Vak 144
REISVERHALEN
m II 1 «li 1 1
1
\ A N
CARL MAY.
i.
POTOMBA, de Ehri.
i f
JAN DE ZEEUW.
Idh
1 ii
f |§
Ja
WYCHEN
GOMAR1US --------- 1896_
MES.
77
iixiiixiiiixixiiiixiix::iinni;cii_iin_x.tiiiiiiix_iiii_r ciiii lA
â af
1
I I il |6gt;
I
Hl li
m
I
af
U
tuxrx-fxiiiiii) riiiiiiirxriiixrtiixiiixrmrmiiixrx ocxxid ri/ pgt;-4, quot;yf\
I
E rV firl'
I I
I #
I
ti
i
/' /â
C 7ió /â /// -
⢠* x ⢠â
Vak H'.
fjn
REISVERHALEN
I
VAN
CARL MAY.
I
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN.
A
1. POTOMBA.
breidde zich over ons uit; doch het stralende licht der zon ver- mocht niet de donkere schadu-
EN verhitte,wolkenlooze hemel
I het stralende licht der zon ver
wen te verdrijven, welke op de aangezichten der wakkere zeelieden lagen, die met mij om het flikkerend vuur zaten, waarboven we ons middagmaal gereed maakten.
Voor ons lag het lage strand, door drie scherpe, gevaarlijke koraalringen omgeven, waarbuiten de zee heur breede, glanzende baren deed dansen, terwijl daarbinnen het water zoo onbeweeglijk lag, als had nooit een storm deze gloedvolle oppervlakte beroerd. Achter ons werd het land hooger, hier en daar met groene eucalyptusstruiken, dichte theeboomen en groepjes van Cal-litris - conifeeren bedekt , waaronder en waarnaast talrijke accacia en andere fijn-
f
REISVERHALEN.
gesteelde leguminozen-soorten een dichte bodembedekking vormden. Op het hoogste punt van 't eiland stond Bob, de timmerman, want aan hem was de beurt om met den verrekijker onophoudiijk den gezichteinder te onderzoeken, ten einde een of ander zeil te ontdekken, dat ons bevrijden moest uit den alles behalve aangenamen toestand.
Wij hadden met onzen goeden driemaster Poseidon voor nu zes weken geleden Valparaiso verlaten, om naar Hongkong te zeilen; in korten tijd de zeer bevaren lijnen naar Callao, Guajaquil, Panama en Acapulco doorsneden en waren toen met snelle, gelukkige vaart met een stijven zuid-oostpassaat altoos scherp naar 't Westen gegaan, toen dichtbij de hoogte van Ducir en Elizabeth de passaat in een orkaan oversloeg, dien ik met zulk een kracht en onweerstaanbaarheid gedurende mijne vele reizen nog nimmer beleefd had.
8
POTOMBA.
Wij waren gedwongen geworden alle zeil, behalve het storradoek, in te halen, en toch nog was de Poseidon een speelbal der bewogen baren, die door geen men-schelijk verstand, kracht en bekwaamheid te regeeren was geweest. Nu lag onze driemaster gestrand buiten tusschen de verraderlijke koraalklippen. De kotter was overboord geworpen, de sloep had bij onze stranding een onherstelbaar lek bekomen, en de langboot stak op een spits, pen-scherp rif, dat zich in zijn boeg had geboord gelijk een Maleische dolk.
De branding buiten reet plank na plank van het schip, dat onredbaar verloren was, en wij hadden twee dagen lang met alle kracht moeten zwoegen, om van vracht en proviand zooveel te bergen, als wij aan de vraatzuchtige zee vermochten te ontrukken.
Nu was de zware arbeid aan 't eind, en wij zaten, gelijk reeds gezegd, tusschen
9
REISVERHALEN.
groote koopmansgoederen en vaten rond het vuur en trachtten elkaar in donkere gezichten te overtreffen.
Terzijde stond kapitein Roberts en was bezig lengte en breedte op te nemen. Wij hadden reeds vroeg een vrijen hemel, en het moest hem alzoo thans niet zwaar vallen zijn berekening te doen, daar alle sterrenen zeevaartkundige instrumenten gered waren.
« Zijt gij gereed, kapitein ? » vroeg de stuurman, terwijl hij een bonk gezouten vleesch van 't vuur nam, om de braadhoogte te meten, die het noodig had.
« Aye, aye, stuurman ; al klaar !» klonk het antwoord.
« Waar zijn wij ? »
« We zitten anderhalven graad noordelijk van Steenbok, op de 239 graden oostelijk van Ferro. »
« Ik wou, dat we t' huis zaten in Hoboken bij moeder Grijs,een vasten stoel of een
IO
POTOMBA.
bank onder onze broek en een hartversterking onder den neus hadden. Wat denkt ge wel van dit eiland, kaptein ? Zou de naam uit te vinden wezen ? »
De kapitein boog bedenklijk het hoofd. « Hier zijn meer eilanden als pokkentee-kens op uw aangezicht, en dat is tamelijk veel gezegd, gelijk ge wel weet, stuurman ! Hebt gij voor ieder bobbeltje een goeien naam bij de hand ? »
De stuurman verwaardigde zich het komplimentje dat hem gold, met een zuur lachje te beantwoorden.
« Ik heb er nog niet aan gedacht mijn eerlijk gezicht te benamen, kaptein. Maar wanneer dit rampzalig stuk koraal hier nog geen naam heeft, zoo zijn we waarachtig gedwongen het er een te geven. Ik stel voor het te noemen : Stuurmanspokkenei-land! »
Hij scheen zijn gezegde voor almachtig geestig te houden, want de zuurheid van
REISVERHALEN.
zijn gelaat verdween, en naast het reusachtig stuk pruimtabak, dat in zijn mond bonkte, kwam een lach op, die niet krachtiger en hartelijker gedacht kon worden.
De discipline is aan boord buitengewoon streng, en zelfs de onbevarenste kajuitsjongen weet, dat allen moeten meedoen, als de kapitein of de stuurman zoo goed is te lachen ; alleen moet de een zich zachter, de ander zich luider openbaren, naargelang van den rang dien hij op de scheepsrol inneemt. Dientengevolge openden thans alle mannen, van den opperbootsman af tot den kajuitsjongen toe, de lippen om hunne lachspieren plichtmatig in beweging te brengen.Zelfsde kapitein vertrok den mond, alsof hij een toestemmend lachen verzocht en zei toen :
«Ik denk, dat wij ons tusschen Hout en Miloradewitsch bevinden op een ver naar het Westen vooruitgeschoven plaats. Wat zegt gij er van, Master Charley ? »
12
POTOMBA.
Ik was op 't schip de eenige passagier geweest, met wien de anders niet spraakzame kapitein zich onderhouden had ,* het kwam mij voor, alsof ik me op zijn toegenegenheid mocht beroemen, en hij had werkelijk de gewoonte aangenomen mij meer om raad te vragen, dan het bij een zeeman tegenover een leek in 't vak geschiedt. Vandaar kwam het, dat de manschappen een zekeren eerbied voor mij hadden, die mij in onderscheidene gevallen zeer te pas kwam en menigmaal een klein voorrecht of eenige verlichting ten gevolge had.
« Mijn berekening van zoo even is geheel akkoord met de uwe. Sir, » antwoordde ik. « Alhoewel ik in deze streken nooit ben geweest, zoo heb ik ze toch nauwkeurig nagezocht. Zeker is het in elk geval, dat we ons op een der Pomatu-eilanden bevinden, ofschoon dit eiland een anderen vorm toont, gelijk men bij de overige heeft gezien. »
13
REISVERHALEN.
«Ik ben ook nooit hier geweest», voegde de kapitein erbij. « Kunt gij me ook zeggen, hoe de Pomatu-eilanden gevormd zijn ? »
« Zij zijn uit koraal gevormd, meestal rond gebouwd en niet veel hooger dan de oppervlakte der zee. Zij hebben in hun midden meestal een klein meer en bevatten gewoonlijk op den harden koraalgrond een laag vruchtbare aarde. De archipel werd het eerst ontdekt door den Spanjaard Qui-ros in 't jaar 1606 en bevat meer dan zestig groepen. »
« Hoe ver zijn we hier van de Gezelschapseilanden ?
« Zij liggen, gelijk ge wel weet, in de richting van Zuid-Oost naar Noord-West tusschen 10 a 18 graad Zuiderbreedte en 22 tot den 200 Oosterlengte. Wij hebben alzoo, wanneer wij eerst nauwkeurig West nemen en dan langzamerhand naar't Noorden ombuigen, 16 graden, en wanneer wij
14
POTOMBA.
den meridiaan en de breedtelijn schuin naar 't Noord-Westen snijden, 14 graden te meten. »
Roberts zag mij bij dezen uitleg ietwat scheef aan. De goede kapitein was namelijk op zijn gewonen koers bepaald een knap scheepsbevelhebber, doch scheen in andere luchtstreken niet op zijn gemak te zijn.
« 14 Graden; dat is een lange weg, vooral wanneer men vastzit en geen schip onder den voet heeft! » bromde hij.
« Hm ! Ik geef u toch den raad zooveel hout mogelijk op te bergen en een vaartuig te timmeren. Wij hebben gelukkig een timmerman en kunnen allen een handje bijspringen. Ook van de sloep, wanneer wij ze niet hadden laten [schieten, van den kotter had stellig nog iets goeds gemaakt kunnen worden. Wij hebben echter het goed gered, en nu zitten wij vast, gelijk gij zelf zegt. »
15
REISVERHALEN.
« Well, Sir, dat is uw meening », antwoordde hij verdrietig. Gij weet, dat de kapitein in zulke gevallen zijn plicht moet weten. De lading is mij toevertrouwd en ik moet haar zoeken te redden. »
Het schip en het leven zijner mannen waren hem eveneens toevertrouwd, en hij had de verplichting op zich genomen daaraan te denken, dat wij, gelijk zijn schip het aantoonde, zonder vaartuig hier zoo goed als verloren waren. Het leven des menschen geldt meer dan geld en goed. Doch ik zweeg, want mijn herinnering had hem mopperig gemaakt, en het was niet mijn voornemen hem ernstig te vertoornen, zijn goede gezindheid te verliezen of me zelfs zijn vijandschap op den hals te halen.
« Aan 't eten! » kommandeerde thans de stuurman, en alles rukte aan om zich te goed te doen aan de dikke erwten met gezouten vleesch. Ik had geen trek in dezen
i6
FOTOMBA.
zwaren zeemanskost en nam mijn buks om langs 't strand te flaneeren, waar ik geheele scharen zeevogels bemerkt had, die hier op de Pomatu-eilanden (') veelvuldig voorkomen. Ik keerde werkelijk na een kwartiertje met een rijken buit terug en werd met een vroolijk hoezee ontvangen. De vogels kenden niets van de vijandschap der menschen, daarom had elk schot danig onder hen huis gehouden. Ze werden haas-tig geplukt en gebraden en leverden een namaal, welks smakelijkheid den kapitein weder in goed humeur bracht.
« Ge zijt een kranige kerel, Charley », blufte hij. Ik kon zoo 'n schietding net houden, zoo ik wilde, ik schoot toch niets, daarvan ben ik vast overtuigd. Een riem slaan durf ik tegen den beste, maar een stuk wild schieten, hm! dat is toch een heel ander ding. Zeg eens, Charley, zouden er
1. Deze worden ook « vlakke eilanden, gevaarlijke eil., lage eil. en pareleilanden gt; genoemd.
Reisverhalen. 2
17
REISVERHALEN.
hier aan bak- of aan stuurboord wel men-schen wonen ?»
«Ik denk 't wel ! »
« Van welk soort ? »
« Natuurlijk Maleiers. Gij weet toch, dat de meeste Pomatu-eilanden bewoond zijn !
« Dat weet ik ; maar of er buurlui zijn, dat is voor ons thans hoofdzaak. »
« Best mogelijk. Toch, geloof ik, dat Hout en Miloradowitsch, waartusschen wij ons waarschijnlijk bevinden, bewoners hebben. »
« Is 't een gevaarlijk volk ? »
« Zij zijn meestal wilden, en men vertelt er zelfs bij, dat er onder hen nog menschen-eters gevonden worden. »
« N og al prettig, Charley ! Wij hebben natuurlijk van zulke lui niets te vreezen,
maar...... ik geloof, dat wij met hen niet
kunnen onderhandelen; ik ken niemand onder ons, die hun taal verstaat. »
De stuurman duwde een verbazenden
i8
PüTOMBA.
bonk gezouten vleesch tusschen de tanden en brabbelde koelbloedig :
«Ik versta ze heel goed, kaptein !» « Gij ? Hoedat ? Waar zoudt ge dat geleerd hebben ? »
« De menscheneters spreken alleen met zóo een ! »
Hij stak het mes in de hoogte, trok het barste gezicht, dat hem mogelijk was, en maakte een beweging met den arm, als wilde hij iemand in tweeën snijden.
« Gij verstaat toch geen Maleisch, Charley ? » vroeg de kapitein.
Ik moest lachen. Charley was steeds de man, van wien de goede Roberts geloofde, dat hij alles wist of kende.
lt;( De waarheid is, kaptein, dat ik me gedurende mijn verblijf op Sumatra en Ma-lakka in het eigenlijk Maleisch, dat in den geheelen Australischen archipel de gewone handelstaal is, wat geoefend heb. Het Kawi, de Maleische priester-en schrijftaal, ken ik
19
REISVERHALEN.
niet. Toch geloof ik mij duidelijk te kunnen maken bij de bewoners van de Tahiti-en Marquesas-eilanden. »
« Dan zijt ge geen goed Duitscher meer, maar een echt Polynesiër. »
« De zaak is zeer eenvoudig : men kan zich gemakkelijker in een vreemde taal uitdrukken naarmate men in zijne schooljaren een goeden filologischen grondslag gelegd heeft. Bij de bekeering der west-maleische volksstammen tot de leer van Mahomed heeft hun taal zeer veel overgenomen van het Arabisch en wordt heden nog met arabische letters geschreven. Daar ik nu het Arabisch versta, zoo is het licht te begrijpen, dat mij een overzetting in het Ma-leisch niet veel moeite kost. »
« Dan moet gij ons als tolk behulpzaam wezen, wanneer wij een samenkomst hebben met de Polynesiërs. »
« Ahoi-iiiih ! » klonk 't van de hoogte naar beneden.
20
POTOMBA.
Bob moest bepaald iets bemerkt hebben en gaf ons dit te kennen met den gewonen zeemansroep.
« Ahoi-iiiih ! » antwoordde de kapitein. Wat is 't, timmerman ? »
« Een zeil in 't zicht! »
« Waar ? »
« Zuid ten Oosten !»
« Wat voor een ? »
« Geen schip, maar een vaartuig ! )gt; De zeeman is gewoon alleen driemasters schepen te noemen. Bob had den kijker weer voor het oog geplaatst en staarde nogmaals oplettend naar de verte. Zich naar ons wendend, berichtte hij : « Het is een schuit of zoo iets, met een zeil, gelijk ik er nog nooit een gezien heb ! »
« Zou 't ook een Maleische prauw zijn ?» voerde ik aan. « Laten wij eens gaan zien om ons te overtuigen, kaptein ! »
De anderen moesten achterblijven, en wij liepen naar boven. Toen wij daar aan-
21
REISVERHALEN.
kwamen, was het zeil intusschen met het bloote oog zichtbaar. Ik nam Bob's verrekijker over, zag er door en gaf hem dan aan den kapitein.
« Zie eens, kaptein ! Het is een soort boot, gelijk er op de Gezelschapseilanden zijn. Ziet ge dien boom op zij ? Deze moet zeker voor omslaan behoeden, dat misschien licht plaats kan hebben, wijl het lange, smalle vaartuig alleen breed genoeg is voor één man en een ronden bodem heeft. »
« Ik geef u volkomen gelijk, Charley ! Maar kijk daar eens: een, twee, vier, vijf, zeven,acht,tien, twaalf,dertien, veertien zeilen daar achter! » telde Roberts. « Zij liggen heelemaal buiten den gezichteinder en zijn niet grooter dan een rijksdaalder. Hier, pak den kijker eens ! »
Ik overtuigde mij, dat hij goed gezien had. De meeste stippen werden grooter. Wij hadden met vijftien vaartuigen te *
22
POTOMBA.
doen, die, naar den bouw te zien, ieder met een man bezet waren.
« Kom achter dit rif i » zei ik. « Wij weten niet, wat zij in hun schild voeren en hebben geen reden om ons zoo bloot te geven. »
« Zou de eerste man ons al niet gezien hebben ? » vroeg de timmerman.
«Neen»,antwoorddeRoberts.«Wij staan, wel is waar hoog tegen den gezichteinder in zijn oog, maar alvorens wij zijn boord niet nauwkeurig kunnen opnemen, kan hij ook ons niet zien. Overigens moet hij een zeer ervaren en krachtig zeeman zijn. Zie eens, Charley, hoe glad hij voor den wind en met de riemen van eiken golfslag gebruik maakt ! Hij komt bepaald met volle stoom dichterbij en werkt, op mijn eer, alsof hij vervolgd wordt. »
« Dat schijnt ook werkelijk het geval te zijn, kaptein. Ik kan hem met den kijker zeer duidelijk onderscheiden en zie, dat hij
23
REISVERHALEN.
zich soms opheft, om achterwaarts te staren. »
« Wat moeten wij doen, Charley ?)) « Wij moeten de zaak onderzoeken, eer de anderen in het oog komen. Zij mogen hem vervolgen of niet, zij mogen ons vriendelijk of vijandig gezind zijn : wij moeten ons in elk geval voorbereiden, als hadden we een aanval te wachten. »
«Hm,ja,gij hebt volkomen gelijk.Maar... hm ! Word ik aan boord aangevallen, zoo weet ik, wat ik te doen heb, maar hier te
lande...... hm ! Zou het niet beter wezen,
als wij onze jongens hier boven post deden vatten ? Wij waren dan gedekt en konden het geheele terrein bestrijken. »
« Heel goed ! Maar is 't niet beter, om ze tusschen twee vuren te nemen ? » « Hoe zoo ? »
« Wij verdeelen ons. Terwijl wij bij onze effecten in elk geval een wacht plaatsen, neemt de eene helft hier boven een stelling
24
POTOMBA.
in, de andere gaat vooruit naar het strand om op gindsche klippenrij daar links den koraalring te bemachtigen. Zijn die daar aangekomen, dan leggen ze zich, om niet gezien te worden, plat op den grond neer en snellen, zoodra 't op een vechten aankomt, op een gegeven teeken langs den ring tot bij de plaats daar juist voor ons, waar de koralen de bocht omsluiten, waarin naar alle waarschijnlijkheid de Maleiers binnenloopen. Op die manier zijn ze ingesloten en moeten zich overgeven, zoo ze niet willen sterven. »
« Juist, dat is 't best, Charley ! Maar hoe komen wij te weten, wat die lui in 't schild voeren en welke gezindheid zij jegens ons hebben ? »
« Ik zal den man ontvangen en met hem spreken,»
« Bepaald, dat wil hij ! Als hij u om 't leven brengt ? »
« Dat zal hij niet doen, kaptein ; daar
25
REISVERHALEN.
kunt gij gerust op vertrouwen. Die lui zijn ouder gewoonte altoos nog met slingers, knotsen, pijl en boog, lans en werpspies gewapend en tegenover een goede buks geheel onmachtig, of zij bezitten schietgeweren en dan zijn deze bepaald oude musketten en keigeweren van 't jaar Nul,die tegen onze wapens net zooveel doen als een vuist tegen de bierkaai. Zoo gij wilt, kunt gij met Bob evengoed hier blijven ; ik zal dan het overige wel plooien. )gt;
« Ga je gang, Charley! Ik ben overtuigd, dat gij stellig het goede voor hebt. » Ik snelde naar beneden.
« Wat hebt gij gezien, Sir ? » vroeg me de stuurman, toen ik beneden kwam.
« Vijftien wilden, die in evenvele vaartuigen naar de Zuidbocht komen. »
« Well, dat is goed, dan komen we toch eens te weten, welken naam dit verwenschte eiland heeft. Gij komt toch zeggen, dat wij ons moeten wapenen ? »
20
POTOMBA.
« Precies zoo. Jim en Claassen kunnen hier bij de pakjes blijven. Gij, stuurman, gaat met de helft der jongens daar ginder naar den ring en werkt u daar voorzichtig voorwaarts. Gij legt u plat neer, opdat de vijand u niet bemerkt. Komt het tot een gevecht, zoo staat gij op bij 't eerste schot of een teeken van mij en den kapitein en loopt voorwaarts om de bocht te omsingelen. Hebt ge mij begrepen ? »
« Aye, aye. Sir ! »
« Dan voorwaarts! Daar is geen tijd te verliezen ! »
De stuurman verdeelde met haast wapens en patronen onder zijn volk en ijlde met hen naar zijn standplaats.
« Al de anderen naar den kaptein! Neemt zijn scheepssabel en zijn snaphaan mee, ook een geweer voor den timmerman. »
Zij hadden zich spoedig gewapend en schreden naar de hoogte. Ik zelf stak mes en revolver bij me, greep de stompen, en
2?
REISVERHALEN.
daalde langs de helling af om de aankomende eerste schuit te gemoet te treden. Het eiland was niet groot. Ik kreeg den man na tien minuten in 't gezicht.Hij naderde reeds den koraalring, die slechts zoo' n breede doorvaart openliet, dat men ze best met een aanloopje overspringen kon. Zijn zeil was nu gereefd, en hij bediende zich alleen van de riemen om de niet gemakkelijke straat te passeeren.
Het gelukte hem. De branding dreef hem door het nauwe kanaal in het rustige water der bocht. Hier verhief hij zich onmiddellijk achter de koralen. Hij had de riemen neergelegd en naar pijl en boog gegrepen. Naar het eiland gekeerd legde hij den pijl op zijn boog en schoot af. De pijl bereikte het land op een plaats, die om en om twintig schreden van de kust binnenwaarts lag.
Nu was het zeker, dat hij door de anderen vervolgd werd. In elk geval zocht hij van het land uit de doorvaart te verdedigen en
28
POTOMBA.
had zeker willen beproeven of hem dit met een pijl mogelijk was. Nu greep hij weer de riemen en kwam naderbij.
Deze zijde van het eiland toonde een dichteren plantengroei dan den Noordkant, waar wij onze legerplaats hadden opgeslagen. Daar stonden hier zeer hooge,breed-waaierige varens,die een onverwachte overvalling buitengewoon begunstigden. Ik draaide mij zoo haastig mogelijk dichterbij.
Mee stiet zijn boot tegen den wal. Hij trok hem half uit het water, hing den koker over den schouder, nam zijn boog ter hand en greep tevens naar een buks, welks riem hij over den anderen schouder sloeg. Naar de plaats gaande, waar zijn pijl was neergekomen, raapte hij dezen op en stapte daarna met regelmatige schreden en in rechte lijn landwaarts in. Hoogst waarschijnlijk wilde hij den afstand weten in het geval, dat zijne vervolgers in de bocht drongen en aan land wilden stappen. Zijn heele plan was dat van
29
REISVERHALEN.
een onversaagd en toch voorzichtig man, die geen omstandigheid, hem nuttig, over het hoofd ziet. Hij kwam zoo dicht bij me, dat ik hem duidelijk zijne schreden hoorde tellen.
« Satu, dua, tiga, ampat, lima, anam, tud-schuk, dalapan, sambilan, sapuluh, » telde hij van een tot tien en ging daarna voort ; «Sapuluh-satu,sapuluh-dua,sapuluh-tiga...»
« Rorri-halt! » gebood ik toen, uit de varens te voorschijn komend, en legde hem de hand op zijn schouder, «Wat doet gij hier ? »
Hij verschrikte stellig door mijn plotselinge verschijning, kwam in een oogenblik tot zich zelf en haalde een mes uit zijn gordel. Nu kwam hij aanstonds tot de overtuiging, dat ik geen inboorling was, en liet weldra den opgeheven arm zinken.
« Inglo ? »
« Neen, ik ben geen Engelschman. »
« Franko ? »
3°
POTOMBA.
« J a, » antwoordde ik, want ik nam aan, dat hij met dat woord niet een Franschman beduidde, maar het in den ruimsten zin bezigde, waarmede alle Westerlingen be-y doeld worden.
« O, dat 's goed ! Zijtge alleen, Sahib ?» Was hij in Indië geweest, dat hij me dezen titel gaf? Ik gaf de voorkeur daarvan geen verklaring te geven en vroeg ; « Wat zoekt gij hier ? »
« Redding. » Hij stapte ietwat terug en wees met de hand naar de booten, die nu zoo dichtbij waren, dat men hun boord duidelijk onderscheiden kon. « Zij vervolgen mij en zoeken mijn dood. »
« Waarom ? »
«Ik ben rijk en een christen. »
«En zij zijn heidenen ? »
Hij knikte toestemmend.
«Eenigen zijn nogheiden,anderen hebben zich door de Inglo-Mitonare laten doopen.» Mitonare zeggen Missionaris, en met
31
4
REISVERHALEN.
dit woord beduidt de in zijn taal zeer eenvoudige eilander ook alles, wat met den godsdienst der Christenen in verband staat, zooals: kerk, prediker, altaar, kruis, godsdienstoefening, bijbel, zalig, heilig, vroom, enz., dat alles mttonare geheeten wordt. Hier was evenwel een protestantsche zendeling der Engelschen bedoeld.
« Zoo zijn deze toch christen; al zijn zij gedoopt door de Inglo-Mitonare ?»
« Eita-neen. Zij gelooven nog altoos aan Atna, den goeden god, en aan Oro, den god der boosheid, doch zij hebben zich laten doopen, omdat zij dan met de Engelschen handeldrijven en schoone dingen bekomen kunnen. »
« Hoe heet gij ? »
« Potomba. »
lt;i Van welk eiland zijt gij ? »
« Ik woon in Papetee, de hoofdstad van Tahiti. Ik ben een Ehri, een landsvorst, en zal al mijne vijanden dooden. »
32
POTOMBA.
Hij schouwde achterwaarts. Juist beproefde de eerste boot zijner vervolgers het enge kanaal binnen te komen. Hij sprong terug tot de plaats, waar zijn pijl neergekomen was, spande zijn boog en mikte. De pijl snorde van het koord en had den man stellig getroffen, doch een terugslaande golf hief den kano op en het spitse hout boorde in 't hout der voorzijde. Onwilkeurig bukte de roeier der boot uit vrees voor de pijl en hield de riemen intusschen stil ; dezelfde golf, welke hem ingestuwd had, nam bij den terugslag zijn vaartuig mee en dreef het andermaal naar den ingang.
« Hallo-o-oh! » riep men daar bij den koraalring, en toen ik mij op zij wendde, zag ik den stuurman metzijn volk naar voren springen.
De stuurman had het pijlschot op verkeerde wijze voor een signaal gehouden en vernietigde alzoo mijn heele plan. De vervolgers hadden mij intusschen reeds gezien,
Reisverhalen. 3
33
REISVERHALEN,
zonder van hun voornemen af te zien; toen zij evenwel bemerkten, dat het eiland bevolkt was door een troep mannen, gekleed als Europeanen, besloten zij af te deinzen, trokken zeil in top en roeiden afwaarts. Ik ging nu naar het strand, waar Potomba op de knieën was gezonken.
« Bapa kami lang ada de surga, kuduslah kiranja namamu » {'), hoorde ik hem bidden volgens den woordenklank, die de bekeerden der Missie plegen te gebruiken. Dan sprong hij verheugd op en riep: « Ik ben gered! Zij vluchten, en ik behoef niemand te dooden. Mijn pijl had bijna Anoui, den valschen priester, gedood, die evenwel de vader mijner vrouw is! »
Alleen de nood had hem alzoo tot tegenweer gedwongen, en ik erkende in aanroep en in uitgesproken dankgebed een vrome, echt christelijke gezindheid, welke onder de bekeerlingen met hun oprechtheid des harten
Letterlijk; Onze Vader, die in de Hemelen zijt, geheiligd zij uw naam....
34
POTOMBA.
niet zeer dikwerf wordt aangetroffen. De jonge man verwierf daardoor aanstonds mijn sympathie. In elk geval was hij niet uit berekening, maar uit wezenlijke overtuiging christen geworden.
« Wie is Anoui ? » vroeg ik hem.
« De priester van Tamai. »
Ik dacht een wijl na.
« Ligt Tamai niet op Eimeo, het naburig eiland van Tahiti ?
« Ja, Sahib. Tamai ligt op korten afstand van de baai van Opoauho. Pareyma, mijn vrouw, is de dochter van den priester, want ik ben een Ehri, en een Ehri neemt alleen tot vrouw de dochter van een vorst of van een priester. Zoolang Tahiti bestaat, heeft nog nooit een Ehri de dochter van een Meduah (vasal of onderdaan) of van een Towha en Rattirha (geringe leenmannen) in zijn huis genomen, en de dochters van Mahanunen, (d. z. boeren) en Tautau (dienaars of slaven), kent hij niet. »
35
REISVERHALEN.
36
« En waarom is nu Anoui uw vijand ? » « Omdat ik Christen ben geworden. Hij heeft Pareyma, de parel mijns levens, terug geëischt, doch ik gaf ze hem niet weer. Toen klaagde hij me aan bij de Ingli, welke niet aan de mitonare (heilige) Maagd Marrya gelooven, en zij hielpen hem. Ik ging echter naar de Franki, die vele mitonare mannen en vrouwen in den hemel van den goeden Bapa hebben, en deze hielpen mij. Ik wilde Pareyma in mijn huis behouden, ofschoon niet de mitonare, maar onze priester haar mij gegeven had, toen ik nog een heiden was. Daarna moest ik voort naar de Tubuai-eilanden om kleederen, wapens en paarlen om te ruilen ; want sedert de Europeanen tot ons zijn gekomen, is alles anders en kwader geworden, en zelfs hij, die eertijds een vorst was, moet thans door arbeid of handel zijn brood verdienen. Anoui wist waar ik heenging en volgde mij met zijne aanhangers. Toen ik de
POTOMBA. 37
Tubuai-eilanden verliet, loerde hij op mij om me te dooden en den rijkdom machtig te worden, dien ik meevoerde. »
« Gedood heeft hij u niet, gelijk ik zie ; maar uwe schatten, â hebt gij die bij u in de boot ? »
« Neen, hij bekwam geen van beide, noch leven noch schatten, want mijn hand is sterker dan de zijne en zijn verstand is duisterder dan van een Ehri. Toen ik hem met zijne booten zag naderen, voer ik hem te gemoet en zond mijn dienaar met de kano, waarin mijne schatten verborgen, langs een omweg naar Papetee. Ik lokte hem echter hierheen, waar ik hem zou hebben moeten dooden, indien hij niet gevlucht was. »
Zijne oogen gloeiden, en zijne gebruinde wangen brandden van aandoening. Hij was nog zeer jong en werkelijk schoon, toen hij zoo dreigend voor me stond : op de lange, zwarte vlechten een tulband met veeren
1
REISVERHALEN.
opgesierd, twee kostbare paarlen in ieder oor, en de geelzijden marra als gordel om de rood en wit gestreepte tebuta geslagen, welke in rijke plooien van zijne schouders tot de knieën golfde en de regelmatigheid van zijn slanke en krachtige gestalte allervoordeeligst deed uitkomen.
« Wat wilt gij thans beginnen ? » vroeg ik hem.
« Vraag liever, wat gij met mij wilt beginnen, Sahib ! » antwoordde hij, na de hoogte wijzend, die de kapitein en de zijnen verliet.
« Ik ben uw vriend en gij hebt van ons niets te vreezen. Gij kunt doen, wat ge wilt. Doch ik bid u, word onze vriend ! »
« Ik ben 't, Sahib!geef mij uwe bevelen, en ik zal ze volbrengen, want ik zie aan uw oog, dat gij met mij geen kwaad voor hebt!»
« Wij verzoeken integendeel uw hulp. »
Hij keek ons eenigszins vreemd aan, en
38
POTOMBA.
ik zelf kon mijn lach niet goed inhouden. Een heel ander figuur als hij, was mijn lengte een hoofd meer, de tulband met sluier, dien ik droeg, de dichte, lange baard, die mijne wangen en kin bedekte, mijn wapens, mijn avontuurlijke kleeding, samengesteld uit de fatsoenen van vele volkeren, eindigend in een paar reusachtige zeemanslaarzen : dat alles moest wel den indruk maken, alsof ik gewoon was slechts op eigen kracht te vertrouwen en geen behoefte te hebben aan vreemde hulp en steun.
« Wie zijt gij, en wat doet gij hier ? » vroeg hij,
«Ik ben van het volk der Germani, en de anderen behooren tot het volk der Yan-ki. »
39
« De Germani en de Hollandi zijn goed. Ik heb hunne schepen gezien op de eilanden van Samoa. Wat zij verkoopen is goede waar en wat zij zeggen, staat gelijk met een eed. Maar de Yanki zijn anders ; hun tong
!
REISVERHALEN.
is glad en ontrouw, en hunne waren blinken, maar verbergen het bedrog, Hoe komt gij tot hen en op deze eilanden, die nog niet eens een naam hebben ? »
« Ik voer met hen, wijl ik naar het land der Chineezen wilde, doch het weer dreef ons naar dit eiland, zoodat ons schip verongelukte en onze booten stuk sloegen. Nu kunnen wij niet weg en moeten wachten, tot een ander schip komt, dat ons komt verlossen. Gaat gij naar Papetee terug ? »
« Ja, Ik verlang bij Pareyma, mijn vrouw, en bij mijn moeder terug te keeren, die mij zoo lief zijn als mijn goed en mijn leven. De stem van mijn hart zegt mij, dat hun gevaar dreigt van Anoui, mijn vijand. »
« Op Tahiti vindt men immers schepen van Ingli, Franki, Yanki en Hollandi, misschien zijn er ook Hispani en zelfs der Germani. Wilt gij ze opzoeken, als ge in Papetee komt, en een van hen zenden, opdat ze ons komen verlossen ? »
4°
POTOMBA.
« Dat wil ik, Sahib ! Maar zij mochten mij eens niet gelooven, en daarom acht ik het beter, dat gij me een uwer mannen meegeeft, die zelf voor u spreken en vragen kan. »
« Kan de boot twee mannen bevatten ?» « Wanneer een ander roeit, neen ; doch zoo gij een moedigen man uitkiest, die 't water niet vreest, dan zal ik hem zonder ongelukken naar Tahiti brengen, want geen enkele is in 't varen tegen Potomba, den Ehri, opgewassen. »
In dit oogenblik had de kapitein ons bereikt.
« Zoo, zoo. Wie is deze man, Charley ? » « Een Ehri van Tahiti. »
« Een Ehri ? Wat is dat voor een ding ?» « Een vorst, kaptein. »
« Pshaw ! Dat soort van vorsten kennen we wel! Het manneke moet ons zijn boot overgeven, dan konden wij hulp gaan halen op een der naburige eilanden. »
41
REISVERHALEN.
« Dat zal hij niet doen. »
lt;( Niet ? Aha, en zoo ik hem dat gebied ? »
« Dan nog niet, Sir. »
« Waarom niet, als ik vragen mag, he ? » « Wijl ik hem juist het tegendeel heb geraden, kaptein. »
« Gij ? Ah zoo, dat 's wat anders. Gij hebt toch evenwel daarbij een goede bedoeling gehad, die op ons voordeel gemunt is ? »
« Dat is nog al duidelijk ! Geen enkele van ons is in staat zoo 'n boot te besturen, en... »
« Ah, Charley, is dat niet een beetje te veel gezegd ? Zou ik, kapitein Roberts van New-York,het niet zoover kunnen brengen, om zoo 'n ding te sturen, daar iedereen weet, dat ik mans genoeg ben om het grootste oorlogschip te kommandeeren ? »
« Kunt gij een os neerschieten, kaptein ? »
42
POTOMBA.
« Wat 'n vraag! Natuurlijk schiet ik hem neer, ondanks al hetgeen ik vroeger zei.toen gij met uw wild aan kwaamt dragen ; onder voorwaarde namelijk, de afstand zij zoo groot, dat het veetuig me niet te lijf kan en ik zoolang kan schieten, tot het dood is ! » « Mooi ! Maar kunt gij ook een zwaluw schieten ? »
« Bij alle winden,neen ; dat is, dunkt me, menschelijk onmogelijk, Charley. Gij zijt een fijn schutter, gelijk ge reeds dikwerf hebt bewezen, maar een zwaluw, neen, die haalt ook gij niet naar beneden ! »
«Ik heb 't evenwel toch gedaan en wel meer dan een keer. Zelfs heb ik ginder in de Noord-Amerikaansche prairie vijftienjarige jongens gekend, die het klaar speelden. »
« Ahoi, Charley; schiet ge daar niet met spek of met laadstokken ? »
« Neen, 't is de volle waarheid ! Doch deze vergelijking heeft de bedoeling u te
43
REISVERHALEN.
bewijzen, dat het grootste dikwijls gemakkelijker is, dan het schijnbaar kleine. Gij verstaat het bij uitstek een driemaster te bevelen ; doch waag u eens met uw lang-boot, die voor u gemakkelijk is, ver weg op de open zee, zoo zult ge ondervinden, dat er tusschen beide een hemelsbreed verschil is.
«Ik heb met den gebrekkigen Indiaan-schen schors-kano den Missouri en Red River, met den huid-kano der Brazilianen den Orinoco en Marannon en met den gevrees-den Cantamaron der Oostinjers den Indus en Ganges bevaren, om van andere vaartuigen, waarbij het leven van eiken riemslag afhangt, niet te spreken, maar ik zeg 't u ronduit, kaptein, dat 'k mij niet toevertrouw om met deze boot een ontdekkingsreis te ondernemen naar de Pomatu-eilanden. Het minste wat er aan dat dwarshout mankeert, kentert de boot en dan is men in negen-en-negentig gevallen van de honderd verloren, daar de zee hier wemelt van haaien. »
44
POTOMBA.
« Alle donderbuien, dat is waar ! De haai is de miserabelste kerel, dien ik ken, en wie tusschen de tanden komt van dat heer, diens uurtjes zijn zonder genade en barmhartigheid geteld. Maar we moeten toch een schip zoeken ; dat zult ge mij toch toegeven; Charley ! »
« Natuurlijk ! Maarniet hier tusschen de Pomatu-eilanden, die we in 't geheel niet kennen en waarin maar hoogst zelden een groot vaartuig binnenloopt. Onze Ehri hier wil nu naar Tahiti zeilen. Geef hem een vertrouwbaar man mee,die ons een schip haalt, dan zijn we geholpen ! »
«Hm! dat klinkt heel goed! Hoeveel tijd heeft de jongen noodig; eer hij Tahiti bereikt ? »
Ik wendde mij tot Potomba :
« Hoe lang doet gij er over naar Pape-tee ? »
« Als gij me een man meegeeft, die goed roeier is, dan twee dagen, » antwoordde hij.
45
REISVERHALEN.
Ik vertolkte deze woorden voor den kapitein.
« Zeg, Charley, hoe heet de jongen ? »
« Potomba. »
« Dat geloof ik niet; hij kan best Münch-hausen heeten. In twee dagen van hier naar Papetee ! De kerel liegt alsof het gedrukt staat! Ik reken vijf volle dagen, en dan moet men een scherp op de kiel gebouwd schip met het takelwerk van een schooner hebben. Twee dagen ! dat 's bluf, dat 's onmogelijk ! »
« Zie die boot en dien man eens aan,kap-tein ! Hij ziet er niet naar uit een zwetser te wezen, en ik ben geneigd te gelooven, dat men met zoo 'n lange, smalle golven-knipper tijdens den Zuid-Oostpassaat 15 tot 16 engelsche mijlen per uur kan afleggen. »
« Denkt gij dat werkelijk ? Hm ! dan moet ik wel gelooven, dat het mogelijk is. Toch blijft het mij een kunststuk! Hm! kijk.
46
POTOMBA.
die veertien zeilen daar eens buiten ! Het is nog geen tien minuten, toen zij hier draaiden, en ik durf wedden, dat ze al over de twee mijlen hebben afgelegd. Gij kunt gelijk hebben, Charley, en nu is 't mij ook duidelijk, wat ik eerst niet geloofde, namelijk, dat men zich zelfs met een goed uitgerust oorlogschip met geoefende mannen in acht moet nemen voor een smaldeel van die Maleische prauwen. Maar kijk, daar komt de stuurman ! Hij trekt zoo'n lollig gezicht, alsof 't hem gelukt is, die kerels daar op de vlucht te jagen. »
Werkelijk naderde de stuurman met zulk een zelfgenoegzaam en zegevierend gezicht, alsof hij een groote zeeslag had gewonnen.
« Nu, Sir, hoe heb ik 't er afgebracht?» vroeg hij mij.
« Slecht, buitengewoon slecht, stuurman ! »
« Wa-wa-wa-wattt ? » vroeg hij heel van
47
REISVERHALEN.
streek. « Zij hebben ons zelfs geen haar gedeerd en zijn, toen ze mij en die lui aankeken, er van door gegaan, al zat hun de klabouterman (') op de hielen ! »
« Maar ik wilde ze juist niet laten terugtrekken,doch ze in de bocht opgesloten hebben ! Gij kwaamt veel te vroeg. Zij waren voor hun uittocht nog niet gereed, en er was van onzen kant noch geen schot gevallen, noch hadt gij van mij of van den kap-tein het afgesproken teeken ontvangen. Ik wil u niet berispen, stuurman, want gij hebt de fout begaan, dat ge een weinig te dapper waart, en misschien is 't beter, dat gij er heelhuids van afgekomen zijt; doch bedenk wel, dat wij veertien booten gekregen hadden, zoo mijn krijgslist gelukt was ! »
48
De eerlijke stuurman gaapte mij met open mond aan en sloeg zich daarna met de vuist voor 't voorhoofd.
l.Een spookachtig wezen,van wien de meest bijgeloovige zeelui veel avonturen vertellen.
POTOMBA.
« Weet gij wat ik ben, Sir ? »
⬠Nu ? Wel een wakker zee- en stuurman ! »
« N een, ik ben een ezel, en wel een ezel met zulke lange ooren, dat men uit elk stuk een driemaster kan timmeren ! Wij hadden ze bijna in de fuik, en ik heb ze verjaagd ! Men kan maar niet gelooven, dat zoo'n oude zeerob zulke domme dingen kan doen ! »
« Dat's een nobele belijdenis, om welke reden gij niet weinig in mijn achting stijgt, stuurman ! Maar, zouden we niet naar ons kamp teruggaan ? Wij kunnen wel een wachtpost hier laten, voor het geval, dat de verstrooiden van plan waren terug te komen. »
« Gij hebt weer gelijk, Charley ! » knikte de kapitein. « Wij hebben een vermaarden slag gewonnen en ik wil dies mijn hooge tevredenheid te kennen geven, dat ik toestemming verleen een grog klaar te maken,
Reisverhalen. 4
49
REISVERHALEN.
die zoo stijf is, als de boegspriet van een hollandsche kolenbark ! »
Dit legerbevel werd met een algemee-nen jubel begroet ; de lui namen elkaar onder den arm en in parademarsch gingen ze twee aan twee naar de kampplaats.
Terwijl de grog werd gereed gemaakt, onderhield ik mij met Potomba. Hij toonde mij duidelijk, dat hij in Indië was geweest, Ook de meeste eilandengroepen van den Australischen archipel had hij bevaren, en hij was in zijne uitdrukkingen zoo duidelijk en bescheiden, dat ik in korten tijd groote achting voor hem kreeg.
« Nu, Charley, moet de man gekozen, die met uw vorst naar Tahiti zal varen », begon de kapitein. « Ik moet natuurlijk hier blijven, maar de stuurman kan er tus-schen uit. Wat dunkt u ? »
« Ik heb in zulke zaken niets te zeggen, want gij zijt de kaptein, maar ik eerbiedig uw keus ; de stuurman is een geloofwaardig
5°
POTOMBA.
persoon en zal beter gehoor vinden dan een matroos, zoo gij er een oproept. »
« Ik ? » vroeg de stuurman. « Waar denkt gij aan, kaptein ! Een goed stuurman mag zijn schip, en â wanneer dit een wrak is geworden, â zijne varensgezellen niet verlaten!»
« Zoo de kaptein ontbreekt en hij alzoo in diens plaats is getreden, » voegde Roberts erbij. « Thans ben ik er echter nog, en gij kunt alzoo getroost naar Tahiti gaan, zonder u voorts te bekommeren over hetgeen uwe plichten zeggen. Overigens weet gij heel goed, dat mijn bevel moet opgevolgd worden. Wien ik zend, moet gehoorzamen ! »
« Eischt gij werkelijk van mij, kaptein, mij toe te vertrouwen aan zoo'n kalkbakje, gelijk de boot van dezen man is ? Voor 't overige kan ik geen enkel woord met hein praten, en hoe licht is 't, dat ik met lieden tezamen kom, wier taal ik niet machtig ben! »
51
REISVERHALEN.
« Hm ! dat is waar ! Charley, hoe is 't ? Ik had graag, dat ge bij mebleeft; maar gij zijt de eenige, die Maleisch en zelfs den tongval verstaat van de Gezelschaps-eilan-den. Hebt gij liefhebberij met den man te gaan ? »
« Als gij 't wilt, dan ga ik mee, kaptein ! » « Goed zoo; dan vraag ik 't u. Maar, bij alle donderbuien, wat 's dat ? » vroeg hij plotseling, terwijl hij met de hand naar 't binnenwater wees, dat ten naastebij tot onze voeten kwam.
« Een haai, waarachtig een haai, die tus-schen de klippen is gekomen! » riep de stuurman. « Gauw de harpoenen, jongens ! » Tegen de oppervlakte des waters blonk de rugvin van den visch, dien onze tegenwoordigheid strandwaarts gelokt had. Het gezicht van een haai brengt eiken zeeman in de grootste beroering. Hij kent geen grooter vijand dan dit vraatzuchtig monster en zoekt het te dooden, zelfs wanneer hij in
52
POTOMBA.
veiligheid is en de dood hem niets aanbrengt dan de overtuiging; nu kan deze geen kwaad meer doen.
De zeelieden waren allen opgesprongen en grepen naar alle mogelijke wapens. Ook ik greep naar mijn buks, om te beproeven of een kogel in staat zou wezen het dier zijn licht uitte blazen. Daar lei Potombaop eens de hand op mijn arm en bad :
« Schiet niet, Sahib; Potomba is een heer aller haaien en zal ook dezen bevelen te sterven. »
Hij wierp zijn tebuta en marra af, zoodat hij nog het lendenkleed overhield, nam zijn mes en snelde van den oever het water in, dat boven hem tezamen kronkelde.
Een algemeene schreeuw van ontzetting deed zich hooren.
« Wat doet de kerel ? » riep de kapitein. « Hij is verloren ! »
« Ziet die vin! » schreeuwde de bootsman, die met een harpoen nijdig aan 't
53
REISVERHALEN.
water stond. « De haai heeft hem bemerkt en gaat recht op hem aan. In twee seconden is hij verdwenen ! »
Ook ik was onthutst, doch bleef uitwendig kalm.
« Hoe sta je nu met je vaart naar Tahiti, Charley ?» vroeg de kapitein. « De jongen verdwijnt als een kikker! »
« Eerst afwachten, kaptein! Ik heb in West-Indië duikers gekend, die niet bang waren, alleen met een mes den haai in 't water aan te vallen. De visch moet zich, om te kunnen bijten, eerst omkeeren ; dat geeft den zwemmer juist tijd genoeg om hem 't mes in 't lijf te stooten en dan met krach-tigen zwaai vooruitsnellend den buik des monsters open te rijten. Zie, kaptein, daar begint de strijd ! »
Op de plaats, waar de visch zwom, spatte het wateral schuimendop; daarna kwam een eindje verder eerst het hoofd en dan het bovenlijf van Potomba boven. Hij zwaaide
54
POTOMBA.
het mes hoog in de lucht en stiet een luiden zegekreet uit.
« Bij alle kruis- en bramzeilen,» riep de kapitein, « hij heeft het helsche monster ge-kiffeld! Zie, Charley, daar drijft de akeligheid op het water, het lijf is opgereten van kop tot staart! »
De omringende mannen gaven een vreugdeschreeuw, die niet oprechter kon zijn om den overwinnaar te huldigen. Hij kwam aan land en zonder zich om den lof der lieden te bekommeren, die hem omringen wilden, recht naar mij.
« De haai is dood, Sahib ! » meldde hij eenvoudig en kalm.
« Ik wist het al, toen gij te water gingt, » gaf ik ten antwoord en drukte hem de hand.
Hij nam ze aan en ik zag 't, dat deze waardeering hem meer verheugde, dan de luide en onverstandige lofprijzing der anderen.
55
56 REISVERHALEN.
« Zoo hebt gij te voren reeds geloofd, dat Potomba een sterken arm en een moedig hart bezit ? »
«Ik zag 't reeds, toen gij aan land kwaamt. Gij hadt geen vrees voor veertien vijanden. Ik heb u lief, Potomba! »
« En ik ben uw vriend, Sahib ! Zeg dezen Yanki hier, dat ik niemand hunner in mijn boot neem om hem naarPapetee te brengen.
Gij alleen gaat met Potomba mee! »
« Ik heb 't hun reeds gezegd. Wanneer zeilen we uit ? »
« Wanneer gij 't beveelt. »
« Dan, maak u gereed ; ik ben al klaar. Wij moeten een omweg maken om de vloot ^
uwer vijanden te vermijden, niet waar ? »
« Ja, Sahib! Hier vreesde ik ze niet,want zij waren gevallen, eer ze een voet aan land hadden gezet. Op de open zee zouden ze ons omringen en wij waren verloren. Wilt gij den visch hebben, Sahib ? »
« Ja. )gt;
POTOMBA.
« Geef me dan een koord. »
Dit werd gebracht. Hij bond dit aan de veer van zijn pijl, legde het zorgvuldig op den grond en schoot af. De pijl boorde zich diep in het lijf van den haai, die toen ingehaald werd. Terwijl dit geschiedde, trok de Ehri zijne afgelegde kleeren aan.
« Zijt gij gereed, Sahib ? Potomba is klaar om u naar Tahiti te brengen, en liever wil hij sterven, voordat u eenig leed geschiedt ! »
57
f
i
TUSSCHEN de straks opgenoemde lengte- en breedtegraden ligt die eilandengroep, welke, in 't jaar 1606 door Quiros ontdekt en door den beroemden Cook, die ze eerst in 1769 grondig onderzocht, ter eere van de koninklijke Maatschappij van wetenschappen te Londen, Gezelschapseilanden genoemd werden.USSCHEN de straks opgenoemde lengte- en breedtegraden ligt die eilandengroep, welke, in 't jaar 1606 door Quiros ontdekt en door den beroemden Cook, die ze eerst in 1769 grondig onderzocht, ter eere van de koninklijke Maatschappij van wetenschappen te Londen, Gezelschapseilanden genoemd werden.
Zij behooren tot twee afdeelingen : de Windwaarts- en de Leewaardsgroep, door een breede straat van elkaar gescheiden. Tot de eerste behoort Tahiti of Otaheiti, dat het voornaamste eiland van den archipel is, Maitea, ook Osnabruk genaamd, en Cumeo of Moemea. De Leewardseilanden zijn : Huahine,Raiatea,Taha, Borabora, en Maurua of Maupiti.
De geheele eilandengroep is van vulka-nischen oorsprong, toch arbeiden de kleine, bijna mikroskopische « bouwmeesters der
f
i I
jli I
'Ãl
i
i j
1
'f-'ï'
à P:
REISVERHALEN.
zee )gt;, de plantdieren of polypen, onophoudelijk aan hun uitbreiding, omgeven elk afzonderlijk eiland met scherpe, spitse ko-raalringen, waaraan zich nieuw slib vasthecht, en maken daardoor de scheepvaart in de straten, die de eilanden scheiden, tot een hoogst gevaarlijke.
De geheele oppervlakte der Gezelschapseilanden bedraagt ongeveer vier en dertig vierkante mijlen. Het land heeft vele schoone havens, die echter door de koraal-dwarsboomen en de daardoor ontstane branding niet dan hoogst moeilijk toegankelijk zijn. De bodem der eilanden is doorgaans rijk en vruchtbaar. De bergen zijn met dichte wouden bedekt en de kustvlakten met heldere beken doorsneden, zoo dat de plantengroei een buitengewoon weelderige moet genoemd worden, gelijk een menigte suiker- en bamboesriet, brood-vruchtboomen, palmen, bananen, pisang, platanen, pataten, korensoorten, yams- en
59
REISVERHALEN.
arutnswortels en andere zuidlandsche gewassen getuigen.
De bewoners zijn van Maleisch-Polyne-sischen oorsprong, donker koperkleurig,â de vrouwen meestal ietwat lichter getint, â goed en krachtig gebouwd, gezellig, gastvrij en goedig van aard. Zij leven in veelwijverij, houden hunne vrouwen tamelijk afgezonderd en beminnen muziek, dansen, vechten, wedstrijden in hunne snelle bootjes hartstochtelijk.
Oorspronkelijk hingen zij een veelgodendom aan en brachten bij hunne godsdienstige plechtigheden nu en dan menschen-offers. Hunne priesters, die tegelijk genees-heeren en waarzeggers waren, oefenden een grooten invloed op hen uit, toen reeds op 't eind der achttiende eeuw de Engel-schen hier hunne zendingen overbrachten. Later zond het katholieke Frankrijk zijne priesters,die onder veel moeite en bezwaren tegen de vooroordeelen streden, die de
6o
pareyma.
godendienst aan deze anders zoo begaafde menschen had ingeënt.
De heilige leer van Jezus-Christus wordt dikwerf op onrechtvaardige wijze aangeklaagd. Men zegt : « De beschaving heeft « hare barbaarschheden, het licht zijn scha-lt;J duw, de liefde haar eigenliefde en van « uit het oord der eeuwige zaligheid kan « men, zooals de gelijkenis van den rijken « vrek en den armen Lazarus leert, naar « den hellepoel schouwen om de kwalen « der verdoemden te zien. De leer van « Christus, predikend de liefde, milddadig-« heid en erbarming, is, door ongeduldige « ij veraars op de spitsen der zwaarden ge-« heven en door een sluw berekenende ver-« overingslust in zijn banier geschreven, « over het grootste deel van den aardbodem « verbreid geworden. Geheele rassen en vol-« keren zijn verdwenen of liggen nog heden « ten dage in de laatste,woeste doodstuipen, « Degeschiedenisheeft door zulke verliezen
6i
REISVERHALEN.
« voor hare toekomstige ontwikkeling een « geheele rij van gewichtige beschavings-« historische krachten en tijdperken ver-« loren, en de zielenherder, die naar wild-« vreemde streken gaat, om de zoogenaam-« de heidenen te bekeeren, merkt niet op, « dat de laatsten naar hunne behoeften « gelukkiger zijn dan wij, en dat zijn arbeid « onder de bedervende lagen der eigen taal « sprekende stammen noodzakelijker ware, « dan onder de geloovigen, die dikwijls « in paradijstoestanden leven! » â Dat is een geweldig verwijt, en, zoo het op waarheid berustte, dan was de katholieke Kerk meer dan beklagenswaard. Maar is niet het ras, de natie, het volk evengoed een individu als de enkele mensch, die geboren wordt, zich ontwikkelt en daarna uit het leven scheidt, wanneer hij zijn taak volbracht heeft ?
Reeds de jonggeborene draagt in zich de kiem van den toekomstigen dood in al de
02
pareyma.
63
deden van zijn bouw en zijne organen. Evenzoo de gezamenlijke maatschappij, zij mag dan heeten, hoe zij wil. Niet de bijbel is schuld, dat de mensch moet sterven, evenmin als de Koran of de Veddahs der Indiërs, en evenzoomin vermag het Christendom de ontbinding der natiën te verhinderen. De heilige Leer van liefde en vergeving werd ons gegeven om den dood te overwinnen door de voorbereiding en het uitzicht op een beter, hooger en eeuwig leven, en juist daarom, wijl de dood en de opstanding aan allen te wachten staat, welke op aarde wonen, heeft Jezus' Leer de hoogverheven en rechtvaardige taak « uit te gaan naar alle deelen der aarde » en de heele aarde te verlossen van de vrees voor een einde, waarin geen nieuw begin ligt opgesloten. Niet de godsdienst heeft zich geplaatst op de spitsen der zwaarden, maar het was de politiek der veroveraars, die bloed zaaide om â altijd weer
bloed te oogsten. Onze Moederde H. Kerk telt onder hare kinderen de sterke volkeren, welke de Voorzienigheid bestemd heeft, overwinnend over de aarde te gaan ; maar de Kerk geeft geen aanleiding dezen triomftocht te houden, zij volgt den tocht met hare vertroostingen om den haat in liefde, de smart in vreugde te doen verkeeren en den vloek, dien de overwonneling op de lippen draagt, om te scheppen in zegen.
Daar is in dit opzicht veel over de Ge-zelschaps-eilanden gesproken en geschreven. Toen deze archipel ontdekt werd, vond men in zijne bewoners een kinderlijk-naïef en bijna geheel bevredigd volk, bij wien de rijke natuur aan alle eischen voor een tevreden en zorgenvrij leven op verkwistende wijze voldaan had. De vreemdelingen werden met blijde gastvrijheid opgenomen, bijna als godheden vereerd en verkregen alles, wat hun hart begeerde. Zij brachten deze kennis in hun geboorteland, waar
PAREYMA.
onder de gelukzoekers de wensch opkwam naar zulke genoegens. Schepen werden uitgerust. De handelspolitiek begon hare plannen te spinnen....... de Tahiters kregen
voor hun gastvrijheid de ondeugden en ziekten van het westen, en hebben meer de slechte dan de goede eigenschappen hunner gasten overnomen, die zich Christenen noemden, zonder het inwendig te zijn. Deze laatste omstandigheid is van buitengewoon hooge beteekenis. Vooreerst moet het bedroevende feit toegegeven worden, dat de deugden der Tahiters sinds hun bekendheid met de Europeanen zwaar geleden hebben. Dit de schuld te noemen van het Christendom, is een der zwaarste lasteringen, die te noemen zijn. Het is oneerlijk, de H. Kerk te vereenzelvigen met hen, die zich Christenen noemen. De Christenheid telt hare grootste vijanden in beur midden, en het is diep te beklagen, dat de Missie naast haar eigen last nog den treurigen
Reisverhalen. 5
65
REISVERHALEN.
arbeid moet overnemen, om de onzedelijke erfenis tegen te werken,die in de voetsporen van de bloote naam-Christenen is achtergebleven.
Tahiti, « de parel der Zuidzee», lag onder een heerlijken, diep blauwen hemel. De zonne gloeide op de blinkende toppen der zeegolven en op de begroeide spitsen van 't Orohenagebergte, of vonkelde in de beken en smalle watervallen, die van de schilderachtige vooruitstekende klippen te voorschijn plasten; doch heur gloed bereikte niet de vriendelijke koloniën, welke in schaduw der palmen en tallooze vrucht-boomen lagen en door de frissche bries een aangename koelte werden toegewuifd.
In de zoete, milde lucht ruischten de langgevederde waaiers der kokospalmen en ritselden de breede, door den wind afgerukte blaren der bananen ter aarde. De uitgebloeide bloemen der oranjeappels,wier twijgen echter reeds met goudgele vruch-
66
PAREYMA.
ten pronkten, stoven, zoete lucht om zich heen spreidend, van de wuivende stammen. Het was een van die tooverachtig schoone, wonderbare dagen, die met zoo rijke pracht en heerlijkheid in de tropische gewesten te vinden zijn.
En terwijl het land daar lag in zijn paradijsachtige schoonheid zoo jong en frisch, alsof het zoo even uit de hand des Scheppers was neergelegd, donderde, daar buiten de koraalriffen, het lied der branding ; diep, zonder einde, op denzelfden toon. De tijden zijn veranderd en met deze de men-schen. De oneindige, steeds wisselende en toch altoos eender gebleven zee is nog dezelfde en slingert nog heden, gelijk voor eeuwen nu eens hare kristallen, dan heur donker dreigende en met wit schuim gekroonde golvendrommen tegen de scherpe dammen. De baren door- en overstraald van 't schelle licht stoven op en daalden neer als blikten duizenden Najaden daarover.
67
REISVERHALEN.
Boven het schuim der golven verhieven zich altijd groene, waaiende boomtoppen, in wier schaduw een volkje, den gezamenlijken ondergang gewijd, den laatsten polsslag van zijn individueel leven vermag te tellen, zonder de weerstandskracht te bezitten, die de doodsstuipen van het Amerikaansche ras zoo geducht en gevaarlijk maakt voor den witten man.
Daar aan 't strand lag Papetee, de hoofdstad van Tahiti. Een beweeglijke schaar van menschen stapte in witte, roode, blauwe, gestreepte, schotscheof gebloemde lange gewaden heen en weder. Hoe prachtvol hadden de jonge, beeldschoone meisjes het zwarte, langlokkige en zijdeachtig haar met bloemen en den kunstvol gevlochten, sneeuwwit uitwaaienden bast van arrowroot getooid. Hoe vlug en trotsch waren de bewegingen der ingeboren pronkers, die den bonten parau of de geplooide marra koket om de lenden geslagen en daarover
68
PAREYMA.
de tebuta, den schouderdoek, schilderachtig over de schouders geworpen hadden en alzoo tusschen de schoonen ronddrentelden! Zij hadden de lange, vetglanzige haren met strooken van witte tappa en roode flanel in elkander gevlochten, wat bij hun bronskleurige aangezichten niet slecht stond.
Daar op eens drong alles naar den oever. Een kano kwam naar het eiland. Het witte zeil stond opgeblazen, zoodat de opvarenden slechts het roer behoefden om het vaartuig in den goeden koers te houden.
De kano was een boot, hier in gebruik, eenvoudig uit een boomstam gehouwen en meteenrondenboêm voorzien. Door zulkeen bouw kan zoo'n kano bij 't zeilen spoedig vooruit, wordt ook heel licht omgeslagen, wanneer hij niet door een zoogenaamden outrigger of dwarsboom daarvoor behoed wordt.
Deze dwarsboom bestaat uit twee dwars en vast over den kano bevestigde stengen
69
REISVERHALEN.
7°
of houten, die aan den rechterkant een lichten, tapsgesneden balk vasthouden, welke parallel met den kano over de houten ligt. Deze drijft alzoo, bij na vier voet van bakboord des kano's verwijderd, op het water en is met bastwerk stevig aan de dwarshouten gesnoerd. Het omslaan van 't vaartuig, ja zelfs het schommelen wordt daardoor onmogelijk gemaakt, want het kan niet naar links overhellen, wij! het dan den geheelen, bijna 2 M. uitstekenden balk uit het water moet heffen, en evenmin naar rechts, wijl de balken, uit licht hout samengesteld, en de stengen zich niet onder 't water laten drukken. Deze kano's varen daarom zelfs bij eene roerige zee buitengewoon zekeren vertrouwbaar. Stellig zou men zich zonder den dwarsboom uiterst voorzichtig daarin kunnen bewegen, daar de ronde boem de geringste wending des lichaams volgt, en men bij de kleinste zwenking niet alleen gevaar liep, om te kantelen en een
PAREYMA.
niet gewenscht bad te nemen, maar zulk een klein ongeval met het leven betalen kon, daar de bochten en sommige wateren dezereilanden van haaien wemelen dietot de gevaarlijkste dezer zeeroovers behooren.
De beide mannen in de boot waren Po-tomba en ik.
De Ehri had werkelijk woord gehouden, want wij kwamen na twee volle dagen in Tahiti aan, ofschoon wij tot een niet geringen omweg gedwongen waren geweest.
De gestadig waaiende sterke passaat had ons voortreffelijke diensten bewezen. Potom-ba verstond bij uitstek de kunst iederen golfslag te benuttigen, en daar wij niet moe werden, wijl we elkaar bij 't roeien aflosten, zoo was onze overtocht een buitengemeen snelle geweest.
Daar lag nu het heerlijk eiland voor ons, waarover ik zooveel waars en zooveel onverstandigs gelezen had. Papetee hief zich
bij de nadering hoe langer hoe meer voor *
7i
REISVERHALEN.
ons op, en eindelijk herkenden wij duidelijk iedere persoon uit de volksmenigte, die zich om 't strand verdrong om ons vaartuig te kunnen opnemen.
Het viel mij op, dat men zulk een opmerkzaamheid schonk aan onzen kleinen, nietigen kano, terwijl er in de haven geheel andere stukken van groot belang waren. Ik reefde het zeil, om door den bries niet naar de koralen gedreven te worden, die wij naderbij kwamen en vroeg :
« Ziet gij die lui, Potomba?» «Ja, Sahib,» knikte hij.
« Hoe komt het, dat men juist ons zoo bekijkt, terwijl hier zooveel booten liggen, die heel wat anders te zien geven ? »
« De mannen en vrouwen kennen mijn boot, en Potomba is een Ehri, beroemd onder de lieden van zijn volk. Zit stil en houd u vast, Sahib, want wij stooten dadelijk in de branding! »
Wij naderden een zijstraat van den poly-
72
PAREYMA.
penring, waardoor zulk een klein en smal vaartuig als 't onze kon binnenloopen. Een riemslag bracht ons in de branding ; haar kokende wal hief ons ten hooge, hield ons een oogenblik lang vast, zoodat het scheen, alsof we in de vrije lucht zweefden, en duwde ons dan in het rustige binnenwater.
Rechts van ons lag een rij zeeschepen,die door het breede kanaal toegang hadden verkregen. De bouw van het eene kwam mij bekend voor, ofschoon de romp alleen te zien en al 't zeilwerk ingebonden was. Boven in 't want hing een man, die dit hoog punt scheen gekozen te hebben, om te beter naar de stad te kunnen zien. Hij droeg op 't hoofd een Mexicaanschen sombrero, en deze rietvezelhoed had een breeden rand van zulk een buitengewone afmeting, alsof een heele familie wemelende peccaris daaronder moest verborgen worden. Zulk een buitengewone rand was alleen vervaardigd op bijzondere bestelling,en tot zulk een
73
REISVERHALEN.
aardige bestelling was maar een enkel man in staat, met name de wakkere en veree-ringswaardige master Frick Turnerstick, met wiens bark ik voor eenigen tijd van Galveston naar Buenos-Ayres gevaren was.
« Haal wat bij naar dit schip, Potom-ba! »
« Waarom, Sahib ? »
« De kapitein daarvan is, geloof ik, een bekende van mij. »
« Wilt gij me nu reeds verlaten en naar hem gaan ? »
«Ja, wanneer ik me ten minste in dien man niet vergis. »
« Sahib, dat schip is van den Yanki, met wie ik niet veel opheb. Zoek liever een schip der Franki of der Germani uit! » « Die man is mijn vriend ! »
« Maar ik zou u toch niet bij hem brengen. »
« Waarom niet ? »
« Gij hebt tegen Potomba gezegd : « Ik
74
PAREYMA.
houd veel van u ! » Hebt gij toen de waarheid gezegd ? »
«Ik zeg u geen leugens. »
« Zoo vraag ik u vriendelijk, met mij naar Papetee in ons huis te gaan, en daar uit te rusten tot morgen. Gij moet lang bij mij blijven, vele dagen, vele weken, maar hebt ge iets aan hem beloofd, dan spoedig terugkeeren, en daarom vraag ik u tot morgen bij mij te blijven. »
« Ik zal bij u blijven, zoolang 't mijn tijd veroorlooft, Potomba ; maar wanneer de kapitein daar genegen is de mijnen te halen en spoedig kan vertrekken, zoo moet ik hem vergezellen. »
« Hij kan niet eerder weg dan morgen. De vloed is reeds begonnen ; hij moet de ebbe afwachten, die eerst tegen den avond begint; dan is 't zoo donker, dat hij zich niet wagen zal door de klippen. »
« Dat is waar; hij moet alzoo de tweede ebbe afwachten, maar kan zich ook gedu-
75
REISVERHALEN.
rende den vloed door een sleepboot naar buiten laten brengen. »
« Gij vergeet, dat zulk een groot zeeschip veel tijd en arbeid noodig heeft, om zeewaardig te zijn ! »
« En gij weet niet, hoe vlug de Yanki zijn in het klaarspelen van dat werk ? »
«Er zal toch tijd genoeg zijn om ten minste een uurtje met mij mee te gaan. » « Dat is zoo goed als zeker. » « Zoo beloof mij in elk geval, dat ik niet alleen naar Papetee ga ! »
« Dat beloof ik u. »
« Ik dank u, Sahib ! Potai, mijn broeder, zal blijde zijn, dat ik een vriend heb gevonden, die een Germani is. »
Wij hielden zijwaarts op de bark aan en bij het naderen bemerkte ik, dat ik mij geenszins vergist had. Ik erkende daar in groote, duidelijke letters het opschrift « The Wind ». De man in het want keerde ons den rug toe en bemerkte alzoo ons naderkomen
76
PAREYMA.
niet. Toen wij stuurboord van 't schip genaderd waren, legde ik de hand aan den mond en riep : « Ship ahoi... ih ! »
Hij draaide zich om en keek naar ons : «Ahoi... ih...!Wat... waar... huzza! Wie is dat toch ? Leg aan, leg aan bij den kabel ! )gt;
Hij klauterde met gezwindheid naar het dek, hetgeen mij overtuigde, dat ik me niet vergist had. Wij maakten onze boot aan een lijn vast, die terzij van het schip naar beneden hing. Ik greep de lijn en werkte me naar boven. Nauwelijks was ik over de reiling, of de kapitein breidde zijne armen uit en drukte me zoo geweldig aan zijn teergeurenden pijakker, dat ik bijna dreigde te stikken.
« Charley, old friend, gij hier tusschen die knoei-eilanden ? Hoe komt gij in Australië ? Hoe komt gij naar Tahiti en Pape-tee ? Ik dacht dat ge nog volop in Amerika waart. »
77
REISVERHALEN.
«Per schip, per schip kom ik hier,» lachteik; « anders was 't ooknietgoed mogelijk, mijn beste master Turnerstick. Maar ik vraag u vriendelijk, neem toch die slag-boomen van mijn lijf, zoo ge ten minste niet van plan zijt mijn ziel uit de huid te persen ! »
« We//, net zoo ge wilt, Charley! De passaat zal mij opnemen en naar China of Japan drijven, als men in 't geheel niet wist, wat men met u beginnen moet. Behoud uw ziel alzoo liever en zeg me nu eens, wat gij hier op deze breedte komt brouwen ? »
« Land en volk leeren kennen, net als anders!»
« Net als anders ? Hm! dit schijnt me toch een beetje ongewoon. Daar stoomt, vaart, rijdt, loopt, jaagt en springt deze mensch in de wereld rond, omdat hij land en volk wil leeren kennen. Land en volk ! Een vrije, open zee is me liever, dan al het land, wat ge te zien krijgt, en die menschen,
78
PAREYMA.
komaan, mijne paar jongens zijn meer waard dan al de slungels, die gij menschen belieft te noemen. Blijf bij me aan boord en vaar met mijn goeden « Wind » over naar Hongkong en Canton ! »
« Gaat ge naar Hongkong ? Dat 's prachtig ! Ik ga mee ! »
« Waarachtig ? Hier mijn hand, sla toe! » « Vooruit! Doch ik maak een voorwaarde ! »
«Oho! Bij mij aan boord zijn geene voorwaarden, dit weet ge van ouds! »
« Dan ga ik weer naar mijn boot, kap-tein. »
« Dat was de zotste streek, die ge in uw leven hadt uitgehaald, en waarvoor ik u moet bewaren. Zeg alzoo uw voorwaarde. Ik hoop ze te kunnen voldoen. »
« Gij moet mijne kameraden meenemen.» « Welke kameraden ? »
79
« Kapitein Roberts van de i Poseidon » met zijn volk. )gt;
ft
REISVERHALEN.
« Roberts ? Poseidon ? Is schip en manschap niet van New-York ?
« Ja. Wij wilden van Valparaiso naar Hongkong, maar leden schipbreuk op een der « Gevaarlijke eilanden». Roberts heeft me naar Tahiti gezonden om een kaptein te zoeken, die genegen is ons aan boord te nemen. »
« Dat zal iedere brave kaptein doen, Charley, en ik ben blij, dat gij het eerst tot mij zijt gekomen ! Ik ken dien Roberts ; hij is een beste vent, doch 't schijnt, dat hij in deze gevaarlijke wateren niet goed thuis is. Een storm heeft hier heel iets anders te beteekenen dan op een andere plaats; maar had hij het roer met een goeden tros vast aangesjord, dan was 't hem mogelijk geweest, iets meer naar 't Noorden op de Nukahiwa-eilanden aan te houden, en van een schipbreuk was geen sprake geweest. Waar ergens zijt gij gestrand ?
⬠Het eiland is ons onbekend. Het liet
o
8o
PAREYMA.
op den 2 39en graad in het Oosten van Ferro en op 22 graden Zuiderbreedte. »
« Mooi; 't zal wel te vinden wezen. Is 't schip erg wrak ? »
« Het is niet van de klippen te krijgen. Wanneer ge er langs komt, is het wellicht door de branding geheel uiteen geslagen. » « Hebt gij veel zeegasten (passagiers)?» «Ik was de eenige. »
« Hoeveel marsgasten (matrozen) zijner gered ? »
« Allen, »
« Hm! dan is 't ook noodig meer proviand in te laden. Werd er iets van de lading geborgen ? »
« Het grootste gedeelte. Het zijn meest wollen en katoenen stoffen, en eene tamelijke hoeveelheid staal- en ijzerwaren. »
« Dan is 't een fortuintje, dat ik hier loste, zonder tot heden iets anders in te laden. Kapitein Roberts zal stellig nog al haast hebben, maar voor de ochtendebbe is er
Reisverhalen. 6
8i
REISVERHALEN.
geen denken aan.Wie is deze knaap hier?,» Hij wees Potomba aan, die mij tot het dek gevolgd was en uit de verte onze ondervraging volgde.
« Een Ehri van Tahiti. Hij woont in Papetee en heet Potomba. »
lt;lt; Alle onweersbuien, een vorst! Hoe komt ge daaraan ? »
« Hij kwam, vervolgd door een geheel vijandelijk smaldeel naar ons eiland en gat mij een plaats in zijn boot. »
«Alzoo een echte gelukzoeker! Wie waren zijne vijanden ? »
« Hun aanvoerder is een heidensch priester op Eimeo; Potomba huwde diens dochter en liet zich doopen door een Katholiek Missionaris. »
« Ah ! gij hebt de slungels toch goed bijgelicht ? Die kunst verstaat gij uitstekend, Charley! »
« Zij zijn ons allen ontkomen. Mijn plan de campagne viel in duigen door de onbe-
82
PAREYMA.
holpenheid van den stuurman. Alzoo, gij zijt bereid ons ter hulp te komen met uw « Wind » ?
« Natuurlijk ! Morgen vroeg steken wij met de eb in zee. Kom nu maar mee naar de kajuit. Wij kunnen dan even zien, hoe mijne flesschen zich onderde linie gehouden hebben »
« Een dronk op de welkomst durf ik natuurlijk niet afslaan ; maar ik blijf niet plakken. Ik heb Potomba beloofd met hem aan land te gaan, en hij zal ongeduldig worden zijn vrouw en zijn broer terug te zien. » « Dan drinkt hij mee, en gij staat me toe u te vergezellen. Ik heb aan den wal nog boodschappen. »
Potomba moest mee naar de kajuit,waar ons de goede master Frick Turnerstick met zijn beste flesch onthaalde. Dan stapten we met zijn drieën in een boot der bark, die den kano van den Ehri op sleeptouw nam en roeiden naar den wal.
83
REISVERHALEN.
Hoe meer wtj naderden, des te opmerkzamer werden de gelaatstrekken van Po-tomba. Hij scheen iets in de gaten te hebben, dat al zijn aandacht ten hoogste verdiende. Hij zag mijn vragenden blik en strekte den arm uit.
« Ziet gij dien kano, Sahib ? »
Vlak voor ons lag een groot getal opgetooide booten, de eene naast de andere, aan den oever. De middelste teekende zich af door een bonten wimpeltooi en allerlei bloemen en sierlijk blad.
« Ja, » antwoordde ik. « Wat bedoelt ge daarmee ? »
« Ziet ge ook de boot met vaandels en groene slingers ? »
« Waarom vraagt ge dat zoo ? » « Aan beide zijden van de scherpe borstwering zijn de woorden « Mata örz »,d. i. oog van den dag,de zon, geschreven. Zoo noemde ik Pareyma, toen ik heurhand vroeg,en zoo noemde ik ook de boot, welke ik voor
84
PAREYMA.
haar te Tamai op Eimeo liet bouwen, opdat Anoui mij daarmee kon afhalen op den dag, dat ik haar tot vrouw nam en haar mijn palmenhuis binnen voerde. Ik ken de boot sekuur. Haar dwarsboom is niet met bast, maar met ijzeren stoknagels bevestigd, en thans is zij net gesierd, als toen ik er als bruidegom mee voer. Er schijnt op Eimeo een bruiloft te zijn, en Anoui heeft ze aan den vader des meisjes geleend, ten einde den bruidegom te kunnen afhalen. »
Daar spiegelde zich in zijn schoone, open oogen een onrust af, die ik niet goed vermocht te verklaren. De herinnering kon hem wel gelukkig, niet onrustig maken,
«En ziet ge den man inde boot ? » voer hij voort. « Dat 's Ombi. »
« W ie is Ombi ?»
« De bediende des priesters ; doch hij bemint mij meer dan hem. Hij heeft Pa-reyma op de armen gedragen, toen ze nog
85
REISVERHALEN.
een kind was, en haar beschermd, toen haar moeder was gestorven. »
De bediende, die naar ons keek, scheen Potomba te herkennen, want hij rekte zich uit met verheugd gelaat, zette zich echter aanstonds neder en legde de handen voor het aangezicht.
Het oeverzand knarste onder de kiel onzer boot, en wij sprongen aan land. Potomba ging naar de « Mata ori. »
« Ombi! » zeide hij tot den bediende.
De man verroerde zich niet.
« Ombi ! »
Toen deze nu nog geen antwoord gaf, sprong hij in de boot en greep den grijzen Polynesiër bij den schouder.
« Ombi, waarom geeft gij geen antwoord ?»
De bediende nam de handen van het gelaat en keek hem aan. In zijne oogen blonken twee tranen.
86
pareyma.
« Heeft de smart woorden, Potomba ? » vroeg hij.
« Welke smart ? »
« Dat gij afgevallen zijt van Atua, den god van alle goeds, en tot den Mitonare zijt gegaan. »
« Dat doet u thans zeer ? Hebt gij mij niet dikwerf bevestigd,wanneer ik u heimelijk van den Messias vertelde, die het Lam Gods is, dat de hoogste Sahib Jezus u liever was dan Atua, de god van Tahiti, die nooit gekomen is om onze zieken te genezen,onze dooden op te wekken en voor onze zonden te sterven ? »
« Dat heb ik gezegd, Potomba, en dat zeg ik nu nog. Maar ik ben de bediende van een priester,dien ik moet gehoorzamen, en tot hem durf ik niet zeggen, wat ik denk. »
« Gij moet zeggen, wat gij denkt en gelooft. Verlaat den priester der valsche goden en kom met mij ! Gij bemint Jezus, den
8?
Nazari; gij hebt ook mij en Pareyma lief. Waarom wilt gij niet bij ons zijn ? Waarom weent gij, wanneer gij me aanschouwt ? Dat hebt ge toch vroeger niet gedaan ! »
«Ik ween, omdat ik gaarne bij u wensch te zijn en het toch niet kan. »
« Waarom kunt gij dat niet ? »
« Wijl ik Pareyma niet verlaten mag,die mij noodig heeft. »
lt;( Pareyma ? Wanneer gij bij me komt, zijt ge ook bij haar ! ))
« Wel neen ! »
Ik zag den schrik, die met zijn donkere vlerken het gelaat van Potomba overdekte. Hij kon geen woord uiten en liet zijn angstvollen blik over de omgeving glijden. De wandelaars op het strand waren naderbij gekomen en zagen hem met deelneming uit de verte reeds aan. Hij moest dit bemerken en nog meer dan ik tot de overtuiging komen, dat hem gedurende zijn afwezigheid iets zwaars getroffen had. On-
PAREYMA.
willekeurig voelde zijn hand naar de scherpe kris (een dolk) die in de scheede stak en met samengeperste tanden bijna sissend vroeg hij :
« Waar is Pareyma ? »
« Ga naar huis en vraag. Ik durf 't u niet zeggen. »
Potomba trad een schrede terug. Zijne oogen gloeiden, en zijne lippen trilden.
« Ombi, waar is Pareyma ? Hoort gij, wat ik u vraag ? »
De bediende liet treurig het hoofd neder-zinken en zeide ; « Ga naar huis en vraag! » « Ombi, gij zwijgt toch nog ? Goed, ik zal gaan, maar wie Pareyma eenig leed heeft gedaan, is verloren ! »
Hij ging. Wij beiden volgden hem. De verzamelde menigte week eerbiedig terug en betoonde haar eerbied door op zij te gaan. Hij sprak geen woord, en keek een enkelen maal om, ten einde te zien, of wij nog bij hem waren. De weg leidde een heel
89
eindje om Papeteeheen, tot wij een gebouw bereikten, dat zich door zijn grootte en de uitgestrektheid der omliggende broodvruchtbeplantingen onderscheidde.
i Komt! » zei hij kortaf en trad binnen. In de voorste ruimte des huizes zat op de mat een jonge man, dien wij door zijn gelijkenis op Potomba als diens broeder aanzagen.
« Potai! »
« Potomba! »
De zittende sprong op en breidde zijne armen uit, als wilde hij den naderbij tredende omvatten, trad echter weer terug en liet de armen langs 't lichaam hangen.
« Wat scheelt er aan, Potai ? Ben ik uw broeder niet ? »
De gevraagde wees naar beneden, waar naast de mat een dolk in den grond stak.
«Ik heb mijn kris in de aarde gestoken, tot gij zoudt komen, Potomba; ik heb ge-
PAREYMA.
zworen haar niet aan te raken, tot den dood van moeder is gewroken. »
« Den dood van moeder ? Spreek, Potai, spreek snel, snel! Waar is Pareyma ? »
« Weg. »
«Weg! Waarheen?»
« Naar Eimeo bij haar vader, den priester der heidenen.»
« Vrijwillig ? »
«Vrijwillig! Ik voer over naar Maitea, en toen ik terug kwam, was zij weg. Moeder wilde haar tegenhouden en had met haar gestreden. Potomba, uw vrouw is tot de goden teruggekeerd en heeft uw moeder gedood!»
« Waarmee ? »
« Met haar kris. Ik trok deze uit het hart van moeder; zij zat nog vol bloed ; hier steekt ze in den grond ! »
De Ehri bukte voorover en haalde den dolk te voorschijn.
« Dat is geen mes van Pareyma; 't is de
91
dolk van den priester Anoui! » stiet hij driftig uit.
« Zoo heeft hij ze opgehaald, en is hij de moordenaar. »
« En is zij werkelijk vrijwillig met hem gegaan ?
« Ik heb geen spoor van strijd tusschen haar en haar vader bemerkt. Zaagt gij de kano's en uw mata ori ? ))
«Ja. Wat moet die vloot beteekenen ? »
« En kent gij ook Matemba, uw doodvijand ? »
« Gij vraagt, alsof ik een kleine jongen ben ! »
« Gij komt op den juisten tijd terug. Anoui, de priester en de vader van uw ontrouwe vrouw, is gekomen om Matemba af te halen. Het is bruiloft in Tamai, en Matemba wordt heden de man van uw vrouw ! »
Potomba trad tot bij de opening, die als venster diende. Hij had behoefte aan lucht.
PAREYMA.
want hij dreigde te stikken. De twee broeders hadden zich tot heden niet om ons bekommerd. De kapitein fluisterde mij toe: « Gij schijnt de taal dezer lui te verstaan. Wat gaat hier om ? 't Schijnt niet in den haak te wezen. »
«Het is vreeslijk! » antwoordde ik. «Men heeft de moeder van den Ehri gedood, en zijn vrouw wordt heden met een heiden-schen man in 't huwelijk verbonden. »
«Alle duivels! Dat geeft moorden en doodslagen ! »
« Deze twee mannen zijn christenen ! » « Pshaw! Ook onder de christelijke Polynesiërs leeft de bloedwraak voort. Gij zult het ondervinden ! »
Thans wendde Potomba zich weder om. Zijne trekken waren als versteend, en in zijne oogen gloeide een onheilspellend vuur. « Potai, wat hebt gij tot nu toe gedaan ?» «Ik heb alles verkocht. »
De Ehri knikte toestemmend. Hij scheen
93
REISVERHALEN.
het plan des broeders reeds half te raden.
« Ook de boot, die ik u zond van de Tu-buai-eilanden,toen Anoui mij vervolgde ? » «Ja. Wij gaan naar de landen van Samoa. ))
« Gij hebt goed gehandeld. Zijt gij gereed ? »
«Ik wachtte nog op u ! »
Potomba wendde zich tot mij. « Het schip van dezen Sahib haalt uwe vrienden ?»
« Ja. »
« Waar gaat het dan naartoe ? »
« Naar het land der Chinesi, » « Zoo gaat uw weg langs de landen van Samoa, die gij de Schippers-eilanden noemt. Wij willen daarheen. Mogen wij met u meevaren ? »
Ik vertolkte deze vraag aan den kapitein. «Ik ben bereid hen mee te nemen. Zij hebben alzoo alles verkocht ? gt; antwoordde hij. « Het schijnt, dat gij toch gelijk hebt.
94
PAREYMA.
Charley ; het christendom heeft van deze tijgers lammeren gemaakt, die de vlucht aangrijpen, in stee van zich te wreken ! »
« Oh, kaptein, kijk deze lui eens aan ! Zien zij er uit als lammeren ? » â Ik gaf Potomba de gewenschte uitkomst : « Gij kunt meevaren. »
« Wanneer verlaat het schip de haven ?» « Bij 't begin der ebbe, eerstkomenden nacht. »
« Mag mijn broeder gaan om onze have weg te brengen ? »
Ook hiervoor gaf de kapitein zijn toestemming.
« Potai, gij zijt jonger ; zult gij me gehoorzamen ? » vroeg de Ehri.
De andere knikte.
« Gij moet alles van ons op 't schip brengen, dat ik u zal aanwijzen ! »
« Wij hebben drie volle matten. » « Gij blijfc aan boord, tot ik terugkeer! » « Neen, Potomba. Heb ik ook geen kris?»
95
REISVERHALEN.
« Eerst komt mijn kris ; en wanneer ik zal sterven, dan eerst de uwe. Gij kunt mij dan wreken, in plaats van mee te sterven ! » «Ik gehoorzaam u ! »
«Nu kom maar, Sahib ! Ik wilde u de gastvrijheid aanbieden, maar ik ben van huis beroofd geworden. »
Wij keerden naar het strand terug. Po-tomba toonde zijn broeder de bark, en deze verwijderde zich zonder een woord te spreken.
« Wat wilt gij beginnen, Potomba ? » vroeg ik.
« Gelooft gij, dat Pareyma mij ontrouw is geworden ? »
« Ik weet het niet, want ik heb haar niet gekend. »
« Maar ik ken haar. Zij heeft haar dolk. Zij is moedig en dapper. Zij zal sterven, maar niet met Matemba gaan. Ik zal haar uit de handen van hem en van den dood redden ! »
96
pareyma.
« Gij wilt Anoui dooden ? gt;)
« Ja. »
« Hij is de vader uwer echtgenoote! » « Hij is de moordenaar van mijn moeder ! »
« Gij zijt een christen ! »
« Hij is een heiden ! »
« Weet gij,wat de hoogste Sahib Christus gebiedt ? Vergeef, opdat ook u worde vergeve ! »
« Ik gehoorzaam Hem, want ik zal Anoui vergeven, zoodra ik hem gedood heb, »
« Dat is de rechte gehoorzaamheid niet, Potomba. Ik meen, dat... 2gt;
Hij onderbrak mij door een driftige beweging met de hand.
« Gij zijt christen, zoolang gij leeft, Sahib; ik echter ben het sedert korten tijd. Later zal ik ook zijn, net als gij. Zoudt gij mijne vervolgers niet gedood hebben, wanneer zij niet ontvlucht waren, maar mij hadden aangevallen ? »
Reisverhalen, 7
97
REISVERHALEN.
«Ik had hen gedood, wijl gij geen andere hulp hadt!»
« Welnu! Zij hebben den dood verdiend, en ik heb ook hier in Papetee geen hulp. Of zal een Ehri om gerechtigheid vragen aan de Ingli en Franki ? Ga met uw vriend ; ik kom op het schip, als 't de haven verlaat. En indien ik dan nog niet terug ben, kan mijn broer aan wal terugkeeren en mij wreken! »
« Wilt gij niet het graf uwer moeder bezoeken, eer gij gaat ? » vroeg ik, eensdeels om tijd te winnen,anderdeels uitdeelneming met zijn rampspoed.
« Weet gij niet, dat het graf van een mensch tabu (heilig, d. i. onaantastbaar) is ? Kan ik haar graf zien, zonder tot haar geest te kunnen zeggen, dat haar moordenaar bij zijn Oro, dien wij christenen den duivel noemen,gegaan is? Pareyma is mijn vrouw. Zij zal zich niet voor de tweede maal door den Mitonare met mij laten trouwen, om
98
PAREYMA. 99
haar vader niet te vertoornen. Zij is om zijnentwille een heidin gebleven, ofschoon ze in heur hart aan den goeden Bapa in den Hemel gelooft. Daarom heeft Anoui nog macht over haar. Hij is bij haar gekomen ; en zij heeft hem moeten volgen. Ik zal ze evenwel terughalen. Joranna ! (Leef gelukkig). Sahib, joranna ! )gt;
«Ik zeg geen joranna, maar ik ga met u mee! »
« Gij wilt mij alzoo storen ? »
« Neen, ik wil uw gevaar deelen! » « Gij houdt werkelijkveel van mij, Sahib! Kom!»
Ik gaf den kapitein den noodigen uitleg. Master Frick Turnerstick, in alle aventu-ren te lande hoogst behoedzaam en voorzichtig, ried 't mij ernstig af. 't Was me
|;
echter onmogelijk Potomba te verlaten. Mijn nabijheid kon hem misschien van groot nut wezen. De zeeman ging naar de stad, en ik stapte met den Ehri naar't strand.
REISVERHALEN.
Zijne oogen zochten onder de hier aanwezige booten, tot hij er een gevonden had, die grooter was dan de zijne. Deze kon wel vier personen bevatten.
Daarbuiten aan den westelijken gezichteinder blonken de witte zeilen der bruiloft-flotille, die zijn doodvijand naar Eimeo bracht. Toen zij uit het gezicht waren, steeg hij in, nadat hij een teeken in 't zand had gemaakt, dat den bezitter der boot nuttig was. Ik sprong hem na, legde de geweren wegen greep dan naar het roer. Hij hijschte het zeil; de bries deed het krachtig zwellen en wij vlogen over het rustige water der haven heen, vervolgd door de blikken van hen, die aan den oever stonden.
Wij volgden het smaldeel niet rechtstreeks, maar stevenden, toen we over de koralen waren, eerst langs de kust van Tahiti heen en namen daarna rechten koers op Eimeo. Ik moest natuurlijk de leiding der boot aan Potomba overlaten. Hij landde
IOO
TAREYMA.
aan een eenzame plek, alwaar een pisang-boschjezich tot hetwater uitstrekte. Hier legden wij de zeilsteng om en trokken de boot met heel wat moeite onder een afdakje van blaren. Dan schoot Potomba door het boschje vooruit, en ik volgde hem.
Wij bereikten een broodboombeplanting, die ons goede beschutting bood, en weldra naderden we een verhevenheid, van welke wij het nabij gelegen Tamai geheel konden overzien. Wij bemerkten tegelijkertijd, dat daar ter plaatse een buitengewone beweging was. Aan 't strand der zee lagen de booten der flotille even voor ons aangekomen. Voor een huis, buitengemeen groot, en waarbij aan de achterzijde een bamboeveld lag, bewoog zich een groote menigte men-schen, en niet ver van ons, juist onder aan de helling des bergs, waarop wij lagen, stond een altaar, versierd met palmbladeren en bloemen, daarachter twee afgodsbeelden, hoogst waarschijnlijk Atua en den Oro be-
IOI
REISVERHALEN.
teekenend. Daar zou naar alle waarschijnlijkheid de plechtigheid gebeuren.
« Wat gaat gij doen, Potomba ? » vroeg ik den Ehri
« Ik zal wachten, tot zij aan het altaar staan, en ga dan Pareyma halen. » lt;lt; Dat zal u niet gelukken. »
« Dan haal ik haar uit de boot, als Ma-temba met haar naar huis keert. » « Wanneer zal dit geschieden ? » « Heden juist te middernacht; zoo gebiedt het deleer van de afgodendienaars. » « Aan wie behoort dat groote huis daar aan den overkant ? »
« 't Is het eigendom van den priester. » « Welke kamers bewonen de vrouwen ? » « Pareyma verbleef steeds aan den achterkant, op de zee aan. »
« Heeft zij nog een moeder of zusters? gt; « Neen. Haar moeder is lang dood, zij is 't eenig kind des priesters. »
« Zal men haar voor de bruiloft tooien?:)
I02
PAREYMA. 103
« Ja, en dan laat men de bruid alleen, opdat zij met de goden kan spreken. »
« Weet de priester, dat gij heden teruggekeerd zijt ? »
«Wie zei hem dat ? »
« Niemand. Ziet gij den man niet,'die tusschen het huis en het bamboe op en neergaat ? Hij heeft een knods in de hand en moet uw vrouw bewaken. Dat is een teeken, da^, zij gedwongen werd en niet vrijwillig meeging naar Eimeo. ))
« Dat wist ik. De Ehri van Tahiti vreest de mannen van Eimeo niet. Hij zal zijn vrouw in 't openbaar terugkrijgen ! »
Ik kende hier de gebruiken en gewoonten niet en hield het voor best hem zijn zin te laten volgen. Toch nam ik me voor het terrein een weinig te verkennen. De prairiejager kwam in mij weer boven; ik legde mijne wapens naast Potomba neer, onderrichtte hem van mijn voornemen en ging het gebergte af tot aan het bamboeveld.
REISVERHALEN.
Honden of andere viervoetige dieren hadden smalle paadjes gevormd. Op den bodem voortkruipend, schoof ik langs zulk een paadje voorwaarts en naderde zoo geheel onbemerkt kort in de nabijheid des huizes. Daar klonk een halfluide, lieflijke vrouwestem:
« Te ïiiva to te malema,
I04
« Te uwa to hinarro... (') » Het was een roerend klaaglied, dat ik vroeger door vrouwen en meisjes van de Pelew-eilanden had hooren zingen, en het dacht me zoo, de zangeres kon niemand anders wezen dan Pareyma. Aanstonds kwam het verlangen in mij op met haar te spreken. Dit waagstuk kon evenwel alleronaangenaamst voor mij uitvallen, doch ik had mijn mes en een revolver bij me, en voor den braven Ehri kon men ook wel een kleinigheidje wagen.
i. « Het wolkje rond de maan, « Het wolkje min ik... gt;
PAREYMA.
Ik werkte mij alzoo heelemaal aan 't eind. De wachtpost kwam en ging voorbij,zonder me op te merken, ofschoon het helder dag was. In een seconde stond ik achter hem en sloeg hem zoo met mijn vuist op den onbedekten schedel, dat hij bewusteloos nederstortte. Nu trad ik aan den bamboe-rand van het huis, waarachter de stem verborgen was. Ik moest eenige minuten lang zoeken, eer ik ergens een kleine opening ontdekte, waardoor ik in de kamer kon zien.
Zoo de jonge vrouw, die ik aanschouwde, werkelijk Pareyma was, dan kon ik de hoogachting begrijpen, die Potomba voor haar koesterde. Zij stond thans na geëindigd gezang midden in de ruimte, en een stroom van tranen liep zonder ophouden over heure wangen. Zij was een slanke, edele gestalte, nog vol van de frischheid der jeugd, die men ondanks het harteleed bespeurde, dat haar lichaam deed beven. Hare schoone.
'OS
REISVERHALEN.
donkere oogen waren omfloersd,hare scherp afstekende wenkbrauv/en tezamengetrok-ken en heure fijne lippen gesloten. Geen enkele bloem, ook geen enkele tand was in de haren of ergens anders aan heur gestalte te bespeuren ; ja, zij scheen kleeding en stof met opzet versmaad te hebben, die men den Europeërs afkijkt en afkoopt om de uiterlijke verschijning zoo als zij meenen nog te verhoogen. Een parau van zachte, geelbruine tapa, die een weinigje verder dan tot de knieën reikte, omsloot hare heupen, en een tehei van dezelfde stof omhulde als mantel de schouders en het bovenlijf. Het ravenzwarte haar hing vol, lang en lokkig over den hals, zonder eenige bloesem er in, ook niet opgebonden door de wuivende vezels van arrowroot.
Ik bemerkte, dat zij den ingang door baststrooken stevig had gesloten, trad twee schreden van den muur terug en riep met gedempte stem : 'i Pareyma ! »
io6
PAREYMA.
Het droevig geschrei hield op ; zij had mij gehoord.
« Mata ori, verschrik niet ; Potomba is hier vlak bij ! »
Een half onderdrukte jubeltoon werd binnen geslaakt.
« Wie zijt gij ? » hoorde ik haar vragen. « Een vriend van den Ehri. Wilt gij Matemba 's vrouw worden ? »
« Neen. Ik heb mijn dolk en zal mij dooden, wanneer ik geen uitkomst zie. » « Zoo zijt gij Potomba trouw gebleven ? » « Ja. Mijn vader kwam en dwong mij met hem te gaan. »
« Wie heeft de moeder van den Ehri neergestoken ? »
« Mijn vader ; zij verweerde zich tegen zijne aanvallen. »
« Bemint gij hem ? »
« Neen. Ik heb hem bemind ; thans doe ik het niet meer ! »
« Gij zult gered worden. Doe alles, wat
REISVERHALEN.
uw vader verlangt. Wanneer het ons niet eerder gelukt, dan redden wij u op den bruiloftstocht naar Tahiti. »
Daar weerklonk aan de andere zijde van het huis een tamtam ; ik trad naar den be-wustlooze en legde een steen naast zijn hoofd. Steenen van dezelfde grootte lagen op het dak om het voor den wind te beschuiten ; een dezer kon afgerold zijn en den wachter getroffen hebben. Daarna keerde ik langs denzelfden weg naar Po-tomba terug.
Hij had op de hoogte elk mijner bewegingen kunnen zien en wachtte mij met zichtbaar verlangen. Ik deelde hem alles uitvoerig mee en werd bijna zelf meegesleept door de begeerte, die bij hem naar boven sprong.
Thans mengden zich bij den klank des trommels de tonen van talrijke fluiten ; de plechtigheid ging nu aan den gang. Parey-ma werd uit het huis gebracht, en achter
io8
PAREYMA.
haar zette zich een lange stoet in beweging.
« Ziet gij Matemba aan haar zijde, Sahib ? ^ vroeg Potomba.
«Ik zie hem. »
« Hij ook was bij mijne vervolgers. Oro zal hem van nacht verslinden. Ik zal hier niemand eenig leed doen, maar terwijl gij met mijn vrouw spraakt, heb ik besloten, hoe ik Pareymazal terughalen. Ik ben een christen, gelijk gij met alle recht zegt, en deze kris zal door geen ander bloed gekleurd worden dan door het bloed mijner moeder; toch zullen zij sterven, maar niet door mijn hand ! »
De stoet kwam bij het altaar aan, dat Anoui, de priester, besteeg om zijn toespraak te beginnen; daar ontschoot mij Potomba en verdween zijdelings in de struiken. Ik kroop nu ook zoo ver mogelijk vooruit om de onder mij liggende helling zoo goed als 't kon te overzien. Voor den priester stonden Matemba en Pareyma; de tamtams en
REISVERHALEN.
pijpen maakten een oorverscheurend leven, dat op het teeken des priesters eindigde. Zijn rede bestond in smaadwoorden tegen het christendom, waar voor ik hem dol-gaarne een kogel door den kop gejaagd had; dan kwamen verwenschingen voor den afvalligen Ehri, en eindelijk greep hij achter zich en nam van het altaar eenige hoofdbeenderen, die hij voor Matemba hield.
« Leg uw hand op dezen schedel, die aan het hoofd van een uwer voorouders toebehoorde en zweer dan : Eita anei oe a faarue i ta oe valrina ? » (')
Nog had Matemba zijn « Eita » niet uitgesproken, of Potomba drong door de menigte van toehoorders en stond eensklaps voor het altaar.
lt;L Wees gegroet, Anoui, vader mijner echtgenoote! » riep hij uit. « Zij is, toen ik
i. « Zult gij nooit uw vrouw verlaten ? gt; Dit is de hei-densche formaliteit,die de bruidegom met « Eita »(neen !) beantwoordt. Is dit geschied, dan beschouwt men den echt gesloten.
I IO
PAREYMA.
afwezig was, tot u gekomen, en ik volg haar na, om haar huiswaarts te brengen. »
Er ontstond een diepe stilte. De priester strekte beide armen afwijzend uit en riep : « Deze plaats is heilig; ga weg van haar en van ons, verrader ! ))
Potomba bleef kalm. Hij legde de hand op den schouder van Pareyma en antwoordde : «Ja, deze plaats is heilig, wijl ik, die christen ben, hier verschijn. Ik zal gaan, doch geef eerst mijn vrouw terug! » « Wijk van hier, of de dood wacht u ! » \\ De dood ? » gaf Potomba lachend ten antwoord. « Heeft hij me gevat, toen gij mij vervolgdet, om mij m'n leven en m'n eigendom te rooven ? Gij, honderden heidenen zijt niet sterk genoeg om mij, een enkel christen, den dood te geven. Gij kunt slechts vrouwen dooden. Hier aan dezen dolk kleeft het bloed mijner moeder. Gij hebt haar gedood, Anoui, en heden vorder ik haar leven op of anders het uwe ! »
Ill
REISVERHALEN,
« Dan sterf zelf! » antwoordde Anoui en greep naar hem.
Potomba week een schrede terug en riep zoo luid, dat men het van ver kon hooren : « Ik sterven, ik, de Ehri van Papetee ? Ik sta onder de bescherming van mijn God; gij echter zult ten onder gaan, gelijk ik thans uwe goden verpletter ! »
Met éen sprong stond hij op het altaar. Hij pakte eerst het eene dan het andereder leemen afgodsbeelden en slingerde ze naar beneden, zoodat de stukken in 't rond vlogen. Dan zwaaide hij zijn kris hoog in de lucht en riep: « En nu kom ik mijn vrouw terug halen!»
Een enkele ontzettende schreeuw van woede klonk uit alle kelen. Allen vlogen naar het altaar om den vermetele te grijpen; hij was evenwel het eerst afgesprongen en klom zoo snel mogelijk naar de hoogte tot bij mij. Het was een geluk, dat geen der aanwezigen bij de vreedzame plechtigheden
112
PAREYMA.
eenig wapen droeg, anders was hij een verloren man geweest. Geen enkele? Stond er achter het altaar niet een, die zoo even zijn boog spande, en daar verder een tweede onder de bananen ? Zij wilden op Potomba schieten, en 't was te voorzien, dat zij hem zouden treffen. Dat moest ik voorkomen. Ik legde spoedig mijn buks aan, mikte en drukte tweemaal achtereen; de beide heidenen stortten ter aarde.
Thans had Potomba mij bereikt. Zijne vervolgers kwamen jankend voor een gedeelte de helling op, voor een gedeelte zochten zij in driftigen loop de hoogte aan twee zijden te omzetten.
« Ik dank u, Sahib, dat gij me helpt; de pijlen hadden mij getroffen. Nu snel naar de boot; kunt gij goed loopen ? » zeide hij haastig.
Ik antwoordde niet, want daarvoor was geen tijd. Het kwam eigenlijk met mijn gevoelen niet overeen, voor deze menschen te
Reisverhalen. 8
REISVERHALEN.
gaan loopen, doch ik wist, dat onze redding nu van onze beenen afhing. Ondanks mijne zware laarzen hield ik den Ehri goed bij, die eerbiedwaardige longen en prachtvolle pezen moest hebben, want onze vijanden bleven verre achter ons. Toen we aan de boot kwamen, bleef ons juist tijd genoeg, deze in 't water te trekken, in te springen en een tamelijk grooten voorsprong te hebben, zoodat ons geen pijl kon bereiken.
Nu eerst kwamen de Polynesiërs door 't dichte struikgewas van het strand, strekten zoodra zij ons zagen, de armen in de lucht en maakten de potsierlijkste boosaardige bewegingen.
Wij grepen het tweespan riemen en werkten ons tegen den passaat naar Tahiti over. Wij lieten ons daarna, zonder te landen, door den stroom en den wind terugdrijven naar Eimeo en landden te Alsareai-ta, een kleine plaats, juist tegenover Pa-petee.
ii4
PAREYMA.
Hier bleven we tot de weldra naderende duisternis. Potomba deelde mij niets mee van hetgeen hij voornemens was, en daar zijn stilzwijgen een goede reden had, zoo viel ik hem met geen enkele vraag lastig.
Het moet om en om elf uur geweest zijn, toen wij weder opbraken. De Ehri had te voren een tamelijke hoeveelheid groote en kleine visch gekocht en deze medegenomen naar de boot. Wat hij daarmee voorhad, kon ik niet raden, doch zou dat later wel vernemen. Wij roeiden tot ongeveer het midden der straat, die de beide eilanden scheidt, en bleven hier.
Het werd donker op het water ; doch aan den hemel flikkerden duizenden sterren, en de golven lagen om de kano als vloeibaar, doorzichtig kristal. Daar greep de Ehri naar een der visschen, bond deze aan een vezeligen band en hing hem in 't water. Na korten tijd volgde een korte ruk. Een haai had deze lokspijs meegenomen. N a eenigen
II5
REISVERHALEN.
tijd wierp Potomba een tweede uit, daarna een derde en ging zoo door, tot meer dan een half dozijn haaien rond onze boot spookte.
Ik had slechts een nevelig denkbeeld van hetgeen hij op het oog had. In elk geval verzamelde hij de hyena 's der zee rond zijn boot, om zich van hen te bedienen tegen zijne vijanden, doch op welke wijze dat geschieden zou, was mij heelemaal duister. Ik kan niet zeggen, dat de nabijheid van deze beminnelijke schepsels me op 't oogenblik erg beviel, en alhoewel hij zich op ons eiland « Heer der haaien » had genoemd, zoo gevoelde ik toch, alhoewel een vrij goed zwemmer,volstrekt geen de minste genegenheid voor zijne onderdanen, hongerig naar menschenvleesch ; en ik wil het gaarne openlijk bekennen, dat ik mij op den van mijn goeden master Frick
Turnerstick meer op mijn gemak had gevoeld, dan in de smalle boot, uit welks on-
PAREYMA.
diepe bodem men de haaien met de hand een tik kon geven.
Daarbij deed zich een allergruwzaamst schouwspel voor. Ondanks de duisternis van den nacht scheen het water witvlokkig goud te zijn en liep met diepere, donkere tinten naar den bodem. Elke beweging in 't water was duidelijk te zien, en als de Ehri een nieuwen visch uitwierp, dan naderden zes tot acht vreeselijke wrekers tot de waterlijn der boot, om elkaar dat boutje afhandig te maken, en daarna begon een strijd, die u de haren te berge deed rijzen, wijl maar een dun houten beschotje tusschen hen en ons menschen lag.
Wat de Ehri betreft, zoo scheen hij zich in 't minst niet te bekommeren om mijn gemoed, zoo onaangenaam verstoord. Hij wierp van tijd tot tijd een visch uit en keek dan naar de richting, waar de bruiloftsflotille met het bruidspaar van daan moest komen. Mij kwam het echter zeer waarschijnlijk
117
Il8 REISVERHALEN.
voor, dat de huwelijksvoltrekking, na door ons verstoord te zijn, was doorgegaan ; hij integendeel scheen zeker van zijn zaak te wezen en stond, zoodra aan den gezichteinder een nevelig licht viel te bemerken, in de boot overeind om beter te kunnen uitzien, Dat licht kwam nader en werd met iedere seconde helderder. Weldra zag ik duidelijk dat de flotille op komst was, daar iedere kano aan zijn boeg een fakkel droeg.
« Zij komen », bemerkte Potomba koelbloedig, « en thans wordt Pareyma weer de mijne! »
Hij wierp de rood en wit gestreepte te-buta van den schouder en greep met de rechterhand naar zijn kris, terwijl hij met de linker weer een visch uitwierp.
« Wees mij twee minuten behulpzaam, Sahib, dan wil ik u gehoorzamen, zoo lang gij wilt! »
Ik greep de riemen.
Hij deed hetzelfde, en op zijn aanwijzing
t
PAREYMA.
beschreven wij voor de naderende booten een boog, draaiden dan bij en schoten ten laatste toe, nu met hen evenwijdig tot bij de eerste boot van het smaldeel. Daarin zaten drie personen, die ik duidelijk kon herkennen : Matemba, Anoui en Pareyma. Met een geweldigen stoot langs de rechterzijde van het vaartuig heenstrijkend, bereikten wij de boot, zoodat ons linker boord met een bons tegen hun dwarshout aankwam. De haaien waren ons hierheen gevolgd. Ik zat bij de riemen, en Potomba stond nu weder rechtop in de boot, met de kris in de vuist.
« Pareyma, kom hier! » riep hij.
De geroepene stond op en snelde langs het dwarshout tot ons in de boot. De Ehri ving haar met den linker op en liet ze neder-glijden, dan boog hij zich over boord en sneed in twee rasse slagen de baststrik door, die het dwarshout van de bruiloftsboot aan het ander hout verbond.
119
REISVERHALEN,
Een ontzettend geschreeuw uit twee kelen werd gehoord. De boot kenterde. Ma-temba en de priester stortten in het water en werden oogenblikkelijk door de haaien verslonden.
Pareyma sloeg de handen voor het gelaat, Potomba greep het ander paar riemen en begon te roeien. Wij vlogen als een pijl zoo snel, terwijl de flotille een verward kluwen geleek, waaruit slechts een enkele boot te voorschijn kwam om ons te volgen. Ik greep naar mijn buks en zeide :
«Ik zal hem even een blauwe boon geven!»
« Halt, Sahib! Dat is geen vijand, die ons volgt, maar een vriend. Zoo roeit alleenlijk Ombi, de bediende van mijn vrouw. Hij en Potomba, de Ehri, kennen geens gelijken. Laat hem komen, hij zal met ons gaan ! »
Achter ons huilden thans de woedende feestgenooten der flotille en snakten ons in
120
PAREYMA.
te halen. Het gelukte hun niet. In vijf minuten hadden wij den « Wind » bereikt, die zijn valreep naar beneden liet om ons op te nemen.
Toen eerst nam Pareyma de handen van het gelaat.
« Potomba, gij hebt vader vermoord! » stamelde zij.
Ombi, het oude grijshoofd, sprong uit zijn boot in de onze over.
« Zegt uw hart, Pareyma, dat het rustig blijft, » verzocht hij. « Uw leed is mijn leed, en uw geluk ook het mijne. De afgoden zijn heden gevallen, en nu zal bij ons zijn de goede Bapa des hemels met zijn Zoon, die op aarde kwam om al het ongeluk in vreugde te veranderen ! »
Wij stegen naar boven.
« Gauw, Charley! » riep de kapitein. « Daar komen die kerels met hunne fakkelbooten om u te zoeken. Vooruit, vooruit! Blaast de lichten uit, jongens ! » gebood hij
121
REISVERHALEN.
zijn volk, ⬠en haalt dadelijk de twee booten op dek, opdat die slungels daar niets merken. Zij moeten niet beter weten, of op onzen goeden « Wind » ligt alles in slaap. Zoo, zoo, de touwen neer! Ziet, jongens, ziet! Stopt! Vooruit met die notedoppen ! Prachtig! Al klaar! Neemt nu de handspaken, en wanneer het iemand durft te pro-beeren zijn neus binnen boord te steken, dan geeft hem een geduchten opstopper! »
Zulk een maatregel was niet noodzakelijk. De vervolgers schenen te gelooven, dat wij naar land stevenden en roeiden naar de kust, waar nog langen tijd het schijnsel hunner fakkels te zien was.
Potai ontving zijn broeder en zijn schoonzuster met groote vreugde. Aan den kapitein moest, zoodra wij in de kajuit verzameld waren, natuurlijk alles wijd en breed verteld worden. Toen ik daarmee aan 't eind was, reikte mij Pareyma haar zacht, bruine handje.
122
PAREYMA.
«Ik dank u, Sahib ! Gij hebt mij van den dood gered, want ik was aan mijn eigen mes gestorven, eer ik met Matemba het
huis had verlaten.......»
Tegen den morgen staken wij in zee. Vijf dagen later bevond zich kapitein Roberts met zijne marsgasten en al de geredde goederen bij ons aan boord. Daarna zeilde de « Wind » Noord ten Westen om den Samoa-archipel te bereiken.
Daar, op 't eiland Upolu, en wel in Sa-luafata, woont nog heden een rijk, Polynesisch koopman, die zich Potomba noemt.
Nu en dan, wanneer de zon haar gloeiend aangezicht baadt in den vloed, om ter rust te gaan, roeit de grijze Ombi een dwarshout-kano naar de haven. Daarin zit Potomba met Pareyma, en wanneer Ombi mocht toeluisteren, zoo zou hij hooren, hoe de donkerkleurige man tot zijn vrouw fluistert : « Mata ori, het oog des dags, het licht mijns levens! »
123
REISVERHALEN.
't Spreekt van zelf, dat in zulke stille oogenblikken het schoone paar het ver-ledene herdenkt, het geluk en de daarop volgende tegenspoeden, het bruiloftsfeest op Eimeo, den tocht naar de Pomotu- en Samoa-eilanden, den ouden braven master Frick Turnerstick en misschien ook den Ger-mani met de groote zeemanslaarzen, wien heden, terwijl hij ze neerschrijft, nog de klagende woorden van 't lied in de ooren naklinken:
«TV ziwa to te malema,
« Te uw a to hinarro... igt;
124
Drukkerij Sint-Augustinus, Brugge.