Chirurgijn {heelmeester), m. —s.

Chloor (zoutzuur), o. gmv.

Chloroform (zeker gevoelvo'doovend middel ).y. Cliloroformiseeren (in een toestand van gevoelsvei'dooving brengen, door middel van chloroform).

Chocolade, v.; chocolaadje (koekje), o. —s. Cliolera [braakloop), v. gmv.

Cholera morbiiH [Aziatische braakloop), v. Choleriek (gulachtig, driftig, opvliegend), bn. Cholerine (een lichte graad van cholera), v. Choquant (hinderlijk: beleedigend, walglijk), bn. en bw.

Choqueeren (ergernisgeven, aanstootelijk zijn beleedigèn).

Clirestomathie (bloemlezing, verzameling eau de beste stukken van dichters en prozaschrijvers). v. —ën. Lees: krestoma-tie. Chrisma (de gewijde olie, zalfolie in de U.K. kerk gebezigd bij het toedienen van het doopsel, het vormsel; ook de zalving zelve), o. Christen, m. —en.

Christendom (de Chr. leer), o. gmv. Chromatiek (kunst der kleurenmenging', v. Cliromatisch (in halve tonen opgaand en afdalend), bn.

Chroniolitographie (hieurensteendruk), v. Clironique scandaleuse (geschiedenis van al wat aanstoot geven kan; zonden register), v. chroniques scandaleuses.

ChroniHch (langdurig, langwijlig), bn. —e ziekte, sleepende ziekte.

Chronogram (jaartalvers), o. —men. Chronologie ( tijdrekenkunde, tijdleer), v. —ën.


ocr page 73

CHRONOLOGISCH—COCHONN Eli IE.

53

CiironologiHfli (t ij drek en k andiy), bn. en bw. Een — overzicht der geschiedenis; een tijdvak — behandelen.

l'lironometer (tijdmeter, zee-uurwerk; timekeeper bij de Enyelschen), m. —s. Clirysograpliie {ijoudschrijfkunst), v. gmv. Chrysoliet (yoadsteen), m. —en.

ChyliiN. Zie Chijl.

Chyinie. Zie Clicinie.

Ciborie {kelk), v. —ën en —s.

Cicerone (geleider, wegwijzer), m. —s. Cichorei (ook suiker ij), v. gmv.

Cicisbco (damesgeleider), m. —'s.

Ciller (appeldrank), m. gmv.

C'i-dcvaiit (voorheen, voormalig, ook: aristocraat van voor de revolutie).

Cijfer, o. —s. Hij is daar een nul in 't —. d. i. heeft daar niets te zeggen.

Cijferen, ik hel) gecijferd; cijferaar, m.; cijferins, v.

Cijns (belasting, schatting), m. cijnzen. Cijnsbaar (schatplichtig), bn.; —heid, v. Cimbaal en Cimbel (klankbekken), v.• cimbalen en cimbels.

Cinnaber (vermiljoen, zekere roode verf), o. Cipier (gevangenbewaarder), m. —s.

Circa (omstreeks), bw.

Circulair (kring- of' ringvormig), bn. Circulaire (rondgaande brief), v. —s. Circulatie (omloop, kringloop), v. De — van het bloed.

Circuleeren (omloopen, in omloop zijn, in een kring bewegen).

Circiimfercntie (omvang, omtrek), v. Circumflex (verlengingsteeken, kapje; een houw. een schram), m. Ook: —flexus. Circiimhicutie (omschrijving met woorden), v. —ties, —tiën.

Circumpolair (sterrenk. zich bewegend in de nabijheid van de hemelpool: niet op- '-u ondergaand), bw. Op onze breedte is Cassiopeia —.

Circumscriptie (omschrijving, beperking), v. —ties, —tiën.

Circumspect (behoedzaam, omzichtig), bn. en bw.

Circumspcctie (omzichtigheid, behoedzaamheid), v. gmv.

VlrvumHtimiiv (gesteldheid, omstandigheid), v. Circumstantieel (omstandig, breedvoerig), bn. en bw.

Circus (renperk, worstelperk, ook paardenspel). m. —sen.

Cirkel (regelmatige kromme lijn, ook vlak). m. —s.

Cis (aan deze zijde), bw.

Cisalpijnsch (aan deze zijde der Alpen), on. Ciseleeren (graveeren, steken, met de stift of den beitel bewerken, op zilver drijven; met bloemen insnijden).

Ciseleur (graveur voor drijfwerk), m. —s. Citaat ( tanhaling, aangehaalde plaats), o. citaten.

Citadel (kleine vesting, hoofd fort), v. —len. Citeeren (aanhalen, vermelden, gewag maken van).

Citer (snaarinstrument), v. —s; —spel, o.; —speler, m. —s.

Cito (gezwind, snel, haastig), bw.

Citroen, m. —en. lem. knollen voor —en ver-koopen, d. i. bedriegen, om den tuin leiden. Civetkat (muskuskat), v. —ten.

Civiel (burgerlijk; billijk, matig, goedkoop), bn.

Civiel-ingenienr (b/ov/eWy/t' bouwkundige), m. civiele-ingenieurs.

Civiele lijst (jaargeld, aan den regeerenden vorst toegekend, voor de hof huishouding en op den staat van begrooting als vaste post uitgetrokken), v.

Civilisatie(besdlaving, verfijning der zeden), v. Civiliseeren (beschaven, verlichten, de zeden

verzachten).

Civiliteit (wellevendheid), v. —en.

Clairet (bleekroode wijn), m. gmv. Clair-voyance (magnetische slaap: verhoogd zieleleven), v. gmv.

Clair-voyant (helderziend, ten gevolge van den magnetischen slaap in een toestand van. verhoogd zieleleven gebracht), bn. Clair-voyant (iemand dooi den magnetischen slaap in —en toestand gebracht of te brengen), m. —en.

Clair-voyante (vr iaw of meisje, die door den magnetischen slaap in —n toestand gebracht is of kan worden), v. — n.

Clandestien {heimelijk, hij de wet verboden ).bn. Cla(|iieur (gehuurde handklapper in schouwburgen, gehuurde toejnicher), m. —s. Classicaal (volgens klassen), lm.: (bij de Hervormden: — bestuur), o.

Classiek (voortreffelijk, voorbeeldig, als richtsnoer dienende), bn. Ook: classisch.

Clausa {cel, kluis), v. —'s.

Clausule (beding, voor waarde, bepaling, voorbehouding: toevoegsel), V. —S.

Claves (toetsen op het klavier), v. mv. muz. Claviatuur (toetsenbord), v. —uren.

Clavis (sleutel, notenaleutcl), v. muz.

Clement (genadig, goedertieren), bn. Clementie (genade, goedertierenheid), v. Cleresie en Cleresij (geestelijkheid), v. Ook: Cle rus.

Clericaal (aanhanger of voorstander der geestelijkheid), m. clericalen; als bn.: priester-Cleri cal isme, o. [/(y'/j, geestelijk.

Clerns (geestelijkheid), m. gmv.

Cliché (houtsneeafdruksel), o. —'s.

Client [iemand, die zich door een advocaat, in rechtszaken, laat bedienen).va.; —e, v. —en. Cliênteele (al de klanten), v. gmv.

Cliniiix (klimming van stem of toon in de rede), m.

Cliniek (practische geneeskunde), v. gmv. Clinisdi (heelkundig), bn. —e les, geneeskundige les bij quot;t ziekbed.

Clinist (beoefenaar der clinischegeneeskunde, leer aar en ook leerling der clinische school), m. —en.

Cloak (manteljas), m. —en.

Cloture (sluiting; afsluitin i), v. —s.

Clown (hansworst, grappenmaker), m. —s. Club (besloten gezelschap), v. —s.

Coactie (dwang, geweld/buiige aanranding), v. Coadjutor (ambtshelper, toekomstig opvolger).

m. —s of —en.

Coadjutorschap, o. gmv.

Coaguleeren (stollen, stremmen).

ConMiie. (verbonil. vereeniging van twee tot dusverre tegenovergestelde partijen),\T. —s,—tiën. Cocasnemast (kHmmast), m. —en.

Cocarde (lint of rozet van bepaalde kleur), v. — s.

Cochenille, ook: Konzenielje (scharlaken-

luis: daar van bereide verfstof \ v.

Cochon (zwijn), o. —s.

Cochonnerie (zwijnerij, vuile taal), v.


ocr page 74

COCON—COMMISSIE.

54

Cocon (pop van de zijderups), m. —s.

Code, Codex (ivetboi'k, oud handschrift), m. Code \:ipoleoii {wetboek door Napoleon I ingevoerd), ni. Code civil, burgerlijk wetboek; code pcnal, wetboek van strafrecht.

Codieil (aanhatKjsel of hijvoegsel tot een

testament), o. —len.

Codille (verlies in het omberspel), v.; als bw.:

verloren, bedorven, gera'ineerd.

Coëfüeient (vermenigvuldiger), m. —en. alg. Coereeeren (in toom houden, bedwingen). Coëreifiel' (bedwingend), lm.

Cogiiiie (Fran se he brandewijn uit de stad Cognac), m. gmv.

Cognitie (kennisneming, onderzoek), v. gmv. CogiMtHNemenf (zeevrachtbrief), o. —en. Conereeren (samenhangen of sainenhouden, aaneenkleven).

Cohorte (krijgsbende, schaar), v. —n. Coiffeeren (kappen).

CoifIViir (kapper), m. —s.

Coiffure (kapsel), o. —s.

Coïnrideemi (in elkander rullen, op hetzelfde uitkomen).

Coïnrident (in elkander vallend), lm.

Cokes (gaskolen), v. mv.

Col (bergpas: dasje, stropje), m. —s. Colispiim (groote schouwburg in Rome), o.

—s, colisea.

Collalioratmr (medewerker), m. —s. Colliihorecren (medearbeiden. gemeenschappelijk werken, b.v. aim een tijdschrift). Collateraal (zijdelingsch), bn. —e verwanten, neven verwanten, zijverwanten.

Collatie (vergelijking run geschriften] recht om een predikants- of onderwijzersplaats te begeren, te verleenen of te doen bezetten), v. —tiën en —ties.

Collation luiaal ran kond rleesch,gebak,enz.:

rerp'issch ingsmaal), o. —s.

Collationneeren (schriften of boeken doorzien. vergelijken).

Collator (die een predikantsplauts begeeft), in. —en.

Collé (tegen den band), m. Een — bal, op het biljart.

Colleetant (inzamelaar), m. —en.

Colleete (i nzameting: het rerzauwlde geld), v.

—n en —s.

Colleeteeren (inzamelen run giften). Collectie {verzameling, aantal, menigte), v. —s of —tiën.

Collectief, Colledieve (verzameld, gezamenlijk), lm.

Collega (ambtgenoot, medeleeraar, medeonderwijzer), m. —'s.

College (vergadering van rerscheiden personen tot zekere doeleinden', lichaam, corporatie, r or lezing of les op hoogescholen), o. —s. Collegiaal (als ambtgenooten hanaelend). Colli (pak, kist, baal. stukgoed), o. —'s. Collideeren (tegen elkander stooten, botsen]

in den weg treden).

Collier (halsband, halssnoer), m. —s. Colli-sie {botsing: lig. nood, beklemdheid), v. Collo, v.: ook: Colli.

Collocatie (stelling, verph/ntsing: in rechten: de rangschikking der schnldeischers). v. Colllt;»lt;|ncercn {bespreken, sumenspreken: een

onderzoek doen).

C'olUMiniinn (samenspraak, mondeling onderzoek). o. -quia. [rustende), v. —s. Colonnade (zuilenrij: rond gebouw, op zuilen

Colonne (kolom, zuil, pilaar\ dansfiguur, strijdbende), v. —n of —s.

Colo(|iiiiit (bitteragurk), v. —en.

Coloraturen (muz., kunstige toonwendingen.

trillers bij den zang), v. mv.

Coloreeren (kleuren, met verven dekken: fig.

rerbloemen, bewimpelen).

Coloriet (Kleurmenging, k(eurschakeering), o. Colorist (kleurgever, klenrmenger), m. —en. CoIohhii8 (reuzenbeeld in de oudheid aan de haven van Rhodus), m. Ook: Kolos. Colportage (rondventing van boeken), v. gmv. Colporteeren (rondventen).

Col|»orteur (rondrenter, inz. van boeken: iemand, die loterijbriefjes rondbrengt), m. —s. Coinbinatie {samenvoeging, vereeniging, verbinding), v. —tiën. —ties.

Conihineereii (verbinden, vereenigen: verge-

l ijken , bei 'eken et 1).

CónihiiHtihelen (brandstoffen), 0. mv. ConibiiMtie (rerbranding: fig. opschudding, oproer), v. —tiën.

Coined ie (blijspel), v. —diën, —dies. CoineMtihelen (eetwaren), o. mv.

Coin lort (gemak, (veelde, levensgenot ). 0. gmv. Coint'ortahel (gemakkelijk, behagel ijk), bn. en bw.

Coniilt;|iie (lustig, grappig, aardig), bn. Coniitaat (geleide, gevolg), 0. —taten.

Coniité (vergadering: raad), 0. —'s. Coniinandant (bevelhebber, bijzonder van een stad of resting), m. —en.

Coiniiiandeeren (berden,gebieden,aanroeren». Coinmandeinent {bevel, gebod, oppergezag), o. —en.

Coniinandcrie (het gebied eener ridderorde), v. Coininanditair (met vennooten, die bloot als geldschieters deel in de zaak hebben ), bn. Coniinaiidite (vennootschap, die voor rekening

run anderen gedreven wordt), v.

Coinniando (het gebod, bevel, de aanvoering: recht om te berelen), o. —'s.

Coniine il laut (zooals 't behoort), bw. uitdr. Coniineinorahel (gedenkwaardig), bn. en bw. Coiniiienioratie (aandenken, herinnering, aanroeping der heiligen), v. —ties. —tiën. Coniinenioreeren (rerhalen, opzeggen, melden: zich bezinnen, gedenken).

CoinineiiMaal (dischgenoot, kostganger), m. —salen

Coininentaar (opheldering, uitlegging), m. Coininentaren (ophelderende bijschriften, uitleggingen), m. mv.

Coiniiientecren (uitleggen, ophelderen, ver-kluren).

Coinmerage (koffiepraatjes), v.

Coniinerce of Coniniercie (koophandel; eer-keer; ook zeker kaartspel), v. gmv. Coniinercieel (handels-, koopmans-). bn. 1'oniiiicre (peet moei. doophefster: babbelkous), v. — s.

Coininer.scn (het commersspel spelen), C'oninierMMpel, 0. -len.

Coininettant (lastgever), m. —en.

CoinniieM (ambtenaar aan een ministerie, de post oiz.), m. —zen.

ConiiniMeratie (erbarming. ontferming, me-Je-

l ij den), v.

CtMinniHsariaat (bureau), o. —riaten. CoinmiMHaris (geiudmachtigde: hij, wien iigt;-uitvoering van zekeren last opgedragen wordt), 1 m. — der Koningin. — van politie. ! ConmiiMsie (volmacht, last: rergadering tot


ocr page 75

COMMISSIONAIR

55

—CONGA VITEIT.

onderzoek), v. —siën, —sies. —hoek, liestel-boek: —yoed, —handel, d. i. verkoop tegen percenten.

CoimiiiHHioiiair {lastiiitvoerder), m. —s. — ia effecten, kassier.

CommiMHuriaal (van of voor een commissie), bn.

C'oiiiiniH-voyaKeiir (handelsreizifier, reizend

handelsbediende) m. —s.

Coinmitteiit (lastfjever), rn. —en.

ComiiKHle (latafel), v. —s.

Coimiiofliteit {ijemak), v. —en.

Clt;gt;iiiiii(Mlore {(jeza ff voerder over een eskader

of smaldeel in Engeland), m. —s.

Coiiimiin ((jemeen, gemeenschappelijk), bn. en als zn. o.

Cuiiniiiiiiaal {gemeente-, gemeen tri ijk), bn. 1'oiiiiiiiine {gemeente, verzameling), v. —s: ook in 1871 in Parijs het bewind der communisten.

Coiiiiiiiinifaiit {R.K. avondmaalvierder), m. | en v. —en.

Coiiiiiiiiiiiratic (mededeeling: gemeenschap), v. —tiën en —ties.

Coiniiiiiiiioe^r^ii {mededeelen: ook: li. K. het

heilige a vond maul vieren).

Coimminie dgt;ij de Katholieken de benaming iioor avondmaalviering), v. —s. —niën. Cominiiiiicei'cii {ter nanmanie gaan). CoiiiiiiiiiiiMine (stelsel van gemeenschap van goederen ), o.

CoimiiiiniHt {aanhanger of voorstander van het commanisme, d.i. verdeel ing der goederen, m. en v. —en.

CoiiimiiiiiHtiM'li {volfjens de leer der communisten), bn. en bw.

Compart {dirkt, vast, ineengedrongen), bn. Een —e bevolking.

Compa^ne {levensgezellin), v. —s.

l'oiiipagnic {maatschappij, gezelschap van onderscheiden personen tot koophandel; afdeel ing soldaten), v. —ën.

i'uiiipagiiieHfliai» {vennootschap), v. —pen. Coiiipasnon {hulp. deelgenoot, metgezel, een-

noot), m. —s.

ComparabH (vergelijkelijk). lm.

Comparant {hij die verschijnt), in. —en. Comparatie {vergelijking), v. —ties. —tiën. Comparatiel' ot' —tivns (spraakk. de vergelijkende trap), m. —tieven.

Compareereii (vergelijken, ergens verschijnen,

voor het gerecht verschijnen).

Comparitie {opkomst voor het gerecht, bijeenkomst, vergadering), v. —tiën, —ties. Compartiment {afdeeling, coupe), o. —en. Compassie {medelijden, medegevoel, mede-doogen). v. gmv,

Compatihel lt;vereenigbaar, gevoeglijk), bn. Compatibiliteit {geschiktheid), v. gmv. Compatriot {landsman, landgenoot), m. en v. —ten.

Compelleeren {noodzaken, dwingen). Compendium {beknopt uittreksel van een ivetenschap of leer; handleiding, leiddraad), o. —diums. —dia.

Compensatie {vergoeding, vereffening), v. —tién. ties: —slinger {wiens zwaartepant niet door tempera taarverschil daalt of rijst), m. —6-.

Compenseeren {vergoeden, vereffenen, samen betalen).

Competeeren {toekomen, volgens recht behoo-ren, voegen, betamen).

Competent (bevoegd, rechtmatig, geldig, passend, behoorlijk), bn.

Competentie {bevoegdheid), v. —tiën, —ties. Compilatie (samenvoeging; een boek, uit verschillende schrijvers bijeengetrokken), v. —tiën. —ties.

Com pil a tor (wrzrt we/aar, samensteller),m.—s. Compileeren (verzamelen, samenbrengen). Complaisant {dienstwillig, bereidwillig), bn. Compleet (volledig, voltallig), bn. —pleter: —Iieid, v.

Coinplement (aanvulsel), o. —en. Complementair (aanvallend), bn. Coinpleteeren (voltallig, volledig of volkomen maken).

Complex (samengesteld, ingewikkeld), bn. Complexie (lichaams- of gemoedsgesteldheid, temperament: gelaatstint), v. grnv.

Com p I i eat ie (ingewi kkeIdheid, verwikkeling, invlecht ing). v. — tiJ;n —ties.

Complice {medeplichtige), m. en v. —s. Complieeeren (ingewikkeld maken). Compliciteit (medeplichtigheid), v. gmv. Compliment (groet, plichtpleging), o. —en: —Je (lof), o. —s.

Complimentatie {begroeting), v.—ties.—tiën. Complimenteerni (begroeten, verwelkomen). Complimeiiteiis (plichtplegend, vol complimenten). bn.

Compli(|neereii {verwarren, vele zaken bij elkander voegen, ingewikkeld maken), beter: Complieeeren.

Componeeren (muziekstukken vervaardigen, toondichten).

Componist (vervaardiger van muziekstukken, toondichter), m. —en.

Comporteeren (zieli) (zich gedragen) Comportement (gedrag, leefwijze), o. gmv. Compositie {menging; metaalmengsel; ordening eener schilderij: toonzetting; muziekstuk), v. —tiën, —ties.

Compote (ingelegdegestoofde vruchten),\. —s. Compres (pap of ander belegsel op wonden of lijdende lichaamsdeelen), o. —sen. Compres (vast, samengedrukt), bn. en bw. Een —se druk. een — gedrukt boek. Comprimeeren (samendrukken, persen; beteugelen).

Compromis (minnelijke schikking, overeenkomst door beslissing van scheidslieden). o. —sen.

Compromittant (aan onaangenaamheden of gevaar blootstellend; in een ongunstig licht stellend), bn. en bw.

Compromittatie (in-gevaar-brenging, blootstelling aan gevaar of aan onaangenaamheden), v. —tiën, —ties.

Coinpromitteereii (mede in een zaak verwikkelen, aan onaangenaamheden of gevaar blootstellen, in gevaar brengen).

Comptabel (rekenplichtig. verantwoordelijk), Comptabele (rekenplichtige), m. —n. jbn. Comptabiliteit (verplichting tot rekenschap, verantwoordelijkheid: de rekenkamer), v. gmv. Comptant en eontant (in gereed geld). Cointe (graaf), m. —s.

Comtesse (gravin), v. —s.

Con amore (muz. met liefde, uit liefhebberij, met ingenomenheid).

Concaal' {uitgehold, hol), bn.

Coneatenatie {aaneenschakeling, samenstren-geling), v. -tién. —ties.

Coneaviteit (holheid), v. —en.


ocr page 76

CONCEDEEREN—CONFRONTATIE.

56

Coiicedeeren (bewilligen, toestaan).

Concedo (ik stem toe, het zij zoo!).

Concentratie (samentrekking op één punt), v.

Concentreeren {samentrekken, op één punt vereenigen; verdikken, versterken).

Conrept (ontwerp, ruwe schets', begrip, gevoelen), o. —en.

C'oiirerneeren (betreffen, aangaan).

Concert (samenwerking van verscheiden toonkunstenaars op verschillende instrumenten), o. —en.

Concerteeren (wedijveren in het spelen of zingen; ook: bespreken, afspreken, beramen).

Concerteereiifi (uitstekend, wedijverend), bn.

ConccHHie (vergunning), v. —siön, —sies.

Coiicc.ssionariH (vergunninghebber of -er-langer), m. —sen.

ConccNHitHieeren (vergunnen van wege de regeering. toestaan, bevoorrechten).

Conchy lien (schaaldieren), o. mv.

Concierge (bewaarder of portier van een bijzonder huis, een school, enz.), m. —s.

Conciergerie (cipiers- of portierswoning), v.

Conciliant {verzoenend), bn. en bw.

Concilie (RA*, kerkvergadering), o. —liën,—lies.

Conciiieeren (verzoenen, vereenigen).

Concipieeren (ontwerpen, opstellen: neder-schrijven).

Conci^ (kort, bondig, samengevat), bn.

Conclave (besloten vertrek: vergadering der kardinalen ter verkiezing van een nieuwen paus), o. —s. [ken).

ConcliKieeren (besluiten, gevolgtrekking ma-

ConchiHie (besluit, slotsom: eindvoorstel), v. —siën, —sies.

Concordaat {verdrag, tusschen wereldlijke vorsten en den paus, over kerkelijke zaken), o. —daten.

Concordant (overeenstemmend'», bn.

Concordantie (overeenstemming: alphabetisch register van alle in den Bijbel voorkomende woorden en spreuken, met opgave van de plaats, waar zij staan), v. —tiën, —s. De Neder landsche — van Trom mi us (1685).

Concordeeren (overeenstemmen).

Concordia (eendracht), v. gmv. — res parvae crescunt, door eendracht groeien kleine dingen.

ConconrH (samenloop, samenkomst van schuldeischers, ter indiening van hun vorderingen; wedstrijd naar een prijs), o. —en.

Concreet (gemaakt van stof, werkelijk bestaand), bn.

Concnrreeren (wedijveren, mededingen).

Concurrent (mededinger), m. —en.

Concurrente (mededingende vrouw), v. —n.

Conciirrentie (mededinging, wedstrijd, wedijver), v. gmv.

ConcnsHie (botsing; geldafpersing, knevelarij), v. —siön, —sies.

Condeninatie (veroordeeling), v. —tiën, —s.

C'oiideinneeren (veroordeelt'n. afkeuren).

CondeiiNatie (verdikking, samendringing), v.

Condensator (werktuig in de nat., om de verstrooide electrieke stof te vereenigen), m. —s.

CondeiiHeeren (verdichten, samenpersen).

l'ondeHcenteeren (genegen zijn, zich inwilligend toonen. zich verwaardigen).

CondeM endantie(/m{;///jV/mr/), v. —tiën,—ties.

Conditie (voorwaarde, beding; bediening, post), v. —tiën, — tios.

Co'iditioneel (vjorwccardelijk), bn. en bw.

Conditioneeren (voorwaarden stellen, bedingen). Dit huis is goed geconditioneerd, d. i. in goeden staat.

Conditio «ine qua non (onvermijdelijkevoorwaarde)^ v.

Condoleantie (rouwbeklag), v. —tiën, —ties.

Condoleantiebrier (brief van rouivlyeklag), m.

Condoleeren (beklagen, deelneming toonen; rouwbeklag aanbieden).

Condor (grijpgier, een der grootste roofvogels), m. —s.

Condnetenr (leidsman: geleider, begeleidend beambte op spoortreinen, diligences, omnibussen, enz.), m. —en. —s.

Conductor (geleider aan een electriseermachine: pachter, huurder), m. —s.

Conduite (gedrag, handelwijze}, v. — lijsten, gedraglijsten (bij het leger).

Con esprezzino (met uitdrukking, nadrukkelijk). muz.

Confectie (voleinding, voltrekking: vervaardiging van kleedingstukken), v. —magazijn, —winkel.

Conrectioneeren (voleinden, voltrekken, vervaardigen).

Con federatie (statenbond,bondifenootschai)),\r.

Confedereeren (verbinden, een verbond aangaan). De geconfedereerden. de verbondenen.

Con fe ree ren (beraadslagen. / 'erge lij ken).

Conferentie (beraadslaging, mondeling onderhoud wegens zaken), v. —tiën, —ties.

ConleHsie (bekentenis, belijdenis, biecht), v. —siën, —sies.

ConfessionariH (biechtvader), ni. —sen.

Coutessioneel (de geloofsbelijdenis betreffende), bn.

Confiance (vertrouwen), v. gmv.

Conlident (vertrouweling, vertwuwde), m. en v. —en.

Confidentie {vertrouwen; vertrouwlijke me-dedeeling), v. —tiën, —ties.

Confidentieel (vertrouwelijk), bn.

Confieeren (toevertrouwen, auavertrouwen).

Confineeren (huis- of stadsarrest geven, gevangenzetten: belenden, palen aan).

Confineinent (gevangenschap), o. gmv.

Confirmatie (bevestiging, bekrachtiging, inzegening: bij de R. K.: het vormsel), v.

Confiriiieeren (bevestigen, bekrachtigen, inzegenen).

Confiscatie (verbeurdverklaring, gerechtelijlce i nbes lag nein i gt;ig). v.—tiën,—ties

ConfiHenr (banketbakker), m. —s.

C'onfisfineeren (gerechtelijk in beslag nemen, verbeurd verklaren).

Confitnrier (banketbakker), m. —s.

Confituur (in suiker ingemaakte vrucht), v. —Uiren.

Conflict (botsing, gedrang: strijd, gevecht), o. —en.

Confineeren (samenvloeien, snmenstroomen).

Confinentie (samenvloeiing van wateren), v.

Clt;»nf'ondeereii (vermengen, verwarren; lgt;e-sc hamen).

Conform (overeenkomstig), bn.

Con formatie (het overeenkomstig maken), v

Confbrineereii (overeenkomen, overeenstemmen, toestemmen).

Conformiteit (gelijkvormigheid, overeenstemming), v.

Confrater (medebroeder, ambtgenoot, mede-ordesgezel), m. —s.

Confrontatie (vergelijking: getuigenverhoor), v. —tiën, —ties.


ocr page 77

CONFRONTEEREN—CONSTITUTIONEEL.

57

Coiilroiiteeren (teijen 'elkander over stellen), getuigen hooren).

Coiiruiifleereii (verwisselen, venvarren; verbluffen, beschamen).

Conl'iiMie {verwarring, ontsteltenis', verlegenheid), v. —siën, —sies.

('oiif'iiHioiirereii {in de war brengen, doen ontstellen, verlegen maken).

Coiifutatie {wederlegging), v. —tiën, —ties.

Con f«tee re n (weder leggen).

ConluiiN {verward, verlegen, verbluft), bn.

Congé {afscheid\ o. gmv. Iemand zijn —geven, afdanken, uit zijn dienst laten gaan.

Connedièeren {afscheid geven aan), wegzenden).

Congestie {ophooping van bloed, aandrang', verstopping, samenvloeiing van keu de vochten naar het hoofd), v. —tiën, —ties.

Congratiilatie {gelukwensching), v. —tiën, —s.

Congratiileeren (begroeten, gelukwenschen).

Con gravita {met waardigheid), muz.

Con graxia {met bevalligheid), muz.

Congregatie {vergadering; geestelijke broederschap), v. —tiën, —ties.

Congres (samenkomst tot gemeenschappelijke beraadslaging \ tusschen vorsten of hun gezanten, ook van geleerden en letterkundigen]). o. —sen.

CongriK'iit (gelijkvormig en gelijk), bn.

Congnientie (gelijk- en gelijkvormigheid van figuren), v. gmv.

Conileren (kogeldragende gewassen), v. mv.

Conisrli (kegelvormig), bn.

Conjectniir {vermoeden, onderstelling, v. —turen.

Coiijeetnreeren {vermoeden, gissen, veronderstellen).

Conjugaal {echtelijk), bn.

Conjugal ie (vervoeging van een werkwoord), v. —tiën, —ties.

Conjngeeren (vervoegen).

Coiijiinetie {vereeniging, samenkomst; in de taaik.: voegwoord), v. —tiën, —s.

Conjunctier en Conjunctivn.H {bij- of aanvoegende wijs), m. —tieven.

Conjnni-tniir (tijdsomstandigheid: samentreffende omstandigheden in het algemeen), v. —turen.

Conjnratie (samenzwering), v. —tiën. —ties.

Coiijiireereii (samenzweren).

Connetahle (weleer: de veldheer der Fransche kroon), m. —s.

Connexie {verbinding, verband, samenhing),

Conf|iiète {verovering), v. —s. [vr. —nexiën.

Conrector {onder-directeur van een ggmna-sium), m. —en, —s.

Conrectoraat {ambt van conrector), o. -raten.

Conscientie (geweten; innerlijke overtuiging: gemoedelijkheid), v. —tiën. —ties.

CoiiMcientieiiH (gemoedelijk; in gemoede: overeenkomstig iemands geweten), bn.

CniiHcriptie {opschrijving, loting van manschappen voor den dienst), v. gmv.

CoiiHcrit {lateiing), m. —s.

Consecratie {R.K. wijding, inzegening),v. gmv.

Coiisecreeren (R.K. wijden, inwijden, inzegenen, heiligen).

('onseil (raad, raadsvergadering,raadgeving),o.

Consent (toestemming), o. —en.

Consent bi IJ et (geleibriefje bij belaste goederen), o. —ten.

Consenteeren {toestemmen, inwilligen). Wie zwijgt, consenteert, v/io ni-ts negt stemt toe.

Conseqnent {zich zeiven gelijk blijvend), bn.

Conseqiientie {gel ij kb lij ving aan zich zei ven; het getrouw blijven aan beginselen), v. —tiën, —ties.

Vonaerï (inmaaksel), o. Ook: Conserve.

Conservatie (behoud, instandhouding), v.gmv.

VM\»er\i\i\*ï{behoudend,instandhoadend),\)ïi.

Conservatieven {aanhangers van het oude; behoudsmannen), m. mv.

Consprvatisme {leer van het stelsel van behoud). o. gmv.

Conservatoire (hoogere muziekschool), o. —s.

Conservator {bewaarder, opziener), m. —en.

Conserve {afkooksel), o. —n.

Conserveeren {behouden, instandhouden).

Considerabel {aanzienlijk, gewichtig, achtbaar), bn.

Considerans(opsommm//1 'a n groi) den).\'. gm v.

Consideratie (overweging; luogachting), v. —tiën, —ties.

Considereeren {beschouwen, ovenvegen, hoog-schutten).

Consignatie (bemuargeving), v. —tiën, —ties.

Consigne (parool: bevel), o. —s. i Consigneeren {teekenen. opteekenen; regelen; . aan iemand opdragen, gelasten: in bewaring geven). Een schildwacht hem op zijn post j stellen met de noodige voorschriften: soldaten in de kazerne —, hun verbieden de kazerne i te verlaten.

i Consistent {stevig, rast, duurzaam), bn.

Consistentie (dichtheid, vastheid, lijvigheid van vloeistoffen, stevigheid, duurzaamheid), v.

Consistoriaal (tot den kerk raad behoo-1 rende), bn.

Consistorie (kerkeraad, geestelijk gerecht; \ kerkekamer), v. —riën, —ries.

VoiitnAiini(troostend.geruststellend),hn.en b\v.

Console {wand- of pilaartafeltje, spiegel-I tafeltje), v. —s.

Consoleeren (troosten, opbeuren).

Consolideeren {vestigen, verzekeren, dekken).

Consoinnieercn (vollooien, voleinden).

Consonant (spraakk. medeklinker), v. —en.

Consonanto (standharp, spitshurp), v. muz.

Consorten {deelnemers, aanhangers, medewerkers), m. mv.

Cons|Mratenr (samenzweerder.

re tie), m. —s.

Conspiratie (samenzwering.

ning), v. —ties. —tiën.

Conspireeren {samenzweren, sat

Constabel (kanonnier, stukmeest» pen; Engelsche politiedienaar), m. Konstabel.

Constant (standvastig, bestendig, volhardend; erkend, heerschend). bn. en b\v.

Constantie {standvastigheid), v. gmv.

Constateeren (bevestigen, bekrachtigen, staven). Een feit —, staven, d. i. met bewijzen waar maken.

Consteeren (bestaan; blijken; aan iedereen bekend zijn).

Constellatie (sterrenbeeld), v. —tiën. —ties.

Consternatie (verlegenheid, verslugeuheid, ontsteltenis), v. —tiën, —ties.

Consterneeren (met verslagenheid of ontsteltenis vervullen).

Constipeeren (hardlijvig maken).

Constitueeren {vaststellen, verordenen').

Const r t ut ie (staa tsgestsldheid. sta a tsregel i, ig. grondwet; lichaamsgesteldheid), v. —ti n, —s.

Constitnticneel (grondwettelijk), bn.

■ ■:

suamgezwo-

samenspan-

'lenspannen). op sche--s. Ook:

i!

f, %

1

li


ocr page 78

CONSTRUCTEÜR-CONTRESCARPE.

58

i'oiiMti ucteiir (boi(fV)neoHter. inzonderheid van schepen), m. —s.

l'tuiHtnictie {samenstelliny, beuwking; bouworde, luoordschlkkimj), v. —tiën, —ties. Coiistriieereii (bonteen, oprichten', meetkunstige figuren samenstellen).

4'oii.suI (ran rijkswege benoemd handelsbeschermer; agent, gevolmachtigde; opperste bewindsman in sommige republieken), in. —s. CoiiMiilaut (consuls-ambt: eonsuls-waardig-

heid; consuls-woning), o. —laten.

lt;'oiiNiilair (betreffende den consul of het consulsambt), bn. De —e waardigheid, waardigheid van consul.

CoiiMilair agent (van rijkswege in een ander land aangesteld handelsbeschermer met minder bevoegdheden dan een consul), m. —en. i'onHiileereii (om raad vralt;gen, raadplegen). C3uiiHiileiit (rechtsgeleerd raadgever), m. -en. ('oiiNiilt (beraadslaging, b.v. van doctoren), o. —en.

Consultatie (raadpleging, beraadslaging), v. i'oiiMilteeren (raadplegen). |—tiën, —ties. i'oiiHiiiiieeren (verteren, nuttigen, verbruiken). l'oiisuiiicnt (verbruiker, afnemer), m. en v. —en.

i'oiiHiimineereii (voleinden, volvoeren). OoilHiimtie, CoiiHiiinptie (rerbrnik), v. —tiën, Contact (aanraking, botsing), o. gmv. | —ties, rmitagie {besmetting), v..gmv.

Contagien» (besmettelijk, aanstekelijk), l»n. l'ontant (in gereed geld), bn. Ook: Comptant. i'nntcniplatie (beschouwing, bespiegeling), v. l'onteni plat iel' (beschouwend, bespiegelend), l'oiitpinpIfH'ren (beschouwen; overwegen), [bn. Conteni|Mgt;rair * gelijktijdig), bn.

l'oiitenaiH'P (tegenwoordigheid van geest, houding, bedaardheid), v. gmv. C'oiiteiianreereii (standvastig zijn in, het

hoofd bieden aan).

Content {.tevreden, vergenoegd), bn. l'ontenteeren (bevredigen, tevredenstellen, betalen).

i'ontentenient (tevredenheid), o. gmv. Contentieus (twistziek, kijfachtig), bn. Conteiieiten (afbeelden, uitschilderen), b\v. ConteMtahel (strijdig, betwistbaar), bn. i'onte.stabiliteit (strijdigheid, betwistbaar-Contenteereii (bestrijden, betwisten). \heid),v. Context (inhoud, samenhang der gedachten.

redekoppeling), v. gmv.

Continuïteit (aanpaling van grensscheidingen; gemeenschappelijke grens van twee ruimten), v.

lt;'ontinent (het Vasteland), o. gmv. Continentaal (wat tot het vasteland behoort), bn. Het — stelsel, afsluiting van Engeiands handel door Napoleon I.

Continentalen (bewoners van het Vasteland), m. mv.

Contingent (bijdrage, plichtmatig aandeel), o. —en.

Continuatie (voortzetting', voortduring, aanhouding), v. gmv.

Continiieel (voortdurend, aanhoudend), bn. en bw.

Continiieeren (vervolgen, voortzetten, voortduren).

Continuo (aanhoudend, voortdurend), muz. Conto {rekening; gewin, voordeel), o. —'s; a conto, op rekening; conto co r ren te, loopende rekening; conto finto. gefingeerde rekening; •eonto a meta, voor halve rekening.

Contour (omtrek eener teekening, uiterlijke vorm), o. — s.

Contra, tegen. |bainle.

Contrahande (smokkelwaar), v. Zie C'ontre-

Coiitrabandeeren (smokkelen, smokkelhandel drijven).

rontrabaiKlist (smokkelaar), m. —en. Contraboek (aanteekenboek of tegenboek, in alle opzichten gelijk aan het grootboek; ook: boek, waarin de uitgelote nummers der staatsloterij en van premieleeningen worden aangeteekend), o. |o. —en.

Contraet (verdrag, verbintenis, overeenkomst), rontraetaiit (iemand die zich bij contract

verbindt of verbonden heeft), m. —en. Contractante, v. —n.

Contracteeren (zich bij contract verbinden, bij contract overeenkomen).

{.liminwixe (samentrekking,ineen krimping).\\ Cont ra(Iiceeren (tegenspreken, weerleggen). Contradictie (tegenspraak: tegenstrijdigheid), v. —tiën. —ties.

Contradictoir {tegenstrijdig), bn. Contralieeren (samentrekken, vereenigen). Contrainte (dwang), v.

Contralto (alt, tweede stem), \. muz. |enb\v. Contrarie (tegenovergesteld, tegenstrevend), bn. Contrarieeren (wederstreven, tegenwerken, dwarsboomen).

Contraseign (mede-onderteekening), o. —s. ContraHigneeren (mede-onderteekenen). Contrast (tegenstelling; hoogste trap van onderscheid), o. —en. [afsteken).

Contrasteeren {verschillen, tegen elkaar sterk Contra venieeren (overtreden van wet. verordening of verdrag).

Contraventie (overtreding), v. —tiën, —ties. Contra-visite (tegenbezoek), v. —n. Contre-admiraal (schout-bij-nacht, onderadmiraal, onder-vlootvoogd), m. —s. Contrebalance (tegenwicht), v. —n. Contreltande (sluikgoederen, smokkelwaar), v. Contrebandeeren (smokkelen).

Contrebandist (smokkelaar), m. —en. Contrebiis (de groote bas of tegenbas, groote basviool), v. —sen, muz.

Contrebazuin (een diepe basstem iti het orgel), v. —en, muz.

Contrecarreeren (wederstreven, tegenwerken, dwarsboomen).

Contre-crt'iir (tegenzin, weerzin), o. A —, met tegenzin, noode.

Contre-cou|gt; (weerstuit, weeromstuit; tegenspoed, ongeluk), m. — s.

Contredans (wisseldans, rijendans, waar d gt; paren twee aan twee over elkander staan), m. —en.

Contrelait (mismaakt, wanstaltig), bn. Contrefort (steunpilaar; tegenlaag of beer: steunstuk in een schoen), m. —en.

Contrei (omtrek, omstreek; landstreek, oord), v. —en.

i:H\\\\'?mi\\u\wvr\\(afzeggen,tegenbevel geven). Contreinar(|ue {het tweede kaartje, dat men in den schouwburg, enz., na afgifte van het eerste ontvangt, om weer binnengelaten te kunnen worden), v. —s.; contreinarkje, o. —s. Contreniarscli (rugwaartsche tocht), m. —en. Contreniine (tegenmijn; tegenlist),\. Inde—. eentegenovergesteldenwil ofzin hebbend, tegen-Contre-order (tef/enbeyeOi v- —s- | werkend. Contrescarpe (tegenwal, bolwerk: uiterste rand of helling der gracht), v. —s.


ocr page 79

C O NT R E-S ENS—COSMOGONIE.

59

Contre-HeiiM {onzin), m. gmv.

Contre-Hi^iiiuil (wedersein), o. —signalen.

Contre-teinpH (tegenspoed^ ontijdig voorval, wederwaardigheden), o. enk. en mv.

Contrihiinbel (belastingplichtig), bn.

Contribuant {bijdrager), m. —en.

Coiitribiiante {bijdraagster), v. —n.

C'ontribiieereii {bijdragen, opbrengen, medewerken).

Contributie {schatting, opbrengst, belasting), v. —tiën, —ties.

Controle {toezicht,opzicht, narekening), v. —s.

Controleeren {nagaan, toezicht houden op).

Controleur {ambtenaar, belast met het toezicht). m. —en en —s.

Controverse (geloofstwist), v. —n

Controvertiftt {geloofstwister), m. —en.

Contubernaal (huisgenoot, mede-inwoner), m. —nalen.

Contuniacie {weerstreving of weerspannigheid: het niet verschijnen voor het gerecht), v. Bij —, bij verstek.

Coiitiiinarieliiiizen {gebouwen, waarin de vreemdelingen uit besmette landen vooraf eenigen tijd moeten verblijven), o. mv.

Contuniax {weerspannig), bn.

ContiiMie {kwetsing, kneuzing, lichte verwonding), v. —siën.

Convalescent {genezend, herstellend), bn. {aan de beterhand zijnde persoon), m. en v. —en.

Convale.Hceiitie (genezing), v. gmv.

Convenabel {gepast, raadzaam, geschikt), bn.

Conveiianee (gepastheid, voegzaamheid), v.

Convenieeren {overeenkomen, aanstaan, geschikt zijn).

Convenient {gelegen komend, geschikt, passend), bn.

Convent {samenkomst, bijzondere rijks- of staatsvergadering; klooster), o. —en.

Conventie (overeenkomst, vrrdrag; vergadering). v. —tiën. —ties. De de nationale vergadering in Frankrijk, 171)2—'igt;5.

Convent ioneel (gebrui kei ijk: afgesproken. overeengekomen), bn. en b\v.

Conversatie (gesprek, onderhoud: omgang), v. —taal, de taal van het dagelijksch leven, de omgangstaal.

Converseeren (een gesprek voeren, verkeeren).

Conversie (verwisseling, verandering in de rente der effecten; bekeering), v. —siën. —sies.

Con verteeren {verwisselen: herscheppen).

Convex {bolrond, lensvormig), bn.

Convictie (overtuiging), v. —ties. —tiën.

Convive (gast, genoodigde), m. en v. —s.

Convocatie (samenroeping). v. —tiën. —ties.

Convoceeren (samenroepen).

Convooi (geleide-, begeleid wordend getal schepen, enz.), o. —en.

Convoyeeren (begeleiden, van bedekking voorzien).

Convulsic (stuiptrekking), v. —siën. —sies.

Conviilsiel' (stuiptrekkend, krampachtig), bn.

Coöperatenr (medewerker, helper), m. —s.

Coöperatie (medewerking), v. gmv.

Coopereeren (medearbeiden, helpen).

Copaal (harde, eenigszins gele, doorzichtige

Copie (afschrift), v. —ën. | hars), v.

Co pit* boek (koopmansboek), o. —en.

Copiëeren (afschrijven, na teekenen, naschilderen).

Copieus (overvloedig, rijkelijk), bn. en b\v. Een —diner.

Copiïst. copist (naschrijver, enz.), m. —en.

Copula (voegwoord, verbinding), v. —'s. Copuleeren (samenvoegen] uithuwelijken). Coquet (behaagziek, nuffig, pronkllevend), bn. Coquette (behaagzieke juffer, nuf), v. —n. Coquetteeren (behaagziek zijn, trachten te behagen).

Coquetterie (ij dele behaagzucht: nu ff er ij), v. —ën.

Coquin (schelm, schurk, fielt), m. —s. Corbeille {verzameling van bruidsgeschenken), v. — s.

('ordaat (kloek, wakker), bn.

Cordiaal (hartelijk), bn.

Conlialiteit (hartelijkheid, vertrouwelijkheid), v.

Cordon (band, snoer; grensketen of grensbezetting. verweerlinie), o. —s. Corduaanleder (Spaansch bokken- of geitenleder), o. gmv.

Cornac (olifantsoppasser), m. —s.

Corniclie (vooruitstekend deel aan het kroonwerk eener kolom), v. —s.

Corporatie (broederschap, gild, zeker tal personen), v. —tiën, —ties.

Corporeel (lichamelijk), bn.

C or ps (l ichaam, vereenig in g, afdeeling), o. —en;

— de garde (hoofdwacht, wachthuis); — de reserve (spaarbende, noodcorps); — diplomatique (de gezamenlijke gezanten aan een hof).

Corpulent (zwaarlijvig, dik), bn.

Corpulentie (zwaarlijvigheid, dikheid), v. Corpus (lichaam; dikte eener lettersoort), o.;

— delicti (voorwerp waarmede een misdaad is begaan); — juris (het Wetboek der Romeinen door keizer Justinianus in de 6e eeuw bijeengebracht).

Correct (nauwkeurig, juist, zonder fouten of gebreken), bn.

Correctie (verbetering, terechtwijzing: tuchtiging), v. —tiën,—ties, van—, tuchthuis, gevangenis.

Correctioneel(verfteiere/ït/, niet onteerend). bn. —e straffen, niet onteerende straffen voor lichtere misdrijven.

Corrector (verbeteraar van drukproeven), m. —s of —en.

Correspondeeren (briefwisseling houden: in betrekking staan met).

('orrespoiMlent (briefwisseling voerder; berichtgever; medewerker), m. —en. Correspondente, v. —n.

Correspondentie (^ró'/YwsseW/t'/Xv. —tiën. —s. Corridor (doorloop, tusschengang; bedekte weg), m. —s.

CorriKceren (verbeteren, nauwkeurig muken; straffen).

Corriiinpeeren (verderven, vervalschen; om-koopen, misleiden).

Corruptie (bederf, verwoesting, verleiding), v. Corsaire. corsaar (kaperkapitein, zeeroover, ook kaperschip), m. —s.

Corset (rijglijfje), o. —ten.

Corsikaan. m. Corsikanen. De —, Napoleon I. Corso {renbaan), o. —'s.

Clt;irtège (stoet, gevolg), v. —s.

Cortes (landstenden in Spanje), m. mv. Corvee (leendienst; beurtwerk der soldaten: onaangenaam werk. moeielijke taak), v. —ën. Coryphee (voorganger op 7 gebied vati kunst of 'wetenschap, koorleider), m. en v. —ën. Cosmetiek (middel tot het glanzend maken van het haar), v. —en.

Cosmosoiiie (/e^r der wereldschepping), v.gmv.


ocr page 80

COSMOGRAPHTE-CRÜ.

60

( OHinoKrapliie (wc re l dbesch rij ving), v. gmv. CoNinoloKie (wereldleer), v. gmv. C'oNinopoliH (fvereldbnrfier). m. —en. CoHinoiiolitaaii (beter: Cosmopoliet). m. cosmopolitanen.

C'oHinopolitiMcli {als een of van een wereldburger), bn.

CtmiiiopolitiMine {wereldburgerschap), o. gmv. C'oNiiioraina {draaibaar panorama, wereld-schilderij), o. —'s.

('osti (a) (ten uwent. d. i. in uw stad), bw. Coterie {kransje, besloten gezelschap), v. —ën. Cotillon {Fransche gezelschapsdans, ook: onderrok), m. —s.

Voiianile(aanslag in belasting),\. —ties, —tien. C'otiHeeren {aanslaan, schatten, de hoeveelheid ran elks bijdrage bepalen).

Com*he {laag), v. —s.

Couelie! t\v. Zwijg, stil! {bij honden).

CoiiJoii {spitsboef, ellendeling), in. —s. Coiijoiinerie {schelmstuk: verachtelijke behandeling, kwellerij. plagerij), v. —rieën, —ries. l'oiil.uit {vlietend', vlot, zonder haperen), bn. en bw.

Couleur de rose (rooskleur), v.

CouliHse (tooneelscherm; blind), v. —n.

Coup {slag, stoot, trap, enz.), m. —s. — d'essai. oroefstuk; — de heisard. waagstuk: —de main, overrompeling; — de pied, schop;

— sifflet, gefluit; — de vent, windvlaag:

— de soleil. zonnesteek.

Ctuipahel (schuldig, strafwaardig), bn. Coupé {afgescheiden voorste gedeelte van eenen

waggon), v. — s.

Coupeereu {afzonderen', voorkomen', afsnijden, bekorten).

Coupeur {snijder, kleermakerquot;, voorsnijder), m. —s.

Couplet {deel van een lied of een aria), o. —ten. Coupon {interestbewijs, rentebewijs), v. —s. Coupon {restant lapje of snipper), v. —s. Courage {moed), m. gmv.

CourageiiH {moedig), bn. en bw. courageuzer. courageust.

Courant {loopend. gangbaar), bn.

Courant {grove zilvermunt), o. gmv.; ook: (krant, nieuwspapier), v. —en.

Courantier {uitgever van of schrijver aan een krant), m. —s.

Courtage {makelaarsloon, provisie), v. —s. Courtisau (hovelingi vleier', beminnaar der schoone sekse), m. — s.

Courtisane (veil zijnde schoone), v. —n. Coiirtiseeren (op vleiende ivijze huldigen, het hof maken).

Courtoisie {hojfelijkheid, beleefdheid jegens vrouwen), v. gmv.

Cousin (neef; titel, welken keizers en koningen aan mindere vorsten geven), m. —s.

Coute que conté (tot eiken prijs), bw. Couteus (kostbaar, duur), bn.

Couvert (omslag om iets: tafelstel voor één persoon, d. i. servet, bord, mes, lepel en vork), o. —s.

Cranerie (dolle streek, uitzinnig gedrag), v. Craniologie (de schedelleer), v. gmv.

Crapule (gemeen gespuis, janhagel; zwel-Crapuleus (liederlijk, laag), bn. {gerij), v. Crates (gedrocht, misvormd mensch), m. — en. Cravate (das, halsdoek), v. —vaten.

Crayon (stift waarmede men teekent; zwart krijt, teekenk rijt), o. —s.

Creancier (schu(deischer), m. —s.

Creatie (schepping), v. —tiën, —ties.

Creatuur (schepsel; begunstigde; voortkraic-

ling), o. —uren.

Crèelie (bewaarplaats voor zuigelingen), v. —s. Credit (heeft te goed; in het boekhouden: de rechter bladzijde, waarop men aanteekent, wat men ontvangen heeft, het tegendeel van debet), o. (mv. credunt).

Crediteeren (op vertrouwen geven, borgen, leenen; op de creditzijde boeken).

Crediteur (schuldeischer), m. —en.

Credo (ik geloof; het eerste woord van het 3de zangstul,' der mis, inhoudende de geloofsbelijdenis der li. K.), o. gmv.

Crednliteit (lichtgeloovigheid), v. gmv. Crednnt (zij hebben te goed), mv. van Credit. Creeeren (maken, voortbrengen: benoemen, aanstellen: op het tooneel voor het eerst een rol scheppen).

Crematie (lijkverbranding), v. gmv.

Crème (room; fig. voor het puike gedeelte eener zaak), v. gmv.

Creinor tartari (room van wijnsteen), m. Creool (Amerikaan, afstammende van Earo-peesche ouders), m. creolen.

Creosoot (bederfwerend middel bij vleesch, hout enz., ook: bekend middel tegen tandpijn), v. gmv.

Creosoteereu (door middel van creosoot tegen bederf bewaren).

Crêpe (krip, rouwfloers), v.

Crepeereu (omkomen, sterven; springen van bommen).

Creseendo (toenemend: trapsgewijze sterker wordende tonen), o. muz. —'s.

Cresus (zeer rijk koning, schatrijk man), m. —sen.

Cretenzen (inboorlingen of burgers van 't eiland Creta). m. mv.

Cretins (kropmenschen, idioten), m.env. mv. Criant {schreeuwend), bn. en bw.

Crimen (misdaad), o. Ook: crime. m.

Crimen l«esa' niüjestatis (misdaad van hoogverraad of gekwetste majesteit), o. Criminalifet (leeraar of kenner van het lijfstraffelijk recht), m. —en.

Crimineel (lijfstraff el ijk; schandelijk, misdadig), bn.

Crinoline (hoepelrok), v. —s en — n.

Crisis (beslissend oogenblik eener zaak; be~ denkelijke toestand; ziektehoogte), v. crises. Criterium (kenteeken, richtsnoer), o. criteria. Criticaster (vitter, muggenzifter), m. —s. Critiens (streng beoordeelaar; bediller), m. critici.

Critiek (beoordeeling. toetsing),x. Beneden —, alle beoordeeling onwaardig. |bn.

Critiseh (oordeelkundig, streng beoordeelend), Critiseeren (naar den eisch der kunst beoor-deelen; schertsende bevitten, bedillen, hekelen). Croiseereu (kruisen, snijden).

Croque-mort (lijkbezorger, scheldnaam voor aanspreker of 'lijkdrager), m. (mv. croque-morts).

Croquet (dan. hard gebakken koekje), v. —ten. Croquis (eerste ruwe ontwerp van een schilderstuk; vluchtige schets), o.

Cronp (keelontsteking, luchtpijpontsteking), v. Ook: kroep.

Croupier (oppasser bij openbare speeltafels; stille compagnon in een handelshuis), m. —s. Croyabei (geloofbaar), bn.

Cru (rvAv; ongerijmd), bn. -n bw.


ocr page 81

CRUAUTEIT—DACTYLOLOGIE.

61

Crnaiiteit {wreedheid), v. —en.

Crucifix (kruisbeeld), o. —en.

Cruditeit (ruwheid; ongerijmdheid), v. —en. Cruel (wreed), bn. en bw.

CriiHado {Portug. munt in zilver en goud. a f 1.20 en f 3.60), v. - s.

CuiMine {keuken), v. —s.

Cuisinier {kok), m. —s.

CuiHiiiière {keukenmeid; koksvrouw; ook: kookkachel), v. —s.

Culbutcereu {buitelen; een luchtsprong maken; den vleugel eener armee overhoop werpen).

Cul lt;le sae {nauwe straat zonder uitgang, blinde steeg), o. (tnv. culs de sac).

Culinair (tut de kookkunst behoorende), bn. Culuiiiiatie (grootste hoogte, doorgang der sterren dnnr den meridiaan), v. —punt. hoogste standpunt eener ster.

Culmiiieereii (zich up den hoogsteu top bevinden; van sterren: door den meridiaan gaan). Culpabiliteit (syTij/W: strafbaarheid), v. gmv. Cultiveeren (be- of aanbouwen, beoefenen; vormen, verbeteren; veredelen en verfijnen van geest en levenskracht).

Culture, v. —s. Zie Cultuur.

CultiiH (godsdienst, eeredienst). m. (mv. culten). Cultuur {aanbouw, veldbouw, ontginning), v. —uren.

Cuuiuleereii (ophoopen, opstapelen: verscheiden ambten tegelijk bekleeden).

Cupido (minnegod), m.; —doof je, o.

lt;'u ra hel {geneeslijk, heelbaar), bn.

Curasao (drank of likeur)), m. gmv.

CunvH {ijzeren of stalen borstharnas, harnas), o. —sen. Ook: Kura».

Curateele (toezicht, voogdij), v. Onder — staan, gesteld worden.

Curator (voogd: toezichthouder, beheervoerder, boedel redder), m. —s en —en.

Cureereu (verzorgen, beter maken, genezen). Curie {het hof; een domhuis), v. De Hoomsche —, het pauselijke hof. de pauselijke regeering, de jjauselijke beambten.

Curieus (nieuwsgierig; zeldzaam, merkwaardig), bn. curieuzer, curieust. Dat is —! Curiositeit (zeldzaamheid), v. —en.

Cnrnief (schuinsche drukletter), o. —sieven. Ciii'muh (loop, leergang, reeks van lessen), m. —sen.

Custos (koster, kerkwachter), m. custodes. Cycloop (eênoogige reus, knecht van Vul-caan), m. cyclopen.

Cyclorauia (schilderij, welkeeenevoorstelling geeft van een geheel en horizon; ook van de opvolgende gebeurtenissen van een zeker tijdvak), o. —'s.

Cyclus (serie, verzameling), m. —sen. Cylinder (ronde zuil, rolsteen, rol), m. —s. Cynisch (schaamteloos), bn. Ook: Ciuiek. Cynisme (onwelvoeglijk, onbeschaamd gedrag). o. gmv.

Cypersch, bn. Een —e kat, een soort van groots grijszwarte kat van 't eiland Cyprus. Cypres (naaldboont), m. —sen: —Je. o. —s. Cypressehoom. m. —en.

Cyprus (eiland in de Middell. Zee), o. — prioten (bewoners of inboorlingen van —).

Czaar {keizer van Rusland), m. Czaren. Czarewitsch (zoon des Rass, keizers, troonopvolger), m.

Czarina (keizerin van Rusland), v. —rinnen.


n.

Igt;, v. d s. Vierde letter van het alphabet. — [ Ook de benaming van ilen tweeden toon in de klankladder, re genoemd.

D. of l)r. — Doctor, titel van een gepromoveerd persoon, inzonderheid van een geneesheer. D.of Igt;s. — Dom inas, heer: dominee (predikant). D., als Romeinsch getal, 500: DC = 000, enz. D met een streepje er boven is 5000. In de scheikunde bet. D vitriool.

Dat. — Datum, gegeven, uitgevaardigd: ook: dagteekening. In de spraakk. datief, 3e nvl. D.c. — Da capo, van het begin af (in de muziek). D.d. — De dato. van of op den dag der uitgifte. DJ). - Dom ini, Heeren.

Dec. of Dch.; of Dchr. — December, wintermaand.

Deel. — Declinatie, spraakk. verbuiging; afwijking (van de kompasnaald). Del. — Delineavit, liij heeft het geteekend (op kunstplaten); op drukproeven deleatur, d. i. vervalt.

D.F. — Deo favente, onder begunstiging van God. of zoo God het begunstigt.

D.K. — Dei gratia, door Gods genade. D.ll. — Doorluchtige Hoogheid.

D..J l'. — Doctor juris utriusque, meester in d.i. — Dat is. [de beide rechten.

Dl. - Deel.

D.L. — Diet o loco. Ier gezegder of aangehaalder plaatse.

D.L.C.D.J. — De la compagnie de Jesus, van het genootschap van Jezus, van de Orde der Jezuïeten.

D.M. - D octor medicinae, doctor in de geneeskunde.

D.O.M. — Deo optima nuiximo, aan of met den weldadigsten en hoogsten God. Do. — Dito, op dezelfde wijze, zooals gezegd is. D.s. — Del segno, van het teeken af (muz.). D.V. — Deo volente, zoo God wil.

Daad. v. daden. lem. met raad en — bijstaan, met alle middelen steunen.

Daal (buis in een scheepspomp), v. dalen. Daalder (oud-Holl. munt ran f 1.50). m. —s; —splaats (de eerste rang in den Amst. schouwburg, lig. beste plaats), v. —en. Daarlaten (laten rusten), ik liet daar. heb daargelaten. Dit daargelaten, d. i. niet in aanmerking genomen.

Daarzijn. o. Het — van, het bestaan van. D'ahord (in de eerste plaats; dadelijk), bw. Da capo {nog eens van voren af aan), muz. D'accord (overeenstemmend; toegestaan), bw. Dactylologie (vingerspraak, eig.vingerreken-kunst), v. gmv.


ocr page 82

D A DE L- DE B A U CH E UK.

02

Dadel {(ladel/jalm, tro/iische boom ran ± 50 voet hoof/tc), m.: v. voor de vrucht, —s.

Dader (bedrijver), m. —s.

Dading (veryelijK', overeenkomst), v. —en.

Dag, m. —en. Vóór — en dauw. zeer vroeg: de jongste de dag des oordeels; fig. een gat in den — slapen, zeer laat te bed blijven; aan den — komen, ontdekt worden: aan den — brengen, aan het licht brengen, uitbrengen; een mijn inden—. boven den grond.

Dag. flagge {degen, ponjaard), v. —gen.

Dagdief {laie werkman), m. —dieven.

Dagdieven, ik heb gedagdiefd: —dieverij, v.

Dagel ijkH. bw. Wij werken —.

DagelijkHeh, bn. Het — brood.

Dageii (dag worden), het daagt, het heeft gedaagd.

Dagen (voor het gerecht roepen), ik heb gedaagd: dager, m.: daging, v.: gedaagde, m.

Dageraad (morgenstond), m. De — des levens. de eerste kindsheid.

Dagge (ook: dag. d. i. korte degen), v. —n.

Daglomier (losse arbeider), in. —s.

Dagorde (lijst der te behandelen onderwerpen), v. gmv.

Dagorder (bekendmaking, afkondiging in het leger), v. — s.

Dagteekenen. ik heb gedagteekend: —ning. v.

Daguerreotype {licht- of schaduwbeeld, naar de uitvinding van Daguerre), v. —n.

Dagnerreotypeeren (naar het leren af schaduwen).

Dagnerreotypie (het eer vaardigen van lichtbeelden naar de u il rinding van Daguerre), v.

Dagvaarden (voor het gerecht dagen), ik heb gedagvaard; —ding. v.

Dagvaart (vergadering), v. —en. Ter — komen,

— houden.

Dahlia (plant), v. —quot;s. De bloem heet naar den Zweedschen kruidkenner Dahl, in ITH'J overleden.

Dak, o. —en. lem. iets op zijn — schuiven, hem een of anderen lastpost bezorgen: iets op zijn — krijgen, den last van iets krijgen; iem. iets op zijn — geven, een pak slaag; grove berispingen enz. geven: onder — zijn. geborgen zijn; iets ran de —en verkondigen, met luid gerucht alom bekend maken; er is te veel — op 7 huis, er zijn te veel onge-

Dal, o. —en. [wenschte ooren.

Dalen (omlaaggaan),ik ben gedaald: daling, v.

Dam (hoogte van aarde), m. —men.

Dam (dubbele schijf), v. —men.

DaniaM'eereii (metalen, inz. degens en sabels met figuren versieren): —ring, v.

DamaMrener (gevlamd, geaderd: van uitmuntend staal), bn. Een — kling.

Damast (gebloemde zijden of linnen stof), o. —en.

Dame, v. s; — dlumneur. staatsdame;

— de compagnie, gezelschapsjuffer; — de la hatle. vischvrouw, negotievrouw; — du demi-monde, veil, niet eerbaar vrouwspersoon.

Damhert (geweidragende herkauwer), o. —en.

Dammen (een dam leggen: ook dam spelen), ik heb gedamd; —mer, m.

DamoeleN (het xwaard van) (d. i. een altijd door dreigend geraar).

Damp (wasem. rook. nevel), m. —en.

Dampen (uitwasemen, tabak of sigaren roo-ken), ik heb gedampt; —per, m.; —ping, v.

Dampiu; (nevelig), bn. In het — verschiet.

Dampkring (luchtruim), m. —en.

D an, bw. en vw. Nu en —. Hij is grooter — ik; de dokter kwam, — het was te laat.

Danaïden (het vat der — vullen), d. i.een nutte-loozen of hopeloozen zwaren arbeid verrichten.

Dandin (onnoozele bloed, zot), m. —s.

Dandineeren (langs de straat slenteren).

Dandy (kwast, fat. modegek), m. —dy's.

DangêreiiM (gevaarlijk), bn.

Danig (erg), bn. en bw. Hij heeft zich — bezeerd*

Dank (betuiging van erkentelijkheid), m. —en. Iem. — weten (en niet wijten), d. i. in dank iem. als den bewerker beschouwen: tegen wit en —, ondanks.

Danken (dank betuigen), ik heb gedankt.

Dankzeggen, ik heb dankgezegd: —ging. v.

Dans. m. —en. St.-Veits— of St.-Vitus—, —kramp, —woede; fig. den — ontspringenr het gevaar ontkomen aan den — raken, fig. in gevecht komen.

Dansant (dansend; waar gedanst wordt), bn. en bw.

Danken, ik heb gedanst; danser, m. Fig. Naur iem. pijpen —, aan zijn grillen voldoen.

Dansenr (danser), m. —s.

Dan.scnse (danseres), v. —s.

Dapper (moedig), bn. en bw.: —heid, v.

D.irm, m. —en.

D.irinselieil (eig. darmscheidsel). o. gmv.'

Dartel, bn. en bw.: —heid. v.

Dartelen (speten, pad/leren), ik heb gedarteld.

Das (zeker ilier, tot de zoolgangers beh»o~ rende), m. —sen.

Das (halsdoek), v. —sen. Een — omdoen.

Data (daadzaken; gegevens), v. mv.

Dateeren (dagteekenen): —ring. v.

Dat iel'en Dativus (derde na nnval), m. —ven.

Dato (op den gezegden dag). De —. van den zooveelsten der maand.

Datnin (dagteekening), m. —s en data.

Danphin (vroeger, tot 1830, titel van den kroonprins van Frankrijk), m. —

Danphine (gemalin van den D(u/)hiri),v. —s.

Daiiu* (vocht), m. Hij is op oor dag en —, zeer vroeg.

Dan wel (trage vrouw), v. —s.

Damvelen (ia//m?/i), ik heb gedauweld; —laar, m.; —larij, v.

Dauwen (het vallen van den dauw), het heeft gedauwd.

Dauwtreden, -trappen (op den 2en Pinksterdag in den vroegen morgen buiten de stad vrijheid en blijheid vieren).

Daveren, het heeft gedaverd; —ring (schudding), v.

Dehallage (ontpakking, uitpakking), v. —s.

Dehalleeren (ontpakken, uitpakken).

Dehallotage (afwijzing bij stemuiing), v.

Dehalloteereu (door stemming met balletjes afwijzen, verwerpen of afkeuren).

Dehandeeren (uit elkander loopen, verstrooien).

Dehareadère (aanlegplaats, losplaats), v. —s.

Deharlt;|neeren (ontschepen, aan land gaan of zetten).

Deharrasseeren (losmaken, ontwarren; ontslaan).

Debit (beraadslaging: bespreking), o. —ten.

Dehatteeren (her voor eu tegen bespreken).

Dehauehant (losbol, lichtmis), m. —en.

Dehaiifhe (losb d, lichtmis), m. —quot;s.

Debaueheeren (zwelgen, los leren, liederlijk z ijn, verdierlijken).

Dehauchenr (losbol, liederlijk mensch), m. —s.


ocr page 83

DEBKNT—DECRKTEEREN.

03

Dehent (zij zijn schnldiy). mv. van debet. Debet (sch'ihlig, te betalen zijnde), bn.

Debet (in het boekhouden: schuldzijde), o. In het —, op de schuldzijde, onder de schuld-Debiel (ziualc, krachteloos), bn. (posten.

Debiet {aftrek, verkoop, vertier van waren), o. Debiliteerem verzwakken, krachteloos maken). Debitant ( verkooper in 'f klein), m. —en. Debiteeren (omzetten, verknopen, aan dea man brengen; aan de debetzijde boeken). Leinjens debiteer en, d.i. opdisschen.

Debiteur (schaldenaar), m. -—en. —s. Debürcleeren (buiten de oevers treden). Fig. Te ver gaan, uitspatten.

Deboueliê (engte, bergpas, mond, uitgang; gelegenheid om zijn waren met voordeel van de hand te doen), o. —'s.

Deboiielieeren (uit een enigen pas te voorschijn rokken; ontkurken).

DeboiirNeeren (betalen, voorschieten, uit-sch i eten; vrijh o talen).

Debrailleeren (den hals en de borst onwelvoeglijk on tbli )otei i).

DebriH (overblijfsels, wrak. painen), o. mv. Debrouilleereii (ontwarren, ophelderen). DebriiHlt;pieereii (den vijand uit een voordeelige stelling verdrijven: den voet lichten).

Debnt (aanvang, eerste optreden), o. —ten. Debiitant (iemand die zich pas laat hooren, nieuweling, beginner), m. en v. —en. Debiiteeren (optreden als kunstenaar; zich op proef laten hooren).

De but en h\nni' (op goed geluk, mis of raak). Debuut (begin, eerste optreding), o. Ook: debut. Decaile (tientol; ook: tiende dag), v. —n, —s. Decadence (afneming, verval, val), v. Decagram (iO Ned. wichtjes = i Ned. lood), o. —men.

Decaliter ('10 Ned. kop = 7 schepel; ook: 10 Ned. kan), m. —s.

Decalque (overdruk of tegenafdruk op hout, metaal, steen enz.), v. — s.

Decalqueereu (overdrukken). [m. —s.

Decameter ,/ö Ned. meter = 1 Ned. roede), Decampeereu (uit een kamp opbreken, aftrekken: zijn biezen pakken).

Deciiinat (gebied van een deken), o. —na ten. Decapitatie (onthoofding), v. —tiën, —ties. Decapiteereu (onthoofden, onthalzen). DecaMtere (10 Ned. kab. meter), v. — n. Decatiseereu (het laken persen in de stoom-pers).

Decedeereu (weggaan, wijken; fig. overlijden). Deceleereu (aan het licht brengen). December (wintermaand), m.

Decemvir (tienman), m. —s.

Decernviraat (tienmanschap), o.

Deceiiuiiiiii (tientul jaren), o. —s.

Decent (eerbaar, welvoeglijk), bn.

Deceptie (bedrog, misleiding), v. —ties, —tiën. Deceriieeren {toewijzen, toekennen). Decharge* ontlasting: ontheffing: losbranding). v. Getuigen a —, in het voordeel van een beschuldigde.

Decliargeereii (afladen, ontlasten, lossen, afvuren : verlichten, kwijtschelden, vrijspreken). Decliillreereu (ontcijferen, ontraadselen). Decideereu (beslissen, uitspraak doen, beslechten).

Decigram ( • jq Ned. wichtje = i Ned. korrel), o. —men.

Deciliter (1 io Ned. kan of Kop = 0:1 L = 7 Ned. maatje), m. —s.

Decimaal (tiendeelig), bn. De decimale breuken, d. i. waarvan de noemer 10 of een macht van 10 is.

Decimeereii (dunnen, zeer in getalsterkte verminderen; (eig. bij muiterij: loten om d*'n tienden man, zoodat van elke tien een met den dood gestraft wordt).

Decimeter Ned. el = 0:1 M = 7 palm), m. —s.

Decisie (besluit; beslissing, rechterlijke uit-spraak), v. —siën, —sies.

Decisief (beslissend, stellig), bn. en b\v. Deelstere (Vio kub. .1/ = 700 kub. palm), v. —n. —s.

Declamatie (kunstmatige voonlrucht, pronkende ivoortfenpraal). v.

Declamator (kunstmatig spreker), m. —s,—en. Declamatorium (kunstvoorlezing, redeoefening), o. —ria.

Declameereii (voordragen naaide regelen van goede uitspraak en met gebaren ; met smaak en uitdrukking iets voordmgen: tegen iets uitvaren, daarop smalen). ï)?i'U\Vi\\\\(afle(jgervaneen verklaring),m.—en. Declaratie (verklarnig, aangifte run goederen aan tolkantorenf enz.), v. -tiën, -ties. Declaratoir (verklaring), o. —en. Declareereu (verklaren, openban'n: aangeven van goederen, doen weten, bekendmaken). Declinatie (afwijking; in minachting brenging; spraakk. verbuiging), v. —tiën. —ties. Declineeren (van de hand wijzen: afwenden, van zich afkeeren: in minachting: brengen, spraakk. verbuigen).

De coctuni (afkooksel, kraidendamp). o. gmv. Decollatie (onthalzing. onthoofding), v. —tiën, —ties.

Decolleeren (onthalzen, onthoofden). Decolleteeren (zich) (hals en schouders zeer

ver ontblooten).

De concert (eensgezind, met wederzijdsclb goedvinden, eenstemmig), bw.

beconcerteeren (dwarsboomen: teleurstelling doen ondervinden: uit ln't veld slaan, verbluft doen staan).

Deconliture (onheil, tegenspoed), v. —s. Decontenanreeren (uit het veld slaan: ver*-bluft doen staan).

Decorateur (tooneelscfiilder), m. —s. Decoratie (versiering, ridderorde; tooneel-schilderwerk), v. —tiën. —ties.

Decoratief (versiereml). l)n. en als zn. (versiersel, tooneelschiIderwerk), o.

Decoreeren (versieren, met een eereteeken begiftigen).

Decorum (het teefvoeg.Hjke, geschikte, betamelijke, passende), o. Zijn — bewaren, zijn fatsoen ophouden.

Decoupeeren (afhouwen, in stukken snijden, voorsnijden: fig. ktvaadspreken. belasteren). Decourageant (ontmoedigend), bn. en bw. Decourageeren (moedeloos of neerslachtig maken, ontmoedigen).

Decrediteeren (iemands vertrouwen of krediet ondermijnen of vernietigen; in een kwaden Decreet (besluit), o. —eten. [reuk brengen)* Decrepitude (afgeleefdheid, bouwvalligheid^ verval), v. gmv.

Dec rescendo (afnemend, wanneer de tonen, immer zwakker worden), o. muz. Decresseeren (afnemen).

Decrescentie (afneming, vermindering), v. Decreteeren (besluiten, vaststellen, bevelen).

I

i

n


ocr page 84

DECRIEEREN-DELICT.

C4

Deerieeren (uitkrijten).

Decrotteeren (afborstelen, reinigen, zuiveren, Deerotteiir (schoenpoetser), m. —s. [poetsen). Deciipleeren (tienmaal nemen). Drdaigiieeren (verachten, versmaden). DediiigiKMiH (smadelijk, hoonencl), bn.

Dédain {minachting), o. gmv.

Dedicatie (opdracht, toewijding), v. —tiën, —s. Dedieeeren en Dedieeren (opdragen, toewijden of toeëigenen).

Dedoiiiiiiageeren (schadeloosstellen, vergoe-Dedureeren (afleiden). [den).

Deductie (afleiding', gevolgtrekking), v. —tiën. —ties.

Deeg, o. -en. Fig. Zij zijn (dien van één —. DeeV (gedeelte), o. —en. quot; [van dezelfde soort. Deel (plank, dorschvloet*), v. delen.

Deelen, ik heb gedeeld; —er, m.: —ing, v. Deelgenoot, m. —en.

Deelhebber (aandeelhoader), m. —s. Deelneinen, ik nam deel. heb deelgenomen; —er, m. —iiiff, v.

Deelneinend (mede lijdend), bn. Een — woord. Deeltal, o. —len.

Deelwoord (term der sprial.k.), o. —en. Deeintied (nederigheid), m. gmv.

Deemoedig, bn.: —heid, v. Een —e houding. Deemoedigen (verootmoedigen, vernederen), ik 1 eb en ben gedeemoedigd; —ing. v. Deerlijk (jammerlijk, erg), bn. en bw.

Deern of l)eerne (dienstmeisje), v. —nen. DeerniM (medelijden), v. gmv.

DeeMem (deeg), m. —s.

DeeMeinen, ik heb gedeesemd. Het brood —, zuurdeeg in het deeg doen.

De faeto (eigenmachtig, mettrrdaud, feitelijk). Deriiilleeren (missen, in gebrehv blijven', dlt;'n gestelden termijn verzuimen).

Défiiite (nederlaag), v. —s.

De la nt (gebrek), o. — s.

Del'avorahel (ongunstig), bn.

Defeet (gebrek, tekort), o. —en.

Defect (beschadigd, stuk), bn. De pomp is —. Defect iel' (gebrekkig, beschadigd), bn. Defendeeren (verdedigen).

Defensie (verdediging), v. —siën, —sies.

De len «i elquot; (verdedigend, verwerend), bn. —ieve alliantie, verbond van wederzijdsche verdediging.

Defereeren (den voorrang verlemen of toekennen: aangeven', op een eed vorderen). Deferent {aangever, (tanbrenger), m. —en. Deferentie (inschikkelijkheid,gehoorzaamheid

uit eerbied), v. —tiën, —ties.

Deli (uitdaging, tarting), o. gmv.

Defiance (mistrouwen, wantrouwen), v. Deficit (tekort), o. —s.

Deligureeren (wanstaltig maken, misvormen). Défilé (engte, holle weg: oprukking in gelederen), o. —'s.

Delileeren (een engte of een hollen weg doortrekken: in smalle gelederen ojirukkeri). Delinieeren \nauwkeurig bepalen', duidelijk verklaren). Ook: defineeren.

Definitie (juiste bepaling, duidelijke omschrijving), v. —tiën, —ties.

Definitief (beslissend, afdoend), bn. en bw. Delloreeren (verwelken, ontecren, verkrach ten). Deform (misvormd, wanstaltig), bn. Deformiteit (mismaaktheid), v. —en.

Defray eereiK vergoedrnwrijhoaden-,bestrijden). Defriclieeren (woeste gronden of braalrfand bebouwbaar maken, ontginnen).

Del'tig (voornaam, statig), bn. enbw.; —heid, v. Degageeren (bevrijden, los of vrij maken). Degiirneeren (onfblooten, de versiering van iets afdoen).

Dege (deeg), v. Gebruikelijk in: terdege, ter deeg, d. i. goed, voortreffelijk; deeg hebben. vermaak hebben.

Degel (ijzeren of koperen plaat aan een handpers), m. —s.

Degelijk (goed,geschikt), bn.en bw.; —heid, v. Degen (wapen), m. —s.

Degenereeren (ontaarden, verwikleren). Dégout (afkeer, walging, tegenzin), m. gmv. Degoiitant (walgingwekkend), bn. Degoiiteeren (walgen, afschrikken, tegenzin inboezemen).

De grace (niet verlof, wat ik u bidden mag). Degradatie (afzetting, verlaging), v. —tiën, —s. Degradeeren (afzetten, verlagen, vervallen verklaren, iemand van zijn post ontzetten). Degraisseeren {van vet en smeer reinigen). DegraiHHenr (vet-uitmaker), m. —s.

Degré (graad), m. —'s.

Degniseeren {vermommen] fig. verbloemen). De gnstihiis non est diH|)iitandiim(om* t/cn smaak valt niet te twisten).

Dehors (buitenkant, buitenzijde: de buitenwerken van vestingen', het uiterlijke), o. Deïficatie (vergoding), v.

Deïliceeren (vergoden). [Gods).

Deï gratia (door Gods genade, bij de gratie Deinen (zachtjes golven), het is en heeft gedeind; —ing, v.

Deinzen(/'7/7.v'//).ikheben bengedeinsd; - ing.v. DeÏNine (redegeloof, godisterij), o. gmv.

Deïst (iemand die wel aun God, maar niet aan de openbaring gelooft), m. —en. Deïstisch (overeenk(unstig met hef deïsme), bn. Dej piineeren (ontbijten).

Dejeuner (ontbijt), o. —s: déjeuner a bt four-chette, ontbijt met de vork, warm ontbijt. De Jnre (van rechtswege).

Deli, o. —ken. Zeew. ver—, bv. half—, loos—: fig. zonder — of kleed, geheel berooid.

Deken (overste), m. —en, —s: —schap. o. Deken (dekkleed), v. —s.

Dekken, ik heb gedekt: —er, m.: —ing, v. Deksel, o. —s.

Del (vallei), v. —len. [venvaarloozen).

Delabreeren (ontredderen, doen vervallen, Delassement (verademing, verpoozing), o. Delatie(/; ei mei ij ke aanlc,lacht), v. —tiën, —ties. Delator (aanbrenger, verklikker), m. —s. Dele, lt;leleatiir (op drukproeven voorgestel! door een d, d. i. men delge uit, neme weg). Delegaat (gezant, afgevaardigde), m. —gaten. Delegeeren (afzenden, afvaardigen). Delfstof, v. -ten.

Delfstoffen rijk, o. gmv.

Delgen (vernietigen), ik heb gedelgd: —er, m.: —ing, v. Schulden —, afbetalen,

Deli (verkorting van Delicieus), bn. en bw.

Deliberatie (beraadslaging, overweging), v. —tiën. —ties.

Delibereeren (beraadslagen, overleggen). Delicaat (teeder, ten-gevoelig: uelsmakend, lekker: kiesch, heusch, bescheiden), bn.enbw. Delicatesse (lekkernij; heuschheid, besche. denheid: kiesch heid), v.

Délice vermaak, lekkernij, geneugte), o. —s. Delicieus (kostelijk, zeer aangenaam', lekker), bn. en bw.

Delict (misdaad), o. —en. Ook: delictum.


ocr page 85

DELECTEEREN-DEPOSSEDEEHEN.

Delecfeereii (ver tun kon. verheugen).

Delicti (rorpiiH). (overtidyeHcf bewijsstuk een er niisdaacl\ o.

Deliiiielt;krlt;'ii [teekenen, ontwerpen).

Delinquent {misdadiger, overtreder), m. —en.

Delire, deliriiini {waanzin, razernij, ijlhoofdigheid), o. — tremens, dronkenmans-waanzin.

Delivreeren (bevrijden, verlossen, redden).

Delling (laagte, dal), v. —en. Vlaamsch.

Delogeeren (verhuizen, verdrijven, verdringen ).

DelpiiieneiK/quot;///'^''/^^ aan kanonnen).v.mv.

Delta (driehoek tusschen rivierarmen),\. —'s.

Del uw (loodkleurig, vaal, hlei'k). bn.

Delven (graven, uit- of omspitten), ik dolf, heb gedolven: Een graf —: —er. m.: —ing, v.

Deiiiiigogie ( vitlksleiding). v. gmv.

Deiiiiiu;oy;i.s«*li (volksleidend), bn.

Deniii^iMiu: (volksmenner, aanvoerder van de volkspartij), m. —gogen.

Demandeeren (aanbevelen: toevertroutven).

Demarcatie (begrenzing, afpaling), v. —lijn, d. i. grenslijn, scheidslinie.

Deniiirche (gang. tred: stap. poging), v. —s: —s maken, d. i. stappen doen. pogingen aanwenden.

DéinaHqne (ontmaskering, einde van een gemaskerd bal), o. —s.

DeiiiiiMineeren (ontmaskeren).

Deineleeren (ontwarren, ophelderen).

Démenti (logenstraffing), o. gmv.

Demi (half): a —, ten halve: —fortune, rijtuig met één paard: —mesure, gebrekkige maatregel; —monde, meisjes zonder eerbaarheid en goede zeden: —relief, half verheven beeldwerk: —teinte, halve tint (bij schilders): —tour, halve wending: —volte, halve zwenking.

Driu'iHH'ivcmtslag.wegzending ).v. —siën, —sies.

Demitteeren (ontslaan, wegzenden).

Demohiliseeren (ontwapenen, op voet van vrede brengen: voerende goederen tot onroerende verklaren).

Democraat (aanhanger of voorstander der volksregeering), m. —aten.

Democratie (volksheerschappij, volksregeering). v. gmv.

DemocratiNch (volksgezind: voor of van de volksregeering). bn.

Dt 'inocriet {iemand, die bij alle aangelegenheden de zaken van den lachwekkenden kant bekijkt), m. Vglk. Ileracliet.

Demon (duivel), m. —s.

Demonetisatie (baitenkoersstelIing), v. gmv.

Demonetiseeren (uit den omloop nemen van munten).

DemoniMch (duivelsch), bn. Een —e lach.

DemoiiHtratie (vertoonmaking, bewijs, betoog). v. —tien. —ties.

Demon«treeren (bewijzen, betoogen).

Demonteeren (afzetten, uit den zadel lichten; het geschut onbruikbaar maken of tot zwijgen brengen).

Demoralisatie (vernietiging van alle plichtbesef, zedenverbastering). v. gmv.

Deinoraliseeren (alle plichtbesef vernietigen bij iemand: zedeloos maken).

De niortniM nil nisi bene (van de dooden niets dan goed nl. te zeggen).

Demoveeren {wegruimen, afzetten).

Dempen (smoren, vallen), ik heb gedempt. Als het kalf verdronken is, dempt men den

koenen, Verkl. Handwdb. d. NederI. taal.

put, het herstel komt doorgaans te laat. —er, m.: —hiff, v.

Denipig(da»lt;/gt;/'/, vol op de borst), bn.; — lieid. v. Den (naaldboom), m. —nen.

Denatiirali.Hatie {ontneming van het burgerrecht), v.

DenatiiraliMeeren {het burgerrecht onttrekken).

Deiiatureeren {van natuur doen veranderen', doen ontaarden', misvormen, verbasteren). Denigreeren {zwart of gehaat maken, belasteren).

Denkbeeld (gedachte, begrip), o. —en. Zich een — vormen: zijn —en mededeelen. Denkbeeldig (ingebeeld), bn. Een — wezen, een — geluk.

Denkelijk (denkbaar, mogelijk), bn. en b\v. 8)enken. ik dacht, heb gedacht; —er. m. Denkwijs en —wijze (meening. gevoelen), v. —wijzen.

Denominatie (benaming: omschrijving, vermelding), v. —tien, —ties.

Deiiomineeren {bij name noemen, aanstellen, voordragen).

Denoteeren {aanwijzen, b' kennen geven). Denoiienient (ontknooping), o. —en.

De novo {opnieuw), bw.

Dlt; Misiteit {dichtheid, vastheid), v. gmv. Dentist (tandmeester), m. —en.

Denndeeren (on tblooten).

Deimncieereii {aangeven, aanklagen). Deo volente (zoo God wil).

Departement {afdeeling; gewest, landsdeel: werkkring), o. —en. Het — van oorlog, van justitie, afdeeling van bestuur: ook afdeeling van eene Maatschappij, b.v. die van het Nut van 't algemeen.

Departementaal {de afdeeling betrelfende; (gewestelijk), bn. en bw.

Depasseeren (te buiten gaan, overschrijden). Depêche {bericht: berichtshrief), v. —s. Depcclieeren {snel afvaardigen, verhaasten). Dependeeren (afhangen, afhankelijk zijn). Dependent (afhankelijk), bn.

Dependentie {afhankelijkheid),v. —tiën, —ties. Depense {vertering), v. —s.

Depenpleeren {ontvolken).

Deplaceeren {ver- of misplaatsen). Deplaisant (onaangenaam, verdrietig), bn. Deplorabel {betreurensivaardig. jammerlijk), Deploreeren {bejammeren, betreuren). jbn. Deployeeren (quot;lt;7 elkander leggen, ontvouwen, uitspreiden; division en vleagels eener armee ontwikkelen).

Deponeeren {nederleggen; in bewaring stellen; getuigenis afleggen).

Depopnlariseeren {aan de volksgunst onttrekken)^

Deportatie {verbanning, wegvoering naar een strafkolonie), v. —tiën. —ties.

Deporteeren (verbannen, uit het land jagen, naar een strafkolonie overbrengen). Depositaris, depositair {vertrouwd persoon, wien men goederen ter bewaring geeft, bewaarder). m. -sen': —en.

Depositie (getuigenis, verklaring der getuigen: afzetting), v. -tiën, —ties. Deposito-bank (bewaar- of leenbank, ivelke ingelegde La pi talen, tegen aitkeering vaneen geringen interest aanneemt), v. —en. Depositnm (het aanvertrouwde goed), o. —s. Depossedeeren {verstooten, uit have en goed zetten).

5


ocr page 86

DEPOT-DESTIN.

66

Depot {aanvnllinyskorps of aanuuUingsma-yazijn; ook: winkel van een zetbaas), o. —s.

Depot geven (in) (in bewaring geven; ook: aan een zetbaas toevertrouwen ten verkoop).

Depot-lioiifler (verkooper van hem toevertrouwde waren), m. —s.

Depouilleeren (berooven, uitkleeden). Desteni-briefje* de stemmen opnemen, den uitslag der stemming opmaken.

Depravatie {verdorvenheid, diepgezonkenheid), v. gmv.

Depraveeren (bederven, slechter maken, ontaarden, verslim meren).

Depreciatie {waardeverm indering, gering-schatting), v. gmv.

De pree iee re li (m waarde verminderen; den koers verlagen).

DïitVïx Mi? (per ooving. ontzetting),\. —s. —tiën.

Deputatie (afvaardiging; afgevaardigd per-sonental), v. —tien, —ties.

Deputeerén (afvaardigen, naar een vergadering zenden).

Derailleeren (wit het spoor loopen; verongelukken ).

Derai^omiahel (onredelijk). Im.

Derai^oiineereii (slecht redeneeren: onzin praten; ongerijmd, onbillijk oordeelen).

Derangeeren (verbijsteren, 'tn de war brengen, storen).

Derangenieiit (stoornis, wanorde), o. —en.

Derde, bn. (als zn. voor: een derde gedeelte), o. (als zn. voor: drie kaarten die op elkander volgen), v. (mv. derden).

DerdendaagMcli, bn. De —e koorts, d. i. terug-keerend om de drie dagen.

Deren (hinderen, schaden), ik heb gedeerd. Fig. wat deert u ? wat scheelt u.

Derideeren (bespotten, uithwhen).

Derisie {bes/totting), v. gmv.

Derivatie (afleiding van woorden, afstamming), v. gmv.

Deriveeren (afleiden).

Dermate (in dien graad), bw.

Derobeeren (ontvreemden, verduisteren).

Derogeeren (afbreuk doen. inbreuk maken, benadeelen: opheffen, gedeeltelijk vernietigen of verzwakken).

Deronte (nederlaag: wanorde, verwarde vlucht; overhoop werping), v. —s.

Derrie (veemoort), v. gmv.

Dertien, telw. —en.

Dertieulionderd, telw.

Dertig, telw. —en.

Dertiger (een man van dertig jaar), m. —s. Hij is een dikke —, hij is een eind over de dertig.

Dertigvond. o. —en. —ig.

Derven (missen, ontberen), ik heb gederfd: —er, m.: — ing (gemis), v.

Derwaarts (daarheen), bw. Zij liepen heren —, verward, dooreen.

Derwijze (zoodanig), bw.

Derwtaeli (arme Turksche monnik), m. —en.

Desabnseeren (ten beste onderrichten, uit een dwaling helpen).

Dewagreahei (onaangenaam), bn.

Desagreineut (onaangenaamheid), o. —en.

De saison (van pas, te juister tijd), bw.

DeMallicereii (zielO (d. i. beneden zijn stand huwen). Zie Mesalliëeren.

Desappointecren (teleurstellen).

DeMappointeinent (teleurstelling), o. —en.

DeHapigt;r(»lgt;atie (afkeuring), v. gmv.

Dewapprouveeren (afkeuren).

DeManneereii (ontwapenen).

Desaster (rampspoed, onheil, noodlot, ongeval, groote wederwaardigheid), o. —s.

Desastreus (rampspoedig), bn.

Desa vantage (nadeel, schade), o. gmv.

Desavantageus (nadeelig, ongunstig), bv.

Desa ven (ontkentenis, loochening), v. —s.

Desavniieeren (ontkennen, loochenen).

Deshevoegd (daartoe bevoegd), bn.

Deshewust (daarvan wetende), bn.

Di 'seendeiiten (afstammelingen, kinderen, kindskinderen, enz.), m. mv.

Descendentie (afstamming), v. gmv.

Deseensie {nederdaling, ondergang), v.

Descriptie (beschrijving), v. —ties, —tiën.

Descriptief (beschrijvend), bn.

Desert (woest, onbebouwd, onbewoond), bn.

Deserteeren (zich wegpakken; weg loopen, o veria open; ontloopen).

Deserteur (weglooper, overlooper), m. —s, —en.

Desertie (het wegloopen, over loopen), v. —tiën, —ties.

Desespereeren (wanhopen, vertwijfelen).

Desespoir (wanhoop), m. gmv.

Desliabille (huiskleed,ochtendgewaad), o. —quot;s. En —. ongekleed.

Deshoniicur (oneer, schande), v. gmv.

Deshonoreereii (onteer en, schandvlekken).

Designeeren (be tee kenen, aanwijzen; voor' loopig benoemen ). Voor den krijgsdienst

Desirabel (wenschelijk), bn.

Desireeren (verlangen, wenschen, begeer en).

Deskundig (bekwaam, bedreven), bn.

Deskundige, m. en v. —n.

Desniettegeiistaande (ondanks), bw.

Igt;esnietteiiiiu, bw.

Desnoods (daaraan behoefte zijnde) bw.

Desobedieeren (ongehoorzaam zijn).

Desobligeant (onbeleefd), bn. en bw.

Desobl igeeren (onbeleefd, norsch of onvriendelijk behandelen).

Desolaat (troosteloos, verlegen, bedorven, verlaten, verwoest), bn.

Desolate-boedelkauier (hel voormalige Kantoor van onbeheerde nalatenschappen te Amsterdam), v. —s.

Dcsolant (bedroevend, lastig), bn.

Dcsolatie (troosteloosheid; verwoesting),\r.g;mv.

Desorder (wanorde), v. gmv

'sorgauisatie(omkeering; ontbinding; wanorde), v. gmv.

Desorgaiiiseereu (wanorde veroorzaken in, ontbinden; tweedracht maken).

Desoricnteereii (van den weg afleiden, het spoor bijster maken, in de war brengen).

Desperaat (ivanhopig, radeloos), bn.

Desperatie (wunhoop. radeloosheid), v. gmv.

Dcspoliatie (berooving, plundering), v.

Despoot (willekeurig vorst, eigendunkelijk heerscher. dwingeland), m. —poten.

Despotisch, despotiek (willekeurig, verdrukkend, eigendunkelijk handelend), bn.

Despotisme, despotismus (eigendunkelijke heerschappij, verdrukking, dwingelandij), o.

Dessein (voornemen, oogmerk, opzet; ontwerp, schets; monster of staal van laken, enz.), o. —s.

Dessert (nagerecht), o. —en.

Desservant (waarnemend persoon; tijdelijk pastoor, totdat een ander benoemd is), m. —en.

Dessin (teekening, schets, ontwerp; patroon van kleedingstofj'en), o. —s.

Destijds (te dien tijde), bw. [God), o.

Destin (noodlot, beschikking, besturing van


ocr page 87

DESTI NATIE-DICHT.

67

Destillatie (bestemming, plaats van bestem-miny), v. —tien. —ties.

Destiiieeren (bestemmen, verordineeren, beschikken).

DeMtitueeren (afzetten, ontzetten van post of' ambt).

Destitutie {afzetting, ontslag),v. — tiën, —ties.

Destruetie (verwoesting), v. —tiën, —ties.

Destructief { vernielend, verwoestend), bn.

DeHtrueereii (verwoesten, vernielen, vernietigen).

Deswege {daarom), bw.

Detaelieeren (losmaken; afzonderen; afzenden).

Detaelieinent (kleine bende soldaten ), o. —en.

Detail (bijzonderheid), o. —s. En —. in al de bijzonderheden, omstandig, uitvoerig, ook: in het klein.

Detailhandel {kleinhandel), m. gmv

Detectie {.blootlegging, ontdekking), v.

De tempore (ter rechter tijd), bw.

Deteneereii {terughouden; vasthouden).

Detentie (opsluiting, hechtenis), v.gmv. Huis van —, gevangenis.

Deterioreeren lt; vers Ut nm er en, bederven).

Deivrmiuixiw. (bestemming,besluit, bepaling),\.

Determinatief' (bepalend], bn.

Determineeren {bestemmen, bepalen, beschikken)*

Detei'iiiiiiisme {leer der voorbeschikking), o.

Deterreeren {opgraven), fig. opsporen, uit-vorschen; ook: afschrikken.

Detestahel (verfoeielijk), bn. en bw.

Detesteeren (verfoeien, verwenschen).

Detineeren (gevangenhouden, terughouden).

DeUmiiiie (ontploffing, losbranding; het valsch zingen), v. —tiën, —ties.

Detoneeren {ontploffen, losbranden; valsch zingen).

Detonr {omweg; bocht, slingering; uitvlucht, voorwendsel), o. —s.

Detoiirneen-n (afwenden, doen afdwalen, afwijken).

Detraetenr (lasteraar, eerroover), m. —s.

Deti •aetie (lastering, laster), v. gmv.

Detresse (nood, verlegenheid, angst), v. gmv.

Deti'oinpeeren {iemand van zijn dwaling terugbrengen).

Detroneereii {onttronen, van den troon stoeten).

Deugd {braafheid, innerlijke waarde),\. —en. Van den nood een — maken, tegen zijn zin tot iets overgaan of besluiten; ik sta in voor de — van die stof. echtheid.

Deugdelijk (echt), bn. en bw.: — heid, v.

Deiigdzaam {braaf), bn.: —heid, v.

Deugen (braaf zijn; dienstig zijn), ik heb gedeugd.

Deugniet, m. en v. —en.

Denk. v. —en. Een hoed met een —.

Denken, ik heb gedeukt; —er, m.: —ing, v.

Demi {liedje), m. —en.

Demi (zuinig, k irig), bn. —er. —st. Het ziet er — bij hem uit.

Deimen (zingen), ik heb gedeund.

Denr, v. —en. Met de — in huis vallen, zonder inleiding met iets voor den dag komen; cle winter staat voor de —. is op handen; dat doet de — toe, dat geeft den doorslag; dat zet de — open. dat geeft gelegenheid, is oorzaak.

Deurwaarder, m. —s: —seliap, o.

Deus e\ niaeliina (letterlijk: God uit de {tooneel-)machine; m. a. w. iemand die zich onverwachts opdoet en daardoor aan een ne te liegen of hachelijken staat van zaken een gunstige wending geeft).

Dentel (wigge), m. —s: —ijzer, o.

Denvekater (drommels!), tw. en als zn.{koek) m. —s.

Deuvik (de tap in een vat), m. —en.

Deuviken (door den deuvik tappen), ik heb gedeuvikt.

Devaliseeren (berooven, uitschudden).

Devastatie {verwoesting),v. —tiën. —ties.

De vasteeren(verwoesten, vernielen, omkeeren).

De v e I o p p ee ren (ontwi k kei en. oplossen).

Devestitiini' (berooving, ontzetting), v. gmv.

Deviatie (afdwaling van den rechten weg; verzeiling van een schip van den bepaalden koers), v.

Devieeren (afdwalen, afwijken, verzeilen).

Devies (toepasselijk zinnebeeld, met een kort doel matig opschrift; zinspreuk, gedenkspreuk), o. —zen.

Devolutie (overgangsrecht, versterf), v. —tiën.

Devolveeren (afwentelen', iels een uiider toe-of an nbrengen : nun een ander bij erfrecht vervallen).

Devoot (vroom, godvruchtig; onderdanig, eerbiedig). bn. devoter, —st.

De voreeren (verslinden).

Devotie (vroomheid, godsvrucht), v. gmv.

Devoneeren (toewijden).

Devonenient (toewijding,gehechtheid), o. gmv.

Dewijl {omdat), vw.

Dexteriteit (behendigheid, h 'indigheid),y. —en.

Dextrine (zetmeelgom), v. gmv.

Dey (landvoogd in Barbarije), m. —s.

Dezelfde, hetzelfde, aanw. vnw.

Dezelve, hetzelve, aanw. vnw.

Dezulke, bepalingaand. vnw.

Diahle. diabolus (de duivel), m. —s, —sen.

Diaboliek, diaboliseh (duivelsch, duivelachtig). bn.

Diaeonie (kerkelijk armbestuur), v. —iën.

Diaeonns (diaken, arm verzorger), m. —sen.

Diadeem (koninklijk hoofdsieraad; vrouwelijk haartooisel), v. —demen.

Diagnose, diagnosis (onderscheiding der ziekten naar kenteekenen), v. diagnosen.

Diagonaal (hoekpuntslijn), v. —alen.

Diagonaal (overhoeksch. overdwars), bn.

Diagram (schets; in de muziek: vijflijnige toonladder; ook: partituur), o. —men.

Diaken (armverzorger), m. —en. —s.

Diakones (urmverzorgster; ook ziekenverpleegster), v. —sen.

Dialect (tongval, uitspraak in onderscheiden streken eens lands), o. —en.

Dialectiek (verstandsleer, denkkunst, disputeer kunst). v. gmv.

Dialogisch (in den vorm van samenspraken), bn.

Dialogiseeren (sumoispraken houden; inden gesprekvorm inkleeden).

l)ialoog (sumens/raak, gesprek, onderhond), m. —logen.

Diamant (edelgesteente), m. —en: (stof), o.

Diameter (middellijn, doorsmede), m. —s.

Diapason (harmonie en accoorden der octaven: maatstaf van de orgelpijpen, trompetten enz.: toonomvang), m. gmv. muz.

Diaphaan (doorschijnend), bn.

Diaplionie (volsteminigheid), v. muz.

Diarrhee {buikloop), v. gmv.

Dicht (gedicht), o. —en.

Dicht, bn. en bw.; —heid {vastheid), v.


ocr page 88

DICHTADER—DIKWIJLS.

68

Dichtader (beeld voor dichter/ijken aanleg), v. —en.

Dichtdoen (sluiten), onr. ik deed —, heb — gedaan.

Dichten (dichtmaken), ik heb gedicht. Een lek -.

Dichten (veinzen maken), ik heb gedicht: —er, m.

Dichtgenootschnp (vereeniginfj van dichters), Dichtkniist. v. gmv. [o. —pen.

Dichtniaken (sluiten, dichtdoen), ik heb —gemaakt.

Dichtregel (versregel), m. —s.

DiclitMliiiten. ik sloot —. heb —gesloten. DiclitHtnk (gedicht, vers), o. —ken. Dichtvnnr (bezieling), o. gmv.

Dichtwerk, o. —en.

Dictaat {iets dat voorgezegd is of wordt ter naschrijving), o. —aten, —ata.

Dictator {eigenmachtig gezagvoerder', o/i/ier-beivindvoerder in hrt onde Ron te), m. —s. Dictatoiinal (gezaghebbend, eigen machtig). bn. en bw.

Dictatorisch (gebiedeml). bn.

Dictatuur (het ambt en dlt;- (vaardigheid van een dictator), v. gmv.

Dicteeren (voorzeggen om na te schrijven: ook: ingeven, in de /ten geven: toewijzen, opleggen).

Dictie (zeggingskracht: de schrijftrant, wijs van zich uit te drukken: de spraak), v.gmv. Dictionnaire (woordenboek), m. —s.

Dictmn, factum (gezegd, gedaan).

Didactiek (leerkunst, onderwijskunde), v. gmv. DidaetiHch (leerend. otnlerrichtcnd), bn. Een — gedicht, een leerdicht.

Die, dat, aanw. vnw.

Dieet (leefregel, matige eetregel), o. gmv. Dief, m. dieven: Een — aan de kaars, een vezel, die het vet doet afloopen: elk is een — in zijn nering, ieder zoekt te winnen wat hij maar eenigszins kan: de gelegenheid maait den — de verleiding is de oorzaak van het kwaad. Diefarhtig^, bn. —heid, v. Een —e raaf. Diefstal, m. —len.

Diegene, datgene, aanw. vnw.

Diemit {zekere stof), o. —en.

Dieniiten, bn. Een — borstrok. Dienaangaande (die zaak betreffende) bw. Dienaar, m. —s en dienaren.

Diender (agent), m. —s.

Dienen, ik heb gediend. God —. zijn land —. DienovereenkoniMtig. bw.

Dienst (bijstand, hulp), m. —en.

Dienstig {geschikt), bn. en bijw.: —heid, v. Dienstplichtig,bn.: —heid.v. Een — nummer. Dienntvaardig (behulpzaam) bn.; —heid, v. Dienstwillig, bn.: —heid. v. Dientengevolge, vw.

DienvolgeiiH (bijgevolg), bw.

Diep (diepte, kolk), o. —en; ook bn. en bw. Diepdenkend, bn.: —heid, v.

Diepen (uithalen, uitbaggeren), ik heb gediept:

—er, m.; —ing, v.: —sel, o.

Diepgang (scheepst.), m. gmv. Een vaartuig van 20 voet —.

Dieplood (zeew. werktuig om te peilen), o. —en. Diepte, v. —n.

Diepzinnig (grondig, veelbeteekenend, ook: onbegrijpelijk), bn.: —heid, v.

Dier, o. —en.

Dier (dierbaar, innig), bn. en bw. De —ste belangen.

Dierage (boos luijf, slecht kind), o. —s. Dierenriein (zonneweg), m. gmv.

Diergaarde (dierentuin), v. —n.

Dierlijk, bn.: —heid. v. Het — leven, het leven des lichaams: —e warmte: —e lusten, d. i. zinnelijke lusten.

Dies natalis (stichtingsdag, geboortedag), m. Diets (alleen gebruikelijk in: — maken, wijsmaken), ik heb — gemaakt, d.i. heb wijsgemaakt, op den mouw gespeld.

Dievegge (vrouw, die steelt), v. —n.

Dieven (stelen), ik heb gediefd.

Dievenbende, v. — n.

Dieverij (diefstal), v. —en.

Dinaniant (eerroovend. lasterlijk), bn. en bw. Diflameeren (eerrooven, belasteren, schand-r lekken).

DiHereeren (verschillen, onderscheiden zijn; uitstellen).

Diflerent (onderscheiden, ongelijk, verschillend. strijdig), bn.

Diflerent (klein geschil), o. —en. Differentiaal (oneindig klein gedeelte eener

veranderlijke grootheid), v. —alen. Differentiaal-rekening (een afdeeling der hoogere wiskunde), v. wisk. D\1ïeTeni\e(verschil.onderscheid).\'.—tiën,-~s. Dif ficiel (zwaar, moeilijk, lastig^ knorrig), bn. Een — mmsc/i, een knorrepot, een lastig man. Difficnlteeren (zwarigheden maken, tegenwerpingen in te brengen hebben). Difliciilteit (moeiel ijkheid.z wa righeid),v. —en. Din'onn {wanstaltig, mismaakt), bn. DHforiniteit (wanstaltigheid, mismaaktheid), v. —en.

Diffusie (tuijdloopigheid), v. gmv.

Diffuus (wijdloopig, verstrooid), bn. Digereeren verteren van spijzen).

Digestihel (gemakkelijk te verteren, licht), bn. Digestie (oplossing, koking: spijsvertering), v. Digestief (middel ter bevordering der spijsvertering). o. —ieven.

Digitalis (vingerhoedskruid), o. gmv.

Diggel (scherf), v. —s, —en.

Dignitaris (waardigheidsbekleeder). m. —sen. Digniteit (waardigheid, eerepost). v. —en. Digressie (afwijking, uitspatting, buitensporigheid), v. —siën, —s.

Dij (lichaamsdeel), v. —en.

Dijen (opzwellen, uitzetten), het is gedijd. Dijgen (uitzetten), liet deeg. is gedegen. Gedegen goud, smeedbaar goud.

Dijk (opgeworpen aarden dam), m. —en. Fig. lem. aan den — zetten, uit zijn huis zetten: dat brengt geen zoden aan den —. dat baat of helpt niet.

Dijkage (dijkwerken), v. —s.

Dijken, ik 'heb gedijkt: —er. m.: —ing. v. Dijk-etting (gras langs de dijken), v. —en. Dijkstoel (dijkbestuur, college van heenraden). m. —en.

Dijzig (mistig, dampig), bn.: —heid. v. Dik. bn. en bw.: —heid. v.

Dik huik (spotnaam), m. en v. —en.

Dikken (dik maken, aandikken), ik heb en ben gedikt.

Dikkerd (spotn. zwaarlijvige), m. —s. Dikkop (dik mensch). m. en v. —pen. Ook: (kikkervischje), m. —en.

Dikinaals. bw.

Dikte (dikheid, zwaarte), v. —n.

Dikwerf lt;tal van keeren). bw.

Dikwijls Cal van tijdstippen), bw.


ocr page 89

DIKZAK—DISSATISFACTIE.

69

Dikzak (dik en zwaar persoon), m. en v.—ken. Dilii|gt;ilt;leckrcii (verkwisten, verspillen, doorbrengen).

Dilateeren (verwijden, uitzetten, uitstellen). Dileiiniia (wissel- of vooronderstellende sluitrede; z er moei el ij ke toestand), o. —'s.

(kunstvriend, kunstverzamelaar), Dilettante (kunstvriendin), —n. |m. —en. Diiettaiitisine (beoefening eener kunst a!s liefhebber), o. gmv.

Diligence (naarstigheid, zorgvuldigheid, stiptheid), v. gmv.

Diligence (post- of reiswagen), v. —s. Diligent werkzaam: bezig).hrgt;.

Diligent ie (ijver; werkzaamheid), v. gmv. Dille (zeker kruid), v. gmv.

Dimensie (afmeting, afstand; uitgebreidheid), v. —siën, —s.

DiminneiMio (langzaam afnemend), muz. Diniinneeren (verminderen; kleiner maken). DiiiiinntiiT(spraakk.m,A:/em«;oo/v/).o.--ieveM. Dineercn (het middagmaal gebruiken).

Diner (middagmaal), o. —s; —tje en dineetje, o. —s.

Ding (zaak. lichaam), o. —en.

Dingbank (rechtbank), v. —en: vero.

Dingen (pleiten, bieden), ik dong, heb gedongen. Naar iets —, naar (eenen post), staan; —er. m.: —ing, v.

Dingspel (rechtsgebied), o. —len.

Dingtaal (ple ittaal: van dingen, d. i. pleiten), v. —talen. Ik heb hem — laten hooren, d. i. hem krachtig tegengesproken.

Diocese, v. ook dincee» (kerspel, bisschoppelijk gebied), o. diocesen.

Diopter (het vizier, kijkspleet op het astrolabium, meetk.), o. —s.

Dioptriek (door zicht kunde), v. gmv.

Diorama (doorschijnend kunsttafereel),o. —quot;s. Diplitliong (spraakk. tiueeklank), v. —en. Dip loina (akte van aanstelling; oorkonde), o. —quot;s.

Diplomaat (staatkundig vertegenwoordiger enn de eme mogendheid bij de quot;/c/ov. sluw staatsman), m. —aten.

Diplomatie (staatkundige vertegenwoordiging in of van het buitenland: kunst om de eene mogendheid bij de andere te vertegenwoordigen; fig. geslepenheid), v. gmv. Diplomatique (het corps) (de vertegenwoordigers van of in het buitenland). Dip lomatiscli (op de diplomatie betrekking hebbende, tot het gezantschap behoorende), bn. Direct (rechtstreeksch, regelrecht, onmiddellijk), bn.

Di rectenr (bewindhebber, bestuurder), m. —en. Directie (bestuur; oppertoezicht, uitvoering of uitvoerende macht), v. —tiën, —ties. Directoire, directoriinn (opperst staatsbewind), o. gmv.

Directrice (bewindvoerster, bestuurster), v. —s. Dirigeercn (leiden, besturen; onder opzicht hebben, in orde brengen: zenden: sturen). Dirk (toppenant aan schepen), v. —en. Disapprohatie (afkeuring), v. gmv. DiMappronveeren (afkeuren). [muz.

Discant (eerste zangstem, sopraan), m. —en: Discerneeren (onderscheiden, beoordeelen). Discernenient (onderscheiding, oordeel), o. Discli (spijstafel), m. disscheri: —genoot, m.; —genoote, v. —genooten. Ten — noodigen, ten eten. aan tafel.

Discipef (scholier, leerling), m. en v. —s, —en.

Disciplinair (de tucht betreffende), bn. Discipline (tucht, regel), v. gmv. Disciplineercn (in bedwung houden, aan tucht en orde gewennen).

Wisi'uUwixi'w (de ver klc/ring.het versehieten),v. Disconteeren (aftrekken of afrekenen; een wissel met aftrek van zekere percenten voor den vervaltijd inwisselen tegen geld). Discontinnatie (staking, ophouding), v. Discontinnecreii (staken, ophouden). Disconto (korting en wel percentsgewijze), o. —'s.

Discordia (tweedracht), v. gmv. Discoureeren (in gesprek zijn).

Discours (gesprek), o. —en.

Discrediet (minachting), o. In — brengen, in opspraak brengen.

Discreet (bedachtzaam, bescheiden, voorzichtig, stiIzwijgend), bn.

Discretie {bescheidenheid, ingetogenheid, stilzwijgendheid), v. Ik laat dit aan uw eigen — 'over, opvatting, oordeel: —dagen, respijtdagen (dagen van uitstel na den vervaldag eens wissels).

Discnlpeeren (verontschuldigen, rechtvaardigen, vrijspreken).

Discussie (w /ordenwisseling, gedarhtenwisse-ling). v. —siën. —s.

Discnteeren. discntiêeren (bespreken, nauwkeurig nagaan, wikken en wegen).

Disctte (gebrek, hongersnood), v. gmv. Disgratie, disgrace {ongenade), v. gmv. Disgratieeren (m ongenade doen vallen). Disliannonie (wungeluid, wanklank, wantoon: oneenigheid. twist, tweedracht), v. gmv. Dislionorabcl (onteerend, scha wie lijk), bn. Disjnnctie (afzondering, scheiding), v. —s, —tiën, — s.

Disjn nctiel' (ufzonderend, scheidend), bn. Dislocatie (verzwikking, ontwrichting), v. —s. Disloceeren (verzwikken, ontwrichten, verleggen).

Disineiiibreeren (verdeden, ontleden). Dispaclie (overeenkomst tusschen twee personen, wegens geleden zeeschade), v. —s. Dis| gt;araisseereii {verdwijnen; onzichtbaar worden).

Dispariteit (ongelijkheid), v. —en. gmv. Dispcndicns (kostbiiar, veel geld kostend), hn. Dispensatie (ontheffing, vrijstelling), v. —s, —tiën.

Dispensatoriiini (apothekersboek, receptenboek), o. —s. —ria.

Dispeiiseeren (aitdeelen: vergunning geven; vrijspreken, ontbinden, o nth elfo i».

Disponent (gevolmachtigde), m. —en. Disponeeren (regelen, gebieden, beschikken). Disponiliel {beschikbaar), bn.

Dispositie (inrichting, gesteldheid, neiging, beschikking; rangschikking), v. —tiën, —s. Dispositiel' {voorbereidend), bn.

Disproportie (ongeèvenredigdheid, wunver-houding). v. —tiën, —s.

Disproportioneeren (onregelmatig, onevenredig of ongelijk maken).

Disputatie (redestrijd), v. —tiën. —s.

Dis pn t eere n (ujet en schap pel ij k woordentwisten, woorden wisselen).

Dispuut (ivoordenstrijd), o. disputen. Disregard (geringschatting), o. gmv. Disrenoniniêe, disreputatie (kwade naam, kwaad gerucht), v. gmv.

Dissatisiactie (ontevredenheid), v. gmv.


ocr page 90

DISSECTIE-DOEMEN.

70

Dissectie (ontleding), v. —tien, —s Diesel (een soort van bijl), m. —s.

Diesel (wagenboom), m. — s.

DiMMeiiHie (verscheidenheid van meening, on-eenigheid). v. —siën, —s.

Dissenter {andersdenkende, kerkelijk afgescheidene), m. en v. —s.

Disseiifieeren {anders denken, afwijken). DiHSfiitiiiKMit (tegenovergesteld gevoelen)* o. DiN»lt;'rtatie (geleerde verhandeling, academisch proefschrift), v. —tiën, —s.

Dfosideeren (anders denken, van een andere . gezindheid z ijn).

DisMiiniilatic (veinzerij), v. gmv.

Diw.HiiimltM'i rii (veinzen, zich vermommen). Dissipeeren (verkwisten, verspillen). DiMSoInbH (oplosbaar), bn.

Dltiamp;oUitie (oplossing, on tb inding,i gt;ph effi ng),v. DiMNolvecren (oplossen, ontbinden, ophejfen). DiMMonant (tuanklank. valsche toon), m.—en. DiHMoiieereii (valsche tonen voortbrengen, wangeluid maken), muz.

DiHSiiiulcerfMi (afraden, uit het hoofd praten). DiHtiintie (verwijdering, afstand), v. —tiën. —s. Distel (plant), v. —s. De orde van de —. of van St. Andrics, ridderorde in (jroot-Brittannië. DiMtelfii (krakeelen, dwarsdrijven), ik heb pedistsld.

DiHtflis (fig. netelig), bn.

DiNtillatcur. (liNtiilccnlcr (stoker, brander, overhaalder). m. —s.

Distillatie (overhaling), v. —tiën, —s. DiHtilleeren (aftrekken, stoken, overladen). Distiiirt (daidelijk. onderscheiden), bn.enbw. DiHtiiK'tie (onderscheiding), v. —tiën, —s. Distinotiel' (onderscheidend), bn.

DiHtiiK'tiel' (kenteeken van rang of orde), o. —ieven.

Distiiuteereii (onderscheiden, met achting bejegenen).

DiMti •act ie (afgetrokkenheid; verstrooiing; vervreemding', verkoop), v. —tiën. —s. Distrait (afgetrokken, verstrooid), bn. Distrihneeren (ver- of aitdeelen: ronddeelen: bij letterzetters: de letters der afgedrukte vormen in de kast sorteeren).

Distributie (nitdeeling. verdeeling hij letterzetters: zetsel, dat gedistribueerd kan worden). v.

District (rechtsgebied, landstreek), o. —en. Districtsronniiissaris. m. —sen.

Distnrhatie (verwarring, stoornis), v. —tiën, —s.

Distnrheereu (verhinderen, verwarren', storen, belem meren).

DitliyramlMis (lied ter eere van Bacchus, vurig lied in ongeregelde versmaat), m. —bae. Ditje. o. —s. Allerlei —s en datjes, kleinig-Ditmaal (voor dezen keer), bw. [heden.

Dito (het gezegde, het gelijke), o.

Divageereu (van zijn hoofddoel afwijken, onzin zeggen).

Divan (Raad van den Grooten Heer, in Turkije: ook een in 't Oosten gebruikelijke lage rustbank of sofa met tapijten en kussens). rn. —s.

Divergeereu (aiteenloopen. afwijken). Divergent, diver^eerend (uiteenloopend), bn. Divers (menigerlei, onderscheiden), bn. Diversen (onderscheidenen), m. mv.

Di xernW (afleiding, af wend ing,verstrlt;»oiing).y. Diversiteit (verscheidenheid, menigvuldigheid), v. —en.

Diverteeren (afleiden, vermaken, verlustigen). Divertissement (vermakelijkheid), o. —en. Dividend (de som, welke onder een gezelschap verdeeld )noet worden: evenredig aandeel in de zuivere winst), o. —en.

Divide et impera (verdeel en heersch). Dividcereu (deelen, verdeelen).

Divin (goddelijk, overheerlijk), bn. Droit—. goddelijk recht (der Koningen).

Divinatie (het waarzeggen,'voorgevoel), v. —s. Divineereii (raden, voorgevoelen, waarzeggen). Diviniteit (godheid), v. —en.

Divisie (deeling, in de rekenkunde; groote legerafdeeling), v. —siën, —s.

Divisor (deeler). m. —s.

Divorce (echtscheiding), m. gmv. i}\\u\$i\tie(verspreiding,ruchtbaarmaking).\'. I)i vnlseeren (bekendmaken,verspreiden,r gt; lt; ch t-baarmaken gt;.

Dixi (ik heb gezegd, aan het slot eener redevoering). o.

Dobbel (spel met twee teerlingen), m. gmv. Hij zal een harden — hebben, d. i. een harden strijd. Dobbelbeker (trechtertje), m. —s.

Dobbelen, ik heb gedobbeld: —aar. m.: —arij, v. Ongelukkig —. tegenspoed hebben. Dobber (drijverije, pen, sim aan een hengelsnoer). m. —s.

Dobberen (op en neer gaan in 7 water), ik heb gedobberd: —ina;. v. Op zee rondzwalken: tosschen hoop en vrees, leven en Doeeeren (onderwijzen). [dood —.

Docent (leeraar). m. —en.

Dochter, v. —s. Jonge jong. ongehuwd meisje.

Dociliteit (leerzaamheid, vatbaarheid), v. gmv. Doctor (academische titel, ook geneesheer), m. —en.

Doctoraal (als of van een doctor: deftig: gezaghebbend). bn.

Doctoraat (de waardigheid van doctor), o. gmv. Doctorandus (iemand die den doctoralen graad denkt te halen), m. —sen.

Doctrina (leer. wetenschap), v. gmv. Doctrinair (bekrompen hechtend aan een eenmaal afgebakende geloofsbelijdenis of leer op staatkundig gebied), bn.

Docninent (bewijs, oorkonde), o. —en.

Dod of dodde (plant van het geslacht der rietgewassen), v. dodden.

Dodderig (slaperig), bn. en bw.; —beid, v. Dodei (bedorven ei), o. —eren.

Dodijnen (een kind —, in den arm nf rn de wieg in slaap maken), ik heb gedodijnd. Dod«gt;or (suffer, langslaper), m. en v. —en. Doedel (speeltuig der Tgrolers). m. —s. Doedelzak (pijpzak), m. —ken. muz.

Doek (geweven stof, schilderstuk, vlag), o. —en. Doek (halsdoek, zakdoek, enz.), m. —en. Doeken (bedriegen, blinddoeken), ik heb ge-doekt: —er. m.: —ster. v.; — iiiR. v.

Doel (wit, waarop men mikt), o. Fig. oogmerk, voornemen, plan: Een — beoogen, zijn — bereiken, treffen, naar een — jagen, i een — achtervolgen.

Doelen (oefeningsplaats der schatters), m. —5. Doelen (mikken), ik heb gedoeld. Op iets —, mikken.

Doelmatig (geschikt), bn.: —beid. v.

Doelt rellend (geschikt tot het doel), bn. Doelwit, o. gmv.

Doemen (veroordeelen), ik heb gedoemd: ; —er, m.: —ing. v.


ocr page 91

DOEM VONNIS—DOODFAMILIAIR.

Doem vonnis (doodvonnis, veroordeel ing), o.

DoemziiHit (wraaklust), v. gmv. [—sen.

Doen (handelen, uitvoeren, verrichten), onr. ik deed, heb gedaan; —er, m.

Doeniet (leeglooper). m. en v. —en.

Doenlijk (uitvoerbaar), bn.: —heid. v.

Doetje (goede sul, onnoozele vrouw of meisje), o. —s.

Doezelaar (teekenk., opgerold zacht lederen voorwerp, om te schud uwen), m. —s.

Doezelen (schaduwen), ik heb gedoezeld: —ing,

Dof (duw, stoot, riemslag), m. —fen. fv.

Dof( niet glanzend, mat), bn. enbw.: —lieid. v.

Doffen (slaan, stootea), ik heb gedoft: —er. m.:

Doffer (mannetjesduif), m. —[—inK- v.

Doft (roeibank), v. —en.

Dofwit (v ui lach tig wit), bn. Een — overhemd.

Dog igroote hond), m. —gen.

Doge (hertog van Venetië,Genua, enz.), m.—s.

Dogger (vischpink), m. —s.

Doggerboot (boot. voor de kabeljauwvangst). v. —en.

Dogma (leerpunt, leerstelling, leerstuk: geloofsartikel), o. —'s. —ta.

Dogmatiek (het leerstellige van de geloofsleer), v. gmv.

DogmatiMcli (leerstellig, leer ma tig), bn. en b\v.

DogmatiMeeren (leerstellig voordragen).

Dok (b''.' sloten lig plants voor schepen), o. —ken. Een droog een drijvend —.

Dokken \de schepen in het dok halen), ik heb gedokt.

Dokken (betalen), ik heb gedokt.

Dokken (bosjes stroo tusschen de pannen), v. mv. Ook: poppen.

Dokter (.geneesheer), m. —s.

Dokteren (ziek zijn. den dokter raadplegen, geneeskundig verzorgen), ik heb gedokterd.

Dol (roeipen: pop), m. —len.

Dol (razend. waanzitDiig),bn.enbw.: —heid. v.

Dolee (liefelijk), muz.; — far uien te. het zoete niets-doen. het leegloopen.

Doldriest (brooddronken), bn.

Doldriftig (onbedachtzaam), bn.

Doleeren (klachten inbrengen, bezwaren hebben).

Dolen (dwalen), ik heb gedoold: —ing. v.

Dolfijn (walvischachtig zeedier), m. —en.

Dolgraag (zeer graag). b\v.

Dol hamer (houten hamer om een rund te dollen), m. —s.

Dollniis (gekkenhuis), o. —huizen.

Dolik (giftplant), v. gmv.

Dolk (moordpriem, ponjaard), m. —en.

Dolkop (o) iberuden menscb i. m. en v. —pen.

Dolkniid (giftplant, )iachtschade), o. gmv.

Dollar (daalder in N.-Amerika, geldende f -i-CO). m. — s.

Dolle-liondsbcet. m. —beten.

Dollekervel (giftplant, waterscheerling), v. gmv.

Dolleman (onbesuisd, wild mensch), m. —nen, —s.

Dollen, ik heb gedold. Een os —. d. i. hem «Ie hersens inslaan met een bijl of hamer.

Dolman (huzarenbuis: met bont afgezet buisje), m. —s.

Dolomiet (zekere rotssoort), o. gmv.

Dolzinniu; (onbezonnen), bn.: —heid. v.

Dom {heer, eeretitel der edellieden in Portugal), m. — s.

Dom (domkerk, bisschoppelijke kerk. hoofdkerk). m. domkerken.

Dom (zonder begrip), bn. en b\v.: —heid, v.

Donianiaal (van of betre/fende het doïnein), bn.

Doniein (rijksgrond, kroongoed), o. —en.

Domestiratie (tammaking), v. gmv.

Doniesticiteit (dienstbaarheid, ondergeschiktheid), v. gmv.

Dome.stiek (dienstbode), m. en v. —en.

Doniieilieerrn (woonachtig zijn).

Domieilie (verblijf, huisvesting, woon plaats),o. —liën. —s. — kiezen ten huize van', — van onderstand, plaats, waar men armlastig is.

Doiniiiant (heerschend. de overhand hebbend). bn.

Domiiiante (de groote guint: de heerschende of hoofdtoon in de koraalmuziek), v. gmv.

Dominatie (heerschappij, geweld), v. gmv.

Doininoe (leertmr, predikant), m. —s.

Doniiiiecren (heerschen. den baas spelen, vooruitkomen, overtreffen gt;.

Domiiiicaan (monnik van de orde van St. Dominicus), m. —canen.

igt;omiiio (heer. momgewaad] masker), o. —'s.

Domino (spel), o. —s.

Dommekraeiit (werktuig, tandrad), v. —en.

Dommel (bedwelming), m. gmv.

Dommelen (gonzen, gelijk de bijen, mompelen, sluimeren), ik heb gedommeld: —aar, m.; — ing. v.

Doiinnerik (lomperd), m. —en.

Domoor (dom mensch. onnoozele), m. —en.

igt;om|gt;el('n (onder water plonsen), ik heb gedompeld. Fig. In ellende —. in rouw d. i. brengen.

Dom pen (smoren), ik heb gedompt.

Domper (kaarsendomper), m. —s. Fig. duister-ling. bevorderaar van domheid en bijgeloof.

Dompig (somber, vochtig), bn.: —lieid, v.

Domproost (domheer), m. —en.

Don (gift. schenking), o. —s. —gratuit, vrijwillige gift.

Don (heer, eeretitel der edellieden in Spanje), m.

Doila, Donna (Spaansche en Portug. titel van edelvrouwen), v. —'s.

Donateur (begiftiger), m. —s.

Donatrice (begiftigster, schenkster), v. —s.

Donder (natuurverschijnsel), m. —s.

Donderen, het heeft gedonderd. Hij hoort Iwt te Keulen —. staat verbaasd; iem. —, gmz. kwellen, plagen.

Donderjagen (lastig i nu ken. plagen), ik heb gedonderjaagd, gmz.

Donker, o. gmv. Tusschen licht en —. in de schemering.

flonker (duister), bn. en bw.: —lieid, v.

Doii.h (de fijnste vederen), o. gmv.

Dood. m. Hij ziet er uit als de —; trouw tot in den —: de — van Yperen, pestziekte; wandelen /,/ de schuduwen des doods, gestorven zijn. De — is in den pot, het is een nare boel.

Dood (gestorren), bn. Een — kapitaal, renteloos: de Doode Zee (in Palestina); hij is — van slaap: hij is op sterven )U( —. Ir. voor hij leeft nog.

Doodbidder (aanspreker), m. —s. gew . Een gezicht hebben als een —. er bleek uitzien.

Dooddoener (afdoende reden, machtspreuk),

Dooden. ik heb gedood: —er. m.: —ing. v. Fig. Den tijd —, d. i. verdrijven: zijn lusten —, d. i. onderdrukken.

Doodeter (lediglooper), m. —s.

Doodfamiliair (hoogst gemeenzaam), bn.

tl

Ir

i ai

1

I m

W

i

R'ifr ■

I

L j

y


ocr page 92

DOODGRAVER-DOTEEREN.

72

Doodgraver (grafmaker, ook zeker insect), m. —s.

Doodverven (een schilderij aanleggen), ik heb gedoodverfd. Fig. lem. mei een post of ambt —, d. i. hem als zoodanig noemen, aanwijzen.

Doof' (Jiardhoorend), bn. en bw. Zoo — als een kwartel, erg doof; fig. — voor de stem van 't medelijden, geen medelijden kennen; — voor vermaningen'. — aan één oor', Oost-indisch d. i. hoorende doof. —heid. v.

Doofpot, m. —ten. Fig. Iets in den — doen, stoppen, d. i. voorgoed uit de wereld heipen.

Doofcfoin {doof en stom), bn.

DoorHtoinine, m. en v. —en.

DoofNfoiiiiiieii-in.stitiint. o. —instituten.

Dooi (het dooien), m. gmv.

Dooien, het heeft gedooid.

Doolhof, o. —hoven. Fig. Een — van straten, van gangen, b.v. in den St.-Pietersberg: het recht is een ware —.

Doop {kerkplechtigheid, sacrament), m. gmv.

Doop (saas), v. gmv.

Doopceel, v. —en. lem. — lichten, iemands verleden napluizen en bekend maken.

Doopen, ik heb gedoopt; —er, m.; —ing, v.; —eling, m. en v.

Doopcel (sacrament), o. gmv.

Doop^gexind, bn.

Doopte/.inde {volgeling van Menno Simonsz., Mennoniet), m. en v. — n.

Doopvont (doophekken), v. —en. Ook: doop-vonte.

Door (dooier), m. en o. —en.

Doorhraak, v. —braken. De — van een dijk.

Doordaelit {overlegd), bn. Een goed —e zaak.

Doordien {omdat), vw.

Doordringen {doorheen dringen), ik drong—, ben en hel» —gedrongen: (ook: vervullen: begrijpen), het —drong, is —drongen. Hij is —drongen van droefheid: —drongen van de waarheid zijner leer. d. i. in zijn hart overtuigd.

Doordringend, bn.: — lieid. v. Een — geluid, eene —e koude, een —estem. een — verstand.

Dooreerlijk, bn. De man is —.

Doorgaan, ik ging —, ben en heb —gegaan.

Doorsaan.s {gewoonlijk), bw.

Doorganp:, m. —en.

Doorgeleerd (zeer geleerd), bn.

Doorgelezen (ten einde gelezen), bn. Een — hoek.

Doorgoed (zeer goed), bn.

Doorbeet {zeer heet), bn. en bw.

Doorkneed {geleerd, verstandig, bedreven', op de hoogte van iets), bn.; — lieid, v.

Doorlaat (daiker), m. —laten.

Doorloop {doorgang), m. —en.

Doorhirlit {doorschijnend), bn.

Doorluchtig (Hg. aanzienlijk, achtbaar), bn. en bw.; —heid, v.

Dooriiiai'Heh, m. —en.

Doorn en Doren, m. doornen en dorens.

Dooniaehtig, bn. —er. Een — heg.

Doornat (druipnat), bn.

Doornen, bn. Een — stok.

Doornenkroon, v. —kronen.

Doornig, bn.; —heid, v.

Doorreis, v. —reizen.

Doorrijp (ter dege rijp), bn.

DoorMehijnend (het licht doorlatend), bn.: —heid, v.

Doorslaand (afdoend), bn. Een — bewijs, een overtuigend bewijs.

Doorslag (vergiettest), m. —en.

Doorsnede (middellijn), v. —n.

Doorsnood (erg slecht), bn.

Doorsteek {het doorsteken), m. —steken.

Doortastend (snel handelend), bn. en bw.

Doortocht (vrije weg, doorgang, uitweg), m. —en. Den — versperren ; zich een — hanen.

Doortrokken, bn. Een papier met olie —.

Doorvaart, v. —en.

Doorvoed (welgevoed), bn. en bw. meer —, meest —; —heid, v.

Doorvoer, m. —en. Rechten van —.

Doorvoerhriel' (geleibrief voor goederen), m. —brieven.

Doorvoeren (handelsartikelen door het land voeren), ik heb —gevoerd; —voering, v.

Doorvoerhandel, m. gmv.

Doorwrocht (goed doordacht', naar alle eischen bewerkt, degelijk), bn.: —heid, v.

Doorzicht (gezicht door iets heen: ook: vlug bezin, schranderheid), o. Een man van —, scherpzinnigheid.

Doorzichtig, bn. en bw.; —heid, v.

Doorzichtknnde (leer der perspectief in het teekenen), v. gmv.

Doorzien (aanhoudend zien), ik zag —, heb —gezien; ook: ik —zag, heb —zien, d. i. begrepen.

Doos (een soort van kistje), v. —zen. Fig. Hij zit in de —, gevangenis; hij komt als uit een —je, ziet er zeer net uit.

Doovekool {gedoofde kool vuur), v. —kolen.

Dooven (uitdooven, smoren), ik heb gedoofd; dooving, v.

Doovenetel (lipbloemige plant), v. —s.

Doozeniahriek, v. —en: —kraam, v. —kramen; —maker. m. —s.

Dop {deksel, schaal), m. —pen.

Doppen (van den dop ontdoen), ik heb gedopt.

Doppio (dubbel), bn. muz.

Dor (droog, onvruchtbaar), bn. en bw.; —heid.

Doren, m. —s. Ook; Doorn. |v.

Dorp. o. —en.

Dorpel (drempel), m. —s.

Dorper {lijfeigene), m. —s. vero.

Dorperheid (hoerschheid, onbeschaamdheid), v. gmv.

Dorpsch (dorpachtig), bn. Een — jongmensch.

Dorpsherberg, v. —en: —kerk, v. —en.

Dorren (verdorren, verdrogen), liet is gedord; —ing, v.

Dorsch (kleine schelvisch), m. —en.

Dorschen (de graankorrels uitslaan), ik heb gedorscht; —er, m.: —ing. v. Fig. Hooi —, nutteloos arbeiden.

Dorschsclnmr. v. —schuren; — vlegel, m.—s; — vloer. m. —en; —wagen, m. —s.

Dorso (in), op den rug (van een wissel), op de omgekeerde zijde; op de laatste bladzijde.

Dorsten, ik heb gedorst; onp. w. mij dorst, mij dorstte, heeft gedorst. Fig. Naar bloed, naar wraak —, d. i. smachten.

Dorstig, bn. en bw. —heid. v.

Dornre (verguldsel, vergulding), v. gmv.

Dos (kleeding. opschik), m. gmv.

Dos-a-dos (rug tegen rug), bn.

Dos d'ane (een ezelsrug, een spits toeloopemie boog), m.

Dosis (kleine hoeveelheid), v. —sen, doses.

Dohsvu {kleeden), ik heb gedost. Fig. versieren.

Dot (suikerpopje voor zuigelingen), v. —ten

Dotatie (uitzet, begiftiging), v. —tiën, —s.

Doteeren (begiftigen, beschenken met een bruidschat).


ocr page 93

DOUAIRIE—DRIELEDIG.

73

Donairie (bezittimj eener weduwe of hetgeen aan een weduwe vermaakt is), v. —rieën. Douairicre (weduwe van aanzienlijke ye-boorte, die een donairie of douarie bezit),—s. Douane (tolhuis, konvooi, de tol), v. —n; ook (accijns-kommies), m. —n.

Douanier (tolbeambte), m. —en, s.

Douarie (weduwengeld, wednwengoed), v. —ën. Douhleereu (verdubbelen] in het biljartspel den hal eerst tegen den band spelen] scheepst. omzeilen).

Doublet (een dabbel voorhanden stak. b.v. vogeleieren: worp met twee dobbe Is teen en. waarbij met beide evenveel oogen worden geworpen), o. —ten.

Doiiblon {dabbel pistool. Spaansche goad-munt = ± f20). m. Ook: Dubloen. Doublure (voering en opslagen aan soldaten-kleeding), v. —s.

Douceur (zoetigheid, zachtheid, v.; drinkgeld, geschenk), o.: —f je. o. —.s.

Dourlie (stortbad), v. —s.

Douteeren (twijfelen, betwijfelen).

Dotitrus (twijfelachtg). bn.

Douw (stoot), m. —en.

Dozijn (twaalftal), o. —en.

Draad {voorwerp), m. draden; (stof), o. DraagkoctH. v. —en.

Draagzeel (band. helpzeel), o. —en.

Dr aai (keer, wending), m. —en. De weg maakt hier een —. De koetsier nam den — te kort. Fig. Hij weet aan alles een — te geven. d. i. een gunstige wending of voorstelling. Draaibank {werkbank), v. —en.

Draaien, ik lieb en ben gedraaid; —er (werkman, die draait), m.

Draak {fa' e lach tig dier), m. draken.

Drab. drabbe (drabbe, grondsop, moer, droesem). v. gmv.

Drabbi» (troebel, modderig), bn.: —beid. v. Dr aeliine {apothekersgewicht, gelijk aan 'è$\b gram), o. —n. (Dok: drachma.

Di •aeht^'/i hoeveelheid', kleederdracht), v. —en. Een — hoat. een — a ater, een leelijke —. Drachtig, bn.: —heifl, v. De koe is —.

Dradiu; (vezelig, stokkerig), bn.en b\v.: — heid. v. Draf lt;7 draven), m. Het op een — zetten. Dralquot; (grondsop, voeder), m. gmv. Hij zit in den —, verlegenheid.

Draden, ik droeg, heb gedragen: —er, m. Dr a!;onian (tolk, bij de Turken), m. —s. Dragon (zeker kraid. nl. keizersalade, in Siberië en Tartarije), v. gmv.

Dr agon (degenkwast), v. —s.

Dragonade (geweldpleging der Dragonders onder Lode wijk XIV om de Hervormden door geweld van wapenen in tien schoot der J{. K. Kerk terug te brengen', dwangbekeering door militair geweld), v. —s.

Dragonder (lichte ruiter. Fig. groote, forsche vrouw), m. —s. Lichte —. oneerbaar meisje. Draineeren (droogleggen van landerijen), ik heb gedraineerd; —buis, v.

Drakenbloed (politoer), o.; —boom, m. —en:

—kop, m. —pen; —kruid. o.

Dralen (talmen, aarzelen), ik heb gedraald; —er, m.: —ins;, v.

Drama {schouwspel, too )i eel spel), o. — quot;s. Dramatif'k (tooneelspeelkunst), v. gmv. DramatiHcli (tooneelmatig), bn. en b\v. Een —

verhaal, iets — behandelen.

Dr amatiseeren (tooneelmatig inkleeden of bewerken).

Dramaturg; (tooneelspeldichter, —schrijver, —kenner, —beoordeelaar). m. —en. Dramaturgie (tooneelspeelleer), v. gmv. Drang (zacht geweld), m.; —reden, v. —en. Drank, m. —en.

Drap de dailies (half laken), o. gmv. Drapeeren (bekleeden: de kleeding op schilderijen nabootsen)'. —ing, v.

Draperie (behangsel, voorhangsel), v. —rieën. Draw (natte, weeke grond), v. gmv.

Di •as (moerassig), bn. Een -.-se grond. Dra.HHig (moerassig), bn.; —beid. v.

Draven, ik heb gedraafd; —er, m.

Dravik (zeker gras), v. gmv.

Dran ing-romn (gezelschapskamer, zaal waar men bezoekers ontvangt), v. —s. Dreer(sma//e laan; particuliere «,'^7), v.dreven. Dreg (dregge), v. —uen.

Di •eggen (met een dregge of haak visschen naar iets), ik heb gedregd. — naar een drenkeling.

Dreigement [bedreiging), 0. —en.

Dreigen, ik heb gedreigd; —er, m.; —ing, v. Drek (vuilnis), m. gmv.

Drekbak (vuilnisbak), m. —ken.

Drekkig (vuil, soierig). bn.

Drempel (dorpel), m. —s.

Drenkeling, m. en v. —en: v. ook —e. Drenken (bevochtigen, te drinken geven), ik heb gedrenkt. De regen drenkt de planten. Drenkplaats, v. —en; —trog. m. —gen; — wed, o. —den.

Drentelen (langzaam op en neer gaan), ik heb gedrenteld; —aar, m.; —ing. v.

Drenzen (op huilenden toon aanhouden, iets vragen als kleine kinderen doen), ik heb gedrensd.

Drenzerig (lastig, dwingerig), bn.

Di •esseeren (africhten, bekwaam maken). Dreiim (bij de wevers en kleermakers, zekere draden), m. —en.

Dreumes (kereltje), m. —en.

Dreun (schudding, schok), m. —en.

Dre linen, het huis heeft gedreund: —ing, v. Dreutel (fig. klein ventje), m. —s.

Dreutelen (talmen, luieren), ik heb gedreuteld; —aar, m.

Dn •vel (puntig ijzer, waarmede men spijkers indrijft), m. —s.

Dribbel (iem. die dribbelt), m. en v. —s. Dribbelen (loopen met kleine pasjes), ik heb gedribbeld: —aar, m.; —ing. v.

Drie. tehv. (als zn. v.), —ën.

Driedeelen (op een derde der waarde brengen, ti'èrceeren). ik heb gedriedeeld: —ing, v. Driedekker (schip met drie verdekken), m. —s. Driedraadseli, bn.: — katoen. Drieduizendste (ranggetal), bn.

Drieèenlieid. v.

Drieêrliande, —lei (van drie soorten), onvw-buigbaar bn.

Driegdraad (rijgdraad), m. —draden. Driehoek oneetk.), m. —en. Drielilt;»eksnieting. v. —en.

Driehonderd, tehv.

Driehonderdste (ranggetal), bn.

Drieklank (muz.), m. —en.

Driekleur (vlag), v.: —ig, bn.

Driekleurd (driekleurig), bn. Een —e kater. Driekoningen, rn. —dag. m.—dagen: —leest, o. —en.

Drieknum (pausenkroon, tiara), v. gmv. Drieledig, bn. Een — onderwerp (spraakkA


ocr page 94

DRIELING—DUALISME.

74

Drieliiiis;. m. en v. —en; voor het v. ook —e. Drieman, m. —nen; —schap (le en 2e —, in de Rom. geschiedenis), o. —pen.

Driemast (schip), m. —en.

llriemaMfer (schip), m. —s.

Dricpiiiider (kogel), m. —s.

Driesprcuig (punt, waar drie ivegen smnen-loopeh). m. —en.

Driest (onbeschaamd, stout, hoen, vermetel), bn. en bw.; —heid, v.

Driestal (drievoet, stoeltje des schoen makers), m. —len.

Driesteinmig. bn. Een — lied.

Drietal, m. —len. Een — jaren, een — guldens. Drievoud is;, bn. Het — verbond. Drievuldigheid (drie-cén-hcid). v.

Driewerf, bn. en bw.

Drilt. v. —en. Een — ossen: hij deed hetin—. Drirtbg. bn. en bw.: —heid. v.

Drijf'beitel, m. —s.

Drijven, ik dieet', heb gedreven. Df ossen —, een spijker in den muur —. fig. den spot —. —er, m.; — ing, v.

Dril (zeker boor-werktuig), m. —len; (gestold vleeschnat), v. gmv.

Drilhoos;. m. —bogen; —boor, v. —boren; -ga#, o. —en.

Drillen (ronddraaien, ook africhten), ik heb gedrild: —iua;, v.

Dringen, ik drong, heb en ben gedrongen; —er, m.; —iiiff, v.: —ster, v.

Driiiseud (geen uitstel lijdend), bn. Een —e boodschap, —e bezigheden, dat is — noodzakelijk.

Drinkbuk. m. —ken: —beker, m. —s; —e-

broer (dronkaard), m. —s.

Drinken, ik dronk, heb gedronken: —er, m.; —erij, v. Fig. Op iem. gezondheid —, d. i. een toost of dronk instellen.

Drinkselau; (vertering), o. —en.

Droef (neerslachtig), bn. en bw.; —heid, v. Droefenis, v. gmv.

DroefseestiR (zwaarmoedig), bn.: —heid, v. Droelen (misleiden), ik hebgedroeld; —er. m.:

—ing, v. vero.

Droes (paardenziekte, el tering, die zich door den neas ontlast), m. gmv.

Droe» (de duivel), m. gmv. De — hale je! Droi'M'in (grondsop), m. —s.

Dn»eseiniu; (vol droesem), bn.

Droevig, bn. en bw.: —heid. v.

Di 'oezig (lijdende aan droes, ook verkouden), bn.: —heid. v.

Drogen, ik heb gedroogd: — ing, v.; —erij, v. Drogist (verkooper van artsenijen), m. —en. Di -ogreden (bedrieglijke redeneering), v. —en. Drogredenaar (valsch wijsgeer), m. —naren en —naars.

Drol. m. —len. gmz.

Drollig (kluchtig), bn. en bw.; —heid, v. Drom (menigte), in. —men.

Dromedaris (eenbultige kameel), m. —sen. Drommel i zoowel in de beteekenis van menigte, als van duivel), m. —s.

Dronk (teug. slok), m. —en.

Dronkaard, m. —s en —en.

Dronken, bn. en bw.

Dronkensehap (beschonkenheid), v. gmv Droog. lm. en bw. droger, droogst: —heid. v. Droogloopen (het afloopen van ivater), het liep —. is —geloopen.

Droogmalen. ik maalde —. heb —gemalen; —maling, v. De —maling van een uwer.

Droogpoetsen (schoon of blinkend maken). ik heb —gepoetst.

Droogschuren (b.v. koperwerk), ik heb -ge-Droogte. v. —n. [schuurd.

Droogvoets en Droogsvoets, bw. Droogzolder, m. —s.

Droom, m. —en. Iem. uit den — helpen. Droomeii. ik heb gedroomd; —er. m.: —erij, v. Droomerig (slaperig, suf), bn.: —heid, v. Droopen (bedruipen, besproeien), ik heb ge-droopt; —ing, v.

Drop (drup), m. —pen. Van den regen in den — komen, van kwaad tot erger vervallen. Drop (afkooksel van zoethout),Ook: Drup. Droppel (druppel), m. —s.

Droppelen, het heeft en is gedroppeld: —ing, v. Droppen (druipen), het heeft en is gedropt. Dropsteen (eoi druipsteen), m. —en; (als stofnaam), o.

Drossaard (baljuw), m. —s. Zie Drost.

Drossel (zekere lijster), v. —s.

Drossen (wegloopen), ik ben gedrost: —er, m.; —ing. v.

Drost (schout), m. —en: ook: Drossaard. Druïde (priester der oude Kelten), m. —n. Druif v. druiven: fig. Knop. b.v. De

— van een boor, van een kanon. enz.

Druil (bootszeil), m. —en.

Druil (persoon), m. en v. —en.

Druilen (talmen, snjfen), ik heb gedruild: —er, m.: —ing, v.

Druilig (druiloorig). bn. en bw.

Druiloor (slaper, suffer), m. en v. —en. Druilooren {druilen, pruilen), ik heb gedruiloord.

Druiloorig, lm; —heid, v.

Druip, m.; —bad, o. —en.

Druipen dn druppels neervallen), ik droop, heb en ben gedropen. Fig. Hij is gedropen. bij eenig examen afgewezen.

Druipnat (kletsnat), bn.

Druipneus (persoon), m. en v. —neuzen. Druipoog, m. en v. —en.

Druipstaarten (van angst den staart tusschen de achterpooten trekken, b.v. een hond), ik heb gedruipstaart. Fig. —de wegloopen, d.i. wegsluipen.

Druipsteen (een kalkachtige steen), m. —en; (als stofnaam), o.

Drnisehen (luide suizen), het heeft gedruischt. Druiveblad. o. —eren.

Druivepit. v. —ten; —schil, v.—len; —steel, m. —stelen.

Druk, m. —ken. De — der slavernij, nood, ellende: een fraaie —. uitgave van een boek. Druk. bn. en bw.; —te. v. Ook: drok. Drukken (klemmen, persen, boeken drukken). ik heb gedrukt; —ker, m.; —kerij.v.: —king, v.-—sel. o.

Drukkend (knelh'nd). bn.; —e belastingen. Drup. m. Ook: Drop.

Druppel (kleine drup), m. —s.

Druppeling en droppeling, v. —er. Druppelings en droppelings. bw. Druppelsgewijze en —gewijs, ook: di oppels-gewijze en —gewijs. en: druppelswijze of droppelsM ijze, bw.

Druppen. Zie: Droppen.

Dualisme, dualismus (de leer der twee beginselen of eeuwige grondwezens \één goed en een kwaad\: ook de leer. vol; ens welke cenige uitverkorenen zalig en alle overige menschen verdoemd worden), o. gmv.


ocr page 95

DUALIST-DUUR.

75

DiiaÜHt (aanhanger van het duaUsmë).m. —en.

Dubbel {tweevoudig), bn. en b\v. (als zn. o.).

Dubbelen (ee}i schip een dubbel bekleedsel geven), ik heb gedubbeld: —hiff. v.

Dubbel hart iigt;: (geveinsd, valsch), bn.: —beid, v.

Dubbelpuiit (leesteeken), v. —en.

Dubbeltje (geldstukje), o. —s.

Dubbeltongig (onoprecht), bn.; —beid, v.

DubbelKiiiuiu: (vatbaar voor twee uitleggingen), bn.; —e taal, onkiesche taal o' woorden: —beid, v.

Dubben (twijfelen, aarzelen), ik heb gedubd; —er, m.; —ins;, v.

Dubieus (twijfelachtig), bn.

Dubio (twijfel). In — zijn, staan.

Dubiteereu {twijfelen).

Dubloen (Spaansch goudstuk van ± f 20. pistool), m. —en.

Duebten (vreezen), ik heb geducht: —hiff, v.

Due litis; (erg), bn. Hij werd — afgeranseld. — beid. v. gmv.

Duel (tweegevecht), o. —len.

Duelleeren (een tweegevecht honden).

Duellist (degene, die duelleert), m. —en.

Duenna (bejaarde j a (fer geleidster), v. —'s.

Duet. duetto, duo (dubbel- of tweegezang, ook spel met twee speeltuigen, aria van twee stemmen), o. muz.

Dul' (vuns, muf), bn. en bw. Hrt ziet er — uit. de zaken staan slecht, —beid. v.

Duflel (stof), o.: (jas), m. —s.

Duirelseb, bn. E'-u —e jas.

Dulsteen (duifsteen, ook tufsteen), m. —en.

Duidelijk, lm. en bw.; —beid. v.

Duiden (aanwijzen), ik heb geduid. lem. iets ten kwade —. kwalijk nemen. — ing. v.

Duif. v. duiven. Een gebraden —. fig. een onverwacht geluk.

Duig; (plankje van een vat of ton), v. —en.

Duikelaar (r////ker.ocgt;k kiudo'speelgoed),m.—s.

Duikelen (over het hoofd tuimelen), ik hel» geduikeld: — fug. v.

Duiken, ik dook, hel» gedoken: —er. m.: —ing, v.

Duikerklok (werkt, toestel om onder water te kunnen werken), v. —ken.

Duiker, m. —s. Hetzelfde als duikelaar.

Ook een riool of buis onder den grond.

Duim, m. —en. Onder den — hebben, houden. bedwingen; geen — gronds afstaan, wijken. niets toegeven; de —en der deur. hengsels, haken, waarin het hengsel sluit; iets op zijn —pje hebben, kennen, goed kennen.

Duinielen (tot zich halen), ik hel» geduimeld: -ins;, v.

Duin (zandheuvel), v. —en: (collectief), o. Wandelen in het —.

Duist (stuifmeel: ook kafbolster), o. gmv.

Duister, bn. en bw.; —beid. v.

Duisterling; (lomperd. Oomper), m. en v. —en: ook: Duisterlinge, v.

Duisternis (het donker), v.

Duit (oude Nederl. munt), m. —en. Dat kost mij geen —, dat is geen — waard. Fig. Hij heeft —en, geld: hoe krijg ik mijn —en van hemquot;?

Duitendiel' (gierigaard), m. —dieven.

Duitseb. bn. (als zn. o.). De —e taal.

Duivekater, tw. Wat —/ d.i. de duivel hale je!

Duivekater (wiffóöroorf, koek in den vorm van een kereltje, dat op een duivel lijkt), v. —s.

Duivel (booze geest), m. —s of —en.

Duivelin (boosaardig wijf ), v. —nen.

Duivelsbeet (zekere plant), v. gmv.

Duivelsbrood (wilde paddenstoel), o. gmv.

Duivelstoejager (bijlooper, iem. die 't minste werk moet doen), m. — s.

Duizelen, ik heb geduizeld: —iiig. v. Een —de hoogte; mij duizelt-, een duizeling In'ijgen.

Duizelig (draaierig), bn. en bw.: —beid. v.

Duizend, telw. (als zn. o. —en).

Duizendjarig, bn. Het — rijk, een godsstaat op aarde: —maal, bw.

Duizendselioon (bloem), v. —en.

Duizendste (ranggetal), bn. Een — deel.

Duizendvoud, o.: —voudig, bn.: -werf. bw.

Dukaat (gouden munt = ± f 'gt;.')(). zilveren munt = ± /quot; 2,50). m. vero.

Dukaton {voormalig zilveren geldstuk = f 3,15). m. —nen, — s.

Dukdalf (/)««/ in het water, om schepen vast te leggen), m. —dalven. Ook: dukdalve.

Dulei nea (zoetertje. liefje, beminde), v. —'s.

Dulden {verdragen, verduren), ik heb geduld; —er. m.: —ing. v.

Dun. bn. en bw.; —beid. v.

Dundoek (vlag), o. —en.

Dunk (meening), m. Een goeden een slechten — van iets hebben; ik heb daar geen grooten — van, ik heb er geen hooge gedachten van.

Dunken (een meening hebben over iets), mij dunkt, mij docht, mij heeft gedocht.

Dunnen, ik heb en het is gedund. H't haar —. uitknippen; de salade en andere planten het overtollige uitwieden: —ning, v. gmv.

Dunsel (bekende jonge salade: veldsla), o.

Dunte (dunheid), v. —n.

Duo (lied of muziekstuk, uit te voeren door twee personen), o. —'s. Ook: Duet.

Duodeeimo (boekformaat, waarbij het vel in 12 gedeelten verdeeld is en 24 bladzijden op een vel voorkomen: anders in 72o), 6. —'s.

Dnodec'iinaal (twaalfdee lig), bn.

Dupe (bedrogene; iemand die zich voor den gek liet honden), m. en v. —s. Di' — van de historie zijn. d.i. het kind van de rekening.

Dupeeren (bedriegen, misleiden).

Duplicaat (het dubbel van een akte, eensluidend afschrift), o. —enten.

Duplieeeren (tweede antwoord geven, op de repliek antwoorden).

Dupliek (beantwoording of verweerschrift), v. —en.

Duplo tin) (dubbel). Iets — afschrijven, d.i. twee afschriften maken.

Durabel (duurzaam, blijvend), bn.

Durabiliteit (duurzaamheid), v. gmv.

Duren (van duur zijn), het heeft geduurd:

Durfal, m. en v. —len. [—ing. v.

Durl 'niet (lafaard), m. en v. —en.

Durk (scheepsw. de plaats waar men het vuil in een schip vergadert), m. —en. Ook: urk.

Durven (zich verstouten), ik dorst en durfde, heb gedurfd; —er. m.

Dus (alzoo, derhalve), bw.

Dusdanig, bn. en vrn.

Dusverre en Dusver, bw.

Dut (lichte slaap; Hg. dwaling), m. Iem. uit den — helpen, in den — laten.

Dutstoel. m. —en.

Dutten (een licht slaapje doen), ik heb gedut: —ter. m.

Duiinivir (tweeman), m. —s.

Duümviraat (tweemanschap), o. gmv.

Duur (het voortduren), m. gmv. Öp deïi —.

Duur. bn. en bw.; —te, v. gmv.


ocr page 96

DUüKKOOP—ECLAIREEREN.

76

Duurkoop {hooy van prijs), bn.

Duiirxiiam. bn. en bw.; —hcid, v.

Duw (stoot), m. —en.

Duwen, ik lieb geduwd: —er, m.; —ing, v.

Dwaal (tafellaken, lijkkleed), v. dwalen; vero.

Dwaallicht (electriek vonkje), o. —en. Fig. Een verkeerde leidsman.

DwaüM (zot, (jek), bn. en bw. Een dwaze mode. —heul, v.; dwaselijk, bw.

Dwalen (ronddolen), ik heb gedwaald; —er, m.: —ing, v.

Dwang (overmacht), m. Bukken voor —, op iem. — uitoefenen.

Dwarrel (warreling), m. gmv.

Dwarrelen (kringswijs rondstaiven), ik heb gedwarreld; —ing, v.; —strooin, v.; —wind, m.

Dwars (schuin, scheef), bn. en bw.; — lieicl. v.

Dwarsboonien {tegenwerken), ik heb gedwarsboomd. Iem. — in iets.

Dwarsdrijven (tegenwerken), ik heb ge-dwarsdrijfd. Hij is weer nan 't — : —drijver, m; «irijverij, v.

Dwarsiiout, o. —en.

Dwarskijker, m. —s.; —kijkerij, v.

Dwaiskóp (dwarsdrijver),'m. e'n v. —pen.

E, v. e's. De vijfde letter van het alphabet. — In de muziek de benaming van den derden toon. mi. Als getalmerk is E in Kom. opschriften zooveel als 250.

K. of Kg. — Ergo. dus, derhalve.

K.A. — Edelachtbaar.

E.e. — Kcempli causa, bijvoorbeeld.

E.g. — Exempli gratia, bijvoorbeeld.

E. of Ed. - Edel.

E.Cü.A. — Edelgrootachtbaar.

E.tir.M. — Edel grootmogende.

EdXiestr. — Edelgestrenge.

e.k. — Eerstkomende.

EE. MM. IIII. — Edel mogende Heeren.

Eni. — Eminentie.

Enz. — En zoo voort.

Esq. — Esquire, in 't Engelsch achter den naam geplaatst en bet. zooveel als Weledele

Etc. — Et cetera, en zoo voort. [Heer.

Exc. — Excellentie.

E\od. — Exodus, de uittocht, het tweede boek van Mozes.

Ex off. — Ex. officio, ambtshalve.

Extr. Extractum, uittreksel; extract of aftreksel.

Eau de Cologne (Keulsch reukwater), v.; — de ja vel le (bleek water); — de lavende, lavendelwater.

Eb en Ebbe (laag getij) v. gmv.

Ebaucheei-en (vluchtig ontwerpen, schetsen).

Ebben (het afloopen van den vloed), het heeft geëbd: —hing, v.

Ebbe boom (boom in de tropische landen). m. —en.

Ebbenhout (fraai zwart hout), o.

Eblouisseeren (verblinden, verbazen, overbluffen).

Ebranleereu (schudden: aan het wankelen brengen, ontmoedigen).

DwarsHfraaf, v. —straten.

Dweepziek, bn. Een — vervolger.

Dweepzueht, v.

Dweepzuelitig, bn. Een — volgeling.

Dweil (wollen of grof linnen doek), v. —en.

Dweilen (reinigen met een dweil), ik heb gedweild.

Dwepen (overdreven begrippen koesteren, in godsdienst, staatkunde, kanst, enz.), ik heb gedweept; —er, m.: —erij, v.

Dwerg (onnatuurlijk klein mensch), m. —en.

Dwingeland (onderdrukker), m. —en.

Dwingelandij itirannij), v.

Dwingen (noodzaken), ik dwong, heb gedwongen: —er. m.; —erij, v. Dit kind doet niets dan lastig zijn.

Dwingerig, bn. Een — kind. —held, v.

Dynainiea (leer der beweging), v. gmv.

Dynaniiek. Dynaniiseh (de krachtenleer betreffend), bn.

Dynastie (rij van regeerende vorsten uit een en dezelfde familie: regeerend stamhuis), v.

Dysenterie (roode loop. persloop), v. [—ën.

Dyspepsie (zwakte in de maag, moeielijke spijsvertering), v. gmv.

Ebrnïteeren (ruchtbaar maken, aan de klok en den klepel hangen).

Ecarté (zeker kaartspel voor 2 personen), o. Ecarteeren (verwijderen, verstrooien: ter zijde stellen: de kaarten in het spelen verwisselen). Ecce Homo! (zie den mensch! Beeld van den lijdenden Christus), o.

Ecclesia (de kerk), v.

Ecclesiastisch {kerkelijk, geestelijk), bn. Ecbange {ruil, wisseling), v. —s. Echangeeren (ruilen, wisselen, uitwisselen). Echantillon (staaltje, monster, proef), o. —s. Echappeeren (ontsnappen, ontloopen, ontvluchten).

Echappement (ontsnapping, ontvluchting] schakelrad in uurwerken), o. —en.

Echarpe (sjerp, lijfgordel, eeregordel), v. —n. Echanireeren (zich) (zich warm, toornig maken).

Echêance (vervaltijd van een wissel), v.gmv. Echec (schaak in het schaakspel: schade, verlies, nederlaag), o, —s. In — houden, in bedwang houden.

Echel (bloedzuiger), m. —s. Hetzelfde als Egel. Echelon (laddersport), v. En —, in verscheiden, divisiën achter elkander.

Echo (terugklank, weergalm)), v. —'s.

Echt (huwelijk), m. In den — treden.

Echt (wettig, deugdelijk), bn.enbw.; —lieid, v. Echtbreker, m. —s.

Echtbreuk, v. —en.

Echtelieden (echtgenooten), m. mv. Echtelingen (man en vrouw), m. mv.

Echten (wettig verklaren), ik heb geëcht; —ing, v. Een kind erkennen.

Echtgenoot (gehuwd man), m. —en. Echtgenoote (gehuwde vrouw), v. —n. Eclaircisseeren (inlichten, ophelderen). Eclaireeren (verlichten).


ocr page 97

ECLAIREURS—EFFICACITEIT.

ËcliiireiirH {vooruitgezonden troepen of militairen, veld verkenners), m. mv.

Eelat {opzien, ruchtbaarheid), o. — maken, opzien, opschudding baren.

Eclatant {opzienbarend, verbazend), bn.en bw.

Eclateeren {ruchtbaar worden-, uitbreken, aan den day komen).

EclipH {verduisterinri, vooral van een hemellichaam door een ander), v. —en.

ErlipMeeren {verduisteren; verdwijnen, zich wen maken).

Ecliptica (zonsweg, dierenriem), v. gmv.

Economie (huishoudelijkheid,huishoudkunde] ook: zuinigheid), v.

EcoiioiiiiHcli {huishoudelijk, zuinig, spaarzaam), bn.

EconomiMpcren (besparen, bezuinigen).

Econoom (landhuishoudkundige, landbouwer), m. —nomen.

EcoMHaiHC {Schotsche dans), v. —s.

Ecoutez (hoor eens. luister).

Ecra.sceren (verpletteren, verbrijzelen, vernietigen) Ook fiir.

Ecritoire {schrijfdoos), v. —s.

Ecu (kroon, daalder), m. —'s.

Eciiiiicnr {schuimer, schuimlooper, zeeschuimer. vrijbuiter), m. —s.

Edda (het godsdienstboek der oude Scandinavische stammen van Germaansche afkomst),v

Edel. bn. enbw. —emetalen: van —egeboorte.

Edclachthaar {titel van burgen westers en wethouders), bn.; — lieid. v.

Edclschoren. bn.

Edelgesteente, o. —n.

Edels;rootaclitbaai' {titel van leden van gerechtshoven, van kantonrechters, leden der staten enz.), bn.

Edelheid, v.

Edelknaap (page), m. —knapen.

Edelman, m. —lieden.

Edelmoediu: (grootmoedig), bn.: —heid, v.

Eflelmogend (titel van leden der Staten-Ge-neraal). bn.

Edel vrouw (adellijke dame), v. —n.

Eden (Paradijs), o. gmv.

Edict (vorstelijk openbaar bevel, landsverordening), o. —en. Het eeuwig —. het — van Nantes (1574—1685).

Edifiant (stichtelijk), bn. en bw.

Edificeeren (stichten).

Edik (azijn), m/gmv.

Editenr (uitgever van boekwerk), m. —s.

Editie {uitgave, druk van een werk), v. —tiën,

Edoch. vw. Hetzelfde als doch. [ties!

Educatie (opvoeding), v. —ties.

Eed, m. —en. Een — afleggen, zijn — breken.

Eedgenoot {bondgenoot bij eede), m. —en.

Eega, Eegade, m. en v. eegaas, eegaden.

Eekhoorn, —horen, m. —s.

Eel (bier), m. en o. —en. Zie Aal.

Eelt (verdikking der opperhuid), o. gmv.

Eelterig. bn.: —heid. v.

Eeltig {eeltachtig), bn. —heid, v.

Eend (eendvogel), v. —en.

Eendebont, m. —en.

Eendenei, o. —eren.

Eendracht, v. — maakt macht, oud-vaderl. spreuk.

Eenheid {aangenomen maat, ook eensgezindheid), v. —heden.

Eenhoorn, —horen (nat. fabelachtig hert. ook sterrenbeeld), m. —s.

Eenlg, bn. en bw. Een — kind.

Eenigermate (eenigszins), bw.

Eenigheid (overeenstemming,eensgezindheid), Eeiiigszin» (een weinig), bw. [v.

Eenkennig (als een kind, dat bang is voor vreemden), bn.: —heid. v.

Eenlohhig (plantk.Y, bn. Een lelie is —. Een loopend. bn. Een — heer.

Eenoog, m.en v. —en. In het land der blinden is — koning.

Eenoogig. bn.: —heid, v.

Eenparig (eenstemmig).hw.-, —heid, v.: —lijk. KetisfzwAiul{eendrachtig), bn.: —heid. v. [bw. EeiiHklapM. bw.

EeiiMliiidend, bn.; Een — afschrift: —lieid,v. EeiiMtemmig, bn.: —heid, v.; —lijk. bw.

Eentonig ( Hg. vei'velencl), bn. en bw.; —heid, v. Een vorm iï, bn.: — heid, v. Een — landschap. Eenvoud, m.

Eenvoudig, bn. en bw.: — heid. v.

Eenzaam {onbezocht, stil), bn.enbw.: —heid. Eenzelvig (vervelend), bn.: heid. v. [v.

Eenzijdig {partijdig, bekrompen), bn. en bw.:

— heid. v.

Eer {achting, hulde, roem, voorrecht), v.gmv. Eerbied (achting), m. gmv.

EerhiedeniH (vereering), v. gmv.

Eert» i ec lig. bn.: —heid, v.

Eerbiedigen (vereeren, gehoorzamen), ik heb geëerbiedigd.

Eerbiediging (vereering), v. gmv.

Eereblijk. o. —en.

Eeredienst (kerkdienst, godsdienst), m. —en. Eei •en (achting bewijzen), ik heb geëerd. Eereplaat», v. —en; —poort. v. —n, —post, m. —n.

Eereprijs (plantk.). v. gmv.

Eerlijk, bn. en bw. — duurt het langst. Eershalve, bw. (als bewijs van eer) [—heid, v. Eerst. bw.

Eerstaanwezend, bn. — ingenieur, —ambtenaar. d. i. de voornaamste.

Eerstdaags, bw.

Eerste (ranggetal), bn.

Eersteling, m. en v. —en: voor hetv.ook—e. Eerstgeboorte, v. Hecht van —. d. i. oudtijds van te erven het vaderlijk goed. Eerstgeborene, m. en v. — n.

Eertijds, bw.

Eervergeten {eerloos, schaamteloos), bn. Eervol, bn. Hij vroeg — ontslag.

Eerwaard (titel van een geestelijke), bn. Eerzaam {zedig), bn.; -heid, v.

Eerzucht (dorst naar eer), v.

Eei zuchtig (eergierig), bn.

Eest (droogplaats), m. —en.

Eesten (drogen op een oven), ik heb geëest: —ing. v. Het mout —.

Eeuw (tijdvak van honderd jaar), v. —en. Eenwenond, bn. Een —e eik.

Eeuwig, bn. en bw. Hij zanikte altijd en —.

— heid, v. Ik heb je in geen — gezien. Van

— tot amen. —lijk. bijw.: —durend, bn. EfTaceeren (uitwisschen. doorhalen). Zich —.

zich op den achtergrond houden.

Effect (// it werkset, gevolg), o. —en.

Effect (hmdsschaldbrief. staatspapier), o. —en. E f Fee t i e T (werkelijk, wezenlijk), bn.en bw. als zn. (het werkelijk bestaande), o.

Effeetneeren (bewerken, verrichten, volvoeren, tnt stand brengen, verwezenlijken).

Effen (gelijk, vlak), bn. en bw.: —heid. v. Effenen (evenen), ik heb geëlTend; —ing, v. EfTicaciteit (kracht, nadruk), v.


ocr page 98

EFFIG1E—ELLENDIG.

78

EITiKie ^beeltenis), v. Li — verbranden, d.i. in beeltenis, b.v. een gekleede strooien pop. E I'll eu ree ren {terloops aanroeren, opper ulak-kiy behandelen, er licht overheenloopen). Efforc-eeren (xit-li) (zich beijveren, zich inspannen).

Efloi t (poging, moeite, het streven, inspanning), o. —s.

EflVayant (verschrikkelijk, ontzaglijk, vreese-Efrrlt;»iitlt;; (schaamteloos), bn. en bw. | lijk), bn. EÏIVonterie (driestheid, schaamteloosheid), v. Efl'iihie (uitgieting, uitstorting), v. [gmv. Eej (landbouwwerktuig), v. —gen. Ook: egge. Egaal (gelijk, onverschillig, eenerlei), bn. EgalitHt [gelijkheid), v. —en; —1«; (leus der revolutie).

Eajanl (aanzien: schatting: beleefdheid), o. —s. Egareeren (verdwalen, op een dwaalspoor brei gen).

Egel (1,11 ik stekelvarken geheeten), m. —s. nat. RgelmitU'i' dvildn mos), m. —s of —en. K.gacn, ik heb geëjtd: —er. m.: —ging. v. Er is },iet hem te ploegen noch te —, d. i. niets aan te vangen.

Eggerlg ( scherp, zuur), bn. en bw.; — lieid, v. Eggig (stomp van tanden door het eten van

wrange vruchten), bn.; — held, v.

Ego (ik), pers. vnw.

EgoiMinc (zelfzucht, baatzuchtige denkwijs of gevoelen), o. ginv.

Egoist (zelfzuchtig wezen), m. en v. —en. EgoiHtiMch (zelfzuchtig), bn. en bw. Eli bien! (welaan, welnu!).

Ei. tw.

Ei, o. —eren; —♦.je, o. —tjes en —ertjes. Eiher (ooievaar), m. —s.

Eierdop.m. —pen; —koek,m. —en: korf.m.

—korven: —netje, o. —s.

Eigen, bn. — haard is goud waard, niets gaat boven een eigen lm is.

Eigenaar (bezitter) m. —naars en —naren. Eigenaardig (passend, geschikt), bn.; —lieid.v. Eigenares, v. —sen.

Eigenbaat (eigenbelang), v.

Eigenbelang, o. gmv.

Eigendom (recht), m.; (bezitting), o. —men. Eigendonisreelit, o. —en.

Eigendiink. m. gmv.

Eigeiidiinkelijk (op eigen gezag),hn.\ —lieid.v. Eigengeêrl'de, m. en v. — n.

Eigenlijk, bn. en bw. De —e beteekenis. Eigemnaclitig (op eigen gezag, willekeurig);

Eigeiinaain. m. —namen.

EigensrlKip, v. -pen.

Eigenwaan (verwaandheid), m. gmv. Eigenwaarde, v. gmv.

Eigenwijs, bn.: — lieid. v.

Eigenziiinig (koppig), bn.; —heid, v. Eik (boom), m. —en.

Eikeknton of Eiken kroon, v. —kronen.

Eikel, m. -s.

Eikenboseh. o. —bosschen.

Eikensrliors. v.

Eiker (vrachtschip), m. —s.

Eilaau. Zie Helaas, tw.

Eiland, o. —en.

Eilander (eilandbewoner), m. —s.

Ei lieve. tw.

Eiloof' (soort van klimop), o. gmv.

Einde (ook Eind en End), o. einden en enden. Eindbesluit, o. —en; —paal, m. -palen; —rijm, o. —en; —vonnis, o. —sen.

Einden, ik heb geëind. Zijn leven —. Eindigen, het heeft en is geëindigd; — ing, v.; Eirond (langrond, ovaal), bn. [—held, v. Eiseh (vordering, ook in rechten), m. —en. Eist-lien (met grond vragen), ik heb geëischt;

Eiwit, o.

Ekster (vogel), v. —s. Ook: Aakster. Eksteroog (likdoorn), o. —en. El {lengtemaat), v. —len; —letje, o. —s.

Ela neeeren (snel voorwaarts gaan, toeschieten).

Eland (zeker hert), m. —en.

Elastieiteit (veerkracht, spankracht), v. gmv. Elastiek (rekbaar bandje), o. —en.

Elastiek, elastisch (rekbuar), bn.

Eldorado (het goudland, het land van belofte),o. Eleetie (keus of kiezing), v. —tiën, —ties. Eleetoraat (de waardigheid van keurvorst), o. Eleetrieiteit (de barnsteenkracht, aantrekkende kracht), v. gmv.

Eleetriek, eleetriseh (van of betreffende de eleetrieiteit; tig. bliksemsnel), bn. Eleetriseeren (de aantrekkende kracht opwekken. onverwachts schokken; aanvuren). Eleetriseermaeliine, v. —s. Electro-magnetiseli, bn.: —e telegraaf. Electrometer (dampsueerkrachtmeter), m. —s. Elelant (olifant), m. —en.

Elegant (net, sierlijk, smaakvol), bn. Een — kleeding.

Elegantie (bevalligheid, sierlijkheid), v. gmv. Elegie i treur- of klaagdicht), v. —ën. Elegisch (treurig, weemoedig), bn.

Element (grondstof), o. —en. Fig. werkkring, sfeer: Het water is ons de zee bruist onze glorie (.Matrozenlied); hij is in zijn —, in zijn nopjes, in zijn humeur.

Elementair (grondstolfelijk: de eerste beginselen betreffende), bn.; —e scholen, lagere scholen. — onderwijs.

Elementen (oudtijds de 4 —, nl. lucht, water, aarde, vuur), o. mv.

Elementen (nat. de niet ontleedbare stoffen; de eerste gronden eener wetenschap), o. mv. Elevatie (opheffing; verheffing), v. —tiën. Elêve (kweekeling), m. en v. —s.

EU', telw. elven. — is het gekkennummer, 't Is — oogen, quot;t loopt mis. (gew.) EUquot;, m.: Ell'e, v. Ellen (berg- of aardgeesten der Noordsche mythologie).

Ell-en-dertigst (uiterst langzaam en secuur). Komt slechts voor in de bw. uitdr. Op zijn —. Ell'rank ( plantk. bitterzoet), v. —ranken.

El I t (meivisch). m. —en.

Elt'nnrtje (koffie of versnapering opdat uur), o. —s. '

Elger. m. —s. Zie Aalgeer.

Elideeren (uitlaten, weglaten b.v. een letter uit een woord: wegwerpen).

Eliminatie (uitdrijving, wegwerking), v. Elisie (uitlating), v. —siën. [—ties, —tiën. Elite (de keur, kern. bloem), v. gmv.

Elites (de uitgelezen soldaten, keurbenden), v. Elixir. Elixer (samengesteld kooksel, aftreksel), o. —s.

Elkaar (af te breken: eik-aar), w. vnw. Elkander (af te breken: eik-ander), w. vnw. Elkeen, onbep. telw.

Elleboog (deel van den arm), m. —bogen. Ellende (onheil, ramp, armoede), v. —n. Ellendeliiig, m. en v. —en: voor het v. ook—e. Ellendig (rumpzalig), bn.; —heid, v.


ocr page 99

ELLEWA AR— EC AN AILLE EREN.

79

Ellewaar {linnen, katoen, enz.), v. —waren. KIlipH {langiverpiy rond), v. —en.

Ellip» {uitlating verzwijging van woorden of zinnen), v. —en.

Ellipti^cli (ellipsvormig), bn. en bw. ElniHviiiir {electriseh verschijnsel in de gedaante van vlammetjes), o. Ook: Elmusvaur. Eloge {lofrede, lofschrift, loftuiging), m. —s. Eloquent {welsprekend), bn.

Eloquentie {welsprekendheid), v. gmv.

Elpen heen {ivoor), o. gmv.

El« {boom), m. elzen.

Els {schoenmakerswerktuig, priem), v. elzen. Elu {uitverkorene), m. —'s.

Eliififl.'itie {.opheldering, toelichting, inlichting), v. — tiën. —ties.

El ut* idee ren {verklaren, ophelderen, toelichten).

Elyzeewehe velden, Elysium (tte der zaligen: hemelschè dreven, fig. een bekoorlijk en vroolijk oord), o.

Elysium, o. Hetzelfde als Elyzeeselie velden.

Het — ran tante Stastok.' d. i. haar tuintje. Email {brandverf, glazuur), o. gmv. Emailleeren {brandschilderen, met email overdekken).

Emanatie {uitvloeiing, uitstrooming), v.

—tiën, —ties.

Emancipatie (yrymafci/jf/ uit slavernij of lijfeigenschap, ook uit de vaderlijke macht-, toestaan van gelijke rechten', gelijkstelling voor de wet: bevrijding van voogdij, handlichting, meerderjarig ver klaring), v. —tiën. —ties. Emaneipeeren {vrijmaken, vrijverklaren', gelijkstellen-, meerderjarig verklaren). Eniiiiieeren {uitvloeien, uitstroomen, afkomen).

Emballage, emballeeriiiK {inpakking; om-paksel. omwikkeling), v.

Eniita Meeren {inpakken, omwinden, omwikkelen).

Embareadère {aanlegplaats, hoofd, steiger), v. —s.

Embargo {beslag op schepen en scheepsgoederen, scheepsarrest), o. —'s. Êmbarqueeren {inschepen, opschepen laden). Embarqueiiient (inscheping, 't scheep gaan. aan boord gaan), o.

Embarras {verlegenheid, moeielijkheid, verwarring), o. enk. en mv.

Enibarra.sHant {moe ie lijk, hinderlijk, belemmerend), bn.

Embarra.s.Heeren {in verlegenheid brenger., verwarren, ophouden, belemmeren). EmbelliMHement {verfraaiing), o. —en. Emblema, embleem {zinnebeeld), o. —'s en emblemata.

Emblematiek. emblematiMfli {zinnebeeldig), bn. en bw.

Embonpoint {lijvigheid, gezetheid), o. gmv. Emboiicliure {monding, uit- en invloeiing van een rivier: de opening van een kanon): (muz. mondstuk van een blaasinstrument), Een goede — hebben, een blaasinstrument zuiver blazen.

Enibranelienient {vertakking, zijtak),o. —en. EmbraMeeren {in brand steken, in vlam zetten).

Embrasseeren {omarmen, omhelzen). Embrasure {schietgat, inham, vensterraam), v. — s.

Embroiiilleeren (in de war brengen). Ementor (luetor et) (ik worstel en bezwijk).

Emergo lt;luetor et) {ik worstel en kom uit de baren op). Zinspreuk van het Zeeuwsche wapen.

Emeritaat (ambtsrust met pensioen), o. Emeritus {uitgediend, rustend), bn. EmeritiiH (rustend predikant), m. —sen. Enierveilleeren {verbaasd doen staan, met verwondering vervullen).

Emier, Emir {Arabisch hoofd), m. —s. Emigrant, emigre (uitgewekene), m. —en; 's. Emigratie (landverlating, uitwijking), v.

—tiën. —ties.

Emigreeren (uit het land wijken, vluchten). Eminent (uitmuntend; uitstekend, voortreffelijk). bn.

Eminentie (verhevenheid-, ook de titel der kardinalen), v. —tiën. Zijne Emissario. emissaire (een heimelijk uitgezondene; spion), m. — quot;s — s.

Emissie {uitgifte; uitwerping), v. —siën. Emitteeren {uitgeven: uitwerpen).

Emittent (uitgever; in het bijzonder: bankier die leeningen aan de markt brengt), m. —en. Emmer, m. —s. Een — water. Emolumenten {ambtsvoordeelen, buitenkansjes), o. mv.

Emotie (gemoedsbeweging, aandoening, ook: volksgisting), v. —tiën, —ties.

Empailleeren {in stroo wikkelen of pukken). Empaleeren {spietsen, met een paal doorsteken).

Enipaleur {spietser), m. —s.

Empaqueteeren (inpakken, inwikkelen). Empèelieeren (verhinderen, beletten). Empèeliement {verhindering, hindernis, beletsel), o. —en.

Empliase (ophef; klem van spreken, nadruk), v. gmv.

EmpliatiMeh (nadrukkelijk, krachtig in het spreken, met ophef), bn. en bw.

EmpirifiiM {iemand die niet op de lessen der wetenschap, maar op de ondervinding afgaat, ervaringsman), m. empirici. VAtx^irie(ondervinding, ervaringsleer),v. gmv. EmpiriM'h {alleen afgaande op de ondervinding). bu. —e wetenschappen, b.v. natuurkunde. scheikunde, enz.

EmpiriNiiiu.H (kennis op ervaring gegrond), o. Emplette {inkoop, koop van min belangrijke voorwerpen), v. —s.

VAn\^Un\\{bediening,bet rekking,aanstelling),o. Employé {beambte, bediende), m. —'s. Employeeren (verzorgen, bezigen, gebruiken), Empoelieeren (in den zak steken, zakken). Emporteeren (driftig maken, vertoornen, uitvaren). Zich —.

Emportement {drift, opvliegendheid), o. EmpresseiiKMit (beijvering. bereidvaardigheid, dioistijver), o.

Emprunt (leening), o. — force, gedwongen leening.

Emprunteeren (leenen, ontleenen). Empvreuin (verblijfplaats der zaligen),o. gmv. Emuhitie (naijver, wedijver), v. gmv. Emuleeren (wedijveren).

Enakskindeien (bijb.: menschen van reusachtige gestalte, reuzen), o. mv.

En avant! (voorwaarts!), bw.

En blane (in blanco), bw.

En bloe (bij den hoop, als massa), bw. Encadreeren (in een lijst zetten, bv. spiegels, schilderijen, enz.: insluiten).

Eneanailleeren (zieb) (d. i. zich gemeen aan-


ocr page 100

liNCHAINEEREN—ENTOUREEREN.

80

stellen, zich met gemeen volk op ééne lijn stellen).

Enclistiiieereii (aan elkander ketenen, aaneenschakelen).

KiK'liaiiieiiN'iit (aaneenschakeling), o. —en. Kiicliaiiteeren (betooveren. bekoren, verrukken).

Knclave (omsloten land. nl. door vreemd grondgebied), v. —s.

Eiiclaveereii {insluiten, met grondgebied omringen).

Kiiciiffreeren (in koffers pakken). Kn «•oinparaison (in vergelijking). b\v. Encore! {nog eens! nogmaals!), bw. Kn corp» (gezamenlijk).

KiiCMMiragcaiit (bemoedigend, aanmoedigend). bn. en bw.

EiuMHirageeren (aanmoedigen, aan wakkeren, aanzetten gt;.

Kncyclopa'die (kort begrip van alle konsten en 'tretenschappen. algemeen woordenboek). v. —ën.

KncyoIopaMlisfli (bij wijze van encgclopa'die). bn.'en bw.

Kncy lt;'lopa'(iiH( (bewerker van of medewerker aan een encyclopcedie). m. —en.

Kiul (einde. eind), o. —en. [—miën.

Kmlemie (volks- of Uuidsziekte), v. —mies. KncictiiiM'h (inheemsch. plaatselijk, b.v. van ziekten), bn.

Kn depot (in bewaring: in voorraad: toevertrouwd ten verknop), bw.

Kn lt;le«liabillê (in huisgewaad, ochtend kleeding). bw.

Kn detail (in het klein), bw. Kndomiiiaseereii (schade toebrengen, beschadigen ).

Kiido*N;mt, iiidoMHant (onderteekenaar van een endossement), m. —en.

KiidoNHeeren. indosseeren (wissels overdragen op een ander).

KndoMHeiiient. iiidoHMeineiit. indoHso (overdracht van wissels, enz.), o. —en; —'s. Kiiergie {werkkracht, nadrak). v. gmv. Knergiek. energiseli (met kracht, met nadruk), bn.

Kner vat ie (ontzenuwing, verzwakking), v. Kiierveeren (ontzenuwen, verzwakken, krachteloos maken).

Kn laee (van voren: vlak tegenover), bw. Kn familie (in den huiselijken kring), bw. KnlantM perdiiH (voorposten die aanhoudend aan het grootste gevaar zijn blootgesteld: ook: waaghalzen), m. mv.

Knlin (eindelijk, in 't kort), bw.

Knt'oneeeren (den bodem inslaan; doorbreken, inbreken).

Kul oreeeren (versterken, sterker maken). Knu;:iu;eant (verplichtend, innemend, uitlokkend). bn. en bw.

Knsageeren (aanwerven, aannemen); zich — (zich verbinden, zich verplichten). Kngaseinent (verloving, verbintenis, aam-stelling), o. —en.

Kil sala ( prachtig gekleed), bw.

Kn gareon (ongetrouwd, als vrijgezel), bw. Kn gel (hemelgeest), ni. —en.

Kngelenbak (hoogste en goedkoopste plaats in den schouwburg boven onder het plu fond), m. —ken.

Kngelin (beminde), v. — nen.

KiigelMcii. bn. en bw. (en als zn. voor Enirelsche taal, o.).

KngelMciie (vrouw uit Engeland), v. —n. KiigelMclinian, m. (mv. Engelschen). Kngelzoet (zekere plant), o. gmv.

Kagen (nauwer maken), ik heb geëngd. Kn grande tenne (in groot tenu, in parade-

uniform). bw.

Kn gros (in het groot), bw.

Kngte (nauwe doorgang), v. —n.

Knigina (raadsel), o. (mv. enigmata).

Kn igm a t i Me li (raadselacht hg. di(bbelzinnig). lm. en bw.

Kukel (knokkel aan den voet), m. —s.

Kukel. bn. en bw. Een —e gulden; 't is — Knkeivond, o. [onwil.

Knkiinizer (persoon, almanak, kabelslag), m. —s.

Knleveeren (wegnemen, tuegvoeren, opheffen, schaken).

Kiilevenient (schaking, wegvoering), o. —en.

Kn inasse (in menigte), bw.

Kn ininiatiire (in het klein), bw.

Knnnbleeren (veredelen).

Kniniyeeren (vervelen).

Knnyên.H (vervelend), bn.

Kn órdre (in orde), bw.

Knonn (overdreven, uitermate, ontzettend), bn. Knoriniteit (afschuwelijke grootte: afschuwelijkheid. een ongehoord iets), v. —en. Kn partienlier (in 7 bijzonder), bw. Kn pa-ssant (in 'f voorbijgaan), bw.

Kn peine (in verlegenheid), bw.

Kn privé (als particulier), bw.

Kn profil (van ter zijde gezien), bw. Kn question (bewust, waarover gesproken is), bw.

Kmincte (nauwgezet onderzoek), v. —s. —n. Knrageeren (razend of woedend maken). Kn regard (ten opzichte), bw.

Kn retard (te laat, in gebrek''), bw. Kn retraite (op pensioen), bw.

Knrolleeren (aanwerven, inschrijven). Knaeinhle (te zamen). bw. en als zn. (geheel, alles bijeen), o.

Kn Miiite (achter elkaar), bw.

Kn MiiMpens (in twijfel), bw.

Knt (boomloot). v. —en.

Kiitaineeren (aansnijden: aanvangen, beginnen).

KntaSMeeren (ophoopen. opeenhoopen).

Knten (veredelen van vruchtboomen), ik heb geënt: —er. m.: —erij. v.: — ing, v.

Kntente (begrip), v.: — cordiale, goede vei -standhouding, eenstemmigheid, gemeenschappelijk overleg.

Knteren (aan boord klampen), ik heb ge-enterd: —ring. v.

Knterbijl. v. —en: —dreg, v. —gen: —haak. m. —haken.

KntliiiMiaMine. VjuihiiHlnsmuH (geestdrift, verrukking, d we/ter ij), o. gmv.

KnthiiHiaHt (dweper; mensch vol geestdrift). m. —en.

KnthiiMiiiMtiMrli (dwepend, met geestdrift), bn. en bw.

Kntoinologie (insectenkunde), v. gmv. Kntlt;uiiologiseli (de i meet enk unde bet re f-l'm'ie). bn.

Kntoinoloog (beoefenaar der insectenkquot;nde), m. —logen.

Kiitortilieeren (omwikkelen, verwarren^. Kiitlt;inrage (omringende menigte, al wat in den omtrek is), v. gmv.

Kntonreeren (omringen, omgeven, insluiten ).


ocr page 101

EX TO UT—E KL AN G EX.

81

Kil fout (in tillrs. xcnnengenomen), b\v. Fiii-tonf-cas (grootc parasol, die desnoods ook als paraplaie yebndkt wordt), m.

Entr^acte {pauze), v. —s.

Kn train (ingang, in beweging; in zwang), b\v. Kiitraineeren (wegsleepen. tn edeslee pen). Kiitre-denx (tasschen heiden). b\v. en ;ils zn. (middelstuk, tassehenzetsel van een Japon, mantel, enz.).

Kntrée (ingang, toegang, toegangsprijs, ook voorgerecht: rnuz. stak ter opening' of inleiding). v. —s.

Entree-biljet (toegangskaartje), o. —ten.

Kilt remets (tasschetigerecht, hijschotel), mv. Kilt re iioitH (onder ons, in vertromven). bw. Kntreposeeren (in entrepot plaatsen). Kntrepot ( pakhuis, magazijn, stapelplaats). o. —s.

Kiitrepreneereii (ondernemen). Knire\irenenr(ondernemer.aannenier).m.—s. Kntrepriae 'onderneming), v. —s.

Kiitresol (tusschenverdieping van een ha is. insteekkamerIje), o. —s.

Kiitreteneeren (onderhonden. verzorgen, onderhond verschaU'en).

Kntreviie (samenkomst, gesprek), v. —s. Kntrez ( kom hinnen!).

Kiiiiineratie (opsomming, optelling), v. —s, —tiën.

Kiiiiiiiereeren (tellen, opnoemen, opsonmen). KnniH-eereii. eiiniicieereii (aitdrakken. verklaren. verkondigen).

Kil veine zijn lt; recht op streek zijn), bw. Knveloppe 'omslag voor hrieven. hulsel, inslag. vroa wen mantel), v. —s.

Knveloppeeren (omwikkelen. inwikkelen , omhullen).

Kil viroiis (omstreien). mv.

Kn vogue (in omloop, in zwang), bw. Knvoyé (afger lardigde. afgezant), m. —s. Kpacta. eparten (getallrn. welke, voor elk jaar. den maansoaderdom. op den eersten dag des ja ars. opgeven), mv.

Kpanehemeiit daehtgeeing aan het hart. vertrouwelijke mededeelinq). o. —en. Kp» rgne (penning, spaarbank, spaarpenniie/). v. —s.

Kphi. Iet (schoaderhelegsel van ee.

v. —ten.

Kpliemêre. enlieineer. epIiemeriMcli (vluchtig. slechts een dag durend), bn. Kpliemeriden. epliemeren (diertjes, die één dag leven: daghladen, nieuwstijdingen: sterrenkundige tafelen, waarin de reran'leringen aan den sterrenhemel opgeteekend zijn: dingen van een dag), m. mv.

Kpieier (kruidenier), m. —s.

Kpieii riseli (weelderig, aan zingenot verslaafd, zwelgend), bn. en bw.

Kpienri.oit (zinnelijk mc Kpidemie yaunste'kende lijke ziekte), v. —ën.

Kpideiniseh (hesmetlelijk, aanstekelijk), bn. Epig rsiin (hijschrift. opschrift: spotdicht, hekeldicht: stekelig puntdicht), o. —men. KpiKraniiiiatiMelK.s^'Av'/^/./corf c/i zinrijk),hn. Kpilepsie (vallende ziekte), v. gmv.

Kpiloog; (slotrede, narede), v. epilogen. KpineiiM (stekelig: moeielijk. netelig), bn. KpiMcli (tot le't heldendicht hehoorend), bn. Een — gedicht, heldendicht; —e poëzie, verhalende dichtsoort.

Kpiscopaal (hisschoppelijk), bn. en als koenen, Verkl. Handwdh. d. Nederl. taal.

spaarpot: gt; officier).

mensch). m. —en.

volksz iekte. hesm et te-

(aanhanger der hisschoppel ij ke of gevestigde kerk in Engeland), m. en v.

Kpiscopaat (hisdom, bisschoppelijke waardigheid), o.

Kpisode (inlassching, tusschenverhaal, voor-

rul, kleine gebeurtenis), v. —n en —s. Kpistel (brief,zendbrief; stra fpred ikatie).m.—s. Kpistolair (in den stijl of vorm van een brief), bn. en bw.

KpiHtolograpliie (briefschrijfkunde), v. Kpitapliiiiiii (grafschrift. grafzuil, graftombe). o. —ia.

Kpitheet (Fr. epithète. Gr. epitheton), o. (1 i. toenaam, bijnaam.

Kpitonic ( uittreksel, kort begrip), v. —s. KpitoiniHeeren (uittreksels uit een boek maken).

Kpode (het laatste nazang), v.

Kpopee (heldendicht), v. —en. Ook Kpos. Kjioque (tijdstip. begin eener tijdrekening of jaartelling), v. —s. — maken, opgang maken, elks aandacht trekken.

Kpo.s (heldendicht), o.

Kponvantalile (ontzettend, ijselijk), bn. Kponvreeren (op de proef'stellen, ervaren). Kppe (selderij), v. gmv.

K|niratie(n'////V///^, loutering).x.—üqs, —tiën. Kpnreeren (reinigen, zuireren).

Klt;|uatie (verevening, algebraïsche vergelijking). v. —tiën. —ties.

Kqn-itor (evennachtslijn, denkbeeldige lijn. welke de aarde in twee gelijke halfronden, nl. iV. en Z. deelt), m. Zie Aeqnator. Kqniliher («'eenwicht), o. gmv.

Kqninox (gelijkheid eau dag en nacht, nachtevening). m.

Kiinipage (alles, wat tot gemak en den stoet van de rijken behoort, als: koetsen, paarden, bedienden, enz.: ook: de bemanning der schepen, en hetgeen tot de uitrusting behoort). v. —s.

Kqnipeeren (ui trasten, toerusten, bemannen). Kqnipenient (uitrusting run een man, ran een schip of van militaire korpsen: kleeding en wapenen). i

K(|nitatie('/'' rijkunst, het paardrijden). v.gmv. K(|nivalent (gelijkwaardig, tegen iets anders opwegend), bn.

Kqnivalent (gelijkheid ran waarde), o. —en.

ne (dubbelzinnig, twijfelachtig), bn.

en bw.

K(|iiivo«|iie (dubbelzinnigheid, bedekte onzedelijke taal), v. —s.

Kr (daar), bw. van plaats.

Krachten (bedunken), o. Alleen nog overig in: mijns, zijns, onzes —s.

Ki'bai'incn (xichKik heb mij erbarmd; —ing. v. Kreinict (heremiet, kluizenaar), m. —en. Krf (erve), o. erven. Ifuis en Kiicijn.H. m. —cijnzen.

Krg, bn. en bw.

kciMl. bn.; — lieid. v.

Ergen», bw.

I'irgrrcii (aanstoot nemen of geven), ik heb Sfeërgei-d; —ing. v.

Ergerlijk (aanstootelijk). bn.enbw.; —li KreerniM (aanstoot, verdriet), v. —sen.

Krgo (gevolgelijk, dus. derhalve), bw. Krkcnncn. ik heb erkend: —ins. v. Krkcntclijk (dankbaar), bn.: —licid, v.

zn. Krliinsen (tw/wrmi). ik 1

KrUcntciiis (dankbaarheid), v. gmv.

k heb erlangd; —ins. v*

gedeelte run een gedicht.


ocr page 102

ERNST —EUPHEMISME.

82

Kniftt. m. Het is —. d. i. geen scherts.

KriiMtlial'tig (ernstiy), bn.: — lieid, v.

KniNtig. bn. en b\v.; —held, v.

KrotiKeli (verliefd, minziek', op liefde be-trekking hebbende), bn.

Errare liiiiiiaiiiiin e.*«t {dwalen is menschel ijk).

Erratum {drukfout, zetfout), o. errata.

Er reur (dtualing. vergissing, fout), v. —s.

Erts {onzuiver metaal), o. —en.

Erui'XixiW{oprisping der maag),v.—tïén, —lies.

Enicteereii (oprispen, winden uit de maag opgeven).

Eruditie (geleerdheid, ervarenheid, kunde), v.

Eruptie (uitwerping, uitbarsting, b.v. van een vulkaan, en van alles, wat met kracht voor den dag komt), v. —tiën, —ties.

Ervaren (ondervinden), ik ervoer, heb ervaren: —ing. v.

Ervaren {bedreven), bn. en bw.; —lieid, v.

Erven (erfgenamen), m. en v. mv.

Erven, ik quot;heb geörfd; eii^ter, v.; —er. m.: — iiiK. v.

Erwt (ook ert, er wet), v. —en.

EHraladeeren {opklimmen, overklimmen, met stormladders beklimmen; berennen, bestormen).

EHcainotaee (goochelwerk: ontfutseling), v.

Escainoterren (goochelen, ontfutselen, kapen. wegmoffelen).

Escanioteur {goochelaar: ontfntselaar),m. —s.

Eweapade (gekke kuur, moedwillige streek, moedwillige jongensstreek), v. —s.

Enearpe (de binnenwaartsche helling van den wal eener vesting), v. De buitenvvaartsche heet contrescarpe.

Esoli {loofboom), rn. esschen.

Eseli (marktgrond tot bouwland ontgonnen). m. gew.

EMCOinpte (aftrek, rabat), v. —s.

Eseonipteeren {aftrekken, afkorten).

Escorte (bedekking, geleide), v. en o.

Eseorteeren (geleiden, beschermen, bedekken).

Ewrroe (schurk, oplichter), m. —s.

Eserolt;nieeren (aftroggelen, met list afhalen).

EHrroquerie (schurkerij, aftroggeling, oplichterij), v. — s.

Eskader, escader {smaldeel eener vloot), o. —s.

Eskadron (afdeeling ruiterij), o. —s.

Esp (espeboom), m. —en.

Espa^nole (Spaansehe dans; ook Sp. vrouw of meisje), v. —s.

Espalier (leiboom, tegen een muur of staketsel: ook latwerk), m. —s.

Espree (geslacht, soort), v. —s. En —s, in specie, in klinkende munt.

Kspicïlt' (aardig, geestig, schalksch), bn.

Esplanade (voorplein, exercitie-plein; opene plaats tusschen groote gebouwen, oftusschen de ivallen en de huizen der stad),\\ —n, —s.

Esprit (geest, verstand), o.

Esprit (bel) (schoone geest: geleerde), m. (mv. beaux esprits).

Esprit de eorps (clubgeest), o.

Esprit lort (vrijdenker, vrijgeest), m. (mv. esprits forts).

Esprit public (volksgeest, algemeene denkwijs). o.

Es(|uire (titel in Engeland, b.v. Esq. achter den naam. bet. Weledele Heer), m —s.

Esquisse (schets, eerste ontwerp), v. —s.

Essaai (keuring, keur), o. gmv.

Essaieeren (beproeven: keuren: toetsen bij goud en zilver).

Essaieur (keurmeester, toetser), m. —s.

Essence (geest, verfij nde zeIfstaiuiigheid), v. —s.

Essentieel (wezenlijk, voornaam), bn. en bw.

Estafette (rijdende postbode, koerier), in. —n.

Estaniinet (herberg, drinkhuis, rookhuis), o. —s of —ten.

Est i ma bel (achtenswaardig), bn.

Estimeeren (waardeeren. hoogschatten).

Est modus in rebus {alles met maat, alles heeft zijn grens).

Estrade (optred, verheven plaats voor een praalbed of troon), v. —n.

Estrapade (bokkesprong), v. —n of —s.

Estrik (vloersteen), m. —en.

Estropieeren (verminken). [ten).

Etablisseeren (vestigen: ook: oprichten,stich-

Etablissement (inrichting; vestiging vaneen handelshuis), o. —en.

Eta^e (verdieping van een huis), v. —s. Le bel —. de eerste verdieping.

Étagère (meubelstuk), v. —s.

Etalage (uitstalling: tentoonspreiding), v. —s.

Etaleeren (uitstallen, tentoonspreiden).

Etape (stapelplaats, nachtkwartier), v. —n.

Etat (staat: lijst, overzicht). m. —y.

Etat-major (generale staf), m.

Eten, ik'at, heb gegeten: —er. in.: —erij.v. Het genadebrood —. uit medelijden den kost krijgen.

Éten (spijs: maaltijd), o. gmv.

Etgroen (tweede gras der weide), o. gmv.

Et lier (fijne, vluchtige vloeistof), rn. Ook: Aether.

Etlieriscli (tot den ether behoorend). bn.

Ethica (zedenleer), v. gmv. Ook: ethiek.

Etlinog:rapliie(fet,«c/jrt/y/n.(/rfe/,voiA:e#i),v.gmv.

Etlmograpliiscli ( tot de volkenbeschrijving behoorende), bn.

Etiquette (kort opschrift van hetgeen een zaak bevat, op flesschen. potten, enz.: opschrift of aanhechtbriefje), v. —n.

Eti(|uette (ceremonieel in voorname gezelschappen; hoofsche zeden, wellevendheid), v.

Etmaal (24 uur), o. etmalen. [gmv.

Etonnaiit (verbazend, verwonderingwekkend, ongemeen), bw.

Etoufl'aiit (verstikkend, om te stikken), bn. en bw.

Etoufleeren (verstikken, dempen, onderdrukken).

Etourderie {loszinnigheid), v. —s.

Etourdi (wildzang.onbezonnen knaap),m.— s.

Etourdisseeren (bedwelmen, verdooven, be-dremmelen).

Etourdisseiiient (bedwelming, verdooving), o.

Etsen (gravejren. met sterk water laten inbijten), ik heb geëtst: —er. m.: —ine. v.

Etsljzer, o. —s: —kunst, v.: —naald, v.—en; —werk, o.

Etter (dracht van een wond), rn. gmv.

Etteren, het heeft geëtterd: -ins. v.

Etude (studie, oefening), v. —s.

Etui (koker voor allerlui nde gereedschappen), m. — s.

Etymologie (woorda fleid kunde, woordvor-scliing), v. — ën.

EtymoloffiHcli (wonrdalleidkundig). bn.en bw.

Etymoloos (woordvorscher). m. —logen.

Eitcharistie (heilig avondmaal; gewijde hostie), v. gmv.

Ennjer (spook), m. —s. vero.

Enniilt;|ue. ennucli (opziener in een hurenï), m.

En p he in isme. en p hein i sinus (verzachtende uitdrukking), o. —n.


ocr page 103

KüPHEMISTlSCH—EXEGEET.

33

KnplieiiiiMtiHfli (verschoonend. verbloemend), bn. en b\v.

Eiiphonie (welluidendheid), v. gmv. KnjilioiiiHfli {welluidend), bn. en bw. Europa, o.: —peaan. m. —peanen; —pelt;;r, m. —peërs: —peesch, bn.: —peesclie, v.

Knvel (kwaad), o. —en. Aan een — mank (jaan, er mede behept zijn.

Euvel, bn. en bw. Duid het mij niet —, d. i. ten kwade. Iets — opnemen.

Euveldaad (snoode daad), v. —daden. Euvelmoed (booze moed), m. !?mv.

Evacuatie (ontruiming), v. —ties, —tiën. Evaciieereu (ontruimen, ledigen).

Evangelie (blijde boodschap), o. —liën. De boeken ran het N. Testament, fig. onbe-t wij fel ba re wa arh eid.

EvangHiHt (de vier —en, nl. Lucas, Marcus, Matt heus en Johannes), m. —en.

Evasie (uitvlucht, ontwijking), v. —sies, —siën. Evawiel' (ontwijkend), bn. en bw.

Evel. o. Zie Euvel.

Even {een weinig), bw. Wacht d.i. een poosje. Even, bn. Een — getal.

Evenaar (tongetje eener weegschaal: evennachtslijn), m. -aars en —aren.

Evenaren (gelijken, overeenkomen met), ik heb geëvenaard: —ins. v.

Evenbeeld, o —en. Dit meisje is het — har er moeder, d. i. gelijkt haar moeder sprekend. Evenen (gelijkmaken), ik heb geëvend: —iug, v. Evenenieiit (gebeurtenis, voorval, toedracht van zaken), o. —en.

Even in ff, v. —en. Dag- en nacht—, d.i. 21 .Maart en 23 Sept.

Evenknie (gelijke), m. —on.

Evenniatiff. bn. en bw.; —lieid. v. EvennieiiNeli, m. —en.

EvennaaNte, m. en v. —n.

EvennaelitMlijn (evenaar, linie), v. gmv. Evenredig, bn. en bw.: —lieid. v. —heden. Evenrediffen (evenredig maken), ik heb ge-even redi^rd.

Eventualiteit (gebeurlijkheid), v. —en. Eventueel (gebeurlijk, voorkomend: misschien), bn. en bw.

Evenveeltje (koekje), o. —s. De —s zijn verschillend van vorm, maar gelijk van inhoud. (C. O.).

Evenwiclit (gelijkheid van gewicht), o. gmv. Evenwijdiff. bn.: —heid, v.

Ever (wild zwijn), m. —s.

Everlast (wollen slof, die licht, maar zeer sterk is), o.: —en, bn. — schoentjes. Everwortel (witte distel), m. —s.

Everzwijn (wild zwijn), o. —en.

Evident (klaar, blijkbaar), bn. en bw. Evidentie (klaarblijkelijkheid), v. gmv. Eviteeren (vermijden, ontwijken, ontgaan). Evolutie (onl vikkeling: zwenking der soldaten: wending eener vloot of van een leger', muz. buiging run de stem), v. —tiën. —ties. Ex (uit: in samenstellingen: eertijds, voormalig. gewezen), bw. E.i•-minister, e-r-burge-meester.

Ex ahrupto (plotseling, onverwucht), bw. Exact (nauwkeurig, stipt), bn. en bw. De —e wetenschappen, d.i. wis- en natunrkunde. Vjxnctitiuiflnauiukeurig heid. stiptheid),v.gmv. hlxiiUiit'xe (opgewondenheid, overdrevenheid).v. Exanien (onderzoek), o. —s en examina. ExaininandiiH (hij, die 't e.camen aflegt), m. —nandi.

Kxamluatie (onder v rag ing^onderzoek).^. gmv. Examinator (ondervrager, examen-afnemer), m. —toren, —tors.

Examiiieeren [ondervragen, onderzoeken). Ex animo (van harte, met voordacht), bw. Exasperatie (verbittering, radeloosheid; razend ma king), v.

Exaspereeren (verbitteren, razend maken). Ex capite (uit 't hoofd), bw.

Ex cathedra (van den preek- of leerstoel af; fig. op beslissenden toon), bw.

Excavatie (uitholling, uitgraving), v. —tiën en —ties.

Excedeeren (overschrijden, te ver gaan, te buiten gaan).

Excelleeren (uitmunten, zich onderscheiden). Excellent (uitstekend, uitmuntend, voortreffelijk), bn. en bw.

Excellentie (titel, welken men tuin ministers en andere voorname personen geeft), v. -tiën. —ties.

Excentriciteit (afwijking van het middelpunt: fig. zotheid, zonderlingheid, kuur, gril; eigenzinnigheid, halsstarrigheid), v. —en. Excentriek, Excentrisch (wat om een ander middelpunt draait: fig. ongewoon, zonderling, zot. overspannen), bn. en bw. Excentriek (schijf in stoommachines), o. —en. Exceptie (uilzondering, tegenwerping, verwering [in rechten]), v. —tiën. —ties. Exceptioneel (/mitem/moo»; bij uitzondering), bn. en bw.

Excerpeeren (uittreksels maken, kort overbrengen)'

Excerpt (uittreksel uit een boek of geschrift), o. —en.

Exces (uitspatting, buitensporigheid, gewelddadigheid; overmaat, overdaad), o. —sen. Excessief (buitensporig), bn. en bw. Excitahel (prikkelbaar), bn. Excitatie(pn7cA:e/mlt;/,o/gt;/iitemr/),v.—tiën.—ties. Exciteeren {aanzetten, gaande maken, ophitsen, opruien).

Exclamatie (uitroep: luide toon van spreken of voordracht), v. —tiën, —ties.

Exclameeren {uitroe/ten, luid roepen). Exclusie (uitsluiting), v. —siën.

Exclnsiel' (uitsluitend), bn. en bw. Exclusivisme {stelsel van uitsluiting; afzondering), o. gmv.

Exconiiiiiinicatie (kerkelijke ban), v. —tiën en —ties.

Excoiiimiiniceeren (in den bun doen, van de kerkelijke gemeenschap afsnijden). Excrement (uitwerpsel, ontlasting), o. —en. Excursie (uitweiding; korte reis, uitstapje), v. —siën, —sies.

Excusabel (verschoonbaar), bn.

E x c usee re n (verontsch 11 Idiget i, versehoo n en). Excuus, Excuse (verschooning. verontschuldiging). o. —cuses, —cusen.

Execrabel (afschuwelijk, afgrijselijk, ver-foeienswaardig), bn. en bw.

Executabel {uitvoerbaar), bn.

Executant (/dïvom/er: ook muzikant),m. —en. Execiiteeren (een vonnis of last ten uitvoer

leggen: terechtstellen).

Executeur (uitvoerder van een vonnis, testament enz.: boedelredder aar), m. —s. —en. Executie (uitvoering. ten uitvoer legging; von nis-voltrek king, terechtstelling), v. —tiën en —ties.

Exegeet (schriftverklaarder), m. —geten.


6*

ocr page 104

84 EXEGESE—EXPULSIE.

FiXegeHP (verklaring. Bijbelverklaring), v. —n.

Kxegetisoli {uitleggend, verklarend), bn.

Exempel (voorbeeld, voorschrift, model), o. —s.

Kxeinplaar {afdruk van boeken, ook stuk), o. —plaren.

Exeintie. Kxempfie (aitzondering: vrijstel' ling), v. —tiën, —ties.

Exequatur {erkenning, aanstelling: vorstelijke bekrachtiging der benoeming), o.

Exerceeren {oefenen, verrichte}*, krijgs- of wapenoefeningen doen).

Exercitie (oefening, wapenoefening)^, —tiën en —ties.

Exli^iliitie (nitdamping. vitn'aseming). v. —tiën. —ties.

Exliibeereii (overleggen, voorleggen, overhandigen).

Exhibitie (overlegging, vertooning, tentoonstelling). v. —tiën. —ties.

Exliortatie (vermaning, aanmaning), v. —tiën. —ties.

Exliorteeren (aanmanen, vermanen).

Exigeant {reelvergend, niet gemakkelijk te bevredigen ), bn.

Exigentie (dringend geval, behoefte), v. —tiën. —ties.

Exil. Exilinm (ballingschap, verbanningsplaats), o. gmv.

Exileeren (verbannen, bannen).

Exiiiit •eren (uitzonderen, bevrijden).

Exic.teutie (bestaan), v. gmv.

Existeeren (bestaan, in wezen zijn).

Exit (hij treedt af. gaat heen. van In't tooneel).

Ex Ju ré (volgens het recht, ran rechtswege).

Ex lex (buiten de wet, vogelvrij), bw.

Ex more (naar het gebruik), bw.

Ex mine (van nu af), bw.

Exodus (uitgang, uittocht: 'ie boek van Mozes), m. —dussen.

Ex olTieio (ambtshalve), bw.

Exorbitant (buitensporig, overdreven, onredelijk). bn.

Exorrisme. ExoreiNiiuiH (duivelbezwering), o.

Exorcint (duivelbanner), m. —en.

Exordium (begin, inleiding eener rede), o.

ExotiMcli (vreemd, uitlandig, uitheemsch), bn. —e planten.

Expansie {uitdijing, uitzetting .verwijding), v.

Expansieve kraelit {kracht, die van het middelpunt naar den omtrek dringt, uitzettings-kracht. spankracht, b.v. van gassen), v. —en.

Expatrieeren (het vaderland verlaten, vluchten).

Expeetoreeren (hoesten: fluimen opgeven: fig. zijn hart uitstorten).

Expedieeren (verzenden, afvaardigen, verder brengen: fig. van kant maken).

Expedient (middel tot redding, licht en spoedig werkend middel), o. —en.

Expediet. Expedif iel'(schielijk), bn. en bw.

Expediteur (afzender, goederenverzender), m. —en en —s.

Expeditie (vei^zending: ver voerders-onder neming: de plaats waar handelszaken bezorgd worden: afschrift run een wettig stuk), v. v. —tiën. —ties, -bureau (kantom' eener vrachtonderneming), o. —'s.

Expenditiel' (roortwn-end). bn.

ExpendeeiTii {uitbetalen, bekostigen).

Expensen (uitgaven, inz. rechts kosten). v. mv.

Expensiel' (met vele uitgaeen gepaard, kostbaar. daar), bn.

Experientie (ondervinding, ervaring), v. —tiën. —s.

Experiment ( proef neming.kunst proef ).ö.—en. Experimentaal (proefondervindelijk), bn. en bw.

Experimenteeren (beproeven, onderzoeken). Expert (zaakkundige, deskundige, gezworene), Expert (ervaren, deskundig), bn. [m. —en. Expertise (onderzoek door deskundigen), v. —s of —n.

Expiatie (verzoening, boete), v. —ties, —tiën. Expieeren (boeten, verzoenen).

Expiratie (uitblazing van den geest, dood: eindiging, afloop: het vervallen van een wissel, enz.), v. —ties. —tiën.

Expireeren (ten einde loopen, vervallen, sterven, den geest geven).

Explanatie (uitlegging, verklaring), v. —ties, Explaneeren (uitleggen, verklaren). | —tiën. Expletie (aanvulling), v. —ties. —tiën. Expletief (aanvullend), bn.

Explieabel (verklaarbaar), bn. [—ties.

Expli eatie (verklaring, uitlegging), v. —tiën. Explleeeren, expliqueeren (verklaren, uitleggen ).

Explieite (uitdrukkelijk, duidelijk, bepaald), bn. en bw.

Exploitabel (ontginbaar: in werking te brengen: vatbaar om er partij van te trekken ), bn. Êxploit:ttie (ontginning: in werking brenging of houding), v, —tiën, —ties. Êxploiteeren (ontginnen van landen enz.: pertij trekken van: in werking brengen: in gang houden).

Exploit, Exploot (groote daad, heldendaad: een dagvaarding), o. —ploten.

Exploratie (onderzoeking, uitvorsching). v. —tiën. —ties.

Exploreeren (uitpluizen, navorschen, onderzoeken ).

Explosie (geweldige uitbarsting, losbarsting, knal. schok), v. —siën. —sies.

Exponeeren (aanwijzen, blootleggen, blootstellen). Zich —. d.i. zich blootsteilen.

Exponent (aanwijzer: het getal, dat de macht van een ander getal of van een andere grootheid aanwijst), m. —en.

Exportatiei uitvoer van goederen), v. —tiën. —s.

Exporteeren (uitvoeren).

Exporten (uitgaande waren), o. mv..

Exposant (inzender van voorwerpen ter ten-toonstelling. tentoomteller). m. —en.

Exposé (uiteenzetting, overzicht, vertoog), o.

Exposeeren {uitleggen, ontvouwen: een zaak omstandig verhalen: schilderijen of andere kunstvoorwerpen tentoonstellen: tekst verklaren ).

Expositie (blootlegging: tentoonstelling: ontwikkeling, ontvouwing, verklaring) v. —tiën en —ties.

Expres (uitdrukkelijk, met opzet, voorbedachtelij k), bw.

Expresse {eigen bijzondere bode), m. —n.

Expressie (uitdrukking), v. —siën, —sies.

Exprimeeren {uitdrukken, te kennen geven).

Ex prolesso (beroepshalve, van ambtswege, uitdrukkelijk: met oogmerk), bw.

Expropriate (onteigening), v. —tiën. —s.

Exproprieeren (iemand van zijn eigendom berooven. onteigenen).

Expiigneeren (veroveren, door strijd winmm).

Expulsie (gewelddadige uitdrijving), v. ■ en —sies.


/

ocr page 105

EX PÜLSÏEF- FACTO.

KxpiilMicf' {afdrijvend, afvoerend), bn. Een

— middel.

K\(|iiift {aitgelezen, aitgezocht, voortreffelijk). bn. en b\v.

KxtaHe (verrukking, opgetogenheid), v. gmv. Ex tempore {ait het geheugen, uit het hoofd,

voor de vuist), b\v.

Exteeren (bestaan, voorhanden zijn). Kxtentie (uitgestrektheid, omvang, uitgebreidheid), v. gmv.

Exten iieereii( aiUnergelen,krachteloos maken). Exterieur (uiterlijk, uitwendig), bn. Exterieur {.uiterlijk, voorkomen, uitzicht), o. Kxteriiiiuatie (uitroeiing, verdelging), v. —tien, —ties.

Extermiiieereii {verdelgen, uitroeien, ver-Exteru (buitenshuis wonend), bn. \nielen). Exterui'ii {scholieren buiten kost en huisvesting), m. en v. mv.

Extiu^eereu (uitblusschen, verdelgen). Ext(»r(|ueereii (afpersen, afdwingen». Extorsie {afpersing), v. —sies. —siën.

Extra {buitendien, buitengewoon, uitermate).

— duur. zeer duur: — fijn, buitengewoon fijn: — blad, bijblad: — post, buitengewone of eigen post.

Extraatje {buitenkansje, meeraHertje), o. —s. Extract {uittreksel; aftreksel van kruiden), o. Extractie {afkomst, herkomst), v. gmv. Extralieereu (uittrekken, een uittreksel ma-Extraordiuair {buitengewoon), bn. [Av/i). Extravagant {buitensporig, ongerijmd), bn.

Extravageeren {uitspatten-, buiten den regel gaan: overdrijven).

Êxtrruie (het uiterste, het ergste), o. —s. Extrémen {overdrijvingen, uitersten), v. mv. Les — se touchent, strijdige zaken gaan soms gepaard.

Extremiteit {het uiterste einde: de laatste hulp, laatste toevlucht: het hoogste gevaar), v. Extremiteiten {urmen en beenen). v. mv. Ex iiiit^ue leoiiem {aan de klauwen kent men den leeuw), zwg.

Ex ii.hii {uit het gebruik), bw.

Ex voto {nuur wensch of gelofte, uit Kracht van een gelofte). Een —. d. i. een zaak. aan heiligen toegewijd.

Ezel (dier), m. —s. Van den os op den — springen, bij liet gesprek van den hak op den tak springen. Een — stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen, spreekw.

Ezel (fig. lomperd, domoor), m. en v. —s. Ezel {standaard om een bord of schilderij op te plaatsen), m. —s.

Ezelen (hard arbeiden), ik heb geëzeld. Ezelin, v. —nen; —netje, o. —s. Ezelinnrnmelk. v. gmv.

Ezelsbrug, v. —gen. Fig. hulp. waardoor het werk gemakkelijk wordt gemaakt.

Ezelskop (kop run een ezel), m. —pen. EzelHkop {domoor), m. en v. —pen. Ezelsoor (lig. omgevouwen hoek can een blad), o. —en.

I

t

■1;

Iff


F.

V. v. f's. De zesde letter van het alphabet, in de muziek de benaming van den vierden hoofdtoon. fa genoemd. Als getalmerk in Romeinsche opschriften beteekent F 40.

F. — (vóór cijfers), guldens.

F. bij eigennamen, filius. zoon.

F, in de muziek, forto, sterk.

F. als merk op goederen, fijn.

FB of Fb.. fur.geerend burgemeester.

FF, in de muziek, fortissimo, zeer sterk.

Fol. — Folio, de grootte van een blad; op het blad of de bladzijde.

Fo. Ho. — Folio recto, op de rechter- of voorste bladzijde.

Fo. Vo. — Folio verso, op de omgekeerde of linkerbladzijde.

Fee. — Fecit, (hij) heeft het gemaakt.

Fig. — Figuurlijk.

Fr., vóór cijfers. Franken; anders: Fransch: op brieven: franco.

Faam (fab. godin: vermaardheid), v. gmv. Te goeder naam en — slaan, gunstig bekend |

Fabel (verdichtsel), v. —en. [zijn.

Fabricage, v. gmv.

Fabriceeren (eervaardigen, maken).

Fabriceering. v.

Fabriek (werkplaats), v. —en. Ook een R. C. kerkbestuur, de kerk—.

Fabrieken {maken, doen ontstaan), ik heb gefabriekt, gmz.

FabriekHprijM. m. —prijzen.

Fabrikaat, o. —katen.

Fabrikant (bezitter eener fabriek), m. —en. FabulciiH {fabelachtig, onwaarschijnlijk), bn. Facade (voorgevel, front van een gebouw), v. Face (gezicht, vowzijde). v. En —. in het gezicht: van voren; —maken, de spits bieden, stand houden.

Facetten (met ruiten of hoeken geslepen vlakken (tan edelsteenen: hoeklijsten aan de geslepen spiegelglazen). v. mv.

FacheiiH (verdrietig, spijtig, noodlottig), bn. en bw.

Faciaal (hetgezicht, het geluut betrelfende), bn. Facie {gelaat, uange/.icht). v. —s.

Faciei {gemakkelijk: inschikkelijk), bn. Faciliteeren {gemakkelijk maken, verlichten). Faci 1 iteit (gemakkelijkheid, inschikkelijkheid), v. —en.

Facit (de som, het bedrag, de uit komst), o. —s. Fa^'on (manier, vorm), o. kans—, zonder complimenten: een suns—. een lomperd, vlegel. Fa^onneeren (fatsoeneeren, vormen, de ver-eischte gedaante geven).

Fac-Mimile {nateekening, wuarin de hand eens schrijvers zeer gelijkend nagemaakt is), o. —'s. Facta, o. mv. Énkelv. factum, feit, daad. Factie (partij: kuiperij), v. — tiën, —ties. Fartieu.s (oproerig, ufiitziek), bn.

FactiMcb (werkelijk, metterdaad), bn. en bw. Facto (de) (dadelijk, eigenmachtig, zonder aanvraag), bw.

m

11

■

i

1


ocr page 106

FACTOOR—FEBRIEL.

86

Factoor (opziener, zaakyeUistigde. makelaar), m. —toren.

Factor (samenstellend getal), m. —en. Factorij {handelskantoor eener compagnie of maatschappij), v. —en.

Factotinn (een man, die alles doet en tot alles bekwaam is, een doe-a l), m. —s. Factuur {rekening van verkochte of verzon-dene waren), v. —turen.

Facultatict* (bevoegdmakend, naar goeddunken), l)n. en b\v.

Faculteit (kracht, vermogen : aanleg.geschiktheid', een van de vijf hoofdafdeeli ngen der gezamenlijke wetenschappen', ad lege van professoren), v. —en.

FadaiHc {beuzelarij, zotternij), v. —s.

Fade (smakeloos, laf, geesteloos), bn.

Fagot (muz. bas- of blaasinstrument: ook: rijsbos, takkenbos), v. —ten.

Faffottiwt (bespeler van een fagot), m. —en. FaibleMHC (zwakheid: neiging, zwak), v. —s. Failleeren (zich failliet verklaren, ophouden te betalen).

Failliet (onmacht om zijn schulden te betalen), o. -en.

Failliet (gesprongen, fout), bn.

KailliM.semcnt (onvermogen van betaling), FaiNahel (doenlijk), bn. [o. —en.

Fait (daad. feit), o. —s: — accompli, gedane zaak. zaak die geheel haar beslag heeft: — van iets maken, veel werk van iets maken: au — zijn. op de hoogte zijn.

Fakier (een arme Tarksche 'klaizenaar),m. —s. Fakkel (flambomu), v. —s. De — der tweedracht, de — der wetenschap.

Falbala (boordsel, ruime zoom aan vrouwen-k leeding stukken), v. —'s.

Falen (feilen), ik heb gefaald: — iiiK, v. Dat kan niet —, d. i. missen.

Falie (kapmantel), v. —liën. —lies.

Faliekant (verkeerd, mis), bn. en b\v. Falievouwen (üg. vleien), ik heb gefalievouwd: —er, m.: —erij, v.

Falkouet. Falconet (de kleinste soort van veldstukken in de i6e eeuw), o. —en. FalsariH. FaUariuM (bedrieger, bepaaldelijk hij, die door valsche schriften of handteeke-ningen bedriegt), m. —sen.

FalHilicatie (vervalsching), v. —tiën, —ties. FalHilieeren (vervalschen).

Falsitcit (bedrog), v. —en.

FaineiiH (zeer, uitermate, duchtig), bn. en b\v. Familiaar (gemeenzaam, vertrouwelijk^ bn. en b\v.

FainiliariHeeren tzicli) (met iemand gemeenzaam zijn; zich al te gemeenzaam maken). Familiariteit (gemeenzame omgang, vertrouwelijkheid). v. —en.

Familie. Famiel.je (geslacht, gezin, afkomst), v. —liëii. —lies èn famieljes.

Fanatiek, -tien» (dweper, geestdrijver), m. Fanatiek (dweepachtig, geestdrijvend), bn. Fanati.Hcli (dweepzuchtig), bn.

Fanatisme (geloofsdweperij), o. gmv.

Fancy (inbeelding, luim), v. gmv.

Famriin^o (Spaansche volksdans), v. —'s. Faniare (trompetgeschal: muziekgezelschap), v. — s.

Fanlaron (zwetser, blaaskaak), m. —s. Fanlaronneeren (zwetsen, snoeven, pralen). Fanraroimade (zwetserij, grootspraak), v. —s. Fantoine, Fantoom (spook, hersenschim), o. —men.

Farce (fijngehakt vleesch of visch: kluchtspel, vroolijk nastukje, koddig voorval), v. —n. Farceeren (met gehakt vleesch vullen). Farceur (grappennutker,spotvogel,hansworst), m. —s.

Fardeeren (blanketten, fig. opsmukken). FarineiiM (melig; bij schilders: als de kleuren te dof of mut zijn).

Farizeër (huichelaar,schijnvrome),m. Parizeën, —ërs.

Farizee.scli (huichelachtig), bn. Een —e lach. Far niente (het niets-doen), o.; dolce —, het zoete n iets-doen.

Faro (krachtig Brusselsch bier), o. gmv. Fascinatie (begoocheling, verblinding, betoo-vering), v. —tién, —ties.

Fascine (takkenbos tot demping van grachten). v. —s, — n.

Fascineeren (beUxweren, boeien, verrukken). Fas et nelas (recht en onrecht), bw.

Fashion (mode, goede toon), v. gmv. Fashionable (naar de mode, fatsoenlijk), bn.: als zn. (man naar de wereld, modegek). m. —s.

Fasti (jaarboeken: ook: feestkalender).m.mv. Fastidiens (verachtelijk, vervelend, verdrietig, walgelijk), bn. en bw.

Fastiiens (pronkend, pralend, prachtvol). bn. en bw.

Fat (lafbek, zots' ap. modegek), m. —ten.

(ongelukkig,verderfelijk, noodlottig .bn. Fatalisme (leer van het noodlot), o. gmv Fatalist (aanhanger van het fatalisme), m. —en.

Fataliteit (ongeluk, noodlot), v. —en. Fata-mor^aiiii (luchtspiegeling, gezichtsbedrog in de woestijn), v. gmv.

Fati^ant {vermoeiend), bn.

Fatigeeren (vermoeien, lastig vallen). Fatigne (vermoeienis), v. —s.

Fatsoen (vorm,manier,gemanierdheid),o.—en. Fatsoeneeren (een zekeren vorm geven); —der, m.: —ins. v-Fatsoenlijk (net), bn.: —beid, v. Fatsoenshalve, bw.

Fatterig (kwasterig, ingebeeld).biï.: —beid,v. VatuiieM (ongerijmdheid,onverstand, zotternij, gekheid), v. gmv.

Fatum (het onvermijdelijke, het noodlot), o. Faubourg: (voorstad), m. —s. [gmv.

Fausset, Falset (faussetstem. door persing der longpijp voortgebrachte discant of altstem). v. muz. Di hooge tonen zingt deze tenor —.

Fauteuil (leuningstoel, armstoel), m. —s. Faux (valsch, onecht), bn. Een — pas. een misstap, een flater: — titre, Fransche titel van een boek.

Faveur (gunst), v. —s. En —. onder begunstiging: ten voordeele. ten behoeve. Favorabel (gunstig), bn. en bw.

Favoriet (gunsteling, lieveling), m. —en. Favoriete (gunstelinge), v. — n.

Favorietes, Fr. favor is (bakkebaarden). Fa vor i see ren (beg unst igen).

Favoritisme (stelsel van begunstiging of van bevoorrechting), o. gmv.

Fax et tuba (fakkel en trompet; belhamel bij oproer), zegsw.

Fayence (half porselein, aardewerk), v. —s. Fazant (hoenderachtige vogel), m. —en. Fazantenei. o.: —eren.

Febriel (koortsig, koortsachtig), bn.


ocr page 107

FEBRUARI—FIGUURLIJK.

87

Februari (sprokkelmaand), m.

Feres, Faere» (droesem, moer; mensdielijke uitwerpselen), v. mv.

Ferit {hij of zij heeft het gemaakt). Zie Fee.

Feculent (troebel, vol zetsel, drabbif/), bn.

Fet'imdatie (het o ogenblik der beer achting), v. —tiën, —ties.

Feouiiileereii (vruchtbaar maken, bevruchten).

FeciiiidUeit (vruchtbaarheid), v. gmv.

Federaal (het verbond betreffende), bn.

Feder.ili.seeren (verbinden, vereenigen, aaneensluiten, een verbond sluiten).

Federalisme, —iiiiim (verbondstelsel), o. tfmv.

Federalist (iemand, die tot een bond behoort), m. —en.

Federalistiseli. Federatief* (bondgenoot-

Vee (toovergod in), v. —ën. \schapigt;elijk), bn.

Feeks (boos wijf), v. —en.

Feeksig (als een feeks), bn. en b\v.: -heicl, v.

feest, o. —en. Ter — gaan.

Feestelijk, bn. Een — gewaad: —lieid. v.

Feesteling, m.env. —en: voor het v. ook —e.

Feestvieren, ik heb —gevierd: —vierder, m.; —vierster. v.: —viering, o.

Feil (gebrek, misvatting), v. —en.

Feilen (dwalen), ik hei) gefeild.

Feit, o. —en. Het is een —. een daad. werkelijkheid.

Feitel (borstdoekje van zuigelingen), v. —s.

Feitelijk (met de daad), bn.: —lieid, v.

Fel (hevig, sterk), bn. en b\v.; —lieid, v.

Felicitatie (grlakwensch). v. —tiën. —ties.

Felieiteeren (gelukwenschen). lem. —.

Fellah (boer in Egypte, landbouwende Arabier). m. —s.

Feloek (roeischip niet zeilen zonder dek, in de Middellandsche Zee), v. —en.

Felonie van een leenman), v. —ën.

Femebiar (kw zeiaar. schijnvrome), m. —s.

Femelen (fiemelen, fijmelen, d.i.den vrome uithangen, gebeden prevelen, huichelen), ik heb gefemeld.

Feniks, IMiocnix (fabelachtige vogel), m. —en. Fig. lem. met zeldzame gaven.

Fep (dronkenschap), v. gi'nz.

Feppen, ik heb gefept: —er (zuiper), m.; —erij, v.

Ferièn (feest-, rust- of vacantiedagen), v. mv.

Ferm (kloek, onvervaard, standvastig), bn.

Ferman ( verlofbrief, schriftelijk bevel van den sultan: ook een handelspas in Ö.Indi'è), m. —s. (Minder goed Firman).

Ferment (gistmiddel), o. —en.

Fermentatie (gisting, fig. woeling), v. gmv.

Fermenteeren (gisten, fig. in gisting raken).

Fermeteit (standvastigheid, kloekmoedigheid), v. gmv.

Fermoor (steekbeitel), o. —moren.

Feroee (woest, wild: wreed), bn. en b\v.

Ferociteit (wildheid, felheid, woestheid, baldadigheid: on menschel ij ke wreedheid), v. —en.

Fertiel (vruchtbaar, winstgevend), bn.

Fertiliseeren [vruchtbaar maken).

Fertiliteit (vruchtbaarheid), v. gmv.

Fervent (innig, vurig), bn. en bw.

Fervenr (innigheid, vuur), v. gmv.

Festijn (feestmaal), o. —en.

Festina lente (haast n langzaam), spreekw.

Festiviteit ( plechtigheid: vreugdefeest),v. —en.

Festoen (lofwerk, guirlande), v. en o. —en. Fr. feston.

Festonneeren (borduren, met bloemwerk of lofwerk opsieren).

Fète (feest, openbare vermakelijkheid), v. —s. Fèteeren (goed onthalen, met eerbetoon overladen: vleien).

Fetiseh (£gt;{/ de Negers voorwerp van afgodische vereering. toovermiddel), m. —dienst, m. Feudaal (leenroerig), bn.

Fendaal-sysfeein en Fendalisme (het leoi-stelsel), o.'

Fenille de route (marschbrief of reiswijzer, voor soldaten), v. feuilles de route. Fenilleteeren (doorbladeren, nazien, vluchtig doorloopen).

Feuilleton (in een dagblad, roman of novelle aan den voet der eerste blz.). o. —s. Feuilletonist (persoon belast met 't leveren van feuilletons), tn. —en.

Fez (donkerroode muts der Tnrkschesoldaten, die sedert '/820 den t 'lband als utilitaire dracht in Turkije heef! vervangen en aldus wordt genoemd naar de stad Fez in Afrika, waar die mutsen oorspronkelijk werden vervaardigd), v.

Feziken (stil praten), ik heb gefezikt: —er, m.; —erij, v. vero.

Fiacre (huurkoets), v. — s.

Fiasco, o.: — maken, niet slagen; uitgelachen worden b.v. een tooneelspeler.

Fiat (het geschiede! het worde toegestaan!). Fiat (gunstige beschikking), o. [bw.

Fiche (speelmerk, beentje), o. —s. Fichesdoos. v. —doozen.

Fichu (driekant halsdoekje voor dames), o. —quot;s. Fictie (verdichtsel, voorwendsel: zinrijke vinding), v. -tiën, —ties.

Fietiel' (verdicht, verzonnen), bn. Een —ve winst, een ingebeelde winst.

Fideel {vertrouwelijk: vr ooi ijk, prettig), bn. en bw.: — bij elkaar zitten. — praten. Fideï-commis (erfma king, vruchtgebruik, waarvan het hoofdgoed. )net den tijd, op een ander vervalt, onvervreemdbaar stam- of familie-erfgoed), o. —sen.

Fideliteit (trouwhartigheid, oprechtheid), v. —en.

Fidibus (gevouwen strook papier om de pijp aan te steken), m. —sen.

Fiducie (vertrouwen), v. Ik heb daar geen — in. Fiedelen. Hedleu (op de viool spelen, zagen), ik heb gefiedeld.

Fielt (schelm, boef), m. —en.

Fieltenstreek. m. —streken.

Fielterij (fieltenstuk), v. —en.

Fier (stout, hooghartig), bn. en bw.: —lieid, v. Fier (trotsch, uit de hoogte, per), bn. en bw. Fierte (trotschheid. hooge borst, fierheid), v. Fiets (volksterm voor de velocipede), v. —en. Fietsen (op de fiets rijden), ik heb gefietst —ser, m.

Fietsbroek (kniebroek), m.: —kousen, v. mv.; —pet (jockeg-pet).

Fietsrijden. ik heb —gereden: -lijd er, m.; — rijdster, v.

Figurant (bij-persoon: stomme, ineen tooneel-spel), m. —en.

Figurante, v. —n.

Fiu;uratiei' (figuurlijk, door middel van beelden). bn.

Figureeren (vertoon maken, zich laten zien, voorkomen).

Figuur (afbeelding), v. figuren.

Figuurlijk (beeldsprakig), bn.: -beid, v. De —e beteekenis van een woord of uitdrukking; zich — uitdrukken.

I

ill i 1


ocr page 108

FIJMELEN—FLETS.

88

Fijmcleii, ik heb gefljmeld: —aar, m.; —aar-«fer. v.: —arij, v. Ook: IVmeleii.

Fijn {niet (jrof), bn.; —heid, v.; —iglicid. v. Pijnaard (Jijme!nar), ui. —s.

Fijnhaanl (kwezel aar), m. —en.

Fijnte (fijnheid), v. —n.

F ij ii I j es (op fijne, wijze), bw. 't As — koud. erg koud.; iem. — beethebben.

Fijt (ontsteking van het beenvlies aan daim of vinyer), v. gmv.

Fikfak ken (talmen, benzelen), ik heb gefikfakt; —er. m.: —erij. v.

Fiks. bw. — (verken, iets — schilderen. Fjk.srli. bn. Een —e jongen : —lienl, v. FikNliond (keeshond), m. —en.

Filament (draadwerk: draad), o. —en. Fileeren (S/tinnea; afdraipen, heengaan). Filiaal (kinderlijk), bn. Een —kerk. bijkerk; een —handel, een bijhandelshuis.

Filiatie (samenhang, af'hankelijkheid, gehoorzaamheid). v. Zie AlTniatie.

Filigraan (goad- en zilverdraadwerk), o. gmv. Filomeel (nac}itegaal).\. —en.Ook: Filoniecle. Filnu (listige bedrieger, schurk), m. —s. Filozel (grove zijde, floretzijde), v. gmv. Filtreer (werktuig tot reiniging van drinkwater), m. — s. Ook: filter.

Filtreerdoek, m. —en: —kan, v. —nen: —maeliine, v. —s: —papier, o.; —toestel, m. en o. —len.

Filtreeren (doorzijgen). Gefiltreerd water. Filtrnni. iiUer (zijgdoek,doorzijgmiddel),o. —s. Finaal (volkomen), bn. en bw.

Final (beslissingswedstrijd), m. —s. sport. Finale (einde, slotstuk vaneen muziekstuk), v. Finaneieel (de geldzaken betreffende), bn. Finanriên (openbare geldmiddelen, geldvoorraad), v. mv.

Financier (iemand die gelden beheert, uitgaven regelt, enz.), m. —s en —en.

Fine (einde, doel, oogmerk), o. Ten — van rapport, d. i. ten einde daarop bericht of verslag uit te brengen.

Fine.sse (list. fijnheid, doortraptheid), v. —s. FiiiKeeren (verzinnen). Gefingeerde munten, denkbeeldige (b.v. een pond sterling enz.); gefingeerde rekening, vermoedelijke, bij raming opgemaakte rekening.

FiniM (einde, doelwit), o.

Finis eoronat opus (het einde kroont het werk), spreekw.

Finish (eindstreep), o. sport.

Fint (bedrieglijk voorkomen, streek om iemand te benadeelen: fijne berst in het spiegelglas), v. —en.

Fiool (flesch ïnet een langen hals en ronden buik), v. fiolen. De fiolen van zijn gramschap over iemand uitstorten.

Firma (handelsnaam, bedrijfsnaam), v. —quot;s. Firmament (sterrenhemel, uitspansel), o.gmv. Firman, in. Zie Fennan.

Fiscus (eigenlijk een geldmandje: geldzak: de staatskas), rn.

Fiskaal (ei se her in rechtszaken: 's lands schatbewaarder), m. —kalen.

Fiskaal (wat den fiscus betreft), bn. —kalewet-Fistel (etterafleider), v. —s. [ten.

Fitz (Normandisch voorvoegsel bij vele Engelse) te eigennamen, bet.: natuurlijke zoon, b.v. Fitz-James. Fitz- Wi lliam, Fitz-Gerald),m. Fixe (pri\gt; (d. i. bepaalde, vastgestelde prijs). Fixeeren (bepalen, vaststellen). Iemand —, iemand strak aanzien.

Vi\mti(vast in komen. zeker bestaansm iddel), o. Flacon (reukfleschje: flesch met een langen hals: derde gedeelte van een flesch), m. —s. Fladderen (heen en weer vliegen), ik heb gefladderd: —aar, m.: —ins. v. Fig. dartelen. Flagellanten (geeselmonniken, naam eener broederschap), m. mv.

Flagellatie (r/eesW/m/. zelfkastijding), v. — tiën, Vlu^eWt'i'i'vwgeeselen.kastijden.straffen). [—s. Flageolet (fijn- of hoogfluit), v. -ten. Flaseolettisi (flageolet-bespeler), m. —en. Flagrant (pa#gebeurd; in het oog loopend),bn. En — delit. d.i. op heeter daad (betrapt). Flakkeren (flikkeren van vlammen), het heeft geflakkerd.

Flainheeren (heen en weer gaan-, zengen, roosten ). Hij is flambe. verloren.

Flambouw (fakkel, toorts), v. —en. Flaniingo (zekere watervogel), m. —'s. Flaneereii (straatslijpen, drentelen, rondslenteren).

Flanel (wallen stof), o. en v.

Flaneur (straatslijper, lanterfanter), m. —s, V\nuk (zijde, vleugel),v.—en.In de — aanvallen. Flankeeren (de zijde dekken, bestrijken). Flankeur (rleugelman bij de infanterie, soldaat van een der vleugelcompagnieën bij een bataljon), m. —s.

Flans (het neergeworpene), v. —en.

Flansen (slordig verrichten), ik heb geflanst. Flap (harde slag), m. —pen.

Flapkan (veldflesch). v. —nen.

Flappen (klappen, babbelen), ik heb geflapt. Flapuit (snapster, iem. wier hart op de long ligt), v. —en: ook: m.

Flarden (afgescheurd'; stukken en brokken), m. mv.

Flater (misslag, misgreep), m. —s. Flatteereu (vleien. Hef kouzen, flikflooien; s tree lend zijn voor).

Flatterie (vleierij), v. gmv.

Flatteur (vleier), m. —s.

Flattens (vleiend, streel end), bn. en bw. Flauw (laf), bn.: —iieid, v.: -ikheid, v. Flauwerd (laf mensch), m. —s.

Flauwhartig (bloode. moedeloos).hn.: —heid.v. Flauwiteit (laffe daad, flauwe praat), \. —en. Flauwte (bezwijming), v. —n.

Fleb, v. —ben. Zie Flep.

Fleemen (vleien), ik heb gefleemd: —er, m.; -erij, v.

Fleeiiikous (vleier, mooiprater), m. en v. —en. Fleeintong; (pluimstrijker), rn. en v. —en. Fleer (klap), m. —en.

Fleer (vrouwspersoon), v. —en.

Fleers (flap), m. fleerzen.

Flegma (koelbloedigheid, lauwheid), o. gmv. Flegniiitiek, flegmatisch (koelbloedig), bn. en bw.

Flenel, o. en v. Zie Flanel.

Flens (ijzeren kraag), v. flenzen.

Flensje (dun pannekoekje met krenten),*). —s. Flenter (stuk, brok: dun schijfje, dun iing), m. — s.

Flep (ondermutsje), v. -pen.

Fleppen (onmatig drinken), ik heb gefïept; —er, m.; —erij, v.

Flerecijii (jicht), o. gmv.

Flesch. v. ttesschen. Op de — zijn, failliet zijn. Flesschentrekker (die koopt met het plan om niet te betalen), m. —s: —erij, v.

Flets (verschoten van kleur), bn. en bw.; —heid, v.


ocr page 109

FLEÜH—FORM AL I SEER EN.

89

Fleur (bloei), m. De — der (jezondheid, de — der jaren.

Fleur (opyerulde lijn, waaraan men visch vangt), v. —en.

Kleuren (met een fleur visschen), ik heb ge-lleurd; —der. m.

Fleuretteu (schuone ivoorden. vleiende namen-, schermdegendopjes', ook schermdegen met dopjes), v. mv. Zie Floret.

Fleurig (gebloemd: opgewekt, vroolijh). bn. en bw.; — lieid, v.

FleuriHt,floi'iHt {bloemschilder, kunstbloemen-maker), m. —en.

FleiirtuiH (met smaak aangebrachte versiersels van bloem- en loofwerk), m. mv.

Flexibel (buigzaam, gedwee), bn.

Flexibiliteit (lenigheid: gedweeheid), v. gmv.

FlibiiHtier (vrijbuiter in VV'. Amerika, He eeuw), rn. — s.

Flikflooien (laag vleien, kruipen), ik heb getlikllooid: —er, m.; —erij. v.

Flikje wond chocolade-vormpje, chocolaadje, naar zijn maker Caspar Flick aldus genoemd), o. —s.

Flikken (lappen, verstellen), ik heb gellikt; —er, m.; —erij, v. Schoenenflik, rn. d. i. schoenlapper.

Flikkeren (schitteren, fonkelen), ik heb geflikkerd: — iiitf, v.

Flink (ving, ferm, kloek), bn. enbw.: —lieid.v.

FüIm 'pijl. spies), ni. —en; —Innig, m.

Flodder (klei. slijk), v. gtnv.

Flodlt;leren (door de modder waden), ik heb geflodderd

Flodderkleed [ul te wijd kleed), o. —eren: —kou» (zakkende kous, lig. slordig persoon), v. —en.

Floer» (rouwkrep), o. —en.

Flonkerhag (edelgesteente.diamant), v. —gen.

Flonkeren (llikkcren. schitteren), ik heb geflonkerd: -ins, v.

Flonker^ter en —«tar (fig. iem. van groote verdienste), v. —sterren, —starren.

Floreen, llorijn (Friesche goudgulden /'1.40, belastingpenning), m. flurenen.

Floreenplieiitigen (belastingbetalenden). m.

Floreeren lt;bloeien, in welstand zijn). j mv.

Floret (schermdegen), v. —len.

Floret (halfzijde), o. gmv.

Floretten, bn. Een paar — handschoenen.

Florijn (gulden), in. —en.

Flori.sMant (bloeiend), bn. Een —e streel:.

Flotille. flotielje (kleine vloot), v. —s.

FIoiih (onwaarheid-, uitvlucht), v. flouzen. Wat ge vertelt, zijn maar —jes.

Flo uw (zeker snippenvet), v. —en.

Fluetnatie (dobbering, golving, weifeling), v. —ties, — tiën.

Fluetneeren (vloeien, golven: wankelen, wei felen: af wisse lei i).

Fluïde (vloeistof), o. gmv.

Fluïditeit (vloeibaarheid), v. gmv.

Fluim (slijm, fig. misse lij kevent). v. en m. —en.

Fluinien (— opgeven), ik heb gefluimd.

FluiHteren, ik heb gefluisterd; —aar, m.; —aarwter, v.: —iiitf. v.

Fluit [blaasinstrument), v. —en.

Fluiten, ik floot, heb gefloten: —er, m.; —ins. v.

Fluitist (fluitspeler), m. —en.

FlukM (snel. met spoed, gezwind), bw.

FlukMeli (vaardig, knap), bn. Een —e wending.

Flu* (zooeven), bw.: —je», bw. Adieu, tot —, d. i. tot zoo aanstonds.

Fluweel (vroeger i'ulp), o. —en.

Fin wijn (bunzing), o. —en.

Fniexen (niezen, proesten), ik heb gefniesd.

Fnuiken (een vogel de slagpennen uittrekken, fig. ten onder brengen), ik heb gefnuikt; —er, m.; — Iiir, v.

FoeiiH (brandpunt), m. —sen.

Foedraal (overtreksel: koker), o. foedralen.

Foekepot [rommelpot), m. —ten. gew.

Foelie (dun geslagen bladtin), v. gmv.

Foelie (zekere uitheemsche kruiderij), v. —liën.

Foelie (verfoeliesel van een spiegel: ook: —, onder een edelgesteente), v. gmv.

Foeliên (laagsgewijze dunnetjes met kwik bedekken), ik heb gefoelied.

Foeteren (uitvaren, opspelen), ik heb gefoeterd.

Foezel {slechte jenever), v. gmv.

Fok (scheepst. het onderste zeil aan den voormast), v. —ken. Fig. bril.

FokkeniaMt. m. —en.

Fokken (aankweeken. groot brengen van vee), ik heb gefokt: —er, m.; —erij, v.; —ins. v.

Folatre (aitgeluten. dartel), bn.

Folatrerie (uitgelatenheid, dartelheid).gmv.

Flt;»len (sollen, kwellen), ik hel» gefoold.

Foliant (boek run bet grootste formaat), m.

Folie {dwaasheid, zotheid), v. —s. |—en.

Folieereu (de bladzijden in opvolging nomineren ).

Folio (ook folium, bladzijde), o. —quot;s. Hij is een gek in —. een zeer groote gek.

Folteren * kwel len. pijnigen), ik hel» gefolterd;

— aar, m.; — ius. v.

Fommelen {frommelen), ik heb gefommeld;

— iu 15. v. [kerblauw.

Fonee (donker van kleur), bn.: blea —. don-

Fonetioimaire (ambtenaars beambte), m. —s.

Fond (grond), o.: a —. grondig: w —, wel

ingezien, eigenlijk, iu het wezen der zaak.

Fondatie. hindatie (stichting),v. —ties. —tiën.

Fondeinent en roiidament ook: rundanieut {grondslag), o. —en.

Fond» (yeld, kapitaal), o. —en.

Fonkelen (schitteren, blinken, in overdrachtelijken zin), ik heb gefonkeld: —iua;, v. Het — der sterren, der diamanten, der oog en.

Fonkeliiieuw (amp;pUntenneuw),hi\.Een — kleed.

Fontein (kunstmatige springbron), v. —en.

Flt;niteiiel (soort van fistel), v. —len.

Fooi (drinkgeld), v. —en.

Fop (het foppen), m. gmv.

Foppage (fopperij), v. gmv.

Foppen (misleiden, verschalken), ik heb gefopt: —er, m.: —erij, v.: — injs. v.

Foreeeren (dwingen, overweldigen: openbreken: verkrachten).

Forel (zekere fijne riviervisch), v. —len.

Forensen (eig. rondtrekkende kooplui). In Amsterdam enz. zij die in tie stad hun zaken doen en buiten wonen; m. mv.

Forfait (misdaad), m. —s: a —. bij aanbesteding. bij den hoop, ineens.

Foiianterie (pralerij, grootsprekerij, snoeverij), v. —en.

Forma (vorm), v. In —. d. i. in goeden vorm; in optima —, in den besten vorm: pro —, voor den vorm.

Formaat (afmeting van papier, boeken, enz.), o. —maten.

FormaliHeeren (zieli) (zich beleedigd achten] zijn verwondering of misnoegen te kennen geven).


ocr page 110

FO li M ALITEIT -FHIS KEREN.

90

Formaliteit {uiterlijke vorm, gewoonte^ gebruik), v. —en.

Formatie U'ormin^. schepping), v. —ties. —tiën.

Formeel (uitdrukkelijk, volgens den vorm, nadrukkelijk), bn. en b\v.

Formeeren {vormen, voortbrengen), —der, m.: -illR, v.

Formiflahel (vreeset{ik, ontzaglijk, geducht), bn. en bw.

Foniiule (vaste regel, voorschrift, regelmaat), v. —s. Een algebraïsche —: een chemische —.

Formulier (voorschrift, model), o. —en.

Fornieatie (wulpschheid), v. ^mv.

ForiiuiN (kookkachel), o. —nuizen.

For.seii (krachtig), bn. en bw.: — lieicl, v.

Fort (sterkte, schans), o. —en.

Fort (sterk), bn.

Forte-piano (muz. eig.: sterkzacht), als zn. (klavier of piano met een demper, out het sterke en zachte van den toon uit te drukken), v. —'s.

Fortifieatie (vestingwerk, ook: de krijgsbouwkunde of versterkingskunst), v. —tiën. —ties.

Fortifieeren. lortilieeeren (versterken).

FortiMMimo (zeer sterk, op het sterkst), muz.

Forto (sterk), muz.

Fortuin (geldelijk vermogen), o. —en.

Fortuin (geh'k, lot), v. — zoeken, maken: op — varen: een soldaat van —: op goed —.

Fortuin (geluksgodin, Fortuna), v. gmv.

Fortuito {toevalligerwijze), bw..

Fonini (markt, gerechtshof), o. —s.

FoMMiel (versteend, uit deu grond gedolven), bn.

Fogt;«Hili(;n [mineralen, delfstoffen der voorwereld). v. mv.

Foulard (zekere Indische zijden stof: ook een zijden zakdoek), in. —s.

Fon Ie (menigte, volkshoop, geil rang), v.

Fourage {voeder), v. O/* — uitgaan (oorl.).

Fourageeren (levensmiddelen of fon rage opsporen en halen)

Fourbe (schurk, bedrieger), tri. —s.

Fourherie (list. streek, schurkerij, schelmerij), v. —en.

Fourgon {rijtuig met een gaffeldissel, overdekte pakwagen, voorraadwagen), m. —s.

Fourier (onderofficier, die voor de inlegering, wapening, fourageering. enz. der compagnie zorgt), m. —s.

Fourini'leereii {wemelen, krioelen).

Fourneeren {verschaffen, verzorgen).

F^ourniHHement (inleg, storting, bijbetaling), o. —en.

F'oumfcseur (levo'ancier), tn. —s.

Fournitunr geleverd wordt), o. —uren.

Fout (misslag), v. —en. Ik kom zonder —, d. i. zeker, bepaald.

Foutief' (met fouten), bn. en bw. Een —ve oplossing.

Foyer (haard: in schouwburgen de koffie- enz. kamer), m. —s.

Fraai. bn. en bw.: —lieid, v.

Fraaiigheid, v. —lieden.

Fraaitjes (zeer lief), bw.

Fraetie (breuk, deel van een geheel of van een partij: schrift, met gebroken of hoekige letters), v. —tiën.

Fragiel (breekbaar, bros), bn.

Fragiliteit (breekbaarheid, brosheid), v. gmv.

Fragment (stuk. brok. uittreksel), o. —en.

FragmentariMeli (bij fragmenten), bn. en bw. De geschiedenis — behandelen.

Fraielieur (frischheid, levendigheid van kleur in de schilderkunst), v. gmv.

Frak (dichtstuitende, inzonderheid zwarte, gekleede rok), v. —ken.

FramhooM (bes. vruchtje), v. —bozen. Fraiilt;;ai«e (Fransche vrouw of jonge dochter), v.: a la —, op zijn Fransch. F'raneliement (vrijmoedig,onbewimpeld,openhartig. rondborstig), bw.

FraneiMeaan (pater in bruine pijn), m. —nnen. Fraueiseaner, bn. Een —monnik. Franeiseeren (verfranschen, een Franschen vorm geven). [cons.

Frane-mac.Mm (vrijmetselaar), m. francs-ma-F'rane-ma^onnerie (vrijmetselarij), v. gmv. Franeo (postvrij, vrachtvrij), bn. en bw. Franje {boordsel), v. —s. Een gordijn zonder —s. Fig. beuzelpraat.

FVank {ongedwongen), bn. Alleen in de spreekwijze: vrij en frank.

Frank (volksnaam), m. —en. Inval der —en, d. i. der Vrijen.

FVank (zilvermunt in Frankrijk en België, in waarde gelijk aan ± 48 van onze centen), m. —en.

Frankeeren (vracht- of postvrij maken)', —ing, v.

Frankifteli. lm. Het — rijk onder Charlemagne (768—814).

Fran?M Si, bn. (en als zn. voor —e taal, o.). Fransche (een — datne), v. — n.

Fransche titel (verbasterd uit voorhandsche titel; de verkorte voor het titelblud gedrukte titel van een boek), m. —s.

FranHcliman. m. (mv. Franschen).

Fransijn (perkament), o. gmv.

Frappant (treffend), bn. Een —e geschiedenis. Frappeeren (treffen, verrassen, bevreemden). Fraterniteit (broederschap), v. Fr. fraternite. Liberie, egalite en —. leus der groote Fransche revolutie.

Fratsen (grillen, praatjes, grappen, aardigheden), v. mv. Jongen, hou toch op met je —: maak maar zoo veel — niet!

Fraude (bedrog, overtreding), v. —s. Hj werd wegens — veroordeeld, d.i. wegens smokkelarij. Fraudeeren (zich aan overtreding schuldig maken).

Frauduleus (bedrieglijk), bn. en bw. Een — bankroet

Frees {geplooide kraag), v. freezen.

Fregat {snelzeilend oorlogschip), o. -ten. Frequent (menigvuldig: sterk bezocht), bn. Frequenteeren {bezoeken, bijwonen).

Fresco, o.—'s. Een schoon —. muurschilderiiig. Fret (zeker dier om konijnen te jagen: cok een kleine boor), o. —ten.

Fretten onet het fret jagen), ik heb gefret. Freule (adellijke dame, jonkvrouw), v. -a. Fricassee (zeker vleeschgerecht; klein gesneden vleesch met een saus), v. — s.

Fries (hoofdlijst), v. friezen.

Fries (volksnaam), m. Friezen.

Friescli. bn. (en als zn. voor —e taal, o.). Friesland, o.

Friezin (Friesche vrouiv). v. —nen. Frikkadel (bal van gehakt vleesch), v. —len. Frimaire (rijpmaand, van 21 November tot -20 December), m.

Fripan (schurk, bedrieger), m. —s. Friponuerie (schurkerij, boevenstuk), v. —s, Friscli. bn. en bw. J—en.

Friseeren (kru Hen, het haar tooien: opkappen).


ocr page 111

FRISEIJK—GAARKOK.

91

Fnseiir (kapper), m. —s.

Frisolet (vloszijden lint), o. gtnv.

FriMMon (hnivering, rilling), o. —s. FriMsoiiiieereii (huiveren, rillen, beven). FriHiinr (kapsel), v, —uren.

Frituur (hrain gebakken vleesch, enz.), v. Frivole (ijdel. nietig, wispelturig), bn. Frivoliteit (ij delheid. beuzelarij, lichtzinnigheid), v. —en.

Fronniiel (kreuk), m. —

Fromiiieleii (kreuken, ineendrukken), ik heb gefrommeld: —aar. m.: ing. v.

Frons. IVoiiHel (kreuk, rimpel), v. —en. FroiiNel (plooi), v. —s.

Fronsen (rimpels trekken), ik heb gefronst; —ins. v.

Front (voorhoofd; voorzijde van een gebouw; eerste gelid), o.; - maken, het hoofd bieden;

— slaan, vertoon maken.

Frontieren (grenzen), v. mv.

Frontispiee (i'oorlt;/eve/),v. —n, ook: —pies,o. —piesen.

Fronton (boog boven een deur of een schuifraam), o. —s.

Frotteeren (wrijven, boenen, poetsen). Fnietidor (vruchtmetand. ooftmaand, van

18 Augustus tot 10 September), m. Fnirtificatie (vruchtbaarmaking, bevruchting), v.

FrnetnariiiH {vruchtgebruiker), m. —sen. Frugaal (matig, zuinig), bn.

Friiu;aliteit (matigheid, spaarzaamheid, onthouding). v.

Fruit (ooft), v. en o. —en.

Fruiten (kruiden), ik heb gefruit. Het vleesch

— : —ing, v. —|gt;;m. v.

Friistreeren (verijdelen, teleurstellen).

Fiiga (kunstig twee- of meerstemmig toonstuk,

waarin een keurig», welluidende gedachte heerscht, die telkens herhaald wordt), —'s. mu/. Fuik (vischtuig), v. —en. In de — geloopen,

zijn, verloofd zijn, getrouwd zijn.

Fulminant (dreigend, hevig), bn. Fiilinineeren (razen, tieren, vloeken.schelden). Fulp {fluweel), o. gmv. Ook: felp.

Fuiniu;atie (berooking. rook- of dampbad), v. Fuui iseeren (berooken).

Fun (guit, schurk), m. nen. vero. I—n. Fiinainhule. fiinainbulist (koordedanser), m.

Functie (ambtsverrichting; bediening, ])ost, ambt), v. —tiën, —ties.

Fundanient. riindeinent (grond, grondvesting), o. —en.

Fuiulftinenteel. ruiifliiuientaal (ten grondslag liggend, voornaamst), bn.

Fundatie, londiitie (stichting, gronding', grondlegging), v. —tiën, —ties.

Fundeereii {stichten).

Fundeerins, fund iineiit {grondslag, grond). v. —en.

Funeriilièii (begrafenisplechtigheden), v. mv.

Fune.Ht (verderfelijk, rampzalig, noodlottig).

Funseeren (dienst doen). [bn.

Fiireur (woede, razernij, verwoedheid), v.

Furie (grimmigh id. woede, hevige gemoedsbeweging; een twistziek, boosaardig wijf), v. —riën, —J'ies.

Furieus (verwoed, uitzinnig, woedend). I)n.

Furioso (hevig, sterk), muz. [en Inv.

Furore maken (veel opgang maken, luiden of grooten bijval inoogsten).

Furtiel' (heimelijk: diefachtig, steelsch), bn. en b\v. ^

Fusie (ineensmelting: smelting, gieting, bijzonder metaalgieting: ouk: vereenig ing van instellingen of partijen), v. —siën.

Fusilade {geweervuur), v. —s.

Fiisileeren (doodschieten).

Fusilier (soldaat, voetknecht), m. —s.

Fust (groot wijnvat), o. —en. Wijn op

Fustage (vaatwerk), v. gmv.

Fusteiu. instijn (zekere stof), o. gmv.

Fustie (alle onzuivere afval: het beschadigde, onbruikbare van waren), v.

Fut (kracht, sterkte), v. Iemand zonder —: 7 is alles —, d. i. vergeefsch.

Futaille (een klein wijnvat: zulk een dat men over een ander doet. vervoervat), v.

Futiel (nietig, nietsbeduidend, armzalig), bn.

Futiliteit (nietigheid), v. —en.

Futselen (beuzelen, talmen), ik heb gefutseld: —aar, m.: —inu;, v.: —arij, v.

FutseUverk (beuzelarij), o.

Futuur (toekomstig), bn.: (als zn. aanstaande, verloofde, bruidegom), m.

Futiiruin (toek. tijd in de grammatica), o.

Fiiuiii djdelheid, pralerij), in. gmv.

Fuut (duiker, zwemvogel), m. futen.

li'


lt;«, v. —'s. De zevende letter van het alphabet. Benaming van den vijfden toon in de muziek, sol. Als Romeinsch cijfer merk beteekent G460i lt;■. — Genius, genus, gloria (7.ie deze woorden).

of — (op recepten) Gummi. gom. (■.Hl. of («lor. Mem. — Gloriosae Memoriae, roemrijker gedachtenis.

«I. of (gt;ld. - Gulden.

lt;ia (gade), v.

(■aal' (gave), v. gaven.

liaalquot; (ongeschonden), bn. en b\v.: — lieid, v.

iüiiai (vogel), m. en v. —en.

lt;ilaaieii (paren), ik hebgegaaid; —ing. v.vero.

(■aaike. —n (vogel), o. —s, —ns.

(■aan, ik ging, ben en heb gegaan.

(«aande. bn. en d\v.: — houden, in beweging houden: iets — maken, aan den gang maken, b.v. een twist

(■aanderij (galerij), v. —en.

(■aandeweg (allengskens), bw.

(■aar. bn. en bw: —lieid. v. Fig. Hij is niet goed —. hij is half onwijs.

(■aard (dicht, tuin), m. —en.

(■aardenier (dicht, hovenier), m. —s. (■aarder, m. —s. lirieven—, tol—, d.i. beambte, (■aarkeuken (spijshuis, restaurant), v. —s. (■aarkok, m. —s.


ocr page 112

G A A RN E - GA IJ N ALEN 13 ROG D J E.

92

Cüaariic (met genoegen), b\v.

Gaa» ((hm en open weefsel ran garen, zijde, goud. zilver, enz.), o. gazen.

(■aatje, o. Zie (*at.

(■ahaar ol' gabarre (zekere schuit, praam), v. Ciahel (tol op een rijksweg), v. —len. (■ade (gelijke, echtgenoot), m. en v. —n. (■ader (tegt; (gezinnenlijk. rcrccnigd). bw. (■adereiK rcrzamelen).'\k heb gegaderd: — iiig,v. (■adergeld {collecte), o. gmv.

(■a«le*tfaaii (oplettend beschouwen), ik sloeg gade. heb gadegeslagen.

(iitdins; (lust, genoegen), v. Dit ia van mijn—. (■aflel (tweetandige hooirork, rondhout, dat met een gevorkt achtereind tegen den mast steunt en waaraan het zeil hangt), v. —s. (■affelanker (tnianker). o. —s.

(iadVIdiHNel (inspan voor et-n p ard).w\. —s. (■a Hel kruid (tui hl wormkruid), o. gmv. (■age (bezoldiging, jaarwedde: pensioen van oade of verminkte soldaten), v. —s.

(■agei (welriekende heester of Brabantsche mirt, m.: gehemelte van den mond), o. —s. (•asuelen (kt kei en van gonzen), ik heb ge-ga ggeld. Ook: gagelen.

Gail'Jard (vr ooi ijk. lustig), bn. en bw. (■al i Galliër), m. —len, — liërs.

(■al (knobbel of gezwel, aan het kootgewricht der paarden), v. —len.

(■al of (ialle (bitter vocht), v. gmv. (ial (gebrek in gegoten ijzer), v. —len. (■ala (hofpracht, staatsiekleed: hol feest), o. Groot —. zeer luisterrijk feest; in — zijn, in feestdos zijn.

(■alaut (gedienstig, wellevend, verliefd, minziek). bn.

(■alant ( vrijer: beminde, ver He file), m. —en. —s. (■alanterie (holfelijkheid. wellevendheid, vooral tegenover dames), v. —en.

(■alaiiterieen (artikelen van (veelde), v. mv. (■aleaN. galjas (een Venetiaansch oorlogsvaartuig). v. —sen.

(■alei {vaartuig of roeischip; ook een zetters-zetplankje). v. —en.

(■alerij {tribune), v. —en. (■als (strafwerktuig), v. —en.

(■ialgebrok (persoon), rn. —ken.

(■afgemaal [laatste maal), o. —malen. (■algenaaN (snoodaard), o. —azen. (■algetronie (schurkentronie), v. —s. GnWmniUiH(brabbeltaal), o. Zie (■allimatiiiaM. (■aljaM v. Zie Galeae.

(■aljoen (Spaansch vaartuig uit de 77e eeuw met drie of vier mitsten en h iog boord), o. —s. —en.

(■aljoot (een platbodennl koopvaardijschip), y. —joten.

(■allen {reinigen van de gal b.v. een visch). ik heb gegald. Hij weet de bot te —, d. i. de zaak te redderen.

(■allieiMine (Fransch taaleigen', eigenaardige Franse he uitdrukking), o. —n.

(ialliinatliiaH (wartaal, onzin), o. gmv. (■alliseli (van of uit Gal Hé), lm.

(■alloclie.H (overschoenen; houten schoenen, klompen), v. mv.

(■alm (weerklinkend geluid), m. —en. (■almeii. ik heb gegalmd; —ing;. v.: —gat

(aan een toren), o.

iu\\u\\(borduursel.goutl- of zilver franje),o. —s. (■aloiiiieeren (met gomldraad stikken of borduren: met galons uitdossen).

(■alop (snelle gang van een paard), m. —s.

Galoppade (zekere Engelsche dans; ookduns-muziek van den galop), v. —s.

Galoppeeren (de galoppade dansen: in galop rijden).

Galoppen (galoppeeren), ik heb gegalopt. (■alpen (weenen, huilen, janken), ik heb ge-galpt: —ing, v.

(■alvaniM'li (van of betrelfende of door het gal vanisme), bn.

GaUaniseeren (galvanischestroomen dooreen lichaam voeren, het langs galvanischen weg bedekken met een laagje metaal). IJzerdraad —. d. i. het met zink omkleeden. GalvaniMine (chemische electriciteit). o. gmv. (■alvanoplaNtick (afbeelding door middel van een galvanischen stroom), v. gmv.

(ialziek (itan galziekte lijdende), bn.

Gam he (een knieviool: met de knieën vastgehouden wordende bas), v. muz.

Ganihiet, Gambit (een misleidende zet in het schaakspel), v. —en.

Gamin (Straatjongen, ondeugd, guit), m. —s. (■anima (loonladder, toonschaal), v. —s. Gang (loop), m. —en.

Gang (gaanderij, doorloop, deel van een huis), v. —en.

Gangbaar, bn. koers hebbend van munten: een

—bare uitdrukking, d. i. gebruikelijke uitdr. Gangboord, o. —en; —pad, o. —en; -spil, o. —len.

Uitiiuvf (dief, schelm), m. —nefen en —neven, (■an^ (zwemvogel), v. —zen. Een — van een

vrouw, meisje, onnoozele.

(■aiiMeli (algeheel), bw. De —e stad. (■anteeren (handschoenen aandoen of aanhebben ).

(■anymeed {lieveling van Jupiter, schenker), Gan/.ebont, m. —en. [m.

Ganzelever, Ganzenlever, v.

(ian/.enbord (bekend spel voor kinderen), o. —en.

Ganzenei, o. —eren.

Ganzenlia^el {grove hagelkorrels), m. gmv. (■anzerik (plantk. zilver kruid), v. gmv. Ganzerik (mannetjesgans), m. —en.

(■apen, ik heb gegaapt; gaapster, v.; gaper. m. Het is zoo heet. dat de musschen op het dak zitten te —, d. i. snikkend heet: wat sta je daar weer te —. nieuwsgierig alles af te spieden.

Garaneine {meekrap, verfstof), v. gmv. Garandeeren, Garanteeren (borg blijven). Garant {borg), m. —s.

Garantie (waarborg, borgstelling, borg toch t).v. Gar(;on (vrijgezel: koffiehuis knecht, tafelbediende), m. —s.

Garde, Gard (roede), v. garden.

Garde (de wacht), v.; — du corps, lijfwach:; —champetre, veldwachter: —fou, hek, leuning: —ma lade. ziekenoppasser; —chasse, jachtopziener: — nationale, burgerwacht. (Garderobe (kleerkast; k leer en voorraad), v. —s. UiW'iVuxiwx (opperste of prior van een klooster).m. (■areel (leer en halsgordel), o. —en. Een trekdier in quot;t — slaan, voor den arbeid gereedmaken. Fig. In't — loopen, arbeiden, zwoegen. Garen, o. —s.

(■aren {verzamelen), ik heb gegaard.

Ga li' (schoof), v. —ven.

Garmond (zekere druklettersoort), v.

Garnaal (klein zeediertje), v. —nalen. Garnalenbroodje, o. —s: —pasteitje, o. —s: — vrouw (ventster), v. —en.


ocr page 113

GARN KEREN—GEDACHTIG.

93

Ganieereii (opschikken, tooien; van O))leisels voorzien; voeren, stoffeeren); — iiiif. v.

Gami {gemeubileerd), bn.: en —. op gemeubileerde kamers.

(■arntaair (soldaat, die voor luanbetaling der belasting ingelegerd wordt), m. —en.

Ciarintniir. iiariiecrin^ iornzooming, versiering); alle tot een kleed behoorende .stukken; een vol led i / stel diamanten), o. —uren. —en.

Ciarnizoeii (bezetting eener vesting), o. —en.

CaariiizoeiiMkoiniiiaiiclaiit. m. —en.

Gar.st. (ierst (graangewas), v. gmv.

(■arntig; (vettig, tranig, bedorven), bn. en bw.;

— v.

Garven (in garven binden), ik heb geg.irfd;

— ver, m.; — vlns, v.

Gan (Ilichtstof, ontbrandbare lacht; kunstlicht), o. —sen.

GaM'OKiier { 'iemand uit Gascogne in Frankrijk; fig. bluffer, zwetser.gi oots/ireker), rn. —s.

Gasconade (pralerij, snoeverij, grootspraak). v. — n.

GaHineter. m. —s.

Gast (iem. dien men onthaalt), m. en v. —en.

Gastereeren. («astreeren (smullen).

GaMterij (het brassen), v. —en.

Gastrisch (wat de maag. den buik aangaat), bn. —e koortsen.

Gastramaiiie (verslaafdheid aan eten en drinken), v. gmv.

Gastroiiainie (lekkerbekkerij; fijne kookkunst), v. gmv.

Gastronoom (lekkerbek; fijne kok), m. —nomen.

Gastvrij (gul. mild in het onthalen), bn. en bw.; —heid, v.

Gat (opening), o. —en: gaatje, o. —s.

Gat (achterste), o. —ten: —je. o. —s.

Gaten (van gaten voorzien), ik heb gegaat.

Gaiiehe (links, scheef, onhandig, ongeschikt), bn. en bw.

G a 11 e li c r i e (01 igesch i ktneid, on belt o I//enhei d, lompheid), v. gmv.

Gaiicleainiis (loten irij v rooi ijk zijn).

Gaiifliinn (vreugde, blijdschap, pret), o. gmv.

G a ii I reeren (met fig arm i teekenen. fij11 plooien).

Gauw (snel), bn.; -heid, v.: -ikheid, v.

Gauwdief' (doortrapte dief), rn. —dieven; —dieverij, v. —en.

Ganwerd'(Wm/.'/ert/). m. —s.

Gave (talent), v. Zie Gaaf'.

Gavotte (een klein, vroolijk dansstuk in een kwartmant; de dans zelf), v. —s: muz.

Gazel (zeker hert), v. —len.

Gazette (nieuwsblad, krant), v. —n. veio.

Gazometer (gasmeter), m. —s.

Gazon (graszode; groen grasperk of graf-vlakte), o. —s.

Gazonneeren (met graszoden beleggen, tot een grasperk makrn).

Geaard (den aard hebbende), bn.: —heid, v.

Geahi nieerd (bedorven), bn.

Geabonneerd, vd. //.quot; ben op dat werk d. i. ingeteekend.

Geacheveerd(y'o^oo/d.w/emcMyf/; uitstekend), vd. en bn.

Geaderd, bn. — marmer.

Gearmd (arm in arm), bn. Zij gingen —.

Geassureerd (verzekerd), vd. Tegen brandschade —.

Gehaar (beweging met handen, armen. oiz.). o. gebaren.

Gebarenkiinst, v.; —spel. o.; —taal. v.

Gehcd. o. —en.

Gebedel (het. bedelen), o.

Gebedenboek, o. —en.

Gebeente (geraamte, stoffelijk overschot:

schertsend: lichaam), o. —n. Wee je — ! Gebergte, o. —n.

Gebeten (vergramd, vertoornd), bn. Gebeuren (voorvallen), het is gebeurd. Gebeniiijk (mogelijk), bn.: —heid, v. Gebeurtenis (voorval, feit), v. —sen.

Gebied. o. Het — des konings; het — voeren;

onder iemSs — staan.

Gebieden (bevelen), ik gebood, heb geboden: —er. m.

Gebiedend, bn. De —e wijs (spraakk.); of —en Gebint (gebinte), o. —en. [toon.

Gebit (de tanden), o. —ten.

Geblaard (met een vlek voor den kop. bij dieren), bn. Een —e koe.

Gebloemd (van bloemen voorzien), bn. Een

—e kamerrok: — damast.

Gebloemte, o. Het — der lente.

Gebocheld, bn. Een — manneke.

Gebod (bekendmaking; voorschrift), o. —en. Het eerste, tweede, derde —. d. i. huwelijksafkondiging; onder de —en staan, in ondertrouw zijn: het — van den meester; de —en Geboefte (een troep schelmen), o. [Gods. Geboerte (boerenstand), o.

Geboomte, o. Een park met hoog —. Geboord (vd. van boorde}) en van boren). Geboorte, v. — n. Voor of na de — van Chr. Geboortenresister (legger op den burgerlijken stand), o. —s.

Geborneerd {beperkt, bekrompen), bn. Geborsten (gebersten, gebarsten), vd.

Gebots (gestoot. gebons), o. gmv.

Gebouw, o. —en.

Gebraad (gebraden vleesch), o. gebraden. Gebrabbel (brabbelarij), o.

Gebrek, o. —en.

Gebrod (geknoei), o. gmv.

Gebroddel (broddelarij). o.

Gebroed (gebroedsel), o. Slangen—. Gebroeders, -deren. m. mv.

Gebroedsel (een nest met jonge vogels). Fig. jong ged'n rte; een menigte gering volk. Gebronilleerd (in onmin), bn. Die heeren Gebrni {geplaag, gezanik), o. gmv. [zijn —. Gebruik, o. —en. Een oud —. d. i. oude zeden: een vaderlandsch —: het — van goede schrijvers; in — komen, in zwang komen. Gebnnr (buurman), m. geburen. Gebnnrscha|gt; (baart), v.

Gebuurte (de omliggende huizen), v. —n. lt;aeconiiiiitteerde {gemachtigde, afgevaardigde), m. — n.

Gecompliceerd (ingeivikkeld), bn. Een — vraagstuk.

Geconfedereerden (bondgenooten). m. mv. Gecontrarieerd (tegengewerkt), vd. Gecontrasisneerd (mede-onder teekend), vd. Gecostnineerd (in zekere kleederdracht gedost), vd. Een —e optocht.

Gedaagde (gedagvaarde, voor de rechtbank geroepene), m. en v. — n.

Gedaante (vorm, gestalte), v. — n.

Gedachte, v. —n. —loos. —loosheid. Gedachtenbeeld, o. —en.

Gedaclitenu;an«; (loop der gedachten), m.ginv. Gedacbtenis (omulenken), v. —sen. 4iedachtenwisselinamp;; (gesprek), v. —en. (■edachtiu; (denkende aan), bw.


ocr page 114

GEDECIDEERD—GEIL.

94

(■edeeicleerd (vastberaden), bn. Eea — antwoord.

lt;ilelt;lecMgt;reerd (versierd, inzonderheid meteen ordeteeken), bn. en vd.

(■edegrndeerd (verlaagd), bn. en vd. Ciedeelfe (deel), o. —n.

(■edeelteiijk, bn. en b\v. Een —e afbetaling. (■edegen (zuiver), bn. — goud. ziIver, kwik. d. i.

niet scheikundig verbonden met andere stoffen. Ciedelegeerde (afgevaardigde, lt;je machtig de), m. — n.

(icdeiikon (herinneren), ik gedacht, heb gedacht. Fig. bijstaan: Gedenk den arme. Cïedeport^erd (naar een strafkolonie géban-nen), bn.

liedeporteerde (banneling), m. en v. —n. GedejMileerde (afgevaardigde), m. —n. Ciledetailleerd (omstandig, breedvoerig), bn. Een — verslag.

lt;«edeiiii (zwaar geluid, gedaver), o. gniv. (■edirlit. o. —en.

(ied k'h tsH (ïM}h.gedar}iti'i}.gepeins).Q.—en,—s. iiedicude (geoefend soldaat), m. —n.

bn. en bw.; —lieid. v. lt;MMlieiiNtiy;c, m. er. v. —n.

CiiMlitM'te, o. —n.

liedijcn (voorspoedig groeien), het is gedijd. Gestolen goed gedijt niet.

(«edins; (pleit, rechtzaak, twist), o. —en. CiediHfi|»liiieerd(rtrtnorrft''*u t acht gewend), b n. (■cdiHtiiiKt'crd (voornaam, fatsoenlijk), bn. (■edoe(hofttede,hoeve),o. F\?.drakte,beweging. (üedoeii (getier, leren, hoeve), o. Ook: gedoente. liedoiiiH'ilieenl (gevestigd, woonachtig), bn. lt;iledlt;»(»s;«Mi (verduren, lijden, dalden), ik heb gedoogd: — iiig, v.

(■cdrag. o. —ingen. Een goed, slecht —. (MMlragcn (xicli), ik gedroeg mij, heb mij gedragen.

(iedragNlijn (wijze van handelen of doen), v. Ciedraiig (het dringen), o. gmv.

(•edresseerd (afgericht, van honden, gaarden, enz.: ook ran dienstboden,soldaten), bn. en vd. (■edrociit (schijnbeeld; ondier, wanstaltig mensch), o. —en.

CRtMlroflitelijk (leelijk, monsterlijk), bn.; — Iieid, v.

(■pdiicht (vreeselijk. vreesaanjagend, eerbiedwekkend), l)ii. en bw. —lieid, v.

lt;iediild,o. — oefenen, nemen, vinden. Spreekw. Het — overwint alles.

(■edwee (tam, lijdzaam), bn.; —lieid. v. (MMlwoiigen (stijf, gemaakt), bn. en bw.: — Cieel* (te) (om niet), bw. [Iieid, v.

Cüeel. bn. en bw.: — lieid. v.

(■eellmiHtje (vogel, spotvogel), o. —s. Geelkeeltje (vogeltje, vijgeneter), o. —s. CieeiziK-hf (galziekte), v. gmv. lt;MM;iiiaii('i|MM'i'd (vrijgelaten, vrijgesteld), bn. (•«M'inployeerd (gebruikt: aangesteld), bn. Caeêinployeerde (bediende, beambte), m. —n. Cüeèiigagêerd (verloofd% verbonden), bn. Cieêngageerden, m. mv.

(■eeiiMziiiM (in geenen deele, volstrekt niet), bw. Cüeep, geepe (zeevisch), v. gepen.

(•eer (een jdant). v. gmv.

(•eer (een strook linnen; ook dolle bui).v. —en. (•eeren (schuins loopen; ook afhouden, zee-ma nsw.). ik heb gegeerd.

(»ee*el (tuchtzweep)^ m. —en of —s. (■eeMe!eii (tuchtigen), ik heb gegeeseld. (■ee?»t (zandig land), v. Zij gaan naar de —; gew. gaast.

Cieewt (ziel; geestverschijning), m. —n. (■eeHtdril't (zielsverrukking), v. gmv. («eeHtelijk, bn.; — lieid, v.

(■eeNtelijke (priester), m. — n.

(■eestendom. o.: —leer. v.: —rijk, o.: — we-(■eeHteHrirliting (denkwijze), y. —en. | reld, v. (ieeatifs; (vernuftig), bn.; —lieid.v.: —lijk.bw. (■eeuw (het geeuwen), m. —en. Een — onderdrukken, bedwi ngen.

(■eeuwen, ik heb gegeeuwd: —er, of —erd, m.: — iug, v.

(■eeuwhonger (eig. gee-honger; felle honger), (ielarceenl (opgeruid.b.v. van worst), bn. lm. (Gefingeerd (verdicht, verzonnen), bn. (ielnreeerd (gedwongen), vd. en bn. Een — bezoek.

(■eruHuneerd(ry'fc. ver mogend) Jzn. Een — heer. (■egadigde (belanghebbende), m. en v. —n. (iegeveii (wisk. bekende), o. —s.

(■eginnegah, —gap (spottend gelach), o. Het ginnegabben, —gappen.

(■egned (bemiddeld), bn.; —lieid. v. (■egi'aduêerd (een academischen graad hebbend). bn.

Gegradueerde (iemand die een academischen graad bezit), m. — n.

(■egrond (op goeden grom! steunend), bn.:

— heid, v.

(■eliaUt (fijn gehakt vleesch), o. gmv.

(■ehalte (iniutad, deelen fijn), o. Een hoog —; het ware —; — aon iets geven, kunstwaarde geven aan: —hebben, waarde hebben. (■eliandHclioend, bn. Een deftig, — heer. (■eliard, bn.: —lieid.v. Een — gestel. Uchaaoi. (•eliarnaNt. bn. en bw. Een — ridder. (■eliaHMebiiH (gekijf), o. gmv.

Gehecht, bn. De hond is — aan zijn meester. heid, v.

Geheel, o. —en; ook: bn. en bw. — de stad; Geheim, o. —en. [— vrij.

Geheini, bn. Een — verbond, een —e bijeenkomst.

GeheimeniH (verborgenheid, duisterheid), v. —sen.

Geheiiiizinnig (raadselachtig), bn.: —heid, v. Gehelmd, bn. Een — krijgsman.

Gehemelte (mondholte), o. —n.

Geheng (hengsel), o. —en.

Gehengen (gedongen), ik heb geheugd. Iets moeten —. d. i. dulden, lijden toelaten. Geheugen (herinnering), o. gmv.

GehengeniM (herinnering), v. vero. (■ehoelMlaagde (ingeland), m. —n.

Gehoekt, bn. Een —e steen.

Gehoor (zintuig), o. — krijgen, d.i. gehoord worden: muzikaal — hebben, aanleg voor de muziek hebben: — weigeren, niet willen aanhooren: een talrijk —, toehoorder.--. Gehoorig (waar olies hoorbaar is), bn. 't Is

hier zeer —heid. v.

Gehoornd, gehorend (van horens voorzien),bn. Gehoorziiaiu, bn. en bw.: —heid, v. Gehoorzamen, ik heb gehoorzaamd. Gehonden (verplicht), bn. —heid, v.

Gehiieht (baart, verzameling van hofsteden), o. —en.

(■ehuisd (een huis bewonen), bn. Ze zijn ruim —.

Gei (scheepst. loopend toaw), v. —en.

(■eiblok (scheepst. katrol), o. —ken.

| Geien (scheepst. de zeilen inkorten), ik heb gegeid.

i Geil (dartel, wulpsch), bn. en bw.: —heid, v.


ocr page 115

GEÏLLUSTREERD—GELOOVIGE.

95

(■eïllusfreeid (met platen opyesierd), bn. (■ehiHter (vonk), m. —s. Ook: yenster. (■eïiitercHMecrd {Introkken.hi-ld'nuhehbt'tKD.hn. lieÏHtileerjl {dfuezomlenl, cenznam), bn.

v. —en. Fi-r. melkmuil.

(•eiteleer, —nlerr, o.

fieitciiltaard ifcn plant, rcinetle), v. C«eiteiilgt;l;i(l (kam per foelie), o. gmv. (■eitenliaar, o. —aren.

(■eitcnlioedfr {fierder), m. —

(■eiN'iiklfner (zekere plant), v. gmv. lt;M'iteiiiiielker (nachtzwaluw), m. —s. (üeitenooi;. o. —en.

(■eife\el, o. —len.

(■eitfvleewcli. —nvleeseli. o. gmv.

Iiiek (zlt;gt;t. dwaas. bn. en bw.; —heifl, v. (iek (zinnelooze. krankzinnige), m. —ken:

— kin. v. —nen: —liefje, o. —s. lem. voor den — hoaden, den spot drijven met: den — met iets honden' er mede spotten: den — scheren, met lem. den — scheren, spotten, met: al te yoed is bnunnans —: de —ken krJijen de kaart: een — kan meer vrat/en dan honderd wijzen knnnen beantwoorden: voor — spelen, een potsenmaker zijn: hij draayt den — in de mouw, hij verbergt zijn dwaasheid.

(«ckaiiKl {van een kam ei torzien), bn. Een —e haan, hagedis] een — helm.

(iieka*t (lt;i''zet. van diamanten), bn.

(■ekcpenl (met een keper (je we ven, niet effen), bn. —e stoffen.

liekkelijk (bespottelijk), bn.: —liei»l, v. (•ekhink (het klinken), o. gmv.

lt;ileklau\v ((/ekrttb), o. gmv.

(■ekleeil, bn. en vd. Een —e jas; een —epop; hij heeft de armen —.

Geklikklak nek let ter), o. Het — der wapens. (■ekoeter (kromspraak), o. gmv. (■ekaeterwaal. o. gmv.

fiekroe.Ml (dicht ineenuekrald), bn. — haar, —•' wol.

4ieki'(M»kt (yeknakt), bn. Het —e riet. (■ekniiltl (ijekrald). bn. vero.

(■ek.Heliercn (dm spot dl ijl'en met), ik heb gegekscheerd; —«elieerder, m.

(■ek.Hkap (narrenkap, zotskap), v. —pen. (■ek.Hkai) (zot, zottin), m. en v. —pen. fiekiiilVl. bn. Een —e leeuwerik.

(■ekuiselit ((jezuiverd, kiesefi), bn.: —lieid. v. Gelaarsd, lin. De —e kat (vertelling van Moeder de Gans); — en (jespoord, geheel reisvaardig.

Gelaat (wezen, uiterlijk), o.: —kenner, m.;

— kniifle, v.: —skh-nr, v.: —strek, m. —ken. Op iem.s — iets lezen: met ernst np het —: met ainjst op fiet —; het — is de spiegel der ziel.

Gelau; ((tezamen I ij f: verteer), o. —en. Hit — betalen, fig. de straf voor anderen dragen; voor het — blijven: vrij —. vr e vertering; aan het — deelnemen: van het — zijn; —en zetten, drinkpartijen aanrichten.

Gelag dot), o. Een hard —. lot: een zwaar —. Gelakt (met lak vernist), bn. Een — tafeltje. Gelawten (bevelen), ik heb gelast.

Gelaten (xieli) (zich voord ien, zieft aanstellen, vertoonen, een hotidig aannemen), ik geliet mij. heb mij gelaten.

Gelaten (kalm, berustend), bn.: —lieid, v. Gelatine (dril, gelei, verdikt sap), v. gmv. Geld (munt. ruilmiddel, waardemeter), o. —en. Gelden, ik gold. heb gegolden.

Geldig; (wettig), bn.; — lieid. v.

Geldschieter, m. —s: —scliieting;, v. Geldswaarde, v.

Gelederen, o. mv. van Gelid.

Gelediim; (verbinding van leden), v. —en.

Geleerd, bn. en bw.: — lieid, v.

Geleerde, m. en v. —n.

Gelegen, bn. Arnhem is — aan den Rijn.

Gelegenheid, v. —heden. Ltf — maakt den dief.

Gelegenlieidsgedielit, o. —en: —preek, v.

—en: — *ers, o. —verzen.

Gelei (gestold nat, dril), v. —en.

Geleibiljet, o. —ten.

Geleibrier, m. —brieven.

Geleide, o. Onder het — van.

Geleidelijk (geregeld), bn. en bw.: -beid, v. Geleiden', ik heb geleid: —er, m.: —ing, v. Geleidster, —star, v. —sterren. —starren. Geli *igeest (beschermengel), m. —en. Gelei-taart. v. —en.

Gelen (geel maken), ik heb en het is gegeeld. Geletterd (letterkundig), bn.: —beid, v.

Gelid (rij soldaten), o. gelederen.

Geliefd (bemind, gezocht), bn.

Geliefde (beminde), m. en v. —n.

Gelieven, m. mv.

Gelieven (behagen). Het heeft geliefd; het ge-} lieve n, enz.

Gelij ÉstalTierd (omringd door stafdragers), bn. Gelijk, bn.: —beid. v.: —elijk, bw.

Ge lijk (recht), o. Gij fiebt —.

Gelijken, ik geleek, heb geleken.

GeliJkeni.H (beeltenis, para'jel), v. —sen. Gelijkkloppen (door kloppen gelijkmaken), ik heb —geklopt.

Gelijkluidend (denzelfden klank hebbend), bn.;

—beid, v. Een — afschrift, d. i. een kopij. Gelijknaniig (van denzelfden naam), bn.;

—e. breuken, —e electriciteit: —beid, v. Gelijksc'baven, ik heb —geschaafd. Gelijknlaan. ik sloeg —, heb —geslagen.

G e I ij k * I a e b t i g (.'/c/// k soort ig. gel ij ka a rdig ),bn.; —beid, v.

Gelijksnijdeii, ik sneed —. heb —gesneden. Gelijksoortig, bn.; —e grootheden, d.i. van dezelfde soort.

Gelijkstaan, ik stond —. heb —gestaan. Gelijkstandig (wisk.), bn. De —e zijden van twee gelijkvormige driehoeken, d. i. de evenredige zijden.

Gelijkstellen (op een lijn stellen), ik heb —gesteld.

Gelijkstooten, ik stiet en stootte —. heb —gestooten.

Gelijkstrijken, ik streek —, hel» —gestreken. Gelij ktijdi:»;. bn.; —beid, v.

Gelijkvloers, bw. Het atelier was —. Gelijkvormig, bn.; —beid, v. Twee —e drie-hoeken.

Gelinieerde ttiet lijnen bet rokken ».bn.: — papier. Gellig (gallig), bn. Een — schaap.

Gelling (fiennepsoort). v. gmv.

Gelofte (vrijwillige verbintenis), v. —n. Gelof'tenis (gelofte), v. —sen.

Gebiken (gesloten), bn. Met — oogen.

Gelot»!'. o.: — sluan, — hechten: op goed — koopen. d. i. op vertrouwen; het Hoianscfie —, godsdienst: het Cfi rist el ijk —.

Geloofbaar (.7^/00/' verdienend), bn.; —beid, v. ^■eloofelijk. lm.; —beid, v.

Gelooven (voor waar houden), ik heb geloofd. Geloovig, bn. Een — christen: —beid, v. Geloovige, m. en v. —n.


ocr page 116

GELUID—GENIUS.

Cüeluid, o. —en.

Iieluiind (vcni humeur), hw. Guetl —.slecht (ielnk (tevredenheid, fortuin), o grnv. (■eliikken (yued idtrallen. nfloo/ten). het is gelukt.

lt;Mgt;liikkiu;. bn.: —Hik, bw.

GfliikwêiiM'li (heilnwnsch). m. —en.

heilikweiiMi-heii. ik heb gelukgewenscht;

-er. m.: — iiiff. v-Gelukzüli^ (overfieliiUhifj, voorspoedig), bn.;

-heid, v. Een — niemrjaar!

(■eliikzuekcr (nrontnrier). m. —s.

lieliiNttMi iliehd'ien, he lieren). het heeft gelust, (•einaakt {tjedironijen, stijf), l»n.: —IiohI. v. iieiiiaal (echttjenoot), tn. —s en gemalen. Ciemaal (gezanik), o. gmv.

lifiiiaal (het f/etnolene), o. gmv.

(■«'inaolit {sefnitnndeelen). o. —en. (■eiiiaclitigflp (zaalcyelastinde, afgezant), m. en v. — n.

Iiciii:ik. o. —ken. Doe het quot;/) mo —; hond vw het l,ct heimelijk —. bestekamer: een huis met vele —ken. geriefelijkheden, (■ciiia kkiliJU. bn. en bw -heid. v.

lt;MMifaliii [gade), v. —nen.

Genianierd {beschaafd, iveloitgevoed), bn.: —hoid. v.

(■eutar (getalm), o. gmv.

(«('iiiariiKMM'd (met zuar en uien ingemaakt ),hn. lt;ileiiiartel. o. gmv.

(ieniiiNkt'i'd. bn. Een — bal.

(ieinaMkccrd (gemaskerd: verbloemd, bewimpeld), bn.

bn. Een — mau, de —e luchtstreek: —in*id. v.

(specerij), v. gmv.

(iOiihmmi {.laag: gemeenschappelijk), bn.enbw. (■emecii lt;Im'0 'de lugr volksklasse), o. gmv. (ieiiuM'iH'bi'st (republiek), o. —en: —gezinde, m. en v. —en.

lüemeenlieid {laagheid), v. —heden. Iieineenlijk (in den regel), bw. (■eiiieeiiM-lia|). v. —pen. GeineeiiMeliappeliJk. bw. —e pogingen. GeineeiiMlaelitis:. bn.: —lieid. v. GeineeiiHinaii (volkstribuun), m. —lieden. Ciemeeiite dorp, kerkgenootschap). v. — n.

(■emeeiiteiiaar. m. —naren.

iieiiieeiizaatn, bn. en bw.: —heid. v. (■enielijk (knorrig, verdrietig), bn. en bw.;

— Iieid. v.

(ileiiicrkti ean een merk voorzien ),bn. — linnen. (■eiiiprkt (naardien, aangezien), vw.

lieinH (vlaktemaat ± Vj H.A.), o. —en. Ciemiddeld (dooreengenomen), bn. en bw. (■einijterd (een mijter dragende), bn. Een — hoofd, d. 1. een bisschop.

(■emiH (gebrek), o. ixmv.

(«emoetl (inborst, hart), o. —eren. (■emoedelijk (volgens overtuiging, bezadigd), bn. en bw.: -heid. v.

(■emoedig (vreedzaam, zacht), bn.

Ciemoet (alleen gel milkel. in: te gemoet), o. (■eniH (klipgeit), v. gemzen.

OeunitHf (.'/Wquot;/mrf). bn. Hij wasgoed of slecht —. Cüemzeleer en nleer. o.

(■einzenhaar. o.

Cieinzenjaehf, v.

(■einzeiiiager. m. —s.

(ilenaakhi)ai' (toegankelijk, niet trotsch), hn.:

— heid, v.

(■enaaind (heetende), bn.

(■enade, v. Op Gods — drijven, een schip aan

de golven ten prooi laten: otn — vragen, d.i. om het leven: bij de — Gods. Uwe —. titel van Duitsche edeien.

(ienadeslau; (bij Jt radbraken de negende slag. nl. op het hart), m. —en.

(■enadig, bn. en bw.; —heid. v.

Caenaken (naderen), ik ben genaakt.

(üenant (persoon, die denzelfden voor- of

doopnaam voert), m. en v.; v. ook —e. Gênant (lastig, hinderlijk), bn. en bw. (lendanne (gewapend man of ruiter ter handhaving van de openbare veiligheid), m. —s. (■endannerie (het corps gendarmen ), v. gmv. (■ene (gindsehe), aanw. vnw.

(■«quot;•ne (dwang, verlegenheid), v. gmv. Sans —. zonder complimenten.

Genealogie (geslachtrekening, geslachtsregister. stamboom), v. —gieën.

GenealogiHeh {geslachtrekenkundig: in den vorm van een geslachtsregister), bn. en bw. (■eni'hd (een neb hebbende), bn.

Geneeren thinderen, storen).

Geneewheer. m. —en: —kraeht,v.: —kunde, v.; —kundige, m. —n; —kunst, v.: —mid-(■eneeslijk. geneselijk. bn. [del, o. —en.

Geneeswijze, —wij*, v. —wijzen.

(■enegen (gunstig gezind), bn.: —heid. v. UvnviiZiUgereed.gunstif/gestemd),hn.:—Ueid.v. («eneraal (veldheer), m. —s en —alen. (■eneraal (algemeen), o.: ook: bn. en bw. Generaallt;niaJoor. m. —s.

(■eneraalHeh »p. o.

Generalisatie (algemeenmaking), v. gmv. GeneraliM.Hiimis (opperveldheer), m. Generaliteit (de gezamenlijke veldheeren va)) een leger, de algemeene Staten), v. (■eneraliteitHlanden (de lamlen, die niet tot de Vereenigde Zeven Provinciën der Unie br-hoorden, maar rechtstreeks door de A Igemeene Staten werden bestuurd, o. a. Noórd-Brabant. Shiatsvlaanderen en Limburg), o. mv. (■eneratie (nienschengeslacht, tijdgenooten), v.

—tiën. —ties.

(■enereeren (voortbrengen, telen, verwekken). Generen (zieh) (ib'n kost winnen), ik heb mij gegeneerd.

Genereus (milddadig, grootmoedig, edelmoedig). bn. Een — aanbod.

(■enerositeit (edelmoedigbeid, mildheid), v. Genet (een klein soort van Spaansche rijpaarden), o. —ten.

Genetkat (civetkat), v. —ten.

Geneuglijk (aangenaam), bn. en bw.: —heid, v (■eneugte (genoegen), v. — n.

(■eneiil (getquot;lm), o. gmv.

Genezen (herstellen), ik genas, heb en ben genezen: —ing. v.

(«eni.ial (scheppend, vindend, vol geest), bn. en bw. Een — kunstenaar.

Genialiteit (vindingskracht), v. gmv.

Genie (vernaft en vernuftig persoon), o. —ti. (■enie (krijgsbouwkunst), v. gmv. llrt wapen der —.

Geniep (in 7 geniep, bw. uitdrukk.: heimelijk.

verborgen), o.

Geniepig (in 7 geheim kwaad bedrijveï de), bn.: —heid. v.

Geniepigerd (die in 7 geheim kwaad doet). m. —s.

Genieten, ik genoot, heb genoten: —ins. v. Genitivus. genitief (tweede naamval), m.

—ieven. [geniën.

Genius beschermgeest, beschermengel), m.


ocr page 117

GENOEG-GERMA AN.

97

Ciieiioeg; {voldoende), bw. Ik hch —. dat is —, ik heb cv — van, hij heeft geld Ciieiioegeii (aitspaiininfi, tevredenheid), o. —s.

(km-Ii). ik heb mij genoegd. (■eiMM'slijk (aanrjenaani), lm. en bw.: —lieifl, v. lt;ieiio«'8;7.iiaiM (toereikend), bn.enbw.: —lieilt;l,v. Cienofiel (anjelier), v. —s. Fr. giroflée. Cmmhuik'ii (aangenomen), vd. en vw. Cieii«»olt;lisfle. m. en v. —n.

Genoot, m. —en. Ambt—, echt—, land—, enz. iileiioote. v. —li.

Genootscliap ivereeniging). o. —pen. Het Ned. Onderwijzers—, het Historisch — te Utrecht, enz.

(■eiiootMlt;'li:i|gt;Hja«ir. o. —jaren.

Genot (genieting, vrachtgebraik). o. gmv. Genre (geslacht, soort), o. —s.

GeiiNt (plantk. brem), v. gmv.

Gent (mannetjesgaos), m. —en.

Gentiaan (plantk. de klokjes), v. —anen. Gentillioinine (edelman, adellijke: een wellevend man), m. —s.

Gentleinaii (voornaam heer), mv. —men. Gentry (deftige lieden), v. enkv.

Gennsten (genotu v. mv.

Gennïteit (echtheid, onvervalschtheid), v. GeniiH (geslacht, soort), o. genera.

Geoernpeenl dh'i'k. urerloden). bn. Geoeentriscii (waarbij de aarde als middelpunt voorkomt), bn.

Geodesie (lood- of' veldmeet kunde), v. gmv. Geos;notie (bergkunde), v. gmv. |—en.

G« 'o^nost (bergku ndigc. uard lagen kenner), m. Geosraaf {uardrijkskundigc). m. —grafen. Cieograpliie (aurdrijkskunde). v. gmv. Gensrapliiscli (aardrijkskundig). bn.

Ciielt;»loü;ie (uardleer, aardkunde), v gmv. Geolosiseh (aardleerkuudig), bn. en bw. Geoloog (aardleerkundige), m. —logen. Geometer (lundmeeticuudige, land meter ),m.—s. Geometrie (landmeetkunde, aardmeting), v. f*eoinetriNlt;'li (landmeetkundig, tneetkunstig), Gcooriooid (toegestaan ), bn.: — lieid, v. [bn. Georsaniseerd {naar den eisch ingericht, bewerktuigd). bn.

Geostatica {even wichtsleer der vaste lichamen), v. gmv.

Gepaard (een paar vormend), bn. Ze zijn —, gehuwd: twee —e schelpen, bijeenhoorende. Gepalmd, bn. Een — omslagdoek.

Gepareld [met parelen omzet), bn.: —e gerst. als parelen zoo fijn.

Geparenteerd (cermaagschapt), bn. Geparinnicerd (geurig, welriekend), bn. Geparodieerd (op een bespottelijke wijze -ia-gebootst). vd.

Gepasporteerd (ontslagen, met paspoort uit den dienst ontslagen), bn.

Gepassioneerd (zeer verzot o))), bn.

Gepast, bn. en bw. Een — antwoord, een —e

toespraak, hij sprak zeer —; —lieid. v. Gepatenteerd (can patent voorzien), bn. Gepeupel (het ge meen e calk, het janhagel), o. Gepiqneerd {belccd'ugd. geraakt), bn.

Geplekt (met vlekken), bn. Dit fluweel is —. Gepluimd (met pluimen), bn. Een —e helm. Gepoorterd (het burgerrecht hebbend), bn. Geposeerd (berf«arlt;/). bn. Een — man, op—en leeftijd.

Gepousseerd ciangezet). bn.

Gepresseerd, bn. — zijn, d. i. haast hebben, i Gepromoveerd (tot den doctorsgraad bever- | derd), bn.

koenen. Verkl. Handwdb. d. Ncderl. taal.

Gepromoveerde (ietn. die doctor of meester

is geworden), m. en v. — n.

Gepurperd (in purper gedost, purperen), bn. Geraakt (dooreen beroerte getroffen', fig. boos), vd. en bn.; —lieid. v.

Geraamte (al de beenderen), o. —n.

Geraden (dienstig), bn. Ik acht het —. d. i. gepast, noodig.

Geralfiiieerd (gezuiverd: ook: doortrapt), bn. Fig. doorkneed, sluw. Een —e kerel. Geraken (komen, verkrijgen), ik ben geraakt. Tot iets —, tot fortuin —. in verlegenheid —. aan den drank —.

Geraniasseerd (forsch, gespierd), bn.

Gerand (voorzioi van quot;en rand), bn. Een — geldstuk, een — dukaat, —e rijders. Geraniinn (zekere plantensoort, bioem), v. —s. Gerant i verantwoorde lij k behcervoerder),m.—s. Gerecht, gericlit (rechtbank), o. —en. Gerecht (spijs), o. —en.

Gerecht (juist, billijk), bn. IJe —e helft con iets. Gerechtig, bn.: —heid. v. /'*//?. —heid laten

wedervuren, d.i. de billijkheid der wet. Gerechtigd (gemuchtigd), bn.

GerechtiKen (recht geven), ik heb gerechtigd. Gerechtsliof van hoogeren rang).

o. —oven.

Ciereed. bn. en bw.; —elijk, bw.: —heid. v. Gereedlesffen. ik heb gereedgelegd. Zijn kleeren. boeken, gereedschappen —. Gereedliggen (kluarliggen). het lag gereed,

heeft gereedgelegen.

(■ereedmaken (kluar maken), ik heb gereedgemaakt.

Gereedschap (werktuig), o. —pen. Gereedstaan (klaarstaan), ik stond gereed, heb gereedgestaan.

GereedzetteiK klaar zetten), ik heb gereedgezet. Gerelormeerd (hervormd), bn. Gerelonneerde (Protestant), m. en v. —n. Geregeld (geordend, geschikt), bn.: —heid. v. Gerei (allerlei gereedschap), o. gmv.

Gereide (gerei: ook: paardetnig), o. —en. Geremplaceerd dn den dienst eer eau gen door een ander), vd.

Gerenommeerd (vermaard), bn. Een — schrijver.

Geresolveerd (vastberaden, moedig), vd.en bn. Geretireerd (afgezonderd^ teruggetrokken), bn. Geri'kamer (kleedkamer der priesters, ook sacristie, consistoriekamer), v. —s. GeiTschaal' (werktuig), v. —schaven.

Glt; »rgel (keep in een duig. inkerving), m. —s. Ook: Girgel.

Gerihd. bn. Een — bbul, —e stoffen, —e zijde. Gericht (rechtbank), o. Ook: Gerecht.

Gerief (gemak), o.

Geriefelijk, bn. en bw.: —heid (gemak), v. Gerieven, ik heb geriefd. lem. met iets —, van dienst zijn: zich met iets—, vergenoegen. Gerij (iw! rijden: ook wel: rijtuig), o. Gerikkekik. gerikketik en gerikkik (het kwalen der kikvorschen), o. gmv. Gerimpeld, bn. —e bladen.

Gering, bn. en bw.; —hrid. v. In het —ste niet, volstrekt niet: de —e standen: een —e ongesteldheid, d. i. lichte.

Geringachten. ik heb geringgeacht: — ing. v.

Geringschatten, ik heb geringgeschat: —ing.v. Gerist, lm. —e uien. d.i. aan een rist gebonden. Gerit (geritsel), o. gmv.

Geritsel, o. gmv.

Germaan (oud-Duitscher), m. —manen.


ocr page 118

GE R MAANSC H - GETIJ.

08

(■ennaaiiHfli (ond-Duitsch), bn. (o. als zn.). (■erinaiiiMiiie (Daitsch taaleigen), o. —n. iiermaiiisU /t'cmar in hel oud-Dnitsch ),m.—en. (■enniiial {maand der ontkieming, van 21 Maart tot i(J April), m.

(■eriniiieeren {ontkiemen, ontspruiten). (■eroezeinoeH {leven, lawaai), o. gmv.

(MTokt (een rok dragende), bn. —e heer en. (■eromiPii {dik geworden, gestold), bn. — bloed,

— melk.

(«eroutineerd {geoefend, bedreven, vlag, doorkneed, ervaren), bn. Een — reiziger. (■erridon (een hooge kandelaar, ook hoektafeltje), m. — s.

{graan), v. Ook: iiarwt.

(■eniclit, o. —en. Die zaak maakt —, baart veel opzien.

Iieniiin (vrij lang), bn. Een —e tijd.

(■eruit (met ruitjes gewerkt, ruitsgewijze), bn. lieruwt, bn. en b\v. Ge kunt het — doen, onbevreesd, zonder schroom; —elijk, bw.:

— Iieid. v.

(■eriiststelleii, ik heb gerustgesteld; —ins, v. lüerw (plantk. duizendblad), v. gmv. (■esatiueerd, bn. — papier, satijnachtig. (■eHC-liaaid,bn.envd. Zij stonden opeen rij («eHi liaard, bn. Een — mes, d. i. met schaarden of kepen in het scherp.

lt;ie8f-lial (geluid), o. gmv.

(üeHcliapeu {gesteld), bn. Zoo staat het met die Cüeseheeut (ingeladen), bn. [zaak —.

(leMcheiiK (gift, gave), o. —en.

Cüfscliiedeii (voorvallen, gebeuren), het is geschied.

(■escliiedeiiis, v. —sen. De vaderlandse he —. Een heele —, zaak van veel omhaal, (■eschiedkiiiide. v.

(■eH('hiedkiiiidig;e, m. —n.

(■eKcliiedrol (de geschiedenis), v. —len. (■escliiedHclirijver, m. —s.

(■eHchikt (bekwaam), bn.: —lieid. v.

(■e»(*liil (twist, oneenigheid), o. —len. (■eHi'liiinmeld, bn. Een — paard, schimmel-kleurig.

(■eHcliol't (sterk), bn. De —e buffel. (■eMfliooI'd (in selwoven gezet), bn.

(■eHcliril't {artikel, brochure), o. —en. (leHi-lmbd, vd. en bn. —e hagedissen, met schubben bedekt.

(■«'Migiialeerd, vd. en bn. Een — misdadiger, een wiens signalement bij de politie is rondgezonden: hij heeft zich hoven anderen —, d.i. uitgemunt, doen kennen.

(■«'«itiMMTd {gelegen), bn. Hoe is hij daar — ? hoe stelt hij het daar, hoe woont hij daar? lileHlaclit (familiesoort), o. —en.

(lieHlaclit {slacht), o. Belasting op het gemaal en het —. d.i. geslacht vee.

lt;Mgt;Mlaf'litHlgt;ooiii, (leMlaelitlxiom {Stamboom). m. —en.

faC'NlaelitMlijHt, (ieslarhdijst, v. —en. CüeHlaclitMiiaain, (M'Hlaclitnaaiii, m. —namen. tieHlaelitHwapcu. (ileHlarlitwapeii, o. —s. (■eNlagen, bn. Hij is ridder —: — koper,

— goud. d.i. bladgoud: hij is mijn — vijand, d.i. onverzoenlijke vijand.

(■e^lepeu {listig, doortrapt), bn.; —heid, v.

bn.: —lieid, v. — deuren, winkels. (■e.mnijde (allerlei sieraad uit metaal, ook uit parelen en edelgesteenten), o. vero. (■('•iinijdis; {lenig, buigzaam), bn.: —heid, v. (■cHiiaard (van snaren voorzien, gereed), bn. Na hen ik weer —, d. i. van 't noodige voorzien.

(■eHiieden, vd. van snijden. Een — beeld. (■esurteerd, bn. Deze goederen zijn netjes —, d. i. gerangschikt; deze winkel is goed —, d. i. voorzien.

^■eHp, m. —en.

(■e.spau (span), o. —nen.

CüeHpelen {speelmakkers), m. en v. mv. hespen, ik heb gegespt: — ius, v.

(■e^pierd (krachtig, sterk), bn.; —heid, v. Een — man, een —e stijl.

(■e^pikkeld, bn. —e kousen, d. i. met spikkels. (■eHpoord. bn. De ruiter was gelaarsd en —. (■eHponweii, vd. van spouwen {splijten). lt;»e»preeuw (gespot; boert, jokkernij), o. lt;aeMprek. o. —ken.

(■e.sprenkeld, l»n. en vd.

(■eHpiiiM {gemeen volk), o.

v. Ook: iiisf.

(■eNtaald. bn. Door het lijden —. d.i. gehard. tieMtadiu; {duurzaam, vast), bn.enbw.: —lieid, v.; —lijk. bw.

(■CNtalte (gedaante, houding, postuur), v. —n. (■eMtalteuiM {gestalte), v. gmv.

tieHtainel, (ieHtamer (het stamelen), o. (M'Mtaud (alleen gebruikelijk in: — doen), bn. Zijn woord —. zijn belofte —. d.i. nakomen, houden.

(■cHtanite, gesteriife (de sterren samen), o. Het — van den GrootenHeer, d.i. sterrenbeeld; onder een gelukkig — geboren zijn, een geluksvogel zijn.

(■eHtatioiineerd (geplaatst), bn.

Petite {gebaar), v. —s.

Gesteente, o. —n. Fig. grafteeken. tombe.

(geaardheid des lichaams), o. —len. (■eNteld, bn. Er worde —. d. i. ondersteld, aangenomen.

(■eNteldlieid (toestand), v. —heden. De — des

lichaams, der ziel, des harten, enz. füeHteltenis (toestand), v. —sen.

lüeMten (gisten), het heeft regest.

(■cMtarnd. (leMternd. bn. De —e hemel. CieHtariite, («eHteriife, o. —n.

(■lt;gt;sticlit (gebouw), o. —en. Een liefdadig een — voor oog lijders, enz.

(■ONticiilatie (gebaur.gebarenspel).y. —tiën, —s. CüeMtieuleeren (gebaren maken, inzonderheid

met de handen).

Gestie (beheer, bewindvoering), v. —tiën. (■eutius; (gisting), v. gmv.

(■e.stoelte (verheven zitplaats), o. —n.

(«estof (gesnoef, grootspraak), o. gmv. (■eMtttllVerd (van kleeden en gordijnen voorzien', gemeubeld), bn. Een —e kamer. Cüestreept (met strepen), bn. —e stoffen, eens — octaaf, d. i. het derde octaaf op de piano. enz.

lm. en bw.; —elijk, bw.; —lieid. v. (■e^trikt, bn. en vd. Een —e haas, d.i. met een strik gevangen. Zij is gelint en —. (■estrook (gestree!), o. gmv.

(■eNtropt, bn.

(■estudcerd, bn. Een — persoon, d. i. iem. van studie.

(■etabherd. (M'tahhaard (dragende een tabbaard), bn. —e rechters.

Getakt, bn. Een — gewei van een hert, d. i. een gewei met takken.

(■etal, o. —len.

Getand (met tanden), bn. Een — rud. fileteekeiid, bn. Een fraai —e hond. (■etemperd verminderd), bn. — licht,

—t' warmte.

lüetij (het vullen en wassen van het water), o.


ocr page 119

G ETIJ-GE WENN EN.

99

Dood—, de zwakste vloed: het — waarnemen^ op het — letten, d. i. gunstige waterstand; elk vischt op zijn —, elk zoekt zijn voordeel. lt;«etij {jaargedachtenis van een doocle), o. —den. —en.

(•et ij hoek (gebedenboek eens priesters), o. —en. (■etijde {jaargetijde), o. —n.

Getijden {gebeden voor eiken dag), o. mv. Getijgerd (gespikkeld), bn. Een —e hond, gevlekt als een tijger.

Getimiiierte, o. —n.

Getob (aanhoadende last), o. gmv.

Getoet (het blazen), o. gmv.

Getogen, vd. van 't verouderde tijen (trekken). Ik ben hier geboren en —, d. i. opgevoed. Getoiiniiel (gedrnisch, rumoer), o. gmv. Getouw (weversiverktnig), o. —en.

Getraan (geschrei), o. gmv.

Getralied, bn. Een — venster, d. i. met traliën. Getravesteerd (belachelijk ingekleed, nagevolgd), bn.

Getriptrap, o. gmv.

Getroost, bn. Een —e wedawe, moeder-, hij is zijn lot —, d. i. berustend.

Getronbleerd (niet wel bij het hoofd), bn.;

— heid, v.

Getrouw, bn.: —elijk, bw.; —heid, v.: —ig-

lieid, v. Zijne zeer —e majesteit, titel van den koning van Portugal.

Getuigd (van een tuig of toom voorzien), bn. Getuige, m. en v. —ri.

Getuigen, ik heb getuigd: —is, o. en v.:

— verhoor, o.: getuigsehrif't (attest), o. — en. Getulhand (een tulband dragende), bn. Een

—e Moor.

Geul (nauwe invaart), v. —en.

Geur, m. —en. Er is een —tje aan, de zaak is niet in orde. niet zuiver.

Geuren (geur verspreiden, fig. pronken), ik heb gegeurd; -stol', v.

Geurig, bn. Een —e ruiker: —heid, v. Geiinu (geklag), o. gmv.

Geu.s (bedelaar), m. geuzen. De Geuzen, zie gesch. 80-jar. oorlog.

Gevaar [hachelijke kans), o. gevaren. Gevaarlijk, hn. Een —e tocht: —heid, v. Gevaarte (reusachtig voorwerp, schip, gebouw, enz.), o. —n.

Gevaccineerd (ingeënt met koepokstof), bn. Gevader (peetoom), m. —s: —schap, o. Geval,o. —len. Bij —,toevallig: in —,wanneer, als; in allen —Ir, wat er ook gebeuren moge! Gevallen (gebeuren), het geviel, is gevallen. Gevangene, m. en v. —n.

Gevangenis, v. —sen.

Gevangenneinen, ik nam gevangen, heb gevangengenomen; —ing, v.

Gevaiigensrhap, v.

Gevangenzetten, ik heb gevangengezet: -ing, v.

Gevangenzitten, ik zat gevangen, heb gevangengezeten.

Gevankelijk, bw. Hij werd — weggevoerd. d. i. als een gevangene.

Gevat (geslepen, scherpzinnig, schrander in het antwoorden), bn. en bw.; —heid, v. Gevecht, o. —en.

Gevederd (voorzien van vederen), bn. Een — zanger, d. i. vogel.

Geveinsd (niet oprecht), vd. en bn.; —heid,v. Geveinsde (veinzaard), m. en v. —n.

Gevel (muur), m. —s. Een voor—, een zij—, een achter—.

Geven, ik gaf, heb gegeven; —er, m. Gehoor

— aan, letten op; den geest —, sterven; iem. raad —, raden; rekenschap verslag doen; acht —, letten op; vuur —, schieten: in het licht —, uitgeven van een boek, enz.; in bedenking —,laten overwegen; wat — en nemen, zich naar de omstandigheden schikken.

Geverseerd (ervaren, bedreven), bn.

Gevest (handvat turn een degen), o. —en. Gevlakt, gevlekt (met vlekken), hn. Gevlamd, bn. — hout.

Gevlerkt (gevleugeld), bn. Een —e toonkunstenaar, d. i. zangvogel.

Gevleugeld (van vleugels voorzien), bn. Een,

— dier, een — woord, d.i. op aller tong. Gevoed, bn.; —heid, v. Een goed — kind. Gevoedsterd (opgekweekt), bn.

Gevoeg (ontlasting), o. gmv. Zijn — doen. Gevoeglijk ((geschikt), bn. en bw.: —heid, v. Gevoel (het voelen: fig. aandoening), o. gmv. Die lamme heeft in dat been geen — meer. De zangeres zong met —.

Gevoelen (gewaarwording, oordeel, meening), o. —s.

Gevoelen (fig. beseffen), ik heb gevoeld. Gevoelig, bn. en bw. Een — lied. —heid, v. Gevogelte {allerlei vogels), o. gmv.

Gevolg, o. —en.

Gevolgtrekking (besluit), v. —en. Gevolinaehtigde (zaakgelastigde), m. —n. Gevonkel (vele vonken samen), o. gmv. Gevorkt (gespleten), bn. De —e staart van de zwaluw.

Gewaad (kleedij), o. gewaden.

Gewaagd, bn. Een —e sprong: —heid, v. Gewaand (valsch), bn.

Gewaarworden (bespeuren), ik werd gewaar, ben gewaargeworden.

Gewaarwording, v. —en.

Gewag (melding), o. — maken van. d.i. melden; de hond maakte —, sloeg aan, blafte. Gewagen (melding maken), ik heb gewaagd. Gewapend, vd. en bn. Van top tot teen —: een — oog, d.i. hebbende een kijkglas. Gewapenderhand (met of door de wap»'ns),h\\. Gewas ( plant: kruid, oogst), o. —sen. Het — te velde. d.i. de oogst; een uitheemsch —. Gewasschen (gereinigd), bn. — linnengoed. Gewassen (gegroeid, gestegen), bn. Gewaterd, bn. — lint, moiré-lint; een schoon —e diamant, d.i. van een helderen glans. Gewatteerd (gevoerd of opgevuld met watten), bn.

Geweeklaag (het weeklagen), o. gmv. Geweer, o. geweren. In het geweer, onder de wapens.

Gewei, Geweide (hoornen der herten', ook: het ingewand van dieren), o. gmv.

Geweld, o. gmv.

Gewelddadig, bn. Een —e dood: —heid, v. Geweldenaar (dwingeland, tiran), m. —naars en —naren.

Geweldenarij (dwingelandij), v. —en. Geweldig (krachtig), bn. Een —e dood. d.i. door geweld; een —e stroom, — gedrang, enz. Geweldiger, m. —s. Dit woord komt slechts voor in samenstellingen, b.v. kapitein-gewel-diger. provoost-geweldiger: vero. Gew eldigerhand (met geweld), bw.

Gewei 1'. o. —ven. Het — des hemels. Gewend, vd. van wennen, gewennen, tvenden. Gewennen, ik heb gewend. Jong gewend, oud gcdaan\ zich —, zich schikken (naar).


ocr page 120

GEWEST—GISPEN.

100

(■eweHt (landstreek),o. —en. De 17 Nederl. —en. o. —s.

lt;■«* weten loos. bn. Een —onze schurk: —lieiil, v. (■ewefeiiHanswt. m. —en: —dwang, m.

(■ewettigd lyerechtraardii/d), bn. Door het gebruik —.

(■eweven, vd. en bn. — stoffen, kousen, borstrokken, enz.

Gewezen (oordeelen), vd. van wijzen. Gewezen {voormatig), bn. Een — leerling, een — minister.

Gewicht, o. —en.

Gewichtig (belangrijk), bn. en bw.: —heid.v. Gewiekt, bn. Een —e zanger, zangvogel. Gewijd (ingezegend), bn. Een — redenaar. Gewijsde {vonnis), o. —n.

Gewijzigd ( veranderd), bn. Een — wetsartikel. Gewikst (bij de hand), bn.; —heid. v. Gewild, vd. en bn. Die boter is d.i. in trek. Gewillig (gehoorzaam), bn.: —heid. v.; — lijk. b\v.

Gewin (voordeel, opbrengst), o. gmv. Gewinnen, ik gewon (voor teelde), heb gewonnen. Abraham gewon Izaak, enz.

Gewis (stellig, zeker), bn. en bw.; —heid, v.: —selijk. bw.

Gewisse (geweten), o. vero. of dichterlijk. Gewold (wollig), bn. Het — vee, schapen. Gewolkt (met wolken bedekt), bn.

Gewonde, m. en v. —n.

Gewoon, bn.: —heid. v.: —lijk. bw. Gewoonte (gebruik, aanwensel), v. —n. Geworden iter hand komen), het gewerd, het is geworden, het zal geworden, i'w brief is mij —. Laat hem —. d. i. begaan. Gewormte, o. gmv.

Geworteld (van wortels voorzien), bn. Gewricht (geleding), o. —en. Tijds—, tijdperk, tijdstip der geschiedenis.

Gewrocht itot stand gebracht), bn. — door

Gods hand.

Gewrocht (kunstwerk, arbeid), o. —en. Gezag (aanzien, macht), o.: — hehher, m. Gezalfde, m. —n. De —, d. i. de Heiland, ook de Koning.

Gezamenlijk, bw. De —e erfgenamen. Gezang, o.' —en.

Gezangboek, o. —en. [—en.

Gezant (afgezondene, vertegenwoordiger), m. Gezantschap, o. —pen: —sraad, m. —raden.

—ssecretaris, m. —sen.

Gezeef' (gezift), o. gmv.

Gezeg (gepraat), o. gmv.

Gezegd (bovengenoemd), vd. en bn.

Gezegde, o. —n. Het — van een volzin, d.i. wat vnn het onderwerp gezegd wordt. Gezegeld, vd. en bn. Een — pakje, een — papier. Gezeggen. In de onb. w.: Zich laten —, d. i.

naar raad luisteren: hij is niet te—, teraden. Gezeglijk (volgzaam), bn. en bw.; —heid, v. Gezel (makker), m. —len: —lin, v. —nen. Gezellig, bn. en bw. Een —e reismakker. — heid. v.

Ge«elscha|gt;. o. —pen; — slied. o. —eren; —s-spel, o. —spelen, —spellen.

Gezet (zwaarlijvig), bn. en bw.: —heid, v. Gezeten, vd. en bn. Een — burger, d.i.gegoed. Gezicht, o. —en; —einder, m.: -shock. m.

—en: —skring, m.: —spnut, o. —en.

Gezien (geacht), bn. Hij is daar zeer —. Ge/Jn {huisgezin), o. —nen.

Gezind (geneigd, genegen), bn.: —heid. Gezindte (kerkgenootschap), v. —n.

Ill

If

Gezocht (in trek), bn. Dit werk is zeer —: —heid, v.

ticzond. bn. en bw. Het — verstand: hij redeneert —.

Gezondheid, v. Officier van —.

Geznlt (ingelegd), bn.

Gezusters, Geznsteren, v. mv.

Gezwel, o. —len.

Gezwind (vlug. haastig),\m.enhw.: —heid.v. Gezwollen (hoogdravend), bn. Een — stijl, een — toon: —heid. v.

Gezworene (beëedigde), m. —n.

Ghetto (Jodenwijk. Jodenbuurt), o.

Gianr (ongeloovige, niet-Mahomedaan), m. —s. Gids (leider), m. en v. —en.

Giegagen (schreeuwen als een ezel).

Giegelen (in de vuist lachen), ik heb gegiegeld. Giek (snelvarende boot), v. —en.

Giek (rondhout onder aan 't zeil), v. —en. Gier (roofvogel), m. —en.

Gier (mestvocht), v. gmv.

Gierhrnu; {drijvende brug. pont), v. —gen. Gieren (slingeren van een schip: schreeuwen). ik heb gegierd; —ing. v.

Gierig, bn. en bw.: —aard. m. —s: —heid.v. Gierpont (gierbrug), v. —en.

Gierst (graan), v. gmv.

Gieteling (meerle). m. —en.

Gieten, ik goot, heb gegoten; —er. m.; —erij.v.:

— ing, v.: —knust. v.

Gietlogen (verstokte leugenaar), m.env. —s. Git', Gilt (vergif), o. —ten; —beker, m.

Gift (geschenk), v. —en.

Giftig (vergiftig', fig. kwaadsprekend), bn.; tiig (Engelsche sjees), v. —gen. 1 — heid. v, Gigantesk (reusachtig), bn. en bw.

(■ijhelen (giegelen, bedwongen lachen), ik heb gegijbeld.

Gijpen (haar adem snakken), ik heb gegijpt. Gijzelaar (iem. die met zijn lijf borg blijft). m. —s, —aren.

Gijzelen (gevangenzetten voor schulden), ik heb gegijzeld; —ing. v.

Gil (schreeuw), m. —len.

Gild. Gilde (vereeniging), o. gilden. Gildebricf, m. —brieven: —broeder, m. —s: —meester, m. —s: —penning, m. —en. Gillen (een gil geven), ikhebgegild: —Ier, m.;

— ling. v.

Ginnegabben. Ginnegappen (onbeschaamd

lachen), ik heb geginnegabt, —gapt. (iinniken (grinniken). ik heb geginnikt; —er.m. Giorno (a-) (doorschijnend licht).

tiips {zwavelzure kalk), o. —en.

Gipsen (met gips bepleisteren), ik heb gegipst: —ser, m.

Gipsie (landloopster, zigeunerin), v. —s. (lirafle (dier), v. —n. —s.

Girandolle (kristallen kandelaar met verscheidene armen: kunstvuurwerk), v. —s. Girgel, m. Zie Gergel.

Giro (kring, omloop: schriftelijI: overdragen van een wissel), v. gmv.

Giroflel (nagelbloem), v. —s.

tiironde (gematigd republikeinsche partij in 1792), v.

Girondijn (aanhanger der Gironde), m. —en.

Gironette (windwijzer), v. —s.

Gis (gissing), v. Bij de —: op de — af, rit de

— vallen, d.i. tegenvallen.

Gisp (geeselriem. roede), v. —en.

Gispen (afkeuren), ik heb gegispt: —er. m.: —ing. v.


ocr page 121

GISSEN—GOEDDUN K EN.

101

fiiMNcii (raden), ik heb gegist; —ser. m.; Ciisf. v. gmv. |—Hing. v.

GiHten, het heeft gegist: —ins, v. Dc yemoe-deren zijn aan het —, er heerscht misnoegen. CüiNtcravoiifl, —midflag;, —inorgcii, —nacht,

—achfend, b\v.

CU {schoon, zwart agaat), als stofnaam o.: als bewerkte steen m. —ten.

Gitaar (snarenspeeltauj). v. gitaren. Gittc^om, v. gmv. Zie Cinttcgoin.

GlaaHjc, o. —s. Onder het — zitten, drinken: een — tot afscheid, een — op den valreep. Glace ({is,roomijs)^ o. (ook spiegelg las,spiegel),v. Glacc (geglansd), bn. —handschoenen. Glacccrcn (doen bevriezen, ijs of roomijs maken: blinkend maken).

GlciciH {zachte helling, veldborstwering, verdedigingshelling), o.

Glad. bn. en bw.: -dikheid. —heid, v. (■ladhek {vlasbaard), m. —kegt;i.

Gladiator (zwaardvechter), m. —en. Gladniaken. ik heb —gemaakt.

GlaiiM (fraaie schijn, luister), m. —en. GlaiiNHtccn { werktuig), m. —en.

Glanxcn (glans geven aan), ik heb geglansd: Glanzig, bn.; —e zijde-, —heid. v. | —er. m. Gia.s {stof: voorwerp),o.—zen; glaasje, o.—s. Glaeihlazen, o.; -blazer, m.; —hlazerij. v. Glazeeren ( verglazen, glad of glanzig maken). (■iazig (glasachtig), bn.: —heid. v.

talaznnr, GlazmirNel (verglaassel', glazige stof. waarmede aardewerk bestreken wordt). GleiH (pottenbakkersaarde), o. gmv. [o.

(■leiden (verglazen), ik hel» gegleist; — werk, o.

GletMcher (ijsveld in lt;h' wrongen van het hooggebergte), m. —s.

{*\v\\ï (diepsel. groeve), v. —ven.

talihheren (uitglijden), ik ben geglibberd. Glihherig (glad. smerig), bn.; —heid. v. G|id( verbinding van lood met zuurstof), o. gmv. Glidkrnid (lipbloem), o. gmv.

Glijden, ik gleed, heb en ben gegleden: —

haan, v. —anen.

Glimhont (vermolmd hout), o. gmv.

Glimlach (lieve lach), m. gmv.

Glimlachen, ik heb geglimlacht.

Glininien, het glom, heeft geglommen. Glimmer {delfstof), o. gmv.

Glimp (bedrieglijke schijn), ra. gmv. Onder den

— van vriendschap: ergens een. — aan geven. Glimpen (blinken, schijnen), het heeft geglimpt. Gljmpig (schoonschijnend), bn. en bw. Glimplach (geveinsde lach), ra. gmv. Glimplachen {geveinsd lachen), ik heb ge-

glimplacht.

Glimworm (Johannesworm), m. —en. Glinster (een glimmende vonk), m. —s. Glinsteren (schitteren), het heeft geglinsterd:

— ing, v.

Glinsterworm (glimworm), m. —en.

(ilinting (latwerk), v. —en: —tinkje, o. —s.

(■lip (spiert), m. —pen.

Glippen (een glip maken), ik heb geglipt. Glippen (door gladdigheid ontsnappen), ik ben geglipt: —per, m.quot;: —ping. v.

Glissant (glad, glibberig), bn.

Glissen (glijden), ik ben geglist. vero.

Glohaal (over het geheel genomen, begrooten-dcrwijze), bn. en bw.

Glohc (bol, kogel: aardbol), v. —s.

Glohiilens (uit kleine bolletjes samengesteld), bn.

Gloed (gloed. fig. frischheid), ra. De — der gezondheid', de — ligt er nog op.

Gloeien (branden), ik heb gegloeid; —ing. v. Gloeihitte (hooge (gruad ran hitte), v. gmv. (■looien (schuin alloopen, hellen), het heeft Glooiend (zacht hellend), bn. [geglooid.

Glooiing, v. —en. Langs de — vaneen heuvel. Gloor (glans), ra. Fig. roem. eer. luister.

Glop (smal straatje), o. —pen.

Gloren (glanzen, glimmen), het heeft gegloord: —ing, v.

Gloria (lof, eer: het eerste woord van het tweede zangstuk der Mis bij de li. K., nl. Gloria in e.rcelsis), o. en v.

Glorie {roem, luister), v. gmv.

Gloriens (roemrijk, schitterend), bn. Glorilieeren (verheerlijken), bw. (■los. («losse (kantteekening; uitlegging van quot;en. verouderd of onbekend woord), v. —sen. (■losHariniii (alphabetisch verzameling van glossen), o. —ria.

Glosseeren (aanteekeningen maken, uitleggen, van opmerkingen voorzien).

Glonton (gulzigaard, slokop), m. —s. Glontonnerie (gulzigheid), v. gmv.

Gluip (kier, opening), v. —en. vero.

Glnipen doeren), ik heb gegluipt.

GiniJier, Gluiperd, in. — s.

(■hinder (helder), bn. en bw. Een —e boerin', zij lachte —: —heid, v.

Gin ren (bespieden), ik heb gegluurd: gluurder, Glniir (loer), m. gmv. |m.; —ing, v.

(■Intiiiens (lijmerig, klevig), bn.

Glycerine (oïiezoet). v. gmv.

Giiilleh 'li (in de vuist lachen ), ik heb gegniffeld, (■nome (een kwelduivel: berggeest), m. —n. Gnomisch (in spreuken), bn.

(«nosis {openbaring), v. i*i\Hsi\eVi.r\\(geheimkgt;indigen.godswijze}i),m\. (iohelet (dobbelbeker: drinkkop), m. —s. (ïohelitis (tapijten uit de koninklijke tapijtweverij te Parijs: uitvinder Gobelin, die in 1667 de fabriek oprichtte), m. mv. (■od, m. 3de nv. Gode.

(iod (in het heidendom), m. —en.

(■oddank. tw.

Goddelijk, bn. en bw. De —e schoonheid der

lente; zij zingt —: —heid. v.

(■odes (vrouw, godheid), v. —sen.

Godheid, v. —heden.

Godin {vrouw ran een. god), v. —nen.

Godist (iem. die niet aan den geopenbaurdeii God gelooft), m. —en.

(■odisterij, v.

(■odloochenaar. m. —s.

(lodsakker {kerkhof), m. —s.

(■odsdienst, m. —en.

(■odsgericht {ruur- of waterproef) o. —en. Godsgezant (profeet), m. —en.

Godshuis (kerk, tempel), —huizen. Godsoordeel (de vuur-en waterproef), o. —en. Godspenning. Goodspenning (handgift), m. —en.

(lodsreeht ( vuurproef in lt;le Middeleeuwen), o. Godvergeten (goddeloos), bn. Een — schurk. Godvreexend, bn.; —heid, v.

Godsvrncht. v.

Godzrilig (vroom), lui. —held, v.

Goed {beter, best), bn. en bw.; —heid, v.

Goed. o. —eren.

Goedaardig, bn.: —heid. v.

Goeddoen (weldoen), ik deed goed, heb goed-

Goeddnnken (welbehagen), o. jgedaan.


ocr page 122

GOEDDUNKEN—GRAM.

102

(;o(gt;cllt;luiikeii. het dunkt —, dacht en docht —, heeft —gedacht en —gedocht.

(loedeiiflaK {wapen, knots met scherpe prikkels), m. —s.

(■oedeiiflasr/.eggiwi. ik heb —gezegd, —gezeid. (■oe(leiiiiiorg;lt;Mi7.es;s(gt;ii. ik heb —gezegd, — gezeid.

(üoefleimaclif/.eKKi'ii, ikheb —gezegd, —gezeid. Cüoederenkiiiitoor, o. —kantoren; —trein,m.: —en: —wagen, m. —s.

Goedeiiiand(van)(rcm betrouwbare zijde),h\v. iioedertieren (lankrnoedici), bn.: —lieid, v. Ïïoedgeelsch, bn.; — lieid, v.

^■oedgiiiiNtis;, bn. en b\v.: —heid. v. iioedharti»:. bn.: —iieid. v.

(■oedig (welwillend,vriendelijk), bn.: —lieid, v. (■oedkiMimi. ik heb —gekeurd; — ing, v. ïioedkoop, bn.: — heid, v.

(üoedleersi'ii. bn. Die knaap is —. (■oedleven. alleen gebruikelijk in: Pater—, m. (■(M'dinaken (schadeloos stellen), ik heb goedgemaakt: — ing;, v.

(lOcdHcliikH. bw.: — of kwaadschiks, niet of zonder inwilliging.

(lOfdMinoeds (in koelen bloede), bw. fiioedviiideii, ik vond goed, heb goedgevonden, (■oedvindeii (welmeenen). o. Met uw —. lt;ioed\% illig;. bn.: —heid. v.

(ioelijk (lief), bn.: —heid. v.

Golf (baar. inham), v. —ven.

Golven, het heeft gegolfd: —hiR, v.

lioni (rjomstof), v. —men.

fioiiidrasant (een soort van gom), o. gmv. iioiiielastiek. (Hiinlastiek. v. gmv.

(■omineii (met fjom bestrijken), ik heb gegomd. Ciloniinitf; (vol gom), bn.

iionde ( kram waarop iets draait), v. —n, —s. Iiondel (vaartuig in Venetië), v. —s. (■ioiidelier (gondelschipper). m. —en, —s. {■oiiiometer (hoekmeter), m. —s. (■onioiiictrie (meetkunst der hoeken).\. gmv. lt;iioni«»iiietri«eli (de hoekmeetkanst betreffende). bn. Een —e formule.

(ioiih (dof geluid, gebrom), m. gmv.

Cioust (de overgebleven kracht van den mest in een alker na den oogst), v. De — is er uit. («onstol (bromtol), m. —len.

(lOiizen. het heeft gegonsd; —Iny;. v. Het — der bijen, der kachel, van een rad. enz. (■oorhelen, ik heb gegoocheld: —aar, m.: —arij. v.: —ing, v.

(«ooeiiem (slim. bijdehand), hn. Een — ventje. (■oodsiieiiiiing. (iod.speiinins; {handgift), m. (■ooi (worp), v. —en. De eerste — hebben. (■ooien {smijten, smakken), ik heb gegooid: —er. m.: -ins. v.

(■oor (door bederf zuur geworden), bn. Gore melk, gore taal. — spek.

(■oot. v. goten. Een da!:—, een straat—, (■ord, gorde (rib van een schip), v. —en. (■ordel (riem), m. —s.

(■orden (een gordel omdoen), ik heb gegord. (lOi'diaaiiM'lip knoop (zekere ka ast ig gelegde knoop: een ingewikkelde of netelige zaak), m. (■ordijn. v. en o. —en.

(■ordinu; (touw, deel run een dak), v. —en. —s. (■oren izuar of ranzig worden), het is gegoord. (■orgel {stoot), m. —s.

(■orgeldrank (geneesmiddel), m. —en. (üorgelen {de keel spoelen), ik heb gegorgeld: -ing, v.

(iorgoon, gorgone (schrikgodin, monster), v. —onen.

(«origheid (goorheid? v. —heden.

(iofm (aangeslibd land), v. —zen. (■ort (grutten), v. —en.

(■ortehrij (pap), v. gmv.

Gortenteller (gierigaard, vrek), m. —s. Gortig, bn. en bw. Hij maakt het —, slecht. Goteling {klein stuk geschut), m. —en.

Goth. Got (volksstam), Gothen, Goten, (■otlii.seh (ook Gotisch), bn. Een —e kerk] de —e bouwstijl.

(■ond (metaal), o.

Goiideiiregen {boom), m. —s.

(■ondlakeiiHeh, bn. Een —e fazant, met goudgele veeren op den rug.

Gonlard-water (loodwater, een opdrogend middel in de heelkunde), o.

(■onrniaiid (gulsbrok: lekkerbek), m. —s. (ionrniaiidise (rraatzaeht; lekkerbekkerij), v. Gonteeren (smaken, proeven, fig. goed keuren). Gont (smaak), m.

Gontte (podagra), v.

Gouvernante (landvoogdes: opvoedster, leermeesteres), v. —s.

Gonvernenient (staatsbestuur; regeering), o. —en.

Gouverneur (landvoogd, beheerscher; opvoeder, leermeester), m. —s.

Gonvernenr-generaal, m. gouverneuren- en gouverneurs-generaal.

Gonverno (bericht, aanwijzing, regel, voorschrift). m. Per —, tot naricht.

Gonw (landstreek), v. —en.

Goniv. gouwe (bloem, speenkruid), v. —en. ; Gouwenaar (Goudsehe pijp), m. —s.

(■over (muts. kap of hoed), m. —s. vero. («overzeil (topzeil), o. —en.

(■raad. m. graden. Een cirkel—, het 360ste deel van den omtrek: een boog van S0o. d.i. graden: de thermometer wijst 67°, d. i. graden warmte; bloedverwanten in den vierden —. Fig. trap: Een hooge — van krankzinnigheid; in hoogen —. d. i. mate: een academische —. titel van doctor, meester: hij heeft bij het leger alle graden, d.i. rangen, doorloopen. Graaf', m. graven.

Graafttehap (in 't algemeen), o. —pen. GraalHehap (van Zutfen), v.

Graag. bn. en bw.: —heid, v.; —te, v.

Graal (hist, kostbare schotel), m. gralen. Graan, o. granen.

Graat (vischheen). v. graten.

Grahhel. v. Te — gooien; zijn geld te — gooien, verkwistend leven.

Grabbelen, ik heb gegrabbeld; —aar, m.; —ing, v.

(■raee. (iratie (bevalligheid, minzaamheid),\. (■raeht (gegraven water), v. —en.

Gracieus (aangenaam, liefelijk, bevallig), bn. en bw.

Gradeeren (zeewater door af droppeling zuiveren; aan het goud een hoogere kleur geven: Ion teren, veredelen).

Gradueel (geleidelijk, trapsgewijze), bn.enbw. Gradueeren (in graden afdeelen, een aca-demischen graad verlpenen).

(■raeeisine (Grieksch taaleigen), o. —n. (■ralquot;, o. graven. Met den cenen voet in 'l — staan, stokoud zijn; aan den rand van t —. bijna dood zijn: de orde van het Heilige —. Grafelijk. Graaflijk, bn.

I (■rafelijkheid. Graaflijkheid, v.

(■ram (een duizendste van 1 K.G.), o. —men. ! (■ram (boos), bn. en bw.


ocr page 123

GKAMMAÏRE—GRISOU

403

(a ra mill aire (spraakkunst), v. —s.

Ca ra in ma ti ca (spraakkunst), v. —'s. (■rammatiraal (taalkundig), bn. en bw. lt;irai!:M('liap (toorn), v. gmv.

liiraiiiMtorig. bn.: —heid, v.

Ciiraiiaat (—boom), m.; (vrucht), v. granaten. Cïlraiiaat (edelgesteente), m. granaten; (stof), o. Ciiraiiaat (hmn). v. granaten.

(■ randenr (grootheid), v.

Graiifliocis (grootsch. prachtig), bn. en bw. (■randioHitcit {grootheid), v. lt;;mv.

firaniet (steensoort), o. Een rots van —

Grap (klucht), v. —pen.

Cirapliira (schrijf- of teekenkunst), v. gmv. firaplioiiM'tcr (hoogtemeter), m. —s.

Grappig lt; kluchtig, aardig), bn.; —lieifl. v. Cüras, o. —sen. grazen.

liraHdiiiiioii (hooggrasknid), v. mv. In — gaan, goede sier maken, een vroolijk leven leiden. CiraMdiiiiK'ii {in de wei gaan), ik heb gegrasduind.

füraHettins; (het gras langs dijken en wegen). (■rasvellig, bn. Dit is —. dit moet voor schuld verkocht worden.

liiratiaH (ik donk u!). bw.

(üratie (bevalligheid: genade), v. gmv. Het recht van —.

Cüratilt;;ii (de drie bevalligheden. Euphrosine,

Thalia en Aglaja). v. mv.

CiraeieiiH (bekoorlijk, lieftallig), bn. Gratiiu'ütic {vergoeding, belooning. geschenk), v. —tiën. —ties.

fiiratis (vol graten), bn.: — lieid, v.

lirafis (voor niets, kosteloos), bw.

tiratiiit (vrijtvillig). Don —. vrijwillige gift. firatnlecreii (gelukwenschen).

(irau\v {snauw, hard woord), m. —en. lt;*raim' (het gemeen), o. —en.

GraiMV (grijs, aschkleurig), bn.: — heid. v.; —ighrid. v.

firanwju lifis. bn.: -heid, v*.

Cüramvcn (norsch spreken), ik helt gegrauwd; Grauwtje (ezel), o. —s. [—er, m.

Grave (sterk, ernstig, deftig), bw. muz. Graveel (nierwee, h»'t steen), o. gmv. Graveeren (met de graveernaald teekenen).

—der, m.: —ins. v.; —»el, o.

Graven, ik groef, heb gegraven; —er, m.; —ins. v.

Graveur (plaatsnijder), m. —s.

Gravin, v. —nen.

Graviiinentooi, m.

Gravitatie (zwaartekracht), v. gmv. Graviteeren {(vegen, zwaartekracht, oefenen). Graviteit (ernst, deftigheid), v. gmv.

Gravure ( plaat), v. —s.

Gra/.en (weiden), de koe heeft gegraasd. Grazis (grasrijk), bn.

GraxioHo (bevallig, innemend, zacht, liefelijk). Greb (greppel), v. —ben. [muz.

Greeqne (a la) (op zijn Grieksch), bw.

Greel (gareel of haam), o. —en.

Greep (voor grijping), m.; (handvol, handvat se l, mestvork), v. grepen.

Grein (medic, gewicht, i ;gt;() scrupel), o. —en. Grein (stof eau kemelshaar), o. gmv.

Grein (geneeskrachtige peperkorrels), o. —en. Grelins (zeew. touw), m. —en.

Grenadier, m. —s.

Grendel, m. —s. —en. Hij zit achter slot en —, in de gevangenis.

Greiidelen (met een grendel sluiten), ik heb gegrendeld.

Greiin (grenslijn, scheiding) v. grenzen. Grenzen (palen aan. sluiten aan), het heeft gegrensd: fig. nabijkomen: Dat grenst aan krankzinn igheid.

(freiizenlooM, bn.

Greppel (smal slootje), v. —s.

Gretig, ^n. en bw.: — lieid. v.

Griel*, grieve, v. grieven.

GriekHlt;ali. bn. en (als zn. voor Grieksche taol), o. Griend (wilgengaard), v. —en.

Griep (verkoudheid met keelontsteking), v. GrieMineel (grof meel), o. gmv.

Griet (zekere visch), v. —en.

Grietenij (landstreek in Friesland), v. —en. tirietnian (bestuurder eener grietenij), m. Grieve, v. —n. Ook: Griel'. [—nen.

tarieven (beleedigen), ik heb gegriefd; —ins. v. Griezelen (huiveren, rillen), ik heb gegriezeld. Griezeltje (een ziertje), o. —s.

Gril' (vlug, vlot), bn. en bw.; —lieid, v.

(irillel (ook griffie, grift), v. —s.

tirillelen (enten, inarukken), ik heb gegriffeld, (■rillen (inprenten, ook enten), ik heb gegrift. Grillie (het schrijverskantoor, behoorende bij een rechtbank), v. —iën. —les: srillier. m.; —rscliap, o.: —rsplaatn, v.

tirilïioen. GriH'oen (de lammergier, ook in de wapenkunde een denkbeeldig dier, half arend en half leeuw), m. —en.

Gril't (griffel), v. —en.

(■rijn (knorrepot), m. —en.

(■rijnen (pruilen), ik grijnde of green, heb gegrijnd of gegrenen.

Grijnis (knorrig), bn.

(■rijns (mom, masker), v. grijnzen. («njiiHlaelien (bitter lachen), ik heb gegrijnslacht.

Grijnzen, ik hel» gegrijnsd; —aard. m.: —ins. v. GrijpCfzwj/JVOf/e/, de condor der Andes), m. —en. (■rijpen {vatten, pakken), ik greep, heb ge-(■rijpvosel (condor), m. —s. [grepen,

(■rij.s, bn.: —heid, v.

GrijMiiard. m. —s.

iiri\s\io\i(scheld woord voorgrijsaard),m.—pen. Grijzeleu (een huivering gevoelen), ik hebge-grijzeld: —ins. v. Ook: Griezelen.

(■rijzelis (huiverig), bn.; —heid, v. Ook: (■riezelis*

(■rijzen (grijs worden), ik ben gegrijsd, (■ril (kuur. rilling), v. —len.

Grillen (rillen), ik heb gegrild: —lins, v. Grillase (traliewerk), o. —s.

Grilleeren (van traliewerk voorzien).

Grillis (nukkig), bn.: —heid. v.

Grim (grimmigheid), v. gmv.

Griinas (leelijk gebaar), v. —sen.

Grini:iMNen (gezichten trekken), ik heb gegrimast.

Grimliekken (de tanden laten zien), ik heb gegrimbekt.

Griinlaeli (kwaadaardige lach), m. gmv. Griniliiehen, ik heb gegrimlacht.

(■riiiiinelen (krielen, ivonelen), ik heb ge-grimmeld.

(■rininien [brullen, pruilen), ik heb gegrimd: — nier. m.

(■riininis (in woede), bn.: —heid. v. (■rinniken (spottend lachen). ik heb gegrinnikt. Grint (tweede meel van boekweit, ook: grof

zand), v. gmv.

Grisette (Fransch zindelijk gekleed dienstmeisje: meisje, los van zeden), v. —s.

Grison (gas in kolenmijnen), o. gmv.


ocr page 124

GRISS EN—GLIINE ES VAAR DER.

(irissen {steelsicijzc iets tuegnemen). ik heb gegrist; — scr, m.

(■roef {kuil, diepte), v. groeven.

(•roei {het (/roeien), m. In den — zijn, nog groeien.

(■roeien, ik ben gegroeid: —kraeht, v.: —sel, o. (■roeizaani, bn.: —lieicl, v. — weder.

(■roen, bn.: — lieid, v.

(■roen { nien weliny ondtT de studen ten), m.—en. (■roen {kleur), o.

(■roenaeliti^, bn. Het water der zee is —. (■roenen {groen worden), het heeft en is gegroend. De weiden (■roeniK (groenachtig), bn.: —heid, v. (■roenlaiidsvaarder {schi/) voor de walvisch-vangst), m. —s.

(«roenliiii; (vink. ook loof kik vorsch), m. —en. (■roenloopeii (als ./groenquot; loopen van studenten), o.

(■roente, v. —n.

(■roep, v. —en. Een — heelden; een familie—. (■roepeeren (bijeenp la a tscn, tot een geheel : verzamelen), —«Ier. m.; — ins. v.

(■roepen ihijeenplaatsen), ik heb gegroept, (■roet, m. —en. Ook: groete, v. —en.

(■roeten {met een groet eer bewijzen), ik heb i (■roetenis, v. —sen. [gegroet, i

(■roeven (uithollen), ik heb gegroefd.

Groeze (jeugdig groen, jong loof), v. gmv. (■roezeli^; {vuil, donker), bn.; —lieid. v.

(irolV bn. en bw.; —lieid, v.; —te. v. (■ rog(drankvan water, rum ensi(iker),m.gm\. i (■roifiieiii' (mar der, misnoegde), m. —s. (■rol {wrok), v. —len.

(■rollen (knorren), ik heb gegrold, (■rolleninaker {grappenmaker), m. —s. (■rollig (geestig, grajipig). bn. (■rom (ingewand van visch, viiiligheid),o.gmv. (■ronimeien {zich wentelen), ik heb gegrommeld; —iiiff. v. In zijn bloed in het slijk —. (■roinineliK (vuil. morsig), bn.

(■rominen (den visch van ingewand ontdoen), ik heb gegromd; —iiiiiig;, v.

(iroinnien {knorren), ik heb gegromd; —nier. m.; —pot, m. en v.

(■ronnniu; (knorrig), bn.; —heid, v.

(■rond {aarde, bodem), m. —en. Een vruchtbare —; rusten op goede —en ; aan den — zitten (schip); aan den — raken: in den — boren : in den — bedorven zijn, d. i. door en door; de —en der wetenschap, d. i. beginselen: uit den — mijns harten : stille waters hebben diepe —en, wie niet veel zeggen, denken vaak zeer diep.

(irondelinsi^eu y/.sr/f).m. — en. Ook: (■rondel, (■ronden {berusten, doen steunen), ik heb gegrond: — inp;. v-

(■rondig: (gegrond, weldoordacht).hn.: —heid.v. (■rondsap, —sop (droesem, bezinksel), o. gmv. (■rondslag;, m. —en.

(■rondtoon {eerste toon der toonschaal), m. —tonen.

(■rondverf {eerste verflaag), v. —verven, (üroiidverven {in de grondverf zetten), ik heb gegrondverfd.

Grondvest [grondslag), v. —en.

(■rondvesten (stichten, oprichten), ik heb gegrondvest: —er. in.; —hiK, v.

Groom {rijknecht, bediende), m. —s.

(■root, bn. en bw.: —heid, v.

(■root (oude maat ter waarde van een halven stuiver), m. —en.

(■root, o. In het —; handeldrijven in het —.

(i root hek {veelpraats), m. en v. —ken. (■roothoek,o. —en. Het — der nationale schuld. (■ rootbrengen {opkweeken,opfokken),'\k bracht groot, heli grootgebracht.

(■rootelijks. bw. Hij dwaalt —. Grootendeels, bw. De vruchten zijn — onrijp. (■roothandei. m.

lt;irolt;»thartig {edelmoedig, fier), bn.: —heid, v. Groothertog, m. —en: —dom, o. —men. Groothonden (zieh). ik hield mij groot, heb mij grpotgehouden; —erij, v.

Grootje (grootmoeder), o. —s.

Grootinaken (verheerlijken), ik heb grootgemaakt; —ing, m.

Grootmeester (het opperhoofd van een ridderorde, enz.), m. —s.

Grootmeester-iiationaal, m. grootmeesters-Grootmoeder, v. —s. [nationaal,

(■rootseli (trotsch), bn.: —heid. v. (■rootseheepseh (op grooten voet), bn. («rootspraak (snoeverij, overdrijving), v. gmv. Grootspreken, o.; —spreker, rn. —s. Grootte, v. Sterren van de eerste —. Grootvader, m. —s.

(■rootvizier lt; de Turksche eerste minister), m. —s, —en.

Grootvorst, m. —en: —in, v. —nen. Gniotzegel-bewaarder(»gt;ilt;/?i6-flt;,r

(■rop, Grnp {greppel), v. —en. [m. —s.

(■ros {twaalf dozijn), o. —sen.

Gros de \apl«gt;s uf de Tours {zware zijden stoffen, naar die steden genoemd), o. gmv. Grosse (afschrift van een akte), v. — n. Grosseeren {een grosse vervaardigen; ver-grooten: grootspreken).

Grossier (verkooper in het groot), m. —s. Grossierderij (handel in het groot) v. —en. Grossierskantoor, v. —kantoren: —svak, o. (■rosso-modo {ten ruwste, ongeveer), bw. Grot {hol), v. —ten.

Grotesque of Grotesk (grillig, avontuurlijk}. Grovelijk (op grove wijze), bw. [bn.

(■ruis (fijn poeder, steenkool), o. gmv.

(■ruit (droesem, kroos), v. gmv. Griiizelementeii (kleine stukjes), o. mv.

Grnp {greppel), v. —pen. Ook: Grop. (■rnt {(gort)), v. —ten. Fig. kleine kinderen. Gruttenbrij, v.; —meel, o.

(■rutter. m. —s.

Grutterij. v. —en.

Gruwel (snoodheid), m. —en.

Gruwelen (gruwen), ik heli gegruweld. Gruwelijk (afgrijselijk), bn.: —heid. v. Gruwen (verfoeien), ik hel» gegruwd. Gruwzaam (vreeselijk), bn. en bw.: —heid, v Guano (vogelmest als meststof ), v. gmv. Guerilla's (verstrooide troepen in Spanje'$ bergstreken), m. mv.

Guiehelen {goochelen), ik heb geguicheld;

—aar. m.: —arij, v.

(■uiehelheil (plant, mar ik), o. gmv. Guiehelspel. o.: —streek, m. —streken.

Guiehet (kleine deur of venstertje in esn groote deur), o. —s.

Guide (wegwijzer, geleider, aanvoerder), m. —s. (■uig (grimas, bespotting kuur), v. gmv.

tiiiil (paard), m. —en. Fig. lafaard, domkcp. Guillemets {aanhulingsteekens) (,.) of (quot;), m. mv.

(■uillotine (valbijl, onthoofdingswerktuig), v. —s.

Guillotineeren (onthoofden met de valbijl). Guineesvaarder (vaartuig), m. —s.


ocr page 125

GUINJE— HAAST.

105

(«uiiilc (Enyelsche (foudmant gelijk can f 12.60,), v. -s.

(üuirlande ibloenislinyer, festoen), v. —s. Ciuit {(jrappenmaker). m. —en.

(■uiteiiHtreek (jongensstreek), in. —streken. (■uiteiiHtuk, o. —ken.

(iuiterij, v. —en.

(■uitis; (grappig), bn.: —lieid, v.

(■ui (kleine kabeljauw), v. —len.

lt;iiil {openhartig, gastvrij), bn. en bw.: —lieifl, v. (■uldeliii^ (zekere appel), m. —en.

(■lilden (munt, 100 cents), m. —s.

(■ lilden (gouden), bn. Een — les, voortreffelijke les: Ift — vlies* ridderorde door Philips van Bourgondië in 1430 ingesteld: de — eeuw, de eeuw van geluk in de dagen vun Snturnus. (■iildengHal (getal uit de tijdrekenkunde), o. (■nldciiniond (redenaar van naam), m. Cünldenwater (fijne brandewjpi), o. gmv. (piilliartis; (oprecht), bn. en bw.: —lieid. v. lt;iiil|) (watergolf, slok. spleet), v. —en.

(■nlpcn (gutsen), liet heeft gegulpt.

(■iily.ig (happig, gretig), bn. en bw.: —lieid, v.

(■niziffiiard. m. —s.

(ïiinnen, ik heb gegund; —er, m.; —iiig, v.

Cünn^t (toegenegenheid), v. —en.

CiiiiiMfelinp;, m. en v. -en; voor het v.ook—e. (iiiiiNtiu; (voordeelig, geschikt), bn. en bw. («uwt (niet drachtig), bn. en bw. Eeu —e koe. (•nts (holle beitel, steel,bei tel), v. —en.

liiitsen (fappelings afloopen). het heeft gegutst. Het bloed gutst uit de wonde; het zweet gutst langs het hoofd.

(«iitHeii ( uitsteken met een beitel ).\k heb gegutst. lt;iiitteu;oiii. ook (iiHegnm (een soort eau liars),v. iiiiiii'. lm. en bw.; —lieid. v.

(■yinna.siaHt (leerling van een gymnasium), in. —en.

CüymiiaNiinn (voorbereidingsschool voor de academie), o. —s. —siën, —sia.

(■yiiiiia.Ht ( leermeester of leerling in de gymnastiek). m. —en.

lt;■gt; nmastiek (leer der Iichaamsoefeningen),y. (iyiiiiiasti^eii (ludyens, ran of' betreffende de gymnastiek), bn. en bw.


li.

II. v. ii's. De achtste letter van het alphabet. ! Als Komeinsch cijfer beteekent deze letter 200.

II.A. - //quot;,/ us anni of Hoc anno, van of in | dit jaar.

II.Igt;. - Hoogstdez elve, Hooystdeszelfs, Hoogst- \ derzelver. van een vorstelijk persoon, oiHare Doorluchtigheid, van een Hertogin.

Il.e. — Hoe est, dat is.

Il.lv(ielgt;. — Hoogedelgeboren.

II.K.CieHlr.ll. — Hoogedelgestrenge Heer.

IMieh. — Hooggeboren.

II11. - Heeren.

IIII.KE.(a(gt;.A A. — Hunne Edelgrootacht-baren.

lill.K^.lMM. — Hunne Edelmogenden.

illl.KK.KK.IIII. — Hunne of Hare Keizerlijke en Koninklijke Hoogheden.

lill.kK.MM. - Hunne of Hare Keizerlijke of j Koninklijke Majesteiten.

IIII.MM. - Hunne of Hare .Majesteiten.

II.K.K.M. - H are Keizerlijke en Koninklijke j .Majesteit.

Il.k.ll. — Hare Keizerlijke of Koninklijke Hoogheid.

II.K.M. - 11 are Keizerlijke of Koninklijke Majesteit.

11.L. - Hnj us loci of Hoc loco, van of aan j deze plaats.

il.L.O.C'. — Hora locoque consueto, ter gewoner plaatse en ure.

II.M. — Hare Majesteit.

II.M. — Hujus mens is of Hoc mense, van of in deze maand.

il.K.ll. — Het Heilige Roomsche Kijk.

II.S. — Hoe sensu, in dezen zin.

II.S. — De Heilige Schrift, somtijds ook beteekent het Handschrift.

II.T. - Hujus temporis of Hoc tempore, van | of op dezen tijd.

ll.WJiel». — Hoogwelgeboren.

Ha. tw. Ha! daar heb I, beet! t Is om te lachen, ha, ha!

Ilaau; (heg), v. hagen. Achter de — loopen, heimelijk de school verzuimen.

Ilaa^hoseh (kreupelbosch), o. —bosschen.

Haagdoorn. Haagdoren (ook: liasedoorn i, m. —doornen, —dorens.

Haai (groote roofvisch), m. —en. Hij is voor de —en. d.i. verloren: er zijn —en op de kust, er dreigt gevaar.

Haak. m. haken, lets is in den —. of niet, d.i. in orde, of niet: haken en oogen, twist

Haak», bw. |en tweedracht.

Haak*teli (rechthoekig), bn.

Haal (pennetrek), m. halen.

Haal (een ijzeren werktuig), v. en o. halen.

Haam (visclmet). m. hamen.

Haam (paardetuig), o. hamen.

Haan. m. hanen. Zijn — koning laten kraaien, zijn zin of wil doorzetten; daar kraait geen — naar. die zaak is voorgoed uit de wereld; den roodeu — laten kraaien, in brand steken; den gebraden — uithangen, zich voordoen als een groot heer; de — in de wapenkunde, beeld van waakzaamheid.

Haaiider (vruchtenkorf\ m. —s.

Haar, o. haren.

Haar (links), tw. Zie: Hot.

Haard (stookplaats), m. —en. In het hoekje van den —. aan den huiselijken eigen — is goud waard, men is nergens beter dan te huis.

Haardstede, v. —n. Fig. woning.

iiaarklnoven (uitpluizen, vitten), ik heb gehaarkloofd: —er. m.: —erij. v.: —ing;, v.

Haarsnijden, o.: —er. m. —s.

Haas, m. hazen; (in jagerstaal), o. Veel honden zijn der hazen do .d, men moet wel onderdoen voor de overmacht.

Haasjeover tspringspel der jongens), o. gmv.

Haast (spoed, drift), v. gmv.


ocr page 126

-HANGEN.

HAASTEN

Haasten (zicli), ik heli mij gehaast; ook: ik haastte, hel» gehaast.

llaaNtig ispoedeischend) bn.enbw.; —lieiil, v. Haat (afkeer, wrok ), m.

11 a lgt; i I i tei t (yesch i htheid, bekwaamheid). v. gmv. Ilaltitnc (vaste klant in een café), m. —'s. Ilabitneel {gewoon', uit gewoonte, door-da ons), bn.

lïacliée. ihivUlsikoudrundvleeschaan stukjes gesneden en gestoofd met azijn, peper, ajain, enz.), o. gmv.

Hachelijk (hoogst gevaarlijk), bn.; — lieid, v.

llachiH. o. gmv. Zie Hacliee.

Haclit (stuk. brok), m. —en. Een — brood.

Haft (dagvlieg), o. —en.

Iliiganl (verwilderd), bn.

llagediM (een amphibie), v. —sen.

ïlagedoorii. m. Zie Haa^ioorn.

Hagel (ijsbotletjes, ook kogeltjes), m. gmv.

Hagelen, het heeft gehageld.

Hagelwit (zeer wit), bn.

Hak (honw), m. —ken.

Hak (hiel; ook: een houweel met landen), v. —ken.

Hakhord (plankje om er iets o/i fijn te hokken), o. —en. Ook: Hakkebord.

Iliiken (vastmaken, knoopen met een haak-pinnetje), ik heb gehaakt: —er, m.: —ing. v. Hakkelen (stotteren), ik heb gehakkeld: —aar. m.

Hakken, ik heb gehakt. Den vijand in de [Kin

vernietigen, geheel verslaan.

Hakkenei (telpaard), v. —en.

Iliikketeeren (twisten, krakeel en): —der, m.:

— ing. v.

llakHel (fijn gehuil stroo). o. gmv. Hal (bevrozen plek in den gromt), o. gmv. Hal (eet, overdekte mor kt plaats), v. — len. Halen, ik heb gehaald. Iets gaan —, vatten, nemen.

Hallel (looft den Heer). O. —s.

Halleluja {looft den Heer), o. —'s. Halhieinatie (zinsverbijstering, visioen), v. —s. Halm (stengel van 't graan), in. —en.

Hals. m. —zen. De — van een hond-, de — van een viool; de — van eenflesch: de — van een anker: om — brengen, dooden; zich op den — halen, zich berokkenen: een onnoo-zele bloed.

Halskop (gemeenz. stumper), m. en v. —pen. HaKstarrig (koppig), bn. en Inv.; —held, v.;

— lijk, b\v.

Halster (halsriem der paarden), m. —s.

Halt. Halte (rastpunt), v. —en.

II a Iter. m. —s.

Halveeren (in tweeën verdeelen); —ing. v. Ilalveinaan. v.

Hal verwegen, b\v.

Ham. v. —men.

Hamei (slagboom), v. —en.

Ilamel (gesneden ram), m. —s.

Ilamelbont. m. —en Hamer (werktuig),, m. —s. —en.

Hameren (slaan), ik heb gehamerd: —ing. v. Hamerslag (slag met een hamer), m. —en. Hamerslag (afspringende deeltjes van gesmeed ijzer), o. gmv.

Hamster (zeker knaagdier of groote veldrat), v. —s.

Hand (lichaamsdeel), v. —en. Een fraaie —

— seh rij ven. fraaie letters maken; de —en opleggen, zegenen, wijden: in 's vijands — vallen, macht: aaft de hoe ge —, de eereplaats;

iem. de — boven 't hoofd honden, steunen, begunstigen, beschermen: de — van iem. aftrekken, hem aan zijn lot overlaten; goederen in de doode nl. van zedelijke lichamen, kloosters, vereenigingen, enz.: zijne —en zijn gebonden, hij is niet vrij meer; de —en vol hebben, het erg druk hebben: de —en aan iets vol hebben, groote moeite hebben om iets in gereedheid te houden: op de —en tikken, op de vingers tikken, berispen, beboeten: van de — in den tand leven, eiken dag zijn verdiensten verteren, sober leven: twee —en op één ba ik. twee personen die het eens zijn; daar is h'ts aan de —, te doen; van goeoer—, uit goede bron: de — slaan aan. arbeiden, ook bederven, schenden: de — lichten, slordig afwerken; men kan geen ijzer met — breken, men kan het onmogelijke niet doen.

Handbreed, o.; —te. v.

Handdadig (medeplichtig), bn.

Handel (onderlinge koop en verkoop), m. gmv.

Handel (een machinedeel, knik, hefboom ), m.

Handelbaar, bn.: —lieid, v. [—s.

Handelen, ik heb gehandeld: —aar. m. —s.

Handeling (daad. geschrift), —en. Dc —en der apostelen, brieven; de —en van een congres, vereeniging, enz., verslagen van de verrichtingen.

Handelwijs, —wijze (manier), v. —wijzen.

Handen, het heeft gehand. Die pen handt mij niet. past niet in mijn hand.

Ilaiidgenieen, bn. — zijn, vechten.

Ilandli ave (handvatsel), v. — n.

Hand haven (in stand honden), ik heb gehandhaafd: —er, m.: —ing. v.

Handig (vlag. bedreven), bn.: —beid, v. Een — boekje, gemakkelijk in quot;t gebruik.

Handjegaiiw (die licht slaat), m. en v. —s.

Ilandl anger (medeplichtige, helper), m. —s.

Handlangster, v. —s.

Ilandreiken (bijstaan, helpen), ik hebgehand-reikt: —er. m.: —ing. v.

Handselioen. m. —en.

Handtastelijk (voelbaar, tastbaar), bn.

llandtaMting (belofte bij handslag), v.

Handvat, o. —ten.

Handvatsel, o. —s.

Handvest (oorkonde, keur, privilegie), v. —en.

Handvol, v. —en vol. Een — noten, een — koren: een — menschen. eenige menschen; handje-vol, twee handjes-vol.

llandKa-ini (gedwee), bn.: —lieid. v.

Ilanebalk (bint, hoogste balk), m. —en. Hij woont in de —en, op een zolderkamertje.

Hanekani (kam. kuif), m. —men.

Hanekani (bloem), v. -men.

Hanenei (zeer groot ei), o. —eren.

Haiieiiniat (rechtplaats), v. —ten.

Ilanepoot (slecht geschreven letter), m. —en.

Jlaneseliree, v. gmv.

Ilanespnor, v. —sporen.

Hanetred. rn. —en. Ook: Hanetree, v.

Haneveer. v. —en. Ook: Haneveder.

Hanevoet (plant, bloem), m. —en. Bosch-. anemoon, windbloem.

Hang (hout, ijzer, waar men iets aan hangt: ook: plaats, enz.), m. —en. Bokking —. droogplaats.

Hangen, ik hing, heb gehangen. De huik naar den wind —. naar de omstandigheden van partij veranderen: de lier aan de wilgen —, ophouden met dichten of schrijven; de kap op den tuin —, het klooster verlaten; zijn hart


ocr page 127

HANIG—HATELIJK.

107

aan iets er zeer op gesteld zijn: de zaak is nog —de, nog niet afgedaan: het hoofd laten —, den moed verliezen: er hamjt hem iets boven het hoofd, er dreigt hem iets.

'Ilaniff ({/ei/, walpsch), bn.

llaiiiiekeinaaier (Westjdiaalsche grasmaaier), m. —s.

Han*, m- —zen. Een groote —, een rijk man.

'llaiiHMop (nachtjurk) m. —pen.

Ilanaworst [grappenmaker), m. —en.

Ilanteeren (behandelen): —der, m.

II aiize (verbond, broederschap), v. gmv.

Ilap (mondvol), m. —pen.

Haperen (blijven steken), ik heb gehaperd; —iiiff. v.

ilappa (weg), bw. Het is —.

Happen, ik heb gehapt: —per, m.: —perij, v.

Happis (gretig, verlangend), bn.: —lieid, v.

Hapsrliaar (diender: vrek), m. —scharen.

Har, Harre (daim of pin van een hengsel), v. Ook: her, hi'rre.

Haraiiseeren ( plechtstatig toespreken).

llaraHseeren (vermoeien, kwellen).

Ilareeeren (teek. schadawen leggen): —ins;, v. —en.

Harceleeren (hier en daar aanvallen, bestoken, plagen, verontrusten).

Ilarreleiir (plager, kweller, x^erontruster), m.

Hard. bn. en bw.: — lieid. v. [—s.

'Harddraven, ik hel» geharddraafd; —er, m.; —erij. v.

Hardehol (stofkop), m. —len.

ilardeholleii degen elkaar stooten met het hoofd), ik heb gehardebold.

Harden (hurdmaken), ik heb gehard: -Ins. v. Hij zal het daar niet uithouden.

Hardliandis; (ruw), bn.: —heid. v.

Hardhoofdiu; (koppig), bn.: —lieid. v.

Iliirdlinoris (doof), bn.: —lieid. v.

Hardlinidis (dik van huid). —heid, v.

Hardiesse (koenheid, stoutheid, driestheid), v

Hardigheid (hardheid, stee- ), v. —heden.

Hardleerend, hardleerig. bn.: —heid, v.

Hardleerweli (dom), bn.

Hardlijvis, bn.: —heid v.

Ilardlooper (fig. vluggerd), m. —s; —looperij. v. —en.

Hardnekkis; (koppig), bn.: —heid, v.

Hardrijder, m. —s: —ij. v. —en.

Hardvochtiu; (wreed), bn.: —heid. v.

Hardzeiler, m. —s: -ij. v. —en.

11 arem (vrouwenverblijf in de aanzienlijke Turksche huizen: de vrouwen samen), m. —s.

Haren (het scherpen der zeis), ik heb gehaard.

Harentlialve (om harentwil), bw.

Harentwege, bw. Gebruikelijk in: Van —.

Harentwil, bw. Gebruikelijk in: Om —.

Harig (ruig), bn. en bw.: —heid. v.

Haring, m. —s: als stofnaam, v.

Haringkaken {haring reinigen en inzouten), o.

Hark. v. —en. Hij of zij is een rechte —, stijf persoon.

Harken, ik heb geharkt. Een tuin/tad —: —er, in.

Harlekijn (grappenmaker, hansworst), m. —s.

'Ilarinoniea (zeker speeltuig), v. —'s.

Harmonie {welluidendheid, vrede), v. —ën. Te zamen in — leven, eensgezind zijn.

Harnioiiieeren (overeoistemmoi, het eens zijn. vreedzaam leven).

Hariiioiii*teh (overeenstemmend), bn.

IliirnaH. o. —sen. Het — nangespea: iem. in het — jagen, hem boos maken; voor iem. het — aantrekken, hem verdedigen.

Harp (muziekinstrument), v. —en.

Ilarpagun (gierigaard, vrek), m. —s. Ilarpeniiar (harpspeler), m. —naren. —s. Harpij (gedrocht, wezen der fabelleer), v. —en. Ilarpinm (werk van oude touwen om de schepen te kalf aten), o. gmv.

Harpoen (iLerpspies), m. —en.

Harpoenen (werpen met den harpoen), ik heb geharpoend: —er. m.: —Ier, m.

Ilarpiito (mengsel van zwavel en hars. ter wering van den houtworm in schepen), o. gmv. Ilarpiiizen (met harpuis bestrijken), ik heb geharpuisd; —er, m.

Harrewarren (krakeelen, kibbelen), ik heb geharreward; —der, m.; —rerij, v.

Hars. v. en o. —en. De gewone of gele —, nl. die uit den denneboom.

Harsachtig bn. Een —e stengel.

llarNenen. Ilarseiis. Zie: iler.seiien.

Harst (lendenstuk van een rund), m. —en. Hart. o. —en. Het — van een land, midden; iets ter —e nemen, luisteren naar; het — aan iets ophalen, zich verlustigen: iem. een kwaad

— toedragen, een goed — toedragen, haten, liefhebben: het — op de rechte plaats hebben. rechtschapen zijn; (iod kent, peilt de —en, gemoederen: dat is mij een steen van het —. mijn beklemming is weg, is verdwenen: het

— bloedt mij. ik ben diep geroerd: hij heeft

— voor de zaak, heeft er veel voor over; zijn

— uitstorten, zijn — lucht geven: iem. een

— mider den riem steken.. moed geven: iem. een — in 't lijf spreken, moed instorten: iets op het — hebben, gaarne iets willen openbaren: ui ter oogen, ui ter harten, de afwezigen vergeet men licht: daar hebt gij het — niet toe, 6.. i. den moed: xuaar Iwt — vol van is, loopt de mond van over. men spreekt liefst over 'tgeen men gaarne heeft.

Ilarthrekend (trelfeud. schokkend), bn. Ilartebloed. o.: —diefje, o. —s: —leed. o.: —liefje, o. —s.

Hartelijk (innig), bn. en bw.: —heid. v. Harteloos (koel), bn.: —heid, v.

Hartelust, m. Xaar —. met innig genoegen. Harten (in het kaartspel), o. mv.: —aas. o. —azen; —boer. m. —en: —heer. m. —en: -vrouw, v. —en.

Ilartgronaig. ' n. Een — gebed, uit het hart: een —e wensch.

Hartig (Zquot;Ut. kruchtig), bn.: -held, v. Hartjesdag (feestdag in Amsterdam en Haarlem), m. —en

llartlap, Hartelap (lieveling), m. en v. —pen. Ilartstoelit (drift, aandrong), m. —en. Ilartstoehtelijk. bn. en bw.; —heid. v. Ilartsvanger (lang jachtmes), m. —s. Hartzeer (verdriet), o. gmv.

Hasard '.toeval, noodlot: gevaar, waagstuk), o. Par —, toevallig.

ilasardeeren (wagen, bestaan, durven). Haspel (werktuig tot hquot;t opwinden van garen), m. —s. —en. Op den — passen, het oog op alles houden: dat is eeu — in de flesch. een raadsel: dat past als een — in een zuk, dat past niet bij elkaar.

Haspelen (garen afwinden, fig. verwarren), ik heb gehaspeld: —aar. m. —ing. v. Haspelraani. o. —ramen: —werk, o. —en.

Hassehassen (kibbelen, kijven), ik heb gehas-sebast: —serij. v.

Hatelijk (vijandig, onpleizierig), bn. en bw.: —heid. v.


ocr page 128

HATEN—HEK.

108

Haten {een afkeer hebben van), ik heb gehaat; —r. m.

Hausse (rijzinu van rlen koers i/er effecten, van den marktprijs), v.

Ilautbois (hobo, honyfluit), v. mv. hautbois. Hauteur (hooyte; edele trots), v. —s. Haute-vulêe (de aanzieniijke stand, de groots \ wereld), v. gmv.

Hautrelier (hooggebeiteld beeldhoinvwerk), o. |

Have (bezittingen, goederen), v. gmv. Ha\ellt;Mgt;H (arm. slordig), bn.; —lieid. v. Haven iveilif/c lifjplaats). v. —s.

Have ïiien (scheuren), ik heb gehavend: — iiiR, v. Haver (graansoort), v. gmv.

Haverij. Averij (zeeschade), v. gmv. Havezaat. Havezate (aanzienlijk landgoed, riddergoed), v. —zaten.

Havik ('lagroofvogelgt;, m. —en.

Haviksneus {.gebogen neus), m. —zen. Hazardspel (dobbelspel), o. —en.

Hazelaar {hazelnoteboom), rn. —s. —aren. Hazelaarshoseli. o. —bosschen: —hout. o. Hazellioeti (korhoen), o. —ders.

Hazelnoot (vracht), v.: (boom), m. —noten. Hazelnotehooni. m. —en.

Hazel wortel (plant), v. gmv.

llazeiHiistel (melkdistel). v. —en. —s. Hazenlip, v. —pen: —nioiul. m. —en. Hazenpad, o. Het — kiezen, op de vlucht slaan. Hazenslaap (lichte slaap), m. gmv. Hazenwind (jachthond), m. —en.

Hazepeper. v. gmv.: —sprong, m. —en: —vel, o. — len.

He. t\v. He! ben jij daar.

Hehbelijk (geicoon), bn.: —heid, v.

Hehhen. ik had, heb gehad.

He hete (wezenloos, verbluft, uit het veld geslagen. suf), bn.

Hehreer. m. —s. Hebreën: Hehreeuwseli, bn.

Hehzueht {inhaligheid), v. gmv.

Hebziiehtiu. bn.: —heid. v.

Heeht (sterk, vast) bn. en b\v.: —heid, v. Hecht. Heft 'handvat), o. —en.

Heehten (verbinden), ik heb gehecht: —is {gevangenschap), v.: —iiiR. v.: —sel. o. Heetare (bunder = 100 .4. of 10000 Mquot;). v. —s. Heetiseh (teringachtig), bn. [—n.

Hectogram (Nederl. ons of 100Gr.), o. —men. Heetoliter (100 Nederl. kan), m. —s. Hectometer (100 M.). m. —s.

Heede (hennep-afvjl). v. gmv.

Heel (gansch), bn. en b\v.: —heid, v.

Heelal (schepping), o. gmv.

Heel haar (geneeslijk), bn.

Heelen {genezen), ik heb geheeld: —ing. v. Heelhuids. Ileeishuids (zonder letsel), b\v. i Heelkracht. v. —en: —kruid, o.: —kunde, v.: — kundig;, bn.; —kundige, m. en v. —n; — kunst, v.: —meester, m. —s.

Heem. Heiui (huis, hoeve), o. —en.

Heemraad (lid van een dijkbestuur), —raden. Heemskinderen (de vier), o. mv.

Heemstede (boerenhuis), v. —en. Heemstedengeld (belasting op de hoeven), o. Heeiikomen. o. Een goed — zoeken Heenreis, v. Ook: heenreize.

Heenrit. m. gmv.

Heep (snoeimes), v. hepen.

Heer (meester, gebieder), m. —en.

Heer (leger), o. Ook: Heir.

Heerachtig;, bn.: —heid. v.

Heeremijntyd (uitroep eau verbazing), tw.

Heerendienst, m. —en: —huis, o. —huizen, —huizing;, v. —en: —knerht, m. —s.

Heerlijk (van den heer, prachtig), bn.: —heid.v. —e /'echten: een —heid. een adellijk landgoed. Heeroom (geestelijke), m. —s.

Heerschap (heer), o. —pen; —pij (bewind), v. —en.

Heerschen. ik heb geheerscht: —er (machthebber), m.: — inff. v.

Heerschzucht (zucht naar macht), v. gmv. Heerschziichtig;, bn.: —heid. v.

Heerweg;, lleirweg; (grootelandweg), m. —en. Ileesch (schor), bn.: —heid, v.

Heester {houtachtige plant), m. —s.

Heet. bn. en bw.: -held. v. Op —e kolen staan, hoogst ongeduldig zijn: een — ••evecht, scherp, hevig gevecht: —e tranen, bittere tranen: op —erdaad betrappen, juist op het oogenblik, dat de daad bedreven wordt: men moet het ijzer smeden, terwijl het — is, men moet van de goede gelegenheid gebruik maken.

Heeten (heet maken), ik heb geheet. Het water

Heeten (n emen cn genoemd worden), ik heette, heb en ben geheeten. Ik heet hem mijn vriend: hij heet de baron.

Heethoofd (belhamel), m. en v. —en. Heethoofdig; (driftig), bn.; —heid, v. Hef. Ilede (grondsop), v. gmv.

Hefhoom (nat. staaf), m. —en.

Heffen, ik hief, heb geheven. Den arm —, het been —, oplichten,optillen; belastingen—, oplegden: —Ier, m.: —flng, v.

Hefoffer (offer der eerstelingen bij de Hebreën), o. —s.

Heft, o. Ook: Hecht. Het — van een mes. Heftig; (driftig), bn.; —heid, v.

Heg;, Heg;t;e (tuinhaag), v. —gen.

Hei. tw.

Hei (werktuig om palen te heien), v. —en. Heihei (twistzieke vrouw), v. —en.

Heihlok. o. —ken.

Heide. Hei (vlakte, zandgrond), v. —n. Heiden (afgodendienaar), m. —en.

Heiden (zigeuner), m. —s.

Heidendom, o.

Heiduk (licht gewapend infanterist in Hongarije). m. —ken.

11« 'ien (palen inslaan), ik heb geheid; —er, m.; —ing, v.

Heil (geluk, zaligheid), o. gmv.

Heiland (Zaligmaker), rn.

Heilbot (schol), v. —ten.

Heilig;, bn. en bw. God is —: —heid, v. Heiligdom (tempel: ook heilig voorwerj), reli-(pde), o. —men.

Heilig;e (heilig verklaarde), m. en v. —en. Heiligen (heilig maken), heb geheiligd; —in?, v. Het doel heiligt de middelen. Heilig;making;, v. gmv.

HeilUgt;os {rampspoedig), bn. en bw. Heimelijk, lm. en bw.; —heid. v.

Heimpjê (zeker soort van krekel), o. —s. Heimwee (ziekelijk vei'lungea), o. gmv. Heinde (dicht bij), bw.

Heining; (schutting, orntuining), v. —n; —inkje, o.

Heir. Heer (leger), o. —en.

Heirvaart, Heervaart, v. —en.

Heisa. tw.

Hek (getralied afschutsel), o. —ken. Het — is van den dam, er is geen toezicht of opzicht.


ocr page 129

HEKEL-HERLEVEN.

Ilokcl {werktuig), m. —s. lem. over den — halen, kwaadspreken van iem.

Hekel (afkeer), m. Ken — aan iem. hebben. llpkHlt;lirlit (schimpdicht), o. —en. ilekeldicliter. m. —s. Vondel is ook —. Hekelen, ik heb gehekeld: —aar,m.; —in», v. Il^kelselirii't [satire, schotschrift), o. —en. Ilekkeii^prin^er (onbesuisd jongniensch), m. —s.

Heks (tooverkol. leelijk oad wijf), v. —en. Fig. sluw. schalksch meisje.

llekNcii. ik heb gehekst: —erij. v. Hel (verblijfplaats der verdoemden), v. trmv. Hel (helder, fonkelend), hn. en bw.: —lieicl. v. Helaas, tw.

Held. m. —en. Tromp ivus een —: de—van een roman, tooneelstuk. enz.

Heldenarm, m. —en: —daad, v. —daden; —deiiamp;;d, v. —en: —dicht, o. —en: —dieli-ter. m. —s; —dood, m.: —moed. m.; —zanu; (epos), m. —en: —Zfinarer. m. —s.

Helder (klaar, licht, zuiver), bn. en bw. — Iieid, v.

Helderziend (scherpziend), bn. Ken — man. Heldhaftig;. bn. en bw. Een —e verdediging: iets — verdedigen'. —lieid. v.

Helen (bergen), ik heb geheeld: —r, m. De heler is zoo goed (schuldig) als de steler. Helft, v. —en.

Helioseoop (zonnebesclwuwe)*, zonneglas', een met lamproet berookt glaasje), m. —copen. Heliotroop (zonnebloem', ook: werktaig), m. —tropen.

Hellebaard (lans met dwarsbijl), v. —en. Hellebaardier (soldaat met een hellebaard), m. —en. —s.

Hellebrok (boosdoener), ni. en v. —ken. Hellen, ik heb geheld: — lina;. v. Op zijde —, overhangen.

Hellenist [kenner der oud-Grieksche taal), m. —n.

Helleveeg [boosaardige vrouw), v. —vegen. Heilig (boos), bn. en bw.; —lieid, v.

Helm (hoofddeksel), ni. —en: — |gt;je, o. Met den — geboren zijn, d. i. met de gave der voor-Helm (grassoort), v. gmv. [spelling.

Heimet (dicht, voor helm), o. —ten. Helmkruid (speenkruid), o. gmv.

Heloot (Spartaansche knecht, lijfeigene), m. Heloten. Een volk van heloten, een onderdrukt volk.

Helpen, ik hielp, heb geholpen: —er. m. Van den ival in de sloot —. nog ongelukkiger maken; naar dc andere wereld —. van kant maken, doen sterven: iem. a it den droom —, iem. licht geven. iem. iets verklaren: zoo waarlijk helpe mij God almachtig! eedsformulier. Helpzeel. Hulpzeel, lt;•. —zee'len.

Helseh. bn. en bw.: —heid, v.

Helvetie (Zwitserland), o.: —tier, m.: —tisrli. Hem, tw. |bn.

Hemd. o. —en.

Hemel ( uitspansel), m. —en: (van een bed), m. Hemelen (sfe/'fe/i), het kindje is gehemeld. | —s. Hemelins;. m. en v. —en: v. ook —e. llemelMblaiMv, bn. Een — lint.

Hemelscli. bn.: —sezind. bn.

11 emelvaart, v.: —sdag (40dagen na Paschen), m. —en.

Hemelval (schoone taal, schoon gezang). m. gmv.

Hemisplieer (halfrond, de helft ran den hemel- of aardbol), v. —pheren.

Ileinmeii (toeroepen), ik heb gehemd. Hen (kip), v. —nen.

lit Mig; (deurhengsel), v. —en.

Hendel (vischroede), m. —s.

Hendelen, ik heb gehengeld; —aar. m. Hengelroede, v. — n: —snoer, o. —en: —stok. Hengsel, o. —s. [m. —ken.

llen^Ht (mann. paard), m. —en.

11« 'iijjst (groot en sterk vaartuig), v. —en. Ileiiifstebron (bron van Apollo op den Helicon), v. Lit de — gedronken hebben, dichter zijn. 11« Minsten [hord werken), ik hel» gehengst, lienker [benh, m. —s.

Hennep [plant), m.

Ilennetaster [bemoeial, bedilal), m. —s. Hensbeker. Henzebeker [Hanzeheker, gilde-beker), m. —s. vero.

Her, bw. en vz. Van oads —. van een wen —. sedert oude tijden, sedert eeuwen.

Herakliet (een oud wijsgeer, die altijd o//f de (laden der menschen schreide), ni.

lieraldieü. Heraldiek (wapenkunde), v. Heraldiek (wapent, nnde), v.; ook: (wapenkundig), bn.

Herant [wapenbode), m. —en.

Herbariseeren (kruiden of planten zoeken). Herbarist (kruidenzoeker: p la /1 tei ike) iner), m. -en. Ook: Herborist.

Herbarium (kraidkandiy handboei, ', plantenboek). o. —s. herbaria.

Herberg;, v. —en. De waarheid vindt zelden —, d. i. huisvesting. —ier, m.

Herbei'g;en (log eer en), ik heb geherbergd: —ing;. v.

Herb* M-g;zaani [gastvrij, bewoonbaar), bn. en bw.: —beid. v.

Herboriseeren [kruiden zoeken, kruiden verzamelen ).

Herborist (kruidenzoeker, plantenkenner). m. Herbouw, m. [—en.

Hlt; 'renliseb (forseh, gespierd, sterk), bn. Herdag;en (wederom dag worden), het is —daagd.

Herdenken (in de gedachte brengen), ik —dacht, heb —dacht: —ing;, v.

Herdenken [herdenking), o.

Herder, m. —s.

Herdersdieht(V/ic/if over het landleven). o. —en. Herdoop (wederdoop), m. gmv.

Herdruk (nieuwe drnk), m. —keu.

Hereditair (erfelijk), bn.

Heremiet (kluizenaar), m. —en.

Herfst (najaar), m.

Herhaald (bij herhaling), bn.: —«'lijk. bw. Ilerhab mi (overdoen, opnieuw bestndeeren), ik heb —haald; —er. m.: —ing;, v.

Herijk, m. De — van maten én gewichten. HeriJkeiKO/m/e^M; ijken),'\k heb —ijkt: — ing;. v. Herinneren (weder te binnen brengen), ik heb —innerd: —ing;. v.: —ingsverm«gt;g;en. o. Herkennen (terngkennen), ik heb —kend: -ing. v.; —ing;st«'«'keii. o.: —iny;s\voord. o. Herkiesbaar /.•/esöfm/O.bn.: — lieilt;l,v.

Herkiezen (opnieuw kiezen), ik —koos. hei» —kozen: —ing;, v.

Ilerk«gt;men [zich herstellen), ik —kwam. ben —komen.

Herkomen (afkomstig zijn), ik kwam —, ben —gekomen: —k«gt;mst (afkomst), v.: — ktun.stiir. bn.

Herkoop (/reder-inkoop), m. gmv.

Herlt 'ven (fig. opnieuw moed scheppen), ik ben —leefd: —iny;. v.


ocr page 130

HERLEZEN-HOBBELPAARD.

110

Herlezen (opnieuw lozen), ik —las,heb —lezen; — ihR. v.

Ilermaphrodiet (die num en vrouw le gelijk schijnt te zijn), m. en v. —en.

Ileriiielijn (wezel), m. —en.

Ileriiielijn (bont), o. gmv.

Ileniielijneii (van hermelijn), bn. Een — hiantel, koningsmantel.

llerinetiHeh (luchtdicht), bn.en bw. — sluiten, luchtdicht sluiten.

Hermitage ((7e cel of' kluis van een kluizenaar ), v. —s.

Hernliiiüer (Morav. broeder te Zeist), m. —s.

Heriiieiiwen, ik heb —niemvd. Een belofte — : —er, m.: — ing, v.

Ileroen (helden). Zie Hero*.

Heroïek (heldhaftifj). bn.

Heroïsme (heldhaftifiheid), o. gmv.

Hero.s (held, halfnod). m. heroën.

Herrie (luidruchtuje drukte), v. gmv.

Herroepen (opnieuw roepen, intrekken), ik —riep. heb —roepen: —inff. v.; —er. m.

Heix'liiipen (vd. van herscheppen), bn.

Herseliepen (opnieuw inschepen), ik heb —scheept: -ins. v.

Herscheppen (van ijedaante doen veranderen ), ik —sciiiep, hel) —schapen; —er,m.: —ing,v. Deze hei is in weluj bouwland herschapen, veranderd.

Herbenen. Hersens, v. mv. Ook: llarsenen, liarsens.

Ilersenseliim (droombeeld), v. —men.

llerseiiMeliimmig {ini/cbeeld), bn.

Herstel cjenezin;/), o. Hij zoekt overal — van zijn kwaal.

Ilèrstellen, ik heb en ben —steld; —Ier, m.: -ling, v.

llerstellingHteeken (muz. teeken, dat te kennen 'jeeft. dat de kracht van een mol of kruis opgeheven is), o. —s.

Hert (tweehoevig dier), o. —en. 't Vliegend —, de grootste kever in Europa.

Hertenjaeht, v. —en: —kamp, m. —en.

Ilertevleeseli, Hertenvlee«eli, o gmv.

Hertog (legeraanvoerder-, hoogadellijke titel), m. —en.

Hertslioorn, Hertslioren (als voorwerp), m.; (voor de stof), o.

Ilerv4»rmd (veranderd, verbeterd), bn. Ons — onderwijs.

Hervormde (gereformeerde), m. en v. —n.

Hervornien, ik heb — vonnd: —er, m.: —ing, v.

Herzien (verbeteren, wijzigen), ik —zag, heb —zien: —er, m.: —ing, v. Een wel —. een

Hes (kiel), v. —sen. [boek —.

Hesp (heupgewricht; ook: hieltje van een ham), v. —en.

Heterodox (onrechtzinnig, van. de li. K. kerkelijke leer afwijkende), bn. Een —tlo.re leer.

Heterodoxie (onrechtzinnigheid), v. gmv.

Heterogeen (ongelijksoortig), bn. Heterogene bestanddeel en. uiteenloopende bestand leelen.

Heterogeniteit (ongelijksoortigheid), v. gmv.

Hetiiian (bevelhebber, aanvoerder, hoofdman eener af deeling Kozakken), m. —nen.

Ilende. Hen (een platbodemd koopvaardijschip). v. heuden en henen.

Heng (smaal:, zin), v. alleen gebruikelijk in: Tegen — en meng, d. i. met tegenzin.

Hengen, het heeft geheugd; —is, v. Mij heugt, het hcnift mij; het zal o —, het zal u berouwen.

Heuglijk, bn. en bw. Een — feest, genoeglijk, gedenkwaardig.

Heul (plantk. slaapbol), m. gmv.

Ilenl (hulp, bijstand), o. Hij vond nergens—. Ilenl (houten bruggetje), v. —en.

Heulen (samenspannen), ik heb geheuld. Met den vijand —.

Henp. v. —en.

Heiireea (ik heb het gevonden: de bekende uitroe/) van Archimedes, toen hij onder het baden de naar hem genoemde wet ontdekte, nl. dat een lichaam, in een vloeistof (gedompeld, zooveel aan gewicht verliest, als het gewicht van de verplaatste vloeistof bedraagt). Henseli (beleefd, vriendelijk), bn. en bw. Heuvel (hoogte), m. —s otquot; —en.

Hevel (buis), m. —s.

Hevig (geweldig, fel), bn. en bw.; —heid, v. Hexameter (dichtk. zesvoetig vers), m. —s. Hiaat (stooting van klinkers), m.: (gaping), o. Iliherneeren (ovencinteren). [hiaten.

Hidalgo(S/quot;'lt;ow/i edelrnun van lageren rang), llidenx (afzichtelijk, leelijk), bn. [m.

Hiel (achterdeel van den voet), m. —en. Hiêrareli (aartspriester in de Grieksche kerk), m. —en.

Hiërarchie (rangvolging in het priesterambt), v. gmv.

Iliêrarcliiscli (volgens rangorde), bn. Hiêroglyphe. Hierogliel' (beeldschrift bij de onde Egyptenaren), v. —glyphen, —gliefen. Hieroglypliiscli tzinnebeeldig, raadselachtig), bn. en bw.

Hijgen adem zijn),ik hijgde, heb gehijgd.

II ij lik (huwelijk), o. —en. vero.

II ij li ken, ik heb en ben gehijlikt. vero. Hijlikmaker (soort van koek die op bruiloften werd gegeven), m. gmv.

IlijHelien (ophalen), ik heesch, heb geheschen. Hik. m. —ken. Gij hebt den —.

Hikken, ik heb gehikt: —er, m.

Hilariteit (algemeen gelach), v. gmv.

Hinde (wijfjeshert), v. —en.

Hinder (beletsel, schade), m. gmv.

Hinderen, ik heb gehinderd: —ing, v. Hinderlaag, v. —lagen. Zich in — leggen, in een — vallen, valstrik, verraderlijke overval. Hindernis (stoornis), v. —sen. Éen wedloop met —sen.

Hinderpaal (beletsel), m. —palen.

Hinken onankgaan,springen), ik heb gehinkt. Op twee gedachten —. besluiteloos zijn; —de paard komt achteraan, de zwarigheden komen het laatst.

Hinniken, het paard heeft gehinnikt. Ilipoeras (kruiderwijn), m. gmv.

Hippelen {huppelen), ik heb gehippeld. Hippen (springen), ik heb gehipt.

ilippocreeii (hengstebron, dichterbron),'?.gnw. Hippodrome (rijbaan, renbaan), o. —n, —s. Ilippopotamns (rivierpaard), m. —sen. Historie (geschiedenis), v. —s of —riën. Historieel (geschiedkandig), bn. —e portretten. Ilistoriseli (volgens de geschiedenis), bn. Hit (klein paard), m. —ten.

Hitsen (aanvuren), ik heb gehitst.

Hitte, llette (groote warmte), v. gmv. ilivernage (overwintering), v. gmv.

Ho. tw. Ho! wat een leren.

Hohhel (bobbel, oneffenheid), m. —s. Hohbelhek (stamelaar), m. en v. —ken. Hohbelen. ik heb gehobbeld. Op de knie —: in een bootje —: op de golven —.

Hobbelig (oneffen), bn.: -heid. v. Hobbelpaard, o. —en.


ocr page 131

H 0 BO - H ON IG DA ü W.

111

lloho (muziek-in-strnment), v. —'s.

lloboÏHt {hobohlazer), m. —en.

llociiH-pociiM {goochelarij, tooverforniHlé), c. Ilodoincter {weymeter, schredenteller), m. —s. Hoe, b\v. — (jaut het? — ivarm het was! enz. Hoed {hoofddeksel), m. —en.

Hoed (maat, ± 10 H.L.), o. —en. Hoedaiiiigt;;heid {eigenschap), v. —heden. Hoede {bescherniinij), v. Onder de —van God. Hoeden {het toezicht houden over), ik heb gehoed: —er, m.

Hoef* (paardenhoef), m. hoeven.

Hoef, Hoeve (hofstede), v. hoeven.

Hoefslag; {woning, verblijfplaats), m. —en. lloeKenaaind. bw. Daar is — geen orde. Hoegrootheid, v. —heden.

Hoek (meetk. deel van het platte vlak), m. —en. Hoeker {vaartuig), m. —s.

Hoekftclie (een partijnaam). m. —n. Hoekschen en Kabeljauwschen (Vad. gesch.).

Hoelanu; (tot), bw.

Hoen. o. —ders, —deren: —tje, o. —dertjes. Hoep (hoepel), m. —en.

Hoe|)ei (band om vaativerk), m. —s. Hoepelen (met den hoepel spelen), ik heb gehoepeld.

Hoereeren (ontucht bedrijven), —der, m.; hoererij, v.

Hoes {overtrek), v. hoezen.

Hoest. m. Een droge —. een kuch—. Hoesten, ik heb gehoest: —er. m.

Hoetelen (knoeien, broddelen), ik heb ge-

hoeteld: —aar, m.

Hoeve (hofstede), v.

Hoeveelheid {massa, menigte), v. —heden. Hoeven {behoeven), ik heb gehoefd. Gij hoeft niet te komen.

Hoevenaar (pachter), m. —s, —naren. Hoezee (uitroep van vreugde), t\v.

Hoi (een tuin), m. hoven.

Hol (vorstenhuis; vorstelijk gezin; vorstenge volg; hooge rechtbank: rechtsgebouw), o. hoven. Zijn — maken aan iemand, hulde of verliefdheid bewijzen aan iemand. Open —, vrije tafel: aan het — van Jan Vlegel, als bij de laagste standen.

Hoflelijk (beleefd), bn. en bw.: —heid. v.

II o Ij e (kleine tuin, ook: uereeniging van woningen voor oude of behoeftige lieden), o. —s. Hofstede (boerenhuis), v. —n!

Iloggen (scheepst. het schip afschrobben), ik heb gehogd.

Hok {bergplaats), o. —ken.

llokkeliiiK (éénjarig kalf), m. en v. —en. Hokken (verblijven, wonen), ik heb gehokt: —er, m.

Hokkerig; (haperend), bn.: —heid, v. Hokvast, bn. Die oude man is erg —, gaat zelden uit.

Hol (het hollen), m. Op den — raken, slaan. Hol (uitgeholde ruimte), o. —en.

Hol. bn. en bw.: —heid. v.: —liglteid. v. Hola. Hoha (houd op!), tw.

Holderdebolder (het onderst boven), bw. Holla, Hola. tw.

Hollander {maal- of roerbak bij de papierbereiding), m. —s.

Hollen (rennen), ik heb en ben gehold. Holosraphiseh (door den testateur eigenhandig geschreven), bn. Een — testament. Holshlok (klomp), o. —ken.

Holster (koker (Ktn 't zadel voor 7 pistool), Holte {holligheid), v. —n. |m. —s.

Hom. v. —men. Met — en kuit, d. i. met huid en haar.

Honihaars (mannetjesbaars), m. —zen. Homicide (moord), m. gmv.

Homiletic», Hoiniletiek deer der kanselwelsprekendheid), v. gmv.

Hommage (huldebewijs), v. —s.

Honune d'allaires (zaakwaarnemer, zaakgelastigde), m. (mv. hommes d'aifaires). Ilomnie de lettresC'/e/ef/errfe).!!!. (mv.hommes Hommel (bij), v. —s. fde lettres).

Ilommeleii (gonzen, mompelen), ik heb ge-hommeld; —ing, v.

Hommeles, bw. 't Is er —. er wordt getwist. Hmnmer (mannetjes-visch), m. —s. Honueopaat (aanhanger der hoimeopathie), m. —en.

Hlt;»nia'opathie(Éf(?neeslt;(;(/re, waarbij zoodan ige middelen worden gebezigd, die bij een gezond mensch juist den ziektetoestand zonden te-weegbrengen, welken men wil verwijderen), v. Homa'opatliiseli (van, voor, over de homojo-pathie), bn.

Homogeen {van hetzelfde geslacht, van dezelfde soort; gelijksoortig), bn. —gene. Homogeniteit {gelijksoortigheid), v. gmv. ll(»niolos;atie {goedkeuring, gerechtelijke bekrachtiging), v. —ties, —tien.

Ilomologeereii (goedkeuren. van kracht ma-llomoloog; (overeenstemmend), bn. [ken. Ilomoniem (gelijkluidend in l.lani,', gelijknamig, doch verschillend in beteekenis, als: want en wand, dog en doch, enz.).

Homp (brok), v. —en. Een — brood. Hompelen, ik heb en ben gehompeld: —aar, m. HompHis (hinkend, kreupel), bn.

Hompelvoet {kreupelvoet), m. en v. —en. Honn, m. —en. Zij leven samen als kat en —, zij twisten altijd; zoo ziek als een —. erg ziek; bekend als de bonte —. bij een ieder bekend; men moet geen slapende—en wakker maken, men moet geen argwaan wekken; blaffende —en bijten niet. van schreeuwers heeft men niets te duchten; komt men over den —. dan komt men over den staart, als de grootste moeielijkheid maar overwonnen is, volgt de rest vanzelf; men moet in 't finan-cieele niet al te krenterig zijn: als men een — wil slatin, vindt men licht een stok, een voorwendsel is gauw gevonden. als men iemand treffen wil.

Honderd, telw. (als zn. o. en in 't mv. —en). Hondsr h bn. en bw-.: — heid,v.

Hondsdagen (i'.f Juli—IS Aug.). m. mv. Honger {behoefte aan spijs), m. — is een scherp zwaard, d.i. hevige kwelling: — maakt rauwe boonen zoet, d. i. doet den eenvoudigsten kost lekker smaken; — is de beste saus, geeft smaak aan de spijzen.

Hongeren (broodsgebrek lijden), ik heb gehongerd. Ook: mij hongert.

Hongersnood, m.

Honi (hoon, trots), m. Houi (honni) soit qui mal g pense. schande over ieder die er kwaad van denkt, d.i. wie erg denkt, vaart erg in 7 hart. kenspreuk van het Engelsche wapen en devies van de door koning Eduard lil in 13Ö0 gestichte orde van den Kouseband. Honig. Honint;. m. lem. — om den mond smeren, d.i. vleien, pluimstrijken.

Honighij, v. —en.

Honigdaiiw. Iloningdanw {zeker kleverig sap der bladluizen), m. gmv.


ocr page 132

HONIGRAAT—MORS D'tKU VRK.

112

Honigraat, Honingraat, v. —raten. lloniszriMii. lloniiiKzefiii {het beste deel van \ den honing), o. gmv.

Honk (paal. eindpaal ran een renbaan), o. \ Van — gaan. bij — blijven, d. i. van huis 1 gaan, bij huis blijven.

lïoniMMir (eerbewijs: eer), v. —s.

Ilonncnrs (eerbewijzen, plichten hij het onthaal). v.

Ilonorahol (eervol), bn. en bw.

Honorair, bn. —Hd, eerelid.

Ilonorariiiin (geldelijke vereering, vergoeding ! in geld), o. —ria.

Ilonorcrrcn (eer be'vijzen', betalen). Een wissel —. d. i. als geldig erkennen, .-iccepteeren. llononiH ransa (eershal ve. als eer ebt ijk), bw. Ilonti'iix (beschaamd, verlegen: schandelijk, beschamend), bn. en bw.

llongt; . Zie lloni.

Ilooi'i. o. —en. Het — van den staat, van het leger, van een school, van een zaak, van 1 een familie, enz.: zijn — tonnen, koppig zijn: het — laten hangen, moedeloos zijn; niet wel i bij 't — zijn. min of meer krankzinnig zijn: het — loopt mij om. de zorg kwelt mij; zoo j veel —en. zooveel zinnen, zooveel menschen. ; evenveel meeningen: het — in den schoot | leggen, zich overgeven, onderwerpen: zijn — met iets breken, peinzen over iets: iern. iets i naar het — werpen, verwiitingen doen; ievn. 1 boven het — groeien, grooter, ook rijker i worden dan hij.

Hoofdig (koppig), bn.: — lieifl. v. HoofVlingeniciir. m. —s. —en.

Hoofccli (gemaakt, vriendelijk), bn. en bw. Iern. — groeten.

Hoog, bii. en bw.; —lioid.v. Van—egeboorte: van —en stand: een —e stem: —e prijzen; een —e dunk: —e woorden met iern. hebben. d. i. twist: het is — tijd. meer dan tijd: — aangeschreven staan: niet — vliegen, niet erg ontwikkeld zijn: niet — timmeren, d. i. niet veel verstand hebben: iets — opnemen. d.i. zeer ernstig opvatten: — met iemand loopen. d. i. zeer ingenomen zijn met hem. HoogaarH(A7em visschersvaarin ig), v. —aarzen. Iloogaciithaar. bn.: —lirid. v.

iloogarliton (zeer achten), ik heb —geacht;

— mg. v.

Hoogaltaarlt;/{'.'/ voornaamstealtaar).o.—XxiTexi.

Hooghejaan!, bn.

Hoogdravend (gezwollen), bn. Op —en toon, i in —en stijl: —licid. v.

lloogdnitHcli. bn. Een —e spraakkunst: (als zn. voor Hoog duit sche taal. o.).

lloogfMi (hooger maken), ik heb gehoogd: —ing, v.: —M'l, o.

Hoogepriewter (eerste priester), m. —s.

Hoogerliand (eereplaats, overheid), v. Het is van — bevolen.

lloogerliniH (huis der Edeten of Heer en in Engeland), o.

Hoogesrhool. —scholen.

Hooggeacht,bn.; —geboren, bn.; —geleerd, bn.

Hoogliiirtig (fier. trotsch). bn.: —lieid. v.

Ho(»glieeiiiraad (Hd vaneen voornaam polderbestuur). m. —raden.

Hooglieeiiiraad.seliap, o. —pen.

Hoogleeraar (professor), m. —aren, —aars.

Hooginoed (trotschheid), m. gmv.

Hoogoven (smeltoven), m. —s.

lloogMehatten (hoogachten), ik heb—geschat; —ing. v.

Hoogte, v. —n. Hij is nog niet op de —. hij begrijpt het nog niet: uit de — tot iemand spreken, d. i. met trotschheid of overmoed: de — hel/ben. dronken zijn.

Hoogtijd (feest), m. —en.

Hoogverraad (landverraad, tnajesteitsschennis). o. gmv.

Hoogvlieger, m. —s. Hij is geen. —. zijn verstand reikt niet ver.

Hoogwaardige (R. K. het sacrament des altaars), o. gmv.

Hoogwelgeboren (titel van een jonkheer of een baron), bn.

Hooi. o. Te — en te gras, zelden, als bij uitzondering: te veel — op zijn vork nemen, te veel af willen doen.

Hooien (het hooi bewerken en inhalen), ik heb gehooid: —er. m. Men moet —. als de zon schijnt, van de gunstige gelegenheid gebruik maken.

Hoon (smaad, beleediging). m. gmv.

Iloonen (lasteren, bespotten), ik heb gehoond: —er. m.: —gelarh o.

Hoop (menigte, stapel), m. —en.

Hoop. Hope (verwachting), v. gmv.

Hoopen (opIngt;open), ik heb gehoopt.

Hooren (luisteren] toebehooren). ik heb gehoord: —der, m.

Hoorn. Horen (hoornstof), o. (een hoorn), m. hoornen, hoorns en horens.

Hoornbeest. Horenbeest 0/mzen(//)o'gt;0.o.—en. Hoornblad (zekere plant), o. gmv. Hoornbloein (mnnrbloem). v. —en. Hoornvee, Horenvee (rundvee), o. Hoornvlies. Horen vlies in den oogbol),o. Hoornist (muzikant), m. —en.

Hoos (waterhoos), v. —zen.

Hoos (fcor-'s). v. hozen.

Hoovaardig (trotsch), bn. en bw.; —lieid. v.

Hoovaardij (hoogmoed) v. gmv.

Hooien (water uit een boot werpen), ik heb gehoosd: —er. m.: —ing. v.

Hop (plant), v. gmv.

Hop (vogel), m. —pen.

Hopen {verwachten), ik heb gehoopt.

Hopnian (kapitein, hoofdman), m. —mans, —lieden.

Hoppen (het bier van hop voorzien), ik heb gehopt.

Ilopnerd (bier nog met de hop vermengd), m. Horde (vlechtwerk van teenen of draad), v.

—en: horretje (vensterschermpje). •

Horde (bende), v. —n.

Hordenniaker. -vlechter, m. —s.

Horen (voorwerp), m. Zie Hoorn.

Ilori/.on. Horizont (gezichteinder), m. horizonten.

Hori/.ontaal (waterpas), bn. Een —ale lijn.

Horlepijp (blaaspijp, oude Eng el sche volksdans). v. —en.

Horloge (zakuurwerk), o. —s. Een staand—. een ouderwetsche, groote staande gangklok.

Horn (spitse hoek), m. —on.

Horoscoop (planeetlezer, voorspeller), m. -co-pen. Den — trekken, zijn lot willen lezen op een horoscoop of briefje. d:it men trekt.

Horrel (geschil, twist), m. —s.

Horrelvoet (misvormde voet), m. —en.

Horrelvoet (persoon), m. en v. —en.

Horreur (afschuw, afschrik), v. —s.

Horribel (verschrikkelijk, afschuwelijk), bn. en bw.

Hors d'a'ii vre (iets overtolligs: wat niet tot


ocr page 133

HORT—HUK KKN.

113

tot de zaak behoort; onyehoord of ongerijmd iets), o. (mv. hors (Vceuvre).

Hort (stoot. dmv), m. —en. Met —en en st loten. op onregelmatige manier, moeielijk. Horten {dmven. stooten), ik heb gehort.

I lort lt;'ii n i a (Japansche roos; heester met schoo ne groene bladeren en rooskleurige bloemen), v. —s.

Hort irnl tuur (to inbouw,tfdnierskunst),\.gm\. Hortolo^ie (tuinbonivknnde), v. gmv. Hortoloou; (tuinbouwkundige), m. —logen. Hortus (tuin), m.

Horzel (wesp der grootste soort), v. —s —en. Hoh|mgt;m (waard, gastheer), m. —sen.

HoHpita (gastvrouw), v. —'s.

Hospitaal (gasthuis, ziekenhuis), o. —alen. HoN|»italiteit (gastvrijheid), v gmv. llossebosHen (schokkende rijden), ik heb ge-hossebost.

Honhcii (tegen elkander loopen of springen), ik heb gehost.

Hostie v. —tiën. —ties.

Hostiel (vijandig, op oorlogzuchtige wijze), bn. en bw.

Hostiliteit (vijandelijkheid, vijandelijk gedrag), v. —en.

Hot {rechts, in tegenstelling van haar, links, bij paarden), tw.

Hotel (groot, voornaam huis: deftige naam voor een herberg of logemetit), o. —s.

Hotsen (botsen), ik heb gehotst; —ius. v. Hotten (schiften van melk), het heeft gehot. Hottentot (wilde in Z. Afrika), m. —ten. Hou (toegenegen), bn. Hou en trontv. Hou (sta stil! hou op!), tw.

HoihIcii (bevatten, vasthouden, bezitten), ik hield, heb gehouden: —er. m.: —Ins. v. In ontzag —. vrees inboezemen: iem. in het oog —, zijn doen en laten bespieden: iem. kort —, weinig geld toestaan, weinig vrijheid gunnen: iets in gedachten —. er om denken; een zaak slepende —. haar niet beëindigen: zijn mond —. zijn gelofte —. kermis — '.feestdag —, de wacht —, een redevoering —. een aanspraak —; paard en rijtuig —. bedienden —. d.i. hebben: zich dom. doof. onnoozel —. zich voordoen als zoodanig: hij houdt zich }niiar zoo. hij neemt den schijn aan; zich goed —. zich dapper, roijaal enz.quot; gedragen; het ijs zal niet —, d. i. dragen: het zal er om —, het zal moeite inhebben: die spijker zal niet —. vasthouden.

Houri (pnradüsnimf, eeuwig jong blijvend ' gezellin in het paradijs van Mohammed), v. —s.

Hout. o. —en.

Houterig (houtachtig, fig.stijf), bn.; —lieid, v. Een — mensch, stijf, onhandig.

Iloutie;. bn. Een —e stengel.

Houtins; (visch), m. —en.

Houtskool, v. —kolen.

Houtsnefle. Houtsnee, v. —sneden, -sneeën. Houtvester (opzichter van bosschen). m. —s. Houtvesterij, v. gmv.

Houvast (klamp, kram), o. —en.

Houw (hak. slag met een degen of sabel), m. Houwhijl (zware bijl), v. —en. 1—en.

Houwhlok (hakblok), o. —ken.

Houwdegen (groote degen, ook vechtersbaas). m. —s.

Houweel {werktuig), o. —^n.

Houwen (slaan, kappen), ik hieuw, heb gehouwen. Met een sabel, zwaard, degen —,

koenen, Verkl. Handiudb. d. Nederl. taal.

slaan; steen-, vleesch—. beeld—, d. i. kappen. Houwitser (kort kanon), m. —s.

Hoveling (persoon aan het hof), m. —en. Ilov enler (tuinman), m. —s. —en. Hovenieren, ik heb gehovenierd.

Hugenoot (naam der Hervormden in Frank-llui (wei van melk), v. {rijk), m. —noten. Hui (komaan! voort!), tw.

Iluielielaelitiu; (schijnheilig), bn.

Iliiielielen, ik heb gehuicheld. Vriendschap —. voorgeven: liefde —: —aar. m.: —arij, v. Huid (vel), v. —en. De — af stroopen, villen: met — en haar, geheel en al: met dr — tte-talen. met het leven; er zijn — aan wagen. d. i. zijn leven.

Huidig (hedendaagsch), bn. De —e mode. Iluid\etten (leertouwen), ik heb gehuidvet: — vetter, m.: —vetterij, v.

Huil* (overtrek), v. —ven.

Iluiu; (deel van het week gehemelte), v. —en. Huik (kapmantel), v. —en. De — naar (h'n wind hangen, van partij veranderen al naaide omstandigheden het eischen.

Huiken (op de hurken gaan zitten), ik heb gebuikt: —er. m.

Huilebalk (gehuurde schreier), m. en v. —en. Iluilehalk {hoed met neergeslagen rand), v. —en.

Hnilehalken (aanhoudend huilen), ik heb gehuilebalkt.

Huilen {janken van honden: schreien), ik heb gehuild; —er, m.

Huis, o. —-en. Het heele — was op de been. gezin; het Hollandsche —. Henegouwsche —. het — van Oranie, vorstengeslacht; te— zijn in eenig vak, goed op de hoogte zijn. er veel van weten; met de deur in — vallen, zonder inleiding of geheel onverwachts van iets spreken: het Huis des Heeren, kerk, tempel: daarvan is hij niet t—, zoo is zijn aard niet: ik weet dien man niet t— te brengen, ik kan mij zijn naam niet te binnen brengen; hij is iem. van goeder, huize, van goede familie; hethooger en lager — in Engeland, de kamer der lords en der gemeenten. Oost, West, T— best. Elk —je heeft zijn kruisje, verdriet, last. Huisbakken (fig. be/crom/jen), bn. — nieenin-iluislioiiden, o. —s. [gen.

Iluislioiiden. ik hield huis. heb huisgehouden: —er, m.: —ster, v.

Iliiislioudinu; (hnisbestier), v. —en: —kje, o. —S.

Huisjesnielker (iem. die huisjes verhuurt), rn. — s.

Huisjesslak (slak nu-t een huisje), v. —ken. Huisraad {meubels, inboedel), o. gmv. Huissier (deurwaarder), m. —s.

Huisvesten (wonen, laten wonen), ik heb en ben gehuisvest: —ing. v.

Huiszittend (zelden of nooit uitgaande), bn. Een — leven: —e armen, tegenstelling van bedelaars.

Huiszitteiiliuis (armhuis), o. —huizen. Huiven {dekken met een huif), ik heb gehuifd. Iluiveraelitig (rillerig), bn. Ik ben zoo iets te doen. d. i. bang, aarzelend.

Huiveren (beven, rillen), ik heb gehuiverd: —ing, v.

Huiverig {huiverachtig), bn.: -beid. v. Huizen (wonen), ik heb gehuisd: —ing, v. Huizing (woning), v. —en.

Hukken (huiken, doorzakken in de knieën), ik heb gehukt.

8


ocr page 134

HUL—I.H.S.

114

Hul (fcap, hoofddoek), v. —len.

Hulde (eerbewijs), v. — doen wegens een landschap, erkenning van den leenheer: — doen aan de waarheid, haar erkennen.

Iluhleii {hulde doen), ik heb gehuld.

Huldigen (erAren/ien), ik heb gehuldigd: —iug,v.

Hulk {koopvaardijschip), v. —en.

Hullen {dekken, omwikkelen), ik heb gehuld: —Ier. m.: —liiiR. v.

Hulp (bijstand), v. gmv.

Hulpbende teen troep soldaten), v. — n.

Ilul|gt;uiiddel. o. —en.

Hulpvaardig (bereid te hel pen),hu:. —lieid,v.

Hulsel {kap. doek), o. —s.

Hulst (groene heester met harde spitse bladeren). m. —en.

Huize (bast: omhulsel), v. —n.

Iliiuiiiau (menschlievend, gemoedelijk), bn. en bw.

Huinanisine (stelsel van opvoeding en onderwijs. waarbij de cade talen de eerste plaats innemen), o. gmv.

Huuianlteit (menschelijkheid, (dies wat den mensch liefde waardig maakt), v. gmv.

Huniiinoria {stadiën van oe klassieke talen).

Hiinieetatie {bevochtiging), v. gmv. [v. mv.

Iliinierfeeren (bevochtigen).

lluiiK'iir (gemoedsgesteldheid, temperament: luim), o. —en.

HiimiditeU {vochtigheid), v. gmv.

Ilniniliatie (vernedering), v. -ties, -tien.

Iliimilieeren (vernederen, verlagen).

Huiiiinen (kuchen), ik heb gehumd.

Huinur (vocht; zinrijke laim-, luimige wijze van voorstellen), m. gmv.

llumoiiHt (luimig schrijver), m. —en.

llunioriHtiHcli (geestig, luimig), bn. en bw.

11 uuiuh (teelaarde), m. gmv.

Ilunehed. Hunnehed (steenhoop: oude o/fer-of begraafplaats der Hanen of Fenen in Drente), o. —bedden.

Hunkeren (smachten), ik heb gehunkerd: —aar, m. —ine;, v.

Hunnent (te) (in hun huis, dorp, land), bw. —halve, om —wil, van —wege.

Huppelen, ik heb en ben gehuppeld: —ing,v.

Hnpseli (voorkomend, aardig), bn. en bw.; —field, v.

Huren, ik heb gehuurd: liuurder, m.; Iiuring.

v.: Iiuurling (gehuurd persoon), m.

Hurken (op de hurken zitten), ik heb gehurkt: —er. m.; - ins;, v.

lliiMHiet (aanhanger van Huss), m. —en.

Hut (lage, armoedige woning), v. —ten. De — van een schip, eer: soort kamertp of kajuit.

Hut.selbeker (dobbeltrechter), m. —s.

Hutselen. Hntsen (dooreenschudden), ik heb gehutseld, gehutst: —aar, m.: —ing, v.

I, v. i's. De derde klinker en de negende letter van het alphabet; als Romeinsch cijfer één. Ib. of Ibid. — Ibidem, op dezelfde quot;plaats, op dezelfde bladzijde.

ld. — Idem, dezelfde, hetzelfde.

Hutspot {gemengde spijs met wortelen), v.

IIuur, v. huren.

Huiireeèl {huurcontract), v. —en.

Huwbaar, bn. en bw.: —beid, v.

Huwelijk (echtvereeniging), o. —en.

Huwen (in het huwelijk treden: vereenigen), ik heb en ben gehuwd. Hij huwt ijver aan kennis, d. i. paart.

Huzaar (licht gewapend ruiter), m. huzaren.

Ilyaeint (oranjegeel of goudkleurig edelgesteente), m. —en: voor de stof: o.

Ilyaeint (bloem), v. —en. [bn.

Hy bridiseb (vreemdsoortig, bast aard acht ig),

Hydra (groote,giftigeslang: veelhoofdig monster-, fig. een gestadig dreigender wordend I kwaad), v. —'s.

11 y lt;1 ra u lira (de wetenschap der waterkan de), v.

Ilydraiiliseli (waterkandig), bn. Een —epers.

Hydriatiek (watergeneeskunde), v. gmv.

H'ydrogeeii, bydruseiiiiiin (waterstofgas), o.

ll\i\rosrii\t\iw'(ivaterbeschrijving), v. gmv.

H vdroKrapbisi'lie lii\i\rten(zeekaar!en),\'.mv.

Hydronieter (watermeter, vochtweger), m.

IIvdropliobie {watervrees, hondsdolheid), v.

Hydropisie (waterzucht), v. gmv. [gmv.

Hydrostatiseb (waterweegkundig), bn.

Hydroteeliniek {waterbouwkunst), v. gmv.

Il\ena (roofdier), v. —quot;s. De gestreepte —, de g'evlekte —. De —s der slagvelden, zij die de lijken der gesneuvelden berooven.

Hygiëne (gezondheidsleer), v. gmv.

Ilymen (de god des huwelijks: hef huwelijk, de echtstaat), m.

Hyineiieëii (bruiloftszangen), v. mv.

Hyinne (gezang of gedicht ter eere van den . een of anderen god: hooggestemd lied op vorsten en helden: loflied), v. —n.

Hyperboliseb (buitensporig, overdreven), bn. en bw.

Hyperbool (overdrevenvoorstelling),\.—ho\er\.

Hyperbool (een der kegelsneden, meetk.), v. —bolen.

Hypochonder (aan hgpochondrie lijdend), bn.

Hypocliondrie (miltzucht: onderbuiksziekte; fi'g. zwaarmoedig- of zwartgalligheid), v.

Hypoeriet (huichelaar), m. en v. —en.

Hypoerisie (huichelarij), v. gmv.

Hypotenusa (langste zijde van een rechthoekig en driehoek), v. — s.

Ilypotbeealr (pandstellend), bn.

Hypotheek (onderpand, ver bandbrief), v. —theken.

Hypothese {onderstelling), v. —n.

Hy pothetiseh (ondersteld,veronderst ellender-wijze), bn. en bw.

Hysop (plant), v. gmv.

Hysterie (overprikkelde zenuwachtigheid), v.

i.e. — ld est, dat is.

I.H.S. — Ia hoe signo (vinces), in dit teeken (des kruises nl. zult gij overwinnen): ook: Jesus hominum salvutor, Jezus, de Heiland der menschen.


_

ocr page 135

IMP.—IMKER. 115

Imp. — Imperator* de keizer (eigenlijk de gebieder).

— In nomine Dei of Domini, in den naam van God of des Heeren.

lui'. — Infra, beneden, verder op.

I.X.I. — In nomine Jesa. in den naam van Jezus. I.X.K.l. — Jes us Nazarenus Rex Indaeoriun. Jezus, de Nazarener, de koning der Joden. I.VS.T. — In nomine Sancfae Trinitatis, in den naam der heilige Drievuldigheid. Inv. — Invenit, (hij) heeft het uitgevonden. I.IM. — fn partibus infideliiim, in 't land der niet-R. Katholieke Christenen.

It. — Item, insgelijks, verder, ook, nog.

Ibis (een steltlooper, in ond-Eyypte vereerd)* m. —sen.

lc'litliyou;rii|gt;liie (beschrijriny der risschen). v. gmv.

lei ihier).

Ideaal (de volkomenste voorstelliny van iets, in yedachten; droombeeld), o. idealen.

Ideaal. ideaÜNeli. bn.

Ideal jweereii (denkbeeldiy voorstellen). Ideali.Mti.Heli. bn.

Idee {denkbeeld, yedachte, voorstel liny, droombeeld), v. en o. — ën.

Idem. Zie ld.

Identiek {in den yrond hetzelfde, yelijkwaar-diy). bn.

Idèntifieereii {tot hetzelfde maken, twee dingen onder ven beyrip brengen).

Ident i t ei t (overeenstem miny, persoonsyelijk-heid), v. gmv. ' [bn.

IdioKi'aplii.Hch (eiyenhandiy, zeifyeschreven). Idioom. Idioma (eiyenaardiyheid, taaleiyen), o. idiomen.

Idioot (botterik, stompzinnige: onnoozele),m. idioten.

Idiotisme (onnoozelheid, bekrompenheid der verstandelijke vermoyens, onvatbaarheid voor verstandsontun kkeliny), o. gmv.

IdiotiMiims (stompziiiniyheid', ook gewestelijke uitdrukking), o.

Idolaat (afyodisch). b\v.

Idol atrie (afyodendienst), v. gmv.

Idylle {land-, veld- of herdersdicht), v. —n. lep (olm), m. —en. Ook: Up.

I^nobel {onedel, laayhartiy), bn. en Inv. Ignobiliteit {gemeenheid, laayheid), v. I^noiniiiie (schande, oneer), v.

iKiiomiiiieii* {schandelijk, smadelijk, onteer end), bn. en b\v.

Ignoreeren {iets niet weten, of niet willen weten).

IJdel (leey, nutteloos), bn. en b\v.; —lieid. v. i Ijdeltuit (pronkzieke vrouw), v. —en. IJdeltiiiten (loszinniy handelen), ik heb ge-IJdeltujterij, v. gmv. |ijdeltuit.

IJdeltuitiy; (dom, behaayziek), bn.; —lieid, v. UI (t(ixis). m. ij ven.

Uk (merkteeken op maten en yewichten), m. IJkeii. ik heb geijkt; —er. m.; —iiiR, v. IJl (haast, spoed), v. In aller ijl.

IJl (ledig, los), bn.; —lieid. v. — haar, dun van haar.

IJlen (spoeden), ik heb en ben geijld.

IJlen (in de koorts onsamenhanyend spreken), 1 ik lieb geijld.

IJllioolVI (onbesuisd persoon), m. en v. —en. IJllioordi^. bn.; — lieid. v.

IJling* (met veel spoed), bw.

E.lp. lep (ohn), m. —en.

IJpelaar, lepelaar (dicht, voor iepeboom), rn. —s.

IJ», o. Een schoteltje —, zekere lekkernij; het — breken, de toenadering bewerken, hinderpalen uit den weg ruimen; zich op ylad — way en, een lastige zaak ondernemen, iets wagen; beslayen of onbeslayen ten — komen, voorbereid (onvoorbereid) met iets beginnen; gaan over — van èvn nacht, onvoorzichtig handelen; — kost menschenvleisch, het ijsver-maak kost steeds eenigen het leven. IJsbreker (werktuig), m. —s.

IJselijk (afgrijselijk), bn.; —fieid, v.

IJver (vuur, zucht), m. gmv.

IJveren, ik hei) geijverd; —aar. m.

IJ veria;, bn. en bw.: —beid. v.

IJverziit'lit {jaloezie), v. gmv.

IJverziiebtis (jaloersch), i)n.

IJ/.elt;;rim (knorrepot). m. —s, —men. IJzearimmii!; (norsch, knorrig), bn.

IJ/.el (bevrozen dauiv). m. gmv.

IJzelen, het heeft geijzeld.

IJzen (beven van vrees), ik heb geijsd: —injj;. v. IJzer {metaal), o. —s. — met handen willen breken, het onmogelijke beproeven: 't is lood om oud —. het een is zoo goed als 't ander; men moet het — smeden als 7 heet is. de gelegenheid waarnemen.

IJzer (ijzeren voorwerp), o. —s. Iemand in de —s sluiten, d.i. boeien: het paard verloor een —, d.i. hoefijzer; een goud —. d. i. de gouden hoofdbedekking o. a. van Friesche vrouwen. Uzig (scherp koud), bn.; —beid, v. Ijzingwekkend {ivut doet ijzen), bn.

Ikheid (persoonlijkheid), v. gmv.

Ikker (nikker), rn. —s.

Ilias (het heldendicht van Homerus, bevattende de beschrijving der verovering van Troje, door de Grieken), v. lliaden. Een — van rampen, d.i. een reeks.

Illegaal {onwettig, weder rechtelijk), bn.enbw. Illegaliteit (onrechtmatigheid, onwettigheid), v. —en.

Illegitiem (onwettig, onecht), bn. en bw. Illjberaal {onedel, laag), bn.

Illiberaliteit (onedelheid, laagheid), v. gmv. Illieite (ongeoorloofd, verboden), bn.

Ill ieo {terstond, dadelijk), bw.

111 i n i i t é (onbepa o ld. o nbe; /1 'en sd. onbeperkt), lgt;n. Illiquide {onzuiver, onklaar, onbewezen), bn. Illndeeren (schertsen, bespotten: verijdelen). Illnminatie (algemeene verliclitinyK V. -tien. Illiimineereii {verlichten, kleuren). |ties. Illusie (zinsbedroy, verblinding, begoocheling), v. —siën, —sies.

Illustratie {opluistering] versiering, plaatwerk), v. —tiën, —ties.

IIlustre {beroemd, doorluchtig, heerlijk, voortreffelijk), bn.

Illnstreeren (met plaatwerk sieren, ophelderen: beroemd of uitstekend maken). Imaginair (denkbeeldig, hersenschimmig, vermeend), bn.

Imaginatie (weWweW/w/, verbeeldingskracht),^. Imagineeren (inbeelden, voorstellen, bedenken, verzinnen).

Imam ( Turksch priester),m. —s.

Imbeeiliteit {onnoozelheid, domheid), v. Imitabel (navolgbaar), bn.

Imitatie (navolging, nabootsing, de copie), v. — tiën, —ties.

Imiteeren {navolgen, nabootsen, nacipen). Imker (bijenhouder), m. —s.


8'

ocr page 136

116 IM M AT liRI ALITEIT—IM P L'T AT IE.

Iiiiiiiatlt;'rialit('it (onstolfclijkheicl, onlichamelijkheid). v. gmv.

liiiiiiatriciilepreii (opnemen als lid mant. inschrijven, in teek enen). Zich laten —. liiniiatiiriteit {onrij/dieid: ontij ditfe onder-dom). v. [bw.

Immediaat (onmiddellijk, onverwijld), bn. en liiniieiiMr (onmetelijk, ontzaglijk), bn. en bw. liiniKMisitcit (onmetelijkheid, oneindiyheid),\. liiiineiisiiralx'l (onmeetbaar), bn.

limner (altoos, steeds), bw. \dniken). ,

liniiicr^ocivii (in- of onderdompelen: onder-liiiiiiiu;raiit (inkomend landverhuizer), m. en v. —en.

Iiiiiui^ratio(aankomst run landverhaizers), v. liiiiiiisriMTcii (zich ait andere landen komen nederzetten).

I nun inent (dreigend, nakend), bn. Een — gevaar.

Imiitohiel (onbeweeglijk: vast, ook: niet tot den oorlog uitgerust), bn.

Iiiiinohitiêii (imniobilair eigendom, onroerende goederen of hare), v. mv.

ImnuMleraat (overdreven, onmatig), bn. Iiiiiiiodest (onzedig, oneerbaar, onwelvoeglijk). Iniimileei'i'ii (opojferen). [bn.

Iminoraal (onzedelijk), bn.

Iiiinioralitt'it (zedeloosheid), v. gmv.

Iiiiinnreel (zedeloos, onzedelijk), bn. ImiiiortaliMeemi (vereeuwigen, onsterfelijk maken.

liiimortaliteit (onsterfelijkheid), v. gmv. Iininortelle (stroobloem). v. —n.

liiiiiiiiniteit (onbelastheid, vrijheid van belasting, voorrecht), v. —en.

liiiparaat (onbereid), bn. en bw. Inipai'doimalH'l (onvergeeflijk, onverantwoordelijk)^ bn.

Inipartiaal (onpartijdig, niet eenzijdig), bn.en lnipassilu'1 [onverzettelijk), bn. [bw.

Iin|gt;lt;Mlilt;M'i'«Mi (belemmeren).

Inipciietrahel (ivaterdicht, ondoordringbaar), liii|)eiiit«gt;ntie (onboetvaardigheid), v. [bn. 1 inperatiet'. Imperativns(spTnakk.gebiedende wijs), m. —lieven.

Imperator (zegevierend veldheer', gebieder, heerscher, keizer), m. —en of —s. Impen-cptihH (onmerkbaar), bn. en bw. linperleft (onvolkomen), bn. en bw.; uls zn. (onvoltooid verleden tijd), ni.

linpeiTectie (onvolmaaktheid, onvolkomenheid)^, v. gmv.

Imperiaal (keizerlijk, statelijk, h erlijk). bn.; als zn. (papier van de grootste soort), o. Imperiaal (de hemel van rm bed. het met zitbanken voorziene bovendeel van een koets, omnibus), v. —alen.

ImperieiiH (gebiedend, trotsch. heerschzuchtig), ImperiMMiihel (onvergankelijk), bn. [bn.

Impermeahel (ondoordringbaar), bn.; als zn. {regenhoed, re tenjas), m. —s. Imperme:il»ilitcit (ondoordHngbaarheid), v. Imper.Honaliteit (onpersoonlijkheid), v. gmv. Impertinent (onbeschoft. onbeschaamd, onhebbelijk. vermetel), bn.; — lieifl. v. Impertinentie (onbeschaamdheid, onhebbelijkheid). v. —tiën, —ties.

Impertnrhahel (onverstoorbaar, altijd gelijkmoedig). bn. en bw.

Impetreeren (verzoeken. afvorderen,eischen). InipetneiiM (hevig, luidrnchtig). bn. en bw. Impiëteeren (zondigen: goddeloos maken). Impitoyahel (onbarmhartig), bn. en bw. !

Implaeabel (onverzoenlijk), bn. en bw. Implieeereii (inwikkelen».

Impliciet (mede in betrokken, stilzwijgend er in begrepen), bn.

Imploreereii (aanzoeken, om hulp stneeken, afsmeeken).

Impoliet (ongeslepen, ruw,grof: onwellevend of onbeleefd), bn. en bw.

ImpoliteMNe (onwellevendheid), v.

Imjiolitiek (onstaatkundig), bn. en bw. Imponeeren (opleggen, b.v. het stilzwijgen: gebieden, aanbevelen: achting, ontzag inboezemen ).

Impopiilaii' ( niet in de volksgunst deelend). lm. Impnpiilaritcit (derving van de volksgunst), v. Import ( invoer), o. —en. invoenvaren. Important (gewichtig, van aanbelang), bn. Importantie (gewichtig, aanbelang), v. gmv. Iniporteeren (vreemde waren invoeren b.v. sigaren; van belang zijn). [zijn).

Importnneeren (lastig vallen, bezwaarlijk ImportiiniteU (lastigheid, ongelegenheid), v. ImpoMant (indrnl:wckl:cnd), bn. en bw. [—en. Imponeeren (ontzag inboezemen).

Import (accijns), m. -en.

ImpoMtenr (bedrieger), m. —s.

Inipotrnt (onvermogend, onmachtig: ziek. zwakkelijk), bn.

Impotentie (onmacht, onbevoegdheid), v. Impraetieahel (ondoenlijk, onuitvoerbaar), bn. Impreeatie (f/oW.-, verwènsching), v. —tiën. —s. Imprenahel (onneembaar, ontvinbunr). bn. ImpresHie (indruk, invloed, aandoening), v. —siën, —sies.

Imprimatur (het worde afgedrukt). Het —. verlof tot afdrukken.

Imprimeeren (drukken, inscherpen, inpren-Improhahel (onwaarschijnlijk), bn. [ten. im\u'ohnh\\\ieit( on waarsch ij n l ij kheid ),x.—en. Improbatie (afkeuring), v. —ties. —tiën. Improhe (oneerlijk), bn. [werpen).

Improheereii (afkeuren, laken, berispen, ver-Improhiteit (slechtheid, oneerlijkheid), v. gmv. Imiirodiietief' (geen winst opleverend, onvruchtbaar). bn.

ImprotitalM'l (onvoordeelig), bn.

Impromptu (inval; een vers voor de vuist vervaardigd; een in haast bereide maa ltijd),o. Improvi.satie (voor de vuist uitgesproken dichtstuk, redevoering, toespraak voor de vuist), v. —ties. —tiën.

ImproviHiitor (voor de vuist sprekend dichter of redenaar), m. —s, —en.

ImproviNeereii (verzen voor de vuist of onvoorbereid uitspreken, dichten, zingen). ImpriKlent (onvoorzichtig), bn.

lm prudent ie (onbedachtzaandwid, onvoorzichtigheid). v.

Impudent (schaamteloos), bn.

Inipiidentie (schaamteloosheid), v. gmv. Impiigiieeren (weerstreven, bestrijden). ImpnisHance (zwakheid, onmacht), v. gmv. ImpiiiMMant (zwak. onmachtig), bn.

ImpnlMie (aandrift: /wikkel, eerste stoot), v. —siën. —sies.

ImpiilNier (aandrijvend, prikkelend, opwekkend). bn.

Impiiniteit (straffeloosheid, het uitblijven van straf), v. gmv.

Impnriteit (onzuiverheid, onreinheid, vuilheid). v. Zie Impiiiir.

Impntatie (aantijging . beschuldiging), v. —tiën, —s.


ocr page 137

IMPUTKEREN—INCÜLPATA TUTELA.

117

Impiiteeren (toerekenen, beschuldigen, ten laste leggen).

Iinpiinr (onrein, onzuiver), bn.

liiabordahel (ontoegankelijk), bn. In ah.straeto (in t algemeen, op zich zelf beschouwd).

Inafccptabel (onaannemelijk, niet geldig, b.v. een wissel, een voorslag), bn. liiac'lt;'oiiiiiio(lalgt;H (dat geen vergelijk toelaat ), liiaclitiieiiiiii^ v. |bn.

Iiiaclief' {werkeloos, buiten dienst), bn. Inactiviteit (werkeloosheid), v. gmv. Iiiacleiiien, ik lieb —geademd: —iny;. v. liiadiiiisNibel {onaannemelijk), bn. In «cternnin (eeuwig, in eeuwigheid), bw. Inaliênahfi (onvervreemdbaar), bn.

InalliabH ionverbindbaar), bn.

Inaltcralx'l (onveranderlijk, niet aan bederf onderhevig), bn.

InappiicaliH (niet toepasselijk, niet geschild), Inapplicatie (luiheid, nalatigheid), v. |bn. Inapprccialx'l (onschatbaar), bn.

InaptitiMli' (ongeschiktheid), v. \niivt\v%i\v(i)nduidelijk,van geluiden en tonen), Inartilicicel (ongekunsteld), bn. |bn.

Inattont (onopmerkzufon), bn.

InaiiKiiratifM in wijd i ng. plecht ige bevestigi ng in een waardigheid, inhuIdiging), v. —ties.—tiiin. i liiiiiiKni'eel (de inwijding betrelfende), bn. lniinu;nreerlt;gt;n (inwijden).

Inhakercn (warm instoppen), ik heb —gebakerd; — iny;. v.

Inheelden (zieli) (zich iets voorstellen, ver- | waand zijn), ik heb mij ingebeeld: — ing. v. In hikken (al bikkende inhakken), ik heb ingebikt.

IiiIhikIcii (samenbinden), ik bond —. heb —gebonden: —ins, v- De zeilen —.minderen: i hij bond wat in. werd minder veeleischend. I In blanco (wit, onbeschreven, oningev a ld), bw. ; — iets teekenen.

Inblazen (inboezemen, ophitsen), ik blies —. heb -geblazen: —er, m.: —ins, v.

Inboedel. Inboel (gezamenlijk'' meubels), in. —s. —en.

Inboeken (in het grootboek schrijven), ik heb —geboekt: — ina;. v.

In boezemen (ingeven, inprenten), ik heb — geboezemd: —ina;. v.

In bonis (goed bij kas), bw.

Initooiiin^ (die geboren is waar hij woont). | m. en v.; voor het v. ook —e.

Inborst (karakter), vv gmv.

Initraak (het inbreken), v. gmv.

Inbrenk (schending van recht), v. gmv. Inbnia;en (naar binnen buigen), ik boog —. heb of het is —gebogen: —ing. v.

Inca (titel der oude koningen en prinsen van \ Peru), m. —'s.

Incalcnlabel (onberekenbaar), bn.

In calcnlo (in de bereking), bw.

Incapabel (onbekwaam), lm.

Incapaciteit (onbekwaamheid), v. gmv. Incarceratie (inkerkering), v.

Incarcereeren (inker keren, opsluiten, in hech- \ ten is zetten).

Incarnaat (hoog rozerood, vleeschkleurig), bn. Incas.satie (het innen van gelden), v. —tiën, —s.

Incasseereii (geld innen', omlijsten),

In casn (in geval), bw.

En causa (in de rechtszaak), bw.

Incenseeren (bewierooken).

Incident (toeval, geschil, bijkomend of tus-schenkomend iets), o. —en.

Incidenteel (tusschenbeiden komend), bn. Incisie (insnijding, snede), v. —siën, —sies. Inciteeren (aanzetten, aanvuren, opruien). Inciviel (onwellevend), bn.

Inciviliteit (onbeleefdheid), v. —en.

Inclinatie (genegenheid, liefde: helling der magneetnaald), v. —tiën. —ties.

Inclineeren (een neiging tot iets hebben, | overhellen, geneigd zijn).

Inclosa (ingesloten), bw.; als zn. (het inlig-Includeeren (insluiten). \gende), v.

Incluis (met insluiting van), bw.

loclnsielquot; (ingesloten, daaronder bsgrepen; tnet inbegrip run), bn. en bw Incognito (onbekend), bw. Hij reist —, d. i. onder een vreemden naam; ais zn. {het aannemen van een vreemden naam), o. Inconiniodiitie (hindernis, bi-moei lij king), v. lucouiinodecren (lustij rallen, verontrusten, moe iel ijk maken).

hiimimitn\mU'nUr\(onmededeelbaar,geheim),hn. Iiicoininiitabel (onreranderlijk), bn. Inconiparabel (onvergel ij kè lijk, voortreffelijk), bn.

Incompatibel (onbestaanbaar \met\. onver-eenigbaar), bn.

Incoinpatibiliteit (onbestaanbaarheid \met\, onvereenigbaarheid), v. gmv.

Incompetent bti. Zich — re,'klaren.

Uwotii\n'twitiv(onbevoegdhe d), v. —tiën.—ties. Incomplaisiint (onvriendelijk), bn. Inconipleet (onvolledig), bn. Inconipreliensibel (onbegrijpelijk), bn. In concerto (in overeenstemming), bw. Iiiconlorin (niet overeenstemmend), bn. Ineonarnent (niet overeenstemmend, ongelijk), bn.

IncoiiKruïteit (ongepastheid, ongeschiktheid, onvoegzaamheid), v. —en.

Inconsequent (ongerijmd, tegenst-ijdig, zich zeiven niet gelijk blijvend), bn. en bw. Inconsequentie (afwijking van eigen beginselen. tegenstrijdigheid), v. —tiën, —ties. Inconsistent (ondegelijk. onvast), b;.. en bw. Inconsistentie (ondegelijkheid. onvastheid, zonder samenhang of verband), v. gmv. Inconstitutioneel (ongrondwettig), bn. en bw. Incontestabel (o)ibetwistbaar of ontegensprekelijk). bn. en bw.

Inconvenabel (ongepast, onbehoorlijk, ongeschikt. onvoedzaam), bn. en bw. Ixxi'^xxyvriihy'h'o, vera tuier lijk.onbekeer lij k).\m. Incorporatie (inlijving, opneming \in\, ver-eeniging), v.

InctM poreeren (inlijven, vereenigen'). Incorrect (0}ina uw keurig, gebrekkig), bn.; —beid. v.

Incoi ri^ibel (onverbeterlijk, hopeloos), bn. Incorruptibel (onbedorven of onbederfelijk; onomkoopbaur), bn.

Incourant (niet gangbaar, zonder aftrek), bn. Incredibel (ongeloofbaar). bn.

Incredibiliteit (ongelooflijkheid), v. gmv. Incresseeren (aangroeien).

Incriinineeren (als strafbaar beschouwen). Incroyabel (ongelooflijk), bn.

Incrusteeren (het inzetten van fijne s te enen). Incubatietijdperk (de tijd die er verloopt tus-schen de besmetting en het uitbreken eener ziekte), o. —en.

Incnlpata tutela (wettige zelfverdediging).


ocr page 138

INC U LPE EREN—INE X ACT.

118

Innil(beschuldigen, te laste leggen). liK'iiiiahehMi {oude voortbrengselen dor boekdrukkunst), m. mv.

IncuralM'l (ongeneeslijk), bn.

In curia (op het raadhuis, voor het gerecht). liicn rsie (vijandelijke inval, strooptocht in een umd), v. —siën, —sies.

liiclaclitis (aan iets denkende), bn. en b\v. Indagen (da-vaarden), ik heb —gedaagd: — iiiff. v.

liidainiiHMi (omringen met een dam), ik heb —gedamd: — iiiff. v.

«•ent (onwelvoeglijk, zedenkwetsend, on-kiesch, (meerbaar), lm.

Indereiitie (onwelvoeglijkheid, onkieschheid, oneerbaarheid), v. —ties. —tiën. IiidcrliinVabel (onontcijferbaar, onverl.laar-Inderi* (besluiteloos), bn. [baar), bn.

IndeciMc {onbeslistheid, besluiteloosheid), v. Indei'liiiahi'l {onverbuigbaar), lm.

Indeiiraat (onkiesch; onheusch), bn. en bw. liMleliratcHHe (onkieschheid', onheuschheid), v. — n.

liidriiini.safie (schadeloosstelling, vergoeding). v. —tiën. —ties.

liidemui«weren (schadeloosstellen). liKleiniiiteit (schadeloosstelling, vergoeding), v. —es.

liideiikeii (peinzen over), ik dacht —, heb —gedacht.

Independent (onafhankelijk), bn. Inde|iendeiitie (otiafhankclijkheid), v. gmv. IndeiiendiMten deden eener Protestantsche sekte in Engeland), in. en v. mv. In depoHito (in bewaring), bw. Gelden bij een bankier — aeven.

Inderdaad (werkelijk), bw.

Inderhaast, bw.

Indertijd, hw.

Index (bladwijzer: register, lijst: wijsvinger), m. Deze werken zijn op den — geplaatst, d. i. op de lijst der verboden boeken. fties.

Indicatie (aanwijzing: vermoeden), v. —tiën, Indicatiel', IndiratiMi* .spraakk. aantoonende wijs), m. —tieven.

Indienen (aanbieden, inleveren), ik heb —gediend: — ins. v.

IndifTerent {onverschillig), hn.

Indi fleren tie (onverschilligheid, koelzinnig-liidisent (behoeftig, arm), bn. \heid), v.

Indigent ie (gebrek, behoeftigheid, armoede), v. Indiifestie (onverteerbaarheid, slechte spijsvertering). v.

Indisnatie (verontwaardiging, mis.ioegen), v. Indisneeren (beleedigen. met verontwaardiging vervullen).

Indien (blauwe kleurstof), v. gmv.

Indijken {binnen dijken leggen), ik heb -gedijkt. —dijking. v.

Indirect (middeliijk, zijdelingsch, niet recht-streeksch. langs omwegen), bn. en bw. —e belastingen.

IndiMciplinahel (losbandig, ongebr ideld: ongeoefend). bn.

Indiscreet (onbescheiden, onvoorzichtig), bn. IndiHcretie (onbescheidenheid. praatzucht), v. —s.

Indi.Hpensabel (onmisbaar, noodwendig), bn. Indisponeeren (in kwade luim brengen-, misnoegd, verdrietig, boot; maken).

IndiHponihel (onbeschikbaar), bn. IndiNpoHitie (onpasselijkheid, kwade luim, ongesteldheid, misnoegen), v. —tiën, —s.

Indi.spntabel (onbetwistbaar), bn.

IndiMHoliihel (onoplosbaar), bn. (I»n.

Indistinct (onduidelijk verward, onbepaald).

Individu (elk wezen, ieder mensch of persoon) m. en o. —ën. —'s.

Individualiteit (persoonlijkheid, karakter, aard), v. gmv.

Individueel (afzonderlijk, persoonlijk), bn. en bw.

Indivisihel (ondeelbaar), bn.

Indociliteit (onleerzaamheid. hardleerigheid: onhandelbaarheid), v. gmv.

Indoen (insteken, inleggen), ik deed —, heb —gedaan.

Indo-fferniaaiiM'li. bn. De —e taal. d. i. de taal van Europa en Voor-Indië.

Indolent (lusteloos, onverschillig, traag), bn. en bw.

Indolentie (quot;asteloosheid, onverschilligheid, traagheid), v.

ludoiiiinelen (insluimeren), ik ben —gedommeld: — ins, v-

Indoinpelen (in het water dompelen), ik heli —gedompeld: —ins. v.

In dor.ho (op de keerzijde des wissels), bw.

Indrijven (uwt gewekt inslaan), ik dreef —. heb en ben —gedreven; —ins. v.

Indrinsen (zich —. zich toegang verschaffen), ik drong —. heb en ben —gedrongen: —er. m.: -ins. v.

Indrosen (door drogen inkrimpen), het is —gedroogd: —ins. v*

IndrniMrlien (in verzet komen, in botsing zijn), ik ben —gedruischt: —ins. v.

Indruk, m. —ken. Een sterken, een diepen

— maken.

Indrukken (induwen), ik heb —gedrukt: — kins- v.: —wel. o.

In dubio (in twijfel), bw. — staan.

Inductie (aqnleiding, gevolgtrekking, besluit, slotsom), v. —ties, —tiën. Iets door — bewijzen, d. i. uit voorbeelden of feiten.

Iiuiulsnit (toegeeflijk, verschoonend). bn.enbw.

ludulsentie (toegeeflijkheid, verschooning: kerkelijke aflaat), v. —tiën, —ties.

In duodecimo (in boekformaat van iM bladzijden per vel), bw.

In duplo {in twee eensluidenden, dubbel), bw. Een afschrift

Industrie (nijverheid, werkzaamheid, kunstvlijt), v. Chevalier d'—. gelukzoeker.

IndiiMtrieel (nijver, werkzaam), bn.

Iiidu.strieel (fabrikant, uitoefenaar van een tak van nijverheid), m. —en.

In elïijgie (in beeltenis), bw. — verbranden,

— terechtstellen.

Inesaal (ongelijk, oneffen, verschillend), bn.

Inesaliteit (ongelijkheid, oneffenheid), v. —en.

Inelesant (onsierlijk, smakeloos, lomp), bn.

Inenten (een ent inzetten), ik heb —geënt; —er. m.: —ins., v.: —wel, o. De pokken —. kunstmatig pokken doen ontstaan.

Inept (ongerijmd, zot), bn.

Ineptie (zotheid, onnoozelheid). v. —tiën, —s.

Inert (vadsig, werkeloos), bn.

Inertie (werkeloosheid, rnst). v. gmv.

Iiiewtiniabel (onschatbaar), bn.

Inetsen (graveeren), ik heb —geëtst: —ins. v.

Inetteren (dieper verzweren), het is —geët-terd; —ins- v.

Inevidentie (onduidelijkheid), v. —tiën. —s.

Inevitahel (onvermijdelijk), bn.

Inexact (onnauwkeurig, onjuist) bn.


ocr page 139

IN E X ACT :T ü DE-1X H O ü D EN.

149

IiH'xactitudc (onnauwkeurigheid), v. —s. liiexciiHabel {onvercchoonhaar of onverantwoordelijk), bn.

liK'xiitilK'l {(mufvorderbaar, niet te eischen), Ijïi . Iiu'xorabfl (onverbiddelijk), bn. liiexperiëntie (onervarenheid), v. gmv. Inexplicabel {onverklaarbaar, onoplosbaar), iiiexpriinahel {onuitsprekelijk), bn. [lm. liiexpii^nabel {onverwinbaar, onbedwinrj-baar), bn.

In exteiiMo {.in zijn geheel, breedvoerig), bw. In extremis (inoiiientis) (in de laatste oogen-blikkcn des levens, op sterven ligqend).

In fa am (eerloos,snood,schandelijk), bn.en b\v. In lacto (inderdaad, metterdaad), bn. liilaillibel {onfeilbaar), bn.

liiraiiianf. liiraiiiccrciKl (onteerend, eer-roovend), bn.

liiraincereii (lasteren, schelden, eerloos aiu-liifamie (eerloosheid), v. gmv. [ken.

liir.iinlteit {schundstuk. laagheid), v. —en. Inlaut {koninklijke prins in Spanje e)i Portugal), m. —en.

liilante (koninklijke prinses, idem), v. —n. liirantciie (mil. voetvolk), v. gmv.

liil*aiit('riHt (soldaat te voet), m. —en. Iiitantieifle (kindermoord), v. —s.

InlatiiKibel (onvermoeid, onverdroten), bn. In lavorem {ten gunste, ten voórdeele), b\v. Infect (besmet, aangestoken), bn.

inleeteeren (besmetten, verpesten).

Inieetic (besmetting), v. gmv.

InrerH'iir (ondergeschikt. lt;mderhoorig), bn. InrerifMir (ondergeschikte), rn. —en. XwïertM'iivii (ondergeschiktheid.mi nderheid).\. Inferniial (helsch. duivelsch. boosaardig), bn. Inlertiel (onvruchtbaar), bn.

Inlewti'freii (verontrusten door strooperij. kwellen, vijandelijk behandelen).

lnfifle«'l (U 'ouweloos), bn.

Inridelitfit (ontrouw, ongeloof), v. In (terbevestiging, ter waarmerking),\)\\. Infiltratie (inzijging. inslorping eener vloeistof), v. —tiën, —s.

Inliniet (oneindig), bn.

Infinitcit (oneindigheid), v. gmv.

Infinitief'. ItiVinitixualspiwakk.onbe/taalde ivijs der werkwoorden), m. —ieven.

Infirm (gebrekkelijk, zwak), bn.

InfiriiMM'ien (vezwakken, krachteloos maken). Infirmerie (ziekenhuis), v. —ën.

Infl mimatie (ontsteking van een ivonde), v. —tiën, —ties.

Inflamiiieeren (ontsteken, aanvuren, verbitteren).

infleetie (buiging, verandering van toon), v. —tiën. —ties.

Inflexibel (onbuigbaar, stijfhoofdig), bn. Inflietie (het opleggen eener straf), v. gmv. Infliu;eerei: (opleggen eener straf).

Inlliientie 'invloed, invloeiing, inwerking), v. Inflnenza (zinkingkoorts, ar iep), v. gmv. InfliiiMteren (zachtjes in het oor zeggen), ik heb —gefluisterd; —ing, v.

In folio (boeken in groot formaat; opperbest). Inlorm (wanstaltig, mismaakt), bn.

In forma (in behoorlijken vorm), bw. Informniïe{inlichtiiig: ericht),v. —tiën,—ties. Intormeeren (beriehten. kennis geven, atelden: inlichtingen inwinnen).

Informiteit {wanstaltigheid, mismaaktheid), In foro (in of voor het gerecht). [v. —en. Int'raetie (inbreuk, schending), v. —tiën, —ties.

In fraiiflem (om te bedriegen), bw. Inrre(|neiit (eenzaam, stil), bn.

InrruetiieiiH (vruchteloos), bn.

Int 'n.sie (ingieting), v. —siën. Inf 'iiHie-diertjes (kleine diertjes in vloeistoffen, alleen voor liet gewapend oog zichtbaar), o. mv. Ingaan (beginnen), ik ging —, heb en ben —gegann. De leertijd is op i Nov. —gegaan. Ingaande, bn. — rechten.

In{!;aarlt;ler (ontvanger), m. —s en —en. Inkaderen (verzamelen), ik heb —gegaderd;

— ins. v.

Insnns (fig. begin), m. —en. Met — van J October: zijn taal had —, vond weerklank, maakte indruk.

Ingebeeld (verwaand), bn.: —beid, v. Inseboren (ingeschapen), bn.

Ingeborene. m. en v. —n.

IngeerlVIe (eigenaar), m. en v. —n.

Insesril't, lm.

Ingekankerd ingeworteld), bn.: —lieid. v. Ingeland, Inselunde (die eenig land in een bedijkten polder heeft), m. —en.

Ingenienr (krijgs- of vestingbouwkundige: bouwkundige van den waterstaat), m. —s.

— van den waterstaat, rijksambtenaar met het toezicht belast over wateren, dijken, bruggen, enz.

Ingenieus (scherpzinnig, vernuftig), bn. Ingenomen (gesteld op), bn.: — lieid, v. Ingemi (oprecht, ongekunsteld, openhartig). bn. en bw.

Iiigennïteit (oprechtheid, ongekunsteldheid, open hartilt;/heid). v.

Ingereeren (invoeren: \zich] ergens in mengen). Ingetogen (zedig, stemmig), bn.: -beid, v. ingeval (indien), vw.

Ingeven, ik gaf —, heb —gegeven; —er. m.: Ingevolge, vz. |—ing. v.

Ingewand, o. —en.

Ingeweide (ingewand van een dier), o. gmv. ingewikkeld (moeielijk, lastig), bn.: —beid, v. Ingeworteld, bn. Een —e kwaal, een diep zittende kwaal.

inge/.etene (inwoner), m. en v. —n.

ingrat (ondankbaar), lm.

ingratitude (ondankbaarheid), v.

Ingredient (bestanddeel: inmengsel bij geneesmiddelen, enz.), o. —en.

ingreep (inbreuk), m. —grepen.

inhabiliteit (onbekwaamheid), v. gmv. inliiilatie (inademing), v. —tiën, —ties, inbaiatietoestel, m. en o. —len.

inbaleereii (inademen, inzuigen van lucht, dam}), enz.).

Inhalen, ik heb —gehaald: —baling, v.:

— baaider, m. lem. —. door vlugger loopen. enz. bereiken; het verlorene —. herkrijgen: een vorst, prim, kerkvoogd —. plechtig de stad inleiden.

Inbalig (schraapzuchtig), bn.: -beid, v. Iiibain (r^ongi, baai), m. —men.

Inbeem.seb (inlandsch), bn. Een —e plant, de —e kleederdracht.

Inberent (aangeboren, onafscheidelijk, bijbe-hoorend), bn.

In boe easii (in dit geval), bw. Inliospitaliteit (ongastvrijheid), v. gmv. Inbond (grootte, capaciteit), m. —en. Inbonden, ik hield —. heb —gehouden; —ing. v. Wat houdt die brief in? d. i. bevat; hij hield het paard, zijn toom in, bedwingen; iets var, het loon —, terughouden


ocr page 140

IN HOU DS.M A AT—1N Q U A KSTIE.

120

liilioudMinaat. v. —maten.

liihoiidHopKave, v. —n.

Inlioiiwen (inhakken), ik hieuw —, heb —gehouwen. Op den vijand Iiiliuldigeii (bevestigen, erkennen), ik heb —gehuldigd: — ing, v.

o. —en.

Iiihiiinaan {onmenschlievend, onbeschaafd), bn. en bw.

Inliuiiiaiiiteit (onmenschelijkheid, onvriendelijkheid, hardheid), v. gmv.

liilniinatit' (begraving), v. —tiën, —s. Inliiircii nieuw haren), ik heb—gehuurd; —iiiS, v.

In hypotliesi (in de onderstelling', in het onderhavige geval), bw.

Iniiiiagiiialx'i (onvoorbeeldclijk, onbegrjpe-liiiinitabel (onnavolgbaar), bn. [////.), bn. In i|gt;8» ti'riniiio (o/jrfe/i vastgestelden dag),bw. Iniquiteit (onbillijkheid, onrechtvaardigheid), Initiale (aanvangsletter), v. —n. [v. —en. Initiatier (de aanleiding tot een zaak', het recht om iets voor (e dragen', de eerste stap), o. —tieven. Het — nemen, het eerst een voorstel tot iets doen; het recht van —, het recht (der Kamers) om voorstellen te doen. Iiiitiecren (inwijden, plechtig aannemen). Imevtie (inspaiting,iniver/) ing). v.—lies,—üiin. Injiinctie (voorschrift, gerechtelijk bevel), v. Injur ie (krenking, beleediging, scheld ivoor d), v. —ries, —riën.

Injnripei'eii (lasteren, eerrooven, schandvlek-liijiirieu.s (beleedigend), bn. [ken).

InjiiMte (onrechtvaardig), bn.

Injiistiee (onrechtvaardigheid), v. gmv. Ink (ingang van een fuiknet), m. —en. Inkalven (wegzakken van zand), het is —gekalfd: —iiiK.

Inkankeren (invreten), het is —gekankerd: -ing, v.

Inkarnaat (vleeschkleur), o. Het — van het morgenrood.

Inkeep (inkerving, insnijding), v. inkepen. Inkeer (beroaw), m. gmv.

Inkeereii (beroaw gevoelen), ik ben—gekeerd; —ing;. v.

InkoineliiiK (vreemdeling), m. en v. —en; voor het v. ook —e.

Inkomen (binnenkomen), ik kwam —, ben Inkomen (inkomsten), o. {—gekomen.

Inkomst [blijde —), v. —en. De blijde — der Hertogen van Brabant, d. i. de feestelijke intocht, gevolgd door het schenken van privilegiën.

Inkomsten (renten, verdiensten), v. mv. Inkoop, m. —en; —wprijw, m.

Inkoopen, ik kocht —, heb—gekocht; —er, m. Inkorten (kleiner make})), ik heb en het is —gekort: —ing, v.

Inkt. m.

Inknileii (in een kuil doen), ik heb—gekuild; —ing. v. Veldvruchten —. [kwakt.

Inkuakken (ergens insmijten), ik heb -ge-Inkwartieren (s)ddaten bij burgers inlegeren), ik heb —gekwartierd; —ing, v.

Inlaag (inlage, d.i. geldsom), v. inlagen. Inlaflen (een schip beladen), ik heb —geladen; —er, m.; —ing, v.

Inlander (mamp;oor/mfif), m. —s; —seh, bn. IniaHMelien (tusschenvoegen), ik heb —gelascht; Inleg (geld), m. gmv. (—ing, v.

Inlicliten {ophelderen, duidelijk maken), ik heb —gelicht; —er, m.; —ing, v.

In liggen (gelegen zijn in), ik lag —, heb —gelegen.

Inlijven (een land vereenigen met een ander). Holland werd —gelijfd: —ing, v.

in loeo (op de plants zelve), bw.

Inloodsen (in de haven brengen), ik heb —geloodst; —ing, v.

Inloop, m. gmv.

Inluid en, Inlnien (door klokgelui aankondigen), ik heb—geluid. De kermis —ing, v. Ininaak. v. gmv. De — van augurken. Ininaken (confijten, zomen, pekelen), ik heb —gemaakt: —maaksel, o.; —making, v. In mandatis (als bevel, of in last), bw. In margine (op den rand), bw.

In medio (in het midden), bw.

In memoriam (ter nagedachtenis), bw. In mora (achterstallig, nalatig), bw. In natnra (in natuurlijken toestand), bw. Innemen, ik nam —, heb —genomen. Een drankje —, gebruiken: het schip moet kolen —, laden, opnemen; veel plaats —, beslaan: een stad veroveren, bemachtigen: iem. voor zich —. winnen, gunstig stemmen: ingenomen zijn met, d. i. ergens veel mede op hebben. Innemend (beleefd), bn.; —lieid. v.

Innen (invorderen run gelden), ik heb geïnd;

— ing, v.

Innerlijk (waar. echt), bn. en bw. De —e waarde, wezenlijke waarde.

Innig (vurig, oprecht), bn.enbw. Een — gebed,

— c vriendschap: —lieid, v.: —lijk, bw. Innoeent (onschuldig, onnoozel), bn.

In .iiomine Dei (in Gods naam).

In nofttro eawn (in ons tegenwoordig geval). Innovatie (nieuwigheid, verandering), v. —tiën. -ties.

Innoveeren (nieuwigheden invoeren). In obscuro {in het verborgen, onbemerkt),h\\. In oetavo (in het boekformaat van S bladen of iG bladzijden per vel), bw.

Inoeulatie (inenting), v. —tiën. —ties. Inoenleeren (inenten».

Inollensier (onschadelijk), bn.

lno(»gMten {inzamelen), ik heb —geoogst. Lof —. eer inleggen bij iets.

In optima lorma (in den besten vorni, volkomen), bw.

In 4»riginali (in het oorspronkelijke, in handschrift), bw.

In paee (in vrede, in goede rust), bw. In parentlie^i (tusschen haakjes ( ): tusschen-beiden), bw.

in partihns inlideliiini (zie afgekort: i.p. i.gt; (van een R. K. bisdom, dat in handen der ongeloovigen is).

Inpeperen (fij?. betaald zetten), ik heb —gepeperd. Iem. iets —.

In perpetnam (voor altijd, altijddurend),h\\r. In petto (in het hart, in gedachten', in voorraad), bw.

In plano (in geheele of omgevouwen vellen). bw. In pleno (in volle vergadering), bw. In pontiiiealihn.H (in priesterlijke ambts-kleeding, in ambtsgewaad), bw.

In potentate (in handen, in de macht), bw, In praxi (in de uitoefening), bw.

Inprenten (diep indrukken), ik heb —geprent; —ing, v. Een kind goede beginselen —. Inproppen (proppende inprangen, b.v. van voedsel), ik heb —gepropt; —per, m.; -ster, w. —ping, v.

In lt;|iiaeNtie (de zaak, waarrun sprake is), bw.


ocr page 141

IN Q Ü A R TO -1N ST IT UTHICE.

121

In lt;|iiarto (hi het boekformaat van 4 bladen of S bladzijden per vel). b\v.

Iiiqiiictaiit {onrustbarend)^ bn.

liilt;|iiH;teercii (verontrusten).

Iiif|iiirlt;'ereii (navorsclien, verhooren, onderzoeken ).

Inqiiirciit (fjerechtelijk ondervrager)^ in. —en. lii(|iiiMit(Mir (reeliter der Inquisitie), m. —en. liMliiiMitic ((j er echtelijk fieloofsonderzoek. ye~ loofsyericht, lijfstraIfelijk onderzoek), v. gmv. Inrakclcii {vaur met asch bedekken), ik heb —gerakeld.

Ini'ckeiKMi (inrakelen. in de gevangenis zetten). ik hel» —gerekend: —iiitf. v.

Ini icliti'ii {in orde brengen), ik heb —gericht: —er. m.; —ing. v.

Inrit {bet inrijden), m. gmv.

Inroepen, ik riep—, heb—geroepen: —ing.v. lern. ha lp —. vragen.

In rond {ronde opening van binnen), o. —en. Inriiinien {plaats maken), ik heb —geruimd: — ing. v.

Inrukken, ik heb en ben —gerukt. De troepen zullen weer —: —insj, v.

In .saldo blijven {nog schuldig blijven), bw. liiMalnhriteit {ongezondheid eener woonplaats), v. gmv.

liiManie {waanzin, krankzinnigheid), v. gmv. Insatiahel (on verzadel ijk), bn.

liiHflKMiken (ingieten), ik schonk —, heli —geschonken; —er, m.

In.M'liepen {aan boord laden), ik hel» -gescheept; —ins, v- Zich —. aan boord gaan. InNelicrpen (in bet gemoed prenten), ik heb —scherpt: —ing. v.

InMeiiikkeliJk (toegevend), bn. en b\v .: — iieid,v. liiHeliikken (toegeven), ik ben en heb —geschikt: — ing, v.

liiHt'lirijven (in een register schrijven), ik schreef—. heb —geschreven: —er. m.; —ing, v. In.selirokken (galzig inslokken), ik iieli -geschrokt.

liiHelinld (invorderbare schuld, het actief), v. —en.

Inserihreren (inschrijven, boeken). [ties. In.seriptie (inschrijving, opschrift), v. —tién, In.Hcrntabel (onnavorschbaar, ondoorgrondelijk), bn.

Inseet {gekorven diertje), o. —en.

Inseetologie deer der gekorven dieren gt;. v. gmv. In Nefleriii'io (in het boei, formaat van 10 bladen of 3-2 bladzijden per vel), b\v. InwensibehonfiretvW/f/.oHmc/Vtamp;m^'^bn.enbw. Inseparaat {ongescheiden, vereenigd). bn. Inseparabel (onafscheidelijh ). bn. en bw. Insereeren (/nvoegen, inlasschen).

Insertie (invoeging, inlassching), v. —tiën, —s. InsidieiiN (arglistig, verraderlijk, belagend), bn. en bw.

Insigne (eere- of rangteeken, kenteeken), v. —niën, —s.

InHignifiant (onbeduidend, zonder beteeken is), bn. en bw.

In.HiJpelen {inwateren en wel druppelsgewijze), liet is —gesijpeld: —ing. v.

In.Hiniiatie (waarschuwing: indringing: be-leedigende zijdelingsche toespeling), v. —tiën, —ties.

In.Hiniieeren (bedekte zinspelingen maken). Zich —, zich in iem. gunst indringen.

Insipide (plat. ongerijmd, laf. zouteloos), bn. liiMi.steeren (op iets blij ven staan: aandringen, niet verzoeken aanhouden).

Inslaan {door slaan indrijven ), ik sloeg -, heb en ben —geslagen. Een vat den bodem—, de glazen iem. de hersenen d. i. door inslaan breken, vernietigen; bier, voorraad —, opdoen; een weg —. nemen, volgen: de bliksem zal daar neerkomen, vallen. Zijn eigen glazen —, zijn eigen zaak bederven.

Insl ag (het opdoen van voorraad), m. —en. Inslag {het inslagguren). m. Schering en —. de hoofdbestanddeelen. het voornaamste van iets: dat is bij die lui schering en —, dat zeggen, doen zij gestadig.

Insoeiabel (ongezellig), bn.

Insolent (ongepast, lomp, onbeschaamd), bn. Insolentie {ongepastheid, onbeschaamdheid,

lompheid). —ties. —tiën.

Insolide (weinig krediet verdienend, op losse schroeven staanae). bn. en bw.

Insoliditeit (wankelende toestand), v. gmv. In soliduin (voor het geheel, hoofdelijk voor 't geheel aansprakelijk), bw.

Insolnbel (onoplosbaar), bn.

Insolvent (onvermogend om te betalen), bn. Insolventie (onvermogen, financieele onmacht), v. gmv.

Insoninie (slapeloosheid), v. gmv.

Inspannen (eoor den wagen spannen), ik heb —gespannen; —ing, v. Al zijn krachten —, aanwenden.

In spe (in het verschiet, in de hoop), bw. In specie (in klinkende munt), bw. Inspecteeren (bezichtigen, in oogenschouw nemen, nazien). [—en.

Inspecteur (opziener, opzichlhouder), m. —s, liis\gt;vvt\e (schouwing, in oogenschouwneming, monstering), v. —tiën. —ties.

InspiraHe (ingeeing, bezieling), v. —ties, —tiën. Inspirccren (inblazen, ingeven, aanvuren,be-Inspit (zeew. roerpen, helmstok), o. [zielen). Inspraak (ingeving), v. De— van het geweten, de stem; de — can bet bloed.

Instaan (borg zijn), ik stond—, heb—gestaan. Installatie (bevestiging in een ambt), v.

—ties. —tiën.

Installeeren (openlijk en plechtig ineen ambt bevestigen).

Insfallig (in een kwaden naam), bw. Een huis — maken, iem. — maken. d. i. veel kwaad zeggen van.

Instandlionding, v. gmv.

Instant (terstond, oogenhlikkelijk. in korten tijd), bw.

Instantelijk (dringend), bn. en bw.

Instantie (dringend verzoek),\. —tiën. liecht-bank van eerste —. rechtbank van eersten aanleg; in laatste —. bij den hoogsten rechter. Instar (a 1'— de) (zoo goed als van, naar de wijze van).

In statn lt;|no dn vorigen toestand of zooals de zaak tot hiertoe stond), bw., als zn. o. Insteeren (aanhouden, op iets aandringen). Instellen (vaststellen, invoeren), ik heb —gesteld: — ing, v.

Instigatie (aansporing), v. —ties, —tiën. Inxljsr eren (aanhitsen, aanzetten, aansporen). Insti net (natuurdrift, dierlijke neiging),o.gmv. Iiistini'tniatig (uit natuurdrift), bn. Institneeren (instellen, stichten).

Institiiten (Homeinschf.' wetboeken). v. mv. I n s t i t ii t en r (on dei 'w ij zer, kc /stsch ooi hou dei •), m. — s.

I n s t i t n t r i c e (onder wij zer es, kostschoo I houder es), v. —s.


ocr page 142

INSTIT ü UT-1 NT EST A B K L.

422

liistitimt (inrichting, opvoediïKjsgesticht). o. —uten.

Instorten, ik hel) en ben —gestort. De toren gaat invallen: de zieke is weer ingestort, 'opnieuw ziek geworden: een gave, een talent ons ingestort, geschonken: —ins. v. Insti'iK'tciir (onderrichter, e.rercitieméester), m. —s.

Instrnctie {onderwijs of voorschrifh.x. —tiën, —ties. Rechter van —, de rechter, die belast is met een voorloopig onderzoek der bedreven misdaden.

liiMtnictie-hatnillon (militaire school te

Kampen). o. — s.

Instnictiet' (leerrijk, onderwijzend), bn. Instni^ercn {onderwijzen: de bewijzen van schuld h ij een i lt;ei 'zamelen, de processtukken in gereedheid brenjen).

Instninient (werktuig maziekspeeltnig: toestel. gereedschap', oorkonde, document), o. —en: —je, o. —s.

liiHtrntiMMitaal (door middel van muziekinstrumenten voortgebracht),hx\. —ate muziek. liiHiihordinatH' (weerspannigheid, verzet tegen de krijg tucht), v. gmv.

In siibstantic (m hoofdzaak). b\v.

In.snni.saiit (ongenoegzaam, ontoereikend), bn. Insnlt (beleediging). o. —e;;.

Insultecrcn (beleedigen, hoonen. beschimpcn\ In siimina (in het geheel, als samengenomen). Insiipp'.M'tahel (onverdraaglijk), bn. Insiirseeron (oproerig worden).

Insiiru;!'!! t (opsta ndeling), m. —en.

InsiiiTectie (opstand), v. —tiën, —ties. In siisjmmiso {in twijfel, onhes:ist), b\v.

Intact {onaangeroerd: onbevlekt, volkomen), bn. en bw.

In tantnin (zoo ver het reikt), bw.

Inteekeiien {inschrijven), ik heb —geteekend; —aar, m.; —ing, v!: —lijst, v.

Inti'seiHhM'l. bw.

Integraal (o/lt; zich zelf bestaande, een geheel

uit)nakend), bw.

Integralen (Neder tan dsche effecten, genaamd:

Werkelijke of Nationale Schuld), v. mv. Integreerend (onmisbaar, onafsch ei de I ij k), bn.

Een — deel van iets.

Integriteit (onschuld, onomkoopbaarheid, oprechtheid. rechtschapenheid), v. gmv. Intelieetiialiteit (verstaanbaarheid-, verstand), v. gmv.

Intellectueel (verstandelijk, geestelijk, schrander). bn. —e vorming.

Intelligent (verstandig, kundig: vernuftig), bn. Intelligentie {kennis, doorzicht, verstand), v. Intemperanre {onmatigheid), v. gmv. Intenipestier (ontijdig, op ongeschikten tijd). bn. en bw.

Intendant {opziener, bestuurder, rentmeester), \ m. —en.

Intendeeren (beoogen. genegen zijn: vanzins of willens zijn).

Intense { met vermeerderde, verlnogde ::racht). Intensie (inspanning), v. gmv.

Intensiteit {innerlijke kracht, werkzaamheid, sterkte), gmv.

Intentie {voornemen, oogmerk, meening), v. —ties, tiën.

Sntentioneereii (ten oogmerk hebben, beoogen). Interealeeren (invoegen, inlasschen. inschuiven ).

Intereedeeren (tusschenbeide komen, bemiddelen. voorspreken).

Intereeptie (onderschepping, opvanging), v. —tiën, —ties.

Intereessie (tusschenkornst, voorspraak), v. —siën, —sies.

Intereipieeren (onderscheppen, opvangen). Intereoniiiiiinaal (tusschen verschillende gemeenten onderling), bn. Een —aletelephuon-Interdieeeren {verbieden). [dienst.

Interdict (rechterlijk verbod, groote pauselijke kerkban), o. —en.

Interdietoir (verbiedend), bn. en bw.

Interen (uchteruitgaan, verarmen), ik heb en ben —geteerd: —ing. v.

Interessant (belangwekkend, belangrijk), bn. en bw.

Interesseeren (belangstelling inboezemen, van uanbelang zijn). Zich — voor, belangstelling aan den dag leggen voor.

Interest (deelneming, voordeel, )int. winst: ook: rente), m. —en.

intertolieeren (een boek met wit papier doorschieten ).

Interieur (innerlijk, inwendig), bn.: als zn. o. Interim (tusschentijd. ad —, tot nader order, voor eenen tijd, een tusschentijd). o. Interliniair (tusschen de regels geschreven of gedrukt), bn. Een —e vertaling.

Interlinie (ruimte tusschen twee regels), v. —s. Interliiiieeren (wit tusschen de regels inbrengen: ook: tusschen de regels inschrijven). Interiiiediair (tusschenkornst, bemiUdeling), o. Intermezzo (tusschenspel). o. —'s. Inteniiinabel {eindeloos), bn.

In terminis (in behoorlijke uitdrukkingen ), bw. In termino (op den bepaalden dag), bw. Intermissie (veronachtzaming, uitblijving), v. Internaat (inwoning: kostschool), o. —naten. Internationaal (tusschen de volken onderling). bn. Een —ale tentoonstelling, het — verkeer. Interne (inwendig, innerlijk, vun binnen; inwonend), bn. en bw.

Interniinciiis. interiinntins (gezant van den paus), m. —sen.

Interpellatie (vraag van een volksvertegenwoordiger in de Kamer om opheldering), v. -tiën, -ties.

Interpelleeren (om opheldering vragen).

Inter poenlai om//'/* een glaasje, bij de jlesch ).!»w. Interpolatie (inlassching, invoeging), v. —tiën. —s.

Interpoleeren (inschuiven, 11 isschenp la a tsen). Interponeeren (tusschenstellen, zich tot bemiddelaar aanbieden).

Interpretatie (vertolking, uitlegging), v. —tiën. —ties.

Interpreteeren (vertolken, uitleggen, vertalen). Interpnnetie (plaatsing der schei- en zin-teekens), v. gmv.

Interrrgnnm ti.sschenbesluur, tusschenre-gcering), o. gmv.

lntei,i,ogatie(#rr/«i/.on^egt;,m/#/lt;gt;j//),v.—tiën,—s. Interrogeeren (ondervragen).

Interrnmpeereii (afbreken: hinderen, storen, in de rede vallen).

Interruptie (stoornis), v. —tiën, —ties. Intersectie (doorsnijding, kruising vun lijnen-, v. —tiën. —s.

Interval (tusschenruimte, tusschentijd. tus-schenvoorval: toonafstand, mnz.), o. —len. Inter venieeren (tusschenbeide komen, br-middelen).

Interventie (tusschenkornst. bemiddeling), v. Intestahel (onbekwaam of onbevoegd om ge-


ocr page 143

1 NTEUGE L EN -1NZ EG EX EX.

123

tuigen is te (/even, of' om eon testament te ma ken), bn.

Inteugelen {intoomen), ik heb —getengeld: — inff, v.

Intiem (vertroaivelijk, inniy), bn. —e vrienden. Intiiiiiitie {gerechtelijke aanzegging), v. —tiën, —s.

Intiineeren (gerechtelijk l/ekendm iken. aanwijzen ).

Intimidatie (bangmakerij), v. —tiën. —s.

Intimifleereii (bevreesd, beschroomd of b-ing maken).

Intimiteit (vertroawlijkbeid. innige vriendschap), v. —en.

Intoeiit (plechtige inkomst), ni. —en. Intolenmt {onverdraagzaam tegen andersdenkenden), bn. en b\v.

Intolerantie (onverdraagzaamheid, vijandigheid omtrent andersdenkenden), v. irmv. Intonatie (aanheffing, toonaangeving), v.

—tiën, —ties.

Intoneeren (aanheffen, den toon aangeven). In totnm (in het geheel), bw.

Intraetahel (onhandelbaar, onbaigzaam). lm. IntranHitiel' (spraakk. onovergankelijk, onzijdig luerkivoord), bn.

Intrede, intree (plechtige inkomst), v. gmv. Intrek (verblijf), m. Zijn — nemen, zijn verblijf vestigen.

Inti epiditeit (onverschrokkenheid, heldhaftigheid ). v. ^

Intrigant (vriend van kuiperijen, arglistig persoon), m. —en: —e. v. —n Intrige (verwikkeling. bedrog, kunstgreep: minnehandel. minnarij: eigenlijke ziel of knoop van een ro/nan, van een tooneelstuk, enz.), v. —s.

intrigeeren (zich met hnipcrijen afgeven). lntrin»iek(//jgt;lt;t'W//A,),bn.en b\v. De —e waarde. In (drievoudig, in drievoudig afschrift.).

Introdneeef-en (invoere)i of inleiden). [bw. Introdnetle (inleiding), v. —tiën. —ties. IntniMie (indringing, insluiping), v. gmv. Intuïtie (innerlijke aanschouwing, onmiddellijk bewustzijn, vernuft), v. —tiën, —ties. Inimdatie (ovwstrooming). v. —tiën. —ties, Innndeeren (onder waterzeilen.overstroomen). In iihii (geivoon. in gebruik), bw.

Inntiel (nutteloos, doelloos), bn.

Inntiliteit (nutteloosheid), v. —en.

inval. in. —len. Dat is een goede—.opkomende gedachte; dat huis is de ziele—, ieder wordt er onthaald.

Invalide (krachteloos, zwak, onvermogend, \ onbruikbaar), bn.

Invalide (verminkt of gebrekkig soldaat, sid-daat die geen dienst mee,- kan doen), m. —n. InvalidenliiiiN (huis, gesticht, waarin de invaliden samenwonen, b.v. te Bronbeek), o. —huizen.

Invallen., ik viel —, ben —gevallen. Ingevallen wangen, mager: het schip viel de haven in, binnenloopen; de vorst is ingevallen,\)egonnen: een vroeg invallende Paschen: dit woord wil mij maar niet invallen, in de gedachte komen. Invariabel (onveranderlijk), lm.

Invasie (vijandelijke inval, strooptocht), v. : —sies. —siën.

Invaten (in vaten dooi), ik heb —gevaat. Inveetive (scheldwoord, schimpwoord),v. —n. Inveeteeren (hevig uitvaren.scheblen,lasteren). InventariM (wettige lijst van voorhanden goe- i deren, boedelbeschrijving), m. —sen.

Inventarinatie (het maken van een inventaris), v. gmv.

Inventariseeren (boedelbesc.hr ij ven).

Inventie (uitvinding, verdichtsel, kunstgreep). v. —tiën. —ties.

In ventiel' (vindingrijk), bn.

In verba magi.stri (bij het wozrd des meesters, b.v. zweren).

Inversie (het omzetten van woorden), v. —siën. —sies.

Inverteeren (omkeeren, verplaatsen). Inve.steeren ( plechtig bekteeden met een waardigheid, in een ambt plaatsen of stellen). Inve.stigatie (ondervraging, onderzoek, nn-sporing), v. —tiën, —lies.

Inve.Htigeeren (uitvorschen, nasporen, doorgronden ).

Investihinr (bekleeding met een waardigheid). v. —turen.

In vetereeren (verouderen of verjaren van een kwaal: inkankeren).

Invidiên.s (nijdig, wangnnstig. hatelijk), bn. \\\\\\\i'\h^\(on over winlijk,onbedwingbaar), bn. In vino Veritas (in den wijn \ligt\ de waarheid). d. i. in dronkenschap zegt men wat men denkt, de waarheid.

Inviolahel (onschendbnar. onkwetsbaar), bn. Invisibel (onzichtbaar), lm.

Invitatie (uitnoodiging), v. —tiën. —ties. Inviteeren (uitnoodigen, legast vragen). Invloed (gezag, vermogen)., m. —en. — hebben, oefenen, itoefenen: zijn — (overwicht) doen gelden: zijn — aanwenden. | —s.

Ingt;oratie (aanroeping, afsmeeking), v. —tiën. In voee (op het woord of bij dat woord).h\\. Invoeeeren (aanroeper-,).

Iiiv«gt;er (ingevoerde goederen), m. —en. Involontair (onwillig, onopzettelijk, gedwongen). bn.

Involveeren (inwikkelen, in zich bevatten). Invorderen (betaling eischen), ik heb —gevorderd: — iiiR. v.

Invrijbeidstelliim. v. gmv.

Invn len (met schrift vullen), ik heb —gevuld:

— linK. v.

Inviilnerabel (onkwetsbaar). l»n. Invninerabiliteit (onkwetsbaarheid) v. Inwaarts (binnenwaarts), bw.

Inwaartseli, bn.

Inwateren (doorsijpelen), het heeft —gewaterd; — ins. v.

In weefsel (inslag), o. —s.

Inwendiu; (van binnen), bn.enbw.: —beid. v. Inwijden ( plechtig inzegenen), ik heb —gewijd:

— ins. v.: — ingsrede. v.

Inwijk (inham, kreek, kleine baai), v. —en. Inwikkelen (in een omslag doen), ik heb —gewikkeld; —ins. v-

Inwillisen (toestemmen), ik heb —gewilligd: —er. m.: —ins. v-

Inwinnen (herwinnen), ik won —. heb —gewonnen. Verzuimden tijd —. Ik zal in forma tién —. trachten te krijgen; —ins. v-Inwonen (bij iem. gehuisvest zijn), ik heb —gewoond: —er, m.: —ins, v-Inwortelen (wortel vatten', het is —geworteld: —ins. v« Het kwaad is —geworteld. heeft diep wortel geschoten.

In/ase. v. Ter —. ter visie, op beziens: — verleenen, geven, laten zien. b.v. van processtukken.

Inzesenen (door zegenen inwijden), ik heb —gezegend: —ins. v.


ocr page 144

INZENDEN—JAGUAR.

124

Iiizeiiflcii {toezenden), ik zond —, heb —gezonden: —er, m.: —inp. v.

Inzet {eerste bod), m. —ten. De heele inzet (bij een spel), de heele pot.

Inzetten, ik heb —gezet. Een ruit —. een letter —: een huis —, het eerste bod doen: geld op het spel zetten: diamanten —, in goud of zilver vatten; een gezang, psalm —. beginnen te zingen: —er, m.: —ing, v.: -zetsel, o.

Inzielit {bedoeling, oogmerk), o. —en.

Inzien, ik zag —. heb —gezien. Een rekening —. doorzien: iets niet —. begrijpen.

Inzitten, ik zat —, heb —gezeten. Er warm —, welgesteld zijn; ergens mee —. verlegen zijn, geen raad weten.

InzoiMlerlieid (vooral), b\v.

Inzoiiten (in het zont leggen), ik heb —gezouten; —er, m.: — inu:. v.

InziiKen (in zont of zuur leggen), ik heb —gezult: —ins. v.

Inzwelsen (inslokken, verslinden), ik zwolg —, hel» —gezwolgen: —er, m.: -in}?, v. Ipecaeiianlia {Amerikaansche braak- of pnrgeerwortel), v. gmv.

l'aeto {door dr daad zelve, feitelijk), bw. Ip-to jure {door het /'echt zelf), bw.

IreniMcli (vredestichtend, bemiddelend), bn. Iris (de godin ran den regen', de regenboog), v. gmv.

Iris {regenboogvlies in '£ oog), v. —sen.

Iri.s (lischbloem). v. —sen.

Ironie {spotternij, spotrede, bedekte scherts), v. Iriuiiek.lroiiiHeii (spi it tend, fij n schertsend),\m. IrraistHinahel (onredelijk, onbillijk), bn. Irrationeel {onredelijk, met de rede strijdig: wisk. onberekenbaar).

J, v. jquot;s. — De tiende letter van het alphabet.

J.l'. — Jezas Christus.

.11 Ir. — Jonkheer.

J.II.S. en .I.V.K.J. (zie onder I).

.11. — Jongstleden.

Jr. — Junior, de jongere.

.1.1'.I). — Juris u tri usque doctor, doctor of meester in de beide rechten.

.Iz. — Janszoon, Jacobszoon, enz.

Ja. II.' geloof —. ik meen van —: hij dreigde, —, hij sloeg hem: uw — zij —! d.i. wees trouw aan uw woord, bw.

Jaap (snede), m. japen.

Jaar {tijdsverloop van twaalf maanden), o.; jaren. Het Kind is elf — en dag, een — en zes weken; — uit — in, onafgebroken, aanhoudend: in den bloei zijner jaren, in de jeugd: schrikkel—, een — en een dag: nieuw—, het burgerlijk —. hel kerkelijk —, d.i. van 1 Dec.

Jaarboek (kroniek), o. —en.

Jaarboekje (jaarlijks uitgegeven geschriftje voor een bepaalden lezerskring, gewoonlijk tevens kalender enz. bevattend), o. —s.

Jaarda»; (verjaardag), m. —en. fm. —en.

Jaardienst ( U.K., dienst een jaar na den dood).

Irreeoneiliahel .onverzoenlijk), bn. Irre^nlariteit (onregelmatigheid), v. —en. Irregulier (onregelmatig), bn.

Irreuiediahei (onherstelbaar, niet te verhel' j pen), bn.

Irreparabel {onherstelbaar), bn. en bw.

I rrep rot*lia bel {onberispelijk, onver tv er pel ijk), bn. en bw.

Irresistibel (onweerstaanbaar), bn. en bw. liTe.H|»onsal)el (onverantwoordelijk), bn.en bw. Irrevoeabel {onherroepelijk), bn. en bw.

Irris a tie (bevloeiing. besproeiing, bewatering), v. —tiën, —ties.

Irrigeeren {een weiland do tr kleine slooten of stroompjes bevloeien ).

Irritatie (prikkeling, opgewondenheid), v.gmv. Irriteeren {verbitteren', prikkelen', tergen vertoornen).

Isabel, IsabHklrnrig (geelachtig wit, asch-klearig), bn.

Islam ( Turkse he godsdienst), m.

Islam isme, Islainismns {de Tnrksche godsdienst), o.

Isolatie (afzondering), v.

Isoleeren {afzonderen, alleen stellen, o/) zich zei ven plaatsen): — intf. v.

Isolement {afzondering), v. In ons — ligt onze kracht.

Israel, o.; —iet, m. —en; —ietiseli. bn.

Istlimiis (landengte), o.

itii est (zoo is het, zoo staat het).

Italieken (cursieve letters), v. mv.

Item (desgelijks, even zoo), bw.

Iteratie (herhaling, hervatting), v. —tiën,—s.

Itereeren {herhalen).

I tinera ri nm (reisboek, reisbeschrijving), o. —ria. Ivoor {olifantstand, elpenbeen), o. gmv.

Jaargang (al de afleveringen van een jaar),

Jaargeld {traktement, wedde), o. —en.

Jaargetij, Jaargetijde {seizoen), o. —en.

Jaargetij, o. —en. Zie Jaardienst.

Jaarkring {twaalf man,uien), m. —en.

Jabot {krop der vogels: borststrook aan een mans-overhemd), m. —s.

Jabi •oer (ja-knikker), m. —s.

Jarlit (het jagen), v. —en.

Jaelit {snelzeilend vaartuig), o. —en.

Jariiteii {aanzetten, haasten), ik heb gejacht.

Jachtig {haastig), bn.: —beid, v.

.laeobijn (hevige gemeentebest-gezinde tijdens deFransche omwenteling), m. —en; —i'iiinuts, v. —en.

.Ias.ii [voor ui tdrijven), ik joeg of jaagde, heb gejaagd. lem. op kosten —. veroorzaken; door de keet —. zwelgen; op de vlucht —, drijven; een paard dood—: zich een kogel door het hoofd —.

Jagen {op jacht zijn), ik heb gejaagd.

Jager (persoon die jaagt, ook soldaat), rn. —s.

Jagermeester {hoveling, met het toezicht op de jacht belast), m. —s.

Jaguar (Amerik. /tanter), m. —s.


ocr page 145

JAK-JOUET.

125

Jak (kort vrouwenkleed), o. —ken. lem. wat op het — geven, hem afranselen.

Jakhals (roofdier), m. —halzen. Fig. Een ha re loos mensch.

Jakhalzen (een slecht paard herijden), ik heb gejakhalsd.

Jakken (fjestadifi rijden, voorrjanen). ik heb gejukt.

Jakkeren (afjagen), ik heb gejakkerd. Jakobsladder {soort ran riem zonder eind). v. —s.

Jalappe (zeker purgeermiddel), v. —n. Jaloersfli, bn. en b\v.: —heid, v. üi\\w7Aiif{jaloerschheid,naijver,minnennijd).y. Jaloezie (zonneblind), v. —ën.

Jam (een soort ran aardappel), v. —men. Jam {vruchtengelei), v. gmv.

Jambe. Jambus (versvoet van een korte m een lange lettergreep), m. —n.

Jammer, o. —en.

Jammeren (weeklagen), ik hel» gejammerd. Jan (bediende), m. —en.

Jangelen (janken), ik hel» gejangeld. Ook : Jengelen.

janhagel (gemeen volk), o.; (koek), v. gmv. Janhen (keukenpiet), m. —nen.

Janitsaar (Turksch soldaat), m. —saren. Janken (huilen), ik hel» gejankt: —er, m. Janmaat (matroos), m.

Janrap (Janhagel), o. gmv. Ook: Jun Rnp en zijn maat, het plebs.

Jansalie (droomer). m. —s.

Jansalieachtig, bn.: —heid. v.

Jansenist, m. —en: —enkerk. v.

Januari (louwmaand), m.

Japan, o.; —nees. m. —neezen. Japanneesch. Japan«cli, bn. (o. als zn.). Japen (een snede geven), ik heb gejaapt. Japon (lang vrouwenkleed), v. —nen, —s. Jas (kleedingstuk). v. -sen.

Jas (kaartspel troefboer), m. gmv.

Jasmijn (bloem), v. —en.

Jaspis (bewerkte steen), m. —sen.

Jaspis (stof: rood, groen, bruin), o. gmv. Jassen (kaartspelen), ik heb gejast.

Jassen (aardappelen schillen), ik heb gejast. Java-koffie, v.

Javelijn (werpschicht), v. —en.

Jawoord (toestemming van het meisje tot het huwelijk), o. gmv.

Jean pota^e (hansworst), m.

Jehova (de Onveranderd ij ke. Eeuwige), m. gmv. Jemenie (jemie). t\v. Ook: jeminie.

Jenever (sterke dronk), v. gmv.

Jeneverneus (roode neus), m. —neuzen. Jenevernens (persoon), m. en v. —neuzen. Jengelen (lastig zijn ran een zuigeling), ik hel» gejengeld.

Jenotlel (bloem, violier, nagelbloem), m. —s. Jent (fraai, net), bn. vero.

Jeremiade (klaaglied, klacht), v. —n of —s. Jernzalemmer (appel), m. —s. Jen (vleeschsap), v. Eigenl. jus (Fransch). Jen^d. v.

Jeiüfdia; (jong), bn.: —heid, v.

Jenk, m.

Jeuken, het heeft gejeukt (gejookt). Ook: Joken. Jenken'K, bn.: —heid, v. Óok: Jokerig. Jenkins;, v. —en. Ook: Joking.

Jeukte, v.

Jezuïet (lid der sociëteit van Jezus), m. —en. Jezuïetenkerk, v. —en.

Jeznïetiseh. bn.

Jezuïtisme (leer der Jezuïeten)* o.

Jicht (pijn in de gewrichten), v.

Jielitig, bn.: —heid. v.

Joaillerie (de juwelier kunst: jiiweelhandel),\. Jobsbode (ongeluksbode), m. en v. — n. Jobstijdinu; (ongelukstijding), v. —en. Jockey (rijknechtje), m. —s.

Joerisse (lompe knecht, huls, ImntiWl). m. .loens (scherts, grap, kortswijl), m. [—n. Jodenlijm (aardhars, asphalt, schertsend: speeksel), v. gmv.

Jodin, v. —nen.

Jodium (metallo'ide, bruinvette vloeistof). o. gmv.

Joelen (tieren, leven maken), ik heb gejoeld. Joiiannesbloem (groote madelief), v. —en. Johanneskever (rozenkevertje), m. —s. Johannes-ridder, Johaimiter-ridder (lid der Duitscue orde. later Multhezer-ridder), o. —s. .loliannes-wormpje (glimivormpje), o. —s. John Bull (spotnaum der Engelschen). m. Jok (boert), in.

Joken, Jokerig, Jlt;»king. Zie Jenken. enz. Jokken (liegen', schertsen), ik heb gejokt. Jokken (leugen), m. —s.

.lokkenbrok (grappenmaker), m. en v. —ken. .lokker (leugenaar) m. —s.

.lokkernij (boert, scherts), v. —en.

Jol (soort van smalle boot), v. —len.

Jolen (pret maken), ik heb gejoold.

Jolig (prettig), bn. en b\v.: —heid, v. Jolivetés (aurdigheden, naïeve invullen, kinderlijke invallen, kippekuren, kinderpotsen). v. mv.

Jollen (een kreunend geluid maken), ik heb gejold.

Jonathan (broeder Jonuthan, spotnaam voor de N.-Amerikanen), m.

Jong (jeugdig, onervaren), bn. en b\v.

Jong (pas geboren dier), o. —en. Jonu;edoehter (ongehuwde vro/nv). v. —s. Jongeheer. Jongenheer, m. jongeheeren. Jongejiiirromv, v. —en.

Jongeling;, m. —en; —schap, v.

Jongen (knaap, kind), m. —s: jonget je, o. —s. Jongen (jongen werpen). het dier heeft gejongd. Jonger (leerling), m. —s, —en.

Jonggezel (ongehuwd man), m. —len. Jongleur (potsenmaker, goochelaar), m. —s. Jongmaatje (leerling in eenig ambacht), o. —s. Jongniensch, o. jongelieden en jongelui. Jongs (van — af), b\v.

.longsken, Jongske, o. —kens. —kes. Jongstleden, bn. Zie .11.

Jonk (Chineesch vaartuig), v. —en.

Jonker (jonkheer), m. —s.

Jonkheer, m. —en.

Jonkheid (jeugd), v.

Jonkiiian (jongeling), m. jongelieden,jonge! Jonkvrouw (udellijk meisje, freule), v. — Jonkvrouwelijk, bn.

Jood. m. joden.

Joodseh. bn. (o. als zn.).

Joodschap (het Jodendom), v.

Joodsehap (het Jood zijn), o.

Jool (halve gek), m. jolen.

Joop (dorre rozeknop). v. jopen.

Jordaan (een rivier in Palestina: buurt in Amsterdam), m. gmv.

Jota (kleinigheid), v. —'s. Een — is de kleine Grieksche letter nl. hij weet er geen — van. d. i. niet het minste.

Jonet (speeltuig), m. —s.

ui. en.


ocr page 146

120 JO ü ISSANCE—K AALKIN.

JoiiisHance (genot, vruchtgebruik), v. —s. .lonïsseeren {genieten).

.loiijon (speelwerk, speelgoed), o. —s.

Jour (dag), m.; — de Tan, Nieuwjaarsdag; — des cendres, Aschdag: — des morts, Allerzielen : — des rois, Driekoningen: a —, doorzichtig; par —, per dag, des daags; Vautre —, onlangs. De bepaalde dag waarop men visites afwacht: Mevrouw gaat van middag niet uit. ze heeft haar —. Beau —. dag. waarop een meisje er opgewekter en bekoorlijker uitziet dan gewoonlijk.

.Journaal (dagboek-, dagblad-, tijdschrift), o. —nalen.

.lourualist (dagbladschrijver, dagbladuitgever), m. —en.

Journalistiek (dagbladschrijverij, dagblad-Joimv (uitjouiving, bespotting), m. 1 pers), v. Jouwen (naschreeuwen, beschimpen), ik heb gejouwd: —er, m.: —«'rij. v.

Joviaal (vroolijk, opgeruimd), bn.

Jovialiteit (vroolijkheid, blijgeestig, lastigheid. opgeruimdheid), o.

Jubel (jubelkreet), m. —s: —leest, o. —en; —Jaar. o. —jaren.

Jubelen {vreugdekreten aanheffen), ik heb gejubeld.

Jubilaris (iewi. tot wiens eer een feest gevierd wordt), m. —sen.

Jubilc, .lubilaeuiii (jubelfeest), o. —s. .luelitleiler, Jii«*litllt;gt;er (Russisch sterkriekend leder), o.

Judas (verrader: fig. en schertsend pennnig-meester), m. —sen: —baard (roode baard), m.; —baar (rood haar), o.: —kus {geveinsde kus), m.: —lach (valsche lach), m.

Judassen (plagen in het geniep), ik heb gejudast: —erij, v.

Judiriabel (te beoordeelen-, te vonnissen), bn. Judicieel (rechterlijk), bn. [nissen).

.ludic'ieeren (oordeelen, beoordeelen, von-.ludieieus (oordeelkundig, verstandig), bn. .ludV'r (jonge ju ff rouw), v. —s, —en.

.InüVr (spar. balk), v. —s.

JullVrsliondje (schoothondje), o. —s. JuflVomv (meisje, burgervrouw, meesteres), v. Jiiffe (rechter), m. —s. |—en.

Jiiffeabel (te beoordeelen). bn.

Jiiiceeren. Zie Judifieeren.

Juiclien (luidruchtig zijn vreugde te kennen geven), ik heb gejuicht; —tonen, m. mv.

Juif (jood), m. —s.

Juilen (joelen), ik heb gejuild; —ing, v.

Juive (jodin), v. —s.

Jujube (borstdeeg), v. — s.

Juk, Jok (werktuig), o. —ken. Een os in het

— spannen; manden of emmers aan een \ dragen-, het — eenerbrug: fig.dienstbaarheid: het Spaanse/ie —, onder het — brengen, het

— quot;fwerpen; een — ossen, d.i. een koppel ossen. Juli (hooimaand), m.

Junctie (vereeniging). v. —tiën, —ties. Jungeeren (voegen, vereenigen, samenvoegen). Juni (zomermaand), m.

Junior (de jongere), m.

Junta {staatsraad in Spanje en Portugal; vergadering), v. —'s.

.lupe (vrouwenrok), v. —s.

Jura (de rechten, de rechtswetenschap), o. mv. Jurê (gezworene, lid eener jury), m. —'s. Juridiek. .Juridisch {overeenkomstig de

rechtsleer, rechtskundig), bn.

Jurisdictie (rechtshandeling. rechtsgebied), v. —s.

Jurisprudentie {rechtsgeleerdheid), v. gmv. Jurist (rechtskenner, rechtsgeleerde), m. —en. Jurk. v. —en; —enicoed, o.

Jury ( rechtbank van gezworenen, commissie

van beoordeeling), v. — quot;s.

Jus (het recht; ook krachtig vleeschnat),o.gmv. Juste (rechtvaardig, billijk, juist, evenzoo, nauwkeurig), bn. en bw.

Justeeren (gelijkmaken, vereffenen). Jiisteinent (juist), bw.

Justificatie (recht vuur digi ng), v. —tiën, —ties. Justiliceeren {rechtvaardigen, verantwoorden ).

Justitie (gerechtigheid; het recht; de rechterlijke macht), v. gmv.

Jut (peer), v. —ten.

Jutniis. Jiittemis. v. Met St. —, als de

kalveren op het ijs dansen, d. i. nooit. Juttepeer (vrucht), v. —peren.

Juweel (elk geslepen edelgesteente), o. —en;

iets voortreffelijks: Een — tje van een schilderij, een gedicht, een redevoering; een

— van een vrouw.

Juwelier (handelaar in juweelen), m. —s;

—swinkel, m. —s.

Juxta-positie (aanvoeging; toeneming door uitwendige aangroeiing), v.


k.

k, v. k's. De elfde letter van het alphabet. k.(;. — Knight of the Garter, ridder van den Kouseband.

K.M. — Keizerlijke of Koninklijke majesteit. K. of Kal. — Kulender, de eerste dag der maand. Hub. — Kubiek.

Ka, Kade, Kaai (straat, weg of voetpad langs een water), v. kaden, kaaien.

Kaaba (Mohammeds bedehuis in Mekka), v. Kaai; (zeker vaartuig met één mast), v. kagen. Kaai (kade), v. —en.

Kaaien (zeew. reven), ik heb gekaaid. De zeilen —, reven, toppen.

Kaaiuian (krokodil in Z.-Amerika), m. —s, —nen.

Kaak (wang), v. kaken. Met stijve kaken, onbeschroomd: hij stond daar met beschaamde kaken, uit het veld geslagen.

Kaak {schandpaal), v. kaken. Aan of op de — stellen, te pronk doen staan.

iiaakje (meelkoekje), o. — s.

Kaal (onbegroeid), bn. en bw.; -beid, v.

Kaalk in (baardelooze knaap), m. —nen.


ocr page 147

KA A LKOP-KAM EL EON.

127

Kaalkoi) Oiaarlooze), m. en v. —pen. Kaaloor (kaalkop), m. en v. —en.

Kaam {schimmel op bier, wijn, enz.), v. KaaniMcl (kaam), o. —s.

Kaan {platbodemd vaartuig), v. kanen.

Kaan (het overblijfsel van uitgesmolten vet). y. kanen.

Kaankoek (gestold vet in vormen), m. —en. Kaap {in zee uitloopend gebergte), v. k.ipen. De — omzeilen] naar de —, dii. de Kaap de Goede Hoop.

Kaap (roof), v. Ter — varen.

KaapstaiHler {windas), m. —s.

Kaapvaarder (iem. die naar de Kaap vaart. ook kaper), m. — s.

Kaapvaart {ter kaap varen), v. gmv.

Kaai' (vischkaar), v. karen.

Kaarde {ra iter kruid), v. — n.

Kaarden {de wol zuiveren), ik heb gekaard: —er. m.; —wel. o.

Kaars. v. —en.

Kaarsediel' (verkoolde pit), m. —dieven. Kaart (speelkaart, landkaart), v. —en. Kaarteblad (een speelkaart), o. —en.

Kaarten (kaartspelen), ik heb gekaart. Kaartenblad (karton, ook papier om een kaart op te teekenen), o.

Kaartlegster (waarzegster), v. —s.

Kaas. v. kazen: —je, o. —s.

Kaasjeskruid (maluwe), o. gmv.

Kaats, v.; —baan,o.—banen; —bal,m. —!en. Kaatsen ihet kaatsspel spelen), ik heb gekaatst. Wie kaatst, moet den bal verwachten, d. i. wie schertst, moet scherts kunnen verdragen; wie aanvalt, moet rekenen op tegenweer; —er, m.: —ins, v.

Kabaai (kamerjapon), v. —en.

Kabaal (lawaai), o. Zie Ca ba al.

Kabas (reismandje), v. —sen.

Ka bassen stelen), ik hebgekabas .

Kabbelen (zacht stroomen), het water heeft gekabbeld: — ing, v. [—s.

Kabel (dik touw. scheepstros, ankertouw), m. Kabelen (aan kabels vastmaken), ik heb ge-kabeld.

Kabeljauw (visch), m. —en: (als stofnaam), v. Kabel.janusebe (aanhanger van graaf Willem V), m. en v. —n.

Kabinet (ouderwetsch huismeubel, kast), o. i —ten.

Kiibinet (zaal of galerij, verzameling), o.; — ran schilderijen, m unten,penningen; kunst—. \ Kabinet (de hooge regeering), o.; —sbrief. —sorder, bevel van wege den koning; —sraad, ' raad van ministers.

Kabinetsc|naestie {geschil, voorstel, omstan- I digheid, die tot het aftreden van het ministerie ' kan leiden), v. —ën.

Kabouter (aardmannetje), m. —s; —inanne* —tje. o. -s.

Kabriool. Kapriool (luchtsprong), v. —olen. ] Kabnis. Komytuis(scheepskeuken),y. kabuizen. 1 Kabilen. Kabylen (volksstam in N.-Afrika). ' Kachel, v. —s.' [m. mv. i

Kadaster (boek, register der eigendommen,ook bewaarplaats), o. gmv.

Kadastraal (tot het kadaster behoorende), bn. Een kadastrale omschrijving.

Kadastreeren (in de leggers opschrijven), ik heb gekadastreerd.

Kade. Ka, v. kaden.

Kadet (broodje), v. —ten.

Kadi (rechter bij de Mahomedanen), m. —'s.

Kadraai {vaartuigje), v. —en.

Kadraaier (zoetelaar), m. —s: —ster, v. —s. Kal* (afval van stroo), o. gmv. fig. Het — van het koren scheiden, d. i. liet kwaad van het goed scheiden; er is geen koren zonder —, er is geen deugd zonder gebrek; het zal als

— verstuiven, d. i. als waardelooze dingen;

— dorschen, nutteloozen arbeid verrichten. Kafla (Indisch bont katoen), o. gmv.

Kader (inboorling van het Kafferland in Z-Afrika), m. —s.

Kajak (klein Groenlandsch vaartuig voor de vischvangst), v. —ken.

Kajapnttdie (witboom-olie uit O. [.), v. gmv. Kajuit (scheepskamer), v. —en.

Kakebeen (kinnebak), o. —en.

Kakelbont (schreeuwende kleuren bijeen), bn. Kakelen (geschreeuw van hoenders), heeft i gekakeld. Fig. babbelen, snateren: Hou toch \ op met dat —!

Kaken (haringen inzouten), ik heb gekaakt. Kakkerlak (insect, 'jij bakkers welbekend), m. —ken.

Kakketoe (een soort van papegaai), v. —s. Kaks, bw. alleen gebruikelijk ili: Als —, bw, uitdr. kwanswijs.

Kalaniijnsteeii (erts van zink), m. —en. Kalaiiiink,Kalinink(lt;/^//rm6Y/t' wollenstof),o. Kalander (koornworm; ook de glans op eenige stof), v. —s.

Kalanderen, ik heb gekalanderd: —erij (glanzerij. werkplaats), v. —en.

Kalelgt;as. Kalbas (pompoen), v. —sen. Kaletaten. Zie Kallaten.

Kalender (almanak, tijdrekening), m. —s. Kales (open koets, ook kapstok), v. —sen. Zie ook: C'alêelie.

Kalf. o. kalveren en kalven.

Kalfatt'ii (het herstellen van een vaartuig). ik heb gekalfaat. Fig. Laat mij dit —, d. i. in orde brengen. Ook: Kaletaten. Kalfateren, ik heb gekalfaterd; —ing. v. Ook: kalefateren.

Kaliber (omvang), o. Een kanon van groot—. Kalief' (sultan), m. —en; kalifaat (rijk der kaliefen), o. —aten.

Kalis {schooier, bedelaar), m. —sen.

Kalk (delfstof), v. —aelitig. bn.

Kalken (met kolk besmeren), ik heb gekalkt. Kalkoen (hoenderachtige vogel), m. —en. Kalkoenenei, o. —eren.

Kalkoenseli. bn. Een —e haan, een —e hen. Kallen (babbelen), ik heb gekald; —er, rn.: -ing, v.

Kalm (rustig, stil), bn. en bw.: —te. v. Kalmink. Zie Kalamink.

Kalmpjes, bw. Zich — amuseeren.

Kalnink, m. —ken (Tartaren).

Kabniis (geneeskrachtige plant), m. gmv. Kalot (mutsje), v. —ten.

Kalveren (braken, spugen), ik heb gekalverd.

Kalverliefde (kinderachtige liefde), v. gmv. Kalvijn (appel), v. —en.

Kam {werktuig), m. —men. De — van een haan, van een viool, van een helm, van een rad. d. i. uitstekend deel: iem. in den — pikken, telkens afsnauwen; den — opsteken, zich verzetten; allen over denzelfden — scheren, allen als gelijken behandelen.

Kameel (kemel), m. —en.

Kameel (toestel om schepen te lichtjn), o. —en. Kameleon (hagedis), o. —s.


ocr page 148

K A M E L ICON - K A F ITO O L.

128

KaïiiHcon (fig. persoon, clip telkens oen andere partij aanhangt), m. —s.

Kaniclcontisrli {veranderlijk), bn. Er}i —c Kamelot {(jeweven stof), o. gmv. [politiek. KaïiiclottfMi (stof uit kemels- of geitenhaar geweven), bn.

kamen (schimmelen van hier), liet heeft kaamd.

Kamenier, v. —s, —en: —sdienst m. —en: —«werk, o.

Ka meiiieren {een dame helpen kappen en kleeden). ik heb geknmenierd.

Kamer (deel van een huis), v. —s. —n. De — van een kanon, ran het hart. een er mijn (waar het buskruit geborgen is): zijn — honden, ongesteld zijn: op —s wonen: gestoffeerde — : de — van koophandel en fabrieken: —s van rhetorica. rederijkerskamers; de eerste en tweede — der Staten-Generaal. Kameraad, m. en v. —s. -raden: —«Hiap.o. Kamerdoek (kamerijksdoek). o. gmv. Kameren (opsluiten), ik heb gekamerd. Kamerlet (I id eener rederij kers ka mer).m. —en. Kamerlins; (kamerheer), m. —en. vero. Ka mier. v. gmv.

Kamille (plant), v. —n.

Kamizool (vest. huis), o. —zolen.

Kammen, ik heb gekamd: —mor. m. Kamoe^eer. K aiinii*leer (ƒ/''/gt;# r''gt;?/'vr).o.grnv. Kamp (strijd en stuk veld), m. —en: leger-(plaats), o. —en.

Kamp (gelijk). b\v. Wij zijn kamp: ik speel

— op. zonder winst of verlies.

Kampanje (zeew. verdek aan den achtersteven), v. —s.

Kampeeren (gelegerd zijn). De troepen lagen op de heide gekampeerd.

Kampement (legerplaats). lt;•. —en.

Kampen (Strijden, vechten), ik heli gekampt. Kampeiioeliê (slingerplant), v. gmv. Kampernoelie (eetbare paddenstoel), v. —s. Kampersteur (harde eieren met mosterd), m. Kampioen (kampvechter), m. —en. KampiofMiNcliap (het overwinnaar zijn in een wedstrijd), o.

Kampons (Javaansch dor/)), v. —s. Kan (vaatwerk, liter), o. Fig. De — aanspreken: diep in de — kijken: liefhebber van de

— zijn: wie het onderste uit de — wil hebben, krijgt het lid op den mens. d. i. wie al te be-geerig is. krijgt niets; als de wijn is in den man, is de tuijsheid in de —. een beschonkene weet niet wat hij zeggen of zwijgen moet.

Kanaal {gegraven water), o. kanalen. Fig. bron:

Uit welk — hebt gij dat?

Kanalje (vrouwspersoon), v. (voor gespuis), o. Ook: Canaille.

Kanarie {zangvogel), m. —s.

Kanariegeel, bn. —gele.

Kanarievogel, m. —s.

Kanaster (varinas-tabak), m. Zie Kna.ster. Kandeel (kr aider wijn), v. gmv.

Kandelaar, m. —s. —laren.

Kandij ((gekristalliseerde suiker, klontjes), v. Kaneel, v. en o.: —kleurig, bn. Een — jasje. KanefaN (rawe katoen voor voering), o. gmv. Kangoeroe (buideldier, springhaas), m. —s. Kanis (ln-dekte vischkorf). v. —sen.

Kanker (gezwel), m. gmv.

Kankerbloem (koornbloem. klaproos).y. —en. Kankeren, het heeft gekankerd: — ing. v. Kaïmewa.Hselier (ruig werktuigje), n. —s. Kannibaal Imenscheaeter), m. —balen.

Kanon (geschat), o. — nen.

Kanonnier (artillerist), m. —s.

KanH, v. —en. Een goede—: een—wagen', er is geen — op. uitzicht; de — opgeven: de — is verkeken, d. i. verloren: de — stoat schoon, goede gelegenheid: ik zie er wel — op. Kansel (predikstoel), m. —s. Van den — aflezen, openlijk bekend maken.

Kanselarij (griffie, kantoor), v. —en. Kanselier (hoofd eener kanselarij),m. —s,—en. Kant (zijde, rand, zijvlak), m. Aan dezen —: aan den — van het water; iets o/) zijn — zetten. Van — raken, sterven; dat raakt — noch wal. is ongerijmd, heeft geen grond: een —je brood, stuk, hompje.

Kant (speldenwerk)^ v. —en.

Kant (scherpzijdig), bn. en bw. — en klaar, geheel gereed: de zeilen — zetten, gespannen. Kanteel (schietgat.getand metselwerk), m. —en. Kantelen, ik heb en ben gekanteld; —ing. v. Kantploep (wratmeloen), v. —en.

Kanten, ik heb gek ant. Fig. zich tegen iets — verzetten.

Kanterstok (helmstokvan het roer), m. —ken. Kanthoiiwen, ik heb gekanthouwd: —er. m. Kantig (hoekig, scherp), bn.: -beid, v. Kanton (afdee li tig), o. —s.

Kaïitonnement. o. —en.

Kantoor, o. kantoren.

Kantsbaak dreg), m. —haken.

Kannnnik (domheer), m. —en.

Kap (dek, hoofddeksel), v. —pen. De — van een dak. van een koepel, van een mantel: de — van een wagen, wieg, bekleedsel, overtrek: de — eens vogels, kuif; de — va.i een laars, bovenstuk; zich in de — steken, monnik worden: de — op den tuin (de haag) hangen, uit het klooster gaan: gelijke monniken, gelijke —pen, er moet geen onderscheid zijn: de Noordholl.. de Friesche —. hoofddeksel voor vrouwen: iem. de — over het hoofd trekken, iem. foppen: iem. de — vullen, in de — leiden, hem misleiden: allen zitten op zijn —. hij is de zondenbok. hij heeft voor alles te zorgen: 7 komt alles op mijn —. Kap beitel, m. —s. [rekening.

K ipblok (slagersblok), o. —ken.

Kapdoos (toiletdoos), v. —doozen.

Kapel (kleine kerk: ook vlinder), v. —len. Kapelaan (R.K. geestelijke), m. —anen, —s. K apen (rooven, stelen, zeeroof plegen ), «k heb gekaapt: —er. m.: —ing, v.; —erij. v.

Kaper (vrijbuiter; rooverschip). m. —s. Kaper (vrouwenhoofddeksel), v. —s. —tje (kinderhoedje), o. —s.

Kapitaal (hoofdsom; vermogen), o. kapitalen. Kapitaal (voornaam, uitstekend), bn. en bw. Kapitalisatie (het kapitaliseer en), v. Kapitaliseeren (rente besparen en kapitaal laten aangroeien).

Kapitalist (rentenier, rijke), m. —en Kapiteel (bovendeel eener zuil), o. —en. Kapitein (hoofdman), m. —s. Kapitein-adjndant. m. kapiteins-adjudanten. Kapitein-generaal, m. kapiteins-generaal. Kapitein-ingenieur, m. kapiteins-ingenieurs. Kapitein-kwartiermeester, m. kapiteins-kwartiermeesters en kapitein-kwartiermeesters. Kapitein-lnitenant. m. kapitein-luitenants. Kapiteinsebap. o.

Kapiteinsplaats, v. —en; —rang, m.: —nni-i'orm, v. —en.

Kapitool (hoofdburcht run het oude Rome) o.


ocr page 149

vATJESSPEL. 120

KAPITTEL—

Kapittel {hoofOstnk, afileeling), o. —sof—en. Een — uit den Bijbel: het — van een domkerk, de gezamenlijke geestelijken: in het — zitten, stem hebben; stem in het — hebben, durven of mogen meespreken.

KjipittHen (bestrallen), ik heb gekapitteld: —aar. m : — ing. v.

Kapittelstok {metalen staafje. suiLerstokje), m. —ken.

Kapoen {gesneden haan) m. —en.

Kapok (soort boomwol alsbedvalllng) v. gmv.

Kapoets (kapoetsniats. muts ran bont), v. —en.

Kapot (overjas), v. —ten.

Kapot (stuk), bn. H»'t slot is

Kajgt;peleii (s/mr worden).de melk isgekappeld: -ing, v.

Kappen (hul,ken, vellen), ik heb gekapt.

Kappen (het haar optooien), ik heb gekapt: —per. m.: —sel. o.

Kapper (een bloemgewas), v. —s.

Kappertjeskoo). v. —en.

Kaproen (hoofddeksel), v. —en.

Kapstok, m. —ken.

Kapucijn (monnik in een bruine pij met kap), m. —en.

Kapiinjneiiklooster. o. —s.

Kapiicijner (een soort van erwt), m. —s.

Kapiicijnernionnik, m. —en.

Kapiiitsnints (kapoetsmuts, blt;mte muts. grenadiersmuts), v. —en.

Kar (tweewielige tuagen), v. —ren: —re-knerlit. m.; —reman, m.

Karaak. Kraak (Spaansche koop va at 'd ij er), v. karaken en kraken.

Karaat {goudgewicht = 4grein = ~ d.G.). o. karaten of karaats.

Karabijn (ruitergeweer, buks), v. —en.

Karalnnier (ruiter met karabijn). m. —s, —en.

Karaf'. Kralquot; (waterflesch). v. —fen.

Karakter, o. —s. Een man van —. een zelfstandig man: dit is zoo zijn —. inborst.aard.

Karakteriseeren (kentne'rken: kenschetsen).

Karakteristiek (kenmerkend), bn.

Karakteristiek, v. gmv.

Karavaan (troep woestijnreizigers), v. —anen. Schertsend: Kijk, wat een —. d. w. z. wat een troep kinderen heeft die vrouw bij zich.

Karheel (steunlat), m. —s. —en.

Karbonade (vleesch), —s; —naadje, o. —s.

Karbonkel (hoogroode robijn), m —en. —s: (cis stofnaam), o. Fig. roode puist.

Karbouw (Indische bugel), m. —en.

Kardeel (scheepst. hijschtouw). o. —s.

Kardemom (zekere plant in O. I.\ v. gmv.

Kardinaal (geestelijke onder den paus van den hoogsten rang), m. —nalen: —slioed, m. —en.

Kardoes (hond), m. —oezen.

Kardoes (buskruit, ook een soort van klamp), v. —doezen.

Kareel (tichelsteen), m. —en.

Kareelsteen (tichelsteen), m. —en.

Karig (gierig, zuinig), bn. en bw.: -beid. v.: -lijk. bw.

Karkant (halssnoer), m. —en.

Karkas (ge) 'aamte, rif), v. —sen.

Karkiet (rietvogel), m. —en.

Karmeliet (monnik), m. —en.

Karmelietenklooster (het eerste op deu berg Kar mei, liSO), o. —s.

Karmijn (hoogroode verf), o. gmv.

Karinoxijn ('vn soort vati purperverf),o. gmv.

Karn (het karnvat), v. —en.

Karnemelk, v.: —sbrij. v.: —spap. v.

koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal.

Karnen (boter maken), ik heb genarnd. Karnoflelen (drukken, folen), ik heb gekar-nofleld: — ing, v.

Karolijntje. KarlijntJeCvro'^w##^/^'),o. —s.

Karonje (slechte, ondeugende vrouw), v. —s. Karos (staatsiewagen), v. —sen.

Karot (rol snuiftabak), v. —ten.

Karper (visch), m. —s.

Karpet (klein vloerkleed), o. —ten.

Karpoets (kapoetsmuts), v. —en.

Karrel (zekere visch), m. —s. —en.

Karsaai (grof gekeperd laken), o. gmv. Kartel (kerf, neep), m. — s.

Kartelen (inkepen), ik hel» en het is gekarteld: — ing. v.: —darm {kronkeldarm), m. Een geldstuk met gckarteldcn rand: de melk is gekarteld, geschift: fig. dat zal —. mis-loopen. haperen.

Kartets (schroot), v. —en.

Karton (licht bordpapier), o. gmv. Kartonneeren (in bordpapier inbinden): —ing. Kartouw (kanon), v. —en; vero. [v.

Kartuizer (monnik van St. Bruno), m. —s. Karveel (kh'in snelzeilend schip in Spanje en Portugal), v. en o. —s, —en.

Karviel (scheepst. hijschblok). o. —s. —en. Karwats (lederen zweep), v. —en.

Karwei (werktaak), v. —en.

Karwij (plantk. wilde komijn), v. gmv. Kas, v. —sen. Niet bij — zijn, geen gold hebben: de — opmaken, narekenen en zien of alles accoord is: aan de — staan. voor de geldzaken zorgen. Naar de — gaau. in de — zitten, gevangenis: tig. bij iem. in de — zijn. staan, in de gonst zijn: zij komt als uit een kasje, is zeer netjes.

Kasseien (bestraten, plareien), ik heb quot;-e-kasseid.

Kassen (inzetten van steenen), ik heb gekast. Kassie i ph. ntk. geneeskruid), v. gmv. Kassier (kashouder, ook com mission nair in elf eet en), m. — s. —en.

Kassiersboek. o. —en: —briefje, o. —s; — kantoor, o. —kantoren: —knee'lit. m. —s: —rekening, v. —en.

Kassig (gescheurd, nl. van nieuw papier), bn. Kast (meubel, gevangenis, groot, ook: vervallen gebouw; in studententaal: woning, kanvr). v. —en. Zie Kas.

Kastanje (boom), m.; (vrucht), v. —s. Kastanjeboom, m. —en.

Kaste (familiestam bij de Indiërs), v. —en. Kasteel (slot, heerenhuis), o. —en. —01 in de lucht bouwen, hersenschimmen najagen. Kastelein (oudt. slotvoogd, nu herbergier), m. —s: —es. v. —sen.

Kastelen ij (ivoning). v. —en.

Kastiespel (balspel), o. —en.

Kastijden (tuchtigen), ik heb gekastijd: —er, m.: —ing. v. •

Kastoor (stof), o.: (hoed), m. —oren.

Kastrol (groote braadpan), v. —Ion. Kat (huisdier), v. —ten.

Kataas (deugniet), o. —azen.

Katafalk (lijkstoet, rouwtoestel), v. —eti. Kater (mannetjeskat), m. —s.

Katern (6' blaadjes postpapier), v.eno. —en. Katlialzen (afsloven), ik heb gekathalsd. Katheder (leerstoel), m. —s.

Kathedraal (hoofdkerk), v. —dralen. Katholiek. Catboliek. m. —en.

Katijvig (ellendig), bn.: —beid. v. Katjesspel (ruzie), o. Het zal — worden.


ocr page 150

K ATO EN - K ETEN EN.

Katoen (a/s.sïo/7), o.: (als handelsivaar), v. —en. Katrol (werktuig, schijf inet rollen), v. —len. Katten (gekochte goederen bij de aflevering afkeuren en weigeren), ik heb en het is .^ekat.

Kattciidoorn. KatteiMloren {heester), m. —s. K-ittcris; (misselijk), bn.; —lieid, v.

Kattig (valsch), bn.

Kauw {bonte kraai), v. —en.

Kauwen {vermalen met de tanden), ik heb gekauwd: —ing;, v.: —«el, o,

Kauwoerde (gewas, pompoen), v. —n. Kavalje (afgeleefd paard), v. en o. —s.

Kavelquot; (lot, deel), m. —s of —en.

Kavelen (deelen). ik heb gekaveld: —ing, v. Kaviaar (gezouten kuit ran den steur), v. gmv. Kazak {oeerrok, reisrok), v. —ken.

Kazemat {bomvrij gewelf), v. —ten.

Kazen (dik worden run melk. kaas maken) ik heb en de melk is gekaasd: —zer (die kaas maakt), in. en v.

Kazerne (soldaten hu is), v. —n.

Kazerneeren (in kazernen legeren), —ina;. v. KazuariH (een soort ran struis), m. —sen. Kazuifel {ILK. misgewaad), v. —s, —en.

Keel (lange strook eener plank), v. kelen. Keel {lichaamsdeel), v. kelen.

Keel (wapenk. rood), o. Een leeuw van Keen (kloof, spleet), v. kenen.

Keep {uitsnijding, kerf), v. kepen.

Keer {wending, verandering-, maal), m. —en. Keerdicht (dicht met telkens terugkeerenden slotregel), o. —en.

Keeren (draaien), ik heb en ben gekeerd. Keerkring (denkbeeldige cirkel), m. —en: —slljn, v. —en: —«plant, v. —en: —szon. v. Keerpunt, o. —en.

Keerweer (blinde straat, slop), m. —en. Keerzijde (ommezijde), v. —en. Fig. onaangename zijde. De — drr medaille. kee» {hond), m. keezen. fmv.

Keewjesbladeren (kaasjeskruid, maluwe), o. Kee^t (kern, pit. merg), m. Fig. het fijnste. Keet (loods), v. keten.

Ked'en (bla/l'en. tig. babbelen), ik heb gekeft: —Ier, m.: — lertje. o.

Keg. Kegge (wig), v. —gen.

Kegel, m. —s en —en.

Kegelen (/^'i kegelspel spelen), ik heb gekegeld: —aar, m.

Kegellwian, v. —banen; —bal, m.; —ballen: — pla;itM, v. —en.

Kegelvormig, bn. Een —e berg. —e bloesem. Kei {straatsteen), m. —en.

Keil {keg), m. —en.

Keilen (over het water scheren), ik heb gekeild. Keizer, m. —s: —in, v. —nen: —rijk. o.: ;

—shol*, o.: —nkrooii, v. —skronen. Geef den i —. wat des —s is, geef elk het zijne.

Keker (erwt), v. —s.

Keklt; •ren {hakkelen, stotteren, stamelen), ik ; heb gekekerd.

Kelder, ni. —s.

Kelderen (in den kelder bergen), ik heb gekelderd. Gekelderde wijn.

Kelen (slachten), ik heb het varken gekeeld: —er. m.: —ing. v.

Kelk (bel, :er), m. —en.

Kemel {kameel), m. —s.

Kemelfsliaar. o.: —haren, bn.

Kempliaan (een soort van vogel, fig. vechtersbaas), m. —hanen.

Kenbaar, bn.: — lieid, v. gmv.

Kenen (klooven), mijn vinger is gekeend. Kenlijk, KenueVijk (blijkbaar), bn.; —heid, v. Kenmerk (kenteèken), o. —en.

Kenmerk(gt;n, ik heb gekenmerkt.

Kenmerken (zieli), hij heeft zich gekenmerkt.

Kennen (weten), ik heb gekend: —ner, m. Kennep. m. Zie Hennep.

KenniH (wetenschap), v. gmv.

Kennis (bekende), m. en v. —sen. KeiiMehetsen, ik heb gekenschetst. Kenspreuk {zinspreuk, leus), v. —en. Kenteeken. o. —s, —en.

Kenteekenen (kenmerken), ik heb geken-teekend.

Kenteren (kantelen), ik heb en het is gekenterd: —Ing. v.

Keper (opgewerkte draad), v. —s.

Keperen (met een keper weven), ik heb gekeperd. Gekeperd laken.

Kepi (soort van schako), v. —quot;s.

Kerel. m. —s.

Kerf (keep, insnijding), v. —ven: —bijl, v. —bijlen: —men. o. —messen.

Kerfstok (houtje om op aan te teekenen), m. —ken. Brood op den — halen, d. i. op krediet; den — afdoen, betalen. Fig. veel op zijn — hebben, veel schuld hebben, veel misdreven hebben; de — is vol, de maat is vol; ik wil dat niet op mijn —, voor mijn verantwoording: hij doet dat op zijn eigen houtje, volgens eigen inzien.

Kerk (bedehuis), v. —en.

Kerken (ter kerk gaan), ik heb gekerkt, gmz. Kerker (gevangenis), m. —s.

Kerkeren {gevangen zetten), ik heb gekerkerd: —ing, v.

Kerkseh, bn.; —lieid, v.

KerkHeligezind, bn.: —beid. v.

Kermen (kreunen), ik heb gekermd: —er, m.: —ing. v.

Kernii.H (jaarmarkt), v. —sen: —gaan, o.; —ganger, m. —s.

Kern (pit), v. —en. Doordringen tot de —. Kernaebtig (pittig), bn.: —heid, v.

Kers (vracht), v. —en.

Kerw (kruid, bitter kers), v. gmv. KerMeboom,m. —en: —enboiit, o.: —engaard, m. —en.

KerHenmand, v. —en: —taart. v. —en; —tijd. m.

Kersouw (madeliefje), v. —en.

Kerspel (Kerkdorp, parochie, diocees), o. —en. —s.

Kerstavond, m. —en: —dag. m. —en: — feest. o. —en: -lied, o. —eren: —mis, v. —sen: —naebt, m. —en: —tijd. m.: — va-eantie, v. —ties. —tiën: —week.v. —weken. Klt; •rsverseli (geheel versch), bn. en bw. Kervel (plant), v. gmv.

Kerven {insnijden), ik korf. heb en ben gekorven: — ing. v.

Kesp (oplegstuk), v. —en.

Ketel (vaatwerk), m. —s. De pot verwijt den —. dat hij zwart ziet, de eene schelm verwijt een ander zijn kwaad.

Ketel boeter (ketellapper), m. —s.

Ketelen. Kittelen, ik heb geketeld. gekitteld. Ketelig. Kittelig (l.itteloorig), bn.

Keten (ketting), v. —en, —s.

Keten (zout raffineeren), ikkeette. hebgekeet. Ketenen (in ketenen slaan), ik heb geketend; — ing. v.


ocr page 151

KETSEN-KIOSK.

131

Ketsen (niet afgaan), het geweer heeft geketst; —ing;. v.: —tuig. o.

Ketter (afvallige), m. —s.

Ketterij (ontrouw aan den U.K. godsdienst). y. —en.

Ketterweli. bn. —e leeringen.

Kettinu:. m. —en.

Ken (biljarts tok), v. —en, —s.

Keuken, v. —s.

Kenle (boonenkruid), v. gmv.

Keuleiifiar (pei%soon, ook: vaartuig), m. —s. Keur, v. —en; — van bloemen, spijzen, enz.. d.i. overvloed: de — der natie, het beste deel: te kust en te zooveel men maar wil.

Keur (handvest, privilegie), v. —en.

Keuren, ik heb gekeurd; —Her, m.; —ins, v. Keurig; (lijn. schoon ), bn.: —lieid, v.

Keurlijk (op keurige wijze), bn.: —heul, v. Keurling {.uitgekozene), m. en v. —en: ook: —e, v.

Keiinnede (het beste stuk van den lijfeigene). y. —li. vero.

Keurs (corset), v. —zen; —lijf. o. —lijven: —lijfniaker, m. — s.

Keurteeken (merk, .stempel), o. —s. Keurteekenen, ik heb gekeurteekend. Keurvorst (rijksvorst, gerechtigdom den keizer te kiezen), m. —en; —elijk, bn. en bw.: —en-(loni, o. —men; —in. v. —nen: vero.

Keus. v. Zie Keii'/.t'.

Keutel {drek), v. —s.

Keutelaelitie (kleingeestig), bn.: —heid. v. Keutelen (talmen). ik heb gekeuteld: —aar, m. KentHiu (kleingeestig), bn. en bw.: —lieid, v. Keuvel (hoofddeksel), v. —s.

Keuvelen ik heb gekeuveld: —aar.

m.: —arij, v.: —ins. v-Keuze. Keus. v. keuzen.

Kcu/.elen (kouten, keuvelen), ik heb gekeu-zeld: —aar, m.: —ins. v.

Kevel (tandvleesch). m. —s.

Ke\er (tor), in. —s.'

Ke\ ie (kooi), v. — s.

Klian (Tartaarsch vorst), m. —s.

Kilgt;. Kiblx' (hrt achterste van een fuiknet). ■ v. —ben.

Kibbelen (twisten, krakeelen), ik heb gekibbeld: —aar. m.: —arij. v.

Kibbrlis (twistziek), bn.: —beid. v.

Kibbelins (afval van zoutevisch), v. gmv. Ki1»bel/.mlit. v. gmv.

Kid. Kidde (hitje), v. —den. Ook: leed. kedde. Kieken. Kuiken, o. —s.

Kiel {linnen overkleed), m. —en.

Kiel (grondbalk van ven schip), v. —en. Kieb'ii (verbeteren aan reu schip), ik heb gekield: —ins. v. Ook: kiellialen.

Kielbalcn (zware scheepsstraf), ik heb gekielhaald.

Kmmii. v. —en.

Kiemen (ontspruiten) het heeft gekiemd:

— ins. v.

Kienen (het kienspel spelen), ik heb gekiend. Kienspel {doos met steencn). o. —spellen.

Kier (reet, nauwe opening), m. —en.

K iereboe (bankwagen, een zeker licht wagentje), v. — s.

Kies {maaltand), v. —zen.

Kieseb (net, keurig, smaakvol), bn. en bw.:

— beid. v.

Kieskenris. bn.: —beid, v.

Kieseollese. o. —s.

Kieskauw (persoon), m. en v. —en.

Kieskauwen (zonder graagte eten), ik heb gekieskauwd; —er, m.

Kiesieebt, o.: —stelsel, o. — s: — vereeni-sins, v. —en: — versaderins. v. —en; 77wet, v. —ten.

Kieuw (ademhalingswerktuig der visschen). v. —en.

Kievit (moerasvogel),m. —en: —sei,o. —eren: --suest, o. —en.

Kje/.el (grof zand), o. gmv.

Kiezen, ik koos, heb gekozen: —er, in.: 77111?. v.

Kif (gebruikte run), o. gmv.

Kijl. v. JJuiten —. d.i. zonder tegenspraak. Kijfaebtis (twistziek), bn.: —beid, v.

K ij 11 nst, m.

Kijk. m.; —das, m. —en: —sat, o. —en: —glas. 0. glazen.

Kijken (zien, staren), ik keek, heb gekeken; -er. m.

Kijk-in-de-p't (persoon, die in de keuken alles afneust), m. en v. —ten.

Kijkkast, v. —en: —spel. o. —len: —toren, m. —s. —venster. 0. —s.

Kijvase (kijverij), v. smv.

Kijven (krakeelen, twisten), ik keef, heb gekeven: —er. m.: —erij. v.: kijfster. v. Kik (llauw getuid), m. Hij gaf geen —. Kikken, ik heb gekikt: —lier, in. dij moogt er niet run —, niets van zeggen.

Kikker (kikvorsch), m. —s.

Kikvorseb. in. —en.

Kikvorsebebil, v. —len.

Kil (waterdiepte tusschen twee hoogten), v. Kil (koude), bn.: —beid. v.

Killen (dooden), ik heb gekild: —lins. v. Killig (koud, huiverig), bn.: —beid. v.

Kilo, Kilosrani (Nederlandsch pond), o. —quot;s. —men.

Kiloliter (10 Ned. vaten. 10 Ned. mudden), m. —s.

Kilometer (mijl = 1000 Ned. ellen), m. —s. Kim (bank. rand), v. —men. De zon duikt onder de —. horizon: de zon verrijst aan de —. Kin. v. —nen.

Kina (geneesmiddel tegen de koorts), v. gmv. Kind. o. —eren. —ers. —ertjes.

Kindeken. Kindeke, o. —s.

Kinderaebtis (llauw. laf), bn. —beid, v. Kindei lijk {oprecht, openhartig, eenvoudig), bn.: —beid. v. Een — gebed, een — antwoord. Kinderloos (zonder kinderen), bn.: —beid.v. Kinderplaas (persoon), m. en v. —plagen. Kinder|Hgt;kken. v. mv.

Kinderziekte (de pokken), v. gmv. Kindsbeen, bw. Van — uf. d.i. sedert de prille Kindsi'b (onnoozel), bn. (jeugd.

Kisulscbbeid (sufheid van den ouderdom).y. Kindsheid (eerste jeugd), v. gmv.

Kindskind. lt;gt;. —eren.

Kinine (kina), v. gmv.

Kink (draai, wrong), v. —en. Er is een — in den kabel, er is een beletsel.

Kinkel (boer), m. —s.

Kinken (hard op iets slaan), ik heb gekinkt. Kinkhoest (ondt. kiekhoest, kikhoest, d. i. stikhoest). m. trnv.

Kinkhoorn, Kinkboren, m. —s.

Kinnebak (wang), v. —ken.

Kinnebakken. —s.

Kinnetje (vaatje eau .39 Liter), o. —s.

Kiosk (open getimmerde tent. luch.tig houten huisje op de publieke straat, waar dagbladen


ocr page 152

KIP—KLEINKIND.

132

enz. ook bloemen of sigaren worden ver- 1 Kocht), v. —en.

Kip (hand. kni/i, enz.), v. —/ten. Een — stok- \ visch. cl. i. een hoeveelheid, met een hoepeltje I omsloten.

Kip {vogel), v. —pen.

Kippehorst {kortademige horst), v. —en. Kippen (snijden, lig. vangen, kapen), ik heb gekipt, v.: -wel, o.

Kippig [bijziend), bn.: —Im'mI. v.

Kirren (als dniren), de duif heeft gekird: —rins. v.

KiHMen (aanhitsen, tergen), ik heb den hond KiHf. v. —en. (gekist. I

Kisten (in de doodkist leggen), ik heb gekist; —er. m.: —inj;. v.

Kif (kruik), v. —ten. Fig. kroeg, bordeel.

Kits (zeker Engelseh vaartaig), v. —en. Kitsen (spuwen), ik heb gekitst: —er. m.: —int;, v.

Kittelaelitig (lichtgeraakt), bn.

Kittelen (lig. streelen). ik heb gekitteld. Ook: Kittelig, bn.: —lieid, v. [Ketelen.

Kitteloorig (lichtgeraakt), bn. —heul. v. Kitteltongig (tot tegenspraak geneigd), bn. Kittig ( puntig), bn.: —heid. v. — op iets zijn, vurig naar iets zijn.

Klaar {helder, dun. fig. duidelijk), bn. enbw.: — Iieid, v.

Klaarblijkelijk, bn.: —lieilt;l. v.

Klaarkomen, ik kwam —, ben —gekomen Klaarkrijgen. ik kreeg —. heb —gekregen. Klaarleggen (gereedleggen), ik heb —gelegd (-geleid).

Klaarlicht, bn. 't Is — dag, op —en dag. Klaarliggen, het lag —. heeft —gelegen. Klaarmaken, ik heb mijn brieven —gemaakt. Klaarspelen, ik heb —gespeeld. Hij zal hel ivel —. tot een goed einde brengen. Klaarstaan, ik stond —, heb —gestaan. Klaarzetten, ik heb het ontbijt —gezet. Klaelit (beklag, aanklacht), v. —en.

Klaelitig. bn. — vallen over, herhaald klagen over.

Klad (vlek), v. -den.

Klad (ruw opstel of schets), o. Een — maken. Kladboek (ligger of memoriaal), o. —en. Kladdeboter (vervalschte boter), v. gmv. Kladden (knoeien, morsen, slecht schrijven). ik heb geklad: —der. m.;

-derij, y.

Kladdeng (slordig), bn.: —beid. v. Kladpapier, o. —en.

Kladseliilder (knoeier), m. —s. Kladseliilderen (slecht schilderen), ik heb gekladschilderd.

klagen, ik heb geklaagd: —er. m.

Klak (hoed, pet), v. —ken.

Klakkeloos (zonder reilen), bn. en bw. Klakken (bemorsen, vlei,ken), ik heb geklakt. K\i\ni(eenigszinsvochtig),hn.en bw.: —beid. v. Klamaaien (zeew. de noden van een schip dichtslaan), ik heb geklamaaid.

Klamp (bindlat), m. —en.

Klampen, ik heb geklampt. lem. aanboord—, hem dringend iets vragen.

Klandizie, v. gmv.

Klank (geluid, toon), m. —en.

Klant (kooper),m. —en. Een rare zonderling. Klap (slag), m. —pen.

Klap (gepraat), m. gmv. IJdele —.

Klappei (snapster), v. —en.

Klappeien (babbelen), ik heb geklappeid. Klappen (snateren, pralen), ik heb geklapt.

Klapper (prater), m. —s.

Klapper (naamlijst in alphab. orde), m. —s. Klapperboom (kokospalm), m. —en. Klapperen, de tanden hebben geklapperd: —ing. v.

Klapperman, —lieden, —lui: —molen. m. —s.

Klappernoot (boom), m,: (vrucht), v. —noten. Klapperolie (papaverolie), v. gmv Klappertanden, ik heb geklappertand. Klaproos, v. —rozen.

Klapspaan (klikspaan), m. en v. —spanen. Klapspaan (molenklapper), y. —spanen. Klaptafel, v. —s.

Klaptonw (zweepriem), o. —en.

Klapwieken (met de vleugels klappen), de vogel heeft geklapwiekt.

Klaren (zuiveren): —ing. v. Ik zal het wel —. in orde brengen.

Klarigheid (uitrusting), v. gmv.

li\i\rUwt (hou tenblaasi nstru ment),\. —ten.—s.

Klarinettist (klarinetspeler), m. —en.

Klaroen (trompet), v. —en.

Klasse, v. —n en —s. ook: klas, v. —sen.

Klater (ratel), v. —s.

Klateren (rollend klinken), de donder heeft geklaterd: —end, bn.; —ing. v.

Klatergoud (bladgoud), o. gmv.

Klauteren, ik heb geklauterd: —aar. m.:

Klauw (uiteinde der pootoi bij roofdieren). m. —en.

Klauwen (krabben, openrijten), ik heb geklauwd; —er. m.; —ing. v.

Klanwivr (schroefvormig stengeldeel bij klimplanten), m. —en.

klavaatsliamer m. —s.

Klaveeimbaal, klaveeimbel (klavier, ouder-wetsche piano), v. —balen. —bels.

Klaver (plant. gras), v. gmv.

Klaveren (op kaarten), v. mv.

Kla veren (klauteren), ik heb geklaverd. Klavier (snort van piano: ook rij van toetsen), o. —en.

Kleed (kleedingstuk), o. —eren, kleeren. Kleed (dekkleed), o. —en. |kleertjes.

Klceden, ik heb gekleed: —ij, v.: —ing. v.: — ingstnk, o.

Kleederdraebt, v. —en.

Kleedermaker, kleermaker, kleerenmaker. Kleetgaren (jaagnet), o. —s. (m. —s.

Klret'krnid (walstroo), o. gmv.

Kleer, in samenstellingen als: —bak. m. —ken; —borstel,m.—s; —inaker,m.—s; -makers-Jongen. m. —s.

Kleerselienren. v. mv. Ergens zonder — afkomen. zonder schade of nadeel.

Klei (vette aarde), v. gmv.

Klein, bn. en bw. Ook: kleen.

Kleinaebten (geringschatten), ik heb geklein-acht: —ing. v.

Kleindochter, v. —s.

Kleindiiimpje (ventje uit het verhaal van Moeder de gans), o.

Kleine (jongetje, meisje), m. en v. —n. Kleineeren (iemands achting of gezag verkleinen): —der. m.: —ing, v.

Kleingeestig {hechtend alt;ni nietigheden), bn.: Kleingeloovig. bn.: —heid. v. | —heid. v.

Kleinhandel, m. gmv.

Kleinhartig (laf), bn.: —heid. v.

Kleinheid, v.

Kleinigheid (beuzeling, nietigheid), v. —heden, i Kleinkind, o. —eren.


ocr page 153

K L1-: IN- KIN DERSC H OOLT J E—KLO PZEK.

Klciii-kiiMlrr.sclMMiitje. o. —s.

Kleiiiiiioedig (/a/'7 zom/er moed), bn.; —heiil, v. Kleinood {kostbaar uooriverp), o. —en, —iën. Kleine (quot; ijfi doek. teems), x.—zen. Ook: Kien». KleiiiM-liritt, o.

Kleinte {.klein van gestalte, omvany). v. gmv. Kleintje (kind), o. s. Fi^r. Veel —s maken een yroote; men moet op de —s / assen; hij is met neen — terreden.

kleinxeeri^. bn.: —lieid, v.

Kleinzen {laten doorzijnen ), ik heb gekleinsd: —er. m.; —iiijü;. v. Ook: Klenzen.

Klein/.olt;»n. m. —s, —zonen.

Klein (voetbeugel, voetangel), v. —men.

Klein {nadrak, accent), v.

Kleinnien, ik heb geklemd; —ininu;, v.: i Kiens. Zie Kiein.s. [—toon. m. i

Klenzen. Zie Kleinzen.

Klep (opslag, belegstuk), v. —pen.

Klepel ihamer in de klok), m. —s. Hij heeft de klok hooren luien en weet niet, waar de — hangt, hij weet het fijne van de zaak niet. . Kleppel {klapspaan aan een molen), m. —s. Kleppen, ik heb geklept: —per (paard: ook ren klepperman), m.; —peren (aanhoudend klappen); — pennan (klapperman), m. Klepperen, ik heb geklepperd; —aar. m.: —iiiit. v.

Klerk (kantoorbediende, schrijver), m. —en: —seliap. o.

KlesMen. Zie Kletsen.

Klets (klits), v. —en. Ook als t\v. klets! Kletsen {met de zweep slaan, beuzelpraat houden), ik heb gekletst: —er, m.

Kletskop {zeerhoofd), m. en v. —pen. Kletskous {snapster), v. —en.; —majoor. — meier. m. —s. (Gemeenz. voor babbelaar). Kletsnat. Klesnat (doornat), bn.

Kletteren, de regen heeft gekletterd.

Kleninen (krimpen ran kou), ik heb gekleumd: —er. m.: —sell, bn.

Kleunen (kloppen), ik heb gekleund.

Kleur {verf, tint), v. —et».

Kleuren, ik heb gekleurd: —der, m.: —sel.o. Klenrig (frisch. gezond, rol kleur), bn. Klenrlint; {afstammeling van neger of negerin), m. en v. —en: v. ook —linu;e. Kleurstof, v. —len.

Kleuter (klein aardig meisje), v. —s.

Kleven {plakken), ik heb gekleefd: —ing. v. Kkveris (plakkerig), bn.; —heid. v.

Kleviu; (vochtig), bn.

Klihher (taaie gom), o. gmv.

Kliek (bent. club), v. —en. Degansche —,hof—. Klieken (spuwen), ik heb gekliekt; —er, m. ivliekenniaal (maal ran orergeschoten spijzen), o. —malen.

Kliekjesdau:. o. —en.

Klier, v. —en.

Kljeraelitig (rol klieren), bn.: —heid. v. Klieven (splijten), ik heb gekliefd.

KMt' (afloop eener steilte), u. —fen.

Klijr (plantk. klimop), o. gmv.

Klik {onderstuk eener kolf). m. —ken. W\\ViVi.v\\ (aanbrengen), ik heb geklikt: —er, m. Klikklakken (weerl,linken), het staal heeft geklikklakt.

Klikspaan {knaap of meisje, die klikt), m. en v. —spanen.

Klikspillen (lanterfanten), ik hebgeklikspikl. Klim (het klimmen), m. Een heele —.

Klim (klimop), o. gmv.

Klimaat {luchtgesteldheid), o. —aten.

Kliiiinieii (opklauteren), ik klom, llt;eb en ben geklommen: —er, m.; —ina;. v. Kliniiiierhlad, Klenunerhlad (klimopblad),o. —bladen.

Klimnierkrnid. Kleniinerkrnid. o. gmv. Kliinop (voor//^ loof), o.: {voor den boom), ni. Kliim' (Ifunnet, blank van de sabel), v. —en. Kiiiilt;gt;;elbiiil (annzakje), m. —en.

KliiiKeii {duinen), v. mv.

Klink (ktup. oorveeg), m. —en.

Klink (van een deur;ooV. aan een kous),\. —en. Kiiiik(li«-lit (sonnet, dichtstukje), o. —en. Klinken {klank geren), het klonk, heeft geklonken: —er. m.

Klinket {raldeurtje), o. —ten.

Klinkklaar (zeer klaar), bn. —are onzin. Klinkklank (woorden fgt;f verzen zonder zin), m. Klip (harde rots in of aan zee), v. —pen. Klipper (s.nal zeeschip), m. —s. Klippertanden (met de landen klappen), ik heb geklippertand.

Klis (verwarde knoop), v. —sen.

klisklas (smalle kunt), o. gmv.

Kliskriiid. klissekrnid ( plant), o. gmv. Klissen dn de war ziften), het is geklist. Klisteer (lavement), v. —en.

Klisteerlt;'n (een lavement zetten), —spnit. v. Klit {kladdeworteh, v. —ten. Ook: Klis. Klits {wijfjeshond), v. —en.

ivlodder (borreltje), v. —s: — tje.

kloek (flink, moedig), bn. en b\v.; —heid, v. Kloekhartig (moedig), bn. en bw.: —lieid, v. Ivlocknioedig {dupper), bn. en bw.: —heid. v. Kloekxiiiniy; (sc/tmm/c/'). bn. en bw.: —heid. v. Kloen (kt uwen), o. —en.

Kloet (kaIkstok, vaarboom), m. —en.

Kloeten (scheepst. voortduwen), ik heb het schip gekloet: —er. m.

Klok (kinkhen: ook een bloempje), v. —ken. Klok {zeker geleid), m. —ken.

Klok (metulen bel), v. —ken.

Kloker ( pijpen wroeter), m. —s.

Klokhen (kip), v. —nen.

Klokkc^alt; (toestel waarin dr klok hangt),\. Klokken {een klokkend geluid maken), ik heb geklokt.

Klokkenist (bespeler der klokken), m. —en. Klokkenspel, o. —spellen.

Klokkenspeler, m. —s.

Klokkerecp, klokreep (touw), m. —en. Klomp (halsblok), m. —en.

Klomp (stuk, klont. brok), m. —en.

Kloinpiu; (klonterig), bn.

Klonu;el (straatloopster), v. Zie Kliinlt;gt;;el. Klon^eleii (beuzelen). Zie Klnngelen.

Klont (aardkluit), v. —en.

Klonter (gestold vocht), m. —s.

Klonteren (stremmen, verdikken), het is geklonterd. De melk gaat —.

Klooi', klove (gaping, spleet), v. kloven. Klooster, o. — s.

Kloosteiiim;. m. en v. —en: v. ook —e.

Kloot (aardbol, kogel. bal), m. —en; —seh, bn.; —vorniiöf, bn.

Klooven (doen splijten), ik heb en het hout is gekloofd; —er. m.: —ina;. v.

Klop {klap, slag), m. —pen. — geven, krijgen d. i. slaag.

Klopjaeht (groote drijfjacht), v. —en. Kloppen {slaan, ranselen), ik heb geklopt: —er. rn.; —ins, v.

Klopselieen (likhout', v. —schenen.

Klopzee {golving tegen het schip), v. —ën.


ocr page 154

KLOS—KNIKKEREN.

13'i

KIom. m. —sen. Een — garen.

KloMhaaii {Lolfbaun). v. —banen.

KloHbeitel (schepper om tien bal te slaan), tn. —s.

KloNMfii (opwinden, in de Iclosbaan spelen), ik hel) geklost. Kant, koord —. op de klos winden: met de klompen —.

KlofsiMi {botsen, bonzen, het slaan der yolven), het heeft geklotst: — iiig. v.

Klove, v. n. Zie Klooi'.

Klovenier. kolvenier (kolfdrafjer^ schatter). m. —s.

K?ov«»iiipr.slgt;iirs;\val {straat in .\msterdam), m.

K lov(gt;iiirrsflolt;gt;l«Mi (rereen'aji nijsplaats der schatters), m. —s.

Kluclif (boert), v. —en.

KluHit (mast), v. —en.

Kliichti^; (grappig), lm. en b\v.; —lieid, v.

Kluft (ivijk), v. —en.

Kluif kluiven), m. Er is eenheele — aan, een heel werk.

Kluif (klaaw), v. —ven. Üe arend had het daifje in zijn kluiven, klauwen.

Kluillok (zeew. zril). v. —ken.

Kluifje (kluifbeentje), o. —s.

Kluis (enge woning), v. —zen.

KhiiNter {boei), v. —s. lem. in de —s slaan, iem. de —.s aanleggen.

Kluisteren ik heb gekluisterd; — iug,v.

Kluit (strandvogel), m. —en.

Kluit {brok aarde), v. —en. Hij is uit de—en gewassen, groot geworden.

Kluiteiihreker {werktuig, rotblok), m. —s.

Kluiten (afknagen), ik kloof, heb gekloven; ook: ik kluifde, hebgekluifd. —er, m.: —iug. v.

Kluizen (afgezonderd leven), ik heb gekluisd.

Kluizenaar {heremiet), m. —s, —aren.

Klungel (straatloopster, ook nietswaardig voorwerp), v. —s. Ook: Klongel.

Klungelen (verspillen, verbeuzelen), ik heb geklungeld. Ook: Klon^eleii.

Kluppel (knuppel, k nep pel, dikke stok), tn. —en, —s.

Kluppelen (afranselen, doodslaan), ik heb gekluppeld. De kat —. een verouderd boerenspel: —aar. m.

Kluts (slag), v. De — kwijt zijn. het spoor bijster zijn: den slag of draad kwijt zijn.

Klutsei (geklopt ei), o. —eren.

Klutsen {slaan, kloppen), ik heb geklutst.

Kluwen (bol garen), o. — s.

Kluwenen (opwinden), ik heb gekluwend.

Knaap (jongen, knecht), m. knapen.

Knaap (een soort kapstok), m. knapen.

Knabbelen (knagen), ik heb geknabbeld; —aar, m.: —iiiR, v.

Knagen, ik heb geknaagd; —er, m.; —ins;, v.

Knak (breuk, scheur), m. —ken.

Knak (verstoord, boos), bn. Hij was —.

Knak. t w.

Knakken, ik ben en heb geknakt. Zijn gezondheid is geknakt, ondermijnd; die bloemstengel is geknakt, gebroken.

Knal (geluid), m. —len.

Knallen (ontploffen), het heeft geknald.

Knap (stag, geluid), m. —pen.

Knap {welgevormd, ook vlug), bn. en bw.; —heul, v.: —je», bw.; — pi^heid. v.

Knapkcrs (een soort van late kers), v. —en.

Knapkoek (hardgebakken koek), m. —en.

Knappen (bersten, kraken), ik hel» en het is geknapt.

Knapperen (Woe/i knappen), ik heb geknapperd.

Knapzak (tasch voor eten, bedelzak), m. —ken.

Knar (geluid), m. —ren.

Knarsen (knersen), ik heb geknarst. Met de tanden —. een oud slot laten —; —er. m.: —ins, v-

Kuarsetaiulen (knersetanden), ik heb geknarsetand: —iiiK, v. Soms: tandenknarsen.

Kuaster (rieten kist), m. —s.

Knaster (varinastabak in bladen), v. gmv.

Kii.-iiiw (grauw, snauw), m. —en.

Kiiauwen (met de tanden bewerken), ik heb geknauwd: —er. m.; —ins;, v.; —sel, o.

Kueelit. m. —s of —en. Zoo heer, zoo — ! aan den bediende kent men den meester: een stomme —, een aanrechttafeltje.

Kneden, ik heb gekneed: —er, m.; —ing;. v.

Kneep, v. knepen.

Kuekelliuis (beenderhuis op een kerkhof), o. —huizen.

Knel (klemming), v. —len. Hij zit in de —, verlegenheid.

Knellen, ik heb gekneld. Waar knelt hem de sehoen:' waar zit de oorzaak van zijn knelling ? een —djuk. drukkend juk: een—de belasting.

Kneppel. kneppelen. Zie Knuppel. knu|)-

Kiiersen. Zie Knarsen. (pelen.

Knetteren (knitteren), het vuur heeft geknet-

Kuru (zangvogel), y.—en. [terd; — ing. v.

Kneukel, m. —s. Ook: Knokkel.

Kneuter (een kneu), v. —s.

Kneuteren (stamelen, mompelen), ik heb .üe-kneuterd; —aar, m.

Kneuteriu: (verdrietig), bn. Ook: aangenaam, prettig: Wij zaten — bij elkaar.

Kiieiizen (kwetsen, blutsen), ik heb en btn gekneusd: —int?, v.

Knevel, m. —s.

Knevel (handboei), m. —s.

Knevelen (in boeien slaan), ik heb gekneveld: —aar, m.; —arij (afpersing), v.: —ing. v.

Knibbelen (krakeelen), ik heb geknibbeld: —aar. m.

Knie. v. —ën. Iets onder de — hebben, goed kennen.

Ku ielen (de knie buigen), ik heb en ben geknield: —ing, v.: —eml. bn.: —er, m.

Kuier (houten scharnier), v. —en.

Kniesoor (gemelijk mensch), m. en v. —en.

Kniezen (treuren), ik hel» gekniesd; —er. m.: —erij, v.

Kniezerig (klagend, missend alle vroo lij ikheid), bn.; —beid, v.

Kniezig (gemelijk, klagend), bn.

Knijf (mes, ponjaard), o. —ven.

Kni p (engte), v. In de — zitten, erg ver-

Kni p (bierhuis), v. —en. (legen zijn.

Knijpbril (lorgnet), m. —len.

Kni pen, ik kneep, heb geknepen; —er, m.:

Kui ptang, v. —en. |—ing. v.

Kni zen. Zie Kniezen.

Knik (teeken van instemming), m. —ker;.

Knikkebeenen (met kuil,kende beenen loo-lgt;en), ik heb geknikkebeend; —beener of

— beender. m.

Knikkebollen (met het hoofd knikken van slaap), ik heb geknikkebold: —boller of

— bolder, m.

Knikken, ik ben en heb geknikt: —er. m.:

— ing. v.

Knikker (steenen balletje), m. —s: —spel. o.: -tijd, m.

Knikkeren (met knikkers spelen), ik heb geknikkerd.


ocr page 155

KNIKSTAG—KOKEHMUILEN.

135

KnikHtas (scheepst. touw), o. —ei».

Knip (lichte slay), m. —pen. Een — roor | den neus.

Knip iwerlctniy), v. —pen.

Knipoog (persoon), m. en v. —en.

KnipooKt'ii (met de oogen knippen), ik heb geknipoogd.

Knipoogje, o. —s. lem. een — geven, een , heimelijk teeken.

Knippen, ik heb geknipt: —per. m.. —Hel. o. 1 Knitteren. Zie Knetteren.

Knol»lgt;el (dikte, verhardinfi), m. —s.

Knod. knodde [knoop, knobbel), v. —den:

—destnk. in.

Knoeien {slordig bewerken: om koop en), ik heb geknoeid: —er. m.: —erij. v.: —werk,o. Knoeit (hardigheid in hout), m. —en.

Knoet (zweep), rn. —en.

KuoiVeU'n(drukken, knijpen). Ook: Kniid'elen. Knoflook (een ui of ludplunt. tot de leliën behoorende), o. gmv.

Knok (knook), in. —ken.

Knokkel (vingergewricht), m. —s.

Knol (veldvrncht), m. — len. lem. —len voor citroenen verkoopen. bedriegen, bedotten. Knol lent ii in. m. Hij is in zijn —. hij heeft het recht naar zijn zin.

Knook (been), m. knoken.

Knoop. m. —en. Een koperen, beenen, parelmoeren —: een — in een touw, draad, enz.: Ja:t touw, de strik is in den —. d. i. in de war: een — in den zakdoek leggen* d. i. met het doel om iets te onthouden: tig. ergens een — opleggen, d.i. vloeken: 20 knoopen afleggen per minuat (zeew.), d.i.20 X 15.4 M. Knoopen, ik heb geknoopt: —er.m.: —ing.v. Knop. m. —pen. De — van een deksel, van een degen, wandelstok, enz.: een — van een roos, van een blad: in de —pen schieten, d.i. (van een boom) knoppen krijgen; de bloem staat, nog altijd in den is nog niet open. Knoppen (aitbotten), de plant heeft geknopt. Knor (gelaid), m. —ren. Het varken gaf een —. Knoii' (knoop), m. —ven.

Knorliaan (visch). m. —hanen.

Knorren (pruttelen), ik heb geknord: —rig, bn.: —righeid. v.: —repot (pruttelaar), m. en v. —ten.

Knot (bosje), v. —ten. Ook knut, als: een — sajet, een — haar.

KnotH (zware stok), v. —en.

Knotten (draaien, strengelen), ik heb geknot;

—er. m.: —ing. v.

Knotwilg (lage wilg), m. —en.

Kimflelen, ik heb geknulfeld; —aar, m.: — ing, v. Ook: Knofrelen.

Knuist (vuist), m. —en. gmz.

Knnl (lomperd), m. —len.

Knuppel, m. —s. Ook: Kneppel. Knuppelen, ik heb geknuppeld. Ook: Knep-pelen.

Knnreii (talmen, luieren), ik heb geknuurd;

kniinrder. m.

Knutselen, ik heb geknutseld: —aar. m.: —arij, v.: —ing, v.: —werk, o.

Knuttel (scheepst. touw), v. —s.

Knutterig (aardig, lief), bn. en b\v.

Kobalt {een metaal), o. gmv.

Kodde (aardigheid,snakerij: ook knots), v. —n.

Koddebeier (veldwachter), m. —s.

Koddenaar (een kneu), m. —s.

Koddi»- (grappig), bn.: — lieid. v.

Koe, v. koeien, 't Is een —. dom mensch: lt;//* — bij de horens vatten of pakken, ook. hebben, d.i. de moeielijkheden aanvatten; oude koeien uit de sloot hu len, halfvergeten dingen weer oprakelen: veel koeien, veel moeien, veel bezit geeft veel zorg.

Koebrugsdek (scheepst.), o. —ken. Koeioiineereu (plagen, het leven zuur maken). ik heb gekoeionneerd.

Koek (gebak), als voorwerpsnaam, m. —en: als stofnaam, v.

Koekeloeren {uitkijken), ik heb gekoekeloerd. —der, m.

Koekoek (trekvogel), m. —en. Het is daar altijd — een zang, er is geen afwisseling; het is er eentonig.

Koel, bn. en bw. Een^ onthaal; iem.-ont-Koelbloedig (kalm, rustig), bn. [vangen. Koelen (koud maken), ik hel) en ben gekoeld. Fig. Zijn drift —, zijn wraak —, d. i. be-Koelte (frischheid). v. gmv. [vredigen.

Koeltje (windje), o. —s.

Koen (moedig, stout), bn. en bw.; -beid, v. Koepel wond dak, kap, tuinhuisje), m. —s. Koeren (het kirren der duiven), zij heeft Koerier (renbode), m. —s. [gekoerd.

Koers (loop, vuurt), m. —en.

Koersen (richten, staren, regelen), ik heb gekoerst: —ing. v.

Koeskoes (allegaartje van spijzen), v. gmv. Koest (ga liggen! tot een hond), tw. Koesteren (troetelen), ik heb gekoesterd; —aar. m.; — ina:, v.

Koet (kleine, zwart' eend), v. —en.

Koeteren (gebrekkig praten), ik heb gekoe-terd: —aar, m.

Koeterwaalseli (onverstaanbaar), bn. (als zelfst. nw.), o.

Koeterwalen (Xederlandsch spreken als een

Waal), ik heb gekoeterwaald.

Koets (rijtuig), v. -en.

Koets (bed), v. —en.

Koetsier (voerman), m. —s.

Koevoet (werktuig), m. —en. Kol' (tweemaster), v. —fen.

Kofler (reiskist), m. —s.

Kolleren dnpuleken), ik heb gekolferd.

Koffie, v.: —boon, v. —en.

Kog,kogge (Middelee11wschkoopvaardijschip), v. -sen.

Kogel. m. —s. £gt;'* kogel is door de kerk, de zaak heeft haar beslag.

Kogelen {schieten), ik heb gekogeld.

Kohier (belastingregister), o. —en.

Koliort (bende), v. —en.

Kok. m. —s. Veel —.s bederven de brij. al te veel raad gedijt niet: het zijn niet alle —s, die lange messen dragen, uiterlijk vertoon bewijst iemands geschiktheid niet: honger is de beste —, honger doet alles lekker smaken. Kokarde (rozetje met de nationale kleuren).

Koken (spijs bereiden), ik heb gekookt. Koker (rolrond hol voorwerp), m.—s. Een — voor pennen, pijlen enz. Dit komt niet uit zijn —, d.i. uit zijn brein; veel pijlen in zijn — hebben, tal van middelen, veel bewijsgronden hebben.

Kokerellen (met den drijftol spelen), ik heb gekokereld.

Kokeren (in een koker doen), ik heb geko-kerd. Fig. foppen, misleiden.

Kokerinuileii (meesmuilen), ik heb gekoker-muild.


ocr page 156

KOKIXJE—KOOTEN.

136

Kokinjc (slroopbal), v. —s.

Kokkerd (dikkerd), m. —s. Wat een — van een neus! van een dagbroer!

Kokoshooin. in. —en.

kokoHiioot. v. —noten.

Kol (ha in em I ay), m. —len.

Kt»! (heks), v. —len. —rijden, op den bezemstok rijden; —rijdster, tooverheks.

Kol (witte plek, bles), v. —len.

Kol iblocm. klaproos), v. —len.

Kolbak (yrenadiersinuts), m. —ken.

Kolder (een paardenziekte), m. —s.

Kohtrrcn (den holder Krijgen), het heeft gekolderd.

Koll' {stok), v. —ven; —haan, v. —banen: — hal, m. —ballen.

Kolf (onderdeel ran ecu geweer), v. —ven. Kolf (gesloten glas met wijden ba ik en gebogen hals), v. —ven. Distilleer—

Kolibrie {vogel), m. —s.

Koliek (buikkramp), o. jrmv.

KolTje, o. -6'. Dat is een — naar zijn hand. dat past hem, lijkt hem.

Kolk (poel, afgrond), v. —en.

Kolken {omhoogdraaien), ik heb gekolkt. Kollehloem {klaproos), v. —en.

Kollen, ik heb gekold. Een rand —. Kolokwint {bittere vracht), m. —en.

Kolom (zuil, pilaar), v. —men. De —men van een dagblad; de kolommen openstellen voor; de kolom ran Volta (electriciteitgt;. Kolonel (hoofdofficier), m. —s. KoioneMiiKenieiir. m. kolonels-ingenieurs. Koloniaal (soldaat voor den dienst in Indi'é), m. —alen.

Kolonie (volkplanting), v. koloniën. Kolonisatie, v. —tién.

KoloniNeeren (volkplantingen in een landstreek vestigen).

Kolonist {volkplanter), m. —en.

Koloriet {kleuren toon van schiIderijen), o.gmv. Kolos (reuzenbeeld; ontzaglijk groot gevaarte; man van buitengewone kracht of genie), m. —sen.

Kolossaal (buitengewoon groot), bn.

Kolven {in de kolfbaan spelen), ik heb gekolfd; —er. m. /7ij heeft gelukkig gekolfd, het is hem meegeloopen in de wereld. Klt;»lvenier {schutter), m. Ook: Klovenier. Kom (bak, schaal, kopje), v. —men.

Koinhiiis {scheepskeuken), v. —/.en. Komediant (tooneelspeler), m. —en.

Komedie (schouwburg), v. —s.

Komeet {staartster), v. —meten.

Komen, ik kwam, ben gekomen. Om het leven —. het leven verliezen; iern. onder de oogen —. voor iem. verschijnen: te stade —, te pas —: te boven —, overwinnen; aan land, aan wal —, gaan.

Koniloor. o. —foren.

Komijn (plant), m. gmv.

Koiiiijnekaas, komijnkaas, v. —kazen. Komkommer (plant), v. —s.

Komma {leesteeken), v. en o. —'s. Kommaliehelioerte {keakengerief), v. —n. Kommapiint, v. —en.

Kommer (rorr/). m.gmv.: {heizendrek), v. gmv. Kommies {ambtenaar die waakt tegen smokkelarij), m. —miezen.

Kommieshrood {soldatenbrood), o. —en. Klt;mi|gt;anje {speelnoot, eega), v.

Kompas, o. —sen.

Koniplot {bent, eedgenooten), o. —ten.

Kompres {natte doek), o. —sen.

Kmnst, v. gmv.

Kond (bekend), bn.: — doen. — maken, bekend maken.

Kondse '■gt;!gt; {bericht, naricht), v. —pen.

— krijgen, — inwinnen, op — uitgaan, I d. i. op verkenning uitgaan.

Kondseliappen {melden, berichten), ik beb ^ekondschapt: —per, m.

Konlyt (ingelegd ooft), o. gmv.

Konl i.jteii i in suiker inleggen). ik heb gekonfijt. Konfilje {citroenkruid), v. gmv.

Kongeraal (zeepaling), m. —alen.

Konijn, o. —en.; —énpiiHtei, v. -en; -.-n-veld, o. —en.

Koning, m. —en. De — ran het schuttersgild: hij laai zijn haan — kraaien, de overwinning verkondigen; zijn haan moetaltijd — kraaien, hij moet in les zijn zin hebben: de — van een schaakspel, voornaamste stuk.

Koningin, v. —nen.

Konin^innenkroon, v. —kronen; —mantel, m. —s.

Koninkrijk, o. —en.

Konkel (slag), m. —s.

Konkel (lui vrouwspersoon), v. —s. Konkelen (slordig werken), ik heb gekonkeld; —aar (knoeier, bedrieger), m.; —arij. v. Konseri' (een stroopje, likkepot), o. —ven. Konstabel {kanonnier), m. —s.

Koiiterleiten (naschilderen), ik heb gekonterfeit; — feitsel (portret), o.

Konvooi lt;begeleiding, bedekking,beschermiitg),

Konzen iel je {volksterm voor cochenille), v. gmv.

Kooi. v. —en. Een vogel—: naar de —, te — gaan. te bed gaan.

Kook. v. Aan de — zijn, d. i. koken: van de

— zijn. raken, niet meer koken. Fig. Hij raakte ran de —. hij werd niet wel, raakte

uit zijn humeur.

Kooksel, o. —s.

Kool (brandstof), v. kolen.

Kool (bekend gewas), v. —en. Het sop is de — niet waard; het is altemaal iem. een — stoven, bakken, beet hebben, een poets bakken: — verkoopen. flauwe praatjes maken: Ift is maar voor de —, voor de grap.

Koolmees (groote mees), v. —meezen. Koolraap '.knol), v. —rapen.

Koolstof, v. gmv.

Kooltje-vnnr {een bloem), o. gmv.

Koomenij (winkeltje), v. —en. Koomenijsvvinkel, m. —s.

Koon (wang), v. —en.

Koop, m. —en. Te — bieden: den — breken; te — dragen, alom bekend maken; op den — toe; op den — werken, licht en dicht iets maken; den — opzeggen, een contract breken. Koopen, ik kocht, heb gekocht: —er, rn.; —ster, v.

Koopman, m. —lieden, —lui.

Koor (zangkoor, priesterkoor, reigezang , o. Koord (touw), v. en o. —en. quot; [koren. Koorde (in de meetkunde), v. —n. Koordedansen. —danser, m. —s. Koordensebaal (wiskunde), v. —schalen. Koorn (rogge), v. Ook: Koren.

Koorts (ziekte), v. —en.

Koot (hielbeen), v. —en.

Kooten (een spel niet kooten Spelen), ik kootte, heb, gekoot.


ocr page 157

WOOZEN-KRAAK.

Korfegaard i hoofdwacht: wachthuis; tij;lelijke verblijfplaats voor 's nachts aan gehouden personen), v. —en. Fransch: corps de garde.

Kortela.s (korte en breede sabel), v. _sen,

F ra nsch: coutelas.

Kortelinu; (hout), m. —en.

Kortelings (onlangs), bw.

Korten (korter maken), ik heb en ben gekort; — inu;. v. Den tijd. den avond — : de nagels, het haar —: op de rekening —. d.i. aftrekken: de dagen beginnen te —. krimpen: iem. de vleugels, de wieken —. iem. macht besnoeien: op het traktement —. d.i. inhouden. Kortijd (oestertijdi. m. gmv.

Kortjan (zeew. zakmes), o. gmv.

Kortooren ('*'•// hond de ooren korten), ik helt gekortoord.

Kortstaart ( paard of hond), m. en v. —en. Kortstaarten, ik kortstaartte, heb gekortstaart. Kortswijl {boert), v. Is het ernst i,f — •'

Korts wijlen (schertsen, grappen ma hen), ik j heb gekortswijld.

Kortswijliy; (grappig), bn.: —lieid, v. Kortvoer (sterke drunk), o. gmv.

Kortwieken (de wieken kin-ten), ik heb gekortwiekt.^ fig. [n toom honden, beteugelen. Kort/Jclitiu; (bijziende), bn.: —heid. v. Kiir. dom. zonde/- doorzicht.

Korvet (snelzeilend o.orlogschi/i). v. —ten. Korzel (to irnig). bn. en bw.: —lieid. v. Kor/.ellioo ld (driftig me nsch), m. en v. —en. Korxrliu; (Hchtge/'aakt), bn.: —heiil. v. Kossem (halskwab), m. —s.

Kost (spijs), m. —en.

Kost (uiig i f), m. —en.

Kosthaiii' ulnar), bn. en bw.: — heid. v. Kostelijk (heerlijk, voortreffelijk), bn. en bw.: — heid, v.

Kosten (te staan komen op), het heeft gekost. Koster, m. —s.

Kostsanser. rn. —s.

Kostnnin (kleed J), o. —lumen. —tumes. Kot (hok. hut), o. —ten.

Kotelet (geltraden ribbetje), v. —ten.

Kotsen (ovrrgrven.brukeni.ik heb gekotst, gmz. Kotter (vaartuig), m. —s.

Konheitel (beitel om ijzer te hakken), m.—s. Kond. bn. en bw.: —heid. v. Een —e winter, dug, luchtstreek: vruchten van den —en grond, d.i. niet uit den broeibak: dat raakt mijn —e k leer en niet, het is mij meer dan onverschillig.

Konde, kon. v. gmv.

Koiidvnnr (ontsteking), o. gmv.

Konklenin (kouwelijk kind), m.en v. —en.—s. Kons, v. —en. Met de — t/p den kop thuis komen, met schade en schande ergens van afkomen: hij kreeg de — op den kop. zijn plan mislukte.

Kont (gezellige praat), m. gmv.

Konten (gezellig praten), ik heb gekom : —er. m. Konter (ploegijzer), o. —s.

Konw (kevie, kooi), v. —en.

Koxak (licht Russisch ruiter), m. —ken. Ko/Jjn (denr- of vensterposten). o. —en.

Kraag. m. kragen. De — van een Jas. een mantel; een stuk (een ton jenever) in zijn — (hals) hebben; iem. bij den — entten, iem. uit de deur zetten.

Kraai (vaartuig), v. —en.

Kraai (vogel), v. —en.

Kraaien, de haan hééft gekraaid: —er. rn. —s. Kraak (krak), rn. gmv.

Koozcii (licrkoiJzen,streeleii\ ik heb gekoosd; —er, m.; —«'rij, v.

Kop, m. —pen. De — ran een speld, de — vau ecu spijker; den spijker op den — slaan. d. i. juist aanwijzen waar de grond zit; hals over —, in overgroote haast: met den — tegen den maar loepen, ongeioofelijke moeite doen; een schip, bemand met vijf'titj —pen. d.i. matrozen.

Kopal {.zekere hars), v. gmv.

Kopek {een Uassisch muntje), in. —en. Koper (metaal), o. gmv.

Koperen (met koper hekleeden), ik heb gekoperd. Een schip —.

Kopie {nabootsinfj), v. —ën.

Kopieeren {nabootsen), ik heb gekopieerd: —maehiiie, v.; —werk. v.

Kopiist (afschrijver), m. —en.

Kopij {handschrift voor de pers), v. —en. Koppel {band), m. —s.

Koppel {paar), o. —s.

Koppelen (verbinden), ik hel» gekoppeld: —aar. m.: —arij. v.; —bont. m.: —ing, v.

Koppensneller (moordenaar op Borneo onder de Dajaks), m. —s.

Kopper-. KoppertjesinaaiKlag; {de tweede Maandag van het Jaar. feestdag, voorat bij de boekdrukkers), m. —en.

Koppig; {eigenzinnig), bn.: — lieid. v.

Koraal {koraalgezang), o. koralen.

Koraal (zanger), m. koralen.

Koraal (poliepenstok. Loraalstof), o. gmv. Koraal (kraaltje, balletje), v. koralen. Een snoer koralen, bloedkoralen.

Koran {heilig boek der Mohamm,). in. Korheel (bint), m. —en.

Kordaat (dapper), bn. — lieifl, v.

Kordelier {monnik), m. —s, —en.

Kordon (band, lijn, grensbezetting), o. —s. Ivoren, koorn. o.

Korf (hengselmand), m. —ven.

Korliaan {boschhaan), m. —hanen.

Korhoen {boschhoen). o. —ders. —deren. Koriandi'r (plant), m. gmv.

Korint. korent, v. Zie Krent.

Kornak {olifantj-oppasser), m. —ken. Ook: Cornae.

Koi'net (vaandrig te paard), m. —ten.

Kornet {een hoorn-, ook: dienstmeisjes-muts), v. —ten.

Kornis (kroonlijst), v. —sen.

Kornoelje (boom of heester), v. —s.

Kornuit (kameraad), m. —en.

Koroewter («/roofóv. —s. Ook: Korre.

Korporaal, m. —s, —alen.

Korpn. o. —en.

Korre (sleepnet), v. —en.

Korrel, v. —s. —en.

Korrelen (aan korrels vallen, tot korrels maken), het heeft en is gekorreld; —ins. v. Korren (oesters vangen), ik heb gekord.

Korren (kirren, koeren van duiven), hij heeft gekord.

Kornet (keurslijf), o. —ten.

Kornt. v. —en; —aehtig. bn.

Korsten, het korstte, de wonde is gekorst. Kort, bn. en bw.; —lieid. v. Te — komen niet genoeg hebben: te — schieten, niet opgewassen zijn tegen: iem. Ie — doen, bena-deelen: ie/n. — houden, hem (geldelijk) niet \eel vrijheid laten: — van stof zijn. weinig woorden verspillen: —e metten maken, weinig omslag maken.

ocr page 158

KRAAK—KRIELEN.

13S

Kraak (Spaausch vuovtnig). v. kraken.

Kraal {koraal), v. kralen.

Kraal (gehucht), v. kralen.

Kraam {tent), v. kramen.

Kraam (beuailiny). v. gmv.

Kraan {kraanvogel), m. kranen.

Kraan {tap en hijsclitiiig), v. kranen. Kraamiou; {braaknoot), o. —en.

Krat» {schaaldier), v. —ben.

Krabbekat {valsche kat), v. —ten.

Krablx'l. v. —s.

Krabbelen (slecht schrijven), ik heb gekrabbeld: —aar, m.

Krabbeliu; {onleesbaar), bn. en b\v. KrabbelHeliriit, o. gmv.

KrabbelviiiHten {met vuisten vechten), ik heb gekrabbelvuist.

Krabben, ik heb gekrabd; —her, m.; —bing. v.; —sel. o.

Kraelit (sterkte, vermogen), v. —en. Kraelitdadiu:, bn.: —beid. v.

KraeliteiiM (uit krach! van), vz.

Kraebtis (sterk, deugdelijk), bn. en bw. ^ Krat* {waterflesch), v. —fen. Ook: Karal'. Krak {het kraken), in. —ken.

Krak, tw.

Krakeel {twist), o. —en.

Krakeeien. ik heb gekrakeeld: —er. m.; — ins. v.

Krakellng(lt;/e/v^A:,#v'//8-vormig koekje),m.—en. Kraken, ik hei) gekraakt. Dat is ven harde noot om te —, een moeielijke, verdrietige zaak: kwade noten —. niet veel goeds zeggen: ik heb kwade noten van hem hooren —. Krakken (een krak krijgen), het is gekrakt. Kram {haak), v. —men.

Krambamboli {rum met suiker verzoet), v. gmv.

Kramer (venter, marskramer),ra. —s,kraam-Kramerij (kramerswaren), v. —en. |sters. KrameiMlatijii, kramerlatljii (ken ken lat ij n), o. gmv.

Krammen, ik heb gekramd: —er, m.; —ing,v.

Kramp {spierpijn), v. -en.

Kraniy; (flink), bn.; —heid, v.

K rank (r/e/.-. zwak u bn. en bw.; — heid, v.: —fe, v. Kranke, m. en v. —n.

Kraiikzinnit; (gek, niet wijs), bn.; —beid, v. Kraii», m. —en. Een — van rozen, een — van bloemen: een pek—, een vrienden—, d.i. vriendenkring.

Krant, eonrant {nieuwsblad), v. —en.

Krap {meekrap), v. gmv.

Krap {slot. knip van een boek), v. —pen. Krap (varkensrib), v. —pen.

Krap {nauwelijks, schraal), bw.

Krapjes, bw. Zij hebben het maar —, d. i. niet breed, schraal. Zij doen — aan.

Kraw (schrap), v. —sen.

Kra» (kloek), bn. Een —segrijsaard', dat is —, d. i. sterk, ongewoon.

Kra». bw. Hij zweert het bij kris en —, d.i. bij al wat heilig is.

Krassen, ik heb gekrast. Met een puntig voorwerp ergens oj) —. d.i.krassen maken op: de raven d.i. een scherp geluid maken: de pen krast. d.i. spat den inkt: op de viool —, slecht spelen.

Krat {achterschot van een wagen), o. —ten. Krater {opening, mond), m. —s.

Krater {misvormde), m. —sen.

Kraton {Indisch paleis en tempel), m. —s. Krauw (schrap, krab), v. —en.

Kranwel {kromme gal fel, kromme nrigel), m. —s.

Kramven (krabben), ik heb gekrauwd; -er, m. Kreatnnr (gunsteling), v. —turen.

Kreb. v. Zie Krib.

Krelt;liet (vertrouwen, enz.), o. —en. Goederen op —, goederen, die niet dadelijk betaald worden, lem. — of geen — geven, uitstel van betaling.

Kreeft {schaaldier), m. —cn.

Kreei'tensang (gang van den kreeft), m.gmv. Fig. Den — gaan, d.i. achteruitgaan (in zaken). Kreek {inham), v. kreken.

Kreet {schreeuw, gil), m. kreten.

Kregel (kwaad, gramstorig), bn. en bw.: —beid. v.

kreKelis {kregel), bn.; —beid, v.

Kreits {kring, af dee ling), m. —en.

Krek {precies, juist), bw. Fransch: correct. d. i. nauwkeurig.

Krekel (insect), m. —s.

Kremlin {keizerlijk slot te Moskou), o. gmv. Kreny; {dood dier. aas), o. —en.

Krenken {beschadigen), ik heb gekrenkt. De gezondheid —. iem. eigenliefde —. de vriendschap —, d.i. benadeelen, pijnlijk aanraken: iem. eer en goeden naam —. d. i. inbreuk maken op: iem. hersenen zijn gekrenkt, hij Krent {krint), v. —en. [is krankzinn ig.

Krentenbrood, o. —en: —kakker {inhalig mensch), m. —s: —koek. m. —en.

Krepel (kreupel), bn. en bw.

Krenk {vulsche vouw), v. —en.

Kreukel {alikruik), v. —s.

Kreukelen (frommelen), ik heb en het is go-kreukeld.

Krenken (— hebben of bekomen), ik heb gekreukt; —er, m.: —ing, v.

Kreunen (een pijnlijk geluid geven), ik heb gekreund.

Kreupel (krepel), bn. en bw.; —beid, v. Kreupele (manke), m. en v. —n.

Kreutzer (Daitsche munt), m. —s.

Krevel (gekriewel), v. gmv.

Krevelen (kriewelen). ik heb gekreveld: — illK. v.

Krib. kribbe {voederbul,-, ledekant), v. —ben. De — van het paard; het kindje sliep in een —; de soldaten slapen in —ben.

Krib, kribbe (gevlochten rijswerk in een rivier), v. gmv.

Krib {kribbige vrouw), v. —ben. Kribbebijter {/ig. twistziek persoon), m. —s. Kribbelen {slordig schrijven), ik heb gekribbeld: — iiiK, v.

Kribben {krakeeien), ik heb gekribd: —erij. v. Kribbig; (twistziek), bn.; —beid, v.

Kriebelen (slecht schrijven), ik heb gekriebeld. Kriebelig, bn. — schrift, — schrijven, onleesbaar.

Kriebelwelirirt (zeer kleine letters), o. gmv. Kriek {krekel), v. —en.

Kriek {zwarte kers), v. —en.

Krieken (piepen als een krekel).ik heb gekriekt. Krieken {aanbreken), o. Het — van den dag: FA, zie den morgen —!

Kriel (kort en dik mensch), m. en v. —en. Kriel {v'ischmand), v. —en.

Kriel {uitschot), o. Dat zijn —en van aardappels. d.i. zeer kleine.

Kriel (dartel), bn. en bw.: -heid, v.

Krielen (krioelen), het heeft gekrield. Het | krielt er van mieren.


ocr page 159

K KIE L H A AX—K K U ID J E-HO EK-M U-N I ET.

130

Kriclliaaii (kleinesoort van h'ian). in. —hanen; ! —hen, v. —hennen.

KriciiiHen (talmen), ik heli gekriemeld; —aar, m.

KriciiH'liu; (beuzelachtig), bn. en b\v.

Krieuwel (Jeukte), v. gmv. Ook: Krevel. Krienwelen {jeuken), ik iiel» gekrieuweld: —ingf, v.

Krieniven (prikkelen, elkaar boosmaken), zij hebben gekrieuwd: —er, ni.

Kriezel —s. Gij krijgt er geen — van.

Krijs (oorlog), m. —en.

Krijgen (ontvangen), ik kreeg, heb gekregen. Een brief', een geschenk —: den zak. den korf —. afgewezen worden (door een meisje); hij kreeg het in hel hoofd, werd krankzinnig. Krijsen (oorlogen), ik hel» gekrijgd; —er (krijgsman), m.

Krijgertje (— spelen), o. gmv.

KrijMeli (schreeuw, gil), m. —en.

KrijHclien (gillen), ik kreesch (krijschte), heb gekre.schen (gekrijscht); —ins. v-Krijt (stof), o. Bij iem. in hel — staan, schuld hebben: met dubbel — schrijven, oneerlijk boekhouden (tappers, winkeliers,quot;enz.)l Krijt (strijdperk), o. In het — treden, uit het

— jagen-, fig. den strijd aanvaarden; over- i winnen.

Krijten (schreien), ik kreet, heb gekreten: —er, m.

Krimp (gebrek), v. Daar is geen —; die lui j kennen geen —.

Krimp ( levend, van viscii), bn.

Krimpen, ik kromp, heb en ben gekrompen. Laken —. of doen —; de wind gaat—. wordt minder ruim: hij krimpt van kou, beeft,trilt: de macm gaat —, afnemen.

Krimpis (kouwelijk), bn.

Krimpkabrljanu' [geheel versche. levende), v.; —Neliol. v.: —visHi. v.; —/.alm. v.

Krins. —en. üe kinderen slonden in een

— : een jaar—: vrienden — : Fig. In den —der zijnen: hij gaat buiten zijn —. d.i. bevoegdheid: werk—, dageiijksche bezigheden.

Krinselen (krinkelen), ik heb gekringeld.

Krinkel (oprolling), m. —s.

Krinkelen (kronkelen), ik heb gekrinkeld:

— ins, v.

Krin.Hen (zuiveren, spoelen, schoonmaken), ik hel) gekrinst.

Krioelen (wemelen), het heeft gekrioeld: Krip (floers), o. gmv. 1—ins. v.

KriM. bw. Bij — en kras zweren, d. i. bij al, wat heilig is.

Kris (Indische ponjaard), v. —sen.

KriMMen (met een kris doorsteken), ik heb gekrist.

Kristal, o. —len.

Kristallijn (het — der oogen) o. gmv. Kristallijnen, bn. De — W/W.d.i. het glasheldere KristaSlisatie, v. —tiën. [beekwater.

Kristalliscercn (tot kristal schieten), —ins, v. Kritiek (hachelijk), bn. Een — oogenblik, d. i. netelig, moeielijk, gewaagd.

Kroelit (hol, onderaardsche ruimte), v. —en. Knulde (een soort mosterdplant), v. gmv. Kroes. v. —en.

Kroep (keelziekte), v. gmv.

Kroes [beker zonder voet), m. —zen.

Kroes [dicht, gekruld), bn. en bw.

Kroeskop (persoon), m. en v. —pen.

Kiuiezen (kroesmaken), ik heb en ben gekroesd. Krolt. v. —en. Zie Krocht.

Krok (plant), v. —ken.

Krokodil, m. —len.

Krokodillentranen (geveinsde tr.), m. mv. Krokus (lentebloem), m. —sen.

Krollen (lollen van katten), zij heeft gekrold. Krolseh (van katten), bn.; —lieid, v.

Krom, bn. en bw. —me sprongen maken, losbandig leven, verkeerde dingen doen: zijn vingers zijn of staan —. hij is diefachtig: — liggen, zich geldelijk bekrimpen.

KronilHM'ii (persoon), m. en v. —en. Kromhek (snijboon), m. —ken.

KromliiilM [persoon), m. en v. —halzen. Kroinhiils (glazen kolf), v. —halzen. Kroninien. ik heb en ben gekromd: het recht —. inbreuk maken op het recht, onrechtvaardig handelen.

Kr.unneiis (persoon), m. en v. —neuzen. Kromtaal (gebroken taal), v. Fig. een ge-Krointe. v. —n. [brekkig spreker.

Krointons (persoon die kromtaal spreekt), m. en v. —en.

Kronen (tooien, sieren), ik heb gekroond. Het einde zal het werk —: kroning (inhuldiging van een vorst).

Kroniek (jaarboek), v. —en.

Kronkel (kromming), m. —s.

Kronkelen (kronkels maken), ik heb en ben gekronkeld; — ina;. v.

Kronkelis. bn. Een — pad, d. i. vol kronkels of bochten.

Kroon. v. kronen. De — van Frankrijk. Duitschland, Engeland, enz.: goederen der —, d. i. van «len souverein: de — op het hoofd zetten, kronen, tot vorst maken: de — neerleggen, afstand doen van de regeering; iem.de

— van het hoofd nemen, hem belasteren: de

— is hem van het hoofd gevallen, alle luister of eer is heen; de — spannen, de eerste, de voornaamste zijn; iem. naar de — steken, met hem wedijveren: dit zet op al zijn euveldaden de —, meet de maat vol: Noorder—, Zuider—, sterrenbeelden; een —, muntstukje in Oostenrijk. ± f 0,50; een licht —. groote hangende kandelaber; de — van een boom, de uitgebreide takken: de Eikenkroon, de Oostenrijkse/ie —, de Pruisische —. de Wnr-tembargsche —. ridderorden.

Kroontjcskrnid (wilde peterselie), o. gmv.

Kroos (eendenkroos), o. gmv.

Kroosje (kleine pruim), o. —s.

Kroost (kinderen), o. gmv.

Kroot (beetwortel), v. kroten.

Krop (voormaag of gezwel), m. —pen.

Krop (salade), v. —pen.

Kroppen (den krop vullen), ik heb en ben gekropt. Hij zal het daar niet —. uithouden. Kropperd (duif), m. —s.

Kroppis. bn. Een —e peer, d. i. wrang. Fig. haatdragend.

Krot (armoedig huisje), o. —ten.

Krnelien (Ar^me/j.), ik heb gekrucht: —erd. m. Kruid (plantgewas), o. —en.

Kruiden, ik heb gekruid. De spijzen —. een verhaal —.

Kruidenier, m. —s: —swaren, v. mv.; —s-winkel, m. —s.

Kruiderij, v. —en.

Kruid is (specerijachtig), bn. Fig. Een — meisje, een keurig net meisje. Kriiidje-roer-mij-niet ( plantje), o. = kruidjes-r-m-n en k-r-m-niets. Fig. Een netelig, kribbe-rig meisje, mensch.


ocr page 160

KI i UIDNAGEL—K W A KT IER.

-140

Kruidiiiigcl {specerij), ni. —s.

KruidiHMit (muskadtnoot), v. —noten.

Ivruien, ik krooi, ki-uide, heb gekrooien, ge- [ kruid; —er, m.; —ins, v-Kruik {aarden flesch. urn), v. —en. De — (iaat zoo lang te (eater tot zij breekt, de na-deelige gevolgen I«lijven op den duur niet uit. Ivruiling {kleine appel), m. —s, —en.

Kruim. v. —en. Daar zit —in, pit, kern, geest. Kriiiini'l {kleine kruim), v. —s, —en. Kriiiiiielen, ik heb en het is gekruimeld: —aar (fig. gierigaard)^ m.: —ing;. v.; —iiigen (brokjes van scheepsbeschuit), v. mv. Kruiiiicu {tot kruim vallen), ik heb en het is | gekruimd.

Kiuiii {schedel, (ig. to/gt;), v. —en.

Kruipen, ik kroop, heb en ben gekropen, /h zijn scha lp —, bang worden, zich terugtrekken. Kiui», o. —en. Elk huis heeft zijn —, verdriet: elk moet zijn — dragen, leed, kommer; — noch mant hebben, geen cent bezitten: orde ran het IJzeren —, Oostenrijksche ridderorde; het Huode —, vereeniging tot verpleging van gekwetsten; het Metalen —. Nederlandsch I eereteeken uit dén Tiendaagschen veldtocht. KiuiMbcM {aalbes), v. —sen: —sehooin. m. —en; —bezie, v. —beziën.

KruiHeu. ik heb gekruist: —er. m.: —iiiK, v. Krui.Higeii {aan liet km is slaan), ik heb ge-kraisigd; —iiitf. v.

Krkii^.jasHrn {kaartspel), ik heb gekruisjast. KruiMtoeht, m. —en: — vaarder, in. —s.

Kruit (poeder), o. gmv.

Kruizeel (leeren band), o. —zeelen. KruizeinuiM (welriekend kruid), v. gmv. Kruk (persoon), m. —ken.

Kruk (voorwerp), v. —ken.

Knikken {sakkelen), ik heb gekrukt.

Krukkig (kwijnende), bn.; —lieid, v.

Krul, v. —len.

Krulko|gt;, Krullekop (persoon), m. en v. —koppen.

Krullehol (persoon), m. en v. —len.

Kriilleu (in de kml leggen of zijn), ik heb gekruld. Gekrulde haren, gekrulde zinnen. Kubiek (in den vorm van den teerling), bn. Kubiek {teerling), o. —en; —wortel {derde-ma chtswor tel), m. —s.

IvubiiH (teerling), m. kuben.

Knrh (hoest), v. gmv.

Kuelieu (droog hoesten), ik heb gekucht; —er. m. —s.

Kudde, v. —n. De — van Christus, de christenkerk.

Kuif'i* (wandeling), m. gmv.

Kuieren (wandelen), ik heb gekuierd.

Kuil' (haarbos, cedertop), v. —ven.

Kuiken, v. Zie Kieken.

Kuil (gat), m. —en. Wie een — graaft voor een ander, valt er zelf in, wie een ander ongelukkig wil maken, wordt het zelf.

Kuilen, ik heb gekuild. Aardappels —, ineen i kuil doen.

Kuip {houten vat), v. —en.

Kuipen, ik heb gekuipt. Fig.oneerlijke middelen aanwenden, in 't geheim samenspannen. Kuiperij, v. —en.

KuiN {knots: ook jonge koe), v. —zen.

KuiM'li {rein, zuiver), bn. en bw.

KuiHelien (reinigen), ik heb gekulscht.

Kuit {lichaamsdeel), v. —en.

Kuit (zaad van een visch), v. —en. Kuitendekker (lange jas), m. —s.

Kuiter {kuitvisch). v. —s.

Kuitllikker (dans), m.gmv. Een —slaan, een sprong maken.

Kulleken.skruid {standeikruid), o. gmv. Kunde (kennis, geleerdheid), v. gmv.

Kundig, bn.: —beid. v. (mv. —heden).

Kunne {geslacht, sekse), v, gmv.

Kunnen, ik kan, ik konde (kon), heb gekund. KuiiHt. v. —en.

Kunstenaar (man der kunst), m. —s, —naren. Kunstenmaker (kermisgast), m. —s.

Kunstig, bn.: —beid. v.; —lijk. bw. Kunstkeurig (zeer kunstig).' bn.: -beid, v. Kunstlievend, bn.: —beid. v.

Kunstmatig {volgens de kunst), bn.

Kuras {borstharnas), o. —sen.

Kurassier (cavalerist run voor '1841), m. —s. Kurk {stof), o.; — {stop), v. —en.

Kurkuma (geelwortel), v. gmv.

Kus, m. —sen: —bandje, o. —s.

Kussen, ik hel» gekust: —ser, m.

Kussen {hoofdkussen), o. —s: —sloop. v. —en. Kust (oever), v. —en. Er zijn kapers op de —, men is niet veilig.

Kust (verkiezing), v. alleen gebruikelijk in: te — en te keur.

Kustinu; {hypotheek), v. —en: —brief, m. —brieven.

Kuim (boonenkruid), v. gmv. Ook: keune. Kuur {geneeswijze), v. kuren.

Kuur (grap, gril), v. kuren.

Kwaad. bn. en bw.: —beid, v.

Kwaad. o. gmv.

Kwaadscbiks. bw. Goedschiks of —. tege.» wil en dank.

Kwaadspreken, ik sprak—, heb —gesproken; —spreker, m.

Kwaadwillig, bn.: —beid. v.

Kwaal {ziekte, tig. ramp), v. kwalen.

Kwab, Kwabbe (vetbuil), v. —ben.

Kwak (nachtraaf), m. —ken.

Kwaken (der kikvorschen. eenden, enz.), /.ij hebben gekwaakt. Fig. babbelen.

Kwaker (lid van het gezelschap der Vrienden), m. —s.

Kwakkel (wachtel, kwartel), m. —s of -en. Kwakken (een plof maken), ik heb gekwakt. Hij viel zoo hard. dat hij kwakte. Kwakzalven, ik heb gekwakzalfd: —er. m.; —eraebtig. bn. en bw.: —erij. v.

Kwal (weekdier), v. —len. * flies.

Kwalie (vervelende babbelaarster), v. —lio.i, Kwalien (kenveien.babbelen), ik heb gekwalied. Kwalijk (niet goed, niet wel), bn. en bw.; — beid. v. Iets — nemen, over iets ontevreden zijn: — worden, misselijk worden: — varai, ongelukkig zijn.

Kwalm (dikke damp, walm), m. gmv. Kwalmen {walmen), de lamp heeft gekwalnid. Kwalster (fluim), m. —s.

Kwanselen (ronselen), ik heb gekwanseld; —aar {miIer met knoeierij), m.: —aebtig. bn.; —arij, v.

Kwansuis {voorgewend, schijnbaar nier. gemeend). bw.

Kwant {snaak), m. —en.

Kwarrel (zooi, rommel), m. —s.

Kwarrelig {ineengegroeid van vruchten*, bn. Kwart, o. —en.

Kwartaal (vierendeeljaars), o. —talen. Kwartel {vogel), m. —s. Zoo doof als een —, d. i. stokdoof.

Kwartier (vierendeel, b.v. van een uur), o. —en.


ocr page 161

KWARTIJN—LABBEKAK K K X.

141

Kwartijn {boek in 4o.). m. —en.

Kwarts (een steensoort),o.—en: —aHitig. lm. I KwaHNieliont (bltterlwnt), o. gmv.

Kwast (voorwerp en persoon), m. —en. KwaHteloriini (zot, nek), m. —s.

Kwasterig (verwamul). bn.: —lieid, v. Kwantij (knoestig), bn.: —lieiil, v.

Kwee (vrucht), v. —ën.

Kweek (kruipende tarwe), v. gmv. Kweekelins;. m. en v. —en: voor het v. —e. Kweeken (den wasdom bevorderen), ik heb gekweekt: —er. rn.; —erij. v.: —ina;, v. Kweelen (zingen), ik heb gekweeld: —er. m. Kweelt je (vogelzang), o. —s.

Kween (een onvrachtbare koe: een manwijf), Kweern (handmolen), v. —en. | v. kwenen. Kwel (kwelling), v. gmv.

Kwelha.st (plaaggeest), m. —en.

Kwehfer (bnitendijksch land), v. —s. Kwelduivel, m. —s; —geest, m. —en. Kwellage (kwelling, verdriet), v. —s.

Kwellen (plagoi), ik heb gekweld: —Ier. m.: —ling;, v.; —lerlj, v.

Kwelzucht, v. gmv.

Kweiiflel (wilde tijm. heidebloem), v. gmv. Kwencelen (gedurig storten), ik heb ge- ; kwengeld. Water, nielk —.

Kwets (langwerpige blauwe pruim), v. —en. Kwetsen (verwonden), ik heb gekwetst, fem. in zijn eer —. in zijn goeden naam —. be-leedigen, krenken: kuische ooren —. Kwet.seml (beleedigend), bn. en bw.

Kwetsuur (wonde), v. —uren.

Kwetteren (kneuzen), ik heb gekwetterd. Kwetteren (snappen, kakelen; i'i'h zangerigen toon voortbrengen). Hoor die zwaluwen eens —: —aar, in.: —ing. v.

Kw ezel (vroom zusje), v. —s.

Kwezelen (futselen, beuzelen), ik heb gekwezeld: —aar. m.: —;irij. v.

Kwilnis (zot, fut. kwast), m. —sen.

Kwidani (zot handelend menscln, m. —s.

li. v. I's. De twaalfde letter van het alphabet, als Romeinsch getalmerk öO: en mei een streep er boven 50,000.

li.a. — Lege art is. naar den regel der kunst, li.e. — Loco citato, op de aangehaalde plaats. li.H. — Laus Deo. Gode zij lof.

li.d'or. — Louis d'or.

Ii.gr. — Livre gros. poml vlaamsch (= /quot;6.00). li.l. — Lingua latina. de Latijnsche taal. li.S. — (boven aan het blad of de bladzijde): Lectori salutem, heil (zij) den lezer!

— (onder aan het blad of de bladzijde): Loco sigilli. in plaats van het zegel.

li.St. — Livre sterling, pond sterling (= /'12.60).

liii (muz.. benaming van de)} zesden toon in de klankladder, de a). v.

La. Zie Lade.

Kaag. bn. en bw. Een lage toon. een lage prijs, lager onderwijst beginnend onderwijs: op iem. — neerzien, hem met kleinachting beschouwen.

Kwijl (speeksel), v. gmv.

Kwijlen, ik heb gekwijld: —er. m.: —iny;. v.

Kwijn (getreur. verdriet), m. gmv.

Kwijnen, ik heb gekwijnd: —er, m.: —ins;, v.

Kwijt (zoek, verloren), hx.

Kwijthrief' (quitantie), m. —brieven.

Iv wijf en (voldoen), ik kweet, heb gekweten.

Kwijten (zich), ik kweet mij. heb mij gekweten: — insj. v.

Kwijtraken (verliezen), ik ben —geraakt.

Kwijtsehelden vergeven), ik schold

—. heb —gescholden; —injj. v.

Kwik (beweeglijk, elug, levendig), bn. en bw.

Kwik (beuzeling), v. —ken.

Kwik (kwikzilver), v. en o. gmv.

Kwikstaart (vogel), m. —en.

Kwikzilver o. gmv.

Kwinkeleeren (zingen, vroolijk zijn; met trillend geluid zingen).

Kwinkerd (een. scheel persoon), m. —s.

Kwink.slas; (geestig gezegde, aardige zet), m.

Kwint (streel:, kuur, list), v. —en. [—en.

Kwint (quint, vijfde toon), v. —en.

Kw intiu, (vol grillen), bn.

Kwipseh {ziekelijk, ongesteld), bn. en bw.: —heid, v.

Kwispedoor (spuwbakje). o. —doren.

Kwispel (kwast, geesel), m. —s. Fig. losbol.

Kwispelen (bewegen, spelen), ik heb gekwispeld: —aar, m.

Kwispelstaarten, de hond heeft gekwispelstaart.

Kwisten (doorbrengen, verteren), ik heb ge-kwist: —er. m.

Kwistgeld (verspiller), m. en v. —en.

Kwistgoed (verspiller), m. en v. gmv.

Kwistig, bn. enbw. Met — e hand. num. vo\o\): ergens — mee omgaan, niet zuinig.

Kwistpenning (verspiller), m. on v. —en.

Kyrie eleison (Heer,ontferm n! Heer er bun n ude eerste woorden van het eerste zangstuk der mis bij de H. K.). o.

Laag (bedding), v. lagen.

Laai (vlam), v. vero. Het huis stond in lichter —e. in volle vlam. (In lichterlaaie vlam is een pleon.).

Laakbaar (berispelijk), bn.: —heid, v.

Ijaan (wandeldreef), v. lanen.

liaars (schoeisel), v. —zen.

Laarzen (laarzen aantrekken), ik heb gelaarsd. Hij stond daar gelaarsd en gespoord, d. i.

Laas (helaas), tw. [kant en klaar.

Laat (niet vroeg), bn. en bw. Heter — dan nooit! Ik weet ul. hoe — het is, hoe het met i de zaak gesteld is: iem. de laatste eer bewijzen, hem ten grave geleiden: den laatsten adem uitblazen, sterven.

Laatband (bij het aderlaten), m. —en. ' Laatdunkend (femmmcO.bn.en bw.: —heid. v.

Labbei (klappei). v. —en.

\ii\h\w\ri\(snappen,babbelen), ik heb gelabbeid.

Labbekak (persoon), m. en v. —ken. gmz.

Labbekakken (snappen, kwaadspreken), ik


ocr page 162

L A B BEN—LA N TA R KN.

142

hel» gelabliekakt: — ker, m.: — kerij. v. gmz. liiihbeii (klappen), ik heb gelabd: '—her, m. Lahhcr (flauw), bn.

li ilgt;berdiian(Z(quot;/^' W.sc/i),v.Ook: Ahherdaan.

liahhercn (zacht waaien), het heeftgelabberd:

— koelte, v.: —koeltje, o.

Labherlot (nachtbraker, zwierbol), m. —ten. Lahherlot (slo /gt;). v. —ten.

Labiaal (het rnondstak aan de pijpen der orgels), o. labialen.

Laboratoriiiiii (werkplaats, inzonderheid van aataar- cn scheikand'njen. apothekers), o. —s. Laboreeren {moeite hebben, sakkelen). Aan ••en ziekte, een kt naai —. d.i. lijden. LaborieiiH (arbeidzaam), bn.

Labyrint (doolhof), o. —en.

Laeet (rijgveter), o. —ten.

Laeli. m. gmv.

Laelie [lafhartig), bn.

Laelie (lafaard), m. —s.

Laeheeren (los- of nalaten).

Lachebek (persoon), rn. en v. —ken.

Laehen. ik lachte (soms ook: loeg), heb gelachen. Met iets —. er niet om geven: in zijn vuistje —, heimelijk lachen; het is om te —. belachelijk.

Laeoniek, laeoiii.seh (kort en bondig, kern-spreukig. naar de wijze der oade Lace-demoni'érs). bn. en b\v.

LaeoiiiKine (zinrijk gezegde), o. gmv.

Laeuiie (opening, gaping: bijzondere schrift-aitlating). v. —s. Een — aanvallen, een leemte vullen.

Ladder (werktaig), v. —s. Een toon—, muz. Lade. la, v. laden.

Laden, ik laadde, heb geladen: —er, m.: — ing.v. Ladi'onen {straat- of zeeroovers in Italië). m. mv.

Lady (dame. voorname Engelsche vrouw), v. lady's.

Lalquot; {zoateloos, lafhartig), bn. en b\v.

Lafaard, m. —s: —hek, m. —ken.

LateniH (verkwikking), v. —sen.

Lrifhartig;. bn.; —lieid. v.

Lau;erliaiid {linkerhand), v. Hij zit aan de—. d.i. links van den gastheer. Laserlmder gemeenten in Engeland),o. Lagerwal {oever, waar de wind op staat), m. fig. Aan — zijn, raken, met zijn zaken te niet zijn of gaan.

Lammie (in Venetië: tnssrhenwater: in de Adriatische Zee; droogte en eiland), v. —n. Lak [lastering), m. gmv.

Lak [stof), o. —ken.

Lak (laf. zouteloos), bn.

Lakei (lijfknecht), m. —en.

Laken (weefsel), o. —s.

Laken (misprijzen), ik hel» gelaakt: —er. m.:

— ins, v.

LakeiiMeli. bn. Een —e jas. d.i. van laken. L ikenvelder (een rand met /vitten rag), m. en v. —s.

Lakken (met lak slaiten), ik heb den brief gelakt: —er. m.: — ins;, v.

LakmoeH [roodachtig blauwe verfstof), o. Lakooi (violier), v. —en.

Lam (jong van een schaap), o. —meren. Lmi [ verlamd), bn.enbw.: -beid, v.: —uiig» lieid, v.

Lanibrixeerins (hoaten wandbeschot), v. —en. Lamentabel (jammerlijk), bn. en bw. Lamentatie (jammerklacht), v. —en. Lamenteeren (weeklagen, jammeren).

Lamentoso (muz., op een klagenden toon). Lamfer (rouwsluier), m. en o. —s. Lamineeren (metalen tot blik slaan: pletten). Lamlendig; (krachteloos), bn.: -beid. v. iiammelins (beroerde kerel), m. —eti; voor het v. ook: —e. gm/..

Lammelot [luiaard), m. en v. —ten.

Ijamoen [ inspan van koets of wagen), o. —en. Lamp. v. —en. Dat riekt naar de —. er is j veel arbeid aan besteed: hij liep tegen de —, hij kwam verkeerd te pas.

Lampet (kom of kan voor waschwater), o. —ten.

Lampion i illumineerlampje of -glaasje), v. —s. Lamprei (visch), v. —en.

Lamprei (jong konijn), o. —en.

Lamzaliu; (ellendig), bn.: —lieid, v. gmz. Laneet (laatijzer, laatviijm), o. ten.

Land {vaste bodem), o. —en. Er is met hem geen — te bezeilen, men kan met hem niet overweg; ik heb het —. ik verveel mij, ben uit mijn humeur: het — van belofte.Pulèsüna, fig. een gelukkig land, huis. verblijf; iem. hei

— opjagen, hem ongerust maken.

Landen (aan land Komen), ik ben geland:

— ins, v.

Landerig (vervelend), bn.: —beid, v. Landerijen (akkers), v. mv.

Landgoed (buitenplaats), o. —eren. Landloopen (zwerven), o.: —looper (bedelaar), m. —s: —looperij, v.

Landman (boer), fn. —lieden.

liandbonw (veldarbeid), m. —en.

LandMehap (streek, oord. schilderstuk), o. —pen.

Landsheer [gebieder, vorst), m. —en: —lijk. —e redden.

Landsman (I 'ndgenoot), m. —lieden. Landzaat [inboorling), m. —zaten. Landxickis {.vervelend, onaangenaam), bn. Landziekte (heimwee), v.

Lans* bn. en bw. fets op de —e baan schuiven, uitstellen; 7 /s een gedicht van langen adem, een groot gedicht: het is zoo —. als het breed is. 't maakt geen verschil; een — gezicht zetten, verlegenheid of teleurstelling toonen: — van stof zijn, langdradig zijn; zij heeft een —e tong. zij is een kwaadspreekster: hij zal hel niet — meer maken, hij zal spoedig sterven: bij —e niet, op verre na niet. in geenen deele.

Lanshceii (persoon), m. en v. —en. Lansbeen (mag), v. —en.

Lansdradis (fig. vervelend), bn.: —beid. v. Lansdnris- hn. Een — onderhoud: —beid.v. Lansen [overreiken), ik heb gelangd. Lanshals (persoon), m. en v. —halzen. Lanshals (flesch), v. —halzen.

Lansoor (ezel), m. —en.

Lanstand (lekkerbek), m. en v. —en. Lanstons (babbelaar, kiuaadspreker), m. en v. —en.

Lans^verpis [uitgereid van vorm), bn.enbw.: -beid. v.

Lans^vijlis (leijdloopiij. vervelend): —beid. v. Lanszaam, bn. en bw.: —beid, v. Lanszainerband (zachtjes aan), bw.

Lanins (scheepsw. overloop), v. —en. Lankinoedis'lgt;n.en bw.; -beid.v. Lans (wapen), v. —en.

Lansier [ruiter met de kmsgewapend), m. —s. Lanskenet (kaartspel), o. gmv.

Lantaren. Lantaarn, v. —s, —en.


ocr page 163

L ANT ERF ANT — L E EG EN.

143:

liaiitciiant {leeylooper), 111. —en.

{straatslijpen), ik heb gelanterfant: —er. m.; —erij. v.

liaiiterlu (zeker kaartspel), o. gmv. Lap (stak), m. —pen.

LapidairNf'hril't (in steen gehouwen letters), o.

(steenirjen).

lüipiH infVriialiM {lielsche steen), m. gmv. Lappen (verstellen), ik heb gelapt; —per, m.: —perij, —piiitf. v.

Lappemlekeii. v. —s.

Lapzalven (kwakzalven), ik heb gelapzalfd: —er. m.; —erij, v.

Lardeeren (met reepjes spek opvallen):

—iiiR. —Hel. v.

Larf. larve (raps, made), v. —en.

Larghetto (eenigszias langzaam, zacht vloeiend). muz.

Largo {laKgzanai; breed, vol, rond, ernstig). Larie {snap. ook zotte klap), v. [muz.

Lariên (babbelen, snappen), ik hel» gelaried. liariiarie (gewauwel), o. gmv. gmz.

Larik.s (terpentijnboom), m. —en. liarikMhooin, m. —en.

LiiNeli (tusschenzetsel), v. lasschen.

LiiM'i vitei t (weelderigheid .gei llieid, ontucht», v. liankaar (Eng. hul. matroos), m. —karen. La.HHelien (bijeenroegen), ik heb gelascht; —iiiK, v.

L-iHt (vracht), m. —en. De — der jaren, der zorgen, d. i. de druk: iem. tot — zijn, hinder: iem. iets ten—e leggen, van iets beschuldigen: het einde zul den — dragen, het einde zal alles behalve voordeelig,gunstig zijn: — lijden. onaangenaamheden ondervinden: 'Holland was in —. in grooten nood: lusten en —en. inkomsten en uitgaven.

Last (muut), o. —en. Een — is 30 H.L. Lastaxe (losplaats), v. gmv.

L'iHtf'ii (bevelgeven, ook tasten helpen dragen). ik heb gelast.

La.st4gt;r (eerroof), m. gmv.

Lanteren, ik heb gelasterd: —aar. m.—ins, v. Liistiu; (moeielijk). bn. en b\v.: —heid. v. Lat, v. —ten.

l4iit('ii (niet doen. na luien: toelaten), ik heb gelaten. Iets blauw blauw —. er niet van spreken, het laten zooals het is: ergens het leven bij —. inschieten; iem. met rast. met vrede —. doen blijven; iem. in de pekel —. in de verlegenheid; het doen en — der men-schen, de handelingen, gedragingen.

Laten {aderlaten), ik liet, heb gelaten. Dit woord laten raakt in onbruik.

Latent ( verborgen, ingesloten, ingekerkerd). bn. Lateraan (punselijk paleis te Home), o. gmv. Latierhoom (boom in den stal tusschen de paarden), m. —en.

Latijn {de Latijnsche taal), o. gmv.

Latinisme (Latijnsche spreekwijze. Latijnsch taaleigen), o. —n.

Latinist (kenner van het fjitijn), m. —en. Latitude (geographische breedte: poolshoogte). Latoen (geel koper, messing), o. gmv. [v. Latuw (veldsalude), v. gmv.

Landahel (loU'elijk. prijzenswuardig), bn. Lainlannin (slunpweL'kend. jnjnstitiend mid-Landeeren {prijzen, loven). ' \del), o.

Laurier (boom), m. —en. Fig. lauwerkrans. Laurieren (niet lauweren kronen, verheerlijken). ik heb gelaurierd.

Lauw (huif wurm),hn. Fig. koel,onverschillig. —Iieid, —te, v.

Lanwen (lauw maken of worden), ik heb en het is gelauwd.

Lauwer (laurier), m. —s, —en.

Lauweren (laurieren),ik heb en ben gelauwerd.. Lava (nitbrauksel turn een vulktt.an). v. gmv. Lavabo (waschtafel). o. en v. —quot;s.

Lavage (he! ivasschen, af- of uitwasschen), v. Lavas (seheruibloeuiige plant), v. —sen. La veeren (cigzagsgewijs legen den wind zeilen] fig. geven en nemen, schipperen).

La vei (verlof), v. Iem. — geven. d.i. verlof geven: fig. iets wijs maken.

Laveien (ledig loopen. straatslijpen), ik heb-gelaveid.

Lavement (endeldamiinspuiting), o. —en. Laven (verkwikken), ik heb gelaafd; lalenis, v. Lavemiel (plant), v. gmv.

Lavoor (waschkom, lumpetkom). o. —en. Liiwaai, o. Er was groot —: hij maait reet

d.i. geraas, leven.

Lawine {sneeuwstorting, sneeuwval), v. —ny La\ (wijd, los. ongebonden), bn. f—s.

Laxans, laxatiel' (lt;tntlastingsmiddel). o. Laxatie (ontlusting : middel ter ontlusting).y. Laxeeren (afdrijven, ontlasting hebben). Laxeermiddel (purgeermiddel), o. —en. Lazaret (pest- of ziekenhuis), o. —ten. Lazarus (eigennaam: ook: een nielaatsche)r m. —spn. Arm als —, straatarm.

Lazarij (melaatschheid of lazaruszecr). v. gmv. Lazuur (blauwe steen), ?ti. lazuren; (stof), o. Het bn. is ook lazuren, b.v. Di' — hemel. Lazzarone (bedelaar of een van het straat-gepeupel in [talie), m. en v. —roni. Leading-artiele (hoofdartikel in een dagblad).

Lel», Lebbe (lebmaiui, stremsel), v. —ben. Lebaal (zekere nul of paling), v. —alen.

Lebb jü:, bn. —e kaas. naar de leb smakende f — beid, v.

Leetor (voorlezer: bij-leeruur in de levende talen. enz.), m. —en.

Leetnnr (het lezen, de lezing, belezenheid;, stof ter lezing), v. gmv.

Ledebraken. Leebraken {de Irden breken). Ijedebrakig (liir. zeer nioeielijk). bn. Ledebi'enk {breuk- van eenig lid), v. —en. Ledekant. Ledikant, o. —en.

liedenian, Leenian (lede/top), m. —uen. —s. Ledematen (urmen en beenen), o. mv. Zie Lidmaat.

Ledepop (kunstmatige pop voor schildei'sr dokters, enz.), v. —pen.

Leder, Leer (bereidt- dierenhuid), o. gmv. Ledewater,Leew aten j/'v/v/r/f/.s-mr/// i.o. gmv. Ledig, leeg {ongevuld), bn. en b\v.; —beid. v. —e tijd. vrije tijd: een — huis, niet bewoond; een — uurtje, uurtje van ontspanning; met—e-handen vertrekken, gaan. zooals men gekomen is, zondei zijn doel bereikt te hebben.

Ledigen, levgen. ik heb geledigd; — ing. v. Leed (hatelijk, spijtig), bn. Iets met Ie ede oogen aanzien, iets ongaarne zien.

Leed (verdriet, spijt), o. In Hef en —. in voor- en tegenspoed; iem. zijn — klagen, /.ijn hart ontlasten; uw ongeluk doel mij —. d.i. spijt mij; ik wil u geen — doen. kwaaddoen, beleedigen.

Leedwezen 'droefheid), o. gmv.

Leeftoebt {levensmiddelen), m. gmv.

Leefwijze. Leel'wijs. v. —wijzen.

Leeg, bn. Zie Ledig.

Leegen deeg maken). Zie Ledigen.


ocr page 164

144 L !•: EGLOOPER—LEKK ElfBE K K EX.

3iee»;l(gt;o|)er (straatslijper), m. —s.

Leegte, v. gmv.

Leek (iig. oninyrtvijde. ongeleerde), m. —en.

Leekebroeder {kloosterbroeder), m. —s.

Leelijk. lm. en bw. —lienl. v.

Leelijkerd. m. —s. gm/..

Lei 'in (aardsoort), o. gmv.

Leemeii {met loon hestrijken). ik heb geleemd; —er. m.: —erij. v.

Leemte u/W;/lt;*/,■. f/emis. uitlating), v. —n.

Leen, v. Ter —. tr —.

Leen (afhanl.elijl: grondbezit), o. —en.

Leenen. ik heb geleend: —er. m.; —ing, v.

Leenheer ikoizer. Loning), in. —en: —«eluip.o.

Ijeeniiiiin (vazal), m. —nen: —weliap, o,

Le e 11 r o e r i a; (afha n ke lij hu Is leen ).bn.: —lieiil,v. ■

Lepn.sprcnk (overdrachtelijke nitdritkldng). v. ' —en: — ijt. bn.

Leenstelsel, o.

Leep {slaag), v. Van de — I:rijgen, gmz.

Leep {loos. doortrapt), lm. en bw.; —lieifl, v.; — iglieid. v.

Leep (druipoogig). bn.

Leeperd (looze schalk), m. —s.

Leepoog (persoon), m. en v. —en.

Lei'poogig (traanoogig). bn.: —lieid. v,

lieer (leering), v.

Leer {ladder), v. —en.

Leer, o. Zie Leder.

lieeraar (onderwijzer bij het M. O.), in. —s '

Leeraarssiinht, o. —en. fof —aren.

Leeraren (onderwijzen, prediken), ik heb ge-leeraard.

Leerdieht (dichtstuk), o. —en.

Lceren (onderwijzen: in 7geheugen opnemen), ik heb geleerd.

Leergierig, bn.: — lieid, v.

Leerling, m. en v. —en: voor het v. ook —e.

Leermeester (onderwijzer), m. —s: —es. v.

Leerrede {preek), v. —nen. f—sen.

Leerstellig (dogmatisch), bn.

Leerstelling {grondbeginsel), v. —en.

Leerstoel {hoog leeraarsbet rekking), m. —en.

Leertonwen (het bereiden van leer), o.: —touwer, m. —s; —tonwerij, v. —en.

Leerzuelit (ijver), v. gmv.

Leest (schoenvorm), v. —en.

Leeuw (roofdier), m. —en. Zij vochten als —en, d. i. verwoed: er uitzien als een —, d. i. woest, schrikaanjagend: fn dengouden —, uithangbord van hotels: een Klimmende —. ■een getongde —, de liebaart in de wapenkunde: de groot'-, en de kleine —, sterrenbeelden: de orde van den Nederlandschen —, ridderorde.

Leeuwenbek {bloem), in. —ken.

Leeuwendaalder (oude Hollandsche munt van f 2.50). m. — s.

lieenwendeel (het voornaamste, het grootste deel), o. gmv.

Leeuwerik {zangvogel), m. —en.

Leeuwin (wijfjesleeuiv), v. —nen.

Leewater, o. Zie Ledewater.

Leg (het leggen der vogels, der hoenders), m.

Legaal (wettig, rechtmatig, overeenkomstig de bestaande wetten), bn. en bw.

Legaat (bij testament toegedacht gedeelte van een nalatenschap), o. legaten.

Legaat (pauselijke gezant), m. legaten.

Legalisatie (verklaring dat iets geldig is), v. gmv.

Legaliseeren {(vettig maken, geldig in rechten maken, gerechtelijk bekrachtigen).

Legaliteit (wettigheid), v. gmv.

Legataris, legatarins (een bij testament begiftigde). m. —sen.

Legateeren (bij erflating vermaken).

Legatie (pauselijk gezantschap), v. —tien. Legeeren. — ing. v. Ook: Legateeren. Legende {verdichte levensbeschrijving). v. -r-n. —s.

Leger (ligplaats, kamp), o. —s. Legerstede, rustplaats, bed: het — van een haas. een wolf, enz.: de zieke lag op zijn —. d. i. bed: het — opbreken, d. i. het kamp afbreken. Ii« 'ger (heir, krijgsmacht), o. —s.

Legeren, ik heb gelegerd: —ing. v.

Leges (wetten, verordeningen', bepaalde bijverdiensten der ambtenaren voor zekere werkzaamheden), v. mv.

Leggen (doen liggen, ineen liggoide houding plaatsen, nederplaatsen). ik heb gelegd (geleid». De vogels — eieren-, de wind zal zich —, d. i. gaan liggen, bedaren: een strik —. spannen: ion. lagen —. valstrik spannen: de hand aan iets —, beginnen met iets; iem. iets in den weg —, tegenwerken, hinderen: iem. de lumd op den mond —, doen zwijgen; tevredenheid aan den dag d. i. toonen, doen blijken: de schuld op iem. —. d.i. werpen: een stad in de asch —. d.i. verbranden; een pleister op de wo)ide —. heelen. zalven, iets goedmaken: den eersten steen —, het fondament, den grondslag —: het zal hem geen windeieren —. wel degelijk voordeel opleveren. Legioen (Romeinsche legerafdeeling, keurbende van 3-0 duizend man), o. —en. Legislatief (wetgevend), bn.

liegislatnnr {wetgevende macht), v. gmv. Legitiem {wettig, echt), bn.

Legitimatie (echtverklaring), v. gmv. Legitiiiieereii {wettigen, echten).

Legitimist (aanhanger of voorstander der legitimiteit, d. i. der Bourbons-regeering in Frankrijk), m. —en.

Legitimiteit (wettigheid: echtheid), v. gmv. Legkaart (speelgoed), v. —en: -prent. v. —en.

Leguaan (bekleedsel van touw om de raas: ook kam hagedis), m. leguanen. Lei (voorwerp), v. —en: (stof), o.

Leiband, m. —en. Aan den — loopen, zich door anderen laten leiden, alle zelfstandigheid missen.

Leiden (doen gaan), ik heb geleid: —er. m.: Leider {helaas!), tw. [ — ing. v.

Leidsel, Leisel (toom. lederen riem), o. —s. Leidster (geleidster, leidsvrouw), v. —s. Leidster ( poolster, fig. gids, baak), v. —ren. Leijonker (l-ruidsleider), m. —s.

Leis (koppelriem voor jagershonden), v. —en. Leisel, o. — s. Zie Leidsel.

Leist (leizeel), v. —en.

Leizeel {leireep), o. —en.

Lek (niet dicht), bn. en bw. Een — vat-, het schip raakte — : een —ke fluit, d. i. een valsche. Lek (lekgat), o. —ken.

Leken {afdroppelen), de traan is geleekt. Lekkage, v. —s.

Lekken (druipen), het is en heeft gelekt. Lekken (met de tong ajlekken). Zie Likken. Lekker (smakelijk, aangenaam). bn. en bw. Tem. is — op zijn eten. d.i. kieskeurig; ik ben niet —. d.i. min of meer ongesteld. Lekkerbeetje dekker hapje), o. —s. Lekkerbek (smaller), m. en v. —ken. Lekkerbekken {smullen), ik heb gelekkerbekt: —kerij. v.


ocr page 165

LE Iv KEI iMOND - L EZ KX.

liekkeniiiiiMl i h'kkerbck). m. en v. —en. Lekkc^mij (snoepyow/). v. —en,

Ijekkei'M (dllerlri fekkt'rnij randen hak kei'), o. liekkcrtiind (lekkerbek), m. en v. —en. Lekkertaiideii {smullen). ik heb gelekkertand. liokkertjoM (.aardig). b\v. Wij hebben hem — gefopt, m

Lekkcrfons; (lekkerbek), m. en v. —en. LekstwiK.sfem, waardoor water zijgt), m. —en. LH (velletje), v. —len. De oorlel': d'' b-Uen van em haan. onderknm.

Lelie {bloem), v. —liön. —s.

liellen. ik hel» geleid; — Ier, m.: — linyj, v. Hij lag mij aan 7 oor te —. d. i. telkens weer hetzelfde te zeggen.

Leimiia (leen- of haIpstelling: voorloopige stelling; lijfspreuk), o. —'s.

Leniiiieil {vleiend praten), ik heb gelemd: —miiig, v.

Leiunier (staal, kling), o. —en. —s.

Lemmet (kaarsepit), o. —en.

Lemoen. Lamoen {disselboom) o. —en. Lemle. v. —n, —nen. Feat, een stok in de —n leggen, he)n de —n smeren, hem op zijn —n geven, d. i. slaan, afrossen.

Lenen. Zie Leinien.

Lens; (soort van kabeljauw), v. —en.

Ijens (zeew. touw, strop), o. —en.

Lens^n {langer warden). de dagen zijn gelengd: Lengte, v. —n. v.

Lenis; izaeht. buigzaam), bn. en b\v.: —lieid. v. Lenigen {verzachten), ik heb gelenigd: —er. m.: —ins. v.

Lenitiel* (verzachtingsmiddel), o. —tieven. lienitief [verzachtend), bn.

LeiiH (leeg), bn. en bw. De pomp is —. de flesch is —. zonder vocht.

LeiiHen (met een leas of harpuot doorsteken). ik heb gelenst.

Lente (jaargetijde), v. —s.

Leuteren (talmen, dralen), ik heb geleuterd. Lento (langzaam), muz.

Lenden (ledigmaken), ik heb gelensd: —ing. v. Den regenbak —, een kan —.

Lenzen (met een fokje zeilen), ik hel» en ben Lepel. m. —s. [gelensd.

Lepelaar (zekere vogel), m. —s of —aren. Lepelen (eten mei een lepel), ik heb gelepeld. Leppen (met teugjes drinken), ik heb gelept: —per. m.: —ping. v.

Lepperen (leppen), ik heb gelepperd.

Leproos (melaatsch), bn.

lieprozeiiliiii» (hospitaal vaar melaatschen), o. —huizen.

Lew. v. —sen. — in de aiaziek, het teekenen. enz. Le.selih.ik (koelbak), m. —ken: —drank. m.

—en: —trog, m. —gen: —water, o. Le*.Helien (afkoelen), ik heb gelescht. De kalk —, den dorst —: —er, m.: —ing, v. Lessenaar, m. —s.

Le ta I i te i t (doodel ijk hei d, sterfelijkheid). v. gm v. Lethargie (slaapzucht: ongevoeligheid: zorgeloosheid), v.

Lethargi.srli (slaapzuchtig: zorgeloos), bn. Lethe (stroom der vergetelheid), v.

Letsel (ongemak, nadeel), o.

Letten {beletten, hinderen), ik heb gelet. Letter (klank of teeken). v. —s. —en. Hij heeft veel letters gegeten, is geleerd: iets naar de — opvatten, d. i letterlijk: naar de — der . wet. stipt, eng; hij houdt zich aan de —. hij ; dringt niet door tot den geest der dingen; —gebak op St. Nicolaas.

koenen. Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal.

Letteren (merken), ik heb geletterd: —ing, v. Letterkunde (fraaie letteren, literatnar). v. gmv.

Letterkundige, m. en v. —n.

Letter! ijk (naar de letter),\n\. en bw. — vertalen. Lett re de eacliet (geheim bevel tot inhechtenisneming), v. lettres de cachet.

Lettre de inarqne (kaperbrief), v. lettres de marque.

Lengen. Logen, v. —s. leui. een — op de mouw spelden, hem iets wijs maken. Leugenaar, Logenaar, m. —s, —naren.

Leuk, bn. en bw. Zich — houden, zich houden of men van niets weet; een —e vent. een schalk.

Leukweg (op mverschillige wijze), bw. Leunen ( rusten op, steunen op), ik heb geleund. Leuning, v. —en.

LeuningHtoel, Leunstoel, m. —en.

Leur (slechte wijn), v. gmv.

Leus. Leuze (wachtwoord, devies), v. —zen. Leuter (te kort), m. gmv.

Leuteren (loszitten, wiggelen), het heeft geleuterd. \\ at leuter je toch, d. i. je praat onzinnig: het leutert hem in den bol, de kei leute)-t hem, hij is halfgek.

Leuterbol (zotskap), in. —len.

Leuterkous (babbelkous), m. en v. —en. Leutervaar (praatvaar), m. —s.

Leuterwerk (knoeiwerk), o. gmv.

Leuze, v. /ets voor de — doen, d. i. voor den schijn. Zie Leus.

Levant (het Oosten. Klein-A~ie), v. gmv. lievantijn (Oosterling), m. —en.

lievantijn (stormwind), m. —en.

Levantiju. levantine (zijden staf), v. gmv. lievautijnseli (Oostersch, ■•it de Levant), bn. lievantseli (Oostersch). bn.

Levêe (hefling, lichting), v. —s. — en masse, algemeene oproeping te wapen.

Leven, ik heb geleefd. Leven van de hand in den tand. — als vroolijk Fransje, d. i. zorgeloos, zonder te denken aan de toekomst; zij

— als kat en hond, d. i. in gedurigen twist: men moet — en laten —. men moet een ander ook wat gunnen.

Leven, o. —s. Het —. de —s vangroote aiaanen. Levend (niet dood), bn. —e talen, —e strijdkrachten.

Levendig (vroolijk), bn. en bw. Het gesprek werd gedurig —er (C.O.), drukker.

Lever (het opstaan ten hove: de morgenopwachting bij de vorsten), o. —s.

Lever, v. —s. De — schudden of doen schudden. harteli jk lachen of doen lachen; een droge

— hebben, een nathals zijn.

Leveren (verschuifen), ik'heb geleverd: —aar, —aneier. m.: -ing, —antie, v. Slag —: stof — tot een gesprek, verschaffen: iemand in de handen zijner vijanden —, d. i. geven, doen vallen.

Leviathan (monsterachtig waterdier), m. —s. Leviet (hulppriester), m. —en.

Lex {wet, verordening), v. leges. |ven.

Le\ieograa 1'(ivoordenboekschrijver), m. —gra-Lexieograpliie (woordenboekschrijverskunst), Lexieon (woordenboek), o. —ca. |v.

Lezen, ik las. heb gelezen. Aren —, d. i. verzamelen. bijeenzoeken; kruiden, bloemen —: de courant —: waarover zal aten vanavond —, d.i. een voorlezing houden; iem. de les — : den tekst —: de Levieten —. d. i. scherp doorhalen, de waarheid zeggen: in andermans

40


ocr page 166

146 LEZENAAR

LI.I DELT.J K.

hoeken is het rluister —, het is moeielijk van de bedoelingen, den toestand van een ander goed op de hoogte te zijn.

Lezenaar {leesbordje), m. —s.

Liaison (verbintenis ran minnenden, ver-eeniying. betrekking), v. —s.

Lianen {slingerpinnten dor keerkringslanden), v. mv.

lilas (band of pakket schriften: snoer of veter om papioen aan te rijgen), v. —sen.

Libatie ioIJ'erplenging, plengoffer der Oaden), v. —tiën.

Libel {schot- of smaadschrift), o. —len.

Libellist (libelschrijver), m. —en.

Liber (vrij), bn. en bw. Los en —. vrij en ongedwongen.

liiberaal {milddadig, gastvrij-, billijk, goedaardig, onbevooroordeeld, onpartijdig', vrijmoedig', vrijvolksgezind, niet orthodox), bn. en bw.

Liberaal (in de staatkunde: voorstander der volksvrijheid), in. —alen.

Liberalisme (.onpartijdige en verlichte ivelge-zindhrid jegens anderen), o. gmv.

Liberaliteit (liberale da nd af hoedanigheid), v.

Libereeren {bevrijden, ontheffen, verlossen).

Lib»'rteit (vrijheid), v. —en.

Libertin. libertijn (losbol, wildzang, vrijgeest), m. — s.

Libertinage (losboller ij, ongebondenheid), v. gmv. .....

Liberfineeren (doordraaien, I teder lijk teven).

Libitum (welgevallen, goedvinden). Ad —, naar welbehagen.

Librairie (boekhandel, boekivinkel), v. —s.

Libretto (tekstboekje van een opera), o. —'s.

Lieent {tol, accijn*. belasting op uitgaande waren), o. —en.

Lieentiaat {ionand, die de bevoegdheid heeft verkregen om doctor te worden), m. —aten.

Lieentieereii {veroorloven; de bevoegdheid geven; ontslaan, afdanken, uit den dienst

Liebaam. o. —amen. [zenden).

Liebt. o. —en. Het — der zon. der maan. der sterren: tusschen — en donker, in de schaduw; tem. een — doen opgaan, opheldering geven: ieni. — verschaHen, helderheid, inzicht.begrip; het — zien. geboren worden: in het — geven, doen verschijnen (van boeken».

Lirlit (helder). bn. en bw.

Liebt (niet zwaar), bn. en bw.

Liebt (waarschijnlijk), bw.

Liebtekooi {slechte vronw). v. —en.

Liebten (licht geven, weerlichten), het heeft gelicht.

Liebten (opheffen), ik heb gelicht; —er {kandelaar, lantaarn), m.; —ins. v.

Liebter (praam, schuit om in ovr te laden). m. —s.

Liebterlaaie, Ijiebtelaaie, bw. Het. huis brandde —, d. i. met heldere vlam.

Licbtgeloovig, bn.: —beid. v.

Liebt^eraakt (spoedig boos), bn.; —beid, v.

Liebtbool'd (zorgelooze), m. en v. —en.

liirbtinis (losbol), m. —sen.

Liebtinis (vrouwendag op i? Febr.), v. gmv.

Liebtinisseii (rinkelrooien), ik heb gelicht-mist; —serij, v.

Liebtvaardig (ondoordacht), bn. en bw.; —beid. v.

Liebtzinnig (onfeeswisd), bn.enbw.; —beid, v.

Lirite (geoorloofd), bn. en bw.

Licitnm {geoorloofde zaak, opbod), o. —s.

Lirtor {bijldrager bij de Romeinen), m. —en liid (deel. gedeelte), o. leden.

Lidgras {kruipende tarwe), o. gmv.

Lidmaat (medelid), m. en v. —maten. Lidmaat {deel des lichaams), o. ledematen. Lidmaatseliai», o. Het — eener sociëteit. liiebaard (leeuw in de wapenkunde), m. —s. Lied {gedicht, vers), o. —eren.

Lieden, m. mv. Zie Lui.

Liederlijk (zedeloos, slecht), bn. en bw.;

— beid. v.

Liedertafel (zangvei•eeniging), v. —s.

Lieeren {verbinden* vereenigen, zich tot iets verplichten).

Lief (aangenaam, behaaglijk), bn. en bw. Lief (al wat lief is), o. gmv. Het — en leed des levens. In — en leed, in voor- en tegenspoed. Lielquot; (geliefde), o. gmv. De ridder en zijn —. Liefdadig {weldoende), bn.; —beid. v.

Liefde, v. gmv.

Liefderijk, bn.; -lu id. V.

LidVlijk {aangenaam), bn. en bw.; -beid, v. Liefhebben, ik had lief, heb liefgehad. Liefhebber (dir van iets houdt: die zich met iets bezighoudt zonder vakman te zijn: dilettant, amateur), m. —s. Een — van haas, schilderijen, wandelen; ook een — doet soms iets, dat waarde heeft voor kunst of wetenschap: een oude —. wellusteling of drinker. Liefhebbemi (voor liefhebber spelen), ik heb geliefhebberd.

Liefhebberij {neiging van een liefhebber), y. —en. Hij heeft (dierlei kostbare —en.; 't is

— om zoo iets aan te zien, d. i. een vermaak en aardigheid.

Liefkooxen (strcelen, vleien), ik heb geliefkoosd: —er. m.; —erij, v.: —ins;, v. Liefoogen (lonken), ik heb geliefoogd.

Liefste (beminde), m. en v. —en.

Lieftal is; (lief sprekend), bn.en bw.: —beid. v. Lieftallig (bevallig), bn. en bw.: —beid, v. Lies;en (ontvaarheid spreken), ik loog. heb gelogen.

Lie r {snaarinstrument. ooV. draai orgel ),\. —en: —eman, m. —nen; —zang {lierdicht), m. Lieren (op de lier spelen, het orgel draaien), ik heb gelierd.

Lierlan w (een weinig lauw), bn. De kolf ie is Lies {lichaamsdeel), v. —zen.

Lievelins;. m. en v. —en; voor het v. ook: —e. Lieven (beminnen), ik heb geliefd. Lievenheersbeestje {kevertje), o. —s. Lievenheersliaaiitje (zevenvlekkig kevertje),o. Lieverlede (langzamerhand), bw. Alleen ge-gebruikelijk in: van lieverlede. Lieve-vronwen-bedstroo (welriekend kruid). Lieve-vron wen kerk, v. —en. [o.

Lievis;beid (aardigheid), v. —heden.

Liflaf (smakeloos, laf), l»n. en bw.: als zn. o. Lifladen (zottepraat uitslaan), ik heb gelillaft;

— ferij, v.

Lis;anient {band, verband, zwachtel, windsel: koppelletter, als //quot;. fi, enz.), o. —en.

Lis;ato (gebo nden, vereenigd), muz.

KiKScii, ik lag, heb en ben gelegen. In proces —: overhoop —: hij ligt te plagen, d. i. is bezig met.

Ligne (verbond, eedgenootschap), v. —s. Lignist {eedgenoot, saam gezworene), m. en v. nster (heester), m. —s. f—en.

(scheepsw. lage zijde van een zeilend schip, de tegenkant van de loefzijde), v. gmv. Lijdelijk (geduldig), bn. en bw.: —beid. v.


ocr page 167

LIJDEN—LITEHAUISCI I.

147

(dulden), ik leed, hel» geleden. Schipbreuk d.i. ondergaan; homjer —: ik lijd zoo iets niet tanyer, gedoog: het kan niet —. de uitgaaf kan er niet af: iern. inofien —. houden van; ik may het wel —. ik heb er niet tegen.

Lijden, het leed, is gel eden. Het is een halfjaar geleden, d.i. een haltjaar is voorbij; het leed niet lang of. liet duurde niet lanfi. liijdzaam {goedaardig), bn.en bijw.; — lieiil. v. liijlquot;. o. lijven. lem. een schrik op het — jagen, hem erg doen schrikken; geen hart in het — hebben, geen moed hebben; deze zaak heeft niets om het —. heeft niets te beduiden: iem. te — tui Hen, d. i. willen slaan: iem. te — konten, d. i. slaan.

liijiViKeiie (dorper), m. en v. —en. vero LijiMhohond (.levensbehoud), o. gmv.

liiji'Ntrar. v. —ten.

liijlVitraflV'lijk, bn.: —e rechtspleging, die straf aan het lijf of lichaam toepast.

Lijltocht * levensmiddelen), m. gmv. Lijlwaelit (de geheele wacht eens vorsten), v. —en.

li ij Twaclit (persoon, wachter), m. —en.

Lijk (boord om een zeil), o. —en. Het zeil is uit de —en geslagen, uit het boordsel gescheurd. Fig. l'it de —en geslagen zijn. geheel bedremmeld, verlegen zijn.

Lijk (dood lichaam), o. —en.

Lijken {gelijken). het portret leek. heeft geleken. Lijken {passen, aanstaan): dat lijkt mij. Lijken {de zeilen op den winti brassen), ik heb gelijkt.

Lijm {bindmiddel), v. gmv.

Lijnien {door lijnt verbinden), ik heb gelijmd. Papier met lijmwater doortrekken.

Lijiniff (kleverig), bn.: —iieid, v. Hij spreekt

d. 1. slepend, temerg.

Lijn (touw. ook: streep), v. —en.

Lijnbaan (touwslagerij), v. —anen.

Lijnen 'lijnen trekken óp), ik heb het p:ipier gelijnd.

Lijnwaad (linnen), o. —waden.

Lijntrekker {talmer, zanikkous), m. —s; Lijn/.aad (vlaszaad), o. gmv. |—kerij, v. Lijs {treuzelaar), m. en v. lijzen.

Lijspond {i') oude /gt;.), o. —en.

Lijwt (rand. omzetsel), v. —en. De — van een | spiegel, schilderij: fig. een lange —, een ! groote reeks.

Lijster (zangvogel), v. —s.

Lij viu; (dik, zwaar), bn.: -heul, y. Een — boek. Lijwaart* (zeew. onder den wind), bw.

Lijzen (langf) (chin, porselein, niet naar den vorm, maar naar de ran hpflgn ren er op'. v. mv. Lijzig {traag, lusteloos), bn. Wat praat hij — ! Lik {slag), m. —ken.

Likdoorn (eeltknobbel), m. — s.

Likeur (fijne drank), v. —en.

Lik|Mgt;nt {glanshout v. d. schoen maker), o. —en. Likkebaard {smulIer), m. —en. Likkebaarden (zijn lippen aflikken), ik heb gelikkebaard.

Likkebroer {proever, pimpelaar, drinker), m. —s.

Likken. Lekken, ik heb gelikt (gelekt); —ker, m.: -king;, v.: —kepot (artsenij), m. Likken (gladmaken met het likhout), ik heb gelikt: —steen, m.: —«tok. m.

Lil {gestold kalfsvet. ook gelatine), o. gmv. LilaH. lila (lichtblauwe, roodachtige kleur), o. gmv.

Lillebeenen (waggelen), ik heli gelillebeend. liillen (trillen), ik heb gelild: -ling, v. —d ingewand; hij lilt van kon.

Lilliputter (bewoner van Lilliput, d wem je), m. — s.

iA\imei(scheidsj)aal. grens: hoogste bod), v. — ijimiinile (beperking, begrenzing), v. —tiën, — Liniiteeren (beperken, begrenzen, nauwkeurig vaststellen).

Linioen (kleine soort van citroen), m. —en. Limonade (verkoelende drank van water, suiker en limoensap), v. gmv.

Linde (boom), v. — n.

Lindeblad, o. —en, —eren.

Lindebloe.Hem, m. —s.

Lindenlioiit. o.

liinea (Unie. lijn, trek), v. —'s.

Lineanienten (trekken van het gelaat, of van de hand), o. mv.

Lingerie (linnengoed), v. —ries. —rieën. Linuuist (taalkenner, taalgeleerde), m. —en. liinu;iiiHtiek (taalkennis), v. gmv. LinffnistiMc-li cle studie der talen betreffende), bn.

Liniaal (werktuig om lijnen te trekken), v. —alen.

Linie (streep, lijn: evennachtslijn: in slagorde geschaarde troepen: staand leger: geslachtsopvolging), v. liniën. linies.

Linieeren (van lijnen voorzien, belijnen). Linietroepen (staande geregelde troepen),\.m\. Link (indruksel van een keten. riem. enz.), v. —en.

Linkerann, m. —en v. —en: —kant,

—oever, m.—s:

—vleugel, m.—s; —voet, m.

Linkerd (die met zijn linkerhand even goed terecht kan als met zijn rechterhand: ook: geslepen vogel, looze guit), m. —s.

Links, bw.; -al', bw.

Link.selt. bn.: -beid, v. Dit kind is -. Linksom, bw. — keert!

Linnen (weefsel van vlas),o. —s. Vlaamsch —. Hollandsch —; gewast —.

Lint (geweven band), o. —en.

Linze (plant, wikke), v. —n.

Lion (toongever in zekeren kring), m. —s. Lionne (gevierde schoone uit de groote wereld).

Lip. v. —pen. De — laten hangen, pruilen; zich op de —pen bijten, zich bedwingen, inhouden; ik had het woord op mijn —pen. ik wilde het juist zeggen.

Liplap (kleurling), m. en v. —pen.

Liquide (vloeibaar, helder, zuiver: glashelder, vlottend), bn.

Liquidatie (vereffening), v. —ties. —tiën. Liquideeren {klaarmaken, vereffenen: afrekenen).

Lis. Lus (snoer, strikje), v. —sen.

Liscb (gewas), o. lisschen.

Lispelen (lispelend of zacht spreken), ik heb gelispeld: -aar, m.; -ing, v.: -end. bn. Lispen (lispend spreken), ik heb gelispt; —end, bn.: —er, m.: —ing, v.

List (sluwheid, sluw middel), v. —en.

Listig bu. en bw.: -beid. v.: -lijk.bw.

Litanie (smeekgebed bestaande in een reeks van aanroepingen, met antwoorden in de li. K. kerk), v. litanieën.

Liter (Ned. kan of kop), m. —s. [bn.

Literariscb (letterkundig, wetenschappelijk).


ocr page 168

LIT EH ATOK-LON K KN.

148

Ijiterator {lettcrkinidige, boekenkenner), m. —en.

Ijiteratnur (letterkunde, letterkundige weten-schappen), v. —uren.

ïjii\nt%rnni'(teekenaar op steen; steendrukker), m. —grafen.

Litliogra|»lilt;H»r«'ii (op den steen teekenen: steendrukken).

Liitliographie (steenplaatdruk: steenschrijfkunst), v. —ën.

liitliographiscli (van, voor, betrepende of op de wijze van de steendrukkunst), bn.

Ijitigatie (twist, twistyedhuf, betwisting), v. liifigeeren (twisten, twistvoeren, pleiten). liitigiens (betwistbaar, pleitziek), bn. Ijitleeken (wondteeken), o. —s, —en.

liitnrgie (kerkformulier, kerkenorde, kerkgebruik), v. — ën.

liivide (lijkkleurig, doodsbleek), bn.

liivraiHon (aflevering), v. —s.

liivre (als Franse he rekenmunt, zooveel als frank-, als Engelsche [Hvre staling, J.. St.] 1 in waarde gelijk aan f '12.60), o. —s.

Livrei (kleed ij), v. —ën.

Ijivret (aanteekenboekje), o. —ten, —s.

Iil4»yd (zeevaart-maatschappij), m. Ook: llogds. j lioli (plooisel aan kraag of manchet), v. ; —ben.

Lohheren (in 't water ploeteren), ik heb ge- ! lobberd.

Ijohherig; (dik en trillend van spijs), bn. en bw.: —licid. v.

LiobheH (sukkel, sul, bloed), m. —en.

Ijohhis (ruim en slap hangend), bn. en bw. liohoor (houd met neerhangende oor en), m. —en. Fig. lobbes, lomperd.

Loboorig; (onhandig), bn.; —heid, v.

Locaal {'plaatselijk'), bn.

lioraliseeren (op de behoorlijke plaats stellen, de behoorlijke plaats aanwijzen: geheel van plaatselijken aard maken). Een ontsteking, een besmettelijke ziekte —. de uitbreiding ervan tegengaan.

Ijocaliteit {vertrek, kamer, zaal), v. —en. Locataire (huurder, huurster), m. en v. —s. Liocoinotief' (stoomwagen: stoomtrekker), v. —tieven.

Ijoriitie (uitdrukking, spreekwijze), v. —s, LioddtT (lompe vlegel), in. —s. jtiën.

liodderen (fig. luieren), ik heb gelodderd, iiodderip; (wellustig), bn. en bw.; —heid, v. Lodderoog (vriendelijk oog), o. —en. Lodderoog; (persoon), m. en v. —en. liodderoogen (wellustige blikken werpen), ik heb gelodderoogd.

Loeder (gew. lomperd), m. —s.

lioef (scheepst. hooge zijde van een zeilend schip, tegengestelde van lij), v.; De — hebben, den bovenwind hebben; — houden, goed bij den wind zeilen: een schip de — afsteken, afwinnen, afknijpen, het voordeel van den wind bekomen; fig. iem. de — afsteken, hem vooruitkomen, gmv.

Loeien Ct bulken der runderen), de koe heeft geloeid. Fig. huilen van den wind.

Loenseli (een weinig scheel), bn. en bw.

Loer (botterik), m. —en.

Loer (het loeren), v. Op de — staan, liggen. Loeren (bespieden), ik heb geloerd. Op iets —, het trachten te krijgen; op een ambt —. Loeres (lomperd), m. —en.

Loeroogen (gluren, scherp toezien), ik heb geloeroogd.

Loeven (zeew. tegen den wind opzeilen), ik heb en ben geloefd.

Loeverl, Loever, alleen gebruikelijk in: te — aanzeilen, d. i. loefwaarts.

Lol' (bladeren), o. gmv. Zie Loof. Lol' (lofspraak), m.: (in Roomsche kerken: namiddag-godsdienstoefening), o. gmv. Lollelijk (prijselijk), bn. en bw.: —lieid. v. Loflied, o. —eren.

Lol'tniteii (iem. vleien), ik heb hem geloftuit: —er, m.: —erij, v.; — inaj. v.

Lolzany; (hymne, ode), m. —en.

1^0«; (zwaar, plomp), bn. en bw.: — lieid. v. Log; (zeew.), v. —gen. Zie LoK^en en |jou;lijn. liOKaritlmie (e.rponent van een standvastig getal in de algebra), v. — n. Lou;aritliiiienfarel (lijst van logari thmen-waarden), v. —s.

Loge (stoel, zetel: zitplaats in den schouwburg: de besloten kamer der vrijmetselaars)^

Lose (gast die logeert), m. — quot;s; loRêe, v. —s. Loiseahel (bewoonbaar), bn.

Logeeren (quot;Is gust nachtverblijf houden). l^oKenienf (herberg), o. —en.

Logen (leugen), v. —s.

LoKeiiHtrairen (tot leugenaar maken), ik heb gelogenstraft.

Lo^en (met de log de vaart van bet schip bepalen), ik heb gelogd.

Losser (oorlogsvaartuig), m. —s.

Loffiea (denk):mist, redeneerkunst), v. gmv. Logies (verblijf), o. gmv. (zeew. matrozenhut). Logineh {redeneerkunstig), bn. en bw.

Loglijn (zeew. lijn, die door knoopen in evenmatige deelen is verdeeld), v. —en. liogogryplie. Logogrief (woordraadsel, ook letterraadsel), v. —gryphen, —griefen. Logoinaehie {woordentwist), v. —ieën. Lok (krul), v. —ken.

Lokaal (vertrek), o. lokalen.

Lokaas (spijs om vogels of wild te lokken), o. —azen.

Loket (hokje, raampje), o. —ten.

Lokken (trachten tot zich te roepen), ik heb gelokt: — ker, m.: —king, v.: —sel. o. Lol (grap, pret), v. — len.

Lollen (mauwen, ook luid zingen), ik heb gelold: —er. m.

Lollen (zich op een stoof warmen): lollepot (vuurpot), m.

Lombard. Lonihcrd. m. Zie: Loniinerd. Loniharden. Loniberden. Zie: Loninierden. Lonimer (schaduw), o. gmv.

Loinnieraelitig. bn. Een — laantje. Loniinerd (bank can leening. pandjeshuis), m. —s. Ook: Loniberd, lombard. Loninierden (dikwijls van den lommerd gebruik maken), ik heb gelommerd. Ook: Loniberden. lombarden.

Loninieren (in het lommer zitten), ik heb gelommerd: —ing, v.

Loninierig (schaduwrijk), bn. Een — plekje.

(versleten lap),\. —en. In —en gekleed. lionip (dom. ruw), bn. en bw.: -held. v. Lomperd (domoor), m. —s.

Long (ademhalingswerktuig), v. —en. Longihide (geographische lengte), v. gmv. Longitndinaal (overlangsch), bn. en bw. De —ale trillingen van den aether.

lionk (blik), m. —en.

Lonken (eenigermate scheel zien), ik heb gelonkt: —er. m.


ocr page 169

LONT-LUCHT.

149

liOiif, v. —en. De — van een kanon; fig. — ruiken, onraad bespeuren.

lioocheneii (ontkennen), ik heb geloochend; —aar, m.; —ing, v. De waarheid d. i. niet erkennen; alle scha ld —.

lioofl {.metaal), o. Iets weegt zoo zwaar als —, d. i. zeer zwaar; met —■ in de schoenen (ook met —en schoenen) aankomen-, d. i. 01 willig, schoorvoetend; dat is — om oud ijzer, quot;t is evenveel van beteekenis of waarde, nl. weinig; die maar staat in het —, d. i. loodrecht. Lood (D. G.), o. —en. Een — kaneel.

liooden, bn. Met — schoenen yaan, aankomen, d. i. met onwil, met tegenzin, met angst. Ijoodcii (peilen), ik heb gelood: —«t. m.;

— illjj, v.

Loodlijn (rechtstandige lijn),y. —ei\: —ïy;, bn. Loods (vaarwater-gids), m. —en.

Loofl.s (houten hut), v. —en.

LoocImimi (een schip nit of' in zee brengen), ik heb geloodst.

Loodwit (zekere verfstof), o. gmv.

Looi'. Lol' (bladeren), o. — van aardappels. Loofhut ([sr. feesthat), o. —ten. Lool'liiittlt;kiil'('(k!st, o. —en.

Looe (scherp zont water), v. gmv.

Looien (in het loogwater zetten), ik heb geloogd. Katoen, tinnen, hennep —: —iiiK, v. Looi i/•///?). v. gmv.

Looien (leder bereiden), ik heb gelooid: —er. m.: —erij. v.; —kuip, v.

liook (een ai-achtige plant), o. gmv.

Loom (traag), bn. en b\v. Met —e schreden. Looinii; doom), bn. en b\v.: —lirid. v.

Loon (vergelding), o. —en. — naar wer!:. vergelding naar verdienste: V is zijn verdiende —, hij krijgt wat hem toekomt (ongunstig); ondank is 's werelds —.

Looiieu {vergelden, betalen), ik heb geloond; —er (belooner), m.; —iug; (betooning), v.; -lieer, m.

Loop {gang. tred), m. —en. De — der hemellichamen', de — der zaken', de — dernataar; op den — zijn: de paarden zijn op den — d. i. op hol; zijn versta ml is op den —. hij is niet wijs; de — van een geweer, van een baks. revolver, enz.

Loopeu (snel gaan), ik liep. heb en ben ge-loopen. Laat dit maar —, bemoei er u niet mede; den drempel ergens plat —, zeer dikwijls ergens komen; met het hoofd tegen den munr —, onzinnige pogingen doen: er loopt wat van St. Anna onder, de zaak is niet zuiver; het vaar uit de zolen (ook sloffen) —, zeer hard loopen: het loopt in het riet, in de war.

Loopeud (in beweging, in ga}ig), bn. liet —e jaar. de —e week of maand: — schrift, vlug schrift (niet staand)', de —e prijs, de marktprijs; de —e rente, nog te innen rente; een

— V'fnr, een snel veld winnend vuur. Looper, m. —s. Hij is — op dat kantoor,

boodschaplooper; de —s der smeden, sleutels, die op alle sloten passen: de — der trap. kleed, tapijt: de —s van een haas. de pooten. Loopje (kunstgreep, bnert), o. —s. Ik weet cr u'cl ee}i — op; hij wil een — met ons nemen, ons voor den mal houden.

LoopHch. bn.; —heid. v. Het hondje is —. Loos (zeew. bocht in een touw), v. loozen. Loos (ledig), bn. Een looze noot. Spraakk. Eeii — onderwerp, b.v. het rookt hier.

Loom (listig), bn. en bw. —lieid. v.

Loot. lot (kleine tak), v. loten.

Loover (bladerkroon, het loof der boomen),o. Loozen. ik heb geloosd. Een zucht —; het water —: iem. —. wegsturen: —ingJ. v. Lor {oude lap), v. —ren. Fig. beuzeling, ook onbeduidend persoon.

Lord (manstitel van den hoogen adel in Engeland), m. —s.

Lording (zeew. geteerd touw), v. —s. Loi'i^iieereu (begluren, bespieden, door een kijkglas).

Lorgiict (knijpbril, handglaasje), o. —ten. Lorkelioom (een soort den), m. —en.

Lorren (bedriegen), ik heb gelord. Lorreiidraaien (smokkelen), ik heb gelorren-draaid: —er (smokkelaar), m.: —erij, v. Lorretje (papegaai), o. —s. Hij is van — gepikt of getikt, onnoozel.

Lorrewerk (knoeiwerk), o. gmv.

Lorrig (knoeierig), bn.

Los (vrij, ontslagen, enz.), bn. en bw. Loh (Ign.v), rn. —sen.

liO.shaiidiy; (ongeregeld), bn.: —heid, v. Losbarsten (barstende losgaan),hel barstte —, is —gebarsten: ook: borst —, is —geborsten:

— iua; (ontploffing), v.

Losbol (doordraaier), m. —len.

Losgeld (afkoopgeld). •». —en.

lioshool'd (losbol), m. en v. —en.

Losjes (vluchtig), bw. Ergens — over heen loopen, d. i. zonder veel nadenken.

Losprijs, m. —prijzen. Zie Losgeld.

Lossen (los, vrij maken), ik heb gelost. Een schip —. ontladen; een kanon —, afschieten; panden in den lommerd —, afbetalen en zoo terugkrijgen: een schuld —, afbetalen: het roer —. d. i. loslaten.

Losspii (zeew. windas), o. —len.

Lot (in de loterij), o. —en. Het hoogste —. Lot (levenstoestand), o. Een hard —: het — der armen.

Ijoleling. m. —en.

Loten (een nam uier trekken), ik heb geloot. Loterij (kansspel), v. —en. In de — spelen. Lotto (lottospel, kienspel, nommer- of getallenloterij), o. —'s.

Lotus (Egyptische waterlelie), m. —sen. Louis (mansnaam: Lodewijk: ookeen Era use he goudmunt f 0.62). m.

Loupe, loup (handvergrootglaasje), v. —n. Louter wnvervalscht, zuiver, i)n. en bw.;

— heid. v.

Louteren (zuiveren), ik heb gelouterd: —aar, m.: —ing. v.

Louw (gew. een zeelt), v. —en.

Louwinaand (Januari), v.

lioven (prijzen), ik heb geloofd: —er. m.:

— ing. v.; — en bieden, een prijs zeggen, op den prijs afdingen: de Godheid —. d.i. verheerlijken, danken, prijzen.

Loyaal (getrouw, oprecht, wettig), bn. en bw. Loyaliteit, loyaliteit ( plichtmatigheid, gehoorzaamheid aan wet en plicht), v. gmv. Lulgt;. Lnhhe (plooisel), v. lubben.

Luhriek (wulpsch), bn. en bw.

Luelit (dampkringslucht), v. —en: — scheppen. ademen: de — !: lie een, snel vliegen: in de — laten springen, vliegen: ka stee len in de — bouwen, dwaze plannen vormen: iets uit de — grijpen, d.i. verzinnen; een gat in de — slaan, hoogst verwonderd zijn: de — van iets krijgen, iets bespeuren, lont ruiken; een andere — opzoeken, d.i. klimaat.


ocr page 170

LUCHTEN—LVHISCH.

150

LiK'litcii (in de lucht brengen), ik heb gelucht, j Fig. //•' kan hem niet — of zien.

{kan de hun', lantaarn), m. —s. (fab. .sulphide), m. —en. IjiK'htliart (vroolijk menseh), m. en v. —en. liiiclidiartiK (ojoyernimd), bn.: —lieid, v. Lm'litig; (dan. vrij), bn. en b\v. Zij moest er | toch niet — over denken (C. O.), losjes, licht. I liiifide [helder, klaar), bn. en b\v.

{helderheid, klaarheid), v. gmv. liiicifer (de naam eens dairels: morgenster', strij kzwave Is to kj e), m. —s.

liiicratiel' (winstgevend), bn. Een — ieve bc-Liicretia (kuische vrouw), v. [trekking. \

liiictor «'f emergo (ik worstel en hond het hoofd hoven water).

liiifiror H einentor (ik worstel en bezwijk). \ Ijngiil»*'!' (trearig, somber), bn. en bw. liugubriteit {treurigheid, somberheid), v.gmv. 1 Lui (Heden), m. mv.: — fjes, o. mv. Lui (traag), bn. en bw.; —lieid, v.

Ijuiiiard (//'?' rnenseh), m. —s.

liiiihak (luiaard), m. «'ii v. —ken.

liiiihakkcn (luieren), ik hel) geluibakt. liiiibiii.s (luiaard), m. —buizen.

liiiiltnixi'ii (luieren), ik heb geluibuisd.

IjiihI. o. Naar — van. d. i. naar don inhoud van. Luid (ver hoorbaar), bn. enbw. Een — getier-, — roei ten.

Luiden (de kerkklok trekken), ik heb geluid; —er {luier), m.: —ina;, v. Ook; Luien. Luidkeels, luidskeels, bw.

Luidruelitig(»gt;?e/ geraas,metgetier),\n\. en bw.: Luien, enz. Zie Luiden, enz. [—heid, v. liiiier {kinderdoek), v. —s. Ook Liiur. Luieren (lui zijn. dagdieveti), ik heb geluierd. Lui Tel (uitstel,- van den voorgevel), v. —s. j lillik {blind), o. —en.

Luiken (sluiten), ik look, heb (het oog) geloken. Luilak (luiaard), in. en v. —ken.

Luilak (in sommige streken de morgen van drn tweeden Pinksterdag: de langslapers vinden het woord op hun deuren geschreven), ■ m. en v. gmv. Vglk. Dauwfrappen. Luilakken (lnieren), ik heb geluilakt. Luilekkerland, o. gmv.

Luim (gril, knur), v. —en. In goede —. Luimen {loeren), ik heb geluimd.

Luimig (grappig, geestig), bn.: — lieid. v. Luipaard {roofdier), m. —en.

Luipen (loeren), ik heb geluipt.

Luiperd (bespieder, gluiperd), m. —s.

Luis (woekerdiertje), v. luizen.

Luisant {lichtend, blinkend, glinsterend), bn. Luister (schittering, glans), m. gmv. Luisteren.ik heb geluisterd; —aar. m.: —ing,v. Luisterrijk (schitterend), bn. Een — feest, een —e overwinning.

Luistervink (luisteraar), m. en v. —en; —en dengen niet!

Luit (snarenspeeltuig), v. —en.

Luitenant, m. —s.

Luitenant-adjudant, in. luitenant-adjudanten. ; Luitenant-admiraal, in. luitenant-admiraals. | Luitenant-generaal, rn. luitenant-generaals. Luitenant-ingenieur, in. luitenant-ingenieurs, liiiiwagen (schrobwerktuig), m. —s. Lniwamines {luiaard), m. —en.

Luiwij vengoed (compositie om Loper te I schuren, poetsmiddel), o. gmv.

Luk (geluk), o. — of raak, b.v. antwoorden | in het wild.

Lukken (slagen, goed uitvallen), het is gelukt. Lukraak (onzeker), bn. Het is —.

Lui (zeew. stagzeil), m. —len.

Lui (mond aan een pomp en brandspuit), v. —len.

Lullen (praten, snappen), ik heb geluld; —er. m.: —email m.; —epraat. m.

Liimineeren (lichten, schilleren, glinsteren). Liimineii.s (helder lichtend, klaar), bn. en bw. Lu mme (achterstuk van een rund), v. —n. Lummel (lomperd, onbeschaafde jongen), m. —s.

Lnmmerliarst (ribbestuk), m. —en: —stuk. o. —ken.

Lima (de maan), v. gmv.

I^unamhulisnie (maanziekte, het slaapwandelen), o. gmv.

Lunariseli (ile maan betrejfende), bn. Lunatie (de omloopstijd der maan), v. —s. Lunatiek (maanziek, grillig), bn.

Limeli (twaalfuurtje, tweede ontbijt), o. —en. Lundereii (talmen), ik heb gelunderd; —aar (talmer), m.; —ing. v.

Inline de miel (de tijd der wittebroodsweken), v. Lunet (oog- of kijkglas; brilschans eener citadel), v. —ten.

Luns (lens, spil der as), v. —zen.

Liinteren (talmen), ik heb gelunterd. Zie Lunderen.

LuiT (slip), v. —ven. lem. bij zijn lurven krijgen, pakken, d. i. ruw aantasten, bij don kraag vatten.

Lurken (met kleine teugjes zuigen), het kindje heeft gelurkt; —er, m.

Lus. v. Zie Lis.

Lust (genoegen, genot), m. —en. Iets met — doen, ergens — of geen — in hebben: het is een —: ik heb geen — tot iets. d. i. trek, verlangen; zijn —en bedwingen, d.i. hartstochten; zijn —en boeten, d. i. zijn begeerten, driften voldoen.

Lusteloos (zonder lust, verdrietig), bn.;

— heid, v.

Lusten, het heeft gelust. Het lust mij niet, het behaagt mij niet; hij doe. wat hem lust, wat hem bevalt.

Siiisten (houden van), ik heb gelust. De hond lust gaarne vleesch.

Lustig (vroolijk, druk), bn. enbw.; —heid,v.; —jes. bw.: —lijk. bw.

Lustrum [tijdruimte van vijf jaren), o. —s, Lutje (gew. een weinigje), o. [lustra.

Lutte ( worsteling), v. —s.

Luttel (klein, weinig, gering), bn. en bw. (o. als zn.).

Liinr (luier), v luren. Het is nog een kind in de luren: fig. iem. in de luren leggen d.i. hem bedotten.

Luw (windstil), bn.: —te, v.

Luwen (stiller worden), het heeft geluwd:

— ing, v.

Luxe (pracht, praalzucht, weelde; overvloed),\'. Lnxuriens (weelderig), bn. en bw.

Luxus (weelde, overvloed), m. gmv.

Lyeaeum (middelbare school), lycaea. —s. Lynx (los), m. —en.

Lynxoogen (seherpziende oogen), o. mv. Lyriek (li er dichtkunst), v. gmv.

Lyriek (li er dichtmatig), bn.

Lyriseh (zangerig, tot de lier behoorende). bn. Een — gedicht, de —e poëzie, eig. subjectieve dichtkunst, als ode, hymne, cantate, enz.


ocr page 171

M—MAG KR.M AN.

131

II.

!\1. v. m's. — De dertiende letter van het alphabet; — als Komeinsch getalmerk 1()0().

UI. — Magister (meester); ook: Mijnheer, Monsieur.

M. of Man. — Mani/tiflns, een handvol (op recepten).

M.A. of Man. Aurt. — Maan anctoris, dooide hand des schrijvers.

M.A.L. — Magister artinm liberalinnt. meester der vrije kunsten.

in.c. — Mio conto, mijn rekening.

M.lgt;. of Mlt;mI. I)r. — Medicinae doctor, doctor in de medicijnen, geneesheer.

M.D.S. (op recepten) — misce.detnr.signetar, meng, geef. en teeken het.

Msi. - -1/quot; nseigneur (titel van een prins en van een bisschop).

Mile. — Modernoiselle, mejuirrouw. — Miles.— MesdemoiseUes, mejullrouwen.

Mine. — Madame, mevrouw.

M.m.p. — Manu mea propria, met mijn

Mr. — Meester (academische graad). — M.M. leren of Mijnheeren.

.Mijne Heercn «Ji inijiiueeren.

Mr. — Mlt;'Osiea r (Vr.), ( Eng.). mijnheer.

M.S. — Mannscriptani, handschrift.

Ma (verkorting van tnama), v. ma s: maat je. WiUiXOilnedveraunit), m. en v. magen. Hij heeft vrienden noch magen: hij trok op met man en —: man en — te halp roepen. Maa^; (lichaamsdeel), v. magen.

Maagd i meisje), v. —en.

Maagdclijn {klein meisje), o. —s. MaagMcliap (magen). v. (ver maagschapping), o. Maaien, ik heb gemaaid. Naar'men zaait, zal men —. men zal loon naar werken ontvangen; wie wind zaait, zal omveer —, het kwaad loont zijn meester.

Maaivoeten {slecht looi,en), ik hebgemaaivoet. Maak, v. gmv. De schoenen zijn in de —. zijn onderhanden.

Maal {keer), v. malen.

Maal (kolfer zak, brievenzak), v. malen.

M aal (eetmaal), o. malen.

Maalstroom (draaikolk), m. —en. Fig. Een — van vermaken, d. i. een groote menigte; van de branding in den —. van kwaad tot erger. Maan {hemellichaam), v. manen.

Maand. v. —en.

Maandau;. m. —en; —sell, bn. Maandhloeiei'N (aardbeien), m. mv. Maankop (kop of zaadhuisje), m. (de papaverplant), v. —pen; (slaapmiddel), o. gmv. MaansycrdniNtering; {maaneclips). v. —en. Maanziek (tvaanzinnig), bn. en bw. Maan/.iekte (slaapwandeleïi), v. gmv.

Maar (tijding), v. Zie Mare.

Maarselialk (opperveldheer), m. —en.

Maart (lentemaand), m. —sell. bn. Een — sche bui.

Maas (ruitvormige opening van ee)i net), v. mazen.

Maat (makker), m. —s.

Maat (om te meten), v. maten. Maatjesliarinu; (jonge haring), v. gmv. Maatjespeer (bergamotpeer), v. —peren.

Maatregel (schikking, ordening),\n. —en. — s. Zijn —en nemen.

Miiatsehap, v. —pen; —pelijk, bn. en bw. Maatsehappij. v. —en.

Maatstaf (/xaaf. grondslag), m. —staven. Mae.Mlam (granietkiezel), o. gmv. Macadamiseeren (een teeg met klein ges toot en granietkiezel of kalksteen bedekken, naar de uitvinding van Mi te Adam).

Maearoni (meelreepen. deegdraden, een geliefde volksspijs in Italië), v. gmv. Maeeliiavell isme (staatsleer van Macchiavel: sluwe, arglistige staatkunde), v.

!\laeedlt;iine (een soort van spijs, uit verschillende groenten- en vruchtensoorten bereid); ook: letterkundig allerlei), v. —s. M aeereeren (inbijten of invreten', mager,droog maken: zich martelen, kwellen, afmatten). Maelié (gekumvd), bn.: papier—, papierpap. Maehinaal (met behulp van een kamtwerk-werktnig vervaardigd', fig. onnadenkend, volgens sleur), bn.

Maeliinatie (kuiperij, weef se I van sluw berekende plannen), v. —s. —tiën.

Maeliine (kunstwerktuig: kunstgreep, aanslag. list), v. —s.

Maehiiieeren {kuiperijen maken, iets kwaad uitdenken).

Maeliinerie {toestel), v. —ën.

Maeliinist (behandelaar of vervaardiger van een stoomwerktuig), m. —en.

Maeht (sterkte, kracht), v. —en. l it al zijn

— loopen, zoo hard als men kan; bij zijn, iets kunnen, in staat zijn; dit gaat mijn — te boven, dit valt mij te zwaar; de wetgevende —, de uitvoerende —. de land—, de zee—, de hemelsche —en, de goede geesten, de helse he —en. de booze geesten.

.Maeliteloos (zonder macht), bn. en bijw.:

— Iieid. v.

Maelitliehhende (gezaghebberide),\\\.en v. —n. ^laelitig (sterk, krarhtig). bn. en bijw.

aehtigen (de noodige volmacht geven), ik heb gemachtigd; —giiiK. v.

Maelitsbetoon. o. gmv.

Maekintosii (regenmantel), v. —en.

Mavon ( vrijmetselaar), m. —s.

Ma(;onnerie (vrijmetselarij), v. gmv. Maenlatniir (misdruk), v. gmv.

Madame (mevrouw, jnlfronw). v. mesdames. \lade (kaasworm, larve), v. —n.

MiuXelïei' (weidebioem), v. madelieven. Mademoiselle (juffronw). v. mesdemoiselles. Madera (morgenwijn), v. gmv.

Madiic (vol wormen), bn.

Madonna {heilige maagd: beeld van id.),\.— s. Madrigal (klein, zinrijk Igrisch gedicht ), o. —s. .Maecenas (beschermer, voorstander van geleerden oi wetenschappen), m. —sen. Maestoso (verheven, majestueus, prachtig). muz.

Mal' (laf, vadsig), bn. en bw. Het is — weer: dat is een —fe vent.

Magazijn (pakhuis, groote winkel), o. —en. Mager (schraal, niet vet), bn. en bw.: —lieid. v. Magerman (spichtig mensch. schraalhans). m. —nen.


ocr page 172

.MAG EHTJ ES-MAL V EZIJ.

152

Magertjes {.onbeduidend, nietig), bw.

Magi ('Oostersche wijzen), m. mv.

Maginis (toovenaar), m. magici.

Magie (tooverij, Oostersche toover kunst),v.gmv. Magi(;r {.Oostersche wijze), m. —s.

Magister (meester, leermeester), m. —s. Magistraat {regeermg, overheid), m. —aten. MagistraatNperHOon. m. -personen.

M agist rat uur (openhaar gezag, rechterlijke macht), v.

Magnaat (rijksgroote in Hongarije en Polen), m. magnaten.

Magaiaiiiem {grootmoedig), bn. Maguaiiimiteit {grootmoedigheid), v.

MagJieet (zeilsteen), m. magneten.

Magnesia (talkaarde, hit leraarde, een soort artsenij), v. gmv.

Magaetiscli {aantrekkingskracht uitoefenend), bn. Een —e slaap, hypnotisme. Magiietiseereu (magnetisch maken, de aantrekkende kracht mededeelen: door zekere gebaren en aanrakingen in een soort ver-dooving brengen).

Magnetiseur {uitoefenaar of beoefenaar van het magnetisme), m. —s.

Magnetisme (magnetische kracht en toepassing er van), o. gmv.

Magiiiüeentie (pracht, heerlijkheid), v. gmv. Magnifiek {prachtig, luisterrijk, kostbaar), bn. Magyaarscli (Hongaarsch), bn. o. als zn. Magyaren (oorspronkelijke naam voor de Hongaren), m. mv.

Mahomed (de groote pro feci der Islamieten)', —aan. m. — anen: —aansrh. bn.: —anisine, o. het. Mahomedaansche gelooi'.

Mahonie {bruinrood meubelhout), o. gmv. Malionieiioiit, o.: —en, bn.

Mail {brievenpost van en naar Indië), v. —s. Mainteneeren ( in stand houden, onderhouden: iemand beschermen: een maitres onder' houden).

Maire (burgemeester), m. —s.

Mairie (burgemeesterskamer,gemeentehuis), v. Maïs (Turksche tarwo. v. gmv.

Maitre (meester, heer. gebieder, baas), m. Maitresse (meesteres, vrouw des huizes: bijzit, maitres), v.

Majesteit, v. —en; —ssHiender. m.: —s-srliennis. v.

Majestiiens (indrukwekkend), bn. meest —. Majoor (hoofdofficier), m. —s. Majoor-ingenieur, m. majoors-ingenieurs. Maioorseliap, o.

Major (de groote re, meerdere), m. —s. Majoraat (het recht van den oudste in een familie), o. —raten.

Majoriteit (meerderheid, meerderjarigheid), v. Mak (tam, niet wild), bn. en bw.: —lieid, v. Makelaar (tusschenpersoon in den handel), m. —s. —aren: -lt;iü. v.; —seliap, o.: —ares. v. Maken, ik heb gemaakt. Zich uit de voeten —. heengaan, op den loop gaan: hoe maakt gij het:' d. i. hoe is het met den staat uwer gezondheid: de student maakt het goed. slecht, d. i. past goed of slecht op; hij zal het niet lang meer —, de ziekte, het leven loopt op een eind: veel werk van iem.—. het druk met iemand hebben, veel attentie wijden aan iem. Makker (kameraad), m. —s.

Makreel (zeevisch), m. —en.

Makrol (slecht vrouwspersoon), v. —len. Makuha (zekere fijne snuif soort), v. — tabak. Mal {model in 'l Klein. vorm), m. —len.

Mal (zot, dwaas), bn. en bw.; — lieid, — lig-lieid. v.

Maladresse (lompheid, onhandigheid), v. Maladroit (onhandig), bn. en bw.

Mala lide (trouweloos, arglistig), bw.

Malaga (zekere Spaansche wijnsoort), in.gmv. Malaise (onaangename toestand, gedrukte stemming), v. gmv.

Mal-a-propos (ten ontijde, ongelegen), bw. Malaria (moeraslucht, moeraskoorts), v. gmv. Malrontent (ontevreden), bn.

Malcontenten (misnoegden), m. mv.

Malder of maller (werkman bij den scheepsbouw), m. —s.

Malder (Duitsche korenmaat), o. —s.

Maleier, m. —s.

Maleisrli, bn., als zn. o.

Malen (fijnmaken), ik heb gemalen. Die het eerst komt, hel eerst maalt, de eerstgekomene moet het eerst geholpen.

Malen {schilderen, beschrijven), ik lieb gemaald. Malen (zeuren,plagen), ik heb gemalen: maler, m.: malerij, v.

MnWntvmUi(misverstaml: dwaling,misgreep), o. —s.

Malevolent (boosaardig: mei boos opzet), bn. en bw.

Malevolentie (kwade gezindheid, afgunst), v. Malgre (in weerwil, ondanks),^/..: hou gre — (goedschiks of kwaadschiks).

Malheur (ongeluk), o. —s.

Malheiireus (ongelukkig), bn.

M'illionnet (oneerlijk: onheusch. onbeleefd), bn. en bw.

Maliee (boosheid, kwuudaardigheid), v. gmv. Malicieus (boosaardig), bn. en bw.

Malie (een ringetje vun staal-, ijzer- of koperdraad van een maliënkolder: ook een nestel), ; v. — ën, — s.

Malie (houten kolf). — liën, —s.

Maliehaan (speelplaats voor het kolfspel), v. —banen.

Maliën (in de maliebaan spelen), ik heb gemalied.

Maliënkolder (harnas uit ringetjes vervuar-I digd), m. —s.

Maligniteit (boosaardigheid), v. —en.

Maling (mijmering, onrast), v. In de — zijn, | d. i. in de war; in de — nemen, voor den zot houden: in de — komen, in t gedrang der i kwajongens komen: iem. een — maken, d. i. | grof toespreken.

Malkruid (gewas), o. gmv.

Mallemolen (kermismolen), m. —s.

Mallen (zich als een dwaas gedragen), ik heb Mallepraat (zottepraat), m. gmv. [gemald Malloot (malhoofd, dwaze vrouw), v. —loten. Mallote (steenklaver), v. gmv.

Malpropre (onzindelijk, morsig), bn.

Malseh, bn. en bw. — vleesch, zacht, week, sappig: —e verzen, aangenaam, zoetvloeiend; lig. het iem. lang niet — zeggen, jtl. i. op alles behalve aangenamen toon: — heid, y. Maltentig (zeer nauwgezet, stipt, hoogst zindelijk), bn. en bw.: —heid, v.

Maltraiteeren (mishandelen, doorhalen). Maluwe (zeker kruid), v. —n. Ook: Mal\e. Malve (kaasjeskruid), v. gmv.

Malversatie (kwade prul,tij!:, verduistering van gelden), v. —s. —tiën.

Malverseeren (zijn umbt niet getrouw ivaar-I nemen).

i Malvezij (zoete wijn). V. gmv.


ocr page 173

MAMA-MARTIAAL.

i5a

Mama. ma (moeder), v. —quot;s; maiii.iatje.

Mamicrinu; (zeew. scheepsyuot van leder, zeildoek. enz.), v. —en, —s.

M auiiiKMi {geldgod), m. ginv. Den — dienen, op geld azen, aan aardsche schatten hangen.

Mammoiith ^voorwereldlijkeolifant), m. —en.

Man, m. —nen. Aan den — brengen, iels ver-koopen: dat zal zijn — wel vinden, d. i. zijn kooper; hij staat zijn d. i. zijn tegenpartij ; hij is —.s genoeg, sterk genoeg: als de nood aan den — komt. ais er groote nood is: \k zal a — en paard noemen, d. i. alles in bijzonderheden zeggen: een — een —. een woord een woord, spreekwijs voor: wij zullen trouw zijn aan ons woord: dat is een galden pet'—, d. i. per hoofd: het schip is met — en muis vergaan, d. i. er is niets of niemand gered.

ManHiPsttT ikatoenllaweel), o. gmv.

Mam-het (handlabbe), v. —ten.

Mand. v. —en. Dom' de — vallen, bekennen, schuld erkennen.

yiiiiuïnnt {bevelschrift, vidmacht, verordening), o. —daten.

Mamlarijii {openbaar ambtenaar in China), m. —en.

Mamlataris {lasthebber, gevolmachtigde), m. m. —sen.

Mandement {herderlijke brief, bisschoppelijk schrijven), o. —en.

Mami|e*»koo|i {venter), m. —en.

Mamiolim' mamlolijn {maziekinstr anient, kleine lait), v. —s.

Mandril (groote aap van Guinea), m. —s.

Mandvol, v. manden vol.

Manege {rijbaan, rijschool, rijkanst: iedere africhting van dier of mensch: listige handelwijze), v. —s.

Manen (nekharen), v. inv.

Manen (aansporen tot betaling), ik heb gemaand: —er, m.: —ins. v.

Mangat. Mannesat (ingang tot den stoomketel), o. —en.

Mangel (werktaig), m. —s.

Mangel (gebrek), o. Bij — can. bij ontstentenis, bij gebrek.

Mangelen {gladmaken van linnen enz.), ik heb quot;gemangeld: —bord (ook —plank), «».

Mangelen (ontbreken), liet heeft gemangeld. Het mangelt hem aati moed, aan geld enz.

Manliai'tig (dapper, strijdlustig), bn. en bw.: — Iieid, v.

Maniahel {handelbaar, lenig, zacht: liij. gezeglijk), bn.

Maniak {waanzinnige.), m. en v. —ken.

Manirlieêr (aanhanger van zekere godsdienstige christelijke sekte), m. —s.

Manie (onzinnigheid, overdreven neiging, overijling van drift: waanzin), v. gmv.

.Manier (wijze van doen. van handelen), v. —en.

ManileHt (openlijke bekendmaking, verklaring van een vorst of staat over een staatsaange-legenheid: een staatsschrijven, ook verdedigingsschrift). o. —en.

\lanireMtatie {openlijke dlt; tad. openbare vertooning met het doel om zekeren indruk te tveeg te brengen), v. —tiön, —s.

Manirepiteeren (openlijk doen blijken).

Manil la (si jaar eener tabaksoort van hel Phi lippij nsche eiland Manilla), v. —'s.

Manilla-Sigaar, v. —aren.

Manille {ttvcede matador in hei omber- en quadrillespel), v. —s.

Man iok (broodwortel, struik in Z.-Amer.), in.

Manipulatie (betasting, handbeweging), v. —s, —tiën.

Manipnleeren {betasten, bestrijken mei de hand gt;.

Mank {kra-.pel), bn.: — lioid, v. Fig. Aan een eavel — gaan. eenig zedelijk gebrek hebben; deze vergelijking gaat —.

Manke Willem {volks, laam van de clivia), m. —s.

Mankeeren (ontbreken, tekortkomen, tekortschieten: zijn betalingen staken, failliet zijn). Mankement (font, gebrek), o. —en. M anmoedig (dapper), bn. en bw.: — heid, v. M anna (brood des hemels), o. gmv. Mannequin (draag- of marktkorf: ledepop: onzelfstandig mensch). m. —s.

Mannetje*, o. mv. De diernamen met mannetjes verbonden, worden als samenstellingen aaneengeschreven, als: —gans, —vin!:, enz. Manoeuvre (handelinquot;. handgreep: kunstmatige besta ring van een schij i, van krijgsvolk', krijgsoefening', slinksche wegen, listen en lagen), v. — s.

Manoenvreeren {bewegingen verrichten, bijzonder met troepen of schepen).

Mmionivit'i' (dichtheidsmeter der lacht), m. —s. ManshlmMl {St.-Janskraid), o. gmv.

Manne hap {bemanning), v.; —pen (soldaten), M annlag (doodslag), in. —en. [m. mv.

Mantel {kleedingstak). m. —s. Fig. Onder den — van godsvrucht, d. i. onder den schijn, het voorwendsel: iem. den — aitvegen, scherp doorhalen, berispen.

Mantille (manteltje), v. —s.

Manuaal (handboek, dagregister; in de muz. het klavier of de toetsenrij in tegenstelling van het pedmil), o. —alen.

Manmlm-tie {handleiding, aanwijzing), v. -s. -tiën.

Mannraetnren (voortbrengselen van handen-of fabrieksarbeid), v. mv.

Maiintaetnrier {winkelier of koopman in ma na fact uren), m. —s.

Maniil'aetnrist {manafactnrier), m. —en. Mann.seript {handschrift), o. —en.

Maytpv (omslag, tee ken- of brieventasch), v. —s. Mappemonde {algemeene wereldkaart), v. —s. .\larahimt {Mohamm. priester eener moskeé)r m. —s.

Marahont-veeren {donsachtige simisveeren voor dameshoeden), v. mv.

Maraskijn (kersepiiten-brandeivijn), o. gmv. Marehandeeren (handelen: afdingen, knibbelen ).

Mareheeren (te voet gaan, uitrukken).

Mare. Maar {tijding), v. maren. MareehaiiMsee (militair dienaar van politie), m. —s.

Marge (ledige rand), v. —s.

Marginaliën {kantteekeningen), v. mv. Margine (in) {op den rand), bw.

Marine {het zeeivezen van een staat en at wat daartoe behoort), v. gmv. liet departement van —.

Marineeren (inzoaten of inmaken In azijn).

Haring —.

Marinier {zeesoldaat), m. —s.

Mariolein. Marjolein (zeker kraid). v. gmv. Marionet (pop aan een draad, waarmede men comedie speelt), v. —ten. Marionetten.spel (poppenspel), o. —len. .Maritaal (hetgeen tot een echtgenoot en zijn rechten behoort), bn.


ocr page 174

.M AH IT I KM —M KC EN AS.

454

Maritiem (belreffende hel krijtjswezen ter zee), bn.

Mark. Marke (yrensgetvest. ook gemeente),v.

—en: —genoofen, m. mv.

Mark (gewicht van 2,5 G.), o. —en.

]\lark (Daitsche mnnt, ± f 0.60). v. —en. Marketenter (zoetelaar, koopman in ver-verschingeri), in. —s: —ij. v.; -ster. v. —s. Markenr {opteekenaar: biljartjongen), m. —s. Markies {markgraaf), m. —zen.

Markiezin, v. —nen.

Markt. v. —en. Fig. Hij is van alle —en thvia. hij is in alles op de hoogte: bij het scheiden van de —, leert men de kooplui kennen, bij 't afrekenen of eindigen van zaken lee»'! men iemands karakter kennen.

M arlijn (scheepst. toaw). v. —en.

Marlins i marlijn), v. —en.

Manuel (knikker), rn. —s.

Marmelade (verdikt vrachlensaii, met saiker bestrooid), v. — n. —s.

Marmeldier (marmol), o. —en.

Marmelen (met knikkers spelen), ik heli gemarmeld.

Marmer (stof), o. gmv. Een vloer van —. M ar meren (als marmer kleuren), ik heb gemarmerd.

Mannite [ijzeren of koperen pot om in te koken: veldketel), v. —n.

Marmot (bergrat), v. —ten.

Marodeeren (ü/gt; marode, oo plunderen of stroopen uitgaan, rondzwerven).

Marokijn (gekleurd bokken- of geitenleder, eig. Marocco-leder), o. gmv.

Maronieten (Christensekte aan den Libanon), m. mv.

MiWirf. (zotskolf ),\. —ten. Elke zot heeft zijn —. elk heeft zijn stokpaardje.

Marren (talmen), ik heb gemard.

Mars (scheepst.vlak om den mast, waar de hoofdtouwen gespannen worden), v. —en. Mars (draagkorf), v. —en. Hij heeft niet vee! in zijn —. hij weet niet veel.

Miirseli (optocht), m. —en; —vaardig, bn. Marseillaise (krijgslied der Marseillanen, der republikeinen (1192) uit Marseilie), v. gmv. Marsepein (amandelbrood), o. —en. Marsiliaan* Venetiaansch vaartuig ).i n.—a nen. Mar.skramer (venter), m. —s.

Martel aar (bloedgetuige), m. —s ol —laren. Martelen (folteren), ik heb gemarteld; —ins, v. Marter (zekere wezel), m. —s.

Marter (bont ran martervel), o. gmv. Martiaal (krijgshaftig), bn. Em — roorkumen. Margt; land (zekere tabaksoort uit Mari/land),o. M as (massa, hoop), v. —sen.

Maske {bloeiwijze), v. —n.

Maskeeren {bedel,'ken, verbergen, het uitzicht benemen).

Masker {momaangezicht), o. —s. Het — af-Maskeradlt;'. v. —s. \doen, afrukken.

MaMkeren (rermommen), ik heb gemaskerd. Masknliet of ^ïaxnliet (zekere Indische sloep). v. —en.

M as.na {hoop', grootte, inhoud vim een lichaam', het gansche vermogen of de nalatenschap: een som), v. —'s.

Massaere (bloedbad, gruwelmoord), in. —s. Massacreeren (nedersabelen, vermoorden). Massief'(ran metah'n : zuiver, dicht, vast), bn. Een —ve gouden ring. d. i. een ring. die niet hol is.

Mast, m. —en. Pig. Er kunnen geen twee groote —en op één schip zijn, er moet er maar één zijn, die gebiedt.

MaNtelnin [brood, gebakken uit half tarwe en half rogge), o. —en.

Mastik (hors), m. gmv.

Masturbatie (zelfbevlekking), v. gmv. Mastnrbeeren (r/c/i aan zelfbevlekking schuldig maken).

y\i\i [Spaansch geldstuk ran /*2,00), m.—ten. Mat (vloermat), v. —ten.

Mat (landmaat), o. —ten.

Mat (uitgeput), bn. en bw.: —lieid. v. Matador (stierendooder in Spanje), m. —s. .Mat idor (hooge troef in 't omber- of quadrillespel), m. —s.

Matador (man van rang, vermogen, enz.), m. — s.

Mater [moeder in een klooster), v. —s. Materiaal (grondstof). o. —alen. Materialisme, materialismns (leer dat de stof het begin en eind is van alle dingen), o. gmv. Mate gt;riali*t (aanhanger van het materialisme). m. —en.

Mat» M'ialistiseli (stofvergodend), bn.

Mati »rie (grondstof', iniioud: oorzaak: etter eener wonde), v. —riën, —ries.

Mat* 'rieel (lichamelijk: sto/felijk), bn. Materieel (al wat noodig is tot uitoefening van ambt of bedrijf), o. gmv.

Matliematiens (wiskunstenaar), m. —tici. Matliematiseli (wiskunstig: onomstootelijk). Mathesis (wiskunde), v. gmv. [bn.

Mathoen (vogel, ook pluvier genoemd), o. —ders of -deren.

Matig; {sober, spaarzaam), bn.enbw.: —lieid. v.; —lijk. bw.

^1atig;eh (verminderen, intoomen), ik heb gematigd: —ins, v.

Matinee (niorgentijd, voormiddag), v. —s. Matinee mnsieale(muziekuitvoering voorden avond), v. matinées mnsicales.

Mati •as (onderbed) v. —sen.

Mat res (meesteres), v. —sen.

Matrijs (rorm, model, werktuig, waarin de drukletters gegoten worden: hoofdstempel in de munt), v. —zen.

Matrone (deftige, bedaagde dame),\. —s, —n. Mati •oos (zeeman), m. matrozen. Licht —. die het gewone scheepswerk doet. Matselmddins (uitschot van koren, rijst, enz., gruis), v. gmv.

Matsen (doodslaan), ik heb gematst: mats-liamer, m.

Matte eren (afmatten, mat-, dof maken). Matten (stoelen matten), ik heb gemat; —ter, m. —terij, v.

Matten (mat maken, afmatten), ik heb gemat Maturiteit (rijpheid, volwassenheid), v. gmv. Maiisolenm (praalgraf, eeretombe), o. —lea. Mauwen, de poes heeft gemauwd: —int;, v. M axiine (grondstelling, leerspreuk: gevoeld', bepaalde meening), v. —s.

M axiinnin (hoogste graait, die een zaak bereiken kan: hoogste prijs of stand eener zaak), q. maxima.

Mazelen (kinderziekte), v. mv.

M azen (met den breisteek herstellen), ik heb gemaasd. Netten —. kousen —.

Mazuliet. Zie Masknliet.

Meander (kromming, slingering, als de vermaarde stroom van dezen naam), m. —s. Meeeuas (begunstiger), m. Ook: Maeeenas. mv. maecenaten.


ocr page 175

.MKCMANICUS-.Mi:i.

155

Mwlianims {(verkttiujknndige), m. — nici. MtM'hiiiiica. iiMM-liaiiick {werktingkunde of he weg i ngs kunde), v.

MeclisiiiiHcli {werktuigkundig, kunstmatig, werktuiglijk), bn. en b\v.

ineeliaiiisiiiiiH (inwendige samenstelling van een werktuig, bewerktuiging). o. gmv.

Mcrhaiit (ondeugend), bn. en bw.

Medaille (gedenkpenning, eerepenning), v. —s. Medaillist (kenner of liefhebber van gedenkpenningen). m. —en.

Medaillon (gedenkpenning van ongewone grootte; lijst, meestal eirond en verguld, om portretten, naamcijfers, enz. in te plaatsen), o. —s.

Mede. Mee (honigdrank), v. gmv.

Mede. Mee (meekrap), v. gmv. Wedehrovileriambtgenoot.evenmensch), m. —s. Medeeliristen (broeder in Christus), m. —en. Mededingen (wedijveren), ilc dong —, heb —gedongen: —er. in.

Mededoen (van de partij zijn), ik deed —, heb —gedaan.

Mededoogen (medelijden), o. gmv. Mededoogend. Zie Meedoogend. Medesaand. Zie Meegaand.

Medeklinker, m. —s.

Medelid, o. —leden.

Medelijden, ik leed —, heb —geleden. Medelijden (deernis), o. gmv.

Sledelókken, ik heb —gelokt.

Medelooper (buitenkansje). Zie Meelooper. Medeinenscli (evenmensch). m. —en.

Meden onet meekrap verren), ik heb gemeed. Medeneinen, ik nam —. heb —genomen. Medepliehtig (mede schuldig), lm. Medeplielitige, m. en v. —n.

Medesrliepsel, o. —en.

Mede.sfander (helper, deelgmoot), m. —s. Medefroonen {meelokken door mooie praatjes). ik heb —getroond.

Medewerken (werken met een ander), ik heb —gewerkt: —er. m.: —ing, v.

Medeweten (voorkennis), o. Dit is met of hui ten mijn — geschied.

Mediaan (middelgroot formaat), o. gmv. Mediaat [middellijk, met behulp van een ander), bn. en bw.

Mediatenr (bemiddelaar, scheidsman), m. —s. Medieament (geneesmiddel), o. —en. Medieijn (geneesmiddel), v. —n. Medirineeren (geneesmiddelen gebruiken). Mediene (geneesheer, dokter), m. medici. Medio (midden), bw. — Mei. In —.

Mediocre (middelmatig), bn.

Mediorriteif (middelmutigheid), v. —en. Mediwanee (kwaadsprekendheid), v. gmv. Medisch (tot de geneeskunde behoorende), bn. Mediseeren (kwaadspreken, lasteren, achterklappen).

Meditatie (oyerpemrmi/, vasten pr eek),v. —tiën. Mediteeren (overdenken, bepeinzen).

Medium (middel, tussc henper soon), o. —s. Medoe (zekere Fransche wijnsoort), m. gmv. MediiMahoofd (afgrijslijk, schrikaanjagend voorwerp), o. —en.

Meedoogend (medelijdend), bn.; -held, v. Meegaand (inschikkelijk, toegevend), bn.: — Iieid. v.

Meekrap, mee (plant), v. gmv.

Meel, o.

Meelooper (buitenkansje), m. —s.

Meenen, ik hel» gemeend. Het wel met iem. —. zijn belangen voorstaan, hem genegen zijn: ik meen het wel met u, mijn bedoelingen zijn .üroed: 't is meenois, 't is geen gekheid.

Meeprater, m. —s.

Meepseli (ziekelijk), bn.; —heid, v.

Meer (water), o. meren.

Mee r (drooggemaakt meer), v.

Meerder (grooter, aanzienlijker), bn. en bw.

Meerdere* hoogere in rang of stand),xw.qw v. — n.

Meerderen (vermeerderen), ik heb en het is gemeerderd; — ing. v.; —lieid, v.

Meerderjarig (mondig. -J3 jaar oud), bn.: — heid, v.

Meerendeel i het grootste gedeelte), o. gmv.

Meergemeld (bovengenoemd), bn.

Meergenoemd, bn.

Meerheid (meerderheid), v. gmv.

Meerkat («a// uit de omstreken van Gibraltar). v. —ten.

Meerkol (vogel), m. —len.

Meerle, Merel (zwarte lijster), v. meerlen. merels.

Meerman (mannetje der meermin), m. —nen.

!\leermin (fab. zeevrouw), v. —nen.

.^leerpaal (paal waaraan men een schip meert of vastlegt), m. —palen.

Meervond, o. —en.

Meet* (vogel), v. meezen.

IMee.Hiniiilen (grimlachen), ik heb gemeesmuild; —er. m.: —ing, v.

Meentendeels [het grootste gedeelte), bw.

MeeMtentijdH of mee^tfijds, bijw.

Meester. m. —s. —en. Ieder is — in zijn huis. d. i. volkomen vrij; een taal, een speeltuig — zijn, er goed van op de hoogte zijn: zich — maken van. zich in het bezit stellen; zijn driften zijn hem —. d. i. beheerschen hem: het kwaad loont zijn —. d. i. straft of treft den bewerker er van: hij is zijn eigen —. hij staat onder niemand: die schilder is een groot —. kunstenaar: de Franschen waren hier heer en —, volkomen de baas; den — spelen. den baas spelen, overheerschen.

MeeHteraehtig (als meester, met ongunstige hijbeteekenis), bn. en bw.: —heid. v.

Meesteren (genezen, behandelen, dokteren), ik heb gemeesterd.

Meesterkneeht (onderbaas), m. —s.

Meesterlijk (als meester, in gunstige bet.). bn. en bw.

Meestersohap, o.

Meestoot' (oven voor meekrap), v. —stoven.

Meesttijds, Meestentijds, bw.

Meet (lijn), v. gmv. Van — aan. van — af aan. van het begin af. van voren af.

Meetbrief (scheepsbrief met opgaaf der scheepsniaat). m. —brieven.

Meeting (vergadering, bijeenkomst), v. —s.

Meetkunde (wiskunde),W gmv.

Meetkundige (kenner of beoefenaar der meetkunde). m. en v. —n.

Meetkunst (wiskunde), v. gmv.

Meeuw (zeevogel), v. —en.

Mi •evaller (buitenkansje), m. —s.

Mee vat (vat voor mede of honigdrank). o. —en.

Meewarig (medelijdend), bn.: —heid, v.

Meiianre (wantrouwen), v. gmv.

Metiant (wantrouwig), lm. Een — karakter.

Megera (helsehe furie, razende helleveeg, hoosaardig wijf), v. —quot;s.

gt;Ilt;*i (bloeimaand), m. gmv.

Mei (loovertak), m. —en.


ocr page 176

MEID—MESQUIN.

156

.Meid {dit'iistniafKjd, joiHjedochter), v. —en.

Meier (schout, opzichter), m. - s.

Meierij (gebied van ecu meier), v. gmv. De

— van Den Bosch, de landstieek zuidwaarts van die stad.

Meineed (valsche eed), m. —en.

Mejufler, v. —s.

MejiidVouw, v. —en.

MelaatNcli (lijdend aan nielaatschheid), bn. Melancliolie (zivaarmoediriheid. droef geestigheid, treurigheid), v. gmv.

iziuaa r I noedig .d roefgeestitj). bn. Melanrholiscli (zwaarmoèdig, droefgeestig). Melange {mengeling), o. —s. |bn.

MelaNMe (suikerstroop, snikersap). v. gmv. Me'de (kruid), v. —n.

Mehien [doen welen, berichten), ik heb gemeld: —er, m.: —ing. v.

Mèïée (hoop, troep, volksmenigte: het handgemeen zijn. het strijdgewoel, ook heftige woordenstrijd), v. gmv.

Meieeren (onder elkander mengen).

Melig (meelachtig), bn. Deze peren zijn —.

— heid, v.

Melioratie {eerbetering), v. —s. —tiën. Meiioreeren (verbeteren).

Melis (suikerbrood), v. gmv.

Mei i», MeliMHe (idant), v. gmv.

Melïzoen (bloedgami. roodeloop), o. gmv. vero. Melk. v. gmv. Er uitzien als — en bloed, door en door gezond: niets in de — (de pa/i) te brokken hebben, niets bezitten; niets te zeggen hebben; een land ran — en honig, een paradijs.

Melkbaard (vlasbaard), m. —en.

Melken, ik molk, heb gemolken: —er, m.: —erij, v.: —ing. v. De koeien —: duiven —, d. i. grootbrengen, aanfokken: buisjes —. huisjes per week verhuren.

Melkinnil (lafbek, flauwerd), m. —en. Melodie (zangwijs: welluidendheid: gezang), v. —ën.

\\r\M\W\%*{wellaidend,zoetklinkend).\)ï\.enh\\. Melodrama (too nee Is pel, waarin de woorden, soms begeleid door de muziek, bloot gezegd Meloen (vrucht), m. —en. \worden), o. —'s. Melomaan (muziekgek). m. en v. —manen. Melonianie (hartstochtelijke neiging tot de muziek), v. gmv.

Memento mori (gedenk te sterven). Het —. lijk. Memorabel (gedenkwaardig), bn. Memorandiim (gcdcnkboeic, aanteekenlijst). o. —s.

Memoriaal (au n fee ken boek), o. —alen. Memorie (geheugen), v. gmv.

Memorie (geschrift), v. —ries. —riën. — van toelichting.

Memorisafie (van buiten leering), v. gmv. Memoriseeren (van buiten leeren).

Menaee (bedreiging), v. gmv.

Menage (huishouding: spaarzaamheid, huishoudelijkheid), v. gmv.

Menageeren (spareu, ontzien, zich matigen). Mi Miagerie (diergaarde, verzameling vun levende dieren), v. —s, —ën.

Menagens (spaarzaam, huishoudelijk), bn. Menestreel (begeleider van een troubadour, minnezanger), m. —en.

Mengel (vochtmaat. 1.21 L.) o. —en. Mengeldiclilen (gedichten ran allen aard), o. mv.

Mengelen (mengen) ^ ik heb gemengeld; —ing, v.

Mengen (dooreendoen), ik heb gemengd; —er, m.: —ing, v.: —«el, o.

Mi »nie (rood loodo.egde, zekere roode verf), v. gmv.

Menien (met menie verven of bestrijken), ik heb gemenied. fJzerwerk, balken Menigte (veel rnenschen, niassa). v. —n. Menist (doopsgezinde), m. —en. MeniMtenkerk. v. —en.

Mennen (met den toom bestieren), ik heb gemend: —er, m.

Mennoniet (doopsgezinde), m. —en.

Mi Miseh. m. en o. (bij klei nacht ing), —en; —dom. o.

Menselilieid (menschelijk geslacht), v. gmv. Menselilievend. bn. en bw.: —heid, v. Menstrneeren (de maandelijksche zuivering hebben).

Mensiireeren (muz. aan de orgelpijpen den waren toon geven).

MeiiHiinr (muz. maat. tijdmaat, ver/Knaling). v. gmv.

Mentaal (innerlijk, inwendig), bn.

Mentie (vermelding, gewag), v. — maken van iets.

Mentionneeren (gewag maken van. herinneren, vermelden).

Mentor (leidsman, raadgever, leermeester), m. —s.

Mennet (langzame, statige, afgemeten F ranse he dans), v. —ten.

Mep (slag), m. —pen. gmz.

Mepiiitisclie Ineht (Stinkende of stiklucht). Meppen (slaan), ik heb gemept: —er. m. Mept •ise (missing, dwaling, misverstand).y.—s. Mereantiel (wat den kooi/handel betreft), bn. M( 'reenaire (loondienaar. huurling), m. en Merei (dank, heb dank), bw. (v. —s.

Merenrins (kwikzilver: een planeet: god van den handel', een onderhandelaar in een slechte zaak), m. —sen.

»rcniir (verkorting van Meren rins), m. Merel (zwarte lijster), v. —s. Zie Meerle. Meren (vastleggen van een schip), ik heb gemeerd.

Merg. o. gmv. Dat dringt door — en been, tot Mergel (aarde)* v. gmv. [in de ziel.

Mergelen (bemesten met mergel), ik heb gemergeld.

Meridiaan (middagcirkel, middaglijn), m. Meridionaal (zuidelijk), bn. [—anen.

Merinos (Spaansche schapen), m. mv. Merinos (soort van stof, geweven van bijzonder fijne wol van Spaansche schapen), o. gmv. Merite (verdienste), v. —s.

Merk (teeken, kaartje, lootje, bewijs), o. —en. Merkels (scheepst. hoepels), m. mv.

Merken (met een merk teekenen), ik heb gemerkt: —er. m.: —ing, v.

Merken (bemerken, bespeuren). Ik heb gemerkt. Merkteekenen, ik heb gemerkteekend. Merkwaardig (belangrijk), bn.: —heid. v. Merrie ( wijfje van het paard), v. —ries, —riën. Merveillens (bewonderenstvaardig), bn. Mes, o. —sen. Is er iets voor het —. d. i. te eten: zijn mesje snijdt van twee kanten, liij verdient dubbel; iem. het — op de keel zetten, dwingen door bedreiging.

Mésailieeren (/.ieli) (een ongelijk h Uttel ijk aangaan, beneden zijn stand huwen). Mesmerisme (leer en toepassing van het dierlijk magnetisme), o. gmv.

Mesqnin (arm* behoeftig), bn.


ocr page 177

M ESSI AS - M1.1X EN.

157

Meswiax {UeiltDid. wrlosser), m. gmv.

Me.sHiny; {geel koper), o. gmv.

Me«f {meststof), m. —en. Ook: Mist.

MeuttMi {bemesten), ik heb den akker gemest: —er, m.; —iiiff. v.

Mesties {kind van blunke en zwarte ouders, b.v. van een Europeaan en een Mulattin), m. en v. —zen.

Mestinu: (dierenvoedsel). v. —en.

MeHiirabel {meetbaar), bn.

Mesuren {maatregelen), v. mv.

Met {gehakt varkensvleesch), o. gmv.

Metaal, o. metalen.

Met aelironisine (font in de tijdrekening), o.

Ook: Anacliroiiisiiie.

Metalliek {Oostenrijksche schuldbrief, een effect waarvan de uitbetaling van rente en aflossing in zilver en niet in papier geschiedt), v. —en.

MetamorplioHe {ge daantev er wisseling), v. —n.

Metaiiiorphoseereu {herscheppen, van gedaante verwisselen, veranderen).

Metaphoor {verbloemde uitdrukking, beeld niet uitgewerkte gelijkenis), v. —phoren.

Metaplioriseli {overdrachtelijk, zinnebeeldig, figuurlijk), bn.

Metapliysiea {bovennatuurkunde), v. gmv.

Metapliysiscli (bovennatuurlijk), bn.

MeteinpHychose (zielsverhuizing), v. —s.

Meten, ik' mat, liel» gemeten: —iug. v. Zich met iem. —. wedijveren in kennis enz.

Meteoor (luchtverschijnsel), m. —oren.

Meter {persoon, die meet), m. —s.

Meter (Ned. el), m. —s.

Meter {peet. doop moeder, peettante), v. —s.

Metgezel {kameraad, reisgenoot), m. —len.

Methode (leerwijs, handelwijze, wijze van iverken), v. — n, —s.

Methodist (lid eener dwepende sekte onder de Christenen in Engeland), m. —en.

Metier (handwerk, hanteering, bedrijf, beroep), o. —s.

Metriek {wat t(tt den meter of de el behoort, ook leer run den versbouw), v. gmv.

Metrist*h( inverzen. in gebondenstij l ).\)n.en\)\\r.

Metropolitaan {aartsbisschop), m. —tanen.

Metropolitaansch {11 artsbisschoppelijk), bn.

Metropool, metropole. metropolis {moederstad, zetfl van een aartsbisschop), v. —polen, —polissen.

Metrum (de maat, versmaat), o. metra.

Metselaar [ambachtsman). m. —laren. —laars.

Metselen, ik heb gemetseld; —arij, v.

Metten (morgenzangen of morgengebeden in de kloosters), v. mv. Iem. de — lezen, hem berispen, hem zijn plicht voorhouden: korte — maken, weinig omslag met iets maken, zonder veel complimenten.

Metterdaad, bw.

Mettertijd {allengskens), bw.

Metterwoon, bw. Zich — ergens vestigen.

Metworst (varkensworst), v. —en.

Meubel (stuk huisraad), o. —en of —s.

Meubelen, ik heb gemeubeld. Een kamer, een huis —.

Menbileeren (inrichten, toerusten, van huisraad voorzien): — iiiR, v.

Meug. v. Tegen heng en —, met tegenzin; ieder zijn —. ieder zijn zin.

Meuk {week), v. [n de — staan, week of zacht laten worden.

Meuken (week maken: murw worden), ik heb en het is gemeukt.

\leuzeleii (lekkere beetjes proeven), ik heb gemeuzeld: —aar, m.

Meiizelen (vuil maken), ik heb gemeuzeld. Mevrouw (gehuwdedame),v. —en: —schap.o. Mezzo forte piano (muz., iets sterks en zachts). Mezzo soprano (muz., hooge alt of diepe discant).

Miasma {smetstof, in de lucht verspreide ziektestof). v. —ma's olquot; —men.

Miauw, Miaanw {geluid eener kat), tw. Miauwen. Miaanwen, de poes heeft gemiauwd.

Miea {glimmer, een delfstof), o. gmv. Mieroeosme. mieroeosmos {de kleine wereld, fig. de mensch), m. gmv.

Microscoop {vergrootglas), m. —copen. Microscopisch (alleen door den microscoop waar te nonen), bn.

Midasooreu (ezelsooren), o. mv.

Middag, m. —en.

Middagmaal, o. —malen.

Midda ginalen (dineeren), ik hel» gemiddag-Middel (middellijf), v. en o. —s. [maald. Middel {om tot iets te geraken), o. —en. Middelaar {tusschenpersoon), m. —s of —laren. Middelaarschap (bemiddeling). o. gmv. Middelh aar, bn.: — onderwijs, d. i. den overgang vormend tusschen lager en hooger onderw. Middeleeuwen (476—i492 N. C.). v. mv. Middelen {vereffenen, beslechten), ik heb gemiddeld: — ing, v.

Middelerwijl (in dien t usschen lijd), bw. Middelevenredig, bn. hi de evenredigheid 2:4 = 4:S is 4 middelevenredig. Middellandsch. bn. Üe —e Zee.

Middellijk (door middel van), bn. en bw. Middellijn, v. —en. Üe— van een cirkel, bol, enz. Middelmaat (het midden houdende), v. gmv. Middelmatig (tamelijk, redelijk), bn. en bw.: -held, v.

Middelnederlandsch. bn. (o. als zn.). De —e taal, onze taal van «le 12e tot op het einde der '15e eeuw. ook Dietsch geheeten. Middelpunt, o. —en: —ig, bn.: —schuwend, bn.: —vliedend (natuurk.), bn.: —zoekend (natuurk.), bn.

Middelrif {spierachtig vlies tusschen borstholte en buik), o. —fen.

Middelsoort, v. en o. —en. Een — letter. Middel weg (lig. middel tot bevrediging), m.—en. Middernacht, m. —en: —elijk. bn.

Mier {insect), v. —en.

Mier ut f keer), v. Een — aan iets hebben, het land, een afkeer hebben.

Mierik (lepelblad, ook peperwortel), m. gmv. Mierikswortel, mierikwortel ( plant), m. —s: (stof), v.

Migratie (verhuizing van volken, landverhuizing, uittrekking), v. —tiën, —s.

Mijden {uit den weg gaan), ik meed, heb gemeden. Zich —, zich ontzien, in acht nemen. MUI (afstandsmaat), v. —en. 1 Ned. .Mijl of K.M. = 1000 M.: 1 geographische of Duitsche Mijl = I-/3 uur gaans of 7407 M. De — op zeeën, langs een omweg.

Mijnieren (peinzen), ik heb gemijmerd: —ing. Mijmerij (peinzerij), v. —en. fv.

Mijn v. —en. Kolen—. zout— : de — is verkeerd gesprongen, de toeleg is mislukt en wel in ons nadeel.

Mijnen (een mijn maken), ik heb gemijnd. Mijnen (bij een verkooplng ..mijnquot; roepen), ik heb gemijnd: —er, m.: — ing. v.


ocr page 178

MIJNKNT—MISDKIJF.

Mijnent «en. te) (hij mij aan huis), l)ijw. uitdr. .Mijneiitlialve. —wege {van mijn kant, con mijn zijde), b\v.

Mijneiitwil lt;oiiigt; (ter wille, ter liefde van mij), b\v. uitdr.

Mijnheer, m. mijne heeren, mijnheeren.

Mijt [kleine koperen munt), v. —en. vero. Mijt {ivorm), v. —en.

Mijt [houtstapel), v. —en.

Mijten [opstapelen, aan een mijt zetten), ik iiêb gemijt.

M ij ter (bisschopsmi its), m. — s.

Mijteren (tot bisschop verheffen,met een mijter sieren), ik hel) gemijterd.

Mijteris; (vol wormen. lt;irnioedi(j), bn. Mik [stat/taal), v. —ken.

Mik [het mikken), m. gmv.

Mik (brood), v. —ken.

Mik [bloem van meel), v. gmv.

Mikadn, inieado (titel van den geestelijken keizer van Japan, onder wiens gezag ook de wereldlijke keizer staat), m. gmv.

Mikken {doelen, turen) ik heb gemikt: —ker, in.: —kim;, v.: —punt, o.

M i kina kdii nderpaal.zwarighei d. fei l). v. — ken. Mild i rif im), bn. en b\v.: —elijk, liw.: —lieid. v. Milddadig, bn. en bw.: —heid. v.

Militair [krijgsman, soldaat), m. —en. Mililair {al wat op den krijgsstand betrekking heeft), bn.: —e academie, hoogere militaire school (Breda).

Militairenient [op soldatenmanier: lig. stipt, ordelijk, streng), bw. Alles gaat daar Militie {krijgswezen, landweer), v. gmv. Milliard (duizend millioen). o. —en. Milligrani {duizendste deel van een gram), o. —men.

Millimeter [duizendste deel van een meter

= streep), m. —s.

Millioen (duizend Keer duizend), o. —en. MilHonair (rijk persoon, die een millioen of meer bezit), m. —s.

Milt (ingewand), v. —en.

Milter (mannetjesvisch, hommerd). m. —s. Miltzueht (ziekte, naarqeestigheid). v. gmv. M imiek {de gebarenkunst, het gebarenspel), v. gmv.

MiniiMcli {van, betreffende of belworende tot de rfébarenkunst). bn. en bw.

M in (weinig, gering, laag), bn. Zoon handel-Min (liefde), v. gmv. [wijze vind ik —.

M in. niinne (zoogster), v. minnen.

Minaehten (met trotschheid neerzien), ik heb geminacht: —ing, v.

Minaret (torentje eener moskee), v. —ten. Minderbroeder monnik),m.s.

Minderen (afnemen, kleiner worden of maken), ik heb en het is geminderd; —ing, v. Minderheid, v. —heden. In de — zijn. Minderjarige (persoon onder de SS jaar), m. en v. —n.

M ine (gelaatstrek: mijn, onderaardschegang), v. —s.

Mineraal {delfstojfelijk), bn. Minerale wateren, bronnen, inhoudende ijzerdeelen; gezondheidswateren.

Mineraal [bergstof, erts), o. —alen. Mineralogie (bergstofkunde), v. gmv. Mineraloog (delfstofkundige), m. —logen. M inerval (leergeld, schoolgeld), o. —valia. Mineur (mijngraver, ertsgraver, ook soldaat der genie), m. —s.

Miniatiinr (schilderij in het klein), v. —turen.

Miniein (zeer gering, onedel, laaghartig), bn. Een — loon: een —e uitdrukking.

Miniinnni (het kleinste, het mi)iste: de laagste 1 prijs eener zaak), o. minima.

MiniNter (staatsdienaar, hoofd vaneendepar-| tement), m. —s.

Ministerie (departement van algemeen be-| stuur), o. —riën, -s.

MiniHterieel (van een minister uitgaande)r ! bn. —e.

Minister-resident, m. ministers-residenten. Minlijkhcid. niinnelijkheid. v. —heden. Minnaa r (geliefde), m. — s. —naren. Minnares, v. -sen.

Minnarij (liefdehandel), v. —en.

Minne. v. Zio Min.

Minnekoozen (liefkoozen, vrijen), ik heb geminnekoosd: —erij. —ing. v.

Minneniiillen {liefkoozen). ik heb geminne-Minnenioer {voedster), v. —s. [maid.

Minnen (liefhebben), ik heb gemind. De vrijheid —.

Minor (de minderterm in een sluitrede: ook de jongere persoon van denzelfden naam), m. gmv.

Minoraat (erfopvolgingsrecht der jongeren), o Minorenniteit (minderjarigheid. onmondigheid), v. gmv.

Minorieten (minderbroeders of Franciscanen).. m. mv.

Minotanrns (fabelmonster, half mensch, half stier), m. gmv.

.Minste {ondergeschikte), m. en v. —n. Wees maar de —. d. i. geelquot; maar toe.

Minstens, bijw. Ik heb er — tien uur werk uan, d. i. op zijn n linst of kleinst genomen. Minns (minder, het tegendeel van plus), bw. Miniitiens (kleingeestig, haarfijn), bn. en bw. Minnnt. miniite (het origineel van een openbare akte), v. —nuten.

Minnnt (tijdmaat), v. —nuten.

Minxaain (vriendelijk), bn. en bw.: —heid. v. MiracnU mis {wonderdadig), bn. en bw. Een — beeld.

Mirakel {wonderwerk), o. —en. of —s.

Mirre, inyrrhe (gomhars uit Arabic), v. gmv. Mirt (altijd groene heester), m. —en. Mirtekrans (bruidskrans), m. —en. Mis. misse (offerdienst in de li. C. kerk), v. —sen.

M is, bw. Gij hebt het —, gij vergist u. Misanthroop (menschenhater, verdrietig mensch), m. — thropen.

Misanthropic1 {haat aan het menschdom, menschenschuwheid), v. gmv.

M i sa n t h r(»pi se Ik »/ enschensch /1 w, afstootend), bn. en bw.

Mishaar (getier), o. gmv Hij maakte veel —. Mishak (mislukt baksel), o. —ken.

Misbaksel (lig. wanstultig persoon), o. —s. Misbruik , o. —en.

Mishriiiken (een slecht gebruik maken van), ik heb —bruikt: —er. m.: —ing. v. Miseellaneen. iniseellania (gemengde letterkundige opstellen,me ngelingen,ul Ier lei),\.m\r. Misdaad {booze daad), v. —daden. Misiladiger {boosdoener), m. —s.

Misdoen {verkeerd doen), ik deed —, heb —gedaan.

Misdoen (kwaaddoen), ik —deed. heb —daan. Misdragen (z ieh) (slechtgedragen), ik —droeg mij. heb mij —dragen.

Misdrijf [slechte daad), o. —drijven.


ocr page 179

MISDRIJ VEX — MNKMOTKCl INI E.

MiHflrijvcn (zondjurti). ik —dreef, heb —dreven MiNdruk (onbrnikbdar drukwerk), o. gmv. MiMduideii {verkeerd nitleyyen), ik heb —duid -iiiS. v.

Mi«e (Inleg-, inzet in een loterij of bij eet. spel: inlefjkapitaal), v. — n.

MiNerahH (ellend'nj, annzaHij. bekiagens-

(vaardig), bn.

Misère (ellende, nood), v. —s.

Miserie (al wat jammerlijk, ellendig, ongelukkig is), v. —riën, —s.

Misdaan (verkeerd gaan), ik ging —, ben — MiNsaan [ontgaan, mislukken), ik—ging, ben —gaan.

Misdaan (xicli). ik —ging mij. heb mij —.

Misgeboorte (wanschepsel), v. — n. Misseldeii [boeten, lijden voor), ik—gold. heb —golden: er, m.: —ins. v.

Misgewas (slechte oogst), o. —sen.

Misgissen (verkeerd gissen), ik heb —gegist. Misgissen (zieii) (zich bedriegen, vergissen), ik hel» mij —gist: —sins;, v.

Missooieii (verkeerd gooien), ik heb —gegooid. MiM^reep (dwaling), m. —grepen.

Misgrijpen {verkeerd grijpen), ik greep —. heb —gegrepen.

Misgrijpen {'/Av\\)(zich veiv/isslt;ni, feilen, falen). ik —greep mij. lieb mij —grepen: —ing. v. MissuniK'ii (benijden), ik liel) —gund: —ner. m.: —nins. —st, v.

Missnnstiu: (jaloersch). bn.: — lieifl, v. Misliaaglijk (hinderlijk), bn.

Mishagen (niet behagen), ik heb —haagd; -ing, v.

Mishagen (afkeer, verdriet), o. gmv. Misiiandelen {ergerlijk kastijden), ik heb — handeld; — ing, v.

Miskennen (niet erkennen), ik heb —kend:

— ning. v. lem. verdiensten —. d.i. loochenen. Miskiank (wanklank, valsche toon), m. —en. Misknopen (7aei0(^rf#^/r/.oopen), ik —kocht

mij. heb mij —kocht.

Misleiden (bedriegen): —er. m.: —ing, v. Mislnkken (niet gelukken), het is —lukt:

— king, v.

Mismaakt (misvormd), bn.: —iieid. v.

Misniaken {ontsieren), ik heb —maakt; — making, v.

M isnias (mengelmoes), m. —sen. Mismoedig(neers/Mc/iïiV/), bn. en b\v.: —heid.v. Misnoegd (ontevreden ), bn.: —heid. v. Misnoegde (ontevredene), m. en v. —n. Misnoegen, ik heb (mijn ouders) misnoegd. Misnoegen {ontevredenheid), o. gmv.

Mispas (verkeerde slap. fig. misstap), m. —sen. Mispel (vracht van den mispelaar), v. —en, —s. Misplaatsen, ik heb misplaatst. Zoo'n taal is hier —plaatst, behoort hier niet thuis. Misprijzen {afken ren. loken), ik —prees, heb —prezen; —er. m.; —ing, v.

Mispunt (sukkel), o. —en. Hij maakte een —. raakte den bal (biljart) niet.

Misraden (verkeerd raden), ik ried —. heb —geraden.

Misraden (een slechten raad geven), ik—ried en —raadde, heb —raden.

Misrekenen (verkeerd berekenen), ik heb —gerekend: ook heb mij —rekend: —ing, v. Misrooien (verkeerd peilen of meten), ik heb —gerooid: —ing, v.

Miss (in Engeland: jonge fd.i. ongetrouwde] julfroaw), v. gmv.

Missaal (misboek), o. —sa len.

. .Misschapen (wanschapen, misvormd,, bn.; — heid, v.

Misschien (wellicht, mogelijk), b\v.

M isselijk (teel ijk: flaniv: onpasselijk), bn. en 1 ; bw.; —lieid, v.

M issen (falen), 'k heb gemist. Zoo iets kan •i niet —. dat moet gebeuren: gissen doet —, I men raadt in den regel verkeerd.

Missie (zending, li. C. bekeeringspost, wettige lastgeving), v. —sii'-n.

Missionnair {zendeling), m. —s.

Missionaris 11{. C. zendeling), m. —sen. Missive (brief), v. — s, — n.

Misslaan {verkeerd sfddn\ ik sloeg —. hel) -geslagen.

Misslag (misgreep, font), m. —en. \lisspreken (verkeerd spreken), ik —sprak, | heb —gesproken.

Misspreken (zich) (d.i. zich in 't spreken i vergissen), ik —sprak mij, heb mij —sproken.

Misstaan (niet goed staan), het —stond, i heeft —staan.

Misstand (iets verkeerds), m. —en.

Misstap (Hg. overtreding, vergrijp), m. —pen. Misstellen (verkeerd plaatsen'), ik —stelde, heb —steld.

Misstellen {slecht opstellen), ik heb—gesteld. Misstelling (lig. vergissing), v. —en.

Mist (nevel), m. —en.

Mist (meststof). m. gmv. Zie Mest.

Misteltak (marentak), m. —ken.

Misten, het heeft gemist. Het mist. het is nevela chtig.

Mistig Oievelig). bn.; —heid, v.

Mistred (fig. misstap), m. —en.

Mistress (in Engeland: mevrouw of [get rouwde i of getrouwd geweest zijnde] meesteres, ge-! biedster), v. gmv.

Mistroostig (ontmoedigd), bn.: —heid. v. Mistrouwen (wantrouwen), o. gmv. Mistrouwen (wantrou(ven), ik heb—trouwd; —endlieid, v.

Mistronwen (een slecht huwelijk doen. een 1 huwelijk aangaan beneden zijn stand), ik i heb (mij), en ben —trouwd.

Mistrouwig (achterdochtig), bn. en bw.;

— heid, v.

Misval (ongeval, zonde), o. —len.

Misvallen (misnoegen), o. gmv.

Misverstand, o. gmv.

Miswas (slecht uitgevallen gewas, wanstaltigheid van mensch. dier of plant), o. —sen. Miswassen (niet goed groeien), het —wies, | is —wassen.

Miszeggen (fig. door iets te zeggen belecdigen), ik heb —zegd en —zeid: —ing. v.

Miszien (verl:eerd zien;, ik zag—, heb —gezien. Miszien (zich) lt;d.i. zich onder het zien bedriegen), ik —zag mij. heb mij —zien. Mitigeeren {verzachten, matigen, bevredigen). Mitraille (schroot, allerlei kleine stukken gekapt ijzer, spijkers, enz., tuaarmede men kanonnen laadt), o. gmv.

Mitrailleuse (kanonnenrevolver), v. —s.

Mits (op voorwaarde), v\v.

Mits, o. gmv. Fig. Er is een —. d.i. een uitdrukkelijke voorwaarde, een beding.

Mixtnnr (mengsel: artsenij mengsel; muz., orgelregister), v. —turen.

Mnemoniek (herinneringskunst, geheugenis-leer), v. gmv.

Mneniotechnie (herinnerings- of geheugen-kunst), v. gmv.


ocr page 180

MX E M OT EC H NI SC H - M O .M E N T A N E K i

160

Moertje (moedertje), o. —s. Spreekw. M'i! —• mal kindje.

Moerzee (onstuimige zee), v. —ën.

Moes (groente, inzonderheid kool), o. gmv. Moesjanken (minnen), ik heb gemoesjnnkt: —ker, m.; —kerij, v.

Moesje (moedertje), o. — s.

Moesje (pronkpleistertje), o. —s.

Moeskoppen (den kop indrakkt-n. fig. vrijbuiten), ik heb gemoeskopt: —per, m.: — perij. v.

Moesson (periodieke wind in China en fndië; besten digi' wind: het jaargetijde waarin deze wind waait), m. —s.

Moet (vlek), v. —en.

Moet (nooddwang), m. gmv.

Moeten (scheepst., een schuit zachtjes voortduwen). ik moette. heb gemoet.

Moeten (verplicht zij n).'ik moest, heb gemoeten. Moezel (doedelzak, pijpzak), m. —s.

Mol' i Westphaling, scheldnaam voor de Duit-schers), m. —ten.

Mol* (bontwerk), v. —fen.

Moffel (oven. fornuis), m. —s.

Moflelen (goochelen, bedriegen), ik heb gemoffeld; —aar. m.; —arij. v.: —ins. v-Moflenland (inzonderheid Westphalen), o. gmv.; —pijp (bloem), v. —en: —taal, v.; —toer, m. —en.

Mogelijk (kunnende gebeuren: misscbien). bn. j en bw.; —beid, v.

Mogen (vjrlof hebben, vrijheid hebbe)',), ik j mocht.

Mogendbeid (staat, rijk,souverein),\'. —heden. Mogoli Mongoolsch vorst in Hindostan),m gmv. Moiré (gewaterd, gemoreerd). bn.

Moker (smidslutmer), m. —s.

Mokeren (met den moker slaan), ik heb ge-j mokerd.

Mokkel (bijzonder dik kind, buitengewoon \ dikke vrouw), m. en v. —s.

Mokkelen (een kind liefkoozend omvatten): ! ik heb gemokkeld; —aar. m.; — ing. v. Mokken pruilen), ik heb gemokt.

Mol (wit bier: in de muz. zachte toon), v. Mol (dier), m. —len. Zoo blind als een —, erg i blind zijn.

Molen (ook meuten), m. —s.

Molenaar, m. —s, —naren.

Molest (hinder, overlast: beschadiging), v. gmv. Molestatie (Icwelling), v. gmv.

Molesteeren (bezwaren, overlast of kwelling ! aandoen).

Mollerd (onbeschoft mensch). m. —s.

Mol ik (vogelschrik), m. —en.

Mollig (zacht), bn.: —beid, v. —e win. Mollnsken (weekdieren), m. mv.

Molm (droge stof van turf), m. en o. Molnien (stof worden), het is gemolmd. Moloeb (eoi afgod, koning), m. gmv.

Molos (dxehi. jachthond), m. —sen.

Molseni (molm), m. gmv.

Molsenien (molmen), het is gemolsemd. ^lolton (zachte dikke wollen stof). o. gmv. j Mom (masker), v. —men.

Mombakkes (masker), o. —en M omber (foo.'/'Z. verzorger). Zie Momboor, vcro. Momboor, Momher (voogd), m. momboren i en mombers, vero.

Moment (oogenblik. hoofdomstandigheid), o. —en.

Momeiitanefl (oogenblikkelijk. ras. voorbijgaand), bn.

quot;MiuMiiotpHiniwfh (lt;gt;/' de (lehi'i if/e) i is leer hc-trekking hebbende), bn.

(beivaegbquot;quot;)', verplaatsbaar,gereed mn te relde te trékken ), bn.

Mobilair {roerend goed. beweegbare have, huisraad), o. gmv.

Mobiliseorm (mobiel verklaren, (gt;igt; voet van

oorlog brengen). Een by er Mobiliteit (beweegtijkheid. vluchtigheid, on-bestnndigheid). v. gmv.

Molt;l(le {morsebel), v. —n. ginz.

Molt;l(llt;'ii (de modder omwroeten». ik heb gernod. Slodder (slijk, verrotte stof in grachten, enz.). v. gmv.

Modderen (modder uithalen', ook knoeien), ik heb gemodderd; —aar {knoeier), m. Modderig; (slijkerig). lm.: —beid. v.

Mode (wijze van kteederdracht), v. —s. Een oade —, een nieuwe — : de — eolgen.

gt;1odel (voorbeeld), o. —len. ModelfeereiiCyor///^»,/»^ het l. lein voorstellen). Moderatie (gematiadheid, bezadigdheid), v. Moderato (muz., matig). [gmv.

Modereeren (matigen, beperken, verzachten). Modem (hedendaagsch, nieawerwetsch), bn. Moderniseeren {naar den nieawen smaak of stijl inrichten).

Modest {zedig, eerbaar, bescheiden), bn. Modestie (zedigheid), v. gmv.

Modieus (naar dt'n laatsten smaal,), bn. Modificatie (verandering, wijziging, beperking). v. —tien, —ties.

Modifieeeren (verzachte)», beperken: wijzigen). Modiste (modemaakster), v. —s.

Modulatie tnonteiding),\. —tien.

Modnleeren (muz.. op de maat zingen, de stem loten klimmen of dalen). Moe (vermoeid, ook afkeerig), bn. Zie Moede. Moed (dapperheid), m. gmv.

Moede, moe. bn. Hij is het leren ik ben die praatjes moe, d. i. ik heb er genoeg van, zij walgen mij.

Moedeloos (ontmoedigd), bn. enbw.; —beid. v. Moeder, v. —s. De — in een weeshuis. Moederland (land dat koloniën heeft), o.gmv. Moederlijk (van een of als een moeder), bn. en bw. —e zorg: iem. — verplegen.

Moedig (dapper), bn. en bw.: —beid. v.: —lijk. bw.

Moedwil (boos opzet), m. gmv.

Moed willij; (opzettelijk), bn.: —beid. v. Moebeid. v. gmv.

Moei (tante), v. —en.

Moeial (persoon), m. en v. —len.

Moeien (moeite, last veroorzaken), ik heb gemoeid. Zich met iets —, inlaten.

Moeilijk. Moeielijk (vermoeiend, nie'- gemakkelijk). bn. en bw.

Moeilijkbeid. Moeielijkbeid (moeite, hinder, htst. bezwaar), v. —heden.

Moeite (inspanning), v. — n.

Moelje (steenen hoofd aan den ingang van zeehaven#), v. —s.

Moer (droesem, grondsop, bezinksel), v. gmv. Sloer (van een schroef), v. —en.

Moer (moerassig land), o. —en.

Moeras (drasland), o. —sen.

Moerbei, v. —beien.

Moerbezie. Moerbei, v. —beziën, —beien. Moerbeziebuoni, Moerbeiboom, m. —en. Moeren (troebel maken: studententaal: wegkapen), ik heb den wijn gemoerd. Een bel-Moeris; (troebel, slijkerig). bn. \knop —.

ocr page 181

MO.VIISCH—MOKSEN.

161

MomiHfli {.spottend, hekelend), bn. MomiiiedaiiH {gemaskerd hal), m. —en. Momiiieklceren {mdskerude-kleederen), o. niv. Moiniiipleii. Miiiiiineleii {zonder tanden eten), ik heb gemommeld; —aar, m.: —ing, v. Moiiiiiumi {zich verkleeden), ik heb gemomd: ook ik heb mij gemomd: —r, m.: —rij {vermomming), v.

Moimiiespel {maskerade), o. gmv.

Mtiinpeleii {binnensmonds spreken), ik heb gemompeld: —aar. m.: —ing, v.

Mom pen (hedrieyen). ik heb gemompt; —ins. v. Monarrli {aUeenheerscher), m. —en. Monarrhaal {tot een monarchie behoorend), j bn. en bw.

Monarrliie {aUeenheersciiappij), v. —ën. MonarchiNt. m. —en: —iwch.' bn. en bw. Mond, m. —en: —elijk. - n. en bw.: —eling, bn. en bw. Den — honden, zwijgen, stil zijn: den — snoeren, het zwijgen opleggen; den \ — roeren, druk praten: naar den — praten, ! vleien, pluimstrijken: zij is niet op den — gevallen, zij kan goed haar woord doen: in den — lóopen, bij geluk vinden: met den — vol tanden staan, geen woord kunnen uitbrengen; met twee monden spreken, zich zelf tegenspreken. niet oprecht zijn: iem. het woord uit den — nemen, precies zeggen wat hij bedoelde; een grooten — opzetten, luid schreeuwen. brutaal zijn; iem. het brood uit den — nemen, hem in zijn nering onderkruipen; nit zijn — besp'iren, zuinig leven of sober eten om een ander: bij —e van. gezegd of voorgelezen ; door: waar het hart vol van is, loopt de — van j oyer, men spreekt gaarne en veel over dingen, i die ons ter harte gaan.

Momlaniteitf wereldseh gezindheid, ij delheid ).v. Monden {smaken; fig. behagen, berallen). het heeft gemond.

Mondgesprek (mondeling onderhoud),o. —ken. Mondig {smakelijk: ooi,' stout in den mond). bn. en bw.

Mondi;1; {meerderjarig), bn. en bw.; —heid, v. Mond jeHinaaf (van spijs, juist genoeg), v. gmv. Monigt;iir (raadgever: een nieuwsblad), m.gmv. Monnik. Miiiinik {kloosterling), m. —en. MoiinikHkap, v. —pen: —kleed, o.: —pij. v. Monnikskap {giftplant, akoniet), v. —pen. Monograpliie {verhandeling over één onder- \ tuerp). v. —ën.

MoiioiiMtg; {alleenspraak), m. —logen. Monopolie {alleenhandel), o. —liën, —lies. Monotonie {eentonigheid), v. gmv.

Monotoon {eentonig), bn. en bw.

Monster {staaltje, patroon), o. —s.

Monster (gedrocht: fig. wreedaard), o —s. Monsteren {revue houden, appèl houden), ik heb gemonsterd: —inaj. v.

Monsterplaats {piel: der wapenachonwing), v. —en: —rol. v.

Monstrnens {gedrochtelijk), bn. en bw. Monstrnositeit {monsterachtigheid), v. gmv. Montasnard {bergbewoner), m. —s.

Montant {bedrag, beloop eener rekening, waarde van iets), o. gmv.

Monteeren (stij/en; opwekken: kleeden; be- i mannen ; ineenzetten van een stoommachine), i Monteerins; (militaire dienstkleeding). v. —en. Monter (vr ooi ijk, opgewekt), bn.: —lieid. v. 1Motii\iut'{rijpaard,ezel: toerusting), v. —turen. Moniinient {gedenkteeken.gedenkstuk), o. —eti. Moniinientaal (in den vor.n van een monn- 1 ment), bn. Een — gebouw.

KOENEN, Verkl. llandwdb. d. Nederl. taal.

Mooi {fraai, aardig), bn. en bijw. Mooi weer spelen, zeer vriendelijk zijn:quot; op eens anders goed teren: — met iets zijn. gaan pronken met.

Mooi, bw. Ze begint — oud te worden.

Moor {een zwarte), m. —en.

Moor (stof), o. moren (soorten).

Moord, m. —en: — en brand schreeuwen. zeer hard schreeuwen: fig. een — aan de vrijheid begaan.

Moorden (om het leven brengen), ik heb gemoord: —aar. m-: inoorderij. v.

Moorin {negerin), v. —nen.

Moorscli, bn. De —e stijl, de —e taal.

Moot {schijf), v. —en. Éen — kabeljuuuf. Mop {hond), m. —pen.

Mop (steen; ook een koekje), v. —pen. Mopnens {persoon), m. en v. —neuzen. Moppen (pruilen), ik heb gemopt: —er, m : -ing;. v.

Mopperen (knorren, pruilen), ik heb gemopperd: —aar (pruttelaar), m.

Mops (hond), m. —en.

Moqneeren (bespotten, uitlachen).

Moquerie (bespotting, hoon), v. gmv.

Mora (vertoef, vertraging), o. gmv. In — zijn, nalatig, in gebreke zijn: periculum in —. dringend gevaar bij talmen.

Moi 'aal (zedenleer), v. gmv.

Moraliseeren (levensplichten voordragen en inprenten).

Moralist (zedenmeester), m. —en.

Moraliteit (zedelijkheid), v. gmv.

Moravische broeders {Hernhutters), m. mv Moreel (zedelijk, deugdzaam), bn.

Morel (noordkers), v. —len.

Morelleboom, m. —en.

Mores leeren (iemand) (iemand hardhandig leer en, hoe hij zich gedragen moet).

Morgana (fata) (luchtspiegeling in de woestijn), v.

Mor^anatiseh huwelijk (huwelijk met de linkerhand tusschen een vorst 'of adellijk heer en een dame van lagere geboorte, waarbij de eerste iets bepaalds tot morgengave (mor-ganatica) uitzet. De kinderen uit zoodanig huwelijk erven slechts den naam en hef vermogen der moeder), o. —en.

Morgen (ochtend), m. —s.

Morgen (zekere oude landmaat), o. —s. Morgenavond, —middag. —oclitend. bijw. Morgenster (dagster of Venus), v. Morgenster (knots met prikkels), v. —ren. Morgne (gebou wtje, waarin onbekende drenkelingen te Parijs enkele dagen worden neder-gelegd), v. gmv.

Moriaan (Moor), m. —anen. Het is den — geschuurd, alle arbeid is vergeefsch.

Morille (paddenstoel), v. —s.

Mormeldier (marmot), o. —en.

Morpheus (f/ot/ van tien slaap: de slaap zelf), m. gmv.

Morphine (opiumzuur. vergift), v. gmv. Morrelen (iets in 't donker verrichten, d. i. op den tast, fig. broddelen), ik heb gemorreld: —aar, m.: —ing, v.

Morren (knorren), ik heb gemord: —ing. v. Morrig (pruttelachtig), bn. en bw.: —heid, v. Mors (vuile vrouw), v. —en.

Morsdood, bn. Hij viel —. zonder eenig tee-ken van leven.

Morsehei (vuile vrouw), v. —len..

Morsen (knoeien), ik hel) gemorst: —erij, v.

11


ocr page 182

.MORSIG—MUSEUM.

Morsis {vuil, stnerig), bn. en l)\v.; —lieitl, v. Morspot (persoon), m. en v. —ten. Mortaliteit 'sterfelijkheid, sterfte), v. gmv. Mortel (fjrais van steen), v. gmv. Te — slaan, tot gruis maken: aati — vallen.

Mortelen (tot (jruis maken, vergruizen), ik hel) en het is gemorteld.

Mortier {vijzel, ook bumkelel [kanon]u m. —en. Mortilleeeren (dooden : kastijden, leed doen). Morzel {brok, stak), m. —en. —s.

Morzelen (tol (jrais maken), ik heb gemorzeld: —ins. v. . , Mos (plantje), o. —sen: —aelitig. —wiff. bn. Mosrli {vogel), v. mosschen. Zie Mn.seli. Moskee (fnrksnhe tempel), v. —ën. MtiMkoviê (Rusland), o.: —viet. —vieter. m.:

— vineli. bn. —vische taart, matten.

Moslem {liet ware geloof: reehtgeloovige, muzelman), m. moslim, mosleman.

MoHsei {weekdier), v. ——en.

Most (nieuwe wijn), m. gmv.

MoHterd. Mostaard, m.. in de spreektiial ook v. gmv.

Mot (insect), v. —ten. In dit la ken is de —. Slot (fijne regen), v. gmv.

Mot {turfmolm), o. gmv.

Motie (beweging: voorstel), v. —tien, —s. Motief (beweegreden, aandrift, spoorslag, ook grondidee), o. —lieven.

Motiveeren (met redenen oinkleeden).

Moih (paard, of hond met afgesneden ooven), m. —en.

MotHen {knotten), ik hel) gemotst.

Motten (lijn regenen), het heeft gemot. Mottig; {door de mot beschadigd: door de pokken geschonden), bn.: —henl. v.

Motto {kernspreuk: vers enz. tot opschrift eener verhandeling, enz.), o. —'s.

MonHiard (politiespion), m. —s.

Monclie (blanketp'eistertjquot;. ook haarbosje aan de onderlip), v. —s.

MonsHeline {neteldoek), v. gmv.

Moiisseeren {schuimen, opbruisen, b.v. ran MoiiM^enx (schuimend), bn. [wijri).

Mout {gedroogde ontkiemde gerst), o. gmv. Mouten (mout maken), ik heb gemout; —er. m.: —erij, v.

Monveineiit (beweging), o. —en.

Mouw, v. —en. lem. iets op de — spelden, hem iets wijs maken: het achter de — hebben. sluw. niet oprecht zijn: iets uit de — schudden, d. i. zonder moeite doen: de handen uit de — steken, flink aan quot;t werken gaan: ik weet er geen — aan te passen, ik weet het niet in orde te krijge/i, te verhelpen: de aap kwam uit de—, de heimelijke bedoeling bleek. Mo,\eiiH (middelen: bekwaamheden), o. mv. Mozaïek (ingelegd vloer werk), o. gmv. Mozaïaeli (tot de leei' van Mozes behoor end). bn. De —e godsdienst, de —e wetten. Mud (inhoudsmaat, J H.L.), v. en o. —n. Mndde {H.L.), v. — n.

Mul'vochtig), bn. en bw: —lieid, v. Mnflen {muffig 'rieken), het heeft gemuft. Mnfti (Turksch hoofdambtenaar), m. —quot;s. Mns (lam/been), v. —gen.

Mnsgenzil'ten (haarklooven, ritten, beknibbelen). ik heb gemuggenzift: —er, m.; —erij. v. Muil {dier), m. —en.

Mnil (hek), m. —en.

Mnil (schoeisel), v. —en.

Mnilhaiideii. ik heb gemuilband. Fig.lem. —, d. i. den mond snoeren.

Muildier (een soort van ezel), o. —en. Muilezel, m. —s.

Muilpeer (kaakslag), v. —peren.

Muih (knaagdier), v. muizen. Zoo stil als een —, d. i. doodstil; het schip is met man en — vergaan, d. i. er is niets van gered. Mnisgraiiw {grijsachtig), bn.

Miii*je (suikerbolletje), o. —s.

Mnit^ Muite (vogelkooi), v. muiten. In de — zitten, de kamer houden, vero.

Mnitarlitiu; {oproerig), bn.

MniteliiiK (oproermaker), m. en v. —en; voor het v. ook —e.

Muiten (oproerig worden), ik heb gemuit; —er, m.: —erij, v.

Miiitzneiit, v. gmv.

Muizen (peinzen), ik heb gemuisd.

Muizen {muizen vangen), de kat heeft gemuisd. Het muist al wat van katten komt. het kind heeft den aard der ouders: zit ge daar te —, d. i. te eten: de katjes die —. mauwen niet, als de kinderen eten, babbelen ze nU't. MiiizenneHt. o. —en. Fig. —en in 't hoofd hebben, beslommeringen, verwarde gedachten. MnizeniH (gepeins), v. —sen.

Mill (molm, aarde. zand), v. gmv.

Mnl (los, onsamenhangend), bn.; —lieid, v. In het —le zand.

Mnlat (kind van een Europeaan en een Negerin), m. —ten.

Mulattin. v. —nen.

Mnlet (Portageesch vaartuig), v. —ten. Muilen (molmen), het heeft gemuld.

Mnlliu; (fijn, los), hu.: —lieid, v. Het gebak ih —. d. i. niet hard maar bros.

Mnltiplieatie v{vermenigvuldiging, vermeer-dering), v. — squot;. — tiën.

Miiltiplicator (vermenigvuldiger), m. gmv. Slnltiplieeeren {vermenigvuldigen). Miiniinelen {mommelen, ook knauwen), ik heb gemummeld.

Mimimie {gebalsemd en gedroogd Eggptisch lijk. Fig. Iemand die er geelachtig, stroef, mager of droog uitziet), v. —miën. —mies. Mniidiis vult deripi (de wereld wil bedrogen zijn).

Munieipaal (de gemeente of stadsrgeenng betreffende: stedelijk), bn.

Miniicipaliteit ( plaatselijk bestuur; gemeentebestuur: raadhuis), v. gmv.

Muiiirieentie( m ilddadigheid.g root beid ).\'.gmv. Munitie (A rijgsvoorraad, als kruit en lood), Muiinik. m. —en. Zie Monnik. |v. gmv. Munster (stiftskerk, domkerk), m. —s.

Munt {gehh. v. —en.

Munt (een plantje), v. gmv.

Munten (geldslaan), ik heb gemunt: —er, in.; —ing, v.

Munten {doelen), ik heb gemunt. Hij heeft het op mij gemunt, op mijn leven gemunt. Murik (vogelkruid), v. gmv.

Murnielen {zacht ruischen): de beek heeft gemurmeld: —ina;. v.

Muriniireeren {morren, ontevreden, klagerig zijn), —der. m.: —ins. v-Murw {week), bn.: —lieid, v. fets — slaan] iem. — slaan, d. i. hem afrossen.

Mu.Hcadijn (fat, saletjonker,modegek), m. —s. MiimcIi, Moseli (vogel), v. musschen, mosschen. MuNniH. muskus (reukwerk), v. gmv. Miiseuin (instelling, aan de schot me kunsten of de wetenschappen gewijd: kunstkabinet), o. —s, musea, museën.


ocr page 183

MUSICEEREN—NAASTE.

163

Miisic^^reii (muziek maken).

MimioiiH {toonkunstenaar), m. —ci.

Muskaat (fijne wijn), m. gmv.

.\IiiHkadel (drinf), v. —len.

MiiMkol (spier), v. —s. —en.

MiiHket (vuurroer), o. —ten.

Musketier (soldaat met een musket), rn. —s.

.\1ii.skiet (soort van mug, in Indie), m. —en.

Mutatie (verandering), v. —tiën, —s.

Mutileemi (verminken).

Miitineereii (aan het muiten slaan, oproerig worden).

Mufs. v. —en. De — staat, hem verkeerd, hij is uit zijn humeur: hij heeft het niet in zijn — dit of dat te doen. hij heeft er geen zin in: hij is zoo gek niet als de — hem wel staat. als hij er wel uitziet.

MntHaard. Mutnerd (rijsbos, takkenbos), m. Het riekt naar den —. d. i. naar den brandstapel. naar ketterij.

Mutueel (wederzijdsch), bn. en bw.

Muur. m. muren. Een blinde —, d. i. zonder ramen; hij zit tusschen vier ut uren. d. i. gevangen; met het hoofd tegen den — loopen, radeloos zijn: de muren hebben hier ooren, men wordt hier beluisterd.

M uur (murik, kruid), v. gmv.

M iiin peper (vetplant). v. gmv.

Muze (zanggodin, nimf-, zangsier), v. —n.

Muxeliiiaii {volgeling van Mahomed), m. —nen.

Muzen (de zanggodinnen, negen in getal; de schoone kunsten en wetenschappen), v. mv.

M uzenzooii (dichler. ook student), m. —zonen.

Muziek (toonkunst, zangkunst), v. gmv.

Muzikaal, bn. — gehoor, gevoel, talent: hij is —. heeft talent voor muziek.

Muzikant, m. —en.

Mgt; lady. Milady (aanspraaktitel der vrouwen uit dén aanzienlijken stand in Engeland-, mevrouw), v. —dies.

My lord. Milord (aanspraaktitel van een Lord), m. —s.

Myopie (bijziendheid), v. gmv.

Myops {kortzichtige), m. en v. —en.

Myriade (tienduizendtal. Fig. een ontelbare menigte), v. —n.

Myriagram (10.000 wichtjes of '10 Nedert. ponden), o. —men.

Myriaineter (10.000 ellen of 10 Ned. mijlen),

Myrrhe. v. Zie Mirre. [m. —s.

Mysterie (geheimenis, verborgenheid in den godsdienst) o. —riën, —s.

Mysterieus (geheimzinnig, raadselachtig), bn. en bw.

Mysticisme (het geloof aan het geheimzinnige, bovennatuurlijke), o. gmv.

Mystiek (geheimleer), v. gmv.

Mystiek. Mystisch (geheimzinnig), bn.

Mystificatie^ mis lei din (f. fopperij ).v. —ti(;n. —s.

Mystifh •eer n (verschalken, foppen).

M'vthe (verhaal, verdichtsel), v. —n.

Mythisch (verdicht, fabelachtig), bn.

Mythologie (leer der oude verdichtselen, bijzonder de Griekse he en Romeinsche godenleer', fabelkunde), v. —ën.

Mythologisch (de godenleer betrelfende: fabelachtig), bn. Een — woordenboek.

Mytholoog (fabelkundige, navorscher van de fabelleer der oud-n), m. —logen.


li

\, v. n's. De veertiende letter van het alphabet. IV.B. — (in geschrift): Nota bene, let wel: (in de aardrijkskunde): Noorderbreedte. Xo. — Numero, nommer.

K.c. — Nostra conto, op onze rekening. X.l. — Non liquet, de zaak is nog niet duidelijk, is nog niet bewezen.

\.M. — Nova Moneta, nieuwe munt. X.K. — Nomen nescio, een niet te noemen persoon, of den naam weet ik niet; of Nomen notetur, de uitgelaten naam moet ingevuld Xom. — Nomine, in naam. [worden.

\ot. piihl. — Notarius publicus, openbaar notaris.

X.S. — (in geschriften): naschrift; (in den almanak): nieuwe stijl.

X.S. — Notre seigneur, onze heer (Jezus X.T. — Nieutv Testament. [Christus).

Xto. — Netto, juist, zuiver (gewicht in den X.V. — Nieuw Verbond. [handel).

Xa, vz. Hij kwam — mij; jaar — jaar; — dezen, in 't vervolg, in de toekomst.

Xa, bijiv. nader, naast. Op een dubbeltje —: allen zijn er op twee —; o/gt; een weinig —: iem. te — ko)nen, beleedigen. slaan: bij lange Xaad. m. naden. (— niet.

Xaalquot; (van een rad), v. naven.

Xaaien. ik heb genaaid: —ster, v.; —sters-werk, o.

Xaakt (bloot, onbedekt), bn. en bw.; —heid, v.

Xaald, v. —en. [Eig. groote armoede.

Xaani, m. namen. Te goeder — en faam bekend staan, geacht zijn: in — van, namens, van wege: het kind bij zijn — noemen, eenige zaak niet verbloemen.

Xaaniloos (zonder naam), bn. Een — artikel, een —looze brief, een —looze circulaire, een —looze vennootschap.

Xaanival (buigingsvorm), m. —len.

Xaapen (nadoen, nabootsen), ik heb —geaapt. —aper. m.: —aperij, —aping, v.

Xaar (in de richting van. volgens), vz. Zij gaan — school, — de kerk, — de markt, enz.: handel — mijn woorden, d.i. volgens.

Xaar (akelig), bn. en bw.: —heid, v. Het is —

Xaardien (omdat), v.w. [weer.

Xaargeestig (droevig), bn. en bw. —heid, v.

Xaannate ( volgens, in verhouding van, tot). v\v.

Xaarstig (ijverig), bn. en bw.; —heid, v.; — lijk, bw.

Xaa'st (nevens, ter zijde van), vz. Ook bn. en bw.: Hij is mijn —e bloedverwant: de —e prijs: ten —en bij, d.i. ongeveer.

Xaastbestaande (bloedverwant), m. en v. —n.

Xaaste (evenmensch), m. en v. —n.


11*

ocr page 184

NAASTEN - NASMAAK.

164

Naasten ik heb genaast; — ing. v.

Nabanket (dessert), o. —ten.

Naberouw (wroeging), o. gmv.

Nahesfaande {bloedvei*want), m. en v. —n. NahetrachtiiiK (overdenking), v. —en.

Xabier (dun bier), o. gmv.

Nabij (niet vet' af), bw.; — beid, v. Nabijgelegen,, lm. Een — bnitengoed, villa. enz. Nabob (stadhouder, bevelvoerder in O.-L, een rijke of parvenu uit Indi'è), m. —s.

Naburig (nabijgelegen), bn. Een — dorp. een —e stad.

Nabuur (buurman), m. —buren; —schap, v. Nararaat (helderrood, naar het oranjegeel zweetnende), bn. (als zn. o.).

Nac ht, m. —en. Bij — en ontijden, d. i. op ongewone uren.

Naclithraken ('s nachts opzitten bij studie), ik heb genachtbraakt: —er,m.: —erij (zwelgerij. v.: — ing, v.

Nachtegaal (vogel), m. —gaals. —galen. Nachtevening (~1 Maart en 23 Sejjteniber), v. —en.

Nachtglas (zandlooper van acht glazen of vier -uren), o. —glazen.

Nachtkwartier (tijdelijke nachtelijke verblijfplaats van soldaten), 'o. —en.

Nachtmaal (het heilige maal of avondmaal), o. Nachtmaalsbeker, m. —s: —brood, o.: — tafel. v. —s: —zaug, m. -en.

Naciitraat (een vogel: ook iem. die in den nacht reel studeert, werkt of uitloopt), m. —raven.

Nachtraven (des nachts werken), ik heb ge-nachtraafd.

Nachtschade (plantengeslacht, waartoe ook de aardappel behoort), v. — n.

Nachtwacht (wachter), m.: (het wachthouden, het wachthuis, en de gezamenlijke wachters), v. —en.

Nachtwerken, ik heb genachtwerkt; —er, (rioolruimer, enz.), m.

Nachtwitje (nachtvlinder), o. —s.

Nadeel (schade, verlies), o. —en. Ten —e van, tot schade van.

Nademaal (naardien, vermits), v\v. vero. Nadenken (overdenken), ik dacht —. heb — gedacht; —er, m.; —iug, v.

Nadenkend (peinzend), bn.

Naderen (dichterbij komen), ik ben genaderd; —ing, v.

Naderhand (later, in de toekomst), bw.

Nadir (hel neder-aspunt des hemels, het tegenovergestelde van zenith of toppunt), o. gmv. Nadiscli (nagerecht), m. gmv.

Nadruk (nagedrukt boek), m. —ken.

Nadruk (het nadrukken), m. gmv.

Nadruk (klem), m. gmv. Hij sprak met —. Nadrukkelijk (met klem), bn. en bw. Nagaan (volgen, bespieden, behartigen), ik ging na, heb nagegaan.

Nagalmen (weerklinken), het heeft—gegalmd; —ing, v.

Nagebuur (buurman), m. —buren. Nagedachte, v. —n: —nis, v.

Nagel (aan vinger of teen), m. —s.

Nagel (spijker), m. —s, —en.

Nagelen (spijkeren, vastslaan), ik heb genageld. Hij stond als aan den grond genageld, onbeweeglijk van schrik, aandoening, enz. Nagelhout (rookvleesch), o. gmv.

Nagerecht, o. —en.

Nageslacht (nakomelingschap), o. —en.

N age was (tweede oogst), o. —sen.

Nagras (etgroen), o.

Naherlst (het late najaar) m. gmv.

Na hooi, o. gmv.

Naïef (natuurlijk, ongekunsteld, argeloos, aardig, ongedwongen), bn. Een — antwoord. Naijver (wedijver, jaloezie), m. gmv. Naijverig (jaloersch). bn.

Naïveteit (ongekunstelde eenvoud, natuurlijke openhartigheid, onschuld), v. —en.

Najaar (herfst), o. —jaren.

Najade (waternimf, fee der bronnen en rivieren), v. — n.

Naken (naderbij komen), ik ben genaakt; —ing, v. Het gevaar zal —.

Nakennis, v. —sen.

Xaklncht. v. —en.

Nakomeling (afstammeling), m. en v. —en; —schap, v. Het is noodig de pitten te zaaien voor uiv —schap (C. O.).

Nakroost (nageslacht, nakomelingschap), o. Nalatenschap (erfgoed), v. —pen. [gmv. Nalatig (onachtzaam), bn. en b«.: —beid, v. Naloop (toeloop, omslag, moeite), m. gmv. Nainaag (naaste bloedverwant), m. en v. —magen.

Nainaagschap (al denamagen),\., (vermaag-scha/j/nng), o.

Namaak, v. gmv. Dit schilderij is maar —. Namaaksel, o. —s.

Namaals (hierna), bw.

Namaand (de laatste helft der maand), v. Namelijk (te weten), bw.

Xameloos (onnoemelijk), bn.: —beid, v. Een — lijden. —looze ellende, d. i. onbeschrijfelijk. Namens (uit naam van), vz.

Namiddag, m. —en.

Namis (herfstjaai*markt), v. —sen.

Naneef, m. —neven (de nakomelingen). Xanicht (achternicht), v. —en.

Nanking; (soort van geelachtige katoen uit Chineesche boomwol vervaardigd), o. Huib droeg een — broek (Potgioter).

Nanoen (gew. namiddag), m. —en. gew. Naoogen (nastaren), ik heb —geoogd: —ing. v. Naoogst (nalezing), m. —en.

Nap (houten bakje), m. —pen.

Naphtha (zeer brandbare steenolie), v. gmv. Napolitaan (bewoner van Napels), m. —tanen; Nar (zot), m. —ren. [—taansch, bn.

Narcis (sierplant), v. —sen.

Narcotine (bedwelmend vocht uit opium), v. Narcotisch (bedwelmend), bn. Een — middel, d. i. slaapwekkend.

Nardus (Indiaansch gras), v. gmv.

Nardus (kostbare balsem), v. gmv.

\arcde (besluit, sluitrede), v. —nen.

Naricht (bericht), o. —enl Tot —, tot waarschuwing.

Narigheid (treurigheid), v. —heden.

Naroep (fig. gerucht), m. gmv.

Narren (in een arrestee rijden). Zie Arren. Xarrenslede, v. —en. Zie Arreslede.

Narrig (gemelijk, knorrig, verdrietig), bn. en bw.; —beid, v.

Narwal (soort van walvisch, eenhoornvisch), m. —s, —len.

Nasaal (van, door en met den neus), bn. Nasaal (neusklank), v. nasalen.

Naschrift (toevoegsel aan een brief), o. —en. Nasleep (gevolg), m. —en.

Nasmaak (overblijvendesmaak), m. —smaken. Fig. herinnering.


ocr page 185

NASNEDE—NEK.

165

Xaniiede (etyroen). v. —n.

Xaspeuren (heimelijk nazoeken), ik heb —gespeurd; —der, m.; —iiiR, v.

Ximporen {onderzoeken), ik heb —gespoord: —spoorder. m.; —Hporing;, v.

Xaspraak (laster), v. gmv.

\aHtiik {tooneelspel, dat als slot gegeven wordt), o. —ken.

!\'a8iikkelen {sukkelend colgen), ik ben —gesukkeld.

Xat, bn. en b\v.: —held, v.: —tiglieid. v.

Nat, o. gmv. Zij plassen in het —: hij lust zijn — en droog, hij eet smakelijk.

Nateekeiien, ik heb —geteekend; —ing, v.

Nafer (soort van slang), v. —s.

XathalH (drinkebroer), m. en v. —halzen.

Natie (volk), v. —tiën. —ties.

Xationaal {hetgeen tot een volk behoort of daaraan eigen is), bn. De —ale vlag, de—ale industrie; ons — lied, het Volkslied: de —ale zeden, gewoonten, deugden.

\atioiialiseeren {iemand van een vreeinde natie als landsman of burger aannemen)

Xat i onal i tei t (volks kar a kt er, volkszei fsta n dig-heid), v. —en.

Xatten (bevochtigen, betten), ik heb genat.

\atti^ (natachtig), bn. en bw.: —lieid, v. Een —e huid, slijmerig, kleverig.

Natura (in) (in de natuur: bloot: oorspronkelijk).

Xatiiraliên {natuurzeldzaamheden), v. mv.

Xaturali.satie (erkenning als landsburger), v. —tiën, —ties.

Natiiraliseeren. Ook: XatioiialiMeeren.

\atiiraliHt (voorstander van den natuur-godsdienst; natuurkundige), m. —en.

Xatnrel (natuurlij ke geaardheid, inboor ling),o. Een —letje, een pruikje.

\atuiir i de schepping, ook: dr aard, het karakter, lichaamsgestel), v. naturen. Teekenen naar de. —; de drie rijken der —: fig. — dot tol betalen, d. i. sterven. [v. —n.

Xatiiiirkuiidig;e (natuuronderzoeker), m. en

Xatunrlijk (naar of volgens dr natuur; fig. eenvoudig. ongeku*isteld, naief), bn. en bw. Een —e behoefte: een —e vraag; het — verstand, gezond: de —e loop der dingen.

Xautiek {schee/waart kunst), v. gmv.

Xauw (eng), bn. en bw.: — lieid, v.

Nauwgezet {Stipt), bn. en bw.: —lieid. v.

Xauwkeurijg; (stij-t), bn. en bw.; —heid, v.

Xauwletteiid. bn. en bw.: —lieid, v.

Nauwte (engte), v. gmv.

Navel (lichaamsdeel), m. —s.

Naverwant (nabestaande), m. —en.

Naverwante, v. —n.

Xavigahel (beviairbaar), bn. Nii\ienile(scheepvaart,ookstuurmanskunst),v.

Xavolsend, bn. De —e nummers, namen, d. i. die men gaat noemen.

Xavrnelit (btle vrucht), v. —en.

Xazaat {nakomeling), m. nazaten.

XazesK^n (iem. woorden herhalen), ik heb —gezegd (—gezeidc —er, m.: —ing. v.

Xazetten (vervolgen), ik heb den dief —gezet.

Xazoek (navorsching), o. gmv.

Xaxonier {herfst), m. —s.

Xazweren (van een ivond), het zwoor —. heeft —gezworen.

Xeb, nebbe (spitsebek va)i een vogel), v. —ben. i

Xeb, nebbefje (fig. mond), o. —s.

Néeessaire (een licht, gemakkelijk mede te voeren taschje, kistje), v. — s.

Neerologie (lerensgeschiedenis van pasgestorvenen, doodenlijst), v. —ën.

Necroloog (levensbeschrijver van overledenen), m. —logen.

Neeroinantie (de zoogenaamde waarzegging door bezwering, nf de zwartekunst), v. gmv. Ook: Nignuniintie.

Xectar (gvdendran!:: heerlijke wijn of drank), m. gmv.

Xederdiiit.Heli (behoorende tot laag-Duitsch-land), bn. (o. als zn.).

X ed e r i g (beschei den, r (?dlt;Vz), b n. en b w.: — lie i d, v.

Xederlaag, v. —lagen. De — lijden, (in het veld) verslagen worden.

Nederland (ons Vaderland, laagland),o. —en.

Xederlander, m. —s.

Xederlandei'Mcliap (de hoedanigheid, van), o.

XederlandHrh, bn. De —e wetten, zeden, taal, d. i. behoore.id tot ons volk.

Xederlandticli (onze taal), o. gmv.

Xeder-Rijn (benaming van deu Rijn van lionn tot aan de Noordzee), m. gmv.

Xederwaart». bw.

XederwaartHeli, bn.

Xederzetten, ik heb —gezet; —ing (kolonie), v.

Xeel', m. neven.

Neefoeliap. o. gmv. Fig. begunstiging van

Xeen, tw. (o. als zn.). [nabestaanden.

Xeep {kneep), v. nepen. Iem. een — geven, d. i. schade of verlies berokkenen.

Neepjewkapje (vrouwenmutsje), o. —s; —milt», v. —en.

Xeerliaal {het dikke van een letter, het tegenovergestelde van een ophaal), m. —halen.

Neerïialer (scheepst. touw), m. —s.

Xeernlaelitig (verdrietig, moedeloos), bn.; —beid, v.

Xeerwlag {het neerslaan), m. gmv.

Neerslag (een soort van rustbed), v. —en.

Neerslag (scheik. bezinksel), o. —en.

Xeet (luizenei), v. neten.

Xeet, niet {klinknageltje), v. —en.

Neeten, nieten (een nogeltje plat klinken), ik heb geneet.

Neetoor (lichtgeraakt mensch), m. en v. —en.

Xela» (onrecht, onbillijkheid, iets dut onmogelijk is), o. Per fas et —, met alle geweld.

Xeg, negge {hit, klein paard), v. —gen.

Xegatie (ontkenning, loochening), v. —tiën.—s.

Xegatiel' (ontkennend), bn. en bw.

Negatief (in de photographic), o. —ven.

Xegeeren (ontkennen).

XegendaagNeli (negen dagen durende, ook: om de negen dagen), bn.

Negenoog! lamprei; ook: kwaadaardige bloedzweer), v. —en.

Xegenponder (brood, geschut, kogel), m. —s.

Neger (Afrikaun), m. —s.

Xegeren (kwellen, sarren), ik hei» genegerd.

Negerij {afgelegen dorp. gehucht), v. —en.

Negge (hit), v. — n. Zie Xeg.

Négligé (nachtgewaad; ochtendkleed der dames), o. gmv.

Xegligeeren (veronachtzamen).

Xegotiant (kooiunan. groothandelaar), m. —en.

\vsioiïi\i\r{onderhundeling. handel met actiën, tvisselbneven, en/..), v. —tiën. —ties.

Negotie (koopmanschap, handelsverkeer), v. — tiën, —ties.

Xegotieeren {handel drijven, onderhandelen).

Xeigen (overhellen tot), ik heb geneigd: —ing,v.

Xek, m. —ken. Iem. den — toe keer en, zich afwenden van hem: iem. met den — aanzien.


ocr page 186

N E K K KN-NI l'PEKTJ E.

160

niet groeten, minachten: 'nnn. in den — zien. hem bedriegen.

Rekken (dooden. sink maken), ik heb genekt. Kei {in het kaartspel de negen ran troef), v. —len.

Kernen, ik nam. heb genomen. De moeite de vlucht —, iem. in den arm —. hulp zoeken bij hem: de vrijheid —. zich iets veroorloven; een stad —. innemen; een bad —; in aanmerking —. letten op: men moet ivat geven en —. wat plooien, schikken; iets kwalijk euvel (luiden: iets voor Hef tevreden zijn met.

KeimeMiM (godin der wraak), v. gmv. Keosnipliie (afwijking van de gewone spelling), v. gmv.

KeoloK'^ (taahüeuwigheid), v. gmv, IVeolosiNine (taalnietiivigheid), o. —n. Keoloos; [invoerder ran nieuwe woorden, strever naar nieuwigheid), m. —logen. Kepliralgie {nier- of lendepijn, zenmvpijn), v. gmv.

KefvotiHinei ver want scha jr. verzorging van verwanten, begunstiging van familieieden),o.gmv. Keppe (kattenkrnid), v. gmv. Ook: \ippe. Kerpide (zeenimf), v. —n.

Kerf. v. —ven.

Kersen» (op geen plaats), b\v.

\eriiis (handel, vertier), v. —en.

Kero (dwingeland, wreed vorst: naam van den door zijn wreedheden berachten 1 lome insch en keizer), m.

Kerven» (zenawachtig), bn.

Ke»f. o. —en. Fig. ro'overshol, ook ondeugend Ke»tel (rijgsnoer), m. —en of —s. [meisje. Kenfelen (met een nestri toerijgen), ik heb genesteld.

Kentelen (een nest mak-.n), de vogel heeft genesteld: ook: ik heb mij genesteld: —injj;, v. Ke»terij (onbeduidende zaak), v. —en. gmz. .Vestig; (leelijk. kribberig). bn.: —lieid. v. Ke»tor (rrn schrander, eerwaardig grijsaard: tie oadste). m. gmv.

\et. o. — ten. Een visch—. een vogel—. Kef (stipt), bn. en b\v.: —je». b\v.: —lieid. v. Kef (netschrift), o. gmv.

Ketel ( plant, brandnetel), v. —s. —en. Ketelaelitiff. bn.: —lieifl, v.

Keteldoek (lijnwaad), o. gmv.

Ketellt;loek»eli, bn. Een —e japon, d. i. van neteldoek.

Ketelen (met netels steken), ik hel» geneteld. Ketelig (fig. moeielijk. bedenkelijk): —lieid, v. Ketenkani (fijne kam), in. —men.

Ketten (nat maken, ook: bevochtigen), ik heb genet.

Kefto (jaist: zuiver, zonder aftrek). b\v. Keulen (preutelen, zaniken), ik heb geneuld. Kenriên (halfluid zingen) ik heb geneuried. Ken», m. —zen. Door den — spreken, neusgeluiden maken: den — tutor iem. of iets ophalen, met minachting bejegenen: iem. een — aandraaien of een wassen — maken, iets wijs maken: den — overat in steken, zich met alles bemoeien: iem. bij den — hebben. foppen: hij ziet niet verder dan zijn — lang is. hij is kortzichtig, dom: een — krijgen, berispt worden.

KeiiMliaar. o. —haren.

\eii»liooi'n. nen»lioren (dikhuidig dier, rhinoceros). m. —hoorns, —horens.

Kenfelen (talmen, neulen), ik heb geneuteld; —aar. m.: —arij, v.

Xeutelig (talmachtig), bn.: —held, v. j Kenfraal (onpartijdig, onzijdig), bn.

Kentrali»eeren (in den staat van onpartijdig-I heid brengen : afscheiden, de verbinding ver-I hinderen).

\entralifeit (onzijdigheid), v. gmv.

Keuzelen (besnuffelen), ik heb geneuzeld. Keuzen {nasnuffelen), ik heb geneusd: —er, m.: —erij, v.

Kevel (verdichte damp), m. —s, —en. Kevelen (misten), het heeft geneveld.

Ku'lit. v. —en.

Kicotine (het scherp en vergiftig bestanddeel in tabak), v. gmv.

\ieniendal (niet metal, niets), bw.(alszn.),o. Kier (ingewand, klier), v. —en.

\ie»krnid (plant), o. gmv.: —middel, o.: —poeder, o. —s: -wortel, v.

Kiet (in de loterij), v. —en.

Kief (klinknageltje), v. —en. Ook: Keet.

Kiet (wal niet bestaat), o. gmv. Uit het — te voorschijn roepen: te — doen. te — gaan. \ Kiefen (klinken). Zie Keefen.

Kiefig (klein, gering), bn.: —lieid. v. Kietteu;en»faande, vz. en v\v.

\ietteniin (evenwel, echter), bw.

Kienw. bn. en bw. Het—e jaar: een — kleed: de —e wereld, Amerika; de —e geschiedenis, een —e mode, een — leven, anders, tegengesteld aan het vorige.

Kienwbakken U'srsc/Oibn. Fig. Een — ridder, | een — edelman.

Kien wel ing; (beginner), m. en v. —en; voor het v. ook —e.

Kienwerwet»cli (hedendaagsch), bn. Kienw-llolland (7 Vastland van Australië), o. \ienwislieid (iets nieuws), v. —heden. Kienw.jiiar. o. Iem. zijn — geven. d. i. een fooi op nieuwjaar.

Kienwlichter (orthodo.re), m. —s. K ienwnio(li»c-li. bn. Een — kleed.

Kieuw», o. Er is goed —, slecht —, d.i. bericht. Kienw»lgt;lad (krant), o. —en.

Kienw»s;ierig. bn. en bw.; —heid, v. Kienwtje, o. —s.

Kii •zen. ik heb geniesd: —ins. v. \iu;roniantie (zwartekunst, tooverij), v. gmv. \iliil (niets), bw. (als zn.). o.

\iliili»nie (leer der algeheele vernietiging). o. gmv.

\ihili»t(«/m/4agt;^r van het nihilisme), m.—en. Kijd (afgunst, misnoeqen). m. gmv.

Kijdis (afgunstig, fig. boos), bn. en bw.; —lieid, Kijdigaard (benijder), m. —s. [v.

Kijken (buigen, 't groeten der dames), ik neeg. heb genegen.

\ ij ging (buiging), v. —en. Een — maken. Kijlpaard (dikhuidig dier, hippopotamus). Kijh •eiger (heilige ibis), m. —s. (o. -en. Kijnagel Xijdnagel (stroopnagel), m. —s. Kijpen (klemmen), ik neep, hel» genepen: —er. m.: —ing. v: —tang; (werktuig), v. Kijver, bn.enbw.; —held (industrie, fabrieks-Kik (hik), m. —ken. [wezen), v. gmv.

Kikkel (metaal) o. gmv.

Kikken (met het hoofd buigen), ik heb geniet. Kikker (watergeest), m. —s.

Kinihn» (stralenkroon, lichtkrans), m. gmv. Kimt' (fee. elf), v. —en.

\ippe (kattenkrnid). v. gmv. Ook: \eppe. Kippen (kibbelen, twisten), ik heb genipt. Kippertje. o. Hij kwam op het —. op do laatste minuut.


ocr page 187

NIS — N O H M A ALSCHOOL.

!\iw (holli'iheid in een immr). v. —sen.

INivoaii (waterpas, watersjriefiel, ruerktavj), o. gmv.

Kivelleeren (waterpas-maken; nel ijk maken), j IVix {een waterspook, ikker. nikker), v. —en. j Xolx'l (voormalige mant), m. —s, —en.

i\ohpl {edel, voornaam), bn. Een —e daad. 1 \ohili (de adellijken), m. mv.

IVohilittM'ivii {tot den adelstand verhellen). \ol)ilitlt;Mt (adeldom : adel, ridderschap).\. —en. KoblPMMe ide adellijken ran een oord of land j de adelstand, tie ridderschap), v. gmv.

\ocli (ook niet). v\v.

[niettemin), liw.

IVoctaiiibiile {nneht- of shaipwandelaar), m. en v. —s.

XoemtMi (een naam tjeven. uitspreken), ik heb genoemd.

Koemer {eener break), rn. —s.

!\oeii (gew. middag), m. De voor—, de achter- j of na—.

Koest. m. —en. Ook: Oest en Knoopt.

Koest (naarstig), bn. en b\v.: —lieiïl, v. Koestei'ig (knoestig), bn.: —hei«l. v.

(rol kwasten, b.v. bij /danken).^ bn.: INor (tot hiertoe, bovendien), b\v. [—lieid. v. KcKniiials (upnienw), b\v.

Kok (snik), m. —ken.

\ok (het opperste of aiterste van iets), —ken. Kokken (snikken, weenen). ik heb genokt: -iiiK. v.

KoleiiN voleiiH (gord- oj kwaadschiks).

Koli mi tangere (kraidje-roer-mij-niet). KonuMlen (herders: rondzwervende stammen). m. mv.

Koinadtacli (rondtrekkend, zonder rust ver- | blijf, zwervend), bn.

Komen (naam, naamwoord, benaming), o. \ nomina.

Koiiieiielatiinr {naamregister, naamlijst), v. —turen.

Koniilii:illt;gt; waaide (naamwaarde, het tegendeel van re'éele ivaarde bij een elf eet), v. — n. Koiiiinatie (benoeming), v. —tiën. —ties. Hij staat op de —. d. i. op do li jst der te benoemen personen, op de voordracht.

Kommer. Kiiiiiiner. o. —s: —tje. o. —s. Kommeren. Xiimnieren, ik heb genommerd. Kon {kloosterzuster), v. — nen.

Konaetiei' (toestand van een offivier niet in werkelijken dienst), bn.

Konartiviteit (de toestand van een officier, die tijdelijk buiten irerkelijken dienst gesteld is), v. gmv.

Konelialanee {achteloosheid, nalatigheid), v. gmv.

Konrli'ilant (nalatig, achteloos), bn. en bw. Kon-iiitervenfie (het niet tasschenbeiden treden. het onzijdig blijven), v. gmv.

Koning {werktuig, graad ver dee lei'), m. —sen. Konnelorfjes (pojfei'tjes), o. mv.

Konpareilh' {zeer kleine soort van drukletter), v. gmv.

Kon phis nltra (het alles overt re jfende). o. Kon posHiimiis (wij kunnen niet, het is on-\onsens (onzin), m. gmv. |mogelijk).

Konvalenr (onwaarde, oninbare post, oninbare schnld). m. —s.

Kood (komme)', ellende), m. —en. In den uitersten nood, het dreigendste gevaar; het heeft geen —, er is geen gevaar: van den — een deugd maken, zich naar tijd en omstandigheden schikken: — leert bidden: — breekt wet.

\ooddrnrt (behoefte), v. gmv.^

Xooddrnrtig; (arm), bn.: — lieid, v.

\oode, bw., alleen gebruikelijk in: van — hebben, enz.

\oode (ongaarne), bw. //.' doe het —.

Kogelen {uünoodigen), ik heb genood: —er. in.; —ins;. v'

Xoodlmlp {persoon, dienstbode), m.env. —en. Xoodigen {uitnoodigen), ik heb genoodigd: —er. in.: -ine;, v.

\oodlijdend (arm. behoeftig), bn. \oodlijdende (persoon), m. en v. —n. \oodlot (bestemtning. fatum), o. gmv. Xoodlnttig; (ongelukkig), bn. en bw.: —lieid, v. \oodweer (tegenweer, verdediging uit noodzaak), v. gmv.

Xoodweer. \oodweder (zwaar onweder), o. gmv.

\ooil wendijiquot; {noodzakelijk), bn.enbw.: —lieid. v. De eerste —beden des levens, de eerste levensbehoeften.

Xoodxaak (dwang), v. gmv.

Xoodxakelijk ^noodwendig), bn. en bw.; — Iieid, v.

XotMlzaken (dwingen, verplichten), ik bob genoodzaakt.

Xoopijxer (puntig ijzer), o. —s.

Xoor {Soorman), m. Noren.

Koord. bw. De wind is — : — honden, noordwaarts koers houden.

Xoord (het Xoorden), o.: (de noordelijk gelegen, landen), v. Om de — houden, noordelijk opvaren.

Voordel ijk. bn. er. bw. De —e landen van Europa, d.i. in het N. gelegen.

Xoorden, o.: — wind(wmry uit het Noorden), m. Xoorderlireedte {afstand ten noorden van den evenaar), v.: —lielit, o.: —zon, v. Xoord-llolland, o. gmv.

XoordliollandMeli, bn. De —e boer. XoordooHt. bw. (als zn. o.).

Xoordoostelijk. bn.

Xoordoosten. o. gmv.

Xoordoosteren (naar het X.O. loopen^ van den wind), de wind isgenoordoosterd: —iiiK- v. Xoordscli {uit het noorden), bn. Xoordwaarta (in de richting van het X.), bw. Xoordwest. bw. (als zn. o.).

Xoordwestelijk. bn. en bw.

Xoord wekten, c. gmv.

Xoordwewferen (naar het X.W'. loopen van den wind), de wind is genoordwesterd: Xoordzee, v. gmv. 1—•»«. v-

Xoorman, m. —nen.

Xoot (zangnoot en aanteekening), v. noten. Hij heeft heel wat noten op zijn zang, hij is Xoot (vrucht), v. noten. |veeleischend.

Xoot (noteboom), m. noten.

Xop (pluis), v. —pen. Hij is goed in de—pen, kleeren; hij was in de —jes. goed gehumeurd. Xopen (aanzetten), ik heb genoopt.

X'opeiiN (betrelfeude), vz.

Xopijzer (gereedschap der lakenbereiders),

Xoppcn. ik heb genopt: —per. m: nop-neliaar, v.

Xoppii; (ongelijk, one If en), bn.

Xorma (regel, voorschrift), v. gmv.

Xormaal (naar den regel), bn. In —alen toestand, d. i. in den behoorlijken, gewonen toestand.

Xormaal^cliool {vormschool van omlérwijzers), v. —scholen.


ocr page 188

NORMALIT EIT-OASE.

168

Xuniialiteit {regelmatige, behoorlijke gesteldheid), v. gmv.

Xoi-ncIi (stunrsch, barsch), bn. en bw.; —heid, v.

KoHOfoiiiiiim {ziekenhuis, hospitaal), o. gmv. XoHocooin (ziekenoppasser), m. nosocomen. Xlt;»Nog;(gt;iiie (het ontstaan van ziekten), v. gmv. \oHologie (ziektenkundé), v. gmv.

XoMtalgie {heimwee), v. gmv.

Kota {teeken, merkteekot; schriftelijke aanwijzing, aanmerking', beknopte rekening), v. nota's.

\otabel {aanzienlijk, voornaam), bn. Kotabele {voornaam, aanzienlijk burger). Xot i bene {let wel op!), bw. quot; [m. —n. Aiotam neineii (ad) {opmerken, in gedachten honden).

KotariN, m. —sen; —riaat.o. —ruiten: —rieel {een —rieele akte, een oorkonde opgesteld door ^otebooin, m. —en. [een notaris), bn.

Xotedop, m. —pen.

Koteeren {a anteeken en).

NoteimiHkaat {noot), v. —katen; {slof), o. Notenkraker (werktuig), m. —s.

Xotenpapier (muziekpapier), o. gmv.

Notie (begrip, denkbeeld), v. —tien, —ties. Xotiiicatie {aankondiging, bekendmaking), v. —tiën, —ties. Voor — aan)temen, voor kennisgeving aannemen.

!\otifieeereii {melden, ter kennis brengen). IV'otitie {opteekening, opgaaf), v. —tiën,—ties. — van iets nemen, het de aandacht waardig keuren.

Kutoriëteit {openbare of algemeene bekendheid). v. Ook: notoriteit.

Xotre-Daine {Onze Lieve Vrouw, de maagd Maria: ook: de groote kathedraal te Parijs), v. Notulen, notel«(Awte aanstippingen van hetgeen in een vergadering behandeld is), v. mv. Not weg {een breede rijweg), m. —en. Nouveauté {nieuwheid: het nieuwe: iets | nieuws op 't gebied der mode), v. —s. Novatenr {vinder, invoerder van nieuwig- [ heden), m. — s.

Novelle (romantisch verhaaltje), v. —n. NovelliMt (schrijver van novellen), m. —en. i November {slachtmaand), m. gmv.

Novene {bij de li.K. godsdienstoefening, tot een zeker doel, welke gedurende negen dagen ' herhaald wordt), v. — n.

Novice {nieuweling in een klooster), m. en y. — s.

Noviciaat, novitiaat (proeftijd, proefjaar), o. gmv.

NovitiiiH (baar, student die in het corps wil worden opgenomen), m. —tii.

Nnanee {tint, schakeering, aardige kleurmenging, licht en bruin), v. —s. —n. Nlianeeeren {schakeeren, beschaduwen). Nueliter. bn. en bw. Hij is nog —. heeft nog niets gebruikt: iets innemen op de —emaag; hij is — thuis gekomen, d. i. niet dronken: een — kalf, een pasgeboren kalf.

Nuditeit {naaktheid, ontblootheid), v. gmv. Nul (ingebeeld meisje), v. —ten.

Nnflen (talmen, dralen), ik heb genuft. Nul'li^ bn.: -beid, v. —e knipsels (C. 0.). Nuk {luim, vlaag), v. —ken.

Nukkig; {eigenzinnig), bn.; —beid. v.

Nul, v. —len. Hij is daar een — in 't cijfer, hij heeft daar niets in te brengen: hij is een echte —, een onbeduidend mensch.

Nulliteit {nietigheid, nieteling), v. —en Nunierair {naar het getal), bn.

Numerair {gemunt geld, de waarde der in omloop zijnde specie), o. gmv.

Numereeren (tellen, nomineren),

NiimereiiH {talrijk), bn.

Numeri (naam van Mozes' vierde boek. inhoudende de volkstelling der Israëlieten), o. gmv. \uniero (nommer, nummer), o. —'s. Niiineroteeren (benommeren, met cijfers teekenen). Igmv. NumiHinatiek {munt- en penningkunde), v. NumismatiMcli (de munt- en penningkunde betreffende), bn.

\umiHniatou;ra|gt;liie {beschrijving van oude munten), v. gmv.

Nummer, Niiinmeren. en/.. Ook: Nommer, Nommeren. enz.

Nuntius {afgevaardigde: pauselijke afgezant), m. —sen.

\ upt iaal {tval oen brui loftsdag, het h n we lijk be-\urk, Nork {knorrepot), m. —en. [treft), bn. \iirken (knorren), ik heb genurkt.

Nurkig; {knorrig), bn. en bw.; —beid, v. \urk.t*v\t (vol grillen en kuren),\m.: —beid. v. XiiHNelen ( talmen, beuzelen), ik heb genusseld: —aar, m.

Nut. (voordeel), o. gmv. Ten —te vun: het —, de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. X ut, 1 )n. en bw. Een —te les. NutHvergadering, v. - en: —verbandeling, v. Nutreeren (voeden, opkweeken), bw. [—en. \utritie {voeding), v. gmv.

Xutritief {voedend, voedzaam), bn.

Nutten {nuttig zijn\ het heeftgenut. Het nut mij niets, d. i. baat, helpt niets.

Xuttis: {voordeelig), bn. en bw.: —beid, v.; —beidsleer, v.

Xuttigen {spijs of drank gebruiken), ik heb genuttigd: —ing;. v.


41.

O. v. oquot;s. — De vierde klinkletter, de vijftiende O.S. — (in den almanak): Oude Stijl.

O. — Oost. (letter van het alphabet. O.T. — Oud-Testament.

Ob. — Obiit, hij of zij is overleden. O.V. — Oud-Verbond.

O.l. — Oost-Indië.

[en wee's.

O.M. — Openbaar Ministerie. O. tw. (als zn. o.), o's. Met veel — s en aclis

0 o- — percent (pCt), procentum, Lat. ten Oawe (vruchtbare streek in 't midden der

honderd. zandwoestijnen), v. —n.

ocr page 189

SI-OFFICIER. 169

obedieeke:

Obedieereii (gehoorzamen).

O-beeiien (kromme beenen), o. mv. Een oud man met —.

O bel i N k (spitxz uil; ijraf- of pronkt ma /lt;/ ),m. — en. (Muit {hij of zij is gestorven). Zie de verkorting Ob.

Object (voorwerp, zaak of persoon der be-schouwimj; het doel of eindoogmerk), o. —en. Objecteeren (tegenwerpen).

Objectie (tegenwerping, bedenking, tegenspraak). v. —ties, —tiën.

Objectiel* (werkelijk bestaand), bn.

Objectief (de naar het voorwerp gerichte lens in^ verrekijkers en microscopen), o, —tieven. Objectiviteit(voorwerpelijkheid, uiterlijkheid, gesteldheid eener buiten ons liggende zaak). v. gmv.

Oblaat (gewijd avondmaalsbrood), v. oblaten. Obl ie (dunne wafel), v. —ën.

Obligaat (verbonden, verplicht-, rnuz. begeleidend; noodzakelijk). b\v.

Obligaat (mnziekstak, gezet voor eêne stem of een instrument, gewoonlijk met begeleiding voor te dragen), o. -gaten. Een — op den hoorn (C. 0.).

Obligatie (schuldbrief), v. -tiën, —ties. Oblige (verplicht! heb dank!)

Obligeant (dienstwillig, verplichtend, beleefd). Obligeereii(ri/ensf bewijzen, verplichten: noodzaken).

OblivieiiH (vergeetachtig), bn. (ni.

OboliiM. obool (Grieksche pasmunt, penning), tohnveetwoneerbaar,schandelijk,ontnchtig),hi\. Obsceniteit (liederlijkheid), v. —en. iM*Hv\iveev?i\(verdaisteren;verdonkeremanen). ObHcuriteit (dnisternis: onver sta a 11 baa.} 'heid;

vergetelheid), v. gmv.

ObMctmr (donker, onbekend, otiberoemd), bn. tlbMcdeei en (op iemands handelingen, rede-nen,etiz. naawkearig acht geven; lastig rallen). ObNervabel (opmerkenswaardig; in acht te nemen), bn.

OhHev\i\uiie(inachtneming: regel),v.—i['én,—s. Observatie (waarneming, bespieding; opmerking), v. —tiën, —ties.

Observator (opmerker; hij, die sterrenkan-dige waar nemingen doet op een observatorium), m. —s.

Observatorium (sterrenwacht), o. —s. —torin. Observeereu (op- of aanmerken, gadeslaan, waarnemen). iM*sii\m'ei\(veronderen,bnitengebruik raken). Obsoleet ( verouderd, in onbruik geraakt), bn. Obstakel (hinderpaal, belemmering, b letsel). Obstetric (verloskunde), v. gmv. quot; [o. —s. Obstetrisch (verloskundig), bn.

Obstinaat (eigenzinnig, halsstarrig), bn.: —beid. v.

O bst i na t w(kopp igheid, halssta-rig 'ieid).\' .gmv.

(hardlijvig hei d,verstopping).\.%xnv. Obstructie (verstopping, hardlijvigheid), v.

—tiën, —ties.

tHistrueeren (verstoppen, hardlijvig maken, belemmeren; betimmeren, b.v. iemands licht). Obtineeren (verkrijgen, erlangen, zijn oogmerk bereiken).

Occasie (gelegenheid, geschikte tijd. aanleiding)^ v. —siën. —sies.

Occasioneeren (gelegenheid geven, veroorzaken).

Occident (het Westen), o. gmv.

Occidentaal (Westersch), lm.

Occult (verborgen, heimelijk), bn. en lt\v.

Occulteeren (verbergen, verhelen, geheim houden).

Occupatie (bezigheid; bezetting; in bezit helgt;-bing), v. —tiën, —ties.

Occupeeren (bezetten, innemen; bezighouden). Occureeren (ontmoeten, voorvallen, voorkomen).

Occurrent (voorkomend, plaatsgrijpend), bn. th-eaan (wereldzee), m. oceanen.

(h-litend, l'chtend (morgenstond), rn. —en. Octaaf (Se toon, omvang van S tonen; een tijdperk van S vierdagen in de R.C. kerk), v. octaven.

Octant (hoogtemeter, werktuig in (ic sterrenkunde). v. —en.

Octavo (in) (boekformaat van acht bladen in een vel. -S'1). b\v.

October (wijnmaand), m.

Octogoon (uchthoek), m. —gonen.

Octrooi (handelsvrijheid, vergunning, een verleend uitsluitend recht tot het maken en verkoopen van zeker iets), o. —en. Octrooieeren (een octrooi verleenen aan iemand of op iets).

Oculair (het oog betrejfend: met de oogen beschoun end), bn. Een —e inspectie.

Oculair (een der lenzen in een kijker),o. —en, Oculatie (enting), v. gmv. ' [—s.

Oculeeren (enten).

Oculist (oogarts, oogmeester), m. —en. Odalisken (slavinnen der vrouwen in den Ode (lierzang', v. —n, [harem), v. mv.

Odeon. Od ciiiu (zang- of muziekzaal), o. gmv. Odeur (reok. geur), v.: —s (reukwerken). Odieus (hatelijk, ergerlijk, walglijk), bn. Odium (haat. vijandschap), o. gmv.

Odometer of Podometer (weg- of schredenmeter), m. gmv.

Odoriferant duel riekend), bn.

iitvotnutite (staathu ishoudku nde, spaarzaamheid), v. gmv.

Oeconomiscli (staathuishoudkundig: spaarzaam), bn.

Oecmioom (staat- (en ook land-)huishoud-kundige), m. —nomen.

Oefenen, ik heb geoefend: —ins, v. Een pianist moet zich dagelijks —; een gymnast oefent zijn gewrichten en spieren. Oeil-de-boeuf (rond dakvenster: opening in een schoorsteen), o. oeils-de-boeuf.

Oer (ij zerhoudende aarde), o. gmv.

Oeros (wild rund), m. —sen.

Oest. Oestig, enz. Zie \oest, enz.

Oester (schaaldier), v. —s, —en.

Oever (zoom van meer, rivier of zee), m. —s. Oüendeeren (beleedigen. krenken, aanstoot geven).

(Mlensic (aanval, beleedujing), v. —sies. —siën. (UTensief (aanvallend), bn. Een — verbond. Otter, o. —s, —en.

(Mleraar (de priester die otfert), m. —s. —aren. Oirerande. v. —n.

Offeren (opdragen, aanbieden, geven ►. ik heb geotFerd: —aar. m.: — ing. v.

Offerte (aanbieding, aanbod, voorstel), v. —s. Ol liciant (ondergeschikt bediende bij een ambt; dienstdoende priester), m. —en. Officiepoétf. dienst, bediening), o. —ciën,

—cies. Het heilig —. de inquisitie.

Officieel (van regeeringswege: geloofwaardig, echt), bn. en bw Dit zijn —e berichten. Officier (krijgsman met den graad run luitenant of hooger), rn. —en, —s.


ocr page 190

OFFKIEUS—OMMKKINi;.

170

OlliriMis (dienslii'iUiy. Imipuanrdiij, uedicn-slig: onderhandsch), bn. en bw. Dit zijn maar officieuze berichte}}, niet-officieel, minder geloofwaardig.

4MTieio (e\gt; {van (imbtswerje). I)\v.

Offreemi (annhieden).

Offief. Ojief (xpitsboofi. vlocilijst), o. —en.

aal (spitsboonsgeicijze). bn. Oir [nakroost), o. Dirh VI o vei'leed zonder mannelijk —.

Ojief. o. Zie Op;iel'.

Oker (geh' aardsoort), v. —s (soorten). Okernoot, v. —noten. Zie Okkernoot. Okkernoot. Okernoot (zeer groote noot, wal-

nlt;gt;ot). v. —noten.

Okrtiial {galerij, zangerskoor in ll.C. kerken), o. oksalen.

Okisel [holte onder den ar}n), m. —s. —en.

Okisliool'd (± f..), o. —en.

Oldernian {orerheidspersoon in Friesland), m.

—s, —nen en olderlieden.

Oleander (sierplant), m. —s.

Olie (een vette vloeistof), v. oliën.

Oliedom {aartsd(nn), bn.

Oliën (mlt;gt;t olie bestrijken, insmeren). ik heb geolied.

Oliewei (7^. A' .sacra inent der sterrenden ).o.gniv. Olifant (dikhuidig z uigdier, grootste 'and-dier). m. —en.

Oli^arrli (lid run een oligarchisch bewind), m. —en.

Olisarcliie (regeering, welke uit eenigearistocraten bestaat, die zich van het bewind hebben meester gemaakt). v. gmv. Olisarrhi.Heli [door uristocraten geregeerd, voor de oligarchie gestemd), bn.

Olijf' {voor den boom), m. (voor de rrncht), v. olijven.

Olijfliol' ( ol ij venboomgaard. Gethsemane), m. — fioven. Mijn liefste plek is een — geworden. mijn hoogst geluk is in den diepsten rampspoed verkeerd.

Olijvenolie. Olijiolie. v. gmv.

Olim (voorheen, eertijds: voormaals), bw. In de

dagen van —. in oude, vergeten dagen.

Olla podrida (poespas, mengelmoes, alles onder elkander, potpourri), o. gmv. Olm (boom), m. —en.

Olograplii.seli (eigenlumdig geschreven), bn. Een — testament.

Olympiade {tijdruimte vuu 'i jaar), v. —en. OlympiNcli [tut den Olgmpus of hemel behoor end). bn. De —e spelen, volksspelen in het oude Griekenland sedert 47() v. C. om de 4 jaar jrevierd.

4Mynipns (berg in Thessalië, verblijfplaats der g iden). m.

Omarmen, ik heb —armd: —annina;. v.

Omber (donl.erbrnine, vette aardsoort gt;. v. gmv. Omber [in 7 kaartspel), m. —s.

OmherdooH (fichesdoos), v. —doezen. Omberen [het omberspel spelen), ik heb geomberd.

Omherspel (het spel), o. —spelen: (stel kaarten), o. —spellen.

Omberviweli (zeebaars in de Middelt. Zee), m. —visschen.

Ombervogel [reiger in '/. Afrika), m. —s. Ombladen (o}nslaa}i). ik heb —geblaad. Ombladeren (bloudjes omslaan zonder te lezen), ik heb —gebladerd: ook: ik bladerde, heb —bladerd.

Omboelit [ronde kant), v. —en.

i Omhrage [schaduw, verdenking, argwaun), I v. gmv.

Omliras;lt;kii.s (sehutv. vreesachtig, wuntrou-j wend, ergdenkend), lm.

(hnbrasslt;Mi (scheepsw., vu}} richting doe}) | veranderen), ik heb —gebrast.

Omlgt;i'ensen [dooden: ook rondbrengen), ik heb —gebracht; —brenger, m.:—brengina;, v. OimleUen [omspitten, omgraven), ik dolt' —. hel) —gedolven: ook: ik —dolf. heb —dolven. Omdijkeii (met een dijk omsluiten), ik heb -dijkt: —dijking, v.

Omdoen, ik 'deed —, heb —gedaan. Ken mantel, een doek —. d. i. omhangen, omslaan. Omdolen [ronddwalen, ut dolende rondgimn). ik heb —gedoold: ook: heb —doold; —doling, v. Omdraai {keer. wend'mg), m. —en.

Omega [de laatste letter van het Gr. alphabet. het einde), v. —'s.

Omeggen, ik heb —geëgd: —egging, v. Gij

moet den ukker opnieuw —.

Omelet [eierkoek), v. —ten.

Omen [voorteeken), o.

Omgaan, ik ging om, ben omgegaan. Er gaai hier veel o)u, er is hier veel drukte, vertier: zij gaan met elkaar om als broer en zus. Omgang (het omgaan), m. gmv.

Omgang [gulerij), v. —en.

Omgelanden (eigeiiaars), m. en v. mv. Omgelegen (omliggend), bn. De — ukkers wateren, enz. [ trekken),

(hngetogen. vd. van het vero. Omtieén (om-thngeven (omringen), ik —gaf, heb —geven. Omgeving [kring, waarin iem. zich beweegt), v. tlmgexetenen [omwonenden), m. en v. mv. Omgier [omzwaai, omdruai), m. —en. thnbaal [omslag, drukte), m. —halen. Oinliang {omkleeding. omhulsel), m. gmv. Omlieinen {met een schutting omringen), ik heb —heind.

Omhei ning(.sW/''f//gt;*ƒ/), v. —en: —ink je, o. — s. thnliniven [met een huif bedekken, (un-sluieren), ik heb —huifd.

t)inineiiH (0}iheilspellend), bn. ihu\sH\v{quot;itlutiiig. verzuim.ulniis).v.—si(;n.—s. Omkaden [uwt ecu kude omsluiten), ik heb —kaad: —ing, v.

Oinkant (omsloten), bn. Een meer met een rij huizen —.

Omkantelen, omkentelen (omwentelen), ik heb en het is —gekanteld: —kanteling, v. Oinkanten (ergeiis een kunt om ma keu). ik heb —gekant.

thnkapt [in een kap gehuld), bn.

Omkeer, ommekeer m. gn^.

Omkomen (het leven verliezey-.). hij kwam —. is —gekomen. Hij een. brand, een sehipbreu.',. een ontploffing —.

Omkoop, m. gmv.

Onikoojibaar (veil voor geld), bn.: —beid. v. Onikoopen [door geld doen omdraaien vun richting (ff partij), ik kocht—, heb—gekocht: —er, m.: —erij, v.: —ing, v.

Onikond [er — zijn), bw. uitdr.: dood zijn OmkreitH. omiiiekreit.H (omtrek), m. gmv. Omkring, ommekring, m. —en.

Omliggend, bn. De —e akkers.

Omlooi'd (dicht. }}iet loof omhungen), bn. Omloop, m. —en. De — van 't bloed: de — der raderen in een uurwerk: de — der planeten: de — van muntspeciën, enz. Ommekant [keerzijde), m. —en.

Onimering [omtrek, het vlnl: door een Irriiej


ocr page 191

OMMEKO.M ST - O NDEKGOED.

171

ingesloten), in. 's Werelds wijde —. Ook: Oinriiiff. vero.

OiiiinekoiiiMt (afloop vaneen termijn), v. gmv. Telkens na — ran 3 maanden dient hij een rapport in.

OiiniieHtaaiKl. hn. Zie OniMtiiaiid. (hmiiezipii. Omzien {in een ommezientje, d.i. in een oogwenk, in een oogenblik), o. gmv. Oimnczijde (ommekant), v. —n. De — van eert bladzijde schrifts.

OniiiH'Zwaiii. m. Zie Omzwaai. OmimmMifikheli —muurd: —Een stad—. OmiiihiiM (openbaar rijtuig, dat in groote steden de gemeenschap tnsschen be pan l de punten der stad onderhondt). m. —sen. Omiiipotent (alvermogend, almachtig), hn. Omnipoteiitie (almacht, alvermogen), v. gmv. Omiii.shomo (iemand die tot alles gebruikt wordt), m. gmv.

Omnivoor (.alverslindend), lui.

Omplooi, v. —en.

Ompraten (overhalen), ik heb —gepraat; —er. m.: — ing. v. Men heeft hem zien om te —. d.i. met mooie praatjes van partij doen veranderen.

Omrand (lijst), m. —eti.

Omreis (inspectiereis), v —zen.

Omring;, ni. Zie Ommerins-Omrin^kade. v. —n.

Omrit (het rijden om iels heen), m. —ten. Omroepen (bekendmaken), ik riep —. heb —geroepen; —er, m.; —ins« v.

Omruil, m. gmv.

OniNC-liaanwen (dicht.). Zie OniHeliadinnen.

OniNeliadnu en (rondom beschaduwen), ik heb —schaduwd ( —schanuwd). Hooge b tomen — dat landhuis.

Oiiüslaclitig; onet veel omhaal en drukte), bn.:

— Iieid. v.

OniMliig (omhaal, drukte), m. gmv.

ihnnhvj: (belasting), in. —en. De hoofdelijke —. gemeentelijke belasting voor elk hoofd van een gezin.

Omslau; (voorwerp), m. en o. gmv. 4hnslnieren, ik heb —sluierd: -ins;, v. Onispraak (in — brengen, ter tafel brengen), v. OniH(aanlt;l. oininestaand (omringend), bn.

De —e huizen, de —e kinderen.

OniHtand (drakte, omhaal), m. vero. Maak toch zoö'n — niet.

Omstander, m. —s.

Om.Htandii; (breedvoerig), bn.; —lieid. v. Een

— schrijven, een — verslag, een — verhaal, een —e brief, enz.

Omstoiiwen (verpakken), ik heb —gestouwd. Ge dient die lading om te d.i. anders samenpakken.

OniNtreek (de omliggende landstreek), v. —streken. Heel de — was op de been, d.i. :il de bewoners.

OiiMtreekM (ongeveer, omtrent), bw.

Omtoelit {Omgang), m. —en.

Omtogen (omringd).\d. v.h. vero. Omtieën(om-Omtrede. omtree. v. —treden. | trekken). Omtreden. ik trad —, ben en heb —getreden. Omtrek, in. —ken.

Omtrent. I»w. en vz. Geen sterveling —.d.i. in de nabijheid; er zijn veel gernchtèn — hem in omloop, d. i. beti'elïende.

4hntiiinen (onislniten door een tuin of haag), ik heb — tuind; — ing, v.

Omvaart (het omvaren), v. gmv.

Omval (het omvallen), in. —len.

Omvang (omtrek, (/rootte), m. gmv. OmvleiiKelen, ik heb — vleugeld: —ing. v. Omvr.tag, Om \ rage (rondvraag), v. Er werd een — over het voorstel gehouden; zonder hoofdelijke — werd het voorstel aangenomen. d.i. bij acclamatie.

Omweg (een weg die om, d. i. langer is). m. —en.

Omwoners (omwonenden), m. mv. Onze — verschillen i-J nar met ons in tijd, d. i. men-schen, wonende op dezelfde parallel. maar l80o in lengte verschillend.

Omwrikltaar (onverzettelijk), bn. Om wrikken (omm kken), ik heb —gewrikt. Omzet (handel, verkoop), m. gmv.

Omzielitig (bedachtzaam), bn. en bw.: Iieid. v. Omzien, o. Zie thnmezien Omzwaai (omdraai, omkeer), m. —en. Ook: ommezwaai.

Onbekookt (niet gaar), bn.: —lieid.v. Een — antwoord, voorstel, d.i. niet rijpelijk overwogen, ondoordacht.

Onlgt;ennllig (dom. zonder begrip), bn.; —lieid.v. Onberaden (onbezonnen), bn.: —lieid. v. Onbesclieid (dwaasiwid, onverstand), o. vero. OnbesHieiden (onbeleefd, aanmatigend), bn. en bw.; -held, v.

OnbeMcliort (lomp. pbnnp van manieren brutaal), bn. en bw.: —heid. v. thibe.Hciii'ijrelijk (alle beschrijving te boven gaande), bn. en bw.

Onbestorven, bn. Een — wedawe, ivedawnaar, d.i. gescheiden voorgoed of door nitlandigheid van hun echtgenoot. — vleesch, d.i. versch. pas geslacht.

OnbeHiii.Hd (doldriftig, woest), bn. en bw.:

— beid. v.

Onbetaalbaar, hn.: —beid. v. Een —are ge-Onbevaren. hn.: —beid. v. {tegenheid.

Onbezwalkt (niet met damp beslagen), bn. De —e deagd. d.i. reine, zuivere: 7 — aznar. een —e hemel.

Onbezweken (volhardend, standvastig), bn. Zij streden met — moed: stand honden met

— trouw, d.i. onwrikbare trouw.

Onbillijk (onredelijk, onwettig), bn. en bw.;

—beid. v.

Onbruik, o. In — raken. d. i. het wordt niet meer gebruikt.

Once {medicinaal gewicht), v. —n. Een medicinaal pond had hj oneen.

Ondaad (wandaad), v. —daden.

Ondank, m. Iets met — beloonen, vergelden'.

— is \s werelds loon.

Ondankbaar, bn. en hw.: —lieid, v. Ondanks, vz. Hij deed het — mijn verbod,

d. i. in weerwil van.

Ondeeg tte). bw. uildr. Dat kwam zeer —, lt;l.i. te onpas, ongelegen.

Ondei'lt;laaii, m. —danen (spottend voor beenen).

Hij is Nederlandsch —.

Onderdanig (onderworpen), hn. en bw.: —beid. v.

Onderdeel (evenmatig deel), o. —en. Ondergang (het ondergaan), m. De — der zon. der maan: dat is zijn —. d.i. verderf, val. Onderge.sebikt (afhankelijk), bn.; —beid, v. Ondergeselioven. bn. slechts gebruikelijk in: een —. niet wettig, d.i. aangenomen kimt. Oiidergestoken (hei me Ijk. bedrieglijk). Een

— processtuk.

Ondergcteekende. m. en v. —n.

thidergoed (HjUlinnen), o. —goederen.


ocr page 192

ONDERHANDELAAR—ONGENOEGEN.

172

Ondeiiiaiidelaar, ni. —aren, —aars.

Oiiderhaiidelen, ik heb —handeld: —ing, v.

OnderliaiidNcli, bn. Een —c koop of verkoop, d. i. niet openbaar: een —e aaabestediny, verpachting, verhuring, enz.

Ondeiiiehbeiid, bn. De —e manschappen, d.i. die waarover men het bevel heeft.

Onderhevig bn. Hij is zeer — aan koorts, kiespijn, d. i. er mede behept.

Onderlioorig (ondergeschikt), bn.; —heid, v.

Onderhoud (verzorging, voeding), o. ^mv.

Oiideriioiiden (verzorgen), ik —hield, heb — houden: —er, m.; —ing, v.

Onderhoudend {aangenaam, levendig), bn. Een — prater, een — hoek, op —e wijze.

Onderhuren {op slinkse he wijze ionand of iets haren), ik heb —huurd: — in«;, v. Hij heeft mij dien knecht, die dienstbare, dat huis —haard.

Onderkennen {kennen uit iets anders), ik heb —kend.

OiKJerkonien (huisvesting, woning, schuilplaats), o. gmv.

OiK.lerkoopen (op slinksche wijze door koop in 't bezit raken van iets), ik —kocht, heb —kocht: —er, m.: —iiiK, v. Hij heeft mij dat huis —kocht.

Onderkruipen (heimelijk een voordeel afwinnen), ik —kroop, heb —kropen; —er, m.: —iiig. v. Die reiziger zoekt mijn klanten te —.

Onderlaag (steunlaag), v. —lagen.

Onderleen (leen uit de tweede hand, achterleen), o. —en.

Onderlegd, Onderleid (met bekwaamheid toegerust), bn.

Onderleggen, ik heb —gelegd, —geleid: ook: — legd. —leid: -legger, m.: —leghel, o.

Onderleid, bn. Zie Onderlegd.

Onderlijk (scheepsw. omboordsel aan den onderkant van een zeil), o. —en.

Onderling (onder elkander*), b\v. —e bijstand.

OiidermaaiiHch (aardseh). bn. vero.

OnderniaaiiHehe (de aarde), o. vero.

Onderniiiat (indroging, inkrimping), v. gmv.

Onderinijnen {ondergraven, verzwakken), ik heb —mijnd; —er, m.: — ing, v. Dat zal uw gezondheid —; dat zal het gevoel van zedelijkheid —.

Ondernenien (uitvoeren, wagen), ik —nam, heb —nomen: —er, m.; —ing, v.

Onderpand (waarborg), o. —en.

Onderregent (tweede regent), m. —en; — M'hap, o.

Onderricht (onderwijs), o. gmv.

Onderriehten (leeren, oefenen), ikheb—richt : —er, m.; —ing, v.

OnderHC'heid (verschil), o. gmv. [bn.

Onderscheiden (verschillend, uiteenloopend),

OnderMeheiden (onderscheiden), ik —scheidde, heb —scheiden: —ing, v. Zich —, uitmunten.

OnderMf'heppen (sluiten, opvangen), ik heb —schept: —ping, v. Brieven —.

OnderHchoiit (tweede schout), m. -en. vero.

OnderHC'hrijven {onderteekenen), ik —schreef.

heb —schreven; —ing. v.

Ondershands {niet openlijk, in 7geheim),bw.

Onderspit {laatste spit), o. Het — delven, fig. de nederlaag lijden; in het — geraken, zijn. d.i. in verval komen of zijn (met zijn zaken).

Onderstaan {durven wagen), ik —stond, lieb —staan.

Onderstaand {hieronder), bn. —e figuur.

Ondersthoven {alles dooreen), bw.

' Onderste {benedenste gedeelte), o. gmv. Ondersteek (bedekt nadeel, bedrog), m. — steken.

Onderstel, o. —len. Het — van een rijtuig, wagen enz.

Onderstellen (als waar aannemen), ik heb —steld: —ling. v.

j Ondersteunen (helpen), bw. zw. ik heb — steund; —ing, v.

Onderstut (steunsel), m. —ten. Oiiderstunrnian, m. —lieden, —lui. Onderteekenaar, m. —naren, —naars. Onderteekeiien, ik heb —teekend; ing, v. Ondertijds (nu en dan), bw. vero. Ondertrouw, m. In — opnemen, aanteekenen Ondertrouwde, m. en v. —n. [ten huwelijk. Ondertrouwen (in ondertrouw verbinden), ik heb —trouwd: —ing, v.

Oiidcrtiissflien {inmiddels, onderwijl), bw. Ondervinden {leeren kennen), ik —vond, heb —vonden; —ing, v.

Ondervragen {in 't verhoor nemen), ik — • vraagde, —vroeg, heb — vraagd: —er, m.; -ing, v.

Onderweg, bw. Hij sprak — geen woord. Onderwereld, v. gmv.

Onderwerp {stof. punt der gedachte, eener

verhandeling), o. —en.

Onderwerpen {onder gezag brengen), ik — wierp, heb —worpen: —ing, v.

Onderwieht {kleiner gewicht door indrogen), Onderwijl {inmiddels), bw. |o. gmv

Onderwijs, o. gmv.

Onderwijxen, ik —wees. heb —wezen; —zer,

m.; —zeres, v.: —zing. v.

Onderwinden (zieh) (zich vermeten, iets

wagen), ik —wond mij, heb mij —wonden. Onderworpeling, m. en v. —en: ook —e, v. Onderworpen (gelaten, gehoorzaam), bn.;

—heid, v.

Onderzaat (onderdaan)^ m. —zaten. Onderzoek, o. gmv.

Onderzoeken (navorschen), ik —zocht, heb

—zocht; —er, m.; —ing, v.

Ondeugd {gebrek), v. —en.

tMideugd {persoon), m. en v. —en. tindeugend {stout, lastig), bn.; heid. v. Ondieht (proza), o. gmv.

thidienst {slechte dienst), m. —en. thidienstig {nutteloos), bn. en bw.

Ondier (momter, gedrocht), o. —en.

Onding {nietswaardig voorwerp), o. —en. Onecht (samenleving buiten huwelijk), in.gmv. Onecht (valsch, niet echt),\)n.: —heid. v. Een — kind, niet wettig; een —e. breuk (rekenk.gt;. Oneenig (in twist), bn. en bw.; —heid, v. Oneer (schande, smaad), v. gmv.

Onereus (drukkend, lastig, bezwarend), bn. Ongel {gesmolten vet van slachtvee), v. gmv. Ongelikt (fig. ongemanierd), bn.; —heid. v Ongeloof (gemis van geloof), o. gmv. Ongelukshode (brenger van slechte tijdingen, ook. jobsbode), m. en v. —n; —kind.o.—eren; —proleet, m. —profeten.

Ongemak (hinder, last), o. —ken.

Ongenade (misnoegen), v. In — vallen, de hoveling raakt de gunst des vorsten kwijt; , zich op genade of — overgeven, d. i. zich onvoorwaardelijk overgeven.

Ongenadig (ruw, hard), bn. en bw. Ongeneugte (ongenoegen), v. —n. vero. Ongenoegen, o. Zich iem. — op den hals halen, i ontevredenheid met iem. hebben, krijgen.


ocr page 193

ONGEREPT—ONTHULLEN.

173

Ongerept (onbesproken), bn. Fig. eerbaar, ongeschonden.

Ongerief (hinder, last), o. gmv.

Ongerierelijk (hinderlijk, lastig), bn.; —lieid,v. Oiigerijind (dwaas, belachelijk), bn. en b\v.; Ongeval (ramp, ongeluk), o. —len. [—heid, v. Ongeveer (ten naastenbij), bw.

OngodiHt (godloochenaar), m. —en. OngofliMterij (godloochening), v. gmv. OnginiNt (misnoegen), v. gmv.

OnginiHtig (na dee lig), bn. en bw.; —Iteid. v. Onguur (aAre/iV/, schrikwekkend), bn.: — heid, v. Onhandig (/or/)/?, /inA»c/i),bn.en bw.; —heid,v. Onhebhelijk (ongemanierd), bn. en bw.:

— heid. v.

Onheil (ramp, groot ongeluk), o. —en. Onheuglijk, bn. Sedert —e lijden, cl. i. lang verloopen tijden.

Onklaar (duister, niet helder, niet in orde), bn. en bw.; —heid, v. Een — anker, dat in den ketting verward zit.

OnkoNten. m. mv.

Onkreukbaar, bn. —are trouw, onveranderlijke. volhardende trouw.

Onkruid, o. —en: — vergaat niet, wat slecht is, blijft in wezen.

Onkuiseli (onrein zeden),hn.; —elijk.bw.: Onkunde {domheid), v. gmv. f—heid, v. Onland (woeste grond), o. —en.

OnliiMt (kwelling, verdriet, lusteloosheid), m. Onlu.sten (woelingen), m. mv. Igmv.

Onlustig (droevig, neerslachtig), bn. en bw.;

— heid, v.

Onniaeht (flauwte, zwakte), v. In — vallen. OnineiiHch (wreedaard), o. —en. Oninen.Helielijk (barbaarsch), bn. en bw.; —heid. v.

Oninerkhaar, bn. en bw. Een —are vertraging. Onnietelijk, bn. en bw.: —heid, v.

Onmin (twist, vijandschap), v. gmv. Oniniskeiihaar (anwedersprekelijk), bn.; —heid. v.

Onniondig (minderjarig), bn.: —heid. v. OnnaNueurlijk (ondoorgrondelijk), bn.: —hein. v.

Onnoozel (onschuldig, dom), bn. en bw.: —heid. v.

Onnut (zonder nut, ijdel), bn. —te klap. Onpas (te) (d. i. niet van pas. ongelegen), bw. Onraad (gevaar, verwarring), m. gmv. Onrecht, o. gmv. lem. — doen; ten —e, bw. verkeerdelijk.

Onredelijk (onbillijk), bn. en bw.: —heid, v. Onrijm (proza), o. gmv.

OnrooniNch (protestantsch), bn.

OnrnMt(flfeen. rust, angst, bekommering),\. —en. Ons (hectogram), o. —en.

Onsehuid (schuldeloosheid), v. Zich beroepen op zijn —: de kinderlijke —; de — verdedigen. Onschuldig (zonder schuld, argeloos), bn. en bw. De —e feeder heid der jeugd CC. O.). Onspoed (tegenspoed), m. —en.

Onstiiimig (hevig, geweldig), bn. en bw.; —heid. v.

Ontaard (verwilderd, verbasterd),hn.-. —heid,v. Ontaarden (verbasteren), ik ben —aard: —ing,v. Ontadelen (fig. verlagen), ik heb —adeld:

— ing, v.

Ontheren (missen, niet bezitten), ik heb —beerd; —ing, v.

Ontbieden (laten komen), ik —bood. heb

—boden: —er. m.; -ing. v.

Ontbijt, o. —en.

Ontbijten, ik —beet, heb —beten. Ontbladeren, ik heb —bladerd: —ing. v. Zgt;

wind ontbladerde de boomen, d. i. van den bladerdos berooven.

Ontblooten (bloot maken), ik heb —bloot; —ing, v. Het zwaard —, het hoofd —. Ontboezemen (zijn hart uitstorten), ik heb —boezemd; —ing. v.

Ontbolsteren (fig. ftesc/iayen). ik heb —bolsterd: —ing, v.

Ontbranden (in vlam geraken), het is —brand; —ing, v.

Ontbreken (niet voorhanden zijn), het —brak. heeft —broken: —ing. v. Het ontbreekt /èem aan ijver; er ontbreekt niets aan het werk. Ontburgeren (het burgerrecht ontnemen), ik heb —burgerd.

Onteijferen (oplossen, verklaren), ik heb

—cijferd: —ing. v.

Ontdekken (vinden, opsporen), ik heb—dekt;

—er. m.: —ing. v.

Ontdelven (opgraven), ik —dolf. heb—dolven: —ing, v.

Ontdoen, ik —deed, heb —daan. Zich van iets —, d. i. bevrijden; zich van zijn kleederen —, zich uitkleeden.

Onteeren (schenden, ontheiligen), ik heb

—eerd: —der. m.: —ing, v.

Onteereiifl. bn. Een —e straf, een — vonnis. Ontegensprekelijk (o^eMsrtumr). bn. en bw.: —heid, v.

Ontegenzeglijk, bn. en bw.; —heid, v.

Onteigenen (ontnemen tegen vergoeding), ik heb —eigend: —ing. v.

Onterven (de erfenis onthouden), ik heb —erfd: —ing, v.

Ontrernien (zich), ik heb mij —fermd: —er, m.; —ing (barmhartigheid), v.

Ontrutselen (stilletjes ontnemen), ik heb

—futseld: —ing, v.

Ontgaan, het —ging. is —gaan. Dut is mij —. ik ben het vergeten; dat voordeeltje ontging hem, ontsnapte hem. ging verloren! Ontgelden (boeten, bezuren), ik —gold, heb —golden.

Ontgeven (zich) (zich uit het hoofd zetten), ik —gaf mij. heb mij —geven.

Ontginnen, ik —gon, heb —gonnen; —er, m.:

— ing. v. Heidevelden —. vruchtbaar maken. Ontgroeien, ik ben —groeid. Die vlasbaard is

ilr school ontgroeid, d. i. ontwassen. Ontgroenen, ik heb —groend: —ing, v. Een student —. hem eenige weken naquot; zijn aankomst als student erkennen.

Onthaal (ontvangst), o. Het — was feestelijk. d.i. maaltijd, feestmaal: zijn voorstel vond een goed —. d. i. werd gunstig opgenomen. Ontlialen (ontvangen, opdisschen), ik heb —haald: —ing, v.

Onthalzen (onthoofden), ik heb —halsd:

— ing, v. vero.

Ontlieden (bevrijden, kwijtschelden), ik —hief. heb —heven; —ing, v.

Ontheisteren (van sieraad, glans berooven). ik heb —heisterd: —ing, v. De winter heeft de velden en bosschen ontheisterd, d. i. van tooi beroofd: fig. plunderen, afpersen. Onthoorden. ik heb —hoofd: —ing. v. Onthoiiden, ik —hield, heb—houden: —ing,v. Een dienstbode zijn loon —. d. i. inhouden, niet geven; iets goed —. in 't geheugen bewaren. Ontliullen (ontsluieren, openbaar maken), ik heb —huid: —ing. v.


ocr page 194

ONTIJ D -ONT WASSEN.

174

Ontijd. m. —en. Bij avond en —en. d. i. onbehoorlijke tijd; dat voorstel kivam ten —c. d. i. op een ongeschikt oogenlilik.

Ontijdig {te uroi'ij). bn. en b\v.: -lipid, v.

Ontilbaar, lm.: —lieid, v. —arr have.

Oiitkf'iineii (loochene)t), ik hel» —kend: —er. m.; — ing, v.

Oiitk(gt;tlt;Milt;gt;ii {bevrijden van de ketens), ik heb —ketend; — ins, v.

Ontkiemen (fig. ontstaan), het is —kiemd; —injj. v.

OiitkltM'dfii {ran de l.leeren ontdoen), ik heb —kleed: —iiiSf* v-

Ontkiioopcii (losknoopen, fig. oplossen), ik heb —knoopt; —ing, v.

OntkoiiK'ii {ontsnappen), ik —kwam, ben —komen: —ing, v.

Ontleden {in leden scheiden), ik heb —leed; —er, m.; —iny; {analyse), v.

Ontledigen {ontladen, vrijmaken), ik heb —ledigd: —ina;. v. Zich —. afstand doen van; rust nemen. vero.

Ontleeneii {leenen van: tig.patten uit), ik heb —leend: — ing, v.

Ontl'ooveren {de bladers ontnemen), de storm heeft den boom —looverd.

Ontluiken (openen), het —look, heeft en is —loken; — ing, v.

Ontluisteren (van den luister berooven), ik heb —luisterd; -ing. v.

Ontijiaken (fig. onterven), ik heb —maakt: — ing, v.

Ontmakt, bn. Een — schip.

OntmeiiMeht {wreed, ontaard), bn.

Ontmergeld {ontzenuwd, verzwakt), bn.

Ontmoedigen {moedeloos maken), ik heb —moedigd; —ing. v.

Ontmoeten {tegenkomen, aantrelfen), ik heb en hen —moet: —ing. v.

Oiitiieiiien {afnemen, benemen), ik—nam,heb —nomen: —ing. v.

Ontnueliteren (nuchter maken, lig. slimmer maken), ik heb —nuchterd; —ing, v.

On tune li teren (n achter worden), ik ben —nuchterd.

Ontoegankelijk, bn.; —lieid, v. Een — hol.

Ontoereikend {niet genoeg), bn.; — lieid. v.

Ontrainpeneerd {beschadigd), bn. Een — schip. d. i. ontredderd.

Ontredderd (niet )neer geschikt: lig. haveloos), bn. Een — schip, d.i. buiten staat om nog zee te bouwen. Wat ziet gij er — uit?

Ontrennen (door rennen ontkomen), ik ben —rend.

Onti ■ieven (ongemak veroorzaken: iets doen ontberen), ik heli —riefd; —ing. v.

Ontrouw (gebrek aan trouiv), v. gmv.

Onïronw, bn. en bw. Een hond wordt zijn meester nooit Zij werd mij—. fn^t gevaar werd de beproefde dienaar zijnen meester —, d.i. liet hem in den steek: — handelen.

Ontronwiglieid, v. gmv.

Ontslaan {onthelfen, vrij geven), ik —sloeg, hel» —slagen. Ik zat mij van die taak zien te —.

OntHlagneining, v. —en.

(hitHlapen {in slaap vallen: fig. sterven), hij —sliep, is —slapen.

Ontsluieren (fig. verklaren), ik heb —sluierd; -ing. v.

Ontsliiiiiieren {in sluimering vallen: fig. sterven), ik ben —sluimerd. vero.

Ontsluiten (opensl uiten), ik —sloot, heb —sloten: —er, m.: —ing, v.

Ontsnaard {beroofd run snaren), bn. Een —e viool.

Ontspringen {springende ontkomen), het —sprong, is —sprongen. Hij is d^n dans ont-sprongen, d. i. den doodendans, fig. aan het gevaar ontkomen.

Ontsprniten (lig. ontstaan), het —sproot, is —sproten.

\}\\it*ii\i\n{eenbegin nemen), het —stond, is —.

Ontstaan {er niet staan, afwezig zijn), ik —stond, heb —. Schoone nimf, ontsta mij niet! (Staring).

Ontstellen {ontroeren), ik heb en ben —steld: —tenis (verwarring), v.

Ontstemd {verdrietig), bn.; —lieid, v.

Ontsteninien {in slecht ha mem' brengen), ik heb en ben —stemd.

Ontstentenis, v. Bij — van, bij gemis, bij mangel van.

Ontstielitelijk {ergerlijk), bn. en bw.; —lieid. v.

Ontstieliten (en/eren), ik heb —sticht: —ing, v.

Ontstoken, bn. Een — kaars, tamp: een — wond. gezwel, d. i. opgezet, rood.

Ontstrijden {afstrijden), ik —streed, heb —streden.

Onttogen, vd. van het vero. Onttieên. Die schat {Jutu) wordt de aarde niet —! (Staring), d. i. onttrokken, ontnomen.

Onttrekken, ik —trok, heb —trokken. Zich aan iets —. d.i. het niet doen, zich van iets ontslaan.

Onttronen {van den troon stooten). men heeft —troond; —ing. v.

Onttroonen (met mooie praatjes aftroggelen), ik heb —troond.

Ontnelif (OHzede//y7c/te/d),v.gmv. Haizen van —.

Ontuelitig {zedeloos, onkuisch), bn. en bw.

Ontuig (uitschot), o. gmv.

Ontvang, m. Bewijs van — (Fr. recu), vero.

thitvangen, ik — ving, heb —; —er, m.: — ing, v.

Ontvangenis, v.

thit vangst (hel ontvangen, lig. onthaal), v. —en.

Ontvankelijk, bn.; —heid. v. Een — gemoed.

Ont varen (voorbijgaan, verstrijken), ik —voer, ben —.

Ontveinzen {niet aitkomen voor), ik heb —veinsd: —ing. v. Zich iets —. door veinzen trachten ongedaan te maken, b.v. Hij —veinst zijn slechte voornemens.

Oiitvlainineii (ontbranden, ontsteken), ik heb en ben — vlamd; —ing. v.

Ontvleezen (van 't vleesch ontdoe}!), ik heb —vleesd; —ing. v.

Ontvolken, ik heb — volkt; —ing, v. De oorlog —volkt de huiden.

Ontvonken (doen ontbranden), ik heb en ben —vonkt: —ing, v.

Ontvoogden (onthelfen van de voogdijschap), ik heb —voogd; —ing, v.

Ontvouwen (los vouwen', lig. uitleggen), 'k heb —vonwd: —ing. v.

Ontvreenidhaar (wat ontvreemd kan worden), bn.

Ontvreemden (stelen), ik hel» —vreemd: -ing, v.

Ontwaken (wakker worden'., ik ben —waakt; -ing. v.

Ontwaren {zien, bespeuren), ik heb —waard.

Ontwarren (fig. ophelderen), ik heb —ward; -ing, v.

Ontwassen, ik —wies, ben —wassen. De knaap is de schoolbank —; de roede —; den kinderschoenen —, d. i. te groot er voor geworden.


ocr page 195

ONTWEIEN—00(1,

175

Oiitweifii {ontdoen iii'ji'waacl), ik —weide, heli —weid: — iiiR. v.

Ontw eUii^eii (met rjeiveld ontnemen), ik heb —weldigd; —er, m.: — ina;, v.

Ontu (Milieu (afwennen), ik heb en ben — wend : Ontwerp o. —en. [—ing, v.

Oiit\ver|»eii, ik—wierp,heb—worpen; —er, in. OiitwiiHen (onthei Heien), ik heb -wijd: —er.

m.: — ingf. v Ontwijk {ivijl'plaats), o. gmv. Een nlaatsje van — (C. Ó.). d. i. een afgezonderde zitplaats. Ontwikkelen, ik heb —wikkeld; —inyf, v. Den geest —. d. i. vormen, denkend maken; een stel liny —, verklaren, ophelderen. Ontwoekeren (door woeker verf,rijgen), ik heb —woekerd. Nederland is aan de zee —woekerd, d.i. op de zee veroverd en dat wel stuksgewijze.

Ontwortelen, ik heb —worteld: —ina;. v. De storm had den beuk —worteld.

Ontwrieliten (ait het gewricht ral,ken of scheuren), ik heb —wricht: —inn'. v. Ontwringen (loswringen), ik —wrong, heb —wrongen.

Ontztiu; (eerbiedige schroom, eerbied), o. gmv. Ontzaglijk (gedacht. indr a kwekkend), bn.;

— Iieiil, v.

Onf/.effKen (weigeren), ik heb —zegden —zeid: —ing, v. lent, een recht —. d.i. betwisten. Ontzenuwen (van kracht berooven: fig. ver-zirakken), ik heb —zenuwd: —ina;. v. De sterke tlranl,- — zenawt den dronkaard; 'veelde —zenawde Hannibal* leger: een bewijs, een betoog —. d. i. krachteloos maken.

Ontzet (bevrijding), o. Het — van Leiden. Ontzetten, ik heb en ben —zet; —er, m.;

—ins. v. Ik heb hem en hij is ontzet van zijn Ontzettend ' ij se lijk), bn. en bw. {post.

Ontzielen (dooden), ik heb —zield.

Ontzien (eerbiedigen*, ik —zag, heb —zien. Gij moet hem wat d. i. sparen, verschoonen: hij ortziet zich niet mij te lasteren, d.i. hij waagt het. durft het.

Ontzind (dwaas), bn. en bw. Een —e schaar. (hitzinken, ik —zonk, ben —zonken; —ing, v. De moed ontzinkt mij, d. i. begeeft, verlaat mij: de krachten ontzonken hem. [bw.

Onverhloeind (rondborstig, eenvoudig), bn.en Onverdroten (onvermoeid), bn. Met — ijver, d. i. een ijver, die niet verslapt.

Omerlioed.H (onverwachts), bw. Hi) aat' mij

— een slarj.

OnveiiioedM'li, bn. Een —e aanval, d. i. plotseling.

Onverhoopt, bn. en bw. Bij — afsterven, d.i. alsnog niet te voorzien: mocht gij — niet kannen komen, zend dan aw rentmeester. Onverlaat (slecht mensch, snoodaard), m.

— laten.

Onver.Haasdi zonder vrees), bn.en bw.: — lieid. v. On verse li i II ig; {zonder voorliefde, koel), bn.en bw.: — lieid, v.

On verschrokken (st'Ktmoedig), bn. en bw.:

— lieid. v.

Onverstand (domheid), o. gmv.

Ou verstand ia; (zonder verstand), bn. en bw. Onverstoord (rastig), bn. | —lieid, v.

Onvertogen (ongepast), bn. Men hoorde er geen — woord.

Onvervaard (onbevreesd, dapper), bn.en bw.: —lieid. v.

Onverwacht, bn. Een — bezoek, d. i. niet verwacht.

Onverwachte (plotseling), bw. Hij stond — voor mij.

Onverwijld (zonder uitstel), bn. en bw.

Onvoegzaain (onbetamelijk), bn. en bw.;

— lieid, v.

Onvolprezen (niet genoeg te prijzen), bn.

Onvoltooid (niet afgewerkt), bn. Een — ktt nat werk.

Onvoorwaardelijk, bn. en bw. Iets — prijzen (C. O.), iets — afkeuren.

Onvoorzien, bn. Een —e gebeurtenis^ d. i. niet voorzien.

Onvoorziens {plotseling), bw. Hij viel mij

— aan.

Onvriend, m. —en. Thans zijn ze —en, d. i. vijanden: hij stierf van vriend en — beweend.

Onvrij, bn. en bw.; —lieid, v. Deze kamer is erg —, d. i. men kan ons hier bespieden.

On w aar (logenachtig), bn. en bw.

Onwaard (van geen waarde), bn.

Onwaarde, v. gmv. Iets rait — verklaren.

On weder. Onweer, o. —weders en —weeren.

Onweeren, het heeft geonweerd.

Onwel (onpasselijk, ziek), bw. Zij tverd in schoot —.

On wetend, bn. en bw.: —lieid. v. — zondigt ttwn niet.

On wetens, bw. //.• heb hetn — gegriefd, zonder dat ik het wist.

Onwezenlijk (niet bestaande), bn.

Onwil (afkeer, verzet, tegenzin), in. gmv.

Onwillekenris (niet opzettelijk), bn. en bw.

Onwillens, bw. Men bad — met haar mee (Tollens), d. i. vanzelf: gij ztdt willens of — gehoorzamett, d. i. goed- of kwaadschiks.

Onwillia;. bn. en bw.; —lieid, v. Een —e manslag, d. i. door onvoorzichtigheid, zonder boozen wil: tnet —e honden is het slecht hazen vangen, d. i. al wat iemand gedwongen doet. heeft weinig resultaat.

Onwrikbaar {pal. shtndvastig), bn. en bw.: —lieid, v.

Onzent halve (wat ons betreft), bw.

Onzentwege (namens (ais), bw.

Onzent wil (om) (ter wille, liefde van ons). \iw.

Onzijdig, bn. en bw. Een —e vlag: zich — houden, d. i. geen partij kiezen; het — geslacht in de taal.

Onzin (wartaal, zotteklap', m. gmv.

Onzinnig (dwaas. zot), bn. en bw.: —lieid, v.

Ooft (fruit, vruchten), o. gmv.

Oog. o. —en. De —en van een pan we veer; haken en —en: de —en van een dobbelsteen; het — van een naald: —jes op de soep, d. i. vetdeeltjes; —en in het hoofd hebben, goed en scherp zien: zijn —en uitkijken, nieuwsgierig kijken: ietn. de —en ititsteken, hem tarten door fraaier kleedij. meer luxe. enz.; ietn. —en blinden, d. 1. hem begoochelen: dat geeft maar schele —eti, dat verwekt nijd: een fraai — tuin iets geven. d. i. een fraaien schijn, uiterlijk: in de —en laten drttipen, duur doen boeten: ieni. zand in de —en strooien, hem bedriegen: in het — loopen. met verwondering gezien, gehoord worden: iem. iti het — honden, hem in zijn doen en laten gadeslaan: iets in het — krijgen, d. i. bespeuren; iem. naar de —en zien, letten op zijn wenken en wenschen; iets onder vier —en afhandelen, zonder het bijzijn van derden : iem. iets onder het — brengen, aanmerken: onder de —en zien, niet bang zijn voor: iets op het — hebben, d.i. beoogen. bedoelen:


ocr page 196

OOG KLUN—O PC ENT.

176

uit hef — verliezen, niet denken aan. buiten rekening laten; God voor —en houden, d. i. Gods geboden onderhouden; iem. een rad voor de —en draaien, hem bedotten, bedriegen; uit het —, uit het hart. men vergeet de af-wezenden lichtelijk; een wakend — houden op of over. er bp letten, goed acht geven: dertien —en gooien, een onverwacht geluk hebben: re hebben somen haken en —en,

Oogelijii {lieveling), o. gmv. [d. i. twist.

Ooffen. ik heb geoogd. iem. —. d. i. het oog op hem houden: op iets —. iets trachten te krijgen, loeren op iets; zoo ver men —en kon (Vondel), d. i. zien kon.

Oogenhlik (tijdstip), o. en m. —ken.

Oogendienaar (vleier), m. —s, —aren.

OogciHlieiiHt (vleierij, kruiperij), m. gmv.

OogeiiHcliijnlijk (blijkbaar), bn. en bw.; —Tieid, v.

Oogen.srlioiiw (inspectie), v. gmv. Iets in — nemen.

Oog je. o. gmv. Een goed — op iemand hebben, hem of haar wel mogen.

Ooglid (oogdeksel), o. —leden.

Ooglijk (netjes), bn. en bw.

OoKliiikend, bw. Iets — toelaten, d. i. het ver-bodene toelaten, doende of men het niet ziet.

Oogjinking;. v. gmv. Bij — toelaten.

Oogmerk (plan), o. —en.

Oognt, m. —en. Oudtijds Oesf.

Oogsten, ik heb geoogst: —ater.m.: —sting.v. Oudtijds OeMten.

Ooi (wijfjesschaap), v. —en.

Ooievaar (trekvogel) m. —vaars, —varen.

Ooievaarshek (plant), v. —ken.

Ooi ijk (listig, slim. doortrapt), bn. en bw.; —Iieid, v. Éen — bedrieger: fig. guitig, bv. Een

Oolijkerd (slimmei'd). m. —s. [— meisje.

Oom. m. —s. —en. Breng het bij Jan—. «1. i. de bank van leening.

Oomzegger (neef), m. —s; -zegster, v. —s.

Ooiien {jongen werpen), heeft «^eoond. (Gebruikt van schapen en varkens).

Oor. o. —en. Het — scherpen, aandachtig toe-hooren: zijn — afwenden, zijn —en voor iets stoppen, niet willen luisteren: iem. het — leenen. naar hem luisteren; dat kwam den koning ter —e. d. i. werd hem verhaald; ergens wel of geen —en naar hebben, er geen zin of trek in hebben; iem. —en aannaaien-, hem bedriegen; de —en opsteken, weerspannig zijn; de —en laten hangen, moedeloos zijn; iem. iels in het — bijten, rnet ernst of scherpte iets influisteren; den wolf bij de -en houden, in netelige omstandigheden ver-keeren: iem. het vel over de —en halen, hem afzetten: tot over de —en in de schulden zitten, zeer veel schulden hebben: hij is nog niet droog achter de —en, hij is nog piepjong; op een — liggen, slapen; zich achter de —en krabben, in ongelegenheid zijn: iets in het — knoopen, iets voor lang willen onthouden: kleine potjes hebben ook —en, de kinderen hooren (en onthouden) meer dan men meent: een hongerige buik heeft geen —en. de honger maakt weerspannig; tot loon kreeg hij Midasooren, d. i. werd hij bespot; het kalf is op een — na gevild, op een kleinigheid na is de zaak gereed; veel gaat bij hem Iwt éene — in en het andere uit. van het gehoorde of geleerde gaat veel verloren.

Oorbaar (voegzaam, passend), bn.; —lieid. v.

Oorb aar (nut. voordeel), o. Wie ten — i'an het land een nattig ambt bekleedt (Vondel), d. i. ten nutte, ten bate.

Oord (plaats), o. —en.

Oordeel (verstand), o. gmv.

Oordeelen. ik heb geoordeeld; —laar, m.

Oordeelkunde, v. gmv.

Oordeelkundig, bn. en bw.

Oordeelsdag (het jongste gericht), m. gmv.

Oordeelvelling, v. —en.

Oorhanger (oorbel), m. —s.

Oorkonde (akte), v. —n.

Oorlam (borrel), o. —men.

Oorliet (oorhanger), v. —tten.

Oorliethlok (scheepsw.), o. —ken, —s.

Oorlof (vaarwel), o. gmv.

Oorlog (krijg), m. —en. Den — verklaren, een langdurigen — voeren, ten — gaan.

Oorlogen (krijg voeren), ik heb geoorloogd.

Oorsprong (bron, begin), m. —en.

Oorspronkelijk, bn. en bw. Een —e taal, een grondtaal.

Oorf (twee duiten), o. —en; oortje (zijn —

Oorveeg (klap), m. —vegen. [versnoepen).

Oorvijg (klap), v. —en.

Oorzaak (grond, bron. aanleiding), v. —zaken.

Oost (het Oosten), o.; (Nederlands Oostindi-sche bezittingen), v. Hij ging als officier naar

Oost, bw. De wind is [de —.

Oostelijk, lm. en bw. De —e grens.

Oosten, o. De Wijzen kwamen uit het —, d. i. uit Oostersche landen.

Oostenwind (wind uit het Oosten), m. —en.

Oosterling (O.-fndiër), m. en v. —en; voor het v. ook: Oosterlinge.

Oosterseh, bn. Het —e rijk; de —e talen.

Oost-lndie, Oostinje, o.

Oostindievaarder.* Oostinjevaarder (schip), m. —s.

Oostindiseh. bn. De —e Compagnie; de —e kers (plant): hij houdt zich — doof. i. i.

Oostinje. Zie Oost-lndii1. [hoorende doof.

Ootje. o. Iem. in het — nemen, hem in gezelschap voor den gek houden.

Ootmoed (nederigheid», m. gmv.

Ootmoedig; (nederig), bn. en bw.: —heid, v.

Op aak (ondoorschijnend; duister, donker; droevig), bn.

Opaal (stof), o.: (melkblauw edelgesteente), m. opalen.

Opaeitc^it (ondoorschijnendheid), v. gmv.

Ophod. o. Bij — vèrkoopen. d. i. aan den meestbiedende.

Opboeien (de boorden van een schip ophoo-gen), ik heb —geboeid; — boeisel, o.

Opbouw (fig. bevordering), m. gmv.

OphrasseiK brassend verteren), ik heb —gebrast.

Opbrassen (scheepsw. de snelheid vertragen), ik heb —gebrast.

Opbreenwen {opnieuw breeuwen), ik heb —gebreeuwd.

Opbreken (openbreken), ik brak —. heb en ben —gebroken: —breker, m.; —breking, v. Het kamp —, de tenten afbreken; het beleg — . eindigen; fig. dat zal hem berouwen.

Opbrengen, ik bracht —. heb —gebracht; —brenger, m.; —brengst, v. Het hout, de turf —, op den zolder bréngen; vele kinderen —. opvoeden, grootbrengen; een' dief —, naar de gevangenis brengen; vruchten —, opleveren, voortbrengen; belastingen —, betalen; het diner —, opdisschen.

Opeent (verhoogde belasting), m. —en. Men betaalt —en op de personeele belasting.


ocr page 197

Ol'DAGEN—OPKOOPKX.

177

OiMla^en {verschiinen), daagde —. is —gedaagd. De vijand kwam maar niet —. d.i. voor den dag.

Opdienen (opclissclnm), ik diende —, heb — gediend.

ÓiMliepen ( nildn'iH'u), ik heb—gediept: —ing. v. Wam- Itrh jr dut hork opgediept? gevonden, ontdekt, in liezit gekregen.

0|gt;lt;lirken (oiwiiikken, tooien), ik hel» —gedirkt.

0|MliMH('lien (fig. onthalen), ik hel» —gedischt; —dissclior. m.

0|idlt;M'keii {samenvouwen, doen eindigen), ik heli —gedoekt. Dit merk heeft geen aftrek, de uitgever zat het wel —. d.i. er geen herdruk van geven. Jij knnt voor mijn part trot —. heengaan.

Opdoenien {te voorschijn komen), het is — gedoemd: —iiitf. v. Een eiland zagen ivr in de verte —, d. i. uit de nevelen te voorschijn komen.

Opdoen, ik deed —. hel» —gedaan; —ins. v. Hout. turf —. zich voorzien van; het eten —. op tafel zetten: reel nieuws —, vernemen: de bedelaar zal daar niets —. krijgen; de wusch —. in orde brengen, vouwen: het landschap doet zich op. vertoont zich. is zichtbaar.

Opdokken (hetalen), ik heb —gedokt.

Opdracht {toewijding), v. —e:..

Opdrafhtig igezmolien), l»n. —lieid. v.

Opdragen (fig. toeèigenen), ik droeg —. heb —gedragen, trm. een werk

Opdrijven {doen stijgen in prijs), ik dreef —. hel» en ben —gedreven: —er. m.: —ing;. v.

Opdril (oorveeg), m. —len.

lt;lpdringen, ik drong —. hel» e.i ben —gedrongen.

Opduwen {omhoog duiven), ik heb opgeduwd.

OpeiHcli (sontmatie). m. gmv.

Open. bn. en bw. Een — moutl. een — wagen, een — kachel, enz., d.i. niet gesloten: een — hrief, een openbare brief: — tafel: een — stad, /.onder wallen: het — veld. het vlakke veld: in de — lucht, de vrije lucht; met — kaart spelen, tig. rond voor iets uitkomen; — zee, buiten de banken: luisteren niet — mond, zeer gretig: doe de deur —. enz.

Openhaar {puhliek). bn. en bw.: —heid. v.

Openhaar, o. gmv. In 't d.i. voor het oog van iedereen.

Openhaarinaken (algemeen helend maken), ik heb —gemaakt: —ing. v.

Openhiiren {doen kennen), ik heb geopenbaard: — ing. v.

Opendoen {openen), ik deed —. heb —gedaan.

Openen (ontsluiten), ik hel» geopend.

0|)enliarHg {oprecht), bn. en bw. —heid. v.

Opening, v. —en. — enn zul,en geren.

Openstaand {niet gesloten, tig. onbezet), bn.

Openstellen {openzetten), ik heb —gesteld.

Opera {zangspel: schouwburg), v. —quot;s.

Opera (mv. van Opns. werk): — omniu. al de werken.

Operateur {snijkundig heelmeester: ook bel- ' hamel, roervink), m. —s.

Operatie {heelmecsters-kunstbewerlring: taak: onderiwming), v. —tiön, —ties.

Operatief (snijkundig), bn.

Opereeren (werken, bewerken, knnsthemerking verrichten).

Operette {klein zangspel, operaatje), v. —s.

Operment {z ma cel en rattenkruid). o. gmv.

Opfleuren {tot bloei brengen of komen). Ik ben en heb —gefleurd: —ing. v.

kofxen . Ver 1:1. Hmidwdh. d. Nederl. taal.

tlpdikken {lappen, herstellen), ik heb -geflikt. OpfrisseheiK/'H.sc/è maken), ik heb en ben —ge-frischt: —ing (lig. vermaning, bestrafliug). \. Opgaat'. Opgave (mededeeling, lijst), v. —gaven.

Opgaan, de zon ging —. is —gegaan. Opgaand, bn. Een —e berg, d.i. steile: de—e zou, opkomende: de —e zon aanbidden, zich voegen bij hen. die in macht en aanzien komen: Opgang, m. —en. \een —e deeling.

Opgave, v. Zie Opgaat'.

Opgehla/.en {gezwollen, tig. trotsch). bn. en bw.: —heid. v.

tipgeld (agio, surplus), o. —en.

Opueruinid (rroolijk). bn. en bw.: —heid, v. Opgeschikt (opgesmukt), bn.: —heid, v. tlpgesehoten. bn. Een — knaap, rijzig, scheutig. lang.

OpgeNiiinkt {getooid, gesierd), bn. —heid. v. Opgetogen (cerrnkt. zeer blij), bn.: —heid. v. Opgeven, ik gaf —. heb —gegeven; —er, m.:

— ing, v.

Opgewekt {vroolijk gestemd), bn. en bw.: —heid, v.

Opgewonden (fig. in geestdrift, in moede), bn.:

— heid. v. Een — standje, iemand, die snel in vuur geraakt.

Opge/.etene {landbewoner), m. en v. —n. Opgezwollen, bn.: —heid, v. Een — stijl, d.i. hoogdravend.

Ophaal {dunne 'rek cener letter), m. —halen, tlphaalhrng. v. —gen.

tlphakker (tvindbuil). m. —s.

tlphakkerig (blulfcrig), bn.: —heid. v. tlplianden. bw. De winter is —. in aantocht; het is zal geschieden.

Ophehhen. ik had —. heb —gehad. Veel met iem. —, veel van ietn. houden. Opliet'/quot;/quot;gt;. m. gmv.

tlphelien {optillen), ik hief —. hel»—geheven:

— ting. v. Een schoolzeen inrichting —.sluiten, doen eindigen.

Ophelderen icerkbiren), het is en hij heeft

—gehelderd: —ing. v.

Ophemelen {oj)rijzelen. rerheerlijken), ik hel»

—gehemeld: —ing. v.

tlphieleïde {basbaznin). v. —s.

tlphitsen (o/istoken). ik hel» —gehitst: —«er. m.; —sing. v.

Ophoepelen (lig. zich uit de roeten maken). ik ben —gehoepeld.

Ophooren. Ik heb —gehoord. Men zal er rreemd ran —. d. i. verbaasd van opkijken, zich erg verwonderen. Ig^'-

Opiaat (pijnstillend middel, slaapmiddel), o. Opineeren {geroelen of oordeel ocer een zon : uiten).

tlpiniatre (halsstarrig, onbuigz(fa)n), bn. Opinie {meening. geroelen: schatting), v. —s, —niën. [gmv.

Opium [heulsap, gedroogd slaapbollensap). o. Opklanwen {opharken), ik heb —geklauwd. Opknappen {reinigen, opschikken), ik heb en ben —geknapt: —ping, v.

Opknoopen lt; lig. ophangen), ik heb —geknoopt:

— ing. v.

Opkoken [zachtjes opnieuw koken), ik heb —kookt: —koking, v. —kooksel. lt;». Opkomen (fig. opgaan), ik kwam —. ben -gekomen : — komer. m.: —komst (/gt;e//m, herstel). Opkoop {inkoop, aankoop), m. gmv. fv.

tlpkoopen. ik kocht —. hel» —gekocht; —er, m.: —ins:, v. Vreemde kooplui kwamen al


ocr page 198

opkorten—upschütten.

t/B

het fruit —• tl. i. i» groote hoeveelheden van de markt wegkoopen.

............ik heb en hel is -gekort. Ue tijd mar

het extuueu begint — te korten, te krimpen. Onkrahbrlcquot; (openkrabbe(en, fig. ter been

komen), ik hel» en l»en —gekrabbeld. OpkrabkehMi (nil ren ziekte opkomen), ik ben

—gekrabbeld. , ,

OpkropiMMi (üg. verbergen), ik hel. —gekropt. IpinJ, v. Zij moest xl dat verdriet maar —. d. i. voor zich houden.

OnkiiniK'ii, ik kon —. heb —gekund. Opk\v«M'k«'ii. ik heb -gekweekt; -er. m.:

— iniS. v.

Oplaag;. Oplage (yetal ofdrukken), v. —lagen. Oplage, v. Zie Oplaag. Een — ran drie duizend exemplaren. , Oplangen (in de hoogte toereiken), ik heb

—gelangd: —er, m.

Opleggen (.feggen bij ol op iets), ik hei» gelegd en —geleid: —gins, v.: —sel lt;strook), o. Opleiden (omhoog leiden, fig. vormen, kwee-

ken), ik heb -geleid: -er. m.: -ing. y. Opletten (goed toezien), ik heb —gelet: —m-Oplettend {aandachtig), bn. en b\v.: nein, v. Opleven {herleven), ik ben —geleefd, l it een ziekte —. , ...

Oplezen [met luider stem voorlezen), ik las—, heb —gelezen; —er. m.: — ing, v.

Oplieliten {helderder worden), het is —gelicht. Oplirlitcn {opheffen, bedriegen, enz.), ik heb —gelicht: -er, m.; -erij, v.; -ins- v. OiiIooii (opschudding), m. —en.

0|gt;l(gt;lt;gt;|iciiil (driftifj, otivnegend), brj. en b\v.;

— held. v.

Oplossen (verldaren). ik liehopgelost. —sins. \. Opluiken (e»' beter uit //(«ik rien), ik look —.

ben —geloken; —iiiR. v.

Opluisteren (gl'inn verleenen). ik heli —ge-luisterd; —ii»g. v. , i

Opmerkelijk (vreemd, zonderling). i»ii. en o\v. Opnierken {letten op), ik heb—gemerkt: —er, m; —ing, v. * i

Opmeten (afmeten, mtineten), ik mat . neu

—gemeten; —er. m.: —ing, v.

Opmonteren (lig. oiwroohjken), ik heb —ge-

monterd: —ing. v.

Opnemen, ik nam —. heb —genomen; er. nl . —injr. v. Iets goed —. er niet boos om wórden; iem. namvkeurig —. goed bekijken, waarnemen: die winkel zal wel —, d. i. z:il wel nering krijgen.

Opnieuw (nog eens), bw. Iets — schnjeen. Opoileldoe (zalf tegen rhenmatische pijn). v. gmv.

Opontbod (last om te verschijnen), o. gmv. Opontlioinl (verlet), o. gmv. . , ,

Oppassend, bn.; —heid. v. hquot;n Kind, d.i. van goed gedrag. . , ,

Opper (hooistapel), m. -s. Het hooi stond in —s.

Opper. Oppenl (schuilplaats, luwte), m. —s. Opperen, ik heb geopperd; —ing, v. Het hooi —. d. i. aan oppers zetten; die werkman is nan 't —. sjouwen, aandragen van materialen; bezwaren —. te berde brengen.

Oppermaelit (hoogste macht), v. gmv. Opperman (helper van een metselaar), m.

— lieden, —lui. , - , j • Opperste, bn. God is de — Wijsheid, d.i. de

hoogste, eerste, voornaamste.

Oppervlak (al de vlakken samen), o. —ken. //,.ƒ _ i'dn een kubus, een prisma enz.

Oppcrxlakkig dos. niet grondig), bn. en bw.;

— Iieiil. v. Een —e studie.

Oppervlakte, v. -n. De - der narde, de -

van het meer. d. i. de spiegel.

Op poll en (opproppen met spijs). ik heb —gepott. Opponeeren (tegenspreken, bestrijden, zich verzetten).

Opponent (tegenstander, besti-ijdrr), m. —en. Opportuniteit (geschikte tijd of gelegenheid), v. Opposant (tegenstander, bestrijder), m. —en. Oppositie (tegenstand quot;/' tegenstrijdigheid),

v. gmv. .

Oppressie! onderdmklgt; ing.bekleinmmg),\ .gmv. Opprenkelen (opstoken), ik heb —gepreukeld. Opprimeeren (onderdrukken: 'gt;/' geweldige wijzede natuurlijke rechten run iem.krenken). Opprobatie (beschimping, holt;gt;n i. v. —s. -tién. lt;lpprobeeren (smadelijke verwijten doen, beschimpen).

Opprobre, Opprobrium (schande, schimp, svncuid), o. gmv. •

Oppnilen iopzwellengt;. het is —gepuild: mg. ^ • Oprakelen, ik heli -gerakeld: —ins;, v. Een

ouden twist —. d. i. uit de asch der vergetel-heid weer aan den dag brengen.

Oprapen, ik heb —geraapt; —raapsel.,0. Een appel, een peer -. d. i. van den grond opnemen; allerlei logen —. verzinnen: een —geraapt stukje, een verdicht iets (C.0.): een —fjeraapt leger, een wilde bende.

Oprecht (eerlijk), bn. en bw.; —heid. v.^ Oprichten, ik heb—gericht; -er,m.; -mg. v.

Een gedenkteeken doen verrijzen.

Oprijten (openscheuren). ik reet —. heb en ben —gereten.

Opril oploopend pad tegen een dijk),''. —len. Oprispen, het heeft en is —gerispt: —mg, v. Oprit (het oprijden), m. —ten.

Oproer (opstand), o. —en.

Oproerig, bn. en bw.: —hein. v.

Oproerling (oproermaker), m. en v. —en;

voor het v. ook oproerlinge.

Opi'okkenen (ophitsen), ik heb —gerokkend;

—rokkening, v.

Opruien (ophitsen), ik hel.» —geruid: riner,

m.: —rniing. v.

Opruimen {ordenen, regelei

ruirnd; —er, m : —ing. v.

Oprukken {voorwaarts gaoi —gerukt.

Opscheren (opsnoeien). ik schoor . net)

—geschoren.

Opschieten {naar boven gaan, groeien), ik schoot —. heb en ben —geschoten.

Opschik (tooi), m. gmv.

Opschikken {tooien, sieren), ik heb —geschikt; — king, v.

Opschoeien (aanhoogen). ik heb —geschoeid;

—schoeiing- v. i u k

Opschommelen (bijeenscharrelen), ik heb

—geschommeld.

Opschooien (bedelend rerkrijger.), ik heb —geschooid.

Opschorten (uitstellen), ik heb —geschort. Een vonnis, een oordeel, een geding —, d. i. op een later tijdstip stellen.

Opschrift (titel, adres, bijschrift), o. —en. Opschroeven (fiig; hoogelijk prijzen), ik heb

—geschroefd: —ving. v. Opschrokkeneten), ik heb —geschrokt:

—schrokker. m.

Opschntten lt;7 water keeren). ik heb —geschut: —schnttina:, v.

D. ik heb —ge-f ). ik heb en ben


ocr page 199

O P.S IK RS EL—OI 'Z A .\ IE L KN.

17.1

OpMiersrl, o. —s. —en.

OpHjoi'i't'ii (zeew. omhooy sjoi'i'en). ik helt —gesjord; —sJoiTing, v.

Opslaan, ik sloeg —, heb en het is —geslagen. l'Jen tent —, oprichten; goederen —. bergen in een pakhuis; zijn broek —. zijn mouwen —, opstroopen: zijn woninrj —. vestigen; dt' oog en —. ergens heen wenden; de jtr ijzen —. verhoogen.

Opslan (verhooging), m. —slugen.

Opsier li ten (scheepsw. oplcnappen I. ik heb -geslecht.

Opslooten itnet s/noten omgcrcn). ik heb —gesloot.

OpHlorpen. Opslmpcn islur/gt;end opdrinken). ik helgt; —geslorpt (—geslurpt); —slorpins: en

— Hlnrpina;. v.

OpHiiorren (opzoeken), ik heb —gesnord. OpMoiniiM'ii iochlereenr'tlgens noemen), ik heb —gesomd; —in^, v.

Opspalkcn. ik heb —gespalkt: —ina;. v. Den mond. de oogen —. d. i. wijd openzetten. Opspannen, ik heb en het is —gespannen:

— in^. v. Snaren —. ilnn Irommel —. d. i. bevestigen, uitrekken.

OpspeUlen. ik heb —gespeld. Een prent —. vastspelden aan den muur.

Opspelen {uitvaren), ik heh —gespeeld. Opsperren, ik heb —gesperd: —iïïg. v. Den

mond —. wijd openen.

Opsparen (vinden, ontdekken), ik heb —gespoord: —ina;, v.

Opspan wen {opensplijten ).ik heh—gespouwen. Opspraak, v. Hij is in —. men spreekt ongunstig over hem.

Opstaan, ik stond —. ben —gestaan, (jij moet —. uit het bed komen; tegen iem. —. zich tegen hem verzetten: de gewesten stonden op, d. i. kwamen in opstand: e/'fiens op staa)). er aan hechten.

OpstaL m. —len. Üe — ran een erf. «1. i. de huizingen, stallen, enz.: de — run een schip. de masten en touwen.

Opstand {oproer), m. —en.

Opstandelina; imniter). m. en v. —en: voor het v. ook: Opstandeiinse.

Opstanding; (verrijzenia). v. gmv.

Opstappen {lieemjatni), ik ben —gestapt. t^psteKen. ik stak —. heb en ben —gestoken: —er (hooivork met langen steel), m.; — ing. v. Opstel, o. —len. {Geld —. achterhoudén. Opstellen (ontwerpen, schrijven), ik heb —gesteld: —er. m.: —ing. v.

Opstijven (stijf morden), het .steef —. bel» en het is —gesteven: —ina;, v. Het strijkgoed is n:at slap, tnaar het zal nag tvcl a'nt —. tïpstoken (fig. ophitsen), ik lieh —gestookt: —er. m.: —erij. v.: —ina;. v.

Opstiijden (opdringen), ik streed —. heb —gestreden. Hij streed mij dat op. d. i. wilde niet toegeven, dat het waar was.

Opstnixen (Tig. toornig worden), ik hen —gestoven.

Opstuwen {het water tegenhouden), ik heb —gestuwd: —er. m.- —ina;. v-Optakelen (een schip optnigen). ik heb —ge-takeld: —ina;. v.

Optarnen (den naad lossnijden), ik heb en

ben —getarnd.

Optassen {ophoopen. lig. verzamelen), ik heb —getast.

Optatief {ccn trensch nitdmkkcnd, (veiischend), bn. en bw.

Optatief (spniakk. ivi'nscln'nde ivijs). m. gmv. Opteeren {kiezen, verkiezen, tvenschen). Hij ! is gekozen in twee districten, voor ivelic | zon hij —, denkt ge'.'

Opteekenen motceren), ik heb —geteekend: —aar. m.: —ina;. v.

(Optellen {bijeen tel len). ik heb —geteld: —er. m.: —ina, v.

Opteren (opmaken). ik heb —geteerd. Opteren (met teer besmeren), ik heb —geteerd. Optiea. tlptiek igezichtk/mde. kennis der

lichtstralen), v. gmv.

Optiens. optieien (gezichtknndige). m. —ci. —ciens.

Optie (vrije kens, kenr: het recht om air verschillende dingen te kiezen), v. gmv. Optillen {opbenren). ik heb —getild: — ina;. v. Optiniaten (welgezinden of de besten in den staat), m. mv.

Optiniatie (regeering der edelen of der aristocratie). v. gmv.

Optiniisnie {optlniisnias, tevredenheid en ingenomenheid met het bestaande), o. gmv. Optimist (aanhanger of voorstander ran het optimistne), m. —en.

Optiseh (gezichtknndig). bu. —e illusie, gezichtsbedrog. [—en. Optoeht {stoet, processie, feestelijke gang), m. Optreden {verschijnen), ik trad —. ben —getreden: — ina. v.

Optrek (hnisje), .n. —ken: —je.

tgt;ptnia;en (het tn g aandoen), ik heb —getuigd: —er. m.: —ina;. v.

Opulent (zeer rijt: of vermogend), bn. en bw. Opnlentie (overeloed, groote rijkdom, aanzienlijk vermogen), v. gmv.

Opns (nmz. merk), o. opera.

Opvijzelen {zeer prijzen), ik heb —gevijzeld;

—aar. m.; —ina;. v.

Opvliea;en (Mg. driftig marden), ik vloog —. ben —gevlogen: —ina;, v-t^pvlieaend (oploopend), hu.: — lieid. v. tlpMteden {grootbrengen, vormen), ik heb —gevoed; —er. m.: —ina. v.

Opvaedknnde (leer der opvoeding), v. gmv. tlpvoe(lkiindia;e, m. en v. —u.

Opvoeren, ik heb —gevoerd: —ina. v. Een tooneelstuk —. geven, vertonnen.

Opvolgen, ik heb en ben —gevolgd: —er. m.:

— ing. v. Een koning — : een raad —, naleven. Opw'aehten. ik heb —gewacht: —er, m.:

— ing. v. Zijn opwachting bij iem. maken. een plechtig bezoek afleggen.

Opwassen {opgroeien), het wies —. is —ge-

wasse.;. Dij de eiken wies ik op (St.). Opu egen. ik woog —. heb —gewogen. Pareten wegen op tegen goud. zijn van gelijke waarde. Opwekken {aansporen), ik hel» —gewekt; -ing. v.

Opwellen {opborrelen), het is en heelt —geweld; — ing. v. Fig. opbraisen. driftig woi'den. Opwerpen, ik wierp —. heb —geworpen:

— ing. v. Een eraag —. opperen: een schans —. omboog werpen; zich — tot aanvoerder. zich zelf maken tot aanvoerder.

Opw iegen (lig. groot brengen, ondera ijzen). ik heb —gewiegd.

Opwiiiflen. ik wond —, heb —gewonden;

— er. m.; —ing;. v. Het horloge —. garen — ; de menigte —. d. i aan den gang maken, aanzetten; zich —. zich driftig maken.

i\\r/.i\\uv\w\( bijeenbrengen», ik heb —gezameld: —aar. m.: —ing. v.


12'

ocr page 200

OPZEGGEN-OUD.

OreiniiM (Laat ons bidden), t Is daar —. ellendig.

Orgaan (werktuig der zinnen: stem ran een zanger: een eon ra ut van een partij), o. organen.

Organiek, Orguniwt'liföeifer/ctwV/t/, /m^m/).bn.

Organisatie (inrichting), v. —tiën. —ties. Organiseli (wat betrekking heeft op de bgt;'-werktuigde natuur), bn. De —e scheikunde. Organiseeren (de werktuigen der zinnen vormen: een staat, een partij, een wet inrichten, vormen).

Organisme. Organismns (inrichting: leden-bouw, geleding: gestel), o. —n.

OrganiHt. Orgelist (orgelspeler), m. —en. Orgeade (amandelmelk), v. gmv.

Orgel. o. —s. —en.

Orgel en (fig. zingen run rogels), de nachtegaal heeft georgeld.

Orgelist, m. Zie Orgiinist.

Orgie (Bacchusfeest: nachtelijke zwelgparty), v. orgiën.

Oriënt (het oosten, het morgenland), o. gmv. Oriëntaal (Oostersch), bn.

th'iêntalist (kenner run Oost. talen), iw. —en. Oriënteeren (zieli) (zich naar de vier hemelstreken wenden; toezien wuar men is om niet te dwalen-, Vig. zich bezinnen; nauwkeurig toezien, poolshoogte nemen).

Oriflamnie (rijksvaan der Franken), v. gmv. Originaliteit (oorspronkelijkheid, eigenaardigheid). v gmv.

Origine (oorsprong, begin, het ontstaan van een ding rn de manier, hoe het ontstaat: bron: afkomst vun eet) persoon of een zaak), v. gmv.

Origineel (oorspronkelijk, zonderling), bn. Origineel (het oorspronkelijke', zonderling, grillig mensch), o. — neelen.

Origiiieeren (ontstaan, herkomstig zijn). Orinhaar (jong matroos), m. —baren.

Orkaan (draaiende stormwind). m. orkanen. Orkest (plaats, wuar d»' toonkunstenaars

zitten: (ie toonkunstenaars zet re), o. —en. Ornament. Ornement (sieraad, versiersel), Orneeren (versieren, optooien). jo. —en.

th'nitliolou;ie (beschrijring der rogelen), v.gmv. Orthodox (rechtzinnig, ondgelaorig). bn.en bw. Ortiiodo\e (persoon), m. en v. — n. Ortliodoxie (rechtzinnigheid), v. gmv. tlrthoëpie (uitspraakleer), v. gmv. tlrthtigraphie (spelkunst, kunst om juist te-schrijven), v. gmv.

Orthograpliiseh (spelkundig. naar de juiste i spelling), bn. en bw.

Os (rund), m. —sen.

Oseillatie (slingering), v. — tii-n. —s. Oseilleeren (slingeren, als de sin ger feus Ossegehraad, o. gmv. \uurwerks),

i Ossekop, m. —pen.

I Osseleer. Ossen leer. o. gmv.

Ossendril't (aantal ossen), v. —en.

Ossenhaas (roggestuk), m. —hazei;. tlssenoog. o. —en. [gmv.

Ostentatie i praatzucht, tentoonspreiding), v. Ostenteeren(tentoonspreiden, vertoon mal,'en). Ostracisme, Ostrat'isnmsi//^ scherrengerieht in Athene), o. gmv.

Otter. m. —s. Fig. domoor.

Ottoman (Turk), m. —en.

Ottomane (rustbed, lage sofa), v. —n. thihollig (toornig), bn. vero.

tlnd (voormalig), bn. Ken ond-)ninister: onilrr gewoonte: in oude tijden, dugm, langgeleden:

Oiixeirgcn lt; quot;if /quot;*' afzeym'H: ont-

zeyffan). ik heb —gezegd en —ge/eid: —ing. v. 0|gt;/.«Midlt; ii (verzenden), ik zond —. hel) —gezonden; — iilff» v*

Opy.rt (het opgezette, een toestel), m. —ten. Op/.et {hei'aumd phni). o. ginv. }[fi —. Opzettelijk unet voordacht), bn. en l»\v. 4hgt;7/M-lit ileldhKj. !gt;'• eer), o. —en.

Ouzirliter. m. —s. Hij is — bij dm Wntfrstaot. Opzichtig. bn. en b\v.: — lieid, v. Zij is — gekleed, d. 1. bont, vreemd.

Opzien, ik zag -, heb -gezien: -er, in.: —ersambt, o. Gij zult er vreemd von —, d. i. verwonderd zijn: tegen iets —. bang zijn voor: hlt;gt;og tegen iem. hem zeer hoogstellen. Opzitten, ik'zat —. heb —gezeten. Laht —. opblijven: — voor iemand, naar iem. pijpen dansen; iem. doen —. tot rede brengen. Daar zal ten! roor n —.gij zult een berisping krijgen. Opzoeken, ik zocht—, heb—gezocht; —ing.v. Opzouten, ik zoutte —. heb —gezouten. Fig. voor tang wegbergen.

Opzwalpen (opspoelen, optverpen met den

golfslnij). het is —gezwalpt.

Ópzweepen. ik heb —gezweept; —er, m.

Fig. ophitsen, aan en ren.

Opzwellen, het zwol —. is —gezwollen. — van toorn.

Oraal {mondeling, ivoor del ijk), bn. en bw. Ora et labora (Bid en merk).

Orase (storm), o. —s.

OrageiiH {stormachtig, ivoelig), bn. en bw. th'akel (godspraak), o. —s. —en. Hij is eer —. een zeer wijze of geleerde man; het Detfisch —. Hugo de Groot.

Oraiig-oetaii (aap. boschmensch), m. —s. Oranje (boom), rn. (vrncht). v. —s.

Oranje {kleur), o. gmv. — boren!

Oranje (ïoodaehtig geel), bn.

Oranjeklant [vr'nmd ran den Stadhouder). m. en v. —n.

Oranjerie {tvintertain. broeihn is), v. —s.—en. Oratie {redevoering), v. —ties, —tiën.

tlrator (redenaar), m. —s. —en.

OratoriHeli (redekunstig), bn. en bw. Oratorinin (muzikaal drama, bideertrek). o.

—ria, —riums.

Orberen (nuttigen), ik heb georberd.

Ordaliên (godsgerichten, vnnr- en uju ter proeven). o. mv.

Orde (regel), v. —n. Een man can —: — is de hefboom van den arbeid: de — der rogels. klasse: geestelijke —n. afdeelingen, vereeingingen: de — van Oranje-Nassa11, ran den AVf/. Leeniv, enz., d. i. ridderorde.

Ordelijk (geregeld), bn. en bw.: —lieid, v. Ordenen (regelen), ik heb geordend: —ins. v. Ordentelijk i fatsoenlijk), bn. en bw.: —heid. v. Order (bêvel), v. —s.

Ordinair (gewoon, gewoonlijk), bn. en bw. OrdiiiiiriH {gaarkeuken), v. —sen.

Ordineeren (H. K. wijden, inzegenen). tlrdonnaiiN (ondergeschikt militair, die be reien moet overbrengen)^ m. —en. i\Ti\M\i\i\\\i\v{bevel.rolt;n'schrift:aanwijzingter betaling op's landsontvanger),\. —ties. —tiën. th'donnatenr (bestuurder, opziener), m. —s. Ordonneeren (bevelen, gelasten, voorschrijven). Ordures (vuiligheden), v. mv.

tlreeren (een redevoering houden, deftig pra-Orego (plant), v. gmv. \ten).

OreillonwpawNertje kleine en fijne passer). o. — s.

ocr page 201

lt;) U D BA K K KN—O V El MA IJ 10

18!

de —e fjeschii'denis. Hij is ecu —e rot. een slimme vos; het —e Testament', nu ar een —e methode: a Ilea bij het —e laten, niets veranderen.

Oud bak ken (fig. oadenvetsch). bn.

Oude (bejaarde), m. en v. — n. Oude-uiaiiiieiihuiN. o. —hnizen.

Ouderdom, m. gmv.

Oudorliiii; {kerkmeester), m. —en Oudei'H. Onderen, m. mv. Van oader tot onder, d. i. van geslacht tot geslacht.

OuderwetMeli. l»n.: —lieid. v. Ke i — huis. Oudegt;vrou\veiiliui8, o. —huizen.

Oudgast (inifl fnd. atnbtenaar), li';. —en. Oiidlieid, v. —heden. Hij is koo/gt;uain in — heden, antiquiteiten.

OuliiiffH (eertijds, oudtijds), b\v.

Outaar. Outlt;'r (oHerplaats), o. —aren. —ers. Ouverture (inleiding eener opera\ betjin, ope-niny). v. — n. —s.

Ouwel. m. —s.

Ouweleii (sluiten), ik hel» den briefgeouweid. Ouwelijk, bn. Hij ziet er — uit.

ogt; aal (lawjiverp'uj mud), bn. /v*// — gelutit. Oxaal ipnuur). o. ovalen.

Ovatie (luidrurhtifj eerbewijs), v. —tiën, —ties. Oven {stookplaats), m. —s.

OverhliilM^I {overschot), o. —s, —en. t^verhodiu; (overtoiliii)^ bn. en bw.: —licid. v. Oveibrengen, ik bracht —. heb —gebracht:

—er (fig. verklikker), m.: —ing;. v. tlverbrieven, ik heb —gebriefd; —er. m.: iuy;. v.

Wie heeft hem dut nu overgebriefd'.' OverbruKgen. ik heb —biugd: —ginis. v. De rivier znl hier —brugd worden.

tlverbuur, m. —buren.

tgt; vereuninlei't (overtuIlig), bn. Ken — boekdeel. Overdaad (verkwisting, weelde), v. gmv. tlvlt;gt;rdadis; {onmatig), bn. en bw.: — lieid, v. Overdek (scheepsw. bovendek), o. —ken. tïverdeken (bovenste deken), m. —s. 0\lt;gt;rdenkeu {overpeinzen), ik —dacht, heb —dacht; —ins:, v.

Overdoen (opnieuw doen), ik deed —. heb — gedaan: ook: ik —deed.

Ov«'rdraelit. v. —en. De — van de fabriek zal weldra plaats hebben, d. i. het overgaan aan een nieuwen eigenaar.

Overdraelitelijk (figuurlijk), bn. en bw. OverdraehtHbrier. m. —brieven.

Overdragen (afstaan), ik droeg —. heb —gedragen: —er. m.: —ing. v.

Overdreven {buitensporig), lm. en bw.; —heid. v. .1 /. wat hij schreef, was erg —. vergroot. Overdrijven, ik dreef —. heb en ben —gedreven: ook: ik —dreef, heb —dreven: —ing. v. Üe bui is —gedreven, d. i. naar een andere streek gedreven: deze man —drijft bij nl wat hij vertelt, d.i. vergroot.

Overdruk (afdrukje). m. —ken.

Overdui^elen (ouerblulfen). ik heb —duiveld. Overdvvar». bn. fem. — aunzien, met minachting: iem. — komen. d. i. tegenwerken, dwarsboomen.

Overeenbrengen, ik bracht —. heb —gebracht. Wij moeten beide plichten niet ril,-uur zien — te brengen, d. i. zien te rijmen, te doen overeenstemmen.

Overeenkoinen. ik kwam —. ben —gekomen. Otereenkomst (rrgelingl. v. —en. OvereeiiHteininen. ik heb —gestemd: —niiiig. v. Deze rrienden stemmen in alles —. d. 1. zijn van hetzelfde gevoelen.

Overeind (rechtop), bw.

Overgaat', overgave, v. De — eener vrsting.

Overgaan, ik ging —. ben —gegaan. Tot ren hoog ere klasse —. bevorderd worden: aal zul met den tijd we! —. verdwijnen: tnt iets anders —, een ander onderwerp beginnen; tot bederf —, tot verrotting —. d. i. beginnen te bederven, te verrotten; tot tien vijand —.deser-teeren, overloopen: tot een anderen godsd'wnst —, van godsdienst veranderen.

Overgang, m. —en.

Overgegeven, bn.: —beid. v. Een —booswicht, zeer slecht, snood: Pie ter begon mij voor een

— lichtmis te honden (C. O.).

Overgeven, ik gaf —, hel) —gegeven. Zich op

grimde of ongenade nan den vijand —. d.i. zich in zijn handen stellen: de vesting moest zich —: ik heb een gevoel als moest ik —. d.i. braken.

Overgeving (lijdzaamheid), v. —en.

Overgieten, ik gout —. heb —gegoten: ook: ik —gooi, heb —goten: — i ig. v. Deze twee makkers zijn met hrtzrlfde sop —gotrn. d. i. ze zijn even slecht, hebben dezelfde gebreken.

Overgrootmoeder, v. —s: —vader. m. —s.

Overnaal (veer), m. —halen.

Overbaalsrhuit {verrschuit). v. —en.

OverhaaMten, ik heb —haast; —ing, v. (lij moet mij zoo nirt —. d. 1. voortjagen met mijn werk.

Overhaastig {met orerhuast). lm. en bw.

Overhalen, ik heb —gehaald. Iem. tot irts —, bepraten: dr verrmun zul ons wel —.

Overhand (nwerderbcid), v. Die meening heeft thans de —. is de heerschende.

tlvei'handigen (ter lm ml stellen), heb —lian-digd: —ing, v.

Overhebben, ik had—, hel)—gehad. Veel voor iem. —, d.i. gaarne iets doen voor iem.: ikheb er geen geld. geen moeite voor —.

Ove rheeren (quot;Is herr besturen), ik heb —heerd;

— ing. v.

Overheerlijk {roortrrjfelijk), lm. en bw.

Overheersehen (trhrrrschen). ik heb — heerscht: —er. m.: —ing. v. Het land znrhtic ondrr rreemde —.

Overheid, v. —heden, üe burgerlijke, dr mi-lituirr —. d.i. het gezag.

Overheidsambt. quot;. —ambten: —perso. ii. m. —personen.

Overhellen, ik heb —geheld: —ling (/quot;'/ƒ///#ƒ/), v. Deze muur gant —. overhangen, uit het lood zakken: tot iem. voorstellen guun —. er ooren naar gaan krijgen.

Overhemd, —en.

Overhoeks {horksivijs, dwars), bw.

Overhoekseh. bn. Ern —e lijn.

Overhoo|»liggen. ik lag —. heb —gelegen. Met iem. —. in onmin leven.

Overhoopraken. ik ben —geraakt. .W de papieren waren overhoop geraakt, d. i in de war. dooreen. Fig. oneens worden.

Overhooren. ik heb —hoord: —ing. v. De Irs —. d.i. afhooren. laten opzeggen.

Overhouden {sparen), ik hield —. heb —gehouden.

Overijlen (Kieh). ik In-lt mij —ijld: —ing. v. Orrrijl n niet. d. i. loop niet te haastig; lig. neem niet te ras een besluit.

Overjagen, ik jaagde (joeg) —. heb —gejaagd; ook: ik —jaagde, hel' — jaagd.

Overjarig, bn.: —heid. v. Dit is —e wijn, d.i. meer dan een jaar oud: een—e huismuns-dorhter, boven de jiiren der eerste jeugd.


ocr page 202

OV KIM AS—() N KI {STA AX.

182

OveijaH (tiveede jas), v. —sen.

O ver jurk, v. —en.

Overkant {aan gene zijde), m. gniv. Overk:i|i|gt;eii (niet een kap bedekken), ik heb —kapt: —in}?, v. Het terrein bij het station fjaat men —.

Overkleed (kleedinystnk). o. —deren. -ren. Overkleed {.dekkleed), o. —en.

Overkomelijk {wat men te buren kan komen), bn.

Overkomen, ik kwam —. ben —gekomen; ook: hel —kwam, is —komen. Mijn vader zat —. cl. i. hier heen komen: wat is n —. wat is er met u gebeurd?

Overkomst, v. gmv.

O verkop (hals-), bw. Hij vie! —.

Overkort {al te kort), bn.

O verkrijgen, ik kreeg —, heb -gekregen. De voerman kon den ezel het bmyyetje niet —. Wij krijgen familie —. d. i. bezoek.

Overlaat (njaterloozing). m. —laten.

Overladen, ik laadde —. heb —geladen;

— ing. v. Men moet de jen gr! niet met werk —: gij mpet uw maag niet —: iem. met weldaden —.

Overland, bw. Hij reisde — naai' Jerazalem: hij reisde met dgt;' —mail naar Indi'ê, d. i. ging eerst in Napels of Genua scheep. OverlaiiKen (overreiken), ik heb —gelangd. Overlang*, bw. Iets — doorsnijden, d. i. in de lengte.

Overlangweh. bn. Ken —e doorsnede.

Overlast, m. Die bengels doen ons — aan. Overlaten, ik liet heb —gelaten; -ins. v. Overledene (afgestorvene)^ m. en v. —n. Overleg {nadenken), o. — is het halve werk: iets met — doen: )net gemeen —. d.i. na beraadslaging.

Overleggen, ik heb -gelegd (—geleid); ook: ik —legde(—leide). heb —legd(—leid): —ing. v. Overleden {langer leven), ik heb —leeld;

(overgeven), ik heb —geleverd:

— ing (lig. traditie), v.

Overlezen {nog eens h'zen), ik las —, heb —gelezen: —ing. v. Men li'-t het zieke lei nd—. d.i. er eenige gebeden over uitspreken. Overlijden (overgaan), hij -leed, is -leden.

Hij is gisteren overleden, d. i gestorven. Overlijden, o. gmv.

Overlomnieren {overschaduwen), de linde heeft het buisje —lommerd.

Overloop, o. —en. Wat praat men dan van ezels! 't Is — van gal. (Bild.).

Overloopen. ik liep —. heb en ben-geloopen: ook: ik —liep. heb —loopen: —er. m.: —ing.v. Hij is naar den vijand oeergeloopen. Vrienden moeien elkaar niet —. d.i. te dikwijls bezoeken.

Overluid {In/rdop). bw. Hij zei dat alles —, d. i. iedereen kon het hooi en.

Overlniden. overlnien. ik hel- —luid. Men zal den docde morgen d. i. de doodklok trekken. Ovemiaasch. bn. De —e dorpen, d.i. aan de overzijde der Maas.

Overniaat. v. Tot — eau smart, ramp, ellende. d. i. alsof er nog geen smart en/., genoeg was. Ovennaclit. v. Het Fransche leger moest zwichten voor de —. d.i. het vijandelijk leger was veel talrijker.

Overniaken. quot;ik heb —gemaakt. De knaap : moest zijn werk —. d. i. opnieuw maken: ; gelden —. overzenden.

Overnian(/ioo/y, aanvoerder), m. — lieden, — lui.

üe — van een gild.

Ovennanneii. ik heb —mand. Ue wacht werd overni'ind. d.i. door overmacht overwonnen, overweldigd: de moeder was door droefheid overmand, d.i. overstelpt, terneergeslagen. Overmatig (de maat te boven gaande), bn. en bw. Zij dronken — veel.

Overmatig (te matig), bn. Nooit zot hij sterken drank gebruiken, hij is overmatig. Overmeesteren (overweldigen), ik heb — meesterd: —ing. v.

Overmits {dewijl, aangezien, omdat), vw.vero. Overmoed (vermetelheid), m. gmv.

Overmogen {te boven gaan. het winnen), ik

— mag. —mocht, heb —mocht. De Koran moest —. waar godsdienst een schijn werd. (Da Costa).

Overnaeliteii (den nacht doorbrengen), ik heb

—nacht; —ing. v.

Overnemen, ik nam —. heb —genomen:

— ing, v. De kolonel nam het bevel over: hij heeft deze woorden van Bilderdijk overgenomen, d. i. aan B. ontleend.

Óvernoeniing (metongmia). v. —en. Üe tering doodt wis als't grievend staal (= dolk). De Gén. Overpeinzen (overdenken), ik heb —peinsd: —er. m.: —ing. v.

Overplaatsen, ik heb —geplaatst: —ing. v. De Initenant werd overgeplaatst, d.i. naar een ander garnizoen gezonden.

Overreden (door redeneer ing overhalen), ik heb —reed: —ing. v.

Overrompelen (een. wacht, een legerafdeeling

verrassen), ik heb —rompeld: —ing, v. Overseliadiivven. ik heb-schaduwd; -ing, v. De hut was door lindeloof overschaduwd. Fig. beschermen. Üe kracht des Heer en zal hem —. Overschatten, ik heb -schat: -ing, /gt; vijand had zijn krachten overschat, c.i. te hoog geschat.

O verse lie pen \ overladen), ik heb —gescheept:

— ing. v.

«xtscIk'pimmi (.icheppeudc uverln-em/en). ik heli -geschept: -ins, v. Gij zult dievissctm, moeten — in deze schuil.

UvcrsrliirU-n, ik schoot —. heb en ben —geschoten. Er zul niet veel —. overblijven. OvprHchitliMen, ik heb —schitterd. Fig. 'lt;ii-miaiten hoven, in de schaduw stellen.

Ovei M«-lilt;mii,bu.en bw. Een — iiedichl,meei dim Overschot i rest,restant),o. —ten. (schoon. Ovoi-sclirijdcii (slaij/jrn over), ik —schreed, heb —schreden; —ins, v. De grenzen zijquot; bevoegdhriil —. d.i. te buiten giian. OverHviiif*ii iteletjratiheeren), ik heb-geseind. //, heb dil bericht doen — aan die icranl. Overclaim, ik sloeg -. bel. en ben-geslagen. Hij sloeg de moeielijkheden maar uver: di' vlammen slneyen u/j de kerk over: tot inn. gevoelen —. d.i. overhellen. Hg. Kwade namen 'moer men onaangenaamheden moet men niet aanroeren; een overgeslagen halsboord (C. O.), d.i. omlaag geslagen.

Overslag (rand. omslag), m. —en. Fig. rekening, raming. Een — van haar profijten vervalt den tusschentijd (Staring). OvrrspaiiiD-H (te zeer inspannen), ik —spande, heb —spannen; —ins, v. Hij zal zich nog —. d.i. zijn zenuwgestel ondermijnen.

Ovri'Htiiiiii lt;lt;lt;•11». O. Het e.ramen zul iil'.r-nomen worden — ran den inspectenr, d.i. in tegenwoordigheid.

ocr page 203

O V i: I {ST AG -OZON IS K E H E N.

Overstag. b\v. — ijoan. tvemlcn: rallt'u. raken, over een andere» boeg ^ann. wsnden: tegen den wind inhouden: den wind van voren krijgen; iem. — werpen, schrik aanjagen, hem ontstellen: iem. — helpen, d.i. doen vallen, den voet lichten.

Overstp {Iniietoint-kolunel), in. —n. Ook: hoofd, bestuurder, hestunrster. :ils: IJe — ran ee)' klooster.

Overwfek (oversteeksel). o. —ken.

Oversteken, ik stak —. heb en bei;—gestoken. Met een bootje dr rivier d. i. overvaren. Morgen steken wij 7 lui naai over. We zullen gelijk —. d.i. bij het ruilen overhandigen. ÓverHtelpen (fig. overhiden). ik heb —stelpt; — iiitf. v. Wij n'ordetimet krcmljesoverstelpt: de redactie is overstelpt met kopij: de bruid werd overstelpt met ifesrhi'nken: zij nuts overstelpt van droefheid.

Ovei'Mtrumiieii. ik bel» —gestroomd: ook: ik heb —stroomd: —iiiff, v. '/Ajn mond stroomt over van lof: onze markt trordtoverstroomd met Duitschquot; goederen.

Ovei'Ntimi*. b\v. Kr is niets —. in de war: hij raakte geheel —. d.i. uit zijn gewone doen: er is niets aan —. ei* is niets aan gelegen. Overtoelit (reis, tr water), m. —en.

Overtogen {overdekt met), vd. Zijn gelaat was

met dr schaduw des doods —.

Overtollig: (overbodig), bn. en bw.: —lieid. v. Overtoom (dam inct sleephelling . m. —en. fn Amsterdam zijn nog twee —en. d.i. plaatsen, waar schuiten van het eene vaarwater in bet andere worden gebracht, zonder van eon schutsluis gebruik te maken. Overtredenik —trad, heb—treden: —er. m.: — injj. v. üe wet de geboden Gods —. d.i. schenden, niet houden. Overtreflen (fig. voorbijstreven), ik —trof,

beb —troffen.

Overtrek (linnei. zak), o. —ken. Het — van een peluw, van een bed.

Overtrekken, ik trok —. beb en ben -getrokken: ook: ik —trok. heb —trokken. Zij trokken de rivier over. Deze eanapr is mrt trijp overtrokken.

Overtuigen zekerheid bewijzen), ik bel)

—tuigd: —ins, v. Zich van iets —. OvertniiseiMl. bn. en bw. Een — bewijs. Overvaart (overtocht), v. gmv.

Overval (aanval), m. —len.

Overval (toeval), o. —len. Hij kreeg een —. Overvallen, ik viel —. ben —gevallen; ook: ik —viel. heb —vallen, fk viel over een steen. De nacht overviel ons.

Overvleugelen (ei'n leger o)nsingelen). ik heb —vleugeld: —ins, v- l'ig- bet winnen van: De handel ran Antiverpen zal dien ran Amsterdam nog —.

Overvloed, m. Hier wast koren in —. d.i. meer dan noodig is; de hoorn van —: —e. daarenboven.

Overvloedig.bn.enbw.: — heid.v. Een —e oogst. Overvloeien, het heeften is —gevloeid: —ins.v. /7(7 land. —d van melk en h'mig. Waar het

j hart van vol is, vloeit de inond van over. i Mijn hart vloeit over van dankbaarheid. Overvlng (zeer ving), bn. en bw.

Overvoeren (overbrengen), ik beb —gevoerd. Overvoeren (overvoederen), ik heb — voerd. Overvragen, ik —vraagde (—vroeg), heb —vraagd. In een soliden winkel overvraagt \ men nooit. d.i. te hoogen prijs vragen. Overweg kiiniien, bw. Hij kan met nllr menschen —. d.i. omgaan met.

Overwegen (nadenkm,overleggen), ik —wooir. heb —wogen.

Overwegend, bn. Iets van — belang, d.i. \ au zeer groot belang.

Overweging 'fig. beweegreden), v. —en. Overweldigen (bentachtigen). ik heb —weldigd:

—er, m.: —ing. v.

O ver wei Isel, lt;•. —s.

Overwelven, ik heb —welfd: —iiis. v. Een kelder Zie Overwniven.

loverwerken, ik heb —gewerkt; ook: heb mij —werkt: —ing. v. Deze knecht heeft el km diilt;i een nnr overgewerkt, d.i. langer gewerkt: gij zult n nog —. overspannen.

Óver wie lit. o.' Er is een kilo—, meer gewicht dan vereischt wordt. F'ig. mocht, aanzien, invloed.

Overwinnen, ik won —. heb—gewonnen; ook: ik —won, heb—wonnen; —ing, v.; —winst, v. Overwinteren, ik heb —winterd: —ing. v. Üe Hollanders moesten op \.-Zembla —. den winter doorbrengen.

Overwonneling .die overwonnen is), m. en v. —en: voor het v. ook —e.

Overwnird. bn. Het —e venster van Clermonts opperzaal (Bild.).

Overwniven {met een gewelf bedekken). Een sloot, een beek —. Ook: Overwelven. Over/.eeseli. bn. In de —e landen, d.i. aan gene zijde van den Oceaan.

Overzetten (iig. vertalen), ik heb —gezet: —er, m.: —ing. v.

Overxielit (nittreksel). o. —en. Een — dri'

vader l. gesel) ieden is.

tlverzien. ik zag —. heb —gezien; ook: ik —zag, heb —zien. Hij zag die fout over het hoofd. d.i. bespeurde ze niet: de onderwijzer moet zijn Idas leeren —. in het oog vatten. Overzijde, —zij (aan gene zijde), v. gmv. Overzindelijk '(zeer zindelijk), bn. en bw. tlxydatie (het eerbinden met zuurstof, verzuring). v. —tiën, —ties.

Oxyde (nietaalznnr), o. gmv.

Oxydeeren (met znnrstof verbinden, verzuren : verkalken).

Oxygeen, oxigeniniii iznarstof, de grondstof ! der levenslucht), o. gmv.

Oxycoon (spitshoek), m. —gonen.

Ozóne. ozon (een sterk riekende gassoort), v. en o. gmv.

Ozoniseeren (met ozon behandelen). Te Ocds-hoorn neemt men tegenwoordig proeven mquot;t het — van water. d. w. z. het water van bacteriën ontdoen door middel van ozon.


ocr page 204

P—PAASCHAVOXD.

184

P. v. p's. — De zestiende letter van het alphabet. I'. — Pater (vader); patres (vaderen); patriae (des vaderlands); plus (vrome); poiitife.r (opperpriester); po/ad its (volk). P.a'q. — Partibus aequalihas. met of in gelijke I*. of Pag. — Payhia, bladzijde. [deeien.

Po. — Primo, eerstens, ten eerste: op den eersten dag der maand.

P.A. — Par ami of amie. met vriend of vriendin (op adressen).

P.A. — Propr'u'tó assuree. verzekerd eigendom. P.C. - Par couvert, ingesloten, onder omslag: ook: pour condoleance (op visitekaartjes), voor rouwbeklag.

P.C. - Patr es conscript gt;. beschi even vaderen. Po., Co. of Pet. — Pro cento, percent, ten honderd.

P.D. - Pro ben. om Gods wil, om niet. P.E\. of P.K. - Par r. re tuple (per e-rerapel), bn voorbeeld.

P.Kxpre. — Per t'.i'pressam. niet een bijzonderen Ijode.

P.F. — Par faveur, uit gunst: ook: poar ft Ui citer (op visitekaartjes), tot gelukwensching. p.l'.v. — /tttttr faire visite (Kr.), om bezoek af te leggen (op een visitekaartje).

Phil. Dr. — Philosopiti'je Dot-tor. Doctor of .Meester in de wijsbegeerte.

PI. - Plaat.

PI. — Pluralis (meervoud).

P.m. — Pro luvmoria. tot herinnering, om in gedachten te houden. Piae tttemoriae. zaliger gedachtenis. Pro mille, per duizend. P.O. — Per order, op last van.

Vahv. — Per occa.sionem. par occasion (Fr.), met of bij gelegenheid.

P.P. - Pater prior, titel van den eersten of voornaamsten geestelijke in een klooster. P.P. — Pci- proctirationeut. op lastgeving van. als lasthebbende.

P.P. — Praemissis praemittendis, vooropgesteld zijnde, wat billijkerwijze vooropgesteld moet worden, d. i. met behoorlijken titel. P.P. — Pater patriae, vader des vaderlands, p.p.c. — pour prendre ooit ge, om afscheid te nemen (op een visitekaartje).

Pr. of praer. — Praecedens. de voorgaande. Praef. - Pt 'aefatio, voorrede: pracfccttts, ; stedeliouder, prefect.

I*rae«. — Praesens, tegenwoordig of pruesente, in tegenwoordigheid van.

Praef. — Praeterittis, verleden.

Prof. — Professor, hoogleeraar. P.K. — Popalus romanus, het Romeinsche volk. P.R.C. — Post Romatn conditam. na de bouwing van Home.

P.S. — Postscriptit}n, naschrift.

Pm. — Psalm.

P T. - Post trinitatis, na liet feest der heilige Drieëenheid. Pleno titulo of praem'isso til aio, met volledigen titel.

Pa evader), m. —'s; paatje.

Paadje, o. Zie IVul.

Paai (oud matt, oude zeebonk), m. —en. Paaien {tevreden stellen), ik heb gepaaid.

Paal, m. palen. Als een — boven tvater, voor iedei- duidelijk: — eu /«•/•/.• stellen, beteugelen, te keer gaan; thil tjaal de palen te buiten. dat gaat al te ver.

Paal {.afstandsmaat in Itidië. iöOO M.». m. palen. Paander {teenen broodkorf ), v. —s.

Paapje (vof/eltje), o. —s.

Paar (ttvee bijeenbehoorende tlintien, lioppeh, o. paren.

I'aard. o. —en. Hij was op zijtt —Je, d. i. toornig: men moet een r/etjevett — niet in den bek zien, bij een geschenk niet te zeer taxeeren of te kieskeurig zijn: hij heeft tie koorts en zweet tds een —. hevig: werken als een —. hard: de —en achter den wagen spannen, een zaak verkeerd aanpakken; hef oofi van den meester nvmkt het — vet, toezicht doet de zaken gedijen; 'tem. op het

— helpen, hem voorthelpen, begunstigen; lern. over het — tillen, hem te zeer begunstigen. te veel roemen; het hinkende — komt altijd achteraan, de bezwaren, lasten, kosten toonen zich op quot;t einde; ik zal u man en — noemen, ik zal alles in bijzonderheden vertellen: het — tlat de haver verdient, krijgt ze meestal niet, ware verdienste wordt elden beloond: een ziekte komt te — en gaat te voet; het Trojaansche — binnenhalen, zijn eigen nederlaag of ongeluk bewerken: het gevletigeld —, Pegasus, paard der Muzen. ..diclithengstquot;.

Paardekraclit {de krocht can een paard tils maatstaf), v. —en.

Paanleleer, paardenleer, o. Schoenen van —. Paardelijn {treklijn), v. —en.

Paardemaag. v. Hij heeft een —. hij is een sterk eter.

Paarden (een schip laten trekken), ik heb gepaard.

Paardenarheid. m. paarden werk {zware arbeid), o. Hij doet —.

Paardenhloem {gele bloctn der weide, hontfs-bloem), v. —en.

Paardenhoon i petilvrttcht), v —en. Paardenlia*tanje(«'lt;7lt;/'' ktistanjebomn), m. —s; {de urticht), v. —s.

Paardenkraelit (kracht als van een ptuird). v. Paardenniiddel {btiitengetrooit kruchtig m'nl-del), o. —en.

Paardenspel (circtts, tent), o. — len. PaardenOieu; {daas, insect), v. —en. Paardenvolk (mil. ruiterij), o. gmv. I*aarden\ved (waadBjure plaats voorpti irden). o. —den.

Paardcstaarf. m. —en. Ken pacha met drier —en (een Turksche decoratie).

PaardeHtaart (plant), m. —en. Paardevleewli. paardenvleeseli {een hottt-soort, om tie klettr zoo genoond), o. gmv. Paarl, v. Zie Parel.

Paarleinoer. parelmoer (stof), o.

Paars (kleur), bn.

Paaseliavond. m. —en: —best. o. en bw.;

— blneni (koekoeksbloem), v. —en: —brood, o. —en; m. —en: —ei. o. —eren;

— leest. o. —en: —gezang, o. —en; —koek, m. —en: —lam. o. -meren: —inaandag, m.; —os. m. —sen: —lijd. m.: —vakantie, v.


ocr page 205

PAATJE—PANEEL.

I.*gt;

—tiën, —ties: —vuur. o. —vuren: —week, v.; I'aatje. Zie Pa. |—zondag:, in.

I'acha (Turksc/i staa faam bleu nat •) m. —'s. Pacht (huur), v. —en.

Paciiteii. ik heb gepacht; —er, m.: —hoeve, v.

PaciCieateiir (vredestichter, bevretliijcr), m. —s. Pae i liea t i e (v redes ti ehtintf, bevrediging), v. —tiën. De — van Gent ('1576).

Pari lit •eeren (vrede mn/cen: het redigen: verzoenen).

Pariüek (vredelievend, rreedzaom), bn. l*arotille {pakkage, die een rei ziger, zonder bijzonder vrachtgeld, mag medevoeren), v. — s. Partiini {verbond, verdrag), o. pacta. Pad (voetpad), o. —en. Het — der deagd, weg. baan. Wat waart ge vroeg op het — ' (iij moet dit — instaan.

P.ad, padde (dier), v. —den. Hij zwelt op als ven —, d. i. wordt erg toornig.

Paililrnsil'. —Kilt. o. frrnv.

I'ixlilrii.staiol [zwamplant). m. —en.

l'iKlllij. pady (rij.st in haar bolster), v. gmv. PadiMj ah (heer der Koningen, saltan van Turkije), m. gmv.

Paeda^osie (onderivijskanst), v. gmv. Paedau;oi;ilt;'k (opvoedingskunst), v. gmv. PaedaKo^iNeh (opvovdkandig). bn.

I'aedagoti^ (onderwijzer, opvoeder der jeugd), Paf (oorveeg), m. —ten. |m. —gogen.

Pal* (lusteloos, loom), bn.

Pal', tw.

Pal lij; (opgeblazen), bn.: —lieid. v.

Pal'/.ak {dikkerd), m. en v. —ken.

Pagaai (Indiaansche roeiriem), v. —en. I'at^aaien (met de pagaai roeien, wrikken). ik heb gepagaaid.

Pa^adet {soort van duiven), v. —ten.

INieaiiiHiiiiiM (heidendom), o. gmv.

Pase (edelknaap), m. —s.

Pagina (bladzijde), v. —quot;s.

Pagin i\i\\\ir{biad zijde ii-nommerinii).\\—turen.

'eren (tb' bladzijden van votgnommers voorzien); —iiiff. v.

Pagode (Chineesche tempel, ook pop. afgodsbeeld). v. — n. — s.

Paillas (stï •oozak), m. —sen. Fig. hansworst. Pailletten (loovertjes), v. mv.

Pair, zeg: peer (lid van hvt Hoogerhuis in Engeland; lid van de verste kamer in Frankrijk: oudtijds een graaf of hertog), m. —s. Pai r.Hrhap (/.eg: peerschap), o. gmv.

PaiNihel (vreedzaam), bn. en bw.

Pak, o. —ken. Een — staag; over zijn mei — en zak. alles overgehuisd hebben: daar valt mij een — van In-I hart, een irroote zorg heb ik nu minder: ieder mort zijn —je dragen, ieder heeft zijn kruisjes; bij dv —ken blijvvn neder zitten, moedeloos zijn. de handen in den schoot leggen.

Paketboot (mailboot), v. —en.

Pakkage {reisgoed), v. —s.

Pakken (inpakt,-en), ik heb gepakt: —er. m.; —erij, v.; —ing (opvatting om den zuiger-stadig om het ontsnappen ran stoom uit deï» eg Under te beletten), v.

Pakket (klrin pak), o. —ten.

Pal (zvker werktuigje, elders zrtter genoemd). m. —len.

Pal (vast, stevig), lm. — staan, niet wankelen: iem. — zetten, den mond snoeren.

I*aladi|n (hofridder, dolende ridder), m. —en. PalaiiKijn (kleinf lakrl. drmigstovl in Indië). | m. —s.

Palei {katrol; inzonderheid ren om! foltertuig), v. —en. tem. aan de — slaan, hangen. Paleis, o. paleizen.

Palen (grenzen, raken aan), het heeft gepaald. Paleographie (kennis van het schrift drr ouden), v. gmv.

l'aleNtriMch (worstelstrijden. Wdloopen. schijf werpingen enz. betrelfrnde). lm.

Palet (kaatsplankjr), v. -ten.

Palet (verfl)ordje der schilders), o. —ten. /gt;'-mannen van 't —. de schilders.

Paletot (korte overjas), v. —s.

Palett en {hvt balspel spelen, rakrtlrn), ik iud» gepalet.^

PaHVenier (koelshedfiencle). m. —s. Paling(vtóc/n, m. —en: (visclvstof). v. palinkje. Paliniinr (dicht, stuurman, voor naam staatsdienaar), m. —nuren.

PaliH.s-ide (schanspaal), v. —n.

PaliHHadeeren (ompalen, met paalwerk vrr-sterken : —ing. v.

PaliH.sander (purper- of violvthoat), o. gmv. I'aljas {hansworst), m. —sen.

Palladium (heiligdom: brsvhermg' gt;1: herta' van Minerva [Puttas] in Troje). o. gmv. PallaH {raitersabrh. m. —sen.

I^alliatiel' ( pijnstil tout m'utdrt zonder genees-l.racht: tijdelijk middel), o. —tieven. Pallieeren {verzachten, bewimpelen).

Palm {boom), m. - en.

Palm (palintak), m. —en.

Palm (vlakkr bund: vroeger ook lengtemuat). Palm {kruid), v. gmv. fv. —en.

I'alma (0.7. vaartuig). —quot;s.

Palnien (hand voor band hijsehen), ik heb gepalmd.

Palmhout (//W hout van den buksbo(oti).o.gii)W

Ken deurknop, een beker van —.

Palpabel (handtastrtijk. tastbaar, dniiirlijk),bn. Palpiteeren (kloppen ran hart of pnts : 'triilrih der leden: li Urn).

Palster (pelgrimsstok), m. —s.

Paltrok (wijde rok: ook ern soort van zaaij-ui'jlen), m. —ken.

Pamllet (klrin. onbeduidrnd grschrift. schotschrift, vlagschrift. blantvboel.Je), o. —ten. Pamllettist {schotschrijver, lasteraar), m. —«mi. Pampa^N (grasvlakten in Z.-Amerika). v. mv. I'ampelen (kreukelen), ik heb gepampeld. Painpelmoe.s {(). f. oranjeappel. zlt;gt;0 groot ots een hoofd), m. —moezen.

I'ampei'iioelje {eetbare paddenstoel). v. —s. Pan. v. —nên. ben vijand in de — hakken, verpletteren, het leger'vernietigen: hij is aan de —. hij ilt; gevangen, hij is er bij: ern vvrij. uit de —. een leelijke berisping.

Pan (rommel, rumoerig en grappig roorvat). v. gmv. De heele — is geen cent ujaard. Wm een — hebben we daar beleefd!

Panaarxen {geeselen). ik heb gepanaarsd. Panaeea. panarée (algemeen genees- of ivou-dermiddel), v. gmv.

I'anaehe (vederbos, pin inn. v. —s.

Pand {waarborg, huis), o. —en.

Panderten (oude Hom. wetten), v. mv. PandeniiMehe/Jekle('//(/#'»lt;/v,gt;j(?#v»/A-.sTlt;gt;/.^').v. Panden (beleenen). ik heb gepand: —w(deurwaarder), m.: —ing. vf.

l*andJeshuiM {bank van I ven ing), o. —huizen.. Pandoer {Hongaarsch vovtsoblaat), in. —en. Pandoeren (kaartsprlm). ik heb gepandoerd. Pandgt;erbeuren (grzetschapsspel), o. gmv. Paneel {hoaten hrschot, bekleedsel), n. —en.


ocr page 206

I'ANKG VRIEK—PAliFLJ.MICHI 1*:.

(lofrede, feestrede), v. —en. 1*anliaViiis (viach). m. (als stofnaam), v. —en. | Paniek (fdotselimje en onfjegnnide schrik; valsche wapenkreet; loos ahirm: ahjoneene verslnfjenheid). v. Er was een — in het lener, ■ aan de beurs.

1'aiiiHcli (plotselinn, met verpletterdheid eer- . vnllertd). bn. en b\v. Een —e schrik, d. i. een j eensklapsclie ongegronde schrik.

I'aiije (scheepsw. zeildoek), v. —s.

I'anlikkeii. paiiiirlikkcii ysmuilen, op de klap loopeti), ik heb ^epanlikt: —\i.r\'(siniiller),r[ï.; —kerij. v.

raiiiM'koi'k. ni. —on.

ViMMiViWwwKruiidtdlereel'. schiIderstnk.hetwelk een stad vf plaats in hoar 'jrherl roorstelt. ook hel ronde (jebouw zelf). —quot;s.

Vaiiscr {Ixirstharnas), o. —s. Ook: rantaiT. I'antalon (broek), v. —s.

I'aiitcr (roofdier\ m. —

raiitlieÏHinc i neloof dal het heehrl zgt;df de Godheid is. leereldfiod-geloof). o. gmv. Vaiitlieist ('iiinhanyer eau lod pantheïsnn'), m. —en.

P'antlH'ïwtiscli (als eau een pantheist), bn. i 311 b\v.

Pantliron (een tnnpel in 't oud,' Home aan alle ifodt'u gewijd, lig. een eeretempel, een \ gebouw voor de overleden beroemde mannen 'an een land, b.c. in Parijs), o. gmv. Fantocratie (alleenheerschappij), v. gmv. rantoilVI (schoeisel), v. —s.

Fantosraal'' teekciiaap), m. —graten. PaiitoiiiiiiM' i gelui ren spel), v. —n. —— ist. m.: —iseli. bn. Verkeerd is: pantomine.

Panfser (borstkuras), o. —s. Zie Paiiser. Panviscli. paiiiii'viscli (bakvisch). m. gmv. Pap. v. —pen. — op een wond; dat is hem met den —lepel ingegeven.

Papa. pa. m. —'s: papaatje.

Papaver {klaproos, maankop, slaapbol), v. —s. Papegaai (klinivogel), m. —en. Fig. najrrater. Paperassen ( prat pa pieren), v. mv.

Papier, o. —en. Zijn gedachten op het — brengen, uitdrukken; hij heeft goede —en, d.i. getuigschriften: de —en daten. stijgen, d.i. de ellecten: het — is geduldig, men schrijft op papier wat men wil.

Papillot (piipierrolletje om Ind haar mede op te rollen ten einde het krullend te maken), Papist (pausgezinde), m. —en. [v. —en.

Papje ( papegaaitje), o. —s.

Pappen, ik heb gepapt: —ping. v.: —sel. o. Op een zweer —: deze katoen is sterk gepapt, d.i. met pap stijf gemaakt.

Pappitc (nattig, niet vast), bn.: —lieid, v. Paraal' (pennetreh', onderteekening enkel met de voorste letters van den naam), v. —raten. Paraat (ring. willig, dadelijk), bn. en b\v. —e executie, onmiddellijke uitvoering van een vonnis: Waar zij den dwerg — heeft neergelegd. (Staring.)

Parabel (gelijkenis), v. —en. —s.

Paraholiseli (bij wijze van gelijkenis; in gedaante eener kegelsnede), bn. en h\v. Paraeliute (valscherm aan een lachlbol), v. —s. Paraeleet (trooster, de Heilige Geest), m.gmv; l^arade (feestelijke wapenschouw) \. —s. —bed, statie- of pronkbed.

Paradeeren (pronken, pralen i.

Paradigma (voorbeeld, monster, model), o. —ma's. —mata.

Paradijs (lusthof), o. —dijzen.

I'aradox (wonderspreukig, met de gewone leer en meening strijdig), bn. en b\v.

Paradox (wonderspreuk), v. —en.

Parafeeren (onderteekenen enkel met de voorste letters van den naam).

ParafineOa^ petroleum verkregen o/ff),v.gmv. I'aragi'aar (afdeeling |J;] van een hoofdstuk), v. —grafen.

Parallel (evenwijdig(gelijkluidend), bn. en bw. Parallelogram '(v'n-rhoek. waarvan de zijden twee aan twee evenwijdig loopen), o. —men. Paralogiseeren (valsche gevolgtrekkingen ma ken).

Paralyseeren (verlammen, ontzenuwen).

Pa ra lil ml' (geleider), m. —en. De lekkere tand is de trouwste — der kies van 't waar verstand. (De Gónestet).

Parapet (borstwering, leuning), o. —ten. —s. Paraplira -e (ophelderendebeschrijving), v. —n. Een — maken van een gedicht. Parapliraseeren (in een verklarende omschrijving uitdrukken).

Pa ra pin ie. Paraplu (regenseherm).\. —s, —V. Parasiet (tafelvriend, tafelschuimer, klap-looper),m. —en: (woekerplant), v. —en: —en (woekerdieren), m.

Parasol (zonnescherm), v. —s.

Paratonnerre (bliksema/leider), m. —s. Par avance (bij wijze ran voorschot, vooruit). Paravent (windscherm), o. —s.

Parhlen (drommels, sakkerloot), tw.

Parrelle (deeltje, stukje gronds). v. —s. Pareen (schikgodinnen), v. mv.

Parcinionie (karigheid, gierigheid), v. gnv. Pareiinonieiis (karig, gierig), bn.

Par-ei par-la (hier en daar. overal), bw. Par eoinplaisanre (uit wellevendheid), bw. Pardel (viervoetig dier, panter), m. —s. Pardoen Hang touw van den masttop naar het want), v. —s.

Pardoes. Perdoes. tw.

Pardon (genade, vergiffenis), o. gmv. Ook tw. (pardonnez), dat ik u stoorde! V iwütowwmrwivergilfenis of genade schenken). Pareeren (sieren, opschikken: een slag. een steek afwenden, keeren).

Parel. Paarl. v. —reien, —reis. —len. Parelen, het heeft gepareld. De wijn parelt,ü.\. kraalt, ïonVeW.; geparelde garst, zeer fijne garst. Parelmoer, o. Ook: Paarlemoer.

Paren, ik heb en ben gepaard: —ing,v. Ze zijn 1 gepaard, d. i. gehuwd; dat ging gepaard met i groote onkosten, d. i. vergezeld.

Parentage (bloedverwantschap, familiebe'rek-; Icing, maagschap), v. gmv.

Parenteeren (een lijkrede houden bij Iwt c raf). I'arentliese (tusschenzin). v. —n. Ook Paren-t

Parentliesen, Parentheses (twee haakjes ( om een tusschenzin in te sluiten), v. mv. In parenthesi, in 't voorbijgaan, tusschen twee

parenllie haakjes.

tusschenioegsel •

Parenthesis (tusschenrede,

v. —thesen.

Par et impar (even en oneven), bw. Par evemple (bij voorbeeld). Zie P. Kx. Pai-rait-aiiionr (fijne brandewijn), m. gmv. Par loree (gewelddadig, met geweld). Inv. Ee, — jacht, groote drijfjacht.

Par In m (heerlijke geur, reukwerk), o. gmv. Part'inneeren (een aangenomen reuk geer,

Parrumerie (reukwerk), v.


ocr page 207

I' A f {F L' IE U1 {- PA SS K N.

187

lgt;artiiiiieur (in ixirfmnerieën). m. Par goveriM» (tot naricht), bw. [—s.

I'ar srace (bij yenade, door uunst), b\v. Par liaNMard (bij toeval). It\v.

Pari of al pari ((jalijk: ran (jclijke waarde', bij wisselaars, wamicpr df Lucrs van verscheiden. mnntsoorten gelijk is). b\v.

Pari (gelijke stand), o. De effecten staan d. i. tegen den koers 100.

Pari (tveddenschap) o. ginv.

Paria {onreine, rerworpeling), in. —s.

Pariee ren (wedden, verwedden).

Pariëfeit (fielijkheid), v. —en. Zie Pariti'it. Parisfli iiianiMM* (//'// marmer van het eiland Paros), o. gmv.

PariHifinif (vranir af meisje air Parijs), v. —s. Pariteit (gelijkheid: gelijk recht met anderen),

Park {openbare wandel tain), o. —en.

Parket (afgesloten ra'nnte. rechtbank), o. —ten. Hij zit in een teel ijk —. duchtig in den brand. Parkiet (aitlieemsch vogeltje), ni. —en. Parlement {in Engeland de beide Kamers), o. —en.

Parlementair {ovei'brenger van vredes- of ver drags voors h tgèn). m. —en, —s. Parlementair wan of betrefjende hel parte-ment: fig. beleefd, oaizichtig). bn. en bw. Hij dra kt zich — ait.

Parlementeeren (in onderhandeling treden). Parlemeiitshnis (hais der afgevaardigden in Engeland), o. -buizen: — Inl. o. —leden: —vergadering, v. —en.

Par mall lenr (bij ongelak), bw.

Parmantig: (deftig, preatseh). bn. en bw.: -lieHl. v.

Parmezaan (een in Par ma gemaakte kaassoort). v. —zanen.

Paroeliiaan (lid eener kerkelijke gemeente), m. —anen.

Paroehie (kerspel), v. —^. —iën.

Parodie (belachelijk makende nabootsing, koddige tegenhanger van een ernstig stuk), v. —ën. Parodieeren (belachelijk nabootsen), bn. Paronieni({tf'/gt;///vr//vmf),bn.: — (stamverwant woord), o. —en.

Parool (wachtwoord, paswoord), o. —olen. Parrieide( 'v/f/'.vmoo/v/: vadernioorder),m.^m\. Paigt;itiioiiie i karigheid), v. gmv.

Part {listige trek. poets), v. —en. lem. —en spelen, leelijk beet hebben.

Part (deel), o. —en. //. heb er noch — noch deel aan, ik heb er niets mee te maken. Partake (verdeeling; deel), o. gmv. Partaiseeren (verdeden, elk zijn deel geven). Parterre (bak of zitplaats gelijkvloers ia den schoawbarg: bloemperk ia een tuin), o. —s. Partiaal (deelswijze, partijdig), bn. en bw. Partialiteit (partijdigheid), v. —en. Partieipant (deelhebber, deelgenoot), m. —en. Partieipatie (deelname, deelhebbing), v. gmv. Partieipeeren (deelnemen, naadeel aan iets Particnla (een klein deel), v.gmv. \hebben). Partirnlariseeren (omstandig of met alle bijzonderheden vertellen en voorstellen). Particulariteit (bijzonderheid), v. —en. Partienlier (bijzónder, afzonderlijk, enkel). bn. en bw.

Partienlier (iemand, die geen openbaren post bekleedt), m. —en.

Partie (partij, onderscheiden dingen van een soort: een gezelsehap: een Imnjelijk. een verbintenis), v.

Partieel (gedeeltelijk, deelswijze, enkel), bn. en bw.

Partij, v. —en. Een - biljart: zquot;llen wij een —tje maken? De procedeerende —en: de — van het behoud, van den vooruitgang: iemands — kiezen, d. i. zijde; de — voor iem. opnemen. d.i. hem verdedigen: ik trol: — van de gelegenheid, ii. i. gebruik maken van: zij geven een —: ik moet op —. d. i. feestelijk bezoek, visite: een goede — doen. d. i. een goed huwelijk; zij is een goede —. een rijk meisje. Partijdit;, bn. en bw.: —heid. v.

I'artij.sehap (verdeeldheid), v. —pen.

Partikel (rededeeltje), o. —s.

Partitie (imleeliiai; al de dee ten van een opera in één boek), v. —tien.

Partitinir. v. —turen. muz. Zi«; Partitie. Partner : deelgenoot: mededanser,mede

speler). m. —s.

Partuur (evenknie, gelijke). ... —turen, rarnik. v. —en. Zie Prnik.

Parnre (tooisel en opsiering des lichaams en der kleedingstukken: wanneer er van edelgesteenten gesproken wordt, de tooi), v. —s. Par\enn (gelukskind, rijkaard, die van niet tot iet gekomen is), m. —'s.

Pas (tred: dansbeweging: berge) uj te, vrijbrief). m. —sen. leai. den — afsnijden, den doorgang beletten, belemmeren; de soldaat liep niet in den —: in den — blijven: zij neemt dien — te groot: de Franschen lieten de —sen bewaken. d. i. bergengten, doortochten: zonder — komt men niet over (Je grenzen, d.i. zonder brief van vrijgeleide.

Pas {tijdstip), o. Op dat —.

Pas (juist, even), bw.

Paselia ([sr. Paschen), o. gmv.

Pasehen. v. gmv. A Is — en Pinksteren op êrn dag vallen, d.i. met St. Jutmis, nooit. PasReld {kleingeld), o. gmv.

Paskwil (schotschrift), o. —len.

Paslood (meetlood), o. —en.

Paspoort (vrijbrief, pas), o. —en. Pasporteeren (met paspoort wegzenden, ontslaan).

Passaat (passaatwind. regelmatige wind tns-schen de keerkringen), m. —saten.

Passabel (middelmatig, lijdelijk, draaglijk). bn. en bw.

Passage {doortocht, doorvaart: een plaats lt;gt;f uitdrukking in een boek: muz. zekere variatie met gezwinde too pers), v. —s.

Passagier (reiziger), m. —s.

Passagieren {voor een dag aan wal gao,, van zeelui), ik heb gepassagierd.

Passant (doorreizende), m. —en. Passantenlinis. o. —buizen.

Passat o (de verhopen maand, enz.), bw. Passed i es je (dobbelspel), o. gmv.

Passed ie/,en (het passediesje spelen), ik bel) gepassediesd. Passadijzende boeren (C. O.). Ook passedijzen.

Passeeren {doortrekken, voort- of voorbijgaan: gebeuren: geduld worden: verdrijven, doorbrengen). Voor iets —. gelden als'; voor ion. —. voor iem. anders doorgaan.

Passelijk (redelijk), bn. en bw.

Passement (belegsel, boordsel van glt;md- of zilverdraad), o. —en: —werker, m. —s. Passen, ik heb gepast. Die taal past n niet, voegt u niet: op iets —, d.i. letten: op zijn zaken. d.i. zorgen voor; op z/jn woorden —. goed bedenken, wat men zegt.


ocr page 208

I' ASS EPA RTO UT - P KIL KN.

188

l*a8H(k-|»ar(«»iilt; {hoofdsleutel, loofjer, dieven-sleutel, die op alle sloten past), in. —s. rawse-paHwc (goochelwerk), o. Tour de I'aHHer (tverhtuitj). m. —s. [goochelstuk.

I'aNHibel (lijdelijk, oudcrworpeti). bn.

l*aNHie (het lijden en de lijdensweken), v. ,2:mv. I'jinwm' {.hartstocht), v. —sies. —.siiiii. I'aHNiphltM'iii ( plant), v. —en.

Vi\s»W{ i lijdend, lijdzaam, lijdelijk), hu. I'aH-sivr «*ii artiol' {in een failliet het debet j en credit), o. gmv.

Partwieve liandcl {handel met intjevoerde goederen)* m. gmv.

I'aHMieve wrlmld#'!! (''o/vAv//*;/#'// ean anderen

ten onzen laste), v. in v.

I'aMHiviteit (lijdrlijke toestand, lijdzaandieid, i lijdelijkheid), v. gmv.

I'aHtci (eleesch-gebakje), v. —en.

I'aNtH (plant), v. gmv.

I'aHtcl (klenrstift), o. —len.

raHfiilc {meelballetje, reakbaltietje), v. —s. ■'a^tiiiak {witte wortel lt;gt;f peen: igt;i niest erna kei), v. —en.

1'aMtoor {hoofd eener It. C. kerk. ueinemte). m. pastoren, —s.

Pastoraal (zielverzonjend, herderlijk, landelijk). bn.

rastorale. paHtaraal (herdersspel lt;gt;f vertelling), v.

Pastorie, pastorij {woning), v. —en. —rijen. l*atakoii (Spa an seh geldstak. kroondaaldei\ ± f ',gt;50). m. —s.

I'atas {zeker raartaig). v. —sen.

Patat (aardappel), m. —ten. lent, —ten geren. d. i. slaag geven. gew.

Patent (beroepsbrief, ook octrooi), o. —en. Patent (opperbest), bn. en b\v.

Patenteeren (een patent geren).

Pater (ordes-geestelijke), rn. —s.

Paternoster {rozenkrans der li. C.; handboei), o. — s.

Patlietiseli (hartstoehtelijk. ent amardigheid. plechtig), bn. en l»w.

ViitUmo* (eenzanie plaats, naar a'rlke iemand gebannen wordt), o. gmv. Beter: Patnios. Patliolotfie (r/W. /o/Avv. ziektenknnde), v.gmv. Pathos (levendigheid^ vanr: drift, bartstoch-telijkheid; hoogdrarendheid. gezwollenheid), o. gmv.

I^atirnt (zieke), m. en v. —en: voor het v. ook: patiënte.

Patiëntie {geduld), v. Dok patience (Fr.). Patik (kraid). o. ook: patig (zuring), v. gmv. Patisserie {pastei, banket), v. —ën.

I'atissier (pastei- en banketbakker), m. —s. Patois (basterdtaal, boerentaal), o. gmv. Patres {ondvaders), mv.: ad —. dood. gestorven: ad — gaan. sterven.

Patria (vaderland)^ v. Pro —. voor het vaderland. Zie P.P.

Patriareii (aartsrader), m. —en.

Patriareliaal (aartsvaderlijk), lm. en l»\v. Een —ale aitspanning, een onderwetsch logement. Patriciaat (elt; lel burgerschap), o. gmv. Patrieiër (edelbarger), m. —s.

Patricisch (edelbnrgersehap), bn.

Patrijs (veldhoen), m. patrijzen.

Patriinoniiini (raderlijk erfdeel), o. gmv. Patriinoiiiiim pétri (het er fleet ran Petras, het gebied ran Home), o. gmv.

Patriot (vaderlandsgezinde, volksvriend), in. —ten.

Patriotisnie (vaderlandsliefde), o. gmv.

Patriotiseli {vaderlandlievend), hn. en b\v. Patrocineeren (in bescherming nemen, be-halpzaam zijn).

I'atronaat (bescherming; ook vereeniging ean jonge werklieden), o. gmv.

Patrones {beschermster), v. —sen.

Patroon (beschermer-, beschermheilige, meesier, baas. heer), m. patronen, patroons.

Patroon {kokertje met Iniskrait). v. patronen. I'atroon (model), o. patronen. Wat een beeldig —tje ran een kraagje! C. O.

Patroontasch, v. —tasschen. mil.

Patrouille (nachtwacht, rondgaande Siddaten-!vacht, wachtronde), v. —s. mil. Patroiiilleeren (de wachtronde doen), mil. Pank {keteltrom), v. —en. muz.

Pauken (o/lt; de keteltnon slaan, lig. aitba-zainen), ik hel» gepaukt: —er. m. muz. Paiikengeschal. o. gmv. muz.

Panpcrisine (de armoede, het armwezen, de leer der verarming), o. gmv.

Pans (opperhoofd der l{. kerk), m. —en. Paus (rust), v. Zie Panze.

Pauseeren (rasten), —eeriny;. v.

Pausschap. o. gmv.

I*au\v {vogel), m. —en. Hij, zij stapt als een —. d. i. trotsch. fier.

Pamvenei. o. —eren.

Pa u we veer, v. —en.

Pauze, Paus (rust), v. pauzen.

Paviljoen (buitenhaisje), o. —en.

Pa\ (vrede, eensgezindheid), v. — robisenm. vrede zij met u: — intrantibas, vrede zij met de binnentredenden.

Pay sage (een landschap), o. gmv.

Peautcr (metaalmengsel), o. Zie Pianter. Peer o (een zeer geurige theesoort), v. gmv. Pec'ca«lille (kleine zonde), v. —s.

Peeeavi (ik heb gezondigd).

Pectoraal (van of betrelfende de borst), bn. als zn. (borstmiddel), v. —alen.

Perunia (geld. vermogen, hare), v. gmv. Periinieel {geldelijk), bn. en b\v.

Pedaal (voetklavier), o. pedalen.

Pedant (rerwaand geleerde: opgeblazen schijn-

weter. schoolvos), m. —en.

Pedant (verwaand), bn. en b\v.

Pedanterie (waanwijsheid), v. —ën.

Pedel {bode der h oogeschol en), rn. —s. —len. Pederast (iemand die zich aan onnatuurlijke driften overgeeft), m. —en.

Pedes Apostoloruni (per of te eoet, zooals de Apostelen plachten te reizen). b\v. Pedestal (voetstuk), o. —len.

Peel (breede haarband, wrow/). v. pelen.

Peel (moerassig lund). v. pelen. I)e — in het Z. O. eau Noord-ffrab.

Peen (wortel), v. penen.

I'eer (boom), m.: peer (vrucht), v. peren. Pees. v. pezen. De — ran den boog.

Peet (doopgetuige), m. en v. peten.

Peetoom, m. —s: —schap, o.: —tante, v —s. Pegasus (gevleugeld paard der dichters), in. Pegel (meetknopje), mi. —s.

Pegelcn (ijken, fig. reel drinken), ik heb gepegekl.

Peil {hoogtemerk), o. —en. Amsterdamsch —, Hotte l'w e.raaien is beneden —. slecht, onvoldoende: dat gaat het — te boren, overschrijdt alle grenzen; goedheid zonder —, onmetelijke goedheid.

Peilen, ik heb gepeild: —er. m.; —ing. v.; — ketting, m.: —loixl, o.: —stok. m. Een


ocr page 209

PEINE—PERIODK. 181«

wonde —. de diepte er van mete.i; de wouden (Ier maafscliappij —. de kwalen aanwijzen: iem. hort lot op den bodem doordringen der geheimen: wie peilt (meet) lt;/r diepte van hirn ellende!

Peine (moeite, stra!'). v- —• in verlegenheid.

IVinxen {nverdi'okon). ik lieb gepeinsd: —er, m.; —ins- v.

Peis (vrede), v. gmv. vero.

Pek. pik. o. Wie met — omnnft. wordt er mee hesmet. wie met slechte menschen omgaat, wordt zelf slecht.

Pekel (zilt vocht), v.: {zeewater), o. gmv.

Pekelen (in de pekel leggen), ik hel» gepekeld.

PekelliiiriiiK (visch). m. —en; :i!s stofnaam, v.

Pekeiliariiiu; (hansivorst), m. —en.

Pekelxonde (oude zonde), v. —n.

Pekken, pikken (met pek lusmer-'n). ik heb

Pekkrans, m. —en. |gepekt.

Pel (vlies, vel), v. —len. IJe — ran mi noot. ei, hoon. enz.

Pelago.seoop (werktaiy, waarmede mm in de diepte der zt'e kan zien), m. —copen.

P^le-mèle (mengelmoes, alles zonder orde onder of door elkander), v. gmv.

Pelerine {manteltje), v. —s.

Pelgrim (hedevaartganger). m. —s.

Pelg;riiiiau;e (bedevaart), v. — s.

Pel^riiiiSKeivaad. o. —gewaden: —kleed. •». —eren: —mantel, m. —s: —reis. v.—reizen: —«♦al', m. —staven: —laseli. v. —tasschen: —fnelif, m. —en.

Pelikaan (kropgans), m. —kanen.

Pellen (van de pel ontdoen), ik heb gepeld. Een noot —. een ei —: gepelde garnalen: met iem. een eitje te — hebben, d. i. iets onaangenaams hebben af te doen.

Pellen (ven soort weefsel), o. —s.

Pelleiitfoed. ■». gmv.

PellieM {vroawenmantel), v. pelliezen.

Peloton (een deel van ven bataljon, zekere afgedeeldv troep soldaten), o. —s.

Pelw (bereide huid niet haren), m. pelzen.

Pelterij (bontwrrk). v. —en.

Peluw, v. —en. Zie Peiilnw.

Pen (schrijfpen), v. —nen.

Pen (ïioaten nagel), v. —nen.

Penaal {straffend), bn. Code pênal. wetboek van straf.

I'enant (mnarstijl, tasschvnmaur), o. —en.

Penaten (haisgoden der Romeinen), m. Zijn

— opzoeken, naar buis terugkeeren.

Pene li ant [helling van een berg: neiging, zacht tot iets), o. —s.

Pendant (schilderij, portret, enz., dut als tegenhanger dient), o. —en.

Peminle (slinger', een van een slinger voorziene hangklok, ook staande klok), v. —s.

Penitent (boeteling), m. —en.

Penetreeren (doordringen: doorgronden: inzien. uitvorschen).

Penibel ( bezwaarlijk, lastig, moeielijk). bn. en bw.

Penitentie (boete, opgelegde boetedoening: pijniging), v. gmv.

PennekniiHt. v.: -likker (/. ant oorschrijver). m. —s: —mes. o.

Pennen (altijd door schrijven), ik heb gepend; —er. m.

Pennenbak. m. —ken: -houder, m. —s:

— koker, m. —s; —kooper. m. —s.

Penneseliaelit. v. —en: —strijd (Uvist in dagbladen, enz.), m.

Penning, m. -en. Hij bezit geen —: hij is van — zestien, d. i. gierig.

Penny (Engelsche staiuer), v. mv. pennies.

Ven» (maagafdeeling der koe), v. —en.

Penseel, o. —en.

Penseelen (schilderen), ik heb gepenseeld.

Pensief (nadenkend, zajaarmoedig), bn. en bw.

l*ensioen {jaar- of eervwedde; kostgeld, r ast-geld), o. —en.

Pensionaat (kostschool, institaat), o. —naten.

Pensionaris (hij die een jaarwedde geniet: eertijds de eerste staatsraad eener stad of provincie), m. —sen.

Pensioiiiieeren (pensioen geven).

Pensniii (taak. opgegeven werk), o. —s.

Penta (vijfledig, vijfvoetig), bn.

Pentauoon (vijfhork), m. —onen.

Pentameter (vijfvoetig vers), in. —s.

Pentatenrh (dr vijf boeken van Mozes), m. gmv.

Penurie ygebrek aan de noodzakelijkste dingen: behoeftigheid), v. gmv.

Peper. v. Spaanse he —. roode peper: Cayenne — . gemalen Sp. peper: zij gingen — halen. d. i. naar Indië; hij werd om — gezonden. d. i. ver been gezonden: het —land, O. I.: —koek, d. i. kruidkoek: —daar, zeer duur.

Peperen nm-t prprr brstrooien). ik heb gepeperd. Fig. daar verkoopen.

Pepermimt. peperment. v.

Pepernoot, v. —noten, —neuten. De kinderen speelden om —. d. i. dobbelsteentjes van peperkoek.

Pepiniêre (boom kweekerij: plantentnin: kweekschool), v. —s.

Per {door. wegens), nis in: — accidens, bij toeval: — acr.ord. bij accoonl: — avgait. betaahl.

Pereeel (stnk grond), o. —en.

Pereent. lt;». —en. Verg. Proeent.

Pereeptibel (mvrkbaar. waarmvtnbaar), bn. en bw.

Pereeptie (waarneming: heffing, ontvangst van belastingen), v. — tië . —lies.

Perenssie {slag. stoot, botsing), v. gmv.

Perdt»es (eensklaps), bn. Zie Pardoes.

Perdn (verloren), bn.

Pereat! {hij ga verloren, hij sterve).

Peresrineeren ti,r bedevaart gaan).

Peremptie {verval, opheffing van alle verder aitstel: verjaring), v. gmv.

l*eremptoir {afdoend, beslissend), bn. en bw.

Per expressnm (door een afzonderlijken bode), bw. Zie P.Kxpre.

Per las et nelas [door recht en onreeht. door alle mogelijke middelen), bw.

Peiieet y volmaakt. aitinantrnd). bn. en bw.

Perleetie (volmaaktheid), v. gmv.

Pe r I ee t i o n n ee re n (volk' gt; 11 len er of heter maken, voltooien).

Perfide (valsch. trouweloos, verraderlijk), bn.

Perfidie (ot ttronw. valschheid. verraderij). v. gmv.

Per goveriio (tot naricht, tot richtsnoer), bw.

Perieliteeren (/Wf'/#.'//. in gevaar stellen: in gevaar zijn).

Perienieiis {gevaarlijk, haehelijk). bn.

Perieiilnni (gevaar, nood. waagstuk), o. — in mora, dringend gevaar.

Perineum (grootste nabijheid eener ster bij de darde), o. gmv.

Perilielinin (grootste nabijheid eener ster bij de zon), o. gmv.

Perikel (gevaar), o. —s.

IVriode c miloop, afivisseling der tijden: tijd-


ocr page 210

l'KRIODIEK—FEUL.

kriiKj of tijdperk: ren hrrciUjebomvde volzin niet voor- en nazin, rolzin). v. —n. INM'ioflick, pcriodiHcli {op bepaalde tijden eer schijnende), bn. —»* persx geschriften, dag-, week-, maatidbladen: —e winden, geregeld waaiende winden.

IVripHit* {onvoorzien yeeat; ontknoopin(j),\. reriplieric (omtrek), v. gmv.

PeripliraHe (omschrijving), v. —n. bv.: het schip der ivoestijn, kameel; hode der lente. Feripliraseeren {.omschrijven}. |zwaluw. l'eriHsaliel (vergankelijk, broos), bn.

Vrrltutyle (met zuilen omringde plnat*. kruisgang), o. — n.

INfJure. perjiiriuiii (meineed), v.

IVrjiireeren (valschelijk zweren).

IN'rk. o. —en. Een — met bloemen, paal m

— stlt;'llen,gveuy.en stellen, een einde maken aan. IVrkameiit, IVrkcinenf. o. —en. IVriiianeiii'e (bestendigheid, voortduring), v. IN'rinaiH'iit (voortdurend, on fff ebroken, onveranderlijk). bn. en b\v.

IVrmealifi (doordringbaar), bn. rermeahiliteit {doordringbaarheid). v. gmv.

i* mille (v in de duizend, bij de duizend). Zie T. in.

renniH {verlof-, geleibriefje), o. gmv. IVnniMsie (vergunning, verlof i. v. gmv. reriiiiüeereii (veroorloven, vergunnen). IVrinntatie {verwisseling. omzetting, verplaatsing), v. — s. —tiën.

IVriiiuteereii (verwisselen).

INTnieieiiH (verderfelijk, schadelijk), bn. IVt occasie {bij gelegenheid), bw.

Peroratie (slotrede), v. — s.

IVroreereii {een redevoering honden). I*er pedes (te voet): — apostolorum, te voet, /.ooals de Apostelen reisden.

IVrpeiidiciilair (rechtstandig, in 't lood), bn. Perpendiculair (loodlijn), v. —s. |en bw. Perpelreeren {bedrijven, volbrengen). Perpetueel (aanhondend, levenslang, voortdurend), bn. en bw.

Perpetiieeren (vereeuwigen, zonder ophouden voortzetten, bestendig maken).

Perpetuiini u\nh\\^{ eeuwigdurende be weging), o. gmv.

Perplex [onthntst. bedremmeld, verslagen, ontsteld), bn.

Perplexiteit {verslagenheid), v. gmv. Perlt;|iii!4itie {nasporing, onderzoek, huiszoeking), v. —tiën. —ties.

Per» {drukpers), v. —en. Het boek is ter —e-. hij het ter —e gt;iuan: de pers. de dagbladen. Per saldo (!gt;['■ slot eau rekening), bw.

Per se (op zich zelf of vanzelf), bw. Perseciitie( vervolging, nazetting),\. —s. —tiën. Persen (uitdrukken), ik bei» geperst: —er. m.:

— iiiR, v. Druiven —. olie —: iem. tot iets—, dwingen.

Perseverant {volhardend), bn. en bw. Perseveraiilie {volharding), v. gmv. Perseverecren (volharden, volstandig l/lijven). l*ersico (likeur van perzikpitten), v. gmv. Persiemie {zonneblind), v. —s.

Pcrsillage {bespotting: hoonende spot, spotternij), v. — s.

Pcrsilleereii (bespotten, uitjouwen). Persisteereii {volharden).

Personase (persoon), o. —s.

Personaliteit (persoonlijkheid; persoonlijke beleediging), v. —en. feni. —en zeggen, hem grievend beleedigen.

Personeel {persoonlijk), bn. iJe —e belasting. Personeel (hoofdgeld, belasting, ivelke men voor zijn persoon of als hoofd des gezins moet betalen: aantal personen, die men in dienst, aan het werk of bij zich heeft ), o. gmv, Pe rson i lica t ie (ver persoon lijki ng ).v. — s. — tiëi i. Personilieeren (verpersoonlijken).

Persoon {mensch), m. env. —sonon: persoon (rol, spraakk.). m. —sonen.

Persoonlijk, bn. en bw.: —held, v. Een —e beleediging, den persoon betrellende: een — feit. een — voor muonwoord: iem. — komen. Persoonsverbeelding v. —en. bv. De mildheid, de twist, als persoon laten optreden (zinnespel der rederijkers).

Perspectiel' [verrekijker: vergezicht, vooruitzicht). o.; (doorzichtleunde), v. —tieven. Perspicaciteit (scherpzinnigheid. heldere blik), v. gmv.

Perspiratie (onmerkbare uitwaseming), v. —s. Perspomp, v. —en.

Persiiadeeren (overreden, overtuigen', overhalen).

Persuasie {overreding, overtuiging), v. gmv. Persnasiel* (oue/verfend;, bn. en bw. Pertinaciteit (hardnekkigheid, verstoktheid). v. gmv.

Pei'tinent (geschikt, ge/tast. juist, recht, naar den eisch). bn

Pertizaan (hellebaard), v. pertizanen. Perhirbeeren (verontrusten, in ver warring brengen, storen).

Pervers (verdorven), bn.

Perversiteit (verdorvenheid), v. gmv. Perverteeren (bederven, in een bedorven toestand verplaatsen: verleiden, in wanorde brengen: verdraaien).

Per/.ik (boom), m. —en: (vrucht), v. —en. Pesant (zivaur. wichtig, zwaarmoedig), bn. Pessime (zeer slecht). I)n. en bw.

Pessimisme (leer dat de iverebt door en door slecht is), o. gmv.

Pessimist (iem. die alles in 'Ie wereld slecht vindt), m. —en.

Pest. v. —en. De zwarte —. de — mededeelen: ik schaw hem als de —: de jenever is de — der samenleving.

Pestilentie (pest, aanstekende ziekte), v. —s, Pet (hoofddeksel), v. —ten. i—tiën.

Petard (stak vuurwerk, klapbus), m. -en. Petegift (geschenk cener peettante of peetoom), v. —en: —kind. o. —eren: —moei. v. —en. Peter. m. —s; —schap. o.

Peterselie, pieterselie {groente), v. gmv. Petillant schuimetnl: vurig, fin-

kelend), bn. en bw.

Petilleeren (knappen, kraken: schuimen: o/h-borrelen: uihnuntoi, uitblinken).

Petit (klein, gering), bn.

Petitie (bede, verzoekschrift), v. —tiën, —ties. Petitionneeren (een verzoekschrift indie xen). iVtitionnenient (het indienen van verzoekschriften), o. —en.

Petit-maitre (verwaand, opgeschil,t iong-mensch, windbuil, pronkertje), m. —s. i'etriiicatic (versteening), v. —s. —tiën. Petriliceeren lt; versteenen).

Petroleum (aardolie), v. gmv.

Petnlant (moedwillig, dartel: baldadig, brood-j dronken), bn. en bw.

Penkel (puistje), v. —s. (Jok: INikkel.

Penl {Vi'nrht). v. —en.

Penl i pequot;!me. /ictniv). v. —en.


ocr page 211

r E ULLIW—Pl.l NLI .1K.

191

IViiluw, peluw [linofdiHcitriifi), v. Peupi^emi {bcrolhcu).

I'**!!ri'ii (op paliinj uisschen), ik liel

Physiek

en' Inv.

nrd: Physick (natuurleer,

PliyHi«»h»s;i(' (leer der bezielde lichamen), v. gmv.

PliyMiolog;i.*«rh (van of betrelfende de phgsio-logié). bn. en b\v.

Ph yHilt;il(M»g (kenner ran de natuur des i lichaams. nacorscher in de natuurleer der i menschel ijke of dierlijke lichomen). m. —logen.

l'hyHionoiiiie (gelaatkunde: gehiatsuitdrok-j king, gelaal), v. —ën.

: PhyMMeh. pliysiek (natuurlijk. licha)nelijk)r ; Pia ran.sa (weldadig oogmerk). b\v. [bn. Pi;»' inenioria' (vromer gedachtenis). Zie P.m. Pianino, v. —'s.

PianiMNiiiio (muz., ten uiterste zucht of stil). Pianist, m. —en.

Piano. v. —'s.

Piano (muz., zacht), b\v.

Piano-lorte, v. —s.

Piaster (Spuunsche muni ± f ii.OO), m. —s. Pianter. Peanter (een gemengd metaal, he-; staande uit koper en tin), o. gmv.

Pia vota (vronie wenschen), v. rnv.

Piekle.s (vruchten in het zuur), v. mv. Piekniek (maal in het veld of buiten, onder j goede vrienden, waartoe ieder zijn deel bijdraagt), o. —s.

Piek (s/ nes of lans), v. —en.

Piepen, ik hebgepiept; —er, rn.; —ertje(/7'quot;7/gt;)r j o.: —jong, bn. 'Aooals de ouden zongen. — de jongen, de Icinderen spreken als de ouders, d. i. doen (gebrekkig) na.

{ Piepe rig. bn.: — heid, v. Een —e slem.

Pier (aardworm), v. —en.

Pieren (fippm). ik heb en ben gepierd, gm/. Piereuaairn (losbandig leven), ik heb'gepierewaaid: —er. m.

Pierrot (grappe

(lichanielijk: nutnurknndig), bi

it uur wetenschap), o. bezieldr natuur, der

—aar, m.: —ins. v.

ik hel» gepeuzeld.

unker. hansworst), m. —s

Piet, i

wat toont.

Piëta H(aandacht. c room heid. hi'aa fheid ).\\gm v. Piëteit {vroomheid), v. gmv.

Pieterig;, bn. Wat zie je er — uit. als een Piet. Pieternian (visch), als voorwerpsnaam, m. —sr als stofnaam, v.

Pieterselie (groente), v. Zie Peterselie.

Piëtisme, piëtisinus (lei'eerinrj). o. ermv. Piëtist (vrome), m. —en.

Piëtisterij (kwez e la rij), v. gmv.

Pietje (munt run fil/;. stuicer), o. —s.

Pietlut (Kleingeestig mensch). n Pietluttig, bn.: —lieid. v. Een erwtenteller. Ilauwerik.

Igt;i«'iis {vroom), bn.

i'Ü (wollen of haren overkleed}.

monniks—.

kkertmatrozenjas),ni. —s.Ook: pijjekker. m. —en Met — en boog, de —en van ien laster, als een — uit den boog, zeer snel r / zijn —en zijn verschoten, hij weet niets

—en. 't fs een heele

iem. die heel

v. —ten. vent. een

Een.

Pij. jak IMJI. ,

te zeggen; ik heb nog andere u}ijn koker, d.i. andere verweermiddelen, lier {zuil), m. —s. De—s can eenspoorln'

Pijler (zuil), m. Pijlstaart lt; ciscl Pijn (pijnboo,n\ Pijn (smart), v. Pijne. v. be —

waard, de moeite

ook: Peine.

Pijnen (dmkken. perse,,), ik hel Pijnigen, ik h^h irepijnigd: lgt;ijnlijk. bn. en

ard. Zie-

gepijnd, in.: —ins. v..

Peuteren, ik heb gepeuterd:

Peuzel (treuzel), v.

I'eiizeien (langzaam eten),

—aar, m.: —iiis. v.

Pezerik (bullepees), m.

Phaeton (een soort van rijtaiy. aat (jehee! of gedeeltelijk open is), m. — s.

Phalanx (gesloten krijgsbende van } tut 16 man), v. —en, —langen.

PhantaMeeren (met zijn yedaehten rondzwerven, verdichten).

Phanta.sie (verbeelding: verdichting), v. —ën. PhantaHinasorie (geest e nbezwerh rg too veraf beelding), v. —en.

I'liantaHniagorisrh (looverbeeldend), hn. PhantaMt (dweper, grillig mensch). in. —en. PhantaNtiM'h (divepend. tooverachtig. grit-tig), hn.

Phantooni (geest, spook, verschijning, schim), o. —tomen.

Phannafent (apotheker, artsenijbereider). m. —en.

Phannacenliea (artsenijrnengk11nde, apothe-kerskunst), v. gmv.

rharniacentisch (artsenijmengkandig). bn. Pharniacie (artsenijmengkunde: apotheek), v. PhaniM (vuartoren. kustlicht), m. —sen. Ph awe (overgangstijdperk), v. —n. —s. Pheiiomeen i Derschijnsel), o. —menen. IMiilanthrlt;M)|gt; (men.scliencricnd), m. —thropen. Pliilanthrapie (menschemni n, zacht moedigheid), v. gmv.

l*hilanthropiMlt;'ii (menschenminnend. icel-da dig), bn.

Philharnioni*Ht (tooukanstminnend), lm. IMiilippira (hevige strafrede), v. —quot;s. l'liiliHtcr.lilislij u(bu rger.n iet-s t / / dei / O, m.—s. l'hilolos;ie i taa falcerUtn-},!. taalliefde), v. gmv. I'hilolosisch {taalkundig), bn.

riiiloloo^: {taalkenner), m. —logen. PliihiMopheeren (een stof icijsgeerig behandelen] duidelijke begrippen trachten te bekomen: de oorzaken der dingen nasporen). PhiloMophie (wijsbegeerte), v. gmv. l'hillt;»s(»phiNrh {wijsgeerig), lm.

Philosnoi' (wijsgeer), m. —sofen.

Pha'iiix, v. Zie Ken ik*.

PhoNphoriMch t lichtgevend in den i'nnker). bn. Pho.sphornN (lichtdrager, stof. die in het dnister licht geeft), m. gmv.

Photograar (lichtbeeldenmaker), m. —grafen. Photograni (lichtbeeld, portret), o. —inen. Phutograpiieeren (lichtbeelden maken, of-heelden).

Photngrapliiei lichtbeehh-nmakerij, lichtbeeld). v. — ën.

PliotographiM-h (van of bet redende de pho-tographie), bn.

Phrase (spreekwijs, uitdrukking), v. —n. —s. I'hra.senlogie (verzameling can spreekwijzen)^ v. —ën. Wat hij zegt. is niets dan —. d. i. de inhoud is niet veel.

Ph renesie (waanzinnigheid), v. gmv. Phrenetiek (waanzinnig), bn. en b\v. Phrenolo^ie (schedelleer, hersenleer), v. gmv. l'htliiHiolaeie (teringleer), v. gmv.

lkh(hi*iN (tering, uittering), v. gmv.

Physiea (natuurleer, uutnurkunde: natuurwetenschap), v. gmv.

ocr page 212

PI JP—PLAGKN.

192

l-ijp. v. —en. Daar hm hij con leelijke — (Km rooh',,. dat kan hem leelijk opbreken. rij|M'ii (quot;// een fluit spelen), ik peep, heb ge-pepen: —er. m. Naar iem. — /lansen, d.i. alles moeten doen wat iem. gril of luim hem ingeeft. Ook: Piepen.

I'ik (hout. wrok), m. Een — op ie,n. hebben. rik. O. Zie IVk.

Pikant (heleedicjend; stekend, scherp, bijtend). bn. en b\v.

1'ikaiitene (nijd, wan/jnust, broodnijdhv. —ën. I'ikhrtiek {matroos), m. —en.

IMkdonkei'. bn. en bw.

PikeeriMi (steken, beleeditjen, I,reuken, ue-voeliy treffen).

Vikel (af deeling; veldivacht), o. -ten. Piketten (kaarispidcn. het piketspel spelen), ik heb gepiket.

I'ikeni' (rijpneester. paarde na frichter), m.—s. Pikkedillên (kleini;iheden. nesterijen), v. mv. fikken {oppikken), ik hei) gepikt. Er valt hier eed te —. te eten: gij moet nog een hapje eten.

Vikken (na'i een speld of naald steken), ik heb gepikt. Ik heb m ij aan die dorens gepikt. fikken (met pik bestrijken), ik heb gepikt.

Het bontwerk wordt gepikt en geteerd. Pikken (met een pik of zicht maaien), ik heb gepikt. De klaver wordt meestal gepikt.

1*ikol (handelsgewicht in Oost-Tndië, rahn 6't' kilogram), o. —s.

Pil. v. —len. Dat is een harde —. een onaangenaam werk: de — vergalden, met mooie woorden een onaangenaam iets zeggen.

Pilaar (zail), in. pilaren. De — van een kerk. IMIaarbiJter (/V'me/a .r), m. —s.

Vllntuter (hoekige pilaar of zail), nu —s. Pilleffilt (dooi,geschenk), v. —en. Pillendraaier {apotheker), m. —s. grm.

riloot (loodsman), m. piloten.

Piment {kraidnagel: nagelbloem), o. —en. Pimpel (rogel: mees), m. —s.

Piinpeleiii zuipen), ik heb gepimpeld: —aar.m. I'iinpelmees ieen kleine mees), v. —meezen. Het is een —. een nietig ventje: hij is een—, een drinkebroer.

I'iinpelpaar* {donkerpaars), bn. Hij is —

van de kon.

rimpernel (zeker gewas), v. —len-Pimpernoot {kokosnoot), v. —noten. IMn (ijzeren nagel), v. —nen.

Viiiaeotiieek (knnstverzameling b.r. ran schilderijen), v. —eken.

rinanu; (('. I. boom),m. —en: (vracht), v. —en. Pillar {lang. smal en licht ca ar talg, galei, sloep), v. —sen.

Pineeeren {knijpen, met vinger of /vennen-schacht een snaar tokkelen).

Pineet {tangetje der aumdheelers). o. —ten. I'ingel (eetbaar zaad der pijnappels), v. —en. Pincelen (■gt;/gt; den prijs der waren afdingen), ik heb gepingeld: —aar. m.

Pink (kleine vinger), m. —en. Hij is bij de —en, bijdehand, vlug.

Pink (voor jongen os), m.: {voor jonge koe), Pink (vaartaig). v. —en. fv. —en.

Pinken (met de oogen knippen), ik heb gepinkt: —er. m.

1'inkooy:en i pinken ), ik heb gepinkoogd. Pinkster, Pinksteren, v. gmv. finksternakel (broorf). v. —s: —r«M»« ( pioen), v. —rozen.

Pinnen, ik heb gepind. Ken rollade —.

PiiiHbek. spinsbek (metaal), o. gmv.

Pint (0 d. L ). v. —en.

Piii\it (op schiIdersti'kketi: heeft dit geschilderd).

Pioen, pioene (roos), v. pioenen. Ook: PinkHterrooN.

Pion (schaakstuk, de boer), m. —s.

Pionier {schansgraver),m. —s. Fig. baanbreker. PionierooH (pioen), v. —rozen.

Pip (ziekte van het plaimgedierte), v. gmv. Pippeling (soort van appel, renet), m. —en. Pipseli (ongezond), bn. Zij ziet cr — ait. Pilt;|iiê (soort van stof, die zoo gewerkt is. alsof de stof gestikt ware), o. gmv. Een — vest, een zomervest.

Piqne-awHiette (tafelschaimer, klaplooper), m. Piqne-ni4|iie. o. Zie l'ickniek. [en v.gmv. Piraat (zeeroover), m. piraten.

Piramidaal, pyramidaal ( in den vorm eener piramide), bn.

Piramide, pyrainide {spitszail), v. —n. Ue — n van Eggpte. de — van Laccor (Parijs). Piraterie { 'zeerooverij), v. gmv.

Pirouette (draaisprong, dans), v. —n. Pirouetteeren (zich in een kring ronddraaien).

Pis-aller (iets kwaad nemen om erger te voorkomen), o.

PiHans (paradijsvijgebo im). m. —s.

Pissebed (zeker insect: ook paardenbloem), v. —den.

Pistache (saikernoot, groene amandel), v. — s. Pistole (gevangenis, waar de gevangenen op eigen kosten worden onderhonden), v.

Piston (zuiger, lachtklepje), m. —s.

Pistool (goadstak van ± f 9.00 d f iO.OO), \. pistolen.

Pistool (schietgeweer), v. en o. pistolen. Pit (katoen eener lamp of kaars), v. —ten. Pit (kern), v. —ten. De — van een noot. amandel, perzik.

Pit (merg), o. Een stijl vol —. er zit — in die redeneering.

Pitoor. \nitour{roerlt;lomjt). m. pitoren. putoren. Pitoyabel (beklaaglijk, iammerlijk), bn. en bw. Pittoresk (selnl'ierachtig, romantisch), bn. 1 en bw.

Plaag {kwelling, straf), v. plagen. De tien plarien van Eggpte.

Plaas/.iek. bn. Een — nabaar.

PlaagKiiclit, v. gmv.

Plaat, v. platen. De — poetsen, er van doorgaan.

Plaats (plek. stad. raimté), v.

Plaatselijk, bn. en i»w. —e verordeningen. d.i. gemeentelijke verordeningen: een — gebrek. Plaatsen (zetten, stellen), ik heb geplaatst: -ins;, v.

Plaatsvervanger (remplacant), m. —s. Plaeeeren (plaatsen,stellen, zetten,aanleggen). Placet (het behaagt, wordt ingewilligd). Placet (verg anning van den land vorst tot ' openbaarmaking van pauselijke en bisscho))-' pelijke beschikkingen), o. gmv.

Placiditeit (zachtmoedigheid, gelatenheid),

v. gmv.

Pladijs. Pladdijs ( platvisch, blei), v. pladijzen. ; pladdijzen.

Plaloiid {zoldering: over pleisterde of beschil-• derde zolder), o. —s.

Plat'onneeren (can een plafond voorzien). Plag. plagge (afgestoken heizode).\T. plaggen. Plagen (kwellen, lastig^ maken), ik heVi ge-plaagd: —er. m.: —erij, v.


ocr page 213

11LAGIAAT—PLEISTEREN.

193

1*las;ilt;tlt;it (roof van hith'i'th'bekL IetterOievevij), o. plagiaten.

IMagiariM (naschrijrnr, letterdief), m. —sen. Vlaid {geruite wolten nui.ntel der Berrischotten), l'laiiite {klacht), v. —s. [v. —s.

Vlainaiit (koddig, korts wij lig), lm. en bw. riai.saiitcercii (schertsen, gekscheren). l*laiNaiitlt;gt;rilt;' {kortswijl. scherts), v. —ën.

— i'i part. scherts ter zijde.

Vlak {strafwerktuig in de oude school), v. —ken. Er de — opleggen, straflen; onder de

— zitten, onder de — 'hond-en.

I'lakkaat (aangeplakte l.enmsgeei ng), o.

—katen.

Vlakken {doen east kleren: fig. ergens lang hl ij ven zitten), ik heb geplakt; —er. m. Vlakker {koolmees), m. —s en paapjes.CC.O.). Vlakkei •ia; (kleverig), bn.

riaiiniiotcii {bezoedelen), ik heb geplammoot. Vlainiiren ule gaten en holen van houtwerk volsmeren). ik heb geplamuurd: —iiiniirHel. o. Ook: linnen of doek voor schilderijen met o liever f insni et -en .

l'lan (sch ets, teekening), o. —nen, —s. Fig. Hij heeft groote —nen: het — viel in dnigen. Vlaneet (het nel lichaam), v. planeten. Vlanetamini {afbeelding ra.n het pin u-eten-of zonnestelsel op een kaart, of door een kunstwerktuig in het klein), o. —s. Vlaniiiietrii' (de leer van het platte vlak,

lagere meetkunde), v. gmv.

Vlank, v. —en. De — mis zijn. iets verkeerd gissen, doen: op de —en komen, het tooneel betreden: hij is een jongen van de bovenste —. een beste jongen.

Vlanket {vloer, beschot, latwerk), o. —ten. Vlankefoel {beschot van planken), o. —s. Vlankier (bevloering, steiger werk nun losplaatsen van booten, enz.), o. —en.

Vlant (gewas), v. —en.

Vlantaardig. lm. Turf is een —»■ stof: — voedsel.

Vlanta^e. v. —s. Een koffie—, een suiker—. Soms ook plantsoen.

Vlanten (poten), ik heb geplant: —er (eigenaar run een plantage), rn. Alsquot; t boompje is groot, is 't plantertje dood. —erij. v.: —ing;, v. Een kanon —: een vaandel —: den standaard —. Vlanteiieter {dier. dat van planten leeft, phy top haag, herbivoor: niensch, die niets eet, wat van geslachte dieren komt. vegetariër). m. —s.

I^laiit.soeii (park, aanleg), o. —en.

Vlappei'en (slobberen run eenden, ploeteren). zij heeft geplapperd.

Vlas. m. —sen. Een — water, een — bloed, een — mei Ir; de wijde —. de zee. VlaHflankje. o. —. Hij deed het om een — te verdienen, d. i. een vriendelijk bedankje. Vlawresen {stortregen), m. —s.

Vla.sregeiien {fel regenen), het heeft geplas-regend.

VlaWn, ik heb geplast: — Merij {geplas), v. I'lastiek {beeldhouwkunst, boetseerkunst in gips, klei. was. eirz.). v. gmv.

VlastiHeh (beeldend, uanschouivelijk). bn. De —e kunst, beeldende (schilder-, beeldhouw-, bou\v-)kunst.

Vlat (plat dak. terras), o. —ten.

Vlaf, bn. en bw.; — liehl. v. Een — vlak: een -te neus; een —te beurs. d. i. ledig: een —te aardigheid, een minder kiesche aardigheid; zij zaten — op den grond. d. i. niet op eenig

voorwerp: een — kind, dat nog niet loopt: zich — uitdrukken, niet beschaafd.

Plataan {zekere loofboom), m. platanen, riathmlemd, plathoomd. bn. Een — vaartuig. d. i. met weinig diepgang.

Plateau (een ruim plein, geschikt tot het aanleggen eener batterij: bergvlakte), o —quot;s. IMatf-Vorine (plat huisdak, plat), o. plates-formes.

Plateel (aardewerk), o. —en. Hood—, bruin —. fijn —. potaarde met verglaassel.

Platina (wit goud), o. gmv.

Platitude (plath eid. laagheid in uitdrukkingen), v. gmv.

Platje {guitje), o. —s.

Platlood {geplet lood. deklood), o. gmv. Platneus (persoon), m. en v. —neuzen. PlatoniHelv {bovenzinnelijk), bn. en bw. PlatsHiieten, ik schoot —. heb —geschoten. Eoi fort —. de tea Hen —.

Platslaan (platmaken), ik sloeg —. hel» —geslagen.

Platte-drielioeksnietinu;. v. gmv.

Plattegrond (bouwk. teekening), m. —en. Platteland {buiten, niet in de stad), o. gmv. Een meisje van het Plattelandslieelineester, m. —s. Plattelandssclintterij. v. gmv.

Platten {pletten), ik heb geplat.

Platten! {ongeletterde: domoor), m. —s. Plattrappen (platmaken). ik heb —getrapt. Platvoet (persoon), m. en v. —en.

Platvoeten (lang staan wachten). illt; heb geplatvoet.

PlansihH (aannemelijk, om toe te juichen), bn. Plavei (straatsteen), v. —en.

Plaveien (bestraten), ik heb geplaveid; —er. m.: — ins. v.; —sel. o.

Plebejer (gemeen burger in het oude Home), m. —s.

Plehejiscli {gemeen, aan het volk eigen), bn. Plelgt;iHcit. plebisciet (volksbeslait), o. gmv. Plebs (het gemeene volk), o. gmv.

Pleelit (zeew. vast voor- of achterdek), w—en. Pleelitanker {noodanker), o. —s. Fig. behoud, laatste redmiddel: Kinine is het — der geneeskunde; het geloof is den vrome een — in \ den nood.

Pleelitgewaad (feestdos), o. —gewaden. Plechtig (deftig, statig), bn. en bw.: —licid.v. Pleclitinatig. bn.

Pleclitstatic;. bn.; —lieid. v.

Pleegbroeder, m. —s; -dochter, v. —s: — kind. o. —eren; —moeder, v. —s; —vader, m. —s: —zoon. m. —s, —zonen: —zuster, v. —s.

Pleet (Engelsch zilver), o. gmv.

Plegen (gewoon zijn), ik placht, heb plegen te____

Plegen (bedrijven), ik heb gepleegd. Een misdaad —: een moord —.

Plei (zeew. landpunt, ook folter werktuig), v. —en.

Pleidooi (pleitrede), o. —n.

Plein (vlakte), o. —en. De kinderen spelen op het — voor het kasteel.

Pleister (heelmiddel), v. —s. Een — op de wond. een verzachting: lig. vergoeding. Pleister (gips), o. gmv. Een beeld in —. Pleisteren onet pleister of gips bestrijken), ik heb gepleisterd: —aar.m.: —ing. v.:—kalk. v. Pleisteren (vertoeven), ik heb gepleisterd; — plaats (herberg, rust plaats), v.


KOKNF.N. Verkl. Huïidwilb. d. Xederl. taal.

13

ocr page 214

PLEIT—POEDEREN.

Pleit (zeew. vaart quot;in), v. —en.

Pleit {reclitsfjodhvi), o. Fig. Ih'f — van thuang gt;'n vrijheid (Tollens): het — dvr moeder was beslist (Borger).

Pleiten, ik heb gepleit: —er, m.: —erij, v. Die advocaat heeft voor hem (jepleit: die daad — niet voor a. tuigt niet in uw voordeel. Pleitzuelit, v. gmv.

Pleizier, plezier (vermaak), o. —en. I'leizii'ren, ik heb gepleiziei'd. fem. mrt iets —. d.i. genoegen doen.

Plei'/Jerig {aangenaam), bn. en bw. Pieizierreis, v. —reizen.

Pleiziertrein {uolkstrein). m. —en.

Plek {/jlaats, vlek), v. —ken.

Plengen {vergieten, storten), ik heb geplengd;

— ing. v. Tranen —, wijn — {ols offer), bloed —, iem. dooden.

IMensfeest.o. —en: —oller, o. —s: —wijn, m.

Plenipotentiaris (gevolmachtigd gezant of minister), m. —sen.

Pleonasme (overtollig woord).o. —n. Bijv. //• ben niet in staat n te kannen helpen. Pleonasti.Hrli {overtollig), bn.

Pletlianier, m. —s: —inolen, m. —s. Pletlioriseli (volsappig, volbloedig), bn. Pletten, ik heb geplet; —ter, m.: —terij. v. Lood —. d.i. in bladen uitslaan.

Pletter, m. Te — slaan, d.i. vermorzelen. Pletteren (geheel plat slaan), ik heb gepletterd. Plenrense (roawband. roawrand om brieven). v. — n.

PlenriH, plenresie, pleuritis {zijdewee), v.

pleurissen.

Pliea. poloniea (Poolsche haarvlecht), v. — quot;s. Plieeren ( in- of ombuigen, vouwen : fig. wijken, wankelen, zich onderwerpen).

Plicht {zedelijke dwang, een zedelijk moeten), m. —en. Handelen volgens eer en — : op zijn

— letten: zijn — verzaken, d.i. niet nakomen: zijn — betrachten, volbrengen.

Plielitmatiu; {volgens plicht), bn. en bw. Pliclitplegins. v. —en. Wat al —en.' complimenten: een ijdele —.

Plint (plank onder langs den mnnr), v. —en. Ploeg {landbouwwerktuig), m. —en.

Ploeg {ploegschaaf), v. —en.

Ploeg (aantal werklieden), v. —en.

Ploegen, ik heb geploegd: —er, m.; — ing, v. Het strand —. nutteloos werk doen: de zet' —, Ploert (lichtmis, schelm), m. —en. [bevaren. Ploerterij (laagheid), —en.

Ploeteren (in het water om plassen), ik heb geploeterd: —aar. m.

Plof (slag, klap), m. —ten.

Ploden (hard neervallen), ik ben en heb geploft. Plok (handvol), m. —ken.

Ploinlieeren {nn't lood stem pelen. b.e. belastbar»' goederen bij vervoer: ook //'•/ rullen of volgieten van tanden).

Ploniheersel. o. gmv.

Plomp (geluid), m. —en. Het gaf een —. dolFen slag.

Plomp (dik. grof. dom. bot. stomp), bn.enbw.: -heul. v. Een —event', een — men bel: —etaal. Plomp (waterboterbloem), m. —en. Plompeblad, o. —en. —eren en blaren. Plompen, ik heb en ben geplompt. Iets in het water —. neerstorten, doen vallen.

Plonzen {in 't water plassen), ik heb en hen geplonsd.

Plooi (vonw). v.—en. Een valse he —: (ig. een goede — aan iets geven, d.i. wending.

Plooibont {werktuig), m. —en.

Plooien, ik heb geplooid: —er. m.: —ing. v.; —sel, o.

Ploten (de vellen der schapen ran wol ont-blooten). ik heb geploot: —er. m.r —erij, v. Plots {slag), m. gmv. Het gaf een —.

Plots. tw. en plots (onverwachts). bw. Plotseling, plotselijk, bn. en bw. Hij stierf —: hij hield — op.

Plotsen (met een slag ra Urn), ik heb geplotst. Ping {bom van een vat: ook houten pin). v. —gen.

Pluim {veder), v. —en. Fem. een —pje gevenr hem prijzen.

Plnimage, v. —s. Vogels van diverse —. ge-vederte; titel van een werk van Vosmaer. Pluimen (berooven, plakken), ik heb gepluimd.

Wij hebben hem gepluimd, geld afgetroggeld. Plnimgraal' (opzichter ran 't gevogelte), m. Plnimstrijkeii (vleien), ik heb gepluimstrijkt:

— er. m.: —erij v.

Pluis (pluche), v. pluizen.

Pluis (geplozen touiv), o. gmv.

Pluis (behoorlijk), bn. Het is daar niet —T veilig.

PhiiKen {rafelen, plakken), ik ploos, heb geplozen: —er. m.: —erij, v. De matroos ploos een eindje touw.

Pluizen {plaizen afgeven), het heeft gepluisd. Dit servet pluist.

Plnizerig (vol plaisjes). bn. Een — serve'. Pink. m. De — der aalbessen, der boonen enz. Fig. Ik heb daar een 1 welen — aan, een grooten arbeid.

Plnkliaren (vechten), ik heb geplukhaard. Plukken, ik heb geplukt: —ker. m.: — king, v.:

— mand. v.: —sel. o. Een kip, een eend — r hij heeft mij led ijk geplakt, geld afgezet.

Plnmleren. plomleren (rooven). ik heb geplunderd. geplonderd: —aar, in.: —ing, v. Plnmlermarkt (voddenmarkt), v. —en. Plnmlerziek (roofzuchtig), bn. Het — grauw. 1*1 mi je (eig. zeemanskleed: ook voor kleeding in 'f algemeen), v. gmv.

Pluralis (meervond), m. en — majestatis, het meervoudige IV'// in staatsstukken. Pluraliteit (meerderheid van stemmen). v. gn: vgt; Plus (meer. nog daarbij gevoegd), bw.

Plns minus (meer of min. omtrent zooveelr ongeveer).

I'lnvier (vogel, steltlooper), v. —en. Plnviometer {regennatte. ). rn. —s.

Plnviose (regenmaand, van .htnaari tot i8 Februari), v.

Piienma (geest: wind. adem), v. gmv. Piieiimatiseli, pneumatiek (de lacht be-trelfende), bn. [gmv.

I'iieiimonie (longtering. borstO}ttsteking), v. Poeliel (bochel), m. —s. Iem. zijn — vol schelden.

Poehen (blaffen), ik heb gepocht: —er, m.: Poclilians (zwetser), m. —hanzen, [—erij, v. P«»eliliaii7.erij (zwetserij), v. —en.

Poeo (weinig, iets), muz.

Podagra (voeteuvel), o. gmv.

Pmlagrens (met eoetjicht behept), lm. Podagrist (jichtlijder), m. —en.

l*odding. pudding, in. —en.

Poedel (hond), m. —s.

Poeder, poeier (stof), o. gmv.

Poeder, poeier (geneesmiddel), v. —s. Poederen, poeieren i met poeder bestrooien}^ ik heb gepoederd. E'-a gepoeierde pruik.


ocr page 215

I'01': KT—I'O MO LOOG.

193

VuM (dichU'r). m. poëten.

I'oel (moem#, dirpte). m. —en. Een — van

jammeren, van onyercchthjheden, een afgrond,

menigte.

Poelier {.koopman in yevoyelle), m. —s.

Poelje (een hoen), v. —s, - n.

Poema (dichtstuk), o. poëmata.

Poen (field: ook onbeschaafd, lomp mensch). m. —en. Een — van een rent.

Poeniu; (lomp, onhnndia). I»n. Wa ziet hij rr - uit!

Poep (Mof), m. —en.

Poe|gt;eiilaii(i (schimpnaam voor \Vlt;gt;st pi talen). o. gmv.

Poeren (aa! vannen), ik heb gepoerd. Ook: pen ren.

Poe.s {naam. voor de kal: ook nui haIsdeksel \ van bont), v. —en.

Poespas (rommelzoo), m. gmv.

Poeftten (blazen), ik heb gepoest. In het vuar —. Poester (blaasbaUf), m. Vra ndaar asschepoes ter. Poetaster (rijmelaar, pruldichter), m. —s. Poeterij (hrt dichten), v. gmv.

Poëtisch (dichterlijk), lm. en b\v.

Poets (klucht), v. —en. lem. een — spelen. hem beet hebben.

Poetsen (schoonmaken, reinigen), ik heb gepoetst. Fig. De plaat —. zich uit de voeten maken.

Poetsig (kluchtig), bn. en bw.

Poezel (malsch, poezelnj). bn.

Poezelig, bn. en bw.: — heul. v. Een — wicht, zacht van vleesch; een kind nirt —lt;■ wangen. Poezie, poêzij (dichtknnst). v. gmv.

Pol' (*lag, stoot), m. —fen.

Pod'en (slaan: ook borgen, :ilsmede braden), ik heb gepoft. Hl) was weer aan 't polfen, d. i. slaan: die vrouw wil altijd door maar —. d. i. op den pof halen: kastanjes —.

Polier (zal,•pistooltje-, ook een snoever), m. —s. Po Herd (zwetser), m. —s.

Poffertje (gebakje), o. —a.

PoflVrtjeskraain. v. —kramen: —pan, v. —nen. Pot hans (snoever), m. —hanzen.

l*ogeii (trachten, strevim naar), ik heb gepoogd. INigiiiK, v. —en. IJdele —: een — wagen. Point (punt. steek, stool; ook oog en op dobbelstee nen), o. —.s.

Point d*honneiir ( pant vim. eer. eergevoel), o. Point lie vne (gezichtspant, oogpanl, doelwit), o. gmv.

Pointeeren (doelen, pogen, trachten: bet geschat richten).

Pointenr (geschalrichter), m. —s. Pointilleeren (met puntjes teekenen of gra-veeren:beazclen,m nggenz if ten, verdrietig zijn). Pointillciis (lichtgeraakt), bn. en bw. Pok (zweertje), v. —ken. Dit kind heeft de —ken. kinderziekte.

Pokdaal (poklitteeken), v. —dalen.

Pokdalii; (van de pot,Ken geschonden), bn. en bw.

Poken, ik heb gepookt. In de kachel Pokkei, v. —s. Zie Pukkel.

Pokken, ik heb gepokt. Dat kind heeft al gepokt e,( gemazeld, d. i. He pokken en mazelen gehad.

Pol (strontje), m. —len. Een — gras, gew. Polaeea (Poolsche dans-nria), v. gmv.

VoXiüv (de poo l betrelfende, tegcnorergesteld),\in. Polak (lJool), m. —ken.

I'olakker (sooi't van vaart nig in dr Middelt. Zee), in. —s.

Polaiiseeren (zich n.aor dr pool neigen »gt;/ bewegen): —satie. v.

Polder (ingedijkt land), m. —s.

Polei (kmid: foltertuig), v. gmv. Ook: Plei. Polemiek (twistgeschrijf, twistleer), v. gmv. Polemiet (zekere gladde elfen stof), o. gmv. Poleni'seh i twistend), bn. —geschrifte,,. twistschriften.

Polemiseeren (een pennestrijd voeren). Polichinel (ha nsworst. Jan Klaassen). m. —s. Poliep (veelvoet, plaiddier: vleesch- of vézel-gezwel). v. —en.

Poliet (beleefd, wellevend: ook net, glad), bn. Polijsten (glanzen). ik heb gepolijst: —er. m.: —ing, v.

Polis (verzekerbrief, akte eon assurantie), v. —sen.

Politesse (// olfelijl.heid, welge,„anierdheid), v. gmv.

Politie (openbare (,rde en veiligheid: volkstucht: instelling roar de openbare veiligheid), v. Politiek (slaatknnde). v. gmv.

Vyliiieli (burger kleeding),o. De officier-en waren

Politiek listig, schrander, door

trapt), bn.

Politisceren (over staats- m regeeringszakeo redeneeren).

i'olitocr (glansmiddel, middel tot het quot;p-poetsen van meubels), o. gmv.

Politoeren (glad e,t glanzig maken dooriniddet can. politoer), ik heb gepolitoerd.

Polka (naam van een bekenden Poolschen dans), v. polka's.

Pollepel (keakenlepel met langen steel), m. —s Pollevij (de achterlap van een schoen), y.—en. Polonaise (Poolsche wals: Poolsche da ns-aria: wijde vrouwenmantel), v. —s.

Pols (stoot of slog von een slagader), m.—ei , lem. den — voelen : de — van den koorts lij di r slaat, klopt, jaagt: een zwakke —.

Pols (springstok), m. —en. Verder willen springen dan de — reikt.

Polsen (met den polsstok roeren in 't icotrr). ik heb gepolst. Fig. lem. —. uithooren. Poltergeest (boozc geest, spokende geest), m. —en

Polt ion (bloodaard, lafaard), m. —s.

Polt ronnerie (lafhartigheid, bangheid), v. gmv Polyandrie (veelmannerj). v. gmv. Polyarchie (regeering van celen), v. gmv. Polygamie (huwelijk van een man met mee,-dan één vrouw, of omgekeerd), v. gmv. Polyglotte (boel,' of (jeschrift in vele talen), v Polyglottisch (in vele talen), bn. |—n.

Polygraph ie (m'/w'/z/v/m*//: kunst om met eer-borgen tee kens te schrijven. gt; •uadselsch ri ft), v. Poligynie (veelwijverij), v. gmv.

Poiyphaag (een veelvraat), m. —phagen.

ek (leer der kunsten en industrieelc verrichtingen), v. gmv.

Polytechnisch (vele kunsten en ivetenschap-pen omvattende), bn. De —e school te Delft. Pomerans (ltalialt;msch: porno iVarancio.goudappel, ook: stooteinde uon den biljartstck), v. —en.

Pomeranshitter (eli.cer van de schil te,, eau den goudappel), o. gmv.

Ponnnade (haorzolf). v. —s.

Poniniadceren (d,- hor,-,, ,,,ei ivelrlekende zalf besmeren).

l'oni4»logie (0quot;ftkquot;nde). v. -inv,

Pomoloogi oo ft ken ner.lt;gt;oftkn,,dige).m.—logen.


13*

ocr page 216

Igt;( ).M P—1 gt;O.ST E I {i:.ST A NT E.

v. —en.

roinpdsial (scheepst. waterhuis), v. —dalen.

l'oiii|Ugt; ( pracht, staatsie, /iroah ). v. gmv.

PoinjieliiKM'N (ff root e si a aas-appel), v. —zen.

I'oiiiJm'ii. ik heb gepompt; —er. m.

Pompernikkel (groot zwart hrond der West-lgt;halers), m. —s.

rompeiiH ( prachtrol, vol pronk), bu. en b\v.

Pompoen (zekere vracht, kalebas), m. —en.

Pompon (tvollen Luif op tic schako der soldaten), m. —s.

Pond {gewicht), o. —en. Het Nedertandsch — of K.(I. (= 1000 «ram): ook zekere geldswaarde: een — Vlaamsch of — groot, d. i. f 0.00: een — Parisis, een Parijsch d. i. f 0.Ö0: een — sterling (Engelsche munt), d.i. ƒ 42.00.

PomlHpomlMgeuijze. — ^ewijM {naar evoi-redigheid), l)\v. De winst zot — verdeeld worden, naar evenredigheid van ieders inleg.

Ponjaard (korte degen), m. —en.

PonV». pnneli {drank), v. gmv.

Pont (veerbrng. schoatu), v. —en: —eveer. o.

Pontiliraal ( pauselijk gewaad, staatsiekleed), o. gmv.

Ponton (groote pont. in gebraik bij de pontonniers om schipbraggen ocer de rivier te leggen), v. — s.

Pontonnier (soldaat-schipbragmaker), m. —s.

Pooien (drinken, zwelgen), ik heb gepooid; —er (drinkebroer), m.

Pook (pantig ijzer: dolk), m. poken.

Pool (aspant), v. polen.

PooNhoogte. v. — nemen. I'ig. zien waar of hoe ver men is.

Poort, v. —en.

Poorter (banger), m. —s. vero.

Poorteren (het bargerrecht verleenen), ik heb gepooi terd. vero.

Poorterij (burgerij), v. gmv. vero.

PoorterHcliap {burgerrecht), o. gmv. vero.

Poos (tusschentijd. rusttijd), v. —zen.

Poot (voet van een dier), m. —en. Bij uitbreiding: de — of —en van een to fel. vaneen schraag, enz. Iets op —en stellen, flink in orde brengen; op zijn — spelen, de beest uithangen, opspelen.

Poot (stekje, lootje), v. poten.

Poot it; (sterk, handig), bn. ICen —e kerel. d.i. met werkhanden.

Pootje (podagra), o. gmv. De man had het —.

PootviHcli (een vischje). m. —visschen; (verzamelwoord. vischbroedsel), v.

Poover (arm. kaal), bn. Hij ziet er — uit.

Poovertjew (armoedig, schraal), bw.

Poo/.en {verwijlen, blij een), ik heb gepoosd.

Pop, {speelgoed: wijfjèskanarie: ingewikkelde vlinder), v. —pen.

Pop (gulden), m. Dat kost 'mij tien

PopaiiM (bullebak, schrikbeeld), m. —en.

Pope (priester ran de Crieksche kerk in Rusland), m. —n.

Popel (populier), m. —s.

Popelen (snel kloppen gt;. mijn hart heeft gepopeld; — ing. v.

Poppen (met de pop spelen), ik heb gepopt.

Popperig (popachtig), bn. en bw.

Poppig;, bn. en bw.

PoppigJeM (netjes), bw.

Populair (bij het volk gewild), bn. Een — vorst, minister, enz.: —e voordrachten, verstaanbaar voor het volk.

PopnlariMeeren {voor het eolk verstaanbaar

en bevattelijk spreken: algemeen nuttig maken).

Populariteit (gewildheid bij het v. gmv. Populatie (bevolking), v. —tiën.

Popnleeren (bevolken).

Populier (boom), ni. —en.

PoreiiM (met uiterst kleine openingen of poriën, gaatjes, sponsachtig), bn.: —lieid. v.

Porüer (zekere steen), o. gmv.

Porie (opening), v. poriën. De poriën iIer huid. V^yv^ïï (h loppen. fig. aandrijven).ik heb gepord: -der, m.: —riiiK, v.: —ijzer (werktuig), o. Porselein, postelein (groente), v. gmv. Porselein (aardewerk). lt;•.

Port (wijn), m. gmv.

Port (brievenvracht), o. —en.

Portant (a bont) (d.i. van nabij schieten). Portaal, o. —alen.

Portabel. \Hivtntlei'(draagbaar), lm.

Port d'arines {jachtakte of patent, o)n te mogen jagen), m.

Porte (het Turksche hof), v. De Verheren —. titel van den Sultan.

Porte-brisée (vouwdeur), v. portes-brisées. Porteeren (zich voor iemand in de bres stellen». Portefeuille (brieven tasch: ambtsbediening van een minister), v. —s.

Portelen (borrelen.pruttelen), ik heb geporteld: —bier (schnimbier), o.: —wei (hui can gewrongen kaas), v.

Portenionnaie (geldtaschje). v. —s.

Porter (sterk Eng. bier), m. gmv.

Portie (deel. aandeel), v. —s of —tiën. Portiek (zuilengang, overwelfde gong), v. —en. Portier (deurwachter), m. —s.

Portier (deur eener koets), o. —en.

Porto (briefport), o. —'s.

Porto-lraneo (vrijhaven), v. gmv.

Porto-rieo (tabak), v. j;mv,

i'ortret (geschilderd afbeeldsel), o. —ten. Portretteeren (iemands portret maken). Portugees, m. —zen.

Portngeeseli. bn. Een — vaartuig.

Pose (houding, stand), v. —s.

Pose (bedaard, ernstig, zedig), bn.

Poseeren (zitten voor een schilder om zijn portret te laten maken).

Positie (stelling, plaatsing: ligging, toestond, gesteldheid van zaken), v. —s. —tiën. PoHitiel' {vastgesteld, bepaald, werkelijk), bn.

— recht] —ve electriciteit.

Positief, Positivns (spraakk.: stellende trip), m. —tie ven.

Positief (photogr.: het positieve beeld, de afdruk), o. —tieven.

Positieve (eerstand, kennis, bewustzijn), v. Hij is niet recht, bij zijn —n, niet w«;l bij 't hoofd.

I'osito ((gesteld, aangenomen dat). I»w. Possessie (bezitting, hare), v. —si«;n. —s. Post (deurstijl), m. —en.

Post (onderdeel van een rekening), m. —en. Post (standplaats en ambt), m. —on.

Post ( postbode), m. —en.

Post (posterij, postkantoor en postwagen). Post (visch). v. —en. |\. —en.

Post (in Latijnsche woorden of koppelingen: na. achter, later).

Postdati'emi (later dagteekenen).

Posteeren (plaatsen, stellen). Xieh —. post vatten.

Postelein, v. Ook Porselein gmv.

Poste restante (u/m bet postkantoor blijvetule


ocr page 217

POST KR 1.1 — I Ti KC A Hf.

197

Hyijen out afgehaald te worden, o/gt; brieven).

Fowtery, v. —en.

I'oHteriori (a) (van ((eliteren, nit de onder-vindini/), b\v.

INiMteritfit (nakomelunjschai)). v. gmv.

PoHt hoc, ergo propter hoe {daarna, en derhalve daarom.: vausehe stellino).

roHtliiiniiiH (kind, na quot;n vaders dood ijchoren. nakomende), m. en v. gmv.

I'oHtielie (later bijgekomen, valsch, nagemaakt), bn.

I'oMtiljoii ( postknecht, postrijder] voorrijder). m. — s.

roNtkantoor. o. —oren.

I'oHtineeHter, m. —s.

l*oHtiiiiiiiereereii (natellen: nabetah'n).

Vnniywieeren^achterplaatsen, benedenstellen).

I'oHt-Hcriptiiiii {naschrift), o. —s. Zie P.S.

roHtatation {postrust, haltplaats va)i de poster ij), o. — s.

VoHiu\iint {stelling zonder heivijs aan te nemen, vereischte. vordering, opgave), o. —aten.

roHtulaiit (sollicitant, aanzoeker), m. —en.

1'oHtiileereii {eischen, oorderen, eer langen, verzoeken).

Portuur (posttijd), o. —uren.

Pot, m. —ten. De — verwijt den ketel, dat hij zwart ziet, de een verwijt den ander een eigen gebrek; daar is voor n een —je te vaar, gij hebt iets onaangenaams te wachten; hij mag daar een —je breken, hij heeft daar een streepje voor: hij zoo dicht als een —. d. i. geheim, gesloten; den hond in den — vinden, komen als het eten op is; er is geen - zoo scheef, of er past een deksel op. voor elk meisje bestaat een kans om te huwen.

I'olage I ondereengemengde spijs, soep), v. —s. Jean —, hansworst.

PotaHch {Moskovische asch). v. gniv.

l*oteliiiK {boompje), m. —en.

Poten, ik heb gepoot. Aardappels —, boompjes —. enz.

Potentaat {macht- of gezaghebber, gekroond hoofd), m. —aten. Fig. Ken rare —. een

Poter (persoon), m. —s. [zonderling.

Poter (pootaardappel). m. —s.

Potentaat {landvoogd, bv. in friesland), m.

1'otJeMlatijn {keukenlalijn), o. gmv. f-aten.

Potlood, o. —en.

Potloorien. ik heb gepotlood. Kachels, haar-

d- o —.

Pot-pourri {pigt;t met ingemaakte of ingelegde kruiden, mengelmoes, hutspot: muz.: muziekstuk uit onderscheiden thema's samenge-

Pot» ( poets, grap), v. —en. \steld), o.

PotHeninaker (hansworst), m. —s.

PotHierlijk (kluchtig), bn. en bw.

I'otten {geld bewaren), ik heb gepot: —er. m.

Pottenbakker, m. —s: —erij. v. —en.

Potvineli {cachelot), m. — visschen.

Pouf (soort van belegsel, tot sieraad aan vrouwenk leeding), m. — s.

Poule {biljartspel om een inzet: potspel), v.

Pour ae(|nit (roldaan, onder rekeningen), bw.

Ponrboire (fooi. drinkgeld), v. —s.

Ponr faire visite (om een bezoek af te leggen).

Zie p. I*. v.

Ponr paNHer Ie temp** (tot tijdverdrijf).

Ponr prendre eonge (oni afscheid te'nemen). Zie p. e.

PonrHinte (vervolging, doorzetting), v. —s.

Poiirnniveeren (voortzetten, vol honden, vervolgen).

PoiiN^eeren (stooten, drijven, voorthelpen, bevorderen).

Pon voir (macht, vermogen, bewind), o. Plein —, volmacht.

Praaien {een schip op zee (met den roeper) beroepen), ik heb gepraaid.

Praal (pronk), v. gmv.

Praam (plat kustvaartuig), v. pramen.

Praat {gesnap, gebabbel), m. gmv.

Praatal (persoon), m. en v. —len; —graag, m. en v. —gragen; —koiiM, m. en v. —en;

— vaar. m. — s.

Praelien (vleiend bedelen, smeekend afvragen), ik heb gepracht; —er, m.

Pracht (luist- r, praal), v. gmv.

Praehtig (rijk, heerlijk), bn.enbw.: —lieid, v. I'raetirahel {doenlijk, uitvoerbaar, bruikbaar), bn.

Prartien.H {ervaren man), m. —tici.

Praetijk {tegenover theorie), v. gmv. PraetiMeh (doelmatig), bn. en bw. : Prieeeptor {leermeester), m. —en. Pra'cepttM'aal (leeraarsambt), o. —raten. Pr«eflieaat(a//^amp;{6'/7a^m. titel', spraakk. nanmw. gezegde), o. —caten.

I raTix (voorvoegsel), o. —en. | —raten.

Pra'paraat (bereiding, iets dat toebereid is), o. Pra'pareeren (ont l. in stukken snijden, klaarmaken. voorbereiden).

Vnvsrutiispraakk. de tegenwoordige tijd),o.gm\'. Pra'Mew (president), m. —sides.

Pra'.Hidinin {voorzitterschap), o. gmv.

l*ra'tor (bij de liomeinen: landvoogd, opperhoofd, opziener), m. —en.

Pra'tnnr (het ambt van den praetor), v. gmv. l'ragniatiHrh. pragmatiek (algemeen nattig, leerzaam). De geschiedenis — behandelen, d.i. aan de hand der feiten, niet bespiegelend: de —e sa net ie, algemeene landsverordening; besluit van keizer Karei VI in 1724, waarbijzijn dochter Maria Theresia hem zou opvolgen. Prairial (weidegt;naand, run -20 Mei tot 18 Juni), m.

Prairie (weide, grasveld), v. —ën. Prakkezeeren(peinzen, uitdenken, verzinnen). Praktijk (handeling), v. —en. Kwade —en. Pra ktijk ( van een advokaat of dokter), v. gmv. Praktizeeren (van geneesheer en en rechtsgeleerden: het vak uitoefenen). |m. —s. Prakti/ajn (rechtsoefenaar. zaakwaarnemer). Pralen {schitteren, vertoon maken), ik heb gepraald: —er, m.: -. l ij, V.

Pramen {drukken, persen, knellen), ik heb gepraamd: -ing, v.

Prang {drukking), v. —en. Kig. knelling. Prangen (knippen, benauwen: ook zeew.: op-laveeren), ik heb geprangd: —er. m.

Prat (troisch), bn. en bw. Se li ma. (de kat) was

— op de gunst hurer meesteres Klimeen.(B\ld.). Praten (spreken, babbelen, snappen), ik heb

gepraat; —er. m.: —erij. v.

Pratten (pruilen), ik heb geprat.

Prat/aekte (kwijnende ziekte), v. gmv.

Prauw (pint Indiaansch vaartuiq) v. —en. Pré (voor. vooraan, vooruit). Het — hebben, den voorrang hebben, de voorkeur hebben. Preailvie» (voorafgaand advies), o. —iezen. Prealabel (voorafgaande, voor loo pig), bn. Preainbnle (voorspel, inleiding), o. — s. Preanibnleeren (voorspelen, een inleiding maken: omwegen maken). Vrehetule(kerkelijk inkomen, lijfrente), v.—n. Vvtvi\\v(t(vijifelachtig:onzeker, wankelend),hv,.


ocr page 218

V\l\?A' A UT 11-:—PliEL' T !•: L ION.

I'reeinitit» (vooi'zichtl'jheid. voorzorg), v. —s, —tiën.

Preeedeeren ivoor^ima. Oen voorrnng hebben). Pi'ecjeH (juisf. namukeuriy, stipt), bn. enl»\v. Precieus (kostbaar, opgesierd of opgesmukt). bn. en bw.

Preoieuse {dame vol gemaaktheid, n ••:/'). v. —s. Prefipite«'r«'ii (schei kn a dig neerslaan of neer-plolfen. overijlen, onbedachtzaam zijn). Preeiseeren [met juistheid opgeven).

Precisie (juistheid, namvkenrigheid), v. gmv. Preeoee (vroeg rijp. vroeg ontwikkeld, ontijdig). bn. ' \heid). v. I'reeocifeif (vroege onttrikkeling: ontijdig-Preconiseeren (loven, prijzen, verhelfen). l'redeeesMfir (voorganger), m. —s. PredeMfinatie {voorbeschikking), v. Ue leer der —. strijdpunt tns.schen «Ie Arminianen en Gomaristen (1618).

PredeHtineeren (te voren of voorn it bepalen, voorbesch ik ken).

Prediefie {voorspelling, nwarzeggimg), w —s. Predikant (dominee), in. —en. |—tiëni

Predikatie( hetprediken, leerrede), v. —s, —tiën. Prediken {verkondigen), ik heb gepredikt: —er. ni.; —ing. v.

Predi Ier tie (vooringenomenheid, voovHefde), v. Predisptuiecren (voorbereiden).

Predi.Mpositie (aanleg, bv. tot een ziekte), v. —s. Predoiiiiiieeren (overheersehen. bet hoogste gezag voeren).

Preek {leerrede), v. —en.

Preeken, ik heb gepreekt: —er. rn.

Prefatie (voorrede, voorbericht), v. —s. —tiën Preteet (gouverneur, bestn nrder,hoofd).m.—en. Preleetimr (waardigheid, tvoning nf kfintoor van een prefect), v. —turen.

Pre l'e ra bel {pref-rent), bn.

Prelereeren (hoog er stellen of och ten, voortrekken, de voor ken r ge een non).

Preferent (bij voorkeur), bn.

Preferentie {voorkeur), v. —s en -tiën.

Prei {soort van look), v. —en.

PrejndirialM'l (nadeelig). bn. en bw. Prejudice(nadeel.schade, afbreuk, inbreuk), v. Prejndieeeren (vooraf oardeelen: henadeelen, Prejngr {vooroordeel), o. —s. [schaden).

I'relaat (geestelijke ran rang), m. —aten. PrelaatM-iiap, o. gmv.

Preliminair (voorloopig). bn. en bw. Pri'liniinairen (voorloopige sehikkinfjen).v.mv. Prelude (muz. voorspel, inleiding), v. gmv. Preliifleer(kn (het voorspel spelen: voorafgaan als inleiding).

I*relndiiini (voorspel, bijzonder op orgels), o. —s. Prematuriteit ( vroegrijpheid. ontijdigheid), v. Prematuur {vervroegd, overijld, ontijdig), bn. Premeditatie (voorbedachtheid. voorafgaand overleg».

Premediteeren (tevoren beramen of bedenken). PremieeM (eerstelingen), v. rnv.

Premie {belooning. eereprijs: bij kooplieden de verzekeringsprijs, welke aan den eer zeker aar betaald wordt), premiën, —s.

Premier (eerste, voornaamste), m. gmv. Hij is de —. de eerste, voornaamste, ook de eerste minister: de premières balen, de zes eerste slagen in het quadrille-spel.

Premisse {voorafgaande stelling eener sluitrede, waaruit bet besluit wordt afgeleid).v.—n. Prent. v. —en.

Prentaelitiu; (als een prent), bn. Een —e julfer, stijf, houterig.

Prenten (drukken), ik heb geprent. Prentenboek, o. —en.

Preiminereeren (vooruitbetalen gt;. Vr?Kn'v\i\M\{W(afgetrokke)}heid, vooroordeel ).\\ Preoeenpeeren (voorinnemen: vooroordeelen inboezemen).

Preparatiel' (toebereidsel), o. —tieven. Préparatoir (voorbereidend, voorloopig). bn. Prepareeren (voor- of toebereiden, gereed-Preponderant (overwegend), bn. [maken). I'reponderantie (overwicht, meerderheid), v. I'replt;»n«lereeren (overwegend zijn). Vrrroswttel'(voorrecht), o. — ven. De —ven der Kroon, de voorrechten b.v.het recht van genade. Pn 'rojsjeeren (te voren begeer en, den voorrang eischen : voor den tijd betalen).

Presage (voorgevoel; voorteeken), o. —s. Presbyteriaan (rechtzinnige in de ICngelscbe of Schotsche kerk), m. —anen. Preseribeeren (voorschrijven, gebieden: verjaren). ^ quot; [ties. Prescriptie (voorschrift: verjuring), v. —tiën, Present (geschenk, gift, gave), o. —en. Present {tegenwoordig), bn.

Igt;reseiitalgt;el (geschikt om vertoond te worden, om aangeboden te worden), bn. Presenteeren (voorstellen, toonen, aanbieden: het (geweer voor houden).

Presentie {tegenwoordigheid), v. — hebben. zwaarlijvig zijn; —geld (geld dat uitbetaald wordt aan de ter vergadering aanwezige leden van sommige bestuurslichamen). o.: — lijst (lijst der aanwezigen), v. Preservatie(/'eM'r/m?//; voorbehoeding). v.gmv. Preservatief (behoedmiddel), o. —tieven. Preserveeren (bewaren, behoeden, beschuit 'n». Presideeren (voorzitten).

President (voorzitter), m. —en: —srliap. o. I'residiinn (voorzitterschap), o. gmv. Presseeren (noodzaken, drukken, dringen, haasten).

Pressen, ik heb geprest: —er. m.; —ing. v. Soldaten —. matrozen —, met list of geweld tot den dienst aanwerven (in Engeland). Presteeren (doen. bewijzen, afleggen, vervullen). Diensten —. een eed —.

Prestige (begoocheling, ook: roem. invloed), o. Prestissimo (muz.. zeer vroolijk, ten uiterste Presto (muz., snel, vroolijk). [snel).

Presmneeren (vermoeden, onderstellen). I*resnnitpgt;tie (vermoeden), v. —tiën, —ties. PresiimtpMief {vermoedelijk), bn.

Pret (vreugde), v. — hebben, — maken. Preteeren (leenen, zich schikken). Daartoe zal ik mij nooit —. d. i. mij laten gebnrkeu. Pretendeeren {eischen, aanspraak maken: voorgeven: beweren, staande honden). Pretendent (aanspraakmaker: min na/ér: eischer; prins die naar de kroon staat), m —en. Pretensie (aanspraak, recht: schuldvorderimg: aanmatiging), v. —siën. —sies.

Pretentieus (aanmatigend, ingebeeld», bn. en bw.

Preteritum (spraakk. de verleden tijd), o. —s. Pretext (voorwendsel, uitvlncbt. voorgeven gt;. o. —en.

Pretor {in 't oude Home boog umbtenaar. rechter), m. —s. —en.

Prettig {aangenaam), bn. en bw.

Pivnkelen (met den pook in bet vaar roeren ), ik heb gepreukeld.

Preutelen (knorren, mompelen), ik hel» ^ -preuteld; —aar. m.; —ing. v.


ocr page 219

PliE UTELTG—PUOCES- VEPt BAAL. 19Ü

Preuteli^ {knorrig, kreyeï). bn. en b\v.

Preutscli (trotse! i. ituffiij). bn. en bw.; —Iieid, v. Wat een —e dmiii'!

1'reuve. prove» {onderhond uil ren gesticht van liefdadigheid), v. — n.

Preuve (bewijs, proef), v. —u.

Prevaleeren (meer gelden, •den voorrang i hebben). Zich —, zich schadeloosstellen, zich j doen betalen.

Prevalent (den voorrang hebbend of ver-dienend), bn.

Vve\i\v\vi\i\e(pliehtverzaiin.ambtso.igetroiiw- I heid), v. —tiën, —ties.

Prevelen {zacht nwtnpelen). ik hei» gepreveld; { —aar, m.: —arij, v. Gebeden —.

Prevenanee {voorkomendheid), v. —s.

Preveiiaiif {voorkomend,gedienstig),h\\. en bw.

Preveiiieeren { voorkomen : ie)n. van iets ver- | ivittigen).

Preventie (voorkomitig; ivaarschuivende kennisgeving. vonntordeel), v. —s. —tiën.

Preventielquot; (voorloopig), bn. —ve gevangenis, i hechtenis.

Prevoyaneeidoorzicht.het vooniitzien).y. gmv. ;

Prevot {schermmeester), m. —s.

Prieel (tuiniinisje van groen), o. —en.

Priegel (slaag, ransel), ni. gmv. gmz.

Priegelen infi-ossen). ik heb gepriegeld: —aar. m.; —ins. v-

Priem (breinaald, dolk, els), m. —en,

Prienien {doorboren), ik heb gepriemd.

Priester, m. —s of —en.

Priesterdom (priesterschaar), o. gtnv.

Priesterlijk, bn. De —e (vaardigheid

Priesterseliap (voor de waardigheid of het ambt), o.: (collectief voor de priesters), v.

Prij (kreng.aas),x. —en. Ook: hooze vrouw. gmz.

Prijken {pralen, pronken), ik heb geprijkt.

Prijs. m. —/.en. Een — trekken, nl. in de I loterij: voor den — van tien gulden, d.i.som; onder den — verknopen, lager dan de marktprijs: dit boeh is voor geen — meer te krijgen, I vooi geen geld; vaste prijzen, er wordt niet ; afgedongen: er werd een — op zijn hoofd i gezet, d. i. een loon uitgeloofd voor die hem | vangt, levert of doodt: op — stellen, waar- 1 deeren: — stellen op, waarde hechten aan; den eersten, den tweeden, den derden — hale}/. ■ nl. bij een wedstrijd: den — behalen, de : winner zijn.

Prijs (bnit). v. Een schip — maken, veroveren: voor goede — verklaren, d. i. buit.

Prijseonrant (lijst, waarop de prijs der gangbaarste waren is aangeteekend), v. —en.

Prijselijk, prijslijk {lotfelijk). bn. en bw.

Prijsgeven (ten beste geven), ik gaf—, heb —gegeven.

Prijzen (/oven, roemen), ik prees, heb geprezen.

Prijxen (van een prijscijfer voorzien), ik heb geprijsd. Al de waren zijn in dien winkel geprijsd.

Prik {steel, ', ook lamprei, visch). m. —ken.

Prikkel. m. —s. —en. Fig. aansporing.

Prikkelhaar {lichtgevoelig), bn.: —lieid, v. Fig. lichtgeraakt.

Prikkelen, ik heb geprikkeld: —ing. v. Fig. aanzetten, aanvuren.

Prikken, ik heb geprikt: —er. m.: —ing, v.

Prikslee (kb nne slee), v. —ën.

Priktol (werptol), m. —len. Ik wil n geen oogenblik van — of hoepel aftrekken (C. O.).

Pril (t •rooiijk, friscb, vroeg), bn.

I*rima (paik, best), bn. — ipmliteit.

Prima-donna (eerste tooi i eelspee 1st ei' of zangeres), v. —quot;s.

Prima vista «muz. op het eerste gezicht: kooph. op zicht, op vertoon betalen, b.v. een wissel).

Primaat (eerste of voornaamste bisschop), m. —aten: —schap, o.

Primair (beginnend), bn. Een —e school.

Pri m i t i e l'( oorspr onkel ijk, eerst, aan van hel ij k).

Primo (vooreerst, ten eerste), bw. [bn.

Primus (eerste prijsbehaler op een school. enz.), m. —sen.

Prineipaal (opperste, hoofdpersoon, beer. meester, lastgever), m. —palen.

Prineipaal {voornamelijk, hoofdzakelijk), bn. en bw.

Prineipe {grond, grondbeginsel), o. —s.

Prins {koningszoon), m. —en. Hij is — van den bloede, d. i. uit het regeerend stamhuis: van den — geen kwaad weten, totaal onschuldig zijn.

Prinsdom, o. —men. Het — Oranje.

Prinsenvlag (de vlag van Oranje), v. —gen.

Prinses, v. —sen.

Prior (overste in een klooster), in. —s;

Priores (abdis), v. —sen. [—seliap. o.

Priori (a) (van voren af. van te voren), bw.

Prioriteit {voorrang), v. gmv.

Vrineervn (op prijs stellen): —der. m.: —ing. v. Ook: Snuiven.

Prisma (kantzail; driezijdig geslepen glas), o. —ma's, — mata.

1'riHon {gevangenis', v. —s. En —, in hechtenis.

Privaat (heimelijk gemak), o. —aten. (Jok in samenstellingen als lm. voor: afzonderlijk, bijzonder, partic.vlier, hv. privaat-docent.

Pi 'ivatie (ontbering, verlies), v. —tiën, —ties.

I'rivatlel' ( aitslaitend. eigen, afzonderlijk), bn. —ve jacht, eigen, afzonderlijke jacht.

Priveeren (berooven, onttrekken).

Privilegie, privilege (voorrecht, vergunningsbrief ). o. —ies. —iën: privileges.

Privilc 'gieeren (bevoorrechten, vrijheden toestaan. b.v. aan de steden).

Priv (prijs, waarde), m. — ji.ee, vaste prijs.

Pro (voor, ten, naar. tot, enz.). — aris et focis, voor haardsteden en altaren.

Probaat (beproefd, echt), bn.

Probabel (waarschijnlijk), bn.

Probabiliteit {waarschijnlijkheid), v. —en.

I'robatiim est (dat is opperbest).

Probeeren (beproeven, toetsen, onderzoeken, bewijzen): —sel. o.; —steen (proefsteen, toetssteen).

Probiteit (braafheid, rechtschapenheid, goede troaw), v. gmv.

Probleem. Problema (opgave, vraagstal:: twijfelachtige strijdvraag, welke nog te onderzoeken is), o. — blemen.

Problematiek. Problematiseli (raadselachtig, twijfelachtig), bn.

Proeedeeren (handelen, te werk gaan. een rech tsgedi / ng voeren).

Proeednre (rechtsgeding, ook handelwijs), v. —s. —n.

Proeent, o. —en. Zie Pereent.

Proees [rechtsgeding; wijze van behandeling, loop, gang), o. —sen.

Pn»eessie (Kerkelijke omgang, plechtige bede-of kerk vaat t). v. —siën, —sies.

Proees-verbaal (een van ambtswege g.--scbreven niteenzetting van de toedracht eenei' gebeurtenis), o. processen-verbaal.


ocr page 220

PROCLAMATIE—PROXONCEEKKX.

200

rroflainatie (uitroeptmj, openlijke hekend-makhiy), v. — tiën, —ties.

Pi 'oclaiiieereii (idt- of oproepen', verkondigen, openlijk bekendmaken). Proi'Oii8u\(stedehonderbij de llomcinen),m.—s. Pro contaiit (tegen g er cede betaling). ProcraHtinatie (verschaiving, vertraging, uitstel), v. tfmv.

l^rofraKtiiieeren (verschuiven tot op morgen, vertragen, nitstellen).

P roe rea I i e (voort te li ng. i u n irt breng ing). v. gm v. Pi 'oniratic (bezorging, besturing eener zaak', schriftelijke volmacht af lastgeving), v. —tiën, —ties.

Procurator (bij de Romeinen: ambtenaar, belast niet 's keizers geldelijke belangen', lasthebber), m. — s, —en.

Prociireeren (bezorgen, verscha/J'en). Procureur (pleitbezorger), m. —s: —Mcliap.o. Prociirciir-gencraal. m. procureurs-generaal. Pro Deo (om Gods wil, om niet), b\v. Prodigalifeit(/.M;/sïifif/it'/rf, verkivisting).v.gmv. Proflige (wonder), o. —s. \laden).

Prodigeeren {doorbrengen, verkwisten, over-ProcligieiiH (wondervol', verbazend), lm. Prodiiceeren (te voorschijn- of bijbrengen: voortbrengen).

Proiliicenit (voortbrenger), m. —en.

Proiliict (voortbrengsel, opbrengst, vracht), o. Productie (voortbrenging), v. gniv. [—en. IVoductiel'(yoogt;Y/e(?//V/, rrachtbaar), bn. Productiviteit ^vrachtbaarheid, voortbrengende of scheppende kracht), v. gmv.

Proef. Proeve, v. —ven.

Proefblad, o. —en.

Proel'lioiidend (echt. van goed gehalte), bn. Proerondervindelijk. bn. en b\v. -e nataar-kande, d. 1. physica.

ProelNtuk (meesterstuk bij de gilden), o. —ken. Proêiiiiiieiit (vooruitspringend. aitstekend),hn. Proe»teii. ik heb geproest. Wij —het uit, den lach niet kunnen inhouden.

Pro et contra (voor en tegen).

Proeven (smaken', ondervinden), ik heb geproefd: —er. m.

Prolaan (ongewijd: niet heilig), bn. en bw. Prolaiieercn (ontheiligen: met het heilige Proleet (ziener), rn. —eten. [spotten).

Pro lens ie (geloofsbelijdenis: kloostergelofte: beroep, handwerk), v. gmv.

ProleNHor (openbaar leeraar. inzonderheid hoogleeraar), m. —en, —s.

Prol'eftsoraal (tot het hoog leeraarsambt be-hoorendé),hn. Fig. allerdeftigst; op beslissender! toon: op —alen toon.

ProIcNHoraat (hoog leeraar schap), o. —aten. Proleteeren (voorzeggen, voorspellen). Profetes, v. —sen.

Profetie (voorspelling), v. —ën.

Profetisch, bn. en bw. Hij sprak op —en toon ! Proficiat! (W' 'el bekome het n! Gelul,- er mee!) Profiel (beeld van terzijde, het gelaat op zijde: een gebouw, in doorsnede voorgesteld).o. —en. Profijt ( voordeel), o. —en.

Profijtelijk (voordeelig), bn. enbw.: —lieid. v. Prolijtertje ( klein kandelaartje), o. —s. Profitabel (voordeelig, winstgevend), bn. en bw. Proliteeren (winnen, voordeel of nut trekken: nuttig, winstgevend zijn).

Prollneeren [voortvloeien, uit iets volgen, ontspringen ).

Pro forma {voor hel oog. voor de lens), bw. Profimditeit (diepte, grondigheid), v. gmv.

Profusie (verkwisting, overvloed), v. gmv.

Progiiosticeereii (voorzeggen, voorspellen).

Prognostiek (voorzeggingskunst), v. gmv.

Programma (bericht: aankondiging: nitnoo-digingsgeschrift tot een plechtigheid), o. —s.

Progressen (vorderingen, vooruitgang), v. mv.

Progressie (voortschrijding, voortgang, opklimming). v. —s. —siën.

Progressief (voortschrijdend, opkl'immend\ bn. en bw.

Progressist (voorstander, aanhang/er van den, vooruitgang), m. —en.

Progressistiscli. bn. De —e partij.

Proliibeeren (verhinderen, beletten, verbieden).

Prohibitie (verbod), v. —s, —siën.

Prohibitief (verbiedend, terughoudend), bn.

Project (voornemen, ontwerp: plan. aanslag, ter uitvoering eener zaak), o. —en.

Projecteeren (ontwerpen, plannen maken).

Projectie (sc/wtfif, kaa-rtenteeke ni ng, ook: worpj het iverpen}, v. —tiën, —ties.

Prol (appelbrij), v. gmv.

Proletariaat (gezamenlijke armen), o. gmv.

Proletaricr (behoeftige, arme), m. —s.

Pi •o libita (naar welgevallen), bw.

Pr«gt;liiiek (vruchtbaar mal,end), bn.

Prolix (wijdloopig), bn.

Prolixiteit (wijdloopigheid). v. gmv.

Prollig (dik), bn. Wat zit hij — inde wii ter-k leer en f

Prolongatie (verlenging, later gestelde term ijnr uitstel), v. —tiën, —ties.

Prolongeeren (verlengen, uitstellen, een tateren termijn stellen). [m. —logen.

Proloog, prologns (inleiding, voorafspra-ik)^

Pro memoria (ter Iwr inner ing), bw.

Pvomvtiiulv(wandeling; ook wandelweg),\\—s.

l*romeneereii (wandelen: lat n rondgafin •.

Promesse (belofte-, schuldbekentenis, acceptatie). v. —n.

Promotie (bevordering tot hoogeren rang,: toekenning van een. academisch en graad), v. —tiën. —ties.

Promotor (voornaamste drijver eener zaak, bevorderaar inzonderheid tot een academi-schen graad), m. —s.

Promoveeren (bevorderen, ver/ieIfen. verh* togen-, een academischen graad verkrijgen)* lem. —. hem een academ. graad toekennen.

Prompt (bereid, gereed: haastig, gezwindr snel: stipt), bn. en bw.

Promptitiide (stiptheid-, snelheid), v. gmv.

Promnlgatie (openbare bekendmaking, afkondiging). v. —s, —tiën.

Promnlgeeren (bekendmaken, afkondige i).

Proneeren ( prijzen, ophemelen, uitbazui.wn).

Pronk (sieraad, opschik), m. Te — staan, strafoefening, aan of op de kaak staan.

Pronkaard. pronkerd, pronker djdel jonkman), m. —s.

Pronkbeeld (fraai standbeeld), o. —en.

Pronken (vertoon maken), ik heb gepronkt:, —er, m.: —erij. v.

Pronkerig, bn. en bw. Hij is altijd — gekleed, d. i. sierlijk.

Pronkgewaad (statiekleeding), o. —aden.

Pronkjuweel, o. —en. Fig. het beste: iets of iem. dat of die uitmunt.

Pronkstuk (fraaiste stuk, sieraad), o. —ken.

Pronkziek, bn. Een — mensch.

Pronkzucht, v. gmv.

Proiiomen (spraakk. voornaanuvoord)ro. —hm.

Prononceereu • uitspreken)*


ocr page 221

PRONONCI ATI E—PR UI .M KD ANT.

rioiioiM-iatie. |)roiiiiiM*iatilt;gt; [uitspraak), v. rroiiMlt;gt;laar [knoeier, mi Ier), in. —s. |gmv. l'roiiNeh'ii (knoeien, kwanselen), ik heb ge-pronseld.

rroiiNelgeld (zakgeld), o.: — werk (knoei werk). I^roiiuiiciatif* [uitspraak), v. |o.

Pnuii (hnit), v. —en. Hij is aan wroeging ter —. IVooNilij [woning van een proost), v. —en. ProoHt {kloostervoogd), m. —en; —*4'lia|gt;. o. Prop [stojgt; van hooi. werk. stroo. eaz.),\.—pen. l*ropaMl«gt;iitiM«-li (voorbereidend), hn. Een — e.ramen, dat de hoogere examens voorafgaat. l*ropau;aii(la {in 1622 door den Pans verordende congregatie tot voortplanting van het tl. I\. geloof: ook: middel om politieke leerstellingen te verbreiden):

Tro patria (voor het vaderland), l»\v. Propatria-papier (Hollandsch papier met dezen naam als watermerk), o. gmv. V\'to\n*\\H\r (tieiging, zacht,geneigdheid).o.£i\\\\ Proper(net), lm. en b\v.: -♦je». b\v.: — lieid,v. Proponeeren [voorstellen, vonrslaan). Proponent {voordrager, voorsteller-, candidaat-predikant), m. —en.

PropoiientHplaata. v. —en.

Propoost, propos [Voornemen, uiting, voorslag. voordracht, aanbieding), o. —en. Proportie {evenredigheid), v. —tiën, —ties. Proportioneel (in verhoading. naar evenredigheid), hn.

Prop(»rti«»iieeren (eeenredig ma Ken, in verhouding brengen).

Propos (aanbod, voorslag), o.: n —. juist van pas. eer ik liet vergeet.

Propositie (voorstel), v. —tiën, —ties. Proppen [opvallen), ik heb gepropt. Proppenseliieter {klapbus), rn. —s. |b\v. Propria inanii (met eigen hand, eigeniaindig), Propriëtair (eigenaar, bezitter), ni. —s. Propriêteit (eigendom, recht van eigendom). v. —en.

Pro prima (vooreerst, ten eerste), b\v. Propntnieereii (voor vechten: beschermen, verdedigen ).

Propvol {overvol), bn. De zaal was —. Prorogatie (verdaging, eer leng ing. eersch ai-ving ). v. —s. —tiën.

Prorojseereii {aitstellen, be. een wissel). I*r«»sc*riheeren (vogelvrij verklaren, nil het land verbannen). [v.

Proseriptie(verbanning: eogelerijverklaring). I'roseliet (nieuwbekeerde, een die een geloof omhelst), m. —en. '

Proselieteninaker [geloofswerver), in. —s. IM'oselieteiiinakerij (bekeeringszacht), v. gmv. Prosit! ( Wel bekome het al Gezondheid!) t\v. Prosodie [leer der tijd-of toonmeting, leer van de lettergreepsmaat). v. gmv.

Prospect (aitzicht: boawkandige voorstelling: door zich tkandig tafereel), o. —en. Prospeetns (voorloopige aankondiging van een werk om in drak ait te geven, van een te vestigen zaak enz.: beschrijving der voordeel en en voorwaarden eener ait te geven leening, enz.), o. —sen.

Prospereeren [gedijen, in gelukkige omstandigheden komen of zijn).

Prosperiteit(fw/m'//7. bloei,voorspoed),x . Prostitneeren (openlijk aan schande prijs gevrn. on teen'}), schandvlekken). Pr.tstitneeren (xieli) (zie/i aan ontacht overgeven).

VrnHtit%itwiO)it acht,openbare ontaeht),\.£m\.

Protectie {bescherm ing. begunstiging, hoede), v.

Protector (beschermheer), m. —en. —

Protectoraat (beschermheerschap), o. ifinv.

Protégé {beschermeling, gunsteling), m. —s.

Protegeeren {beschermen, vooruithelpen).

Protest [tegenspraak, eerzet; formeele weigering tot betaling van een wissel), o. —en.

Protestant (dereformeerde), m. —en.

Protestantisme [leer en geloof der Protestanten), o. gmv.

Protesteeren (zich verzetten: opkomen tegen: het protest eau een a:issel gerechtelijk laten opmaken).

Protocol [register waarin gerechtelijke hangt;~ delingen worden opgeteekend), o. —len.

Prototype [oorspronkelijk model), o. —n.

Vro\\\êi*vet\{bewijzen.aantoonen,doen blijken).

Prove [onderhoud uit een liefdadig gesticht,, prebende, lijfrente), v. —n. Zie Prenve.

Provenlt;;aalscli (eigen taal in het zuiden eau Frankrijk, thuns ''en dialect), bn. eno. alszn.

Prlt;»venlt;;aleii [ridderlijke minnezangers der 12e en /.'/e eeuw in zuidelijk Frankrijk of Provence en in Spanje), m. mv.

Provenieeren [opbrengen, opleveren, voordeel aanbrengen).

Provenier [degene die een prove geniet, ook hij die in een armhuis is), m. —s.

Proveniersliiiis [armhuis), o. —huizen.

Provenu [winst, bedrag, opbrengst, eoordeel).n.

Proverbe, proxerhinm (spreekwoord, denhof zedenspreuk), o. —s.

Provcrhiaal {spreekwoordelijk), bn. en b\v.

I'roviand [voorraad, leeftocht), v. gmv.

Proviandeeren (vat leeftocht of spijzen voor-

Provideeren (voorzien). |zien*

l'i'ovidentie [voorzienigheid), v. gmv.

Provincie (eig. wingewest), v. —ci»;n. —cies^ —ciaal, bn. als zn. m.: —cialisme [gewestelijke zegswijze), o.

Provincielioiit (mod eerfhout), o. gmv.

Provisie (voorraad: het bum, het toekomende-voordeel, de winst: a ft rekking eener si an eoor gedane moeite), v. —siën. —sies.

Provisi4»neel (bij voorraad, vooruit, uit voorzorg, voorshands, voorloopig), bn. en bw.

Vro\i9wr {zaakbezorger, of bevoegd waarnemer in een apotheek: opziener), m. —s.

l'iHivocatie (uitdaging, tarting. tergiag). v. —tiën, —ties.

Provoceeren (uitdagen, ergens toe opeiselwn: zich op iets beroepen).

Provoost, prevot. proost (opziener, overste\ m. —en: (strafplaats der soldaten), v. —en.

Provimiteit [nabijheid, nabuurschap: naaste-bloedverwantschap), v. —en.

Pro/.a [ongebonden rede. onrijm, taal van het gewone leven), o. gmv.

Prozaïsch (niet lt;lichterlijk, plat,alledaagsch),. bn. en bw.

Prozaïst (prozasi-hrijver), m. —en.

Prnde {schijnzedig, ///////ƒ/), bn.: als /.n. [schijio-zedige nuf), v. —s.

Pruderie [schijnzedigheid, natfigheid), v. —r-n.

Pruik. Parnik. v. —en.

Pruik (ouderwetsche man), m. —en.

Pruikenmaker, m. —s. Hij loopt op een —sdrafje, d. i. eenigszins gejaagd.

Pruikeriu; (oud), bn.: —lieid, v.

Pruilen (pratten). ik heb gepruild: —er. m.

Pruim(vrucht,ooktabakoai te kan wen i. v. —eiu

Priiimeboom. m. —en.

Priiimedant (geconfijte pruim), v. —en.


ocr page 222

I 'RUIMEN—P VT HO N1SSA.

I'riiiincn {tabak liidnren). ik heb gepruimd; —er. m.: —«'rij, v. Fig. sniakeitjU cteu. I'ruiiiitahak. v. gmv.

I'riiiw (betvoner van Prinsen), m. —en. PriiiNiM-li. bn. Hier is tvat — (jeh/. PriiiMiMrli-zinir {licht vergift), o. gmv.

I'rul (nietigheid, vod), v. —len.

bn. en b\v.: —lieid,v. Frnllerij niietigheid). v. —en.

(nietig), bn. en b\v.

I'mlwerk. —lewerk, o. —en.

rrninrl. I'riniel (geconfijtc /trn.im van Provence), v. —len.

Prut (gestremde melk), v. gmv.

Prut. bn. Zij is niet d.i. lastig, onhebbelijk. Pruttelen {knorren), ik heb geprutteld: —aar. m.: —arij. v.

Pruttelis (knorrig), bn.

Prutteriu; (klonterig, rerdikt). bn.

Psalm (geestelijk loflied), m. —en.

Psalmist (dichter van psalmen, in/.. David), m. —en.

PNalter (psalmboek, ook speeltuig), o. —s. Pseudo (valsch, zoogenaanid. bedriegt ijk, misleidend). lm.

PMeiifloiiiein (verbloemde, valscheof verdichtv naam), o. —en.

PMeudoiiiiuiteit (Ivt drogen vaneen verdichten naam), v. gmv.

P«yelié (groot r. spiegel lgt;' voeten a it), v. —'s. I'wyeiioloKie (zielkunde), v, gmv. Pmgt; eliologineh {van of betredende tie ziel-kande. zielkundig), bn. en b\v.

I'ulterteit (hmvbatirheid), v. gmv.

Piihiieatie i bekend ma king, openbare afkondiging). —tien, —ties.

Piiblieeeren (bekend ma lam).

PuhlieiMt idagbladschrijre,• i. :n. —en. Pulilieiteit (rnchtbaarheiit. bekendheid, openbaarheid). v. gmv.

Publiek (7 algemeen, het rolk\ o. gmv. Publiek (openlijk, openbaar, tvereldkundig, ruchtbaar), bn. De —e opinie, de openbare meening.

V\n\(Hnss.geivichtvan ¥)pond, ± 20K.(:.),o.—s. Piuldiuu;. m. —en. Zie Poddinu;.

Pudeur (schaamte), v. gmv.

Pueriel (kinderachtig), bn.

Pueriliteit (Kinderachtigheid), \. —en. Vui' (last, trek), v. gmv. II,- heb daar geen — op. d.i. geen zin in. vero.

I'lilleii (blazen), ik heb gepuft. Pig. snoeven. Pu Herig; (blazer ig), bn.: — lieid, v. Pui {onderdeel van den voorgevel), v. —en. Puik (het beste), o. gmv. — van nieawen haring: het — der schoonen.

Puilader (krampader), v. —s.

I'uileu (buitenwaarts nitzwellen). de oogen hebben gepuild.

I'uilaos; (nithangend oog), o. —en.

Puilolt;»s; (persoon), m. en v. —en.

Puiloog;!quot;;. bn. De man is wat —.

Puimsteen (valcanische sleen), m. —en: als stofnaam, o.

I'uiu. o. en v. fn of tot — rollen.

PuiNNaiit (machtig), bn. en l)\v.

Puist (zwelling, etterzweer). v. —en.

I'uitaal, rn. puitalen. Vglk.: .\ al kwab. 'Pukkel ypnistje. bobbi'ltjv). v. —s. Ook: Peukel en Pokkei.

Pul (la 'nikje. kannetje), v. —len.

Pulken, ik heb gepulkt. Zit zoo niet in je neus te —. d. i. pluizeu.

Pullebroer (zuiper), m. —s.

Pullen (drinken, zaipen), ik heb gepukl. Pulsatie (polsslag), v. —tiën, —ties.

Pulver (kmit. stof), o. gmv.

Pulverisatie (poedermaking), v. gmv.

Piiiieli, v.: --bowl (ponskom.ponsschaali. v. — s. Zie INuis.

Punctuatie (zin- of scheiteekenplaatsing). v. gmv.

Piinetiieel (stipt, naawkearig), bn. en bw. Punt (spits en léesteeken), v. —en.

Punt (onderwerp, tijdpant en wiskmidig pant), o. —en.

Pniitdieht (klein gedicht met een geestigen zet in den laatst en regel), o. —en.

Piinteeren (de voorloopige voorwaarden eener o eer een komst opteekenen).

Punten (aanspitsen), ik heb gepunt.

I'unti^ (scherp, snedig), bn. en bw.: —lieid. v. Pupil (oogappel: ook kweekeling, minderjarige), m. en v. —len.

Puren (znieeren. zaigen), het bijtje heeft honig gepuurd.

Pur^atie (bnikzaivering), v. —s. —tiën. Purgatiel' (bnikzniverend middel), o. —liven. Purgeerdrank. m. —en: —middel, o. —en: —poeier, v. —s.

Purgeeren (zuiveren, afdrijven', ook: zich verontschnUiigen, verantwoorden). I'urilieatie {reiniging, zuivering), v. gmv. Purilieeeren (zai veren, reinigen. Ion tere n. Purim, l*urinireest (gedachte ais feest der Joden. Hamansfeest), o. gmv.

Purist (taalzifter), m. —en: —erij, v. Puritein (rechtzinnige, presbgteriaan). m.—en. I'urper (verfstof, klear), o. gmv.

Purperen (van purper, ook parperklearig). bn. Een — mantel, — wolkjes.

Purperen (parperklearig maken), ik heb gepurperd.

Purperkleurig, bn. Ken —e japon, —e Imml-schoenen.

VuniWitiiietiKklelnmoedig, kindeiwchtig, vreesachtig). bn.

Put. m. —ten. Als hel kalf verdronken is. dempt men den —, men neemt na het ongeluk eerst maatregelen.

Puthaak, m. —haken.

Putoor, m. —en. Zie Pitoor.

Puts (scheepst. Zeeterm scheepsemmer). \. —en. Vwinrn {scheppen met een pats), ik heb geputst. Putten (water ophalen), ik heb geput; —er. m. Fig. ontleenen nan, trekken uit.

I'utter {distelrink), m. —s.

Putting (scheepst. touwwerk), v. —s.

Puur (znirer. onvervalscht), bn.

Pygmee (fdjelachtige dwerg), m. en v. — meën. Pyramidaal. bn. Zie Piramidaal.

Pyramide. v. —n. Zie l'iramide. Pythagoriseli. bn. De —e tafel, d. i. de tafel van vermenigvuldiging: de —e stelling, of de stelling run Pythagoras, d.i. in den rechth. driehoek is, als a en b de rechthoeksz. en r de hypotenusa is: a--\- bquot; = r-.

Python (fahelarhtige vreeselijkr slang of gr-dachte draal,'), m. —s.

P\ thonissa (waarzegster, profetes), v. —n. —quot;s.


ocr page 223

Q—Ql'INQUINA.

203

O. v. lt;iquot;s. De zeventiemle lettei- van hel alph:i-quot;bel; als Romeinsch cijfer is = 500. O.A. — Qnod attestor, hetgeen ik getuig. O.B.r.F.O.S. — Qnod brmnm. fell-', fans-turn line sit. hetgeen goed. gelukkig en'gezegend moge zijn: God geve over tiit werk, deze verrichting zijn zegen. O.F.F.O.S. — (jm.d felhv. fanstmn que sit, hetgeen gelukkig en gezegend moge zijn. of God geve daartoe Zijner- zegen. O.D.B.V. — Qnod Dens bene vertat. God doe quot;het gelukken.

^JnaT. — (Jnwritnr. er wordt gevraagd, men Oiiirnt. — Qna'stio, een vraag. [vraagt.

— Qninta essentia. Zie OnintessfiiN. I O.K.Igt;. - Qnod erat denionstrandnm, hetgeen te bewijzen was.

lt;|.l. — Quantum libet, zooveel nis men belieft. «|.|». — Quantnm pincet, de hoeveelheid naar welgevallen.

lt;|.(|. — QuaHtnte ijim. in hoedanigheid; met volmacht.

lt;|.h. — Qnnntnni satis of unajttnm snflicit. zooveel als genoeg is.

q. v. — Quantmn ris, zooveel gij wilt.

■Ona (als. zooveel als), bw. — dokter, in de hoedanigheid van: — mamkitarins, :ils lasthebber: — talis, als zoodanig.

Onadraat (regelmatujc rierhoek, of vierhoek niet gelijke zijden en gelijke hocl.en). o. —draten. Ook gespeld: Kiradrant. kwadraten. OiiadrageHima (de zesde. Zondag voor Paschen), v. gmv.

'Ouadraiit (het. derde gedeelte van een cirkel-hoog: werktu 'uj lt;nn de hoogte op zw te meten), o. —en.

Oiialt;li'atiiiii', v. De — des cirkels, het veranderen van een cirkel in een vierkant van gelijke grootte: lig. iets onuitvoerbaars,onmogelijks. Ouadn'^reiK vierkant mnkempassen.schikken gt;. Ouadrillc (dons of knartspel van vier personen). v. — s.

■Oiiadrilleeren (een gnadrille dansen: het qnadrille-spet spelen).

Ouaflrillioen {millioen in de vierde macht), ■Oiiadro (vierstemmig), muz. [o. —en.

OiiadrimiaiMMi (vierhandige dieren, apen). quot;m. mv.

(Jiiadrii|gt;«Ml«gt;ii {viervoetige diere,,), m. mv. Oiiadrnpcl (viervoudig). bn. Quadrupel-alliantic. viervoudig verhond.

'Oiiadrupliratie (verviercondiging). v. Oiia'i'itur ide vraag is). Zie OnaT.

4)iia*»tM? (vmag. geschil), v. —tien, —ties. quot;in —. waarover gehandeld wordt: er is geen — van, dnt lijdt geen —. het spreekt vanzelf. ■Oua'HtHMiH quot;mzeker. ttvijfelachtig). bn. ^Jlia'MtioniMM'mi {Ondervragen, uitvragen,

ook op de pijnbank).

■Oua'Hfor (bij de Romeinen: bewaarder der quot;schatkist), m. —en.

Oiia'Mtiiur (ambt van quaestor), v. gmv.

toekenning eener eigenschap, omschrijving, betiteling), v. —s, —tiën. ! •Q\iii\ii\vntieV(nadcr bepalend. beschrijvend),hr\. Oiiali(M-«'lt;gt;ngt;ii (een zaak bepalen, beschrijven: een zekeren titel geven: geschikt, vatbaar. : gerechtigd maken). Ook: Qnalifieeren.

Oualitate 4|iia. Zie lt;|.(|.

OnalitatiH' (volgens de waarde, de ijestcbi-heid. het gehalte), bn.

OnalifiMt {gesteldheid, eigenschap van een din t of van een persoon: stand in de bnrgerlijl.-samenleving: titel, die iemands waarde en rang aanduidt), v. —en.

Oualiter (erenaIs). — tatiter, hoe het ook /.ij.

het zij zoo 't wil.

Oiiaiid-iiiriiif (hoe 't ook ga. tot eiken prijs). Oiiant a inoi (teat mij betreft). Zijn — bewaren: zijn quant n soi bewaren, op zijn hoede zijn, stijfdeftig zich honden. OiiantHatiel' (volgens de hoeveelheid, una,- «/'■ grootte, het getal), bn. | —en.

Oiiaiititcit (hoeveelheid, menigte, bedrag), v. Oiiaiitiini (zekere som: grootte, menigte, getal, maat), o. — libet, zie q.l.: — placet, zie q.p.; — satis. — sn flicit, zie q.M.: — vis, zie q.\. Oiiaraiitaine (proeftijd of lig tijd voor schepen, die van plaatsen komen, waar men vermoedt dat een besmetting heerscht. vroeger ld dagen, waarvan de naatn —). v. gmv.

Ouarre {vierhoekig), bn. als zn. (vierkant), o.

—s. Ook: Car re.

Onarterone. Onadroiic (kind can een blanke en een mulattin, of omgekeerd), m. en v. —s. Onartet {muziekstnI: voor vier zangers of spelers), o. —ten.

Ouarto (in) {eot vel papier 'm eieren verdeeld). Onarto (ten rierde). bw.

Ónartlt;» (zeker boekformaat), o. —'s.

OuaHi (gelijk, als. alsof). I-Jen — dokter. lt;l.i. kwakzalver; een — eontract, een schijncontract. Oiiatcrteiiiper (bij de li. K.. vasten op Woensdag. Vrijdag en Zaterdag, viermaal in *t jaar), m. —s.

Onatre-iuaiiiH (mnziekslnk voor vier Inmden quot;gezet), v.

Óneen {Eng. koningin), v.

Oneeii'-H-InMirli (oppergerechtshof in Limden ).v. Ouerelle (klacht, beztraar, twist), v. —s. Onerelleeren (twisten».

Onene (staart).\. —s. Faire — of — maken, zich in een rij opstellen om in volgorde ergens te worden toegelaten.

OnihiiN (dwaass, kivast), m. —sen. Ook: Bvwiluis.

Onidani (iemand, een zeker persoon: mordt ook gebruikt voor een kwastig mensch), m. —s. Ook: Kwidani.

Onidproqno. qnipi'nqno {misslag, vergissing.

misverstand), o. gmv.

OnieMeeeren (rusten, zich geruststel ten. stilzitten).

Oiii«;HC*eiitie( rust, toestand desgemoeds). v. gi n v. OniêfiNine (volkomen berusting des ge moed s in God. in stille beschouwing van (lod), o. OnietiHt (aanhanger eau het qnjclismc. stille

dweper), m. —en.

OniêtiMteriJ. v. gmv.

Oniiieaillerieen (allerhande kramerijen. nit ijzer, staal. Loper. enz. eervaardigd). v. mv. Oniiilt;|iienninni (tijdruimte van vijf Jaren).ó. Oninqnet (ballonlamp met dnhbeb' liehtpit),

Oninqniiia (Amerik. 11:1:1111 voor 1,1 na. koorts-quot;bast), v. gmv.


ocr page 224

QUINT—KABBIJN.

Oiiint (de vijfde tona tuin den tjrondlonn : de dunste en helderste snaar op snaarinstrumenten)^ v. —en.

Oniiitaal (centenaar), o. —talen. iJnmteHHvm'r,i}uiutesHruH{/iet /ijnste.eilelste. tteste, krachtigste eener zaal:: het coornaaniste. de kern van iets), v. gmv. [—'en.

Ouintet {muziekstuk vaar vijf stemmen), o. Oiiiprolt;|iio (vergissinf/. misverstand), o. —s. Ook: Oiiicl|mH|iio. Inbigè), o.

Ouiriiiaal ( paleis in Home, verblijf des ka-Ouitaiitif {bewijs van nat vangst), v. —tien.

—lies. Ook: Kwitantie.

Oniteeren (als voldaan teekenen, ontslaan: verlaten).

Ouitte (los, vrij. ledig, onbelast), bn.

Hui-va-la ? Oni vive? lt;ui-va-la ? Oni vive? lt; Wie daarquot;!).

.uodlihet {samengesteld ding, mengelmoes; laffe woordspeling), o. —s.

Ouota {aandeel, hetwelk iedere provincie bad bij te dragen), o. —'s, quoten. Ook: Quotum,

Ouoteereii (opteekenen. met getallen voorzien), b\v.

Oiiotiënt (deelingsaitkomst), o. —en.

Oiiotatilt;'. Onotinatie {aandeelsberekening), v. —s. —tiën.

OiiotiNeeren (schatten, ieders aandeel in de belastingen bepalen).

Onotifliami* (dagelijksrUi. bn.

Ouotitcit (aandeelsvt'rhouding). v. —en.


K

R. v. r's. — 1 )e achttiende letter van hetalphabet: als Romeinsch cijfer is R = 80.

K. (op recepten).— Hecipe. neem of men neme.

R. Kesp. - Responde of liespondeatur, antwoord. men antwoorde of ei- worde geantwoord; ook Reponsum. Fr. reponse, d. i. antwoord.

li.C. of II. K. — Roomsch Katholiek.

H.l). — Reverendus Dominus, of Reverende Doniine. eerwaardige heer.

K.F.S.V.P. — Réponse favorable s'il vous plait, verzoeke beleefd om gunstig antwoord.

H.l. — Romanum imperium, het Romein-sche rijk.

H.I.P. - Req uiescat in pace, hij (of zij) ruste in vrede.

H.I.S.A. — Romanorum imperator semper Augustus, de altijd of zeer verheven keizer der Romeinen: ook: de Romeinsche keizer, altoos de vermeerderaar des rijks.

li.M. — Regia Majestas, of RegiaeMajestatis. de koninklijke of van de koninklijke majesteit.

K.M.1. — Reverendi uiinisterii candidal us. candidaat van het eerwaardige leeraarsambt.

ll.O. — Rutione officii, ambtshalve.

H.l*. — Reverendus pater of Reverendi pater, eerwaardige vader of pater.

Ker. - Re censent. Zie op dit woord.

lied. — Redacti iur. Redactie. Zie op dit woord.

Keg. — Reg ula, regel: ook Regius, koninklijk.

Kenp. — Respublica, het gemeenebest, de vrijstaat; Resp. Rom. — Respublica Romana, het Romeinsche gemeenebest.

Ka (scheepsw. diuarssteng), v. raas.

Kaad. m. raden. Hij is — der stad. lid van den gemeenteraad; de hooge —. het hoogste gerechtshof: de — van State, college van staatsbestuur: de — van In dié. Er is geen — voor. middel: goede — komt nooit te laat.

d. i. voorlichting: — schaffen, hulpmiddelen opsporen, een uitkomst vinden: met iem. te rade gaan, d. i. iem. raadplegen: met zijn beurs te rade gaan, d. i. rekening houden: ik ben ten einde —. zie geen uitkomst meer: — noch daad weten, wanhopig zijn.

Kaad^evhig. v. —en.

KaadpeiiHioiiaris {in de dagen 'Ier Republiek, eerste staatsambtenaar in Ifolland). m. —sen.

Kaadplegen (o

nen). ik heb gi

ooi i'aod rrageu. raad inwin-geraadpleegd: —pleger, m. KaadHbesliiit. o. —en. I*; —en Cods. d. i. de KaadMel, o. —en. —s. 1 beschikkingen.

KaadNelaHitiu; (zeer rreeuul), bn.: —heid. v. KaadMlieer {rechter in een gerechtshof), m. —en: —lijk, bn.

KaadMinan (raadgever), m. —lieden. KaadMvergaderiiis. v. —en.

Kaadzaam {heilzaam, nattig), bn. e i bw. Kaal* (vogel), v. raven. Een witte — iets dat hoogst zeldzaam is. '/.e stelen als de raven. Kaagbol (raagborsteh, m. —len. Zie llagebol. Kaagliooi'd. KaagHliooI'd (raagbol), o. —en. Kaak {achterst'- deel run het gehemelte), v. raken.

Kaaklijn (laeetk. lijn), v. —en: —pnnt, o.—en. KaaksHiieten {treffen), ik schoot —. heb geslagen.

(treffen), ik sloeg—, heb geslagen. Kaam (raming), m. Hij deed er een — naar. De schutter nam zijn — te hoog, d. i. mikpunt. Kaam {deurraam, enz.), o. ramen.

1 Kaap (knol), v. rapen.

Kaapkoek (veevoeder), m. -en.

Kaar (zonderling, zrldzaum), bn. en bw. Een — geval, een — mensch.

Kaasbol (schreeuwer), m. —len.

KaaHbollen (lawaai maken), ik hebgeraasbold. KaaMkallen (ijlhoofdig zijn), ik hel» geraaskald. Raat (honigraat), v. —raten.

Rabarber (plant), v. gmv.

Rabat (korting boven of onder 'l honderd), ' o. —ten.

Rabat {zoom. omslag van een gordijn), o. —ten. Rabat (smal tuin- of bloembed), o. —ten. Rabatteeren {korting geven bij contante hela ting).

Rabatten (dichtschaven). ik heb gerabat. Rabant (deugniet), m. —en.

Rabanten (den rabaut aithangen), ik heb gerabaut.

RabauteiiNtnk (schelms tuk), o. —ken. Rabauw (grauwe renet, winterappel), v. —en. Rabbelen (sehielijl: ''n onverstaanbaar spreken), ik heb gerabbeld: —aar, m.: —arij. v. Rabbi (aanspreektitel ean een rabbijn), m. —quot;s. Rabbijn (Isr. geestelijke), m. —en.


ocr page 225

HACOMMODEEKEX—HAPIDITKIT.

205

llamiiiiiiuMle^ren (herstellen, vernieuwen; weder ffoedmaken).

Rad, o. —en. —eren: raadjes, radertjes. Het— der fortn'm: iem.een — voor de oog en draaien, d. i. hem foppen, bedriegen: hij is daar het vijfde — aan den wagen, overtollig; met 'jalcj en — dreinen, d. i. met strenge straf (vero. ). Het slechtste — maakt het meeste geraas, de lomperds hebben de meeste drukte. Rad (i'lng). bn. en b\v.; —lieid.v.; —dikheid, v. Hij is — ''an tong.

Radbraken (op het rod breken), ik heb geradbraakt. Fig. Hij radbraakt zijn moedertaal. Raddraaier {voorrechter, aanvoerder), m. —s. Radecrcn {schaven, uitkrassen; met sterk water in koper etsen).

Raden (raadgeven,gissen), ik ried, heb geraden. Raderhaar (ziekenwagentje quot;/gt; wielen), v. —s; — boot, v. —en: -kast, v. —en: —werk. o. Radiant {schitterend, stralend), bn.

Radiatie (het uitschrappen ran een post in een rekening; uitstraling), v. —s. —tiën. Radioaal (wat den oorsprong, grgt;oidvn tvortel eener kracht of eigenschap uitmaakt; oorspronkelijk), bn. Ken radicale herronning, een radicale genezing, een — bederf. Radicaal (aanhanger ran een staatspartij, die een akjeheele herziening ran de grondwet verlangt), m. mdicalen. Hij is — in de politiek. Radicaal (bevoegdheidstitel), o. H -i — ran arts. dokter, leeraar, enz.

Radicalisme (dv leer der radicalen). lt;•. gmv. Radja (inlandsch vorst in fndië), m. —quot;s. RadijH. v. —zen.

Radiometer (graadboog, werktuig, ton de poolshoogte te meten), m. —s.

Radiometer {.,iichtni(denljequot; van Crool.es), m. —s.

Radius (licht- of zonnestraal: de hat re middellijn van een cirkel), m. —sen.

Radix (wortel: wortelgetal), m. radices. Radoteeren {onzin praten, sa pen). Radouceeren (zachter maken: een metaal zijn hardheid benemen; matigen; sassen). Ral* (rugvin van een soort tarbot), v. gmv. Kalei. v. —s.

Ratelen (pluizen, draden uithalen of loslaten ). ik heb en het is gerafeld.

Raielina: (pluksel), v. gmv.

Radelen (rabbelen), ik heb geralleld. Rariinaderij (zniveringsfnbriek). v. —en. Suiker—.

Rat'linadeiir (zuireraar: saikerzieder), m. —s. RatTnieeren (reinigen, zuiveren, lonteren). R»k {spinsel, spinneweb). o. gmv.

Rage (dolheid, razernij, woede: tig. verzotheid op iets), v. gmv.

Ragebol. Kaasbol, m. —len.

Razeil {zuiveren van raq). ik heb geraagd. K a^ont (kleingesneden stukjes vlecsch. opgestoofd met gekruide sans), m. —s. I*ig. mengelmoes.

Rail (spoorstaaf, dwarslegger). v. —s. Railleeren {spotten, schertsen, beet hebben). Raillerie (scherts, boert, kortsivijl), v. —ën. Railway (spoorweg), m. —'s.

Kaison {rede: verstand: grond, oorzaak, be-weegreden). v. gmv.

Raisonnabel {billijk, redelijk, edel, mild),h\i. KaiHonneeren (verstandig redeneeren. oor-deelen, besluiten: tegenwerpingen maken: t eigenstribbelen).

Rai.sonneiiient (redvneering). o. gmv.

Rak (water, bocht), o. —ken.

Rake! (pook ijzer), m. —s.

Rakelen (bijeenscharen), ik heb gerakeld. Rakelijzer, o. —s; —stok. m. —ken. Rakelings. b\v. Dv sneeuwbal ging — longs mijn hoofd.

Raken (treffen. aandoen), ik heb en ben geraakt; — iiiff. v.

Kaket (/. raid), v. gmv.

Raket (kaatstirig), o. —ten.

Kaketten (kaatsen met den plaimbal). ik heb geraket.

Kakker (dieuenleider, beulsknecht), m. —s. Rakketalie (scheepst. toaw), v. —s.

Rallen (snappen, babbelen), ik heb ge ra ld. Rallieeren (herzamelen, in orde brengen). Kam (mannetjesschaap), m. —men.

Kamen (bepalen, berekenen), ik heb geraamd: —ins. v.

Kamenas (knolvracht ),x.—sen. Ook: ra mme las. Ramincatrte (ro'takking), v. —tiën. —ties. Kaminei (stormram, maarbreker), v. —en. Kaminel (rammelaar, rammelaarster), m. en v. —s.

Kamnielaar(/wMt7lt;/«/-: nu(nnetjeskonijn: ook kinderbei), m. —s.

Kamineleii. het heeft gerammeld. De pitten — in den appel: de pijlen — in den koker;

— ins (oök slaag), v.

Kammelkast (niond).\. —en. Hon je —. gmz. Kaminelkees (snapper), m. —keezen. Kammelkons (persoon), m. en v. —en. Kani|» (onheil, groot ongeluk), v. —en. Kampaard (scheepsw. rolpaard), o. —en. Kamponecren (bederven, beschadigen). Kampspoed (tegenspoed), m. —en. Kampxalis (noodlottig), bn. enbw.; —beid. v. Kaïicnne (wrok, haat), v. —s.

Rand. m. —en. De — ran den hord. de — van een brief, de — ran den afgrond: aan den

— des grafs. op den — des verderfs.

Kanden (met een rand 0)ngeven. ik heb gerand. Kandslosse (aanmerking op dvn rand ran

een geschrift), v. —n.

Rans (stand, regeling), m. —en.

Kanseeren (in orde stellen, zetten, mengen, leggen, enz.).

Ransscliikken. ik heb gerangschikt: —ins, v. Ranimeeren (weder bezielen, opvroolijken : nieuwen moed vatten).

Rank (list), v. —en. Honger zoekt —en.

Kank (twijg), v. —en.

Kank (tenger), bn. en bw.: -beid. v. Een — hert, een —e boot, — van gestalte.

Ranonkel {veldbloem), v. —s. [is —.

Kans (garstig), bn. en bw. De boter, het vet Kansel (soldatentasch), m. —s.

Kansel (slaag), m. lem. — geren.

Ranselen (felslaan), ik heb geianseld: — ins* Kansis (garstig), bn. en bw. Ook: Kans. [v. 1 Kansnil (nachtuil), m. —en.

Rantsoen. Kansoen ( losgeld), o. —en. Kantsoen (hoeveelheid spijs of drank voor j matrozen, soldaten, enz.), o. —en. Rantsoeneeren, Ransoeneeren (urijkoopen, lossen; op rantsoen stellen).

Rap (vlug. snel), bn. en bw.: —beid. v. Rap (schurft), o. gmv.

Rapaciteit (roofgierigheid, roofzucht), v. gmv. Rapal.je (gepeupel), o. Ook: rapaille.

Rapé (snuif), v. gmv.

Rapen (verzamelen), ik heb geraapt. 1 Rapiditeit (snelheid, gezivindheid). v. gmv.


ocr page 226

WAPlEli—HECHTEN.

Kapicr {lunge thyro. o. —en.

Kappcl (ternyrocphiy, hcrinneriny), o. —s. Kapprleeren (terugroepen, herinneren). Kajiport(bericht, verslag; ook: overeenkomst; betrekking), o. —en.

llapportwM'en {berichten, melden: verslag Kapporfeur (verslaggever), m. —s. [doen. KapjiroflHM'n'ii (naderbrengen. verzoenen). Kapsodie. Khapsodie {allerh-i te zamrn geschreven zaken, verzameliverk, rommelzoo), \. Karckick (kijkkast), m. —en.

Karigheid {vreemdheid), v. —lieden.

Karitcit (zeldzaamheid), v. —en. Kariteiti'iikaMt. v. —en.

Kas (zeew. draaikolk), o. —en. Ka» {gekoperde stof), o. ginv.

Kas {soort, geslacht), o. —sen.

ItaM {gezwind). b\v. liet — vervlogen geluk. Ita.srïi (snel. vlug), bn.: —lieid.v. Mt't rassche Kapjes (schielijk), b\v. {schreden.

KaHp {werktuig), v. —en.

Kampen {fijnmaken), ik hebgernspt; —er, in.; -ing. v.

ItaHpliniH (gevangenis), o, —huizen: -vijl. v. —en: —zaag;, v. —zagen.

KaHteriiiju; (latwerk), v. —en.

UaHterwerk {hekwerk), o. —en.

RaHtreeren {lijnen trekken).

Kasiire {uitgekraste plaats in een geschrift). Kat. Rot (knaagdier), v. —ten. [v. —sof —ni Rata {evenredig aandeel), \. Pro —. naar evenredigheid.

Ratafia i lihenr). v. gmv.

Ratatouille (door eenges tam i'l middageten der soldaten: hutspot), v. Ook: Ratjetoe.

Ratel (werktuig), rn. —s: Hou je —. d. i. je mond. gmz.

Ratelen, jk heb gerateld: —laar. m.:—lins, v. Ratelier {kunstgebit; getveerrek), m. —s. Ratelkons. m. en v. —«mi : —mond. m.en v. —en. Ratiücatie (hekrachtiging; bekrachtigd document), v. —tiën. —ties.

Ratificeeren (bekruchtigen. bevestigen).

Ratijn {zekere geweren stof), o. gmv. Ratioiialisine. rationaliMiiniH (godsdienst der rede), o. gmv.

Ratilt;uialiMt {aanhanger van het rutionalisme). m. —en.

Rationeel {op de rede gegrond), bn.

Ratjetoe, v. gmv. Zie Ratatouille. Ratrapeeren {weder verrussen, betrappen). Rattenliol.o. —en; —sprenkel, m.—s: —kruit

{vergif, arsenicum), o.: —newt, o.—en: —val. v. —len.

Rattestaart {dunne ronde vijl), m. —en. Rauw (ongekoi 'kh. bn.: — licid, v.: —iglicid.

v. Honger maul: —e boonen zoet: een —e uppel, — vleesch. Een —e wond, versche. -pen wond.

Ravagi' {verwoesting), v. —s.

Ravageeren {verwoesten.plunderen, vernielen). Ravelijn {voorschans), o. —en.

Ravenaas {kreng: lig.: galgenaas, hangbast)

—azen: —Kekras, o.: —nest. o. —en. Ra\ijii {holle weg, bergkloof), o. —en. Ravissenient {verrukking), o. —en. Ra\itailleeren {opniemr run levensmiddelen voorzien).

Ravotten {luidruchtig spelen), ik heb geravot;

—er, m. —erij, v.

Rayeeren. ook royeeren (lt;/';o/7/'//e//, nitdoen). Rayon (straal: omtrek' eener vesting), m. en

\ii\yin\\\i\i\i{st rule uil.schitterend,prachtig ).bn.

Razeeren i scheren: vestingwerken verwoestenr sloopen).

Razen (een dol leven, mak n), ik heb geraasd; —er, m.: —ernij (razerij), v.

Razend (woedend, dol), bn. en b\v.

Razernij (dolheid), v. —en.

Razijn. v. —en. Zilt; Rozijn.

Razzia. Razia (strooptocht), v. —s.

Reaal (geldstuk in Spanje, Mexico, enz., ter waarde van 2A ct.: S'J ct.), in. realen.

Reaetie {terugwerking), v. gmv.

Reaetionnair (tegenstrever), rn. —en: {tegenstrevend, tegenwerkend), bn.

Reaseeren {tegenstand bieden, terugwerken).

Reagens (terugwerkend middel), o. —tia.

Realisatie {het te gelde maken, verwezen lij-Li mg), v. -tiën. —ties.

Reaiiseeren {tot een werkelijk bestaan brengen: waren of elfecten te gelde maken).

Realisme, realismns (leer der werkelijkheid^ het tegenovergestelde van idealisme), o. gmv.

Realist {aanhanger van hel realisme), m. —en :

Realiteit( werl:gt; • lijkhei (/).v.gmv. [—tise li, b n.

Rehel {oproerling, muiter), m. —len.

Rehelleeren (opstand veroorzaken, muiten).

Rebellie ()nuiterij,gewelddadig verzet), v. gmv.

Rebellis (o/y/v'eW//), bn.: —lieilt;i, v.

Rehelseli. bn.

Rehns (raadselbeehl, figuur, raadsel), m. —sen.

Rehnt (uitschot), o. gmv.

Rehiitant (onaangenaum. rampspoedig: onbehaaglijk; afschrikkend), bn.

Rehnteeren (op een harde en verachtelijke manier afwijzen: afschrikken, den moed. benemen).

Recapitulatie (/.' gt;rteopsomming, herhaling ),v.

Recapitnleeren {samen rul ten).

Reeenseeren {beoordeelen. vftornumelijk van boeken en geschriften).

Recensent {boekbeoordeeluar). m. —en.

R^M-ensie {beoordeeling vun boeken, ;nz.). v. —siën. —sies. [bn.

Recent {versch, nieuu\ onlangs voorgevallen),

Recepis (bewijs vun ontvang), o. —sen. Ook: recepisse.

Recept (voorschrift ter bereiding run geneesmiddelen. spijzen, verven, enz.), o. —en.

Receptie {het onivangen br. hij ondertrouwr ook de ontvangst der getukwenschen : plechtige ontvangst: de aunneming van iemand, als lid van een gezelschap), v. —tü'-p. —ties.

Rcceptiinr (de kunM van artsenijbereiding), v. gmv.

Reces (schriftelijk vergelijk; afsche d. wederkomst: achtersta ml, verzui mde beta ling eener som: deze som zelve), o. gmv.

Recette (ontvangst), v. —s.

Reclierche (navraag, onderzoek), v. —s.

Reclierclieeren (nauwkeurig o, derzoeken; uitvorschen): —enr. m. —s.

Reclierche-vaartnis (vaartuig met ambte-uuren. die tegen sluikerij moeten waken),

Recht (niet. krom\, bn. en bw. Hen —e lijn. De —e weg, d.i. de goede, ware: de —e. erfgenaam, d. i. wettige: — overeind.

Recht (gerechtigheid), o. —en. Het — moet zijn loop hebben: waar niets is, heeft de keizer zijn — eerloren.

Rechtbank (rechters), v. —en.

Rechten (uitsprmik d.oen mnir het recht), ik heb gerecht.


ocr page 227

IfECHTEK—KEDDITIE.

207

Ree-liter, in. —s, —en: —lijk (»/»' —f macht), bn.: —«ambt, o. —en; —M'tiap, o. Kecliterann. m. —en: —heen, o. —en: — hand, v. —en; —kant. m.: —oever,m.—s: —zijde, v. — n.

Keehtsellt;»ovig {orthodo.c), hn.; —heid, v. Keehtlioek (meetk. vierhoek met rechte hoeken), m. —en: —ig, bn.

KeelithniH (gemeentehuis), o. —huizen. Keehti^en (iiiachtifjen). ik hel) gerechtigd. Keclitniati». bn. en b\v. De —e bezitters, de —fgt; eigenaars.

Ree hts. bw.

KeehtHaf', bw. Ur taande laar sloeg —. Keehtshan (rechtsgebied), m. gmv. Reehtseh.bn. Dit kind is niet —. maar linksch, d. i. doet met de linkerhand wat gewoonlijk niet de rechter- wordt gedaan.

Keelit«ehapen [eerlijk), bn.: —heid. v. KeehtsdwaiiK (maatregel van geweld, de gewapende macht), in. gmv.

Keeht.Hgehicd, o. —en.

ReehtN^ediiiü; (proces), o. —en. Reeht«tt;el«gt;erd. bn.: —heid, v. Reeht^seleerde {advocaat), m. —n. ReeiitNliandel. m.: —ingang, tn.: —niacht, v. Reehfooinkeer, bw. — maken. ReehtHperMoon. m. en v. —personen, l-'en vereemging als — erkennen.

Rerhtsplevins;, v. —en.

Reehtspmak [uitspraak), v. gmv. ReelitHpreken {.gerechtelijke uitspraak doen), ik sprak —. heb —gesproken.

ReehtHtandi^; {loodrecht), bn.: —heid, v. ReehtNtreeks (onmiddellijk), bw. ReehtMtreekM'h, bn. Een —e verbinding. Ree hts verdraaiing;, v. —en: —verkrachting;, v. —en; — vordering;, v. —en: —vraag. v. Reehtvaardig (eerlijk), bn. en bw.: —lieid. v. Reehtvaardigen, ik helt gerecbtv;iardigd: —ing, v. Zich —. zich/.uiveren van een lilaam. Reehtzaak, v. —zaken.

Reehtzaal. v. -zalen.

Reehtzinnig (orthodox'), bn. en bw.: —heid. v. Reeidive (nienwe aanval run een ziekte: herhaling eener misdaad), v. —diven.

Reeiel' (schriftelijke verklaring van een schipper, dat de goederen ontvangen '*gt;/ ingeladen zijn), o. Ook: rescif.

Reeiet {voordracht), o. —en.

Reeipe {neem). Zie R.

Reeipieeren (aan- of innemen, ontcmigen). Recipient (klok van een lachtpomp), v. —en. Reciproceeren (met gelijke mnnt betalen, vergelden).

Reciprociteit {het weder keer ige). v. —en. Recitatie (voordracht), v. —tiën. —ties. Recitatief' (handeling tnsschen spreken en zingen', een soort can declayneei'end gezang), o. —tieven.

Recit eeren (ran bn it en opzeggen, voordragen in rede na ars toon).

}\ev\iune(terugvordering, klacht: ook: artikel in ee)i dagblad ter aanprijzinq van iets), v. —s. Red aineeren (terugeischen. aanspraak op iets i maken, terug vorderen).

Recognitie (navorsching eener zaak. herhaald onderzoek: vergelijking van ontvangen dien- j sten: erkentenis, bekentenis), v. —tiën, —ties. | RecogiioNceeren (run verre bezichtigen: voor | echt erkennen: het terrein des vjandsonder- j

zoeken).

Rccollccten (Franciscaner oinnniken), nr. mv. j

Reconiniaiidalx'1 (aanbevelenswaardig». lm. Recoininaiidatie('^//lt;/M,r/'//^gt;7). v. —tiën. —ties. Reconiniaiideeren {aanbevelen, aanprijzen;-iemand ernstig aanbevelen).

RecoinpeiiNe (belooning), v. —s. ReconipeiiMeeren (belt tonen, vergelden). Rccoinplctcereii {opnieuw voltallig ngt;aken). Reconciliatie (verzoening), v. —s. —tiën. Reconcilieeren ( weder verzoenen, bevredigen). ReconvalcNceeren {herstellen, aan de beterhand zijn).

Reconvalescent {aan de beterhand. In-,--stetiend), bn.

ReconvaleHcent (een zieke die aan de brtrr-hand is), m. en v. —en.

Reconr» {teruggang of -vordering, toevlucht; recht van schadeverhaal), v. gmv. Reconvrecren (weder bekomen of verkrijgen). Recreatie {verlustiging, uitspanning), v.gmv. Recreeeren (verfrisschcn, verlustigen, verkwikken).

Rccriininatiei tegenbeschuldiging). v.—s.—tiën. Recriniinecren (wederkeerig beschuldigen,, tegen klachten doen: met smaad of schimp beantwoorden).

Ree rnteeren {troepen werven, lichten, voltallig of geheel maken).

Recrnteering utanwercing. lichting), v, gmv. Recrnnt (nieuw aangeworven soldaat), m. ; recruten.

Recta (rechtuit). Via —, langs den rechten weg. Recta-wisNel (wissel o/i een bepaald persoon), m. —s.

Rectilicatic (cerbetering: herhaalde distillatie). v. —s, —tiën.

Rectificeeren (verbeteren, in orde brengen; door (gedurige overhaling versterken).

Recto tolio [op ile rechterzijde).

Rector (bestuurder van een Latijnscheschoot, een gymnasinm: ook geestelijke in een klooster), m. —en. —s.

Rector niagiiilicns (voorzitter van een aea-demischen raad of senaat), m.

Rectoraal (den rector betreffende), bn. De —ate waardigheid.

Rectoraat (at nbt van rector), o. —aten.

Relt;;ii (schriftelijk bewijs van ontvangst), o. Recneil (verzameling, bundel), o. —*. Recneilleercn (verzamelen, vergaderen: le-r-stellen: lot zich zeiven Lomen i. /.ïeh —. Recnl (terugsprong van het geschut na het afvuren, o. gmv. [ken).

Recnleeren (tei'iujloopen, (whteruit-iaan. wij-Reen r ree ren [hulp zoeken, hulp eischen). ReciiNahel (verwerpelijk), bn.

Recnleeren (weigeren, wraken, vera^erpen, terugzenden).

Redacteur (hoofdopsteller, samensteller, leider van een krant of tijdschrift), m. —s ot' —en. Redactie (gezameniijke redacteuren van een dagblad of tijdschrift: de wijze, waarop een mededeeling enz. onder woorden is gebracht). v. —tiën. —ties. De — van een wetsartikel dient in de eerste plaats duidelijl,- te zijn: de commissie van —: het amendement bedoelt alleen een verbetering in de — can 't artikel. Reddeloos (niet te redden), bn. en bw. Redden, ik heb gered; —der. m.: —ding. v.: — middel, o.

Redderen (iu orde brengen, regelen), ik heb geredderd: —aar. m.: —ing. v.

Redditie {teruggaaf, overgaaf eener vestimi) v. —s. —tiën.


ocr page 228

li EDE—I {EG EX.

■208

Rfde ((jcspreli. vertoon), v. —u. lem, in de — vallen-, de deelen der —.

Rede* {denkvermogen), v. De menscli is be- j gaafd met —.

Redekavelen{redeneei'en).\\\ heb geredekaveld:

— ins, v. vero.

'Redelijk (met rede begaafd), bn. en l»\v.; |

— Iieid {billijkheid), v.: —erwijze olquot; —erwijs, bw. De mensch is een — ivezen.

Rrdeloon (zo)tder verstand), bn.: —lieid, v.

Het —loaze vee.

Reden (oorzaak, grond), v. —en. Wat is de — 'Reden {verhouding), —s. Ken meet kundige

—. een rekei ikundige —.

Redenaar dvoordvoerder), m. —s. —n;iren. Redenaarsgave, v. —n; —gewfoelte. o. —n;

— talent, o. —en.

Redeneeren (betoogen, ~ijn gevoelen uilen), ik heb geredeneerd: —der, m.: -ins, v.;

— kuilde (logica), v. gmv.

•RedeiiKevend. bn. Ken — voegwoord, bv.

want. omdol.

Rederijk iwèl ter taal), bn.: —lieid. v. Rederijker, m. —s.

RederijkcrHkaiiier. v. —s.

'Redetwisten (dispateeren). ik heb geredetwist. Redevahel (verpiicht. verschuldigd, erkentelijk), bn.

Redevoeren (een rede houden), ik heb geredevoerd: —der, m.: — ina;. v.

Redewiswelen {met elkaar spreken), ik heb geredewisseld: —ing, v.

Redezit'ten (vitten, afdingen), ik heb gerede-zift: —er. m.; —ins. v.

Rediu;eeren (samenstellen, opstellen, voor de drukpers gereed maken).

Redingote (rijrok, overrok). v. —

Redites (herhalingen), v. mv.

Redonl»leeren (verdubbelen, versterken). Redoutahel (vreeset ij k.imtzag lijk,geducht), bn. Redoute (veld- of schrikschans', maskerade, maskeradedans), v. —s.

Redonteeren (vreezen. dachten, schamen). Redres (herstel, vergoeding), o. gmv. Redrewseeren {terechtbrengen, weder goed maken, herstellen).

Redneeeren {terugbrengen of -voeren, verminderen, beperken: maten, munten en gewichten herleiden).

Rednetie, redneeering (verkleining, herleiding, vermindering), v. —.s. —tiën; —en. Ree (hinde, hert), v. —(quot;mi.

Ree (ligplaats), v. —ën. Zie Reede.

Reebok (uuiidi. der reegeit), m. —ken.

Reede, ree lt; ligplaats voor schepen), v. reeden. reeën. De — van Batavia, het schip ligt ter —. Reede. ree [gereed), bn.

Reeden (gereedmaken, toerusten), ik heb gereed: —er (aitruster van schepen), m.: —rij.v. Reeds (bereids, aireede), bijw.

Reeel ((rezenlijk, merkelijk, zeker, vast, geloofwaardig: de zakelijke of innerlijke waarde rem geld. manten, of landsehuldbrieven), bn. Reel', ril* (smalle strook zeildoek), o. reven. Reegeit (vrouw, ree), v. —en.

Reekall (.i'gt;ng van een reegeit), o. —kalveren. Reeks (rij, opeenvolging), v. —en. Een meetkundige — , een reken h andige —, een op-klimmende —. een afdalend»' —.

Reep (smalle strook, ook: hoepel, ton tv:

— lood op de nok van 't dak), m. —en.

Reet (spleet), v. —reten.

Reet. rcte (hennepbraak), v. reten.

Reeuw (in Friesland allerlei huisraad, gt;'nz.), o. Reeuw (doodsschaim), o. gmv.

Reeuwen (een lijk afleggen), ik heb gereeuwd: —er, m.

Rel'actie (korting voor beschadigde waren), v. —tiën, —ties. Ook: ra factie.

Rerectoriinn (eetzaal in kloosters), o. —in. I^ij verkorting refter, m. —s.

Referaat (verslag, bericht), o. —aten. ReÉereeren (zieli) (zich houden aan). Referein, o. —en. Zie Rel'rein.

Referendaris (berichtgever, voordrager: titel van hoofdambtenaren aan de ministerieele departementen), m. —sen.

Referent (verslaggever van ingezonden stukken: rapporteur), m. —en.

Referte (verwijzing), v. —s. Onder —. onder verwijzing.

Reflerteeren (weerkaatsen, terugkaatsen, spiegelen), op iets —. d. i. op iets acht geven. Reflectie (overweging, bedenking), v. —tiën, —ties.

Reflertor (lichtkaatser, spiegeltelescoop), m. —en.

Reformatie (hervorming), v. De —, de kerkhervorming der 16e eeuw.

Reformator (hervormer), m. —en. —s. Reforme (hervorming, herschepping: vermindering. door afdanking of door uitmonstering), v.: op — stellen, d. i. buiten dienst ot' op verminderde soldij stellen.

Reformeeren (verbeteren, een anderen vorm geven).

Refrartair (weerspannige: een die zich eigendunkelijk aan den krijgsdienst onttrekt ».m. —s. Refractie (straalbreking), v. gmv.

Refrein (coupletten met eindregels, die hrr-haald worden), o. —en. Ook: Referein. Rel uge (veiligeschuilplaats, toevluchtsoord), o. Refngie (uitgewekene om geloofsvervolging of politiek), m. —quot;s. De —'s, de Hugenoten, die na de herroeping van het Edict va i Nantes (1580) Frankrijk verlieten.

Refngieeren (uit- of ontwijken).

Refnseeren (weigeren, ran de lumd wijzen). Refutatie (wederlegging), v. —s, —tiën. Refnteeren (wederleggen).

Refinis (weigering), o. ret'nzen. Pig. een blauwe scheen.

Regaal (koninklijk, voortrelfelijk), bn.

Regaal (orgelregister, dat de menschel ij ke stem nabootst, ook voer humana genoemd), o. regalen.

Regaleeren (heerlijk onthalen, trakteeren). Regardeeren {beschoutven, acht geven, ontzien). Dat regardeert mij, dat betre.'t mij. Regatta (zeilwedstrijd), v. gmv.

Regeeren (heerschen, besturen), hij heeft geregeerd: —der, m.: — ing. v.

Regeeringloos (zonder orde), bn.: —lieid. v. Regel, m. —en, —s. De —s der spelling, d. i. wetten, voorschriften; geen — zoncer uitzondering: een — der taalkunde', de vier hoofdregels der rekenkunde, d. i. optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen: de — ran drieën: op een nieuwen — beg'nnen. d. i. lijn. en/..

Regelen (schikken, ia orde brengen), ik heb Regelmaat (ordt'). v. gmv. (geregeld: —ing. v. Regelmatig (ordelijk), bn. en bw.: —lieid. v. Regelreelit (zonder omwegen), bw.

Regen. m. —s. Na — homt zonneschijn, d. i. Na lijden komt verblijden.


ocr page 229

I {EG EN EX—H EM i TT ENT.

llcgoiM'ii. liet ln-eft geregend.

(bestuI(rdrr). in. —en: —«•gt;♦, v. —sea;

Roffh'lrt(!;e0 leiding. I n't helwer ran zekere inkomsten), v. gmv.

(leefregel, i-elretjcl. riclitsnoer), o. —s. Ancien —. de tijden der Bourbons.

KegiiiM'iit (troepenafdeelinri), o. —en. Ri^iMMOur {beheerder: rekenimiiverder, belas ti nyonteanger. too neelbeheerder^ ui. bij die de rollen uitdeel O. m. —s.

K«'gieter \aktenboek). o. —s.

(inschrijriny van akten, enz.), v. (in het o/tenbtiai' register schrijven ; boeken): — iiig. v.

Keu;l('iii(gt;ii( (eerordening), o. —en. Ilrffl^iiicntair (ran. betrefj'ende af rolgenseen reglement), bn.

(aan een reglement onderwerpen).

Regres (teruggatag: verhaal ran schade op

iemand), o. gmv.

Regre-ssielquot; (to'agwerkend), bn.

Regret ispijt. leedwezen), o. gmv.

Regrettable (betrnarenswaard), bn. Regretteeren (betreuren, beklagen). Regulariteit (regelmatigheid), v. gmv. Regulateur, regulator [regelaar, uurwerk). m. —en.

Regulat('iirlaiii|gt; (oaderwetsehe ('lielamp), v, —en.

Reguleereu {regelen, si-hikken, in arde bren-Regulier (ordesgerstelijke), m. —en. \gen). Regulier, regulair (regelmatig, juist), bn. Rehabilitatie (herstrl in rorig aanzien), v. Reliabiliteeren (weder in den vurigen stand plaatsen: in eer of goeden naam herstellen). Rei (koor van zangers of dansers), m. —en. Reieu (dansen, in knor zingen), ik heb gereid. Reiger (steltvogel), m. —s.

Reiken, ik heb gereikt. lem. gt;lv band —. Reikhalzen (smachtend verlangen), ik heb gereikhalsd: — ing, v.

Reilen, alleen gebrnikelijk in: znoals In't reilt rn zeilt. d.i. met al. wnt er toe behoort.

Reiu (sehoim. zairer). bn. en bw.: —beid, v. Reinanlie. reinaardij [slnwheid. listigheid). v. —ën.

Reine (koningin), v. —s: — dn bal. schoonste en meest gevierde van ;dle danseressen:

— d'or, een soort van appel: — Claude, een soort van groene pruim.

Reinigen lt; zai verrn). ik heb gereinigd: —ging. v.: —gingMiiiiddel. ...

Reïntegratie (herstel in vroeger bezit of genot). v. gmv.

Reïntegreereu (vernieawm, herstellen).

Rein vaar {//•//lt;/ irormkrnid). v. —varen. Reis. v. leizen. De grjóöte — aannemen, d.i. sterven.

Reisgeld. o.: —genoot, rn. —en: —genoote.

v. —n: —kosten, m. mv.

Reisvaardig, bn. Hij stond —. d.i. gereed om te vertrekken.

Reïteratie (herhaling), v. —lies, —tiën.

R eït e rati e 1' (hei 'ha a ld, bij herhaling), bn. Reïtereeren (hvrhalen i.

Reizen, ik heli en ben gereisd: —d (b.v. een

— man), bn.: reiziger, m.

Rejeetie (verwerping, quot;fwijzing), v. —s. —tiën. Rek (de daad van reiki'n). in. gmv. Rek (latwerk, drnogrel,). o. —ken.

Rekbaar, bn.: —beid, v. Elastiel,- is —.

koknen. Vvrkl. Hnndivdl'. d. Xederl. taal.

Rekbank ( oïn nietaahlraad te rel,'ken i. v. —en. Rekel (mannrtjeshond), m. —s.

Rekelaehtig (lom p. bndaal), bn.

Rekenen (inrekenen, met asclt bedekken), ik heb gerekend.

Rekenen {eijfrren. met getallen werkrn). ik heb gerekend: —aar, m.i —ins. v. Rekenboek, o. —en: —bord. o. —en: — lont. v. —en: —kamer (college ean toezicht lt;gt;p financiën), v. —s: —kunde, v.: —sehap (ver-antiuoording). v.: —wijze, —wijs. v. —wijzen. Rekent (verzoekschrift), o. —en. Zie 'Request. enz.

Rekkelijk (zacht, lenig), bn. en bw.: —heid. v. Rekken (uitrekken, verlengen), ik heb en het is gerekt : —er. m.: —ing. v.

Rekken (harddraven van paardm), het heeft gerekt.

Rekken (op In t rek gaan ran hoenders), ze zijn gerek*.

Rekkerig 'lai). bn. Wat zijt gr —!

Relaas (verhaal, verslag), o. relazen.

Relaehe (vi-rpoozing, rast), v. gmv. Relaeheeren (nalaten,nphoaden, latm vamn. Relatie (relaas, verhaal, de aamvijzing, melding: ih- betrekking waarin zaken of pvrsimen tot i'llcander staan), v. —tiën. —ties.

Relatiel' (betrvkki'lijk), bn.

Relevatie (imtheffing. bevrijding), v. —s. —tiën. Relevee (de namiddagtijd), v. gmv. Releveereu (weder o/ibomven, weer terspral.e bremgen: ontln'ffen. verlichten: bevrijden van een eerplicllting).

Relief (verheven of gedreven beehhverk in Inmt, metaal, enz.: fig. glans, roem. eer. aanzien), lt;•. gmv.

Religie (godsdienst, gndsvrncht: geloofsleer), v. —giën. —gies.

Religieus (godsdienstig, vrnnm). bn. en Inv. Religieuze (geestelijke zuster), v. —s. Religiositeit (godsvraeht, godsvereering). v. gmv.

Relilt;|uie (overblijfsel van een heilige, bv. kleederen, beenderen. enz.), v. —•;n. Reliquieenkastje, —s.

Rellen (snappen, babbeh'ti), ik heb gereld. Reliniiis (dier), v. —muizen.

Reniarquabel (opmerkelijk), bn.

Reiiiar(|ue (aanmerking), v. —s. Remar(|neereii (aan- quot;/quot; opmerken: ivaar-nenwn of gewaanvorden).

Rembonrs {terugbetaling), o. .irmv. Onder —. onder dekking van betaling.

Reiiibonrseeren (terugbetalen). Retubonrseiiient (terugbetaling). o. —en. Remedie ( middel, hulp-, geneesmiddel), v. en lt;». -dien. —dies.

Reinedieeren [heden, verhelpen, Iml/i of raad geren).

Reinereiinent (dankbetniging). lt;gt;. —en. Reininiseentie (herinnering, geheugen), v. —ties. —tiën.

Remise (zending, overmaking, bijzonder vi n geld. a'aren, missets, enz.: uitstel, nalating: inzet in sommige spelen: een schuur, bewaarplaats. bijzonder voor tvagens. enz.: wagen- quot;/quot; koetshais), v. — s.

Remissie (ter tig zen ding: vrijstelling, kwijtschelding. van belasting. straf.eaz.).\.—*\öi). Reinitteeren (terng- of overzenden, geld of wissels neermaken: iets van een vordering laten vallen).

Remittent {quot;verzender, overmaker), in. —en.

14


ocr page 230

1 {I*: MM 1£N—I {EPKO RA r IE.

Kciiiiiicii (t'i'ii dt'r (delen edit fan ivicji'ii vastzetten, zoodat het niedesfeept), ik heb geremd: — m.: —nier (persoon), m.

—s: —toestel, m. en o.

ReinoiiHtraiit (volgeliii'j van Arnünius). m. —en: —sell. bn.

Keiiioiistratie. renionstraiitie (tri feu betoon). v. _s. — tiën.

RemmiHtreereii • tegenvoorstelle}i doen. teyen-werpin'jen maken).

Remonte (depót van paarden), v. gmv. Remonte- of reiiioiiteer|ia»nleii {paarden door het (louvernement aanbel,•oeht tot het voltallig nialre)! der ruiterij), o. mv. Remoiiteeren {in orde hrrnijcn. de deelen rrr-Remontoir i horloge), o. —'s. \eenigen).

Remorqueereii iop sleeptouw nemen, boeg-see re a i.

Henuivi\ueiii-{sli-ep(vafii'n^st00)nsleeper).m.—fi. Remotie (rerwijdering. ontslag uit een ambt). v. —s, —tiën.

Removeeren (wgbrengen, afzettm, ver-ivijderen).

Reiii|gt;lalt;::iiit (plaatseerrangrr. bv. in den Krijgsdienst), m. —en.

Remplaeeeren (in iemands plaats (reden, plaatsrermngen).

Remplaeeiiient (plaatsvervanging), o. —en. Ren ieen snelle loop), m. —nen.

Ren. renne ikippenloop), v. rennen. Reninnwanee (wedergeboorte), v. Stijl a la —. in den trant der bouwkunst, die in de 16e eeuw heerschende was: Herboortestijl. Een voorgevel in Neder la ndsche —.

Renbaan, v. —banen.

Renbode (koerier), m. —n.

Rencontre (ontmoeting, ook samentrelfing, gevecht), v. — s.

\Wi\v\u\ivev\'r\\dn'ii'geni'n,onlinoet''n. riigt;drn). Rendant (rekeninghoKder, verantwoordi'lijk kassier), rn. —en.

Rendeeren {opleveren, opbrengen). Rendex-voiiN {afgesproken bijemkomst), o. gmv. — geren. iem. ergens bescheiden: — huis. slecht huis. huis van ontucht.

Rendier (Noordsch hert), o. —en.

Renegaat (afvallige, geloofsverzaker), m. —gaten.

Renel (bekendesoort van winterappel),y.—ten. Renloreeereii (versterkm).

Rennen (zeer snel loopen), ik heb gerend: — loop {galop), m.

Renoinniee {roem, vermaardheid, faam), v. jrmv. Par —. bij name of' geruchte.

Renonee (ontzegging, verloochening: de ontbrekende klear in het kaartspel), v. gmv. Hij is mij een —, ik heb een afkeer van hem. Renoneeeren (afzien ran: verzaken). Renonkel. v. —s. Zie Ranonkel.

Renovatie (vernieawing), v. —tiën. —ties. Renoveeren (ver- of hernieuwen, verbeteren). Renperk. o. —en: — prijs, m. —/en; —spel.o. Renscli. rinseli. bn. Zie RijiiHcli. Renseiu;nenient {aanwijzing. inlichting), o. —en. —en over iets of iem. inwinnen. Rentambt (/tost ran rentmeester, ook het gebied), o. — en.

Rente (interest), v. —n.

Renten {rente opbrengen), het heeft gerent. Ik voel. dat mijn leren zal — (De Génestet). Rentenier, m. —s.

Rentenieren (van zijn rente leven), ik heb; gerentenierd.

Rentmeester, m.

Rentineesterse ....... o. gmv.*

Rennneieeren. renoneeeren {weigeren, ont-j zeggen: afstand doen).

Renversaal (sehriftelijke tegenbelofte), o. j —salen.

Renverseeren (omkeeren, omverwerpen). Renvooi (verwijzing, bv. naar een blz. iiieeib boek), o. —en: —letter, v.: —teeken, o. Renvoyeeren {terugzenden, wegzonden: verwijzen).

Reorganisatie {veranderde, verbeterde inrichting), v. —ties, -tiën.

Rep. m. enkel gebruikelijk in de bijw. uitdrukking: in rep '-n roer. d. i. in verwarring. Reparatie {herstelling), v. —tiën. —ties. Repareeren (verbeteren, herstellen ). Repartitie (verdeeliwi). v. —ties. —li'quot;n. Repasseeren {weder voorbij- of teruggaan r em rekening nogmaals door loopen: een nnr-werk regelen, d.i. een- of tweemaal -24 uren i laten gaan om te zien of het goed loopt). Repel (hennepbraak), m. —s.

Repelen {elas beuken of schillen), ik heb gerepeld: —aar {persoon), m.

Repertoire {register, lijst van stukken), o. —s. Zie Repertorium.

Repertorimn (zaakregister, verzamelboek; lijst van de stal,-ken die in di-n schouwbunj zullen vertoond worden), o. —s.

Repeleeren (herhalen).

Repetent (herhaler, wederkeerend cijfer eeivr —breuk), o. —en.

Repetitie {herhaling: slaand horloge), v. —tiën, —ties.

Repelitieseseimt (revolvergeschnl i. o. gmv. Repetitor {herhaler, leermeester bij een hooge-i school), m. —s.

Replieeeren (nntu-oorden, iets wederleggen, tegen inbrengen).

Repliek (tegènuntwOOrd, njederlegging, tegen-schrift). v. —en.

Replieeren (wijken, terugdeinzen, bv. van, een legerbende).

l\e\totH\verrii(ant woorden: borg zijn of blijven». Reporter {berichtgever vaneen krant), m. —s. Repos {rust), o. gmv.

Reposeeren (rusten, ergens op rekenen). Reponssanl {terufjstootend), bn. Reponsseeren {terugdrijven, terugstooten). Reppen {spoeden), ik heb gerept.

Represaille {eigene recht verschuifing: wedervergelding, weerwraak), v. — s.

Representant {vertegenivoordiger van 't volk). m. —en.

Representatie' vertegenivoordiging: opvoering vun een tooneelstuk). v. —tiën. —ties. l\r\}i'vsvtiiin'vvu(vertegenwoordigen. de plaats bekleeden: onder de aandacht brengen, betoog en).

Repressie {iniderdrukking. beteugeling), v,

—sies. —siën.

Repressiel' {belemmerend), bn. —vc maat-regelen.

HrVVumwuU^best ra jfing. terecht (vijzi m' »,v. — s. RepriinaiKieereii (berispen, bestruif en). Repriineeren {onderdrukken, betengelen, verhinderen gt;.

Reprise (her- of terugneming, herovering van een schip: muz. herhaling eau het hoofdgedeelte eener ariu. enz.), v. —s.

Reprohatie (veneerping, wraking, ufkeuring gt;. v. — s. —tiën.


ocr page 231

1 {!•: P UO B K !•: I {E X—KKTICUL E.

211

Kcprob(gt;«ki-eii (niet fiomlkenren. ronveroen).

Krpnx-iiaItcl (herisjii-nswinrd. hestrafp'lijk),

Keproclie (venvijt. berispinrj). v. — s. [lm.

Heproi'lieeren (rt'nrijh',,. h-n laste leuyen).

Keprodiicecr^ii (weder tquot; ron,•schijn brenrjen', tnjd i hew ijs ei tri 'en).

Keprofliicti^ {hi'miuiiwin;i, ivi'dert'ooi'tln'i'n-gitnj), v. —s. — tilt;;n.

lieprodurtiel* Imi. —lerr kracht.

Kcproiivieren (rerirerpi'ii. afhemni).

Koptilión (kruipende dieren), o. niv.

K cpiiblick {'jr,,, eenebest] staat, irunr het opiicruezaii niet in handen is ran een erfelijk vorst, niaar bij een (jekozen president, een directoriam. mz. berust), v. —en.

{(jmieénfbest(p'Zinde. rrijheids-vriend). m. —en.

KepublikeiiiMcii {fjeniei'nebefttgezind). bn.

Kepiuiiatie {rerst'ootinq. ook i-ehtsrheidimi). v. -s. —tiën.

KrptuliiM'n'ii (verwerpen, verstolden: zendvn).

KcpiiKiiaut (hinderlijk, nmhjelijk), l»n.

KcpnaiMMTcii (tcijenstrevi'n. teijenstund dt ivabjen).

Hcpiilsccreii itenajstooten of -drijven, af

It(gt;piil*ic (ternystontimj. afivijzin'j *. v. —s. K«'pwlwi«»r bn. f—tii'-n.

iiepntatie (ach tin ij. eer, goede naam. aanzien). v. gmv.

{verzoek- of smeekschrift). o. —en. i'aiit(mr6'm/'gt;r wm een reipiest),m.—en. |{lt;M|ii4gt;Htrpereii (een rerzovkschrift inilienen).

(//. A'. zielmis voor een overledene: de muziek daarbij), o. £mv.

K(M|iiieMcat in pare (hij nfzij rush' in vrvde!). Zie K. I. V.

Heqiiirent (o, nierzoeker, navorschcr). m. —en. Kequireercii {vorderen, risrhen. verzoeken ran rechts- of ambtswefir, iets beijen'en of narorschen).

Kcqiiisict (rereisrhtr. riifmsrhap. nnodzakr-lijkheid; dr klrinrrr voortviTpcn bij een hu meel voorstri limj benoodiyd)^ o. —en.

(die voor de tnoneelbenoodiyd-heden zorgt), m. —s. —en.

lilt;M|iiiMiti(' (opvordering, risrhgt;. v. —lies. —ti'Ti. ll(gt;lt;|iiiHitoir ihrt bestnit rn de risch ran hrt oprnbaar ministerie in een geding), o. —en. Ke.Hconti'e (afrekening^ verrlfening, in . in drn ellrctenhandel), v. gmv.

KeM'ontreeren (afrekenen, rrrelfrnrn). Kcscript (antwoord^ schriftelijk bescheid).

KeHcriptic (schriftelijke last tot inning of uitbetaling eener geldsom), v. —ties. —tiën. KcMeda (zeker wrlrirkend bloempjr). v. —quot;y. Kewervi' (voorbehoad). v. —s. Corps de —. achterhoede: in —. in voorraad, ter zijde: sans —. zonder nitzondering:.

Klt;'Merv«gt;ereii (voorbehoaden. brdi ngen: in roorraad honden).

Kesidecrni (verblijren. wonrn).

KcHideiit (zaakrrrtroawde in vreenntr hoofd-stedrn. hoofd eenrr residentie in .V. /.». tn. —en. KeMicleiitie (dr zetel, hofplaats), v. —tiën. —ties. llesisnntM' (afstanddoening: ontslag-ifalie-ning: onderwerping, gelatrnheid), v. gmv. licNisiieeren (ontzeggen, bedanken, nfstand doen). Zirh zich onderwerpen, zich lijdelijk in iets schikken.

Kcsiiiatic (ophrffi ng. tenietdoening), v. gmv.

HeMilifM'i'cii {terugtreden, ophelfrn). KeNi^eereii {weerstaan, tryn,stand bieden). KcMiNtcntic (tegenstand, rrrzrt). v. gmv. Kcstdiitie (bestuit), v. —ti«quot;t). —tics.

Kestduiit (vastberaden, moedig, or.k: gul. openhartig), bn.

KchoIV('(kl'«'ii (oplossen, rt-rderlrn: zirh bepalen, besluiten).

ItesonaiiM (weergalming), v. gmv. —bodrm. klankbodem eener pi.ino.

KcNOiiaiitiei weergalm, mil, hink), v. —s. —tilt;;n. Ilesoiiccreii (teragkuatsen. weerga Imen). Respect (rerbied, achting). ... gniv. l(('spolt;*talM'l {«whtrns'vaardig), bn. en b\v. l\vs\teviiiUi\iir\t{iichtenswmlrdigheid).v.i:\nv. Klt;'Hpelt;*teereii (arhtrn, rrrrn: 'ontzirn. rrr-schoonrn).

KeHpertiel' (wederkerrig, ondrrling). bn. I)r

— vr namm: dr —re betrekkingen, dehetrek-kingen die iemand afzonderlijk bekleedt.

Ite.spcctidHijk. b\v. .1.. II rn C. drelm r.-,, som grids — in vrrhonding ran : 3. .7. d. i. A. krijgt 1 B. k, en C.

Kcspijt (nitstet), o. —d'igrn. (...k resjjéet-drnp-n. uitsteldagen (bij een wissel» van betaling, vero. KeHpiratic (adrmhaling). v. —s. —tilt;;n. KeHpirceren ( ademhalen, lucht scheppen). licMpoiideonMi. KepoiHlecren (antwoordrn. liernmien: instaan rum').

licMpoiiMiiin (schriftelijk antwoord, bescheid). o. gmv.

IteMNenteeren (Irrmdig gr vort en of door iets geroerd worden: der ten in iets).

KcHHort (veer, drijfner, reerkracht, vermogen: ook: rak. gebied, bestuur, ivrrkkrimg. grondgebied). o, gmv.

lic.s.Horfcercii ibehoorrn onder, tot. bv. ondrr rnt rei'htsgebird).

KeNMOiirco (hulpbron, toevlurht. redtniddrt: plaats van ontspanning), v. —s.

KcHt (overschot, achtrrshind). v. _en.

KcHtant (oversrhot), o. —en.

Hcstanrant (gaarkeuken, spijshuis). ... —en. Ook: Re»taiira(ie.

KcMtaiirafeur (herstellrr: gaarkok), m. — li est a ii ra (ie (herstelling: dr hrrsteldr //o bons-regeering na dm rat run Napotrrm v. — s. —tiën.

HeMtaiirperen (herstellrn: rrrfrissrhru rr kwikken).

He*tovrvu(orrrig btijren. nog schuldigblijrr,. Keften (overblijvrn), het is gerest. RcNtitneereii lt; trrnggm-n, rrrgordrn ). HrHtïtutie (trruggavr. rrrgoedinij), v.

—ties.

Re.Hti-i«'ti«' (beperking, roorbehoud). \. —

— ties.

ReMtrinseereiK brperken,hegrrnzrn.vrrkortrn ). ReHiiltaa(( uitkomst,gevolg, besla it ),o. — taten. Rc.milteei'cn (rotgen. roortspruitrn. n,,,,'/-v loeien).

Ri'Himir (korte opsomming, brknopt overzirht. sa mm vat ting), n. —quot;s.

Ri'Hiiineereii (iets kort rerhalrn. omrattm. nalezen en goedkeu ren).

ReHiiri'f4*tie (opstanding drr dooden). v. irmv. ReHiisritcereii (opwrkken, rrrnieuwen).' RetablisMperen (hrrstrllrn. ivedrr ig,richten). Retard (cert rag ing). o. En —. ten nchter.' te laat.

Retardeeren (vertragen, ophomlrn).

Reticule ( wrrkzakjr dn,nes) v —lt; Onk-Ridicule.

l).

-ti.-'n


14*

ocr page 232

lïKTIXA—iJIDlCULE.

•212

Kcliiia {netvlies van het oofi), v. —'s.

Ilotii'iulc (bestehamer run een station». v. —s. UrtimMvn {terugtrekken, rfnrhten). Zich zich ter rust begeven.

KHorsic (ivederveryeldinfj). v. gmv.

UHort (nat. koIfylas. helm), v. —en.

Kctoiirlii' (verbeterimj, opwerking), v. —s. Rctoiirliceren {en-helpen, opwerken).

Kt'tonr {terngvracht, ternglading), v. —en. Ilctoiir ; terugkeer), o. gmv.

Hrtoiirhii jet [plaatsl. aartjc voor de terngrris). o. —ten: —schip, o.: —vloot, o. Kctoimiccrcii (terngkeeren. ternggeren, terugzenden.

RetraHoemi {hcTroepen, zijn woord intrekken ).

Retraite {teragtocht, aftocht: dagen ran afzondering. eenzaamheid; rnst), v. —s. Retraiicheereii {afsnijden, afzon/leren, eer-schansen).

Rotraiiclii'iiit'iit {rersehansing, eeldschans, \ legerschans), o. —en.

Retiibiieeren {heloonen. vergelden, te mg- 1

geven gt;.

Retrihutiei ternggare, vergoed i ng).y. —s.—tii;n. Retro (voor sommige woorden geplaatst beduidt: terng, rugwaarts), b\v. —nctie. d. i. terugwerking; —ageeren. d. i. terug doen gajiu: —gradeeren, .achteruitgaan: —grade, kreeftdicht der rederijkers.

Retro'Aijii (verbastering ran het Fransche ■ rhetoricien: rederijker), m. —en. Reu {mannetjeshond), m. —en.

Reuk. ni. —en. De honden hebben een fijnen , —. zij gaan op den — af: die man staat in een slechten —. d. i. heeft een slechten tiaam: hij overleed in een — ran heiligheid, hij stond als deugdzaam hoog in eere: er is een —je aan dat deesch, het is reeds eenigermate bedorven: de jonkman had den — van de • verf weg. hij wilde schilder worden: de honden hadden den — van het hert. d. i. de lucht: hond! gij van d. i. reukwater.

ReukelooH (zonder gear), bn. (loed water is —. Reiinie(wederrereeniging: gezellige rrienden-kring). v. —niën. —nies.

Reii^. ni. reuzen. De eik is een — onder de planten, de olifant onder de dieren. Reiisaeliti^; (zeer groot), bn.: —heul. v. ReüsHeeren {gelukken, goed nitrallen), [gmv. Reutrl (ren teling, bv. rati een stervende), m. Reutel * rentelaar. rea tel aarster), m. en v. —s. i Reutelen, ik heb gereuteld: —aar {.grompot), m.: — ina;. v.

Reuter (zeef), ni. —s.

Reuzel {lichaamsdeel), in. —s; {eetstof, br. van een varken), v. gmv.

Reuzeuheeld {kolossus), o. —en: —kraelit.v. —en: —«lans; (boa constrictor), v. —en; -strijd, m.: —werk (moeielijke arbeid), o. —en.

RevaiH'lie (genoegdoening; tweede spel. na het eerste verloren te hebben : wederwraak). v. Revaiielieereu (vergelden, wreken).

Reveille (wektrom. signaal), v. —s.

Revelatie {openbaring, ontdekking). v. —tiën. —ties.

Reveleeren (onthullen, ontdekken: verkondigen, openbaren).

Reveleu (zottepraat nitslaan), ik heb gere-veld: —aar (sn/fer). m.: —iuy; (sulferij), v. Reveil (scheepsw. de zeilen kleiner maken, inhalen), ik heb gereefd.

Revenu {inkomst, renten), o. —en.

Reverbère {hol geslepen spiegel, well.e het licht terugwerpt: lichtweerkaatsende lam/t; praallichi, reelarmige straatlantaarn), v. —s. Reverentelijk (met eerbied), bw. Zij groeten —. Reverentie {eerbied, ontzag, eerbetuiging), v. —tiën, -ties.

Revers {omslag: op munten: de keer- of achterzijde: tegenbewijs; fig. tegenspoed), o. gmv. Revideeren (herzien: doorzien, nazien). Revisie {herziening; tweede proefblad), v. —siën, —sies.

Revisor {onderzoeker, naziener). m. —s. Re voeeeren (herroepen, terugroepen, terag-nemen).

Revoir (wederzien), o. Au —. tot wederziens. Revoltant {ergerlijk) bn.

Revolteeren (in opstand geraken: met weerzin vervullen).

Revolutie (omkeering; bijzonder de staatsoni-wenteling), v. —tiën. —ties.

Revoliitionnair {omwentelingsgezind), bn. \\?\o\uiiotiuiiir(omwenteling8gezinde),\u.—en. Revolver {/)istool met meei' dan één schot), v. —s.

Revue (wapenschouwing,monstering; lite!ran verschillende tijdschriften), v. —n. —s. Ithapsodiseli {stukswijze, niet samenhangend: samengelapt of -geflanst), bn.

Rhetor {redenaar, leeruur der welsprekeml-heid), m. —s. —en.

Rlietoriea, rhetoriek (redekunde), v. gmv. Rlietorisrli (redekunstig),bn.Een —e /vending. Rlieuniatiek (spierpijn), \. gmv. Rlieuinatiseli {met zinkingen behept), bn. Rlieuniatisine, o. Zie Rlieuniatiek. lihinoceros (neushoorndier). m. —sen. Rlionihoïdt* (lungwerpige ruit, een purclle-logram met scheeve. hoeken), v. —n. Rhythniiseli (versmatig evenmatig), bn. lUivtlinius (klankmaut in eerzen). m. gn-v. Rilgt;. rihhe, v. ribben.

Rihhelins; (een zoete appel), m. —en.

Ribben (de band run een boel: vun ribbingen

voorzien), ik heb geribd.

Ribbenband {geribde boekband), m. —en. Ribbenkast (lichuam), v. gmz.

Ribbi'/.akken {kwellen, plagen), ik heb ge-rib bezakt.

Rieaneereii (hoonend lachen: uit thuuheid veel luchen).

Rieliel (lutje, strookje hout. spoorstaaf), v —s. Richt baak. v. —baken.

Rieliten, ik heb gericht: —ing. v. Het noord tot iem. —. d. i. iem. toespreken. Riebter(Bijb.,in Isra'êl),\\\. —s —en. Riebtig. bn. en hw. Is alles —in den hnak. in orde.

Ricbtlat. v. —ten: —liniaal, v. —linialen: —lood, o. —en: —snoer (koord, louw bij 7 metselen, fig. model, regel), o. —en.

Ridder (vrijgeborene), m. —s. —en.

Ridderen (tot ridder slaan), ik heb geridderd. Ridderlijk (fig. net, logaal), lm. en bw.: -beid. v.

Ridderseba]» {al de ridders ran een land), v. —pen.

Ridderse ha,, ule waardigheid, de stand), o. Ridderspoor (zekere bloem), v. —spo'-en. Rideau (roorhang; een kleine aarden wal, waardoor een leger gedeLt wordt: een in haast opgeworpen verschansing), o. —'s. Ridieu!e(^/'^7/r///7. i. lm.en lm-. lt; )ok Ridicuul.


ocr page 233

I»f DIG Ü LITE 1T—111T.

213

flidiciiiiteit (hi'lachelijl.lti'itl). v. —en.

Kidiculc {reticule), v. —s.

Rif k(gt;ii (ffeur verspreiden), rook, geroken. Fig. Het riekt naor den mutsaard, d. i. naar ketterij.

Ricin (stmokjr leder, leeren band, roeispaan), ni. —en. Spreek\v. l it eens anders leer is het ijoed —fn snijden, verteringen op kosten van een ander vallen gemakkelijk te doen; men mort roeien niet de —en. die me.'-, heeft. men moet zich behelpen met de gereedschappen enz., die men heeft: met eigen —en roeien, 'i|i eigen krachten steunen; tiir. iquot;ni. een — onder het hart steken, d. i. hen moed inspreken.

Kleiner (roeier), m. —s.

Riet if te was. grassoort), o. —en. Spaansch —: spreekw. alles in het — laten loopen. zijn zaken verwaarloozen; zich met een kluitje in 't — laten staren, d. i. zich laten afschepen, om den tnin leiden, bang zijn. net als de eenden voor een kluitje /and, wegschuilen.

Rletpeer [kleine peer), v. —peren.

Kil'/. •raamte: lange.smalle ~andhank),o. —ten.

Kil (in een zeil), v. reven. Zie Keel'.

Kiga-lmlM'in, m. grnv.

WiaiiMt rit {gestreng he id),\'.£:n)\\ Ook: KijfiK'iir.

Kiu;orlt;'ii«i. ri^oureiiM (''rnstig, streng, onharni-hartig). bn.

Kiïiieni' {strengheid, hardheid), v. —s: n lo —. streng genomen.

Hij {reeks, ra mg, gelid), v. —en.

Kijdrii. ik reed. heb en ben gereden.

Rijder . iemand die rijdt', ook een voorma lig goadstak van 14 galden), m. —s.

K ij r (ras/) oj' hark), v. rijven.

Kijrelen {dobhelen), ik heb gerijfeld: —aar {dobbelaar), m. vero.

Rijlellieker {dobhelbeker), m. —s; —bord. —et»; —spel. o. —en: —freeliter, m. —s.

Rijsdraa«f. m.—draden: —laarn. v. —laarzen:

— ni\i\\i\ { pak naald). \\ —en: —pen, v. —nen: —.Mioer. o. —en: —veter, m. —s.

UijK'-n. ik reeg, heb geregen. Pig. tem. nan drn degen —. hem doorsteken.

Kijk {bemiddeld), bn. en b\v.: —aard (gierigaard). m.

Rijk (staat, gebied), o. —en. he drie rijken der natanr.

Kijkduin (sefmtten, vermogen; orerrloed). m.

— men.

Rijkelijk {overvloedig), bn. en b\v.: —lieid, v.

Rijk^adel, m.; —advlt;M*aat. m. —advocaten: —areliielquot;. o.: —daalder, tn. —s: —das dn

Daitsehland de Kamer van volksvertegenwoordiging). m. —en: -kanselier (groot-waardig hei dsbek leeder in het Daitsche rij ie i. m. —s, —en: —leen, o. —en: —iimsenm. o. —s. —musea. —museën.

Rijkunst, v.: —laar», v. —laarzen; —mantel, m. —s: —paard,o.—en; —seliool, v.—scholen: —toer (rit te paard), m. —en: — wey;. m. —en: —/.weep. v. —en.

Rijm (bevrozen dauw, rijp), m. gmv.

Rijm {gelijkheid ran rijmklanken), o. -en.

Rijmelen {verzen aaneenlijmen), ik hel» gerijmeld: —aar. m.: —arij. v.

Rijmen {rijmpjes maken), ik hel» gerijmd: —er. m.: —erij. v.: —klinkt, v.: —Inst. m.

Rijmpje (versje), o. —s.

Rijn iririrr). m.

Rijnseli (rensch. friseh-znnr. rinsch), bn. (rijm, berrozen danw), m. gmv.

•Mii' (rups), v. —en.

bn. en bw. Ergens — over denken: na

— beraad, d. i. na ernstige overweging.

Rijpelijk {ernstig), bw.

Rijpen (rijp maken en rijp worden), het is en heeft gerijpt: —ins, v.

Rijpen {in lichten graad eriezen). het heeft gerijpt. Het rijpt, er valt rijp.

Rij» (takje), '». rijzen. Jonge —jes kan men buigen, den wil van kinderen kan men be-heerschen.

Kijslte/.em {bezem van dquot;nne berl.'ehd.jes). ni.

Rijst (O. I. graangewas), v. gmv. —.s.

Rijstebrij, v.: —meel. o.: —melk. v.

Rijten (schearen), het is en heeft gereten.

R ijtniy;. o. —en. — houden. — en pimnl h-'ialen.

Rijden (harken, raspen), ik reef, hel» gereven.

Rijxen (hooger ivorden. stijgen, ojdromen; in prijs klimmen), het rees. is gerezen: —ing. v.

Rij/Ju (slank), bn. en bw. Een —c gestalte, de —e populier, een —e t ren.

Rikkekik ken. rikkikken het sehrermcen der kikvorsrhen). hij heeft gerikkekikt en gerikkikt.

Ril (rilling), m. —len.

Rillen (trillen, beren), ik heb gerild: —injj.v.

Rimpel {plooi), m. —s.

Rimpi'len (rimpels krijgen, ineenkrimpen). het beeft en is gerimpeld: —iny;. v.

Rimpeüs; (vol rimpels), bn. en bw.

I?ing. m. —en. Ken gouden —. eeu ijzeren —.

Ringelduil'. rin^dnir {wilde h-mide,f). \. —duiven.

Ringelen i lig. tem,nen, bedu ingen). ik heb geringeld.

Ringelmiiseli * kleine boommasch), v. —mns-schen. Ook: ringebnosch.

Ringeli'iips {liereiriips: de eifjrs zitten nis een ring om dnnne takjes geselmnrd). v. —en.

Riii^elmtriMi (tig. I. wellen, plagen: temmen, koeionneeren), ik heb geringeloord.

Ringla/.ant \ vogel), m. —t-n.

Ki:it;lijster (ringrneerle), v. - s.

Ringrijden {ringsteken te /xmrd). •gt;. gmv.

Ringslang (inlandsehe. ni'-t-eergij'!i*!lt;■ shmg).

Ringsteken, o. gmv. jv. —en.

Hiiigvergadering (vergaderi ng ran predikanten ran een ring of distriet), v. —en.

K ingsw ij/.e. -u ijs. bw.

Kinkel (speeltuig), m. —s.

Rinkelaar (vaartuig), m. —s.

liinkelbel (speeltuig eoor l.inderen t. v. —!en.

Rinkelbom itamtxerijn), v. —nn-n.

Kinkelen (getier maken), ik heb gerinkeld:

— ing. v.

Rinkelrooien {pierewaaien), ik In-b _;i i iukt l-rooid: —er {lichtmis), m.

Rinket {raldeurtje in een sluisdeiir). gt;gt;. —Inn.

Rinkinken (klinken, bv. rnn ramuutende kettingen), de keten heeft gerinkinkt.

Rinneli (friseh). bn.: —beid. v.

Ri(»ol (gemetselde ruiInisgang). o. lüolen.

Riposteeren (een tegenstoot toebrengen: • •■n snel en afdoend antwgt;ord geren).

Risibel (belachelijk), bn. en l»w.

Risico (waagstuk, gevaar), o. gmv. Op — ran.

Risqiieeren (wagen, o/' 't spel zetten: In gevaar brengen of loopen).

Rist. v. —en. Een — uien. een. — einken.

Kisten {aaneenrijgen*, ik heb gerist.

Rit {tocht, reis te imurd. ■ lt;/gt; srhauisen m. —ten.


ocr page 234

I! ITE—1 »0LL A AG.

214

Rite {voonjcticlirrrcn (it'hndk). v. —n.

(kapih'iu th'r cavdlcric). m. —s. liitoriM'l (muz., herhalingstheiiKi; drieregelig It illaansch colUslledje). v. —len.

Rits (jii'iiis. op slag). t\v. Hij scheurde het — vaneen!

Rit*H(gt;ii, ik heb. liet heeft geritseld: —ins;, v. Dorrr bhideren —.

Ritsig (heet. geil), bn.: —lieifl, v.

Ritten [spelende draren), ik heb gerit.

Rituaal (voorschrift van (gebruiken gen eeredienst). o. —alen.

Ritii('4'I( hij ernigi'ii ecredirnst gehruikelijk),hn. Kifii.s {kerkgebruik), in. Vulgens den Griek-sehen, den Iloomsehen —.

Rival {mededinger, medeminnuar). in. —s. Rj valisccmi (wedijveren, mededingen).

Rivier {stroom, heek), v. —en.

RoastIx'ef {grbrudrn hip rundvleesch), lt;». gmv. Rol» (zeehond), m. —ben.

Rob (matig run groote risschrm. v. —ben. Rohliedoes * wilde jongen), m. —doezen. Flohhedoe/.en {drui: stoeien), ik heb gerobbedoesd.

Rohhcknol {dikke jongen, gulzigaard), m. ! —s. —len.

Rohbi'iihnid (vel vim een zeehond), v. —en: —Jac-ht. v. —on: —traan, v.: -vangst, v. Rolthcr(dubbele partij in het whisten), o. —s. RoMm'vH. o. —len.

Robe {tabbaard, toga, lange staatsiekleeding; japon). v. —s.

Robijn quot;quot;quot; o' den steen), in. —en: (als slof-naam), lt;•.. —en.

Robuust {sterk, welgespierd), bn.

Roraillc {grol-, steen- of'sehulpiverk), o. gniv. Rocliel {slijm, /luim), v. —s.

RoHiclrn (veel spuwen, ook reutelen bij 7 sterren), ik heb gerocheld: —aar. ni.

Roebel (/•'ussisch muntstuk), m. —s. Een \ zilveren —. d. i. ± f 1.90: de papieren —. d. i. ± /• 0.50.

Ro«gt;ile. roe {stok: een der twee lange balken, waar bij een molen de zeilen aan bevestigd zijn: lengtemaat), v. roeden. Gij zult de — niet sparen, d. i. straf moet er wezen; de — kussen, een harde straf in deemoed ondergaan. Roel' (seheepskaniertje), v. roeven.

Roeibank, v. —en: —«lol {roei/ten), v. —len. ! Roeien, ik heb geroeid: —er. m : —ins, v-Spr. Men moet — met de riemen die men j heeft, men moet zich weten te behelpen; i tegen lt;len at room is 't kwaad —, het valt moeielijk tegen de meeningen in te gaan. [ Roeier {wijnpeiler), m. —s.

Roeiriem {roeispaan), m. —en.

Roekeloos {vermetel), bn. en b\v.: — beifl, v. Roekoeken {geluid der duiren), zij heeft ge-roekoekt.

Roem (faam. lof, eer), m. gmv. Ergens — op j

quot;en op iets; in het kaartspel: Heeft niem. —

Roemen (prijzi geroemd: —er.

Roemer, roniei Roemrijk imet vèei winning.

Roemi-nelitiu;( rermaard. beroemd), bn. en b\v.: — Iiei«l, v.

Roein/.nel.t (begeerte naar roem), v. gmv. Roep (/ tienws. tijding), m. i'.r gaat een — van dooi' het laud, een algemeene lof: de — van den koekoek, het geroep, liet gezang: zij

Oy '

........ . . ■ . i. . . :r ■'ƒ'

dragen, zich verhellen op iet.s; in het kaart-

roem dragen op), ik heb m.: — ing, v.

• {groot wijnglas), m. —s.

veel roem), bn. Een —e over-

hebben den eersten, tweeden, derden —. a.s. echtgenooten, die van den kansel worden afgeroepen :ils in ondertrouw.

Roepen, ik riep, heb geroepen: — er (persoon),

m. :

Roeper (spreektrompet), m. —s.

Roer (stuur ran een schip), o. —en. —s. Wie slant in die zaak aan bet —. d. i. heeft de leiding: hel — in handen hebben, een za:ik besturen: het — van den staal, de regeering; aan het — komen, de regeering in handen krijgen.

liovr{ rieteu pijp: mdceen vuurroer),o. —en. —s.

Roer {beweging), m. gmv. In rep en roer. in groote verwarring.

Roerdomp (moerasvogel), m. —en.

Roeren (omroeren, lig. t re If en). ik heb geroerd. De groote trom —, lig. met veel ophef bekend maken.

Roerend, bn. Een — verhaal, d. i. treffend.

Roerganger (man aan 't roer staande), m. —s.

Roerig (druk), bn.:

Roering (beweging), v.

Roerloos {onbeweeglijk), bn.: — li

Roerom {mengelmoes), v. —men. —s.

Roerpen, roerpin (stok om het roer te hé', wegen t. v. —nen.

Roersel {beweging), o. —en. —s. De —en des harten, de ingevingen, aandrift.

Roerspaan {roerstok), v. —spanen.

Roerstel {toestel aan het roer), o. —len.

Roertalie (scheepsw. roerketting), v. —

Roervink (lokvink: ook oproerstoker, 'gt;el-hamel). m. —en.

Roes [Helde bedwelming), m. —zen.

Roest (het roesten), m. gmv.

Roest {uitslag op metalen), o. gmv. (hal —.

Roest {woekerplant), o. gmv. |rommelz gt;■'.

Roest {stok, waurop de hoenders zit te n),\. —en.

Roesten {met roest bedekt worden), het is geroest: —ing. v.

Roestig, bn.: —beiil. v.

Roet {schoorsteenzwart). lt;•. gmv.

Roe/.emoexen {getier maken), ik heb geroezemoesd.

Roexemoe/ig {wild. (austuimig), bn.

Roe/.en. ik heb geroesd. Wij zulten muur d. i. bij den verkoop alles dboreenslaan.

Roll el {zekere schaaf), m. —s.

Roll el (zekere trommelslag, ook berisping), m. —s. Door den — gaan, door de spitsroeden gaan: een — krijgen, er van langs krijgen.

RoHelen, ik heb geroffeld; — aa r, m.: —ing. v.

Roüelig (ruu\ slordig), bn.

Rofl'eUverk {knoeiwerk), o. gmv.

Roniaan {bordeelhouder), m. —anen.

Rog (visch), m. —gen.

Rogge, rog {graansoort), v. gmv.

Rok (kleedingstuk). m. —ken.

Rok (spinrokken), o. gmv. Ook: Rokken.

Rokken (de bludsrheeden ran bolgewassen), v. mv.

Rokken (vlas op een spinrokken winden). ik heb gerokt.

Rokkenen (veroorzaken), ik heb gerokkend.

Rol. m. gmv. Ze zijn weer aan den —. d. i. aan den zwier.

Rol (ei Under: opgerlt;dd papier, plaat- of kimrt-werk: die bladen waarop slaat ivut een acteur op het tooneel te zeggen heeft: naamlijst : monsterrol). v. —len.

Rollaag (rij op kant staande metselsteenen), v. —lagen.


ocr page 235

KO LLE lill {EN-IJOO VEX. 215

llolieereiK tooneel: ilrrollen ocnlcelcn gt;: —ing.v. Hollen (wentelen, clraaim). ik heb en ben irerold: —er, m.; — ins. v.

Kollen {stelen, ontfntselen). ik heb gerold. Rol lende O'tf/Zar/e, cjtfjiTohl stnl,- vleesch). v. — n. Ilolpaanl (scheepsw. a Unit), o. —en.

llolpeiiH (vh'i'sclispijs). v. —en.

iloiiijtan.Hcli, bn. De —e talen. d.i. van de Homeinsche taal nistammende; de —lt;■ eoll.en, d. i. Italianen. Spanjaarden, enz.

Roman (verdieht verh(ial), ni. —s.

Roinanee {(ji'clicht, of zanystnkje), \. —n, —s. Romanesk (onwam'sehijntijk; avontnnrlijh '. veerdreven), bn. Ken — ijeeal.

Romantiek (in letterkunde en kunst: de smaak der hiiddeleenive)!. de herleuinfi duar-vaïi in 't hefjin eau de Hie eeuw), v. ginv. Romantiscli (dichterlijk, schoon), bn. Een — verhaal.

Romein, in. —en: —seli. bn.

Romer, m. —s. Zi»* Roemer (wijnglas). Rommel {rommelzoo), m. —s.

Rommelen, ik heli gerommeld; —arij. v. he donder rommelt, cl. i. gromt: n'ot li;i je in dii' oude papieren te —. overhoop halen. Rommelkriiltl (ynn n'jdr kruiderij), o. gmv. Rommeipot m. —ten.

Romm» l/.oo, —/ooi, v. —zooien.

Romp. m. —en. De — van ern niensch, eau een kleed, can eau aehouic.

Rom|!eliü [hohbeliij. onell'en), bn. RompHlomp uvarboet). m. gmv.

Rond. bn.: —heid. v. Ken — ijetal. ren —e .som, een — jaar. de —e waarheid.

Rond. u. —en.

Rondas (rond schild), v. —yen. Rtmdha/ninen. ik heb —gebazuind. Xieuwtjes, herichten —. d.i. met groot gebluf wereldkundig maken.

lloiiiïhwHiigiopcnhart'nj». bn.en b\v.: — lieid. v. Rondbrenuen (bezorijcn. bv. kranten), ik bracht —. heb —gebracht.

Rondlgt;rie\en (/quot;'/■ brief' ahon bekrnd maken). ik heb —gebriefd.

Romldeelen (uitdeelen), ik heb —gedeeld. Ronde canyanu). v. —n. —s. De ofl'icier der wacht deed de —.

Rondedans (dans hand aan hand), m. —en. Romleel (non! coorwerp. romt buitenwerk aan een wat. ronde sterkt' toren', dichtstukje ■can • epaalden vorm), o. —en.

Ronden (ronden, afronden), ik heb gerond. Rondgaan (enjens (an heen (jaan), ik ging—, ben —gegaan.

Roiidu;aand. bn. Etn —r brief, d.i. een circulaire.

Ronding, v. —en. Kruens meer — aan geven, d. i. meer rondheid.

Rondje, o. —s. Nog een — spelen, d. i. ieder krijgt nog één beurt: een — gecen. ieder een glaasje geven.

Rondkomen, ik kwam —. ben —gekomen. Met zijn trakteinent moeten —. alles er van moeten betalen.

Rondkop (spijki-rtje), m. —pen.

Rondloopen, ik liep —. heb en ben —geloo-pen: —er. m.

Rond^ wad eau een drukpers), v. —en. Rondbel (iii ern uurwrrkrrn klein rad), u. —s. Rondvoeren, ik heb —gevoerd. Onze gids herft (ois in die grot rondgecoerd. d.i. overal heen doen gaan.

Rondvraag, v. gmv. Iets in — brengen, b.v.

een voorstel, nl. aan alle leden één voor één vragen, hoe zij er over denken. Ook: Onivraag. Rlt;mken (luid snorken gt;. ik heb geronki: —er, m. Ronselaar (soldaten werver, schacheraar), m. —s.

Ronselen (milen), ik heb geronseld: —ins. v. Kon/.ebon* (poppenkast), v. —bonzen.

Rood, bn. en bw.; — lieid, v.

Roodaarde (roodkrijt). v. gmv.

Roodaarden (mrt roodaarde inwrijven), ik hel» geroodaard.

Roodhaard (persoon), m. —en: —borstje

(vogeltje), o. —s: -bruin. bn.

Roodekool (moesplant), v. —en.

Roodgrond (roodvonk), lt;». gmv.

Roolt;lkop (tafeleend), m. en v. —pen. Roodkrijt. o. gmv.

Roodvonk (huidziekte), o. gmv.

Roodvon [paard), m. —sen.

Roof {diefstal, prooi, buit), m. gmv. Rolt;»i' (korst een er wond), v. roven.

Roofdier! verscheuroid of clrrschctend ilirr).o. Roofgoed, o. gmv. [—en.

Roofnest {verblijf van roovers). o. —en. Roolseliip (kaperschip), o. —schepen. Rttolspelonk (rooverslud), v. —en. Rool\ogel. in. —s.

Rottlzneht. v. gmv.

Rooi {het mikken, het aanleggrn). v. gmv. Rooien (in de lijn zetten), ik heb gerooid; —er. m.: —ing. v. //.■ zal het alleen wrl —, d. i. klaarspelen.

Rooien (uitdelven); —ing. v. Het — der aardappels, d.i. het steken of uitdoen. Rooilijn {grenslijn, waar de gevels aan de straat gelegen nirt voorbij mogen uitstrken), v. gmv.

Rooimeester (bouwopzichter). m. —s.

Rook {damp), m. gmv.

Rook (hooistapel), v. rooken.

Rooken (rook gecen, tabak rooken). ik heb en het heeft gerookt: —er, m.: —erij. v. Rookerig {col rook, naar den rooksmal.ende), bn.: —beid. v.

Rookseberm (enurscherin). o. -en. Rookspek (gerookt spek), o.: —tabak, v.; —vleeseb, o.: —M or»t, v.; —zolder, m. —s. Room (vet der mrlk). m. gmv.

Roomen (ontdorn can den room), ik heb ge-Roomseb. bn.: —gezind, bn. [roomd.

Hoomseligezinde. m. en v. —n.

Roopaard. •gt;. —en. Zie Rolpaard.

Roos (bloem), v. rozen. Spr. (iren rozen zondrr doornen, alles heeft zijn tegen, zijn schaduwzijde: de tijd baart rozen, op den duur komt alles terecht; hij wandelt op rozen, zijn leven is vol geluk: fig. slapen als een —. d. i. rustig, gezond: iets onder de — zeggen, vertellen, onder het zegel des geheims: — schieten, met den pijl het mikpunt treilen; hij schoot drie rozen achter elkaar, met den handboog drie keer het mikpunt treilen: de oorlog der Witte en lioode in Engeland, de oorlog tusschen het huis van York en het huis van Lancaster (begin der '15e eeuw).

Roos (zekere huidziekte), v. gmv.

Roosten {braden op een rooster), ik heb geroost: — ing. v.

Rooster, m. —s. Fig. De — can werkzaamheden, d. i. de daglijst.

Roosteren {roosten), ik heb geroosterd. Kooven (Stelen), ik heb geroofd: —er. m.; —erij. v.: —ersbol. o.


ocr page 236

IkOPIJ—HUIMSC HOOTS.

Kopij (l). I. zih'. miait = ± f 0.-20: ijoud-rnimt = ± f 18). v. —en.

K«ilt;|iicere:) [in het schnahspcl: a-n toren fn den koninfj verplaatsen).

Kof» (Sl rijd paard), o. —sen.

Hos (rondachtifi), bn. Ui' rosse vlammen. KohH4'iiti£. bn.: -luid, v. Een —c haard. UoMhaar ^draagzetel), v. —bnren.

Klt;i.Hhlt;'ilt;gt;r (in de legende het paard drr vier Heemskinderen \Beijaarlt;l\i ook een wild mensch). m. — s.

lloMkam (/laanlenkam). m. —men. Ki^. scherpi1 beoordeelimj. hekeling.

KoKkaiiniK'ii, ik heb geroskamd: —lt;*r, m.: —«'rij, v. Fig. gispen, doorhalen, he iel en. K«»Miiiarijii.Rozeiiiarijii( moerasplani ),m.grnv. KohiiioIcii {door ''rn paard of ros in hetceging gehouden), m. —s. Hij loopt, In den —. hij is niet bij zijn verstand.

Kohhi'ii (lig. iern. shnm), ik lieh gerost. Hos^is {roodachtig), bn.: — lieiil. v. Kol {knaagdier), \. -ten. Ook: Kat. Kot {menigte), o. —ten. —ten links, —ten rechts, de manschappen moeren links- olquot; rechtsuit marcheeren. De geweren aan -tm zeth'n, d.i. in groepjes tegen elkaar Kot {rottende), bn. en bw.: —lieid. v.

Kotatic (ronddraniiiig, wenteling), v. —tü'Mi. —ties.

Koten, ik heb geroot. Ihnnep, rins —. d.i. in het water losweeken.

Plot gans i wilde gans), v. —zen.

KotkoortM (pestkoorts». v. —en.

Kotonde (een gehonw dot v/in hniten m rnr hinnen rond is: ook lange rondt' dames-oianwl), v. —n. —s. Ook: Hotandc.

Kot», v. —en.

Kotten {samenscholen), zij hei ben gerot. Klitten {tot bederf overgaan; ooi: tr — leggen). het is en heeft gerot.

Kottenkrnit, o. gmv. Zie Kattenkniit. Kottini: {rieten wandelstok), m. —en.

Koni' {doordraaier, losbol, lichtmis), m. —quot;s. Koiiffe (rood), bn. en als zn. o. — et noir spelen, een kansspel met ballen en kaarten. Konleeren {omloopen. loopen over iets; in o,nloo/i of gangbaar zijn van geld). Het gesprek naileerde over de geldcrisis.

Konlette ( naam van zeker hazardspel), v. —s. Konte {richting, reis. tocht, marsch ran soldaten), v. —s.

Kontine {ervarenheid, oefening, vaardigheid, slear. slender), v. gmv.

Konw (droefheid, spijt, rona'kleedij), m. gmv.

Lichte, halve, zware —.

Konw.bn. '/m' Kiiav. —e klanten, ruwe kerels. Kimiw ig (bedroefd, t ren rig), bn.

Konw klagen {treuren oïn iem. dood), ik heb geronwklaagd.

Konw koop. m.grnv. — geven, een geldsom betalen om een gedanen koop te vernietigen. Koven (de harst ran de. wond afnemen), ik heb geroofd.

Koyaai (koninklijk, vorstelijk), bn. Hij deed —. d.i. niet karig. Een rogale rent. een niet-kleinzielig man.

Koxehlad. o. —bladen. —bladeren en —bhlren. Ko/.ehottel {vrachtje), v. —s.

Ko/.eknop, m. —pen.

Koxeiaar {rozeboom), m. —s en —aren. Koxeniai'ijn [altijd groene heester), m. Zie Kozenbed. o. —den. |Ko*niarijn.

Koy.eiiffaani (tnia niet rozen), m. —.-n.

Ko/engenr, m.: —is. bn.

Klt;»7.enlioe(l {krans ran rozen), m. —en. -je-. 1 {kleine paternoster), o.

Ko/.enklenr, gmv. v.: —iy;. bu.

Ko/.enkrans {snoer van koralen, paternoster), m. —en.

Ko/.enohel {oad-Eng. goadmant), m. —s. Koxenolie, v. — van Perzië.

Kozerooil. bn. Een — japonnetje.

Koze.stek. m. —ken.

Ko/et (roosrormig sieraad: sgmnietrische. door een cirkel te ooi eat ten jig nar), v. —ten. Koziy;. bn.; —lieid. v. De ha'ni is daar wat—. d.i. door roos ontstoken.

Kozijn, v. —en. Ook: Kazijn.

Kozinant {het knokerige paard rnn Don (Jniclwt: fig. slecht paard, knol), m. —en. Knbriek (afdreling. A 'lasse: soort, opschrift). | v. —en.

Knclitbaar. lm.: —lieid, v. — mnken. alge-l meen bekend maken.

Kndinienta (allereerste gronden of beginselen erner wetenschap). Ook; Kndinienten. Kndiinentair(i)gt;.onlirikkelingachtei'! i'bleven), bn. —e organen, bij levende wezens, gedurende de ontwikkeling van een enkel individu verworden uit in den aanvang volkomen ontwikkelde organen, zooals bij den mensch het s taartbeentje.

Knditeit (rawheicl. onwetendheid, lomplieidy onbeschaafdheid), v. gmv. Kns {lichaamsdeel), m. —gen. De — van een boek, ran een mes, ran een kleed, ran een canapé, enz.: de — van de hand. d. i. het bovenvlak; den vijand den — toekeer en. d.i. op de vlucht slaan; iem. den — keeren, hem minachting toonen: de fortuin heeft hemden — toegekeerd, niets wil hem meer gelukken; dat e.camen is alweer achter den —. d.i. voorbij: hij heeft een breed en —. d. i. hij kan veel verdragen, lijden: zij rielen den vijand in den —. d.i. van achter vielen zij hem aan; hij zette zijn — op. hij werd boos; de jongen deed het achter mijn —. tor sluik, heimelijk; iem. den — smeren, d.i. afrossen: ik heb mijn oogen niet in den — staan. ir. ik zie scherp. Knxsein'aat. v. —graten.

KiiKSelen (aarzelen), ik heb en ben geruggeld. Kns^eliiijSN. bw. Hij viel — wan het paard., il. i. achterover.

KiiiCj^elingHcli. bn. /■gt;;gt; —lt; sprong, d.i. een achterwaartsche sprong.

Knggeinerg, o. gmv.

KiiKKe^praak gt;heimelijk beraad), v. gmv. Kni {het ruien der rogels), m. gmv.

Knidi{r (schurftig), bn.: —lieid. v.

Knien (van vederen wisselen), de kanarie heeft geruid: —ing. v.; —tijd. m.

Kuil' {schuin lat- of kantwerk), v. ruivt:n. Kuis; (harig, wollig, mw). bn. en bw.: —lieid. v. Kuiken {geur opnemen), ik rook, hebgei'oken: Kniker (bloe men bosje, bouguet). m. —s Kuil (het ruilen, wisselen), m. —en. Kniielmiten {ruilhandel d rij ren in 't klein). ik heb geruilebuit: —er. m.

Kuilen, ik heb geruild: —er. m.; —liandel, m.; -ins. v.

Kniin (wijd. breed, uitgestrekt), bn. en bw. (o. als zn.); —lieid. v.: —te. v.

Kiiiinhaan. v. — maken, plaats maken. Kniinen. ik heb geruimd. l.quot;»t den weg —. .j|gt; zij zetten, lig. iem. dooden op heimelijke wijze. Kuiin.HehootH (fig. in raimc wite). bw.


ocr page 237

UUIMTE-SEM.

217

Ruimte (tuijdte) v. —n.

Kuin {paard, ijcsnoden liemjst). nu —en.

Ruïiif ([minhoop, bouivval). v. —11. —s.

KuïneercM (in 7 verderf storten, te gronde r ich ten).

Kuïiifiis (eerder fel ijl,', te ijrunde richtend ).h\i.

KniMi-licii, het heeft geruischt: —ins. v- De hinderen, de talc hen. — in den wind. een zacht geluid maken.

(oryelpiJii), v. —en.

RniHvoreii. -voorn lt; zoetwatermse.h). in. —s.

Kuit (eierzijdiye liga ar: ook glasrail),\. —en.

Kuit {scharft), v. gmv.

Kuit (gewas, onkraid). v. gmv.

Kiiitcu (een drr vier fig are nop kaar h-n), v. inv.

Kuiten (raiten snijden of maken in), ik heb geruit.

Kuiten {planderen. rlt;/oven). ik heb geruit: —er. m.

Kuitenaas (kaartspel), o. —azen: —hoer. m. —en: —lieer. m. —en: —vrouw. v. —en.

Kuiter [thans rijder, soldaat te paard),u\.

Kuiteii) (paardenrolk. caealerie). v. —en.

Kuiterlijk. bn. en bw. Een — antwoord. (1.1. rond: hij kwam er — voor ait. d.i. open. oprecht.

Kuiting (kling ran een zwaard), v. gmv.

Kuitint; (geklonterde melk), v. gmv.

Kuk (een haai. een trek), rn. —ken.

Kukken (met geweld weghalen), ik heb gerukt: —ins:, v. Te relde —. ten oorlog trekken.

Kul (baitengewone eerkoop van massa's van dezelfde elf reten aan de hears), v. —len.

Kul (hobbelig), bn. en bw.: —lieid. v.

Kuin (geestrijke drank), v. gmv.

Kuniineeren (herkaawen: lig. overpeinzen, nadenken). [gmv.

Kiinioer (rerward gr ra as. grjorl, ge r acht), o.

Kiiinoeren (gerat/s maken), ik heb gerumoerd.

Kunioerit; (levendig, druk), bn.; —lieiil. v.

Kun (fijngemalen cikenhast), v. gmv.

Kiind ihoomdiei'), •». —eren.

KumleriiarHt i runderhaas. filet), m. —en:

S. v. — 1)h negentiende letter van het nlphabet: zij beteekent als Homeinsch cijfer 70.

S. — Salns, heil. welzijn.

S. — Sena tas. senaat.

S. — afkorting van Serrius. Sr.ctus.

S — Signa, signetur, teeken. merk. wonder-teeken.

S. — Sulo (muz.). alleen.

S, gt;f St. — Sanctas, saint, sint. heilige of heilig: bij aanduiding van muntspeciën beteekent St. stuiver.

S. — Sire, dat is. te weten.

S. of Sign. — Signetur (op recepten): het worde geteekend.

S.a. — Sine acido, zonder zuur; ook Secundum ■ irtcm. naar de regelen der kunst.

S.A.K. — Son Alt esse Eminentissime, zijne of hare doorluchtige hoogheid.

S.A.K. — Son Altesse l'egale, zijne of hare koninklijke hoogheid.

— prMt. v.; —stal. m. —len; —worst, v.; -ziekte, v.

Kune {oade rechtlijnige letters cf terkens d'-r Germaansche priesters), v. —n: -sebrilt.

Kuniseli (oadnoordsch). bn.

Kiinsel {stremsel), o. gmv.

Kups. v. —en. Igmv.

Kuptiiiir {breuk, oneenigheid. vredebreuk), v.

Kuraal (landelijk, veldeiijk: hetgeen den landbouw betreft), bn. liarale gedichten, d.i. veldzangen.

Kus. m. —sen: —land. o.: —sisrli. In.

Kiisrh (plantk. bies), m. —schen.

Kusé (listig, sluw), bn.

Kusselien (van rasch gemaakt), bn. l'.en — zitting ran houten stoelen.

Kiissiscli. bn. (o. als zn.).

Kust (het rasten), v. gmv.

Kust (sclieepsw. neerstekende zijkant). v. —(.'H.

Kusthank. v. —en.

Kuslel ,os, bn. en bw.: —lieid, v. ü-' zieke bracht den 'lacht — dom', in onrust, zonder te rusten; hij werkte — verder, d.i. zonder ophouden.

Kusten (stil zijn), ik heb gerust. Hij is —d predikant, d.i. emeritus: de dooden — op het kerkhof, den doodslaap slapen: rast wel.' slaap wel.

Kusten (gereedmaken), ik heb gerust. L)r niannen waren ten strijd gerust, d.i. gereed.

Kustiriteit (landelijkheid, boerschlr idi. v.gmv.

Kustiek (landelijk, boersch: plomi'. onbeschaafd), bn.

Kustiu; (stil. I» •daard, gerast). bn. en bw.:

— Iieid. v.

Kusiing (wapenrntsting). v. —en.

Kuw. bn. en bw.: —lieifl, v. Ook: Kouw.

Ku waard (tijdelijk bewi ndvoerder, regent, landvoogd, rijksbestuurder), m. —en. —s: —Hfliap. o.

Kuwigheid gt; onelj'e,dn iil). v. —In den.

Ku/.ie (t/rist, krakeel, g'-kijf). v. —s.

Sr. uf Snilps. — S - i^.sit. hij heeft het ge-graveerd.

Srr. — Scripsit, hij heefi her ges.jlneven.

S.!),lt;«. — Soli Ih'o lt;ilia'ia. lt; lode alleen /.ij de eer.

S.K — Son Eminence of Son Eccell'-ncc. zijne eerwaardigheid of zijne excellentie.

Sert. — Sectio, eene afdeeling.

S.K.t'. — Saleo errore calculi, behoudens een fout in het rekenen.

S.E. et O. — Salvo errore et lt;anissione. behoudens een fout en uitlating.

S.— Sons garantie dquot; gonrernement, door de regeering gewaarborgd.

SM.-Scilvo honore. met behoud van de eer.

S.ll. et S. — Salro honore et stipeudio, met behoud van eer en jaarwedde.

S.ll. et T. — Salvo w titalo, met

Sen. — Senator. [behoud van eer en titel.

Sen. of Sr. — Senior, de oudste.

Se«|. of Sc|. — Sequens, de of het v-ilgende.


ocr page 238

21S SIGN-SAM LM.

Sign. — Shjiiat tini (em 11, (het was) geteekend.

S..J. — Socictatis Jcsn. van liet genootschap | van Je/.us (een Jezuïet).

Shlo. — Saldo. Zie dat woord.

S.Ij. — Sm, loco, ter zijner plaatse.

S.L.E.A. — Sine loco rt anno. zonder plaats en jaartal.

S.M. — Sa Mnjcstr. zijne of hare majesteit.

S.^I.C'. — Sitrri ministerii camlidatns, can-didaat van het heilige of gewijde leeraarsamlil.

Solv. — Solratur. het worde opgelost (op recepten) betaald.

S.IMgt;. — Sainton plarimam (licit, hij groet ! u zeer. Het gewone opschrift in een Latijn-schen brief.

S.P.O.R. - Si'i tatns pufia liis'inr Human as. de Romeinsche senaat en liet Komeinsche volk.

s.., . — Snfficiens tiaantitaa. de toereikende hoeveelheid (op recepten).

S.K. of Sal va ral. — Sal va rati licalione. behoudens de bekrachtiging.

Sr. — Sl'-iir. heer. Zie ook Sen. of Sir.

S.U.I. — Sarri Roaiani imperii, van het heilige Mo 'msche rijk.

S.S. — S'i Sniuh'tr. Zijne Heiligheid: olt;.k sar ra scriptura. de heilige 'schrift.

S.h. — Semis (op recepten), de helft (van het opgegeven e).

S.T. of S.T. — Salvo titalo clebito. zon- , der iemands titel te benadeelen.

S.T.I). — Sanctar theoloniae doctor, doctor in de heilige godgeleerdheid.

St.\. — Stiti nori. van den Nieuwen Stijl.

St.V. — Stili ceteris, van den Ouden St. 1.

Sup. — Supra, boven: olt;»k superior, de vorige.

S.\. — Sol ca cessia. met verlof.

S.V.P. — S'H cons plait, nis het n belieft.

SA'.V. — Sit cenia cerbo. met verlof gezegd.

Sa {luelaan hianaan !k tw.

Saai ({jr-'i'i' icollen stof), o. en v.

Saai i re ree lead), bn.: —heul, v.

Saaifin / iet roor de(jarnalen-cisscherij). o. —

Saam. Zie Samen.

Sabbat {rustdag der Israel.), m. —ten.

Siibbatskleed, o. —kleederen. — kleeren: j —rii^t.v.: —«eliemler, m. —s: —.seliemii.s. v.

Sabel idirr). ni. -s.

Sabel ihont). o. gmv.

Sabel (://•' /rt in de wapenkunde), o. gmv.

Sabel zwaard), v. —s.

Sabelen (met de sabel Imawen), ik heb ge-: sabeld.

Sabreeren (neilersabelen).

Sabreur {hoaa'deyen. recht majoor), m. —s.

Saerament. •gt;. —en. (b.v. het doopsel).

Sacramenteel (heiliij. oncerbrekelijk). bn.

Saeriliee quot; opofj'erinfi). v. —s.

Saerilieeeren, Miicrilieeren (olfereu).

Saerilieeeren (xielO. (zich npnlJeren).

Sacrilieie (oll'erande), gt;gt;. —s. —ciën.

Saeriiese (kerkroof lt;if -dieverij, heiHijschcn- 1 nis), m. — s.

SaeriHteiii {koster), m. —en.

Saeristie. sacristij vertrek, kamer naast

de kerk-, v. —tieën. —tijen.

Sadtlueeèr (niet aan de opstanding der dooden neloovende), m. —s of Sadduceën.

SalTier lt; betverhte steen, schitterend donker- i blauw), m. —en.

SalTier istof), o. gmv.

SaHloer. Mal'lloei'M (wilde salfman). o. gmv. !

SafTraan lt; plant), v. gmv.

Sage (V( ilksvertelliiaj. overlevering), v. —n.

Saglt;» (merg van den sagopalm), v. gmv.

Saillant (vooraitspringend: lig. trelfend, in het oog springend), bn.

Saillie [uitsprong, aitsteeksel: tig. vernaftigc. inv h. v. —s.

Saiwie {inbeslagneming), v. —s.

Saiwi.sM'ereiK/// beslag nemen.(grijpen, entten).

Sajet {getwijnd wollen garen), v. en o. —ten.

Sak (bi/dj upon), m. —ken.

Sakkerloot, tw.

SakHiNeb. bn. — porselein, een —e kanarie.

Salade, sla {plant), v. saladen.

Salamaiider (.soorf van kraipenddier), m. —s.

Saiarleeren (een jaarwedde geven, bezoldigen).

Salaris {bezoldiging), o. —sen.

Saldeeren (verelfenen. rekeningen afslaiten).

Saldo (ocerschot. restant), o. saldo's.

Salep (stoppende geneesa.'ortrl), v. gmv.

Salet (zaal. bijeen Lomst in de i8e een te), o. — ten.

Salie (fy(W'/8). v.gmv.: —melk Onelkgetrokken op saliebladeren), v. gmv.

Saliselie wet ( een oude Frankische wet, welke de vroawen can de troonopvolging uitsloot), v.

Salmoniak lt;.amonia). v. Ook: Sahn'mk.

Salon (gi •oote ontvangzaal: ook tentoonstelling con schilderijen enz.), o. —s.

Salonboot (iveelderig ingerichte stoomboot). v. —en.

Salonheld (aangmaam gezelschapsme.tsrh. die. overigens niets betcckent), m. —eii.

Salope (slet. slons: oeh tend kleed), v. en.

Salpeter (zontstof). o. gmv.

Salto {sprong), m.; — mor tale, halsbrekendi' sprong, bv. in een paardenspel; lig. een i«' groot waagstuk.

Salnbriteit (gezondheid, heiIzaamheid). v.gmv.

Saliieeren {groeten, ere bewijzen).

Salnnt [groet, heil), o. saluten: —nebot. ■«.

Salvo {eereschot, begroeting door het losten van het geschat of klein geweer: algemquot;eii ha n dgel.larï- o. siilvo's.

Siuniutr{ deftig ero 11 wen kleed), v. sa ma ren. ven gt;.

Samen, te xamen. Als eerste lid van de samenstellingen ook saam.

SamenliaiiK {onderling cerbond). m. gmv.

Sanienlevins, v. gmv.

Samenraapsel (mengelmoes), o. —s.

Samenrotten (cijandig samenscholen), ik heb en ben —gerot: — ins, v.

Sameiiseliolen (groepsa.ujzr bijeenkomen), ik heb en ben —geschoold: — ins^ v-

Sameiismelten (ineensmelten), ik heb en het is —gesmolten: —ins. v-

Samenspannen (een complot mokr,,). ik spande —. heb —gespannen; —ing;. v.

Samenspraak [tweespraak), v. —spraken.

Samenstel {inrichting, boaw), •». gmv.

Samen(rekkiiiu;steekeii. o. —s, bv. in: rann (raden), boom (bodem).

Samenvatten (bijeenvatten), ik heb —gevat: —ina. v.

Sameir/.weren {een complot smeden), ik zwoer —. heb —gezworen; — zweerder. m.: —zwe-rins, v.

Samkyn. sainkyd ('Jnrksrli schip). \.

Samiiielen {tolaim. leuteren), ik heb gesam-meld: —aar. m.: —a ■ü [la lm er ij), v.

Samoreus (een soort ean groote aak). —reuzen.

Sam inn. sanioemlt; A frikaanschem Aziatisrhe


ocr page 239

SAXCTIFICKERKX-SCMADl WEN.

woestijnwind, waardoor nwnschcn rn dieren gedood warden), m. —s.

Saiirtificperen, HHuvt'iVwvreii (heilir/en,heilig-sj) reken).

Saiietioneercii (hel.rarhtigen, goedkeuren. voer wettig verklaren).

SaiHlaal (bindzool, schoeisel, in d' landen van Azië nag in gehra ik), v. sandalen.

Miiiitalltooin {Indische In ia ia).

rn. —en.

Samlrak izckerr soort ran witte hars) o.gmv. SaiiiflVoid {koelbloedigheid), o. gmv. SaiiguliM'H.H(/gt;/'quot;v/gt;v/7.. ra rig. lichtzinnig), bn.

{bloedrijk), bn. Een — tempera-ai ent. d.j. een levendige gemoedsaard. SanlM'driii (Joodsche hooge raad ia het voormalig Jerasalem). o. gmv.

Sanitair (op deii gezondheidstoestand of de -leer betrekking hebbend), bv.

Saniteit (grzondheid, welstand), v. SaiiHculotte (die geen kniebroek of calotte draagt, maar een lange broek of pantalon: haveloos rnenseh, aanhanger der altrn-denw-craten in 17ÜU r.), m. —n, —s.

Saus donte (zonder twijfel), bw. SaiiM-lalt;;oiiH {zonder romplhnenten). bw. SaiiH zvnv {vrij en ongedwongen), bw. Sanskrit (aloade taal ran Voor-Indië). o. Saiis-pn'iidri' {zonder bij te koopen ia la-t arnbre-spel).

Sans-sauri (onbeLonmierd). bw.

Sant {heiHgo. m. —en: —in. v. —nen.

Santo {groet bij het toedrinken). Ook: Santje». Santlt;»rie (daizendgaldenkraid). v. gmv. Sap (levensvocht), o. —pen.

Sapaiiliont {rerfhoat). o. gmv.

Sap^nxMi (verfstof), o. gmv.

Sapienti sat (voor dm tvijzr genoeg).

Sappe iniil. loopgraaf, onderaardsche gang bij vestingwerken), v. —n.

Sappeeren (mil. ondergraven, ondermijnen, sappen maken).

Sappt'i.r (mil. loop- of mijngraver), m. —s. Saraceen {Mazehnan), m. Saracenen. Sarrasine. sarrasinns (hoonend gelach, vinnige spot), o. —n.

Sarrastisrli (bijtend, scherp, stekelig, bitter). bn. en bw.

Sarropliaag (grafteeken in den vorm eener

doodkist), v. —phagen.

Sanlijn (visch). v. —en.

SardóniMcli (sarcastisch.gedwongen, gemaakt). bn. Een —e lach.

Sarge (wollen stof), v. gmv. Ook: Seiije. Sarren {plagen), ik bel' gesard. Sas (Slaiskolk. schatslnis). o. —sen. Sasset'ras (la ar ierboom), m.

Sassefra-* {drank, getrokken den sassefras), o. gmv.

Satan (booze geest), m. —s.

Satelliet (wachter, begeleider: een ondergeschikte medehei per ran voorname personen), m. —en. De maan is de — iler aarde.

Sater {Grieksehe bosvhgod: ook een zeer teel ijk

mensch). m. —s.

Satijn (glanzige zijde). gt;gt;. —en.

Satineeren {op satijn stikken: glanzen). Satinet (gestreeptr halfzijden stof), o.

Satire {hekelschrift, spot- of hekeldicht), v.

Satiricus (spo t ter. s/)o tsrhri ftscb rijvigt;r). m. —ci. Satiriek (spottend, bijtend, hel,etend), bn. en bw.

op bladeren van

Safislaetie {bevrediging, genoegdoening), v. —s. —tiën.

Satraap (landvoogd in om/-/V/T/cJ),m. — traperi. Saturnaliën (Sa tarn a s-fees te 11 in Home van 11 tot -23 December), v. mv.

Saneijs (gekruide ivorst), v. —cij/.en.

Saus. v. —en. Honger is de beste —. d. i. maakt alles smakelijk.

Sausen (met saas besproeien), ik hebgesan.-d. Saiiverarde {vrijgeleide, bedekking), v. gmv. Sanveeren {redden, sparen).

Savellmoni. zevenlxioin {een soort van den). m. —en.

Sa vnir-laire (bedrevenheid), o. umv.

Sa voir-^ i v re (levenska nst, mensch en ken /1 is». o. Savonet {horloge met twee goaden dekplaten), v. —ten.

Sbirre (diender in Italië, s/tenrhond), m. ven». Seahrens {netelig, onhebbelijk), bn. Sralpeereu (de hnid met het haar van de hersenpan trekken).

SeaiHleeren (verzen meten, volgens de rxet-

maat verdeden: zoo verdeeld opzeggen). Seansie (het scandeeren). v. gmv. Seapliander (zivem kleed of -gordel, een van Larie, enz. gemaakte gordel), m. —s. Scapulier, o. —en.

Scaranionche (hansworst, grappenmakerk m. —s.

Scène {tooneel, schonn'idatds, tafereel: voorval), v. —s.

Scepticisme (tivijfelarii in getoofszaken). o.

(twijfelaar), m. sceptici. [trmv. Sceptisch {weifelend), bn.

Scliaal' {n'erktnig). v. schaven.

Scliaarhank. v. —en: —beitel, m. —s. Scliaakhord. o. —en.

Scliaakniat. bn. IIij is — gezet, bij kan niet verder, zit vast.

Schaakspel (bord met de stal,ken), o. —len. Schaakspelen, o.: —er. m. —s.

Schaal {weegschaal, teckenschaal). v. schalen. Schaamte, v. gmv. Valsche —. verkeerd go-plaatste hoogmoed.

Schaap, o. schapen.

Schaar 0 nenigte), v. scharen.

Schaar {werktuig), v. scharen.

Schaard {l.erf ). v. —en. liet 7ues is vol —en. Schaars (Zelden), bw.

Schaarsch (rWf/r^am). bn.: —heid. v.: —te. v. Schaarslijp ( persoon), rn. —en. Schaarwacht ( patrouille, ronde), v. —en. Schaats, v. -en.

Schaatsenrijden, o. —er. m. —s.

Schahheriic (/. •aal. annoedig), bn.: — heid. v. Schabel {voetbankje), v. —len.

Schabon wclijki'/rmr////'/. ellendig), bn.en bw. Schabonwcri}»- (armoedig), lm. en bw. Schabrak {kostbaar paardedek). v. en o. —ken. Schacli {Perzisch honing), m. —s. Schaclieren (kleinhandel drijcen). ik heb ge-

Ue

tellen (vergoeden), ik heb —ge-

Schaden {nadeel toebrengen), ik heb gesch.'.nl. Schadnu . v. —en. Dicht, schadaw. Scha«lnwl»celd {silhoaette). o. —en. Schaduwen (een tint leggen op), ik heb geschaduwd: — ins. v.

schacherd: —aar. m.; —ij. Schacht, schalt {pijp, stei van een laars, vnn een pc,. Schade (nadeel, verlies), v.

Door — ivordt

ten wijs', met — en schande ergens afklt;. Schadeioosstequot;

steld: —in


ocr page 240

SCH A!•'FEN—SCI I EN I) EN.

220

ScliaIIVii (bezoryeit). ik heb geschaft; —or, m. Srhahi'ii (eten, opd'mschen). ik heb geschaft. Scliakal (jakhals), m. —s.

Scliakeeren (kleuren nieii'jeleu, (rapxyewijze doen Ine- of afnemen), ik heb geschakeerd; —«el, o.; —iiiK {afwisseling van tinten), v. Schakel (schalm, ring een er keten), v. —s. Scliakelen (verbinden), ik heb geschakeld; —iiig. v.

Sciiakeliijin (vloeibare lijm. zoogenoemd naar den fabrikant), v. ginv.

Schaken (een meisje met geweld wegvoeren: .^cliaaks/ielen), ik liei» geschaakt: —cr. m.; Schnko (siddatenhoed), v. —'s. 1—iiiR. v. Sclial (gelaid, toon), m. gniv.

Schalie (lei), v. schaliën, schalies.

Schalk (gait, grappenmaker), in. —en. Schalk duos), bn.: —hcid. v.

Sclialk». bw. Zij lachte —. d. i.op guitige wijze. Schalksch (gaitig). bn.: —hcid. v. Schallehijter (loopkever), m. —s.

Sehallcn (galmen. klinLen). ik heb geschald. Schalm (erenmatig deel eau een ketting), m. Sclialiiici [herdersfluit), v. —en. j —en.

Schaind (armoedig), bn. en bw.: —heid. v. Sciiaineii (zich), ik hei» mij geschaamd. Seham|i (schampsehot). m. gmv.

Scliaiii|Mlek (scheepsw. dek naast de verschansing), o. —ken.

Schaiiipcn (van ter zijde raken), bet is geschampt.

Schampcr hoonend), bn. en bw.: —hciil,v. ScliaiiipM'hciit (schamper gezegde), m. —en. SchainpHchot (seh d. dat ter zijde afglijdt). o. —en.

Schandaal (ergernis, erge lijk /e/O. o.—dalen. Schandaleus (ergerlijk), bn.

Schandatiu; (schandelijk), bn. ScliandaliHCcrcn (aanstoot geven).

Schande (oneer), v. gmv.

Schandcknnp (Spotkoop). !)n.

Schandelijk, bn. en bw.: —heid. v. Schandpaal (geeselpaaI), m. —palen. Scliandvlek. v. —ken. Hij is een — voor zijn familie, d. i. strekt tot oneer. Schandvlekken (oneer aandoen), ik heb geschandvlekt.

Schan» (mil. tval. fnrt), v. —en.

ScliaiiNcn (verschansen), ik heb geschanst. Scliansklecd (scheepsw. lange jas), o. —en. Schaii.*»lotiper (lange slaitende jas), m. —s. Schappelijk (redelijk), bn. en bw.; —heid. v. Scliapradc. Schapraai (etenskas). \. —raden.

—raaien, gew. of vero.

Schar (platvisch). v. —ren.

Scharhier (dun bier), o. Zit' Scharrebier. Scharen (rangschikken), ik heb geschaard: — inff. v.

Scharlaken (hoogrood laken), o. gmv. Scliarlei, scherlei (zeker kraid), v. gmv. Schanniiikel, Hcherininkel (lang en maner

inensch), m. —s.

Scharnier (geheng van een dear). lt;gt;. —en. Scharrehier, scharhier (dan bier), o. gmv. Scharrehijter, m. —s. Zie Schallehijter. Scharrelheenen (moeilijk loopen), ik heb ge-scharrelbeend.

Scharrelen, ik heb gescharreld: —aar, m. Schat dels kostbaars), m. —ten.

Scliateren (laid lachen), ik heli geschaterd. Schaterlachen (schaterend lachen), ik heb geschaterlacht.

Schatplichtis!; lt; belastingschnldig). b11.

Schatten (ta-ceeren. waardeeren), ik heb ge-| schat: —er, m.: —inff. v.

Schaveelen. schavielen (i/ischikken,opschui-' ven, plaats maken), ik heb geschaveeld (ge-i schavield).

Scha veliiift' (schaafkrnl). m. —en.

Schaven (gladmaken), ik heb geschaafd;

— iilK, v.

Srliiivirlrn. Zie Si lnivcclcn.

Schavot, o. —ten.

Sehavotteeren (op het schavot een straf doen ondergaan: tig. schande aandoen): -ins. v. Schavuit (schelm), m. —en.

Schedel (hersenpan), m. —s.

Sclieede. schee, schie (koker), v. scheeden, scheeën, schieën. De — van een sabel, mes, degen. enz.

Svhvei'(schuin), bn. en iiw. scheever; —heid. v. Scheel (deksel),o. —en. //»'/ — cim een doodl.ist.. Sclieel (dwarsziend). bn. en bw.: —hcid, v. Scheelen (scheiden: schoontnaken), ik heb gescheeld: — ins. v.

Scheen (scheenbeen t. v. schenen. IHj liep een blamve —. hij werd door het meisje afgewezen. Scheepvaart, v. gmv.

Scheer (zandbank), v. scheren.

Scheiden (verdeclen). ik heb en ben gescheiden. Het kaf van het kuren —. atzonderen: een rivier, een gebergte kan tivee landen —: de vergadering is gescheiden: quot;it het leven —. Scheiding, v. —en. |d.i. sterven.

Scheidsnian, in. —lieden.

Scheidsinunr (tasschenmaar), rn. —muren. Scheidsvrouw (bemid'lelaarstcr), v. —en. Sclieiknnde, v. gmv.

Scheikundig. bn. en bw. Ken — onderzoeh'. Scheikundige, m. —n.

Scheilijn (grenslijn), v. —en.

Scheitceken (komma, taait, enz.), o. —s. Schel (bel), v. — len.

Schel (bast), v. —len. Zie Schil.

Schel ^helder van gela'ni. klinkend), bi . e.n bw.: —heid, v.

Schelden (hoonende ivoorden /'/(en), ik schold, heb gescholden.

Scheien [verschillen), het heeft gescheeld. Dat scheelde niet veel: er scheelt iets aan, d.i. haperen: wat scheelt n. d. i. deren; het scheelt hem in 't hoofd, hij is niet recht wijs. Schellquot;. schelve (hooihoop), v. —ven. Schelkruid (plantk. stinkende goawo.o. gmv. Schellen (bellen), ik heli gescheld.

Schelling (mantstuk = f 0.30), m. —ei.. Sclielni (bedrieger. Og. guit), m. —en. Schelnierij (bedrog), v. —en.

Schelnisch, bn. en bw.: —heid. v. Schelp,Sclnilp(sc//r/quot;/i',rtgt;j weekdieren .v.—en. Sclieltronipet (klaroen), v. —ten.

Schclvisch (een visch), m. —visschen. Schelvisch (Stof), v. gmv. lloadt gij van Schema (schets, ontwerp: aiodel), o. —'s. Schemer, m. gmv. Wij zitten in dm —, d.i. tnsschen liclit en donker.

Schenieren (donker worden: in den scheaier I zitten), het heeft en wij hebben geschemerd;

— ing, v.

Schemerig (duister, onklaar), bn. Schendhrok (lasteraar), rn. en v. —ken. Scliendekenken (die bij goede voeding er todb \ schraal en mager ailzict). rn. en v. —s. Schend en (bederven, schande aandoen,), ik i schond, hel» gesch'mden: —er. m.; —crij, v.; -illï. v.


ocr page 241

SCH EN DIG—SC 111MPVOG ICL.

221

SclHMiflis (schanek'lijk), lm.

ScheiMltung; (lasU'i'fian. m. en v. —en. Sc-lienkase {scheiiLiny, 'joschcnk). v. —s. Selieiikel, Schinkel ilcnnok, dijlmm). m. —s. j Sciu'iikcn (begiftigen gt;. ik schonk, heb ge- i schonken: —er. m.: — ins. v.

Soliennis (onteerinfi. lt;gt;nrl)eililt;iinff). v. gmv. Schep (menigte), m. —pen.

Schep lgt;orlt;l (plank nnn hrt rad quot;(in een I ivn ter molen), o. —en.

Schepel (O/I ILL.), o. —s.

Schepeling, m. en v. —en: voor het v. ook—e. Schepen {inschepen: ook vuren), ik heb gescheept.

Scheppen (voortbrengen), ik schiep, heb geschapen: —\h%\' {eoortbretiger)

m.: —pin

schapen: —wel. o.

Scheppen {/nittrn). Ik heb geschept: —er (iverktnig), m. Moed —. tolrm —. behagen —. cl.i. tot zich nemen, in zich gevoelen.

Schepper (God), m.

Scheppins: (het heelal), v. —en.

Sv\iv\m\i\ (lt;'ener stri'inibiint). —en. —eren.

Schepsel, o. —en, —s.

Schepter (koningsstaf). in. —s.

Scheren (afsnijden), ik schoor, heb geschoren.

Scherf (brok. stak), v. —ven.

Schering, v. —en. — inslag, de bestand-deelen vnn het weefsel.

Scherm (beschutsel), o. —en.

Schennen (den deglt;'n lm n teer en rolgens de regels der kanst), ik heb geschermd: —er, m.

Schermer {drooggemaakte /das in JSonrd-l Jol la mi), v. gmv.

Scherminkel. m. —s. Zie Scharminkel.

Sche rinntscleii imi't kleine benden en nnge-regeld vechten), ik heb geschermutseld; —ina; (l.lein onbednidend gevecht), v.

Schernint**en. ik heb geschermntst. Zie SchermiitHelen.

Scherp {goed snijdend), bn. en b\v.: —heiil, v.

Scherp (alles, wat nen quot;/» rm geiveer ter beschadiging laadt), o. gmv. /•gt;// grtverr met — laden, met — schieten.

Scher|»en. ik heb gescherpt: —er. m.: —ins, v.

Scheri»rechter (benh, m. —s.

Scherpscliiitter (nitstekrnd schatter), in. —s.

Scherpte, v. —n.

ScherpzinniK(Sc//gt;v/*/JfVi. lm.en b\v.: —hehl.v.

Scherts (bofrl. spoth'i'nij), v. gmv. Liet was slechts —.

Schert.sen ik heb geschertst: —erij.v.

Scherven (brokkelen), het is gescherfd. Die kan begint t ■

Scherzo imnz. laim. het boertige), o. gmv.

Schets [kleine teekening), v. —en. —lt;■// nit de geschiedenis. J.evensschets.

Schetsen {een schrts maken), ik heb geschetst:

Schetteren (klinken, ran trompetten), het heeft geschetterd: —aar. m.: —ing. v.

Scheur (!,■ irst, spleet), v. —en.

Scheurbuik (ziekte), v. gmv.

Scheuren, ik heb en het is gescheurd; —ing (Splitsing, scheiding), v.

Scheiirkalender. m. —s.

Scheurmaker (afvallig''), m. —s.

Scheut (loot. stt'kje). m. —en. Een — tvijn, water, zekere kleine hoeveelheid: een — onder irater, een bedekt verwijt.

Scheutig (rijzig: ook: mild), bn.: —IicmI, v.

Schihlxtleth (hyrkrnnings/voord). •gt;. —s.

Schicht (pijl), m. —en.

Schichtig (schaw), bn. Hel Imrl is —.

Schie. v. Zie Scheeile.

Schielijk (snel), bn. en b\v.: —heiil. v Schieman {bootsmansmaat), m. —lieden, -lui. Sch ieinanncn (scheepsw. opreddeven), ik heb geschiemand.

Schier (bijna), bw. Gras groeit — overal. Schiereiland, lt;•. —en. Spanje is een —. Schieten, ik schoot, hel) en ben geschoten. Ken bok —. een misslag begaan.

Schieter (mot. zeker insect), m. —s. Schietgat, o. —en: —gebedje, o. —s: -gevaarte. o. —n: —geweer, o.: —katoen. ■:

— lood. o. —en: —sch ijl', v. —schijven:

— sclionw (vaartuig), v. —en: —schuit, v. —en: —spoel (wwersspoel). v. —en : —tnij;-. f».

Schil'ten (scheiden), ik heb geschift: —er. m.:

— ing. v. Het kaf van het karen —. Deze zijde begint te —. d. i. rafelen.

Scliirten isamenloopen. zuren, omslaan van

melk. enz.), het is geschift: —ing. v.

Scliijl'( platrond). v. —ven. Gouden en zilveren schijven, d. i. geldstukken.

Schijn (lichtglans), m. gmv.

Scliijnbceld. o. —en: —dengd. v. —en: —doode, m. en v. —n.

Schijnen, ik of het scheen, ik heb of het heeft geschenen.

Schijngeleerde, ui. —n: —geluk, —glans.

m. —en: —grond (ealsche grond), m. —en. Schijnhciliu; (huichelachtig), bn. en bw.: Sc hij nsel (zwak licht), o. —s. [—heid. v. Schijtvalk (een boon valk), m. —en.

Schik (genoegen), m. Hij heep — in zijn leven. Schikgodin (fab.). v. —nen.

Sciiikkelijk (ordelijk), bn. en bw.: —heid. v. Scliikken, ik heb en het is geschikt; —ing (regeling, overeenkomst), v. —en.

Schil, schel {bast. omkleedsel), v. —len. Schild (beul:elaar: beschutting). lt;». —en. Schilder, m. —s.

Schilderachtig {schonn). bn.enbw : —heid. v.

SchildereiK om len). ik heb geschilderd: —ing.v. Schilderen (op schildwacht staan), ik heb geschildord.

Schilderij, v. en o. —en.

Schildersbent ; vereeniging. dob), v. gmv. Schildpad (dier), v. —den.

Slt;'hi ld pad (stof). gmv. Een doosje van —. Schildvlcngelig. bn. Een tor is een — insect. Schildwacht (een wachter), m. —en. Schildwacht ihet wachtlumden). v. gmv. Schiller (dun blaadje), v. —s. De kalk valt in —s af.

Schilleren, bet is geschilferd: —ing. v. Scliillen (van dr sehiI ontdoen), ik heb geschild: —er. m.

Schim (schaduw), v. —men. Kab. geest van een afgestorvene.

Scliimincl [een witachtig paard), m. —s. Schimmcl [witachtige uitslag, kleine plantjes). v. gmv.

Scliimmeleii [zich met schimmel bede!, leen. beschimmelen), het is geschimmeld: —ing. v. Scliiminelen (het schimmeispel spelen), ik heb geschimmeld.

Scliiminenrijk (fab. verblijf der schimmen). Schimp (hoon, spot), m. gmv. [o. gmv.

Schimpdicht, o. —en.

Schimpen (afgeven op), ik heb geschimpt: —er. in.: —erij. v.: —ina,. v.

Schimpscheut (bits gezegde), m. —en. Schimpvogel (spotter), ni. —s.


ocr page 242

SCHINK—SCHOTEL.

•gt;22

Schink [Ikihi)* lil. —eu.

Scliinkcl {dijbeen), in. —s. Zie Schenkel.

Schip waarhiiy). o. schepen: «cheepje,o. —s.

Schipbreuk, v. —en.

Schipl»reiikeliiis;. m. en v. —en: voor het v. ook —e.

Schiphru^ {hrnlt;i rustende lt;gt;/gt; vaartniyen), v. -gen.

Schipper, m. —s: —Hchap. o.

Schipperen (sehUil,en. regelen), ik hel» en het is geschipperd.

Schifeiiia (sclienriny in de mnederherl,), o. —'s.

Schismatiek ial'ralli(j. kettersch). lm.

Schitteren {Stralen, (jlanzen, vUblinken), ik heb geschitterd; —inff. v.

Schnhhejak (deniinict). in. —ken.

Schohhejakken {afjakkeren, den deiKjniet sprlrn). ik heb geschobbejakt.

Schnhhenl {deanniet), m. —s.

Schnhherdehonk. lt;gt;/' — /'/'//quot;*quot;• •• 01( de klap loopen.

Schneien (hel.lei'dcn). ik heli geschoeid: —ins (den tvaterkant beplanken), w; se\ (laarzen enz.), o.

Schoelje (l'ielt. sehiirk). 111. —s.

Schoen, m. —en. Wien di' — past, trekke hem aan: ieder rveet het best. waar dc — hem irrimjt (knelt); hij staat rast in zijn —rn. d. i. in zijn overtuiging; lood in zijn —en hebben, langzaam gaan: men moet ijeen oude —i'n wegwerpen, voor men nwnwe heeft. men moet het zekere niet aan het onzekere opolleren.

Schoener (/j/f/x w/gt;,n'lt;//).m.—.s. Zie Schooner.

Schlt;»enlapper (eersteller ran oude sehoenm: ook zekere vlinder), m. —s.

Schoennia ker. m. — s.

Sv\iov\t (nut terbord ran een waterrad),\. —en.

Sclioer (schender), m. —en.

Schoer (in (ielderland een reyenbui, omveers-vtaaci), m. —en.

SchoHeerder of maa(jdensehender),

m. — s.

Scholleereii (verkrachten, onteeren); —ing, v.

Schoflel (tniaijereedsrhap), v. —s.

Schodelen. ik heb gescholfeld; —aar. m.: — intf. v.

Svhot't('inbehonwen mensch.srhuvait). m. —en.

Sc holt {bovenste deel van den ray), v. —en.

Schoft (werktijd, ' j day), v. —en.

Schol'ten {rusten), ik heb geschoft.

Scholitijd {rasttijd), m. —en.

Schok {stoot; yemoedsbeweyiny), m. —ken.

Schok (zestiytal), o. —ken.

Schokken, ik heb geschokt: —er. in.: —iny;. v.

Scli(»kker {schipper ran 'I eiland Schokland: visschersvaartaiy), m. —s.

Schol {stak ijs. ijsschots), v. —len.

Scliol (zeevisch), v. —len.

Scholarch {sduudbestaarder of -opziener),m. —en. vero.

Scholastiek {school se he tvijsheid), v. gmv.

Scholier (leerliny), m. —en.

Scholierster. v. —s.

Schollevaar (zekere a'atervoyel), m. Ook: Scholver.

Schol ver (selnd leraar), m. —s. Ook: Schol eer d.

Schoniniel {sehop), m. —s.

Schoniinel (dik eromvspersoon), v. —s.

Schoinnielen. ik heb geschommeld: —aar. m.: —ins. v.

Sclioni inelis; {dik), bn. Keil — oroaudje.

Schonk {be'-n. bot), v. —en.

Schoof {yarf). v. sciiooven.

SvUouirn {bedidi-n). ik heb geschooid; —er. m.; —erij. v.

School (leerschool, enz ), v.; (schoolyeboniv), ! v. en o. scholen.

School (meniyte visschen). v. scholen. Schoolsch (verwaand, pedant), bn. en b\v.;

— heilt;I. v.

Schoon {fraai), bn. en i»\v.: —heid. v.: —ties

(lief), bw.

Schoonbroeder (z way er), m. —s: —dochter

j (behuwd dochter), v. —s.

i Schoondnik (afyedrakt blad), m. gmv. Schoone (schoone jonye dame), v. —n. SvUitonen (reiniyen), ik heb en ben geschoond. Schooner, schoener (zeew. klein vaartniy; een tweemaster, zonder vierkante zeilen), m. —s.

Schoonheid, v. —heden; —sgevoel. gt;•.: —s-zin, m.

Schoonklinkend dig. aanlokkend), bn. Schoonmaak, v. gmv.

Schoonmaken (rciniycn. poetsen), ik heb —gemaakt.

Schoonmoeder (behatcd moeder), v. —gt;;

-onder», m. mv.

Schoonpraat (vleier), m. en v. —praten. Schoonsc bn. en bw.

Schoonschrift, o. —en.

Schoonvaderrader), m. —s: —/.oon, m. —s en —zonen; -zuster, v. — s.

Schoor (stat, stennbatk), m. schoren. Sclioorsteen, m. —en.

Sclioorvoeten {aarzelen), ik heb geschoo:'voet;

—d {talmend, dralend), bn.

Schoot (scheepsw. toaw), m. schooten. Viert de —en! De —'•// aanhalen.

Schoot (ran een Ir leed), m. —en.

Schootvrij {bomvrij), bn. JJe denydzamquot; zelfs

is niet — voor den laster, d. i. veilig. Schooverzeil (mm den yrooten mast), o. —en. Schop (stoot niet den voet), m. —pen.

Schop (schommel), v. —pen.

Schop (spade), v. —pen.

Schoppen (op speelkaarten), v. mv. Schoppen (met den voet stooten), ik heb ge-| schopt.

Sc hopstoel. m. —en. 'V 'h'quot; ~ zitten, zijn j ondergang nabij zijn; H: zit hier niet oi' een, —. ik woon hier voorgoed.

Schor (heesch), bn. en bw.: —heid, v. Schoren (Statten, steunen), ik heb geschoord:

-inK, v.

Schorpioen (inseet). m. —en.

Schorre, schor (onbedijkt land), v. schorren. Schorremorrievolk.yepeapel), j.gmv. Schors (buitenste der! eau den bast). —en. Schorsen, ik heb geschorst; —init. v. !em. in zijn ambt —. tijdelijk ontzetten; een rerya-deriny —. tijdelijk sluiten.

Schorseneer (aardwortel), v. —eren.

Schort (klein voorsehoot), v. —en. Schorteldoek, m. —en: —kleed. o. —en. Schorten (opschorten), ik heb geschort:

— iiiü; {beletsel), v.

Schorten (haperen), het heeft geschort. Wat ! schort er aan

Schot (voortyany), — yecen aan. d. i. ma-i ken dat het vooruitschiet.

Schot {Schat, beschot). lt;gt;. —ten.

Schot (het schieten enz.). —en.

Schot (belastiny). o. — '-n Int betalen. Schotel (raata.'erk), m. —s of —en.


ocr page 243

SCHOTS—SCMI; I FT I {OM PET.

ScliiitN (ijs.se/Kil). v. —en.

ScliotH bw. I'-in. — hejetjencAu

S4-lMttM('li {on he lee/'tl. loinp. slecht), lui.

(roodgeruit), lm. De lloll. jiimjeu draaut cru — hieltje (C. O.). Sj liotsclirill {.schimpschrift, brochure), o. —en. Srliomh'r. m. —s of —en.

Sclioiiderfii, ik hel» geschouderd. //lt;•' ifiveer

—. d. i. op den schouder nemen.

Sellout {politie-auibteHdur), in. —en: —«eliap. o. vero.

Sflioiit-bij-iiaelit , m. schouten-biJ-nMcht en schout-bif-nacbts.

SvUouw(schoorsteen). v. —en. I-Jen bodeinloo:e

ton bedekt de ruwe — (Tollens).

Schouw {schuit, praam), v. —en.

Schouw {schouivinn. toezicht), v. —en. Schouwburg: {theater), m. —en.

Schouwen, ik heb geschouwd. Een lijl: —. geneeskundig onderzoeken: ite dijLen —. SchouwpliiafH. v. —en.

Sv\muw s\n'\ (helanffaiekUetid voorval), o. —en. Schouw^peler, in. —s: —speelster, v. —s. Schraas (draariezel, kruishout), v. schragen. Schraal {kar'nj, uuujer). bn. en bw.: —fje«.

bijw.: —lieicl. v.; —te, v.; —hans (vreL). m. Schraap (het sehrnpen}. v. schrapen. Schraapzucht ((lierifiheid). v. gmv. Scliraapziichtij; (t're/,/,'/ƒ/. inhalifi). bn. on bw. Schrab {krab. kras), v. —ben.

Schrabben isch rappen, schrapen), ik hel» geschrabd: — her. m.; -ijzer, o.: -mes. —«el.

Schratelen {schrapen), ik heb geschraleld: —aar (yieriyaard), in.

Schragen (nndei'stennen), ik heb geschraagd:

—er. m.: —ins. v.

Schralen (het luwen eau den wind), het

heeft geschraald.

Schram (lichte wond: l:rab). v. —men: —me-

t.je, quot;•

Sch rammen kwetsen), ik heb geschramd. SvUriïiu\er(scherpziiinilt;/). br..en bw.: —heid.v. Sch rankelbeen (persoon met kromme bee-\

nen), tn. en v. —en.

Sehraukelbeeneii [de bee nen kruisliiujs over elkaar slaan), ik heb geschrankelbeend. Schraiikelen {scheef' zijn), het is geschran-

keld: —aar. m.

Schranken (niet haaksch zijn), het is ge-schrankt; —in^. v.

Schranweii (smullen, reel eten), ik heb geschranst: —er. m.

Schrap (krab, streep), v. —pen.

Schrap (scherp), bw. Z'wh — zetten, een vasten stand aannemen.

Schrapen, ik heb geschraapt: —er. m. Schraperiu: (u'wriy), bn. en bw.: —beid. v. Schrappen (doorhalen), ik hel» geschrapt:

—per, m.; —«el, o.

Sch red {schrede,, m. —en.

Schrede {tred), v. —n.

Schreelquot; {streep), v. schreven. Dut ;iquot;quot;t buiten de —. d. i. te ver: een —je voor hebben, d. i. eenig voorrecht hebben.

Schreeuw (uil), m. —en.

Schreeuwen, ik hel» geschreeuwd: —er. m. Schreeiiwieelijk {persoon), m. en v. —en. Schreien, ik heb geschreid. Dat schreit ten hemel. d. i. roept om wraak.

Schriel (schrunt), bn.: -beid. v.; —igheid, v. Schrift (de bijbelboeken), v. —en.

Schrift (het ijeschreeene, ook cahier), o. —en.

Schriftgeleerde, m. —n.

Schriltniatig (overeenl.oinstiii de II. Seh,-i/'t), bn.; —beid. v.

Schriftu ur, v. schrifturen: -lijk. bn. en bw. Scbri|den (met b ree de stappen looi u-u), ik schreed, heb geschreden.

SHirijfbauk. v. —en: —bebueften. v. .ngt;v. Schrijlin^H. bw. Het meisje znt — iinn/'d.

Ook: schrijdelinas.

Schrijn (kast ), o. —en. vero.

Srhrijuen {ijloeien, branden vun (Vonden), het

heeft geschrijnd: —ius. v.

Schrijnwerker {kastenmaker), in. —s. Schrijven, ik schreef, heb geschreven; —er,

m.: —erij. v.

Schrik (ontsteltenis), m. —ken.

Schrikbeeld (akelnje voorstellimj). -en. Schrikbewind. lt;». Het — van Üobespierre, d. i. de wree Je tgt; ra unieke regeering. Schi'ikkeldau; (25 Februari). m. —en. Schrikkeljaar. o. —jaren.

Sehrikkelniaaiid (Februuri). v. —en. Schrikken, ik heb en ben geschrikt. H joniigt;-n schrikte het paard. Wat schrikte (schrok) ik.r Schril {sehraah. bn. en bw. Feu — 'jeluid. Schrubbeerins; {scherpe berisping), v. —en. Schrobben {dot vlorr rrinujen). ik heb geschrobd: —er. m.: —inu;. v.

Sehrobnet (sleepnet), o. —ten.

Schrobzaas; {fijne handzaay). v. —x:i_en. Schruef. v. schroeven.

Schroeien {zenii''n). ik heb geschroeid: —er..

m.: — liitf. v.: —.nel, o.: —ijzer. o. Schroevedraaier (werktuiij). m. —s. Schroeven {een schroef aandraaien), ik helgt; geschroefd.

Schi'ok (vraat, (fier'ujaard), m. —ken. Scliroken (zengen, schroeien), ik heb en het is geschrookt. vero.

Schrokken slokken), ik heb geschrokt;

—er. m.

Schrokkii» {gul r/V/), bn. en bw.: — heid. v. Selirollen (I: nor ren. smalen). ik heb geschrold^ Hij schrolt op het dorpsbestuur.

Schromelijk (vreeselijk). bn.en bw.: —heid. v. Schromen (duchten, vreezen), ik hel» geschroomd.

Schrompelig {riinpeli'j), bn.

Sc h rood beit el (werh tu 'uj», m. —: — ij zer.— s. Schroom {angst, erees). m. gmv. Schroomvalliglm. en bw.: —heid. v. Schroot {brokjes ijzer), o. gmv.

Schub. schubbe, v. schubben.

Schubbea {ontdoen eun de schubben), ik heb geschubd.

Schuin isch. m. — visschen.

Schuchter (bedeesd, schuw), bn. en bw.: — heid. v.

Schuddebol {persoon), m. en v. —!en. Schuddebollen {met bet hoofd schudden), ik heb geschuddebold.

Schuddeii {heen en weer bewegen), ik heb geschud: —er. m.: —ins. v.

Schuier (borstel), m. —s.

Schuieren (met den borstrl reinigen), ik In-b geschuierd: —aar. m.: —ina;. v.

Schuif {lade), v. schuiven.

Schuifelaar {klaplooper, panlikker), m. -laren of —s; —ster, v. —s.

Schuifelen (bh izen, ft uiten als een slang), ik heb geschuifeld: —ina;. v.

Schuifelen (glijden), ik hel» geschuifeld. Scliiiiftrompet (tromtjone), v. —ten.


ocr page 244

SC H U1 LEX—Sli K L' LR.

Sciiiiileii (zich benjen), ik school, heb en ben gescholen: ook ik heb en ben geschuild. Waar may de man toch —, d. i. zich opbonden; hier schailt iet* achter, er is eenig geheim, het is niet pluis: er schailt een adder onder 'I [)ras. er is groot gev:uir onder verborgen. Sciiiiih'viiik.je [kinderspel, verstoppertje), o.

Schuilgaan, ik ging —. ben —gegaan. De zon ging ach ail achter donkere wolken. SrlmiIIhm'K. m. —en.

Sfliiiiliioudeii (y.irb). ik hield mij —. Iieb mij —gehouden.

S( linilpiaats. v. —en.

Scliuiiii. gmv. Het — der zee: fig. — van

co Ik. gemeen volk.

Sfiiniinbakken, ik heb geschuimbekt. — van woede.

SHiuimcii {ontdoen ran schuim, zaiverm). ik heb geschuimd. Zi] moet de snep nlt;gt;lt;i —. Sclmi nier (klaplooper). m. —s. SrliiiimlooiH'r (tafelschaimer), m. —s. ^cliiiiiiipjc igebakje). o. —s.

Sfliuiin.Hpaaii (kenkfnyerief). v. —spanen. Fig. pokilali'i mensch. m. en v. gmz.

Schuin isrhe.f. lig. pikant), hn. «n b\v.;

— heid. v. Die tafel staat — : rrn —r mop. een gew.cigde aardigheid.

Sclimnen {srhnin maken), ik heb geschuind. Schiiiiis. b\v. Deze kamer loo/it — toe. Scliiiinsch. bn.; —lieid. v. In —e richtiny. Sc-linintr {hetliny).y. —n. De — van een heavel. Sciinit (eaarlniy), v. —en.

Scliiiivrn (lanys den ymnd duwen), ik schoof, heb en ben geschoven: —er. m. Srlmiviiit (een soort ran. nil), m. —en. Selinld. v. —en.

Schuldeloos (zonder schnld). bn. en b\v.: —held. v.

'Schuldenaar, m. —s. —naren: —narcH. v. —sen. Schnldiu; irrrplicht. yh onclen). bn. en b\v. Schulp, v. -en. Ook Schelp.

Schnlpzaay; {yroote hnatzaay). v. —zagen. Schuren (in de schaar hrenyn), ik heb geschuurd.

Schiircn lt; a.'rijven). ik heb geschuurd: Hchiinr-Schniit (huidziekte) v. en o. fsel. o.

Schiiri't (schnrftiy). bn. en b\v.: —hcid. v. Sclniritiu'. bn.: —heid. v. Ken — sclnttip. Schurk (schelm), rn. —en.

Schni'kachtiu;. bn. en b\v.: —heid. v. Sclinrken izii-h wrijven), ik heb mij geschurkt. Schurkerij (schelmerij), v. —en.

Schnt (yesehat), o. gmv.

Schnt (scherm), o. —ten.

Schnthlad (deel van dt'n hand eens hoehs. nok dekblad), o. —en.

Schntw (bi'scherminy), v. gmv. Spanje eroey

— aan dlt;' Knyetsche ree! (IGS'.b. Schntshrier» In ind vest, privilegie).m.—brieven. Schutsel. ... —s.

Schntscnirel (beschermenyel), m. —en. SchntMliiis iwnterkeeriny), v. —sluizen. Schnttcn (opslaiten : ook verhinderen), ik heb geschut: —er. m.: —inj?. v.

Schutter *yewapend harger), m. —s. Schutterig; (erg drak, zenuwacht 'ny), bn.:

— heid. v. De —e heer Br nis. ((7.0.) Schutterij eye wapende hargerij), v. —en. Schnttiiiu; (honten afstuiting), w —en. Schuur, v. schuren.

Schuw (beangst), bn. en b\v. —hcid. v. Schuwen (vermijden), ik heb geschuwd.

Sconto. ook disconto (korting), o. —'s. Scorbut (schearhnik), o. gmv.

Scriba (schrijver, yeheimschrijver, secretaris), m. —'s.

Scrupel (medicinaal yewicht, yelijkstaande

met i.ïï02 gram), o. —s.

Scrupuleus (naawgezet van geweten^ ang-stig). bn.

Scrutineercn (aitvorschen . dooryronden: tig. stemmen inzamelen).

Sculpsit (hij heef! het gegraveerd). Zie Sc. Svulptuur (beeldhoaivkande: snijkanst: herht-en snijwerk), v. gmv.

Seance (zitting, vergadering), v. —s.

Secans (\visk. snijlijn), v. secanten. Secliideeren (ailslnitrn).

Seclnsie (aitsluiting), v. gmv.

Sccondair (ondergeschikt, afhankelijk), bn. Secondant (helper, bijzonder in een tweegevecht: onderwijzer aan een institaat of kostschool). m. —en.

Secondante (onderwijzeres), v. —s.

Seconde, secunde ( minant: meet!:, teeken), v. —n.

Secondeeren (bijstaan. Imli,,-,,. begeleiden). Secondo (muz., ta'eede stem), v. gmv. Secondo (te)} tweede). b\v.

Secretaire (schrijftafel ,,f -kast: ook bekend stal: haisraad). v. —s.

Secretariaat (ambt van secretaris), o. —aten. Secretarie (bureau van den secretaris), v. —ën. Secretaris (geheimschrijver, griffier, ambtenaar: ook vogel), m. —sen.

Sectaris (volgeling mier seicte). m. —sen. Sectie (insnijding, afdeeling). v. —s. —iën. Sector (gedeelte van een cirkel begrepen tas-schen twee stralen en een boog),n\. — s. —en. Seculariseeren (ujereldlijk maken, geestelijke gestichten verkoopen).

Secunda (muz.. de tweede toon na den grondtoon). v.

Seciireeren (verzekeren, in veiligheid stellen). Securiteit (zekerheid, veiliyheid), v. gmv. Secuur (zeker. vast), bn.

Sedes (zetel, winmplaats), m. — apostolica. pauselijke stoel.

Seditie (oproer, muiterij, rustverstoring), v.

-tien. -ties.

Seditieus (opmeriy. niuitziek). bn.

Seductie (verleidiny). v. gmv.

Sediiisant (verleidelijk), bn.

Segment (afsnijding: gedeelte van een cirkel begrepen tussehen een koorde en een booy i. o. —en.

Segno (dal) ( muz., van het leeketi aj weder te beginnen ), o.

Segrijn (fijn gekorreld leder), o. —en. \band. Si-KlijiK-ii (van segrijn gemaakt), bn. Een — Seigneur (adellijk hem'), m. —s. G'and —. groote hans: den grand — spelen, den geltraden haan uithangen.

Seigneurie (adellijk goed), v. —rieër.

Sein (eoi teeken. signaal), o. —en.

Seinen, ik heb geseind: —er. m. \\'// znlh-n hem het nieuws d. i. telegrapheeren. Seizoen (jaargetij), o. —en.

Sejour (verblijf), o. gmv.

Sej o urneeren (ecrUHjven. een tijdlang wonen). Sek (zekere zoete Spaansche wijn), v. gmv. Sekreet (privaat), o. sekreten.

Sekse (kunne, geslacht), v. —n. De schoon e —. Sekte (geloofspartij), v. —n. |— ventje.

Sekuur (zeker, precies, nanwyezet), bn. Een


ocr page 245

SELA—SI liPKL.

Sela (van voren af! Lef op!)

Selderij Qi rooi let. v. jrmv.

Seldreinent (ilroouneLs). t\v.

Seleet (uitgelezen. niteerkoren). bn.

Selectie (kens, rerkiezinu), v. —s, —tiön. Selene {de mddnuodin, de maan), v. gmv. Seleniet imnanbeiuoner), m. —en. SeleiMisnijil' (mannbesrhrijver), m. — graten. Seiiihl.-int (schijn), o. Fairr —. doen silsof. SemeHfer {halfjaar), o. —s.

Seinestnial ihnlfjariy). bn.

Sviu'i {hnlf). lm. —art.H {iemand die noij niet alsartsljernelt;id is: —«oIoik kornmapnnD.v.—». Srmiiiai i«»f {ktceekelinij rnn n-n seoiinarimn).

Semiiianiiiii {kweekschool, hv. voor lockon-sliye It. I\. ijodsdienslleeranrs), o.—s. —naria. Seiniti.Hi ii {ran Scot afstammende). h\\.: —r

talen, als Uchrcemvsch. Arabisch, enz. Seiii|ierfloreii* ml tijd Ithieiend): — viren* (altijd ffroenend).

Senaat (tie rond der nnden, Innnjc raads-veryaderiny. Kerste lunner). in. senaten. Senator {raadsheer), m. —en. SenatiiH-eoiiMiilt {raadsbesluit, decreet), o. Seneblad (plant k. afdrijcend yeneesmiddel). o. —bladen.

Seneplant (yeneeskrachtiye /dunt), v. —en. SeneNtrnik. m. —en.

Senior (lt;//' omlere, oudste), bn. Zie Sen. of Sr. Sensatie (yeiriturivordiny, yecnel: beiceyiny. gistiny. yernisch). v. —s'. —tien.

Sensibel (yevocliy, teer: erkentelijk, donk-baar). bn.

SeiiHitiei {zinnelijk, cotbunr voor indrukken), bn.

SeiiMialiMiiie drek naar het zinnelijke). •». Sensualist (zinnelijk mensch). m. —en. Sf'iiNiiaiiteit (zinnelijkheid). \. gmv.

Sensueel (zinnelijl», weltnstiy). bn. eti b\v. Sententie (nitsprook. zin- 'en zedenspreuk, korte yedachte: rechterlijke uitsproot:, vonnis). v. — tiën. —ties.

SententieiiN (zin- of leerrijk. Irernspreokiy. vol schooi te yedachte,,). bn.

Sentiiiient (yevoelen. denka'ijs. yedachte: ye- \ voel, neiyiny), o. —en.

Sentiiiientaliteit (sentimenteelheid, ore rye- \ voeliyheid). v. gmv.

Sentiiiienteel (overdreven en belachelijk ye- 1 voeliy). bn. en b\v. Gij zijt te — in het kie- ! zen van zijn pet (C. Ó.).

Separaat lafyezomlerd. bijzonder), bn.

Se pa ra bel (scheidbaar, ofsehei,lelijk), bn. Separatie {scheidiny), v. —s. —tiën. Separatisme {zacht tot afzonderiny in zake

van yodsdienst en staat!:quot;mie), o. gmv. Separatist (afyescheidenei. m. en v. —en. Separatistiseli {op de tvijze der afyeschei-denen). bn.

Separeeren {afzonderen, scheiden).

Sepia {de i nkt eisch. ook: het bra ine sap ait de blaas ca,, den inktvisch: bruine tint), v. grnv. September {herfstmaand), m.

Septentrionaal {noordelijk), bn.

Septet, septnor (muz.. zeeenstctntniy sink), n. Septima, septime (muz.. zeeende toon van een octaaf), v.

Septnasesiina c V' He Zonday eoor l'aschen). v. Sequester (beslay. arrest), o. gmv. Seqnestreeren (beslay leyye,, op).

Seraf (enyeh. m. —s: —ijn. rn. —en.

Serafine (klei,, oryeh, v. —s. —orgel. o.

KOKNEN, \ erkl. lland/cdb. it. \ederl. faal.

Serail (paleis van den Ta rkschen woniny der vroawen van een Ta yroote). o. —s.

Serenade {avond- of nachtmaziek,

ziek des avonds), v. —s.

Serenissima {doorlachtiye titel eener reyee-rende vorstin), v.

Serenissimns {doorlacht iye titel can een rey cc renden vorst), m.

Serge, Marge (lichte yekeperde trollen stof gt;,

V. —s.

Sergeant {ondei'of/icier), m. —en. —s.

Sergeant-majoor, in. —s.

Sergeantsstrepen, v. mv.

Serie (reeks, orde), v. seriën.

Serieus ( ernstiy. plechtiy. yea'ichtiy), bn. en bw.

Sering, svring {bloem), v. seringen.

Seringebloesem, in.: — boni. m. —en; —struik, in. —en.

Sermoen (predikatie, preek), o. —en.

Serpent {slany: ook zeker stanyvormiy blaasinstrument), • —en.

Serpentig ials een slany: boos, vinniy), lm.

Serpentijn {ond stak yeschat, veldshnnj). v. —en.

Serpent ij listeen {slanyensteen . slanyswijze elekte talksteen). lt;». gmv.

yccteiji

Serpent

ine (zeer lanye opyerohle papierstrook, i vaar mee bij vroolijke feesten de deelnemers elkaar iverpen). v. —s.

Servante {meid. dienares), v. —s.

Ser\et (tafeldoek), o. —ten.

Service {dienst, bedie tiny), v. gmv.

Serviel islaafsch, laoy. kraipend), bn. en bw.

Servies (theeyoed. koffieyoed), o. serviezen.

Servilisme {slaafschheid), o. gmv.

Serviliteit (sla'jfschheid, kruiperij), v. gmv.

Ser\ dienaar, bedien de: diepe Imiyiny). m.

Servituut {dwany- of leendienst: beztvaar, last. b.v.: de yedwonyenheid. een ander op zijn yrond zekere vrijheden toe te staan), o. —tuten.

Sessie (zittiny, yerechtszittiny). v. sessiën. —s.

Severe {yestreny. barsch). bn.

Severiteit (ernst iy heid: bard-, streny- of scherpheid), v. gmv.

Sevigne (haal:- of borstspeld der dames), v. —s.

Sextant {hooytemeter). v. —en.

Se\te( \m\y...zesde toon in de klankladder), v.—s.

Sexneel. sexnaal {het y est acht of deyeslachts-drift betre/J'endc). bn.

Sfeer (een bolrond tichaam: de hemel- of ivereldbol: de kriny. waarbinnen iemands kandiyheden of macht zich bepaalt). v. sferen Sferiseh (bol- of koyelvormiy). bn.

of koyelt (fabelachtiy nam.

zinnebeeld van het raadselachtiye). v.

uster (

Hyyptenaren,

Sforzando (muz., verste,-1:1. slet ■h-r).

Sllerif (l-:„:irlsrl,r landrechter), m. —s.

SllillillS (/•• nyelsche en N. A merit:, munt = f 0.60), m. — s.

Shire (Enqelsch yraafschap). v. —s.

Shirting (weefsel voor hemden), o. gmv.

Sibil, sibille, sibylle (oude waarzeyster toocerkol: profetes)' v. —len.

Sibillijnseli (agt;aa rzeyyend. profeteereinl). i»n. Dr —tgt; horken, de —e bladen, bij de oude Romeinen een drietal boeken gekocht van de sibil van Cumae.

Sie!{zoo! dus staal er woordelijk!). tw.

Sidderen {beven, trillen), ik heb gesidderd; — ing. v.: —aal {beefaah. m.

Siepel (quot;i). v. -s.

15

keizer; rkschen

eerenin


ocr page 246

SIER—SLAAN.

Sier. v. gmv. Qoedi' — mtikcK, pret maken,

lekker eten.

Sieraad, o. —raden, —radicn.

Sieren {opschikken), ik heb gesierd: —iiig. v.: —«el. o.

Sierlijk (fraai)., bn. en bw.; —lieid. v. Sierplant, v. —en.

Sierra (geheryte, herfjkcten), v. —quot;s.

Siewta (middagslaapjc, datjf). v. —'s.

Sleur (heer: een geringe titel, loaaryan zich in de vorige eeuw de meerderen jegens de minderen hedienden), m. —s.

Sil'lleeren (flniten, uit/I uiten, nitjomcen). Sii'iieiir (nitllniter). m. —s.

Sigaar, v. sigaren.

Sigillinii thet zegel), lt;».

Signaal (teeken,dc lens. een sein),(}. —nalen. Sigiialeeren, siKiialiweeren iiem. siqnale-ment opgeven : door tee keus aanduiden, seinen). Zich —. d. i. zich onderscheiden, uitblinken.

Signalement (beschrijving van het niterlijk

van een persoon), o. —en.

Si gn a t li n r (onder tee ken i mg, handschri l't, hhnl-

teekening), v. —turen.

Signeeren (teekenen, bestem pelen, midertee-kenen).

Signet {handzegel, cachet), o. —ten. Signilieatie {beteekenis, aanzegging), v. —ties. —tiën.

Significatier {vol beteel,enis), bn. Signilieeeren {aandaiden, aanzeggen).

Signor {lieer, gebieder), m. signori.

Sigaora (dame), v. signorae.

Signinn (kenteeken, ber!aiding, ivenk; tvon-derteeken), o. —s.

S ij telen ischni feleii), de slang heeft gesijleld. Sijpelen (onmerkbaar lekken), het heeft en is gesijpeld.

Sijw (snaak, kioant), in. sijzen, iïen rreemde

—, een wonderlijke —.

SijHje (vogeltje), o. —s.

Sik (kinbaard), v. —ken.

Sik (geit), v. —ken.

Sikkel (Joodsche mnnl), m. —en. —s.

Sikkel (maaiiverktnig), v. —en, —s. Sikkepitje (weinigje), o. gmv.

Sileiitinni (het zwijgen, siil!), bw.

Sillionet. Millmnette (schadnwheeld), v. —ten. Sillionetteeren (in. een schaduwbeeld of' l,nipse I voorstellen).

Sillograaiquot; (spotdichter), m. —grafen. Sll«» (graan knit^ graan kelder), v. —quot;s. Silvewter-avonil (•li Dcc. avond), m. —en. Similor (schijngoud, half'gond). o. gmv. Sim (aap), v. —men.

Sim (snoer, ton tv), v. —men. Onder de — hebben, in bedwang houden.

Simonie {woeker of winst tnet geestelijke ambten), v. gmv.

Simpel (eenvondig, onnoozel), bn. en bw.:

—Iieid. v.; — tjeH. Iiw.

Simpliciteit (eenvoudigheid), v. gmv. Simpliticeeren (vereenvondigen. verkorten), ook: simpllfieeren.

Siiniileeren (voorgeven of voorivenden. vertoon en, veinzen). |bn. Si mul taan (gelijktijdig, gemeenschappelijk). SinaaHappel (appelsien), m. —s. Ook: Chinaas-Sinceer (oprecht, ongeveinsd), bn. [appel. Sinceriteit (oprechtheid), v. gmv.

Sindel (aitgebrande steenkool), in. —s. Ook: Sintel.

Sineeiiur (post die bez ddiging geeft, zonder dat men er iets voor doet), v. —curen.

Singel (bnitenwal met plantsoen, ook gordel). m. —s.

Singerie {aperij, na-apcrij), v. gmv.

SingnlariM (enkelvond), m. en lt;».

Singnlariteit (vreemdheid, zonderlingheid), v.

Singulier (zeldztmm,ongemeen.zonder ling ),bn.

Sinister (verkeerd: ongelnkkig, rampspoedig),

Sinjeur (mijnheer), m. —s. [bn.

Sinopel (groen in de wapenkande), o. gmv.

Sintel, m. —s. Zie Simlel.

Sinterklaas, Sint-\ilt;*olaas, m.: —avond, m.; — leent, o.: —gesclienk. o. —en: —goed, o.

Sint-.lan.Hkerk. v.

Sint-\icolaas enz. Ook: Sinterklaas.

Sinns (boezem, schoot, zeeboezem: de loodlijn die nit het pnnt, waarin een straal den omtrek des cirkels raakt, op een anderen straal valt), m. —sen.

Sip (leelijk), bijw. Wat kijk je sip! d. i. op je nens.

Sipperlippen (met het voorste der tong proeven). ik heb gesipperlipt.

Sir (Eng. titel = heer), m. —s.

Sire (vorstentitel), m. gmv.

Sirene (zeenimf, schoone, verleidster: natunrk. instrnment voor hel meten van het aantal toontriHingen), v. —n.

Sirenenzang (lig. lokstem der verleiding), m. —en.

Sirocco (brand- of gloeiwind•, een heeie zuidoosten wiml in Italië), m.

Siroop, v. siropen. Ook: Stroop.

Sissen, ik heb gesist. De slang sist. d.i. maakt een sissend geluid: het vet sist in de pan.

Sisser (rolletje van natgemaakt buskruit: wissewasje), m. — s.

Sits {(gedrukt katoen). lt;•. —en.

Sitsenwinkel (fig. prallenboel). m. —s.

S\i\\i\i\v (gesteldheid, toestand), \'. —tiën. —ties.

Sjaal, eliale (omslagdoek), v. sjaals, chales.

Sjalot (kleine ui), v. —ten.

Sjappen (merken, teel,enen) ik heb gesjapt.

Sjees (tweewielig rijtuig op riemen), v. sjee-zen. Zie l'liais.

SjecKen (afgewezen worden), ik ben gesjeesd. Hij is bij dit examen tutor de tweede maal gesjeesd.

Sjerp {gordel van orattjeband bij (Jienstdoende officieren), v. —en.

Sjofel (kaal, armoedig), bn. en bw.: —lieid, v.: —ties. De man was — gekleed.

Sjokken (loopen zonder veerkracht), ik heb en ben gesjokt.

Sjor (het sjorren), m. 't Is een heele

Sjorren (scheepsw. met hm teen vastmaken), ik heb gesjord: —der. rn.; —ring,—touw, o.

Sjouw. v. —en. Ilij is aan de —. d.i. aan 't zwieren.

Sjouwen, ik heb gesjouwd: —er. m.: —erij. v.

Skelet (geraamte), o. —ten.

Skeletteeren (het geraamte eens Hchaams uitdringen ett reinigen).

Sla. v. slaatje. Ook: Salade.

Slaal' (lijfeigetie). rn. slaven.

Slaafs, bw. De mode — volgen.

Slaalsch. bn. Een —e eerbied, een —e gehoor^ zaamheid.

Slaag, m. voor slagen, in: slaag krijgen.

Slaags, bijw. — raken.

Slaak (doorvaart), o. slaken.

Slaan (trelfen). ik sloeg, heb en ben geslagen.


ocr page 247

SLA A P—SUN I )I1KNNING.

227

Slaap (zijde ran het hoofd), m. slapen.

Slaap {rust), m. gmv.

Slaapbol (plantk. papaver), m. —len.

Slab, Mlabbc unorsdoekje), v. —hen. Slabbakken. Hlapliakken (tr/luini. sulcl.rh-n ». ik heb geslahbnkt, geslaphakl.

Slabbakkor (treuzelaar), m. —s.

SlabbfM verschehurinf/ uit de '/.quot;iderzeo.y. —n. Slabben (drinken, morsen), ik liel. ^eshibd. Slabberen (morsen), ik heb geslabber l. Slaelit {het slachten), v. gniv. .Vovcmhquot;)' is ih'

maand der —.

Slachten ('je lij ken), ik heb geslacht. Hij slacht zijn vader.

Slaebten (dooden). ik heb geslacht: —er isla-U''!'), hi..- -erij. v.: — iiiR(fig. moord,hlocilhad), SlaelitlmiM (ahattoir). o. —huizen. fv.

Sladood (lann persoon), m. en v. hmae — Slag (klap), m. —en.

Slag (soort), o. gmv. Wat is hij mor een — van een man Slag; (vogelknip), o. slagen.

Slagen (zijn ponen (jetuk! r/e/#).ik ben geslaagd. Slager, m. —s.

Slagerij, v. —en.

SlagMebaduw (donken- schadtnv), v. •

Slagv eder. Mlagveer {(jroote sir ui/in, gt;. v Slak, Mlek (weekdier), v. —ken.

Slaken (loslaten, in vrijheid stellen), ik hel

geslaakt, fem. boeien —: een zucht _

Slakkengang (traaf .7quot;quot;.'/gt;• m. gmv. SlakkeiilmiMje. lt;gt;. —s.

Slainpanipen (pimpelen, hrussen), ik heb geslampampt: —er (brasser), m.: —erij. v Slang (kruipend dier), v. —en.

Sliingi-hrH. rn. —beten: -klt;gt;|i. m. -pen: —lijn (slingerende lij}»), v. —en.

Slank (dun en smal), bn. en bw.; —hcid, vgt; Een —e gestalte: een —e toren.

S\i\\Kzivak. loshangenrl), bn. en bw.; —lieid. v. Slapen, ik sliep, hel geslapen: —er. in.: NlaapMfer, v.

Slapliakken. Zie Slabbakken.

Slapjew. bw. Het gaut — „iet ///• zaken. Slaplendig (lam. traag), bw.

Slappen (verslappen), ik ben geslapt.

Slaven (hard werken), ik heb geslaafd. Slavernij, v. gmv.

Slavin, v. —nen.

Slecht (boos, misdadig), bn. en bw.: -beid v Slechtbijl (met korten steel), v. —en.

Slechten (afbreken, sloepen), ik heb geslecht: —ing. v. Vestingwerken —. wollen —. d.i. met den grond gelijk maken.

Slechtliool'd (persoon), m. en v. —en. Slechtweg (zonder omhaal), bw. Vertel mij —, wat er gebeurd is.

Slede, nice, v. sleden, sleeën: — vaart. v.—en. Slee (wilde praim), v. —ën.

Slee. Hleeiny (zuur, wrang, stomp), bn.:__

beid, v. Mijn tanden zijn — ea}i dut onrijpe fruit, d.i. stomp.

Sleep. m. slepen. De — van een japon. Fig. Een — van rampen, d. i. menigte.

Sleepboot, v. —en.

Sleepen (voortrekken), ik heb gesleept: —er, m. Sleeper.Hknecht. m. —s: —paard. ... —en: —werk. o.

Sleepvoeten (met de roeten slojfen), ik heb gesleepvoet.

Sleet (het slijten), v. gmv.

SleetNch. bn.: —held. v. Kleine jongens zijn erg —. d.i. verslijten veel kleeren.

en. —en.

Sleeuw (stomp run landen). Zie Slee. Sleenwigiieid (botheid), v. gmv.

Slegel (houten Immer), m. —s. De — rijst en ; raakt (Tollens), de hamer met langen steel. Slegge. Slei (houten homer), v. —n. —en Slek. v. —ken. Zie Slak.

Slemp (brasser ij), m. gmv.

Slemp (drank, bestaande uit nwlk en eiers) \'. gmv. Pü'ter nog een kopje —

Slempen (brassen, smullen), ik heb geslempt —er, m.; —erij. v.

Slemplooper, m. —s: -maal. o. -malen:

—partij, v. —en: —tijd. m.

Slendriaan \slenr). m. gmv.

Slenk (moddergat in een weg), v. —en. Slenter (een ////gt;). m. De —* himien bij hoor kleed.

Slenter (sleur), m. —s. Zich aan den ouden — houden. Kig. streek, list, b.v. Met -s omgaan. Slenteren (lungzaam wondden), ik heb ,re-slenterd: —aar. —broer. —gang. m.

Slepen (gesleept worden), ik heb gesleept. Een zaak —ib- houden: een —de guuo. d i trage gang.

Slet (llarde: lig. laag vrouujspersoon),\' —ten Sleter (lajge, celletje), m. —s.

Sletvink daag crouwspersorm). m. _en

SIenl' (groef, kil), v. sleuven.

Sleur, v. gmv. Oruncle - wilijeit, d.i. gewoonte. Sleuren (langs ilen gr-nd sleepen), ik heb gesleurd.

Sleutel, m. —s, —en.

Sleutelbeen (ontl. schouderbeen), o. —en. Sleutelbloem (primula), v. —en.

Slib. Hlibbe. .slibber (slijk), v. gmv. Slibberaclitig (glud). bn.': —beid, v Slibberen, ik heb geslibberd; -baan mlii-baan), v.

Slibberig (gladdig). bn.: —beid. v.

Slierbaan (.glijbaan), v. —b.-men.

Slieren (glijden), ik heb geslierd.

Slier.sperge, Hlieranperge. v. — s.

Sliet (lange buigzame paal), v. —en. De —

wordt oangebracht (Tollens).

Slij (zeelt, een visch), v. —en.

Slijk, slik (modder, slib), o. gmv.

Slijm. o. —en. De huid der eisschen is ml — : het — der slangen, speeksel.

SlijmhoeHt. in. gmv.

Slijp (schunrzand), o. gmv.

Slijpen, ik sleep, heb geslepen: -er, m-__

«el (slijppoeder). o.

Slijpgeid. i».: —niolen. m. —s: —«teen. m.—eu.

Slijtage (het slijten), v. gmv. In dezen dienst is eed —, heeft men veel kleeren noodig.

^Üteii (ofslijten), ik sleet, bel» en ben gesleten. Slijter (cerkooper in 't klein. b.e. van drank).

Slijterij (handel

v. —en.

Slik. o. Zie Slijk.

Slikken (doorslikken), ik heb geslikt; —ker

m.: —king, v.

Slikkerig, bn. Ook: Slijkerig.

Sliknat, bn. —te bakke'buorden (C. 0.).

Slikop (slokop), m. en v. —pen.

Slim (sintv), bn. en bw.: -beid.—migheid v. Een me cent, d. i. listig, schrander, loos. Slimmerd, m. —s.

tl

!I

11

I

1

Slimmeren (erger worden), het is geslimmerd. si inden (versbnehm). ik slond. heb geslonden. Slindkolk (draaikolk, poeh. v. —en. Slindpeiiniiig (verkwister), m. en v. —en.

t klein eau dranken).


15*

ocr page 248

S LIN( i EIJ—S.M A A LSC HI {I l- T.

22S

Slinger, in. —s. De — ccncr /loni/t. d. i. de zwengel.

Slingeraap, in. —apen: —ImiwcIi.o. —bosschen. Sliiis«'r«'ii. ik heb geslingerd. Duor hooj) en vrees yeslinyerd worden, d. i. heen en weer gevoerd worden: laat toch tav hoeken niet \ zoo —

Slinjserlaaii. v. —lanen: —|»ail, lt;». —en: — plant. v. —én: —m. —en: —uurwerk

( pen da Ie), o. —en.

Slinken (eergt;aiaderen). het slonk, is geslonken. I)'' (jroealen — hij hrt koken. d.i. krimpen: de voorraad (jaat —. d. i. verminderen. Slinkerliainl iHnl.erhnial), v. gmv. Slinkerzijde (linkerzijde), v. gmv.

Slinkf» {links, oneerlijk), bw.

Slinkseli (Urdt'sch). bn. Met —e streken ma-i/aan. d.i. niet recht door zee gaan.

Slip (aiteiade). v. —pen. De — van een das. een ias. een Ivnal enz.: de —/ten eon een lijkkleed.

Slippedrager (romvsleepcr). ni. —s.

Slippen {lt;iliigt;igt;''n). ik ben geslipt: —per. in. I.oat die ifoede (leleijenheid na }naar niet —. \ d. 1. ontsnappen.

Sliptrein (maarean hel achterste nedeelle under 7 rijden ajordt afgéhaakt), m. —en. Slobbe {vaatdoek, lig. eroaie die in de keuken i

hel morsafste werl.' veri'ieht). v. —n. SlobberdoeH (vaUil,% m. en v. —doezen. Slobberen (o/tslnriten). ik heb geslobberd: —ing. v.

Sl«»bbig (morsir/». bn. m bw.

SlobkoiiH (heen- en slt;•hoenhi'kIeedsel). v —en. Slofbler (morsvj menseh). m. —s.

Slolt;i«Ieren (flodderen)* het heeft geslodderd. Slodderig (slonziij. niet net), bn. en bw.: — lieid, v.

SlodderkoiiM (fig. slonzig meisje), v. —n. SItMidervowirc'/' tnorsi'j menseh),m. en v.—sen. Sloep (vaartuig), v. —en.

Sloeren (scheepsw. een vaartnir/ meten), ik heb gesloerd.

Sloerie (haveloozr vrouw), v. —s; —moer.

SUA'\ versleten pantoD'el), v. —len. Hij doet alles op zijn slofjes, d.i. opzijn dooie gemak: — beid, v.

Sloflen (sleepvoeten, lig. nulatui zijn*, ik heb gesloft: —Ier, m.

Slollig (lui. traan), bn.: —beid. v.

Slol'bak (persoon), m. en v. —ken.

Slok (tewj). m. —ken. Ken —je. een borreltje; daar kun een — op staan, dat is de moeite van drinken waard.

Slokaebtig ujalzirf). bn. en bw.: —beid. v. Slokd rm. m. —en.

Slokken ('julzi;! slikken), ik heb geslokt: —-ker, m.

Slokop cjaIziijaard). m. en v. —pen.

Slokop (wijd strautrio(d). in. —pen. Sloniiner (beslomruering). in. gmv.

Slomp {warklomp), m. —en.

SIoiim [havelooze vrouw, uiorsehel). v. —zen. Slonsaebtig (slordiij). bn.: —beid. v.

Slonsje (dievenlantarentje), o. —s.

Slon/.en (achteloos te werk ijaun), ik heb geslonsd.

Stool* (sukkelaarster), v. sloven.

Sloof (voorschoot), v. slooven.

Slooien (zeew. zijdelintjs can In-i schip afwijken), ik ben geslooid.

Sloop (overtrek), v. —en.

Sloopen (afbreken, slechten), ik heb gesloopt;

—er, m.: —ing. v. Een schip —. een rij Sloor (slordige vrouw), v. —en. \huizen —. Sloot (greppel), v. —en.

Slop {straatje dut doodloopt, na uwe doorga ng), o. —pen.

Slordig (nalatig), bn. en bw.: —beid, v.

Slorp, Hlurp {slok), m. —en.

Slorpen, slurpen, ik heb geslorpt, geslurpt. Slot (sluitmiddel),o. —en: slooije (klein slot): doe de deur op —; iem. achter — en grendel zetten, d. i. gevangen zetten: iem. een — quot;p den mond leggen, d. i. hem het zwijgen op-Slot {kasteel), 6. —en. [leggen.

Slot (e nde), o. gmv. Het — der zaal,, bij — run rekening.

Slot (saldo), o. —en. Een batig —, een nude.e-lig —. d.i. bedrag in het boekhouden. Slotvoogd (kustelein), m. —en.

Sloven (zwoegen). ik heb gesloofd: —er, m. Sluier, m. —s. Den — aannemen, geestelijke zuster worden: onder den — van den nacht, can het geheim d.i. bedekking.

Sluieren {bedekken met een sluier), ik heb gesluierd.

Sluik. v. alleen gebruikelijk in: ter .sluik (verholen, tmgemerkt, heimelijk), bw. uitdr. Sluik {van hoofdhuur: plat op het voorhoofd), bn. en bw.: —beid, v. Hij droeg de huren

— : — haar is voor gierigaards en benepen harten (C. O.).

Sluiken {nulduiken), ik slook. heb gesloken: —«t. m.: —erij. —ing, v.; —bandek, m.

Sluimer (lichte, slaap), in. gmv.

Sluimeren (zucht en losjes slapen), ik heb gesluimerd: —ing. v.

Sltiimerrol { — kussen of slauprol auu een stoel), v. —len.

Sluip. v. slechts gebruikelijk in: ter sluip (verholen, in 't (geheim), bw. uitdr.

Sliiipdenr (vestingpoortje), v. —en.

Sluipen (ongemerkt voortloopen), ik sloop, iten geslopen; —er. m.

Sluipiia\en (rlnchthaven voor kapers, roovers enz.), v. —s: —boek. m. —en: -bol , o. —en:

— koorts, v. —en: —moord (verraderlijke moord), m. —en: —nioorde:iaar, m. —s.

Sluipwesp (die eieren legt op of in de lurven van under e insecten), v. —en.

Sluis (waterkeering), v. sluizen.

Sluiten (dicht doen), ik sloot, heb en ben gesloten: —er. m.: —ing. v. Een dei r —. een haren —. d. i. blokkeeren. den toegang versperren: een huwelijk —. een contract —, een koop —. d. i. aangaan.

Slungel i opgeschoten jonguiensch). m. —s. Slungelen, ik heb geslungeld. Hij —t langs de straat, d.i. armzwaaiend loopei.

SI mi' (tunge snuit), v, —ven. /gt;'■ — vun een olifant.

Slurp. m. —en. Zie Slorp.

Slurpen. Zie Slorpen.

Sluw (listig), bn. en bw.: —beid. —igbeid, v. Smaad (hoon, beleediging). m.: —beid. v.

— heden: —naam {scheldnaam), m. —namen:

— ielt;le. v. —nen: —sebrilt. o.; —w«Mird, i».

Smaak. m. smaken. j—en.

Smaakloos (in eigenlijken zin), bn. /.quot;icer water is —, d.i. zonder smaak.

Smaakvol, bn. Een —Ie eersiering, een —le kleeiling. d.i. getuigende van goeden smaak. Smaaldiebt (hekeldicht), o. —en. Smaalsebrirt. o. —en.


ocr page 249

SM A CI IT-SMOUS

Smacht (cif'yesncden buik van cru harimj), v. —en.

Sm aclitcn (kivijni'nd vrrlanyen), ik hel) gesmacht.

Smacliteml (kwijnentl, vuriy), lm.en l»\v. Een

— verlangen; iem. — nnnzivn. d. i. verliefd. Smailflijk (huonendl. bn. en li\v.: —IicmI, v. St\\M\*nO)eleedi(jen), ik heb gesmaad: —er, rn. Smak iyelnift niet de lippen), m. —ken. Smak (zeker soort van vaartaiy), v. —ken. Smak Cvker yewas), v. Zie Snmak Smakelijk, lm. on b\v. Een — (jerechl: en —.

d. i. met smaak: iem. iels — maken, d. i. aannemelijk.

Smakeloos (niet net), bn. en b\v. Een —looze

versierimj. kleedimj.

Smaken, ik heb gesmaakt. Die wijn — (joed! d. i. is van goeden smaak: die draal: smaakt naar citroen, d. i. heeft den smaak vau citroenen: dr yenoegens des levens —. d. i. genieten. Smakken (werpen),ik heb gesmakt. Hij smakte

hem teyen den yrond.

Smakken (met de lippen klappen), ik heb gesmakt: —ker. m.

Smakker {sukkelaar), m. —s. Hij is een

rechte —. d. i. een Jorisgoedbloed.

Smal {niet breed: ondt. y^riny. vnaaazirnlijl:).

bn. en bw.: —lieid, —lislieici, —te. v. Smaldeel {deel der oorloysvloot), o. —en. Smaldeelen (in kleine deelen scheiden), ik bel» gesmaldeeld: — ins;, v.

Smal(l«»ek (scheepsw. vtny. a'impel). lt;». gmv. Smalen {schimpen), ik hel» gesmaald: —er. m.;

— ïiih;. v. Op iem. —. d. i. iem. hekelen Smallian.s {vrek), m. —hanzen. — is er kok.

het is er schraal, karig.

Smalletjes, bw. Hij kan — leven. d. i. Iie-krompen. eventjes.

Smalt {zekere blaawe verf. email), v. gmv. Smalte {smalheid), v. gmv.

Smarai!;(l (zeker yroen edely es t een te), o. gmv. (als een hijzonder stuk steen), m. —en. Smaragden (van smarayd). lm. Evn — riay: dv kat mi't haar — naym.

SmarntNeii {smnllen). ik heb gesmarotst. Wij zallen. —, H: sta voor mijn part (Jan Steen. Van Zeggelen).

Smart. Minert (pijn), v. —en.

Smaitelljk ipijnlijk), bn. en bw.: —lieiil, v. Smarten. Ninerten (bedroeven), hel heeft gesmart. l'a) onyelal: smart ai ij. d.i. doet mij leed. Smarten (scheepsw. mrt zeiiduel: ln-hleeden), ik heb gesmart.

Smarting, (scheepsw. yetcerd zfihloek). v. —s. Smeden, ik heb gesmeed: —er. m.: —erij. v. Wapens —, een aanslay —. een kamplat —: cerraad —. d. i. uitdenken; verzen —. d. i. slechte rijmen maken: nieaive woorden —. d i. verzinnen.

Smedig, bn. Zie Smijdiji;.

Smeedhaar. bn.: —heid. v.

Smeekbede, v. —n: —«lielit (smeel.schrift ia

rijm), o. —n.

Snieekeling. m. en v. —en: voor het v. ook Nineekelin^e.

Smeeken (oatmoediy vrayen), ik heb gesmeekt: —er. m.: — ina;, v.

Smeekolen (zver pjiie sm'nlskolen), v. mv. SnieekHelirii't. o. —en.

Smeer (vetstaf), o. H Valk yaart het — en 't vet tut brandstof voor de hnnp. (Tollens). Smeerlap (vette lap onder de ijzers van een slee: ook scheldnaam), m. —pen.

Smeerplank (zeew. lijkplank), v. —rin.

SineerpoeH (persoon), m. en v. —en.

Smeerpi'op ( prop mvt vrt besmeerd 'gt;m yah-n te dichten), v. —pen.

Smeersel (menysel van oliën c.a vetten),o. —s.

Smeerwortel (St. .lanskraid), v. —s.

Smeet (worp of gooi), m. smeten.

Smelt {zekere uisch), v. —en.

Smelten, ik smolt, heb en het is gesmolten: —er, m.: —erij. v.: — ins. v.

Smelterig (lig.* iveek. zacht), bn. —e '/evoe-i lens (C. O.).

Smeltkroes. it«. —kioezen. fj)ateren in den —. d. i. reinigen door oplossing en zuivering.

Smeren (iets vettiys strijken op), ik heb gesmeerd; smeerder, m.: smeersel, u.: —im;. v.

Smergel (delfstof), v. gmv.

Smerig (vail). bn. en bw. Die —e alfa ire and

Sniert, v. —en. Zie Smai't. \de pi dit ie (C.O.).

Sinerten. Zie Smarten.

Smet (viel:), v. —ten. Van vreemde —ten vrij (Volkslied): iem. een — aanwrijven : die daad j werpt een — lt;//» zijn a/tam: hij ktvam er I niet zonder — af.

Smetlijn (toaw met hoatskool bestreken), v. —en: —stol' (bij ziekten), v. —feu.

Smetteloos (zonder smet), bn. en bw. — rein.

Smelten (bemorsen. bevlel:l:en), ik heb gesmet.

Snienlen. het heeft gesmeuld: -ina;, v. Het pniii smeatt nog. d. i. brandt nog zonder vlam: lig. er smeatt verraad, oproer, d.i. het dreigt: een srnentemt /•quot;///•.

Smid. m. smeden.

Smidse (smederij), v. —u.

Siiiidsliamer. m. —s: —kneeht. in. —s;

— kolen. v. mv.: —lt;iven. in. —s: —werk.o.:

— winkel, m. —s. Sniidsl:inderen zijn niet bang voor vonken.

Smient (soort van wilde eend), v. —en. Fig. lang. mayer mensch.

Smijdig, smediy; {lenig, baigzaam). bn.:

— heid. v.

Smijdi^en {smeedbaar mal.en). heb ge-smijdigd.

Smijt (zeew. tonie mm het fokkezeiI). v. —en.

Smijten {gooien, werpen), ik smeet, heb ge-• smeten; —er. m.

Smireel (een visch). m. —en.

Smis. smisse, v. smissen. Zie Smidse.

Smoddiy; {morsig. vn'H)^ lm. en bw. \Vrquot;/ ziet dat kleedje er — uit.'

Smoel i verbasterd van mail), m. —en. gmz.

Siuo*'7AhU{ vleien, mooi /gt;i'aten ). \k hebgesmoesd.

Smoken {rooken, labaksdanip altblazcn). ik heb gesmookt: —er. m.

Smokkel (slaikhandel), m. gmv.

Smokkelen, ik heb gesmokkeld: —aar. m.: —arij. v.: —ina;. v.

, Smokkelgoed. o. —eren: —handel, m.: ' —waar, v. —waren.

Smook (dikke rooi, ), m. «rmv.

Smoordronken {erg beselnml.en). lm.

Smoorlijk (erg. onbeschrijfelijk), bw. De j(ai-(jen was — verliefd.

Snioor\ol (zeer vot). bn. Het zaaltje auis —. d. i. eivol.

Smoren {slikken, verstikken), ik ben lt;»f heb gesmoord; —ina;. v.

Smots (een slons), v. —en.

Smotsen {bemorsen), ik heb gesmotst.

Smotsig; (vail), bn. Een. —e a,lt;erkvroaa'.

Siimmih (scheldnaaat coor jaod). m. —en. Kig. bedrieger.


ocr page 250

230 SMOUS—SNIPPEN.

Siiioiih {lotiiihdr'm hondje), m. —en. Het is een —je.

SmoiiMiirlifig (joudachtiij) bn. en bw. —st. SmoiiHeii (hedriefien), ik liel» gesmoust: —rij. v. SiiioiisIioihI. m. —en.

SnioiiHjasMiMi (Iraai'lsjiel). ik heb gesnionsjast. Smout (hij letterzetters: litet- en tahehvwl, : hij kaarsenmahers: ijesmolten vet om kaarsen te maken), o. ^rmv.

Sinoiitaclitit!; {saajatiy). bn.

Smouten iniet vet insmeren), ik heb gesmout. SmontcriK (vettiij. reazetaehtiy), bn.

Smoutig (vetnchti(j). bn.: — lield, v.

Siimieen {heimelijk zich te ijoed doen), ik heb gesmuigd: —er. rn.

Smiiik. v. slechts gebr. in lt;le bijw. uitdr. ter

Hinnik (heimelijk).

Smuk (opschik, sieraad tooi), m. gmv. Smnkken (o/tsehikken. eersieren), ik hel) gesmukt.

Smul. v. —len. Hij hoialt ean dr —. d. i. van goede sier.

Suinlh'-ianl (lekkerbek), m. —en: -broer, m.

— s; —daseii. m.mv.; — jnrklt; morsjark).\. —en. Smullen, ik hel» gesmuld: —er, rn.: —ina;. v. Smul lis (morsiu). bn.: — lieul. v.

Smulpartij, v. —en.

Snaak (urap/tenmakee). m. snaken.

Snaaks {klnehliii. koddii/. t/rappiij). bw. SnaakHch. bn.: —lieiil. v. Een — i/ezeiidf. SnaakHlioolVI (herldje. kabouter)^ o. —en. Snaar (koord ean een speeltnin). v. snaren. De snaren spannen, lokketen, een instrument bespelen: die — moet lt;ie bij hem niet aanroeren. d:iar moet ge niet van spreken: illes op haren en snaren zetten, alles op het spel zetten, hemel en aarde bewegen: hij zaaijt altijd voort (teer dezelfde snaar, hij slaat steeds op hel quot;elfde aanbeeld.

Snaar (schoonzoster), v. snaren.

Snak (bits woord), m. —ken.

Snakerig; taardig, t/rappiff). bn.: — lieid, v. Snakerij (lt;irap\ v. —en.

Snakken, ik heb gesnakt. Hri vischje snakte naar het water'. — naar laeht. iniar vrijheid^ d. i. hevig verlangen.

Snap (hap. 'jreep). m. —pen.

Snapaehtie ' praotzneht'nj). bn.: —heid. v. Snaphaan ((jeiveer: fig.ipiaivdie/'),m.—hanen. Snapp«'ii heg rij pen), ik heb gesnapt;

—er. m.

Snapper (babbelaar), m. —s.

Snapperij (ijepraal). v. -en.

Snaps (slid,-, borrel), m. —en.

Snar (vinaiij. fel), bn. en bw.; —lieid, v. Deze arbeidster is wat — in den mond. Snarenniaker. m. —s: —speelster, v. —s; —wpeeltuig. o. —en: —spel. o.: —speler, m. —s: —tuis. o.

Snarrig (snar. einnin). bn.: —heid. v. Snar», sners (awiniyje. ziertje, nieliyheid: ook: roes), v. Ik heb er r/een — voor over. Hij heeft een — aan.

Snater (mond. bek), m. —s. gmz. Snateren(habbelen),\k heb gesnaterd; —aar. m. Snauw (het snaawen), m. —en.

Snauw (uroote ttveeniasler), v. —en. Snanuen (toeyramren). ik heb gesnauwd: —er, m.

Snavel (sneb der voyels), m. —s. Fig. mond.

Koer toch je — niet zoo! gmz.

Snel», Snebbe (snavel), v. snebben.

Snebbis;, bn. Zie Snibbig-

Snede. Snee. v. sneden, sneeën. Ken — brood, koek, enz. De — van een jas. een japon. De

— van een vers (zie CaeMimr). Ken boek veryald o]) —. Hij kreey een leeiijke — over zijn aangezicht, d.i. hij werd diep beleedigd; het antwoord kaurm juist ter —. d. i. op het juiste oogenhlik: hij heeft een — aan, d. i. hij is niet nuchter meer.

Snedig- bn. en bw.: —heid. v. Ken. —»• o/t-merkiny. d. i. zeer juiste, gevatte.

SneeR (snediy). bn.

Sneep (visch), m. —en.

Snees (twintiytal), o. sneezen.

Sneeuw (stof), v. gmv.; (blankheid), o. gmv. Sneeuw haan. v. —anen; —bal, m. —len:

— balletje (flg. glaasje klare jenever mei suiker). —s; —bank (wolk), v. —en: —bers (sneenwhoop), m. —en: — hes (I wester), v. - sen:

— blank, —wit, bn.: —blind. bn. (de meeste voyels worden sneeuwblind); —bui, v. —en: —srens, v. —zen: —linie der sneeuw oii de beryen). v. —liniën; —klok|(^ (voorjaars-bloempje), o. —s.

Sneeuwen, onp. w.. het heeft gesneeuwd. Sneeuwwit, bn. — haar, d.i. erg wit hoofdhaar. Sfteey.en (sehadieren), ik heb gesneesd.

Snek (raadje in een narwerk), v. —ken.

Snel (een kan), v. —len. De stroop—.

Snel (elny). bn. en bw.: —heid. —lisheid. v. Snellen [spoeden), ik hen gesneld. Snellooper. m. —s: -seh rij ver, m. —s: — trein, m. —en; —zeiler (yoed bezeild schip). m. —s.

Snepper {laatelijm). m. —s.

Snerken (in boter braden), ik heb gesnerkt:

— ins. v. Ken hoentje —. |snerpt. Snerpen (snijden, yloeien), de wonde heeft ge-Snerpend, bn. Ken —e wind, —e koude. d. i.

snijden.

Sners, v. —en. Zie Snars.

Snert {erwtensoep), v. gmv.

Snenkeren (smallen), ik heb gasneukerd. Sneuvelen {vatten op 't slagveld), hij is gesneuveld.

Sneven (snenvelen), hij is gesneefd.

Snibbis. hu.: -beid. v. Ken — meisje, d. i. vinnig, scherp van taal. Ook Snebbis-Snijbank. v. -en: —boon, v. —en.

Snijden, ik sneed, heh gesneden: —er, m.:

— iiiS. v. Dal snijdt door het hart, door de ziel, d.i. treft pijnlijk: ik ben in dien winkel ery yesneden. d. i. afgezet: de kaas —. een pronker zijn; wijn d.i. mengen; hquot;t mesjc snijdt daar van twee kanten, er zijn dubbele verdiensten, winsten.

Snijder (kleermaker), m. —s. gmz.

Snijderen (het kleermakersvak op kleine schaal

uit oefen en), ik heb gesnijderd. Snijdersanibaeht, o. gmv.: —sezel. m. —len:

—Sild, o. —en: —tal'el, v. —s.

Snijkanier (ontleedkamer), v. —s; —lijn, v. -én: —punt, o. —en: —tand, m. -en.

Snik (hel snikken), m. —ken. Hij vas op hel pant den jonysten — te yeven, d. i. te sterven; de baltste — (C. O.).

Snik, bn. Dit meisje is niet recht —. niet i recht wijs.

Snik (trekschait in Kriesland), v. —ken. Snikheet (drukkend warm), bn.

Snikken (hikkend schreien), ik heb gesnikt. Snip (vogel), v. —pen.

Snippel (reepje oranjeschil), v. —s. Ook Snip-Snippen (snipperen), ik heb gesnipt. Iper.


ocr page 251

SNIPI»KN1^I -SO I.FMGK.

Siii|gt;|gt;eiiri. o. —eren: —Jnrlit, v. —en: —net, o. —ten: —tijd, m.: — vimgHt. v.

Snipper, v. Een koek met —s. Zie Snip pel. Snipperen (in sni/y/icrti snijden), ik hel) gesnipperd: —aar, m.

Snipperkoek, in. —en-' —niaiulj. prullenmand), v. —en; —nnr {iwlaren uur), o. —uren:

— werk, o.

Snii'Men (sm-rl.en. olt;•!lt; siwn). ik liet ^esnirst: Snit (kerfbijl), m. —ten. |—««iiiig;. v.

Snit {vorm, fatsoen), v. —ten. Hrt — ran eoi

kleedintjsr,uk. d. i. de snede.

Snoeien, ik heb gesnoeid: —er. m.: —ine;, v.;

—«el {afral), o.

Snoek ieen riseh). m. —en: ;ils stotViaani, v. Een — ranjjen, in 't water vallen: hij melde er zich n/i zijn (jemak als een — op zolder, d. i. Iiij wsis er niet in zijn element. SnoekaehtiK (n'aidznchtin), lm.

Snoep (snoeperij), ni. grmv.

Snoepaclitie;. Igt;n.: —lieiii, v. Een — hind, dat (jfKirne snoept.

Snoepen, ik heb gesnoept: —er. m.; —erij. v. Snoeperia; (lief. aordiif). bn.: —lieid. v. Een

— kantje, een — mutsje.

Snoeperij (lekkers, lekkerrij). v. —en. Snoepgoed, o. gmv.

Snoepig;. bu.: — lieid. v. Jasper zal hij 'f —

KI aartje (Staring), d. i. mal, minziek.' SnoephiMt, m. gmv.

Snoepreisje (ktrine reis. die men in stilte

doet), o. —s.

Snnepseli (snoepachtiii), bn.: — lieid. v. Snoeptalel, v. —s.

Snoepwinkeltje, o. —s.

Snoer (ijev tocht en koord), o. —en. Een — ran pareten, koralen: iem. aan zijn — krijf/en, tot zijn partij overhalen: een hals—.

Snoeren, ik lieb gesnoerd. Ie}n. den mond —.

d. i. tot zwijgen brengen.

Snoe» i lieveling, ook snoeshaan). m. —zen. gmz. SnoeMiiaan {pocher, zonderlin(f). m. —banen. Snoet (snnit), m. —en. De — ran een rarken, hond. enz.

Snoeven [pochen), ik heb gesnoefd; —er, m.: —erij, v.

Snood (hoos. misdaduj). bn.en bw.; -lieid, v. Snoolt;laard (hooswicht). m. —s.

Snor (snorrend ijeluid; roes), m. Een — aanhebben, d. i. dronken zijn.

Snor (knerelhaard), v. —ren.

Snorbaard (fig. man meteen zwaren knevel).

m. —en.

Snork (het snorken), m. —en.

Snorken, minrken. ik heb gesnorkt, gesnurkt;

—er, m.: —erij (snoeverij), v.

Snorreliot (speehjoed). o. —ten.

Snorren (brommen, snel loopen), ik heb en

ben gesnord.

Snorwagen (reiskoets), m. —s.

Snot {n'oisvocht), o. gmv.

Snot (droes bij paarden), v. gmv.

SnotneiiH (kivajoncjen), m.en v. —neuzen. ;-mz. Snotoli'(eig. Hiiotwoll') (visch), m. —olven. Simt teren (fig. krijten), ik heb gesnotterd. Snnf (reuk), v. fk heb er de — van. d. i. de lucht van. ik heb het in de gaten: hij ijaat naar de laatste — iieklccd, d.i. naar de laatste gril dei- mode.

Sniiflelen (smdcen, lig. doorzoeken), ik heb gesnutïeld: —aar, m.r —ins, v- De hond snuffelde hel vertrek door: wij zullen eens in zijn. papieren —.

SniiHen (snniven), ik hel» gesnuft: —Ier, m.

SniiKKfi* [schrander), bn. en bw.; —lieid. v.

Snnil' (yentalen tabak), v.: —ven. van meelsoorten.

Sniiirtahak, v.

SnniHterij (kleinigheden. kramerijen),y. —en.

Snnit (rleeziij deel ran den bel: van sommige dieren), m. —en. De snnit ran een olifant. Zie ook Snoet.

Snnit (afval ran das).' \\ ei\ o. gmv.

Snniteii, ik snoot, heb gesnoten. Den nens —; de kaars —.

Sniiiten (een stuk bont afronden), ik heb gesnuit.

Snuiter (een schaar met em huisje er op otn de kaarse/nt af Ie knijpen: tig. grappenmaker. zonderling), m. —s.

Snnitsel, o. gmv.

Snniven. ik snoof, heb gesnoven; —er, m.—s: Hij snoof woede, of ran woede, hij was in hooge mate vertoornd.

Snuivertje (klein kookhuisje), o. —s.

Snnrkeii [ronken). Zie Snorken.

Sober i matig), bn. en bw. —beid, v.

Sociaal [mantschnppelijk: gezellig), bn. Een —democraat, een man der volkspartij.

SoeialiMine (leer con de maatschap/ielijke rolmaaklheid en (lelijkheid), o. gmv.

Soeialint [aanhanger of voorstander ran het socialisme), m. —en.

Soeieteit [ gezel scha p. genootschap, vereen i-ging, ook hel gebouw). v. —en.

Soda (zontasch). v. gmv.: —water (knnst-mineraalivater). o. —en.

Soebatten (aanhondend rleiend vragen), ik heb gesoebat: —er [kruipend vleier), m.

Soep [afkooksel, lig. omhaal), v. —en.

Soeperig (lig. langdradig), bn.: —beid, v. De rederoering, preek enz. was wal —.

Soe» (dommel), m. soezen.

SoeM [ taartje), v. soezen.

Soezen (salfen, slapen, droomen), ik heb gesoesd: —er, m.

Soezerig [dommelig), bn.: —beid. v.

Sola (rustbank, canapé), v. —'s.

Soi-diMiint ( zoogenaamd), bn. Een — i}rofessor, een — bisschop, d.i. zich noemend, gewaand.

Soiree [avondgezelschap), v. —s.

Soja (Japansch praeparaat van zeker boon en-meel om aan vleeschspijzen een pikanten smaal: te geven), gmv. — sans, een pikante

Sok (korte kous), v. —ken. [saus.

Sokkerig. bn. Een —e vent, een domme vent, een kalf Mozes.

Sola (enkel: sola-wissel, enkele wisselbrief, door geen anderen gevolgd).

Sold [betaling, soldij), o. gmv.

Soldaat, in. —daten; vroeger soldenier en sondenier.

Soldatesk (naar krijgsmanswijze), lm.

Soldeer {soldeersel), o. gmv.

Soldeerbout, m. —en.

Soldeeren (aanhechten met soldeersel): —der, m.: —«el. o.: — ing. v.

Soldeerijzer. o. —s: —werk, «•.

Soldij [bezoldiging), v. —en. Troepen in — nemen.

Solemneel [plechtig, plechtstatig), bn.en bw. Een —e dienst of mis in de IS. C. kerk.

Soleinniseeren [vieren, plechtig gedenken).

Soleinniteit( plechtigheid.feestelijklngt;id),\.—en.

Solfège (mnz. stadie der noten en intervallen), v. gmv.


ocr page 252

SO L FE I {- SO U LAG EM EN T.

232

SoIIct (zivarel), o. en v. ginv. Zie SiillVr.

Solidair (itUrn coin' rrn. m één roor allen: lt; ijezamenlijlt en afzonderlijk)* I in. en b\v. leder der deelhebbers is — aansprakelijk.

Slt;»li(lari(lt;'it (aansprakelijkheid voor zich : zeieen en roor allen', ijeeoel van één-zijn met anderen), v. gmv.

Soli«l«' {dicht. va#'., yrondiij. ijenoeuzaain: stipt zijn verplichtingen nakomend), bn. en h\v.

S«» i i deeren (be vest i (jet i. verzeket 'egt; i».

Soliditeit (hechtheid, daarzaamheid, rer-t ro aaibaar hei d). v. gmv.

Solist (solozanger, solospeler), m. —en.

S«ilitlt;iir (klaizenaar). in. —s.

Solitair (eenzaam, ongezellig), bn. en b\v.

Solitude {eenzaamheid: (Uoestijn). v. gmv.

Sollen {plagen), ik heb gesold. De leerlingen — met hem. d. i. bonden hem voor den gek: '/.• Laat man' koninklijke wijs 't volkje met me —. (Ue Gen.)

Sollicitiint {verzoeker, mededinger), m. —en.

Sollicitante, v. —n.

Soli ie i tat ie (verzoek, mededinging).\\—V\én.—s.

Soliiciteereii (verzoeken, om iets aanhouden ).

Sollieitenr (wettig aangesteld persoon, om zal,-en roor anderen, bijzonder hij de Itegrering te bezorgen), m. —s.

Solmiseereii. jsoliieeren {de klankladder of de noten, do, re. )ni. fa. sol, la, si, afzingen: het mazikaal .\. //. C. zingen).

Solo (muz., alleen, zonder begeleiding of hulp). b\v.

Solo {alleenspet, alleeniang), m. —quot;s.

Solu'eiMiie. H«leei«iiie {taalfont. bijzonder tegen de spraakkunst), o. —n.

Solstitium (zonnestilstand, zonnekrering op 'J1 .Inni en 23 Dec.), o. gmv.

Solvabel, wol vent {in staat te betalen), bn.

Solvabiliteit { vermogen om te betalen), v. gmv.

SoUeeren {oplossen, brtalen, afdoen).

Sol\it (hij of zij heeft betaald).

Som (optelling), v. —men. De proef op de — (= het vraagstuk) nadien.

Somber (duister), bn. en bw.; —held, v. Fig. nerrslarhtig. droevig.

Simima {bedrag), v. gmv.

Sommatie {oproeping, aanmaning, opvordering), v. —tiën. —ties.

Sommeereii (dagvaarden, oproepen, aanmanen).

Soumier (seheepsw. zivare eiken balk), \n. —s.

Sommitie {eenige.enkele),te\\\r. Van de knapen, menschen. bonden, paarden enz. zijn — bij het ongelal: geiuond.

Sommigen {enkelen), mv. Velen gaan e.ramen doen. slechts — kannen slagen.

Sommiteit (hooge bergtop, ook roornaam persoon), v. —en.

Somnambiile (slaap- of navlitivandelaar. vooral helderziende (vroaiv) door het magnetisme). m. en v. —s.

SoiniianibiiliHiiie. MoinnanibiiliNmii.H {slaap-wandelzncht, helderziendheid in den tnag-netischen slaap), o. gmv.

Sonip {moeras), v. —en.

Sompig; (moerassig), bn.; —lieid. v.

SomptiieiiN (prachtig, verka'isteml), bn.

Sonip^osel (poelvogel), m. —s.

SoniN. somtijds, somwijlen {na endan).hw.

Sonate (muziekstuk roor het klavier of de piano-forte, ook voor orkest, met weinig of geen begeleiding), v. —n. —s.

Sonde (iverktnig. oni de diepte en gesteldheid renet' wonde te onderzoeken, peilstift), v. —s. Sondeeren lt; dediepteonderzoeken: uitvorschenj trachten ait te vorsehen; polsen): —ijzer, o.; —ing. v.

Sonnet (klinkdicht, rijmdicht ran vier coupletten en veertien regels), o. —ten.

Sonore, sonoriscli {wellaidend. brredklinkend), t}n.

Sonoriteit (well a idende kla)ik). v. gmv.

Soort {aard), v. en o. —en. Wat — ran woord is het? l'Jen raar — van menschen. (\.\. slag: — zoekt —. d. i. gelijk zoekt gelijk.

Soortelijk (volgens de soort), bn. —e zwaarte, d.i. betrekkelijke zwaarte der stollen: het — gewicht der lichamen (nat.).

Soortgelijk {dergelijke), bn. —e praatjes bevallen mij niet.

Soos {sociëteit), v. gmz.

Sop. o. en v. —pen. De — is de kool niet ivaard, de zaak is van geringe beteekenis: ze zijn met hetzelfde — overgoten, liet zijn vogels van één veeren: het raime —. d.i.de zee. Sopliisme (drogrede), o. —n.

Sophist {drogredenadv), m. —en.

Sopliisterij {spitsvondigheid), v. —en. Sopliistisch {spitsrondig. bedrieglijk), bn. SopliiHtiseeren (den drogredenaar spelen). Soppedoppen (onmatig indoopen), ik heb gesoppedopt.

Soppen { indoopen), ik heb gesopt: —er, m. Hij inn niet raim —. d. i. hij heeft het niet breed. Sopraan (bovenstem). v. sopranen, —zangeres: mezzo—, tusschen sopraan en alt.

Soprano (muz., de hooge of bovenstem), v. Sorbe {vracht van den —boom), v. —n. Sorbeboom {lijsterbesboom), m. —en.

Sorbet (een verfrisschetale drank). lt;». gmv. Sorbonne (een onde hoogeschool te l}arijs, iranr onbemiddehlejongelieden tot wrre'dtijlgt;e priesters wenlen opgeleid: lt;»lt;»k: degodgelenyle l'acalteit te Parijs), v. gmv.

Sordine, sourdine {toondemper). v. —s. Sorditeit {rnil- of morsigheid, schandelijke gierigheid), v. gmv.

Sornetteii (ongerijmde taal. sprookjes, on-noozel oi Zot gesnap), v. mv.

Sortabel {geschikt, gepast, geévenredigd), bn. Een — ha we lijk.

Sorteeren (nitzoeken, in soorten schiften): —der, m.: — iiiK, v.

Sortie {uitgang: uitval bij een belegering: ook: lichte daniesmantel), v. —s.

Sottise (zotheid, gekheid, domheid: onbetamelijkheid), v. —s.

Sotto vore (rrrnz., meteen zachte, do He stem). Son (Fransche kopermunt, = ^cent . in. —s-Sonbrette (kamenier, sluwe kamerji (Jer bijzonder op het tooneel), v. —s. —n. Soudenier (soldaat), m. —en. —s. vero. Sonrileereii {eoorzeggen op het tooneel: in-lluisteren. inblazen).

Soiil'llet (Klap. muilpeer, oorveeg), ri. gmv. Sonl'lleteeren {oorvijgen of klappen uitdeelen). Soiirtlenr (inblazer, rolvoorzegger), m. —s. SonHVanee {leed, lijden) v. —s.

Sonflrant (lijdend, ziekelijk), bn. Sonirre*doiiieiir (zondenbok). m. Hij is de — zijner kameraden (mv. = soullVe-doulenr). Soiiflreeren {lijden, ondergaan: toelaten, Sonlreeren {zwavelen). \dulden)

Sonlageeren {verlichten, verzachten: vertroosten).

Sonlag('niigt;nt( verkwikki ng.verl ichti ng),o.%nw


ocr page 253

so I • MIS-SPECU LATIE K

SoiimiM {ondt'rdauhj. (jrdiwc), hn.

Soiimissir {onderfvvrpui'j). v. gmv.

Soiip^'iui (anjwaan, wrdt'iihiihj», in. —s.

Soii|t(;lt;gt;iiiMM'ien (verdimLen,mistroinwn.iriin-trumven).

(achU'i'dochtiii), bn.

Soiipeeren ihet avondmaal ijchnuhea).

Souper (tii'uudatea). o. —s. —tje. soapceljc.

Souple (It'tiiij. baigzaaai, haadelbaa)'). Imi.

Souplesse {buigzaaadwid, lenh/lu'id: /•/•/.-hawheid). v. ginv.

Sourdine {demper), v. —s. .4 In —. in hetgeninp.

SoiiNpied ( voetriem, aan de broei: b^restiijd. om ze strak te hoaden). m. —s.

SoiiNHije;iieereu (tmderteekenea».

Soutiiue (lij frul:. U.K. priest ari: leed), v. — s.

Souteiieereu i onderstro nen. in stand nf staand^ hoaden. verdedigen, beweren».

Souterrain ponderaardsch geivelt gt;gt;/' lu rtrel:).

Soutien (bijstand, stenn), in. —s. (u. —s.

Souvenir uiandeahen: herinneringsfiescheni:; schrijf- quot;/' zakboekje), lt;». —s.

Souverein (oppermachtig), bn. en Uw.

Souverein {gebieder, vorst), m. —en.

Souvereiniteit (oppermachtigi' heerschappij). v. gmv.

Spa {graafiverl.tnig), v. Zi»- Spade.

Spa (laat). b\v. Zilt;ï Spade.

Spaak {lang hout), v. spaken, h'm. eea — ia hrt wiel steken, d.i. tegenwerken.

Spaak. b\v. — too pen. in de war loepen.

Spaan (baigzame hoatreep), v. spanen. II'der—. d.i. platte houten lepel.

Spaander, m. —s. Waar gehakt tvordl. rallen —s. in elk gevecht vallen van weerszijden dooden.

Spaandersliaak (gereedschap tier scheeps-timmerlni), in. —haken.

SpaaiiNeii. bn. en b\v. (o. als zn.) Het was een tijd. d.i. een treurige, rampspoedige tijd: hrt ging er — toe. d. 1. rnw. hardvochtig: dat klinkt —. d.i. vreemd: hij heeft het —. d.i. hard. armoedig: de —r pokken, zeer gevaarlijke pokken: ren —lt;• vlieg, trekpleister: —r zeep. witte harde zeep: —epeper, Indische peper; lt;gt;p zijn — geiteed zijn, d.i. naar de —e mode: een — raiter. een versperring van paalwerk, ook Kriesclie ruiter: — riet, dun vlechtriet: — groen, kopergroen, ook kunst-groen: — leder, marokijn leder.

Spaarbank, v. —en.

Spaarpot, m. —ten.

Spaarxaam (zainig). hn. en h\v.: — lieid. v. Ij-' fhdl. jongen is niet — tart. woorden. (C. O.)

Spaatli (soort van aiinrraat), o. gm\.

Spade. Spa igraafirrrkting). v. spaden.

Spade [laat), bn.: als bw. ook Spa. In den — n nacht: de — tranen. — regen: vroeg en —.

Spadelinj;' {nakonwr. achterblijver), m. —en.

Spaden (graven), ik heb gespaad.

Spadille {schoppenaas of hoogste tmrf in het (laadrillespet), v. —s.

Spain (Tarksche raiter), m. —'s.

Spalier (latwerk of staketsel voor leiboomrn).

Spalk (lasch). v. —en. |o. —en.

Spalken, ik heb gespalkt: —ins. v.: —liont,o. Een gebroken been —, d.i. stevig binden.

Spallins; warken beneden hrt jaar), in. —en.

Spalten (splijten). Zie Tweespalt.

Span. Spanne (Irngte gelijk de span rener hand), v. —nen. Een — paarden, ossen, d.i. een koppel: rrn versch — paarden: deze kinderen zijn een aardig —. tweetal.

Span {ges/tan), o. —nen.

Spanen (van spaan). bn. Een — speelgoeddoos.

Spanen, ik heb gespaand. Boter —. d.i. met een spaan bewerken.

Spans ((jesp. plaatje, zilveren haak). —••n.

Spangordel (Hjfgordrl), m. —s.

Spanjaard, m. —en. —s.

Spanne, v. —n. Zie Span. v.

Spannen, ik spande, heb gespannen: —nina;. v.: -sel. o. I)r paarden voor drn tvagen —. d.i. hinden: de ossen voor drn ploeg —: de paarden achter den wagen —. averechts te werk' gaan; de kroon —. de koningskroon dragen, lig. de eerste zijn onder gelijken: gij spant de streng te stijf. d. i. eischt te veel; de snaren —. een muziekinstrument gereed maken. lig. het bespelen: dm boog —, gereedmaken: lt;!'■ boog kan niet altijd gespannen zijn. men moet ook eens rusten: den haan —. nl. het geweer willen afschieten; de vierschaar —. de rechtbank bijeenroepen, recht gaan spreken; dr wind spant de zeilen: dat kb'edi ingstak spant, d.i. knelt: het zal rr —, d.i. heet toegaan.

Spanraaiu. —ramen: —riem. m. —on.

Spanseeren {deftig stappen, ajandelen. zritrn).

Spant (scheepsw. gebint), v. —en.

Spanxaau; (zaag in een raam gespannrn). v.

Spar (Sparrebootn), m. —ren. 1—agen.

Spar {lang dakhoat, stang), v. —ren.

Sparen, ik heb gespaard. Dr Holt. jongen spaart in 't vechten zijn partij. (C. O.), d. i. «uitziet.

Spark (sprank, vonk), v. —en.

Sparkelen (vonkrn srhietrn), hel heeft ge-spa rkeld.

Spai 'telbeenen (met de bee nen in de lacht spartelen), ik heb gespartelbeend.

Spartelen,ik heb gesparteld; —aar. m.: —inu. ..

Spat {vlekje), v. —ten.

Spat {aderspat), v. —ten.

Spatel {strijl. mes voor zolf: tempermes), v. —s.

Spatie (tnsschetiraimte). v. —s.

Spatieeren (van tasschrnraimten voorzien).

Spatten, ik heb en het is gespat: —ins. v.

Spatting (scheepsw. icijdte, brrrdtr). v. —en.

Speeen'l {kruiderij), v. —en.

Speeerijaelitis. bn. Een —r smaal:.

Speelit {zekere klimvogrl), rn. —en.

p e 111 e n e i 1 * __crin

Speciaal {'bijzonder, afzonderlijk, bepaald), bn. en bw.

Specialiteit (bijzo, liter vol:: iemand die in een zeker val: nitmant). v. —en.

Specialist ( persoon, dir in enig vak nitmant ), m. —en. Hij is eea — in de geschiedenis.

Specie {soort: tnnnt), v. —ciën, —cies.

Specificatie {stnkswijzr opgaaf ),\. —tien. —s.

Speciliceeren (stak voor stak opgeven, bij namr optellen). Ook: specifieeren.

Specifiek (soortelijk), bn. — gewicht, soortelijk gewicht.

Speci uien (/'/w/*/o. —.«.specimina.

Spectator (aansrhoawer, waarnemer), m. —s.

Spectatoriaal, bn. —ale geschriftrn. in den trant van don Spectator van Justus van Ellen.

Speculant c mdernemend koujiman. trager o p hoop van winst), m. —en.

Speculatie (bespiegrling: koopaainsond ;r-nenüng: wage rij op hoop van winst), v. —tiën, —ties.

S\u,vu\Mif(SI.-\icohaiskorkof-baksrl i. v.gmv.

Speculatier (brspiegrlrnd, dirpzinnig: •mder-iiemend), bn.


ocr page 254

SI»liCi L !•: !•:I ïEN -SPI El J1NG.

•234

(bi'spicyelt'n. hcprinzen, nuvor-xchen: hmfdelsi'lnnnm mal.en, quot;/gt; winst loeren of uil zijn).

SlMMU'li (redevoi'i'iny, toespraak), v. —en. Lees:

Speek (spaak in een rad), v. —en. [spiets.

Speekwei (muiidslijni), o. gmv.

Speelhiil (werphal). in. —len. Hij is de—der fortain; het schip was een — der yotven.

SpeeldooM {mazieJcdoos). v. —doozen.

Speeleoed. o. —goederen.

SpeellmiH (danshais. kruetj), o. —Imi/.en.

Speeljacht (plezwreaartaiy). o. —en.

Speelman {muzikant), ni. —lieden. —Ini.

Speelnoot (speeU.atneraad). m. —en: —noote.

Speelplaat», v. —en. jv.

Speelpop, v. —|gt;eii.

Speelreiü.je (plezierreis), o. —s.

Speelruimte (erije ruimte), v.

Speelwcli. bn.: —lieid. v. lïen — knaajtje: (te —e hoop des eadertands. (C. lt;gt;.).

Speeltalei. v. —s. IIij heeft zijn vermoyen aan de — verkwist, d. i. met het li../!ircls()el.

Speeltuig: (kinderspee/yoed. nok mnziek-instrnmeiiDi o. —en.

Speelhiin {kindertuin), in. —en.

Speehaart spelevaart {pleziertocht), v. jftnv.

Speelwerk {klokkenspel, mnziek). o. —en.

Speelziek, bn. Ken — kind: een —e hond. fl. i. gaarne spelende.

Speeiznelit. v. gmv.

Speen (nier eener koe. yeit enz.), v. spenen.

Speenvarken {zeer jony varken), o. —s.

Speer (lans. spiets), v. speren.

Speerhaak (1,'lein smiilsaainbeeldgt;. in. —haken.

Spek, •». ginv. Met — schieten, liegen, blnTen: mee doen voor — en boonen, d. i. niet geteld worden, er te veel zijn: zij vallen van lueelde uit hel —. d. i. zij verwaarloozen hnn plichten.

Spek jan {scheldnaam voor Portayeezen en Spanjaarden), m. —nen of Spekken.

Spekken, ik heb gespekt, lem. benrsnf iem. —. d. i. goed van geld voorzien.

Spekkoek, in. —en.

Spekkonins; (die het njalvischspek tont), m. —en.

Speknek {persoon met een dikke nek), m.en v. —ken.

Spektakel (schoawspel: yeraas. drnl. te). o. —s. Wat maken die Ini een — !

Spel. o. —en en —len. Alles op het — zetten. d. i. wagen: het — in honden hebben, meester, de baas zijn: iem. vrij — laten, de noodige vrijheid laten: zijn — met iem. speten, of drijven, iem. beet hebben, foppen; aw naam staal op hel d. i. loopt gevaar: iels hniten — laten. d. i. bniten beschouwing, rekening: het schip was een — der yoiven. d. i. speelbal: deze Lnaap bederft altijd het —, is een spelbreker. een ruziemaker; een meesterlijk —. nl. het bespelen van een muziekinstrnment: Jiet — dn' noyen: hel — der yebnren. aanduidingen, teekens: een — Kaarten, een vereischt getal; het domino—. het dam—. het schaal,—.

Op.m^RKINO. In stollelijke bet. is het mv. spellen, als: twee kaartspellen, hondenen apenspellen, enz.: in lig. zin: spelen: kinderspelen, trears/ielen. blijspelen.

Spelhrekei (spelverstoorder), m. —s: —breek-»ter. v. — s.

Speld. v. —en: Er is yeen — tussehen te krijyen. zij is een eerste klappei.

Speldeknop. —kop. m. —pen.

S|»eiden C vast hechten.ojtprikken ),ik heb gespeld.

Speldengeld (toelaye ennr de 1,1 eed ij eerier vrouw), o. gmv.

S4ielemeien (zich ver mal,en in. de vrije na-In nr). ik heb gespelemeid.

Spelen, ik heb gespeeld: —er. m.: —ins;, v. Een rol — in een tooneelslak, d. i. vervullen: de hoofdrol —. de leider, de eerste zijn: in de bderij —: om den keizer zijn baard —. d. i. om niemendal: met zijn yezontlheid —. ze verwaarloozen; met beloften, met eeden —. deze als een spel, als zonder waarde beschouwen: het yeschat laten —. de kanonnen lossen, de wallen beschieten: eryens den baas —. op zijn poot — (gmz.i. den heer uithangen; razen, tieren, commandeeren: dat speelt mij door het hoofd, ik herinner mij er flau-welijk iets van: iem. een poets —. d. i. een kool stoven: hij heeft bankroet yespeeld. hij failleerde op oneerlijke manier: iem. iets in de band —. het hein doen bekomen.

Spelevaren (nit roeien yaan). o. ik heb gespelevaard.

Spellen, ik heb gespeld: —Ier, m.: — ling, v. Een woord —. d. i. alle letters in volgorde noemen.

Spelonk (//quot;/, yrol). v. —en.

Spelt (een soort van yrove tarwe), v. gmv.

Speneer {Enyelsche vestrok, strakke blouse). m. —s.

Spendahel (mild. kwisliy). bn.

Spendeeren {ten koste ley yen aan).

Spenen {kinderen van de borst afnemen: lig. zich onthoaden). ik heb gespeend: —ing. v. Zich — va}i de vermaken der wereld, van de stadie, enz.

Sperhooni {slaybinon), m. —en.

Sperge, v. — s. Zie Awpericc.

Spergelkniid (a'ilde asperye). o. gmv.

Sperketting {afslaitkettiny), m. —en.

Sperren (wijd van elkaar zetten), ik heb gesperd: —ring, v. De ooyen wijd open

Sperwer {ven soort van valk), m. —s.

Speuren, ik heb gespeurd. Niet naaw —. d. i. met nauwlettend zijn.

Spenrlionlt;l {afyerichtehond), m. —en. iJe —en der politie, bespieders, handlangers.

Snianter (menysel van lood en tin), o. gmv. Zit' rianter: ook: peaater

Spichtig ( P'inliy.smal), bn.: —lieid. v. Hel — yt'/is der heide.

Spie (een spion), m. —ën.

Spie. Spij {ijzeren bont of bonten -viy). v. —ën, —en.

Spiebont. m. —en.

Spiegat (yal Ier walerlooziny). o. Oifk Spuigat. Dal loopt de —en nil. dat gaat te ver.

Spiegel { weerkaatsende oppen lakte, platte achterwand enn een zeeschip), m. —s. De ooyen zijn de — der ziel. openbaren wat erin het gemoed omgaat. De — der zet. d. i. oppervlakte: ile — van de Hoyal Charles in hel liijksmnsenm.

Spiegelen (zieli). ik heb mij gespiegeld: —ing. v. De bocht haizen spieyelt zich in het water der yracht. d. i. afteekenen, afspiegelen: die zich aan een ander spieyelt. spieyelt zich zacht, gelukkig de man, die leering trekt uit den tegenspoed van een ander.

Spier (ontl. vleeziy bestanddeel, handel vezelen). v. —en.

Spier (zwalnw). v. —en.

Spiering (een visch), m. —en: als stofnaam,v. flij werpt een — nil om een kaheljaaw te


ocr page 255

S P11 •: I {N A A K T - SI * O KI) K N.

vannen, d. i. olïei't een kleinigheid op om groote winst te behalen.

Spiernaakt (moeclemadlcl), lm.

Spierwit (geheel tril), hu.

SpieM^laiiM (zeker honl, zivdnr. (fonl.rrfirame metaal, antimoniinn). o. gmv.

SpietM. SpieM i.s/teer. laas), v. —en.

Spietnen (doorbore)!). ik heb gespietst.

Spij, v. —en. Zie Spie, v.

Spijbelen (de school verzaiaien), ik heb gespijbeld.

Spijgat, o. —gaten. Ook Spuigat.

Spijk (plantk. lavendel), v. gmv.

Spijker (.nagel), m. —s. Den —

slaan, de /.aak juist treilen, de qnaestie Jnist in het licht stellen: —.s met ko/tpen slaan. geen halve maatregelen nemen, doortasten: hij is zoo hard als een —. hij is niet weeke-lijk. teergevoelig: gmz.: hij heeft geen contant geld: —s o/t laag water zoeken, beuzelen, vitten, kinderachtige critiek oefenen: iels aan den — hangen, uitstellen, op de lange baan schuiven.

Spijker (/takhnis, Z(dderschnnr), m. —s.

SpIjkeriialMem izalf). m. gmv.

Spijkeren {spijkers inslaan), ik heli gespijkerd: —iiig* v.

Spijker va Ht. lm. Al ival — is, tnorf )nen hij vei'haizing achterlalm.

Spijl (staafje, richeltje), v. —en.

SpijH (voedsel), v. —zen.

Spijt, v. gmv.

Spijten (verdriet doen), het speet mij. heeft mij gespeten.

Spijtig;, lm. en b\v.: —held. v. Kvn — ant-ivoord. d.i. bits. vinnig.

Spijxen (eten), ik heb gespijsd: —Ing. v.

Spijzigen (roeden), ik heb gespijzigd: —ing. v.

Spikkel (vlekje, stipje), in. —s.'

Spikkelen (van spikkels voorzien), ik heb gespikkeld: -int!;, v.

Splkkelig (nvt s/tikkels), bn.

Spikspehlernieiiw {geheel nieaw), bn.

SpikMpliiiteriiienw {(geheel nieaiv) bn.

Spil («6'). v. en o. — len. Dat is de —. ivaar alles om draait.

Spilgioen (Spaansehe jacht- of' patrijshond). m. —en.

Spillebeen (persoon met dnnne lange heenen). m. en v. —en.

Spllleinaau; {hloedverwant ran moederszij). m. en v. —magen.

Spiillen (verkwisten), ik heb gespild.

Spilpenning (teergeld), m. gmv.

Spilpenning {verkwister), rn. en v. —en.

Spilziek (verkwistend, koopziek), bn.

Spily.nelit, v. gmv.

Spin. v. —nen. Zij werd zon kwaad als een —. d. i. in hooge mate.

Spinaal (schoenniakersvlasgarm). o. gmv.

Spinaelitig, lm. De —e dieren.

Spinazie (Idadgrovnle), v. gmv.

Spinde {spijskast), v. —n.

Spinet {mnziekinstrnment), o. —ten. vero.

SpinliniH {tuchthuis), o. —huizen.

Spinnekop. v. —pen.

Spinnen (dradvn maken uit wol, vlas. katoen). ik spon. heb gesponnen: —ner, m.; —nerij.v.: —ning. v.: —«el. o. Zijde bij iets —■ winst bij iets hebben.

Spinnen (brommen der kat), zij heeft gespind.

Spiimeweb, o. —ben.

Spinnewiel (werktuig), o. —en.

Spinrokken {slok. iruarom heen het vlas zit), o. —s.

Spin.Hbek (metaal), o. Zie l*in*l»ek.

Spint (plantk. wit van het Iwnt). o. gmv.

Spion [bespieder), m. —nen. —s.

Spion (rensterspiegeltje). o.: —netje. ~s.

Spionneereii (afkijken, bespieden), bn.

Spiraallijn (schroef- nf slakkelijn), v. —en.

SpiritiHine (het geloof aan de werking of eer schijn ing ran geesten), o. gmv.

SpiritiMt (aanhang 'r ran bet spiritisme'), m. —en.

Spiritualiën (geestrijke dranken), v. mv.

Spiritueel (geestig, geestrijk, tot de ziel be-hoorende). bn. en b\v.

SpiritneiiN (sterk, geestrijk van tiranken), bn.

SpiritiiH (geest, geestrijk vocht), in. gmv.

Spit (brnadspiI), o. —len en speten, vero.

SpitM (pnnt). v. —en. Zich aan de — stellen, aan de — staan. cl. i. aan het hoofd.

Spit», o. liet — afbijten, de eerste in den aanval zijn: bet — bieden, weerstand bieden.

SpitM (scherp toeloopend), lm. en b\v.: —lieifl. v.

S\utHhovi' (looze schelm), m. —boeven.

Spitsboog (kruisboog), m. —bogen.

Spitsbroeder (krijgsmakker), m. —s.

Spitsen (ponten, scherpen), ik heb gespitst.

SpitMliooI'd (persoon), m. en v. —en.

Spitsig {puntig), lm.: —lieid, v.

SpitHkin ( persnon), m. en v. —nen.

SpitsinniN. v. —muizen.

SpitMiieiiM (persoon), m. en v. —neuzen.

Spitsroeden, v. mv. Door de — gaan. loopen, een soort geeselstraf ondeigaan: lig. erg gehekeld worden.

SpitHvondig (loos. slaiv). lm. enbw.: —heid. v.

Spitszinnig (scherpzinnig), bn. en b\v.: — held. v.

Spitten (deleen). ik heb gespit: —ter, m.

Spleen (kwade tuint, miltzncht. hgpocbondrie, d.i. zwartgalligheid), o. gmv. Lees: splien.

Spleet (glip, reet. opening), v. splt-ten.

Spleetbreuk (beenbreuk), v. —on.

Splendidc. Nplendied (schitterend, prachtig, heerlijk), bn. en bw.

Splijten (barsten, scheuren), het spleet, ik heb en het is gespleten: —ing. v.

Splint (geld), o. Een meisje met —. d.i. niet fortuin.

Splinter, m. —s. Den — zien in eens anders oog en niet den balk in zijn eigen, kleine ge-breken in anderen opmerken en eigen grove fouten over 't hoofd zien.

Splinteren, het heeft gesplinterd. Dit bont splintert erg. d. i. splinters afgeven.

Splinterig (V(d splinters), bn.

Splinternieuw (ticheel nieaw), bn. Ken —

split (opening, spleet), o. —ten. \weer.

Splits (smed.w»«oo?V enn insteekhoaD.x. —en.

Splitsen (deden, scheiden), ik heb gesplitst: —er, m.: —ing, v.

Splitstong (zeew. wimpeh. v, —en.

Splitsvaantje (wimpeltje met twee punten). o. — s.

Splitten (splitsen), ik heb gesplitst. De loten —. bij een loterij een groot lot In deelen scheiden.

Spoed, m. gmv. Iets met bekwamen — doen, d.i. met gepasten ijver: wat — bijzetten, voortmaken: hoe meerder haast, hoe minder —. haastige — is zelden goed, d. i. te groote haast bederft het werk.

Spoeden (haasten), ik ben en heb gespoed, en ik heb mij gespoed.


ocr page 256

SPOEDIG—SPmNGEN.

S|MM'tlig (hoostI;/), bn. en l»\v. Ten —ste.

Spoel (l.ltjsje), v. —en.

S|Miel«'ii {reiuitjen). ik heb en het is gespoeld; — ing, v.; —sel. o. Den minui —. het wasc/i-c/oeil —: iem. de roeten —. d.i. hem verdrinken: de heel —, sterken drank drinken.

Spiielinu; (draf), v. —en. Veel lutrl.eits maken diniae —, veel kinderen maken een schmle keuken.

(hel distriet rondom Schiedam, waar het vee met den draf ran den hrandeiuijn 'j'-eoerd ivordt. en dat als het brand/jant der besmettelijhe lonijziektt' br-schoawd wordt), o. gmv.

Spoeltje {klosje of tjttren Iwadei' eener naaimachine), o. — s.

Spog {speeksel), o. — van slanxjen.

Spiikcn lt; rondwaren)^ ik heb gespookt; —er, m.; —erij, v. Hij spookte voordon en do aio, was zeer vroeg uit de veeren: het spookt erop zee. de zee staat hol.

Spoliatie (gt;'quot;quot;/*, beroovimj), v. —ties, —tiën.

Spolieeren (berooeen, imthoaden).

Spon {larf), v. —nen.

Sponde (bedsponde), v. —n.

Sptmdeii.H (dichtk. versvoet van twe lainj'' let t erlt;j re pen), m. spondeeën

Sponjj ('jrorf. diepsel), v. —en.

Sponning njlvof waarin rm sehoifraam sla it), v. —n.

Spons. v. —en. Ergens de — door halen, d.i. lig. vergeven en vergeten.

SpoiiMen (rein'njen), ik heb gesponst.

Spontaan (vrijwilivj, ait riyen bi'weijing). bti. en b\v.

Spontaneïteit {vrijivilInjheid, eigen goeddunken), v. gmv.

Spintnrlquot; (beste soort van l'O'f), v.

S|)ook (schim, geest), o. spoken,

Spooksel {hersenschim), o. —s.

Spoor (prikkel), v. sporen. Een paard de sporen green, in de zijde prikken: hij heeft zijn sparen verdiend, eig. zijn ridderscha p, fig. hij heeft zijn bekwaamheid bewezen.

Spoor {voetstap, ivayensijoor). o. sporen.

Spoorbalk (dwarsbalk), m. —en.

SpoorbijMter (verdwaald), bn.

Spoorloos, bn. en bw. De dief was — ver-divenen. d. i. zonder een spoor na te laten.

Spoor*latfH lt;/y/ aller ijl), bw. Hij reed — naaide stad om den dokter.

(waggon), m. — s.

Spoorweg, m. —en.

Sporadic h (verstrooid, op zich zelve staande), bn.: —c ziekten, zulke waardoor slechts enkele menschen worden aangetast en die niet algemeen heerschen.

Spore (eicel van dc bedeh tbloeiende pionten),

V. —II.

Sporen (aansporen), ik heb gespoord. Iem. tot vlijt -.

Sporen (met den spoorwagen rijden), ik heb en ben gespoord.

Sporeplant (bedci.tbloeiende plant), v. —en.

Sporrelig (twistziek, korzelig), bn. en bw.: — Iieiil. v. vero.

Sporreliny; (krakeel, twist), v. —en, vero.

Spoi't (trede eener ladder), v. —en.

S|)ort (allerlei liehaanisontspanning in de open lacht), v. en o. gmv.

Spot {spotternij). m. Den — drijven met iem. of iets. d. i. bespotten.

Spotdielit (scherp hekeldicht), o.

Spotgeld {zeer lage prijs), o. gmv.

Spotiij^ter (spotvogel), v. —s.

Spotlu.Ht (spotzacht). m.

SpotprijM {zeer lage prijs). 111. —prijzen.

Spotten, ik heb gespot: —ter, m.: —ternij, v.

Spotvogel (lijster in X.-Amerika: tig. spotter),

bn. Een — lachje, d. i. spotuit-

Sponw (een spleet), v. —en, vero.

Sponn en (splijten), ik spouwde, heb en het is gespouwen: —er. m.: —ing, v.

Spraak, v. spraken. De — missen, d.i. stom zijn; ik herkende mijn vriend aan zijn —.

Spraakkunst (grammatica), v. —en.

Spraak/.aain (vriendelijk, minzaam), bn. en bw.: — heifl, v.

Sprakeloos (stom), bn. en bw.; -beid, v.

Sprank (vonk), v. —en.

Sprankel (kleine sprank), v. —s.

Sprankelvnnr (ziekte onder de schapen), o. —vuren.

Spreekbeurt, v. —en.

Spreekgewtoelte. o. —n.

Spreekboorn. —horen (Imlpmiddel voorhard-hoorigen), m. —s.

Spreekkamer, v. —s.

Spreektaal (gesproken taal), v. gmv.

Spreektrant (wijze van spreken), m. ginv.

Spreektrompet (roeper), v. —ten.

Spreekuur, o. —uren. Het — van den dokter, hij is dun aan zijn huis te consulteeren.

Spreekwijze (spraakwending), —wij», v. —

Spreekwoord, o. —en. [wijzen.

Spreekwoordelijk, bn. en bw.

Spreeuw (zangvogel), m. —en.

Spreeuwen (spotten, schertsen), ik heb ge-spreeuwd.

Spreenwenei, o. —eren.

Sprei (dekkleed op een bed, enz.), v. —en.

Spreiden (nitspreiden, ontvouwen), ik hel) gespreid; —«el, •». Iem. het pad d. i. effenen.

Spreken, ik sprak, heb gesproken. Goed voor iem. —. d. i. borg blijven; oom teas niet best te —. was uit zijn humeui: dat spreekt vanzelf. ot' als een boek. dat behoeft geen nadere verklaring, is uiteraard duidelijk: wij zallen hem wel —. d.i. vinden, hét, betaald zetten; het ivas alsof het spel sprak, of het toeval het zoo wilde: — is zilver, zwijgen is goad, een zwijger overtreft in vele gevallen een spreker.

Sprengbekken (U.K. wij waterbak), o. —s.

Sprengen (sprenkelen), ik heb gesprengd; —er, m.; —ing. v. Vleesch —, d. i. me zout bestrooien.

Sprengkwast (U.K. wijajaterkwast), m —en ; — vat. o. —en.

Sprenkel (rattenknip), m. —s.

Sprenkel (sprank: vlekje, spat), v. —

Sprenkelen, ik heb gesprenkeld: -iquot;K, v. Het strijkgoed —. met water bevochtigen.

Spreuk, v. —en. De —en van Salomo, kernachtige zegswijzen.

Spriet (voelhoorn), m. —en.

Spriet (vogel, een kivartel). m. —en.

Spriet (zeew. lange mastboom), m. —en.

Sprietoogen (geueesk. dabbd zien), ik heb gesprietoogd.

Springader (waterader), v. —s.

Springen, ik sprong, ben of heb gesprongen. Van den os op den ezel —. van den hak op

Spotziek.

drukkend


ocr page 257

SIJ KI NGH A A S—ST ACG ATO. 237

Staal (werktaig).o. stalen. Vaar—: bet moordend —.

Staalmeester (in oade dagen dr keurmeester van lakens): dr —s. beroemde schilderij in het Rijksmuseum (Uembrandt).

Staaltje (proefje), o. —s. II: zat je daar een

— van eerteUen. iets ongunstigs mededeelen. Staan, ik stond, heb gestaan. De beslissing

staat aan n. d. i. is aan n. is uw recht: dal staal te bezien, is te bezien: hij alt;eet, waar bij — moet. hij kent de vormen der wereld: bij stoot zijn man. is niet bnng. durft zich toonen: iem. naar ln'1 teren —. hem willen dooden: die japon slaat n gord. past u goed, kleedt, n goed: ital komt Iwm dnnr te —. kost hem veel geld: in twijfel —. verkeeren: deze dominee stoot np dat dorp. is dnar gevestigd: de boom stoot in drn knop. heelt knoppen: quot;/gt; goeden vort met iem staan. d. i. verkeeren: ojI deze in'erlreding stool drie galden boete. is te betalen: naar egt;'n betrekking —. dingen: dal stoot i'oor de tlenr, is ophanden: hoe statd-het nn't de betaling'.' hoe is het gesteld? Staand, bn. i-len — leger, het tegengestelde van een huurleger: een —gt;■ kink: op —rn met. d. i. terstond, b.v. hij moest op —fn voet vertrekken.

Staande {gedurende). \/. — tb' rergaderiiig,

— de feestelijkheden.

Staaiilt;levo«'t.H. Staandsvoet.H (onlt;ienblikke-lijk). Inv.

Staangeld, stageld (nnirktge.'d). o. —en. Staanplaats, v. —en.

Staar {oogziekte), v. gmv.

Staart. m. —en. h'en m nisje met een —. een zaak met een sleep van gevolgen; kond men ; orer den hond. dm komt nn'n ook orer d»'ii ! staart, als men de grootste bezwaren te boven 1 is. overwint men ook de mindere.

: Staartster (staarlslar. komeet), v. —ren. Staartstuk (etengelpiano), o. —ken. vei-o. Staat (rijk: lijst), m. staten. Staatlniislioiidkunde. v. gmv.

Staatkunde, v. gmv. 1 Staatkundig''quot;('///»/om'///.sv7/». bn. Staatkundige, m. —n.

Staatsambt.o. —en: —ambtenaar, m. — iren; -belang, o. —en: -besluit. ». —en: —bestuur. -besturen: —bewind, o.: —blad, | —en: -burger, m. —s: — biirgersebap. o.

■ Staatsrlien (dr a nti-Spaa nsrben in imze 1 Repaldiek). m. mv.

i Staatseoiirant. v. —en: —geheim. quot;, —en; ! —gevangene, m. en v. —n.

; Staatsie (prmit. rertnoning). v. ymv. ; Staatsiiikonisten. v. mv.: —instelling, v.

—en: —man. m. —lieden: -omwenteling. 1 v. —en: —partij, v. —en: —raad lt;/'quot;'/ enn den Hond /• m m. —mden: — recht, o.;

] — rechterlijk i overeen l.omslig belstaatsrerht), j bn. en l»w.: —regeling, v. —en: —schuld, v. | —en: —wet. v. —ten: —/.aak. v. —zaken. Staatswege, bw. Van —. van de zijde der regeering.

Staatzucht (beersehzocht), v. gmv.

Stabat mater (de moeder stomh. o. De twee eerste woorden der beroemde lijdensrantate, welke op Goeden Vrijdag in de l{. K. kerken gezongen wordt. |bn.

Stabiel {stntnthondend. dnnrz-mm. bestendig). Stabiliteit {sltnalb1 ooiend beid, bestenitigbeid), v. —en.

Staccato (muz. l.nrt. stotdend. gebruken). bw.

den tn!,- —. in 't gesprek va» 't eene onderwerp op 't andere komen: niet bij de zaak blijven, geen voet bij stuk bonden: die kooi»-mnn is ui's/iromjen. is f.iilliet gegaan: dot springt in 't utuj. hel trekt de aandacht: het schip spronji in de h'cht. het buskruit ontbrandde en deed het uit elkaar vliegen. Sprin^liaaN (l:an{foeroL\hnidi'1 reit), m. —azen. SpriiiK-iii-'f-vHil {firufipenuiah'r. unit), m. en v. —en.

SpriiiKlevtMid (nd jeiKjil'Kj leren), b i. Spriiis;iiiatraH(^(v////r//gt;v/.s met metnlon veercn). v. —sen.

Springtij (sprin'ivlocd, hoog iiudm. o. —en. SpringviMT (h.r. in ern sint), v. -en. Springvloril {hung tij), in. —en.

Spriiikfiiiiin (insect), m. —hanen.

Sprits {gebak), v. —en.

Spritsen (Spiiitni). ik heb gespritst.

Sproeien (begieten), ik heb gesproeid.

Sproet igete rlrl: n/i de h.nid). v. —en. Sproeterig;, bn. fccn — gehiat. vol sproeten.

Km — Siijipho. (('.().»

Sproetis; (sprm-im). lm.

Sproke {middeh'enu'sch berijmd eerbnal). v. —n.

Sprokkel iafgebrnken lokje), rn. —s. Sprokkelliloem {soort ran narcis), v. —en. Sprokkelen {takjes of' rijzen rergaren). ik :

heb gesprokkeld: —aar. m.: — ing. v. SprokkelmaaiHl (Febrnari). v. ginv.

Spi'ona; {het springen: ook afstand, intereal). m. —en. Op stel m —. dadelijk, onverwijld. Sprookje {eerdicht rerhaaltjr uit de ond-

Gwmaansche sagen), o. —s.

Sprot (uiseh), v. —ten.

Spruit (van ecu plnnt). v. —en.

Spruit (van een (gieter), v. —en.

Spruit (scheepsw. tonan. o. —en.

Spruiten {uitschieten, ronrtkotnen nit). het sproot, het is gesproten: —ina;. v.: —se\ (wat nitsprnit). •».

Spruitkool (fijne buerenknid), v. —en.

Spruw (mondziekte). v. gmv.

Spugen, ik spoog, heb gespogen. \'nn, rnvlam

—. als een razende spreken.

Spui (kolk. ivaterki'i-ring), o. —en.

Spuidok (kom. die bij hoog tij vol lon/tt '-n bij laag tij. mi'l l.racht ledigloopende. het voor een boren liggende zond meclevoert). o. —ken.

Spuien ik heb gespuid: —ing. v.

Spuigat, o. —en. Zie Spiegat. Spijgiit.

Spuit (iverktniii. ook jachtroer). v. —en. Spuiten, ik spoot, heb gespoten: —er. ui.:

— ing. v. liet bloed spoot nit de ivonde: bet water spoot nit de fontein, kwam te voorschijn als uit een spuit.

SpuitvisHi (inktriseh). m. —visschen.

Spuitwater (knnstmineraalivtder). o. gmv.

Spurrie (een plant), v. gmv.

Spuug (speeksel), o. gmv.

Spuwen (speeksel uitwerpen), ik heb gespuwd:

— ing, v. Bloed —. d. i. braken.

Square, lees skweer {vierkantepiel,- in eenige wijk, met groot beplant), v. —s.

Squire, enquire {titel in hJngehmd: weledele of' tveledelgeboren been. m. gmv.

Staaf'. v. staven. Een — ijzer, een — zilver. St aag (gedurig), bn. en b\v. Met stage vlijt. Staak (lange lot), m. staken.

Staal (rnonsb'r. lapje stof), o. st:ilen.

Staal (metaaI). o. gmv.

ocr page 258

STA I)—STATÜ-^UO.

238

Stad, v. steden. De heilitje —, d. i. Jerusalem; ile eeuwige —, Rome; — ra htnde. Groningen en ommelanden.

Stade, Sta. bw. Te sta, of te stade komen, van pas komen.

Stadgenoot, m. —en. |m. —s.

Stadhouder. Stedehouder (pUmt.shekleeder), Stadhouderloos, bn. De eerste, de tiveertr —ze regeerimj, d. i. zonder stadhouder, nl. 1quot;. 1650—1672: 2». 1702-1747.

StadliouderHehai». o. gmv. StadhouderHgexiiid, bn. Het vuII,- teas —. StadlmiH {rnadlmis), o. —huizen. StadhuiMaehtig; (deftin. of'ticieel), bn. StadhiiiHU'oord (deftig woord, tnistnnrd-

ivoord), o. —en.

Stadie (72.7 schreden), v. —diën.

Stadig (ijestadhj), bn.

StadwaartM, Stedewaarts (in de richtin;i ran de stad), bw.

Sta 1' (stok,sche/dvr). m.staven. Fig. Deze knnap zal eens onze — en stemi zijn.

Stal'lier (stuldrm/er), in. —en.

Stag (scheepsw. masttouw), o. —en. Over — smijten, d. i. schielijk wenden; over — werpen, lig. den voet lichten.

Staggelen [trippelen, strnikelen). ik heb ge-staggeld.

Stagnant {stilstaand), bn.

Stagiiiitie (stilstond), v. —tiën, —ties. Stagneeren (stilstaan, ijestrennt zijn, vervallen).

Staken (doen stilstaan), ik heb gestaakt; —ing. v. Het werk —, tijdelijk er mede eindigen: de stemmen —. er zijn een gelijk aantal stemmen uitgebracht.

Staket (rij van palen), o. —ten.

Staketsel theka'erk). o. —s.

Stakker. Stakkerd (sukkelaar), m. —s.

Stal, m. —len. Ken — voor paarden, koeien, enz. Iets op — zetten, een vaste pl.a.ats geven; tie beste paar dj es staan op —. inenschen, meisjes van verdienste toonen zich minder in 't openbaar.

Stal (lt;festal te, vnrm), m. Itloemen von allvrlei

— en klear, (Uild.»

Stalen (van staal), bn. Fig. F.en — vlijt. d. i. volhardende. Een — voorhoofd, d. i. onbeschaamd.

Stalen {harden), ik heb gestaald: —ing. v. Arbeid stoolt dv krachten.

Stalknecht, m. —en, —s.

Stallen (op stal zetten), ik heb gestald; —ing. v. Stalles {de eerste ram/en bij 't orkest in dt'o schoaarbaty), v. mv.

Stalletje (verkoop taje It je), o. —s.

Stam. m. —men.

Stanihoek (register), o. —en.

Stanielen (hakkelend spreken), ik heb gestameld: —aar, m.; —ing. v.

Stanieltong (persoon), m. en v. —en.

Staniet (grove wol), o. gmv.

Staiuetten (van stamel), bn.

Stamgast (geafoon bezoeker inren kojjiehais). m. —en.

Stamhuis (dg nas tic, geslacht), o. —huizen. Stamijn {haren iveefsel. haren zeef), v. gmv. Stammen {afstammen), hij is gestamd. Stani|ieien {stampvoeten), ik heb gestampeid. Stam|ien (fijn stoot en), ik heb gestampt: —er. m.: — iny, v. Dit schip stompt erg. gaat met den boeg diep in zee.

Stamper {bhd:. stampstok). m. —s.

Stani|gt;er (plantk. mann. deel der bloem), m. —s. Stampvoeten, ik heb gestampvoet. De knoop stampvoette van toorn.

Stampvol (propvol), bn. De zaal was —. Stamvader {aartsvader), m. —s.

Stamwapen {familiewapen), o. —s. Stamwrord (grondwoord), o. —en.

Stand (houding, klasse, rang), m. —en. Standaard. Standerd {bonier, nmatstaf. model). m. —aarden, —aards, —erds. Standbeeld, o. —en.

Standelki'iiid (een orchidee), o. gmv.

Stander {spil: steanpaal; kaip). in. —s. Standenl (standaard), in. —s.

Standgeld (marktgeld), o. —en. Standhoiiden (blijven statin), ik hield —.

heb —gehouden.

Standje (razie), o. —s.

Standpenning {galden, rijksdaalder, halve golden), m. —en: —plaats, v. —en: —punt. o. —en.

Standvastig(ogt;f//v/7.7y//y//,».bn.«'n bw.: — heid, v. Stand vogel ( voriet die aunter en zomer dezelfde streek beajoont), m. —s.

Stang {metalen staaf), v. —en.

Stank (leelijke reak). m. —en.

Stante pede {opstaanden voet. ioi verwijld), i»w. Stanxa (couplet, Itol. dichtmaat), v. —quot;s. Stap {pas. schrede), m. —pen.

Stapel {hjop), m. i—s.

Stapelen (ophoopen), ik heb gestapeld: —aar.

m.: —ing. v.

Stapelgek (krankzinnig, dol), bn. Stapelmarkt {algemeene voorraadschoor). v. —en.

Stapelrecht (agt;Igens hetwelk de ivoren een igen tijd ten verkoop moeten blijven liggen, eer zij verder mogen gaan), o. gmv.

Stapelwaar (stapelgoed), v. -waren. Stapelzot, bn.

Stappen (voortschrijden), ik heb gestapt: —er. m.

Stapvoets (langzaam), bw. — rijden t,ver Star. v. —ren. (jok: Ster. \een brag.

Staren {strak op een pnnt kijk'-n). ik hel» gestaard.

Staroogen (de oogen alt;ijd openspalken), ik heb gestaroogd.

State. m. De /{and eon —. hoog regeerings-college.

Statelijk (deftig), bn. en bw.: —heid, v. Statenbijbel, m. —s.

Staten-lt;ileneraal, rn. mv.

Statica (weegkunst: stand- of evenwichts-

leer), v. gmv.

Statie (een der 14 scbiIderijen over Christus

lijden in de /•'. K. kerk), v. —tiën, —s. Statieus( pronkend,stoatsiemakend),hu. sn bw. Statig {plechtig), bn. en bw.: —heid, v. Stafion (aanlegplaats, groot gebonw aan de spoorwegen: stand- of ligplaats), lt;». —s. Statjonnair {blijvend, stilstaande), bn. Stationneeren (op tvacht plaatsen', een schip een plaats als wachtschip geven). Stationseher(/too/W van een spoorwegstation}, m. —s: —gebouw, o. — en: —plein. o. —en. Statisticus {Kenner van de statistiek), xn. —c.\. Statistiek {leer der cij ferg roepeering . ooi- lt;/»-staathnishoadknnde). v. gmv.

Statistisch (de statistiek betrelfende). bn. Statue {stand- of eerebeeld, becldzail), v. —s. Statu«(|Uo {de onveranderlijke staat van. zaken), o. gmv. In —.


ocr page 259

STATU U K—ST KM .Ml G.J ES.

23quot;.)

Statuur (Iichaamsfi/'ootU'. bijzonder ten unn-zien van lenijte en waadom), v. gmv.

Statuut (wet. refjlenient, vooi'achrift). o. —uteu.!

Stavast. h\v. Von —. ^root, Hink. stevig.

Staven (beiwstiifen), ik heb gestaafd; — iug. v. Mi't bewijzen —, met een et'if —.

Stearine (talks tuf. yzaiverde talk), v.

— kaarsen. [fa — van.

Stede, «tee ( plaats, /ilvk. oo/v/j.v. steden, steeën.1

Steileliomler, m. —s. Zie Stadliouder.

Stedelijk, bn —e rvchten. de stad be relVende.

StedeliiiK. m. en v. —en: voor het v. ook —e.

Stedeuiaagd. v. gmv. De — van Amvterdaai.

Stede waart». b\v. Zie Stadwaarts.

Stee (plaats), v. Zie Stede.

Stee (plekje), v. —ën.

Steeds {altijd, bestendicj), Inv.

Steedseli, bn. ~~v manieren, d. i. der stadbewoners.

Steeg {straatje), v. stegen.

Steeg (onverzettèfijk, lialsstarriij, stoi/). bn.;

— Iieid, v. Dat —lt;■ paard.

Steek (stoot: pijnlijk'' oatolni'iiinu). ix\. slékeu.

Steekbeitel, m. —s.

Steekind (stadskind), o. IIij werd — gemaakt. d. i. onder cnrateele geplaatst.

Steekkan {vochtmoot. inhoodendv l'.t/t Xed. kan af L.). v. —nen.

Steekspel (tornooi), o. —en.

Steekte istekinfi). v. —n.

Steel (stengel, stuk), in. stelen.

Steelleden, Steelui. m. inv.

Steelswijze, -wijs. bijw. Hij zou zijn vader

— aan. onmerkbaar.

Steen (.voorwerp), m. —en: als verzain. stofn. v.: als abstracte stofn. o. Dvn eersten — ley- . (jen (van een gebouw); ven — des aanstoots. ' een ergerlijke /.aak; er viel mij ven — van het hart, een drukkend bezwaar loste zich op; i'en hart van —. een gevoelloos hart; zij ■ klaagden — vn Ijevn. op aangrijpende wijze. I erg: den — op iem. werpen, hem als schuldige aanwijzen: hij is zoo hard als ven —. d. i. gevoelloos, ook zonder geld of goed.

Steenaelitig. bn.; —lieid. v. — Arabië. tie bodem is er vol steenen.

Steenhakker, in. —s; —ij. v. —en.

Steenlxik (berggeit itvr .\lpen). m. —ken: —skeerkring. m.

Steenlialk {zekere visvh). m. —en.

Steenhreek. steenhreke (ptant). v. gmv.

Steendrukken (lithographvvvn), ik heb ge- 1 steendrukt; —er, m.: —erij. v.

Steenliouwen, o. gmv.

Steenhouwer (stevnkappvr). m. —s; —ij. v.

Steenig (steenachtig), bn. en Inv.; —lieid, v.

Steenigen (met steenvn dood gooivn: ven straf in het Oosten), ik heb gesteenigd; —ing. v.

Steevoogd (bnrgemevster), m. —en; —ij. v.

Steg (vondvr), m. Weg noch — weten, verdwaald zijn. totaal onbekend zijn in eet» stad.

Stegel (stijgbvngvl). m. —s. |enz.

Stegelreef», m. —en.

Steiger (aanlegplaats ccner boot: ooi: metselaarsstellage). m. —s.

Stlt; 'igeren (op de achtvrpooten overeind gaan), het paard heeft gesteigerd: —ing. v.

Steil (rechtop), bn. en b\v.; —lieid, v.; —te, v.

Steiloor (stijfkop), m. er» v. —en.

Steiloorig (koppig). bn. en b\v.; —lieid. v.

Stek (afzetsel of loot vanevn plant). —ken. |

Stekade ( in een stok verborgen degvn). v. —n.

Stekeblinil (totaal blind), bn.

Stekel (puntige aitwas, doorn), m. —s.

Stekelaehtig (lig. scherp, bits). —lieid, v.

Stekelig (vol stekels), bn.; —lieid, v.

Stekeling (zekere visch, grondeling). m. —en.

Stekelvarken (stekelzwijn: ook egel), o. —s.

Steken, ik stak, heb gestoken. Met een nies. een dolk —. wonden; de (uesfgt;en hebben mij gestoken: de zon stak erg, d. i. brandde erg; de loftrompet —. aan den mond houden, blazen: ik laat die stadie —, varen: iem. naar ile kroon steken, iem. op zijde streven: ergens een speldje bij —, niet verder spreken over; ddt stak hem fle oog en nit, daarop is hij afgunstig.

Stekken (stekjes planten, afzetten), ik heb gestekt. Hessen—, rozen — .

Stel (stand, orde: geschikte plaats), m. gmv. Ons ha is is na op —. alles is in orde.

Stel (bij elkander geplaatste voortverpen: een. vvrzamcling). o. —len. h2en — jnweelen, ven — porceleitten ko/gt;jes en schoteltjes: een olie-en azijn—.

Stelen (diefsta' plegen), ik stal, heb gestolen; —er. m. len,. hart —. zijn genegenheid winnen; het is om te —. zeer aardig.

Stelkunst (algebra), v. gmv.

Stelkunstig, bn. Een —e oplossing.

Stellage (stelling, tribune), v. —s.

Stellen (plaatsen), ik heb gesteld: —er. m. Te boek —. ten toon —. paal en perk —. de grenzen aanwijzen, lig. kortwieken, beteugelen: in slagorde plaatsen: ion. voorwaarden —. aan voorwaarden binden; iem. de wel —, voorschrijven; in het licht —. duidelijk maken: ergens een eer in —. als een eer beschouwen: ter hand —. overhandigen: tevreden —. doen zijn; hij kan het goed —, is een gezeten burger; in vrijheid —. de vrijheid teruggeven: in het werl: —. aanwenden: op de proef —. beproeven: hoe zal hij dat —. aanleggen: ik stel het in nw kens, ik onderwerp het aan uw keus; quot;/» rekening — ran. de verantwoording doen dragen: zich borg —. borg blijven.

Steller (hij. die opstelt), m. —s.

Stellig (zeker, bepaald), bn.en bw.: —heid. v. Een —v belofte: gij moet — komen.

Stelling (eigenschap der adskaiide. steiger), v. —en.

Stellionaat (bednng, bedriegelijke verkoo/», o.

Stelpen (stillen), ik heb gestelpt: —ing. v.: —net. ■gt;. Het bloed —.

Stelregel (richtsnoer), m. —s.

Stelsrliroef. v. —ven. Een nat. instrument met vier —ven. richtschroetjes om het waterpas te stellen.

Stelsel (sgsteeni), o. —s.

Stelselloos (onregehnathp. bn.: —lieiil, v.

Stelselmatig (ordelijk), bn. en bw.: — lieid, v.

Stelt, v. —en.

SteltMilooper (persomi), m. —s.

Steltlo(»|ier( vogel t. m. —s. De ooievaar is een —.

Stem (gelnid, kiezersbiljet), v. —men.

Stemhiljet, o. —ten.

Stenibureaii (de personen die dr stem men opnemen), o. — x en —*s

Stembus, v. —sen.

Stemgereebtigde, m. en v. —n.

Stemliainei' (werkt nut om een inano te stemmen), m. —s.

Stemmen, ik heb gestemd; —er, m.; —ing, v.

Stemmig (niet opzichtig), bn. en bw.;—beid. v.

Struimiir]t*H(venvoadig).hw. Zij was — gekleeil.


ocr page 260

ST EM Pier

240

-STIJG.

Stciiipcl (zciji'l. cacJiL't). m. —s. Irmancl van don om (en —. d. i. een outlerwetsch mensch. Stempeleii {den strutitel afdrnkken). ik hel»

gestempeld: —aar. m.: —ins. v.

Stemreclit {recht ran referendum), o. Ilrt atgemeenr —, recht voor ieder burger om te stemmen.

Stemvork (toonaaniferend iverhtn'njje). v. —en.

Stem wijze. —wij», v. —wijzen.

Steiiflen (ifehnnkelijk roor standen), m. mv.

De — des Hijks. de drie —.

Stenen (zuchten), ik heb gesteend.

Stens (Stamj. mast. staal, ), v. —en.

Stengel (lt;/ 'nnr Idoenisteel). m. —s. Stenosraal' (snelschrijr. r). m. -grillen. Stenograpliie isnrtschrijfkanst). v. gmv Stenograpliisrli (snetsehrijfknnstiiji. bn. Stentorstem (zeer for se he en luidende stem). v. gmv.

Steppe i'jroote nitfjestrektln'iil. meestal iveest grasland), v. — n.

Ster. stiir (heinelhoh. v. —ren.

Stere {knhir'ke »'1). v. —n. —s.

Stereograph Ie (tichaa insheschrij ei ng quot;/ tee Lening Op een rlak). v. gmv.

Stereometrie» teerder liehaamsnietiiig).y.g\n\'. Stereoweoop i tm-stet itnt de rlakl,'' heelden als lichamen te aansehomven geeft), m. —copen. Stereotiep wast. onn'randertiji:). lm. Stereotypie (idaatletterdral:. het giften ran

eaststaande drakrormen). v. gmv.

Steiidag. m. —en. Het is vandaag (quot;Jl Mei) de — ran Napoleon I.

Steriel ijk. bn.: — lieiil. v. De menseh is —. d. i. moet of zal sterven.

Sterfgeval, o. — len.

Steii'liniH. o. —huizen.

Sterljaar. —jaren. Het — van \'onlt;lel(161'J). Sterfte, v. —n. lïr tvas groate — onder hel ree. Sterfuur, o. -uren.

Steriel (onrrnchthaar). bn.

SteriliMeeren (onvrachthaar maken). illt; heb. het is gesteriliseerd. De melk —. d. i. de levende kiemen er in dooden.

Stei'iliteit (onvracht' aarheid. misgea'as.droogheid. dorheid), v. gmv.

Sterk {krachtig, forsch). bn. enbw.: —lieid. v.

— e dranken.

Sterklieenig, bn. —e knapen (C. (gt;.). d. i.

hebbende gespierde beenen.

Sterken (kracht geven. lig. troosten), ik heb gesterkt: — ing. v.

Sterkte (kracht, talrijkheid: fort), v. —n. Sterkwater {salpeterzanr). o. gmv.

Sterling, een /nont — of i'. d. i. 20 shillings ad /quot; 0.60.

Sterreho.seli (plantsoen in den rnrm run een ster), o. gmv.

Sterrekers {kleine tuinkers), v. gmv. Sterrenbeeld o. —en.

Sterren kunde. v. gmv.

Sterrenlielit, o. gmv.

Sterrentoren (ohservatoriam), m. —s. Sterrenwaelit (sterrentoren), v. —en. Sterrenwichelaar (ivijze of Magiër hij de O. volken), m. —s.

Sterrenwielielarij. v. —en.

Sterveling (menseh). m. en v. —en: v. ook —e. Sterven, hij stierf, is gestorven. De man ligt op —: de vroaiv kivam fe —: het ivoord stierf op zijn tippen, hij sprak het niet nit: hij stierf duizend dooden. bv. van verdi iet. SterveiiHiiood (/// gevaar van sterren). m. gmv.

SterveiiHUiir. o. —uren.

Stetli0He0«»p (werktnil/ mn ile horstlndte te onderzoeken), m. —copen.

Steun (hatft, fig. kostminner). m. —en. Steunbiilk. rn. —en.

Steunen (rasten o/i. statten), ik heb gesteund. Steunen (stenen), ik heb gesteund.

Steuning (het steanen), v. gmv.

Steunpilaar, m. —pilaren. Ovens tvas een — der hettrs. d. i. stut. instandhondei'. Steunpunt (raslpttnt). o. —en. Het — ran een hefhootii.

StemiMel dl ivat steitnt), o. —s.

Steur (visch). m. —en.

Stevel (ltoo(je laars), m. —s.

Ste velkneelit (hutrzenttekker). m. —s. Steven (scheepsw.). m. —s. Dett — wenden, omkeeren, van koers veranderen. Verdotdden! tvendt tlett —. keert tveer. (Tollens). Stevenen {zeilen mtar). ik ben gestevend. Stevig [hecht, sterk), bn. en b\v.: —lieid. v. Ste \igen (sterig maken, stijven), ik heb geste vigd.

Sticht, stift (gesticht, I,looster, abdij), o.—en.

Het Seder—. Utrecht: het Over—. Overijsel. Stiehtelijk (go.'sdienstig),t)n.(in b\v.: —heifl, v. Stichten {vestigen, houwen), ik heb gesticht:

— ing. v. rig, In godsdienstige sle-nming hrengen.

StM'hlenaar (hetvoner ih-r prnvincii' t'trecht).

m. —aars. —aren.

Stichter. m. —s. —en. Hij tvtts de — van een hofje.

StichtingsfeeNt, —en.

Sticlitaeh {tot een sticht lt;»/quot; bisthon. en wet inzonderheid tot het hisdion l'trecht hehoo-rende), bn.

Stiefbroeder (halfbroeder), m. —s. Stiefdoehter. v. —s.

Stiefkind, o. —eren.

Stiefmoeder (t tv eed e moeder), v. —s. Stiefmoederlijk (bardvochtng). bn. en b\v.: —Mrliap. o. De natitar beeft Drente — bedeeld, d.i. schraal, karig.

Stiefvader, in. —s: —Mchap. o.

Stiefzoon, m. —zonen, —zoons.

Stiefzuster, v. —s.

Stier {ntann. rttnd). m. —en. Kig. rit we kerel. Ook teeken in den dierenriem. Stieraehtig(^/.sf'/'gt;?.s7//v. [\£.onbattdelhaar).\n\. Stierekop. in. —pen.

Stieren. Zie Sturen.

Stierengevecht, o. —en.

Stift [bonten of mehtlen pen quot;fstilet). \'.—en. Stift (klooster), o. gmv.

Stigma {teeken. lil- of ttterl.leeken). o —ma's,

— mala.

Stigmatiseereii (kentnerken). Ken gestigmatiseerde. d. i. iern. bezittende de vijf wonden van den Heiland.

Stijf {onhttufzaant. vast), bn. en bw.: —heid.v. Stijf hal» (persoon). m. en v. —halzan.

Stijf hoofd (koppig tnensch). m. en v. —en. StijfhoolVlig (happig), bn. en bw.: —heid. v. Stijfkop, m. en v. —pen.

Stijfkoppig, bn. en bw.: —heid. v.

Stijfsel {phtkmiddid). v. gmv.

St ij fselaeht ig (a Is stijfsel). 1 m. lïen —e pudding. Stijfselen {insmerrn )nei stijfst I). ik heb gestijfseld.

Stijfte {stijfheid), v. gmv.

Stijfzinnig (ko/giig). bn. en bw.: —heid v. Hijg (liviiitigtal). v. en o. —en.


ocr page 261

STIJGBEUGEL—STOLIDITEIT.

241

Stijgbeugel, m. —s.

Siijgeii (omhoog gaan), ik stee^r. ben gestegen. —iiig;, v. Te /jaard —; de ballon zal hoog — ; de prijzen der granen —: hij steeg tot hoogs ambten.

Stijl (schrijf-, schilder- ofboawtrant).m.—Qx\. In den — der (iriehen: den — van Cats gevolgd: de oade —. de nieaive —, tijdrekening.

Stijl (pilaar, pilaster, stat. post), m. —en.

Stijven (stijf maken), ik steef, heb gesteven: —ing. v. Het. linnengoed —.

Stijven (sterken), ik heb gestijfd. Ifhi. in het kwaad, in een boos opzet —. d. i. u inzetten.

Stijviglieid [houterigheid), v. gmv.

Stikdonker (zeer donker), lm. Een nacht.

Stikgrond (zware klei), m. —en.

Stiklioewt (benauwende hoest), m. gmv.

Stikken (verstikken), ik heb en liij is gestikt.

Stikken (steken, borduren), ik heb gestikt; —ker. m.: —Mei. o.

Stiklucht (bedorven lucht), v. gmv.

SiiliHioï (brstanddeel der lucht), v. gmv.

Stikvol izeer vol), bn. De zaal was —.

Stikziend (erg bijziende), bn.: —lieid. v.

Stil, bn. en b\v. Een — mensch; een stille Mis, er is geen zang bij; het is een — stadje, /.onder verlier; het water is na —. zonder beweging; stille waters hebben diepe gronden, niet stroomende waters kunnen diep zijn; lig. weinig zeggende lieden voelen of denken diep. zijn niet altijd te vertrouwen. Een stille verklikker, spion.

Stileeren {opstellen, in woorden uitdrukken).

Stilet {kleine dolk, ponjaard-, ook: graveerstift, pijlnaald), o. —ten.

Stilliondeii. ik hield —. heb —gehouden. Tets —, niet bekend maken.

Stilist (steller, schrijver die de taal in zijn macht heeft), m. —er».

Stillekens {ongemerkt), bw. Zie Stilletjes.

Stillen (bevredigen), ik heb en ben gestild: —in£. v.

Stilletje (draagbaat gemak), o. —s.

Stilletjes (in stilte), bw.

Stilleven (schilderstuk, voorstellendeziellooze voorwerpen: bloemen, vruchten, dood wild, enz.), o. —s.

Stilliggen, ik lag —. heb —gelegen. Kan die hond goed —? De schuil lug stil.

Stilstaiin. ik stond —. heb —gestaan. — doet uchteruitgaan, d. i. rust roest.

StilHtaand. bn. Een — water.

Stilstand {rust, kalmte), m. gmv.

Stilzitten (zich niet verroeren), ik zat —. heb —gezeten.

Stilzwijgen {niet spreken), ik zweeg —. heb —gezwegen.

Stilzwijgen, o. gmv.

Stilzwijgend, bn.: —lieid, v. /•gt;gt;lt; —e voorwaarde, d. i. ongenoemde.

Stiniiilant (opwekkend of prikkelend middel), o. —en: als bn. (opwekkend of prikkelend).

Stimulatie* prikkeling.aanzetting).\.—t\et\,—s.

Stiiniileeren (opwekken, prikkelen, aanzetten of aansporen).

Stiiniilns (prikkel), m. gmv.

Stinkdier (een zoogdier), o. —en.

Stinken (I eel ijk of kwalijk rieken), het stonk, heeft gestonken: —erd, m.

Stinkpoel, m. —en.

Stinkstok {slechte sigaar), m. —ken. gmz.

Stip (vlek, puntje), v. —pen. Er zal geen — sian ontbreken, niet het minste.

koenen. VerkL flundwdb. d Xederl taal.

Stipendinin (toelage, beurs), o. —dia.

Stippel (kleine stip), v. —s.

Stippelen (stippels maken), ik heb gestippeld:

-|I,S' v-., .

Stippen, ik heb gestipt. Brood in de saus —. doopen.

Stipt (nauwgezet), bn. en bw.: —lieid, v. Stipulatie (beding, bepaling), v. —tiën. —ties. Stipnleeren (bepalen, bedingen, vaststellen). Stoa (zui'engang in 't oude Athene, waar Zeno les gaf), v.

Stoeien (dartelen, spelen), ik heb gestoeid:

—er, m.: —erij, v.

Stoeipartij, v. —en.

Stoel. m. —en.

Stoelenniaker, m. —s: —matten. •gt;.: —matter. m. —s; — zetster(m de H. K. herl:). v. —s. Stoelgang (ontlasting), m. gmv.

Stoep. v. —en.

Stoet (gevolg, menigte), m. gmv.

St«»et (brood van roggemeel), v. —en.

Stoeterij (put als waar paarden gefokt worden), v. —en.

Stoethaspel (onhandig mensch), m. —s.

Stol' (stoffage. onderwerp), v. —fen.

Stol* (aarde), o. gmv.

Stoflage (laken, kastoor, zijde, enz.), v. —s. Stoüeeren (een kamer van de noodige meubelen enz. voorzien): —der. m.: —ing, v.: —sel, o. Gestoffeerde kamers te huur! Dit verhaal is met leugens gestoffeerd, opgesierd. Stoffel {lomperd), m. —s.

Stofl'elaehtig (/om/)), bn.: —heid. v. Stoffelijk,bn.enbw.:—heid,v Het — overschot. Stoffen (pochen), ik heb gestoft: —er (pocher).

m. Hij stoft op zijn rijkdom.

Stoffen (van stof reinigen), ik heb gestoft:

—er, m. Is mijn kamer al gestoft'?

Stofferig, bn. en bw.; —heid. v. Wat is het op dezen weg —!

Stoffig (vol stof), bn. en bw.; —heid, v. Stofgoud (korreltjes fijn goud), o. gmv. Stofregen (fijne regen), in. - s.

Stofregenen (zeer fijntjes regenen), het heeft gestofregend.

Stoïcijn {in oud-Gr. volgeling van Zeno: die alle weelde en genot veracht), m. —en. Stoïeijnseh (gelaten, ongevoelig, streng), bn. Stok (staf, roede), m. —ken. Alle gekheid op een stokje, d. i. ter zijde.

Stok (blok, waarin misdadigers met de bee-nen gesloten werden: ook gevangenis), m. —ken. vero.

Stokbewaarder (gevangenbewaarder), m. —s. Stokebrand (twiststoker), m. en v. —en. Stoken, ik hel) gestookt: —er, m.: —erij. v.: — ing. v. Jenever —, likeur —: hij doet niets dan —, opruien.

Stokken, ik heb gestokt. Bijen —. in korven houden: boonen aan stokken binden. Stokken (blijven steken), ik ben gestokt. Hij bleef in zijn grafrede —.

Stokkerig {stijf, stram), bn. en bw.: —heid.v. Stokoud (hoogbejaard), bn. en bw. Stokpaard, o. De politiek is zijn —. d. i. zijn lievelingsbezigheid.

Stokstijf (erg stijf), bn. en bw. Iets — volhouden.

Stokstil (doodstil), bn.

Stokviseh (als voorwerpsnaanD.m.—xisschen: (als stofnaam), v.

Stoliditeit (onverstand, onnoozelheid, verstandszwakte), v. gmv.

16


ocr page 262

'KALEN KRANS.

STOLLEN—STI

2'*2

Stollen (stremmen)r het is gestold: — ing, v.

Stolp (stulp), v. —en. Zet tie — over de pendule, over de bloemen. Zie Stulp.

Stolpen {met een stolp overdekken), ik hel» gestolpt.

Stom (sprakeloos), lm. en b\v.: —lieid, v. Een

— me letter, bv. de li in thee', een —me rol. figurant.

Stonidronken {zeer dronken), bn.

Stoninie. in. en v. —n.

Stoniinekneelit (hoektafel, lat- of richeltafel). m. —s.

Stoniinelen (gedruiseh maken), ik heb gestommeld: —aar, m.: —ing;. v.

StoinnieliiiK (domoor), m. en v. —en; voor quot;t v. ook —e.

Stoninien {wijn of sterke dranken verval-schen), ik heb gestomd.

Stoninierik (lomperd), m. —en.

Stoininislii'id (domheid), v, —heden.

Stominlteit {er(je lompheid), v. —en.

Stomp {een stoot), m. —en.

Stomp (afgebroken deel), v. —en. De — van een eik, van een arm.

Stomp. bn. en bw.: —lieifl. v. Een — tnes. een —e toren, een —e neus, een —e hoek: lig. zich — denken, d.i. suf.

Stompen (met de vuist s too ten), ik heb gestompt.

Stomplioekig. bn. Een —e driehoek.

StoinpneiiH (persoon), m. en v. —neuzen.

Stompvoet (persoon), m. en v. —en.

Stompxlmiiü; (bot, dom), bn. enbw.: —lieid.v.

Stoiifl (uur), m. Stonde, v. —en. op dien —: van —en aan, te dezer stonde.

Stoof {voetwanner, ook gebouw), v. stoven.

Stool (priesterlijke stola), v. stolen.

Stoom (damp van kokend water), m. gmv.

Stoomboot, v. —en.

Stoomen (fig. haasten), ik heb en ben gestoomd.

Stoomjaelit. o. —en: —seliip, o. —schepen: -sleeper, m. —s: — vaartuig, o. —en.

Stoop (maat van 21/4j voorheen in gebruik). v. —en.

Stoopskan (21(^ L.), v. —nen.

Stoorder (die hindert), m. —s.

StoorlooN, «toreloos (rustig), bn. In het —

bezit van zijn erfgoed.

Stoornin (hinder, beletsel), v. —sen.

Stoot. m. —en. Hij nam de stad zonder slag of —, d.i. zonder den minsten weerstand te ontmoeten: hij kon dien — niet doorstaan, dat verlies, dien aanval (ziekte).

Stooten, ik stiet, hel» gestooten. Van den troon —, d.i. onttronen: de vijand stiet het hoofd voor Alkmaar, d.i. moest terugdeinzen.

Stootend {hinderlijk), bn. Een — woord.

Stooter {iemand die stoot), m. —s.

Stooter (denkbeeldige oude munt. ter waarde van 12 en een halven cent), m. —s.

Stooterig (haperend), bn. en bw. Hij leest —.

Stootig (fig. lichtgeraakt), bn.

Stootkant {onderrand van een rok), m. —en.

Stoot*cli (stootig). bn.

Stop. v. —pen. Een glazen —. op een llesch of karaf; een — in een kous leggen, een gat dichten.

Stopdoek. m. —en; —garen, o.: —katoen, o.;

— lap. m. —pen; —niewOgt;»i stopverf tv stoppen in een opening), o. —sen: —naald. v. —en.

Stoppel, m. —en, —s. De —s der halmen: evn —land', zijn wang is rnl —s. korte j dikke haren.

Stoppelen (baard krijgen)-, ik heb gestoppeld.

Hij krijgt baard, hij begint al te Stoppen (dicht maken), ik heb gestopt: —ing.v. Stopper (persoon), m. —s.

Stopwei, o. —s.

Stop verf, v. gmv.:—wan (PH^m.sO.o.: —werk. o. Stopwoord {vulwoord), o. —en. Er is tijd genoeg is zijn —.

Stopzijde (vloszijde), v. gmv.

Storeloos, bn. Ook Stoorloos.

Storen (hinderen), ik heb gestoord: —ing, v. Stork (ooievaar), m. —en. gew.

Storm {harde wind), m. -ren.; krijgsw. al gemeen e aanval: — loopen, den — afslaan. Stormaelitig. bn. en bw.: —held, v. Stormen, ik heb gestormd: ook: het heeft gestormd. Fig. allen stortuden op hem los, kwamen op hem toe.

Stormenderliand (krijgsw. door bestorming), bw. Een stad — innemen.

Stormgevaarte, o. —n: —hoed. m. —en: —

lioek, m. en: —ladder, v. —s.

Stormloopen. ik liep —. heb —geloopen; — looper, m. Op een vesting —.

Stormram (krijgstuig det* I tomei nen )rm. —men. Stortbad (douche}, o. —en.

Storten, ik heb en ben gestort. Tranen bloed —. plengen; geld d.i. afdragen. Storting (het storten), v. —en.

Stortregen {plasregen), m. —s.

Stortregenen {plasregenen), het heeft gestortregend.

Stortvloed (fig. gmote menigte), m. —en. De Noormannen vielen als een — 'm Engeland. Stortzee (hooge zee), v. —ën.

Stotteren (stamelen), ik heb gestotterd: —aar, m.

Stont (soort van Engelsch bier), o. gmv. Stout (moedig,ondeugend),hn.enh w.: — 11 e i d. v. Stouterd (deugniet), m. —s.

Stoutmoedig (dapper), bn. en bw.: — lieid. v. Stouwen, ik heb gestouwd. Het pakgoed —. in het ruim stapelen.

Stoven, ik heb en ben gestoofd : —ing, v. hhT vleesch —, met matige warmte koken. Stovengeld, o.: —bok. o. —ken: —zetster.

Straal (uitschietend licht), m. stnden.

Straal (wisk. halve middellijn), in. stralen. Straalbreking ( nat. het breken drr lichtstralen

in een middenstof), v. —en.

StraalMwijze, —wijs, bw.

Straat, v. straten: —Mebender, m. —s: — Hebenderij, v. —en: —slijpen, o.: —Hlijper (leeglooper). m. —s: —taal. v.

Straf, straffe, v. s tra Hen. Op — /'lt;/gt;1. bedreigd met de — van: tot mijn —. spijt, verdriet. Straf (streng, scherp), bn. en bw.: —beid. v. Stra fb aar, bn.: —beid. v. Zulk een daad is

— bij de wet.

Stralfeloos,bn. en bw.: —beid, v. — overtreden. Straffen, ik heb gestraft. — met den koorde, ophangen; — met den z tea arde, onthoofden:

— met een boete; — met hechtenis. Strafwet, v. —ten.

Strak. bn. en bw. fem. — aanzien, d.i. star. stijf; een touw — aanhalen, d.i. sterk: zich

— houden, niet toegeven.

Straks, bw. Ik Kom —. d.i. over een poosje. Stralen (stralen schieten), ik heb gestraald: —ing. v.

Stralenkrans (glorie), m. —en: —kroon, v.

—kronen.


ocr page 263

STKA.M—STKOOW IS( H.

Stram bn. en b\v.; —lieid. v. Met—me

leden, afgeleefde, stijve leden.

Stramien (bord uur gaas), v. gmv.

Strand, o. —en. Een schip up —. een baken in zee. men dient zich te spiegelen aan quot;t ongeluk van een ander: het schip liep op het —. een schip op — zetten.

Stranden (op het strand raken), ik ben gestrand: — ing. v. Een gestrande hoot: een gestra /1 de wa Ivisch.

Strandjut (stranddief), m. —ten. Strandjutter (stranddief), m. —s. Strandvond (wat op strand gevonden is). m. —en

Strandvonder (opzichter), m. —s. Strandvonderij, v. gmv.

Stratngême {krijgslist, listige aanslag), m. —s. Strategie (legerbesturing, krijgskunst), v.gmv. StratesiwHi {krijgskandig, tot den vestingbouw behoorende), bn.

Streek (Hst. leelijke trek), m. streken.

Streek (strijking. luchtstreek, gewest, oord). v. streken. Van — zijn. ziek zijn; er loopt een

— door, hij is in de hersens gekrenkt; op — zijn, op zijn gemak zijn.

Streelen {aaien, Uefkoozen), ik heb gestreeld: —er, m.; —ins. v-

Streep (haal, lijn), v. strepen. Een — halen door, ie niet doen; eeu — door de rekening. een teleurstelling.

Streepje.sgoed (stof). o. gmv.

Strekken (dienen), ik heb gestrekt; —king. v. Strekkend (langs de leng tea fmeti i igei i van een oppervlakte gemeten), bn. Een —e meter. (1.1. een stuk grond van 1 M. lang of breed, terwijl de andere afmeting gelijk is aan de breedte van de strook grond, waarvan de —e meter genomen wordt.

Stremmen (stijf worden, stollen), ik heb en het is gestremd: —ining, v.; —wel. o. Fig. belemmeren, beletten: de oorlog stremt den handel.

Streng, v. —en. Eeu — zijde, een — wol: in de gmz. taal streen.

Streng (gestreng), bn. en bw.: —lieid, v. Een

— meester, d. i. hard: een —e redeneering. lt;1. i. logisch.

Strengelen (v/ec-Men), ik heb gestrengeld: — ing. v. Het klimop strengelt zich om dien boom. Strengen (toehalen), ik heb gestrengd. Streven (trachten), ik heb gestreefd. Strilibelen (tegenkanten), ik heb gestribbeld:

—aar. m.: — ing, v.

Sfril»beling (harrewarrcrij). v. —ei..

Striem (streep,slag), v. —en. De —cn der zweep. Strijd (kamp: fig. worsteling), m. —en. De

— om het bestaan : de buren kwamen om — te hulp, om het meest.

Strijdbaar, bn.: —lieid, v. Een — volk. gereed, geschikt tot den strijd.

Strijdhijl (oorlogsbijl), v. —en.

Strijden (kampen, vechten), ik streed, heb gestreden: —er. m.

Strijdig, bn.: — lieid. v. Dit artikel der verordening is — met de wet. in strijd met. Strijdgenoot, m. —en: —hengst, m. —en:

— knots, v. —en: —lens. lenxe. v. —leuzen;

— Inst, m.; —perk. o. —en: —ros, o. —sen: —selirilt. o. —en: —vaardig, bn.; —vaardigheid. v.: vraag (twistpunt), v. —vragen.

Strijkage {diepe buiging), v. —s.

Strijkelings (rakelings), bw. Dosteen ging — langs mijn hoofd.

Strijken, ik streek, heb gestreken: —er, m. De vlag—. neerhalen; de zeilen —, reven, laten zakken: het linnen —. gladmaken meteen strijkijzer; zalf op linnen —, smeren; opeen viool —. krassen, spelen; de hand over het hart —. mild gaan worden, een uitgave doen; hij gaat met den prijs, den inzet, het potje —. hij zal het winnen.

Strijkgeld, o.: —goed. o.: —hout (ro/ hij de korenmaat), o. —en: —ijzer, o. —s: —instrnment, o. —en; —kalk. v.: —plank, v. —en: —stok. m. —ken; -tafel, v. —s;

— vnnr, o.: —werk. lt;gt;.

Strijkvoeten (diep buigen: (ig. vleien), ik heb gestrijkvoet.

Strik (knoop, lus), m. —ken.

Strikken, ik heb gestrikt. Een haas —. in een strik vangen: een lintje —, tot een strik vouwen.

Stiikt (nauwgezet), bn.: — lieid. v.

Strikvraag, v. —vragen. Een examinator mag geen —vragen doen, d. i. vragen om den examinandus te verschalken.

Strippeling (gestripte tabak), v. gmv.

Strippentabaksplanten afstroopen). ik hel» gestript; —peling. v.: —zolder, m.

Strips, v. mv. — krijgen, slaag krijgen.

Stroef (ruw), bn. en bw.: —lieid. v. Een — slot. verroest, moeielijk; een — man, onvriendelijk.

Strompelen (struikelen), ik heb en ben gestrompeld.

Strompelig (onelfen), bn.

Stronk, m. —en. Een — run een boom: een

kool—.

Stroo. o. gmv. — vm rogge, van tarwe', Tta-liaansch /.eer lijn: eeu ventje van —. een zwakkeling: ik Iwb hem geen — in den weg gelegd, d. i. niet de minste kleinigheid.

Strooibiljet, o. —ten.

Strooien onet de hand uitspreiden), ik heb gestrooid: —er. m.: —ing. v.: —sel. o.

Strooien (van stroo). bn. Een — hoed. een —

— mat.

Strooijonker, m. —s; —lepel. m. —s; — mandje, o. —s; —meisje (bruidsmeisje)^ o. —s.

Strook (rand, reep), v. —en.

Strooken (streden), ik heb gestrookt: —ing. v.

Strooken (overeenstemmen), het heeft gestrookt. Dat strookt met mijn overtuiging.

Stroom, m. —en. De Wjn is een —: dc — van het Maaswater: dc schepen liggen op —; een — van tranen: een electrische —: een mugnetische —: de regen viel in —cn neer: een — van woorden, vloeken, verwenschingen, d. i. menigte.

Stroomen. ik heb en ben gestroomd: —ing.v.

Stroomling. stroomeling (huring), m. —en.

Stroop (roof, plundering), m. —en.

Stroop, siroop, v. stropen, siropen.

Stroophende (rooverbende), v. — n.

Str(»(»pen (rooven). ik heb gestroopt: —erij.

— ing. v. Zij tvilden wild —, in netten of strikken diefachtig vangen: een konijn, eer haas. een puling —. van de huid ontdoen; iem. het hemd van het lijf —, hem het noo-digste ontnemen.

Strooper (wilddief), m. —s.

Strooppartij (//'V werk can wilddieven),x. —en.

Strooptocht (rooftocht), m. —en.

Stroowisch (bundeltje stroo). v. —wisschen. Op een — koitien aandrijven, arm en berooid ergens aankomen.


16*

ocr page 264

STUOP—SUBJUNCTIEF.

244

Strop, m. —pen. Tot den — vcroordeelen. d. i. tot de galg: iem. den — om den hal# doen, d. i. erg in het nauw brengen. Stroperig {siroopachtig), bn.: —heid. v. Strophe \couidi't. versafdeeUng), v. — n. Stropliisrli Cm strop hen verdeeld), bn. Een

— gedicht.

Stroppen {in een strop vangen), ik heb gestropt. Ik heh dat konijn gestropt.

Strot {keeh. m. —ten. Alles donr den—jagen. d. i. versmullen.

StrottenliooTd (ontl. deel der keel/ndtr). o. gmv. Struetimr {honiv. lichaamsgestnlle: samenvoeging, inrichting), v. —turen.

Struirkoek (eierpannekoek). in. —ven. Struik (heestergeiuas). m. —en.

Struikelen (dreigen te vallen), ik heb en ben gestruikeld: —aar, m.: — ing. v.: —blok, o. Struikroover. m. —s; —ij. v. —en. Striiikwinde (plant, stinkende winde), v. —n. Struis (groote vogel, steltlooper). in. —en. Struin {loodwit), v. gmv.

StruiHeli i/link, sterk, stevig), bn. Een —e vent, een — knaap.

Struiken {met struis bestrooien), ik heb gestruist.

Struweel (dicht, struikgewas), o. —en. Studeereu {zich oefenen, zich toeleggen, lerren ). Studeerkiimer. v. —s: —lamp. v. —en: — stoel, m. —en: —vertrek, o. —ken.

Student {leerling eener universiteit), in. —en. Studeiitenhank. v. —en; —eorp», o. —en; -leest. o. —en: —grap. v. —pen: —haver {amandelen en rozijnen dooreen), v.: — klee-diug. v.: —leven, o.: —lied. o.—eren: —pef. v. —ten; —soeieteit, v. —en: —talel. v. —s. Studie, v. studiën (wetenseh. oefeningen)', studies {schetsen).

Studiosus (student, leerling van een hooge-school), m. studiosa.

Stug (onvriendelijk), bn. en bw.; — heid. v. Een — karakter, onbuigzaam.

Stuilaarde. v. gmv. —meel. lt;gt;.: —wol {aan planten), v.: —zand { welzand), o.: —zwam ( paddenstoel), v.

Stuik (schudding), m. —en. Hij gaf mij een

— op de borst. d. i. stoot.

Stuiken {heen en weer schudden en stoot en). ik heb gestuikt: —mand {persmund), v. De druiven —. heen en weer schudden in een mand. persen.

Stuind^r {steun), m. —s.

Stuip (zenuwtrekking, fig. gril), v. —en.

Stuit (het stuiten), m. -en.

Stuit (lichaamsdeel), v. —en.

Stuiten (tegenhouden), ik heb ot' ben gestuit;

—er. m.: —ing. v.

Stuitend, bn. Zoo iets is — voor het gevoel. strijdig, afkeerwekkend.

Stuiter {knikker: ook pocher), m. —s. Stuiteren (bikkelen), ik heb gestuiterd. Stuiveling (vermolmde turf), v. ginv. Stuiven (in stof opgaan), het stoof, liet heeft gestoven.

Stuiver, m. —s. Het meisje had een mooi en —. een anrdig kapitaaltje: een — gespaard is een stuiver gewonnen, alle baten helpen: men weet nooit, hoe een —tje rollen kan, het geluk kan altijd te hulp komen: — tje wisselen, kinderspel.

Stuk (deel, geschut), o. —k^n, —s. Een — linnen, kunt, katoen, enz.: een tooneel—, een schilder—, een muziek—: processtukken, d.i.

akten, bescheiden, oorkonden: een — vbesch.een — gronds; die borden kosten een gulden het —: koop een — of wat messen; iets in —ken slaan: het untwoord werd gegeven bij —ken en brokken, d. i. haperend, onvoldoende: de boer kocht tien —s vee: ecu — geschut, kanon: een schip met tien —ken: die knechten werkten bij het —: dat bracht mij van mijn —. maakte mij verlegen: hij heeft een — in zijn kraag, hij heeft een — in. is dronken: een — van tn intig franken, geldstuk: voet bij — houden, niet van zijn onderwerp, eisch enz. afgaan: hij raakte van zijn —, werd verlegen: op Jwt — van godsdienst, aangelegenheid.

Stuk {kapot), bw. Het mes is —: het glos viel —.

Stukadoor {plafondmaker), m. —s.

Stukadoren, ik heb gestukadoord.

Stukkend {kapot), bn. Een — knipmes. C. U.

Stuksgewijs, stnksgewij/.e. bw. De meubelen zullen — verkocht worden, d. i. één voor één.

Stulp (hut, stolp), v. —en.

Stulpkooi (kiekenkooi), v. —en.

Stumper, stnmperd (sukkelaar, bloed), m. —s.

Stumperig, bn.: —heid, v. Een — ventje.

Stupiditeit {domheid, domme streek), —en.

Sturen, ik heb gestuurd: —ing. v. Een boodschap —, zenden: een matroos naar den wal —.

Stut (steun, steunsel). m. —ten.

Stutbalk {schoorbalk), in. —en.

Stutten ik heb gestut; —sel, o. en v.: —ter. m.: —ting. v. Een appelboom —, een reiden muur —.

Stuur {roer: fig. tooin), o. gmv.

Stuurboord (rechterboord), o. gmv.

Stuurman, m. —lieden, —lui: —sehap, c.

Stunrmaiiskunst. v. gmv.

Stuurrad, o. —eren: —reep {touw. riem. ketting aan het stuurrad), m. —en.

Stiinrseh (norseh), bn. en bw.; —heid, v.

Stuw (waterkeering. dam), v. —en.

Stuwadoor (scheepsw. die zich belast met de stuwage en de noodige werkkrachten doorvoor levert)* m. —s.

Stuwage (scheepsw. lading in het ruim). v. gmv.

Stuwen (dicht o/teenpukken), ik heb gestuwd: —er. m.: —ing. v.

Stylist, stilist (schrijver va)i naani),rc\.—e\\.

Styptisrli (stoppend, bloedstelpend, samentrekkend), bn.

Sub (onder), vz. — conditione, onder voorwaarde: — littera, onder de letter: — numero. onder het nummer of getal: — poena, op straffe, boete: — rosa. onder de roos. in vertrouwen, heimelijk: — voce, onder het woord.

Subaltern (ondergeschikt), bn. —e officieren, d. i. onder den kapitein.

Subdelegeeren (een ander in zijn ploots stellen).

Subdivideeren (in onderafdeelingen splitsen).

Subdivisie (onderafdeeling), v. —s. ii;n.

Subiet (plotseling), bn. en bw.

Subjeet (onderwerp: handelende persoon: zaak of persoon, waarvan iets gezegd wordt: grondbegrip), o. —en.

Subjectief (het onderwerp, den persoon betreffen de). bn.

Subjeetiviteit (gesteldheid van het onderwerp, persoonlijkheid), v. gmv.

Subjiinctier, snbjnnetiviis (spraakk. uan-voegende wijs), m. -lieven.


ocr page 265

SUBLIMAAT—SUP EKSTITIi:.

245

Sublimaat {het vercluchtenclt'. een antiseptisch ivaschmiddel), o. —maten.

Suhlieiii {verheven, hoog), bn. en bw.

Suhliiiieereii {onthoof/ drijven, vervluchtigen).

Subliinitrit (verhevenheid), v. —en.

SiibliinariHrli (ondermaansch). bn.

Siibmergeereii (onderdotnpelen. overstroom en).

Siibiiiei'Hie (geheele overstrooming). v. —en.

SiibiniH. HOiiiniH {onderdanig), bn.

SiibiniMMie (nederigheid, onderdanigheid), v. gniv.

Siihiiiittccrcn (zich (inden ver pen,

zwichten).

Snbordiiiitf i«gt; (ondergeschiktheid, gehoorzaamheid), v. gmv.

SulHH'iieereii (heimelijk aanzetten, otnkoopen).

Subrogee reu (in een andere plaats stelten, onderschni ven).

Sub^rribeereu (inteekenen of inschrijven-, onderteek**nen).

Subsidiair (in de plaats komend), bn. — ge-range nisstra f, in plaats van geldboete.

Subsidie (halp. bijstand, ondersteuning', ondersta ndsgeldea), v. en o. —iön, —ies.

Subttidieeren (te gemoetkomen, onderstand geven).

S\\hH\%ne*Teuipnderteckenen,onderschrijven).

SiibMiMteiitie (onderhond, bestaan, voortduring), v. gmv.

Substantie (zelfstandigheid. ivezenlijkheid,de kern: hoofdinhoud; bestanddeel), —i«n, —ties.

Substautier (zelfstandig naamwoord), «». —tieven.

Substitiieereii (in de plaats stellen).

Substitutie (in plaats stelling), v. —tiün, —s.

Substituut (plaatsbekleeder, bijgevoegde), m. —tuten.

Substituiit-grinier (hulp-griffier), m. —s.

Substhuut-olïieier (plaatsvervangend officier van justitie), m. —s.

Subtiel (feeder, fijn, dun: lig. haarkloovend, spitsvondig), bn. en bw.

Subtiliteit (fijnheid: lig. sluwheid, geslepenheid), v. —en.

Subtractie (de aftrekking), v. —ties. —tiën.

Subtralieereii [aftrekken •.

Subveiiieereu (te huift komen, ondersteunen).

Subveutie (hulp. bijstand, ondersteuning). v. gmv.

Sueeade (frui tensap, geconfjtr oranjesehi l len), v. gmv.

Sueeeileereu {opvolgen, bijzonder in een ambt).

Sn*wh(voortgang, uitslag: het welgelukken),o.

Sueeessie (opvolging, erfopvolging), v. gmv.

Sueeeswiel' {allengs, achtereenvolgend), bn.

Sueeessor {opvolger), m. —s.

Siieeiileut (saprijk, voedend), bn.

Siieeiiiiibeereu {bezwijken, onderliggen, verliezen).

Snï (droomerig, oud), bn. en bw.; —beid. v.

S u He li (droomen), ik heb gesul't: —Ier, m.: —I'erij, v.

Sul'lisaiit {genoegzaam, toereikend, voldoende: ook: ingebeeld, laatdunkend), bn. en bw.

Sullisaiitie (toereikendheid), v. gmv.

Sulfoeatie (verstikking), v. gmv.

Sutr4M|iieereii (verstikken).

SuüVagaaii-bisscliop (wij-bisschop), m. —pen.

Suirrage {stem. kiesstem, goedkeuring), v. —s.

Suggereeren (iets kwaads inblazen, verleiden gt;.

Suggestie (heimelijke inblazing),w —ti«;n. —s.

Suiker, v. —s.

Suikerbakker (banketbakker), m. —s. Suikerbrood, o. —en.

Suikeren (met suiker bestrooien), ik heb gesuikerd.

Suikerij. v. gmv. Zie Cieborei.

Suikerpeer, v. —peren.

Suikerziekte (geneesk. nierziekte), v. gmv. Suikerzoet, bn. Een —e peer.

Suite (gevolg: volgreeks: voortzetting: samenhang van woorden of gedachten). v. —s. Suite (a la) {niet in werkelijken dienst).

Kapitein —.

Siiixebolleu {half bedwelmd zijn), ik heb gesuizebold.

Suizelig (draaierig), bn.

Siiizeliug {bedwelming), v. —en.

Suizen (ruischen), het heeft gesuisd: —ing. v. Sujet {onderdaan: onderwerp, voorwerp, persoon. gesteldheid), o. —ten. Een slecht —. een slecht mensch.

Sukade (in suiker ingelegde limoensehil), v. Zie Sueeade.

Sukadekoek, m. —en; (als stofnaam, v.). Sukkel {het sukkelen), m. gmv. Hij is aan den —.

Sukkel {sukkelaar), m. en v. —s.

Sukkelarij. v. gmv.

Sukkeldral' {korte, kleine draf), m. gmv. De barbier liep op een —.

Sukkelen (kwijnen), ik heb gesukkeld; —aar,

m.; —ing, v.

Sukkelgang ilungdnr'uge kunjning), m. gmv. Sukkelpartij, v. gmv.

Sukkeltreiu (die aan alle stations ophoudt), m. —en.

Sul {onnoozel mensch), m. —len.

Sulaebtig (zeer gedwee), bn. en bw. —beid, v. Sulver, solver (zwavel), o. en v. gmv. Sulleraebtig (rf/vm'/m'/f//ƒ/), bn. Een —e reuk. Sullebaan (glijbaan), v. —banen.

Sullen {glijden), ik heli gesuld.

Sullig (sulachtig), bn.: —beid. v.

Sultan, m. —s.

Sultane, v. —s. — favorite, bevoorrechte gemalin: — valide, moederdes sultans. Suniak. smak {boom in Zuid-Europa), v. gmv. Siimnia (som, het beloop, bedrag, totaal), v. —'s. Suinina suiuiuarum (alles te zamen). Siinimair. Hiimiiiariseb. siiinniierlijk (sa-1 mengevat, beknopt, bondig).

SuiuuM'eren (de som opmaken, optellen). Siimmiteit (eerste persoon, beroemd man), m. —en. Zie Sommiteit.

Sumtiieiis (kostbaar, prachtig, weidsch), bn. Sumtnositeit (kostbaarheid, pracht), v. gmv. Superabundant ie (overvloed), v. gmv. Superbe (trotseh, verheven, majestueus'.prachtig, aanzienlijk), bu.

Supereargo (ladings- of waren-opzichter op 1 koopvaardijschepen), m. —'s.

Supeiiieie (oppervlakte), v. gmv.

Sujiernju (zeer fijn), bn.

Superlln (het overtollige), o. gmv.

Superieur {voornaam, voortreffelijk, uitstekend, zeer groot: meerder), bn.

Superieur (meerdere in rang), m. —en. Superintendent (oppertoeziener), m. -en. Superioriteit (meerderheid), v. gmv. Superlatiel'. Snperlativus (spraakk. overtreffende trap), m. gmv.

Supersedeeren • uitstellen, verschuiven). Superstitie (bijgeloof), v. —tiën.


ocr page 266

SI I'KliSTITIKI S—T. a T.

246

SuixM'NtitN'iiH (lf{ineloor{;i). l.n.

Suppediteeren laan ilr hand doen. bv. een hulpmiddel; bijspvinyen).

Suppliant (plaatsven'dikjcD. m. —en.

Suppleereii (aan rullen, hijgeven, hij pawn).

SiippleiiifMit (bijvoegsel, aanvulsel), o. —en.

Suppletie {aanvulling), v. —troepen.soldaten, die het leger voltallig maken.

Suppliant (verzoeker, indiener van een verzoekschrift), m. —en.

Snpplieeeren (smeeken. een verzoekschrift indienen).

Snppliek (verzoekschrift), v. —en.

Siippoiieeren (vooronderstellen, vermoeden).

Suppoost (oppasser, deui*wachter), m. —en.

Support (steun, stut, ondersteuning), o. —en.

Supportabel (draaglijk), lm.

Supi»orteereii (verdragen).

Siippriuieereii (onderdrukken. weglaten: opheffen).

SupputeereiiCororW.v/^'x.owrsA/// maken,ra-

Supra (horen). I 't su/ira, als boven. [mm).

Sunliteit (doofheid), v. gmv.

Siiriiiontabel (overkomelijk), bn.

Siiniuuiei'air (iemand die hoven hat gewone getal van beambten aangesteld is, bv. bij de belastingen), rn. —s.

S\\v\i\\\H(overschot,rest,meer der bedrag),o.gvciv.

Surprise (overval: verrassing: bedrog, list; verbazing, schrik), v. —s.

Surrogaat (plan tsver vangend middel, bv. suiker ij voor koffie), o. —aten.

Surweauee (opschorting van betaling),v.gmv.

Surtout (overjas: olie- en azijnstel), m. en o.

Sur\eillaiiee (toezicht, bewaking), v. gtnv.

Surveilleereu (waken, opzicht hebben of houden : bewaken, onder toezicht houden, toezien).

Survivauee (overleving, recht van opvolging),

SiiNeeptibei (vatbaar,gevoelig), bn. | v. gniv.

Suseeptibiliteit (vatbaarheid; prikkelbaarheid), v. —en.

Suweiteereii (aanzetten, opstoken; opwekken, ophitsen).

SiiHpeet (verdacht, in kwaad vermoeden), bn.

Suspeiuleereii (verschuiven: opschorten, uitstellen: buiten dienst stellen).

Su^peiiHie (uitstel, tijdelijke dienstontzetting), v. —sies. —siën.

Suspeii-sielquot; '-opschortend, vertragend), bn.

SiiMpeiiNo (in) (bestniti'loos. in twijfel).

SiiMpieie (argwaan. verdenking, wan- of mistrouwen), v. —ci»;n.

SiiNseii (stillen), ik heb gesust; —er, m.; — iiiR. v. Het geweten in slaap —.

SiiMteiieeren (vnn gevoelen zijn. denken, mee/ten).

Suiiiii euique (ieder In-t zijne of wat hem toekomt).

Suzereiu (opperleenheer), m. —en.

Suzereiiilteit (oppei'leenheerschap), v. gmv.

Sybariet (weekeling, wellusteling), m. —en.

Sylbe. Syllabe (lettergreep), v. —n.

Syllabeereu (spellen).

SyllogiMeereu (besluiten, een sluitrede maken).

Syllogisme. MyIU»siHiiiUN (sluitrede), o. —n.

Sy Ipli ide.wgt; Ipl*ie(vrouwelijke Inchtgeest ),v.—n.

Symboliek' (leer der zinnebeelden, heelden-leer). v. gmv.

SymboliHeli (zinnebeeldig), bn.

Symboliseereii (zinnebeeldig voorstellen).

Symbool (Lenteeken: zinnebeeld, zinspreuk: geloofsbelijdenis), o. —bolen.

Symmetrie (gelijkheid, evenredigheid in maat), v. gmv.

SympatlietiMeb (volgens de sgmpathie), bn.

Sympathie (wederkcerig gevoel; gewaande, geheime kracht: ingebeelde werking van her eene lichaam op het andere: ook: zielsverwantschap). v. —ën.

Sympatliiweereii (gelijk gevoelen, overeenstemmen, deelneming gevoelen}.

Sympliouie (groot veelstemmig muziekstuk voor verschillende instrumenten), v. —ën.

Symptoom {verschijnsel: kentecken. ziekteverschijnsel), o. —omen.

Synagoge (Jodentempel), v. —n.

Syneliroiiisine, NyiieliromNiuu* (gelijktijdigheid). o. en m. —men.

SynebroiiiHfiHeli (gelijktijdig), hu. —e tijdtafel. historische tijdtafel van alle volken.

Syncope (spraakk. uitstootimj van letters). v. —s.

Syudieaat (ambt van een sgndicus of bestuurder, voornamelijk voor inrichtingen, in verband met fmancieele operaties), o. — iten.

SyndieiiM (woordvoerder, verdediger), m. —sen.

SyuiMlaal (de sgnode betrefjende), bn.

Synode (algemeene Kerkvergadering), v. —n.

Syuouieni (zinverwant), bn. als zn. (zinverwant woord), o. —en.

Synonyniiek (de leer der zinverwantschap), v. gmv.

SyntaetiHeli (tot de zinsleer be hoor end), bn.

Syntaxis (woordvoeging), v.quot;gmv.

Syntliesis (verbinding der begrippen: samenvoeging van verscheidene deepen), v. gmv.

SyntlietiüK'li (samenstellend), hn. De —e methode.

Syring (bloem), v. —en. Zie Sering.

Systeem, Systeuia (behoorlijke samenmng vnn gelijksoortige dingen; stelsel), o. —omen. —etna's.

Systematisch (stelselmatig, ordelijk en samenhangend. wetenschappelijk), bn. en b\v.

Systematiseeren (wetenschappelijk rami-schikken. tot een stelsel sameihschilcke i).


'W.

T. v. t's. — De twintigste letter van liet alphabet. /.ij beteekende als Romeinsch cijfer 160. T. — Tenor, op muziekstukken: ook tquot;tti, allen te gelijk.

T. — Afkorting van Titas, Tullus. Tul Uns.

T.A. — Testa ntibns act is. zooals de akten getuigen, volgens den inhoud dei- akten. Tab. — Talmla. lijst, tabel.

T.a.p. — Ter aangehaalder plaatse. T. a T. — Tmii a tni. geheel de uwe.


ocr page 267

T. k V.—TALL'D.

247

T. a V. — Tout a vous. geheel de uwe.

Tewt. — Testamentnm, laatste wil; testus. getuige.

T.F. - Tra mux /brcv-.v, gedwongen arbeid.

T,ll. — Toehoorder: of TT. IIH., toehoorders, in leerredenen en redevoeringen.

Th. Dr. — Theoloyiue Doctor, doctor in de godgeleerdheid.

Tlf. — Ti tul us, titel.

Tom. — 7 'omus, elk deel van een boekwerk.

T.P. - Travan.c a perpetuitr, levenslange dwangarbeid.

T.s.v.|». — Tourncz s'il roos plalt. keer om. als 't u belieft.

T.T. — Totus tuos, geheel de uwe.

Taai, bn. en bw.: —lieid. v. Leder is —: een

— geduld, volhardend: hij pakt een taaien, een borrel, gmz.; hij is ery —, gierig.

Taaien! (fjieriijaard), m. —s.

Taaiiglieid {hardheid, tig. lt;iieriglieid). v. gmv.

Taai-taai {koek), o. gmv.

Taak {opyeyeveu iverl, ). v. taken.

Taal, v. talen. De — der (!rieken: de — der nut uur: de — t/er Woemm, zinnebeeldige bet.: de — der ooyeti, der vinyers, der yebaren.

Taaleigen, o. gmv.

Taalloiit, v. —en.

Taalkimdig. bn. en bw. Eeu — tuoardenboek.

Taalkundige, m. en v. —n.

Taalman wen tolk, adroeaat), m. —mannen, —lieden.

Taan (sap ran ran), v. Ken I,'tear als —.

Taaiiklenrig. bn. Een oude —e eraan'.

Taankiii|» (tonikai//), v. —en.

Taart. v. —en. Van de — kr/jyeu, berispt worden.

TaatM {ijzeren pin), v. —en: —tol. m. —len.

Tabak. v. —ken.

Tabbaard. Tabberd {toya,staatsieyeivaial). m. —baarden, —baards, —berden en —berds.

Tabel {overzichtstafel, lijst), v. —len.

TabeUariNcli {als een tabel), bn. Een — overzicht der letterkunde.

Tabernakel {bondskist der [sr.: ia de li. K. kerli de plaats waar de heiliye vaten rasten; gmz. menschel ijk lichaam), m. en o. —en, —s. Iemand op zijn — geven, d. i. slaan.

Tabernakelen (eertoeeen). ik heb getaber-nakeld. Hij zol hier niet lang —.

Tabijn {gewaterd taf), o. gmv.

Tableau {schilderij, ontawrp, tafereel, rol, register), o. —quot;s. — vivants, d. i. levende beelden, groepeering van personen om iets voor te stellen.

Table dTiote (open tafel), v. In dit hotel is

— om 2 en om 5 aar.

Tabletje {schrijftafeltje', blaadje ieoor of perkament: plat koekje van suiker of chocolade),

Tabouret {stoel zonder leaning), v. —ten.

Tare! {Zwijg, zwijg stil!), bw.

Tacet (muz. een /maze, of het stilzwijgen).

Taebtig. bep. telw.

Taebtiger {grijsaard: schip met 80 stukken), m. —s.

Tachtigjarig, bn.; —maal. bw. —«te {ranggetal): — vond, o.: —vondig. bn.; —werf, bw.

Tachygraal* (snelschrijeer), m. —grafen.

Tach\graphic (snelschrijfkanst). v. gmv.

TachygrapliiMch, bn.

Tact (liet betasten, bevoelen: het gevoel: beleid. slag, overleg), m. gmv.

Tacticn.H (krijgskundige), m. —ci.

Tactiek (krijgs- of legerkunde: overleg, berekening), v. gmv.

Tal' (zijden stof), v. —fen (van meer soorten sprekende).

Tafel. v. —s. —en. Ter — brengen, in een vergadering ter sprake brengen; open — honden, bv. in een hotel of restauratie; de — des Heeren, bij de K. K. de communie-bank: zij zijn gescheiden van — en bed. gedeeltelijk ontbonden is hun huwelijk; ridders run de ronde —. in de .Middeleeuwen de ridders van koning Arthur in Engeland: lt;le groene —, de speeltafel: aan de groene — zitten, minister zijn.

Tafel {,ta el), v. —s. hr — van Pythagoras.

Tafelen {dineeren), ik heb getafeld.

Tafelschel, v. —len. Ook: tafelbel.

TafelHcliuimcr (klaplooper). m. —s.

Tafereel (schilderij, voorstelling, fig. beschrijving), o. —en.

Taille (lichaamsgestalte), v. —s. De — eaneen kleedingstak, het bovenlijf er van, ook de snit.

Tailleur (kleermaker), m. —s.

TailleiiHe (vrouwenkleermaakster), v. —s.

Tak. tn. —ken. De — ean een boom of straik: de — van een rivier; de — van een adellijke familie; de — van een gebergte; een — van dienst, afdeeling; de —ken ean den handel: de —ken, aambeien.

Takel (katrolwerk), m. —s. EenSpaansehe —.

Takelage {takelwerk, alle scheepstouwen), v.

Takelen, ik heb getakeld; —aar. m.: —ing. v. Een vaartuig —. van touw- en zeilwerk voorzien.

Takeling {het takelen lt;gt;f uitrusten), v. gmv.

Takkcling (jonge vogel), m. —en.

TakkcnboH {bundel rijshout), m. —sen.

Tak» {dashond), m. —en.

Tak» {taak, afgepaste hoeveelheid), v. —en.

Tal. o. — van gebreken. — van voorbeelden, zonder —: op het — staan, d. i. ou een voordracht staan.

Talen, ik heb getaald. Zij — naar geen rast (Tollens), d. i. zij spreken er niet van, denken er niet aan.

Talent (gave: geldsom), o. —en. Een — zilver. d. i. in het O. vóór Christ, een som van ± /'2500: een — goad, d. i. ± f *25000.

Talentrijk (vol nat. aanleg), bn.

Talentvol, bn. Een — jongmensch.

Talbont, o. —en.

Talie (scheepsw. takel, touw), v. —s.

Taliën {ophijschen). ik heb getalied.

Taling {kleinste soort can eend), m. —en.

Talisman (too verbeeld of -middel, amulet: een gewaand behoedmiddel tegen ziekten en onheilen), m. — s.

Taliter lt;|ualiter (zou zoo, middelmatiy goed).

Talk {vet. smeer),\. gnw. —aarde, bitteraarde: —kaars, —olie. —smelter ij.

Talloos (ontelbaar), bn. Een —ze menigte.

Talmen {treuzelen, dralen), ik heb getalmd: —er. m.; —erij, v.

Talmkous (talmer), m. en v. —en.

Talmud (Joodseh wetboek der overlevering). m. gmv.

TalmiidiMch (rolgens den Talmud), bn.

Talmudist (Av 'iiner of aanhanyer van ten Talmud), m. —en.

Talon (bij effecten: het bewijs trr verkrijging van een stel nieuwe coupons), m. —s.

Talrijk (groot in aantal), bn. enbw.: —hcid. v.

Talud (helling, glooiing, schuinte), o. gmv.


ocr page 268

TAM—TEEN.

24S

Tam (getemd), bn. en bw.; ■—lieid, v. Een — hert, een —me. kastanje, d. i. veredeld. Tiiiiiarimle (Z.-Am. boom), v. —n.

TamariHk (zeker struikacUtiy boomgewas), v. Tninhuev (trommelslager), m. —s. |—en. Tnmboer (trommel), v. —en.

Tamliopren. ik helt getamboerd. Fig. Op iets —. krachtig aandringen.

Tamhoerijn (rinkelbom), v. —en.

Tainhonriii {borJnnr- of' kan kraam), m. gmv. Taiiitam (Oosterse!t slaginstrument, band-trom), v. —s.

Tand. m.—en. Zij leren ran de hand inden wat zij verdienen verteren zij; haar op dr —en hebben, goed van zich af kunnen spreken: zijn —en laten zien. dreigen, uitvallen. Tandenstoker (tandenpenter). m. —s.

Tanen (met taan verven), ik hel) getaand. De zeilen —. d.i. bruin maken.

Tanen (uerd nis teren), het is getaand: —ins. v. Napoleons roem begon te —. d.i. verbleeken. Tan^ (gereedschap), v. —en. De TangeiiH (raaklijn ran een cirk»-!), v. —genten. Tangent (loodrecht staand staafje, waardoor de snaren op een klavier in beweging gebracht worden', hamertje in speelwerken), v. —en. Tanit:; (bruin), bn. I!e,, vrouw. TantaliHatie (mondterging), v. gmv. \den). TantaliNeeren (mondtergen, doen watertan-TantaliiH (rijke gierigaard die zich het mm-dige onthoudt; watertander), m. gmv.

Tante (moe/), v. —s.

Tantième (winstuandeel). v. en o. —s. Tantnin (zoo veel. genoegzaam), o. —s. Tap [houten doorboorde kra ni). m. —pen. Ta peet, o. tapeten. Zie Tapijt.

Tapijt, tapeet (kleed, behangsel), o. tapijten, tapeten. Fig. Op het — brengen, ter tafel brengen, ter sprake brengen.

Tappeten (tappelings uitvloeien), het is ge-tappeld.

Tappelings, bw. Het bloed liep — uit de wonde: de wijn liep — uit het vat.

Tappen (door een kraan aftappen), ik heb getapt.

Tappenntiik (bij de artillerie), o. gmv. Tapper (herbergier), m. —s; —Mter, v. —s. Tapperij (kroeg, slijterij), v. —en. TapperMiieriiiK (tapperij), v. gmv.

Taptoe {avondsignaal), v. —s. De — trekt door de straten, de tamboers, die de — slaan. Taqniiieeren (kwellen, plagen: zaniken). Tarantula (vergiftige spin in Italië), v. —s. De — dans, een volksdans.

Tarhot (platvisch). v. —ten.

Tardeeren (vertoeven, verwijten, dralen). Tarief (prijsbepaling, lijst van goederen), o. —ven.

Tarra (aftrekking in gewicht of waarde van koopwaren of percentsgewijze van geld voor vaten, kisten, enz., waarin koopwaren gesloten zijn), v. gmv.

Tartaan (ze/, er vaartuig in de Midd. Zee), v. —tanen.

Tartaar. Tataar (volksstam ten .V. van de' Zwarte Zee), m. —aren.

Tarten (tergen), ik heb getart; —er (uitdager). m.

Tartnfle (huichelaar.schijnheilige: een bekend hoofdpersoon bij Molière in het tooneelspel van dien naam), m. — s.

Tarwe (graan), v. gmv.

Tarwelgt;rood. o. —en: —meel, o. gmv.

Ta» (stapel), m. —sen. Maaien,hooien,schaur en — (Poot).

Tas (vrouwspersoon), v. —sen. Een handige —, een knappe — van een vrouw.

Tascli (buidel of zak), v. tasschen. [gmv. Taselikrnid. taselijeskrnid (boerenkers), o. Taseliwonins (boerenwoning, waarbij woo nahuis, stal, graan- en hooiberg plaats onder één dak liggen), v. —en.

Tassen (ophoopen), ik heb getast. [voel.

Tast. m.gmv. Bij of op den tast, d.i. ophetge-Tastigt;iiar. bn. en bw.: —lieid, v. Een —ure-

leugen, d.i. grove, blijkbare lengen.

Tasten (voelen), ik heb getast: —er, m.; — ing, v. Je kunt die leugen voelen e)i — : iem. in zijn zwak hem bv. vleien als hij ij del is.

Tateren, Ik heb getaterd: —ing. v. bat kindje-begint al aardig te —. babbelen.

Tatewalen (slecht spreken, krom praten), ik heb getatewaald.

Tatoneeren (de hun! met figuren beprikken en beschilderen).

Tautologie (overlading met uitdrukkingen van gelijke beteeken is), v. gmv. Bv. Ik beib zeer blij en verheugd.

Taverne (bierhuis), v. —s. Ook taveerne. Taxateur (schatter, waardeerder), m. — ^. Taxatie (schatting, waardeering), v. —tiën. —s. Taxeeren [schatten, waardeeren: beschuldigen). Taxis (heester, naaldboom), m. —sen. Teeliniens (specialiteit op industrieel gebied), m. —ci.

Teelmiek (leer der kunstregelen: kunstvaardigheid: kunsttaal), v. gmv.

Teeliniseli (kunstmatig), bn. —e termeny ku nstwoorden.

Teelinologie (kunstleer, teer van kunsten, handwerken, manufacturen, enz.), v. gmv. Te-Igt;eiini (een II. E. lofzang), o. —s.

Teeder. teer. bn. en bw. Een — kindje, zwak: een — klem', licht te bezoedelen.

Teederheid, teerheid, v. —heden.

Teederlijk. bw. leut. — beminnen.

Teelquot; ( wijfjeshond), v. teven.

Teek, tiek (honden- of schapenluis), v. teken, Teeken (uwrk. sein), o. —en. —s. [tieken. Teekenaap (werktuig), m. —apen. Teekenaelitis* bn.: —lieid. v. Een —e houding

run een roofdier bespieden (C. ().gt;. Teekenhelioerten, v. mv.

Teekenboek, o. —en.

Teekendoos, v. —doozen.

Teekenen.ik hebgeteekend: —aar, m.: — ing. v. Een landschap —: met krijt —: naar de-Oost —; op een lijst —. d.i. inschrijven: de patrijshond tee ken de, d. i. wild aanduiden: de thermometer teeken de 8(1°, aanwijzen; de peilschaal tee kende 36 M. -f .\. /'., d.i. 30 Meier boven Amsterdamsch peil. Teekeninu;. v. —en.

Teekenkrijt. o.: —les, v. —sen: —meester, m. —s: —methode, v. —s, —n: — i^en. v. —nen: —plank. v. —en: —seliool, v.—scholen. Teelaarde (humus, zwarte aarde), v. gmv. Teelt (kweeking, het geteelde), v. gmv.

Teem (het lijmerig spreken), m. gmv. Teemaehtis. bn.: —heid. v. \\ut spreekt dieman —, d.i. lijmerig.

Teems (fijne haren zeef), v. —en.

Teemsen (ziften), ik heb geteemst: —ter. v. Teen [toon aan den voet), m. —en.

Teen (twijg, rijsje), v. —en.


ocr page 269

TEEK—TEMPER AM ENT.

241)

• {taaie vloeistof int Iwat ran de)i pijnboom verkregen), o. gmv.

Teer, enz. Zie Teeder. enz.

Teergeld (reispenning), o. gmv.

Teerkost (levensmiddelen op m.s), in. gmv. Teerkwast, m. —en. Do. vlugge — hrcemvt en zoekt naar naden rónd (Tollens). Teerling (dobbelsteen, kalms), m. —en. JJc — is geworpen, het is beslist.

TeerlhigMWorp. m. —en: —wortel ikabiek-wortel), m. —s.

Teerpeiiniiig (reisgeld), m. —en.

Teerton, v. —nen.

Teezen (pluizen), ik lieb geteesd: —ing. v. Tegel (tichel), m. —s.

Tegelijkertijfl. hw.

Tegenioetkoiniiig (fig. vergoeding), v. —en. Tegendeel, o. gmv.

Tegengewteld. bn.

Tegengif, —gift [tegenvergil'), o. —gitten. Tegengift (tegengeschenk), v. —en. Tegenlianger {pendant), m. —s.

Tegenheid (tegenspoed), v. —heden. Tegenlioiiden {beletten, verhinderen), ik hield —. heb —gehouden; —ing. v. Tegenkant (ontmezijde, keerzijde), m. —en. T(gt;genkanfen (zich rerzetten' tegen), ik heb

—gekant: —er. m.: —ing. v.

Tegenkoinen {ontmoeten), ik kwam —. ben —gekomen.

Tegennatmirlijk (in strijd niet de natuur), bn. Tegenpartij (vijand), v. —en. [en bw.

Tegenrede {repliek), v. gmv.

Tegenreden (reden voor het tegendeel), v. —en. Tegenspoed (onheil, ramp), m. —en. TegenH|Mieden (tegenijlen). ik ben —gespoed. Tegensporrelig (ttvislziek, onverdraagzaam), bn. en bw.

TegeiiHporreling (verzet , v. —en. Tegenspraak (fig. verzet), v. gmv. Tegenspreken (betivisten. bestrijden), ik sprak —. heb —gesproken: —er. m.; —ing. v. Tegenstaan {weerstand bieden), ik stond —. heb —gestaan. Die spijzen staan mij —. walgen mij.

Tegenstand (verzet), m. gmv.

Tegenstander (vijtnid), m. —s. Tegensteninien. ik heb—gestemd: —nier.m. Wij zullen tegenstemmen, d. i. tegen het voorstel.

Tegenstreven {belemmeren, fegenwerken), ik heb —gestreefd: —er. m.: —ing. v. Tegenstrijdig (aandruischende tegen), bn. en bw.: —lieid, v.

Tegenvaller (misrekening), m. —s. Tegenvergilquot;. o, —vergift, o. -ten.

Tegenwerken (divarsbootnen). ik heb —gewerkt: —er, m.: —ing. v.

Tegenwicht (middel om het evenwicht te behouden), o. —en.

Tegenwoordig (niet afwezig), bn.: —lieid, v.

In den —en tijd, in onze dagen: de —e tijd, spraakk. de beide eerste tijden van een w.w. Tegenw rijten (wederstaan), ik wreet, wrijtte —, heb —gewreten (gewrijt), vero. Tegenzang(rmrwoorrfvrm een reizang). m.—en. Tegenzijde {keerzijde), v. —n.

Tegenzin {afkeer), in. gmv.

Tegoeds, te goed. bw. Hij heeft nog tien g nlden —.

Tehuis, thuis. o. gmv. Deze knaap heeft geen —: die leeraar is — in de geschiedenis der (i rieken.

Teliiiiskonist, v. gmv. De — des vaders.

Teil (aarden schotel), v. —en.

Teint (tint, kleur, kleur van gelaat en huid: kleursterkte), v. —en.

Teintnre (kleuring', oppervlakkige kennis), v. Teisteren, ik hel» geteisterd: —aar. m. De stormen — de kusten, zwaar beschadigen; de-; oorlogen — de landen, onheil veroorzaken. Tekort, o. —en. Een — van f iOOO: een — dekken, d.i. aanvullen.

Tekortkoming (zonde. fout. gebrek). v. —en-Tekst. m. —en. Bij zijn — blijven, voet bij I stuk houden: de spreker raakte eon den afdwalen: iem. van den — helpen, in de war brengen: iem. den — lezen. i»erispen. scherp-doorhalen.

Tel (gang: telling), m. gmv.

Tel. telle (telgumger. een paard), v. — len. TelastleKging (beschuldiging), v. —en. Tv\^Ti\i\ï(verschrijver: toestel, dot de gedachten op een verren afstand, met ongewone-snelheid, door zekere teekens mededeelt), v. —graten.

Telegrafist (umbtenaar), m. —en.

Telegram (telegr. bericht), o. —men. Telegraplieeren (per telegraaf bericht geren nf doen geven).

Telegraphie (vérschrijfkunst, leer der telegrafen). v. gmv.

TelegrapliiNcli (door middel con de telegraaf, tot de telegraphic behoorende). bn. Ken — her i rht.

Telen (voortbrengen - lig. veroorzaken), ik heb-geteeld: —er, m.: —ing. v.

Telescoop (verrel,ijker of spiegel verrekijker),. m. —copen.

Teleurstellen (bedriegen in een verivochting)r ik heb teleurgesteld; —ling. v.

Telg (spruit: jong boompje), v. —en.

Telg (afstammeling), m. en v. —en. Ken —

uit het huis van Oranje.

Telgang {pasgang), m. gmv. Dit paord bngt;pt in den —.

Telganger {bokkend, paard), m. —s.

Teljoor {tafelbord), o. —joren.

Telkens, bw. '/.e zegt het woord — verkeerd, d. i. eiken keer. gestadig.

Tellen {rekenen, getallen samenvlegen), ik heb geteld. II: tel u onder mijn vrien'-en. Teller ( iemand die telt: ook bovenste gedeelte-eener breuk), m. —s.

Telling (het lellen), v. —en.

Tehiorgaan {verloren gaan), het ging teloorr is teloorgegaan.

Telpas (telgang van een paard), m. gmv. Telw tiord, o. —en. Drie. zevende is een Tembaar, bn. en bw. Een leeuw is niet —T

kan niet getemd worden.

Temen (sleepend spreken), ik heb geteemd: —er. m.: teenister, v.

Teinei ig. bn. en bw. Spreek toch minder lijmerig, rekkerig.

Teniet (soms. nn en dan), bw.

Teinineii (tam muken), ik heb getemd: —nier..

m.: —ining. v.

Tempeest (orkaun), o. —en. vero.

Tempel (kerk), m. —en. —s.

Tempelier (priester of tempelwachter: ook n Tem pel heer), m. —s, —en. Drinken als een —r grof misbruik maken van sterken drank. Temper (tempering, matiging), m. gmv. Teniperament {bijzondere gesteldheid eon het | menschelijk Hehaam, bloedmenging), o. —en.


ocr page 270

T KM PEK AT U L' R —TEKZELFDEI {.

Tlt;Mii|ier:i(iiiir (gesteldhi'kl ih'r tucht omtrent ivarnitc 01 koude, droogte en vochtigheid)^ v. -—turen.

Temperen {minderen, matigen), ik heb ge-temperd; temper, m. of — ins. v. Het al te schelle licht —.

Tempermes 'Jang, buigzaam mes bij oei'fbereiding). o. —sen.

Tempo {bepaalde tijdmaat een er beweging),

o. —'s. muz. en dans.

Temporiiir {tijdelijk, niet duurzaatn). bn. Tempoie (e\) (voor de vuist, op staanden i voet. De Charmante las een e.i'temporeetje ' van zijn eigen maaksel voor (C.O.). Temporiseeren (dralen, tijd ivinnen). Temptatie (verzoeking), v. —ies, —iën. Tempteeren (kwellen, plagen] in verzoeking brengen».

Tem» (dichte paardenharen zeef), v. —en. TeiiiNen (ziften), liij heeft getemst.

Teiiiieiteit {vasthoudendheid: taaiheid: lig.' karigheid), v. gmv.

Temleeren {spannen: op iets doelen). Temlentie. temleir/. (strekking, doel), v. —tiën. —ties: tendeiiz-romaii{diegeschreven is met het doel om een of andere meening te propageeren). m. —s.

Tender (steenkolenwugen achter de locomotief), m. —s.

Tene* {ziedaar, neem aan). t\v.

Tengel {lat), m. —s.

Tenger (mager, rank), bn.: - heul. v. | —en.

Tenietdoening (vernietiging, afrekening), v. Tenor (muz. de hoogste mannenstem), m. —s. —en.

Tent (hermistent, hut. veldtent)..v. —en. Tentamen (voor loop ig onderzoek), o. —s, —ina. Tentatie {beproeving, onderzoek), v. —s. —tiën. Tenteeren (ondervragen, verleiden, bekoren). Tenten (een wond peilen), ik heb getent; — ijzer, o.

Teiitoonsteiling. v. —en. Len — van schilderijen, C. O.: een wereld—.

Tenue (militaire kleeding), v. —. Groot—. parade-uniform; klein—. dagelijksche uniform. Teniiitvoerhrenging, v. —en. TennitvoeiieggiiiK. v. —en.

Tennte {gereld, uitgehouden), muz.

Tenware yhet ware niet. mits niet), v\v. Tenzeirden, aanw. vnw. — tijde.

Tenzij {in geval niet). v\v.

Teorhe (zekere luit met 16 snaren), v. —n. Tepel, m. —s.

TepronliNtelling (het stelle,, nan den schandpaal of de kaak), v. —en. TeraardelieNtelling (begrafenis), v. —en. Terdege, terdeeg {/link, degelijk), b\v. TerdooiIhreiiKing, v. —en.

Tereelitbreiigen (terugbrengen, in orde maken), ik bracht —, heb —gebracht. Tereelithelpen, ik hielp —. heb -geholpen. Tereelitstellen {de straf voltrekken), ik heb

—gesteld: —ling. v.

Terecht wij zen (den weg wijzen), ik wees —. heb —gewezen; —ing, v. Fig. leeren, onderwijzen.

Terechtzitting (vergadering eener rechtbank), v. —en.

Teren {met teer bestrijken), ik heb geteerd. Teren {verteren), ik heb geteerd. |v.

Tergen (.sarren), ik heb getergd: —er. m.: —ing. Tergend, bn. Ken —e ld ik. een — woord, d. i. uitdagend, sarrend.

Tergiverseeren (uitvluchten zoeken, dralen, zich onttrekken).

Terhandstelling (overreiking), v. gmv.

Tering {longziekte), v. —en.

Teringachtig, bn.; —lieid, v. Een — gestel: een —e familie.

Terloop» (inderhaast), bw. Ik sprak hem —. in het voorbijgaan.

Term (bewoording, uitdrukking), \w. —en. Dat valt niet onder de —en der wet, d. i. is niet begrepen in de wet.

Termijii (tijdsbestek), m. —en.

Termineereii (begrenzen: eindigen, voleinden, besluiten).

Terminologie (kunsttaal, leer der kunstwoorden), v. —ën.

Ternauwernood (nauwelijks), bw. Wij ontkwamen — het gevaar.

Terne (drie bezette en uitgekomen nommers in de getallen-loterij), v. —n.

Terp (heuvel: verhevenheid, tot tvijkpluats bij i overstrooming in Friesland), v. —en. Terpentijn (vloeibare harsstof), v. gmv. Terra {aarde. grlt;md).\. — incognita. onUekend land: — cotta, beeldwerk van gebrande klei. Terra» (aardheuvel; plat, vlakte', voorgrond bv. van een landschap), o. —sen. Terrasseeren (fig. neerslaan: lig. iemand tien moed benemen).

Terrein (plaats,streek', bodem,grond),o. —en. Gij komt op mijn —. d.i. gij moeit u met mijn /.aken: iem. het — betwisten, zich dapper weren; op het — der wetenschap, gebied. Terreur (schrik, ontsteltenis: Schrikbewind).

Terreur panilt;|ue (ongegronde vrees: alge-meene ontzetting), v. gmv.

Terrine (soepschotel), v. —s.

Territoir, territorium (grond, rechtsgebied), ! o. —toren.

Territoriaal (tol het grondgebied benoo-rende), bn.

TerroriHinn». terrorisme ('t Schrikbew. nd. ■1703—'94), o. gmv.

Terrorist (aanhanger van 't Schrikbewind). m. —en.

Tersluik», tersluik (in 't geheim), bw. Terstond (aanstonds), bw.

Terts (muz.), v. —en. Groote —, afstand van twee geheele tonen; kleine —, uit een heelen en een halven toon bestaande.

Terugdeinzen (achterwaarts gaan), ik ben —gedeinsd: —ing. v. Fig. bang zijn. niet aandurven.

Terugeischen (opvorderen), ik heb geëischt: Teruggave, —gaal', v. gmv. |—ing. v.

Teruggeven (weder afgeven), ik gaf —. heb —gegeven.

Terughalen, ik heb —gehaald. Terughoudend (me/ rondborstig), bn.: —heid. v. Uw vriend is zeer — voor mij. Terugkeer, m. gmv.

Terugmar»ch. m. —en.

Terugrei» (reis naar huis), v. —reizen. Terugtocht, m. gmv.

Terugtred (stap uchtenvaarts), m. gmv. Terugtreden (achteruitgaan), ik trad —. ben —getreden.

Terugtrekken, ik trok —. heb en ben —getrokken.

Terwijl, bw. en vw. Ik schrijf, lees gij —. d.i.

in dien lijd: ik schrijf, — mijn vriend leest. TerzellVler. aanw. vnw. — tijd.

ocr page 271

ti:kziji)I':lating-ti.id.

Tcrzijdelatiii^. v. ^mv.: —.stelling, v. gmv.

Test (vuur/iotje), v. —en.

Testament [uiterste wil), o. —en.

TewfaiiK'ntair (den uitersten iciI hetreIJ'ende). bn. —e beschikkinyeii. E.recutenr —, uitvoerder van een testament.

Testateur (erflater of erf maker), in. —s, —en.

Testatriee (erflaatster), v. —s.

Tewteeren (t/etn'njen: bij it iter sten tril eer-maken).

TeMthiioiiiiiin (rjètüigenis, fjetaigsehrift), o. —s, nia.

Teug;, v. —en. Een — wijn, slok; adenvn met volle —en, volop. ruim.

Teugel (toom), m. —s. letn. den — uit de handen nemen, d. i. de leiding: den— eieren, d.i. meer vrijheid geven, ruimte geven; den — geren nf ei quot;ren aan zijn driften, d. i. zich niet beheerschen; den — aftverpen, er van door gaan. naar niets meer luisteren; de —s der regeering in handen hebben, het bewind voeren.

Teugeleu (bedwingen). ik hel» geteugeld;

Teiigelloo», bn.; — lienl. v. Een — ros, wild. ongetoomd. Fig. buitensporig, b.v. De —looze menig h'.

Teutaelitiy; (lalmachtig), bn.: —lienl, v.

Teuten dal men), ik heo geteut.

Tenteren (langzaam zijn), ik heb geleuterd; —aar. m.

Tenterig (talmachtig), bn.: —lienl. v.

Teutig (langzaam, talmend), bn.

TentkoiiH dem. die teat), m.env. Dit dienstmeisje is een rechte —. d. i. het werk wil niet uit haar handen.

Tevergeefs, vergeel» (vruchteloos), bw.

Tevreden, bn. en bw.: — iieifl. v.

TevrefleiiHtellen (voldoen), ik heb —gesteld: -ling. v.

Teweegbrengen {reroorzaken), ik bracht —. heb —gebracht.

Thaler (roOi'matig l'rnisisch muntstak ran f 1,80), m. —s.

TliaiiH (nu, op dit oogenblik), bw.

Theater (schouwburg), o. —s.

Theatraal (tooneelmatig). bn. Een —ale houding: een —ale voordracht.

Theatre (coup de) (theaterstreek: buitengewoon en oneer wacht voorval), coups de —.

Thé dansant (partij, waarbij thee voor gediend en gedanst wordt), o.

Thee. v. —ën.

Thema (grondstelling of stof, waarorer gr-schreuen of gesproken wordt: hoofdgedachte eener muzikale compositie: grondbestanddeel: opstel ter uitwerking), o. —'s.

Theocratie (godsregeering), v. gmv.

Theoeratiseh (lot de theocratiebehooi ende). bn.

Th«'ologaiit dl. K. student in de godgeleerdheid), v. —en.

Theologie ((godgeleerdheid), v. gmv.

Theologisch (godgeleerd), bn. De —e faculteit: een — dispuut.

Theologiseeren (orer (lod cn goddelijke dingen redeneeren). Zoo te theologiseeren Met een lieue, vrome deeren. (De Gen.).

Theoloog (godgeleerde), m. —logen.

Theorema (leerstelling), o. \s. liet — van Pythagoras.

TheoreliMch (beschouwend, bespiegelend), bn.

Theorie (grondkennis, well.e in het enkele nadenken bestaat, zonder dat die met de oefening verbonden is; afgetrokken beschouwing). v. —ën. De — der rekenkunde, de — der algebra, de — der meetkunde.

Therapie (geneeskunde, ziekteleer), v. gmv.

Theriakcl. triakel (zekere artsenij, ook tegengift), v. gmv.

Theriaki(quot;pmmsc/iMlt;vers in het Oosten ), rn.mv.

Thermaal (de warme bronnen betreffende), bn.

Thermen (warme baden of bronnen), v. mv.

Thermonieter ( warmtemeter), m. —s.

TIm 'saurie (schatbewaarplaats), v. —ën.

Thesaurier (schatbewaarder', penningmeester), m. —s.

Thesis (grondstelling; openbuar geschilpunt). v. theses.

Thesi (in) (naar den regel, in het algemeen).

Thora (Joodsch of Mozaïsch iretboek), v. gmv.

Tlnns. te huis. bw. Ik blijf vandaag —. d.i. ga niet nit. Hij is — in de geschiedenis, zeer bekwaam.

Tiara (pauselijke kroon), v. gmv.

Tic (kwade gewoonte), m.gmv. — douloureu.c, zenuwachtige aangezichtspijn.

Tichel (metselsteen), m. —s, en.

Tichelaar (steenbakker), m. —s.

Ticket (kaartje, briefje, toegangsbewijs),o. —s.

Tick, v. —en. Zie Teek.

Tien. tw. —en.

Tiend (cijns. Vio het veldgewas), u. —en.

Tiendaagseh. bn. De —e veldtocht.

Tiendhock (register der tienden), u. —en.

Tiend heller, m. —s.

Tiendplichtig (schatplichtig), bn.

Tiend verpachting, v. —en.

Tienhoek (meetk. veelhoek), m. —en.

Tieimian (Kom.geschied, decemvir), m. —nen: —schap. o.

Tienponilcr (kanon.), m. —s.

Tiental, o. —len.

Tientallig, bn. Hel — stelsel.

Tientje (goudstuk), o. —s.

Tienvoud, o.

Tier (groei, aanwas), v. gmv.

in dien boom, in dat kind:

geen —. kan er niet aarden.

Tiêrceeren (op een derde verminderen):

v. —en. De —ing der staatsschuld in den Eranschen tijd.

Tierelantijntje. Tierlantijntje {soort ran leeuwerik), o. —s.

Tierelieren (zingen), ik heb getierelierd.

Tieren (razen), ik heb getierd: —der, m.

Tieren (welhi groeien), het heeft getierd.

Tierig ( krachtig groeiend), bn. en bw.: — heid.v.

Tierlantijntje* (handbewegingen. uitvluchten), o. mv. De moeder maakte allerlei — voor het kind dat schaterde van pleizier. Je hebt nu ran alles al verzonnen, en ik ben je — zat, het gebeurt en daarmee uit!

Tij (eb en vloed), o.—en. Opkomend vallend —. dood —. d.i. Hauw opkomend water: het — laten verloopen. de gelegenheid laten voorbijgaan: als het — verloofd, verzet men de bakens, als de omstandigheden veranderen, dient men anders te werk te gaan.

Tijlt;l, m. —en. Te rechter —, te bekwamer —. d.i. op den juisten —: de — der jeugd: hei is nu in den — der vacant ie; ik heb geen — om dien brief te schrijven: de — valt mij lang. ik verveel mij: de trein is over zijn —. is op zijn —. is roor zijn —: alles op zijn —. d. i. met orde: het wordt hoog —, er is spoed noodig: hij is uit den —. gestorven; in

Er zit geen — hij heeft hier


ocr page 272

TIJD ELU IC -TO EG E V EN.

mijn joiKjea —. jeugd; ran dien — af, d. i. dag, oogenblik: die mode is uit den —, verouderd : van — tot —. d. i. nu en dan; de dood Lent tjeen —. let niet op leeftijd: de — haart rozen: op den duur mindert het lijden; de—en der werkwoorden, afdeelingen der vervoeging. Tijdelijk ivoor een tijd), bn. en bw. TijdHooN. tijiooH (herfstbloem), v. —loozen. TijdeiiH (ffednrende). vz.

Tijdgenoot, rn. en. Hooft teas een — van

Prins Maar its.

Tijdig (bijtijds), bn. en bw.; —lieid. v.

Tijding (bericht), v. —en.

Tijdstip (punt des tijds). o. —pen. TijdMverloop, lt;•. Binnen een — van tien jaar

is dit alles hier geboatrd.

Tijdverdrij 1* (aitspanning). o. gmv.

Tijger (roofdier), m. —s. —en: —in. v. —nen. Tijk (overtrek), v —en: {stof), gt;gt;.

TijlooN. tijdeloos (bloem), v. —loozen.

Tijm (kraidje), m. gmv.

TijiiH (cijns), m. —zen.

Tik (niet harde slag), m. —ken.

Tikken, ik heb getikt: —ker. m. h-m. o/i de

v'nvjers —, betrappen op een misslag.

Tikt.ik (zeker spel), o. gmv.

Tiktakken, ik heb getiktakt: —ker. m.; — scliijl', v.: —«peler. m.

Til (het tillen), m. gmv. Er is iets op —. op handen.

T\\.T\\\v(ophaalbra(j, da i ven hok. eaz.),\. — len. Tilhanr. bn. Tilbare have, d. i. roerende goederen.

Tilbury (licht rijtaiij op twee ivielen). v. —'s. Tillen '(ophe/fen), ik heb getild. Hij is zwaartillend. ziet alles donker in.

Tinihei' (top van een helm), m. —s.

Tinilire (klank), o. gmv.

Timekeeper (Eng. chronometer), m. —s. Timide (beschroomd, verlegen: vreesachtig, hlea). bn.

Tiniilt;liteit (beschroomdheid, vreesachtigheid.

blooheid), v. gmv.

Ti m me ra ge (getimmerte), v. —s.

Timinereii. ik heb getimmerd: —ing, v. Hij timmert niet hoog, zijn verstand reikt niet vei*. TiminergereedHeliap. o. —pen.

Timmerlioiit, o. gmv.

Tiiiiiiierinaii. m. —lieden, —lui. TiminerweiT (werkplaats), v. —werven. Timpaan (raam aan de boekdrukpers), o. —panen.

Timpje (langwerpig spits broodje), o. —s. Tin (metaal), o. gmv.

Tim-tnnr (aftreksel van kruiden of dierlijke zelfstandigheid), v. —turen. Krekel merg s — (Staring).

Tinne (plat dak van een gebouw, kanteel), v.

— li. Op de —n des tempels.

Tinnegieter, m. —s. Politieke —. iern. die in

staatkunde liefhebben.

Tinnegieterij (werkplaats,, v. —en.

Tint (zekere Spaansche wijn), m. gmv.

'lint (kleur, gelaatskleur), v. —en.

Tintel (tonder, tondel), v. gmv.

Tintelen, ik heb getinteld; — ing. v. De sterren —. flikkeren: de oog en van Levenslust tintelden van vreugd, glanzen; mijn vingers

— van de kou, steken, prikkelen.

Tinten (kleur geven), ik heb getint. I-I' (punt. uiteinde), m. —pen.

Tippen, ik heb getipt. H't haar—, de vleugels

— . de tippen er afsnijden.

Tipsy (dronken), bn. De matroos was —.

Tirade (uitval, stortvloed van woorden), v. —s.

Tirailleeren (vele schoten achter elkander doen: met verspreide scherpschutters aantasten ; trekken en weder trekken van wissel* om zich daardoor geld te verschuilen, wisselruiterij).

Tirailleur (scherpschutter), m. —s.

Tiran, tyran (dwingeland), m. —nen.

Tirannie, tirannij (dwingelandij), v. —nieën, —nijen.

Tiranniek lt; wreed, willekeurig), bn. en bw.

Tiranni.seeren (hard handelen).

Tiras (net om patrijzen te vangen), v. —sen.

Tiras (soort van cement), v. Zie Tras.

Tiretein (grove stof van half wol en half garen), o. gmv.

Titan (reus), m. —s. —en.

Titel (opschrift, benaming), m. —s: —blad. ' o. —en: —plaat. v. —platen: — vignet(dn/A:-sieraad, in verschillenden vorm), o. —ten.

Titelen (een. titel geven), ik helt getiteld.

Tittel ( punt, teeken), m. —s. Kr mag geen — i aan ontbreken, d.i. niets.

Titulair (in naam), bn. Korporaal —, sergeant —.

Titnlatinir (betiteling, volledige benaming), v. —turen.

Titnleeren (benoemen: iemand ecu titel geven).

Tjalk Friesch vaartuig). \. —en.

Tjanken. tjenken (huilen bv. van honden), iiij heeft getjankt: —er. m.

Tjerk (Anierikaansche houtsnip), v. —eu.

Tjilpen, ik hebgetjilpt: —er, m. De musschen —. piepend geluid maken.

Tjingelen (langzaam luiden), ik heb getjingeld.

Toast, m. —en. Zie Toost.

Tobbe (waschkuip). v. —n.

Tobben (zwoegen, zich afsloven), ik heb getobd.

Tobber, tobberd (fig. sukkekiar). m. —s.

Tobberig (zwnartillend, onrustig), bn. De zieke was vannacht erg —. onrustig.

Tobberij (afsloving), v. —en.

Toeeadielje (Ttal. tiktakspel), o. gmv.

Toeli (echter, intusschen). bw.

Toeht (reis), m. —en. Zij deden een tocht naar het II. land: een kruis—, een pelgrims—.

Toebt (trekwind, zuigwind). m. —en.

Toehten. het heeft getocht. Wat tocht het hier!

Tochtgenoot {reisgenoot), m. —en.

Toebtig (wim/er/V/). bn.: —lieid,v. Ken — huis.

Toebtsloot (afvoersloot), v. —en. De kleine jongens baadden zich in de —. (C. O.)

Tod. todde (lomp, vod), v. —den.

Toddy (rumgrok), m. gmv.

Toedi'aebt, v. gmv. Ik zal // de geheele — der zaak mededeelen, d. i. heel het beloop.

Toegaan, het ging —. is —gegaan. De dear, het raam, is door den wind —gegaan : het is bij die erfenis vreemd toegegaan, er zijn vreemde dingen gebeurd.

Toegang, m. —en. — hebben, vrijen — hebben, d.i. wij mogen binnengaan: de — tot de stad, wegen, poorten.

Toegankelijk (genaakbaar), bn.: —li^id, v.

Toegeeflijk, toegefelijk (inschikkelijk), bn. en bw.

Toegeven, ik gaf —, hel» —gegeven: —ing,. v. Op den koop iets —. d. i. bovendien een kleinigheid geven: op den koop —. verliezen; mijn neef geeft, n niets toe in kennis, lichaamskracht enz., doet niet voor u onder.


ocr page 273

TO EG E V EN O - TOE W ASS EN.

Toegevend, bn. en bw.; — lieid. v.

Toelioorder. m. —s; —dere». v. —sen. Aide

—.s- waren {fetrulfen. d. i. aanwezigen. T»eliooreii('fa/t/ioom*. luisteren,toebehoor en), ik heb —gehoord: —der. m.

Toelmi.s (geen winkel, yeslnten huis), o. —zen.

Toekennen, ik heb —gekend: —nine, v. lem. een recht —, geven, toestaan.

Toekomend (aanstaande), bn. Dr —lt;• weel:, de —c tijd.

ToekoiiiMt, v. gmv. Dejeayd hn-/'t dr — in Imn-

Toekoiiistitt. bn. I'w — welzijn. \di,n.

Toelaag, toelage (yeschenk in yi'ld), v. —lagen.

Toehielien. ik lachte —. heb —gelachen. De torkomsl lacht mij —, schijnt mij rooskleurig.

Toelast {groot wij neat), m. —en.

Toelaten (veroorloven), ik liet —. heb —gelaten: —ing;. ^gt;ij niort van aw kinderen \ niet alles —. dulden: ooglaikend iets —. door de vingers zien: er worden elk jaar 20 kwee-kelingen. toegelaten, aangenomen.

Toeleg ( plan), m. gmv. l)r bonze — teerd rer-ijdeld, d. i. opzet, aanslag.

Toelegeen (xieli), ik legde (ieide) mij —. heb mij —gelegd (—geleid). /•.: heb mij o/lt; de nat uur kunde toegelegd, d. i. als hoofdvak be-studeeren.

Toelieliten (ophelderen), ik heb —gelicht: -ing, v.

Toelonken {rriendelijk aanblikken), ik heb —gelonkt: —ing. v.

Toeloop, m. Deze winkel heeft den —, trekt een menigte klanten.

Toen, bw. en vw. Hij kwam —. Toen hij kwam, was het te laat.

Toenaam (bijnaam), m. —namen. Ik zal je alles zeggen, met naam en —. in bijzonderheden.

Toenmaals (indertijd), bw.

Toenmalig, bn. De —e mode was minder dwaas, de mode van toen, van die dagen.

ToepaMselijk, bn. en bw.; —lieid. v. Ken — opschrift, een — woord.

Toepassen {aanwenden), ik heb —gepast:

— ing, v. Pas de opgedane paedagogische kennis na toe in de school.

Toer (wandeling', hoofdtooisel can valsch haar: goochelkunstje), m. —en. Wij deden een — itoor de fraaie omstreken, d. i. rit: die goochelaar doet fraaie —en, kunsten; groot- • moeder hing daar mf-.t bril en —. haarkrulletjes op de slapen: je znlt er ee)i heelen

— mede hebben, moeite: drie —en kralen, rijen.

Toereeliten ibereiden), ik heb —gerecht.

Toereedem optakelen ).ik heb —gereed: —ing, v.

Toereikendi ixddoende).hu. De voorraadtva* —.

Toerekenbaar, bn.: —lieid, v. Een misdaad

is een krankzinnige niet —. te wijten.

ToerekeneiK wijten),ik heb —gerekend: — ine.v.

Toeren (rijden), ik hebgetoeid. Wij toerdeneerst door de voornaamste straten der stad. (C. O.)

Toerijtnig (gesloten rijtuig), v. —en.

Toerist (plezierreiziger), in. —en.

Toerusten (gereed maken), ik heb —gerust: 1

— ing. v. Ten strijde —. wapenen.

Toesehietelijk (voorkomend), bn.: — lieid, v. ,

Toeseliieten. ik schoot —. hel» —geschoten. Op dien kreet kwam mijn vader —, d. i. ijlings aansnellen.

Toeseliijnen (danken, voorkomen), het scheen —, is —geschenen.

Toeseliouwer (kijker), m. —s.

Toesehrijven. ik schreef —. helt —geschreven. 1 Dat werl: wordt non Hoggens toegeschreven. \

d. i. men noemt hem den maker; waaraan moet ik nw stilzwijgendheid —, wat is de oorzaak er van?

Toesjorren (met touwwerk dichtbinden), ik heb —gesjord.

Toeslag, m. De — valt, d. i. instemming: ook toewijzing van een koop.

Toeslede (koetsslede, gesloten stee), v. — n. Toespelen, ik heb —gespeeld: —ing. v. Ua teling speelde Klaart je de slagen toe (C. O.), in de hand spelen: hij maakt een toespeling op mv bnrgerafkomst, zinspeling, zacht verwijt. Toesperren (afsluiten), ik heb —gespei'd. Toespijs (bijspijs), v. —spijzen.

Toespraak, v. —spraken. Hij hield een — tot zijn iverklieden.

Toestaan (veroorloven), ik stond —. heb

—gestaan.

Toestand {gesteldheid), m. —en.

Toestel, m. en o. —len. Wat kost dat —. werktuig, machine; nog zie ik dien droevig en — van zuurdeeg en natte omslagen (C. O.», middelen; de — tot haar bra i dgenjaad (Staring ►. toebereidselen.

Toestellen, ik heb—gesteld. Ken feestmaal —. d. i. aanrechten.

Toestemmen (inwilligen), ik heb —gestemd: —Ing, v.

Toetakelen, ik heb —getakeld; —ing. v. Wat

is dat kind vreemd toegetakeld, opgeschikt: hij kwam deerlijk toegetakeld thais. bont en blauw geranseld, vol wondeplekken. Toetasten, ik heb —getast. De gasten moeten

maar —. d.i. nemen wat hun gelieft.

Toeten (getuid makc-i), ik heb getoet: —er. m. Hij weet van — noch blazen, hij weet Hoegenaamd niets (van het vak).

Toeteren (gedurig toeten), illt; heb getoeterd. Toethoorn, —horen (koehoorn, blaas hoorn). in. —s.

Toetreden, ik trad —. ben —getreden; —ing. v. Tot een vereeniging —. lid er van worden: de koning trad op hem toe, d. i. naderde hem. Toets (fig. proef), m. —en. Den — kannen doorstaan, bestand zijn tegen het onderzoek. Toets ( evenmatig deel van een klavier), m. —en. Toetsen, ik heb getoetst: —ing. v. Wij zullen zijn eerlijkheid —. d. i. op de proef stellen. Toetssteen (een proefsteen), m. —en: (stof ).o. Toeval (onverwacht geval), o. —len. Toevallen (ten deel vullen), het is —gevallen. Toevallie (bij toeval), bn. en bw.- —heid. v. Toeven (beiden), ik heb getoefd. Ons toef' een vriendelijk onthaal, d.i. wij hebben te wachten: Marco toeft, uls .InTm toeft (Staring), d.i. rust, wacht.

Toeverlaat (bescherming), m. —verlaten, (rij zijl mijn —. d. i. steun, toevlucht. \den. Toevloed (menigte), m.gmv. Ken — van vreem-Toevloeien (vloeiend na de ren), het is —gevloeid. Toevlneht (wijkplaats), v. gmv.

Toevoegen, ik heb —gevoegd; —ine- v.: —sel. o. De metselaar zat die reten dichtstoppen: ik heb aan die woorden nog een en ander toegevoegd, bijgevoegd: den generaal zijn twee kapiteins als adjadan ten toegevoegd. ten dienste gesteld.

Toevoer (aanvoer), m. —en.

Toevoeren (aanbrengen), ik heb —gevoerd. Toevoor/Jeht (bewaking, opzicht), o. gmv. Toewaeen (gestoten rijtuig), m. —s. Toewassen (dichtgroeien), het wies —, is —gewassen. Die sloot zal nog —.


ocr page 274

TOEWAT E l {—TG KEN II OOG.

Toewnter {door ijs gesloten), o. irmv.

Toewenden, ik heb —gewend. Ik heb hem den rotj toeijewend, toegekeerd, toegedraaid.

Toèwieiit {overwicht), o. gmv. Hij gaf mij een ons d. i. overwicht.

Toewijden, ik heb —gewijd; —ing,v. Zich — min. d.i. zich geheel geven.

Toewij/en, ik wees —. hel» —gewezen: —ins;. v-Die eisch is hem torgewezen, hij is op dat punt in het gelijk gesteld: een aanbesteed ivrrh' d.i. gunnen: iem. ren koop —. als i kooper verklaren.

Toexant; {slotzang), m. —en. IJr — ran Vondels rei der Engelen.

Toezeggen (fct'/otfm), ik heb —gezegd (—gezeid): — ing. v.

Toezielit (het toezien), o. gmv.

Toezien (opzicht honden), ik z:ig —. heb —gezien: —ziend, bn.; —ziener, m. Een toeziende voogd.

Toezwaiiien. ik heb —gezwaaid. Wientok —. lof -.

Toflel on nil, pantojJ'eltjv). v. —s. gmz.

Toga (tabbaard), v. —'s.

T«»gen (onvolm. verl. tijd, mv.) van Tijen (trekken). I)'' kruisvaarders — naar het II. land.

Toilet (lijnwaad'. 1,1 eed ij: kaptafel), o. —ten. Zijn — tnaken. d. i. zich met zorjr kleeden.

Toiielteeren {toilet mtiken. zich fijn kleeden).

Tokayer (Hongoarsche wijn), m. gmv.

Tokkelen (gedurig aanraken), ik heb getokkeld: —aar, m.; —ing. v. De snaren —. een snaarinstrument bespelen; lig. De Her bespelen, «lichten.

Tol {doortochtgeld. schatting), m. —len. — be-

Tol {kinderspeeltuig)^ m. —len. \talen.

Tolerant (verdraagzaam), bn. en bw. Hij is zeer — op het stuk van godsdienst.

Tolerantie (verdraagzaamheid), v. gmv.

Tolereeren (eer dra gen. dalden, toelaten).

Tolgaarder (tolontvanger), m. —s.

Tolk (vertaler), m. —en. Ook: woordvoerder. Ik hoop de — van ons allen te zijn, als ik o hartelijk dankzeg, d.i. woordvoerder.

Tollen {met den tlt;d spelen), ik heb getold.

Tollenaar (tolgaarder), m. —s. —naren. vero.

Tolvrij, bn. en bw. Gedachten zijn —.

Tomahawk (strijdbijl of strijdknots der Indianen in N.-Amerika), m. gmv.

Tomhe (praalgraf, grafteeken), v. —s.

Tomhola (loterijspel), v. —'s.

Ton. v. —nen. Een schip van i'ii.l ton, elke ton = 100lt;3 K.G.

Tonder, tondel (gebrand linnen), o. gmv.

Tong (spraaktid). v. —en.

Tong {zekere platvisch). v. —en.

Tongval, m. —len. De Orerijselsche —, d.i. toon van spreken.

Tonijn {zekere zeevisch), m. —en.

Tonnehoei (zeew. boei. uit duigen verraar-digd), v. —en.

Toiinehoeier (zeker raartaig), m. —s.

T«»nnen dn tonnen doen), ik heb getond.

Tonnengeld (havengeld naar 't aantal scheeps-tonnen), o. —en.

ToniieiinieeHter (ba ken meester), m. —s.

Tonner (die haring in tonnen doet), m. —s.

Tonsniir {kruinschering, de geschoren krain), v. gmv.

Tontine (soort van aungroeiende lijfrente), w

Toog (boog in de bonivknnde). m. togen. [—s.

Toog itogo. priesterkleed), m. togen.

Tooi {opsiersel), m. gmv.

Tooien (opsieren), ik heb getooid: —»el, o.

Toom {tengel), m. —en. In — honden, bedwingen: de — van een vlieger, d.i. de lis; een — kippen, eenden, broeisel.

Toornen, ik heb getoomd: —ing. v. Een. paard —. d.i. den toom aanleggen: fig. bete 11 ge ten. bed win gen.

Toon {teen), m. toonen. \gaan.

Toon (zangtoon, klonk), m. tonen, l it den —

Toon Oen), m. Een kunstwerk ten —stellen-

Toonbank, v. —en. [zetten.

Toonbeeld (voor trelfel ijk voorbeeld), o. —en.

Toonder, m. —s. De bank betaalt aan —. Een wissel te betalen aan

Tooneel (schouwspel), o. —eti. De stad was her. jammerlijk — van moord en plundering.

Tooneelaelitig, lm. en bw. Wat spreekt dit* dame —. d. i. theatraal.

Tooneeli.st (tooneelspeler), m. -en.

Tooneelmatig. bn. en bw.

Toonen (laten zien), ik heb getoond.

To*:nlooN. bn.: —lieid. v. Een —ooze letter.

Toon vast, bn. Deze zangeres is zeer —. niet zakkende in toon.

Toorn {boosheid), m. gmv.

Toornen (toornig zijn), ik heb getoornd.

Toornig (boos), bn. en bw.; —lieid. v.

Toorts (fakkel), v. —en.

Toost (vriendschapsdronk). m. —en.

Toosten {een dronk wijden), ik heb getoost; —er, m.

T«M»venaar (goochelaar, wonderdoender), m. —aars. —aren.

Tooveraelitig, bn. De grot was — verlicht'r het landschap was — schoon.

Tooverbeeld, o. —en: —blik, m. 0 tooverblik die)' .ninlijke oogen! (Staring). —eirkel, m. —s: —drank. m. —en.

Too veren, ik hel» getooverd; —erij, v. Men zon zeggen, dat er tooverij onder steekt. nl. onder het schrijven. (Conscience).

Tooveres {tooverkol, heks), v. —sen.

Titoverkol {heks), v. —len.

Tooverstalquot;. m. —staven.

Top (hoogste pant), m. —pen. Van — tot teen gewapend, d. i. veel wapens dragende: het zeil in — halen: De zeilen geheschenl de vlieger in — (Bogaers): Hoezee, de vreugde stijgt ten — (Spandaw).

Top (ik stem toe), tw.

Topaas (vuur(geel edelgesteente), voor den steen, m. —azen.: voor de stof, o.

Topazen (van topaas), bn.

Topograal' (plaatsbeschrijver), m. —gra.en.

Topograpliie (plaatsbeschrijving), v. gmv.

TopograpliisHi (plaatsbeschrijvend), bn. Een —e inrichting.

Toppen (a/ïoppen), ik heb getopt. Deze dennen worden alle getopt.

Toppen (met den tol spelen), ik heb getopt.

Toppenant (scheepst. zeker schleps to (W), in. —en: ook: Toppenend. o. —en.

Topper {eend), m. — s.

Topzwaar, bn. Ue trekschuit was —. Fig. dronken: Nu, die is ook

Tor (insect), v. —ren. Een gouden —. een olïicier, spotn.

Torhok (insect), m. —ken.

Toreador (stierbevechter te paard), m. —s. Zie ook Torero.

Toren, m. —s. Een kerlr met — bonwen.

Torenhoog, bn. —e golven.


ocr page 275

TO HEN \V AC I \ T—TH AN E N.

Torenwacht (een wachter op den toren), m.

—en (it ' yezamenliike wachters), v.

Torero (stierbevechter te roet), m. —quot;s. Tonneiitatie. torment (kwelfing. injniging), v. — tiën, —ties. Dan krijgt (jij Bröder tol aw pijn, ICn Wegtingh tot torment. (C. 0.) 1 orn {het tomen), m. —en. Daar is een heelc

— aan. d. i. eeti heel werk.

Torn (/ossr naad), v. —en.

Tornado {herige wervelwind tasschen de keerkringen), v. en o. —'s.

Tornen (een naad lossnijden), ik heb getornd. Torninesje. o. —s: —touw,o.—en: —nerk,o. Tornooi. Tournooi (ridderspel, stee/cspel), o. —en.

Tornooibaan. v. —banen; —«pel. o. —en;

— veld. o. Ook: toarnooibaan, enz. Tornooien, tonrnooieii (ann een sleeksjjel

deelnemen), ik heb getornooid.

Torpedo (sidderrog: sidderuisch: ook nnder-zeesche hom), v. — quot;s.

Torpide (gevoelloos, versaft-,slaperig. traag),\m. Torpiditeit (slaperig- of traagheid), \. grew. Torqiieeren (martelen, pijnigen).

Tor« (romp, ook van een vermin kt beeld), v. —en. Torsen (zwaar dragen), ik heb getorst.

Torsie (het wrinnen, ineendraaien), v. gmv. Tort {ongelijk, hartzeer), o. gmv. fem. — aan doen.

Tortel, m. en v. —s.

Torteldnii'. v. —duiven.

Tortueus (kronkelig, slingerend. vcrwron-gen), lui.

Torture (pijnbank: pijnigingen, welk»- mr,) iemand aandoet, om hem te doen bekennen: grootst»' inspanning van den gerst), v. — s. Tortureeren {folteren, martelen).

Tory (lid der hofpartij in Engeland), m. Tories. Totaal {geheel, ten volle), bn.enbw. Een totale maaneclips; ik hen — op.

Totaal (gezamenlijk bedrag),o. totalen. Hoeveel bedraagt het — der rekening? Tel nn alle totalet hij elkaar.

Totaliteit (het geheel), v. gmv.

Totaliter (geheel en al, gansch). Iiw.

T«»telgt;el (vischnet; ook slordig wijf), v. —len. Totstandhren^in^. v. gmv.

Totstaiidkoinin^. v. gmv.

Toiirliant (roerend, treffend', smartelijk, he- • 'troevend), bn.

Touche (penseelstreek, toets van piano of quot;rgel), v. —s.

Tourheeren (aanraken, bevoelen-, belvedigen). Toupet (knif, voorhoofdspruikje), v. —ten. Tour. m. — de force, moeielijk stuk: — de passe-passe, goochelaarsgreep; — d —, beurtelings; — de baton, handgreep. Zie Toer. Touriiienteeren {kwellen, fdteren, pijn iaën). Zie Tornientatie.

Tournêe (rondreis), v. —s.

Toiirneeren {draaien, wenden).

TourneHol (zonnebloem), in. —s.

Tourni«|uet (draaikrnis, kruisboom aan den ingang van een afgesloten weg), m. —s. Tournure (gestalte, lichaamsboniv: wend'ntg. ook: halve erin»dine), v. —s.

Tonter (schommel), m. —s.

Touter«Mi {schommelen), ik heb getouterd. Touw. o. —en. fk kan er geen — aan vast maken, ik begrijp er geen steek van; trek niet aan dat —tje, i oer dat onderwerp niet aan. Touw {getonw, weeftouw), o. —en. Iets op — zetten, het gereed maken, het plan maken:

ik ben den geheelen dng in het — geweesty in mijn werk, bezigheden.

Touwen (van touw), bn. Een — mat. Touwen (leer bereiden: ook vlechten, slaan)^ ik heb getouwd; —er (leerbereider), m.: —erij (leer her cider ij), v.; —haan (lijnbaan), v Touwslager (touwdraaier), m. —s.

Tower (kasteel te Londen, eertijds staatsgevangenis), m.

Traas (langzaam), bn. en b\v.; —heid. v. Traa^looper (nat. ai of luiaard), m. —s. Traan (oogvoi-ht). m. tranen.

Traan (walviselndie), y. gmv.

Traanaclitiü;. bn. Een. — vocht. d. i. als olie-als traan.

Traanooü;en (tranende oogen hehhen), ik lielgt; getraanoogd.

Traeasseeren {plagen, kwellen, ontrusten). Trarasserie (kwelling, booze streek, harre-warrerij), v. —ën.

Trace {spoor, indruk, schets), v. —s. Tnwveren {af,'eekenen, afschetsen, ontwerpen Traehten (pogen, zijn best doen), ik heb-getracht.

Traetaat (verdrag, overeenkomst), gt;gt;. —aten. Traeteeren {behandelen, bejegenen).

Tractie, v. — en materiëel, een afdeeling bi}, de spoorwegen.

Traditie (overlevering), v. —tiën. —lies. Traditioneel (volgens of bij wijze van overlevering), bn. en bw.

Trad ueeeren (overzetten, vertalen). Traductenr (vertaler), m. —s.

Tradnctie {vertaling), v. —s. —tiën.

Tralick (plaats, waar men de grondstoffen? omwerkt). v. —en.

Tratfedie {treurspel: droevig voorval), v.

—diën, -dies.

Tra^i-coniiHch (treurig-vroolijk). bn. Trauicus (treurspeldichter), ni. —ci.

Tragisch id roerig, treurig), bn. Het — eind' • van Jan de Wit.

Ti •ain (gang. schrede, sleep, trein, gevolg van-personen of zaken), m. gmv. Kn —. aan. den gang.

Trainard, traincnr (achterblijver hij een

leger), m. — s.

Trainee ren (dralen; slepende honden). Zich — zich africhten op iets bij sport, (jok: trainen. Traitahel {handelbaar), bn. Hij is nog nl — Traiteur (gaarkok), m. —s.

Traject (overtocht, overvaart, veer), o. —en. Traktaatje (godsdienstig vertoogje). —s. Traktant (gastheer), m. — s.

Traktante (gastvroutv), v. —n.

Traktatie (feestelijk onthaal), v. — s. Trakteeren {onthalen).

Traktement (inkomen, bezoldiging), ». —en. Tralie (metalen afsluitsel), v. —s. —iën. Traliën (van traliën voorzien), ik heb getralied.

Train (omnibus op spoorrails), v. —s; —aanleg, m.; — hel. v.: —hoekje, o.; —dienst, m: — lijn, v.; -rijtuig, o.; -verkeer, o.: — wagen. m.: stoom—: gas—, v.

Traniontane (poolster), v. gmv. De — verliezen. de kluts kwijtraken, zijn tegenwoordigheid van geest verliezen.

Tranchant (snijdend, zeer scherp), bn. Trancliée(f// 'acht of greppel; loopgraaf), Trancheeren (snijden, voorsnijden, ontleden)^ Tranen (tranen loslaten), ik heb getraand.. Mijne oogen —.


ocr page 276

T HA N EN I gt; AL—TH E K K EN.

TmnriHifil (deze wereld vol Jnmnier), o. gmv. Tranig; (olieachUfj), bn.: — lieitl, v.

Traii(|iiillr (fiernsl. bedaard, (jelah'n). bn.

(muz. rustig, bedaard), bw. Traiiquillitfit (rust, stilte, bedaarkeid),\'.

TraiiH {onujamj eens torens, hocyte, tinne), m. —en. De inonjenstar alleen hield stand nog aan de tra,men (Bogaers), d.i. uitspansel. Transai tir (rergelijl,'. minlylce schil,-hing), v.

—tiën. —ties.

Traii.HalpijiiMcli (ran of gelegen aan gent' zijde (h'r Alpen), bn.

TraiiHatlaiitiM*li (orerzeesoh), bn. De —c zeekabel.

TraiiMiM'inliint (IntveazinnelijU). bn.

Tran.Hrript (ko/tij, afschrift), o. —en.

Tra ii «Ie re ero ii (overbrengen, oeridaatscn: aitstellen).

Trnntii\fSHi'i\iiv {gedaanterera*isseli nfj: verheerlijking ran Chr. quot;/' den berg Tkabor), v. gmv. TraiiMiariiiatif (herscheirping. gedaanteverandering). v. gmv.

TraiiHiorineereii {herschep/ten).

Tranwiseeren (re,, vergelijk trelfen. ligt;l ren schikking komen).

TraiiHiteeren(het doorvoeren van koopwaren). TraiiMitie {overgang), v. —ties. —tiën. TraiiHitielquot; {overgaand op een ajtder). bn.

hJen — werkwoord, spraakk. overgankelijk. Trannilo [doorga ng. doorvoer'), o. gmv.

—handel, in doorvoergoederen.

'TraiiMitoir. bn. Zie Transit iel'.

Translaat (vertaling, vertaald stuk), o. —laten. TrailMlateereii (vertalen).

TraiiNlatenr (vertaler), m. —s: —M-hap. «».

Een beeedigd —.

Tran.Hloratio (plaatsverandering), v. —iën. quot;T raiism i •; ra tie (verh n iz ing; r ielsverh nizi ng). v. gmv.

TraiiHiiiterccren (van de eêne plaats naaide andere verhuizen).

TraiiHinissie (overdracht, overzending). v.gmv. TraiiMinittecren (overbrengen: ter hand stellen).

'TraiiHiiinlatie (verandering), v. —lies. —tiën. Transparant (doorschijnend), bn.; als zn. (doorschijnbeeld: 'lijnenblad om recht te schrijven), o. —en.

TraiiMparentic (doorschijnendheid), v. gmv. Transplantatie ('we/7lt;/r//ï7//?f/».v. —ties. —tiën. Transponeeren (overzetten: een mnziekstak in een anderen toon overzetten).

Transport (eervoer), o. —en.

Transportabel (vervoerbaar), bn. Transporteeren (verroeren, overbrengen). Transporteur (hoef:-, graadmeter), m. —s, ^Transpositie (omzettincf. muz. overzetting in een anderen toon: verplaatsing), v.—tiën.—s. Transspiratie (uitwaseming, uitdamping), v. gmv.

Transspii eeren (nitivttsemen; aitlekken. bekend worden gt;.

Trant (wijze), m. gmv. Tollens dicht op eigen —: dat is.na mijn —: volgens den nieuwen — van schrijven.

Trap (schop), m. —pen.

Trap (trede), m. —pen. Van — tot —: de—pen van vergelijking (spraakk.): o/i den laags ten —, op den hoog sten — van beschaving.

Trap {al de treden te zamen), v. —pen. Een hi'iiten —. een ijzeren —. een marmeren —. ' Trapezinin ♦ met twee evenw. zijden),

o. —s.

Trapezoïde (een vierhoek, waarvan al de zijden en hoeken ongelijk zijn), v. —s. Trapgans (vogel), v. —ganzen.

Trappelen, ik heb getrappeld. De reiziger stond te — van ongeduld.

Trappen (treden, schoppen), ik heb getrapt. Trappist (monnik een er zeer strenge orde. das genaamd naar de abdij la 'Frappe in Xormandië), m. —en.

Trapsgewijze, -gewijs (bij trappen), bw. Trapswijze, —wijs, bw. Iets — behandelen. Tras (metselspecie, cement). lt;». gmv. Trasinolen (die tras maalt), m. —s. Trasraam (laag steenen in tras gezet), o. —ramen.

Trassen (met tras metselen), ik heb getrast.

Deze maar is getrast, in het tras gezet. Travaat (korte windvlaag met stortregen). m. —vaten.

Travailleeren (werken, arbeiden: kajelten). Travalje (hoef- of noodstal), v. —s.

Traven (scheepsw. stoawen, dniveljagen), ik heb getraafd.

Traverse, travers (dwarsweg, overweg, dwarsbalk: ongeinkkig toeval, onverwachte verhindering). v. — versen.

Traverseeren (dwars doorloopen of -reizen: in den weg staan, hi aderen).

Travesteeren (verkleeden, grappig Vermont men ).

Travestie (vermomming, lachivekkende verkleeding: grappige voorstelling van. iets ernstigs, omwerking van een ernstig gedicht in een lachwekkend), v. gmv.

Trawant (lijfwacht, bijplaneet, maan).m. —en. Trawl (soort van vischnet), v. —s. De En-gelsche —visschers op de Noordzee. Trelmelieeren (struikelen, vullen).

Treeliter (buisvormig werktuig), m. —s.

Tred (stap. gang), m. —en.

Trede, tree, v. — n.

Treden (gaan. loopen), ik trad, heb en ben getreden: —er. m.

Treeft (ijzeren drievoet, keukengerief), v. —en. Treek (iist. looze streek), m. treken.

Trel' (lukje). m. gmv. Het is een — hem thuis

te vinden: het is een — den bat te raken. Treffelijk, bn. en bw.; —lieid, v. Een —werk. d.i. voortreirelijk.

Treilen (raken), o. alszn., ik trof, heb getroffen. Het doel — : iem. —, roeren: dit portret is goed getroffen, gelijkt goed: ren vergelijk —. een overeenkomst aangaan. Elfen is kwaad —. Treilend, bn. Een — rerlies. een—e gelijkenis. Treil (lijn, koord), o. —en. Met zeil ju —. met het geheele tuig.

Treilen (voorttrekken), ik heb getreild: —er (schn itetrekker), m.

Trein (stoet, sleep, reeks), m. —en.

Treiteren (plagen, sarren), ik heb getreiterd:

—aar. in.; —ine; (plagerij), v.

Trek (begeerte), m. —ken.

Trekkebekken (het paren der duiven, enz.). zij hebben getrekkebekt.

Trekken, ik trok, heb of ben getrokken; —er, m.: —ing;. v. Een prijs — uit de loterij, bekomen: den degen —. uit de scheede halen om te vechten; de kolf ie. de thee laten —. laten aftrekken; het trekt hier, er is hier tocht: i een lijntje —. lig. in stilte drinken met iem.: ' een lijn — met iem., het met iem. eens zijn: ' een wissel op iem. —. afgeven: deze kachel wil niet —. branden: te velde —. ten oorlog


ocr page 277

T R E MA-THOGG K L KX.

gaan; in twijfel —. ergens ann twijfelen: een geweerloop —. met gleuven maketi; ijzer —, Jcoperdrade)!. —. maken: hij zal ran die landerijen ivel veel veel pacht ontvangen: den vierlcantswortel berekenen, bepalen; iem. voor het gerecht —. dagen, brengen; jiaar verre landen —, reizen; deze pleister z/il wel —. werken: op de wacht —. gaan; •die linialen zullen (jaan —, krom worden.

Trema {deel- of scheiteeken), o. —'s.

Tremel (trechter van een molen), m. —s.

Tremolo (muz. hevimj. trillinn). v. gmv.

Tremulant (hevmde toon, langzame triller: orgelregister), m. —en.

Treiinilatle(f/v7/ei/^ beweging des lirhaams), v. — tiën. —ties.

Trens (lis: ook ra we zijde), v. —zen. ft'm. — geven, d. i. slaag geven.

Trenzen (vlechten), ik heb getrensd: —iiiR.v.

Trepaan (schedelboor), m. trepanen.

Trepaneerboor, v. —boren.

Trepaneeren (een hersenpan npcn'ii): — ins. v.

TreH«e (geweven goad- of zilverhoitrdsrl; ngt;n haarsnoer, haarvlecht), v. —n.

Treurberk iltoom). m. —en.

Treurdiclit (elegie), o. —en.

Treuren {diep bedroefd zijn), ik heb getreurd. Men treurt om of' over iets.

Treureseli. m. —esschen.

Treurgewaad, o. —gewaden. Hier zat ze(Heile) in 7 zwarte — (Bilderdijk).

Treurig (droevig), bn. on b\v.: —heid. v.

Trenrkleed. o. —eren: —lied. o. —eren; —mare (tijfling), w —n; —muziek, v.: —spel itragedir). o. —en: —foon,m.—tonen: —loo-neel, o. —en: —wilg, m. -en.

Treuzel (talmei'), m. en v. —s.

Treuzelen (langzaam werken), ik heb getreuzeld: —aar. m.

Treuzelaehlig {langzaam), bn.: — lieid. v.

(hize dienstbode is wat —.

Treuzelig, bn. en hvv.: —lieid. v. firootje wordt wat —.

TreuzelkoiiH (persoon), rn. en v. —kousen

Trezoor (schat), o. trezoren.

Trezorie {schutkamer), v. —en.

Trezorier (penningmeester, ook bewaarder van de schatkist), m. —s.

Trezorier.seliap {rentmeesterschap), o. gmv.

Triakel (geneesmiddel), v. gmv. Zie Theriakel.

Triangel (driehork), m. —s. In het orkest speeh hij de trom en den

Triangulair {driehoekig), bn.

Triangulatie, v. —s. —tii;n. De — van etii stad, d.i. opmeting en in-kaart-brenging.

Tribulatie {kwelling, ongeval), v. —tii;n. —ties.

Tribuieeren (beangstigen, pijnigen: veldrusten).

Tribunaal (rechtbank, gerechtshof), o. —alen.

Tribune (spreekgestoelte- een galerij, ren afgezonderde plaats voor het volk in de ver-gadquot;rzalen), v. —s.

Tribuun (volksman: in de Uomeinsche geschiedenis: gemeensman), m. —uncn.

Trieliinen (microscopische diertjes in varken-vleesch), v. mv.

TrieliineuM. bn. — spek. d.i. met trichinen besmet.

Trieliinose {de trichinenziekte). v. gmv.

Tricolore {driekleurig), bn.

Tricot (stof. gebreid goed), o. gmv.

Tricot (nauwsluitend kleed der kunstenmakers), v. —s.

Trielje (soort van linnen stof), v. —s. Trigonometrie (driehoeksmeting), v. gmv. TrigonometriHeli. bn. Een —e fornm Trijp (fluiueelige stof), o. —en.

Trijpen (van trijp), bn. Kr stonden 0 — stoelen. Trijsen (ophalen, ophijschen), ik hel» getrijst. Triktrak (bakspel), o. gmv.

Triktrakbord. o. —en.

Triktrak ken (het triktrak spelen), ik heb getriktrakt.

Tril, m. gmv. Op den — zijn, slenteren, leeg-loopen.

Trillen, ik heb getrild: —ing, v. Xe — van angst, van koude. d.i. hevig beven, rillen. Triller (triltoon), m. —s.

Trillioen (millioen van den Sen rang),o.—aw. Trilogie (driezang: tooneelstuk met twee rer-

volgen), v. — ën.

Trimester (vierendeeljaars, drie maanden).o.

—s. Het traktement wordt per — betaald. Triniteit (drieëenheid). v. gmv.

Trio (driestemmig muziekstuk of gezang: drietal, een klaverblad van vrienden), o. —'s. Triomi; triumr (zege, zegefeest), m. triomfen. Triomrant (zegepralend), lm. en bw.: —elijk. Hel —elijk lied der Zilvervloot. Hij lachte —elijk.

Trioini'eeren (zegepralen). Ik triomfeer, o. Salomon! (Aya Sofia, III), d.i. mijnSofïakerk wint het van uw tempel. (Uitroep van keizer Constantijn).

Triomllied (zegelied), o. —eren.

Trip (vrouweïiklotnp, welks bovenste van leer is), v. pen.

Tripel (steen ion metalen te polijsten). o. gmv. Tripel, triple {drievoudig: drieledig), bn.

Triple-alliantie, drievoudig verbond (1668). Trippelen, ik heb getrippeld: —aar. m. De musschen — (gt;/gt; mijn stoep, met kleine sprongen of stapjes vooruitgaan, dribbelen. Triste, triest, triestig (treurig, somber), bn. Trits (drietal), v. —en. Ken — van zonen. Triumr. m. —en. Zie Trioinl'.

Triumvir (drieman), m. —en: —viri. Triumviraat (driemanschap), o. gmv. Triviaal (alledaagsch, laag. plat), bn. en bw.

Hij drukt zich — uit.

Trivialiteit (alledaagschheid,platheid, dubbelzinnigheid), v. —en.

Troebel (onklaar), bn. en bw. In — water is 't goed visschen, bij onlusten of verwarring is er voordeel te behalen.

Troebelaelitig. bn.: — lieid, v. Het water dezer leiding is —. een weinig troebel.

Troef, v. —ven. Harten is —: iem. — geven. d.i. slaag, klappen.

Troep (menigte, bende), rn. —en. Ken — schapen, een — ruiters, een — roovers: de generaal sprak tot de troepen, soldaten. 1 roe pst ge ) w ij ze, —(gegt;wijs, bw.

Troetel (kolenemmer), m. —s.

Troetelaar (die troetelt, vleier), m. —s. —laren. Troetelen (vleien, verwennen, liefkoozen), ik heb getroeteld: —ing, v.

Troetelkind (lieveling), o. —eren.

Troeven (troef spelen: ook afrossen), ik hel. getroefd. Fig. gispen, hekelen.

Trofee (zegeteeken), v. Zie het betere Tropee. Trodel (kalkscheppertje, truweel), m. — s. Trog (kneedhak), m. —gen.

Troggelaar (bedelaar), m. —s: —arij. v. —en. Troggelen (met list afbedelen), ik* heb getroggeld.


KOENEN, Ver LI. Handwiib. d. Neder l. taal.

17

ocr page 278

THOGGELZAK—TULE.

258

Troggelzak {bedelzak)* m. —ken.

Trom. v. —men. De — roeren, trommelen. Fig. de (jroote — roeren, veel reclame maken: met de stille — vertrekken, in stilte de stad verlaten.

Trombone (schuiftrompet), v. —s; —honist {bespeler van eert schuiftrompet), m. —en.

TromiiiH (blikken doos), v. —s. —en. Ook: Trom.

Tronmielpii (de trom slaan), ik heb ge-trommeld. Op de tafel —, tikken, slaan.

Troimnelziiclit (ziekte bij het vee), v. gmv.

Trommen, ik heb getromd: —er. m. —s.

Tromp (blaashoorn). v. —en. Üe — ran den olifant, slurf; de — van een geweer, mond van den loop.

Trompen (blazen), ik heb getrompt; —aar (trompblazer), m. —s.

Trompet (koperen blaashistrament), v. —ten.

Trompetten, ik heb getrompet; —ter. m. Hij is trompetter: iem. lof—, d.i. luid verkondigen.

Tronen (zetelen), ik heb getroond.

Tronie (aangezicht, bakkes), v. —s.

Tronk (afgeknotte boomstam), m. —en.

Troon. m. tronen. Den — beklimmen, koning worden: van den —stooten, onttronen: hrmel-—. de Godheid op haar —. (Volkslied).

Troonrn (lokken, misleiden), ik heb getroond.

Troop (woordenkeer, redesieraad, fig. uitdrukking). m. tropen.

Troont (leniging), m. gmv.

TrooHtelijk. bn. Een —e gedachte.

Troowteloon (diep bedroefd), bn.: —lieid, v.

Troosten, ik heb getroost: —er, m.: —ins, v. Wie zal die droeve moeder —. nn zij haar lieve kinders derft? (Vondel).

Troostrijk, bn. Een —e gedachte.

Troostvol, bn. Ken —le brief.

Troostwoord, n. —en.

Tropee (zegeteeken), v. —ën.

Tropisch (tot de keerkringslanden behoorenden verbloemd, oneigenlijk), bn. De —e gewesten. de landen tusschen de keerkringen: —e planten, —e gewassen: een —e wijze van spreken.

Tros (bos. trein, krijgspakkage), m. —sen. Een — druiven, een —je bessen: de —sen. touwwerk; de — van het leger, d.i. legerbagage met knechts, zoetelaars, enz. Zie Veldtros.

Trossen (tot trossen of bundels maken: den paarden de pakkage opladen), ik heb getrost.

Trots (hoogmoed, waan), m. De — van A lea.

Trotsch (hoovaardig), bn.: —lieid, v.

Trotseeren (uittarten): —der, m.: —ing, v. Het gevaar —.

Trotsen, ik heb getrotst. Het menschdom durfde Gods hoogheid — (Bilderdijk), tergen, uittarten.

Trotteeren (draven, bv. van een paard).

Tvoitiur (verhoogd voetpad naast de te berijden straat), o. —s.

Troubadour (Fransch minnezanger in de middeleeuwen), m. —s.

Trouble (woeling, onrust), v. —s.

Tro\ih\evriku(verontrusten,storen: verwarren).

Trouw, v. gmv. — moet blijken, zinspreuk der Haarlemsche rederijkerskamer: Honden—,ged. v. Tollens; te goeder —; te kwader —, d.i. oneerlijk, arglistig.

Tronw, bn. en bw.: —lieid, v. Hij was mij hou en —, d.i. toegenegen en getrouw.

Trouwbelofte, v. —n.

Trouweloos, bn. en bw.: —lieid, v. Een —

karakter, d. i. valsch. slecht, meineedig.

Trouwen {huwen), ik heb en ben getrouwd. Trouwens (in waarheid, overigens), bw. Tronwiiartig (oprecht), bn. en bw.: —lieid, v. Trouwkleed, o. —eren.

Trouwlustig:, bn. Mijn vriend was —. Trufleeren (met trujfels toebereiden).

TruHel (een geurige paddenstoel), v. —s. Het gehakt met —s bereiden.

Trui (ze'.-g: moerkonijn; lichtekooi), v. —en. Triimeau (penantspiegel), m. —x.

Truweel (troffel), o. —en. dicht.

Tiiberenlens (knobbelig, gezwollen), bn. Tuberkel {knobbel, uitwas), m. —s.

Tuberoos (herfsthgacint, een bolgewas), v. tuberozen.

Turlit (regel, orde. zedelijkheid), v. gmv. Tiirliteling {tuchthuisboef), m. en v. —en. Turliteloos (ongeregeld, zonder tucht), bn.en bw.: —lieid. v.

Tiielitliuis (gevangenhuis), o. —huizen. Tuclitigen (kastijden), ik heb getuchtigd; —ing;, v.

Tulsteen (grijze zandsteen), m. —en: (stof), o. Een toren, een maar van Ook: Dutsteen. Tui (scheepsw. zeker touw), v. —en.

Tiiianker (zeew. imker waaraan het schip bij ebbe vastligt), o. — s.

Tuieren (scheepst. vastmaken), ik heb getuierd. Tuig (gereedschap, toestel), o. —en. Dat is — van volk. — van goed, d. i. gemeen, slecht volk, goed.

Tuigage (zeew. al het tuig), v. gmv.

Tuigen (getuigen), ik heb getuigd. Dat tuigt niet in uw voordeel.

Tuigen (van tuig voorzien), ik heb getuigd; —ing, v. Een schip —, een paard —.

Tuil (jokkernij, boert: ook bloeinkransje,, m. —en. Een —tje bloemen, een — rozen, een kleine ruiker. Tuinielen(imiïlt;?/m),ikbengetuimeld; —aar. m. Tuimelgeest (geest van verzet), m. gmv. Tuimeling (buiteling), v. —en. Tiiinielviselije (kleine karper), o. —s. Tnimelzurlit (geest van oproer), v. gmv. Tuin. m. —en. Gelderland heet de — van ons land, het lustoord; iem. om den — leiden, hem misleiden, foppen, bedriegen; de kap op den — hangen, het kloosterleven vaarwel zeggen: —aarde, zwarte teelaarde: —bouw, m.: —gereedschap, o. —pen; —kamer. v. —s: —koninkje (vogeltje), o. —s: —slak. v. —ken. Tuinder (tuinier), m. —s.

Tuinen (den tuin bewerken), ik heb getuind. Tuinier, m. —en, —s.

Tuinman, m. —lieden, —lui.

Tnischen (ruilen, ook dobbelen), ik heb go tuischt; —er (paar dent uischer), m.: —erij, v. Tuit, v. —en. De — eau een kan. ketel, d.i. pijp: dit meisje heeft fraaie —en, vlechten. Tiiitelen {wiebelen, wankelen), het heeft ge-tuiteld.

Tuiten (toeten), ik heb getuit. Mijn coren — van al de drukte, ruischen.

Tuk (list; ook aard, ras), ni. gmv. Deze knapen zijn van een beteren — dan die.

Tiik (geslepen; begeerig), bn. — op roof, op buit. op winst, op bloed, op moord.

Tukje (dutje), o. —s. Ik heb een — gedaan. Tul (kruik. kan), v. —len.

Tulband {hoofddeksel der Turken; ook zeker gebak), m. —en.

Tiilbandsvorm. m. —en. Een podding in —. Tule (netvormig gazen weefsel), v. gmv.


ocr page 279

T U LEX —T VROLIEXN E.

250

Tulen (van hdc), bn. Een — sluier.

Tulp (bolgeiuas\ v. —en.

Tulpeliol. m. —len.

Tiilpenltefl, o. —den; — liaudel {clquot; dwaze —. 1636—'SI), m. — kweoker, m. —s. Tuli|io-iiiaiiilt;' {dwaze tulpenliefde), v. gmv. Tuit {deel van een houtvlot), v. —en.

TumiiM (geraas, oploop, oproer), o. —en. TuiiiuluH(o?Yrfr/;v//', hooge grafstede),m.inmuW. Tunica (oud-Itooi. onderkleed), v. —'s.

Tuiiiifl (onderbergsche spoorweg), n. —s. Tureluur (referein, zangwijze; gril, luim), in. —luren, —s.

Tureluur (zekere vogel), m. —luren. —s. TureluurNcli (gek. dol), bn. 7 Is om — te worden. Turen (strak Kijken), ik heb getuurd.

Turf (een enkele —), m. turven. Men ziet in het reen op geen —je. waar overvloed is. is men niet karig; (als stofnaam en collectief), v. Wij stoken —: de — op uw zolder mindert erg. Turi'fouiieii, o.; —sfer (turfmeetster), v. —s. Turken (mishandelen), ik heb geturkt. Wordt ge ook geturkt als ik? vroeg de jonge Baars (Bogaers).

Turkoois (blauwgroen edelgesteente),m. —zen; (stof), o. gmv.

Turkooizen (van turkoois), bn. Een jong-niensch met — doekspeld (C. O.).

TurkHeli. bn. Een —e tempel of moskee: —e tarwe, — leder.

TurkHeli (de Turksche taal), o. gmv.

Turnen (ggnniast. oefeningen doen), ik heb geturnd.

Turner (beoefenaar der ggmnast.), m. —s. Turnoereninu;en (ggnin. oefeningen), v. mv. Turnvereeniging (gezelschap ran turners), v. —en.

Turven (turf o/uloen). ik heb geturfd. TiiHHelienheide. b\v. Mijn vader kwam bij den twist —. /.ieii mengen in. als scheidsman optreden.

TusMeliemlek (zeew. scheepsdek), o. —ken;

—m. o. gmv. T %tHHv\\vu\H*i'*iHm(nuil.elaar,eornmissionuir),

m. en v. —personen.

TusNelienpoos. v. —poozen. Bij —poozen liet zich de koekoek hooren, d. i. nu en dan. TiiMNelienwerpHel (bv. Ach!), o. —s. Tu.HHclienxin. m. —nen. Een — dient veelal ter verklaring: Hij zeide (en hij had gelijk), dat er eerst bewijzen moesten zijn. Tutelair(öesc/ier//?ertrf),bn. Ange —e, bescherm-Tufeur, tutor (voogd), m. —s. (quot;engel.

Tutti (geheel: spel of gezang ran allen te gelijk: «lat alle stemmen of instrumenten invallen)* o. muz.

Twaair, bep. tehv. twaalven. Wij zijn met ons

—. d. i. — kinderen; de — apostel'e.i. T waallVIefranggetal). bn. December, — maand. TwaallVleliair (elf en een half), bn. Tw^airdeiiiande, —lei, onverb. bn. T\va«»iriioek. m. —en. Een regelmatige —

kan in een cirkel beschreven worden. TwaaHponder {kanon: ook gewicht), m. —s. Twaalt'vond. o. —en. iH is het — van 12. Twee. bep. telw. —ën. Het is bij tweeën.

Twee (rijfer), v. —ën. Schrijf eens drie —ën. ! Tweehlad (plantgewas), o. gmv.

Tweede (ranggetal), bn. Jan is de eerste leerling en Hein de — der klus: Willem de —. graal', stadhouder, of koning; ten eerste, ten —. bijw. d. i. in de — plaats.

Tweedracht (verdeeldheid), v. gmv. Tweedrachtig (oneenig. verdeeld), bn. en b\v. Tweeerliande, —lei. onverb. bn. Tweegevecht (duel), o. —en.

Tweeklank, m. —en. Onze taal ben' twaalf —en, b.v. aan, een, enz.

Tweeledig, bn. Een — onderwerp, b.v. Jan en Piet spelen; een — gezegde.

Tweeling, m. en v. —en.

Tweemaster (schip met twee masten), m. —s. Tweern (gedubbeld garen), m. gmv. Tweernen (twijnen, garen dubbelen), ik heb getweernd.

Tweespalt (tweedracht), v. gmv.

Tweespan, o. —nen. Wat een prachtig twee gelijke paarden voor één koets. Tweespraak (dialoog), v. —spraken. Tweesprong (scheiweg), m. —en.

Tweestrijd, m. gmv. De ezel stond in —. van

welke hooischelf te eten. (van Lennep). Tweetal, o. —len. Een — uren, een — liederen, d. i. twee.

Tweetongig (bedrieglijk), bn.; —heid. v. Tweevoud, o. —en. Zes is het — van drie.

Twijfel (besluiteloosheid), m. gmv. fn _

staan, in — trekken, niet gelooven; het lijdt geen —. het is zeker.

Twijfelaar [persoon die twijfelt), m. —s. Twijfelachtig, bn. en bw.; —heid. v. Twijfelarij, v. gmv.

Twijfelen, ik heb getwijfeld: —iiijj. v. Twijfelmoedig, bn. en quot;bw.; —heid. v. Twijfelzucht, v. gmv.

Twijg (een loot. takje, rijsje), v. —en.

Twijn (gedobbeld jaren), m. gmv.

Twijnen (tweernen), ik heb getwijnd; —der, m.; —derij, v. Getwijnd garen, touw. dat bestaat uit een ineendrilling van twee draden. Twijngaren. o. gmv.

Twintig, bep. telw.

Twintiger (persoon van ZO jaar: wijn van 1820; oorlogsschip van 20 stukken), m. —s. Twintigponder (kanon: ook gewicht), m. —s. Tw i n t i gst e (m gt; iggeta l), telw. De — der maand: ik neem een — in de staatsloterij, d. i. een 20e lot.

Twist (geschil, ruzie), m. —en. Een — bijleggen, vereffenen; een — beslechten. Twistappel (punt van geschil), m. —s. Zeeland was lang een — tusschen Vlaanderen en Holland, d. i. aanleiding tot twist.

Twisten (ruzie hebben), ik heb getwist; —er. m. Twistziek, bn. Een —e nabuur, d. i. twist-zoekend.

Type (drukletter), v. —n.

Type (voorwer/i. ontwerp, monster, uit'wdrukt beeld), o. -n.

Typisch (karakteristiek), bn. Een —antwoord, een — landschap.

Typheus (op tgphus lijkend), bn. —euze koortsen.

Typhus (soort van heete koorts, ijlende koorts, zenuwkoorts), m. gmv.

Typograaf (boekdrukker), m. —grafen. Typographic (boekdrukkunst), v. gmv. Typographisch (drukkers-, de drukkunst betreffend). bn.

Typoinetrie (druk van landkaarten, ka arte n-drukkunst), v. gmv.

Tyran (dwingeland), m. Zie Tiran. Tyrolienne (meisje of eromv uit Tgrol; Tg-roolsch lied, dans), v. —s.


17*

ocr page 280

L-UITGELATKN.

260

I.

V. v. u's. — De vijfde klinkletter, de een on twintigste letter van liet alphabet, l .C. — Urbis conditcir. van den bouw der stad Home af. !

— Vtrinsqva Jiiri* doctor, .Meester in de beide rechten.

l it. _ i 'it}mo, op den laatsten d:i^(der maand). I'.h. — l'i sn/tra, als boven.

I chteiifl (dicht, voor ochtend), m. gmv. Dr— des lerens, de eerste levensjaren.

l i {looi,), m. —en.

I. ier, m. —s. L'iers dmltkeu (F'ooti. d. i. melken. I iig (grappiy). bn. Een — nmn. geestig, vol 'vwinkslagen.

I il (vogeh nachtvlinder), m. —en. EU* meent zijn — een vatk te zijn. ieder houdt het zijne voor iets voortreffelijks: hij is een —.lomperd: 'dien naar Athene dragen, noodeloos of over- j ollig werk doen. Een niltje knappen, een dutje doen.

I iiêiiiiCMt. o. —en: —oos. o. —en; —vlm-lit. v. gmv.

I iloHpiegel {schaII,). m. —s.

i ilHkoi» {stornmelinri), m. —pen.

I ilHkiiikpn {lompe leer ling), o. —s. i'itbeHteden. ik heb —besteed: —iiiff. v. Een weeskind d. i. buiten ergens in den kost besteden.

rit bijten (van scherpe vochten enz.), het beet —. heeft en is —gebeten. De japon is hier door het citroenzuur —gebeten, de kleur is weg; gelijk de :ee het land uitbijt met zijn zont (ba Costa).

L'itbijten (ijs wegdoen door 't hakken van hijten), ik heb —gebijt.

l'itbotten {Knoppen krijgen), het is —gebot; —fins. v. De wijnstok begint uit te botten, er komen bladknoppen aan.

ritbraaktM'l (spnwsel. fig. [terloei, ), o. —s. I itbramlcr (standje), m. —s. De knecht heeft een — gehad.

l'itbmden. ik heb —gebreid: —er. m.: —iiir,

v. De armen —. openen: zijn kennis —. vermeerderen: een uitgebreide kennis, groote; een uitgebreide volmacht, van ruime strekking: een uitgebreid werk oeer geschiedenis, lijvig, in veel deelen.

i'itbreken. ik brak —. heb en ben —gebroken: — ins. v. Ik zal er morgen zien uit te breken, d. i. uit de drukte mij een oogenblik verwijderen: hier zullen de dieren niet —. nl. uit de gevangenis ontsnappen: het zweet gaat )nij —. te voorschijn komen.

l'itbiiiten (uitzuigen), ik heb uitgebuit. Een fabrikant, die zijn arbeiders nitbnit. VlihwuM^;(buitengewoon), bn. en bw.; —lieid, v. —e lof: zijn rede werd — toegejuicht. I if dagen, ik daagde —, heb —gedaagd: —er. m.: —ing, v.; —ingsln irr. m. tem. — tot een tweegevecht, opeischen. oproepen.

l'ifdeelen, ik heb —gedeeld: —er, m.: —iiiR. v. Weldaden met kwistige hand —, geven, verspreiden.

ritdelgen (te niet doen), ik heb —gedelgd; —er, m.; —ing, v. Scholden —. afbetalen, amortiseeren.

ritdenken (uitvinden^ ik dacht —, heb —gedacht: —er. m. Wie dat geweer beeft aitgc-dacht. moet een schrander man zijn.

l'itdijen (opzwellen, nitzelten), het is —gedijd: -ing, v.

I ifdoen. ik deed —, heb —gedaan, (lij moet die japon —. uittrekken: een post ineen boel, —. doorhalen; de lamp. de kaars —. uitblazen, l'itdooven. ik heb en het is—gedoofd: —ing. v. De vlam —. blusschen: fig. den lust. den ijver, de liefde —, te niet doen gaan. 1'itdoMHen (opsmukken), ik heb —gedost: —«ing, v.

I itdrager (verkooper van gebruikt huisraad, kleeren enz.), in. —s: —ij {uitdragerswinkel), v. —en.

I'itdrnkkelijk {nwl nadruk, bepaald), bn. en bw. Een — bevel: iem. iets — verbieden, me veel nadruk.

l'itdrnkken (uitpersen), ik heb —gedrukt: — king, v.: —sel, o. Eenspons —. een citroen —. d. i. uitknijpen: tig. uiten, te kennen geven: Dit meisje kan zich netjes —.

I'itdniden (aanwijzen), ik heb —geduid: —ing. v.; —sel. o. //.■ kan n den teeg in Amsterdam moeilijk —.

l'iteenloopend. bn. —e lijnen, d. i. niet evenwijdig; —e meeningen, —e gevoelens, cl. i. verschillende, tegenstrijdige.

riteenzetfen (fig. verklaren), ik heb —gezet: —ting. v. Ik zul n die. kwestie eens —, d. i. ontwikkelen, blootleggen.

l'iteinde (fig. laatste nnr, dood), o. —n. //. wensch n een zalig —. een wensch op 31 December.

Uiten (te kennen geven), ik heb geuit, heb mij geuit: —ing (uitdrukking)^ v. —en. Uitentrenren (zeer lang), bw. Zij zongen hel dn art —.

l'iterlijk, bn. en bw.: —lieid.v. De —eschijn, —e glans, d. i. uitwendig; ik zal n — over zes weken betalen, d. i. binnen dezen tijd. I iterlijk (voorkomen, gelaat), o. gmv. Een jongmensch van een gunstig —.

litermate (buitengewoon), bw. Uc ben — tevreden.

Literat. bn. De —e wil, testament: zijn best doen. alle krachten inspannen: zoo iets geschiedt — zeldzaam, d.i. hoogst, bij uitzondering zeldzaam.

1'iterate [einde, het laatste), o. gmv. De zieke lag op zijn hij zieltoogde.

l'iterwaard (buitendijks gelegen grond).\ -en. l'itllniten (fluitende uitjouwen), ik llo^t —. heb —gefloten: —er, m.; —ing, v.

I itgaai'. uitgave (uitgift: druk), v. — .raven. L'itgaan (buitenshuis gaan), ik ging —. beu —gegaan.

t'itgang (het uitgaan: dear), m. —en. l'itgave, v. Zie l itgaal'.

l'itgebreid, bn.: —lieid, v. Een —e correspondentie of briefwisseling.

Uitgediend, bn. Een — schut Ier. van de rol gebracht, die zijn dienst heeft volbracht. ^ l itgelaten (zeer dartel), bn. en bw. —lieid.v. De kinderen waren — van blijdschap. Toen verhief zieh de vroolijkbe'nl tot —(C.O.).


ocr page 281

L1 TG ELEEFD—L:I TPE KS EN.

261

I iftfeleelcl (stokoud), lm. Ken — (jrijsaard. ritgHride, o. gmv. Icm. — dorgt;i, een eind weegs vergezellen.

lezen (noortreffclijk), bn.: —lieid, v. Ei')i

— bende', een — publiek, een — schaar.

l itceiiiiiitkt (zeker. vast), bn. Een —e zaak. l'it^e.sti-cken (elfen, kalm), bn. Met een — qezicht.

I itffCHhekt (wijd, aityebreid), bn.; —lieid, v. l'itgetoKen. vd. Meester is — in 't zwart (De , Genestet), d. i. uitgegaan.

l ifReven, ik gaf —. heb—gegeven: —gaal',v.:

—gever, in. Een hork —, in druk geven, doen verschijnen: zich voor een koopman —. zich 1 als zoodanig voordoen: dr aandeelen worden —lt;iegeven tegen 980'o, d. i. aan de markt gebracht, verkocht.

I'itgewekene {balling), m. en v. —n. l'itgewerkt. bn. Een — verslag, programma, d. i. uitgebreid, met zorg bewerkt.

I itgexocht. bn. /*gt;// —e gelegenheid, voortreffelijk: —e afaren, beste, uitgelezen.

I'itgil'te, uitgift, v. —giften. — van aandeelen. van pandbrieven, verspreiding, uitgave. Uithaal ( praah. m. Een grooten — makvn, d. i. bij een partij veel weelde ten toon spreiden. U i th a leu (tueghalen. uitwijken met een rijtuig).

ik heli uitgehaald. Het — van nestjes (C. Ó.). l'itliam (landtong), m. —men.

I i(liaiis;l»ord (winkelschild), o. —en. I itheeniM'li (buitenlandsch. vreemd), bn.:

— Iieid, v.

I ithoek (kaap: ook: afgelegen hoek), m. —en. Op een — van het eiland: in een — van ons land.

I itlioaren, ik heb —gehoord; —der,m.: -ins, v.

Tem. trachten uit te hooren, d. i. achter zijn geheimen trachten te komen.

I itliooxen ibij boot of schuit het water uitwerpen). ik heb —gehoosd.

l'itiioiiden, ik hield —, heb —gebonden: —er, m. Gij zult het in 'Jat dorp niet lang —. volhouden.

I itliuixig. bn. en bw. —lioid. v. Ee,, — man. die gaarne buiten zijn huis toeft, l'itlniwelijken, ik héb —gehuwelijkt; —ing. v. Een dochter —. d.i. ten huwelijk geven. I'itlinuen, ik hel» uitgehuwd: —ing. v. I'itkeeren {beluien), ik heb —gekeerd: —ing, v. le}n. de gelden eet ter levensverzekering —. i itkeeriiig.srondH, o. —en.

l'itkijk {uitzicht), m. gmv. Op den — staan, de wacht houden.

l'itkijk (uitkijk'')'), m. —en. Onze — riep: Een schip in lij.' d. i. de matroos in den i mastkorf.

ritkippeii (nitkiezen), ik heb —gekipt. I'itklaren. ik heb —geklaard: —ing. v. Een schip —. gereedmaken om in zee te steken: goederen —. in goede orde laden.

Titkleeden, ik heb -gekleed: —ing. v. Een kind —, van de kleertjes ontdoen: deze los- \ bollen zullen htm vader heelemuul —. ver- | armen, berooven; men moet zich niet —. tutor j men naur bed gaat, d.i. zijn bezittingen niet aan de kinderen schenken vóór zijn dood. l itkoin.Ht, v. —en. De — eener rekensom: er was geen — meer, redding.

I'it koop {vrijkoop, losgeld), m. —en. Uitkoopen, ik kocht —, heb —gekocht. Een firmant uit een zaal: —. door geld afkoopen als aandeelhouder; deu tijd uitsparen, zoeken te winnen.

Litlachen, ik lachte —, lieb —gelachen; —er, m. De tooneelspeler werd uitgelachen, d. i. lachende bespot.

l'itlandig {buitenslands), bn.; —lieid, v. Ik was in die dagen —. d.i. in het buitenland. Lit leg (verklaring), rn. gmv.

Uitlegger (verklaarder, vertaler), m. —s: —ster, v. —s.

Uitlegger {een wuchtschip), m. —s. l itlegkirndige (persoon), m. en v. —n. Uitlekken, het is —gelekt; —ing, v. Fig. ruchtbaar woiden, bv. Het geheim zal wel —. Uitleveren {overleveren), ik heb —geleverd:

— ing, v. Een gevangene —, een misdadiger — : Amerika levert thans ook moordenaars uit.

I itle/.en (ten einde lezen, ook uitzoeken), ik las —, heb —gelezen. Een roman —: een uitgelezen schaar, keurbende.

Uitlokken, ik heb —gelokt; —king, v.; —«el, o. Een besluit zijn best doen om het te doen nemen.

Uitloop, m. —on. De — van den liijn, monding; deze fabriek heeft haar— in het kanaal. riool, afvoerbuis.

Uitloven, ik heb —geloofd; —ing, v. Een zilveren medaille —. bij mededinging beloven aan den besten speler.

Uitluiden, nitlnien, ik heb —geluid: —ing, v. De kermis —. met de klokken luidende doen eindigen: iem —. bij een begrafenis: Al vu werd uitgeluid, al budende verwenscht. Uitmaken, ik heb —gemaakt. Deze heeren maken het bestuur uit, d.i. vormen: het is een uitgemaakte zoal:, een voldongen feit; hij maakte u voo ' dief uit, d.i. uitschelden; wat maakt dut uit, wat beteekent het! Uitmalen (droogmalen), ik maalde —, heb —gemalen: —ing. v.

Uitnieigelen {uitputten), ik heb —gemergeld:

— ins. v. Door roofbouw een akker —. Uitmeten, ik mat —. heb —gemeten. Een

terrein —. lengte en breedte bepalen; iets breed —. er hoog van opgeven; met de maat. waarmede gr uitmeet, zult ge ingemeten worden, men zal u behandelen, zooals gij anderen behandelt.

Uitniiddelpiintig. bn.; — lieid. v. Een —e

sch ij f.

l'itiiiosen {verlof hebben), ik mag—,mocht—. Uitnionding, v. —en. De — eener rivier. Uitmoiisteren. ik heb—gemonsterd: —ing, v. De soldaten werden uitgemonsterd, bij een inspectie, d.i. afgedankt: dr uniform is thans rood uitgemonsterd, biezen en kraagrand zijn rood: fig. optooien, opschikken.

Uitnmiiten {uitblinken), ik hel» —gemunt: —er, m.

Uitiiiniitend (voortrelfelijk). bn. en bw.; —heid. v.

UitiHMiiend (zeer goed), bn. en bw.; —lieid.v. Uitnooden (verzoeken), ik heb —genood. I itnoodisen {verzoeken, vragen), ik heb—ge-noodigd; —er, m.: —ina;, v.

Uitoefenen, ik heb —geoefend; —ing, v. Een bedrijf, een beroep —: hij oefent het ambacht van smid uit.

Uitpakken (ontpakken), ik heb —gepakt; —er, m.: —ing, v. De koopman is in dat hotel uitgepakt, hij houdt daar verkoop van de uitgestalde goederen: fig. zijn hart luchten door het geven van ren berisping.

UitperHen. ik helt —geperst; —ing, v. Een citroen —.


ocr page 282

[ IT PLU fZEX- U IT VOnSCHKX.

262

Uitphiizen (fig. haarfijn onderzoeken), ik ploos —. heb —geplozen: —er, m.; —ine;, v. I itpiittcn (ledigen), ik heb —geput; —ing, v. Mijn has is aitije/mf. er is geldgebrek: de no'rlou pat de volken ait. verzwakt, maakt krachteloos; iem. r/edald maken, dat iem. het geduld verliest; mijn krachten zijn uitgeput, ten einde, verbruikt; een uitgeputte .schatkist, leege.

Uitreeden (zeew. uitrusten, reede maken), ik heb —gereed; —er, m.; — iiiR. v.

i'itrieliten. ik heb —gericht. Wat Z'dt gij hier — ? doen. bewerken, verrichten.

l.Titroeieii (verdelgen), ik heb —geroeid; —er. m.: —ing. v. Een bosch —, ontwortelen; schadelijk gedierte —, verdelgen; onkruid —. uit- ; wieden: slechte gewoonten doen ophouden, l'itroep (kreet), m. —en.

L'itnikken, ik heb en ben —gerukt; —ins;, v. Ken plant uithalen, uittrekken: het bataljon moest naar buiten rukken.

l'itrnsh'ii (zich door rust van vermoeienis ! herstel hm: toerusten, gereed maken), ik heb : —gerust; —ing. v. Hij tuil eerst eenige weken —: een schip —.

VitMelieulen. ik scheidde —. heb en l)eii —gescheiden. Hij wil niet — met plagen, eindigen. ophouden.

UitMehiüereiK uitblinken ),ik heb —geschitterd: Vondels gedichten zullen altijd —: Item-brand ts Nachtwacht zat immer —. d.i. het voortreflel ij ksto zij 11.

l'Useliot. o. — ten. Licht eindt ge, eer het werk verjaart. L'w — dubbel ingèépaard (Staring), d.i. het voorgeschoten geld: — van havannasigaren, d.i. de minder goede sigaren. l/UNelmld (uitstaande schuld), v. —eu. l it- en inschulden, actieve en passieve schulden, l itHlag. m .: — van sterke dranken, debiet: in dien kelder komt alles rol —. schimmel; het kindje zat vol —. roodheid, vlekken; lt;le — van een examen, afloop, gevolg: met den besten —. uitkomst.

l itnloven (zieli). ik heb mij —gesloofd. Ik heb mij v .or quot; uitgesloofd, mij veel last en moeite aangedaan.

I itshiiten. ik sloot —. heb —gesloten: —ins- v.; —nel. o. Kinderen beneden de zestien jaar zijn uitgesloten, d.i. worden niet toegelaten; bij uitsluiting, bij voorkeur.

l'itNluiteiid. bn.enbw. Dut recht is hem -ge-schonken, d. i. mot uitsluiting van alle anderen. I:it8paiiiieii, ik heb —gespannen. De paarden —. losmaken: zich —. zich vermaken, ontspannen.

L itspaiiiiiiiu: (vermaak), v. —en.

i'ltapaiiMel (het hemelgewelf), o. gmv. l itapatten (losbandig teven), ik ben en heb —irespat: —iiiK. v. Hij gaf zich over aan allerlei uitspat tingen, ongeregeldheden. l'itHpiiiiieii(fig. langdradig r(/n),ik spoti —.heb en het is —gesponnen. Vader Cats spint zijn verhalen tot vervelens toe uit, d.i. uitrekken. l'itHpraak, v. —spraken, l'w — der F ranse he taal is niet zuiver, het spreken; ik ken hem aan zijn —, tongval: de — der rechters wordt eerstdaags verwacht, vonnis.

l'itataan. ik stond —. heb —gestaan. Ik kan zijn bluf niet —, velen, dulden; ik heb met dien man niets —. te maken: —de schulden, d.i. te vorderen: een kapitaal kan —. l ifHtallen. ik heb —gestald: —iiiR.v. Nieuwe modestoffen d.i. iu de winkelkast leggen: alle winkels hebben al uitgestald, uitgepakt: Al kwamen Prinsen, en zij stalden zooveel gaven als titels uit (Staring), d. i. tentoonspreiden.

I'it.stap {korte reis), m. —pen.

I' itatappen (nl. uit een rijtuig), ik ben —gesta pt.

UitsteeKsel (een uitstek), o. —s.

l'itstek {uithoek, kroonlijst), o. —ken. Hij — tevreden zijn, d.i. zeer, buitengewoon.

I itatekeii, ik stak —. heb —gestoken; —steek-sel, o. Hij stak de hand uit: de vlag —: ib' tong —: dat steekt mij de oogen uit, d.i. het wekt mijn ijverzucht op; een —de bergspits, hooge.

1'itMtékeiid (tig. voortreffelijk), bn.enbw. Een

— opstel: een — punt van aanval: een — tooneelspeler.

l iUtel. o. gmv. — is geen afstel, wat uitgesteld wordt, is niet voorgoed afgedaan.

l itHtellen (verschuiven, verdagen), ik helt —gesteld.

litnterven, het stierf —. is -gestorven:

— ing, v. Het adellijk geslacht der Breder odes stierf uit.

l'itHtorten, ik heb —gestort; —ing. v. Stort uit dan. broeders! dien hoogverhoorden kreet. d.i. met kracht uiten. (Volkslied).

I itstrooien. ik heb —gestrooid: —er. m.:

— mg, v.: —«el, o. Wie heeft dat praatje uitgestrooidverbreid.

Lit tarten [uitdagen), ik heb —getart; —iiig. v. Wij tarten Spanjes kielen uit. d. i. trotseer mi. tergen, uitdagen.

I ittoelit. m. —en. De — der Hebreeuwen uit Eggpte.

Uitvaagsel (gemeen volk), o. —s.

Uitvaardigen, ik heb —gevaardigd: —ing. v. Een bevel doen afkondigen.

Uitvaart {begrafenis), v. —en.

Uitval, m. —len. De bezetting deed een —. rukte buiten tegen den vijand op: wat een — van dien heer tegen zijn knecht, standje.

Uitvaren (razen, tieren), ik voer —, ben eu heb —gevaren.

Uitvegen (regende reinigen), ik heb —geveegd: —veegsel, o.

Uitverkoop, m. gmv. Die winkel heeft —. zal ophouden.

Uitverkoren (geliefd), bn. Het — volk Gods. de Israëlieten.

Uitverkorene {.geliefde: zalige), m. en v. — n.

Uitvinden {uitdenken), ik vond —. heb —gevonden: —er, m.; -■nis. v. Wie zal net photographeeren met kleuren nog eens — ? Hij heeft het buskruit niet uitgevonden, hij is niet schrander, hij is dom.

Uitvindsel (verzinsel), o. —en, —s.

Uitvlnelit (verzinsel), v. —en.

Uitvoer, m. gmv. Die sigaren zijn voor den

— bestemd, d.i. voor den export-handel; iets ten — brengen, doen. volvoeren.

Uitvoeren.ik heb —gevoerd: —der.m.: —ing.v. Wat voert gij uit? Het muziekstuk werd keurig uitgevoerd, d. i. gezongen, gespeeld; de —de macht, de ministers; een besluit —. verwezenlijken; de schilderij, het boek enz. is goed uitgevoerd, gemaakt.

Uitvoerig (omstandig), bn. en bw.: —lieid. v. Een — schrijven, d.i. omstandig, afdalende in bijzonderheden.

Uitvorselien. ik heb —gevorscht: —ing. v. Hij zoekt de waarheid uit te vorschen. te achterhalen.


ocr page 283

USUKPEEHKN.

263

nTVRAGEN—

i'it vragen, ik vraagde (vroeg) —, heb —gevraagd; —er, m : — ing. v. Wij zullen dat kind —, ;gt;1 vragende alles trachten te vernemen: mijn zus is vanrniddof/ uitgevraagd, op een partij of visite gevraagd.

i'itwaartH, b\v. Zet de roeten —.

i'itwas {nitgroeisel), o. —sen. Die eik heeft meer dan een Allerlei —sen in het bekleedsel van den magen geven steun aan mg, zijde en ellebogen (Gorter), d. 1. uitsteeksels, l ilwateriMi. liet heeft —gewaterd: —iiiR, v. Dit riviertje watert uit in de Maas, d. i. iltloopen, zijn water loozen.

1 itwatcriiiif.ssliiiH. v. —sluizen.

V If weg. m. —en. Zij weten geen — meer in den nolt;gt;d, d. i. uitvlucht, redding.

i'H weiden (tvijdloopig zijn), ik heb—geweid : —iiiR. v. —en. Hen uitweiding schrijven ovei' 't geluk des hinder leeftijds. (C. 0.) l'itweiMliff. bn. en b\v. Een geneesmiddel tot

— gebruik, d. i. op de huid, niet om in te nemen: de —e restauratie der St.-Jan, aan den buitenkant.

l itwerksel (gevolg), o. —en. —s.

l ilwerpwel lt;ontlastinq). o. —s. —en.

i'it wij ken. ik week —. ben —geweken; —Ins. v. Deze muur gaat uit het lood: rele edelen weken bij de komst van Alva uit. het land verlaten.

l itwijzen. ik wees —. heb —gewezen; -lus, v. De tijd zal het wel —. aan den dag brengén; de rechter moet het maar —. beslissen. 1'lt winnen, ik won —, heb —gewonnen:

— Ins. v. Wij kunnen langs die lijn een uur —. bekorten, voordeel hebben: op die ivijze^ zult ge veel moeite —, sparen.

l'itwlNHelen. ik heb —gewisseld: —Ins. v. De wederzijdsche gevangen officieren zal men —. ruiien.

l ify.et ugezam. kleeren een er bruid, run een

wees. enz.), o. —ten.

iltxlelit. o. —en. Eeu fraai —, gezicht van uit een venster, enz. verschiet: hij heeft — op bevordering, hoop. vooruitzicht.

i'itxien. ik zag —. heb —gezien. Mijn kamer ziet op de straat uit, heeft het uitzicht: hij ziet zich dr oogen —. hij staat verbaasd; gij ziet er goed uit, slecht uit, voorkomen hebben : ilat ziet er mooi. leelijk uit, het is goed, slecht gesteld: naar een betrekking, .een dienst, werk enz. —, zoeken, pogen te krijgen; ik heb er vergeefs naar uitgezien, gezocht, getracht: het ziet er uit, alsof jij hier baas waart, den schijn hebben.

Vltzlniiis (onbesuisd, razend), bn. en bw.:

— held. v. — gewoel.

i kaze {bevelschrift, decreet van den Hussi-schen keizer), v. — n.

l iaan, l liiaan (Poolsch lansier), m. ulanen. l'lrereeren {etteren, zweren).

1'lenia iTurksch schriftgeleerde), m. —'s. Hevel (suikerplaatje), v. —len.

l'ïster (lange overjas met ceintuur of gordelband). m. —s.

Vltérienr (aan gene zijde: later, naderhand), bn. en bw.

1'ltlinatn in (laatste verklaring, eindbesluit), o. gmv.

1'ltlino (de laatste dag), m. —quot;s. — December, d. i. 31 December.

I Itra {verder, ginds, tian gene zijde), bw. 1'ltra (overdreven), bn. — liberaal, de — partijen, de uiterste partijen.

l'ltra (heethoofd), m. —quot;s.

l'ltrainarljn (bergblauw, heu telsbla i gt; w), o. gm v. 1'ltraniarln (overzeesch), bn.

L'ltraniontaan (voorstander van de heerschappij van den paus), m. —anen. I'ltraniontaaiiHcli (van over of aan gene zijde van de bergen', in den geest of op de wijze van een ultramontaan), bn.

l'ltra violet, bn. De —te stralen van het spectrum, lichtstralen met nog grooter aantal trillingen dan de violette, voor ons oog onzichtbaar. [bn.

Inaniein {eenstemmig, eensgezind, eenparig), l'naninilteit (eenstemmigheid, eensgezindheid, eenparigheid), v. gmv.

Inelaalletteix (kapitale beginletters, in druk). v. mv.

l'ndiilatle {golving), v. —tiën.

I iMliileeren (een golvende beweging hebben, golfs wijs zich bewegen).

Inl (glad, effen, eenkleurig), bn.

l'nle (eenheid, eendracht, vereeniging, verbond, bond), v. —s. De — van Utrecht (1579).

rnlek (eenig), bn. en bw. Zulk een vioolspel is —, heeft zijns gelijke niet.

liiironn (een- of gelijkvormig), bn. Voor heel het land een —e briefport.

I nllorin {gelijke dracht of kleeding. dienst-klceding der krijgslieden), v. —en. De leerlingen dezer kostschool dragen —.

liiionl.Ht (voorstander van de eenheid), m. —en. IniNone (muz. eentonig, eenstemmig), bn.: I niteit (eenheid), v. gmv. f--no, o.

Iniverseel {algemeen, allesomvattend; algeheel), bn. — erfgenaam, algemeen erfgenaam. Een — zakmes. (C. O.»

Iniversiteit (hoogeschool), v. —en. Inlvei'Malla (algemeene dingen), v. mv. l'nlverHinn (het Heelal), o. gmv.

l'iijer {plant), v. gmv.

liio animo (één van hart en zin), bw. I n poeo (muz. een weinig), bw.

I nstel' (weegtoestel of Hom. balans), v. —s. i.'ri\nu\ (muze der sterrenkunde: ook: de naam eener planeet), v. gmv.

l'ranalosie (hemelkunde), v. gmv.

Irhaniteit (steedsche wellevendheid, gepaste deftigheid), v. gmv.

I re. v. —n. Zie I nr.

Irseeren (dringen, drijven: op iets blijven staa)i).

I rsent (dringend, spoedeischend). bn. I' rsentle (nooddrang,spoedvereisching),\'.gmv. I'rine (menschenwater, pis), v. gmv.

l'rinoir (openbare waterplaats), o. —s.

I'rineii (tobben), ik heb geurmd. De Dusse loopt: En —d, en wurmend en stormend. (Van Len nep).

I rne, nrn (lijkbus, waarin de ouden de asch van een overledene bewaarden: bus, waarin oudtijds de stemmen verzameld wérden), v. urnen.

l'*antle. tiMunee {gebruik, gewoonte), v. -tiën. —ties, —ces.

Isa, o. gmv. Op twee maanden —, na twee maanden zicht.

l'wneel (volgens gebruik), bw.

i HnMlrnetiiM (lijftocht, vruchtgebruik), o. gmv. lanre (woeker), v. gmv.

Isurpatie {de daadv((n overweldigen), v. gmv. i Miirjiator {overweldiger), m. gmv. l'fiiirpeeren (overweldigen, gewelddadig of 1 onrechtmatig zich toeëigerwn).


ocr page 284

UT-VAGEN.

L t {eerste noot iu de kl(iiil, llt;Hlclei\ de c), v. gniv. j

VtenmliPn(iuei'kt((igen.(iereedsc/iappc}i),\.mv. ;

l'tiliHeoreii {nuttig maken, ten nutte aanwenden ).

Itiliteit {nutx bruikbaarheid: bruikbaar uoor- \ werp of persoon), v. gmv.

I'topiii {de naam van een verdicht land: \ luilekkerland, het land der hersenschimmen). '• y. gmv.

I topie (droombeeld, hersenschim), v. —«n.

I (opiscli {hersenschimmiij), hn.

Utopist {dweper, plannenmaker), m. —en.

L'4 retro {als op voorgaande blz.), bw.

l'nr, o. en ure. v. uren.

I'lirglaN {aarzandlooper), o. —glazen. Died riks — is verloopen (Vondel), d. i. het leven is voorbij.

l'u'eiit (ten) {in aw huis, in uw stad), bw. uitdr.; —halve, bw.: —wege. bw^ om —wil. bw. uitdr.


v

V, v. v's. — De twee en twintigste letter van liet alphabet: als Komeinsch cijfer beteekent V ö. V. — Verte of Volte, wend om.

V. — Vale, wees gezond, gegroet. V. — Veteranus, oud-gediende.

V. — Votum, gelofte, goedkeuring, stem. V. — Votre. de uwe.

V.A. — Votre Alt esse. Uwe Hoogheid. V.A.R. — Votre Altesse royale, Uwe Koninklijke Hoogheid.

V.C. — Verbi causa, bijvoorbeeld. VX'. — Vostro conto, uwe rekening. V.D. — Volente Deo. wanneer God wil, met Gods welbehagen.

V.D.M. — Verbi divini minister, bedienaar van Gods woord.

ydf. — Videlicet, namelijk, te weten. V.(i. — Verbi gratia, bijvoorbeeld.

V.T. of \et. Tvsi. — Vieu.r testament of Vet us testamentum. het oude Testament ol Verbond.

V.V. — Vice versa, heen en terug; omgekeerd. Veit. - Vertatur, men keere (het blad» om: ook: vertaler.

Vert. S. 1*1. — Verte si placet, keer (het blad) om, als het u belieft.

Vid. — Vide of videatur, zie of men zie. VUIit. — Gezien.

yoc. - Voce, op het woord of artikel. Vol. — Volumen, de band of het deel van een boekwerk.

y«. — Vers.

yt. — Vidit. hij heeft het gezien of doorgezien. Vz. — Voorzitter.

|de bank.

\a! {het gu! het zij zoo!). — banque, het geldt Vaag {.vettigheid van den grond: fig. kracht, bloei), v. gmv.

Vaag (onbepaald, onzeker), bn.: —lieid. v. Een — begrip, een — antwoord.

Vaak (geneigdheid tot slapen), m. gmv. Praatjes voor den —, beuzelpraatjes.

yaak (dikwijls), bw.

Vaal {zivart- of roodachtig bruin', verschoten), bn. en bw. De vale hei: een —bonte koe, een —groen kleed, een —bruine japon, een —IP'jze jas.

Vaalt {mestkuil), v. —en.

Vaam (vadem, lengte van LOS M.), m. vamen. Vaan (banier), v. vanen. De — van den vooruitgang, de — des oproers.

Vaandel, o. —en. —s.

Vaandrig {vaandeldrager), m. —s.

\ aardig (gereed), bn. en bw.: —lieid.v. Mank quot; —: ik sta —: hij is — met de pen. vlug. bij de hand. Maal: — de groene banieren der vreugd! (Bogaers).

Vaarkae {vaars), v. —koeien.

yaai'M (jonge koe), v. —zen.

yaarwfliraelquot; {spil met spiraallijn), v. —ven. ^iart, v. —en. Wij wandelen langs de het kanaal: — verminderen, vermeerderen, d. i. snelheid; in rolle vaart, ontzettend snel; iem. in zijn — stuiten, loop, snelheid: dat zat zoo'n vaart niet nemen, maak u daarvoor niet bang.

Vaartuig (schip, schuit), o. —en.

Vaarwater (zeew. kielwater), o. —en. —s. Vaarwel, tw. (o. als zn.)

Vaarwelzeggeu, ik hel» —gezegd en —gezeid. VaaH {pot, urn), v. vazen.

\ aatdoek. m. —en. Hij is zoo slap als een —, hij is zwak van gestel.'

Vacant (ledig, onbezet), bn. I-Jen —e plaats. Vaeantie. v. —tiën, —ties.

\ aeatie (tijd aan iets besteed, bv. door eer» rechtspersoon), v. —tiën. —ties: —geld(/ouu. salaris voor elke vacatie), o. —en.

Vacatuur, vacature {opengevallen plaats), v. —turen, —tures.

Vaccine (koepok-inenting), v. gmv. Vacciiieereu (met koepokstof inenten). Vacciuogciie, bv. Een pare —, plaats waar de pokstof direct van het kalf kan genomen worden, yaceereii (open zijn, openstaan).

Vacht (vlies, schapenhuid met de wol), v. —en. Vacilieeren (wankelen, besluiteloos zijn).

Vadt •ui (scheepsw. lengtemaat), m. —en. En —s hout gekapt (Tollens), d. i. stapels van (gt; voet afmeting. Zie Vaam.

Vademecum {verklarend zakboekje), o. —s.

Vade mecum, bet. Ga met mij!

Vademen (bij den vadem meten), ik heb gevademd.

Vader, m. —s, —en. Onze raderen, voorouders, hielden zich met die dingen niet op. (C. 0.gt; yaderland, o. gmv.

Vaderlief (slaapmuts), m. —s. Smerige Jan. met zijn — en zijn evaatje (Potgieter), nl. de kok.

Vadei'Hcliap. o. gmv. Het onderzoek naar het — is verboden.

Vadsig (lui), bn. en bw.: —lieid. v.

Vagehuud (landlooper, lediglooper). m. -en. \ agen (zuiveren, reinigen. schoon)naken\ Lk heb gevaagd.


ocr page 285

VAGEVUUR-VAT.

26.gt;

yagcviiur (li. K.plaats ran gt;v?m/;/mr/), o. gmv. Vak (afcleeling. fig. beroe/)), o. —ken.

Vakerig; (slaperig), bn.: — lieid. v.

Val (het vallen), m. — len. De — van een koningshuis; hoogmoed krnnt voor den —: hij werd ten — gebracht.

Val (tuerktaig om dieren te vangen, vang knip), y. —len. De rat is in de —, klem. Val (strookje, boordje), v. —len. Een oude schoorsteen met een gebloemde —: in deze tent. tusschen staatsiegordijnen ei schoor-steenvallen. (C. O.)

Val (scheepsw. talie, lijn), o. —len.

Valabel (geldig in rechten), bn.

Valbijl {guillotine, onthoofdingswerktuig). v. —len.

Valblok (scheepsw. hijschblok), o. —ken, —s. Vale [vaarwel! wees gezond), tw.

Valeriaan (zeker geneeskruid), v. gniv. Valet-de-eliambre (kamerdienaar), m. valets-de-chambre.

Valenr {waarde, gehalte), v. gmv.

ValKtH-tlijn (rolgordijn), o. —en.

Vallioed (hoedje voor kinderen), m. —en. Valide (geldig in rechten), bn.

^alideeren 'geldig maken of verklaren: crediteeren).

Valies (lederen reiszak), o. —zen.

Valk (roofvogel), m. —en. Orde van den

Witten —. ridderorde van Saksen-Wei mar. Valkenier (africhter van valken), m.—en, —s. Valkrnid (plantgewas), o. gmv.

Vallei (laagte in een bergland), v. —en. Vallen, ik viel. ben gevallen; —ing. v. /gt;• arbeid valt mij zwaar, de dag valt mij lang. is; duizend strijders vielen, sneuvelden; hij liet een stuiver per el —. sloeg af: er is geen woord over gevallen, gezegd: de avond vult. daalt; hij viel mij lastig, maakte het mij lastig: iem. in de rede —. onderbreken: die japon valt goed. heeft een goed snit; in slaap —. geraken: Kerstmis viel op Dinsdag: de keus viel op een ander: dat zul in het oog —. loopen: op dit nummer is een prijs gevallen: dat geluk viel hem ten deel. viel mij te beurt: hij kwam als uit de tocht —. hoogst onverwachts: met de deur in huis —. zonder inleiding een zaak gaan behandelen: in ongenade —. geraken: wie hoog stunt, kun laag die staat, zie toe dat hij niet volle: de —de ziekte, een zenuwziekte, waarbij de patiënt in onmacht valt; —de sterren. Vallielit (licht, dat van boven invalt), o. —en. Valluik (vallend luik), o. —en.

Valpoort (vestingpoortje), v. —en.

Valreep (scheepsw. touw aan. de scheepstrap). m. —en. Een glaasje op den —, bij he': afscheid. ValHeli (niet echt), bn. en bw. Éen —c hand-teekening, nagemaakt; een —e nu am, een —e munter, een —e stem. —e schaamte: — zingen. — spelen: iem. — beschuldigen. ValMelierin (parachute), o. —en.

ValNelmt (valscherm), o. —ten.

ValNtrik (lig. list, boos opzet), m. —ken. Valuta (waarde, het wisselbedrag), v. —s. XaKvind. m. —en. Op de eene kamer kan niet gestookt worden om de valwinden (C.O.). d. i. winden die in den schoorsteen slaan. Vampier (bloedzuiger), m. —s. Hij kleurt te veel als een — (Staring), lijk, dat voor — zal £r:ian spelen om de levenden te kwellen. Van (familienaam), m. —nen.

Vandaag (pp dezen dog), bw. Het is warm —.

(barbaarsch knust verwoest er), m. m. Ook: Wandaal (Hom. gesch.).

1 isme (barbaarsche vernielingswoede),. o. gmv.

VandeliaiidNeli, vandeiiiandM'li (rech ter-paard). bn.

Vang (klem van een windmolen), v. —en.. De molen is door de vang, de zaken zijn in. de war.

Vangen (grijpen), ik ving, heb gevangen. Vlinders —; een uiltje een dutje doen;: iem. in zijn eigen woorden —, verstrikken. Vangst, v. —en. De visschers hodden een. goede —.

Vaiiiel|e ( de geu rige. peutvormige zomlhuIsels-vun zekere Indische vrucht), v. gmv.

Vanitas (ijdelheid, verga nke lijk hei 11; ivind-makerij), o. — vanitatum. ijdelheid der i ijdelheden, 1.1. :illes is ijdelheid.

Vaniteit (ijdelheid), v. gmv.

Vannieiius (opnieuw), bw. — beginnen. Vanwege, vz. Ik kom — mijn vader, uit naam van.

Van/.eH'. bw. Dat spreekt —, uiteraard. Vapeiii'H (tl'impeu, oprispingen, lig. grillen)r Var (jonge stier), m. —ren. jm. mv.

Varen (zeker bladkruid), v. —s.

Varen, ik voer. heb en ben gevaren. — en rijden (C. O.); op zee —: als stuurman —: zij — ojt de Levant: tea hemel —. d. i. gaan;; hoe vaart gij'.' dat laat ik —, daar zie ik van af.

Varensgezel (matroos), m. —len.

Varia (verscheidenheden, allerlei), v. mv. Variant (andere lezing), v. —en.

Variatie (verscheidenheid, afwisseling), v. —tiëo, —ties.

Varieeren (v(n'anderen,ufwisselen.otitourden).. Variété (afwisseling), v. —'s. Theatre des —. kleine schouwburg.

Varieteit (verscheidenheid), v. —en.

Varinas (soort van tabak), v. gmv.

Variolen (kinderpokken), v. mv.

Varken (zwijn), o. —s. Ik zot dat — wel' i wusschen. die lastige zaak in orde maken. Varkenen (scheepsw. reinigen), ik heb ge-varkend.

Varseliebalie (knip of vleeschtobbet, m. — i Ook: verschebulie.

Vast. bn. en hw.; — lieid. —iglieid. v. —e-prijzen: een —e slaap; hij verkoopt al wat los en — is. d. i. roerende en onroerende-goederen: aan —en wul; — werk: een —er meid. d.i. inwonend; met —e hand. d.i. krachtig.. Vastberaden, bn.; -beid, v. Een — mon^ een man van wilskracht.

Vasteland, o. gmv.

Vasten, ik heb gevast. Daar zult gij van —. dat zal u tegenvallen; de groote —. de 10-daagsche vóór Paschen (K. li.).

Vastenavond (carnaval), m. —en. Vastenavondsgek, m. —ken: —vreugd, v.;: —zotje (sneeuwklokje), o. —s.

Vastendag (r/rtfif van kerkelijke vasten ). m. —en. Vastentijd, m. irmv. In den — zijn alle openbare vermakelijkheden verboden: in den —

quot; it geen h Vastheid (stevi_

Vastliondend (gierig, inhalig), bn.: —beid, v. Vastigheid (zekerheid), v. —heden. Vastplnggen (vastpinnen), ik heb —geplugd-Vat (greep), m. gmv. Niels heeft — op hemy invloed; ik heb geen — op hem.

worden geen huwelijken gesloten. (|{. K.»

vigheid, fig. zekerheid), v. gmv..


ocr page 286

VAT-VELLEN.

266

Taf (ton, enz.), o. —en. Ho/Ir —en klinken j het hardst, weetnieten hebben de meeste praatjes: wat in een goed — is. verzuurt j niet. uitgesteld, is niet verloren; dat is nog ' .niet in het —. waarin het zuren moet, het is I nog niet gereed, nog niet op zijn bestemming: : bloedvaten, aderen, buizen; de heilige ruien dl. K.)

Vatbaar, bn. Hij is zeer — roor kou: hij is '

niet — voor verbetering Vaten (in vaten doen. fusten), ik heb Vaticaaii lt; puuselijk paleis; fig. de pun: regeering), o. gmv.

'VatHel (hundvatsel), o. —s.

Vatten, ik heli gevat. Een koude vuur boos worden: dat zeil wil geen wind —: een ed Isteen in goud —. zetten: gevat zijn, scherpzinnig zijn.

Vaudeville {kluchtspel met liedjes doorweven', zaal waar zulke kluchtspelen opgevoerd worden), v. —s.

Vanxlial (lusthof', welke wegens zijn prachtige verlichting en aungenmne muziek veel bezocht wordt), m. gmv.

Vazal (leenman), m. —len.

Vechten {strijden, kam pen), ik vocht, heb gevochten :

Vee lit nart ij, v. Vedel, veel (vi

(viool), v. vedels, vedelen, veelen. Vedelen iop de vedel s/telen), ik heb gevedeld:

—aar (vioolspeler), m.

Veder, veer, v. vederen, veders, veeren. Men kent di- vogels aan hun veereu. uiterlijk; in de veeren ' liggen, te bed zij n: iem. in de veeren zitten, heni tegenwerken, hem afbijten: hij kan weer een — van zijn mond blazen, begint op te leven: pronken met eens anders —, met het werk van een ander.

Vedette {ruiterwacht, schildwacht der ruiterij: uiterste post op wallen), v. —n, —s. Vee, o. gmv. Gewold —, gevederd Veearts {veedokter), m. —en. VeeartsenijHeliool. v. —scholen. De — te Utrecht.

Vees: lt;het vegen), m. gmv.

Veea; {feeks), v. vegen.

Veeg; {hachelijk, dreigend), bn. Het was er—. I Veegsel, o. gmv.

Veel, v. Zie Vedel.

Veel. lm. en bw. meer, (liet) meest:—lieid. v.

Er zijn — appels aan dien boom, een groote menigte: wij hebben meer appels dun peren: hij heeft het meest gesproken; de veelheid zijner gaven, d. i. menigte.

Veelszins {op meer dan één wijze), bw.

Veelte (veelheid), v. gmv.

Veeltijds {dikwijls), bw. Ik heb voor mijn aan fok koopers, — het ronde jaar vooruit ! (Staring).

Veelvoet {zeker insect: ook zeker plantdier), m. —en.

Veelvoud, o. —en. 12 is een — van 4. Veelvraat (zeker dier), m. —vraten.. Veelvuldig;, bn. en bw.; -I.eid, v.

\ eelweterij (schijngeleerdheid), v. gmv. Veelzijdig. bn. en bw. Een —e ontwikkeling: een — talent; een —e. kennis, die over allerlei wetenschappen loopt.

Veem {gezelschap of vereeniging van werklieden, gild), v. en o. —en. \evm%vv\i'\\i(geheime rechtbank in de middeleeuwen). o. —en.

Veen, u. venen. Hoog —. hu/g —; in het — I ziet men op geen turfje, waar overvloed is hoeft men niet karig te zijn.

t.

lijke

Veenderij (turfmakerij), v. —en.

Veen wortel {plant), v. gmv.

Veer (van een vogel), v. —en. Ook: Vt Veer {zeker werktuig in een slot), v. Een metalen —: een spiraal—.

Veer (overvaart), o. veren.

Veerboot, v. —en.

Veeren, het heeft geveerd. Deze matras veert Veerkracht, v. gmv. De — van staal, elastiek, enz.: een man, een volk van weinig —, vastheid, wilskracht.

Veerkrachtig;, bn. en bw. Een — gestel. Veerman, m. —lieden. —lui.

Veertien, bep. tehv. De Bree —. een zandbank op onze westkust. De Breeveertien opgaan, het slechte pad.

Veertiende {ranggetal), bn. Lodewijk de —. Veertig, bep. telw.

VeertiRdaiigsrli. bn. De —e vasten, vóór Paschen (R. K.).

Veertiger {iemand van veertig jaren: ook wijn van dien ouderdom, alsmede een schip van veertig stukken), m. —s.

Veertigtal, o. —len. Een — leerlingen. Veertig vond, o. —en; —ig (een —e oogst).hu. Veete {haat, wrok), v. —n. De kruistochten muakten een einde aan vele —n onder den udel: de — tegen de Belgen (C. O.).

Vegen {reinigen), ik heb geveegd.

Veger {bezem, ook persoon), m. —s. Vegetariaan, vegetariër (die zich onthoudt van voedsel, dat door het dooden van dieren is verkregen), m. —rianen, —riërs.

Vegetatie {plantengroei), v. gmv.

Vegeteeren (een plantenleven leiden). Vehement (hevig,geweldig,hartstochtelijk),b\\. Veil {klimop), o. gmv.

Veil (te koop), bn. Hij is voor ulles —. om te koopen met geld: zijn leven — hebben voor iets. willen opofferen.

Vei ld iig {verkoopdag), m. —en.

Veilen (te koop aanbieden). ik heb geveild: —er. m.; —ing, v. Openbare veiling van huizen. Veilig (beschut, zeker), bn. en bw.: —heid. v. Veinzaard (huichelaar), m. —s.

Veinzen, ik heb geveinsd: —er, m.; —ery, v.: Liefde —, onwetendheid —, deelneming —. huichelen.

Vel {huid: blad papier; vlies), o. —len.

Veld (land, akker, grond), o. —en.

Veldeling {landman), m. on v. —en; voor het v. ook —e. De veld ling kreet bij leege schuren (Bogaers).

Veldheer (legerhoofd), m. —en: —schap, o. Veldmaarschalk (opperbevelhebber), m. —en: —schap. o.

Veldnimf. v. —en. De jongensvriendschap is een — (C. O.).

Veldtros (oorlogsbagage met de daarbij behoor ende personen), m. —sen.

Veldtnig {oorlogstuig), o.; —meester ((tanvoerder der artillerie), m. —s.

Veldwacht (veldbewaking; het korps veldwachters), v. —en.

Veldwachter (persoon), m. —s.

Velen (dulden, verdragen, uitstaan), ik kan hem, dit. dat niet —.

Velg {buitenrand van een rad), v. —en. Vellen (doen vallen), ik heb geveld: —ling. v. Het geweer —; hoornen —: een oordeel, een vonnis —, uitspreken.

[niet.


ocr page 287

V EI. L EN F LOT EK—VERBLOEM D.

267

Velleii|gt;loter (die de wol van lt;le vachten scheert), m. —s.

Velocipóile (rijwiel, /iets), v. —s. Ook: Velo.

Veloi'iteit (snelheid, (jezwindheid), v. gmv.

Ven (een moeras, poel), v. —nen.

Veiiiilitcit {veilheid, omkoopbaarheid), v.gmv.

Vendel (vaandel), o. —en. —s.

VeiKlriiiiaire ( Wijnmaand, ran quot;22 September tot 21 October), v. gmv.

Vendetta (familieveete), v. gmv.

Veiidiilini.H \openbaar verkuophais), o. —zen: —nieeMter. m. —s.

Vendutie [openbare verkoop bij ver:rei: in Oost-Indië). v. —ties.

Venen (tarf maken), ik heb geveend.

Venerabel (eerbiedwaardirj). bn.

Venereeren {vereeren. eerbied betoonen), bn.

Venerl^eli, veneriek (met de venusziekte besmet). bn.

Ven is lt; vol veen), bn.

Venijn (vergif), o. gmv. Fig. laster.

Venijnic;. bn.; —held. v. Een —e slamj. vergiftig. Fig. Een —c tong, boos, bits. lasterend.

Venixoen (allerlei wildbraad), o. gmv.

Venkel [zekere plant), v. gmv.

Vennoot (handelsgenoot), m. —en.

Veniioot.seliap (ban dels vereenig i ng), v. —pen.

Vennter, o. —s, —en.

Vent (kerel, man), m. —en.gmz.; —je (knaapje, jongetje), o.

Venta (Spaansche herberg, pleisterplaats), v. —'s. Ook : vendita.

Venten (longs de hnizen te knop aanbieden), ik heb gevent.

(lachlverversching), v. —s, —tiën.

Ventilator (toestel om versche lacht in een vertrek te brengen), m. —s.

Ventilet *ren (lachten: van alle kanten be-schoawen: schiften).

Ventose (windmaand, van 19 Februari tot 20 Maart), rn. gmv.

Ventri (buikspreker), m. en v. —n.

Veraanii;en:inieii. ik heb veraangenaamd. Hij zoekt het leven zijner ouders te —.

Veraarden (ontaarden), ik ben —aard.

Veraelitelijk (luag), bn. en bw.; —lieid. v.

Veraeliten. ik heb veracht: —er, m.: —ing. v.

Verademen (tot kalmte komen), ik heb — ademd: — injj;. v.

Vera fsi-lm wen (die/» verachten), ik heb —afsehu \vd.

Veranda ( uitgebouwde gulerij aan een woning, zomersociéteit. enz.), v. —quot;s.

Veranderen, ik heb en ben veranderd. Een kleedingstuk —. anders, beter maken; hef weer gaat —: van meening. partij, stem, enz. wisselen.

Veranderinu;. v. —en. Alle — is geen verbetering.

Veranderlijk, bn.: —lieid, v. liet weer is —, een — humeur.

Verantwoordelijk, bn. Een —minister, een — ambtenaar, die opgeroepen kan worden om rekenschap te geven.

Verantwoorden (rechtvaardigen, verdedigen). ik heb —antwoord: —er, m.: —ingj, v.

Verarinen, ik heb en ben —armd: -ing;. v. De oorlog —nrïnt de volken: schulden betalen —armt niet, d. i. maakt niet armer.

Verbaal {woordelijk, mondeiijk), bn.

Verbaal (verkorting eau procesverbaal), o. —balen.

Verbaasd( ontsteld, verwonderd), bn.:

Verband, o. —en. Er is geen — in dat opstel, samenhang; welk — bestaat er tusschen die zinnen'/ betrekking; die goederen liggen onder —, hypotheek.

VerbandkiHt (die de hulpmiddelen bevat voor het verbinden van gewonden), v. —en; —linnen, o. gmv.

Verbannen, ik —bande, heb —bannen: —ning. v. Themistocles werd uit Athene —, in ballingschap gezonden.

Verbasteren {ontaarden), de zeden zijn — basterd: —ins. v-

Verbazen (doen opzien), ik hei» verbaasd:

Een

Verbazend, bn. en bw.

hij sprak — rad.

Verbeelden, ik heb verbeeld. Dit —beeldt den brand van Moskou, d. i. beeldt af. stelt voor.

Verbeelden (zieli). ik heb mij —beeld: -ine;. —ingHkraclit. v. (lij hebt n dat —beeld, hèt bestaat enkel in uw verbeelding.

Verbeiden {wachten, afwachten), ik heb —beid: —er, m.: —ins, v-

Verbeteren (beter maken), ik heb en ben —beterd.

Verbeteren (zieli). ik heb mij —beterd: —ing. v. De zoon beloofde zich te —. een beter leven te gaan leiden.

Verbeurd verklaren, ik heb —verklaard; —ing. v. De goederen, de vaten jenever werden — verklaard, aan de schatkist ten deel doen vallen, in beslag nemen.

Verbeuren (verliezen), ik heb verbeurd, fem. achting — : iem. vrieudschup —: er is niet veel aan —beurd; pand —, gezelschapsspel (C.O.).

Verbeurte, v. gmv. Op — van goed en leven. d. i. verlies.

Verbenzelen (verspillen), ik heb —beuzeld.

Verbidden (fermwrtw/i), ik —bad, heb —beden.

Verbieden {beletten), ik —bood, heb —boden.

Verbijsteren (verwarren, bedwelmen), ik heb —bijsterd; —ing. v.

Verbijten tzieli), ik —beet. heb —beten. //.

verbeet mij van 't lachen, van woede enz., op zijn tanden bijten, zich met moeite inhouden.

Verbinden, ik —bond, heb —bonden. Een

wonde —.

Verbinden tzieli). ik —bond mij. heb mij —bonden. Ik verbond mij tot die bijdrage. d. i. verplichten.

Verbinding (vereeniging). v. —en.

Verbintenis (contract, obligatie). \. —sen.

Verbitterd (vertoornd), bn. en bw. —beid, v.

Verbitteren, ik heb —bitterd: —ing. v. Die zoon verbittert hem het leven, bitter maken.

Verbleeken, ik ben —bleekt; —ing. v. Zij verbleekte bij die woorden, bleek worden.

Verblijden (bli] maken), ik heb —blijd.

Verblijden (zieli), ik -blijdde mij. heb mij —blijd; —ing, v. Wij zullen ons — bij die tijding.

Verblijdend, bn. Een —e gedachte, een —c tijding.

Verblijl* (oponthoud), o. —blijven: —plaats, v. —plaatsen.

Verblij ven, ik verbleef, hel) en ben —bleven. De zaak verblijft aan n. gü i'i ij ft de meester, de regelaar; ik verblijf uw dienstv. dienaar. in de toekomst zijn.

Verblind (als blind), bn.: —beid, v.

Verbloeden (doodbloeden), hij —bloedde, is —bloed: —ins. v. He man stierf aan —ing.

Verbloemdi heeldsprakig),bn.en bw. — spreken.

inspanning:


ocr page 288

VAT—VELLEN.

266

Yat (ton, enz.), o. —en. Ih'Uc —en klinken het hardst, weetnieten hebben de meeste praatjes: wat in een fioed — is. verzuurt niet. uitgesteld, is niet verloren; dat is nog niet in het —. waarin het zuren moet, het is nog niet gereed, nog niet op zijn bestemming: hloedvatm. aderen, buizen: de heilige vaten (K. K.)

Vatbaar, bn. Hij is zeer — roor keu: hij is

niet — voor verbetering Vaten (in raten doen. fusten), ik heb gevaat. \ aticaan ( pauselijk paleis; lig. de pauselijke regeering), o. gmv.

'VatM'I (handvatsel), o. —s.

Vatten, ik heb gev.at. Een koude —. vuur —, boos worden; dat zeil wil geen wind —; een ed Isteen in goud zetten: gerat zijn, scherpzinnig zijn.

Taiideville (kluchtspel met liedjes doorweven: zaal waar zulke kluchtspelen opgevoerd worden), v. —s.

Van\hal (lusthof' welke wegens zijn prachtige verlichting en aangename mnz'wk reel bezocht wordt), m. gmv.

Vazal {leenman), m. —len.

'Veeliten {strijden, kampen), ik vocht, heb gevochten: —er. m.

^'eelitpartij, v. —en.

'Vedel, veel iriooh. v. vedels, vedelen, veelen. Vedelen (op de vedel spelen), ik heb gevedeld: —aar (vioolspeler), m.

Veder, veer, v. vederen, veders, veeren. Men kent de eogels aan hun veeren, uiterlijk; in de veeren liggen, te bed zijn; iem. in de veeren zitten, hem tegenwerken, hem afbijten: hij kan weer een — van zijn mond blazen, begint op te leven; pronken met eens anders —, met het werk van een ander.

Vedette {ruiterwacht, schildwacht der ruiterij: uiterste post op wallen), v. —n, —s. Vee; o. gmv. Gewold —, gevederd —.

Veeart» (veedokter), m. —en. Veeartsenijwehool. v. —scholen. De — te

Utrecht.

Veeg; (het vegen), m. gmv.

Vees {feeks), v. vegen.

Veeg (hachelijk, dreigend), bn. liet was er—. Veegsel, «•. gmv.

Veel. v. Zie Vedel.

Veel. lm. enbw. meer, (liet) meest:—lieid, v.

Er zijn — appels aan dien boom, een groote menigte: wij hebben meer appels dan peren: hij heeft het meest gesproken: de veelheid zijner gaven, d. i. menigte.

Veelszins (op meer dan één wijze), bw. Verlte {veelheid), v. gmv.

Veeltijds (dikwijls), bw. Ik heb voor mijn aanfok kon pers, — het ronde jaar vooruit (Staring).

Veelvoet {zeker insect: ook zeker plantdier), m. —en.

Veelvoud, o. —en. 12 is een — van 4. Veelvraat {zeker dier), m. —vraten.. Veelvuldig, bn. en bw.; — lieid. v.

Veelweterij {schijngeleerdheid), v. gmv. Veelzijdig, bn. en bw. Een —e ontwikkeling; een — talent; een —e kennis, die overallerlei wetenschappen loopt.

Veem (gezelschap of vereeniging van werklieden, gild), v. en o. —en.

\rrm%vr'n-\ii (geheime rechtbank in de middeleeuwen). o. —en.

Veen, o. venen, llnog —. laag —; in het — ; ziet men op geen turfje, waar overvloed is hoeft men niet karig te zijn.

Veenderij (turfmakerij), v. —en.

Veenwortel (plant), v. gmv.

Veer {van een vogel), v. —en. Ook: Veder. Veer {zeker werktuig in een slot), v. —en. Een metalen —: een spiraal—.

Veer {overvaart), o. veren.

Veerboot, v. —en. [niet.

Veeren, het heeft geveerd. Deze matras veert Veerkracht, v. gmv. De — van staal, elastiek, enz.: een man, een volk van weinig —, vastheid, wilskracht.

Veerkraehtig, bn. en bw. Een — gestel. Veerman, m. —lieden. —Ini.

Veertien, bep. tehv. Üe Bree een zandbank op onze westkust. De Breeveertien opgaan. het slechte pad.

Veertiende (ranggetal), bn. Lode wijk de. —. Veertig, bep. tehv.

Veertigdaagseh. bn. l)e —e vasten, vóór j Faschen (U.K.).

Veertiger (iemand run veertig jaren; ook tvijn van dien ouderdom, alsmede een schip van veertig stukken), m. —s.

Veertigtal, o. —len. Een — leerlingen. Veertigvond, o. —en; —ig {een —e oogst),bn. Veete (haat, wrok), v. —n. De kruistochten maakten een einde aan vele —n onder den adel: de — legen de Belgen (C. O.).

Vegen {reinigen), ik heb geveegd.

Veger (bezem, ook persoon), m. —s. Vegetariaan. vegetariër {die zich onthoudt van voedsel, dat door het dooden van, dieren is verkregen), m. —rianen, —riërs.

Vegetatie (plantengroei), v. gmv.

Vegeteeren {een plantenleven leiden). Vehement {hevig,geweldig, hartstochtelijk),h\\. Veil {klimop), o. gmv.

Veil (te koop), bn. Hij is voor alles —. om te koopen met geld: zijn leven — hebben vo gt;r iets, willen opofferen.

Veildag {verkoopdag), m. —en.

Veilen (te koop aanbieden), ik heb geveild: —er. m.; —ing, v. Openbare veiling van huizen. Veilig (beschut, zeker), bn. en bw.: —heid. v. Veinzaard (huichelaar), m. —s.

Veinzen, ik heb geveinsd; —er, m.; —erij, v.: Liefde —, onweiendheid —, deelneming —. huichelen.

Vel {huid: blad papier; vlies), o. —len.

Veld (land, akker, grond), o. —en.

Veldeling (landman), m. en v. —en; voor het I v. ook —e. De veld ling kreet bij leege schu-i ren (Bogaers).

Veldheer (legerhoofd), m. —en: —schap, o. Veldmaarschalk (opperbevelhebber), m. —en: —schap. o.

Veldninir. v. —en. De jongensvriendsch:ip is i een — (C.O.).

Veldtros {oorlogsbagage met de daarbij be-! hoorende personen), m. —sen.

; Veldtnig (oorlogstuig), o.: —meester (aan-1 voerder der artillerie), m. —s.

; Veld wacht (veldbewaki ng; het kor/ts veldwachters), v. —en.

Veldwachter (persoon), m. —s.

Velen (dulden, verdragen, uitstaan), ik kan hem, dit. dat niet —.

Veis (buitenrand van een rad), v. —en. Vellen (doen vallen), ik heb geveld: —ling. v. Het geweer —; boomen —: een oordeel, een vonnis —, uitspreken.


ocr page 289

V E L L E N1^ LOT EK - VE |{ B LO E MD.

2G7

Vellenploter (die de tuul van de vachten scheert), m. — s.

Velocipede {rijwiel, fiets), v. —s. Ook: Velo. Veloeiteil (snelheid, i/ezirindheid), v. gmv. Ven (een moeras, poeh. v. —nen.

Veiialiteit (veilheid, omkoopbaarheid), v.gmv. Vendel (vaandel), o. —en, —s.

Vendeiniaire ( Wijnmaand, ran ^2 September

tot 21 October), v. gmv.

Vendetta (familieveete), v. gmv.

Vendiiliiii.H {openbaar verkoophuis), o. —zen: —meester, m. — s.

Vendutie [openbare eerkoop bij vertrek in Oost-Indi'é), v. —ties.

Venen {turf maken), ik lieb geveend. Venerabel (eerbiedwaarduj). bn.

Venereeren (vereeren. eerbied betoonen), lm. Veneriseh. veneriek (met de venusziekte besmet). bn.

Veilig; (vol veen), bn.

Venijn i very if), o. gmv. Fig. laster.

Venijnig, bn.: —lieid. v. Èeu —e slan;/. vergiftig. Fig. Een —e tony, boos, bits. lasterend. Venixoen (allerlei wildbraad), lt;». gmv. Venkel (zekere plant), v. gmv.

Vennoot (handelsgenoot), m. —en. VennootMeiiai» (han dels vereen i g i ng), v. —pen. Venster, o. —s, —en.

Vent (kerel, man), in. —en.gmz.; —Je (knaapje, jongetje), o.

Venta (Spaansehe herberg, pleisterplaats), v.

—'s. Ook : vendita.

Venten (langs de huizen te knop aanbieden). ik heb gevent.

(luchtuerverschincj), v. —s, —tiën. Ventilator (toestel om versche lucht in een

vertrek te brengen), m. —s.

Ventileeren (luchten: van alle kanten beschouwen : schiften).

Ventose (windmaand, van J9 Februari tot 20 Maart), m. gmv.

Venti-ilo(|iie (buikspreker), m. en v. —n. VeraaKgenainen. ik heb veraangenaamd. Hij zoekt bet leven zijner anders te —. Veraarden {ontaarden), ik ben —aard. Verachtelijk daag), bn. en bw.; —lieid. v. Veraeliten. ik heb veracht: —er, m.: —ing. v. Verademen (tot kalmte komen), ik heb — ademd: — ing. v.

Vera iseiiii wen (diep verachten), ik heb —afschuwd.

Veranda (uitgebouwde galerij aaneen woning, zomersocieteit. enz.), v. —*s.

Veranderen, ik heb en ben veranderd. Ken kleedièigstuk —. anders, beter maken: het weer gaat —: van meening. partij, stem, enz. —, wisselen.

Verandering, v. —en. Alle — is geen verbetering.

Veranderlijk, bn.: —lieid. v. Het weer is —, een — humeur.

Verantwoordelijk, bn. Hen —minister, een — ambtenaar, die opgeroepen kan worden om rekenschap te geven.

Verantwoorden (rechtvaardigen, verdedigen), ik heb —antwoord: —er, m.: —ing, v. Verarmen, ik heb en ben —armd: —ina;. v. De oorlog —urmt de volken', schulden betalen —armt niet, d. i. maakt niet armer.

Verbaal {woordelijk, mondei ijk), bn.

Verbaal (verkorting van procesverbaal), o. —balen.

\ei'hniiHtl(ontslel(l. eerwonderd). bn.: — lieid.v.

Verband, o. —en. Kr is geen — in dat opstel, samenhang: welk — bestaat er tusschen die zinnen:' betrekking; die goederen liggen onder —, hypotheek.

Verbaiidkint (die de hulpmiddelen bevat voor het verbinden van gewonden), v. —en: —linnen, o. gmv.

Verbannen, ik—bande,heb—bannen: —ning. v. Themistocles werd uit Athene —, in ballingschap gezonden.

Verbasteren {ontaarden), de zeden zijn — i basterd: — ing. v.

Verbazen (doen opzien), ik hel» verbaasd: —ing, v.

\ erbaxend. bn. en bw. Hen —e inspanning: hij sprak — rad.

Verbeelden, ik hel) verbeeld. Dit —beeldt den brand van Moskon. d. i. beeldt af, stelt voor. Verbeelden (zieli). ik heb mij—beeld: —ing. — ingskraelit, v. (Hj hebt n dat —beeld, het bestaat enkel in n\v verbeelding.

Verbeiden ((vachten, afwachten), ik heb —beid; —er, m.: —ing, v.

Verbeteren (beter maken), ik heb en ben ] —beterd.

Verbeteren ('/.icli). ik heb mij —beterd : —ing. v. De zoon beloofde zich tr —. een beter leven te gaan leideti.

Verbeurdverklaren,ik heb —verklaard; —injj.

v. Ue goederen, de raten jenever werden — verklaard, aan de schatkist ten deel doen vallen, in beslag nemen.

Verbeuren (verliezen), ik heb verbeurd. lem. achting —: iem. vriendschap —: er is niet veel aan —beurd; pand —,gezelschapsspel (C.O.). Verbeurte, v. gmv. Op — van goed en leven, d. i. verlies.

Verbeuzelen {verspillen), ik heb —beuzeld. Verbidden ( vermurwen), ik —bad, heb —beden. Verbieden (beletten), ik —bood, heb —boden. Verbijsteren {verwarren, bedwelmen), ik heb —bijsterd: —ing. v.

Verbijten (zieli), ik —Iteet. heb —beten. //. verbeet mij van 't lachen, van woede enz., op zijn tanden bijten, zich met moeite inhouden. Verbinden, ik —bond, heb —bonden. Hen ivonde —.

Verbinden (zich), ik —bund mij, heb mij —bonden. Ik verbond mij tot die bijdrage. d. i. verplichten.

Veibinding (vereeniging), v. —en. Verbintenis (contract, obligatie), v. —sen. Verbitterd (vertoornd), bn. en bw. —lieid, v. Verbitteren, ik heb —bitterd: —ing, v. Die zoon verbittert hem het teven, bitter maken. Verbleeken, ik ben —bleekt; —ing. v. Zij verbleekte bij die woorden, bleek worden. Verblijden {blij maken), ik heb —blijd. Verblijden (ziclO, ik —blijdde mij. heb mij —bli.]d; —ing, v. Wij zullen ons — bij dv tijding.

Verblijdend, bn. Hen —e geduchte, een —e tijding.

Vêrblijr (oponthoud), o. —blijven: —plaats, v. —plaatsen.

Verblijven, ik verbleef, heb en hen —bleven. De zaak verblijft aan u, gij blijft de meester. : de regelaar; ik verblijf uw dienstv. dienaar. in de toekomst zijn.

Verblind (als blind), bn.: —beid. v. Verbloeden (doodbloeden), hij —bloedde, is —bloed: —ing, v. De man stierf aan —ing. Verbloemdi beeldspralcig),hï\.exibw. — spreken.


ocr page 290

V KUB LOE.M EN - V ER DRINK EN.

208

Verhloemeii (wrhergen). ik helt —bloemd: —ing;. v, Hij zoekt do toedracht der zaak te Vermiifleii, ik heb—bluft; —Ier, m.: — ling, v. De koopman weende mij te —, uit het veld te slaan.

Verbod, o. gmv.

\ erhoeken (overboeken), ik heb —boekt: — iiiS, v.

Verbolgen (foornin), bn.: —Uriil (gramschap). v. IJe — Oceaan.

gt; erboncl. o. —en. Ui' arke des —s; het Oude en Xieawe —: het drievoudig —. d. i. de Triple Alliantie (1068); het — der Hdelen(150.quot;)). Verborgen {geheim), bn. en b\v.; —beid. v. —heden.

\ erlgt;OMitei( (omhaal run ivoorden. wijdloo-pigheid), v. gmv.

Verbouw, m. gmv. De — ran een hnis; de — van granen.

Verbouwen (anders houwen, telen), ik heb —bouwd: —ing:. v.

Verbouwereerd (onthutst), bn.; —beid, v. Verbreiden, ik heb—breid: —er, m.: —ing. v.

Het nieuws, hel gerucht werd verbreid, bekend. VerbrtMlden {bederven), ik heb —brod. Hij zal ons spel — ((Vondel).

Verbruid (erg. slecht), bn. en b\v. (en t\v.). Verbruien (bederven), ik heb —bruid. Die knecht heeft het bij zijn meester verbruid. verkorven; ik verbrui het, bedank er voor. Verbruik, o. gmv. Er is van dat artikel veel —. Verbuigen {anders buigen), ik —boog, heb —bogen: —ing. v. Een staaf — : een woord —. (spraakk.)

Verdaebt (minder goed), bn. Een — huis. een —e plaats; dat komt mij — voor; op iets — zijn. bedacht, op zijn hoede; ik wensch u niet — te maken.

Verdagen (uitsteLlen),iV. heb —daagd: —ing, v. Het vonnis werd verdaagd-, ik zal je een handvol gebroeid goed geven, dat je hart er van rerdaagt (C. Ó.». opspringt van blijdschap. Verdedigen, ik heb —dedigd. Een vesting —. een stelling —.

Verdedigen lt;7.ieli) (zich weren), ik heb mij —dedigd: —baar, bn.: —er (advocaat), rn.; —ing, v.

\ erdeelen (verbrokkelen), ik heb —deeld: —dbeid. v.: —er, m.; —ing. v. Een landgoed —. een erfenis —: de stem men zijn verdeeld. Verdeemoedigen, ik heb —moedigd: —ing, v. (rij moet u voigt;r God —. vernederen.

Verdek (zeew. het dek), o. —ken.

Verdelgen (uitroeien, dooden), ikheb—delgd: —er, m.; —ing, v. Insecten —.

b erdenken, ik —dacht, heb —dacht: —ing, v. leni, goede trouw —. verkeerd denken van. \evAevï (ondergang), o. gmv.

Verderven, ik —dierf. heb en ben —dorven: -ing, v.

\ erdieliten (dichter maken), ik heb —dicht. Gassen, dampen —.

Verdieliten (uitdenken), ik heb —dicht: —er. m.; —ing. v.: —«el, o.

VerdielitM'l {fabel, logen), o. —en, —s. Verdief (uitspraak eener rechtbank van gezworenen. beslissing), o. —en.

Verdienen, ik hebquot; —diend. Geld —: zijn brood —: lof —: een berisping —. Verdienste (loon), v. —n. In den winter zijn de —n niet groot.

Verdieping {van een gebouw), v. —en. Verdierlijken, ik heb en ben —dierlijkt: —ing, v. Zich —. d. i. als een redeloos dier handelen: losbandig leven.

Verdietselieu (vertolken), ik heb —dietscht;

— ing, v.

Verdijd (vei'doemd). bn. (en t\v.).

Verdijen (bepaald weigeren), ik heb —dijd. Ik verdij het om dit te doen, ik verbrui het. Verdikken, ik heb en het is —dikt: —ing. v. Verdobbelen, ik heb —dohbeld. Have en vrijheid door het dobbelspel verliezen. Verdoeken, ik heb —doekt: —ing, v. Een schilderij —, op een nieuw doek overbrengen. Verdoemd, bn. Een — bedrog, vloekwaardig. Verdoemde (persoon), m. en v. —n. Verdoemelijk (vcrwenscht), bn. en bw. Verdoeuieling (onzulige), in. en v. —en: voor het v. ook — e.

Verdoemen (veroordeelen), ik heb —doemd: —er, m.; —ing, v. Hij verdoemt (plat: verdomt) dit of dat te dooi, vervloekt bet. Verdoemenis ofhelschestr(if),v.gmv.

Verdoen, ik —deed, heb —daan. Hij verdoet veel geld, verkwist: hij wil zich —. van kant maken.

Verdolen (verduwt lei, ).ik ben —doold: — ins, v.

Wij zijn in hel bosclt verdoold. Verdnnkereiiianeii (verduisteren). ik heb —maand. Gelden —.

Verdonkeren, ik heb en het is —donkerd: —ing, v. Men zag zijn gelaat — : gelden —. Verdooldbeid (dwaling), v. gmv.

Verdoovcn, ik heb en ben —doofd: -ing, v. De dokter zal de pijn —. stillen: door den val was hij geheel verdoofd; zijn ijver zat ivel wat —. verminderen.

Verdord {verdroogd, dood), bn.: —beid. v.

Een —e tak: —e pracht.

Verdorren (rt'/Y/yv^/o?). het is —dord; —ing, v. Veriiorven, bn.: —lieid, v. De — jeugd, zedelijk Verdraaglijk, bn. [bedorven.

VerdiMagzaam (meegaand), bn.; —beid, v. Verdraaid, bn.; —beid. v. Een sukkel, verdraaid genoeg om voor een schildpad door te gaan (Staring), wanschapen.

Verdraaien, ik heb en ben —draaid: —er, m.;

— ing. v. Verdraai den wijzer, d. i. anders zetten: de knecht verdraait het, verkiest het niet te doen: hij zal helslot nog —. stuk draaien; iem. woorden —. verkeerd overbrengen.

Verdrag (overeenkomst), o. —en.

Verdragen (dulden, lijden), ik —droeg, heb —dragen: —ing, v.

Verdriedubbelen, ik heb —dubbeld. Dat zal uw oogst —. drievoudig maken.

Verdriet (hartzeer), o. gmv.

Verdrietelijk (hinderlijk), bn.: —beid, v Verdrieten, het —droot, heeft —droten. Alles verdriet hem, onaangenaam zijn; dit heeft ons erg verdroten, spijt gedaan.

Verdrietig, bn. Een — werk, onaangenaam, hinderlijk, lastig.

Verdrijven (verjagen), ik —dreef, hel» —dreven: —ing, v. Sluizen en ratten —: den tijd, de zorgen —: den vijand —.

Verdringen (van de plaats dringen ), ik —drong, heb —drongen: —er. m.: —ing, v. Ion. —, onderkruipen: de menigte verdringt zich in de zaal.

Verdrinken, ik —dronk, hel» —dronke.i. Een hond zijn geld —. al drinkende opmaken; hij was verdronken, eer h ij water had gezien, voor de verleiding bezweken, eer die vei leiding voorgoed begon.


ocr page 291

V ER IJ R ü KK EN— VEI Ugt; EL D EN. 260

Verdrukken {onderdnikLen). ik heb —drukt;

— er, m.: —iiiR. v.

Verdrukker (tiran), m. ——en.^ Verdubbelen, ik heb —dubbele!: —iug, v. Zijn

ijver —. zijn spoed —, dubbel maken. Verduidelijken (ophelderen), ik heb —duide-lijkt: —ing. v. Ui' verhandeling werd met proeven en idalen verdaidelijlct. Verduisteren, ik heb en het is —duisterd:

— ing;. v. Ue zon. de maan werd verduisterd: gelden —. oiitfutseien.

Verduitsehen (in het Xederlandsch vertalen', ook verklaren), ik heb —duitscht; —er. m.;

— ins. v. vero.

Verduiveld, bu. en bw. (en t\v.). Ken — leven! helsch. verfoeielijk: je loopt — hard. d. i. erg, buitengewoon hard: —. wat een tnooischilderij! Verdunnen (dan. dunner maken), ik heb —dund: —ins, v.

Verduren (rerdrayen, dnlden). ik heb —duurd; —inu, v. Dat geraas is niet te —; dat orna-rnentwerk rerdaart den hoaw, duurder rnaken. Verduwen {eerteren), ikheb—duwd: —ing. v.

Een kind kan geen manskost —.

Verdwaasd (gek, zot), bn. Ken — rolk, een

— geslacht.

Verdwalen, ik ben —dwaald. //. was in het

hotel —. kon mijn kamer niet vinden. Verdwijnen, ik —dween, l)en —dwenen;

— ing, v. Nu is al mijn hoop verdwenen. vernietigd, te looi-.

Veredelen, ik heb —edeld: -ins. v. Een

vruchtboom, een vrucht —: zij willen den volkszang

Vereelten (tot eelt worden), ik heb en het is -eelt: —held, v.: —ing. v. Uw handen zijn vereelt, d. i. met eeltkussens bedekt, verhard: het geweten run dien hooswicht is vereelt. ongevoelig.

Vereenen (samenbinden, een maken), ik heb —eend.

Vereenigen, ik heb —eenigd; —er. m.: —ing. v.

Ook: Vereenen.

Vereenvoudigen, ik heb — voudigd: —ing, v. Ken breuk — (rekenk.): een administratie—, op eenvoudiger voet inrichten. Vereenzelvigen, ik heb —zelvigd: —ing. v. Vereeren (eer bewijzen), ik heb —eerd: —ing. v. Vereering (geschenk), v. —en.

Vereeuwigen, ik heb —eeuwigd: —ing, v. Zijn naam —. onsterfelijk maken: -net het penseel —. eeuwig doen leven op het doek. Vereflenen (elfen maken, betalen), ik heb —eifend: —ing, v. Een geschil —: een schuld —, afdoen.

Vereiseli. o. gmv. Naar — run omstandigheden, naar deze het vorderen.

Vereiwelien (vorderen), ik heb —eischt. Dat

werk vereischt veel kennis, veel overleg. Vereisclite (het noodige), o. —n.

Verengelen, ik heb —engeld. Zij waren door de liefde verengeld, dicht, gelukkig als engelen. Verengen (nauwer maken), ik heb —engd; —ing, v. Die bins moet wat verengd worden. Verenkelen (verdeelen, splitsen), ik heb — enkeld; —ing. v.

Verergeren (erger maken, worden), ik heb en ben —ergerd ; —ing, v. De wonde verergert. Verevenen(verelfenen), ik heb —evend: —ing. v. \erï (kleurstof), v. verven.

Verliinen (fijner maken), ik heb —fijnd;

— ing. v. Den smaak —. de zeden —. Verfkwast, m. —en.

Verllauwen, ik ben —llauwd: —ing, v. Zijn ijver gaat —. minderen: die vriendschap zal ivel —, verkoelen.

Verflensen (verwelkim),ik ben —flenst: —ing.v. Dat de bloemen rus —. merken duaal ij ks alle menschen (Bild.).

Verfoeien (diep verachten), ik heb —foeid;

— ing, v.: —sel, o.

Verfoeilijk (afschuwlijk), bn. en bw.: —lieid. v. Een —e lengen', hij spreekt — slecht Fransch. Verfoelien. ik heb —tbelied: —foeliesel, o. Spiegelglas —. met een laag foelie of kwik overtrekken.

Verfomfaaien, verfouifooien (bederven, verkreuken). ik heb —fomfaaid. Wie heeft dien hoed, diejapon, die gedichten zoo eer fomfaaid'/ Verfoiiiinelen (verlo'eukelen), ik heb —meld. Verfpot, m. —ten.

Verfraaien (opsieren), ik heb en ben—fraaid: —ing, v. Tot verfraaiing der stad. Verfranselien, ik heb —franscht: —ing, v. In die dagen zocht men de zeden te —. een Fransche plooi, tint te geven.

Verfrisselieu (frisch maken), ik heb —frischt:

— ing. v. Hij zoekt zich aan het strand te—. Verfrissehemi, bn. Een —e drank, een —e

koelte.

Verfrouiuielen (eerkreukelen). ik heb—meld.

Wie heeft dat tijdschrift, die krant zoo verfrommeld'.'

Vergaan, ik —ging. ben —gaan. Het schip is —. te gronde gegaan: hij verging van koude en gebrek, sterven: de lust er toe is n —: o)i-kruid vergaat niet: hooren en zien verging ons, wij werden verbijsterd van het lawaai. Vergaderen (te guder komen), ik heb en beu —gaderd. Het gezelschap is vergaderd, bijeengekomen: de raad is vergaderd. Vergadering, v. —en.

Vergallen (bitter maken), ik heb —gald;

— ing, v. Een visch —. bederven bij't schoonmaken: iem. genoegen —: iem. leven —; de zorgen zullen mij de bot niet —. het leven niet bedei ven. Des werelds zwijmelkelken — in den nood. (Da Costa).

Vergaloppeeren (zieli). ik heb mij —galop-peerd. \u gaat gij u —. onvoorzichtig zijn in woorden of daden.

Vergankelijk (onbestendig), bn.: — lieid, v. Alles op aarde is —. broos, tijdelijk, kortstondig.

Vergapen t/.irli), ik heb mij —gaapt. Vergaap u niet aan 's werelds schijn (Bild.). laat u niet bedriegen.

Vergareu (verzamelen), ik heb —gaard. Schatten —. wijsheid —.

Vergasten (onthalen), ik heb —gast. Zich —, i zich genoegen verschalfen.

Vergaiiwen (te gunw uf zijn ; eerschalken), ik heb —gauwd. Hij (Karet \'). de schranderste staatsman des tijds, was door zijn leerling (Maurits van Saksen) vergnnird (Potgieter). Vergeeflijk, vergefelijk (verschoonbaar), bn. Vergeefs (vruchteloos), bw. — vragen. Vergeefseli (nutteloos), bn. —e moeite. Vergeetaeiitig. bn.: —heid, v.

Vergeetal, m. en v. —len. Uw broeder is een rechte —.

Vergeetboek, o. gmv. Dut zal wel in het — raken, voorgoed vergeten worden. Vergeet-inij-niet. vergeet-nie-niet (bloempje). v. —en.

Velgelden (beloonen, betalen, vergoeden), ik


ocr page 292

VERGE U .1K—V EK H ELH ER EN.

270

—gold, heb —golden; —er, m.: —insf (Joon of straf ), v.

Vergelijk, o. —en. Een. — treilen, een overeenkomst. verdrag, accoord.

Vergelijken, ik —geleek, hel» —geleken. Twee dingen met elkaar —. het gelijke en ongelijke opsporen; men vergelijkt hei teven hij een hloem, op één lijn stellen.

Vergelijking, v.—en. Een — trekken tasschen ile jaargetijden en. het menschelijk leren ; een

— van den eersten graad, een vierkants— (alg.); de trappen ran — (spraakk.).

Vergen (eischen), ik heb gevergd.

Vergenoegd {tevreden), bn. en bw.: —lieid.v. Vergenoegen {terreden stellen), ik heb —genoegd: —ing, v.

Vergetelheid, v. gmv. Aan de — onttrekken, in herinnering doen blijven.

Vergeten, ik —gat. heb en ben —geten. Ik hen die taal —. uit het geheugen kwijt; ik heh mijn bril —. thuis laten liggen: ik heh —den brief te bezorgen, verzuimd.

Vergeven, ik —gaf. heb —geven: —er. m.;

— ing, v. Een misslag —: een beleediging —. vergiltenis schenken voor; de betrekking is reeds —. er is iem. benoemd.

Vergeven {door vergif ombrengen), ik —gaf. heb —geven. Maizen en ratten —: zij heeft zich —.

\ ergeveiiHgezind. bn.: —lieid, v.

Vergeving (vergiffenis), v. gmv.

VergewiwMen (xieli), ik heb mij —gewist, d. i. verzekerd.

Vergezellen (begeleiden), ik heb —gezeld. Ook: Verzeilen.

Vergezelseliappen {vergezellen), ik heb —ge-zelschapt; —ing, v.

Vergezielit. o. —en. Een — op een rivier. Vergieten, ik —goot, heb —goten: —er, m.;

— ing, v.; —test, v. Tranen —. bloed —, storten. Vergilquot;, vergift (venijn), o. —giften. Vergiflenis, v. gmv.

Vergiftig (venijnig), bn. Een —e slang. Vergiftigen, ik heb —giftigd; —er, m.: —ing, v. Vergiwwen (zieh), ik heb mij —gist; —ing. v. Ik heb mij vergist, misrekend.

Verglazen (met glazuur bedekken), ik heb —glaasd: —glaaSHel (glazuur), o.: —glazer. m. Vergoden (fig. onmatig vereeren), ik heb —good: —er. m.: —ing. v.

Vergoeden (schadeloos stellen), ik heb —goed.

— ing, v.

Vergoelijken (verse/wonen), ik heb —goelijkt; —ing. v. Nu zoekt hij zijn misslag tr —. een fraaien glimp te geven aan, te verbloemen. Zijn tekortkomingen —.

Vergramd {boos), bn.: —lieid, v.

Vergraininen (vertoornen), ik heb en ben —gramd.

Vergriji» (misstap, overtreding), o. —en. Vergrijpen (ziefi), ik —greep mij. heb mij —grepen. Hij vergreep zieh aan ons eigendom. aan onze eer, aan onze redden, d. i. de schendende hand slaan aan.

Vergrijzen (grijs worden), ik ben —grijsd. Vergroeien, ik ben —groeid: —ing, v. Bij dat kind zal het Htteeken nog wel —. al groeiend verdwijnen.

Vergrooten (groot maken), ik heb -groot; —er, m.; —ing, v. Een feit —, een voorval—. grooter voorstellen.

Vergrootglas (lens), o. —glazen. Vergruizelen, ik hel» —gruizeld: — ing, v. De \

spiegel viel en vergrnizelde op de steenen. Vergruizen {rerbrijzelen), ik heb —gruisd; -ing. v.

\ergnizen {verachten, vernederen), ik heb —guisd; —ing. v. Iem. —, met smaad, minachting bejegenen.

Vergulden (nwt een laagje goud overdekken). ik heb —guld: —er. m.: —ing, v.; —nel, o.: -ka» (in een boekwinkel), v.; — ine», o.; -penseel, o.: —werk. o.

Vergnnnen {toestaan),ik heb —gund: —ing. v. Dit koffiehuis heeft geen —ing. recht om sterken drank te verkoopen.

Verhaal (vertelling, bericht), o. —halen. Verhaal (herstel), o. gmv. Wij zullen er — opnemen: zijn — hebben op iem.: er is geen — op hem, daar hij te arm is: ik kan niet op mijn — komen, de krachten terugkrijgen. Verhaaltrant (manier, wijze van vertellen). m. gmv.

VerhaaHten {bespoedigen), ik heb —haast.

Verhaast, o God, dien stond! (Da Costa). Verhahhezakken (slecht behandelen), ik heb —habbezakt. Iem. —.

Verhakstukken, ik heb —hakstukt. Is hier iets te —, d. i. te werken, te verhandelen, te schachelen.

Verhalen (vertellen), ik heb en het is —haald; —er. m. Mijn vriend zal u alles —. mede-deelen; iets op iem. —, zich schadeloos stellen: de ijsbeer verhaalt hun krijgskunst op zijn prooi (Tollens), betaald zetten; wij moeten ons eerst een tveinig —. tot adem komen. Verhalvezolen, ik heb —halvezould. Ik laat deze schoenen —.

Verhandelbaar (verkoopbaar), bn. Verhandelen, ik heb —handeld; —aar (redenaar), m.

Verhandeling (redevoering), v. —en.

Verhang (afhelling, afloop), o. gmv. Verhanselen {oplappen), ik heb —hanseld. Het vrouwtje zat dit kieltje nog wet wat —; een paard —, verkwanselen, verronselen. Verhard (Hg. ongevoelig), bn.: —heid. v. Hij

is — in 't kwaad. d. i. verstokt.

Verharden (hard maken), ik heb en ben —hard; —ing, v. Ze zijn verhard in 't kwaad; stopverf verhardt in de tucht, hard worden. Verharen (ruien), het paard is —haard. Verheeren (verwoesten, verdelgen), ik heb —heerd; —der. m.: —ing. v. Het tand lay verheerd, overmeesterd; alles te vuur en ie zwaard —. verdelgen.

Verheergevvaden {tot een leen verheffen), ik heb —heergewaad. Iem. met een tand —. J. i. hem het land in leen geven.

Verheerlijken, ik heb —heerlijkt: —ing. v. (iods naam —, loven, prijzen, roemen; hij was er mee verheerlijkt, zeer in zijn schik, zeer vereerd.

Verheden, ik —hief, heb —heven: —ing. v. Zijn stem tegen iets —. tegen iets opkemen, protesteeren; tot een waardigheid, in den adelstand —. bevorderen, benoemen: een ge-tul tot een maeht — (rekenk.); zich op zijn rijkdom —, trotsch zijn op, groot gaan op; op die daad mag hij zich —. trotsch zijn: de wind, de koorts begon zich te —, sterker worden, toenemen: het oproer ging zich —, op te steken: zijn hart tot God —, bidden, smeeken.

Verhelderen (helder maken), ik heb en het is —helderd: —ing. v.


ocr page 293

VEIiHELEN—VKRKLOEKEX.

271

Verhelen (verbergen), ik heb —heeld.

Verhelpen {beter maken), ik —hielp, heb —holpen; —ing. v.

Verlieiiielen {ophemelen), ik heb —hemeld. Hij zoekt zich, zelf' te —. te verheffen.

VeiiiemeKe (gewelf in den ïnond). o. —n.

Verheugd (blijde, opgeruimd), bn. en b\v.

Verliengen (hl ij maken), ik heb —heugd. Uw gedrag verheugt ons\ hij verheugt zich in zijn geluk, blijde zijn.

Verheuging (blijdschap), v, —en.

Verheveling; (verschijnsel), v. —en. I)r —en in den dampkring, regen, hagel, sneeuw, enz.

Verheven bn. en h\v.: —heifl. v.

Ken — stijl, — daden: — denken.

Verhinderen {beletten), ik heb —hinderd:

— ing. y.

\erhit, bn.: —heid, v. — door den drank, opgewonden: een —te verbeelding, d.i. vurig, onmatig, ziekelijk.

Verhitten (doen gloeien), ik heb —hit; —ins. v-

VerhoedenU'oorAïmïm), ik heb—hoed: —ing.v. Wij zullen dat onheil moge God het — ' beletten.

VerhoelVdagen (een stuk bouwland in slagen rerdeelen), ik hel» —hoefslaagd: —ins:, v.

Verhoetelen (verknoeien, verbroddelen), ik heb —hoeteld.

Verliolen (bedekt), bn.: —heid. v. Ken — vreugde; een — afleiding (spraakk.).

Verhonderdvoudigen, ik heb —honderdvou-digd. Met den. too vers taf des handels verhonderd-, verduizendvoudigd (Potgieter», aanzienlijk vermeerderd.

Verhoor (ondervraging), o. —en. Het — der getuigen in een proces: iem. in — nemen. hem ondervragen.

Verhooren (ondervragen), ik heb —hoord: —ins;. v' Geen twee getuigen worden gelijk verhoord: ik heb hem de Ie* verhoord, afgevraagd: Verboor, o God, zijn aanroep niet (Volkslied), d.i. den wensch vervullen.

Verhoovaardisen (7.ieh), ik heb mij —hoo-vaardigd. Hij verhoovaardigt zich op zijn geboorte, d.i. trotsch zijn op.

Verhouden (7.ieiigt;. het verhield zich. heeft zich verhouden. Twee kapitalen — als '2:.% tot elkaar staan.

Verhoudins; (betrekking), v. —en. De teerder —en: onze — is vriendschappelijk: naar —. naar evenredigheid.

Verhuizen, ik ben —huisd; —hui/Ju^, v.:

— Imisdas:, m.; —hui.stijd. m.

Verhuren, ik heb —imurd: —hiiring. v.;

— huurder, m.: —hnnrkaiitoor. o.: —huur-tijd. m.

Verilieatenr {ambtenaar, die de echtheid van zaken, bv. der aangifte onderzoekt), m. —s.

Verilicatie (onderzoek naar de echtheid : waarmerking), v. gmv.; —eoinmiMsie (die belast wordt met het onderzoek van de richtigheid van 't geldelijk beheer van een vereeniging), v. — siën, — s.

Verilieeren (onderzoeken naar de echtheid).

Verijdelen (doen mislukken), ik heb — ijdeld: —iiiff, v. Nu is al mijn hoop verijdeld, te niet.

Verijdeltuiteu. ik heb —ijdeltuit. Zijn tijd —, zijn geld —, op lichtzinnige wijze verspillen.

Verinteresten {op interest loopen), het is —interest.

Verfaardas;, m. —en: —dieht, o. —en: —feeMt, o. —en; —gesehenk, o. —en.

Verjagen (verdrijven), ik —jaagde i—Joeg)-heb —jaagd;. —er, m.: —iug. v.

Verjaren, ik hel» en het is —jaard: —ing. v.-—ingHleest, o.: — ingsgeHclieuk. o.

Verjongen {jong maken), ik heb en hen —jongd: —ins;, v.: —ingMkiiur (gedicht varo Staring), v. fn de lente is heel de natuur-verjongd, jong, nieuw, herboren.

Verkallen {verpraten), ik heb —kalil. H: heb mijn tijd verkald, verbabbeld.

Verkappen (verhakkoi: ook itpnien/v kappen)r ik heb —kapt: —ing (ook bint- of dakwerk van een overdekt station), v. V\g. ver mommen,, verhullen in een kap.

Verkassen (verhuizen), ik ben —kast: —liigv v. gmz.

Verkavelen (verdeelen in kavelingen of partijen). ik heb —kaveld: —ius;. v.

Verkeer {omgang), o. gmv. Huiselijk —. een. druk —. bv op de lijn Utrecht-Arnhem.

Verkeerhord (tri kt ruk), o. —en.

Verkeerd (uverechtsch). bn. en hw.: —heid. v. Gij hebt — gehandeld: het is in dat gezin* de —e wereld, de kinderen zijn er baas.

Verkeeren (longung hebben), ik hel» —keonl; —der. m.: -ins;, v. Hij verkeert aan het hof hij verkeert met mijn nicht, is verloofd met..

Verkeeren (veranderen), ik heb en ben —koerd. Het kan —. was de leus van Breero. Hoe is 7 al ras verkeerd! (Vondel».

Verkeerspel (triktrak), o. —len.

Verkeiineu (mil. een terrein opnemem, ikheb-—kend: —ing, v. W j zochten hel vijandelijk kamp te —.

Verkerven, ik —ko»f. heb —korven. Hij heeft; het bij dien heer verkorven, een misslag begaan, is uit de gunst.

Verketteren (veroordeelen, uitkrijten). illt; helv —ketterd: —ins;, v.

Verkiesbaar, bn.: —heid, v. A Is vreemdeling, is hij niet —, kan niet gekozen worden.

Verkieslijk, verkieselijk {testellenbiiven).\)i\.

Verkiezen (een keuze doen), ik —koos. heb-—kozen.

Verkiezing, v. —en: —sdag, m. —«-n.

Verkijken, ik —keek. heb —keken. 11: heb i,h dien ivinkel mijn tijd verkeken, mijn tijd al kijkende doorgebracht.

Verkladden (fov/t'/vr/»),ik heb —klad. Deknuap-heeft ul wat papier verklad met die teekening.

Verklappen, ik heb—klapt: —er. m.: —ing, v.. Iem. —, verklikken, verraden.

Verklaren (klaar, beider maken), ik heb —klaard; —klaarder, m.; —ing;. v. Ken droom —, iem. schuldig —, den oorlog —.. aanzeggen.

Verkleeden (anders kleeden). ik heb —kleedr —ing. v.

Verkleefd {verknocht), bn.: —heid. v.

Verkieinaap (teekenwerktuig), m. —apen.

Verkleinen, ik heb —kleind: -ius;. v. Iem. verdienste —. geringer voorstellen: een haart —. d.i. op kleiner schaal teekenen.

Verkleinwoord (spraakk. bij v. stueltje). o. —en.

Verkleunid (stijf van koude), bn.: —heid, v.

Verkleunien, ik ben —klenmd: —ing. v. Verkleume nooit ons hart! koud, ongevoelig worden.

Verkleuren {de kleur verliezen), ik heb en het is —klenrd: —ing. v.

Verklikken {aanbrengen, verraden), ik heb —klikt: —er. m.: —ius;. v.

Verkloeken (moed geven), ik heb — kloekt::


ocr page 294

VERKLUNGELEN-VERLETTEN.

■272

—inj;. v. //// ccrhlochtc zich tot die daad, • moed vatten.

\ ('i'kluiisfeleii (i'crbeicalen. verspit ten. ver- ; Icivisten). ik lieb —klungeld. Zijn tijd. zijn1 jetd

Terkneiikcleii (xicli), ik heb mij —kneukeld. Hij vci'Unc.iilcolt zich ran roldfjcninij, van 1 /trct. van tevdvermuak. d.i. de kneukels wrijven. T^rkiientemi (xiHi), ik helt mij —kneiiteid. , Hij zat zich in die ruzie te —. d.i. iimerlijk : genieten.

*\gt;rkiiiezi'ii. verknijxen (zich), ik hel' mij

—kniest!. Wat zit i/ij n in dat dorp te — ' quot;VerknijiM'ii (zich), ik heb mij —knepen; i

— ing;. v. //.• zat mij te — van lachen, zich verbijten.

Verkiiijzen. Zi»' Verkniezen.

Terknoelit (vcrltoniten). bnquot;: —lieid. v. De j —heid can tmar schoonen hond (C. O.), .ire-hechtheid.

Verknoeien, ik hei) —knoeid: —in}!;, v. Hi/

vwknoeit zijn tijd. zijn rjetd. verbenzelen: ecu verknoeide schitderij. vertatinc/. bedorven, erkiinllen (misdoen, verbrodden), ik heb —knuld. Uiv broeder heeft het bij zijn /gt;a-troon verka old. gmz.

'Verkoelen, ik heb en ben —koeld: —drank, m. De tnamj —: zijn hartstochten lgt;e(jinnen te—. minderen: die vriendschap is aan het —. Terkoelend (verfrisschend). bn. Ken —gt;■

drank, een —e tvind.

y erkoelins: verinindei-ing), v. —enr —gt;*-rniddel. o.

Terkomen {bijkomen, in betere,, (tooi raken). ik ben —.

Terkonden (verkondigen), ik heb —kond:

—er. m.: — ing. v.

Verkondigen, 'ik heb —kondigd: —er. m.: —inï. v. Het Evangelie —. iem. tof —. bekend maken, verspreiden.

TerkondHC'liapiien {melden), ik heb —kond-schapt: —ing. v. Uk zat n van de komst der Prinses —. verwittigen: ik zond hem uit op

— ing, onderzoek.

Verkoop, m. —en. Iets ten — aanbieden. 'Verkoopen. ik —kocht, hel» —kocht: —haar. bn.: —er. in. 'In 't groot en klein —: zij willen mij verraden en —. d.i. te slim afzijn. 1 Verkoop nn geen te agens!

Terkoopiiiff.v. —en. He — zo! plaats hebben bij opbod, bij afslag.

\erkopereii, ik heb —koperd: —ing. v. Ken schip de romp met koperen platen beslaan of beleggen.

'Verkoren (gekozen), bn. Ken rorst des rijks —. nl. Oranje in 't Wilhelmuslied.

Verkorten, ik heb —kort; —er, m.: —ing. v. Hen tijd —. verdrijven; morgen — het leve,,: ■iem. in zijn rechten, in zijn belangen —. : benadeelen.

'Verkrachlen, ik heb —kracht; —er. m.:

— ing. v. Ue wet het recht —, geweld ; aandoen, bederven.

Terk ren kelen, ik heb en het is —krenkeld:

— ing. v. Het zomerhoedje, waarop zij had • gezeten, was geheet verkreukeld.

'Verkrijgen (bekomen), ik —kreeg, heb —kre- I

gen: —er. m.: —ing. v.

Verkroppen, ik heb —kropt; —ing, v. Zijn i leed, zijn droefheid —. opkroppen, verbijten. ' Verkwanselen (verspillen), ik heb —kwanseld: i

— ing. v. Zijn geld —. aan allerlei beuzelarijen uitgeven: het — van zijn doubletten (C. O.).

Verkwikkelijk, bn. en bw. Ken — Inul. op-frisschend; een — woord, opbeurend. Verkwikken, ik heb —kwikt; —er, m.;

— ing, v. He tentet acht zat n —, doen opleven: dat troostend woord zal atv hart —.opbeuren.

Verkwikkend.bn. Ken —edrank,een —ekoelte. Verkwisten (vers/tillen), ikheb—kwist: —er. m.; —ing, v.

Verkwistend, bn. Ken — leven, losbandig. Verlaat (slais. weteHng), o. —laten.

Verlak {verlaksel), o. ginv. Het — laat op leer soms los. d. i. het springt.

Verlakken (met verlak bekleeilen: ook foppen, bedriegen), ik heb —lakt: —er. m.: —ing. v.; —sel. o. Dit doosje is fijn verlakt: ik laat me niet —. bedotten.

Verlakt, o. gmv. Hit is Chineesch —. d. i. verlakwerk.

Veiiainmen. ik hel» en ben —lamd: —ing. v. Die veer is verlamd: hij stond verlamd van schrik: hij is verlamd aan beide beenen. Verlangen (begeeren). ik hel» —langd. Wot verin,igt gij'/ begeert gij. Ik verlang mijn geld. eisch. vorder.

Verlangen, u. —s. De kinderen branden van —. Verlangst (begeerte), v. gmv. VerlaiiteiTiinten, ik heb -lanterfant. De leerjongen stoat zijn tijd te —. verluieren, verbeuzelen.

Verlariên {verbeuzelen), ik heb —laried. Verlaten, ik -liet, heb —laten: —ing. v. Het pad der deugd —: hij verliet de stad; n ijn gezicht verlaat mij: de wereld Verlaten (zieh) (vertrouwen), ik —liet mij. heb mij —laten. Gij kant a op hem verlaten. Verlaat a op (iod.

Verlaten tzieh) {te laat konten), ik heb mij —laat. Gij verlaat n in den regel voor den eersten trein.

Verlaten, bn.; —heid, v. Ken — kind. een — schip: een — dor/K afgelegen, eenzaam. Verleden, voorleden {vroeger, vorig), b.i.

— jaar.

Verleden, voorleden, o. gmv. In 't — ligt het Heden.

Verledigen tzieh) (zich bezighouden), ik heb mij — ledigd.

Verleenen (toestaan), ik heb—leend; —ing. v.

V erlegen {bedeesd, beschaamd), bn.: —hein, v. Het meisje is nog wat — in dien kring.

V erlegen (bedorven door long liggen), I n.

— wijn, — zijde.

Verleggen, ik hel» —le^d en —leid: -ing, v. He wachter zal den wissel —. anders leggen: He heb mijn handschoenen verlegd: de troepen Verlei (beleening), o. gmv. [werden —.

Verleidelijk, bn. en bw.: —heid. v. Ke/. — voorstel, aanlokkelijk, bekoorlijk.

Verleiden (misleiden), ik heb —leid: —er,m.; —ing. v.

Verleien (beleenen), ik heb —leid: — ing. v. Iem. met een leen —, begiftigen. Verlekkeren, ik heb en ben —lekkerd. Die hond is —; dat j/ongmensch is verlekkerd o/) rornanlectaar. d.i. verzot.

Verlengen, ik heb —lengd; —ing. —stnk, o. Ken wissel —, een termijn van betaling —. Verleppen {verwelken), de bloem is —lept: —ing. v.

Verlet (tijdverlies), o. gmv. Zonder —, onverwijld.

Verletten (den tijd verliezen), ik hel» —let: —sel. o.


ocr page 295

VERLEUTEREN - VERM ISSEN.

273

Vi'rleuleren (verbeuzelen), ik heb —leuterd.

Gij hebt n(v studiën nr weer verleiderd. Verlevendigen, ik heb en ben —levendige!: —iiiS, v. De hoop —. den handel —. opwekken, opbeuren.

Verlezen (zieli) {verleerd lezen), ik—las mij, heb mij —lezen.

Verlicht, bn. en bw. Een — staatsman,he\der-denkend, ontwikkeld.

Verliehten {helder malen), ik heb —licht. Een tain —. illumineeren; een stad Verliehten {minder zwaar maken), ik heb —licht. lem. zorgen —, d. i. hem opbeuren, yeriichting; {beschaving), v. lt;rmv.

Verliehtins; {ontheffinci, opbearinrf). v. gmv. Verlieflrrlijkcii (zich), ik heb mij —liederlijkt. Die man zal zich nog geheel —. d. i. door losbandigheid te gronde gaan.

Verlield, bn. en bw.: — lieid. v. Hij tras — op dat meisje, met liefde bezield.

VerlielVIe {persoon), m. en v. —n.

Verlies, o. —liezen, liet — in zalen, schade, nadeel: er was veel geld—; het — is groot door dat sterfgeval.

Verlieven {verliefd raken), ik ben —liefd. Verliezen, ik —loor, heb —loren: —er, m. Een spel —. een proces —, zijn verstand —. krankzinnig worden: tijd —. zijn geduld —. het leven —.

Verliggen, liet —lag. is —legen. Jxiat het fruit niet —. door lang liggen bederven: verlegen goed deugt niet, bekende woordspeling. Verlijden (opmaken, passeeren). het —leed, is —leden. De akte is verleden voor den notaris. Verlof ( vergiimiing). o. —loven.

Verlok kei ij k {verbkdelijl), bn.enbw.: —heid, v. Verlokken', ik heb —lokt: —er. m.: —ing. v. Laat a door den schijn niet —, verleiden, misleiden.

Verlooelienen, ik heb —loochend: —aar, m.:

— ins. v. Zijn vaderland —: zijn geboorte — : de nat nar —: God —: zich zeiven —.

Verlooden {van een looden merk voorzien), ik heb —lood: —ins. v.

Verloofde, m. en v. —n. Zij of hij is mijn —. bruid, bruidegom, aanstaande.

Verloop, o. gmv. Na — van tijd: het — eener ziekte: het — van zaken.

Verloren, bn. — moeite: een — oogenblikje: hij is een — man. hij is niet te redden: alles ging —, te niet.

Verlo.Hknnde, v. gmv.

Veiioo|M'n (verliederlijkt, afgesleten), bn. Een

— sajet, een — schroef. \eT]os\i\uu\\%v{dokter.vroedvroiiw).m.eny.— i\. Verlossen, ik heb en ben —lost: —ing, v. l it

den kerker —. a it de slavernij —, oevrijden. Verloten, ik heb —loot: —er. m.: —ins. v-Een kunstwerk —: de verlote voorwerpen. Verloven, ik heb —loofd: —ins. v. Die ouders hebben hun kinderen verloofd, door trouwbelofte verbonden: zij is verloofd met uw neef: zich —. d. i. zich engageeren. VfM'liiehten. ik heb —lucht: —ins.v. Ik moet mij eens —. wat lucht gaan scheppen. Verluiden (te verstaan geven), enkel gebruikelijk in: zich laten verluiden. Dat heb ik mij laten —, d. i. laten vertellen, zeggen. Verinieren (in luiheid doorbrengen), ik heb —luierd.

Verlnstisen. ik heb —lustigd: —ins, v. Wij

ivillen ons wat — in de natuur, opvroolijken, opwekken.

koenen, Verkh Handwdb. d. Nederl. taal.

V«'rniaaSHeha|gt;|ien. ik heb — m:;agschapt; —ins. v. Hij is aan ons vermaagschapt, familie van ons; hij heeft zich. aan ons vermaagschapt.

Verinaak (genoegen), o. —maken. Verniaan(lt;,t'gt;'gt;/mm/*i/j,o.: — l»rier.m.—brieven. Vermaard (beroemd), bn.: —heid. v.

Venna se ren (nuiger worden), ik ben — ma-

Vermakelijk {genoeglijk), bn. en bw.: —heid. v. Vermaken', ik heb —maakt. Hij zal het heele gezelschap wel —.

Vermaken (zich), ik heb mij —maakt: —ins,v.

Wij — ons met roeien, met visschen. Vermaken {bij uiterste wilsbeschikking afstaan). ik heb —maakt.

Vermaledijen (vervloeken), ik heb —dijd. Die vermaledijde historie: die vermaledijde vent. Vermalen (stak malen), ik —maalde, heb —malen; —ins. v-Verniallen {verbeuzelen), ik heb —mald. Vermanen, ik heb —maand: —ins. v- Wij — ii nogmaals, mijd dat gezelschap, aanraden, waarschuwen.

Vermanins {zedenles), v. —en.

Vermannen (vermeesteren), ik heb —mand. Hij werd door den schrik vermand, overweldigd. Vermannen (zich), ik heb mij —mand:

—ins. v. Na den eersten schrik vermande hij zich, greep hij moed.

Vermast {te zwaarbeladen, fig. overstelpt),bn. Door zorgen, door den slaap —.

Vermeend (gewaand), bn. —e rechten: —e aanspraken.

Vermeenen, ik heb —meend. Ik vermeen gelijk te hebben, ik houd het er voor, vermoed. Vermeerderen, ik heb en het is —meerderd: —aar, m.: —ins. v. De lasten —, worden grooter, nemen toe.

Vermeesteren, ik heb —meesterd: —aar, m.:

— ins, v. De stad zal haast vermeesterd zijn, veroverd: zijn driften —. onderwerpen.

Vermeiden. Zie Vermeien.

Vermeien (zich) (ontspannen), ik heb mij -meid. Wijgc tan ons — in deschoone natuur. Ook: Vermeiden.

Vernielden, ik heb —meld: —er, m.; —ins.v.

De kronieken — het, berichten, gewag maken van.

Vermensen, ik heb —mengd; —er. m.: —ins. v-

Twee wijnsoorten —. ondereenmengen: zich

— met: Olie vermengt zich niet met water. Verinemeviililigeii. ik heb en het is —menig-

vuldigd: —er. m.: —ins. v.: —tal, o.

Vermetel (stoat, onberaden), bn. en bw.:

— heid. v. —e meed. (C. O.)

Vernieten (zich) (zich in het meten vergissen: zich verstouten), ik —mat mij, heb mij —meten. Die knecht vermeet zich telkens, verkeerd meten: wat vermeet gij u'.' gij moet u zulks niet —.

Vermicelli (dnune meelpijpjes). v. gmv. Vermijden (ontwijken), ik —meed, heb —meden: — haar. bn.:quot; —elijk, bn.; -in?, v. Vermiljoen (hoocjroode kleurstof), o. gmv.; —achtis. bn.

Verminderen (afnemen), ik heb en het is —minderd; —ins. v.

Verminken (bederven, stuk maken), ik heb —minkt: —ins. v. Een kunstwerk —. Verminkte {persoon), m. en v. —n. Vermissen, ik heb —mist. II vermis mijn beurs, niet kunnen vinden, verloren hebben.

18


ocr page 296

VERMITS-VERPLOOIEN.

274

VennitN (omdat), v\v.

Vermoedelijk {waarschijnlijk), bn. en b\v.

Vermoeden, o. —s. 0/gt; — van diefstal, verdenking. argwaan.

Vermoeden (gissen, meenen), ik heb —moed. Ik vermoed, dat mu vriend den trein heeft gemist.

Vermoeid {afgemat), bn.; — lieid, v.

Vermoeien, ikheb—moeid: —ing,v. Deoogen —, overspannen; zich —, zich erg inspannen.

Vermoeiend (lastig), bn. Een — iverk, zwaar: een — kind, drnk. levendig.

Vermoeienis (afmatting), v. —sen.

VernioKen,onr.ik —mag,—mocht. Wat vermag den tegen drie'' Liefde vermag veel, de maclit hebben; ik vermocht hem niet te redden, het was buiten mijn macht.

Vermogen, o. —s. Ken knaa/gt; van goede —s, aanleg: hij is gekrenkt in zijn —s. verstand; dat gaat hoven mijn —, macht; de —s der ziel, krachten; een man van —, een rijk, een aanzienlijk man.

Vermogend, bn. Ken — heer, bemiddeld, machtig, rijk. Ook: invloedrijk.

Vermomde (persoon), m. en v. —n. De halzaal was vol —n. verkleeden, gemaskerden.

Vermorzelen (verbrokkelen, verbrijzelen), ik heb—morzeld; —ing,v. Ken vermorzeld hart, rouwmoedig.

Verinnrwen (week, gevoelig maken), ik heb en ben —murwd; —ing, v. Geen smeekingen konden Alva's h gt;rt —.

Vernaeliten, ik heb —nacht. Ik heb, heer Landeslot, in a w gebied menigmaal vernacht, d. i. den nacht doorgebracht. (Vondel.)

Vernagelen, ik heb —nageld: —ing. v. Een kanon —, onbruikbaar maken: een paard —, een spijker te diep d. i. in het leven slaan.

Vernederen, ik heb —nederd; —ing, v. lem. trots —; zich voor God —; verootmoedigen.

Vernederend (beschamend), bn. Een — aanbod.

Vernemen (hooren), ik —nam, heb —nomen. Hebt gij 't nog niet de lente is weerge-komen. bemerken; hij vernam naar uw gezondheid, vragen.

Vernielal (persoon), m. en v. —len.

Vernielen (stuk maken), ik heb —nield: —er. m.; —ing. v.; —zucht, v. De oorlog vernielt de dorpen, verwoesten, verdelgen.

Vernietigen, ik heb —nietigd; —er, m.; —ing, v. Dat woord vernietigt al mijn hoop, te niet doen; het vonnis, het besluit werd vernietigd-, de vlammen vernietigden de processtukken.

Vernienwen (nieuw maken),ik heb — nieuwd; —er, m.; —ing, v.

Vernis (kunstglans), o. —sen. Een — van beschaving, een schijn, het uiterlijk.

Vernissen (met vernis bestrijken), ik heb gevernist. Een deur —, een schilderij —.

Vernoegd (tevreden), bn. en bw.; —lieid, v.

Vernoegen (zieli) (vergenoegen, d. i. tevreden zijn), ik heb mij —noegd; —ing, v.

Vernoemen, ik heb —noemd: —ing, v. Ik zal hem u —, zijn naam zeggen.

Vernuft (scherpzinnigheid, genie), o. —en.

Vernuftig,bn.en bw. Een — man, vindingrijk; dat is — uitgedacht, geestig.

Veronaelitzmnen, ik heb —onachtzaamd; —ing, v. Zijn plichten, zijn gezondheid —, verwaarloozen.

Veronderstellen (aannemen), ik heb —ondersteld: —ing, v. Ik veronderstel dat ge uw proces wint, ivat dan nog?

Verongelijken, ik heb —ongelijkt: —ing, v. lem. —, onrecht aandoen.

Verongeliikken, hij is —ongelukt. De man, het schip is verongelukt.

Veronthéiligen {schenden), ik heb —ontheiligd; —er, m.: —ing, v.

Verontreinigen (bezoedelen), ik heb —ont-reinigd: —er, m.; —ing, v. Dat zal uw geweten besmetten.

Verontrusten, ik heb —ontrust: —ing, v. Laat u niet —. angstig, zenuwachtig maken. Verontselinldigen, ik heb —ontschuldigd;

— ing, v. Zijn gedrag laat zich niet —, ver-schoonen, vrijpleiten.

Verontwaardigen, ik heb —ontwaardigd;

— ing. v. Dat voorstel zal hem —, zijn ergernis, toorn opwekken: zich —. zich boos maken.

Veroordeelen. ik heb —oordeeld: —aar, m.; —ing. v. De dief iverd veroordeeld, vonnissen, schuldig verklaard.

Veroorloven, ik heb —oorloofd: —ing, v. Die vrijheid kunt gij u vergunnen. Veroorzaken, ik heb —oorzaakt; —er. 1114 —ing, v. Dat zal veel twist —, bewerken, teweegbrengen.

Verootmoedigen, ik hel t-ootmoedigd; —ing,v. Ga u voor God —, vernederen, in ootir.ood buigen.

Verorberen (gebruiken), ik heb —orberd. JW, wij hebben heel wat verorberd, gegeten en gedronken.

Verordenen(freue/t'/J, bepalen),ik heb —ordend; —ing, v.

Verordineeren. ik heb —ordineerd: —ing, v.

Wie heeft dat zoo verordineerd'.' bevolen. Verouderen, ik ben —ouderd; —ing, v. Dat gebruik gaat —; een verouderde kwaal, ingeworteld.

Verouwelijken, ik heb en ben —ouwelijkt. Wat is de man verouwelijkt! een oud man geworden.

Veroveren, ik heb —overd: —aar, m.: —ing. v.;

—ingsznelit, v. Een land overwinnen; iem. liefde —, winnen.

Verpaeliten (in pacht geven), ik heb —pacht; —er, m.; —ing, v.

Verpakken, ikheb—pakt; —ing. v. Die goederen moeten verpakt worden, anders ingepakt. Verpanden rm pand geven), ik heb —pand; —ing, v. Zijn goederen —, zijn eer —. Verpesten, ik heb —pest; —ing. v. Die stank verpest de lucht.

Verpestend, bn. Een —e lucht, een —estank. Verpijnen (zieli), ik heb mij —pijnd. Ik heb mij ver pijnd op dat werk, afsloven, aftobben. Verplaatsen, ik heb —plaatst; —ins:, v. Mrn

zal dien ambtenaar —, een andere standplaats aanwijzen.

Verplanten, ik hel) —plant; —ing, v. Een

oude boom laat zich niet —. overplanten, overbrengen.

Verpletten (stuk pletten), ik heb —plet. Fig.

Wij stonden verplet, stijf van verbazing. Verpletteren, ik heb —pletterd; —ing, v. Een —de tijding, vreeselijke; het schip werd op de klippen verpletterd, stuk geslagen. Verplieliten (noodzaken), ik heb —plicht;

— ing, v. Ik ben u veel verplicht, verschuldigd; een verplicht teernifc, wettelijk voorgeschreven.

Verplieiitend (noodzakelijk), bn. en bw. Verplieliting (het verplicht zijn: zaak van dankbaarheid), v. —en.

Verplooien, ik heb —plooid. Zij — de uit-


ocr page 297

VERPONDING—VERSCHUILEN.

275

spraken ties dokters naar de inspraak van hunne hoop. (C. O.)

Verponding; ((jrondbelasüny), v. —en. Vcrpoozen (laten uitrusten), ik heb —poosd: —ing. v. Zich —, uitrusten, rusten.

Verpoten (elders poten), ik heb —poot; — ing, v. Wij zullen die slaplanten —, op een ander bed poten.

Verraad, o. gmv. Hooy—, samenzwering, landverraad.

Verraden, ik —ried. heb —raden. Een geheim —, verklappen: het wtdei'land —. aan den vijand; uw kleur verraadt ontmaskert u. Verrader, m. —s, —en.

VerrawMen. ik heb -rast. Die tijdiny verraste mij; de regenbui verraste ons; uw bezoek verrast ons; iem. —: een haas, die niet op zijn tellen past, wordt dikwijls door een hond verrast. (Schoolmeester).

VerrasNing, v. —en. De — van het kasteel van Breda, de — van tfoei, overrompeling. Verre. b\v. Zie Ver.

Verregaande, bn.enbw. — onnoozelheid.(C.O.) Verreiken (zieli) (te ver reiken), ik heb mij —reikt.

Verrekenen, ik heb —rekend: —ins. v. Ik

heb mij verrekend, vergist: wij zullen dat wel —. vereffenen; ren verreheiijiakket, een postpakket, waarvan terstond de waarde Verrekijker, m. —s. [wordt geïnd.

Verrekken {ontwrichten, sterven), ik heb en ben —rekt: —ins:, v.

Verrel (vierdedeel), o. —s. grnz.

Verreweg;, bw. Hij was — de knapste. Verreziend. verziend, bn. Een — staatsman. Verrirliten (doen), ik heb —ri^ht; — ing. v. Verrijken (rijker maken), ik heb —rijkt; — ing, v.

Verrijzen (oprijzen), ik —rees, ben —rezen; —eniM, v.: —iiig, v. Hij zal ten derden dage —, uit het graf opstaan.

Verroekeloozen (roekeloos ver waar loozen), ik heb —roekeloosd; — ing, v. Zijn gezondheid —.

Verroeren, ik heb —roerd. Een oude zeelt r err oer t geen vin (Bogaers), beweegt. Verroesten, het is —roest: —ing. v. Dat ijzerwerk gaat —. Verroest, gmz. loop heen! Verronselen (verruilen), ik heb —ronseld. Hij heeft zich verronseld, tot den krijgsdienst voor handgeld laten aanwerven.

Verrotten (ontbinden, bederven), het is —rot: -ing. v.

\ errnileii (omruilen, wisselen), ik heb —ruild. -ins;, v.

\ errnimen, ik heb —ruimd: —ing. v. Zijn hart —. ontlasten: zijn blik —, wijde; maken. Verrukkelijk (bekoorlijk), bn.en bw.: —Iieid, v. Verrukken', ik heb —rukt: —ing, v. Hij was

verrukt u te zien. opgetogen.

Ver», o. verzen. Hoe vindt ge dit gedicht; rik couplet bestaat uit verzen, dichtregels; elk hoofdstuk des bijbels bestaat uit verzen, zinsneden.

Versaagd {bevreesd), bn. en bw.: —lieid, v. Versagen (ontstellen), ik ben —saagd. Verseli, bn. en bw.: —lieid, v. —e boter, —e eieren; een —e flesch, —e paarden: dat ligt mij nog — in 't geheugen: een —e wonde. Verseliaelieren (verronselen, verruilen), ik heb —schacherd.

Verscliaflen (bezorgen), ik heb —schaft: -ing, v.

Verschalen, het is —schaald; —ing. v. De

wijn in die open flesch zal —, geur en kracht verliezen.

Versrlialken (foppen, misleiden), ik heb —schalkt; —ing, v. J)e visschen laten zich door het aas —.

Verseliansen, ik heb —schanst: —ing (hoog achterdeel van een zeeschip), v. De vijand had zich ('aar verschanst, met schansen omringd: hij zoekt zich achter leugens te —, redden, verbergen.

Verscliebalie, varsrhebalie [tobbe, kuip: ook matroos, die het vleesch ververscht), m. —s.

Verscheiden (overlijden), hij —scheidde, is —scheiden.

Verscheiden (het sterven), o. gmv.

Verscheiden, bn. en telw.; —lieid, v. Er zijn — soorten vin grassen. [scheeld.

Verschelen \ verschillen), het heeft veel —

Verschenken, ik —schonk, heb —schonktyi. //.• heb drie flesschen verschonken, schenkende ledigen.

Verscherpen (scherp of scherper maken), ik heb —scherpt; —ing. v. liet toezicht —.

Verschet (raam der drukkers), o. Ook: Frisket, o.

Verschiet (verre afstand, horizon), o. —en. Ginder veer wil in 't — een slot verflauwen (Vondel).

Verschieten, ik —schoot, heb en ben —schoten. Hij heeft lt;il zijn kruit verschoten, alles ineens gezegd, alle pijlen verschoten; de sterren —. wegschieten, vallen; zal ik u dat geld —? leenen: hij verschool van schrik, verbleekte.

Verschijnen, ik —scheen, ben —schenen; —dag, m.: —ing (spook), v.; —sel (natuur-verheveling), o. Hij moet voor den rechter — ; de vervaldag van' den wissel is verschenen: het boek zul spoedig —.

Verschikken {anders schikken), ik heb en het is —schikt; —ing. v.

Verschil, o. —len. Wat een — ' onderscheid; zij hadden —. twist, oneenigheid.

Verschillen {verschelen), ik heb —schild. Ik verschil met u van meening, in leeftijd, van godsdienst.

Verschillend, bn. en bw. Er zijn —e verklaringen mogelijk, onderscheiden.

Verschooiien, ik heb —schoond; —ing, v. De bedden —. d. i. van schoon linnen voorzien; ik zal mij bij hem —. verontschuldigen.

Verschoppeling ( verschoveling), m. en v. —en; voor het v ook — e. Die ar uw wees is daar de die steeds achteraf gezet wordt.

Verschoppen, ik heb —schopt; —ing. v. Hij verschopt zijn eigen gelul:, met voeten treden.

Verschot, o. —ten. Er is hier ruim — van meubelen, van kleeren. overvloed.

Verschoveling (geminachte), m. en v. —en. Hij is bij zijn familie de —.

Verschrikkelijk, bn. en bw.; —heid. v. Een —e moord, ontzettend; een —e bedreiging.

Verschrikken,ik heb en ben—schrikt; —ing.v. De knaap verschrikte het paard, deed schrikken. Wat was ik verschrikt, (verschrokken) \

Verschroeien, ik heb en ben —schroeid; —ing, v. De —de zon. brandende, verzengende; een —de dorst, brandende.

Verschrompelen (rimpelen), ik ben —schrom-peld: —ing. v. liet vroege fruit gaat licht—.

Verschronkelen {omkrullen), de kunstbloem is —schronkeld.

Verschuilen tzich), ik —school mij, heb mij


18*

ocr page 298

VERSCHUIVEN—VEKSTELLEN.

270

—scholen. II ij verschil Ut zich achter tie deur, verbergen; hij weet zich voor het gevaar te VerHcliuiven. ik —schoof, heb —schoven;

— ins, v. Ik zal die Last wat —: een be-slissinff —. uitstellen.

VerNrliuMigd. bn. Ik hen hem veel —. verplicht, de —e (je ld en. —e eerbied.

Verwio (omkeerimj. wending, overzetting, vertaling), v. gmv.

VerHii'i en. ik hel) — sierd; —der, m.: —ina;. v.;

—nel. o. Ken hamer —: middelmaat versiert de straat, tot sieraad strekken: een verhaal met allerlei sprookjes opsieren; gevoelens, die den man —. (C. O.)

Verwilicatie (versboaw), v. gmv. Versificeer»'ii [verzen maken, in versmaat brengen).

Verslaafd, bn.; — lieid. v. Hij is — aan den

drank, aan het spel, overgegeven, de slaaf er van.

Verslaan, ik —sloeg, heb en ben —slagen. Den vijand —. overwinnen: d?n dorst —. lesschen; die wijn zal —, verschalen; hij stond verslagen, onthutst.

Verslag (bericht, rapport), o. —en.

Verslagen (verschrikt), bn. en bw.: —Iieid, v. De —held tvas groot, bedroefdheid, neerslachtigheid.

Verslaiiipaiii|gt;eii (verbrassen), ik heb — slampampt.

Verslapen,ik —sliep. Iiel» —slapen. Versliept gij 't zoet der lentedagen, traag Roosje:' (Staring). Verslaven lt;/J('ligt;, ik heb mij —slaafd: —ing;, v. Zich — aan drank, spel, lectuur, enz., zich de slaaf maken van.

Verslensen, de bloem is —slenst; —ins. v. Al die bloemen gaan in de zon —, verwelken, sterven.

Verslijten, ik —sleet, heb en ben —sleten; —haar. bn.: —elijk, bn.; —ing, v. Die jas

zult gij niet —. stuk dragen; verslijt gij mij voor een sul:' houden voor; den tijd — met lezen, doorbrengen.

VerMliinnieren (erger worden), het is —slimmerd: — ing. v. De ziekte zal met den dag—. Verslinden, ik —slond. heb —slonden: —er, m.; —ing, v. De tijger verslindt zijn prooi, in-zwelgen, gulzig opslokken; iem. met deoogen

nijdig aanzien.

VerMlingerdlieid (eerzotheid), v. gmv. De — van juffrouw Stastok aan den uitroep: ,.welheerem ijntijd(C. O.)

Verslingeren, ik heb en ben —slingerd. Hij verslingert zich aan den drank: hij is op het spel, op de wereldsche vermaken verslingerd. d. i. verzot.

Verslodderen (verslonzen), ik heb —slodderd. Versloflen (verwaarloozen), ik heb —sloft. Verslonzen, ik heb —slonsd. Zij verslonst haar k leer en, vuil dragen, verwaarloozen. Versmaad {gem inacht),hn. Een versmade raad. VerMinaeliten. ik ben —smacht; —ing, v.

— va}i dorst, van honger: in de gevangenis —. treuren, lijden: naar vrijheid —, reikhalzen.

Versniaden, ik heb —smaad: -er, m.: —ing, v. Iem. goeden raad kleinachten: wat hij toen versmaadde* zou hem nu welkom zijn. beneden zich achtte: zulk een aanbod is niet te —. verwerpen, van de hand wijzen. Versinelten. ik —smolt, heb en ben —smolten;

— ing. v. De. tonen —, in elkaar vloeien; in tranen —, wegsmelten.

Versnieren, ik heb —smeerd. Hij heeft alles verteerd en versmeerd, verbrast.doorgebracht. Versmoren, ik heb en ben—smoord: — ing, v. Den kreet van smart —, onderdrukken. Versninllen. ik heb —smuld. Zijn geld —. aan lekker eten en drinken verdoen. Versnapering {lekkernij), v. —en. Versnellen, ik heb —sneld; —ing, v. Deo pus —, dat zal den bloedsomloop —, sneller doen worden.

Verso (de andere zijde), o. gmv.

Verspaden (uitstellen), ik heb —spaad. Zijn vertrek —. zich verlaten.

Verspannen, ik —spande, heb —spannen: -ing. v. De paarden —, anders inspannen. Versparkelen ( verspatten), het is —sparkeld.

Ih-t vuurwerk gaat — in een vonkenregen. Verspelen, ik heb —speeld. Zijn geld —. spelende kwijtraken: iem. achting —. verbeuren; ik heb mij verspeeld, zich bij het spel vergissen.

Versperren, ik heb —sperd; —ing. v. Den

toegang —, afsluiten.

Verspieden, ik heb —spied: —er, m.; —ing. v.:

—spiejaelit, o. Als harpspeler vermomd wist Alfred de toerustingen der Noormannen te — (Schrant), af te kijken.

Verspillen, ik heb —spild: —er, m.: —ing. v. Zijn geld. zijn goed, zijn erfdeel, zijn tijd —. verkwisten.

Verspreiden, ik heb —spreid; —er, m.: — ing.v.

Allerlei valsche geruchten —. rondstrooien: de vijanden werden verspreid, verstrooid: een verspreide, bevolking, niet aaneengesloten: enkele verspreide hutten, alleenstaande. Verspreken lt;Kieligt;, ik —sprak mij, heb mij —sproken. Ik heb mij versproken, zich in het spreken vergissen.

Versregel, m. —s; —snede (caesuur), v. —n: —soort, o. en v. —en.

Verstaald, bn. Een — mes. tot staal gemaakt:

— ijzer, gehard; een — voorhoofd, een — gemoed, hard, verstokt.

Verstaan (begrijpen), ik —stond, heb —staan. Ik versta u niet; hij verstaat geen gekheid: zijn ambacht —, kennen.

Verstalen (harden), ik heb —staald: —ing.v. IJzer wordt door het vuur verstaald, gehard. Verstand (begrip, doorzicht, bevatting), u. —en. Zijn — gebruiken ; hij heeft veel gezond —: hij heeft zijn — verloren; iem. iets aan hef

— brengen: — van iets hebben: dat gaat mijn — te boven: hij is niet wel bij zijn —. krankzinnig; zijn — is verbijsterd; met dien —e, men dient het aldus te verstaan.

Verstandelijk, bn.: —lieid, v. De —e ontwikkeling, geestelijke; de —e vermogens. Verstandlionding (betrekking), v. gmv. In goede —. op voet van vriendschap; in — s'aan. betrekking; ze zijn niet in de beste —. Verstandig. bn. en bw. Een — icoon', een —e raad, een — antwoord, goed bedacht, doordacht.

Versteend, bn.: — lieid. v. — schouwt dit d'1 onweerbre Marco aan (Staring), stijf van schrik; een — dier, tot steen geworden. Versteenen, ik heb en ben —steend: —ing.v. Zijn hart is versteend: ik ben versteend van schrik.

Verstek, o. gmv. Hij werd bij — veroordeeld.

zijn afzijn, niet verschijnen voor den i echter. Versteken (verbergen), ik—stak,heb—stoken. Verstellen, ik heb —steld: —er. m.; —ing.v.:

—werk, o. Een kleed —, repareeren, lappen;


ocr page 299

V EK ST E R F—VERTRO ü W ELI N G.

277

eea verstelde broek (C. O.); kant—, stoppen; een oryel —. stemmen.

Versteiiquot; (het afsterven; ook de nalatenschap). o. gmv. If ij vroeg zijns vaders —. Versterken, ik hel» —sterkt: —ing;. v. De wallen —: een leger —: den inwendig en inensch goed eten.

Versterkeiid, bn. —e middelen.

Versterven, ik —stierf, beu —storven: —ing. v. Uw roem zal niet —, teloorgaan; hef- vleesch laten —. besterven.

Verstij lil, bn.: — lieul. v.

Verstijven, ik heb en ben —stijfd; —ing, v. Hij stond verstijfd van schrik, verstramd;

— va tl kon.

Verstokken (verharden), ik heb en ben —.stokt. Verstokt (ongevoelig), bn.* —heid, v. Hij is

— in het kwaad] zijn hart is —; een —e oude vrijer.

Verstoiinneii. ik heb en ben —stomd: -ins (fig. groote verbazing), v. Die woorden deden hem —. sprakeloos worden.

Verstompen, ik heb en ben —stompt: —ing, v. Dat verstompt den geest, suf maken; die jongen is verstompt, door overspanning versuft. Verstoord {boos, uit zijn humear), bn.: —heid. v.

Verstoorder, m. —s. Een — van mst, vrede, orde. pret.

Verstoofeling. m. en v. —en; voor het v. ook —e. Een arme — der familie, der maat-sehapp j. verschoveling.

Verstotkteii, ik —stiet (—stootte),heb —stooten. Een kind, een papil, een vronw —, van zich stooten. er van scheiden.

Verstoppertje , o. gmv. — spelen, kinderspel. Verstoren, 'ik heb —stoord: —ing. v. Dat

verstoort mijn plannen, hinderen,beletten. Om irojes veste te — (\rondel),vernielen,verwoesten. Verstouten (/.ieli). ik heb —stout. Hij dorst zich die taal —. den moed hebben tot: wat verstout gij nl durven, den moed hebben. Verstouwen (verstawen), ik heb —stouwd. Verstrikken, ik heb —strikt: —ing, v. lem. in zijn eigtni woorden —. vangen. Verstrooid, bn.: —heid. v. De professor is in gezelschap wat —. afgetrokken.

Verstrooien, ik heb —strooid. Het vijandelijk leger wen! verstrooid, uit elkaar gejaagd. Verstrooiing (atleiding, genoegen), v. —en. Verstuiken (ontwrichten), ik heb —stuikt: —ing. v. //.• heb mijn voet, mijn hand verst nikt. in geringe mate ontwricht. Verstuiven, het —stoof, is —stoven; —ing. v. Hef zand der dainen rerstaift, wegwaaien: hij deed de legers als kaf —. uiteenspatten. Verstuwen [overpakken), ik heb —stuwd. Versuüen. ik hel) en ben —suft. Hij schijnt te —. suf te worden.

Versuft (dof van geest), bn.: —heid. v. Versukkelen, ik heb en ben —sukkeld. Gij nioet dit kind niet —. een sukkel doen worden, slecht behandelen. — ing. v. fn de —ing raken, d. i. achterafgezet, verwaarloosd worden. Vertakking, v. —en. Een samenzwering met eele —en ; de —en van een rivier.

Vertalen (vertuiing,overzetting), ik heb —taald: -er. m.: —ing, v.

\erte {afstand), v. gmv. In de — zagen wij een schip, verschiet, horizon.

Verteederen, ik heb en ben —teederd: —ing. v. Geen smeekbede kon Al va —, treilen, het, hart roeren.

Vertegenwoordigen, ik heb —tegenvvoordigd; -er, m.: —ing. v. Ik zal mij door den notaris laten —: de afgevaardigden — het heele volk. Vertellen (verhalen), ik heb —teld: —er, m. Een sproo Hie kom. Vertel het ons eens, mededeelen.

Vertellen (zioli) {verkeerd tellen), ik heb mij —teld. Er is vijf galden te weinig, ik heb mij zeker verteld.

Vertelling {verhaal), v. —en.

Vertelsel {sprookje), o. —s.

Verteren, ik heb en het is —teerd: —ing, v. Zijn maag kan geen komkommers —, verduwen, verdragen; den pot —, opmaken; hij verteert van naijver, mager worden. Verteuten (den tijd met niets doen doorbrengen). ik heb —teut. gmz.

Verticaal (loodrecht), bn. In —alen stand. Vertienden (met tienden bezwaren), ik heb -tiend; —er, m.; —ing. v.

Vertienvoudigen, ik heb —tienvoudigd. De speler had zijn inzet vertienvoadigd, tienmaal den eersten inzet opgezet.

Vertier {aftrek, eerkoop), o. gmv.

Vertinnen, ik heb —tind; —ner, m.: —niiig,v.; —sel. o. Een koperen pan —. met tin aan de binnenzij bekleeden. overtrekken.

Vertoef {verblijf, oponthoud), o. gmv. Zonder —, onverwijld, dadelijk.

Vertoeven, ik heb —toefd. Waar hebt gij vertoefd'/ gewacht, gescholen.

Vertolken (overzetten, vertalen). ik heb —tolkt; —er, m.: —ing, v. lem. gedachten, woorden —. Vertoog (verhandeling), o. —en. De spectatoriale —en van Van Effen.

Vertoon ('t laten zien), o. gmv. Op — van zijn biljet; op — van den wissel; hij nnatkt veel — in de wereld, praal, bluf: 't is daar uwer — dan rijkdom, uiterlijkheid. Vertoonen {laten zien. voorstellen), ik heb —toond; —er, m. Hij zal zich niet meer in 't publiek —: de tooneelafdeeling zal dat stuk —. opvoeren.

Vertoon iiig( voorstel ling, represen tatie),\. —en. Vertoornen (boos maken), ik heb — toornd. Vertragen (tegenhouden), ik heb en het is —traagd; —ing. v. Hij zocht den gang der onderhandelingen le —. belemmeren. Vertreden, ik —trad. heb —treden: —er, m.:

— ing, v. Zijn geluk —: ik ga mij eens —, een ontspanning al wandelende nemen.

Vertrek (kamer), o. —ken.

Vertrek (afreis), o. gmv. De trein staat op—.

Vertrekken, ik —trok, heb en ben —trokken:

— ing. v. Zijn gezicht niet —: zijn mond is geheel vertrokken: hij vertrok geen spier.

Vertreuxelen (rcrbenzelcn). ik heb —treuzeld; -ing. v.

Vertroetelen {verwennen), ik heb —troeteld;

— ing. v. Gij zntt dat kind heele maal —, week maken.

Vertroosten (troost geven), ik heb —troost;

— haar, bn.: —er, m.: -ing. v. V 'ert roosting aan Vossius. (Vondel), troostwoord, troost-gedicht.

Vertroostend, bn. Een — woord, stillend, kal meerend.

Vertrouwd, bn.: —heid. v. Een — persoon,, bediende, vriend, op wien men zich verlaten kan: hij is — met dat werk. goed bekend. Vertrouwelijk, bn. en bw.: —heid, v. Vertrouweling {vriend), m. en v. —en: voor het v. ook —e.


ocr page 300

VEHTHOüWEX-VEH WELVEN.

278

Vertrouwen, o. gmv.

Vertrouwen {vertrouwen stellen), ik heb —trouwd.

Vertnianker (zeew.), o. —s. Zie Vertuien.

Vertuien (met twee ankers vastleggen), ik heb —tuid: —ing:. v. Aan 't schip van staat vertuid door ambtszorg. (Staring), verbonden: een vertui-anker, klein anker.

Vertuigen (anders optuigen), ik heb —tuigd; —ing, v-

yertwijleld (wanhopig), lm. en b\v.; —lieid. v. Vertwijfelen (radeloos zijn), ik heb —twijfeld; —ins.'v.

Veruitzienil, bn. —e jdunnen. vérstrekkend. Vervaard (angstig, bevreesd, bang), bn.:

— heid. v.

Vervaardigen (make))), ik heb —vaardigd: —er. m.: —ing. v.

Vervaarlijk, bn. en Inv. Een — geschreeuw;

— schreeuwen, angstwekkend.

Verval (vermindering), o. gmv. Lijden aan — van krachten.

Verval {voordeel), o. —len. In dezoi dienst is nog al —. fooien.

Vervaldag (betaaldag), m. —en.

Vervallen, ik —viel. ben —vallen. De wissel \S — op den löen: die familie gaat —, verarmen.

Vervallen, bn.: —heid. v. Ken — huis, kasteel, bouwvallig; wat is hij —. vermagerd. Vervalselien. ik heb —valscht: —er. m.: -ing. v. Het meel —, de koffie —. een tekst —, een rekening —.

Vervangen, ik —ving, heb—vangen: —ing. v. De êène ploeg arbeiders vervangt de andere, aflossen: gij wordt door den zoon des huizes —, die komt in uw plaats; het êène woord door het andere —. verwisselen.

Vervaren (bang muken), ik hel) —vaard. Vervaren (per water vm'voeren), ik —voer, heb en ben —varen. Waarheen is /)ij —, waar is hij gebleven?

Vervatten, ik heb —vat. Gij moet uw bezoek eens —. herhalen; i)et verzoek was in de volgende woorden vervat, opgesteld. Vervelen, ik heb —veeld: —ing, v. Ik zit mij hier te die eentonigheid verveelde mij, hinderde mij.

Vervellen, zij is —veld: —ing, v. De slangen

— eens per jaar. een andere huid krijgen. VervelooM, bn. Een —ooze doe, vloer, van

verf ontbloot.

Verven, ik heb geverfd; —er. m.: —erij. v.

Ken hquot;is —. een rijtuig —. goederen —. Vervenen, ik heb —veend: —ing. v. Wij zullen dien hoek —. de turf er uit baggeren. Ververselien, ik hel) —verscht. Het water in een kom —: den voorraad —, vernieuwen. VerversK-hing (verfrissching). v. —en. Van welke —en zult gij gebruiken1, dranken, vruchten, enz.

Vervlieten(very/ot'/Vw), het—vloot, is—vloten. liet leven gaat met de jaren —.

Vervloeken, ik heb —vloekt: —ing. v. Hij vervloekte ons uilen, den vloek uitspreken over. Vervloekt, bn. en bw. Ken —e kerel, ellendige: een —e daad, slecht: hij voert — weinig uit. zeer weinig, gmz.

Vervoegen, ik heb — voegd: —ing. v. Ken

werkwoord —, spraakk. verbuigen: zich —, zich wenden, zich begeven.

Vervoer, o. Het — der goederen, transport, overbrenging.

Vervoeren (in alle beteekenissen), ik heb —voerd: —der, m.: —ing, v.; —tuig. o. De krijgsgevangen iverden per trein vervoerd-, hij liet zich door drift —. te ver voeren. Vervolg, o. —en. Ken — op een boekwerk: in 't —, bw. voortaan; —werk (boekwerk dat niet ineens compleet verschijnt), o. —en. Vervolgen, ik heb —volgd: —er. m.; —ing, v. lem. —, nazetten, fig. in rechten betrekken; hij vervolgt ons met zijn aanbiedingen', den vijand —, achterna zetten.

Vervolgen» [daarna, naderhand), bw. Vervolging (achter nazetting), v. —en. Vervorderen (voortzetten, verhaasten), ik heb —vorderd.

Vervormen (anders vormen), ikheb—vormd: —er, m.; —ing, v.

Vervreemden (in a))dere handen brengen), ik heb en het is —vreemd: —heid, v.: —ing, v. De man kan de goederen der genwenschap — : die kinderen zullen op den duur van hun ouders —. door lange afwezigheid vreemd worden aan; hij zal zich door dat gedrag van al zijn vrienden

Vervroegen, ik heb en ben —vroegd: —ing, v. Een feest —, een bijeenkomst —. eerder stellen. Vervullen, ik heb —vuld; —ing. v. Zijn plichten —. doen, betrachten; zijn belofte —, nakomen; zijn hoop werd vervuld: een betrekking —.

Verwaaid, bn. Wat ziet hij er — uit! verwilderd.

Verwaand, bn. en bw.: —lieid.v. Een — heer, trotsch. hoogmoedig, ingebeeld: — spreken. Verwaardigen (zieh), ik heb —waardigd. Hij zal zich niet — te antwoorden, het de moe te niet waard achten, hij rekent zich te hoog. Verwaarlooxen (veronachtzamen), ik heb — waarloosd; —er. m.: —ing. v. Gij verwaarloost uw gezondheid: verwaarloosde kinderen. Verwant, bn. —e talen, bv. Spaansch en Portugeesch: —e wetenschappen.

Verwante (persoon), m. en v. —n. Verwantarliap, v. gmv. De — der Ger-maansche talen: bloed—, familiebetrekking. Verward, bn. en bw.; —heid. v. Een — antwoord. — spreken, niet geregeld, zonder orde. VerwasMen (door groeien verdwijnen: ook eerkeerd wassen): het —wies. is —wassen; —ing. v. Dat gebrek zal wel —: die verkromming zal wel —.

Verwaten (vermetel, stout), bn.; —heid. v. Ken — koningin, overmoedig; een — handeling, onberaden.

Verwateren, ik heb —waterd; —ing, v. Bier, melk, wijn. soep —. te zeer aanlengen. Verweeken (week, zacht maken of worde))), ik heb en het is —weekt: —ing. v. Verweeren (bederven), het is — weerd. Het glas gaat —, groen worden; de rotsen —, verbrokkelen.

Verwekken, ik heb —wekt: —er,m.: —ing,v.

Schrik —, angst —, doen ontstaan, veroorzaken. Verwelf, verwulf (gewelf), o. —welven, —wulven.

Verwelfcel, verwulfsel, o. —welfsels, — wulfsels.

Verwelken, ikheb en het is—welkt: —ing. v. De bloemen —. verflensen: de schoonheid gaat —. haar frischheid verliezen. Verwelkomen, ik heb —welkomd: —ing. v. Ken logé, een vriend —, welkom heeten. Verwelven, verwulven, ik heb — welfd


ocr page 301

VERWENNEN-VERZENLIJMER

279

(—wulfd). Een kelder —, niet een gewelf dekken. Verweimeii, ik heb en ben —wend; —ing, v. Een hind —, bederven door toegevendheid. VerweiiHelieii, ik heb —wenscht; —ing, v. Ze//*, pogingen —, vervloeken, naar de maan wenschen.

Verweren (zich), ik heb mij —weerd: —weerver. m.; —wering, v.; — weerselirift («po-iogié), o. Hij verweerde zich als een leeuw. verdedigen, weerstand bieden.

Verwelken, ik heb —werkt: —iiiR, v. Een millioen steenen —. vermetselen; yij moet die leerstof goed in u opnemen. Verwerpelijk, bn. Een — stelsel: dat voorstel is niet —.

Verwerpen, ik —wierp, hel» —worpen: —ing, v. Ken wetsvoorstel —, niet aannemen, afstemmen.

Verwerven (verkrijgen). ik —wierf, heb

—worven; —ing, v.

Verwezenlijken, ik heb —wezenlijkt: —ing. v. Moge al wat gij tvenscht verwezenlijkt worden] werkelijkheid worden.

Verwiggelen. ik heb —wiggeld. Een lossen tand —, een paal —. heen en weer bewegen. Verwijderd, bn. Een — geraas, op afstand. Verwijderen, ik heb —wijderd; —ing. v. Verschil van gevoelen houdt hen van elkaar verwijderd, gescheiden; iemand uit zijn huis —, den toegang ontzeggen.

Verwijfd { ver weekei ijkt), bn.; — lieid, v. Verwijl (uitstel), o. gmv. Zonder —, terstond. Verwijlen (verpoozen), ik heb —wijld. Verwijt (berisping), o. —en.

Verwijten, ik —weet, heb —weten; —ing, v. Ik heb mij niets te —: de pot verwijt den ketel dat hij zwart ziet, de een verwijt den ander een zelfde gebrek.

Verwijzen, ik —wees. heb —wezen: —ing, v. Ik heb hem naar mijn vader verwezen, gezonden: ion. in de kosten van een proces —, veroordeelen.

Verwikkelen (verwarren), ik heb — wikkeld; —ing. v. In een samenzwering —; de verwikkelingen in 1830 met België.

Verwilderd (woest, ruw), bn.; —heid. v. Een —e blik. — struikgewas, d. i. ineengegroeide ranken.

Verwilderen, ik hel» en ben —wilderd; —ing, v. Honden en paarden — in volle vrijheid, worden wild, ontembaar.

Verwinnen (overwinnen), ik —won, heb

—wonnen: —aar. m.; —ing. v.

Verwinteren (den winter doorbrengen), ik ben

—winterd: —ing, v.

VerwiHselen (ruilen), ik heb en ben —wisseld; —aar, m.; —baar, bn.: —ing, v. Van klee-ren —. van paarden —. van kleur —, veranderen.

Verwittigen (doen weten), ik heb —wittigd: —ing, v. De ontvanger verwittigt u, enz., maakt bekend, onderricht.

Verwoed (razend, dol), bn. en bw.; —heid, v. Verwoesten, ik heb—woest; —er, m.: —ing, v. Een stad te gronde richten, uitplunderen, vernielen; zijn geluk —.

Verwonderen (verbazen), ik heb —wonderd. Uw wegblijven verwondert mij: koning F reder ik verwonderde aarde en hemeltrans (Bild.). Verwondering, v. gmv.: —steeken (uitroe-pingsteeken), o. —s.

Verwonderlijk, bn. en bw. Een — geval. vreemd, zonderling; hij sprak —.

Verwonen, ik h?b —woond. Ik verwoon hier duizend gulden, d. i. aan huur geven; o)n er 7 strafjaar te —. (Staring), wonende door te brengen.

Verwonneling (overwonnene), m. en v. —en; voor het v. ook — e.

V er worden (vui l worden, bederven), het—werd, is —worden: —ing. v.

Verworgen, verwurgen (de keel dicht snoeren), hij heeft —worgd (—wurgd); —worging (—wurging), v.

Verworpeling (ellendige, gevallene), m. en v. —en: voor het v. ook —e.

Verworpen (verachtelijk, laag),hn.; —heid, v. Verwrikken, ik heb —wrikt: —ing. v. Een paal —, al wrikkende of schokkende bewegen; den voet —. uit het gelid vallen, schokken. Verwringen, ik —wrong, heb —wrongen: —ing, v. Een zaal» —; debet, van een woord —, verdraaien, veranderen.

Verwnlf. verwullsel, o. —s, —en. Zie Ver-Verwnrgen. Zie Verworgen. | welf, enz. Verzaeliten, ik heb en het is—zacht; —ing, v. De pijn —. het leed verlichten, verminderen: de scherpte eener uitdrukking —. matigen.

Verzachtend, bn. Een — vocht, een —e uitdrukking, —e omstandigheden.

Verzaden, ik heb —zaad: —ing. v. De honge-rigen —, volop voeden: de maag —, vullen; vochten — met zout, nat. er zooveel zout bijdoen als kan.

Verzadigen (verzaden), ik heb —zadigd; -ing, v.

\erzaken (verloochenen), ik heb —zaakt: —er, m.: —ing, v. Zijn geloof —, zijn plicht —; kleur —. troef —. valsch spelen. Verzamelen [bijeengaren), ik heb — zameld: —aar, m.; —plaats, v. De trom tot — roeren: de soldaten gingen zich daar —: hij werd tot zijn vaderen verzameld, in den grafkelder bijgezet.

Verzanieling {menigte, hoop), v. —en. De Hollandsché Jongen maakt in 't voorjaar een — van eieren. (C. O.)

Verzanden, het is —zand: —ing. v. Een haven kan —. volloopen met zand: landen — en zanden verbinden, spreekw. de tijd brengt groote veranderingen.

Verzeenwd (zeeziek), bn. w. g.

Verzegelen, ik heb —zegeld: —aar, m.; —ing,v. Hij liet de nalatenschap —, er de zegels op leggen.

Verzekeren, ik hei» —zekerd: —aar, m.;

— ing. v. Zijn leven —, een levensverzekering sluiten; de'openbare rust zeker maken; zich —, zich overtuigen; ik wil mij daarvan —.

Verzeilen, ik heb —zeld. lem. op reis —. met hem gaan; dat gaat verzeld van groote onaangenaamheden, gepaard met. VerzelseliappenOverrW/eH), ik hel» —zelschapt. Verzenden, ik —zond, heb —zonden; —er, m.;

— ing, v. Koopwaar, brieven, geld —, ergens heenzenden; groote verzendingen tiaar Iwt buitenland, export.

Verzenen (hielen), v. mv. De — tegen de prikkels slaan. I3ijb. tot eigen schade verzetten: r tegen. Hods wil te verzetten is —.'1 Verzengen, ik heb—zengd; —ing,v. Het haar —, licht schroeien; de verzengde luchtstreek. Verzenlijnier (rijmelaar), m. —s; —lijuierij, v.; —lijnister, v. —s; —maakster, v. —s: —maker, m. —s; —makerij, v.


ocr page 302

VERZET-VI EREN.

280

Verzet (rust, ver/toozihlt;i), o. //»• doe dit voor mijn —: hij gaf mij zijn horloge voor —. pand. Verzetje {uitspanning, o (leiding), o. —s. //.■ moet eens een — hebben.

Verzetten, ik hel» —zet: — ina:. v. Verzet die least eens. op een andere plaats: diamanten —. anders inzetten; hij tracht zijn droefheid te —. verdrijven; ik kan het niet —.vergeten. Verzien ( niét zien. voorbijzien: verwedden), ik —zag, heb —zien. Ik verzie er een galden onder. Verzilveren, ik heb —ziiverd; —aar. m.: — ins, v. Een armband —. met een laagje zilver overtrekken: effecten —. te gekle maken. VerziiiiD-n (uitdenken), ik —zon. heb —zonnen: —ner. m.; —wel, o. Logens —, verdichten: een plan —.

Verzoek (aanzoek, vraag. bede), o. —en. Verzoeken (vragen, een verzoek doen), ik —zocht, heb —zocht; —er, m.: —welirift, o. ïem. —. uitnoodigen: iem. — tot, beproeven: leid ons niet in verzoeking, beproeving, bekoring.

Verzoendag, m. —en. Groote —. algemeene vasten- en boetedag bij de Israëlieten. Verzoenen (bevredigen), ik heb —zoend: —er. m.; —injj. v.

Verzoenend, bn. Een — woord, bevredigend, de vriendschap herstellend.

Verzoeten, ik heb —zoet: —iiiK. v. Mm tg' de hoop ons leed —! verlichten, minder zwaar maken; geld verzoet den arbeid, minder onaangenaam d. i. licht maken.

Verzorgen, ik heb —zorgd; —er, m.: —ing,v. Een zieke —, een huisgezin —, onderhouden: een dochter —, haar uithuwen: zijn bedienden —. bedenken in zijn testament.

Verzot, bn.: —lieifi, v. Zij is — op bloemen, zeer ingenomen met, verliefd op.

Verzueliten, ik heb —zucht; —ing. v. Zij — naar de lente, smachten, haken.

Verznini, o. —en. D e het zonder —, uitstel: het — is niet groot, verwaarloozing. Verzninien (;\alaten\ ik heb —zuimd: —ing. v. Verzwakken, ik hebeu ben—zwakt: —ing. v. De koorts zal a —. zwak maken, doen afnemen: een dijk, een da)n, een fondament Verzwaren, ik heb en het is —zwaard: —ing. v. Een dijk —, zwaar, sterker maken; dat zal uw schuld —, erger maken.

Verzwikken (verstuiken), ik heb —zwikt; —iiiK. v. Ik heb mijn voet verzwikt. Verzwinden (verdwijnen), ik —zwond, ben —zwonden. De nevel gaat —, alle hoop is verzwonden.

Ve.sper (namiddagdienst bij li. K.), v. —s. De Siciliaansche —. oproer op Sicilië (1282).

Vest (vesting), v. —en. Velen vondot hun dood in de —. stadsgracht.

Vest (kleedingstuk), •». —en.

Vesten (vestigen), ik heb gevest. De aandacht —. bepalen, trekken.

Vestibule (voorhof, ingang van een gebouw), v. — s.

Vestigen, ik heb gevestigd; —ing. v. üe aandacht —. de oogen —. den blik —, zijn hoop op God zijn verblijf ergens —.

Vesting (een versterkte en ommuurde stad), v. —eii.

Vet, o. gmv. Iem. zijn — geven, laken,berispen; het — is van den ketel, de winst is heen. Vet, bn.: — lieid, v. Een —te os, een — varken; het oog des meesters maakt het paard —. toezicht op eigen zaken is voordeel; die kip

is zoo — als modder; het —te der aarde genieten, in weelde leven.

Veter (koord met nestel), m. —s. Een rijglaars met een —.

Veteraan (een oud of uitgediend soldaat), m. —anen.

Veteren, ik heb geveterd. Ik zal mijn laarzen even —, toerijgen. Iem. —. bekijven. Veterinair (veeartsenijkundig), bn. —e school, veea r tse n ij school.

\ri%i\\it*{wildegans van .1 ustraHë).v. —ganzen. Veto (ik eerbied, geef mijn toestemming niet, verwerp; ik keur af).

Veto (het verbod, de verwerping), o. —'s. Het recht van —, het recht eens vorsten om de kracht der wetten te schorsen.

\'eitrxK ariër (koomenijsman), m. —s. Hij is een verkooper van vette waren, olie. kaarsen, enz. Vettig (smerig), bn.: —held, v.

Vettik (veldsla), v. gmv. gew.

Vetweiden, ik heb gevetweid; —er (veefokker), m.; -erij, v.

\etzak (persoon), m. en v. —ken. gmz. Veulen (jong paard, ezel), o. —s.

Vexatie [kwelling; jtlagerij; onrecht), v. —tiën, —ties.

Vexeeren (kwellen,plagen, afpersen : onrecht ((andoen).

Vezel (haartje, spiertje), v. —en. —s.

Vezelig (vol vezels), bn.: —lieid. v.

Veziken, ik heb gevezikt. W((t zit je toch te —, fluisteren, ook rafelen.

Viadnet (boogbrug), v. —en.

Viatienin (teerpenning; bij de li. K. hel sacrament der stervenden), o. —s.

Vibratie (trilling), v. —tiën, —lies.

Vibreeren (trillingen maken, trillen). Vicariaat (ambt van een vicaris), o. —aten. Vicaris (plaatsbekleeder, bestuurder, /lt;quot;//lt;-geestelijke), m. —sen.

Vice (onder, plaatsvervangend), bw. Viee-adniiraal, m. vice-admiraals. Vire*eoiisnl. m. vice-consuls.

Vice-president, m. vice-presidenten.

Vice versa (heen en terug), bw. uitdr.

Vicieus (ondeugend, zedeloos: fig. gebrekkig), bn. Een vicieuse cirkelgang. B.v. Onlust leidt tot het leveren van slordig werk; die slechte uitkomst vermeerdert weer den tegenzin in quot;t werk. enz.

Vicointe (edelman, adell. titel), m. —s. Victalie, victualie ieet(vaar. leeftocht), —iën.

Victoria (godin der overwinning), v. gmv. Victoria (soort van rijtuig), v. —quot;s.

Victoria regia (u'aferbloem met reusachtige bladeren uit Virginië), v. —quot;s.

Victorie (overwinning), v. —riën, —ries. Victualie, v. —iën. Zie Victalie.

Victnalieeren (een schip van leeftocht voorzien).

Vide! videatur (zie ! zie na! sla op!)

Vidctnr (het schijnt, dunkt). Zijn — gevenr zijn gevoelen geven.

Vidi (ik heb het gezien).

Vidimatie (bekrachtiging), v. —s, —tiën.

Vier, telw. (als zn.), v. —en.

Vierde ^ranggetal), bn.: —hall' (= 31 2), bn.; —ndaagsch {de—e koorts), bn.: —part, o. —en. Vierderhande. —lei (soort), onverb. bn. Vieren, ik heb gevierd: —ing. v. Feest —, Kerstmis —. zijn verjaardag —: den te(((jef —, laten schieten; bot —. inwilligen; den.


ocr page 303

VIERENDEEL—VIOLIER.

28 £

kabel —: het vliegertomv —; een gevierde aa on. geroemd, geprezen.

Vierendeel ihet vierde deel), o. —en. Een — uurs: een — jaars.

Vierendeelen, ik heb gevierendeeld. Een os —. in vier stukken hakken; iem. oude lijfstraf, hem in stukken kappen.

Vierhoek (meetkundige flgnnr), m. —en. Vierkant (regelm. vierhoek), o. —en. Vierkant, bn. en b\v. Een — park, een —e tafel: de Jongen is nog wat —. plomp; iem. het —e gat (vijzen, de deur uitzenden: iem. — de dear uitgooien.

Vierkantig (vierkant), bn.

Vierklenrig. bn. —e bloemen.

Vierledig, bn. Een — onder werp, spraakk.: een —e grootheid, wisk.

Vierlooper {takel), m. —s.

Vier ponder (kogel, kanon), m. —s. Vierseliaar {rechtbank), v. —scharen. De — spannen, recht gaan spreken.

Vierspan, o. —nen. Hij rijdt met een —, met vier paarden voor de koets.

Viersprong {kruisweg), m. —en.

Viertijd (va can tie), in. gmv. — aan de Vlijt geschonken. (Staring), rusttijd, vacantie. Viervoet, m. Ik kwam te —, te paard, ook in galop, snel.

Viervoeter (paard, hond), m. —s.

Viervorst. m. —en. Herodes was een —. ondergeschikt vorst, over een vierde der provincie. ViervorHtendoin, o. —men.

Vies, bn.: — lieid, v. Een vieze dienstbode; een

— praatje, vuil; ik ben er — van, afkeerig; hij valt niet is niet erg kieskeurig.

Vieze vazen {grillen, kuren), v. mv.

Viezigli eid. v. gmv.

Vigilant {waakzaam), bn.

Vigila nte (huurrijtuig), v. —s.

Vigilan tie (waakzaamheid, vlijt, ijver), v. gmv. Vigileei •en {waakzaam, zijn; vlijtig acht op Iets te (teven).

Vigiliën (dag of avond voor hooge 11. K. feestdagen), v. mv.

Vignet {plaatje t -t sieraad in een boek, eig. wijngaardblaadje), o. —ten.

VlKOll rens (krachtig,sterk, vroolijk, frisch), bn. Visiit-lll' {kracht), v. In —. van kracht; onder

— der wet. uit kracht van de wet.

Vijand, m. —en. Hij is mijn —. tegenstander;

een — ran leugentaal, van het spel, turn den drank: de — kwam aanrukken: de — des menschen, de duivel: de booze —.

Vijnndin, V. —nen. Zij is mijn —; zij is een

— van kwaadspreken.

Vijandseliiip. v. —pen. In — leven, in slechte verstandhouding, afkeer.

Vijf, telw. (als zn.), v. vijven. Gem. Geef me de —, de hand.

Vijfde {ranggetal), bn. De — maand is Mei. Vijfhoek (meetkundige figuur), m. —en. Vijfhonderd, telw. Hier zijn — gulden. Vijfje (geldstuk), o. —s. Ik gaf den conducteur mijn —. d.i. fooitje. 25 ets.

Vijfponder {kogel, stuk geschut), m. —s. Vijftien, telw. —en. Wij waren met —en. Vijftiende (ranggetal), telw.

Vijftiger, m. —s. Een nog krachtige —, man van vijftig jaar.

Vijftigponder {gewicht), m. —s.

Vijfwouter (vlindertje), m. —Ook: Wie-wonter. l'nop. gmz.

Vijg (Oostersche vrucht),\. —en. Ook: paarde-

Vijgeblad, o. —eren.

Vijl {werktuig), —en.

Vijlen {werken met een vijl), ik heb gevijld; —ing, v.: —sel, o.

Vijver (gegraven omsloten water), m. —s. Vijzel (starnpvat), m. —s.

Vijzel (windas, schroef), v. —s.

Vijzelen (opwinden: lig. ophe/fen), ik heb gevijzeld.

Vijzclmolei.) (watermolen zonder scheprad, maar met een tongschroef). m. —s.

Vilder (man die paarden enz. vilt), m. —s. Vilderij {het villen), v. —en.

Villa (buitenverblijf, landelijk gelegen heerenhuis), v. —s: villatje. o. —s.

Villen (de huid afsiroapen), ik heb gevild. Jk ben daar gevild, afgezet, bedrogen.

Vilt (stof voor hoeden en pantojfels). lt;•. —en. Vim {honderdtal), v. —men. Een — Ir-nt, een.

— rogge, d. i. honderd en vier bossen. Vin (zwemtviek), v. —nen.

Vinaigre {azijn), m. gmv.

\ inden, ik vond, heb gevonden: —er. m. 7/j vind het koud: iets —. uitdenken: het met iem. kunnen —, in harmonie leven. Vindicatie (wraakneming, wreking: bevrijding: gerechtelijke toeëigening), v. ■—va neer, hereisch.

Vindicatief {wraakzuchtig, stralfend). bn. Vindiceeren (wreken, straffen: redden, bevrijden: gerechtelijk terugvorderen).

Vinding (ontdekking, uitvinding), v. gmv. Vindingi'ijk. bn. — Irriil, v. Een — many geestig, vernuftig; een —e geest.

Vinger, m. —s, —en. Hij heeft lange —s, hij is oneerlijk: men kijkt hem daarop de —*. scherp op iem. letten: ik ben bij hem de —s naast den-duim, zij n onmisbare, zijn vertrouweling: iem. op de —stikken, berispen, een fout aanwijzen; men wijst hem met de —s na, hij is in opspraak: iets door de —s zien, oogluikend toelaten, vergeven: ik kan hem om den — ivinden, ik kan met hem doen wat ik wil: iem. of iets met een natten — l. nnnen be-loopen, hij is dichtbij, aanwezig: de twee —s opsteken, zweren, een eed afleggen: iem. den

— op den mond leggen, hem het zwijgen opleggen; als men hem den — geeft, neemt hij de geheele hand, hij is aanmatigend, hij gaat te ver.

Vingerhoed.m. —en; —skrnid (een leeuwen-bekachtige giftplant), o. gmv.

Vingerling {ring), m. —en. vero.

Vinst-et-nn (een en twintig: zeker hazardspel met Fransche kaarten), o. gmv.

Vink {zangvogel), rn. —en.

Vinken {ter vinkenjacht gaan), ik heb gevinkt; —er (vinkenvanger), m. —s.

Vinkcnhaan (vang/daats). w —banen: —ei,o. —eieren; —nest, o. —en; —slag {knip), o. —slagen.

\inkeslag {het slaan, de zang), rn. gmv. Vinnig, bn. en bw.; — heid. v. Een — woord, scherp, bijtend; de visscher met zijn — mes. (Hofdijk), d.i. scherp.

Viola di gainha ule knieviool, een bas), muz. Violafie {schending), v. —s, —tiën. Met —van. het recht.

Violeeren (schenden, verkrachten).

Violet (paars), bn. — is de kleur van een H. K. bisschopsgewaad.

Violet (bloem, wilde viool), v. —ten.

Violier (bloem), v. —en.


ocr page 304

VEKZET—V1KREN.

280

Verzet (rust, vei'/)Oozinlt;j), o. Ik doe dit voor mijn —: hij ijaf mij zijn horloge voor —. pand. Verzetje (uitspanning, afleidiny), o. —s. //.• moet eens een — hebben.

Verzetten, ik heb —/et: —inij. v. Verzet die kast eens. op een andere plaats: diamanten —, anders inzetten; hij tracht zijn droefheid te —, verdrijven: ik kan het niet —.vergeten. Verzien lt;niet zien. voorbijzien', verwedden), ik —zag. heb —zien. Ik verzie er een gulden onder. Verzilveren, ik heb —zilverd; —aar, m.: — ing, v. Een armband —. met een laagje zilver overtrekken: elfecten —. te geide maken. Verzinnenik —zon, bel) —zonnen: —ner. m.: —wel, o. Lógens —, verdichten; een (dan —.

Verzoek (aanzoek, vraag. bede), o. —en. Verzoeken {vragen, een verzoek doen), ik —zocht, heb —zocht; —er, m.; —welirilt, o. lem. —. uitnoodigen: iem. — tot. beproeven; leid ons niet in verzoeking, beproeving, bekoring.

Verzoendag;, m. —en. Groote —, algemeene vasten- en boetedag bij de Israëlieten. Verzoenen (bevredigen), ik heb —zoend; —er. m.; -iny;, v.

\erzoenend, lm. Ken — moord, bevredigend, de vriendschap herstellend.

Verzoeten, ik heb —zoet: —ing, v. Moog' de hoop ons leed —! verlichten, minder zwaar maken: geld verzoet den arbeid, minder onaangenaam d. i. licht maken.

Verzorgen, ik heb —zorgd; —er, m.: —ing. v. Een zieke —, een huisgezin onderhouden: een dochter —, haar uithuwen; zijn bedienden —. bedenken in zijn testament.

Verzot, bn.; — lieid, v. Zij is — op bloemen, zeer ingenomen met, verliefd op.

VerznHiten. ik heb —zucht; —ins. v. Zij — naar de lente, smachten, haken.

Verzuim, o. —en. D e het zonder —, uitstel: het — Is niet groot, verwaarloozing. Verzuimen ik heb —zuimd: —ing, v.

Verzwakken, ik heb en ben—zwakt; —ing. v. De koorts zal n —. zwak maken, doen afnemen: een dijk, een dam, een fundament —. Verzwaren, ik heb en het is —zwaard: —ing. v. Een dijk —, zwaar, sterker maken; dat zal uw schuld erger maken.

Verzwikken (verstuiken), ik heb —zwikt: —ing. v. Ik heb mijn voet verzwikt. Verzwinden (verdwijnen), ik —zwond, ben —zwonden. De nevel gaat —, alle hoop is verzwonden.

Vesper (namiddagdioxst bij li. AT.), v. —s. De Siciliaansche —. oproer op Sicilië (1282).

Vest (vesting), v. —en. Velen vonden han dood in de —. stadsgracht.

Vest (kleeding stak), o. —en.

Vesten (vestigen), ik heb gevest. De aandacht —. bepalen, trekken.

Vestibule (voorhof, ingang van een gebouw),

Vestigen, ik heb gevestigd; —ing, v. De. aandacht —. de oogen —. den blik —, zijn hoop op God —: zijn verblijf ergens —.

Vesting (een versterkte en ommuurde stad), v. —en.

Vet, o. gmv. Iem. zijn — geven, laken, berispen; het — is van den Ketel, de winst is heen. Vet, bn.; — lieid, v. Een —te os. een — varken; het oog des meesters maakt het iiaard —. toezicht op eigen zaken is voordeel; die kip

is zoo — als modder; het —te der aarde genieten, in weelde leven.

Veter (koord met nestel), m. —s. Een rijglaars met een Veteraan (een oud of uitgediend soldaat), m. —anen.

Veteren, ik heb geveterd. Ik zal mijn laarzen even —, toerijgen. Iem. —. bekijven. Veterinair {veeartsenijkundig), bn. —e school7 veeartsenijschool.

Vetga:;s(/W l de gans van A ustraliëiv. —ganzen. Veto (ik verbied, geef mijn toestemming niet, verwerp; ik keur af).

Veto (het verbod, de verwerping), o. —'s. Het recht van het recht eens vorsten om de kracht der wetten te schorsen.

Vettrwnrier (koo men ijs m a ni. m. —s. Hij is een —. verkooper van vette waren, olie, kaarsen, enz. Vettig (smerig), bn.: —lieid, v.

Vettik (veldsla), v. gmv. gew.

Vetweiden, ik heb gevetweid; —er (veefokker), m.; —erij, v.

Vetzak (persoon), m. en v. —ken. gmz. Veulen (jong paard, ezel), o. —s.

Vexatie (kwelling; plagerij; onrecht), v. —tiën, —ties.

Vexeeren (kwellen,plagen, afpersen : onrecht aandoen).

Vezel (haartje, spiertje), v. —en. —s.

Vezelig (vol vezels), bn.: — lieid. v.

Veziken, ik heb gevezikt. Wat zit je toch te fluisteren, ook rafelen.

Viadnet (boogbrug), v. —en.

Viaticum (teerpenning: bij de It. K. het sacrament der stervenden), o. —s.

Vibratie (trilling), v. —tiën. —ties.

Vibreeren (trillingen maken, trillen). Vicariaat (ambt van een vicaris), o. —aten. Vicaris (plaatsbekleeder, bestuurder, hulpgeestelijke), m. —sen.

Vice (onder, plaatsvervangend), bw. Vice-admiraal, m. vice-admiraals. Vice-consul, m. vice-consuls.

Vice-president, m. vice-presidenten.

Vice \ersa {heen en terug), bw. uitdr. Vicieus (ondeugend, zedeloos: fig. gebrekkig), bn. Een vicieuse cirkelgang. B.v. Onlust leidt tot het leveren van slordig werk; die slechte uitkomst vermeerdert weer den tegenzin in 't werk. enz.

Vicomte (edelman, adell. titel), m. —s. Victalie, victualie (eetwaar, leeftocht), v. —iën.

Victoria (godin der overwinning), v. gmv. Victoria (soort van rijtuig), v. —'s.

Victoria regia (wuterbloem met reusachtije bladeren uit Virginië), v. —quot;s.

Victorie (overwinning), v. —riën, —ries. Victualie, v. —iën. Zie Victalie. Victnalieeren (een schip van leeftocht voorzien).

Vide! videatnr (zie! zie nu! sht op!)

Videtnr (het schijnt, dunkt). Zijn — gevenr zijn gevoelen geven.

Vidi (ik heb het gezien).

Vidimatie (bekrachtiging), v. —s, —tiën.

Vier, telw. (als zn.i. v. —en.

Vierde (ranggetal), bn.: -half (= bn.; — ndaagscli (de —e koorts), bn.: —part, o. —en. Vierdeiiiande. —lei (soort), onverb. bn. Vieren, ik heb gevierd; —ing. v. Feest —. Kerstmis zijn verjaardag —: den teugel —. laten schieten; bot —. inwilligen; den


ocr page 305

VIERENDEEL—VIOLIER.

kabel —: het vliegertouw —; een gevierde tia nn. geroemd, geprezen.

Vierendeel ihet vierde deel), o. —en. Een — uurs: een — jaars.

Vieremleelen, ik heb gevierendeeld. Een os in vier stukken hakken; ietn. —, oude lijfstraf, hem in stukken kappen.

Vierhoek (meetlcundige figuur), m. —en. Vierkant (regelm. vierhoek), o. —en. Vierkant, bn. en b\v. Eeu — park, een —e tafel: de jongen is nog wat —. plomp; iem. het —e gat wijzen, de deur uitzenden: iem. — de deur uitgooien.

Vierkantig (vierkant), bn.

Vierklenrig. bn. —e bloemen.

VierleiliK, bn. Een — onderwerp, spraakk.: een —e grootheid, wisk.

Vierlooper (takel), m. —s.

Vierponder (kogel, kanon), m. —s. Vierwiiaar (rechtbank), v. —scharen. De — spannen, recht gaan spreken.

Vierspan, o. — nen. Hij rijdt met een —. met vier paarden voor de koets.

Viersprong (kruisweg), m. —en.

Viertijd (vacautie), m. gmv. — lt;iun de Vlijt geschonken. (Staring), rusttijd, vacantie. Viervoet, m. Ik kwam te —, te paard, ook in galop, snel.

Viervoeter {paard, hond), m. —s.

Viervorst, m. —en. Herodes wjs een —. ondergeschikt vorst, over een vierde der provincie. Viervorstendom, o. —men.

Vies. bn.: —lieid, v. Eenviezedienstbode', een

— praatje, vuil; ik ben er — run, afkeerig; hij valt niet —, is niet erg kieskeurig.

Vieze vazen (grillen, kuren), v. mv. Vieziglifid, v. gmv.

Vigilant (waakzaam), bn.

Vigilante (huurrijtuig), v. —

Vigilantie {waakzaamheid, vlijt, ijver), v. gmv. Vigileeren (waakzaam zijn; vlijtig acht op iets te geven).

Vigiliën (dag of avond voor hooge II.K. feest-do (jen). v. mv.

Vignet {plaatje t gt;t sieraad in een boek, eig. tvijngaardblaadje). o. —ten.

Vigonrens (krachtig.sterk, vroolijk. frisch), bn. Vignenr (kracht), v. In —. van kracht: onder

— der wet. uit kracht van de wet.

Vijand, m. —en. Hij is mijn —. tegenstander;

een — van leugentaal, van het spel, van den drank', de — kwam aanrukken', de — des me use hen, de duivel: de booze —.

Vijandin, v. —nen. Zij is mijn —; zij is een

— van kwaadspreken.

VijandsHiap. v. —pen. In — leven, in slechte verstandhouding, afkeer.

Vijl. telw. (als zn.), v. vijven. Gem. Geef iJte de —, de hand.

Vijlcle (ranggetal), bn. De — maand is Mei. Vijfhoek {meetkundige figuur), m. —en. Vijfhonderd, telw. Hier zijn — gulden.

Vijfje {geldstuk), o. —s. II: gaf den eondncteur mijn —. d.i. fooitje. 25 ets.

Vijfponder {kogel, stuk geschut), m. —s. Vijftien, telw. —en. Wij waren mrt —en. Vijftiende {ranggetal), telw.

Vijftiger, m. —s. Een nog krachtige —. man van vijftig jaar.

Vijftigponder {gewicht), m. —s.

Vijfwouter {vlindertje), m. —s. Ook: Wie-wonter. \mop, gmz.

Vijg {Oostersche vrucht),\. —en. Ook: paarde- |

Vijgehlad. o. —eren.

Vijl (werktuig), —en.

Vijlen {werken tnH een vijl), ik heb gevijld; —ing, v.: —sel, o.

Vijver (gegraven omsloten water), in. —s. Vijzel {stampvat). m. —s.

Vijzel (windas, schroef), v. — s.

Vijzelen (opwinden: tig. ophelfeu), ik heb gevijzeld.

Vijzelinolen (watermolen zonder scheprad, maar met een tongschroef), m. —s.

Vilder {man die puurden enz. vilt), m. —s. Vilder ij (het villen), v. —en.

Villa (buitenverblijf, landelijk gelegen heerenhuis), v. —s: villatje. o. —s.

Villen (de huid afsiroopen), ik heb gevild. IL beu daar gevild, afgezet, bedrogen.

Vilt (stof voor hoeden en pantolfels), gt;gt;. —en. Vim {honderdial), v. —men. Een — hout, een

— rogge, d.i. honderd en vier bossen. Vin (zwemwiek), v. —nen.

Vinaigre {azijn), m. gmv.

Vinden, ik vond, heb gevonden: —er. in. !!: vind het koud: iets —. uitdenken: het met iem. kunnen —, in harmonie leven. Vindieatie {wraakneming, wreking: bevrijding: gerechtelijke toeêigeuing), v. — van eer, hereisch.

Vindicatief {wraakzuchtig, straffende bn. Vindieeeren (wreken, straffen: redden, bevrijden: gerechtelijk terugvorderen).

Vinding {ontdekking, uitvinding), v. gmv. Vindingrijk, bn. —heid, v. Een — mun, geestig, vernuftig: een —e geest.

Vinger, m. —s, —en. Hij heeft lange —s. hij is oneerlijk: oien kijkt hem daarop de —s, scherp op iem. letten: ik ben bij hem de —s muist den duim, zijn onmisbare, zijn vertrouweling; iem. op de —stikken, berispen, een fout aanwijzen; men wijst hem met de —s na, hij is in opspraak: iets door de —s zien. oogluikend toelaten, vergeven: ik kun hem om iteu — winden, ik kan met hein doen wat ik wil: iem. of iets niet een mitten — kunnen be-loopen, hij is dichtbij, aanwezig: de twee —.s opsteken, zweren, een eed afleggen: iem. den

— op den mond leggen, hem het zwijgen opleggen; als men hem den — geeft, m-nnt hij de geheele hand, hij is aanmatigend, hij gaat te ver.

Vingerhoed.m.—en: —skruid {een b-euwen-bekuehtige giftplant), o. gmv.

Vingerling {ring), m. —en. vero.

Vinst-et-nn {een i'a twintig: zeker hazardspet met Fransche kaarten), o. gmv.

Vink {zangvogel), m. —en.

Vinken (ter vinkenjacht gaan), ik hel» gevinkt; —er (vinkenvanger), m. —s.

Vinkenbaan {vangplaats), v. —banen: —ei,o. —eieren; —nest, o. —en; —slag {knip), o. —slagen.

Vinkeslag {het slaan. »/»* zang), m. gmv. Vinnig, bn. en bw.: —heid. v. Eeu — ivoord, scherp, bijtend: de visscher met zijn — mes. (Hofdijk), d.i. scherp.

Viola di gamha (de knieviool, ri-n hos), muz. Violatie {schending), v. —s. —tiën. Met — va,'-het recht.

Violeeren {schenden, verkrachten).

Violet (paars), bn. — is de kleur van een

11. K. bisschopsgewaad.

Violet {bloem, wilde viool), v. —ten.

Violier (bloem), v. —en.


ocr page 306

VIOLINE—VLEUG.

■282

Violiiie [de gewone viool), v. —'s. mu/..

Violist {vioolspeler), m. —en.

Violoncel (snaarinstrument, basviool),—s.

VioloiM-elli.st. m. —en.

Viool (bloem), v. violen.

Viool (vedel), v. violen.

Virago {manwijf, helleveeg, krachtig vrouwspersoon). v. —'s.

Virginiteit (maar/delijkheid), v. gmv. Virtuoos (kunst meest er, bijzonder in de muziek). m. —ozen.

Virtuositeit ( mees?ersc/ir/;gt; in de kunst).v.gmv. Visa (teekeninrj voor gezien), o. —'s. Vis-a-vi» {tegenover), bw.; als rwAzitplaats tegenover een ander: rijtuig )net twee zitbanken tegenover elkander), v. (persoon), m. en v. Visch (als voorwerp), m. visschen; (;»ls stof). \. gmv. /)'• snoek is een — ; houdt gij van — ? Viselneelit. o. gmv. Het — in deze' wateren behoort aan dat kasteel.

Viselirijk. bn.; — lieid, v. Een —e vijver. Vlseliwater, o. —s, —en.

Viselnvijventaal {platte taal), v. gmv. Viseeren {beschouwen; voor gezien teekenen; mikken, op iets doelen).

Visihel (zichtbaar, gereed, gekleed), bn.

Visie (gezicht, inzage), v. De plunnen liggen ter —.

Visi«gt;eii {gezicht, droombeeld, spook), o. —en. Visitatie {een bezoek: nazoeking, onderzoeking), v. —tiën, —ties.

Visite (bezoek: geneeskundig bezoek), v. —s. Visiteeren (bezichtigen, bezoeken, onderzoeken). De douanen zullen den trein —. Visitekaartje (naamkaartje, dat voor een bezoek gekit), o. — s.

Visiteur {bezoeker, na zoeker, onderzoeker; ambtenaar bij de in- en uitgaande rechten), m. —s.

Visselien, ik heb gevischt. Naar iets —, fig. iets trachten te weten te komen; achter het net —, te laat komen: in troebel water is het yoed waar verwarring is doet een oneerlijk man zijn voordeel: elk vischt op zijn getij. Visselier, m. —s.

Visselierij, v. —en. De groote —, haringvangst. Vfcseliennaii. m. —lui.

Vista (op zicht), o. Een wissel op —; zingen of spelen a prima —, op bet eerste gezicht. Visum diet geziene, de aanblik), o. gmv. Visum repertuui (geneeskundig verslag van de bevinding), o. gmv.

Vita (het leven), v. Attestatie de akte of bewijs van leven; — brevis, ars longa, het leven is kort, de kunst is lang.

Vitaal (tot het leven behoorend), bn.

Vitesse {snelheid; ook sneltrein), v. —s. Vitlust {bedilzucht), m. gmv.

Vitrine (glazen uitstalkast), v. —s.

Vitriool (zwavelzuur), v. en o. gmv.

Vitse {een wikkebloem), v. — n.

Vitten {kleingeestig bedillen), ik heb gevit: —ter, m.

Vitterij, v. —en.

Vitzueht {vitlust), v. gmv.

Vivaee {levendig, vurig), v. muz.

Vivaeiteit (levendigheid), v. gmv.

Vivat {hij of zij leve!), bw.: (als zn.) o. —s. Vivisectie (ontleding van levende dieren). y. gmv.

\ ivres {levensmiddelen), v. mv.

Vizier ( Turksche eerste minister), m. —en. —s.

Vizier (mikplaatje aan een geweer; ook een

opening aan een helm voor de oogen), o. —en. —korrel, v. —s: —klep, v. —pen.

Vla (Limb, baksel), v. vlaas. Zie Vlade.

Vlaag (bui), v. vlagen. Een regen—; een — van toorn, krankzinnigheid, razernij, aanval: bij vlagen, bij tusschenpoozen.

Vlaak (teenen horde, op welke men de wol slaat), v. vlaken.

Vlaainseli, bn.; (als zn.) o. De —e taal, de —e zeden.

Vlade, vla (vruchtengebak), v. —den, vlaas.

Vlag, v. —gen. De — dekt de lading, denaam des schrijvers redt het werk: met — en wimpel iets winnen, d. i. eervol; dat staat als een — op een modderschuit, die opschik is ongepast.

Vlag (plantgewas op het water), o. gmv.

Vlaggen, ik heb gevlagd. Met dat feest zullen we allen —. de vlag uitsteken.

Vlaggendoek, o. gmv.: —kaart, v. —en: — kist (ter bewaring der vlaggen), v. -en.

Vlaggeseliip (admiraalsschip), o. —schepen; —stok, m. —ken: -touw, o. —en.

Vlak {vlek, smet), v. —ken.

Vlak {vlakte), o. —ken. Het hellend —.

Vlak, bn.: —lieid, v. Een — terrein, niet heuvelachtig: op het — der buren, op zee.

Vlak, bw. Hij woont — bij V station, juist, onmiddellijk bij.

Vlaken (wol. kloppen), ik heb gevlaakt.

Vlakken (bevlekken), ik heb en het is gevlakt.

Vlakken (effen ma kén), ik heb gevlakt.

Vlakkig, bn. Wat is dat —! vol vlekken in de kleur.

Vlakte, v. —n. Het onweer woedde in de —. vallei; luat een onmetelijke —! uitgestrekthe d.

Vlam, v. —men. Vuur en — spuwen, vreeselijk uitvallen; de — der liefde, gloed.

Vlaininen, ik heb gevlamd. Zijn oogen — van toorn, nikkeren, schitteren.

Vlas (plant), o. —sen.

Vlasdotter (plant), v. gmv.

Vlaskop (persoon met vlassige haren), m. en v, —pen.

Vlassen, ik heb gevlast; —ser, m. Marco vlaste op de groente (Staring), loeren op, belust zijn op.

Vlassig (als vlas), bn. — haar.

Vlecht, v. —en. Wat mooie vlechten! haar-tressen.

Vlechten, ik vlocht, heb gevlochten: —er, m.: —ing, v.; —sel, o.; —werk, o. Het haar —: manden —; zedenlessen in een verhaal —, te pas brengen.

Vledermiiis, vleerinnis, v. —muizen.

Vleesch, o. vieezen. Men at er drie vleezen; des —es: vleezig, bn. Een —e kip; het ga u naar den vleeze, stoiTelijk wél.

Vleien (mooi praten), ik heb gevleid; —er, m.: —erij, v. —en.

Vleiend, bn. Een — woord, een — getuigenis, streelend, behaaglijk.

Vle'Ziicht, v. gmv.

Vlek (vlak of smet), v. —ken. Een — op een prachtplaat.

Vlek (dorp), o. —ken.

Vlekkeloos, bn. en bw.: —lieid,v. Een—ooze naam, zonder vlek ol' smet: — rein.

Vlekken {bezoedelen), ik heb en het is gevlekt.

Vlerk (vleugel), v. —en.

Vlet ( platboomd vaartuig, een praam), v. —ten.

Vletten (turf stapelen; varen met een vlet), ik heb gevlet: —ter, m.

Vleug {flikkering), v. —en. Een —je van herstel. (De Génestet), kort oogenblik.


ocr page 307

VLEUGEL-VOET.

283

Vleugel (iviek). m. —en. —s.

Vleugelen ufc? urmen binden), ik heb gevleugeld. Wat voyel brenyt (je eins gekneveld en gevleugeld'? (Vondel).

Ylieboot ^zeeschuit), v. —en.

Vlieden (vluchten), ik vlood, ben gevloden. Vlieg iinsect), v. —en.

Vliegen, ik vloog, heb en ben gevlogen. Vliegensvlug (zeer snel), bw. Zich — uit de voeten maken.

Vliegenvangertje (plant), o. —s.

Vlieger (speeltuig), m. —s.

Vlier (plant), v. —en.

Vliering (bovenzolder), v. —en. !vacht.

Vlies, o. —/.en. Het gulden —. d. i. de gouden VlieMvleugelig, bn. Een glazenmaker is een

— insect, met vier vliezige vleugels.

Vliet (stroomend water), m. —en.

Vlieten, het vloot, is gevloten. Het bloed vliet

uit de wonde. (Bild.), vloeit; het water vliet naar zee. stroomt.

Vlijen (voegen, schikken), ik heb gevlijd: —ing. v. Turven —, steenen —; de hond vlijt zich op de mat.

yiijiii (laatijzer, lancet), v —en.

Vlijnien (met een vlijm openen), ik heb gevlijmd. Fig. doorsnijden: Dot vlijmt mijn hart. Vlijt tijver), v. gmv.

Tlijtig.bn.enbw.—ambtenaar: — werken. ▼linder (kapel, insect), m. —s.

Vloed (het opzetten van 't water), m. —en. Ebbe en —.

Vloeien (vlieten, zacht stroomen), het heeft gevloeid.

Vloeiend, bn. en bw.; —heid, v. —c taal,

— spreken, niet haperen.

VloeiHtol', v. —fen. Water, melk is een —. wat vloeien kan.

Vloek (verwensching), m. —en.

Vloekbeest (vloeker), o. —en. Die ofllcier is een echt —.

Vloeken, ik heb gevloekt: —er. m. Die man is altijd aan 't —; hij vloekte zijn zoon, ver-wenschen. den vloek uitspreken over.

Vloer (bodem, grond), m. —en.

Vlok, v. —ken. Een — wol, een — sneeinv, afgescheiden deeltje.

Vlonder bruggetje, slootplank), m. —s.

Vloo (insect), v. vlooien.

Vlooien (vlooien vangen), ik heb gevlooid. Vloot (verzameling van schepen), v. vloten. Een

— vau honderd zeilen; een — werd uitgerust. Vloot, v. —vloten. Een botervlootje ^kommetje,

bakje), een azijnvlootje, een melkvlootje. Vlos (vloszijde), o. gmv.

Vloszijde (vlokkige zijde), v. gmv.

Vlot (balken, palen, planken onderling verbonden ), o. Er kwam een groot — de rivier af. Vlot, bn. en bw. Het schip is weer —, drijvende; de man spreekt —, rad, vloeiend. Vlotgras (zwenkgras), o. gmv.

Vlotten (drijven), het heeft gevlot. Het werk wil niet —, van de hand.

Vlouw (net voor de snippenvangst), v. —en. Vlucht, v. gmv. Het leger sloeg op de—; een hooge — nemen, fig. verheven zijn in dicht of proza; ter —. inderhaast.

yiueliteling, m. en v. —en: voor het v. ook—e. Vluchten (vlieden, ontvluchten), ik ben gevlucht.

Vluchtig, bn.: —heid, v. — zout, dat in de lucht verteert, oplost; een —e blik, snelle, voorbijgaande.

Vlug (snel), bn. en bw.: —heid, v.

Vlugschrift (brochure), o. —en.

Vocaal (klinkletter), v. —alen.

Voeaal (tot de stem behoorende), bn. Vocale muziek.

Vocabulaire, vocabiilariuin (alphabetise!te lijst van woorden), o. —?.

Vocatie (de roeping: het beroep, a}nbt),\. —*•. —tiën.

Vocatief, vocativus(spraakk.lt;/t'aanspreking i. m. —tieven.

Vocht (vloeibare stof), o. —n.

Vochten, ik heb gevocht. Wasch- of strijkgoed —, nat maken, besprenkelen.

Vochtig (klam, niet droog), bn.; —heid, v. Een — huis.

Vod, vodde (oude lap), o. —den. Fig. Dit dichtje is een —, prul, nietswaardig.

Vodderij (lompen: fig. prulwerk), v. —en. Voddewerk {prulwerk), o. gmv.

Voddig, bn. er. bw.; —heid, v. Een — boekje, een — schilderijtje, onbeteekenend.

Voeden (voedsel geven), ik heb gevoed. Een kind —: hoop, liefde, haat, wraak —, koesteren. kweeken.

Voeder, voer (voedsel van 't vee), o. gmv. Voederen, voeren (fe eten geven), ik heb gevoederd en gevoerd. De kippen —, het vee —. Voeding (het voeden), v. gmv. Tot — van het licliaam, onderhoud; een —skanaal, dat water aanvoert.

Voedsel (spijs, onderhond), o. gmv.

Voedster [min), v. —s.

Voedsteren (opkweektm), ik heb gevoedsterd. Voedsterheer (fig. beschermer), m. —en: — kind. o. —eren; —ling (voedsterkind), m. en v. —en; voor het v. ook —linge. Een —ling der muzen, dichter.

Voedzaam, lm.: —heid, v. Een —zame spijs. veel voedende bestanddeelen bevattend.

Voeg (naad, reet), v. —en. Deze —en in den maar zijn ondiep.

Voege. v. gmv. In dier —. op die wijze. Voegen, ik heb gevoegd. Den voorgevel hebt gij nog te —, den tuinmuur —, fijne kalk tusschen de naden strijken; wat hebt ge hier nog bij te —?

Voegwoord (spraakk. rededeel), o. —en. Voegzaam (passend, betamelijk).\m.; —heid, v. Voelbaar (tastbaar), bn. Fig. klaar, duidelijk. Voehlraad (voelhoorn, voelspriet), m. —draden. Voelen (betasten, gevoelen), ik hel» gevoeld: —er, m.: —ing, v. lem. den pols —. pijn in den arm —: ik voel, dat gij gelijk hebt. begrijpen; wie niet hooren wil moet —, de ongehoorzame moet gestraft worden.

Voel hoorn, —horen ( spr iet), m. —s. Voelspriet, m. —en. De —en van een kever. Voer {wagenvracht), o. —en.

Voer (voedsel), o. gmv. Zie Voeder.

Voeren (vervoeren, brengen), ik heb gevoerd. Zij voerden hem naar het schip; oorlog —. het woord —. het bevel —, iets in het schild —. beoogen, ten doel hebben.

Voeren (van binnen beklecden), ik heb gevoerd. Een japon —, een winterjas —, een gordijn —.

Voering, v. —en. De — van mijn jas is stuk: is dat zijden — ?

Voet, m. —en. Wij gaan te —. wandelend: een. Amst. voet, een maat van 0,284 M.; een Rijnlandsche —, een maat van 0.314 M.; een versregel van 6 —en, Alexandrijn; een regel


ocr page 308

VOETEEREN-VOLUMKN.

•284

van 5 voeten, hexameter; hij iem. een wit —je hebben, in de gunst staan; iem. den — lichten, onderkruipen, uit zijn ambt doen gaan om zelf zijn pl.aats in te nemen; op gemeen-zamen —, op — van oorlog, op — van vrede, op — van gelijkheid, manier, verhouding; op staande)! —. terstond; zich uit df—en maken. op den loop gaan; op gmoten — leven, als | rijke lieden leven; iem. op den — volgen, onmiddellijk. fig. nauwkeurig nagaan; zijn geluk | met —en tredenx roekeloos zijn, niet betrachten; iem. iets vo-jr de—enwèrpen, verwijten; j de vijand kreeg in Zeeland vasten —. zich 1 ergens nestelen; de zaken zullen op denzei/'- 1 den — worden voortgezet, manier, trant; — bij stak honden, niet van het onderwerp | afdwalen; iem. — geven, inwilligen, de noodige vrijheid geven; iem. den — dwars zetten, j tegenwerken.

Voeteeren (te voet gaan, loopen, een weg (gt;■ voet afleggen), —der, m. vero.

Voeteiieiiid, —einde, o. gmv. Het — van een \ ledikant.

Voeteuvel (podagra), o. gmv. Ook; voetevel. ]

Voetganger, m. —s; —sansster, v. —s.

Voetstoot» (zooals de goederen voor de hand ; liggen bij den verkoop), hw. Iets — verkoopen. ■ zonder uitstel, onmiddellijk, zonder te laten bekijken.

Voetveeg (mat), —vegen. Iem. — zijn, hem slaafs dienen.

Voetzoeker (slakje vuurwerk), m. —s.

Vogel. m. —en of —s. Beter een — in de hand | dan tien in de lacht', een slimme man.

\iWUuw (vogelvanger), m. —s, —aren.

Vogelen (vogels vangen), ik heb gevogeld.

Vogelvrij, bn. Iem. — wr/.Vrtm?, buiten de wet stellen.

Vogue (en) (in omloop, in zwang', gebrul- :

Voile (sluier), v. —s. | keiijl- ,

Vol (gevuld', fig. volkrijk), bn. en bw.; —lieid,v. !

Volant {vederhal om te paletten: strook op i ren japon), m. —s.

Volbloed, bn. Fig. met hart en r/W gezind, i bv. Ken — vrijhandelaar, een — liberaal.

Volbloedig (sanguinisch), bn.; —lieid, v. Uw \ neef is erg —, rijk aan bloed, heethoofdig.

Volhrengen (voleindigen), onr. ik —bracht, heb : —bracht; —er. m.; —ing, v. Het is volbracht. \ een verheven taak is afgewerkt.

Voldaan (fewm/en). bn.; —heid, v. Uw patroon j was — over u.

Voldingen (ten einde brengen), ik—dong, heb j —dongen. Een voldongen feit, een feit, boven | allen twijfel.

Voldingend {afdoend, beslissend), bn. Een — he tv ijs.

Voldoen, onr. ik —deed, heb —daan. Aan de verwachting —, beantwoorden; aan een belofte —.

Voldoend, bn. en bw. —heid, v. Een — dMi-rnen afleggen, toereikend, genoegzaam.

Vole (in het omber- of quadrillespel al de trekken halen), v. —s.

Voleinden, voleindigen (geheel voltooien), ik | heb voleindigd; er. m.; —ing, v.

Volgeling (aanhanger, leerling), m.env. —en; | voor het v. ook —e.

Volgen, ik heb en ben gevolgd. De politie is den dief gevolgd; Sturing heeft hier den trant van Cats gevolgd.

Volger (die volgt), m. —s, —en.

Volgzaam (gehoorzaam), bn.; — heid, v. Een \ — karakter, gedwee.

Volliandig, bn.; —heid, v. Hij heeft het daar —. druk.

Volharden, ik heb —hard; —er, m.; —ing, v.

In het goede —, standvastig blijven; nu moet gij —, volhouden.

Volhouden, ik hield —. heb —gehouden; —er. —ing, v. Een bewering —, handhaven; een karakter — in een tooneelspel of roman, zich gelijk laten blijven; houd vol tot het eind^ standvastig blijven, volharden.

Volière (vlucht, groote vogelkooi), v. —s. Voliarig (meerderjarig, mondig), bn. w. g. Volk. o. —en, —eren.

Volkenkunde (ethnographic). \. gmv. Volkenrecht (deel der staathuishoudkunde), o. gmv.

Volkomen (volmaakt), bn. en bw.; —heid, v. Dat is — waar. geheel en al; gij zijt hier — vrij, in alle opzichten.

Volkplanting (kolonie), v. —en.

Volkrijk, bn.; —heid, v. Een —e buurt, een —e stad. dichtbevolkt.

Volledig (voltallig, eompleet. volkomen), bn. en bw.; —heid, v. Een — eetservies: een —c bekentenis.

Volleerd, bn. Een — bedrieger', een — huichelaar, d. i. sluw. doortrapt.

Vollen (hel laken in de vol kont treden, lakei bereiden), ik heb gevold; —Ier, rn.; —lerij. —ling, v.

\ ollersaarde (een soort van vette klei), v. gmv.; —kuip, v. —en; —molen, m. —s; —werk, o.

Volmaakt, bn. en bw.; —heid, v. God alleen is —; de — verleden tijd, spraakk. de vierde tijd; een — ridder, d. i. zonder vrees of blaam. Volmacht (alle vrijheid tot handelen),w —en. Volmachtigen (alle macht geven), ik heb gevolmachtigd.

Volmaken (volledigen, voltooien. veredelen)r ik heb —maakt; —ing. v.

Volmondig, bn. en bw. Een —e bekentenis, onbewimpeld, rondborstig; iets — bekennen. Volontair (vrijwilliger), m. —s.

Volprijzen, ik —prees, hel) —prezen, (lods werken zijn nooit volprezen, naar hun volle waarde geprezen.

Volslagen, bn. en bw.; — duisternis, diepe,, erge; ze zijn — vijanden; hij is — gek. Volstaan, ik —stond, heb —staan. Met deze verklaring kunt gij —. voldoen.

Volstandig, bn. Een —e iveigering, d.i. stand vastig; God zul — blijven tot den einde. Volstrekt, bn. en bw.; —heid, v. De —e waarde der cijfers, bepaalde; een —e befee-kenis: een —e alleenheerschappij, onbeperkt; gij moet — komen, noodzakelijk.

Voltallig, bn.; —heid. v. Een —e verguderii gr d.i. alle leden zijn tegenwoordig.

Volte (volheid, tig. gedrang), v. gmv.

Volte (in de rijkunst zwenking, wending),v. —sgt; Voltigeeren {kunstsprongen te paard makenr zwenkingen maken).

Voltigeur (springsoIdaat, soldaat van de lichte infanterie, kunstrijder), m. —s.

Voltooien, ik heb —tooid; —er. m.; —ing, v.

Het werk —. voleindigen, geheel afmaken. Voltrekken, ik —trok, heb —trokken: —ker, v.; —king, v. Een ha we lijk —. sluiten; een» vonnis —. uitvoeren.

Voluhiliteit (radheid van tong), v. gmv. Volumen (omvang, boekdeel, pak, rol,bundel)^ o. volumina.


ocr page 309

VOLUMIMEUS—VOORHEBBEN.

285

VoliiiiiiiioiiH (groot van omvang, uit vele boek-tieclen bestaande), bn.

VoInptiieiiH {wnlpsch, genot ademend)^ bn.

Volvoeren (uitvoeren, volbrengen), ilc heb —voerd; —der, m.: — iiiR. v.

Volwassen, bn. Ken — knaap, een — meisje, volgroeid.

Volzin, m. —nen.

Voineeren {braken, overgeven).

Voniitief (braalcmiddel), o. —lieven.

Vond. m. —en. Een aardige —, vinding, uitvinding. verzinsel, list.

Vondel lt; losseplankbrug).ni. —s. Ook: Vonder.

Vondeling;, m. en v. —en: voor het v. ook —e. Het kind werd te — gelegd: dit meisje is een —. d. i. gevonden kind.

Vondeling^liniN. o. —huizen.

Vonder, m. —s. Zie Vlonder.

Vondst (het vinden, het gevondene), v. —en.

Vonk. v. —en. Het regende bij dien brand —en; een — van genie, greintje; ook de dieren hebben een —je van voorgevoel ontvangen. (Haafner).

Vonkelen (eigenl.), liet heeft gevonkeld; —iiiR. v. Het vuur vonkelt in de smidse.

Vonken (beginnen te branden), het heeft gevonkt.

Vonnis( quot;itslag,,'echterlijkebeslissiiig).o. —sen.

Vonnissen, ik heb gevonnist. De dief werd gevonnist, er werd een vonnis over hem uitgesproken.

Vont (dooprat), v. —en. Een koperen —. een marnieren —.

Voogd. ni. —en. Een vloot—, een slot—, een kerk—, bestuurder.

Voogdes, v. —sen. De moeder is de — der kinderen.

Voogdij {macht, gezag als voogd), v. —en.

Voois (zangwijs), v. vooizen. Èen oud lied op een aangename —.

Voor. vore (greppel, rimpel), v. voren.

Voorafspraak (toespraak als inleiding), v. —spraken.

VooraKnog. b\v. ƒ/,• zal — niet beslissen, vooreerst.

Vooriinn (onderarm), m. —en.

Vooravond, m. —en. Het was in den —. het begin van den avond. De — der Hevolutie, tijd. onmiddellijk vóór de Hev. d. i. vóór 1789.

Voorbaat, v. gmv. lu de — zijn. vooraf zorgen voor iets, voorkomen; ontvang bij — mijn dank. vooraf, van te voren.

Voorbarig (te vroeg, te haastig), bn. en bw.;

— Iieid. v. Een — untwoord.

Voorbede (voorspraak), v. — n.

V«gt;orbeding. o. —en. Onder —. voorbehoud.

Voorbeeld, o. —en. Ten — strekken: hij is

een —: dat is zonder —. weerga: neem een

— aao uw broeder: leeringen wekken, —en trekken.

Voorbeeldig (navolgen si va a) 'd )r bn. en bw.; —beid. v.

Voorbelioediniddel. o. —en. Een — tegen de cholera.

Voorbeboedsel. o. —s. —en.

Voorbehoud, o. gmv. Iets onder — mede-deelen, melden, niet als zeker.

Voorbehouden, ik behield —. heb —behouden: —ing, v. II,- wil mij die rechten —, niet afstaan, voor zich houden.

Voorbereiden, ik heb —bereid: —er. m.:

— ing. v.: —«el. o. lem. op iets —, hem gaandeweg op de hoogte stellen.

Voorberieht (voorrede), o. —en. Voorbeschikken, ik hei» —beschikt; —ing (praedestinatie), v.

Voorbode (verkondiger), m. —n. Men beschouwde een komeet als een — van naderend leed.

Voorboexein (polderwater), m. —s. Voorburg, m. —en. Men wordt ten — uitgedreven. (Bild.), versterkt buitenwerk. Voordacht, v. gmv. Ik deed, zei het met —. zonder —, al of niet opzettelijk.

Voordeel i winst. )iut, profijt), o. —en. EU, zoekt zijn — : doe u — met deze ondervinding. Voordeclig, bn. en bw.: —beid, v. Een —e koop, winstgevend.

Voordeur (straatdeur), v. —en.

Voordewind (gunstige wind), m. Een —, een gladde baan. de beste schaatsen die er zijn. zeg is daar zooveel kunst nu aan'.' Voordewind, bw. Hij zeilt —, met gunstigen wind.

Voordezen (eertijds), bw.

Voordienen,ik heb —gediend: —er. m.: —ing.v.

Deze dienstbode zal aan den feestdisch —. de spijzen opbrengen, aanbieden.

Voordoen, onr. ik deed —, heb —gedaan. De kinderen leer en ook van — : hij zal zich goed —. zich presenteeren: een servet —. voorbinden. Voordracht, v. —en. Dit meisje heeft een goede —. zij reciteert goed: hij stond als eerste op (te —, officieele li jst der Candida ten. Voordragen, ik droeg —. heb —gedragen. Een gedicht —, zeggen; zij zullen hem ter benoeming —.

Voorgaan, ik ging —. ben —gegaan. Goed — doet goed volgen! Plicht moet —. Onderwijzers moeten h un leerlingen — in het goede. Voorgang (voorbeeld), m. gmv.

Voorganger, m. —s; —ster, v. —s. Hij is de — der gemeente: deze heer was hier in 't dorp mijn —, ik ben hem in zijn ambt opgevolgd.

Voorgebergte {kaap. hoogland), o. — n. Voorgemeld. —genoeind (bovengemeld), bn. Voorgerecht, o. —en. /alm diende als —. inleidend gerecht.

Voorgevel (voorzijde), o. —s. Hij heeft een flink en —. d. i. neus. gmz.

Voorgeven (voorwenden), ik gaf —, heb —gegeven; —ing, v.

Voorgeven (bij spel of wedstrijd de zwakkeren eenige punten toekennen voor het spel begint). ik gaf voor. heb —gegeven. VoorgiltOvcff men voorgeeft, handicap),^, —en. Voorgevoel (ingeving, gewaarwording),o.gmv. Voorgoed, bw. Nu is hij — geslagen, beslissend. bepaald.

Voorgrond, m. —en. Op den — treden: zich op den — stellen, ik stel dit op den —. Voorhamer (groote smidshamer), m. —s. Voorhand, v. —en. Wie zit o]t de kaartspel. mag het eerst spelen.

Voorhanden (/// voorraad, fig. nabij, naderend), bw. De goederen zijn niet Voorhang (gordijn), m. —en.

Voorhangen, ik hing —. hel) —gehangen. Hij hangt voor op die sociëteit, als lid voorgesteld zijn.

Voorhangsel (voorhang), o. —s. —en. Voorhebben, onr. ik had —, heb —gehad. Een schort —: gij hebt den verkeerde voor. vergist u in den persoon; ik heb het goed met n voor, bedoelen.


ocr page 310

VOORHOEDE -VOORSPEL.

280

Voorhoefle (voorste afdeeluvj van een leger). v. —n.

Voorhof {inijiovj, portaal), o. en ni. —hoven. Petras verloochende zijn heer in het — van Pilatas.

VoorhoolVI, o. —en.

Voorlioii(llt;gt;ii, ik hield —, heb —gehouden. leai. het goede —: ik zal hem zijn gedrag—, onder het oog brengen.

VoorliuiH, o. —huizen.

Vooringeiiomen. bn.; —lieiil, v. Een onderwijzeres mag niet — zijn voor eenig kind, gunstig gezind, partijdig.

Vooriiiar {lente), o. —jaren.

Vlt;MirK(MiiiiN, v. gmv. Met en zonder — uwer oaders; buiten —. vooraf weten.

Voorkeur, v. gmv. Ik vraag de —. bij het huren van een huis; bij —. vooral, gaarne. Voorkiml, o. —eren. Dit meisje is een —, uit een vroeger huwelijk.

Voorkomen (schijnen), het kwnm —, is —gekomen. Dat komt mij vreemd, verdacht voor. Voorkomen (fee/e^en),ik —kwam, heb —komen.

Wij zullen dat —. verhinderen, afweren. Voorkomen (uiterlijk), o. gmv. Een jongeling van een gunstig —.

Voorkomeml, bn.: —heid, v. Een—bediende, beleefd, vriendelijk: bij —e gelegenheid. VoorlaatHt. bn. In den —en regel, in den —en nacht, op één na den laatsten. Voorland, o. gmv. Als soldaat naar Indic, dat is je bestemming, lot.

Voorlang (sedert lang), bw. Ik ken hem —. Voorlezen, ik las —, heb —gelezen: —er, m.:

— ing. v. Een verhaal —, een boek —, lezen ten aanhooren van een ander; hij is voorlezer in de Hervormde kerk.

Voorlieliten. ik heb —gelicht; —er. m.: —ine:, v II: zal je — met een lantaarn: de wetenschap zal ons hier —, onderrichten, den weg toonen. Vuorliel'de {vooringenomenheid), v. gmv. Voorlijk {het tegenovergestelde van achterlijk)^ bn.: —lieid, v. Enkele —c knapen, die al halve laarzen hebben. (C. O.)

V oorloop {eerste aftreksel van jenever), v.gmv. Voorloopen. ik liep —. heb en ben —geloopen:

— looper (ook zekere schaaf), m.

Voorloopig {voorshands), bn. en bw. Een —

contract, een —e aankondiging', de —e regeer'mg.

Voormaals {eertijds, voorheen), bw. Voormalig;, bn. Een — officier, de —e koning, vroeger, vorig.

Voorman {die vóór een ander staat, zit,enz.), m. —lui. Ieder moet op zijn — staan, juist achter; de — zou wel losser worden (C. O.), nl. de oude tand; iem. opzijn — zetten, totzijn plicht brengen, onder handen nemen, drillen. Voornieten, ik mat —, heb —gemeten. Men heeft mij de granen voorgemeten, voor mijn oogen gemeten.

Voormiddag {morgenuren tot den middag), m. —en.

Voorn {zoetwatervisch), m. —s. Zie Voren. Voornaam {doopnaam), m. —namen. Zeg uw familienaam of van en uw voornamen. Voornaam {aanzienlijk, belangrijk), bn. Een

— handelshuis: een —ume familie; hij gaat om met de —sten der stad.

Voornaamwoord, o. —en. Ik, wij enz. is een —, spraakk.

Voornaelit (de eerste uren van den nacht), m. —en.

Voornanieli|k {hoofdzakelijk, in de eerste plaats), bw!

Voornemen {plan, ontwerp), o. —s. yoornemen. ik nam —, heb —genomen. Voornoemd (bovengenoemd), bn. Burgemeester en Wethouders —.

Voornoen {voormiddag), m. Vlaamsch. Vooronder (van een schip), o. —s. Wij zaten in het —. kamertje vóór bij den boeg. Vooronderstellen, ik heb —ondersteld: —ing,v. Laten wij —, dat aij geliik hebt. demogelijkheid aannemen.

Vooroordeel {voorbarig oordeel), o. —en. Dat geeft voet aan — en kwaadsprekerij, kleingeestigheid; die uuoi zit vol —, eigenzinnigheden.

Vooropstellen (aannemen), ik heb —gesteld. Vooropzetten {vooruit vaststellen), ik heb —gezet.

VooronderH, voorouderen, m. mv. Vooroverlijden (het vroeger sterven), o. gmv. Voorpand {voorstuk van een jus), o. —en. Voorpleehti vast dek vooraan een schip ),v. —en. Voorpoort, v. —en. De — kraakt, en buigt, en vult. (Bild.), de poort van het buitenwerk. Voorpoot, m. —en. Dit hondje loopt netjes op zijn —en.

Voorportaal {ingang), o. —portalen.

Voorpost (vooruitstaande schild wacht),m.—en. Vóórprediken, voorpreeken {vermanen, voor oogen houden), ik —gepredikt en —gepreekt. Voorproef, v. —proeven. Wat \. van goeden smaak zal vinden. Behoeft de — van zijn vrinden. (Staring), d. i. voorafgaand onderzoek. Voorproeven {voorafproeven), ik heb —geproefd: —er, m.

Voorraad (hoeveelheid, menigte), m. gmv. Groente, fruit, koren in — hebben, er van voorzien zijn: wij hebben onzen — aardappelen opgedaan; ik zeg u dit bij in de voorbaat, van te voren. De pikeur had zich {'0 — gewroken. (C. O.), d. i. van te voren. Voorrang (voorkeur), rn. gmv. Hij nam den

— in, den eersten rang; zij streden om den—; dit gerecht verdient den —.

Voorree lit (privilegie, gunst), o. —en. Voorrede, v. —nen. Wie heeft de — van dit boek geschrevenquot;/ voorbericht, inleiding. Voorsi-liijn. Te — komen, zich laten zien; te

— brengen, aan den dag.

VoorNcliip {voorsteven, boeg), o. gmv. Voorschoen, m. —en.

Voorsehoot (boezelaar), m. —en.

Voorschot (het voorschieten van geld». o. —ten.

Hij gaf mij een — van duizend gulden; wij hebben geld op — genomen: in — zijn, nog geld te goed hebben.

Voorschreven, bn. Ook: Voornoemd. Voorschrift, o. —en. Dit is een — voor allen, les, vermaning, gebod.

Voorshands (voorloopig), bw. Laten wij — tevreden zijn.

Voorslaan (voorstellen), ik sloeg —, heb—geslagen. Ik zal hem dit plan —.

Voorslag (voorstel), m. —en.

Voorslag (van een klokkenspel), o. —en. Voorsmaak (proefje), m. Dit geeft u een — van atv toekomstig geluk.

Voorsnijden (klein snijden), ik sneed —. heb —gesneden: —snijder, m.: —snijmes, o. Voorspan (paarden), o. —nen.

Voorspel (voorafgaand spel), o. —en. Het — van Gijsbrecht van Aemstel telt G'2 verzen.


ocr page 311

VOORSPELDER—VOORWENDEN.

Vmu'Hpeldpr (morsdoekje), m. —s. Voorspelen, Ik heb —gespeeld: —er. ra. Een wijsje een stukje —. d.i. spelende voordoen. Voorspellen {laten hooren hoe gespeld moet worden), ik heb —gespeld. Ik zal a dat vreemde woord eens —.

Voorspellen {voorzeggen, vooruit aankondigen), ik heb —speld; —Ier. m.: — lingf. v. Christus —spelde den ondergang van Jeruzalem. Voorspiegelen, ik heb —gespiegeld; —iug. v. lern. groote winsten —, voor oogen stellen, doen gelooven aan.

Voorspoed (geluk, goede gang van zaken)* m. gmv.

Voorspoedig:, bn. en bw. Een —e reis] Rem-brands —e reis: — reizen.

Voorspook, o. —spoken. Dit is een — van het onheil, aankondiger, bewijs.

Voorspraak (persoon), m. en v. —spraken: {het voorspreken), v. gmv.

Voorspreken (verdedigen), ik sprak —, heb —gesproken: —er, m.

Voorstaan, ik stond —. heb —gestaan. Laat u niet te veel — op uw geboorte, dunken, trotsch zijn; Itet staat mij —. nl. voor den geest. Voorstad (buitenwijk), v. —steden. Voorstander (bevorderaar, beschermer), m. —s: —ster, v. — s. Hij is een — van goed onderwijs.

Voorste, bn. De — vinger: de — zijn. voorganger; hij is altijd Haantje de de belhamel.

Voorsteek {platte steek), m. —steken. Voorstel (voorslag), o. —len. Een — doen: zijn

— is verworpen', een rekenkundig —; hebt gij uwe algebra-voorstellen afV Voorstellen,ik heb—gesteld: — ler,m.; —ling,

v. Ik kan mij h'-t kasteel nog goed —. voor den geest halen; ik stel mij voor morgen op reis te gaan, plan hebben; iem. iets —, aan zijn beslissing onderwerpen: hij is hier voorgesteld als een harpspeler, afgebeeld: hij is aan den Koning voorgesteld: een levendige —stelling is in dien roman van Schimmel. Voorsteven (scheepst. voorste gedeelte), m. —s. Voorstoot (stopwas, maagdenwas), v. gmv. Voorstuk, o. —ken. Een blijspelletje zal als

— dienen, voorafgaande comedie.

Voortaan (in het vervolg), bw.

Voorthrengen (het aanzijn geven, opleveren,

geven), onr. ik bracht —, heb —gebracht: —er, m.: —ing, v.; —sel. o.

Voortdoniinelen (blijven slapen, suffen), ik heb —gedommeld.

Voortduren (aanhouden, blijven bestaan), het heeft -geduurd; —ing, v.

Voortdurend {aanhoudend), bn. Hij is — aan 't ijlen, onophoudelijk; ik vergis mij —. Voortduwen, ik heb —geduwd. Een slee —. verder duwen, vooruitduwen.

Voorteeken (waarschu wend teeken), o. —en,—s. Voortellen, ik heb —geteld: —ling, v. Ik zal u het geld —, voor uw oogen tellen.

Voortijd, m. —en. In den grijzen — der historie, de eeuwen vóór de historische tijden. Voortijds (eertijds), bw.

Voortijlen {voortsnellen), ik ben —geijld. Voortoelit (voorhoede), m. —en. De — van het leger. (Vondel).

Voortplanten (rtvwee/v/m'H), ik heb —geplant:

— ing. v. Het menschel ijk geslacht heeft zich —geplant, vermenigvuldigen: het geloof —, verbreiden; liefde voor kunsten en wetenschappen —; een geluid kan zich —, verspreiden.

Voortreffelijk (uitmuntend, uitstekend}, bn. en bw.: — lieid. v.

Voortrekken (voor-trekken), ik trok —, heb —getrokken. Iem. —, begunstigen, de voorkeur geven.

Voortrekken {voort-rekken), ik heb —gerekt d. i. verder gerekt.

Voortrukken, ik heb en ben —gerukt. De-troepen zullen —, voorwaarts marcheeren. Voortsleepen, ik heb —gesleept. De leeuw kan een volwassen rund —, wegsleepen; zijn leven —. d. i. in ellende voortleven. Voortsleuren, ik heb —gesleurd. Een last —: hij laat die zaak maar —. doet haar niet af. Voortspoeden (/.ieli). ik heb mij —gespoed. Hij spoedde zich —, haast maken, ijlings voortgaan.

Voortstuwen (verder stuwen, drijven), ik heb —gestuwd: -stuwer m. Hij werd door de menigte —gestuwd', een —de kracht. Voortsukkelen, ik heb en ben —gesukkeld-De zieke blijft maar —: en zoo sukkelen wij bij ons onderwijs maar voort, gebrekkig voortgaan.

Voortvarend, bn. en bw.; —heid, v. De —e

drift der jeugd. (C.O.c — te werk gaan. Voortwoekeren, ik heb en het is —gewoekerd. Die kinderziekte woekert —, tast ongemerkt velen aan.

Voortzetten, ik heb —gezet: —teivm.: —ting.v.

Vooriiitliehben, ik had —, heb —gehad. Hij heeft die som —gehad, boven of meer dan een ander; gij hebt bij hem iets —. hij is u» genegen; hij heeft dit —, in zijn voordeel. Voornitkonien (voorwaarts komen), ik kwam —, ben —gekomen. Die koopman zal wel —; met dien knaap is niet — te komen, hij is hardleeisch; hij zal op dat kantoor wel —, bevorderd worden.

Vooruitsnellen, ik ben —gesneld. Zijn gedachten snellen den lijd —. vooruitloopen. Voornitzielit {hoop, verwachting), o. —en. Hij heeft het — een mooie betrekking te krijgen, wij leven in het — van betere tijden. Voornitzieii, ik zag —, heb —gezien. Xu en dan moeten wij eens —. in de toekomst zien. Voorvader {stamvader), in. —en. —s. Voorvaderlijk, bn. Een — kasteel: —e zeden. Voorval {gebeurtenis), o. —len.

Voorvallen {gebeuren), het viel —, is —gevallen.

Voorveeliter (belhamel), m. —s; —veeht-ster, v. —s.

Voorvertrek {voorkamer), o. —ken. Voorvinger {wijsvinger), m. —s.

Voorvlak, o. —ken. Het — van een kubus. Voorvoegsel, o. —s. Aarts- in aartsdom is een —. spraakk.

Voorwaarde {beding), v. —n. Welke — stelde hij? onder —: op —.

Voorwaardelijk, bn. en bw. De bezetting gaf zich — over, op voorwaarde; de —e wijs, spraakk.

Voorwaarts, bw. De troepen rukten —. Voorwaartseli. bn. Een —e beweging. Voorwal (buUenwal), m. —len.

Voorwand (voormuur), m. —en.

Voorwegen, ik woog —. heb —gewogen. /Ar zal u de waren —. onder uw oogen wegen. Voorwenden, ik heb —gewend: —ing. v. Ongesteldheid —T als gewaande reden opgeven.


ocr page 312

VOORWENDSEL-VREDESTIJD.

288

VoorweiiilHfl (nitvlncht), o. —s, —en. Voorwerken (voordoen), ik heb —gewerkt. Voarworp, o. —en. Een aantal —en van kunst, zaken; het lijdend sprnakk. Voorwerpen (tegeniverpen), ik wierp —, heb —geworpen; —ing. v. Dit zal ik hem —. voor de voeten werpen, verwijten.

Voorweten (voorkennis), o. Dit is (jeschied zonder ons —.

Voorwinter (begin van den winter), m. —s. Voorzaat (voorvader, stamvader), m. —zaten. Voorzanger (die voorzingt), m. —s. Dan iveer deed hij den — der groote kerk na. (C. O.) Voorzegsen (om na 1»' laten zeggen), ik heb —gezegd. —gezeid. I/.- zal n dat woord dai-de lijk —: in de les mag niem. —. een ander iels influisteren.

Voorzessen (voorspellen), ik heb —zegd. —zeid: —sins. v. De tijden rust voorzegd, van groote schaldvergeving. (Da Costa.) Voorzeker (voorzeker, stellig), bw.

Voorzet (eerste zet), m. grnv.

Voorzetsel (rededeel), o. —s. Aan is een — in: aan den mnnr, aan den avond.

Voorzie litis, bn. en bw.: — lieicl. v. Een —e behandeling] iets — vragen; —heid is de moeder der wijsheid.

Voorzien, ik —z:ig. heb —zien: —ins. v. Wij kebben dat ongeluk zien aankomen; inde ■eerste behoefte —, zorg dragen voor; deze winkel is goed —. heeft allerhande waren; ivij zullen in dat gebrek —. liet verhelpen. Voorzienislieid. v. gmv. Gods —. die alles vooruit regelt; de — regelt. God zelve. Voorzijde, v. —n. De — van een geboaw. Voorzinsen. ik zong —. heb —gezongen. Ik zal n dat liedje eens —. ter navolging zingen. Voorzitten, ik zat—, heb—gezeten: —tins-v. Hij zgt;il aan tafel —. de eerste plasits innemen: wie zal de vergadering —leiden, presideeren: onder —ting van. leiding.

Voorzitter (leider), m. —s.

Voorzittei'Heliap (waardigheid van voorzitter). o. gmv.

Voorzomer (begin van den zomer), m. —s. Voorzoon (zoon uit een vorig huwelijk), m. —zonen. —zoons.

Voorzors. v. —en. Wij zal ten onze —en nemen, voorbehoedmiddelen, maatregelen. Voos. bn.: —lieiil, v. Eene imoze knol, radijs. sponsachtig.

Vorderen (eischen), ik heb gevorderd. Ik vorder mijn recht, mijn geld.

Vorderen {voortgaan), ik ben gevorderd. Die knaap vordert niet veel bij de stadie. Vorderins (voortgang', eisch), v. —en. Maakt hij —en:' Ik heb een schuld— op hem.

Vore (ploeg snede), v. —en. Werp het zaad in de —Zijn voorhoofd had diepe —n, rimpels. Voren, voorn (visch), m. —s.

Voren (gewijzigde vorm van voor), bw. (ia 'naar —: kom wat naar —. vooruit; te —, vooraf, vroeger: hij kreeg den wind van —, een berisping, een standje.

Vorenstaand, bn. Op —e bladzijde.

Vorig. bn. Het —e jaar.

Vork, v. —en. Hij weet, hoede — in den steel zit, hoe de zaak in elkaar zit.

Vorm [uiterlijke gedaante, model), m. —en. Iets in een anderen — gieten, een ander voorkomen geven; de goede —en. nette manieren. Vorniclijk, bn.; —ïieid. v. l'w vriend'asaltijd zoo —, vol complimenten, statig.

Vornien (een gedaante geven aan; vervaardigen), ik heb gevormd; —er, m.: —ins. v. Vornien (U.K. het vormsel toedienen), ik heb gevormd: —«el, o.

Vormleer (aanschouivel. meetk.), v. gmv. Dr

— is als leervak op de lagere school in de wet geschrapt.

Vonnsehool, v. —scholen. De — voor onderwijzers te Rotterdam, normaalschool.

Vorseli (kikvorsch), m. —en.

Vorselien (onderzoek instellen, nasporen,mi-pluizen), ik heb gevorscht.

Vorst (bovenste rij dakpannen), v. —en.

Vorst (konde), v. gmv.

Vorst (heer, prins), m. —en.

Vorstelijk, bn. en bw.; — lieid, v. Het — ; paleis, des vorsten; een — geschenk, gelijkende op dat eens vorsten, rijk, schoon; een —e houding, een —e gestalte.

Vorstendoni (gebied), o. —men.

Vorstin, v. —nen. De — in het dorp. (Staring). Vos (dier), m. —sen.

Vossehont. vossenbont (pelswerk), o. gmv. Vossestaart m. —en: —vel, o. —len. Met den

— geeselen, voor de leus, eig. aaien.

Votii (stemmen, kiesstemmen-, geloften), v. mv.: Pi a —. vrome wenschen.

Voteeren (zijne stem geven, stemmen). Votiefstern (geloftesteen), m. —en.

Votmn (stem; stemaitbrenging; verklaring | door stemming), o. —s. Een — vati vertrouwen; een — van wantroawen, blijk.

Vonw (plooi), v. —en. fo. —en.

Vouwbeen (honten of beenen papiermes•. Vonw blind (luik), o. —en: —denr v. —en. Vonwen. ik vouwde, heb gevouwen: —er, m. i De handen —: met gevouwen hatulen. Vouwstoel, m. —en: —tafel, v. —s. Vox liinnaiia (de menschenstem; orgelre-| gister), v. gmv.

Voyasenr {reiziger), m. —s. Comrnis—, handelsreiziger.

Voyons (laat ons zien), tw.

Vraag (ondervraging, eisch), v. vragen. Vraasal ( persoon), m. en v. —len. Vraagbaak (raadsman), v. —baken. Deze notaris is de — der gemeente, allen komen bij hem om raad.

Vraagstuk, o. —ken. Het moeilijke — omtrent de zetelplaats van den wil. (C. 0.); rekenkundig — : algebraïsch —.

Vraagteeken (leesteeken), o. —s. Vraagwoord, o. —en. Druk bij 't lezen o/ het —. b.v. Waar zijt gij?

Vraat (gulzigaard), m. vraten.

Vraatznelit (gulzigheid), v. gmv.

i Vraelit (lading, last), v. —en.

Vraelitvaarder (transportschip), m. —s. Vraclitvrij, bn. Brieven — in te zenden, franco. Vragen, ik vraagde, ik vroeg, heb gevraagd. Ik vraag naar mijn broeder, vernemen; deze ! heer vraagt de geschiedenis, onderzoek doen naar de geschiedkundige kennis; hoeveel vraagt ge hiervoor, eischen; hij vroeg hare hand. iem. ten huwelijk —.

Vrank. Frank quot;(fry), bn.. enkel gebruikelijk in de spreekw. vrank en vrij. ., Vrank. Vrij. Vroom. Vroedquot;, spreuk der Nederlandsclie Vratig (gulzig), bn.: —beid, v. [turners.

Vrede, m. gmv.

1 Vredelievend, bn. —beid, v. Een — vorst.

Vredestijd, m. gmv.; —verdrag, o. —en.: — ! voorslag, m. —en.


ocr page 313

VREDIG VRIJWILLIGER.

•28'.»

Vredig {rustin), bn. en b\v. Een — verblijf'. Vreedzaam, bn. en bw.; —lieid, v. Deze volken leven —, zonder oorlog, in vrede.

Vreemd (nitheemsch, zonderling), bn. en bw. Vreemde, o. gmv. In tien —, in liet buitenland, ver weg.

yreemdeliiiR, m. en v. —en: voor het v. ook—e. VreemdiglM'id (zondei'linriheid), v. —heden. VreemdHoortig, bn.; —heid, v. üc rog is een —e visch.

Vree», vreeze (angst, schrik), v. vreezen. VreeHaelifig; (hang), bn. en bw.; — heid. v. Vree.selijk. vreeMiijk [angstwekkend), bn. en VreetMeliii» (konvooischii))o. —schepen. fbw. Vreet wolf (gulzig persoon), m. —wolven. Vreetzak (persoon), m. en v. —ken.

Vreezen (hang zijn voor), ik hei» gevreesd.

Vrees God. eerbiedig; het gevaar —, duchten. Vrek (gierig), bn.: —held. v.

Vrek (gierigaard), m. —ken.

Vreten (gulzig eten), ik vrat, heb gevreten; —er, m.; —erij, v. Het paard wil niet —. voedsel gebruiken.

Vreugde, vreugd (blijdschap), v. gmv. Een gevoel van —: ik beleef — aan dat kind: een ongestoorde — : hij was de — zijner ouders. Vriend, vrind, m. —en.

Vriendelijk (voorkomend, lief), bn. en bw.; —Iieid, v.

Vriendin, v. —nen; — netje, o. -s. \ riendmiienkriiig. m. —en.

VriendHeliap (persoon), m. gmv. Zeg eens. —. hoe laat is het'/

VriendHcliapMh.ind, m. —en: —betoon, o.; —betrekking, v. —en: —betuiging, v. —en. Vriespunt, o. gmv. Op tien graden onder het —.

Vriezen, het vroor, heeft gevroren, gevrozen. De gracht is dicht —: mijn karaf is stuk Vrij, bn. en bw.: —beid, v. Een —e vertaling. niet naar de letter; hij is — van krijgsdienst, niet verplicht tot; zijn gedachten den —en loop laten: een — uitzicht, onbelemmerd; ik laat. u de handen —. niet gebonden zijn: ik ben van avond —, niet bezet; de man kwam met den schrik —; ik ben zoo — u dit te vragen, de vrijheid nemen; het vragen staat u —: de —e kunsten, zeven in getal; ik heb vuur en licht —.

Vrij ar. bn. — hebben, verlof hebben.

Vrijage (verkeering), v. —s.

Vrij blij ven, ik bleef —. ben — gebleven.

Vri j brief (/wspoo/'O. m. —brieven. Een adellijke titel is veelal een — voor alle kringen. Vrijbuiten (te kaap varen), ik heb gevrijbuit; —er. m.: —erij. v.

yrijburg (versterkt kasteel), rn. —en.

Vrijdag, m. —en. Hoede Vrijdag vóór Vrijdag*lt;*li. bn. De —e markt. [Paschen. Vrijden, vrijen (bevrijden), ik heb gevrijd;

— ing, v. Ik zul u vrijen van ramp en rouw. {Huygens Scheepspraat).

Vrijdenker (vrijgeest), m. —s; —erij, v.; —ster. v. —s.

Vrijdom (ontheffing), m. —men. De adel had

— van belasting: — van krijgsdienst.

Vrijen (liefde betoonen), ik vrijde (vree), heb

gevrijd (gevreeën); —er, m.: —erij,v. Hij vrijt ■naar mijn nicht: zij — al lang, verkeering hebben. Een ezel die vrijt, die schoi)t en die yrijen (bevrijden). Zie Vrijden. \smijt.

Vrijgeboren, bn. Een — burger, geen lijfeigene of slaaf.

koenen, VerkL Hundwdb. d. Neder 1. taal.

i Vrijgeest (die alle geopenbaard geloof verwerpt), m. —en; —erij, v.

Vrijgelatene, m. en v. —n. Hij was een —. d. i. vroeger een slaaf.

Vrijgeleide (gewapende bedekking), o. gmv. Vrijgeven, ik gaf —. heb —gegeven. De hnr-(jemeester zat van middag —. vrij af geven. Vrijgevig (mild), bn. en bw.; —beid. v. Vrijgezel (ongehuwde), m. — len.

Vrijhaven, v. —s. Dit is een —. er wordt geen tol of bruggeld geheven.

Vrijheer (baron), m. —en; —schap. o. Vrijheidsboom (boom der vrijheid in den Franschen tijd), m. —en; -hoed, m. —en; —maagd. v.

Vrijiioiidenjk hield —.heb—gehouden.

mee, ik zal u —. de kosten van verteer betalen; een huis — van den vijand, behoeden voor. Vrijkomen, ik kwam —. ben —gekomen. Hij kwam met een vermaning vrij, eigens van afkomen.

Vrijkoopen, ik kocht—, heb—gekocht; —ing. v. Men trachtte de christenslaven vrij te koopen, loskoopen, iem. vrijheid koopen. Vrijlaten, ik liet —. heb —gelaten. Ik zal den gevangene —. de vrijheid geven.

Vrijleen, o. —en. Dit is een —. d.i. niet met heerendiensten bezwaard.

Vrijlot, o. —en. Op twintig loten heeft inoi een —, één lot op den koop toe.

Vrij loten, ik heb en ben —geloot. Deze jongen heeft zich —geloot, nl. van de militie. Vrijniaclit (onbeperkte macht), v. gmv. Vrijmaken, ik heb—gemaakt; —er.m.; —ins. v. Iem. van den dienst —. hem een rempla-oant koopen.

Vrijmetselaar, m. —s, —aren: ook: vrije metselaren.

Vrijuioedig(o«^.sc/»roomtO. lm.en bw.: —beid.

Een — antwoord: — spreken.

Vrijplaats, v. —en. Culemborg was een —. schuilplaats, d. i. plaats werwaarts misdadigers konden uitwijken.

Vrijpleiten, ik heb —gepleit. De advocaat trachtte zijn cliënt — te pleiten, nl. van straf of boete.

Vrijpostis:. bn.: —beid, v. Een —e kerel, brutaal, zeer vrij.

Vrijspraak (vonnis van vrijverklaring), v. —spraken.

Vrijspreken, ik sprak —. heb —gesproken; —er, m.; — ing, v. De beschuldigde werd—gesproken. onschuldig verklaard.

Vrijstaan, liet stond —. heeft —gestaan. Het staat u vrij binnen te komen, het is u vergund. Vrijstellen, ik heb —gesteld; —ling. v. Iem. — van dienst, ontslaan.

Vrijster (minnares), v. —s. Zeg eens. —. waar woont hier de dokter? meisje; een — van biesjesdeeg, een sinterklaaspop.

Vrijverklaren, ik heb —verklaard: —ing. v. De Spanjaarden moesten de Nederlanden —. erkennen als vrije landen.

Vrijvrouw (barones), v. —en. Zij was — van geboorte, bezitster eener vrije heerlijkheid. Vrijwaren (ergens voor behoeden), ik heb gevrijwaard: — waarder, m.: —waring, v. Ik wil u — voor teleurstelling.

Vrijwillig, bn. en bw. Een —e verkoop ing, uit vrijen wil. niet door het gerecht gedwongen: — dienst nemen.

Vrijwilliger, m. —s. Hij nam dienst als —. hij teêkende als vrijwillig soldaat.

li)


ocr page 314

2 JO VRIJZINNIG VUURZEE.

VrijziiiiiiK (liberaal), bn.; —lieid, v. Ken —e regeerinu; een —e maatreyel.

Vrind, m. —en. Zie Vriend.

Vroed (wijs), bn. en b\v.; —lieid, v. Vroedkundige (verloskundige)^ m. en v. —n. Vroedineewter (verloskundige), rn. —s. Vrnedscliap (stedelijke regeering tijdens de Republiek), v.: (een lid der vroedschaii), m. Vroedvrouw {verloskundige)^. —en. | —pen. Vroes (tijdig), bn. en bw. Het is nog —: des morgens is hij — o/gt;.

Vroegtijdig (niet laat), bn. en bw. I-Jen — vertrek; zij gingen — op marsch.

Vroolijk (opgeruimd, blijde), bn. en bw.: —Iieiil. v. Zich — maken, verblijd zijn; zich om iets — maken, om iets lachen: hij leeft als — Fransje, onbezorgd.

V rooiiK braa [.godsdienstig ),bn.enbw.; — heid.v. Vroon (bezitting, waarop heerendiensten rusten), o. —en.

Vroondien^t (heerendienst), m. —geld, o. —en: —goed. o. —eren: —lieer. m. —en; —land. o. —en; —meester, m. —s: —reelit, o. —en: —vlHselierij, v. —en; —water, o. —en. Vrouw, v. —en. Zij is mijn —. echtgenoot: de — des huizes, meesteres.

Vrouwelijk, bn.: —lieid, v. Ih-t — geslacht,een — rijm. loonlooze lettergreep; een —e bloem. Vrouwendag (2 Febr.), m. Ook lichtmis geheeten. IJ. K.

VroiawineiiMeli, o. —lieden, —lui. Vrouwwperwoou. v. —personen.

Vruelit (fruit, voortbrengsel), v. —en. Houdt gij van —en\' De — van al dien arbeid, opbrengst. gevolg; dat zul geen — opleveren; hij heeft met — examen gedaan, met goed gevolg: alle pogingen bleven zonder —. Vruelit haar. bn.: —heid, v. Een — land, een — schrijver, die veel levert. VruclitelooN. bn. en bw.: —lieid. v. Een —onze poging, ijdel. vergeefscli; hij smeekte —. Vrnelitgehruik (rechtst.). o.: —er, m. —s; —ster, v. — s. Mijn vader heeft het — van die landerijen, d. i. het recht op de opbrengst, zij behooren hem echter niet.

Vue (gezicht, oogmerk, doel), v. —s.

Vuig (gemeen, slecht, lang), bn. en bw.

Vuil (vuilnis), o. gmv.

Vuil, bn. en bw.: —heid, v. Een — kind. onrein, onzindelijk: een —e maag; een —e lucht: een —e zaak. laag. verachtelijk; een — boek. onzedelijk: —e praat, taal; een —e pijp rooken, slecht terecht komen: een —e kust, onveilig, rotsachtig: ergens veel wuter om — maken, hevig gaan twisten om: zich aan iets — maken, zijn goeden naam bezoedelen. Vuilbek (persoon), m. en v. —ken. Die Oost-ganger is een —. iem., die vieze taal uitslaat. Vuilhekken (vuile. luge, onzedelijke taal uitslaan), ik heb gevuilbekt: —erij, v. Vuiligheid (drek. uitwerpsel), v. —heden. Vuilik (vuilaardig mensch). m. en v. —en. Viiilinaken (ontreinigen), ik lieb —gemaakt. Vuilnis (aanveegsel), v. Ook: Vullis.

Vuilte (vuilheid, het vuile), v. gmv.

Vuist. v. —en: —je, o. —s. Een — zetten. een bedreiging doen; met den degen inde —: met de — op tafel slaan: voor de — spreken, onvoorbereid: een stuk voor de — spelen; in 'ija —Je lachen, heimelijk, in stilte; iets uit Vülbier (dun bier).o. gmx. [het — je eten. Viileaniseeren (in het vuur gloeien).

Vulgair (alledaagsch, gemeen, plat), bn. Vulgata (pauselijk goedgekeurde Latijnse he overzetting van den bijbel), v.

Vulgus (het gemeene volk. de groote hoop),iy. Vulhaar (opvulsel), o. gmv.

Vulkaan (vuurspuwende berg), rn. vulkanen. Vulkanisch, bn. Een — gebergte, een — eiland. Vullen (vol maken), ik heb gevuld. Een vat—, een bed — met veer en. een kip — met gehakt: gevulde zeilen, gevulde stoelzittingen. Vulling (het vullen), v. gmv.

Vullis, i). gmv. Zie Vuilnis.

Vunerahel (kwetsbaar), bn.

Vulnerahiliteit (kwetsbaarheid), v. gmv. Vnluereeren (verwonden, kwetsen).

Vulsel (al wat dient om te vullen), o. —s. Vuns (duf, vochtig), bn.: —heid. v. Een — kerkerhol; een —ze kelder.

Vuren, ik heb gevuurd: —ing. v. /gt;• vijand gaat —, schieten; het — der zee. lichten. Vurenhout (een soort van pijnhout), o. gmv. Vurig (met vuur, met gloed), bn. en bw.: —heid, v. Een — gebed, een — paard, een — verlangen, hij smeekte —.

Vuur. o. vuren. De soldaten kwamen in het —, gevecht; den vijand tusschen twee vuren brengen, van twee zijde': beschieten: te — en te zwaard verwoesten, amp;ooy brand; de soldaten gaven —, het geweer afschieten: hij spoog — en vlam, was nijdig als een draak: 't was als olie op Itet —, het wakkerde den twist aan; voor iem. door het — loopen. zijn leven wagen; — vatten op, boos worden; er kwam koud — bij de wonde, bederf. Vuuraanhidder (heiden), m. —s. Vele rassen der Stille Zuidzeeêilanden zijn —s, aanbidders van het vuur als godheid.

Vuurhaak (lichttoren), v. —aken.

Vnurhol (zeker luchtverschijnsel), m. —len. Vuureter (gooehelaur, die vuur eet), m. —s. Vuurgeest (toovergeest), m. —en.

Vuurkogel (gloeiende kogel), m. —s. Vuurkolk (aschkolk; krater), v. —en. Vuurlak (zwart lak), o. gmv.

Vuurmaker (een soort van jwoji. hars en pek om de kachel aan te maken), rn. —s. Viini-inand (mand in de kraamkamer, tot droging en koestering), v. —en.

Vuurpijl (vuurwerk, pijl van vuur), m. —en. \mir\ii'oei'(godsoordeelin de Middeleeuwen), v. Vuurroer (geweer,snaphaan). o. —en. [ —ven. Vuurrood (hoogrood), bn. Zij werd —. Vuurseherm (haardscherm), o. —en. Vuurslag (stuk staal), o. —en.

Vnnrsprank. viiursprankel (vonk), v. —en. Vuurspuwend, bn. Een —e berg, vulkaan. Vuursteen (harde steen, waaruit met een vuurslag vonken geslagen worden), m. —en. Vuurtoren (lichttoren), m. —s.

Vuurvast (bestand tegen het vuur), bn. —e steenen, die gebruikt worden voor bakovens, fornuizen, enz.

Vuurvreter (driftig, voortvarend man), m. — s. Vuurwapen (schietgeweer), o. —s.

Vuurwerk (kunstmatige vertooning met buskruit), o. —en.

Vuurwerker (smid, die den voorhamer hanteert en het gloeiende ijzer vasthoudt), m.—s. Vunrwerkniaker (kunstenaar op 't gebied van vuurwerk), m. —s.

Vuurzee (zee van vuur, vuurpoel, erge brand), v. —ën.


ocr page 315

W— WA K.

11.

\V, v. w's. — J3e drie en twintigste letter van het alphabet.

W. — West.

W.l. — West-Indië.

Waadbiiar, bn. Hier is de rivier —, kan doorgetrokken worden.

Waag (toestel om te tueyen), v. wagen. De stads —, plaats, gebouw, waar van overheidswege goederen gewogen kunnen worden; —schaal, oudtijds weegschaal; in de—schaal stellen, wagen; iade — honden, in twijfel laten. WaaghalN (vermete'e, roekelooze), m. —zen: —zerij, v.

WaagM'liaal. v. gmv. Zijn leven in de — \Vaag*|Mgt;l (kansspel), o. —en. [stellen.

Waagstuk, o. —ken. Dat is een echt —, gewaagde onderneming.

Waaien, het waaide (woei), heeft gewaaid. Waaier, m. —s; Een ivoren bal—, een zijden —, luxe-artikel voor dames.

Waak. v. waken. Hij heeft de —. de wacht. WaakM-ii. bn. Onzehond is zeer —. waakzaam. Waakzaam (wakker, ijverig, zorgzaam), bn. en bw.: — lieid. v.

Waal (persoon, Lnikerwanl). m. Walen, liet arme W'eeshais van de Walen. (Vondel): walin, v.

Waal (rivier), v. gmv.

Waal (afgrond, kolk), v. walen.

WaalHch, bn. De —e kerk. Franseh-IIervormd. Waan djdele meening), m. gmv. tem. in den

— brengen: in den — verkeeren.

Waanu ijN (eigenwijs, ingebeeld), bn. en bw.:

— Iieid.v. Een — mensch. neuswijs,laatdunkend. Waar {koopmansgoed), v. waren.

Waar (echt. wezenlijk, zeker), bn.: -heiil, v. W aar, bw. — zijt gij:' op welke plaats. Waarachtig, bn. en bw.: —lieiil, v. Een —e gebeurtenis, wezenlijk. Het is — ivaar, zeker,echt. Waarborg (onderpand, borgstelling), m. —en. Waarborgen (instaan voor iets), ik heb gewaarborgd: — ing, v.

Waant, woord, woerd (mannetjeseend), m. —en.

Waard {herbergier), m. —en. Buiten den — rekenen, zich misrekenen; zooals de — is. vertrouwt hij zijn gasten, men beoordeelt een ander naar zich zelf.

Waard, woerd. weerd(/ land).\. —en. Waard. bn. Een goed begin is een daalder —: het sop is de kool niet —. de zaak is van geringe beteekenis.

Waarde (prijs, waardij), v. — n.

Waardeeren {schatten', de waarde bepalen): —der. m.: —lijk, bn.; —ing, v.

Waardgelder {huurling, betaald wachter),m. —s. Onderscheiden steden in Holland namen —s in dienst (1C17). vero.

Waardig. bn. en bw.: — heid. v. Een —e houding, ernstig, verdienste'ijk; aller achting —. verdienende.

Waardij, v. gmv. Een Eden voor de vreugd geschapen, Is ongedeeld van geen —.(Staring). Waardijn (muntmeester), m. —en, —s. Waardin (herbergierster), v. —nen. Waarheid, v. -heden. De — zoeken-, de — vindt zelden herberg', iern. de — zeggen, hem

| streng berispen; een wiskundige —: een historische —.

Waarlijk (wezenlijk), bw. Ze zijn — gelukkig. Waarmaken (bewijzen, staven), ik heb —gemankt: — ing. v.

Waarmerk (bekrachtiging, stempel), o. —en. Waarmerken, ik heb gewaarmerkt: —ing. v. Een stuk. een akte—. onderteekenen, bekrachtigen, legaliseeren.

Waarnemen, ik nam —, heb —genomen; —er, m. Leer het kind goed —, opmerken, zien; gij moet de gelegenheid —. benutten, gebruiken; gij dient nw tijd goed — te nemen, besteden; een les voor iem. —. geven; een betrekking —. tijdelijk of ook voorgoed vervullen; zijn plichten —. betrachten; den loop der sterren —, volgen; een —d voorzitter: een —dsecretaris, tijdelijk; hij is hier waarnemer, tijdelijk of voorloopig ambtenaar. Waarneming (tijdelijke vervulling), v. —en. Waai-mi*hijnlijk (vermoedelijk, misschien), bn. en bw.: —heid, v.

Waarsehuwen (verwittige)», vermanen, in kennis stellen), ik heb gewaarschuwd: —ing, v. fk za' hem even —; hier waarschuwt men voor alle treinen! ik waarschuw u dit te laten. Waarzeggen (voorspellen, de toekomst lezen), ik heb —gezeid. —gezegd; —ger, m.: -gerij, v.: —ging. v.: -ster. v.

Waaw. o. Het — van druiven en pruimen', het — der onschuld: een —van zorg, zweem. Wacht (een wachter), m. -en.

Wacht (het wachthouden en de gezamenlijke wachters), v. —en. Zij sleepten den man in de —. het wachthuis.

Wachtel {kwakkel, kwartel), m. —s. 't Is lente! de tortels K lagen,de —s slaan / (Staring). Wach ten (toeven), ik heb gewacht: -er. m. WiKlilgt UI. O. -en. Door 't opheffen der school kwam de leeruur op —, een 5-Jarige toelage.

Wachtkamer, v. —s. Wij zullen u in de — van het station opwachten.

Wachtschip, o. —schepen; —toren. m. —s;

—vuur, o.: -vuren; — woord (/)woc)/),o.—en. Wad (ondiepte in het water), o. —den. De kiel komt over 't — gevlogen. (Staring).

Wade {htdte acht-r de knie), v. —n.

Wade (lijkwade, wit laken), v. —n.

Weiden (door het water gaan), ik heb en ben W'alel. v. —s, —en. [gewaad.

Wagen {voertuig), m. —s.

Wilgen (ondernemen), ik heb gewaagd. Wie niet waagt, die niet wint, met stilzitten verdient men geen geld; /link gewuagd is half gewonnen.

Wagenaar (voerman), m. —s. vero. Wagenschot {fijn fikenhout), o. gmv. Een meublement van —.

Wagenwijd, bw. Zet de deur — open, zeer wijd. zoo ver mogelijk.

Waggelbeenen {onvast loopen), ik heb gewaggelbeend.

Waggelen (onvast loopen), ik heb gewaggeld. De dronkaard kwam aan—: een —de gang. W'aggon (rijtuig op spoorwegen), m. —s. Wak (open in het ijs), »». —ken. Hij viel door hel — e,i schoot onder het ijs.


19*

ocr page 316

WAK WAPEN.

292

Wak (vochtifj), bn. '/ Is — weer. regenachtig, nevelachtig, onvast.

Waken, ik heb gewaakt: —er, m. Hij zul voor onze helai'gen oppassen, zorg dragen; iA' zal hij de)i zieke —, de wacht houden: een wakend oorj houden over ietsof iem.. zorgzaam. Wakker {opgewekt, levendiy), bn. en b\v.; —Iieid, v.

Wal (muur, kade. zootn). m. —len. De muirozen gingen uun —, land; het gezin van (le)i kapitein blijft uun —. niet aan boord wonen: run — steken, gaan varen, afzeilen, fig. mei iets een begin maken; aan lager — ko-me-i. zijn, door tegenspoed verarmen; aan hoog er —, voorspoedig, fortuinig; hij zou me va)i den — in de sloot helpen, mijn onder-gar.g bewerken; dat ruakt kant noch —. fig. dat is groote onzin, zeer ongerijmd; lungs den — zeilen of vuren. flg. kalmpjes aan leven: zij moest bij het —letje lungs om rond te kouten, zuinig leven: de beste stuurlui staan uun ir. de bedillers staan van verre, buiten het gevaar; de steden werden met —len omringd. aarden of steenen hoogten: het flikkert van den — (Bild.), men schiet van de —len; een bres in den — schieten.

Waldeir/.cn {bewoners van Waadland, ketterse} w sekte), m. mv.

Wahllioorn, walillioren (jachthoorn), m. —s. Walen (ongestadig zijn). ik heb gewaald; —ins. v. Het getij begint ie —. verloopen. Fig.wankelen, weifelen.

Wals (ufkeer. weerzin), v. De — begint me van dit getalm te steken. (Staring); luster is mij een —.

Walgen, ik heb gewalgd; — iiitf, v. Zulk een rornun gaat ik wulgde van zijn vleierij', ik walg run die medicijn.

Walglijk (ufkeerwekkemh, bn. Een —e reuk, een —e smuuk.

Walhalla (fab. (lermuansch paradijs der koningen en helden), v. gmv.

Walken, ik heb gewalkt: —er. m.; —ing, v. De hoedenmaker heeft dit vilt niet goed gewalkt. ineengeslagen, geperst.

W7alklianier. m. —s; —niolen, m. —s; — plaats, v. —en: —stok, m. —ken.

Walm {damp, smook), m. —en.

Walinen, het heeft gewalmd, l'w lump walmt, de vlam komt boven het glas uit.

Walnoot (boom), m. (vrucht), v. —noten. Walros, walniH (groot zeedier), m. —sen. Wain (dans), v. —en.

Walsen (een wuls dansen), ik heb gewalst; -er. m.

Walstroo (kruid), o. gmv.

Walviseli (grootste zeedier), m. —visschen. Walviwelivaarcler (schip, ook gezagvoerder). Wam (halskwab), v. —men. |m. —s.

WamlHii.H (wammes), o. —en Wanien (in de modder roeren), ik hel» ge-waamd.

Wammen (den buik der visschen opensnijden). ik heb gewamd.

WamnieN (kleedingstuk), o. —en. Op zijn — krijgen, slaag oploopen; mettertijd komt Hannes in 't —, kleine kinderen worden groot. W an { wunniund). x. —nen. Zift Iwt horen met de —: een —utoloi.

Wan (scheepsw. lek. lekkage), o. —nen. WTanlgt;edrljr (misduud. booze handeling), o. —drijven. Door zich zelf verruun, erkende zij (de hebzucht) haar —, uw recht. (Staring).

Wanbetaling (slechte betaling, niet-betuling), v. —en. Bij — der belasting guat men over tot vervolging.

Wanhol' (ongeluk, tegenvaller), m. gmv. Wand (muur), m. —en. De schilderij hangt duur uun den

Wandaad (euveldaad), v. —daden. WandaliHiiie (vernielingszucht). o. gmv. Wandel, m. gmv. Wees eerlijk in uw handel en —, leefwijze, omgang: uw vader was op den —. wandeling; ia den — heet hij de lange, gewoonlijk.

Wandelaar, m. —s, —laren; —ster. v. —s.

Wandelen, ik heb en ben gewandeld; -aar, m.; — ing. v.

Wandseliildering (schilderij op de kulk van den wand), v. —en.

Wanen (ijdel meenen). ik heb gewaand. De ergste domoor is hij, die zich knap waant: een gewaande vriend.

Wang. v. —en.

Wangedrag {slecht gedrag), o. —ingen, v. Wangedroelit (monster, afzichtelijk wezen), o. —en.

Wangeloof, o. gmv. Da Costu noemt den Islam een —. dwaas of verkeerd geloof. WangniiHt (afgunst, nijd), v. gmv.

Wanlioop (geen hoop), v. gmv. De — greep huur aan. radeloosheid.

Wanhopen (vertwijfelen), ik heb gewanhoopt. Zij — aan huur beterschup, uun uw verbetering.

Wanhopend, bn. De urme moeder wrong — de hunden.

Wanhopig, bn. Een — besluit, een —e daad. Wankel (onzeker), bn. en bw. —heid, v. I tv kans staat —, ongewis.

W ankelen (onvast stuun), ik heb gewankeld; —ing v. Zijn overtuiging raakte aan het —. Wankelmoedig (besluiteloos), bn. en bw.; —heid, v.

Wanklank (valsche toon), m. —en. Parasieten zijn een — in de schepping. (Witte). Wannen (het koren zuiveren), ik heb gewand. Wanorde, v. gmv. De geheel e school was in Wanordelijk, bn. en bw. Een — huishouden, ongeregeld, zonder beheer.

Wansehapeii. bn. —heid, v. Een — gestalte, misvorm, gedrochtelijk.

WanweliepHel {gedrocht), o. —s.

WaiiNinaak. m. —smaken. De — der mode, avereehtsche smaak.

WanMiiakelijk (walgelijk), bn.

WaiiMtaltig. bn.: —heid, v. Een — persoon, misvormd, verdraaid.

Want (grof wollen vuisthandschoen met eet. duim), v. —en.

Want, o. liet staand en loopend —. touwwerk aan boord, nl. het vaste en losse; de visschcr droogt het —, netwerk.

Wanten, slechts gebruikelijk in de spreekwijze: Hij weet van —, hij is op de hoogte van de zaak. hij is een ingewijde.

Wantij (tegenstroom), o. —en.

Wantronwen (mistrouwen, achterdocht), o. gmv.

Wantronwen. ik heb gewantrouwd. Gij z^'ll mij toch niet mistrouwen.

Wapen (strijdtuig), o. —en. —s. De geheele christenheid stond onder de —en: de —en opvatten: de angel is het — der bij; iem. met zijn eigen —s slaan: het — der cavalerie. Wapen (adellijk kenteeken), o. —s. Hij voert


ocr page 317

WAPENEN-WEDERBRENGEN.

een h'enw in zijn —; het — van Holland. het Vlaamsche

Wapenen, ik heb gewapend: — inp, v. Zijn onder hoor Uj en —; zich —, de wapens aangorden.

Wapenliemiit (ivapenkoning), m. —en.

Wapeiikiinde {heraldiek), v. gmv.

Wapper {wip eener ophaalbrug)^ m. —s.

Wapperen (waaien, fladderen), de vlag heeft

War (in de), v. gmv. [gewapperd.

W7arande (park. wandeldreef), v. —n.

Waratje, Vnv. Pie ter is — verliefd. t'C. O), wezenlijk.

Warboel, m. —en. Het is me daar een —. verwarde zaak.

Wardierfje (infasiedier), o. —s.

Warempel, bw. Je hebt — gelijk, inderdaad.

W aren (spoken), hij heeft gewaard. Hij maakt den geest van Rachel wakker, die waren gaal door beemd en wei. (Vondel).

Warhoofd (persoon), m. en v. —en.

Waring (gangboord), v. —en. Sikko, de — op- en nederloopende. (v. Lennep).

Warklomp, m. —en. Wat — der natuur! (Tollens).

Warkruid {woekerplant), o. gmv.

W arm, bn. en bw.: —te. v. Een kamer, een — bad: zich — kleeden. er — inzitten, fig. bemiddeld zijn; het ging er — toe, er werd hevig gevochten; een —e ontvangst, hartelijke.

Warmen (warm maken), ik heb gewarmd: -ins:, v.

w armocH (allerlei eetbare moeskruiden), o. Een kikvorsch onder 't — kort gehakt. (Staving).

Warmoezenier. Warmoezier (hovenier), m. —s. —en.

WarmpjeN, bw. Hij zit er — in, bemiddeld zijn.

Warmte, v. gmv. De — der zon, de — van den zomer, de — van het bloed, dierlijke —.

Warnet, o. —ten. Een — van slingerplanten.

Warrel (war), m. gmv.

Warrelen, het heeft gewarreld: —ins, v. Ifet warrelt oiij voor deoogen, heen en weer draaien.

Warrelklomp (chaos), m. —en.

W arreUvind (draaiende wind), m. —en.

Warren (in de war brengen), ik heb geward.

W ar» (afkeerig), bn. Hij is — van vleierij, van lof.

Wat* (groei), m. gmv. Er is — op de hoven-rivier. toevloed.

Waw (van bijen), o. gmv.

Waweli (gewasschen of te wasschen linnen of kleederen), v. wasschen. II: zal mijn zakdoekjes in de — doen: mijn linnen is in de —: die kleur houdt zich goed in de —; deze vrouw heeft elke week vijf wasschen.

Wasdoek, o. gmv. Een vloerkleed van —. linnen met was bestreken.

Wasdom [groei), m. gmv. // / heeft zijn vollen — bereikt, groei: God zal — geven.

\\ •iHem (damp, uitdamping), m. —s. Hoe geurt de — der herkespruit! (Staring).

W asemen (dump van zich geven), ik heb gewasemd; — ing, v. De rozen — haar geuren.

Wa^Hflieii (reinigen), ik wiesch (waschte). heb gewasschen: —erij, v.: -ins;, v.

W aNMen (van was), bn. Een —beeldenspel: dat is een — neus. bedrog, misleiding.

WaNsen (met was bestrijken), ik heb gewast. (iewast taf.

Wassen (groeien), ik wies, ben gewassen. Een —de rivier, de —de maan, het —de water.

Wassenaar (wassende otaan), m. —.s.

Water, o. —en, —s. Open —, dat niet bevrozen is: een schip te — laten, van stapel laten loopen: het hert ging te —, zwemmen; de dief zit op — en op brood: het — komt aan de lippen, de nood is hoog: Gods — over Gods akker laten loopen, zich om de wereldsche zaken niet bekommeren; dat is — op zijn molen, dat is naar zijn zin, dat dient hem:

— naar of In zee dragen, noodeloozen arbeid doen: sterk —, vitriool; stille —shebben diepe gronden, de zwijgenden denken dikwijls het diepst; ze zijn als — en vuur, volslagen vijanden; het — loopt altijd naar zee, de fortuin dient de rijken: hij stierf aan het

de waterzucht.

Wateraehtig, bn.: —lieid, v. Een — kostje. laf, flauw, te zeer aangelengd.

WaterHiineeMt?£/f scheldwoord), m. —neezen.

Waterdicht, bn. Een —e Leider, een —e mantel, imperrneabel: een paar —e laarzen.

Waterig, bn.: — heid, v. Een —e soep, als water; een —e stijl, laf, zonder pit.

Watering, v. Zie Wetering.

Waterlanders (tranen), m. mv. Foei, Keesje, ik zie —. dunkt me. (C. O.)

Waterleiding, v. —en. Menige stad verheugt zich in 't bezit van een —.

Waterpas {werktuig), o. —sen.

Waterpas, bw. Een — lijn; die stok ligt niet —, horizontaal.

Waterpassen, ik hel» gewaterpast: —ing, v. Een terrein —: een provincie, een land —, de hoogten en laagten boven een gegeven peil opnemen.

Waterpest (een ivuterplant, Elodea Canadensis). v. gmv.

Waterrijk, bn. Een — landschap: dit land is —, heeft tal van rivieren.

Watersehap (polder of heemraadschap), o.

— pen.

Watersnood (overstrooming), m. —en.

Waterstaat, m. Minister vun —, ingenieur van den —.

Watertanden, ik heb gewatertand. Die kersen doen de jeugd —. hevig begeeren naar; die reis naar Zwitserland doet mij —.

Waterzneht (ziekte), v. gmv.

Watteeren (met watten vallen). Een gewut-teenle overjas.

Watten, v. mv. Boekhouders met watten in de itoren. (C. O.)

Wauwelen (vervelend praten), ik heb gewauweld: —aar. m. Wat wauwelt die man'/

Web (weefsel, stak linnen), o. —ben. Het — wacht op den koopman. (Staring). Het — eener spin.

Webbe. v. en o. — n; webbetje. Zie Web.

Wed (drenkplaats voor //aarden), o. —den. Breng de paarden naar het —, waadbare plaats.

Wedde { jaarwedde), v. —n. Op een — van duizend gulden.

Wedden, ik heb gewed; —er, in. Ik wed om tien gulden, ik wed om een jlesch, er onder verzien, er aan wagen.

Weddenseha|), v. —pen.

Weder, weer (ram), in. weders, weeren.

Weder, weer [luchtgesteldheid), o. Hij speelt mooi — met eens anders geld, verkwistend leven; de hardrijderij zal doorgaan — en wind dienende.

Wederbrengen {terugbrengen), onr. ik bracht —, heb —gebracht: —er, m.


ocr page 318

W llt;: I) E HI Jl ENST - W E EI {GA ASCH.

294

WederdieiiHt (tegendienst). ni. —en. Wederdooper (aanhanger van de leer de)-anabaptisten), m. —s; —ij. v. Het rijk der —s in Munster (1535).

Wedeiga, iveder^ade (gelijke, evenknie, ge-lijkboortige), v. gmv.

Wedergeven [teruggeven), ik gaf —. helt _ quot;quot;ceven.

Wederheirt (fig. echtgenoote). v. —en. Wederli«iorig (weerbarstig), bn.: — lieid. v. \Vederlioiide:i (terughouden), ik —hield, hel) —houden.

Wederkaatsen. Zie Weerkaatsen. Wederkeer (terugkeer), ni. gmv. Wederkeeren, ik ben —gekeerd. Het — der lente, terugkomst.

Wederkeeris (wederzijdsch), bn. en Inv. Een —e liefde.

Wederk«Mii«'n (nog eens komen), ik kwam —, ben —gekomen; — komst. v.

Wederlegbaar, bn.: —lieid. v. Dat bewijs is niet —. te ontzenuwen.

Wederleggen i het tegenbewijs leveren ), ik heb

— leid (—legd): —ins. v.

Wederliefde (weder keer i ge Heft Ie), v. gmv. Wederopbouw, m. gmv De — der verwoeste

stad. herbouw.

Wederpartij (tegenpartij), v. —en. Wederreelitelijk. bn. eli bw.; —heid, v. Zich

— iets toeéigenen, onwettig, in strijd met het lecht.

Wedcr.spniinelins; (oproermaker), m. en v. —en: voor het v. ook —e.

Wederspaiinis; (tegenstrevend. ongehoorzaam), bn. en bw.; —lieid. v. Hij werd gevonnist als — aan de wet.

Wederspoed, weerspoed. m. gmv. De — ontnam ons huis en have. (Potgieter.) Wedersproken (tegenspreken), ik —sprak, heb —sproken; —er, m.; —ing. v. Wederstaal! (zich verzetten tegen t. ik —stond, heb —staan. God wederstaat den hoovaar-dige, vijandig gezind zijn.

Wederst.ind (tegenstand), m. gmv. Wederstreven (tegenwerken), ik heb —streefd;

—er. m.: — ing;. v.

Wederstrevij; (koppig, muitziek), bn. en bw.; —heid, v.

Wedei varen, het —voer, is —varen. Wat is v op reis zoo al —? overkomen, wat hebt ^ij beleefd

Wedervinden (terugvinden), ik vond —. heb —gevonden.

Wederwaardigheid (tegenspoed, ramp), v. —heden.

Wederzien (terugzien), ik zag —. heb —gezien. Wederzijde (keerzijde), v. gmv.

Wederzijds, bw. Zij verbouden zich — tot hulp en^steuu. wederkeerig.

\\ ederzijdsHi, bn. Onze —e belangen, een —e vriend.

Wedijver, m. gmv. Ken matige — in een klasse werkt voordeelig, ijver om elkaar vooruit te komen.

Wedijveren, ik heb gewedijverd. De gezanten gingen — in beleefdheid.

WVdloop, m. —en. Ken — van paarden, van schaatsen rijders.

Wedloopen. o.; —er, m. —s.

Wedren, m. —nen. De —nen bij Parijs, bij Londen, nl. van paarden.

Wedstrijd, m. —en. Ken — in den zang, in het tooneelspel, in het voordragen.

Wednwe, wednw, weeuw, v. weduwen. Wediiwenronds. weilnwronds (beurs), o. —en. Het weduwen- en weezen fonds, instelling tot uitkeering van gelden.

Wednwiiiiar. rn. —s, —naren.

Wednwseliap (toestand), o. gmv. Weduwvrouw, v. —en.

Wee (ramp, onheil: ook smart), o. —en. Wee (flauw), bn.; —lieid, v. Ik ben zoo — aan mijn hart.

Weedaseli (potasch), v. gmv.

Weede (zekere kruisbloemige plant), v. gmv. Weed::ni (smart, lijden, droefheid), m. gmv. Weelgetonw (weefstoel), o. —en.

Weefsel, o. —s, —en.

Weeghlad (pla)it. de weegbree), o. gmv. Weegbree, v. Ook: Weegbl.id.

Weegbrug (bascule), v. —gen.

Weegglas (vochtmeter), o. —glazen. Weegkunde (statica), v. gmv.

Weegschaal (balans), v. —schalen. De zon staat in de —. het zevende teeken van den dierenriem (23 Sept.).

Week (het weeken), v. gmv. In de — leggen', in de — zetten, week laten worden.

Week (zeven dagen), v. weken.

Week (zacht gedeelte), o. gmv. Marco's paard voelt zich de sporen een halven duim in 't tveeke boren. (Staring), de weeke zijde. Week (zacht), bn. Ken — hart, een — gestel, gevoelig.

Weekdier, o. —en. Ken slak is een —. Weckelijk (zwakkelijk), bn.enbw.: —heid, v. Ken — gemoed, aantrekkelijk, teeder. Weekeling (persoon), m. en v. —en; voor het v. ook —e.

Weeken, ik heb geweekt. Stokvisch moet men —. week, zacht maken in water. Weekhartig, bn. en bw.: —lieid. v. Ken —

kind. overgevoelig; zich — uitdrukken. \\ eek lacht (jammerklacht), v. —en. Weeklagen (treuren, jammeren), ik heb geweeklaagd.

Weelde, v. gmv. Zij leven in —. het zijn kinderen van. —, in dat gezin is geen —, overdaad, luxe. 7 Zijn sterke beenen, die de — kunnen dragen.

Weelderig. bn. en bw.; —heid. v. Ken —

rijk,in overdaad. Weeldrig volk.(Staving), d. i. wulpsch.

Weeldig (weelderig), bn. en bw.

W eenioed, m. gmv. Kn — overstelpte haar (De Génestet), d. i. hartzeer, verdriet, mistroostigheid.

Weemoedig, bn. en bw.; —heid, v. Ken —e

brief, —e taal, treurig, roerend, week. Weenen (schreien), ik hei» geweend.

Weep.seli (laf, zouteloos), bn.: —heid, v. Weer (een hamel), m. —en. Ook: Weder. Weer (wering: moeite), v. gmv. Zich te — stellen, — bieden, zich verdedigen: vroeg in de — zijn, aan den arbeid.

Weer (weder, gesteldheid der lucht), o. gmv. Weerbaar, bn; —heid. v. Ken — volk. —are ma 11 nen, st rij d ba ar.

Weerbaarheidsbond, m. gmv.

Weerbarstig, bn. en bw. Ken — karakter, een — volk. geen bn igen of toegeven kennende. Weerga, v. Wat —: Loop naar de —! Ou de — ui et, in geen geval. Jan geeft geen — om de leer. (De Génestet.)

Weerg'iaseh. bn. en bw. Die weergasche jongen, drommelsch; een — aardig liedje. (C. O.).


ocr page 319

W E EliGA I. M - WEK K E11

Weergalm (echo), m. gmv.

Weergalmen (iveerl,•linken), het heeft —galmd. WeergalociM. bn. Hen xveerrjalooze moed. dapperheid, waarvan de gelijke niet bestaat. Weerglans (tenigstraling: fig. roeui), m.gmv. Weerglas (barometer), o. —glazen. W'eerliaak. m. —haken. I\en angel met een —, een harpoen met een —.

Weerhaan [windwijzer), in. —hanen. Hij is een —, draait in de staatkunde nv3t alle winden: de — van de kans. (Vondel). Weerkaatsen, ik heb —kaatst; —ing, v. De

lichtstralen — op die ruiten, in dat water, terugkaatsen.

Weerkant, wederkant, ni. De — va)i deze stof is grijs, tegenkant.

Weerkanwen {herkauwen), ik heb —kamvd. Weerklank, m.—en. '/-ijn woorden vonden —: die taal rond —. instemming.

Weerklinken \weergalmen), liet—klonk, heeft —klonken.

Weerkunde (meteorologie), v. gmv. W Verkniullge {weer profeet), m. en v. —n. W eerlielit (bliksem), o.

Weerlielit, v. gmv. Loop naar de —! een verwensching: loop als de —, zeer snel. WervMvUtviKbliksemen), het heeft geweerlicht. Weerlons (zonder weer of wering), bn.:

— Iieilt;l. v. De duif is een —ooze prooi van den havik.

WVerprnleet (weervoorspeller), m. —profeten. Weersrhijn, m. Ook: Weerglans. Weerst-hij nsel.

Weersehiinen (blinken, flikkeren), het heeft —schenen.

Weersgesteldheid (toestand der lucht), v.

— lieden.

Weerskanten.—, aan beide zijden: van —. Weerstuit, rri. gmv. Hij lachte mede van den —. omdat allen lachten.

Weerszijden v. mv. Aan —. van —. aan beide zijden.

Weerwil, m. In weerwil van, ondanks. Weerwolf (manwolf, mensch in tvolvèn-gedaanté), m. —wolven. De — is een wezen der phantasie. van het volksbijgeloof. W eerzin, m. gmv. Hij deed het met —. tegenzin. Wees, m. en v. weezen; v. ook Weeze. Weesje (prieeltje), o. —s.

Weef (het weten), v. gmv. De knecht kwam uit om de baart de — te doen van het overlijden. (Potgieter).

WVetal (wijsneus), m. en v. —len. Weetgieris. bn. en bw.; —heid, v. Weetgraag, bn. (als zn. m. en v.).

Weet Inst. m. lem. — bevredigen, leerlust, dorst naar kennis.

Weetniet (domoor), m. en v. —en. Weeuwtje. Zie Weduwe, llrt — uit het Hof van Holland. (Potgieter).

W eg (straat, pad), m. —en. Op —zijn; onder

— zijn; uit den — ruimen; iem. in den — staan, komen: het ligt niet op mijn —: hij is van den —. in de war; hij ging zijns weegs, ga een eind weegs mede; den — van alle vleesch gaan, sterven.

Wegeijleren ' —redeneeren), ik heb —gecijferd:

— ing. v. Alle bezwaren —. doen verdwijnen (al pratende).

W egdniken. ik dook —. ben —gedoken. Het hoen wilde in het hooge gras —, zich verbergen. Wegedoorn, wegedoren (gewas), v. gmv. Wegen, ik woog, heb gewogen: —er, m. De

koopwaren —, het gewicht bepalen of onderzoeken: het varken woog schoon aan den haak honderd kilo, een gewicht hebben: eerlijkheid weegt bij hem zwaar, veelwaarde hebben: hij weegt niet zwaar, zijn verstand gaat niet ver: wat het zwaarst is, moet het zwaarst —. wat het meest belangrijk is, moet vóórgaan.

Wegeren (wegers aanbrengen, een schip va}i binnen beplanken), ik heb gewegerd: —ing,y. Weggaan (vertrekken, zich verwijderen), ik tfing —. ben —gegaan.

Wegge, v — n. Een —, een tarwebrood; een

— boter, een kluit of stuk.

Weghehhen (beet hebben), ik had —, heb

—gehad. Een verkoudheid —. Weg redeneeren, ik heb —geredeneerd. Wat ons de wijzen als waarheid verkonden. Straks komt een wijzer, die 't wegredeneert. (I )e Génestet).

Wegreis (vertrek), v. gmv. w. g.

Wegzenden, ik zond —. heb —gezonden;

— ing. v. Een l.necht —, ontslaan,heenzenden. WVgzetten, ik heb —gezet. Wij zullen die

taartjes —. ter zijde zetten, bewaren: zij hebben hem leelijk weggezet, openlijk gehekeld. Wegzinken, ik zonk —. ben —gezonken. De zon zinkt weg aan de wester kim, zinkende ver-Wegzijde, v. —n. Ook: wegkant. [dwijnen. Wei (veld), v. Zie Weide.

Wei (hui), v. gmv. — van melk, de zoete waterdeelen.

Weide, wei (grasvlakte), v. weiden. Een knaap de — in staren, hem vrij laten loopen, zonder studie.

Weiden (grazen en hoeden), ik heb geweid; —er, m.: —erij, v.

Weidnian, weiinan (jager), m.—lui.—lieden. Weidines, weinies (jagersmes), o. —sen. Weidseh, bn. en bw. Een —e praal, een —e tooi. rijk. kostbaar; in —en dos, in prachtige kleeding.

TXeliehmr(besluiteloos mensch),m. —s. —aren. Wei leien (aarzelen, niet kunnen beslniten), ik heb geweifeld: —ing, v.

Weilelinoedig, bn.: —heid, v. Een — karakter, dralend, aarzelend.

Weigeren, ik heb geweigerd: —ing, v. Een verzoek —, afslaan, niet inwilligen: iem. een gunst —: het geweer weigerde, ging niet af: die pianotoets weigert, slaat niet aan; de vrouw weigerde alle voedsel, afwijzen. Wei kaas, v. —kazen. Dit is —, slecht gezuiverde kaas.

Weiland, o. —en.

Weiman, m. —lieden, —lui. Zie Weidnian. Weinies. o. —messen. Zie Weidines. Weinig, bn. en bw. minder, (het) ininst. Zij

heeft weinig aanleg, maar nog minder vlijt: bij de minste overtreding volgt straf. Weinigje. o. gmv. Heb een — geduld, een Weit (tarwe), v. gmv. [beetje.

Weitaseh (jagerstasch), v. —tasschen. Weitebrood (tarwebrood), o. —en. Weitekoek. m. —en.

WTeitenieel, o. gmv.

Wekelijks, l »w. Deze courant verschijnt —, d. i. eens per week.

Wekelijkseh, bn. Een — loon. bij de week. Wekken (wakker maken), ik heb gewekt; —er (persoon), m.

Wekker, m. —s. Waar is mijn —. Arnerik. uurwerk met klingel: een der schoolbladen


ocr page 320

WEL—WENSCHELIJK.

heette de —; deze man doet dienst als —, porder. Wel (bron), v. —len. Bij 't graven stootte men op een —, opborrelend water.

Welbegrepen, bn. Het — belang der vorsten: dat is in het — belang der burgers. WelbehaKeii. o. gmv. In dat kind heb ik mijn —, lust, genoegen.

Welbeklant, bn. Een —e winkel, met drukke nering.

W elberaaiml. bn. Een — plan, goed doordacht, overlegd.

Welbereid (ruim voorzien), bn. Een —e disch; het is hier tafeltje —.

Welbespraakt, bn.; —beid, v. Een — volksvertegenwoordiger, glad van tong.

W'elcïaad [goede, edele daad), v. —daden. Weldadig, bn. en b\v.: —heid. v. Een — heer, mild: dat doet de oogen — nan: die woorden deden het hurt — aan', maatschappij van —heid.

W eldoen, onr. ik deed —, heb —gedaan; —er. m. W'eldra (spoedig), b\v.

Weledel (titel van elk fatsoenlijk man), bn.;

— beid, v.

Weledelgeboren (titel van een aanzienlijk man), bn.

Weledelgestreng; (titel van een hoofdambtenaar), bn.

W eleer (vroeger), bw. —. hoe vlood die winter om! (De Génestet).

Weleerwaard (titel van een geestelijke, van een kapelaan), bn.

Wellwel (gewelf), o. —en, —s. De too ver kol is zichtbaar bij het licht dat dooi' hel welfsel valt. (Staring).

Welgaan, liet gin.i; —, het is —gegaan. Moge het a —, voorspoedig zijn; de zaken gaan wel. loopen voorspoedig.

W el ge boren (titel van een voornaam oian).\)u. Welgebouwd (goed van gestalte), lui. Welgedaan (welgesteld), bn.; —beid. v. Een

— landman, met een gezond voorkomen. Welgelegen, bn. Een — huis, een — buiten.

d.i. gunstig gelegen.

Wgt;lgeineend, bn. Een — e huwelijksaanvraag. Welgewebapeii, bn. Een — 'kind, zonder lichaamsgebreken.

Welgesteld, bn.; —beid, v. Een — Loopman. gegoed, rijk.

Welgetroiren(M,,e///t'///A-t'nd).bii. Een — portret. Welgevallen (welbehagen),o. De Holl.jongen beschikt over vriezen en dooien naar —. (CiO.) Welgevallig, bn.; —beid. v. Moge u dit geschenk — zijn! aangenaam.

Welgezind. quot; bn.; —beid, v. Een — burger. goedgezind, rustig.

Welig, bn. enbw.: —beid. v. Een —e plantengroei, tierig, weelderig: — tieren.

Welkom, bn. Gij zijt ons —, uw komst is ons aangenaam; een —e gast.

W elkomst, y. gmv. |tbnisje.

Welkomthnis (geschenk), o. gmv.: welkom-Wellen (smidsw.), ik heb geweld. Twee stukken Zweedsch ijzer —, aan elkaar smeden. Wellen (opborrelen), het is geweld. De wijn welt uit de spon: wat op 'sherten gront lelt. dat welt mij naar de keel. (Vondel)'. Wellevend, bn. en bw.; —beid. v. Een — man, beschaafd, beleefd, welgemanierd. Welliebt (misschien), bw.

Welluidend, bn. en bw.: —beid, v.: —heids-halve, bw. Een —e stem, een —e toon: het — gezang van den nachtegaal.

Wellust (dierlijke lust), in. —en. Fig. zielsgoiot. Wellusteling, m. en v. —en; voor het v. ook —e.

Wellustig, bn. en bw.: —beid, v. W elineeneiid. bn.; —beid. v. Een — vriemL een —e raad.

Welnemen, o. gmv. Met uw —. onder uw —T d. i. als het u aangenaam is.

Welopgevoed, bn. Een — jongmensch, een ^oede opvoeding genoten hebbende.

Welp (het jong van een hond of'van een leeuw), o. —en.

W elriekend, bn.; —beid, v. Een —e bloem, die lekkeren geur geeft.

Welsmakend, bn. Een —e vrucht, een — gerecht, aangenaam van smaak. Welsprekend, bn. en bw.; —beid. v. Een —

redenaar, indruk makend: een — zwijgen. Welstaan. het stond —, heeft—gestaan. Zulk een kleed zal n —, passen, goed staan. Welstaanshalve, bw. Wij hebben — gezwegen, om de wellevendheid: wij kochten — ook iets, om niet achter te blijven.

Welstand (voorspoed, gezondheid, goed voorkomen), m. gmv.

Welvaart (geluk, voorspoed), v. gmv.

Welva ren (voorspoed), o. gmv. Zij dronken op 's lands welzijn.

Welvami (gezond zijn), ik voer —, heb —gevaren.

W'el varend (gezond, voorspoedig), bn.: — beid, v. Welven (boogvormig maken), ik heb gewelfd. Welv ersneden (fijn. scherp), hn. Een — pen. Welvoeglijk (welgemanierd, net, kiesch), bn. en bw.: —beid. v.

Welvoorzien, bn. Een —e disch.

Welwillend, bn.; —beid, v. Een — beoor-deelaar, goedgunstig.

Welzijn, o. gmv. Een glas op n beider —! welvaart, geluk, voorspoed.

Wem (ankertand), m. —men.

Wemelen, het heeft gewemeld. Het wemelde er van menschen, door eikaar bewegen: zijn opstel wemelt van fouten, krioelen, er zijn er zeer vele.

W'en (gezwel, uitwas), v. —nen.

Wenden (keeren, richten), ik heb gewend. fets keeren en —, draaien, van alle kanten bezien; ik weet mij niet te keeren of te —, d.i. te bewegen, fig. ten einde raad -rijn; zich tot iern. —. zich tot iem. vervoegen, hem schrijven: wend n tot den redacteur, zich per brief richten tot; het over een anderen borg —, iets op geheel andere wijze aanpakken, verdedigen, bestrijden, enz.

Wending (keer, draai), v. —en. De ziekte nam een —; een geestige —.

Wenk (teeken), m. —en. Hij gaf mij een d aide lij ken — • ik Kreeg een' brief vol —en en aanduidingen, waarschuwing, voorlichting; ik vlieg op zijn —en, ik hang van zijn —en af. bevelen; hij had een — gekregen, hoe te handelen, een stille mededeeling, een heimelijke voorlichting; ik zag hem met een —, schijn. W enkbranw, v. —en.

Wenken (een wenk geven), ik heb gewenkt. Wennen (gewoon maken), ik heb en ben gewend. Gij moet u hier zien te —: ik zat hier nooit —, het gewoon worden: de kinderen waren gewend aan orde.

Wenscb, m. —en. Vrome —en, die weinig kans op vervulling hebben.

Wenscbelijk. bn. en bw.: —beid. v.


ocr page 321

WENSCHEN-WESTNOORD WEST.

2;)7

Wensciieii, ik heb gewenscht. tem. een zalig nieuwjaar —; ik wensch naar uw komst^ verlangen: ik kan geen beter kosthuis —; tfe behandeling tier zieken liet te — over. Wentelen (draaien, keeren). ik heb gewenteld;

— ing;, v. Een rad wentelt om de as; een globe om de spil; een steen —, omrollen; zij wentelden zich in het gras.

Wentélfeefje (fijn pannekoekje\ o. —s. Weiiteltmp (draaitrap), v. —pen.

Wereld (het heelal), v. —en. Hij leeft in de groote —. hoogere kringen; de booze de lastertongen; een man van de —, van aanzienlijken stand: hij verstaat zijn —. heeft beschaafde manieren; iem. naar de andere — zenden, sturen, hem dooden: 7 is een leven van de andere —, een duivelsch leven: hij bezit ter — niets; zij is der — afgestorven, als kloosterling of kluizenaar leven; de geleerde de mannen van studie; de oude —, de nieuwe —. Amerika: het jaar der —, na de schepping.

Werelddeel, o. —en. Er zijn vijf —en. Wereldkaart, v. —en.

Wereldkundig, bn.; —heid, v. Iets — maken, openbaar maken, aan de groote klok hangen. Wereldlijk, bn. Het — gezag, niet geestelijk. Wereldling, m. en v. —en; voor het v. ook—e.

/7ij is een —, beminnaar van de wereldsche genoegens.

Wereldse*li, bn. De —e goederen: zij is nog erg —: —e geestelijken, die niet tot eenige kloosterorde behooren.

Wereldscligezind, bn.: —heid, v. Deze dangt;es zijn zeer —, prijs stellend op de genoegens der wereld.

Weren (te keer gaan), ik heb geweerd: —ins;, v. Om het onheil te —. afwenden; gij moet u inspannen, uw best doen.

Werf (werkplaats), v. werven. Ken schip van de — laten loopen.

Wering Oiet weren, afwenden), v. —en. Werk (arbeid, gewrocht), o. —en. De —en van Vondel, al de gedichten: een — van Beethoven, een toonzetting: een goed —, daad; een Hefde—\ er is — aan den winkel, drukte: te — gaan, handelen, doen: in 't — stellen, aanwenden; — van iets of iem. maken, belangstelling toonen.

Werk (vlasdraden), o. üe naden worden met

— gebreeuwd of gedicht, d. i. met geplozen touwwerk.

Werkdadig, bn.: —lieid.v. De —e meetkunde, practisch, niet-bespiegelend.

Werkdag, m. —en.

Werkelijk {inderdaad bestaande), bn. en bw.

Een — gevaar; ze zijn — gekomen; in —en Werkelijkheid, v. gmv. [dienst.

Werkeloo» (zonder te werken), bn. en bw.;

— Iieid. v.

Werken, ik heb gewerkt; (in verheven stijl ook onr. ik wrocht, heb gewrocht); —er, in.: —ing. v.

Werkkracht, v. —en. Deze jongen zal een goede — worden; vermeerdering van —en. werklieden.

Werkkring m. —en. Degeleerde

vond een hem passenden —; dat behoort niet tot mijn —. ambt: de — van een onderwijzer, van een notaris, enz.

Werkloos (zander werk zijnde), bn. Werklooze (werk zoekende), m. —n. Werkman, rn. —lieden, —lui.

Werkplaats (winkel, fabriek), v. —en. Werkstellig, bn. — maken, m het werk stellen, bewerkstelligen.

Werkstuk, o. —ken. Een — oer meetkunde, problema; opgave om uit bepaalde gegevens een figuur te teekenen.

Werktuig, o.—en; —kimde, v.: —kundig, bn.;

— kundige, m.; —maker, m.

Werktuiglijk, bn. en bw.; —heid. v. Iets —

doen. zonder nadenken, machinaal. Werkwoord, o. —en. Het — is het belangrijkste rededeel, spraakk.

Werkzaam (vlgt;jtig, naarstig), bn. en bw.;

— heid. v. Een — kind, een — man. oppassend. Werpen {smijten, gooien, slingeren), ik wierp,

heb geworpen: —er. m. Met steehen —: brandkogels in een fort —: troepen in een vesting —, d. i. snel er in brengen: in de gevangenis —. gevangen zetten: tien oog en —, nl. met dobbelsteenen; olie in 't vuur —. iets erger maken; den steel naar de bijl —, alles uit de hand geven, alles opgeven.

Werpen (van dieren: jongen krijgen), het konijn wierp, heeft geworpen.

Werpsehielit (pijl), m. —en.

Werpspel (dobbelspel), o. —spelen. Werpspiets, —spies (voormalig oorlogstnig)r v. —spietsen.

Werptol {kinderspeelgoed), m. —len.

Werpt i •os (scheepstouw), m. —sen. Werptuig, o. —en. Het — rust, gelijk het snijdend staal. (Staring), de Kom. blijde. Werst (Russische mijl, ruim / K.M.), v. -en. Wervel, m. —en. —s. De hals—. de —.s1 van de ruggegraat; den — draaien (Vondel), de-eerste bewindsman zijn; —draaier, m. —s. Wervelen {draaien), liet heeft gewerveld. W erveUvind (draaiendquot; stormwind), m. —en, W erven {in dienst nemen), ik wierf, heb geworven; —er. m.: —ing. v. Soldaten, matrozen —; lig. leden —, overhalen tot zijn partij. Wesp (insect), v. —en.

Wespenei, o. —eren.

Wewpesteek. m. —steken.

West {het Westen), o.; {Nederlands West-indische bezittingen), v. Hij gaat naar de —. West, bw. Oost. —, thuis best, niets gaat hoven eigen haard.

Westelijk, bn. Het —halfrond.

Westelijken, de wind is gewestelijkt. Dquot; wind begint te —. naar het westen te draaien. Westen, o. Buiten — zijn, bewusteloos, dronken zijn.

Westenwind {wind uit het Westen». m. —en. WeNterkim {gezichteinder in het U'.), v. gmv. Westerling, m. en v. —en: voor het v. ook—e. Het tegengest. van Oosterling.

Westersch, bn. 't Is — wat de Turk nog tot zich nemen mag van leven. (D:i Costa); het

— Bom. rijk.

Westerzon {avondzon), v. gmv.

Westhieseh, bn. De —e kleederdracht. WeMt-Kriesland (de noordpunt van X.-H.met A Ikmaar als eerste stad), o. gmv. West-lndiê, Westinje, o. gmv. WeMtindievaarder, westinjevaarder (schip, gezagvoerder), m. —s.

WeNtindiNeh, bn. De —e Compagnie (IG-21 —

ll'.il); haar moeder was een —e {C. O.). Westinje, o. Zie West*lndiê.

Westland {Streek bezuiden Leiden), o. gmv. De dr u i ven telers van het —. Westnoordwest, bw. (o. als zn.). De wind is —.


ocr page 322

\\* KT—WIJKEN.

Wet, v. —ten. De — van Mozes: de — op he' laffer onderwijs; nood. breekt —: de heelden van de —, overheid; de — veranderen, verzetten, de regeering eener stad; iem. de — stellen. voorschrijven.

Weten. onr. w.w. ik wist, heb geweten. Weten {kennis), o. gmv.

Weten», bw. Willens en —. opzettelijk. WetenseliJip. v. —pen. De — steekt in geen bed met plnimen.i^e Decker), kennis.geleerdheid: welke is utue — omtrent die zaakquot;? WeteiiMch appel ijk (volgens de wetenschap). l»n. en bw.: —lieid, v. Èen — onderzoek. Wj'trnsAvaarditf. bn.: —held, v. Een — voorval, feit. belangrijk.

Wetering {een loopend watertje), v. —en. Wetsevine. v. —en.

Wfthonder. m. —en. —s.

WetliomlerHeliap ide tref houders), v. —pen: idc waardig he id), o.

Wetplank (slijpplank). v. —en.

Wetsartikel. 0. —en. —h.

WetHtaal (slagersstaaI). 0. —stalen. Wetsteen (slijpsteen), 111. —en.

Wettelijk, bn. en bw.: —lieid, v. Ken —voorschrift. een —e bepaling, d. i. volgens de wet. WettHoos (zonder wet of orde), bn. en bw.: — Iieid. v.

Wetten (slijpen), ik heb gewet. De vogel wet zijn snavel op een steen, scherp maken; om het verstand, het vernuft tr —. scherpen. Wettig (echt, geldig), bn. en bw.; — lieid. v. Ken — (cmdeel: een — kind. — kroost: —e middelen: ze zijn — getrouwd.

Wettigen (wettig maken of verklaren), ik hel) gewettigd; — ing. v. Uw toorn wettigt nog niet die misdaad.

Wettiweli (naar de wet Gods), bn. Fig. stipt zich houdend aan de letter der wet: Deze burgemeester is zeer —.

Weven (e-'n weefsel maken), ik weefde, heb treweven: —er. 111.: —erij. v.: —ing, v.

W ezel (dier), v. —s. Hij was zoo bang als een —, erg bang.

Wezen (zijn), onr. w.w. ik was. ben geweest. God is, bestaat: dat was in 1600, geschiedde, viel voor: er zij licht, ontsta: God zij met ons, verblijve.

Wezen (geest] ook bestaan; gelaat: gevoelen), 0. —s.

Wezenlijk, bn. en bw.: -heul. v. Marco, de ezel. was zoo —. verstandig, vol bezinning; het is — waar, inderdaad.

W ezenloos. bn. en bw.: —heid. v. Ken — mensch. zonder verstand of levensgevoel. Wezenstrek (gelaatstrek), m. —ken.

Whig (tegenstander der Torg-partJ in Kngeland. vrijheidsvriend), m. —s.

Whiskey (/ersche gerst-moat-brandewijn, de Jenever 'in Schotland m Ierland), v.

Whist (Kng. of Amer. kaartspel), o.; (maat, medehelper), m. —en.

Whisten 1 het whistspel spelen), ik heb ge-whist: —er, in.

Whistspel, o. —len.

Wiehelaar (toovenaar, waarzegger), m. —s. —aren.

W iehelroede (staafje), v. —n. Met de — of

den tooverstaf raakte de tooverkol de voorwierpen aan om ze te veranderen.

W ieht (klein kind). 0. —en.

\\ ieht (gewicht), o. —en.

\\ iehtig (belangrijk), bn.: —heid,v. Hij heeft zalk een —e bonding, als man van gewicht.

Wiebelen, ik heb gewiebeld. Zit zoo niet o)gt; dien stoel te —, heen en weer bewegen.

Wiedemaand (zomermaand), v. —en.

W ieden (onkruid verwijderen), ik heb gewied; —er, m.

Wieg, v. —en. Van de — tot het graf: de plek. waar eens mijn — op stond. (Tollens): die oude heer Barend is ook niet in de — gesmoord. (C. O.); hij was ook niet in de — gelegd om generaal te worden, daarvoor niet Grootgebracht, opgevoed.

Wiegelen (schommelen), ik heb gewiegeld:

— ing. v. De vink zit te — op een takje.

Wiegelied, o. —eren.

W iegen, ik heb gewiegd. Ken kindje in slaap lig. het geweten in slaap —, doen zwijgen: de vogel wiegt zich op dit takje.

Wiek (vleugel, vlerk), v. —en. De —en van den windmolen, vleugels: op eigen —en drijven, voor eigen onderhoud zorgen: hij was erg in de — geschoten, moedeloos; iem. —en korten, zijn macht besnoeien.

W iel (rad), o. —en. Iem. in de —en rijden, hem bemoeielijken: een spaak in het — steken, den voortgang verhinderen.

Wieier (fiets, rijwiel, velocipede), m. —?.

Wielewaal (ceii soort lijster), m. —walen.

Wieling (draaikolk, draaiing), v. —en. De Zwaan wist —, bank en plaat door seiner te iloen kennen. (Bild.).

W ier iwatergras), o. —sen.

\\ ierig (vlug. levendig), bn. enbw.; —heid.v Welk een — kind!

W ierook {gewijde rook), m. gmv. Iem. — toezwaaien, ophemelen, hemelhoog verhellen.

Wierooken. ik heb gewierookt; —er. m.; -ing, v.

Wiewanwen (zich heen en weer bewegen). ik heb gewiewauwd.

Wiewonter (vlinder), m. —s.

Wig, wigge (spie), v. wiggen.

Wiggelen (heen en weer bewegen), ik heb ge-wiggeld. Een tand — met den vinger. (C. O.)

Wijhissehop. m. —pen. De bisschop had als wereldlijk heer een — naast zich, een geestelijk verzorger van het bisdom.

Wijd, bn. en bw.: —heid, v. Zijn roem klonk

— en zijd: de —e wereld in gaan.

Wijd beroemd, bn. Ken — dichter, geleerde, veldheer.

Wijden (inzegenen), ik heb gewijd: —ing. v. De vaandels —. een kerk —. priesters —. zalven: hij wijdt zijn leven aan, d.i. toewijden.

Wijde 'rs (overigens), bw.

Wijdloopig. bn. en bw.; —heid. v. Een —r beschrijving, uitvoerig, breedvoerig, gerekt. Ook: Wijdlnrtig.

Wijdlnl'tig (wijdloopig). bn. en bw.: —heid.v.

Wijdte, v. —n. De — van den hals, de —van een kanon, monding; de — der spoorstaven, tusschenruimte.

Wijdvermaard, bn. Ook: Wijdberoemd.

Wijl, 0. wijven. Daar heb Je hu mijn —. huisvrouw. gmz.; '£ is een echt —. ongemanierde vrouw; geen oud — bleef aan het spin new el, ieder bestje zelfs liep uit.

Wijk (vlucht), v. gmv. Hij nam de — naar Amerika, ging uitwijken.

Wijk (gedeelte van een stad), v. —en. Hij woont in de nieuwe —. buurt.

Wijken (teruggaan, uit den weg gaan), ik week, ben geweken; —ing. v.


ocr page 323

WIJKPLAATS-WIND.

291'

Wijkplaat!* {toevluchtsoord), v. —en.

Wijl. wijle (sluier), v. wijlen, vero. Zij gaat de zwarte — drayen, in 't klooster.

Wijl 0gt;ous). v. —en. Nog een — gt;'n ik vertrek, korte tijd: ik kont bij tijd en — : bij —en, soms. Wijlen (overleden), ïnv. Dit huis toas van — mijn oom.

Wijn (druivensap), m. —en.

Wijngaard.m. —en: —enier. m. —s. Arbeiden

in dt'n — des Horren, nl. als geestelijke. Wij niezen {druiven inzamelen), o.: —er. m.

— s: — ins, v. —en.

Wijnpeilen (meten), o.: —er. m. —s. Wijnrneien (meten), o.: —er. in. —s. Wifiiverlater (kelderknecht), m. —s.

Wijs (manier), v. (rij moet dat op een andere

— inrichten: hij tvas geheel van de —. in de war; 's lands —. 's lands eer, zeden, gewoonten.

Wijs (verstandig, door ervaring geleerd), bn. en Ïnv.; — lieid. v. Salomon teas de wijste koning: een — besluit: 't kind is niet wijzer', ik kan uit dat gekrabbel niet — worden. Wijsbegeerte ( philosophic), v. gmv. Wijsgeer (denker), m. —en.

Wijsgeerig. bn. en bw.: —heifl, v. Een — stelsel, een —-■ verklaring: een — onderzoek, d. i. als van een wijsgeer, komende van een wijsgeer.

Wijslioolfl (waanwijze), m. en v. —en. WijNinaken ('-»/gt; de mouw spelden), ik heb WijHtieiiM. m. en v. —neuzen. [—gemaakt. WijMvinger, m. —s.

Wijten. ik weet, heb geweten. (lij hebt dat nan uw haast te —: het ongeluk teas te — aan onvoorzichtigheid.

Wijting {een soort van schelviscli), m. —en: (als stofnaam), v.

Wijn ater (gezegend quot;f gewijd i va ter. !{. K.). o. Wijze (wijs man), m. —n. De — kent zijn tijd. devies van Alfred den Grooten: de —n kwamen uit het Oosten, de drie Koningen; Griekenland had zeven —gt;/, beroemde denkers. Een ebbenhouten stok kon in des Wijzen hand voorheen het zwerk regeeren. (Staring), magiër, toovenaar bij de Oostersche volken. Wijze, wijs (manier: zangwijs), v. wijzen. Dij — van voorbeeld: op de gewone —: een wijsje neuriën: de wijzen der w.w.. spraakk. Wijzen (toonen, aantoonen, doen zien), ik wees, heb gewezen: —ing. v. Iem.de deur —. fig. noodzaken tot heengaan; iets van de hand, —. afwijzen; de thermometer wijst mooi weer, aangeven.

Wijzen (oordeelen. vo)inissen), ik wees, heb gewezen. Het wetsontwerp is in staat van —, gereed ter openbare beoordeeling of behandeling; een vonnis —. d. i. vellen.

Wijzer, m. —s. De —s van een klok, vaneen horloge: een blad—, een weg— of hand—. Wijzigen leenigszins veranderen), ik heb ge-wijzigd; —ing. v.

wik (iedere afzondert ijle weging op de schaal der stadswaag), v. —ken.

Wik, wikke (peulvrucht), v. wikken. Wikgeld (weeggeld), o. —en.

Wikkelen, ik hel) gewikkeld: —ing. v. Iets in Kladpapier —; een kind in doeken —: zij luaren in een oorlog, in enn samenzwering, in een proces gewikkeld, betrokken. Wikken, ik heb gewikt: —ing. v. [ets — en ruegen, rijpelijk overdenken: de mensch wikt (besluit tot iets) en dod beschikt.

Wil, m. gmv. Uit vrijen —, verkiezing; het is Gods —, beschikking: om des gewetens —. zaak: ik zul dit doen om Gods —, uit liefde tot God: ik doe het om uwent —. om u aangenaam te zijn: dit is zijn uiterste —. beschikking: iets tegen — en dank moeten doen. gedwongen: ik heb daar — aan, in. plezier: wat hebben die kinderen een — gehad, genoegen: iem. ter wille zijn, hem zijn zin geven.

Wild {niet tam), bn. en bw.: —lieid. v.

Wild. o. gmv. Die honden loopen in het —. ongeregeld, ordeloos: die bloemen groeien in het —. zonder kweeking in de vrije natuur: hij laat zijn h indereu in 't — loopen, vrij opgroeien; zij sloegen, schoten in 7 —. zonder te zien waar.

Wild. o. gmv. Kr zit veel — in deze bosschen: klein —, hazen, gevogelte: rood —. herten, reeën: zwart —. wilde zwijnen, evers.

W'ildhraad vleesch van wild),o.gnw.

Wilde (onbeschaafde, barbaar), m. en v. —n.

Wildebr as (wild kind), m. —sen.

Wildeling (wilde boom, vooral wilde appeh. m. —en.

Wildeman (ruw persoon), m. —nen.

\\ ildein.in (in de wapenkunde), m. —s.

Wildernis (woestenij), v. —sen.

Wildvang (onbesuisde), m. —en. (h'aaf Ot wurmt om den — (paard) te beschrijden. (Sta ring).

Wildzang(fiferagt;lt;^), m.gmv. De — van het woud.

Wildzang (druk kind), m. en v. —en.

Wilg (loofboom), m. —en.

Wilgeblad. o. —en, —eren; —bmnn, m. —en: —tak, m. —ken.

Wilgenbloesein. m.: —hoseli, o. —bosschen: —hout, o.: —laan. v. —lanen.

Willekeur (vrije wil, vrije verkiezing), v. gmv.

Willekeurig, bn. en bw.: —beid, v. Een — handeling, eigendunkelijk, eigenmachtig: itaot-willekeur, d. i. vrije verkiezing.

Willen (verlangen, begeer en. eischen), ik beige wild.

Willens (met opzet), bw. (lij hebt het — egt;gt; wetens gedaan, voorbedachtelijk: — of onwillens, gij moet mee, goedschiks of kwaadschiks; ik ben —. voornemens.

Willig. bn. en bw. Een — kind, karakter, gedienstig, volgzaam: de markt, de beurs was —. er was veel kooplust : de fondsen waren —.

Willigen (in prijs stijgen), het is gewilligd.

Wilvaardig, bn. en bw.; —beid, v. Elk brengt

— voor den dag. wat raars of schoons hij zwervend zag. (Staring).

Wimpel, m. —s. Met vlag en — iets winnen. met glans, met roem.

Wind (luchtstroom), m. —en. Het zeil naar den — zetten: het schip was ten prooi aan

— en golven: uit welken hoek waait de —: üg.-hoe i.-quot; de zienswijze, meening: hij beef! den — in het zeil. een voordeelige wind. voorspoed: in den — slaan, veronachtzamen; hij draait )net alle —en. politieke richtingen; hij was als de — verdwenen, zeer snel: hij kreeg den — van voren, een uitbrander, een standje: wie — zaait, zal storm oogsten, het kwaad loont zijn meester: dolt;jr den — gaan, zijn. aan 'tzwieren raken: van den — kan menniet leve)}, middel van bestaan moet er zijn: een land—, die van de landzijde waait; een zee—. van uit de zee waaiende: een voor-de-wind, voorspoed, de wind in quot;t zeil: een bij-de-wind. als de wind meer dan dwars inkomt of invalt.


ocr page 324

WIN D—WOESTENIJ.

30J

Wind (windhond), m. —en.

WindaM (luerktuifj), o. —sen.

Windhiiil (snoever), m. —en.

Winde {hatrol), v. — n.

Winde {.de luiaybloem), v. —n.

Windei (I id er. strook linnen), ni. —en, —s.

Winden (draaien), ik wond, heb gewonden: —er. m.: —ins, v.: —sel (zwachtel, band), o.

Winderig;* bn.; —Iseid. v. Een — weer, een —e stijl, opgeblazen, gezwollen: een — jong-rneasch, blulTerig.

Windig (ruw), bn. Het is — weer.

WindMpil (kaapstander)^ v. —len.

Windzak {doedelzak), in. —ken. Fig. pocher, snoever.

Wingerd (wijnstok), m. —s, —en.

Wingewest (veroverde landstreek), o. —en.

Winkel, m. —s.

Winkel (hoek), m. —en, —s. Een kijkglas in don — ran het oog. (C. O.)

Winkelen (een ivinkel doen, /rinkels bezoeken). ik heb gewinkeld.

Winkelier, m. —s. —en: —«ter, v. —s.

Winket (deurtje), o. —ten.

Winnen, ik won. heb gewonnen; —aar. m.: —er, m. Een prijs —, behalen: een veldslag —. ie ld —: tijd —: aller genegenheid —: 'tem. voor zich de aanhouder zal —: itet boek wint bij kennismaking: hij zal zijn kost wel —, verdienen; de bijen — honing, verzamelen: zoo gewonnen, zoo geronnen. wat gemakkelijk komt vergaat snel.

Winst {voordeel, profijt), v. —en.

Winter {jaargetijde), m. —s. Fig. De — des lerens, de ouderdom.

Winteren (koud zijn), het heeft gewinterd. Het wintert fel. het is hard winter.

Winterkoninkje (standvogel), o. —s.

Winterling; (plant), v. gmv.

Wiimielit (zucht naar winst), v. gmv.

Wip, m. gmv. In een —, zeer vlug.

Wip (de wipgalg-, ook zeker werktuig der brouwers', alsmede het wippen), v. —pen.

Wiphrng (ophaalbrug, valbrug), v. —gen.

Wipneus (opgebogen neus), m. —neuzen.

Wipneus (persoon), m. en v. —neuzen.

Wippen, ik ben en heb gewipt. Een jongen \ vogel —, in de lucht slingeren; uit de kamer, uit hef bed —: over iets heen —: een —deplank.

Wipplank, v. —en.

Wipstaart (kwikstaart), m. —en.

Wis (gewis), bn.: —heul, v.

Wiseli (vaatdoek), v. wisschen.

Wiseli (teen, twijg), v. wisschen.

Wiselidoek (afneemdoek. vaatdoek), m. —en.

Wisjewasje, wissewasje (beuzeling, nietigheid), o. —s.

Wrskuiifle (meetkunde en algebra), v. gmv.

Wiskundig;, bn. Een — betoog, een —e stelling, een — vraagstuk.

Wiskundige, ni. —n.

Wiskunst (wiskunde).\T.: —enaar,m.; —ig, bn.

Wispelturig; lt;veranderlijk, onstandvastig), bn. en bw.; — lieid, v.

Wisseiien (vegen, afnemen, schooniuaken). ik heb gewischt: —er. m.; —ersklos (poets-stok van een kanonnier), m. —sen.

Wisse (kub. el, stère), v. —n.

Wissel, m. —s. Een — op zicht; een — trekken : een — endosseeren. op een ander overbrengen: den — verzetten om den trein op ren ander spoor te brengen.

Wisselaar (bankier), m. —s en —laren.

Wisselbank, v. —en.

Wisselbrief (^w's^e/). m. —brieven, vero.

Wisselen, ik heb gewisseld. Brieven —, geld —: woorden —, geschil hebben, spreken; van tanden—, van puurden —, beleefdheden —.

Wisselplaats (rustplaats), v. —en.

Wisselruiterij (bedrog in den hunt (el), v. gmv.

Wisselvallig (onbestendig), bn.: -beid, v.

Wissewasje, o. Zie Wisjewasje (beuzeling).

Wit, bn.; —held, v. De sneeuw' is hij zut — van schrik, bleek; —te Donderdag, Donderdag vuur Paschen: de —te wijven, too-verkollen. Een — voetje bij iemand hebben, bij hem in de gunst staan.

Wit (de witte kleur), o. gmv. In het — gekleed', het — ran een ei; het — van het oog; zwart op — hebben, een geschreven bewijs-

W it (doelu o. gmv. [stuk hebben.

Without, bn. Een — kalfje.

Witgeld (zilvergeld), o. gmv.

Witharig, bn. Een —e poedel.

Without (Amerikaansch hout), o. gmv.

Witje (kleine vlinder), o. — s.

Witkop (zekere vogel), m. —pen.

Witkwast {werktuig van den stukadoor), m. —en.

Wittebrood (fijn tarwebrood), o. —en.

Wittehrood.skind ' kind ran weelde), o. —eren.

Wittobroodsweken (de eerste zes huwelijksweken), v. mv.

Wittekool. v. —en.

Witten (mef witkalk bestrijken), ik heb gewit; witsel, o.: witter, m.

Witviseb (allerlei kleine visch), m. gmv.

Witwerk (meubels van wit hout gemaakt), o. gmv.

Witwerker (timmerman), m. —s.

Woede (gramschap, razernij), v. gmv.

Woeden (hevig razen en tieren), ik heb gewoed. De storm gaat —, het — der zee, onstuimig zi jn: hij werd —d; hij keek m ij —d aan.

Woeker (onwettige winst), m. gmv.

Woekeraar, m. —s en —aren; — ster, v. —s.

Woekeren, ik heb gewoekerd. Hij heeft zich zelf rijk en anderen urm gewoekerd, op onwettige wijze geld bij elkaar schrapen; fig. met zijit gaven —, ntet tien tijd —, zijn voordeel doen.

Woekerhandel (quot;/lt;j/tVMgt;Woo/V/e/mmM),m.gmv.

Woekerwinst (overmutige winst), v. —en.

(onrustig zijn), ik heb gewoeld: —ing, v. Wat woelt dat kind in den slaap: de mol heeft hier gewoeld; de varkens — den grond om. het onderst boven; een lapje om den bezeerden vinger —, losjes er om winden.

Woelgeest (onruststoker), m. —en.

Woelig, bn. en bijw.; —beid, v. Een — kind, lastig, druk; een —e straat.

Woelwater (druk persoon), m. en v. —s. De kleine Jaa is een echte —, hij kent geen rust.

Woensdag:, m. —en. Asch—. de eerste dag der groote lï. K. vasten; des —«, op Woensdag.

Woensdagseh. bn. Het was de —e bijeenkomst.

Woerd, woord (eend), m. —en. Zie Waard.

Woerd (waard, lantl), v. —en.

Woerhaan (fazant), m. —hanen.

Woerhen (wijfje van den fuzant). v. —nen.

W oest.bn. en bijw.: —beid, v. Een —e knaapr wild; een — gevecht, ongeregeld: een —e blik.

Woestaard (lump, ruw mensch), m. —s.

Woesteling; (wild, ruw mensch), m. en v. —en; voor het v. ook —linge.

Woestenij, v. —en. Ook Woestijn.


ocr page 325

WOESTIJN—WRAAKBAAR.

301

Woestijn {barre zandvlakte), v. —en.

Wol. v.* —len. Veel yeschreeaw en iveinig —. veel omslag en weinig zaaks. Dour de — ye-verfd zijn. alle schaamte verloren hebben.

Wolachtig bn.; —lieid. v. De negers hebben

— haar, een —e .stof. op wol gelijkende.

Wolbemih'ii (—kaarden, —kammen, —plukken. -scheiden, —spinnen, enz.), o. gmv.

Wollquot; (verscheurend dier), m. wolven. Eten als een —; honger hebben als een —: met de ivolven in het bosch huilen, meedoen met den grooten hoop: den — bij de oor en honden, in neteligen toestand verkeeren.

WoUVaiii (delfstof), o. —men.

Wolfsklauw (plant), v. —en.

W o!grHH (zeker gewas, ook katoengras of katoenbloein geheet en), o. gmv.

Wolliandel. m. De — van Vlaanderen in de Middeleeuwen.

Wolk, v. —en. Een kind als een . krachtig.

Woikaardon, o.: —er. m. —s.

Wolk ainiiieii. o.: —er. m. —s.

Wollen (van wol), bn. Een — das, een — borstrok, ren kous.

Wolleiiaaien, o.: —naaister, v. —s.

Wollig, bn.: —Iieici. v. Het — vee, een —e stof, met wol bedekt.

\Vol.H|Miiiieii. o.: —er, m. —s: —erij, v. —en.

Wolvebeet. m. —beten.

Wolvedak (dak, hetwelk met 3 of 4 hoeken schuin afloopt), o. —en.

Wolveprent (ook spoor), v. —en.

Wolverveu. o.: —er. m. —s: —erij, v. —en.

Wolvespoor (afdruksel), o. —sporen.

Wolvin (wijfjeswolf). v. —nen.

Wond, v. —en; ook wonde. Een versche —, een oude —: een pleister op de — leggen', balsem voor de —. troost: den vinger op de

— leggen, deze aanwijzen, het gebrek bij den juisten naam noemen: alle —vn genezen behalve die der eer.

Wonden (kwetsen, üg.grieven), ik heb gewond.

Wonder (mirakel), o. —en. Ue zeven —en der wereld: het stadhuis van Amstei'dam gold destijds voor het achtste. — der wereld.

Wonderbaar, bn.: —beid, v. Een — geval, een — verschijnsel, verwondering wekkend, vreemd, zonderling.

Wonderbaarlijk, bn. en bw. Het —e van

zijn (des knupen) vroege ontuj'tkkeling.(C. O.).

Wonderdadig;, bn. en bw. Een —e genezing.

Wonderen, heeft gewonderd. Dat wondert mij niet, geeft mij geen verbazing.

Wonderlijk, bn. en bw.: —beid. v. Een — geval, een —e genezing: ik werd zoo —, raar, ongesteld.

WonderM'boon, bn. Ons — huis, nl. ons lichaam, zeldzaam schoon.

Wonder.H|»renkiK • zonderling, paradoxaal), bn. en bw.

Wondbeeler (heelmeester, chirurg), m. —s.

W onen, ik heb gewoond. Bij icm. —. gehuisvest zijn; zij — '.s- zomers 'op het land, verblijf hóuden.

W onins; (huis. verblijf), v. —en.

Woon. v. Zie Metterwoon.

Woo rd (man netjeseend), m. —en. Ook Waard.

Woord, o. —en. Hij sprak geen —: iets met andere —en zeggen, op een andere manier: ik heb hem den brief van — tot — voorgezegd : gij neemt mij de —en uit den mond. £;ij zegt. wat ik juist wilde zeggen: een goed

— spreken, bidden; het — voeren, in 't openbaar spreken; —en krijgen, twist krijgen: iem. te — staan, met hem spreken: wie heeft het —, wie zal gaan spreken: een gedachte onder —en brengen, uitdrukken; ergots zijn

— op geven, iets plechtig beloven: op mijn

— van eer: een goed — voor iem. doen, in zijn voordeel spreken: een goed verstaander heeft maar een half — noodig, begrijpt iets spoedig: een goed — vindt een goede plaats. met beleefdheid komt men altijd het verst: het hooge — is er uit, er is gezegd, wat men haast niet durfde zeggen: zijn — houden, breken, gelofte: een man een man, een — een —. een eerlijk man houdt zijn woord.

Woordelijk, bn. en bw. Een —e vertaling. naar de letter; iets — nazeggen. Woordenboek, o. —en.

Woordenlijst, v. —en.

Woordenpraal (hoogklinkende taal), v. gmv. Woordensebat (rZ/Aviom eener taal)ïm. gmv. Woordenstrijd (een mondelinge strijd: 'ook: een strijd, die niet loopt over een zaak zelf, nntar over de woorden, die er over die zaak gezegd zijn), m. gmv.

Woordenwissel ins; (gekijf, discussie), v. —en. Woordenzilter (vitter), in. —s. W«»ordvoerder (spreker), m. —s.

Worden, ik werd, ben geworden: —ing, v. God sprak en de wereld werd, ontstaan: gij wordt nog urm, in de toekomst zijn; het wordt licht, beginnen te zijn.

W org (keelontsteking der paarden), m. gmv. Worsen (wurgen), ik heb geworgd en gewurgd: worginu; en wurging, v. Worgkoord. o. —en.

Worgpaal (straftuig), m. —palen.

Work (kil, vorsch). m. —en.

Worken (het kwaken der kikvorschen), h'ij heeft geworkt. De kikkers beginnen te —, te rikkekikken.

W onn en wnnn (diertje), m. wormen en wurmen. Verg. Wurm. De knagende — des gewetens: er knaagt een — aan zijn hart. nl. verdriet: het arme wurmpje, kindje. Wornikrnid (geneesmiddel), o. gmv. Wormstekig, bn.; —beid, v. — fruit, dooiden worm aangetast.

Worp (het werpen), m. —en.

Worst, v. —en. Het bekomt hem als den hond de —. het genoegen of genot boet hij duur. Worstelaar (athleet). m. —s of —laren. Worstelen, ik heb geworsteld: —ing. v. Twee kampvechters — om den prijs: het schip worstelt met de golven, kampen, strijden met; hij worstelt met den dood, hij li^t te zieltogen. Worstelkunst, v. gmv.: —perk. o. —en;

— plaats, v. —en: —spel, o.: -strijd, o. Wortel, m. —s, -en. De — van een boom.

de — van een tand, de — van een getal: fig. )net — en tak uitroeien, geheel en al; de kwaal der tei'ing schoot —^»i.(De Génestet). Wortelen (wortel schieten), het is geworteld; Het bijgeloof was duur nog diep geworteld: de haat wortelt in zijn hart. Worteltrekking (rekoik. bewerIcing).v. —en. Wond, o. —en. De specht is de timmerman van het —.

Wouw (vrij groote roofvogel), m. —en. Wouw (plantje, soort van reseda), v. gmv. Wraak, wrake, v.,irmv. Iets uit — doen: naar

— dorsten: dut schreeuwt om —. vergelding. Wraakbaar, bn.: —beid, v. Een —ure damt.

een —are getuigenis, verwerpelijk, af te keuren!


ocr page 326

WK A AKG1EIIIG- XVSTUS.

302

Wraakgierig, bn.: —lipid, v. Een — karakter, een — volk, dat de wraak bemint. Wraak/.uclit {begeerte naar wraak), v. gmv. Wraakziirlitis, bn. Een — karakter. \Vraddel (krop onder den hals vaneen rund). m. —s. w.g.

Wrak (romp van een gestrand schip), o. —ken. Wrak, bn. en b\v.; -I.I Ml. V. Dal is daar een —ke boel, de zaken staan slecht; —ke kaas, slechte waar.

Wraken, ik heb gewraakt; — ing, v. De rechtbank kan een getuige —. afwijzen, niet toelaten. W rang (den mond wringend), bn. en bw.; —Iieid, v. Een —e appel, peer, scherp, zuur: de —vrachten, lig. de onaangenaamheden. Wrat (huidknobbeltje), v. —ten.

Wreed, bn. en bw.; —elijk, bw.: —lieid, v. Een — mensch, zonder gevoel, hardvochtig; een — besluit, onbarmhartig; een dier — behandelen, ruw.

Wreedaard (gevoelloos tnensch). m. —s. Wreedaardig (met wreedheid), bn. en bw.: —Iieiil, v.; —lijk. bw.

Wreef'(//ei bovenste van den voel),\. wreven. Wreken (wraak nemen), ik wreekte, heb gewroken; —ing, v.: —er, m. Ik wil mij op hem —: zich over iets —.

WreiiNcheii (hinniken), de hengst heeft ge-wrenscht.

Wrevel (boosheid, misnoegen), m. gmv. Hij kon zijn — niet verkroppen.

W revel (toornig), bn. Een — gemoed. Wrevelig (boos, wrevel), bn. en bw.: —lieid.v. Wrevelmoed (boosheid, misnoegdheid, bitterheid), m. gmv.

Wriemelen, het heeft gewriemeld: -ing. v. ken broed van adders, wriernlend aan den voet der stronken. (Staring), krioelend, door elkaar krielend.

Wrlggelen (doen wankelen of' wiggelen), ik heb gewriggeld.

Wrijfpaal (weidepaaf), m. —alen. Fig. De hertog van Brunswijk was de — der Patriotten. het voorwerp van hekeling.

Wrijluaw. o. gmv.

Wrijten (twisten, kibbelen), ik heb gewrijt; —eiM/em. die steeds af keurt, tegenwerkt), m. Wrijven, ik wreef, heb gewreven: —er, m. lern. iets onder den neus verwijten; hij {

X. v. xquot;s. De 24e letter van het alphabet. Als Kom. getalmerk is \ = 10: in de algebra is ./■ de te zoeken grootheid of de onbekende.

Xanthine (f/ete kleurstof uit meekrap),\. gmv.

Xantippe(boore. Lijfachtige vrouw; helleveeg, huisplaag, rnannenverdnet), v. —s.

Xebek. Xebeek (driemaster, oorlogsschip in de Midd. Zee), v. — p.

Xenograaf (iemand, die ervaren is in het lezen van het schrift van uitheemsche talen), rn. —graten. [talen), v. gmv.

Xenographie (kennis der geschreven vreemde

doet niets liever dan schrijven en —, tegen-schrijven.

Wrikken (waggelen, heen en weer bewegen), ik heb gewrikt: —ing. v. Men wrikte aan den paal, pogingen doen om hem uit zijn stand te brengen: die roeier kun goed —. met één riem aan den kant van het roer werken. Wringen, ik wrong, heb gewrongen: Het waschgocil —. Zij wrong de bleeke handen saam. (De Génestet): iem. iets uit de handen —. losrukken; zich in allerlei bochten —, telkens wat anders doen om uit een verlegenheid te geraken; daar wringt de schoen, daar hapert het.

Wrochten, heeft gewrocht. Zie Werken.

Een wonder —. Hear gast herhaalt het afscheidswoord, dat zulk een wonder wrocht. (Staring).

Wroegen (verwijten, beschuldigen), het geweten heeft gewroegd; —ing. v.

Wroeten {gravende zoeken), ik heb gewroet; —er, m. Er ankrijk wroette in eigen, ingewanden, zich zelf benadeelen; met — eit tobben komt hij aan den kost. met zwaar, met slavelijk werken.

Wrok (bitterv haat), m. gmv.

Wrokken, ik heb gewrokt. Hij tvrokte tegen zijn broeder; de duivel wrokt legen God, een voortdurenden haat voeden.

Wrong (samengewrongen doek. ook vlecht; kroon der graven; alsmede het wringen zelf), v. —en.

W rongel (gestremde melk), v. gmv.

W n ft {veranderlijk), bn. en bw.: —lieid, v. Het —e Erunsche volk, wispelturig. Wni (haspel), v. —en (scheepsw.).

Wuiven (zwaaien), ik heb gewuifd; —er, m.; —ing, v. Met den zakdoek —, met een vlag met de hoeden —.

Wnlf (gewelfde zoldering), o. wulven.

Wulp, welp (jong), o. en.

Wulp (een vogel: ook een onbedacht jongeling), m. —en.

WnlpHeli (dar te l. speelsch), bn.en bw.; — \\ nrgen. Zie W orgen.

Wurm (diertje), m. —en. Zie Worm.

Wnrm (Stumper, sukkel), m. —en.

W nrmen (zich afsloven, aftobben, af pijnen), ik heb gewurmd.

Xerew, —wijn (Spaansche wijn, Eng.sherrg), m. gmv.

Xilis (zwaardbloem, stinkende lisch). v. —sen.

Xylograaf (hoatsneemaker, hontsneedr akker), m. — grafen.

Xylograph ie (drukkunst met houten vormen; houtsnede), v. gmv.

Xylolatrie (aanbidding van houten beelden), v. gmv.

Xylologie (leer of beschrijving der houtsoorten), v. gmv.

XyMtns (overdekte zuilengang), m. —sen.


ocr page 327

V ZAK.

303

V.

Y, v. y's. De vijf en twintigste letter van het alphabet.

Yacht {Ned. jacht = klein, zeilend vaartuig), o. —en.

YaHit-cliil» ire//- en roeivetwniyiny). v. —3.

Yack. yak {knoros, huif el van Thibet*, m. —s. *

Yam. —wortel (broodivortel, plant), m.

Yamakin {(ir. danseres hij de Turken), v. — s.

1 ankei* (spotnaam hij de Eng. voor de Amerikanen), m. — s.

Yankce-cioodlc (iV. Amerik. volkslied, oorspronkelijk zegelied. 1770). o.

Yard (Eng. el = O.Ol'/SSS M.). in. —s.

Yatagan. Jatagan (Turksche korte degeu of kro)nsahel), m. —s.

Yeinbie. Jeinhic {Arabisch lang krom tweesnijdend mes), O. —s.

Ycoinaii (niet-adellijk landeigenaar, groot, pachter), m. yeomen. ' [0. — s.

Yoeiis {bekkenachtig speeltaig der Chineezen),

\okolu (brood uit vischstof bereid bij de Kamschatdalen). 0.

Vonk (Chin, koopvaardijschip), v. —en.

Ypsilon (de Gr. i. bijv. in Egypte,sgnoniem), v. en 0. — s.

Ysop. liyM^op iZaid-Ear. plant), m.

Ynea. vücM-a {N.-Atn. sierplant), v. —'s.

Yu^acla (veld- of vlaktemaat in Spanje), v.


x.

Z, v. z's. — De zes en twintigste en laatste letter van het alphabet; zij beteekent als Romeinsch cijfer 2000.

Z. — Zuid.

Z.l). — Zijne Doorluchtigheid.

Z.D.II. — Zijne Doorluchtige Hoogheid of Hoogwaardigheid.

Z.E. — Zijne Edelheid, Zijn Eerwaarde: ook wel: Zijne Excellentie.

Z.Kxo. — Zijne Excellentie.

Z.Kni. — Zijne Eminentie (kardinaal).

Z.ll. — Zijne Hoogheid, of van den Paus sprekende, Zijne Heiligheid.

Z.II.K.ti. — Zijn Hoogedelgestrenge.

Z.K.II. — Zijne Keizerlijke of Koninklijke Hoogheid.

Z.K.K.II. — Zijne Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid.

Z.k.k.M. - Zijne Keizerlij ike en Koninklijke Majesteit.

Z.k.M. — Zijne Keizerlijke of Koninklijke Majesteit.

Z.M. — Zijne Majesteit.

z.i. — zijns inziens.

Z.O. — Zuidoost.

Z.\V. — Zuidwest.

Zaad,0. zaden. Bijb. geslacht, nakomeling, bv. Het — van Abraham: ook kiemen, beginselen : Ook in a zeiven zijn de zaden aanwezig van veel on hei Is en veel ver dr iets. (C. O.).

Zaay; ( werktuig), v. zagen. Fig. zanikster: Uw zaster is een echte —.

Zaaginoh'ii (molen, waar hout gezaagd wordt), m. —s.

Zaagsel (zaagmeel), 0. gmv.

Zaagtand (tand eener zaag), m. —en. De — snijdt het hout. (Tollens).

Zaaien (zaad in den grond strooien), ik heb gezaaid: —er, m.: —ing. v.: —wel, 0. Met de ha)ul. met een machine —. Fig. Twist, tweedracht —; wie twist zaait, zal storm maaien.

Zaaikoren, o. gmv.

Zaailing (hennep), v. gmv.

Zaak. v. zaken. Het is daar een drukke —, winkel: een — eau gewicht, onderwerp, punt van gewicht; zijn zaken staan goed, zijn handel bloeit: fig. hij is in het voordeel: zijn zaken stonden wel in 't boek der schoone (Staring): die — Komt morgen voor. rechts—; dat is mijn —, dit betreft mij en niet u: ter zake van moord, wegens: ter zake dus, laat ons met het onderwerp beginnen.

Zaal (ruime kamer), v. zalen.

Zaal (zadel), o. zalen.

Zaan (dikke, geronnen melk), v. gmv. Zabberen (kwijlen), ik heb gezabberd: —aar, m.: —ing, v.: —doek, m.

Zacht. bn. en bw.: —heid, v. Een — bed, niet hard; met —e hand. teeder, met zorg; een—e slaap,r\isüg', een —e dood, kalm: het Spaansch is een —e raai. liefelijk, melodieus: een — karakter, vreedzaam; op zijn —st genomen^ van de gunstigste zijde beschouwd. Zachtaardig (rac/ff van inborst),bn.; —heid.v. Zachthlad (zeker gewas), o. gmv.

Zachtjes, zachtkeiiH. bw. Spreek W(d — : d ie-maar — aan, op zachte, kalme manier; de gele kleur gaat — over in groen, ongemerkt. Zachtmoedig (zachtaardig), bn. en bw.; — hcid, v.

Zachts (lichtelijk), bw. Dat kon hij —gedaan hebben, lichtelijk, ten minste.

quot;ItHvUtjAiiuiiz (vrien del ij k), bn.en bw.; —heid.v. Zadel, zaal. 0. en m. —s. Uit den — lichten, uit het — werpen, b.v. in het tornooispel'y Hg. iem. onderkruipen: ion. weder in den — zetten, hem weer te paard helpen.

Zadelen, ik heb gezadeld. Een paard —, een ezel —. een zadel opleggen.

Zadelmaker, m. —s.

Zagen, ik heb gezaagd; er. m.: —ersbok, m.. Hout —, aan planken —: op de viool — krassen.

Zak, m. —ken. Een — rogge, aardappels: een — guldens: met pak en — vertrekken, met alle have; de —ken van een oud biljart; hoe komt ge in dezen —? blinde steeg: zijn —


ocr page 328

ZAKELIJK—ZEEPZIEDERIJ.

3U4

/oppen, zich op kosten van een ander verrijken: past op uw —ken. geld: koop (/een kat hl den —, geen zaak, die gij niet kent: een lt;fuit in het —je doen, ook iets zeggen: steek dat in nw trek u dat maar aan, dat is op u gemunt: zij heeft hem den — (jetjeoen. afgeschreven. de verkeering met hem verbroken; in — en asch zitten. Bijbel, nl. in diepen rouw; wij hebben hem in den —. kennen hem door en door.

Zakelijk. bn. en bw.; —IicmI. v. De —e inhoud. wezenlijke, feitelijke inhoud, hoofdzaak.

Zakkrn (in zakken doen), ik heb gezakt: —kor, m. Wil je dien gulden niet hebben? Dan zal ik hem maar —, in den zak steken.

Zakken (dalen, nederwaarts gaan), het is gezakt. Het water gaat —, in de modder —, •den moed laten —, zinken: het hoofd laten den moed verliezen: ik laat hem. die zaak maar —. varen, glijden; hij zal bij dat e,va-men '.vel —. afgewezen worden.

Zakkenroller (beurzensnijder), m. —s.

Zalf (smeersel), v. zalven. Een —je op de wond, een troostmiddel.

Zalis {hoogst gelukkig), bn. en bw.; —lieid, v. lem. — spreken. U.K. heilig verklaren: een — gevoel: de man is ir. dronken.

Zaligen [zalig verklaren), ik heb gezaligd:

— ins. v.

Zaliger (achter een naam: zaliger nagedachtenis. beteekent hetzelfde als „wijlenquot; vóór een naam», bn. Mijn vader —, mijn oom —. H.K.

Zaligmaker (de Heiland), m. gmv.

Zalm (een visrh). m. —en: (als stofnaam), v.

Zalven (met zalf besmeren), ik heb gezalfd:

— ing. v. De koningen van Frankrijk werden oudtijds gezalfd te Reims d. i. met zalf gewijd.

Zalvend, bn. Wat een —e taal! hij spreekt —, lijmerig, vol geteem.

Zamelen {bijeenbrengen), ik heb gezameld; —aar, m.: —ing, v.; —plaats, v.

Zand. o. —en. lem. — in de oog en strooien, hem bedotten: die brief hangt aan elkaar als droog —. is zonder samenhang.

Zanden { met zand bestrooien ), ik heb gezand.

Zanderig, bn.: —heid, v. De weg is —, stofferig.

Zanderij (zandgroef), v. —en.

Zandig (zanderig), bn. Een —e oever.

Zandlooper. m. —s. De — wordt alleen nog in de keuhen gebruikt, nl. bij het eierkoken.

Zang {gezang), m. —en. 7 Is daar altijd koekoek eên —. nl. hetzelfde: het is de tweede —, af-deeling van een dichtstuk.

Zanger, m. —s. De tamme en de ivilde —s, d. i. vogels; zijn oom ivas voor—, eerste zanger.

Zangeres, v. —sen. Een koor van zangers en —sen, vrouwen of dames die zingen.

Zangerig, bn.: — lieid, v. Een — lied: —e verzen, welluidend, zoetvloeiend. Een — knaapje (De Génestet) d. i. zanglustig.

Zanger.HleeMt. zangleeNt. o. —en.

ZanggezelMehap. o. —pen. Het — Melodia.

Zanggod {Apollo), m. [(C. O.).

Zangkoor, o. —koren.

Zangkiiiist, v. gmv.

Zangles, v. —sen.

Zangster {iedere vrouw die zingt), v. —s. Zet —, zet dien tocht op de aangeslagen snaren, (Tollens), muze.

Zangvogel, m. —s.

Zanik (persoon), m. en v. —en. i'w nicht is een echte —. vervelend mensch, zonder opgewektheid.

Zaniken, ik heb gezanikt; —er. m. Jongen, lig toch niet te —! vervelend dwingen ot vragen.

Zat (verzadigd), bn. en bw.; -held, v. Eet en drink u nu maar —: die man is al weer—, ir. dronken: ik kan mij niet — kijken aan dat berglandschap: de grijsaard was der dagen —, verlangend naar den dood.

Zaterdag, m. —en.: sell, bn. de — markt.

Zavel (grof zand), o. gmv.

Zebra {gestreepte ezel. Kaapse he ezel), m. —*s.

Zede (gewoonte, gebruik, manier),v. —n. Der vadren vrome —n.

Zedelijk, bn. en bw. —lieid, v. Een getuigschrift van — gedrag: dat is — onmogelijk.

Zedeloos, bn. en bw.; —lieid, v. Een — mensch, losbandig van gedrag; — hoeken, plaatwerken, de zedeloosheid bevorderend.

Zedenbedert' (ontaarding), o. gmv.

Zedenknnde, v. gmv.

Zedenleer {moraal), v. gmv.

Zedenles, v. —sen.

Zedenpreek, v. —en.

Zedenspreuk (vermanend woord), v. —en.

Zedig, bn. en bw.; —held, v.; Een — meisje, een —e kleeding, ingetogen, bescheiden, stemmig.

Zee, v. —ën. De Middellandsche —, de Soord—: de vloot stak in —: zij kozen —: de — doorklieven' in — loopen, — kiezen, uitzeilen; de — oversteken: het land was een bare —. waterplas; hooge, zware —ën, golven; er gaat veel —. er is een sterke stroom: de — breekt, de golven storten kort neder: in — duiken, ondergaan van de zon; uit de — rijzen, opgaan: wij brengen den zomer aan de — door, zeebad, zeeplaats. Fig. Een — van licht, van tranen, van rampen enz., een groote, krachtige menigte: hij gaat recht door —. is eerlijk, oprecht: t is een — om uit te drinken, een eindeloos, wanhopig werk; water in — dragen, nutteloozen arbeid doen: ergens iets brengen, wat daar in overvloed is.

Zeebonk (matroos), m. —en.

Zeebeer (water keer ing), m. —en.

Zeebeer (rob), m. —beren.

Zeebrak (zeewater aan de kust), o. gmv.

Zeedrift (ook strandvond, zeevond), v. gmv.

Zeef (werktuig om te ziften), v. zeven. De — van Eratosthenes, rekenk. manier tot het vinden van de priemgetallen.

Zeeg (scheepsw. rondte, kromming), v. en.

Zeeglial'tig (zegevierend), bn. en bw.: — lieid, v. Wees —, o koning!

Zeekaart, v. —en.

Zeel (draagriem, touw), o. —en.

Zeelt (een soort van karper, louw), v. —en.

Zeem (zacht bereid leder), o. gmv.

Zeeman, m. —lieden, lui.

Zeemansehap, v. gmv. — gebruiken, wat geven en nemen, naar de omstandigheden.

Zeemleder, —leer, o. gmv.

Zeemlederen. —leeren (van zeemleder), bn. Een paar — handschoenen: een — zakje. (C.0.)

Zeep. v. —en. (Iroene —: Spaansche—. witte harde —: — zieden: hij is om —, hij is dood.

Zeepen (met zeep insmeren), ik heb gezeept: —er (zeepkooker, zeepzieder), m.; — erij {zeepzieder ij), v.

Zeeperig. Zeepig, bn. Deze beschuit smaakt —. als zeep.

Zeepzieder, m. —s.

Zeepziederij (zeepfabriek), v. —en.


ocr page 329

ZI:EU ZEXÜWACHTIG.

305

Zeer i pijn), o. lem. op zijn — tasten, op een wondeplek: ook lig.

Zeer (pijnlijk), bn. Het kind heeft een — uocj. ontstoken: een — hoofd, zwerend, met uitslag. Zeer (erg), bw. Hij was — boos. — rijk. buitengemeen.

Zeergeleerd (titel van een gestudeerd per~ soon), bn.

Zeergewlreng (titel van een hoofdambtenaar). bn.

Zeerig; (pijnlijk, schurftig), bn.; —heid. v. Zeeroovef; m.; —selmimer (vrijbuiter), m. —s: —ij, v. —én.

Zeeslag (zeegevecht), m. —en.

ZeeMlaiig;(.s7^/«i/ in de keerkringszeeën), v. —en. ZeeHpiegel (oppervlakte der zee), m. —s. Zee.stad (stad aan zee), v. —steden.

Zeestraat (zeeéngte), v. —aten.

Zeet (het zitten: ook zitplaats), v. zeten. Zeeuw (bewoner van Zeeland), m. —en. ZeenwhcIi. bn. De —e kleederdracht', een —e rijksdaalder, oude munt = f 2.G0. Goed —. Zeevaarder, m. —s. \goed rond.

Zeevaardis; (gereed (nn zee te Liezen), bn.; —heid, v.

Zeevaart, v. gmv. Aanleg tot de (C. O.) Zeevader (matroos, die een scheepsjongen onder zijn hoede heeft), m. —s.

Zeever (speeksel, kwijl), v. gmv.

Zeeveren (kwijlen), ik heb gezeeverd; —aar. — iiifï, v.

Zeevond (voorwerpen uit de zee aangespoeld), m. —en.

Zeewering; (dijkwerk), v. —en.

Zeewier (zeegras), o. gmv.

Zeewind (wind uit zee waaiende), m. —en. Zeeziek, bn.; —fe, v. gmv.

Zefier, zelir (koele, zachte westenwind), m.; zefieren, zefirs.

Zege (overwinning, triomf), v. gmv.: —boog (eerepoort)'. —dieht (gedicht ter eere van de overwinning), o.: —leewt, o.: —galm. m.: —kar (triomfkar), v.: —krans, in. —en: —lied. o. —eren.

ZegH. o. —s. Een verzoekschrift op —. op gezegeld papier; onder het — des geheims: vrij van —. niet belast met. Fig. zijn — aan iets hechten, iets goedkeuren; zijn — op iets drukken, het bekrachtigen.

Zegelen (een zegel op iets drukken), ik heb gezegeld: —aar. m.: —ing, v.

Zegen (zegening, heil), m. gmv. Ik wensch u hei l en - -.

Zegen (net), v. —s.

Zegenen {den zegen geven), ik heb gezegend: —aar. m.: —ing. v.

Zegenrijk {rij kaan zegening), lm. Ken —gevolg. Zegepraal {luisterrijke intocht des overwinnaars: fig. overwinning, triomf), v. —pralen. Zegepralen (de overwinning behalen), ik heb gezegepraald.

Zegevieren, ik heb gezegevierd. Hij heeft over alle vijanden gezegevierd: — over alle moeie-lijkheden, d.i. ze alle te boven komen. Zeggen ( mondeling mededeelen), ik heb gezegd, gezeid: —ger, m. Een oomzegger, neef. Zeggingskrarlif (gave van wél te spreken), v. gmv.

ZegMinan. m. —lieden. —lui. Wie is uw —? wie heeft het u verteld?

Zegswijs, zegswijze (manier van zeggen, spreekwijze), v. —wijzen.

Zeil (zeildoek), o. —en.

koenen, Verkl. Haudwdb. d. Xederl. taal.

Zeilage (zeiltuig, vaart, loop), v. gmv.

Zeilen, ik heb en hen gezeild: —er. m. Uitgaan, met een zeilboot gaan spelevaren; erg achteruit fig. tegenspoed hebben. Zeiliaelit (vaartuig), o. —en.

Zeilklaar (zeilvaardig), bn Het bootje ligt Zeilree, bn. De boot ligt —. gereed om uit te zeilen.

Zeilsteen {voorwerp,magneet), m. —en; (stofnaam), o.

Zeis (werktuig der grasmaaiers), v. —en.

Zeisen, v. —en. —s. vero.

Zeker, vnw. enbw. In — land; door — koning:

— iemand; op —en dag; ik kom —, gewis: hij heeft het niet —, vast.

Zekerheid, v.: —s\\n\\e{voor de zekerheid ).b\v. Zelden (niet dikwijls), bw. Ik spreek hein —. Zeldzaam (schaarsch), bn. en bw.: —heid. v. Goede appelen zijn van 't jaar —: een — mooi exemplaar.

Zell helieei se lling, v. gmv. Een goed overste bezit —. Een wezen, nl. de leeuw, geheet woede, maar bedwongen door — (C. O.). ZelThelioiid. o. gmv. Hij schoot uit zucht tot —. Zelfbewust (wie/ innerlijk besef), bn.: —heid. v.: —zijn, o.

Zell'liei'd (ikheid), v. gmv. Aan 't hoofd der menschheid streve hij (de dichten..om atlete verdelgen (Da Costa ), nl. egoïsme, eigenbaat. Zeirkant (wollen rand), m. —en. Zelfklinker (klinker, vocaal), m. —s. Zelfmoord, m. —en. Menig ongelukkig speler pleegde —.

Zelfonderrieht, o. gmv. Brieven om het

Fransch te leer en door —.

Zelfstandig, bn. en bw.: —heid. v. Een — karakter, dat eigen richting of overtuiging volgt; — handelen, niet aan den leiband loopen. Zelfverlooehening, v.; —vernedering, v.: —vertrouwen, o.: —verwijt, o.: —verzaking. v.: —voldoening, v.

Zelfzueht (eigenbaat, baatzucht), v. gmv. De

— doodt vele edele gevoelens, egoïsme.

Zeloot (hardnekkig en onverdraagzaam bestrijder van andersdenkenden, voornamelijk in godsdienstzaken: ij veraar), m. zeloten.

Zemelen (gemalen bolsters), v. mv.

Zemelig. bn. Dit roggenbrood is erg —. met zemelen vermengd.

Zemelknoopen (kinderachtig stipt zijn. muggenziften). ik heb gezemelknoopt: —er. m. Zendbrief' (mandement), m. —brieven. Zendeling, m. en v. —en: voor het v. ook —e. Hij werd — onder de Dajakkers op Borneo, verkondiger van het Evangelie: bij de R. K. missionaris.

Zenden (sturen, doen toekomen), ik zond, heb gezonden: —er, m.: —ing, v. lem. een brief— om den dokter —: iem. een uitnoodiging —. doen geworden: iem. naar de andere wereld —. dooden.

Zeng (zeew. plotselinge en kortstondige verheffing van den heerschenden wuid),v.—en. Zengen (schroeien, licht branden), ik heb gezengd: —ing, v. Zijn haren waren gezengd: een geplukte kip —. schroeien boven de vlammen.

Zenith (aardr. schedelpunt, toppunt), o. gmv. Zenuw. v. —en. Het geld is de — van den oorlog, van den handel: dit meisje heeft het op de —en. is zenuwzwak.

Zeniiwaelitii;. bn.: —heid. v. Een — schepseltje: waarlijk, men heeft in de maatschappij

20


ocr page 330

ZERK ZIEK.

300

menifj menschensch mv. bloolicwtig en — wezen doen opgroeien. (C. O.).

Zerk {vierkante steen, grafsteen), v. —en. Zero (nul, niets), v. gmv.

Zerp (wrang), bn. en bw.; —lieid. v. Ze«, lelw. —sen; (als zn. v.). Hij had plezier voor —: wij waren niet ons —sen; hij gooide twee —sen. dobbelspel: een paard van —sen klaar, met vier goede pooten en twee goede oogen; hij is van —sen klaar, bijdehand. Zesde (ranggetal), bn. Juni is de — maand: Vrijdag is de — dag der week: hij stierf den — n Maart; graaf Willem de —. Zetiderhande. —lei (van zes soorten), onverb. Zeshoek {veelhoek), m. —en. |bn.

Zeshonderd, telw.

Zeslioiiderdste (ranggetal), telw.

Zesponder {kogel, gewicht), m. —s.

Zestal, o. — len. Een — kinderen.

Zesfhalf (Ö.275 gld.), m. zesthalven; Je. Zestien {hoofdgetal), telw.

Zestig, telw. Ben je —. zijt ge suf of zot ? Zestiger {iemand van zestig jaren; ook wijn van 1860: alsmede een schip van zestig stukken), m. —s.

Zestigponder {kogel, kanon), m. —s. Zestigste {ranggetal), telw.

Zet. m. —ten. Een goede —. op dam-of schaakbord: een geestige —. woord: een domme streek: hij deed het in éamp;n zet. zeer vlug. Zctangc-I {hoek of haak aan den hengel), m. —s. Zetbaas, m. —bazen. In dat café is hij niaar —. agent, strooman.

Zethoer {huurling, pachter), m. —en. Zethaak {werktuig van den letterzetter), m. —haken.

Zetel {stoel, troon), m. —s. De koninklijke de pauselijke —; de — der regeering, plaats van het rijksbestuur ('s-Gravenhage).

Zetelen (zijn verblijf houden), ik heb gezeteld. Zetmeel (wit plantenpoeder), o. gmv. Zetscliipper. m. —s. Hij is maar —. het schip behoort een ander.

Zetsel (van thee, kolf ie), o. —s.

Zetten (stelloi, plaatsen), ik heb gezet. Een boek in de kast —: een diamant —: kolf ie, thee bereiden; iets op het papier —. schrijven, opstellen: een gebroken arm of been —: ge-d op rente in de gevangenis —: in den lommerd —. iets op noten —. iem.iets betaald —. zich wreken; ik kan hem of haar niet —, lijden, uitstaan; zijn zin op iets —; alles op haren en snaren —, in rep en roer brengen: iets op touw —. aanvangen, beginnen; iem. terecht —. tot zijn plicht brengen: het op een loopen —: zich iets in het hoofd —: zij zal er de tering niet van —; een persoon, een volk den voet op den nek onderdrukken: de boot van wal —, afsteken.

Zetter (letterzetter), m. —s. Het college van —s. ambtenaren, die den aanslag der belastingen regelen.

Zetterij (werkplaats der letterzetters), v. —en. Zeng {'wijfjesvarken), v. —en.

Zeulen {aan een touw voortslee pen), ik heb gezeuld. Dees — leeftocht aan. (Tollens). Zeur (zeurkous, zaniker), m. en v. —en.

Zenr (vod, beuzeling, kleinigheid), v. —en. Zeuren (lastig vallen, dwingen), ik heb gezeurd; —der, m. Lig daarover niette—, lang en vervelend praten om zijn zin te krijgen. Zeurkous (vervelend pruttelaar), m. en v. —en. Zeven, telw. —s; (als zn. v.).

Zevenblad {zeker kruid: wilde vlier), o.gmv. Zevende {ranggetal), telw. De — dag der week: de — maand: op den —n Mei: Karei de — van Frankrijk.

Zeveiidliallje (voorma//*/ muntstukje of pietje = zes en een halven stuiver of twee en dertig en een halven cent), o. —s. Zevengesternte(stowx/yee/t/ der plejaden), o. Zeveiikrnid {riekende klaver), o. gmv. Zevenhoek (meetk. veelvlak), m. —en. Zeven,jaarshloein (roerkruid of droogbloem), v. —en.

Zevenklapper (vuurwerk), m. —s.

Zevenoog (bloedvin of bloedzweer), v. —en. Zevenslaper {zeker knaagdier), m. —s. Zevenster (zevengesternte), v.

Zeventiger (iemand van zeventig jaren; ook wijn van 1870: alsmede een schip van zeventig stukken), m. —s.

Zevenvoud, o. —en. 49 is een —. 84 is een —. Zielit (kleine zeis), v. —en.

Zielit (vertoon), o. Op bij vertoon; betaalbaar acht dagen na —. nl. een wissel; hij zond mij de boeken op —. op beziens. Zichtbaar (duidelijk), bn. en bw.; —beid, v. Een —are maaneclips, waarneembaar; hij is — verouderd.

Zichten (ziften), ik hel) gezicht.

Zieden (hevig koken), ik zood. heb gezoden; —er. m.; —ing. v. Zeep —, zout —: —de olie, gezoden olie, gezoden en gebraden; fig. hij ziedde van toorn, kookte.

Ziegezagen, ik heb geziegezaagd. Fig. vervelend praten, temen.

Ziek, bn. Een — kind. hij is er — van; hij hield zich —; ik heb mij — gelachen; — van verlangen.

Zieke (lijder, lijderes), m. en v. —n. Ziekelijk, bn.; —beid, v. Een —e kleur; een —' denkbeeld, dwaas, ongezond.

Zieken (ziek zijn, wegkwijnen), \k heb geziekt. Ziekenoppasster, v. —s.

Ziekte, v. —n. Zij leden, stierven aan dezelfde — ; een besmettelijke —.

Ziel, ziele, v. zielen. De mensch bestaat uit — en lichaam, geest, niet-stolfelijk wezen; er was geen levende —: God hebbe zijn —! zijn — raste ia vrede! bij mijn —: geld is de — van den hmdel; een stad van tienduizend zielen.

Zielsverbnixing {het overgaan der ziel), v. —en. De oude Eggptenaren geloofden aan de —.

Zieltogen (sterven), ik heb gezieltoogd; — ing, v. De gekwetste lag te —.

Zien. ik zag, heb gezien. De kat kan in het donker —: kan de knaap al op de klok — ? wij — nooit menschen, bezoek ontvangen; dit meisje ziet scheel: wat ziet gij zuurl men ziet hem naar de oogen. iem. ontzien; iets over het hoofd —, niet letten op; door de vingers —, verschoonen; iem. op de vingers —. hem in 't oog houden, bevitten; zij is —de blind: uit eigen oogen —. een eigen oordeel hebben: Jan, zie eens naar de kippen, letten op, zorg dragen voor.

Ziener (profeet), m. —s.

Zienlijk (zichtbaar), bn. en bw. Werd — voor mijn oog, enz. (Staring).

Zienswijze, —wij», v. —wijzen. Wat is uw — ? meening. opvatting.

Zier (ziertje: ook kleinigheid), v. Een — ge-du ld, geef mij een —tje zont. peper, enz.


ocr page 331

ZIFT ZITTEN.

307

7At't (zeef ), v. —en.

Ziften, ik heb gezift: —er. m.: —ins, v.: —wel, o. Het meel —: gij ligt altijd te —. vitten, haarklooven; een mnygcazifter, kleingeestig bediller.

Zigeuner (landlooper, Heulen), m. —s.

Zij {stof), v. Ook: Zijde.

Zijde, zij (kant), v. —n. De —u van een tafel, van een huis, van een tain: men kivaw ran alle —a: de westelijke — er,ter stad. een oom van moeders —: iets ter — leggen, als afgedaan beschouwen: iem. op zijn — hebben, hand; dit is zijn zwakke —; pijn in de —: een — spek.

Zijde, zij {stof, kostbaar weefsel), v. gmv.

Zijdelings, b\v. Hij keek mij — aan, van ter zijde.

ZijdelingHeli, lm. Een —lt;■ blik: erfgenamen 'm de —e linie, niet rechtstreeksche.

Zijdeworm, xijwonn (zijderups), in. —en.

Zijdgeweer (sabel), o. vero.

Zijgang (het gaan), m. —en. Hij ging —en. d. i. niet recht door zee.

Zijgang {gaanderij), v. —en.

Zijgen, ik zeeg. ben gezegen. Zij — in onmacht neder. Hauw vallen.

Zijgen (doorsijpelen), zeeg. heeft gezegen. Het water door een filter laten —.

Zijl (waterloop, ook slaisie), v. —en.

Zijlaan idwarslaan), v. -*lanen.

Zijlijn, v. De trein werd op een — gebracht.

Zijlinie, v. Hij behoort tot een — van dat adellijk geslacht.

Zijlvesten ij (m Groningen gebraikelijk voor waterschap), v. —en.

Zijl veste r (mede-bestan rder van een waterschap). m. —s.

Zijlvesterlinis (geboaw voor de vergadering der zijlvesters), o. —huizen.

Zijlwaarder (slaismeester), in. —s.

Zijn. ik ben, was, ben geweest. God is, bestaat: hij is officier; het is zoo. (Zie verder bij Wezen).

Zijnent. te —. bijw. uitdr. Ik kom dikwijls te —. in zijn huis, bij hem.

Zijnent halve, -wil, bw. Doe het maar —. o'm hem, d. i. uit liefde, genegenheid tot hem.

Zijnentwege, bijw. Ik groet u —, namens hem, uit zijn naam.

Zijpad, o. —en.

Zij reeder (zijdebereider), m. —s.

Zijreederij, v. —en.

Zijwaarts, bw. Hij ging

Zijwaartseli, bn. Ken —e beweging, in de richting van ter zijde.

Zij w or in (zijderups), m. —en. Ook: Zijdeworm.

Zht (zout), quot;bn.: —lieid, v. Het —e water der zee: —e tranen', het —e nat, de zee.

Ziltig (zoutig), bn.: —lieid, v.

Zilver, o. Een horloge van —: Russisch —. mengselvan zilver en andere metalen: fig./iami van —. witte haren; het — des ouder doms.

Zilverblank, bn. Een —e hand, de —e zwaan, een —e visch.

Zilveren (van zilver), bn. Dat zijn — lepels: — kandelaars; hij viert zijn — bruiloft, 25-jarig huwlijksfeest; een — ambtsfeest: — haren, zilverwit.

Zilverling (Joodsche munt = ± f 0.75), m. —en.

Zilversmid, m. —smeden.

Zilverwit, bn. Een —te haarlok.

Zin. m. — nen. Dr mensch heeft, vijf —nen: waar zijn uw —nen'/ verstand; hij is niet bij zijn —nen: hij is van zijn —nen beroofd; dat schoot mij in den —, gedachte: zet dat uit aw —nen: veel hoofden, veel —nen, meeningen, richtingen; hij had er zijn —nen op gezet, zijn hart; hij wil zijn — hebben, zijn verlangen ingewilligd zien; ik ben van—s, voornemens: ik heb wel — in dat reisje, lust; dat heeft geen —, beteekenis. dat is onzin; de hoofdleden vaneen spraakk.. in woorden uitgedrukte gedachte: de knaap moest zes —nen schrijven', spelen van —ne, rederijkersvoordrachten met person ificatiën.

Zindelijk {proper, net), bn.enbw.: —lieid, v. Een —e huisvrouw, een —e bediening.

Zingen, ik zong. heb gezongen. Een lied —; altoos hetzelfde liedje —. hetzellde onderwerp behandelen: ik zing den ondergang van d*eersten wareldgrond. (Bild.), bezingen, dichten over.

Zink (zeker wit metaal), o. gmv.

Zinkhoor (spitsboor, ronde vijl), v. —boren.

Zinken, ik zonk, ben gezonken: —wel, o. Het schip gaat —: in dr modder —: in diepen slaap —; den moed laten —. verliezen; hij is diep gezonken, zedelijk diep gevallen.

Zinking, v.: —aelitig. bn.

Zinklood (peillood, dieplood), o —en.

Zinkput, m. —ten.

Zinkroer lt; pistool), o. —s. vero.

Zinledig (zonder inhoud), bn. Een — gezegde, zonder beteekenis: een — opstel, een —e brief.

Zinlijk, zinnelijk (met de zinnen waar te nemen; ook: wulpsch, wellustig), bn. en bw. Iets — waarnemen; een — nensch.

Zinlijkheid, v. gmv.

Zinloos (zonder zin), bn. Een — opstel, dwaas, zot.

Zinnebeeld, o. —en. Het anker is het — der hoop: de haan is het — der waakzaamheid.

Zinnebeeldig, bn. Een —e voorstelling, allegorie.

Zinneloos (zonder verstand), bn. en bw.; —beid. v. Een —looze vrouw, beroofd van zinnen; — gesnap.

Zinnen (peinzen, denhen), ik zon, heb gezonnen. Hij zat op wraak te —; ik zal er eens op —. het overdenken.

Zinrijk (snedig, geestig, vernuftig, krachtig), bn. en bw.: -beid, v. Een — woord, een — gezegde, een —e fabel.

Zinsbedrog, o. gmv.

Zinspelen, ik heb gezinspeeld: —ing, v. Hij was aan 'l — op uw afkomst, doelen op, bedektelijk aanduiden.

Zinspreuk (leus, devies), v. —en. Elke rederijkerskamer had haar —; de — der Haar-Ie tnsc he kamer was: Trou moet blij eken.

Zinsverbijstering {krankzinnigheid), v. gmv.

Zinverwant, bn. Uitvinden en ontdekken zijn —e woorden, d. i. synoniemen.

Zit, m. Dat was een heele —: dat is hier een lief —je, plekje: die jongen heeft geen — in 't lijf, kan zich niet rustig houden: neem een —, d.i. een stoel.

Zitdag, m. —en. De — eener rechtbank; de — van een ontvanger, tot het ontvangen van belastingen.

Zitten, ik zat, heb gezeten. Hij zit op een bank, gezeten zijn; in den raad —, lid er van zijn: de vogels — op dien tak. rusten; hij zit in de gevangenis: het schip zit op een bank; aan het roer regeeren; op den troon —. heerschen; waar mag zij toch — ?


20-

ocr page 332

ZITTING ZOOLOGISCH.

308

blijven: 'tem. lalcn verlaten: mijn oom zit er goed of warm in, is welgesteld: ergens veel geld in laten —. bij verliezen; die jas zit a goed, passen, kleeden: het rijtuig bleef in de sneeuw steken; er zit niets anders o/k er is niets anders aan te doen: de winderige advocaat riep: Hij zit (C. O.) nl. de bal is in den zak gestopt, zit daar in; in de verlegenheid —. zich bevinden: het zit mij in de beenen. nl. de pijn, de vermoeidheid is daar; bij die menschen zit geld, gevonden worden; die jongen heeft geen zit in zich, kent geen rust; zij bleef met haar eieren —. kon ze niet verkoopen.

Zitting, v. —en. De — van ven stoel, ran een canapé', fig. — honden, vergaderen, of ergens zijn om menschen te spreken: — nemen in den gen. eenteraad.

Zode, zoo, zooi {kooksel), v. zoden, zooien. Een — visch. Een zooitje; zootje.

Zode (van gras), v. —n: zootje.

Zodiak (dierenriem), m. gmv.

Zoek (verloren, verborgen), bw. — zijn. — raken. enz.

Zoeken (trachten te vinden), onr, ik zocht, heb gezocht: —er, m.

Zoekmaken, ik heb —gemaakt. Het kind heeft het boekje zoekgemaakt, men kan het niet vinden: veel geld —, fig. verteren. Zoekraken (verloren raken), het is —geraakt. Zoel. bn. en bw.; —lieid. v. Het is — weder. warm, niet guur.

Zoen (kas), m. —en.

Zoenen (kussen, omhelzen: verzoenen), ik heb gezoend.

Zoengeld (geld als boete), o. gmv.

Zoenofler. o. —s. Christus als —. offer tot delging der zonden.

Zoet. bn. en bw.: — lieid. v. Een —e appel, —e koek, —e droomen, hoogst aangenaam: een — kind, braaf: quot;.s levens — en zuur. zn. o. Zoetekauw (lekkerbek), m. en v. —en. Zoetelen (spijs en drank in een lege)* verkoopen), ik heb gezoeteld; —laar (marketenter): —laar«ter {marketentster). Zoetelielje (beminde), o. —s. gmz. Zoetemelk, v. gmv.

Zoeteinelkseli. bn. Een — kaasje, van zoetemelk.

Zoeten, ik heb gezoet. De chocolade is te zeer gezoet, d. 1. zoet gemaakt.

Zoeterd (lieverd), m. —s.

Zoethout, o. gmv.

Zoetjes, bw. fia maar — te werk, zacht, bedaard, langzaam, zonder overijling: hij leest —. zij zingt —. niet overluid.

Zoetsappig; (laf. zouteloos), bn. en bw.; —hein, v. Een — antwoord: hij zette een — gezicht, vleiend, verlokkend.

Zoetvijl (fijne vijl), v. —en. De — over iets laten'gaan, iets uiterst fijn afwerken. Zoetvijlen (fijn afvijlen of bewerken), ik heb gezoetvijld.

Zoetvloeiend, bn. en bw.: — lieid. v. Een —

gedicht, liefelijk, welluidend; —e taal, fraai van klank.

Zoetwater (drinkbaar water, rivierwater). o. gmv.

Zog (melk), o. gmv.

Zog (spoor), o. gmv. Het — van een schip: in iem. — varen, hem volgen op zijn spoor. Zolder {bovenste deel van een hnis), m. —s. Zomer {jaargetijde), m. —s.

Zomeren {zomer worden), het heeft gezomerd.

Het begint te —. warm te worden. ZoinerHeh. bn. Een —e dag: hij was op zijn

— gekleed.

Zon {ster, hemellichaam), v. —nen.

Zondaar, m. —s, —daren.

Zondag (rustdag), m. —en.

Zondagsjager (halfbakken jager), m. —s. Zondagskind {gelukskind), o. —eren. fk ben voorwaar een —, en tot geluk geboren. (De Génestet).

Zonde. v. —n. Vloeken is —. groot kwaad: een — tegen den H. Geest, een vreeselijk, onvergeeflijk kwaad: het is — en jammer. erg jammer; het is — en schande, zeer te betreuren.

Zondenhok. m. —ken. Hij is op school altijd de —. hij moet het gelag betalen, hij heeft voor anderen de schuld te dragen. Zondenregister. o. —s. Iem. — openleggen. al het kwaad, door hem bedreven, nauwkeurig opsommen.

Zonderhaar (vreemd), bn,; —heid, v. Zonderling {vreemd, ongewoon), bn. en bw.;

— heid. v.

Zonderling (persoon), m. en v. —en; voor het v. ook —linge. Uw oom is een —: die Engelsche dame is een —. zij doet vreemd. Zondig (overhellende tot zonde), hn. Ons — hort. Zondigen (zonde ffegaan), ik heb gezondigd. In onwetendheid zondigt men niet: — tegen goddelijke of menschelijke wetten, deze overtreden: — tegen de regels der taal. fouten maken: — tegen de welvoeglijkheid, handelen tegen.

Zondvloed (groote wereldvloed), m. —en. Zone {aardstreek, aardgordel, luchtstreek), v.

— li. De heete —. de verzengde luchtstreek. Zonnehaan (schijnbare zonsweg), v. —banen. Zonneblind (luik), o. —en. Laat de—e)i neer.

de jaloezieën.

TiA\\\\\ehU\eui (gelesamengest. bloem), v. —en. Zonnewijzer (werktuig tot het aanwijzen van den tijd door middel van 't licht der zon), m. —s.

Zonnig, bn. Een —e morgen, een — landschap. warm verlicht.

Zonshoogte, v.: —ondergang, m.: —opgang, m.: — verduistering, v.

Zoo, bw. en vw. Doe het zóó, op die wijze; ik kom —. terstond: zoo de waard is, ver-trouwt hij zijn gasten, zooals; zoo gij kunt. hom dan even. indien.

Zoo. zooi (zode, kooksel), v, zooien: zootje, zooitje.

Zooals {evenals), vw. Doe uw broeder. Zoodanig, aanw. vnw. Een —e taal past u niet. Zoodoende, bw. — zult gij er niet komen, op die wijze.

Zoogdier, o. —en. De koe is een —.

Zoogen (voeden met melk). Ik heb gezoogd. Om 't (jongste kind) aan haar hart te —. (Ter Haar).

Zooi (menigte), x. Een aardig — tje, menschen van weinig beteekenis: een —tje schurken: '£ is me een —tje!

Zool (onderste lap schoen leer), v.; zolen. Fig. voet, poot.

Zoölatrie (dieren-aanbidding, -vergoding), v. Zoölogie (dierenleer), v. Dit boek is een —. natuurbeschrijving der dieren.

Zoölogiseh (dierkundig), bn. Een —e tuin, d.i. eén dierentuin: een — museum.


ocr page 333

ZOOLOOG ZUSTERLIJK.

30!)

Zoöloog {dierenkenner, dierenleerkundilt;je), m. zoölogen.

Zoom {rand. boord, kant), in. —en. De — eau een kleed, de — van een zakdoek, de — van een rivier, de — van een iveide, de — van het wond.

Zoomen (omboorden), ik heb gezoomd. Een doek —.

Zoomwerk (scheepsw. plankwerk), o. gtnv. Zoon. m. zonen of —s.

Zoöpliieten {plantdieren), m. mv.

Zoop je (teugje, slokje sterke drank), o. —s. ZoopjeNinan (slijter in sterken drank), in. —lui.

Zoor {droog, scherp, stram), bn. en bw.;

— Iieid, v. Èen —e bast, een —e tak, een —e huid, het —e zand.

Zooveelste (ranggetal), telw.

Zooverre, zoover, bw. Na zijn we Zorg. v. —en. Deze moeder heeft veel —. een zieltje of hartje zonder —, — voor iets drogen, er op letten, passen.

Zorgeloos {zonder zorg, achteloos), bn. enbw.;

— heul. v. Een — jongeling; zij stak, door a'eer en wind, het — neusjen in de Incht, dat onvoorzichtig kind. (De Génestet).

Zorgen (zorg dragen, waken voor), ik heb gezorgd: —er. m. God zal voor ons —: wees gerust, ik zal voor alles —; wij zullen — roor onze rechten; wie zal voor den zieke Zorglijk, bn. en bw.: —lieid. v. De toestand was zeer —, onrustbarend: een weduwe in —e omstandigheden achterlaten.

ZorgHtoel (leaningstoel), m. —en.

Zorgvuldig (oplettend, nauwkeurig), bn. en bw.: —lieid. v. Een —e verpleging, een —e opvoeding, vol oplettendheid: iets — afwerken. Zorgzaam, bn. en bw.: —lieid, v. Een — huisvader spaart voor de dagen van tegenspoed. Zot {dwaas, gek), bn. en bw.: — lieid. v. Zot. m. —len. Zij (Annet) schonk een — haar trouw (Staring), een dwaas; iem. voor den

— houden, gekscheren: hij speelt voor —, hansworst; elke — heeft zijn marot, elk heeft zijn stokpa:irdje, speelpopje.

Zotskap (kap met bellen), v. —pen.

Zotskap (persoon), m. en v. —pen.

Zotteklap (dwaze taal), m. gtnv.

Zottepraat {beuzelpraat), m. gmv.

Zotternij (dwaasheid, gekheid), v. —en. Zottin (gekkin, dwaze vrouw), v. —nen. Zont. o. —en. Vriendschap is het — des levens: achting is het — der vriendschap; een gesprek met Attisch — besprenkelen, geest, luim, humor; ik heb een zak — met hem gegeten, ik ken hem als vriend al zeer lang. Zont (van smaak), bn.; —lieid. v. Die soep is —. ZontelooN (hif, flauw), bn.: — lieid, v. Een

— gesprek, zonder pit, niet geestig.

Zouten, ik zoutte, heb gezouten. Het vleesch —.

met zout inwrijven; gezouten scherts, bijtende scherts; ik heb hem ongezouten de waarheid gezegd, grof.

Zonteviseh (labberdaan), v. gmv.

Zoutkeet (berei dp laats van zout), v. —en. Zoutvat, o. —en: —vaatje, o. —s.

Zoutwater (zeewater), o'. gmv.

Zoutzak (persoon), m. en v. —ken. Hij is net een —. een domme vent.

ZneSit {ademhaling), m. —en. Met nog een dieper — greep hij den borstel op. (C.O.); hij slaakte een —.

Zuelit (kwelling, ziekte, begeerte), v. De geel—.

de water -, de bleek—; — naar eer. — naar roem.

Zneliten. ik heb gezucht. Hij zucht er van, de wind zucht in het geboomte.

Zuehtig (ziek), bn.; — lieid, v. Mijn moeder is wat —.

Znid (ten zuiden), bw. De wind is —.

Znid (het Zuiden), o.: (de zuidel. streken), v. Zuidelijk, bn. en bw. De patrijzen trokken —. Znidelijken (naar het zuiden gaan), de wind is gezuidelijkt.

Zuiden, o. gmv. Dit Haantje wees naar hel —.

Znidenwiiid (wind quot;it het zuiden), m. —en.

Zuiderzee, v. gmv.

Zuidoost, bw.; (als zn.), o.

Zuidoostelijk, bn.

Zuidoosten, o. gmv.

Zuidwest, bw.: (als zn.), o.

Zuidwestelijk, bw.

Zuidwesten, o. gmv.

Zuidwester (breedgerande zeemanshoed of kap), m. — s.

Zuidzee, v. gmv. De stille —. Zuidzeevaarder {schip: gezagvoerder), m. —s. Znien (een kind in slaap zingen), ik heb gezuid. Znigellng {jonggeborene), m. en v. —en. Zuigen, ik zoog, heb gezogen; —er,m.; —ing, v. lets quot;it den du'nn —. iets verzinnen; de wind zuigt hier. het trekt hier sterk.

Znil (pilaar), v. —en. De — lag in puin; Nog ziet men (ouder di'ruïnen) —ens^mn(Staring); de —en der eendracht; de — van. den troon; de sociëteit Minerva geschraagd door ..de dubbelequot; — van dien broederlijken zin. (C. O.). Zuilenrij, v. —en.

Zniinen (verzuimen, wtluien), ik heb gezuimd. Zuinig {spaarzaam), bn. en bw.: — heid, v. Hij is — op den tijd: — met zijn woorden, karig; — leven. Fig. — kijken, boos zien, verbaasd kijken.

Zuip, v. gmv. Aan de— onmatig drinken. Zuipen (drinken van dieren), het paard zoop, heeft gezopen: —er. m.

Zuiplap (dronkaard), m. —pen. gmz.

Zuivel {alles, wat van de melk kooit), o. Dikwijls voert hij met zijn rwin,grazig — steewaart aan. (Poot).

Zni\er, bn. en bw.; —heid. v. De —e w lar-

heid: een —e ivinst; —e boter, natuurboter; —e wijn, —e cognac, onvervalscht: een — geweten, rein; de kust is —, zonder klippen of banken; de zaak is niet —. niet in 't reine. Zuiveren (reinigen, knischen), ik heb gezuiverd; —aar, in.: —ing, v.

Zult (hoofdkaas, hoofd vleesch). o. gmv. Zulten (m het zont leggen), ik heb gezult; —ing. v.

Zn It spek {gezouten spek), o. gmv.

Zundgat (gat, waar men het kanon afvuurt), o. —en.

Zuren, het heeft gezuurd. Het moet eerst nog —. goed voorbereid worden. Fig. Het is nog niet in 't vaatje, waarin het — moet. de zaak heeft haar beslag nog niet.

Znriglirid. v. gmv.

Zuring (moeskruid), v. gmv.

Zus (uklus), bw. Het was — of zoo. of hij lag onder don trein, het scheelde zeer weinig; de een doet het — en de ander zoo.

Zuster, zus (persoon), v. —ters, —leren. Zuster (gebak), v. —s.

Zusterlijk, bn. en bw. Zij deelde — met mij, als een zuster.


ocr page 334

ZUSTERSCHAP ZWELGEN.

310

ZiiMter.Hcliai» (de betrekking), o.: (vereeniyiny van zusters), v. —pen.

Zuur, o. zuren. Een haas in 'l — leyyen. Zuur. bn en b\v.; — v.

Zuurdreg (verzuurd deeg), o. gmv ZuiirdeeHeiii. m. gmv. Fig. werkend beginsel. Zuuriimil (persoon), m. en v. —en.

Zuurstof {bestanddeel der lucht), v. gmv. Zuiirtolt;»t (zuurkijkend persoon), m. en v. —toten.

Zwaai (keer, draai), m. —en. Mijnheer Kegge in een almaviva met een sierlijken — gedrapeerd. (C. O.).

Zwaaien, ik hel» en ben gezwaaid; —ius, v.; —haak izwei). m. Met den waaier —, bewegen; den schepter —. regeeren; met den hoed —: hij zwaaide uls dronken langs de straat, gieren.

Zn aan (zwemvogel), m. zwanen. Fig. dichten d»' Agrippijnsche —. Vondel; Vaucluser —, Petrarca; de Mantuuansche —. Virgilius; de herberg de —, in het tje, uithangbord. Zwaar, bn.en bw. Een zware last: — zuchten. Zwaarlioolcl, m. en v. —en. Den dokter een

— achten. (C.O.).

Zwaarlijvis;. bn.: —lieid, v. Een — heer, dikbuikig, corpulent,

ZwaaruiocdiK {droefgeestig), bn. en bw.;

— heid, v.

Zwaarte, v.; —kracht, v.: —puilt, o. Zwaartillend, bn.; —heid. v. Oude liede)t zijn —. donker inziend, pessimistisch.

Zwabber (scheepsjongen; ook scheepsdweil). m. —s. Schippersknecht, met den — hè, een mooi haantje! (C. O.).

Zwabberen (met den zwubber werken), heb gezwabberd. Ze ziju uan't—, dweilen,zeulen. Zwabberkapitein {jongen, die den zwabber moet. schoonmaken)^ m. —s.

Zwachtel (windsel, lange strooi. ), in. - s. Zwachtelen, ik heb gezwachteld: —ing;. v. Een wondje —. een kindje —, in een zwachtel winden, draaien.

Zwad, v.: zwaden. Zie Zwade. Zwadderslijm: fig. vergif van den laster), m. gmv.

Zwade, Zwad {hoeveelheid afgcmuaid gr us of koorn op een rij gelegd, een snede met zicht of zeis), v. zwaden.

Zwager (schoonbroeder), m. —s. Zwagersehap (vermaagschapping), v.en o. Zwak, o. —ken. lem. in zijn — tasten, zwakke zijde: ik heb daar een — op of voor, houd er veel van.

Zwak, bn. en bw.: —heid, v.; —jew. bw.; —te. v. Hij is lichamelijk —. geestelijk zedelijk —, een —ke candidaat, weinig onderlegd : een —ke gezondheid, wankelend; een —ke poging, onbeduidend: de —ke verbuiging. de —ke w.w.. spraakk.

Zwakkelijk (sul:kelend), bn. en bw.: —heid, v. Zwalkend'onddolen), ik heb gezwalkt: —er, m. Hij zwalkte lang op zee, varen.

Zwalp {gulp. golf. zeew. dikke ribbe), m. —en.

Zwalpen {golven), het heeft gezwalpt: -ing, v. Zwaluw, v. —en. Eén — maakt de lente niet. een goed teeken is niet voldoende: hij is een naakte —. een arme drommel. Zwaluwstaart, m. —en. Fig. een wijze van verbinding van hout.

Zwam (gewas), v. —men: (tonderstnf), o.gmv. Zwanedoim, zwanendons {zachte vederen), \

o. gmv. Een kleine mantilie met —zen rand. (C. O.).

Zwanenbloein (waterlisch), v. —en: —drilt, v. —en: —ei, o. —eren: —hal», m. —halzen. Zwanezang (laatste gezang of gedicht van een overleden dichter of toonkunstenaar), m. gmv. Dit is Da Costa's —. nl.de Slag bij Nienwpoort. Zwang {gebruik, gewoonte, mlt;gt;de), m. gmv. Dat is bij ons in —, bv. een kleederdracht, die algemeen is.

Zwanger, bn.; -«chap. v.

Zwans (staart), v. —en.

Zwarigheid, v. —heden. Der is — bij menheer. (C. O.).

Zwart. bn. en bw.: —heid. v. Wat kijkt hij —. zuur: men heeft u trachten — te maken, bekladden: hij zag — van den honger, de —e pest, de —e pokken.

Zwartbont, bn. Een —e koe.

Zwarte (neger), m. en v. —n.

ZwartekuiiHt (too ver ij), v. gmv.

Zwarten {zwart maken), ik heb gezwart. Zwartepieten (Av/r/rtópe/). ik heb gezwartepiet. Zwartgallig, bn.; —lieid, v. Een — man, droefgeestig, melancholiek.

Zwartkop, m. en v. —pen. Dit vogeltje is een —. grasmusch (trekvogel).

Zwartkrijt. o. gmv. De knaap teekentmet — ZwartlakeiiHch. bn. Een —e jas. eoi — puk. Zwartoog (persoon), m. en v. —en. Zwartsel, o. gmv. Zij poetst het fornuis me-1 olie en —. poeder uit verbrand dennenhout, verkregen.

Zwartzijden, bn. Zij droeg een — japon. Zwatelen (zacht ruischen, lispelen), het heeft gezwateld. Het — der hoornen: het luid ge-zwatel der stemmen. (C. O.).

Zwavel (lichtgele, broze stof), v. gmv. Zwavelachtig, bn. Een —e lucht, als zwavel. Zwavelen, ik heb gezwaveld: — ing. v. Een strooien hoed —. hem reinigen boven zwaveldamp: den wijn —. nl. het wijnvat zuiveren. Zwavelig, bn.: —heid, v. Een —e lacht. Zwavelstok (lucifer), m. —ken.

Zweem {lichte schijn), m. gmv. Een — run ironie, een — van schuld, een — van toorn: geen — van berouw, d. i. gelijkenis, bewijsje. Zweemen (min of meer gelijken op), het heeft gezweemd: —sel. o. Dat zweemt naar bedrog: dat zweemt naar het blauw.

Zweep. v. —en. Hij kent het klappen van de —. is volkomen met eenige zaak op de hoogte: met de — er achter zitten, voortjagen : een oude voerman hoort nog gaarne het klappen van de —.

Z wee pen (aanzetten ).ik heb gezweept: — ing. \. De orkaan zweept de wolken, vooruitjagen. Zweer (etterbuil), v. zweren.

Zweet. o. gmv. In het — des aanschijns. il zwoegende: het koude — brak haar uit eau angst: het klamme — stond haar op h?t voorhoofd.

Zweeten (uitwasemen), ik heb gezweet: — ing, v. Nieuwe muren —: het haas heeft erg gezweet, bloeden: etter en bloed —, erg in «Jen angst zitten.

Zweetvos (roodachtig paard), m. —sen.

Zwei (timm. beweegbure winkel hank). v. — en. Zwelen (het uitgespreide en gedroof/de h mi-gras bijeenharken), ik heb gezweeld; —er, m. Zwelg ihet zwelgen), m. gmv. Fig. slok.teug. Zwelgen (brussen), ik zwolg, heb gezwolgen: —er. m.: —erij. v.


ocr page 335

ZWELLEN

311

Z\V(.)0 KI).

Zwollen, liet zwol. is gezwollen: —iiiR. o- De zeilen —, zetten zich op: een wonde kan tien arm doen —; tig. mijn hart zwelt van vreugde, uitzetten, kloppen.

ZwemhlaaH (m visschen). v. —blazen: — broek,v. —en: -gordel.m. —s: —kuiiMf,v.

Zweiiiiiien, ik zwom, heb en ben gezwommen: —er, m. Daar 't vischje — moet (Spandaw); hij kan over de rivier —; de vloer zwom van wijn; de straten zironnnen van bloed; haar oofien zwoninien van tranen', hij lag in zijn bloed te —: zij — in weelde.

Zwenimens. bn. —e oogen. waterachtig. Zwendelen {oneerlijk handelen), ik heb gezwendeld: —aar, m.: —arij (bedrog), v. —en. Zwengel (wiek van een molen: arm vaneen pomp. ook wip van een put), m. —s.

Zwenk {draai. keer), m. —en. Ik zag hem met een —. schijntje: ik ben er in een —, ommezien.

Zwenken (draaien, keeren, zwaaien), ik heb en ben gezwenkt: —er, m.: — ing, v. De troepen zijn geoefend in het —.

Zweren (eed doen, ook vloeken), ik zwoer, heb gezworen. Trouw — oiin Vaderland en Koning: hij zwoer bij kris en kras, bij hoog en lang. dat hij onschuldig was: valschelijk —. een meineed doen: ik durf er op —; Hannibal zwoer den Romeinen een eeuwigen haat: Toen in de handen des Graven de red van trouw gezworen was. (Staring).

Zweren (etteren), het zwoor, heeft gezworen:

— intf. v. De wonde gaat —. een —de vinger. Zw erk (drijvende wolken), o. gmv. Hel koeltje

schoot uit 't kalme — (Staring): Gods Engel sprak tot het — en tot de waatren: ,. Verdelgt!quot;quot; (Staring). Het bonte —. (Staring). Zwerm (menigte), m. —en. Een — bijen, een

— sprinkhanen.

Zwermen, zij hebben gezwermd. De bijen gaan uitvliegen: de soldaten gingen — op 't platteland, rondloopen, azen: —er (land-looper), m. —s: —er (vuurwerk, voetzoeker). m. —s: hij is een zwerm geest, een vrijgeest, vrijdenker, w. g.

Zwerveling {die zwerft), m. en v. —en; voor het v. ook —e. Hij is een arme —: deZwervling ivaagt het open spoor tr drukken, dat naar den steenklomp wijst. (Staring).

Zwerven (omdolen), ik zwierf, heb gezworven; —er. m.: —ing. v. In vreemde landen —, op zei' —: ecu arme zwerver: —dehonden: —de —de volken.

Zwetwen (grootspreken, pochen), ik heb gezwetst: —er m.: —erij. v.

Zw even {zacht bewegen), ik heb gezweefd. De wolken — door dr lucht: Zweve aller harten zegengroet. den Koning met gejuich te )noet. (Staring): Acte/ine naakt zwevend; een —de gang: dat z reeft mij voor den geest. Zwezerik (vleeschspijs). m. —en.

Zwichten (scheepsw. de zeilen oprollen), ik heb gezwicht.

Zwiehten (wijken), ik heb en ben gezwicht. Hij moest — voor de overmacht, onderdoen; hij zwicht voor niemand.

Zwiepen, zweepen. ik heb gezwiept: —er. m.:

— ing (overhelling), v.: —end (buigzaam, veerkrachtig), bn.

Zwier (tooi), m. gmv. Dat mensch, hier vóór ons, welkeen — bij haar (de vorst i)i)l (Styring gt;. opschik, pronk: met edelen —. bevalligheid; zij volgen den —, mode: ze zijn aan den —. aan den draai.

Zwierbol (losbol), m. —len.

Zwierbollen (losbandig leven), ik heb ge-zwierbold.

Zwieren (een v rooi ijk en los leven leiden), ik heb gezwierd. Zij hebben d' n geheeleu nacht door gezwierd.

Zwierig (netjes, losjes, niet stijf), bn. en bw.: —Iieid, v. Een —e gang, een —e kleederdracht; een —e stijl, bloemrijk, opgeschikt. Zwijgen, ik zweeg, heb gezwegen: —er. m. Hij bracht den knaap tot —: iem. het — opleggen. fig. geheimhouding gebieden: laten wij daarover —. niet handelen; wie zwijgt, stemt toe, geen bezwaren opperen: iem. tot — brengen, hem uit het veld slaan: een batterij tot

— brengen, het vuur doen staken: spreken is zilver. — is goud. het is soms beter niets te zegtren: de wet zwijgt hiervan: de kronieken

— hiervan, enz., hiervan is niets te vinden in de wet, de kronieken, enz.

Zwijm (flauwte), v. gmv. In — vallen. Zwijmel (roes), m. gmv. In den — der vermaken.

Zw ijmeldronken (rluizeHg).hn. 't Bedwelmde volk ontwaakt, vermoeid en —. (Tollens). Zw ijmelen (duizelig worden, Ibmw vallen), ik heb gezwijmeld: —ing. v.

Zwijmen (bezwijmen), ik heb gezwijmd. Bal-semige luchten, waar dartlc nachtegalen in

— van vermaak. (Bild.).

Zwijn. o. —en. Hij is een —. vuilaardig mensch: werp geen paarlen voor de —en: Lgt;nneg. het trilde — der Ardennen.

Zwijnen (slecht leven). Hij heeft gezwijnd. Zwijnerij (f/rofe morsigheid, vuile taal), v. —en. Zwijnjak (lichtmis), m. —ken.

ZwijiiMliooI'd. o. —en. Hotel het — te Arnhem. Zwik (houten pin', ook wrijfhout), vo.: —je,o. Zwikgat (tapgat eener ton of k/.ip). o. —en. Zwikken (knakken, breken), ik heb en ben gezwikt. Zij liet het kind — d.i. achteroverslaan: mijn voet zwikte, omslaan. ZwikHtelling (aan eeti molen), v. —en. Zwilk (zekere geweven stof of tijk), o. gmv. Zw in (wad, droogte, kreek, kil,geul), o. —nen. Zw indel. zwendel (bedrog), m. gmv. Zwingel (braakstok voor het vlas), m. —s. Zwingelen (het vlas braken), ik heb gezwingeld; —aar, m.: —ing. v.

Zwingelkeet. v. —keten: —kooi. v. —en —H|gt;iian, v. —spanen.

Zwirrelen (snel vliegen), het heeft gezwirreld:

— ing, v. De zwaluwen — quot;ni mij heen: de pijlen vlogen —d door de lucht: ulleszwirrelde mij voor de oogen bij de snelle vaart.

Zwoegen (zwaren arbeid verrichten), ik heb gezwoegd: —er. m. Deze huisvader zwoegt voor de zijnen.

Zwoel {Zoel.u'arm).h\i.: -beid, v. Een —edag: een — lucht, drukkend: een —e zomeravond, afmattend warm bij stilte van wind.

Zwoord 'afgeschrabde huid van het wrrken), o. —en. Fig. Hij heeft — achter de ooren, hij is hardhoorig. wil niet hooren.


ocr page 336

AANHANGSEL.

I. NALEZING.

A.

Aam. vz. eu bw. Z)»* schilderij — den wand', het vuur is —; de boot is —; de kerk is —: ik 'rek mijn jas —.

AaiibelHmh'ii (ergens komen, toevallig vertoeven). ik ben er aanbeland.

Aan beren ueew. alle zeilen bijzetten), ik heb aanffebeerd.

AanbeHtoeleii. heb aanbestoeld. Een dijk —. in onderhoud geven.

Aandeelliebber {bezitter van ':ên of meer aandeelen\ m. —s.

Aanlok, m. gmv.; —king;, v. —en. Aanlokken (aankweeken. grootbrengen van vee), ik heb aangefokt.

Aangeeiitle (eigenaar van grond, gelegen aan een dijk. een tveg. een wetering), in. en v. —n.

AaiiKehaahi (in beslag genomen), bn. Een —e koe, d. i. door de kommiezen aangehouden. Aanbeland (ergens te land gekomen] ook met zijn eigendom aangeërfd), bn. Aangehonièn (dat), v\v. d. i. gesteld, verondersteld.

Aange/.et, vd. en bn. Een — mes. d. i. gewet, gescherpt; de wijn is —, vervalscht. Aaiiiflnipen. ik heb aangegluipt. lem. —.geniepig of steelswijs aanzien.

Aangorden, ik heb aangegord. Het harnas—, aantrekken, fig. den strijd beginnen; zich —, gereedmaken, toerusten.

Aanhaken (met een haak vasthechten), ik heb aangehaakt. Ken waggon —. AanhaliiiKHteeken (spraakk. ,, quot;), o. — Aanlioeven, het heeft aangehoefd. De overjas hoeft niet aan: de kachel hoeft niet aan: tie lamp hoeft nog niet aan. d. i. het is niet noodig, ze aan te trekken, ze aan of op te steken.

Aanjager (werkt, zuig- of perspomp eener brandspuit), m. — s.

A an kap, m. gmv. In Indië het kappen of vellen van hout om den voorraad te vermeerderen .

Aankappen (hout kappen, boo men vellen). ik heb aangekapt.

Aankrijgen, ik heb aangekregen. Ik kan die jas niet —, aan het lijf krijgen; ik kan dal vaar niet —. aan het branden krijgen. Aanlachen (toelachen), het lacht aan, heeft aangelachen. Het geluk lachte (loeg) mij aan: de fortuin lacht hem aan. d. i. is hem gunstig. Aanlanden (aan land komen), ik ben aangeland. Fig. Waar zijt gij aangeland, d. i. terecht gekomen? —ing. v.

Aanleeren (door leeren eigen maken), ik heb of het is aangeleerd. Een vreemde taal, een kunstje —, een ambacht —.

Aanleidend (veroorzakend), dw. en bn. Wat was de —e oorzaak'.' d. i. de grond, de bron. Aaninanen (aansporen, aanzetten, opwekken), ik heb aangemaand, lem. tot spoed, tot voorzichtigheid —.

Aaniiielden (aandienen), ik hel» aangemeld. Zich laten zich —, d. i. zich bekendmaken om iets te verzoeken, te eischen. te ontvangen. enz. Er hebben zich honderd sollicitanten aangemeld, d. i. opgegeven als mededingers naar een betrekking.

Aaninoedigen (aansporen, opwekken, moed inspreken), ik heb aangemoedigd. Aaninonding, v. De wijze, waarop men een blaasinstrument aan den mond zet (Fr. embouchure), muz. —en.

Aannemelijk (niet te verwerpen), bn. Op —e voorwaarden.

Anu\treekvii {aanpraten), ik heb aangepreekt. lem. een kleedingstuk —, zoolang praten tot hij het koopt.

Aanrekenen (op rekening stellen, lig. toeschrijven), ik hel» aangerekend.

Aanroep (bede, smeeking), m. gmv. Aanriikken (mil. naderen van troepen), ze zijn aangerukt. Laat nog een flesch —, ophalen, brengen.

AanHehaüen (koopen), ik heb aangeschaft.Zich iets —, zich voorzien van.

AaiiKiiorrem met een snor rend geluid naderen), het is aangesnord. De patrijzen kwamen —. AaiiNprakelooM, aanwpraakloo» («a/is/vma/.:, recht, grond missende), bn.

Aan.stoken (vuur aanmaken), ik heb aangestookt. Fig. opruien, aanhitsen.

Aantrede. Aantree (bouwk. de afstand der stootborden bijeen trap), v. —treden,—treeën. Aanvoerder (mil. bevelhebber), m. —s. Aan wellen (smed. aaneensmeden), ik heo aangeweld.

Aanzeilen (zeew. zeilend naderen), ik heb en ben aangezeild. Fig. waggelend van dronkenschap aankomen.

Aanxitten, ik zat aan, heb aangezeten, d. i, aan den disch, aan den maaltijd. Wij zijn aangezeten, wij zitten aan tafel, aan den disch. Aardbei (plantk. boschbezie), v. —sen. Aardglobe (aardr. in tegenstelling van hemel-of sterren globe), v. —s. — n.


ocr page 337

A A R DGO RDE L— B E LEG ER 1N G.

313

Aardgordel (aarclr. één der vijf zonen of luchtstreken), m. —s.

Arcouiitaiit {boekhouder), m. —s. Achterlaten {stervende naltiten), '\\i lieb achtergelaten: de man liet een vrouw met vier kinderen achter: verder: schulden bij vertrek onbetaald laten; sporen —, een iit-teekeu —.

Aeiiterleen (gesch. leen, dut van een hooger leen afhangt), o. —en; —man {houder van een achterleen), m. — nen.

Achterman (mil. het tegengestelde van voorman), m. —lui. —mannen.

Achterna (volgend, later, naderhand), Inv. Achternazetten (m allerijl achtervolgen), ik heb achternagezet.

Achterneef (verre neef), m. —neven.

Achternicht (nic/it in den vierden of vijfden graad), v. —en.

Achterste(/a«teie),m.env. —n. Ik tvas de—. Achtkant (lig. onbehouwen, /douii», bn. gew. Ad (ten, bij, met), vz. Commissie — hoe, d. i. met een bepaald onderzoek belast: — Inte-ritn, voorloopig, tusschentijds: — libitum. naar welgevallen, naar goedvinden; — notam nemen, in gedachten houden, opmerken: — patres gaan, sterven: — rem, ter zake, juist, gepast; — usum, ten geb ruike: — vit am. voor het leven (benoemd, aangesteld). Ademen (ademhalen), ik hel» geademd: bij dichters amen; in de spreektaal asemen. AdJiiNtahel (sport: verstelbaar), bn.

Aether (nat. de fijne boven- of hemellucht), m. AskIo meratie {sauwnhooping, opeenhooping), v. —s. —liën.

Agressiel' {aanvallend), bn. en b\v. Een —ieve houding: Griekenland ging — te werk. ApplaiHlta.Hemeiit (algemeene toejuiching), o. —en. Ook : upplaus.

Ara'oineter (nat. vochtweger), m —s. Zie Areometer.

ArchitectoniM'li {bouwkunstig), bn. Are {vlaktemaat. JOO M~, DMquot;), —n. —s. A reopatrns (gesch. hoog gerechtshof te Athene). m. gmv.

Armada (gesch. onoverwinlijke vloot 1588), v. gmv.

Armhaml (bracelet), m. —en.

Armbewtnnr (co/fóf/e van diakenen), o. —uren: —bezorger, m. —s: —hnw, v. —sen; — meeHter. m. —s; —wezen, o. gmv. ArmeiikaN (fondsen ran het armbestuur), v. —sen: —staat, m. gmv.: —wet, v. —ten: —school, v. —olen: —zakje (kerkezakje),

Armgcsmijde {gouden of zilveren armsie-raden), o. gmv. w.g.

Armlastig (ten laste eener gemeente als arme), bn. Die bedelaar is — te Utrecht. Armvol, o. armen vol. Een — hooi, twee armen vol hooi.

Artillerie-ot'ficier, m. —en ; -paard, o. —en; — park. o. —en: —school, v. —olen; —trein, m. —en; —vnnr. o. gmv.

Artsenij-bereider, m. —s: —kimde, v. gmv.: —menger, m. —s.; —winkel, m. —s.

Asceet (vrome ij veraar), m. asceten. Ascetisch {streng vroom), bn. FJen —e lerens-wijze.

Aschdag (R. K. aschwoensdag, de eerste dag der ip'oote vasten), m. gmv.

Aschgranw {aschkleurig), bn. De wegen waren — van de stof.

Attestatie (verklaring), v. —tiön. —lies; — de vita, verklaring van in leven zijn: — de mor te, akte van overlijden.

Attorney (rijksadvocant in Engeland), m. — quot;s.

(valstrik, misleiding), v. —s.

Aurora (fab. de dageraad, de morgenstond), v. gmv.

Anstraal-landen (aardr. landen bezuiden den zuidpoolcirkel), o. mv.

Australisch (zuidelijk, zuidwaarts), bn. De —e eilanden, tot het vastland Australië (Nieuw-Holland) behoorende.

Antochtonen (gesch. of fab. oorspronkelijke bewoners van Griekenland: van elk ander land), m. mv.

Avenant (naar), d. i. naar evenredigheid, b\v. Azalea {sierplant), v. —'s.

B.

Bakkersgild, o. —en: —knecht, m. —en; —leerling, m. —en: —oven, m. —s : —schotel,m.—s; — wagen, m.—s: — winkel, m.—s.

Bamboes {rieten wundelstok), m. —zen. BankiHiot (bankbilje'), v. noten. Barrevoeter (monnik, iemand die blootsvoets loopt), m. —s.

Basalten, bn. Een — beschoeiing, d. i. van basaltblokken.

Bataat' (Nederlander), m. Bataven: —sch. tie Bataafsche republiek (1795—1806).

Batavier (gesch. oudste be tvoner van ons land), m. —en. Komst der Batavieren (100 v. C.). Bcddedeken. v. —s: —llescli, v. —tlesschen; —goed, o.: —Jak. o. —jakken: —kleed. o. —kleeden; -kussen, o. —s; —laken. o. —s; —pan {verwarmer), v. —nen; —tijk {overtrek), v. —en.

Beddenkooper, m. —s; —maker, m. —s; — winkel, m. —s.

Be d ij en {d ijen. gedijen, z i ch uitzetten), is bedijd. Bed rij vend (doende, verrichtende), bn. en dw. Een werkwoord, tl. i. spraakk. een overgankelijk w.w.

Bedrinken (zich), hij bedronk zich. heeft zich bedronken, d. i. zich dronken drinken. Beduimelen (door aanrakinn met dlt;' vingers bevlekken), heeft beduimeld. Wat hebt 'jij dien brief bedui meld!

Beeldendienaar, m. —aars: -ilieiist. m. gmv.; -galerij. v. —en: —kramer, m.—s: —storm

(gesch. vernieling der beelden in de B. K. kerken in Vlaanderen. Aug. 1566), m. gmv. Beestachtig (nis een beest, leelijk). bn. Wat een — lawaai! -beid (dierlijkheid, laagheid). v. —heden.

Beestenspel (tent. wuarin wilde dieren te kijk zijn), o. —len: —temmer, m. —s. Begrazen (afweiden), zij hebben begraasd. Ik heb die weide laten —. het gras laten afeten. Begniehelen (misleiden), ik heb beguicheld. Zie Begoochelen.

Behalve {uitgenomen, buiten, zonder), vgw. Geef allen een prent — aan Piet: er waren tien personen — de Kinderen.

Beheksen {betooveren). ik heb behekst. Men heeft dat kind behekst, gmz.

Beiaard (klokkenspel, carillon), m. —s. —en. Beladderen iuud ladders beklimmen), ik heb beladderd. De eestingmnnr werd beladd»-rd. Belegering (mil. beleg), v. —en. De — van Sebastopol: —sgeschnt. o. gmv.: —sknnst, v. gmv.; —sspel (kinderspel op de wijze van


ocr page 338

RKLIIDKN

CYCLOON.

314

het damspel)) o. —len: —mwerktnig, o. —en. Beluideii. ook lgt;elui«'ii {ter begrafenis van iern. de klok lalden), hij beluidde (beluidegt;, heeft beluid.

HeuetXru i'imlaay.oiulei'). Igt;\v. envz. — ivunen.

— komen'. — den grond, —iem. staan, ondergeschikt aan iem. zijn: dat is — mij, d. i. mijner onwaardig.

Beiiefleiiliui.s. o. —huizen: —kamer, v. —s:

—h\\ IiuIn. bw.: —waart». b\v.

Berechten (lï. K. de laatste kerkerechten of sacramenten toedienen), ik heb berecht: —er. m. —s; —iiig, v. —en.

Beredeneerd, bn. Ken — nam. d i. die goed kan redeneeren: een ~e oplossing in de rekenkunde, d.i. verklarende: oen — verslag, d.i. met aanduiding der gronden.

BeHehennengel (1gt;. K. engcl-beivaarder, goede genivs), m. —en: —geewt. m. —en; —Rod, m. —en: —godin. v.—innen: —lieer. m.—en;

— vronw. v. —en: —heilige, m. —n. BeNcliieten {niet plankwerk bekleeden). ik

beschoot, lieb beschoten. Wij zullen het dak met planken —.

BesHiieten ihelpen.haten). het beschoot, heeft beschoten. Een paar galdrn zal er niet aan —. Bewehieten. de vijand beschoot, heeft beschoten. Een vesting —. d. i. er kogels, bommen in werpen.

BeHeliikhaar (over wien of wat beschikt kan worden), bn. De O. I. ambtenaar met verlof houdi zich —: —lieid. v. gmv. Besldniiiiering (fig. zorg. drukte), v. —en. Zich in allerlei —en steken.

Besnaren irnuz. van snaren voorzien), ik heb besnaard. Een viool —.

Beeneden, bn. Een fijn — beeld, bewerkt; een keurig — deurpaneel.

BeMiieemvd (met sneeuw bedekt), bn. Uf —e stratm: fig.grijs, wit van haar. E''n —e kruin. Bespiegelen (fig. beschouwen, overpeinzen), ik heb bespiegeld. De —de wijsbegeerte, in tegenstelling van de proefondervindelijke. Besprenkelen (met waterdroppels bespikkelen). ik heb besprenkeld. Het linnengoed —. Bestaanhaar (kunnende bestaan: lig. ver-eenigbaar met), bn.: —lieid. v. gmv. Bestelgoed {reisgoed, dat direct bij aankomst besteld moet worden), o. —eren.

Bestelhuis ('/lt;?/)»gt;/, verzamelplaats).o. —huizen.

Het — van den boekhundel.

Bestijgen {beklimmen. lt;gt;p iets stijgen), ik besteeg. heb bestegen. Eru paard —. ern berg —. Bestoven {)uet stof bedekt, fig. half dronken), vd. en bn. Een — schoorsteenmantel: een — sta dent je.

Betaalmeester {ambtenaar, die de rijksgelden 'uitbetaalt in de hoofdsteden der provinciën), m. —s.

Beterhand, v. gmv. Dc zieke is aan de —. d. i. herstellende.

Bezinken {doorzakken), het bezonk, is bezonken. Bier, wijn. azijn doen —. helder doen worden door stilstaan: —ing. v. —en; —sel, o. —s.

Bezoden iïnet zoden beleggen), ik heb bezood. Een perkje —. een plaatsje —.

Bijn i\i\\i\(toenaam,ook spot naam ).m.—namen. Lodewijk de Vrome. Haas Ganzendonk had den — van baron.

Biologeeren (door biologie bewerken, van alle wilslcracht bern'weu. betooveren). Ook: Oinlogizeeren.

Biologie {beneveling, kunstbewerking ivaar-door de wilskracht van den mensch ter zijde wordt gesteld, wordt geneutralizeerd), v. gmv. Bleekerij (inrichting tot het bleeken van goed). v. —en: —sliond, m. —en; —swagen,m. —s: —loon. o. —en: —ster.v. —s: — veld,o.—en. Boekbinden, o. gmv.: —binder, m. —s: — binderij, v. —en.

Bttekdriikken. o. gmv.; —drukker, m. —s: —drnkkerij. v. —en.

Bolvormig, bn.: —beid, v. gmv.: —e-drie-lioeksmeting. v. gmv.

Boinbeeren {bol maken, opval len). De ruggen dier stoelen zijn gebombeerd.

Bomgat (spongat van een bio'ton), o. —en. Bontwerker {fabrikant van bontwerk-, van pelzen), m. —s: —skneebt. m. —en; —s-—winkel, m. —s.

Bouwval (ruïne), m. len.

Bnitenlandseb. bn. Een —e reis, in het buitenland: minister van —e zaken. Bnitensdijks, bn.: —bui», bw.: —lands, bw. De akkers liggen —: hij werkt —: hij reist —. Buizerd (muizenvilk), m. —s.

Bulderaar (schreeuwer, tierder). m. —s: —ster. v. —s.

C.

('andidaats-exanien. o. —s en —examina. Canvas (sport, grof linnen bij reparatie van wielbanden, lees: ken'ves). o. gmv. Centerboor (timm. boor voor groote (juten). v. boren.

Champagne (spuitwijn), m. gmv.

Cbanson (lied, zang), v. s. [gmv.

Cbantage (geldafpersing, geldafdreiging). v. Cliinipansé {groote aap, de Afr.orang-oeturi), m. —'s.

Cbristenbeid {de gezamenlijke christenen), v. gmv. In den eersten kruistocht stond de heele — onder de wapenen. —nienseli. m. —en: —vronw. v. —en: —land. o. —en. Cliristin {belijdster der chr. leer), v. —nen. Cilinder (zuil. rol. rolrond meetk. lichaam: hooge hoed), m. —s. Zie: Cylinder.

Classis (Herv.. eenige hervormde gemeenten vormen een ring: eenige ringen vormen een —). v. classes.

Coneours-bippiqne (sport, wedstrijd te pnord. rij wedstrijd), o. concoursen-hippiques. Conditie {in — komen, d. i. sport, op streek komen), v.

Conletti (kleine gekleurde pajliertjes, waarmede men elkaar op carnaval werpt), v. enkelv. en mv.; ook: confetti's. Construetie-wiiikel (mil., werkplaats te Delft voor wapens enz.), m. —winkels. Consnl-generaai {algemeen consul), m. consuls-generaal.

Coi'oner (lijkschouwer), m. —s.

Ctiiipe (snit, snede van een kleeding stuk), v. —s. Con fiense (snijdster, kleermaakster, kul pst er \ v. —s. Zie: Coupe en Coupeur.

('onpure {snede, insnede: mil. verschansing). v. — s.

Craek (sport, uilslekend wielrenner, lees: krek), m. —s.

Cranek (sport, kruk van de trapas van een pets. lees: krenk), o. —s.

Crunek-braeket (sport, trapas-stak), o. —s, Cyeloineter (sport, afstandsmeter), ni. —s. Cyeloou (kringstorm in \V. [.). m.: cyclonen.


ocr page 339

DAAGS -GEESTDRIJVEK.

31.quot;

D.

DaasH (per day. lederen day. een day). b\v. Hij verdient een gulden —: — schijnt de zon', hij kwam — te voren, den dag te voren.

Daa^M'li. bn. Een —e jas. voor den werkdag: een —e hoed.

Daag.ster (rechtst. eiseheres. klaagster), v. —s.

Daar (op die plaats), bw. L'w hoed liyt —. —aan. —aelifer, —beneden.—bij.—hoven, —entegen, —been, —toe. —voor, enz.

Daarzlt;»iHler. bw. Ik gebruik een bril. en — kan ik niet lezen. w. lt;x.

Dambord (geruit bord waarop het damspel gespeeld wordt), o. —en.

DeelacbtiK (deel hebbende aan afin), bn. Om Gods genade — te worden.

Deels, bw. Dit mengsel bestaat deels uit goud, deels uit zilver.

Dekmantel (fig. glimp, voorwendsel), m. —s. Onder den — van godsvrucht.

Delegatie, v. —s. —tiën. Zie Delegeeren.

Dekriet (oekstroo op een boerenhuis), o. gmv.; —wtroo, o. gmv.: —Mtnk (bouwk. waterbord, schoeiing), o. —ken: —verf [grondverf), v. I —verven.

Denkkracht ( vermogen van den geest), v. gmv.; —vermogen, o. gmv.

Denleliall'. telw. Het kost —huiven gulden. d. i. f 2.50.

DeMgelijkH (op dezelfde wijze, evenzoo), bw. Uw broeder handelde braaf, doe gij

Dienares {dienende vrouw), v. —sen. Fig. buiging.

DieiiMlbaar (dienende, ondergeschikt), bn. Dit meisje is —; de —are stand: een volk — maken, onderwerpen, —beid (schatplichtigheid), v. gmv.

Dierbaar (waard, lief), bn. Een — pand, een —ure gedachtenis: —beid, v. gmv.

Dievenbende, v. —n; — jaelit, v. gmv.; —lantaarn (—taren), v. —s: —leider, m. —s: —rot, o. —ten; —taal, v. gmv.

Direetenr-generaal (algemeen directeur), m. directeurs-generaal. De — der staatsspoorwegen.

lyiHt'ivluun koppelvers, tweeregelig vers), o. —s.

Donderdag, rn. —en: —bw.: —mcIi, bn. De raad vergadert —; dquot; —markt.

Donkerblaim'. bn. Een —e japon: een —e overjas. Als znw. o. Evenzoo —brnin. —geel. —grain \v, —grijs, —groen.

Donzig (donsachtig), bn. Een — bed, een — nest.

Dood a!'(doodmoede), bn.: —arm (straatarm), bn.

Doodbloeden (sterven door verbloeding), is doodgebloed. Het zul wel —: tig. dat praatje zul wel —. op niets uitloopen. vergeten worden.

Dood.sangHt (fig. erge angst), m. —en: —gevaar, o. —aren; —.strijd, m.: —stnip. v.—en; —nnr, o. —uren: —zweet, u.

Doodseb (akelig, naar, eenzaam), bn. Een —e stilte, een —e weg. wat is het hier —

Doodstroom (scheepst. dood-tij), m. —en.

Dooilverl' (grondverf, eerste uunley eener schilderij), v. Hier zijn twee —verven van dat portret.

Dooier (het geel van een el), m. —s. Zie Door.

Dorpeling {bewoner van een dorp), m. —en.

Dorpsbestuur, o. —sturen: -herberg, v. —en: —leeraar (dominee), m. —s, —aren; —sebool. v. —scholen.

Dra (spoedig), bw. II,- zal — komen.

Drijfhout (in zee drijvend hout), o. gmv.; —ijs. o. gmv.: —zand (welzand langs de kust bv. van Bretayne), o.

Dnbinni (de twijfel, het punt van twijfel), o. dubia. In dubio, in twijfel.

Dnivenboon. v. —en; —drek. m.: —ei. o. —eren: —hok. o. —ken: —kervel (plant),r.:

— kot. o. —ten: —markt, v. —en: —melker (opkweeker van duiven), m. —s; —slag. o. —slagen: —til, v. —tillen: —vlnebt (een (tantal duiven samen vliegend), v. gmv.

Dwarste, v. gmv. Iets in de — doorsnijden. d. i. overdwars.

Dynamiet (ontploffende stof. achtmaal sterker dan kruit: hoofdbestanddeel nitroglycerine). o. gmv.

E.

Kdelaardig (edel van aard), bn.: -beid. v. Kenerhande (d zelfde, hetzelfde), bn.; —lei (gelijksoortig). bn.

Kenhoofdig, bn. Een —e regeering, d.i. de monarchale.

Herbaar (kuisch, rein), bn. Een —ure levens-ivandel. oneerbare tnal: —beid, v. gmv. Eerelid (lid van verdienste), o. —leden. Hij is — van dat gezelschap.

Kereteeken, o. —en, —s: —titel. m. —?:

— uaeht. v. —en; — wijn, m. gmv.: — woord. o. Kerloos (zonder eer: fig. hnig), bn. Hij werd

— verklaard: een —ze daad.

leiders (op een andere plaats, niet hier), bw. Knainel (sport, email, verglaassel, ghtns, lees: e-naam'l), o. gmv.

Erfdeel, o. —en; —enis. v. —sen; —genaam. m. —genamen: —goed. o. —eren: —huis (boedelhuis), o. —zen; —later (die laat erven, testateur), m. —s; —\ni\tntrr(testatrice).v. —s. Hrfprins (oudste zoon van den kroonprins). m. —en: -stadhouder, in. —s: —vorst. m. —en: —vorstendom, o. —men: —tante (die laat erven),—s. Erftante Annet. (Staring). Kii'fzonde (aangeboren zondigheid), v. gmv. Krgje, o. gmv. Dat doet hij op een —. d. i. met zeker oogmerk.

Ivsoteriseh (geheim, enkel voor ingewijden bestemd), bn. Een — standpunt.

Expeditie (krijgstocht, krijgsonderneminggt;. v. —s, —tiën.

E\ploitatie-niaatsehappij. v. —en. De — der staatsspoortvegen. Zie Kxploitatie.

F.

I'aiina (de wereld der dieren), v. gmv. Kignnr (houding), o. Een goed maken. Firmant (handel, lid eener firma), m. —en. Full •roadster (sport, zware wegmachim', lees: foel-roodster), m. —s.

Frame (sport, buizenstel, lijst, omraming d.-r fiets, lees: freem), o. —s.

G.

(■aarde (tuin), v. n. Een dier .

taearing (sport, versnelling, lees: gie-ring). v. (■eengageerd (verloofd, verbonden), bn. '/. zijn —.

(■eèngageerden (verloofden, verbondenen), m. mv.

(■eestdrijver (dweper, godsdienstel ijl: ver-


ocr page 340

GEESTENDOM—PARALLEL.

316

blinde), m. —s: — diijlster, v. —s: —drijverij

{blinde geloofsijver), v. gmv.

lt;*ee(!«teii(loiii {de eiujelen, Iwoyere wezens), o. gmv.; —leer (de leer van het spiritisme), v. gmv.: —rijk (7 gebied der geesten, ook gees-tenwereld), o. gmv.: —ziener (merffmrt), m. —s.

CïroH {de menigte, het grootste deel), o. gmv. Het — der menschen; het — van het leger: in 't —. ruim genomen.

H.

Haarlijn (uiterst lijn), bn. en b\v. Ken — onderscheid: iets — ontleden.

Ilandieap (sport, wedstrijd, lees: hendikep), m. — s, d. i. een wedstrijd met vóórgift (in tijd. a:stand, gewicht) aan de zwakkeren.

Ilandirapper (sport, voórgiftregelaar, lees: hendikepper), m. —s.

llerwaartH {naar hier, noar deze zijde), bw. Hij komt —.

IlippiM-li {tot tie paarden behoorende, of in betrekking staande), bn. —e spelen, —e feesten.

I.

Iniprf'fNario {opera- of zangondernemer), rn. —'s.

Inche (sport, 112 voet: ruim lees:

intsj), v. —s.

Inloopen (sport, een voorgift — 1, d. i. bijhalen.

Irade ( Turksch keizerlijk decreet), v. —quot;s.

J.

Jennesse doree {eig. vergulde jeugd. d. i. pronkers, modefatten), v. gmv.

K.

Kaaidraaien, kadraaien {aan- en afvaren longs de schepen om waren te verkoopen), ik heb gekaaidraaid; —er, m. — s.

Kapel (korps muzikanten), v. —len.

Kapelmeester (orchest-directear; hoofd van »'en korps militaire muzikanten), m. —s.

Kliniek (geneesk. inrichting bij een academie, waar de medische studenten de ziekten aan bed kannen bestudeeren). v. —en.

Klinisfli. bn. Een —e les, welke in een hospitaal bij het bed der zieken gegeven wordt.

Korist {koorzanger in de opera, lid van een zangkoor), m. —en. KoriNte. v. —11.

Kroonprins (vermoedelijke troonopvolger), rn. —en. Onze beide —en stierven jong.

Kriiiser (marine, kruisend schip), m. —s.

L.

Lama (Peruaansch schaap), v. 's.

Lap (sport, baanronde, lengte der dikwijls te doorloopen baan bij een wedstrijd, lees: lep), rn. of v. —s.

Lappen (sport, een baanronde, il. i. 1 4 Eng. mijl inhalen, lees: leppen), ik heb gelapt.

Leidins; (sport, de — op zich nemen), d. i. voorrijden en daardoor onwillekeurig pace-inaken voor anderen.

Lilt {stijgwerktuig in hotels, enz.), v. —en. Fr. ascenseur.

Lifflit-roadHter (sport, lichte toermachine. lees: lait-roadster), v. —s.

Liniitnian (sport, de rijder met de grootste voorgift, lees: lim'itmen), m. —s.

Lnhricant (sport, smeermiddel voor de ketting der fiets), 0. gmv.

Lynrlien (eigenmachtig zonder proces vonnissen en do oden in X. Amerika, tegen het einde der We eeuw in zwang gekomen, aldus genoemd naar John Lgnch: lees: lint-sjen), ik heb gelyncht; lynrliwet (volksjus tit ie), v. —ten: lyneligereêlit (volksrecht), 0. —en.

M.

Maaedenpalin (sierplant met blauwe of paarse bloemen), v. —en.

Maagdenwas (een harsachtige stof door werkbijen a it de knoppen der boomen en planten verzameld om daarmede de openingen van den korf te dichten), 0. gmv. Malkaar (afbreken: malk-aar), vnw. Zij bedriegen —. d. i. elkander.

Malkander (afbreken: malk-ander), vnw. Zij bederven —s werk.

Match (sport, wedstrijd, lees: metsj), v. —es. Mediscli (geneeskundig, tot de geneeskunde behoorend). bn. Een — advies, een — student, de —e faculteit.

Mile «spurt, Engelsche mijl = 1669 M., lees: mail), v. —s.

Monocle (bril bestaande uit een glas), v. s. Motor (eig. beweegkracht, beweger, d. i. machine), m. —en. —s. Een gas—: de electro-magnetische —.

Mnhiplet (sport, rijwiel voor 1 neer personen), lees: mal'tiplet), o. —s.

N.

Xienweniaaii {donkere maanzijdé), v. gmv. Xienwerwetw (naar den laatsten smaoA'), bw. Zich — kleed en.

\ienwerwetscli. bv. Een —e japon: de —e mode volgen, d. i. de hedendaagsche.

\ienu gebonden (pas ingebonden), b::. Een

— boef,-werk; —geboren, bn.; de —geboren dag: —gebouwd, bn.: —geinnnt, bn.

Nieuwspapier (krant, dagblad),o. —en. —eik boeken rek laat ik liefst met vrede. (De Gén.).

O.

tMirantenjaelit, v. —en: —jager. m. —s;

— kraal (perk voor getemde olifanten), v. —alen; —vanger, m. —s: —vangst, v. gmv.

tHilantsorde {ridderorde in Denemarken en Siam), v. — n.

tMilantspapier (zeker groot soort van papier), 0. gmv.

(Hirantstand (een der slagtanden, grondstof van ivoor of elpenbeen), m. —en. Opportunist (aanhanger der opportuniteit; hij, die de gelegenheid weet waar te nemen), m. —en.

P.

Paee(sport, snelheid, gang, lees: pees), v. gmv. Pacen (sport, gang nutken, lees: peecen), ik heb gepaced.

Vnveninliei' {spovi. gu ngma ker,voorrijder,\ees: pees'-mee-ker), rn. —s.

Parallel (vergelijking: breedtecirkel),v.; - len.


ocr page 341

P KNSIO EN FOX U.S WO ULO-BE.

317

IViiHioeiiloiKlH (rijkskas of priraatbenrs lot pensioneering), o. —en.

Piëteit (vroomheid, rereerin/j). v. gmv. Zie Pietisme.

Pince-nez (neusknijper, hrih. in. pince-nez. Plavuis (leemen of gebakken vloertegel), v. plavuizen.

Podium (eig. een optred: een verhevenheid)^ o. —s.

Polikliniek (stedelijke heelkunde: ziektebehandeling in een kliniek van stadswege), v. —en.

Prolewsional-njder, ook -amateur (sport, beroepsrijder. lees: pre fes'sio nel), in. —s. Pro|)liylm'tiN('li (geneosk. verhoedend, voorkomend, afwendend), lm. —e maatregelen.

Q.

(Iiiaflrnph't (sport, rijwiel voor vier personen.

lees: kwa'drupiet), o. —s.

Oiiiiitnplct (sport, rijwiel voor vijf personen), o. —s; lees: kwin'ti-oe-plet.

R.

Raad (raadgeving), m. gmv. Met — e)i daad ter zijde staan, d. i. in elk opzicht helpen, niet alle middelen steunen.

Rare (sport, wedstrijd met voorgift. lees: rees), v. — s.

Raein^iiian (sport, wielrenner, lees: ree'cing-tnen). m. racingmen.

Recent (nieuw, pas gebeurd), bn. Dat feil is van —en datum.

ReHierHie iafdeeling der politie, welke zich onledig houdt met opsporing, nuvorsching). v. Zie: Reelierelieereii.

Record (sport, het hoogste of beste, lees: rek'-ed), o. gmv. Het — slaan, alle vroegere snelheid overtreffen door een bepaalden afstand in den kortstbekenden tijd af te fietsen. Rerereiidiini (verslag: uitslag: stemming), o. —s. ad —, om er verslag van te doen. Reiereiitien (inlichtingen, aanwijzingen, aanduidingen). v. mv.

Rem (werkt, mechaniek om wagens of waggons in hun loop te doen vertragen). \. —men. Re.servet'onds (kas tot dekking van onvoorziene uitgaven; spaarkas), o. —en. Reserve-kader (mil. n'wuwe af deeling voor lotelingen, die onder voordeelige voorwaarden dienen), o. gmv.

Roadster (sport, toermachine, lichte fiets. lees: rood-ster), v. —s. Een — safety, d. i. een solide fiets voor groote tochten. Royeeren. zie Rayeeren. fem. — als lid een er sociëteit.

S.

Safety (sport, veiligheids-twee wieier, gewone lage'fiets, lees: sei'-fetie), v. —'s.

Sanctie (bevestiging, goedkeuring, bekrachtiging), v. gmv. Zie Saiictioneeren. Sclieerlins: (dolle kervel, giftplant), v. gmv. Scliiiilnaam {moderw term voor pseudoniem). m. —namen. Karei Maria Polgdoor is de — van Pol de M'Oit.

Scratch (sport, streep, krap. beg in lijn. tneet, lees: skretsj), v. —es.

Se\tuplet (sport, rijwiel voor zes personen, lees: seks'-ti-oe-plet). o. —s.

Slangenwortel (plant), v. gmv.

Sprinter (sport, snelrijder op kleinen afstand, van 10—i') K.M.), m. —s.

Spurt (sport, korte en plotselinge inspanning). o. gmv.

Spurten (sport, aan het eind krachtig aanzetten. zich allerkrachtigst inspannen bij d ■ laatste ronde in den wedstrijd), ik heb gespurt. Smetziekte {besmettelijke ziekte), v. —n. Start (sport, punt van vertrek, aanvang, lees: staat), m. —s. Zes rijders verschenen aan den —, punt van afrit.

Starter (sport, hij die bij den wedstrijd het sein tot den afrit geeft, lees: sta-ter), m. —s. Stations-einplacement (terrein om of voor

een station), o. —en.

Stayer (sport, snelrijder op de lange baan. lees: stee er), m. —s.

Successievelijk yachtereenvolgens). bw. Zie: Successief.

T.

Tandem (sport, rijwiel voor twee personen. lees: tend'm). m. —s.

Team (sport, stel rijders: in het cricketspel een groep van dertien personen, lees: tiem), o. —s.

Telefoon, teleplioon (verspreker), v. —onen. —draad, m. —draden: —lijn, v. —en:

— huisje {kiosk om te telefoneer en), o. —s. Telefoneercn. telephoneeren (door de telefoon spreken), ik heb getelefoneerd. Termieten (witte mieren), m. mv. Timekeeper (sport, tijdopnemer bij wedstrijden. lees: taim-keep'r). m. —s.

Trainen (sport, oefenen, ujaarbij vaste leefregel, lees: treenen), ik heb getraind. Zich Trainer (sport, hij die de oefeningen leidt, drilmeester, africhter, lees: treen'r), m. —s. Triplet (sport, rijwiel voor drie personen. lees: tripVt), m. —s.

Tricycle (sport, driewieler, lees: traisik'h, m. —s.

Tuhe (sport, huis. pijp, lees: tj-oeb'). v. —s.

V.

- n

Vedas (heilige boeken der Hindoes), m. mv. Velodr(»me (sport, wielerbaan, overdekte baan voor wielrijders), o. —s.

Versteld {verbaasd, nnthntst), bn. Wij stonden —.

Vogelperspectief (teekenk.», o. gmv. Hier hebt ge Parijs in — of in — geteekend. d. i. gelijk een vogel, op de wieken hangende, de stad ziet.

W.

Would-he (valsch, zoogenaamd), bn. Ee, — hervormer, een — letterknndige, een —Jager (zondagsjager).


ocr page 342

SYNONIEMEN.

11. S Y N O N I E M E N. 0 ' ZINVERWANTE WOORDEN.)

Aaien — pluimstrijken — streelen.

Aanbelangen — betretlen — belangen — aangaan.

Aanbetrouwen — toebetrouwen.

Aanbevelen — aanprijzen.

Aanbidden — vereeren.

Aanblikken — aanschouwen — aanstaren — aanzien — aankijken — aangapen.

Aanbreken — aanvangen.

Aanbrengen — aandragen — aanhalen — aan-sleepen — aanvoeren.

Aanbrengen — aangeven — overbrengen — overbrieven — verklikken.

Aandacht — oplettendheid — opmerkzaamheid.

Aandac itig — oplettend — opmerkzaam.

Aandeel — deel — gedeelte.

Aandeelhouder — deelgenoot.

Aandenken — gedachtenis.

Aandienen — aanmelden.

Aandoen — roeren — schokken — treilen — raken.

Aandoen — omdoen — aantrekken — omslaan.

Aandoen — aanranden — aanvallen — aangrijpen aanpakken — aantasten.

Aandoening — gevoel — gewaarwording.

Aandoenlijk — gevoelig.

Aandrang — nadruk.

Aandrift — aansporing.

Aandrift — instinct — geestdrift.

Aandrijven — aansporen — aanvuren — aanwakkeren.

Aanduiden — aanwijzen — aantoonen.

Aanfokken — aankweeken — aanplanten — aanpoten — aantelen.

Aangaan — aanloopen.

Aangaan — tieren — razen — leven maken — uitvaren.

Aangaande — nopens -- omtrent — rakende.

Aangapen — zie aanblikken.

Aangeboren — ingeschapen — aangeschapen.

Aangedaan — bewogen — getroffen — geroerd — geschokt.

Aangehuwd — aangetrouwd.

Aangelegen — aangrenzend — aanliggend — belendend.

Aangelegenheid — zaak.

Aangemerkt — aangezien — vermits — dewijl (wijl) — doordat — omdat — nademaal.

Aangenaam — liefelijk — lief — bevallig — behaaglijk — bekoorlijk — aanlokkelijk — pleizierig.

Aangenomen — ondersteld — indien — bijaldien — gesteld (dat).

Aangezicht — aanzicht — aanschijn — gezicht — gelaat — wezen.

Aangroeien — aanwassen — toenemen — grooter worden — vermeerderen — zich uitbreiden — zich vermenigvuldigen.

Aanhalen — aanlokken — aantrekken.

Aanhalen — aanhouden — bekeuren — beboeten.

Aanhang — bende — fractie — partij.

Aanhangen — volgen — voorstaan.

Aanhanger — volgeling — voorstander — medestander.

Aanhangsel — bijvoegsel — bijlage.

Aanhechten — aanbinden — aanknoopen — aanvoegen — bijvoegen.

Aanheffen — aanvangen — beginnen.

Aanhitsen — ophitsen — aansporen — aanstoken — aanzetten — aanvuren.

Aanhooren — toehooren — luisteren — toeluisteren.

Aanhouden — volharden — volhouden.

Aanhoudend — bestendig — blijvend — duurzaam — gedurig — gestadig — onafgebroken*— onophoudelijk — voortdurend.

Aankanten (quot;zich) — verzetten (zich) — weerstaan — weerstreven.

Aankleeden — kleeden (zich) — aantrekken (zich).

Aankleve — aanhoorigheid.

Aankleven — gehecht zijn — verknocht zijn.

Aanknoopen — aanhechten — aanbinden.

Aankomen — komen — naderen.

Aankondigen — aanmelden — aandienen — aanzeggen — bekend maken — berichten — kond doen.

Aankondigen — voorspellen — voorzeggen.

Aankweeken — aanfokken.

Aanlachen — toelachen.

Aanlanden — belanden — landen.

Aanlangen — aangeven — aanreiken.

Aanleg — geschiktheid — gave — begaafdheid — talent.

Aanleggen — bouwen — stichten.

Aanleggen — mikken — toeleggen.

Aanleggen — ontwerpen.

Aanleggen — pleisteren.

Aanleiding — gelegenheid — oorzaak.

Aanlokkelijk — aangenaam.

Aanlokken — aanhalen.

Aanloop — toeloop.

Aanloopen — aanhouden — duren.

Aanmatigen (zich) — toeëigenen (zich) — toeschrijven (zich).

Aanmelden — aankondigen.

Aanmelden (zich) — aandienen.

Aanmerkelijk — aanzienlijk — merkwaardig — opmerkelijk.

Aanmerking — bedenking — opmerking.

Aanmerking nemen (in) — acht geven op — acht slaan op — letten op — overwegen.

Aanminnig — aanvallig — aardig — aanmin-nelijk — beminnelijk — lief — innemend — lieftallig.

Aanmoedigen — bemoedigen — moed geven — moed inboezemen — moed inspreken.

Aannemen — opnemen.

Aannemen — krijgen — ontvangen — overnemen.

Aannemen — aanvaarden.

Aanprijzen — aanbevelen.

Aanraken — aanroeren — aantasten — betasten — bevoelen.

Aanranden — aandoen — aanvallen.


Voor de studie van de meeste dezer synoniemen /ie men Hundivoordenhoek van Neder-landsche synoniemen ^ door J. V. Hendriks. Met een voorrede van Dr. J. H. Gallée. Tiel D. Mijs, prijs f 2,50. Zij worden hier gegeven als een logische groepeering.

ocr page 343

310

Aanrichten — veroorzaken — teweegbrengen. Aanroepen — bidden — smeeken.

Aanroeren — aanraken.

Aanschaffen — aankoopen — inkoopen — verschaffen (zich) — verwerven (zich). Aanschouwen — gewaarworden — waarnemen — zich voorstellen.

Aanschouwer — toeschouwer.

Aanspannen — inspannen — voorspannen. Aansporen — aandrijven.

Aanspraak •— toespraak — rede — redevoering. Aansprakelijk — verantwoordelijk.

Aanstaan — behagen — bevallen.

Aanstalten — toebereidselen.

Aansteken — opsteken — ontsteken — in brand steken.

Aansteken — besmetten.

Aanstekend — aanstekelijk — besmettelijk. Aanstellen — benoemen — beroepen. Aanstoken — aanhitsen.

Aanstonds — dadelijk — aldra — dra — eerlang — gauw — onmiddellijk — onverwijld — spoedig — ras — op staanden voet.

Aanstoot — ergernis — ontstichting.

Aantal — getal — menigte — tal — hoeveelheid. Aantasten — aandoen — aanranden — aanvallen.

Aanteekenen — opteekenen — opschrijven — boeken.

Aanteekening — aanmerking — noot.

Aantijgen — aanklagen.

Aantoonen — aanwijzen — doen zien. Aantreffen — ontmoeten — vinden.

Aanvaarden — aannemen — op zich nemen. Aanvallig — aanminnig.

Aanvechting — verzoeking — bekoring — ver- ^ leiding.

Aangehuwd — verwant — bloedverwant. Aanwakkeren — aandrijven.

Aanwas — aanspoeling — aanslibbing — aan-sl ij king.

Aanwenden — besteden — gebruiken — bezigen — zich bedienen van — zich ten nutte maken.

Aanwensel — gewoonte — hebbelijkheid. Aanwezen — aanzijn — bestaan — leven. Aanwezend — aanwezig — tegenwoordig. Aanwijzen — aanduiden.

Aanzienlijk — achtbaar — eerbiedwaardig — eerwaard — voornaam.

Aanzoek — verzoek — bede.

Aard — geaardheid — natuur — karakter — inborst.

Aarde — aardbodem — aardbol — aardrijk — wereld.

Aardig — koddig — kluchtig — geestig — vernuftig — zinrijk.

Aardigheid — grap.

Aardsch — wereldsch.

Aarzelen — weifelen — schromen — zich bedenken — talmen — dralen.

Aas — voeder — voedsel.

Acht nemen (zich in) — zich wachten — zich hoeden.

Achteloos — onachtzaam — onoplettend — slordig.

Achten — schatten — waardeeren.

Achten — denken — gelooven — meenen — wanen.

Achterdocht — argwaan — verdenking — wantrouwen — mistrouwen.

Achterklap — laster — aantijging — kwaadsprekendheid.

Achterwaarts — achteruit — rugwaarts — ruggelings.

Acht geven — acht slaan.

Achting — hoogachting — hoogschatting — eerbied — ontzag.

Acht nemen (zich in) — zich wachten — zich hoeden.

Adel — adeldom — adelstand.

Adellijk — edel.

Ademen — ademhalen — adem scheppen — hijgen.

Afbedelen — afbidden — afsmeeken.

Afbeelden — afmalen — afschetsen — afschilderen — afteekenen.

Afbeelding — afbeeldsel — beeld — beeltenis. Afbetalen — afdoen — voldoen.

Afbreken — slechten — sloopen — omhalen. Afbreuk — nadeel — schade — verlies — hinder. Afdanken — afscheid geven (aan) —afzetten— ontslaan.

Afdeelen — verdeden.

Afdeinzen — terugdeinzen — terugwijken. Afdoen — afmaken — eindigen — volbrengen. Afdwalen — afwijken — afraken.

Afdwingen — afpersen — ontweldigen — ontwringen.

Afeischen — afvorderen — opeischen — opvorderen.

Afgeleefd — bejaard — bedaagd — oud. Afgelegen — eenzaam — verwijderd. Afgetrokken — verstrooid.

Afgezant — gezant — afgevaardigde — zaakgelastigde.

Afgrijselijk — afschuwelijk — akelig — gruwelijk — naar — ijselijk — vreeselijk. Afgrijzen — afkeer.

Afgrond — kolk — poel — diepte.

Afgunst — nijd — wangunst.

Afhouden — aftrekken — onthouden.

Afkeer — afschrik — weerzin — tegenzin — afschuw.

Afkeer — haat — vijandschap.

Afkeuren — laken — misprijzen — gispen — wraken.

Afkoelen — bekoelen — verkoelen.

Afkomeling — afstammeling — nakomeling — nazaat — naneef.

Afkomst — afstamming — geboorte — oorsprong. Afleiden — besluiten — opmaken.

Afleiding — uitspanning — verstrooiing. Aflichten — afhetfen — afnemen — aftillen — afzetten.

Atloopen — plunderen — verwoesten.

Afloopen — een einde nemen.

Aflossen — betalen.

Afmaken — dooden.

Afmalen — afschilderen — beschrijven.

Afmatten — vermoeien — afsloven — uitputten.

Afnemer — kooper — klant.

Afneuzen — afzien.

Afpersen — afdwingen.

Afraden — ontraden.

Afreizen — vertrekken.

Afroepen — oproepen.

Afschaffen — herroepen — intrekken.

Afschaffen — afdanken.

Afscheid nemen — vaarwel zeggen.

Afscheiden — afzonderen — scheiden.

Afschrijven — overschrijven — uitschrijven.

Afschrik — schrik.

Afschudden — afwerpen.

Afslaan — afweren — terugdrijven.

Afslaan — veilen.


ocr page 344

SYNONIEMEN.

320

Ballingschap — verbanning.

Balsem — zalf.

Band — boei — keten — ketting — kluister. Bandeloos — teugelloos — toomeloos — ongebreideld.

Banier — standaard — vaan — vaandel — vlag. Bank — stoel — zetel — troon.

Banket — gastmaal.

Bar — dor — onvruchtbaar — schraal — woest — onbebouwd.

Barbaarsch — onmenschelijk — wreed. • Barmhartig — medelijdend — mededoogend. | Barsch — norsch — spijtig — stug — stuursch. Barst — kloof — reet — scheur — spleet.

Bast — schors — schil — bolster — dop. Bazuin — horen — trompet.

Beamen — toestemmen.

Beademen — beslaan.

Beambte — ambtenaar.

Beantwoorden — voldoen aan.

Bedaagd — afgeleefd.

Bedaard — bezadigd — gematigd — kalm. Bedachtzaam — behoedzaam — beraden — bezonnen — omzichtig.

; Bedanken — danken — dank zeggen — dank weten.

Bedaren — gaan liggen.

Bedaren — bevredigen.

Bedding — laag.

Bede — aanzoek.

Bedeelen — omdeelen — ronddeelen — uit-deelen — verdeelen.

Bedeesd — beschroomd — bloode — bedremmeld — beteuterd — onthutst — verlegen — versteld.

Bedekken — bemantelen — bewimpelen — verbloemen.

Bedenkelijk — netelig — zorgelijk — hachelijk. Bedenking — beraad — overweging.

Bederf — verrotting — verderf.

Bediende — dienaar — dienstbode — knecht — lakei.

Bediening — ambt.

Bedijken — indijken — omdijken.

Bedillen — berispen — gispen — laken — bestrallen.

Bedingquot; — voorwaarde.

Bedoeling — doel.

Bedompt — duf.

Bedotten — bedriegen.

Bedrag — beloop.

Bedremmeld — bedeesd.

Bedreven — ervaren — doorkneed — doortrapt — geoefend — geslepen.

Bedriegen — bedotten — foppen — misleiden — verschalken.

Bedriegerij — bedrog.

Bedrieglijk — arglistig.

Bedrijf — daad — handeling.

Bedrijven — doen — handelen — verrichten. Bedroefd — bedrukt — droevig — neerslachtig — treurig — zwaarmoedig.

Bedroevend — deerlijk — jammerlijk.

Bedrog — bedriegerij.

Beduiden — verklaren — uitleggen — aan quot;t verstand brengen.

Beduiden — beteekenen.

Bedwelmd — duizelig — verdoofd.

Bedwingen — beheerschen — beteugelen — betoomen.

Beemd — weide — weiland.

Beest — dier.

Betaamd — beroemd — berucht — vermaard.

Afslaan — weigeren — ontzeggen.

Afslaan — afwijzen — van de hand wijzen — weigeren.

Afslaan — dalen — in prijs verminderen — goedkooper worden.

Afsluiten — afschutten — omheinen — omsluiten. Afspraak — overeenkomst — ruggespraak. Afstand — verte — verwijdering — verschiet. Afsteken — in het oog vallen — opzichtig zijn. Afsteken — afschieten — afvuren.

Afsteken — afvaren — vertrekken.

Afsterven — ontslapen — overlijden — sterven — den geest geven.

Afstijgen — afklimmen — afstappen — uitstappen.

Afstuiten — stuiten — terugstuiten — hotsen. Aftellen — aflichten.

Aftrek — vertier.

Aftuimelen — afvallen — nedervallen — neder-storten — vallen.

Afvaardigen — afsturen — afzenden.

Afvegen — afdrogen — afwisschen.

Afwachten — verwachten — verleiden— wachten. Afwenden — afkeeren.

Atwennen — ontwennen.

Afwentelen — rollen.

Afwezigheid — afwezendheid — afwezen — afzijn. Afwisschen — afvegen.

Afwisselen — verwisselen — vervangen. Afwisseling (bij» — beurtelings.

Afzien — afkijken — adeeren.

Afzweren — verloochenen — verzaken.

Akelig — naar — vervaarlijk.

Akker — veld — land.

Aleer — alvorens — eerdat — voordat.

Altijd — altoos — immer — immermeer — steeds — gedurig.

Ambacht — beroep — handwerk.

Ambassadeur — afgezant.

Ambt — bediening — dienst — post — betrekking — waardigheid — baantje.

Ambtenaar — beambte.

Angst — bangheid — schrik — schroom — vrees. Antwoorden -- beantwoorden — hernemen. Arbeid — bezigheid — werk.

Arbeidzaam — naarstig — nijver — vlijtig — werkzaam.

Arglistig — bedrieglijk — listig — loos — slim. Arm — armoedig — behoeftig — haveloos — nooddruftig.

Armoede — gebrek — ontbering.

Armzalig — ellendig — kommervol.

Avontuur — feit — gebeurtenis — toeval — voorval.

Baai — golf — inham — kreek — zeeboezem. Baal — buidel — pak — zak.

Baan — weg — pad — straat.

Baar — golf — golfslag — kabbeling-Baar — staaf.

Baas — heer — meester.

Baat — nut — voordeel — winst.

Baatzucht — hebzucht — inhaligheid — eigenbaat. Babbelen — praten — snappen — kakelen — kouten.

Bagger — modder — slib — slijk.

Bak — kom — nap — pan — schotel.

Bakeren — broeien.

Bakken — braden — koken — roosten — stoven — zieden.

Baksteen — mop — klinker — tichelsteen. Balie — leuning — hek.

Balling — banneling — bandiet.

ocr page 345

SYNONIEMEN.

321

Begaafd — bekwaam — talentvol.

Begaafdheid — bekwaamheid — gaaf — talent. Begaan — plegen.

Begeeren — verlangen — wensehen — reikhalzen — smachten.

Begeerlijkheid — lust — zucht.

Begeerte — neiging — zucht — lust.

Begeven — verlaten.

Begin — aanvang.

Beginsel — regel — stelregel.

Begraafplaats — kerkhof — godsakker.

Begrip — voorstelling.

Begrip — doorzicht.

Begrip — bedunken.

Begrijpelijk — bevattelijk — duidelijk — helder — klaar — verstaanbaar.

Begrijpen — bevroeden.

Begrijpen — beseffen — bevatten — verstaan.

Begrooten — ramen — schatten — waardeeren.

Behaaglijk — aangenaam.

Behagen — aanstaan.

Behalen — bekomen.

Behandelen — bejegenen.

Behandelen — bewerken.

Beheer — bestuur — bewind — heerschappij — regeering.

Beheerschen (zich) — beteugelen — betoomen — bedwingen — bezitten (zich».

Beheerschen — besturen — gebieden — heer-schen — regeeren.

Behelzen — bevatten.

Behendig — handig — knap — gauw. Behoeden — beschermen — beschutten — beveiligen — bewaren.

Behoedzaam — bedachtzaam.

Behoefte — nooddruft — noodwendigheid. Behoeftig — arm.

Behoeve (ten) — gunste (ten).

Behoeven — noodig hebben.

Behooren — betamen — passen — voegen. Behoorlijk — betamelijk.

Beiden — wachten — toeven.

Bejaard — afgeleefd.

Bejegenen — behandelen.

Bek — mond — muil — snuit — snavel — neb — sneb.

Bekend — ruchtbaar.

Bekendmaken — aankondigen.

Bekendmaken — berichten — kond doen — laten weten.

Bekendmaking — bericht.

Bekennen — belijden.

Beker — kelk.

Bekijken — bezien.

Bekkeneel — hersenpan — kruin — schedel. Beklaaglijk — beklagenswaardig — deerniswaardig — rampzalig.

Bekladden — bemorsen — bevlekken — bevuilen — bezoedelen — verontreinigen — vuil maken.

Beklemming — huur.

Beklimmen — bestijgen — opklauteren. Beknopt — bondig — kort.

Bekomen — behalen — erlangen — verkrijgen — verwerven.

Bekomen — beteren — opkomen — herstellen. Bekommerd — beducht.

Bekommeren (zich) — aantrekken (zich) — bekreunen (zich).

Bekoopen — betalen — boeten.

Bekoorlijk — aanminnig — liefelijk.

Bekoren — betooveren — innemen — winnen— verrukken — vervoeren.

koenen. Ver 1,1. HinuUvdb. d. Xederl. taal.

Bekrachtigen — bevestigen — bezegelen — staven — verzekeren.

Bekreunen (zich) — aantrekken (zich». Bekrompen — eng — nauw.

Bekrompen — beperkt — eenzijdig — partijdig. Bekwaam — geschikt — kundig.

Bekwaam — begaafd.

Belachelijk — bespottelijk.

Beladen — bevracht — overladen.

Belang — voordeel.

Belangrijk — van belang — gewichtig. Belasting — schatting — cijns.

Beleedigen — beschimpen'— hoonen — verguizen — krenken — smaden.

Beleefd — beschaafd — hoffelijk — wellevend. Beleenen — verpanden.

Beleid — omzichtigheid — overleg.

Belemmeren — stremmen — versperren. Belemmering — beletsel — hindernis — verhindering.

Beletten — verhinderen — tegenhouden — terughouden.

Belgen — vergrammen — verstoren — vertoornen.

Belijden — bekennen.

Belofte — gelofte — verbintenis.

Belooven — loonen — vergelden — betaald zetten. Belooning — betaling — bezoldiging — loon — prijs.

Beloop — bedrag.

Beloop — gang — loop.

Bemachtigen — vermeesteren — veroveren — zich meester maken.

Bemantelen — bedekken.

Bemerken — bespeuren — gewaar worden — merken — ontdekken — ontwaren — opmerken — waarnemen.

Bemiddelaar — scheidsman.

Bemiddeld — gegoed.

Beminnaar — liefhebber — minnaar. Beminnelijk — aanminnig.

Beminnen — houden van — liefhebben — lieven — minnen.

Bemoedigen — aanmoedigen.

Bemoeien — afgeven (zichgt; — inlaten (zich». Bemorsen — bekladden.

Benaming — naam.

Benauwd — bedeesd.

Benauwdheid — druk.

Bende — aanhang.

Beneden — omlaag — onder.

Benemen — ontnemen — berooven.

Benieuwd — nieuwsgierig — weetgierig. Benijden — misgunnen.

Benoemen — aanstellen.

Benoeming — aanstelling.

Beoefenen — oefenen — uitoefenen.

Bepalen — vaststellen.

Bepeinzen — overdenken — overpeinzen. Beperkt — bekrompen.

Bepraten — ompraten.

Beproeven — de proef nemen — onderzoeken. Beproeving — bezoeking — onheil ongeluk - -ramp.

Beraadslagen raadplegen — in overweging nemen.

Beraden (zich» — bedenken (zich) — overwegen. Beraden — bedachtzaam.

Bereid — gereed — vaardig — klaar. Bereidwillig — gaarne.

Berennen — insluiten — omsingelen — omgeven — omringen.

Bergen — bewaren — wegsluiten — wegleggen.

21


ocr page 346

SYNONIEMEN.

Bericht — bekejidniakiug — mare — naricht — tijding.

Berichten — aankondigen.

Berichten — te kennen geven — mededeelen — melden — verwittigen.

Berispen — bedillen.

Beroemd — befaamd.

Beroep — ambacht.

Beroepen — bijeenroepen.

Beroep — roeping.

Beroepen — aanstellen.

Beroerten — onlusten — oproer — opstand. Berokkenen — brouwen — veroorzaken — teweegbrengen.

Berooven — benemen.

Berouw — boetvaardigheid — leedwezen — spijt. Berucht — befaamd.

Beschaafd — beleefd — hoffelijk — wellevend — welgemanierd.

Beschamen — teleurstellen.

Beschaving — verlichting.

Bescheiden — ontbieden.

Bescheiden — ingetogen — zedelijk — zedig. Beschermen — behoeden.

Bescherming — hoede.

Beschijnen — bestralen.

Beschimpen — beleedigen.

Beschonken — dronken.

Beslaan — beademen — bewasemen.

Beslag — deeg.

Besluit — einde — slot.

Besluit — voornemen.

Besmettelijk — aanstekelijk.

Besparen — uitsparen — uitwinnen.

Bespeuren — bemerken.

Bespoedigen — verhaasten.

Bespottelijk — belachelijk.

Besprenkelen — besproeien.

Bespringen — overvallen.

Bestand — wapenstilstand — wapenschorsing. Besteden — aanwenden.

Bestek — ontwerp — plan.

Bestellen — bezorgen — overhandigen. Bestendig — aanhoudend.

Bestendig — duurzaam — standvastig — vast — onveranderlijk.

Bestralen — quot;beschijnen.

Bestraten — bevloeren — plaveien. Bestudeeren — beoefenen.

Bestuur — beheer.

Betalen -- beloonen.

Betalen — voldoen.

Betalen — aflossen.

Betamelijk — behoorlijk — gepast — voegzaam. Betamen — behooren.

Beieekenis — zin.

Betoogen — bewijzen.

Betoomen — beheerschen — bedwingen. Betrachten — doen — zich kwijten.

Betrappen — verrassen — vangen — vatten. Betreffende — aangaande.

Betrekken — bewolken — verduisteren. Betrekking — verband — samenhang. Betwisten — aanspraak maken (op).

Beuken — kloppen — slaan.

Beurt — rangorde.

Beurtelings — afwisseling (bij).

Beuzelen — talmen — treuzelen — sukkelen. Bevel — gebod — last — opdracht — order — voorschrift.

Beven — rillen — sidderen — trillen. Bevestigen — vastmaken — vasthechten. Bevlijtigen (zich) — toeleggen (zich — op).

Bevochtigen — nat maken.

Bevoegd — gemachtigd — gerechtigd.

Bevolkt — volkrijk.

Bevredigen — voldoen.

Bevredigen — bedaren — stillen — verzoenen. Bevreemden — verlagen — verrassen — verwonderen.

Bevreesd — beducht.

Bevriezen — stollen.

Bevrijden — ontslaan — verlossen — redden. Bevroeden — begrijpen — doorgronden — beseffen.

Beweegreden — drangreden — drijfveer —grond. Bewegen — aansporen — aanzetten — nopen. Beweren — staande houden.

Bewerken — veroorzaken — teweegbrengen — uitwerken.

Bewilligen — toestaan — inwilligen — veroorloven.

Bewimpelen — bedekken — verbloemen — verbergen.

Bewind — beheer.

Bewogen — aangedaan.

Bewolken — betrokken.

Bewoner — inwoner — ingezetene — geërfde — ingelande.

Bewoording — uitdrukking — spreekwijze — woord.

Bewustheid — kennis.

Bezadigd — bedaard.

Bezeeren — kneuzen — kwetsen — wonden. Bezetten — innemen.

Bezien — bezichtigen — bekijken — beschouwen. Bezig — onledig.

Bezigheid — arbeid.

Bezinksel — droesem — drab — heffe — moer — grondsop.

Bezit — have.

Bezit — eigendom.

Bezitten — hebben.

Bezitten (zich) — beheerschen (zich).

Bezitter — eigenaar.

Bezonnen — bedachtzaam.

Bezorgd — bekommerd — beducht — bevreesd. Bezuren — boeten (voor).

Bezwaar — bedenking — grief.

Bijbrengen — aanvoeren.

Bijeenkomst — samenkomst.

Bijgeloovig — lichtgeloovig.

Bijkans — haast — bijna — ongeveer.

Bijl — aaks.

Bijlage — aanhangsel.

Bijspringen — bijstaan — helpen — ondersteunen. Bijval — buitenkans — meevaller.

Bijval — goedkeuring.

Bijvoegsel — aanhangsel.

Bijzonder — opmerkelijk — buitengewoon — zonderling.

Billijk — rechtvaardig — rechtmatig.

Billijken — goedkeuren.

Binnenkort — aanstonds.

Bitter — bits — onvriendelijk — snibbig — scherp — spijtig — vinnig — schamper. Bitter — wrang — zuur.

Blaam — verwijt.

Blaken — blakeren — schroeien — zengen. Blank — wit — bleek.

Blijdschap — blijheid — blijmoedigheid — lust — plezier.

Blinken — flikkeren — flonkeren — fonkelen — glanzen — glinsteren — tintelen — schitteren. Bloedverwant — maag — nabestaande.

Bloei — bloem — bloesem.


ocr page 347

SYNONIEMEN.

323

Bloei — welstand — welvaart — voorspoed. Bloei — tleur.

Bloode — bang — laf — vreesachtig — versaagd. Bloot — kaal — naakt — bar.

Blusschen — dempen — dooven — lesschen — smoren.

Bocht — boog — kromming — kronkeling. Boedel — erfenis — nalatenschap.

Boedelhuis — erfhuis.

Boei — band — keten — kluister.

Boert — gekheid — jok — luim — scherts — kortswijl.

Boertig — aardig.

Boeten (voor) — bezuren.

Boeten — bekoopen.

Bond — genootschap — gezelschap — vereeni-ging — maatschappij.

Bondig — beknopt.

Bont — veelkleurig — geschakeerd.

Boord — kant — kust — oever — wal — strand. Boord — kraag.

Boos — kwaad — slecht.

Boos — driftig — kwaad — nijdig — toornig — wrevelig.

Borg blijven — goedspreken — instaan — waarborgen.

Bos — bundel — rist.

Bo«ch — hout — woud.

Bot — stomp.

Bouwen (op) — rekenen (op) — vertrouwen (opgt; — verlaten (zich — op).

Bouwen — oprichten — stichten.

Boven (te — gaan) — overtreffen.

Bovendien — buitendien — daarenboven.

Braaf — eerlijk.

Braak — onbebouwd — woest.

Brassen — slempen — smullen.

Breidel — gebit — teugel — toom.

Brengen — leiden — voeren.

Broddelen — knoeien.

Brommen — gonzen — grommen — knorren. Bron — oorsprong.

Brooddronken — uitgelaten — dartel.

Broodwinning — kostwinning — nering.

Broos — breekbaar.

Bruidschat — huwelijksgift — uitzet.

Bruikbaar — geschikt.

Bruisen — ruischen.

Buigbaar — buigzaam.

Buiging — dienaresse — nijging.

Buit — roof — prijs — prooi.

Buitelen — duikelen — tuimelen.

Buitenlandsch — uitheemsch — vreemd.

Bulderen — aangaan — razen — huilen.

Bulderen — razen — tieren — woeden.

Bult — bochel.

Bult — buil.

Bundel — bos.

Burg — burcht — kasteel — slot.

Burgwal — gracht — kaai.

Cedel (ceel) — lijst — rol.

Cel — kamertje.

Cijfer — getalmerk.

Cijns — belasting — schatting.

Cirkel — kring — omtrek.

Daad — bedrijf — handeling.

Dagen — dagvaarden — voor liet gerecht roepen — in rechten betrekken.

Dageraad — morgen — ochtend — morgenstond. Dal — vallei — vlakte.

Dalen — vallen — zakken — zinken.

Dam — dijk — hoofd — waterkeering — beer. Damp — mist — nevel — uitwaseming.

Dank — erkentenis.

Dankbaarheid — erkentelijkheid.

Dank zeggen — bedanken.

Dapper — kloek — koen — moedig — onverschrokken — stout — wakker — onversaagd. Dartel — brooddronken — baldadig — uitgelaten. Dartel — speelsch — speelziek.

Dartel — weelderig — wulpsch.

Daveren — dreunen — schudden — trillen. Deeg — beslag.

Deel — lid.

Deel — dorschvloer.

Deelen — scheiden.

Deel (ten — vallen) — beurt (te — vallen). Deelgenoot — deelhebber — aandeelhouder — vennoot.

Deelnemend — barmhartig — medelijdend. Deemoedig — nederig — ootmoedig.

Deerlijk — bedroevend — jammerlijk — ellendig — rampzalig.

Deernis — erbarming — inededoogen — medelijden — ontferming — barmhartigheid. Deerniswaardig — beklaaglijk.

Deftig — afgemeten — plechtig — statig — stemmig.

Deftigheid — ernst.

Deining — branding — golving — golfslag. Deinzen — terugtrekken — wijken — van plaats veranderen.

Dekken — bedekken — bekleeden.

Delven — graven — spitten — rooien.

Denken — peinzen — zinnen.

Derhalve — dus — bijgevolg — gevolgelijk. Derven — missen — ontberen.

Deugdzaam — braaf — vroom.

Deuntje — gezang — lied — zang.

Dienaar — bediende — dienstbode — knecht — lakkei.

Dienen — strekken — nuttig zijn.

Diep — laag.

Dierbaar — lief — waard.

Dijen — uitzetten — zwellen.

Dik — gezet — lijvig.

Dikwijls — dikmaals — dikwerf — menigmaal — menig werf — menigvuldig.

Disch — tafel Dobbelen — spelen.

Doel — bedoeling — doeleinde — doelwit — oogmerk — voornemen.

Doelen — zinspelen.

Doemen — verdoemen — veroordeelen — vonnissen.

Dol — razend — verwoed — woedend. Dom — onkundig — onnoozel — onwetend. Donker — duister — somber.

Dood — gestorven — levenloos — overleden — ontzield.

Dooden — ombrengen — afmaken — van het leven berooven — ontlijven — om hals brengen — ter dood brengen.

Doodsch — akelig.

Doorboren — doorsteken — doorvlijmen — doorpriemen

Doorbrengen — verkwisten — verteren — verspillen — verdoen.

Doordrijven — doorzetten.

Doordringend — schrander — scherpzinnig — snedig.

Doorgaans — gemeenlijk — gewoonlijk — over het algemeen.

Doorgronden — bevroeden.


21*

ocr page 348

SYNONIEMEN.

324

Doorkneed — bedreven.

Doorgaans — gewoonlijk — meestal. Doorschijnend — doorzichtig.

Doorstaan — lijden — verdragen — verduren — dulden.

Doortrapt — geslepen.

Doorzien — begrijpen.

Doorwrocht — geleerd.

Doorzicht — begrip — bevatting.

Doppen — pellen — schillen — ontbolsteren.

Dorschvloer — deel.

Dorsten (naar) — begeeren.

Draad — samenhang.

Draaien — keeren — wenden — wentelen.

Dragen — torsen.

Dralen — talmen.

Dreunen — daveren.

Driest — dapper.

Drift — boosheid — gramschap — toorn — verbolgenheid.

Drift — hartstocht.

Driftig — haastig — schielijk.

Drijfveer — beweegreden.

Drijven — jagen.

Drinkgeld — fooi — verval.

Dringen — drukken — duwen — stooten. Drinker — dronkaard — zuiper.

Dronk — slok — teug.

Droogte — bank — ondiepte — plaat. Droomerig — slaperig.

Druipen — druppelen — druppen — droppen. Druk — oplaag — uitgave.

Druk — nood — ongeluk — benauwdheid — rampspoed.

Dubbelzinnig — twijfelachtig.

Duchten — vreezen.

Duf — bedompt — dompig — muf — vochtig. Duister — geheimzinnig — verborgen — raadselachtig.

Duister — donker — somber.

Duisterheid — duisternis.

Duizelig — bedwelmd.

Dulden — gedoogen — toelaten — vergunnen — veroorloven.

Dun — mager — rank — schraal — slank — tenger.

Dun — vloeibaar.

Dunken — schijnen — toeschijnen — voorkomen — lijken.

Duren — aanloopen.

Durven — onderstaan — verstonten (zich) — onderwinden (zich) — wagen.

Duur — duurzaamheid — tijd.

Duwen — dringen — drukken — persen. Dutten — slapen — sluimeren.

Duurzaam — bestendig.

Dwaalleer — ketterij.

Dwaas — dom — mal — zot — gek — krankzinnig — onverstandig — onzinnig — zinneloos. Dwalen — zwerven.

Dwalen — dolen.

Dwaling — abuis — vergissing — misrekening.

Dwars — schuin — scheef.

Dwarsboomen — belemmeren.

Dweepzucht — bijgeloof.

Dweper — geestdrijver.

Dweperij — bijgeloof.

Dweperij — dweepzucht — geestdrijverij.

Dwingen — dringen — noodzaken — nopen.

Echt — onvermengd — waarachtig — zuiver — onvervalscht.

Echtgenoot — gade — gemaal — wederhelft.

Edel — adellijk.

Edelaardig — edelmoedig — grootmoedig — edel.

Eendrachtig — eenparig — eens — eensgezind — eenstemmig.

Eenig — alleen.

Eenige — ettelijke — sommige — menige.

Eenparig — eendrachtig — eenstemmig.

Eensgezind — eendrachtig.

Eenvoud — enkelvoudig.

Eenzaam — afgelegen.

Eenzaam — alleen.

Eer — naam — roem.

Eerbaar — eerzaam — ingetogen — rein — kuisch.

Eerbied — achting.

Eerbiedwaardig — aanzienlijk.

Eergierig — eerzuchtig.

Eerlijk — braaf.

Eerloos — oneerlijk.

Eerroover — lasteraar.

Eerstkomend — aanstaand.

Eertijds — voorheen — vroeger — weleer.

Eervol — vereerend.

Eerzuchtig — eergierig.

Eetlust — honger.

Eetwaar — eten — kost — leeftocht — spijs — voedsel.

Eeuwig — altijddurend — eindeloos — zondei einde.

Ellen — glad — plat — vlak.

Eigenaar — bezitter.

Eigenbaat — baatzucht.

Eigenwijs — ingebeeld — laatdunkend — neuswijs — verwaand — waanwijs.

Eigenzinnig — hoofdig — hardnekkig — halsstarrig — koppig — stijfhoofdig.

Eind»; — besluit.

Eindelijk — ten laatste — ten slotte.

Eindeloos — oneindig.

Eindigen — voleindigen — voltooien.

Eindigen — ophouden — uitscheiden.

Eischen vergen — vorderen — vragen — verlangen.

Ellendig — armzalig.

Eng — bekrompen — nauw.

Erkennen — kennen — herkennen — ondei-kennen.

Erkentelijkheid — dankbaarheid.

Erkentenis — dank.

Erlangen — bekomen.

Ernst — deftigheid.

Ernst — gestrengheid — nadruk.

Ernst — ijver — vlijt.

Ervaren — bedreven.

Ervaring — ondervinding.

Eten — spijzen — schrokken — vreten. Evenmensch — medemensch — naaste — evennaaste.

Fabel — verdichtsel — verhaal — vertelling — sprookje.

Fakkel — llambouw — toorts.

Falen — feilen — dwalen.

Feest — maal — gastmaal — feestmaal — feestelijk maal.

Feilen — falen — mangelen — ontbreken — missen.

Femelaar (fij meiaar) — huichelaar — ge veinsde — schijnheilige.

Fielt — schelm — schurk — boef — guit -guit — deugniet.

Figuur — vorm — gedaante — gestalte. Fiksch — flink.


ocr page 349

SVXOMEMEN.

325

Flambouw — fakke! — toorts.

Flauw — laf.

Fleemen — Hik Hooien — liefkoozen — vleien.

Fleur — bloei — groei.

Flikkeren — blinken — glanzen.

Fluks — aanstonds.

Folteren — martelen — pijnigen.

Fooi — drinkgeld.

Fortuin — geluk.

Frisch — koel.

lt;iia(degt; — echtgenoot — wederhelft.

Gaaf — gansch — geheel — heel.

Gaaf (gave) — gift — geschenk.

Gaaf (gave) — bekwaamheid — begaafdheid.

Gaan — loopen — wandelen — kuieren.

Gaan liggen — bedaren.

Gaarne — graag — gewillig — goedwillig.

Gadeslaan — zien — bemerken.

Gapen — geeuwen.

Garf — bos — schoof.

Gastmaal — banket — feest.

Gebeurtenis — avontuur.

Gebied — beheer.

Gebieden — bevelen — gelasten — verordenen — voorschrijven — heeten.

Gebit — breidel.

Gebod — bevel.

Gebogen — krom — gekromd.

Geboorte — afkomst.

Geboortegrond — vaderland.

Geborgen — zeker.

Gebrek — armoede.

Gebrekkelijk — kreupel — lam — mank. Gebruik — gewoonte — zede — mode — zwang — trant.

Gebruiken — aanwenden.

Gedaante — liguur.

Gedachte (in) — verstrooid — afgetrokken. Gedachtenis — heugenis — herinnering — aandenken.

Gedeelte — aandeel.

Gedeeltelijk — ten deele.

Gedicht — vers.

Gedoogen — dulden — toelaten — veroorloven. Gedragen (zich) — aanstellen (zich) — houden (zich).

Gedrang — toeloop.

Geduld — lijdzaamheid.

Gedurig — aanhoudend — altoos — dikwijls.

Gedwee — buigzaam.

Geest — oordeel — vernuft — verstand.

Geestig —aardig.

Geeuwen — gapen

Gegoed — welgesteld — bemiddeld — rijk — vermogend.

Gehecht — verkleefd — verknocht.

Geheim — heimelijk.

Gelaat — aangezicht.

Gelasten — gebieden.

Gelden — kosten.

Geldstuk — muntstuk.

Geleerd — doorwrocht.

Geleerd — verstandig — wijs.

Gelegenheid — aanleiding.

Gelegenheid — omstandigheid.

Geleiden — vergezellen.

Gelijken — slachten.

Geluid — klank — toon.

Geluk — heil — fortuin.

Gelukkig — tevreden — vergenoegd — welzalig.

Gemeen — laag — ruw — plat.

Genadig — barmhartig.

Genegen — geneigd — gezind — gunstig.

Genoegen — blijdschap.

Geoefend — bedreven.

Gerechtigheid — rechtvaardigheid.

Gereed — bereid.

Gereedschap — werktuig — instrument.

Geschiedenis — kroniek.

Gesprek — onderhoud — woordenwisseling.

Getal — aantal.

Getemd — tam — mak.

Getroffen — aangedaan.

Gevaar — nood.

Gevangenis — kerker — tuchthuis — verbeterhuis.

Gevecht — kamp — slag — strijd. Geveinsdheid — huichelarij — schijnheiligheid. Geven — aanbieden — schenken — vereeren. Gevolg — nasleep.

Gewag — bericht — melding.

Gewas — kruid — plant.

Gewichtig — belangrijk.

Gezag — gebied — macht — bevel.

Gezant — afgevaardigde.

Gids — leidsman — wegwijzer.

Gierig — begeerig — hebzuchtig — inhalig. Gijzelaar — borg.

Gil — kreet — schreeuw.

Gissen — raden — vermoeden.

Glans — gloed.

Glimlachen — grimlachen.

Glimmen — gloeien — smeulen — branden. Glimp — schijn.

Glinsteren — blinken.

Gluren — loeren.

Goddeloos — zondig.

Godsakker — begraafplaats.

Godsdienstig — godvreezend — godvruchtig — vroom.

Golving — deining.

Gooien — smijten — werpen.

Graan — koren.

Gramschap — drift.

Grap — aardigheid — geestigheid — kwinkslag — scherts — ui.

Grenzenloos — onbegrensd.

Grijnen — huilen — kermen — krijten — schreien — weenen.

Grijpen — pakken — vangen — vatten.

Gril — kuur — luim.

Groei — bloei — tleur.

Groeien — gedijen — wassen.

Grimmen — brommen.

Grootmoedig — edel — edelmoedig.

Grootsch — hoogmoedig.

Grot — hol — spelonk.

Gul — openhartig — rond.

Gunstig — genegen.

Haag — heg — heining — omtuining — schutting.

Haast — bijna — bijkans — omtrent — schier. Haast — spoed — drift.

Haasten (zich) — zich reppen — zich spoeden.

Haat — afkeer — vijandschap.

Hachelijk — bedenkelijk.

Haken naar — begeeren — reikhalzen.

Hakkelen — stamelen — stameren — stotteren.

Hakken — houwen — kappen.

Halen — brengen.

Halsstarrig — eigenzinnig.

Handel — nering.

Handelaar — koopman — kramer — venter.


ocr page 350

SYNONIEMEN.

326

Handwerk — ambacht.

Hard — gestreng — streng — gevoelloos — hardvochtig.

Hard — zwaar — gevoelig.

Hartelijk — innig.

Hartstocht — drift.

Hartzeer — leed — verdriet.

Have — bezit — bezitting — goed — middelen — vermogen — rijkdom.

Haven — reede.

Hebbelijkheid — aanwensel.

Hebben — bezitten.

Hebzuchtig — gierig.

Heelen — genezen.

Heerlijk — aangenaam.

Heerlijk — prachtig — verrukkelijk — voortreffelijk — uitmuntend.

Heeten — gebieden.

Heil — geluk — voorspoed — fortuin.

Heilig — onschendbaar.

Hekelen — bedillen.

Helder — klaar.

Hellen — overhangen — neigen.

Helpen — bijspringen.

Herinnering — gedachtenis.

Hernemen — antwoorden.

Hervormen — herscheppen.

Hinder — afbreuk.

Hinder — letsel.

Hindering — hindernis — hinderpaal — beletsel.

Hoede — bescherming.

Hof — tuin — gaarde — park.

Holfel ijk — beleefd.

Holte — hol — grot — spelonk.

Hoofse h — beschaafd.

Hoog — verheven.

Hoogmoed — hoovaardij — inbeelding — trots. Hoogmoedig — fier — trotsch — verwaand — grootseh.

Hoonen — beleedigen — bespotten — smaden.

Hoop — massa — stapel — tas.

Hooren — vernemen.

Hooren — luisteren.

Hopen — wenschen.

Horizont — kim.

Houden — nakomen — vervullen.

Huichelarij — geveinsdheid.

Huichelen — veinzen.

Huid — vel.

Huisraad — meubelen — inboedel.

Hulp — bijstand — onderstand.

Huur — pacht — beklemming.

Huur — loon.

Huwelijksgoed — bruidschat.

Idioot — krankzinnig.

IJdel — hoogmoedig.

IJselijk — schrikkelijk.

IJver — naarstigheid — vlijt.

IJverig — arbeidzaam — naarstig.

Ijverzuchtig — naijverig.

Uzen — schrikken.

Inbeelden (zich) — verbeelden (zich).

Inbeelding — hoogmoed.

Inboedel — huisraad.

Inboezemen — inprenten — inscherpen.

Inborst — aard.

Inbrengen — opperen — te berde brengen. Ingieten — inschenken.

Inkomsten — inkomen — rente.

Inleveren — indienen.

Inmiddels — intussehen — middelerwijl — onderwijl.

Innemend — bevallig.

Innerlijk — inwendig.

Innig — inwendig.

Inprenten — inboezemen.

Inschikkelijk — meegaand — volgzaam.

Inslaan — opdoen.

Inslaan — inzwelgen.

Insluiten — omgeven — omringen — omsingelen.

Instrument — gereedschap — werktuig — machine.

Intrekken — afschaffen — herroepen.

Inwendig — innerlijk — innig.

Jaarboek — kroniek.

Jaarwedde — jaargeld — salaris — soldi.. — traktement.

Jagen — drijven.

Jammer — klacht — weeklacht.

Jammerlijk — deerlijk.

Jeugd — jonkheid.

Jok — boert.

Jokken — liegen.

Jokken — schertsen.

Joligheid — blijdschap.

Jong — jeugdig — nieuw — versch.

Jonkheid — jeugd.

Juist — nauwkeurig — stipt.

Juweelen — kleinooden (kleinoodiën).

Kaal — bloot.

Kabel —touw.

Kalm — bedaard.

Kamer — kabinet — vertrek — zaal.

Kamertje — cel.

Kamp — strijd — gevecht — slag — veldslag.

Kansel — predikstoel — spreekgestoelte.

Kant — boord.

Kapittel — hoofdstuk.

Kappen — hakken.

Karakter — aard.

Karig — gierig.

Kasteel — burcht.

Kastelein — herbergier — logementhouder — waard.

Kastijden — tuchtigen — straffen.

Keel — gorgel — strot — hals.

Kelk — beker — roemer (romer).

Kerker — gevangenis.

Kerkhof — begraafplaats.

Kibbelen — kijven — twisten.

Kiem — spruit — loot — lot.

Kim — gezichteinder — horizont.

Kinderachtig — kinderlijk — kindsch.

Kindsehheid — kindsheid.

Klauw — poot.

Klank — geluid — toon.

Klauteren — klimmen.

Klem — nadruk.

Klieven — klooven — splijten.

Klimmen — klauteren.

Klimmen — rijzen — stijgen.

Klip — rots.

Klomp — klont — kluit — homp — klonter. Kloof — barst.

Kluister — boei.

Knagen — knagen — knabbelen — kluiven.

Knap — bekwaam — handig.

Knielen — te voet vallen.

Koel — koud.

Koel — frisch.

Koon — wang.

Koppel — paar.


ocr page 351

SYNONIEMEN.

Korf — mand.

Kosten — onkosten.

Kracht — sterkte — macht — vermogen. Krachteloos — zwak.

Krank — ziek — onpasselijk — ziekelijk. Krankzinnig — waanzinnig — zinneloos — gek — idioot.

Krans — kroon.

Kroniek — geschiedenis — jaarboek.

Kruid — gewas — plant.

Kruin — schedel.

Kruis — ramp.

Kuisch — eerbaar.

Kundig — geleerd.

Kunne — geslacht.

Kunst — kunde — wetenschap — geleerdheid.

Kunstig — kundig — geleerd.

Kuur — gril — luim — nuk.

Kwaad — boos — boosaardig — kwaadaardig.

Kwaal — ziekte.

Kwant — snaak — schalk — gast.

Laagheid — laagte.

Laatdunkend — hoogmoedig.

Laf — zouteloos.

Land — gebied — staat — rijk.

Landaard — natie — volk.

Langzaam — traag — lui — loom — vadsig.

Laven — verkwikken.

Leed — verdriet — smart — hartzeer.

Leemte — gebrek.

Leenen — borgen.

Legende — fabel.

Leidsman — gids — wegwijzer.

Levend — levendig.

Lichtgeloovig — bijgeloovig.

Lichtvaardig — lichtzinnig — luchthartig.

Lid — deksel.

Lid — deel — lichaamsdeel.

Lieveling — gunsteling.

Lieden — menschen — personen.

Loeren — gluren — turen.

Log — langzaam — loom — lui — traag.

Logen — onwaarheid.

Lommer — schaduw.

Lomp — onbeleefd — ongemanierd — onbeschoft.

Loochenen — ontkennen.

Loon — huur.

Loon — belooning — prijs.

Los — lichtzinnig — losbandig — ongebonden.

Loven — prijzen — roemen.

Luchthartig — lichtvaardig.

Luim — boert.

Luister — praal — pracht — pronk.

Maag — bloedverwant.

Maalstroom — draaikolk.

Maat — makker — gezel.

Maatschappij — genootschap — gezelschap.

Macht — gezag.

Macht — vermogen.

Malen — schetsen — scliilderen — teekenen. Malen — mijmeren.

Mangel — gebrek — gemis — ontstentenis.

Mare — tijding — bericht — gerucht.

Martelen — folteren.

Matig — ingetogen — sober.

Matigen — beteugelen.

Matigen — verzachten.

Mededoogen — deernis.

Meegaand — inschikkelijk.

Meer — oceaan — zee.

Melden — berichten.

Menschdom — menschheid.

Mijden — vermijden — vlieden.

Misdaad — misdrijf — overtreding — vergrijp.

Misgunnen — benijden.

Mismaakt — misvormd — wanschapen — wanstaltig.

Mismoedig — mistroostig — neerslachtig — moedeloos.

Misnoegen — ongenoegen — ontevredenheid.

Moede — vermoeid — afgemat — afgetobd.

Moedig — dapper.

Monster — staal — proefje.

Mooi — schoon — fraai — lief — aardig.

Morgen — dageraad — ochtend.

Muiterij — beroerten — opstand.

Mythefabel.

Xaakt — bloot.

Naam — eer.

Naapen — nabootsen — nadoen — navolgen. Naar — akelig.

Nadruk — klein.

Nageslacht — nakomelingschap.

1 Naijverig — ijverzuchtig — jaloersch.

Naken — genaken — naderen.

Nakomen — volbrengen.

Nalaten — achterlaten — overlaten. Nar — gek — zot — dwaas.

Natie — volk.

Nauw — eng — bekrompen.

Nederig — deemoedig.

Neiging — begeerte — genegenheid.

Nering — beroep — kostwinning — broodwinning — bestaan.

Net — sierlijk.

Netelig — moeielijk.

Neuswijs — ingebeeld.

Nieuwsgierigheid — weetgierigheid.

Nijd — afkeer — afgunst.

Nijdig — boos.

Nijgen — buigen.

Nijver — arbeidzaam.

Nood — gevaar.

Noodig — noodwendig — noodzakelijk.

Noot — aanteekening.

Norsch — barsch.

Nu — tegenwoordig — thans.

Nuk — gril.

Nut — baat.

Oce aan — zee — meer.

Ochtend — dageraad — morgen.

Oever — boord.

Offer — olferande — slachtoffer.

Omarmen — omhelzen.

Ombrengen — dooden.

Omgang — verkeer — verkeering.

Omhaal — omslag.

Omkijken — omzien.

Omkomen — sterven.

Omlegeren — omsingelen — insluiten.

Omringen — insluiten.

Omslachtig — breedvoerig — omstandig — wijdloopig — breed.

Omtrek — omgeving — omstreek.

Omtrek — omvang.

Omvallen — omslaan — omrollen.

Omvatten — omvangen — omgeven — omringen. Omzichtig — behoedzaam — voorzichtig. Onafhankelijk — vrij — zelfstandig. Onbebouwd — braak.

Onbegrensd — grenzenloos.


ocr page 352

SYNONIEMEN.

328

Onbekookt — onberaden — onbezonnen — ondoordacht.

Onbekwaam — beschonken — dronken.

Onbeschaamd — onbescheiden — schaamteloos.

Onbezield — zielloos.

Onbezonnen — roekeloos.

Onbezorgd — zorgeloos.

Onbuigbaar — onbuigzaam.

Onder — beneden.

Ondergaan — doorstaan.

Ondergang — val.

Onderling — wederkeerig — wederzijdsch.

Ondermijnen — krenken.

Onderrichten — onderwijzen.

Onderscheid — verschil.

Onderstaan — durven.

Ondersteunen — bijspringen.

Ondervinding — ervaring.

Onderwerp — voorwerp.

Onderwijzen — leeren — onderrichten.

Onderwinden (zich) — durven.

Onderzoeken — opsporen — navorschen.

Ondoordacht — onbekookt.

Ondraagbaar — ondragelijk.

Onduidelijk — duister — donker.

Onecht — valsch.

Oneindig — eindeloos.

Ongenoegen — misnoegen.

Ongestadig — onbestendig — veranderlijk.

Ongetrouw — trouweloos.

Onlusten — beroerten.

Onnoozel — dom.

Onschuldig — schuldeloos.

Ontaarden — verbasteren.

Ontberen — derven.

Ontdekken — uitvinden.

Ontdekken — bemerken — bespeuren.

Ontkennen — loochenen.

Ontkiemen — ontspruiten.

Ontmoeten — aantreffen.

Ontrouw — trouweloos — afvallig.

Ontrukken — ontweldigen — ontwringen.

Ontslapen — sterven.

Ontsluiten — openen.

Ontvangen — bekomen — beuren.

Ontweldigen — ontrukken.

Ontwennen — afwennen.

Ontwerp — bestek.

Ontzag — gezag.

Ontzetting — schrik.

Ontzien — sparen — verschoonen.

Onveranderlijk — bestendig.

Onvervalscht — echt.

Onverwachts — onverhoeds — onvoorziens.

Onvruchtbaar — bar.

Onwetend — dom — onkundig.

Onwrikbaar — bestendig.

Onzijdig — onpartijdig.

Onzinnig — zinneloos.

Oog (in quot;t — vallen) — opmerkelijk (zijn).

Oogenblikkelijk — aanstonds.

Oogmerk — doel.

Oord — plaats — plek.

Oordeel — vonnis.

Oordeel — verstand — vernuft — gezond verstand.

Oorlog — krijg.

Ootmoedig — deemoedig.

Oorsprong — bron.

Oorzaak — reden — beweegreden — grond. Oorzaak — aanleiding.

Ootmoedig — deemoedig.

Op staanden voet — aanstonds.

Opdisschen — aanrechten.

Openbaar — openlijk.

Opendoen — openen — ontsluiten.

Openhartig — gul.

Openhartig — oprecht.

Opgeblazen — hoogmoedig.

Ophemelen — opvijzelen.

Oplaag — druk — uitgave.

Oplettend — aandachtig.

Opmaken — afleiden.

Opmerken — aanmerken.

Oponthoud — verblijf.

Oprecht — echt.

Oprecht — openhartig — rondborstig — rond.

Oprichten — bouwen.

Oproer — beroerten.

Opschik — tooi — pronk — dos.

Opsnijden — pochen — snoeven — grootspreken.

Opsnijden — opzeggen.

Opteekenen — aanteekenen.

Opvliegendheid — drift.

Opzet — doel.

Orakel — godspraak.

Order — bevel.

Oud — afgeleefd.

Overal — alom.

Overbodig — overtollig — overdadig.

Overbrengen — overbrieven — overpraten.

Overdenken — bepeinzen.

Overdrijven — vergrooten.

Overeenkomst — afspraak.

Overeenkomst — verdrag.

Overeind — rechtop.

Overhaasting — overijling.

Overhalen — overreden ■— bewegen.

Overhandigen — bestellen.

Overkomen — beurt (te — vallen).

Overleden — dood.

Overleggen — sparen.

Overlijden — afsterven — sterven.

Overmoed — trotschheid.

Overnemen — aannemen.

Overreden — overhalen — overtuigen.

Overtollig — overbodig.

Overvallen — bespringen — verrassen — overrompelen.

Overweging — bedenking.

Overwinnen — bemachtigen.

Overwinning — triomf — zege — zegepraal.

Paal — perk.

Paar — koppel.

Paard — ros.

Pacht — huur.

Partij — aanhang.

Partijdig — bekrompen.

Passen — behooren.

Passend — betamelijk.

Pedant — eigenwijs.

Peinzen — denken.

Pijn — smart — wee.

Pijnigen — folteren.

Plaats — plek.

Plaats — oord.

Plagen — kwellen.

Plan — aanleg.

Plan — doel.

Plan — bestek — ontwerp.

Plat — gemeen.

Plat — effen.

Plechtig — deftig — statig.

Plegen — begaan.

Pleisteren — aanleggen.


ocr page 353

SYNONIEM KN.

329

Pleizier — blijdschap.

Pleizierig — aangenaam.

Plek — oord.

Plek — vlak — vlek — smet — klad.

Pochen — opsnijden.

Poel — afgrond.

Pogen — trachten — streven — Inspannen (zich).

Post — ambt.

Praal — luister.

Prachtig — heerlijk.

Prat — hoogmoedig.

Praten — babbelen.

Pret — blijdschap — vreugde.

Priem — eis.

Prijs — buit.

Prijs — belooning — loon.

Prijs — waarde.

Prijzen — loven.

Prins — vorst.

Proef (de — nemen) — beproeven.

Proefje — monster.

Pronk — luister — pracht.

Pronk — tooi.

Prooi — buit.

Punt — stip.

Punt — spits.

Raadplegen — beraadslagen (met).

Raadselachtig - duister.

Had — wiel.

Kaden — gissen.

Kaken — aanbelangen.

Hakende — aangaande.

Kamen — begrooten.

Hand — boord.

Rangorde — beurt.

Kap — vlug — snel.

Kas — aanstonds.

Kas — stam.

Kasch — vlug — aanstonds.

Kazen — aangaan — tieren.

Kazen — bulderen.

Kazend — dol — krankzinnig.

Rechtmatig — billijk — rechtvaardig.

Rechtschapen — braaf — eerlijk.

Rechtvaardigheid — gerechtigheid.

Redden — bevrijden.

Rede — geest.

Rede — aanspraak.

Reede — haven.

Rei — rij.

Reikhal/.en — begeeren — haken.

Rein — zuiver — schoon.

Rekening — rekenschap — verantwoording.

Ridderlijk — ruiterlijk.

Rijzen — klimmen.

Rijzig — slank.

Rivier — stroom.

Roekeloos — onbezonnen.

Roem — eer.

Roemen — loven.

Koeping — beroep.

Koeren — aandoen.

Rondborstig — oprecht.

Kool' — buit.

Kook — damp.

Kooven — stelen.

Ros — paard.

Ruchtbaar — bekend.

Ruggespraak — afspraak.

Rugwaarts — achterwaarts.

Ruig — ruw.

Ruim — breed — wijd.

Ruimte — plaats.

Ruischen — bruisen.

Ruiterlijk — ridderlijk.

Rustig — bedaard.

Ruw — ruig.

Ruzie — twist.

Sabel — zwaard.

Salaris — jaarwedde.

Samenhang — betrekking.

Samenkomst — bijeenkomst.

Samenvoegen — vereenigen.

Sarren — tergen.

Schaal — schelp — schulp.

Schaamteloos — onbeschaamd.

Schaarsch — zeldzaam.

Schade — afbreuk.

Schaduw — lommer.

Schakel — schalm.

Schamper — bits.

Schande — oneer.

Schatten — achten.

Schatting — belasting — cijns.

Scheef — schuin — dwars.

Scheidsman — bemiddelaar.

Schelm — guit — fielt.

Schenken — geven — vereeren.

Schermutseling — gevecht — kamp.

Scherp — bits.

Scherts — boert.

Schertsen — boerten — jokken.

Scheur — barst.

Schielijk — aanstonds.

Schier — haast.

Schijn — glimp.

Schijnheiligheid — geveinsdheid.

Schil — bast.

Schim — schaduw — spook.

Schimp — hoon.

Schitteren — blinken — glanzen.

Schokken — aandoen.

Schoorvoetend — huiverig — ongaarne.

Schors — barst.

Schrander — doordringend.

Schreeuw — kreet.

Schrijftrant — stijl.

Schrik — angst — ontsteltenis.

Schroeien — blaken.

Schromen — aarzelen.

Schroomvallig — bedeesd — angstig.

Schuilen — verholen zijn — verbergen (zich)— zich schuil houden.

Schuin — dwars — scheef.

Schuldeloos — onschuldig.

Schutting — haag — heining.

Sidderen — beven.

Sieraad — opschik.

Slachten — gelijken.

Slachtoffer — offer.

Slag — gevecht — kamp.

Slager — slachter — vleeschhouwer.

Slaken — loozen.

Slank — dun.

Slaperig — droomerig.

Slecht — erg.

Slechten — sloopen — afbreken.

Slordig — achteloos.

Slot — besluit.

Slot — burg — burcht.

Slotte (ten) — eindelijk.

Sluiken — smokkelen.

Sluiten — aangaan.

Sluw — arglistig — loos.


ocr page 354

SYNONIEMEN.

Smaden — beleedigen — smalen.

Smart — pijn — leed.

Smeeken — aanroepen.

Smet — plak — plek — vlak.

Snel — vlug — haastig.

Sober — matig.

Somber — duister.

Soortgelijk — gelijksoortig.

Sparen — besparen — bezuinigen — overleggen.

Sparen — ontzien.

Speelsch — dartel — speelziek.

Spelen — dobbelen.

Spelonk — grot — hol.

Spits — punt.

Spot — hoon.

Spraak — taal.

Sprakeloos — stom.

Sprookje — fabel.

Staaf — baar.

Staal — monster.

Staande houden — beweren.

Staatsie — plechtigheid.

Stamelen — stameren — hakkelen.

Stand (tot — brengen) — bewerken.

Standaard — banier.

Standvastig — bestendig.

Stapel — hoop.

Staren — zien.

Statig — deftig — plechtig.

Staven — bekrachtigen.

Stelen — rooven — ontvreemden.

Stelregel — beginsel.

Stemmig — deftig.

Sterk — krachtig — vermogend.

Sterkte — kracht.

Sterven — sneven — sneuvelen — omkomen.

Stichten — bouwen.

Stijfhoofdig — eigenzinnig.

Stijgen — klimmen.

Stijl — schrijftrant — schrijfwijs.

Stil — bedaard.

Stillen — bevredigen.

Stipt — nauwkeurig.

Stokoud — afgeleefd.

Stom — sprakeloos.

StOmp — ll'.t.

Storen — belemmeren.

Stotteren — hakkelen.

Stout — dapper — stoutmoedig.

Straffen — kastijden — bestraften.

Streelen — aaien.

Streelend — aangenaam.

Strekken — dienen.

Stremmen — belemmeren.

Streng — hard.

Streven — pogen.

Strijd — gevecht.

Stroomen — vlieten.

Stug — barsch — stuursch.

Taal — spraak.

Tafel — disch.

Tafel (ter — brengen) — te berde brengen — op het tapijt brengen.

Talent — aanleg — gaaf.

Talentvol — begaafd.

Talmen — aarzelen.

Talmen — beuzelen.

Tam maken — temmen.

Tasch — beurs.

Tasten — voelen.

Te duur (iets — gekocht hebben) — bekocht (zijn). Tegenhouden — belemmeren.

Tegenspoed — beproeving — druk — ramp.

Tegenwerping — bedenking — aanmerking.

Tegenwoordig (zijn bij) — bijwonen.

Tegenzin — afkeer.

Teleurstellen — beschamen.

Tergen — sarren.

Terugtocht — aftocht.

Teug — dronk.

Teugel — breidel.

Teugelloos — bandeloos.

Tevreden — gelukkig — vergenoegd.

Teweegbrengen — berokkenen.

Tieren — aangaan.

Tijding — bericht — mare.

Tintelen — blinken.

Toebereiden — aanrechten.

Toebereidselen — aanstalten.

Toegefelijk — inschikkelijk.

Toelachen — aanlachen.

Toelachen — gedoogen.

Toelaten — dulden.

Toeleg — aanslag.

Toeleggen (zich) — bevlijtigen (zich).

Toeloop — aanloop.

Toeloop — gedrang.

Toenemen — aangroeien.

Toereikend — genoeg.

Toeschouwer — aanschouwer.

Toespraak — aanspraak.

Toestaan — bewilligen — toestemmen. Toestemmen — toegeven — beamen.

Toeval — avontuur.

Toeven — beiden.

Ton — vat.

Tooi — versiersel.

Toom — breidel.

Toon — geluid — klank.

Toonen — dag (aan den — leggen).

Toorn — boosheid — gramschap.

Toorts — fakkel — flambouw.

Torsen — dragen.

Traag — log.

Trachten — pogen.

Traktement — jaarwedde.

Trant — manier — wijze.

Trek — begeerte.

Treurig — bedroefd.

Treuzelen — beuzelen.

Trots — hoogmoed.

Trotsch — hoogmoedig.

Trouweloos — ontrouw.

Tuchthuis — gevangenis.

Tuchtigen — kastijden.

Tuimelen — buitelen — nedervallen. Tweedracht — twist — tweespalt — oneemg-heid.

Twijfelachtig — dubbelzinnig.

Twist — ruzie — onmin — onaangenaamheden.

l'itbetalen — afbetalen.

Uitblijven — wegblijven.

Uitbreiden — verspreiden.

Uitbreiden (zich) — aangroeien.

Uitdenken — verdichten — verzinnen. Uitdrukking — bewoording.

Uiterlijk — aangezicht — gelaat.

Uiterlijk — uitwendig.

Uitgelaten — dartel.

Uitgeleide — geleide.

Uitgemaakt — zeker — oogenschijnlijk — onloochenbaar.

Uitheemsch — buitenlandsch.

Uithouden — doorstaan.


ocr page 355

SVNONi

I EM EX.

Uitlachen — belachen.

Uitleggen — omschrijven — verklaren. Uitoefenen — beoetenen.

Uitputten — afmatten.

Uitrekenen — berekenen.

Uitscheiden — eindigen.

Uitschot — uitvaagsel.

Uitschrijven — afschrijven.

Uitspanning — afleiding.

Uitsparen — besparen.

Uitstaan — doorstaan.

Uitstappen — afstijgen.

Uitstekend — uitnemend — uitmuntend.

Uitstel — afstel.

Uitvaagsel — uitschot.

Uitvaren — aangaan.

Uitvinden — ontdekken.

Uitvisschen — uitvorschen — uitvragen. Uitvoeren — bewerken.

Uitvoerig — omslachtig.

Uitwaseming — damp.

Uitwendig — uiterlijk.

Uitwerken — bewerken.

Uitwinnen — besparen.

Uitzet — bruidschat.

Uitzinnig — krankzinnig.

Vaak — dikwijls.

Vaan — banier.

Vaarwel zeggen — afscheid nemen.

Vaderland — moederland — geboortegrond. Vadsig — lui — log.

Val — ondergang.

Vallei — dal.

Vallen — tuimelen — storten.

Valsch — onecht.

Vangen — grijpen.

Vangen — betrappen.

Vast — bestendig.

Vast — gewis — zeker.

Vast — dicht — stevig.

Vasthechten — bevestigen — vastmaken.

Vasthoudend — karig — zuinig — spaarzaam.

Vatbaarheid — aanleg — geschiktheid.

Veelkleurig — bont.

Veil — te koop.

Veinzen — huichelen.

Vel - blad.

Vel - huid.

Veld — akker.

Verachten — smaden — luiten.

Veranderen — wijzigen — vermaken. Veranderlijk — onbestendig.

Verantwoordelijk — aansprakelijk. Verantwoording — rekenschap.

Verband — betrekking — samenhang. Verbanning — ballingschap.

Verbasteren — ontaarden.

Verbazen — bevreemden.

Verbeelden (zich) — inbeelden (zich). Verbeelding — inbeelding.

Verbeiden — afwachten — verwachten. Verbeterhuis — gevangenis — tuchthuis. Verbintenis — belofte.

Verblijf — oponthoud.

Verbloemen — bewimpelen.

Verbolgen — boos — driftig.

Verbond — verdrag — verbintenis — overeenkomst.

Verborgen — duister — donker.

Verdelgen — vernielen — verwoesten — ver- i nietigen.

Verdenking — achterdocht.

Verdichtsel — fabel.

Verdienen — waardig zijn — wüard zijn. Verdoen — doorbrengen.

Verdolen — afdwalen.

1 Verdoofd — bedwelmd.

Verdorren — verwelken.

Verdrag — overeenkomst — verbond. Verdragen — doorstaan.

Verdriet — leed — hartzeer — droefheid smart.

Verduisteren — betrekken.

Verduren — doorstaan.

Vereeniging — verbond.

Vereeren — aanbidden.

Vereeren — schenken.

Vereerend — eervol.

Vergaderen — verzamelen.

Vergeeflijk — verschoonbaar.

Vergelden — beloonen.

Vergelijking — gelijkenis.

Vergen — eischen.

Vergenoegd — gelukkig — tevreden

Vergezellen — geleiden.

Vergieten — plengen.

Vergissing — dwaling.

Vergrammen — belgen.

Vergrijp — misdaad.

Vergrooten — overdrijven.

Verguizen — beleedigen.

Verhaasten — bespoedigen.

Verhard — hardnekkig.

Verheven — hoog — groot.

Verhinderen — afhouden — beletten.

Verhindering — belemmering.

Verhoeden — verijdelen — voorkomen.

Verholen — duister.

Verkeer — omgang — verkeering.

Verkeerd — averechts.

Verklaren — uitleggen.

Verklaren — beduiden.

Verkleuren — verschieten.

Verknocht — gehecht.

Verkoelen — afkoelen.

Verkoopen — veilen.

Verkooping — veiling.

Verkrijgen — behalen.

Verkrijgen — bekomen — verwerven.

Verkwikken — laven.

Verkwisten — doorbrengen.

Verlagen (zich» — vernederen (zich).

Verlangen — aanzoek.

Verlangen — begeerte.

Verlangen — begeeren.

Verlangen — eischen.

Verlaten (zich — op) — bunwen (op).

Verlaten — begeven.

Verleenen — géven.

Verlegen — bedeesd.

Verletten — verzuimen.

Verlichting — beschaving — beschaafdheid.

Verlies — afbreuk.

Verliezen — kwijt worden — kwijt raken.

Verloochenen — afzweren.

Verlossen — bevrijden.

Verlustiging — genoegen — vermaak.

Vermaak — blijdschap.

Vermaard — befaamd.

Vermageren — afvallen.

Vermeerderen — aangroeien.

Vermeesteren — bemachtigen.

Vermetel — roekeloos.

Vermoeien — afmatten.

Vermogen — gaaf (gave).


ocr page 356

SYNONIEMEN.

332

Vermogend — machtig.

Vernederen — verlagen.

Vernemen — hoorei i.

Vernielen — vernietigen — verdelgen.

Vernuft — geest — oordeel.

Veronachtzamen — verwaarloozen — verzuimen.

Veroorzaken — berokkenen.

Veroveren — bemachtigen.

Verplichting — dankbaarheid.

Verrassen — betrappen.

Verrassen — bevreemden.

Verrassen — overvallen — overrompelen.

Verrichten — bedrijven.

Verrotting — bederf.

Verruilen — verwisselen.

Verrukking — blijdschap.

Versch — frisch.

Verscheiden — afsterven.

Verschoonen — ontzien.

Verschoonlijk — vergefelijk.

Verschrikkelijk — afgrijselijk.

Versiersel — tooi — opschik — sieraad.

Verslaan — dooden.

Versmaden — verachten.

Versperren — belemmeren.

Verspillen — doorbrengen.

Verspreiden — verbreiden.

Verstaan — begrijpen.

Verstand — géést.

Verstandig — geleerd — oordeel.

Versteld — verbaasd.

Verstouten (zich) — durven.

Verstrooid — afgetrokken.

Verstrooid — in gedachten.

Verstrooiing — afleiding.

Verteren — doorbrengen.

Vertoog — betoog.

Vertrek — aftocht.

Vertrouwen (op) — bouwen (op).

Verwaand — eigenwijs — hoovaardig.

Verwelken — verdorren.

Verwerven — bekomen — verkrijgen.

Verwijderd — afgelegen.

Verwijl — uitstel.

Verwisselen — verruilen.

Verwittigen — berichten.

Verwittigen — waarschuwen.

Verwoed — dol.

Verwoesten — verdelgen.

Verwonden — kwetsen.

Verwonderen — bevreemden — verbazen.

Verzachten — matigen.

Verzamelen — vergaderen.

Verzekeren — bekrachtigen.

Verzetten (zich) — kanten (zich).

Verzinnen — uitdenken.

Verzoeken — eischen.

Verzoeking — aanvechting.

Verzoenen — bevredigen.

Verzuimen — verletten.

Vijandschap — afkeer — haat.

Vinden — aantreffen.

Vlaag — bui.

Vlag — banier.

Vlak — elfen — plat.

Vleesch houwer — slager.

Vleugel — vlerk — wiek.

Vlieden — vluchten.

Vlieten — vloeien — stroomen.

Vlijt — ijver.

Vlijtig — arbeidzaam.

Vloeibaar — dun.

Vloeien — vlieten.

Vluchten — vlieden.

Vlug — rap — snel — rasch.

Vochtig — duf — nat.

Volledig — volmaakt.

Voedsel — aas.

Volledig — volmaakt.

Voordeel — belang.

Voorgeven — beweren — voorwenden. Voorhanden — aanwezend.

Voorheen — eertijds — voor dezen — voormaals — oudtijds.

Voorkeur — voorliefde.

Voorkomen — verhoeden.

Voorkomen — dunken — schijnen.

Voorlichten — toelichten — inlichten. Voornaam — aanzienlijk — groot.

Voornemen — doel.

Voornemen — besluit.

Vooroordeel ~ dwaling.

Voorouders — voorgeslacht — voorvaderen. Voorrede — voorbericht.

Voorschrift — bevel.

Voorshands — voorbaat (bij).

Voorslag — voorstel — voordracht. Voorstander — aanhanger — voorvechter. Voorstellen (zich) — aanschouwen.

Voorstelling — begrip — denkbeeld — idee. Voortduren — aanhouden.

Voortdurend — aanhoudend.

Voortgaan — voortvaren.

Voortvloeien — voortkomen — voortspruiten. Voorvaderen — voorgeslacht — voorouders. Voorval — avontuur.

Voorvallen — gebeuren.

Voorwaarde — beding.

Voorwenden — voorgeven.

Voorwerp — onderwerp.

Voorzichtig — bedachtzaam.

Vorderen — eischen.

Vordering — verzoek.

Vorm — figuur.

Vreemd — buitenlandsch.

Vreemdeling — vreemde.

Vrees — angst.

Vreeselijk — afgrijselijk.

Vreezen — duchten.

Vreugde — blijdschap.

Vriendschap — genegenheid.

Vrij — onafhankelijk.

Vrijmaken — bevrijden — vrijstellen. Vrijmoedig — vrijpostig.

Vroed — verstandig.

Vroom — godsdienstig.

Vroomheid — deugd.

Vurig — heet.

Waanwijs — eigenwijs.

Waanzinnig — krankzinnig.

Waar — echt.

Waar — waarschijnlijk.

Waard — dierbaar Waard (zijn) — verdienen.

Waarde — waardij.

Waarde — prijs.

Waardeeren — achten.

Waardig — dierbaar.

Waardig (zijn) — verdienen.

Waardigheid — ambt.

Waarnemen — bemerken.

Waarnemen — aanschouwen.

Waarschuwen — verwittigen.

Wachten (zich) — acht nemen (zich in). , Wachten — afwachten.


ocr page 357

SYNONIEMEN.

333

Wachten — beiden.

Wagen — durven.

Warren — koets — rijtuig.

Waggelen — wankelen.

Wal — vest — schans — mimr.

Walging — afkeer.

Walm — wasem — rook.

Wanbedrijf — misdaad.

Wanbegrip — dwaling.

Wand — muur.

Wandelen — gaan — kruisen.

Wanen — achten.

Wang — koon.

Wangunst — afgunst.

Wanschapen — mismaakt — wanstaltig.

Wantrouwen — achterdocht — mistrouwen.

Wapenschorsing — wapenstilstand — bestand.

Warm — heet.

Wassen — groeien.

Wederhelft — echtgenoot.

Wederkeerig — onderling.

Wedervaren — bejegenen.

Wederwaardigheid — beproeving.

Weeg (te — brengen) — berokkenen.

Week — zacht.

Weelderig — dartel.

Weetgierigheid — nieuwsgierigheid.

Weerzin — afkeer.

Wegwijzer — gids.

Weifelen — aarzelen.

Weigeren — afslaan.

Weiland — beemd.

Weinig — beetje.

Wel — bron.

Welbespraakt — welsprekend — wel ter taal.

Wellevend — beschaafd.

Welstand — welzijn — welvaart — voorspoed.

Welvoeglijk — betamelijk.

Welzijn - welstand.

Wemelen — krielen — krioelei .

Wensch — begeerte — hoop.

Wenschen — hopen.

Wentelen — draaien.

Werk — arbeid.

Werkman — arbeider.

Werktuig — gereedschap.

Werkzaam — arbeidzaam.

Weten (dank) — bedanken.

Wetenschap — kunst.

Wettelijk — wettig.

Wijd — ruim.

Wijdloopig — omslachtig.

Wijken — deinzen.

Wijs — geleerd — verstandig.

Wijten — danken.

Wijzen — toonen.

Wijzen (van de hand) — afwijzen.

Wijzigen — veranderen.

Wikken — wegen.

Wil — begeerte — verhingen.

Wild — woest.

Wildernis — woestenij — woestijn. Willekeurig — eigendunkelijk.

Wingewest — provincie — gewest.

Winst — baat.

Wispelturig — wuft.

Wit - blank - bleek.

Woede — boosheid.

Woeden — bulderen.

Woedend — dol.

Woest — wild.

Woest — braak.

Wonden — bezeeren.

Woning — huis — paleis.

Woordenrijk — welbespraakt.

Woordenwisseling — twist.

Worstelstrijd — gevecht — kamp — worsteling.

Woud — bosch.

Wrak — gebrekkig.

Wraken — afkeuren.

Wrang — bitter — zuur.

Wreed — barbaarsch.

Wrevel — boosheid — wrok.

Wroeging — berouw.

Wrok — boosheid — wrevel.

Wuft — wispelturig.

Wulpsch — dartel.

Zaak — aangelegenheid.

Zaak — ding.

Zacht — week.

Zak — buidel — beurs — tasch.

Zalf — balsem.

Zakken — dalen.

Zede — gebruik.

Zedig — bescheiden — zedelijk.

Zeeboezem — baai.

Zege — overwinning.

Zegen — geluk — heil — voorspoed.

Zegepraal — overwinning.

Zeggen — spreken.

Zeker — uitgemaakt.

Zeldzaam — bijzonder.

Zeldzaam — schaarsch.

Zelfstandig — onafhankelijk.

Zengen — blaken.

Zieden — koken.

Ziek — krank — onwel — ongesteld.

Ziel — geest.

Zielloos — onbezield.

Zien — kijken — staren — turen.

Zin — beteekenis.

Zinneloos — krankzinnig.

Zoet — aangenaam.

Zondig — goddeloos.

Zondigen — dwalen.

Zoom — boord.

Zorgelijk — bedenkelijk.

Zorgeloos — onbezorgd.

Zorgzaam — zorgvuldig.

Zot — dwaas.

Zuil — pilaar — pijler — kolom.

Zuiver — echt.

Zwaar — hard.

Zwaard — degen — sabel.

Zwaarmoedig — bedroefd — neerslachtig.

Zwak — krachteloos — onsterk.

Zwang — gebruik — mode.

Zwelgen — brassen.

Zwellen — dijen — uitzetten.

Zwerven — dolen — dwalen.

Zwierig — opgeschikt.

Zwijn — varken — beer — zeug.


ocr page 358

334 WOORDTEEKENS.

III. HET GEBRUIK DER WOORDTEEKENS.

Woorclteekens dienen om de juiste opvatting der geschreven woorden te vergemakkelijken. Ze zijn zes in getal en heeten: 1°. Het koppelteeken, 2°. Het kleyntoonteekea, 3°. Het weg-latimjsteeken (apostrophe), 4°. Het samentrekkingsteeken, 5°. Het afhrekinysteeken, 6°. Het (teelteeken.

I. Het koppelteeken. Men vereenigt de leden van een samenstelling dooreen koppelteeken, wanneer het werkelijk aaneenschrijven van die leden een woord zou opleveren van een te vreemd voorkomen, of dat wegens zijn lengte te moeielijk zou te overzien zijn.

Het koppelteeken wordt dus gebruikt:

1°. In woorden, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde bijv. nw. voorkomen, als in: HoUoway-pillen, Java-tabak. Berlijiisch-blaiuv, Prinsisch-znm', enz.

2°. In titels, die bestaan uit:

lt;i. Twee bastaardwoorden, als: adjunct-commies, luitenant-kolonel. gouverneur-generaal; b. Een Nederlandsch woord en een bastaardwoord, als: raad-pensionaris, Staten-Generual. 3°. In aardrijkskundige namen, bestaande uit een' eigennaam en een bijv. liw. of een bijwoord, als: Klein-Azië, Nieuw-Zeeland. Noord-Holland, Beneden-Egypte.

Bijvoeglijke nw., van deze namen gevormd, worden zonder koppelteeken als één woord geschreven, als: Noordbrabantsch, Zuidhollandsch, enz.

4°. In samenstellingen, waarvan het eerste lid alleen betrekking heeft op het eerste gedeelte der volgende samenstelling. Dat eerste lid kan zijn: een bijv. nw., een voornaamw., een lidwoord of een telwoord, als: oude-mannenhuis, gemaakte-kleerenmag azijn; Mijns-Heer en-land , 's-Hertogenbosch, de Drie-Keizersslag, enz.

5°. Om de leden van uitdrukkingen, die als één benaming (of als één begrip) moeten opgevat worden, te verbinden, als: vergeet-mij-niet, kruidje-)'' er-in ij-niet, spring-in-t-veld, kijk-in-den-pot, enz.

II. Het klemtoonteeken. Het dient om aan te duiden, op welk woord of op .velke lettergreep de nadruk valt: Deze boer hep ft maar één paard.

Evenzoo: canapé, coupé, enz.

Hl. Het weglatingsteek en (apostrophe). Dit staat in den regel in plaats van éèn of meer weggelaten letters, bijv.: 'k voor ik; 't voor het; d' voor den; 's voor des; een' voor renen; zou'' voor zoude; solo's, canapé''s, sofa's, menu's, enz.

IV. Het samentrekkingsteeken. Dit duidt aan, dat twee lettergrepen tot één lettergreep zijn versmolten, bijv.: stang voor stadig, boom voor bodem, radn voor raden (raderen), bièn voor bieden, enz.

Opmerking. Dit teeken wordt alleen gebezigd bij ongewone samentrekkingen, dus bij die, welke in de spreektaal niet voorkomen. Zonder samentrekkingsteeken schrijft men daarom: onweer, onweeren, leege, leer en (schoenen), enz.

V. Het afbrekingsteeken wordt gebezigd bij afkortingen.

Voorbeelden, n.l. = namelijk; b.v. = bijvoorbeeld, enz.

(Zie verder de lijsten der gebruikelijke verkortingen aan 't hoofd van elke letter).

VI. Het deelteeken. Dit dient om aan te duiden, dat een klinker tot een volgende lettergreep behoort, als: Azië, maïs. Kaïn, quotiënt, priëel, poëzie, enz.

Opmerking. Het deelteeken dient alleen om de juiste opvatting van het woord te bevorderen: het wordt alzoo gebezigd, als de twee klinkers één klinker of tweeklank zouden kunnen vormen, dus niet in: modeartikel, georgel, Leonard, roggeaar, enz. In enkele gevallen wordt het duidelijk*halve gebezigd, als in: prismoüb', Israëlieten, enz.

Volgens algemeen gebruik schrijft men: museum, petroleum.

ocr page 359

HOOFDLETTERS.

IV. HET GEBRUIK DER HOOFDLETTERS.

De hoofdletters worden gebezigd om een woord te kenmerken als een eigennaam of daarmede gelijkstaande, of als het eerste eener reeks. Men schrijft dus met een hoofdletter:

10. Het eerste woord van eiken volzin, en in poëzie, van eiken versregel.

2°. Alle doopnamen en familienamen, als: Johan, Marie, Tromp.

Ook het lidwoord of voorzetsel, dat een deel uitmaakt van den familienaam en waarmede deze aanvangt, schrijft men met. kapitale letter, als: De Witt, Ter Hurst. Ten Brink, en evenzoo, indien de familienaam uit drie leden bestaat, als: Van den Rerq. Op den Heuvel, enz. Komt echter vóór den familienaam de doopnaam, dan schrijft men lidwoord of voorzetsel óf beide klein, als: Hugo de Groot, Jan Hendrik van der Palm, enz.

De toenamen, achter de eigennamen gevoegd, hebben een hoofdletter, als: Willem de Veroveraar, Lode wijk de Veertiende, enz.

3°. Alle aardrijkskundige eigennamen, als: Frankrijk. D Kitsch land; de Wwne, de Elbe; de Vesuvius, de Mont-Blanc; Cyprus, kaap Lizard, enz.

Indien deze eigennamen samengesteld zijn, krijgt ieder hoofdlid een kapitale letter, als: Noord-Holland, Beneden-Egtjpte, de Zwarte Zee, enz.

40. De namen van week- en feestdagen en van de maanden, als: Maandag. Paaschzondag, Eerstm is, December.

5°. De eigennamen, als soortnamen gebezigd, als: Van der Palm was de Cicero van zijn' tijd; — verder: De Keizer, de Koningin, de Primes, de Minister, de President, enz., indien uit de omstandigheden blijkt, dat een bepaalde persoon bedoeld wordt. Zoo is in: De Koningin zal komen, de Koningin = H. M. Wilhelmina.

Ü0. De abstracte zelfstandige nw., die als personen worden voorgesteld (personificatie) als: De Waarheid reisde door 7 gehucht. En vroeg er ook een plaats! (Bild.)

7°. Ieder hoofdwoord in titels, als: de Heer .4., Mijnheer B., Mevrouw C., Mijne Heer en, Mijne Dames, Weledele Heer, Weledelgestrenge Heer, de Hooge Raad, de Sta te a-Generaal, de Provinciale Staten, enz.

8°. De bijv. nw., van eigennamen afgeleid, als: Groningse he koek, Russisch leder, de Socratische leerwijze, enz.

Bestaan de eigennamen der aardrijkskunde uit twee leden, als: Noord-Brabant, Zuid-Holland, Noord-Amerika, enz., dan worden de bijv. nw., er van afgeleid, aaneengeschreven en het eerste lid behoudt de hoofdletter, als: Noordbrabantsche kleederdracht, de Zuidhol-landsche eilanden.

00. De woorden, die in bijzondere gevallen, door den smaak en het oordeel van den schrijver te bepalen, een opzettelijke aanwijzing vereischen of van de overige onderscheiden moeten worden, als: Flij, Hem, Zijn, de Almacht, de Hemel (van God gebezigd): de rechten de-r Kroon, enz.

V. HET AFBREKEN VAN WOORDEN IN LETTERGREPEN.

Het afbreken van woorden in lettergrepen geschiedt het best op het gehoor. Echter zijn door de ontwerpers der spelling enkele regels gesteld, waarvan wij de belangrijkste hier laten volgen.

10. In samengestelde woorden blijft iedere letter in het lid, waartoe zij behoort: men breekt dus af: voort-aan, aard-appel, land-ouw, bedil-al. mein-eedig, eik-ander, malk-ander.

20. De voorvoegsels: be-, ge-, her-, ont-. ver-, wan-' en de min of meer ..zelfstandigequot; achtervoegsels: -aard, -heid, -schap, -dom: -baar, -zaam, -lijk, -loos. -achtig, -haftig worden steeds als afzonderlijke lettergrepen geschreven, dus: he-amen, ge-leiden, ont-adelen. enz.: grijs-aard. wijs-heid, eer-loos, enz. Uitgezonderd: vein-zaard (van veinzer) en grijn-zaard (van grijn-zer).

ocr page 360

AFBREKEN VAN WOORDEN.

3°. De achtervoegsels, als: -de. -tc, 'Ste. -star, -nis, -sel. enz., die met één of meer medeklinkers beginnen, worden steeds als afzonderlijke lettergrepen geschreven, als: hun-de. hoog-te, diep-ste. gedweeste, naaister., dnister-nis. bal-set. Uitgezonderd ter wille van dc uitspraak: naas-te en bes-te.

40. De verkleiningsuitgangen: -tje. -pje. she, -sken mogen in geen geval gescheiden worden. dus: zee-tje, kooi-tje. raarn-jtje. arm-pje, boek-ske, jonysken, vlayske, penningske. Uitgezonderd zijn ter wille der uitspraak: laat-je, papaat-je, raat-je, paraplunt-je, enz. Deze breekt men ook wel af: la-tje. papa-tje, ra-tje, Cato-tje, parapln-tje. Echter altijd: Ka at-je. Naat-je, Daat-je. (Zie Opmerking, hieronder».

5°. De alleenstaande tusschenletter behoort tot de volgende lettergreep, als: dni-nen, pe-ren, schoo-ven, lee-raar. lee-ra-res, la-chen, jui-chen.

6°. Van twee tusschenletters behoort de eerste tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep, als: drin-ken, klim-men. gem-zen, bossen, bos-schen, bosschage, enz. Evenzoo bij ng, als: ton-gen, spron-gen.

T11. Van drie of vier tusschenletters behooren er zooveel tot de volgende lettergreep, als zich gezamenlijk aan het begin van een woord gemakkelijk laten uitspreken, als: vorsten, af-kom-stig. angstig, kunstig, ven-ster. doch: vorst-je, kunst-je, amb-tenaar, erw-ten, artsen, koortsig; verder: asch-sehop, as-sche-poe-sler, enz.

8°. In vreemde woorden beslist de uitspraak, als: Kar-tui-zer, Hen-ri-el-te, Is-rna-el, Is-ra-e-lie-ten, pris-mo-i-de, a-bri-koos, A-dri-a-nus, lo-co-rno-tief, me-tho-de, am-phi-bie, A-lex-an-der, A - lex-a n-d) 'ij-nen (dichtregels van 12 of 13 lettergrepen), bas-ca-le, bi-jou-te-rie, enz.

Opmerking. Ten opzichte van: kachel, Mechelen, lichaam, bochel, kuchen, papaatje, scha kootje enz. valt nog op te merken, dat men ze. ter wille een er juiste uitspraak, niet anders dan hoognoodig achter de eerste lettergreep dient af te breken.

VI. HET AANEENSClim.lVEN VAN WOORDEN.

Samengestelde woorden zijn verbindingen van woorden, die tot één geheel vereenigd zijn ten einde een nieuw begrip uit te drukken, d. i. een begrip verschillend van dat. hetwelk door de leden, als woorden los naast elkander geplaatst , zou worden aangeduid. Zoo is: hooge-school, kleinkind, welgemaakt. rijwiel, iets anders dan: hooge school, klein kind, wel gemaakt, rij wiel, enz.

De leden der samengestelde woorden worden aaneengeschreven of door een koppel-teeken verbonden. De samenstellingen, welker spelling eenig bezwaar kan opleveren, met het oog op het aaneenschrijven, zijn:

10. De zelfst. nw.. voorafgegaan van bijv. nw., welke onverbogen blijven, als: schoonzoon (des schoonzoons), zuurkool (der zuurkool), hoogepriester (des hoogepriesters), nieuwjaar (des nieuwjaars).

20. Alle samengestelde zelfst. nw. en bijv. nw., die door afleiding ontstonden, alsmede de bijwoorden met de zoogenaamde bijwoordelijke s, als: broodbakker, wetgever, kolenbrander: schaatsenrijder, vierentwintigponder, drieën negentiger (wijn), teleurstelling, teraardebestelling; alledaagsch, onderaardsch, goedhartig, viervoetig, zoodanig, snelgewiekt, hooggeschouderd: terloops, vanzins, bijtijds, vanouds, enz.

Opmerking. Ook schrijft men: binnenskamers, buitenslands, binnensmonds, binnens-

rands, ondershands, enz., waarin de eerste s is ingelascht, en de tweede een bijw. s is.

die de leden verbindt.

3°. De uitdrukkingen, waarin verbuigingsvormen voorkomen, die buiten samenstelling niet meer in gebruik zijn. Hun eerste lid bestaat uit:

a. een bijv. nw. in den 2en nvl. mannelijk of onzijdig op s: goedsmoeds, blootshoofds. Soms ontbreekt de s, als in: droogvoets, goedschiks, oudtijds.

b. een bijv. nw. in den 2en nvl. vrouwelijk op er, dat met het volgende zelfst. nw. in

ocr page 361

AAXEKNSCHKIJVEN VAN WOORDEN.

figuurlijken zin moet opgenomen worden, als: liingzamefhand, allerwegen, toevalligerwijze, ge wct pe/ulcrh a gt; id. stom i endei 'ha ml.

In eigenlijke bet. l)lijft ieder lid op zich zelf. als in: onverrichter zake, ouder gewoonte.

c. een voorzetsel, gevolgd door den verscherpten vorm ter. als: metterdaad, metterwoon, mettertijd, evenzoo uitermate.

d. de vormen der, des, wes, oude 2e nvl. van die, dat. wat, .als: derhalve, deskundig, weswege.

4°. Opeenvolgingen van woorden, die met elkaar verbonden iets anders beteekenen, dan wanneer zij gescheiden zijn. De voornaamste hiervan zijn:

a. werkwoorden, samengesteld met zelfst. nw.. bijv. nw. of bijw., wanneer zij een nieuw begrip aanduiden, als: gadeslaan (hierbij denkt men niet aan slaan = houwen), gevangennemen, vrijlaten, enz.

Opmerking. Indien het eerste deel een bepaling vóór zich kan nemen, wordt het natuurlijk als afzonderlijk woord geschreven, bijv. prijsstelhm (een hoog en prijs stellen op iets), fraai schrijven (zeer fraai schrijven), acht geven, acht slaan {geen acht. veel acht geven, slaan), staat } na hen (weinig staat maken op), enz.

h. bijv. naamw.. voorafgegaan door: al, vol, wel, in, daar, puik. aller, opper, in de l»e-teekenis van zeer, als: algoed, volijverig, welbespraakt, indroog, doornat, puikbest, allernieuwst, opperbest. Evenzoo in itels: Weledel. Weleerwaard, Zeergeleerd. Hooggeboren. Hoogedelgestreng, enz.

c. namen van kleuren, die uit twee bijv. nw. bestaan, als: donkerblauw, zwartbont, roodbont, oranjegeel. enz.

d. de leden van bepalingaanduidende voornw.: degene, diegene, datgene, dezulke, dezelfde.

e. de telwoorden beneden twintig, als: achttien. Van de getallen boven twintig worden alleen de honderdtallen met den vermenigvuldiger aaneengeschreven, als: driehonderd, achttienhonderd, zeven duizend, negen millioen.

Oi'MKRKiNG. De met en verbonden telwoorden worden steeds los geschreven, als: een en twintig, honderd en drie. Evenzoo de ranggetallen: twee en twintigste, driehonderd vier en vijftigste.

/. bijwoorden met bijwoorden, als: weleer, hoelang, zoolang, zoover, hierom, hierdoor' daardoor, daarvan, waarmede, waaronder, waarover, enz.

Op.mekkinCjen. 1°. Men schrijft gescheiden: ergens aan. nergens door, overal bij; erbij, ervan, eraan, erdoor, erover, enz. De uitdrukkingen met ergens, nergens, overal komen vooral in de spreektaal voor en worden meer gesproken dan geschreven: er is meestal door tusscheninstaande woorden van zijn bijwoord gescheiden, als: Hij wil er altijd over spreken. Denk er telkens aan.

20. Men onderscheidt weleer van wel eer. bijv.: Gij hadt wel eer kannen komen; evenzoo: hoelang van hoe lang; zoolang van zoo lang: zoover van zoo ver; vandaar van van daar: vanhier van van hier: vanwaar van van waar: bijv. Ik ben ziek, vandaar kan ik niet komen. Ik ben naar Velp geloopen en van daar naar Arnhem. Tot hoelang zal hij blijven? Hoe lang zal hij blijven?

g. een voorzetsel met een naamwoord of telwoord, als: achterwege, onderwijl, overeind, bijgeval: — voorwaar, tegelijk, opnieuw; — vaneen, aaneen, overal, vooral.

Opmerking. Het voorzetsel blijft gescheiden, indien het tweede woord een bepaling bij zich kan hebben. In dit geval ontstaan uitdrukkingen, die de kracht hebben van voorzetsels, als: uit hoofde van, te midden van. in weerwil van. in spijt van, met betrekking tot, door toedoen van.

5°. Verder worden aaneengeschreven:

a. De bijwoorden: terug, terstond, ternauwernood.

b. De voorzetsels: tegenover, rondom, niettegenstaande, ingevolge.

c. De voegwoorden: alhoewel, ofschoon, zoodat, totzij, temuare, opdat, doordien, enz.

337

d. De tusschenwerpsels: helaas en ei lieve.

koenen, Verkl. Handwdb. d. Xederl. toal.

ocr page 362

338 A-RUNDE.

VII. BENAMINGEN DER AARDRIJKSKUNDE EN HUN GESLACHT.

1. De namen van werelddeelen, landen, provincu'ii. Htedcn en dorpen zijn in proza ;ille onzijdig, met uitzondering van die namen van landstreken, welke altijd het lidwoord «Ie vóór zich hebben: De Betuwe, De Krim. De namen van sleden en dorpen, waarvan 't lidwoord een deel uitmaakt, blijven integendeel onzijdifj: het welvarende Den Helder.

2. In poëzie of in dichterlijke taal zijn de namen van werelddeelen en landen in den regel vrouwelijk, bijv.:

Heel Neerland zendt haar wensch ten hemel.

tollens. Overwintering.

3. De namen van berejen zijn alle mannelijk.

4. De namen van rivieren en wateren zijn mannelijk, vrouwelijk oi' onzijdig. Hier volgt een lijstje van de meest voorkomende stroomen, enz. 1°. van de binnenlandsche, 2°. van de bnitenlandsche.

1°. Binnenlandsche wateren.

A (N.B.)i), v. A (Almeloosche). O. v. A (Massel-). Gr. v. A I Wester wo Idsche), Gr. v. Aar (Z. H.), v.

Amer lt;N. B.), m.

Amstel (N. H.), m. Bakkerskil (N. B.). v.

Beek (Barneveldsche), G. v. Beek (Luntersche), v.

Beers, Beerse (N. B.), v. Berkel (G.), m.

Bieningen (Z. H.), v. mv. Biesbosch (N. B. ), m. Bijleveld (U.), v.

Bleeke kil (N. B.), v.

Boom (F.), v.

Boterdiep (Gr.), o.

Braakman (Z.), m. Compagnonsvaart (Drachtster), F. v.

Damsterdiep (Gr.), o. Dedemsvaart (O.), v.

Diep (Zwolsehe), O. o.

Dieze (N. B.), v.

Dinkel (N.B.). v.

Dintel (N. B.), v.

Does (Z. H.), v.

Dommel (N. B.), m.

Donge (N. B.), v.

Drecht (N. H.), v.

Ee (F.), v.

Eem (U.), v.

Eemskanaal (Gr.), o. Eendracht (N. B. en Z.), v. Eiserbeek (L.), v.

Flieussen (F.), v. en o.

Gaasp (N. H.), v.

Ganzendiep (O.), o.

Gein (N.H.), o.

Geleen (L.), v.

Geul (L.). v.

Giesen (Z. H.), v.

Gooi (O.), v.

Gouwe (Z. H.), v.

Gouwzee (N. H.), v.

Gracht (Kalenberfjer), O. v. Grevelingen (Z. H.), v. mv. Grift (G.), v.

Gulp (L.), v.

Haringvliet, o.

Hoendiep (Gr.», o. Holendrecht (N. H.), v. Hollandsch diep, o. Hoornsche diep (Gr.), o. Hunse (D.), v.

IJ (N.H.), o.

Usel (Geldersehe), m.

Usel (Hollandsche), m.

Usel (Oude), m.

Illerbeek (L.), v.

Jaar, Jeker (L.). v.

Jeker, Jaar (LÓ, v.

Kanaal {Dierensche), G. o. Kanaal (Nooi 'dho I lan dseh), N. H. o.

Kanaal {Noordzee-), N. H. o. Kanaal (van Steenenhoek), Z. H. o.

Kanaal iZederik-), Z. H. o.

enz.

Keeten (Z.), o.

Keteldiep (O.), o. Kil (Dordsche), Z. H. v. Krammer (Z. H.), v.

Kreek (Halster), Z. v. Kreekerak (Z.), o.

Kuinder of Tjonger (F.), v. La invers (F.), v.

Lauwerszee (F.), v.

Lee (Z. H.), v.

Lei (N. B.), v.

Leibeek (N. B.), v.

Liede (N. H.), v.

Lek (Z. H. en U.), v. Lichtmiskanaal (O.), o.

Linde (O.), v.

Linge (G.), v.

Loo-lee (O.), v.

.Maas, v.

.Maas (Brielsche), Z. H. v. Maas (Nieawe). Z. H. v. Maas (Oude). N. B. v. Maasje (Oude), N. B. o. Mark (N. B.). v.

Mastgat (Z.), o.

Meer (Giethoornsche), O. o. Meer (Tjeake-), F. o.

Meei- {'/aid laar der). D. o. Mejtpelerdiep (O.), o. Merwede, v.

Mijdrecht (U.), v. Modderbeek (U.). v. Molenbeek (L. en G.), v. Morra (F.), v.

.Mosselkreek (Z.). v. Mussel-A (Gr.), v.

Neer (L.), v.

i Niers (L.j, v. ? Nieuwegraven (O.), v.

Noord (Z. H.), v.

Noordergat (Z. H.), o. Oranje-kanaal (D.). o. Overlaat (N. B.), m.

Pampus (N. H.), v.

Pekel-A (Gr.), v.

Raam (N. B.). v.

Rechterdiep (O.), o.

Reest (O. en D.). v.

Regge (O.), v.

Reitdiep (Gr.), o.

Reuzel (N. B.), m.

Rijn, m.

Rijn (Kromme), U. m.

Rijn {Oude), Z. H. en IJ. m. Rijn ( Vaartsche), U. m. Roer (L.), v.

Rotte (Z. H.), v.

Ruiten-A (Gr.), v. Rul (N.B.). v.

Run (N. B.j, v.

Runde (D.;. v.


i) Bij verkorting worden de provinciën, voor de kleine wateren, aangeduid door de beginletters: N.B. beteekent Noord-Brabant: O., Overijsel; G., Gelderland, enz.

ocr page 363

HUNDIEP ZAMBKSI.

liundiep (D.), o.

Schelde, v.

Schelde (Ooster-), v.

Schelde(Wester-of Hout), v.

Scheur iZ. H.), o.

Schie (Z. H.), v.

Schipbeek (O.), v.

Slaak (Z.), o.

Slink (G.), v.

Sloe (Z.)- o.

Spaarne (N. H.). o.

Spui (Z. H.)- o.

Steenwijkerdiep (O.), o.

Swalm (L.). v.

Tjonger (F.), v.

Tongelreep (N. B.). v.

Vaart (Twickelsché), O. v.

Vaart (Keu Ische), v.

Vaan (Lei rise he), Z. H. v.

enz.

2°.

Val (van Urk), N. M. v. Valterdiep (D.) o.

Vecht (N. H. en U.), v.

Vecht (O.), v.

Veersche gat (Z.), o.

Vliet (Rozendaa/sche), N. li. Vliet (Z. H.), in. | m.

Vlist (Z. H.), v.

Volkerak. o.

Waal, v.

Waterweg (iV/emw), Z. H. m. Waver (N. H.), v.

Weerijs (N. B.). v. Westêrwoldëche A (Gr.), v. Westgat (Z. H.), o.

Wetering (Z. H.), v.

Wetering (BUtsche). U. v. Wetering (Groote), G. v.

Buitenlandsche water

Weteringen ( Sallandsche), O. v. mv.

enz.

Wijde (lieu hiker). O. v. Wijde {.Better). Ó. v. Willemsvaart (O.), v. Winschoterdiep (Gr.), o.

Zaan (N. H.), v.

Zandkreek (Z.). v. Zandwetering (U. en O.), v. Zijpe (Z.), v.

Zoom (N. B.). v.

Zuiderdiep (Z. H.), o. Zuidvliet (Z.». m. Zuid-Willemsvaart (L. en

N.B.), v.

Zwarte water CO.), o.

Zwin (Z.i, o.


Aar, v.

Addn, v.

Adige ( Etsch), v.

Ad our, v.

Aloeta. v.

Amazone, m.

Amoer, v.

Amoe {Gihon), v. Arkansas, m.

Arno, m.

Atlantische Oceaan, in.

Barito, Bandjar, v.

Belt (zeestraat), v.

Beresina, v.

Rog. Boeg, v.

Bostbrus (zeestraat), m.

Brahmapoetra, v.

Brantas. v.

Brenta, v.

Combodja, v.

Cl ij de, v.

Colorado, v.

Congo. Zaïre, v.

Dal-Elf, v.

Darling, m.

Dender, m.

Dyle. Dijle. v.

Djambi, v.

Dnjepr, m.

Dnjester, m.

Don, m.

Donau, m.

Dordogne, v.

Douro, m.

Drau, Drave, v.

Du na, v.

Durance, v.

Dwina, v.

Ebro, v.

Eems, v.

Eger, v.

Elbe, v.

Euphraat, m.

San-Francisco, v.

Fulda, v.

Gambia, v.

Ganges, 111.

Garonne, v.

Gender, v.

Glommen, v.

Gotha-Elf, v.

Guadalquivir, m.

Guadiana, v.

Hellespont, m.

Hoangh, Hwangho, m.

Inn, v.

Indragiri, v.

Indus, m.

Irawadi, v.

Irtisj, v.

.lenissei, v.

Jang-tse-Kiang, m.

Kattegat (doorvaart), o.

KI ara-Elf, v.

Laibach, v.

Lech, v.

Loire, v.

La Plata, v.

Lena, v.

Limath, v.

.Maas, v.

.Mackenzie, v.

Magdalena, v.

Main, m.

Manzanares, v.

Marannon, m.

March, v.

Medway, v.

Memel, Njemen, v.

Mincio, v.

Minho, v.

Mississip'pi, m.

Missouri, m.

Moezel, v.

Moldau, v.

Murray, v.

Neckar, m.

Newa, v.

Niger. m.

Nijl, in.

Noordzee, v.

Gbi, Ob, v.

Oder, v.

Oeral, Ural, m.

Ohio, v.

Oise, v.

Orinoco, v.

Parana, v,

Petsjo'ra, v.

Po. v.

Pregel, m.

Proet, m.

Heusz, v.

Rhone, v.

Rijn. in.

Roer, v.

Saaie, v.

Saone, v.

Sau, Save, v.

Sambre, v.

Saverne, v.

Schelde, v.

Segura, v.

Seine, v.

Senegal, in.

Senne, v.

Severn, v.

Shannon, v.

Skagerrak (doorvaart), o.

Solo, v.

Somme, v.

Sond (zeestraat), v.

Spree, v.

St. Laurens, in.

Sure, v.

Taag, in.

Theems, Teems, v. Theiss, v.

Tiber, in.

Ticino, v.

Tiger. Tigris, in.

Tornea, v.

Trave, v.

Tijne, v.

Ural, Oeral. v.

Victoria, v.

Volturno, v.

Vardar, v.

Waag, v.

Weichsel, in.

Werra, v.

Wezer, m.

Wolga, v.

Zaïre, Congo, v.

Zambesi, v.


ocr page 364

340 ACH ILLES-ZEPH VRUS.

VIII. BENAMINGEN L IT DE FABELLEER EN DE OUDHEID, l)

Acliiries (de snelvoetige —de dapperste der Grieken voor Troje.

Aescula'pius, Esculaap, yod der {leneeskunde.

Agamem'non. koning van Mijcene en., met MenelauH. zijn broeder, de aanvoerder der Grieken voor Troje.

Agla'ia, de jongste der drie Gratiën.

A'mor, zie Cupido.

Andro'mache, gemalin van Hector.

Apol'lo (zoon van Jupiter), god van zang en snarenspel, herdersgod, zonnegod. Ook is hij de strall'ende god (boog en pijl) en de reddende god (vader van Esculaap).

Argonau'ten, de helden, die ( 1270 v. C.) onder Jason naar Colchis voeren om het gulden Vlies te halen.

Ar'gus. de alziende, met honderd oogen.

Aflas, reus die de narde torst.

Auro'ra, de rozen vingerige godin des dageraads.

Bac'chus, de god des wijns.

Bello'na.^o^/in van den oorlog, zuster van Mars.

Calli'ope, muze van 't heldendicht {met wastafels en stift).

Cer'berus, de driekoppige helhond, bewaker van 't Elgsinm.

Ce'res, de godin van bloemen en kraaien, koren en brood.

Cha'ron. de veerman in de onderwereld, aan den Stg.v.

Cli'o. maze der geschiedenis (met papierrol).

Cu'pido, god der liefde, zoon van Venas. Hij draagi boog en pijl.

Cyclo'pen. re azen der onderwereld.

Dia'na, godin der jacht, der maan en ran den nacht.

Ely'sium, de Elizeesche velden, verblijf der gelukzaligen.

E'rato, maze van het minnedicht en der mimiek (inet de lier).

Euter'pe. maze der lierpoëzie (met dwarsflait).

Fa'ma, godin van het gerncht (de Faam).

Flo'ra, godin der bloemen en der lente.

Fortu'na, godin van 't geluk.

Fu'riën, de drie wraakgodinnen.

Ganyme'des, de schenker van de goden.

Gra'tiën, de drie godinnen der bevalligheid (Euphrosine. Agla'ia en Thalia).

Harpij'en. kwelgeesten met vleugels en klauwen van gieren.

He'be, godin der jeugd en schenkster der goden.

Hec'tor, de dapperste der Trojanen.

He'lena, gemalin van Menelaus, door Paris geschaakt.

He'cuba, gemalin van Priamus.

Her'cules, de nationale held der oude Grieken, beroemd om zijn '12 werken.

l'ris. bodin der goden; de regenboog is haar brug.

Ja'nus, bij de Romeinen de god van 't men-schelijk lot en van de zaken van oorlog; hij opent den dag, het jaar en de jaargetijden; Nieuwjaarsdag was hem gewijd, en de eerste maand draagt zijn naam.

Ja'son, aanvoerder der Argonanten.

Ju'no, gemalin van Jupiter; de pauw is haar gewijd.

Ju'piter, opperste der goden, dr at goede en almachtige: hij beschikt over donder en bliksem, en andere verschijnselen: de arend is hem gewijd: deze draagt de bliksems in zijn klauw.

Lycur'gus, wetgever der Spartanen (± 880 v. C.). Mars (Mavors). god des oorlogs, de schutsgod van 't Hom. volk. Maart was hem gewijd. •Medu'sa, een der drie schrikgodinnen, gevleugeld monster met ijzeren klauwen. Melpo'mene, muze van het treurspel {met masker).

Menela'us, broeder van Agamemnon. Mercu'rius, god van den handel en der re'zigers. Miner'va, godin der wijsheid en kennis, der dapperheid en kracht, der kunsten en wetenschappen.

Mi'nos, koning van Creta. rechter in de onderwereld.

Mu'zen, godinnen van kunsten en wetenschappen: negen in getal.

Ne'mesis, de godin der gerechtigheid, wreekster van de deugd, vervolgster van misdrijf. (De wrekende Nemesis.)

Neptu'nus, god der zeeën of oceanen.

Nes'tor. de oudste en wijste der Grieksche vorsten voor Troje.

Nim'fen. meisjes, godinnen van logeren rang: zee-, rivier-, bron-, berg-, dal-, boomnimfen. Ora'kel, godspraak {tempel), als te Dodona (Jupiter), te Delphi (Apollo).

Or'pheus, de aloude Gr. zanger en 'lichter, met een gouden lier (van Apollo).

Pan, de leelijke veld- en boschgod. met horens en bokspooten.

Plu'to, god van de onderwereld, gever van rijkdommen.

Polyhym'nia, muze der hgmnen {lofzangen). Pomo'na, godin der boomvruchten.

Pri'amus, de oude koning van Troje.

Sa* ter. boschgod.

So'lon. OAitgever der Atheners (x 6'i0—ööt* v. C.).

Styx. rivier, die de onderwereld .tegenmaal omvloeit.

Tar'tarus, onderwereld, verblijf der on zaligen. Terpsi'chore. muze van de rij dansen en 't koorgezang {met de lier).

Thali'a, muze van 't klucht- of blijspel en 't herdersdicht {in handen een masker: met klimopkrans).

The'mis, tweede gemalin van Zeus {Jupiter), \Meta was de eerste en Hera {Juno) de derde], moeder der Horen {godinnen 'an weer en jaargetijden) en der Pareen{Schikgodinnen); bij Homerus de godin van recht en billijkheid. Zij had vóór Apollo het orakel te Delphi. Zij wordt voorgesteld (b.v. in rechtszalen) met blinddoek, weegschaal en zwaard. Cra'nia, muze der sterrenkunde (met hemelbol). Ve'nus, godin der schoonheid.

Ves'ta, godin van den huiselijken haard. Vulca'nus, Vulcaan', god van '' vuur en van de smeden.

Ze'phyrus, de W.-wind als god.


!) Zie verder: Beknopt Handwoordenboek der Grieksche. Romeinsche en Noordsche mythologie, door m. .i. koenen en Dr. k. EiMvEMA. Groningen, .1. u. wolters. prijs f 0.65.

ocr page 365
ocr page 366
ocr page 367
ocr page 368