â :
DE OÃDE KASSIER.
TOONEELSPEL IN VIER BEDRIJVEN
l
1
DOOR
ROSIER FAASSEN.
quot; '5
Bekroond op den internationalen Pryskamp te Antwerpen 1874.
I i
KAMPEN, LAURENS VAN HULST.
â¢4
DERDE DRUK.
x./VNy--'
DE OUDE KASSIER
TOONEELSPEL IN VIER BEDRIJVEN
DOOR
ROSIER FAASSEN.
Bekroond op den Internationalen Prijskamp te Antwerpen 1874.
DERDE DRUK.
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUN1 VERSiTEIl UTRECHT,
KAMPEN, LAURENS VAN HULST.
PERSONEN.
Van Elten, koopman.
Bertha, zijne dochter uit het eerste huwelijk.
Adolf, zijn neef.
B e 1 m a n, kassier.
Karei, zijn zoon.
Jan, kantoorknecht.
Vrouw de Rijk.
Doris, haar zoon.
Het stuk speelt te Rotterdam in 1850. â Het laatste bedrijf 3 jaren later.
EERSTE BEDRUP,
Het Tcantoor van de firma Elten en Co.; linies, 2« plan een getraliede deur, waarhoven het woord âKassaquot;; le plan essenaar en stoel. Rechts, 2e plan, deur der woning; I® plan, lessenaar) loketten met papieren, enz.
A.aïi den muur liassen, enz. Deur in het fond. Stoelen, enz.
EERSTE TOONEEL.
Bij het opgaan van het gordijn is Jan, de kantoorbediende, aan het opruimen»
Jan {eerst alleen, dan Adolf).
Welzoo, welzoo, de heeren komen laat van daas; 't is al half tien en nog niemand op Let kantoor. Als de patroon dat hoort, zal er wat te doen zijn. Van mijnheer Adolf verwondert het me met; die zal zeker van nacht weèr niet thuis geweest zijn ... Een mooie jongen 1 Als hij van mii was .. . maar hij is Goddank niet van mij ...
{Adolf komt door de middendeur; Jan, omziende.')
Daar is hij juist... Morgen, meneer Adolf.
Adolf,
Is mijnheer Karei er nog niet ?
Jan,
Neen, mijnheer, u bent de eerste.
Adolf,
Zoo ,., is oom al beneden geweest ?
Jan.
Ik heb nog niemand gezien.
Adolf.
Dan is het goed... Zeg Jan, ik ga naar mijn kamer; als oom komt, zeg hem dan dat ik er al geweest ben {wil gaan.)
Jan.
Best, meneer 1... Moet ik hem ook zeggen hoe lang ?
Adolf (blijft staan).
Wat blief je ?
Jan.
Ik vraag of ik hem ook zeggen moet, hoe lang u hier bent geweest ?
Adolf,
Ik geloof, dat mijnheer Jan zich permitteert aardig te worden.
Jan.
Dat niet... maar ik houd niet van liegen.
Adolf.
Jan, hoe lang ben je al in dienst van de firma van Elten amp; Co.
Jan.
Al dertig jaren, meneer; ik ben een:ge jaren na, meneer Belman in dienst gekomen.
Adolf.
Welnu, ik zou je aanraden je tong in bedwang te houden ; anders zou ik wel eens kunnen vinden, dat het al lang genoeg is. {Af, kamer links.)
TWEEDE TOONEEL.
Jan, daarna Vrouw de Rijk.
Jan.
Wel, nu nog mooier! Dat speelt ook al den baas. t Is hier in de laatste dagen een mooie boel geworden... en sedert mijnheer Belman uit de stad is, loopt het heelemaal in de war. De patroon laat de jongelui den baas spelen op het kantoor ... {liondziende en zacht,) en mevrouw speelt den baas over
hem !... Enfin, sedert mijnheer zijn eerste vrouw overleden is en die vreemde Fransche madam in huis is gekomen, is het hier zóó naar de mode geworden, dat het tijd wordt dat een ouderwetsch huismeubel, zooals ik, ook maar op zolder gezet wordt.
Vrouw de Rijk {door de middeldeur).
Kan ik meneer Belman even spreken, als je blieft!
Jan.
Mijnheer Belman; wien bedoel je ; den jongen of den ouwen ?
V r. de R ij k.
Den ouwen heer.
Jan.
Die is op reis.
Vr. de Rijk.
Nu, dan den'jongen.
Jan.
Die is er ook niet!
V r. de R ij k (vooruitkomende).
Niet ?
Jan.
Neen !... 't Verwondert me wel, want het is de eerste keer dat hij zoo laat komt... Maar als de kat niet thuis is, springen de muizen op tafel, zegt het spreekwoord en zoo gaat het hier ook, nu mijnheer Belman naar Duitschland is.
Vr. de R ij k.
Is hij naar Duitschland ?
Jan.
Ja, voor zaken van het kantoor!
V r. de Rij k.
En blijft hij lang weg?
Jan.
Ik kan het je niet zeggen. Hij is er acht dagen geleden heengegaan. Maar kan ik hem de boodschap niet doen, als hij terugkomt ?
V r. de Rij k.
Neen, m'n goeie Jan.
6
Jan.
Kent u mijn naam ?
V r. de R ij k.
Wel zeker! Ben ik dan in drie jaren zoo veranderd, dat je mij in 't geheel niet herkent?
Jan.
Wacht eens eventjes ... Vrouw de Eijk ... de vrouw van den vroegeren pakhuisknecht!
V r. de E ij k.
Precies !
Jan
Ja, mensch, m'n oogen beginnen me te foppen. En hoe gaat het je nu ?
V r. de R ij k.
Met Gods hulp vrij goed, ... hoewel ik in de laatste jaren vrij wat gesukkeld heb.
Jan.
Sedert den dood van je man ?
V r. de R ij k.
Ja, en dat ik in dien tijd niet van honger gestorven ben, is de schuld van dien goeien meneer Bel man.
Jan.
Welzoo ! ... vertel me dat ereis ; wat heeft hij dan voor je gedaan ?
V r. de Rij k.
Je herinnert je immers wel, hoe ik m'n armen man verloren heb ?
Jan.
Ja; hij was van den bovensten zolder van 't pakhuis gevallen en met zijn hoofd op de keisteenen neergekomen.
V r. de R ij k.
Mijnheer van Elten zei, dat hij dronken was; nu is'twaar, dat de arme ziel wel eens een glaasje te veel dronk, maar dien dag was dat het geval niet geweest !... Hoe dan ook, mijnheer van Elten beweerde, dat het zijn eigen schuld was en gaf me vijftig gulden, om mijn man te doen begraven ...
Jan.
Ja, de patroon is soms een raar menscli!
V r. de Rij k.
Daar zat ik met m'u kind op straat, want je begrijpt wel, dat we van acht gulden 's weeks geen geld hadden overgegaard.
Jan.
Alles is zoo duur !
V r. de R ij k.
Ik verkocht het een na het ander, maar eindelijk was er niets meer ... en dat duurde niet lang ... M'n kind had honger en ik had geen brood voor hem . .. Niemand wilde me krediet geven... Eens op een avond, dat ik geen raad meer wist, want het kind huilde van honger en koü, vloog ik de deur uit en aan den hoek van de straat gekomen, ontmoette ik een oud heer... Ik stak de hand uit en vroeg hem om eea aalmoes.,. maar 't was koud, en bij slecht weêr zijn de menschen ongevoeliger dan anders .,.
Jan.
Arme ziel.
Vr. de R ij k.
De heer verwijderde zich... ik barstte in tranen uit en riep : âOch, God ! mijn arm kind ..Daarop bleef de man staan, kwam naar me toe en vroeg me met een zachte stem: âWaarom huil je, moedertje?quot;.,, en onder 't schijnsel van de lantaarn herkende ik mijnheer Belman.
Jan.
Mijnheer Belman ?
V r. de R ij k.
Hij had me ook herkend, stopte me een gulden in de hand en zei: âMorgen ochtend, als ik naar 't kantoor ga, kom ik eens bij je aan.quot;
Jan.
En heeft hij dat gedaan ?
Vr. de Rij k.
Of hij het gedaan heeft, die brave, goeie man! dat zou ik denken 1... Ik vertelde hem mijn toestand, hij beloofde me
8
zijn voorspraak, en des middags bracht hij me drie honderd gulden namens mijnheer van Elten.
Jan {verwonderd).
Van den patroon ?
Vr, de Rij k.
Ja! Tk moest met dat geld een klein zaakje beginnen, zei hij, en kon het teruggeven, wanneer ik wilde...
Jan.
Waarlijk ?
Vr. de Rij k.
Ik behoef je niet te zeggen, hoe gelukkig ik was... Hij was me verder behulpzaam in de overname eener kleine zaak.. . Onze Lieve Heer heeft me gezegend... ik verdien goed m'n brood en heb elk jaar honderd gulden op m'n schuld kunnen afdoen, en hier heb ik het laatste bankje van honderd, dat ik hem kom terugbrengen.
Jan.
Aan mijnheer van Elten ?
V r. de R ij k.
Neen, aan mijnheer Belman. Hij zei me, dat de patroon het voor niemand wilde weten en hem daarom belast had die zaak in orde te brengen.
Jan.
Ik weet niet of ik me vergis, vrouw de Rijk, maar ik geloof dat je mijnheer Belman meer verschuldigd bent dan den patroon.
V r. de Rij k.
Hoe meen je dat?
DERDE TOONEEL.
Vorigen. Kakel, met hoeken in de hand, komt door de middeldeur en blijft hen ziende, staan.
Jan.
Dat kan ik je nog niet zeggen!... Maar als 't uitkomt
9
zooals ik denk, dan is mijnlieer Belman de braafste man, die er op de wereld is.
Karei (vooruitkomende).
Ik dank je, beste Jan! . . . Zulke dingen hoor ik graag uit jou mond.
Jan,
Meneer Karei!
Vr. de Rij k.
Meneer Karei Belman ?
Karei.
Ja, goede vrouw.
Vr. de Rij k.
Uw vader heeft mij en mijn kind het leven gered; hij is de oorzaak dat ik van m'n jongen een fatsoenlijk man kan maken. Geef hem, als ik u verzoeken mag, als hij terug komt dit briefje, en zeg hem, dat vrouw de Rijk maar eene arme weduwe is, die hem nooit zal kunnen vergelden, wat hij voor haar en haar kind gedaan heeft, maar dat zij beiden alle dagen Onzen Lieven Heer bidden voor hem en de zijnen.
Karei {neemt den brief).
Beste vrouw, ik weet niet wat mijn vader voor je gedaan heeft, maar ik dank je voor de hartelijke woorden, die ik hem getrouw zal overbrengen.
Vr. de R ij k.
Goeden dag, meneer; als uw vader terug is, hoop ik hem nog eens te herhalen, wat ik u gezegd heb.
Karei.
Tot weerziens, beste vrouw.
Jan.
Dag, vrouw de Rijk; tot ziens, hoor!
( Vrouw dc Rijk afj.
10
VIERDE TOONEEL.
Kabel, Jan.
Karei.
Weet jij wat dat is, Jan ?
Jan.
Weêr eene goede daad van uw vader 1 . . . Wilt u me nou eens een groot pleizier doen?
Karei.
Spreek.
Jan.
Geef dat briefje aan uw ouwen heer, als meneer van El ten er bij is en ik ook . . .
Karei.
Waarom ?
Jan.
't Is om te zien of ik goed geraden heb . . .
Karei.
Wat dan ?
Jan.
Dat kan ik u nu nog niet zeggen ; dan is de aardigheid er af.
Karei {die zijn hoed heeft opgehangen, legt de hoehen op zijn bureau links, ivaaraan hij plaats neemt).
Zooals je wilt! Is mijnheer Adolf al beneden geweest ?
Jan.
Een oogenblikje.
Karei.
Zóó ?
Jan.
Ja, hij is beneden geweest . . . Maar hij kwam niet van zijn kamer.
Karei.
Jan ! dat zijn jou zaken niet.
Jan.
Neem me niet kwalijk, mijnheer Karei, maar u behoeft zijn
11
verdediging niet op u te nemen ; hij heeft me zelf al een standje gemaakt... 't Is een onfatsoenlijke jongen ... en als hij uw vriend niet was, dan zou ik nog anders over hem spreken.
Karei.
Mijn vriend? Hij, mijn vriend!
Jan.
Wel zeker! Enfin, 't is u niet kwalijk te nemen; jongelui zijn het gauw eens en als ze samen een partij biljard gespeeld hebben en eens 's nachts samen op den draai zijn geweest, dan drukken ze mekaar de hand en zijn vrienden... zoo lang ze elkaar geen geld geleend hebben.
Karei.
Mijnheer Adolf is mijn vriend niet. ..
Jan.
Zooveel^ te beter voor u. Ziet u, mijnheer, ik mag u graag lijden; bijna zooveel als uw ouden heer en het zou me spijten, als ik een jongmensch, dat ik, om zoo te zeggen, heb zien geboren worden, om zoo'n deugniet in ongelegenheid zag komen.
Karei (staat op, ongerust).
Wat bedoel je daarmee?
Jan {aarzelend).
U moet niet boos op me worden ... Ik weet wel, dat ik maar een knecht ben en het mij niet vrij staat u de les te lezen, maar ik ben ook vader, ziet u ... en ik weet hoe het mijnheer Belman zou hinderen, als hij wist...
Karei {ongerust).
Nu, wat dan .. .
Jan.
Dat u het kantoor vernegligeert... zooals van morgen onder anderen ...
Karei {gerustgesteld).
Van morgen! Je hebt gelijk... ik ben later gekomen dan gewoonlijk ; maar je weet, dat mijne moeder ziek is, en ik wilde haar niet verlaten, vóór de dokter er geweest was.
12
Jan.
O, neem me dan niet kwalijk meneer; als ik dat geweten had ... Ik dacht ook al... en wat zei de dokter ?
Karei.
Wat hij ons al zoo dikwijls herhaald heeft, dat er geen direkt gevaar is, maar dat zij zich zeer moet in acht nemen.
Jan.
Eene hartziekte... nou dat zou ik denken ?
Karei.
De afwezigheid van vader, die langer duurt dan bepaald was, maakt haar angstig.
Jan.
Nu, daar is geen kwaad bij ! De oude heer is stevig genoeg, en hoewel vijf jaar ouder dan ik, is hij mij nog te vlug af... Maar toch vind ik het een beetje gewaagd, om op zijn leeftijd nog zoo'n reis te gaan maken.
Karei.
Je kent hem ; de belangen van het kantoor vereischten de tusschenkomst van een verstandig en voorzichtig man, en hij wilde mij niet in zijn plaats laten gaan.
Jan.
Ik voor mij zal blij wezen als hij terug is; ... niet dat u zijn plaats niet goed waarneemt, maar ik ben zoo gewoon, om hem daar te zien zitten, dat ik sedert dien tijd heelemaal in de war ben... En dan plaagt hij me gedurig, noemt me een ouden brompot, ouden suffert... en als je daar dertig jaren aan gewoon bent... Maar enfin, van daag of morgen komt hij terug.
Karei (zuchtend).
Dat is zoo !,..
Jan.
Hé, zucht u daarom ?... Ik voor mij zou blij wezen van de verantwoordelijkheid af te zijn.
Karei {haastig).
Je hebt gelijk !... Maar heb je me niet gezegd, dat mijnheer Adolf op het kantoor is geweest?
13
Ja . . . hij is naar boven gegaan! Hij is er anders niet te druk . . . Daarom verwonderde 't me zoo, toen ik hem er verleden 's avonds laat aantrof.
Karei.
's Avonds ?
Jan.
Ja! Den dag nsl het vertrek van uw vader.
Karei {ter zijde).
Hij heeft hem gezien ...
Jan.
't Was tegen elf uur ... en zoo laat is er anders niemand op 't kantoor Ik had een brief laten liggen, wilde dien in 't naar huis gaan in de bus doen en ging mijn lantaarn halen ... Tot mijne verwondering stond de deur van het kantoor open en zag ik iemand met het hoofd op uw bureau liggen . . .Ik wou al âdieven ! dieven !quot; roepen, maar toen sprong mijnheer Adolf op, en zei me, dat ik hem wakker had gemaakt, want dat hij, afgemat door de warmte, op 't bureau in slaap was gevallen . . . 't Was dien dag dan ook erg broeierig ! Ik heb er mijnheer over willen spreken, maar die gunde zich den tijd niet om me aan te hooren, want mevrouw kwam binnen, met haar modemaakster . . . Ook al een Fransche madam, net als zij !
Karei.
Genoeg! 't Is wel! . . . (Jan verwijdert zich.) Zeg eens Jan, geef deze boeken aan de kamenier; 't zijn de romans die mevrouw mij gevraagd heeft . . .
Jan.
Goed meneer! {tei'zijde.) Fransche romans ... een kamenier ... Meneer zijn eerste vrouw kleedde zich alleen, en was er daarom niet minder om, {Af, 2e plan rechts.)
14
VIJFDE TOONEEL.
Karei {alleen).
Hij heeft hem ook gezien ! . . . Wat te beginnen ? Morgen komt misschien mijn vader terug en hoe zal ik hem verbergen . . . Welke verschooning zal ik aanvoeren, om mijne zwakheid te verontschuldigen ... O, ik ben verloren, zoo Adolf van daag zijne beloften niet houdt ... Ik zal dit huis moeten verlaten ... en haar niet meer zien . .. Maar welk een macht, welk een invloed oefent die vrouw dan op mij uit, dat ze mij mijn plicht doet vergeten ? Dikwijls vraag ik mij af, of ik niet het slachtoffer eener boosaardige coquette ben, die er alleen genoegen in schept mij eene toekomst voor te spiegelen, die zich toch nimmer verwezenlijken kan . . . En zoo mijn vader, die rechtschapen man, er één woord van vermoedde. Zoo hij wist dat ik den man durf bedriegen, die . . . Maar neen, ik heb mij, goddank, nog niets te verwijten, dan eenige brieven . . . romantische dweperijen, waar ik misschien later zelf om lachen zal . . . De hemel geve het ten minste!
ZESDE TOONEEL.
Karel, van Elten {van rechts, met hoed en stok).
Van Elten.
Nog alleen. Karei ?
Karei (zich herstellende).
Mijnheer Adolf is al hier geweest, maar een oogenblik naar zijne kamer gegaan.
Van Elten.
Verdedig hem niet; ik weet dat hij tegenwoordig op het kantoor komt, wanneer het hem bevalt, en daar my) dit niet bevalt, zal ik er een einde aan moeten maken! Van iets anders, iets ernstigers! Twee dagen geleden heb ik bericht ontvangen van den heer Helmond te Amsterdam ... Er is aan zijn kantoor een wissel van vijf duizend gulden op mijn naam
15
gepresenteerd . . . zonder advies .. . Daar dit hem van mijn kant zonderling voorkwam en de naam van den endossant hem vreemd was, heeft hij er mij kennis van gegeven; ik heb verzocht den wissel, die mij verdacht voorkomt, aan te houden ; de politie is gewaarschuwd en alle maatregelen genomen.
Karei.
Zoudt u veronderstellen . . .
Van Elten.
Ik veronderstel niets; ik ben overtuigd, dat de wissel valsch is. Ik ga thans naar den officier van justitie ... Tot straks! ... O ja, ik vergat nog u te zeggen, dat uw vader overmorgen terug komt; gisterenavond heb ik een brief van hem ontvangen!
Karei {ter zijde).
Zoo spoedig 1 {luid) En is de uitslag van zijn reis bevredigend?
Van Elten.
Hm! dat mag wel zoo zijn! Alles is niet verloren, ten minste, zooals ik vreesde. Nog een of twee dagen en ge zult u van uwe verantwoordelijkheid ontheven zien.
Karei.
Mijnheer . . .
Van Elten.
O, ik ben zeer tevreden over u; daarom zeg ik het niet, maar ik ben zoo aan mijn ouden Belman gewoon, dat het mij voorkomt alsof ik iets mis, wanneer ik hem niet op het kantoor vind, waar ik hem ruim dertig jaren lang even opgeruimd als ijverig heb aangetroffen! Tot straks, Karei!
Karei {groeiende).
Mijnheer!
ZEVENDE TOONEEL.
Karel, daarna Beetha.
Karei.
Vader komt terug! ... En die ellendige Adolf, die mij gezworen had vandaag nog alles in orde te brengen, alles te
16
herstellen . . . Hij beweerde heden een belangrijke som te moeten ontvangen . . . Als hij mij eens bedrogen had! . . . O, 't is om het verstand te verliezen !
Bertha {aan de deur rechts). Is u alleen, mijnheer Karei ?
Karei.
Ja, juffrouw Bertha !
Bertha.
Is papa er niet meer ?
Karei.
Hij is zooeven heengegaan.
Bertha (komt hinneri).
't Is, weet u, omdat papa niet graag ziet dat ik op het kantoor kom . . . Hij zegt, dat het niet past ... en toch kom ik er zoo graag eens praten, als uw vader er is.
Karei {glimlachende).
Maar die is er nu niet.
Bertha.
Ja, dat weet ik wel! . . . Maar ik kom er nu ook niet voor mij, maar voor mama.
Karei.
Voor mevrouw?
Bertha.
Om u dit boek terug te brengen . . . Een roman, geloof ik. Karei.
Juist, juffrouw.
Bertha.
Mama leest veel . . . maar papa heeft het mij verboden 1 . ., Weet u ook waarom ?
Karei.
Heeft uw papa er u geen reden voor opgegeven ?
Bertha.
O ja wel! hij beweert, dat dit mij van mijne studie afhoudt . . . Misschien heeft hij wel gelijk I ... Maar 't is ook zoo vervelend nog te studeeren ... als men al zoo oud is als ik.
Karei.
Zoo oud ?
17
Bertha.
Wel zeker, mijnheer, ik word de volgende maand al zeventien jaar ... en dat noemden we op de kostschool heel oud ! . . .
Karei.
Op de kostschool . . . dat is mogelijk, maar . . .
Bertha.
ü zult toch ook zeker niet durven zeggen, dat ik nog een kind ben ?
Karei {vrolijk).
De hemel beware mij !
Bertha.
A la bonne heure! zou mama zeggen . . . hoewel zij er mij altoos voor uitmaakt. Gisteren avond nog!
Karei.
Waarlijk ?
Bertha.
En dat door uwe schuld?
Karei.
Mijne schuld ?
Bertha.
Wel zeker ! ... Ik was juist bezig het gedicht te lezen, dat u verleden week mama gegeven hebt.
Karei.
Een. gedicht ?
Bertha
Ja, dat u zelf gemaakt hebt, bij gelegenheid van mama's verjaardag.
Karei {ongerust).
Heeft zij u dat laten lezen ?
Bertha.
Laten lezen niet! Ik vond het in haar werkmandje en de eesrte regels bevielen mij zoo, dat ik de begeerte niet heb kunnen weerstaan het om uit te lezen ! . . .
Karei {7er zijde).
Hemel! 2
18
Bertha.
Mama was in 't begin een beetje boos . . . maar toen ik haar de uitlegging van eenige regels vroeg, kuste ze mij op t voorhoofd en zei: âWat ben je nog gelukkig, kind!quot; Daarop kwam papa binnen en toen ik hem over het gedicht wilde spreken, viel zij mij in de rede en zag mij zoo onvriendelijk aan, dat mij er de tranen van in de oogen kwamen; daarop ben ik naar mijn kamer gegaan en toen Marie mij kwam roepen voor 't soupé, heb ik gezegd, dat ik hoofdpijn had . . . Den heelen nacht heb ik geen oog dicht gedaan en getracht mij de regels te herinneren, die mij in het gedicht zoo getroffen hadden ... en toen ik van morgen aan 't ontbijt kwam, had ik echten hoofdpijn . . . zeker tot straf voor mijn leugen van gisteren avond ! Nu ziet u wel, dat u eigenlijk de oorzaak van alles bent.
Karei.
Maar dan toch de onschuldige oorzaak.
Bertha.
't Is zonderling, maar nu ik met u spreek, schieten die regels mij weer in de gedachte; luister maar eens, mijnheer de dichter, of ik ze niet goed onthouden heb :
âWanneer de bedelaar naar 't helder starrenlicht,
Dat zijnen weg beschijnt, een blik vol liefde richt.
En de Mahomedaan, als hij den dag ziet gloren.
Der zon, die hem verkwikt, zijn dankbaarheid doet hooren. Dan bluscht geen ster haar glans, geen straal der zon haar gloed, Mij rooft gij beiden, als mijn blik uw oog ontmoet.quot;
Karei {ter zijde).
God!
Bertha (vrolijk).
Als men 't niet beter wist, zou men dat voor een liefdesverklaring houden . . . Tenminste op de kostschool,
Karei.
ü zoudt kunnen veronderstellen . . .
Bertha (lachende).
Wel neen! Ik zeg immers: âAls men t niet beter wist. Eene
19
liefdesverklaring ... aan wie ? Aan mama ... (lachendé). Aan eene getrouwde vrouw, dat kan immers niet!
Karei (ter zijde).
Hare onschuld redt mij.
Bertha.
Er is hier immers geen andere vrouw als mama ... en ik ..., {zacht) Dat is waar... ik ben er ook.
Karei.
Juffrouw Bertha !. . .
Bertha (nadenkend, zacht). Ik ! ... Zou 't mogelijk zijn ? ... Ik . ..
Karei.
Welk een toestand ...
Bertha {verward, verlegen).
Daar had ik nog nooit aan gedacht... en nu . .. (eens/dajis) Vaarwel, mijnheer Karei.
Karei.
Verlaat u me zoo plotseling ?
Bertha {als hoven).
Ik zei u immers, dat papa niet gaarne ziet...
ACHTSTE TOONEEL.
Vorigen. Adolf.
Adolf.
Wat is dat, klein nichtje; je gaat heen als ik kom ; ik jaag je toch niet weg?
Bertha.
Volstrekt niet, maar ...
Adolf.
Maar ik heb u misschien gestoord ?
Karei.
Adolf!
Adolf.
Nu wat!. ,. Jij wordt kwaad en nichtje krijgt een kleur ... Wat moet dat beteekenen ?
20
Bertha {ontroerd).
Mijnheer Karei, 't is niet waar... Foei Adolf, het staat je leelijk mij zoo te plagen.
Adolf.
Niohtlief, ik plaag je niet... ik wil me integendeel dadelijk verwijderen, als ik je hinder.
Karei {hevig).
Adolf, neem je in acht!
Adolf.
Wel nu nog mooier; bedreigingen! Maar wat is hier dan aan de hand!. .. Zie nu eens hoe men onschuldig ergens in kan loopen. Een volgende maal zal ik aankloppen.
Bertha {half weenend).
Adolf! je moest je schamen om te durven denken ... Ik heb mijnheer een boek van mama gebracht en toen. ..
Adolf.
Wel, dat geloof ik graag, dat is geen reden om daarom te huilen ... klein nichtje.
Bertha.
Zie Adolf, ik heb nooit veel van je gehouden, omdat je mij altoos plaagt... maar van daag ... van daag verfoei ik je.
{Schielijk af, rechts.)
NEGENDE TOONEEL.
Kaeel, Adolf.
Adolf {valt lachende in een stoel).
Bravo, vriend Karei! Ik maak je wel mijn kompliment... Je hebt veel succes bij de familie van Elten!
Karei.
Geen woord meer, Adolf! Je hebt dat arme kind door je flauwe aardigheden geheel in de war gebracht, maar ik verdraag ze niet, versta je! {Gaat aan zijn bureau zitten, links.)
Adolf.
Ik zal in 't vervolg mijn best doen geestiger te zijn, om mijnheer den kassier ad interim niet te mishagen.
21
Karei.
't Is wel; laat ons er niet meer over spreken!
Adolf.
Duivels, wat ben je van morgen lichtgeraakt; je schijnt in een kwaden luim te zijn.
Karei.
Dat moet jij me niet verwijteu, daar jij er grootendeels de schuld van bent.
Adolf
Ik?
Karei.
Zeker! Je hebt me gisteren avond voor niet op je laten wachten ... Je hadt me op je woord van eer beloofd die ongelukkige zaak uit de wereld te maken . . . Morgen misschien komt mijn vader terug, en ik durf hem niet onder de oogen komen, als mijn kas niet in orde is.
Adolf.
Wees maar niet ongerust; ik beken dat ik je gisteren teleur heb gesteld, maar geheel buiten mijne schuld ... Ik begrijp er zelf niets van ... Ik had gisteren bepaald die som moeten ontvangen . . . maar ik twijfel niet, of ik zal van daag in de gelegenheid zijn alles in orde te brengen.
Karei.
Je kunt wel begrijpen, dat ik je maar half vertrouw.
A d o If.
Dank je vriendelijk.
Karei.
Bovendien ben ik nog ongeruster, sedert ik ontdekt heb, dat ik niet alleen meester van je geheim ben . . .
Adolf {ongerust).
Wat blief?
Karei (staat op en komt bij heni).
Ja . . . daar straks vertelde mij Jan, de kantoorknecht, dat hij je op den bewusten avond op het kantoor gevonden heeft...
Adolf {zeer halm).
O Jan 1 ... 't Is waar, hij heeft me gezien, die oude schelm.
22
Karei.
Beleedig den man niet! 't Is een eerlijke kerel en dat kan men van iedereen niet zeggen.
Adolf.
Miinheer Belman!
0 Tr i
Karei.
Welnu kom aan. dat ontbrak er nog aan . , . Vergeet niet, dat ik door één woord te spreken je in 't verderf kan storten .. . Misschien zou het mijn plicht zijn te spreken en is mijn stilzwijgen een misdaad tegenover den man wiens brood ik eet.
Adolf.
Zacht wat, vriendje; je behandeld mij alsof ik een misdadiger was!
Karei {zacht).
Wat ben je dan anders! ... Of is het geen misdaad een bureau te. openen en er eene som van vijf duizend gulden uit te stelen ?
Adolf.
Foei, wat een leelijk woord ! . . . Stelen !... Ik heb die som alleen maar geleend . . . Zonder je te raadplegen, dat is zoo, maar indien ik die aan oom ter leen had gevraagd . . .
Karei.
Zou hij ze je bepaald geweigerd hebben . . .
Adolf.
Best mogelijk ! . . . Daarom heb ik ze maar geleend,ponder zijn voorkennis . . . Die kooplui zijn vasthoudend en hij moest toch begrijpen, dat ik met mijn salaris geen figuur kan maken, zooals 't mijn stand past.
Karei.
Je vergeet, dat je me zelf bekend hebt, dat hij je verscheidene malen is te hulp gekomen.
Adolf.
Dat is zoo! Maar met kleine, onbeduidende sommen . . . Dat hielp me niet.
Karei.
En daarom vond je het gemakkelijker hem maar in eens
23
eene groote som te ontstelen... Ik weet nog niet wat me weêrhouden heeft hem alles te zeggen !
Adolf,
Weet je dat niet, beste jongen! Nu ik, ik weet het wel!
Karei.
Hoe ?
Adolf.
Wanneer je oom verteld hadt, dat je mij op dien avond hebt verrast, had hij u waarschijnlijk gevraagd, wat jij dan op dat uur op het kantoor hadt te verrichten, en waarschijnlijk was het je even moeilijk gevallen eene eerlijke verklaring voor uwe tegenwoordigheid te vinden, als ik die aan de mijne kon geven.
Wat bedoel je?
Adolf.
Toen ik je daar straks met m'n nichtje verraste, heb ik je toegevoegd: dat je veel succes bij de familie van Elten hadt; je hebt me niet begrepen, of niet willen begrijpen, maar ik meen dat je deze woorden voldoende opheldering moeten geven.
Karei {na eene beweging).
Ik begrijp je niet!
Adolf {opstaande).
Dan zal ik me duidelijker verklaren!... Je spreekt van âuw plicht te vervullen jegens den man wiens brood gij eet dat zijn uw eigen, woorden ; maar je geweten schijnt al van eene zonderlinge samenstelling te zijn, daar je die tegenover zijne vrouw vergeet.
Karei.
God!
Adolf.
Schrik niet!... ik kan zwijgen. De eene dienst is de andere waard.
Karei.
Ik heb mij niets tegenover mevrouw van Elten te verwijten.
24
Adolf.
Je liebt een slecht geheugen en ik zal het te hulp komen ... Zoo je mij op dien avond hier verrast hebt, was het omdat je hier op het kantoor, bij afwezigheid van mijn oom, zijne vrouw een rendez-vous hadt gegeven.
Karei {hevig).
Dat is een afschuwelijke leugen!
Adolf.
Schreeuw niet! Men mocht ons hooren !
Karei.
Je belasteit eene vrouw ...
Adolf.
Volstrekt niet, ik belaster niemand. Ik houd mevrouw van Elten voor eene eerlijke vrouw, maar zoo ze dat nog ia, is het uwe schuld niet.
Karei.
Ellendige !
Adolf.
Geen tooneelscènes ! Laten we bedaard blijven; we hebben er beiden evenveel belang bij.
Karei.
Wat wil ie dan ?
Adolf.
Je bewijzen, dat ik de waarheid spreek! Luister: Mijne lieve tante is een goed wijfje, maar coquet en lichtzinnig als een ware Parisienne, die zij is. Na ruim een jaar gouvernante mijner nicht te zijn geweest, heeft zij zich plotseling in mevrouw van Elten, in de vrouw van een der eerste kooplieden van ons land herschapen gezien. De overgang van eene arme gouvernante tot eene rijke dame, verblindde haar zoo zeer, dat ze vergeten had, dat haar man dertig jaar ouder is dan zij ... Maar nu ze aan dat leven gewoon is, dat hare schoonste verwachting overtroffen heeft... nu ze al haar meisjesdroomen verwezentlijkt ziet... heeft ze misschien het onderscheid van jaren bespeurd, dat er tusschen haar en haren man bestaat. De onschuldige galanteriën van een jong,
25
elegant cavalier hebben misschien hare ijdelheid gestreeld, want ze is vrouw, en wat meer zegt, geboren in een land, waar zoo iets min of meer tot de mode behoort.
Karei.
Die taal, mijnheer ...
Adolf.
Aangemoedigd door een vriendelijken blik, door eenige woorden misschien, die een jongmensch zoo gaarne in zijn voordeel uitlegt, hebt gij u door uwe droomen laten meè-sleepen, haar oplettendheden bewezen, haar romans bezorgd .. . gevaarlijke lectuur voor zulke broze schepseltjes . .. Oom, een best man, maar blind voor alles wat geen speculatie of handel is, heeft haar daarin niet gehinderd. .. Eindelijk vondt ge de proza van de romanschrijvers nog niet gloeiend, niet vurig genoeg, en hebt gij gemeend er de uwe bij te moeten voegen . .,
Karei.
Hemel!
Adolf.
De niets kwaads vermoedende Bertha kwam ze bij u halen en toen ik verleden week schertsend mijn nichtje een boek uit de handen nam, dat gij haar voor hare stiefmama hadt gegeven, vond ik er een briefje in, dat ik zorgvuldig bewaard heb.
Karei.
Dat is gelogen.
Adolf.
Hier is 't! {Toont een briefje.) âVergeef mijne vermetelheid, maar ik moet u spreken; mijn toestand is ondragelijk ; ik moet uit uw mond vernemen, of het verleden vergeten moet worden en verzoek u daarom heden avond ten elf ure op het kantoor te komen; de deur zal niet gesloten zijn, en't zal u gemakkelijk vallen uwe kamer te verlaten, bij afwezigheid van mijnheer van Elten.quot; Geteekend: Karei Belman !
Karei.
Ik ben verloren!
Adolf.
't Briefje is geteekend ... welk eene onvoorzichtigheid ! Er
26
staat wel is waar geen adres op, maar de naam van mijn oom die er in vermeld wordt, maakt allen twijfel overbodig!
Karei, {zich herstellende).
En wat is thans uw voornemen ?
Adolf.
Ik heb er geen! Ik wilde u alleen maar laten hoeren, dat ik de reden uwer tegenwoordigheid op het kantoor kende; ik kwam er om mij van de uitwerking van het briefje te overtuigen. Ik was er zeker van u alleen aan te treffen, daar ik mevrouw van Elten van 'tbriefje onkundig had gelaten... Ik vond het kantoor volgens afspraak niet gesloten, uw lessenaar stond open ...
Karei.
Dat is een leugen ...
Adolf.
Nu laten we dan zeggen, dat ik dien geopend heb. Is't mijne schuld, dat mijn sleutel er op paste ?
Karei,
En toen hebt ge u niet geschaamd er eene som van vijf duizend gulden uit te nemen !
Adolf.
Dat is uwe schuld 1... Wat duivel is dat! Welk kassier bewaart zoo'n som in zijn lessenaar ?
Karei.
Ik had verzuimd dat geld weg te sluiten en ...
Adolf.
Het overige weet je ! Je verrastet mij ... wildet mij dwingen die som te restitueeren ...
Karei.
En alleen de verklaring, dat je verloren waart, zoo ik je dat geld geen acht-en-veertig uren liet behouden, heeft mij mijn plicht doen vergeten.
Adolf.
Komaan, laten wij beiden zwijgen! Van daag geef ik je die som terug en dit briefje ook... en wij zijn beiden gered.
27
Karei.
Het zij zoo, daar ik er toe gedwongen ben ; maar ik wil niet dat je mevrouw van Elten verdenken zult... Zij is ieders achting waardig en de samenkomst die ik haar vroeg, was om haar hare brieven terug te geven ... die ze mij een jaar voor haar huwelijk geschreven had.
Adolf.
Wel, ik verdenk haar niet ... Ik sla geloof aan de onschuld van alle vrouwen in 't algemeen en aan die mijner tante in 't bijzonder, {ter zijde.) Hij zal zwijgen en wanneer ik heden het geld van den wissel ontvang is alles in orde.
TIENDE TOONEEL.
Vorigan. Jan {van reehls.)
Jan {schielijk op.)
Mijnheer Adolf ... is meneer Adolf hier?
Adolf.
Hier ben ik.
Jan.
ü zoudt op 't bureau van meneer komen!
Adolf.
Ik! . . . Weet je niet waarom ? . . .
Jan.
Neen! . . . Ik weet alleen dat meneer zoo bleek als een doek is thuis gekomen en uitriep; Adolf, waar is Adolf? roep hem hier; ik moet hem spreken!
{Adolf ziet Karei aan.)
Karei {zacht).
Ik bezweer je, dat ik hem niets gezegd heb !
Adolf {zacht).
Dat zullen wij zien ! Vergeet niet, dat zoo je mijn geheim bekent, ik meester van het uwe ben. {tot Jan.) Ik kom !
{Jan vertreht rechts, gevolgd door Adolf, die Karei wantrouwend aanziet. Karei valt vertwijfelend op een stoel hij 't bureau.) Einde van het eeeste bedrijf.
TWEEDE BEDRUP.
Kamer hij van Elfen. Bureau rechts met fauteuil. Deur in het fond. Aan heide zijden een raam; linies de deur van het kantoor; rechts die van den salon. Canapé, stoelen, enz. enz.
EERSTE TOONEEL.
Bij het opgaan van het gordijn zit van Elten te schrijven. Van Elten, later Jan en A d o 1 f.
Er valt geen tijd te verliezen! {ziet op z n horloge.) Een uur , . . Jan, ben je daar?
Jan {op).
Om u te dienen, mijnheer.
Van Elten.
Waar is mijn neef.
Jan.
Daar is hij, mijnheer; hij was op het kantoor.
Adolf {vrolijk).
Hier ben ik, oomlief; er is toch hoop ik geen ongeluk gebeurd ?
Van Elten {ziet hem zwijgend aan).
Dezen brief in de bus en dit telegram oogenblikkelijk naar 't bureau. {Oeeft heiden aan Jan.)
Jan.
Direct, mijnheer. {Jan links af.)
29
TWEEDE TOONEEL.
Van Elten, Adolf.
Adolf.
U is ontsteld, oom; wat is er dan toch. gaande ?
Van El ten, (Jcoeï).
Nog een paar regels en ik ben tot uw dienst.
{Adolf huigi toestemviend, loopt vervolgens heen ea weer, ziet met ongerustheid naar van Elten, die zwijgend doorschrijft, vervolgens met zn houding verlegen, begint hij een liedje te neuriën.)
Van Elten, (kortaf).
Zing niet, {schrijft door).
Adolf, (ongerust, terzijde).
Wat scheelt hem. toch ? (nieuwe stilte).
Van Elten, (sluit zijn hrief, keert zich dan naar Adolf en zegt, een stoel bijschuivende).
Ga zitten !
Adolf, {gaat zitten).
Ja oom ! . . . Maar is het mij vergund te vragen, wat de oorzaak van uw koelheid jegens mij is ?.. . Dat ben ik van u niet gewoon, beste oom!
Van Elten.
Dus stem je toe, dat ik me altoos jegens u als een liefderijk oom heb gedragen 1
Adolf.
Zeker!
Van Elten.
Je erkent, dat ik je als een zoon van den huize heb behandeld ?
Adolf.
Ongetwijfeld ?
Van Elten.
't Is wel!. .. Daar je nog te jong waart om je alles te herinneren, wat ik voor u en uwe ouders gedaan heb, zal ik het je zeggen, ofschoon het mijne gewoonte niet is op het goede, dat ik gedaan heb, terug te komen.
30
Adolf.
Ik zal nooit vergeten, wat ik u verschuldigd ben.
Van Elten, (bitter).
Waarlijk niet!... Nu dat verheugt me ... maar luister nu.
Adolf, (ter zijde).
Wat kan zijn voornemen zijn. ..
Van Elten.
Na den dood van mijn vader werd ik, als de oudste zoon, zijn opvolger in de firma van Elten amp; Co., te eerder, daar uw vader, mijn broêr, al sedert twee jaren te Amsterdam eene winstgevende zaak had overgenomen. . . Dat is nu achttien jaar geleden ... Je waart toen vijf jaar oud .. . Mijn broêr, een braaf man , maar zeer lichtzinnig, begaf zich in gewaagde ondernemingen en leed belangrijke verliezen aan de Beurs ... Reeds eenmaal was ik hem te hulp gekomen ... en eens, op een avond ontving ik een brief van uwe moeder, die mij hevig deed schrikken. Zij had haar man verrast, terwijl hij in zijn kamer bezig was haar een afscheidsbrief te schrijven 1.. een geladen pistool lag vóór hem. .. Valsche sjhaamte had hem belet nogmaals mijne hulp in te roepen ... Zelf min of meer verlegen in mijne zaken, aarzelde ik echter geen oogen-blik de eer en den naam van mijn broer te redden. .. Teleurgesteld in zijne schoonste verwachtingen en bespeurende dat zijne droomen van rijkdom en weelde nooit meer zouden verwezenlijkt kunnen worden, werd hij ziek... en een jaar later ... werd uwe moeder weduwe.
Adolf.
Arme moeder!
Van Elten.
Mijn goede vrouw wist mij over te halen uwe moeder en u bij ons in huis te nemen. Uwe moeder stemde er in toe. . . Zij kon echter den man niet vergeten, dien zij ondanks zijne dwalingen nog even lief had ... Eene slepende ziekte maakte zich van haar meester en zij ontsliep korten tijd daarna kalm en zacht, mij haar kind toevertrouwende... Ik heb uwe moeder op haar sterfbed beloofd u tot een eerlijk man, tot een
31
rechtschapen menscli ie vormen en God is mijn getuige, dat het mijn schuld niet is, zoo het mij niet is mogen gelukken.
Adolf {opstaande).
Oom ! ...
Van Elten {opstaande).
Val mij niet in de rede ! Ik heb u als mijn kind aangenomen ... en toen mijne Bertha geboren werd, is mijne genegenheid, noch die van mijne zalige vrouw voor u verminderd ... Gij zijt te zamen opgegroeid en ik heb haar geleerd u als haar broer lief te hebben. . . En thans heb ik nogmaals het recht u te vragen : âHeb ik getrouw mijn woord gehouden ; heeft het u in mijn huis ooit aan genegenheid ontbroken; kortom, heb ik, naar mijn vermogen, de plaats der oudera vervuld, die je zoo vroeg verloren hebt?
Adolf.
Ja.
Van Elten {hevig).
Met welk recht mijnheer, heb je dan getracht den naam van je vader te onteeren, dien ik voor schande heb bewaard, die ook de mijne is ? . ..
Adolf {aarzelend).
Ik begiijp u niet!...
Van Elten.
Waarlijk !... {Gaat naar zijn bureau, neemt er een papie)-uit, dat hij hem voorhoudt.) Herken je dien wissel?
Adolf {ontsteld).
God !
Van Elten.
De handteekening is valsch !.. Zoo nauwkeurig nagemaakt, dat alleen het geoefende oog van een oud koopman als ik, die van de zijne kan onderscheiden ...
Adolf.
Ik bezweer u ..,
Van Elten.
Bezweer niets, je zoudt je nog verachtelijker in mijne oogen maken, door een nieuwen leugen bij je misdaad te voegen...
32
Ik ben genoeg in tijds gewaarschuwd, om de vervolgingen te doen ophouden ... Uw naam is gered! ..
Adolf (ter zijde).
Ik herleef!
Van E It e n.
Ge begrijpt echter, dat ik na zoon handelwijze u niet meer in mijn huis en nog veel minder op mijn kantoor wil zien ...
Adolf.
Wat moet er dan van mij worden?
Van Elten.
Daar had je zelf aan moeten denken ! ... Maar ik wil mijne belofte aan uwe moeder nakomen, hoewel je gedrag mij er van ontslagen heeft... Je vertrekt over een uur naar Londen ; uwe plaats is genomen ...
Adolf.
Naar Londen ? ...
Van Elten.
Ik zal je een brief meegeven voor het huis Berkley and Son, waarin ik verzoek u, door tusschenkomst van die firma, eenè plaats te bezorgen op het kantoor van Anderson te Philadelphia.
Adolf.
Te Philadelphia?
Van Elten.
Niemand kent nog buiten mij uw misdaad, en wanneer je wilt, kun je misschien eenmaal door ijver en vlijt weêr de achting van eerlijke menschen waardig worden. De firma Berkley zal zich met uw overtocht belasten.
Adolf.
Maar dat is eene verbanning!
Van Elten.
Wil je liever hier blijven, het zij zoo, maar dan bezweer ik je, dat ik het recht zijn loop laat gaan ... er kome van wat er wil!
Adolf.
Ik zal vertrekken!
33
Van Elteu {geeft hem een brief en geld).
't Is wel . . . Ziehier voor de eerste behoeften . .. Deze brief voor de firma Berkley bevat mijne verdere instructiën ; aan geld zal het je niet ontbreken . . . Ga nu, mijnheer... ga.. .
Adolf.
Zal het mij niet veroorloofd zijn mijne tante en Bertha vaarwel te zeggen . , . evenals eemge vrienden ?
Van E 11 e n.
Wat uwe tante en Bertha aangaat, daar heb ik niets tegen ... wat uwe vrienden betreft, dat is overbodig... Zij zij n misschien de oorzaak van uw vertrek . . . Zoo ge hen echter wilt schrijven, zal Jan zich met uwe brieven belasten.
Adolf.
Ik gehoorzaam . . . Maar mag ik u dan de hand niet drukken . . . misschen voor de laatste maal . . .
Van Elten.
Geen komedie, mijnheer! . . . Ge zult toch wel begrijpen, dat ik nu nog geen geloof aan uw berouw kan slaan !
Adolf.
Vaarwel dan, mijnheer, leef gelukkig.
Van Elten,
Vaarwel!
Adolf.
Naar Londen ! Er is nog niets verloren. {Af, rechts).
DERDE ÃOONEEL.
Van Elten, later Jan.
Van Elten.
Geen woord, dat uit het hart kwam! Geen traan van berouw ... Ik heb mij niets te verwijten; ik heb gehandeld, zooals ik handelen moest. {Gaat aan 't bureau zitten).
Jan {opkoinende).
't Is bezorgd, mijnheer !
Van Elten.
't Is goed ! Maak dat je over een half uur met een rijtuig
3
34
voor de deur bent, om mijnheer Adolf naar de Engelselie boot te brengen.
Jan.
Meneer Adolf?
Van Elten.
Ja! Over een half uur.
Jan.
De een gaat en de andere komt!
Van Elten.
Hoe zoo ?
Jan.
Wel, ik heb daareven mijnheer Belman ontmoet, die van de reis kwam.
Van Elten.
Belman!
Jan,
Ja, hij ging hier naar toe, maar toen ik hem zei, dat z'n vrouw zieker was geworden, is hij dadelijk naar huis gegaan.
Van Elten.
't Is wel . . . doe wat ik je gezegd heb, Jan, {Jan af, door het fond.)
VIERDE TOONEEL.
Van Elten, daarna Bektha.
Van Elten.
Belman terug! ... En hij schreef mij dat ik hem eerst morgen of overmorgen kon verwachten. Zooveel te beter. Het vertrek van Adolf maakt zijne tegenwoordigheid hier noodzakelijk.
Bertha {opkomend, van rechts).
Ik ben het, papa!
Van Elten,
Zoo, ben jij het. mijn kind ?
Berth .
Ja, papa!
35
Van Elten.
Wat scheelt er aan! Je bent zoo treurig, men zou haast zeggen dat je geweend hebt
Bertha.
Dat heb ik ook!
V an Elten,
En waarom?
Bertha.
Adolf heeft me vaarwel gezegd !
Van Elten.
Adolf! ... nu reeds ?
Bertha.
Ja! hij ging naar mama en zei me zoo in 't voorbijgaan, dat hij misschien in geen jaar terug komt.
Van Elten.
Wel mogelijk! En heb je daarom geweend ?
Bertha.
Wel zeker! Ik was gewoon hem als mijn broêr te behandelen en houd veel van hem... ofschoon hij 't somtijds niet verdiende.
Van Elten.
Zoo ?
Bertha.
Ik heb het hem wel nooit gezegd... omdat hij maar mijn neef is ... Maar 'k mocht hem toch gaarne lijden ... al plaagde hij me dikwijls.
Van Elten, {opstaande).
Zoo ! houd je zooveel van hem ?
Bertha.
Is dat dan niet natuurlijk? Wij zijn te zamen opgegroeid, ik was aan zijn gezelschap gewoon; u zelf hebt mij geleerd hem als mijn broêr lief te hebben.
Van Elten, {met nadrulc).
En had je hem lief... als je broêr?
Bertha.
Natuurlijk ! Hoe anders ?
36
Van Elten, (ter zijde).
Goddank! {Luid.) Je zei daareven dat hij je zoo dikwijls plaagde, is dat zoo ?
Bertha.
Zeker, papa; veertien dagen geleden nog, op het societeita-bal... U weet dat Adolf een goed walzer is ...
Van Elten.
Neen, dat talent wist ik niet dat hij bezat.
Bertha.
Welnu, wij hadden afgesproken al de walzen samen te dansen... nu na de eerste heb ik hem al niet meer terug gezien en ben verplicht geweest met eenige jongelui te dansen, die mijn japon geheel gekreukeld hebben... en me onophoudelijk op de voeten hebben getrapt... en dat nog wel tegen de maat!
Van Elten.
Dat was een dubbele marteling! En is dat alles wat hij u misdaan heeft?
Bertha.
Welzeker niet!... Nu eens kritiseerde hij mijn toilet ; dan beweerde hij weêr dat ik piano speelde zonder gevoel... en altoos noemde hij mij zijn klein nichtje... als u nu denkt dat dit pleizierig is als men op mijn leeftijd is...
Van Elten.
Dat stem ik toe.
Bertha.
En van morgen nog... {Aarzelend.) Maar neen, dat zal ik u maar liever niet zeggen.
Van Elten.
En als ik het nu eens wilde weten.
Bertha.
Welnu dan... Maar u moet niet boos worden . . .
Van Elten.
Ik beloof het je ... spreek !
Bertha.
Ik was beneden op het kantoor . .
37
Van Elten.
Op het kantoor?
Bertha {zeer schielijk).
Ja, ik weet wel, dat u het niet gaarne hebt, maar ik bracht mijnheer Karei een boek van mama terug ... en op eens kwam Adolf binnen . . . Hij zeide zulke vreemde dingen, die ik niet goed verstond, maar toch kon ik wel begrijpen, dat er iets boosaardigs in lag opgesloten; ik begon te weenen, net al straks ... en als hij nu niet op reis ging, had ik hem misschien in geen veertien dagen een goed woord toegesproken.
Van Elten.
Zóó 1 . . . En wat zei hij dan ?
Bertha.
Dat hij ons niet had willen storen, dat hij in 't vervolg zou aankloppen.
Van Elten.
En wat zei Karei daarop ?
Bertha.
O, die werd woedend . . . (lachend.) 't Was grappig om te zien ... hij werd bleek en ik voelde, dat ik vuurrood zag!
Van Elten.
Waarom ?
Bertha (na een kleine stilte). Dat weet ik niet, papa!
Van Elten {evenzoo).
En . . . hoe denk je over mijnheer Karei?
Bertha.
O, die vind ik veel beter dan Adoll!
Van Elten.
Waarlijk!
Bertha.
Hij heeft maar één gebrek!
Van Elten.
Maar één!
Bertha.
Hij kan niet walzen.
38
Van Elten.
Als 't andera niat is . . .
Bertha (onbezonnen).
Ja! niet waar, als 't anders niet is . . . dan . .
Van Elten.
Nu ! . . . Wat ?
Bertha {slaat de oog en neer).
Ja, papa . . .
Van Elten (te* zijde).
Ik had het geraden! {luid) Bertha, je zult me genoegen doen niet meer zonder mijn voorkennis op het kantoor te komen.
Bertha {met neergeslagen oogen).
Ja, papa . . .
B e 1 m a n {buiten links).
Je zegt, dat mijnheer op 't bureau is?
Bertha {vrolijk).
De stem van mijnheer Belman.
Van Elten.
Kom binnen, mijn beste Belman . . . kom binnen !
VIJFDE TOONEEL.
Vorigen. Belman, van links.
Belman {groeiende).
Mijnheer!
Van Elten.
Welkom, mijn goede Belman, welkom!
Belman.
Goeden dag, mijnheer! Kijk eens aan, daar is de jonge juffrouw ook . . . Gaat het goed, lieve juffrouw? . . .'t Is net of je sedert de laatste veertien dagen nog gegroeid bent . . je ziet er uit als een schilderij!
39
B e r t li a.
Die beste mijniieer Belman... altoos lieeft hij wat aangenaams te zeggen.
Van Elten.
Een goede reis gehad?
Belman,
Goed, wel!. .. Maar lang en vervelend ! .. . Enfin, ik ben er toch gekomen ... en is alles hier wel ? ... Mevrouw ook ?
Van Elten.
Zeer wel!... En uw vrouw ?
Belman.
Ze was ongerust over mijne afwezigheid; dat maakte haar zenuwachtig. Maar nu mijn oudje me weêr heelhuids gezien heeft, is ze in een half uurtje weêr heelemaal opgeknapt... M'n jongen heb ik nog niet gezien ; hij is zeker naar de Beurs.
Van Elten.
En nu blijf je bij ons dineeren.
Bertha, {schielijk).
En mijnheer Karei ook.
Van Elten, {haar glimlachend aanziende).
Zeker, zeker!
Belman.
Ik ben waarlijk verlegen mijnheer, maar...
Van Elten.
Geen komplimenten; ik zal een boodschap naar uw huis sturen . .. daar belast jij je wel meê, Bertha ... Ga nu je orders geven voor het diné... en zeg mama wie onze gasten zijn.
Bertha.
Terstond papa ! .,. Tot straks, mijnheer Belman.
Belman.
Ik kan 't maar niet vergeten, zoo lief als u er uitziet.
Bertha, {onder 't heengaan). Altoos even grappig, die mijnheer Belman.
40
ZESDE TOONEEL.
Vak Elten , Belman.
Van Elten.
Maar ga dan toch zitten, Belman ; je zult wel vermoeid zijn.
Belman.
Dat gaat vrij wel, mijnheer; hoewel ik nu toch begin te merken, dat ik geen kwajongen meer ben, {zij gaan zitten).
Van Elten.
Wij verwachtten je morgen of overmorgen eerst!
Belman.
Ja, volgens mijn brief... maar daar ik gelegenheid vond de zaken spoediger af te doen, heb ik mij gehaast naar huis te komen ... Leipzig is een mooie stad, maar ik was toch blij, dat ik er uit was... Als ik nog lang in Duitsch-land gebleven was, was ik zoo hoogmoedig als een pauw terug gekomen.
Van Elten.
Waarom ?
Belman.
Wel, van de titels die ze me daar gaven ... vooral in ' hotel,. . Gnadiger Herr, en verehrter Herr, en naarmate m'n rekening hooger werd, werden m'n titels hooger en langer!!.. Ik was straks zóó blij m'n oude hollandsche taal weêr te hooren, dat ik den jongen, die mij den weg wilde wijzen, een kwartje gaf.
Van Elten.
En de zaak met het huis Fühling amp; Oo. ?
Belman.
Boven verwachting afgeloopen 1 Wij dachten dat alles verloren was.. . Welnu, neen; de firma fühling amp; Co. heeft geaccordeerd voor twintig percent.
Van Elten.
't Is weinig, hoewel ik er niet op gerekend had ... Mevrouw Fühling zal nu haar equipage moeten wegdoen ... om 't volgend
41
jaar een ander aan te schaffen, dat meer naar den smaak is... Enfin, dat noemt men nu eerlijk man blijven! Over eenige dagen zal hij weêr aan de beurs komen en alles is afgeloopen.
B e 1 m a n.
U bent scherp, mijnheer; enfijn, ik kan het u niet kwalijk nemen ; het kost u geld genoeg !
Van Elten.
Was ik op die manier gefailleerd, dan had ik mij een kogel door den kop gejaagd.
B e 1 m a n.
Daar zouden uw schuldeischers ook niet veel aan gehad hebben ! En bovendien, een schot kruit maakt niets goed en bederft alles; dan ken ik een beter voorbeeld.
Van Elten,
En welk ?
B e 1 m a n.
Ik heb een koopman gekend, die, hoewel eerlijk als goud, zich door ongelukkige speculatiën verplicht zag zijne betalingen te staken. Zijne zaken werden geschikt en hij trof accoord met zijn schuldeischers. Drie maanden daarna riep bij hen op en verklaarde, dat hoewel de wet hem van alle verplichtingen ontsloeg, hij er echter anders over dacht en niet rusten zou voor hij zijne schuld ten volle had aangezuiverd.
Van Elten.
En heeft hij zijn woord gehouden?
B e 1 m a n.
Hij had te veel op zijn krachten gesteund ... de dood kwam de uitvoering van zijn plan verhinderen ; maar op zijn sterfbed liet hij zijn zoon, dien hij zonder fortuin achterliet, beloven, al het mogelijke aan te wenden, om zijns vaders beloften te houden.
Van Elten.
En heeft die zoon dat gedaan ?
B e 1 m a n.
Ja ! Dertig jaren heeft hij noodig gehad, om de belofte aan
42
zijn stervenden vader gedaan, te vervullen. Dertig jaren lang heeft hij zich in stilte beholpen, om geen vlek op de nagedachtenis zijns vaders te laten kleven. Men noemde hem in het huis en in de buurt waar hij woonde, een gierigaard, maar hij liet de menschen praten en vond troost bij zijn goede vrouw, die hem moed insprak. Vijf jaren geleden heeft hij den laatsten termijn afgedaan en wacht nu, oud en grijs, dat het Onzen Lieven Heer moge behagen hem tegenover zijn vader te brengen, voor wien hij de oogen niet behoeft neêr te slaan, want hij heeft zijn woord gehouden!
Van Elten.
En de naam ... de naam van dien braven man ?
B e 1 m a n {zet zijn stoel links).
Dat is het eenige, wat ik u niet zeggen kan.
ZEVENDE TOONEEL.
De Vorig era. Kakel.
Karei (zonder zijn vader te zien).
Mijnheer, ziehier de noteering van de beurs.
B e 1 m a n.
Karei!
Karei.
Vader! ... U hier !...
B e 1 m a n.
Zoo als je ziet!... Springlevend . .. met huid en haar ... Als ik nu zeg met âhaarquot;, dan is dat maar bij manier van spreken ... want het is in Duitsohland niet aangegroeid .. nu, de huid is ten minste nog stevig genoeg... Maar wat scheelt je toch, je schijnt zoo afgetrokken; je bent toch niet ziek ?
Karei.
Volstrekt niet. .. maar de verrassing ... ik verwachtte u niet.
B e 1 m a n.
Ja, zoo ben ik ! Ik kom altijd als een bom in huis vallen.
43
Van Elten {die de heurmoteeriny heefl ingezien).
Waarde Belmaii, ik ben zeer tevreden over Karei, en nu hij door uwe terugkomst van eene zware verantwoordelijkheid ontheven wordt, moet ik hem in uwe tegenwoordigheid voor zijne zorg en stiptheid bedanken.
B e 1 m a n.
Zooveel te beter, maar dat neemt niet weg, dat we morgen de kas eens zullen opnemen; en als er één cent aan ontbreekt, dan zul je met mij te doen hebben, mannetje!
Van Elten {tot Karei).
Vergeet niet dat het morgen de vijftiende is en we groote betalingen te doen hebben.
Karei.
Ja mijnheer! (ter zijde). O God! wat te doen?
Van Elten.
Dat blijft dus afgesproken !... En nu ga ik mijn vrouw halen... Apropos Belman, je zult je zoon wel zeggen, dat je beiden bij ons blijft dineeren, want hij staat zoo in gedachten.
Belman.
Ja wel, mijnheer; ik weet niet wat hem scheelt, hij is zoo zonderling.
Van El ten (glimlachend).
Misschien weet ik het wel... Ik geloof dat hij verliefd is.
Belman.
Verliefd? Och koml
Van Elten.
Op zijn leeftijd is dat heel natuurlijk... ik ben het nog wel op den mijnen ... Tot straks ! (Af in den salon rechts )
ACHTSTE TOONEEL.
Belman, Kaeel.
Belman (bij zichzelf).
Dat is zoo... en dat is de beste speculatie niet, die hij gedaan heeft!. .. (tot Km el) Heb je het gehoord, Karei ? Mijnheer wil volstrekt, dat we hier blijven eten.
44
Karei.
Hier ... van middag .,. onmogelijk.
B e 1 m a n.
Ik zie er het onmogelijke niet van in.
Karei.
Maar ik kan niet...
B e 1 m a n.
Ik begrijp je, beste jongen ; ik weet hoe je moeder er op gesteld is, dat je haar na den middag iets voorleest, het is de eenige verstrooiing die wij der arme zieke kunnen aanbieden. Maar ze zal voor één middag wel niet hard vallen, als ze maar weet, dat je ergens anders je vermaken kunt
Karei.
Toch niet!... Ik wil moeder niet alleen laten en bovendien beu ik niet gestemd, om in gezelschap te komen ... Ik zou een al te treurige gast zijn.
B e 1 m a n.
Dat heb ik ook gemerkt... Maar wat scheelt er dan aan ?
Karei.
Ik kan het u niet zeggen.
B e 1 m a n.
Heb je geheimen voor mij, voor je vader ? (geslremj) Ik wil toch niet hopen, dat ze van dien aard zijn, dat ik ze niet hooren mag?
Karei.
Neen, dat niet, maar ... {ter zijde) Zoo ik eens beproefde met een omweg ... (luid) Ziehier de zaak, vader . . . Een mijner vrienden verkeert in geldelijke verlegenheid; hij is een belangrijke som schuldig... en nu heeft hij mij gevraagd hem te helpen.
B e 1 m a n.
Jou ? ...
Karei.
Ja !... En toen ik hem zei, dat mij dit onmogelijk was ... verzocht hij mij u om hulp te vragen.
B e 1 m a n.
Die mijnheer is wel vriendelijk ! Ken ik hem ?
45
Karei
Neen !
B e 1 m a n.
Dat spijt me, anders had ik hem persoonlijk gezegd, dat ik van dergelijke verzoeken verlang verschoond te blijven.
Karei.
Hoe?
B e 1 m an.
Ik vertrouw die geheimzinnige schulden niet. Je vriend is zeker een heertje in de manier van Adolf... Maar wacht eens, hij is het toch zelf niet ?
Karei (schielijk).
Adolf? Neen, neen vader !
B e 1 m a n.
't Zou me niets verwonderd hebben. En is de som belangrijk ?
Karei.
Zeer belangrijk !
B e 1 m a n.
Des te erger voor hem ... Bovendien, ik heb geen geld ; ik bezit niets.
Karei.
Maar men zegt toch ...
B e 1 m a n.
Dat ik een vermogend man ben ... maar een gierigaard . .. Zeg het maar, ik weet het wel.
Karei.
V ader!...
B e 1 m a n.
Misschien zal ik je eenmaal de oorzaak van mijne bekrompenheid kunnen zeggen ... Maar thans zij het je genoeg te weten, dat, zoo ik naar mijn vermogen somtijds beproef arme en eerlijke lieden te hulp te komen, ik mijn weinige spaarpenningen niet ten dienste wil stellen van jonge losbollen, die zich in schulden steken, om met den grooten hoop meê te doen... Zeg dat aan je vriend, over wiens
46
kennismaking en vriendschap ik je geen compliment kan maken.
Karei.
Vader!
B e 1 m a n.
Kom jongen, kom, zet die muizenissen uit je hoofd en stel niet Ie veel belang in een vriend, die het niet waard is!... Goed begrepen, niet waar? En je blijft hier... dat is afgesproken.
Karei {ter zijde).
Kan ik die vrouw dan niet ontloopen !
B e 1 m a n.
Je zult toch niet bang voor dames wezen ? Mevrouw is een allerliefst wijfje ... en de kleine Bertha ... (ter zijde). Duivels ! daar valt me iets in ... Zou hetgeen mijnheer van Elten me gezegd heeft waar zijn ... (Zuid.) 't Is een lief meisje, die Bertha, vind je niet ?
Karei (verstrooid).
Zeker!
B e 1 m a n.
Altoos even opgeruimd ... even vroolijk ... Die haar tot vrouw krijgt mag van geluk spreken !
Karei (als hoven).
Dat is zoo!
B e 1 m a n (ter zijde).
Zou het dat kunnen zijn ?
NEGENDE TOONEEL.
Vorig en. Van Elten, dan Jan.
Van Elten.
Ik heb een boodschap naar uw vrouw gezonden. Ze verzoekt u, zich om haar volstrekt niet te geneeren.
B e 1 m a n.
Die goede ziel.
47
Van Elten.
We zullen aan tafel nog eens over zaken spreken, Belman ; en daarna zal ik u een plannetje meêdeelen voor de toekomst, dat daar straks bij me opgekomen is ... en dat, ik twijfel er niet aan, uwe goedkeuring zal wegdragen, {zacht) Het betreft onze kinderen.
Belman (zacht).
Mijnbeer! {luid) Maar nu beb ik Adolf nog niet eens gezien ... Ik dacht bem op 't kantoor te vinden, maar bij scbijnt zijn oude gewoonte te volgen, om er zoo min mogelijk te komen... Enfin! ik zal bem straks aan tafel wel zien.
Van Elten {ernstig).
Adolf zal niet met ons dineeren.
Belman.
Niet... Hij is tocb niet ziek ?
Van Elten.
Dat niet, maar ...
Jan {opkomende).
Zie zoo, meneer Adolf is vertrokken.
Karei en Belman.
Vertrokken ?
Jan.
Ja, met de Engelsche boot.
Belman {tot Van Elten).
Adolf vertrokken ? ...
Van Elten {aarzelend).
Ja! Ik meende te bemerken dat bij den slechten weg opging en om bem te beletten verder te gaan, beb ik bem naar mijn korrespondent te Londen gestuurd.
Belman.
Maar neem mij niet kwalijk, meneer... in Londen zal 't er niet beter op worden; daar is de verleiding voor jongelui nog grooter dan bier.
Van Elten.
Ik denk bem er ook niet te laten;... later zal ik anders over hem bescbikken. Maar genoeg over dit onaangename
48
onderwerp; ik wil in het gezelschap van eerlijke lieden, dien ondankbare trachten te vergeten. ( Gaat naar Jan, tvieede plan.)
B e 1 m a n {zacht tot Karei).
Het was om Adolf, dat je zoo verlegen waart... Kom, beken het maar!
Karei.
Mijn Vader. ..
B e 1 m a n (als voren).
Alles is nu geschikt___je hoort het en je behoeft je dus
niet angstig meer over dien deugniet te maken.
Van Elten (heeft intusschen zacht met Jan gesprolcen).
En heb je zijn brieven bezorgd ?
Jan.
Ja mijnheer, allen ... op één na.
Van Elten.
't Is wel! (Ziet dat Jan een teeken aan Karei geeft.) Wat is er nu nog ?
Jan.
Neem mij niet kwalijk... maar mijnheer Karei heeft me verzocht hem te helpen onthouden, dat hij een brief voor zijn vader ontvangen heeft.
B e 1 m a n.
Voor mij ?
Jan.
Ja, van morgen... op het kantoor... U weet wel, mijnheer Karei...
Karei.
Hij heeft gelijk ... Daar is de brief, vader.
B e 1 m a n.
Geef! {tot Van Elten) U permiteert ? {opent den hrief; er valt een hanlcpapicr uit) O, ik weet al wat het is!
Van Elten {raapt het biljet op).
Een bankje van honderd gulden.
B e 1 m a n (verlegen).
Och... een kleine som. die men mij schuldig was.
49
Jan (die hij Karei is gekomen, zacht). Hij was het zelf... Mijnheer van Elten weet er niets van ,.. Ik zei u wel dat uw vader de braafste man van de wereld is.
Karei {geeft Jan de hand). Je hebt gelijk! {Jan gaat naar den achtergrond.)
Vorig en. Beetha.
Bertha.
Ik kom u een onaangename tijding meêdeelen, papa. Van Elten.
Wat dan?
Bertha.
Mama kan niet aan tafel komen.
Van Elten.
Niet... en dat waarom ?
Bertha.
Ze heeft plotseling hevige hoofdpijn gekregen.
Van Elten.
En toen ik haar zooeven verliet...
Bertha.
Ja, toen was ze zoo heel wel. Ik noemde haar onze gasten en toen is het haar zoo in eens op 't lijf gevallen.
Karei {ter zijde).
Ik begrijp het!
B e 1 m a n.
Misschien heeft mevrouw zich het vertrek van Adolf een beetje te veel aangetrokken.
Van Elten.
Dat zal het zijn !
Jan {ter zijde).
Fransche zenuwen 1 Mevrouw zaliger hield er geene zenuwen op na.
4
50
Van E 11 e n.
Het doet mij leed ... maar er is geen kwaad bij... Zij heeft er veel last van.
Bertha.
Dan moeten de heeren maar op mama's beterschap drinken !
Van E11 e n (heengaande)
Goed gezegd! Kom heeren, wij gaan u voor.
Bertha {zacht tot Belmav).
Meneer Belman, u zit naast me... Al is mama ongesteld, zoo kunnen we daarom toch wel eens lachen, niet waar ?
Belman {zacht).
Ja... We zullen 't zachtjes doen.
Van Elten.
Kom dan Bertha.
Bertha.
Hier ben ik papa. {Af met Van Elten in het salon rechts.)
Belman {tot Karei).
't Is een allerliefste meid! (Wil haar volgen.)
Jan {houdt hem tegen).
Mijnheer Belman, mag ik zoo vrij zijn u een hand te geven.
Belman {vrolijk).
Wat scheelt jou, oude brombeer ... Je hebt tranen in je oogen.
Jan.
Dat komt omdat.. . Vrouw de Rijk heeft me alles verteld ... en ik heb alles begrepen.
Belman {haastig).
Stil! {drulct hem de hand' en gaat in het salon).
Jan {tot Karei).
Wat een man !... Apropos, hier is een brief, die mijnheer Adolf voor u gegeven heeft; ik moest hem u overhandigen, als u alleen waart
Karei.
Mijnheer Adolf?
Jan {geeft dien).
Ja!.. . Het is de laatste waar bij mij mee belast heeft.
51 Karei.
't Is goed, ik dank je, {Jan af door de achterdeur^)
ELFDE TOONEEL.
Karei (alleen, hij opent den brief en leest).
âIk verlaat het land, misscliien voor langen tijd. Tracht het tekort in uw kas te dekken zonder mij n naam te noemen ; bedenk wel, dat zoo ik er niet meer ben om u dit te beletten, ik den brief, die u in 't verderf kan storten, aan een mijner vrienden heb achtergelaten, die er, als 't noodig is, gebruik van zal weten te maken.quot; â O God! dan ben ik verloren !
B e 1 m a n (aan de deur),
Hoe is 't Karei, kom je niet?
Karei.
Hier ben ik, vader!. .. {ter zijde) Mijn God, wat zal daarvan worden! {Af rechts.)
Einde van het tweede bedrijf.
DERDE BEDRUP.
Den anderen dag. Hetzelfde decoratief van het Eerste Bedrijf.
EERSTE TOONEEL.
B e 1 m a n {aan de lessenaar links).
Karei komt nog niet terug en de beurs is toch aj lang af-geloopen ... Misschien is hij in 't voorbijgaan nog even naar zijne moeder gaan zien ... De arme vrouw was van morgen heel zwak; de dokter zei me zeer voorzichtig te moeten zijn... dat eene hevige aandoening haar dooden kon ... en Karei is zoo droefgeestig, dat het op mij ook begint te werken . .. Wat kan dien jongen toch schelen; zou de patroon gelijk hebben, zou hij verliefd zijn; maar op wie ?... Toen ik hem gisteren met opzet o%er juffrouw Bertha sprak, gaf hij geen antwoord ... Uit hetgeen mijnheer Van Elten mij gister avond zei, meende ik te kunnen opmaken, dat hij ook niet ongaarne zou zien, dat Karei... Maar men kan uit dien jongen sedert gisteren niet meer wijs worden. Bertha is hem genegen, ik ben er zeker van. Als dat zoo voortgaat, zal ik er nog ziek van worden... en dat zou nu niet te pas komen; ik heb het eens zoo druk als anders, door 't vertrek van dien deugniet van een Adolf... En kijk eens aan, nu zit ik al een half uur te pruttelen, in plaats van door te werken.
TWEEDE TOONEEL.
Belman, Bertha (van rechts). Bertha.
Mag ik binnenkomen, mijnheer Belman?
53
B e 1 m a n.
Wel zeker, kindlief.
Bertha.
Ik hinder u toch niet ?
B e 1 m a n.
Dat is maar zoo wat.
Bertha.
Dan zal ik maar weêr heen gaan.
B e 1 m a n.
Neen. nu u er toch eenmaal bent...
B e r t h a.
Ik zal u niet lang storen ... Ik wilde maar weten, hoe het met uwe vrouw is... Jan heeft me gezegd, dat ze weêr is ingestort.
B e 1 m a n.
Dat is zoo !... Zij is zwakker dan ooit.
Bertha.
Arme juffrouw! Zou het haar hinderen, als ik haar van daag eens ging bezoeken ?
B e 1 m a n.
Wel neen, zeker niet, lieve Bertha; het zal haar zeer aangenaam zijn, want ze mag u zoo graag lijden.
Bertha.
Waarlijk ! Nu dat verheugt me .,. want ik vind haar ook een goede, lieve oude vrouw.
B e 1 m a n.
Dat is ze ook 1... Ik zal haar zeggen, hoe u over haar denkt... Dat zal haar pleizier doen.
Bertha.
O, dat weet ze wel!
B e 1 m a n.
Zoo ?
Bertha.
Ik heb het haar eergisteren nog gezegd... en toen hebben we nog lang gesproken over u ... en over mijnheer Karei 1
54
B e 1 m a n.
En toen zult ge met je beiden ons aardig over den hekel gehaald hebben?
Bertha.
Nu, dat kunt u wel begrijpen ... Ik heb onder anderen gezegd, dat het schande was, dat een oud man. zooals u, zoo'n groote reis maakte... al was 't dan ook voor 't belang van papa.
B el ma n.
Welzoo, welzoo !
Bertha.
En ze gaf mij volkomen gelijk, want ze was zoo ongerust...
B e 1 m a n.
En toch ben ik er heelhuids afgekomen.
Bertha.
Dat bewijst niets... Als ik eens getrouwd ben, zal mijn man zoo'n reis niet maken ... of ik ga met hem meê ...
B e 1 m a n.
Als u eens getrouwd bent!... Hé, hoe komt u daar zoo in eens aan?
Bertha.
Och, ik zeg het maar zoo!
B e 1 m a n.
O zoo!
Bertha (na een kleine stilte). Houdt u zoon veel van reizen?
B e 1 m a n (na haar lachende aangezien te hebben).
Heel veel
Bertha.
Zoo !... Dat dacht ik niet.
B e 1 m a n {met inzicM),
Als ik het hem niet belet had, was hij handelsreiziger geworden ... en wie weet wat er gebeurt.
Bertha.
Hoe zoo?
55
B e 1 m a n.
Ja, als hij eens van betrekking veranderde ...
Bertha.
Hij! Och kom !. .. Waar kan hij het beter naar zijn zin hebben dan hier?
B e lm a n.
Ja, de jongelui zijn tegenwoordig zoo zonderling.
Bertha.
Dat is wel waar! ... Hebt u onder anderen wel opgemerkt, dat mijnheer Karei me gister avond geen tien woorden heeft toegesproken.
B e 1 m a n.
Neen !
Bertha.
Niet 1 Nu maar 't was toch in 't oog loopend genoeg... Dus zou hij ons huis willen verlaten, zegt u ?
B e 1 m a n.
Ik zeg het niet!... Ik veronderstel het maar.
Bertha.
En u bent hier al zoo lang... U waart hier al bij grootpapa ... en u denkt er niet aan ...
B e 1 m a n.
O, ik, dat maakt een onderscheid ... Ik ben een oud huismeubel ... Ik sta op den inventaris.
Bertha (Lachendé).
Ah ! Ah ! Ah 1... Wat bent u toch grappig !
B e 1 m a n.
Dat is buiten mijn schuld! Ik ben er toch niets toe gestemd.
Bertha.
Mijnheer Karei is veel ernstiger dan u!
B e 1 m a n.
't Is een jong oud man... Dat is nu de mode!
Bertha.
Dat neemt toch niet weg, dat zijne moeder erg veel van hem houdt.
56
B e 1 m a n.
Natuurlijk 1,.. Zijne moeder is ... eene moeder 1
Bertha.
Toen ik laatst bij haar zat, sprak ze over hem... Ze verhaalde mij tooneelen uit zijn jeugd... en met zoo'n ingenomenheid, met zoo'n uitdrukking van liefde ... Er was niets droevigs in wat ze mij vertelde, en toch kwamen haar gedurig de tranen in de oogen... en mij ook... Hoe mal met waar ?
B e 1 m a n.
In 't geheel niet!
Bertha.
Och, wat moet men zoo'n moeder liefhebben!
. B e 1 m a n.
Dat doet hij ook ...
Bertha.
Ik sprak haar over mijn neef Adolf, waar papa al zooveel van heeft verdragen ... zooveel voor betaald ... âAls mijn kind zich een oneerlijke daad te verwijten hadquot;, riep ze uit, âzou het mij het leven kosten !quot; en daarbij riep ze u als voorbeeld aan van trouw en eerlijkheid.
B e lm a n.
Goede, trouwe ziel!
Bertha.
Och! Waarom heb ik mijne goede moeder zoo spoedig moeten verliezen ... Ik was nog te jong om te begrijpen, wat ik in haar verloor!
B el man.
Maar mevrouw van Elten ...
Bertha {het hoofd schuddende).
Zij is mijne mama... Zij is mijne moeder niet! Bovendien is ze slechts tien jaar ouder dan ik ... Ik durf haar geen moeder noemen; ik wilde haar zoo gaarne zuster heeten.
B e 1 m a n {opstaande).
Je bent een engel, Bertha; en menige moeder zou ertrotsch op zijn u hare dochter te noemen ...
57
Bertha.
Uwe vrouw zeide me dat zij eene dochter verloren had . .. B e 1 m a n.
Dat is zoo ! ... 't Is zeer lang geleden ... We verloren haar als kind ... Eene hevige ziekte ontrukte ons plotseling het lieve, vrolijke schepseltje... Van dien tijd at dagteekent de kwaal, waaraan mijne vrouw nog immer lijdende is.
Bertha.
Arme vrouw ... Maar ... {aarzelend) als uw zoon nu eens trouwde, dan zou zijne vrouw haar dit verlies kunnen vergoeden
B e 1 m a n {glimlachend).
Dat is zoo !... Maar wie zal zoo'n bedaarden, stillen jongen tot man willen hebben, een jongmensch dat niet zingt, niet danst, geen paard kan rijden... en bovendien arm is.
Bertha.
O, arm !... Wie ziet er nu naar het geld ? ...
B e 1 m a n.
En zóó spreekt eene koopmansdochter!...
Bertha.
O, papa heeft geld genoeg!
B e 1 m a n.
Ja ... maar of papa al geld heeft... dat geeft Karei daarom niets meer.
Bertha {schielijk).
Maar daar hij dan toch ...
B e 1 m a n {schielijk).
Wat blief?
Bertha.
Niets 1
B e 1 m a n {te)- zijde).
Arme kleine! Haar geheim is haar ontsnapt.
58
DERDE TOONEEL.
Vorig en. Van Elten.
Van Elten.
Jij weêr hier, Bertha !... Je houdt mijnheer Belman van zijn werk !... Bovendien weet je, wat ik je gezegd heb ...
Belman.
Beknor haar niet, mijnheer... De jonge juffrouw hindert me volstrekt niet... Zij kwam me naar de gezondheid van mijne vrouw vragen.
Bertha.
Juist 1... En daarna hebben we over ernstige zaken gesproken.
Van Elten.
Ernstige zaken !... Jij I ., , Dat zou ik wel eens willen hooren!
Bertha.
Zoo is papa nu altoos... Hij wil maar niet gelooven dat ik ook ernstig kan zijn.
Belman.
En toch is het zoo I...
Van Elten.
Maar daar de zaken, die ik met mijnheer Belman te bespreken heb, van nog ernstiger aard zijn dan de uwe, verzoek ik je ons alleen te laten.
Bertha.
Dan ga ik.., Tot straks, papa; tot weerziens, mijnheer Belman.
Belman.
Dag lieve juffrouw 1
Bertha {hem ter zijde nemende).
Eén ding moet ik u bepaald zeggen... met een handelsreiziger wil ik niet trouwen ... nooit... nooit!
{Schielijk rechts af.)
59
VIEKDE TOONEEL.
Van Elten, Belman.
Van Elten.
W at zei ze u daar toch ?
Belman.
Och, niets mijnheer... Alleen hel) ik sedert een kwartier de overtuiging gekregen, dat u beter gezien hebt dan ik.
Van Elten.
Hoe zoo?
Belman.
Wat de kinderen aangaat!
Van Elten.
Zou Karei...
Belman.
Karei is te braaf, te verstandig, om zich zelfs tegenover zijn vader de bekentenis eener liefde te laten ontvallen ... die volgens zijne meening, toch nooit met een goeden uitslag bekroond kan worden.
Van Elten.
En waarom niet ? ... Ik wil mijn kind volkomen gelukkig maken... Langen tijd heb ik de hoop gekoesterd dit door Adolf verwezenlijkt te zien. Hij zelf heeft mijn droom onmogelijk gemaakt... Waarom zou ik thans aarzelen om de hand mijner dochter aan een eerlijk, braaf jongmensch te geven ? Ik meen genoeg bewezen te hebben, hoe weinig mij aan 't oordeel der wereld gelegen ligt, waar het mijn geluk betrof, door een jong, schoon, maar arm meisje, tot mijn tweede vrouw te nemen.
Belman.
Dat is zoo !
Van Elten.
Bovendien kan ik u, mijn waardige, mijn oude vriend, beter bewijs van waardering geven, dan door u en uw zoon in mijne familie op te nemen ?
60
B e 1 m a n.
Ik dank u, mijnheer! Maar u spreekt van het oordeel der wereld... Zal deze geene verkeerde uitlegging geven aan uwe bedoelingen ; en zoo u al in eene positie is, om dat te trot-seeren, moeten mijn zoon en ik daaronder 't hoofd buigen ?
Van E 11 e n.
Ik verwachtte niets minder van u, oude vriend; maar hoe welgemeend uwe woorden ook mogen zijn, kunnen zij toch niets aan mijn besluit veranderen. Wanneer Karei mijne dochter genegen is, wil ik hun geluk niet in den weg staan.
B e 1 m a n.
Maar Adolf. ,.
Van Elten.
Spreek mij niet meer over hem ... Zijn misdrijf doet hem alle aanspraak op mijne toegevendheid verliezen. Ware ik niet bevreesd geweest zijn naam, die ook de mijne is, te schandvlekken, dan had ik al de gestrengheid der wet over hem ingeroepen.
B e 1 m a n.
Een jeugdige misstap kan men vergeven...
Van Elten.
Wanneer noch de eerlijkheid, noch de goede naam er onder lijden, ja; anders niet En das, mijn goede Belman, ben ik overtuigd, dat gij in mijne positie nog veel strenger zoudt handelen... wanneer, bij voorbeeld, uw zoon zich aan eene onteerende handeling had schuldig gemaakt; zijnen en uw' goeden naam had gecompromitteerd.
Belman {na een kleine stilte).
Hij !... Ja, u hebt gelijk, mijnheer ! ... Dat moet verschrikkelijk zijn!
Van Elten.
Nu, zie je wel!
Belman {ontsteld).
Foei, mijnheer, u hebt me daar met uwe akelige veronderstellingen het angstzweet doen uitbreken !
61
Van E 11 e n.
Kom, kom... herstel u ! Karei is een brave jongen, van wien dergelijke dingen niet te verwachten, noch te denken zijn.
B e 1 m a n {zijn voorhoofd afdrogende).
Van zoo iets zou een mensch gek worden... als het hem gebeurde !
Van Elten.
Maar komaan, Belman, we moeten voor onze zaken, die van het kantoor niet in de war laten loopen ... Hoe staat het met de kas ?
Belman.
Mijn opname is nog niet gereed, maar wij kunnen over twintig duizend gulden aan contanten disponeeren. Daar ik van daag de hulp van Adolf, onzen boekhouder, mis, is het mij onmogelij k geweest reeds alles na te zien; te minder daar hij in de laatste dagen verscheidene posten heeft verzuimd te noteer en.
Van Elten.
Je hebt den adviesbrief van het huis Elstein uit Keulen gezien, niet waar, op den dertienden ?
Belman.
Ja, een wissel van acht-, en een andere van zes duizend gulden voor overmorgen ... 't Geld is in kas en we behoeven niet naar de Bank te gaan. Het huis van Elten amp; Co. is er goed voor !... Ah, daar is Karei.
VIJFDE TOONEEL.
Vorig en. Kakel.
Karei [opkomende).
Niets ... altoos niets !
Belman.
Ben je daar, m'n jongen; je bent zeker nog eens naar moeder geweest, dat je zoo lang bent weg gebleven ?
Karei,
Ja vader. [Geeft van Elten een 'papier dat hij inziet).
62
B e 1 m a n.
Als ze hem maar ziet, vergeet zij hare ziekte.
Van Elten.
Belman, wees zoo goed een oogenblik met me naar mijn bureau te gaan; ik zal u een plannetje meêdeelen, dat zoo als de zaken heden staan, goede uitkomsten kan opleveren. Ik wil er u over raadplegen, te meer daar ik Karei in deze handels-operatie wil doen deelnemen... Dit zal dan de belooning zijn voor zijne goede diensten in uwe afwezigheid !
Belman,
Met genoegen, mijnheer (tot Karei). Je ziet het toch maar, m'n jongen,... met ijver en eerlijkheid komt men er nog het best (Belman af met van Elten).
ZESDE TOONEEL,
Karei (alleen).
Elk zijner woorden jaagt mij vrees aan en klinkt mij als een scherp verwijt in de ooren ! ... Ik heb de geheele stad rond geloopen om de ontbrekende som te leen te krijgen . .. Niemand kon of wilde ze mij geven ... Zonder den brief, dien de ellendige Adolf heeft weten machtig te worden, zou ik den waren schuldige kunnen noemen, maar nu kan ik de waarheid niet zeggen, zonder mij aan de bedreigingen van Adolf bloot te stellen en mevrouw van Elten in 't verderf te storten. Ik heb, door tusschenkomst van Jan, ontdekt aan wien Adolf mijn brief heeft toevertrouwd; het is een zijner vrienden, een nietswaardige, evenals hij ... Ik heb hem aangeboden mij den brief te verkoopen voor twee honderd gulden, al wat ik bezit, doch heb alleen daardoor zijn hebzucht meer opgewekt... Hij wil 't geheim van zijn vriend wel verkoopen, maar alleen tegen een hoogen prijs... Ik gevoel het, ik ben verloren... O, maar ik moet dien brief terug hebben... Ik zal dien schurk nog eens gaan spreken ... en zoo hij blijft weigeren ...
63
ZEVENDE TOONEEL.
Karel, Belman.
B elm an {vroolijh opkomende),
Wat is dat, jongen... Is je ernstige bui nog niet over ?... Ga je gang maar; ik weet wat het is... Ik ben ook jong en verliefd geweest!
Karel.
Hoe!
Belman {mei goedheid).
Zou je dan denken, dat ik blind ben ; dat ik niets gemerkt heb ?
Karei {ongerust).
Ik begrijp u niet!
Belman.
O jij veinsaard ! Denk je dat ik, al ben ik oud, heelemaal vergeten ben, wat het zeggen wil op iemand verliefd te zijn, die men nooit krijgen kan... hé, hé! Ik heb ook in m'n jeugd zulke romantieke droomerijen gehad !
Karel.
Maar ik verzeker u, dat ge u vergist vader, en dat ik nooit. .
Belman.
Dat je nooit gedacht hadt dat haar vader zijne toestemming zou geven., wil je zeggen ?
Karel.
Haar vader... Van wie spreekt u dan ?
Belman.
Van wie anders dan van die lieve Bertha!
Karel.
Bertha ?
Belman.
Wel zeker !... Dat is de reden van je afgetrokkenheid ... Ik heb het wel begrepen... vooral sedert zij in mijne tegenwoordigheid haar geheim heeft laten ontsnappen...
Karel.
Is 't mogelijk?
64
B e 1 m a n.
Ja mijnheer ... zeker... Zij weet de geheimzinnige niet te spelen, zooals gij.
Karei.
Maar vader, dat is immers een droom ; zou de rijke heer van Elten ooit zijne toestemming geven tot een huwelijk...
B e 1 m a n.
Dat zijne dochter gelukkig zal maken ? Zeker! Wanneer ik in uw' naam aanvraag om hare hand doe, ben ik overtuigd niet afgewezen te worden.
Karei.
Maar hoe heeft mijnheer van Elten kunnen veronderstellen ? ...
B e 1 m a n.
Och, men gelooft zoo snel wat men gaarne ziet gebeuren. Een woord van Bertha, die hij zielslief heeft, deed hem dit plan vormen.
Karei (aarzelend).
En ... heeft mevrouw van Elten dat besluit ook goedgekeurd ?
B e 1 m a n.
Eerst niet... maar later heeft ze toegegeven.
Karei.
Waarlijk ?
B e 1 m a n.
Gisteren, na het diné, verzocht mijnheer mij met hem naar de kamer zijner vrouw te gaan. Enfin, dat weet je wel, want je bent al dien tijd met Bertha alleen gebleven en niet heel spraakzaam geweest, naar het schijnt! Mevrouw was nog altijd lijdende, zoo als ze zei, en 't scheen of hare ongesteldheid na de mededeeling van het voorgenomen huwelijk nog toenam. Daarop kwam er sprake van Adolf en mijnheer gaf haar te kennen, dat hij om hem te vervangen, 't oog op haar broeder had laten vallen, die sedert eenige jaren hier als taalmeester gevestigd is en met moeite een sober stukje brood verdient. Hij zelf zou hem op de hoogte der zaken brengen. Toen mevrouw dat hoorde, stond ze op; groote tranen kwamen haar in de oogen, ze reikte hem beide handen en riep weenend
65
uit: âVergeef mij, ik ben eene ondankbare ! Ik ben u niet alleen mijn geluk, maar ook dat van de mijnen verschuldigd... Voortaan zal ik trachten door liefde en toewijding u te vergoeden, wat ik jegens u misdaan heb!quot;
Karei (ter zijde).
Hemel!
B e 1 m a n.
Ze wilde nog meer zeggen, maar mijnheer wilde niets meer weten. De vrede was gesloten en dat heb je wel kunnen merken, want kort daarop kwam ze in het salon; hare ongesteldheid was verdwenen en ze werd zoo vrolijk en opgeruimd, als ik haar nog nimmer gezien heb.
Karei (ter zijde).
Ik herleef!
B e 1 m a n.
Wat zeg je ?
Karei.
Ik zeg vader, dat ik gelukkig ben, dat ik ongelijk had aan mijne positie te wanhopen.
B e 1 m a n.
Wanhopen ... jij ? ... Kijk ereis aan, op jou leeftijd wanhoopt men aan niets.
Karei.
U hebt gelijk, goede vader, en ik ben aan u mijn geluk verschuldigd.
B e 1 m a n.
Hm! een beetje is er wel van aan, maar je hebt het hoofdzakelijk aan je ijver, aan je trouw en eerlijkheid te danken. Mijnheer van Elten is nog een koopman van den ouden stempel; al was je de knapste jongen van de wereld en er was iets op je te zeggen geweest, zoo zou hij er nooit aan gedacht hebben je in zijn familie op te nemen ... Zie Adolf maar eens, dat is zijn eigen neef, hoe streng hij dien behandeld heeft. (Gaat naar de lessenaar links.)
Karei (ter zijde).
O God ! Ik vergat... 't Was maar een droom en welk ontwaken !
66
B e 1 m a n.
En nu genoeg gebabeld voor van daag! Nu aan de zaken. De boeken zijn in orde... hoewel Adolf liet me moeielijk gemaakt heeft... Wij moeten twintig duizend gulden in kas hebben. Ik heb den patroon al dikwijls geraden, zulke sommen niet in huis te houden en die bij een kassier of bankier te deponeeren, zooals andere huizen doen, maar hij antwoordt me altoos: âIk wil met de nieuwe mode niet meêdoen ; zoo deed mijn vader, en zoo doe ikquot;. Te veel wil ik er niet op aandringen, want dan zou hij mij eigenlijk kunnen missen ... en dat zou me hard vallen op m'n ouden dag... We zeggen dus twintig duizend gulden... Geef mij den sleutel der kas.
Karei {wil hem iets zeggen).
Vader!
B e 1 m a n.
Welnu! heb je dien niet?
Karei.
Ja, daar is hij !
B e 1 m a n (vrolijk).
Hé, 't gaat je aan je hart er afstand van te doen, mijnheer de ex-kassier... Je wildet je ouden vader onderkruipen, intrigant dat je bent? {Opent de kas en gaat de traliedeur in.) We zeggen twintig duizend gulden aan papier en contanten.
{Af.)
Karei {valt op een stoel).
Ik heb den moed niet hem de waarheid te zeggen !
{Stilte. Karei zit op een stoel en bedekt zijn gelaat mei heide handen).
B e 1 m a n {ontsteld opkomende).
Ik heb me zeker vergist {Gaat naar het bureau, rekent en telt in stilte; daarna gaat hij weêr in de kas, na zijn zoon aangezien te hebben.)
Karei.
O, maar die toestand is ondraag'lijk !
B e 1 m a n (buiten).
Karei!
67
Karei.
Laat ik zijn eerste ontmoeting vermijden {wil gaan).
B e 1 m a n {buiten).
Karei! (oplcomende). Waar wil je heen ?
Karei.
Vader ... ik !..,
B e 1 m a n {ontsteld).
Niet van hier... en antwoord!... Er is een belangrijk te kort in je kas... Er ontbreken vijfduizend gulden... vijf duizend gulden, hoor je wel! â Weet je daarvan ?
Karei {zacht).
Ja I
B e 1 m a n {min of meer gerust).
En waarom heb je die som niet verantwoord; waarom mij er niets van gezegd ?
Karei.
Ik durfde niet!
B e 1 m a n (angstig).
Je durfdet niet?... Maar weet je wel, dat, indien een ander dan je vader dit bemerkt had ... hij je van oneerlijkheid zou kunnen beschuldigen ?
Karei.
Vader!
B e 1 m a n.
Maar ik ken je, goddank, beter... Komaan, wat is er van dat geld geworden.
Karei.
Ik kan het u niet zeggen !
B e 1 m a n {ontsteld).
Wat zeg je daar?... Ik heb zeker verkeerd verstaan... je kunt het mij niet zeggen ?
Karei.
Neen !
Bel man (opgewonden).
Maar ongelukkige, weet je wel watje zegt! Indien je mij die som niet kunt verantwoorden, beschuldig iii ie zeiven van... diefstal.
68
Karei {met een kreet).
God !
B e 1 m a n (zich zelf gerust stellende).
Zie je, ik wist wel dat je niet begreept, wat je zeidet! ... Komaan, bedaar, traclit je te herinneren ... bezin je ... 't Betreft natuurlijk een of andere post, die je hebt vergeten te noteeren ... 't Is belachelijk, dat ik er mij bang over maak .. . Ik wed dat je dadelijk je vergissing zult ontdekken .. . Zoo'n tekort is onmogelijk 1... Kom ! Spreek !...
Karei.
Ik weet niets... Ik kan niets zeggen ...
Belman {hem verbaasd aanziende).
Je kunt niets zeggen ?... Je kunt dus die som niet verantwoorden ?
Karei.
Neen ...
Belman.
Je kunt me niet zeggen, wat er van dat geld geworden is ?
Karei.
Ik kan het niet!
Belman {in hevige angst),
Maar dat is onmogelijk! ... Komaan, Karei, bedenk wel wat je zegt. Heb je dat geld gebruikt, geleend misschien .. . want nu herinner ik me, dat je mij van een vriend gesproken hebt, die je wildet helpen ...
Karei.
O, vraag me niets, vader! Ik mag, ik kan niets zeggen.
Belman {na een kleine stilte).
Dan zal ik spreken !... Je bent een ellendeling !
Karei.
Vader !
Belman {hevig opgewonden).
Een nietswaardige !... Je hebt misbruik van het vertrouwen van je patroon en van je vader gemaakt. Je hebt, steunende op de spaarpenningen van je ouden vader, geld uit de kaa genomen ... Maar ik kan je niet redden, want ik ben arm .. .
69
ja arm, wat men ook zeggen moge! Dertig jaren lang heb ik gewerkt, gespaard en mij beholpen ... en weet je waarom ? .. . Ãm den naam van mijn vader voor schande te bewaren ... dien naam, dien jij nu voor altoos onteerd hebt!
Karei.
Vader!
B e 1 m a n (in hevige gemoedsaandoening).
Ik ben je vader niet meer! Ik ben je rechter! (weenende) God! heb ik daarom dat kind groot gebracht; heb ik daarom getracht een braaf mensch van hem te maken... is dat het loon voor dertig jaren van arbeid en eerlijkheid 1
Karei.
Vader!... Bedaar in 'shemels naam, bedaar!
B e 1 m a n.
En je hebt gedacht, dat ik je ooit vergiffenis zou kunnen schenken ? Welnu, neen ! ik wil ons beiden straffen ... jou ... voor je misdaad... mij voor mijn zwakheid en mijn vertrouwen ... Mijnheer van Elten, hierheen ! hierheen !.. ,
ACHTSTE TOONEEL.
Vorigen, Van Elten, Beetha (van rechts), Jan {door 't fond).
Van Elten.
Wat gebeurt hier toch ?
Bertha.
Wat deert u, mijnheer Belman ?
B e 1 m a n.
Mijnheer, u bent bestolen!
Van Elten.
Wat zeg je ?
B e 1 m n.
Er ontbreken vijf duizend gulden in de ras.
Van Elten.
Maar dat is onmogelijk I
70
B e 1 m a n (bitter lachendé).
Ja! ... 't Komt u ongelooflijk voor, niet waar ?... Omdat u dacht, dat wij eerlijke menschen waren!
Van Elten.
Maar Belman, ben je krankzinnig?
B e 1 m a n.
Nog niet!... Maar ik gevoel, dat ik het worden zal...
Van Elten.
Jij !... De eerlijkheid zelf!
Belman.
Ik ... eerlijk ! Ik !.... Ha, ha, ha !... Ik 1... Uw kas is bestolen, zeg ik, bestolen! en de dief...
Karei.
Vader ! in Godsnaam !
Belman.
De dief... ben ik !
Allen.
Wat zeg je ?
Belman {met kracht).
Ik, ik !... Ik alleen ...
Karei.
Geloof hem niet!... Ik ben ,..
Belman {vat hem hij de hand en zegt zacht).
Zwijg !. .. Ik beveel het je ! ... Dat zal je straf zijn !
Einde van het deede bedrijf.
VIERDE BEDRUP.
{Speelt drie jaren later.)
Een hamer achter den winkel van vrouw de Rijk, Op den achtergrond, en het midden, de deur die naar den winkel leidt. Links, 2e plan, deur die op straat uitkomt. â 2e plan rechts, trap. â Stoelen, tafels enz.
EERSTE TOONEEL.
Vrouw de Rijk, later Jan.
Vr. de Rij k (zit aan tafel links te schrijven).
Wat den armen ouden man aangaat, hij ia nog altoos in denzelfden toestand; hij denkt aan niets anders dan aan de belofte, die zijn zoon hem gedaan heeft. Tienmaal per dag vraagt hij, of er geen brief voor hem gekomen is!quot;
Jan (door 'tfond).
Ik ben het, vrouw de Rijk.
V r. de Rij k.
O, ben jij het Jan.
Jan.
Wel zoo!... Zit je te schrijven. Zeker weèr aan Juffrouw Bertha ?
V r. de Rij k.
Je weet immers wel, dat ze mij vóór haar vertrek dringend verzocht heeft, haar alle maanden te schrijven hoe het met den ouden man is ...
Jan.
Juist!... En dat is nu zes maanden lang, dat je aan 't krespendeeren met haar bent.
72
V r. de R ij k.
Zeker! Sedert mijnheer van Elten zijn zaak heeft overgedaan en hij voor de gezondheid van zijn vrouw naar Nizza is gegaan.
Jan.
En ik zet de adressen op je brieven en doe ze op de post.
V r. de R ij k.
Ja, uit mijn hanepooten zouden ze aan de post misschien niet wijs kunnen worden ... Juffrouw Bertha zegt wel, dat ze mijn brieven goed lezen kan en dat ik goed schrijf, maar ik weet het wel beter ... Wacht nu een beetje, dan kun je het adres er weêr opzetten en den brief meênemen.
Jan.
Neen, dat behoeft nu niet.
V r. de Rijk {opstaande).
Wat!...
Jan.
Je kunt je brief gerust verscheuren.
V r. de R ij k.
Waarom?
J a n.
Omdat mijnheer van Elten van daag terug is gekomen... en juffrouw Bertha ook.
V r. de R ij k.
Juffrouw Bertha!
Jan.
Ja! Daar straks reed mij een vigelante voorbij ... ik hoorde hardop roepen : Jan! Jan !.. . Ik keek op en herkende mijnheer van Elten en zijn dochter.
V r. de R ij k {verfrommelt den brief
en gooit dien op den grond).
Wel, wat je zegt!
Jan.
Ze wenkte me met de hand en mijnheer ook... ik nam
73
beleefd m'n pet af. Want ik heb niet vergeten dat ik dertig jaren lang zijn brood gegeten heb, al heb ik nu het land aan hem !
V r. de R ij k.
Aan meneer van Elten ?
Jan.
Zeker!... Is dat een manier, zooals hij dien ouden Belman behandeld heeft. .. een man, die bij de veertig jaren op het kantoor was, en op wien nooit iets te zeggen is geweest!
V r. de R ij k.
Beschuldig meneer van Elten niet! Een paar dagen, na die ongelukkige historie heeft hij hem laten roepen ...
Jan.
Dat weet ik wel; ik heb zelf de boodschap gedaan.
V r. de R ij k.
Maar je weet niet wat er gebeurd is!... Juffrouw Bertha heeft het me verteld. Van Elten heeft hem gszegd, dat hetgeen er plaats had gehad hem onverklaarbaar voorkwam ... Dat hij hem nog altoos een eerlijk paan geloofde en dal hij veronderstelde dat er iets anders achter stak. Daarop heeft mijnheer Belman op nieuw verzekerd, dat hij en niemand anders, de schuldige was en heeft het kantoor verlaten, om er nooit weer terug te komen, hoewel de patroon alles aanwendde, om hem te doen blijven. Maar niets hielp; hij heeft alles wat hij bezat verkocht, om het te kort aan te vullen en is toen met z'n arme zieke vrouw hier komen wonen.
Jan.
Ja, toen z'n zoon naar Amerika is gegaan.
V r. de R ij k.
Dat afscheid had je moeten bijwonen ; ik ben er drie dagen kapot van geweest... Daarop is mijnheer Karei heengegaan en sedert dien tijd hebben wij niets meer van hem vernomen.
Jan.
Dat is zoo!
V r. de R ij k.
Toen is de oude Belman hoe langer hoe zwaarmoediger
74
geworden en toen nu acht maanden geleden zijne arme vrouw kwam te sterven, werd het heelemaal mis met hem .. . Hij begon te malen ... De dokter zegt, dat hij niet krankzinnig is... maar dat er niet veel toe noodig is, om het hem te doen worden.
Jan.
En je hebt me gezegd, dat juffrouw Bertha je de middelen aan de hand gedaan heeft, om den ouden man te onderhouden ?
V r. de R ij k.
Ja, maar ik hou 't er voor dat mijnheer van Elten er ook niet vreemd aan is en hij zijne dochter er meê belast heeft, om niet bekend te zijn.
Jan.
Dat verandert... hoewel ik het hem nog niet vergeven kan, zijne zaak aan kant gedaan te hebben. .. Zoo'n oude, goede firma, waarbij ik had gehoopt mijn eindje te halen !
V r. de R ij k.
De gezondheid zijner vrouw maakte een reis naar Frankrijk noodzakelijk... en ik hou 't er voor, dat eene gezonde luchtstreek juffrouw Bertha ook geen kwaad zal doen. Want in den laatsten tijd zag ze er erg naar uit.
Jan.
Natuurlijk! Een meisje van haar leeftijd, dat op zoo'n manier haar vrijer kwijt raakt...
V r. de R ij k.
Haar vrijer ... nog niet !
Jan.
Menschlief, vertel mij er niets van! Als die ongelukkige geschiedenis er niet tusschen gekomen was.. . Maar apropos, ik zou haast vergeten waarom ik hier ben gekomen. Daar heb je een pondje tabak voor den ouden heer.
V r. de R ij k.
Dank je voor hem, Jan ... Je bent een goede kerel... Je houdt veel van hem.
Jan.
En jij zeker niet?
75
Vr. de Rij k.
Is dat niet natuurlijk, na 't geen hij vroeger voor mij gedaan heeft? Het beetje dat ik heb, heb ik aan hem te danken ... Och, kon ik heelemaal voor hem zorgen...
Jan.
Maar je bent net als ik ... Je hebt je eigen noodig .. . Mijnheer van Elten heeft me wel is waar aan zijn opvolger overgedaan, maar ik heb daarom toch geen geld over. Van m'n spaarduitjes koop ik den oude soms ereis een pondje tabak... Och, ik mag hem zoo graag en heb altoos het land als de jongens hem op straat naloopen.
V r. de R ij k.
Dat komt door zijn gewoonte, om alle papieren die hij vindt op te rapen en in zijn zak te steken... Hij meent altoos en overal een brief van zijn zoon te vinden ... en je weet hoe de kinderen zijn. {Men hoort huiten roepen : Hé! daar is de malle ! daar is de gekke Belman!)
J a n.
Donders! daar heb je het weêr... Wacht klein tuig, ik zal je leeren ... (hevig geschreeuw huiten),
V r. de R ij k.
Wat gebeurt er toch?
TWEEDE TOONEEL.
Vorigen. Doms {met gescheurde kiel, zonder pet).
Doris {naar huiten sprekende).
En raak hem nou nog ereis aan, dan zal ik je weêr een nieuwe rammeling geven, hoor je, lafaards dat je bent!
Vquot; r. de R ij k.
Wat is er aan de hand, Doris ?
Doris.
O, bent u daar, moeder !..,
V r. de Rij k.
Ja, wat heb je uitgevoerd ?. .. Hoe komt je kiel zoo gescheurd ... en waar is je pet?
76
Doris.
M'n pet leit in de gracht?
V r. d e R ij k.
Wat heb je dan uitgevoerd?
Doris.
Ik heb gevochten!
Jan en V r. de K ij k.
Gevochten ?
Doris.
Ja, met Hein van den smid en met roode Kees van vrouw de Fruiter!
V r. d e R ij k.
En waarom?
Doris.
Wel! Ze liepen meneer Belman na en jouwden hem uit... Dat kon ik niet velen en toen heb ik er op gerammeld!
Ja n.
Ferm jongen !
Doris.
Die goede ouwe zei niks tegen hen; waarom laten ze hem dan niet met rust... {gejouw buiten).
Jan.
Al weêr!
Doris {wil gaan).
Wacht ereis even ... nou krijgen ze de rest!
V r. de R ij k {houdt hem vast). Wil je wel ereis hier blijven!
DERDE TOONEEL.
Vorigen. Belman, door de middeldeur op; armoedig of liever verwaarloosd gekleed, het haar geheel wit, parapluie onder den arm, rouwband om den hoed,
Belman {sluit spoedig de deur). Och, die kinderen, die ondeugende kinderen!
77 Jan.
Wacht, ik zal ze .. .
B e 1 ma n.
Neen, geen kwaad doen!... Geen kwaad doen, hoor... Dag Jan ! ... {komt naar voren).
J a n.
Kent uwes me nog ?
B e 1 m a n.
En waarom zou ik je niet kennen !... Die goeie vrouw de Rijk ook 1 Dag vrouw de Rijk ... geen brief, hé ? ... Geen brief voor me ?
Vr. de Rij k {neemt zijn hoed en parapluis).
Neen !
B e 1 m a n.
Nog niet!... En ik wacht... ik wacht al zoo lang ... {ziet den brief van vrouiv de Rijk op dm grond liggen). Ah ! een brief! ... Een papier ... van hem {opent den brief). Neen, niets 1 alweêr niets ! . .. Maar zal hij dan niet schrijven ...
V r. de Rij k.
Wien bédoelt u toch ?
B e 1 m a n.
Hij 1 m'n Karei... Hij zou me schrijven, ala hij bewijzen kon...
Jan.
W at dan ?
B e 1 m a n {ziet hem wantrouwend aan).
Wat gaat je dat aan ? ... Ik alleen ben schuldig... ik heb het immers gezegd!
V r. de R ij k.
Arme man! Nu raakt hij weêr van de wijs.
B e 1 m a n.
Ik heb immers gezegd, dat ik het was, dat ik een ,. . dief was ... Een dief I ik ! ... Ha ! ha ! ha ! ha 1
Jan.
Bedaar, goeie mijnheer !
B e 1 m a n.
Ik wilde hem straffen... en onze lieve Heer heeft mij
78
gestraft... Ik was te streng, veel te streng... en mijne arme vrouw is er van gestorven ...
Vr. de R ij k.
Kom mijnheer Belman, zet die akelige gedachten uit uw hoofd !
Jan.
Wel zeker! Alles zal nog wel ereis terecht komen ... üw zoon is jong, sterk; wie weet... misschien komt hij nog eens onverwacht terug.
Belman.
Maar hij zou me schrijven ! ... Waarom schrijft hij dan niet ?
Jan.
Ja, wie weet! ...
Belman.
Omdat hij niet bewijzen kan, dat hij het niet was die .. . die ... Neen, dat kan hij niet!... Dat kan hij niet. (Gaat hij de tafel linies zien).
Doris (na een hleime stilte).
Arme oude ziel!... Laten ze hem maar weêr eens wat durven doen !
Belman (hem ziende).
Zoo, ben je daar jongen ! ... Kom eens tij me ... ik heb je van daag nog niet gezien.
Doris.
U sliept nog, toen ik naar m'n baas ging!
Belman.
Zoo, werk je!... Ja, dat is waar ook; je hebt het me gezegd !... Je bent een goede jongen ... je hebt daar meteen partij voor me getrokken, toen die andere kinderen ... Maar ik neem 't ze niet kwalijk... Ze denken dat ik gek ben .. . Jij niet, niet waar?
Doris.
Wel zeker niet!
Belman
Neen, ik ben het ook niet... en toch voel ik tusschenbeide zoo'n gloed in mijn hoofd... vooral als ik aan mijn jongen
79
denk... Want ik heb ook een zoon gehad ... hij had mij lief, zooals jij je moeder ook lief hebt .. Je houdt immers ook veel van je moeder?
Doris.
Van m'n moeder.. . nou dat zal uitkomen !
B e 1 m a n {opstaande).
Hij was onze oogappel!... Toen hij zoo oud was als jij was hij eens gevallen op het hoofd; nog zie ik hem in zijn bedje liggen, doodsbleek, terwijl 't bloed hem uit hel voorhoofd vloeide. Mijn vrouw en ik brachten den nacht aan zijn bedje door en toen de dokter 's morgens terugkwam en zei, dat er geen gevaar meer was, toen zoende mijn vrouw zijn handen Welnu, dat kind, dat we zoo lief hadden; die zoon voor wien wij alleen leefden, heeft zijn moeder in 't graf geholpen .. . zijn vader onteerd !
Jan.
Wat zegt u daar?
V r. de R ij k.
Mijnheer Belman ! . ..
B e 1 m a n.
Wat heb ik gezegd ? Ik heb m'n kind beschuldigd !... Ik ... maar dan hebben de menschen gelijk me krankzinnig te noemen .. . Want ik alleen ... ik alleen heb gestolen ... Ja 1 ik ben een dief! een dief!.. . {gaat naar de trap),
V r. de R ij k.
Maar bedaar toch !
Belman.
Laat me gaan ! Je moet geen medelijden met me hebben ... laat me gaan... ik alleen ben schuldig ... ik alleen {gaat de trap op en in de kamer).
VIERDE TOONEEL. Jan, Vr. de Rijk, Doris.
V r. de Rij k. Zoo heb ik hem nog nooit gezien.
80
Jan.
Ik laat hem niet alleen; ik zal zien hem tot bedaren te brensen.
V r. de Rij k.
En ik ga naar den dokter, want ik durf het er niet op aan te laten komen.
Jan.
Heel goed, ik zal zoolang bij hem blijven, tot de dokter komt {Gaat de trap op.)
V r. de E ij k.
Doris, pas jij zoolang op den winkel 1
Doris.
Ja, moeder! . ,
V r. de Rij k {op de zijdeur wijzende).
Ik zal deze deur maar uitgaan, dan ben ik er gauwer. Paa goed op, jongen!
Doris.
Wees maar gerust, moeder.
Vr. de Rij k.
Geef me een zoen, jongen ... Wat die arme mijnheer Belman daar zei, doet me nog meer van je houden.
Doris.
Goede moeder!... Maar ik heb geen pet meer.
Vr. de R ij k.
Ik zal je een nieuwe koopen; dat heb je er wel aan verdiend ! iAf link8-)
VIJFDE TOONEEL.
Doris, dan Kabel, later Jan.
Doris.
Dat valt me meê; ik had gedacht een standje te krijgen ! Nou ik dat weet, zal ik me voor den ouden Belman dood vechten, als het er op aankomt!
Karei (luiten),
Heidaar! Is er niemand ?
81
Doris.
Daar is volk! {gaat naar de middendeur). Een heer.. . die moet toch zeker geen garen of band hebben. Wat is er van uw dienst, mijnheer ?
Karei {aan de deur, met vollen haard, in zwarenrouw, 't gelaat verbrand door de zon).
Ben ik hier terecht bij juffrouw de Rijk, m'n jongen ?
Doris.
Jawel meneer, maar moeder is niet thuis.
Karei.
Dal spijt me ! ... Maar jij kunt me misschien terecht helpen ... Woont hier niet een zekere heer Belman in huis?
Doris.
Jawel meneer, maar u zult hem niet kunnen spreken. Karei.
En waarom niet?
Doris.
Omdat hij daar net weer heel naar is geworden.
Karei {ontsteld).
Is hij dan ziek ?
Doris.
Dat is hij al zoo lang . ..
Karei.
Wat zeg je ?
Doris.
Al een maand of zes ... Sedert den dood van z'n vrouw ... want u weet zeker, dat ze dood is ?
Karei {zacht).
Ja, kind, dat weet ik!
Doris.
Nou, sedert dien tijd is hij aan 't sukkelen en de dokter zegt, dat hij daardoor aan 't mijmeren is geraakt. Daar komt bij dat zijn zoon naar Amerika is gegaan en al in drie jaren niets van zich heeft laten hooren. Dat's toch slecht niet waar ?
Karei.
Ja, kind ... ja I
6
82 Doris.
Alle dag vraagt hij of er een brief voor hein gekomen is ... en wordt hij droeviger, als hij hoort dat er geen tijding van hem is.
Karei {ter zijde).
Zou ik te laat gekomen zijn! ... (luid) En waar is hij nu ? Doris.
Dï'uir boven, op z'n kamer; moeder is den dokter gaan halen. Karei.
O, ik wil hem zien ... ik wil hem zien ! ( Wil de trap opgaan.) Doris.
Zeg ereis, dat gaat z66 niet!... De oude man is ziek, heb ik je gezegd en kan niemand spreken.
Karei.
Maar ik wil.. .
Doris
ü wilt... maar ik wil niet dat je het dien goeden man lastig zult maken!
Jan (op de trap).
Wat is hier te doen ?
Doris.
Och Jan... help jij me ereis dien heer beduiden, dat hij mijnheer Belman niet spreken kan !
Jan {naar beneden komende). Wil die mijnheer meneer Belman spreken ?
Karei.
Ja, ik ... m'n goeie Jan !
Jan.
Wat is dat!... Die stem! Vergis ik me niet.. . Bent u 't, mijnheer Karei?
Doris.
Ken je hem ?... Dan kan ik wel heengaan; dan is er geen kwaad bij ! {Aj door 't fond.)
Jan.
U terug ?
Karei.
Ik zelf, oude vriend ! {geven elkander de liand).
83
Jan.
Als de oude heer dat hoort...
Karei.
Je zult me niet beletten tot liem te gaan, niet waar?
Jan.
Dat is te zeggen ... ik geloof dat het nu niet goed voor hem zou zijn, zoo hij u in eens voor zich zag,.. Wij moeten hem voorbereiden ... U weet zeker dat hij ziek is ?
Karei.
Ja, dat kind heeft 't mij gezegd, en ...
Jan.
Maar hij heeft u niet kunnen zeggen, dat de dokter ons streng bevolen heeft alles te vermijden wat hem te veel kan aandoen en zoo hij u thans in eens, na driejaren, voor zich zag ...
Karei.
Maar hij zelf heeft mij bevolen te vertrekken ; hij zelf heeft mij verboden te schrijven, voor dat ik ...
J a n.
Best mogelijk, maar zijn arm hoofd heeft zooveel geleden, dat de dokter zegt, dat eene hevige aandoening hem den genadeslag zou kunnen geven.
Karei.
God ! ... Maar hij is toch niet krankzinnig ?
Jan.
Niet geheel en al, maar er is niet veel noodig om het hem te doen worden.
Karei.
O God!... Ben ik dan veroordeeld om allen ongelukkig te maken, die mij liefhebben!
ZESDE TOONEEL.
Vorigen. Bertha, Doris.
Doris.
Gaat u maar zoolang binnen juffrouw, moeder komt zóó terug. {Af door het fond.)
84
J a n.
Wat zie ik, juffrouw Bertha !
Karei.
Juffrouw van Elten !. .. U hier?
Bertha {groeiende).
Mijnheer.
Jan.
Kent u mijnheer Karei niet meer ?
Bertha.
Hij !... Mijnheer Karei!... U terug ?
Karei.
Ja, nu het misschien te laat is !
Jan.
Te laat, dat zeg ik nu weêr niet... Maar nu u toch met u beiden hier zijt,'zal ik den ouden heer maar weêr gezelschap gaan houden ... Misschien zal mij wel het een of ander invallen, om hem voor te bereiden.
Karei.
Ja, ga, oude vriend !. .. Ga !
Jan {ter zijde).
Ik geloof dat ze me hier best kunnen missen. {Zacht tot Bertha) U bent zoo goed, juffrouw Bertha; spreek hem een beetje moed in ... dat zal u gemakkelijker vallen dan mij. {Gaat den trap op en verdwijnt.)
ZEVENDE TOONEEL.
Kaeel, Bertha.
Karei.
Sta mij toe, juffrouw, u uit den grond van mijn hart te bedanken voor de goedheid, die u gehad hebt door mijn brief niet onbeantwoord te laten ... Hoewel uwe laatste tijding mij de grootste smart van mijn leven heeft doen ondervinden ... 't Was die van den dood mijner geliefde moeder?
Bertha.
Mijnheer...
85
Karei
Door mijn vader genoodzaakt het land te verlaten, met verbod hem te schrijven, als het niet was om hem een geheim te openbaren, dat ik verzwijgen moest, hebt u medelijden met den banneling gehad; door u heb ik vernomen welke slag mij getroffen had.. Alleen mijn laatste brief is onbeantwoord gebleven.
Bertha.
Hij was mijn vader ter hand gesteld en hij verbood mij u verder te schrijven. Kort daarop vorderde de gezondheid zijner vrouw eene reis naar Frankrijk en eerst heden zijn we teruggekeerd.
Karei.
U waart het, die mij voor mijn vertrek de plaats hebt doen kennen, waarheen uw vader Adolf gezonden had, doch waar ik hem. te vergeefs heb gezocht.
Bertha.
Hoe?
Karei.
Nauwelijks te New-York aangekomen, begaf ik mij naar den correspondent van mijnheer van Elten, die niets van Adoll vernomen had.
Bertha.
Is 't mogelijk!
K a r e 1.
Daar stond ik alleen, in een vreemd land, zonder vrienden, zonder hulp. Ik was de armoede nabij, toen het toeval mij kennis deed maken met eenige stoutmoedige avonturiers, vastberaden mannen, die even als ik, niets te verliezen en alles te winnen hadden. Zij stelden mij voor met hen een tocht naar Californie te wagen ... ik volgde hen. Maanden lang hebben wij onder de brandende zon, ona alle ontberingen getroost... tot eindelijk onze pogingen met een gelukkigen uitslag bekroond werden ... Toen keerde ik naar New-York terug, na afscheid van mijn vrienden genomen te hebben... en toen eindelijk ook daar gelukkige speculatiën
4
86
mijn kleine schat hadden vermeerderd, kwam het verlangen naar mijne familie, die ik thans te hulp kon komen, zeer sterk bij mij op ... Ik herinnerde mij echter het strenge verbod van mijn vader, en waagde het u te schrijven... Uw brief ontnam mij allen moed, mijn moeder was dood... en misschien was haar dood mijn werk.
Bertha.
Zeg dat niet, mijnheer; uw arme moeder is gestorven, het kind zegenende, dat zich vrijwillig opgeofferd heeft, om ver van hen die hij liefhad, den misslag van zijn vader te herstellen.
Karei
Den misslag van mijn vader... Ook zij heeft het gedacht! O vader! vader! Gij hadt gelijk; deze straf is wreeder dan de dood.
Bertha.
Ik begrijp u niet.
Karei.
Neen, gij kunt mij niet begrijpen! 't Is een geheim, een vreeselijk geheim . ., Maar thans kan ik spreken en ik wil u alles zeggen!
ACHTSTE TOONEEL.
Vorigen, Van Elten.
Bertha.
Mijn vader!
Karei.
Hij !
Van Elten(?)a eene kleine stille). Je zult moeten toestemmen. Bertha, dat ik recht heb hoogst verwonderd te zijn, je hier in zulk gezelschap aan te treffen !
Bertha.
Vader!
Van E 11 e n.
Nauwelijks aangekomen, heb je hierheen willen gaan. Zou
87
ik moeten veronderstellen, dat uwe begeerte om den ouden Belman te bezoeken maar een voorwendsel was om hier andere personen aan te treffen . . .
Karei.
Mijnheer!
Van Elten.
Wat u betreft, mijnheer, u zult het een vaderniet ten kwade duiden, zoo hij zich veroorlooft den naam te vragen van den man, dien hij zonder zijne voorkennis in gezelschap van aijne dochter op eene dergelijke plaats aantreft.
Karei.
Ik betreur het, mijnheer, dat de brandende zon en drie jaren ontbering en arbeid mijne trekken zoo hebben veranderd, dat ze u een vreemdeling doen zien in den man, die u en uwe dochter te hoog acht, om zelfs een schijn van verdenking op haar te doen rusten ... Ik ben Karei Belman.
Van Elten.
Wat zegt u ? . . . Karei ... u ... gij ?
Karei.
Ik zelf, mijnheer.
Van Elten {wil hem de hand geven).
Karei! ... Jij terug ! . . .
Karei {trekt do hand terug).
Alvorens u mij de eer aandoet mij de hand te drukken, verlang ik u eene mededeeling te doen.
Van Elten.
Ik begrijp u, mijnheer Belman. U bent fijngevoelig... Wat er tusschen uw vader en mij heeft plaats gehad, doet u zoo spreken . . . Maar u dient te weten, dat ik alles heb willen vergeten, wat op die onbegrijpelijke zaak betrekking heeft gehad en het uw vader zelf is geweest, die nft het voorgevallene hardnekkig geweigerd heeft langer eene plaats te bekleeden, die hij, volgens zijne meening, onwaardig was geworden.
Karei.
Ik weet het, mijnheer ... en ik begrijp alles, wat ik u en
88
hem schuldig ben . . . Ook weiger %k niet uwe hand te drukken, maar ik wil u misschien het berouw besparen de mijne aangeraakt te hebben.
Van Elten.
Ik begrijp u niet.
NEGENDE TOONEEL.
Vorigen. Vr. de Rijk, Doeis, dan de Dokter. Doris.
Ja, moeder, twee heeren en eene dame, een heele familie.
{Gaat weer heen.)
V r. de R ij k.
Wat zeg je, jongen . . . Wat zie ik, juffrouw Bertha en maneer van Elten . . .
Bertha.
Ja, goeie juffrouw, mijn eerste bezoek was voor u.
V r. de R ij k.
En voor den ouden Belman, niet waar?
Bertha.
Maar m'n goeie juffrouw . . ,
V r. de R ij k.
Nu, papa mag het immers wel weten, dat u den armen stakker niet vergeten hebt; hij zelf heeft het immers ook niet gedaan . . . Daar zou de dokter van kunnen meepraten, die daar aankomt . . .
Karei.
Mijnheer van Elten, zal ik u ooit kunnen vergelden, wat u en uwe dochter voor mijn vader gedaan hebben!
V r. de R ij k.
Uw vader ... is u dan ? . . .
Karei.
Ja, ik ben zijn zoon ... en ik wil hem' zien, hem spreken!
{De dokter komt op.)
V x. de R ij k.
Daar is de dokter . . . Hem moet u er eerst over spreken!
89
Van Elten {tot KareV).
Laat mij begaan, mijnlieer:
Dokter (groetende).
Mijne heeren, mejuffrouw! {geeft van Elten. de hand.)
Van Elten.
Dokter, wij hebben uw hulp en raad noodig.
Dokter.
Spreek! Beiden zijn tot uw dienst.
Van Elten {op Karei ivijzende).
Mijnheer is de zoon van meneer Belman...
Dokter.
De zoon van wien hij onophoudelijk spreekt ?
Karei.
Arme vader!
Van Elten.
Hij wenscht vurig zijn vader weêr te zien, maar wij vreezen dat eene hevige aandoening gevaarlijk voor den armen man zal wezen.
Dokter.
De stemming, waarin de patiënt zich op dit oogenblik bevindt, zal mij het antwoord gemakkelijk maken. Hij is immers op zijn kamer ?
V r. de R ij k.
Ja, dokter!
Dokter.
Dan zal ik hem gaan bezoeken en daarna mijne bevinding meêdeelen. De tegenwoordigheid van juffrouw Bertha, van wie hij zooveel houdt en die hij in lang niet gezien heeft kan misschien eene gunstige uitwerking op hem hebben.
Bertha.
In dat geval, volg ik u, dokter.
Van Elten.
Ga mijn kind {tot Karei). Nu ben ik gereed u aan te hooren, terwijl ook ik u een mededeeling te doen heb. (Zgt;o/:lt;er, Bertha, vr, de Rijk, langs de trap af).
90
TIENDE TOONEEL.
Kaeel, Van Elten.
Van Elten.
Ik ken de reden niet, waarom u de hand weigerde, die ik u toestak... Ik heb mij noch jegens u, noch jegens uwen vader iets te verwijten. U echter zou ik voor 'tminat van gemis aan openhaitigheid tegenover mij kunnen beschuldigen.
Karei.
Mijnheer. ..
Van Elten.
Ik heb uw vader korten tijd voor het ongelukkige voorval, dat ons van elkander verwijderd heeft, te kennen gegeven, dat eene vereeniging tusschen onze beide familiën mij niet onmogelijk voorkwam. Toen ik dit zeide, kon ik echter niet vermoeden, dat u reeds mijn vertrouwen hadt misbruikt, om u van een onschuldig hart meester te maken.
Karei (ter zijde).
Hij weet alles.
Van Elten.
Het toeval deed mij uw geheim ontdekken. Eenige dagen vóór mijn vertrek naar Frankrijk, kwam een onbekende mij bezoeken; hij beweerde een vriend van mijn neef Adolf te zijn en sedert geruimen tijd in het bezit van een brief te wezen, die mij en den goeden naam van mijne familie kon benadeelen, zoo hij publiek werd gemaakt. (Opent zijn portefeuille, waaruit hij een brief neemt).
Karei (ter zijde).
Den brief!.. .
Van Elten.
Ik begreep, dat ik met een ellendeling te doen had. Hij beweerde om geld verlegen te zijn en bood mij aan den brief te koopen. Na eenige aarzeling stemde ik toe en ziehier wat ik las: âVergeef mijne vermetelheid, maar ik moet u spreken ; mijn toestand is ondragelijk ; ik moet uit uw mond
91
vernemen, of het verledene vergeten moet worden en verzoek u daarom heden avond ten elf ure op het kantoor te komen ; de deur zal niet gesloten zijn en het zal u gemakkelijk vallen uw kamer te verlaten, bij afwezigheid van mijnheer van Elten.'' Uwe handteekening en uw schrift, dat ik dadelijk herkende, maakten alle bedenkingen overbodig; ik betaalde de gevraagde som en nu vraag ik mijnheer, had het recht niet it de hand te weigeren, die ik u daarentegen zoo gul heb, toegestoken ?
K a r e 1.
Mijnheer, uw goedheid verplettert mij !
Van Elten.
Ik heb Bertha den brief getoond, zonder er iets bij te voegen; zij heeft dien tweemaal doorgelezen, als begreep zij den inhoud niet; eensklaps echter viel zij bewusteloos in mijne armen.
Karei {verrast).
Uwe dochter?
Van Elten.
Toen zij bijkwam, barstte zij in tranen los en bekende, dat de brief aan haar was gericht.
Karei {ter zijde).
Aan haar?
Van Elten,
Ik heb vergiffenis geschonken... en heb er geen berouw van, want na een onderhoud met mijne vrouw is de terughoudendheid, die tusschen haar en hare tweede moeder bestond, geheel geweken en hebben ze elkander lief als twee zusters ... Ik heb echter gemeend den brief, dien gij haar uit Amerika zendt en dien ik ontvangen heb te moeten terug houden... Ik heb dien verbrand! Wat zal ik u zeggen : ik heb maar één kind en ben een zwak vader . .. Toen ik u daar straks herkende, kwamen mij mijne vroegere plannen weêr in 't hoofd ... en . . .
Karei.
Mijnheer... U kent de uitgestrektheid van mijn misslag nog niet.
92
Van E 11 e n.
Verklaar u duidelijker.
Karei.
Mijn vader was onschuldig aan den diefstal, waarvan hij zich [beschuldigd heeft... Zijn geheel eervol leven, zijne alom erkende eerlijkheid, hadden hem moeten vrijwaren voor de verdenking van een dergelijken misdaad.
Van Elten.
Maar op al mijne vragen, op al mijn beden zelfs, antwoordde hij niets anders als... âik alleen ben de schuldige
Karei.
Arme vader! Hij wilde al de verdenking op zich laden, om zijn zoon te redden.
Van Elten.
Wat zegt ge ?
Karei.
Ja. Hij heeft zich voor mij opgeofferd; maar thans kan ik mijn onschuld aan den dag brengen; â thans kan ik bewijzen, dat ik nog altoos op den naam van eerlijk man aanspraak mag maken.
Van Elten.
Dit alles is mij een droom . ..
Karei.
Na mijn vertrek uit New-York begaf ik mij naar Londen, waar ik des avonds laat aankwam. Onbekend met de groote wereldstad, wende ik mij tot een constabel, die mij een man aanwees, om mij naar de plaats mijner bestemming te geleiden. Toen ik dien man, na hem eenigen tijd zwijgend gevolgd te zijn, eene onbeduidende vraag deed, bleef hij eensklaps staan, als getroffen door de klank van mijn stem ; hij vatte mijne hand, bracht mij onder het schijnsel van een lantaarn, zag mij strak in 't gezicht, gaf een hevigen gil en was verdwenen, eer ik van mijne verrassing bekomen was; want ook ik had hem erkend; het was uw neef... Het was Adolf!
Van Elten.
Adolf!
93
Karei.
Ja, verarmd en ellendig als eeu bedelaar! Benige dagen later ontving ik aan mijn hotel het bezoek van een geestelijke . . . Hij kwam mij verzoeken hem te vergezellen naar het bed van een stervende, die mij een belangrijke mededeeling te doen had. Wij begaven ons naar een der armoedigste wijken van Londen, en daar, op een ellendige zolderkamer, vond ik Adolf terug.
V an Elten.
Den zoon van mijn broeder!
Karei.
Ik zag dat hij stervende was. Hij vatte mijn hand en bracht die aan zijn lippen, beproefde te spreken, maar te vergeefs .. . Daarop stak hij de hand onder zijn hoofdkussen en haalde een papier te voorschijn, dat hij mij toestak . . . Het bevatte de bekentenis van zijn schuld en mijne rechtvaardiging ... Ik vatte zijn hand en zeide : âSterf in vrede, alles zij u vergevenquot;. Toen schitterden zijne oogen van vreugde en weinige oogen-blikken daarna blies hij den laatsten adem uit.
Van Elten.
Dood !
Karei.
God schenkt den berouwhebbende genade!
Van Elten.
Hij ruste in vrede! . . . En dat papier ?
Karei {geeft het).
Hier is het!
Van Elten {na gelezen te hebben).
God heeft niet gewild dat ik hem vergiffenis zou schenken. Mijnheer, gij hebd door de schuld van een der mijnen veel geleden; ik zal beproeven te herstellen, wat in mijn vermogen is {geeft hem de hand).
Karei.
Maar mijn arme vader . . .
Van Elten.
Hij moet den inhoud van dezen brief kennen en ik wil, dat hij zal weten, hoe ik hem nog, zooals altoos, voor den eerlijksten man ter wereld houd . . .
94
ELFDE TOONEEL.
Vorigen. Doktee, Vr. de Rijk.
Van Elten.
Welnu, dokter, en onze zieke ?
Dokter.
Hij is thans bedaarder. Ik vrees echter voor een gevaarlijke crisis,_ indien wij er niet in kunnen slagen, het idéé fiixe te verwijderen, dat hem onophoudelijk bezig houdt.
Karei.
Wat is dat dan ?
Dokter.
De oorzaak schrijf ik toe aan een brief, dien hij verwacht van zijn zoon, van u, mijnheer, en die hij u verboden heeft te schrijven . . . Het is aan u om deze geheimzinnige woorden te verklaren.
Karei.
Maar dat papier, dat mijne onschuld moet bewiizen, daar is het! J
V r. de R ij k.
Is 't mogelijk !
Dokter.
Welnu, mijnheer, tracht er hem den inhoud van te doen kennen, maar wees vooral voorzichtig en spaar zijn arm hoofd, dat veel geleden heeft... Ik moet nog eenige bezoeken afleggen en zal spoedig terug komen ... Bovendien is de tegenwoordigheid van zijn kind misschien noodzakelijker voor hem dan die van zijn geneesheer. Tot straks, mijne heeren, en ik herhaal 't u nogmaals: wees voorzichtig ! {Af door het fond.)
TWAALFDE TOONEEL. Vorigen, zonder Dokter. Van Elten.
Wat te doen?
95
V r. d e R ij k.
Laat mij eens begaan.
Karei.
Maar wat is uw voornemen, goede vrouw ?
V r. de R ij k.
Geef mij dien brief... en stel vertrouwen in mij.
Van Elten {geeft den brief).
Maar zeg ons toch ...
V r. de R ij k.
Stil, daar komt hij, met uw dochter!
Karei (maoM een beiveging).
Mijn vader... O, ik wil.. .
V r. de R ij k.
Nog niet... U moet u nog niet laten zien. Als het tijd is zal ik u waarschuwen... Ga daar in en u mijnheer, u moet meneer Karei beletten zich te vertoonen eer het tijd is ... Van Elten.!
Ik begrijp haar niet... maar om 't even ... kom nu ! (Belman op de trap, vergezeld door Bertha en Jan.) Karei.
Arme vader !... Wat is hij veranderd !
Van E11 e n._
Kom ! kom! {Beiden af, deur links.)
DERTIENDE ÃOONEEL.
Vr. de Ruk, Belman, Bertha, Jan, Karel en Van Elïen {die zich nu en dan vertoonen.)
V r. de R ij k.
Welnu, meneer Belman, hoe gaat het nu?
Belman.
Beter, veel; ik heb mijn lieve ziekentrooster weêr terug !.., Och, blijf toch niet weêr zoo lang weg!
Vr. de Rij k.
Foei! zijn wij er dan niet?
96
B e 1 m a n {geeft haar de hand). Ja, je bent ook zoo goed ! ... 't Is waar ... ik ben ondankbaar ... Maar zij beeft hem zoo goed gekend, ze bield ook zoo van hem en met baar kan ik over mijn Karei spreken . ..
V r. de R ij k.
Niets !
B e 1 m a n {schudt het hoofd).
Niets! ... Als hij nog lang wacht, zal bet te laat zijn.
V r. de R ij k.
Kom, wat zijn dat voor gedachten ?
Jan.
Kijk ereis aan, ik ben bijna zoo oud als u en heb nog lang geen plan om op te stappen.
Bertha.
Ga daar zitten, mijnheer Belman, en zet die gedachten uit uw hoofd.
Belman {gaat linies züteri).
Ja, ik zal het beproeven!... Maar u gaat nog niet heen, niet waar ?
Bertha.
Volstrekt niet, vader weet dat ik hier ben,
Belman.
En hij staat u toe mij te bezoeken ... hij die toch weet dat ik het ben ...
Bertha.
O zwijg, zwijg !
Belman {wil opstaan).
Want ik was het en niemand anders!
Bertha (hem tegenhoudende). Zie nu eens aan, nu bent u weêr geheel ontroerd; is dat nu wat u mij beloofd hebt?
( Vrouiv de Rijk heeft intusschen het papier, dat zij ontvangen heeft, op den grond rechts geworpen).
Jan.
Wat is dat voor een papier?
97
V r. de Rij k.
Stil!
B e 1 m a n {bedaarder).
Ja, Ik zal kalm zijn, want als ik daaraan denk, voel ik mijn hoofd kloppen, alsof het van één zal barsten; dan lijd ik hier ondragelijke pijnen en komt het mij voor of de menschen gelijk hebben, wanneer ze beweren dat ik krankzinnig ben.
Bertha.
Foei, wie beweren dat... slechte menschen...
Jan.
Ondeugende straatjongens... Maar wij weten het wel beter.
B e 1 m a n.
Ja, niet waar, ik ben het niet... Maar misschien zal ik het toch worden ... als hij niet schrijft... Waarom schrijft hij dan ook niet!
V r. d e R ij k.
U hadt het hem immers verboden.
B e 1 m a n {geheimzinnig).
Ja, ik heb het hem verboden. Maar om welke reden zeg ik niemand ... neen, niemand.
Bertha.
Ook mij niet?
B e 1 m a n,
U... neen, u mag ik het ook niet zeggen, want als ik het u zei... zou je hem niet meer liefhebben; je zoudt hem misschien verachten, zooals men mij verachten moet, want je weet immers wel wat ik gedaan heb ?... {zacht) Ik heb gestolen!
Bertha.
U !... Dat is niet waar !
B e 1 m a n {met kracht, staat op).
't Is wel zoo, zeg ik u. .. Je moet het gelooven, anders zoudt ge hem verdenken... Ik zelf heb het aan uw vader gezegd, en...
7
98
Van Ellen {die hij hem gekomen is).
Maar hij heeft het niet geloofd.... en zal het nimmer gelooven.
B e 1 m a n.
U .... u hier.
Van Elten.
Ja, ik ben hier gekomen om u te verklaren, dat wat ge ook gezegd hebt, hoe ge u zeiven hebt durven beschuldigen, ik nooit â nooit, verstaat ge â aan uwe eerlijkheid, aan uw trouw heb getwijfeld 1
B e 1 m a n.
Stil... stil!
Van Elten.
Dat ik nooit gedacht heb, dat de man die zijn geheele leven heeft gewerkt, om den goeden naam van zijn vader voor eiken smet te bewaren, in één oogenblik die voor altoos met schande zou bedekken.
B e 1 m a n [hem hij de hand vattende).
Maar zwijg dan toch, zeg ik u... Vant zoo ge mij voor onschuldig houdt... zou een ander van mijn misdrijf beschuldigd worden...'Zou mijn zoon verdacht worden... en ik, ik alleen ben de schuldige!
Bertha.
Maar mijn vriend...
B e 1 m a n (hevig).
Ik alleen ... niemand anders!
Van Elten.
Maar die brief dien gij verwacht...
B e 1 m a n.
Die brief...
Van Elten.
Bevat die ook misschien zijne rechtvaardiging en de uwe ?
99
B e 1 m a n (hem aanziende).
Wie heeft u dat gezegd ?
Van Elten.
Niemand, maar ik veronderstelde...
B e 1 m a n.
Ja, 't is zoo 1... Hij zou schrijven, zoodra hij bewijzen kon... maar er is nu al zoon langen tijd verloopen ... en niets ... altoos niets ... {geheimzinnig) En ziet u .. als ik zoo op straat ben, dan ga ik naar 't postkantoor en vraag, of er een brief voor mij is ... Dat doe ik alle morgens ... Ze kennen me daar ... Ze zeggen: daar komt de gek aan ... en soms, soms raap ik papieren van de straat op, dan lachen de kinderen me uit; maar ik vergeef het hun..', ze weten niet dat ik mijn brief zoek ... Neen, dat weten ze niet . .. C Gaai naar rechts)
Bertha {lol Fr. de Rijk),
Nu is hij weer geheel verward.
V r. de Rij k.
Spreek hem niet tegen ; ik heb goeden moed.
Bertha.
Wat bedoelt ge?
V r. de R ij k.
Stil!
(Van Elten gaat naar Karei?)
B e 1 m a n {den brief ziende).
En zie ... daar ligt weer een papier ... als dat nu eens ... {Raapt het op en ziet het in) Neen, 't is zijn schrift niet... Al weer niets, zooals altoos.. . niets!
V r. de R ij k {den brief oprapende).
Hebt u dien brief dan gelezen ?
B e 1 m a n {moedeloos).
Neen, maar 't is zijn schrift niet, zeg ik u immers. O, ik ken het uit duizenden! (Gaat rechts zitten?)
100
V r. de Rij k.
Maar als nu tocb. eens . . .
B e 1 m a n.
Neen, zeg ik u.
Bertha {zacht tot Vr. de Rijk).
Maar ik begrijp u niet!
V r. de Rij k.
Hij moet dien brief hooren ... Het is zijne rechtvaardiging
Bertha.
Hemel! {luid) quot;Welnu, m'n goeie heer Belman, zoo u dan niet nieuwsgierig bent, mij is het geoorloofd, ik ben een vrouw !
Belman {verwonderd).
Hoe, u wilt ?
Van Elten {terughomende).
Zeker!
Bertha {met kracht).
Ik wil den inhoud van dien brief kennen.
Belman {hen vei'wonderd aanziende).
Lees dan, m'n kind, lees dan !
Bertha.
âGereed om voor God te verschijnen, wil ik dit leven niet met een bezwaard geweten verlaten. Ik heb de goedheden en zorgen van mijn oom met ondank beloond en buiten hetgeen hem van mij bekend is, beschuldig ik mij hem eene som van vijf duizend gulden ontstolen te hebben. Dat niemand Karei Belman van medeplichtigheid aan die misdaad verdenke; ik alleen ben de schuldige en dwong hem, tengevolge eener jeugdige lichtzinnigheid, mij te bezweren vooralsnog het stilzwijgen te bewaren. Mijn dood ontslaat hem van zijn gelofte . . . Mogen allen mij vergiffenis schenken, evenals Hij, wiens liefde oneindig is, en wien ik weldra rekenschap mijner misdaad zal geven. Adolf van Eltenquot;.
101
B e 1 m a n (ziet van Elten aan en roept eindelijk uit):
Onschuldig!... O God!... Vergiffenis! Mijn zoon was onschuldig ... en ik heb hem durven verdenken ! ... ( Valt in hunne armen.)
Karei [toeschietende).
Vader! vader!
Bertha.
Hij hoort ons niet!
K a r e 1.
De brief heeft hem gedood! o God!
Van Elten.
Neen, hij komt weer bij.
V r. de R ij k.
Hij opent de oogen.
B e 1 m a n (zeer langzaam).
Waar ben ik?... Wat is er met mij gebeurd? Hoe komt het dat mijn hoofd zoo licht is, waarom ziet ge mij zoo aan ?
Van Elten.
Mijn vriend!
Bertha.
Mijnheer!
B e 1 m a n.
O ! 'k herinner me ... die brief... die brief... Was het dan geen droom .. . {Karei ziende, die op kleinen afstand van hem staat). Wie is ...
Karei.
Vader !...
Bel man {met een gil).
Ah !... Hij !... hij !
Karei.
Vader!... (wil hem omhelzen.)
102
Be lm an {ham afwerende).
Neen, niet in uwe armen; aan uwe voeten is mijn plaats.., Vergifïenis ! ...
Karei {hem opheffende).
Vader! dierbare vader!
B e 1 m a n {omhelzing).
Mijn kind 1... Uwe moeder ziet ons.
Van Elten {na hldne pauze).
Meneer Belman ... Komt uw naam u thans eerlijk genoeg voor, om uw zoon te vergunnen, die aan mijne dochter te doen dragen?
Belman {Bertha omhelzende).
Mijne kinderen !... Beide mijne kinderen !... O God, laat mij thans mijn verstand behouden!
EINDE.
W'