De Feestviering'
B'J GEI.KCBNIIEID VAN HKT
25-jarig PRIESTERSCHAP
dex zi:i:ri:i:r\v. /i:i.R(.i i . iiKi'.R
H. DlRlX,
DIRECTEUR VAN HET BISSCHOPPELIJK COLLEGE TE ROERMOND,
DOOR
Tli. quot;V^lsr EOVtSTEJDE,
è
o
p
Ãi-
Orn-STL'DKNT.
m i
Roermond, HKNRi VAX DER MARCK. i S 9 6.
§-gt; ' : ' vS)
I
- -
â ^ t. â cy*'
G ^s)7j\ (s) ^
101
\
HET 25-JAEIG PïjIESTERFEEST.
-w
â â
I I I I I.I i III 11 11II 1:1 i I I I lt; I I I I ⢠I t 1 a m I 9 19 I t gt; I : â II t I I c 3 I ) 1 I I i I I I I I i I 1
i.- ⢠: : .
I
.
v â ; â â i
De Feestviering
bij gelegenheid van het
25-jarig PRIESTERSCHAP
van
DEN ZEEREERW. ZEERGEL. HEER
yH. piRIX,
DIRECTEUR VAN HET BISSCHOPPELIJK COLLEGE TE ROERMOND,/
Tlx. quot;V-A-IT EI^LSTBODE,
Oud-Student.
HENRI VAN DER MARCK. 1896.
â â â â â â â â Illlllllllllllllllllllllllltlll,,!,!!!!!!]!!!!!!,)!!,!!!!!!!!,,!!!!,
AAN
DEN ZEEREERWAARDEN ZEERGELEERDEN HEER
THEOPHlLiE
SHteotauz van ftet oBlsicltoppe Cijft (BoCCaga
te Roermond,
quot;WOIRIDT X)IX quot;WEKKLJE
eerbiedig opgedragen.
if
i ⢠I li 11 11 111 I I I 11 11 I I â I * I 111 I i i I I â ⢠I I I I lt; I I I c 11 11: I I 11 i I I I i I i I I â 111 c 11111 I I I {lt; i * I* gt;
I â £M I I I I I I (Ml I I I f I I I M ) M I I r I I I I I I I I I I â I ⢠M M I M I I'M 11 I M l I I I M l I I I I I M I I ( I I 1 1 1
EEN WOORD VOORAF.
----5Ã5-----
Nog onder den indruk van het grootsche feest van dankbaarheid, door het Bisschoppelijk College van Roermond aan zijn hooggeach ten Directeur bij desselfs 25-jarig Priesterfeest bereid, kwam ondergeteekende op het denkbeeld, in deze brochure verwezenlijkt.
Het doel was: een beeld te geven van de heuglijke feiten, op den ij Juni 1896 binnen de muren van het Bisschoppelijk College te Roermond waargenomen.
Moge dit boekske een blijvende herinnering zijn aan het Zilveren Jubelfeest van den ZeerEerw. ZeerGel. Heer Th. Dirix en den vrienden van het Bisschoppelijk College eenige aangmame uren lezens verschaffen.
DE SCHRIJVER.
T^!
â / â¢â¢
â .» â¢;
De Priester, wien ik deze bladzijden wijd, aanschouwde het levenslicht te Wijck-Maastricht in den jare 1848, den 18 April.
De echtelieden Petrus Dirix en Henriette Cham-bille schonken hun zoon den naam Theophile, dat is: de door God beminde.
In de Parochiekerk van den H. Martinus door de wateren des Doopsels als lidmaat der Katholieke Kerk aangenomen, ontving hij ook'daar op elfjarigen leeftijd de eerste H. Communie.
Reeds spoedig vernam de jongeling de stem van Christus, die hem riep tot Zijnen dienst. Met ijver volgde hij de lessen aan het Gymnasium te Maastricht en scherpte te Roldue zijnen geest door de studie der philosophie. Vier jaren bereidde hij zich in het Groot Seminarie te Roermond met grooten ernst voor tot het H. Priesterschap.
Z. D. Hoogwaardigheid Mgr. J. A. Paredis keurde hem den 3 Juni 1871 den dienst der altaren waardig en diende hem de H. Priesterwijding toe.
Doch reeds drie dagen vóór dezen grooten dag in het leven van den 23-jarigen jongeling, werd hij door zijn Bisschop benoemd tot Leeraar aan het Bisschoppelijk College te Roermond, dat destijds onder leiding
: 111 i I I 11 I; I 11 I 11 I I I i 11 I I a 11 11 I I 11 11 111 I i I I I â I I 111 111 c I I i 111 I I I 11 11 ( I I I I g 11 I I ri â â
stond van wijlsn den ZeerEenl. ZeerGel. heer J, Rijkers.
Den 15 November 1878 werd aan Professor Dmix het finantieël en administratief beheer van het College opgedragen.
Kort daarna was eveneens voor wijlen Directeur Rijkers de tijd aangebroken om herder te zijn over de lammeren en de schapen. Professor Th. Haffmans volgde hem op en hield met vaste hand de teugels van het bestuur, totdat hij op zijne beurt in 1891 door Z. D. H. Mgr. F. A. H. Boermans werd benoemd tot Pastoor te Maastricht.
Toen viel Provisor Dirix de waardigheid van het Directeurschap ten deel, in welke hoedanigheid ZEw. thans, 25 jaren na zijne H. Priesterwijding, mocht vieren het zilveren jubilé als Priester en als Leeraar.
Deze is de beknopte levensschets van den Priester-Jubilaris. Zijne verdiensten vinden algemeen erkenning; zij liggen nog versch in het geheugen der vrienden van het College. Maar het ligt niet in mijn bestek, â⢠en ik laat gaarne deze taak aan meer bevoegden over â een oordeel uit te spreken over den vruchtbaren arbeid, gedurende 25 jaren door den Priester Dirix als Leeraar, Provisor en Directeur in het belang van het College verricht.
11 11 ⢠1 1 11 11 11 1 1 1 11 1 111 1 1 1 1 11 ⢠e1â r11â â ii11â¢11111111111111â¢1â 111 11 t 1 1 1 â 1 1 â 1 â 11 t â
io
I I I I I I I I I I M I I I I I I I I I I I I I I I I I I I M I I â¢? i I I â I I I ⢠I I I I I I I I I I I I I I M I I I I I I I I I I I I I
In kleinen kring werd het feest ingeluid.
Al werd, in den beginne althans, door de Leeraren en oud-Leeraren van het College en door de Geestelijkheid van Roermond, eene zekere plechtige vormelijkheid in acht genomen, de begroeting van den jubileerenden Priester-Leeraar was in hooge mate vriendschappelijk.
Het was een vriendenfeest, waarop de taal des harten sprak.
De Leeraren van het Bisschoppelijk College gaven, bij monde van denWelEerw. ZeerGel. Heer G. Hustinx, onverholen uiting aan de diepe hoogachting en gren-zenlooze genegenheid, die zij gevoelen voor hun leider en vriend, in wien zij het toonbeeld zien van den Priester-Leeraar, maar ook de persoonsverbeelding van beleid, zachtmoedigheid, rechtvaardigheid en wilskracht, den man, handelend in het bewustzijn der zwaarwichtige taak, hem opgelegd.
De hulde der Professoren moest den Directeur treffen. Hun geschenk, het welgelijkende portret van den Jubilaris, vervaardigd door den bekenden kunstschilder H. Windhausen Hz., werd dankbaar aanvaard.
Ook de Geestelijkheid der stad was tegenwoordig, zeide ik. En wel in grooten getale. Zij stond trouwens
lllllllllllll|||||l|||||||3||||||)|||||i f,1 | |'| | | | | | | | | | |.|| 11 | | | | 11 | | I | I || | |
II
M f â ! M I M f !'l * I M M I I I M I ⢠I I M M I I M M I M M ⢠( gt; M IH TM I I IM I I I C I I I I I i I I M I
altijd op vriendschappelijken voet met de leiders van het College. Dit bleek thans duidelijker dan ooit; dit getuigde de geestdriftige toespraak van den Hoog Eerw. Heer P. Corten, Plebaan-Deken, die als stoffelijk blijk der gevoelens van den Roermondschen Clerus den Jubilaris een tweetal zilveren fruitschotels met pièce de milieu aanbood.
Namens de oud-professoren, die reeds op den vooravond van het feest tegenwoordig waren, sprak de WelEerw. Heer W. Hillen, Pastoor te Venraai. Blijde herinneringen aan het verleden werden door den oud-Leeraar verlevendigd, en welgemeende heil-wenschen, ook voor een schoone toekomst, gebracht.
De Jubilaris, geroerd door zoovele blijken van vereering en gehechtheid, bleef het antwoord niet schuldig; voor allen wist hij het juiste woord van dank te vinden.
En â alsof hij daarvan niet bij voorbaat overtuigd kon zijn â met aandrang beval hij zich in aller voortdurende vriendschap aan.
Bij voortduring, dat is: âtot in den doodquot;.
Welnu, die wensch ging in vervulling. Een der leeraren van het College, wiens stoffelijk overschot voor eenige weken aan de aarde werd toevertrouwd, kwam op het feest de verzekering afleggen van eeuwige vriendschap.
Het was de alom geëerde en beminde Pastoor H. Lemmens, wiens scheiden van dit leven door allen â en door zijne oud-collega's niet het minst â met leedwezen vernomen werd.
Uitgestrekt op het bed van smarten, slechts weinige dagen voor zijn dood, gaf Pastoor Lemmens het voornemen te kennen, op het jubeltij van den Directeur een feestgave te willen schenken; hij-zelf hoopte in den Hemel mede te juichen.
12
Aan dat verlangen voldeed Prof. Hustinx, wien de keuze der feestgave was opgedragen, door het aanbieden van het portret 1) des beminden afgestorvenen.
Treft U deze daad van den oud-Leeraar, en is zij het sprekende bewijs van den edelen gemoedsaard des overledenen, zij getuigt ook voor en drukt den stempel op de vriendschap en hoogachting, welke de leeraren van het College aan hun Directeur binden.
Nog eéa avond, nog één nacht en de langverbeide dag breekt' aan.
Reeds genieten de inwonende studenten een welverdiende rust, om morgen, frisch naar geest en lichaam, ten feestgetij te verschijnen.
Of zij spoedig in het rijk der droomen belandden?
O, de twijfel is gegrond, dat de slaap menige ver-geefsche poging moest aanwenden, alvorens hij in banden kon slaan dien vruchtbaren geest des jonge-lings, reeds vervuld van al het schoone, dat de nieuwe dag brengen zal.
En ikr geloof zeker, dat de laatste gedachte van allen, die in het College het peinzend hoofd ter ruste legden, eene bede tot God was, eene bede om kracht en sterkte voor hem, die 's anderendaags het Zilveren Jubelfeest van zijn Priesterschap zou vieren.
1
Een welgelijkend crayon-portret, geleverd door de gunstig bekende firma E. Sohl van Maastricht.
a I I I I â I i i i I i â i : t i i i i i i i i â igi i 9 « i i ......... â i I I iliiâ ii I I i â I I i i i li â i i: i I I I
o
Met wijlen den oud-Directeur van het College, Mgr. J. Rijkers, die in 1866 op het 25-jarig Bisschopsfeest van Z. D. H. Mgr. J. A. Paredis in zijn dithyrambisch gedicht den lof des Bisschops zong, klage ik thans:
Ah! que n'ai-je la voix du chantre de l'aurore: Que n'ai-je ses soupirs et son gosier sonore,
Pour célébrer le jour qui se hate d'éclore Au milieu des parfums, dans le ciel le plus pur!
't Is in den vroegen ochtend. Alle studenten, in de kapel vereenigd, zijn in aanbidding neergeknield.
Verheven oogenblik! Een Priester verschijnt, de H. Hostie in de hand.
Gode eere en dank! Geen jubelen, geen juichen, alvorens den Gever van alle goed om bijstand gebeden en Hem den cijns der dankbaarheid gebracht te hebben.
En ziet! Een breede schare jongelieden, ingetogen, biddende, schrijdt den Priester, die het Hoogheilige draagt, tegemoet.
Heer! ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak.'
in 1111 â i â 1111 1 11 i 1 1 i 11 1 1 â i 1 ⢠â â 1 â â 1111 1 i'i i'i'i 1 i i 1 i i 1 â 1 1 1 i 1 1 1 1 1 â 1 1 1 11 t 1 1 1 1 1 11111 â 1' 1 1
H
De studenten ontvangen het Brood des levens. En in hunne gebeden zijn zij den Directeur-Jubilaris indachtig.
Schenk uwe genade, o God, â dat smeeken zij â aan den Vader van dit Huis; zegen hem. Gij kunt het ons niet weigeren. Zegen hem en vervul zijne ziel met de hemelsche geneugten, die hij mocht smaken vóór vijf-en-twintig jaren, op den dag zijnér Priesterwijding! Geef uw dienaar kracht en sterkte, o Heer, opdat de vreugde van dezen dag hem niet overwel-dige!
Is die bede verhoord?
Dra klinkt uit volle borst het aandoenlijke lied, allen studenten en oud-studenten welbekend; Vive Jésus, c'est le cri de mon ame!
De natuur juicht mede: buiten zingen de vogelen hun hoogste lied. Door het rood en het geel en het blauw der kerkramen gieten de gouden stralen der zon een gloed van kleuren op het frissche groen in de kapel. Inderdaad, alles leeft in en om het College een blij leven!
Te negen uur kondigt de bel den feestgenooten aan, dat zij tegenwoordig moeten zijn bij de plechtige hoogmis, door den Jubilaris op te dragen, met assistentie van Z. D. H. Mgr. F. A. H. Boermans, Bisschop van Roermond.
Op dus ter kerke!
Welk een aanblik! Neen, nooit maakte die gezellige kapel, welke ih onzen geest zoovele zoete herinneringen aan vervlogen tijd opwekt, heerlijker indruk dan thans.
Staande voor den ingang, waarboven een zware kroon hangt; te midden eener versiering in de Nederlandsche en Pauselijke kleuren, wordt uw oog het eerst getroffen door het getal XXV, dat, door zonnestralen om
geven, boven het hoogaltaar op het zesvakkige kerkraam *) geschilderd is.
Nog een andere symbolische versiering smukt de kapel, 't Is een groote zilveren krans, door engelen gedragen, zwevend onder eene roode draperie, boven in eene kroon opgenomen en welker slippen de vier hoeken der kapel bedekken.
De wapenborden van Z. H. Paus Leo XIII en van Z. H. Pius IX, gl. mem., flankeeren het hoogaltaar.
Tropeeën met de kleuren en wapenborden van Z. D. H. Mgr. Boermans, van de stad Roermond, van de provincie Limburg en het Rijk zijn op passende wijze aangebracht; de wanden der kapel zijn onzichtbaar geworden door de vele prachtige palmboomen, daarlangs geplaatst.
Ook aan het hoogaltaar is zeer veel zorg besteed; slechts planten, kostbare gewassen, zijn als versiering gebruikt. De aan weerszijden geplaatste beelden van Maria en Jozef prijken te midden van groen en bloemen. En, zooals de geijkte term luidt, het altaar baadt als in een zee van licht. Het geheel is een deftig décor **). In dezen kleinen tempel Gods stemt alles tot gebed.
*) Het zesvakkige kerkraam, waarop het beeld van het kindje Jezus, gezeten in den leeraarsstoel, omgeven door de H.H. Joseph, Cecilia, Alphonsus, Gregorius, Thomas en den gelukzalige Bergmans, ligt den oud-studenten stellig nog in het geheugen. Thans is dit raam verdwenen om plaats te maken voor een nieuw, dat de firma F. Nicolas amp; Zonen te Roermond aanbood kosteloos te leveren. Op bovengenoemde wijze werd echter gezorgd, dat het onbeschilderde noodraam nog als feesttooi dienen kon.
**) Een woord van lof mag niet onthouden worden aan den koster der O. L. Vr. Munsterkerk te Roermond, den heer C. Neu-haus, wien de versiering der kapel opgedragen was.
..........................................................................
l6
â
I i I I I I I I â I t Ik I i I I I I I I I I I I I t I I I I I I I I I I i III I I I I
Alleluia! Het jubeltij vangt aan.
Treedt nader, familieleden van den Jubilaris, treedt nader, studenten en oud-leerlingen, ouders der studee-rende jongelingen, treedt nader gij allen, priesters en leeken, vrienden van den Feesteling, knielt en bidt in deze kapel, de woonplaats van den God, die het voorwerp uwer vereering en genegenheid zijn leven lang met weldaden overlaadde, 't Is nu dankenstijd.
Hoort! het orgel galmt een blijden feesttooi!; Ecce Sacerdos! juicht het koor.
Bidt, feestvierenden! Zelfs Limburg's grijze Bisschop komt, om met U in het gebed vereenigd te zijn.
Ziet! een schoone stoet: Koorknapen en Priesters in het blanke kleed gaan den Jubilaris vooraf. Dan volgt met veerkrachtigen tred de eerbiedwaardige in 't purper gewaad: de Bisschop, minzaam zegenend. Mgr. P. Hoefnagels, Vicaris-Generaal en President van het Groot-Seminarie, oud-Directeur van het College, vergezelt den Bisschop.
Nauwelijks weerklinken de laatste tonen van het stemmige Ecce Sacerdos, muziek van den grooten Roer-mondschen zoon en componist Jos. Beltjens, of de Priester-Jubilaris verschijnt aan het altaar en de plechtige hoogmis coram Episcopo begint.
Twee broeders van den Directeur, de WelEerw. Heeren K. en H. Dirix, de een Kapelaan te Barton-on-Irwell (Manchester), de ander Kapelaan te Maas-niel, zijn respect, diaken en sub-diaken.
Wat heerlijk driemanschap! Wijlen Dr. Michael Smiets, oud-Professor van het College, was ook eens tegenwoordig bij een dergelijke plechtigheid. Zijne muze zong toen de schoone, hier toepasselijke strophe : O zaalge broedrentrits, gekweekt in 's Heeren hof! Gij jubelt, en verkondt des Heeren macht en lof,
I â i ij l I I i I I I I i i i I i i ....... i i i i i ⢠i i ⢠â i ⢠i i i i i i i â i â i â i i i ⢠i i ⢠i i i ⢠I I I i ( I I I i I i I â I â â i I i 1 I I i i
17
I â li i I I I I I 1:1 I I I I I I
Als Petrus, wordt een steun van Jesus' Kerke op aarde. Als Leo, wordt een licht van een onschatbre waarde En blijft der jeugd een gids, den oudren een raad, Den weezen vader, en den armen toeverlaat!
De WelEerw. Heer J. Dirix, neef van den Jubilaris, pastoor te Berg a. d. Maas fungeerde als index.
Na het Evangelie, hield de WelEerw. Heer W. Hillen, oud-Leeraar en Pastoor te Venraai^ de volgende feestrede:
Rogamus vos fraircs, ut noveritis cos, qui laborant inter vos ct praesnnt vobis in Domino, et moncnt vos ut habeatis illos abundantius in charitatepropter opus illorum.
(i Thess. V. 12.)
Wij bidden u echter, broeders, dat gij hen erkent, die onder u arbeiden en uwe voorstanderen zijn in den Heere, en u vermanen; opdat gij meer en meer over-vloediglijk hen acht in liefde om hun werk.
Monseigneur, HoogEerw., Zeer Eer w. Heer en, geliefde Studenten en oud-Studenten I
Voor 25 jaren had ik de eer een deelnemend getuige te zijn van een feest, waarop een jeugdig Priester in zijne geboorteplaats het eerste H. Misoffer opdroeg.
Het was een feest van dankbaarheid van den neomist jegens God, die hem, hoe onverdiend ook, tot de verheven waardigheid van het Priesterschap geroepen had; een feest van dankbaarheid jegens zijne dierbare ouders, broeders en zusters, die hem aan God hadden opgeofferd en door hunne gebeden geholpen hadden de trappen van het heiligdom te beklimmen; van dankbaarheid jegens zijne mede-parochianen, die hem als Godsgezant met eerbewijzen overlaadden; van dankbaarheid jegens den herder en zijne medehelpers in de parochie, naar wier voorbeeld hij zich vormde.
18
KI I i â¢'â ll'l I I I I I I I I I I 1:1 ⢠I I I I I â 1 I I I ⢠i I â I I i I I I I I I a I â t I I I I I I I I I ( ⢠I ! I I I I I |;M i a ⢠I , I , I ,,,
De taak, mij bij die gelegenheid opgedragen, was des te gemakkelijker, wijl ik nog in mijn hart de versche herinneringen aan dien zaligen dag kon vinden.
Heden echter, ZeerEerwaarde Jubilaris, geldt het een feest van dankbaarheid niet juist van den Priester maar jegens den Priester, die 25 jaren uitsluitend besteed heeft aan den bloei van ons dierbaar College, â zoo veroorloof ik mij het steeds te noemen â aan het heil en de onderrichting der aan de H. Kerk zoo dierbare jeugd.
Die dankbaarheid uit zich door de tegenwoordigheid van Z. D. Hoogw. den Bisschop, die in U, Zeer Eerw. Jubilaris, den man gevonden heeft om het Bisschoppelijk College van Roermond, â wel terecht Bisschoppelijk College genoemd; want trots alle stormen, zelfs van waar men zephirs verwachten mocht, bleven HH. Doorl. Hoogw. Mgr. Paredis en Boermans hun College verdedigen; â om zijn College, zeg ik, tot bloei en eer te leiden.
Die dankbaarheid uit zich door de tegenwoordigheid der oud-Directeuren en Professoren, die zich na doorleefde stormen met U in den vreedzamen glans van hun College komen verheugen.
Die dankbaarheid uit zich door de tegenwoordigheid van oud-Studenten, die U hunne hulde komen aanbieden; door de feeststemming der tegenwoordige Studenten, die hunnen innig geliefden Directeur en Vader zoo gaarne verheugd en geëerd zien.
Het is aan de feeststemming van u. Studenten en oud-Studenten, dat ik vooral zou wenschen te kunnen beantwoorden. Doch dit valt moeielijk; mij ontbreekt de frissche gloed der herinnering aan de studiejaren. En het valt mij des te moeielijker, omdat ik bij de jubelfeesten der ZeerEerw. Directeuren, die het huidige voorafgingen, ja, bij hetzelfde feest in mijn leven,
19
s I I â â 111 i I I â i I â I I'l i l l ii ⢠I i I I I lt; e i 1 i t till I â I I I « I I i I t I : t 1 11 I I 11 I I ⢠I I 11 I i â 11 I I I â II I â â¢
â toen ik reeds terecht hier kon vergeten zijn, â de grootte der dankbaarheid van studenten heb leeren waardeeren, dankbaarheid, waaraan de leeraar â⢠waarom het verzwijgen? en ik ben blijde (intende honorable te doen, â wel eens twijfelde en met La Fontaine dacht: eet age est sans pitié.
Ik zou in mijne toespraak, geliefde Studenten, âzoo noem ik U maar allen, ofschoon ik reeds mannen tus-schen U zie, die den roemvollen levensstrijd strijden, â ik zou in mijne toespraak gemakkelijk kunnen bewijzen, dat die dankbaarheid U eert, en dat de ZeerEerw. jubilaris die dankbaarheid dubbel en dwars verdiend heeft. Maar van de eene zijde zou ik hooren: âSoli Deo honor et gloria (i Tim. 1,17)quot;; van de andere zijde: âgebiedt de Apostel niet, ut noveritis eos qui laborant inter vos et praesunt vobis in Domino, hen te eeren, die voor ons arbeiden en ons leiden naar deWet des Heeren!quot;
Welnu, ja, eerbied, dankbaarheid, liefde zijt gij aan uwe Leeraars verschuldigd en deze moet des te grooter wezen wegens de priesterlijke waardigheid, die uwe Leeraars adelt.
Eerbied voor den nederigen arbeid, dien zij verrichten, eerbied voor de verheven roeping, die zij vervullen.
Nederigen arbeid? ! Ja, geliefde Studenten. De weid-sche namen van natuur- of wiskunde, van taal- of letterkunde mogen hoog klinken, de Priester-Leeraar legt de geest- en hartverheffende studie, waarmede hij rechtstreeks voor God en zijne Kerk hoopte te woekeren, jaren lang ter zijde, om zich het a. b. c. der hem aangewezen leervakken in alle vormen eigen te maken en U voor te spellen, om voor U te kruimelen het brood der wetenschap. En wanneer gij de rust van uw dagwerk geniet, gaat hij in eindelooze herhalingen tot den laten avond, tot den nacht, dat uw dag-
20
1
111 C1'11 gt; f I M I f M i M 11 ⢠I M I â 11 M 11111 ⢠11111 f M I n â 19111 n 111111111 c 11 c t c t l: 11:1 (s i.M I ri I k
werk ziften, om den volgenden dag met eindeloos geduld, bij weinig graan veel kaf te zamelen en weer te reinigen.
Had de Priester-Leeraar geen ander doel dan uw geest met wat kennis te verrijken en te versieren, hij zou noch in zijn geest, noch in zijn hart voor zulke inspanning het noodige geduld, de soms geweldige l zelfbeheersching vinden, om de late en soms onrijpe vruchten van zijnen arbeid te plukken. Heeft de leeraar geen ander doel dan zijne wetenschap in den geest ; van zijn leerling te prenten, hij zal nooit de noodige liefde voor zijne taak bezitten, al bouwt men paleizen voor de wetenschap; maar ook nooit de achting oog-sten van hen, voor wie het onderwijs geen ambacht maar eene roeping is.
Het is echter, geliefde Studenten, om in uw hart te komen, dat de Priester-Leeraar U de schatten van zijnen geest biedt, evenals de Vincentiaan, die met zijn geldelijke aalmoes ingang bij de armen zoekt, om hun de hemelsche aalmoes van Gods barmhartigheden aan te bieden.
Zeker, elke roeping, trouw vervuld, is eerbiedwaardig, maar de roeping, die rechtstreeks Gods mees-- terstuk in de schepping te vormen of te verzorgen heeft, gebiedt God uitdrukkelijk in de H. Schrift te eerbiedigen.
Inderdaad eerbiedwaardig, verheven en zegenrijk is de roeping van den Priester-Leeraar! Onwetenden tot de bron van waarheid en schoonheid, tot de bron van genade en van deugd voeren, hen uitrusten voor eiken nood, voor eiken strijd naar lichaam en ziel,
welk eene roeping! Den bloesem der onschuld tot gouden vruchten voor de Kerk en de menschheid doen rijpen, is dat niet. Priester, het werk van uwen Heer en Meester voortzetten? Is het niet uw verhe-
I I i I I i I I i « I I I I I I I I I I I I I I C I â I I I S J I I I I I I 1 I I I I I I I I I | 9 I I | | « | | |.| | | | | | â I | I I | I I I-I I I I g I I g If I I â
i
21
\
11 1111111111111111111111111111111111111 (1111I
ven taak, den geest en het hart dezer jongelingenschaar naar Zijn voorbeeld te vormen?
Wanneer de heidensche wijsgeeren, wanneer een Plato tusschen de hoogste betrekkingen van den Staat die van leeraar de edelste, de heiligste neemt, omdat hij de jeugd moet opvoeden voor wat gerecht en wat redelijk is, naar de leer der wijste en ondervinding-rijkste ouderlingen; wanneer Seneca den leeraar den hoogsten magistraat noemt, omdat hij de jeugd onderricht in wat recht en rechtvaardig is, in godsvrucht, geduld en edelmoedigheid; wanneer Cicero beweert, na lang nadenken overtuigd te zijn, dat men den Staat geen grooteren dienst kan bewijzen dan door zich aan de opvoeding der jeugd te wijden, â is het dan te verwonderen, dat de H. Kerk, geleid door den geest Gods, al haren invloed besteedt om de opvoeding der jeugd naar de leer van haren goddelijken Meester aan eerbiedwaardige, aan heilige mannen toe te vertrouwen, opdat de school naar de woorden van den H. Chrysos-tomus een oeienschool zij, van waar men naar den hemel leert loopen? In de i7de eeuw, toen de Kerk in Frankrijk de hervorming voortzette, in de school, zoo vreeselijk door de valsche hervorming gehavend, richtten Olier en Bourdoise met hunne 80 leerlingen eene vereeniging van gebed op, om brave onderwijl zers van God af te smeeken. Wat mij betreft, zegt Bourdoise, ik zou even als Franciscus Xaverius aan alle Universiteiten mannen vragen, die niet naar Indië of Japan wilden, maar hier zich aan de opvoeding der verwaarloosde jeugd willen wijden. Ik geloof dat een Priester, die de wetenschap der heiligen bezat, onderwijzer zou worden en zich in die roeping zou doen canoniseeren. Het eenige middel om de ondeugd uit te roeien is het onderwijs van zulke mannen; ik daag alle menschen uit een beter te vinden.
⢠111111 IIII ⢠â¢
22
Geliefde Studenten, zulke mannen heeft God u gegeven, en daarom roep ik u met den H. Geest toe: âVerheugt U, kinderen Sions, verheugt u in den Heer, die u leeraars ter gerechtigheid geeft.''
Ik voeg er bij: eert hen om hunnen nederigen arbeid, om hunne verheven roeping. Vooral in deze eeuw, waar de Regeeringen, in dienst der Loge, voor leeraars slechts staatsdienaars willen met een onderwijs, waarin voor God en godsdienst geen plaats meer is.
Eert en eerbiedigt uwe Leeraars en gij eert u zeiven; âGloria enim hominis ex honore pat ris; dedeciis filii âsine honorequot;. (Eccl. III, 13.) Want de eer des men-schen ligt in de eer zijns vaders; en een eerlooze vader is de schande des zoons.
Eere zijt gij hun verschuldigd, maar ook dankbaarheid voor de moeielijke taak, die zij voor u vervullen. De dankbaarheid bestaat in de erkenning en waardeering der u bewezen diensten. Doch hoe u die diensten beschrijven; hoe u een denkbeeld geven van een last, dien de Leeraar, vooral de Priester-Leeraar, wel voelt toch niet klagen kan? Den geest en het hart van een kind vormen, hoe zwaar is die taak reeds op zich! Maar den geest van talentloozen wekken, het hart met zijn tallooze verkeerde neigingen veredelen; daarbij de hindernissen overwinnen, den ondank, zoo niet de verwijtingen, verdragen zelfs van hen, hetzij God geklaagd, wier taak zij belangloos op zich namen! Dag in, dag uit herhalen, vermanen, bestraffen en wel dikwijls met het duister vooruitzicht, schande van den leerling te oogsten! Naar de woorden van den Apostel: âeen gids voor blinden, een licht voor die in de duisternis, een tuchtmeester voor onverstandigen, een leermeester voor onmondigenquot; zijn! Welk eene taak!
Wie echter anderen wil voorlichten, moet zelf ook een toonbeeld zijn.
23
Welk een taak: steeds met wijsheid en voorzichtigheid de verschillende karakters en talenten te onderscheiden, en elk dezer met sterkte en matigheid te leiden en vormen; den vlijtige en trage, den volgzame en eigenzinnige, den vreesachtige en overmoedige, den bescheidene en hoovaardige, den begaafde en onbegaafde, den openhartige en achterhoudende, den waarheidlievende en leugenachtige; en deze allen op de hun gepaste wijze te leiden, voelt gij dien last? En dit alles te doen als Priester, die bedenkt; âmijne schapen zal ik uit uwe handen terug vorderen, en wat van mijne kudde verloren gaat, zal de herder vergoeden.quot;
Daarbij komt eene kranke wetgeving en eene ziekelijke ouderliefde niet zelden de noodige tucht dwars-boomen. Terwijl groote mannen, als een Gladstone, zich er op beroemen de tuchtroede gevoeld te hebben, die de leermeester, met hem op wandeling in Hyde-park, voor hem sneed, willen onze hedendaagsche philantropische schoolmonarchen met eene marionet-ten-schooltucht het menschenhart beschaven en de ontkiemende driften temmen.
Denkt gij, dat het opkomend geslacht, weekelijk gevormd, in weekelijkheid en waanwijsheid opgevoed, door tallooze ongetemde driften beheerscht, zijne leermeesters ooit dankbaar zal wezen? Neen, het tegendeel bewijst reeds de huidige geschiedenis.
Maar gij, geliefde Studenten, die den ernstigen arbeid en de vaderlijke tucht uwer Leeraars erkent en waardeert, gij zult hun de dankbaarheid bewijzen, waarnaar zij dorsten. Deze is, dat gij door echt christelijken levenswandel u zeiven, uwe ouders en zoo ook dit Huis, waar gij uwe opvoeding genoot, tot eer strekt en zoo zult gij voor u zeiven, voor uwe ouders, voor dit College de waarheid bevestigen van
iiiiiiiiiiiiiiiiiii'iiiiiiiiiiiiiaiiiiiiii i.ii i i i i i li i ⢠i i i i i i ;; i i i i i i i i i i i i i
24
P.V- 1 'T l, â : JWIIPIL. J
,11 y lit 11 m ⢠i i | m l i i l I 11 i i i i i f i i i 11 i n 11 I l i 11111 i 111 i i i i n i 111 u i | | 11 i t | n i I M I I11 ⢠⢠'J ' «
de woorden der H, Schrift: âSicnt qui ihesaurisat it a : et qui honorificat matremquot;, hij, die zijne moeder : eert, verzamelt schatten.
Gij zijt den leeraar, vooral den Priester-Leeraar, ; liefde verschuldigd.
Ik heb u gewezen op den last, dien zij torsen;
slechts geheele toewijding aan uw geluk kon hen ; die roeping doen beminnen, in dien arbeid doen volharden, en deze toewijding is de vrucht der liefde.
Een heidensch wijsgeer zegt: âamor, non timor : magister officiiquot;, niet vrees maar liefde is de leeraar : van den plicht. Die plicht van den Priester-Leeraar : vooral vordert: zichzelven te vergeten, zichzelven voor ; niets te rekenen, zich te geven met alles wat men : heeft, met alles wat men kan, met alles wat men is, : naar de woorden van den Apostel âimpendam omnia \ et sitperimpendar ipse,quot; na alles gegeven te hebben, : zal ik ook mij zeiven geven, â niet als leeraars (men : kan ze betalen) maar als vaders ânon magistros sed 'â patresquot;. Die liefde moet onbaatzuchtig, edelmoedig, : toegevend, vergevingsgezind zijn, en zulke liefde kan : slechts een vaderhart bezitten, door de natuur of de ; genade voor de zwakheid der jeugd gevormd.
Het is mij niet mogelijk, geliefde Studenten, die : liefde, die dochter des hemels, in al hare schoonheid, : in al haren rijkdom te beschrijven, juist wijl zij eene dochter van den hemel is; men kan ze slechts genieten. : Gij geniet ze, geliefde Studenten, wanneer gij den : Priester-Leeraar met dezelfde goedhartigheid de zwak-: ken en sterken ziet verzorgen, met onverdroten ge-: duld hunne gebreken en ondankbaarheden ziet ver-: dragen, met kinderlijke vroolijkheid hunne onschuldige : spelen ziet deelen.
Gij geniet ze, wanneer gij hoort, hoe zij zorgvol uwe nachtrust bewaken, en wanneer de vacantie u
⢠i i i ⢠3 a i i i i â i i 1111 a 3 in i i i i li M : li m I i t i i i t ; m c i i i.| i i â i iii.i i i i i i.m i i 11 â § i â i i.i.i 11 â
25
'M i^i â I I i M I M I I f I I M I I I IJl Mgt; I I I r ! I I â â I I I I I I I I I I I !M ⢠Ml I I I I I I I I I I I i I I I I I I I I I I I I I I I I Ta â I
; aan hunne zorgen onttrekt, hoe zij beurtelings de H, Mis voor u opdragen en u aan de hoede van God en ; den Engelbewaarder aanbevelen.
Die liefde vordert wederliefde. Is hunne liefde voor u, naar de woorden van den Apostel, eene lankmoedige liefde, die alles hoopt, alles verdraagt, is hunne liefde belangloos, â de uwe zij hartelijk, vertrouwvol, âquae non cogitat malum, quae omnia creditquot;. Zij denke geen kwaad, zij geloove alles.
Deze onderlinge liefde, aan de bron der goddelijke liefde geput, die alle harten vereenigt, alle daden bezielt, alle gevoelens heiligt, en allen met vreugde vervult, was steeds het leven, de kracht en de vreugde van dit Huis; zij moge het steeds blijven!
Genoeg, geliefde Studenten, ik heb reeds te lang gepredikt. Het kostte mij moeite af te breken, dit gestoelte te verlaten, waar ik meer dan 20 jaren zoo gaarne mijne spreekbeurt vervulde, om u nuttig te zijn. Dat wilde ik ook heden, en dat geve God!
Geachte Jubilaris! Indien ik den Priester-Leeraar in het algemeen aan den eerbied, de dankbaarheid en liefde der hem toevertrouwde jeugd heb aanbevolen, dan was het om aan uwe verwachting te beantwoorden. Ik wilde uwe nederigheid niet kwetsen en ook hen niet voorbijzien, die U trouw in het verheven liefdewerk der opvoeding ter zijde staan. Trouwens, gij met hen geeft Hem de eer, aan wien alleen eer toekomt.
Veroorloof mij echter U Zeereerw. heden op den 25-jarigen feestdag van uwe Priesterwijding, na ook 25 jaren aan het heil van dit Huis gearbeid te hebben, veroorloof mij Unamens Z. D. H. den Bisschop, namens de Geestelijkheid te danken voor de vele priesters en leeken, die zich onder uwe leiding tot mannen gevormd hebben, waarop de Kerk fier is, waarop de Staat het mag wezen.
26
I I M I I M I I I I I I t I I I I I M l I I I M l I I M l gt; f I I M I I I I !⢠M l I I M I I I M l I M I'I I 11 M M I ü
Veroorloof mij U Zeereerw. te bedanken namens de Leeraren en oud-Leeraren, Studenten en oud-Studenten, die heden met vreugde den boom, waaraan men zoo dikwijls den bijl wilde zetten, onder uw vaderlijk bestuur weliger en rijker dan ooit zien bloeien.
Gaarne zou ik bij onze dankbetuiging een wensch voegen, maar durf hem niet uiten. Bij het zilveren Priesterfeest van den Directeur Mgr. Rijkers, zaliger gedachtenis, in 1872, stondt gij als de jongste onderaan in de rij der Professoren; het aantal dergenen, die intusschen de eeuwige rust zijn ingegaan, getuigt maar al te zeer, dat men voor de banken juist niet tot grijsaard rijpt. Reeds eenmaal hebt gij aan Z. D. Hoogw. met den H. Martinus gezegd: âsi acihuc sum necessarius, non recttso laborem; indien ik nog noodig ben, wijs ik den last niet af.quot; Wat dan ook uwe verdere roeping wezen moge, deze wensch is zeker naar uw hart; Moogt gij nog lang, nog bij een later Jubelfeest, met vreugde en trots op den bloei van het Bisschoppelijk College nederzien en met billijke zelfvoldoening kunnen zeggen: âquorum pars magna ÆÂ«/quot;, aan dien bloei heb ik het mijne bijgedragen, totdat de kroon u siert die weggelegd is voor hen, die er velen in de gerechtigheid onderwezen hebben!
Amen.
Slechts dit wil ik zeggen; hadde de heiligheid der plaats den hoorders niet weerhouden, zeer zeker zoude als teeken van instemming met deze heerlijk schoone feestrede een krachtig applaus weerklonken hebben.
Doch de heilige handelingen aan het altaar werden voortgezet en met nieuwen ijver werd den Almachtige gebeden voor hem, door wien deze H. Mis van dankzegging werd opgedragen.
Het koor zong op verdienstelijke wijze de Missa
27
i i i m i li ⢠⢠i (â â i! 1111111111 mi i ⢠i ⢠111111 c (⢠1111 ii mi (111 mi 11 m i s 1111 a i: 11 g
Salve Regina van Stehle, onder directie van den Héét Henri Tijssen. Na de H. Mis hief de Jubilaris het Te Deum Laudamus aan.
Het kerkelijke feest was geëindigd. Maar niemand verliet de kapel. De Bisschop moest het teeken geven. Z. D, Hoogwaardigheid wachtte echter.
De Jubilaris verscheen. Dan trad Monseigneur op den Directeur toe en leidde hem aan de hand tot voor het altaar. Daar wenschte hij den jubileerenden Pries-ter-Leeraar van harte geluk.
Geen woordenpraal; in eenvoudige, hartelijke taal schetste Z. D. Hoogwaardigheid de verdiensten van den Feestheld, wiens gehesle leven gewijd was aan de opvoeding der jeugd.
Een wensch voor dezen Prins der Kerk, wiens energieke verschijning twijfelen doet aan zijn hoogen ouderdom, is hier niet misplaatst.
Moge de goede God nog vele, zeer vele jaren den beminden Herder sparen voor de Katholieke Kerk en de trouwe Limburgers!
28
111 i I I ei I iii t 111 111 ii ii tttâ¢11liiIiiiiâ¢i 91itâ¢ilI11 111111I I 1111 I 111111111 1111 I 1111
o de Receptie. «
J
Xlt;g]
â Gunst, Frans, ben jij het? Ik zou je niet gekend hebben; op cinquième droeg je geen snor, hé?
â Maar jij bent niets veranderd, dikkert; je blijft het oude âkuuskequot;. Ken je mijn Zondagschen naam ook nog, amice?
â Kom, ik zou 't âaapjequot; vergeten zijn!
â En hier is âponnyquot; ook, heerenl roept een derde.
â Ha! het trio is compleet!
Aldus het weerzien van drie oud-studenten.
â Heerejé, daar is âOomquot;!
â Ja, daar zijn de samenzweerders! Haal me den stok van de landkaart, Kobus; als ik die heeren bij elkaar zie, mag ik niet ongewapend verschijnen, anders vliegt het ontzag door deuren en vensters uit.
De oud-Professor spreekt. En nu ziet ge den apotheker, den koffieman en den advocaat met den Pastoor zich vermeien in de herinneringen aan den schooltijd.
Gulle lach en snedige zet kruiden het gesprek.
Fi-donc! Pas op, eerwaarde heer, uw prestige gaat om zeep bij hen, die vroeger beefden voor uw schim.
Voorheen en thans! Dezelfde hand, die weleer klappen gaf, drukt nu de trouwe rechter van den oudstudent. Wat heerlijke vertrouwelijkheid!
En proppen en strafwerk, congé's en sigaren, choco-
29
lade en deur-schilderen, Fransch spreken en het signe, zelfs de âpijpdagquot; 1) en nog veel meer, wat de vreugd en het verdriet der schoolbanken was, passeeren de revue.
Daar ben ik op het jubeltij plotseling uit mijn rol gesprongen. Een echte salto-mortale, in frak, met hoogen dop!
Doch, met uw verlof, nu weer een plechtig gezicht!
Na de hoogmis had in de feestzaal de reünie der oud-studenten plaats, waarvan ik boven gewaagde.
O, het College kan. Goddank, niet klagen over hen, die er klein waren. Met het klimmen der jaren gevoelen zij meer en meer den plicht der dankbaarheid.
Als de tweejaarlijksche retraite gegeven wordt, komen de oud-studenten in grooten getale opdagen, en, roept het College ten feestgetij, â dat heeft de 15e Juni van 1896 bewezen â dan verschijnen zij het het eerst.
Laat ik U thans de feestzaal binnenleiden, lezer. Hier heeft de receptie plaats.
Honderden mannen en jongelingen, van allen rang en stand, verbeiden met spanning de komst van den Jubilaris.
30
1
Er is een dag in het leven van den student-intern, die hem nooit uit het geheugen zal gaan. Het is de pijpdag. Het pijp-rooken is ten strengste verboden op kostschool, doch op den namiddag, het feest van den Directeur voorafgaande, wordt dit verbod ingetrokken. Professoren en studenten rooken dan pijp. Nu is dat geen allemanswerk, en vele sixièmers, die ook eens probeeren willen, krijgen op den pijpdag, tot groot vermaak der grooteren, zulken onverwinlijken afkeer van pijpen, dat zij hun leven lang afschaffers blijven. Menige bank, die het toevluchtsoord was dezer kleinen, in wier binnenste de stormen woedden, zou, zoo zij spreken kon, de verklaring van dien afkeer kunnen geven.
iliiliiiiiiiltiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii 111 ii ni 1 1 1 1 1 1111 1 1 1111 11 i 1 1 1 1 11 1 1111 11
Het feestkleed der receptie-zaal boeit het oog. 't Is nieuw-modisch, maar getuigt van goeden smaak. Alle overdadige opschik bleef achterwege. Eén opschrift slechts, doch een zinrijk opschrift, op doek geschilderd, versiert de geheele lengte der zaal; 'tis in hei-gele, duidelijke letters te lezen op roodkleurige draperieën:
Een ander strengel' lauwerblaren,
Den held ter eer, die volken sidd'ren deed; Wij roemen hem, die vijf en twintig jaren Voor Christus' eer en 't heil der kleinen streed. Geen smartkreet doet zijn glorie tanen;
Zijn zegekroon wordt door geen bloed ontwijd;
. Zijn zegekroon ompaarlen slechts de tranen, Door 't ouderhart uit dankbaarheid geschreid.
Te midden van deze draperie, omgeven door de tropeeën en wapenborden der Nederlandsche provinciën, prijkt het portret van den Priester-Jubilaris, â het geschenk der Professoren.
Treffend symbool! Geheel Nederland brengt hulde aan den Priester Th. Dirix. En Paus Leo XIII en Bisschop Boermans sluiten zich daarbij aan. Ook hunne wapenen hangen aan den wand.
Guirlandes van frisch groen omkransen de ijzeren pijlers, die de receptie-zaal stutten.
Ge zijt verbaasd, lezer, dat de geheele versiering het werk is van één man; dat Professor G. Hustinx, die altijd in het College de ziel der feesten was, zelf het opschrift en die wapenen schilderde; dat hij niet geschroomd heeft, maanden lang het penseel te hanteeren voor dezen feestdag. En met allen lof voor het talent van den maker, stemt ge met mij in; Waarlijk, dat werk prijst den meester hoog!
-ppp
I I Ti I I Mil 111111 ti l I i 1111 11 i I I I i I 1111111 I â i â I â I I i I i 111111 â i I i i â I k 11 â l i t ⢠â I i i ⢠⢠⢠⢠â â â iaIi'I'I
Cave! de Bisschop, de Jubilaris.
Hoort, wat een handgeklap! Dat is echt Colle-giaansch; geen hoera's, geen voetgetrappel, maar een slaan in de handen, dat de vingers tintelen; zietdaar het vreugdeteeken der studenten, als de feestheld met zijne gasten verschijnt.
Het eeregeleide is inderdaad der vermelding waard.
Op de tribune nemen plaats: Z. D. H. Mgr. F. A. H. Boermans, Bisschop van Roermond; de Jubilaris; de Edelachtb. Heeren G. Raupp, Burgemeester, J. M. Janssen en H. Willemsen, Wethouders van Roermond; de Hoogeerw. Hooggel. Heer Mgr. P. J. Hoefnagels, Vicaris-Generaal; de Hoogedelgeb. Heer Mr. P. Baron de Bieberstein Rogalla Zawadsky, Lid van Gedeputeerde Staten; de Hoogeerw. Heer P. Gorten, Deken-Plebaan; de Zeereerw. Zeergel. Heer P. Marres, Professor aan het Seminarie; de Zeereerw. Heer Th. Haffmans, oud-Directeur en Pastoor te Maastricht; de Zeereerw. Heeren J. F. Herben en J. H. L. van Oppen, resp.Pastoor-Deken te Echt en Gulpen, en de Feestredenaar, oud-Professor W. Hillen, Pastoor te Venraai. Nog dien ik hier meê te deelen de tegenwoordigheid ter receptie van: den Weleerw. Heer P. J. Savelberg, Stichter en Directeur der orde âde kleine Pius-Zusters,quot; waarvan eene afdeeling in het College met de huiselijke werkzaamheden belast is; de Besturen van de Vincentius-vereeniging, van den R. K. Volksbond en van de Vereeniging Geloof en Wetenschap te Roermond, en last not least het Comité der oud-Studenten.
Nauwelijks zijn de laatste accoorden van het openingskoor der Feestcantate uitgestorven, of de jongeheer F. Dahmen van Roermond roept Z. D. H. Mgr. F. A. H. Boermans het welkom toe, onder het aanbieden van een bouquet.
32
I I â â it I I M.i t i tri 11 § i 111 11 i I 111 i 111 i I i â I i i i i i I I I i i 111 M i A i gt; i i a 11 i ill i li 111111 ii
Daarna treden de studenten D. SpronCk van Maas» tricht, H. Gielen van Heijthuijzen, Th. van Aubel van Maastricht, en J. Tielen van Waalwijk, naar voren, om, ieder op zijn beurt, heerlijke gedichten in de Fransche, Nederlandsche, Duitsche en Engelsche taal den Jubilaris ter eere uit te spreken en hem met een schat van levende bloemen te huldigen.
Helder, en toch ietwat trillend, klinken de hooge stemmetjes der studenten. Het witte blad beeft hun in de hand, de letters dansen voor de oogen; het is de aandoening, die het gemoed overstelpt. Zeker, ze weten, die studentjes, welke heerlijke wenschen zij uiten, maar daarom juist treft hun zoo meer de plechtigheid van het oogenblik.
Een leerling der hoogste klassen, P. Veugelaers van Roermond, verschijnt voor de tribune. Met krachtige stem, met een voordracht, die ook den leek in het Latijn de overtuiging schenkt, dat deze jongeling weet en gevoelt wat hij zegt, spreekt hij den Jubilaris als volgt toe:
Reverendissime Rector.
Non vis consuetudinis non festum solemne S. Pa-troni nos hac augustissima luce impellit, ut Te laudibus hostris prosequamur. Non usitata enim frequentia sti-patus es; magnam excellentium virorum coronam cui praesidet Illustrissimus Episcopus Te circumstare videmus quae quidem solito majus hic festum agi haud dubiis signis ostendere videtur.
Revera, R. R., viginti quinque anni sunt ex quo pri-mam Omnipotenti immaculatam hostiam obtulisti; quinque magna quoque praeteriere lustra ex quo munus illud quidem magnum sed arduum juvenes ad mores Christianos fingendi suscepisti.
Quis, quot juvenes Tua dirigente dextra animi fir-
I â IJ I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I 1 I I I I I I I I I I t I I I I ! I ! t l I I I I I I | ,, | ,! | | | | | I , I I I ,, I , ,
33
â II I I I I 11 It Iâ I II I I till lil I III I II I i I I I I B I I I I I I I I I I I 1 I I I t gt; I I I I I I I I I I ( I I I I I I I I I I I
mltatem adepti ad id tantum quod verum quod sanctum quod justum sit tendere coeperint, percensere poterit numerando ?
Vos appello, pii sacerdotes, vos, levitae, qui in hac scola eruditi, Rectoris vestigiis insistentes, nihil anti-quius habetis quam ut Christo animas jungatis; vos, cives boni, quos egregiis indutos armis Ille in aciem eduxit, ut hostes Christiani nominis conteratis; vos, patresfamilias qui quas ab Illo didicistis iisdem ratio-nibus firmis stabilibusque liberos vestros imbuistis: Vos omnes, quaeso, laudibus Eum ferte: nam ut tales sitis quales esse debeatis per Eum vos assecutos esse grata, haud dubito, memoria recolitis.
Quid? Nonne Te circumstant tot electi ex omnibus ordinibus viri, ut omnium qui unquam Tui fuere dis-cipuli vice fungantur? Hue venerunt ut una nobiscum palam testificentur: âTantopere de nobis Ille prome-ritus est!quot;
Res ardua atque perdifficilis effuse volventem undas fluvium domare atque intra ripas cogere. Attamen nisi feceris, sternet agros, sternet sata laeta boum labores praecipitesque silvas secum trahet.
Haud secus animus adulescentis aestuantibus cupi-ditatum fluctibus jactatur praecepsque in suam perni-ciem ruit.
O! nimium felix, si invenerit qui cupiditatibus ob-sistant, qui aggeribus molibusque oppositis ita earum vim frangant, ut lenius decurrere acquiescant.
At hie labor, hoc opus!
Quis nobis dicat, quot quantisque curis obnoxius sit is qui in educandis adulescentibus versetur? Multa ei animadvertenda, multa providenda sunt.
Neque putaveris, cum semel victoriam reportaverit, eum dulci otio frui posse. Semper ei est elaborandum, nunquam quies ab armis datur.
34
11
â I lïiiirriiiiiiiiiiriiiilii i i n 11 i i 1111111 â 11 i 11:1111111111 i 1.1 I i:l 11 â i 111111 â 11111 I â i i:i;i'i:i:ri:ri:i:i iji i n
Tamen, R. R., per viginti quinque annos impiger' rimum Te in hoc officio praebuisti. Ingenium, facilitates, virtutes, Te totum et animo et corpore in salutem juvenum, omni carens cupiditate contulisti. Nihil nisi eorum fortuna Tibi cordi erat atque cum pueros Tibi commissos viam virtutis ingredi itaque suam felicita-tem promovere videras, tum demum Te felicem esse putabas.
Quae cum ita sint, Reverendissime Rector, cum talia de nobis Tua sint promerita, magno nos afficit gaudio, quod hac augustissima luce Tua tempora argentea cincta corona videmus.
Cum, ut gratias ageres, omnipotenti Deo sacra hodie mane offerres. Ipse Jezus, quern jussu Tuo de coelo devocaveras, Tibi hac corona caput premere videbatur dicens:
âHaec divinus Amor quem toto corde secutus Praemia dat laudis, sed meliora dabit,quot;
âSed meliora dabitquot;!
Integram vitam meritisque plenam
Praemio tandem Deus et perenni Donet, enixe precibus rogamus Pectore laeto.
Volgens programma moet thans de aanbieding van het geschenk *) der studenten geschieden. Daarbij zal een schoon woord gesproken worden door een der oudste leerlingen. Den student H. van Gils, van Waalwijk, valt deze eer te beurt.
Zijne rede worde door den druk in breeder kring bekend:
*gt; Een kazuifel, vervaardigd in het atelier van Christelijke kunst der firma F. Stolzenberg te Roermond, van welks voortbrengselen de faam met grooten lof gewaagt.
I â i i I I I I I I I I I I i I I I l C I I i I I I I I â I I I I I I I I I I I I c i I I I I l i I I I I I I I i I I I I I I I I I I I I I i I I I I 1 I I i I I l i â i I
35
ZeerEerwaarde Heer Directeur!
Hebben reeds de bloemen, de verzen, de blijdschap, die op aller gelaat te lezen staat, U getuigd van onze genegenheid en deelneming in 't geluk, dat U heden ten deel valt, laat ik U nog uit aller naam met een enkel woord 't cadeau overhandigen, dat U door uwe leerlingen wordt aangeboden, als een blijk van liefde en dankbaarheid.
Wij kozen daarvoor de kazuifel, het kleed des Priesters, het kleed van den strijder Gods, dat ten teeken Zijner hooge waardigheid om zijne schouders is geslagen, dat, waar de strijd 't felst woedt, vreugde, moed, overwinning brengt, door 't kruis, dat er op prijkt, het kleed, dat gij vijf-en-twintig jaren met zooveel roem hebt gedragen.
We kozen daarvoor de kazuifel: omdat diegenen onder ons, die eens 't zelfde kleed wenschen te dragen, daarin een heerlijk beeld zagen van de verheven waardigheid, waarnaar ze streven, voorgelicht door uw voorbeeld, geleid door uwe wijze wenken en vaderlijke lessen.
En ook de anderen, die de inspraken eener andere roeping volgen, konden geen beter aandenken vinden, ten teeken dat ook zij, ieder in zijn kring, onder de leiding hunner priesters willen meewerken tot de groote zaak: de eer van God door 't Katholiek geloof.
Draag, ZeerEerw. Heer Directeur, nog lange jaren dit verheven kleed, tot meerdere eer en glorie van God, tot hooger geluk van U zeiven, tot heil van hen, die aan uwe liefderijke zorgen zijn toevertrouwd. En wanneer Gij met dat heilig kleed 't altaar beklimt, gedenk dan in uwe veelvermogende gebeden hen, die voorzeker ook in latere dagen uwe gedachtenis in dankbare herinnering zullen houden.
Wij allen, zooveel wij hier voor U staan, hebben
1
36
! M ! I ! M I M M ) I gt; I I I I I M ! I I M I M I ! i I I I g I I 11 I I ⢠M t I I I ( M» M I ! I ( I I I I I I ( I t I t'! !
onze namen geschreven in een album,*) dat wij U tevens overhandigen, 't Is onze vurigste wensch, en 't zal ons voortdurend streven zijn, dat die wensch in vervulling ga, dat gij naderhand, wanneer gij dit boek openslaat, met voldoening de lijst der namen kunt nagaan, zonder er één te vinden, die donkere herinneringen bij U opwekt. Ja, mogen er velen onder die namen zijn, zoo niet alle, die Gij met rechtmatigen trots aan wien dan ook kunt toonen, namen van ware mannen, die onder uwe leiding zijn gevormd.
Aanvaard dan, ZeerEerwaarde Heer Directeur, dit blijk van kinderlijke genegenheid, van welverdiende liefde en dankbaarheid, dat U wordt aangeboden door Uwe dankbare leerlingen.
De oud-studenten, die gedurende de laatste 25 jaren hunne opleiding aan het Bisschoppelijk College hebben genoten, zijn op de receptie vertegenwoordigd door het feestcomité, dat de opdracht ontving, voor een passend huldeblijk te zorgen en hetzelve op den jubeldag in aller naam aan te bieden. Een kostbare ciborie zal den Jubilaris worden vereerd.
De heer Jacques Oor van Roermond, President van het feestcomité, is de tolk der oud-studenten.
Hoort zijn krachtig woord!
ZeerEerwaarde, ZeerGeachte Heer Directeur \
Als president van het feestcomité der oud-studenten is mij de vereerende taak opgedragen, U heden, in
*) De namen der studenten, in dit album opgeteekend, vindt de lezer in het aanhangsel dezer brochure.
**gt; In de gunstig bekende fabriek van gouden en zilveren kerkornamenten der firma R. Voss en zonen te Roermond werd deze ciborie vervaardigd, 't Is een werk van zeer veel kunstwaarde. Deskundigen, die het prachtstuk zagen, spraken er hunne volle tevredenheid over uit.
T
37
liijiilliliilliii III I I â liiuiiiiliijii I I.I II I i I III I I ill III 11 I I I 11 I I II ! I I 11 11 11 11 I 11 I 11 11 !! 11 'j' 1 *
i r
â e
i e
f f
hun naam, met een kort maar hartelijk woord onze f
hulde en eerbied, dankbaarheid en trouw aan te ;
bieden; een woord, dat voorzeker instemming zal :
vinden bij mijne collega's, hier tegenwoordig, en bij
allen, wie en waar ze ook zijn, die met ons het voor- ;
recht hadden, onder de 25 jaren van uw Professoraat :
en Directoraat aan deze vruchtbare instelling hunne :
opleiding te ontvangen. ?
Waarlijk, niet de Priesters alleen, mijnheer de Di- : recteur, die misschien het heilige en edele van uw : werkkring beter dan wij beseffen, ook de leeken begrij- ; pen in voldoende mate de verdiensten, die er liggen : in een arbeid van 25 jaren, verricht, en verricht met : het volle bewustzijn van plicht in den dienst van God, ; : in den dienst van zijne Kerk, in den dienst der Maat- : schappij.
Men hoort zoo dikwijls spreken van een respectabel ; ; man in de wereld, en van dichtbij gezien wordt menige groote verdienste in werkelijkheid zoo klein, â maar, de verdienste van een priester, die zoo lange : jaren zichzelven niet zocht, en met bescheiden werkzaamheid en onverzwakten ijver, iederen dag en ieder uur, slechts den roem en de belangen van zijn Meester bevordert en daarbij het geluk beoogt van allen, tot wie zijn werkkring zich uitstrekt, die verdienste wordt grooter naarmate men ze ernstiger beschouwt, en al de drijfveeren van zijne handelingen nauwer ontleedt.
De deugd immers, de echt priesterlijke, overtuigde deugd, wees U uwe taak aan, mijnheer de Directeur. : Uw plichtbesef stelde U eiken dag de vraag: wat wordt hier van mij gevorderd? En met eene kracht, eene volharding en eene nauwgezetheid, die bewondering wekten, ook reeds voor het bevangen oog van den student, hebt Gij uw werk blijven voortzetten tot op dezen dag. Maar meer dan in dien tijd, toen wij nog
38
zorgeloos rondliepen binnen deze maren, begrijpen wij thans, mijnheer de Directeur, al de grootheid van uw ambt. Daarom brengen wij U heden de hulde van onzen diepgevoelden eerbied voor uwe groote en menigvuldige verdiensten!
Maar meer dan de betuiging van onze achting alleen zij U gebracht, â wij toonen ons ook dankbaar voor uwe verheven daden, â wij erkennen al wat U, en met U het Bisschoppelijk College van Roermond, tot onze vorming en ons geluk hebt bijgedragen.
Wat onze moeders ons leerden op hare knieën, dat hebt Gij, dat heeft het College aan ons voltrokken. En wie ze ook zijn, die hier om U vergaderd staan, wie ze ook zijn, die verre van hier, heden in den geest met ons vereenigd zijn, â zoo wij eene honorabele positie in de maatschappij bekleeden of zullen bekleeden, of meer nog, zoo anderen, tot hoogere taak geroepen, binnen de grenzen van dit land of verre daarbuiten God en zijne Kerk, die zij hier meer hebben leeren kennen en liefhebben, verkondigen, zij en wij danken dat alles niet 't minst aan uwe lessen, aan de wetenschap, die het College ons heeft gegeven, aan de deugd, die Gij ons hebt geleerd door woord en door voorbeeld.
Ik wenschte, mijnheer de Directeur, dat U getuige waart, hoe in de stilte van den geest of in gezelligen kring nog soms de aangename uren worden overwogen of besproken, die wij voorjaren hier hebben gesleten; dat U eens hooren mocht, hoe bij allen nog de dankbare herinnering voortleeft aan het College en zijne achtbare bestuurders, â dat U wist, hoe de sympathie nog steeds levendig blijft, en dagelijks klimtl â En zij, die hooger klommen, onze vrienden in de Priesterschap, zij zullen meer dan woorden van sympathie, zij zullen woorden van zegening spreken.
39
Wat zal nu buiten deze dubbele hulde mij nog overblijven dan een woord van trouw, â yaste trouw aan U en het Bisschoppelijk College?
Trouw aan de beginselen vooral, die U en uwe geachte mede-professoren, hier tegenwoordig, ons hebben geleerd; trouw aan de personen, die ze ons hebben voorgehouden; trouw, hechte trouw aan het huis, waar wij zooveel goeds mochten genieten.
En als blijk van deze gevoelens der oud-studenten, mijnheer de Directeur, gelieve heden dit cadeau uit onze hand te aanvaarden, een cadeau meer rijk aan zedelijke dan aan stoffelijke waarde. Meer dan onze woorden kunnen, zal het geschenk voor zich zelve getuigen, want behalve hun penning hebben de honderden inteekenaars van allen rang en stand, uit alle provinciën, waarvan hier de wapens aan de muren prijken, hun hart daarbij geschonken.
Al zijn wij soms verre van elkaar in de wereld gescheiden, in deze gift blijven wij âfest und treu zu-sammen,quot; en zóó te zamen één met het College, in welks heiligdom deze ciborie zal blijven rusten als woonplaats van den eeuwigen God.
Nogmaals, plechtig hier om U vergaderd, mijnheer de Directeur, op dit heerlijk, heuglijk feest, wenschen de oud-studenten U van harte geluk. Moogt Gij, door Gods gunst, nog lange jaren aan het hoofd staan van deze bloeiende inrichting van Katholiek onderwijs!
Wij herhalen de betuiging van onzen eerbied en onzen dank, en zoo wij vroeger wel eens in jeugdige onbezonnenheid, maar met vergeeflijken trots, onze namen in krachtige trekken met mes of pen op muur of bank hebben geteekend, â geloof mij, mijnheer de Directeur, dat U en het College, â ongemerkt wellicht, maar nu merken wij het â met onuitwisch-baar schrift uwe namen in onze harten hebt ge-
40
9
:| i ij IM I Ml M I I I I Ml I I I 11 I I I I 1111H II ) I I I II I l'l I ⢠I 11 I I I I I I I I | I I Ml « I I I Mil MM 1 Uil
schreven, namen, die wij door woord en daad zullen weten hoog te houden.
Leve de Directeur!
Leven de oud-Professoren en Professoren!
Leve het Bisschoppelijk College!
Bravo! Dat is mannentaal!
Een donderend applaus weerklinkt.
Blijkbaar geroerd, drukt de Jubilaris den woordvoerder der oud-studenten de hand, waarna hij in dank de ciborie en de naamlijst *) der schenkers aanvaardt.
Na eene kleine pauze spreekt de Jubilaris de volgende rede uit:
Monseigneur, ZeerEerw. Heer en, Mijne Heer en, beminde Studenten!
Moet het leven van een Christen niet anders dan een dank- en zegelied zijn, waarin hij Gods liefde voortdurend verheerlijkt, toch komen er dagen, waarop Gods onbegrensde goedheid op buitengewone wijze schittert, en waarop wij van onzen kant de aandoeningen van dankbaarheid en blijdschap, welke ons hart vervullen, op meer bijzondere wijze moeten ontboezemen.
Terecht hebt gij gemeend, dat de 3l1e; Juni van het jaar 1871 voor hem, die thans aan het hoofd dezer Inrichting staat, een dier zegenrijke, dier vreugdevolle dagen geweest is. Op dien dag toch had ik het geluk tot de hooge waardigheid van priester
*) De heer Eugène Lücker, onderwijzer aan de Parochiale school âhet klein Collegequot; te Roermond, vereeuwigde de namen der schenkers in zinrijke calligraphic, getuigende van goeden smaak en eene groore vaardigheid in het hanteeren van teeken-stift en penseel.
1 !!gt; M P M M M M M M M M I M l I f I M I I M l I M l M l M'l I I I 11 gt; M l ⢠11 11 I l i M I I 111 3 11 I
verheven te worden, eene waardigheid, die alle aard-sche verre te boven gaat, èn wegens de verheven doeleinden van dit ambt, èn uit hoofde van de boven-menschelijke macht, waarmede de priester bekleed wordt; en nu, na vijf-en-twintig jaren zie ik hier om mij vereenigd Z. D. H. onzen beminden Bisschop, Mgr. Hoefnagels, Vicaris-Generaal en oud-Directeur van dit College, den Burgemeester, de geestelijke en burgerlijke autoriteiten dezer stad, de oud-leeraren, de leeraren, de oud-studenten en studenten, mijne familieleden, talrijke vrienden dezer Inrichting en van het bijzonder onderwijs, om gezamenlijk met mij wederom Gode ter eere een loflied aan te heffen, dat geen ander kan zijn dan de oud-christelijke groet, die het doel van heel ons leven en streven insluit: Landetur Jcsus Christus.
Beminde Studenten, deze beteekenis en geene andere hecht ik aan de wToorden, dezen morgen, in welluidende gezangen, in schoone verzen en heerlijk proza tot mij gericht Ik zal het niet ontkennen, dat gedurende de vijf-en-twintig jaren, dat ik het geluk heb gehad in het Bisschoppelijk College aan het heil der studeerende jeugd te kunnen werken, velen gevormd zijn tot mannen, die hun vaderland tot steun, de Kerk tot heil, hunne familie tot eer verstrekken, â en allen, die hier met mij aan de opvoeding der jeugd gearbeid hebben of nu nog arbeiden, verheugen zich heden met mij over de heerlijke vruchten, die onze arbeid heeft voortgebracht, maar het zij verre van ons, al dat goede te beschouwen als ons werk.
Wanneer wij een terugblik werpen op de jaren, die voorbij zijn, dan moeten wij met den schrijver van de Navolging van Christus uitroepen: âHoe diep moet ik mij onder uwe ondoorgrondelijke oordeelen vernederen, o Heer, daar ik in mij niets anders vind
42
I I II I I M MM I I I I I II M( I M M-M M 11 M M I IH I M III I M 111 IMM i H M M'! lt; M H M H
dan een niet, ja louter niet.quot; Wij weten maar al te goed, hoe onvolkomen, hoe nietig alles is wat wij gedaan hebben en uit de diepste overtuiging des harten herhalen wij dan ook heden: Servi inutiles sttmiis; wij zijn onnutte dienstknechten. Wat hier tot stand gebracht is, is het werk der goddelijke liefde; wij waren slechts onwaardige werktuigen in Gods hand bij de voltooiing van het werk, door hem in de harten der zijnen begonnen.
Op den dag onzer priesterwijding heeft de goede Herder ons niet gevraagd, of wij rijk, van hooge afkomst, machtig waren, maar als weleer aan Petrus heeft Hij ook aan ons de vraag gericht: Amas tne? Bemint gij mij? â met Petrus hebben wij den Heer geantwoord: Tu seis quia atno te. Ja, Heer, Gij weet dat ik U liefheb; â ook ons heeft de goede Herder toen geantwoord: Weid mijne lammeren, â en van dat oogenblik is het verdrag tusschen hemel en aarde gesloten. Liefde hebben wij dien dag God gezworen, maar met dezelfde liefde, waarmede wij den goeden Herder beminnen, moeten wij ook zijne lammeren liefhebben. Ziehier, beminde Studenten, de verheven, heilige taak, die sedert vijf en twintig jaren op onze schouders rust. Wij moeten u beminnen met eene onbaatzuchtige liefde: niets voor ons, alles voor God. Gij herinnert u wat de Engel sprak tot den jeugdigen Tobias, toen deze tot eene waardige vergelding voor zooveel weldaden de helft van alle zijne bezittingen aanbood.
âIk ben een van de zeven, die voor den Heer staan,quot; sprak de hemelgeest, âik heb eene onzichtbare spijs, waarmede ik mij voed.quot;
Die onzichtbare spijs van hen, die tusschen God en de menschen staan, dit voedsel, hetwelk bestaat in het volbrengen van den wil des hemelschen Vaders, moet ons voldoende wezen.
43
Zeker, wij zijn van harte dankbaar voor uwe heil-wenschen, voor uwe heilige Communiën, voor het heerlijk misgewaad, dat als een blijvend aandenken van dit feest op onze kapel prijken zal, voor zoovele blijken van toegenegenheid en eerbied, doch ik behoef het u niet te zeggen, dit zoeken wij niet in u; wat wij in u zoeken is de schoone ziel van 't kind, wat wij van u vragen is, dat ook gij nu reeds, maar vooral later, wanneer gij die plaats in de maatschappij zult innemen, waartoe God u geroepen heeft, dat ook gij uwen God bemint, dat ook gij uwen evenraensch lief-hebt. Ook tot u toch richt de goddelijke Vriend der jeugd de vraag: âBemint gij mij?quot; Moge dan ook uw antwoord steeds wezen: âJa, Heer, gij weet dat ik U liefheb.quot; Want weet het wel, beminde Studenten, wat gij ook in de wereld worden zult, gij zult allen in zekeren zin priesters moeten wezen van den Allerhoogste, volgens het schoone woord van den Prins der Apostelen: Et ipsi sacerdotium sanctum. Gij zult offers moeten brengen op het altaar van uw hart, tot heil van u zeiven, tot heil van uwe familie, en, vooral in onzen tijd, tot heil ook van die groote familie, waarvan God in den Hemel de algemeene vader is, tot heil der geheele menschheid. In onze dagen is het niet meer voldoende brave christenen te zijn; ieder moet, in zooverre zijn stand, zijne plichten, zijne krachten gedoogen, bezield zijn met den edelmoedigen, zich zelf opofferenden geest des priesters, om het bestaande lijden te verzachten, het dreigende af te weren.
Moge dan dit feest in vereeniging met alles, wat hier voor u gedaan wordt, zulk een heilzamen indruk op u maken, dat ook wij met den Prins der Apostelen u kunnen zeggen: Vos regale sacerdotium, gij zijt een koninklijk priesterdom, koningen namelijk door zelf-beheersching, priesters door zelfopoffering. Dan voor-
44
zeker zal de schoone wensch van één uwer, die in aller naam het woord tot mij richtte, in vervulling gaan. Met innige vreugde zal ik het album ter hand nemen en de namen lezen van zoovelen, die beantwoord hebben aan de genaden, hun door Jezus zoo overvloedig geschonken, zonder vreeze, den naam te ontmoeten van één, die ons priesterharte doet bloeden.
Het is mij een groot genoegen, heden het woord tot u te kunnen richten in tegenwoordigheid van zoovele oud-studenten, die hier in zoo grooten getale vereenigd zijn, om dit feest met u te vieren; zij toch toonen door hunne daden, dat ik niet het onmogelijke van u eisch, zij leeren u, hoe gij met de schatten, hier verzameld, in uw volgend leven moet woekeren.
Mijne heeren, uwe tegenwoordigheid bij dit feest is ons hoogst aangenaam; van harte zijn wij u dankbaar voor de welwillende, schoone woorden, door den president der feestcommissie tot ons gesproken. Ik dank u mede in naam der oud-leeraren en leeraren; ook tot hen immers waren uwe woorden gericht. Ik dank u voor het prachtig geschenk, door u aangeboden. Het was een schoone gedachte van u, mijne heeren, als aandenken aan dit feest eene ciborie te willen aanbieden, waaruit aan hen, die na u hier studeeren, het Brood der Engelen, het Brood des Levens zal uitgedeeld worden.
Maar dit alles, al die blijken van dankbaarheid en belangstelling, ze zouden ons onverschillig laten, indien wij niet overtuigd waren, dat gij opgegroeid zijt tot mannen van geloof, van overtuiging, maar vooral, want daaraan heeft onze tijd het meest behoefte, tot mannen van de daad. De vreugde van dezen dag zijn die oud-studenten van het Bisschoppelijk College, die met mij het geluk deelen, geroepen te zijn tot de priesterlijke waardigheid, en die of hier in ons bisdom èf
f
45
in verre gewesten met den rijkdom hunner kennis, met de kracht van hun geest, met de liefde van hun hart woekeren, om de belangen van God, van de Kerk, van de menschheid te bevorderen. Maar niet minder zijn zooveel anderen onze vreugde, die vroeger hier gestudeerd hebben, en die thans in verschillende betrekkingen werkzaam zijn, om niet alleen hunne belangen en die der hunnen te behartigen, maar om ook, zooveel hunne beroepsplichten zulks gedoogen, te zorgen voor het heil van hunnen evenmensch. Terecht hebt gij, mijne heeren, begrepen, dat men in onze dagen, behalve zoovele andere plichten, ook sociale plichten te vervullen heeft, en daarom vreest gij niet als lid der Vincentius-vereeniging binnen te treden in de woning van den arme, waar gebrek geleden wordt; daarom prijken uwe namen als bestuursleden of leden van gilden en vakvereenigingen, die allen ten doel hebben den arbeider te helpen in zijnen tijdelijken nood, te beschermen tegen de vijanden zijner ziel; daarom sluit gij u aan bij vereenigingen, waar de ware wetenschap tot godsdienst voert; daarom vindt men u met moed en onverschrokkenheid, met verachting van het menschelijk opzicht, strijdende in de eerste gelederen, waar waarheid en recht tegen leugen en geweld moeten verdedigd worden. Gij toont daardoor ook, welke de schoone vruchten zijn van eene echt christelijke opvoeding. Hier immers werd niet slechts uw verstand met degelijke kennis verrijkt, maar ook de edelste eigenschappen van uw hart werden zoo ontwikkeld, dat ook gij, zonder priesters te zijn, hier op aarde het werk voortzet van Hem, die eens gezegd heeft: âKomt tot mij, gij allen, die belast en beladen zijtquot;. Ook tot u werd de vraag gesteld: âBemint gij mij?quot; en ook gij hebt geantwoord: Ja, Heer, gij weet, dat ik u liefheb, niet slechts in de mijnen, maar ook
I I I I I i I I I i I I i I I I I I I I I I I I â I I I I I I I I I I I I I ⢠i i M I I I I I ⢠I I i I i i I I gt; I I I i I I i I i I I I i i I i
46
mi i ii iiI I I in t I l i I I I s i I I 11 I I I 11 I I I 111 I 11 I I I I l iâ 1111 I I IiI I I 11 I 11 I I I I I I l i 11 I 11 i i I r I
in de armen, in de verdrukten, de zieken, de arbeiders, en daarom, mijne heeren, verheugt het mij u heden te mogen begroeten als dit regale saceniotinm, dit koninklijk priesterdom.
Er is, mijne heeren, in de wereld eene macht, die alle andere overwint. Het is de macht der liefde. Blijft, mijne heeren, de wereld beheerschen door de liefde van uw hart, en de triomf van recht en waarheid is nabij.
En nu heb ik nog een hoogst aangenamen plicht te vervullen. Ik mag dit schoone feest niet laten voorbijgaan, zonder een woord van oprechten dank te richten tot Z. D. H., onzen innig geliefden Bisschop, die mij dezen morgen de hooge eer bewezen heeft, mij pontificaliter te assisteeren.
Monseigneur! Iedere steen van dit gebouw verkondigt luide, wat beide Bisschoppen van Roermond voor deze Inrichting van onderwijs gedaan hebben. On-noodig is het te herhalen, wat wij aan U, Mgr., verschuldigd zijn. Onze oprechte dank dan aan den Bisschop voor dit blijk zijner sympathie, aan Mgr. Hoefnagels, eersten Directeur van 't Bisschoppelijk College, aan den edelachtbaren heer Burgemeester dezer stad, aan alle geestelijke en burgerlijke autoriteiten, aan de oud-leeraren, die de schoonste jaren van hun leven hier gearbeid hebben tot heil der jeugd; â aan allen, die mij zoovele blijken van vertrouwen, van vriendschap en toegenegenheid gegeven hebben.
Monseigneur, wanneer wij het weefsel van ons afgeloopen leven aanschouwen, dan is het ons, als waren gouden draden daardoor gespannen: het zijn de draden der goddelijke liefde. In geen deel van dit weefsel onzes levens ontbreken zij; geen plooi, waarin ze niet schitteren. Wel is de goddelijke teekening op sommige plaatsen verduisterd, mismaakt, maar toch
47
iiriiiiiiiiillliiiiiiiiiiiiiiliiiittiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiliiiliiiiiiliiiiiiiiiiiiii;!
zijn er de gouden draden nog; zij verbinden het eenê deel van ons leven met het andere, en geven zoo eenheid aan het geheel. Houdt men het weefsel omhoog, naar het licht des hemels, dan is het, of die gouden draden zich alle samenvoegen tot een naam, die geen andere is dan de naam van onzen Heer en Verlosser, en hoe ik het weefsel ook wende of keere, steeds lees ik er den naam van Jezus en niets dan Jezus. Daarom meen ik te moeten eindigen, waarmede ik begonnen ben, met den echt christelijken groet: Laudetur Jesus Christus ! Geloofd zij Jezus Christus!
Altijd en in alles Gode de dank! Geene eer voor den mensch, alle lof aan den Schepper: Laudefitr Jesus Christus!
En wat heerlijk beeld sluit deze rede, die onuitwisch-baar gegrift werd in de gedachtenis der toehoorders!
Ik zie voor mijn geest dat weefsel, ik zie ook den naam van den Maker, in gouden draden geweven. Maar wat de nederigheid aan het oog van den Jubilaris onttrekt, treft het mijne, 't Zijn de viooltjes en tulpen, zinnebeelden van bescheidenheid, deugd en godsvrucht, welke dat weefsel omlijsten. Hulde aan die bescheidenheid! hulde aan die deugd en godsvrucht! brachten de in geestdrift ontstoken feestvierenden.
Een Fest-Hymnus, gecomponeerd door Müller Hartungh, is het waardig slot der receptie.
Zooals ik beloofde moet dit boekske een trouw beeld geven van het geheele feest; dies volge hier het zoogenaamde niet-officieel gedeelte der receptie.
De Bisschop verliet het College; de Directeur ging zijne kamer betreden. Hem volgde eene rei van vrienden, zoo groot in aantal, dat het vertrek nauwelijks allen kon bevatten.
48
â â O ⢠⢠⢠11 ⢠1111 1111 11 i â I ⢠I I I 111 I i i 11 i 11 t 11 i I i â I 11 i I 11 11 i I 11 i i a I i 111 i i 11 I 1111 I I 11 11 I iVi I.
In dit heiligdom der vriendschap, vervuld met de streelende geuren der welriekende bloemen van talrijke bouquetten, den Jubilaris toegezonden, hadden de oud-Professoren zich reeds geposteerd, alvorens het comité der oud-Studenten, de deputaties der St. Vincentius-vereeniging, van den R. K. Volksbond, van de Vereeniging Geloof en Wetenschap en het bestuur van Roermonds Mannenkoor, allen defileerend gelijk de soldaten voor den veldheer, hunne opwachting maakten.
Gezamenlijk werd eene kleine verfrissching gebruikt, om vervolgens aan de wachtenden een plaatsje in te ruimen.
Ook de buren van het Bisschoppelijk College lieten zich niet onbetuigd. De heer G. Hilgers bracht den Jubilaris welgemeende heilwenschen over; een lief bruidje, het dochtertje van den heer J. Jacobs, overhandigde een schoon bouquet, onder het uitspreken van een gedicht.
Van de vele huldeblijken, die den geachten Directeur uit Roermond gewerden, meen ik hier nog te mogen vermelden het geschenk der Eerw. Zusters, die reeds tal van jaren binnen de muren van het College werkzaam zijn, en â het zij hare nederigheid niet te na gesproken ââ op voorbeeldige wijze de belangen van dit Instituut behartigen. De Kleine Pius-Zusters vereerden den Jubilaris een eigenhandig vervaardigde albe.
De Eerw. Zusters van Liefde, achter Kloosterwand, gaven van hunne eerbiedige gevoelens blijk door het schenken van een schoon, eveneens eigenhandig bewerkt altaardoek.
En ten slotte zij hier nog gewaagd van een rijk cadeau der Eerw. Dames Ursulinen, die, behalve een fraai gedicht, met veel smaak gecalligrafeerd, een prachtigen bidstoel deden overhandigen.
gt;â O I I I 1 I i I I II I I â I I I II t I I I I I I I | | | | â â ] | | | â | | | | | | | | | | ]| | | t | | | | | | | | | | t | | g i | | | | | | | ( | g, |
49
I gil I I l i l ii re Ii
=iiiiiiMiiiiiiiiiiiiiiiiimiiiimiimuiiiiimiiiiiiiiiniiiiiiiiimimiiiiiiiniiiiiiiiiiiiniMiiiiMi=
i o DE FEESTDISCM. O I
Te 2 uur vereenigden zich aan het diner: de Jubilaris met zijne familieleden, de leeraren en oud-leeraren, het comité der oud-studenten en de leerlingen der kostschool.
Een familiefeest in den waren zin van het woord! De kleinsten en de grootsten namen er aan deel. Het was een samenzijn gedurende vele uren, waarop de vreugde van den bezadigden man wedijverde met de breidelooze vroolijkheid van den vurigen jongeling; een onder-onsje, dat alle stijfheid bande en toch binnen de grenzen der welvoegelijkheid bleef; 't was inderdaad
.......een jolig huisgezin
Vereend door blijde broedermin.
Gloedvolle toosten werden geslagen.
Oud-Directeur Haffmans stelde den eersten heildronk in:
Zeer Eer w. Heer en Professoren, Dierbare Studenten, Hooggeachte Feestgenooten!
Ik word aangezocht den eersten toost in te stellen op den held van dit feest, een heildronk, die U allen in het hart en op de lippen ligt. Immers, het geldt den man, den Priester, uw Leeraar, uw Directeur, die 25
50
jaren onafgebroken in dit Bisschoppelijk College met : steeds jeugdigen ijver en algeheele toewijding geleefd j en gewerkt heeft, die geen andere lust en liefde, geen : andere eerzucht en streven gekend heeft dan te arbei- : den, onverpoosd en onvermoeid, aan het groote werk : der opvoeding van de jeugd â en die heden, onder ; dankbaar opzien tot God, den schoonen dag herdenkt, : waarop hij de priesterlijke wijding ontving â en met : die wijding, de verheven zending tevens, al den ijver, [ de liefde, de wetenschap, de wijsheid en ervaring : des priesters voortaan onverdeeld te wijden aan die : schoone levenstaak, waartoe hem, door de keuze zijns ; Bisschops, Gods Voorzienigheid geroepen had.
ZeerEerw. Directeur, uwe vroegere Collega's, oud- : Leeraren van het Bisschoppelijk College â uwe mede- : werkers en medestrijders van voorheen, â uwe oude ; vrienden, nog steeds uwe oprechte en warme vrienden : van heden en uwe steeds trouwe vrienden in de toekomst, zoolang en waar zij ook leven mogen â is het wel noodig, dat zij U heden de verzekering geven i hunner innige deelneming in uw geluk, in de vreugde van dit Huis, in aller dankbaarheid jegens den Algoede,
die U en uw werk zoo zichtbaar beschermd en gezegend heeft? Is het noodig U te zeggen, dat wij ons vereenigen met de heilwenschen, die van alle zijden U dezen morgen zijn aangeboden; in al de vrome en vurige gebeden, die voor U door zoovele dankbare harten hemelwaarts gestuurd zijn? :
Die wenschen en gebeden zijn dezen morgen reeds uitgesproken door een van ons, die als feestredenaar is opgetreden, dezelfde, die voor 25 jaar ook het woord voerde bij uwe priesterwijding en quot;s hemels zegen afsmeekte over uwe priesterlijke loopbaan, en die met zooveel voldoening den hemel mocht danken, dat de vrome bede van toen, voor zijn en ons aller jeugdigen
I I I I I 1:1 I I i I I I I I I I I 1 I I I I I I I I I 1 I I I I I I I I I 111 1 I 1 1 1 i 1 1 i 1 1 1 i 1 1 â 1 1 1 1 I I I I I I i 1 I I i I I I I § 1' 1 1
51
Vriend, dat onze hoop en onze wenschen, in zoo ruime mate zijn vervuld geworden.
Het is echter niet enkel de achting en genegenheid, die wij U persoonlijk toedragen, ZeerEerw. Heer Directeur; niet enkel de hechte band der vriendschap, door zoovele jaren van samenleven en samenwerken gevormd, die ons heden rondom U schaart en met U doet feestvieren.
Het is vooral, omdat wij in U het hoofd, den leider en bestuurder willen eeren van een opvoedingsgesticht, dat ons boven alles dierbaar is en steeds dierbaar blijven zal; van een Huis, waar ook wij onze eerste en beste krachten aan hetzelfde werk gewijd hebben, en waaraan een zoo groot deel van ons priesterlijk leven en werken, zooveel jaren hier doorgebracht, zooveel herinneringen, ons steeds nauw zullen verbonden houden.
Wanneer wij zien, hoe het Bisschoppelijk College onder uwe bekwame leiding en de ijvervolle medewerking uwer kundige Leeraren, zoo schitterend zijne eervolle plaats handhaaft onder de opvoedingsgestichten van ons land; hoe de geest van godsvrucht, van orde en arbeidzaamheid, die de studenten bezielt, alom geroemd wordt; hoe de degelijkheid der studiën jaarlijks toeneemt, en welke rijke vruchten zij dragen; â hoevele priesters en missionarissen voor het Rijk Gods op aarde, voor Christus' Kerk, hier voortdurend gevormd worden; hoevele mannen, van geloof en wetenschap tevens, hier opgeleid worden voor alle maatschappelijke standen en betrekkingen; ja, dan leven en juichen wij wederom met dit College, met zijn Directeur, zijn Leeraren en Studenten, en wij zijn steeds gereed, even als heden hier te komen feestvieren en U allen onze innigste deelneming te betuigen.
Ja, gelooft het ons, het doet ons telkens goed aan
I I r n 11 I'll I ! I tril IM S i'l I I I M I I I M I II I Tl I M I M I I lis I I I C I I 11 I I ! I ! I I bl b ( I I I I i I f ! I M I I I I fi I »
hat hart, dat nog steeds, bij het klimmen der jaren, warm :
en jeugdig blijft kloppen voor ons College, wanneer ;
wij in den loop des jaars hooren of lezen van den :
bloei en den vooruitgang van het Bisschoppelijk Col- :
lege, van het welslagen der rustelooze pogingen van ; Leeraren en Studenten.
Vooral wanneer wij hooren van zoo menig oud- :
Student, die de eer en den goeden naam van dit Huis ;
weet hoog te houden: door zijnen voorbeeldig chris- :
telijken wandel, door het moedig optreden voor zijne :
godsdienstige overtuiging, door zijn kennis en be- \
kwaamheid, door de eervolle betrekking, die hij met : zooveel glans in de Maatschappij bekleedt.
Wat die Studenten van het College geworden zijn, :
wat zij kunnen en wat zij durven, daarvan waren wij :
voor weinige oogenblikken nog getuigen. De mannen- :
taal, door een hunner gesproken, die fiere belijdenis ;
van geloof en christelijke overtuiging, van trouw aan :
de beginselen, hier hun ingeprent, en van moed om ;
onversaagd daarvoor, ook in het openbare leven, op :
te treden, zij waren het glanspunt van al het schoone ;
en verheffende wat wij gehoord en bewonderd hebben, :
meer nog, zij zetten eene onvergankelijke kroon op \
het groote werk, waaraan het Bisschoppelijk College ; gewijd is.
ZeerEerw. Heer Directeur!
Door uwe rustelooze toewijding aan de opleiding ;
der christelijke jeugd; door uw leven van arbeid en :
opoffering gedurende 25 jaren, door uwe wijze lessen :
en bekwame leiding, door uwe priesterlijke deugden :
vooral en uw stichtend voorbeeld, hebt gij, onder :
quot;s Hemels onmisbaren zegen en bijstand, aan dien bloei, :
aan die vruchten van het Bisschoppelijk College in de ; ruimste mate bijgedragen.
Uw zilveren jubelfeest is tevens een jubeldag, een -
f
53
â¢ci ju 11 i.i I i.Miiiiiiiri.iii.i.n.i I i i.i.1:1.111.1.1.1.111.â .I i.:|iiiiiiiii|iiii.i^i.i 111 111111111 m 111111 nu 11 i 11111 »_⢠11
a p
I :
: triomf in het leven van het Gesticht, aan uwe zorgen ; ; toevertrouwd.
Daarom juichen uwe oud-Collega's met uwe Leer-I aren en Studenten â en noodigen wij hen allen uit, : met ons in te stemmen in dezen heildronk op de voort-: durende gezondheid en het geluk van den Priester-â Jubilaris, van den Directeur van het Bisschoppelijk : College, en met volle borst en luide stem aan te heffen: :â Lang zal hij leven ! :
Er behoort niet veel verbeeldingskracht, om U de : figuur van den oud-Directeur voor den geest te roepen, : l lezer; om voor uw geestes-oog te zien verschijnen zijne ; ietwat gebogen gestalte, bezield met jeugdige kracht, : om in uw oor te doen klinken den oratorischen klank l zijner stem.
Pastoor Haffmans' toost â een feestrede in het : klein â moest een indruk achterlaten. Hij was gelijk : aan een kleurrijk vuurwerk â een gouden en zilveren : regen met hoogschietende pijlen â dat U telkens en j : telkens bravo! bravissimo! doet uitroepen en niet : spoedig uit de herinnering verdwijnt.
De Jubilaris antwoordde op dezen heildronk als : volgt:
: WelEerwaarde Heer Pastoor,
Van ganscher harte dank voor de schoone woorden, : door U, als tolk der oud-Leeraren, tot mij gericht. ; : Nog inniger dank voor de wenschen, door U voor ons : College geuit.
Gaarne, WelEerw. heer Pastoor, en oud-Directeur : van dit College, wil ik aannemen, dat deze inrichting : steeds in bloei toeneemt; ontkennen wil ik het niet, : dat hier mannen gevormd zijn, die thans als priesters : in Gods Kerk of als nuttige leden der maatschappij
54
I â ri ⢠I M f ! I III I I I ⢠I â Ml I Ml I I Ml I I I I I I I I I II M I I I I I I I I I I I III I I I I I III I I I M I M M I I I HM quot; I I
schitteren; en zij, die thans met mij hier werkzaam zijn, zullen met al de kracht, die in hen is, arbeiden,
om aan de hooge eischen, aan het Bijzonder Onderwijs thans gesteld, steeds meer en meer te voldoen,
opdat het College eene eereplaats inneme onder alle : inrichtingen van Katholiek onderwijs, opdat het College een gymnasium blijve, waarop Roermond trotsch kan : wezen.
Vergeten mogen wij echter nooit, dat wij tot dit alles niet in staat zouden zijn, indien in vroegere jaren,
door hen, die voor ons hier gearbeid hebben, niet : een hechte grondslag was gelegd, waarop wij thans : veilig voortbouwen. Steeds zullen wij getuigen, dat wij de vruchten oogsten, terwijl de zaaiers reeds lang verdwenen en slechts aan enkelen nog bekend zijn.
Heden smaken wij het geluk, eenigen dier mannen, die vroeger met zooveel opoffering voor den bloei van het College gearbeid hebben, met ons vereenigd : te zien, en wij kunnen dit schoone feest niet laten : voorbijgaan, zonder U, oud-Directeur en oud-Profes-soren, van harte te danken voor alle offers, gedurende : zoovele jaren hier gebracht, offers, die wij, menschen, ; voorzeker niet kunnen tellen, maar die de goede Her-: der daarboven heeft opgeteekend, om ze eenmaal als : zoovele parelen, te hechten aan uwe kroon. Qui ad \ justitiam erudiunt muitos, fulgebunt quasi stcllae in perpetuns aefeniitates. Maar tevens vertrouwen wij,
dat de goddelijke Kindervriend u reeds hier in dit leven zal beloonen. Zooveel goeds hebt gij voor de Hem zoo dierbare jeugd verricht.
Mogen dan al uwe parochianen steeds kinderen : voor u zijn door hunne volgzaamheid, gehoorzaamheid, : onderdanigheid, opdat de vruchten van uwen arbeid in evenredigheid mogen wezen met den priesterlijken : ijver, die u bezielt. Moget gij nog tal van jaren u
mi »_i iiiigi i iini i.i n in i.i i : iii s i i i i.i i i i m i i m i i i i i.g i i i i 11 i i : c i 11 i i i i i i i i.i i.i i i.i.i i i i.i i.i i i â â â i
55 ?
I I 1 I M I ! ⢠I I i ⢠I I I I I I I I I t I I I a I I ( I I I 1 I I I I I I I I I I â : I I I M I ⢠I I ⢠I I I t I t I i t 9 I 3 3 I I ! 1 1 gt; i
verheugen in eene bloeiende gezondheid tot heil van allen, die het voorrecht genieten aan uwe zorgen te zijn toevertrouwd.
Met deze wenschen stemden allen in door het zingen van een opgewekt: Lang zullen zij leven!
Namens de oud-studenten, tevens als de tolk der oud-internen, stelde de heer Mr. G. Bonhomme van Maastricht een heildronk in op den Jubilaris, hem hulde en dank brengende, en in 't bijzonder zijne erkentelijkheid betuigende aan het met eere bekende Instituut van onderwijs, waarvan de ZeerEerw. Zeer Gel. Heer Th. Dirix de verdienstelijke bestuurder is.
Steeds hooger steeg de geestdrift. Weer meldde de ceremoniemeester. Professor L'Ortye, een spreker aan.
De feestredenaar van 's morgens. Pastoor Hillen, nam het woord;
Mijne Heerm,
Mij valt de eer te beurt een feestdronk in te stellen op de Studenten en oud-Studenten van het Bisschoppelijk College. Ik haast mij er bij te voegen, dat ik mij die eer gevraagd heb, niet om de eer, maar om het genoegen, wijl ik steeds veel van studenten hield, â dat zullen wel eenige oud-leerlingen voor mij willen getuigen, â en nog veel van studenten houd, â dit ad captandum benevolentiam.
De ouderen onder u, die reeds van de blauwoogige Minerva hebben gehoord, weten dat als Demosthenes de oplettendheid zocht van het wispelturige volkje van Athene, hij hun iets vertelde.
Gij begrijpt, dat hier de vergelijking met dien redenaar slechts steekhoudend is betrekkelijk zijn vertelsel. Hij kende zijn volk. Daarom begin ook ik met een verhaal; geen fabel, maar geschiedenis.
56
'* ⢠i.l i I M I I I I I I If I I I IM I II II M II M 11 11 I I I I MUI I I I I I I I I I â â I mi I I I I I I I I || « I I I I I I i () |i â ri ⢠I
Het was in 1863. De liberale vlag woei zegevierend over Nederland. Onder hare beschermende plooien zou Nederland nu eens voor goed een onderwijs gaan genieten, dat de wereld van aanschijn moest veranderen. Weldra zouden gevangenissen gesloten, de
kerken overbodig, luilekkerland overtroffen zijn. Ook :
Roermond zou aan dien liberalen zegen deelhebben. ::
Door eene overrompeling in den Raad der vroede : mannen, werd den Staat het stads-College of beter het
oud-Jezuïeten-College aangeboden. Weldra werd er ;
de liberale zonnebloem â vergelijking uit Dubois â :
geplant en tierde eenigen tijd naast den jeugdigen eik :
van het Bisschoppelijk College, â door een planken ;
beschot gescheiden. Maar de eik mocht niet blijven, :
want de zonnebloem breidde zich geweldig uit onder :
het warme geld-zonnetje van het liberalisme en den ;
dauw van schitterende staatspostjes. Zou men den eik : afkappen of verplanten?
Ten einde daarover te raadplegen, waren de vroede ;
mannén weder ter vergadering geroepen. Zes hunner ;
waren besliste sloopers, zes besliste behouders. Aan :
welke zijde zou de dertiende zich scharen? Daarover :
waren studenten en professoren in angstige spanning. :
Als de jongste der professoren, wachtte ik den
uitslag af bij de studenten in de enge, ons overgelaten ;
speelzaal, â- vroeger een achterkeuken. Daar ijlt een ;
bode aan en hoera! schalde het tusschen professoren :
en studenten. Dat hoera! laat in den avond aangehe- :
ven, bleef weerklinken, totdat de vreugde zelf den : slaap bracht. Die luide deelneming der studenten aan het wel van het College, klinkt nog als eene zoete
herinnering in mijn hart. Daarvoor een hoera! op de ; Studenten van het oud-College!
Ook gij, jongelui, toont heden, bij het Jubelfeest
van den ZeerEerw. Directeur, zulk eene dankbare :
57
1 I iil ! f I ! P f M I 1 i f M M M â M I I I I M I M M i I ? ! I I I M » â I â I I ⢠I M I P M I I â I I M M I I I I : I I I
sympathie aan dit College; en daarom uit iH den wensch, dat uw Directeur u heden een vrijaf geve, zóólang totdat de vreugde u in slaap wiegt. Hoeral op de Studenten!
Mag ik, waarde heer Directeur, mijn verhaal voortzetten? {bijval).
Het was in 1864. Een bevel uit den Haag gelastte den Directeur binnen acht dagen â einde Juni â het College-gebouw (nu Burgerschool) te ontruimen. Binnen acht dagen werden de laatste concoursen gehouden. Zondags na den middag prijsuitdeeling en den volgenden ochtend, eer de afgetobde professoren hunne legerstede verlaten hadden, was de aannemer boven hun hoofd aan het afbreken, om voor de zonnebloem meer ruimte te maken. Als vluchtelingen verlieten de professoren het eerbiedwaardig gebouw der Jezuïeten, waar na hen reeds eene zonnebloem den natuurlijken dood gestorven was, en vonden met hunne meubeltjes gastvrije opname bij de Katholieke burgerij. â Een hoera! op Roermonds Katholiek gezinde burgerij!
Twee maanden vacantie. Juli en Augustus, en nog was deze plaats, waar de jeugdige eik zou geplaatst worden, niet bereid. Het Groot-Seminarie verleende intusschen aan studenten en professoren nachtlogies en eetzaal met keuken, terwijl onder het hameren en kloppen in de klassen van dit gebouw, nog zonder deuren of vensters, het onderricht werd voortgezet. En ziet, toen in de geregelde klassen het onderwijs hervat werd, telde het College het dubbel aantal internen. De eik, dien men zeker verwacht had te zien verdorren, schoot steeds rijker takken, en menigvul-diger werd het aantal vogelen, dat er beschutting zocht.
Ik sluit met den wensch, dat dit aantal steeds groeie en er den verkwikkenden lommer vinde tegen de verzengende stralen der godsdienstlooze weten-
1 1 ⢠1 1 1 1 1 1 1 â 1â 11â 11111111111111â¢111 ik I11gt;1111â¢111111111111c111111 1 1 ⢠1 1 11 1 c â â
58
M « I I I I I I 11 I I I I I I I I I I I I I I I I I 1'! I ⢠I f f j l f l i | M l I I I I ! I f I ill ! lit I ⢠! I I ⢠M l ü l ?
schap. Daarom drink ik dit glas op de gezondheid van alle Studenten van voorheen, van heden, van de toekomst, want eiken trotseeren niet alleen de stormen, maar ook de jaren.
Ter afwisseling werden liederen gezongen, o. a. het aardige Cantilena en het humoristische Ons Huisgezin, in dit werkje opgenomen; natuurlijk bleef 't lo vivat niet achterwege.
Een eigenaardige verrassing bereidde Pastoor Janssen den feestgenooten. Deze oud-Professor, die gedurende zijn veeljarig verblijf in het College Directeur van het zangkoor was, wist eenige der aanwezige oud-Professoren te bewegen tot het uitvoeren van een zangnummer.
Oud-Directeur Haffmans was dadelijk van de partij en de oud-Leeraren W. Hillen, E. Hustinx, W. Be-melmans, L. Smeets, ja zelfs Pastoor Wellens en Deken Herben, schaarden zich, onder daverend applaus, om den dirigent Pastoor Janssen, die het dubbel kwartet voltallig maakte.
Alvorens te beginnen richtte de laatste het woord tot de feestvierenden.
Gij weet ââ zoo ongeveer luidde de origineele toespraak â gij weet, dat âder alte Fritzquot;, de grrroote keizer, een Feinschmecker eerste klas was. De lust om te smullen was den ouwen Fritz zoo eigen, dat hij, na afloop van een copieus diner, zich liet voorleggen het menu van den volgenden dag, om zich te verlustigen in de heerlijke spijzen, die hem wachtten.
Welnu van dat âcombleJ' van genieten willen wij U, die thans rijkelijk genoten hebt van dezen feest-disch, uw deel geven. Luistert slechts en gij zult vernemen wat U morgen geboden wordt!
Gargon! Gar^on! Aldus de bassen.
Coteletten, Beefsteak! Fricassé mit Kalbfleisch!
i i i i i.i i i i.i i 11 11 i i i i in : i i i i M ; c ; i i i i i i E i i i i i i i i i i i i i i i i i i i i ; i i a â i i i i i i i i
59
I I I I t I I I I I I I I I f I If I f I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I Iâ I I I I I I IjIi;I| |I I!:ItI I]I Tl â «
Ommeletten, Knackwurstl Kraut, Salade und Körper Allerlei, etc., etc., etcetera! commandeerde het koor,
Kortom, het dubbel kwartet zong, daarbij op de piano geaccompagneerd door den heer Henri Tijssek, het welbekende Speisesettel van Genee.
Dat er gelachen werd, laat zich begrijpen.
Al wordt men na afloop van een feestdiner in den regel âergquot; poëtisch gestemd, het beschrijven van den feestdisch-zelve is een al te prozaïsch werk om er hier in den breede over uit te weiden. Toch waag ik het, tusschen twee haakjes en met een enkel woord, hoog te prijzen de kookkunst en den wijnkelder van het College.
Als een staaltje van de gemoedelijkheid, die aan tafel heerschte, wil ik nog mededeelen, dat zoowel het jongste studentje als de eerwaardigste oud-professor zich gesierd hadden met de papieren mutsen, die na het salvo van klappers, dat weerklonk, uit de z.g. pistaches, te voorschijn kwamen.
En hiermede basta over den feestdis ch.
i I
60
-3
HET avondfeest,
Niet een plaatsje bleef onbezet; overvol was de groote zaal. En dat midden in Juni bij al die hitte. Een tropische hitte, schreven de couranten.
Toch vulde eene foule van menschen de feestzaal, waar het concert gegeven werd.
De Jubilaris, met een schitterenden état-major van gaestelijke en burgerlijke autoriteiten, zat voor de tribune.
Bij het binnentreden der zaal bood hem de Student H. van der Velden een prachtvol bouquet aan.
De Roermondsche musici, die hunne talenten zoo bereidwillig ten dienste stelden, om den Jubilaris een kunstavond aan te bieden, zijner waardig, mogen met eere genoemd worden. Hun artistiek spel boeide in hooge mate het auditorium. Want, â 't is u misschien ook wel eens overkomen, muzikale lezer, â bij schoone muziek vergeet men zelfs de grootste warmte. Zóó ging het ook den toehoorders in de feestzaal.
Het programma werd in optima forma afgespeeld.
De heeren Louis Guillaume, Paul Guillaume en Henri Bloemen brachten respectievelijk op de piano, viool en cello het Grand Trio van Reissiger ten ge-hoore.
De heer Paul Guillaume, een meester op de viool,
111it111â i111111iâ¢1111111â 1111ai11i11111(l1111iiii11iii i j 111 111111,e 111 i f i
61
speelde eene Romance van Svendsen en èène Mazurka van Wieniawski.
Dr. Louis Simons, oud-Student en Leeraar te Leuven, had den geachten Directeur een gedicht opgedragen, getiteld: âAan het klokje van het Collegequot;. De heer H. van Groenendaal, cand.-jur., oud-Leerling van het College, declameerde dezen lofzang op het âijzeren Professertjequot;, den feestgroet der afwezige oudstudenten.
Het tweede gedeelte van den feestavond werd geheel in beslag genomen door de cantate âEen strijder Godsquot;. Dit werk, voor gemengd koor, met begeleiding van piano, harmonium en strijkkwartet, is eene compositie van den ZeerEerw. Pater J. Haagh C. ss. R. op woorden van den ZeerEerw. ZeerGel. Heer Dr. Jos. Schrijnen, Leeraar aan het Bisschoppelijk College.
De voordrachten werden gehouden door de Studenten G. Dahmen van Roermond, H. van der Velden van Roermond en J. Meddens van Amsterdam.
Het zangkoor van het College was aanmerkelijk versterkt door de Roermondsche heeren: M. Hendriks, L. Lafleur, P. Stams, A. Stams en A. Tijssen; het orkest werd gevormd door de heeren: L. Guillaume (harmonium), J. Higly (piano), P. Guillaume en J. Berens (ie viool), Ch. Driessen en J. Heitzer (2= viool), H. Veith (alt-viool), H. Bloemen en M. Timmermans (cello) en W. Busch (bas).
De verschillende solo's, duo's en kwartetten werden door de reeds genoemde Roermondsche zangers ten gehoore gebracht.
De heer Henri Tijssen dirigeerde. Op magistrale wijze, schreef een recensent, dien ik aanstonds noemen zal.
Aandachtig volgden de toehoorders den schoonen zang, afgewisseld door declamatie.
I I I I I Ilk I I I I I i I I I I I I I I I I I I I I I l:l I I lil 1 1 I.M M'l i f I I I I I I I I I I I I 1 I I I i I I 1 I I I 1 111 1
62
:riit'i:i I i n i;» r i j s t i i i i » i I » i i » i i ⢠» s ⢠« ⢠⢠⢠» ⢠⢠⢠« ⢠⢠⢠» ⢠f ⢠»⢠1 ⢠1 1 ' ⢠1 1 ' 1 1 ⢠1 1 1 1 ⢠' ⢠1 ' 1 1 1 ' ⢠1 1
Het krachtig applaus, dat ten slotte weerklonk, heeft aan Pater Haagh, die in de feestzaal tegenwoordig was, de overtuiging kunnen schenken, dat zijne cantate door het auditorium naar waarde geschat werd.
Het past den leek niet een oordeel uit te spreken over deze compositie of haar uitvoering.
Pater Haagh moest eene toonzetting van grootsch effect scheppen, om op waardige wijze te vertolken den schat van verheven gedachten, door Dr. Jos. Schrijnen in dit heerlijk gedicht neergelegd.
Is hij daarin geslaagd?
Vox zegt ja. Wie is Vox?
Vox is een deskundige, verklaren deskundigen; het is een pseudoniem van den WelEerw. Heer Schmeitz, pastoor te Buggenum; hij schreef over de uitvoering en compositie dezer feestcantate eene vleiende recensie, welke in een der plaatselijke bladen opgenomen werd.
De conclusie dezer recensie, betoogende, dat het werk van Pater Haagh zich kenmerkt door âhooge vlucht, warm gevoel, stijgende begeestering, fijnste nuanceering, gansch eigene, nergens geborgde oorspronkelijkheid,quot; luidde als volgt;
111
âIn één woord, het direkteursjubilee bracht ons niet enkel feest â maar tevens kunstgenot; en ware quot;t al niet de ware lust om met zoo sympathiek een direkteur te mogen juichen in zijn vreugde, men zou ook enkel en alleen naar de herhaling van dergelijke feesten verlangen bij het blijde vooruitzicht van een nieuwe cantate van Pater Haagh.quot;
Finis coronnt opus. Wie doode talen verstaat of, zooals schrijver dezes, een mondvol Latijn leerde, weet, dat deze spreuk in 't Nederlandsch beteekent; het einde bekroont het werk.
63
1
â i' 11 I i i i 11 i ⢠gt; !. gt;.â i â i a i i in i â â l i l i â i i l i l i l i s i i l i â ⢠i l i l i I i i ill i i 11 l i I i l i i i 11 I i I i I l i 111 i j i I
Eind goed, al goed! Met innige overtuiging kart dit van het jubelfeest verklaard worden.
Nadat door de onderafdeeling der Koninklijke Harmonie van Roermond, onder directie van den heer G. Simons, op de ruime speelplaats een welgeslaagd concert gegeven was, werd ten aanschouwe van de honderden huisgenooten en genoodigden van het College een schitterend vuurwerk 1) ontstoken, waarvan onderstaand het programma:
1. Zon, omgeven door gouden stralen, van binnen verlicht door Grieksch vuur.
2. Dubbele Chineesche fontein met gekleurde paarlen.
3. Cascade, overgaande in verlichting.
4. Driespruit van brillant vuur met rozetten.
5. Vuurtelegraaf.
6. Caprice met gekleurd ballenspel.
7. Staande Gloria van zilveren regen met rozetten.
8. Slotdecoratie met devies Th.-1871/1896-D.. omgeven door zwaar fonteinwerk, tourbillons en bouquetten.
Ter afwisseling zwermpotten, pijlen, Romeinsche kaarsen, enz. enz.
Ik zal mij niet wagen aan eene beschrijving van dit vuurwerk; men zal haar ook niet van mij verlangen. Zij, die het voorrecht genoten, het slotfeest bij te wonen, kunnen getuigen van de feeërieke pracht en den overweldigenden indruk, teweeggebracht door een rijkdom van kleuren, door een oogverblindend vuurspel, dat de grilligste en meest fantastische figuren deed geboren worden, onder donderende kanonnaden.
Nog eens â en voor de hoeveelste maal? â jubelden studenten en leeraren van vroeger en thans, broederlijk vereenigd, nog eens klonk het: Leve
64
1
De firma Verwey amp; Zoon van Vucht, die dit kunstvuurwerk leverde, oogstte allen lof.
I I I 111 I I a 11 I I i' I â 11 I â I I 1 1 1 1 1 i 1 1 mil â 1 1 â 111 iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii
I I I j t i I I f I f I â I I I t ⢠â â i t I 1:1 I I I I I I I ⢠I I I I â I I t I I I I I I I 1 ⢠I â I I I I I I i I I I 1 I I I I I I I til I I I I I I I I I
Directeur Dirix! nog eens juichte men: Leve het College! nog eens en andermaal en onvermoeid galmde de feesttoon.
Niemand dacht aan scheiden.
Niemand? Geen nood, het kleine ijzeren professertje wist de orde te bewaren. De bel klonk.....en gesloten was het jubeltij.
ililllllllllllll II I IIlllllllillliiilJiiiiiiiiiii 1 ! ,1 lllltllllll!,!, II lllllll! i , ,
Het Bisschoppelijk College kan trotsch zijn op het succes. Uit alle deelen des lands ontving zijn Directeur de hartelijkste blijken van belangstelling.
Daarom mag met voldoening een terugblik geworpen worden op den 15 Juni 1896.
En zij, die de voorbereidselen zagen nemen, zullen tevens erkennen de verdiensten van het feestcomité, bestaandeuitdeWelEerw. ZeerGel.HeerenH. Bartels, W. L'Ortije en Dr. Jos. Schrijnen, dat maanden te voren reeds met de regeling van dit jubelfeest belast was. Dien heeren zij een woord van dank gebracht; zij vervulden hun mandaat met groote toewijding. Ook schrijver dezes, die bij het verzamelen der officiëele toespraken en toosten, in dit boekje opgenomen, meermalen de bemiddeling dezer commissie inriep, wenscht dank te brengen voor de bereidwilligheid, waarmede hem alle noodige inlichtingen werden verschaft.
â
65
â Ti I I 1.1 I I I I I I I I l i I 1:1!m t I I'll» I I I I I I i I I I i I ⢠I » ⢠i ⢠» I 1 » » t I » I I i I » I i à »1 H III I 1 I I I I I I
:imiiiiiliiiriiiiiiimiiii
£)E PKt^S.
De baanbreekster van het recht, de heraut van het edele en schoone, de pleitbezorgster van het godsdienstig onderwijs, â de Katholieke pers was op haar post bij het jubeltij.
Zij stemde hoogelijk in met de feestvreugde, gelukkig als zij was, dat haar de gelegenheid geboden werd, te prijzen en te loven den met zilver gekroonden Priester-Leeraar.
De bedienaren der Katholieke pers togen aan den arbeid. Die der stedelijke couranten natuurlijk het eerst.
âWij moeten het in zekeren zin betreuren, â schreef de WelEerw. Heer A. Geurts, Redacteur der Maas-en Roerbode, â dat de bescheidenheid en de eenvoud, welke zoo'n beminnelijken glans verspreiden over de vele edele en zeldzame gaven van geest en hart, welke den Jubilaris versieren en die steeds den wijden kring verbreedden van zijne vrienden, ons beletten uit te wijden over de ongewone verdiensten van den Zeer-Eerw. heer Dirix.
De vrees om die bescheidenheid en dien eenvoud te kwetsen weerhoudt ons van eene uitvoerige bespreking hieromtrent.
Wij bepalen ons daarom er op te wijzen, hoe de
66
I I 1:1:1.1:1:1:1:1:1 lis:l i t i t I t i I.I t I lt; t I 1 k.l I i l l I I a I I I t i 1 I I I ⢠I I I i i i 1 i gt; t I i I â I i i i i t t I i.i i i I
Geestelijke Overheid de bekwaamheid, den uitmuntenden takt en de voortreffelijke geestesgaven van den docent, en de voorbeeldige deugd van den Priester erkende, door hem te bevorderen tot Hoofd van hetzelfde Gesticht, aan welks leerlingen hij gedurende zoovele jaren met een zich nooit verloochenende offervaardigheid de krachten van geest en hart wijdde, en hoe hij, volgens de eenstemmige getuigenis van hen, die hem in zijn nieuwen, gewichtigen werkkring gadesloegen, deze zware en zorgvolle taak op de meest verdienstelijke wijze vervulde.
Een eigenaardige en algemeen geroemde verdienste van den ZeerEerw. heer Dirix ligt verder in het administratief beleid, waarvan hij als Provisor van het Bisschoppelijk College blijk gaf.
Door een kundig beheer, waarin het âweten te geven en te nemenquot; op zoo bevredigende wijze werd toegepast, wist hij in moeielijke omstandigheden het finantiewezen te regelen op eene wijze, dat de bloei van het College er niet weinig door bevorderd werd.quot;
Het overige gedeelte van Redacteur Geurtsquot; artikel schetst in keur van taal de schoone vruchten, die het Katholiek onderwijs van dit Instituut in het verleden opleverde; ten slotte luidt het:
âMet volle gerustheid, fleren moed en jeugdige opgewektheid kunnen de hooggeachte Jubilaris en de eerw. heeren Professoren, die hem in het vervullen van zijn zware taak zoo trouw, zoo ijvervol en zoo offervaardig ter zijde staan, de toekomst tegemoet treden.
Het vooruitzicht op steeds blijder uitkomsten zal hen bemoedigen in het moeitevolle werk, dat zij onder 's Hemels zegen ter eere van God, tot heil van Kerk en maatschappij, tot heil vooral van Roermond ondernomen hebben.
111I I l i ⢠1111111111111111111111 111 j 11 i i i.i 111 i 11 1111 , I 111 I i i 11 i , l i! ,1111 j 111
67
11 I ⢠â I in 11 I I I ⢠lit 11 r 11 HI II n » m i a * 111»I k i«111 ⢠I H 11« 11«« H I *«S M ⢠111 ⢠Iin C ti 11 I I
Reeds kan het Bisschoppelijk College wijzen op vele priesters, die van daar uitgingen, om in ons diocees en elders het âgoede zaad te zaaienquot; en op vele anderen, die, in de meest onderscheiden en meest eervolle betrekkingen van het maatschappelijk leven, de vruchten van een degelijk, Katholiek onderwijs aan hunne omgeving mededeelen.
Een der schoonste eeretitcls van het Bisschoppelijk College evenwel is zeker wel deze, dat het, meer dan alle andere soortgelijke inrichtingen in ons diocees, in het hart zooveler jongelingen de edele en heldhaftige roeping wist op te wekken, welke zoozeer beantwoordt aan het verlangen van den Goddelijken Heiland, die eenmaal de bede sprak; âBidt den Vader des Huisgezins, dat Hij werklieden mag zenden in zijn wijngaardquot;.
Ongeveer een dertigtal Missionarissen, die hier hun opvoeding ontvingen, zijn heengegaan om het licht te brengen aan hen, âdie gezeten zijn in de schaduwen des doods.quot;
Ook op een geheel ander gebied begint de werkkring van het College in omvangrijkheid toe te nemen.
Van af het jaar 1891 vaardigde het 16 examinandi af naar den Haag, waarvan er 15, grootendeels met veel succes, geslaagd zijn.
Het is onze oprechte wensch, dat de ouders, die hunne kinderen in een maatschappelijke betrekking willen plaatsen, eens duidelijk gaan inzien, dat het bijzonder Katholiek onderwijs ook in dit opzicht zonder moeite met de staatsscholen kan concurreeren, ja dat het den staatsscholen de loef afsteekt.
Wie zich hiervan wil overtuigen, vergelijke den uitslag van de examens der verschillende scholen.
Door hunne kinderen aan Katholieke Gymnasia toe te vertrouwen zullen zij het tijdstip bespoedigen.
68
* 1 £' f M M M 11 I P I M1* i I I M I I I I M ⢠I ? I 111 I I I M l »I r I f I I I I f I ( I I f gt; I I t P I I I I I I I I I I I I I I ⢠â I I I I â 'âa â I
waarop echt-christelijke, overtuigd Katholieke mannen plaats zullen nemen in alle burgerlijke en maatschappelijke ambten en betrekkingenquot;.
De Nieuwe Koerier schreef onder meer:
âZelden zal het zilveren feest van een Priester met grooteren luister gevierd zijn, of ooit gevierd worden, dan gisteren het geval was in het Bisschoppelijk Col-; lege. En dat juist dit College, waar sedert jaren met conscientieuse zorg alles vermeden werd, wat overdaad heeten kon, van zoo grootsche feestplannen vervuld was en zulk prachtig feest bereidde, verklaart ons hoe groot een waarde het College aan dit jubeltij hechtte. En dit verwondert ons niet.
Immers, aan den ZeerEerw. ZeerGel. Heer Th. : Dirix, aan den man, die Provisor en later Directeur dezer schoone instelling van onderwijs te dezer stede was, heeft het Bisschoppelijk College het grootste deel van zijn tegenwoordigen bloei te danken. Daarom wilde het College het zilveren Priesterfeest van zijn Directeur te baat nemen, om te vieren het feest van : dankbaarheid.
En daar het een feest van dankbaarheid was, kon -â het niet anders of van heinde en verre kwamen de : bewijzen in, dat men gaarne instemde met deze hul-:: ging van groote verdiensten.
Ook ons zij het daarom vergund den Priester-Jubi-⢠laris van harte geluk te wenschen en hem, die zoovele Limburgers en zoovele Roermondenaren den kostbaren schat van het Katholiek onderwijs deelachtig maakte, namens Limburg, maar vooral namens Roermond, dank te brengen. Dat is de dubbele beteekenis van dit jubelfeest: in den Directeur wordt het Instituut gehuldigd.quot;
69
De Christoffeiklok, te Roermond verschijnende, bevatte een artikel, getiteld: den Jubilaris heil! De Wel-Eervv. Heer M. Bauduin, Rector der O. L. Vr. Munsterkerk, schreef daarin o. m.:
âAls directeur heeft hij getoond, de rechte man op de rechte plaats te zijn.
In de voetstappen tredend van zijn voorganger, heeft hij het peil der gymnasiale studiën zoo hoog opgevoerd, dat het College zich in een tot nu toe on-gekenden bloei verheugt.
Door zijn professoren bemind wegens zijn innemend en opgeruimd karakter, dat hem nooit verloochent, ook niet in de moeielijkste omstandigheden, door zijn studenten geacht en geëerbiedigd wegens zijn takt en ontzag, waarmeê hij te rechter tijd optreedt, zal de Jubilaris zoowel van dezen als van genen aanstaanden Maandag de ondubbelzinnigste blijken van diepgevoelde liefde en dankbaarheid ontvangen.
Maar ook buiten de muren van het College zal die feestvreugde weerklank hebben.
De oud-studenten hier ter stede en elders, binnen en buiten de grenzen van ons vaderland, die den ZeerEerw. Heer Dirix als professor, provisor of directeur gekend hebben, sluiten zich aan bij de feestvierenden, om ook hun hulde van erkentelijkheid den Jubilaris aan te bieden.
Nu in de wereld, bestormd door de gevaren der verleiding, omringd door het ongeloof, schouwend om zich heen de puinhoopen van gevallen deugden, beseffen en gevoelen die oud-studenten misschien beter dan voorheen de groote weldaad, welke zij in het College ontvangen hebben, de weldaad der echt Katholieke opvoeding.
Ware die grondslag hun daar niet in het hart gelegd, zij ook zouden misschien reeds lang verdwaald
â iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii
70
m m i i m i i ml i e i i i i i i i i i ⢠i ( i i i i i i 1 i i 11 i i i â i i i ii i i m i i i i || i i i i i i i i i mi i i i
zijn op de verderfelijke wegen, welke zoovele vrijzinnig en godsdienstloos opgevoeden bewandelen.
Het Katholiek onderwijs is het groote apostolaat, het missiewerk in ons midden.
Heil den Priester-Jubilaris, die gedurende vijf-en-twintig jaren dat apostolaat, dat missiewerk op zoo een waardige wijze in onze stad volbracht heeft!quot;
Ook de Heer Jozef Severijns, correspondent van de Limburger Koerier, bracht in zijn blad den Jubilaris een hartelijken gelukwensch.
Van de feestviering-zelve verschenen in de Roer-mondsche en Limburgsche bladen uitvoerige verslagen.
De Tijd nam eene beschrijving van den jubeldag op, door den oud-student Dr. G. van Aerssen, van Wouw. De Maasbode en Het Centrum ontvingen welgestelde verslagen van Een oud-student.
Geen Katholiek blad, zoowel boven als beneden den Moerdijk, liet het jubilé van den ZeerEerw. ZeerGel. Heer Th. Dirix onvermeld.
⢠â¢
i c i
⢠i i
i i
i i i
71
I i I I I I I I I I I I I I I I I I I I 1.1 l.l i â â I c I â I I I C I I I I 1 I I S I I I I I I I I I I I I I I S 1 I ⢠I I I I M ⢠! I I I I n M ! M 1
$ I »_I ⢠â M t t t I M l I I I I I I I I t I I M I I I I I I I I I ! I , f , I I I , , , I , , , , , , , , , ( ( M
I I I I C I I II I I I I I ( i ( I ( I
â I I â I I I I I I J I I I I I I I I I I I i C I I I C C I I 9 I ⢠I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I i I I I I I
⢠«.« â M I M l M M I I'M M I I I M l I I I I M l I I I I I M M H I I â I M M I I I I I I I M M l I M I M M M i l M l M I â¢
BISSCHOPPELIJK COLLEGE 1896.
flamen der lieeraren.
|
H. M. G. Hustinx. H. M. H. Bartels. C. J. L'Ortye. W. Berden. R. van Boven. L. J. A. H. Schrijnen. J. W. Peeters. |
H. Oor. P. Brounts. L. H. Bartels. N. H. Rongen. W. H. Cloots. L. H. Eydems. Dr. J. C. T. A. Schrijnen. |
Raamlijst der Studenten.
|
TRhétorique et Poésie. L. Aukes, Arnhem. G. Dahmen, Roermond. Fr. Evers, â P. J. H. Frenken, Roermond. Ed. Geelen, Venloo. H. van Gils, Waalwijk. B. Hanlo, Roermond. C. Hoomans, Horst. Jos. H. L. Höppener, Roermond. J. Jacobs, Roermond. C. M. F. Kneepkens, Weert. H. Piels, Roermond. Alb. Thijwissen, Venloo. H. Tacken, Horst. L. Verscheure, Roermond, F. Veugelaers, â |
Troisième latino et fran^aise. L. Bongaerts, Roermond. J. Drehmanns, â Jan Kerckhoffs, Ubachsberg. Guill. Romen, Roermond. Frans Romen, â Oswald Roijen, Sittard. Joseph Stappers, Grubbenvorst. Johan Tielen, Waalwijk. Quatrième latine et franQaise. A. Broekmans, Utrecht. G. Brom, â A. de Bruijn, Roozendaal. H. Emons, Horst. Frans Geraedts, Swalmen. E. Hamer, Amsterdam, |
75
' 1 1 ⢠I I I â ! P'l1!!! ï I H I I M M ! â t I (I I I ! M I Ml M M M I P P I M â P I III 11 3 I I M I I......I 1 I p i
|
A. Jacobs, Roermond. C. Jaspar, â Joseph Kessels, Roermond, M. Klep, â J. Lücker, â H. Muermans. â H. Obers, Grubbenvorst. J. Sampers, Linne. J. Somers, Roermond. Elb. Stoffels, â A. Terstappen, Neer. B. Verhoeven, Helenaveen. Cinquième latino. Th. van Beers, Wamel. Willem Bijvoet, Overveen. R. Geerdes, Slagharen. C. Haffmans, Well. G. Hendrickx, Svvalmen. Henri Jacobs, Roermond. Charles Janssen, Gulpen. Jan Koek, Oldenzaal. Jos. Krijn, Winterswijk. A. Leroi, Delft. Paul van der Loo, Rotterdam. Eug. van Oppen, Maastricht, V. Russel, Echt F. de Sain, Roermond. G. Willems, Horst. Cinquième frantjaise. Paul xan Aubcl, Maastricht. K. Ackcrmans, Waalwijk. Jos. ten Berg, Utrecht. Jacques Boonen, Heithuijzen. L. Haffmans, Well. H. Janssen, Maasbracht. J. Knoops, Maasniel. P. Kruijfhooft, Leiden. |
A. Kuijpers, Swalmen. B. Lütkemeijer, 's-Hage. Gerard Nusse'.ein, Roermond, Edmond Nijs, Maastricht. Henri Puts, Roermond. J. Pijls, Herten. A. Teneij, Brussel. Emile Tophoven, Swalmen. P. Wellen, Bemmel. B. Wiegerinck, Nijmegen. Sixième latine. Pius Arts, Tilburg. Th. van Aubel, Maastricht. Bernard Bloemen, Ootmarsurti. W. Bloemen, Ootmarsum. F. Beekman, Roermond. J. van Binnebeke, Roermond. Mathieu Boonen, Buggenum. L. Brounts, Maastricht. Fr. Daemen, Well. Fernand Dahmen, Roermond. Max Dahmen, â Henri Drehmanns, â Victor Gabriëls, â E. Gefken, Joseph Hanrath, â Jacques Kapperts, â Joseph van Kessel, â Th. Kersten, Tilburg. D. van Laer, Swalmen. Gerard Langenhoff, Roermond. H. Litjens, Deest. Adr. de Meulemeester, Bergen-op-Zoom. H. Schreurs, Haelen. J. Schreurs, â D. Spronck, Maastricht. |
76
|
W. Theelen, Morn. G. Vaessen, Maasbree. Henri van der Velden, Roermond. H. Wilkens, Amsterdam. Sixieme fran^aise. A. Alberts, Gulpen. J. Aukes, Arnhem. Joh. Bakker, Laeren. G. Benrskens, Charleroi. Jules Beurskens, â L. Bonman, Nijmegen. J. Boumans, Ubachsberg. G. Coppée, Roermond. A. Crasborn, Kessel. P. Diepen, Tilburg. J. Festen, Overasselt. Gerard Goossens, Helenaveen. A. Groenink, Roermond. Jan Lenarts, â J. Meddens, Amsterdam. Jean Opbroek, Roermond. G. Peeters, Maasbree. J. Plaghki, Roermond. A. Reickert, Delft. J. Reulen, Roermond. M. Somers, â Guill. Verstegen, Roermond. Henri van Waijenburg, Roermond. L. van de Winkel, â Chr. Wolfhagen, â |
Cours préparatoire. H. Aerts, Broekhuizen. L. Arts, Tilburg. F. Bakker, Laeren. J. Bergmans, Maastricht. H. Clercx, Echt. C. Cornet, Amsterdam. H. Gielen, Heijthuizen. W. Gielen, Utrecht. J. Hoefnagels, Neerbosch. Frans Janssen, Baarloo. Jacques Langenhoff, Roermond. G. Litjens, Deest. Anton van der Loo, Rotterdam. Ger. van der Loo, â Corn. Pierson, Tilburg. J. Prick, Maastricht. Corn. Reij, Den Burg. P. Reijnders, Odiliönberg. A. Roosen, Heerlen. H. Roozen, Bloemendaal. G. Rijssenbeek, Bemmel. J. Schrijnewakers, Grondsveldt. Gerard Steegmans, Heithuijzen. Ernest Stoffels, Horn. L Timmermans, Odiliënberg. F. Trienekens, Sevenum. P. Tijssen, Roermond. Th. v. d. Ven, Zierikzee. Gerard Wellen, Bemmel. A. van Wylick, Venloo. |
lt;£)â¢
, I 1111.|.i i 1111 n 1111 i ⢠I J 111 I I 11111 c i a 11 e 111 t m 10 I 1 11 ⢠It ⢠⢠in « 11 n i l i i 11« i n
77
flaamlijst dér oud-Studenten.
De gecalligrapheerde naamlijst was voorzien van de volgende opdracht, door den oud-student Alf. Ruijten, Leeraar te Rolduc, gedicht:
Nu kroont de geest van wetenschap en deugd Als Priester U en Leidsman van de jeugd.
De scharen, die thans jub'lend U omgeven,
Zijt Ge ook in later tijd een Vriend gebleven.
Hoe ook gescheiden en alom verspreid,
Zijn ze één van geest in trouwe dankbaarheid. En 't jubellied, dat opstijgt allerwegen.
Zingt lof voor U en smeekt om 's Hemels zegen.
Dat Ge eens vol kracht den blijden dag aanschouwt, Waarop de zilverkrans verkeert in goud!
FEESTCOMITÃ:
jacques Oor, President, Roermond,
Jos. Berger, Secretaris, Roermond.
Jos. Baert, Penningmeester, Roermond.
jos. Ariëns, Amsterdam.
Ant. Arts, Jur. Stud., Amsterdam.
Mr. G. Bonhomme, Maastricht.
Mr. F. A. Bijvoet, Haarlem.
J. Cuypers, Priester, Seminarie, Roermond.
Thomas de Beer, Tilburg.
Frans Janssens, Roermond.
Louis Janssen, »
Jos. Keller, Nijmegen.
Ch. Nicolas, Roermond.
Louis Peeters, »
A. Vallen, Kapelaan, Horst.
P. Verheggen, Kapelaan, Venloo.
Dr. G. van Aerssen, Wouw.
H. van Boven, Cand.-Not., Roermond.
Arn. van der Burg, Dordrecht.
H. C. van der Zandt, Puiflijk.
Th. van Emstede, Journalist, Roermond.
A. V/ijnhoven, Cand.-Notaris, Haarlem.
78
|
Herre Arts, Seminarie, Roermond. Henri Ackermans, â J. Arnoldts, Kapelaan, Gronsveld. Henri Bakker, Laren. E. Biermans, Seminarie, Roermond. J. Boers. â â H. Bloemen, â â Jean Bertrams, Kapel, â Hubert Bertrams, â â J. Bertrams, â W. Backhuis, leeraar, Rolduc. C. Baert, â â A. Baert, pol. stud. Aken. E. Baert, stud. Rolduc. F. Beurskens, Charleroi. H. Brewers, kap. Mechelen-Wittem. F. Bolsius, jur. cand. Amsterdam. L. Beekman, Roermond. P. Bollen, leeraar, Rolduc. Louis Baert, Roermond. J. H. Beckers, Maastricht. Jules Bonhomme, â J. Bemelmans, kapelaan, Susteren. Jos. Bartels, Bergen op Zoom. L. Beltjens, Roermond. J. Brune, kapelaan, Heelerheide. A. Burghoff, med.stud. Amsterdam. L. Corbeij, past. Gr. S pauwen, België A. Clocquet, Rolduc. A. Croon, Maastricht. G. Ceulcn, â (St. Pieter.) L. Ceulen, r v B. Canoij, Tegelen. Aug. Canoij, Venloo. A. Cornet, Nijmegen. W. Canoij, med. stud. Amsterdam. H. Cox, Roermond. Ed. Chambille, Maastricht. L. Cooijmans, 's-Bosch. |
Roger Clercx, Boxtel. W. de Lom de Berg, Roermond. P. Diebeis, stud. Utrecht. Joh. Donkers, Hz. Roermond. Fr. Donkers, Hz. â Aug. Dahmen, â Hub. Dahmen, â P. de Sevaux, leeraar, Venloo. G. Deumens, Venloo. Ch. Dirix, kapelaan, Manchester. Jos. Delsing, Roermond. Jean Delsing, â A. De Kanter, Kaatsheuvel. P. Diebeis, Nijmegen. Jos. Dupont, Roermond. Joh. de Beer, Tilburg. Lamb, de Beer, â A. Eijck, kapelaan, Bradford Lane, Engeland. A. Engelen, Roermond. Jac. Engelen, â L. Evers, â A. Esser, Horst. Martin Frencken, onderw. Roerm. M. Francken, Roermond. A. Frensberg, Rolduc. Jean Geurts, leeraar. Weert. F. Geelen, jur. stud. Amsterdam. Mr. L. Geelen, Roermond. J. Gadiot, Maastricht. M. Giesbers, Roermond. D. Henfling, 's-Hage. L. Henfling, Rolduc. Jos. Hilgers, Seminarie, Roermond. P. Hermkens, â ^ H. Haesen, â quot; v J. Hermens, kapelaan, Beegden. Hub. Hilgers, Roermond, ür. A. Haffmans, Roermond. |
t s 1111111 i 1111 â 11 ii.i 11111 li i â i 1111 1111 11 ⢠11 i 1111 ii i i« i i i i c i 11111 i ii 1111 i i i 11 i :
79
I I'l I III I I â I 11 I I I I III I I I I â 1 I I B i I I I t lil I I I I I | | 11 â I I I I I I I I | | 11 I nl ! ] ill , ) , , , |;| I I I I I I
|
H. Hauser, koermond. Ch. Hustin*-Chambille, Maastricht. J. Houtermans, Roermond. Jos. Hendrikx, Asselt-Swalmen. J. Heuveldop, Rolduc. H. Hoogeland, Rolduc. H. Hoogers, Rolduc. Eug. Haffmans, Roobeek-Well. H. Hendrikx, kapelaan, Roermond. Hubert Höppener, Roermond. Jean Höppener, â Frans Hermens, 's-Bosch. Henri Hermens, Roermond. Alph. Haffmans, Kessel. J. Hillen, kapelaan. Geleen. August Hermans, Roermond. J. Janssen, burgemeester. Helden. C. Jonkers, Seminarie, Roermond. Aug. Janssen, Roermond. Jos. Jacobs, â Felix Janssens, jr. â Jacques Janssen, â Alph.Janssen, theor. arts, Amsterd. L. in 't Groenewolt, Horst. Emile Indemans, rector, Marien- weerd, Maastricht. Jacq. Klep, Roermond. L. Kneepkens, Weert. M. Kerkhoffs, Rolduc. G. Kerbosch, kap. Valkenburg. Paul Knipping, Roermond. George Knipping, Sem. Roermond. ]os. Kwisthout, â â Jac. Kwisthout, Roermond. A. Lenders, Rolduc. G. Lemmens, Beek. Pater Jos. Linskens, Venloo. J. Lebens, rector, Sweikhuizen. Jos. Ledoux, Roermond. |
Felix Lemmens, Semin. Roermond. H. Motké, Rolduc. Jos. Muurmans, Roermond. Andr. Nijskens, Roermond. Hub. Nfjskens, â J. A. Nolet, Nijmegen. H. Op de Laack, Rolduc. J. Parren, Rolduc. Dr. Th. Paulussen, Roermond. E. Peeters, Rolduc. L. Peters, Roermond. Jos. Peters, Boxmeer. Henri Penders, Geulle. G. Pisters, Roermond. J. Poulissen, Sem. Roermond. Henri Poulissen, Roermond. Gerrit Polman, Prinsenhage. F. Quix, cand.-arts. Utrecht. K. Receveur, Sem. Roermond. P. Regter, Roermond. Henri Reulen, â K. G. Rijssenbeek, Bemmel. A. Ruijten, leeraar, Rolduc. J. Saes, kapelaan, Wessem. P. Seelen, leeraar. Weert. J. M. Schram, 4eeraar, Rolduc. Jean Scheen, Roermond. A. Schmitz, leeraar, Rolduc. J. Schoolmeesters, leeraar, Rolduc. Hub. Simons, ondervv. Roermond. M. Souren, kapelaan, Swalmen. Jos. Souren, Utrecht. A. Smits, Roermond. M. Sluijsmans, Margraten. Henri Schmitz, Roermond. Th. Strater, Tilburg. G. Stark, Roermond. Ch. Stroucken, Roermond. Theod. Stroucken, â |
I I IJ I I I I t I I I I I I ⢠M I 1 i I I I I I I I I t I I I 1 I I I I 11 | | | |:| I l;M I 11 I 1 I I I I I I I I 1 I I I 1 I I i I I I | | | | | | | | | | |
8o
iquot;} ⢠I â 11111 â I I 111111 i i.li â 11 k 11 e I i i 111! i 111111 1111 i 11111 i 11 lil i i i ⢠11 t â t k.k 11111 1111 â
|
jos. Story, Roerinon(i. Guill. Story, â Victor Schols, Maastricht. K. Schellen, Horst. J. Stieger, phil. stud. Leuven. J. Schuren, Roermond. Laur. Stijns, med. stud. Utrecht. Jacq. Tielen, leeraar, Rolduc. Jos. Thomeer, Tiel. H. Terstappen, Rolduc. V. Theunissen, Woerden. L. Timmermans, Rolduc. W. Timmermans, Odiliënberg. Hub. Timmermans, Roermond. Alph. Tijssen, Roermond. Henri Tijssen, pianist. Roermond. Jean Tijssen, Amsterdam. G. van Bergen, Nijmegen. P. van den Broek, Roermond. J. van den Broek, stud. Amsterdam, A. van Leent, med. cand. Utrecht. Jac. v. Haagen, kap. Montfoort. J. Van Kan, phil. stud. Leuven. Dr. H. v. Aarssen, kap. Amsterdam. Pierre van Tienen, Nijmegen. W. van Koolwijk, â Henri van Beek, Sem. Hageveld. P. van Kessel, Roermond. H. van Kessel, â W. van Kessel, â P. van der Velden, â Frans van Hove, â W. van Boven, Stevensweert. |
Jan van Gils, Waalwijk. P. van Dooren, Tilburg. F. van Meerwijk, Sem. Roermond. E. von Bönnighausen, kap. Arcen. André v. d. V enne, Ham-Roermond. Henri van Groenendaal, jur. cand. Hilversum. Frans van Helden, Roermond. Henri van der Marck, Roermond. Theod. van der Marck, kap. Heel. A. C. van Puyenbroek, Goorle. G. J. van Rijt, kap. Maastricht. Jan v. Eijs, â â F. C. R. Verbeek, leeraar, Rolduc. M. Verbeek, kapelaan, Mook. Jacq. Verboeket, Eli. Jacq. Verheggen, Buggenum. Henri Verheggen, â Sibert Verheggen, â Theodoor Verheggen, â Pierre Verlinden, Vlijmen. P. van Doren, Tilburg. Pierre Voss, Roermond. Henri Voss, v A. Windhausen, Roermond. Jos. Windhausen, kap. Venloo. K. Windhausen, Rolduc. P. Windhausen, Roermond. Jos. Weijnen, Maastricht. W. Willemsen, Roermond. H. Wolters, kap. Genck (België). W. Wolters, Rolduc. Henri Wuts, Swalmen. |
111 11 i 1111 i i i i i i i i 111 i i i t i i i i i i 111: i i i i i i 1111 i i gt; i ⢠11 i i i i t i i i i â i s i i i i â i t i i i i i ( i
8t
BOUQUET aan Z. D. H. Mgr. F. A. H. BOERMANS.
--jy-
Monseigneur,
Qui au beau jour de cette fête, N'admire ces festons et fleurs? De qui le regard ne s'arrête, Sur tous ces blasons en couleurs? Non, ce décor n'était complet, Si Monseigneur nquot;y ajoutait.
Les cris de joie et d'allégresse, Ces doux accords venant du coeur, Nous manifestent la tendresse Entre élève et directeur.
Non, eet accord n'était complet. Si Monseigneur ne le frappait.
Que dire des jolis cantiques Qui retentissent dans les airs, Et de ces voix si angéliques Nous ravissant par leur concert? Non, ce concert n'était complet. Si Monseigneur n'accompagnait.
Avec transport le jubilaire Voit aujourd'hui tous ses amis, Lui témoignant un coeur sincère. Dans un beau cercle réunis. Ce cercle, non, n'était complet. Si Monseigneur n'y figurait.
Réveille-toi, Reconnaissance!
Amis, prions tous l'Eternel Pour qu' J1 répande en abondance Sur Monseigneur, les dons du ciel. Disons le jubilé complet, Car Monseigneur le rehaussait.
â i
gt;11
â l i lüniii i l i ⢠11 I I 11 ⢠111 ⢠s I 11 I t l I I a I I t i gt; I i k r 11 I l i i t i 11 t l I I I S t I I I I E I I I I I a I I I I ⢠111 I I
fiauquAn aan guhilanis,
IN DE FRANSCHE, NEDERLANDSCHE, ENGELSCHE EN DUITSCHE TAAL.
^-
Monsieur le Directeur,
Quand du soleil la douce ardeur Vient par sa force vivifique Changer la terra de torpeur En un paradis magnifique,
Quel coeur ne se sent palpiter De vie et joie inexprimable 1 Qui n'aime alors a exalter Du Tout-puissant I'oeuvre admirable!
Semblable a ce beau temps des fleurs,
Mais mille fois plus belle encore Parut, Monsieur le Directeur,
Du jour présent l'auguste aurore.
Quel charme, quelle majesté Dans le spectacle qu'elle éclairel Quel doux parfum de sainteté S'exhale en ce jour jubilaire!
Les fleurs que le soleil divin De la grace sacerdotale Fit éclore dans ton chemin,
o Prêtre, n'ont point leurs égales Parmi les beautés d'ici-bas.
Laisse les autres se complaire En celles-ci, pour Toi l'éclat Des belles fleurs du sanctuaire.
I I I I I i I I I i I I I I.....I I c t I I I I I I I I I I I t I t t I t I â I : I I I i I I I i I I I I ] i I I I § t I I I t I I § I t I : I I I ⢠I
83
o Fils bien-aimé du Seigneur,
Quel hymne de reconnaissance,
Montant aux astres de ton coeur,
Egale le bonheur immense Qui en ce jour vint T'enivrer!
Oui, nous entendons ta prière: âMes chers amis, veuillez m'aider âA bénir notre Dieu et Père!
Qui d'entre nous refuserait De se rendre a cette demande!
Mais qu'a la fois de ce bouquet, o Prêtre, la très-humble offrande Te dise que ces jeunes coeurs,
Brülant de lardeur de leur age,
Vouent a Toi, l'Oint du Seigneur,
Leurs plus profonds et pieux hommages.
--vg:
Zeer Eerwaar de ZeerGeleerde Heer Directeur
Het zijn thans vijf en twintig jaren!
Hoe zegent Gij den blijden stond,
Toen Ge in den dienst van Gods altaren
Geluk en troost en vrede vondt.
Gij groet den zaligsten der dagen
Toen Gij, gewijd van 's Bisschops hand. Den Heer het Offer op mocht dragen,
Aan God gebracht van strand tot strand; â Toen tranen uwe vreugd verkondden Gesmaakt aan Jezus' minnend hart,
In die gezegendste aller stonden. â
Waarom, o vrienden, thans gemard?
Snelt toe, en laat ons lied zich menglen In 't dank- en Jubellied, zoo blij,
84
Dat in den Hemel zingen de Englen
Op 't schoone, zilvren feestgetij, Van Hem, dien wij als priester vieren, Van Hem, die steeds met vaderhand Onz' wankle schreden blijft bestieren
Naar 't eeuwig Hemelsch Vaderland; Van Hem, wiens vaderoogen waken.
Dat 't kinderhart, zoo teer en zwak.
Geen dreigend onheil moog' genaken.
Geen storm de bloem der onschuld knakk'. Snelt toe! laat ons een blaadje streng'len
In's Priesters zilvren eerekroon,
Die in den Hemel vlechten de Englen
De groote priesterdeugd tot loon Van Hem, die vijf en twintig jaren. Het biddend oog tot God gericht,
Geleidt de zwakke kinderscharen
Op 't hobblig pad van deugd en plicht. Laat onze stem ten Hemel dringen,
Laat ze opwaarts stijgen tot den Heer, â De kindren zijn Gods lievelingen,
Die Hij bemint zoo naamloos teer.
Spaar, o mijn God, nog lang dit leven. Aan de U zoo dierbre jeugd gewijd, Geleid hem door deez' aardsche dreven
En sterk hem in den feilen strijd.
Dien, om het heil van uwe kindren. Hij hoopvol strijdt zoo menig jaar. Dat niets zijn geestdrift moog' vermindren. Zijn oog steeds naar den Hemel staar.
Daar zal uw zilvren kroon verkeeren
In onverganklijk diamant;
Daar kroont U God, de Heer der heeren, In 't eeuwig, Hemelsch Vaderland!
Hochwürdigster Herr Direktor,
Mit stolzen Festen weiss die Welt zu glanzen; Doch alle Freudenkronen, die sie flicht, Die Stirnen ihrer Lieblinge zu kranzen, Sie schmücken sie so schön, so herrlich nicht, Als jener Glorienschein erfüllter Pflicht â Und war's auch nur in engsten Wirkens Grenzen -Den Priester, der voll stiller Majestat An seines Schaffens erstem Markstein steht.
Mag Erdenhoheit Diademe tragen,
Mit Lorbeer sich umlauben Sieg und Ruhm, Nicht darf nach Menschenlohn und Beifall fragen Der ew'gen Roma ernstes Priesterthum;
Sein Erdenloos ist Arbeit und Entsagen,
Sein höchster Erdenlohn Martyrium â
Schwer ist des Herrn Dienst. Doch wunderbar, Bestandig mehrt sich seiner Diener Schar.
Die Zeit ist trüb. Gewitterwolken droh'n, Und dumpfer Gahrung Gift durchdringt die Massen Es hebt ihr Schlangenhaupt die Rebellion, âTodquot; heisst ihr Werk, und ihre Losung âHassenquot;; Sie rüttelt frevelnd an Altar und Thron, Die fromme Sitte hat die Welt verlassen â Der Priester nur halt auf der Zeiten Warte Mit ungebroch'nem Muth die Kreuzstandarte.
Und ob sie rechts und links auch niedersinken, Erdrückt von ihres Kreuses schwerer Last, Die Tapfren; sieh', zur Rechten und zur Linken Hat Bruderhand das Banner schon erfasst;
86
Gewaltig ragt's wie sonst; wir seh'n es winken, lm Schiff der Kirche ward's zum starken Mast, Und in der Sündfluth der verdorbenen Welt Zum Rettungsanker, der uns hebt und halt.
Auch Du bist einer jener Schar, Du Treuer; Fest stehst Du in den Tagen schlimmer Noth, Und lang noch stehe festen Sinn's am Steuer, Als muth'ger wetterkundiger Pilot. Des Glanbens Gut, nns tiber Alles theuer,
O hilf es wahrcn in Gejahr und Tod!
Dann wandelt sich auch Dir vor Gottes Throne Zum Heil'genschem des Priesters Dornenkrone.
'SF
yery Reverend Rector,
Had I an angel's wings,
I flew the world about To call whatever sings; All voices should in shout Join on this splendid feast Of You, most cherished Priest.
Had I the poet's lyre. The nicest tunes I knew, o Priest, I should not tire Repeating now for You,
Since scarcely one day Might render You so gay.
87
0 Lord, hadst only Thou Bestowed on me the voice Of nightingale, that now
1 could Thy Priest rejoice By sweeter songs than these. Which will perhaps displease!
This fear â You kindly say.
It is a foolish one â¢ââ
Sought flowers' help; ah! that they
To what I have begun
So boldly, add its voice
And change my unsweet noise!
Dear Ruler of our youth.
Out of this nosegay springs An echo of the truth; âIf perishable all things,
âThese pupils' love will be âYour constant jubilee.quot;'
lt;lt;F
3 gt; I t t a ( ill iiiii*iii 1.1 iii i i â i g.| i i i iir ; i i a
88
FEST-HYMNUS.
--TSS------
Clara voce jubilate,
Laeto animo cantate,
Soli Deo gloria! (bis) Regem regum honoremus, Patrem patrum adoremus. Soli Deo gratia, (ter)
Suis angelis protexit Cursum nostrum et direxit Longa patientia;
Nos ad vitae fontem duxit, Nostros animos instruxit Alma sapientia. (bis)
Regnum Domini in hac aede, Crescat laete, ut in sede Condita feliciter! (bis)
Fides pia, boni mores luvenes et praeceptores Exornanto largiter! (ter) Bona studia florento,
Artes optimae vigento, Unum illud teneant:
Summo virium ardore, Summo pectoris amore Soli Deo serviant! (bis)
Eia laudem Deo dantes, Concinamus, exaltantes Eius beneficia: (bis) Qui Rectorem honorasti Nosque gaudio beasti Tibi soli gloria! (ter)
I 1 1 1 I 3 I I C ill ( I M gt; I E M I ( ( ; (i| M I I |!| M I ( I I MUll Ã
89
I I lt;£â¢â¢â¢â¢â¢ I I ⢠M I II I ! M I M I I M I ⢠I ; I I â I I I I I I I M I II I t I I I I I ?! 9 ⢠I I I I I I I I I â I I I I I I t I I I I I I I I I â £â¢
jvEVERENDISSIMO j^ECTORI
jRnniversanum Ordinationis diem XXV
OBEUNTI
COLLEGIUM RUR-CMUNDENSE GRATULANS.
|
Trio. Ruraemunda, Laetabunda Jungere gaudentibus! Hie benigne Vere insigne Festum fecit Dominus. Chorus. Gratulatum Ad amatum Convolemus Praesidem; Coronavit Quem sacravit Dux coelestis Militem. Trio. Vanitates, Voluptates Mundi cedens asseclis, Christo duci, Fixo cruci, Se commisit humilis. Chorus. Quis miretur, Quod donetur Coelitus muneribus, Cum haberi Decus cleri Nemo plus sit meritus. Trio. Per virtutem Ad salutem Multis fuit semita, Dum doctrina Genuina Ditat et ingenia. |
Chorus. Quot honoris Et amoris Vivas sculpsit statuas, Quêis vanarum Aliarum Longe cedit claritas. Trio. Gaudeamus, Nesciamus Ergo finem gaudii: Exultemus, Celebremus Gloriam Collegii. Chorus. O Beate Nobis date Moderator gressuum, Alurnnorum Sit tuorum Amor Tibi praemium. Trio. Hunc amorem, Cordis florem, Hilares offerimus, Nam mereris Ut voceris Jure pater optimus. Chorus. Rex coelorum, Filiorum Audi preces humiles; Hunc parentem Te fruentem Aeternum laetifices! |
90
ONS HUISGEZIN.
Wijze: Al is ons Prinsje nog sco klein.
Daar is een jolig huisgezin, Hoezee! Vereend door blijde broedermin, Hoesesl En vaderlief bewaakt de schaar En leidt ze reeds zoo menig jaar.
Hoezee, hoezee, hoezeel Hoezee, hoezee, hoezeel
Het dient terloops er bij vermeld. Hoezee Dat het wel honderd magen telt, Hoezeel Men ziet er kind'ren, groot en klein. En dik en dun, en grof en fijn.
Hoezee, enz.
Men ziet er kalm en wild van aard, Hoez Met ziet er met en zonder baard. Hoezee Ja zelfs, wie had het ooit geloofd, Zij groeien vader boven 't hoofd.
Hoezee, enz.
Zij deelen éénhetzelfde maal. Hoezee l Zij spreken ééndezelfde taal, Hoezee l Zij stoeien lustig met elkaar,
En zitten vaak zich ook in 't haar.
Hoezee, enz.
9l
|
Iff |
lt; 1 ik 11 M mi 111111111 j 11111 MP i ji 11111 M â 1111111111111 n 11 M f 11111| f rn 111111 ri â t | |
|
Maar wordt dan ook door daad of wpord, Hoezee! De lieve vrede al eens gestoord, Hoezee! Een uur retraite aan vaders deur Brengt alles weer in geur en fleur. Hoezee, enz. ; | ||
|
En vaderlief, hij is zoo goed. Hoezeel Zijn weerga hebt ge nooit ontmoet, Hoezee! En toch hij houdt met vaste hand Zijn schaapjes aan den goeden kant. Hoezee, enz. : | ||
|
Maar wordt het soms wat al te kras, Hoezee! En komt geen liefheid meer van pas. Hoezee! Dan is het uit met zoete koek, : En komt het stokjen uit den hoek. Hoezee, enz. | ||
|
Slechts op 't gebied van maag en tand, Hoezee! Blijft ons gezinnetje zeer konstant. Hoezee! ; En levert het voortdurend stof Tot vaders welverdienden lof. Hoezee, enz. | ||
|
Ja, vraagt het vrij den bakker maar, Hoezee! Steeds zweeft zijn werkplaats in gevaar. Hoezee! En oliekoek en balkebrij : Maakt vaak de keuken ook onvrij. Hoezee, enz. | ||
|
Op vaste tijden van het jaar, Hoezee! Dan stuift het volkjen uit elkaar. Hoezee! Zijn dolste pret, zijn grootste lust Is, dat dan vaders schepter rust. ; Hoezee, enz. : | ||
|
III |
1 1 I.I III 1 1 II 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 i I III 1 III II 1 1 1 1 1 1 1 1.1 » 1 1 1 | 1 1 II 1 1 I'll l| 1 | 1 E 1 1 1 1 1 III 1 1 I I I I I Tl I 1 92 |
Niet allen treden weder in, Hoezee!
En zoo verspreidt zich ons gezin, Hoesee! En zoo trekt menig zwerver af.
Gewapend met zijn pelgrimsstaf.
Hoesee, enz.
Hun tint wordt bruin, hun oog vat gloed, Hoesee Maar dankbaar blijft het vroom gemoed, Hoesee Wijl 't vreedzaam beeld van 't zalig oord Der jeugd nog vaak het oog bekoort.
Hoesee, enz.
En viert de goede vader feest, Hoesee l Dan snellen zij, verheugd van geest, Hoesee ! Naar t vaderhuis in dichte rij.
Want huisgenooten bleven zij.
Hoesee, enz.
Zoo blijft vereend door broedermin, Hoesee \ Het immer jolig huisgezin, Hoesee!
Tot hen een nooit verbreekb're band Vereent in 't eeuwig vaderland.
Hoesee, enz.
i i 111 11 e i i i ⢠⢠i i i ⢠i ⢠i 1111 i 11 i i ! i i i i 11 i i i 111 i i i i s i i t i i i ; i e i i i i 11 i
93
aan him ^^ilaris.
Zeereerw. Heer Directeur,
Uw beelt'nis, kunstvol gepenseeld Door gloed van kleur en kracht van lijn, Zal steeds op quot;t verre levenspad Ons onvergeeflijk zijn.
De rimpel, die Uw voorhoofd ploegt. Het zilver, dat zich woelt door quot;t haar. Getuigen van Uw vadertrouw In stormen en gevaar.
Dat vaderoog, nooit wakensmoe.
Die blik, van matheid onbewust,
Uch, op hoevelen heeft hij reeds Met teederheid gerust!
Maar schooner straalt de beeltenis, Die geen penseel of kunst'naarsstift.
Maar priesterdeugd en priestermin In 't harte ons heeft gegrift.
O ja, in 's harten heiligdom.
Daar prijkt Uw beelt'nis op 't altaar; Haar kleuren blijven immer frisch,
Haar tinten zacht en klaar.
En diepgevoelde dankbaarheid Vlecht om dat beeld een bloemenkrans Van wonderzoeten hemelgeur En ongekenden glans.
En eeuwig duurt die bloempracht voort. Want eeuwig, in der eng'len woon. Zal zij het schoonste sieraad zijn Aan Uwe gloriekroon.
w
AAN HET
Galbge.
TP
FEESTGROET VAN DE OUD-LEERLINGEN,
door Dr. L. Simons.
Nog troont gij daarboven in hooger sfeer, En blikt op het woelige volkje neer,
O, Roermonds Collegeklokje.
Nog waggelt gij daar op uw steltenpaar Met rusteloos schutterig rompgebaar, Gehoorzaam aan 't minste schokje;
En roept met een stemmetje schril en schel De jonkheid tot arbeid, gebed en spel,
Steeds wakker gelijk 't geweten.
Wordt heden ook alle gezag verkracht. Gij âIJzren Professortje'' houdt de wacht;
Nooit vreesdet gij oproerskreten.
Zeg, denkt gij misschien aan den tijd van weleer. En zoekt gij de lustige schare weer.
Die eens â quot;t is zoo ver reeds â speelde En dartelde schaterend aan uw voet.
Met rozen op wangen en in 't gemoed,
Waar quot;t koor van de lente in kweelde?
Zeg, daagde voor u het verleden op En schudt ge, een grijsaard gelijk, den kop
Bij 't tobben met verre droomen? Zeg, hoordet gij weevol in 't grijs verschiet 't Geheimnisvol ruischen van 't aardsche lied, Dat murmelt van âgaanquot; en van âkomenquot;?
I I IHillli I 11 â llllilüill I I I 1 1:1 li | I | m I â | | | | | II | | 11,i , | |,|,| | in I. .1 I m i,lil I If
95
Schoorvoetend kwam de kleine, Gedost in 't nieuwste pak.
Arm vogelijn, verlatend
Voor 't eerst het oudrendak.
Hoe keek hij naar de muren Met roodbekreten oog!
Wat zag hij naar âde grooten'' Met schuchtren blik omhoog!
Doch van de tinne lispte Hem vriendlijk toe de bel:
âGeduld maar, lieve kleine, âDe tijd vervliegt zoo snel.quot;
âGewerkt, maar ook gebeden! âUw geest gericht tot God!
âZiedaar den troost van boven âBij 't wisslend menschenlot!quot;
âAl blijve in 't later leven
âU leed noch schuld gespaard,
âWel U, zoo gij dit troostwoord âIn 't harte trouw bewaart!quot;
Zes jaren spoedden henen Gelijk bij tooverslag;
Hij had al lang vergeten Dien droeven, eersten dag.
Had sinds zoo menigmalen Het vaderhuis begroet,
Om weer terug te keeren Met frisschen, nieuwen moed.
I !gt; I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I lll:l lllllllllillllllll
96
Had al de studiebankeri Doorloopen na elkaar, Tot waar âde grootenquot; tronen Op hoogen lessenaar.
Hij had de vroeger makkers
Zien weggaan, één voor één, En bleef van heel die menigt' Met enklen nog alleen.
Toen hij vertrok, met hoopvol
En tevens zwaar gemoed, Toen zond hem 't oude klokje Den laatsten afscheidsgroet.
Het zag hem droef vertrekken En lispte als met een traan: âEr is een tijd van komen, âEr is een tijd van gaan.quot;
Verre van dit zonnig Eden,
Schuilplaats van hun schoonsten tijd,
Zijn zij een voor een getreden In den ruwen levensstrijd.
Brood en arbeid, lach en tranen Deelden zij zoo menig jaar.
Thans? Verscheiden zijn hun banen Nimmer kruisen zij elkaar.
In de schaduw der altaren Zochten velen veilge ree;
Buiten dreigen woeste baren,
Hier is hemelklaarte en vree.
â¢fiiiiiiiitiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiitiiiitiiiiiiiiiiir
97
Hier, te midden der gebeden,
Dringt de verre naklank door
Van het klokje, dat hun schreden :
't Eerst geleidde op 't goede spoor.
Andren gingen 's werelds gangen, ; Tuk op glorie, macht, gewin,
Of beperkten hun verlangen :
Tot de zorg voor 't klein gezin. ;
Hoe het zij, geluk en vrede, :
Ach! de wereld gaf ze niet;
't Droombeeld, dat hun jeugd zich smeedde.
Rukt steeds verder in 't verschiet. :
Dan, bij 't lustloos ongenoegen, ;
Dat het aardsch genot verzelt;
Bij den wrevel, die, bij 't zwoegen,
Somtijds uit het binnenst welt;
In die nare twijfelstonde |
Klinkt een stem, zoo heimlijk zacht,
Als toen aan onz' kindersponde Moeder zong bij bangen nacht.
:
't Is de stem uit jonkheids oorden.
Die van Roermonds klokje daalt.
Die de welbekende woorden Weder voor 't geheugen haalt:
âGewerkt maar ook gebeden!
âUw geest gericht tot God!
âZiedaar den troost van boven âBij 't wisslend menschenlot!quot; :
*
98
â I â 11 mil lil I I I it I I I I I i I I 11 I e i ) I I I ⢠I ⢠I I i I I I I I t I I i I I I § I I ⢠I â â I : I I i e i I I I I I I I I i I â I I I
Ook thans weer klinkt een klank, een juichtoon uit de verte, De stem van Roermonds klokje tot ons luistrend harte; Zij roept voorbij de grens, zij roept van Noord tot Zuid. Ons, oud-studenten, op met vroolijk feestgeluid.
Welaan dan, zie ons hier in dichtgesloten rangen. Gescheiden door de ruimt', vereenigd door 't verlangen.
Gegroet, o Priester, die voor vijf en twintig jaar U koost het beste deel, den dienst van Gods altaar! Gegroet, o Leeraar, die de woorden hebt vernomen Des zoeten Heilands: âLaat de kleinen tot mij komen.quot; âO schenke God, zoo roept ons hart op dezen stond.
Zijn gunst aan U en aan 't College van Roermond!quot;
I I I I I II till I I I I ! I I lil III ll'i |'| | | | || I I I I I | || I It I I I | || lilllllllitll || lllillll I li | li
99
/
EEN STRIJDER GODS.
FEESTCANTATE.
Woorden van Dr. J. Schrijnen. Muziek van J. Haagh C. ss. R.
Qui eer tat in agone, non coronabitur, nisi legitime eer tav er it.
Die i7t het worstelperk kampt, wordt niet gekroond, zoo hij niet wettig lijk hebbe gekampt.
(2 Tim. 2, 5).
Koor.
Triomf! Daar rijst zij voor onze oogen,
De Kerk, des Heeren fiere Bruid,
Met glans en heerlijkheid omtogen,
En glorie straalt haar wezen uit.
Daar rijst ze â maar geen beeld van vrede.
Nu zij den Priester-Strijder kroont.
Nu zij den Held, in Christus' stede.
Voor heldenmoed en trouwheid loont:
Haar blikken zijn een kreet te wapen,
Het strijdzwaard glinstert aan haar zij, De strijdhelm fonkelt om haar slapen. En 't pantser strekt tot feestkleedij.
Dus staat zij pal en strijdt, geestdriftig, onbezweken, Reeds achttien eeuwen lang, om Godes eer te wreken.
ioc
Voordracht.
Sinds de Heer Zijn heil'ge stede Heeft op Petrus' rots gesticht,
Kent de satan duur noch vrede,
Voor der wereld bolwerk zwicht.
En de somb're helsche machten Braken, met vereende krachten,
Door geen tegenweer gestuit.
Uit haar onderaardsche schachten 't Zwadder hunner boosheid uit.
Koor.
Maar trouw blijft de Heer, en in glansloozen nacht Houdt het vaderlijk oog Zijner liefde de wacht.
Voordracht.
De reuzenstrijd om 's Allerhoogsten glorie,
Door 't vloekwaard kroost van Lucifer benijd. Die worsteling, de ziele der historie.
Ontbrandt opnieuw met helsche hevigheid. Des satans waan, die eens in 't vreedzaam Eden
Ons oudrenpaar ontrukte 't schoonste loon,
Dien 't vloekwoord trof van Gods verbolgenheden. Hij steekt de Bruid van Christus naar de kroon.
Koor.
Maar trouw, enz.
Voordracht.
Wat strijdplan mag de vijand kiezen?
Ruw geweld heeft uitgevoed,
Trotsche tirannen, dorstend naar bloed, Hunk'rend naar faam,
Heerschers, wier naam Zich in den maalstroom des tijds ging verliezen. Bonsden in vermeet'len waan Tegen 's Heeren bolwerk aan...
!OJ
Eeuwen slapen Zij in 't graf,
Wachten daar, in stof herschapen, 's Rechters wrekend oordeel af. Heerschersstaf, Oorlogswapen Zonken machtloos uit hun hand; En in 't bloed der martelaren Heeft de God der legerscharen Zijne zegevaan geplant. â
Immer nieuwe tijden rijzen, Tooverbeelden van paleizen, Dwaalbegins'len, Drogverzins'len,
Wekkend 's menschen lust en trots, Ziet ze verschijnen.
Ziet ze verkwijnen.
Ziet ze uiteengespat verzinken,
Wijl ze 't zwijgend lied doen klinken: âGroot slechts is de grootheid Gods!quot;
Immer nieuwe tijden rezen;
Wat mag 's vijands strijdplan wezen?
Solo (Tenor).
Ziet, nu verraderlijk, met slangenhuid omtogen. Gewapend met de leus van wetenschap en logen.
Ontrukt hij, door den haat verblind. God aan de ziel, de schoone ziel van 't kind.
Koor.
De wetenschap hebt Gij, o Heer, gegeven Den mensch tot kroon en lust en lafenis. Dat hij, door haar gesteund, mocht opwaarts streven Tot voor den troon van Uw geheimenis.
102
Zult Gij, o Bron van kennis, dan gedoogen,
Dat satan haar tot zijn vazal verlaagt?
Dat hij dien naam, die prijkt aan 's Hemels bogen, Op zijn banier en schild als strijdleus draagt?
Voordracht.
I
Zie, o Vader, uit den hoogen Uit des hemels liefdesfeer,
Met een blik vol mededoogen Op dees kinderbede neer.
Toen 't zwaard der wraak in Pharo s gouwen woedde, Naamt Gij het kroost van Isrel in Uw hoede; Gij, die 't vogelnest bewaakt.
Door Uw vaderzorg geheiligd.
En voor ongeval beveiligd.
Als het onweer dreigend naakt.
Of een roover heft het oog
Dreigend naar omhoog; â
Die het tenger bloempje spaart.
Als de noordwind slaakt zijn boeien En met huiv'ringwekkend loeien Door de bonte velden vaart; â
Red Gij, o Vader, de kroon onzer jeugd, Red toch haar onschuld, red hare deugd!
II
Jezus, die de kinderscharen Nimmer van Uw zijde stiet.
Maar hen om U heen zich garen. Aan Uw hart zich koest'ren liet; Die eens, der wereld ware grootheid leerend. Gesproken hebt, U tot de twaalven keerend:
103
âWordt den kind'ren slechts gelijk;
âTreedt met eerbied tot hen nader,
âWant het aanschijn van den Vader âZiet hun Engel eeuwiglijk.
âWie met hun lot is begaan,
âNeemt mij zeiven aan;quot; â
Gij, Wiens ondoorgrondbaarheid Wilde, dat door kindertongen U een loflied werd gezongen,
U een juichtoon werd bereid; â Red, lieve Jezus, de kroon onzer jeugd, Red toch haar onschuld, red hare deugd! Duo (Sopraan en Alt).
Heer, blijf bij ons, het wordt avond!
Duo (Tenor en Baryton).
Heer, blijf bij ons, het wordt avond!
Laat Uw kind'ren niet alleen.
Zie, hoe de neev'len des doods ons omhullen. Vrees en ontstelt'nis den boezem vervullen.
Hoor toch der onschuld geklaag en geween! Heer, blijf bij ons, het wordt avond 1 Koor.
Heer, blijf bij ons, het wordt avond! Voordracht.
Daar flikkert een scheem'ring, daar glinstert een straal. En aan des Hemels somb're transen Verschijnt, met onverdoofb're glansen. Het teeken van de zegepraal.
Weer dreunt een strijdzang door de luchten;
Hoog waait des Heeren vaan.
Ja, 't oog van Zijne liefde waakt;
Een drom van fiere strijders naakt. Die satans razernij niet duchten.
Maar pal voor Christus staan.
104
Daar rijst des Heeren Bruid, die haar getrouwen leidt, Geen dolk doopt in venijn, geen masker voert ten strijd. Maar op haar vlammend schild met diamanten stift: âGeloof en Wetenschap en Liefdequot; heeft gegrift. Steeds nieuwe wapenroem zal haar blazoen omstralen; Haar strijd is zegepralen.
Quartet (Mannenstemmen).
Daalt, o vredeseng'len, neder.
Die voor 's Heeren aanschijn staat,
Milde schenksters van Zijn gaven.
Wijze tolken van Zijn raad.
Wees, Geloof, des jong'lings leidster.
Wees zijn troost en steun en stut;
Schenk, o Wetenschap, uw kennis,
Uit der Waarheid bron geput;
Stort, o Liefdegeest, Uw adem
Over bei uw zust'ren uit;
Schenk der aard' den vrede weder.
Red het kroost van Christus' Bruid.
Koor.
Waar dees hemeldochters zweven.
Waar hun hemelzefirs beven â
Of een tooverstaf het leven Opriep uit den barren grond â
Kiemt een bloempracht, bont van kleuren,
Rijk van geuren,
In het rond.
Voordracht.
Een ander strengel' lauwerblaren.
Den held ter eer, die volken sidd'ren deed; Wij roemen hem, die vijf en twintig jaren Voor Christus' eer en 't heil der kleinen streed. Geen smartkreet doet zijn glorie tanen;
105
! I M gt; f P l'l ⢠I M I It I ' I I gt; M I M I I ! I I ⢠* M M M I II I â I I M I I I I I I I M M I I ⢠I I I â M ia I
Zijn zegekroon wordt door geen bloed ontwijd; Zijn zegekroon ompaarlen slechts de tranen, Door 't ouderhart uit dankbaarheid geschreid. Hem heeft de Heer ten strijd de lendenen omgord Met kracht en zegening;
En daag'lijks, als hij opwaarts ging, Om door Zijn Bloed en Lichaam zich te sterken. Heeft Hij, Die groot is in Zijn werken, Hem Cherubijnenmoed in 't priesterhart gestort. Hem zij eere. Hem zij glorie,
Die den palmtak der victorie Voor zijn dienaar houdt bereid;
Hem zij lof in eeuwigheid!
Kinderkoor.
Hem zij eere, Hem zij glorie,
Die den palmtak der victorie Voor zijn dienaar houdt bereid;
Hem zij lof in eeuwigheid!
Slotkoor (Unisono).
Stroomt dan, priesters, leeken, samen. Die gevormd zijt door zijn hand;
Die op ongelijke banen,
Ja, die geenzijds de Oceanen De banier des kruises plant.
Geest'lijk nakroost van zijn pogen.
Mengel met ons lied uw toon.
Dat het opklimm' tot den hoogen.
Dat het schaat're voor Gods troon: Hem zij eere, Hem zij glorie.
Die den palmtak der victorie Voor Zijn dienaar houdt bereid;
Hem zij lof in eeuwigheid!
106
I I I t ⢠I I gt; i I I I I I M I ⢠I I M I M I M I I I â M ⢠M I t ⢠t M I I M I M ! I 1 ( t I I ! I M ! I! ! I t ! 1 â¢
Monsieur I'Abbe Dirix, Directeur du College Episcopal de Ruremonde, a 1'occasion de son Jubilé sacerdotal.
Le temps infatigable emporte a chaque instant Nos plaisirs, nos chagrins, les jours de la jeunesse; De son pied de géant il écrase sans cesse Les heures du vieillard et les jours de I'enfant.
Rien n'est done a I'abri de ce terrible bras?
Tout doit-il done périr, dans ce vaste naufrage? Et ne peut-on laisser de traces sur la plage Que nous foulons, hélas! d'un si rapide pas?
Non! tout ne périt pas; les vertus, les bienfaits Echappent a l abime oü tout se précipite; Les vertus dans le del, retrouvent leur mérite. Les bienfaits dans le coeur, ne périssent jamais.
C'est pourquoi, dans ce jour, Prêtre de FEternel, Nous venons t'apporter nos voeux et notre hommage; Nous venons applaudir a ton noble courage, Consacré par le temps et béni par le ciel.
Vingt-cinq ans de travaux, d'étude et de combat N'ont pu lasser ton bras ou refroidir ton zèle: Toujours infatigable, ardent, sage et fidéle.
Nous saluons en Toi, le Prêtre et le soldat.
Poursuis, Prêtre vaillant, poursuis d'un pas heureux La noble mission, confiée a ton zèle ;
Plus le combat est long, plus la couronne est belle Promise a tes vertus, a tes travaux glorieux
107
I ill I I â I M I I I I I I I I ⢠I I I MI I I I I I I I I I I I I I I I I I I I III I I I I I I I I I I I I I I I If I I I
La gloire qui t'attend au sein des bienheureux Peut seule dignement servir de recompense; Cependant puisses-tu déja gouter d'avance La paix et le bonheur qui t'attendent dans les cieux,
Et nous, pour qui tu fus un père vigilant,
Nous t'offrons ce bouquet, dans ce beau jour de fête,
Afin qu'il te rédise en fidéle interprète
Les pieux sentiments d'un coeur reconnaissant.
Les Religieuses Ursulines de Rtiremonde.
11111:11111
108
â
Zeer Eerwaar de ZeerGeleerde Heer,
Bij al het schoon, wat men U biedt,
Versmaad, Eerwaarde Heer, de hulde niet,
U gebracht op heden door de bewoners van deez' Put, Die door Maria's arm beschut.
Ten Hemel zonden wensch en beden.
Uw trouwe Buren vlochten thans
U, Jubilaar, een eerekrans
Van de allerschoonste en fijnste bloemen;
't Zijn tolken van den liefdegloed,
Die gloeit en brandt in ons gemoed
Tot U, wiens deugden allen roemen.
De goede God schonk U tot loon
Op aard de Zilveren Priesterkroon :
Voor 't goed, vooral der jeugd bewezen,
In deze vijf en twintig jaar,
Aan het hoofd van de studentenschaar.
God zij thans luid hiervoor geprezen!
Onz' jubelwensch steeg voor Gods troon. Die juichend U wordt aangeboón.
In naam van alle Putgenooten.
Aanvaard, Eerwaarde Directeur,
Deez' bloemenruiker, rijk in kleur,
Moog' onze hulde uw vreugd vergrooten.
to^
I I I I I I I I I I ⢠i I I I I I I I I I t I I t-lM.I I I I â I i I I I I I I I I I I I i I I I I I I I I I U I I I I
â 1111II i11111111 i I
INHOUD.
Blz.
Voorwoord...............7
Theophile Dirix.............9
De Vooravond..............11
1871 â 15 Juni â 1896...........14
De receptie...............29
Dc feestdisch..............50
Het avondfeest..............61
De pers................66
Naamlijst der Professoren en Studenten ⢠â ⢠â 75
â â oud-Studenten.........78
Bouquet aan den Bisschop.........82
Bouquetten aan den Jubilaris........83
Fest-Hymnus..............89
Cantilena................90
Ons Huisgezin..............91
Aan het Klokje van Roermonds College .... 95
Een Strijder Gods.............100
Gedicht der Ursulinen...........107
Bouquet der Buren............109
â â *
,
i-m *
TT