j3. YAN DER j3L OEG.
I
153
Vak 119
3
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN
TER EERE DER
iiB. i\i Mmura m goüâ¢.
«ESdHIEWENIS, NOÃENES, OEBEDES ES GEZASftEX
DOOR
P. VAN DER PLOEG, Pr.
Zevende druk.
f r.:l;wU^L â . '
. 1 GiNV.WUCHEiv-:
â 'iv cp n.r?.'gt;T. ,
LEIDEN,
J. W. VAN LEEUWEN,
AM IQ. BOEKHANDEL, HOOGEWOEED N. 83.
1 89 2.
REIMPRIMATUR.
Haklemi,
die 21 Martii B. DANKELMAN
1892.- Libr. Censor.
VOORBERICHT.
Le Zevende uitgave van dit sehoone en nuttige loerhje is een onveranderde druk van de Zesde. Alleen hebben wij gemeend bij de gezangen te moeten verwijzen naar goede melodieën die te vinden xijn in drie zang-hoekjes^ nl. Mariatiederen, Jubilemus I en II, welke de gezangen van wijlen Mgr. v. d. Ploeg zoo volledig als mogelijk was, bevatten.
Over de aflaten alleen dit:
Door de Pausen Pius IX z. g. en Leo XIII is verleend: een volle aflaat, ook toevoegelijk aan de zielen in het vagevuur, voor alle geloovigen, die, na yebiecht en gecommuniceerd te hebben, de parochiekerk, of de kerk op het Martelveld te Brielle bezoeken in de maanden Juni, Juli en Augustus en daar dan eenigen tijd godvruchtig bidden voor de uitbreiding des geloofs en naar de meening van Zijne Heiligheid.
De Uitgever.
Het auteursrecht is verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124).
Geschiedenis.
We geven hier een beknopt verhaal van hetgeen dit heilig heldental voor het geloof heeft uitgestaan, en het laatste gedeelte er van, bepaaldelijk ten gebruike voor eene Negendaagsche Oefening hun ter eer, naar de dagen der maand en week van hun martelaarschap. Houdt men de eerste Novene, dan beginne men den 30en Juni 's avonds, of buiten dien tijd, op een maandag-avond, ten einde op een woensdag, den dag van hunnen dood, te kunnen eindigen. Wat zij vóór den 30en Juni ondergingen, kan men zeer gevoegelijk, ter inleiding of voorbereiding, vóór het begin der Novene herdenken.
HET LIJDEN DER GORKUMSCHE MARTELAARS VAN DEN 27en TOT DEN SOn JUNI.
Vrijdag, 27 Juni.
In den zeer vroegen morgen van den 27en Juni, niet lang na middernacht, werd het kasteel van Gorkum, waar de priesters, kloosterlingen en vele leeken dier stad veiligheid gezocht hadden, aan den bendekapitein Marinus Brant overgegeven, onder uitdrukkelijk beding van v r ij en aftocht voor allen, niet één uitgenomen. Tegen de bezworene overeenkomst in, behandelde Brant hen allen als gevangenen ; de
1
2
leeken echter liet hij welhaast, op enkelen na, tegen grof geld heengaan; doch de priesters en kloosterlingen hadden nu van zijne beruchte Watergeuzen des te meer te verduren.
Hun is van de overgave des kasteels af, tot hunnen dood toe, geen rust gelaten, maar aanhoudend alle beschimping en mishandeling, allerlei kwelling en foltering zoo bij nacht als bij dag aangedaan. Al dadelijk greep menden Vice-gardiaan Hieronymus met geweld bij de borst, gaf een soldaat den Gardiaan een hevigen slag in het aangezicht, en braakte men de afschuwelijkste bedreigingen tegen hen allen uit. Men sloot hen in een dievenkot en bood hun eindelijk, 't was vrijdag, tot stilling van den honger vleesch aan, wat zij weigerden, omdat het hun ter bespotting van de kerkelijke wet werd aangeboden.
Om eenigszins te beseffen wat^onze martelaren te verduren hadden, denke men zich die bezetting van het kasteel, welke meerendeels uit allerwegen opgeraapte roovers en moordenaars bestond, en naar hartelust met de gevangenen te werk ging. In den laten avond vooral, als zij meestal geheel of nagenoeg beschonkeu waren, kwamen zij die eerwaardige belijders bespotten, mishandelen, met de vuist in 't aangezigt slaan, baldadig schoppen, rukken en sleuren, met allerlei vervloekingen overladen. Was de eene bende vermoeid, dan kwam er eene andere, of men liet er nieuwsgierige
3
priesterhaters van elders bij, zoodat er weinig rust voor de afgematte martelaars overbleef. Zoo vielen â die bandieten den eersten nacht oververzaad in den kerker en schreeuwden: »Laat ons dien afgoden-«dienaars de deelen, neus en ooren afsnijden en 5gt;zoo aan een kruis hangen!quot; Ter schrikaanjaging hadden zij ook ladders bij zich, als wilden zij hen -er naakt aan vastbinden en dadelijk gaan folteren. Op een valsch gerucht echter, dat de vijand naderde, bleven de martelaars eene wijl alleen, biechtten bij elkaar en wekten elkander tot volharding op. Weldra waren de beulen terug, plaatsten zich in een hoek en bevalen, dat de gevangenen â één voor één bij hen zouden komen. Zij verwachtten niets anders dan dat men hun zoo dadelijk den hals zoude afsnijden. »Uit die zwarten willen we er een 1quot; riepen die woestaards, daarmede de wereldgeestelijken aanduidende. »Ik ben gereed !quot; antwoordde Pastoor Leonardus, stapte onverschrokken toe, zelf zijn hals en borst ontblootend, en knielde neder om er, naar hij meende, het hoofd te laten. Maar zij begonnen luidkeels te lachen en vorderden zijn geld. Toen was de beurt aan Godefridus van Duynen, vervolgens aan den ouden Rector der Augustinessen, Joannes van Oosterwijk, van wien zij met het geweer op de borst de schatten van het klooster wilden weten. In hunne verwachting teleurgesteld, grepen zij nu te grimmiger Pastoor Nicolaus Poppel aan, op wien zij
4
buitendien, om zijn preeken tegen de ketterij, bizonder verbitterd waren. Zij plaatsten hem zóó in bun midden, dat hij zich niet heen of weder kon bewegen; vorderen, hem een geladen pistool voor den mond houdende, het verborgen goud en zilver af, en vragen onder allerlei smaad, of hij nu nog durft roemen, dat hij gaarne voor het Katholieke geloof wilde sterven. »Gaarne!quot; antwoordde Nico-laus onbevreesd, »en bizonder voor dit mijn geloof: »dat het Lichaam en Bloed zelf van onzen Heer »Jesus Christus in het Allerheiligste Sakrament »des Altaars onder de gedaanten van brood en »wijn waarachtig tegenwoordig is.quot; Niet anders denkend, of de soldaat, die hem altijd het pistool voor den mond hield, zou losbranden, sprak hij met luider stem : »Heer! in uwe handen beveel »ik mijnen geest.quot; Maar die roovers wilden van de schatten hooren, sloegen hem het koord van een Franciskaan om den hals, en het andere eind over de deur, en heschen hem herhaaldelijk zoo geweldig op, dat hij het bijna bestierf; doch niets van hem vernemend, stieten zij hem buiten kennis, van zich weg.
Nu kwam men met hetzelfde doel bij de Eerwaarde Franciskanen en begon met den jongsten te pijnigen. Een dezer riep van smart: »Wij weten »van geen geld, daarvoor zorgt de Gardiaan.quot; De beulen, den Vicarius voor den Gardiaan houdende, zetten hem een dolk op de borst en
5
eischen aanwijzing der schatten. De edelmoedige Vicarius maakt bij dit doodsgevaar den eigenlijken Gardiaan, Nicolaas Piek, niet bekend; maar ook deze wil niet, dat een ander voor hem lijde, en roept luide, dat hij de Gardiaan is. Die onmenschen vliegen op hem aan, en slaan hem dat zijn gansche lichaam er van gekneusd was; daarop werpen zij hem zijn koord om den hals en over de deur, trokken hem, evenals zij het 'Pastoor Nicolaus Foppel hadden gedaan, wreedaardig op en neder, en wel zóó lang, dat het koord brak, en hij zonder eenig teeken van leven, op den grond ineenzeeg. Toen richtten zij hem tegen den muur op, blakerden hem met brandende kaarsen het voorhoofd, de kruin, en het gansche gelaat, lieten de vlam door den neus naar de hersenen spelen, verbrandden dan den mond van binnen, tong en verhemelte) en, hem dood wanende, schopten zij hem weg en zeiden: »'t Is maar een monnik ! wie zal er naar stalen ?quot; â Dit was het lijden van den eersten dag en nacht.
Zaterdag, 28 Juni.
Tegen aller verwachting kwam de zoo deerlijk mishandelde Gardiaan weder bij, erlangde ook de spraak terug, en zijne eerste woorden waren om allen te bemoedigen, hun verzekerende, hoe hij nu bij eigen ondervinding wist, dat de pijn van het ophangen niet zoo erg was. »Hoe gaarne,quot;
6
zeide hij, »had ik tot God gegaan: maar wijt »het Hem anders heeft behaagd, zoo geschiede sal wat Hij over mij besloten heeft. Voor zulk »eene korte en lichte foltering zullen wij opsnel-»len tot het eeuwige leven, en 't zal in waarheid «blijken, hoe het lijden van dezen tijd niet te «vergelijken is bij de toekomstige glorie, welke »in ons geopenbaard zal worden.quot;
Zeer vroeg in den morgen kwamen eenige beulen met een bijl, om den Gardiaan, dien zij dood achtten, in stukken te hakken en die op de poorten der stad te spijkeren. Hem, tot hunne groote verbazing nog in leven vindende, begonnen zij den martelaar opnieuw te mishandelen, schopten hem met hunne voeten en trapten hem met hunne hakken in buik en zijden, hem intusschen de smadelijkste woorden toevoegende.
Met den nacht stormde er weder eene beschonken bende den kerker in, en daaronder een dronken Fries, een kapitein, die den gevangenen beval de wangen op te blazen, en dan sloeg hij hun met de volle vuist herhaaldelijk in het gezicht, zoodat bij velen het bloed uit mond, neus en oogen sprong. Te gelijk overlaadde hij met zijne makkers die eerwaardige belijders met de vuilaardigste beschimpingen, en koelden zij aan hen op allerlei wijze hun boosaardigen moedwil. Bij den morgen zag men, hoe hun gelaat misvormd en smartelijk opgezwollen was.
7
Zondag, 29 Juni.
Feestdag van de HH. Maetelaeen Peteus en PaüLUS (1).
Daags daarna beroemde zich die onbeschaamde Fries, bij den Schout aan tafel gezeten, op hetgeen hij dien nacht had uitgericht als op een heldenstuk; en eiken dag, doch vooral des nachts, hadden de gevangenen deze en dergelijke mishandelingen te verduren. Was de eene bende vermoeid, want verzaad waren die wreedaards nooit, dan trad er eene andere op ; en kwamen er vreemden op het kasteel, zij mochten naar believen met de martelaars te werk gaan. Waren er die zich te voren door hen beleedigd waanden, men kon zich nu, met woord en daad, zooveel men slechts wilde, aan hen wreken.
Dat ook de feestdag der Apostelvorsten, bepaaldelijk van den H. Petrus, die de sleutels van het rijk der hemelen ontving, de afvalligen op de volgende beschimping bracht, laat zich gereedelijk denken, Zeker is het, dat zij vooral op dien dag het sakra-ment der Biecht hebben bespot. Zij knielden bij de oudste Paters neder en deden of zij biechtten; dan als razenden, sloegen zij die grijsaards in het aangezicht en op het hoofd. De stokoude Wilhadus
(1) Men gedenke het heden wel, dat onze Martelaars juist op dezen dag, met het XVIIXe Eeuwfeest van den marteldood der Apostelvorsten Petrus en Paulus, door Pius IX z. g., in 1867 heilig verklaard zijn.
8
zeide altijd zeer bedaard op eiken slag; »D e o gratias!quot; »God zij gedankt!'1 Een, die eene spotbiecht bij hem had gedaan, vroeg hem wat hij er op zeide: »Ik zal God voor u bidden!quot; was zijn wijs en vriendelijk antwoord. Dat maakte den onverlaat nog woedender; als een bezetene greep hij den negentigjarigen grijsaard aan, en sloeg en mishandelde hem allergruwelijkst. En deze herhaalde immer: »D eo gratias!quot; »God zij gedankt!quot; â Zoo ging het eiken dag, en vooral des nachts, en met allerlei verschillende bespottingen en pijnigingen, Daarbij werden onze martelaars aanhoudend door vreeselijken honger en dorst gefolterd.
Maandag', 30 Juni.
's Avonds vóór de Novene.
Men leze de opmerking over het beginnen der Novene, op bl. 1 bovenaan.
Op den 30en Juni zouden op bevel van Marinus Brant twee ijverige Katholieken, Dirk Bommer en Arnout Coninck, te Gorkum opgehangen worden. Zij verzochten om bun biechtvader. Pastoor Leonardus, die verlof kreeg om den kerker te verlaten en hen naar de galg te begeleiden. Hij troostte en sterkte hen, en sprak hun van Jakobs ladder, waar engelen op- en afklommen, gelijk er ook nu engelen hen zagen en hielpen, en hun aanstonds de gloriekroon
9
zouden toereiken. »Zijt manmoedig!quot; sprak de waardige herder, »nu is het uwe beurt, morgen «wellicht de mijne: dezelfde straf, dezelfde schande, «dezelfde dood staan mij te wachten.quot; Onder de hand vermaande en bezwoer hij ook nog andere geloovigen, dat zij toch tot het laatste toe zouden volharden in hetgeen zij van hunnen Pastoor geleerd hadden. De soldaten wilden hem nu naar het kasteel terugvoeren, doch de burgers verzetten er zich tegen, en men bracht hem naar het stadhuis. Daar werd hem verboden de Mis te lezen; ook mocht hij niet zonder verlof de stad verlaten. Dan moest hij op Maria-Bezoek in de kerk preeken: hij wist nu, voegde men er bij, hoe hij voortaan te preeken had.
Reeds dadelijk hadden de bloedverwanten van den Gardiaan zich beijverd om hem vrij te koopen; doch de vaderlijke kloosteroverste bleef bij zijne herhaalde verklaring; dat hij niet dan met al zijne kinderen wilde bevrijd worden, en anders met allen wilde sterven. Datzelfde getuigde hij aan een bij hem toegelaten bloedverwant en sprak: »0 ! het is niet iets gerings, voor het ïKatholieke geloof te mogen sterven!quot; â Wat ook de Vicarius in zijn vurig geloof met de meeste geestdrift herhaalde. Nog een ander bloedverwant, die heelmeester was, mocht den Gardiaan bezoeken, maar kon zijne tranen niet weerhouden: 2,66 misvormd en mishandeld zag de martelaar
10
er uit. En toen die geneesheer sprak over die-pijnlijke wonden: »0! 't is slechts weinig,quot; riep hij in vervoering uit, »wat ik tot hiertoe leed voor »den naam van Jesus, mijn allerbemindsten Heer, »die voor mij zondaar zooveel geleden heeft:: »mocht ik voor het Katholieke geloof, lid voor lid, »in stukken gehouwen worden! . .. Laat ze met mij »doen wat zij willen! laat ze mij ontvellen, braden, »ik ben bereid om er alles voor te lijden!' En ook tegen hem wilde de in heilige liefde ontgloeide Gardiaan van geen bevrijding voor zich zeiven alleen hooren.
Wekken wij heden-avond aan al deze betuigingen van een zoo levendig geloof ook ons geloof op, om met des te meer vrucht deze oefeningen te houden. »Zonder het geloof toch is het onmogelijk, aan God te behagen.quot; (Hebr. xi, 6.) Spreken we met alle aandacht eene akte van geloof en zeggen wij vol vertrouwen:
Bidt voor ons. Heilige Martelaars van Gorkum. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Ouze Vader; Wees gegroet; Glorie zij den Vader.
11
EERSTE NOVENE.
NAAR DE NEGEN LAATSTE LEVENSDAGEN: ONZER MARTELAREN.
Dinsdag, 1 Juli.
Eerste dag der Novene.
Men beginne des verkiezende, heden en de volgende dagen, de oefening met het Onze Vad er, Wees gegroet, en Glorie zij den Vader, enz., ter eere van onze HH. Martelaars.
Onxe Martelaren lijden met offervaardigen heldenmoed voor him geloof.
Op den Isten Juli kwam de afvallige Luiksche Kanunnik Jan van Omal, een bloeddorstig priesterhater, onze gevangenen beschimpen, sloeg godslasterlijke taal tegen het Allerheiligste uit, en zeide, dat hij door Graaf van der Mark, die met zijne Watergeuzen vrijmachtig in den Briel als zijne zetelstad heerschte, naar Gorkum gezonden was, om hen allen te laten ophangen. Dadelijk antwoordde de vurige Hieronymus ; »Doe gelijk »gij zegt, wij zijn allen bereid Iquot; Terwijl nu Omal als een dolzinnige tiert, scheldt en knarsetandt, komt er een beul in met koorden en laat ze hun dreigend zien. »God zij geloofd!quot; roept nu de Gardiaan Nicolaus met eenige anderen. »God zij «geloofd en gedankt! dat het zoo ver gekomen is.'' Aan een groot deel der kloosterlingen ontnam men hunne kappen, en de beul hield ze, ofschoon dit
12
alles slechts eene vertooning ^as; zoodat die martelaars, van nu af, enkel met een dun onderkleed, gedekt bléven. Intusschen zong daar een afvallige uit spot een Latijnschen kerkzang op de HH. Petrus en Paulus, wier feestdag twee dagen te voren gevierd was. En wel toepasselijk was het, wat hij van Nero en die Apostelen deed hooren (1); immers eene wreedheid zag men hier als van Nero, «en heldenmoed, welke dien der Apostelvorsten herinnerde. En ook: onze martelaren leden voor hetzelfde geloof in Christus, en bijzonder voor hun geloof in de opperhoofdigheid van Christus' eersten Stedehouder, van den H. Petrus, den eersten Paus van Rome, en van diens opvolgers tot aan de voleinding der eeuw.
Met den nacht kwam daar weder eene bende beschonken beulen, om zich in een nieuw tooneel te verlustigen. Zij bonden de kloosterlingen, die zich weder, gelijk bij elk nieuw gevaar, door de biecht tot den dood hadden voorbereid, twee aan twee en riepen : »Zingt nu, monniken! met deze staatsie gaat »gij ter dood!quot; Onverwijld hieven zij het T e D e u m (2) aan, wat een soldaat uit spot ten einde toe met hen medezong. Zoo bracht men hen aan eene welvoorziene tafel, waar er velen zaten te brassen, die hun, na veel smaad en boon, dob-belsteenen aanboden, zeggende: »Werpt nu, wie
(1) Zie die woorden onder de Gebeden.
(2) Zie het Te D e um onder de Gebeden.
13
»'t eerst zal hangen, de anderen zullen op hun »beurt volgen.quot; »Dat is onnoodig!quot; riep oogen-blikkelijk de moedige Gardiaan, »ik bied mij zeer »gaarne het eerst aan, ik ken toch den strop, ik heb »het nog pas ondervonden.quot; 't Was echter weer boosaardige schrikaanjaging; de kloosterlingen werden, en weder in processie, naar hunnen onderaardschen kerker teruggebracht. Voor de anderen was daags te voren tegen geld, eene hoogere en eenigszins dragelijker gevangenis verkregen doch ook daar waren zij voor het graauw niet beveiligd, en inzonderheid had Pastoor Nicolau» Poppel veel van een afvallig parochiaan te lijden, die hem in godslasterlijke smaadtaal zijnen ijver voor de eer van het H. Sakrament verweet.
Vereeren wij heden den onverschrokken en offervaardigen moed onzer zoo herhaaldelijk met den dood bedreigde martelaren; en merken wij reeds hier wèl op, hoe zij voor hun geloof, inzonderheid voor hun geloof in de opperhoofdigheid van den Paus, en Jesus' waarachtige tegenwoordigheid in het H. Sakrament, van alles-beroofd, gekerkerd, geboeid, beschimpt, mishandeld en telkens met den schandelijksten dood bedreigd werden. Bidden wij vurig om volharding in dit ons zelfde geloof, en om genade voor alle afgedwaalde n, dat ook zij het met ons mogen belijden.
Bidt voor ons. Heilige Martelaars van Gorkum.
14
Opdat wij de beloften van Christus waardig â¢worden.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie zij den Vader.
â¢WOENSDAG, 2 JULI, FEEST VAN MARIA BEZOEK.
Tweede dag der Novene.
De H. Leonardus, vooral om zijne verheerlijking van Maria, met allen ter dood gezocht.
Op den 2en Juli, den feestdag van Maria-Bezoek, was de Groote kerk van Gorkum vol hoorders, en men zag onder hen eene menigte afvalligen en vreemde Calvinisten, die verwachtten, dat Pastoor Leonardus nu meer in hun geest zoude preeken. Doch de trouwe herder, niet in het minst door dat aantal vijanden vervaard, sprak even rustig als te voren ; begon met den lof van de »Zalige Maagd en Moeder Gods, Koningin des «hemelsquot;, verdedigde tegen de nieuwgezinden met kracht van redenen hare uitnemende voorrechten, en vooral hare voortdurende maagdelijkheid. Openlijk verzocht hij, dat zij die meer bewijzen verlangden, zich bij hem zouden vervoegen. Vervolgens richtte de goede herder zich tot de zijnen, wekte hen in de teederste en vurigste taal op, dat zij toch vast zouden staan in het Katholieke geloof en besloot aldus: «Volhardt dan, smeek ik u, «kloekmoedige en edele burgers 1 volhardt, en
15
«blijft standvastig in het Katholieke geloof!quot; Om deze preek zochten de Calvinisten nog te meer naar eene gelegenheid, om den onverschrokken Pastoor weder naar den kerker, en met de overige gevangenen ter dood te brengen; want openlijk geweld durfden zij op dit oogenblik, uit vrees voor het volk, niet gebruiken; zij wisten echter in hunnen haat al spoedig zulk eene gelegenheid te vinden.
Op denzelfden 2eu Juli kwam de zuster van Pastoor Leonardus hem uit 's Hertogenbosch berichten, dat hunne moeder ernstig ziek lag, en vurig verlangde, haren zoon te zien. Reeds had die zuster, door anderen geholpen, van deu bevelhebber Brant, die uit eigenbelang allen naar omstandigheden wilde believen, tegen geld een verlofbrief voor haren broeder verkregen; doch â wijl er iets in den vorm ontbrak, wilde hij erniet op vertrekken. Men ontving, alweder voor geld, «n altoos onder verbintenis, dat Leonardus dadelijk zou terugkeeren, een anderen verlofbrief. Nauw echter was hij tot Woudrichem gekomen, of opgehitste priesterhaters uit Gorkum, vreezende, dat die kostbare buit hun zoude ontsnappen, zetten hem na, vatten hem weder en schelden hem voor een verrader. Leonardus toonde het geteekende verlof; men rukte het hem uit de hand, verduisterde opzettelijk het bewijs zijner onschuld, en voerde hem onder allerlei scheld-
16
taal naar Gorkum terug. Intusschen had men' daar het volk door den schandelijksten laster tegen den onschuldigen herder opgeruid, en hij werd door de menigte met alle verwoedheid ontvangen. Men vloekte, men sloeg, men schopte, men trapte hem het gansche lichaam over, en schreeuwde om strijd: »Hang hem op, hang »hem op! weg, weg met hemlquot; Vergeefs beriep Leonardus zich op zijn vrijgeleide; men sleepte hem naar het kasteel, waar Brant hem gelastte zich te ontkleeden : hij zou door de pijnbank tot bekentenis van schuld worden gebracht. Reeds stond Leonardus daartoe gereed, als Brant, wel bewust, dat hij het stuk geteekend had, tegenbevel1 gaf en hem in de gevangenis der kloosterlingen deed werpen. De geloofsvervolgers, hiermede nog niet tevreden, hitsten de gemoederen tegen alle gevangenen gelijk op, ten einde hunnen dood tamp; verhaasten.
Doch ook van hunnen kant ijverden aanzienlijke Katholieken voor de bevrijding hunner martelaren r en beriepen zich nogmaals bij den bevelhebber op de bezworen voorwaarden der overgave van het kasteel. Hij kon dit niet ontkennen, maar gaf voor, dat de vrijlating niet meer in zijne macht stond, en de Prins van Oranje daarover beslissen moest. Terwijl zij zich nu tot den Prins wendden, zochten de afvalligen nog meer de terechtstelling te bespoedigen, en zonden eenigen naar den Briel, om
17
den doodvijand van priesters en kloosterlingen, den beruchten Graaf van der Mark, over den staat van zaken in te lichten, en alzoo tot hun doel te komen.
Merken wij nog op, hoe de heilige Leonardus, vooral ook om zijne verdediging der voorrechten van Maria, altijd Maagd en Moeder, en Koningin des hemels, met de zijnen ter dood werd gezocht, en volgen wij zijnen onverschrokken ijver inde verheerlijking van Maria, de Moeder van God en ook onze Moeder, getrouw na. Bidden wij voor de 011 gelukkigen, die hare voorrechten miskennen, en spreken wij ook voor die ondankbaren bij haar, die de Moeder van barmhartigheid en de toevlucht der zondaren is Bidt voor ons, Heilige Martelaars van Gorkutn Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie z ij den Vader.
Donderdag, 3 Juli.
Derde dag der 'Novene.
Onxe Martelaren xijn, in hunne ootmoedigheid, vol wantrouwen op x.ich zeiven, vol vertrouwen op Ood.
Dezelfde Omal, die voor twee dagen in den kerker kwam, onze martelaars beschimpte en met den dood bedreigde, was inderdaad door Lumey naar Gorkum gezonden, om alle priesters en kloosterlingen, die hij daar in boeien zou vinden,
2
18
gevankelijk tot hem naar den Briel te voeren. Eerst echter wilde hij, door eenige nieuwgezinden iaartoe aangezocht, de verovering der stad Bommel beproeven; wat hem als zeer gemakkelijk was voorgespiegeld. Die aanslag echter mislukte geheel, en met een groot verlies kwam hij den 3den Juli woedend naar Gorkum terug. In zijne verbittering had hij nu gaarne de gevangenen óf dadelijk omgebracht, óf naar den Briel vervoerd ; hij durfde dit echter uit vrees voor het volk niet doen.
Onze martelaars baden intusschen te zamen, vermaanden en bemoedigden elkaar. De stokoude Wilhadus en de vrome Nicasius lagen schier aanhoudend ter aarde geknield, in het gebed verzonken. Pastoor Leonardus leed veel aan de zware, vooral inwendige verwondingen, hem den vorigen dag toegebracht. Ook zijn medepastoor Nicolaus leed nog aan de gruwelijke mishandelingen van den eersten nacht, en niet minder de kloekmoedige Gardiaan, die, hoezeer ook weder door een bloedverwant daartoe aangezet, niet voor zich alleen, zonder zijne medebroeders, wilde vrijgekocht wezen: »Onder de hulp van Gods «genade,quot; sprak hij, »wil ik met hen leven en «sterven.quot; Hij dan ook mocht, naar zijn bijzonder lijden, bijzondere inwendige vertroostingen smaken ; en God scheen zijne trouwe dienaren thans te sterken tegen den zwaren strijd, dien zij welhaast voor zijnen naam zouden te verduren hebben.
19
De diep-ootmoedige Leonardus, ofschoon geheel onschuldig aan de verhoogde verbittering hunner vijanden; smeekte zijne medegevangenen herhaaldelijk om vergiffenis, dat hij hen aldus in nieuw levensgevaar had gebracht. Zoo had hij tot zijne zuster gezegd: »Als het God behaagt, dat ik hier «sterven moet, wijt het, bid ik u, aan niemand «anders dan aan mij en mijne zonden.quot;
Merken wij heden op, hoe onze martelaren, in hunne diepe ootmoedigheid, vol wantrouwen zijn op zich zei ven, maar tevens vol vertrouwen op God; hoe zij alles doen om elkander te sterken en gedurig tot God om versterking bidden, die hun dan ook, in zijne vaderlijke liefde, zijne vertroosting niet onthoudt. Steunen ook wij aldus, bij een levendig besef van ons eigen onvermogen, op Gods alvermogen; en hoe ongenoegzaam wij ook zijn uit ons zeiven, wij zullen dan toch bij alle gevaar, bij alle bekoring, alles vermogen in Hem die ons versterkt. (Phil, iv, 13.)
Bidt voor ons, Heilige Martelaars van Gorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie zij den Vader.
20
Vrijdag, 4 Juli.
Vierde dag der Novene.
Eet kwaad verwint tot hooger goed.
Toen de Katholieken, die voor de bevrijding der gevangenen ijverig werkzaam bleven, ondervonden, dat al hunne vertoogen niets baatten, besloten zij hunnen vrijkoop te beproeven. Eenige dagen te voren toch wilde men Pastoor Nicolaus voor eene bepaalde som uitleveren; Pastoor Leonardus had terstond dat geld bijeengebracht; doch het geraakte in handen van een afvalligen bedrieger, zoodat met het geld toen de hoop op Nicolaus' redding verloren ging. Door den invloed echter van den kerkerprovoost bij Brant, hoopte men nog te slagen, en er werden ernstige pogingen tot vrijkoop gedaan. Doch bij de terugkomst van Omal waren er verraderlijke lieden, die, onder den schijn van welwillendheid, die ijverende katholieken aanraadden, dat zij toch bij Omal niet voor de gevangenen zouden spreken, maar wachten tot zijn vertrek; anders, zeiden zij, liep men gevaar, dat hij, in zijnen haat tegen de geestelijken, hen óf dadelijk ombrengen óf naar den Briel overvoeren zou. Aldus verleid, deden de hierin al te lichtgeloovige welgezinden gedurende Oraal's aanwezigheid niets, en lieten ook dien 4en Juli voorbijgaan. Den volgenden dag, vóór zijn vertrek, bleek het duidelijk, hoevalsch de bewering dier huichelaars was, daar Omal zich
21
door een ander gevangene dan onze martelaars liet verbidden en hem voor geld op vrije voeten stelde. Zoo werd ook deze poging tot hunne bevrijding door bedrog en geveinsdheid verijdeld en ging de hoop op hun behoud verloren ; zoo, menschelijkerwijze gesproken, zegepraalde het kwaad over het goed!
Merken wij heden op, hoe dit alles door Gods voorzienigheid is toegelaten, omdat Hij aan de zijnen veel meer dan een kortstondigen tijd op aarde, welhaast het eeuwige leven en de onverwelkbare kroon der glorie in den hemel wilde geven. Vertrouwen wij vastelijk, wanneer soms onze ijverige pogingen mislukken, of onze gebeden geene verhooring schijnen te vinden, dat Hij, die altijd onze Vader is, iets véél beters voor ons heeft weggelegd, en blijven wij met onze martelaars bidden, dat zijn heilige wil geschiede gelijk in den hemel, zoo ook op aarde.
Bidt voor ons. Heilige Martelaars van Gorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie zij den Vader.
Zaterdag, 5 Juli.
Vijfde dag der Novene.
Vurige liefde van onxe Martelaren voor het heil der zielen.
Den 5en Juli maakte Omal zich gereed om
22
met den avond te vertrekken, en te gelijk al de gevangenen naar den Briel te voeren. Uit vrees voor oproer, durfde hij hen te Gorkum niet ter dood brengen ; ook waagde hij het niet, hen bij dag in te schepen; want eenige nieuwgezinden hadden hem verzekerd, dat de Katholieken er zich met alle geweld tegen verzetten zouden. In dien nacht dan (van den S6quot; op den 6en Juli), kwamen de beulen on ze martelaars van hunne ra antels en togen en alle kleed van eenige waarde berooven, zoodat de meesten ternauwernood gedekt waren. De negentigjarige Wilhadus vroeg tegen de koude een oud manteltje terug, en werd met kaakslagen en een vloed van beschimpingen en scheldwoorden bejegend ; waarop hij, als naar gewoonte, »D e o gratias!quot; »God zij gedankt 1quot; antwoordde, en met gevouwen handen voor zijne vervolgers bad. Er was toen toch iemand die hem een oud stuk kleed toewierp. Pastoor Leonardus, in zijn zielenijver diep bedroefd, dat hij aldus midden in den duisteren nacht weggevoerd Werd, en de zijnen nog met geen laatst woord tot volharding kon opwekken, wendde zijne betraande oogen naar de stad, en riep als voorspellend uit: »Gorkura, »Gorkum! o wat al rampen hangen over u!quot; â en wel is dat woord spoedig door velerlei geesels over die stad vervuld.
Merken wij heden op, hoe de heilige Leonardus en Wilhadus boven alles aan het heil der
23
zielen denken en hun eigen lijden vergeten; en hoe al die martelaren alles prijs geven en verlaten, liever dan met hun geloof ook hunne ziel te verliezen. IJveren ook wij naar ons vermogen voor de bekeering van afgedwaal-den en zondaren, en offeren ook wij liever alles op, dan schade te lijden aan onze ziel.
Bidt voor ons, Heilige Martelaars van Gorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Onze Vader; Wees g e g r o e t; G1 o r i e zij den Vader.
Zondag, 6 Juli.
Zesde dag der Novene.
Jammerlijke teostand der afvalligen van het geloof.
Het was reeds na middernacht geworden, eer onze geloofshelden uit den kerker geleid en ingescheept waren. Zij voeren eenigen tijd op de Merwe voort, en werden toen zóó dicht op elkaar in eene mosselschuit gepakt, dat zij van stank en benauwdheid zouden gestikt zijn, had men hen niet op eeb vrachtschip overgeplaatst, waarmede zij nu dien zondag omstreeks negen uur te Dordrecht aankwamen. Daar ontnam men aan den ouden Wilhadus zijn versleten stuk mantel, en ook aan anderen wat
24
zij nog aan kleeding overhadden. Terwijl Omal met zijn gevolg goede sier hield, liet hij de gevangenen in het schip zonder eenig voedsel, ten spot aan hunne wachters en het toestroomend gepeupel, dat zich in dit schouwspel kwam verlustigen, hen verguisde en begekte; op het Roomsche geloof schimpte en smaalde. De soldaten spanden een zeil, om met dien toeloop hun voordeel te doen; slechts tegen eenig geld mocht men er achter komen en dan naar hartelust met de martelaars te werk gaan. Zoo kwam aldaar ook een befaamd Calvinist en begon tegen hen over het Allerheiligste Sakrament te redetwisten. De Pastoors Leonardus en Nikolaus, en Hieronytnus de Vicarius verdedigden met alle kracht en vuur de Katholieke leer, en Leonardus vooral, zoo welsprekend en geleerd, bracht zijnen bestrijder zoodanig in het nauw, dat hij gansch verslagen en beschaamd, geen woord meer wist te zeggen. Toen, bevend en knarsetandend van woede, begon hij te schelden en te vervloeken, en had al de gevangenen wel dadelijk over boord willen slingeren. De Gardiaan wisselde geen enkel woord met hem, en vermaande ook zijne medepriesters, het daarbij te laten, om toch het heilige niet voor de honden, en geen paarlen voor de zwijnen te werpen (Mt. vu, 6.)
Daar kwamen ook Katholieken, die zich tot weenens toe met de Martelaars begaan toonden, en onder hen waren er, die, zoo men het toegestaan
25
had, gaarne Theodorus van Emden en Petrus van Assche zouden vrijgekocht hebben. Maar die gansche menigte hield niet op met de vuilaardigste beschimpingen, verwijten en bedreigingen; onze kampvechters voor het geloof waren hier in waarheid een schouwspel voor de wereld, voor engelen en menschen! (i Cor. iv, 9.) â Eerst in den namiddag, met het hooger gerezen water zeilde men verder. De schipper, die opgemerkt had, dat de gevangenen nog niets hadden gegeten, gaf hun wel zeer weinig maar toch éénig voedsel; men voer dien zondag voort tot op eene mijl afstand van den Briel; den nacht brachten de martelaars op het schip door, en leden weder veel van honger en van koude.
Merken wij heden op, hoe treurig de toestand van afvalligen is; 'tis alsof zij blind,verhard, ja verwoed zijn tegen de waarheid en dezer bondigste uiteenzetting; zij w i 11 e n niet overtuigd worden, en brengt men hen door klem van redenen tot zwijgen: tot wat al onwaardige wapenen nemen zij dan hunne toevlucht. O bidden, bidden wij toch véél met onze heilige martelaren, die zoovéél voor de waarheid geleden, zoo vurig voor haar gestreden hebben, o bidden wij toch véél en eenparig voor zulke ongelukkigen, opdat eindelijk eens hunne oogen voor het stil en helder licht dier goddelijke waarheid mogen opengaan.
26
Bidt voor ons, Heilige Martelaars van Gorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig-worden.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorifr zij den Vader.
Maandag, 7 Juli.
Zevende, dag der Novene.
Het veelvuldig en heldhaftig lijden onxer Martelaren*
Vroeg in den morgen lagen onze gevangenen buiten den Briel aan het (oude) Havenhoofd, en wachtten er een uur op de komst van den Graaf van der Mark, die zijne rooverbenden in bloeddorst en priesterhaat nog verre overtrof. Hier, waar de nieuwgezinden zich het eerst vestigden en hun zetel hadden, hier hebben onze thans verheerlijkte Martelaren, door de belijdenis van het aloude geloof, de gloriekroon verworven.
Al spoedig na huune aankomst, snelden de barbaarsche inwoners toe en 't is niet te zeggen wat zij al tegen deze eerbiedwaardige schaar van geestelijken uitsloegen; hoe godslasterlijk zij van het Allerheiligste spraken; hoe zij honderdmaal dreigden met galg en rad. De Graaf, anders gewoon na zijn nachtelijk slempen tot laat op den dag te slapen, komt op het eerste bericht vol vreugde aangevlogen, en begon, het schip ziende, zoo vreeselijk te schaterlachen, dat hij achterover op
27
zijn paard viel, en hij braakte op eens al wat zij a helsch gemoed hem ingaf, tegen de martelaren uit. Zijne soldaten bonden hen twee aan twee, en leidden hen een en andermaal en voor de derdemaal in processie rondom eene daar opgerichte-galg ; zij moesten er ondergaan, en achteruit omhenengaan, er in een kring voor neerknielen, en dit alles onder het zingen van opgegeven kerkgezangen ter eer van Maria, zooals het. Salve K. e g i n a (1); zij waren toch gekomen, dus schimpten de soldaten, om de gelofte van eene bedevaart of pelgrimstocht te volbrengen. Ondertusschen stonden tallooze toeschouwers te-spotten, en bracht de beul een ladder aan de galg; alsof hij hen onverwijld zoude ophangen. Maar dit was slechts vertooning en voorspel van hetgeen de martelaars verder zouden te verduren hebben.. Want bij het langzaam naderen van hun einde, is telkens ook hun lijden toegenomen; in den eerstennacht echter en op dezen zevenden dag; hebben zij wel het vreeselijkst geleden, waarom-wij er ook langer bij moeten stilstaan.
Zoo dan tot spot trokken zij in processie naar de stad; twee leekebroeders gingen voorop met spiesen, van boven met klitten en onkruid gesierd de beul trad in 't midden, met een gestólen kerkvaan in de hand. In de stad gekomen, moestea
(1) Zie dit onder de Gebeden.
28
aij weder zingen, het Te D e u m, (1) en bekende a-esponsoriën. Twee soldaten reden er naast, en â¢-zweepten hen wreedaardig met van de boomen gerukte takken in hals en aangezicht; dan â vooral, wanneer iemand van vermoeienis niet hard .genoeg medezong. De Graaf zelf dreef hen te paard â¢voort, en sloeg hen van tijd tot tijd geweldig met â¢eene roede. En wat zij van de stedelingen moesten üiooren en verduren, dat is onmogelijk te beschrijven; «die grove spot en gemeene kwinkslagen, die vuige â schandtaal en afschuwelijke godslasterlijkheden: 'tging alles te boven watmen zich bedenken kan; bij ihunne woorden voegden zij de daad en mishandelden â¢onverhinderd de gevangenen naar hartelust. De jgansche stad was uitgestroomd; men stond aan 'beide kanten in lange, dichte rijen, en er was miemand, volstrekt niemand, die eenig mededoogen ^toonde; aan het getier en geschimp en het bespotten van kerkelijke plechtigheden en gebruiken (2) was :geen einde. Zoo kwam men op de markt, waar eene galg gereed stond, en alsof zij hier, gelijk zoo straks â buiten de stad, dadelijk zouden opgehangen worden, moesten zij er driemaal omheengaan, onder het .zingen der Litanie van alle Heiligen (3) â en ander kerkgezang; dan onder de galg knielen
(1) Zie de Gebeden.
(2) Zie een voorbeeld met het âAsperge s,quot; onder â¢de Gebeden.
(3) Zie de Gebeden.
29
en hymnen van Maria zingen. Toen aan heteinct geen der Martelaars, zeker uit bescheidenheid, het gebed aanhief, moet ook dit volgen, en de oude-Godefridus van Duynen zong het (1) met eene-heldere stem, en zóó vast en gerust als hij het in het Lof gewoon was; waarop al de anderen met het »A m e nquot; besloten.
Het was nu acht uur vóór den middag. Welk een schouwspel I Daar werden eerbiedwaardige-priesters, grijsaards van zestig, ze ven tig ja negentig-jaren door eene gansche stad, door alle gepeupel bespot, gehoond, geslagen, gestooten en getrapt -hals, borst, aangezicht; 't was alles doorstriemde doorwond, blauw en bebloed; de Gardiaan Nicolaus en Pastoor Nicolaus waren beiden daarenboven geteekend met de wurgstreep van het koord; en zoo toonde men hun dreigend den strop en beuk te-hen met stokken, onder het bulderend gej uich der menigte, en toen schreeuwden er: »Weg met hen t hangt ze aan de galg, die monniken, die mispapen^ die papisten!quot; En daar, o schande! daar waren ook vrouwen bij, die voor niemand onderdeden in wreedaardigheid. Eene afgevallen vrouw uit Gorkum sprak Pastoor Nicolaus met zijn naam aan,, en riep, bij meer, hem toe: tWat zult gij nu schoon »de galg versieren !quot; Ja, de trouwe Gorkumsche-
(1) Dit gebed staat achter den zevenden dag vangt; de tweede Novene, en onder de Gebeden.
30
terders zagen er van hunne eigene parochianen, mannen en vrouwen, die hen uitscholden en het hun tot een verwijt maakten wat zij tot hun zieleheil hadden gezwoegd. »Dat was hem veel â »harder,quot; verklaarde Leonardus, hoezeer ook tot alles bereid, »dat was hem veel harder dan alle «smaad en de dood 1quot;
Uitgeput en badend in hun zweet, werden de martelaars eindelijk in een allervuilst dievenkot gestoken; hier vonden zij den Pastoor van Heynoort «n een half uur later bracht men er twee Norbertijnen van Monster. Daar, in dien ondersten stikdonkeren kerker, waar alle onreinheid vau twee hoogere gevangennissea in nederkwam, bleven zij, dicht opeengedrongen, staan tot 's middags â drie uur, en werden nu, altijd zonder eenig voedsel, naar het stadhuis geleid, alwaar zij, in Oraaf Lumey's tegenwoordigheid, één voor één door geslepen Calvinisten ondervraagd werden. Toen Pastoor Leonardus, als naar gewoonte, een zeer vrijmoedig antwoord gaf, sloeg hem een soldaat met een hellebaard in den hals; en op zijn wederwoord; «Slaat mijn vleesch zooveel het u »lust en terwijl ge 't nog kunt, want lang zal »het niet duren !quot; sloeg een ander hem met een krijgshamer op het achterhoofd, dat het bloed er uit schoot. Al onze martelaren beleden eenparig al wat de H. Kerk leert. Broeder Cornelius, van Wijk-bij-Duurstede, zeide eenvoudig, dat hij het-
31
zelfde geloofde als zijn Gardiaan; wel verzekerd, â dat deze geloofde wat de Kerk leert. Na dit onderzoek bracht men hen naar den kerker terug, â¢doch nu, door sommiger tusschenkomst, naar een die hooger, minder donker en niet zoo morsig was. Eindelijk verkreeg Pastoor Leonardus met veel moeite, dat men hun uitgeput van honger, vermoei-â enis en pijnen, een vat water en eenig brood verstrekte.
Merken wij heden op, hoeveel, op hoevelerlei wijze, van hoevelerlei personen, in welk eene stemming, en waarvóór onze martelaars op dezen verschrikke-lijken dag hebben geleden; vergelijk met hen hunne verwoede vervolgers : welk eene tegenstelling! hoe «traalt hier de luister der waarheid, hoe maken liier de afvalligen zich zeiven en hunne dwaalleer te schande. Danken wij God toch vurig voor de genade van het ware geloof; en bidden wij te bartel ij ker voor de verblinden, die hun ongeluk niet inzien.
Bidt voor ons, Heilige Martelaars van Gorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie zij den Vader.
32
Dinsdag, 8 Juli.
Achtste dag der Novene.
Strijd tegen velerlei verleiding.
In den middag van den Sen Juli bracht men zeven onzer martelaars naar het stadhuis, om, weder in Lumey's bijzijn, een nieuw en scherper onderzoek te ondergaan. Men koos hiertoe als de voornaamsten de beide Pastoors Leonardos en Nicolaus, den Gardiaan met zijnen Vicarius en Godefridus van Mervel en de twee Norber lijnen. Kon men dezen overwinnen en tot afval bewegen, zoo dacht men, dan zouden de overigen wel volgen. Daar dan bevonden zich twee Cal viniste predikanten, eenige edellieden uit Lumey's gevolg en anderen. De eerste vraag liep over den Paus, tegen wien de Graaf een doodelijken haat koesterde. En als de eene predikant, een onbeschaamde Gorkumsche schipper, niets met al zijn spreken uitrichtte, riep hij telkens: »Hangt ze maar op, hangt ze maar op!quot; De andere predikant, een gewezen pastoor van den Briel, zocht hen, met allerlei schoone beloften en vooruitzichten, van den Paus en het geloof af te trekken ; waarop de manmoedige Gardiaan ook dit ten waardig bescheid gaf, dat het Katholieke geloof hem meer was dan zijn leven, en hij gaarne met zijn bloed zijne prediking zou bezegelen. Even volstandig en heldhaftig weigerde Pastoor Leonardus den Paus te verloochenen. »Gij geeft
33
«altijd,quot; voegde hij er bij, »hoog op van uwe »godsdienstvrijheid, en gij wilt mij dwingen, mijn »geloof tegen mijn geweten in te verlaten. Maar »laat ons een vrijen redestrijd voeren, en wie het «wint, die worde gevolgd.quot; Dit voorstel beviel den meesten aanwezigen, en de twee predikanten, hoezeer zij het ook zochten te ontduiken, werden gesteld tegenover Pastoor Leonardus en den Gardiaan. Het duurde niet lang, of de eene predikant, die de echtheid van zijn Bijbel te bewijzen had, raakte vast; dat bemerkten de Calvinisten en begonnen Pastoor Leonardus, die toen sprak, in de rede te vallen, en te schelden, en wierpen hem en den Gardiaan de raadzaal uit. Nu moest P. Hieronymus antwoorden, en onvervaard, als altijd, beleed hij het Katholieke geloof. Toen leidde men de twee Norbertijnen voor, die, over de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament des Altaars ondervraagd, beleden en te gelijk bewezen, wat de H. Kerk over dat geloofspunt leert, waarop de verslagen tegenpartij hen met scheldwoorden overlaadde. Ook de nog overigen stonden vast in de belijdenis van het Katholieke geloof. Onderwijl had de Gorkummer schipper, gedurig in het nauw gebracht, niets anders geschreeuwd dan: »De strop! de »galg! ophangen!quot; en de Graaf riep het herhaaldelijk met hem mede. Ddt toch was hem eu den zijnen het grootste genot, dat die gees-
3
34
telijken den smadelijksten dood zouden sterven.
Intusschen hadden de Katholieken te Gorkum, die zich tot den Prins van Oranje hadden gewend, den 7en Juli een gunstig antwoord ontvangen. Hij beval nadrukkelijk aan alle bevelhebbers van steden of plaatsen, dat men geen geestelijke of kloosterling mocht hinderen, maar dat zij allen denzelfden vrijdom als het volk zouden genieten. Brant gaf hiervan een afschrift voor Lumey in den Briel, hetwelk onverwijld den volgenden morgen (8 Juli) dooreen ijverig Katholiek werd overgebracht : hij moest tevens bij den Graaf voor alle gevangenen spreken, bijzonder voor Pastoor Leo-nardus, wiens zuster tienduizend dukaten ten losprijs had geboden. Tegen den avond kwam de bezorger van den brief in den Briel aan. Doch de trotsche Graaf riep bulderend uit; Hij, Lumey, was zoowel heer en meester als Oranje; hij erkende hem noch iemand anders voor zijn meerdere ; en te vergeefs nu was elk pleit ten voordeele der gevangenen.
Ook twee broeders van den Gardiaan waren in den Briel en lieten niets onbeproefd om hem te redden; zij verkregen voor geld, dat hij voor een of twee uren met hen in het huis van den provoost mocht gaan. Daar had hij gevaarlijke en herhaalde aanvallen van zijne eigene broeders door te staan ; zij boden hem hun huis aan, zouden voor zijn onderhoud zorgen, hem den handel leeren,
35
zoodat hij een rijk bestaao kon hebben. Nicolaus antwoordde, dat hij liever terstond wilde sterven, dan ook maar in het minste van het Katholieke geloof en van God af te wijken; hij toonde hun aan, dat van den Paus af te vallen, afvallen is vim de Kerk en afvallen van God; »die de Kerk »niet tot moeder heeft,quot; zeide hij met den H. Cyprianus, »kan God niet tot Vader hebben.quot; Nu brachten zij hem aan eene welvoorziene tafel, en toen de martelaar, die uitgeput was van honger en vermoeienis, zich genoegzaam versterkt had, en opgeruimd met hen sprak, zochten zij hem met bidden en smeeken en allerlei middelen over te halen, dat hij slechts voor een wijl zijn geloof zou ontveinzen, om zijne broeders de schande van zulk een dood te besparen. Met heilige verontwaardiging bestrafte hij hen, en verklaarde, dat hij dien reeds geproefden dood niet vreesde. Toen bezwoeren zij hem, dat hij zich dan nu zeker zou laten vrijkoopen, daar hij zijne lotgenooten toch niet redden kon. Onwrikbaar hervatte Nicolaus, dat hij volhardde bij hetgeen hij altijd gezegd had, en met zijne medebroeders wilde blijven in leven en dood. Verstoord over die halsstarrigheid, gelijk zij het noemden, gingen zijne broeders heen, en onze afgematte strijder strekte zich een oogenblik op een bank neer en sliep gerust in het aangezicht van den dood !.... Ook de andere gevangenen hadden eenige verlichting en ontvingen, door zijn
36
toedoen, van zijne broeders wat spijs en drank.
Middelerwijl zat de Graaf te slempen en had buitengemeen veel gedronken. Hij ziet het bevel van den Prins nog eens in, en merkt, dat het slechts een afschrift is. Daarop barst hij in verwenschingen uit tegen Brant, tegen den Prins: hij zou dien nacht nog toonen, dat hij meester was en zich van niemand liet gebieden. Woedend en dronken als hij is, gelast hij den kerkerprovoost, dat hij al de gevangene priesters en monniken tot den laatste toe moest doen ophangen, en dat er niet één, tegen wat prijs ook, zich kon laten vrijkoopen. Afzonderlijk nog beveelt hij den wreeden Omal voor de stipte en spoedige uitvoering te zorgen, 't Was elf uur in den nacht, toen dat snoode doodvonnis onder zulke omstandigheden werd geveld! Eenige gerechtsdienaars snellen naar het huis waar de Gardiaan nog rustig sliep; zij rukken hem wakker en hij sprak: »Wat de Heer «geeft, mag ik niet weigeren; wilt gij mij, ik volg »u gaarne.quot;
Merken wij heden op, hoe onze kampvechters voor het geloof nu op eene gansch andere wijze aangevallen zijn, en de bestrijders der waarheid zich van eene andere zijde deden kennen. Gisteren hadden onze martelaars allerlei geweld en smaad te verduren; heden moesten zij, en vooral de grootmoedige Gardiaan, aan velerlei verleiding en verlokkende aanbiedingen,
S7
aan vleesch en bloed weerstand bieden. Dat dubbele middel, geweld en verleiding, heeft de dwaling altijd tegen de waarheid beproefd, beproeft zij nog dagelijks, en verleidelijke beloften niet het minst. O leeren wij toch van onze onbezweken helden, voor geen aardsch goed of genot, hoedanig ook, van ons heilig geloof af te wijken, en blijven wij met hen onzen Heer Jesus Christus in zijnen Stedehouder vereeren, en in zijn H. Bakrament aanbidden.
Bidt voor ons, Heilige Martelaars vanGorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie zij den Vader,
Woensdag, 9 Juli.
Negende en laatste dag der Novene.
Driedubbele verwinning, over foltering, verleiding en afval.
De martelaars hadden zich intusschen door de biecht tot den laatsten strijd voorbereid; de beulen binden hen twee aan twee en leiden hen in processie buiten de stadspoort; 't was nu reeds tegen één uur na middernacht, en alzoo woensdag, de 9de Juli. Soldaten te voet en te paard omgaven de veroordeelden met groot gedruisch; ook van het volk kwamen er toeloopen; toen zelfs spaarde men hun geen scheldwoorden, geen verwenschingen en mishandelingen. Men zoekt naar eene plaats
38
ter uitvoering van het vonnis, en komt aan de overgebleven turfschuur van het verwoeste klooster St. Elisabeth Ten Rugge, waar zij twee balken zien, geschikt voor hun doel. De martelaren bevelen allen hun jongsten strijd aan God, en vermanen elkander tot volharding Men ontkleedt hen en voert den waardigen Gardiaan het eerst ter dood. Hij omhelst allen één voor één, bemoedigt hen nog vaderlijk, wijst op de reeds wachtende kroon, en treedt blijmoedig de leer op, altijd nog vermanend, totdat het koord zijne stem onderbreekt.
Nu waren het Hieronymus, Nicasius, en de beide Gorkumsche Pastoors, die de anderen versterkten; want daar waren ook Calvinisten en een vuilaardig predikant, die vooral aan de jongere kloosterlingen alles beloofden, indien zij âhet âPaapsche geloofquot; wilden verzaken. Dan trok Nicasius, altijd even kalm, hen in 't midden der overigen, om hen als te béschutten; en zoo dikwerf die verleiders aan de jongsten vroegen, of zij nu nog, om hun leven te redden, den Paus van Rome wilden verzaken, antwoordde hij dadelijk in hun naam ; âNeen, dat willen zij niet! Dat zullen zij ânooit doen, zij willen met ons leven en sterven!quot;
En toch, helaas! hadden onze martelaars de smart! dat de jongste hunner, een achttienjarige, nog niet geprofeste leekebroeder Henricus, die reeds gewankeld maar zich met God verzoend had, nu geheel voor de verleidfhg van den
39
Calvinisten predikant bezweek en uit hun mid Hen werd weggevoerd. Dat bedroefde vooral den zoo vurigen Vicarius en toen hij, bij het opgaan van de ladder, Maria, den H. Petrus en andere heiligen aanriep en daarover door denzelfden predikant vermaand werd, dat hij zich tot God alleen moest wenden en de paapsche bijgeloovigheden verzaken, gaf hij hem zulk een duchtigen voetstoot, dat de snoodaard achterover op den grond viel; hij voegde hem tevens toe: »ga weg gij boosaardigste »der menschen! werktuig des duivels! want wat »gij spreekt: 't Is de duivel die het door uw »mond uitbrengt. Ben ik bedroefd't is niet om den »dood, maar omdat gij een onervaren jongeling »tot uw verfoeilijk gezelschap verlokt hebt.quot; De soldaten, hierdoor te meer verbitterd, doorkorven zijn gelaat, en sneden hem het Jerusalem-sche pelgrimskruis uit de borst en den rechterarm. Tot den laatsten adem toe, vertroostte hij de anderen ; zoo deden ook Pater Nicasius en Pastoor Nicolaus.
Het was voor de nog overigen eene nieuwe smart, dat een tweede Minderbroeder, uit Luik, die priester was jammerlijk afviel; deze vond kort daarna een rampzalig einde, terwijl de jonge Henricus naderhand rouwmoedig wederkeerde. Zoo is van nog twee, die reeds vroeger als wankelend van onze martelaren werden afgezonderd. de een. de Pastoor van Maasdam, toch na
40
acht dagen opgehangen, terwijl de andere, Pontus \
Heuterus, in Omal's dienst gekomen, wist teont- l
snappen en oprechte boete deed. r
Toen Pater Godefridus van Marvel, de leer £
werd opgeleid, bad hij : «Vader vergeef het hun, i
»want zij weten niet wat zij doen.quot; Pastoor 1
Leonardus behield tot het laatste toe zijne gewone gt;
onversaagdheid, en bleef zijne medebroeders tot i
volharding aanmanen. Toen hij, in gedachten verdiept eenigszins langzaam de ladder opging, voegde Godefridus van Duynen, in den waan dat dit uit eenige zwakmoedigheid voortkwam, hem toe: »Wel meester Leonardus! waarom trekt gij »niet wat haastiger naar den ons bereiden disch ? »Heden immers moeten wij met God en het Lam »feest houden in den hemel.quot; Deze zeventigjarige grijsaard werd na de anderen ter dood geleid. Reeds klom hij verheugd de leer op, toen eenige menschelijker soldaten hem wilden sparen; maaibij riep in zijn heilig ongeduld : »Haast u, bid »ik u, en brengt mij bij mijne broeders, want ik »zie de hemelen open !...''
En daar dan, in die hemelen, zijn straks die negentien heldhaftige verwinnaars vereenigd, en dragen de kroon, welke de Gardiaan zag blinken en het eerste ontving. Doch welk een schouwspel in de martelschuur ! ... Daar hangen zij allen, of gestorven, of nog zieltogend : v ij f t i e n aan één langen balk ; aan een anderen balk Godefridus
41
van Duynen tusschen den Gardiaan en den leeke-broeder Cornelius; Jacobus, den Norbertijn, heeft men aan eene leer opgehangen. Uiterst ruw en achteloos gingen de beulen te werk; de eene martelaar heeft het koord in den mond, zooals Pater Nicasius; een ander onder de kin; bij anderen was het niet strak aangehaald, zoodat sommigen een langen doodstrijd hadden en bij den klaren dag en veel langer nog leefden, zooals de H. Nicolaus Poppel. Het had van twee tot vier uur geduurd, eer de foltering voor allen voltrokken was. En nog was de haat hunner beulen niet verzaad: zij verminken, zij openen en slachten bijna al die lichamen, en ... maar verder mogen wij niet gaan!. .. Zóó mishandeld bleven die heilige overblijfselen den ganschen dag hangen, ten gruwzamen spot van de menigte die er kwatu zien ; ja troepen van kinderen dreven er huu dartel spel aan en wierpen met steenen ! Katholieken van Gorkum, die dit vernamen, verkregen eindelijk voor geld, dat die eerwaardige lichamen den volgenden nacht afgenomen en begraven werden. Men legde ze in twee groote groeven, welke men onder de beide balken had gedolven.
Merken we heden op, hoe onze geloofshelden thans tegen drie vereenigde vijanden te strijden hadden; niet enkel, gelijk eergisteren, tegen folteringen en alle verschrikkingen des doods; niet enkel gelijk gisteren, tegen velerlei verleiding en schoone
42
beloften, maar tegen beiderlei aanvallen vereenigd en verdubbeld, en daarenboven tegen den heilloozen invloed van een dubbelen afval, en wel op ddt oogenblik nog! wat die trouwe bloedgetuigen met eene nieuwe, onuitsprekelijke zielesmart vervulde. »Dat is dan de verwinning, welke de wereld verwint, ons geloofquot; (1 Jo. v. 4); die in het kwade gestelde wereld met hare bedreigingen en schrik-aanj agingen; die wereld met hare beloften en verlokselen; die wereld met hare ergerlijke en aanstekelijke voorbeelden van bedorvenheid. Wie daartegen wettig en volstandig zal gestreden hebben, zal met onze martelaren ook gekroond worden.
Bidt voor ons, Heilige Martelaars van Gorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie z ij den Vader.
43
TWEEDE NOVENE.
OP DE GELOOFSWAAEHEDEN, DOOR ONZE MARTE-LAARS BELEDEN, EN DE VOORNAME DEUGDEN DOOR HEN BEOEFEND.
EERSTE DAG.
Dinsdag.
Kom, H. Geest, vervul de harten uwer geloo-vigen, en ontsteek in hen het vuur uwer liefde.
Zend uwen Geest uit, en zij zullen geschapen worden.
En Gij zult het aanschijn der aarde vernieuwen
LAAT ONS BIDDEN.
God die de harten der geloovigen door de verlichting des H. Geestes hebt geleerd, geef ons in denzelfden Geest oprecht wijs te zijn, en ons altijd in zijne vertroosting te verheugen. Door onzen Heer J. C. uwen Zoon. Amen.
Onze Vader; Weesgegroet.
OVERWEGING.
Dankbaarheid voor de genade des geloofs.
Overweeg, hoe volgens de H. Kerkvergadering van Trente (1) het geloof het begin is van
(1) Sess. VI de Justif. C. VIII.
44
's menschen heil, de grondslag en de wortel van alle rechtvaardigmaking. Zonder het geloof, verklaart de apostel, is het onmogelijk aan God te behagen (Hebr. xi, 6), en tot de gemeenschap zijner kinderen te komen. Overweeg daarbij, hoe het geloof Gods gave en eene onverdiende genade is (Eph. ii, 8 v.), en hoe de rechtvaardige moet leven uit geloof (Hebr. x, 38). Welk eene reden derhalve hebben wij tot dankbaarheid voor zoo groot een schat, die ons bewaard is; en dat bij zoo lange en zoo velerlei vervolgingen als onze vaderen hebben verduurd. Wat hebben onze broeders onze taal- en landgenooten, de thans verheerlijkte martelaars van Gorkum voor dat geloof niet geleden, en hiermede voor de gansche wereld getuigd, hoe boven alles dierbaar hun de schat des geloofs was. »Zag ik mij ook met dui-»zend dooden bedreigd,quot; sprak de H. Gardiaan .Nicolaus, »nog zou ik, met Gods genade, mijn sgeloof niet verzaken.quot; â Hij, en zijn Vicarius met hem, hij beschouwde het niet als iets gerings, voor het Katholieke geloof te mogen sterven; hij wenschte zelfs, dat hij er lid aan lid voor in stukken mocht gehouwen worden. «Laat ze,quot; riep hij in vervoering uit, »laat ze met mij doen wat »ze willen, laat ze mij ontvellen, braden: ik ben »bereid om er alles voor te lijden!quot; â »AlIes,quot; had hij nog in zijn laatste preek gezegd, «alles, »ook zijn leven moest men veil hebben voor het
45
«geloof !quot; â »Nooit,quot; verklaarde de H. Leonardus plechtig, «nooit zal ik, met Gods genade, hetzij »ik leven of sterven moet, iets anders leereu dan »ik tot hiertoe geleerd heb.quot; En reeds vroeger had hij openlijk getoond, hoe hij niets vreesde. Op een Zondag den preekstoel opgaande, ziet hij eene groote bende gewapende afvalligen in zijn gehoor, maar verdedigt niettemin even vrij en onvervaard de Katholieke leer en doet al de drogredenen harer bestrijders te niet. â Voor den rechter over zijn geloof ondervraagd, gaf hij zulk een vrijmoedig antwoord, dat een soldaat hem met een hellebaard, een ander hem met een krijgshamer op het hoofd sloeg, zoodat het bloed er uit sprong. »Slaat mijn vleesch,quot; voegde hij hun toe, «zooveel het u lust en terwijl ge 't nog «kunt, want lang zal het niet duren !quot; En al onze Gorkumsche Martelaren toonden door hun ontzettend lijden, hoe boven alles dierbaar hun de schat des geloofs was. .
Volgen wij hun voorbeeld, en toonen ook wij onze dankbaarheid, niet met woorden alleen, maar vooral in onze daden, in ons leven uit het geloof; toonen wij dit, ook bij on katholieken, altijd het woord van onzen Heer gedachtig: «Alwie Mij voor de mensehen »zal beleden hebben, Ik zal hein ook belijden »voor mijnen Vader die in de hemelen is. Doch »wie Mij voor de menschen zal verloochend hebben,
46
»Ik zal hem ook verloochenen voor mijnen Vader »die in de hemelen is.' (Mt. x, 32 v).
GEBED.
Barmhartige Jesus, tot eenig eerherstel voor al den ondank en den smaad, door het ongeloof ook in ons midden U aangedaan, spreek ik met een opgewekt geloof tot U : G ij z ij t de C h r i s t u s, Gij de Zoon van denlevendenGod! Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. Ach versterk mij, dat ik mij toch nooit schame, U ook voor de menschen te belijden, maar mij in alles altijd dankbaar voor die onschatbare weldaad toone. Aan ü zij eer en glorie van alle schepsel, nu en altijd, Amen.
Onze Vader; Wees g e g r o e t; G 1 o r i e zij den Vader.
Bidt voor ons Heilige Martelaars van Gorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
TWEEDE DAG.
Woensdag.
Dankbare liefde voor onze Moeder de H. Ktrli.
Kom, H. Geest, enz., als bladz. 43,
OVERWEGING.
Overweeg, hoe »Christus de Kerk heeft bemind »en Zich zei ven voor haar heeft overgegeven,
47
«opdat Hij haar zoude heiligen, eu Hij zelf Zich »de Kerk glorierijk zoude aanbieden, geen vlek »of rimpel of iets dergelijks hebbende, maar »opdat zij heilig zij en onbesmetquot; (Eph. v, 25 vv.); «overweeg ook, hoe die Kerk van den levenden »God de zuil en grondvest is der waarheidquot; (i Tim. ui, 15), en alzoo wie haar, de van Christus gestelde leermeesteresse der waarheid, niet hoort, voor ons moet wezen, âals een heiden »en tollenaarquot; (Mt. xvm, 16).
Onze martelaren hebben die ééne, heilige, onbevlekte, onfeilbare Kerk, hunne Moeder, zóó bemind, dat zij zich voor haar en hare leer in den smadelijksten dood hebben overgeleverd. »Ik geloof', sprak de eenvoudige leekebroeder Cornelius, »al wat de Gardiaan gelooft,quot; wel bewust, dat zijn Gardiaan geloofde wat de Kerk leert. »Liever wil ik dadelijk sterven!'' getuigde de Gardiaan, »dau ook maar in 't allerminste in »woord of daad van het Katholieke geloof af te »wij ken.quot; Hetzelfde beleed de H. Leonardus met de andere martelaren: »Wij gelooven wat de «Katholieke Kerk leert; daar spreekt Christus »in zijne getuigen ; daar verleent Hij zijnen Geest, »om in het geloof dier Kerk onbezweken te vol-»harden en voor niets ter wereld ook maar een «haarbreed van hare geloofsbelijdenis af te wijken.quot;
Wekken wij ons tot dankbare liefde op jegens die goede Moeder, die ook ons heeft
48
voortgebracht; gedenken wij wat de H. Gardiaan Nicolaus met den H. Cyprianus zeide: »Wie de «Kerk niet tot Moeder heeft, kan God niet tot «Vader hebben.quot; Toonen wij die dankbare liefde, met altijd getrouw naar de leeren voorschriften der H. Kerk te leven, vooral ook bij onkatholieken. Laat toch geen laffe vrees voor raeuschen ons van het nauwgezette volbrengen barer geboden afhouden. Toonen wij die dankbare liefde ook met véél voor haar te bidden, naar het voorbeeld van den negentigjarigen Wilhadus, die aanhoudend, dag en nacht, voor de rust der Kerk bad.
GEBED.
Gedenk, o eeuwige Vader, uwe Kerk, welke Gij van den beginne hebt bezeten. Verheerlijk haar als de Bruid van Jesus Christus, uwen eenigen Zoon, die al zijn bloed voor haar heeft gestort. Geef dat zij in haar lijden en strijden steeds overwinne en zich uitbreide over de gansche aarde. Geef ook, dat al hare kinderen U met een ootmoedig en ijverig geloof verheerlijken en belijden : hen niet vreezende, die alleen het lichaam kunnen dooden, terwijl Gij ziel en lichaam beiden kunt storten in het eeuwig verderf. Sterk hen allen, die, wdar of hoe ook, aan bekoringen en verleiding tot afval van het heilige geloof zijn blootgesteld. Dit bidden wij U door de verdiensten
49
aan van denzelfden onzen Heer J. C., uwen Zoon,
1 de en door de voorspraak van onze Gorkumsche
tot martelaren. Amen.
quot;de, Onze Vader; Wees gegroet; Glorie
or- z ij den Vader.
ral Bidt voor ons, Heilige Martelaars van Gorkura.
3es Opdat wij de beloften van Christus waardig
en worden.
];. DERDE DAG.
jj Donderdag.
3I1 Kinderlijke liefde voor onzen II. Vader.
]e Kom H. Geest, enz., als op bladz. 43.
OVERWEGING.
Overweeg wat de apostel Petrus op zijne belijdenis van Christus' godheid uit den mond zijns e Meesters mocht vernemen; »Ik zeg u, gij zijt
«Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk 1 »bouwen, en de poorten der hel zullen tegen
»haar niet vermogen. En u zal Ik de sleutelen »van het rijk der hemelen geven. En al wat gij «gebonden zult hebben op aarde, zal ook gebonden »zijn in de hemelen; en al wat gij zult ontbon-»den hebben op aarde, zal ook ontbonden zijn »in de hemelen.quot; (Mt. xvr, 18 v.) Overweeg hoe deze hoogplechtige belofte, dat Petrus de onwrikbare grondslag van Jesus' Kerk en zijn gevolmachtigde Stedehouder op aarde zou wezen, hare vervulling erlangde, toen de Heer na zijne verrijzenis, tot Petrus bij diens driewerf herhaalde
4
50
liefdebetuiging sprak: »Weid mijue lammeren, weid mijne schapen!quot; (Jo. xxi, 15â18.) En wijl de Kerk, door Jesus op Petrus gegrondvest, moest voortduren »tot aan de voleinding der eeuwquot; (Mt. xxviii, 20), moest Petrus ook voortleven in zijne opvolgers, gelijk wij het, naar het goddelijk woord, tot heden toe zagen gebeuren, en gelijk het evenzeer zijn zal tot aan het einde der dagen.
Voor dit geloofspunt inzonderheid, dat Petrus' opvolger, of de Paus, de gevolmachtigde Stedehouder van Christus en het zichtbaar Hoofd zijner Kerk is, hebben onze martelaars van Gor-kum zooveel geleden en dien gruwzamen dood ondergaan. Dat is door hunne vervolgers zeiven verklaard; dat blijkt gedurig uit dezer verschillende pogingen, bedreigingen en beloften, om onze martelaars van den Paus afvallig te maken; dat blijkt uit de ontelbare smaadwoorden hunner vijanden, uit hunne ondervragingen over dat punt, en herhaalde toezeggingen, tot zelfs op het oogen-blik nog, toen men hen de schandladder 'ging opleiden : men zou hen vrijlaten, indien zij slechts den Paus wilden verloochenen. Maar onbewegelijk, zoo voor vijanden als voor eigen broeders, bleef de H. Gardiaan, hoe dubbel zwaar beproefd, onbewegelijk bleven zij allen op de Steenrots der Kerk gevestigd, en zijn aldus de eigenaardige bloedgetuigen voor de opperhoofdigheid en het stedehouderschap des Pausen geworden.
51
God zij geloofd! raogeu wij hier uitroepen, dat onder ons, dank zeker ook hun offer en gebed, zulk eene kinderlijke liefde voor Christus' Plaatsbekleeder bleef voortleven. God zij geloofd! dat die liefde zich thans vooral, ook door veelvuldig gebed en offer, zoo uitnemend betuigt en zich in onzen tijd door de opoffering zelfs van zooveel jeugdige levens betuigd heeft. Bidden wij toch vurig, dat zij welke, met de afvalligen dier dagen, die goddelijke instelling miskennen en smaden, zich eindelijk in de liefdearmen van dien allerbeminnelijksten Vader mogen werpen, en met ons spreken: Gij zijt Petrus I gij de Steenrots, waarop Christus zijne Kerk heeft gebouwd!
GEBED DER KERK.
God, die het verdoolde terechtwijst, en het verstrooide vergadert, en het vergaderde behoudt: stort bidden wij U, de genade uwer vereeniging goedgunstig over uw volk uit; opdat het, alle verdeeldheid verwerpend, en zich met den waren herder uwer Kerk vereenigend, U waardiglijk kunne dienen. Door onzen Heer J. C. uwen Zoon. Amen. Onze Vader; AVees gegroet; Glorie zij den Vader.
Bidt voor ons. Heilige Martelaars van Gorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
52
VIERDE DAG.
Vrijdag.
IJver voor de ziele?!.
Kom, H. Geest, enz., als blz. 43.
OVERWEGING.
Overweeg, hoe de apostel, als getrouw dienaar en navolger van Christus, in de hem dringende liefde voor het heil zijner broeders, alles voor allen werd, opdat hij allen mocht zalig maken (r Cor. ix, 22); hoe hij, bij al wat hij van buiten, naar het lichaam, te verduren had, nog onuitsprekelijk veel leed door zijne zorg voor de zielen; zoodat hij uitroepen kon: »Wie is er zwak, dat »ik niet zwak ben? Wie wordt geërgerd, dat ik niet brand ?quot; Dat is; Wie onder de broeders is er geestelijkerwijze zwak, dat ik er niet door getroffen word ? wie hunner wordt geërgerd, tot ongeloof en zonde verleid, dat ik daarover niet brand van zielesmart ? (n Cor. xi, 28 v.)
Zulk eene liefde, zulk eene zorg, zulk eene zielesmart zien wij ook in onze martelaren, bijzonder in hen die herders en zielbestuurders waren. Wat al zwakken zijn door hen gesteund, wat afvalligen teruggebracht. Op zijne knieën wierp de H. Leonardus zich voor de zondaars neder, en smeekte hen, dat zij zich toch zouden be-keeren. In zijne laatste preeken wekte hij de geloovigen, in de hoogste vervoering der liefde.
53
tot getrouwheid op aan het Katholiek geloof; en bij het dreigend levensgevaar, door zijne zuster en anderen aangezet, het te ontwijken: »Hoe »zal ik,quot; sprak hij, gt;;die herder ben, gaan vluchten?'' De niet minder ijverige tweede pastoor, Nicolaus, door zijnen vader aanhoudend gesmeekt, dat hij zijn leven zou redden, antwoordt: »De goede «herder geeft zijn leven voor zijne schapen.'' De trouwe Gardiaan, gedurig door zijne eigene broeders en andere verwanten gebeden en bezworen, zich zeiven toch te redden, blijft van begin tot eind en altijd spreken: gt;Ik wil met de mijnen «leven en sterven.quot; De H. Hieronymus, de manmoedige ondergardiaan, was altijd tot alles bereid, wat anderen tot heil kon wezen; deze allen en vooral de H. Nicasius, die de jongeren als met vleugelen van vaderlijke bescherming scheen te omgeven, zij spoorden dag en nacht hunne medegevangenen tot moed en volharding aan. Maar ach! hoe brandden die herders van ziele-smart, toen zij zich op hun martelweg door eigen parochianen beschimpt zagen. »Dat was hem,quot; klaagde Pastoor Leonardus, »veel harder dan »alle smaad en de dood!quot; Hoe brandden zij allen van zielesmart, toen er van hunne medegevangenen afvielen! en helaas! nog op het oogenblik zelf, dat zij de kroon gingen behalen!... O trouwe herders! om die liefde welke u drong en nog dringt! verwerft ons een vurigen ij ver
54
voor het heil der zielen; bid met ons voor de ongelukkigen die vielen, hervielen, afvielen ; inzonderheid voor.... en voor wie wij beloofd hebben te bidden.
GEBED DER KEEK.
God, wien het eigen is, U altijd te ontfermen en te sparen; neem onze smeeking aan, opdat de ontferming uwer goedertierenheid ons en al uwe dienaren, die met de ketenen der zonden gebonden zijn, genadiglijk ontbinde. Door J. C. uwen Zoon. Amen.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie z ij d e n Vader.
Bidt voor ons, Heilige Martelaars van Gorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
VUFDE DAG.
Zaterdag.
Dikwerf en godvruchtig biechten.
Kom, H. Geest, enz., als bladz. 43.
OVERWEGING.
Overweeg, hoe wij, volgens den apostel, onze lichamen als eene levende, heilige en Gode behage-lijke offerande moeten aanbieden (Rom. xn, 1); hoe wij geroepen zijn, om heilig en onbevlekt voor Gods aangezicht te wezen (Eph. i, 4), en wij ons alzoo moeten beijveren, om altijd zonder
vlek en zonder smet voor den Heer bevonden te worden in vrede (n Petr. m, 14;) wijl ook niets wat maar eenigszins besmet is, den hemel kan ingaan (Apoc. xxi. 27.)
En daar wij allen in veel struikelen (Jac. m, 2,) en zelfs de rechtvaardige herhaaldelijk valt (Prov. xxiv, 16,) hadden ook onze zoo lang en zoo zwaar beproefde martelaars de grootste zorg, zich gedurig zelfs van de minste hun wellicht overkomen besmeuring te zuiveren, en spraken zij dikwerf en godvruchtig, als altijd in het aangezicht des doods, hunne biecht bij elkander. Zoo deden zij reeds dadelijk, na de overgave van het kasteel; zij deden het weder in den eersten nacht van hunne gevangenschap; en weder niet lang daarna, toen zij hunne terdoodbrenging verwachtten; en telkens weder, wanneer men hun den dood dreigde, wat zoo dikwerf geschiedde; en nog eens, met de meeste zorg, toen zij in den jongsten nacht tot den laatsten strijd werden heengevoerd.
Dat wij van die nauwgezette bloedgetuigen leeren, dikwerf ons geweten door de heilige biecht, ook van de minste smetten, te zuiveren, en met zulk eene voorbereiding, met zulk eene stemming, alsof die biecht de laatste van ons leven ware. Ach! dat zij het toch deden, die zóóveel reden hebben, om zich bezgt;vaard te gevoelen, en toch zoo zorgeloos voortleven, dat zij zich zeiven toch wél onderscheidden en
56
oordeelden, om niet geoordeeld, naar hunne zonden geoordeeld, en alzoo door den rechtvaardigen Rechter veroordeeld te worden, (i Cor. xr, 31.)
GEBED DEK KEKK.
Verhoor, bidden wij U, Heer, de gebeden van alwie U rouwmoedig om vergiffenis smeeken, en spaar de zonden van hen die U schuld belijden; opdat Gij ons goedgunstig kwijtschelding tevens en vrede verleent. Door onzen Heer J. C. uwen Zoon. Amen.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie zij den Vader.
Bidt voor ons, Heilige Martelaars van Gorkura.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
ZESDi: DAG.
Zondag.
Levendig geloof in het li. Sdkrament.
Kom, H. Geest, enz., als bladz. 43.
OVERWEGING.
Overweeg, hoe onze Heer iu het laatste Avondmaal aan zijne apostelen den last en de macht gaf, om ter zijner gedachtenis te doen wat Hij zelf daar had gedaan : om het onbloedig offer op te dragen; en hoe zij én zeiven zijn Lichaam en Bloed moesten nuttigen én het aan anderen mededeeleu. Met den H, Chrysostomus, toonde de
57
H. Gardiaan Nicolaus, iu zijue voorlaatste preek, alleruadrukkelijkst en allervurigst aan hoe overgroot de liefde van den goeden Jesus, is, dat Hij aldus in het H. Sakrament met ons wilde blijven tot aan het einde der dagen, en wij aldus zijnen dood moesten belijden eu verkondigen totdat Hij zou komen, (i Cor. xi, 23, vv.)
Inzonderheid ook dit leerstuk van Jesus' waarachtige tegenwoordigheid in het H. Sakrament des Altaars, hebben onze Gorkumsche martelaars met hun lijden en sterven beleden. De H. Nicolaus Poppel, die zich altijd door zijne teedere zorg voor de eer van het Allerheiligste had onderscheiden, mocht dan ook het eerst openlijk voor dit Liefdegeheim getuigen. Tusschen de kerkerbeulen geplaatst, met een geladen pistool voor den mond, en gevraagd, of hij ook nu nog, gelijk hij vroeger roemde, voor het Katholieke geloof wilde sterven, antwoordde hij onbevreesd; «Gaarne! »en bijzonder voor dit mijn geloof: dat het Lichaam »en Bloed zelf van onzen Heer Jesus Christus in »het Allerheiligst Sakrament des Altaars onder »de gedaanten van brood en wijn waarachtig «tegenwoordig is.quot; Hij ook, en de H. Hieronymus, en vooral de H. Leonardus verdedigden tegen een Calvinist predikant, op hun schip bij Dordrecht, dezelfde waarachtige tegenwoordigheid. Zij ook, en de Gardiaan, en Pater Godefridus, van Mervel, en de beide Norbertijnen Adrianus en vooral
58
Jacobus, daarover bepaaldelijk ondervraagd; zij allen betuigden en betoogden voor den bloedraad te Brielle diezelfde waarachtige tegenwoordigheid, zich daarbij ook beroepende op de woorden des apostels: »Wie onwaardig eet of drinkt, eeten drinkt »zich het oordeel, niet onderscheidende »HET LICHAAM DES HEEREN.quot; (l Cor. XI, 29).
Hoezeer zij de martelaars ook voor het H. Sakrament des Altaars waren, blijkt mede uit de snoode bespottingen en de gruwzame godslasterlijkheden, welke zij over de H. Mis en hare voornaamste deelen, moesten aanhooren; en dit van het begin tot het einde van hun martelaarschap, en wel van allerlei slag van personen. Wat zullen zij ook hierdoor bij hun levendig geloof, bij hunne brandende liefde tot dit aanbiddelijk Sakrament hebben geleden! En wat een smartelijk gemis voor hen, dat zij al die dagen de vertroosting dier HH. Geheimen moesten derven ! ... Zouden wij, Nederlandsche Katholieken, het vooral niet ook aan onze Gorkumsche martelaren te danken hebben, dat hier altijd zooveel geloof, zooveel eerbied en godsvrucht was jegens het H. Sakrament ? Verwerven zij het nóg voor ons, dat die godsvrucht zich als met den dag verheft en uitbreidt ? O worde ons dagelijksch leven altijd méér nog een vertrouwelijk verkeer, van nabij of van verre, met Jesus in zijn oneindig Liefdegeheim, ook ten eerherstel voor hetgeen
59
tegen Hem ook daar, ach! ook daar misdreven werd of nog wordt! Zij de goede Jesus, waar Hij zoo vriendelijk te raidden van ons staat (Jo. i, 2G,) het genaderijk middelpunt onzes levens, dat ons altijd tot zich trekt.
GEBED DEE KERK.
God, die ons onder het wonderbare Sakrament de gedachtenis van uw lijden hebt nagelaten : verleen ons, bidden wij U, de heilige geheimen van uw Lichaam en Bloed zóó te vereeren, dat wij de vrucht uwer verlossing gedurig in ons mogen gevoelen. Die leeft en regeert met God den Vader, in de eenheid des H. Geestes, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie z ij den Vader.
Bidt voor ons. Heilige Martelaars van Gorkura.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden,
ZEVENDE DAG.
Maandag.
Godsvrucht tot Maria.
Kom, H. Geest, enz., als bladz. 43.
OVERWEGING.
Overweeg, wat Elisabeth, vervuld van den H. Geest, met luider stemme uitriep, en tot Maria sprak: «Gezegend gij onder de vrouwen, en »gezegend de vrucht uws lichaams 1 En van waar
60
»mij dit, dat de Moeder mijns Heeren komt tot mij?quot; (Lc. i, 42 v.) Die verheerlijking van Maria door Elisabeth komt overeen met de plechtige begroeting door den aartsengel, en weder met Maria's zaligspreking, welke door eene vrouw uit de volksschare openlijk tot haren Zoon werd gericht: «Zalig »de schoot, die U heeft gedragen !quot; Lc. xi, 27.) Diezelfde verheerlijking van de Moeder bleef in de Kerk altijd met de verheerlijking van den Zoon gepaard; en hoe levendiger geloof in Jesus, hoe vuriger godsvrucht tot Maria; altijd bleef vervuld wat de Moedermaagd bij Elisabeth in dankbare verrukking uitriep: »Zie, van nu af zullen alle «geslachten mij zalig noemen.quot; (Lc. i, 48.)
Werd Maria altijd, en wordt zij thans vooral in ons vaderland zoo kinderlijk vereerd, zouden wij ook dit niet, ten deele althans, mogen toekennen aan het voorbeeld en de voorspraak onzer Gorkum-sche martelaren ? Hoe moedig heeft de H. Leonardus op het feest van Maria's Bezoek aan hare nicht Elisabeth, Maria's lof verkondigd! Het was zijne laatste openbare preek, te midden van dreigende vijanden, die er op uit waren om hem weder in den kerker en ter dood te brengen. Daar begint hij onverschrokken met den lof van de Heilige Maagd en Moeder Gods, de Koningin des Hemels, en betoogt hare verhevene voorrechten en vooral hare voortdurende maagdelijkheid; bondig weerlegt hij wat vroegere of latere ketters tegen Maria,
G1
tegen hare vereering en aanroeping hebben gelasterd, en eindigde met deze woorden; »Volhardt »dan, smeek ik u, kloekmoedige en edele burgers! «volhardt, en blijft standvastig in het Katholiek »geloof!quot; Om deze preek zochten de afvalligen te meer nog zijnen en aller dood. Ja ook, voor hunne trouwe liefde tot Maria, leden zij allen. Wat smaadwoorden hebben zij daarom moeten hooren 1 Hoe moesten zij dadelijk bij hunne aankomst buiten den Briel processiesgewijs om en onder eene galg doorgaan en kerkzangen, zooals het Salve R e g i n a, ter eere van Maria aanheffen; en weder op de markt hetzelfde tooneel, bij en om eene galg. Daar vorderden hunne beulen, dat een soort van Maria-lof met een gebed zou worden gesloten; hetwelk de oude Godefridus van Duynen dan ook even rustig en krachtig als anders in de kerk, ten einde toe zong. Met dit kerkgebed, hetwelk wij aanstonds laten volgen, bevalen onze martelaars, zich voor toen, en voor het uur van hunnen dood, in Maria's moederlijke bescherming. Aan haar ook beval zich de H. Hieronymus, toen hij de galgeladder werd opgeleid. Volgen wij hun voorbeeld, en bevelen ook wij ons, met een kinderlijk vertrouwen, voor leven en sterven a a n o n z e e v e n m a ch t i g e als liefder ij ke Moeder aan. 't Is nog niet gehoord, dat men tot haar te vergeefs zijne toevlucht heeft genomen.
C2
GEBED DOOR DEN H. GOÃEFP.IDUS VAN DUYNEN GEZONGEN.
Wij bidden U, Heer God, dat de glorierijke Maagd Maria, uwe Moeder, voor ons en nu en in het uur van onzen dood bij uwe goedertierenheid spreke; zij, door wier allerheiligste ziel in het uur van uw gezegend lijden en van uwen bitteren dood het zwaard van droefheid is heengegaan. Gij, die leeft en regeert in de eeuwen der eeuwen.''
Met al de andere Gorkumsche martelaren antwoorden wij: »Amen.quot;
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie z ij den Vader.
Bidt voor ons. Heilige martelaars van Gorkum.
Opdat wij de beloften vau Christus waardig worden.
ACHTSTE DAG.
Dinsdag.
Geest van (jcbecl.
Kom, H. Geest, enz., als bladz. 43.
OVERWEGING.
Overweeg, wat de Heer ons leert, dat wij altijd moeten bidden en niet moede worden (Lc. xvni. 1); gelijk ook de apostel ons weder vermaant: »Bidt zonder ophouden, weest in alles dankbaar; want dit is Gods wil in Christus
G3
Jesus in u allen.quot; (iThess. v, 17 v.); en daarom vraagt dezelfde apostel allerdringendst, »dat »er stneekingen, gebeden, voorbiddingen, dank-»zeggingen ge schieden voor alle mensehenquot; (i Tim. ii, 1). Immers door zoodanig verkeer met God, moeten wij onze dubbele verplichting van aanbidding en dank jegens Hem volbrengen, en kunnen wij onze dubbele behoefte aan verzoening, en altijd nieuwe genaden tot volharding in zijnen dienst aanvullen. Het leven der geloovigen is een leven des gebeds. Naar waarheid is het gesproken ; »Zeg mij, hoe gij bidt, en ik zeg u, hoe gij leeft.quot;
Véél, weder, kunnen wij hieromtrent van onze martelaars leeren. De vrome Gardiaan was in gedurigen omgang met God. Bij alle werk sprak hij: »Ter eere Gods!quot; bij alle verzoek: »T e r li e f d e G o d s !quot; In deu kerker, bij alle mishandelingen en folteringen, scheen hij,evenals altijd te voren, met zijn rustig en opgeruimd gelaat, slechts het hemelsche te beschouwen, met God te spreken en zich tot den marteldood te bereiden. Zijne beminnelijke spreuk was: »Men »moet God blijmoedig dienen.quot; Door dienzelfden geest van gebed, verhief de H. Nicolaus Poppel zijn slavelijk leven tot eenen aanhoudenden dienst van God ; zijne spreuk : »H ij slaaft w é 1 d i e »in God slaaft,'' was de uitdrukking van zijn leven. De H. Leonardus, zoo geleerd, zoo welsprekend, zoo onvervaard, bad altijd veel, en
04
bad vurig eer hij den preekstoel beklom. Niet anders om slechts eenigen te noemen, de vrome Adrianus, en Antonius van Hoornaer, de vurige Hieronymus, en de onvermoeide Antonius van Weert. In zijne laatste preek nog wekte deze martelaar de geloovigen tot het gebed op; »Zoo ooit,quot; sprak hij, »dan moet men nu allerdringendst »bidden; want het zwaard is op de borst, de »bijl is aan den wortel van den boom gezet!quot; De oude Godefridus van Duynen bracht den ganschen dag in de kerk door; de arme, afgeleefde Joannes van Oosterwijk had altijd het smeekend oog op de martelkroon gevestigd; de stokoude Wilhadus bad dag en nacht, inzonderheid voor de behoeften der Kerk; bij hem aangedane mishandelingen sprak hij : »G o d z ij g e-»d a n k t!quot; en bij beschimpingen ; »1 k zal God »v o o r u bidden!quot; Hij en de godsvruchtige Nicasius waren, als altijd, ook gedurende het lange martelaarschap, even rustig en gerust en meestal geknield, in overweging en gebed verdiept ; en hoe hebben zij en de overige priesters en martelaren voor de jongeren en zwakkeren gesmeekt om standvastigheid en volharding ; hoe bevalen zij allen, bij de martelschuur gebracht, hun jongsten kampstrijd door vereenigde gebeden aan God, en wees de een den ander, naar de H. Geest het ingaf, op den geopenden hemel en de hen daar wachtende kroon !.. . .Met het koord
G5
reeds om den hals, gedenken zij hunne beulen ; »Heer!quot; roept de H. Godefridus, van Mervel, »Heer! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot; Een leven van offergebed werd met zoo schoon een offerdood voltrokken!... en sinds zwijgt de stem hunner voorbede niet meer! Sinds baden en bidden zij voor de Kerk, voor ons Vaderland, voor ons!...
O mochten wij van hen leéren, aldus televen in een geest des gebeds, en hierdoor ons leven tot eene gedurige offerandevoorGod te verheffen; vragen wij te dien einde bizonder ook de voorspraak onzer thans heilig-gekroonde vrienden en broeders.
GEBED VOOR DE KEEK.
Wij bidden U, Heer, voorkom onze werken met den invloed uwer genade, en voltrek ze door uwe medewerking, opdat al ons gebed en al ons werk altijd van U beginne, en alzóó begonnen, door U voltrokken worde. Door onzen Heer J. C., uwen Zoon. Amen.
Onze Vader; Wees gegroet; Glorie zij den Vader.
Bidt voor ons, Heilige Martelaars van Gorknm.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
5
66
NEGENDE DAG.
Woensdag.
De genade van volharding en een zaligen dood.
Kom, H. Geest, enz., als bladz 43.
OVEEWEGING.
Overweeg, wat de Heer heeft gesproken : »Het »rijk der hemelen lijdt geweld, en de geweldigen »nemen het inquot; (Mt. xi, 12) ; »gij zult gehaat «zijn bij allen om mijnen naam, doch wie volhard »zal hebben ten einde toe, die zal zalig zijnquot; (Mt. x, 22); »wees getrouw tot den dood en Ik »zal u de kroon des levens geven.quot; (Apoc. n, 10.) «Derhalve, mijne welbeminde broeders!'' zoo «vermaant ons de apostel, weest standvastig en «onbewegelijk, altijd overvloedig in het werk des sHeeren, wetende, dat uw arbeid niet ijdel is in «den Heer.quot; (1 Cor. xv, 58.) Immers: «Zalig de »dooden, die in den Heer sterven; van nu af, »zegt de Geest, mogen zij rusten van hunnen «arbeid; want hunne werken volgen hen.quot; (Apoc. xiv, 13.)
En wel door vele kwellingen zijn onze martelaars het rijk der hemelen ingegaan (Akt. xiv, 21). Al dadelijk wederrechtelijk gevangen gehouden, worden zij beschimpt en gedurig met den dood bedreigd; nacht aan nacht door benden van beschonken bandieten gruwzaam mishandeld; Nicolaus Poppel en vooral de Gardiaan, met het
67
wurgkoord om den hals, tot den dood toe gefolterd, en de Gardiaan daarbij nog oumenschlijk gebrand en geblakerd; hij en Leonardus bieden zich het eerst in den dood, en men schopt en trapt en kneust hen in de zijden en over het gansche lichaam. Allen verduren zij honger en dorst, naaktheid en koude, onreine en afschuwelijke kerkerkotten, vuistslagen, kaakslagen, stokslagen, voetschoppen en al wat de boosaardigste brooddronkenheid en moedwil aan priesterhaters ingaf. Zij worden beschimpt, bespot, verguisd, uitgejouwd, gehoond, gelasterd; als vreemde dieren voor geld achter een scheepzeil te kijk gesteld; uitgeput van gebrek en vermoeienis, langs volle lange straten voortgezweept, en voor een moord-lustigen bloedraad gedaagd. Nicolaus de Gardiaan wordt gegriefd door zijne eigene broeders, de beide Pastoors door ondank en smaad van eigene afvallige parochianen, zelfs van spottende vrouwen!.... Hoe lijden allen door de vuigste smadelijkheden en de ijselijkste godslasterlijkheden tegen de heiligste geheimen; en dat alles wordt hun zelfs op hun weg naar den dood niet gespaard! En in de folterschuur daar, wat schriktooneell... en vooral wat zielsverscheuring weder, door den afval van enkele medegevangenen! Den Vicarius doorkerft men nog levend het aangezicht en snijdt hem het pelgrimskruis uit borst en arm; achteloos voltrekt men het beulenwerk en eenigen, zooals
08
de H. Nicasius, en vooral de H. Nicolaus Poppel, hangen lang, zeer lang nog te zieltogen !..,. En na hun dood, wat barbaarsche verminking, op-
slachting !..... Die onbezweken heldenschaar,
trouw bij dit alles tot in den dood, mocht spreken : »Wie dan zal ons van Christus' liefde scheiden ? »verdrukking ? of benauwdheid ? of honger ? of «naaktheid ? of gevaar? of vervolging? of zwaard? «gelijk er geschreven is; Om TJ worden wij den xganscben dag gedood ; als slachtschapen zijn wij «gerekend. Maar in dit alles zijn wij overwinnaars »om hem die ons heeft liefgehad.quot; (Rom. vm, 35 vv.)
En het is nu voor immer wat de heilige grijsaard Godefridus van Duynen aan Leonardus toeriep: «Heden moeten wij feest houden met »God en het Lam in den hemel!quot; En verheerlijkt zijn zij allen dien nacht, tot tweewerf toe, aan Gorkumsche geloovigen verschenen om hen te troosten en te versterken. En hoe velen hebben, sedert dat uur hunner zegepraal, hunne machtige voorspraak ondervonden!... Bevelen ook wij ons in hunne broederlijke bescherming, om de genade van volharding, een zalig sterfuur en de kroon der overwinning te verwerven.
GEBED DEB KEEK.
God, die uwe Heilige Martelaren, Leonardus en zijne Gezellen, om hunnen glorierijken strijd
69
voor uw geloof, met de zegekroon der eeuwigheid hebt versierd: verleen genadiglijk, dat wij, door hunne verdiensten en navolging strijdende op aarde, met hen verdienen gekroond te worden in den hemel. Door onzen Heer J. C.uwen Zoon. Amen. Onze Vader; Wees gegroet; Glorie z ij d e n V a d e r .
Bidt voor ons. Heilige Martelaars van Gorkum. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LITANIE
VAN DE
HH. XIX MARTELAREN VAN GORKUM.
Heer, ontferm IJ onzer.
Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
God, hemelsche Vader, ontferm U onzer. God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer. God, Heilige Geest, ontferm U onzer.
Heilige Drievuldigheid, één God, ontferm ü onzer. Heilige Maria, Onbevlekt Ontvangen, bid voor ons. Heilige Moeder Gods, Koningin der Martelaren, bid Voor ons.
70
Heilige Josef, Bruidegom van Maria en Voedstervader van Jesus, bid voor ons.
Heilige Apostelen Petrus en Paulus, bidt voor ons.
H. Willibrordus, Apostel en Patroon van ons
Vaderland, bid voor ons.
H. Augustinus, bid voor ons.
H. Nor bert us, bid voor ons.
H. Franciscus, bid voor ons.
H. Dorainicus, bid voor ons.
HH. Negentien Martelaren van Gorkum, bidt
voor ons.
H. Nieolaus,
H. Hieronymus,
H. Theodorus,
H. Nicasius,
H. Wilhadus,
H. Godefridus,
H. Antonius,
H. Antonius,
H. Franciscus, o
H. Petrus, o
H. Cornelius, P
H. Leonardus,
H. Nieolaus,
H. Godefridus,
H. Joannes,
H. Joannes,
H. Adrianus,
ct;
al lt;
71
H. Jacobus,
H. Andreas,
Glorierijke Martelaren van ons Vaderland, Onbezweken strijders voor de Katholieke Kerk, Die wederrechtelijk, uit haat tegen het
geloof, in den kerker geworpen zijt, Die aanhoudend beschimpt, en gedurig met
den dood bedreigd zijt.
Die nacht aan nacht allergruwzaamst mishandeld zijt,
Die met vuisten in het aangezicht geslagen
en op allerlei wijze gepijnigd zijt, Die »den ganschen dag gedood g' werdt, en als slachtschapen Js gerekendzij t,quot;
tJ Die »door geen honger of naakt-g heid, door geen vervolging g» ofzwaardvanChristus'liefde
OJJ
S te scheiden waart,quot;
1
W Die allerlei moedwil, »en slagen, en boeien en kerkers verduurd heb t,quot;
Die, hoe ook gefolterd, bespot en ten toon gesteld, voor uwe vijanden gebeden hebt, Die zoo dikwerf, en vooral bij uwe langzame terdoodbrenging, uwe ziel aan God hebt aanbevolen.
Gij inzonderheid, die in het folterkoord zoo lang gezieltoogd hebt,
72
Heilige Martelareu, Die allen bij uwen dood, in verheerlijkte gedaante, aan godvruchtige geloovigen verschenen zijt, bidt voor ons. Heilige Martelaren, Die »u i t g r o o t e vervolging gekomen. God nu voor zijnen troon dag en nacht moogt dienen,quot; bidt voor ons.
Wees genadig, spaar ons, Heer.
Wees genadig, verhoor ons, Heer.
Van alle kwaad, verlos ons, Heer.
Van ongeloof en dwaling, ®
Van onverschilligheid in het geloof, oquot;
Van alle lafhartigheid en menschelijk opzicht, 0 Van alle overtreding of minachting der god-5 delijke en kerkelijke geboden, K
Van alle verzuim der plichten van onzen S sta.8.tr
Van een haastigen en onvoorzienen dood,
Om de verdiensten en voorspraak onzer Gor-
kumsche Martelaren,
Om hunne kloekmoedige verdediging van uwe waarachtige tegenwoordigheid in het H. Sa-krament.
Om hunne standvastige vereering van uwe
H. Moeder Maria,
Om hunne trouwe liefde jegens uwen H. Stedehouder op aarde,
Ora hunne onverschrokken belijdenis der leer van uwe Bruid, onze Moeder de H. Kerk,
73
Om de lange smarten en doodsangsten, door hen
uitgestaan, verlos ons Heer.
Wij zondaren, wrj bidden U, verhoor ons. Dat wij de standvastigheid en al de deugden onzer Heilige Martelaars mogen navolgen, Dat wij altijd in geloof en godsvrucht tot het
H. Sakrament mogen toenemen.
Dat wij uwe en onze lieve Moeder Maria altijd kinderlijk mogen vereeren, beminnen en lt;5: aanroepen. gt
Dat wij in gehoorzaamheid en liefde jegens £ onzen H. Vader den Paus mogen volharden, 3 Dat wij als getrouwe kinderen van onze Moe- i-* der de H. Kerk mogen leven en sterven, ^ Dat Gij U gewaardigt, onzen H. Vader den gquot; Paus, en al onze Geestelijke overheden te ° zegenen en te bewaren, §
Dat Gij U gewaardigt, alle afgedwaalden in quot;
ons midden tot de H. Kerk terug te brengen. Dat Gij U gewaardigt, ons en ons Vaderland
voor alle besmettelijke ziekte te behoeden, Dat Gij de armen, de bedroefden, de lijdenden, en de nu stervenden wilt vertroosten en versterken,
Dat Gij ons een zalig sterfuur wilt verleenen. Dat Gij ons wilt geven, wat wij U door de voorspraak onzer verheerlijkte Martelaren afsmeeken.
Zoon Gods!
74
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
spaar ons. Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
verhoor ons. Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
ontferm U onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
Onze Vader.
Bidt voor ons, Heilige Martelaren van Gorkum. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
God, die uwe Heilige Martelaren, Leonardus en zijne Gezellen, om hunnen glorierijken strijd voor uw geloof, met de zegekroon der eeuwigheid hebt versierd: verleen genadiglijk, dat wij, door hunne verdiensten en navolging strijdende op aarde, met hen verdienen gekroond te worden in den hemel. Door onzen Heer J. C. uwen Zoon. Amen. Heer, verhoor ons gebed.
En laat ons geroep tot U komen.
Dat de zielen der geloovigen door Gods barmhartigheid in vrede rusten. Amen.
^ k.,5
GEBEDEN.
LOFZANG
TER EERE VAN DE AIjLERHEILIOSTE DKIEÃENHEID.
Door de Kloosterlingen op het kasteel van Gtorkum, bij de aankondiging van hun dood, en door al onze Martelaars in processie, na het intrekken van den Briel, gezongen. Eene treffende verheerlijking bij de processie op het H. Land, en eene gepaste dankzegging na de H. Communie, bij het sluiten der Novene en aan het einde der bedevaart.
TE DEUM.
»U, God, loven wij, U, Heer, belijden wij. U, eeuwige Vader, vereert de gansehe aarde. U roepen alle Engelen, U de hemelen en alle raachten,
U de Cherubijnen en Serafijnen, met eenparige
stemmen onophoudelijk toe:
Heilig, heilig, heilig is de Heer, God der legerscharen.
Vol zijn de hemelen en aarde van de Majesteit
uwer glorie.
U looft het glorierijke koor der Apostelen, U de lofwaardige schaar der profeten,
U het schitterend heir der Martelaren,
U belijdt over de gansehe aarde. de liiSli^Kérk, Den vader van onmetelijke majesteit,,
Uwen aanbiddelijken, waarachtigen eii'eènlgeji'i^ooD,
76
Ook den Heiligen Geest, den Trooster.
Gij zijt de Koning der glorie, Christus!
Gij zijt des Vaders eeuwige Zoon.
Gij hebt, toen Gij, om den raensch te verlossen, de menschheid zoudt aannemen, den schoot eener maagd niet geschroomd.
Gij hebt, na het overwinnen van den prikkel des doods, den geloovigen het rijk der hemelen geopend.
Gij zit aan de rechterhand Gods, in de glorie des Vaders.
Wij gelooven, dat Gij als Rechter zult komen.
â U dan bidden wij, kom uwe dienaren te hulp, die Gij door uw kostbaar bloed hebt vrijgekocht.
Geef, dat zij in de eeuwige glorie onder uwe Heiligen geteld worden.
Heer, maak uw volk zalig, en zegen uw erfdeel.
En heersch over hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.
Dag aan dag zegenen wij U.
En wij loven uwen naam in eeuwigheid, en in eeuwigheid der eeuwigheden.
Gelief ons. Heer, dezen dag zonder zonde te bewaren.
Ontferm U onzer. Heer! ontferm U onzer.
Laat, Heer, uwe barmhartigheid over ons komen, gelijk wij gehoopt hebben.
Op U, Heer, heb ik gehoopt: in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden.
77
v. Gezegend zijt Gij, Heer, God onzer vaderen. R. En lofwaardig, en glorierijk in eeuwigheid, v. Zegenen wij den Vader, en den Zoon en den
Heiligen Geest.
K. Laat ons Hem loven en hoog verheffen in eeuwigheid.
v. Gezegend zijt Gij, Heer, in het uitspansel des hemels.
k. En lofwaardig, en glorierijk, en hoogverheven
in eeuwigheid.
v. Zegen, mijne ziel, den Heer.
k. En wil al zijne vergeldingen niet vergeten. v. Heer, verhoor mijn gebed.
r. En mijn geroep kome tot U,
laat ons bidden.
God, wiens barmhartigheid zonder tal, en wiens schat van goedheid oneindig is, wij danken uwe zoo goedertierene majesteit voor de verleende gaven, en blijven te gelijk uwe barmhartigheid smeeken, dat Gij, die aan de biddenden het gevraagde verleent, hen ook niet verlaat en tot het eeuwige leven voorbereidt.
God, die de harten der geloovigen door de verlichting des Heiligen Geestes hebt geleerd: geef ons, in denzelfden Geest oprecht wijs te zijn, en ons altijd in zijne vertroosting te verheugen.
God, die niemand die op U hoopt te zeer laat verslagen worden, maar aan het gebed goedertie-
78
rene verhooring scheukt: wij danken U voor het aannemen onzer vragen en verlangens, en smeeken U met alle godvruchtigheid, dat Gij ons altijd voor alle tegenspoeden wilt behoeden. Door onzen Heer Jesus-Christus, uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid des H. Geestes, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
SMEEKGEBED TOT DE H. MAAGD.
Door onze Martelaars gezongen, toen zij eene galg buiten den Briel moesten rondtrekken.
SALVE KLGINA.
»\Vees gegroet, o Koningin, Moeder van barmhartigheid.
Ons leven, onze zoetheid en onze hoop, wees gegroet.
Tot u roepen wij, ballingen, kinderen van Eva,
Tot u smeeken wij zuchtend en weenend in dit dal van tranen.
Daarom dan, onze voorspreekster, ach, sla op ons uwe zoo barmhartige oogen.
En toon ons, na deze ballingschap, Jesus, de gezegende vrucht uws lichaams.'
O goedertierene, o meedoogende, o zoete Maagd Maria.quot;
V. Bid voor ons, Heilige Moeder Gods.
B. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
79
LAAT ONS BIDDEN.
Almachtige, eeuwige God, die het lichaam en de ziel der glorierijke Maagd en Moeder Maria door de medewerking van den Heiligen Geest hebt bereid om ⢠eene waardige woonplaats van uwen Zoon te mogen zijn : geef, dat wij door de liefderijke tusschenkomst van haar, in wier gedachtenis wij ons verblijden, van het aanstaande kwaad en den eeuwigen dood verlost worden. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.
GEBED TOT DE MOEDER VAN SMARTEN.
Door den H. Godefridus van Duynen, in den Biiel bij de galg op de Markt gezongen.
INTERVENIAT PRO NOBIS.
»Wij bidden U, Heer God, dat de glorierijke Maagd Maria, uwe Moeder, voor ons en nu en in het uur van onzen dood bij uwe goedertierenheid spreken; zij, door wier allerheiligste ziel in het uur van uw gezegend lijden en van uwen bitleren dood het zwaard van droefheid is heengegaan. Gij, die leeft en regeert in de eeuwen der eeuwen.quot;
Al de Martelaars antwoordden (en wij nu met hen:)
âAMEK.V
80
LOF OP DEN MARTELDOOD.
DEK
HH APOSTELVORSTEN PETRUS EN PAULUS.
â¢
Door een afvallig soldaat, in het kasteel to Gorkum, uit spot tegen onze Martelaai-s gezongen. Hoe treffend dat zij juist op het feest dier Apostelen, en wel op hun xviiiê Eeuwfeest, zoo allerpleehtigst heilig verklaard zijn.
IBI NEEONIS FE RITAS.
»Daar (te Rome) heeft de wreedaardigheid vau Nero u, Vorsten der Apostelen, die in zoo meni-gen strijd overwont, u, Petrus enPaulus! toteene verschillende doodstraf verwezen. U, Petrus! vereent het kruis met Christus, u, Paulus! zendt het bloedige zwaard tot Hem op.''
V. Oyer de geheele aarde is hun geluid uitgegaan.
E. En hun woord tot de uiteinden der wereld.
LAAT ONS BIDDEN.
God, die den dag van heden door het martelaarschap van de Apostelen Petrus en Paulus hebt gewijd; g(ief aan uwe Kerk, dat zy in alles het voorschrift van hén moge volgen door wie zij het begin van den godsdienst heeft erlangd. Door onzen Heer J. C., uwen Zoon. Amen.
81
KERKELIJK GEBED.
bij dk besproeiing va.v het volk met gewijd water. en bfj ziekenbsdiesingën. (i)
Toen onze Heilige Martelaars, uitspot in processie door de lange straat van den Briel werden voortgedreven, waren er die vóór hunne deur een vat water naast zich hadden geplaatst, er bezems in staken, en daarmede uit schimp onze voorbijtrekkende gevangenen besproeiden, terwijl die afvalligen er luide de woorden bij zongen, welke zij vroeger zoo dikwerf in de kerk hadden gehoord.
asperges me.
»Gij zult mij, Heer, met hysop besproeien, en ik zal gereinigd worden; Gij zult mij wasschen en ik zal witter worden dan sneeuw.
Ontferm U mijner, God, naar uwe groote barmhartigheid.
Glorie zij den Vader, en den Zoon, en den Heiligen Geest.
Gelijk het was in den beginne, en nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen.
Gij zult mij, Heer, met hysop besproeien, en ik zal gereinigd worden ; Gij zult mij wasschen en ik zal witter worden dan sneeuw.''
v. Toon ons Heer, uwe barmhartigheid. E. En geef ons uw heil.
v. Heer, verhoor mijn gebed.
e. En mijn geroep kome tot U.
(1) Dit gebed kan men zeer gevoegelijk ter eer van onze HIT. Martelaars, als Huis zegen bidden.
G
82
LAAT ONS BIDDEN.
Verhoor ons, Heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God, en gelief uwen heiligen Engel van den hemel te zenden, om allen die in deze woning verblijven te behoeden, te verzorgen, te beschermen, te bezoeken en te verdedigen. Door Christus, onzen Heer. Amen.
SMEEKGEBED VOOR DE OVERLEDENEN.
Volgens eene tromv-bewaarde overlevering, werden onze Heilige Martelaren in den Briel ook om de pomp, thans nog als âDe p r o f u n d i s-p o m pquot; bekend, i n processie heengedreven en moesten intusschen, tot dubbele beschimping, dien boetepsalm voor de Overledenen zingen, gelijk bet in de kerk geschiedt. Ten eerherstel bidde men wat hier volgt.
DE PROFUNDIS.
»Uit de diepten heb ik tot U geroepen, Heer! Heer, verhoor mijne stem.
Laat uwe ooren luisteren naar de stem mijner smeeking.
Indien Gij de ongerechtigheden gadeslaat, Heer! Heer, wie zal bestaan ?
Want bij U is genade, en om uwe wet. Heer, heb ik U verbeid.
Mijne ziel heeft op zijn woord verbeid, mijne ziel heeft op den Heer gehoopt.
Dat Israël op den Heer hope, van den morgenstond tot den nacht toe.
83
Waut bij den Heer is barmhartigheid, en bij Hem is overvloedige verlossing.
En Hij zal Israël verlossen uit al zijne ongerechtigheden.
Heer, geef haar de eeuwige rust.
En het eeuwig licht verlichte haar.
v. Van de poort der hel.
e. Verlos, Heer, hunne zielen.
v. Dat zij rusten in vrede.
e. Amen.
v. Heer, verhoor mijn gebed.
E. En mijn geroep kome tot U.
LAAT ONS BIDDEN.
God, Schepper en Verlosser van alle geloovigen, verleen aan de zielen , uwer dienaren en dienaressen vergiffenis van alle zonden, opdat zij de kwijtschelding, waar zij altijd naar verlangd hebben, door godvruchtige smeekingen mogen verwerven. Die leeft en regeert in de eeuwen der eeuwen. Amen.
v. Heer, geef haar de eeuwige rust. e. En het eeuwige licht verlichte haar. v. Dat zij rusten in vrede.
e. Amen.
gebed op het martelveld.
Hier kniel ik dan op die gewijde, dierbare plaats, waar gij, onze hemelsche broeders, na
84
zoovéél en zoo langdurig lijden, den goeden strijd volstreden, uwen loop voltrokken en het geloof ten einde toe bewaard hebt. Hier dan was het bloedig altaar, waar gij u voor Jesus' naam in den dood hebt opgedragen; van hier zijt gij door de engelen afgehaald en ten hemel ingeleid, om van den rechtvaardigen Rechter, op dien dag uwer overwinning, de u weggelegde kroon te ontvangen. En uit zoo groote vervolging gekomen, moogt gij God nu dag en nacht voor zijn troon dienen.
Ziet, bidden wij u, verheerlijkte Martelaars van ons vaderland, ziet neder op uwe broeders, die als vreemdelingen nog omwandelen verre van den Heer, voor wiens aangezicht gij staat en wien wij hier aanbidden en smeeken; ziet neder op ons, die nog zuchten en weenen in dit dal van tranen. Gij kent onze behoeften en ellenden; gij weet, wat wij u hier, op dit land, waar gij door den dood hebt overwonnen en waar uwe geslachtofferde lichamen werden nedergelegd, gij weet wat wij u hier komen vragen,... voor ons zeiven, ... en voor degenen die onze gebeden hebben verzocht en zich in den geest met ons vereenigen... O spreekt nu te zamen, onze beminde broeders, bij Jesus voor mij, voor ons; ... vraagt Hem in vereeniging met zijne Moeder, zoo openlijk door u verheerlijkt, dat Hij ons gelieve te geven wat wij hier nu, bij zijn H. Sakrament, door uwe tussehenkomst afsmeeken....
85
Vol vertrouwen op uwe macht bij God, roepen wij u, die zijne geliefde dienaren en vrienden zijt, hier, op deze heilige martelplek, ook aan, ten eerherstel voor al hetgeen tegen u, en in u tegen uwen Heer en Koning, hier waarachtig tegenwoordig, misdreven is. Wij vereenigen ons te dien einde met alle hulde en vereering, u door onze Moeder de H. Kerk bij uwe heiligverklaring toegebracht; wij vereenigen ons met alle verheerlijking, u, waar ter aarde ook, doch vooral in uw en ons vaderland, en bijzonder h i er op deze u dierbare plaats aangeboden. O, mochten het eens allen met ons doen, met ons hier gevoelen wat wij gevoelen !... Goede herders, die zóóveel voor het heil der zielen hebt gedaan, vraagt met ons om bekeering en verzoening voor de ongeloovigen, afvalligen en zondaren; vraagt met ons, dat alle afgedwaalden in ons midden tot den Opperherder hunner zielen mogen wederkeeren; vraagt voor ons, en voor de onzen, dat wij in het ééne ware geloof volharden, getrouw uit dat geloof leven en eens zalig sterven mogen.
En daar gij, glorierijke Martelaars, uw leven vooral hebt gegeven voor uw geloof in Jesus' waarachtige tegenwoordigheid in het Allerheiligste Sakrament; voor de eer van zijne Moeder en zijne Heiligen; en inzonderheid ook voor uw geloof in het Opperherderschap van Christus' Stedehouder,
8G
en de onfeilbaarheid van zijne Kerk: verwerft dan, smeeken wij u, bij onzen Heer en Zaligmaker, die ook hier met ons en waarlijk tegenwoordig is, dat wij altijd in godsvrucht tot zijn aanbiddelijk Liefdegeheim, in kinderlijke liefde tot zijne Onbe-vlekt-Ontvangen Moeder, tot onzen H. Vader en onze Moeder de H. Kerk mogen toenemen. Wij bevelen u die dierbare Kerk en al hare belangen met haar zichtbaar Hoofd, Paus N..., die thans over haar gesteld is. Wij bidden u voor al onze geestelijke en tijdelijke overheden; wij bidden u voor alle lijdenden en nu stervenden. Met dankbare kinderharten bidden wij u voor onzen geliefden, nu ontslapen H. Vader P ins, die u heilig gekroond heeft ; wij bidden u voor onze overledene Bisschoppen, herders en zielzorgers; wij bidden u voor al onze dierbare afgestorvenen, voor alle overledenen, en bizonder voor die zielen welke het meest verlaten zijn. Amen.
Bidt voor ons, Heilige Martelaars van Gorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Onze V a d e r ; W e e s ge g r o e t; G1 o r i e z ij den Vader.
â¢âVVJJVgt;-«
87
GEBEDEN,
BIJ EENE EELIQOIE ONZER MARTELAREN, OP OOK OP HET H. LAND TE GEBRUIKEN.
(Mede dienstig roor eene Novene, bij besmettelijke ziekten en alle behoeften.)
Godvruchtig voor die eerwaardige overblijfselen nedergeknield, make men eerst zijne bizondere meening waarmede men die vrome oefening houdt, bijv. ten eereboete, of ter afwering van rampen, of ter verkrijging van eenige gunst, enz.
Dan bidde men: hetzij de Litanie onzer Gorkumsche Martelaren bladz. C9; â
of wel: negentienmaal het Wees gegroet, ter eere onzer negentien bloedgetuigen, die in hun lijden hunne en onze Moeder Maria zoozeer hebben verheerlijkt, met nog één Wees gegroet ter eere van den H. Leonardus, die zoo bizonder Maria's uitnemende voorrechten heeft verdedigd; â
of men bediene zich van het volgende gebed, hetwelk men uitbreide naar de godsvrucht het ingeeft; en, vol vertrouwen, voege men er zelf meer in 't bizonder in, wat men door de tusschen-komst onzer Martelaren wenscht te verkrijgen.
SMEEKGEBED.
*
Dierbare Martelaren van ons Vaderland, onze zoo goedige en machtige beschermers, onze hemel-
88
sehe en zoo geliefde vrienden, broeders en weldoeners! hoe vertroostend en opwekkend is het ons, bij deze uwe heilige overblijfselen te bidden, bij dit eerwaardig gedeelte van dat lichaam zelf, waarin gij gestreden, geleden en overwonnen hebt!... O zoete gedachtenis, o kostbaar pand ; o verteederende getuigenis, van u ons bijgebleven!... Ddt lichamp;am dan was de schoone tempel van den H. Geest;... de welbehagelijke woonplaats van mijn God, die het gebeente zijner heiligen bewaarde;... dat lichaam was het verheven werktuig, dat zooveel deugden beoefend en tot den bloede weerstaan heeft, maar daarom ook door den rechtvaardigen Rechter zal verheerlijkt worden. Dat toch was het lichaam van een held, een held van geloof en liefde, die zich ten bloedig slachtoffer gaf voor Christus en zijne Bruid, ten slachtoffer voor Christus' eigene en waarachtige tegenwoordigheid in zijn wonderbaar Geheim van geloof en liefde,
het Allerheiligste Sakrament des Altaars!......
Gestorven spreekt uw lichaam nóg, en getuigt het nóg, wat gij, onverwonnen Strijders! hebt geloofd en beleden, en wij door Gods genade, ook op uw offergebed, nóg gelooven en belijden. O helpt ons dat kostbare pand des geloofs getrouw bewaren, en verwerft het voor alle ongelukkigen die het derven;... bizonder voor.,. Verwerft voor ons en de onzen, dat wij altijd nauwgezet naar de voorschriften van ons heilig geloof leven; en ach!
89
om al de smarten en doodsangsten, in dit lichaam en in uwe ziel verduurd: verwerft voor ons en de onzen, en voor alwie nu in doodsstrijd zijn, een zalig stervensuur.
Gij, Heiligen en Rechtvaardigen! gij verheugt u nu in den Heer, die Zich u ten erfdeel heeft verkozen; uwe droefheid is in vreugde, uw lijden in glorie verkeerd; in het hemelsch rijk is uwe woning, en in eeuwigheid is uwe rust; ach, ziet op ons, hier bij uw eigen geslachtofferd lichaam geknield, ziet met broederlijk mededoogen op ons neder, die nog te midden van zooveel behoeften en ellenden zuchten, en weert door uwe vermogende voorspraak deze ziekte ... en rampen... van ons af. Houdt aan den goeden Jesus uwe met Hem volbrachte offerande voor, gij inzonderheid, voor wiens gebeente ik hier bid; en verwerft voor mij, smeek ik u, deze gunst, dat ik:... doch boven alles, verwerft voor mij: dat ik; als trouwe navolger, in Jesus' liefde moge volharden en sterven. Amen.
VERZUCHTING,
onder liet vereeren der reliquie, en ook dikwerf als Schietgebed te herhalen.
Door de verdiensten en voorspraak van onze Heilige Martelaren, Leonardus (of: Nicolaus, enz;) en zijne gezellen:
Verleene ons de Heer heil en vrede. Amen.
90
11 lis 111 11, 14EfJiMllI
V'il 101111.
Opdracht vóór of in het begin der H. Mis.
(Vooral in de kerk op het H. Martelveld met de meeste Innigheid te bidden.)
God, hetnelsche Vader, die mij naar uw beeld hebt geschapen; God, de Zoon, die om mij te verlossen, de mensehelijke natuur aangenomen, uw kostbaar bloed vergoten en den bitteren kruisdood geleden hebt; God, de H. Geest, die mij in het H. Doopsel geheiligd, en tot het ware geloof geleid hebt; o Gij, allerheiligste Drieëen-heid, geef mij de genade, dat ik dit H. Misoffer godvruchtig bijwone, en het met den priester, in vereeniging met alle offeranden over de gansche aarde, aan uwe goddelijke majesteit opdrage;
1. tot eer en glorie van uwen H. Naam ; om te belijden, dat Gij de eenige God en Opperheer over ons mensehen en alle schepselen zijt, wien alléén dit offer toekomt;
2. tot dankbare gedachtenis, gekruiste Jesus, van uw bitter lijden en sterven;
3. tot eerherstel voor allen smaad, hetzij door ongeloof, door dwaling, door heiligschennis of andere zonden U, goede Jesus aangedaan, inzonderheid hier... en in ons vaderland;
01
4. tot dankzegging voor alle genaden en weldaden, vooral aan mij, onwaardige, en aan al de mijnen bewezen;
5. tot voldoening voor al mijne zonden, overtredingen en ondankbaarheden, tot bekeering van alle ongeloovigen, dwalenden, inzonderheid van...;
G. tot verwerving uwer goddelijke hulp voor uwe dierbare Bruid onze Moeder de H. Kerk; voor onzen H. Vader; voor onzen beminden Bisschop; voor onze herders, zielzorgers, en al onze geestelijke en tijdelijke overheden; voor alle geloovigen en bizonder voor hen die vervolging lijden om uwen H. Naam.
7. tot heiliging, of tot herstel van het Christelijk huisgezin; tot bevestiging der dierbare jeugd in geloof, onschuld en deugd; voor de behoeften onzer geliefde ouders, bloedverwanten, vrienden en weldoeners, bepaaldelijk voor... ; voor mij zeiven, om de genade van eene ware boetvaardigheid, gelukkige volharding en een zalig sterfuur; en nog bizonder om ...;
8. voor allen en inzonderheid voor de zondaars die op dit oogenblik in doodsstrijd zijn, en o God; aanstonds voor uw oordeel gaan verschijnen;
9. voor alle overledenen, bizonder voor ...; ook voor hen die de eerste pijnen van bet vagevuur verduren, en die het meest verlaten zijn,
Neem, barmhartige God, dit offer goedgunstig aan; laat deze opdracht U welbehagelijk zijn, en
92
verhoor mijn gebed, door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid des H. Geestes, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Introitus Ps. LXXVIII.
Laat, Heer, het gezucht der geboeiden voor uw aanschijn treden : geef onzen geburen zevendubbel weder in hunnen schoot; wreek het bloed uwer Heiligen dat vergoten is. Ps. God, de Heidenen zijn in uw erfdeel gekomen, zij hebben uwen heiligen tempel ontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot eene wachthut der boomvruchten gemaakt.
v. Glorie zij den Vader, en den Zoon, en den H. Geest.
e. Gelijk het was in den beginne, en nu, en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Laat, Heer, het gezucht der geboeiden voor uw aanschijn treden: geef onzen geburen zevendubbel weder in hunnen schoot: wreek het bloed uwer Heiligen dat vergoten is.
Heer, ontferm U onzer (driemaal.) Christus, ontferm U onzer (driemaal.) Heer, ontferm U onzer (driemaal.)
Gloria.
Glorie aan God in den allerhoogste, en vrede op aarde den menschen van goeden wil. Wij loven U; wij zegenen U; wij aanbidden ü; wij verheerlijken U; wij danken U om uwe groote glorie. Heer God
03
hemelsche Koning. God, almachtige quot;Vader, Heer Jesus Christus, Eéngeboren Zoon. Heer God, Lam Gods, Zoon des Vaders. Die de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer. Die de zonden der wereld wegneemt, neem onze smeeking aan. Die aan de rechterhand des Vaders gezeten zijt, ontferm IT onzer. Want Gij alleen zijt de Heilige, Gij alleen de Heer, Gij alleen de Allerhoogste, Jesus Christus, met den H. Geest, in de glorie van God den Vader. Amen.
Gebed.
God, die uwe Heilige Martelaren, Lsonardus en zijne Gezellen, om hunnen glorierijken strijd voor uw geloof, met de zegekroon der eeuwigheid hebt versierd: verleen genadiglijk, dat wij, door hunne verdiensten en navolging strijdende op aarde, met hen verdienen gekroond te worden in den hemel. Door onzen Heer J. C., uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid des H. Geestes, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen. (1)
(1) Is het Allerheiligste uitgesteld, dan heeft men ook dit gebed :
God, die ons onder het wonderbare Sakrament de gedachtenis van Uw lijden hebt nagelaten ; verleen ons, bidden wij IJ, de heilige geheimen van uw Lichaam en Bloed zóó te vereeren, dat wij de vrucht uwer verlossing gedurig in ons mogen gevoelen. Die leeft on regeert met God den Vader in de eenheid des H. Goostes, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
94
Les uit het boek der wijsheid.
Hoofdstuk III.
De zielen der rechtvaardigen zijn in de hand van God, en de foltering des doods zal hen niet raken. In de oogen der dwazen schenen zij te sterven, en hun uiteinde werd aangezien voor verdrukking en hun verscheiden van ons voor uitdelging: zij echter zijn in vrede. En leden zij voor de menschen folteringen : hunne hoop is vol van de onsterfelijkheid. In weinig geteisterd, zullen zij in veel wél gesteld worden; want God heeft hen beproefd en zijner waardig bevonden. Als het goud in den oven, heeft Hij hen beproefd, en als een brandoffer aangenomen, en te zijner tijd zullen zij in aanzien wezen. De rechtvaardigen zullen schitteren en, als vonken door rietstoppels, rondsnellen. Zij zullen de heidenen oordeelen, en over de volken heerschen, en de Heer zal over hen regeeren in eeuwigheid.
K. God zij dank.
Graduale.
Exod. xv. Glorierijk is God in zijne Heiligen: verwonderlijk in majesteit, wonderdadig, v. Uwe rechterhand, Heer, is verheerlijkt in kracht: uwe rechterhand heeft de vijanden verbrijzeld. Alleluja, alleluja, v, Eccli. xlix. De lichamen der Heiligen zijn in vrede begraven, en hunne namen leven van geslachte tot geslacht. Alleluja.
95
Vervolg van het H. Evangelie naar Lucas Hoofdstuk XXI.
In dien tijde zeide Jesus tot zijne leerlingen : Wanneer gij zult hooren van oorlogen en oproeren, wilt niet verschrikken: eerst moet dit geschieden, maar niet terstond is het einde daar. Toen zeide Hij tot hen: Opstaan zal volk tegen volk en rijk tegen rijk. En groote aardbevingen zullen er alom wezen, en pestziekten, en hongers-nooden; en verschrikkingen aan den hemel en groote teekenen zullen er zijn. Doch vóór dit alles zullen zij hunne handen aan u slaan, en u vervolgen, u overleverende in synagogen en gevangenissen, u trekkende voor koningen en landvoogden om mijnen naam ; dit nu zal u overkomen tot getuigenis. Stelt dan in uwe harten, niet vooruit te overwegen, hoe gij zult antwoorden; want Ik zal u mond en wijsheid geven, waaraan al uwe tegenstanders niet zullen kunnen wederstaan en tegenspreken. En gij zult overgeleverd worden door ouders, en broeders, en bloedverwanten, en vrienden, en zij zullen er uit u den dood aandoen ; en gij zult [van allen gehaat worden om mijnen naam ; en geen haar van uw hoofd zal vergaan. In uwe lijdzaamheid zult gij uwe zielen bezitten.
r. Lof zij ü, Christus.
90
Credo.
(Wanneer het gelezen wordt.)
Ik geloof ia één God, dea alrnachtigen Vader, Schepper van hemel en van aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen.
En in één Heer Jesus Christus, Gods Ãéngeboren Zoon, en uit den Vader vóór alle eeuwen geboren, God van God, licht van licht, waarachtig God van waarachtig God; voortgebracht, niet gemaakt, medezelfstandig met den Vader: door wien alles gemaakt is. Die om ons menschen, en om onze zaligheid is nedergedaald van den hemel. E n i s vleesch g e w o r d e n d o o r den Heiligen Geest uit de Maagd Maria, enismensch geworden, Hij is ook gekruist voor ons: onder Pontius Pilatus heeft Hij geleden, en is begraven; en Hij is ten derden dage, volgens de Schriftuur, verrezen. En Hij is opgeklommen ten hemel, zit aan de rechterhand des Vaders. En weder zal Hij komen in glorie om te oordeelen de levenden en de dooden; aan wiens rijk geen einde zal zijn.
En in den H. Geest, den Heer en levendmakende, die uit den Vader en den Zoon voortkomt; die met den Vader en den Zoon te zamen aangebeden en medeverheerlijkt wordt; die door de Profeten gesproken heeft.
En ééne Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk. Ik belijd één doopsel tot vergeving der
97
zonden. En ik verwacht de verrijzenis derdooden en het leven der toekomende eeuw. Amen.
OfTertorie. Ps. LXVII.
Wonderbaar is God in zijne Heiligen; Hij, de God van Israël zal kracht en sterkte aan zijn volk geven : gezegend zij God. Alleluja.
Stil gebed (secrete) en praefatie.
Wij dragen U, Heer, de geschenken onzer godsvrucht op: mogen ze én U om de eer uwer rechtvaardigen welbehagelijk zijn, én ons, in uwe ontferming, tot heil verstrekken. Door onzen Heer J. C, uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid des H. Geestes, God. â Door alle eeuwen der eeuwen, e. Amen. (1)
v. De Heer zij met u. â e. En met uwen geest.
V. Harten omhoog!
E. Wij hebben ze tot den Heer.
V. Danken wij den Heer onzen God.
E. Dat is waardig en rechtvaardig.
Waarlijk, het is waardig en rechtvaardig, billijk en heilrijk, dat wij U altijd en overal danken: Heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God,
(1) Bij uitstelling van het H. Sakrament, bidt men ook : Verleen, bidden wij U, Heer, aan uwe Kerk genadig de gaven van eenheid en vrede, die door deze offerande geestelijker wijze beteekend worden. Door onzen Heer J. C. enz. als hoven.
7
98
door Christus onzen Heer: door wien de Engelen uwe majesteit loven, de Heerschappijen U aanbidden, de Machten beven; de hemelen en de krachten der hemelen, en de gelukzalige Serafijnen U met eenparig gejuich verheerlijken. Gelief, bidden wij U, met deze ook onze lofzangen aan te nemen, terwijl wij ootmoedig belijden en spreken:
Heilig, Heilig, Heilig, is de Heer God der heerscharen. Vol zijn de hemelen en de aarde van uwe glorie. Hosanna in den hooge. Gezegend Hij die komt in den naam des Heeren. Hosanna in den hooge.
Bij de gedachtenis der levenden.
Barmhartige God en Heer, zie op mij en allen, die tot glorie van uwen grooten naam deze H. Offerande bijwonen, genadig neder; en opdat mijn gebed U te behagelijker zij, vereenig ik het met de voorbede van de Onbevlekt Ontvangen Maagd en moeder Gods Maria, van de HH. Apostelen, Martelaars en Belijders, Maagden en alle Heiligen. Laat, hemelsche Vader, deze offerande, waarin uw Eêngeboren Zoon Zich op eeue onbloedige wijze opdraagt, mij en ons allen tot eeuwig heil verstrekken.
Ik smeek U, Heer, dat Gij uwen dienaar onzen Paus, onzen Bisschop, onze Herders en zielzorgers wilt verlichten en besturen, opdat allen die
99
huu aanbevolen ziju, door huu woord en voorbeeld, met uwe uitverkorenen vergaderd worden.
Ik smeek U, dat Gij aan mijne geliefde ouders, bloedverwanten, vrienden en weldoeners en allen, voor wie ik verplicht ben te bidden, tijdelijk en eeuwig welzijn wilt verleenen, en gewaardig U, dit mijn gebed te verhooren.
Ik smeek U, dat Gij alle zondaren, en vooral... tot ware boetvaardigheid wilt brengen, en alwie in zware bekoring zijn, met uwe krachtdadige genade wilt versterken en voor den val behoeden. Gelief ook, Heer, alle dwalenden en afvalligen, vooral in ons vaderland, gelief alle ongeloovigen tot de kennis van het ware geloof te roepen en te geleiden. Gedenk, hemelsche Vader, dat uw Ãéngeboren Zoon J. C. ook voor hen allen den bitteren kruisdood heeft uitgestaan, en verhoor ons om zijne oneindige verdiensten. Gij die den dood des zondaars niet wilt, maar dat hij zich bekeere en leve. Amen.
Bü de opheffing der H. Hostie.
Verwek, met alle eerbiedighekl en ootmoedigheid, akten van aanbidding, dank, liefde, en vraag nu vooral, wat gij wenscht to verkrijgen.
Mijn God en Zaligmaker, ik aanbid U;... ik dank U voor al uwe weldaden ;,.. o Jesus, door uwe Wonden: vergeef mij mijne zonden ;... barmhartige Hoogepriester, geef mij deze genade... Amen.
100
By de opheffing van den H. Kelk.
Erbarming, mijn Jesus!... Eeuwige Vader, ik draag U het allerkostbaarste Bloed van Jesus Christus op, tot voldoening voor mijne zonden, voor de behoeften der kerk, en om deze gunst... te verkrijgen. Amen.
Na de consecratie.
Zie, Heer, van uw heiligdom en hooge hemelwoning neder, en aanschouw deze allerheiligste Offerande, welke U onze Hoogepriester, uw Heilige Zoon, de Heer Jesus, voor de zonden zijner broeders opdraagt; en laat U over de menigte onzer boosheden verzoenen. Zie, de stem des Bloeds van onzen Broeder Jesus roept tot U van het kruis. Verhoor, Heer! word verzoend, Heer! geef acht en doe! wil niet toeven, om U zeiven, mijn God, wijl uw naam over deze plaats en over uw volk is aangeroepen; en doe met ons naar uwe barmhartigheid, Amen.
Bij de gedachtenis der overledenen.
Gedenk, Heer, uwe dienaren en dienaressen, die in het heilig geloof ons voorgegaan en in vrede ontslapen zijn ; vooral de ziel van..., en de zielen die nu de eerste pijnen van het vagevuur ondervinden, en die het meest verlaten zijn. Wij smeeken U, Heer, verleen haar en allen die in
101
Christus rusten, de plaats van verkwikking, van licht en vrede. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.
Pater noster.
Bid aandachtig het Onze Vader, alsof gij het den Heer, woord voor woord, nazeidet, en spreek daarna:
Verlos ons, bidden wij U, Heer, van alle verleden, tegenwoordig en toekomstig kwaad; en geef ons, op de voorspraak van de gelukzalige en glorierijke Moeder Gods Maria, altijd Maagd, van de gelukzalige Apostelen Petrus en Paulus en Andreas, en van alle Heiligen, genadiglijk vrede in onze dagen, opdat wij, door uwe barmhartigheid geholpen, altijd vrij mogen zijn van zonde, en veilig voor alle ontsteltenis. Door denzelfden J. C. onzen Heer, uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid des H. Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen. Amen !
De vrede des Heeren zij altijd met ons. Amen.
Agnus Dei.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
ontferm U onzer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
ontferm U onzer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, schenk ons den vrede.
102
Bereid u nader tot de Geestelijke, of werkelijke Communie.
Goedertiereue Jesus, Gij roept ons zoo minnelijk toe: Komt allen tot Mij, die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken : zie, ik kom dan met een diep gevoel van mijne onwaardigheid, maar ook vol vertrouwen tot U, om in de vruchten van dit H. Offer en Sakrament te deelen. Genadige Jesus, leid mij tot U, en bereid U eene welbehagelijke woning in mijn hart. Allerbeminnelijkste Bruidegom en Heer, naar wiea mijne ziel verzucht, kom, kom tot mij en neem mij geheel voor TJ.
Zeg driemaal:
Heer, ik ben niet waardig, dat Gij ingaat onder mijn dak, maar spreek slechts een woord en mijne ziel zal gezond worden.
Smeek godvruchtig met den Priester.
Het Lichaam van onzen Heer Jesus Christus beware mijne ziel ten eeuwigen leven. Amen.
Spreek in stilte met Jesus wat uw hart u ingeeft; aanbid en dank Hem allerootmoedigst; zeg en hei-haal met de vurigste liefde:
Goede Jesus, laat niet toe, dat ik ooit van U gescheiden worde. Amen.
103
Communie. Boek der wijsheid. III.
En leden zij voor de menscheu folteringen: God heeft hen beproefd; als het goud in den oven heeft Hij hen beproefd, en als brandoffers aangenomen.
Postcommunie.
Verleen ons, bidden wij U, Heer, op de voorspraak van uwe Heilige Martelaren Leonardus en zijne Gezellen, dat wij hetgeen wij met den mond aanraken, met een zuiver hart ontvangen. Door onzen Heer J. C. uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid des H. Geestes, God, door alle eeuwen der eeuwen Amen. 1)
By den zegen.
Ons zegene de Almachtige God, de Vader, en de Zoon, en de H. Geest. Amen.
1) Staat liet Allerheiligste uit, dan is er ook dit gebed: Geef, bidden wij tJ, Heer, dat wij door het altijddurend genot van uwe Godheid vervuld worden, gelijk het door het tijdelijk ontvangen van uw kostbaar Lichaam en Bloed wordt afgebeeld. Die leeft en regeert met God den Vader in de eenheid dos 11. Geestes, God, door allo eeuwen der eeuwen. Amen.
104
Begin van het H. Evangelie naar Joannes.
In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alles is door het Woord gemaakt: en zonder Hem is niets gemaakt, wat gemaakt is, in Hem was het leven, en het leven was het licht der menschen: en het licht schijnt in de duisternissen, en de duisternissen hebben het niet aangenomen. Er was een mensch, van God gezonden, wiens naam was Joannes. Deze kwam tot getuigenis, om getuigenis te geven van het licht, opdat allen door hem gelooven zouden. Hij was het licht niet, maar om getuigenis te geven van het licht. Het ware licht was dat allen mensch verlicht, die in deze wereld komt. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. In zijn eigendom kwam Hij, en de zijnen namen Hem niet aan. Doch zoovelen Hem aannamen, hun gaf Hij macht om kinderen Gods te worden, hun, die in zijnen naam gelooven, die niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. En het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben zijne glorie gezien, eene glorie als des Ãéniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.
B. God zij dank.
105
HULDE AAN HET HEILIG SAKRAMENT.
in veeeeniging met onze gorkümsche martelaars.
Werkelijk (of elders in den geest.) en vooral in de kerk op het H. Martelaarsveld, of bij het rustaltaar onder den Omgang voor het Allerheiligste nedergeknield, ziet gij daar ook onze Gorkumsche bloedgetuigen bij dat aanbiddelijk Sakrament; hen spreekt gij toe, om hen voor hunne geloofstrouw te loven; hen roept gij in, om met u Jesus in dat Geheim te verheerlijken, en die gunsten of die bizon-dere genade af te smeeken, welke gij gaarne zoudt erlangen. Hoe treffend toch en hoe bemoedigend voor ons gebed, dat Christus nu zelf, die hier zoo plechtig in processie wordt rondgedragen, onze Martelaren daar ter plaatse zelve komt verheerlijken, waar zij Hem in zijn. Liefdewonder door hun heldendood verheerlijkt hebben.
Heer Jesus Christus, waarachtig God en waarachtig mensch, en in dit H. Liefdegeheim waarachtig tegenwoordig, (allen :) Wij aanbidden, wij loven en danken U met onze HH. Martelaren.
Heilige Martelaren, glorierijke getuigen van ons Katholiek geloof, dat Jesus waarlijk wezenlijk en zelfstandig tegenwoordig is in het H. Sakrament; Wij aanbidden, wij loven en danken Jesus met u.
Heilige Martelaren, standvastige verdedigers van het Allerheiligste Sakrament, het wonder van Gods wonderen: Wij aanbidden, wij loven en danken Jesus met u.
Heilige Martelaren, standvastige verdedigers van het Allerheiligste Sakrament, de gedachtenis
IOC
van het Lijden onzes Heeren : Wij aanbidden, wij loven en danken Jesua met u.
Heilige Martelaren, standvastige verdedigers van het Allerheiligste Sakrament, de allerzuiverste en allerbehagelijkste Offerande: Wij aanbidden, wij loven en danken Jesus met u.
Heilige Martelaren, standvastige verdedigers van het Allerheiligste Sakrament, de hetnelsche spijze ter onsterfelijkheid: Wij aanbidden, wij loven en danken Jesus met u.
Heilige Martelaren, standvastige verdedigers van het Allerheiligste Sakrament, de Teerspijze dergenen die in den Heer sterven : Wij aanbidden, wij loven en danken Jesus met u.
Heilige Martelaren, standvastige verdedigers van het Allerheiligste Sakrament, die in uw langdurig lijden dien hemelschen troost hebt moeten derven: Bidt Jesus voor ons, dat wij Hem dikwerf, en vooral in het uur van onzen dood, mogen ontvangen.
Heer Jesus Christus, op het gebed onzer Martelaren : Behoed ons voor het onwaardig nuttigen van uw Lichaam en Bloed.
Heer Jesus Christus, op het gebed onzer Martelaren: Behoed ons voor alle oneerbiedigheid en onverschilliglieid jegens uw Hoogwaardig Sakrament
Heer Jesus Christus, op het gebed onzer Martelaren : Behoed ons voor alle afwijkingen en
107
zwakheden, welke de vruchten van dit genaderijk Geheim in ons zouden verminderen of verhinderen.
Heer Jesus Christus, op het gebed onzer Martelaren : Geef, dat wij U altijd w aardig en welbereid mogen ontvangen.
Heer Jesus Christus, op het gebed onzer Martelaren: Gelief het geloof, den eerbied, de godsvrucht en de liefde tot dit H. Geheim gedurig in ons en de onzen te vermeerderen.
Heer Jesus Christus, op het gebed onzer Martelaren : Gelief ons, bij leven en sterven, overvloedig in de vruchten van dit H. Sakrament te doen deelen.
Bidt voor ons. Heilige Martelaren van Gorkum.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN,
God, die ons onder het wonderbaar Sakrament de gedachtenis van uw lijden hebt nagelaten : verleen ons, bidden wij U, de heilige Geheimen van uw Lichaam en Bloed zóó te vereeren, dat wij de vrucht uwer verlossing gedurig in ons mogen gevoelen. Die leeft en regeert met God den Vader in de eenheid des Heiligen Geestes, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
O godlijk Hart, dat mij bemint,
O gun, dat ik een schuilplaats vind'
In de open Wond van uwe Zij,
En alle zondaars ook mot mij.
108
GEBEDENVOORVERSCHILLENDEOMSTANDIGHEDEN.
AKTEN VAN ONDERWEEPING OF BERUSTING IN GODS H. WIL, ALS ONS GEBED GEENE VERHOORING SCHIJNT TE VINDEN.
Bid eerst aandachtig het OnzeVader en vervolg: Ja, goede Vader in den hemel, wijl het U zoo behagelijk is, onderwerp ik mij geheel aan uwen altijd aanbiddelijken wil, maar geef dan ook, smeek ik U, kracht aan uw kind, opdat ik dit kruis,... deze beproeving,., dit gemis,... dezen strijd, naar de beschikkingen uwer liefderijke voorzienigheid, tot mijn eeuwig heil moge dragen. Geef mij kracht, om zelfs in het aanschijn van den dood, met den H. Nicolaus te spreken: »W a t de Heer geeft, mag ik niet weigeren;quot; om met den H. Wilhadus bij alle leed van harte uit te roepen : »G o d z ij g e d a n k t!quot; â om met onze Gorkumsche Martelaren, altijd te erkennen: dat al het lijden van dezen tijd niet te vergelijken is bij de toekomstige glorie, wélke in ons zal geopenbaard worden; om met ons goddelijk Toonbeeld, Jesus Christus, al was ik ook tot stervens toe bedroefd, nog tot U te bidden: Vader, indien Gij wilt, laat dezen kelk van mij voorbijgaan : doch niet mijn, maar uw wil geschiede.
Mijn Vader, is het mogelijk, laat dezen kelk van mij voorbijgaan; doch niet zooals ik wil, maar zooals Gij.
109
Mijn Vader, alles is U mogelijk; laat dezen kelk van mij voorbijgaan: doch niet wat ik, maar wat Gij wilt. Amen.
Wees gegroet.
BIJ VERHOORING VAN GEBED.
Men zegge dan den Lofzang Te D e u m, mot de gebeden bladz. 75 tot 78.
GEBED VAN OUDERS, OF OVERSTEN VOORKINDEREN, OF DE HUN TOEVERTROUWDE JEUGD.
Heilige Martelaren van Gorkura, Priesters en Herders, die uwe geestelijke kinderen met zooveel ijver hebt bewaakt en in de waarheden des geloofs onderwezen ; inzonderheid gij, trouwe medeherder van den vaderlijken Leonardus, altijd zwoegende Nicolaus, die, gelijk in allen priesterlijken arbeid, onvermoeid waart in het onderrichten en opleiden der jeugd : wij stellen ons zei ven en de ons van God gegeven panden onder uwe eenparige bescherming. Bidt voor ons, ouders en overheden, dat wij onze dure plichten jegens de onzen nauwgezet volbrengen: hen verre houden van al wat hun naar geloof of deugd kan schaden ; dat wij uit alle vermogen voor eene Katholieke opvoeding en onderrichting zorg dragen; opdat onze lieve jeugd en al de ons toebetrouwden, door geen ongeloovig of verderfelijk woord of voorbeeld geschaad, en in het ééne ware geloof grondig onderwezen, als kinderen der ééue ware Kerk in de ééne ware leer mogen
110
opgroeien en volharden ten einde toe. Dierbare Heiligen vau ons vaderland, met glorie gekroonde Priesters en Herders van Jesus' Kerk ! wij bevelen hen vol van vertrouwen aan u ; ach, verwelft voor hen, dat zij nu en altijd leven tot hun eigen en tot ons zoo tijdelijk als eeuwig geluk; tot een sieraad van onze Moeder de H. Kerk ; en in alles tot glorie van ons aller Zaligmaker Jesus Christus, onzen Heer, die met den Vader en den H. Geest leeft en regeert door al de eeuwen der eeuwen. Amen.
GEBED VOOK DE KWEEKELINGEN VAN HET HEILIGDOM, OF DIE HET WENSCHEN TE WORDEN.
Verheerlijkte Martelaren van ons vaderland, Priesters des Heeren, dienaren van het Heiligdom, die hier aan God het onbloedig Offer van oneindigen lof mocht opdragen; die u zei ven in uwe trouwe liefde, met Christus in den dood ten slachtoffer hebt aangeboden; ziet nu uit den hemel neder op ons, die, hoe onwaardig ook, uwe voetstappen wenschen te drukken, hier op denzelfden grond, waar gij gearbeid en uw leven voor bet geloof gegeven hebt. Martelaars van het Priesterschap, Martelaars van het Hoogwaardig Geheim, dat Gij als Offer en Sakrament hebt beleden, toonbeelden van priesterlijke offervaardigheid tot in den dood: bidt gij allen nu in uwe glorie voor ons, dat wij aan onze roeping mogen beantwoorden en eiken dag het
Ill
priesterschap waardiger worden. H. Godefridus, moedige grijsaard, die er altijd een groot genoegen jn vondt, als ouders hunne kinderen tot den geestelijken stand opleidden; liefderijke leidsman! die zoovelen met raad en daad hebt ondersteund, om hen tot dat geluk te brengen : help ook mij, ondanks mijne onwaardigheid; vraag voor mij de onverdiende gunst, dat de barmhartige God mij de middelen en de genade verleene, om eens tot het priesterschap te komen, en uwen arbeid hier, of waar ook, te deelen en voort te zetten tot glorie van onzen Heer Jesus Christus. Amen.
GEBEDEN
OM EEN ZALIGEN DOOD VOOR ONS ZELVEN OP VOOR ANDEREN.
Het Gebed onzer HH. Martelaren zeiven tot de H. Maagd, bladz. 79.
Of bid met die meening de Litanie der HH. Martelaars van G o r k n m, bladz. 09.
GEBED OM EEN ZALIGEN DOOD.
Onbezweken strijders, glorierijke verwinnaars, die zoo lang in het aangezicht des doods hebt geleden; die den dood onder zoo velerlei gedaanten en verschrikkingen van nabij hebt aanschouwd; die door zoo menigen dood zijt heengegaan; en gij inzonderheid, die nog uren en uren zoo smartelijk gezieltoogd hebt: ziet mij hier (bij uwe over-
112
b 1 ij f s e 1 e n, of: o p het H. L a n d) nederknie-len, en u ootmoedig smeeken, dat gij aan onzen Heer een genadig oordeel gelieft te vragen voor. en ook voor mij zeiven, als mijn uur zal gekomen zijn. Koningin der Martelaren, Maria, Moeder! door onze Martelaren tot in den dood luide verheerlijkt en aangeroepen, bid ook gij voor ons met hen en Vader Josef, uwen beminden Bruidegom; bid met allen te zamen, goede Moeder, tot uwen Zoon, onzen Heer en Zaligmaker; bid voor ons nu en in het uur van onzen dood. Amen.
VOOIi DE ZONDAARS IN DOODSSTRIJD.
O allergoedertierenste Jesus, minnaar der zielen, ik smeek U door den doodsstrijd van uw Allerheiligst Hart, door de smarten uwer onbevlekte Moeder, en de lange stervens angsten onzer Heilige Martelaars, wasch in uw bloed de zondaars der gansche wereld, die nu in doodsstrijd zijn en heden zullen sterven.
Hart van Jesus, in doodsstrijd gekomen:
Ontferm U over de stervenden.
Bidt voor hen. Heilige Martelaars van Gorkum.
Opdat zij de beloften van Christus waardig worden.
AMEN.
113
ALGEMEEN GEBED
TOT DE HH. MARTELAARS VAN GORKUM VOOR ONZE PROCESSIE.
Geliefde Heiligen van ons vaderland, onze verheven toonbeelden en getrouwe voorsprekers bij God; wij die als Leden onzer processie, dikwerf uwe deugden herdenken en uwe hulp inroepen; die zoo gaarne elk jaar te zamen het H. Martelveld bezoeken, om u te verheerlijken, en u daar eenparig onze belangen aan te bevelen; wij bidden u,onze hemelsche vrienden, ziet toch van omhoog op al onze broeders en zusters goedgunstig neder, bizon-der ook op onze huisgenooten,... en al degenen die het gebed der pelgrims hebben verzocht...
'Vraagt voor onze geestelijke bestuurders, voor ons en al de onzen wat ons naar lichaam en naar ziel zalig is ; en verwerft voor ons, goede Heiligen, wat wij voor ons zei ven en voor anderen op deze bedevaart hebben afgesmeekt en nog afsmeeken ...
Vraagt voor ons, dat wij uwe deugden zóó herdenken, dat wij ze ook in ons dagelijksch leven getrouw naar onzen roep beoefenen, en ons uwe bescherming meer en meer waardig maken.
Vraagt, o trouwe dienaren van God en ijveraara voor de zielen, vraagt voor alle ouders en overheden nauwgezette, vervulling van hunne plichten jegena de hun toevertrouwden; voor kinderen en onder-hoorigen den geest van onderdanigheid, eerbied en
114
dankbare liefde jegens allen die over hen gesteld zijn. Vraagt voor de huisgezinnen, dat zij bevrijd blijven van alle ergernis, en altijd den zoeten vrede, welke uit God is, mogen smaken. Vraagt voor gehuwden en ongehuwden de kostbare deugd van zuiverheid naar hunnen staat. Vraagt voor lijdenden en veriatenen troost en kracht, om altijd en in alles Gods heiligen wil te volbrengen en te loven. Vraagt voor de zondaars en afvalligen om bekeering, voor de rechtvaardigen en voor ons allen de groote genade der volharding en een zalig stervensuur.
Glorierijke bloedgetuigen, die zoovéél vermoogt bij den Koning der Martelaren, en bij zijne en onze Moeder, die onder zijn kruis heeft gestaan en door u zoo moedig verheerlijkt is: o bidt toch met haflr en haren beminden Bruidegom den H. Josef, bij onzen barmhartigen Zaligmaker, dat de overledene broeders en zusters onzer processie, die nog in het vagevuur lijden, op uw en ons gebed, lafenis en verkwikking erlangen, en welhaast de eeuwige rust mogen ingaan. O onze lieve Heiligen, bidt voor hen allen en nog bizonder voor diegenen, welke sedert onze laatste bedevaart ontslapen zijn;... bidt voor hen en bidt voor ons, dat wij te zamen eens uw hemelsch geluk mogen deelachtig worden.
AMEN.
115
DE LITANIE VAN ALLE HEILIGEN.
Onze Martelaars moesten driemaal eene galg op de markt in den Briel rondtrekken en deze Litanie zingen.
|
Kyrie, eleison. Christe, eleison. Kyrie, eleison. Christe, audi nos. Christe, exaudi nos. Pater de coelis Deus, miserere nobis. Fili Redemptor mundi Deus, miserere nobis. Spiritus sancte Deus, miserere nobis. Sancta Trinitas unus Deus, miserere nobis. Sancta Maria, ora pro nobis. § go Sancta Dei Genitrix, v Sancta Virgo virgi- 3 num, g Sancte Michael, f Sancte Gabriel, Sancte Raphael, Omnes sancti Angeli et Archangeli, orate pro nobis. |
Heer, ontferm U onzer, Christus, ontferm U onzer. Heer, ontferm U onzer. Christus, hoor ons. Christus, verhoor ons. God, hemelsche Vader, ontferm U onzer. God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer. God, Heilige Geest, ontferm U onzer. Heilige Drievuldigheid, één God, ontferm U onzer. Heilige Maria, bid voor ons. a- H. Moeder Gods, H. Maagd der Maag- § den, H. Michaël, H. Gabriël, H, Raphaël, Alle heilige Engelen en Aartsengelen, bidt voor ons. Q- O a |
116
|
Omnes sancti beato-rum Spirituum ordi-nes, orate pro nobis. Sancte Joannes Bap-tista, ora pro nobis. Sancte Joseph, o. p. n. Omnes sancti Patriar-chae et Prophetae, orate pro nobis. Sancte Petre, Sancte Paule, Sancte Andrea, 0 Sancte Jacobe, 50 Sancte Joannes, ^ Sancte Thoma, i-, Sancte Jacobe, 変 Sancte Philippe, quot; Sancte Bartholomaee, Sancte Matthaee, Sancte Simon, Sancte Thaddaee, Sancte Mathia, Sancte Barnaba, Sancte Luca, Sancte Marce, Omnes sancti Aposto-li, et Evangelistae, orate pro nobis. Omnes sancti discipuli |
Alle heilige Koren der zalige Geesten, bidt voor ons. H. Joannes de Dooper, bid voor ons. H. Josef, bid voor ons. Alle Heilige Patriarchen en Profeten, bidt voor ons. H. Petrus, H. Paulus, H. Andreas, H. Jacobus, H. Joannes, H. Thomas, H. Jacobus, H. Philippus, H. Bartholomaeus, H. Mattheus, H. Simon, H. Thaddaeus, H. Mathias, H. Barnabas, H. Lucas, H. Marcus, Alle heilige Apostelen en Evangelisten, bidt voor ons. Alle heilige Leerlingen des o* lt;i O O O e |
117
|
Domini, orate p. n. Omnes sancti Inno- centes, Sancte Stephane, era pro nobis. Sancte Laurenti, Sancte Vincenti, Sancti Fabiane et Se-bastiane, orate pr. n. Sancti Joannes et Pau- le, orate pro nobis. Sancti Cosma etDami-ane, Sancti Gervdsi et Pro-t£si, Omnes Sancti Martyres, Sancte Silvester, ora pro nobis. Sancte Gregori, Sancte Ambrosi, Sancte Augustine, Sancte Hieronyme, Sancte Martine, Sancte Nicolae, Omnes sancti Pontifi-ces et Confessores, ora pro nobis. Omnes sancti Doctores, orate pro nobis. |
Heeren, bidt voor ons. Alle heilige Onnoozele Kinderen, bidt voor ons. H. Stephanas, bid voor ons. H. Laurentius, H. Vincentius, Heilige Fabianus en Se-bastianus, bidt voor ons, HH. Joannes en Paulus. bidt voor ons. HH. Cosmas en Damia-nes, HH. GervasiusenProta-sius, Alle heilige Martelaars, H. Silvester, bid voor ons. H. Gregorius, H. Ambrosius, H. Augustinus, H. Hieronymus, H. Martinus, H. Nicolaus, Allé heilige Bisschoppen en Belijders, bidt vaor ons. Alle heilige Leeraars, bidt voor ons. |
118
|
Sancte Antoni, ora pro nobis. Sanete Benedicte, Sancte Bernarde, Sancte Dominice, Sancte Francisce, Omnes sancti Sacerdo-tes et Levitae, orate pro nobis. Omnes sancti Monachi et Eremitae, Sancte Maria Magda- lena, ora pro nobis. Sancta Agatha, Sancta Lucia, Sancta Agnes, Sancta Caecilia, Sancta Catharina, Sancta Anastasia, Omnes sanctae Virgi-nes et Viduae, orate pro nobis. Omnes Sancti et Sanctae Dei, intercedite pro nobis. Propitius esto, paree nobis, Domine. Propitius esto, exaudi nos, Domine. |
H. Antonius, bid voor ons. H. Benedictus, H. Bernardus, H. Dominicus, H. Franciscus, Alle heilige Priesters en Levieten, bidt voor ons. Alle heilige Monniken en Kluizenaars, H. Maria Magdalena, bid voor ons. H. Agatha, H. Lucia, H. Agnes, H. Caecilia, H. Catharina, H. Anastasia, Alle heilige Maagden en Weduwen,bidtvoorons. Alle Heiligen Gods, bidt voor ons. Wees genadig, spaar ons, Heer. Wees genadig, verhoor ons, Heer. |
119
|
Ab omni malo, libera nos, Domine. Ab omni peccato, Ab ira tua, A subitanea et impro- visa morte, Ab insidiis diaboli, Ab ira, et odio, et omni mala voluntate, A spiritu fornicatio-nis, A fulgure et tempe-state, A flagello terraemo, tus, A peste, fame et bello, A morte perpetua. Per mysterium sanctae Incarnationis tuae, Per adventum tuum. Per nativitatem tuam) Per baptismum et sanctum jejunium tuum, Per crucem et passio-nem tuam. Per mortem et sepultu-ram tuam, |
Van alle kwaad, verlos ons. Heer. Van alle zonde. Van uwe gramschap, Van een haastigen en on- voorzienen dood, Van de listen des duivels. Van gramschap, haat en allen kwaden wil, Van den geest der onzuiverheid, g-Van bliksem en onweder, CD S lt; b Van den geesel der n. 3 aardbeving, quot; öVan pest, hongersnood ê 5 en oorlog, quot; g Van den eeuwigen g dood, Door het geheim uwer heilige Menschwording, Door uwe komst, Door uwe geboorte, Door uw doopsel en heilig vasten, Door uw kruis en lijden, Door uwen dood en uwe begrafenis. |
120
|
Per sanctam resurrec-tionem tuam, libera nos, Domine. Per admirabilem as-censionem tuam, libera nos, Domine. Per adventum Spiritus Sancti Paracliti, libera nos, Domine. In die judicii, libera nos, Domine. Peccatores, Te roga- mus audi nos. Ut nobis parcas, Ut nobis indulgeas, Ut ad veram poeniten-tiam nos perducere H digneris, Ut Ecclesiam tuam'g sanctam regere et S conservare digneris, ^ Ut Domnum apostoli cum, et omnes eccle-siasticos ordines in S sancta religione conservare digneris, Ut inimicos sanctae Ecclesiae humiliare |
Door uwe heilige verrijzenis, verlos ons, Heer. Door uwe wondervolle hemelvaart, verlos ons, Heer. Door de komst van den H. Geest, den Trooster, verlos ons, Heer. In den dag des oordeels, verlos ons, Heer. Wij zondaren, wij bidden U, verhoor ons. Dat gij ons wilt sparen, Dat Gij ons kwijtschelding wilt verleenen, Dat Gij ons tot ware boetvaardigheid wilt o; brengen, èl Dat Gij uwe heilige ^ Kerk wilt besturen -en bewaren, £? cr Dat Gij den Paus, en § alle kerkelijke over- 2 heden in den heiligen ° godsdienst wilt bewaren, Dat Gij de vijanden der heilige Kerk wilt ver- |
121
|
digneris, Te rogamus audi nos. Ut regibus et principi-bus christianis pacem et veram concordiam don are digneris, XJtcuncto populo chris-tiano pacem et unita-tem largiri digneris, Ut nosmetipsos in tuo sancto servitio con-fortare et conservare digneris. Ut mentes nostras ad coelestia desideria erigas, Ut omnibus benefacto-ribus nostris sempi-terna bonaretribruas, Ut animas nostras, fra-trum, propinquorum et benefactorum nos-trorum ab aeterna damnatione eripias, Ut fructus terrae dare et conservare digneris, Ut omnibus fidelibus |
nederen, wij bidden U, verhoor ons. Dat Gij den Christen koningen en vorsten vrede en ware eendracht wilt schenken, Dat Gij aan het ganscbe Christenvolk vrede en eenheid wilt verleenen. Dat Gij ons in uwen heiligen dienst wilt versterken en bewaren, ^Dat Gij onze harten tot ® hemelsche begeerten (f, wilt opwekken, cr B Dat Gij al onze wel- amp; § doeners met de eeu- B c wige goederen wilt *quot; vergelden, « o Dat Gij onze zielen, en oquot; de zielen onzer broe- £ ders, vrienden en wel- p doeners voor de eeuwige verdoeming wiltbehoeden. Dat Gij de vruchten der aarde wilt geven en bewaren. Dat Gij aan alle overlede- |
122
|
defunctis requiem ae-t er nam donare dig-ueris, Te rogamus audi dos. Ut nos exaudire dig-neris, Te rogamus audi nos. Fili Dei, Te rogamus audi nos. Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, paree nobis, Domine. Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, ex-audi nos, Domine. Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis. Christe, audi nos. Christe, exaudi nos. Kyrie, eleison. Christe, eleison. Kyrie, eleison. Pater noster (se-creto.) v. Et ne nos inducas in tentationem. ⢠r. Sed libera nos a malo. |
ne geloovigen de eeuwige rust wilt geven, wij bidden U, verboor ons. Dat Gij U gewaardigt ons te verhoeren, wij bidden U, verhoor ons. Zoon Gods, wij bidden verhoor ons. Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons, Heer. Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verboor ons. Heer. Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,, ontferm u onzer. Christus, hoor ons. Christus, verhoor ons. Heer, ontferm U onzer.. Christus, ontfermU onzer.. Heer, ontferm U onzer.. Onze Vader (in stilte.) v. En leid ons niet in bekoring. e. Maar verlos ons-vani den kwade. |
123
Psalm LXIX.
God, let op mijne hulp; Heer, haast U, mij te helpen.
Dat zij beschaamd en bevreesd worden, die mijne ziel zoeken.
Dat zij terugwijken en zich schamen, die mij kwaad willen.
Dat zij dadelijk met schaamte terugwijken, die tot mij zeggen: Goed zóó! goed zóó!
Laat allen die U zoeken, in U juichen en zich verblijden, en laat hen die uw heil beminnen, altijd zeggen: De Heer zij hoog geprezen I
Doch ik ben behoeftig en arm; o God help mij.
Want Gij zijt mijn Helper en mijn verlosser, Heer, vertoef niet.
Glorie zij den Vader, en den Zoon en den H. Geest.
Gelijk het was in den beginne, en nu, en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Maak uwe dienaren zalig.
Mijn God, die in U hopen.
Wees ons. Heer, een sterke toren.
Tegen onzen vijand.
Laat de vijand niets tegen ons vermogen.
En laat de zoon der ongerechtigheid ons geen schade toebrengen.
Heer, doe ons niet naar onze zonden.
En vergeld ons niet naar onze ongerechtigheden.
Laat ons bidden voor onzen Paus N.
124
De Heer beware hem, en spare hem in dit leven, en make hem zalig op aarde, en levere hem niet over in den wil zijner vijanden.
Iiaat ons bidden voor onze weldoeners. â Gewaardig U, Heer, allen die ons goed doen, om uwen naam, met het eeuwig leven te vergelden. Laat ons bidden voor de overledene geloovigen. Heer, geef hun de eeuwige rust, en het eeuwige
licht verlichte hen.
Dat zij rusten in vrede.
Amen.
Voor onze broeders die afwezig zijn.
Mijn God, maak uwe dienaars zalig die op U hopen.
Zend hun hulp, Heer, uit uw heiligdom.
En bescherm hen uit Sion.
Heer, verhoor mijn gebed.
En mijn geroep kome tot U.
LAAT ONS BIDDEN.
God, wien het eigen is, U altijd te ontfermen en te sparen; neem onze smeeking aan, opdat de ontferming uwer goedertierenheid ons en al uwe â¢dienaren, die met de ketenen der zonden gebonden zijn, genadiglijk ontbinde.
Verhoor, bidden wij U, Heer, de gebeden van alwie U rouwmoedig om vergiffenis smeeken, en spaar de zonden van hen die U schuld belijden ; opdat Gij ons goedgunstig kwijtschelding tevens en vrede verleent.
125
Toon ons genadig, Heer, uwe onuitsprekelijke barmhartigheid, dat Gij ons te gelijk van alle zonden bevrijdt, en aan de straffen, die wij er voor verdienen, ontrukt.
God, die door de zonden beleedigd, en door de boetvaardigheid verzoend wordt, zie genadig neder op de gebeden van het U smeekende volk, en wend de geesels uwer gramschap, welke wij voor onze zonden verdienen, van ons af.
Almachtige, eeuwige God, ontferm U over uwer» dienaar onzen Paus N ..., en bestuur hem volgens uwe goedertierenheid op den weg van het eeuwig heil: opdat hij door uwe hulp begeere wat XI behaagt, en het met alle kracht volbrenge.
God, van wien de heilige begeerten, de goede besluiten en de rechtvaardige werken voortkomen, geef aan uwe dienaren dien vrede welken de wereld niet geven kan; opdat onze harten aaa uwe geboden overgegeven zijn, en ook de tijden gt; zonder vrees voor vijanden, door uwe bescherming rustig mogen wezen.
Ontsteek, Heer, onze nieren en ons hart door het vuur van den H. Geest, opdat wij U met een zuiver lichaam dienen, en met een rein hart behagen mogen.
God, schepper en Verlosser van alle geloovigenr verleen aan de zielen uwer dienaren en dienaressen vergiffenis van alle zonden, opdat zij de kwijtschelding, waar zij altijd naar verlangd heb-
126
ben, door godvruchtige srneekingen mogen verwerven.
Wij bidden U, Heer, voorkom onze werken met dea invloed uwer genade, en voltrek ze door uwe medewerking, opdat al ons gebed en al ons werk altijd van U beginne, en alzóó begonnen door U voltrokken worde.
Almachtige, eeuwige God, die over levenden en dooden heerscht, en U ontfermt over allen die Gij te voren weet, dat zij door geloof en werk de uwen zullen zijn; wij smeeken U ootmoedig, dat degenen voor wie wij ons voorgenomen hebben onze gebeden te storten, hetzij hen nog de tegenwoordige eeuw in het vleesch weerhoudt, of de toekomende hen reeds van het lichaam ontdaan, heeft opgenomen, op de voorspraak van al uwe Heiligen, door uwe genadige barmhartigheid vergiffenis van al hunne zonden mogen verkrijgen. Door onzen Heer Jesus Christus, Uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de éénheid des Heiligen Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Heer, verhoor mijn gebed.
En mijn geroep kome tot U.
De almachtige en barmhartige Heer verhoor ons.
Amen.
En dat de zielen der geloovigen, door Gods barmhartigheid, in vrede rusten, Amen.
127
LITANIE VAN DE H. MAAGD MARIA.
|
Kyrie, eleison. Christe, eleison, Kyrie, eleison. Christe, audi nos. Christe, exaudi nos. Pater de coelis Deus, miserere nobis. Fili,Kedemptor mundi Deus, miserere nobis. Spiritus sancte Deus, miserere nobis. 8ancta Trinitas, unus Deus, miserere nobis. Sancta Maria, ora pro nobis. Sancta Dei Genitrix, SanctaVirgo virginum. Mater Christi, Mater divinae gratiae. Mater Mater Mater Mater Mater Mater Mater punssima, castissima, inviolata, intemerata, amabilis, a'Jmirabilis, Creatoris, |
Heer, ontferm U onzer. Christus, ontferm U onzer. Heer, ontferm U onzer. Christus, hoor ons. Christus, verhoor ons. God, hemelsche Vader, ontferm U onzer. God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer. God, Heilige Geest, ontferm U onzer. Heilige Drievuldigheid, één God, ontfermU onzer. Heilige Maria, bid voor ons. H. Moeder Gods, ® H. Maagd der Maagden, hjj Moeder van Christus, 2! o Moeder der goddelijke lt; g genade, § §⢠Allerreinste Moeder, 0 Allerzuiverste Moeder, S Ongeschondene Moeder, Onbevlekte Moeder, Beminnelijke Moeder, Wonderbare Moeder, Moeder des Scheppers. |
128
Moeder des Zaligmakers, AllervoorzichtigsteMaagd t Eerwaardige Maagd, Lofwaardige Maagd, Machtige Maagd, Goedertierene Maagd, Getrouwe Maagd,
Spiegel der rechtvaardigheid.
Zetel der wijsheid. Oorzaak onzer blijdschap, Geestelijk vat.
Eerwaardig vat. Uitmuntend vat van gods-§ vrucht, a;,
JO Qrf
^ Geheimzinnige roos, o Toren van David, g Ivoren toren,
H!Gulden huis,
CD '
Ark des verbonds.
Deur des hemels, Morgenster,
Behoud der kranken. Toevlucht der zondaren. Troosteres der bedrukten^ Hulp der Christenen,
Mater Salvatoris, Virgo prudentissima, Virgo veneranda, Virgo prasdicanda, Virgo potens,
Virgo clemens,
Virgo fidelis, Speculum justitise,
Sedes sapientiae, Causa nostrse laetitse, Vas spirituale, Vas honorabile, Vas insigne devotionis,
Rosa mystica,
Turris Davidica, Turris eburnea, Domus aurea,
Foederis area,
Janua coeli,
Stella matutina,
Salus infirmorum, Refugium peccatorum, Consolatrix afflietorum Auxillium Christiano-
lt; o
O f-t
O B
|
Regina Angelorum, Regina patriarcha- |
Koningin der engelen, Koningin der aarts va- |
129
|
rum, ora pro nobis. Regina prophetarum, Regina apostolorum, Regina martyrum, Regina eonfessorum, Regina virginum, S Regina sanctorum om-^ nium, o Regina, sine labe con- g cepta, ^ Regina Sacratissimi Rosarii, Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, Paree nobis, Domine. Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, Exau-di nos, Domine. Agnus Dei, qui tollis peccata mundi. Miserere nobis. Christe, audi nos. Christe, exaudi nos. Pater noster. Ãt ne nos inducas in tentationem. Sed libera nos a malo. |
deren, bid voor ons. Koningin der profeten. Koningin der apostelen, Koningin der martelaren, Koningin der belijders, St Koningin der maagden, lt; Koningin van allebei- § ligen, o Koningin, zonder vlek ontvangen, Koningin van den allerheiligsten Rozenkrans, Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, Spaar ons, Heer. Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Verhoor ons. Heer. Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, Ontferm U onzer. Christus, hoor ons. Christus, verhoor ons. Onze Vader. En leid ons niet in bekoring. Maar verlos ons van den kwade. |
9
130
LAAT ONS BIDDEN.
Onder uwe bescherming netneu wij onze toevlucht, Heilige Moeder Gods, verstoot onze gebeden niet in onzen nood, maar verlos ons altijd van alle gevaren, o glorierijke en gezegende Maagd, onze Vrouwe, onze Middelaresse, onze Voorspreekster, verzoen ons met uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon.
Bid voor ons, H. Moeder Gods.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT OKS BIDDEN.
Stort, bidden wij U, Heer, uwe genade in ouze harten, opdat wij die door de boodschap des engels de menschwording van Christus uwen Zoon leerden kennen, door zijn lijden en kruis tot de glorie der verrijzenis gebracht worden. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen.
gt;S^
131
LATIJNSCHE GEZANGEN BIJ DE PROCESSIE.
i. groet aan het h. sakrament.
Ave verum.
Wijze: Jubilemus I No. 24, 24fl!.
Ave, verum Corpus natura Wees gegroet, waarachtig Lichaam,
Ex Maria Virgiae, Uit Maria's maagden-
schoot!
Vere passum, immola-Dat, aan't kruishout op-
tum, gedragen,
In cruce pro homine, Zich voor ons ten offer
bood;
Cujus latus perforatum, Aan wiens diep doorboorde zijde,
Vero fluxit sanguine; Uw waarachtig bloed ontvloot ;
Esto nobis praegustatum, Geef ons, U vooraf te
smaken,
Mortis in examine. In den kampstrijd van
den dood,
O clemens ! O pie ! O Zoete! o goede!
O dulcis Jesu, Fili Ma- O lieve Jesus ! Zoon van
riae. Maria!
132
II. KERKHYMNE
eere van het Allerheiligste Sakrament.
PANGE LINGUA.
(Onder de processie.)
1. Pange, lingua, gloriosi
Corporis mysterium, Sanguinisque pretiosi,
Quem in mundi pretium Fructus ventris generosi ' Rex effudit gentium.
2. Nobis datus, nobis natus
Ex intacta Virgine,
Et in mundo conversatus,
Sparse verbi semiae, Sui moras incolatus Miro clausit ordine.
3. In supremse noete coense
Recumbens cutn fratribus, Observata lege plena Cibis in legalibus,
Cibum turbie duodense Se dat suis manibus.
4. Verbum caro, panem verum
Verbo carnem efficit,
Fitque sanguis Cfaristi merum
Et si sensus deficit, A.d firmandum oor sincerum Sola fides suffieit.
133
II. KERKHYMNE
ter eere van het Allerheiligste Sakrament.
pange lingua.
W ij z e : Jubileums I No. 22, 22«, 226, 22c.
1. Wil, mijn tongl 't Geheim des Heeren,
't Lichaam, allen roem te groot, 't Kostbaar Bloed met lofzang eeren,
Dat de vrucht uit ed'len schoot, Dat de Heer van wie regeeren Ten rantsoen der aard' vergoot.
2. Ons gegeven, ons geboren,
Uit een maagdelijke Bruid,
Heeft Hij de aard' ten woon verkoren,
Strooit het zaad des woords er uit, Tot Hij 't leven, Hem beschoren, Met een wondere orde sluit.
3. 't Laatst, dien avond van zijn leven,
Met zijn broed'ren aan den Disch, Heeft Hij, als het voorgeschreven Paaschmaal trouw gehouden is,
Zelf zich hun ten spijs gegeven,
In dit nieuw Geheimenis.
4. 't Wooed in 't vleesch tot ons gekomen.
Maakte brood zijn vleesch door 't woord, Wijn zijn bloed, dat uit ging stroomen ;
Zoo geen zin 't Geheim doorboort; 't Is genoeg voor 't hart des vromen. Dat hij hier 't geloof slechts hoort.
134
5, Tantum ergo Sacrarnentutn Veneremur cernui,
Et antiquum documentum
Novo cedat ritui:
Prsestet fides supplementum Sensuum defectui.
G. Genitori, Genitoque Laus et jubilatio,
Salus, honor, virtus quoque
Sit et benedictio;
Procedenti ab utroque Compar sit laudatio.
v. Panem de eoelo prsestitisti eis.
R, Orane delectamentum in se habentem.
OREMUS.
Deus, qui nobis sub Sacramento mirabili, passi-onis tuse memoriam reliquisti; tribue, qusesumus: ita nos Corporis et Sanguinis tui sacra raysteria venerari, ut redemptionis tuse fructum in nobis jugiter sentiamus. Qui vivis et regnas in ssecula sseculorum. Amen,
135
5. Eeren wij dan diep-gebogen
Een zoo Heilig Sakrament;
De oude schaduw is vervlogen,
In dit nieuw Geheim volend;
Wat de zinnen niet vermogen;
't Worde door 't geloof gekend.
6. Lof den Vader, Ongeboren,
En zijn Ãéngeboren Zoon ;
Lof van alle jubelkoren
Zij met dank en zegetoon,
Beider Geest, als Hun, beschoren Op hun éénen glorietroon.
v. Brood uit den hemel hebt Gij hun gegeven. r. Dat alle geneugte in zich bevat.
LAAT ONS BIDDEN.
God, die ons onder het wonderbare Sakrament de gedachtenis van uw lijden hebt nagelaten; verleen ons, bidden wij U, de heilige geheimen van uw Lichaam en Bloed zóó te vereeren, dat wij de vrucht uwer verlossing gedurig in ons mogen gevoelen. Die leeft en regeert in de eeuwen der eeuwen. Amen.
136
III. LOFZANG TE DEUM.
Onder de processie.
(Zie de vertaling bladz. 75)
Te Deutn laudamus : Te Doininum confitémur; Te setérnum Patrem : omnis terra veneratur.
Tibi omnes Angeli: Tibi coeli, et universse potes-tates,
Tibi Cherubim et Seraphim: incessabili voee procldmant:
Sanctus, Sanctus, Sanctus, Dominus Deus Sabaoth.
Pleni sunt coeli et terra: majestatis gloria: tuse.
Te gloriosus Apostolorum chorus,
Te Prophetarum laudabilis numerus,
Te Martyrum eandidatus laudat exércitus.
Te per orbem terrarum, sancta confitêtur Ecclesia,
Patrem immensee majestatis,
Venerandum tuum verum et unicum Filium,
Sanctum quoque Paraclitum Spiritum.
Tu rex glorise, Christe.
Tu Patris sempiternus es Filius.
Tu ad liberandum suscepturus hominem : non hor-
ruisti Virginis üterum.
Tu devicto mortis acüleo: aperuisti credentibus
regna coelorum.
Tu ad dexteram Dei sedes : in gloria Patris. Judex cróderis esse ventürus.
137
â Te ergo qusesumus, tuis famulia sübveni: quos
pretioso saDguine rédemisti.
Aeterna fac cum sanctis tuis: in gloria numerari Salvum fac populum tuum, Domine: et benedic
hereditati tuae.
Et rege eos; et extólle illos usque in setêrnHira. Per singulos dies, benediciraus Te.
Et laudamus nomen tuum in sseculum: etinssscu-lum sreculi.
Dignare, Domine, die isto: sine peccato nos custodire.
Miserere nostri, Domine: miserere nostri.
Fiat misericordia tua, Domine, super nos: quem-
admodum speravimus in Te.
In Te, Domine, speravi; non confündarin setérnum. v. Benedictus es Domine Deus Patrum nostrorum. k. Et laudabilis, et gloriosus in ssecula. v. Benedicamus Patrem et Filium cum öancto Spiritu.
r. Laudémus, et superexaltémus eum in ssecula. v. Benedictus es Domine, in firmamento coeli. r, Et laudabilis, et gloriosus, et superexaltatus
ia ssecula.
v. Benedic, anima mea, Domino.
r. Et noli oblivisci cranes retributiones ejus, v. Domine, exaudi orationem meam. r. Et clamor meus ad te veniat.
4 oremus.
Deus, cujus misericordi® non est numerus, et
138
bonitatis infinitus est thesaurus, piissirnse majestati tuse pro collatis donis gratias agimus, tuarn semper elementiam exorantes: ut qui pelentibus postulata concedis, eosdem non deserens, ad pryemia futura disponas.
Deus, qui corda fideliuna Sancti Spiritus illustra-tione docuisti; da nobis in eodem Spiritu recta sapere, et de ejus semper consolatione gaudere.
Deus, qui neminem in te sperantem nimium afftigi peimittis; sed pium preeibus prsestas audi-tum : pro postulationibus nostris votisque susceptis gratias agimus, Te piissime deprecantes; ut a cunctis semper muniamur adversis. Per Dotninum nostrum Jesum Christum, Filium tuum, qui tecum vivit et regnat in unitate Spiritus Sancti, Deus, per omnia stecula sseculorum. Amen.
IV. LOFZANG VAN MARIA. LUC. 1.
Magnificat anima rnea Mijne ziel verheft den Dominum. Heer.
Et exultavit spiritus En mijn geest heeft meus; in Deo salutari zich verheugd in God, meo. mijnen Zaligmaker.
Quia respexit humili- Omdat Hij nederzag tatem ancillse sutc: ecce op de geringheid zijner enim ex hoc beatam me dienstmaagd; want zie
139
|
â iicent oranes generati-ones. Quia fecit mihi magna qui potens est: et sanctum nomen ejus. Et raisericordia ejus a progenie in progenies: timentibus eum. Fecit potentiam in brachio suo: dispersit superbos mente cordis sui. Deposuit potentes de sede: et exaltavit hu-miles. Esurientes iraplevit bonis: et devites dimi-sit inanes. Suscepit Israël pue-rum suum: recordatus misericordise suae. |
van nu af zullen alle geslachten mij zalig noemen. Omdat Hij, die machtig is, aan mij groote dingen gedaan heeft: en zijn naam is heilig. En zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over hen, die Hem vreezen. Hij heeft kracht door zijnen arm gedaan : Hij heeft degenen, die hoo-vaardig in de gedachten van hun hart zijn verstrooid. Hij heeft machtigen van den troon afgezet, en geringen verheven. Hij heeft hongerigen met goederen vervuld, en rijken ledig heen ge zonden. Hij heeft Israël, zijnen dienaar, aangenomen, indachtig zijner barmhar tigheid. |
140
Sicut loculus est ad Gelijk Hij tot onze patres nostros: Abra- voorvaders gesproken ham, et semini ejus in heeft, aan Abraham en SEecuIa. zijn nageslacht in eeuwig
heid.
Gloria Patri, etc. Eere, enz.
GEZANGEN.
1. HiOT^XjXEID
aan
DE MOEDER VAN BARMHARTIGHEID.
salve regina.
W ij z e : Marialiederea No. 25.
1. Wees gegroet, o Koninginne!
Moeder gij vol teed're minne,
Gij ons leven, hoop, zoo zoet.
Wees, Maria! wees gegroet; Bid voor ons, Maria!
2. 't Is tot ü dan, dat wij vluchten,
Onder tranen en veel zuchten;
Tot u rijst ons klaaggeschal In dit aardsche tranendal;
Bid voor ons, Maria!
3. O dan nu, wil voor ons spreken,
't Goedig oog slaan op ons smeeken, Gij, die altoos voor ons pleit, Moeder van barmhartigheid! Bid voor ons, Maria!
142
4 En na dit ons ballingsleven,
Toon ons Jesus, hoog verheven,
Heil'ge vrucht, van, uwen schoot; Toon Hem ons, bij onzen dood, Bid voor ons, Maria!
ö. O dan, Moeder vol ontferming,
Toon ons kind'ren, uw bescherming, O gij Maagd! zoo vroom zoo zoet. Wees, Maria! wees gegroet; Bid voor ons, Maria!
2. TTTBEOLiIJIEIID
OP HET
XVIIIe EEUWFEEST VAN DEN MARTELDOOD
DER
HH. APOSTELEN PETRUS EN PAULUS,
â¢den 29sten Juni 18G7, den dag der Heiligverklaring onzer Gorkumsche Martelaren. W u z E: Jubilemus II No 15.
1. Heel de aarde looft met jubelschal De vorsten van 't Aposteltal,
Nu achttienmaal een eeuwkring sloot Sinds hun vereenden gloriedood.
2. Wat heimacht losbrak op de Rots, Onwrikbaar, als 't orakel Gods,
Staat Petrus' Stoel al de eeuwen door, En straalde weêr in hooger gloor.
143
3. Ãén in geloof, in hoop en min, Was heel het Katholiek Gezin,
In de Opperherders uit heel de aard', Om 't ééne Hoofd der Kerk vergaard.
4. Zij, vrucht'bre Bruid van onzen Heer, ïelt weêr een koor van Heil'gen meer, Uit alle rijk en eeuw en stand,
Ook van uw grond, mijn Vaderland!
5. Is 't eeuwfeest voor heel 't wereldrond, Is 't Feest nog voor den Vadergrond, Die eigen kind'ren kronen zag:
Voor óns dan, o wat jubeldag!
6. Zij stierven, zij, door 't martelkoord, Voor hun geloof in Jesus' woord,
Voor hun geloof in 's werelds Rots, Den Paus, den Stedehouder Gods !
7. En zie! toeu Pius Gorkums rij Van helden kroonde op 't Eeuwgetij, Daar stond als krijgswacht om 't altaar De keur van Neêrlands jong'lingschaar
8. Gekroonden ! dat uw bede ons sterk' In liefde en trouw aan Jesus' Kerk, En eens voor d' onbezweken strijd Ook ons de zegekroon verblijd'.
144
9. O bid nu, Neêrlands Heil'genschaar 1 Dat God deez' dieib'ren grond bewaar', En 't hier, bij 't keerend Eeuwgetij, Reeds lang één kudde, één Herder zij.
3. KERKHYMNE VAN ALLE HEILIGEN.
placare, chkiste, servxjlis.
Wijze: Jubilemus II No 4,
1. Sla, Christus! weêr verzoend ons ga, Nu, bij uw zetel van gena,
Zij voor ons spreekt, de teed're Maagd, En vrijspraak van den Vader vraagt.
2. Gij, in uw negenvoude sfeer.
Bescherm ons, zalig Eng'lenheer!
Weer wat ons schaadde, nóg ons schaadt. Weer al het ons nog dreigend kwaad.
3. Apostel- en Profeten-tal!
Verbidt den Rechter van 't heelal. Dat Hij, wie waarlijk schuld beween'. Erbarming en gena verleen'.
4. Gij, Mart'laars in uw purpergloor! Gij, meébekroond Belijd'renkoor!
Reikt aan ons, ballingen, de hand,
Roept ons tot u in 't Vaderland.
5. Gij, Maagdenkoor! zoo rein en blij! En wie de diepe woestenij
Ten hemel zond: vraagt bij Gods troon, Een plaats voor ons in 's hemels woon.
145
(J. Het trouweloos geslacht ontwijk'
Uit alle grens van Christus' rijk,
Dat ons één Schaapstal als weleer, Ãén Herder weêr vereend regeer'.
7. Zij God den Vader lof geboón, En 's Vaders Ãéngeboren Zoon;
Zij lof den Trooster ook bereid.
Van nu af tot in eeuwigheid.
4. J-CTBEXjIJIZBID
aan de
HH. XIX MARTELAREN VAN GORKÃM.
Wijze : Jubileums II No. 16.
1. Tot u, o Gorkums Heldental!
Weerklinke luid mijn lofgeschal;
Tot u, door wie mijn ziel ontgloeit, Van dankb'ren jubel overvloeit.
2. Gedenk ik, hoe ge op onzen grond Uwe onverwelkb're kronen wont,
Dan juich ik bij uw heldenmoed;
Ook ik ben van uw Neêrlandsch bloed.
3. Ik juich, als ge in den dood niet buigt, Maar trouw voor 't Hoofd der Kerk getuigt, Eu nu, door Pius' hand gekroond,
Als H e i l'g e n in Gods glorie troont.
10
146
4. Ik juich, als gij zoo onversaagd Maria Moeder prijst en Maagd En onze en 's hemels Koningin: Verrukt stemt heel mijn ziel het in!
5. Maar sterft gij voor 't Geheimenis, Waar Jesus zelf ons voedsel is: Dan, naamloos is mijn ziel verblijd, Dat ik het ook met u belijd.
0. Dat ik met u één God, één Heer Ãén Geest, één lichaam, doop en leer In de ééne Moederkerk beken, En onverdiend haar kind ook ben.
7. Drie eeuwen vloden sedert heen, Eu ons en uw geloof is één:
O voer' het, bij één hoop, één min. Ook ons uw Kerk der glorie in!
4. XjOiF^-^tTCa-
aan de
HU. XIX MAETELAREN VAN GOEKÃM. Wijze : Jubilemus II No. 17-
1. Hij die aan 's Vaders zijde troont, Van eeuwig glorielicht omkroond, Hij, Offer nog en Offeraar,
Woont in ons midden op 't altaar.
147
2. Al wie zijn god'lijk woord gelooft, Aanschouwt Hem ook in 't zichtbaar Hoofd Der ééne Kerk, door Hem gesticht,
Die voor geen hellemachten zwicht.
3. In 't stil Geheim, aan Liefde's Disch,
Waar Hij der zijnen voedsel is.
Vereent Hij ze elk en onderling
In altijd hooger levenskring.
4. Hij, de Opperherder die ons voedt,
Hij is 't die ons onzichtbaar hoedt,
Door Petrus nóg diens broed'ren sterkt. Door 't zichtbaar Hoofd onze eenheid werkt.
5. Dat, onverschrokken Heldental!
Wier lof weerklinkt door 't wereldal, Dat, Heil'gen van mijn vadergroud!
Hebt gij door woord en dood verkond.
6. Van Gorkum's burg tot Brielle's stad,
Gingt gij uw gruwzaam martelpad, Aan haat en moedwil van de hel Ten langgerekt en bloedig spel.
7. Gekerfd, geblakerd, vuig bespot,
Gesleurd in alle kerkerkot,
Zaagt ge u de schandgalg vaak bereid, Door dood aan dood u heengeleid.
148
8. Maar immer, tot het folterkoord De veege stem en adem smoort,
Streedt gij voor 't zichtbaar Hoofd der Kerk, Eu Liefde's blijvend Wonderwerk.
9. Dien ge in 't geloof op Petrus' troon, Eu vóór u zaagt in de outerwoon, Aanschouwt gij thans in 't glorielicht, Van aangezicht tot aangezicht.
10. O smeekt, dat Hij 't geloof versterk' In 't zichtbaar Opperhoofd der Kerk, En 't wonderzoet Geheimenis,
Waar Hij ons zelf ten voedsel is.
11. O smeekt Hem door uw martelbloed, Dat Hij ons vaderland behoed',
Eu wie hier doolt, om zijn altaar In de eenheid van zijn Kerk vergaar'.
6.
TOT DE
HH. XIX MARTELAREN VAN GORKUM.
(bij besmettelijke ziekten.)
Wijze: Jubilemus II No. 18.
1. Gij, die hier geleefd, geleden.
Hier uw zege hebt volstreden,
Gorkum's zaal'ge Heldensclmr Leonard niet uw Gezellen!
149
Zie ons Neerland tot u snellen In 't aldreigend doodsgevaar.
2. 't Is met alle zielsvertrouwen,
Dat wij tot u opwaarts schouwen
In eenparig smeekgebed :
Uw gebeente, rondgedragen,
Heeft een stad l), door pest geslagen, Ãéns uit nood en dood gered.
3. Gij, die we onze broeders noemen,
Thans zoo blijde Heilig roemen :
Om de glorie u gebracht,
Wilt u onzer nu ontfermen.
En den dierb'ren grond beschermen. Die van droefenis versmacht.
4. Ach, het bloed, door u vergoten,
Vraagt toch voor uw landgenooten
Geen te wélverdiende straf;
Maar, door u weêr opgedragen,
Keer1 het alle geeselslagen.
Ziekte en zonde van ons af.
5. Nieuwe lof moet u gezongen
Waar ge uw kruisstrijd hebt voldongen,
Waar nu 's Heeren hand ons treft; Dadr wil Hij u nogmaals kronen, Als ge uw martelweg zult toonen En voor ons uw stem verheft.
'} Brussel, in 1C18.
150
7. nBHiGKE^XIK^SI-iIEm
ter eere der
HH. MARTELAARS VAN GORKUM. Op de heenreis.
Wijze: Jubilemus II No. 19.
1. Wij gaan te beêvaart henen
Naar Brielles raartelsteê,
Daar dankbaar ons vereenen
In lofgezang en beê;
Bidt, Neêrlands Martelaren I Voor Neêrlands pelgrimscharen, Gij ónze, gij ónze Heil'gen! bidt voor ons.
2. Wij gaan ter grafsteê knielen
Waar gij uw leven boodt:
O bidt voor onze zielen
En nu en in den dood;
Bidt, Neêrlands Martelaren !
Voor Neêrlands pelgrimscharen, Gij ónze, gij ónze Heil'gen! bidt voor ons.
3. Daar richten we onze schreden,
Met ingekeerd gemoed.
Langs 't pad, door u betreden,
Verheerlijkt door uw bloed;
Bidt, Neêrlands Martelaren!
Voor Neêrlands pelgrimscharen, Gij ónze, gij ónze Heil'gen! bidt voor ons.
151
4. Daar zal de bron ons drenken
Der heil'ge waterkom,
Waarbij ge uw bloed mocht schenken
Voor 't heraelsch heiligdom ;
Bidt, Neêrlands Martelaren!
Voor Neêrlands pelgrimscharen, Getrouwe, getrouwe Strijders 1 bidt voor oris
5. Daar geuren nog de bloemen
Ons toe van uwe deugd;
Daar zullen wij u roemen
Als onze kroon en vreugd!
Bidt, Neêrlands Martelaren!
Voor Neêrlands pelgrimscharen, Geliefde, geliefde Heil'gen! bidt voor ons.
6. En gij, als in ons midden,
O Gorkums Heldenschaar!
Gij zult daar met ons bidden
Bij 't u gewijd altaar;
Daar gloriepalm en kronen Voor ons aan Jesus toonen,
Geliefde, geliefde Heil'gen! bidt voor ons.
7. Daar gaan wij 't weêr belijden,
't Geheim, door u geloofd; Aan Jesus' Bruid ons wijden
En aan haar Heilig Hoofd;
Daar Jesus' Moeder roemen,
En mét u zalig noemen.
Gekroonde, gekroonde Helden! bidt voor ons
152
8. Maar keert niet, Pelgritnscharen,! Of eerst smeekt gij op 't graf Van Neêrlands Martelaren,
Het heil van Neêrland af: Dat Jesus saam ons hoede,
Aan d' eigen Disch weer voede. Gij ónze, gij onze Heil'gen ! bidt voor ons.
8. EEREBOETE-LIED.
Wijze : Jubilemus II No. 20.
%
1. Jesus! Offer van 't Altaar, U, door 't ongeloof bestreden,
U, door Gorkums Heldenschaar Tot hun jongsten snik beleden: Jesus! U zij lof bereid,
Nu en tot in eeuwigheid.
2. U, in 't Heilig Sakrament Ons ten gastvriend, spijs en leven,
U, door 't ongeloof miskend, Door uw Mart'laars hoog verbeven: Jesus! U zij lof bereid.
Nu en tot in eeuwigheid.
3. 's Vaders en Maria's Zoon ! Ach ! wat al ondankb'ren steken
Zoon en Moeder naar de kroon; Wij dan met uw Mart'laars spreken:
153
U en haar zij lof bereid,
Nu en tot in eeuwigheid.
4. Hemelkoning! ook gehoond
Inde U dierb're vriendenkringen,
Die Gij met uw glorie kroont, Hoor ons met uw Mart'laars zingen U en hun zij lof bereid,
Nu en tot in eeuwigheid.
5. U, gesmaad in 't Heilig Hoofd Der vereende Christenscharen,
U, in hem door 't bloed geloofd Onzer trouwe Martelaren :
U en hem zij lof bereid,
Nu en tot in eeuwigheid.
6. Jesus ! in uw Kerk bespot, Met haar macht, haar leer en leven,
U, haar Bruidegom en God 1 Door uw Mart'laars luid verheven : U en haar zij lof bereid,
Nu en tot in eeuwigheid.
7. U, voor wien zich alle knie Over 't gansch heelal moet buigen.
Dat het U dan hulde biê Met uw Heil'ge Bloedgetuigen ; U zij aller lof bereid.
Nu en tot in eeuwigheid .
154
9. MORGENLIED.
jam lucis orto sidere.
Wijze: Jubilemus I No. 50.
1. Het daggesternte licht weêr aan,
Laat ons tot God nu smeekend gaan: Dat hij bij 'tgeen wij daaglijks doen, Voor alle kwaad ons wil behoên.
2. De tong betoome en temper' Hij, Dat er geen schuwb're twistklank zij; Beschermend dekk' Hij onzen blik, Dat ons geen ijdelheid verstrikk'.
3. Dat heel ons harte zuiver zij.
De geest van allen waanzin vrij; Het vleeseh verleer' zijn trotsche wijs. Door soberheid in drank en spijs.
4. Opdat, is straks de dag gegaan.
En voert de beurt den nacht weêr aan, Wij, door onthouding rein, te meer De glorie zingen van den Heer.
5. Geef 't Vader, Gij zoo liefderijk! En, Ãén'ge Zoon ! aan Hem gelijk, Die met den Geest, den Trooster, ééo, Regeert door de eeuw der eeuwen heen.
155
10. AVONDLIED.
te lucis ante termtnum.
Wijzequot;: Jubilemus 1 No. 51.
1. U, Schepper! eer ons 't licht vergaat, U, bidden we, onzen Toeverlaat: Dat Ge in uw goedertierenheid
Ons uwe hoede en hulp bereidt.
2. Vér wijke 't nachtlijk droomgekwel, En aller beelden wufte spel;
Buig onzen vijand neêr, en zij Ons lichaam gansch van smetten vrij.
3. Geef 't, Vader, Gij zoo liefderijk! En, Ãén'ge Zoon! aan Hem gelijk. Die met den Geest, den Trooster, één. Regeert door de eeuw der eeuwen heen.
11- DANKLIED NA DE H. MIS.
Wijze : Jubilemus I No. Si.
1. Zoo is dan 't offer van het Kruis Hier weer gebracht ia 's Heerea huis. Het Lam, dat op Calvarie stierf,
Ons 't leven door zijn dood verwierf.
2. 't Was Jesus, onze Middelaar, Die Offer zelf en Offeraar,
Zich onder schijn van wijn en brood Voor ons den eeuw'gen Vader bood.
156
3. Hij bracht aan 's levens Opperheer Tn onzen naam oneindige eer,
Den dank aan aller gaven Bron,
Zooals geen schepsel brengen kon.
4. Hij vroeg aan God, door ons vergramd, Op ons le recht in toorn ontvlamd. Vergeving door zijn offerbloed,
En heeft ons, zondaars, weêr behoed.
5. Hij bad met heel de Christenschaar,
Hier neêrgeknield voor 't smeekaltaar, Bij zijn verzoenden Vader meê.
En vroeg verhooring onzer beê.
C. O godlijk Lam, voor ons geslacht !
U dan zij onze dank gebracht;
Wij smeeken door uw dierbaar Bloed, Dat Ge ons voor alle kwaad behoedt.
12. AKTEN VAN GELOOF, HOOP, LIEFDE EN BEROUW.
VÃÃR OF NA DE BIECHT.
Wijze: Jubilemus I No. 49.
Akte van Geloof.
1. Ik geloof en zal gelooven
Wat Gods Kerk, verlicht van boven.
Voorstelt als geopenbaard;
Gij, mijn God! Gij kunt niet falen,
En uw Kerk kan nimmer dwalen.
Naar Gij zelf ons hebt verklaard.
157
2. U belijd ik, nooit volprezen Drie Personen, één in Wezen,
God den Vader. Geest en Zoon! God de Zoon kwam tot ons neder, Stierf, verrees, en keert eens weder, 't Kwaad ten straf, en 't goed ten loon.
Akte van Hoop.
3. Vader! 'k hoop, dat Ge ons zult geven Om uw Zoon het eeuwig leven,
Met al 'tgeen ons heil vervult; 'k Hoop het vast, daar Gij almogend, Goed, getrouw en mededoogend,
't Geven kunt, en wilt, en zult.
Akte van Liefüo.
4. Heer! ik wil uit hart en zinnen U steeds bovenal beminnen,
Want Gij zijt het Opperst Goed ; En om ü bemin ik allen,
Die ik naar uw welgevallen Als mij zelv' beminnen moet.
Akte van Berouw.
5. God van goedheid! heel mijn harte Is vol rouw en boetesmarte.
Om al 't kwaad door mij begaan ; 'k Wil het U ter liefde haten.
Nooit, o nooit U meer verlaten :
Neem mij in ontferming aan.
158
13. JESUS' ZOETE GEDACHTENIS. BIJ DE H. BIECHT OF COMMUNIE.
je su dulcis memoria.
Wijze : Jubilemus I No. 12 en 12a.
1. Aan Jesus denken is reeds zoet,
't Geeft ware blijdschap aan 't gemoed, Maar Jesus' zoete bijzijn gaat Voor honig en al wat bestaat.
2. Niets zoeters brengt een zangtoon voort, Niets streelenders wordt ooit gehoord, Aanrainnigers wordt niets gedacht
Dan Jesus! dcfor God voortgebracht.
3. O Jesus 1 hoop voor al wie boet.
Wat zijt Gij voor den smeek'ling goed. Voor wie u zoekt, hoe teêrgezind.
Maar wat voor hém wel, die U vindt!
4. Geen tong, neen, spreekt het immer uit. Geen letter, die het ooit beduidt:
Wie 't smaakte, die geheimenis, Hij weet, wat Jesus minnen is,
5. Wees, Jesus! onze zielevreugd,
Die 't loon eens wezen zult der deugd ; Zij onze roem iu U alleen,
Door al der eeuwen eeuwen heen.
159
14. AKTEN VOOR DE H. COMMUNIE.
Wijze: Jubilemus I No. 28.
Einigen. 1. Jesus! Mensehgeworden God, Die niet in uw woord kunt falen,
Gij rust hier in 't Sakrament;
Kan 't mijn geest niet achterhalen,
Allen i ^ waarheid ! 'k tuig het nu,
\ Jesus! ik geloof in U.
Eenigen. 2. God van almacht, liefde en trouw! 'k Ben beschaamd om al mijn zonden, Maar Gij, Heer! hebt ze uitgewischt In het bloed van zóóveel wonden;
Allen S betrouwen kom ik nu,
( Goede Jesus 'k hoop op U.
Eenigen. 3. God van liefde en opperst Goed ! Gij wilt spijzen ons en drenken, In 't Geheim der hoogste min Heel u zeiven aan ons schenken.
Allen i Liefste Jesus! kom, kom nu, \ Ach mijn ziel verzucht naar U.
Eenigen. 4. 'k Ben niet waardig, groote God! Dat Gij ingaat in mijn harte,
Spreek, Heer! spreek een enkel woord, En, doorwond van liefdesmarte,
Hen I Schrei ik: Jesus! Kom toch nu, \ Kom, o kom, ik smacht naar U.
160
Eenigen. 5. 'k Zal dan aan den Heil'gen Disch U, mijn Jesus! gaan ontvangen,
U, mijn' God, mijn' grooten God, Aan mijn zalig harte prangen;
i Goede Jesus! kom toch nu, en' | Kom, o kom ! ik snel tot U.
15. AKTEN NA DE H. COMMUNIE.
Wijze; Jubilenus I No. 30.
1. Nu heeft mijn lieve Jesus dan Zich mij tot spijs gegeven.
Die mijn verkwikte ziel bewaar' In 't eindelooze leven; Ach, goede God 1 U smeeken wij: Blijf ons nu eeuwig, eeuwig bij.
2. Zoo is dan waarlijk 's Vaders Zoon Tot mijne ziel gekomen,
En heeft zijn zetel in mijn hart. Mijn zondig hart genomen ; Ach God ! Ach God! U smeeken wij: Blijf ons nu eeuwig, eeuwig bij.
3. O dat ik al de stemmen had. Die opgaan van deze aarde,
En 't nimmer zwijgend hemelkoor Zich aan mijn loflied paarde! U, God! U, God! aanbidden wij, Blijf ons nu eeuwig, eeuwig bij.
Eene stem.
Allen. | Eene slem.
Allen. | Eene stem.
Allen. |
ICl
4. 'k Aanbid, ik loof, ik dank U, God! Ach, zie mijn tranen beven ;
Wat zal ik, goede Jesus ! U Voor zóóveel liefde geven ? U, God ! U, God! ü danken wij. Blijf ons nu eeuwig, eeuwig bij.
5. Ik wil, mijn Jesus! wat ik ben, Mijn hart, mijn vreugd en lijden,
Mijn leven en mijn stervensuur
Ten offerand U wijden;
U God! U God! beminnen wij. Blijf ons nu eeuwig, eeuwig bij.
G. Maar zwak is onze ziel, o Heer! Als 't lichtbewogen riet; Almachtig God I wij smeeken U: Verlaat, verlaat ons niet; Nog eens, nog eens dan smeeken wij : Blijf ons toch eeuwig, eeuwig bij I
16. KERKHYMNE VAN HET H, SAKRAMENT.
verbum supernum.
VOOR OF NA DE H. COMMUNIE, OF BIJ HET ALLERHEILIGSTE.
Wijze: Jubilemus I No. 23 on 23a.
1. Gods uitgaand Hemel woord verliet De rechterhand zijns Vaders niet,
Eene stem.
Allen. | Ecne slem.
Allen. | Eene slem.
Allen. |
11
1G2
En voor zijn werk toog Hij hier rond, En kwam aan 's levens avondstond.
2. Eer Hem zijn leerling straks ter dood In handen van zijn haat'ren bood,
Biedt Jesus zich op wond're wijs Den zijnen aan ten levensspijs.
3. Hij wilde hun, bij dubb'len schijn, Met vleesch en bloed ten spijze zijn. Opdat Hij zoo den mensch geheel Zou voeden naar zijn dubbel deel.
4. Geboren, ons ten lotgenoot.
Hij, aan den Disch ten levensbrood, Hij, stervend, ten verlossingsprijs, Is Vorst en loon in 't Paradijs.
5. O heilrijk Offer, dat ons redt. En 's hemels poorten openzet.
Geef ons, om 's vijands druk te ontgaan, Geef krachten, en breng bijstand aan.
6. Aan d' Ãénen en Drieëen'gen Heer Zij nimmer-onderbroken eer:
Die 't leven door alle eeuwen heen Aan ons in 't Vaderland verleen.
1G3
17. LOFZANG VAN HET H. SAKRAMENT.
Wijze : Jubilemus I No. 25 eu 85a.
1. Laten wij ons nederbuigen
Voor dit Hoog Geheimenis,
Laat en mond en hart getuigen;
Dat Gods eigen Zoon hier is.
Wat Hij sprak, het kan niet falen,
»'t Is mijn Lichaam, 't is mijn bloedquot;; En zijn Kerk, hoe kan zij dwalen,
Daar Gods eigen Geest haar hoedt ?
2. Hij dan rust hier voor onze oogen
In dit Heilige Sakrament,
Die in liefde en alvermogen
Mate noch beperking kent;
Hij, wien de Engelen aanbidden
Op zijn hoogen hemeltroon,
Hij kwam neder in ons midden,
's Vaders ongeschapen Zoon!
3. Die een Maagd heeft uitverkoren
En voor alle smet bewaard,
Die als Kind uit haar geboren,
Met ons wonen kwam op aard';
Met ons werken, met ons weenen,
't Leven geven door zijn dood ;
Die door graf en voorborcht henen, 's Hemels glorie ons ontsloot.
164
4. Hij, wiens offer wij belijden
In 't omsluierd Sakrament,
Hij is hier, als in 't verblijden Van des hemels glorietent; Hij moet hier als daar geprezen.
Hij, door wien wat ademt leeft 1 Die verwinnend eens verrezen.
Hier de onsterflijkheid ons geeft.
5. Hij is hier, die opgevaren.
Aan des quot;Vaders zij' regeert; Die zich ons zal openbaren
Als Hij op de wolken keert; Die ten troost in 't sterflijk leven.
Zélf zich hier ten onderpand Van de glorie wilde geven.
Die ons wacht in 't Vaderland.
C. Hij, ja! is de Heer der heeren, Die hier alles tot zich trekt. Die door liefde wil regeeren
En door liefde liefde wekt. Dat dan 't ongeloof eens zwijge
Bij dit godlijk liefdeblijk,
Dat de liefdebede stijge:
»Laat toekomen, Heer! uw rijk.'1
7. Glorie dan zij Hém gegeven, Eindelooze lof en dank,
Die op d' avond van zijn leven Ons zich gaf tot spijs en drank;
1G5
Goede Jesus! zie, wij knielen Diep-bewogen voor U neêr,
Wees de Koning onzer zielen;
Liefde toch vraagt liefde weêr!
8. Al ons leven, lijden, strijden Zij ten dank U toegebracht.
Alle zegen en verblijden,
Wat door ü op aarde ons wacht; Wil dan, Jesus! wil ons geven,
Dat geen zonde ons van U scheid', En wij U na 't sterflijk leven Zien in uwe heerlijkheid.
is.
TOT ONZE HH. MARTELAARS, ALS ONZE GELIEFDE BESCHERMERS.
Wijze: Jubilemus II No. 21.
1. Na 's werelds strijd en lijden,
In Jesus' kracht volbracht,
Geniet gij zijn verblijden,
En deelt zijn gloriemacht;
O laat nu, goede Heil'gen! Uw voorspraak ons beveil'gen,
Geliefde Beschermers! bidt, o bidt voor ons.
2. Wij nog bij 's levens plagen.
Wij zijn in zielsgevaar:
Ach, hoort ons klagen, vragen.
166
Dat ons uw hulp bewaar';
O laat dan, goede Heil'gen! Uw voorspraak ons beveü'gen, Geliefde Beschermers ! bidt, o bidt voor ons.
3. Komt Satan ons bekoren,
Lokt vleesch of wereld aan ;
Wilt onze smeekstem hooren, Ach helpt! of wij vergaan.
O laat dan, goede Heil'gen! Uw voorspraak ons beveü'gen, Geliefde Beschermers! bidt, o bidt voor ons.
4. God kroonde u aller leven
Met glorierijken dood;
Mocht op uw beê Hij geven,
Dat 'k zalig de oogen sloot.
Laat dan, o goede Heil'gen ! Uw voorspraak ons beveü'gen, Geliefde Beschermers! bidt, o bidt voor ons.
5. O waar ge in d' eeuw'gen vrede Nu Jesus' aanschijn ziet:
Verwerft mij door uw bede.
Dat ik uw heil geniet'.
O laat dan, goede Heil'gen ! Uw voorspraak ons beveil'gen.
Geliefde Beschermers! bidt, o bidt voor ons.
107
19.
TOT ONZE GORKÃMSCHE MARTELAARS, AI.S PATROONHEILIGEN.
Wijze : Jubilemus II No. 22.
I. Heil'gen Gods I (b i s.)
Waar ge ia 's hemels Koren
't Godlijk aanschijn ziet,
Wilt het smeeken hooren Van ons Pelgrimslied;
Heil'gen Gods ! (b i s.) Gij Patronen, ons in 't leven, En in 't stervensuur gegeven;
Bidt voor ons! (bis.)
2. Dienaars Gods I (b i s.)
Aan uw Heer en Koning
Hebt ge uw dienst gewijd:
Groot is uw belooning,
Groot als de aardsche strijd; Dienaars Gods! (b i s.) Ach daar wij iu véél ontbreken.
Wilt voor ons bij Jesus spreken.
Bidt voor ons ! fb i s.)
3. Vrienden Gods 1 (bis)
O wat zoet vertrouwen
Wekt dit miulijk woord!
168
God zal ons aanschouwen,
Die uw beê verhoort;
Vrienden Gods ! (b 1 s.) Wat gij vraagt za] Hij ons schenken, Blijft ons dan bij Hem gedenken, Bidt voor ons ! (b i s.)
4. Heil'gen Gods 1 ' (b i s.)
Méér, neen, dan uw leven
In uw folterdood,
Méér kondt gij niet geven Dan uw liefde bood ;
Mart'laars Gods! (bis)
Naar uw liefde is uw vermogen, Ziet ons aan met mededoogen.
Bidt voor ons 1 (b i s.)
5, Heil'gen Gods ! (b i s.) Dienaars, Welbeminden,
Mart'laars van den Heer 1 Om zijn gunst te vinden,
Zingen we u ter eer;
Heil'gen Gods ! (b i s.) Tot Patronen ons in 't leven, Eu in 't stervensuur gegeven.
Bidt voor ons ! (b i s.)
1G9
20. KERKHYMNE OP HH. MARTELAAES.
REX GLORIOSE MAETYRUM.
Wijze : Jubilemus II No. 23.
1. Der Martelaren Gloriehoofd,
En kroon van wie in U gelooft.
Gij geeft, dat hij die de aard' verzaakt, Uw hemel tot belooning smaakt.
2. Neig haastig ons een gunstig oor,
Verleen aan onze stem gehoor,
En, bij ons heilig zegelied,
Gedenk toch onze schulden niet.
3. Die in uw Mart'laars overwint Ontfermend uw Belijders mint:
Verwin ook wat misdreven is,
Verleener van vergiffenis !
4. Zij God den Vader lof en eer.
Zijn één'gen Zoon ook, onzen Heer; Den Geest en Trooster, met Hen één, En nu, en door alle eeuwen heen.
170
21. KERKLIED OP HH. MARTELAARS.
SANCTORUM MERITIS.
Wijze: Jubilemus II. No. 24 en24a.
1. Verheffen wij te zaam der Heil'gen Hemelvreugd, liet hoogverheven loon van heldenmoed en deugd; Hen zingen wil de ziel, verwinnaars groot als zij,
Hen zingen op hun feestgetij.
2. Zij zijn het, wie zoo dwaas de wereld heeft gehaat. Door haar als leeg van vrucht en dor van bloem
versmaad;
Zij, goede Koning van het zalig hemelbeer! Zij streden, Jesus! voor uwe eer.
3. Zij hebben, zij voor U bedreiging, geeselsmart. En al de razernij van wreedaards uitgehard; Hen scheurt de folterklauw, maar vruchteloos,
vaneen,
En dringt niet tot het binnenst heen.
4. Gelijk het zwijgend lam, zijn zij door 't zwaard
geslacht:
Geen enk'le zucht weerklinkt, geen enk'le jammerklacht ;
Hun schuldelooze ziel, van heil'gen moed vervuld. Bewaart een onverstoord geduld.
5. Wilt woord, wat menschentaal, die immer ons
verklaart.
Wat kostbaar loon Gij voor uw Martelaars bewaart;
171
Zij sieren, rood van 't bloed, bij stroomen aange-
boön,
Zich 't hoofd met schitterende kroon.
6. ü, hoogste en ééne God en Heer! Usmeeken wij: Weer alle schuld van ons, maak ons van onheil vrij, En geef uw dienaars vreê, dat we eindeloos uw lof Bezingen in het hemelsch hof.
22, KERKHYMNE OP EEN MARTELAAR.
DEUS TUORUM MILITUM.
Wanneer men een Loflied op één onzer XIX HH. Martelaars wil zingen.
Wijze: Jubilemus II No. 25.
1. God! uwer strijd'ren zegekroon, Hun alvergeldend deel en loon:
Maak ons, bij 's Mart'laars lofgetij. Van alle zondeboeien vrij.
2. Hij toch zag 's werelds schijngeneugt, En 't valsche lokaas van haar vreugd, Als vol van gal, veracht'lijk aan,
En is teu herael opgegaan.
3. Gerust ter folt'ring heengespoed.
Stond hij dien uit met heldenmoed; Om 't bloed, dat hij voor U vergoot, Is hij nu 's hemels deelgenoot.
4. Daarom zie, goedertieren Heer!
Op ons ootmoedig smeekeia neêr;
172
Dat Gij, om 's Mart'laars zegestrijd, Uw dienaars van hun schuld bevrijdt.
5. Zij lof en eeuwig eerbetoon
Aan God den Vader, en den Zoon, En Heil'gen Trooster, met Hen één,
Door de altijddurende eeuwen heen.
3. LIED OP ONZE BEDEVAART.
Op de heenreis, en ook eer men uit de kerk opgaat naar het H. Land.
Wijze : Jubilemus II No. 26.
EENIGEN,
1. Wat spoedt ge, o Pelgrimscharen!
Ter vrome beêvaart heen.
Laat ge aardsche zorgen varen En denkt aan God alleen?
ALLEN.
Wij zijn hier vreemdelingen,
Ons doel is niet op aard',
Maar in Gods hemelkringen:
Zoo leert de bedevaart.
EENIGEN.
2. Wat spoedt ge, o Pelgrimscharen!
Ter heil'ge Hoogtijds-Mis,
En knielt gij om de altaren En Jesus' Liefdedisch?
173
ALLEN.
Is Hij niet hier beneden
Als Pelgrim voorgegaan? Hem volgen onze schreden Op onze pelgrimsbaan.
EENIGEN.
O goddelijke goedheid!
Daar is Hij ons ten spijs, Eu smaken wij de zoetheid Van 't liemelseh Paradijs!
ALLEN.
Daar wordt voor 't aardsche leven
Ons alle troost en kracht,
D iar alle hoop gegeven Voor onzen stervensnacht.
EENIGEN.
4. Wat spoedt ge, o Pslgrimscharen ! Naar Brielle's stede heen, En brengt er jaar aan jaren Uw lof- en smeekgebeên?
ALLEN.
Wij eeren onze Broeders,
Ddar voor 't geloof vermoord; Daar werden ze onze hoeders, Wier bede God verhoort.
174
EENIGEN.
5. Daar dreef men onder slagen Hen in processie om,
En steen en straat gewagen Van al hun marteldom.
ALLEN.
Daar gaan we, o Pelgrimscharen !
Waar 't heilig water welt,
Ons in 't gebed vergaren Op 't roemrijk martelveld.
EENIGEN.
G. Daar zien zij van hun tronen Ons bidden op hun graf,
En bieden God de kroonen,
Die hun zijn liefde gaf.
ALLEN.
Zoo daalt genade neder
Voor ons in allen nood;
Gesterkt gaan wij dan weder,
Voor leven en voor dood.
24. lij igfe aii®?®! igi iflsl.
Wijze: Jubilemus II No. 27.
1. Laat, Pelgrims! laat uw blikken gaan Waar gindsche toren ligt:
Het doel van uwe pelgritnsbaan.
De Briel rijst in 't gezicht;
175
De stad waar Neêrlands Heldental
Voor God het leven bood,
En tot een schouwspel voor 't heelal Gefolterd werd ter dood.
2. Nog gaan sinds driemaal honderd jaar
Er duizend stemmen om,
En markt en weg en alles daar
Tuigt van hun marteldom.
Ginds, aan dien overdierb'ren grond,
Is hun gebeent vertrouwd.
Waarop hun ziel van 't hemelrond Met vreugde nederschouwt.
3. Wat is 't voor Priesters, vol van deugd,
Eq strijders voor den Heer,
Wat is het hun een zielevreugd.
Uw ijver voor Gods eer!
Want huldigt gij hun heldennaam,
Gij looft des Heeren werk,
En aarde en hemel juichen zaam Tot glorie van zijn Kerk.
4. Ja, Pelgrims! rijze uw jubelklank Ten hoogen hemel heen,
En stort uw diepgevoelden dank
Met lof- en smeekgebeên:
't Is Gods gena, dat gij gelooft
In Christus en zijn Bruid,
In haar onfeilbaar zichtbaar Hoofd, Hij spreekt, en 't pleit heeft uit.
170
5. Ja dankt met Gorkums Broederschaar,
Van d' eigen geest bezield,
Dat gij met hen om één altaar
En Liefdetafel knielt;
Dat gij ook de Onbevlekte Maagd
En Moeder van Gods Zoon, Als kind'ren, in uw harte draagt En aanroept op haar troon.
6. O Pelgrims, Pelgrims ! 't is gena,
Gena,, wat ons geschiedt.
Ach slaat gij duizend and'ren ga,
Uw heil, zij smaken 't niet!
Voor u gedankt, voor hen gebeên !
En 't zoete Vaderland,
Het zij in 't oud geloof weêr één. Door Willibrord geplant.
7. O God van Oppermajesteit!
Aan U zij dank en eer!
Zie, ach 1 in goedertierenheid
Op onze smeekbeê neêr;
Geef, geef ook om de foltersmart
Van Gorkums Heldenrij,
Dat ik ten einde toe volhard'
En mat hen zalig zij.
177
25. LOP* EN SMEEKLIED OP HET GRAF ONZER HH. MARTELAREN.
Wijzen: Jubilemus II No. 28 en 28a.
1. Gij, Helden Gods ! ziet op ons af, Hier neêrgebogen op uw graf; Gekroonde Strijders van den Heer 1 Uw broeders zingen u ter eer;
Zij, nog in 't aardsche stof', Zij roepen 't hemelhof En alle taal en stemmen saam. Dat ze, o Broedertal!
Over 't wijd heelal De glorie melden van uw naam.
2. Gij, Helden Gods! ziet op ons af, Hier neêrgebogen op uw graf; Gekroonde Strijders van den Heer! Uw broeders zingen u ter eer;
Maar ook, hier smeeken zij : Staat ons toch altijd bij.
Daar is zoo véél, zoo groot gevaar; Dat in allen nood.
Nu en tot den dood.
Uw trouwe voorspraak ons bewaar'.
*
3. Gij, Helden Gods! ziet op ons af. Hier zingend, biddend op uw graf;
12
178
Gekroonde Strijders van den Heer! Hém zingen wij in u ter eer;
Den Heer en zijne Bruid Verheffe ons maatgeluid;
Maar spreek' met ons uw martelbloed, Dat Hij door zijn kracht Haar voor 's vijands macht En hier en op heel de aard' behoed'. Gij, Helden Gods! ziet op ons af,
Hier zingend, biddend op uw graf;
Hier gingen eens ten hemeltop Gods Eng'len juichend af en op, En brachten u de kroon.
En voerden u ten troon. En 't lichaam, dat tot in den dood Tempel was geweest Van den Heil'gen Geest,
't Bleef hier ter rust in 's aardrijks schoot. Maar eens nog, Vrienden van den Heer! Eens komen 's hemels Eng'len weêr; Aan al de hoeken van 't heelal Weerklinkt hun luid bazuingeschal, En 't lichaam uit het stof Vaart ook ten hemelhof;
Geliefde Broeders I hoort ons aan:
Vraagt, o vraagt, dat wij,
Dan voor eeuwig blij,*
Met u ter glorie binnengaan.
179
26. SMEEKLIED
TOT ONZÃ
G0RKUM8CHE MARTELAARS,
ALS BESCHERMHEILIGEN VOOR EEN ZALIGEN DOOD.
Wijze : Jubilemus II No. 29.
1. Klink', Neêrlands Kerk! uw feestgeschal
Voor kind'ren van uw grond;
Voor Gorkums Heilig Broedertal
Klink' luid uw lofzang rond! Ten derden maal kwam 't Eeuwgetij
Van hun roemruchten dood,
Toen voor 't geloof die Heldenrij Zich God ten offer bood.
2. Verhef, mijn Kerk van Nederland!
De glorie ons geschied;
Want neen! volmaakter offerand
Dan 't leven is er niet.
En niet een vluchtig oogenblik
Schonk hun de zegekroon :
Eerst lange, bange stervensschrik Verwierf hun 't hemelsch loon.
3. Maar daarom is hun marteldood
Zoo kostbaar in Gods oog,
Spreekt nóg die liefdedaad, zoo groot, Voor ons bij Hem omhoog;
180
Voor óns, want de ónzen waren zij,
Van landaard, taal en bloed, En daarom, Neêrlands Heldenrij !
Neem onze hulde en groet.
4. Maar vraag ook, dierb're Broederschaar!
Dat, om uw martelpijn.
God ons voor alle kwaad bewaar'
En we eenmaal mét u zijn;
Die in 't geloof zijt voorgegaan.
Trouw tot den folterstrik.
Vraagt, dat ook wij onwrikbaar staan Tot d' allerlaatsten snik.
5. En daar gij eerst na strijd op strijd
Uw zegepalmen wont,
En nieuwe Schutspatronen zijt
Voor 's levens jongsten stond: O vraagt dan, om uw Jubeluur,
O vraagt bij Jesus' troon,
Voor ons een zalig stervensuur En 't eeuwig glorieloon.
181
27. NIEUW PELGRIMSLIED
op de
HH. MARTELAREN VAN GORKUM,
bij de tenleerstukverklaring der onfeilbaarheid van den Paus.
voor onzen h. vadek.
Wijze : Jubileinus 11 No. 30.
I.
9 Juli 1572.
1. -f Neêrlands Pelgrimscharen!
Klinke uw lofgeschal Voor uw Martelaren,
Gorkums Heldental.
Zij, als wij, beleden
Wat Gods Kerk gelooft;
Doch vooral zij streden Voor haar zichtbaar Hoofd.
2. â¢}⢠Neêrlands Pelgrimscharen! enz.
Hem toch zij verkondden Als de onwrikb're Rots,
Hem, met al hun wonden,
Als 't Orakel Gods!
3. -f Neêrlands Pelgrimscharen!enz.
Tuigden zij huu Vader,
In den folterstrik:
182
Wij met hea te gader.
Tot den jongsten snik.
II.
18 Juli 1870.
1. f Pelgrims! laat ons melden,
Wat nu is geschied;
Zingt van Gorkums Helden Met dit nieuwe lied!
Thans driehonderd jaren,
Zijn die Strijd'ren Gods Neêrlands Martelaren Voor Sint Pieters Rots.
2. f Pelgrims! laat ons melden, enz.
't Is ook om hun beden,
Om hun martelpijn,
Dat wij trouw tot heden Rome's kind'ren zijn.
3. f Pelgrim?! laat ons melden, enz.
Onze vad'ren streden
Voor d' Onfeilb ren Stoel: IVy doen 't met deez' beden,
In één zielsgevoel.
4. f Pelgrims! laat ons melden, enz.
Tal van Kruis-Zouaven Zond ons Nederland,
Die der wereld staven,
Hoe 't voor Rome brandt.
183
5. f Pelgrims! laat ons mei den, enz.
Diiar, bij 't raadsvergad'ren,
Wat elk volk gelooft,
Juichten Neêrlands V ad'ren: »Leev' 't Onpeilb aak Hoofd
6. t Pelgrims! laat ons melden, enz.
O hoe vreugdedronken Nemen wij het aan,
't Woord ons toegeklonken Uit het Vatikaan:
7. f Pelgrims! laat ons melden, enz.
»Iu geloof of zeden
»W at de Paus bepaalt: t Moet nu vast beleden, »Dat hij nimmer faal t.quot;
8. Pelgrims! laat ons melden, enz.
JULI zag de glorie Onzer Helden Gods:
JULI die Victorie Van Sint Pieters Rots!
9. f Pelgrims! laat ons melden, enz.
Dankbaar dan nu stroome
Aller smeekgeschal:
Dat heel Neêrland kome Tot den Herderstal.
184
10. f Pelgrims! laat ons melden, enz.
Dat men eind'lijk keere
Uit de duisternis,
Van een Vader leere Die onfeilbaar is.
11. f Pelgrims! laat ons melden, enz.
Voere 't eeuwgetijde,
Mart'laars! van uw dood Al wie dolen, blijde In den moederschoot.
12. f Pelgrims! Iaat ons melden, enz.
-Nu, o nu wilt smeeken.
Dat weêr 't Hoofd der Kerk 's Vijands macht moog' breken, In 't geloof ons sterk'!
28. SMBEKZANQ
TOT ONZE GORKUMSCHE GELOOFSHELDEN BIJ HET DERDE EEUWFEEST VAN HUN MARTELDOOD, IN lt;872.
VOOK DE PELGRIMS, ONS VADEELAND, ONZE MOEDER DE H KERK EN ONZEN H. VADER.
Wijze : Jubilemus II No. 31.
1. Laat, Iaat geliefde Pelgrimskoren!
Laat nóg uw blijde zangen hooren!
Viert, éen van hart en éen van geest. Het Eeuwtij onzer Martelaren:
185
Het was sinds driemaal honderd jaren, Het was hun groot verwinningsfeest!
2. Zij hebben hier geleefd, geleden,
Hier trouw voor 't kruisgeloof gestreden ;
Zij, hoe verlokt, bedreigd, gehoond, Zij hebben 't afgemarteld leven Door 't smaadlijk koord voor God gegeven, Die thans hun offerand bekroont.
3. O ónze Mart'laars! ónze Broeders!
Blijft gij ons, Pelgrims, tot behoeders
En voorspraak in des levens strijd; Dat wij, wat vijand moog' bekoren,
Getrouw aan Jesus toebehooren.
Met u verwinnen t' allen tijd.
4. Verwinnaars! aan deez' grond ontsproten, Gij onze land- en strijdgenooten 1
Bidt om uw dood en offerand. Dat ongeloof en dwaling wijke,
Het kruis weêr alverwinnend prijke Door heel uw dierbaar Nederland!
5. Maar, Helden ! uit Gods Kerk geboren, U loven, smeeken alle Koren
Van 't hier nog strijdend Godsgezin ; Gij, die voor 't Hoofd der broederleden, Voor aller Vader hebt gestreden,
O bidt nu, bidt, dat hij verwinn'.
6. Wilt, glorierijke Hemelheirgen!
180
Wilt Vader Leo nu beveil'gen,
Als Pms eens, die naar Gods geest. Toen hij op Petrus' zetel troonde, U, Gorkums Helden! heilig kroonde, En thans deelt in uw Zegefeest.
29. AFSCHEIDSLIED DER PELGRIMS.
In de kerk vóór het vertrek, en op de terugreis.
Wijze : Jubileums II No. 32.
1. Heil, o heil ons. Broederleden !
Pelgrims in dit aardsche dal,
Samen brachten we onze beden
Op het graf van 't Heldental, En herdachten, hoe zij streden.
Ia ons dankbaar lofgeschal.
2. 't Was ons, of uit hooger kringen
Op het plechtig zegefeest.
Daar een stem tot ons kwam dringen.
Zoet als van een hemelgeest:
»Weest ook Jesus' volgelingen,
»Z6ó als wij het zijn geweest!quot;
3. Met hun heldenmoed voor oogen,
Die de wereld overwint.
Die den kampstrijd heeft voltogen
En ten einde toe bemind,
Smeekten we in ons onvermogen :
»Sterk, o God! uw wankel kind.quot;
187
4. Maar gegrift ook is 't daarbinnea : â
God, die 't hoort, ziet op ons af, â Trouw ook willen wij beminnen,
Trouw tot in den dood en t graf, Om de gloriekroon te winnen Die Hij onzen Broeders gaf
5. Laat het, dankb're Pelgrimskoren !
Aau het eind der pelgrimsbaan,
Laat het aarde en hemel hooren,
Wat in ons is omgegaan:
't Zij voor God en mensch gezworen, Vast in ons geloof te staan !
6. Zóó dan spreekt gij: «Amen, Amen!quot;
Met de hand op 't hart geleid âIn den Heil'gen Naam der namen
»Van Gods oppermajesteit,
«Vader, Zoon en Geest te zamen, »AmenI in der eeuwigheid.quot;
30. HERNIEUWING 1)EB DOOPBELOFTEN.
Bij het kruis op het graf onzer Martelaars of vóór het vertrek, in de kerk bij hunne reliquie; â of ook: bij het H. Sakrament, op het rust-altaar onder den Omgang, of in de kerk.
Wijze: Jubilemus II No. 33. 1. Wat eens, toen ik als doopeling Het leven der genade ontving.
Mijn doopgetuige heeft verzaakt:
188
Ddt zelf, in daukb're liefde ontblaakt, Ddt zweer ik, bij uw graf, O Mart'laars ! plechtig af.
En spreek voor 't kruis, als kind der Kerk
Ik verzaak, o Heer !
Ik vereaak, o Heer!
Den Satan met bedrijf en werk.
2. Wat eens, toen ik als doopeling Geloof en hoop en liefde ontving.
Mijn doopgetuige heeft verklaard;
xDdt nu, voor hemel en voor aard'. Dat, Gorkums Heldental !
Dat tuig ik voor 't heelal,
Als kind nog van Gods Heil'ge Kerk: Ik geloof, o Heer!
Ik geloof, o Heer!
Vermeer 't geloof in woord en werk.
3. En daar ik eens als doopeling Een Engel aan mijn zijde ontving, En Hemelheil'gen tot een wacht,
Die mij gedenken dag en nacht:
Zoo rijz' hun hier mijn dank In luiden jubelklank;
Mijn Engel! en mijn Schutspatroon! 'k Roep, het hart vol min,
'k Roep uw bijstand in:
Beveelt mij aan Maria's Zoon!
189
4. Gij, Gorkums Helden! hier gekroond, Die nu den Heer uw kampveld toont, O dierbr'e Broeders! hoort ons aan; Laat nu uw beê tot Jesus gaan; Hoort heel ous Pelgrimstal; Elk tuigt hier voor 't heelal.
In dit hoogheilig oogenblik:
'k Sterf als kind der Kerk ! 'k Draag haar doopsel-merk I O helpt ons tot den jongsten snik.
si. vm i@ 0?g?Meigi.
Wijze : Jubilemus II No 31.
1. Luistert, vrome Pelgrimsleden!
Uit de diepten rijzen beden
En deez' teed're jammerklacht:
»Laat ons, laat ons, Welbeminden ! «Ach bij u toch deernis vinden,
»Redt ons uit den kerkernacht!quot;
2. Met die zielen diep-bewogen,
Bieden wij vol mededoogen
Ons gebed tot lafenis;
Zelv' toch kunnen zij slechts lijden. En voor haar is geen bevrijden. Eer Gods recht bevredigd is.
3. Dringt er soms door al dat weenen Geen bekende stemklank henen,
190
Ouders! kind'ren! echtgenoot! »Gij althans, wilt u ontfermen!
»Laat ons toch niet vruchtloos kermen: »Ach, ons lijden is zoo groot!quot;
4. Wie ze ook zijn, die duizendtallen, Ãéne liefde bindt ons allen,
Ons verlost door 'tzelfde Bloed,
Wien één Moederkerk het leven.
Alles, alles heeft gegeven
En aan d' eigen Disch gevoed.
5. Wij, door één geloof verbonden. Wij, wie 't loochen', wij verkonden:
's Hemels lichthof duldt geen smet; Ts een ziel in 's Heeren oogen Nog van smet, hoe licht, omtogen, Ach, dan roept ze om ons gebed.
6. Spot hebt ge in uw lijdensdagen,
Spot voor dat geloof verdragen,
Gorkums dierbaar Heldental! Daarom rijzen weêr op heden Nog te vuur'ger onze beden,
Klinke luid ons stemgeschal!
7. 't Klinke luid ten eereboete,
't Rijz' voor u ten gloriegroete,
En bij God ten zoengebed Van ons, Pelgrims, die nog strijden. Voor de zielen die nog lijden,
Dat Hij ze uit haar smarten redd'.
191
8. Mart'laars 1 paart met ons uw beden Voor de ontslapen Pelgrimsleden,
En wie 't meest verlaten smacht; Bidt voor Jesus' Welbeminden, Dat zij eindelijk Hem vinden In de glorie, die hen wacht.
32. DANKLIED
aan h.et einde cl er Bede vaart. In de kerk vóór het vertrek, en op de terugreis. Wijze: Jubilemus II No. 35.
1. Pelgrims! rijze uw jubelklank Voor het feestheil, ons gegeven;
Nu 't eenstemmig lied van dank Voor de beêvaart aangeheven!
't Lied van dank bij onze vaan; Gorkums heil'gen hooren 't aan.
2. Dank eerst voor die gaaf en deugd, Ons in 't waar Geloof geschonken;
Hoe is weêr haar vrucht en vreugd Duizendvoud ons toegeblonken! Ãén geloof, één Heer, één God : Wat geluk, wat zielsgenot!
3. Allen, als één Broederschaar,
Zijn we in de ééne Kerk vereenigd,
Die ons sterkt in zielsgevaar
192
En ook aller smarten lenigt:
Moeder, zij, voor wie hier strijdt. Of in 't loufrend vuur nog lijdt.
4 Wat geluk, haar zichtbaar Hoofd Trouw, als kind'ren, aan te hangen ;
Wat genot, voor wie gelooft,
Aller Heer in 't hart te ontvangen ; Ãén geloof, één hoop, één min Maakt ons tot één huisgezin !
5. De ééne Heer, der Heil'gen loon. Hij is ons ten spijze en leven,
Zetelt op zijn liefdetroon.
Om zich staag aan ons te geven: Zoo blijft priester en altaar Voor de Hem getrouwe schaar.
6. Aarde en hemel zijn vereend Aan des Heeren outertreden,
Daar ook rust het vroom gebeent Van zijn reeds gekroonde Leden: En omhoog, daar smeekt hun bloed. Dat zijn liefde ook ons behoed'.
7. Op dien heil'gen ruartelgrond.
Waar zij voor hun Meester stierven.
Waar hun aller kruisgalg stond En zij de eerekroon verwierven :
Daar, op 't veld der offerand, Is weêr ons geloof ontbrand.
193
8. Daar, op die genade steê,
Daar verdubbelde ons vertrouwen,
Dat ook wij eens, op huu beê, In hun glorie hen aanschouwen, Als, na 's levens pelgrimsvaart. God ons oproept van deze aard'.
9 Luid dan rijze uw jubclklank. Maar, bij 't feestgenot van heden,
Bidt ook, bidt uit liefde en dank Voor de ontslapen Pelgrimsleden : Geef, Heer! in uw aangezicht Geef hun zielen 't eeuwig licht.
33.
BIJ EN OP DK TERUGREIS.
Wijze : Jubilemus II No. 36. EENIGEN.
1. Ter heilige stede,
bij 't roemrijke graf. Daar daalde op uw bede
Gods zegening af.
ALLEN.
Aan u, aan u,
dié trouw ons behoedt, 13
194
O Mart'laars ! nu
deez' dankbare groet.
EENIGEN.
2. Daar smeekten wij weder
en zongen uw lof: Gij zaagt op ons neder
van 't hetnelsche bof.
ALLEN,
Aan u, aau u,
die sterkt in den strijd, O Mart laars ! nu
deez' hulde gewijd.
EENIGEN.
3. Wij, vol van vertrouwen,
wij keeren nu weêr; Gij blijft ons aanschouwen
en bidt bij den Heer.
ALLEN.
Aan u, aan u,
gij troosters in smart! O Mart'laars ! nu
ons minnende hart.
*
EENIGEN.
4. Gij bidt om Gods zegen
in al onzen nood,
Op al onze wegen,
in 't uur van den dood.
195
ALLEN.
Aan u, aan u,
vol liefde en vol macht, Zij, Mart'laars! nu
ons afscheid gebracht.
E ENIGEN.
5. Doch eerst nog een bede
voor de onzen gedaan. Die reeds ia Gods vrede
van hier zijn gegaan. ALLEN.
Met u, met u
behage onze beê;
»Geef, Heer! hun nu,
»geef d' eeuwigen vreê quot;
EENIGEN.
6. Nog wenden wij de oogen
naar 't minnelijk oord, Waar God in meêdoogen
ons smeeken verhoort.
ALLEN.
Aan u, aan u,
die trouw ons behoedt. O Mart'laars! nu
deez' dankbare groet.
INHOUD.
GESCHIEDENIS.
Bladz.
Het lijden der Gorkumsche Martelaars van den 27n tot den 30n Juni....... 1
NOVENEN.
EERSTE NOVENE.
Naar de negen laatste lijdensdagen onzer Martelaars, van den eersten tot den negenden Juli.
Dinsdag, 1 Juli. â Zij lijden met offervaardigen heldenmoed voor hun geloof. ... 11 Woensdag, 2 Juli. â Feest van Maria-bezoek. â De H. Leonardus, vooral om zijne verheerlijking van Maria, met allen ter dood gezocht ................14
Donderdag, 3 Juli. â Onze Martelaren zijn, in hunne ootmoedigheid, vol wantrouwen op zich zeiven, vol vertrouwen op God. . 17 Vrijdag, 4 Juli. â Het kwaad verwint tot
hooger goed..............20
Zaterdag, 5 Juli. â Vurige liefde van onze
Martelaren voor het heil der zielen. ... 21 Zondag, 6 Juli. â Jammerlijke toestand der afvalligen van het geloof........23
INHOUD,
Bladz.
Maandag, 7 Juli. â Het veelvuldig en heldhaftig lijden onzer Martelaren......26
Dinsdag, 8 Juli. â Hun strijd tegen velerlei
verleiding...............32
Woensdag, 9 Juli. â Driedubbele verwinning,
over foltering, verleiding en afval.....37
TWEEDE NOVENE.
Op de, geloofswaarheden, door onze Martelaars beleden, en de voorname deugden door hen beoefend.
Eerste dag. Dinsdag. â Gebed vóór elke
oefening................43
Dankbaarheid voor de genade des geloofs. 43 Tweede dag. Woensdag. â Dankbare liefde
voor onze Moeder de H. Kerk.....46
Derde dag. Donderdag. â Kinderlijke liefde
voor onzen H. Vader..........49
Vierde dag. Vrijdag. IJver voor de zielen. . 52 Vijfde dag Zaterdag. â Dikwerf en godvruchtig biechten..............54
Zesde dag. Zondag. â Levendig geloof in het
H. Sakrament.............56
Zevende dag. Maandag. â Godsvrucht tot
Maria.................59
Achtste dag. Dinsdag. â Geest van gebed. . 62 Negende dag. Woensdag. â De genade van volharding en een zaligen dood......66
198
INHOUD.
Bladz.
De Litanie der HH. Martelaren van Gorkum. 09 GEBEDEN.
De Lofzang Te Deum, met de verzen en gebeden. â (Zeer gepast ook bij de processie op het H. Land. (Zie 't Latijn bladz. 136). 75 Smeekgebed tot de H. Maagd. Salve Regina. 78 Gebed tot de Moeder van smarten. Inter-
veniat.................79
Lof op den marteldood der Apostel vorsten
Petrus en Paulus. Ibi Neronis feritas. . . 80 Kerkelijk gebed, bij de besproeiing van het volk met gewijd water, en bij ziekenbedie-ningen. Asperges. Zeer gevoegelijk als Huiszegen te gebruiken...........81
Smeekgebed voor de Overledenen. De pro-
fundis.................82
Gebed op het martelveld.........83
Gebeden, bij eene reliquie onzer Martelaren, of ook op het H. Land te gebruiken. (Ook dienstig voor eene Novene bij besmettelijke ziekten en alle behoeften.).....87
De Mis der HH. Martelaren van Gorkum. . 90 Hulde aan het H. Sakrament, in vereeni-ging met onze Gorkumsche Martelaars. (Vooral bij het rust-altaar onder den Omgang.)..............105
199
INHOUD.
GEBEDEN VOOR VERSCHILLENDE OMSTANDIGHEDEN.
bladz.
Akte van onderwerping of berusting in Gods heiligen wil, als ons gebed geene verhooring
schijnt te vinden . . ........108
Bij de verhooring van gebed. . ^.....109
Gebed van ouders enz..........109
Gebed voor kweekelingen van het Heiligdom,
of die het wenschen te worden.....110
Gebeden om een zaligen dood voor ons zeiven
of voor anderen............111
Voor de zondaars in doodstrijd......112
Algemeen gebed der Pelgrims voor hunne
Processie...............113
De Litanie van alle Heiligen. (Met het
Latijn.)...............115
De Litanie van de H. Maagd. (Met het Latijn.)...............127
Latijnsche gezangen bij de processie.
I. Ave verum. (Met hollandsche vertaling )............131
II. Pange lingua. (Met hollandsche
vertaling.) . ..........132
III. Te Deum...........136
IV. Magnificat. (Met hollandsche ver
taling.) ............138
200
|
INHOUD. |
201 | |
|
GEZANGEN, | ||
|
Bladz. | ||
|
1. |
Loflied aan de Moeder van barm | |
|
hartigheid. Salve Regina..... |
14L | |
|
2. |
Jubellied op het XVIII Eeuwfeest | |
|
der HH. Apostelen Petrus en Pau- | ||
|
lus, dag der Heiligverklaring onzer | ||
|
Martelaars, in 18G7....... |
142 | |
|
3. |
Kerkhymne van Alle HeiligenâPla- | |
|
care, Christe, servulis. â ïen | ||
|
eerherstel............ |
144 | |
|
4. |
Jubellied aan de HH. Martelaren | |
|
van Gorkum.......... |
145 | |
|
5. |
Lofzang aan de HH. Martelaren | |
|
van Gorkum.......... |
14(gt; | |
|
C. |
Smeekzang tot de Martelaars van | |
|
Gorkum............ |
148. | |
|
7. |
Pelgrimslied ter eere der HH. Mar | |
|
telaars van Gorkum. Op de heen | ||
|
reis, en ook voor 't opgaan naar | ||
|
het H. Land. (Zie Lied 21) . . . |
150 | |
|
8. |
Eereboete-lied.......... |
152 |
|
9. |
Morgenlied, Jam lucis orto sidere. . |
154 |
|
10. |
Avondlied, Te lucis ante terminum. |
155- |
|
11. |
Danklied na de H. Mis..... |
155 |
|
12. |
Akten van Geloof, Hoop, Liefde en | |
|
Berouw............ |
15G | |
|
13. |
Jesus' zoete gedachtenis, Jesu daleis. |
15S |
202 INHOUD.
Bladz.
14. Akten vóór de. H. Communie . . 159
15. Akten na de H. Communie .... 160 10. Kerkhymne van het H. Sakrament.
Verbum supernum.......161
17. Lofzang van het H. Sakrament . . 163
18. Smeeklied tot onze HH. Martelaars,
als onze geliefde Beschermers. . . 165
19. Smeekzang tot onze Gorkumsche
Martelaars, als Patroonheiligen. . 167
20. Kerkhymne op HH. Martelaars. Rex
gloriose Martyrum........169
21. Kerklied op HH. Martelaars. Sanc
torum meritis..........170
22. Kerkhymne op een Martelaar. Deus
tuorum militum.........171
23. Lied op onze bedevaart. â Op de
heenreis, ook vóór 't opgaan naar het H. Land (Zie Lied 7). ... 172
24. Bij het naderen van den Briel. . . 174
25. Lof- en smeeklied op het graf onzer
HH. Martelaren........177
26. Smeeklied tot onze Gorkumsche Mar
telaars, als Beschermheiligen voor een zaligen dood........177
27. Nieuw Pelgrimslied op de HH. Mar
telaars van Gorkum, bij de tenleer-stukverklaring der onfeilbaarheid van den Paus, in 1870 ..... 181
INHOUD.
203
lilïidz.
Voor onzen H. Vader.
I-9 Juli 1572 . .
II-18 Juli 1870 .
28. Srneekzang tot onze Gorkumsche
geloofshelden, bij het Derde Eeuwfeest van hun marteldood, in 1872. â Gebed voor de Pelgrims, ons Vaderland, onze Moeder de H. Kerk en onzen H. Vader.......184
29. Afscheidslied der Pelgrims. â Vóór
het vertrek en op de terugreis . . 18G
30. Hernieuwing der doopbeloften. â Bij
het kruis op het Martelveld; of, vóór het vertrek, in de kerk, of bij het H. Sakraraent op het rust-altaar onder den omgang.......187
31. Srneekzang voor de overledenen . . 189
32. Danklied aan het einde der Bedevaart.
In de kerk vóór het vertrek, en op de terugreis.............191
33. Afscheidsgroet. â Bij en op de terug
181
182
193
reis,
IH-LI
ERRATA.
Bladz. 146 reg. 17 v. b. staat: 4 lees ; 5.
148 â 17 n » n Leekzang lees: Smeekzang. I 172 I 7 â â â 3 lees: 23.