quot;â 11 r
' V
i
\P
{â ' :
^ â ' :W'V ^ ^ ' ^; I|
- - ' â â â ' '
â â â â , /:â .gt; : .,;-; .
-; ' - : . '⢠â ;;« 1. ( ^ â . â â -â ' . ,â â - -V
â -; .â -â ;â â ⢠. ' . â
â . :'V . â . '-. â ' ,'⢠- â - â - ⢠V - - , -
; â¢- â -!â ;â quot; v'.,- 'v^ o.-'V.
'â â¢lt; y- â .lt;â â â ,â¢â¢;â :â¢.â¢;;. â ; â¢-⢠' . j s â -quot;lt; :? quot; .
I
V-
â gt;
'â â â i^-. V â â gt;1 . ' â
.,v K ;â .-⢠â ...â .lt;: ⢠.. ⢠-i-'UiH.-i
* ^ T . -. 'gt; , - ' ' - -- ^ j⢠.: quot;â â a
--v;
; , , ! ;â â â â i
^ .:-v: ^ . :â ..lt;â¢Â£
: â V - -Rf? ^7;:
]gt;:;' / -v''' ;-â Jr' '
-w-: . ^ /
-.â -- ;â¢.^ -r 4
? 'r: ' â , ,:r:^ v.y^-v, â ⢠rgt; 3;
. ..
' . â - 'fr;^
- - Vv' â ,; ' ,.â 1 â
-
m
:V
- - -â .quot;:; V:
DE GEDICHTEN Vak 152
VAN
DEN SCHOOLMEESTER, ,
! . V. - - ' *
UITGEGEVEN , H ,
-quot;i ,â â 'â¢
DOOR
UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ kKLSEVIERquot;. â 1887.
Mr. J. VAN LENNEP.
IETS OYER DEN SCHRIJVER EN ZIJN DICHTTRANT.
Op den zeven-en-twintigstcn January 1858_OYCrleedop Cromwcll-hou8c, 'lighgato, Londen. Gerrit van de Li min .lanazoon. do geestige schrijver, die, onder den naam van »do Schoolmeesterquot;, aau ons publiek zoo vele ^enoegelijke uren heeft doen smaken door de proeven van zijn speelsch .in dichterlijk vernuft, achtereenvolgends iti den almanak «Hollandquot; geplaatst. De gretigheid in aanmerking nemende, waarmede de dichtproeven telkens werden ontfangen, daarhy, overwegende, dat rnjjn landgenooten er schade by zouden Ijjden, indien hun de verdere dichteilijke nalatenschap des overledenen, welke my zijn weduwe had aanvertrouwd, werd onthouden, ben ik tot het besluit gekomen, met hare toestemming, de vaerzen van oden Schoolmeesterquot;, zoo wel die reeds in 't licht zijn verschenen als die nog alleen in handschrift aanwezig en ter openbaarmaking geschikt zijn, in een bundel te verzamelen, en ze hun aan te bieden, die smaak vinden in poëetischen luim. By die gelegenheid zal het echter niet ongepast zijn, hen eenigzins, hoezeer dan ook maar oppervlakkig, bekend te maken met den geestvollen schrijver, die zich gedurende zijn loven aan zijn lezers niet anders voorstelde dan onder den zedigen tytel der betrekking, welke hy in de maatschappy bekleedde. â Ik voldoe hierdoor niet alleen aan oen gevoel van piëteit jegens een afgestorven veeljarigen vriend, maar ook aan een deel van mijn plicht als uitgever. Er is zulk een innig verband tusschen den boom en zijn vruchten, tusschen den maker en zijn gewrocht, tusschen den dichter en zijn werk, dat men, in volslagen onkunde omtrent den voortbrenger verkeerende, nimmer tot do juiste waardeering van het voortgebrachte kan geraken, en zoo zal ook niemand in staat zijn, de gedichten van Van de Linde naar cisch
Iets over den schrijver en zijn dichttrant.
te beoordeolen, zoolang hy met den schrijver niet eenigennate Leeft kennis gemaakt.
Gerrit Tan de Linde Janszoon werd op don twaalfden Maart 1808 te Rotterdam geboren, uit Jan Tan de Linde en Hester de Vooys, wiereenig kind hy was. Reeds op zeer jeugdigen leeftijd onderscheidde hy zich door vlugheid van bevatting en levendig vernuft, maar inzonderheid door het gemak en de netheid, waarmede hy zich, 't zij mondelings, 't zij schriftelijk, wist uit te drukken. Van zoo ver 't hem heugde was hy een beminnaar en beoefenaar der poëzy. Van dit laatste zouden nog enkele vruchten uit dien tijd kunnen getuigen, onrijpe vruchten zoo men wil, doch een verkwikkend ooft voor de toekomst beloovende. Als aankomende knaap had hy in zijn geboortestad reeds eenige vermaardheid verworven, en werd hy niet zelden uitgenoodigd, op letterkundige genootschapsver-gaderingen sbjjdragenquot; te leveren, wat hy doorgaands met groote toejuiching deed. Immers zoo hy al geen meesterstukken ten gehoore bracht, do leiding, welke hy aan zijn frissche en buigzame stem wist te geven, de bevallige gepastheid zijner gebaren, zijn smaakvolle voordracht in één woord, aan een innemend voorkomen gepaard, zouden ook zelfs slechter vaerzen dan de zijne met welgevallen hebben doen aanhooren.
De ondervinding heeft voorlang geleerd, dat al wie een waren of vermeenden aanleg voor de poëzy bezit, ook al groeit er naderhand uit hem een Molière of een Fooquenbroch, met het maken van ernstige gedichten begint. Dit moge oppervlakkig vreemd schijnen ; daar men van het kind, zelfs van den knaap, veeleer by voorkeur vrolijke, dartele liederen verwachten zoü. Doch by eenig nadenken zal men erkennen, dat er in het aangevoerde feit niets is, dat verwondering behoeft te wekken. Juist omdat de gewone kring, waarin de knaap zich beweegt, die der blijheid en luchthartigheid is, heeft hy een gevoel als of die geheimnisvolle sfeer der poëzy, waarheen hy zich begeven wil, een geheel andere, veel verhevener waereld is dan die waarin hy zich beweegt, en alsof daarom ook de taal, welke zij ingeeft, zoo min mogelijk moet gelijken op die, welke hy gewoon is te spreken. Bovendien, hy blikt met zijn jeugdige oogen reeds terstond naar den tempel des roems: hij is op dien leeftijd, waarin men aan niets twijfelt: hy wil een Homerus, een Vondel worden, en hy begint maar terstond met het moeilijkste, een epos of een tragedie. Maar hiwby komt nog iets. De jengdiga geest moge Tatbaar zijn oin het
6
Iets over den schrijver en zijn dichttrant.
grappige, het bli|dc, te govoelen: hy ig nog niet genoeg ontwikkeld om ook te vatten wat in de daad belachlijk en dwaas is. Daartoe behoort de gave der opmerking, die eerst later een zekeren graad van volkomenheid verkrijgt. Het kind weet zeer spoedig, wat smart, wat lijden is: het heeft nog geen helder begrip van menschelijke domheden, kuren en verkeerdheden; het heeft lieden van meerderen leeftijd leeren eerbiedigen, en eerst langzamerhand komt het tot de overtuiging, dat bejaarde menschen somtijds al zeer kindernchtigo en onverstandige dingen kunnen zeggen of doen. Ieder kind, dat een gezond hoofd heeft en goed wordt opgevoed, zal op zijn tiende jaar de «Athaliequot; zoo gned begrijpen, en er het schoone van gevoelen, als op zijn veertigste; maar al mogo hy lachen om de nPrëcieuseg ridiculesquot; en de «Femmes Scavanteg,'' de wezenlijke »vis comica,quot; die er in eteeït^zaf hem ontgaan.
Zoo waren dan ook, in weerwil dat zich by Van do Linde zoo wel het schalk vernuft als de gave der opmerking vroeger dan by de meesten ontwikkelden, zijn eerste gedichten van ernstigen aart, terwijl zijn aanleg tot het boertige zich op andere wijze openbaarde, en wel inzonderheid in het nabootsen van allerlei volksdialecten, het vertellen, opsmukken en uitvinden van anekdoten en kwinkslagen, en zoo voort.
Intusschen was de knaap een jongeling geworden, en in den jare 1825 werd Van de Linde naar Leyden gezonden, ten einde zich aldaar voor het predikambt bekwaam te maken. Gelijk (e voorzien was, maakten zjjn vlugheid van begrip, helderheid van verstand en keurigheid van smaak aan de eene zijde, zijn zucht tot gezelligheid en de levendigheid van zjjn geest aan de andere, hem by Professoren en Studenten aldra geacht en bemind. Hoe zijn leermeesters over hein dachten, bewijzen do vleiende getuigenissen en aanbevelingen, door de Hoogleeraren Van der Palm, Van Voorst, Van Hengel, L. Suringar, Kist en anderen, te zijnen behoeve afgegeven en thands onder my berustende: en een blijk van het aanzien, waarin hy by zijn medestudenten stond, meen ik daarin te mogen vinden, dat hy, in 1830 deel uitmakende van het korps Leydsehe Jagers, door zijn krijgsmakkers tot korporaal word voorgedragen: in welke hoedanigheid hy dan ook dienst deed en deel nam aan den veldtocht van 1831.
Weder tot het akademieleven teruggekeerd en den graad van kandidaat in de Theologie verworven hebbende, werd hy ettelijke reizen toegelaten tot het geven van prooven zijner bekwaamheid als prediker, en
t
Iets over den schrijver en zijn dichttrant.
nam hy in verschillende gemeenten een hulpbeurt waar. Groot was de indruk en de stichting, welko hy door zjjn leerredenen te weeg bracht. Na hetgeen ik over het voortreffelijko van zijn voordracht reeds heb gezegd, zal het niemand verwonderen, dat hy van den kansel, door het plechtige en tevens innemende van zijn toon, de harten zijner toehoorders wist te roeren en te boeien; maar ook gevoelden zich deze gttroffer door het gemoedelijk ernstige van den inhoud; terwijl zijn stijl niet alleen door eierlijkheid uitmuntte, maar ook, als immer, onberispelijk was. Onder andere bevoegde beoordeelaars, die hem een glansrijke loopbaan als kanselredenaar meenden te kunnen voorspellen, kan ik mijn vader noemen: en ik vergeet niet licht de opgetogenheid, waarmede de waardige man, toen hy in 't jaar 1833 Van de Linde te Bennebroek had hooren prediken, den jeugdigen kandidaat met den volbrachten arbeid zijn gelukwensch toebracht en een zegenwensch tevens, die echter niet zoo als hy bedoeld was zoü vervuld worden.
Immers, geheel anders dan men zich op goeden grond meende te kunnen voorspellen, zoü de toekomst van Van de Linde zijn, en het vooruitzicht, dat zich onder zulke glansrijke teekenen opdeed, moest in nevelen verdwijnen.
Van de Linde was wel niet in weelde grootgebracht; maar toch had het hem als knaap nimmer aan iets ontbroken ; hy was aan een onbekrompen en zorgelooze levenswijze gewoon, en â waarom hier verzwegen wat overal uit zijn schriften doorstraalt? â hy was een Epikurist; een gebrek (zoo men 't al een gebrek mag noemen), dat hy met vele beroemde mannen, onder anderen met zijn leermeester Van der Palm ge-meen had, en hem zeker in diens oogen geen kwaad deed. Op het voorbeeld van den vernuftigen hoogleeraar, wiens gezag ongetwijfeld op het stuk van smaak als wet mag gelden, beweerde Van de Linde, dat een kiesche en keurige smaak by hem, die er mede bedeeld is, zich ook in hlles openbaren moet en dat iemand, die op 't punt van spijs en drank onverschillig is, laat staan iemand, die zuren wijn of sterken boter nuttigen kan, onmogelijk do schoonheden van een dichtstuk gevoelen of een cierlijken stijl kan schrijven. Ja, zoo Van de Linde in elk ander opzicht vurig ingenomen was met net beroep, dat hy zich gekozen had, hy kon wel eens opzien tegen het denkbeeld, dat hem misschien op een algelegen dorp een slechte keukeu te wachten stond en daarby geen
8
[i'ls over den schrijver en zijn dichttrant
ander gezelschap dan van ongemanierde boeren. Gewis, de verandering zoü groot zijn geweest; want te Leydon bewoog zicli Van de Lindo in een kring van jonge lieden, even uitmuntende door talenten als beschaafdheid, en die tevens, als hy, het voorschrift van Horatius wisten te betrachten en het aangename aan het nuttige te paren.
Maar nu was er intussehen in den flnancieelen toestand van onzen kandidaat een noodlottige verandering gekomen. Zijn vader, do.or tegenspoed op tegenspoed in zijn zaken verachterd, had van lieverlede zijn geheel vermogen zien wegsmelten : wel werd de zoon door ondersteuning, van elders genoten, in staat gesteld zijn studiën voort te zetten; doch, nu hooge zuinigheid plicht ware geweest, bleek hy die kracht van geest to missen, die zich in ontbeeringen schikken kan, en ging hy voort, de levenswijze te volgen, tot nu toe geleid. Met kon niet anders, of hy moest hierdoor in ongelegenheden geraken; en deze werden nog ver-zwaard door byzondere omstandigheden, welke het noodeloos is, hier te vermelden, liet gevolg van een en ander was, dat zijn kans, om ooit hier te lande den predikstoel te aanvaarden, hoe langer hoe meer bemoeilijkt werd. liet besef hiervan bracht hem, op den raad zijnervrien den en op de uitzichten, hem daartoe geopend, tot het besluit om een betrekking te zoeken aan de Kaap de Goede Hoop of in eenige andere kolonie van Hollandschen oorsprong en nu door de Engelschsn beheerd. Het was met dit doel, dat hy, in February 1834, de Akademie en kort daarop het Vaderland verliet en zich naar Engeland begaf.
Ofschoon hy van goede aanbevelingen was voorzien, waren toch in den aanvang zijn vooruitzichten alles behalve opbeurend. Hy verstond tjjdens zijne ontscheping te Londen geen woord Engelsch â wat hy echter binnen oen paar maanden voortreffelijk leerde spreken en schrijven â en, hoezeer met do meeste welwillendheid te Londen ontfangen o. a. door den Heer Dedel, onzen toenmaligen Gezant aldaar, door den Heer H. Hope en door den geleerden geneesheer Dr. Hodgkin, met welken laatste hy vroeger hier te lande in de Delftsche trekschuit toevallig kennis had gemaakt â toch vond hy zich langen tijd bedrogen in zijn verwachting, dat het oogmerk, waarom hy zich naar Londen begeven had, zou kunnen bereikt worden. Wel leerde men al spoedig zijn gezelschap op prjjs stellen en werd hy dan ook herhaaldelijk in deftige buizen te gast genoodigd, wat in Londen, waar de ongastvrije gewoonte
9
Ic'ts ever den schrijver en zijn dichttrant.
van 't fooien-goven niet boataat, aan eon jong meusch zonder middelen nog ol een uitsparing bezorgt: â maar om zich verder het nuodige te verschaffen, daartoe moesten andere middelen gevonden worden, en de lessen, welke hy in 't Hollandsch en andere talen gaf, zouden, zonder bykomstige hulp, daarvoor niet toereikend zijn geweest.
üelukkig deed zich voor hem, in 't laatst van 1835, de gelegenheid op, een koatsehool over te nemen, te Hall's pond-road, Mile's end, gelegen, en later naar Wellington-road verplaatst. Hierin door de hulp van zjjn vrienden en hunne betrekkingen geslaagd, mocht het hem gelukken, die inrichting al spoedig op gunstige wijze te zien tuenemen ; doch bloeiend werd zy eerst, na dat hy, in 't laatst van 1837, het geluk had gehad, de hand te verwerven van Mejuffrouw Caroline Monteuuis, een moisjen, niet alleen uitnemend door schoonheid, smaak en bevallige manieren, maar wier vader aan het hoofd eener opvoedings-inrichting naby Lioulogne in Frankrijk stond, en die alzoo met kennis van zaken de zware taak aanvaarden kon, die voortaan op hare schouders zou rusten. De school nam van dat tijdstip af zoo zeer toe, dat Van de Linde zich genoopt vond, haar in 1843 over te brengen naar het ruime en in vele opzichten cierljjke gebouw dat, naar men beweert, eenmaal door den grooteu Olivier Cromwell bewoond, van hem zjjn naam van Cromwell-house i) ontleend heeft on, tegen de helling van den heuvel die naar lligligate voert, in een gezond en bekoorlijk oord gelegen, met een ruimen tuin of speelplaats voorzien, al de uitlokselen aanbiedt, welke oudets kunnen verlangen, dat, buiten en benevens een voortreffelijk onderwijs, aan hun kinda ren worden verstrekt.
Het was in dezo woning, dat Van de Linde zich gedurende vijftien jaren, met behulp van zjjn voortreffelijke gade en een twee- of drietal beschaafde en kundige medewerkers, mocht toewijden aan het opvoeden en opleiden eener afwisselende schaar van leerlingen. Dat hy er in slaagde, niet alleen hun hart en verstand te vormen, maar ook hun achting en genegenheid te winnen, getuigt de gehechtheid, welke zoo velen onder hen, ook na dat zy zijn school verlaten hadden, hem bloven toe-
1) Van Cromwèlls tijd ia nog een merkwaardig beeldhouwwerk in de bovenkamers vao het hais, en vooral de trap, waarvan de honten leuning kunstig bewerkt en met fraaie beelden voorzien is. Een teekening en beschrijving daarvan kouit in de weiden vao het Engelsch Oudheidkundig Gtupotachap YQOf,
10
lets over den schrijver en lijn dichttrant.
dragen, en wnnrvan zy hem de ondubbelzinnigste blijken gaven. Mocht zijn werkkring als onderwijzer gezegend zijn, niet minder gelukkig mocht hy zich als huisvader gevoelen in 't bezit van vier lieve kinderen, die hy verafgoodde. Maar, was hy nimmer geheel op zijn gemak, wanneer hy maar een halven dag van de zjjncn gescheiden was, hy verzuimde daarom de plichten niet, welke hy aan zijn nieuw vaderland schuldig was. Lid geworden van de Anglikaansche Kerk, oefende hy al spoedig in zijn parochie een niet geringen invloed uit, niot alleen in kerkelijke zaken, maar ook waar 't verkiezingen voor 't Parlement betrof, of andere zaken van algemeen of gemeenteljjk belang. Zijn deftig voorkomen â want hy had nooit den Predikant geheel uitgeschud en bleef zich nimmer andera dan wit gedast en in 't zwart vertoonen â wekte ontzach by do menigte; terwijl zijn veelzijdige kennis en levendig vernuft, gepaard aan hoogst beschaafde vormen, waardoor zoo wel zijn vrouw als hy zich onderscheidden, hem den toegang verschaften tot de huizen der aanzienlijken : en meer dan eens dankte ik hem de kennismaking met de mannen, die, 't zij als Parlementsleden, 't zij uit anderen hoofde, een Europeesche vermaardheid hebben verworven.
Dan, hoezeer nu door beroep en betrekkingen zich geheel in een En-gelsehe sfeer bewegende, bleef Van de Undo Hollander in zijn hart, en zijn grootste geluk was Hollanders ten zijnent te mogen onlfangen, waar hun steeds de meest gulle, de meest onbekrompen gastvrijheid toefde. Gewis niet een ia er onder hen, die Cromwell-house bezocht hebben, of hy heeft do aangenaamste herinneringen teruggebracht zoo van de beminnelijkheid der waardige gastvrouw, als van de onderhoudende wijze, waarop de gastheer, nu eens over de meest ernstige en belangrijke zaken wist uit te weiden, dan weder de aanwezigen door de kluchtige sprongen van zijn tintelend vernuft, of door pikante en met smaak voorgedragen anekdoten wist te vermaken. Ongemeen beweeglijk en levendig van gestel en daarby overal op zijn gemak, was Van de Linde, om 't even waar hy zich bevond, de man, die den toon gaf aan de konver-satie, en gaarne liet men hem dat voorrecht behouden, want men was zeker, of iets leerzaams, of iets opvrolijkends te vernemen. Niemand was in staat, zich aan den aanstekenden invloed van zijn luim te onttrekken; ja zelfs wie redenen meende te hebben, op hem misnoegd te zijn, schoot te kort, wanneer hy ze wilde laten golden en moest, in spjjt van zich
11
Iets over den schrijver en tijn dichttrant.
zeiven, ondervinden, hoe zijn ontevredenheid ala weggespoeld werd in dien stroom van de grappigste verontschuldigingen of wel â want Van de Linde wist altijd behendig de rollen om te keeren en zich zeiven als de verongelijkte party te doen voorkomen â van de koddigste verwijten, die in onuitputtelijken overvloed zijn brein ontvloeiden.
Ik hob gezegd, dat Van de Linde zich by de Anglikaansche Kerk had aangesloten: en dit kon by niemand ouder zijn bekenden in Nederland verwondering baren. Van jongs af was hy geweest, wat men toen nog ,gt;)een Oranjemanquot; noemde, en boveudion zeer streng rechtzinnig in do leer. Ofschoon hy aan de Akademie niet onder de toehoorders van Bildordijk was geweest, die kort na Van de Lindes komst te Leyden die stad verlaten had, zoo had hy nog met velen van 's mans leerlingen omgang gehad, gevoelde een onbegrenaden eerbied voor hem en mocht in vele opzichten gerekend worden, tot zijn school te behooren. Zoo was zijn standpunt, toen hy dit land verliet, en op dit standpunt bleef hy staan. En geen wonder. Ten gevolge zjjner begrippen Lidmaat geworden eener Kerk, die daarmede zoo in 't politieke als ten opzichte der leer uitnemend strookte, en die, aan haar formulieren gehecht, geen afwijkingen duldt op een liberaler grondgebied â daarby, uit overtuiging zoo wel als om 't voorbeeld, gehecht aan do trouwe inachtneming van den Sabbath, uit lief hebbery zoo wel als uit plichtbesef, yverig kerkganger, in 't kort, van nature reeds geheel Engelsohman op dat punt en, ten gevolge van zijn verblijf in Engeland, nog yveriger op dienzelfden weg voortgegaan, was hy geheel buiten den invloed jjebleven, dien, sedert 1834, zmnvel de. hffir .uitgeÃa-men theologische en politieke geschriften als de hier plaats gehad heb-bende gebeurtenissen en de wrijving van denkBeelden, uit een en ander ontstaan, op onze landgenooten hadden uitgeoefend: en moeilijk kon hy zich Nederland anders voorstellen, dan gelijk hy het in 1834 verlaten had; en dan loste zich dat Nederland nog voor hem hoofdzakelijk op in Leyden, met zijn herinneringen uit den Patriotschen tijd en zijn trekschuiten, met zijn Bilderdijksche school en zijn promotiepartyen tn l.iane, met zijn Professoren en zijn pooieraars. met zijn kollegies en met de troep van Hoedt en Bingley. In deze voorstelling, welke zich Van de Linde voortdurend, en spijt zijn beter oordeel, van Nederland bleef maken, vindt men den sleutel van dat kluchtig uitvaren tegen de Keezen, en van zoo vele andere beelden en uitdrukkingen, die in 's mans gedichten roorko-
12
lets over den schrijver en zijn dichttrant.
men en die, als tot een voorbygegane orde van zaken behoorende, den lezer, zonder deze verklaring, eenigzins vreemd zouden doen opkijken.
Ik ben er als van zelve toe geraakt, van zijn gedichten te spreken, en ik acht dan nu ook het geschikte oogenblik gekomen om Van de Linde als dichter te beschouwen, en zijn eigenaardigheid als zoodanig in 't licht te stellen. Die eigenaardigheid â zal deze of gene misschien aanmerken â moet uit zijn werken zelve spreken : en gaarne stem ik dit toe; maar toch ia er nog wel het een en ander, dat niet zoo terstond in 't oog valt en waar op gewezen dient te worden: ja, 't een en ander, dat den lezer niet bekend kan zijn en toch in acht genomen moet worden ter billijke waardeering van zijn talent.
In de eerste plaats een woord over de dichtsoort, welke Van de Linde beoefend heeft.
Niemand â hy moge voor 't overige goed- of afkeurenâzal ontkennen, dat de manier van Van de Linde zich kenmerkt door oorspronkelijkheid, ja dat zy, niet enkel in onze letterkunde, maar in ellró bekcnïïê letterkunde, een op zich zelf staand verschijnsel aanbiedt. Zijn gedichten â op zeer enkele na â ontleenen het pikante, waardoor zy zich onderscheiden, aan de verrassende tegenstellingen, aan de zonderlinge kombinatie van zeer heterogene denkbeelden en situatiën, aan een gestadig licht en bruin, schijnbaar zonder opzet, doch in de daad met overleg en zorg bvyebracht. Zy zijn niet ongelijk aan een kaleidoskoop, het oog van den geest door een bonte en vreemdsoortige mengeling van telkens afwisselende kleuren en figuren rusteloos bezig houdende. Nimmer verwijlt de schrijver lang by hetzelfde denkbeeld; telkens spruiten daaruit andere denkbeelden voort, waarvan hy zich meester maakt, om dan weder somtijds in een enkel woord aanleiding te vinden op een geheel ander veld van beschouwing over te springen, aan dat woord de meest dwaze en ongerijmde beteekenis te geven, of er de minst te pas komende gedachte aan vast te hechten; â doch ook, juist daardoor, de verma-kelijkste, de koddigste uitwerkselen te verkrijgen, 't Is niet zelden, als men zijn gedichten leest, of men schilderijen van Callot ziet, waar het verhevene en het potsierlijke door een geflanst wordt en datgeen, wat uit zijn aart reeds kluchtig is, door het bykomstige nog kluchtiger gemaakt wordt. In dezen trant weet ik niet, dat iemand met Van de Linde kan vergeleken worden dan misschien Henri Heine. Het onderscheid tus-
13
lets over den schrijver en zijn dichttrant.
schen hen beidon bestaat echter daarin, dat de groote Hoogduitsohe hix-morist meer met een bepaald doel schreef, terwijl Van de Linde alleen den gril van zijn verbeelding volgde : dat Heine vele afgewerkte en afgeronde stukken geleverd en zelfs in zijn fragmentarische vaerzen een onmiskenbare eenheid van gedachten bewaard heeft, terwijl by Van de Linde noch hot een noch het ander het geval is: dat Heine maar nu en dan van die bokkesprongen maakt, waar aan Van de Linde zich van 't begin tot aan het einde toegeeft, zonder ooit vermoeid te zijn: dat eindelijk uit Heine bestendig de spottend^ aan allea twijfelende filozoof, de liberale denker, de Hoogduitsche Franschman spreekt; terwijl Van de Linde zich nimmer op het terrein van den godsdienst waagt, de politiek van dén 3ag doorgaands onaangeroerd laat, en â zijn reeds genoemde schampscheuten tegen de Keezen daargelaten â zich nimmer eenige dan dood onschuldige, niemand kwetsende scherts veroorlooft.
En nu in de tweede plaats, wat den vorm der gedichten betreft, ook hierin onderscheidt zich Van de Linde van al wie heden ten dage Hol-landsche vaerzen schrijft. Ik zeg : heden ten dage; want vroeger, toen aan onze schouwburgen een bepaling bestond, waarby geene stukken werden toegelaten, dan die op rijm waren, vergenoegden zich zjjlje voor het tooneel werkten, en 't vaerzenmaken meFverstonden, in berijmd proza te schrijven. Maar sedert die regel is afgeschaft en hy die geen lichter is even goed in 't rijmloos mag schrijven, durft zelfs geen karre-mans- of straatpoëet afwijken van de voorschriften der prozodie : of, ontbreekt aan hun vaerzen soms een halve voet, 't is een gevolg van onkunde en zorgeloosheid, niet van onwil of opzet. Maar vrijwillig en met opzet bevrijdt zich Van de Linde in de meesten zijner gedichten van do slavernij van 't metrum. Niet, dat hy buiten staat was, vaerzen te schrij-ven, dië aan aT cle eischen voldeden, welke zelfs een Pels zou hebben kunnen wenschen. In tegendeel zal men in den hier achter volgenden bundel een aantal gedichten vinden, die men, wat den vorm betreft, als echte juweeltjens kan aanmerken. Maar hy was van oordeel, en ik geloof te recht, dat ih de dichtsoort, welke hy zich ter beoefening koos, vorm en inhoud moesten overeenstemmen, en dat gene niet deftig en afgemeten behoorde te zijn, waBM3r deze louter scherts en.diva^atie was: en hy zod deze zjjne meening hebben kunnen rechtvaardigen met het voorbeeld van den geestigen dichter der Jobsiade : welke boertige
14
Iets ouer dun schrijvcr cn zijn dichttrant.
epos, naar ik durf beweren, een deel van den opgang, welken liy gemaakt heeft, verschuldigd is aan de »knittel-vaerzen,quot; waarin hy ia sa» mongesteld.
Niemand wane echter, dat Van de Linde, al was de vorm, waarin hy zijn rijmen goot, aan geen metrischen regel gebonden, daarom dien vorm veronachtzaamde. In tegendeel zal ieder, die een geoefend poëetisch oor bezit, by het overluid lezen dier rijmen gewis opmerken, dat daaraan wel een vaste voetmaat, maar geenszins een behoorlijk rhytmus ontbreekt; ja dat zy, door het verplaatsen of veranderen van een enkel woord, al licht iets stroefs of stootends zouden verkrijgen; terwijl zij nu geleidelijk voortloopen, zonder immer het gehoor te beleedigen. quot;Van de Linde, zeer keurig en fijngevoelig op het stuk der welluidendheid7 ging dan ook by liet' samenstellen zijner gedichten alles behalve zorgeloos te werk. Ily wist zeer goed, dat er niets zoo onpoëetisch en zoo ondragelijk is, als knittel-vaerzen, wanneer zy, by 't metrum, ook kadans en welluidendheid missen, en dat alzoo op 't behoud van laatstgemelde eigenschappen by deze vaerzen nog meer dan by de gewone gelet moet worden. Die sknittel-vaerzenquot; kostten hem dan ook vooral niet minder moeite dan de metrische, en herhaaldelijk poogde hy er, door verandering en vor-schikking, klem en harmonie in te brengen. Maar niet alleen ten gevallo der welluidendheid bracht hy den regel van Boileau
Vingt fois sur le métier remettez voire outrage in praktijk. Neen, niet een van die dichtstukjens, die by 't lezen ons als uit de pen gerold, als vruchten van den luim des oogenbliks toeschijnen, of het heeft vrij wat uren arbeids gekost en talrijke omwerkingen ondergaan. Hoewel daarvan niet onbewust, stond ik nog versteld, toen ik, bij 't ontfangen en doorbladeren van de handschriften, door den dichter nagelaten, tot de ontdekking kwam, dat van byna ieder gedicht vijf of zes verschillende bewerkingen bestonden, om niet te spreken van een onnoemelijk getal strooken en snippers papier, waarop dezelfde regel (of regels) vijf of meermalen voor kwam, telkens gewijzigd, ton einde de beste lezing gekozen en in een reeds vervaardigd of nog te maken gedicht zoü geplaatst kunnen worden. Aan dat gedurig omwerken en verbeteren was het toe te schrijven, dat het zoo moeiehjk viel, iets afgewerkts uit zijn handen te krijgen. Van de Linde was nimmer recht voldaan over zijn voortbrengselen: jaren zijn er verloopen eer hy heeft kunnen besluiten.
15
Iets over den schrijver en zijn dichttrant.
iets daarvan in 't licht te geven: zoo hy daartoe is overgegaan, 't is niet geweest dan ten gevolge van aanhoudenden aandrang van mijne zijde, en, wanneer ik in aanmerking neem, dat hy de vruchten van zijn geest uitsluitend aan den almanak «Hollandquot; heeft afgestaan 1), dan kan ik uiet nalaten, met een gemengd gevoel van dankbaarheid, trots en weemoed de overtuiging te koesteren, dat hy alleen om mijnentwilla zijn bescheiden schroom overwonnen en 't zich getroost heeft, hoezeer dan naamloos, als dichter op te treden.
Maar al was eenmaal het ijs gebroken, het kostte nog telken reize evenveel moeite, iets uit zijn handen te krijgen. Nimmer dan met tegenzin scheidde hy van zijn papieren kinderen, die hem altijd voorkwamen, nog niet in een toestand te zijn, geschikt om ze aan 't publiek te ver-toonen. En was hy eens â en wel doorgaands als de nood aan den man en do almanak bijna afgedrukt was â er toe gekomen, my de kopy te zenden, dan ging er, van dat tijdstip af schier geen dag voorby, waarby ik niet een brief van hem ontfing, deze of gene verbetering of variante voorslaande, ja somtijds het veranderen van een enkel woord. En, was eenmaal de almanak afgedrukt en in de waereld: wee my dan, indien ik by de korrektie een enkel abuis van den zetter over 't hoofd had gezien! De brieven van Rousseau aan zijn uitgever Rey â dat belangrijk geschenk, onlangs door,mijn geachten vriend Bosscha aan deletter-kundige waereld gedaan â geven staaltjens van de kitteloorigheid des beroemden Geneefschen schrijvers, en van de alles behalve malsche wijze, waarop hy den Amsterdamschen boekverkooper kon doorhalen over de minste drukfout; â ik zou dergelijke staaltjens kunnen aantoonen van de kluchtige verbolgenheid van mijn vriend ter gelijker oorzake.
Ik kon echter niet nalaten die ontevredenheid verschoonbaar te vinden by iemand, die, maar zelden of nooit iets hebbende laten drukken, nog niet gewoon was geraakt aan die kleine tegenspoeden, door slordige korrektiën berokkend, en die bovendien te geringen dunk had van zijn dichtvruchten om zich niet te beklagen over misstellingen, die nieuw voedsel aan de kritiek konden verschaffen.
1) Ik spreek hier alleen Tan de gedichten, door Van de Linde in Engeland gemaakt. Gedurende zijn verblijf te Leyden had hy in den Studenten-Almanak, waaryan hy mederedacteur was, ettelijke gedichten, hoezeer dan zonder zjjn naam geplaatst. Twee daarvan heb ik io dezen bundel opgenomen.
16
Iets over den schrijver en zijn dichttrant.
Wanneer wy nu de zorg overwegen, waarmede hy zjjn vaerzen bewerkte, beschaafde, en herhaaldelijk met een verach oog overzag om ze van gebreken te zuiveren, dan zullen wy er ons te minder over verwonderen, dat alle navolgingen van zijn dichttrant, welke men ten onzent hoeft beproefd, zoo jammerlijk zijn mislukt: gewis dachten zy, die zulks ondernamen, dat het genoeg was, eenige burlesko beelden en tegenstellingen in mateloos rijm te brengen, om den Schoolmeester op zijde te streven. Zy wisten niet dat daartoe meer, oneindig meer behoort: dat men, om dragelijk te zijn in een dichttrant, die, zoodra hy niet op voortreffelijke wijze behandeld is, onuitstaanbaar wordt, in de eerste plaats moot be-deeld zijn met echte luim en levendige verbeeldingskracht; dat men ten andere naauwkeurig op den. vorm moet letten, en dat men ten derde zoo zeer niet meester over een school behoeft te wezen, als meester over de taal.
Endio_jtiec8ter8oha£ over de taal is, onder al de hoedanigheden die een dichter moeten vercieren, misschien degene, welke wy by Van de Linde 't meest te bewonderen hebben. Onverklaarbaar is het my meermalen voorgekomen, hoe iemand, die jaren achtereen in een vreemd land geleefd had, er burger geworden was, nimmer dan by de zeldzame overkomst van Hollanders gelegenheid vond Uollandsch te spreken, en 't zelfs maar zeer zelden las, niei alleen de boekentaal van zijn Vaderland, maar vooral en by uitnemendheid de levende volksspraak met al haar eigenaardigheden en schakeeringen had weten machtig te blijven. Ik moet bekennen, dat hy ook te dien opzichte hot standpunt van 1834 niet verlaten had, en zelf er voor uitkwam, dat hy het Nederduitsch van vele na dien tijd opgekomen schrijvers niet verstond.
Diezelfde juistheid van uitdrukking, datzelfde gemak om overal 't gepaste woord te kiezen, dat afzijn van alles wat naar anglicismen of andere sismenquot; zweemt, â in een woord, dat echt Hollandsche van taal en stijl, 't welk zijn gedichten kenmerkt en waaraan zy ongetwijfeld grootendecls hun populariteit verschuldigd zijn, kenmerkte insgelijks zijn proza. Ongelukkig zoü het bewijs hiervan alleen kunnen geleverd worden door de uitgave zijner brieven. Die brieven waren voor hem die ze ontfing niet minder onderhoudend dan zijn gedichten; doch zy zijn, ten gevolge van den inhoud, die 6f over zaken van persoonlijk of tijdelijk belang loopt, èf uit aardigheden bestaat, waarvan het zout grootendeels voor
GEDICHTEN V. P. SCIIOOLMKESTER. 2
17
lets over den schrijver en zijn dichttrant.
derdun zoü verloren gaan, tot openbaar-making geheel ongeschikt.
Even min als op de brieven, welke ik van Van do Linde ontfing, kan ik den lezer vergasten op een aantal dichtvruchten â waaronder mis schien de beste en bevalligste welke hy ooit vervaardigde â die, geheel tot zijn huislijk of zielsleven betrekking hebbende, uit kieschheid moeten worden teruggehouden.
Den staaltjen echter van zijn proza, hoe onbeduidend ook, vindo hier ..i liter eigenaardig zijn plaats.
van Lennep.
18
COSCEPT-VOORREDE.
Sommige mijner vrienden hebben nu en dan eens ao vraag voorgesteM; «waarom verzamelt gy niet eenigc uwer verspreide rijmpjes in een zedig bundeltjen?quot; De aandrang was, ik beken het, nog al strooiend voor mjin eigenliefde â zoo men aandrang heeten mag wat misschien niet dun een voorby gaande inval was, die zeker meer indruk by rny acliterliet, dan by hen. Hoe het zij, ik leende't oor en sprokkelde eenige verstrooide stukjens te zatnen, den lezer â zoo er een geviinden moclit worden, anders beklaag ik den uitgever â nederig aangeboden, 't Werd moor gedaan voor vrienden dan voor vreemden en ik ben dus evenmin tuk op lof als bang voor blaam, verzekerd bovendien, dat futsoenlijke recensenten hun kruid niet verschieten zullen op kutvisch, die 't kruid niet waard is.
Overigens kan ik wel geen pecunieel belang by deze prulletjens hebben; de uitgever zal my maar al te spoedig bekend maken, dat het «de dood in de potquot; is. Mocht er echter buiten verwachting een saldo zijn, zoo is dat bestemd voor de bevordering van een menschlievend en edel doel, het Instituut namentlijk voor de zedelijke verbetering der gevangenen onder de dieren, zoo als b. v. de gekluisterde kermisbeer, de gebrookte vlasvink â ), het gekooide tijgcrbeest en konijn, en andere slachtoffers van een menschelijk despotismus, dat in onze verlichte lil» eeuw onder de dieren geen volksvertegenwoordigers erkent, behalve, zoo men wil, den papegaai, een dier echter van ecne al te bepaalde kleur, en dat al te
1) Voor hen, die met de eigenaardige taal der VinVery niet beVend zijn, diüne, dat hier gedoeld wordt op de zoogenaamde âhaanloopersquot; die, met lederen Iroelvjens aan, op de vinlfehanen gezet worden, ora hun vliegende malfkers, die âin 't houtquot; vullen, te lokken.
Noot van den Uitgever,
Concept-voorrede.
slanfsch zijn meester napraat om een gemoedelijk en onafhankelijk lid der Tweede Kamer onder dit vee te worden genoemd. Dit gezegde go-vangen yee heeft dus bepaald een verdediger, een handhaver, een John Howard van doen, doch moet, hy gebrek van brood, zich voorloopig tevreden stellen met
Den Schoolmeester.
N. B. Vrijwillige bijdragen voor bovengemeld Institnnt worden steeds dankbaar ontvangen aan de bnreaux Artis, adres Amsterdam, Jardm de» jP/anfes, adres Parijs, Zoological Garden, adres Londen, Ysbeertn gesticht voor vondelingen, adres Nova Zembla, alsmede by de Baukiers Martin van Aken en Camp, adres Kot-terdamsche kermis.
90
EPISCHE POÃZY.
De Tier dichtstukken onder deze rubriek mogen met het volste recht tot het Epische cjenre gebracht worden. Immers het eerste, dat tevens als dea dichters eersteling mag worden aangemerkt, daar het reeds in den Loydschen Studenten-Almanak van 1830 werd opgenomen, is het fragment eener Theogonie; in de beide volgende worden Odysseën of zwerftochten, te zee en te lande, beschreven; terwijl het vierde een toe» spraak behelst van een veldheer aan zijn dapperen, hoedanige wy die in onderscheidene heldendichten, als in de Ilias, de Eneïs, het verlost Jeruzalem, het verloren Paradijs, de Henriade, den Ondergang dor eerste Wareld, enz. enz. meermalen aantreffen. Weinig of niets heb ik daarbij aan te teekenen, als alleen dat, zoo het verhaal getyteld sde Boterhamquot; naar des lezers oordeel misschien wat te onverwacht en to abrupt eindigt, dit daaraan te wijten is, dat do dichter niet by machte is geweest er de laatste hand aan te leggen. Uit losse fragmenten en ruwe schetsen, onder zijne papieren gevonden, en waarin hy, onder meer, den goudzoeker voorstelt, na zijn t'huis komst het kerkhof bezoekende, waar zijn moeder begraven ligt, is my gebleken, dat het zijn bedoeling was aan het verhaal een meer treffend en aandoenlijk slot te geven, waardoor de zedelijke strekking beter ware uitgekomen. Misschien echter zullen sommigen onder mijn lezers van gedachten zijn, dat juist dat abrupte van het slot iets treffends heeft, dat tevens stof tot nadenken verschaft en daarom te meer voldoet aan de eischen der poëzy, volgends welke deze, vooral waar het op de schildering van roerende toestanden aankomt, niet te ver moet uitweiden, maar veel 'aan de verbeelding en overpeinzing van gevoelige zielen over laten : naar hetzelfde beginsel, volgens 't welk de kunstenaar der oudheid Agamemnon by de offerande van zijn dochter Ifigeen voorstelde met gesluierd gelaat.
v. L.
PROEVE TAN DICHTERLIJKE VLUCHT.
(Fragment van een uitgebroiiler dichtstuk, getiteld Apollo.)
Hippokreen vloeit overal,
Maar dat vreesselijk geflodder Maakt ons lialve land tot modder, En, ik vrees, tot varkensstal.
Bilderduk.
't Gaat wel! ik voel mijn borst, het aardsch gewelf ontvaren,
Op Godentoon gestemd. Homerus evenaren 1
Jal 'k zing dien Phebus, wiens vergulde zonkaros
Den Ether-trans ontgloeit en hult in zilv'ren dos I
Die 't schuimend tweespan ment langs Amethysten banen,
Met Hermelijn omzoomd, de kristallijnen tranen,
Aurora's oog ontglipt, in gouden schalen vangt,
Wanneer zijn glooiende arm het nachtfloers openhangt 1
De starren vlieden heên â als tamme Philistijnen,
Wanneer de vijand naakt, met hazen-spoed verdwijnen â
En tuimelen door een in 's afgronds duister krot,
Wanneer hy 't zwerk beklimt als lichtverspreidond God 1
Hem dekt een gouden lier, uit blank albast geweven,
Met ambrozijn doorstikt en paarlen, onder 't zweven.
Do wolken smelten by zijn aanblik; 't windenheer
Krimpt op zijn wenk zich zaam of raaskaalt over 't meer.
Het Oost schalmeit hem na met rozen op do wangen.
Daar hem 't gegeluwd West ala ega mag ontfangen.
De maan, zijn broeder, bleek van opgekropten spijt,
Dat hij den voorrang mist, ging kleur en verwen kwijt.
En dwaalt, ali 't rimp'lig spook in holle najaarsnachten.
Langs 't broederlijke spoor, en put zich uit in klachten.
Proeve van dichterlijke vlucht.
Tot hora hot tweospan stoort, dat door den slagboom breekt. En hy, by Phobus komst, van schrik geheel verbleekt.
Dien Phebus zing ik thans op onverlatndo snaren:
Hem, aller dicht'ren roem, maar moeilijk te evenaren 1 ü Dagvorst! Neem mijn lied in fiore omarming aan, En prijk het naast uw' zij aan 's hemels starrenbaanI En gy. Homeer: Juwool der dichtende Hellenen,
Die met uw' Orpheus-lier zelfs harten maakt tot steencn, En, als uw poez'le hand de gouden dichtpen vat, De waarheid eert, ten spijt van 't grijs Historie-blad! Die Hector 't strijden leert, en held Achil 't verwinnen 1 O witbeaneeuwde bard I O vriend der zanggodinnen!
Verstoot mjjn dichtwerk niet, maar streef hot, fier en blij. Op vleug'len van azuur uw' Ilias voorby!
De laatste ster bezweek by 't eerste morgendagen;
De moêgewaakte nacht verliet haar nevel-wagen.
En trok, door 't licht verrast, haar vale wieken in
Anioon en roos ontlook, de vlugge zangerin
Begroette veld en woud in 't vrolijk boschgeschater.
Al dartelend gehuwd aan 't kristallijn geklater
Van 't schuld loos beekjen, dat langs 't spiegelgladde diop
Van 't bergmoeras gedaald, door bosch en heuvel liep :
Als Jupiter, vermoeid in Juno's arm te rusten.
Haar' kuisohen schoot ontsnapte en d'esmerauden kusten
Van 't hemelsche paleis; en tuk op andrer min.
Het zoet begeeren dorst der vreemde bedvriendin!
Hy naakt, waar d'afgrond d'aard behoedt voor nedervallen,
En in zijn rotskloof stut met meer dan duizendtallen
Van zuilen, uit metaal en forsch arduin gesmeed,
En met het zwevend stof van 't eeuwental omkleed.
Hy hupt de bosschen rond en blozende valleien.
Waar 't herderinnen tal, in vroljjk spelemeien,
Den blonden herder kust, en koost, en tiereliert.
En in den luchten zwaai der huppeldansen zwiert.
liet (1 raaiend orgel stuurt, by 't wederzijdsch begroeten
2:i
Proeve van dichterlijke vlucht.
Do vastgestelde maat der trippelende voeten;
Daar trommel, mandolijn, viool en herdersfluit 't Muziek weergalmen doen, dat op do wolken stuit I Do Dondergod, ontroerd en tot in 't hart bewogen,
Bespeurt een wond'ren trek, en staart, met golvende oogen En vonkelende borst, hot hupp'lend schouwspel aan,
Verscholen op een tak van olmboom en plataan Zijn wenkbraauw volgt don zwaai dier tong're boschkoralen, En krimpt of zet zich uit, naar 't rijzen of naar 't dalen Der snelgewiekte voet, die langs den bodem zweeft,
Terwijl het lispend koeltj' in 't zedig koursjen beeft.
Eóne, onder allen, weet zjjn lust het meest te wekken: t Is blonde Leto, telg van Ccüs, in wier trekken Het hemellachjen speelt, dat langs haar wangen stoeit.
En met een rozendauw de sneeuw dor kaak ontgloeitl Ja, 't is of Phebé zelv' herleeft in haar Latone:
Do dochter des Titaans schijnt dochter van Dione.
Haar blaauw en kwijnend oog schiet gloênde blikken rond. En hagelwit ivoor siert d elpenbeenon mond 1 Het schittrend lip koraal en 't goud der zijden wangen, 't Schijnt al geschapen ,om den kus der min t'ontfangop Terwijl haar blozende arm, met lieflijk dons omzet,
Het zweet van hoofd en hals met zachte drukking net. ^ Hy ziet haar, en, op eens van felle liefde dronken,
/ Voelt hy zich 't hart verschroeid van d uitgeschoten vonken, ! En zweert, daar woeste drift zijn schedel zwellen doet, \ Dat hy verwinnen zal of sterven aan haar' voetll
24
CGy, Dichtkunst 1 hemeltelg, in hooger sfeer geboren, Met Ether-walm gevoed 1 die langs d' onmeetbre sporen Des dampkrings, die deze aard omvangt en scheidt van 'tGy, Dichtkunst 1 hemeltelg, in hooger sfeer geboren, Met Ether-walm gevoed 1 die langs d' onmeetbre sporen Des dampkrings, die deze aard omvangt en scheidt van 't niet, De toekomst en 't geen was, met éénen blik doorziet! s- O meld, kan 't zijn, my 't lot der huppelende schoona, V En wat Jupijn ontwierp by 't aanzien van Latone!
Het zwevende vermaak bad brein en bomt verhil,
Proeve van dichterlijke vlucht.
En 't lichaam afgemat. Het bran den do gebit
Verlangde laafnis en verpoozing, en vermoeijing
Werd opgevolgd door rust. Niet meer in dart le stoeijing
Of luchten sprong verward, maar neergestrekt in 't groen,
Zat alles afgemat op 't geurig bloemfestoen.
Of dook in 't mollig gras in sluimring neêr en rusfto
Een ander deel sloop rond, maar rein van tred, en kuste
De maagdelijke hand der zoete gezellin.
Maar zag de boogpees niet, gespannen door de Min.
DrïömraïïêeTn zat neêr, in diep gepeins verloren;
Geen minnekozery kan nog haar hart bekoren;
Nog zwee^ by haar de lust, met rozen ovcrdckj;.
Waaronder 't slanggebroed de drakentreden strekt.
Viool of distelbloem mocht meer haar zinnen streelen.
Dan 't hart-innemend zoet van 't zwelgend kusjens-steelen;
Ook thans in eenzaamheid, en door geen knaap verzeld,
Zweeft d'argelooze maagd langs 't groene klaverveld,
En grijpt naar wesp of spin en volgt den bonten vlinder
In vaart en vlucht voorby, langs heg en struik, gezwinder
Dan 't afgejaagde hert, dat, eindlijk achterhaald,
Aan 't woedend hondental zijn vlugheid duur betaalt!
_ Doch wie vertraagt haar spoed? Wat wonder treft haar oogen, En houdt haar blozend hart verrukt en opgetogen?
Wat hoogt op eens den gloed van 't lelieblank satijn,
En adelt sneeuw-albast tot golvend ambrozijn 7 't Is 't schouwspel daar ze op staart. Met zonnegloed omhangen, Uit blank azuur gevormd, en paarlen op de wangen.
Terwijl 't fluweelen haar in golven neerwaarts spoedt,
â Treedt haar, met schoonen tred, een jongling te gemoet.
Zijn blik schiet vlammend vuur, als vonken gouds, in 't rondo: De bliksem van zijn oog verbrandt en schroeit de wondo.
Die 't hart van die hem ziet op d'eigen stond doorboort:
Zijn stem is als 't geluid des donders, en verstoort C-Den zeeleeuw in zijn kuil: zijn reuzenarmen spreiden -Zich in het luchtruim uit als stammen : bosch pb weiden
25
Proeve van dichterlijke vlucht.
Ontzet en schudt hy, als zijn voet hun bodem drukt, Of d' adem van zijn borst zich uit zijn kerker rukt:
Zijn wenkbraauwbogen zijn twee blozende amberkringen Met vloeiend goud doorstroomd, die d' oogeleên omringen, Terwijl een starrenkroon den schedeltrans bedekt En stralend ethervuur hem aan elks oog onttrekt.
/Zy ziet hem, en haar kracht begeeft haar onder 't knielen, Zy voelt een wond're drift, iets godd'lijks haar bezielen; Zy ziet hem, en de gloed van 't uitgebleekt gelaat Voorspelt aan 't smachtend hart den schoonsten dageraad Terwijl het ongeduld (dat knabbelt op den kluister,
Die t Heden scheidt van 't geen de toekomst nog in 't duister Van 't Niet verborgen houdt) naar 't wordende gesprek v Met tijgerklaauwen grijpt en opgesparden bek.
â¢Aanminnig pronkjuweel,quot; (dus vangt hy aan te spreken,) »Van 't aardrijk! by wier glans en zon en maan verbleeken, »Dio met den rozengloed van 't goudgeel kweckend hoofd, â¢Gelijk het tweespan d' aard, zoo 't hart uws minnaars stooft I â¢Ook ik voel 't sloopend' vuur in d' enge borst ontbranden. «Door schicht op schicht gewond, mot nagelscherpe tanden â¢Voel ik my 't smeulend hart van een gescheurd. Geen rust, â¢Geen laafnis lacht my toe aan hooger hemelkust,
ï\V aar ik u derven moet! Neen, aan uw' borst te minnen, «Uw al te zijn, zegt meer dan een Olymp te winnen I â¢Om u versmaadde ik wat de Hemel kostbaarst biedt, »'k Verliet om u den troon van 't opperste gebied,
⢠Het land van Ambrozijn, doorstroomd met Nectarbeken, â¢En 't geurige gewest der Elyzeesche streken;
â¢Om u ontvlood ik d' arm van 'g Hemels Koningin 111.....
⢠Val aan dit kloppend hart en voel of ik n min.quot;
^-Gelijk een stormwind, die, in 't Westen losgebroken, / Do golven breekt en schudt, de zee van spijt doet koken.
Het zwerk van één scheurt, djjk en dammen openspart,
V En 't aardrijk trillen doet. zoo zinkt zy aan zijn hart
26
Proeve van dichterlijke vlucht.
(In teed'ro omhelzing neêr. Hun beider zielen vlooien In duizend kussen zaam, de teedre kaken gloeien,In teed'ro omhelzing neêr. Hun beider zielen vlooien In duizend kussen zaam, de teedre kaken gloeien,
De boezem hijgt naar lucht, de Min grijpt pijl en boog,
En Amors lustprieel ontvoert hen aan elks oog.
Slfio.htB Juno slaat hen ga van hooge hemolstrekon,
En zweert dion smaad op 't kroost dor reine maagd te wreken;
Ja Juno, bleek van spijt en zwart van jaloezij.
Zwoer eeuwig onheil aan Latones kind'renrij.
Had haar in 't eeuwig Niet den moederband doen slaken.
Zoo God Neptunus niet, van medelij aan 't blaken,
Haar schoot bewaard had voor deez' bloedige offerand,
En lieflijk dons gestrooid langs Delos oeverstrand.
Dit kwam do Droomgod rA^g J^ninon te kennen geven,
TociTlPongeboren telg noch aanzijn had noch leven.
En, onontwikkeld nog, in 't moeder-ingewand.
Reeds Juno's haat betreurde en aangewreven schand.
Meld, Zangstori op den toon voor u alleen geboren,
Al wat de Droomgod eens aan vrouw Latoon deed hoeren: Ontkerker 't vleuglenpaar, dat aan uw schoudren prijkt,
En mot het smijdig goud van Pindus is verrijkt:
Vaar buld'rend naar omhoog en schud de hemolsfeeren:
Laat geen Syrenenzang u meer naar d' aard doen keeren: En pluk van 't firmament het drijvend stargesteont,
Waaraan voorwetenschap haar Hemelluister leent:
Opdat wy hoeren en omvatten, ja aanschouwen,
Wat Morpheus raadseldroom aan Leto kwam ontvouwen; Ja, voer. ons, aan zijn zij en hangend aan zijn hand.
Naar 't somber voorportaal van Leto's ledekant.
liet tripplend veldmuzijk der waternimf-najaden,
Kwam zich in 't luchtpriëel van 's afgronds ether baden,
En zwom de heuv'len langs en berg-vallei en krocht,
Terwijl quot;t koralen oog, het zwevend aardrijk zocht.
't Aanschouwt het, maar van ver, en, hupp'lend onder 't zweven,
'27
Proeve van dichterlijke vlucht.
Voelt zich de hofstoet naar Latone hoonde dreven,
En naakt op lachten wiek het uitgespreid verdek Van t half ontworpen en nog pas voltooid vertrek.
Jlier zat de minnaar, aan Latone's zij gezeten,
Die iluim rend, in den slaap haar onspoed had vergeten ï Jlet oog gesloten, zag haar blik verbaasd in 't rond.
Toen in 't ontplooid verschiet haar noodlot vóór haar stond.
Een schucht're Zeemeermin, met leliën en rozen Doorweven, zag Latoon van zoet verlangen blozen; En, denkend aan haar' plicht, en aan dien plicht getrouw, Spreekt zy d' orakeltaal van 't vorst'lijk hofgebouw: gt;lt;Aanminnige 1 in wier schoot het knaapjen ligt gedoken, »Wiens engen kerker nog geen straal heeft doorgebroken «Van 't levenkweekend licht: het sluimert nog gerust «Van lot en waereld, ja, van 't aanzijn onbewust 1 «Reeds slaat do wraak het ga, en drijft op vleêrmuis-wieken, »En wacht met helsche vreugd op 't eerste morgenkrieken, «Wanneer do levensvlam het wordend wicht doorgloeit, «Gelijk de dauwdrop in 't ontluikend roosjen vloeit! »'t Is Juno die, van spijt en felle woede aan 't blaken, «U zelfs édn handbreed gronds op 't aardrijk wil ontschaken, «En 't kroost, in dart'le min en overspel geteeld,
»Met haar Godinnen-vloek en wraak-herauten streelt;
«Maar, grijze Zeegod nam uw kroost in zijn bescherming, «(Als 't aardrijk u verstoot, toont zelfj de zee ontferming,) «Bestijg de nacht-kales, beklim haar ingewand,
»En vlieg, langs 't bleek arduin, naar Dolos groenend zand.quot;
28
De schipbreuk.
DE SCHIPBREUK.
Oosf west t Huis best;
Onder de merkwaardigste tafreelen,
Waarin wy gewoon zijn, de schepping te verdeelen,
Behooren vooral zekere natuurtooneelon,
Inzonderheid oen vaartuig in den storm,
Wanneer iemand gerust kan zeggen: «ik ben maar een worm. Die noch zijn eigen kan helpen, noch zijn natuurgonouten,
Al stond hy ook op zijn achterste pooten.quot;
Zoo er daarom een schipbreuk voorhanden is op zee,
Ga ik liever voor mijn plezier niet meê. â
Leergierige jeugd ! gy bespeurt gewis,
Dat wat ik thands op 't oog heb een schipbreuk is:
Wees daarom, gedurende de les, zeer attent.
Sta op uw eigen beenen, en, zoo veel mogelijk, overend. â â De storm, moet je weten, begint doorgaans met eene stilte.
En ik had in mijn jeugd een kleinzoon, die in April te Buiksloot moest wezen : â ik verspreek my, ik meen te Curagou, Een eiland, dat je misschien te Buiksloot niet vindon zou. â
Hoe dit zij, mijn kleinzoon ging met zijn dochter en zijn vrouw Naar zee toe, om op Ceylon kaneel te koopen.
En zoo 't meeviel, vervolgens een nieuw schip af te laten loepen Te Hoorn, voor de Walvischvangst bestemd in de Us- pf Glaciale zee, (Gelijk, toen ons land ons land nog was, menigeen vóór hem reeds deê) En voor verandering van lucht namen zy beiden een zuigeling mee. 't Was eerst alles aan boord byzonder kalm ; de tijd werd met praten versleten
Over koetjens en kalfjens, en een glas wijn met een scharretjen gegeten En daar werd, net als aan wal, geslapen en ontbeten.
En door enkelen ook veel van de zeeziekte geweten.
Waartegen dan een glaasjen brandewijn 't boste remedie werd gehoeten, De natuur was op den Oceaan ook byzonder mooi,
29
De schipbreuk.
Al zag men or juist niet veel boekweitvelden staan of meisjens werken in't
hooi.
gt; Men zeilde lekkertjens voor den wind en het zeil had kreukel noch
plooi.
Ja het ging zóó gaauw, hoorde ik mijn kleinzoon dikwijls getuigen, ^ l)at een stoomboot op stapel er gerust een punt aan had kunnen zuigen. ysüo zon liet, als een koningskaars, haar verkwikkende stralen Ãp de kruinen onzer zweetende reisgenooten nederdalen.
De Stuurman alleen keek nu en dan bedenkelijk naar den meridiaan,
___Als of liy wou zeggen : «daar is een luchtjen aan:
«De wolken worden in 't Westen hoe langer hoe dikker.
«Daar is zeker iets, dat ik niet noemen zal, aan den knikker.
«Het wordt zoo donker, en spoedig zal ik misschien »De punt van mijn eigen neus, laat staan die van 't schip, niet meer kunnen «Als de wind niet spoedig verkiest te draaien, zien.
⢠«Dan gaan we allemaal en compagnie naar de haaien,
))Net als op mijn eerste reis naar Sourabaaien.
«Ik wou, dat een vyand zijn schip ons maar kwam praaien, »Ik heb het land â of liever, ik wou, dat ik het land had:'t ziet er smeo-
rigjons uit:
«Kijkt voor de liefhebbery eens, hoe dat zwerk daar kruit,
»En hoort me dat concert eens aan, dat door de zeilen tiuit.quot;
En zoo slaat de windzak door, vijf honderd uit;
Doch de Kapitein en de overige passagieren,
Benevens do onvernuftige huisdieren.
Zaten net zoo gerust als in een wagentjen van vieren. De Kapitein â dit dient hier en passant wel te worden vermeld â Want op een zee voyagie is de kapitein eigentlijk de Ulysses of de
Eneas, enfin de held â Was om de waarheid te zeggen een oude stoffel.
Die nooit een laare aantrok itls hy kans had op een pantoifel. quot;Voor 't overige was hy cin vrijgezel van vier voet hoog. Die ©en anker op zijn rechterarm droeg â namelijk het portret daarvan,
zoo men my niet bedroog â Benevens een strontjon op zijn rechter oog.
Doch de Stuurman was iemand met merg in zijn knokken.
30
De schipbreuk.
Vijf voet vijf als hy zijn schoenen uit had, zonder jokken,
En meer of min begaafd met de kinderpokken.
Hy hield byzonder reel ran jenever, alsmede van tabak,
Dien hy, in den vorm van een pruim, achter zijn kiezen stak.
Overigens was hy op zee gewonnen en geboren,
Waar reeds zijn grootvader in een veldtocht een houten been had ver lly kon vloeken voor drie, en zag aan het linkeroog wat scheel; loren Maar wanneer hij sliep, merkte men dat juist niet veel. â Doch, om nu tot ons verhaal te retourneeren.
Of, in zuiver Ilollandsch gezcid, terug te keeren.
Men kon een speld in 't water hooren vallen, en de Oceaan Was zoo glad en blinkend als een geschuurde schuimspaan,
Maar, juist als men in de Schipbreuk van de Medusa ziet vertoonen, Waarvan ik op 't Leydsche plein de representatie eens by mocht wonen. Daar verandert nu het tooneel en een zware storm verschjjnt, Waarop de zon, en tevens de kleur van den kapitein zijn gelaat verdwijnt. Die er thands zoo bleek uitziet, als of hy in de maan
Eigentlijk zijn stuurmans-examen had gedaan.
De lucht wordt integendeel zoo zwart als een moriaan,
Terwijl de zoute golven beginnen te brullen als een paar leeuwen, En verschillende zeevogels, vergezeld van dolende meeuwen.
Hun geluid met dat der zuigelingen mengen, die thands overluid schreeuwen In plaats van, als zy te voren deden, van honger te geeuwen.
De Oceaan, zonder er doekjens om te winden,
Staat op het punt, het schip met man en muis te verslinden.
leder verschuilt zich nu in do masten of op het dek ;
Want in het hol is de pomp verstopt en het vaartuig lek. De Kapitein stelt zich in postuur, kucht, rochelt, en spreekt: »met uw
respek,
«Scheepsvolk, reisgezellen, heeren en dames en verdere natuur- en ambts-
genooten,
»V\y zijn op de flesch, ik zie er geen gat in en mijn kruit is verschoten. «Onze eenige uitkomst zit hem nu nog alleen in de booten.quot; stild. En naauwlijks heeft hy met deze geruststellende toespraak hen wat ge-Of de groote mast met het vooranker worden door den storm over boord Hot boeganker dobbert op de baren, en het gandsohe schip getild.
31
De schipbreuk.
Duikelt over zijn boegspriet als een bezopen snip;
Terwijl men de reizigers, die op de biertonnen of roeispanen drijven, Ziet denken: «ik zal het nu maar aan mijn famielje schrijven.quot;
nis er,quot; vraagt een ouwe juffrouw, «hier geen stal in de buurt 1quot; «Ja wel Iquot; antwoordt de koksmaat: «maar al de rijtuigen zijn verhuurd Iquot; In dit plechtig oogenblik laat de Kapitein den Stuurman komen En vraagt hem ronduit, of hy ook al te met iets van een storm heeft vernomen,
Waarop laatstgenoemde antwoord geeft met een zucht.
Dat er wel wat van aan schijnt te zijn, volgens het algemeen gerucht. Eindelijk komt men op een onbewoond eiland aan, 's avonds heel Iaat, Als men kan opmaken uit de torenklok, die kwart over elven slaat. Doch de Kaptein stuurt terstond een liefhebberyknecht aan den Magia Met zijn complimenten, namelijk om assistentie en raad. traat,
Deze laat hem echter per omgaande weten.
Dat het hier een uitgestorven eiland is, zonder een enkel ingezeten
En dat, aangezien er geen contribuablen meer bestaan, De magistratuur, mitsgaders de kommiesen, maar naar huis is gegaan.
Na ontfangst van dit bericht roept de Kapitein Do reizigers byeen, en vraagt, of allen tegenwoordig zijn, groot en klein.
Waarop een ieder voor zijn beurt antwoordt: «allenquot; â Behalve de zuigelingen, die zeggen : »wy zijn in slaap gevallen.quot;
Hierop bouwt men met de verloren zeilen een tent En geeft een hamer aan den Kaptein, die zich benoemt tot president. En de vergadering dus aanspreekt, met een witten das en overend:
«Telgen en nakroost,quot; zegt hy, «van een en hetzelfde voorgeslacht! »Wy moeten hier handelen als mannen of wy worden om zeep gc-
bracht,
»Zoo wy hier al op 't droog staan, wat kan ons dat helpen ? »Wy worden eerst door de leeuwen opgegeten en vervolgens door hun
welpen.
«Die 't voorbeeld van hun ouderen, thans op ons hevig verbolgen,
«Natuurlijk, als zy groot zijn, wel zullen volgen.
«Ik vraag dus het gevoelen van al wie zich hier bevindt, klein of groot. ⢠De afwezigen uitgezonderd, benevens den zuigeling en zijn tijdgenoot, «Wat of wy ouder deze omstundigbeden moeten verrichten;
De schipbreuk.
«Hier blijven, dan wel het Terloren anker van het uiteengeslagen schip maar
lichten ?quot;
Hierop besloten al de aanwezigen, na lang over en weder praten. Men zou moeten handelen regis ad exemplar, op 't voorbeeld der ma-En 's morgens bij 't eerste kraaien van den haan, gistiaten. Zijn biezen pakken en weêr stilletjens naar huis toe gaan.
Men danst echter eerst nog met do ingezetenen een quadrielje En vindt zich kort daarna in welstand met de zuigelingen terug in zijt.
Het geschiedboek vermeldt echter niet, famielje.
Hoe of op wat wijze dit eigentlijk ia geschied.
Doch daar stoomvaart en spoorwagen sedert zijn uitgevonden, Begrijpt de lezer, dat zij 't des noods daarmeê doen konden.
Enfin, ik verhaal u wat ik van mijn kleinzoon heb gehoord, Die een deftig persoon was en wien ik wel gelooven moet op zijn ___woord.
DE BOTERHAM EN DE GOUDZOEKER.
EEN VERHAAL !N DEN GEEST DES TIJDS.
jii'ri sacra famnjt.
Te Wormerveer Woonde eens eon lieer,
En te üverschie Een juffrouw die Dien Heer zijn hert En hand aanvaardde en mijn moedor word.
En moeder liep wat met haar eersteling hoon.
En grootvader zei: «kijk 1 hy loopt haast alleen.quot;
Maar vader zei droogweg; «dat's numero een.quot;
En zoo leefden mijn ouders en ik alle drie Als fatsoenlijke lieden op Overschie,
GEDICHTEN V. D. PCIIOni.MEESTEB. 8
39
De boterham en de goudzoeker.
En wy hadden er ieder zijn boterliam
Die ons alle drie smaakte en ons wel bekwam.
En toen er nn fluks â wat overdaad In hun echten staat 1 â
Gelijk het wol meer in het huwelijk gaat,
Een tweede kwam Om zijn boterham,
Toen sprak mijn vader: «ik ben niet rijk,
«Ofschoon ik reeds met een paar stamhouders prijk. »Ik heb geen post of geen landspensioen,
»Wat zal ik hier met die twee spruiten doen ? »Hoe hou ik op Overschio mijn fatsoen?
«Is éën niet genoeg voor een burgerman'?
»VVat doe ik met twee? â Wat heb ik er an?
«Zoo'n tweede sieraad »Van mijn huwelijksstaat,
«Die in 's levens ontlokenon dageraad »Zich reeds tweemaal alhier te verslikken staat, «Terwijl .hy in toomloozen overdaad,
«Zijn buik als een pakschuit op marktdag laadt, «En zijn ouders vertroost met de hcop op zwart zaad
»Pak jy, kameraad 1 «Maar spoedig je biezen en poets me de plant. »Jy klaplooper, voort! of wy krijgen 't te kwaad. ⢠Hy eet meer dan twee «En hy drinkt als de zeel «Mot zoo'n tweede letter in 't Echt-A B-C â¢Mijns huwelijkslevens, wat doe ik er meè?
«Is A niet genoeg? en wat heb ik aan B?quot;
Mijn moeder zei lachend: «op VVormorveer «Sprak iemand heel anders: niet waar, mijn Heer? «Kom, geef vrouwlief oen zoon, en zeg het niet meer »Zoo'n zeggen doet my en mijn kindtjcn to zeer.quot;
De boterham en de goudzoeker.
Maar toen er nu â wuêr om zijn boterham â
üp nieuw een produkt uit de bloemkool kwam,
Toon bromde mijn vader: «Wel Ileerejee!
«Daar is numero vijfl wat doe ik er moê?
xWat heb ik hier aan zoo'n mutsebol?
»Mijn zak loopt leeg en mijn huis loopt vol,
xEn de affaire gaat slecht en mijn kop is op hol.
»Op het Hof in den Haag »lleb ik vrind noch maag,
lt;gt;En op Overschie heb ik maag nog vrind.
»Wat doe ik hier met zoo'n vijfde kind?
»â 't Heeft nu reeds van 't zuigen een stuk in zjjn kraag â
«Zoo'n jeugdige haai met zijn volle maag,
«Zoo'n zuigend zoogdier, zoo'n lik-in-de-pan,
«Zoo'n etende tering, wat maak ik er van?
«Zoo'n vijfde kwaêjongen, wat heb ik er an?quot;
Ons kroost was maar drie, en geen sterveling moer;
Maar 't reek'nen ging slecht op Wormerveer.
Mijn moeder zei niets voor 'toogenblik;
Want mijn jongste broêrtjen had juist de hik.
Doch toen uit de kool nu een tweetal kwam
En vroeg om een dubbelen boterham,
Toen riep mijn vader, geweldig boos:
»'t Lijkt de postwagen wel van Van Gend en Loos.
«Ben jo daar alle drie? wel dat doet my plezier,
«En de baker er ook by en alles by nacht,
«Waarom kom je in eens toch maar niet alle vier?
«Een meer of een minder zoit niets op zoo'n vracht.
«Haal het restjen nu ook maar, dan heb je net acht
«Goddeloos! wie had ooit zoo'n famielje verwacht?quot;
Vader dacht aan een drieling; doch 't was er maar twee,
En hy telde in dor haast onze baker nog moê;
Maar de man in zjjn drift wist niet best wat l:y dcê.
35
De boterham en de goudzoeker.
Maar Moederlief zei: »wel heden mijn tijd I »lloe raak je nu, Vader! de klus zoo kwijt 1 «Daar is er geen een die nog honger lijdt,
ȣn heb je dan geen overleg en vlijt?quot;
»Ja welquot;, zei mijn vader: «maar acht ia te veel,
»En daar kijken er zeven van honger al scheel. â «Een ouderlijk dak en een huislijke haard »En ons negental kind'ren, en allen gespaard!
â¢Vier gespeend, vijf aan 't zuigen, en een met een baard »En die beeldfraaie brieven, als vader verjaart ȣ11 ons leven is waarlijk een hemel op aard I â
.«Dat zijn allemaal praatjens, de moeite waard «Voor een heer, die een koets houdt, een knecht en paard. «Dan is 't hemelsch aandoenlijk en machtig fijn ; â
«Maar daar moet in zoo'n hemel een boterham zijn. «En voor boterhammen, in aantal zoo groot,
â¢(Want wy zijn met ons tienen en niemand nog dood) «Heb ik in zoo'n hongrigen hemel geen brood.
«Ik ben op dit punt licht zoo knap niet als Poot,
»En wat hebben wij hier aan een hongersnood?
â¢Zoo'n hemel heeft veel van een ravennest.
«Maar eventjes elf... en ik sohenk je da rest.quot;
Mjjn vader was weêr in zijn rekening mis ; â
Doch wat zeit niet een man al, die driftig is.
⢠Wel Vader!quot; zei Moederlief; «jy weet het best «Maar ik heb geen vrees voor ons ravennest.quot; â
«Hoort kindren Iquot; zei Vader op 't lest; «weet jo wat ?
«Het eenige, dat er nog opzit, is dat
«Eerst je broêr met zijn baard, en jylui daarna,
gt; Dat elk uwer enfin eens uit reizen ga,
«En dat je maar, elk als je gaat en staat
«(Want veel plunje is op reis maar overdaad)
36
De butürhani en de yuudzueker.
⢠Hot ouderljjk huia by provizio verlaut,
» 1 ot hot kiudervoitrek weêr wat ledigcr sta.it.
«Want al ben jelui klein, jelui bent niet Zuo UI ill » Te denken, dat ik zoo'n vervaarlijk getul «Voor kost en voor inwoning vrijhouen zul.
gt; t la hier 't leger, de vloot en de schuttory «Bij mekaêr en je maakt den foerier van my.
»Nomnior één amj dua uitl â¢llier heb je mijn zegen en verder geen duit,
»En ik wou,
⢠Dat, met jou,
»Do rest van die bengels reeds zat in de schuit.quot;
't V\as Vader die sprak en Vader alleen;
Want Moeder waa ziek en aloop stilletjens huun.
En toen ik nu zag, dat ik d'oudste was,
loen ging ik aan 't pakken en haalde mijn pas,
Als of het een reis naar Sebaatopol waa.
Mjjn pakjen waa licht, en mijn beurs woog nog min;
Doch Moederlief stak er een boterham in.
Kn toen eindelijk 'tuur van het afscheid sloeg,
Kn do schipper â of Jantjen haast klaar was â vrocij En Moeder hem zond wat de vracht bedroeg,
Met een brief en een fooitjen, meer dan genoeg. En voor t laatst op haar ziekbed in de armen my nam, lerwijl er een beek langs mijn wangen kwam,
^ Toen zei zy: «hier ia een zest'half of twee - »Eu een dubbeltjen, wees er maar zuinig nieó.
»En daar komt uit mijn zak, jongelief I nog een du.tj i Al aar Jantjen I och geef hem niet roekeloos uit.'1
^ iVVat of toch dat snikken en snott'ren beduidt, - «Dat heesr.h en dat krijtend hyeenengeluid ? «Dat neusdoekverslindende ueuzengesnuit ?quot;
Riep Vader omlaag met een stem ais een fluit:
37
flt' boterham en de yuiulzueker.
»Zi!g, is dut geziinik daar boven baast uit,
Met huilen vorschietjo maar nutloos je kruit,
'/.oo Jantjen niet oppast, mist Jantjen de schuit,
gt; l-jti wy zij ii nog twee uren langer gebruid «Met onzen geknevelden huwelijksspruit;
»Want de bol heeft al tweemaal voor de afvaart geluid.quot;
Zoo sprak hy, en ik zei: idag Yader, adieu!quot;
»Nou! niets van je Fransch hier,quot; zei Vader; «mosieui
«lilijf my maar van 'tlijf met die uitlandsehe zeu
»En zeg op zijn Uollandsch eenvoudig : hadie !
ïKn kom je nog eens weèr op Overschie,
»Dan hoop ik, dat ik je in je rijtuig er zie,
«Met een dubbelen, dikken boterham;
»Want anders waar quot;t best. dat je nooit bier wcêi* kwam
Ik had in de reis volstrekt geen zin;
Doch de Schipper riep luid: »kora, maak oen begin.quot;
En zoo stapte ik de schuit en do waereld in.
Maar eer jk nog was aan den Leydschen Dam,
Toen dacht ik reeds meer aan dien boterham.
Dien ik, in do gedaante eener schatrijke vrouw,
A-n mijn Vader, by 't keeren eens brengen zott. Dan aohl aan de tranen van teederheid. By 't afscheidnemen door Moeder geschreid.
In de roef vond ik daadlijk een meisjen, dat,
Op liefde prat,
Zoo aardig en poezelig by my zat.
Dat Ik Vader zijn boterham byna vergat,
Wanneer ik. gelukkig een waarschuwend blad, Een naamloos briefjen, van Vader bekwam,
Waaruit ik de droevige tijding vernam,
Dat ze oen weesdochter was zonder boterham. Dat doofde zoo aanstonds mijn liefdevlam,
Zoodat ik subiet van haar afscheid nam
De boterham en de goudzoeker.
En in 't ruim dor schuit nog eens stilletjens dacht Aan de los in mijns Vaders postscriptum gebracht; ^ »lloe lieflijk de sexie u tegenlacht,
gt; 'Het schoonste product van hot schoone geslacht,
gt; «Zonder boterham, Jan 1 is een weêrgilscho vracht.
- «Je twee broórtjens zijn dood. Nu dag Jan, goede nacht.quot;
Doch toen ik nu reizende verder toog,
- loon viel al spoedig, op Schiermonnik-oog,
gt; Mijn rechter zoo wel als mijn linker oog
^ Op een kcurlig sieraad van een maagd, zoo fraai.
Met zoon Fransche toernour en zoo'n smaakvoilen draai Zoo'n zwierigen zwaai,
Dat elk een zei: »o Naj-
»ade! o Syreen I »0 Trojaanache Ileleen 1 »0 Penelopé I gooi dat korpetjen toch heen I
»En baad ons, Melpomeen 1 «Niet langer in treurspel en dolk en geween. «Heb medelij toch met een blaauwe scheen,
»En leg ons wat zalf of wat kaarsvet op 't been,
⢠Of wind er wat Engelschen pleister om heen t
«Ik meen,
«Lieve Leenl tS'il vous plait, permitteer,
«Dat ik over u thans fatsoenlijk verkeer,
»Dat ik vrij «Over u, en dat gy,
⢠Van uw zij,
â¢Ook vrijt over my,
»En dat wy
⢠Ons gelukkig bevinden in die vnjery,
»Tot ik ras u aanschouw â¢Aan dees borst als mijn vrouw,
⢠En dat niets ons dan schei in de gandsche natmif â¢Tot de leste minuut van ons levensuur.
De boterham en de goudzoeker.
gt;Noch van u noch van my,
«Steeds voor wind en voor tij....
Doch niet steeds is de liefde bestendig van duur Want: »die bruid «Heeft geen duit.quot;
Riep eens op een wand'ling een schoenpoetser nit,
En die maar klonk me in do ooren ala dondergeluid, â â En gebluscht was op eenmaal mijn liefdevuur,
't Was basta hiermee en mjjn vrijen was uit;
Want ik dacht by geluk Aan den boot'ram van Vader, dat waarschuwend stuk. En op 't slot van de zaak was mijn hiel zelfs niet blaauw
En genas heel gaauw,
Zonder kaarsvet of pleisters of zalf, en ik vloog.
Als een pijl uit een boog,
Van Penelopé weg en van Schiermonnik-oog.
Doch toen ik vervolgens de reis hernam En t' Edam Op de kaasmarkt kwam,
Toen vond ik zoo'n tros ⢠Van een deern, met zoo'n blo»
En zoo beelderig haar,
Het eenige kind van een kaas-makelaar In kazen, een schatrijk Edammenaar,
Dat ik daad'Iijk tot haar Zei: «ach dierbare Saar!
«Maak uw Zondagspak klaar »Om terstond met mokaêr «Naar het huwlijksaltaar,
«En te zamen van daar »Hnnd aan hand naar 't Edammer Stadhuis te gaan.quot; En den volgenden dag was ik vroeg op do baan lïn ik belde aan het huis van mijn schoonvader aan, Zoo netjes gekleed als een haan
40
De bulerhani en de goudzoeker.
Pas gebraên,
Toen ik juist hallef acht op 't stadhuis hoorde slaau,
CDoch hier zag ik een beer â met laarzen aan En zoo bleek als een roomkaas â in 't voorhuis staan En die zei: »je moet nimmer die gekheid begaan: iWaut de maaklaar in kaas is op reis uaar de muuu,Doch hier zag ik een beer â met laarzen aan En zoo bleek als een roomkaas â in 't voorhuis staan En die zei: »je moet nimmer die gekheid begaan: iWaut de maaklaar in kaas is op reis uaar de muuu,
gt;En van middag nog slaan »Wy beeren Zjjn Edeles boeltjen aan.quot;
En 'k zei hierop: «dankje Chineesche suhiml lt;Geen maaklaar zegge ooit: hy was Jantjen te slim, »Lief Saartje, ik snij uit en ik laat je maar staan, «Eu 't is met mijn vrijaadje to Edam gedaan.quot;
En toen 't met mijn trouwen dus over was. Zoo kwamen de bruidsuikers minder te pas En ik stopte ze dus, met mijn hypoeras,
Maar stilletjens weg in mijn overjas En haastte my straks uit Edam van daan * Nog zoo ongehuwd als een Kapellaan,
Maar nu kwam ik te Sneek
In de kermisweek En ik raakte er zoo bleek En dan weder zoo rood, zoo geheel van mijn streek, En ik voelde in mijn hart zoo'n doorborenden stook; Terwjjl ik in Sneek Naar niets anders keek,
Dan alleen heel den dag naar een Sneeksche apotheek, â Want hier zag ik een lijn
Van een meisken, zoo fijn.
Met een hand als satijn.
En een kleur als een roos in de maneschijn;
En dut maagdelijn Gaf m' een zoentjon ais suiker of ambrozijn
Uf malaga-wijn,
£n ik riep in vervoering: »o liefste mijn 1
41
De boterham en de goudzoeker.
»lk vorkwijn sEn verdwijn â¢Uit hot land van do tevenden, lief Colombiju 1 »01' gy moet pardoes do mijne zijn.
«Ach 1 zeg ja,
»Lieve Na 1 gt;En niet spaê «Wees mijn gaê.quot; â
En het meisken zei: «ja, «Met consent van mama,
«Want ik heb geen papa.quot; â En straks zijn wy de bruid En niet langer een buit Van het snood celibaat, dat een vrijgezel bruit. En wy roeien te saam in de huwelijksschuit; En mijn Naatjen die ziet er zoo snoeperig uit, (Als ju durfde, dan stal je haar weg van mijn zij Maar laat dat maar liever; want ik beu er by). Eu zoo gaan we in de wittebroodsweken vooruit En ik zog tot besluit,
flat mijn lief gezin Met zoon Engelin Van een hartvriendin,
En een jeugdig paar tweelingen, tot een begin, Een toonool is van trouw en van Sneekscho min.... . .Maar haar moeder te Snoek zit er warmpjens in.
En toen ik nu over don Leydschon Dam Mot Na te Overschio by mijn vader kwam,
Toen zei ik: «hier heb ik mijn boterham.''
Doch Vader was, och! hoolemaal van zijn strook
En zag doodolijk blook.
Ma of hem de dood uit zjjn oogen keek.
En Na dacht: «ik wou maar ik zat weer te Snoek. Doch eindelijk sprak hy: «wel Janl dat is goed; »Maar zie, in mijn huis is thands overvloed:
Sic transif.
»Kn 'k behoef my niet langer to kwellen om brood: ⢠Want do kinders zijn weg on jo moedor is dood.quot;
SIC TRANSIT.
Want zonder eer kan ik wel leven,
Maar 7.on«lor kop loeft held Achillea niet.
Het Bidders-oyrotvr Treurspel.
(DE GENERAAL SPREEKT.)
Waarde scliuttersl voetvolk I ruitery ! veelgeachte armee I Dit is hier eigenlijk een veldtocht te land, en geenszins ter zeo.
VVy zijn hier als Maurits voor Nieuwpoort of als de Ruiter voor London. Toon hy zijn weg, zonder Engelsch compas, naar Chattam had gevonden En verscheidene schepen in de Medway door hem werden verbrand, Waaraan do Albionezen nog altijd hebben het land.
Gy moet u daarom over 't zwemmen geenszins bekommeren.
Noch met een kurken toestel voor 't vluchten u boslommercn;
Zoo er geen kana meer over is voor de Republiek,
Schuurt dan, op mijn voorbeeld, maar onmiddeljjk uw piek.
Want laatje vooral niet wijs maken, dat je iets zoudt hebben aan lauwerbladen:
Die mogen tot ornament van een schotel dienen, â maar, zoomin als met
pietercelie of saladen. Kan men er zijn eigen of zijn hongerige stamhouders meê verzaden. En al gebruik je ze met een kanonskogel, zo doen je geen goed in je maag; Daar is b. v. de Slag van Waterloo, en die van Praag,
Zijn natuurgenoot: wel ik zou, om al de lauwerbladen van do waereld, niet
graag
By ongeluk of met opzet in een van beiden hebben willen sneuvelen. Want dan zou ik er natuurlijk thands niet over kunnen keuvelen: Ik word liever in een bataiile by 't nageslacht
43
Sic transit.
Door oen nnhiurlijken dood om 't loven gobraelit,
Dan wol mot mijn voorzaten te sneven Als men nog jong genoeg ia om zijn gouden bruiloft to beloven.
Naardien ik onderstel, dat gy allen met my Op dit punt van 't zelfde gevoelen zijt, zoo ben ik nu zoo vrij.
Om « in dit critique moment mijn directie te geven,
IIoo gy 't stellen moot, om, na verslagen te zijn, hot nog to overleven.
]k onderstel b. v. drie van jelui, of zos,
Zijn sterk door den vyand bezet: wel, dan buurjo terstond een kalos En oer zijn paarden do uwe met list om kunnen koopon,
Kan je immors gemakkelijk in je rijtuig je vyand ontloopen ?
Of, ik wil eens stellen, je staat to schilderen en houdt do wacht, En daar komt een vyandolijke scherpschutter aan, met oen bril (want hot is
nacht);
Je denkt dus: «ik moot uit don weg gaan of ik word omgebracht Hooi goed ; dan hebje maar subiet, en zonder te dralen.
Hot noodigo schrijfgereedschap voor den dag te halen En jo schrijft oen briofjon van dozen inhoud in je schilderhok; «Mijnheer do kaptein I noem niet kwalijk zoo ik van nacht vertrok; »'t Is om dat ik met den tolegraaph do bedroevende tijding heb vernomen, ⢠Dat mijn pootoom de kinkhoest hooft en ik onmiddehjk t' huis moet komen. »Ik hoop, dat de temporele absentie van een getrouw trawant lOoen detriment zal doen aan ons wiegjen (ik moon, hot vaderland); â¢Doch zoo de vyand mijn schildcrhuis soms in mjjn absentie zou willen
slechten,
«Heb ik er mijn geweer in achter gelaten om Zijn Kd. to bevechten. »Tk verblijf, waarde kaptein van de kavallerie,
«Uw bestendige dienaar en ami,
»Aliazueru8, korporaal by de genie.quot; â
Doch nu wil ik eens veronderstellen,
Dat nen bataillon équarré en échelon u komt kwellen.
En dat ik, om zoo te spreken, tot u zog:
Pits de charge! val aan, tot den vyand in 't voetpad leg:
Wol dan roopjo maar dood eenvoudig onder 't chargccron; »Voo1 bominde vyand en andere militaire boeren I
44
c
Sic transit.
T» W y moestun overeenkomen, beiden maar liever om te keeren «Met is wel eens zoo gemakkelijk voorwaarts te gaan,» W y moestun overeenkomen, beiden maar liever om te keeren «Met is wel eens zoo gemakkelijk voorwaarts te gaan,
- «Ais wy beiden eerst rugwaarts in de plaats van neuswaarts staan.quot; ^-'Wat rnjj betreft, de vyand en ik wy hebben al dikwijls mekaêr bevocliter
En militaire laurierdrop in malkandcrs hairen gevlochten ; ^ â Ofschoon, om de waarheid te zeggen, de reden dat ik nog loef
Hierin alleen bestaat, dat ik nooit, als Leonidas of Gustaaf Adolf,opliet
slagveld bleef.
Hou ouwer ik word, hoe meer ik er van hou, den vrede te bewaren. En daarom keer ik, wat my betreft, naar mijn huisgoden en dito-altaren, f En zoo er dan nog andoren blijven, die op 't vechten zijn verzot,
Ik wil niemand in zijn plezier stooren en gun hun dus gaarne dat genot; Maar 'k laat aan een ander het commando, net als Nappie in Egypte, Terwijl hij zelf naar huis voer en in een notedop van een schip te Toulon arriveerde. Zoo luisterrijk oen exempel volg ook ik ;
Ofschoon ik geen plan heb naar Toulon te gaan op dit oogenblik. Ik wensch u allen dus by dozen vaarwel.
gt; Het leven is maar koit en een kogel byzonder snel.
â - Waagt u alzoo, mijn kinderen I niet te veel aan 't oorlogsspel,
Vader en moeder met uw spruiten! weeuwenaar en vrijgezel!
Doch do trekschuit zal juist van wal steken : ik hoor reeds de bel. Nogmaals gegroet! past op je tellen. Adieu!
y Five la guerre; maïs In paix vaut mie.ux.
45
DRAMATISCHE POÃZ T.
DE K O F F IJ - V E I L I N G.
(Treurspel in vijf bedrijven, waarvan het eerste het vermakelijk nastuk behelst.)
PROLOOG,
Te recileeren door een acteur met één oog.
Hetgeen mijn oogen hier aanschouwen,
Wel Edele Ileeren en Dames en Mevrouwen,
Noemt men gewoonlijk een publiek.
Al do sujetten zijn redelijk wel om u to dienen, daar is niemand ziek; Doch de eerste acteur is ongelukkig uit de stad;
Daar waren UEd. waarschijnlijk niet op gevat.
Wy hopen echter van avond zoo overheerlijk te spelen,
Dat gy, naar verkiezing, u zult kunnen vermaken of wel vervelen,
Naar uw goeddunken, o Edele burgery.
Want wy laten in dit opzicht alle menschen volkomen vrjj:
Terwijl de hoofdrol, op algemeen verzoek.
Vervuld zal worden door een stomme-knecht in een zomerbrook. En tusschen de bedrijven zullen de figuranten Gemakshalve verschijnen als muzijkanten.
Het gordijn wordt nu terstond opgehaald.
Het stuk ia oorspronkelijk en daarom geenszins vertaald.
Waarin ons 't huislijk leven, wanneer men uit is, wordt afgemaald. Het is, volgens den auteur, in vier bedrijven,
De koffij-veiling.
Wanrvan de tncerderlieid uit drio bestaat, volgens den tegenwoordigen
rcgol van vjjven,
Wie cel]ter vroeger naar huis wil, behoeft volstrekt niet te blijven.
Men stelt zich echter te leur.
Wanneer men denkt dut men, door vroeger te vertrekken, zijn geld terug
krijgt aan de deur.
EERSTE BEDRUP.
(liet tooiiccl vcrheeJdt het Icleedvertreh van nievroutc DadeJpracht niet versmidden ameuhlementen. Aan de rechterzijde ziet men tusschen tvee arnistoelen het klooster in Gyshrccht van A mat el, hetioeïk men hy vergissing na de laatste represejitatie heeft vergeten weg te schuiven. In 't verschiet is een open raam, dut ons een landschap vertoont, voornamelijk hestaaade uit een hoorn en een populier, mitsgaders verscheidene gaten in de wolken.)
EERSTE TOONEEL.
de niiER DAUELPRA.C11T, alleen.
Ik ben hier eigenlijk in do toiletkamer van mijn gemalin,
Die moeder zou kunnen wezen van een zeer talrijk gezin,
Zoo wy slechts op eenige kinderen ons konden beroemen,
Die haar dau natuurlijk mama en my wellicht vader zouden noemen. Doch daar wy volstrekt zonder kinderen zijn, zijn onze kinderen ook
natuurlijk zonder oude lui, En geven dus van het papa en mama zeggen tot nog toe den brui.
Maar mot al dat philosophceren in de metaphysica Dien ik wel op mijn tjjd te passen, want mijn horologie gaat wat na, (ter zijde.)
Vindt het publiek niet, dat het hier zeer naar pomade ruikt en valsche
krullen.
Die thands helaas! het hoofd van menige getrouwde vrouw vervullen,
Doch de beurs ledigen van haar Ed. echtgenoot,
lgt;ie toch eigenlijk degeen is die werkt voor zijn brood?
Overigens is echter mijn leven zeer plezierig.
Pit is eigenlijk mijn buitentjen; 't is netjens en toch piet zwierig.
47
De küffij-veilitig.
Wy iiobben hier een fraaieu tuin, benevens paarden en een koetsier op Van welke katsten ik echter maar niet spreken zal; stal,
Want ik rij gewoonlijk 's morgens met de trekschuit naar 't kautoor Kn breng daar mijn dug in speculaties in de coloniulen door Met mijn compagnon en mijn ouden kantoorbediende,
Die Charles heet, net als Karei de Tiende,
En nog geen bril draagt; want, ofschoon stekeblind, is hy niet byzionde; Vervolgens, mot het schuitjen van half vijf,
üa of keer ik terug naar mijn buitenverblijf;
Doch hot wordt nu waarlijk tijd om naar de stad te gaan:
My dunkt, ik hoor de pendule al twintig minuten over negenen slaan; Doch hoe dit ook zij:
De bel is hier dicht by.
En ik heb mijn knecht bovendien noodig,
{Hij schelt. De knecht komt.)
KNKCHT,
ilot schellen mijnheer, was eigenlijk overbodig.
Ik sta altijd voor de deur, klaar en gereed üm u te dienen, gelijk mijnheer wel weet.
DADEU'RACHT, ter zijde,
üf om te luisteren.'
(luid). Loop eens uit al uw macht naar hot jagerspad, En praai de schuit van negenen ; want daar wou ik wol mee naar de stad, Je kunt niet missen, als je de schuit voorby ziet varen;
Want de schipper is ongehuwd sedert verscheiden jaren.
En, ala hy nergens anders is, staat hy gewoonlijk voor de roef.
KNKCHT.
ik geloof niet, dat ik nu verdere inlichting behoef.
(«A)
DADELl'RACUT.
Deze mijn knecht is een van de slimste klanten.
My bekend onder de domestique lijftrawanten ;
Ik liet hera uit Parijs komen omdat hy Fraosch verstaat.
Waar men thands in menige familie ten platten lande een bluf meê slaat.
48
De ku/fij-veiUng.
Zijn boodschappen doet hy doeltreffend en spoedig,
En Toor de kinderen (die ik tusschen twee hauUjens nog niet heb) ishy Enfin hy is een koatelijne knecht: zeer goedig:
£n dat is tegenwoordig al heel Teel gezegd.
KNECHT, komt terug.
Mijnheer! de suhuit en den schipper zijn compliment:
En sints de spoorwegen is zoo iets als een trekschuit niet meer bekend ; De jager en zijn paard hebben zich gisteren verhangen,
Kn de schipper staat snoek te visschen, die hij wel nooit ml vangen. Om kort te gaan, mijiiheer, met do schuit,
Kunnen wy gerust zoggen ; c'est fini, of: 't is uit.
OADEU'HACMT, peillZettd.
t 1b waar, in mijn alleenspruak, anders genaamd conversatie,
Dacht ik waarlijk niet aan deze moderne innovatie,
lin had ik vergeten, dat men niet, gelijk te voren,
Zich tegenwoordig kan op reis begeven zonder sporen.
En dat het breken vau de lijn of de val van een paard
Op een ijzeren wagen noch oponthoud, noch confusie baart.
Ik dacht aan mijn geluk met mijn gemalin, anders genaamd mevrouw.
Aan mijn wederzijdsche genegenheid en haar rcci pi'otjue h uwehj k stro uw.
En hoe ik, om zoo te spreken, nog eens vader zal zijn in 't verschiet.
Wanneer een zuigeling ons zijn kinderlijke caressen biedt;
Doch aan 't verdwijnen der trekschuiten dacht ik, helaas! niet.
Welaan, Jan! spoed u dan maar naar den koetsier.
Breng hem terstond met de noodige équipage hier;
En dat hy zich met langen zweep en dikken kraagjas versier.
En verder met mijn fourgon en twee makke paarden.
KNECHT.
l erstond, mijnheer. â En hier is een brief voor mijnheer, van Naarden,
Waar de telegrafische postkoerior van Amsterdam,
Juist op t moment in de afgeschafte trekschuit mee kwam.
DAUCLPRACliT.
Wat een Amsterdamsch koopman altijd onderscheidt eiSDICUTEN v. B. SCHOOI,KEKSTtB. i
49
De kof (ij-veiling.
Ib zijn ontzachelijke punctualiteit.
In plaata van zijn tijd te verkwisten of te vcrloopen,
Breekt hy zijn belangrijkste brieven onmiddelijk open;
Ofschoon hy niet altijd te voren weet voor gewis,
Welke van zijn brieven juist de belangrijkste is.
Daarom is ook Amsterdam altijd het puik der koopsteden geweest, Gelijk men in de vaderlandsche historie van vreemde volken leest.
En zijn hun onze Amstel en ons Y Gabeel geen onbekende plaatsen, geloof dit vrij.
Doch laat ons, na deze nationale uitboezeming, eens lezen,
Wat wel de inhoud dezer missive zou wezen. â
â Welnu 1 inderdaad een koffij-veiling 1 op mjjn woord.
Ik moot terstond naar gezegde veiling toe, enfin ik moet voort;
Terwijl ik, wanneer deze veiling is afgeloopen,
De aangekochte koffij natuurlijk voordeelig denk te verkoopen. Ik schrijf een woord aan mjjn compagnon en neem afscheid van mevrouw
Dadelpracht,
Die my, als van zelf spreekt, van avond te vergeefs t'huis verwacht, Terwijl ons huwelijksbed, omkranst met mirten en populieren,
Van nacht in eenzaamheid bruiloft zal moeten vieren.
Hola Janl
KNECHT.
Mijnheer, het rijtuig is met koetsier en paarden voor de deur.
DADELPRACHT.
Gy zijt zeer gezwind, naar ik met genoegen bespeur.
Doch ik zou wel eens even den koetsier willen spreken.
En vervolgens van Mevrouw afscheid nemen; ofschoon zulks my 't hart
zal breken.
Roep daarom Andries hier zonder tijdverlies,
En pak vervolgens mijn chemin de fer, ook wel gcheeten valies.
KNECHT.
tfeel good mjjnheer.
[JltJ roept den koetsier.')
r.o
De koffij-veïling.
DADELPRACHT,
Wel, Andries, is alles klaar ?
KOETSIER.
Meer dan vaardig, mijnheer! en 't is het mooiste spulletjen met mekaêr, Dat een blindeman zou kunnen zien tusschen Amsterdam en Alkmaar, De paardjens, mijnheer, zijn zoo levendig als Engelsoho hansworsten. En zouden terstond met UEd. op hol gaan, hoo zy namelijk dorsten. Doch dat is eigenlijk minder; want Andries zit niet voor niet op den bok, En ZEd. daar zijnde, bennen ze zoo mak als opgezette leeuwen in een
duivenhok.
Enfin, oer mijnheer zijn neus maar eventjes kan snuiten,
Is hy reeds vertrokken on te Naarden geweest en zit hier weor buiten Zoo heeft hy toch waarlijk dubbel plezier Van zijn twee paarden en zijn knappen koetsier.
DADELPRACHT,
Ik ben altijd over uw diensten tevreden geweest; doch hebt gy wel ge
rokend op een lange voyage '
KOETSIER.
Ik hab, net als de Eranschen, moed voor alles, mjjnheer, of, zoo als we
't onder ons noemen, courage.
DADELPRACHT.
Is het rjjtuig, enfin is alles in orde?
KOETSIER.
Mijnheer, alles is pront.
DADELPRACHT.
Dat mag ik hooren: zoo vertrekken wy maar terstond.
Maar a vropos, over 't uithalen?
KOETSIER.
Mijnheer, de natuurlijke historie Van 't uithalen weten de dieren zoo goed als ik, en dat by memorie;
51
J)p knffii-veiling.
Want zy kunnen lezon nocb schrijven en Tragen dua noon naar een
boek,
Waar ik, als koetsier, do noodigo informatie in zoek;
Dooh zy bezitten iets zeer remarquabels, genaamd instinct,
Hetwelk in die redelooze dieren meer dan de rede in UEd. en andere
inenschen blinkt.
Kn zoo zeg ik. by voorbeeld, tot nw paarden, ik meen met mijn toornen : rechts of links af: En zy doen terstond het tegenovergestelde van 't geen ik niet hebben
wil, en dat op een draf
mUEI.PRACHT.
Genoeg 1 bul uw hoofd thans in castoor, anders genaamd bever.
KOETSIER.
Om je de waarheid te zeggen, mjinheer, bad ik liever een glaasjen
jenever,
Tegen de morgonluoht; doch altijd mot UEd. verlof.
DA DEI.PR ACHT.
Heel goed ! schuur thans UEd. piek. of volgends de Engelsche dictionnaire :
hfi nfT. (KOETSIFR off )
DADF.T.PRACHT, alleen.
Mijn hart voel ik thans, gelijk een bloem in den dauw. door verscheiden
emoties begoten,
Nu het afscheid genaakt van do vrouw, door my gehuwd te Voorschoten, Terwijl zy den volgenden morgen, reeds aan den Lcydschen dura My tracteerde aan 't ontbijt op mijn eersten getrouwden boterham. Hoe zal ik mijn gevoel, anders genoemd sentimenten, behendig genoeg
kunnen bedekken.
Om geen tranen op haar kinderloos gelaat of iets dergeljjlcB to verwekken 7
F.nfi». de man is heer van de schepping, wat de Franscben noemen sinjeur; Spelen wy derhalve thands de rol van een man en geenszins van een acteur. Doeb zy nadert.
52
TV koffij-veiling.
knecht.
M ij nil por! mevrouw wonsolit U to spreken.
dadel pracht.
Lnat ons dan zonder complimenten het ijs des afso.lieidg breken.
knecht, slt;i7 tegen mevrouw.
Mevrouw I zeg vooral niet dat ik u dien brief gaf.
mevrouw, ter zijde.
Reken op do bescheidenlieid eener vrouw, Dio u gewis zal beloonen voor uw vaardigheid en uw trouw.
De brief is veilig, wees daar zeker van, in mijn handen.
dadel. pracht.
o Pronk- en puikjuweel der vereenigde Nederlanden,
Mot uw corresponderende armen en handen,
Moe zjjt gy nog zoo laat en negligé I
Doel my het geheimzinnige van dit raadsel meê.
MEVROtlW.
Helaas I
dadei.pracht.
Helaas? wat betoekenon zulke interjecties,
Rn van uwe fraaie stem zulke melancolieke relloxies?
Hen ik niet dezelfde steeds, die eerst naar u vrijen en vervolgens u trouwen kwam
Dezelfde hier, gelijk vroeger te Voorschoten en vervolgens aan don Ijeyd-Wat deert n toch, mijn beminde schat, en mijn dnifjen? schen dam 7
mevrouw.
Helaas! een vrouw zonder haar huwlijksman is gelijk een volant zonder De brief van Naarden kwam dezen morgen eerst aan; kuifjen 1
Doch de slapeloosste nacht heeft hy my reeds doen ondergaan, Benevens onderscheidene cauohemaren en droomen.
Die als molensteenen op het hart van uw gade zijn gekomen.
â¢Waarom,quot; riep ik in mijn echtelijk verdriet.
â¢Ruk ik thands mijn hairen niet uit, of verdnstrueer ik mijn nagels niet
De koffij-veiling.
.Of word ik, gelijk Camilla, niet dood gesfoken
«Door een broêr, met wien zy zoo even nog familiair had gesproken?
«Waarom steek ik mijn getrouwde hand niet in 't vuur als Mucius Scevola.
«Of mijn zwaard in mijn eigen als Cato van Utica ?
«Waarom
DADELPRACI1T.
Lieve Euphemia, gy zijt buiten u zelvon.
Dus de Romeinsche geschiedenis a propos van een reisjon naar Naarden Doch op wat wijze, verklaar my dit, overdierbaar licfl op te dolven. Bekwaamt gy kennis aan dien onzaligen particulieren brief?
MEVROUW.
Helaas 1 ik hoorde zonder te luisteren, terwijl zoo veel anderen luisteren
zonder te hooren.
Ik stond by geval aehtcr ginds beschot of liever klooster, en zoo trof
die treurmaar mijn ooren.
Rn zag ik ten duidelijksten mijn onzalig en verlaten lot
Van achter dat klooster, of liever dat kloosterachtig beschot.
Thans ga ik in de voorkamer een tapijtwerk borduren En wederom ontrafelen in de nachtelijke uren.
Gelijk eertijds Ulysses of liever Penelopé,
Ofschoon man .en gade eigenlijk één zijn en diensvolgens geen twee.
Enfin, ik zal miserabel zijn, dierbare schat!
Tot dat UEd. terugkeert, zonder, als ik hoop, koü te hebben gevat.
DADELPRACHT.
Zooveel blijken van huwlijksliefde in de daad.
Stellen zelfs een Amsterdamsch koopman geheel buiten staat Het afscheid van zijn gemalin verder te rekken.
Ik moet terstond van hier, of, met andere woorden, vertrekken. Vaarwel.... nog eens.... vaarwel 1 adieu, Euphemia!....
MEVROUW.
Helaas! mjjn leed
Is onbeschrijfbaar.... vaarwel 1
DADEI.PRACIIT.
Nogmaals adieu! â Andries, is alles gereed ?
54
Di; koffij-veiling.
koetsier, van builen.
Mjjnhoor, do paardtjons loopon reeds, oni zoo te zeggen,
Als twee London, dio in do vorto een been zion loggen.
Doch. als paarden betaamt van opvoeding en fatsoen.
Durven zy het natuurlijk zonder Mijnheer niet doon,
En staan ze dus hier te wachten uls geduldige lanimoron.
Tot UEd en Mevrouw eindelijk gedaan hebt mot jammeren.
dadelprac11t.
Vaarwel voor 't laatst, Euphemial
mevrouw.
Helaas I zy hoort u niot; zy is sprakeloos.
dadelprac11t.
Vaarwel I
Ik retourneer ten spoedigste, anders genaamd snel.
TWEEDE TOONEEL.
(Het tooneel verbeeldt een fourEon.)
koetsier.
Mijnheer 1 hier ziet UEd. voortreffelijken haver;
Eu een halfuur verdol' zouden uw paarden zich kunnen vergasten aan klaver
dadelpracht.
Andries! spreek my nu niet van paarden of klaverzaad.
Als ik aan Mevrouw denk, heb ik het waarachtig te kwaad.
Leg my dus de zweep nogmaals op de paarden,
Eu breng my ten spoedigste terug van de veiling te Kaarden.
Inmiddels zoek ik mijn troost in een zoeten slaap En steek gy uw pijp op, getrouwe en waakzauie knaap 1
koetsier.
Dankje, Mijnheer. Ik heb hier een pijpjen tabak,
Zoo goed als de Koning zijn hand ooit in Z M. mond stak.
En zoo je nu niet met de équipage te Naarden bont.
Eer je nog droomt dat je in slaap valt, zeg dan maar dat Andries zijn
paarden niet ken!.
55
De koffij-veiling.
TWEEDE BEDRUP.
EERSTE TOONEEL.
(£en Kamer.)
kamenier, alleen.
Mevrouw schijnt don gaudscheu morgen aan haar toilet te besteeden Kn valt zich zelve gestadig met alleenspraken in de reden,
Terwijl ik by my zeiven overpeins wat de reden toch wezen mag.
Dat ik mjjnheer Dadelpracht zoo plotselings verdwijnen zag Met Andries, den beminde van uw onderdanige dienares, en de twee
Isabellen,
Die net zoo heeten als ik alleen, en mekaêr altijd in 't meervoud verzuilen. Dit alles dient voor my nog te worden opgelost.
Zoowel als die brief, zoo geheimzinnig hier gebracht mot de post. Doch daar ik Mevrouw hoor schellen, moet ik terstond van hier, Want het publiek ziet altijd een kamenier.
Die oplettend haar plicht betracht, met veel plezier.
TWEEDE TUONEEL.
(Het kleêvertrek van Mevrouw Dadelpracht.)
mevkouw, tegen Kamenier.
Helaas 1 ik ben nu wel verplicht, mijn weduwelijke eenzaamheid
Door eenige variatie op te vrolijken, beste moid!
En my te verstrooien met gezelschap en andere gasten:
Ik zal u derhalve met de invitaties belasten.
Een bal is te fatigant; doch een theeparty Of oonversatione is iets, dat zeer gezocht is in de Maatschappy.
koetsier, komt binnen.
Ik kom thands mot voorzichtigheid u berichten. Mevrouw,
En zonder u ongerust te maken, dat gy u gerust kunt steken in de rouw, Aangezien er thands volstrekt geen nood is.
Dat de heer Dadelpracht altemet niet dood is.
Zoo men ten minste in 't water vallen, verdrinken en naderhand finaal Met den naam mag vereoren van overlijden. overrijden
59
De koffij-veiling.
mrvrouw.
Helaas! wat zegt gjl â Dus buiten verwachting te worden beroofd Vun een egft, zoo toeder bemind I
koetsier, stil tegen Kamenier.
Heb jy dat ooit geloofd ?
KAMENIER.
Neon, en zy ook niet; â doch is Dadeltjen waarlijk in quot;t water
overleden ?
koetsier, stil.
Mondtjen dicht, zeg ik â (luid.) Ach I ach I mevrouw.
Ik wenschte, dat het gisteren of morgen was. Het heden Is my als do bnllaat van een zinkend schip, hetwelk
In een zeeslag naar den kelder gaat. De kelk.
De bittere beker van mijn onheil doet my stikken onder het drinken!
koetsier, stil.
Niet als ze met mijnheer do Luitenant eens mocht klinken
kamenier, Stil.
Mondtjen dicht, zeg ik non.
mevrouw.
Trouwe paard- en fourgonmenner, is er hier geen bidder in de buurt 1 koetsier.
Neen. Mevrouw I maar wel iemand die vlugge speelwagentjes vorbunrt, Waarmeê ik naar 't naaste dorp voor een bidder kan rijden,
Eer UEd. tijd heeft om een pen te versnijden Om...*
mevrouw.
Om wat te ealiigra|iheeren.
koetsier.
En om 't overlijden
57
De koffij-veiling.
(Zy wou wol dat het waar was) van wijlen den heer Dadel pracht Te communiceeren aan UEd. en zijn familiair geslacht.
mevrouw.
Helaas! wat zal dat in geheel Nederland een consternatie wezen,
Als zy in de Haftrleramer courant die finale annonce lezen!
tien man, die zich in de huislijke mitsgaders menschenwaereld zoo vev-
dienstelijk heeft gemaakt I.... Ik ben zeker, dat nu de dood zijn zoo stevige leven heeft geslaakt. Men het gemeentebestuur niet zal kunnen beletten,
In zijn vervoering den overledene op te doen zetten.
By gelegenheid, dat de Schryver my, op Highgate z^nde, het Toorgaande fragment voorgelezen, en ik hem gevraagd had, waar al die dwaasheid nu op neêr zou komen, bekende hy my, zulks niet te weten, als hebbende die tooneelen maar rolgends den luim van 't oogenblik, en zonder bepaald plan, nedergeschreven. Ik betuigde mvjn leedwezen hier orer, en spoorde hem ernstig aan, te beproeven, of het hem niet mogelijk zijn zoü, een schets van een drama of ander dichtstuk op te stellen, waarin (al mocht voor 't overige het geheel zoo ongerjjmd en fantastisch mogeljjk zjjn) zich voor't minst eenige orde en regelmaat bevond, en die schets dan uit te werken. Hy beloofde my, te beproeven of hy aan ipyn verlangen kon voldoen, en werkelyk gaf ons gesprek geboorte aan den âkorten Inhoud'* van een nieuw drama, in hetwelk de tooneelen uit het voorafgaande fragment eenigzins gewijzigd hadden kunnen worden opgenomen, doch welk drama hy niet verder bracht dan tot op de helft van het Eerste Tooneel. Toen schijnt hem de lust ontzonken te zgn; misschien hinderde het hem, dat het hoofddenkbeeld van het drama niet nieuw was; misschien ook zag hy geen kans, om, gedurende vijf bedryven, in denzelfden trant voort te schrijven, zonder zyn dichtluim te verliezen en zijn lezers te vermoeien. Het kan zijn, dat hy geljjk had in het niet toegeven aan wat misschien een onbillyke eisch van mijne zijde was. In elk geval wil ik het fragment van deze tweede proeve ter verheeriyking van *t huislijk geluk van den heer Dadel-pracht niet aan den lezer onthouden. â Zy overtreft, in mjjne schatting de eerste nog in uitgelezen dwaasheid.
v. L*
58
Altijd in contramine.
ALTIJD IN DE CONTRAMINE.
KORTE INHOUD.
Eerste bedrijf. â liet landhuis van deu lieer Dadelpracht. Conversatie tusschen hem, zyn knecht, koetsier en huisvrouw.
De kamenier zoekt Mevrouw te wikkelen in een minnehandel met zekeren Luitenant der kurassiers.
Het tooneel verandert in den fourgon van den Heer Dadelpracht. Gezegde verliefde makelaar hedenkt onder *1 rijden, dat gezegde Luitenant in zyn absentie zyn vrouw wel zou kunnen van 't spoor leiden en zendt daarom zijn koetsier terug om zyn vrouw te verbieden, gezegden Luitenant hij zich te ontfangen. De koetsier keert naar huis met het achterste gedeelte van het rytuig, terwjjl Mijnheer met het voorste gedeelte voortrijdt 1
Tweede bedrijf. â De koetsier komt t'huis; doch is wijzer dan zyn heer, en begry-pende, dat de vrouwen, van Eva af, altijd in de contramine zijn, verbiedt hy uit naam van Mynheer aan Mevrouw, op Mijnheer8 rijpaard in de geut te rydon.
Mevrouw, alleen gebleven, verwondert zich over het zonderlinge verbod van Mijnheer. Zy beklaagt er zich over tegen haar kamenier, en, haar trek tot het verbodene niet kunnende bedwingen, laat zy het paard van stal halen. (Dewijl echter de eerste acteur, die de rol van 't paard vervullen moest, ziek of weg is, wordt, in plaats van een paard, een groote Newfoundlander gehaald, waarop Mevrouw in de geut gaat ryden).
Derde bedrijf, â De zuigeling van Mevrouw, een veelbelovende knaap van drif maanden, houdt een roerende alleenspraak om het gemis van Mama, en den honger, dien hy heeft.
De kamenier en de knecht troosten het kind met een Deventerkoek.
De Luitenant komt, is verwonderd Mevrouw niet te vinden en gaat haar opzoeken in de geut.
Vierde bedrijf. â De Luitenant ontmoet Mevrouw in de geut en doet haar eenlief-desdeclaratie. Mevrouw, welke het ryden zeer veramuzeert, gelast hem, uit den weg le gaan. Hieraan niet gaauw genoeg voldoende, wordt hy overreden en byt hem de Newfoundlander een stuk van zyn neus af.
De hond begint de katten na te jagen, en eindigt met Mevrouw van boven neêr te gooien, gelukkig in een doornenhaag, waardoor de val gebroken wordt.
Vyfde bedrijf. â Mynheer komt t'huis, vindt den Luitenant zonder neus en Me-
Altijd in contramine.
*rouw Teel hèbbeude van een siekelrarken, deü zuigeling ziek van *1 kot-k eten en alles in rep en roer. Zich informeerende, Terneemt hy van don koetsier de toedracht der zaak en wenscht zich zeiven geluk, dat hevel niet stiptclijk is uitgevoerd.
EERSTE BEDRIJF.
KEliSTE TÃONEEL.
DB heer van dadelI'Uacut, een geretireerd Makelaar; süphib.
VAN DAUELPHACUI,
à gezellige alaapkameraad van mijn jeugdig buitenleven,
(Want dit is het tweede jaar, dat wy uit de stad zijn gebleven)
Overmorgen wordt het net een dag of drie Dat ik vandaag u aan mijn hart druk, veelbeminde Sophiel Prachtig pronkjuweel van de gehuwde schepping I i)e schoonste klaprozen zjjn gedoemd ter verlepping;
Doch gy zijt een Phoenix, Mevrouw,
(Die ik voor al de klaprozen niet geven zou.)
Altijd even jeugdig en bevallig en voor uw leeftijd nog zoo gaauw. Met oogen, die ala de gepolijste spiegels by de Romeinen,
Of de glimmende knoopen van eeu liefhebberyknecht, in 't donker
schijnen.
Ja, Cleopatra had Julius Caesar (van wege I'amour) in hare macht, Doch ü£d. heeft by voortduring tot slaaf en echtvriend den Heer Julius Achl zoo ik nog iets in 't leven mocht begeeren, Dadelprucht.
't Ware, u nogmaals voor de eerste reis te kunnen verépousecren. Als ik u zie, zoo denk ik dat mijn huis op een bloempot gelijkt.
Waar een prachtige roos van buiteugemeene schoonheid in prijkt, En, zoo ik de teugels van mjjn verbeelding liet schieten,
Dan ware de tuinman reeds hier om u te begieten.
Wat geef ik met zoo'n lot uit de loterij om 's levens nietuu I Zoon schat voor iemand, als ik ben, min of meer oud,
60
Altijd in contramine.
â En wions chcvelur*. nis men die op de keper beschouwt,
Maiintii» Teel ioeft gekregen vun pepor en zout,
Is, vooral omdat (k dauiby nog rijk ben, geen wisaewasuie. 't la Culitornia, gemultipliceerd mot huwlijksliofde en kuiacbe passie.
En daarom, o levenszorgen, ver van hier I Ik neem, als een Arabische Phoenix, die van zijn routen looft, mijn plozior, En onbekommerd met un parfait amour Verbljjf ik uw echtvriend en getrouwe koekeloer.
U, veradoreerde Sophie l
SOPHIE.
üadelpracht schol er uit. Van uw liefeljjk mingekweel is 't betoverend geluid My precies gelijk het amoereux lente-tierelierun Der nachtegalen en andere muzykale dieren,
Die ik van tijd tot tijd in den Heer van Aken zijn menagerie,
Of wel in 't opgezet Muséum te Leiden zie.
Doch bescheidenheid, mijn Heor I is het hoofdsieraad onzer sexe En mijn wangen worden zoo rood als bloed.
DADKLPUACUT.
Ach Sophie! bedek ze Met geen zakdoek: kerkelijk ingezegend vermiljoen!
Permitteer mjjn echtgloed ze te verzegelen met een kus, anders genaamd: zoen.
SOl'lilE,
bchoi uit, minzieke makelaar, verliefde Amsterdamscbe Cupido.... Doch t is tjjd voor mijn zangles. {Zij zinyt.) Do, re, mi, fa, sol, la, si, do.
DADELPRAC11T.
Hou me vast: o hemel! dit brengt my geheel van mjjn koers.
t Is net als de psalmwijzen van den ouden Heer Tours.
Uit hemelsch maatgezang, dit melodieus fol de rol de roldie Ib sprekend de gewezen Componist, de Heer Mendelsohn Bartholdi,
61
Altijd in contramine.
Sophie 1 zoo ik aan uw japon hot tegendeel niet zag,
Ik hield u voor Brachthuizen of wijlen Sebastiaan Bach.
Zoo'n Italiaansche Saffraan in een eerste-chanteuse â anders gezegd
pruimedante â gorgel,
is een schooner sieraad in een getrouwd meisjen dan 't Haarlemmer De fraaiste orkanen te Milaan in het Schalen-tooneel orgel.
Zijn hietby een stomgeboren stadsomroeper met een zeere keeL
62
Dl DAK TI SC IIE POÃZY.
KOUT BEGRIP DEK UOMELVSCHE HISTORIE.
Neque haec non evenernnt.
De Romeinsche Historie Is een buitenkansje voor iemand zonder memorie, Die vaak reeds vergoot,
Eer Ly 't nog half weet,
Hoe Romulus eigentlijk heet.
Dit laakbaar treurspel Eisclit wijders een taai zenuwgestel üf men voelt zich by de eerste bel Reeds niet al te wel,
En, als 't scherm opgaat, totaal van zijn stol.
Het tooneel verbeeldt nament'ijk een duel, â
üf, zoo gy wilt, het misdadig sneuvelen,
Op zeven heuvelen,
In een broedermoord.
Van één hunner, die natuurlijk smoort â
En dat wel aan de stadspoort â
Tusschen een paar tweelingen Die het levenslicht te geljjk ontfingen En eertijds gearmd naar dezelfde borst gingen. En, schoon zy van honger dikwerf scheel keken,
Echter frappant op malkaêr geleken.
De één vooral â sints, helaas! bezweken â
Die hier met zjjn broeder den draak komt steken, En. in gedachte, haasjenover spoelt mot don stads wal,
Kort begrip der Ttomeinsche historie.
»'t Geen UEd.,quot; herneemt Romulus, »in allo geval
«Siamees I â of zijt gy mal,
«En is nw respect voor my, als stads-burgemeester, niemendal? â «Geen tweemalen hervatten zal.
»Sta dus maar evon pal;
»Zoo wy nu al «liet jachtroer in den grond verstonden,
nlludt gy er al «hagelsquot; gaauw uw l|jk in gevonden,
«Maar, by gebrek aan brood,
»Ik wil zeggen lood,
«Maak ik u, by deze, op mijn manier maar dood.quot;
liet eenig antwoord, dat Remus nu overschoot.
Was, volgens Niebuhr, «sakkerloot,
«Hoe afgedraaid snood!
«Nu ben ik, net als Semiramis en Poot,
«Insgcljjks van mijn leven ontbloot,
«In 's aardrijks scho.... oot....
«Maar een ezel sto .. co .. o oot....quot;
Ziedaar, zegt Niebuhr, wat in de geschiedenis Van dit merkwaardig antwoord voorhanden is.
En dit zijn nog maar de wittebroodsweken Van een geschiedverhaal, dat de menschheid doet verbleeken.
Of 't moeten menschen zijn in de maan.
Of onmenschen, die geen hart in hun kalfsborst hooren slaan. Dit droevig sterfgeval Is nog niemendal By 't geen aanstonds volgen zal,
Waar Brutus namentlijk do onthoofde krnllebollen Van zijn ontslapen stamhouders voor zijn vadervoeten ziet rollen. Daar hy aan hun kermen zich volstrekt niet stoort Kn zich Oostindicsch doof houdt, ofschoon hy heel goed hoort; Zoodanig heeft hy zijn gevoel van ouwen heer versmoord I O! bloedrood beul en vader I wy kunnen u wel missen In de Romeinsche en Algemeene geschiedenissen,
Kort begrip der Bnmp.inschc historie. Gij
Ja, Consul-Generaal, van ontaarde memorie,
Wat my althands betreft, zelfs in de Natuurlijke Historie.
Daar ontstaat een wapenstilstand in 't menschelijk blood, Als men onder 't lezen zulke gruwelen ontmoet:
Het vaderhair stijgt een vader te bergen,
Of een vader moet kaal zijn, dus do natuur te zien tergen!
Het ouderlijke hart krijgt kippetjensvel.
En vraagt: «Ben ik soma, by abuis, in 't wassenbeeldenspel?quot;
Dat komt er, helaas 1 van,
Als men denkt dat men buiten een koning kan.
Het snood assassinaat Van Caesar in den raad.
Dat dien onverlaat Van een twééden Brutus alles behalve mooi staat,
Maakt een gevoelig monsch óók kwaad,
Dat ondankbaar verraad I â
Doch de fikseho soldaat Nu dat zijn taptoe slaat,
En dat hy ziet dat hy 't hoekjen ongt; gaat,
Houdt zich byzonder cordaat.
Terzijde zegt hy, half in zijn hood:
«Caesar, jongelief, hou je goed,
»Julius, daar het toch zoo wezen moot,
«Vooral geen hazenblocd.quot;
Maar naauwlijks ziet hy Brutus, of hy uit â
Terwijl hy een traan inslikt en overluid
Voor de laatste maal zijn neus in zijn toga snuit _
Dat onvergetelijke: »Tu quoquê!quot;
Als of hy zeggen wou: »Doo jy ook mee?
»Wel foei, dat's al té!quot;
Hierop steekt hy, net als Snoek.
Zijn hoofd in zijn omslagdoek.
En geeft, naar men in Rollin leest,
Eingenthjk op die manier don geest.
Hy kan nu met Rollin zeggen: »lk ben er geweest.quot;
gedichten v. n. schooi.mkester. r
Kort begrip der llomcinsche historie.
Maar had Caesar, in plaats van te sneven,
Aan zijn gemalin gehoor gegeven,
Dan kon Caesar nog van zijn renten leven I
Op mijn woord! daar is In dio weergaesche geschiedenis Niets dat niet hartverscheurend is.
liohalve, evenwel, dat lieve moisjen,
'k Wil 't kwijt zijn of 't Laetantia was of Lijsjen,
Maar ik voel dat ik bloos,
üp den naam van die lenteroos,
Die een gespeend vader in prison aan de borst verkwikt,
Tot de bejaarde zuigeling hikt In 't gulzig zuigen, en zich verslikt.
Dit is een van de weinige oasissen, 1)
Die een historisch reiziger verfiisschen In deze historische wildernissen,
Kii, zoo by by geval van speenen iets weet.
Wou hy wel dat zy :t voor lastige zuigelingen nog dcod,
Vooral als er geen pap in huis is Hn de bakker om 'tlioekjen niet t'huis is.
Doch onder 't algemeen «moordquot; roepen en «brand.'
Van decs Jobsbode, met zjjn bebloede Staats-Courant
In zijn afgekapte hand,
Is er toch één passage potsierlijk amusant.
En daar ik my altijd om dood heb gelachen;
Ik meen, als Cornelia, de moedor van do Grachen,
Die famielje, weet ge, daar de Keezen zoo op prachen,
Hare vioze snotknaapjons, in hun morsige kleêren,
Dio op school nialkaer niet ala kattekwaad leeren.
En 't gezag van den ondermeester reeds mineeren.
OG
Aan een juffrouw uit Campania, die by geval komt dejeuneeren,
1) Zoo veel liiul du Sclioolmecater nog van 't Griekscli onlliouden, dat liy ten minste geen uasen sclireef, als onze liedendaagsclie poC'eteu doen. De man zou 'twoord ook niet verstaan hebben.
Kort begrip der Romeinschc historie.
Voor juweeltjens aan wil ameeren !....
Als men niet wist wat een keczcnfamioljo was,
Zou men 'tniet gelooven ofschoon men 'tlas Doch koezen zjjn honden, al willen zy 't niet weten,
En dua natuurlijk van 'thondtjen gebeten.
Aan den maagdenroof Was, naar ik geloof,
Weinig of niets te doen;
Daar moet oon juffrouw zjjn in iedere famieljo van fatsoen En 't huislijk leven onder de Romeinen Had, al gauw, zonder 't verschijnon Van eenige rrijaters en raaagdelijnen (Uit de fraaie aexo, gelijk van zelf apreekt), moeten kwijnen. Doch dit, zooala ik zei, is, naar ik geloof,
Het eenig excuua voor den zoogenaamden maagdenroof.
Want 't was andera atloa behalvo comme il faut,
Do buurt quasi op «twaalf blaadtjens en Lotto
»En naderhand een apulletjen Domino »Met een keteltjen Bisachop of een glaasjen Curasao,
»En, tot slot, misschien, Patertjen langa deu kant, of zoo, «Familiaarquot; to inviteeren En â terwijl do Heeren Zich in 't lottoapel amuaeoren.
Of, voor 'teerat, rooken probeeren Uit uw vreemde lange pijpon.
En 'tSabijnscho brein zich gek zitten to slijpen Om die uitheemaehe dubbele negens to bcgi jjpon.
En met hun rug aandachtig naar 't «Patertjenquot; toe staan â Dan de kat in don donker te knijpen,
En met de spinnende poeajea uit poeieren te gaan,
Dat stond u, qua Sabijn, toch ook niet aan?
'tWas althans heel hatelijk voor do bloedverwanten, Dat koekeloeren vooral van egaos en galanten.
Doch de kuikentjes, naar Stuart beweert.
Waren er nog al gaauw onder geresigneerd;
Natuurlijke hislorie voor de jeugd.
Wat is or, dat de jeugd, als ze wil, niet gaauw leort ? Na dato was er om dezelfde maagdelijnen, ïussohen de hanen van do Sabijnen
En de Romeinen,
Dio haast geen nagels meer hadden van spijt, Nog byna een bloedige strijd;
Maar hot werd nog te goeder tijd,
En mot veel tegenwoordigheid Van geest, door de kippetjens bygeleid. üo schoone soxe, zoo als Niebuhr zuit,
Raakt de klus zoo zelden kwijt.
Daar is in de Romoinsche Historie veel,
Waar ik met Niebuhr over 't geheel Volkomen ja op zog En dat ik dus, not als hy, ter zijde log;
Maar hy snoeit wel wat al te veel weg:
Zijn laatste editie behelst, naar ik meen.
Den band en den tytel alleen.
Zoo dit hot geval mot onzen Wagenaar was, Geloof ik, dat ik dat sprookjen nog eens las.
NATUURLIJKE HISTORIE VOOR DE JEUGD.
INLEIDING.
In mijn Natuurlijke Historie voor jonge lui,
Blaak ik met opzet goon gewach van de regenbul.
Om dat kinderen in Holland zelfs familiaarder zijn
Met den regen dan wol met den zonneschijn.
Ik heb my dus liever daartoe willen bepalen.
Om hun iets nieuws uit het beestenspel der natuur te verhalen.
Iets, waar een ander ('t is me 't zelfde of hy dood is dan leeft)
Zijn Natuurlijke Historie geen hand water bij heeft.
68
Natuurlijke historic voor de jeugd.
Doch dit ia juist liet luken,
Waar ik een rok van voor do Natuurljjke flistoiio wil maken.
l!y voorbeeld, aangaande een dier zjjn instinet!
Waarom een ezel, die dood is, niet drinkt,
üf waarom, als 't je blieft, een bond dadelijk stil BIjjft staan, zoo dra by niet langer loopen wil.
Waarom een baas, die in 't duin loopt, hot land beeft aan een jager, En een runderbaas daar-en-tegen, of een gebraden speenvarken, aan een Voorts wil ik de jeugd attent maken op een beest zijn overleg: slager W ant immers ging die mopshond te Kampen voor 't vuur uit den weg ?
Op zijn volharding by zijn beroep:
üf zat niet Van Rijn ') soms dagen lang op een stoep ?
üp de naarstigheid van zoo menig dier,
Cy voorbeeld, zoo iemand als een mier:
Op de beesten hun oigendoramelijken aart;
â Of waarom is een oud beest zoo bejaard ?
een dood beest in den regel zoo bedaard ?
En met meer dergelijke belangnjke zaken Zou ik wenschen hen bekend te maken,
Daarom geef ik nu dit boek In uwe band, en verzoek,
O jeugd en kinderen !
Dat niets u in 't leeren moge hinderen.
Ontbreekt voorts aan dozen of genen regel somwijlen een voet.
Anderen hebben er zoo veel te meer; dat 's door eikandoren goed.
DE LEEUW.
Een leeuw is eigentlijk iemand, Die bang is voor niemand.
Zjjno oogen en zijn neus
1) Eon boi'oumdo Nuw-Foundlandcr, voor ruim 25 jaren te Leyden zeer bekend.
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Zijn grootor dan die van een reus*
En zijn muil Is een ware moordkuil;
Mot zijn klaauw is een leeuw geweldig gaauw;
Met zijn staart Gooit hy oen schutter van zijn paard;
En mot zijn tanden Durft hy do heelo schuttery wel aanranden.
Enfin, hy is altijd het versoheurondsto beest
Onder de dieren geweest.
Onlangs heeft hy immers in Londen Nog een juffrouw verslonden;
Doch, nu ik my bezin,
Was hy het niet: het was de leeuwin.
_ Do leeuw wordt viervoetig geboren:
Twee van achteren en twee van voren ;
Of, volgends anderen, twee aan zijn rechterhand:
En do twee anderen aan dozen kant.
De leeuw zijn gemalin Is mevrouw de leeuwin.
En de jongelui, zoolang zy zich met de borst behelpen,
Noemt men gewoonlijk : welpen.
f Gouden leeuwen en leeuwen van hout,
Mitsgaders de Hollandsohe, worden heel oud;
Men ziet ze nog wol op uithangborden en schilden, doch zeldzaam
in 't woud.
â Komt ooit een ware leeuw reehtstroeks op u aan.
Dan is 't boste om maar regelrecht uit den weg te gaan;
Doch niet als hy opgezet of dood is;
Daar or in dat geval volstrekt geen nood is.
70
Natuurlijke historie voor de jeugd.
DE OLIFANT.
ȟnze wieg,quot; zegt een Oostindisch Olifant,
â¢â Staat gewoonlijk in ons geboorteland,
«Net als die van mijn Afrikaanschen bloedverwant,
»En we zijn beiden twee boeaten uit den doftigen middelstand;
«Want uan edele leeuwen, tijgers royal, en adelijken in dien trant, «Heeft men in onze famielje reeds van kindsbeen af het land.quot; â Als of een naturalist,
Die zijn vak kent, dit niet wist! â
»Waarschijnlijk,quot; vervolgt by, «omdat wy op de jacbt
«Wel eens door hen worden omgebracht,
«En ben dus niet van de voordeeligste zij leeren kennen.*'
Gelukkig, o jeugd! dat wy dat niet bennen!
Als een olifant een ijsbeer of gild-os ontmoet.
Vraagt by doorgaands aan Van Aken, «Wat is dat voor kleingoed?quot; Omdat by zelf zoo groot is; want op zijn voorzaten zag men, in vroeger
tijden,
Immers heele krijgsbenden in een kasteel naar 't leger rijden.
Doch niets, helaas, is bestendig op aard:
Diezelfde krijgslui rijden thans meer te voet of te paardI
Zoo men aan den schijn alleen het oor wou leenen.
Vroeg men licht; «Heeft menheer het water ook in de beenen?
«Want waar is eigentlijk 't onderscheid tusschen zijn kuiten en zijn
soheenen 1quot;
»Doch,quot; antwoordt do opzetter van 't kabinet te Weenen,
«lly scharrelt er met allebei toch nog al kras overheenen,
«En dat in een Oostindisch moeras,
«Weer of geen weer, door 't hemelhoogste gras:
tüf 't iemand van menheer Van der Hoop zijn harddravers was: »En toch betaalt by jaarlijks zeker «Voor zijn winterhielen zooveel niet als gy, aan den stadaapteker,quot;
Doch niet alleen is een olifant
71
Natuurlijke historie voor de jeugd.
De kolossaalste viervoet op 't vaste land,
(Zoo gy don basilosaunts 1) uitzondert, of sprakelooze wallevisch, â Ook oen buitenkansjon voor een baker, en de corpulentsto van alle
visch).
Hy ia bovendien begaafd mot een uitmuntend vorstand,
Kn voor zoo'n zwaar zoogdier, zoo buitengemeen by de hand.
Meer dan de slankste minister, diplomaat-aspirant.
Of politiek prestidigitateur calminant.
Onder zijn lioliter natuurgonooten in do staats-couraiit Want met zijn tubuleuze, suboooisclie proboscis â
Die, subrosa, een reus by de staart van een os is, â
(Behalve dat hy er de zwaarste zesponders meê licht van 't affuit,
Voor de grap een pomp er van maakt of een spuit,
En er in de menagerio de vetkaarsen meö snuit)
Blaast hy immers regulier onze kindersprookjens uit.
Speelt een sans prendre op de diatonische fluit,
Vangt zoo vlug een vlieg of een vijfjen, als een bodelaar oen duit; Zoekt, op 't kantoor, een ongelukkige zesthalf in een zak schellingen uit, En smeert er een ouwen heer, daar hy een puist aan heeft, ongemanierd
meê don huid;
Pakt hem by zijn gepoeierd schorseneeltje, of zijn glimmende knoopen. En heCent Heemskerkjen aan 't hart, dat zjjn oogen er van overloopon; Trekt or vervolgens een halfjen »groonlakv voor u of zijn eigen mco open, Kn komt deftig zjjn «zoute bollotjenquot; in uw glaasjon doopen.
met zijn pachydermateuse snuit Voert onze proboscideaansoho guit Allerlei antediluriaanscho snakerijtjens uit.
Als hy echter netelig wordt, zendt hy, helaas! zijn hoeder Er wel eens ad patres moo, of naar zijn moeder,
En stort hem dus op een ontijdige baar;
Want, zoodra hy 't land aan u krijgt, zijt gy in doodsgevaar.
Als gy dus, by geluk, eons onder zijne voeten mocht belanden,
Zeg dan maar «menheer, mijn leven is in uwe handen.quot;
1) Basilosaurus. Zie over de Cetacea in 't algemeen: âBrand's Megatherium,quot; âOwen*? Zeuglodonquot; en vergelijk ons populair volksspel: âJonas in de Wallevisch.**
Noot van den Schoolmeester
72
Natuurlijke historie voor de jui/jd.
Doch de zwartste bladzijde in een olifant
Is, dat hy strikken voor zijn natuurgoiiooten spant.
En, zonder een blos op zijn wangen,
Zich niet schaamt zijn naasten te helpen vangen.
Een museum voor de geologie, alias, kennis dor aard ââ
Zijn leeg hok in een gewezen dicrcngaard, â
Ut' wel 't afgebroken spel van professor van Aken,
Is nog altijd de beste manier om hem te genaken ;
Of men moet van een olifant zijn balsvriend willen maken,
Waardoor zoölogische Jonathans wel eens aan 't sneuvelen raken.
Gelukkig dat de Natuurlijke Historie aan ieder beest
Zijn specilieke zwaarte geeft en eigenaartige leest:
Of wat werd er van mensehen in hun ledekanten
Als vlooien 's nachts zoo zwaar en zoo groot waren als olifanten?
Voor zoo'n natuurmystcrie staat 't kloekste brein stok stil.
Net als een horlogie van bordpapier, dat niet langer loopen wil:
Als wy trouwens zulke Gordiaansche knoopgaatjens willen denoueeren
Dan zijn wy allen nog maar Alexandcrtjens in de lange kleóren!
Een olifant is dol op juttepeeren lin zit er een Bengaalsch fruitmeisjen wel eens om in de veêren.
Doch liet acme van zijn geluk Is, entre nous, een bejaard rhinoceros in den druk.
Liefst zonder hoorn op zjjn neus, en met een kruk:
Want op dit dier zijn rcmarques is hy zeer kitteloorig,
En een menagerie is zoo gehoorig!
Hoogmoed brengt echter do besten tot den val:
Hy waant zich al te vaak een afgod, in de Oost vooral.
Waar men hem over 't paard licht. Doch hier is men niet zoo mal. Aan zulke afgodendienaars doet Holland voorloopig niemendal.
Onze jeugd geeft aan olifanlolatrie dus geen gehoor:
Wy respecteeren hem eenvoudig als uitvinder van ona ivoor.
73
Natuurlijke historie voor de jeugd.
HET PAARD.
Een Peerdl een Paerd! mijn ijochrl voor eon Peerd!
Bicliard III.
*â Een paard,
Naar den aart,
Is er nog oor dan zijn staart;
Hy doet het te voet Net zoo gaauw en zoo goed Als een ander te paard hot doot,
En jo kijkt niet om Of hy is al weerom.
Met niemendal op zijn rug Ia hy byzonder vlug.
En met iemand onder den man Ia hy in 'tloopon nog zoo'n jan.
Dat j'em met je beien niet inhalen kan.
Of, zeg je daarop geen ja,
Loop hem dan maar eens eventjes na Met jo grootmama;
Want eens onder zeil Gaat hy net als een boog uit een pijl.
Hy steekt vervolgens met meer gemak Een heel leger dan een leger een heel paard in zijn zak, (Gelijk de jeugd leest in dat mooio Beleg van Penelopé en de stad van Trooie)
En draagt naderhand zelfs don Generaal Do straat nog langs in zegepraal,
Als namentlijk 't beleg is voltooid.
Maar de Generaal draagt hem zelden of nooit.
Vooral niet wanneer het ijzelt als het dooit,
Of do lieve straatjeugd mot sneeuwballen gooit.
Enfin, hy heeft nooit gedaan;
Maar is nacht en dag op de baan.
Nog vangt uw lovenstoorts niet aan,
74
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Of gy ziet hem, by 't lielit van do maan,
Reeds in 't vigilant aan de onderdeur staan,
En om de baker en de bloemkool gaan,
üf hy trekt u met uw ouders naar 't doopen,
â Ten zij gy, qua koppig zuigeling, «liever wou loopen «En onderweg wat muizenkeuteltjens koopen.quot; â
Of zeult u en do ouwelui weêr naar 't stadhuis,
Met bruidlief, dio al zoo rood ziet, en de bruidsuikers inkluis, üf, blijft gy, na dato, op 't Casino vernachten,
Dan staat hy, na dato, aldaar zich weêr dood te wachten ;
En daar is nooit een beest In de Natuurlijke Historie geweest,
Dat zich op uw zilvren bruiloftsfeest Zoo gruwelijk verveelt als do koetsier
En dit dier.
Maar, zijn 't ballot en de bruiloft gedaan,
En do gasten reeds lang weêr naar bod toe gegaan.
Dan komt hy, voor zijn pleizier, achteraan Nog eens hinkend by u aan.
Naturalisten, die dit niet verstaan,
Moeten Martinet maar eens opslaan.
Zoo lang als een paard zoo mooi galoppeert Wordt hy nu en dan op een harddravery getracteerd,
Km licht met een gouden zwiop, of een paar nieuwe sporen vereerd En op kermis eens in 't paardenspel geïnviteerd.
Waar hy zijn eigen evenwel minder dan u amuseert;
Of je neemt Lom 's Zondags in de narrensleê Of in 't speel wagentjen met do famieljo meè.
«Blos heeft door de week zoo braaf gewerkt,
«Dat hij nu ook vry af krijgtdoch zonder dat hy 't merkt.
Als 't echter, helaas! uit is met draven en hollen,
^ Dan loopt Bles al gaauw mank onder de knolion;
De Kolonel van de platte schuttery Klimt er met zijn handen en voeten allebei Op parade nog wel eons over, doch hy valt doorgaans op zij.
Natunrljlce historie voor clc jeugd.
Maar kan blind lilesjon volstrekt niet moor loopen,
Dan komt hem de Minister van Marine voor do troksolmit koopen,
En dan zolfs Iaat hy in do vliet De schuit mot Kaptein nog vaak in 't veraoliiot,
Vooral als de lijn breekt, zonder dat hy 't ziet,
Kn er dus, tot den passagier zjjn verdriet.
Een non sequitur «volgtquot; in 't riet:
Zijn Excellentio weet natuurlijk niet,
Wat er in een schip «dat van den walquot; is, geschiedt.
Ligt Bles eindelijk finaal op de baar Dan nog komt zjjn paardenhaar
U te pas,
In uw paardenharen matras,
En, dineer je by een Kees,
Dan eet je zijn rookvleesch.
Waar vindt men nu schier Onder de vornuftigen op allo vier Zoo'n nuttig en aangenaam dier.
Dat zijn plicht doet met zooveel pleizior 1 En hoe komt het, dat hy zijn plicht Zoo vlug en gehoorzaam verricht,
En dat nooit met een zuur gezicht?...
Omdat zjjn grootjen hem nooit over 't paard hoeft gelicht.
In een paard zjjn gezin Valt men zeldzaam over do min;
Want daar mag er nooit een in.
Integendeel; â Mevrouw zijn gemalin,
Als do baker met 't veulen 't Vertrek in komt zeulen.
Zegt reeds in 't verschiet,
Eer zy 't borstjon nog ziet,
Tot hot stamhouertjen, dat Uitjen hiet:
«Neem wat in mijn aders vliet:
«Konings kinderen hebben 't niet.quot; â
Want gemelde hit.
76
Natuurlijke historie voor de jeugd.
»Waar do jougd voor eon rid,quot;
Vervolgt Cuvier, «zoo graag op zit, »ls eigentlijk hun oudste zoontje in 't gebit,
«Net als het zakpistool »0/i.s jong musket is in zijn kamizool.quot;
In dit ondermaansoh gewemel Zoekt ieder op aard een Memel,
Doch meestal â
Helaas! â overal,
Behalve waar hy zoo iets vindon zal; Een paard is in alle geval
Nooit zoo mal:
In plaats van op fokzaal of bal,
Zookt hy zijn Hemel t' huis bovenal, En vindt hem dan ook 's avonds op stal. â Jeugdlief, onthou dit vooral,
Als de ondergoteekendo er reeds geweest zijn zal.
DE EZEL.
» Een ezel is een heer mot oen staart,
üien hy van achteren draagt, als een paard.
Hot verschil tusschon ezols en geleerde doktoren
Zit hem soms minder in 't hoofd dan wol in do ooren.
HE RÃITER.
Een Ruiter is een monsch te paard.
Omtrent drie voot hooger dan een mensch op aard.
En die zich somtijds vasthoudt aan do manen en somtijds aan de staart
77
78
Natuurlijke historie voor de jeugd. _ *--
DE K0Ã1.
Een koei is iemand met twee ooren.
En aan weêrskanten een horen.
Volgons den Hollandschen Naturalist Verboom,
Is zy de uitvindster van do aardbeien met room. Ook waren rundermest en rollenden Voor de koei heur tijd nog onbekenden.
En wat men van haar huid al niet maken kan
Ga dat maar eons te Bennebroek vragen aan ndcn Geleerden Man,quot; Immers Dido in haar dagen sneed er nog een heelo hoofdstad van. Als ik u voorts wilde optellen, wat voor zaken
Men al niot van een koei haar horens, hairon en darmen kan maken,
Ik geloof dat al je gezamentlijke leien er meê vol zouden rakon;
Maar mijn verhaal dient niet te uitermate gerekt.
En van 't nut, dat mon van hour staart on heur pooten trekt,
Daar zou ik je tot overmorgen van kunnen vertellen.
Hoe zou men 't b. v. op 't schip zonder een koevoet stollen?
In 't kort, het is al van ouds een spreekwoord geweest,
Zelfs by den lompsten boer, die nooit in Martinet of Plinius leest,
Alles is even nuttig, wat er komt van dat edele beost.
En wie zou dan, o jeugd, uw en mijns gelijken niet verfoeien.
Als men nagaat, hoe gemeen zy zich gedragen jegens de koeien.
Piet Agoras heeft het voor een duizend jaar of wat al gozeid:
»0 menschdom, gy zijt oen toonbeeld van ondankbaarheid:
«Wanneer oude koeien soms in een sloot verdwalen,
»Dan heet het hoogst onfatsoenlijk, ze daar uit te halen;
«Zoodra een landman van een koei geen zoete melk meer hoopt,
«Dan ziet men, hoe hy haar terstond aan den slager verkoopt,
«Die haar onbarmhartig vermoordt en de huid afstroopt,
»En daarna, wat nog het gemeenste is, in een os herdoopt.
sEniin, als een monsch gaat bedenken,
«Wat de kooien hem, zelfs by testament, nog schenken,
»En hoe schandelijk lïy dio weldaèn vergeet,
«Dan is hy immers niet w.urdig dat hy ooit meer biefstuk eet...
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Als Piet Agoraa zoo begon to redeneeren,
Dan was er geen eind aan, en jo hadt niet moeten probeeren,
üm, zoo als ik nu doe, hera to interrompeeren;
Maar nu hy dood is, raakt het hem niet aan zijn kouwe klccron.
HET KALF.
Het kalf
Kent een natuurkundige maar half.
Daar er geen tijd is om het te bestudoeren.
Zoo gaauw is het uit do lange kleêron.
Intusschen weet men uit Plinius, dat dit diep Gewoonlijk pa I zegt tegen een stier En tegen een koe:
Moe!
En 't antwoord is dan gewoonlijk boel 't Geen in het Chinoesch zooveel wil zeggen als how do you do ? Voorts zeifc hy oom togen een os,
In 't Latijn genaamd bos.
Een koe mag men melken.
Maar een kalf zou er onder verwelken.
Ook kuiert hy zelden met zijn ouwen heer Gearmd een stal of een weiland op en neêr,
Zoo als andere jongelieden.
Die aan hun voorzaat den arm op do wandeling bieden.
Van het kalf zijn lijf Zijn ons 't meest bekend de karbonaden en de schijf,
Mitsgaders het nierstuk (waarmede, terwijl ik schrijf. Eon keeshond wegloopt voor zijn tijdverdrijf).
En 't poulet,
Voor iemand, die op soep zjjn hart heeft gezet.
Een slachter houdt kalfsvleesch altijd op hoogen prijs,
En zegt (want hy is zoo eigenwijs)
79
Natuurlijke historie voor de jeucjd.
gt;gt;VVie er in oon restaurant voor niet van wil schransen! «Moet maar waoliten tot do kalveren op 't ija dansen.quot;
HET SPKENVAUKUN.
Iemand, die in do verte zijn sclireeuwen lioort,
Zegt: »dat is zeker weer een afsehuwolijke mcnsclicnnioord.quot; Je moet liet hooren om het te geloovon «Gelukkig,quot; zegt Buffon, «zijn do dooven.quot;
AVant als men maar oven op zijn eksteroog treedt,
Dan gilt hy, alsof hy van goon uitscheien weet.
En als men hem van de borst durft tillen,
Dan maakt hy een lawaai, als ging men hom villen.
Onder 't wandelen loopt hy altijd verkeerd,
En om hem vooruit te doen gaan, trekt men hem hy zijn stoert Vooral, wanneer hy naar slachters verhuist,
Want aan deze heeft hy natuurlijk een puist,
En als er één wat vorkouen is, dan lacht hy in zijn vuist.
En de keukenmeid en 't braaien Wenscht hy zonder omslag naar do haaien ;
Want, ofschoon men hem wol op dinoos of soupeetjens ziet, Is het voor zijn pleizier voorzeker niet.
vEnünquot;
Zegt hy, «ik heb veel chagrijn,
«Want mijn papa is oen compleet zwijn:
«En hoe kunnen dan zijn kinderen anders zijnquot;: â
Zijn troost is, dat hy nooit goen verdriet Van zijn eigen kinderen beleeft of ziet.
Want gelukkig heeft hy die niet.
DE MOND.
Een hond is vcrmiard Om zijn gezellijcn aart
80
Natuurlijke hi si or ia voor tin Jeugd. Hl
En 't kwiapolon van zjjn staart.
Zijn neus, doorgaans rond,
Staat gewoonlijk in 't front En zoo lang dio maar nat on frisch is,
Is 't een bewijs, dat monlieer zoo gezond als een viach ia.
Een hond is iemand, die van zijn baas byzondor voel lioudt,
Uien by, om zoo te spreken, als zijn derden vader beschouwt,
kn die hem dikwijls een heele bocrewoning toevertrouwt,
Waar hy door zijn blaffen bedelaars en dieven van daan weet tejiigon
kn den post van portier waarneemt zonder er ooit geld voor te vrageii
Als een haas niet op zijn tellon past,
Wordt hy dikwjjls door een hond vernist:
l'och een hond loopt er ook wel togen aan.
Als men hem in de hondsdiigen uit Iaat gaan.
Menig oen blinde hond Is verdronken, omdat hy geen zwemmen verstond:
Doch zoodra zy dit verstaan,
Kan men ze gerust uit baaien laten gaan.
Honden zijn dol op kalfslever en beenen;
Doch, volgens Esopus, loopt er zoo dikwijls een derde meê beenen. Ook nuttigt een hond met pleizier water en droog brood;
Doch een pak slaag, daar heeft hy een broêr aan dood. Het opzetten is ook iets, daar hy niets om geeft,
Als het maar niet begonnen wordt, terwijl hy nog leeft.
Ook blaffen honden niet langer als ze eenmaal dood zijn ;
Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn.
6
CiKDlCUTEN V. B. SJlOOLUlibSTER.
Natuurlijke historie voor do jeugd.
DE KAT.
Men wil wel zeggen, dat, o BatavierI nw stam Van nit hot strijdbaar volk dor Katten oorsprong nam.
HEiiMEiis Cadet.
Lavater,
In zijn physiologio van don kater,
Zegt, dat hy terstond aan zijn manieren ziot,
Of hy mijnheer of mevrouw hiet:
En de dames onder de katten Schjjnen het even als Lavater te vatton.
Mijnheer zit op zijn uiterste gemak,
In do goot tegen een hellend dak,
Alwaar mijnheer Natuurlijk op mevrouw wacht, die ook klontert als een leer.
En dan knijpt niet zelden onze jonker By die gelegenheid de kat in 't donker.
Maar wat men schaars by verliefde winkeliers en andero menschcn ziet. Ook zelfs om zijn liefde verzuimt een kat zijn affaire niet.
En 't is aardig te zien, hoe gaauw onze jonggetrouwden verhuizen, Als zy 't minste geritsel hooren van huisratten of muizen.
Is ochtor dees nationale plicht Eenmaal door hen naar behooron verricht.
Dan gaan ze weèr terstond de pannen op, en dat wel zonder licht, En het overige van de nachtljjke uren Brengen zy serenades aan al de buren.
En korten op die wijze den slapoloozen tijd Van menigeen, die aan podagra of kiespijn Ijjdt.
Zoo weten die edele dieren, als Jenny Lind en Cecilia, hun muzykale gaven met philantropie te verbinden.
Wanneer een kat ons by nacht op zijn concerten tracteert,
Dan zou men haast vragen: «waar heeft het beest het zingen geleerd. Daar hy over dag zich zoo zelden in den zang excerceert ?quot;
Over dng neemt dit dier Doorgaans op andere wijze zijn pleizier:
Dan wandelt by, by voorbeeld, wanneer het niet nat is,
82
Natuurlijke historie voor de jeugd.
(Want niemand dio zoo bang voor vochtigheid als een kat is;
Ofschoon er menige jeugdige kat of kater Om 't zwemmen te loeren als zuigeling gaat te water,)
Dan wandelt hy, zeg ik, den moes- en bloemtuin eens om.
Mitsgaders het bleekveld het kippenhok en de eendenkom,
Om zich te verzekeren, dat er nergens eenigc sordes Of vuiligheid liggen, en dat alles behoorlijk in orde is.
Terwijl hij nu en dan, als een volleerd acrobaat,
Voetjen voor voetjen over den rand van een schutting gaat En er op- en afspringt, zonder ooit te schroomen,
Dat hy niet op zijn pooten weer to land zou komen.
Immers als springer en equilibrist is hy een bol.
Die het kan te raaien geven aan den gunstig bekenden menheer A uriol.
Ja, hy is nog vlugger dan nu wijlen Madame Saqui,
Al is zy als een zephyr gekleed, in een vloeschkleurd jakkio.
En hy altijd in een bonte pels loopt, of winterpakkie.
Somtijds zit hy ook uren lang te loeren naar 't een of ander takkie. Waar oen nachtegaal zit te kwinkeleeren of groene sjjs.
En dan peinst hy: «had ik je hier maar, jo waart spoedig prijs.quot;
Want een dergelijk vogeltjen, zelfs ongebraden, is een kat zijn delikaatste
spjjs.
Soms klautert hy ook zelf ineen boom; maar wat men daarvan moog sproken, Ik wil den knappen brilleslijper wel eens zien, die hem er uit heeft gekeken. Soms weêr doet hy de rondo, en let of alles behoorlijk toegaat in huis. En kuiert al de vertrekken rond, zolder en proviziekamer inkluis, En vergewist zich op zijn tournee of al te met de keukenmeid,
Als wol eens gebeurt, door nonchalance of onachtzaamheid.
Terwijl zy met den brievebestelder, of slagersmof staat te praten, Een bord mot room of gebakken vischjens, of een saucijsjen a l'abandon
heeft gelaten;
En, opdat Mevrouw het verzuim niet merke en er zich over beklaag, Ja misschien, na voel gekakels over en weêr, in een driftige vlaag. Aan do meid de dienst opzeg met Mei, of haar zelfs slanlcpcde de deur
uitjaag.
Haast zich onze kat om do onbewaakte kliekjens to bergen, en wel in
zijn maag.
83
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Te recht betoont gy u, o lieve jeugd! gelieel verbaasd en In bewondering over zulk een zucht tot orde, gemultipliceerd met liefde
tot den naasten,
Waardoor dit edele dier zich boven zoo velen zijner natuurgenooten
onderscheidt.
Lot voorts nog, o kindoren! op de byzondere faciliteit VVanrniedo een kat zich, als 't regent of er sneeuw in den tuin leit, Enfin, als hy niet uit mag, zich in huis, met do geringste zaken, B. v. een afgcrafeld end touw, een bal, ja een gescheurde Staats-Courant
weet to vermaken: üf wel het gezelschap veramuseert met menige grap (C. v. hoe knap krapt een kat de krullen van de trap,)
En een baas is ook in het spinnen,
(Voorheen zulk een geliefde occupatie by moeders van huisgezinnen)
Terwijl gy, o jeugd! schoon nog door St. Nicolaas zoo rijkelijk bedeeld. Liever dan dat gy er op betamelijke wijze stillctjens mee speelt. Met huis op stelten brengt, of aan mamaas boezelaar hangt en haar
benevens uw eigen verveelt.
Nog behoort onder de qualiteiten, die een kat vercieren
Boven vele andere menschen en dieren.
Speciaal gelet te worden op zijn beschaafde manieren.
Waarom hy vooral wordt verestimeerd en hooggeschat,
Ja, dikwijls tot groot avancement geraakt, als b. v. de gelaarsde Kat. Ook ruikt hy altijd vooraf ('t geen als byzonder aardig,
.ia, volgons Plinius en Richelieu, als hoogst merkwaardig Te beschouwen is) of men visite te wachten heeft op 't salet;
Want dan maakt hy altijd vooruit zijn toilet,
Wascht zijn neus, zet zijn knevels op en kamt zijn hairen net. En dat alles, eer nog Mevrouw haar huismuts af- cn haar valsche krullen
heeft opgezet.
Maar, o jeugd! indien gy nu komt te vragen:
«Waarin schopt oigontlijk een kat het meeste behagen?quot;
Ik antwoord : dat schrandere dier zjjn liefde en zjjn lust Is, als hy. bcol gemakkelijk, en zich zijner waarde bewust.
84
Naluurlylie historie voor de jeugd.
liet aardsclie gowool yoi-gctonde: op eon canapoekussen rust,
Waar hy dan zoo op zijn eigen over 't ondermaanscho ligt te
mediteeren,
Met zijn oogen dicht, opdat hem geen distracties zouden geneeron. Ta, woont hy aoms by een boer in of gepensioneerden soldaat,
Of by een vorloopen domenee op zwart zaad:
hn/in, in een huis waar geen canapeo of easy-chair staat.
Geen nood : onzo wijsgeerigo maat Weet dadelijk op alle dingen raad,
Rn eontenteert zich des noods met op üomenees oude huisjas te liggen,
of op do warmo plaat.
Welke laatste hy dan ook zelden, voor dat die koud wordt, weêr verlaat. Zoo weet onze maat in de moeilijkste levensoogenblikken,
Zich met wijs overleg naar de omstandigheden te schikken.
Heeft het een kat naar zijn zin.
Dan noemt zijn gespin Terstond een begin;
Maar gaat men hem plagen.
Dan zal hy juist niet byzonder klagen.
Ja, er zich veeltijds kalm onder gedragen:
Alleen zijn rug Wordt dan zoo rond als een ronde brug.
Niemand denke daarom: »hy is maar een sul;quot;
Want als hy eens begint, is hy niet mak en dan wordt het wol 'reis
«katjons-spul ''
Ook rekent men het onder de onvoorzichtigste zaken Om een slapende kat wakker te maken,
Of een, dio dol is, zonder handschoenen aan le raken.
Een kat zijn éénig gebrek Bestaat, volgens Martinet, in een ongenoeslijken trek Naar zoetemelk en naar spek;
Maar vooral in den haat, dien hy voedt Tegen 't zwarte gebroed.
Daarom heeft te recht
85
Natuurlijke historie voor de jeui/cl.
Lacópède gezogd:
n't Paradijs van een rat is «Een huis waar goen kat is,
ȟf de kat uit de stad is;
t Want om een val «Geeft een rat niemendal;
«Maar van zoo'n levend graf »Loopt hy weg op eon draf.quot;
Iemand, die op do grammaire niet zoo byzonder gevat is, Zal niet licht raden, dat poes de vocatief van Jcat is.
DE AAP.
Een aap.
Schoon kleiner dan een schaap,
Is echler een veel verstandiger knaap,
En zou zich zoo gemakkelijk niet laten scheren,
Als een schaap doet, in zijn wollen kleêren.
Een aap is zeer amusant.
Vooral in zijn geboorteland.
En heeft in zijn jeugd veel grappiger manieren Dan de meeste jongelui onder do dieren.
liet klimmen en klouteren doet hy net zoo vlug als een kat.
En hy rijdt te paard op een hond, als iemand die er les in heeft geliad.
Van amandelen houdt hy veel en van nooton,
En wat een ander met zijn handen zou doen, doet hy met zijn pooten.
Daar is altijd groot dispuut geweest Of een aap eigentlijk een mensch is of een beest;
En dat verwondert ons ook niet,
Dear men zooveel apen onder de menschen ziet.
8(i
N'lluHrlijkc historic voor de jeugd.
DE VOGELS.
Een fikscho vogel Gaat byna zoo gaauw als een kogel;
Doch in zijn kooi Vliegt hy nooit zoo ver of zoo mooi.
Zijn jassen en japonnen, enfin al zijn kloêren,
Noemt een vogel; «mijn voêren;quot;
En een kanarie hoeft heel veel Van eon jonge juffrouw in 't geel.
Om een vogel aan 'tspit te kunnen hangen,
Moet men hem maar eerst zien te krijgen of to vangen.
Vogols zitten dikwijls op hun uiterste gemak Met hun eene been op oen hoogen, dunnen tak;
't Geen onder vette kooien en dieren van dien aart Do grootste verwondering en afgunst baart.
Op zwart zaad Is een vogel ontzachelijk kwaad,
En hy zou een vinkebaan,
Als hy naar zijn gemoed te werk ging, wol aan duigen willen slaan Doch onder zjjn grootste ongelukken Rekent hy den handel in broekjons en krukken.
Een vogel vliegt somtijds dag en nacht;
Doch hy wordt er ook vroeg voor opgebracht.
DE HAAN.
VVy zjjn het eens met Linnaeus, dat er geen beesten bestaan, Die nieoi- van kippen houden dan een haan.
En het blijkt uit de Natuurlijke Geschiedenis, Pat dit eigentlijk do oorsprong van onze hoendcreieren ifl,
87
Naluurtijke historie voor de jeugd.
Eon haan is vervolgens con van die dieren,
Die do natuur mot hun vederen vercieron.
En hy draagt zijn staart Net als een geanglisoerd paard.
Zjjn gezang of gekraai Is medo byzonder fraai,
En hy is altijd een boost Mot een goede memorie geweest;
Want hy knijpt, als hy kraait, zijn oogon too.
Of Iiy zoggen wou; »Jo ziet, hoop ik, dat ik 't uit mijn hoofd doe?quot; Doch volgons Martinet on liuffon,
Is dit oen bloot dii-on. â
Hot is een vaste gewoonte by don haan Om met de kippetjons naar bed te gaan;
Doeh hy is ook altijd weer 't eerst op do baan.
En met het ochtciilt;ilcrioken staat sinjeur Reeds, mot zijn sporen aan, voor do deur En neemt eon morgenslokjon Uit het kommetjen, onder zijn stokjen.
Ãf hy geeft wellicht Aan''t jongste zoontjen van zijn nicht In 't kraaien een weinig onderricht.
En looi t hem schrijven in 't groot,
Eerst een schrapjen on dan een hanepoot,
Mitsgaders andere manieren I lie een jeugdigen haan van goede famieljo vercieron.
Soms brengt hy een niandjen wurmen aan 't hok van zijn broer.
Voor zjjn schoonzuster, die niet al te wel is, mevrouw Koekeloer ⢠En gaat daarna met zijn favoriet hoen Een wandelingetjen in den moestuin doen;
Of hy gaat eens uit vechten voor zijn pleizier Mot den nieuwen haan van den barbier.
Enfin, wie denkt dat hy 's morgens geen raad met zijn tjjd zou weten, Ivan gerust zeggen: «Ik ben mijn Natuurlijke Historie vergeten.quot; Want integendeel voor 't ontbijt
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Is 't eon haan zijn aangenaamste tijd.
Volgens Grotius en Puffendorf is de haan Eigontlijk gezegd een Mahomedaan.
Omtrent hot huwelijk volgt hy dan ook Oostersche begrippen, En houdt er verscheidene gemalinnen op na, boter bekend onder den
naam van kippen,
En die, naar men algemeen zegt,
Zeer gelukkig met hora zjjn in den echt.
Het doet hem natuurlijk leed.
Dat men op aarde zooveel hoenders eet.
En dat zoo menig jong haan reeds voor 't vuur staat te braaien Eer het kind nog gespeend is of zelfs kan kraaien.,,.
«Terwijl er,quot; zegt hy, «zoo'n overvloed van visch
»En ander veldgewas voorhanden is.
«Zoo de mensch,quot; vervolgt hy, »met groente, pctercelie of radijs «Content was, dan haddon wy hier een aardsch paradijs:
oEn liet hy dan, op zijn verjaardag, eens een paar oude vossen braaien, 'Eens is immers geens, daar zou waarlijk geen haan naar kraaien, «Enfin laat hy, als ik doe, eten van 't geen den hof verciert,
»En zijn handen afhouên van ons, pluiragediert.quot;
Als een haan hierover begint door te slaan.
Dan heeft hy morgen ochtend nog niet gedaan,
quot;Doch,quot; zegt Cuvier, »zoo insecten en wormpjons dit hoorden,
«Zouden zy Mijnheer al aardig kunnen antwoorden,quot;
Hoe dit zij, een haan zijn grootste pleizier Is nog altijd do begrafenis van een poelier.
Weerhanen en snaphanen, gelijk men ziet
Schrijven hun naam net als hy; maar famioljo is het niei.
89
Natuurlijke historie voor de jeugd.
DE NACIITKOAAL.
Daar scliool een nachtegaal in 't groen
Het was in de Mei!
En hy zong zoo zoet in 't looffestoen.
Het was in de Mei!
En hy gaf zyn zoetelief een zoen Net als ik of jy zou doen,
Zes maal, zes maal, zesmaal doen, Het was in de Meil Een bloedverwant van Patertjen langs den kant.
«Ons gekweelquot;
â Zegt een voormalig Philomeel â
«Is onder de dieren ons bescheiden deel:
«Net als 't loeien »Onder oude voorzangers en koeien:
«En een concert vocaal â »Dat zoggen wy allemaal â
»Op een tak, is voor een nachtegaal »Wellicht een smakelijker onthaal «En niet minder amicaal *Dan zelfs 't stroopen voor aal.
»Wantquot; â vervolgt hy â »de muzijkwarold is mijn paradijs, »VVaar ik geboren word, gestorven en grijs,
ïNet als baanvegers op 't veldijs.quot;
Hy speelt dan ook, naar don eisch.
Al van kindsbeen af in 't lover,
Op zijn muziekale schaatsen becntjen over,
En raakt nooit van de wijs.
In 't kort, 't is zijn element:
Want voor de zangschool of 't conservatorio Spendeert de kleine vent
â Voor zooveel als my is bekend â
In 't jaar, wil ik -wedden, geen cent.
â »Ik hebquot;, zegt hy, «jandorie!
iDe geheele muziek al in mijn memorie
Natuurlijke historie voor de jeugd.
»Not als Romulus do Romeinsohe historie,
«Om je moeilijkst ut- re- raiboek »Geef ik net zooveel, ala een vlugge snoek »Om een schepnetjen van gescheurd neteldoek.
»Ik weet het veel beter dan jy;
â¢Want het is juist mijn liefhebbery;
iDaarom vraagt zoo vaak de melody,
«Wanneer zy my tegenkomt, aan my:
tBen ik dat of Gyfquot;
Een jong Philomeel Draagt het Haarlemsch orgel dan ook flink in zijn keel. Mitsgaders de kasten en pijpen, doch zonder 't klavier;
»Want daar staan mijn handen niet na,quot; zegt dit achrandov iIkt, En toch speelt hy, zonder handen, heel wat knapper,
Dan een doofgeboren orgeltrapper,
Ofschoon hy, met zijn exteroogen, menigmaal Zijn laars niet aan kan krijgen, voor 't pedaal.
Als je 't ook niet wist,
Dan zei je: ïla dat het halvo zoontjen niet van den orgelist.quot; Maar geen orgelist, dat ik weet: heeft het hem nog na gedaan, Of de man moet byzonder vroeg zjjn opgestaan.
Treft de jeugd echter zoo'n baasjen aan,
Kom aan I Hy maak' zich bekend.
Ik doe mijnheer op 't moment Bij deze, met vermaak, een paar laarzen piesent.
Brachthuizer sluit ik uit:
Dat was geen orgelist, dat was een luit.
Van wege Vamour heeft Flossignol Zijn kleinen krullebol Natuurlijk zoo vol.
Als van a en b mol,
Geen nachtegaaltjen gaat er over straat, met een parasol. Of menheer is dadelijk op hol,
91
Natuurlijke historic voor dc jeugd.
En op noopjens kappios is liy dol.
Maar â dat moot ik zeggen â Philoraeo Zet toch altjjd zijn beste boentjon vóór by zijn vrijster.
Voor dat vogeltjcn zingt hy waarlijk als oen lijster.
Want hy houdt van zijn bruid in zjjn ziel veel,
Al ziet ook 't meisjen by ongeluk scheel,
»Dat merk ik 's avonds toch niet,quot; zeit hy »in 't prieel.quot;
Wie hieruit evenwel afleidt, dat onze kwinkeleerende Leander Voor Herootjes alleen tireliert, en nooit voor een ander.
Doe mijn komplimcnten maar terstond aan zoo'n naturalist. En zeg hem, «dat hy, uit mijn naam, zijn eigen vergist,
«En dat ik waarlijk dacht, o jeugd! dat hy 't beter wist,
«Daar Professor hem scilicet verwart met een ander verliefden /ortd, «Die jammert op zjjn dorre ranck «Van oen beroofden boom zijn wortel «Haar leven lanck!quot;
Een Uollandscho nachtegaal verhuist by zijn' dood,
\olgens de Fabelleer, met zijn ziel naar een sloot En wordt aldaar als kikker vergood;
üf'hy er ecliter nog eieren blijft leggen.
Dat zou ik u niet durven zeggen.
Met zijn maatgeluid Is het echter uit.
't Is niet langer die zoete guit Met zijn mooie fluit Vol melodieus getuit;
Daar is thands in zijn stem iets, dat me stuit,
Tets.. ., enfin 't heeft heel veel Van een driftig Aanspreker, met een graat in zijn keel;
Want, na zijn metompsycosis.
Zingt hy net als een schor mensch dat boos is.
92
Nuluurlijke historie voor do jeugd.
DE VISCH.
Lucius enescct, nam cetera quid mororl 1)
ScAUd i:u Zaliger.
o Peccator dell' onda, Fi lelin.
Idjlleu va» een Foieruai'.
't Latijn zogt, dat hot piscis En Siegonbcek, dat hot visch is.
Doch liet zal wel hetzelfde zijn In 't Ilollaudsch en in 't Latijn.
IIoo dit zij,
â Voegt de Natuurlijke historie er by â
Wy kunnen nooit weten,
O jeugd ! wat wy eten.
Of het Iloomsche visch Of visch uit Dordrecht is.
Met recht hebben Plinius en Martinet beweerd,
Dat visch bij voorkeur in don Waterstaat verkeert.
Want hy hooft vóór zijn geboorte al zwemmen geloerd.
Waarmede do Ams'erdamsche Baaischool natuurlijk railleert, ürootnioodor zogt licht: »'t is voor 't kind verkeerd.quot;
Doch, als zijn kinderen 't niet kennen,
Zogt do visch, dat hot zijn kinderen niet bonnen.
Eon eend denkt er ook zoo over ; «doch ik,quot; zeggen do hennen, »Wil er de mijne zoo jong niet aan wonnen.quot;
Wio, die nu bosliss'
Of katvisch Dan wel groote do lekkerste is.
IIoo beeldschoon is b. v. hombaara te Lis,
i) Dat ia;
Pas jy maar op de suoeiccn,
Do anderen Eijn niet waard, dat wy ze zoeken.
93
Natuurlijke historic voor do jeugd.
En grocno haring in de duisternis 1 En hoe uitstekend fraai Zijn aan den anderen kant zaagvisch en haai f Doch do hengelaar is mot dozo wol eens verlogen, '
Omdat zy by 't naar huis gaan zoo zwaar in zijn bunnotjon wegen. Een vischjen in 't water Heeft een leventje als een Pater;
Maar 't moet niet koken,
Of zy zouden beiden een leelijko pijp rooken,
En riepen zeker «brand Iquot;
In plaats van «Patertjen langs den kantl'
â ȟm do dood niet aan de kook,
»Of wy bennon 't ook.
»En wy zijn een lijklquot;
Roepen zy te gelijk.
Maar anders, in 't water te leven,
Of in de wetering rond te zweven,
Wordt hem met do pap reeds ingegeven,
En in plas of vliet Weet een visch van geen verdriet.
Hy duikelt en schiet En schuilt er in 't riet.
Of zwemt eer men 't ziet Zoo snel als een spriet Naar zijn beminde Griet,
Als deze haar weermin hem biedt â
Maar in den ketel doet hy dit niet.
Schoon vlug in de vaart,
Is hy over 't vuur zeer bedaard En zit er mot zijn kop onder zjjn staart.
Op 't dinó heeft hy 't ook niet naar zijn zin:
Althands hy verroert er geen vin En ziet zolfs zoo nijdig als een spin.
Al regent het in de vliet En op straat, dat het giet.
M
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Zoodat men zelfs geen huisbreker tweemaal schellen liet,
Ãn alsof men op iemand du brandspuit afstak,
Of wel van langs het dak Per abuis den regenbak
Tot iemands -verdriet,
Terwijl de paraplui hom ontschiet.
Op zijn tronie nederloopen liet.
Tot hy vergeet of hy zijn neus of zij11 bochel voor zich ziet, En of hy nog: Jgt;o niensch 1quot; of »o natte vaatdoekquot; hict. Zóó regent het niet.
Dat men een visch met zijn paraplui op ziet.
Cuvier vroeg, naar men zegt, menigmaal Do reden hiervan aan bot en aal.
Maar hy kreeg geen antwoord van aal of van bot Dan de wedervraag: »Cuvier, ben je zot?quot; â
Ja, baars en paling stokvisch en braassem Zy riepen allen uit éónen aassem:
»Cuvier, ben je dol?
»0f raakt, met permissie, je hoofd op hol?''
»Wel mijn goede man,quot; zei Schol,
»lk geef om den groensten parasol «Geen rooien duit, sur ma parol',
«Of hebben wy met zwemmen onze handen niet vol?
«Doch zoo weinig ben ik een mensehenhator,
«Dat ik hem integendeel oen jaar of drie toewensch onder water, «Dan zou hy immers voor zijn fatsoen »Zoo'n dwazo uitgaaf voor een paraplui niet meer doen.quot;
Een visch is zeer gek op zijn staart,
Daar hy dan ook beelderig vlug meê vaart,
En die nooit verhairt Zoo als staarten op aard:
Wat by naturalisten veel verwondering baart,
En zelfs nog door geen kapper naar eisch werd verklaard. 0.1 a : 't is hetzelfde geval met hun baard,quot;
95
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Zogt Buffon, «ofschoon zy dion nimmer laten scheeren. âquot; Weshalve zy ook weinig by den barbier verteeren.
Als katvisch een hengel aanschouwt,
Dan wordt zijn bloed doorgaands dadeljjk koud.
Maar als zijn oom (die do leepste van alle visch, Ofschoon voor zijn buren in don omgang wat lastig, is) Ik meen, als een snoek Een hengelaar ziet of een hoek,
Dan wordt hy zoo boos en zoo bleek als een doek. En ofschoon de hengelaar hem ook bespeurt,
Hy heeft hem daarom nog niet naar huis gebeurd. Hy heeft, het is waar, wel eens aan;
Doch de snoek rekent op 't mis-slann,
En als de ander zich verbeeldt dat hy slaat,
Dan poetst snoekie-maat Gemeenlijk stilletjens de plaat;
Maar steekt nog eerst op zijn dooie geraak Het aas ract den hoek en den halven draad ia zijn zak. En dan roept hy nog, als hy gaat.
Heel hatelijk tot den hengelaar: »adi, kameraadIquot; En in 't omkijken: »dag Jaap, adii «Pas op de graten, jongen! bon appél.it.
«Als jy van daag je hart op snoek hebt gezet, «Dan visch je min of meer achter 't net.
»lk bon nu en dan, naar uw verlangen,
«Quasi wel eens aan 't aas blijven hangen,
«Maar dat was spiering om kabeljaauw te vangen. «En zoo jy te Leiden in 't hengelen bent gepromoveerd, «Dan heb je, naar ik meen, al by zonder weinig gestudeerd, «En jo piepa zijn geld op een slordige wijzo verteerd.
«Enfin ! ik wensch je goeje morgen.quot; En al den tijd.
Dien nu Snoek met does dialoog of alleenspraak versljjt. Staat Jaap, met een mond zoo deftig als een geit,
Nog even geduldig to wachten of de snoek nog bijt.
96
Natmirlijlre historie voor de jeurjd.
AIzoo heeft do visch het land Aan een hengelaar, die onverdronken blijft aan den kant.
Doch valt deze uit zijn boot In de sloot,
Pierdood,
Of, by a buig,
Als jeugdig drenkeling van de sluis.
Dan zegt hy aanstonds; «Welkom t'huis,
«Hengelaar! hier is je pet; je boordtjen zie ik niet: herleef: «Ons motto is: vergeet en vergeef,
«Net als de snoek aan zijn neef,
«Terwijl hy hem intusschen opat, schreef,
«Ik ontfang u hier, als landgenoot,
«In mjjn waterschoot:
«En by klein en groot «Wordt gy alras op een slokjen genood,
«Ofschoon wel is waar van uw leven ontbloot.quot;
â Iets, wat waarlijk voor den menseh een les is,
Die wel eens niet t' huis geeft aan zijn vriend, die op de flesch is.
En hem dan nog eer een bokking.
Dan een glaasjen cordiaal of parfait amonr gaf van Wijnand Fokkii
Ook leert men hieruit, dat wie nog reutelt van «stom als een visch,quot; Alleen maar toont, dat in do Natuurlijke Geschiedenis Hy juist zoo bedreven als een snoek op zolder is.
Om een schepnetjen geeft een visch geen duit Misschien denkt hy wel; »'t is dan toch al verbruid.quot; Ook springt hy er nu en dan wel weêr uit.
Maar een zegen.
Die zoo'n heele wetering komt leêgen,
Daar heeft hy natuurlijk machtig veel tegen.
«Noem je dit zegenquot; zegt hy : «heb je geen abuis?
«Of is 't als lucus a non lucendo en meen je soms kruis* «Al zwem ik in dien zogen op mjjn kop,
«Daar zit, jandorie, geen uit- of wegzwemmen op.., «Die gemeene dweil en de vasten
fïEDICHTEN V. D. SCHOOLMEKSTER 7
97
Natuurlijke historie voor de jmcjd.
«Wanneer zicli zoo golicele gezinnen alleen op viach vergasten) iZijn eigenllijk onze twee grootste overlasten.
«Die 't ons zouden bakken, als wy er niet op pasten; â «Maar dit laatste doen wy in den verboden tijd; »l)on genoeglijkste, dien men met zijn fatnielje sljjt, «Wanneer een visch een leventje als een sultan leeft,
»En een hemel in 't water heeft,
»En, waa dat niet gaauw gedaan «Dan kon je al spoedig in den Oceaan «Heel gemakkelijk over onze hoofden gaan;
«Want het is met ons louter amour en inclinatie,
»Net als met den Keizer van de Franscbe natie.quot; â En ziedaar, waarom visoh Zoo dikwijls de bruigom is.
In 't algemeen kan men zeggen : zy honen Allemaal heel veel van trouwen,
Net als jonge heeren en juffrouwen,
Zonder dat het hen, als deze zoo vaak, komt te rouwen. «Maar om 't consent van de wederkeerige ouwe lut.
Zegt Benjamin Ruffon, «geven zy den brui.quot;
Ik meen zijn zoon George te Dijon.
«Daarom trouve t-on,quot;
â¢Zeit George, «onder den poiason «Zoo zelden een liaison » Politique of uit speculation,
«Zoo weinig een tnariage de raison.quot;
Er zwemt nooit geen tong langs den Uriel.
Of hy neuriet; upoisson d'Avril,quot;
Als of by zeggen wou: »o geuzenziel,
«Heugt het je nog, hoe het Alva beviel,
«Toen jy hem zoo wakker den bril van zijn neus «Wist weg te kapen? zog, heugt het je nog, o Geus?quot; â
De Natuurlijke Geschiedenis Erkent gemeenlijk twee soorten van visch,
08
Eerste les in de Geographic.
Nanieljjk, degeen dio opgegeten, en die nog voorhanden is. Net als twee soorten van negers,
Dg housoholijke eu do scboorsteenvcgers.
DE SLANG.
Een slang
Is niet heel dik, maar naar proportie to lang;
Schoon sommige slangen, die van Amerika komen,
Byna zoo dik zijn als eikebooinon:
Kn menige Leydsche diender maakt een mensch niet half zoo ba Als zulk een Amerlkaanseho slang.
Over het geheel wordt oen slang zelden geprezen,
Of het moet zjjn by het Brandspuitwezen.
Voorts zou hy, naar wy in Mosheim en Vitringa lezen, Vry gunstig in do muziekale wereld zijn bekend;
Ofschoon aldaar meer onder zijn Franschen naam van iserpent.quot;
E1EIIEN.
Otschoon men natuurlijk voor eieren eer naar een hen zou gaan, Krijgt men echter geen goede eieren zonder een haan.
EERSTE LES IN I»E fiKOGUAPHIE.
Geographie is eigentlijk de kennis der aarde. En voor de jeugd van ontzacheljjke waarde; Want Amerika Is b. v. zeer verschillend van Afrika; Ofschoon vele Afrikanen Zich als slaven begeven naar do Amerikanen.
Eerste les in de Geographie.
Zoo b. t. ia Asia een heel oud heer,
En Europa is ook zoo jeugdig niet meer,
En de twee eerstgenoemde zijn kindoren.
Die de oude lui nog wel eens vry wat konden hinderen.
Ik maak u vervolgens attent Up 't onderscheid tusschen een zee en een continent:
En kinderen uit den boerenstand mogen wel observeeren,
Hat men voor als nog geen boerenwagentjens op zee kan probceren. Ten zij men er eenig ander voorwerp onder zet.
Als b. v. een koopvaardyschip of een stoompaket.
Ook zou ik niemand durven aanraaien Om uit zwemmen te gaan met de haaien;
Uoch in het uit poieren gaan met een Lcyenaar Ziet de Geographie geen gevaar;
Vooral zoo zijn boot Op 't droog zit in een sloot. â
Voorts zijn er ten minste nog twee Polen,
En verschillende mijnen voor goud en kolen,
En hier en daar een vulkaan.
Die iemand, die 't niet zien kan, verstomd doet staan,
En de groote zandwoestijn.
Waar geen ordentelijk reiziger op zijn gemak kan zijn,
Behalve kameelen en enkele boomen.
Die er van hun vroegste jeugd reeds gewend zijn te komen.
Dewijl ik by deze eerste les van uw geduld niet te veel wil vergen. Zal ik nu nog maar alleen gewach maken van de bergen.
Die her- en derwaarts verspreid zijn over onze ondermaansche aard. Ofschoon de ontmoeting van een her-berg doorgaands het meeste genoegen baart.
tic zeg, ontmoeting; doch dit is maar by manier van spreken;
Want dat een berg zou wandelen, is my nimmer gebleken.
Of hy moest het hinkende doen, dat ging misschien nog goed,
Want volgens Van Wijk Koelantszoon en Ouvier heeft een berg toch altijd een voet;
Maar anders blijft het by 't geen de geologen van ouds beweeren.
too
O'isle les in de Oeoyraphie.
Out Miilioiucd wol naar den borg, muui' dozo niet onigekcei'd nuar Mu-
homod kan avunceoren. Naast con berg vindt men in den regel een valei of dal.
Dat er liet omgekeerde van is, en daarom doorgaands ook lager wozen zal. /.üo'u dal heeft in 't algeracen vry wat meer waarde Dan zijn buurman de berg; ja de dalen zijn oigcnlyk 't vette dor aarde, »Eq een berg is inderdaad;quot;
Zegt Le Luc, «niet veel meer dan de graatâ
Ofschoon de man, met dit zeggen, toch zijn onkunde verraadt;
Want welke liefhebber van visch heeft immer in zijn leven Een graat gezien, die, als Samsons ezelskinuobakken, water kon geven 1 Wat oen berg alle dag doet: â ja, Le Franc van Bcrkhey beweert met
cenigon schijn,
Dat daarin de oorsprong van al de rivieren gelegen zou zijn,
Die sedert don tijd van Adam â en altijd van boven naar beneden â
liepen.
Doch ik heb nu geen tijd meer om my verder in zoet water to verdiepen, Ik verlang veel meer naar een glaasjen rood in de kroeg.
t Uur is verstreken; en ik zeg dus: voor van daag genoeg,
(hilhou ü a wol wat ik jo go.curd hob, als er je soms iemand naar vroeg.
101
BESPIEGELINGEN.
PKOEVE VAN DICHTERLIJKE WAABSESIIJiGEN.
't Is een onwederlegbre waarheid T. J. Keukiioven.
Een onwoderlegbre waarheid Is hut, dat, by middagklaarheid,
De avond zelden duister spreidt;
Daar en-tegen biedt het duister Ons zeer zelden zonneluister,
I)it is zelf een duidlijkheid.
Zoo kan men. op den dag van morgen,
Niet meer voor dien van gistren zorgen,
En ook niet fluiten als men eet;
Eu, waar geen bel is ook niet bellen;
En in persoon geen brief bestellen,
Als men 't adres des briefs niet weet.
Zoo ziet men zelden ijzer drijven,
Of in koud water gloeiend blijven,
En evenmin een veldkonijn Een hokkeling naar binnen slikken;
Of 't beestjen (zal quot;t niet daadlijk stikken)
Moet grooter dan het koebeest zijn.
Zoo kan men haast voor zeker zeggen,
Dat, wie zelf eieren kan leggen,
Proc.vp. van dichlerlijke waarnemingen.
Geen haan of kippen heeft van doen; Tenzj) zijn kiesche dischgenooten Zijn huisbak onbeleefd verstooten En 't ei verkiezen van het hoen.
Zoo ziet men eer een zwerm van muggen, Unn kemels mot gebulte ruggen,
In zwermen vliegen om de kaars; Zoo worden, aan den rand der slooten, De reigers, met hun lange pooten,
Zeer zelden opgeslokt door baars.
Zoo is do zevende verdieping Vry van verzakking en van zwieping, Als men maar 6ón verdieping heeft: Zoo znl een eerlijk man zijn kiezen Nooit op zijn derde jaar verliezen.
Als hy maar dertien weken leeft
Zoo zou ik byna durven zweren, Dat kinders in de lange kleêren
Meest korter zijn dan hun .japon: Zoo slaat men aan een rieten hengel Veeleer een worm aan dan een Engel; Gesteld, dat m' Englen krijgen kon.
Zoo schenkt men zelden worst uit kruiken, Of witten wijn uit palingfuiken.
Of rooden uit een leêgo fleseh: Zoo snuift men zelden uit zijn schoenen, En snijdt geen messen met kapoenen, Maar moest kapoenen met een mes.
Zoo ziet men aar, de onzichtbre transen Geen morgen-avond-wcêrschijn glansen. Geen regenachtig ijsgareel:
103
104 De morgenstond.
/,oo zal de toon der bosclikoralen Geen bvieschend strijdros achterhalen liy 't schel geluid van Philomeel.
Laat vry de hol dan zinloos -woeden. De hemel in de pekelvloeden
Zich storten van der Alpen kruin; Ons lacht de gouden zonneregen In 't druivenat der perzik tegen En voert, langs ongenaakhre wegen Ons naar 't gewest van smart en zegen. Naar 't ontoegankelijk «Woestduin.quot;
T)E MORGENSTOXn.
EENVOUDIG GESCHETST, VOOR DE JEUGD, DOOR HUN GROOTVADER.
Hoe pleizierig is de schoon© dageraad,
Als men 's morgens zeer vroeg opstaat.
Alles ziet er dan zoo overheerlijk uit,
Hat men het aardrjjk zou verwarren met een fraai gekleede bruid,
En de zon schijnt zoo natuurlijk achter de boomen.
Alsof er een nieuwe kaarsemakerswinkel in de buurt waar gekomen. Doch merkt gy thands wel, hoe in 't groen gebladert Het gevogelte dos Hemels zich reeds vergadert,
Kn de nachtegalen, oudtijds genoemd Philomeelen,
Voor hun natuurgenooten op de dwarsfluit staan te spelen.
Terwijl de overige gevederde pluimgedierten in 't groen
Elkander liefdesverklaringen doen 7 En beklaagt gy in uw hart niet die luie knapen.
Die den morgen op hun leger verslapen;
De mnrijenstonit.
(Ik meen hier natuurljjk geen legerschan-n,
Als dio van Prins Maurits of wijlen Z. M. Willem 11 waren,
Maar leyers van veeren, zeegras of varen):
Want 's morgens is toch waarachtig De dageraad al byzonder prachtig.
De dageraad vertoont ons verscheiden soorten van water,
Van de murmelende beek af tot aan de sluis of katerakt met dcsiclf.
geklit tor
Mitsgaders slooten en vijvers, en zelfs gantsche rivieren,
Vol van veelsoortige hombaars en andere lekkere dieren.
Of, zoo men 's morgens eens naar 't zeestrand wil gaan,
Ziet men daar, in eigen persoon, den grooten Oceaan,
Met deszelfs opeengestapelde golven,
Waarin, naar men beweert, meer dan één Oostinjevaarder ligt bedolven Of zijt gy integendeel meer gesteld op wilde beesten en hout. Dan noodigt u de dageraad naar een door do maan beschenen woud. Waar 's morgens bloeddorstige tijgers en ontaarde leeuwinnon Derzelver middagmaal met een ontbijt van verslonden reizigers beginnen Terwijl vernuftige papegaaien en apen niet schroomou Het edel menschenpaar na to doen in de booraen.
Hy, die dit alles zonder aandoening ziet.
Verdient den naam van fatsoenlijk man toch niot.
Of wilt gy soms liever eens naar de boerdery toe ? â koom 1 En sla 's morgens met my acht op de melk en den room,
Mitsgaders op die kalf-, vare- en andere koeien.
Die respectievelijk 't melkuur zitten tegen te loeien;
En op dien keeshond, die bedelaars en dieven verjaagt.
En die 'b zomers zeer door de vliegen wordt geplaagd:
Terwijl de noeste huismoeder, zelfs vóór den ontbijt.
Zeer dikke boterhammen, die zy stikken noemt, snijdt,
Of, gesteld zy een zuigeling heeft,
Aan ZED. de moederborst of een lepel pap geeft.
Wie 's morgens by dit alles nog ongeroerd kan blijven.
Moest onder zijn hart maar liever straal steen schrijven Doch wilt gy van hier nog elders heen 1 Welaan!
Xjaat ons dan terstond paar den moestuin gaan;
l)e niorgemlond.
Uier treft u hot tuingereodachap wellicht en ziet gy over de heining de
vaail.
Voorheen met een volksschuit in zich, getrokken door een heer te paard ; Doch ttiunds, nu de spoorweg in Europa de overhand hooft verkregen. Verschijnt een trekuchuit zeer zelden op onze groute wegen.
Aan deze zij der haag vindt gy echter mispelen, koolzaad, brambozen Winterpeeren, jonge kropslaê, zuring en abrikozen,
üokontijte zuurkool, kievits-eieren, knapkersen, mitsgaders radijs, Roomsche hoonen, versehe artischokken (dagelijks verwacht uit Parijs), De geestigste ajuinen en al de produkten van een aardsch Paradijs, Terwijl, heeft men er Italiaansche populieren.
Dezelve natuurlijk den hof nog meer vorcieren.
Vin, gelijk een jong botanist terstond zal beselfen,
Berzelver kruin boven de lagero boomen verheffen.
Enfin, allerlei soort van keurige groenten en fruit Kijkt blozend hier 't gebladerte uit.
Behalve leliën en witte rozen.
Die gelijk van zelf spreekt, niet wel kunnen blozen.
Mijn hemel 1 wanneer men dit alles nu toch nagaat,
En by gelegenheid voor dag en dauw eens opstaat,
Ia er dan 's morgeus iets fraaiers te vinden dun de dageraad?
, Iets, zoo veel vroeger dan 's avonds laat?
En toch iets, zelden of nooit zoo donker Als do nacht is, niettegenstaande het stergeBonker?
Voeg hierby nu de vroegpreek en 't hanegekraai,
Eu dan is de morgeiiBtond toch al byzonder fraai; â
Of, is er verder nog iets ter aanbeveling noodig,
Dan is dat iels voorzeker ten eenenmale overbodig.
'i ! 1
De avondstond.
DE AVONDSTOND.
Wnt is tnoli, wannoei' liet donker wordt, do avondstond verrukkend ! Vooral, wanneer men over dag heeft moeten zoggen: «wat is liet drukkend! En dan drinkt men met veel meer pleizier
Een scharretjen met een glaasjen bier.
Ook weet ik niet, hoe er menschen kunnen zijn,
Die iets hehben tegen den maneschijn Of die over de staartstarren Zoo bijster kunnen harrewarren,
Zonder dat zj schijnen to weten,
Dat liet niet anders zijn dan Uomceten.
Wnt by avond hoogst opmerkelijk is inderdaad, fa onbegrijpelijk voor wie geen Natuurkunde verstaat,
Is, dat dan altijd do zon in 't Westen ondergaat,
Ja zelfs zonder dat zy 't een enkelen avond overslaat,
l'n evenmin valt aan een onkundige de verklaring licht.
Dat, als hy haar naloopt, zy hom altijd schijnt vlak in 't gezicht,
En zijn schaduw hem dan ook volgt op den voet.
Maar hem vooruit loopt, zoodra hy het tegenovergestelde doet.
Doch wie zulke physische verschijnsels wil expliceercn.
Dient eerst nog een jaar of wat in het vak te studeeren.
Doch wenden wy liever onze blikken naar deze statelijke abeclcn.
Dat zijn kinderen, die daar onder spelen.
Aan hun schoolboek, benevens hun lei en hun spons.
Hebben zy in dit bekoorlijk avonduur natuurlijk renons;
Terwijl andere menschen Mekaêr fatsoenlijk «goeden avond-' en «hoe vaar je?quot; wenschen.
En andere weer zich vermaken met stoeien,
Of met op den kant van een weiland te luisteren naar 't loeien.
Van de zich aldaar bevindende ossen of koeien.
Of ook wel, om in een tentschuitjen naar de overzij te roeien.
Maar nu komt er iemand met een viool. â Hoor toe!
â¢107
Da terugkomst van den zomer.
De man is blind; ofschoon ev dat in 't donker minder toe doe.
Die by dat fraaie geluid zich niet voelt opgewekt, meê te zingen,
Of voor minst een polka of galop, of touwtjen te springen,
Van dien kan men zeggen, zonder dat men zich vergis,
Uat hy een mislukte kweekeling van het Instituut der Doofstomnicti i
Ãf wel, dat hy in plaats van met een hart te zijn geboren,
Hy een kei in zjjn borst draagt, en dat nog wel een bevroren.
Doch hier komt voor de variatie een onweder aan.
Menige schoorsteen kan nu gerust zeggen: «'tis met my gediian.quot; Terwijl in de verte, van achter de wolkgordijnen,
Van tijd tot tijd de blixem begint te verschjjnen ;
Ofschoon 't zoo donker is in 't verschiet,
Dat men bovengenoemde zelfs meermalen niet ziet.
En er ontstaat zulk een vervaarlijk rommelen van den donder,
Dat men een honderd ton turf meent te hooren, rollende van den zolder CJoacconipagneerd met zoon ongemakkeljjke regenvlaag, naar onder, Dat ik menschon, die zonder paraphii zijn, beklaag.
De halve populatie is onmiddelijk druipnat;
De andere helft heeft kou gevat;
De rest neemt terstond een warm bad:
Van 't overige gedeelte heb ik geen tijding gehad.
DE TERUGKOMST VAX DEN ZOMER.
Zoo is het warme weer in 'teind teruggekeerd En ziet men lieden, wier gezondheid was bezeerd Door kou, zich in den gloed der zonnestralen koestren,
Niet langer in hun huis geklemd als Texelsche oestren. De Zomer nadert en do Winter schuurt zjjn piek;
't Was tijd waarachtig; want hy maakt het menschdom ziek. Nn kan men in zjjn hemd of zomerbroek weer ioopen En aan een crediteur zjjn duft'elsch buis verkoopen;
108
De tertiykortist mn den zomer.
Nu mag do mensch weêr met zijn hond uit zwemmen yaan, Of zich verdrinken zoo zy 't zwemmen niet verstaan.
INu ziet men 't vlooienvolk weêr blij zijn Imwljjk vieren Nu ziet men 't vlooienvolk weêr blij zijn Imwljjk vieren e|| Kn 'tmenschdom plagen met hun angola, vreeabre dieren,
IZich nestiend in ons hair of tusschen hals en kraag Of in de kniebocht of in 'tkuiltjen van de maag En iemand stekend, dat hy tureluursch en gek wordt,Zich nestiend in ons hair of tusschen hals en kraag Of in de kniebocht of in 'tkuiltjen van de maag En iemand stekend, dat hy tureluursch en gek wordt,
Zijn lichaam zwelt en rood als versch geschilderd spek wordt; Waarop hy 't springend vee met duim en vinger knipt, Ten zij 'fc gezegde vee hem juist by tjjds ontslipt. â Nu hoort men dikwijls: «kom! 'theeft eindlijk uitgeregend, «Ik heb geen paraplui te dragen; dat 'sgezegend.quot; â Zoo spreekt men en gaat uit in 't zonnig middaguur ^11 ! Doch komt weêr t'huis, doorweekt gelijk een kinderluur.
in(j0, Nu ziet men doorgaans twee uit wand'len gaande minnen,
Elk met een telg bezeuld, al 'tmoogljjke verzinnen Met dot of ringel bel, om 't schreeuwend min-verdriet Den mond te stoppen in de warmte: â 't baat haar niet Moe meer ze tobben met die ongespeende leeuwen,
Moe meer heur zooggebroed de buurt by een zal schreeuwen. Nu legt men 's avonds vaak 't flanellen borstkleed af En staat verwonderd, dat men 's morgens ligt in 'tgraf Ja, menig Vader gaat uit wand'len met zijn kind'ren,
Die op zijn toonen staan, zjjn exteroogen hind'ren, # Do panden scheuren van zjjn stofjas, en, als dol,
Zijn vest bezoedlen met hun vuilon krullebol,
Doch d'oorsprong van hun zjjn blijft in zijn lot gelaten.
Zjjn 't niet zijn kinderen, zijn na- of achterzaten 7
Is 't niet zijn eigen bloed, dat op hun wangen bloost?
En is hun moeder niet de moeder van zijn kroost ?
i Een kinderlooze alleen heeft recht, zich soms te belgen, «Als op een wand'ling hij geplaagd wordt van zjjn telgen.quot; Zoo spreekt de vader-filosoof, daar de oudste zoon Inmiddels mislijk wordt, als 't rooken niet gewoon, En 't jongei' broederpaar, by 't vogelnest-verstooren, Op 't minst twee derden van zijn broeken heeft verloren. â
lt;09
Waterteug voor den armen broeder.
Zoo brengt de zomerdag genietingen ons aan,
Waardoor liet mensehlijk hart op 't zoetst wordt aangedaan.
WATERTEUG
VOOR URN ARMEN BROEnER.
Oehrolcen a.rmslocl: is armondf e⢠misdaail ?
Flutucelen Uiik/sed ; is zy gecne ?
Ouderwetscbe kleederdracht- en hnisraad-samenspraken, nopens het mijn en liet dijn der iiedendaagsche mensclielijklieid. â Onuitgegeven.
La settle chnritê vvainicnt charitable, c'ps' l'^goïsme.
Cliampagne, in 't overvloeiend glas Gegoten, of het spoeling was.
Komt in uw woning niet te pas,
Noch bruigomstreelend hypocras.
Noch kievitsei uit lentegras,
Noch hartverkwikkende ananas,
Noch flageolet, viool of bas,
Ofschoon 't uw gouden bruiloft was; ') Geen uurwerk in uw gordeltasch.
Geen steenspeld in uw bonte das,
Geen zijden voering in uw jas.
Geen bedgordijnen in de kou.
I) Pp moderne Philantropen verwarren doorgaans tvas met waar.
Noot vand'gt;n Splioolmeestei.
Walerlcug uour den armen broeder.
Gcon dekons voor uw kranke vrouw
Noch bij haar tloodabed 's nachta con kaars:
Geen rouwband in uw diepen rouw,
Noch troostrijk slokjen ouragao:
Geen opgekrulde waterbaars,
Vol hom, gelijk mijn overhemd.
Of dikke kuit, gelijk mijn laars,
(Voor 't maal van mijn maitres bestem'!
En drommels lekker, duur, en achaarscu;
Voor u het ivaler; â doch de baars
Voor d'eignaar van gezegde laars. â
r, \l 1 E V E N,
li ft ll S ï E B It 1 K F V A N Ml gt; A
Een lief kind van zestien jaren
Heeft in Londen u ontmoet, Dichter met uw grijze hairen,
Dichter met uw jeugdig- bloed! Dichter met gelakte laarzen!
Gloei een ander voor uw vaerzen. Uw persoon is 't. die van gloed Wilhelmina branden doet,
Ze is begeerig, ze is begeerig â Ach I wees gy het wederkeerig â Naar een schuldloos rendez vous. Kom dus, lieve dichter, wilje. Morgen vroeg in Piccadilje,
Morgen vroeg naar Mina toe, In het koffyhuis de Koe.
Ach! in onze schoone sexte. Waarde dichter, is 't het gekste,
Dat men 't zoo niet zeggen mag, Als m'een heer niet-kan vergeten, Dien men 's middags na don eten
Op een morgenwand'ling zag; Dat men 't nooit durft avoueeren Als de zinnen laboreeren Onder liefdes too vers lag.
Eerste brief van Mina.
Als meu dorst zijn liartjen zetten Op een lieer met epauletlen
En een krijgsblik vol ontzach,
Op een jong üostinjevaarder,
01' zjjn broer, nog veel verin aarder.
Zeilende onder Hollands vlag,
Op een dichter, vlug en olijk,
Altijd geestig, altijd vrolijk.
Jeugdigst op zijn ouden dag.
Met een rijmlarij vol zoetheid.
Mot een hart vol warmte en goedheid.
En zoo stemmig van gedrag!
Zoo gy thand» mijn hart kost hooron JJouzen : »'k zit hier in een toren,quot;
Dacht gy, »waar een klok in staat,
Welke klok juist tvvalef slaat.quot;
Zoo gy thands my kost zien bloozen,
O! gy dacht dan niet aan rozen
(Bloemengeur is my te laf);
Maar gy dacht dan aan de kreeft, eu Hoe die zwart ziet als zy leeft, en Rood ziet als zy zinkt in 't graf.
Toen ik, in de lan ge kleeren.
Nog naar school ging als een kind Zat reeds Amor m'in de veêren,
Werdt gy reeds door my bemind.
Toen ik naderhand uit naaien
Of somtijds uit manglen ging.
Deed UE my 't hoofd reeds draaien,
Veel geachte jongeling!
'k Hob naar u, op Amstels grachten,
Met mijn paerschen omslagdoek,
Dikwijls uren staan te wachten
Aan een sluis of op een hoek.
Dikwijls vroeg uw trouwe Mina Aan den jongen van Doctrina liKDKJHTEN V. 1). SUUÃULMÃESTER. 8
113
Eerste brief van Mina.
Of van Felix Meritis,
Of aan dien van Believue, «Zeg my, jongenheer! kan uwe
Zeggen of mijnheer 'er ia?quot; En ook thands nog is zy smoorlijlc, Ofschoon gy reeds min bekoorlijk
Beide in hair zijt cn gelaat, En in 's Waerelds expositie Heeft haar hart geen zier ambitie
Omdat gy niet met haar gaat. Daarom kunnen schuiftrompetten Wilhelmina niet verzetten,
Noch do Uollandsche servetten: Daarom is zy van den draad: Daarom gaat zy de omslagdoeken Van het Oosten niet bezoeken, Noch de Bosscher monsterkoeken. Noch het kostlijk koorgewaad Van don Kerkdijken Staat,
Noch de snuif der Portugeezen, Noch het lakwerk der Chinoozen, Noch de kaailui van d'Euphraat, Noch Calcuttaas elephanten.
Noch het puik van Brussels kanton, Noch den prins der diamanten, üie den grootsten bluf hier slaat, Zelfs by vollen dageraad,
Noch dio keur van Malachieten, Die de Czaar der Moscovieten
Uns voor 't eerst hier kijken laut, Noch de Oostinjische parkieten, Noch het Saxisch porselein, Noch al 't moois van't Zollverein, Noch de groote springfontein: Daarom is mot al haar foulen, Die hier stroomen, wenden, woelen,
114
Twepde brief van Mina.
By tienduizenden krioelen, d'Exositie, beste maat,
Haar een huig, dat ledig staat. Omdat gy niet met liaar gaat; Daarom, schoon zy jong cn bol is, Maar op u, Mijnheer, zoo dol is.
Valt zy levend van de graat. Ach! beklaag dus haar positie. En hoor gunstig haar petitie,
Die zy thands to schrijven staat. 7.0 ia begeerig, ze is begeerig, â Ach! wees gy het wederkeerig â Naar een schuldloos rendez-vous. Kom dus, lieve dichter, wilje. Morgen vroeg in Piccadilje, Morgen vroeg naar Mina toe, In het koffijhuis de Koe.
TWEEDE BRIEF VAN MINA
Om de7H liefde I VONDKL.
Zyt gy op my vertoornd En als een stier gehoornd En slaat gy geenszins VIII Op mjjne jamraerklVIll ?
Het was in 1 en 5tig, ach 1 Dat Mina 't laatst u zag.
Te Londen in »do Kooiquot;
Zag zy, in Amors boei,
Nog naauwlijks zestien jaar,
ö, Camiibaal I aldaar.
U
Tweede brief van Mina.
Niet dat gy my toen opat: neê,
Maar wel mijn zielevreê,
Neon, op 't Criestal-pelijs Jn 's aardrijks schatkist grijs,
Daar zag ik voel te veel Van u, o Philomeel!
Voor VVilhelminaas zielorust,
Sints toon vaarwel gekust.
Omdat gy sedert Eon-En vijftig, heel gemeen,
Geen taal of teeken geeft Of gy nog leeft, of sneeft;
Daar toch geen schepsel ligt in 't gnif Of 't zond bericht vooraf.
Wat is voor my op aard'
Prieel of bloemengaard,
Een hof, van ruikers vol,
O snoodo krullebol!
Mijn neus, o Karei, que j'ad oor,
Leont aan geen ruikers 't oor.
Ik minde u reeds als kind,
Toen ik, van honger blind. De moederborst ontfing.
Of op den leiband hing,
En. zoo die leiband plotsling brak,
Mijn neus in 't aardrijk stak.
Of is 't u onbekend,
Hoe gy mijn afgod bent,
Dien ik veradoreer,
En hoe, WelEedle Heorl Ik â immers voor zoo ver ik weet â Nooit met een ander vroed.
Tueede bric/ vcm Mma.
Hoe 'k 's avonds op de gracht Soms uron op u wacht,
En slechts uw achim zio staan Voor 't raam, met nachtgoed aan Of door 't gordijn uw neus aanschouw, Ren neus, my zoo ontrouw!
Of hoe ik, minziek Turk!
In een besneeuwde jurk Vaak 's Winters op den Dam Mijn jamren klagen kwam Aan die victiem op 't monument, O Turk! u wel bekend.
Wen 's nachts in vleuglendosch De meeuw schalmeit in 't bosch Kn ik 't gevederd choor Mijn aandacht leen en 't oor. Dan zucht ik tevens op mijn sprei: «Zoo klonk eens zijn schalmei!quot;
Wat heb ik u gedaan, O kallekoensche haan!
üat gy zoo nijdig ben O blaauwbaard, op uw hen, Kn zoo'n gramstorig aangezicht Met sporen tot haar richt?
Heeft men u soms vermoord,
Of in uw vet gesmoord, Of u verempaleerd,
Of anderzins bezeerd.
Dat gy onlangs in uw portret Hat grimmig wezen zet ?
Ken zegen is 't voor my.
Dat ik zoo schuldloos zij,
Tweede brief vun Mimt.
Van top tot teen zoo pluis,
Ja, net zoo maagilijk kniscli Als toen ik in do luien lag Kn 't eerst uw oog my zag.
Ja, d'onschuld, jongeling!
Is oevst een heerlijk ding En was mijn hoofdsieraad Van 's levens dageraad.
Verleiding â schoon 'k er niet op snoof â» Vond Mina waterproef.
Geen forsche lijfstaffier,
Geen dienaar, Soudenier,
Geen Generaal van Geen Vraagt Minaas vesting, neon ;
Jlaar Citadel eiseht geen Chassó Zy zeit eenvoudig: nee.
Mijn onschuld is berucht;
Daar ik de fuik ontvlucht.
Die my Cupido biedt Met pieren in de vliet,
Een maagd, op Amors pieren :;ot.
Vangt doorgaans niets als bot.
Wanneer ik soms de maan Aan 's Hemels trans zie staan.
Dan denk ik: «Mina, gy «Bent ruim zoo gaaf als zy.
IM
»Daar u met dien en die mignon «Toch nooit iots slechts begon.quot;
Wat, jongling! mijne zie! In u het meest beviel. Was niet uw huisjas-hair
Tweede briej van Mina.
Het was uw lier, Tartaar!
'k Zag in uw kruin een valen knol,
Doch in uw brein Apol.
Het zonlicht reist en daalt;
Doch in mijn boezem straalt Het levenslicht der m n,
Dat end heeft noch begin.
Van uoht- noch avondschoemring woot, O grijze lierpoëet!
De zee met haar gedruisch En buldrend golfgebruisch Is 't kabblen van con vliot,
Dio langs de biezen schiet, Js 't ruisoheu van d'KooIscho snaar. By Miuaas hartmisbaar.
O ziel met angst vervuld. Als varkensworst met zult 1 O ongelukkig kind.
Dat zoo'n Tartaar bemint!
â Ik deel my zelf dees toespraak mco; 't Is een apostrophe. â
Mijn hart, met wee bevracht,
Wenscht thands u goede nacht. Ofschoon bewust hiervan,
Dat ik niet rusten kan.
Het bed, waarop de wanhoop slaapt, Gedoogt naauw dat men gaapt.
En, hoe verstokt gy bleeft. Die nimmer aan haar schrecl't,
'O Eerste brief van den schoulnteesler.
Die toch, zoo lang zy loeft Hoogachtend de eer steeds heeft,
Om, Totes Tuwes, in de hoop u weêrtezien.
Te zijn,
(yet.) Uw Willemieu.
l'oor kopij conform-.
ui; School meester.
EE11STE b 111 li F
van dun school meest eb.
Naauw trapt ge een ezel op zyn teen Of 't graauwtjen schreeuwt de buurt byeen; Maar streelt gy hem de Midas-huid, Terstond heeft al zijn razen uit.
Uit mijn onuitgegeven gedichteri, ÃSste druk. blz. 114a.
AAN EKN VlllKNÃ.
Wat aangename geur van zoetheid
Spreidt zich in uw geschrijf ten toon! Wat treilend en oorspronklijk schoon, Waarvan de bron in 't rein gemoed leit, Lacht m' in uw brieven vriendlijk aan En doet my opgetogen staan,
Als ik uw vlucht mag gadeslaan. Wat keur van uitgezochte woorden, Gedachten vol van klem en zin,
Vindt mijn verrukte ziel daarin I Wat onnavolgbre harpakkoorden:
H!
liet zij ge, op Messiaanscben trant, ') De dichterlijke luite spant,
Of, onbesmet in toon en maat. De kracht van 't rijmwoord gelden laat. Het zij ge op lager wieken drijft En in poèetisch proza schrijft,
Is al, o puik der puikpoeetcn!
O dichter, als er weinig zijn!
't Is alles uitgezocht en fijn: 't Is snoeperij, 't is ambrozjjn,
Die Goón op hun verjaardag eten:
't Is nektar in een aardsch pokaal: Ja, 't is verkleede hemeltaal.
Hoe heb ik schier in alle straten,
Mijn achtbaar hoofd half gek gezocht,
1) Messiannsche vaerzen werden, in mijn jeugd, naar zekeren mijnlieer Mes of â lio er een bol in was, de zoodanige genoemd, die maar iu scliijn rijmen, als ketent en rekent, koestaart en ploegztuaard, grijzaard en nijlpaard. Een voorbeeld leveren do volgende, uit een gedicht, op de promotie van twee mijner vrienden vervaardigd:
Berst los, bezielt u, Messianen
Igt;y 't plengen van den eerewijn.
Verheft den roem van groote namen,
In 't onnavolgbaar kreupel rijm.
Zij wijd en zijd de lof vernomen Van... 's onnavolürbre zonen,
Dees dag met eeuwige eer omkranst:
En by den blijden klank der kelken Moog ray, Apol, uw dichtvuur helpen;
Het was ray nooit zoo nut als thanda.
Ach! thands verdeelt zich beider loopbaan.
Want de oudste zal, als Proponent,
Fiks naar een Predikantsplaats doorslaan,
Zijn teeder lief in d' arm geklemd: En d' ander, die niet minder leep is, Brengt offers op 't altaar van Themis.
Eerste brief van den schoolmeester.
Wnar die bankier toch wonen moelit. Die my 't beloofd getal dukaten,
Waar 't meer dan eens my aan onllinik, Zou storten in den leègcn zak,
Eer ik, na vruchtloos hersenbreken,
En min gelukkig dan Gil Bias,
Begreep, dat (alles wel bekeken) Die assignatie op uw kas Er eentjen van papaatjen was.
Zoo kunt gy, schalk, aan groot en klein, Een knol voor een citroen verkoopen :
Zoo laat gy zelfs het kloekste brein, Wanneer 't u lust, aan 't lijntje loopen; Zoo hebt gy, door uw fijn vernuft. Ook my (is 't moogljjk!) overbluft. Hoe zou 't my hart en ziel verrukken.
Zoo ik mijn plan mocht zien gelukken Om al uw brieven te doen drukken En 't honorarium aan my Werd afgestaan voor uw copy.
'k Ging dan terstond mjjn renten leven, En kocht van mijn fameus fortuin Een burcht of lustslot op het duin. Alwaar ik theevisites geven Eu u gestadig zoii omzweven.
En van mijn wierook u voorzien, Of, mocht ik soms uw zijde ontvliêm 't Zou enkel zijn om de interventie,
Mijnbeer, van uw correspondentie.
Tuiende brief valt den schoolmeester.
TWEEDE BRIEF
VAM DEN S C H O O L M E E S T E B.
AAN EEN BEER.
Het hart is goed; doch 't hoofd is zwak,
En drommels zwaar het daaglijksch pak,
Wel driemaal zwaarder dan mijn las,
Die kale, lichte, leêge zak.
Waar nooit een zilvervloot in stak,
JJio nooit fameus als spaarpot was.
Bedenk dit eens op uw gemak.
En raak niet in een booze luim.
Als ik het schrijven soms verzuim,
En 't zenden van het lieve geld
Wat al te lang werd uitgesteld,
Omdat ik );ik en weet niet watquot;
In 't hoofd, doch niets in 't beursken had
Ai ! lieve vriend! heb dus geduld
Met al mijn traagheid en mjjn schuld
Vcrbeeldingsvuur is uitgedoofd,
Het warlend brein is moêgesloof'il
Het matte lijf is krank geplaagd
Het hijgend hert is afgejaagd.
Zie dus meewarig als weleer
En vriendlijk op den balling neer
Aanvaard zijn schuldbelijdenis
En schenk hem u vergiffen . â
Vergeven is, vooral naderhand, steeds plaizierig, En beter dan een pak slaag, ofschoon minder zwierig
Derde brief van den schoolmeester.
DERDE BRIEF
VAM DJiN SCHOOLMEBSTEJl.
AAN ....
Londen, 17 October 1834.
Last nu de boetpsalm vrolijk door Egyptenland klinkon Eu Israël in de woeBtyn een glaasjen extra drinken.
1. v. L. De Commissie van Landbouw in Goeen. Treurspel.
Laat d'Elephant nu vrolijk zingen,
£n 't hupplend rendier in do wei Van vreugd op 't hoofd des drijvers springen
En tooi zich 't zwijn in feestlivrei:
Knip nu van 't strijdros hobbelpaarden.
En ducatons van de oorlogszwaarden:
Laat de adelaar het wollig lam Van blijdschap met zijn vleuglen dekken En,' onder minzaam trekkebekken,
De wond van 't blaetend zeekalf lekken.
Nu 'k tijding van mijn vriend bekwam.
Laat bijt-wolf vredepalmen rapen
En vlechten in der lamren huid.
De tijger naast de leb-aal slapen
En wurmpjes zoeken voor z|jn buit;
Laat nu te Lis de feestwijn vloeien,
En 't baarsjen in den schotel stoeien.
En 't rookend wildbraad onder 't mes Het land van A. 11 C. bevrijden :
Laat heel de schepping zich verblijden En ZB........'s trouwe vriendschap de dichtstof van mijii zan^crof.
124
Vierde brief van den quot;rlutolitieealnr.
VI EBDE It It IE V
VAN SCHOOL M EES TlOli.
FRAGMENT UIT EEN BRIEF OVER UE lliTTK IX .MAAIiT.
Keu philantroop hoeft onlangs to Maastricht Eon acoustic Hospitaal voor dove kolen gesticht:
En wat gy van 't weer uit Holland my bericht
Geloof ik heel licht:
Want hier leit de Maas ook niet dicht.
Het is zelfs bonaauwd; kou vatten wordt bijna een plicht.
Van daag b. v. is het zeer warm en fraai,
En men hoort veel klachten onder de kooplui in baai.
L)e hertog van Wellington gaat 's morgens al uit zwommen als een haai. Nu moet ik er by zeggen, hy is byzonder taai.
In de boomon is hot reeds niets dan gekwinkeleer en gekraai En in den vijver eon continuoel geflodder en gedraai.
Ik ken vinken, die hun nest roods maken, o. a. oen ouden papegaai. En gisteren hoorde ik twee vogels tegen mekacr zoggen. oik braai.quot; Doch ik moot er by voegen : het was niet in do natuur.
Dat zy dit zeiden; maar in de keuken voor 't vuur.
Hopende dat ik spoedig u hier in welstand by my vinde,
Verblijf ik uw oprechte vriend.
Mijnheer en Mevrouw V. 1). L.
Vijfde brief van den schoolmeester.
yijFÃe nuiEp
â¼ A* DEM SCHOOLMEESTER.
(FRAGMENT.)
Ik schrijf u mot een treurend hnrt:
Mijn maag, thands in een strik verward, Die al de slimmigheid der art-senykunst en aptekers tart,
Is krank, en ganseh en al bezeerd. Het stuivera-broodtjen. onverteerd.
Roept luid: o't is alles hier verkeerd !quot; Terwijl 't kadet, het stuivers-kind.
Zich even onverteerbaar vindt.
De haas, de vlugge runderhaas,
Zegt: »dezo krankte is my do baas,quot; Citroenvla, taart en konfituur! Uw zoetheid walgt my in dit uur,
Zelfs 't glinstrend klontje, op 't theesalet My 't hart geheel aan 't draaien zet. Weg lekkerny uit Oost en West! â 't Ontbeerend vasten voegt my best. o Vue, in overvloed geniest 1 Uw rundvleesch is my thands een pest, Uw kalfsehijf' ben ik walgens moê. Weg met hot vleeschprodukt der koe; Weg met do lamsbout en do nier. Den zweezrik, 't borstjon, weg van liiiT 'k Hou van uw lekkerheid geen zier En haat thands ieder zoogbaar dier.
Zdndu 7 van clou school moes!ay.
/ E S 1» i : 15 K I V. F
VAN PEN S C II O O L M 13 E S TH II.
Orlijk oon'Grootvorstin haar zonen, Op t vor-fljjk ledikant geteeld.
('icstadig en verd .... â verveelt Wanneer zy, om hun vlijt te loonen,
Voor hen op 't draagbaar orgel speelt Of iets uit Plato mededeelt:
Gelijk een ouderling zijn kind'ren â Wier dartel woelen en gedruisch Een molen maken van zijn huis En in zijn ambtsboioep hem hind'ren â
Naar zee zendt in een haringbuis:
Gelijk een jas, met lange mouwen
En met een halskraag als een vlag, Wel aan een klopper, zeer verkouën.
Maar geenszins aan de bloem der vrouwen, Vooral op haar geboortedag Van zestien jaren, passen mag:
Gelijk een man zijn zomersokken
In 't herfstsaizoon op 't aardrijk spreiftp En in zijn vrouws flanellen rokken
Op 't bed den wintermorgen beidt:
Gelijk een zuigling in de luren
't Geheim der toekomst slechts bevat. Schoon quot;t met zoo velerlei figuren Het linnen om zich heen bespat,
Alsof reeds van zijn jeugdigste uren
De Gelder hem had beet gehad :
Gelijk do telg der ezelinne
liet blanke vocht der moederappon Igt;nph d'ezelstommigheid meteen,
Zendf. brief van den schnnbneester.
Naar binnon slokt der malle minne:
Gelijk een talrijk huisgezin Met dertien kindren, vlug en wakker,
Meer brood eet dan een zieke bakker
Of zelfs een doode bakkerin:
Gelijk een logge plank, beschilderd Door d'ademtocht van 's kunsfnaars ziel Met woeste zee en veege kiel, Het menschlijk brein vaak heeft verwilderd,
Wanneer ze op menschen-hersens viel: Geliik met kramppijn in de zijden En met een steenpuist in de pap,
Geen manke drost in 't baantjen-glijden Of wel in 't sierlijk schaatsenrijden. Met beentjens-over, voor de grap,
Zich oefent op een stellen trap:
Gelijk een koets, vol eedle zielen,
Door 't wisslend reisvermaak bekoord, Met twee span paarden en vier wielen,
Op 's Heeren weg of aan de poort Eer dan op iemands winterhielen Of exteroogen t huis behoort:
Gelijk een scheele zioketrooster
Zich doorgaands hoogst bospotlijk mankt. Wanneer hy in een nonneklooster
Verliefd wordt en aan 't vrijen raakt: Gelijk een vogel in zijn veêren
Zich beter dan aan 't spit bevindt:
Gelijk e^n bruid, voor 't respireeren.
Het wand len boven 't worgen mint:
Gelijk een hooge rechterschouder
Den linkerschouder lager maakt:
Gelijk men wel door jaren ouder
Maar nooit door jaren jonger raakt:
Gelijk op dertig February Geen metisch ooit port drinkt of canary,
lis
Zesde brief van den schoolmeester. 1-20
Uan ora een laffe bluf te slaan:
Gelijk een Turkeche kemeldrijver.
De zandwoestijnen ingegaan,
Zoo hy geen Hollandsch mocht verstaan,
üw laatste werk, o vruchlbre schrijver.
Nooit uit verveeling op zal slaan;
Gelijk nog wel eens aan een vijver,
â Maar schaars, uit militairen ijver En mot een schutterspakjen aan â
Een reiger blijft op schildwacht staan:
Gelijk in Holland eens Oranje
Een slingersteen van centnaars vracht Sloeg naar den kop van 't machtig Spanje En 't reuzenhoofd aan 't duizlen bracht:
Gelijk de vruchten onzer lenden
(Mijn beurs gevoelt dit, op mijn woord)
Ons dierder zijn dan onbekenden,
Van wie men nimmer heeft gehoord:
Zoo zeker zal ik u â om te enden â
't Beloofde lied voor «Hollandquot; zenden.
GEDICHTEN V. D. SCHOOLMEESTER.
9
FABELS EN VERTELLINGEN.
1)E LEEUW EN DE UAT.
EEN FABEL.
Een bejaarde leeuw zat geweldig in het naauw;
Want hy liad juist de jicht, en de jager was hem te gaauw:
Hy was dus in een net geloopen, door vernuftige mannen,
Ken week te voren, ten behoeve van ZEd. gespannen.
Dit ziet een bejaarde rat,
Die, door grijze ervaring op alles gevat,
Dy zijn eigen .dacht; «het kan mij nooit hinderen:
«Helpt het my niet, het helpt misschien mijn toekomstige kinderen, «Zoo ik vandaag den leeuw uit zijn lastige pozitio bevrijd,
«Doet hy mijn f'ainieljo licht een wederdienst op eeu anderen tjjd.quot; Zoo denkend slaat hy aan 't krabbelen en bijten met tanden en klaauwen Tot hy eindelijk een fameus gat in het net weet te knaauwen.
£n naauwelijks zijn de mazen aan alle kanten kapot.
Of de leeuw kamt zijn manen en zeit: «je bent waarachtig een knappe rot «Ga gerust naar huis: ik zal je zoo licht niet vergeten.
»A1 stonden er nou twintig gebraaien rotten op schotel, ik zou er geen
een van eten.
«Uit pure dankbaarheid jegens u, en tot vorstelijk onderpand «Van hetgeen ik zeg, aanvaard mijn klaauw of rechterhandquot; â
Maar ons rotjen, als een man van verstand,
Sprak: «een man zijn woord, Sire! was altijd voldoende in ons land:
De leeuw en de ral.
«Doch zoo UEd. er niets tegen hebt, plaats dan liever ons verdrag in
de krant;
«Want daar de diensten van de kleinen door do grootcn zoo gaauw
worden vergoten,
»En de kleinen nog op den koop toe door de grooten worden gebeten, «Is het boter, dat mijn natuurgonooten uw besluit uit de papieren weten ? ' De leeuw toont hierop terstond zijn erkentenis.
Door 't passoeren van een notariëele schuldbekentenis,
Dat namelijk, daar hy zijn leven to danken heeft aan een rat, Laatstgenoemde dezelfde aanspraak op zijn medoleeuwen had.
Dat, zoo hy hem vervolgens in 't voorjaar een goudsoho kaas zag eten, Hy hem zoo stil als een Dominee zou voorbygaan, als of hy er niets van
wou weten.
Ofschoon hy in zijn jeugd byzonder op ratton was gebeten;
Doch deze reize, door dankbaarheid aangespoord,
Had hy, om zoo te spreken, zijn natuurlijk instinct en inclinatie versmoord.
De moraal dezer fabel leert ons, of ik hob het mis,
Dat niets, voor iemand die het doen kan, onmogelijk is;
En dat, zoo men onder zwarigheden moet zwoegen,
Men zich maar onmiddelijk tot een ratjen heeft te vervoegen.
Of zoo men dankbaarheid wil in onze 19lt;ln eeuw.
Men maar dadelijk belet moet laten vragen by een leeuw.
Men hoort my niet zeggen: gaat naar de menschon,
Want wie dit doet, dien zou ik een beter gebruik van zijn tijd toewen-
schen.
Kil
Dc fulsoenlijke keeshond.
DE FATSOENLIJKE KEESHOND.
EEN FABEL.
Jlirabile dictu!
'k Wed, lezer I dit beijln verschrikt tl. DE KEES SPREEKT.
Dug en nacht.
En met mijn staart buvracht,
Dikwjjls zonder dat iemand mijn ontbijt my bracht,
üf, behalve ik, er aan dacht,
Zit ik op do wacht.
En waak, ruet raiju ooren overcnd, op decz werf.
Tot beschoriniug van huis en erf.
Bedelaars en dieven, en anderen van mijn naaragonooten,
liijt ik terstond in do kuiteloozo pooten,
Eer zy zich tweemaal aan do klein') stoentjens stoeten.
En trouwens, als ik maar kef Of aiijn neus boven mijn tanden verhef.
Zijn zy al weg eer ik 't besef.
Maar komt 's nachts een fatsoenlijk man
Met een oranjelintjen an â En dio een levertjen betalen kan â
üit) do jonge juffrouw, net als Don Juan,
lu een cales of sharaban,
Dan hou ik me maar doof en weet er niet van;
Want ik denk altijd: tegen mijn meerderen to bassen,
Dat ware, als blafie ik tegen de maan, en 't zou my niet pasten.
Leer hieruit, o jeugd, hoe gelukkig het is in der daad.
Dat een Kees in den Raad,
De kaasmahcr.
Op 's Lands werf of op straat,
In Pensionaris-, Minister- of bedelaarsgewaad,
Zijn eigen meester nog eer dan do Oranjelui verraadt, Als men maar altijd met gebraad.
Een pens, ot een lever in do hand staat.
I)E KAASMAK KR.
KEN FABEL.
Een dorp'ling, op zijn paard gezeten,
Ging naar de Gouvvselie kaasmarkt too. lij bad in lang geen kaas gegeten £n voeldo zicli dus bljj te moe;
Want op hetgeen hy niet bezit, Is menscb en dorp'ling 't meest verhit.
Het was een zoele zomermorgen;
't Was niet in slachtmaand ; doch in Hui. gt;De lui, die u die kaas bezorgen, ie Mensch 1 die leevranciers zijn wy.quot; Dus sprak, op 't zien van onze twee, Vertrouwljjlc tot mekaêr het vee.
» tls waar, daar is een kaas in 'ticven,
»Die hoofdkaas wordt door u genoemd; »Doeh dees wordt u door 't vee gegeven, «Wanneer 'ttot sterven werd gedoemd. »Zy wordt door 't varken u gebracht, «Na dat het varken is geslacht, »Ja, trotscho mensch, dit moet gy weten,
»üy, die do kaas snijdt op uw paard, »Gy kunt geen klein Edammertje eten.
De kaasmaker.
»0f 'tis u door do koe gebaard. »De molk, die tot de kaas behoort, «Brengt onze schoone sexe voort.quot;
Maar zie, daar treedt in volle pracht Een schaap te voorschijn met zijn vacht, En spreekt: »0 Ossen ! wordt gy dol ? »0 koeien! krijgt gy 'tin uw bol? »0 kalfskop! raakt uw brein op hol? »0f zijt gy blinder dan oen mol, ))En houdt ge u, of gy zoudt vergeten »De schapenkaas, die menschon eten? ,Hct keurig lammeronprodukt âDat na don disch de maag verrukt? «Kwansuis of gy 't niet hadt geweten 7 »Wy toch, zoo wel als gy, o vee!
«Doen aan de kaasnegotie mee.quot;
â «Jandorie!quot; zegt hierop een ram. Die om te luistren naderkwam, »Ik dacht voorwaar niet, juffrouw Lam, «Dat gy zoo dapper wist te spreken «En lansen met den vijand breken. âKom. volg my naar het echtallaar «En worden wy terstond een paar.quot;
Do dorpeling gaf hier den zwiep Aan 'tros, dat dit gezwets ontliep.
De wolf en het lam.
1) E WOLF E N 1[ ET LA M.
EEN FABEL.
(La Fontaine nagevolgd.)
»Zeg eens krullebol,quot; sprak een wolf tot een lam by een boek; »Waarom sta jo daar zoo te drinken als of geen mensch er naar keek ? » t Wordt hoog tijd, dat ik eens kennis met je maak en jo wat nader spreek «En dat zal heel wat anders zijn, dan mot rainmetjens te vrijen.
sVVou jy im hier het water bederven; dat zal ik niet hjen.quot;
«Maar mijnheer!quot; sprak hot lam; shoe heb ik het nu?
quot;Hoe zou ik u 't water bederven, ik sta immers veel lager dan U.quot; Do wolf kon die aanmerking, of dat slechte Uollandsch niet veelen; Want wolven zijn altijd gesteld op krakeelen:
En zei; oals je daarop durft staan,
»Je hebt hot vroeger al zoo dikwijls gedaan.
«Ik laat me door zoo'n kleuter als jy bent, niet verlakken.
«.ie hebt het my zes maanden geleden nog eens gebakkon.quot;
«Ik verklaar u,' zei 't lam, », op mijn woord van eer,
gt;l)at ik toen nog als ongespeende zuigeling in de wieg lag, mijnheerquot; «Wel lammotjon!'' sprak de wolf, en kwam al nader en nader;
quot;Was jy 't niet, dan was het je schoondochter of je vader.quot;
»Ik heb nooit geen vader of geen schoondochter gehad,quot;
Sprak het lam, dat al beefde als een koortsig blad,
lin by deze gelegenheid zijn heelen stamboom vergat.
,gt;Hou jo me voor de mal?quot;, zei de wolf; «ik zal je verloeren, «Fatsoenlijke lui op zoo'n manier te mystificeeren.quot;
Hierop verslond by met huid en haar liet geheele lam, of t een Engelsche oester waar,
Kn bracht de rost naar huis om er zijn kindertjens op te traktoeren
Het lam had hieraan natuurlijk het land;
Doch voor den wolf was hot net een kolfjen naar zijn hand.
135
De vlooi, de makelaar en de reus.
Sulmpon on kindoron: loort hieruit, dat, zolfs by stille beken,
Kun wandoleude wolf maar liefst moet worden ontweken,
01' je moest door uw ouders eerst -voorzien zijn geweest
Van oen sterke kindermeid, die oou partuur is voor zulk oen bsost.
DE YLOOI, WE MA.KELAA.ll EN DE REUS.
EEN 1'ABEI.
Als je pas uit de Amsielsiad kwam,
Dan zei je : âwat is 't hier toch klein in Kdam
Maar kwam je weer van Buiksloot,
Dan zei je! âdat Edam is je wat groot.quot;
i VVat is het van nacht ongemeen drukkend weer â Ik zweet me dood, op mijn woord van eer!
â Het loopt langs mijn wangen als schoenesmeei',
i iin wat trekken die vlooien hier ongemanierd van loer:
gt; Mijn gansche tabernakel doet me van 't krabbelen zeer.
»Wcl foei! dit is voor de eerste keer,
i.Dat ik van mijn leven boven een bakkery logeer;
i; Maar by leven en welzijn doe ik hot nooit weer.'
Dus sprak een Makelaar in teer,
Een gezet, oud Heer,
Vijf voet groot ongeveer.
En liep het slaapvertrek rusteloos op en neêr,
In zijn nachtgoed, net als een witte beer.
«Wat een berg «Van redelijk vleesch en merg!quot;
Zei intusschen, zonder erg.
En in 't voorbygaan, een nijvre vlooi, één van die sociale huisvlooien, Die 's zomers in do wanne pluoion
130
De vlooi, de makelaar en de reus.
Van een mensch zijn gewaad,
Of van zijn hals, of wel op zijn gelaat,
Zjjn huissolijk geluk komen voltooien,
En zijn sponde met slaapbollen strooien: Ja aldaar inderdaad â Ah men er aan denkt wordt men immers kwaad â Terwijl 't weerglas op negen en negentig staat, Tot zijn verdriet, onder 't laken,
Allerlei bokkesprongen maken Om zijn bloed te schaken.
iiEen berg? â
»Je meent zeker een dwerg ?quot;
Roept hierop een Philistjjn van een Reus,
Met een neus Zoo fameus Groot, dat er heus â En ik geef je de keus â
Onder al de tabakswinkels binnen de stad Geen één is, die op zjjn visites hot had.
Want naauwlijks komt hy aan de toonbank eens snuiven. Of 't begint de gansche buurt door geweldig te stuiven, Kn de schoonmaaksters â die trouwens geen van allen Op heur mondtjen zijn gevallen â
Roepen onder 't niezen allemaal:
Is dat die lange klaplooper weer van een snuifslikker,
â Oio leelijke sladood van een Franschen vogelverscluikkc
»Mct zijn kalen knikker,
»Dio hier al dat stof maakt in 't portaal ? »üch, geef je neusdoek eens eventjes, Aal! «Dat niezen, meidlief maakt mo sikker. »Wat een ongepermitteerd schandaal «Voor een dagloonstor mot een borstkwaal... »En 't stuift hoe langer hoe (likker.....
â Ik wod dat die hannekemaaier met zijn gemaal oZjn eigen inslok, dio weêrgiische wurgpaul!quot;
De mop en de kees.
't Was oen Reus kortom.
Zoo groot ala 't vaantjen van d'Utrechtschon Dom,
Vooral als hy op zijn toenen klom. â
Doch hier zegt oen leerzame knaap: »lk weet niet waarom ))Ken vlooi den Makelaar groot noemt en do Rous noemt hem klein.' Wol, omdat Makelaars kleiner dan een Reus en grooter dan vlooien zijn . Want alles, zie je jongelief!
Is in de Natuurljjke Historie relatief:
Dat spreekt als con brief.
]) E M O r E N 1gt; E K E E S.
EEN FABEL.
Wie *1 onderst nit do kan bepeert,
Heeft flnms aan 't lid zijn nens bezeerd.
ESCARBOÃCLE
Heu stirpem invisam !
Een mooie Mo»,
Zoo vlug als een barbier in galop.
Pas uit den dop.
Met een beeld, een knop Van een neus, â «net natte drop.quot;
Zei de hondondoctor: «en een tong als aalbessensop,quot; â
Enfin, een wassen pop Van een jongen Mop,
Lag voor do deur, in een geel envelop.
Met zjjn nieuwen staart onder zijn arm, en zijn ooron op En zoo doftig als een Aartsbisschop,
Maar zondor kraag om zijn krop,
In dc zon een pamphlet te lezen
138
De mop en de kees.
(Door wijlen den Inspoctour Generaal Van 't «viervoetig* Hospitaal),
Dat, naar ik hooi', zeer fraai moet wezen.
En zelt'a in 't «redeloosquot; Handelsblad werd geprezen :
a Over de leverziektequot; namelijk vonder de Keezenquot;
»En hoe die kwaal,
«Voor don ïvernuftigenquot; menseli zelfs fataal,
«Helaas! maar al to menigmaal «Onder dit «onvernuftig veequot;
(Volgens Gravé) '),
«Die bleekc keffers, uit happige eigenbaat,
«llyeensche hebzucht en galzieke overmant «Van duivelen-wangunst ontstaat,quot;
Toen, of het toeval 't wofl,
Een oude sjouw Van een stoffel.
Zonder wenkbraauw.
Met een oog als bezweken kabiljaamv,
Zjjn hiel door zijn ééne mouw.
En zijn elleboog door zijn andre pantoffel . ..
â Wat doet zoo iemand in do kou.7 â
Enfin, een Kees, zoo verwaand als oen paaaw,
Mank aan alle vier, maar anders vry gaauw.
Mot zijn staart in zijn rokzak, en een lever in zijn bek,
(Hoogst waarschijnlijk ontvreemd onder 't gesprek Aan d' een of d' ander slager in lamsvleeseh of spek;
Want in 't kapen zijn Keezen alles behalve gek)
Aan komt klauteren over 't gegrendeld hek.
Net vis-d-vis Mop.
â Met zijn staart thands op â
En in t passant nbonjourzeit: «gaat het je nog altijd gelükkig
1) Deze was, in de dagen toen onze Sclioolmeester nog een schoolknaap was, een akteur van liet llaagseli to one el, beroemd wegeiuls zijn letterlijke overzettingen van Fransche en Uoogduitsche tooneelstukken.
N. 7. i. -J.
De hond.
«fn Holland, Gcoltjon? want fortuin is zoo nukkig?quot; â ».la, perfect, manke sneeuwbal! maar met jou gaat liet krukkig.quot; Waarop Kees grimmig doorklimt; doch naauwlijks in den top Van gemeld tuinhek, in d' effen vliet â Daar Mop iiifussehen aan 't blaffen schiet â
Zijn eigen met een tweeden lever in z[jn mond ziet.
En terstond â en wat Kees deê het niet? â
Twee lovers voor één verkiest;
Doch â daar Mop nu verbaasd zijn oogen wrijft en niest â
Zijn equilibrium en do heusselijko lover verliest, En, ofschoon hy braaf «help !quot; riep in zijn verdriet, Ut volgens Siegenbeek zelfs oliullcp!quot;, het hielp hem niet. v Keesjen-lief viel in 't walerljen diep,quot; ,)
Waar hy natuurlijk tegen de lamp aanliep,
fin dadelijk als drenkeling ontsliep.
Terwijl Mop in zijn eigen blaft: »Kijk! De Inspectour hooft gelijk.quot;
Moraal.
Waar ik een gesneuveld Minister,
Ik hield van zulke fabels oen register.
En ik schroef: Cui bono?
Aan Pio Nono.
1) E HO N I).
EEN FABEL.
Een hond, Hektor geliecten, had by nacht Over een mand keukenbeschuiten de wacht. Met strikt bovel
1) Ken oud straaldcuntjen, uit den tijd van Kaatjen Mossol.
N. v. d. S.
De hond.
Op het stelen der beschuit, zoowel Geheel als gedeeltelijk te beletten;
Waarom zou men hem toch anders op schildwacht zetten?
Hektor begreep dit ook zeer goed,
Heter dan menig ontfanger of eerste minister het doet,
En hy had, op zijn best, een kwartier of' zoo te schilderen gestaan, üf daar komt, in 't verschiet, by het licht der maan,
J'On jonge Kees met de hondeziekte aan.
En regelrecht (dat 'g zoo klaar als een klontjen)
Op de beschuitmand af van ons waakzaam hondtjen.
»Qui vive!quot; blait Hektor met een stem als een sergeant-majoor; »Of versta je alteniet geen Fransch, en ben je doof aan dat oor,
â iDan vertaal ik't in: luie daar;... in allen geval je komt er niet door.quot; Doch Keezen, verhit op roof.
Zijn gewoonlijk Oostindisch doof:
«Ja wel, sla maar door, krullebol,quot; zegt deze, en met hair en huid Verdonkeremaant hy de mand beschuit Om het kort te maken,
Het loopt op bakkeleien uit en Keesjen krijgt laken,
Slaat aan 't janken en andere muziek En schuurt op drie pooten zijn piek.
Doch, terwijl Hektor nquot;. 1 dus op doet dansen,
Zit n0. 2 reeds by de mand te schransen ....
En Hektor staat verstomd, met zijn handen op zijn rug:
Want daar komen bovendien twee manke Moppen over de brug.
Mede rechtstreeks aan op het snoeperijtjen.
Beiden natuurlijk met een keezen-appetjjtjen,
En stoken hot dolikaat gebak Dadelijk in hun mond, by gebrek van een zak.
a Weet jo wat,quot; zegt Hektor, «plaatpoetsen zit niet in mijn aart,
'Want ik heb een oudste dochter die als waker op den beurtman vaart.....
«Maar één tegen vier is geen partuur,
«En daar is geen hond in de ganscho natuur.
«Noch iu de VereenigJe Nederlanden,
nDie een mand levensmiddelen beschermt tegen zooveel keezentanden. ïDoch ik heb nog één middeltjen in petto,
UI
De hnnd.
«Als menheer de Italiaan zei met zijn stiletto, »0m de beBcluut, die het koi-fjen verciert, »Te verdedigen tegen dit ongediert;
(«Want aan zulk janhagel den naam van dieren te schenken, «Zou mjjn gevoel, als hond van eer, te veel krenken.)
«Het bost van allen «la, zelf op het proviand maar aan te vallen.quot; â
Zoo gezegd, zoo gedaan :
In oigen persoon tast nu Hektor het spjjskorfjen aan,
En eer iemand, die in 't hoofd verstopt is, zijn neus kan snuiten, Is hot lot reeds beslist van de mand beschuiten;
Terwijl Mopjenu, Kardoezen en Keezen inkluis üp een pruikmakers drafjen afpoeieren naar huis. â
Moraal.
üees Fabel leert ons, zoowel als de Geschiedenis,
Dat do vraatzucht van Keezen onverzaadbaar is.
En dat zy er nooit een been in zien,
üm zich met het eigendom te verrijken van andero liên.
Doch ten tweede doet de fabel ons duidelijk aanschouwen, Hoe men somtijds den wil voor de daad moet houên,
En hoe men, als men zijn best doet, en niet kan slagen.
Zich maar als bovengenoemde hond moot gedragen.
«Je meent natuurlijk Hektor?quot; zegt hier iemand terstond: «Mijnheer, U neemt my het woord uit den mond!quot; â
142
LYRISCHE POÃZT.
BAUEM) DE SCHUTTER.
KRIJGSIlOJIANCJi UIT DEN OUUEN TIJU. VERHAALD DOOR EEN VADEI AAN ZUN ZOON JASPER.
Ziet gy dien lieldenstocl;, mijn zoon!
Die langa de straten wandelt,
En dien een dankbaar volk om 't zeerst Met consideratie behandelt?
En ziet gy dien Tamboer-Majoor,
Met een muts op, zoo hoog als een trommel?
Tamboers en Pjjpers staan onder hem.
En zy vreezen hem als den drommel.
En boort gy 't daavrend troragedruisch Wel dier muzykale dapperen
En 't vleiigelfladderend handgeklap,
Dat 'a Lands vaandel maakt in 't wapperen ?
Ziet gy die schaar aan deur en raam, En hellend dak vergaderd 1
Die tranen stort of' haar neusdoek zwaait,
Naar mate de legerspits nadert?
Barend de schutter.
En merkt gy wel, wat menige spruit
Reeds verzocht heeft aan een van zjjn ouders'? Men ziet toch byna geen vader hier,
Die geen kinderen torscht op zijn schouders ').
Ziet gy dien officier, mijn telg!
Die, ginds te paard gezeten,
Door ieder, die hom hier omringt,
»0 Overste 1'' wordt geheeten?
Hy draagt vergeefs geen krijgsrapier,
Mitsgaders twee pistolen,
Waar hy den dood op 't lijf mee jaagt Aan Belgen, mijn zoon, en Spanjolen.
En ziet gy d'anderen officier,
Die, met twee epauletten,
De legermacht, aan hem toevertrouwd, in beweging weet te zetten ?
Dit is oen heldenpaar, mijn kindl
Verschrikbaar koen in 't strijden;
Doch die zich in den vrede thnnds Met ons en mamalief verblijden.
Dit is Kapitein en Kolonel,
De hoogste en hachlijkste ampten,
V\ aarvoor, in heilig vuur ontgloeid.
Met elkaêr twee schutters ooit kampten.
Doch merkt gy, hoe die krijgsgoón nu iiun ziedend bloed bedwingen,
1) Wiuintier in den «ailon tijd do schnttery ïoorbytrok, word⢠jongo lindcroh doovgiialis door hun voorgeslacht op du schouders genomen, opdat zy beter mochten zien.
N. v. d. 3.
144
Barend de schutter.
En er haagt nog makker uitzien dan Een bejaard paar ouderlingen?
Zy groeten ieder zeer beleefd.
Affabel, mijn zoon, voor hun minderen:
Ginds komt zelfs den Kolonel zijn vrouw Met de baker aan en de kinderen.
Zijn kroost worpt hy een handkus toe.
Zijn gade een blik vol vrede;
Doch den zuigling noemt hy en passant Ondor-de-man op 't slagveld mede.
Met slagveld moon ik een stuk lands.
Door vaderlandslievende Heeron,
Aan de Stadsschuttorij per maand verhuurd. Om te schieten en te exercecren.
Mot Schuttery moen 'k een armee,
Güdoscht in lakonsche rokken,
Mot een witto broek aan by mooi weer '),
Doch eon blaauwe, als de lucht is betrokken.
Met Schutter moen 'k een ambachtsman.
Of wel een dier groote hoeren.
Die nimmer naar de parade gaan,
Of zy laten vooraf zich scheren.
Een Schutter geeft met vreugd zijn tijd,
Dien hy missen kan van zijn zaken,
Om zich tot oirbaar van het Land Familiair mot do krijgskunst te maken.
1) In den ouden tijd bestond du groote temtu van een schutter dos zomers voomamelp it eon oude witte broek. N r d S
GEDICHTEN V. D SCHOOLMEESTER. -JO
140
Barrnd dp. srhutfer.
Hy woet behendig, wnardato spruit!
Zijn griaplman af te schieton
Op 's vyands bataillon carré,
Zonder iemand zijn bloed te vergieten.
Voor zwaard noch vuur is liy beducht:
ny eet, om zoo to spreken,
Do kogels, dio een ander mcnsch Zjjn beenen of lendenen breken.
Men vraagt hem daarom vaak in 't vuur »Is mijnheer soms oen Salamander?quot;
Doch âsimplex vnri sir/illnmquot;, zegt hy :
»Neen, vijand! Ik ben Plattelander.quot;
Doch 'k zal, mijn kind, ondor 't huiswaarts gaan, Van een Schutter iets fraais u verhalen!
Ter uitspanning zoudt gy het op uw school In 't Russisch kunnen vertalen
't Gewaagt van 't roekeloost wapenfeit,
Te lang om hier te vermelden,
Doch 'f geen don krijgsglans overtreft Van do fabelaehtigste helden.
Achilles, Cromwell, Molpomeen.
Benevens de Thermopielen,
Hebben hier zooveel een hand water by Als A°. 30 de Belgen in kielen.
Gy moet dan weten, dierbre telg!
Dat eens op een Woensdag-morgen,
Een Schutter op het oorlogsveld
Voor 's lands welzijn stond te zorgen.
Want hy was op de wacht, mijn spruit I Of liever, op de patrouille.
U6
Barend de schuif er 147
Patrouille is 's nachts do ronde te doen Tot schrik van 's lands vyanden. voel je?
Daar stond hy in zijn schilderhuis
Te rookcn, dit puik der soldaten.
ily had niet vreugd, in 's Lands voegen nood,
Zijn aft'aire en zijn huisgoón verlaten.
Met vreugd zijn winkel en zijn vak
Aan zjjn weduw opgedragen,
En snikte; tiarmis torja zeg Je maar,
«Als een klant soms naar me moeht vragen.quot;
Daar stond hy nu met zijn stoppelbaard
tquot;n knevels aan als een borstel,
En riep : »kom vyand ! val me maar aan,
«Om te zien, hoe ik voor 't vaderland worstel.quot;
En fluks komt dravend op hom af
Een lieer te paard gezeten.
Een mensch met oen dikke rijbroek aan,
Doch totaal in do krijgsdienst versloten.
â «Qui vivelquot; roept do vyand uit :
vRendez-vous, ventrehleu, vicillo vache!quot; â
»ltendcz-vous nietje grootmoeder, weergaêschc Koes!quot;
Roept de Sclmlter, met een stem als Lablaehe.
«Al hoort UE. onder 't paardevolk,
»En ik onder de voetsoldaten,
«Ik geef om UE. on uw merrie geen duit,
«Die keurhengst zal hier u niet baton.quot;
â »Purhleu caniversta meneer I
oQui vivel vous pas comprendre,quot; â
Barend de schutter.
â »'k Versta je perfekt; as jo ray niet verstaat,
«Zoo zend me terstond maar een andre.
⢠üf hoort gy 't onverbasterd bloed «Van rajjn nooit verwonnen vaderen,
«Reeds toen ik u zag aan 't zingen geraakt,
«Thans niet borlend my kooken in do aderen ?
«Of ziet ge, uitheemsoho bloodaart! ginds «Niet, bleek aan de avondkimmen,
«Van 't on vergeet baar voorgealaoht «De gewijde Chineesche sohimmen?
»Zy roepen: »»Barend! jongelief!
««Gedraag je. meneer, als een Schutter.
««Laat geen vreemdeling toe waar 's Lands wiegjen eens stond »»üf hy kaapt er 's Lands brood en 's Lands butler.quot;quot;
De vyand had in 't interim Volstrekt geen snuif genomen â¢
Doch zoodra het niezen hem beving.
Sprak de Schutter: «wel moog 't u bekomen!quot;
Doch thands vervolgt hy: »'t voorgeslacht,
«Beroemd als menschen van jaren,
«Zegt hier duidlijk : wie wiegjen of bakermat vraagt,
«Dien pak je terstond by do hairen.
«Wat let me daarom, onverlaat I »U op de ziel te spelen,
«Zoo je op dit dierbaar plekjen grond »Nog langer konfusie komt teelen?
»'k Ben toch volstrekt voor u niet bang,
«Mijnheer de garde champetter!
«Wat let my, mosjeu! dat ik terstond »llier op 't oorlogsveld u verpletter.
148
Barend do schuller.
«Van kindsboon af loei'de ik reeds: sta pal!
»Zoo ü daarom thands wilt wachten,
»\Vie 't eerst van ons twee uit den weg za! gaan, «Dan moeten wy liier maar vernachten.quot;
Do vyand, sprakeloos op deez' taal,
Mot zijn paard in.mijmring gedompeld,
Uoept luid: vje me rends, tout perdu fors l'/ionncur; quot;Je me rends, sapristi, overrompeld.
«Wat baat hier borstplaat, wat helmet?
»\Vat snaphaan mot tsveo Ioojjcu '?
tJe mors phitót vrijwillig in 't zand,
«Dan mijn leven zoo duur te verlcoopen.
«Doch neon: laat naar uw beau pays «Me als krijgsgevangen verzenden:
tS'U est vrai dat nooit geen mensoh daar sterft, ') «Zal ik gaarne mijn daagjens er enden.quot;
Gelukkig was 't voor 't Vaderland,
Dat zo aldus tot een schikking het brachten,
Daar de vyand met zijn bloeddorstig korps Onzen Schutter reeds op stond te wachten:
En, eens de grenzen gepasseerd,
Wat ijslijk bloedvergieten!
Wanneer had zoo'n korps ooit basta gezeid!
Wie kan, Jaspers! een pijl hierop schieten?
Ons erf, mijn kind! ware eerst verwoest:
Wy vervolgends vermoord als slaven:
Onze zusters verkocht, onze nichtjens geveild.
149
En wy eindelijk lovend begraven.
1) In den ouden lijd werden gezonde krijgsgevangenen natuurlijk zeer oud: 'i geen licht dit dwaalbegrip heeft kunnen doen ontstaan. N. v. d. S.
Du profundis.
Mijn zoon ! indien men de Schutters uit Dit oogpunt nu maar wil besehouwen, Dau blijkt het terstond, hoe veilig men hun 'a Lands defensie kan toevertrouwen.
Jn, wakkere Schutters! zoo lang als sy
Onze grenzen verdedigt en kusten,
Zeggen wy, als \vy 's nachts naar bod toe gaan, Maar aan 't Vaderland ; awel le rusten.quot;
1) E P K O 1' U N I) I S.
Wat doolt go alleen door 't boschjen
En krijt uw oogjens uit?
Liefkind! waar is uw blosjen? My dacht, gy waart de bruid?... ...Wat ziet zo er aaklig uit!
Haar kaakjes ingezonken.
Geen leven in haar lonken,
Geen roosjens om haar mond. Haar lijfje gantseh geslonken,
En slechts haar keursjen rond! Daar zit zo in 't doodsch vertrekjen. By 't uitgeteerde vuur, In 't koortsig morgenuur. Met bleek en bibb'rend bekjen. Op 't slaap'loos ledekant...
Getuige van haar schand,
Haar hand om 't lieve nekjen, Kn over 't smartlijk plekjen Haar andre lieve hand.
150
De profumHs.
«Roods moer dan dertig weken,
»Ivn nog, en nog alleen !...
))De rost is ras voratrekon.
«Mijn God! wdiir moot dit lioon?
»(Jeen moedor in die stonde,
)iWaar reeds mijn liart voor boeft, »Geen moedor by mijn sponde,
xGeen vader, die do zonde «Van 't schuldig kind vergeeft!
â »0! dat ik nog in 't wiegjen lag, »En 't lief gelaat dier moeder zag, »I)io, als oen traan my blonk in 'toog. «Zich knielend by mijn wiegjen boog, »Kn kuste en stroeldo, en koosde en zong, uTot woêr do slaap haar kind bevong; jO ! dat ik nog in 't wiegjen lag fHn 't lief gelaat dier moeder zag!
gt;-I)c moodorljjke stom is zoet,
«Vooral daar zy 't uit liefde doet, «Wanneer zy voor haar schreiend kind «Het sussend wiegelied begint. â »0 stil geluid, vol melody i «Ach, lieve moeder, kom tot my !
«Ach ! dat ik nog mjjn vader had,
vDie daag'ljjks naast mijn wiegjen bad, «En toon hem 't kind bevatten kon, «Zjjn eerste ics met God begon ... «(1 duiz'lond brein!.... o wiegeklank I.... «Kom. moedor, kom, uw kind is krank... «Ach ! dat ik nog oen vader had «Een moederlief, die voor my bad !.â
â Nu zinkt ze snikkend neder in 't sprakeloos gebed. â
151
Voorheen en thands.
Doch, van omhoog wordt teedor
Op 'tbiddend kind gelet!.... Do rust der ziel keert weder, De vlaswiek is gered 1 ââ¢
En toon nu 't uur der amarto,
Arm schaapjon, voor u sloeg, En toen uw krimpend harte
Van God ontferming vroeg... Toen zaagt gy, in die stonde Eon moeder, die uw spondo
Hulpvaardig nadertrad, Een vader, die uw zonde Vergaf, en voor u bad 1
VOOIUIKEN E N THANDS.
Look here, npon this pictnro and on this.
Hoe minzaam speelt in 't herfstsaizoen
Door 't ruisehend woud het licht dor maan.
Hier zag ik Olga sidd'rend staan.
Zacht Ie! ze 'tkorfjen noêr in 't groen
Kn snikte en vlood!.... Haar argloos wicht Is thands apteker te Maastricht.
Do torenspits, met mosch omkleed,
Die 't nesteken van 't vooglonpaar (Zacht bruiloftsbed, zoet echtaltaar)
Kon stillo wijkplaats vinden deed.
Helaas! die spits is naar de maan En 't vooglcnpaar heeft broekjens aan.
K.'2
Voorheen en thands.
Eens zag ik hier het rij pond graan, Dat menig hart met hoop vervult, Als hoilbode op den akker slaan.
Door 't zonnelicht in goud gehuld, Die guldon oogst, dat golvend geel la thands hy bakkers en werd meel.
Uc polgrira, die hier 't matte lijf,
Gebogen op don wilgostaf,
En zat van 's waorelds laf bedrijf,
Verpoosde op 't vochtig zooden graf, Die pelgrim, 't leven walgens moe,
Ging naar do markt en kocht een koe.
De wees, dio nooit den liefdelach,
Den warmen gloed van 't moederoog. Zijn treurig pad bestralen zag,
Dio, als hy hong'rend herwaarts toog, Slechts dorre stopp'len vond voor brood. Vaart thands als beurtman op Buiksloot.
Het koozond paar, vol zooten kout, En zoeter hoop, wion 't hoidegras, 't Verholen hoekje in 't kreupelhout.
Een kcurljjk minpriceltjen was, Is sedert jaren man en vrouw,
Eu bakt thands pijpen in Ter Goö.
Eens zag ik hier een maagdelijn,
Zoo liellijk als de dageraad.
Zoo fraai als weinig maagdon zjjn,
Zoo lokkend mot haar lief gepraat. Dat aardig kind, vol zoet bescheid, Is thands een grijze keukenmeid.
Ook ik zat eenmaal in dit woud Hy 't lieve zilverlicht dor maan.
Uilboezeniing. Aan de Poczy.
Naast bloempjons, zostien jaren oud,
Als of ik nooit weêr op zou staan. Thandri zit ik niet een dikke buik En met oen slaapmuts op mjjn pruik
U I T IJ O E Z E M IN ü.
toen mijne oudste zuigelingen begonnen te loüpen. ( Vondel herdacht.)
ü kindekens, wier lieve tred Hot hart ons in verrukking zet, Wanneer, gy huppelt langs de vloer Kn dwaalt als soheepjens zonder roer, En, dartiend, zonder dat gy 't weet Ãt' wilt, op 't ouderlijke kleed In onschuld treedt.
Wie weet,
Of ge eenmaal al to mot,
O smart!
Uw voet niet zet üp t ouderhart 1
AAN DE POÃZY.
(fragment.)
Steel nog eens het hart my binnen, Lieve zucht tot rijmlary!
Dat m' uw komst een heilbo zjj. Stil mjjn zorg on streel mjjn zinnen.
Aan de poëzy.
Lieve kunst,
Verleen me uw gunst.
'k Wil van hoogheid niet gewagen, 't Needrigst is my hoog genoeg, Wat ook andren van u vragen,
Niets zoo klein als 't geen ik vroeg. Laat my onder bloemen spelen,
Die in stille schaduw staan;
Doe my 't needrigst liedtjcn kweclen ; 't Needrigst lied staat best ray aan. Lieve kunst à schenk rao uw gunst, eim
MENGEL POÃZY.
AFOELUISTERDE TWEESPRAAK
OF DIALOOG
TUSSCHEN TWEE BEROEMDE HONDEN.
fidel.
Con jy dut, Van Rijn, met jo nieuwen staart?
van rijn. ').
Wol neen; 't is dezelfde als allo dag; maar ik heb juist verhaird.
fidel.
Je ziet er toeli schraaUjens uit; heb jo voor schulden vastgezeten, 01' misschien wel to veel lover gegeten ?
Jo neus is droog;
En jo hebt iets van eon gesneuvelden kabiljaauw in 't oog.
van rijn.
Ik heb geon lever gegeten sedert April,
Toen do Loydscho diender my opsloot in de hal.
1) Zie de noot op b!z. 69,
Afgeluisterde tweespraak.
FIDEL.
Je moogt zeggen wat je wil, Wél benje niet, en als ik jou was ik gebruikte een pil In plaats van een been. Neem hierin eon voorbeeld aan lt;lo menschen, Die, als zy ziek zijn, naar den Apteker en niet naar den SlaeUter wenschen.
VAN HUN.
Ik ben zoo gezond als een zoute visch en verie van ziek;
Alleen gevoel ik my wat lusteloos en cyniek â
Wat meer of minder lekkers kan my geen oortjen schoeien ;
Maar ik hob er gruwelijk hot land aan, my te verveolen.
Mijn moedor en ik, gelijk u voorzeker is bekend,
Zijn thands ingekwartierd by een jeugdigen proponent,
Die, by gebrek aan 't geëerde publiek, dat hem voor als nog sehjjnt te
ontbreken.
Uns eiken dag vergast op zijn aandoenlijke preêken En als wy dan in slaap vallen by 't begin van 't sermoen,
Dan schopt hy ons wakker on zeit, dat wy 't mot opzet doen.
Alleen om oen slecht voorbeeld te goven aan zijn toekomstige hoorders. En hy dwingt ons naar zijn witten das te kijken en zijn twee dito
vadermoorders,
Ku to luisteren, tot hy aan 't slot van zijn preek is geraakt.
Wat my bijster het land op jaagt on mijn moeder misselijk maakt.
FIDEL.
Dat 's waar ook, denkt je moeder niet haast in de kraam te leggen ?
VAN RIJN.
Ja, en mijn zuster ook, tegen Maart.
FIUEL.
Dat wou ik al zoggen.
Eu ziet zy er op haar ouwen dag niet min of meer tegen op ?
157
Af gel u imerda l wcospraalt.
VAN RIJN.
Dat doet zy; vooral sedert het crcpeeren van Maartjen Mop. Dat was een bitter sterfgeval en 't lieeft ons allen zeer gespeten.
FIDEL.
Wol, denk je dat het my niet heugt? ]k heb ioimors nog op 't begrafenismaal aangozclen, l'n mede van die smakelijke varkenspooljens gegeten.
Wat zal ik zeggen? Wy zijn allen sterfelijk ; maar't was altijd mijn leer, Men moet zich niet toegeven aan al dat gelamenteer.
Vertel my liever eens, hoe vaartje nicht, het smousjen van den bakker ?
VAN RIJN.
Heel wel, maar 't kind wordt 's morgens al te vroeg wakker Met builen.
FIDEL.
Je meent, builen om brood?
VAN RUN
Ja, ofschoon hot zich nu en dan ook wel andero builen stoot. Je zou 't schaap niet meer kennen. In plaats van geel Is 't wit.
FIDEL.
Hoe dat?
VAN RIJN.
Wel, ja, van hot stoeien in 't meel,
Net als alle kindron.
158
Afgeluisterde tweespraak.
FIDEL.
Wel! dat is heel netjens Voor menselien, die op 't ontbijt houden van warme cadetjens
VAN RIJN.
Ja, maar 't ia goed dat men niet altijd weet Wat men eet.
Hoe veel kinderen heb jy nou?
FIDEL.
Ik heb er Goddank elf.
YAN RUN.
Elf! wat zeg jo ?
FIDEL.
Ja, en mooie Keezen, al zeg ik het zelf.
Den oudsten durft geen hondenslager aan,
En de twee jonasten zijn als eadot naar zee gegaan.
Zonder tractement, 't eerste jaar op de boenen;
Doch zy krijgen lever en pens als het tweede is verschenen.
Enfin, 't is altijd een begin;
Want je begiijpt, met een talrijk gezin,
Stuurjo zo zoo goed als het valt de waereld in.
VAN RIJN.
Zijn ze niet een weinig van 't hondtjon gebeten?
FIDEL.
Dat mag wel zoo; maar ik zou wel eens willen weten Wat Kees het niet is. Intusschen, wie heeft je dat gezoid?
VAN RIJN.
Gezeid, is het my, maar ik weet niet meer by welke gelegenheid. En of het do hond van De Witt was of van De Groot:
159
De dankbare zoon.
Ik zou 't jo niet kunnon zeggen, al sloegje me dood.
En ik wil er mijn hoofd ook maar niet langer meê broken.
Laat ons dus liever over iets anders spreken.
ileb jo van daag de papieren gezien 7
FIDEL*
Noen, ik ga nooit nanr de hal
VAN RIJN.
Wel! dan kan ik je iets vertellen, dat jo verbazen zal Ik raapte gisteren een ouwe krant op, waar een bal Kalfsgehakt in had gezeten: con manke poedel nam het tmv*.
Maar ik had liever gehakt gelezen dan Enschedé.
{Het vervolg ontureekt.)
DE DANKBARE ZOON.
ik ben een zeer gelukkig kind,
Wanneer men dit bedenkt.
Mijn vader is mijn beste vrind, l)ie my schier alles schenkt:
Zijn afgedragen zomervest.
Zijn oude broeken, en de rest;
Maar dat weet Moeders naaister bost.
Hoe lekker smaakt die boterham,
Met dat Sint Nikolaas,
Dat mijn mama my brengen kwam
In plaats van Leidsche kaas. En och! hoe menig arme man
160
De dankbare zoon.
Zijn zoontjon proeft daar nimmer van;
Duur de ouwe 't niet betalen kan!
Eu daarom noopt my dankbaarheid,
Reeds op het pad der deugd (Gelijk mijn vader dikwerf zeit)
To wand'len in mijn jeugd:
Altijd den rechten weg te gaan,
En, met mijn Zondags buisjen aan.
Nooit ergens tegen aan te staan.
Wanneer Papa uit wand'len gaat.
Neemt hy ons dikwijls meê En reciteert soms over straat
't Sanscritiesch a. b. c.:
En, als ik 't hem dan nazeg, ik.
Dun lees ik in zijn vadol-blik:
kik ben ontzachljjk in mijn schik.quot;
En daarom is mijn vast besluit,
O dierbaar ouderpaar â
l)at ik, ofschoon uw jongste guit.
Uw meekrapkleurig hair Nooit grijs doe worden voor den tijd,
Noch dat ik door gebrek aan vlijt Het vaderhart u openrijt.
Integendeel, door mijn gedrag Hoop ik al meer en meer,
â Als ik het zoo 'reis noemen mag, â
To strekken tot uw eer.
Zoo moogt gy eenmaal, ouwe liêrM Nog in uw jongsten telg misscbion Uw evenbeeld gespiegeld zien.
Verleden week zag ik een zoon.
Die zijne grootmama OEUICIITKN V. 1) ScilüOLMEESÃliU. li
lt;61
162
Uehandlen dorst met smaad en hoon,
De moeder van zjjn pa!
Hy zei, haar man, die ouwe paai.
Sprak naamlijk als een schorre kraai.... â Dat stond dien jongen heer niet fraai.
VELOCIPÃDE.
A.
Vindje d'er ook een been in om eens een blufjen te slaan En in 't Haagsche boscli of in de plantagie eens uit toeren te gaan En de voetgangers verstomd te doen staan?
B.
Daar heb ik volstrekt niets tegen : het staat my zelfs byzonder aan Maar het moet niet zijn met de trekschuit of diligence;
Want ik hou om den dood niet van onnutte dépenae.
A.
Neen, het kost je geen cent.
En 't is heel pleizierig, als je eerst de manier maar kont.
B.
Hoe meenje dat?
A.
Ik meen een velocipede op twee wielen.
Je stuurt met je handschoenen en duwt met je hielen En je zweet als een koetspaard ; want 't gaat ongemakkelijk gouw.
Staaltjens van yclelheul.
B.
Dat 's mooglijk ; maar ik kan toch niet zeggen dat ik er veel van hou, En als ik toch met mijn boenen werken moet,
Ga ik wat my betreft liever heelemaal to voet.
A.
Ja! dat 's waar, knippen is ook ijoed.
STAALTJENS VAN YDELUE1D,
jStos p 01 li a na/ainns.
Zoo hopen dwaze paardenvijgen,
Die, daar ze in 't stinkend stalvoeht staan, In hun vermeet'Ien drekhoop-waan Hun afkomst onbeschaamd verzwijgen En zweeren, dat ze uit zwommen gaan,
Door al dat gaad'loos bluffen slaan Tot hooger glorie nog te stijgen,
Een eeretytol te verkrijgen,
En, recht men 's Landheers bruiloft aan. Als app'lcn op 't dessert te staan.
Zoo waant zich vaak 't bezopen veulen Der ezelin een jeugdig paard.
En, zoo het de ooren en do staart Slechts weg kan steken of verheulen,
Den hoogon prijs van 't strijdros waard. Zoo laat een boer zijn nagels groeien.
En smeert zijn wenkbraauw met oen kuik. En steekt zich in een wijde jurk.
En draagt een staart, gelijk zijn koeien.
Baanvegers-lied.
En kapt zich als een burgerwees,
En laat zich in zijn schaatsen schoeien,
En huurt, voor draak, oen Leidschen Kees, Ãm naar 't Museum heen te roeien,
Waar hy zich aandient als Chinees.
BAANVEGERS-LIED.
Leg reis aan! leg reis aan!
't Leven is een gladde baan.
Bittere borrels of molk en saffraan!
â Vegertjen, bind my mijn schaatsen eens aan. â 'k Heb het voor grootere lui wol gedaan.
Leg reis aan!
Bittere borrels of melk en saffraan !
â Vegertjenlief, hoe leg ik hot aan?
Vegertjen ! 'k ben hier voor 't eerst op de baan. â W il je niet zitten, dan moot je maar staan.
Net als je 't daaglijks in 't loven ziet gaan.
Leg reis aan!
Bittere borrels of melk en saffraan.
't Leven is een gladde baan.
Bitter en zoet uit een zelfde kraan.
Leg reis aan! leg reis aan!
Op het ontfangen van nieuwen hariny. Advertentie.
OP HET ONTFANGEN VAN NIEUWEN HARING.
O Haring, mot uw pokelsmaakjen, O hai-tverkneutrond zeeziek snaakjen, Hoe dorstig, hoe gelukkig maakje
Do maag, die van uw lekkers houdt. Gy zijt een fraai en snoeprig vischjen, In 't keurlijk pietercelie-disohjen.
Een malsche beet voor jong on oud. Geef andreu spekstruif of pastijtjens, Of Franseho lever-lekkernij tjens,
Geef andren haas- of hertebout, Of wel doortruffeld zwijnopootjen, My is uw lieflijk middelmootjen Het fijnst banket, en zoet uw zout.
ADVERTENTI E.
VAN DEN SCHOOL HEESTER.
O Neerland! stuur toch, blij te moe. Uw kroost naar mijn collézie toe. De beste school die ooit bestond Op ons gezellig waereldrond Men leert hier aan de lieve jeugd Het Engelsch, 't cijfron en do deugd
Men zingt er en men leest er: En elk diner, 't is geen bedrog,
Vindt gy als t'huis, ja beter nog. Vooral dat van don meester ; En ieder bed, net als by ons, Van zwanenhair en paardodons : Nog loert men elk zijn plichten hier
Toast aan Holland.
Als merscli, vooral eerst als scliolier; Terwijl Mosjeu do jonkheid graag Met zaclitlieid leidt en niet met slaag:
Hy geeft dien wildon gasten, Opdat liy hun kolijken spaar. En 't geld in zijne beurs bewaar.
Geen andre straf dan «vasten.quot;
TOAST AAN HOLLAND,
TCTt KER VAN VIJF HOLLANDERS, BIK, AAN MIJNE TAFEL GEZETEN, ALLE VIER IN DEZELFDE WIEG EN DAKERMAT WAREN GEWONNEN EN GEBOREN,
Wat land is grooter ooit geweest
Dan 't onze in 't sclioon verleden, Eer nog een helsclie Keezon-geest
'Oranje er had vertreden?
Eer nog een Fransche rakker kwam Die Hollands hart uit Holland nam.
O! mocht ik eens Oranjes geest
By allen zien herloven,
En iedereen, ja mensch en beest,
Oranje hulde geven.
1G0
En mensch en beest op d achtsten Maart l) Te voet zien wand len of' te paard, Het lieve lint aan borst of staart.
1) Do verjaardag van l'nns Willem den V'» {Vrinsjens-daq).
Dn vriendschap.
DE VRIENDSCHAP.
EEN TOAST.
De hand des tijds slaat zware builen En stort, behalve de eerezuilen,
't Gevlochten wiegjen zelfs in puin. De sausbaara en champagnewijnen, De truffels, die op uw festijnen In keurige patés verschijnen,
Men ziet hen sneller nog verdwijnen
Dan burchtkasteelen van arduin. De bliksem velt don trotschen ceder: Het oud paleis stort krakend neder;
Doch in het nieuwe zit gy weder, Ja maklijker dan in een ceder,
Ten zij gy soms een lokvink zijt; â Maar, lokvink in het boukelover.
Of op 't Casino harteroovcr,
't Is spoedig met u beiden over.
Geen zuigpomp werkt gelijk do tijd.
Maar vriendschap, boven tijd verheven. Vindt op geen pomp haar naam geschreven, Zy weet van sukkelen noch beven,
Van borstkwaal noch verkreukt gelaat. Gy ziet haar, als uw ceders sneven, Met Haarlems hakhout weêr herleven:
Haar avondstond is dageraad.
NOG EEN TOAST AAN UE VRIENDSCHAP.
Hoe zoet is 't, waar de Vriendschap woont. Waar haai en haring zich vertoont Op amicalen voet,
107
WeliJters. Het ijs.
De snoek de vorens respecteert En familiair met hen verkeert
Gelijk m' op aarde doet.
O laten wy, in onzen kring,
Als menschon van verstand, Dan met elkaêr en onderling Ons hechten in een vriendschapsband Tot nut van 't vaderland.
WEKKERS.
In 't onbekende Zuiën,
Waar men onder anderen van klokken en pendules niet weet, mitsgaders
van 't beieren, kloppen en luien, Weten do horologicmakers natuurlijk met hun Icêgen tijd geen raad, En nemen daarom dienst als wekkers ten nutto van den Staat:
En als je dan 's morgens eens heel vroeg klaar wilt zijn, gewas«chcn en Dan wekken zo jo gewoonljjk 's avonds te voren. geschoren,
HET IJS.
Het maagdlijk ijs is minder glad, O jeugdlief, dan uw levenspad.
liet dak. 's Levens schouwtoonec). Bericht.
â 1G9
HET DAK.
Het ncstjen schuilt op 't dnk
En 't wicgjon sdiuilt «â onder; En beidon, door Gods oog bewaakt, Is dit geen liefdrijk wonder 1
'S LEVENS SCH OUWTOONEEL.
Hot voorstuk is couleur de rose, Dan komt er, wandelaar, een pauze, En 't nastuk is tout autre chose. licsteed do pauze, o wand laar, wel. Het spaart na dato veel gekwol.
B E U I C H T.
Ik heb een familiegeheim u mede te doelen: Dat namelijk mijn vrouw bevallen ia van twee fllomoelon Van kinderen, die beiden liggen to zingen in de wieg, Als ongespeende Jenny Lindjcns, zoo ik my niet bedrieg. Het is roods do twoodo koer, dat my dit overkomt, Eu do buurt staat or deze reis van verstomd;
Voor- en Nageslacht. FuntJichten.
Doch de drie vorige tweelingen Waren de broers van deze en derhalve jongelingen.
üe een ging met een cargo kachels naar Java;
lui do ander verslikte zich op den Vezuviua aan gestolde lava.
VOOR- EK NAGESLACHT.
VOORGESLACHT.
Ruige borst en breede schouders Leeuwenhart en aadlaars oog: Rijzig kroost van reuzen ouders Vorstlijk zaad, in adel hoog: Vol van bouw en moed en kracht, ,⢠ünvergeetbaar voorgeslacht.
NAGESLACHT.
â 170
Bleeke kindren, kranke moeders, , Neven met een breukband aan, Scheele zusters, bochelbroodcrs, Vaders, die uit kuchen guan, Ramlend vee, met kwik bevracht, Machtloos, mislijk nageslacht.
PUNTDICHTEN.
OP WEESKIND.
O welgestelde rijkaart, beschouw toch den arme als uw broeder Hier woont een behoeftig weeskind by zijn vader en moeder.
Puntdichten.
ANDER.
Deze vljjtige woosjongen doet boodschappen en draagt vrachtjons op zijn
schouders,
Om een stukjen broods te verdienen voor zijne behoeftige ouders.
OP BEVANGEN ZIEKENTROOSTER, DIE VAN LEYDEN NAAR DEN IIAAO MOEST.
Daar ik een nat zeil heb, zoo ben ik bang,
Dat de weg eer te breed zal zijn dan te lang.
OP DBONKAART.
Eon dronkaart, van wien men niet leest.
Dat hy zijn neus tegen zijn achterhoofd heeft willen breken, üf zijn pijp aan een emmer water ontsteken,
Is in veler opinio nooit recht dronken geweest.
OP BOCHEL.
«Ieder heeft zijn gebreken,quot;
Zei een bochel, toen hy zijn eigen van achteren had bekeken.
OP NATTE IIONDENEUS.
Waarom is een hond Toch zoo gezond ? â
Die er niet op gevat is.
Zegt: «omdat zjjn neus zoo nat is.quot;
171
Grafschriften.
Doch iemand, dio logica leert,
Zegt terstond: »'t ia juist omgekeerd.quot;
OP DOOI) PAARD*
V. Waarom wil een dood paard niet meer loopen? â
A. Omdat men anders zoo veel doodo paarden voor levendige zou ver-
koopen.
OP BLINDEMAN.
V. Wat is de reden, dat een Blindeman niet ziet? A. Iemand die zien kan, is do ware Blindeman niet.
OP VERGEVINGSGEZIXniIKID.
Ik wil, zei Jan, nu ik verhuis uit dit loven,
Heel garen aan Piot alles vergeven Wat hy jegens my heeft misdreven.
Maar zoo hy te met exteroogen op mocht doen,
üan wensch ik hem alle daag een wandeling in een naauwen scheen.
grafschriften.
01' KAREI, I.
Daar men my van mijn hoofd heeft ontbloot, Zoo vind ik mijn kist toch wel wat al te groot.
172
Grafschriften.
-- OP POOT.
Hier ligt Poot; Hy is dood.
OP BII-DERDIJK.
Geen grafschrift zoo rijlc Als uw naam, Cildcrdijk!
OP LEYPSCIIRN IIELÃ.
Wy waren drie broers; doch daar ik gesneuveld bon in't beleg van leien, Zoo zijn we nu nog maar met ons beien.
OP TOOXKEI.niRECTEÃR.
Wandelaar, hier ligt Jan G .. i.
173
Die wei wou dat hy 't mis had en dat UEd. het was.
OP N. N.
Dat llccrtjon dat hier loit, Dat is zijn leven kwijt.
Grafschriften.
OP JEUGDIG FLUITER.
In dit kleine kistjen Leit con jong iluitistjei
OP AANSPREKER.
IJozo liidder had heel veel verstand van zjjn zaken;
Maar zjjn eigen dood heel't hy toch niet bekend kunnen maken.
OP KLEÃREMAKEB.
Hier ligt een kleêremaker met kastanjebruin hair in de kist; Dat zou je niet makkelijk raaien als je 't niet wist.
OP WEKKER.
Hoe langer hoe gekker! Hier slaapt Jan de wekker.
â' OP MATROOS.
Ik leg hier als een varken in rajjn kist, potverblommen!
Ik heb al veel beleefd; maar zoo iets is my nog nooit overkommen.
174
Giafschrijton.
^ OP GÃNÃREUSEN JOOD.
Die my hier weêr uitholpt, 't zij door geweld of list, Krijgt f 2,50 yrij geld, benevens het hout van de kist.
OP NAARSTIGE JUFFER.
Men kan allo dingen zoo maar van te voren niet weten,
Anders had ik nou in mijn eenzaamheid mjjn breiwerk niet vergeten.
OP IEMAND ZONDER NEUS.
Ik kan toch moer zeggen, dan do meeste lijkon,
Dat je my namelijk nooit op mijn neus hebt zien kijken.
ANDER.
Men heeft my nog nooit met reden kunnen verwijten. Dat ik er pleizier in had, zakdoeken te verslijten.
NOG EEN ANDER.
Dit verwijt durf ik gerust van my afschuiven,
Dat ik veel geld zou verknoeid hebben met snuiven.
175
Grafschriften.
op eenoog.
Gy hebt minder van ray gezien dan ik van U. ü wandelaar, vat gy dit nu?
op stomme.
Ik heb nimmer don gulden regel gebroken : »'t Is beter gezwogon dan onwaarheid gesproken.quot;
op iemand vermoeid.
Wandelaar, om u do waarheid to zoggen, UKd. kunt zoo mooi van 't loopen niet zijn ala ik van 't loggen.
op iemand beleefd.
UKd. hebt u mooi geloopen, wandelaar, en ik heb mij moei gelegen Zullen wo nialkaêr eens aflossen, of hebt UEd. er ook iets tegen?
op iemand ontevreden.
Zog, wandelaar, zog,
Jo moet niet denken, dat ik voor mijn plezier hier leg.
17C
Grafschriften.
OP ZUIGELING.
Hier ligt een kind, dat zich doodgezogen heeft; Gy begrijpt het solaas van de min, die nog leeft.
_ IK OF QY ?
Zoo gy, als ik moot, hier moest blijven, Gy zoudt mijn grafschrift thands niet schrijven, Was ik, als gy zjjt, hier gebleven.
*77
Ik had uw grafschrift niet geschreven.
OP KERKHOF.
Waar kan men zich een beter school practisceren Dan deze, om aan de menschen het zwijgen te loeren ?
OP JODEN KERK HOP.
Hier liggen er twintig van de natie. Te voren vol lawaai, thands zonder conversatie.
OPSCHRIFTEN.
OP ÃIT1IANC1BORDE N.
Alle menschon hebben geen verstand van bier; Doch die er vorstand van hebben, die komen hier.
Opschriften op uithangborden.
ANUKU.
|
Aan de eene zijde. Wandlaar met een leêge zak, Ga maar voorby op uw gemak. |
Aan de andere zijde. Wandlaar met een volle tas, Kom eeng in en drink een glas. |
ANDER.
Wandelaar, ik zit my hier toch in 't buffet te verveelen,
Zullen wy eens zamon een glaasjen drinken, en voor 't gelag een smousjas jon
«pelen ?
ANKER.
Jeugdig reiziger, mijn vrouw en ik zijn van daag van huig. Doch mijn twee jongste dochters zijn t' huis,
ANDER.
Zeg reiziger, watertandt u 't verhemelte niet, Als je hier mijn gebraden sousijsjens ziet 7
ANDER.
In den geanglizeerden ossestaart Vindt men logeerkamers te voet en te paard.
Opschriften op uilhanyborden
ANDER.
In den vergulden kalfslever A'orkoopt men koek en jenever.
Voor contant geld is 't hier 't paradijs der lekkerbekken;
Maar wie crediet wil hebben, raag voor hy verarrivecrt, â weêr vertrekken.
17(1
INHOUD.
Iets over den Schrijver eu zijn Dichttrant.....Blz 5
Concept-Voorrede ....... . . .19
EPISCHE POEZY.
Proeve van Dichterlijke Vlucht........22
De Schipbreuk. ....... . .29
De Boterham en de Goudzoeker ....... 33
Sic Transit ........... 43
DRAMATISCHE POÃZY.
De Koftijveiling .......... 46
Altijd in de Contramine ......... 59
DIDAKTISCHE POÃZY.
Kort begrip der Romcinsche Historie ...... 63
Natuurlijke Historie voor de Jeugd.
Inleiding . . . . . . . . _ .68
De Leeuw ........... 69
De Olifant ........... 71
Het Paard ........... 74
De Ezel...........77
De Ruiter ...... .... 77
De Koei .......... 78
Het Kalf...........79
Het Speenvarken , 80
INHOUD.
De Hond..........Blz. 80
De Kat...........83
De Aap......... . . 8ö
De Vogels ........... 87
De Haan ...........87
De Nachtegaal .......... 90
De Visch ........ ... 93
De Slaug...........W
Eieren.... ... ..... 90
Eerste les in de Geograijhie .,.â¢â¢â¢â¢â¢ 99
BESPIEGELINGEN.
Proeve van Dichterlijke Waarneiningeii ...... 102
De Morgenstond . . . . . . . . .104
De Avondstond .......... 107
De Terugkomst van den Zomer. ....... 108
Waterteug voor den Armen Broeder. .... . 110
BRIEVEN.
Eerste Brief van Mina . . . . . . . . .112
Tweede Brief van Mina . . . . . . . . .115
Eerste Brief van den Schoolmeester . . . . . . .120
Tweede Brief van den Schoolmeester. . . . . . .123
Derde Brief van den Schuoimeester . . . . . . .124
Vierde Brief van den Schoolmeester. . . . . . .125
Vijfde Brief van den Schoulmeester . . . . . . . 12G
Zesde Brief van den Schoolmeester . . . . . , .127
FABELS EN VERTELLINGEN.
De Leeuw en de Kat . . . . . . . . .130 De Fatsoenlijke Keeshond. . . . . . . . .132 De Kaasmaker. .......... 133
II
INHOUD.
De Wolf en het Lam ........ Blz. IKó
De Vlooi, de Makelaar en de Heus ... , . 13(i
De Mop en de Kees.......... ISS
üe Hond............ 140
LYRISCHE POÃZY.
Barend de Schutter. . . . . . . , ; ,14.'!
De Profundis . . . . . . , . _ ^ .150
Voorheen en Thands . . . . . . . .152
Uitboezeming toen mijn oudste Zuigelingen begonnen te loopen . . 154
Aan de Poëzy. . . .........154
MEN G-EIiPOEZ Y.
Afgeluisterde Tweespraak of Dialoog tusschen twee beroemde Konden. 15fi 13e dankbare Zoon . . . , , . . . . . IfiO
Velocipede................... ]fi2
Staaltjens van IJdelheid................lfi;i
Baanvegers-lied . . . . . , .164
Op het ontfangen van Nieuwen Haring ...... Ifin
Advertentie van den Schoolmeester.......165
Toast aan Holland . . , . . . . . .160
De Vriendschap, (twee toasten) . . . . . . . .167
Wekkers............16 S
Het IJs............168
Het Dak ..............169
's Levens Schouwtooneel ...... ... 16'.'
Bericht................169
Voor- en Nageslacht 170
Puntdichten
Op Weeskind170 Op Bevangen Zieketrooster . t ; . . . . . 171 Op Dronkaart. ...........171
Ill
|
INHOUD. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
r- ' â 1 1--1 1 â¢
v;: . fyl
7 ).
... V. 'â â /â ::
quot;! .v'4 â â :â y- h'':'.
V - ⢠â¢â â /â ';, ' - MJ 'gt; ;
- ' â ⢠⢠. S r:/ ^ â¢-, ..
1 quot; r' -
â f'
,
â¢â¢â¢â quot; - . ⢠!,quot; V'
^/'.,-^'quot;V â
'v'-'; ,
.,-^lj 'j
'V 7 -gt;^'r,
m
-gt; â
.
'V: , 3, â
mâ
â
% i; ⢠â¢- 'figt; . ' y - ⢠'
~ ^ ^ ^ ^ ^ ^ v ' ' -â â â .
?gt;p -â ^ â 'â : -â â ': â -'gt; â ' - -;. ^
-â¢'.â¢â¢ â - j V .â¢-.V.; i v'- ⢠â¢. â . -â¢:â ... ';â 'â¢â . ^gt;- ⢠-., - , ..
., â¢- â¢â ;:. â¢â¢ â : . .;;-fv.',,, - - -â ⢠lt; â ', . - .- v. -\ , ,
- ?'. ..'a - â^ \ 1 ' ^ . v
/v: 1 . lt; ':,T^ , â â â â
- - v' . .V,
- v, ïquot;1 v â¢quot; -
quot;â , v -/-â / â ' - â¢; â¢â ⢠⢠â â â ,â â¢:â â
,' r ; --1 . 5' â¢â ;⢠/. 'v ;. , â¢' :. quot;
, - : â ' â â¢gt; ^ 1 , ' ^â¢W- V' â -; ...; . v
⢠â ; quot;«â â :- â â - â ..
: -â \s â â '-â â â â â¢,
⢠K
;â¢â¢â¢.: -gt; : v- ⢠⢠\. , gt;:⢠^ .
' r/ ⢠- â ⢠.., ⢠â â -' â¢; . ⢠. â¢â ..,â ;
'^/lt;^''^^1.:â -vv ; ,4;': , â -
, ::Vv's., vi - â 'quot; '' ;
-ry. - V 'Vï : .ï â gt;'v' ^
M
â AK -
'*iïÃ0: ___
WM:
'M'
'
-
|
;A y: ^X:'^ |
; ,'''», |
r â |
'⢠| ||
|
â â â :â â gt;â |
yrN^ |
ï'' | |||
|
1 ,⢠|
â¢gt; quot;»' i f ; a |
â | |||
|
r' -/.ïj |
':',y |
'â¢gt; r |
C /T[ 'J, '. ⢠⢠; | ||
|
'â â¢y- |
â :-K |
â V. |
, | ||
|
* . 1 ., | |||||
- lt;. -â â [ ^