siwiP
il
L, :
T
ÃÃ Ã?,Mf/riÃ
li
F
Bi m
/ amp;
oL''- V r' f quot;i â
J '
F. VAN DER GOES.
VERZAMELDE OPSTELLEN.
EERSTE BUNDEL.
I N H O U ID.
Een Vrouwetijdschrift. Geschiedenis. Socialistische Aestbetiek. Malthusianisme. Mr M. W. F. Treub. J C. van Marken. J. de Koo.
AMSTERDAM. â S. L. VAN LOOY. 1898.
1
VERZAMELDE OPSTELLEN.
R VAN DER GOES.
VERZAMELDE OPSTELLEN
EERSTE BUNDEL.
INHOUD.
Een Vrouwetijdschrift. Geschiedenis. Socialistische Aesthetiek. Malthusianisme. Mr. M. W. F. Treub. J. C. van Marken. J. de Koo.
AMSTERDAM. â S. L. VAN LOOY. 1898.
VOORBERICHT.
De keus van de hier volyende stukken is in de eerste plaats bepaald geworden uaar hunnen inhoud.
Binnen de grenzen aan den omvang van hel geheel gesteld, vindt men in dezen bundel eenige artikelen over voorname punten van hel theoretisch Socialisme.
Wegens den polemischen aard van het onderwerp â de wereldbeschouwing van een tegen de regeerende maatschappelijke klasse strijdende klasse der arbeiders â zijn de titels van de opstellen hoofdzakelijk onveranderd gebleven â gericht tegen de geschriften van woordvoerders en bourgeoisie.
Van de gelegenheid tot verbetering van den tekst is gebruik gemaakt. Zuiver aktueele plaatsen zijn weggelaten.
F. v. d. G.
Den Haag, April 1S9S.
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
De Hollandsche Lelie, Weekblad voor Jonge Dames, onder Hoofdred. v. Mevr, S. M. C. v. Wermeskerken-Junius, 3e Jrg. 1889â90.
1.
Eeue kleine bijdrage tot de vrouwenkwestie kan op deze plaats eene bespreking van dit tijdschrift zijn, iets sociologisch, dat met de litteraire eigenschappen van haar die de courant samenstellen, niets te maken heeft. Of althans zoo goed als mets. Want dit alleen dient in letterkundig opzicht te worden aangemerkt, dat op geene enkele bladzijde van den jaargang iets zeer goeds, op maar zeer weinige bladzijden iets redelijk goeds, en op de overige bladzijden slechts volkomen waardeloos geschrijf voorkomt. De verzen en novellen zijn zoo als ze niet slechter in het Hollandsch worden gemaakt; de mora-liseerende artikelen zijn zonder stijl en zonder opmerkenswaardige gedachten; de bijdragen over praktische onderwerpen kunnen praktisch zijn en waarschijnlijk niet zonder nuttigheid, maar zij zijn slecht geschreven; de partikuliere korrespondenties met de abonnees is vervat in een naarvriendelijken, benaal-humoris-tischen en damesachtig-ernstigen trant. Zoo is dan de eerste algemeene of sociologische gevolgtrekking deze, dat het Ne-derlandsche weekblad dat apart voor jonge meisjes en jonge vrouwen wordt uitgegeven, litterair zeer ondeugdelijk is.
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
2
Mij dunkt, de ervaring is voor generaliseering vatbaar, en vergunt ons te zeggen, dat in de kringen waar de behoefte gevoeld wordt aan afzonderlijke lektuur voor lezeressen, hoeveel lieftalligs en verstandigs en edelmoedigs men er ook zou kunnen ontmoeten, de Nederlandsche burgerlijke beschaving haar toppunt niet heeft bereik't. Kan dit bij mogelijkheid wel anders zijn? Zeker, er zijn organisaties van vrouwen die men niet zou willen verbreken. Zij kunnen zich vereenigen om de mannen te helpen in de staatkunde. Zij kunnen, als bëoefenaarsters van eenig bedrijf, zich vereenigen om. haar belangen als zoodanig te behartigen. De vrouwelijke ambtenaren, de vrouwelijke dienstboden, de vrouwelijke industrieelen, hebben haar belangen als industrieelen, als dienstboden, als ambtenaren, die anders kunnen zijn als de behoefte van hare mannelijke beroepsge-nooten; en waarom zouden zij zich niet vereenigen om die voortestaan? De huishouding, de opvoeding, de kleeding, dit zijn drie zaken die ook nog den vrouwen aanleiding kunnen geven om met elkander raad te plegen. Zoo als het met onze maatschappelijke ontwikkeling thans gesteld is, is het nuttig en noodzakelijk dat eenige onderwerpen in afzonderlijke vereeni-gingen en afzonderlijke organen voor vrouwen worden behandeld. Maar kan het goed zijn dat hoogere dingen, moraal, fraaie letteren, wetenschap, door vrouwen en door mannen afzonderlijk worden bëoefend ? Is niet het tegendeel wat men bij beschaafde menschen ontmoet? Ja, dit is juist het kenmerk van toenemende beschaving, dat in zaken van hoogere orde dan beroepsbelangen, het onderscheid tusschen mannen en vrouwen steeds geringer wordt. Een onderdeel is dit van het algemeene verschijnsel dat menschen, maatschappelijke groepen en volkeren, naarmate zij winnen in beschaving, hoe langer hoe mindei afhankelijk worden van en onderworpen zijn aan de invloeden van de natuurlijke omstandigheden om hen heen of bij hen zeiven. De streken waar de elementen al te sterk zijn, om den
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
Evenaar, aan de Polen, in woestijnen van rots of zand, daar blijven de menschen altijd geestelijke dwergen. Maar waar de omstandigheden hen eenmaal veroorloven te groeien, daar wassen zij spoedig alles boven het hoofd. Bij wat zij ten slotte bereiken, is het bewoonbaar maken van wildernissen, het bedwingen van de zee; de omschepping van het plantenrijk in parken, lanen, weiden, akkers, en tuinen; de onderwerping van de dierenwereld totdat alle beesten geboren worden met een nieuwen naam, van huisdier, trekdier, lastdier, slachtdier, en het wildzelve, een toppunt van menschelijke goeddunken, haast vlijtiger verzorgd en geteeld wordt dan het tamme vee; â zijn al deze ovenvinningen maar kleinigheden. De beschaafde menschen stellen ter zijde de fyzieke wetten van hun bestaan, de zwaarwichtige regelen van de levensleer worden door hen licht geacht. Zoo iets als heriditeit, de invloeden van ras, van geboorte, zijn niet veel krachtiger elementen in het leven van den beschaafden mensch dan de lengte van zijn neus of de kleur van zijn haar. Bij runderen en bij honden is de afstamming, zijn de omstandigheden die tot hunne geboorte hebben samengewerkt, alles, en van overwegend belang op de ontwikkeling. Bij de beschaafde menschen tellen deze omstandigheden, in normale gevallen, niets; de ziekelijke predispositie tot uitersten komt hier niet ter sprake dan om de geldigheid van den algemeenen regel te staven...
Nu bedoel ik dat tegenwoordig het verschil tusschen mannen en vrouwen niet van overwegenden invloed is op hunne betere bemoeiingen. Te spreken van echt vrouwelijk en echt mannelijk in andere dan lichamelijke zaken, komt mij voor te behooren tot eene verouderde terminologie; er is niets zoo fijn, zoo stout, zoo grootsch, zoo mooi, zoo edel, zoo teer, zoo krachtig, of het komt voor bij vrouwen en bij mannen, onverschillig, en in eene zelfde mate. Ik heb zooeven reeds gezegd voor welke lagere en praktische dingen de vrouwen een eigen organisatie en een
3
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
4
eigen litteratuur konden hebben, maar zelfs in deze dingen zoodra zij van eene hoogere orde worden, verdwijnt de behoefte aan een afzonderlijk verband. Er zijn tijdschriften voor too-neelspelers en toonkunstenaren, geen aparte bladen voor zangeressen en actrices; voor onderwijzers, geen eigen courant voor onderwijzeressen; voor geneeskundigen, geen orgaan voor vrouwelijke dokters. En als de vrouwen nu een weekblad gaan schrijven en lezen, dat geen vakblad is, maar over algemeene zaken van beschaving en leven handelt, dan móeten dat noodzakelijk niet de ontwikkeldste vrouwen van het land zijn, omdat zij te kennen geven dat in hunnen kring een onderscheid gevoeld wordt en bestendigd, dat in de beste kringen niet wordt gevoeld en overwonnen is. Zij zeggen, zonder het te zeggen, dat zij nog zoo ver niet zijn; een man en een vrouw is toch niet hetzelfde, de mannen zijn de baas, volgens de wet en volgens de zeden en ook volgens ons eigen idee; wij kunnen met wat minder toe dan zij, in onze ontwikkeling, in onze wetenschap, in onze litteratuur; die gewone boeken van schrijvers en schrijfsters, die tijdschriften van vrouwen en mannen zijn te hoog voor ons, wij moeten wat aparts hebben, een eigen courantje, waar wij genoegelijk onderons in kunnen babbelen, zooals wij doen op een gezellig avondje, en kissebissen, zooals wij thuis doen als de mannen aan hun werk zijn.... Ja, zij zeggen het vrij precies in de Hollandsche Lelie, waar zij, om te beginnen, zich den leelijksten naam geven die een geboren mensch zich geven kan; zij noemen zich: jonge-dames. En zoo is, uit het algemeene verschijnsel, deze bijzondere omstandigheid verklaard, die zich het eerst voordoet en het eerst werd opgemerkt, namelijk de onbeduidendheid van het tijdschrift dat hier wordt besproken, en waarvan juist de onbeduidendheid tot eene bespreking aanleiding geeft. ââ
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
II.
Mevrouw van Wermeskerken beschomvt de Lelietjes, zooals zij hare abonneetjes noemt, als bestemd om geplukt te worden; de meisjes moeten trouwen, zegt zij. Zie hier een andere bijdrage tot de kennis van de vrouwenkwestie ; in deze respektabele maar alledaagsche gezelschappen, meent men dat het huwelijk de eenige toekomst is van de vrouwen, al het andere is niet zoo goed als het huwelijk en wordt alleen bij gebrek aan dit betere
aanvaard en geprezen...... Men ziet direkt het verband tusschen
deze beschouwing van de redactrice en het geringe gehalte van haar tijdschrift. Het kan niet anders, juist onder middelmatige menschen is de opinie algemeen, dat buiten het huwelijk er voor de vrouwen geen evengoede bestemming te vinden is. Wat het kenmerk van een lageren ontwikkelings-toestand genoemd is, het aannemen en gevoelen van een sterken invloed van natuurlijke omstandigheden op menschelijke verrichtingen, is hier niet te loochenen. Men hecht een overdreven beteekenis aan de funktiën van het lichamelijk organisme, en nog wel aan eene enkele van deze funktiën, wanneer men de voortplanting van het geslacht beschouwt als het doel van het leven. Zou het zoo erg wezen indien er geen menschen waren ? Maar dit is vooral de zwakheid van het stelsel, dat voor de vrouw dit doel in het bijzonder wordt aangeprezen. Waarom, als er dan per se voort-geteeld moet worden, en de lieden belangwekkender zijn naarmate zij grootere gezinnen vormen, is voor de vrouwen de verplichting zwaarder dan voor de mannen? Men bakt geen om-meletten zonder eieren stuk te breken, en een paar bestaat uit twee. Waarom dan juist zoo ijveren voor het trouwen van de vrouw? Zie hier de reden, die een diep inzicht geeft in het wezen van de vrouwenkwestie, en een alles behalve stichtelijk aspekt opent op de samenleving van tegenwoordig.
Mevrouw van Wermeskerken zegt wel het huwelijk, maar zij
5
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
6
bedoelt eigenlijk den. sexueelen omgang. Als men in haar hart kon lezen en men kon wegblazen het strooisel van half verkrum-melde moraal en conventie, dan zou men zien met duidelijke letters op den bodem geschreven, de bekentenis, dat, ware er eene andere manier om zonder zich te kompromitteeren aan de geslachtsdrift te voldoen, zij het huwelijk van oneindig minder waarde zou achten. De preciese uitdrukkingen opzettelijk eenigs-zins wijzigend, voor het overige geleid door de meêdoogenlooze vingerwijzing van het fatsoen, met hare eigen en reeds tamelijke vrijzinnige gedachten omtrent den zuiver-zedekundigen kant van de zaak, blijft de redactrice, zooals de dingen nu geschapen zijn, het huwelijk aanbevelen. Op de negen deelen zelfmisleiding, geloof ik dat hier éen deel van vroom bedrog van anderen aanwezig is; onbewuste onjuistheden en eenige leugens om-bestwil. En de ware bedoeling van de schrijfster ligt te zeer voor de hand, dan dat mijne gissing gezocht zou schijnen. Ik herhaal dat Mevrouw van Wermeskerken in het huwelijk voor alles de geoorloofde gelegenheid tot uitoefening van den sexueelen omgang waardeert; en ik vind dit buiten kijf hare waarachtigste meening en haar meest eerbiedwaardig gevoelen, dat hier aangeduid is met niet minder ernst dan het in de kourant verkondigd wordt. Zou men misschien willen gelooven dat dit anders zou kunnen? Wanneer de sakramenteele wijding van het huwelijk op iemand geen vat meer heeft, kan men redelijkerwijze niet volhouden dat het huwelijk eenige andere speciale aantrekkelijkheid zou bezitten dan de genoemde. Al het overige is ook buiten het huwelijk te vinden. Met inbegrip van het genoemde voordeel, is al het overige ook buiten het huwelijk voor den man te vinden; voor de vrouw niet, dit is de reden waarom zij die vooral dat voordeel op het oog hebben, het huwelijk bijzonder noodzakelijk achten voor de vrouw. Overtollig is het misschien niet hier te zeggen, dat huwelijk hier bedoeld is in den engeren zin van het woord, waarmede wij de maatschappelijke
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
en wettelijke instelling aanduiden; er is niet mede bedoeld elk samen-leven van mar. en vrouw, omdat ik niet wensch te zeggen dat ik in dit samen-leven geene andere bekoring zou bespeuren dan in de bevrediging van de geslachtsdrift mag gelegen zijn. Neen, hier is alleen sprake van den tegenwoordigen vorm van het sexueel verkeer, van den eenigeh vorm die door de burgerlijke publieke opinie wordt erkend en goedgekeurd. En deze instelling heeft Mevrouw van Wermeskerken op het oog, als zij spreekt over trouwen. Zij zegt niet in het algemeen, â meisjes, zoekt het gezelschap en den omgang van de knapen, en vermijdt ook, als de gelegenheid zich voordoet en uw hart spreekt, den intiem-sten omgang niet, want alleen van een wijze maar vrije opvolging van uwe geneigdheden is eene rustige ontwikkeling van uwe hoogere vermogens te verwachten; â maar zij zegt, in het bijzonder: neem een man, neem hem mede naar de kerk of ten minste naar het stadhuis, want anders loopt gij gevaar, óf uw fatsoen kwijt te raken, of een fatsoen te krijgen dat de wereld niet zal goedkeuren. Nu kan zij, nu kan niemand anders, in het huwelijk iets meer zien dan eene geoorloofde wijze voor de vrouw om te paren, want al de noemenswaardige voordeden van den omgang van man en vrouw zijn te vinden buiten het huwelijk, behalve dit éene en luttele gewin dat geen mensch er eenig kwaad van zeggen kan.
De scherpe kritiek van onze maatschappij acht ik nu gelegen in den onevenredig grooten aandacht, dien men aan deze fyzieke rijde van de echtverbintenis genoodzaakt is te besteden. De omstandigheden dwingen de vrouwen óf een verderfelijken strijd te voeren met het krachtigste instinkt dat er is, of zich te bedienen van eene maatschappelijke instelling, die voor velen onder haar niet past en door velen van haar met tegenzin wordt aanvaard. De maatschappelijke omstandigheden zijn het die ons aan deze instelling allerlei voortreffelijkheden doen toeschrijven die zij niet of niet uitsluitend bezit, verwachtingen op haar doen
7
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
bouwen die niet worden verwezenlijkt; en, om hare vele gewaande voordeelen te verdienen, aan onjuiste en vernederende levensregelen onderwerpt de meerderheid van de vrouwen die zich tegen deze onderworpenheid niet verzetten. Bestond het aangeduide dillemna niet; konden de vrouwen tot sexueele bevrediging geraken zonder te moeten trouwen, dan zouden zij, even als de mannen, hare gedachten vrijer kunnen vestigen op andere zaken, en hun leven zou niet in die mate gepreökku-peerd worden door dingen die er toch eigenlijk weinig op aan komen. Dan zouden de vrouwen die trouwen wilden, belang-loozer, minder bevooroordeeld, nobeler en kiesscher, een aanzoek kunnen behandelen. Het getal huwelijken zou mogelijk dalen, het gehalte zou ontwijfelbaar winnen. Veel teleurstelling zou vermeden, veel verdriet geëindigd, veel kwaad verbeterd worden. Zooals het nu is, verplicht men de menschen een zekere maatschappelijke instelling, die een voortbrengsel en het kenmerk van een zeker tijdvak van onze beschaving is, en die evenmin bestemd is dat tijdvak te overleven als eenige andere maatschappelijke instelling, verplicht men de menschen die instelling in eere te houden en zooveel mogelijk onveranderd te laten bestaan.
Ik bedoel evenmin een kritiek van het huwelijk te onder nemen als de voorspelling te doen, dat het voor-altijd aangaan van verbindtenissen tusschen éen man en een vrouw eindigen zal met te verdwijnen. Ik zeg alleen dat als men nu reeds inziet dat de hoogste wenschen bevredigd kunnen worden door overeenkomsten van een andere soort, dat wij dan moeten ophouden zoo te spreken alsof andere vormen van sexueel verkeer natuur-lijker-wijze voor het huwelijk moeten onderdoen. Geene maatschappelijke inrichting laat zich denken waarin het verboden zou zijn elkander levenslang gezelschap te houden; maar de maatschappelijke inrichting is misschien aanstaande, waarin het niet meer mogelijk zal wezen het voornemen daartoe in het
8
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
openbaar uittespreken en door de overheid te doen bevestigen. Een Staat die zich met de geslachtelijke gedragingen en met de intieme begeerten van zijne burgers niet inlaat, is een Staat dien wij ons nu reeds heel goed kunnen voorstellen. Zelfs kan men met zekerheid zeggen, op grond van het verleden, dat de formaliteiten die nu nog het huwelijk uitmaken, vervallen zullen, zoodra bij de menschen het hoog-individualistisch sentiment dermate ontwikkeld is, dat zij de inmenging van de gemeenschap gaan verwerpen. Ik onthoud mij er van een meening uit te spreken hierover, of de toekomst een nauwere of een minder nauwe verbinding van man en vrouw zal tot stand brengen; maar ik ben er van overtuigd dat men het hoe langer hoe bar-baarscher zal gaan vinden, de gemeenschap en hare vertegenwoordigers te betrekken bij een zoo zuiver-persoonlijke zaak als de teederheid van twee menschen. Zoo rnin als thans de vriendschap van mannen voor elkaar aan eenige rekenschap of kontrole dan bij hen zeiven is onderworpen, zoo min kan op den duur de liefde van vrouw en man het onderwerp van een officieele akte blijven uitmaken. Zoo zeker als in de toekomst wij met dankbaarheid de diensten van de gemeenschap zullen waardeeren in die klasse van lage verrichtingen die ten doel heeft in ons stoffelijk onderhoud te voorzien, even zeker zullen wij met steeds grooter nadruk verzoeken verschoond te blijven van hare bemoeiing met onze hoogere, partikuliere aangelegenheden.
Een overvloedige voorraad van alle benoodigdheden en een afkeerigheid van de menschen om elkaar in hun verbruik nate-rijden, dus een praktische gelijkheid van overvloed voor elkeen zonder kinderachtig dwingen om de grootste portie; dat is naar mijne meening wat wij van de toekomst mogen verwachten. Naarmate die toekomst verwezenlijkt wordt, zal deze andere clausule van het huwelijks-kontrakt, de verplichting om voor zijn vrouw en kinderen te zorgen, minder noodig worden. In deze kapitalis-
9
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
IO
tische wereld is zij wel onmisbaar, schijnt het. Het is zoo veischrikkelijk moeilijk aan den kost te komen tegenwoordig, dat een vrouw het zwart op wit moet hebben eer zij zich ver-oorlooven kan kinderen voort te brengen. De onderstelling is dat een man zijn kinderen liever niét onderhoudt, er moet een krachtige tusschenkomst van den Staat zijn om hem aan zijn verplichtingen te herinneren en hem bij geval te dwingen er aan te voldoen. Dit is een in onze maatschappij noodzakelijke bescherming van vrouwen en kinderen, en zij vervalt wanneer zij overbodig wordt. Hier is dus de reden om te ge-looven aan het eindigen van het huwelijk als maatschappelijke instelling; de nobeler gezindheid van man en vrouw verbiedt haar; verbiedt haar nu reeds: velen vervullen schouderophalend de formaliteiten; en de verandering in de ekono-mische toestanden maakt haar nutteloos. Geen maatschappelijke inrichting laat zich denken waarin het verboden zou zijn voor zijn kinderen te zorgen zoolang het noodig is; maar de maatschappelijke inrichting is aanstaande waarin de gemeenschap die taak over zal nemen van alle ouders die daartoe niet genegen zijn. Dit zou, meenen sommigen misschien, niet billijk zijn tegenover de ouders die hunne kinderen zelf opvoeden; ik spreek dan ook alleen over een toekomst, die stoffelijke bevoorrechting geen wezenlijke bevoorrechting rekent te zijn. Is niet de werkelijk bevoordeelde hij, die, als later de stoffelijke zorgen in minachting zullen raken, de kracht en de genegenheid heeft zijn kinderen meer te geven dan eten en kleeren? Geen maatschappelijke inrichting is denkbaar waarin het den vader en de moeder verboden zal zijn van hunne kinderen te houden, en hun te geven den eerbied voor hunne deugd; maar de maatschappelijke inrichting is aanstaande waarin geen enkele vader er een eer in zal stellen aan zijn kinderen die geringe zorgen te besteden, die de gemeenschap als een wakkere dienstknecht hem uit de handen neemt.
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
Zooveel gevoelen wij nu al van eene verandering die hier is aangeduid, dat wij het verdedigen van het huwelijk met vreugde overlaten aan anderen; aan klerikalen, die de trouwerij beschouwen als eene door een Almacht tot blijvenden grondslag van de samenleving verordineerde instelling; en aan de vereerders van het plat individualisme, die het individueele voornamelijk in de ontwikkeling van de 'laagste intelligentiën zoeken; de intelligentie om meer te krijgen dan een ander. Wij voelen het onbetamelijke van ambtelijke inmenging in onze persoonlijke zaken, en wij veroordeelen een maatschappelijke regeling krachtens welker gebreken men genoodzaakt is, stappen te nemen ten behoeve van vrouwen en kinderen die vernederend zijn voor alle partijen, en die zoo goed door andere maatregelen te vervangen zouden wezen. Het beste in ons wil boven al die herrie uit; maar, omdat de aangegeven omstandigheden nog zoo sterk zijn, moeten wij toezien dat men liever de ware betee-kenis van deze omstandigheden verbloemt dan haar den naam te geven dien zij verdienen. Men gaat zeggen, trouw maar in 's hemels naam; terwijl men zoude wenschen dat men zeide: wanneer gij in de wettelijke instelling van het huwelijk u kunt schikken, ga dan uw gang, maar het hoeft niet, gij kunt den lichamelijk-sexueelen omgang ook vinden zonder te trouwen; de wezenlijke verbindtenis van man en vrouw is iets dat in onze gedachten al hoog boven deze instelling verheven is; en gij bederft de verbindtenis door haar voorwaarden op te leggen waarvan bij zulk een delikate en ernstige zaak geen sprake moest zijn. â
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
III.
Met deze gij bedoel ik natuurlijk niet de redactrice van de Hollanclsche Lelie. Het is haar schuld niet dat de maatschappelijke omstandigheden nog zoo zijn dat er een wanhopige verwarring is tusschen twee dingen : eene oorbare bevrediging van de geslachtsdrift, én een serieuzen omgang van mannen en vrouwen. Nu moet het huwelijk wel aanbevolen worden j nu is men genoodzaakt de meisjes behulpzaam te wezen om een man te krijgen; nu is men wel verplicht korte wetten te maken met alle en ook de redelijkste bezwaren tegen het trouwen, omdat de meeste menschen wel de hoogere, maar niet de lagere aspiraties onvervuld kunnen laten. Niet zij, maar de toestand van de maatschappij moet veranderd worden. De vriendschap is geen onderwerp om een tijdschrift over te schrijven; waarom dan de liefde wel ? Omdat de liefde een faktor in de maatschappij is, en dat niet behoorde te zijn; omdat de liefde te maken heeft met een instituut waar stoffelijke rechten en verplichtingen uit volgen, die er niet uit moesten volgen. En zoo wordt dit tijdschrift een vakblad; de vrouwen hebben een materieel belang, een eigen materieel belang: de voldoening van sexueele
wenschen en het onderhoud van hunne kinderen...... Mij rest
nu niets anders dan aantewijzen dat de Hollandsche Lelie aar. de eischen van een vakblad niet kwalijk beantwoordt; aan meer dan gewone eischen; niet zoozeer wat in de meeste huwelijken te pas komt wordt geleeraard, dan wel wat in de meeste huwlijken te pas moést komen.
De redactrice plaatst een artikel over het Schrijftafeltje eener Jongedame; dit is ook de ware naam voor de leden van het huwelijksvak ; een jongedame, in éen woord geschreven, is het die trouwt, dan wordt zij een dame; â het artikel handelt over brievenschrijven. Dit is een raad ten slotte: âWordt er ook in de korrespondentie van de vrouw geene terughoudendheid en geen
12
EEN VROUWENTIJDSCHRIITT.
fijn gevoel vereischt? Juist deze eigenschappen zal een man altijd in u op prijs stellen. Wie ze mist, die kenteekenen der ware vrouwelijkheid, ai is zij schoon als Venus, knap als Minerva, toch zal zij in de rij harer zusteren achterstaan.quot; (blz. 296) Menigeen zal de volgende technische opmerking nog meer ad rem vinden; zij is gemaakt in een antwoord onder het hoofd âCorrespondentiequot; aan eene abonnee die waarschijnlijk een kookboek cadeau gekregen had. âWat zond N. u een verstandig cadeau ;... door lekkere schoteltjes houdt menige vrouw het hart van haar man gevangen.quot; (blz. 473). âGeen man,quot; waarschuwt Mevrouw op een andere plaats, tot aanbeveling van de huiselijkheid, âgeen man, die zich zijne verloofde gaarne voorstelt als later zwierende door de balzaal, als habituée der opera,quot; etc. (blz. 362). Dat de mannen die men hier op het oog heeft, verscheidene malen schertsend de Heeren der Schepping worden genoemd, is korrekt. Zij vragen ten huwelijk, de lezeressen worden ten huwelijk gevraagd, als de Heeren willen; anders worden zij oude jongejuffrouwen, wat ongelukkig is, en dus moeten zij met respekt opzien tot de mannelijke personen die haar daarvoor bewaren. Intusschen, de Hollandsche Lelie zou geen goed vakblad zijn indien het geen troost en raad over had voor haar die in het vak niet slagen. Ten eerste dan dient men te zorgen wél te slagen. âOngelukkige Liefdequot; bijvoorbeeld moet niet te zeer worden geteld; (bl. 11); gij zoudt blijven zitten met âeen hart vol liefde, en niemand die er om vraagt.quot; Staat uw geloof u in den weg: werp het van u, alle godsdiensten zoeken immers den weg naar âhet Goede, Godquot;; wat doet âde naamquot; van uw kerk er toe ? Wees niet verslagen of levensmoe als het niet alles zoo makkelijk gaat in den leertijd van het vak. Hé-lène Swarth moet gij niet lezen. âIk bid u, weer allereerst zulke bundeltjes van uw boekenrekje.quot; âWanneer u een kloek jong-
mensch zijne hand biedt...... ruk dan alle herinneringen flinkweg
uit uw hart en zeg ja.quot; Het dondert, bij manier van spreken.
13
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
allemaal niet, 't is zonde dat ik er op vloek. ,,Is uw minnaar leelijk, daaraan gewent men. Is hij arm â 't beteekent niets, want als hij knap is, draagt hij een kapitaal met zich om. Is hij iets minder in geboorte, â over tien jaar denkt niemand
meer daaraan, mits zijne betrekking hem tot u opheft...... Ge
werpt me tegen : maar ik heb hem niet lief, ik sympathiseer niet met hem. â- O, niets veranderlijker dan de vrouw. Diezelfde man kan u over weinig tijds onuitsprekelijk dierbaar zijn geworden, als u het boek van zijn zieleleven open is gelegd en ge op iedere bladzijde goedheid en adeldom van ziel geschreven hebt gevonden, etc.quot; â Enfin, als gij hem maar acht, dan komt de rest van zelf; âlaat u door nietigheden toch niet terughouden de loopbaan in te treden, die toch eigenlijk de eenige, ware
bestemming der vrouw is.quot;...... ,,En zulk een huwelijk is altijd
honderdmaal beter dan geen huwelijk, ja, voor meisjes zonder fortuin duizendmaal.quot; Nu, als gij het nu nog niet weet, dan weet
ik het niet meer; aan mij zal het niet liggen...... Want wees
gewaarschuwd: âal maakt ge uw oude-jongejuffrouwen-leven nog zoo nuttig, altijd zal er een ledig in blijven, en ten slotte zal het u onvoldaan laten; want de dorst naar liefde die in een
vrouwenhart woont, zal door niemand worden geleschtquot;......
(bl. iiâ12.)
En, behalve haar eigen welsprekendheid, heeft Mevrouw Van Wermeskerken nog andere leermiddelen. Zij publiceert een brief van een âjongmensch,quot; die zegt dat het geen wonder is dat de mannen weinig trouwlustig zijn, want de meisjes zijn zoo veel-eischend en er wordt in de families alleen gevraagd naar een huwelijk, als het middel om dochterlief een goede positie te verschaffen. âWie wil zich daartoe laten gebruiken?quot; Ja, wie wil dat nu ? en ik waarschuw de Lelietjes om bescheiden te
zijn...... Maar, als er nu niets aan te doen is, en het oude jonge-
juffrouwen-leven onherroepelijk is aangebroken, dan zal uwe redactrice u niet in den steek laten. Zij opent zelfs een wedstrij i
14
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
om te zien, welke van hare medewerksters het best weet te zeggen wat er van zulk een leven te maken valt. âDe wanverhoudingen in de tegenwoordige maatschappij dwingen vele meisjes om ongehuwd te blijven,quot; zegt de redactrice ergens (bl. 40). Dus moet zij wel helpen rondkijken naar het tijdverdrijf en bezigheid, want het komt, als fatsoenlijke vrouw, niet in haar op ronduit te zeggen: nu ja, bezigheid moet gij hebben, hetzij als middel van bestaan, hetzij om niet dood te gaan van verveling; maar overigens heeft de maatschappelijke instelling van
het huwelijk niets uit te staan met uw âhart vol liefdequot;......
Een van de schrijfsters over de ongehuwde vrouw vergelijkt de vrouw bij een halfcirkel, den man bij de andere helft; die âén opelkander sluiten én ieder op zichzelf goed en zuiver zijn.quot; Ook dit is fraai, maar waar blijft hier weer het trouwen ? In-tusschen, hierover is men het eens dat ook buiten het huwelijk een vrouw nog wel iets te doen kan vinden, al blijft de redactrice: er bij dat het âlesschenquot; toch moeilijk gemist kan worden. En zij gaat voort met de onderscheiden fases van het huwelijk aan te prijzen in een proza van Cornelis Paradijs, met tusschen-geschoven aanbevelingen van dezelfde deugden die dezen vader-landschen dichter zoo dierbaar waren. Op éene plaats gooit zij dit dekorum weg en verzekert een barer korrespondentjes dat noch haar eigen âpraatjes,quot; noch die van de briefschrijfster de natuurlijke voortreffelijkheden van het huwelijk zullen vervangen of verminderen......
En zoo vrees ik dat als de abonnees de ijverige redactrice letterlijk opvatten, menigeene zal ja zeggen en naderhand merken dat zij er in geloopen is; dat zij een lichamelijk-sexueelen omgang heeft gekregen, maar dat haar hart vol liefde zoo vol blijft als vroeger om eindelijk te breken van enkele overgevuld-heid. De waarheid is dat de wezenlijke begeerte naar hartstocht die hartstocht tegelijkertijd bluscht en aanblaast, enkel dan wordt gevoed wanneer hartstochtelijke naturen samenkomen die
15
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
i6
elkander verlangen; het huwelijk kan zoo een samenkomst zijn, maar zulk een samenkomst kon ook buiten het huwelijk worden gevonden, en vele huwelijken zijn te lichtvaardig of te berekend aangegaan om het te wezen. De hoogere geneigdheden worden zoowel buiten als in het huwelijk bevredigd. De lagere van alle-daagsche menschen die hechten aan het oordeel van de wereld, alleen in en door het huwelijk; -â dit verklaart het schrijven van een weekblad als de HüUandsche Lelie, dat als vakblad reden van bestaan heeft en deze onbewuste kritiek op de maatschappelijke instellingen bevat, dat de verbindtenis van mannen en vrouwen verlaagd wordt tot een kontrakt van kommerciëele en fyzieke strekking. -â-
GESCHIEDENIS. ')
i.
Wat dunkt u van den stijl en den inhoud van een periode als deze:
âZoo zal men onze geschiedenis beter begrijpen en liefhebben, niet minder dan door de banden eener gemeenschappelijke afstamming, verbonden door dien innigen band van gemeenschappelijk denken, leven en gevoelen, die herhaaldelijk onder de roemrijke leiding van het doorluchtige Huis van Oranje ook ten onzent sterker is gebleken dan het geweld van een overmachtigen buitenlandschen vijand, dan de verderfelijke werking van bin-nenlandschen twist van politieken of kerkelijken aard.quot; 1) ?
Zoo spreekt een hoogleeraar, die onder de Nederlandsche officieele geleerden het vrij wel eenige en zeer geavanceerde standpunt inneemt, van de geschiedenis te beschouwen als een sociale wetenschap. Maar reeds uit dezen enkelen volzin leiden wij af, dat, hoe welmeenend en kundig de Heer Blok moge zijn en ongetwijfeld is, zijn uitvinding van sociale wetenschap hem is aangewaaid, wijl de wind tegenwoordig eenmaal uit dien hoek
1
Rede bl. 10.
GESCHIEDENIS.
komt, maar nog geenszins zijn eigendom is als een gevestigde en alomvattende overtuiging. Al stellen wij de aangehaalde zinsnede, wat zij wonderlijks bevat, gedeeltelijk op rekening van de geneigdheid tot kletsen welke de omstandigheden meebrachten, eene oorzaak waaraan wij ook toeschrijven dat de professor het moment van zijn intreerede een plechtige ure noemde, en verzekerde dat de schim van den edelen prins Willem zijne toehoorders en hem âomzweefdequot; â droevig tijdverdrijf voor een zoo achtenswaardigen revenant â zoo smaakt zij toch te zeer naar het omgekeerde van wetenschappelijk en modern om veel ontzag in te boezemen voor de methode welke spreker bedoelt. Aan den geciteerden was een zin voorafgegaan, waarin te lezen is dat de beoefening van de geschiedenis eene echte vaderlandsliefde zal aanwakkeren, die bestaat in âinnige gehechtheid aan het maatschappelijk verband te midden waarvan men is opgegroeid.quot;
Neen, bij Dr. Blok zit het sociale er maar dunnetjes op. Zijne studiën hadden hem moeten leeren dat de geschiedenis âals sociale wetenschapquot; de historie van den strijd der klassen is, welke door achtereenvolgende produktiewijzen werden voortgebracht. Van den strijd, anders gezegd, der tegengestelde ekonomische belangen. Niet in ieder land vertoont de historische kamp der klassen dezelfde verschijnselen. Zekere omstandigheden hebben in Engeland zeer vroeg een burgerlijke maatschappij geschapen, welke in Duitschland niet aanwezig waren. Daarom is in Engeland de politieke macht eerder aan de bourgeoisie gekomen dan in Duitschland, waar de bourgeoise wel nimmer zal regeeren en de strijd wordt gestreden tusschen proletariaat en grootkapitalisme ; politiek gesproken tusschen de sociaaldemokratie en het koningschap. Nu hangt het immers geheel van ieders persoonlijke voorkeur af, of hij het verleden van eenig land fraaier vindt dan het verleden van een ander land. Deze zal zich gelukwen-schen te zijn opgegroeid in een zeker maatschappelijk verband,.
18
GESCHIEDENIS.
19
of wel ook gebrek aan verband, dat onze hedendaagsche samenleving maar al te zeer kenmerkt. Een ander zal het verband waarin zijne geboorte hem heeft geplaatst, verfoeien. Wij vinden dat de Leidsche hoogleeraar op een onverantwoordelijke manier de uitkomst der sociale studie diskonteert. Moeten de Hollandsche beoefenaren der geschiedenis nu juist de sociaalhistorische verschijnselen beminnen welke hun onderzoek aan den dag brengt, de Franschen de hunne en de Turken de hunne, en zoo ieder historikus zwelgen in âinnige gehechtheid aan het maatschappelijk verband te midden waaronder hij is opgegroeidquot; ? Onzin, voorwaar, de leer van onbeduidende schoolboekjes, maar wel ver van eenige wetenschap, sociaal of niet. â-De bijzondere Nederlandsche vaderlandsliefde, welke de beoefening onzer geschiedenis aanwakkert, zou ons â volgens de door ons geciteerde zinsnede â bevangen als wij bedenken hoe een innige band van gemeenschappelijk denken, leven en gevoelen, herhaaldelijk gebleken is sterker te zijn, enz. Nu, in zijn eerste en openbare toespraak kunnen wij niet zeggen dat prof. Blok zeer gelukkig is geweest. Wij zien door de vingers het zonderlinge Hollandsch waaruit blijkt, dat despreker de taal, die toch gansch het volk is, al zeer weinig ontziet; waaruit bovendien blijkt dat men in het Leidsche Atheen, nog wel bij het aanvaarden van een litterarisch professoraat, ongemakkelijk over zijn tong kan morsen zonder last te krijgen. Erger is de inhoud van gezegde fraze. Waar heeft in 's hemels naam de Heer Blok in onze geschiedenis een innigen band van gemeenschappelijk denken, leven en gevoelen ontdekt ? Waar den heilzamen invloed van de roemrijke leiding (op dien innigen band!) ? Was de Republiek niet onafgebroken door hevige inwendige twisten bezocht, de politieke weerschijn van een sociale werkelijkheid: de on-eenigheid tusschen 5e land- en zeeprovincien, de naijver onderling van de handelssteden, de veete van prinsgezinden en demo-kraten? En was de tweedracht niet juist de oorzaak, toen zij
EEN VROUWENTIJDSCHRIFT.
i6
elkander verlangen; het huwelijk kan zoo een samenkomst zijn, maar zulk een samenkomst kon ook buiten het huwelijk worden gevonden, en vele huwelijken zijn te lichtvaardig of te berekend aangegaan om het te wezen. De hoogere geneigdheden worden zoowel buiten als in het huwelijk bevredigd. De lagere van alle-daagsche menschen die hechten aan het oordeel van de wereld, alleen in en door het huwelijk; â dit verklaart het schrijven van een weekblad als de Hollandsche Lelie, dat als vakblad reden van bestaan heeft en deze onbewuste kritiek op de maatschappelijke instellingen bevat, dat de verbindtenis van mannen en vrouwen verlaagd wordt tot een kontrakt van kommerciëele en fyzieke strekking. â
GESCHIEDENIS. ')
i.
Wat dunkt u van den stijl en den inhoud van een periode als deze:
,,Zoo zal men onze geschiedenis beter begrijpen en liefhebben, niet minder dan door de banden eener gemeenschappelijke afstamming, verbonden door dien innigen band van gemeenschappelijk denken, leven en gevoelen, die herhaaldelijk onder de roemrijke leiding van het doorluchtige Huis van Oranje ook ten onzent sterker is gebleken dan het geweld van een overmachtigen buitenlandschen vijand, dan de verderfelijke werking van bin-nenlandschen twist van politieleen of kerkdijken aard.quot; 1) ?
Zoo spreekt een hoogleeraar, die onder de Nederlandsche officieele geleerden het vrij wel eenige en zeer geavanceerde standpunt inneemt, van de geschiedenis te beschouwen als een sociale wetenschap. Maar reeds uit dezen enkelen volzin leiden wij af, dat, hoe welmeenend en kundig de Heer Blok moge zijn en ongetwijfeld is, .zijn uitvinding van sociale wetenschap hem is aangewaaid, wijl de wind tegenwoordig eenmaal uit dien hoek
1
Rede bl. 10.
GESCHIEDENIS.
komt, maar nog geenszins zijn eigendom is als een gevestigde en alomvattende overtuiging. Al stellen wij de aangehaalde zinsnede, wat zij wonderlijks bevat, gedeeltelijk op rekening van de geneigdheid tot kletsen welke de omstandigheden meebrachten, eene oorzaak waaraan wij ook toeschrijven dat de professor het moment van zijn intreerede een plechtige ure noemde, en verzekerde dat de schim van den edelen prins Willem zijne toehoorders en hem âomzweefdequot; â droevig tijdverdrijf voor een zoo achtenswaardigen revenant â zoo smaakt zij toch te zeer naar het omgekeerde van wetenschappelijk en modern om veel ontzag in te boezemen voor de methode welke spreker bedoelt. Aan den geciteerden was een zin voorafgegaan, waarin te lezen is dat de beoefening van de geschiedenis eene echte vaderlandsliefde zal aanwakkeren, die bestaat in âinnige gehechtheid aan het maatschappelijk verband te midden waarvan men is opgegroeid.quot;
Neen, bij Dr. Blok zit het sociale er maar dunnetjes op. Zijne studiën hadden hem moeten leeren dat de geschiedenis âals sociale wetenschapquot; de historie van den strijd der klassen is, wTel-ke door achtereenvolgende produktiewijzen werden voortgebracht. Van den strijd, anders gezegd, der tegengestelde ekonomische belangen. Niet in ieder land vertoont de historische kamp der klassen dezelfde verschijnselen. Zekere omstandigheden hebben in Engeland zeer vroeg een burgerlijke maatschappij geschapen, welke in Duitschland niet aanwezig waren. Daarom is in Engeland de politieke macht eerder aan de bourgeoisie gekomen dan in Duitschland, waar de bourgeoise w:el nimmer zal regeeren en de strijd wordt gestreden tusschen proletariaat en grootkapitalisme ; politiek gesproken tusschen de sociaaldemokratie en het koningschap. Nu hangt het immers geheel van ieders persoonlijke voorkeur af, of hij het verleden van eenig land fraaier vindt dan het verleden van een ander land. Deze zal zich gelukwei-schen te zijn opgegroeid in een zeker maatschappelijk verband,.
18
GESCHIEDENIS.
19
of wel ook gebrek aan verband, dat onze hedendaagsche samenleving maar al te zeer kenmerkt. Een ander zal het verband waarin zijne geboorte hem heeft geplaatst, verfoeien. Wij vinden dat de Leidsche hoogleeraar op een onverantwoordelijke manier de uitkomst der sociale studie diskonteert. Moeten de Hollandsche beoefenaren der geschiedenis nu juist de sociaalhistorische verschijnselen beminnen welke hun onderzoek aan den dag brengt, de Franschen de hunne en de Turken de hunne, en zoo ieder historikus zwelgen in âinnige gehechtheid aan het maatschappelijk verband te midden waaronder hij is opgegroeidquot; ? Onzin, voorwaar, de leer van onbeduidende schoolboekjes, maar wel ver van eenige wetenschap, sociaal of niet. â De bijzondere Nederlandsche vaderlandsliefde, welke de beoefening onzer geschiedenis aanwakkert, zou ons â volgens de door ons geciteerde zinsnede â bevangen als wij bedenken hoe een innige band van gemeenschappelijk denken, leven en gevoelen, herhaaldelijk gebleken is sterker te zijn, enz. Nu, in zijn eerste en openbare toespraak kunnen wij niet zeggen dat prof. Blok zeer gelukkig is geweest. Wij zien door de vingers het zonderlinge Hollandsch waaruit blijkt, dat de spreker de taal, die toch gansch het volk is, al zeer weinig ontziet; waaruit bovendien blijkt dat men in het Leidsche Atheen, nog wel bij het aanvaarden van een litterarisch professoraat, ongemakkelijk over zijn tong kan morsen zonder last te krijgen. Erger is de inhoud van gezegde fraze. Waar heeft in 's hemels naam de Heer Blok in onze geschiedenis een innigen band van gemeenschappelijk denken, leven en gevoelen ontdekt? Waar den heilzamen invloed van de roemrijke leiding (op dien innigen band!) ? Was de Republiek niet onafgebroken door hevige inwendige twisten bezocht, de politieke weerschijn van een sociale werkelijkheid: de on-eenigheid tusschen cle land- en zeeprovincien, de naijver onderling van de handelssteden, cle veete van prinsgezinden en demo-kraten? En was de tweedracht niet juist de oorzaak, toen zij
GESCHIEDENIS.
zoo hoog liep, dat de burgerlijk-demokratische partij de Fran-sche, en prinsgezind-aristokratische partij de Pruisische wapenen inriep, en Oranje-zelf aan hulp van buiten de voorkeur gaf boven een roemrijke leiding van eenheid van binnen; de oorzaak van den val der slechts in naam geünieerde Gewesten? Na den Utrechtschen vrede zijn wij verslagen te zee en te land door eiken vijand die ons aantastte ; hoe veel eerlijken roem men bevocht in den ongelijken krijg, vond âovermachtig buitenlandsch geweldquot; juist in de afwezigheid van âgemeenschappelijk levenquot; een handreiking aan zijn overmacht, waarvoor het ten slotte geen schande was te bukken.
Maar afgezien van de verdraaiing der algemeen bekende feiten, welke voor een groot deel toegeschreven mag worden aan de traditioneele zucht om de redevoering met een hoeraatje te eindigen. Afgezien daarvan, is dit geheele beroep op het gevoel van zijne hoorders, waaronder zijne toekomstige kweekelingen waren, van het wetenschappelijk standpunt des hoogleeraars misplaatst. De vaderlandsliefde is voor hem een sentiment dat verldaring vereischt, en van hem geen prikkel begeert noch noodig heeft. Hij late dat aan de dichters over. Zij maken allicht iets zeer fraais van wat in zijn mond enkel pover proza is. Willen wij hier van de vaderlandsliefde kwaad spreken? Neen, maar ons verzetten tegen de methode die wetenschap en kunst vermengt, en beide bederft. De wetenschap moet den beoefenaar van de hisorie vrijheid laten het verleden en het heden van zijn land te haten, zoo hij verkiest; te beminnen, indien hij wil. Beide tegengestelde overtuigingen kunnen wetenschappelijk verdedigbaar zijn, en artistiek even belangrijk. Huët in zijn toorn en verachting heeft zoo schoone bladzijden geschreven als Potgieter in zijn verrukking en liefde. Het is de methode van Simon Stijl en Van der Palm; maar de Hoogleeraar Blok zal immer bij hunne kunst zoo ver achter blijven, als hij hun in de wetenschap vooruit behoorde te zijn. Daarom ontzeggen wij
20
GESCHIEDENIS.
hem niet het recht zijn vaderland lief te hebben. Maar, indien de opvatting der geschiedenis als sociale wetenschap iets meer was dan een geleerde les, zou de professor juist bij deze gelegenheid zijnen hoorders op het hart hebben gedrukt, dat het patriotisme met de wetenschap der geschiedenis niets te doen heeft. De wetenschap der geschiedenis is enkel gediend met liefde voor de waarheid, met geestdrift voor het onpartijdige onderzoek, met eerbied voor den moed waarmede impopulaire overtuigingen worden uitgesproken. En welke wetenschap heeft juist op dit oogenblik en in ons land, aan de Leidsche akademie wel niet het minst, er een oversterke behoefte aan dat hare beoefenaars in den geest van dezen eerbied en van die liefde handelen, zoo het de sociale wetenschap niet is? De Heer Blok is er mede bekend dat in naam van een sociale wetenschap, de vertegenwoordigers van eene minderheid een bitteren strijd voeren
tegen de mannen van de meerderheid......Welnu, zeiden hem in
âdeze plechtige urequot; dan de omstandigheden niets, dat hij zijne zienswijze van de historie voortaan zou hebben voor te dragen aan jonge mannen, die later geroepen worden, zoo ze al niet uitverkoren zijn, in den strijd een leidend aandeel te nemen ? Kon hij, die eenmaal eene peroratie noodig had, daartoe geen ander motief vinden dan door honderd voorgangers kon gebezigd zijn â hij, die aangewezen was er een te kiezen, hetwelk te voren door niet één was gebruikt? AVaarlijk, er bestond geen kans dat zonder zijne aansporing de Leidsche studenten zouden gaan twijfelen aan het beminnenswaardige van het verband waarin ze zijn opgegroeid; evenmin als aan de vrijheid welke ze thans genieten. Ook buiten de bemoeiing van den Hpogleeraar Blok, zal het doorluchtige Huis van Oranje te Leiden vereerders vinden van zijne roemrijke leiding!
Grooter schijnt het gevaar, dat zij in de geschiedenis geen andere les zullen lezen dan de rechtvaardiging van hunne privilegies. De sociale opvatting zal hun zoolang welkom zijn, als
21
GESCHIEDENIS.
zij zich laat gebruiken tot het goed spreken van hunne sociale positie......
De schim van prins Willem, den vertreder der wetten, den revolutionnairen aanvoerder van revolutionnaire benden, zal gewalgd hebben van den zoeten mond van den spreker die hem aanriep. Hier is geen uitvlucht goed van gebrek aan stijl en gebrek aan smaak. Hier is de fout die den grond der dingen raakt; de veeltallige fout om zich in exclamaties te buiten te gaan, welke onwetenschappelijk zijn wijl zij vooruitloopen op resultaten die de hoorders voor zichzelf nog moeten vinden, wijl zij zinspelen op sentimenten die met hetgeen de spreker gaat onderwijzen, niets te maken hebben; en eindelijk de fout, dat deze uitroepen de plaats hebben ingenomen van den zooveel waardiger en wichtiger drang, dien de hoogleeraar te dier stonde op het aarzelend hart van zijn hoorders had moeten leggen. Het stroovuurtje dat flikkert bij eiken toast aan iederen uitgebreide-ren officieelen maaltijd, zal geen van hen hebben verblijd noch verwarmd. Men mag aannemen dat er waren, die met een beetje ernst en eene aandoenlijke begeerte naar nieuwe waarheid, opzagen tot een leermeester die hun de geheimzinnige leuze zou verklaren: geschiedenis als sociale wetenschap. Het is niet de geringste grief tegen den redenaar, dat hij hen heeft teleurgesteld. â
II.
Reeds heeft een jong Leidsch geleerde geklaagd, dat de Heer Blok hem niet veel wijzer heeft gemaakt. Geen jeugdig student, maar de Heer Dr. G. van Vloten, schrijver van de aankondiging in de vorige aflevering van dit tijdschrift. Hoe vreemd en onvoldoende moet, naar deze beoordeeling te zien, de indruk van het gesprokene geweest zijn op het minder goed onderlegde deel van het akademische publiek! Het fijne van de zaak zou men
22
GESCHIEDENIS.
23
later hebben kunnen vernemen ; maar deze redevoering had toch minstens van de methode een belangrijken algemeenen indruk moeten geven. Blijkens zijne recensie is het den Heer van Vloten nog ver van duidelijk wat deze sociale opvatting beteekent. Hoewel zeer geneigd met Dr. Blok mee te gaan in zijne behandelingswijze; en niet weinig geavancerd in zijn eigen begrippen : âthans begint een nieuwe toeestand aan te breken, waarin nog slechts een maatschappelijk verband bestaan zalquot; ^; uit welke woorden wij kunnen opmaken langs welken weg de vaderlandsliefde zal verdwijnen: want wij hebben zooeven van prof. Blok gehoord dat zij is de gehechtheid aan het verband waarin wij zijn opgegroeid, en vernemen nu van Dr. van Vloten dat in de toekomst slechts een maatschappelijk verband zal overblijven â zoo zal het mogelijk zijn gehechtheid te gevoelen aan de maatschappij, welke, daar de grenzen van de staten zijn .opgeheven, zich uitstrekt over de geheele wereld; evenwel, hoe ontvankelijk voor de sociale beschouwing van de geschiedenis, is de Heer van Vloten door de gebrekkige toelichting van het modern-historische standpunt in de war gebracht. Dr. van Vloten, in stede van thuis te komen met een helder besef van wat de geschiedenis als sociale studie nu zeggen wil, en van eenige min juiste denkbeelden verlost te zijn, weet niet beter dan dat voortaan prof. Blok op zijn kolleges veel zal vertellen over het maatschappelijk leven van onze voorouders; en zijn eigen idee van de sociale historie is er in 't geheel niet op verbeterd. Het zwakke punt in de zienswijze van den Leidschen hoogleeraar is namelijk, dat hij de plaats van de sociale geschiedenis ten aanzien van andere soorten van geschiedenis, de politieke, de ekono-mische, de beschavingsgeschiedenis, ietwat onbeholpen aanduidt. Het doet er weinig toe dat deze plaats een eereplaats is. âZij alleen, de geschiedenis der menschelijke maatschappij in haar
1 Bi. 305,
GESCHIEDENIS.
24
geheel, is in den vollen zin des woords waardig geschiedenis te heeten.quot; !) Volkomen waar, maar waarom? Omdat zij verhaalt van de menschelijke maatschappij in haar geheel ? Zoo is zij enkel uitgebreider dan eenige andere; en om geen andere reden, als dat het geheel grooter is dan elk der deelen. Men zal als sociaal historikus minder spoedig uitgepraat zijn dan als politiek historikus. â Heel veel verder zijn we dus nog niet. Wijl haar terrein uitgestrekter is, daarom kan de sociale geschiedenis niet belangrijker zijn dan de staatkundige, de litterarische, de eko-nimische. Deze hoeveelheidsbepaling lost de kwestie niet op. Het kon immers best wezen, dat de litterarische of de politieke geschiedenis, juist wegens hun beperkter veld, een karakteristieker overzicht gaven van de menschelijke lotgevallen dan de sociale, die wel meer bijzonderheden meedeelde, maar minder goed de hoofdzaken deed uitkomen. De Heer Blok geeft op de vraag geen voldoende antwoord, doch een antwoord dat zijne meest intelligente hoorders in de war moest brengen. Behalve de hier geciteerde omschrijving van de sociale historie, zegt hij er van: â âde tijden roepen om haar.quot; â Stil laten roepen, mag men meenen, indien ze ten onrechte krijten. Of hoogstens is hiermêe de praktische waarde van de opvatting aangeduid. De spreker zegt het iets voornamer, maar wat hij zegt is geen wetenschappelijk kenmerk van zijn systeem. Men hoort tegenwoordig zooveel praten over sociale dingen, dat de geschiedvor-scher âals van zelf tot haar gedrongen wordt.quot; ^ Een professor in de geschiedenis mag geen vreemdeling blijven in dit Jeruzalem onzer dagen. Gevraagd naar die soort zaken, zou het niet goed wezen indien hij verplicht ware te antwoorden: â âzoover is mijn belangstelling niet gegaan.quot; !) En als voorbeelden van de onderwerpen waarnaar men den hedendaagschen historikus morgen, heden reeds vraagt, 2) lezen wij : âniet, hoe
i) Rede 15. 1) Blz. i5.
GESCHIEDENIS.
is de ontwikkeling geweest van dezen of genen ouden staat; niet, hoe heeft deze of gene vroegere vorst geregeerd; niet, hoe stond het aan het hof van Lodewijk XIV of Karei de Groote ; niet, hoe ontwikkelden zich kunst en letteren in dit of dat tijd-perk â maar met den meesten aandrang stelt men hem vragen als de volgende: hoe was destijds de verhouding van arm en rijk ? hoe kwam de verdeeling van den grondeigendom tot stand ? hoe geraakte het geld tot zijn beteekenis als ruilmiddel? hoe werd het kapitaal de machtigste faktor in de hedendaagsche maatschappij ? hoe wijzigde zich in den loop der tijden de verhouding van loonen en prijzen ? hoe spiegelde zich de volksgeest in kunst en letteren af? hoe werden handel en nijverheid voor de menschelijke maatschappij, wat zij thans zijn? boe vormden zich de thans geldende begrippen van recht en wet, van zeden en gewoonten ? hoe ontstond de regeeringsvorm waaronder wij leven: hoe ontwikkelde zich de kerk tot het machtige lichaam, dat wij kennen ? hoe, kortom, werd onze maatschappij, wat zij is?quot; 1)
Men ziet het, van eene wetenschappelijke karakteristiek is geen sprake. Professor Blok zal sociale historie onderwijzen, wij mogen zeggen, omdat zij in de mode is.
25
Geen wonder dat de Heer van Vloten met meer vragen tehuis kwam dan hij was heengegaan. Hij heeft volkomen gelijk dat de kwesties gesteld op de bladzijde welke wij afschreven: â⢠hoe was de verhouding tusschen arm en rijk enz. â âvoor de geschiedenis des Nederlandschen volks van groot belang zijnquot;, â âmaar die geschiedenis niet makenquot;. 2) Terwijl de nieuwe professor zijn gehoor zooveel van de zaken welke van zijne kompe-tentie zijn, had behooren te zeggen dat een toehoorder als de geachte medewerker van dit tijdschrift, niet meer had kunnen schrijven zooals hij deed in zijne beoordeeling: â âWie haar
1) Blz. 16. 2) Blz. 305.
GESCHIEDENIS.
26
maakten dat zijn tenslotte onze groote politieke mannen geweest ? De Zwijger, Jan de Witt en zoovele andere, aan welken Prof. Blok toch zeker niets sociaals bespeurtquot;. Immers, de Hoogleeraar, die aan de sociale geschiedenis de voorkeur geeft, wijl zij meer omvat en ogenblikkelijk nuttiger is, heeft verzuimd aan te wijzen het verband tusschen die sociale verschijnselen en alle andere waarvan de geschiedenis in hare diverse afdee-lingen nota neemt. Na zijn rede kan men nog altijd zeggen: ik voor mij houd toch meer van de staatkundige geschiedenis. â De noodzakelijkheid van de sociale opvatting der historie is niet betoogd. De grondwaarheid welke deze methode beherscht, is zelfs niet genoemd. Namelijk zooals zij vervat is in de formule van den auteur die met Karl Marx de nieuwere geschiedenisleer heeft gesticht: â¢â dat het ekonomische samenstel van de maatschappij de reëele grondslag, is, uit welken de bovenbouw van juridische en politieke inrichtingen, zoowel als de godsdienstige, wijsgeerige en andere voorstellingen van ieder geschiedkundig tijdvak in laatste instantie te verklaren zijn. !)
Nu staat het natuurlijk aan Prof. Blok's beleefdheid met deze beschouwing al dan niet in te stemmen; maar men gevoelt dat, bij deze theorie als basis en tot verklaring, geen van zijne min of meer geleerde hoorders nog het hart zou gehad hebben spottenderwijze te vragen, of hij aan Jan de Witt âiets sociaalsquot; ruikt. Want naar de genoemde formule is Jan de Witt voor de geschiedenis alleen in zooverre belangrijk, als zijn figuur een leidend aandeel heeft gehad in den strijd van de opkomende, tot allerlei revolutionnaire uitersten gezinde Hollandsche bourgeoisie tegen het stadhouderlijk gezag, als de vertegenwoordiger en de beschermer van militarisme, centralisatie, absolutisme en wat meer aan onze patriotten mishaagde. Deze strijd nu, de strijd-zelf, valt onder de politieke geschiedenis. Maar de motieven van
i) Friedrich Engels: HerrnEugen Uührinj's U.mvalzung dsr Wissenschaft.
GESCHIEDENIS.
het geheele verschijnsel zijn ekonomisch. De burgerij, die tegen het einde van den 80-jarigen oorlog bulkte van het geld, wilde ook de macht in handen hebben. De stadhouder en zijne omgeving waren hunne natuurlijke vijanden. Kortom, ik behoef niemand te onderrichten dat de gebeurtenissen waarbij Jan de Witt betrokken was, in laatste instantie berustten op minder duidelijke zichtbare, maar daarom niet minder reëele, diepingrijpende sociale veranderingen in onze Republiek. Er behoort geen bijzondere fijne neus toe, om dat te bespeuren. En nu is het geen onderwerp van de geschiedenis ons te vertellen hoe rijk de patriotten waren, en door welke handelsoperatiën zij aan de kapitalen waren gekomen. Maar haar onderwerp is, uit te vor-schen de algemeene wet volgens welke ekonomisch sterk geworden klassen daarbij worden gevormd, welke hartstochten ontboeid; hoe de aanval is, hoe de tegenweer, welke de gevolgen van de overwinning zijn, welke van de nederlaag. Haar onderwerp is in één woord, de opkomst van de eene klasse, de ondergang van de andere; en zoo zij over kunstvolle handen beschikt, zal zij van dit thema een verhaal samenstellen, belangrijk en grootsch. Haar onderwerp is, aan te too-nen dat en op welke wijze de omstandigheden die hier golden, de personen hebben voortgebracht. En haar onderwerp is ook, het algemeene van het bijzondere te scheiden. Om te verklaren de reden dat in Nederland een Jan de Witt, in Engeland een Cromwell, heeft gearbeid aan overeenkomstig werk. Waardoor gelijksoortige gebeurtenissen hier, waardoor zij elders zijn gekenmerkt.
Dit nu is de ongeschreven geschiedenis die men heeft te onderwijzen. Iets anders als wat Dr. Blok heeft aangeduid, maar wat hij moet hebben bedoeld. Iets anders ook als hetgeen Dr. van Vloten heeft verstaan. Iets anders, eindelijk, als zijne eigene ideeën over de verhouding tusschen de politieke en de sociale zaken in de historie. Zijne kritiek van de rede kunnen
27
quot;1
GESCHIEDENIS.
wij hoofdzakelijk onderschrijven. âIk zal u doen zien hoe de Nederlanders liepen en aten en dronken, enz. Ik zal u vertoonen hoe de loonen stegen en daalden, hoe de prijzen wisselden en wat de haring kostte in Hellevoetsluis.quot; 1) Het is de schuld van Dr. Blok dat men hem op zoo'n manier sprekende kan invoeren. Dit is zoo weinig de geschiedenis als een skelet de mensch is. Terecht vergt men dat van âalle sociale verschijnselenquot; wordt getoond, âhet verband met de zilvervloot en den dapperen van Galen en Reinier Claessens en den held van Quatre-Bras.quot; 1) Prof. Blok had bij deze gelegenheid dit verband althans moeten aanduiden. Zóó, dat zijne hoorders bevrijd werden van de dwaling, âdat de geschiedenis gemaakt wordt door de mannen.quot;
Maar al dit gebrekkige en foutieve gaat buiten het systeem om. Wij drieën; de Heer Blok, de Heer van Vloten en de schrijver van deze bladzijden, wij zijn het er over eens dat tegenwoordig de sociale opvatting der geschiedenis behoort gehuldigd te worden. En zoo zal het geoorloofd zijn, dat men hier tracht uit den schok onzer meeningen vonken te slaan, welke het systeem naar waarheid verlichten. â
III.
28
Er is een plaats in de redevoering, die deed meenen dat de spreker op den goeden weg kwam. Een passage, waarop de Hoogleeraar zich zou kunnen beroepen, indien hij wilde beweren dat toch iets, zweemende naar de woorden van Friedrich Engels, hem voor den geest had gestaan. Namelijk daar, waai hij de vraag bespreekt, waaraan het overheerschen der staatkundige geschiedenis moet worden toegeschreven2). Hij vindt het terecht een onrechtmatige heerschappij. ,De Staat (is) im-
1
Blz. 305-6. 2) Rede, blz. 8-10.
GESCHIEDENIS.
mers alleen de vorm, waarin eene eenigszins ontwikkelde maatschappij zich organiseert, die maatschappij zelve blijft toch altijd de hoofdzaak.quot; Zoo is hier toch van éene soort der verschijnselen, waarmede de geschiedenis zich bezighoudt, de staatkundige, de opkomst van den Staat-zelf, het verband aangewezen met de algemeenere, de maatschappelijke verschijnselen. Aangewezen in dier voege, dat de Staat is de vorm, waarin de maatschappij zich organiseert. Indien dit zoo is, dan wordt het duidelijk dat de Staat verandert, wanneer de Maatschappij verandert. En wijzigingen in de maatschappij zullen wel voornamelijk door ekonomische oorzaken worden teweeggebracht. Zoodat men zeggen zou, dat wij althans van de âpolitieke inrichtingenquot; moesten toegeven, âdat zij in laatste instantie uit het ekonomische samenstel van de maatschappij te verklaren zijn.quot; Doch ten eerste is de konsekwentie welke ons voert tot deze erkenning, door ons bij den Heer Blok ondersteld, niet feitelijk door hem uitgesproken. Vervolgens is wat hij werkelijk zegt eene onjuistheid, welke aanleiding zou kunnen geven tot de grootste rampen. De Staat is niet de vorm, waarin de Maatschappij zich organiseert; maar is de organisatie, die de heerschende maatschappelijke klasse maakt om zich te verdedigen tegen de aanvallen van de onderdrukte klasse, of althans om hare voorrechten te bestendigen en uit te breiden. Indien dit niet zoo ware, vanwaar dan de onafgebroken, nu stille, dan heftige strijd der klassen ? Trouwens wanneer immer, in tijden van gedweeheid der misdeelde, of in de vreugde harer overwinning, toen scheen alsof voorgoed een eind gemaakt zou zijn aan het klassenverschil, ontkend geweest is, dat de Staat het samenstel van machtmiddelen der regeerende klasse was, zeker thans niet meer, zoover de zienswijze reikt, welke de klassenstrijd aanneemt. â En einddijk is het bescheid op de vraag: waarom de politieke geschiedenis tot dusver het meest beoefend werd, zeer weinig bevredigend.
GESCHIEDENIS.
Het antwoord, dat herhaaldelijk gegeven is : âomdat de Staat in de menschelijke maatschappij de hoofdzaak isquot;, voldoet onzen redenaar niet. Want, de Staat is immers alleen de vorm van organisatie. Maar nu hooren wij de verklaring van den spreker.
âMen (heeft) zich van den Staat een al te hoog denkbeeld gemaaktquot;. Men heeft âden vorm der organisatie ten onrechte aangezien voor het wezen der maatschappij''. Men werd aangetrokken, bezield, verblind, enz., door den glans, door de macht van den Staat. Nu schijnt de eene verklaring even gebrekkig als de andere j reeds daarom, wijl met een weinig andere woorden precies hetzelfde gezegd is in beide. Neen, de verwachting dat prof. Blok hier de waarheid omtrent zijn eigen methode op het spoor kwam, moest alras worden opgegeven. Integendeel blijkt de omstandigheid, dat juist dit gedeelte van de redevoering niets bevat dat steekt houdt, wel de ernstigste grief te zijn welke tegen zijn rede is in te brengen.
Immers, de politieke geschiedenis is van de sociale de eenige ernstige konkurrente. Niet op den duur, maar voor het oogen-blik. Indien wij van ons standpunt hier niet weten te definiee-ren; niet kunnen zeggen wat het onderwerp van hare studie, de Staat, in ons stelsel beteekent, dan zijn wij gefopt. Voor het oog van de wereld, en voor ons zelf en in alle opzichten. Als de tijden om iets roepen, dan is het om een behoorlijke verklaring van het wezen van den Staat. De socialisten weten uit hunne definitie af te leiden, dat de Staat het erfdeel van de proletariërs is, en dat de overwinning van het socialisme aan den Staat een einde zal maken. En er is wel geen belangrijker onderwerp van onze studie, dan de wetten volgens welke de ekono-mische veranderingen zich openbaren in politieke gebeurtenissen. Hoe zij zich in andere gebeurtenissen voordoen, is mede van veel gewicht; in de geschiedenis van kerk, kunst, recht, oorlog, wijsbegeerte, zeden en gewoonten, moraal. De menschen leven in maatschappijen en buiten de organisatie van den Staat zijn er
3°
GESCHIEDENIS. 3 I
haast geen maatschappelijke banden. Banden die ketenen zijn voor de klasse, het ras, de sekse, welke niet regeert. Hoe de banden worden bevestigd en hoe geslaakt, is de vraag waarop men allereerst antwoord zal moeten geven. Zoo zal ook later de politieke geschiedenis een groote waarde blijven behouden, maar dan opgevat zooals hier is aangeduid, en zooals wij hadden gehoopt dat Dr. Blok haar zou beschrijven: de politiek als het op groote schaal zichtbare, voor alle eeuwen waarneembare, in wereldberoemde teekenen spelende gevolg van min grootsche en niet zoo gemakkelijk aanwijsbare ekonomische oorzaak.
De geschiedbeschrijving is van de geschiedenis niet het minst belangrijke onderdeel. De menschen hebben te boek gesteld wat zij van de dingen die er voorvielen, het gewichtigste vonden, en zoo als zij het beschouwden. Indien deze voorkeur en hunne zienswijze mede verschijnselen zijn welke ten laatste op oorzaken berusten, verklaarbaar uit de stoffelijke struktuur van iedere afzonderlijke periode, zal de methode, zal het onderwerp van de geschiedenis ons kunnen onderrichten omtrent sociale instellingen van de tijden toen de geschiedenis werd geschreven. Vragen op onze beurt wij wat de liefde voor politieke historie be-teekende; voor de zuivere-poütieke, welke zich alleen met staatkundige gebeurtenissen bezig hield en hen niet reduceerde op ekonomische beweeggronden, dan zullen wij over de hedendaag-sche geheel anders oordeelen dan de Leidsche hoogleeraar. âBossuet's schitterende zon, Macaulay's liefde voor de parlementaire idealen der Whigs, Ranke's eerbied voor de ontwikkeling der Pruissische monarchie -â⢠zulke gevoelens, zulke denkbeelden waren het, die, niet alleen de groote schrijvers doch ook den volksgeest beheerschend, het aanzijn gaven aan de machtige legende, als zou de staatkundige geschiedenis de eenige zijn, waardig den naam van geschiedenis te dragenquot; !).
1) BI. 10.
GESCHIEDENIS.
32
Dat het âgevoelens en denkbeeldenquot; zijn, welke een bepaalde richting in het geschiedschrijven besturen, zullen wij alleen dan toestemmen, wanneer men ons de feiten noemt, waarvan gezegde denkbeelden en gevoelens de geestelijke weerspiegeling zijn. Eenige bladzijden verder erkent de redenaar dat de materie van de geschiedenis â en daartoe behoort wel de historiografie â een deel der natuur is, waarin wetten, vaste wetten heerschen gelijk elders in de natuur.') En hier is slechts sprake van indi-vidueele voorkeur, van liefde en eerbied. Indien Ranke en Ma-caulay eens verachting en haat hadden gevoeld, en onder Bos-suet's vest een republikeinsch hart had geslagen â zou dan geen machtige legende omtrent het overwicht der staatkundige geschiedenis zijn ontstaan? Wellicht heeft de Heer Blok zijne reserves wat betreft de oorzaken die deze persoonlijke gevoelens weêr bepaalden, en dat zijn misschien reëele omstandigheden, Maar hij noemt haar niet, voorwaar uit het oogpunt zijner theorie een groot verzuim. Eene vet die de ontwikkeling van de politieke historie zou beheerschen, ontdekken wij in de opgesomde beweegredenen niet; allerminst een sociale wet. â-Overal waar de heerschende klasse sterk is, is zij sterk geworden door ekonomische werkingen. Waar zij eenmaal de stoffelijke macht in handen heeft, tracht zij ook meesteres te worden van den geestelijken invloed op de aan haar ondergeschikte. Dit verhoogt haar aanzien, door dat het haren luister vergroot Het bindt met de zijden koorden van bewondering en eerbied. Zij neemt in haren dienst de bekwaamste mannen, de fijnste geesten Z j heeft het in haar geweld, te breken wat niet wil buigen. De absolute koningen op hunne wijze en de nauwlijks minder tyran-meke burgerij op de hare. Enkelen die niet willen buigen, zullen ten gebroken bestaan voortzetten en het zaad der revolutie me-werpen. Maar alle aanzien en voordeel is de belooning van ds
i) Bi. 18.
GESCHIEDENIS.
gedweëen. Die den koningen ter eere schrijven, of den vorsten van het kapitaal, worden de officieele geleerden. Niet alleen mei geld en titels worden zij gekoesterd, maar zij worden in de gelegenheid gesteld het werk waarvoor zij zijn aangenomen, zou goed mogelijk te verrichten. Zij genieten het zorgelooze beslaan van welbetaalde sinecures. Zij kunnen dikke boeken schrijven en nieuwe dokumenten bekend maken. Hun gewordt de lof van de daartoe bestelde pers. De censuur maakt hun het leven niet bitter. Zij bestemmen de wetenschap van het aankomende geslacht, hunne volgelingen en opvolgers. â Dit is zeer positieve, sociale basis van het prachtige gebouw der staatkundige geschiedenis; 1) een door een schitterende zon vergulde gevangenis van vele der beste talenten onder de tijdgenooten. En tevens is hier aangegeven de oorzaak van de zooveel ongunstiger positie der geschiedenis âals sociale wetenschap.quot; Het vleesch van den Heer Blok is beter dan zijn geest. Zijn goede wil is hier nergens in twijfel getrokken, evenmin als de uitgebreidheid van zijn kennis van feiten en boeken; eene kunde, welke de schrijver van dit artikel slechts benijden kan. Maar het verwonderde mij al zoo, dat een Leidsch professor de werkelijke sociale geschiedenis zou gaan doceeren. Want zij is in waarheid een revolutionnaire wetenschap. Men klopt aan de deur van hare beoefenaren, niet om te vernemen naar den prijs van haring, of het jaartal van een uitvinding, of de kleeding van onzii voorouders, maar om te weten, hoe men zich het spoedigste van een naar haar bederf stinkende en tot haar verderf neigende klasse zal ontdoen. Zij leert dat de glorie der koningen en de deftigheid
33
1
) Wij kunnen in den tekst dit punt niet uitvoeriger bespreken. De opmerking vinde hier nog een plaats, dat de overgave aan de heer-schende klasse of partij niet bewust plaats heeft, en in die gevallen dus aan moreele beoordeeling ontsnapt. In tijden als het bederf nog niet de overhand heef: in de regeereude gezelschappen, kan zij ten goede komen aan wetenschap en kunst.
GESCHIEDENIS.
van parlementen een nietig beletsel van ondergang is, als de tijd. komt wanneer de Staat zal breken. Staten zijn maar opwerpssls van een dag, en zij verdwijnen van de wereld met nieuwe formaties van ekonomisch leven. Thans nadert het oogenblik dat de nu nog overheerde klasse de steunpilaren zal neer stoeten, waarop een haar drukkende politieke macht is gevestigd, welke niet meer berust op vertrouwbare grondslagen van ekonomische noodzakelijkheid. De steunpilaren zijn hare staatkundige machtmiddelen ; de sterke arm van het openbaar gezag en de zedelijke,, maar immoreele krachten van het tot zijn dienst bereide intellekt. Daartoe behoort de officiëele historische wetenschap, gelijk de ekonomische, de theologische, de juridische. Doch ook deze stutten worden ijverig ondermijnd. Alsnog verkeeren zij, die de re-geeringswetenschap uitsluit, in omstandigheden, welke hun arbeid zwaarder maken, hunne uitkomsten minder in het oog vallend. Zij beschikken niet over een invloedrijke pers; noch over betaalde van zorgen ontheffende, tijd en rust gevende ambten. Zij zijn voor een andere helft ook strijders in den dagelijkschen politie-ken strijd. Zij zitten somtijds in een gevangenis, maar een waarop geen zon van officieele weldaden schijnt. Al deze omstandigheden vindt men in de uiterlijke eigenschappen van hun werk terug. Meest kritische, kortere betoogen; brochures, tijdschriftbijdragen, couranten-artikelen, redevoeringen. En dat zal wel de reden zijn, waarom een boekenkenner als de hoogleeraar Blok de socialistische historische litteratuur zelfs niet noemt. En toch is daarin zoo veel te lezen over het onderwerp van zijn inaugurale rede. â
December 1894.
34
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
i.
...Wel moet de burgerlijke wereldbeschouwing u allen nog diep in het hoofd steken, die zoo zeer aan de onveranderbaarheid van deze burgerlijke wereldorde gelooft, dat gij de laatste resten van artistiek mooi met haar vreest te zien ondergaan. Deze wereld schijnt u dus de eenig mogelijke te zijn; gij denkt dat als zij verdwijnt, een chaos, het Niets hare plaats zal innemen. Een volstrekt nieuwe wereld, ik zeg niet eene plotseling nieuw te scheppen, ligt dus buiten uw begrip. Want niemand kan van u onderstellen dat gij zoo zeer de grond waai heden van uw eigen leer zoudt vergeten zijn, dat gij meent het schoone, dat toch onvergankelijk is, zou verbonden zijn aan de juist nu bestaande vormen van Staat en maatschappij, die immers begrepen zijn in een eeuwige verandering. Waar Niets is, kan ook geen schoonheid wezen; het is deze; gedachte die uw angstig maakt, en zij is natuurlijk onbetwistbaar, alleen niet toepasselijk op de omstandigheden die wij bespreken. Er is een andere keuze dan tusschen deze burgerlijke maatschappij en een onnoembaren chaos; of tusschen deze burgerlijke maatschappij die nog proletariërs en koningen heeft, en de schrikkelijke voorstelling van een wereld met niets-dan-bourgeois. Niet ik ben van plan de vraag te beantwoorden welke kunst de socialistische beschaving zal brengen, en wij protesteeren alleen tegen elk poging om ons de medeplichtigheid van een komplot tegen de kunst op te dringen. Voor
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
ons is het socialisme de politieke en ekonomische bevrijding van de sociale wereld die nu noodig is. Sterve de kunst die deze omwenteling niet zou overleven, niet wij zijn er om de kunst, maar de kunst is om ons. De Kunst, om dit tweede beginsel van uw eigen leer te noemen, is de uitdrukking van de schoonheid die in het Leven is. Mag men de kunst niet noemen de konkreete schoonheid, de konkreet gewordene, de verzinnelijkte in vormen en door een proces, die wisselen met der tijden verschillende
levens-verschijnselen ?...... Sta mij dan toe een oogenblik u een
toekomst voor te houden, waarin der menschen ziel die ontvankelijkheden en fakulteiten zal bezitten, welke haar onmiddellijk met der dingen Schoonheid in verbinding stelt. Is het denkbaar dat men de opzettelijke verzinnelijking eenmaal zal nalaten als niet meer noodig geworden, ja, niet meer mogelijk, want alle menschen drinken en eten de schoonheid onmiddellijk van de levensvelden en uit de levensbeken, plukkend en reikend met eigen volkomen zintuig? Als wij eens ontdekten dat wat wij litteratuur en kunst noemen, arme hulpmiddelen waren om den on-ontwikkelden zinnen de raadselen van het onvergankelijke mee te deelen, de vondsten van uitgelezen zielen die de geheimen van het eeuwig schoon in halfbedekte vormen toonden aan de menschen, nog niet geschapen voor zijn geheele ontsluiering? vaak nog niet bekwaam deze gedeeltelijke te verdragen? Het is immers ongerijmd als de kunstenaar de kunst meer dan de schoonheid bemint. Het is immers onder zijn waardigheid te vreezen dat de schoonheid-zelve zal vergaan, en hij alzoo zich zou bezig houden
met minder dan onvergankelijke dingen?......
Zal de toekomst die ik aanduid worden bereikt ;â het Socialisme zegt: Ik ben de Weg; â en alleen door dien Poort zal de menschheid het betere leven kunnen instreven. Nooit heeft men den hoogen zin van onze grootere dan alle andere ontdekkingen scherper beseft, dan wanneer men bedacht wat ik hier meer stamel dan te kennen geef. Ik bedoel de ontdekking
36
SOCIALISTISCHE AESTITETIEK.
37
dat de beschouwing van de instellingen die wij om ons heen zien, al datgene opwekt en bepaalt wat door het gevoel wordt gekend. De bezorgdheid van Van Deyssel voor de Kunst is een bewijs. Ja, nu, in dezen lagen staat van menschelijke beschaving, die het nog tot geen noemenswaard samenleven heeft gebracht, al is wat de winsten van onze beschaving zijn door het samenleven verworven, is alles wat bijzonder mag heeten het eigendom van enkelen; ook de Kunst, het vermogen om kunst voort te brengen, om de schoonheid meê te deelen, is monopolie. Het zijn maar heel weinigen die tot dusver de kracht hadden de sterke touwen waarmee ieder die is geboren naar beneden getrokken wordt, hetzij in de geleidelijke ontwikkeling van zijn bijzonderheid te ontknoopen en van zich te werpen, hetzij door de plotselinge erkentenis van zijn talent te doen barsten. Maar bijna allen die stijgen doen het als een vogel die in een haag van doornen verward is geweest, en zijn vleugels slaande wel vrij kan komen en opvliegen, maar stekels blijft dragen in zijn borst en van zijn pluimen achterlaat in de struiken. Men zegt, het genie en de krankzinnigheid, of die vele ziekten van den wil, de dronkenschap, de vrouwenliefde, de menschenvrees, de jaloerschheid, de zelfzucht, zijn als kamers waarvan de deuren openstaan en waarin de bewoner dwalende den drempel overschrijdt zonder het te willen of te weten. De gesteldheid van de schedels zou het bewijzen. Maar ik geloof dat dit geen dingen zija bestemd zoo te blijven, geen dingen noodzakelijk zooals ze zijn. Worden zij zoo geboren, de menschen, met een haast niet te merken onderscheid van aanleg tot den grooten schelm en den grooten kunstenaar of denker, dan is zonder twijfel deze ongerijmdheid maar een van de zeer vele, die kopieën en produk-ten zijn van de wanstaltige maatschappij waarin zij gebeuren. Het is de worsteling van de tot alle goddelijke verrichtingen bepaalde menschelijke ziel met de ruwe realiteit die haar wil vernederen. Maar het is onmogelijk de realiteit te ver-
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
38
worgen en als een overwonnen lijk van zich te schudden, zonder zelf ongeneeselijke wonden te beloopen. Want wij zijn niet met ondeugden alleen, ook met sommige deugden aan de werkelijkheid gehecht. Niemand is zonder eigen schade grooter dan anderen, en het is alsof in het schoeisel dat ons den berg opdraagt, spijkers steken die dieper in den voet dringen. De altisten dan van tegenwoordig, hebben het monopolie van de Schoonheid te zien en te zeggen, maar wij vragen ons af hoe het komt dat zij, die geroepen zijn om anderen gelukkig te maken met wat nog maar de echo is van wat zijzelf hebben gehoord, de vreugde niet altijd kunnen vinden in het eerst vernomen geluid... Want als ik toeschrijf aan de kracht van het alledaagsche, dat maar zoo zeer enkele personen daaraan kunnen ontsnappen er niet-alledaagsch zijn, dan bedoel ik tevens uit die heerschappii te verklaren de smarten die de artisten dragen en waarmede zi; hunne voorrechten betalen. De mensch namelijk is niet bestemd om bijzonder te zijn, maar het bijzondere is bestemd menschelijk te worden. De hoogste edelheden worden in het samenleven alleen tot rijpheid gebracht. En wat pas in een later samenleven rein en groot zal zijn, dat is toch al eenigszins, klein en onzuiver tegenwoordig te vinden. De nu-bijzondere lieden, natuurlijk niet bewust en opzettelijk, het kan ook niet anders en ze zouden het alleen ten koste van het beste kunnen laten, maar zij vertrappen de jonge planten van deze deugden die eenmaal hooge bosschen zullen worden in de glorie waarvan voor iederen man en vrouw plaats zal zijn. Het monopolie van kunstenaar te zijn bevordert den groei van anti-sociale, dat is onmenschelijke neigingen. Mijne gedachte komt hierop neer, dat ik plaats zie voor de hypothese dat de kunst, de thans eenig-mogelijke of ten minste meest volkomen verzinnelijking van de schoonheid, zal overgaan in een andere, meer onmiddelijke aanraking van de schoonheid met de menschelijke ziel. In die hypothese is geen ruimte voor het begrip artist. Ik wil wel bekennen dat mij dat afzonder-
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
]ijk-artist zijn, hoe eerbiedwaardig ook in deze maatschappij, onvereenigbaar toeschijnt met een hoogere beschaving. De positie heeft iets onnatuurlijks, huivering-wekkends, nu al, en doet somtijds denken aan moderne astrologen, alchemisten, of aan Dr. Faustus die vele machten had, maar zijn zaligheid had verbeurd. Is het de hoogst-denkbare behandelings-wijze van de schoonheid, de tegenwoordige, om als model gebruikt te worden voor sommigen onder ons, die velerlei vernedering met de half-menschen van nu gemeen hebben ? Ik kan het niet gelooven, ik ^ie het anti-sociale van dit bedrijf als een gespleten hoef uitsteken â¢onder den rand van den brokaten mantel......
Zijn er, zou ik willen vragen, tegenwoordig teekenen te vinden dat in eene verder-gevorderde beschaving de kunst zal ophouden middelares te wezen tusschen de ziel van de menschen en de schoonheid ?
Nu zie ik in de vorming van onze litteratuur in deze laatste jaren, de aanwezigheid van teekenen als de door mij bedoelde. Dit is wel duidelijker geworden dan iets anders, dat de fakulteit van de menschelijke geest waarmede kunst wordt voortgebracht, niet is een vermogen dat van nature slechts enkele personen zouden bezitten. Dat vermogen, van impressies van schoonheid te krijgen, is erkend te zijn een, algemeen menschelijke ontvankelijkheid. Want wat de artisten van de overigen onderscheidt, is de grootere intensiteit van de impressies, intensiteit van diepte, van zuiverheid, van duur; waardoor zij in staat komen de impressies te noteeren, te beschrijven, van langgeleden terug te roepen, zoo te behandelen als een fotograaf zijn gekozen voorbeelden, de archief-bewaarder zijn dokumenten, de menner zijne paarden. Dit alles staat vast, is door de denkers onder de artisten vastgesteld, behoeft niet te worden gediskussi-eerd. Wat de artisten van de overigen onderscheidt, is niet de aard van hun aanleg, het is de mate waarin zij hem bezitten. Zie hier een voor mijn gevoelen gewichtig argument. Er ligt in
39
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
opgesloten, dat deze mate van ontwikkeling waartoe tegenwoordig eenige bevoorrechte lieden die eigenschap van hun geest kunnen voeren, niet in lengte van dagen tot een zoo gering getal van menschen noodzakelijk beperkt behoeft te blijven. Er ligt niet in opgesloten dat eene algemeen-wording van de fakulteit die hier besproken wordt, aanstaande is, evenmin als bijvoorbeeld het omgekeerde, namelijk dat zij nog1 schaarscher zal worden dan thans. Maar alleen de mogelijkheid van wat ik boven aanduidde, wordt door het groote beginsel van de hedendaag-sche kunstopvatting niet ontkend, is daarin vervat en er uit afteleiden, zonder, naar ik meen, eenig geweld te plegen aan zijn bedoelingen. -ââ Nu doet het er natuurlijk niets toe, dat in de praktijk van tegenwoordig deze theorie alleen een theoretische beteekenis heeft. Anders gezegd, het doet er niets toe, dat in deze beschavings-periode het op hetzelfde zou neêrkomen, wanneer het genoemde beginsel niet zou zijn opgemerkt of geheel anders zou luiden. Inderdaad is dit het geval, het is in de praktijk het zelfde, of men aanneemt een algemeen-menschelijk vermogen van artistieke indrukken te ontvangen, maar dat alleen bij heel weinig individuën noemenswaard ontwikkeld is, of wel de uitsluitende aanwezigheid van het vermogen bij deze enkelen. Maar het is niet onverschillig, het heeft tenminste de kans niet onverschillig te zijn, in een andere beschavings-periode.
De leterkundige kritiek heeft nog op een andere manier het aangeduide beginsel genomen tot haar uitgangspunt, door te verklaren dat inhoud en vorm niet van elkaar zijn te onderscheiden. Te voren diskussieerde men den inhoud afzonderlijk van den vorm. Nog is deze neiging uit ouderwetsche hoofden niet verbannen. Men nam aan zekere kunst-vormen, waarover geheele aesthetische systemen werden geschreven, waarin ieder auteur zijne gedachten, zooals men de stof van den kunstenaar het liefste noemde, met meer of minder vaardigheid streefde uit te drukken; de taal heette het gewaad waarin de dichter zijne on-
4°
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
41
denverpen kleedde. Deze verouderde voorstelling nu, daarvan is zeker waar dat zij met de hier behandelde hypothese volstrekt niet vereenigbaar is. Immers, bestaan werkelijk zoodanige âkunstvormenquot; buiten de menschelijke ziel, zijn zij niet de met de-tijden wisselende, naar gelang de ziele-gesteldheid zelf van de menschheid verandert, onmiddelijk door de aanraking van de impressie gekreëerde gestalten, waarin de artist de door deze bevruchting ontvangen schepselen het aanzijn geeft, dan is de bekwaamheid ook theoretisch geen algemeen-menschelijke fakul-teit maar een apart meesterschap van sommige naturen, dat anderen en de meesten absoluut niet bezitten; en dat, eenmaal aanwezig, vooral door studie van modellen waarin kunstvormen tot volmaaktheid zijn gekomen, moet worden verpleegd. Door in het geheel niet uit te gaan van zekere vormen, als klaar-lig-gende en door gebruik gewijde voorbeelden, maar door telkens opnieuw van elk aangeboden kunstwerk te onderzoeken of de gebezigde vormen de preciese uitdrukking zijn van wat in de ziel van den vervaardiger naar uitdrukking heeft gezocht; ja, door het werk af te keuren wanneer de vormen zoo zeer gelijken op de van elders bekende, dat als zeker kan worden aangenomen dat de ziel van den auteur ledig is geweest, en hij geen andere verdienste heeft dan voor zijn eigen impressies de in het werk van anderen daarmede het meest overeenkomende uitdrukking te vinden, â door deze manier van doen bevestigt de latere kritiek hare grond-gedachte dat de ontvankelijkheid voor impressies is een algemeen-menschelijke eigenschap. Immers, zij eischt van den vorm enkel dat hij juist zij. Zij verlangt van ieder mensch de eigen expressie, erkent dus bij ieder mensch de mogelijkheid van artistieke indrukken, zij fingeert geen klasse of groep van kunstenaren die krachtens hun uitsluitend-bezit van de artistieke natuur een uitsluitend recht hadden op eerbiediging van hunne vormen. Zij nadert integendeel met de grootste belangstelling elk nieuw auteur en legt
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
angstig haar oor aan zijn spel, zich afvragend hoe deze nieuwe mensch nu weer zijn gehoorde echo's zou doen klinken, bereid hem alles te geven waar zij over beschikt, als zij maar ééns de harmonie heeft geluisterd van wat hem gezegd is en wat hij zegt. De moderne kritiek kent alleen ménschen die verstaanbaar spreken van hun eigen ziel, en streeft er naar hare meening over elk die spreekt los te maken van elke traditie. Zij erkent ieders recht om beoordeeld te worden met dien éenigen maatstaf, zonder gehechtheid of voorkeur, ook niet aan het meest venerabele van vroeger. Er zijn, zegt zij, geene eischen van een kunst buiten den mensch, buiten elk individu; zij zijn, voor elk individu, nieuw te formuleeren. Zooveel personen, zooveel kunsten. Die waarlijk spreekt wat hem tot spreken prest, is haar beschermeling; niemand is van te voren uitverkoren of verstoo-ten; en als zij eiken dag eene aesthetika zou moeten maken die eiken volgenden dag door een nieuw poeët zou worden uitgeput, zij zou zich noch verwonderen noch beklagen, want zij beseft van te voren dat zij in elk mensch een zanger van eigen ziel, een dichter van eigen denken, zal mogen, moeten kroonen.
Deze andere verouderde methode, van de werken te beöor-deelen naar de gedachten die zij bevatten, en ze hooger te schatten naarmate de gedachten ongewoner schijnen, steunt ook op een meening over kunst die zich met het idee dat ik hier aangeef, in het geheel niet vereenigen liet. Zij is vervallen, die methode, en deze meening heeft plaats gemaakt voor een andere, de genoemde, die, ook van dezen kant gezien, mijn idee den weg schijnt te banen. Immers, gedachten, wat men daaronder begreep, waren fragmenten van het verstand van den dag, opmerkingen van zedekunde, menschenkennis, wereldwijsheid, en dn alles, hoe voortreffelijk ook voor het oogenblik of boven de al-gemeene inzichten van het oogenblik verheven, is geen deel van het onvergankelijke menschelijke goed, maar van het vergankelijke. Ik twijfel er aan of eenig poeët, destijds wegens zijne ge-
42
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
43
dachten geprezen, ooit om die reden een blljvenden naam heeft verkregen. Geen denkbeeld-alleen is in staat iemand onsterfelijk te maken, tenzij in de historie, niet in de harten. Elk denkbeeld is bestemd vergeten te worden of algemeen eigendom, een gemeenplaats die men zich in acht neemt te herhalen. De uitmuntende gedachten kunnen enkel geschiedkundig worden geroemd, de herinnering aan den verspreider zal in dankbaarheid worden onderhouden ; en sommigen worden door hunne studiën in staat gesteld den schoonen springvloed van nieuwe meeningen te waar-deeren, die op zekere tijden de verdroogde geesten kwam bevruchten. Ook de brengers van de nieuwe gedachten kunnen door hun werk op een later menschdom den onverzwakten, di-rekt-artistieken indruk blijven oefenen, maar clan is het hunne Verschijning zelf die impressionneert, niet wat zij hebben gedacht, dat regelmatig door verder denken is gezuiverd De moderne beschouwing van het gedachtenleven zelf, heeft den eerbied voor de bijzondere denkers vervormd, door hun voornamelijk deze verdienste toe te kennen van het duidelijkst te hebben uitgesproken wat noodzakelijk was te denken. Zonder aan dien eerbied tekort te doen, zoekt de kunstkritiek in het werk van de artisten niet naar deze getuigenissen van wat min of meer algemeen werd gedacht, maar naar de teekenen van wat individueel is gevoeld. Om zulke getuigenissen van eenige waarde te kunnen afleggen, is noodig de geleerdheid, de ervaring, die maar weinig menschen zich kunnen eigen maken, en die! ten slotte door de ondervinding en de kennis van een latere eeuw worden overtroffen. De kritiek heeft vroegere eischen, van boekenwijsheid, van vertrouwdheid met litteraire en filosofische wetenschap, laten vallen. Zij geeft zoodoende te kennen dat de kunst niet noodzakelijk beperkt moet blijven binnen de kleine kringen van gestudeerden, die al het verstand van hun tijdvak in hunne werken wel verzamelen, en dat zij mag opnemen de menschen, die van alles onkundig zijn en van niets weten te spreken, dan van de lotgevallen
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
hunner eigen ziel. Geen kennis, zegt zij, is eerbiedwaardig bij de zelfkennis. Geen ding is bestaanbaar naast de Schoonheid. Geef ons dan de kennis van de Schoonheid die gij vindt in u zelf: deze zijn van u en alle andere menschen de eenig-onver-gankelijke gedachten.
De gronden die ik voor mijne onderstelling bezig ben aante-voeren, worden bevestigd door de litteratuur evenais door de kritiek. â De modernste auteurs zijn de meest direkte midde-Isars tusschen hunne impressies en hunne lezers. Een kritiek die met eenigen traditioneelen maatstaf, aan de uitdrukking van anderen ontleend, hunne geschriften zou naderen, zou niet weten waar te beginnen, waar te eindigen. Het worden vragen van zuivere psychologie en fysiologie. De direkte, eigen indruk opgeschreven, in den hoogsten graad van nauwkeurigheid waargenomen en genoteerd met overeenkomstige verfijning. Daarom een natuurlijker en eenvoudiger kunst, men zou zeggen demokrati-scher en populairer dan ooit te voren, an deze spijs kan ieder eten die een mond heeft, men geneert zich zonder tafelgereedschap en dischplechtigheden. Geen moeitevolle vermeestering van kunstvormen, geen angstige zorg voor kunstwetten, geen pöetika, noch prosodie, noch de kundigheden van aarde en hemel die vroeger in dit vak van arbeid onmisbaar waren. Het on-vamp;rmengd-persoonlijke, het getrouwste verslag van hoe zonnestralen van schoonheid werkzaam zijn op het zieleweefsel van die en die bepaalde individualiteit. Hoe die trillen en beven h de volgorde en de samenhang van de geschreven woorden. Om deze kunst te maken is niets noodig dan de ontvankelijkheid, die de eigenschap is van ieder afzonderlijk menschelijk gemoed. Deze artisten zijn menschen precies als de rest, maar krasser. Hunne kunst doet minder dan iets anders denken aan kunst. Men moet zijn letterkundige eruditie geweld aan doen, eer men hen rekent tot de litteratuur. Litteratoren zijn deze artisten in het geheel niet te noemen. Wat zij verder met de litteratuur te maken
44
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
hebben, is hoofdzakelijk uiterlijk en hun opgelegd, mag men zeggen, door omstandigheden sterker dan zij. De letterkundige belangstelling, zichtbaar in bekendheid met biografie en historie, is afwezig of alleen door die omstandigheden gewekt. De onbegrijpelijkheid is een andere trek van het niet-litteraire karakter van hun werk. Wie kan iemands droomen ontcijferen, wie kan verklaren de beweging van zijn lippen en den kadans van zijn ledematen als hij onbespied meent te dwalen, wie de wisseling van zijn handschrift uitleggen, bescheid doen van zijn polslag,
zijn traan, zijn blos, oogeschitter, ademtocht, handdruk.........
Alleen het litteraire is begrijpelijk, de geheel-eigen expressie is alleen duidelijk voor den spreker, wat anderen er van opnemen is alleen bij benadering, en zou eerst volkomen worden wanneer men de werking van zijn hierbij bewogen geestesapparaat, zou vermogen te demonstreeren als de samenstelling van een gemaakte machine. Moe meer eigen de kunst zal worden, in de schilderkunst immers ook, hoe onbegrijpelijker. De kunst wordt ieders aparte taal. Zij zal eindigen met zoo hoog-eigen te worden, dat zij elke koncessie aan de noodzakelijkheid om zich te bedienen van teekenen, die, willen zij eenigszins verstaanbaar zijn voor anderen, moeten overeenkomen met de teekenen die anderen zouden gebruiken voor hunne impressies, dat zij elke koncessie aan het traditioneele zal verwerpen. Elke uitdrukking in taal, nu, is eene zoodanige koncessie. Het is niet waar dat twee menschen een rijm op precies-dezelfde manier zouden kunnen hooren, of een redebeeld zouden kunnen zien. Elke verdere verfijning van de zinnen zal de diversiteit vergrooten. In het gewone leven zal men zich van eenmaal overeengekomen woorden, de etiketten op de begrippen, niet kunnen ontdoen; maar nu al strijden de artisten er tegen dat men zijn aandoeningen in zulke woorden zou zeggen; dat kunnen, vinden zij, niet de teekenen zijn van eigen zien en hooren. Dit, doorgevoerd, maakt aan de Kunst een einde. Voor kompleet eigen hooren en zien kunnen alleen
45
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
kompleet-eigene figuren staan, oogenbliks-bloemen die verwelken als zij uit de moederaarde van des dichters ziel omhoog breken, die nergens bij worden vergeleken, die op niets gelijken, die geen leven kunnen leiden buiten de warmte die hen heeft voortgebracht in het binnenste van den poëet. Zij kunnen niet bestaan in den ijskelder waar men de tot woorden gestolde grove impressies van de dagelijksche dingen bewaart. Zoolang er eene Kunst zal zijn, kan aan dien eisch van de moderne artisten niet worden voldaan, niet principieel; wat er gemaakt wordt, in hoeverre dat aan dien eisch beantwoordt, is een kwestie van meer of minder. Een Kunst, die zich niet waagt buiten den schoot die haar heeft ontvangen, die zich niet voor anderen verzinnelijkt, niet verzinnelijken kan, wijl de bereikte hooge verfijning van indrukken geheel afzonderlijke, voor niemand anders toegankelijke symbolen zou formeeren, en zoo afkeerig van woorden is geworden als een Apollo zou wezen van de kleedingstukken in een konfektie-magazijn, is niet de litteraire kunst die wij zoo noemen. Dan zal zijn ingetreden het begin van de toekomst waarvan ik de mogelijkheid onderstel. De direkte aanraking tusschen ziel en schoonheid zal zijn tot stand gebracht. En om die aanraking te ondergaan zal al het toestel van wat nu een letterkundige opvoeding, een artistieke ontwikkeling wordt genoemd, onnoodig zijn. Wie den zomerregen wil laten druppelen op zijn hoofd, of den voorjaarswind wil ademen, of het vriezen van den winter wil treden met zijn voet, die heeft maar uit te gaan in de natuur, de schoonheid van deze en alle anderen dingen zal hij gevoelen zoo akuut als koude, hitte en vocht......
II.
De hier aangeduide kritiek en kunst is de eigenlijke demokra-tie in de litteratuur. Demokratische litteratuur is niet het werk van de artisten die in de politiek demokratische beginselen zijn toe-
46
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
47
gedaan. Demokratische litteratuur moet niet met politieke ideëen worden beoordeeld, maar met litteraire, omdat het geen politiek maar litteratuur is. Demokratische litteratuur kan zoo genoemd worden wanneer zij voorname trekken heeft die in het litteraire, overeenkomen met eigenschappen van de demokratische politiek. De demokratische politiek onderscheidt zich van de aristokrati-sche, door te strijden tegen privilegiën van macht en bezit als nadeelig voor de geheele maatschappij, in korte woorden, door gelijkheid van rechten te erkennen. De aristokratische litteratuur onderscheidt zich van de demokratische, door niet te erkennen de gelijkheid van rechten voor ieder mensch, om voor de zuivere mededeeling van den inhoud van zijn gemoed in de letterkunde gehoor te vinden. De aristokratische litteratuur â dit is de eenige zin waarin het woord aristokratisch, een politieke term, tot benoeming van litteratuur kan gebruikt worden zonder zijn beteeke-nis geweld aantedoen â verlangt dat men in het bezit zij van een massa geestelijken rijkdom van allerlei aard; kennis van taal en letteren, van aesthetische stelsels, van filozofische ontwikkeling etc. De demokratische litteratuur, acht dit alles gering bij de zuiver-menschelijke schoonheidsimpressie; wie in de kunst het nuttigst is, door de meeste schoonheid te produceeren, en het eerlijkst, door aan anderen zoo weinig mogelijk te ontleenen, niet wie van al die geestelijke schatten het meest heeft opgestapeld, daarnaar vraagt zij. Alleen dat kan haar schelen, zooals in de demokratische politiek enkel de eerlijkheid van iemands bedoelingen en de nuttigheid van zijn werken worden beoordeeld.â Xu zou het misschien 't beste van alles zijn die uitdrukkingen van aristokratisch en demokratisch in kunstzaken achterwege te laten, want anders dan vergelijkenderwijs kunnen zij toch niet te pas komen, en heel licht verliest men dat uit het oog, en gaat de eigenlijke beteekenis van zulke termen klakkeloos toepassen in dingen waar zij alleen oneigentlijk, overdrachtelijk kunnen gebezigd worden. Ten eerste zal het noodzakelijk zijn zich
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
van den inhoud der begrippen aristokratisch en demokratisch te vergewissen, voor men zich weder waagt aan hunne figuurlijke toepassing. Ten tweede mag men verlangen verschoond te blijven van een zoo weinig doordacht gebruik van deze woorden, volgens, hetwelk de belangstelling die demokrati-sche staatkundigen aan den dag leggen voor de onderdrukten van thans, en hunne eerst na eeuwen van ervaring genomen konklusie dat die onderdrukte-zelven het moeten zijn die zich vrijmaken, alles tot grooter geluk van alle menschen, zoude beduiden dat zij de grofheid zouden verkiezen, of wel onder dit grooter geluk, zich enkel een wereld van eenvormige middelmatigen verbeelden. Omdat de organiseering, de voorlichting en de revolutionneering van de proletariërs in een bepaalde periode de taak moet wezen van de demokratische staatkundigen, is het daarom niet geoorloofd hun een voorkeur aan proletariërs-beschaving toe te dichten en een afkeer voor de maatschappelijke verfijning, die overigens, dat moet er bij gezegd worden, in handen van de tegenwoordige, haar einde naderende bourgeoisie, met eiken dag op hare beurt, in ploertigheid en ruwe luxe ontaardt.
Het zou geen moeite kosten uit de geschriften van den Heer van Deyssel passages over te nemen die de meest ongebonden vrijheid in het litteraire prediken, andere die van de geëischte vrijheid het ruimste gebruik maken. Maar minder dan wie ook, hebben de lezers van dit tijdschrift zoodanige citaten noodig, Sommigen onder hen die op het hier aangestipte misbruik van de betrokken woorden reeds attent waren, zullen geglimlacht hebben te hooren hoe deze groote vernieler van letterkundige konventie, gezagseerbied, en van de overige zaken die in de politiek het wezen uitmaken van het aristokratische ue-houd, den aan de zijne volkomen paralel loopende geestes-stroomingen met gebiedende woorden halt toeroept. Weinigen zeker zullen er op voorbereid zijn geweest, iemand die aan
48
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
heerschende meeningen en geliefkoosde gevoeligheden van een zeker slag van menschen, de onoverkomenlijkste beleedigingen heeft toegebracht, plotseling als beschermer van zijne offers te zien opkomen! Welke hersenschimmige ideologie is de zijne I Hij heeft die arme bourgeoisie al hare fraaie todden van litteratuur van het lijf getrokken en hij wil dat anderen eerbied zullen hebben voor haar verfomfaaiden ribbekast!â Is, om daar nog even op terug te komen, in zijne kunst, en in die van Herman Gorter, niet alles populair, demokratisch ? Ik bedoel demokra-tisch in het litteraire, waarmee deze auteurs niét genoemd worden, begrijpelijk en genietbaar voor de lieden wier belangen in de tegenwoordige demokratische staatkunde bevorderd worden.
Maar in het litteraire is dit alles hoogst populair, de ongeje-neerde omgang van lieden uit het volk. Het afgemeten, stijve stappen door de wereld van de vroegere litteratoren vindt men niet meer, evenmin hunne hoog-vriendelijke, aristo-kratisch-neêrbuigende zorg om door u begrepen te worden; de aller-modernste kunst is te vergelijken bij de demokratische inrichting van een stations-ververschingszaal als een sneltrein stilhoudt. Iedereen stormt naar het buffet of naar de kabinetten, met een volkomen verachting van de beschroomdheid om in eikaars tegenwoordigheid van zijne intiemste noodzakelijkheden te doen blijken, roept luidt zijn bestellingen, men eet uit de vuist, drinkt met zijn beiden uit een glas, er is geen gelegenheid voor plichtplegingen, voor inachtneming van eenige vormen, het zijn allen menschen, die honger, dorst, etc. hebben en daarbij erg gehaast zijn. De nieuwe auteurs zijn als de bewoners van arme buurten die' met hun lief en leed direkt in de hevigste woorden op straat komen; zij kunnen niets binnen houden; zij toonen u tot het hemd dat zij dragen, roepen u overal bij, vertellen u al hunne geheimen. Dan lappen zij de vroegere uitgezochtheid van letterkundige vormen aan hun klomp... Allemaal gekheid, zeggen zij, gij hoort het ze duidelijk zeggen in hun werken, die
4
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
oudenvetsche fijne manieren, die degelijkheid van gedachten, die samengestelde kunstvormen, die prozodie, die poëtika, â spreek je eigen taal, ronduit, ieder mag zeggen, wat hem op zijn hart ligt, elk zingt naar hij een mond heeft.
Ik ben aan 't einde. â Is het nog noodig den oorsprong van Van Deyssels maatschappelijk mooi-en-leelijk, dien ik zoude ondernemen aan te wijzen, nog verder te onderzoeken ? Ik heb getracht te toonen, dat dit geval de filosofische grondgedachte bevestigt van de socialistische wereldbeschouwing. De erkenning namelijk dat de abstrakties van ons gevoel gewekt worden dooide waarneming van de dingen om ons heen. Xiet die abstrakties zijn in zich zeiven eerbiedwaardig en onvergankelijk, maar het vermogen van den geest om haar op te bouwen. Andere instellingen, in den generaalsten zin, vormen de andere moraal, de andere aesthetika. Niemand dan vreeze de goedheid, de schoonheid te zien verdwijnen, wanneer men hem spreekt van de mogelijkheid, dat wat hij nu houdt voor schoon, voor goed, begrepen is in der uitwendige dingen onstuitbare wisseling. Die angstigheid, ik vraag vrijheid het te verhalen, is onder de waardigheid van den dichter, van den strever naar een smetteloozen wandel. De zorg zou een reden hebben wanneer de goedheid, de schoonheid zou vallen, met hare objekten die wij zien. Maar dan zou zij alleen voor kleine geesten een reden hebben. Die zich bezighouden met het eeuwig-levende en zich daarvan bewust zijn, weten dat de aarde-zelve kan vergaan en nochthans boven de puin-hoopen van het laatste vuur, de sterren van der menschen ziele-mogendheden zullen rijzen, onbluschbaar en niet te dooven. Doen ten minste wij dan beter dan de stapelaar van veel rnunr, die zijn gelden telt en verbleekend meent, dat de wereld geen heil kan bevatten, het leven geen geluk, wanneer hem de kans om schatten te vergaderen zal zijn ontnomen. Dit nu, de zucht naar gewin, is een nietige bekommerdheid, en de inspanning om de schoonheid te vermelden, een zeer verhevene arbeid. De
SOCIALISTISCHE AESTHETIEK.
Si
wanschapen samenleving van thans, heeft voor de geringe bezigheid de meest afzichtelijke vormen; maar met een vastheid die niet weg te schuiven is, sta hier de overtuiging bericht, dat de samenleving in bare rijpere staten ook van de waardige oefeningen die wij kennen, nog fazen van bloeiing zal brengen welke niemand van de levenden kan bevroeden. â
April 1892.
MALTHUSIANISME.
i.
Het is nog zoo lang niet geleden, dat de fatsoenlijke menschen van het Darwinisme enkel begrepen, dat zij (en wij) van de apen afstamden. Dat zij de leer van Malthus goddeloos en het nieuw-Malthusianisme onzedelijk vonden. Zij bemoeiden zich er minder mee of Malthus en Darwin de waarheid hadden gezegd. Deze-vraag is ook nu nog hun laatste zorg; maar zooveel heeft het beschaafde publiek thans wel begrepen, dat van de wetenschappelijke stelsels die men met deze namen aanduidt, schoonschijnende argumenten tegen de sociaaldemokratie zijn te maken. Argumenten welke er daarom goed uitzien, wijl ze iets natuurwetenschappelijks over zich hebben, en de natuur een ding is dat zich aan geen politiek stoort, maar onverbiddelijke wetten stelt aan alle levende wezens, tot welke richting en soort zij behooren. Weet men dus uit de natuurwetenschap iets tegen de sociaaldemokratie te pas te brengen, dan schijnt dit veel degelijker dan uit de filosofie, de geschiedenis, de ekonomie, of zoo; want dat is alles redeneering en het hangt er veel van af op welk standpunt ge staat; omdat verstandige menschen wel weten, dat men uit die soort vakken zoowat alles bewijzen kan wat men wil. Als de een met een filosofische redenatie of met voorbeelden uit de geschiedenis, u duidelijk heeft aangetoond, dat zijne opvatting van de zaak de juiste is, komt een ander, die niet minder wijs-geerig begaafd is of gevallen aanvoert, die toch ook gebeurd
MALTHUSIANISME.
zijn, u bewijzen dat dezelfde zaak heelemaal verkeerd is voorgesteld. Neen, dan is de natuurkunde een beter vak, misschien niet zoo onderhoudend, maar veel preciezer en aan precieze argumenten tegen de sociaaldemokratie heeft men nu juist geen overvloed. En wat vooral de theorieën van Malthusof Darwin zoo aantrekkelijk maakt uit dit oogpunt, is, dat zij behalve natuurwetenschappelijk, modern en geavanceerd schijnen; het Darwinisme ook nog, althans de politieke toepassing van het Darwinisme, en het nieuw-Malthusianisme eerst recht. Het gebruik van deze klasse van argumenten geeft reeds van te voren te kennen dat men tegen de sociaaldemokratie is, toch ook een geavanceerde en moderne leer, niet uit konservatisme, maar als voorstander van nog verscher wetenschappelijke vondsten.
Men stijgt met deze èn natuurwetenschappelijke, èn nieuwerwets che methode onmiddellijk boven het onderwerp, en heeft hei air alsof men dit in de oogen van de groote menigte verheven toppunt van maatschappelijk inzicht â- de socialistische leer â reeds achter den rug had en onder de voeten.
Geen zeurderij over den menschelijken aard, die onvereenig-baar zou zijn met socialisme: want wat is nu eigenlijk de men-schelijke aard? â; geen verouderde praatjes over het gelijk deelen en de maatschappij van enkel ambtenaren en de gedwongen beroepen : werken moet je altijd, in iedere maatschappij, socialistisch of niet, en vrije keus van beroep is tegenwoordig toch ook maar zeldzaam. Wat de staathuishoudkundigen inbrengen tegen het socialisme, mag veel van waar zijn, maar die zijn het vooreerst volstrekt niet eens: of je Pierson leest of D'Aulnis de Bourouill of Quack of Treub of Socius in den groenen Am-sierdammer, dat verschilt heel wat. En dan zijn dat schrijvers dit tot de bourgeoisie hooren, en als je van den anderen kant de socialisten leest, dan hebben die op hun maniei ook een boel gelijk. De professors, de bankiers, de redakteuren van de groote bladen, de mannen van de regeering, die zijn niet zuiver onpar-
53
MALTHUSIANISME.
54
tijdig al weten ze het mogelijk zelf niet en al doen ze het er niet om. Maar de natuurwetenschap â die is onpartijdig en zeker; de natuurkundigen bemoeien zich niet met politiek, die hebben daar geen belang bij, en als ze een enkele maal het wel doen, en dan zoo positief zeggen dat het socialisme niet kan, dan is er geen kwestie meer van, dan kunnen de sociaaldemokraten wel uitscheiden, ten minste als ze nog iets geven om waarheid en wetenschap, en dan weten wij waaraan wij ons te houden hebben.
Tegen deze bestrijding is dit in te brengen, dat zij het debat voert op een terrein, hetwelk voor eenigen tijd de burgerlijke kritiek zich zou geschaamd hebben te betreden. Te voren was men van die zijde althans zoo wijs, dat men niet vergat met een elionoinische vraag te doen te hebben. Men bleef bedenken, dat het geschil hierover liep, of in de menschelijke maatschappij een socialistische produktiewijze mogelijk, of zij begeerlijk was. En hierover waren socialisten en niet-socialisten het eens, dat de menschen den onbewusten staat, toen zij uitsluitend tot de natuur behoorden, en alleen aan natuurwetten waren onderworpen, lang hadden verlaten, reeds van het oogenblik af dat zij zich tot de primitiefste samenlevingen hadden geschikt, en sedert dien tijd onafgebroken grootere heerschappij over de natuur hadden verworven. In één woord, dat de geheele beschaving een produkt was van de maatschappij en niet van de natuur, en dus dat om de vraag te beantwoorden welke vormen onze beschaving zou kunnen aannemen, men de geschiedenis van de maatschappij moest raadplegen, en de natuurlijke historie kon laten rusten.!) Tenzij men een speciaal onderzoek hiernaar verlangde,
i) Feringa, Democratie en Wetenschap^ 1871. âHartings Darwinisme heeft veel van een abatoirs-theorie, waaruit zich nagenoeg alle schurkenstreken zouden laten verdedigen.quot; Schrijver acht het âeen even onverstandige als onvergeeflijke poging om uit het Darwinisme, dat slechts de gevolgen der lagere hartstochten uiteen zet, ons te doen willen beslu.ten tot berusting in 't miskennen der hoogere, betere drijfveeren der menschen.quot;
MALTHUSIANISME.
in welken vorm de natuunvetten blijven voortbestaan als wetten der maatschappelijke ontwikkeling. De zucht tot zelfbehoud, in bepaalde ekonomische omstandigheden, voerende tot strijd om het bestaan; in dien strijd de sterkste individuen en volken gelukkig ; in andere omstandigheden voerende tot samenwerking, van volken en van individuen onderling, enz. Maar heel ver kcmt men met dit onderzoek niet, want een natuurwet, die de moeite waard is, zal wel als regel van sociale ontwikkeling zoo duidelijk zichtbaar worden, dat zij als zoodanig aan de studie van de maatschappij niet ontgaat.
Thans echter verwerpt de anti-socialistische kritiek het eenvoudige beginsel dat het hier maatschappelijke vraagstukken geldt, en daalt af tot de lagere orde van argumenten welke, indien men ze ernstig opvat, onze geheele kuituur twijfelachtig tr.aken. Als wij onze betere eigenschappen zullen verliezen, zoodra wij de produktie met onderling goedvinden regelen, dan hebben alle stappen gedaan om de produktie meester te worden, ons dichter bij ons verderf gebracht. Indien wij, tot scherping van ons vernuft en sterking van onze zeden, geen andere wrijving vermogen aan te wenden dan die het gevolg is van de kommercieele konkurrentie, dan ziet het er treurig uit met de zeden en het vernuft. Als wij de op dit oogenblik denkbaar hoogste sport van den beschavingsladder, te beklimmen als de maatschappelijke verrrichtingen geheel onder onze kontrole zullen gebracht zijn, slechts kunnen bereiken om er onmiddelijk
Dc Levensbode van Van Vloten (Dl. V, 7) vermeldt deze opmerking mequot; ingenomenheid.
Een ongenoemde 'medewerker aan hetzelfde Tijdschrift. (Dl. VI, 4e, st 1873) vat de kritiek van de Darwinistische politieke leer vragenderwijs samen âHeeft de wetenschap gelijk met te beweren; dat de wet van strijd om het bestaan en het voortduren van de krachtigste en meest geschiktste individuen even volstrekt toepasselijk is op de mcnschelijke maatschappij als op de planten en dieren quot;
55
MALTHUSIANISME.
aan den anderen kant aftevallen in de diepste vernedering, dan ware het beter dat wij nimmer onze voet hadden gezet op de onderste. En als de toepassing van de macht, welke ons van de dieren onderscheidt â het bewustzijn ââ op de noodige maatschappelijke functiën, ons terug zal werpen tot den dierlijken staat, dan is alles wat de menschelijke rede tot stand bracht te vergeefs geweest. Doch dit zijn onderstellingen die zich zelf weerleggen.
En wat de onpartijdigheid betreft, welke de anti-socialistische kritiek zou onderscheiden wanneer zij van natuurkundigen uitgaat, ook daarvan geldt het tegendeel van wat zrf moet bewijzen. Het moet namelijk ver met den teruggang van de burgerlijke beschaving zijn gekomen, wanneer het bederf tot in de beoefening van wetenschappen als de natuurkunde is doorgedrongen. Want het beduidt, dat hare beoefenaren zich leden van de be voorrechte klasse gevoelen, eerder dan dienaren van de wetenschap. Het beduidt, dat zij hunne privilegiën boven alles lief hebben, en hunne wetenschap voornamelijk om de diensten aan de privilegiën bewezen. Het is een aangename onderstelling dat in het midden van een door klassenstrijd verscheurde wereld, zich een gemeenschap van onafhankelijke en onpartijdige mannen zou verbinden, een republiek van letteren en wetenschap, die geen deel neemt aan den strijd tenzij om door haar voorbeeld van kalmte en eerlijkheid de zeden van de strijders te veredelen. Een gemeenebest, waarin plaats zou zijn voor elke meening, en beurtelings gehoor werd verleend aan de woordvoerders van de beide groote vijandige richtingen. Zoo ooit de wetenschap uit haar zelve de kracht heeft geput om zich op deze hooge plaats te handhaven, dan heeft zij nu de kracht verloren. De wetenschap is voor een deel een staatsinstelling geworden, voor het overige een waar die aan den meestbiedende wordt verkocht. De staathuishoudkunde, de theologie, de geschiedenis, de wijsbegeene â nu ook de natuurkunde.
56
MALTHUSIANISME.
II.
Zooveel geldt ook in het algemeen van het Malthusianisme. Deze leer komt hierop neer dat de bevolking drukt op het levens-onderhoud. MaJthus zeide er niet bij : ââ in de kapitalistische maatschappij. Dit is juist, maar zoo juist, dat het nauwelijks gezegd behoeft te worden. Malthus zag de kapitalistische maatschappij van het leven-zelf aan, en de ongerijmdheden waaruit zij is samengesteld, voor eeuwige wetten van het leven. Malthus heeft voor op de latere ekonomen, dat hij de dingen bij den naam noemde, en niet bang was voor de konsekwenties welke hij meende te moeten trekken uit zijn maatschappelijke waarneming. Zoo kan men het kapitalisme beter leeren kennen in zijne oprechte schetsen en aan de ongegeneerde eischen welke hij stelde, dan in latere geschriften van auteurs die het systeem minder willen verklaren dan verdedigen, en verbloemen wat hun kwalijk te pas komt.
Er is inderdaad geen kwestie van dat dit systeem de overbe-vc Iking voortbrengt; de lieden die niet of zeer gebrekkig aan de kost komen, nemen in aantal steeds toe. Dit is het feit dat de overbevolking uitmaakt. Al houdt men ons nog zoo dringend voor, dat onmetelijke stukken van den bodem braak liggen; dat de machinerie een dichten regen van alle produkten uitstort, waarmeê winkels en magazijnen zijn gevuld; dat er eene hevige verkwisting is, van produkten en van produktief vermogen; dat duizende arbeiders om werk vragen dat hen niet wordt gegeven ; dit alles doet de overbevolking niet te niet, zijn in tegendeel alle teekenen er van dat zij bestaat. Er is overbevolking wanneer er armoede is en de overbevolking neemt toe met de ellende. Wij hebben niet met de aarde te doen, maar met de maatschappij. De menschen kunnen niet leven buiten de maatschappij, en de vraag is dus of zij in de maatschappij al dan niet te overvloedig voorhanden zijn. Een maatschappij die hare leden,
57
MALTHUSIANISME.
58
voor zoover zij aan den maatschappelijken arbeid deelnemen, niet behoorlijk van het noodige kan voorzien; en die een gedeelte van hare leden van den maatsc happelijken arbeid verwijdert houdt, lijdt aan overbevolking. Het aantal van hen die werken maar te weinig beloond worden, is te groot; de werkeloozen zijn overtollig en dus overtallig. Nu kan dit verschijnsel ook worden weergegeven door te zeggen dat er te weinig produkten zijn. Maar met welken maatstaf meten wij dan ? Ongetwijfeld met een hersenschimmigen, met een maatstaf ontleed aan een afgetrokken begrip van recht op arbeid, recht op het leven of iets dergelijks, en waarmede geen reëele feiten vergelijken kunnen worden. De voorraad produkten hangt af van de produktiewijze en de produktiewijze bepaalt het stelsel der maatschappij. Te; weinig produkten kan er dus in geen maatschappij zijn; iedere maatschappij heeft juist zooveel als met zijn stelsel kunnen geleverd worden, en als er te kort komt, bewijst dit dat er te veel menschen zijn voor die maatschappij. Dit geldt nu, ên behoeft niet nader te worden bewezen, voor de onze; en het was al duidelijk in het laatst der vorige eeuw, toen, ten minste in Engeland, het grootkapitalisme intrad. Malthus kon wel niet anders dan het verschijnsel en zijne oorzaken generaliseeren. Hij leidde er den algemeenen regel uit af, dat de menschen de neiging hebben zich sneller voort te planten dan de produktie kan bijhouden ; de wet van de meetkunstige en de rekenkunstige reeksen. Hij kende nog wilde overwegen, dat de ongerijmdheid van overbevolking bij opgestapelden rijkdom, van werkeloosheid b;j lediggang uit weelde, van gebrek aan brood bij onbebouwde velden, moet uitloopen op een vernietiging van het stelsel dat haar in de wereld brengt. Dat deze ongerijmdheid een fout is van de produktiewijze die haar bevat en het begin van haar einde. Want de tegenstrijdigheden van het kapitalisme zijn er teekenen van, dat de produktieve krachten welke zich in de maatschappij ontwikkeld hebben, niet meer in het ekonomische
MALTHUSIANISME.
59
stelsel voegen, dat zij het ekonomische stelsel vroeg of laat zullen verstoren. Er zijn produktiemiddelen die gebruiksvoorwerpen van iedere soort in elke verlangde hoeveelheid afleveren; de natuurlijke stoornissen van de voortbrenging die vroeger periodieke hongersnooden veroorzaakte, hebben hunne verschrikking verloren. De menschen hebben geleerd zich van alle noodige en van alle begeerlijke zaken in onuitputtelijken overvloed te omringen. En als wij zien dat de overvloed het gebrek niet kan lenigen, terwijl het bestemd was en in staat zou zijn het gebrek te doen verkeeren in welvaart, dan komen wij tot het besluit dat het systeem waarin de overvloed wordt voortgebracht, niet bij machte is zijn eigen krachten behoorlijk te besturen. Inderdaad zien wij nu de ekonomie en de techniek naast elkaar bestaan, een doodelijke scheuring als wanneer ziel en lichaam van elkaar zijn gescheiden. De alledangsche vorm van dit verschijnsel doet zich voor wanneer de menschen zeggen dat iets te duur is; te duur om te worden aangeschaft of toegepast, wat aan zijn doel zou beantwoorden en voor geld te verkrijgen is. Want de techniek levert het, maar de ekonomie belet het gebruik. Dat voor een ding geld wordt gevraagd, en een zekere hoeveelheid geld, en dat sommigen niet, anderen wel in staat zijn het te betalen; dit zijn geen voorschriften van een Godheid, of uitvloeisels van eeuwige natuurwetten, maar menschelijke instellingen, werkingen van het ekonomisch systeem waaronder wij leven. Men legt er zich bij neer als ware het een onvermijdelijk euvel. Zoo is er wel geen tak van publieke administratie die niet achterstaat bij wat hij kon zijn, indien de produktieve krachten dienstbaar waren aan een meer ontwikkeld ekonomisch stelsel. De militaire inrichtingen uitgezonderd, die onmiddeiijk van iedere mogelijke verbetering worden voorzien en om begrijpelijke redenen. Wij hebben de middelen om alle stoffelijke behoeften niet slechts, maar ook de aanspraken van den geest in de ruimste mate te bevredigen. Het is mogelijk den gezondheidstoestand, het onderwijs, de
MALTHUSIANISME.
huisvesting, de voeding van het algemeen, afdoende en zonder uitstel te verbeteren. Wij kunnen de oogsten vermenigvuldigen en vergrooten, de middelen van verkeer en vervoer uitbreiden ei', versnellen, verspilling bij iederen arbeid doen eindigen, in elke werkplaats den arbeid verlichten en evenredig produktiever maken, de werktuigen van kunsten en wetenschap in het bezit brengen van ieder die er zich aan gelegen wil laten liggen, naar ook om hen op te heffen uit het verval zoover ze daarin geraakt zijn door de moeielijkheden van ons stelsel. Het verschil tusschen dit kunnen en het niet-doen, is als de afgrond waarin cnze maatschappij zal vallen. Of onze maatschappij zal uit hare ekonomische banden breken door de werking van de nieuwe techniek, die in haar binnenste is opgekomen en waarvan de snelle groei het moederlichaam splijt en scheurt. Deze nieuwe techniek echter neemt den vorm aan van een nieuwe ekonomie, en zal haar bestaan vestigen op de overblijfselen van de oude.
Maar de tegenstrijdigheid in het kapitalisme krijgt een nog scherper uitdrukking. Het is niet slechts dat de rijkdom naast de armoede bestaat, en dus blijkbaar de rijkdomvoortbrengende k-achten slecht worden aangewend, maar het is de rijkdom-zelf die de armoede schept. Als er â dit proces in zijn eenvoudig-sten vorm â te veel goederen worden gemaakt, ontstaat er een krisis door de moeielijkheid om de voortbrenging naar het verbruik te regelen, zoolang aan de ongeregelde produktieve krachten de voortbrenging blijft overgelaten. Een krisis is een vernuftige manier om te doen gevoelen dat er iets niet in den haak is, ais een revolver die afgaat om te waarschuwen dat hij geladen was. Dan moet hals over kop de produktie worden gestaakt, de waren blijven onverkocht, de handel staat stil en â de arbeiders raken buiten werk. Nu is het de zaak toch wel niet bij het rechte eind aanvatten, wanneer men die arbeiders in eenigen absoluten zin des woords tot een overbevolking rekent.
De rijkdom is voorts de oorzaak van de armoede, wijl hij be-
6o
MALTHUSIANISME.
staat uit opbrengst van arbeid die onbetaald is gebleven. Hoe meer rijkdom wordt verzameld, hce meer arbeid gratis wordt verricht. Niet alleen dat er armoede wordt geleden wegens te veel rijkdom binnen te korten tijd vervaardigd, de honger als direkt gevolg van den overvloed, maar ook bij geregelden omzet en in gewone tijden moet de ophooping van schatten worden vergezeld door de ontbering van hen, die de schatten voortbrengen. Eenmaal aan de arbeidersklasse ontnomen, is de rijkdom de buit van de andere klasse, en een buit die niet rustig ^ordt genoten, maar in voortdurende, hevige geschillen wordt betwist. De twee manieren om rijk te worden, de direkte uitzuiging en de plundering van den uitzuiger. De laatste methode gaat buiten de arbeidersklasse om, de eerste treft haar des te gevoeliger.
Deze ongerijmdheden zijn door Malthus niet opgemerkt, en evenmin door de leerlingen van Malthus. Zij zagen het getal hongerlijders toenemen. Zij wisten hen niet thuis te brengen in de theorie zoo weinig als waar hen te laten in de praktijk; dat het 't ekonomische systeem was dat de armoede voortbracht j begrepen zij niet en telden de armen daarom bij de overbevolking. Zoo is er geene scherpere critiek van het systeem dan de zijne denkbaar. Malthus schaamde zich niet voor de wiskunde van het gebrek. Hij deed niet gelijk de na hem levende bur-germansekonomen, die integendeel de na hem nog zooveel duidelijker optredende verkeerdheden van het kapitalisme, zoo zij er de oogen niet voor sluiten, willen bedekken voor het gezicht van anderen. Eerst in den allerlaatsten tijd komt men er toe, een euvel als de werkeloosheid niet meer te ontkennen, wijl ontkennen niet langer mogelijk is. Voor de socialistische kritiek heeft de vroegere troostgrond, dat het onveranderlijke wetten waren welke de armoede bepaalden, de wijk genomen ; er schiet mee veel anders over dan de armoede weg te redeneeren. Maar deze geveinsde blindheid heeft ook hare gevaren en ten slotce
6i
MALTHUSIANISME.
is de eenige uitvlucht dat wij, de fouten van het tegenwoordige erkennende, alleen uit vrees voor een erger toekomst, voorgeven er in te berusten. Dit alles is een veel minder onverdedigbare en een onmannelijke houding bij het standpunt van Malthus, die de ellende onder cijfers bracht. En ook in de toekomst geen beterschap; want, hoe hoog en snel de rekenkunstige reeks ook klimmen mocht, de stijging van de geometrische zou haar aanstonds overtreffen. Had Malthus derhalve bij zijne theorie de bepaling gevoegd, dat het de kapitalistische voortbrenging was, welke: tie armoede en daardoor in de kapitalistische maatschappij de overbevolking schiep, dan zou aan hem de ontdekking van een groote waarheid verschuldigd zijn geweest.
III.
âLa propriété est un mot qui je ne prononce jamais qu'avec du respect; j'avoue que je ne connais aucun livre qui la défi-nisse comme je la congois.
Les jurisconsultes anciens et modernes ne la considèrent que sous le rapport des titres légaux, des partages et des transmissions héréditaires, mais j'ai eu occasion de lire quelques extraits nouvellement traduits d'un ouvrage anglois (Adam Smith) dans lequel j'ai trouvé, sinon un traité special de la propriété, du mcins des notions plus étendues sur ses éléments; sur les cir-constances qui peuvent favoriser et contrairer ses développe-ments, sur les liens qu'elle forme entre les hommes, auxquels, sous tant de formes diverses, elle fournit seule la matière des échanges.quot;1)
62
1
Mémoires d'un Ministre du Trésor Public; I, 56, 57. Schrijvers vader wordt hier sprekende ingevoerd.
Hier volgen eenige andere citaten welke de nieuw-kapitalistische ideën toelichten.
Mémoires d'Allonville, II, n, (1788):
Dans l'Etat comme dans la familie, la propriété fait la civilisation par sa fierté, l'indépendance par sa sohdité, le pouvoir par sarichesse etccnstitue.
MALTHUSIANISME.
De geest van de achttiende eeuw; indien iemand werd opgedragen hem in twee woorden uittedrukken, zou men zich tot dit citaat kunnen bepalen. Hier spreekt de geest die aan Lode-Avijk XVI zijn hoofd heeft gekost en op dat van Napoleon den keizerskroon plaatste : eigendom is een woord dat ik altijd met
réellement la base de l'instruction politique, qui n'auroit pas eu lieu sans elle.
De groote grief die de revolutie van 1789 teweegbracht was eensdeels de onveiligheid van den eigendom onder de despotische monarchie; voor het overige, de moeilijkheid welke de ontwikkeling van handel en nijverheid in dit stelsel ondervond; in de derde pl«?.ats de vrees van de renteniers dat de Staat zou ophouden met rente te betalen.
Brief van Lafayette. (1799), Werken I, 417:
La plupart (der parlementsleden) ne cherchoient que repousser des gré-vations financières qui les atteignaient.
Mémoires d'iiti Ministre du Trés or Public, 1, 143, 144:
Dans un moment oü l'industrie prenant plus d'essor (sans trouver encore dans la loi un meilleur guide), avait développé dans un plus grand nombre d'hommes l'amour de la propriété, le désir de !a conservation, le soin des affaires domestiques, le goüt et le besoin d'ur.e aisance assurée; ceux qui avaient confié une partie de leurs propriétés a l'Etat scuffraient avec plus d'impatience la violation de la loi des contrats, de la part du débiteur qui devait le plus a tous les âdébiteurs,, l'exemple de l'exactitude, etc.
/lt;/., 136:
I'opinion publique voulait que le roi employat la puissance royale a protéger les (propriétaires) contre toute atteinte a la propriété.
Dezelfde schrijver, geen voorstander van de omwenteling, verwijt de leden van de Staten-Generaal: qu'ils plaidèrent pour ce qu'on nommait les droits de l'homme beaucoup plus que pour ceux de la propiété, â Intusschen is de heiligheid van het bezit onder de menschenrechten opgenomen, zoodat dit een onverdiend verwijt is, tenzij men de idealistische redevoeringen van vele leden zoo ernstig opneemt als de meeaten hunner ze bedoeld hebben. Maar de vertegenwoordigers verschilden van de massa der kiezers, wien de schoone revolutionnaire koorst vreemd bleef.
Voor de revolutie uitbrak, schreef een zoo vurig temperament als Lafayette, nog wel aan den groot en Washington:
Mon voeu ardent et ma chère espérance est de voir cette reunion (des Notables) amener la destruction de beaucoup d'entraves commerciales (13 Januari 1787). En aan een anderen korrespondent, dat hij tot de bons effets de cette assemblée rekende: la destruction des douanes intérieures.
Een tijdgenoot van Lafayette zeide van den Franschen handel: II a tou-jours été dans l'enfance et rampé dans la servitude réglémentaire. {Observations rapides sur la lettre de M. de Calonnc au Roi, Maart 1789. bl. 42). Men weet dat de verkiezingen van 1789 volgens een census plaats hadden. Er werd een groote strijd gevoerd over de vraag of alleen grondbezitters verkiesbaar zouden zijn. Maar deze eisch zou een gedeelte van den verarmden, ouden adel buitengesloten hebben. (Necker, de la Rév. free. 1125} evenals vele industrieelen en kooplieden van den tiers-tétat. Niet de vrijzinnigheid, maar het belang besliste.
MALTHUSIANISME.
ec-ibied uitspreek. Aangezien men nu bezwaarlijk den eigendom zelf kan vereeren, draagt men zijne gevoelens over op de vertegenwoordigers van het gezag dat het eigendom beschermt. De juristen weten maar van den wettelijken kant van de kwestie, wie het eigendom zal bezitten, volgens welk recht, over erfenissen enz. Dat is oud en al zoo lang aan de,1 orde als er eigendom bestaat. Maar dat nieuwe Engelsche boek van Adam Smith, die verstaan het beter. Zoo heb ik het nog nergens gelezen. Hoe de eigendom niet alleen een ding is dat ik heb en wat ik er mee doen mag, en dat volgens de wet verdeeld zal worden als ik kom te sterven â maar de ware beteekenis van den eigendom, hoe dat toeneemt en vermindert, en hoe hij de heele maatschappij aan elkaar houdt als het in allerlei vorm van hand tot hand gaat.
Zeker was dit de openbaring van het kapitalistisch karakter van de nieuwere maatschappij, die in het werk van Adam Smith zich het eerst reflekteerde. De achttiende eeuw heeft de Christelijke godheden verstooten, om de eeredienst van het bezit in de plaats te stellen. Met het oude geloof verdween veel oud bijgeloof, met het nieuwe verrees in hare plaats het nieuw wangeloof. Het zelf gemaakte afgodsbeeld van den Eigendom, vond even hartstochtelijke en niet minder bigotte aanbidders dan eertijds de drieëenige God. Nog nooit te voren heeft de macht van den eigendom zich doen gevoelen als een macht met waarlijk goddelijke attributen. Hij was alomtegenwoordig; want de Fransche en Engelsche handel had zich in den loop der eeuw over de geheele aarde uitgebreid en waar gehandelt wordt, daar is de eigendom in eer. Hij was almachtig; hij had de maatschappij van aangezicht doen veranderen, en waar de beschaving heerschte, heerschte in haar naam de eigendom ; in de steden als van ouds en daar buiten voor zoover het grondbezit, en met het bezit de titels en de privilegies, op de verrijkte burgerij was overgegaan. Hij was goedertieren, want wat er gedaan werd om de armoede te leenigen, ging van den rijkdom uit. Hij
64
MALTHUSIANISME.
was voorzienig en alwetend, want hij beschikte over het wel en wee van volken en â âdoor den menschen in alle verscheiden vormen de stof te leveren van den ruilquot; âverplaatste hij de oogsten over den aardbodem, berekende de behoefte van de toekomst, voedde met den overvloed van gisteren den honger van heden, verplichtte het Westen om het Oosten bij te staan.
En hoe deed zich de eigendom zichtbaar voor? Hoe was zijn bijzonder-moderne, meest-imposante verzinnelijking? Dat was de Waar, het bezit als kommercieele en industrieele eigendom. Vroeger was het grondbezit de indrukwekkendste inkar-natie van den eigendom geweest. Maar de eerbied hechtte zich teen minder aan het bezit dan aan de personen van de bezitters. Het uitte zich minder treffend, dat het bezit de glorie was welke van de bezitters afstraalde. De glorie van de met vorstelijke prerogatieven bekleede eigenaren, scheen eene natuurlijke dis-tinktie van hun geslacht te zijn. De erfelijkheid van titels en waardigheden versterkte deze opvatting. Het grondbezit is minder wisselvallig dan het bezit van waren, is minder gemakkelijk van de personen af te scheiden. Wel was hun rijkdom de eerste oorzaak van hun aanzien; maar op de groote menigte maakte de aanblik van den luister en van het privelegie een dieperen indruk dan de overweging van het bezit. Geheel anders toen bij uitbreiding van handel en nijverheid, alle zichtbare rijkdom en de bodem ook, den vorm verkreeg van Waren. Het bezit van waren is veranderlijk, wie ze heeft is gelukkig, en het geluk vergezelt de waren op hunne onberekenbare tochten door de wereld. In eene maatschappij van warenproduktie is het iedereen duidelijk dat de eigendom alles beheerscht. In de eerste tijden van de volmaakte warenproduktie, nog eer de klasse, die met haar opkwam de politieke macht had overmeesterd, was dit zelfs sprekender dan nu. Er heeft zich sedert een geld-aris-tokratie gevormd die met de grond-aristokratie gemeen heeft, dat haar prestige niet uitsluitend aan het geld hangt. Omdat
5
65
MALTHUSIANISME.
ondanks alle wisseling van fortuin, in zekere geslachten vaak vele jaren achtereen het grondbezit zich voortzet en het daaraan verbonden voorrecht van maatschappelijke positie, en deze positie meer in de oogen steekt dan de; rijkdom-zelf, vinden wij in onze maatschappij de godsdienst van den eigendom zich eeniger-mate verheimelijken. Maar in het begin van de kapitalistische tijdrekening, werd de afgoderij openlijk gedreven. De invloedrijke klasse bestond uit louter parvenu's. Zij was politiek nog ondergeschikt, men hoorde echter de revolutie naderen die haar de politieke macht zou geven, en men zag in het sukces van haar lijdelijk verzet en in haar toenemend aanzien, de kracht en de bekoring van haar bezit. Nu het geld regeert, kleeft de glans aan de regeering. Men zegt in het publiek dat het geld maar slijk is. Toen het geld officiëel minder in tel was en men evenwel de grooten zag buigen voor het geld, was het al goud wat er schitterde; het goud, de sublieme verschijningswijze van alle andere waren, de nieuwe koning en de nieuwe God.
Deze geneigdheid van de geesten moet men zich voorsteden om de overbevolkingsidee te kunnen begrijpen. De groote vergissing van Malthus, dat hier eene natuurwet aan het licht kwam, lag voor de hand. Hij sprak van de, voortbrenging, en hij bedoelde de voortbrenging van waren. Wie geen waren voortbrengt, is in het kapitalisme overtollig, want hij kan aan den maatschappelijken ruil geen deel nemen. Maar de gelegenheid om waren voort te brengen is beperkt en heeft geen verband met de behoefte, met de behoefte in den eigenlijken zin des woords. Want de waren worden geproduceerd voor den ruil, en wanneer nu een zeker getal menschen niets hebben om voor de waren die zij verlangen in de plaats te geven, krijgen zij de waren niet, hunne behoefte telt niet mede: zij lijden geb:ek en stijven de overbevolking; de waren die in hunnen nood zouden kunnen voorzien, zijn overkompleet, vormen de overproduktie. In den tijd van Malthus begonnen de moderne produktieve
65
MALTHUSIANISME.
6/
krachten zich eerst te ontwikkelen, en onmiddellijk kwam de tegenstrijdigheid van het systeem, waarin zij werkten, aan het licht, zoodat een van beide van de toenmalige ekonomen verlangd werd: of de gebreken van de warenproduktie te erkennen, of de lieden die de warenproduktie van het gebruik uitsloot, weg te cijferen. Hoe zouden zij de gebreken erkennen van een dat de wereld revolutionneerde ? Malthus had moeten erkennen, dat de beperkte gelegenheid om bij de warenproduktie bezigheid te vinden, een kunstmatige beperking is. Daarom kunstmatig wijl niet gevraagd wordt: hoeveel is er noodig ? maar: hoeveel winst is er te behalen ? Ook de arbeidskracht is een waar, en alleen in trek voor zoover zij tegen een prijs te koop is, die den kooper in staat stelt haar met voordeel aan te wenden. Zij die niets dan deze waar ter markt brengen, moeten wachten op de gelegenheid. De bezitters der produktiemiddelen zijn het dus dieerover beslissen of er gewerkt zal worden, al dan niet. Zien zij kans om met winst te laten arbeiden, dan vinden de arbeiders werk. Zien zij die kans niet, of laten zij haar voorbijgaan, dan blijven de arbeiders werkeloos. En evenredig aan den duur van de werkeloosheid wordt het gebied waarover de producent beschikt om zijne waren te plaatsen, kleiner; zoodat de kans om voor-deelig te produceeren vermindert en â de werkeloosheid toeneemt. In de kapitalistische maatscliappij zijn alle menschen overtollig wier arbeidskracht niet met winst door den hapita-list kan worden gébruikt: ziedaar dus de ware formule; van de overbevolking, de âwet van Malthusquot; zooals zij had behooren te luiden. Maar deze formule bevat tevens het vonnis van het ekonomische systeem, waarvan de opkomst alle tijdgenooten verblindde. In hunne oogen was de niet-bezitter niet veel beter dan een misdadiger. Waar het hebben de opperste deugd is, is het gebrek de diepste zonde. De eigendom was God, de armoede de duivel. Op de tafel van het leven komen enkel waren-, wie met andere waren zijn plaats betalen kan, is welkom; wie er
MALTHUSIANISME.
geen heeft of geen die gewild zijn, vindt zijn plaats bezet; hij is te veel. Zoo er kruimels vallen of hem brokken worden toegeworpen mag hij de Voorzienigheid danken, want het is enkel gunst dat hij niet sterft van honger. De liefdadigheid ontfermt zich over hem, maar nog beter indien er geen liefdadigheid ware, want zij rekt een leven dat bestemd is onder te gaan, dat den strijd van anderen slechts verzwaart en niemand tot nut kan zijn. De wereld is een plaats waar men rijk wordt. Zijn er onder ons die slechts den rijkdom van anderen kunnen helpen vergrooten, en zelf niet overhouden om van te leven, welnu, zij hebben hunnen plicht als menschen volbracht, en het is niet meer dan de vervulling van hunnen laatsten plicht, als zij zich neerleggen en sterven. Hoe minder zij van zich doen spreken, hoe beter.
Februari 1895.
68
Mr. M. W. F. TREUB.
i.
Voor eenigen tijd prees het radikale dagblad De Amsterdammer den Heer Treub, omdat hij een vergadering van barbiersbedienden had bijgewoond. Dat was men zoo van Wethouders niet gewoon. â Nog verdienstelijker schijnt het, dat Mr. Treub in een jaargetijde hetwelk de meeste leden van het regeerende gilde aan verpoozing wijden, bij al zyn overige bezigheden, gelegenheid vindt een reeks van studies te publiceeren over een zoo gewichtig onderwerp als Darwinisme en Socialisme. Wij kunnen slechts wenschen dat de inteekenaren op het Sociaal Weekblad zoo ijverig zijn in het lezen, als hun redakteur in het schrijven.
De Heer Treub heeft eenmaal, en het is niet om hem displezier te doen dat wij er op terugkomen, maar om in hem en zijn werk de intellektueele beschaving van onze bourgeoisie te kenmerken, een boekje over de Sociaaldemokratie geschreven, waarvan wij hopen dat hij sedert het inzicht heeft gekregen hoe erg het was, waarvan wij wenschen dat hij nog den moed moge hebben zijn beter inzicht bekend te maken.
II.
In zijne brochure namelijk, door hem in het begin van 1891 te Amsterdam tegen de socialisten verdedigd, heeft de Heer Treub de schromelijke lichtvaardigheid van zijne wetenschappe-
ME. M. \V. F. THEUB.
Jijke rnethode Ijlootgelegd. Van de waardeleer van Marx heeft hij een hap en een snap genomen uit een boekje van den Heer Domela Nieuwenhuis. Met de luidruchtigheid en de haast van den over-het-paard-gebeurden, begaafden student, bouwde hij zijne kritiek op een foutieve lezing van een tweedehands betoog. Zonder twijfel is dit een volgen van slecht voorgaan aan de akademies waar men de staathuishoudkunde onderwijst, en waar op hunne beurt de kweekelingen een reputatie van knapheid verwerven. Er is, buiten den Heer Quack te Amsterdam, geen professor aan een onzer hoogescholen die met eenig gezag de socialistische letterkunde heeft behandeld. Mr. Treub bezit niet zooveel elementaire kennis van het onderwerp, als noodig is om de woorden welke de ekonomische begrippen aanduiden, behoorlijk te verstaan en van elkaar te onderscheiden. Waarde, ruilwaarde, gebruikswaarde, prijs, arbeidsloon, waarde van de arbeidskracht, produktiemiddelen, kapitaal, arbeidsprodukt, waar...... elke bladzijde van zijne weerlegging der theorie, bewijst in het verkeerde gebruik der termen hoe laag het onderricht der staathuishoudkunde gezonken is 1).
7°
1
De uiteenzetting en voornamelijk de kritiek van de waardetheorie bl. 14 tot 23 van de genoemde brochure.
Uit het boekje van Domela Nieuwenhuis citeert Mr. Treub dezen zin: âRuilwaarde onderstelt gebruikswaarde, anders wordt er niet naar gevraagd.quot; Hij leidt daaruit af, dat de voorstanders van de meerwaarde-theorie hun eigen meaning âglad vergetenquot; zijn, volgens welke de ruilwaarde door de hoeveelheid besteden arbeid wordt bepaald. En hij vervolgt met als een versterking van de door hem opgemerkte tegenspraak te konstateeren: âde ruilwaarde wordt dus niet alleen, ja zelfs niet in de eerste plaats bepaald door den in een voorwerp vastgelegden doorsnee-arbeid.quot;
De thaorie heeft betrekking en kan enkel betrekking hebben op waren, voorwerpen, die gebruikswaarde bezitten, en anders niet geproduceerd zouden zijn. De gebruikswaarde van de waren wordt bij alle ekonomische besprekingen stilzwijgend aangenomen; de ekonomie mengt zich niet in vragen van warenkennis. Waren welke hunné gebruikswaarde ver'iezen, verliezen ook hunne waarde, omdat zij geen waren meer zijn, geen ekonomische voorwerpen; de arbeid aan hen besteed telt niet mede bij de som van maatschappelijken arbeid, de arbeidsprodukten vallen buiten de waren-wereld.
De inspanning van iemand die zijn duimen draait, hoeveel arbeid hij ook
MR. M. W. F. TREUB.
De professor die in Utrecht het vak doceert en een boek tegen het socialisme heeft geschreven, begint zijne expositie van de socialistische leer met de mededeeling, dat Marx zich beroept âop de bekende stelling van Adam Smith, dat Arbeid de Eron is des Rijkdoms.quot; âAlle rijkdom dien wij bezitten, is vroeger cf later door den arbeid voortgebracht.quot; Terwijl men reeds op bladzijde 10 van de vierde uitgave van Bas Kapital lezen kan, indien men wil, â¢â âArbeit ist also nicht die einzige Quelle der run ihr producirten Gebrauchsiverthe, des stofflichen B.eiclithums.quot; De dwaling van den Utrechtschen hoogleeraar is de kenmerkende fout van de burgermansekonomie welke waarde
verricht, brengt geen waren, dus geen waarde voort, evenmin als de arbeider in het voorbeeld van Mr. Treub op bl. 17 van de brochure, die een schuit vult met Amsterdamsch grachtwater. Is een schuit grachtwater een waar? Zoo niet dan valt de weerlegging van de theorie, welke bij den Heer Treub begint, met het hier aangehaalde en zijn hoogtepunt bereikt in het met eenige emfaze voorgedragen, kursief en gespatieerd gedrukte voorbeeld, in het â grachtwater, dat hiermede een gebruiksnuttigheid verkrijgt waarvan de Heer Treub wel niet heeft gedroomd.
De pest doodde in 1348 een derde van de Engelsche bevolking. Men beleefde een stijging van arbeidsloonen, terwijl de prijzen van de levensmiddelen dezelfde bleven. Volgens Mr. Treub, brochure bl. 19. bewijst dit tegen Marx's theorie van âruilwaarde der arbeidskracht.quot; Hier gaat men waarde en prijs plotseling voor gelijkluidend nemen, wat op de beurs maar niet in de staathuishoudkunde geoorloofd is. Veranderingen in waarde kunnen samengaan met veranderingen in prijs, maar dit is volstrekt niet altijd het geval. Men kan zoowel onder als boven de waarde verkoopen, gelijk men zelfs op de beurs, maar niet in de staathuishoudkunde weet. Indien tengevolge van de groote sterfte de konkurrentie onder de handwerkers verminderde en de loon^n stegen, maar de prijzen van de levensbehoeften niet in de hoogte gingen, hebben de arbeiders eenvoudig v an hun gunstige positie gebruik gemaakt om voor hunne diensten meer geld te vragen, ofschoon de waarde van de arbe dskracht niet was toegenomen. De waarde van de arbeidskracht zou veranderd zijn als de arbeider zijn verbruikte arbeidskracht vcortaan min of meer gemakkelijk herstelde. Meent de Heei Treub, dat de waarde van den ruwen diamant is gestegen, sedert de bezitters van de groeven met onderling goedvinden de prijzen in de hoogte drijven? Dan zou de âwaardequot; â en van welke artikelen kan de prijs tegenwoordig niet worden vastgesteld of althans sterk geïnfluenceerd door de allengs in ieder vak naar het monopolie neigende eigenaars? â zich naar de koopmansluimen van de kapitalisten regelen, een half bereikte en over eenigen tijd volledige realiteit, die in de theorieën van de burgermansekonomie een aardige verwarring zal brengen.
MR. II. AV. P. TREU13.
en rijkdom verwisselt; in den grond om geen andere reden, dan dat de klasse, wier intellektueele inzichten zij vertegenwoordigt, slechts waarde toekent aan den rijkdom, en van allen rijkdom enkel naar de waarde vraagt.
De leer van Marx is, dat de waarde van waren de stoffelijke verschijningswijze is van de omstandigheid, dat wij in eene maatschappij leven, welke geene direkte produktie kent, ook geen gedwongen levering van eene klasse in dienst van een andere, maar slechts voortbrenging voor den ruil door onderling onafhankelijke bezitters van produktiemiddelen. Zoover in de behoefte van de antieke wereld door slavenarbeid werd voorzien, en de middeleeuwsche samenleving van heerendiensten, bestond, was het begrip van waarde onbekend, zoo onbekend als in de primitief-kommunistische gemeenschappen en in de socialistische maatschappij van de toekomst. Eerst wanneer de ar-beidsprodukten â waren worden, krijgen zij waarde. Thans is alle menschelijk bezit, alle rijkdom, een onmetelijke massa waren. Maar de rijkdom was er, voordat de waren kwamen; en nadat de waren verdwenen zullen zijn, zal de rijkdom bestaan. De ruil vergelijkt de waren niet als nuttige voorwerpen. De nuttigheid van een boek is niet te vergelijken met de nuttigheid van een brood. Als brood en boek zouden de arbeidsprodukten eeuwig vreemd aan elkaar blijven, of slechts in een toevalligen ruil verwisseld kunnen worden, naar de begeerte van hunne bezitters. Maar wij, die weten, dat in deze wereld een hoeveelheid van eene warensoort, welke ook, gelijk is aan een hoeveelheid van onverschillige welke andere warensoort, en dat deze gelijkheid niets te doen heeft met de gebruiksnuttigheid van de eene en van de andere waar, die immers geheel verscheiden en onvergelijkbaar is, leiden daaruit af, dat slechts de andere eigenschap- van de waar, een voortbrengsel van arbeid te zijn, de vergelijkbaarheid uitmaakt en de gelijkheid mogelijk maakt. Als arbeidsprodukten zijn de waren onderling meetbaar, r.ls pro-
72
MR. M. W. F. TREUB.
dukten van even groote hoeveelheden besteden arbeid, zijn de waren gelijk; â bezitten zij waarde, gelijke waarde.
En deze ontleding levert enkel de moeielijkheid op, dat men de waren aandachtig en zonder begeerlijkheid moet gadeslaan. Men dient eerst de vraag te beantwoorden: hoe komt het dat ze onderling meetbaar zijn? Voor men zich laat afleiden door de vraag: in welke hoeveelheden zijn ze aan elkaar gelijk? Maar de kapitalistische klasse, die het hebben hooger stelt dan het weten, heeft niet stilgestaan bij de eerste vraag, en slechts haar hoofd met de andere gebroken. Mr. Treub en professor d'Aulnis de Bourouill herhalen met welgevallen de spreuk van N. G. Pierson, dat niet de bestede arbeid de waarde uitmaakt, maar de waarde oorzaak is dat arbeid wordt besteed. Een spreuk welke bewijst dat men vernuft kan bezitten, en nochtans niet be-hooren tot hen die het laatste lachen. Want volgens dit gezegde, zou de arbeid alleen worden aangewend, wanneer waarde vooraf aanwezig is, alsof niet reeds de wilde dieren moeten arbeiden om zich meester te maken van voorwerpen welke zij verslinden, zonder eene andere staathuishoudkunde te verstaan dan die van den roof. Ja, een fijner onderscheid begeeren de ekonomen onder de kapitalisten niet te maken. Hunne leer is de doorzichtige apologetiek van een klasse die van buit leeft, en hare ideeën naar hare levenswijze heeft vervormd. Zij ruikt hare prooi op een verren afstand, bespeurt waarde aan de dingen nog eer zij ze ziet, vlast op de winst die zij er aan behalen kan door den arbeid van anderen. Omdat men in de praktijk slechts let op de kansen om geld te verdienen, heeft men in de theorie enkel oog voor vragen van veel en van hoeveel. Woekeraar en speku-lant in de werkelijkheid; sofist en kliekschrijver in de boeken. Deze hunne in de wetenschap volkomen onbruikbare, en onder den ernst van de wetenschap blijvende definitie van Waarde, komt, wil zij iets beteekenen, hierop neer, dat alle zaken gezegd worden waarde te bezitten die ergens nuttig voor zijn. Zoo zou
73
MR. M. W. P. TREUB.
de waarde een even oud verschijnsel zijn als de nuttigheid, en op even lang leven kunnen rekenen in de toekomst. En dit is bet juist waarop men van hunne zijde aast. Zij zouden zoo gaarne deze aarde aan u opdringen als onafscheidelijk van hare kapitalistische instelling. Warenbezitters zijn de menschen geboren, en de warenwereld vergaat eerst met de wereld-zelve. Zij meenen het kapitalisme te bestendigen door te zeggen dat het kapitalisme eeuwig is. Zij schuwen iedere definitie, omdat eene eenigszins scherpe definitie met het ontstaan van den ekonomischen vorm tevens zijne vervanging aanduidt. Wat heeft men zich het hoofd te breken met vragen naar een bepaling van waarde? Arbeid wordt aan de dingen besteed, omdat zij waarde hebben. Nu is zeker de bekwaamheid om van de dingen in de natuur partij te trekken voor de menschen, sedert historische tijden sterk toegenomen ; maar de bepaalde nuttigheid van bepaalde voorwerpen is niet veranderd. Metalen, planten, vruchten, dieren en dierlijke stoffen, dienen ons in het algemeen zooals zij onze voorouders dienden. De waarde, dus, die maakt dat wij aan hunne verwerking arbeid besteden, is in hoofdzaak nog de oude waarde welke onzq voorouders aantrok. Het is alleen maar een kwestie van meer of minder. De steenkolen hebben een grootere waarde dan vroeger, de trekdieren wellicht een kleinere. Maar te meenen dat het geheele idee van waarde iets geschiedkundigs is! Dat het een geheim bevat, het raadsel van zijn eigen vorm ! Da: het ons zou leeren de les van onze bestaande ekonomische orde! Dat het voor wie tot luisteren bekwam is, verneembaar zou zeggen : in eene wereld, waar ik, idee van waarde, regeer, is als produktiewijze in zwang een stelsel van onafhankelijk privaateigendom van arbeidsmiddelen...... liever, dan dit te erkennen,
eerder dan zich ontvankelijk te maken voor dat besef, gaat de staathuishoudkunde op hare hurken zitten, en speelt met het slijk der gemeenplaatsen langs den weg.
Tot de akademische schoonpraterij van het stelsel dat speku-
74
MR. M. W. F. TRBUB.
lonten en woekeraars beschermt, behoort het betoog, dat de woeker en het spekuleeren de natuurlijke en de onvermijdelijke vorm is van â de produktie. Dit kunststuk -â waarvoor wij niet gaarne een van hen die het bedrijven, persoonlijk aansprakelijk stellen, maar liever overeenkomstig de edelmoedigheid en de waarschijnlijkheid aannemen dat zij het begaan in de ontoerekenbaarheid van hun klassenvooroordeel, â bestaat hierin dat zij van geene andere voortbrenging willen weten, dan de heden-daagsche, de kapitalistische. Om de herinnering aan vorige vormen te verdrijven, spreken zij van iederen vooruitgang' welke de arbeidende menschheid in staat stelde iets voor den dag van morgen te bewaren, en eenigen tijd te besteden aan het verbeteren van hare arbeidsmiddelen, als van een wijze van hapitaaJ-vorminrj. De eerste wilde die het overschot van zijn prooi in den grond groef, een steen hieuw of een stuk hout hardde in het vuur, was, in hunne gezochte en belangzuchtige terminologie, de eerste kapitalist.
De socialisten, die het kapitaal willen afschaffen, richten zich dus tegen de eerbiedwaardige, allereerste inspanning van den uit de barbaarschheid ontwakenden mensch! En bij dit vergrijp tegen het verleden van ons geslacht, voegen zij een nog ernsti-geren aanslag op onze toekomst, door de inmiddels zoo ontwikkelden en rijk aan zegen geworden wèrkkring van het kapitaal geheel te willen vernietigen. De socialisten die ons onze beschaving verwijten, willen ons doen terugkeeren tot voorwereldlijke toestanden!
ITT.
Tn werkelijkheid is het kapitaal niets dan geld. Het geld is een waar zoo goed als een andere en in zooverre beter dan elke andere, als het alle andere waren heeft verdrongen uit de vroeger over vele verdeelde funktie van algemeen equivalent te zijn.
75
MR. M. W. F. TRBUB.
76
Theoretisch kan iedere waar equivalent zijn, namelijk de stof waarin de waren hunne waarde uitdrukken, omdat in een bepaalde hoeveelheid alle waren gelijk zijn aan eene hoeveelheid van een andere waar. Praktisch hebben zeer verschillende waren de rol van equivalent vervuld; de edele metalen zijn, wegens hunne natuurlijke eigenschappen daarvoor het meest geschikt, in algemeen gebruik. Het goud en zilver was een waar eer het geld is geworden, en zal tot dq rijkdommen van de menschheid behooren, nadat het als waar heeft opgehouden te bestaan, en als geld zijn rol heeft uitgespeeld. In den loop van. de kapitalistische ontwikkeling is het geld een steeds begeerlijker waar geworden. Naarmate de voortbrenging zuiverder en scherper kapitalistisch werd, gedreven door onderling vrije warenbezitters die voor hunne behoeften altijd meer gebruik moesten maken van de waren van anderen, omdat zij zelf een waar voortbrachten welke uitsluitend voor den verkoop was bestemd, moest de heerschappij van het algemeen equivalent volstrekter worden. Zonder equivalent, zonder een artikel waarin elke waar direkt en met de kracht van een steeds dieper ingeheide gewoonte hare waarde uitdrukte, waarvan ieder warenbezitter wist welke hoeveelheid met zijn eigen waar overeenkwam, zou de warenpro-duktie-zelve een onmogelijkheid zijn. De bakkers moet(^ 'J hun oven en de schoenmakers bij hunne leesten kunnen blijven, wetende dat er voor hunne artikelen geld te maken is, en daarmede de schoenmaker zijn brood, de bakker zijn muilen zal kunnen koopen. De hoeveelheid geld welke voor eigen waar te krijgen is, wordt een dringende levensvraag voor de warenbezitter' Dis is een prijs-vraag, die ieder, om zoo' te zeggen, zich zelf ter beantwoording oplegt. En dit is de heerschappij van hel geld, ontdaan van de metafyzische, theologische en psycho o-gische dwaze wijsheid, welke liberale, kerkelijke en radikale filo-zofen er bij gemaakt hebben. Zoo ziet, wanneer men de dingen bij hun naam noemt, en tot verklaring van de werkelijkheid, de
MR. M. W. P. TREÃB.
werkelijkheid als eenige methode gebruikt, de menschelijke geldzucht er uit. Zij is evenmin een ingeschapen neiging als de wisselkoers of de dagbladreklame, en evenzeer een historisch-maat-schappelijk verschijnsel.'Want het is niet hetzelfde, den prijs te weten en den prijs te maken. De goederen moeten een kooper vinden, de eigenaar van de goederen moet een kooper zoeken. De warenbezitter die zijn eigendom niet van de hand kan zetten, blijft zonder de equivalentwaar welke hij voor noodzakelijke andere artikelen kan ruilen. De warenbezitter die zijn goederen ziet verminderen, ziet evenredig zijn geldbezit aangroeien. De opgehoopte geldmassa's â om voor het overige de wijze waardoor zij worden vergaard, te laten rusten â maken te zamen het kapitaal uit. Het kapitaal behoeft niet verder in zijn ontstaan te worden onderzocht, indien men er slechts van weten wil welke diensten het bewijst. En dit zal wel niemand ontkennen dat in een maatschappij welke op warenproduktie berust, de aanwezigheid van groote voorraden van algemeene equivalentwaar iets noodzakelijks is. Niemand evenmin die het kapitaal in deze maatschappij zou willen afschaffen.
Indien er geen bezitters van geldsommen leefden, die hunne schatten afstonden om daarmede betalingen te doen aan lieden, wier arbeid eerst later verwacht wordt verkoopbare waren of diensten in voldoende hoeveelheid op te leveien, dan zou zoodanige arbeid niet kunnen worden verricht. Geen spoorweg zou zijn aangelegd en geen huis gebouwd en geen fabriek opgericht, wanneer de vrije arbeiders, die dit werk uitvoerden, niet middelerwijl betaald waren geweest met geld, dat door kapitalisten was vcorgeschoten, pas na eenigen tijd door hen uit de opbrengst van de inrichtingen terugverdiend. Terugverdiend met de vaste rente of de wisselende winsten, welke zij uit den arbeid van de tewerkgestelde loontrekkers wisten te halen. Wanneer men niet, zooals in de middeleeuwen, aan onvrije arbeiders in gedwongen diensten de uitvoering van groote werken kan opdragen, maar
77
MR. M. W. F. TUEUB.
van de arbeiders hunne arbeidskracht moet koopen, moet men over geld beschikken, of de werken blijven ongedaan. Maar nu fs het duidelijk, dat niet het goud en het zilver fabrieken en spoorwegen bouwen, maar de menschen. Voor men met zilver en goud de werken betaalde, kwamen zij evenwel tot stand. De betaling, het kapitaalverbruik, is slechts eene manier om ze te verkrijgen; en de lof welke men aan die wijze genegen mocht zijn te besteden, mag in geen geval zoover gaan, dat men haar de eenige noemen. De Egyptische pyramiden zijn gebouwd zonder kapitaal. Eene socialistische gemeenschap, die hare verrichtingen zoo regelt, dat de arbeid aan de machineriën, aan de «egen, aan de gebouwen, plaats vindt zonder dat het werk voor de dagelijkscha behoeften daaronder lijdt, kan in het een en in het ander voorzien zonder kapitaal. Indien men met het beginsel der socialistische leer onbekend is en hoort van voornemens om het kapitaal af te schaffen, ligt het voor de hand dat men ze met groot wantrouwen ontvangt. Maar als men de socialistische leer gaat kritiseeren en daarbij zich, zooals de Heer Pierson, angstig afvraagt, op welke wijze dan wel in de socialistische maatschappij de kapitaalvorming zou geschieden, geeft men te kennen, dat men noch weet wat kapitaal, noch wat het socialisme is. De zegenrijke werking van het kapitaal, door Mr. Treub als argument tegen het socialisme aangewend, bewijst dat men de voorbijgaande, historische vormen van de voortbrenging niet van de voortbrenging-zelve kan onderscheiden. De uitnemendheid van een zaak in eene zekere faze harer ontwikkeling, mag niet dienen tot motief om hare ontwikkeling te stuiten. Een raad, dien de Heer Treub eens gaf om niet te streven naar een verre toekomst, n.aar liever te letten op de toch niet te versmaden voordeden van het kapitaal, verraadt een betreurenswaardige bevangenheid in de stelselzucht, die elke breedere konceptie van het maatschappelijk leven uitsluit.
Deze staathuishoudkunde is een poging om de werkelijkheid
78
MB. II. W. F. TREUB.
te versnijden naar de modellen van een gebrekkelijke theorie; liet leven dat eeuwig is, in te richten met de voorschriften van een politieke mode; de meeningen, de belangen, de vooroor-deelen van een teruggaande klasse, voortestellen als de ervaring en de idealen van een altijd voorwaarts schrijdend mensch-dom. In het boek over socialisme van prof. d'Aulnis de Bou-rouill, dat onder de jongere akademici den toon van oppervlakkige en laatdunkende betweterij schijnt te hebben aangegeven, is de weerlegging van de waarde-theorie op de hier aangeduide misvatting van Marx' leer gegrond. Bij hem en bij de andere vernuften van zijn rang en zijne klasse is de onwilligheid en de onbekwaamheid, om zich de ekonomische toestanden waarin zij als gepriviligeerden geboren zijn, voortestellen als uit den schoot der tijden gekomen en bestemd wederom door den stroom des tijds te worden meegevoerd, het begin en het einde van hunne foutieve verhandelingen. Evenmin als voor het vermoeden dat Marx van de waarde, een voorbijgaande, maatschappelijke kwaliteit, namelijk van waren, een vergankelijken, maatschappe-lijken vorm van fyzische voorwerpen, arbeidsprodukten, spreekt â is er bij hen plaats voor de historische beschouwing van het kapitaal. De schets van de ontwikkeling van het kapitaal door Lassalle schijnt den Utrechtschen docent ,,een phantastische leer.quot; âHet kapitaal heet dan ook slechts een schepping van den nieuwen tijdquot;! roept hij uit. Een onwetenschappelijke en sma-kelooze verstoktheid, die van geen tijdsbepaling der tegenwoordige ekonomische instellingen wil hooren, en zelfs den eenzamen Bobinson presenteert als kapitalist, het brave model van alle spaarzame, in onthouding bloeiende rijkworders.
Niet anders is de serie artikelen van Mr. Treub over Darwinisme en Socialisme in het Sociaal Weekblad.
IV.
Ik kan nog citeeren een werkje van een auteur, versch van
79
Mil. M. W. F. THEUB.
de hoogeschool, een proefschrift in meer dan één zin van het woord, een bewijs dat de ijver en de begaafdheid de wereld nog niet uit zijn, maar dat in de burgerlijke kringen het verstand van ekonomische dingen gering geworden is. Daarin vindt men waarlijk ook al die kernspreuk van de burgermansekonomie ; de arbeid maakt niet de waarde, maar er worde gearbeid óm de waarde.
Deze schrijver zegt het wat minder puntig en geleerder: âgoederen hebben geen waarde, omdat voor de te hunner productie gebruikt wordende kapitaal- en arbeidsdiensten een vergoeding wordt betaald, waar deze kon betaald worden, omdat men berekende, dat de te produceeren goederen een daaraan gelijke of hoogere waarde zouden bezitten.quot; !) Dr. Verrijn Stuart acht het binnen zijn bevoegdheid en met den goeden smaak vereenigbaar, den stichter van eene wereldpartij en den grondlegger van eene letterkunde, die Karl Marx beiden is gewee.st, met lesjes lastig te vallen. ,,Bij dieper nadenkenquot; zou Marx op allerlei tegenstrijdigheden van zijn eigen leer zijn gestuit. Zijn theorie voert tot een cirkelredeneering, is met de feiten in tastbaren strijd. âMij dunkt,quot; zegt hij op blz. 37, âMarx had welgedaan, toen hij op deze vragen stuitte, zich nog eens ernstig af te vragen, enz.quot; Onder de onjuistheden en misverstanden, interesseeren ons hier de teekenen van kapitalistische verblinding welke het wetenschappelijk onderzoek bemoeilijkt. De ernstige vraag die Marx zich had moeten stellen, is : âindien bij den ruil slechts voorwerpen van gelijke waarde geruild worden, -â vanwaar dan de ruil en vanwaar het kapitaal?quot; âMen kan voor gelijke waarden slechts gelijke waarde in ruil ontvangen.quot; Dat wil voor den schrijver zeggen : âelk ruilmotief ontbreekt.quot; Zie hier dus weer den mensch als geboren winstjager. De schoenmaker zou met zijn schoenen en de bakker met zijn brood liever
1) Ricardo cn Marx. Eene dogmatisch-historische studie door Dr, C. A Verrijn Stuart. 's-Gravenhage 1890.
So
J/U_ . /
7 'V. «M_-
MR. 31. Vf. F. TEEUB. 89
eene manier welke in eenigei verte1, anders dan in het volkomen abstrakte, vergelijkbaar zou zijn bij de verschijnselen in het die-ren- en in het plantenrijk. De inhoud zelf van de vindingen dei-latere natuurwetenschap betreffende de ontwikkeling van de organische wezens, ontneemt hun teneenemale het karakter van natuurwetten. Zij komen hierop neer, dat de levensdrang niet op een gemakkelijke wijze te bevredigen was, dat de mogelijkheid om te leven elkaar door de wezens onderling betwist moest worden, dat een groote vaardigheid werd vereischt om weerstand) te bieden aan al de invloeden welke' de levenskansen verminderen.
Zoo hebben de ongunstige omstandigheden waaronder geleefd werd, de ontwikkeling der funktiën van het leven begunstigd. Door inspanning en oefening van organen zijn organen verfijnd en versterkt. In een noodzakelijken strijd om: te weinig aanwezig voedsel, zijn de sterksten overwinnaars gebleven. Aan overmachtige vijanden zijn de zeer vluggen en de zeer sluwen ontsnapt. Del koude heeft alleen de van zware vachten voorziene dieren gespaard, de lange winter hen die maanden lang zonder eten konden leven, de woestijnen hen die dagen in het heete zand vertoefden zonder drinken. In dit alles is een duidelijk oorzakelijk verband, maar valt geen andere natuurwet op te merken, dan dat het organische leven zich voegt naar de omstandigheden. Tenzij het de natuurwet ware, dat men van te voren geen enkelen vorm van het leven mag ontkennen. Wanneer slechts de omstandigheden er naar zijn, zal het leven zich voegen en is vatbaar voor iedere variatie. Eenmaal verkregen eigenschappen worden op een volgend geslacht overgebracht, en blijven behouden in de soort, totdat de omstandigheden zich wijzigen en een nieuwe variatie doen optreden.
De uitdrukking aan het Darwinismei ontleend, natural selection, natuurkeus, onderstelt omstandigheden waarin een keuze noodzakelijk was. Het leven, moet men aannemen, is gegroeid tegen de verdrukking in. Maar mag daaruit, zooals onder de
MR. JI. W. P. TRBUB.
van de arbeiders hunne arbeidskracht moet koopen, moet men over geld beschikken, of de werken blijven ongedaan. Maar nu is het duidelijk, dat niet het goud en het zilver fabrieken en spoorwegen bouwen, maar de menschen. Voor men met zilver en goud de werken betaalde, kwamen zij evenwel tot stand. De betaling, het kapitaalverbruik, is slechts eene manier om ze te verkrijgen; en de lof welke men aan die wijze genegen mocht zijn te besteden, mag in geen geval zoover gaan, dat men haar de eenige noemen. De Egyptische pyramiden zijn gebouwd zonder kapitaal. Eene socialistische gemeenschap, die hare verrichtingen zoo regelt, dat de arbeid aan de machineriën, aan de wegen, aan de gebouwen, plaats vindt zonder dat het werk voor de dagelijkscha behoeften daaronder lijdt, kan in het een en in het ander voorzien zonder kapitaal. Indien men met het beginsel der socialistische leer onbekend is en hoort van voornemens om het kapitaal af te schaffen, ligt het voor de hand dat men ze met groot wantrouwen ontvangt. Maar als men de socialistische leer gaat kritiseeren en daarbij zich, zooals de Heer Pierson, angstig afvraagt, op welke wijze dan wel in de socialistische maatschappij de kapitaalvorming zou geschieden, geeft men te kennen, dat men noch weet wat kapitaal, noch wat het socialisme is. De zegenrijke werking van het kapitaal, door Mr. Treub als argument tegen het socialisme aangewend, bewijst dat men de voorbijgaande, historische vormen van de voortbrenging niet van de voortbrenging-zelve kan onderscheiden. De uitnemendheid van een zaak in eene zekere faze harer ontwikkeling, mag niet dienen tot motief om hare ontwikkeling te stuiten. Een raad, dien de Heer Treub eens gaf om niet te streven naar een verre toekomst, rgt;aar liever te letten op de toch niet te versmaden voordeelen van het kapitaal, verraadt een betreurenswaardige bevangenheid in de stelselzucht, die elke breedere konceptie van het maatschappelijk leven uitsluit.
Deze staathuishoudkunde is een poging om de werkelijkheid
78
MR. 51. W. P. TREUB.
te versnijden naar de modellen van een gebrekkelijke theorie; het leven dat eeuwig is, in te richten met de voorschriften van een politieke mode; de meeningen, de belangen, de vooroor-deelen van een teruggaande klasse, voortestellen als de ervaring en de idealen van een altijd voorwaarts schrijdend mensch-dom. In het boek over socialisme van prof. d'Aulnis de Bou-rouill, dat onder de jongere akademici den toon van oppervlakkige en laatdunkende betweterij schijnt te hebben aangegeven, is de weerlegging van de waarde-theorie op de hier aangeduide misvatting van Marx' leer gegrond. Bij hem en bij de andere vernuften van zijn rang en zijne klasse is de onwilligheid en de onbekwaamheid, om zich de ekonomische toestanden waarin zij als gepriviligeerden geboren zijn, voortestellen als uit den schoot der tijden gekomen en bestemd wederom door den stroom des tijds te worden meegevoerd, het begin en het einde van hunne foutieve verhandelingen. Evenmin als voor het vermoeden dat Marx van de waarde, een voorbijgaande, maatschappelijke kwaliteit, namelijk van waren, een vergankelijken, maatschappe-lijken vorm van fyzische voorwerpen, arbeidsprodukten, spreekt â is er bij hen plaats voor de historische beschouwing van het kapitaal. De schets van de ontwikkeling van het kapitaal door Lassalle schijnt den Utrechtschen docent âeen phantastische leer.quot; âHet kapitaal heet dan ook slechts een schepping van den nieuwen tijdquot;! roept hij uit. Een onwetenschappelijke en sma-kelooze verstoktheid, die van geen tijdsbepaling der tegenwoordige ekonomische instellingen wil hooren, en zelfs den eenzamen Rcbinson presenteert als kapitalist, het brave model van alle spaarzame, in onthouding bloeiende rijkworders.
Xiet anders is de serie artikelen van Mr. Treub over Dar-winisme en Socialisme in het Sociaal Weekblad.
IV.
Ik kan nog citeeren een werkje van een auteur, versch van
79
MR. M. W. F. TrtEUB,
de hoogeschool, een proefschrift in meer dan één zin van het woord, een bewijs dat de ijver en de begaafdheid de wereld nog niet uit zijn, maar dat in de burgerlijke kringen het verstand van ekonomische dingen gering geworden is. Daarin vindt men waarlijk ook al die kernspreuk van de burgermansekonomie ; de arbeid maakt niet de waarde, maar er worde gearbeid óm de waarde.
Deze schrijver zegt het wat minder puntig en geleerder: âgoederen hebben geen waarde, omdat voor de te hunner productie gebruikt wordende kapitaal- en arbeidsdiensten een vergoeding wordt betaald, waar deze kon betaald worden, omdat men berekende, dat de te produceeren goederen een daaraan gelijke of hoogere waarde zouden bezitten.quot;1) Dr. Verrijn Stuart acht het binnen zijn bevoegdheid en met den goeden smaak vereenigbaar, den stichter van eene wereldpartij en den grondlegger van eene letterkunde, die' Karl Marx beiden is geweest, met lesjes lastig te vallen. âBij dieper nadenkenquot; zou Marx op allerlei tegenstrijdigheden van zijn eigen leer zijn gestuit. Zijn theorie voert tot een cirkelredeneering, is met de feiten in tastbaren strijd. âMij dunkt,quot; zegt hij op blz. 37, âMarx had welgedaan, toen hij op deze vragen stuitte, zich nog eens ernstig af te vragen, enz.quot; Onder de onjuistheden en misverstanden, interesseeren ons hier de teekenen van kapitalistische verblinding welke het wetenschappelijk onderzoek bemoeilijkt. De ernstige vraag die Marx zich had moeten stellen, is: âindien bij den ruil slechts voorwerpen van gelijke waarde geruild worden, â vanwaar dan de ruil en vanwaar het kapitaal?quot; âMen kan voor gelijke waarden slechts gelijke waarde in ruil ontvangen.quot; Dat wil voor den schrijver zeggen: âelk ruilmotief ontbreekt.quot; Zie hier dus weer den mensch als geboren winstjager. De schoenmaker zou met zijn schoenen en de bakker met zijn brood liever
So
1
Ricardo en Marx. Eene dogmatisch-historische studie door Dr. C. A Verrijn Stuart. 's-Gravenhage 1890.
/A 1
MR. 31. W. P. TREUB. 89
eene manier welke in eeniga verte, anders dan in het volkomen abstrakte, vergelijkbaar zou zijn bij de verschijnselen in het dieren- en in het plantenrijk. De inhoud zelf van de vindingen dei-latere natuurwetenschap betreffende de ontwikkeling van de organische wezens, ontneemt hun teneenemale het karakter van natuurwetten. Zij komen hierop neer, dat de levensdrang niet op een gemakkelijke wijze te bevredigen was, dat de mogelijkheid om te leven elkaar door de wezens onderling betwist moest worden, dat een groote vaardigheid werd vereischt om weerstand te bieden aan al de invloeden welke' de levenskansen verminderen.
Zoo hebben de ongunstige omstandigheden waaronder geleefd werd, de ontwikkeling der funktiën van het leven begunstigd. Door inspanning en oefening van organen zijn organen verfijnd en versterkt. In een noodzakelijken strijd om te weinig aanwezig voedsel, zijn de sterksten overwinnaars gebleven. Aan overmachtige vijanden zijn de zeer vluggen en de zeer sluwen ontsnapt. De! koude heeft alleen de van zware vachten voorziene dieren gespaard, de lange winter hen die maanden lang zonder eten konden leven, de woestijnen hen die dagen in het heete zand vertoefden zonder drinken. In dit alles is een duidelijk oorzakelijk verband, maar valt geen andere natuurwet op te merken, dan dat het organische leven zich voegt naar de omstandigheden. Tenzij het de natuurwet ware, dat men van te voren geen enkelen vorm van het leven mag ontkennen. Wanneer slechts de omstandigheden er naar zijn, zal het leven zich voegen en is vatbaar voor iedere variatie. Eenmaal verkregen eigenschappen worden op een volgend geslacht overgebracht, en blijven behouden in de soort, totdat de omstandigheden zich wijzigen en een nieuwe variatie doen optreden.
De uitdrukking aan het Darwinisme ontleend, natural selection, natuurkeus, onderstelt omstandigheden waarin een keuze noodzakelijk was. Het leven, moet men aannemen, is gegroeid tegen de verdrukking in. Maar mag daaruit, zooals onder de
MR. M. Wr. F. TBEUB.
9°
heerschappij van het kapitalistische produktiestelsel voetstoots door de burgerlijke schrijvers wordt geloofd, afgeleid worden, én dat zonder onderdrukking geen groei mogelijk is, én dat de verdrukking bestemd is tot het einde van de dingen te blijven bestaan ? â Er1 is, zonder twijfel, een heftige strijd gevoerd om het leven; maar een drievoudige dwaasheid is het, voorbij te zien dat enkel gestreden is wijl strijd noodzakelijk was; die noodzakelijkheid voor eeuwig te houden; te willen toepassen op de menschelijke samenleving wat gedurende een zekere periode de wet was het leven der lagere organismen. Het is geen natuurwet dat de levende wezens elkaar bestrijden om te bestaan ; het is een natuurwet, dat zij elkander bestrijden indien en wanneer en zoolang strijd onvermijdelijk is, geboden wordt dooide omstandigheden waaronder zij leven. Komen nu de omstandigheden te veranderen, in dezen zin dat onderlinge strijd ten verderve zou voeren en nadeelige invloeden van buiten, van koude of hitte, weêr of wind, slechts door onderling overleg te temperen zijn, dan zal, krachtens de natuurwet dat het organische leven zich naar de omstandigheden voegt, de strijd worden vervangen door de samenwerking. Bestaat er eene natuurwet, die zoodanige verandering van omstandigheden uitsluit? Indien de Heer Treub dit voor waarschijnlijk hield, zou hij het wel hebben gezegd. Maar allen die zooals hij de natuurwetenschap tegen het socialisme meenen te kunnen gebruiken, hebben vooruit gede-kreteerd welke omstandigheden zich niet mochten voordoen. En dit is dan ook het eenige uitgangspunt dat eene weerlegging van het socialisme mogelijk maakt. Ook van den mensch geldt, (.lat zijne levensverrichtingen zich voegen naar de gegevens waarin hij verkeert. Zijne omstandigheden, in de gematigde gewesten waar hij zich weldra van de natuur onafhankelijk miakte, zijn de sociale verhoudingen waarin hij. leeft. Daarvan, van hun tijdelijk en in onafgebroken wijziging begrepen gesteldheid, zal het afhangen of hij te strijden heeft voor zijn bestaan, dan wel
MR. M. W. F. TREUB.
de voorkeur zal geven aan vrede en samemverking. Dit zal niet geschieden krachtens een anderen drang dan die van de feiten, al zal de drang van de feiten veelal zich in een indirekten, verhulden vorm doen gevoelen. Wanneer men nu, gelijk in de bourgeois kritiek van het socialisme gebeurt volkomen willekeurig aanneemt, dat de sociale verhoudingen nimmer het overleg veroorloven en steeds den strijd zullen gebieden, dan heeft men een al te gemakkelijk spel om, krachtens de natuurwetten, eene maatschappij voor een utopie te verklaren, waarin het overleg den strijd zou vervangen. Ten deze is dus de vraag die alles beheerscht: â hebben wij recht een toekomst aan te kondigen, die den vrede zal maken tot het normale sociale gegeven waarin het beschaafde deel van de menschheid zal verkeeren?
En hiermede is de zaak van het socialisme gebracht waar zij behoort: op het terrein van de Ekonomie.
Xiet eenmaal in de dierenwereld kan men eene natuurwet aanwijzen, welke den strijd om het bestaan zou stellen tot onvermijdelijke en noodzakelijke voonvaarde van alle ontwikkeling. Niet altijd heeft de strijd om het bestaan de ontwikkeling bevorderd, in vele gevallen is de ontwikkeling verkregen zonder eeni-gen strijd. Wel ver van de differentiatie en de samenwerking van organen te bevorderen, en op die wijze de natuurlijke funktiën te verbeteren, heeft de strijd geheele soorten vernietigd. Indien de gewijzigde omstandigheden het onvermijdelijk maakten, heeft bij andere een achterwaartsche ontwikkeling plaats gehad.
Op de wijze van den Heer Treub, zou men evengoed den ondergang als de volmaking van de maatschappij op natuurwetenschappelijke gronden kunnen voorspellen. Zelfs in de dierenwereld is het mogelijk gebleken, de omstandigheden, waaronder vroeger de ontwikkeling â indien er ontwikkeling was â moest plaats grijpen, te vervangen door het veel snellere, het doelmatiger en zekerder ingrijpen van den mensch.
Ten aanzien van de huisdieren, vervangt de mensch de na-
91
SIK. II. W. P. THEUB.
tuur; de natuurkeus en de teeltkeus worden door hem uitgeoefend. De mensch maakt in de dierenwereld de omstandigheden, waarnaar het leven zich schikt. En wij zouden mogen uitsluiten, voor nu en voor altijd, de mogelijkheid dat hij zijn eigen sociale wereld opbouwde, volgens de levenswetten welke hij zich heeft ontdekt ?
Trouwens, de Heer Treub geeft in zijne artikelen van het Sociaal Weel-blad, die behalve een bestrijding van de sociaal-demokratie, er eene van het konservatisme bevatten, op een indirekte wijze te verstaan, dat zijne natuurwetenschappelijke kritiek maar half gemeend is; dat reeds in de bestaande maatschappij geheel andere dan natuurwetten gelden. Want hij noemt onder de diensten, die het Darwinisme: bij de studie van maatschappelijke vraagstukken bewijst, deze ,âdat het al die toestanden veroordeelt, welke in een bestaande maatschappij the survival of the fittest tegenhouden of belemmeren.quot; Ziedaar dus erkend, dat de mensch, âhet dier van hoogere ordequot;, die âniet aan de natuurwetten kan ontkomenquot;, toestanden heeft kunnen scheppen, en zelfs met groote kracht weet te bestendigen, welke gezegde natuurwet van het Darwinisme âveroordeelt.quot; De in de tegenwoordige maatschappij levende menschen hebben blijkbaar wel aan die natuurwetten kunnen ontkomen, althans aan de Darwinistische. Maar dan de menschen van een toekomstige maatschappij ? Als het mogelijk is ten kwade van de natuurwetten r-if te wijken, zou het dan onmogelijk wezen, de natuurwetten te verbeteren? Intusschen nemen wij nota van de erkenning, dat het afhankelijk zijn van natuurwetten zoo'n vaart niet loopt. De instellingen, welke het konservatisme liefheeft, zijn, blijkens het citaat van Mr. Treub, tegen âhet Darwinismequot; in, tot stand gekomen. De Heer Treub is zich dus bewust, dat er nog iets anders werkt in de maatschappij dan wat hij onder natuurwetten heeft leeren kennen. Maar bij de kritiek van het socialisme keert hij tot het leerstuk van de hoogere dieren terug. De buiten de we-
92
MR. II. TV. F. TREUB.
tenschap liggende strekking van zulke bokkesprongen is gemakkelijk uit te vinden. En de drukte die men van het door de natuurstudie veroordeelde socialisme maakt, doet de deur dicht. Zou men waarlijk zoo genist zijn over dit volstrekte vonnis, in naam van de almachtige natuurwetten gewezen ? In het oorlogvoeren heeft men dikwijls overwonnen ten spijt van de regelen der strategie. Zoo zullen de klassen die den maatschappelijken strijd verliezen, zich kunnen troosten met de gedachte dat zij zijn verslagen tegen de wetenschap in. De natuurwetten âveroordee-lenquot; niet, zij voorkomen. Maar men bespeurt in den ijver om het socialisme met de natuunvetten te lijf te gaan, iets van de vrees dat de gepriviligeerde standen zullen blijven zitten met een vonnis â dat niet voor uitvoering vatbaar is. Dat de anderen, veroordeeld door een wetenschap, zullen zegepralen in de werkelijkheid. â Welk eene wetenschap zoodanige onuitvoerbare vonnissen strijkt, kan naar redeneeringen als er hier geciteerd zijn, eenigszins worden beoordeeld.
VI.
Overigens is de Heer Treub wel een van de laatsten om de richtigheid van de sociaal-demokratische1 theorie aan welke andere leer ook te toetsen. In zijne handen moet het onderzoek op niets uitloopen, want hij verstaat de theorie niet welke gekeurd moet worden.
Hun toeschrijvende, wat slechts bij hunne tegenstanders wordt gevonden, onderschuift Mr. Treub aan de socialisten het geloof in maatschappelijke heilmiddelen; nog wel in een universeel heilmiddel. Deze grief, aangevoerd in een verhandeling welke het betoog is van een heilmiddel, de eerbiediging van de natuurwetten, alsof natuurwetten die dezen naam verdienen zonder hem geen eerbiediging zouden weten aftedwingen, bewijst dat Mr. Treub in de latere socialistische letterkunde een vreemde-
93
MR. SI. W. F. TREUB.
94
ling is. Alleen een vreemdeling in hunne geschriften, kan van de leer der socialisten meenen dat zij wordt aanbevolen als een middel om een kranke maatschappij, een bij bourgeoisschrijvers zeer gangbare uitdrukking, te doen herstellen. Wij; zeggen niet dat de kapitalistische inrichting als eene afwijking van eenigen hersen-schimmigen normalen toestand moet worden opgevat. Het kapitalisme is een onvermijdelijke faze in de ontwikkelingsgang van het maatschappelijk leven. Aan een herstel van de fouten van het kapitalisme is onder het kapitalisme niet te denken. Geen der heilmiddelen welke door hervormingsgezinden wordt gepredikt, kan eene afdoende verbetering zijn. Het is niet moeilijk zich een gezuiverd kapitalisme te verbeelden, maar het is onmogelijk een kapitalistische maatschappij te zuiveren van hare gebreken. Om de goede reden, dat deze gebreken hare eigenschappen en kenmerken zijn, zonder welke zij in de werkelijkheid niet kan bestaan. En dit blijkt duidelijker naarmate, bij den teruggang van het systeem, zijne schadelijke trekken heviger worden en de aandacht op zich vestigen van de vrienden der geleidelijke verbetering. Allen die niet hunne oogen sluiten voor de verschijnselen van verval, staren hen radeloos aan. Geen der groo-tere feilen waarvoor zij zich nog verstouten vertrouwbare genezing te kunnen brengen. Wat zullen zij doen om de centralisatie van het kapitaal, en de onteigening van de groote massa, te keer te gaan ? Het wordt zoo' openbaar dat zij het niet weten, dat alleen de oprechtheid waarmede, in de verschillende regee-ringslichamen en in de pers, gezegd wordt dat zij onmachig zijn te helpen, hunne houding; eenigermate vermag te redden. Xiet-temin blijft eene goedgezinde minderheid, hier te lande ook door Mr. Treub aangevoerd, peinzen op middelen en heilmiddelen. Maar de meerderheid laat haar in den steek en zint enkel op de hulp van het geweid dat in den klassenstrijd zal beslissen. De hervormingsgezinden gaan onder, hunne politieke onspoed, laatstelijk en treffendst in België geleden, is het zichtbare teeken
MR. it. TV. F. TRKL'B.
van de ^-oor velen nog onzichtbare waarheid, dat wie waarlijk hervormen wil, het stelsel zelf van de kapitalistische orde op revo-lutionnaire wijze behoort aan te grijpen. Maar van den revolution-nairen strijd tegen de bestaande maatschappij missen zij alle begrip. Zij zijn nog onbekend met den grondslag van onzen strijd, de ontdekking dat het kapitalisme1, nu in zijn laatste dagen, door het reeds alom opgroeiende socialistische stelsel zal worden vervangen. Wij zouden niet trachten een maatschappelijke orde te doen vallen, indien wij niet verwachtten dat zij door de ekonomische ontwikkeling buiten de menschen zou worden verzwolgen. Dit is nnze opvatting van natuurwetten, zoover zij voortleven in ekonomische regelen. De onvermijdelijkheid van den ondergang bewezen, plaatsen wij ons aan de zijde van de sociale klasse, welke bij het verhaasten van het einde het grootste belang heeft, en houden ons niet op met pogingen om te verbeteren wat afgeschaft, te bewaren in fraaieren, vorm wat met al zijne gebreken vernietigd zal worden. Deze beteekenis en enkel deze, heeft de revolutionnaïre strijd van de sociaal-demokrat ie.
En zij heeft van hare leer waarlijk geen geheim gemaakt. Geen andere opvatting zal in eenig tot de wetenschappelijke literatuur behoorend werk kunnen worden aangewezen. Het zijn de burgerlijke denkbeelden en zegswijzen w7elke voor socialistische worden uitgegeven en daarna zegevierend aangetast.
Spreekt men over de revolutionnairen taktiek van onze partij, dan is het niet de sociaaldemokratische maar de burgerlijke idee van revolutionnair welke1 men op het oog heeft; en er volgt een fantastische polemiek waarin men tevergeesch zoekt naar aan-knoopingspunten met het eigenlijk onderwerp. Ditmaal heeft de Heer Treub als âeen wezenlijke fout van de Duitsche sociaakle-mokratiequot; uitgevonden, dat zij, door de verdeeling van de ar-beidsprodukten ânaar ieders redelijke behoeftenquot;, aan te geven als een ânog steeds niet geheel vaarwel gezegd doelquot;, âde nood-
95
MR. M. W. F. TREUB.
zakelijkheid van den strijd om het bestaan geheel en al miskent.quot; Op het dwaze, door niets gestaafde dogma van de noodzakelijh-Jietd komen wij voorshands niet terug. Evenmin op de, vreemde onderstelling, dat, zoo' de noodzakelijkheid een feit ware, een wereldpartij als de socialistische haar biji geen mogelijkheid, anders dan in een onbewaakt oogenblik of bij monde van een excentriek lid, zou hunnen miskennen. Maar enkel op het misverstand wijzen we, dat, door deze aanduiding van een toekomstig distributie-stelsel uit een programma van een strijdende partij te weren, de genoemde partij aan ârevolutionnarisme heeft ingeboetquot;, âwat zij aan wetenschappelijkheid heeft gewonnenquot;. De verdeeling van arbeidsprodukten behoort in een zoodanig programma niet, wijl omtrent dit punt thans geen voorschriften kunnen worden gegeven. De verdeeling volgt de voortbrenging, en, evenals de voortbrenging zich regelmatig uit de tegenwoordige in de toekomstige omzet, zal de verdeeling hare onvermijdelijke evolutie moeten afloopen. Wil men de socialistische denkbeelden over het onderwerp beoordeelen, dan geve men zich eenige moeite om deze denkbeelden te leeren kennen. Marx heeft in een door de partij als juist erkende kritiek van het programma, dat in 1875 opgesteld werd, een schets geleverd van de waarschijnlijke opvolging der thans denkbare distributie-stelsels. Indien de burgerlijke auteurs ook gaven om de manier waarop zij de gehate sociaaldemokratie bestrijden, zouden zij' het ongeoorloofd achten, van zulke gewichtige bijdragen tot de theorie onkundig te zijn. Wat zij nu weerleggen in hunne eigen narhe:d. De âverdeeling naar behoeftenquot;, is een van de mogelijke vormen, maar zal wel niet kunnen gelden in een socialistische periode, welke zich direkt bij het kapitalisme aansluit. Zulke dingen in te zien, te begrijpen wat het eene en wat het andere ekonomische stelsel is, maakt juist uit het wezen van de revolutionnaire gezindheid.
Het Erfurter Program loochent de verdeeling naar behoeften
96
MR. M. W. F. TREUB.
blijven zitten, de een blootsvoets, de ander hongerig gaan, dan hunne waren over te steken zonder winst. Het natuurlijke en vcor de hand liggende ruilmotief: dat de menschen bij eenige verdeeling van arbeid eikaars produkten noodig hebben, wordt in deze voorstelling verstopt achter de kunstmatige en gezochte, aan bepaalde historisch-maatschappelijke toestanden verbonden drijfveer van het winstbejag.
Winstbejag, echter, onderstelt de mogelijkheid om winst te maken, en deze mogelijkheid is slechts voorhanden bij den kapitalistischen vorm van den produktenruil. De arbeider verkoopt zijn arbeidskracht voor een prijs lager dan de waarde van de goederen welke hij voortbrengt. Hierin ligt het geheim van winst en kapitaal. De door hem geproduceerde overwaarde wordt verdeeld door de bezitters van de produktiemiddelen en hunne handlangers, gunstelingen, bijzitten, tafelvrienden, en de leden var de hoogere klasse in het algemeen. De andere klasse kan cie volle waarde van het arbeidsprodukt niet bedingen, maar moet reeds blijde zijn als zij de waarde van de verbruikte arbeidskracht uitbetaald krijgt. Zij is veeleer gedwongen, wijl zij noch kapitaal noch arbeidsmiddelen bezit, met een prijs onder de waarde genoegen te nemen. Haar loon veroorlooft haar niet de bestede arbeidskracht behoorlijk te herstellen, immers de levensduur van de werkende klasse is veel korter dan de levensduur van de bezittende klasse. De kwasi-socialistische uitspraak dat eigendom diefstal is, wordt door de ontleding van de overwaarde volstrekt niet gerechtvaardigd. Allerminst is de socialistische propaganda gebaseerd op deze of eene andere abstraktie. Het kapitalisme wordt niet afgeschaft omdat het onrechtvaardig is, maar, omdat het afgeschaft kan worden, blijkt ons de onrechtvaardigheid. De mogelijkheid van verandering, de zekerheid van een nieuw systeem, schept de omstanders van verandering, de aanhangers van een nieuwe leer. â Maar men zal deze hier in hunnen eenvoudigsten vorm voorgedragen eenvou-
6
MR. M. TT. P. TREUB.
dige waarheden nooit doorgronden, zoolang men, in zijn onervarenheid of kwaden wil, de dingen welke men kent en beleeft stelt voor alle tijden van het verleden en de toekomst. Hier hadden wij te doen met een kras geval van de ontaarding eener wetenschap die zich vernedert tot een pleidooi van klassebelangen : in plaats van den hedendaagschen, kapitalistischen vorm van het ruilen te verklaren als een bepaalden vorm van den warenruil, â wordt bij den warenruil gezocht naar een âmotiefquot; aan den kapitalistischen vorm ontleend.
Eveals Mr. Treub hecht Dr. Verrijn Stuart een overdreven gewicht aan de geestige vinding van Lassalle, welke als âijzeren loonwetquot; in de ekonomische litteratuur heeft rondgezwalkt totdat men haar op het congres te Halle in 1890 ontdeed van de spook-gewaden, waarmee ze zoo lang de rust van de burger-ekonomen had gestoord. Alle waren vertoonen de neiging dat prijs en waarde elkaar dekken, ook de arbeidskracht, die evenwel meest onder de waarde worden verkocht. Boven de waarde stijgen zal de prijs van de arbeidskracht wel nimmer. Wat de arbeider gemiddeld noodig heeft om te leven, is de waarde; wat hij krijgt om van te leven is de prijs. Hieruit volgt en ook uit de ervaring blijkt, dat de behoeften van den arbeider zijn loon bepalen. Boven wat de algemeene levenswijze in een zeker distrikt noodig maakt, kan het loon nimmer, tenzij in zeer ongewone omstandigheden, zich verheffen; en daarop is minder kans naarmate de reserve van werklooze arbeiders aangroeit. Beneden den aangenomen levensstandaard daalt het loon evenmin, maaide omstandigheden waaronder de arbeiders leven doen het peil voortdurend zakken. Hier valt optemerken dat in ieder land zich eene beperkte arbeiders-aristokratie van de groote menigte afscheidt, en dat deze algemeene beschouwingen niet toepasselijk zijn op de minderheid. E.eeds is gezegd dat de volledige waarde van de arbeidskracht zelden wordt vergoed, maar toch is het altijd de op het oogenblik geldende vorm der behoefte
82
MR. M. W. F. TREUB.
welke het loon beheerscht. Indien in een vak het loon van 10 gulden gedaald was en de werkeloosheid tevens dermate toenam dat een bijzonder vooruitstrevend patroon, de vraag vergelijkende bij het aanbod, een loon presenteerde van 5 gulden, dan zou een botsing het gevolg zijn. De ingetreden werkstaking zou zoo lang kunnen duren en aan de zijde der patroons met zoovele faciliteiten van overheidswege gevoerd worden, dat de ellende da arbeiders dwong het nieuwe loon te nemen.
De geleden armoede heeft intusschen hunnen levensstandaard verlaagd, zij hebben de kunst van zich te behelpen nog beter geleerd dan vroeger en hunne arbeidskracht heeft op deze wijze aan waarde verloren, kan nog goedkooper worden opgelapt dan voorheen. Ook in dit geval beheerscht de waarde van de waar haren prijs. â Wil men onder loonwet verstaan, de theoretische waarheid, dat het loon, de prijs van de arbeidskracht, te allen tijde en onder alle omstandigheden, gelijk is aan de waarde van de arbeidskracht, dan valt men in de fout van de burgermans-ekonomie, welke prijs en waarde vereenzelvigt. Bedoelt men ermede, dat geene inspanning den proletariër in het kapitalisme aan een loon zal helpen, dat de waarde van de arbeidskracht op den duur en noemenswaard overtreft, dan zegt men niets anders als wat ieder werkman duidelijker op de bleeke gezichten van zijn kinderen dan in welk boek ter wereld dagelijks leest. Deze loonwet blijft van ijzer tot tijd en wijle de nog sterkere arm van den proletariër haar en het geheele systeem in stukken slaat. Lassalle, die een ongeëvenaarde agitator was, een ekonoom wiens leeringen niet zonder voorbehoud zijn te aanvaarden en reeds bij zijn leven door Marx verbeterd, heeft de waarheid welke in het loonsysteem ligt zoo scherp geformuleerd als de spekulatie van burgerlijke werkmansvrienden, die met instellingen tot eigen hulp de kapitalistische, ijzeren noodzakelijkheid van armoede willen verbloemen, in zijn tijd dringend vereischte. Zooveel later, toen het gevaar dat dit bedrog de ar-
§3
MR. JI. quot;W. F. TliEUB.
dige waarheden nooit doorgronden, zoolang men, in zijn onervarenheid of kwaden wil, de dingen welke men kent en beleeft stelt voor alle tijden van het verleden en de toekomst. Hier hadden wij te doen met een kras geval van de ontaarding eener wetenschap die zich vernedert tot een pleidooi van klassebelangen : in plaats van den hedendaagschen, kapitalistischen vorm van het ruilen te verklaren als een bepaalden vorm van den warenruil, â wordt bij den warenruil gezocht naar een âmotiefquot; aan den kapitalistischen vorm ontleend.
Eveals Mr. Treub hecht Dr. Verrijn Stuart een overdreven gewicht aan de geestige vinding van Lassalle, welke als âijzeren loonwetquot; in de ekonomische litteratuur heeft rondgezwalkt totdat men haar op het congres te Halle in 1S90 ontdeed van de spook-gewaden, waarmee ze zoo lang de rust van de burger-ekonomen had gestoord. Alle waren vertoonen de neiging dat prijs en waarde elkaar dekken, ook de arbeidskracht, die evenwel meest onder de waarde worden verkocht. Boven de waarde stijgen zal de prijs van de arbeidskracht wel nimmer. Wat de arbeider gemiddeld noodig heeft om te leven, is de waarde; wat hij krijgt om van te leven is de prijs. Hieruit volgt en ook uit de ervaring blijkt, dat de behoeften van den arbeider zijn loon bepalen. Boven wat de algemeene levenswijze in een zeker distrikt noodig maakt, kan het loon nimmer, tenzij in zeer ongewone omstandigheden, zich verheffen; en daarop is minder kans naarmate de reserve van werklooze arbeiders aangroeit. Beneden den aangenomen levensstandaard daalt het loon evenmin, maar de omstandigheden waaronder de arbeiders leven doen het peil voortdurend zakken. Hier valt optemerken dat in ieder land zich eene beperkte arbeiders-aristokratie van de groote menigte afscheidt, en dat deze algemeene beschouwingen niet toepasselijk zijn op de minderheid. P.eeds is gezegd dat de volledige waarde van de arbeidskracht zelden wordt vergoed, maar toch is het altijd de op het oogenblik geldende vorm der behoefte
82
MR. M. W. F. TREUB.
welke het loon beheerscht. Indien in een vak het loon van 10 gulden gedaald was en de werkeloosheid tevens dermate toenam dat een bijzonder vooruitstrevend patroon, de vraag vergelijkende bij het aanbod, een loon presenteerde van 5 gulden, dan zou een botsing het gevolg zijn. De ingetreden werkstaking zou zoo lang kunnen duren en aan de zijde der patroons met zoovele faciliteiten van overheidswege gevoerd worden, dat de ellende da arbeiders dwong het nieuwe loon te nemen.
De geleden armoede heeft intusschen hunnen levensstandaard verlaagd, zij hebben de kunst van zich te behelpen nog beter geleerd dan vroeger en hunne arbeidskracht heeft op deze wijze aan w:aarde verloren, kan nog goedkooper worden opgelapt dan voorheen. Ook in dit geval beheerscht de waarde van de waar haren prijs. â Wil men onder loonwet verstaan, de theoretische waarheid, dat het loon, de prijs van de arbeidskracht, te allen tijde en onder alle omstandigheden, gelijk is aan de waarde van de arbeidskracht, dan valt men in de fout van de burgermans-ekonomie, welke prijs en w'aarde vereenzelvigt. Bedoelt men ermede, dat geene inspanning den proletariër in het kapitalisme aan een loon zal helpen, dat de waarde van de arbeidskracht op den duur en noemenswaard overtreft, dan zegt men niets anders als wat ieder werkman duidelijker op de bleeke gezichten van zijn kinderen dan in welk boek ter wereld dagelijks leest. Deze loonwet blijft van ijzer tot tijd en wijle de nog sterkere arm van den proletariër haar en het geheele systeem in stukken slaat. Lassalle, die een ongeëvenaarde agitator was, een ekonoom wiens leeringen niet zonder voorbehoud zijn te aanvaarden en reeds bij zijn leven door Marx verbeterd, heeft de waarheid welke in het loonsysteem ligt zoo scherp geformuleerd als de spekulatie van burgerlijke werkmansvrienden, die met instellingen tot eigen hulp de kapitalistische, ijzeren noodzakelijkheid van armoede willen verbloemen, in zijn tijd dringend vereischte. Zooveel later, toen het gevaar dat dit bedrog de ar-
S3
MR. M. W. F. TREUB.
beiders zou misleiden, voorbij was, kwam het oogenblik om de algemeene leuze te herzien en te zuiveren van de theoretische onjuistheid welke haar mocht aanhangen. Deze beteekenis heeft het verhandelde op het congres van Halle. De burgerlijke beoordeelaars, als zij voorgeven, dat de ijzeren loonwet gerechtelijk zou zijn ingetrokken, afgezworen als een erkende dwaling, zijn verkeerd ingelicht. De formeele korrektie verzwakt de strekking van de feiten welke Lassalle op het oog had, niet het allergeringste. De voldoening, dat het Socialisme een van zijne werkzaamste grieven tegen de heerschende orde heeft moeten opgeven, kan aan de andere partij niet worden gegund; en zij vleit zich met den schijn van eene overwinning wanneer zij eene herroeping viert welke niet heeft plaats gehad.
De âmeerwaardequot;-theorie kritiseerende, stuit Dr. Verrijn Stuart op onverklaarde en onverklaarbare duisterheden. âDe kosten-theorie kan nooit verklaren hoe het produkt meer waarde heeft dan de verbruikte produktiegoederen. Wanneer de goederen waarde hebben, omdat hun bezit kosten heeft veroorzaakt en alleen daarom, dan moet die waarde noodzakelijk aan dö kosten gelijk zijn.quot; âIn het woord âMehrwerthquot; ligt (ligt van het standpunt der kostentheorie bezien) deze tegenstrijdigheid reeds opgesloten. âMehrwerthquot;; meer dan wat ? Dan de productiekosten? en juist deze zouden aan het produkt zijn waarde verkenen !quot; i)
Neen, brave jonge dokter, uwe leermeesters hebben u voor het lapje gehouden, de âuiterst scherpzinnige en volledige studiequot; van Prof. von Böhm Bawerck heeft u niet wijzer gemaakt. Wat gij zegt is volkomen logisch, maar gelijkt niets op Marx.
84
âWanneer de goederen waarde hebben omdat hun bezit kosten heeft veroorzaakt...quot; Hoe zou hier ooit een verklaring ve.n de waarde, een kwalitatieve bepaling van de waarde te vinden zijn
i) Proefschrift, hh. 62 en 63, noot.
MR. M. W. F. TREÃB.
85
geweest? âKosten veroorzakenquot; is wederom waarde besteden: deze âtheoriequot;, derhalve, zegt ons omtrent het wezen van de waarde niets ,want de vraag blijft volkomen onbeantwoord hoe dan de waarde ontstaan is die besteed werd om de andere waarde voorttebrengen. De kostentheorie is enkel een praktische benaderingswijze van de icaardegrootte. Het kenmerk van de burgerlijke ekonomie is het verwarren van waarde en waarde-grootte, tevreden te zijn met een of andere methode om tennaas-tenbij de kwantitatieve bepaling van de waarde te kunnen doen, zich niet te bekommeren om het onderzoek van de waarde als zoodanig â welke zij stilzwijgend of uitdrukkelijk aanneemt als een vaste eigenschap van alle goederen, en niet heeft leeren onderscheiden als een historischen vorm. Voor haar, met andere woorden, hebben altijd de waren bestaan en zullen de goederen steeds de gedaante bezitten van waren. Zie hier misvattingen welke men waarlijk niet behoeft te verergeren door ze aan Marx toe te schrijven â gelijk Dr. Verrijn Stuart, die de kostentheo'-rie niet alleen verhaspelt met de leer van het Kayitaal, maar bovendien haar kritiseert zonder te letten op hare principieele gebrekkigheid. De arbeid bepaalt de waarde, en de mceielijkheid die gij ondervindt om dit met het feit van de overwaarde te rijmen, is niet de schuld van Marx. Gij vraagt: âMehnverth: meer dan wat?quot; AVel, dan de waarde van de gebruikte arbeidskracht, een waar als een andere. De waarde van de arbeidskracht wordt bepaald door den arbeidstijd noodig om de arbeidskracht voorttebrengen, of de gebruikte arbeidskracht aan te vullen. Welke soort van arbeid is daartoe noodig? De arbeid om den arbeider in het leven en zijn klasse in stand te houden, in één woord: de arbeid besteed aan zijne levensmiddelen. De waarde van de arbeidskracht is dus afhankelijk van zijn levensstandaard, die door allerlei oorzaken wordt bepaald. Het loon is de hoeveelheid geld inderdaad door den arbeider ontvangen,
MR. M. \V. F. TUEÃB.
onder of boven de waarde van zijn arbeidskracht of aan haar gelijk.
Zelfs wanneer de arbeider de volle waarde ontvangt van zijn arbeidskracht, is er een âmeerwaardequot; â het bedrag met hetwelk de waarde van de produkten door hem vervaardigd, zijn loon overtreft â een meerwaarde die het eigendom blijft van den bezitter der produktiemiddelen in wiens dienst wordt gearbeid â en die, in geld omgezet, het 'kapitaal vormt.
âVanwaar,quot; vraagt Dr. Verrijn Stuart, âde waarde van een op de wandeling gevonden edelsteen ?quot; Natuurlijk uit den arbeid welke edele steenen, om waren te worden, noodig hebben. Had men ze voor het oprapen, dan zouden ze geen waren zijn en geen waarde bezitten. Het is de gemiddeld nooazakelijke arbeidstijd welke de waarde bepaalt. â En op dit voorbeeld, dat het omgekeerde aantoont van hetgeen de schrijver wil betoogen, doorgaande, begeeft hij zich in gevolgtrekkingen die inderdaad zeer dwaas zijn, maar geen dwaasheid van Marx.
86
âNieuw ontdekte goudvelden zouden geen waarde hebben, omdat hun productie geen arbeid kostte! De geheele geschiedenis van de Californische en thans Transvaalsche goudvelden, een irrealiteit, alleen bestaande in de fantasie! De eigenaars der goudvelden, die zich rijk wanen door het feit, dat in hun tot dusver wellicht waardelooze gronden goud ontdekt werd, krankzinnigen die lijden aan hallucinaties! Men mag in waarheid Marx niet verwijten spoedig voor een consequentie van zijn leer terug te deinzen!quot;1) Maar wij, die de beteekenis van de ekono-mische waarheden niet laten afhangen van den âwaar.quot; van kapitalisten, zullen gaarne erkennen dat voor goudvelden veel geld wordt betaald. Wij verzoeken alleen te bedenken dat wie prijs en waarde verwisselt, niet geroepen is over Marx te oor-
1
BI. 48.
MR. M. TV. F. TREUB.
deelen, noch gerechtigd hem âconsequentiesquot; onder te schuiven.
Dr. Verrijn Stuart onderscheidt zich van Mr. Treub door in het onderwerp minder vreemd te zijn. Des te erger voor de burgerlijke wetenschap, indien hij, beter toegerust, even slecht uitkomt. Het socialisme, op die manier gedood, moet van gezondheid overvloeien.
V.
Sedert Mr. Treub zijne waardelooze weerlegging van Marx in het licht heeft gegeven, heeft hij menigmaal over het Socialisme schriftelijk en mondelijk zijne meening bericht; maar nimmer heeft men van hem iets gelezen of gehoord dat zijne eerste proeve van anti-socialistische kritiek verbeterde. Dit geeft een geringe gedachte van den ernst waarmede eene wereldbeschouwing, die in ieder land eiken dag aan invloed winnende is, door tegenstanders van zijne positie wordt onderzocht. Men moet niet vergeten dat, zedelijk gesproken, de Heer Treub reeds verscheidene Kamerzetels inneemt; en in zijne handen is de op een na belangrijkste magistratenpost van de hoofdstad des lands. Lieden van zijn slag zijn het, die, volgens het generale gevoelen van het beschaafde publiek, de betere toekomst brengen zullen, zoo nog een betere toekomst mag worden verwacht. Hij en zijne politieke vrienden zijn, in geen ironischen zin van het woord, het groene hout. Nu kan men ongetwijfeld te gelijkertijd wetenschappelijk een nul, en in de staatkunde of de administratie een groot man zijn. Maar dit is te algemeen, en van de hedendaag-sche machthebbers en politici, is eenig begrip van de zoo sterk wordende socialistische leer, bijna onmisbaar. Het vele wat van die zijde over het socialisme wordt gezegd, bewijst dat men er zich mede bezig houdt, en dat het geen onwil is indien de kwaliteit verre achter blijft. Wij zien alleen een bevestiging van de alge-meene strekking onzer kritiek in de wijze, waarop de Heer Treub
87
Mn. M. W. F. TUEUB.
88
nu de natuurwetenschap tegen het socialisme zoekt te exploi-teeren. De regelen door Darwin voor de ontwikkeling en afstamming der soorten gesteld, kunnen redelijkerwijze niet anders zijn dan kort samengevatte beschrijvingen van het ons bekend geworden verleden in de organische1 wereld; van het tegenwoordige, zoover het zich in overeenkomstige omstandigheden bevindt. Tegenover de algemeene meening, dat de schepper dezer aarde de dieren en de planten kant en; klaar, voor eens en voor altijd gevormd, toegerust ieder met zijne bijzondere organen, eigenschappen en kenteekenen, elk op zijne plaats en in zijn element had gemaakt, stelde de moderne wetenschap de hypothese, waaraan niet meer wordt getwijfeld, dat de planten en dieren die wij kennen zich uit andere soorten hebben ontwikkeld; dat cle wording van het organische leven van lieverlede heeft plaats gehad, het hoogere na het lagere, in een onafgebroken evolutie. Deze ontwikkelingsgang is nagespoord en men heeft be venden dat, in bepaalde omstandigheden, zekere oorzaken hebben gewerkt welke, zoolang de omstandigheden onveranderd bleven, dezelfde gevolgen hadden. Dit systeem van oorzaak en gevolg, gepopulariseerd onder den naam van Darwinisme, doet ons kennen wat in de wereld der levende schepselen heeft plaats gehad, nog eer er menschen waren die het konden opmerken. Eene natuurwet is het dat het levende ongaarne het leven verlaat, en in de behoeften welke het gevoelt om in het leven te blijven, tracht te voorzien op iedere bereikbare manier. Onder dien drang ontwikkelen zich de noodige organen, worden de organen voor hunne taak meer en meer bekwaam; hetgeen men met andere woorden zegt, wanneer men zegt dat de levensfunktiën verdeeld worden over een grooter getal organen, die onderling steeds meer verschillen en elkander steeds beter ondersteunen. Aan die natuurwet is ongetwijfeld mede de mensch onderworpen, klaarblijkelijk zonder dat er uit volgt, dat de zucht om te leven zich bij den mensch in de maatschappij zou voordoen op
MR. M. W. F. TBEUB.
niet, maar is de expressie van het revolutionnaire besef, dat het stellen van zoodanige eischen een ijdele bezigheid is voor de lieden van heden, ten wiens bate programma's worden gemaakt. De tegenstelling van revolutie en wetenschap is valsch. Het is de wetenschap, die geleerd heeft dat de maatschappij niet is een mechaniek, welke hervormd wordt, maar een organisme, dat groeit. Een achterlijk stadium is met geen hervormingen te helpen, het moet zijn tijd hebben, uitrazen en voor een volgend plaats maken. Dan is het gerevolutionneerd, zooals het kapitalisme revolution-nair heeft gewerkt in de feudale maatschappij, niet ondanks, maar op aansporen van een wetenschap, die het onhoudbare, van de bestaande orde had ingezien. Een revolutionnarismev dat in strijd is met de wetenschap1, is de eenige opvatting van de revolutie, waartoe de burgerlijke verdedigers van het kapitalisme zich kunnen bekwamen. Maar dat is hunne zaak, en de: onze niet. Zooals het de hunne is, de gedachte van âverdeeling naar behoeftequot;, wel de redelijkste die men zich kan voorstellen, de miskenning van een natuurwet te noemen. Is eene verdeeling anders dan naar behoeften zooveel natuurlijker? Zij zou, zegt de redakteur van het Sociaal Weelhlad, âde kiem van haar ondergang in zich dragenquot;. De doodgewone binnen ieders ervaring liggende waarheid, dat van menschen eerst dan een vruchtbare inspanning van ieders beste krachten kan worden verwacht, wanneer hunne stoffelijke behoeften bevredigd zijn, ligt blijkbaar reeds boven het peil, dat de anti-socialistische kritiek kan bereiken. â1 Zoo' veel te beter voor de sociaaldemokratie.
October '94.
97
6
MARKER
i.
De Heer van Marken heeft in eene lezing, Maart 1876 op een paar plaatsen van ons land voorgedragen en in dien jaargang van de Vragen des Tijds afgedrukt, den Franschen auteur Jean Macé een verhaal naverteld van een goeden genius, die op aarde verschenen was om den menschen nuttig te wezer, maar die ten laatste, verslagen en ontmoedigd, den terugweg naar den hemel inkeerde. â Hoe was het hem gegaan ? Hij landde eerst aan bij de hoogste autoriteiten en rijkste burgers; hij vond betuigingen van warme ingenomenheid in antwoord op zijne vermaningen tot menschenliefde en gelijkheidszin. Maar toen hij den volgenden dag in een gezelschap van radikale ad-vokaten was opgemerkt, draaiden de groote heeren hem den rug toe en letten niet op zijn verweer, dat hij bij de gevreesde rooden dezelfde verklaringen had gehoord als den vorigen dag r: de aanzienlijke woning. En toen hij met personen van den middenstand in aanmerking kwam, lieten de advokaten den genius in den steek, en zijn vriendschap met de werklieden aangeknoopt verbeurde hem de achting van den middenstand, en zijn liefdevolle handreiking aan een verloopen straatslijper maakte de werklieden van hem afkeerig. Daarom sloeg de genius den weg naar den hemel weer in, ontmoedigd en verslagen. Overal had hij den gelijkheidszin en de menschenliefde gepredikt en overal had men zijne woorden met hartelijke instemming
J. C. VAN
J. C. VAN JIAPKEN.
begroet. Helaas, hij vond geene daden dan daden met die instemming in strijd, elke klasse van de maatschappij aan de andere vijandig. Zelfs de bedelaar kreeg van zijn gezelschap genoeg, denkende dat de genius het zijne zocht bij gebrek aan beter...
Niet toen in zijne lezing, en, indien de voorstelling die ik van ééne zijde van Van Markens publiek optreden heb, en in deze bladzijden ga geven, juist is, â ook niet later bij zijn denken over Maatschappij en Leven, is de Heer van Marken op het idee gekomen wat de oorzaak is geweest van des genius mislukte propaganda. Want, hoeveel eerbied men aan de bedoelingen van den godsgezant verschuldigd moge zijn, zullen toch velen zich willen herinneren dat niet juist naar den hemel de weg met zulke bedoelingen is bestraat. Het was, om de waarheid te zeggen, een verdoemd onpraktische genius, die zijn loon verdiende. Geen hemelbode, zou men onder zekere menschen zeggen, maar een hemeldragonder; een lid van het groote gild der welvarende praatjesmakers, die voor steenen harten en hongerige magen en leege hoofden, een zelfde geneesmiddel hebben : de zalf van schoone woorden. Ook had de genius blijkbaar nog nooit een ernstig boek over sociologie met vrucht gelezen, misschien wordt die lektuur in zijne gewesten niet geduld. Want dan zou hij begrepen hebben dat de zeden van de menschen, in eiken stand of klasse, het gevolg zijn van de maatschappelijke instellingen waaronder zij leven Dan zou hij hebben ingezien, dat, wie op deze zeden wil werken met edel betoog, zoo veel kans op goeden uitslag heeft als wie den spiegel verbrijzelt, om de voor hem onaangename werkelijkheid te ontgaan. Wijzig de werkelijkheid en gij zult haar spiegelbeeld, de moraal, zien veranderen; neem de oorzaak weg, de verkeerdheid van de instellingen, en gij zult het gevolg, de kwade zeden, zien verdwijnen. En als dan de genius in dezen tijd had geleefd en behalve die algemeene sociologische waarheid, nng deze bijzondere
99
J. C. VAN MARKEN.
IOO
politieke had betracht, dat de arbeiders bestemd zijn de bour-geois-maatschappij te revolutionneeren, gelijk de burgers het waren die de feudale wereld hebben herschapen, dan zou hij met dezen vasteren bodem onder de voeten dan de nevel-vloer van goede bedoelingen, een geheel andere taktiek hebben aangenomen en met een overvloedig resultaat zijn beloond. Dan had hij de groote heeren mitsgaders de radikale advokaten onbezocht gelaten, en ook de woning van de kleine burgerij was hij voorbij gegaan. Maar tot de werklieden had hij zich direkt en uitsluitend gewend, tot hen gezegd â: de politieke en ekonomische organisatie is het wat jelui moeten hebben, om straks, als, gedeeltelijk ook ten gevolge van die organisatie, de wankelende kapitalistische staatsorde in elkaar valt, op te treden als beschaafde, ontwikkelde en vereenigde klasse om op de puinhoopen de nieuwe orde, de socialistische, te vestigen; en intusschen gebruiken jelui de organisatie vast om de slagen van het inwendig verstoorde en stuiptrekkende kapitalisme zooveel mogelijk af te weren. â⢠Zoo sprekende had de genius weinig hemelsch in zijn woorden gelegd, maar op waarlijk verhevene uitkomsten kunnen rekenen. Het idealisme namelijk dat in de woorden zit waarmede men wil vermurwen, is het schiju-idealisme uit de wereld van de bourgeoisie, die, zelve enkel nog de schijn van wat zij placht te zijn en wezen wil, de klasse van het verstand, de maatschappelijke deugd en de kracht, niets dan schijn-deugd kan vertoonen. Zooals de tuinier niet zijne rozen-stekken met parfumerieën maar met simpel water begiet, noch hen mest met paarlen maar met drek, zoo wordt de samenleving besproeid en gevoed met den grof-praktischen zegen van stoffelijke instellingen. Opdat de hoogere zegen wasse als groene bladeren en roode bloemen aan den met dien drek en dat water geteelden stam. Het babbelen over de bloemen en de bladen ontheft niet van de zorg voor vocht en voedsel. Het ware idealisme kan alleen worden gebouwd op de onomstootbare
J. C. VAN MARKEN.
fondamenten van een zorgvuldig gelegde realiteit...... zoodat de
genius die menschenliefde en gelijkheidszin kwam prediken, eerst van al de stoffelijke machtsmiddelen had moeten aanwijzen die gelijkheid teweeg brengen, door ongelijkheid weg te ruimen, die liefde mogelijk maken door ouderlingen strijd en mededinging op te heffen. Maar hij vond water mogelijk te eenvoudig en mest te vies â- en zoo heeft hij de aarde moeten verlaten zonder een enkele roos van menschelijk geluk in zijn gordel te kunnen meenemen, verslagen en ontmoedigd.
Omdat nu het volgende enkel een uitbreiding en een moti-veering van dit begin zal zijn, acht ik het wel zoo goed hier dadelijk bij te voegen, dat ik aan den Heer van Marken denk als aan dien genius; â⢠evenals deze op de aarde gekomen om den menschen nuttig te wezen, zich wendend tot alle standen en klassen met zijn dringende beroepen op de edelaardigste gevoelens; maar die ten slotte tot den hemel van zijn eigen idealisme de toevlucht zal moeten nemen, omdat er op aarde weinig of geen aanhangers van zijn optreden overblijven. Die, gewoon het wolkentapijt te betreden dat daar gespannen is, den harden grond van de positieve sociologie niet aangenaam vindt onder zijne zachte zolen. En van wien voorspeld mag worden, dat, al heeft hij met een genius in meer dan een opzicht het geniale gemeen, hij niet van de wereld zal kunnen scheiden met het besef de groote kwestiën waarin hij belang stelde, maar ééne enkele schrede nader bij haar einde te hebben gebracht. Van wien integendeel kan worden gezegd, dat, zoo hij in deze iets blijvends zal achterlaten, het de diepere overtuiging zal wezen, dat de manier waarop hij zijn leven heeft besteed, de gezochte oplossing niet bevordert en eene verspilling van kracht is. â-
II.
De lezing waarin het vertelsel van den goeden, maar omtrent aardsche dingen slecht ingelichten genius voorkomt, is getiteld
IO I
J. C. VAN MAKKEN.
102
Heerschend Wanbegrip. De Heer van Marken bestrijdt het gevoelen dat wereldsche groodieid, aanzien bij de menschen, hooge positie in staat of maatschappij, als zoodanig verkieselijk zou zijn en meer wezenlijken eerbied verdienen dan vergetelheid, en een nederige plaats wanneer zij met eere wordt vervuld. Dit is geen algemeene bespiegeling, de lezing is gehouden in volksvergaderingen en heeft de strekking! het publiek van dit wanbegrip te bevrijden. Ik wensch nu niet langer stil te staan bij den oorsprong van het gevoelen, het is het sentiment dat behoort bij eene maatschappij die van de inspanning van partikulieren afhankelijk is, en die, zoo zij die inspanning niet wist te prikkelen door de belooning welke zij aan het welslagen verbond, spoedig zou ondergaan. Intusschen begint de gebrekkigheid van deze maatschappij zelfs in de kringen van de bourgeoisie voelbaar te worden, en valt, op de hierboven beschreven wijze, de aandacht op de tot dusver verwaarloosde eigenschappen en neigingen. Want het bijzondere is niet dat men over het aangeduide gevoelen spreekt als over een wanbegrip; in de christelijke moraal heeft de afkeer voor de wereldsche hoogheid een kwijnend bestaan voortgesleept; maar het bijzondere is dat een jong en wakker industrieel met deze leer aankomt in arbeidersvergaderingen als een leus om tot propaganda voor sociale beterschap aantesporen. â De eerste voorwaarde is, zegt Van Marken, dat wij die openlijk met die overtuiging (van de noodzakelijkheid van hervormingen) optreden, zelf huur in ons dagelijhsch levtn ir, praktijk hremjen. (bl. 221) Gingen wij hier verder de leer bespreken, dan zouden wij in de eerste plaats aan den Heer van Marken de vraag moeten stellen: hoe het mogelijk zou zijn in een kapitalistische maatschappij anders dan kapitr.lls-tisch te handelen, hoe wij in ons dagelijksch leven iets in praktijk moeten brengen, waartegen juist de praktijk van dat leven zich dagelijks en onoverwinnelijk zou verzetten. Deze vraag is voldoende om te bewijzen dat iemand die zoo spreekt, het wezen
J. C. VAX MARKEX.
van de maatschappelijke dingen niet begrijpt, droomend van een mogelijkheid het leven te fatsoeneeren naar de formules van een zedekunde, buiten de werkelijkheid om van de instellingen, met-die werkelijkheid in strijd. Maar ik heb deze zinsnede alleen aangehaald om te toonen dat bij den persoon-zelf aan wien het moderne gevoel gedemonstreerd wordt, ook het verstandelijke inzicht, dat bij het gevoel behoort, aanwezig is. En de Heer van Marken is zoover ik weet, nooit van deze theorie afgeweken.
Dit heerschende wanbegrip dan, zou, als de Heer van Marken zijn zin gekregen had, uit de gedachten van zijn gehoor, van de arbeiders in het algemeen, zijn verbannen. Dat hij dit wilde bereiken zal iedereen goedkeuren, dat hij het juiste middel niet gevonden heeft, niemand kwalijk nemen; en de schrijver van deze bladzijden zou liever dit geheele artikel nalaten, dan op iemand den indruk maken van dit in den Heer van Marken te misprijzen of te berispen. Alleen moet het geoorloofd zijn het socialistisch sentiment te plaatsen naast het sentiment dat Van Marken dreef en nog drijft. Immers, hoe wenschelijk het is dat men niet blindelings buigt voor het sukces en het aanzien, men zal daarin geen beterschap brengen door het af te keuren zoolang â de omstandigheden van dien aard zijn, dat voor de overgroote menigte aanzien en sukces in alle opzichten verkieslijk is boven het omgekeerde. En in een zeker stadium van het kapitalisme, in het eerste namelijk, als het nog inderdaad de grootere bekwaamheid en het meerdere talent is dat de uitverkorenen naar de hoogste plaatsen voert, zijn deze plaatsen de billijke belooning van hen die ze bekleeden. Dat verandert late» als volgende geslachten het geld en de macht van de vorige erven, en zich geen grootere moeite geven dan noodig is om te blijven zitten. En dan nog later w7anneer het kapitalisme bezig is in zijn tegenovergestelde omgezet te worden, wanneer het monopolie de koncurrentie grootendeels heeft verdrongen, dan is de eerbied voor maatschappelijke grootheid eerst recht een wan-
10
J. 0. VAN MARKEN.
io4
begrip. Maar in geen van deze drie tijdvakken kan het worden verholpen door er tegen te ijveren, omdat het enkel de moreele weerschijn is van het licht dat gedurende alle drie onbewolkt aan den maatschappelijken hemel staat: deze waarheid, dat de inspanning van partikulieren â en niet het overleg van de gemeenschap â eerst om te krijgen, daarna om te vermeerderen, vervolgens om te behouden, het eenige middel i? waardoor de maatschappij in hare behoeften kan voorzien. Welken indruk maakt nu, om weer van de leer naar het gevoel over te gaan, het bestrijden van dien weerschijn op het hedendaagsche socialistische gevoel ? â Dit, van te blaffen tegen de maan, een verspilling van kracht; en dit: van de menschen te willen doen gelooven dat de maan een hollandsche kaas i^, en eenige verre bleeke sterren de bron zijn van het zilveren licht in den nacht. Wat moet, met andere woorden, denken, en wat heeft ongetwijfeld menig werkman gedacht, toen hij den in 1876 reeds vermaarden fabrikant tegen het wanbegrip dat hier bedoeld wordt, hoorde aangaan ? In de taal van de hoorders uitgedrukt: je praat goed, maar je eet nog beter... Want de arbeider ziet in den kant van de werkelijkheid die naar hem toegekeerd is, de zedelijke zijde aan die werkelijkheid onverbreekbaar verbonden. Hij, die in armoede en onderworpenheid verkeert, en die, als hij eenigszins tot nadenken is gekomen, deze oorzaken van al (Je slechtheid om zich heen onderscheidt, vindt het niet meer dan natuurlijk dat het bezit van macht en rijkdom hoog staat aangeschreven. Het dansen om het kalf van goud, gevoelt hij. za! alleen eindigen wanneer er geen kalven van goud meer worden opgericht in den maatschappelijken woestijn. Te meenen dat de lieden met afgewende blikken de altaren van den mammon zullen voorbijgaan, is een ijdele hoop zoolang wie niet o.ider offeraars een plaats verovert, gevaar loopt zelve geofferd te worden. De Heer van Marken, denkt hij, is hamer, en het is- in hem niet meer dan een betamelijke edelmoedigheid om het aan-
J. C. VAN MARKEN.
beeld te loven; zijne hoorders zouden gaarne met hem instemmen, indien zij niet meer aanbeeld behoefden te zijn. En ik heb niet noodig de bedenkingen van de proletariërs tegen het valsche idealisme te fantaseeren, de Heer van Marken heeft ze zelf onder woorden gebracht in zijn opstel. Daarmede het ongezochte bewijs leverende dat niet de klassegenooten van Van Marken geroepen zullen worden de sociale hervormingen te maken, maar de arbeiders waarvan de Heer van Marken reeds in 1876 gesprekken wist te citeeren, die zooveel verstandiger waren dan zijn lezingen. Zie hier:
â âZoolang de paarden, zegt de werkman, die het verdienen, den haver niet krijgen; zoolang de overgroote meerderheid in het zweet des aanschijns moet zwoegen en slaven, en enkele gelukkigen zonder werken het vette der aarde genieten ; zoolang millioenen tot handenarbeid zijn gedoemd, den ontwikkelden mensch onwaardig, terwijl slechts voor weinigen een werkkring openstaat, die werkelijk iets meer vereischt dan de kennis van lezen en schrijven; zoolang blijf ik de maatschappij slechts beschouwen als een poel van onrecht en ellende.quot;
Als de spreker hier nog bij had gevoegd dat de organisatie van de millioenen dit drieledig gevolg zou hebben: van het vette der aarde in ongekende en nauwelijks te vermoeden overvloed voorttebrengen, van den handenarbeid tot een minimum te beperken en voor iedereen een werkkring open te stellen den ontwikkelden mensch waardig, â dan zou hij de kritiek van de bestaande en de verwachting van de komende maatschappij in korte en juiste woorden hebben geformuleerd... Helaas, de fabrikant geeft een erg onnoozel bescheid:
â ,,De gelijkheid, waarvan gij schijnt te droomen, is mijn antwoord aan die ontevredene, is zeker onbereikbaar, en voor mij ook niet het ideaal der samenleving. Och arm, dat is een dwaze fantasie van uw soort, waarde Heer: van een ideaal dat in gelijkheid zou zitten, heeft de man volstrekt niet gesproken.
105
J. C. VAX MARKED.
Dat is de karikatuur die gijlieden de gewoonte hebt van de ar-beiderseischen te maken.] Zelfs uwe beschouwing van den be-slaanden toestand is de mijne niet. Gij miskent den zegen van den arbeid, ook voor den arbeider. â Ik heb een rijke erftante, zoo verklaarde mij onlangs een mijner werklieden en als die komt te sterven, behoef ik mijn leven lang niets meer uit te voeren. â Wanneer de vrucht van die erfenis, antwoordde ik, uw werkeloosheid moet zijn, zoo hoop ik voor uw geluk, dat die tante nog lang in het leven moge blijven, â Niets komt mij vreeselijker voor dan de pijn der ledigheid, die door geen schatten wordt opgewogen, en ik ben innig overtuigd, dat menig nietsdoener gaarne zijn weelde zou ruilen voor het gevoel van voldoening, dat ons die wel werken bezielt, wanneer wij he: loon van onzen arbeid in den zak steken.quot;
Dit is nu waartoe de methode voert om het kapitalisme te bestrijden â de Heer van Marken meende met deze redevoering de ook door hem gewilde hervormingen te bespoedigen â door menschelijke neigingen te prikkelen die door het kapitalisme onaangeroerd worden gelaten, en door van andere kwaad te spreken die in het kapitalisme worden ontwikkeld. â De waarheid is dit: hoe meer het kapitalisme groeit, hoe harder het lot wordt van den werkman en hoe sneller hij wordt gereduceerd tot het bestaan als een aanhangsel van de machine. Natuurlijk is dit feit in de moreele zienswijze^ van het tijdvak terug te vinden : de arbeid wordt veracht, door de arbeiders zeiven beschouwd als een straf, en nietsdoen het eindpunt van ieders streven. Daar verandert men niets aan door in het algemeen âden arbeidquot; te verheerlijken. In de werkelijkheid bestaat de, arbeid niet, er is in de werkelijkheid alleen kapitalistische arbeid, een steeds hatelijker wordende slavernij. Die deze waarheid negeert komt in den leugen terecht, logisch en met het gevoel. Iemand te hooren spreken over den zegen van den arbeid, maakt den indruk van wreeden spot of brutaal bedrog. De zegen van
io6
j. C. VAN MARKEN.
den arbeid âook voor den arbeiderquot; is: dat hij gemiddeld tien jaar eerder sterft dan men aan âde pijn der ledigheidquot; komt te overlijden; dat van zijn kinderen er tweemaal meer dood geboren worden dan bij de rijken; dat onder de levenden, voor zij vijf jaar zijn geworden, de sterfte meer dan tweemaal grooter is; dat hij zijn vrouw verouderen, zijn kinderen hun onschuld ziet verliezen als in het gezin van de rijken alles nog bloei en frischheid is; dat hij zijn zonen ziet verdierlijken in de kazerne, of bederven door een vroegen, overmatigen arbeid, zijn dochters in de bordeelen; dat hij zijn heele leven geen enkelen dag zeker is van zijn jammerlijk bestaan, en alleen hiervan zeker dat, als hij ouder wordende zijn gereedschap niet meer kan hanteeren, zijn eenige steun de bedelstaf zal wezen; dat hij zoolang het werken nog duurt, nooit vrij zal zijn van de spoken van werkeloosheid en ziekte, en met zijner handen arbeid wel al datgene voortbrengt wat dient tot het levensonderhoud en in de hoogere genietingen van het leven voorziet, maar zich zelf noch genietingen, noch in vele gevallen voldoend onderhoud kan verschaffen. Dit is in het algemeen de zegen van den arbeid ; en als, niet in de eigen gemaakte utopie van den spreker, maar in de werkelijkheid deze zegen anders was, dan zou zijne innige overtuiging althans met een enkele maal deze voorbeelden uit de praktijk bevestigd worden, door voorbeelden van menschen die hunne weelde ruilden voor de voldoening van te leven van het loon van den arbeid. Het kenmerk van het kapitalisme is integendeel dat ieder er naar streeft van den arbeid van anderen te leven; de zoetheid van het loon i? enkel proefbaar in een groote hoeveelheid, en om recht zoet te wezen moet het samengesteld zijn uit een voornaam deel van wat anderen hebben verdiend Het allerzoetste is het loon dat geheel door den arbeid van anderen wordt opgebracht. De menschelijke neigingen, die zich tegen de exploitatie van den arbeid door de ledigheid zouden verzetten, blijven krachteloos in een maatschappij die, akelig wonder, aan den ar-
J. C. VAN MARKEN.
beid den nood en de ellende verbindt, en aan de ledigheid hare bitterheid ontneemt, door juist aan de ledigheid het puik van zinnelijk genot, de keur van geestelijke verstrooiing te verzekeren. Want deze tegenstelling tusschen nietsdoen en werken, heeft nog dit gebrek, dat zij niet bestaat. De keuze in onze maatschappij is niet zooals zij in het valsche licht van dit schijn-idealisme er uitziet: niet tusschen het volstrekt nietsdoen, in idiote weelde doorgebracht, en het geluk van een nobele inspanning. De keuze is tusschen demoraliseerend en lichtloos zwoegen â en een beschikking over zijn vrijen tijd, verheven boven de nietige bekommerdheid voor het bestaan, tot alle aangename en edele bezigheden. â En de werkman die dit alles niet hoeft te leeren, maar het inzuigt met zijn dunne moedermelk en het dagelijks eet^ uit zijn schralen pot, bij wien het socialistisch sentiment nog sluimert, maar in den slaap reeds bromt, zal al wat hier is opgemerkt kortelijk samenvatteiii in het woord waarmeê hij zich van den bourgeois redenaar afwendt, zeggende : verrek. â
III.
De ergernis die de volkslezing van 1876 gaf, lag hierin dat wanbegrip werd genoemd, wat, wanbegrip of niet, direkt uit de ekonomische werkelijkheid voortkomt, den eerbied formuleert die aan het goede in die werkelijkheid is verschuldigd, en de verachting voor wat in haar verwerpelijk isâwelke af-en goedkeuring voor de lieden die het betere genieten, het onderwei p kan zijn van een theoretische bespiegeling, maar voor hen die van het verwerpelijke de slachtoffers zijn, de beteekenis heeft van een zeer redelijke voorkeur en van een even rechtmatigen haat. Juist in hunne tegenwoordigheid dezen haat te veroorc.ee-len en die voorkeur in twijfel te trekken, is het kenmerk en de fout van het modern-burgerlijk gevoel. De andere tekortkoming die ik op het oog heb, treft het gevoel als een onverdedigbare
io8
J. C. VAK MAKKEN.
grootspraak. â Even als de vorige beleedigingen van het socialistisch sentiment, wordt deze toegebracht door de neiging om het kapitalisme te hervormen door het te idealiseeren. De verheerlijking van den arbeid in de kapitalistische maatschappij was reeds grootspraak, en in zooverre niet van het volgende principieel onderscheiden; maar aan dat voorbeeld heb ik juist de onbewuste bespotting van de proletariërs gewraakt, omdat dit andere geval duidelijker nog den schijn van opsnijderij vertoont. Ik bedoel eenige plaatsen in geschriften van den Heer van Marken, waar hij meer in het bijzonder de leelijke dingen van tegenwoordig tracht te verfraaien door hun namen te geven, die niet zij, maar eerst de instellingen van een latere periode zullen mogen dragen.
Zie hier. â De Heer van Marken vertelt in zijn meergenoemde lezing van iemand die patroon was over verscheidene slechtbe-taalde kantoorbedienden. Eens op een middag detailleerde hij hun de fijnheden van een menu dat bestemd was dien avond, niet door hen, maar door door den patroon en zijn gasten te worden verorberd. â Hoe aanstootelijk de bluf en de hardheid tegen ondergeschikten reeds in 1876 den Heer van Marken voorkwam, zoo mag men niet vergeten dat er een tijd geweest is waarin gevallen van dien aard niet enkel voorkwamen, maar de geheele verhouding tusschen meester en knecht kenmerkten. Dat sommige goede dingen voor een bepaalde klasse van men-schen geschapen zijn, en dat alleen wie ze kan betalen er recht op heeft, dat iemand die ze niet kan bekostigen, ze ook niet begeert; dit is geen gevoelen dat verdwenen is. Ik meen wel dat het modern-burgerlijk gevoel het veroordeelt, maar dan alleen in de betrekking tusschen partikuliere personen. Want dit gevoel wordt blijkbaar in het minst niet beleedigd door de etalage van de weelde van de koninklijke familie, onder de oogen juist van de ellendigste armen, zooals niet lang geleden in Friesland is gebeurd. Toen onlangs het Hof in Haarlem op visite
I09
J. C. VAN MARKEN.
was, hebben de bourgeois-bladen den streek van den door Van Marken bedoelden patroon herhaald, en de spijskaart publiek gemaakt. En, zooals vroeger alle bedienden meenden, en sommige nog meenen, dat hun meesters van de goede dingen de beste moeten hebben omdat zij meesters waren, zoo meent het volk nog grootendeels dat de praal van zijne regeerders een rechtmatig privilegie is. Zelfs de Heer van Marken kon wat hij verhaalde nog maar toetsen aan het half-geëvanceerde, het modern-burgerlijk gevoel. â Toen de chef weg was, werden hem natuurlijk de verwenschingen van zijn personeel nagezonden. âDwaze menschen, laat de Heer van Marken een van hen zeggen, dwaze menschen, dacht ik, toen even daarna mijn kleine Jan mij om den hals vloog en mij naar de tafel troonde, waar mijn goede vrouw mij zat te wachten met een schotel eenvoudi-gen middagkost, die mij zeker veel beter gesmaakt heeft, dan de pasteien en truffels van mijn patroon.quot; Nu, ik ben ook geen vriend van pasteien, omdat die mij in den regel te vet zijn, maar ik houd zeer veel van truffels, van versche wel te verstaan. Ik vrees evenwel dat wij hier verzocht worden den bediende, den vader van den kleinen Jan, te bewonderen en zijn patroon te beklagen. Dit â moeten wij verstaan â is zooals het behoort, en als nu maar iedereen op die manier zijn beklag en zijn bewondering verdeelde, dan waren wij spoedig in een aardsch paradijs, ondanks dat de een voort zou gaan met truffels te eten, de ander met ze te lezen op een menu. Xu wil ik er niet over twisten wat ten slotte het ware geluk vertegenwoordigt, de middag-kost of de truffels; de pasteien geef ik cadeau, bij wijze van spreken ten minste. Dit punt, dat ik weet niet in welk onderdeel van de wijsbegeerte thuis behoort, is niet aan de orde. Aan de orde is: wat de meeste menschen voor het ware geluk houden, en daartoe rekent men de truffels, zelfs in fleschjes, ofschoon de versche natuurlijk lekkerder zijn. En die dat beseft, wordt door de voorstelling welke de Heer van Marken van zijne anek-
J. C. VAN HARKEN.
dote geeft, even onaangenaam getroffen als de Heer van Marken door de gebeurtenis zelve. Hem ergerde het zuivere, ons kwetst zijn gemengd kf pitalistisch gevoel. Ja, bijna verkiezen wij het zuivere sentiment. Het schijnt ons oprechter, meer uit één stuk: zoo waren die lui, denken wij, hunne ondergeschikten rekenden zij niet tot menschen die zintuigen en behoeften hadden als zij, niet geheel ten onrechte zelfs, en die ondergeschikt was wist niet beter of het hoorde zoo. â Maar nu iemand te hoeren, die zooveel dichter bij ons staat, en vooral dit met ons gemeen heeft, dat het maatschappelijk bewustzijn eenigszins in hem ademt, die wel den poenigen kantoorheer bestraft, maar toch doet alsof hij het ware en laatste woordi in deze kwestie niet durft zeggen, en zich met een uitvlucht behelpt, een platte algemeenheid, dit grieft ons stellig dieper. Wij moeten ons vasthouden aan onze wetenschappelijke overtuiging, om niet door ons gevoel te worden meegesleept, en om te blijven bedenken dat Van Marken geen uitvlucht bedoelt en eene belangrijke behartenswaar-dige moreele waarheid meent te leeraren. â Dit is een geval van de grootspraak, die ik wilde illustreeren. â
IV.
Als grootspraak voelen wij de poging om de kapitalistische wereld voor te stellen als een plaats waarin de tevredenheid het deel van de armen is, de rijken met het omgekeerde bezocht worden. De realiteit is precies andersom. Wij hooren het als een fraze, dat den koopman zijn fijn diner niet gesmaakt heeft. Waarom zou hij het dan besteld hebben ? Neen, dat loflied op den eenvoud is een gedwongen fraaiigheid en wij vernemen onderdoor het knarsen van den billijken nijd, het snikken van een hongerig kroost. Alleen die eenvoud is pleizierig die een smaakvol besteede welvaart veroorlooft, een verfijning van de weelde, geen noodzakelijke beperking van behoeften waarin alleen verdierlijkte menschen kunnen berusten. Tenzij natuurlijk een in-
) I I
J. C. VAN MARKEN.
dividu behagen scheppe in de uitsluitende verzorging van zijn geestelijke voortreffelijkheid, en al het overige gering acht. Maar wij hebben te maken met de voorkeur van de groote massa, en alleen wanneer die voorkeur vrij is; wanneer wij eenen staat van samenleving zullen' bereikt hebben, waarin de een de uitge-zochtste spijzen en het overige verkiest, en de andere er zich niet om bekommert, niet omdat ze voor hem onbereikbaar zijn maar omdat hij er niet van houdt, daar geeft het pas de matigheid aan te bevelen. De matigheid is verachtelijk zoolang de matigheid gedwongen is. Alleen in de socialistische wereld is het met den goeden smaak vereenigbaar, de onthouding te prijzen. Wij zijn nog zoo ver niet, en te doen alsof wij zoo ver waren, is bluf. â⢠Ruim 16 jaar later heeft de Heer van Marken weer een redevoering gehouden voor werklieden, die eveneens verschenen is 1). Ditmaal tot zijn eigen werklieden, in druk van zijn eigen persen. Al dien tijd heeft de Heer van Marken ijverig gewerkt aan zijn manier om de maatschappij te verbeteren, en in getrouwheid aan de beginselen door hem bij zijn optreden als fabrikant kenbaar gemaakt, is hij niet te kort gekomen. De woorden zijn daden geworden, wat gedaan kon worden is gedaan. Een van deze daden was de aanleiding tot het uitspreken van die redevoering; voor het eerst in een nieuw gebouw, een zaal voor bijeenkomsten van allerlei aard, vernomen, moesten deze woorden de moreele beteekenis van de opening doen waardeeren. De rede zelf, en de verdere inhoud van het boekje, waarin zij voorkomt, het relaas van de wijding, vloeit over van de melk van de weder-zijdsche achting, de honing van edele gezindheid. En het is waarlijk niet dat ik edik en gal zou verkiezen, of dat de vorm waarin het milde en zoete wordt geboden, mij litterarisch van minder goeden smaak zou dunken.... Ontken ik het recht van
112
1
De Fabrieksbode, onder redactie van J. C. van Marken, Elfde jaargang, 1892, Zaterdag 6 Augustus. Feestnommer ter blijvende herinnering aan de wijding van âDe Gemeenschap.quot;â Delft,\an Marke ns Drukkerij- Vennootschap.
J. C. VAN MARKEN.
een fabrikant die gelukkig geweest is zijn zaken, en die daarbij veel goede dingen voor zijn arbeiders heeft gedaan, om op een gegeven tijdstip bij het klimmen van zijn jaren tot hoog in den mannelijken leeftijd, dan een enthousiast en een optimistisch woord te spreken tot het personeel van zijn inrichtingen bij gelegenheid van een feest? Ontzeg ik den Heer van Marken de vrijheid om tevreden te zijn over den gang van zijn ondernemingen, of ingenomen met den roep die om verschillende redenen van haar uitgaat? Het een noch het ander. Doch hier is het socialistisch sentiment, dat, zich vermeiende in de uitmuntendheid van de door de socialistische leer ontworpen minder dan voorspelde instellingen, met een aan afgrijzen palend gevoel ontwaart, hoe daar de namen van de schoone toekomst worden gegeven aan de feiten van een verfoeielijke werkelijkheid.
Het nieuwe gebouw heeft de Heer van Marken genoemd ; De Gemeenschap. Hier begint in onze oogen al het misbruik en de grootspraak. De vlag geheschen door de echtgenoote van den redenaar, aangesproken als de âmoeder der gemeenschap,quot; draagt in zijn witte baan deze voor onze oogen duidelijk leesbare leuze ; Van Delft begint: de sociale viktorie. Hoeveel bescheidenheidsverklaringen de Heer van Marken ook voortgaat met af te leggen, het is alleen zijn verstand dat hem telkens aan de betrekkelijke nietigheid van de resultaten hrinnert. Maar zijn gemoed verkneutert zich heimelijk in het half uitgesproken besef, dat hier nu eigenlijk aan de groote taak van de maatschappelijke hervorming met sukces gearbeid wordt. De versterking van het gemeenschapsgevoel heeft hij van het begin af gehouden voor het éene noodige, en in zijn fabriek heeft men, zoo gelooft hij, al fijn aan de stichting van een gemeenschap gewerkt. Dit nu maar op groote schaal en algemeen nagevolgd, en de groote gemeenschap van de toekomst is hare verwezenlijking nabij. Zijne onderneming is een van de cellen bij wijze van spreken, waaruit het maatschappelijk organisme van de toekomst zal zijn gewe-
S
quot;3
J. C. VAN MARKEN.
ven. Het behaagt den redenaar namen te geven aan personen en instellingen van zijne1 onderneming, die aan het algemeene huishouden zijn ontleend. Hij spreekt van volksvertegenwoordigers; van het vaderland, van militaire instituten: kader, bataljons, rangen van officieren, gelederen, die het vaderland dienen ; zinspeelt op den volksaard van de Nederlanders die tegen Spanje hebben gestreden en nu ook in âonzen eigen kringquot; zou uitmunten, en op eene plaats betitelt hij de fabriek met wat er bij behoort: onze sociale organisatie. De Heer van Marken heeft het aangename besef van de maatschappij van de toekomst heel in het klein aanwezig te zien in de onderneming die hij bestuurt. Bijna op elke bladzijde glimt het woord gemeenschap ; kon de gemeenschap als een geest worden opgeroepen door herhaaldelijk haar naam te noemen, dan zou zij nog in het Agneta-park moeten rondwaren. De nieuwe zaal begroet de Heer van Marken herhaaldelijk als den tempel der gemeenschap, een tempel waarin hij zonder zelfverheffing zich kan beschouwen als den priester aan het altaar.
En echter, â als het schuim van dit burgerlijk idealisme is weggeblazen, zal over nog eenigen tijd, niemand meer van deze vaten willen drinken. Hoe de zucht tot mooi-doenerij, de bouy-geoisliefde voor schoons woorden, den spreker door dik en dun drijft, bespeurt men wel het treffendst op éene plaats, waar hij, nu niet de industrieele instellingen die hij bestuurt en dan metaforisch, maar den tegenwoordigen Staat der Nederlanden, de achterlijke oligarchie, kalmweg de groole gemeenschap noemt, waarvan de fabriek een gedeelte zou zijn. Het; is de plaats waar allereerst âaan het geëerbiedigd hoofd van den Staat, â aan H. M. de Koningin-Regentesquot; dank wordt betuigd voor de ontvangen blijken van belangstelling, in geld en in het bezoek van 20 April. â Hier is, dunkt mij, het hoogtepunt van de smakeloosheid bereikt. Zelfs een Van Marken moest dulden niet enkel, maar er pleizier in hebben, dat de Haagsche hofstoet, als
114
J. C. VAN MARKEN.
zoodanig eene in het jaar onzer beschaving monsterlijke vertooning, de poort van zijne schepping kwam binnenstuiven met zijn aan 's lands, armen ontstolen praal! Dit schamele fantasietje, dat het Holland onzer dagen een âgroote gemeenschapquot; zou zijn en de weduwe van den laatsten koning daarvan het âgeëerbiedigd hoofdquot;, het heeft Van Markens burgermans-gevoeligheid bekoord, zoodat hij zegt alleen uit bescheidenheid geen tweede bezoek te hebben willen solliciteeren! Van Marken betreurt dat het samenzijn in het nieuwe gebouw niet aan de regentes en haar dochtertje kon worden vertoond... En zie hier tevens een bewijs van de bewering, dat het enkel prediken tegen eenig heerschend wanbegrip niet helpt, want de Heer van Marken, die uit deze maatschappij, welke op de grootheid der individuen berust, den eerbied voor wereldsche grootheid wilde verbannen, roemt nu zelf in de eer aan zijne ondernemingen door de koninklijke belangstelling bewezen, en zou zoo erg graag nog eens eene vrouw en een meisje: huldigend ontvangen, waarvan hij niets anders weet dan dat zij de allerhoogste plaatsen innemen. Een hooggeplaatstheid, die bovendien geheel onvereenigbaar is met de politieke theorieën, welke hij met nadruk verkondigt. Of is in zijne sociale partij plaats voor een aan de beschaving zoo vijandige instelling, als dit overblijfsel van het konstitutioneele koningschap? â Van Marken behoorde minstens als republikein te spreken, waarvan hij de denkbeelden heeft; maar het modern-burgerlijke gevoel dat het bestaande idealiseert, leent hem de grootspraak van een lakei.
Verder heb ik niet veel woorden noodig om, nu op dit meerdere de aandacht gevestigd is, de karakteristiek van het mindere te voltooien. Immers, als wij den Heer van Marken aan het he-dendaagsche Nederland den schoonen naam zien geven die de samenleving van de toekomst draagt in onze verbeelding, dan verwondert het niemand meer dat hij zijne betrekkelijkerwijze uitnemende fabrieken zoo betitelt. Maar ook dit is grootspraak.
quot;5
J. C. VAN MARKEN,
en het gevoel dat hem daarbij leidt, is niet bestand tegen een scherper examen.
Dit is kortelijk de indruk van de rede. ââ De spreker is voer beide blind: hij ziet het heden niet dat hij veel te mooi maakt, en de toekomst niet die hij zich voorstelt als het gerepareerde (en niet volkomen gerevolutionneerde) heden. Zoo laat hij zich uit over de noodzakelijkheid van een âkloek gezag.quot; Wat is nu dc zaak ? Moeten wij gelooven dat in de kapitalistische wereld waarvan de Delftsche fabriek een samenstellend deel is, een kloek gezag, âmaar dat vrij is van heerschzuchtquot; mogelijk zou zijn, als de gezagvoerders hun âgemeenschapsgevoelquot; maar wat meer lieten inbrengen? Of hebben wij met den spreker te denken aan een noodzakelijke behoefte van elke, dus ook van de latere, gemeenschap om door een gezag âdat zich krachtig doet geldenquot; te laten leiden? Tot welke soort van gezagsoefening de kapitalistische produktiewijze voert, die ieder mensch in een voortdurende afhankelijkheid van een ander mensch stelt, weten wij, helaas, al te precies om ons door het praatje van Van Marken te laten bedotten. En dan, in de tweede plaats, is een gemeenschap waarin gezag zou worden geduld, laat staan noodig geacht, bespotting van ons ideaal. Er zijn geen twee dingen die elkaar vollediger uitsluiten dan de denkbeelden van gezag en van gemeenschap. Het gezag zal op de aarde blijven zoolang de gemeenschap niet kompleet is, het zijn twee schalen van de balans die niet beidé gelijktijdig stijgen of dalen; en wie zich zoowel van het een als het ander een vriend verklaart, weet niet vat hij zegt. â Een tweede voorbeeld. Eenige malen gewaagt de Heer van Marken van de âbelangen der gemeenschapquot;, van eene âharmonie van belangen tusschen kapitaal, arbeid en leiding.quot; âEen harmonie,quot; zegt hij, âwaarvan de bestaanbaarheid ten minste op even goede gronden te verdedigen valt als de vermeende noodzakelijkheid van strijd.quot; Niet het gevoel, maar de leer zou het raken wanneer wij over deze vraag een diskussïe
J. C. VAN JIAEKEN.
begonnen; wel ligt het op onzen weg de eer van het beleedigde gevoel te wreken. Heeft de Heer van Marken nu werkelijk vrede met een verdeeiing van belangen in eene gemeenschap als hier plaats vindt â of denkt hij zich geene andere harmonie in eene gemeenschap bereikbaar ? In het eerste geval: hoe kan men met een effen gezicht, en eenigerrnate zalvend, spreken over de belangen van de gemeenschap, die elk met nauwgezetheid behoort te dienen â- als in de werkelijkheid het eene lid der âgemeenschapquot; zijn belang kan begrooten, laat ons zeggen op dertig duizend gulden 's jaars, de andere op 10 gulden in de week ? In het tweede geval: eene harmonie die deze dissonnanten zon moeten oplossen in een zuiver akkoord, zal wel enkel vernomen worden in den droom van den man van de dertigduizend gulden ; de man; van den daalder per dag zal er niet mee dweepen.
Een derde voorbeeld. âDe belangen onzer ondernemingen veroorloven dikwijls niet openbaarheid te geven aan zooveel, dat haar op verschillend gebied verheft boven het gewone peil, zooveel dat haar eene onbetwistbaren voorrang heeft geschonken in de nijverheid, en niet slechts in de beperkte nijverheid van ons kleine vaderland.quot; â Als nu de Heer van Marken eens goed wilde proeven wat hij voor zich had, en niet over de verzuurde kapitalistische klieken de saus van zijn eigen gevoel goot, dan zou hij, dunkt mij, vooral bij het bedenken van deze zaak, een erg viezen smaak moeten krijgen. Het mankeert er enkel aan dat hij de noodzakelijke geheimhouding van âzooveelquot; ging verheerlijken. Wel sterk moet de manie van het optimisme hem bezitten, als hij in dezelfde rede van dit zuiver kapitalistische, antisociale systeem kon gewagen en nogthans de geheele socialistische woordenkraam te pas brengen. Niet, nogmaals, om te de-batteeren, maar om de dikte van het pantser te meten dat zulke slagen keert, bedenke men wat de geheimhouding van zekere industrieele inrichtingen en methoden beteekent. De Heer van Marken zegt het zelf: de belangen der ondernemingen eischen
IT/
J. C. VAX MARKEN.
het. Reeds daaruit blijkt immers onweersprekelijk dat elke bijzondere nijverheids-onderneming van tegenwoordig, geen andere belangen dan de belangen van de winstzoekende kapitalisten Tian beöogen? Niet de produktiei is van de hedendaagsche pro-duktie het doel. Haar doel is niet de voortbrenging van goederen, maar de voortbrenging van meer waarde aan geld dan de kosten van de voortbrenging bedragen â⢠van een overschot dat als kapitaal in de zakken van de bezittende klassen gaat. Daarom staat het belang van elke onderneming lijnrecht tegenover het belang van het geheel. Heeft eene onderneming een middel gevonden om goedkooper of beter te werken dan een andere, een middel dat zij niet zoekt omdat het haar een lust is het publiek beter en goedkooper te bedienen, maar om een voor haar gunstiger verhouding te bereiken tusschen de uitgaven en ontvangsten, en dientengevolge een grooter overschot te verkrijgen, dan â â- moet zij er voor zorgen dat dit middel geheim blijft. Waren de belangen van wat Van Marken het hart heeft de groote gemeenschap en een deel er van te noemen, niet aan elkaar tegenovergesteld, was het streven van de tegenwoordige produktie niet het verrijken van personen maar het voorzien van de massa -â dan zou iedere onderneming die een verbetering had uitgevonden, zich haasten er de grootst mogelijke bekendheid aan te geven. â Wat moeten wij van den Heer van Marken geloo-ven: gevoelt de Heer van Marken niet het anti-sociale van het bedrijf dat hij en al zijn, kollega's volgen, en moeten volgen, of heeft hij zulk een schamele opvatting van eene gemeenschap dat hem deze strijd van een deel tegen het geheel niet hindert...!
VI.
â â âMedeburgers â wij zijn hier bijeen als vertegenwoordigers van twee zeer verschillende belangen. Gij, de arbeiders aan deze fabrieken, hebt er voordeel bij dat ik, directeur en zaakwaarnemer van de aandeelhouders, zoo weinig mogelijk winst
118
J. C. VAN MARKEN.
maak, omdat van de opbrengst van hetgeen hier gefabriceerd wordt, het geld dat niet in mijn zak en den hunnen gaat, door u wordt ingepalmd. Ik heb er daarentegen belang bij dat uw loon zoo laag mogelijk zij, omdat van de opbrengst van hetgeen hier wordt gefabriceerd, het geld dat gij niet in uwe vingers f krijgt, bestemd is voor de aandeelhouders en voor mij. Natuur
lijk moeten gij en ik bij het streven om van de opbrengst zooveel mogelijk naar ons toe te halen, niet alleen daarop maar ook op eenige andere dingen letten. Ten eerste moeten wij er voor zorgen dat er iets te verdeelen valt. In de zorg daan-oor zijn wij bij manier van spreken als diefje en diefjesmaat. Onze gemeenschappelijke vijand van dat standpunt, nl. in den nek gezien, is het publiek dat gist eet en spiritus drinkt. Wij moeten hun zooveel mogelijk van dat tuig in de maag stoppen en tegen zoo hoog mogelijke prijzen. Zooveel als het even lijden kan boven onze kosten moeten wij hun uit den zak kloppen. Niet te veel, want dan gaan ze bij onze konkurrenten koopen. De waar moet zoo zijn dat er zooveel mogelijk van verkocht wordt, juist zoo goed dat onze waar de beste is; en telkens zooveel beter als noodig is om de beste te blijven. â Nu, de zorg voor de opbrengst ver-eenigt ons niet alleen tegenover onze medemenschen (hm !), maar stelt ook zekere lijnen die wij bij onzen ouderlingen strijd in het oog moeten houden. Als gij te veel loon gaat eischen, zoodat, al wilde ik niets voor de aandeelhouders en mijzelf bewaren, de konjak en de pannekoeken te duur zouden worden, dan verloopt ons standje en dan zijt gij wat onze Israëlitische medeburgers noemen, finaal gesjochten. Ik ook eenigszins, maar niet zoo erg. Dit moet gij niet vergeten, in uw eigen belang: er is j wat men noemt een loonstandaard in de wereld : dat is de mate
van de vaardigheid welke de werklieden in het verdeelen van de opbrengst hebben bereikt. Waar zij over het algemeen mede tevreden zijn, bepaalt den loonstandaard en gaat door voor billijk. En dat is ook billijk, aangezien gij niet meer verdient dan
119
J. C. VAN MARKEN.
gij verdient, ik bedoel: omdat niemand zoo gek behoeft te zijn u meer te geven dan gij vraagt. Wel, als gij nu eenigszins belangrijk boven den loonstandaard wilt gaan, gebeurt er van twee dingen een; of, zooals ik gezegd heb, de krentebroodjes en de pommerans worden te duur, zoodat wij niet verkoopen, want gij zijt â met uw verlof â te beroerd om al uwe kollega's over te halen ook loonsverhooging te eischen. Of, wij zouden de prijzen dezelfde laten en als direktie en aandeelhouders ons tevreden stellen met minder dividend en tantième. Uit vrees anders de heele boel te verliezen zouden wij wellicht toegeven, maar aan onze toegevendheid komt een einde. Voor mijn bemoeiingen als direkteur is ook een soort loonstandaard en eveneens voor de uitkeering aan de heeren die in onze onderneming een levendig aandeel nemen, een aandeel dat voortdurend vruchten afwerpt. Daalt nu, tengevolge van uwe hooge eischen en de onmogelijkheid om de prijzen op te slaan, onze vergoeding eenigszins beduidend onder het peil dat wij met eenige zekerheid in andere affaires zouden kunnen bereiken â dan verplaatst zich het kapitaal, en dan verplaatst zich dei direkteur, en gij, waarde vrienden, zijt alweer gesjochten. Houdt dit voor oogen, dat als het op mij en op de aandeelhouders wasemt, dan regent het bak-steenen op u. â Dit is van uw kant de grens waarbinnen gij als arbeiders van mijne fabriek, verstandig zult doen uwe aanspraken te beperken.
En nu van mijn kant. Ik heb zoo straks gezegd dat ik en nijns gelijken er op uit waren uw loon zoo laag mogelijk te houden. Dit is een beetje te algemeen gezegd en daardoor minder juist. Want ook in dit streven moet ik mij laten leiden door onze eerste zorg : dat er zooveel mogelijk wordt ingepikt boven de uitgaven. Druk ik nu uw loon zoo kolossaal naar beneden dat gij het eenvoudig verdraait om te werken, dan loop ik groot gevaar mijn broodwinning te verliezen. Terwijl ik daarentegen juist heb opgemerkt dat met wat hoogere loonen en wat kortere werkuren,
I 20
J. C. VAN MARKENquot;.
zoowel de hoeveelheid als het gehalte van uw produkt stijgt â en, dat is het grappige er van â stijgt in een grootere mate dan de aan die voor u aangenamer regeling verbonden uitgaven. Degenen onder u die hersens in hun hoofd hebben, zullen nu begrijpen, hoe die generale formule van zoo laag mogelijke loonen, hoe die moet luiden als ze precies wil wezen; namelijk zoo : mijn belang is, u zoo weinig te geven als gij van mij wilt aannemen zonder nijdig te worden en uwe ambitie kwijt te raken, of kunt aannemen zonder van honger te barsten. Elke cent die ik ii meer betaal, ontsteel ik aan de aandeelhouders en aan mijzelf.
Gij ziet dus, medeburgers, dat hoezeer het juist is wat ik begonnen ben te zeggen, en onze belangen aan elkaar tegenovergesteld zijn, toch een zekere gemeenschappelijkheid van belangen niet kan worden ontkend. Het moet dus ons doel zijn tegelijk te letten op wat ons verdeelt en op wat ons vereenigt. Gij zult er steeds op uit moeten wezen zooveel van mij te vragen als ik geven kan: en wees gerust dat ik niet meer geven zal dan ik in de ruimte kan missen; ik zal, acht slaande op die komieke verhouding tusschen uw beter leven en uw nog beteren arbeid, er voor blijven waken dat uw leven steeds zoo goed zij, dat ik van uw arbeid het beste mag verwachten. â En als wij dezen stand van zaken nu eens nauwkeurig beschouwen â een stand van zaken dien gij noch ik hebben geschapen, dien gij bij het verlaten van moeders dikwijls leegen pappot en iknahetafloopen van mijn studie-jaren hebt leeren kennen, die de eenige manier is waarop tegenwoordig in de behoefte aan spiritus en gist kan worden voorzien, en dien wij dus moeten aanvaarden zoolang men ons geen ander middel aan de hand doet om te leven, dat wil zeggen zoolang de produkten van den arbeid van anderen voor ons alleen verkrijgbaar zijn in ruil tegen de door ons op die wijze gefabriceerde artikelen ââ als wij, met andere woorden, er van doordrongen zijn dat dit voor ons de onvermijdelijke
121
J. C. VAN MARKEN.
122
noodzakelijkheid is; wat dan, medeburgers, hebben wij in dat besef als verstandige menschen te doen? Vergunt mij op deze vraag het antwoord te laten volgen. â Ten eerste moeten wij ons bij de feiten neerleggen zooals ze bestaan. Het is de natuurlijke grondslag van elke maatschappij, dat de individuen gedreven worden door hun eigen belang. Van de vorige, van de tegenwoordige, van de toekomstige. Alleen zal de manier waarop het eigenbelang werkt, verschillen. Daar zal ik nu niet nader op ingaan, daar bedoel ik op dit oogenblik alleen mee te zeggen, dat wij ons geen sekonde behoeven te verontrusten of wij wel zedelijk goed doen met ons in die noodzakelijkheid te schikken. Bedenk bovendien dat ik tot u spreek als werklieden aan een bepaalde fabriek. Ik meen dat het niets zou geven om hier in de fabriek, bij onze dagelijksche bezigheden, ons er tegen te verzetten ; ik heb u gezegd waarom. Wij zullen wèl doen met in het geheel niet te mopperen; gij niet wegens uwe lage loonen en mijne hooge tantièmes; ik niet wegens uwe neiging om evenwel te mopperen en uwe ondankbaarheid voor mijne goede zorgen. Laat ons integendeel de noodzakelijkheid niet enkel aanvaarden, maar trachten ons leven van eiken dag er niet door te laten verbitteren. Ik ben daarbij een goed mensch, en ik zie er geen bezwaar in, de tantièmes en de dividenden eenmaal in veiligheid, het u zoo aangenaam mogelijk te maken. Het spierinkje, dat ik uitwerp om een kabeljauw te vangen, wil ik wel in de beste Delftsche boter laten bakken, dat kan mij niet schelen. Het is een dubbele last: de onpleizierige noodzakelijkheid èn een vergald bestaan, wie wijs is draagt enkel de noodzakelijkheid. De tantièmes en de dividenden zouden minder welkom zijn, als behalve uw bloed en uw zweet, ook nog uw gal er aau kleefde â minder, zeg ik, maar niet zóóveel minder dat wij zouden weigeren ze op te strijken; wees dus spaarzaam met uw gal. En gij zijt toch reeds in die mate ontbloot van de stoffelijke en in-tellektueele genietingen des levens, dat gij verkeerd zoudt doen
J. C. VAN MARKEN.
met u nog verder bloot te geven aan de beten van een knagende ontevredenheid.
Ik wil niet eindigen, medeburgers, alvorens ik u bekend gemaakt heb met het antwoord dat ik zou willen geven, indien gij, de verliezende partij bij de hedendaagsche maatschappelijke regeling, mij gingt vragen naar mijne meening omtrent de mogelijkheid en de wenschelijkheid van die regeling te veranderen. Reeds heb ik u gezegd dat ik een goed mensch was, en, als gij 'wndet lezen op den bodem van mijn hart, dan zoudt gij daar de verzuchting gegrift vinden om in het geheel geen spieringen, rauw of gebakken, te behoeven uitwerpen. Dat is wat de wenschelijkheid amputeert; wat de mogelijkheid aangaat, ook daaromtrent heb ik een vaste meening. Niet hier of daar op kleine schaal en voor eigen rekening, behoort de hervorming van het produktie-stdsel te worden aangevangen, dat is de ouderwetsche afgedankte idee. Maar daar waar de organisatie van de klasse die de produktie leidt, het sterkst is, welke organisatie steeds aktiever ten dienste van dei produktle-zelve optreedt, daar dient men te beginnen; namelijk bij de inrichting van den Staat. .Vis staatsburgers moet gij eerst den Staat demokratiseeren en, nu hij onmogelijk op eenmaal, de bestaande verbrokkeling van de produktie in partikuliere ondernemingen kan vereenigen tot éen geheel, zijn macht gebruiken om de straks genoemde en u hinderlijke fouten van het systeem zooveel mogelijk te beperken. De Staat èn sterk èn demokratisch: dat zij uwe leuze, daarmee bereikt gij een tweeledig doel: de verbetering in het begin en de hervorming ten slotte. Omdat die hervorming totaal moet zijn, noemen wij haar de revolutie van het kapitalisme. Ik zeg niet dat gij deze revolutie enkel door wettelijke regeling zult moeten tot stand brengen. Immers het kapitalisme is bezig zich-zelve te revolutionneeren. Kijk maar om u heen. Om de konkurrentie te kunnen voeren, moeten wij ons steeds grooter inrichten, en zoo verdringen de enkele groote de ontelbare kleine instellingen.
123
J. C. VAN ilAHKEN.
De eigenaars en leiders van die groote worden minder talrijk en ieder voor zich rijker, de vorige drijvers van kleine, zaken versterken de klasse van de armen, vormen allen te zamen het proletariaat. Dat is dus een manier om de kaars aan twee einden tegelijk te branden: eindelijk komt het monopolie in de plaats van het partikulier initiatief, en zullen de proletariërs de bezitters overstroomen. De proletariërs zullen dan de inmiddels alles beheerschende monopolies gaan exploiteeren ten algemeenen nutte -â- en in korten tijd is het verschil tusschen bezitters en proletariërs verdwenen, de klassenstaat is weg en heeft plaats gemaakt voor de socialistische organisatie. De Staat moet krachtig genoeg gemaakt worlen om den overgang voor de proletariërs zoo gunstig mogelijk te kunnen, en demokratisch, om hem zoo gunstig mogelijk te willen regelen. En om naderhand geschikt te zijn voor de taak,... de erfenis van het kapitalisme, nl. het Monopolie, te aanvaarden. â Beschouw dus, medeburgers,, mij als een leider in den strijd om den Staat. Het zelfbewuste proletariaat moet zich meester maken van de politieke macht; de organisatie van de bezittende klasse, de in hare soort volledigste organisatie die de wereld ooit heeft gezien, kome in handen van de werklieden. Dat is de kortste, de breede, de veilige weg tot het einddoel: de Revolutie van het Kapitalisme!
En intusschen, medeburgers, hoeden wij ons den gewapenden vrede, die ons beiden door ons eigenbelang afgedwongen overeenkomst met elkaar, om elkaar niet noodeloos te plagen of naar de geldende zienswijze onredelijk te behandelen, en elkaar integendeel over en weer te bejegenen met zooveel tegemoetkoming als met ons belang vereenigbaar is, â hoeden wij ons dien toestand ook maar in eenige verte te vergelijken bij de organisatie waar ik van repte. De hel verschilt niet meer van den hemel dan het socialisme dat komen moet van het kapitalisme dat is... Althans ik, de sterkere, die in eene positie geplaatst ben welke zeer weinige van de nadeelen en al de voordeden van het kapi-
124
J. C. VAX MAHKKX.
talisme aanbiedt, ik zou, met al mijn idealiseeren van het bestaande, slechts den indruk maken van het toekomende niet te begrijpen en van u te bespotten. Bij het nadeel dat ik u als kapitalist toebreng, zij het verre van mij de beleediging van den hoon te voegen. ââ Ik heb gezegd.quot;
Als in de plaats van de redevoeringen, zooals er in dit artikel twee uit verschillende tijdperken van Van Markens leven behandeld zijn, wellicht de eerste die hij gehouden heeft en de laatste tot heden, â een toespraak als de hier geschetste van den aanvang af had mogen treden, dan zou, behalve de roep van zijn gist over het land, de zuurdeesem van zijner woorden kracht onweerstaanbaar door de openbare meening zijn gegaan.
Sept./October 1S92.
125
J. DE K O O,
i.
De socialistische propaganda, het theoretische deel er van, is bestemd een eindelooze herhaling te zijn van dezelfde dingen. Dit is niet aangenaam; ten eerste loopt de onderhoudendheid gevaar; en ten tweede kan men het beschouwen als een van de bewijzen, dat langs den weg van overleg de sociale vrede niet zal worden hersteld. De hourgeoisie dishmsieert met het socialisme niet. Gedeeltelijk omdat zij niet kan en overigens omdat zij niet wil. Het is niet iets dat wij bedenken of om de hatelijkheid zeggen : de geschiedenis leert ons dat ondergaande maatschappelijke klassen op het punt van de redenen welke hunnen ondergang bewerken, en de verschijnselen welke hunnen ondergang vergezellen, geen debat verstaan en geen debat gedoogen. Wij mogen zonder ophouden het wezen van de socialistische theorie trachten te verklaren, opdat tenminste, waar neg gedebatteerd wordt, dit niet in het blinde en het wilde gebeure, â wij spreken tot menschen zonder ooren. Bij geleerden en bij niet-geleerden het zelfde. De Heer de Kooi heeft te dikwijls met de geleerdheid den draak gestoken, dan dat wij niet op zijne goedkeuring mogen rekenen indien wij hem stellen bij de laat-sten. Zoowel bij menschen die alleen te rade gaan met hunne invallen, instinkten, vooroordeelen, als bij hen die een studie maken van de onderwerpen die zij bespreken, ontmoeten wij een ho-
J. DE KOO.
pelooze onmacht om het socialisme te begrijpen. Het is niet een kompliment dat wij ons zelf maken, het is een bij de fatsoenlijke minderheid van de anti-socialistische schrijvers (type X. G. Pier-son) aangenomen waarheid, dat het daarentegen de socialisten zijn, die den aard van het kapitalisme voor het eerst hebben doen kennen. Openhartig wordt gezegd, dat doon hen een zeer juiste kritiek van het systeem is ingesteld, en het eenige bezwaar is dat er geen heter bestaat of bestaan kan. Wij mogen, meen ik, verlangen te worden gehouden voor menschen die niet opzettelijk het kwade willen of denken. Wij verzoeken niet engelen te mogen heeten, maar met de engelen hebben, wij gemeen, dat er bij ons groote vreugde is over een tegenstander die zich bekeert â althans tot een geringere mate van misverstand. Het applaus dat uit de rijen van onze geestverwanten is opgegaan, toen in het werkje van Von Schiiffle eenige grondbeginselen van het socialisme met juistheid werden beschreven, is een bewijs dat wij gereed staan den uitzonderingen met beide handen de eer te brengen die haar toekomt. De regel is zooals hier gezegd werd. De vierde stand vindt bij den derden een overeenkomstige mate van wanbegrip en onwil, als door den derden werd aangetroffen bij de twee eerste standen. En met al hetwelk ik alleen wil zeggen, dat het geen persoonlijke pedanterie of nijdigheid is, indien, overal waar het socialisme is een strijdende macht, wij de burgerlijke auteurs tezamen rangschikken onder de vokalen van een uitgebloeide beschaving en van een vervallen klasse. â
II.
De kapitalistische produktiewijze verdwijnt en wordt vervangen door de socialistische.
Wij vragen toch niets ongehoords, wanneer wij vragen dat men debatteere over dezen grondslag van onze leer. Zie hier hoe ver men er van af is, ik zeg niet de stelling te weerleggen, maar haar te begrijpen. Wij hebben wel niemand van onze lezers te
I27
J. DE KOO.
berichten wie de oud-redakteur van Be Amsterdammer is. Welnu, gezien met zijne oogen, is dit het aspekt van onze theorie:
âDat iemand,1) al heeft hij nogal een aardig denkvermogen, met zijn hoofdje meent te kunnen uitmaken hoe de inrichting der maatschappij in de verre toekomst zal zijn, verwondert ons steeds. Het minst verbazen wij ons daarover, als dit voorkomt bij den een of anderen wijsgeer, die zelf het geluk heeft een stelsel te hebben uitgevonden. Dat zulk een fortuinig denker zweert bij de voortreffelijkheid van. zijn eigen hersenprodukt, is menschelijk. Maar dat vele jaren later een ander, diei studie genoeg heeft gemaakt, om te weten, dat al dergelijke gedachtedingetjes maar een poosje vat op de menschheid konden hebben, en de toekomst nooit beantwoord heeft aan het zoogenaamd wetenschappelijk vastgesteld program, onvenvrikt zulk een theorie, als ware zij een uit den hemel gevallen waarheid, blijft omhelzen ; ziedaar een van die verschijnselen, die moeilijket te verklaren zijn. Een kritisch man, als de heer Van der Goes maar altijd te hooren verklaren: bij wat mij nog onbekend is, weet ik, v. d. Goes, zeker, dat in de maatschappij het loonstelsel vervangen zal worden door de âsocialistische produktie,quot; het wettigt, dunkt ons de vraag, of het den heer v. d. Goes niet gaat, als den oudenvetschen theologen, waarvan de Génestet dichtte, dat zij alles mochten onderzoeken, alleen maar het kri-tieksté niet; het kritiekste, dat onze parlementaire socialist dan buiten zijn onderzoek sloot, zou zijn de beperktheid, de natuurlijke grens van zijn eigen denkvermogen.quot;
128
De fortuinige denker â men zou haast meenen dat onze partijgenoot J. A. Fortuyn bedoeld was â moet Karl Marx zijn. Marx heeft voor âde inrichting van de maatschappij in de verre toekomstquot; â âeen stelsel gevonden.quot; âVele jaren laterquot; is de schrijver van deze bladzijden gekomen, hij heeft dit âweten-
Zie: Volksstem, Weekblad, 28 April, Hoofdartikel.
J. DE KOO.
schappelijk vastgesteld programmaquot; â âomhelsd.quot; Dit is een moeilijk te verklaren verschijnsel. En wat beweren wij dan omtrent die verre toekomstige inrichting, wat zegt het programma, deze uit den hemel gevallen waarheid? Nu: dat het loonstelsel zal worden vervangen door de socialistische produktie. Maar dat is â de Heer de Koo weet het tamelijk zeker â ,,een gedachtedingetjequot;, van de soort die âop de menschheid maar een poosjè vat kan hebbenquot; â de Heer de Koo zweeft boven de menschheid en laat zich niet beet nemen â- en waarbij de âbeperktheid van ons denkvermogenquot; ten onrechte buiten rekening is gelaten.
Wil men dit simpele gekeuvel resumeeren, dan zou men kunnen zeggen : de studie van de geschiedenis van de produktie is een onderwerp dat buiten de grens van ons denkvermogen ligt. En vooral de toekomst van de produktie onttrekt zich aan iedere berekening. Wij zouden niet weten waarom wij dit moesten ge-looven. De grens van het denkvermogen heeft zich met iedere aanwinst van ons kunnen en weten uitgebreid, en, als wij den Heer de Koo mogen vertrouwen zoolang hij van zich zelf spreekt en van zijn naaste geestverwanten, kunnen wij hem het recht niet verleenen die grens te bepalen voor eene geheele klasse van lieden, van wier ideëen en studie slechts een zwak gerucht hem is aangewaaid.
De Heer de Koo â dit is de nuchtere waarheid en het eenige positieve wat de gansche aangehaalde passage bevat â weet lang niet genoeg van de litteratuur over het onderwerp, om een zoo bout en alomvattend oordeel te mogen uitspreken over hare resultaten. Iemand die een grondig onderzoek heeft ingesteld naar de pogingen die gedaan zijn, om uit het verleden en het heden van de produktie eenige algemeene waarheden omtrent hare toekomst af te leiden, en die nu hoofdschuddend terugkomt, zeggende: neen, het schijnt mij toch dat al deze pogingen ijdel zijn, dat wij niet weten kunnen waarheen de evolutie van de produktie leidt â met zoo iemand zullen wij niet instemmen.
9
129
J. DE KOO.
maar met zoo iemand kan gedebatteerd worden. Echter, beneden kritiek blijft de: door niets gestaafde verzekering van de natuurlijke beperktheid van het menschelijke denken. In hare algemeenheid behoort zij tot de verklaringen, welke telkens door de grootere helft van het menschdom zijn afgelegd, als iemand uit de kleinere helft iets nieuws had gevonden. Nooit heeft de toekomst beantwoord aan vastgestelde programma's, zegt de Heer de Koo, en dit is het eenige wat zweemt naar een rechtvaardiging van zijne houding als oppersten wijsgeer â van den denker fortuinig boven allen, die niet alleen vaststelt wat anderen kunnen weten, maar bovendien bepaalt waar zij moeten ophouden met denken. Maar heeft dan ooit een toekomst beantwoord aan denkpro-gramma's ? Wij mogen niet zeggen waar het kapitalisme op zal uitloopen â maar de Heer de Koo mag wel zeggen, waar het denken over het kapitalisme zal eindigen.De Heer de Koo weet het niet, want hij kent het socialisme niet, maar wat wij beweren is dit: het kapitalisme is langs dien weg in de wereld gekomen, heeft zich onder die omstandigheden ontwikkeld, heeft geleid tot tegenstrijdigheden welke het- ondermijnen, tot produktieve krachten die het afbreken, en tot een nieuw systeem dat het vervangt. â Wil men de premissen ontkennen, de gevolgtrekking bestrijden â goed. Maar men vergunne ons als het dwaaste van alle âgedachtendiageitjesquot; te beschouwen, het verbod om ons met deze zaken bezig te houden, wijl zij niet vallen binnen de grens van ons denkvermogen. Of is het een nooit gezien verschijnsel, dat een produktiestelsel opkomt, bloeit en vervalt? Heeft niet het primitief-kommunistische plaats gemaakt voor het antieke, het antieke voor het feudale, het feudale voor het klein-kapitalistische, het klein-kapitalistische voor het moderne ? Is het zoo volstrekt onmogelijk, zoo in het oogloopend absurd, dat uit deze herhaalde revoluties en onafgebroken verandering van ekonomischen grondslag, zekere algemeene regelen van maatschappelijke ontwikkeling zijn afgeleid en tot een wetenschappe-
J. DE KOO.
lijk systeem samengevoegd, dat ons in staat stelt^ de aanstaande en reeds in volle gang zijnde ontbinding van het kapitalisme te defineeren ? Xog eens, indien aan het onderzoek, indien, aan de konklusie iets hapert, dan zullen wij trachten het te verbeteren, en weigeren in geen geval konklusie en onderzoek beide met andersdenkenden te: diskussieeren. -Maar het feit alleen dat een school van ekonomen, aan wier werk hunne meest verlichte tegenstanders steeds grooterei oplettendheid wijden en belangrijker koncessiën doen, zich sedert een halve eeuw bezighoudt met de ontwikkelingswetten, van de maatschappij te bestudeeren, is een afdoende weerlegging van de, exceptie van het beperkte denkvermogen.
Overigens is het een uitnemende illustratie van de burgerlijke ideologie, een aanduiding van een denkwijze die niet voor den Heer de Koo is bedacht, maar waarvan hij een der sprekers is. Men heeft in zijn hoofd gehaald, op grond van vage berichten omtrent mislukte voorspellingen en door de werkelijkheid niet uitgevoerde programs, dat de menschen van een latere maatschappij niets kunnen weten. Aan dit gedachtedingetje wordt voortaan de realiteit ondergeschikt gemaakt en opgeofferd. Men zweert er bij als bij een openbaring welke het onderzoek en de weerlegging van den arbeid van hen, die beweren van dit op den index geplaatste punt wel iets te weten, overbodig maakt en van te voren stempelt tot een doellooze tijdverspilling. Want de mededeeling, dat de toekomst nooit beantwoord heeft aan een programma, op het maatschappelijke toegepast, zou alleen bewijzen dat vorige generalisaties onjuist zijn geweest, en leert ons niets omtrent het vermogen van onzen geest om generalisaties te maken. In alle vakken van onderzoek zijn algemeene regelen door latere vindingen gewijzigd en geheel omvergeworpen, maaide Heer de Koo zal daarom niet twijfelen aan het denkvermogen van de menschen aangewend op tal van andere objekten. Er zijn daarentegen vele algemeene regelen, de vaststelling waarvan
J. DE KOO.
132
elk op zijn beurt aangemerkt en veroordeeld werd als een poging om de grens van het denkvermogen tel overschrijden, die niet anders dan bevestigd zijn door latere studie en door ons allen zonder aarzelen of twijfel worden aangenomen. Waarom geen leer van een waarschijnlijke verandering in de maatschappij door de ervaring bevestigd is geworden, heeft een zeer bepaalde reden die een dogmatisch man als de Heer de Koo mogelijk te speciaal zal vinden, maar niettemin door ons, die den bodem van de werkelijkheid niet gaarne verlaten, als zeer geldig wordt beschouwd. Namelijk, dat men zich met het denkbeeld van eenigs-zins belangrijke veranderingen niet vertrouwd had gemaakt. De geheele liberale ekonomie heeft ten doel het bewijs, dat hare kategorieën zoo oud zijn als de wereld. Bijzonder het kapitaal begon toen de eerste wildeman zich een knots fatsoeneerde en een krans van bladeren om zijne taille vlocht. Honderd jaar lang heeft het kapitalisme zich uitgesloofd om zijn oorsprong met de nevelen van een peillooze oudheid te omsluieren. In die omstsn-digheden werd aan geen programma voor een toekomst gedacht. Het is bovendien een bijzondere werking van het kapitalisme op ons denkvermogen, dat het 't doordringen in het maatschappelijk stelsel bemoeilijkt. Eerst io zijne nadagen, nu de tegenstellingen waaruit het bestaat, duidelijker dan vroeger aan den dag komen, kreeg men in de klasse der proletariërs de kennis van het kapitalisme en daarmee de kennis van sociale stelsels in het algemeen. En dat waarlijk niet door de buitengewone fortuinigheid van een wijsgeer âdie het geluk had een stelsel uit te vinden.quot; De kennis van de maatschappij werd in de koppen geranseld door al de vuisten, die neerkwamen op het hoofd van de heden-daagsche arbeidersklasse. Terwijl alle vorige systemen langzaam, nauwelijks zichtbaar werkten, en tenslotte wel gerevolutionneerd werden, maar niet als het resultaat van plotselinge oorzaken, heeft het moderne kapitalisme in zeer korten tijd de toestanden geschapen waarvan de terugslag in de hoofden is geweest de
J. DE KOO.
'33
geboorte van de socialistische wetenschap. Het socialisme, nu, heeft programma's gegeven die wel uitkwamen. Indien de Heer de Koo zich overtuigen wil van de onwaarde zijner apprioristi-sche verzekeringen, heeft hij alleen maar het Kommunistisch Manifest van 1847 te nemen om in groote maar precieze trekken het sedert afgespeelde drama, van het kapitalistisch verval aangeduid te vinden. En overigens, geen van deze âdenkersquot; heeft met âde inrichting der maatschappij in de verre toekomstquot; zijn hoofd beziggehouden, laat staan daarvoor een programma, vast-gesteld. T[( t Itapüalisme is bezig omgezet te worden in hei socialisme. Zie daar onze voorspelling en ons programma. Dat zien wij nu gebeuren, en als dat gereed is, dan is onze voorspelling uitgekomen en ons programma verwezenlijkt. Nu mag de Heer de Koo zeggen dat hij iets anders ziet, maar niet dat wij verder willen zien dan onze horizon reikt. Alles wat in bijzonderheden over eene latere inrichting geschreven is, is bestemd tot weerlegging van kapitalistische bezwaren. Zoo hebben wij gehoord dat het eigenbelang geen prikkel zou gevoelen, en dat dus de pro-duktie niet zou vlotten. Indien dit zoo is, welnu, des te erger voor de produktie, en voor de menschen die produkten noodig hebben. Maar nu is deze denkwijze zoo ver van de burgerlijke verwijderd, die met âgedachtedingetjesquot; de wereld uit haren loop wil dringen, dat wij, omdat deze gedachte ons onaangenaam is, daarom van overtuiging niet zullen veranderen dat het kapitalisme naar de maan gaat. Zonder weervragen naar voorkeur of utiliteit moeten zulke vragen worden opgelost. Al die zoogenaamd praktische bezwaren tegen het socialisme bewijzen, dat wij te doen hebben met lieden wien het besef van een groote maatschappelijke evolutie, zich voltrekkende buiten de menschen om en zich om hunne voorkeur of tegenzin niet bekommerende, nog mankeert. Naar hunne voorbijgaande en aan het tegenwoordige ontleende gedachtendingetjes moet het leven zich voegen!... En om nu zelfs die wezenlooze bezwaren te weerleggen, hebben wij
J. DE KOO.
134
de moeite genomen aantetoonen dat ze allen voortkomen uit deze eene zwakheid van het ideologisch denkvermogen; de juiste verhouding te vinden tusschen ekonomische werkelijkheid en hare weerspiegeling in de hoofden. De vrees voor het verstikte eigenbelang is de vrees voor een spook. Het eigenbelang is niets anders dan een geneigdheid van de menschen om zich te voegen naar bepaalde ekonomische toestanden. Zoolang de pro-duktie niet door de gemeenschap, maar door partikulieren gedreven wordt, behooren de partikulieren een aansporing te behouden om zich in te spannen. Maar wanneer de produktie gemeenschappelijk wordt gedreven, is de zelfzucht een motief geworden dat de maatschappij zou verstoren. Het eigenbelang kennen wij niet: wij kennen alleen den invloed van het eigenbelang in bepaalde maatschappelijke omstandigheden. Te spreken van het eigenbelang als een voor altijd onontbeerlijken prikkel, is met zijn gedachten voor altijd de ontwikkeling van den menschelijken geest willen beperken. Omdat het eigenbelang in het socialisme een onmogelijke! drijfveer zou wezen, kunnen wij het verdwijnen van het eigenbelang niet betreuren. Verscheidene partikuliere bakkers mogen zich gerust, omdat zij moeten, door het eigenbelang laten leiden; maar als zij zich vereenigd hebben tot een fabriek mogen zij geen eigenbelang meer gevoelen maar de zucht om de gemeenschappelijke onderneming te doen bloeien. En dit is de eenige aanleiding voor ons om van de toekomst te spreken. Marx heeft geen toekomstmaatschappij geschilderd, maar wel de tegenwoordige. Hij is dq grondlegger van de historische ekono-mie, hij heeft laten zien hoe het kapitalisme is ontstaan; en in het algemeen het denkbeeld een vasten vorm gegeven van verschillende, elkaar opvolgende en uit elkaar voortkomende maatschappelijke stelsels. Maar juist dit denkbeeld is het, waarvoor de hoofden van de bourgeoisie gesloten blijven en gesloten willen blijven. Het heet buiten de grens van ons denkvermogen te liggen, de regelen van de ekonomische evolutie natesporen. Voor
J. DE KOO.
de radikalen is dit nu het kritiekste, âwaarvan De Génestet dichtte.quot; âDe grondslagenquot; zijn onaantastbaar. Waar wij eindigen, valt het scherm dat ons scheidt van het bovenmenschelijke. Daal, zouden wij zeggen, van dit inderdaad bovenmenschelijke standpunt af. Kom met ons spreken over de werkelijkheid. Ook zonder uw verlof zullen wij ons denkvermogen inspannen, om uit het verleden en het heden van de maatschappij' afteleiden wat zij zal worden. Dit dunkt ons een minder fantastisch beginnen, dan haren loop te willen regelen naar de subjektieve opvattingen van wat wij al dan niet zouden wenschen. â
Behalve de geciteerde plaats, is nog deze opmerkelijk:
â...... dat het loonstelsel door de socialistische produktie zal
â worden vervangen...... ziedaar een van die gulle verzekeringen,
waarvoor men geen ander bewijs heeft, dan dat zij wordt neergeschreven.quot;
Een paar regels te voren had de schrijver de socialisten gekenmerkt, als de lieden die gelooven in âhet evangelie van Marx.quot; Zou de Heer de Koo niet eens dit evangelie willen inzien om zijne mededeeling te kontroleeren, dat men geen bewijzen heeft voor de historische zienswijze ? Meent hij dat het evangelie jokt, dan zouden wij gaarne van hem het tegenbewijs vernemen, en ons gewonnen geven indien wij voelen overwonnen te zijn. Maar zoo sterk is bij de bourgeoisie het vooroordeel dat hunne maatschappij een ding voor alle eeuwigheid is, dat men zich ontheven acht van de moeite, wij zeggen niet: de argumenten van de historische school te weerleggen, maar er kennis van te nemen. Men heeft er geen bewijzen voor. Men kan er geen bewijzen voor hebben.
TIL
Wij vinden in het artikel van den Heer de Koo achtereenvolgens de misverstanden terug die, hoe dikwijls ook van onze zijde
'35
J. DE KOO.
opgehelderd, nog steeds, naar het schijnt, nieuwe toelichting noo-dig hebben.
Zoo, dat de socialisten bezig zijn hunne geestverwanten ,,te voeren op den weg der radikalen,quot; en dat zij dit moeten doen willen zij van hen âeen oogenblik zeker kunnen' zijn.quot;
Dit slaat hierop, dat de sociaaldemokraten, na vroeger met de burgerlijke hervormers gemeen te hebben gehad, dat zij niet nauwkeurig genoeg onderscheidden wat in de kapitalistische maatschappij kan worden verkregen en wat niet, in de latere jaren hunne programma's van utopistische bijmengsels hebben gezuiverd, en t/icms slechts vragen wat zij met het karakter van het kapitalisme vereenigbaar achten.
Die dit bedenkt, en de stukken kent, welke hierop betrekking hebben â b.v. de kritiek van Marx van het aan de hier genoemde fout lijdende programma van het jaar 1875; en de debatten gevoerd voor de vaststelling van het Erfurter programma van 1891 âzal erkennen, dat deze houding ons niet dichter brengt bij de radikalen, maar verder van hen af. Wij eischen niet meer, maar minder dan vroeger, omdat wij hebben ingezien dat wij thans niet meer kunnen krijgen. Niet wijl wij hopen deze maatschappij te kunnen verbeteren, maar omdat wij er van overtuigd zijn dat zij voor zeer weinig goeds vatbaar is. Wij brengen âopheffing van het privaatbezit der arbeidsmiddelenquot; niet âmeer naar den achtergrondquot;, maar wij rekenen voortdurend meer op de algeheele omwenteling van een maatschappij, waaraan met gedeeltelijke verfraaiingen geen eer is te behalen en maar zeer weinig voordeel. De oude socialistische programma's, die gelijken principieel veel op de tegenwoordige radikale, want iij zijn, althans bij onze latere vergeleken, verlangenlijstjes van politieke kinderen, die hebben opgeschreven wat zij wenschen, zonder iets anders te raadplegen dan hunneâ gedachtedingetjes, en met voorbijziening van de werkelijkheid waarin zij leven. Wij behoe-ven niet verder te gaan dan eenige regels lager in ditzelfde artikel,.
J. DE KOO.
om van de kluchtige manier waarop de geavanceerde bourgeoisie radikaal meent te zijn door veel te vragen, een voorbeeld te vinden dat het hier gezegde bevestigt.
Socialisten zijn er geweest vóór er rad ik al en waren, en ieder woord dat de Heer de Koo in zijne sociale bespiegelingen gebruikt, is, zij het tweedehands, ontleend aan de evangelies van Marx en anderen. Ook in ons land was de arbeiderspers met al de eischen opgetreden, welke van lieverlede de radikale fraktie overnam en naschreef. Het is dus niet onverklaarbaar dat wij onze vroegere abuizen bij de radikalen terugvinden, waar zij nog gerespekteerd worden als waarheden. Alleen is met deze omstandigheid niet vereenigbaar de voorstelling van den Heer de Koo, dat wij, ons bedenkende, de radikalen op hunnen weg achterna snellen. Wij eischen, ja, eenige hervormingen, maar geene die met den aard van het loonstelsel strijdig zijn. In een artikel van het Sociaal Weekblad dat op denzelfden dag verscheen als het nommer van Be Volksstem waarin de Heer de Koo het zijne geschreven had, zeide ik dat een bourgeoisprogramma, uitgebreider dan het onze, niets vreemd zou zijn. En werkelijk vindt men in het radikale weekblad eenige punten van overeenkomst tusschen socialistische en radikale programma's genoemd, waarbij minstens twee zijn welke wij niet gaarne voor onze rekening zouden willen nemen; namelijk: âzekerheid van inkomsten ook bij werkeloosheidquot; en âminimumloon.quot; Dezei beide maatregelen, hoe wenschelijk ook, hebben geen andere aanbeveling als hunne wenschelijkheid en zullen ook wel alleen op den klank af in het artikel van den Heer de Koo1 te pas zijn gebracht. Het is niet zeer waarschijnlijk dat de Heer de Koo zich rekenschap heeft gegeven van de tegenstrijdigheid tusschen de grondtrekken van het kapitalisme en deze twee eischen. Evenmin dat hij, die zoc juist de plaats weet aantewijzen welke de socialisten ten aanzien van de radikalen innemen, de redenen heeft gewogen en te licht bevonden waarom het socialistisch programma noch het mini-
T37
J. DE KOO.
138
mum loon bevat, noch de zekerheid van inkomsten ook bij werkeloosheid. Het is hier de plaats niet die redenen te noemen; ook is het mogelijk dat wij ons in den aard van het systeem vergissen en dat men eenmaal een kapitalistische maatschappij zal aanschouwen waarin ieder arbeider een bij de wet gegaran-deerd loon zal genieten, zelfs dan wanneer er geen werk voor hem is. Wat wij hier van deze eischen te zeggen hebben is, dat zij het verschil tusschen het radikale en het socialistische stelsel duidelijk kenmerken. Het onze, gebaseerd op wat wij voor mogelijk houden en het onmogelijke uitsluitend als theoretische en onbereikare wenschelijkheden, welke, als men ze voor 't zeggen had, niemand zou versmaden, maar van eene kapitalistische maatschappij door niemand in ernst worden begeerd. â
IV.
Een onderzoek naar het verleden van ekonomische stelsels ; een konklusie omtrent de oorzaken van hunne opkomst en hun verval; een toepassing van de langs dezen weg verkregen kennis bij de studie van onze tegenwoordige maatschappij, om ook bij haar de voorwaarden van bloei en de redenen van ondergang te vinden; de gevolgtrekkingen aangaande de grondslagen van het systeem dat het onze zal vervangen; ââ dit alles is noodzakelijk overbodig, nutteloos en ijdel, wijl het menschelijk denkvermogen deze inspanning niet verdraagt. Het is te vergeefs uat wij daarnaar zoeken, hoeveel moeite men ook doet, 't is verloven â maar wat nu of later, hier of elders, door éen, door enkelen of door velen met ons denkvermogen zal worden tot stand gebracht, beter nog, wat niet zal worden verricht, dat weten wij precies te zeggen, zoo precies dat wij niet noodig hebben na te gaan wat reeds in de richting van dit onbegonnen werk gedaan mag zijn.
J. DE KOO.
En' de reden ? â Wel, nog nooit heeft de toekomst aan zoogenaamd wetenschappelijk vastgestelde programma's beantwoord. Terwijl daarentegen van oudsher bekend is, dat de grens van het denkvermogen steeds met groote juistheicl kon worden aangegeven. Wat de lieden alles met hunne gedachten konden doen, wat niet, het heeft geen bezwaar opgeleverd dat te bepalen. Dit terrein was gemakkelijk te overzien, en zooals het eenmaal is afgebakend, zoo bestaat het nog op het huidige oogen-blik.
Deze tegenspraak; zich in de socialistische mug verslikken en den burgerlijken kemel ophappen zonder zijn gezicht te vertrekken, den balk in het eigen oog vergeten om ijverig in het onze splinters te zoeken; â zij kenmerkt niet weinigen van de bourgeoisie die tegen het socialisme strijden. Terwijl zij ons bestraffend voorhouden dat de toekomst een gesloten boek is, en wie beweert er in gelezen te hebben, niet veel beter dan een dwaas, spreiden zij voor ons uit de bladen van dat andere boek, waarin is opgeteekend en voor altijd beschreven de uitgebreidheid van ons denken en ons kunnen. Nauw verwant aan deze ongerijmdheid, welke de innerlijke verslagenheid van de burgerlijke oppositie tegen het socialisme openbaart, is het wanbegrip, welke het socialisme voorstelt als een redeloos dweepen met onwerkelijke idealen, en tegelijkertijd \ rijheid laat aan onze beoordeelaars, zeiven naar hun programma gevraagd, met het meest fantastische en subjektieve bescheid voor den dag te komen. Het tweede deel van het artikel van den Heer de Koo dat ons hier als uitgangspunt dient, bevat een aardige illustratie van dit zwak. Het bewijst dat de hedendaagsche bourgeoisie haar eigen stelsel slecht kent. Gaarne zegt men van ons, dat wij enkel uitkijken naar een toekomst. Dit is onwaar, wij letten alleen op het tegenwoordige, en waarbij behoort welke revolutie er tegenwoordig in gang is. Maar de bourgeoisie, die bij uitnemendheid praktisch wil zijn, verzinkt in bodemlooze theorie zoodra zij het ter-
I39
J. DE KOO.
rein van hervormingen gaat betreden. Kende zij, niet de toekomst, maar het heden, dan zon zij de beteekenis van het socialisme' beter begrijpen, en de waardeloosheid van hare eigen plannen. Wijl zij het heden niet kent, verstaat zij noch wat wij willen, noch weet wat zij zelf mag eischen. Daarvan die dubbele ongerijmdheid. Xiet o.nze, maar hare ideeën van heivorming zijn de onwerkelijke vernuftspelingen, de gedachtedingetjes van den Heer de Koo. Hare, niet onze, methode ligt buiten het mensche-lijk denkvermogen. Want men heeft nooit eenige belangrijke maatschappelijke verandering als een schepping der gedachten tot stand zien komen. De verandering kwam steeds voort als een ekonomische noodzakelijkheid uit de omstandigheden buiten den mensch. Zijn verstand leerde haar eerst kennen als zij in een gevorderd, kenbaar stadium zich aan hem opdrong. Een revolutie welke zich zou laten beheerschen door wat wij hebben vastgesteld als moreel goed, is wel de hopelooste toekomstkan tasie waaraan men zich kan overgeven. De moraal is geen oorzaak, maar gevolg; een produkt van ekonomische werkingen, ^een drijfveer van ekonomische beweging. Neen, men overscnatie de kracht, en vooral, men miskenne den aard niet van de men-schelijke rede. Men kan de regelen van de sociale evolutie opsporen en daaruit afleiden tot welke systemen zij ons voert. Maai men kan niet deze regelen vervangen door argumentatie en fantasie. De uitkomsten van de socialistische wetenschap kunner valsch zijn, maar hare methode is de eenig mogelijke ; de eenige welke, ik zeg niet de beperktheid, maar den aard van het denk-vermogen eerbiedigt.
â De Heer de Koo maakt het zich met het ontwerpen van zijne hervormingen niet moeilijk. Of het kapitalistisch systeem al dan niet bezig is te vergaan, of men den tijd zal hebben zijne nlan-nen te verwezenlijken, eer zij overbodig zijn geworden; of zij, die het behoud van het kapitalisme ten doel en voorwaarde hebben, vereenigbaar zijn met het wezen van de kapitalistische
I40
J. DE KOO.
141
orde, dit zijn in zijne denkwijze ondergeschikte vragen. Alweer vinden wij hier stilzwijgend aangenomen het met alle ervaring strijdende dognu, van de eeuwigheid van ons stelsel. Eeuwigheid is iets te veel gezegd. Een revolutie is niet uitgesloten. Reeds in het eerste citaat spreekt de Heer de Koo van een ander stelsel in een verre toekomst. Aan het slot van zijn artikel zegt hij nog eens dat de revolutie âveel te ver af ligt.quot; Ja, mogen wij vragen hoe de Heer de Koo' aan deze tijdsbepaling komt? Hij, die zolt;i teeder is voor het denkvermogen van de socialisten, vergt nog al iets van het zijne. Wij zouden niet gaarne zoo positief spreken over de toekomst. Nog eens, wij spreken eigenlijk in het geheel niet over de toekomst. De revolutie die wij bedoelen, is eer een zaak van het verleden dan van de toekomst, zij is al half voltooid, zij is vijftig jaar geleden begonnen en het scheelt maar zus of zoo dat zij haar beslag krijgt. Hoofdzakelijk is het nog maar een politieke kwestie. Waar het proletariaat de macht in handen had, zou zij vandaag het socialisme kunnen invoeren. Ue tijden zijn er rijp voor, welteverstaan in de ekonomisch verstge/order-de landen, Amerika en Europa bijna geheel. Er is geen tak van voortbrenging welke niet aan het partikulier initiatief is ontgroeid, niet onmiddellijk vatbaar voor socialiseering zou zijn, en vele takken zijn reeds gemonopoliseerd, ten bate, het is waar. van enkelen. De Heer de Koo â dit wil ik maar zeggen â kan zijn voorspelling van een revolutie die ver af zou zijn, niet van ons hebben. Het is een waagstuk op eigen hand. De revolutie, is nog ver, zelfs ,,te verquot; om uog eer ook wij zóó ver zijn, niet een programma tusschentijds te kunnen uitvoeren. Dit moet de bedoeling zijn. Praktisch gesproken is het de kapitalistische orde onsterfelijk verklaren. Hij zal wel âin een verre toekomstquot; door een revolutie worden verstoord, maar met die gebeurtenis behoeven wij thans geen rekening te houden... Men ziet, het tweede gedeelte van het artikel dat wij bespreken, vergoedt ruimschoots wat in de eerste helft aan ons denkvermogen werd te
J. DE KOO.
142
kort gedaan. Indien iemand fortuinig is, dan wel de Heer de Koo, wien, op eene wijze welke hij in het midden laat, voor zeker is meegedeeld dat de alom gevreesde revolutie nog langen tijd op zich zal laten wachten. Welk geloof de bourgeoisie moge hebben verworpen, het geloof aan de onsterfelijkheid van hare instellingen zeker niet. Het behoeft niet te worden aangetoond dat het kapitalisme, voor het eerst in de geschiedenis van de wereld, een uitzondering zal maken op den regel van komen en gaan ; daarin behoeven geen wijsgeeren of denkers zich te mengen, het is iets dat van zelf spreekt. En indien men nu al, voorde aardigheid eens, toch de revolutie ook van dit sj'steem niet geheel onmogelijk wil verklaren â met het oog op de overhand toenemende wereldpartij van het proletariaat eenigszins ongemakkelijk â, dan kan men er, alsof men de almanak van 's werelds loop in zijn zak had, gerust bij; zeggen : het zal nog jaren duren eer het gebeurt. â Wonderlijke toekomst-mijmeringen als deze rijzen in hetzelfde brein, dat bij de gedachte duizelt van een langs den natuurlijken weg zich verwijderend en ten slotte verdwijnend kapitalisme. Wat onder de oogen van deze men-schen gebeurt, â een ekonomisch stelsel dat zijn eigen voortbrengende krachten niet meer kan beheerschen; eene maatschappij die van overvloed omkomt en van rijkdom vergaat, en dus door een andere maatschappij moet worden vervangen, welke onder hunne oogen door de zich vrij makende produktieve krachten wordt opgebouwd â zij zien het niet, en hebben maar oog voor een toekomst die allerminst zij kunnen doorgronden. Het leerstuk van de onvergankelijkheid eenmaal aangenomen, gaat men op zijn gemak aan het knutselen van hervorraings-snuisterijen. â
J. DE KOO.
V.
Zie hier het toekomstlied van den radikalen harpenaar. Allerlei hervormingen zullen aan de beurt komen. Het kapitalisme, dit op den onbetaalden arbeid berustende systeem, moet, als het een wolf was, veranderen in een lam. ,,De rente, die het kapitaal, en het loon, dat de ondernemers en de intellectueele leiders voor zich eischen, (moeten) tot redelijke verhouding worden teruggebracht.quot; In dat geval zal men de âzegeningen van het par-tikulier initiatiefquot; kunnen behouden.
Zooals gezegd is: niet de vraag, of rente en loon vormen zijn die bij zekere produktieomstandigheden behooren, en er dan zoo zullen uitzien als ze onder die omstandigheden moeten; â maar een toekomst-programma gebaseerd op ons begrip van redelijkheid. Evenmin de vraag of het partikulier initiatief een instelling is aan tijd gebonden en met haar verdwijnende; â neen, wegens hare eigenschappen, die wij als zegeningen hebben ondervonden, opgeschreven tot behoud. âNatuurlijk dient men het partikulier initiatief de noodige ruimte te laten, om zich te ontwikkelen.quot; In onze ooren klinkt deze grammatisch eenvoudige volzin als een verbijsterend raadsel. Een âmenquot; die in staat zou zijn het partikulier initiatief naar willekeur benauwd of royaal te behandelen: weinig, veel, niets, naar keuze...... en onafhankelijk van den ontwikkelingsstaat der produktieve krachten. Maalais nu, wat meer en meer gebeurt, uit de voornaamste takken van produktie, het initiatief geheel geweerd wordt? De Heer de Koo heeft kunnen nagaan, dat niets zoo onbepaald is als de maatstaf van noodige ruimte. Men meende nog niet lang geleden, dat de fabrikatie en leverantie van licht, water, elektriciteit, dat de exploitatie van vervoermiddelen noodiy aan private industrie moest worden overgelaten. En nog vroeger was er wel geen enkele arbeid en hijne geen enkele afdeeling van onzen tegenwoor-digen openbaren dienst, die niet algemeen tot het terrein van
143
J. DE KOO.
het partikuliere initiatief werd gerekend, i.nkluis het leger en de politie. Wat men, derhalve, als de ânoodigequot; ruimte beschouwt, is een vraag die in ieder stadium van de produktie verschillend zal worden beantwoord. De eisch dat de noodige ruimte niet worde verkort, is een ijdele, zinledige fraze, en is nimmer en allerlaatst door een socialist, ontkend. Bij de toenemende kon-centreering van de produktiemiddelen is de ruimte van het par-tikulier initiatief steeds ingekrompen ;er was minder ruimte noo-dig, wijl meer ruimte onmogelijk werd. De geheele oppositie van het socialisme tegen het partikulier initiatief â men behoorde dit eindelijk te verstaan â is hiermede gemotiveerd. Het partikuliere initiatief â daarvan kan men zeker zijn â zal niet afgeschaft worden eer het overbodig is. Grooter kans bestaat er, dat de bourgeoisie de ekonomische ontwikkeling, welke haar onnoodig maakt en hare ruimte tot nul reduceert, met geweld zal terughouden. Maar dit partikuliere initiatief dan, ergens op den weg van hare evolutie blijvende steken, met eene ruimte tot hare beschikking die wij thans vaststellen als noodig, moet door de wet van den Staat aan banden worden gelegd. Van de winst die het kapitaal mag maken, behoort het percentage te worden bepaald, en voor leiders van de produktie, het salaris etc. Tal van gedachtedingetjes brengt de Heer de Koo1 te pas om deze eischen nader te beoogen. Wij vernamen reeds dat de verhoudingen redelijk moeten zijn. Verder vernamen wij dat âde verhouding tusschen Arbeid en Kapitaal moet worden gelijk ztj hehoort te wezen.quot; Beschikbaar voor de arbeiders moet de winst zijn, âna aftrek van de noodige vergoedingen aan kapitaal en een salaris van b.v. f 5000 van den Directeur.quot; In een woord : de arbeid heeft recht op âalles, uitgenomen wat onvermijdelijk aan kapitaal en direktie behoort te worden uitgekeerd.quot;
Iemand wiens maag sterk genoeg is, om deze toekomst-idylle tot het einde toe aan te hooren, zal het begin van het artikel moeten ovei lezen om te kunnen gelooven dat niet twee, maar
144
J. DE K.00.
slechts één persoon het heeft geschreven. In welke wereld verplaatst men ons? Is dat de vijand van voorspellingen, de voorzichtige schifter van wat wel, wat niet binnen ons denkvermogen valt? Waarurn zal het zoo gaan? Wijl de Heer de Koo het wenscht ? Hij bepaalt wat onvermijdelijk, wat noodig is : en daarnaar schikt zich de loop van de ekonomische en van de politieke dingen I Het is waar, een groote kans op spoedige verwezenlijking is er niet. âIn deze richting htyint men te arbeiden. Een begin van nog schier geen beteekenis. De eerste schreden worden pas gezet.quot; Als een goed voorbeeld in deze richting, maar nog lang niet goed genoeg, noemt de Heer de Koo de fabriek van, den Heer van Marken van Delft.
Wij nemen gaarne aan, dat de Heer de Koo dit alles zeer ernstig bedoelt. Welke partij deze hemel op aarde zou moeten stichten, staat er niet bij. Voor het nieuwe programma zal een nieuwe partij moeten worden gezocht. De Heer de Koo vleit er zich mede, dat de arbeiders zullen toetreden. Een arbeiders-2)artij echter moet een socialistische arbeiderspartij zijn, een op noodzakelijkheidsgronden berustende stelling, die door de ervaring in geheel Europa wordt bevestigd. En zouden de arbeiders, die de kapitalistische klasse zoo ver hadden gebracht, van zich zoodanige voor haar moorddadige wetten te laten aanleunen, zouden zij dan nog aarzelen met de volledige toepassing van hun programma? â Maar dit zou de eerste zijn van een reeks vragen, die met de kluchten van den Heer de Koo gemeen hadden, dat ze met de waarschijnlijkheid al te buitensporig solden. Want aan de roerende schilderij van den radikalen kunstenaar, ontbreekt, dat wij er niet in bespeuren hue Je lajjitaalvorm 'mg zuu jtlaats hehben. Met zulke salarissen en zulke percentages sticht men geen kapitaal; en zoolang de arbeid in dienst van partikulie-ren zal worden verricht, zal men geld noodig hebben om de arbeiders te betalen, en veel geld om groote werken te doen uitvoeren. Wij kunnen de groote geldvoorraden niet missen. Het sys-
10
J. DE KOO.
teem van den Heer de Koo zou ons in de middeleeuwen terugwerpen. Al wat hij en anderen ooit tegen het socialisme hebben aangevoerd, als strijdig met de menschelijke natuur, die den prikkel van het eigenbelang noodig heeft, geldt van dit, en alleen van dit besneden kapitalisme. Er zou een zekere gelijkheid van kleine kapitalisten komen, niet gezind hun geldje te wagen tegen een gering gewin, met de intellektueele beschaving die deze klasse van lieden pleegt eigen te zijn. Het kenmerk en de kracht van onzen tijd zouden verdwijnen...... Het is het grootkapitaal waaraan wij de enorme ontwikkeling van deze eeuw verschuldigd zijn â tot zij zich revolutionneert in het socialisme, wederom een vrucht van kapitalistische voorbereiding.
Maar wij kunnen ons troosten. Er is geen reden om aante-nemen, dat de ekonomische evolutie op hare schreden terugkeert. Waarom zou zij ? De lieden die het haar gelasten, verre van een toekomst te regeeren, verstaan hun eigen dag niet. â
VI.
Dr. J. van Vloten, die in het begin van 1884 overleden is, heeft op het punt gestaan de voorrede te schrijven van een ver-foeielijk boekje tegen ââ het Socialisme.1)
Door het sterven van Van Vloten is het schrijven van de voorrede verricht geworden door een van zijne vrienden, Dr. Betz. â Haast niemand van onze tegenstanders die nu, ruim 10 jaar later, de argumentatie van den auteur van 1884 voor zijne rekening zou willen nemen.
Echter, dezelfde man, die, als hij maar een honderdste gedeelte van (ie onbevoegdheid bij een schijver over een ander onderwerp had opgemerkt, zijn scherpzinnigheid en zijn scherpe kritiek zou hebben te werk gesteld om berm te vernietigen, zou met een aanbeveling van zijn hand die gekkenpraat hebben voorzien. Niets van wat er gebeurde aan deze zijde van de klassegrens ontging
146
J. DE KOO.
147
zijn sterken en waakzamen oogen. Geen onderdeel van het open-bare leven van zijne klasse, en geene afdeeling van hare beschaving bleef hem vreemd. Met de godsdienst hadden zij afgerekend ; in het staatkundige waren zij uitgesproken republikeinen ; de verkeerdheden van de liberale ekonomie kenden zij; de slofheid, de zelfzucht, de bekrompenheid, het karakterlooze van de in hunne eigen klasse regeerende koterie, bestreden en bespotten zij hun leven lang; â Van Vloten en zijn geestvenvanten. Maaide scheiding van hunne maatschappelijke klasse en die van het proletariaat, was hun geestelijk gezichtseinder. Zij gingen niet verder en hadden ook geen reden om verder te gaan, wijl zij het bestaan van een wereld buiten die van de bourgeoisie nauwelijks bevroedden. In de geschriften van die dagen zoowel als in het politieke optreden van de vooruitstrevende mannen, vindt men een groote mate van welgezindheid tegenover de werklieden. De Levensbode van \ an Vloten bevat in de latere jaargangen artikelen over kiesrecht, fabriekswetgeving, armenzorg, kinderarbeid. Demokratte en 'Wetenschap van Dr. Feringa: is een doorloopen-de kritiek van al het verouderde en verwerpelijke in de toenmalige begrippen van de arbeidskwestie. Indien het van mannen als de genoemde had afgehangen, zouden de werklieden toen reeds politieke rechten en wettelijke bescherming hebben gekregen. Maar de hoofdzakelijke strekking van hun streven was, in de maatschappij zooals zij haar kenden, een eind te maken aan het onrecht en de ellende, die zij zagen. Gaarne hadden zij zich het lot aangetrokken van de arbeiders om hun een beter bestaan ie verschaffen. En hiermede zouden zij gemeend hebben nier alleen hun plicht, maar hun geheelen plicht, en al het mogelijke, te hebben gedaan. Hervormingen zoo veel als wenschelijk, zoo doortastend als doenlijk was. Wat evenwel verder ging, was over-drijving en stond het uitvoerbare slechts in den weg. Van een ommekeer in de diepere grondslagen van de maatschappij, en een daaruitvolgende revolutie in de gevoels- en gedachtewereld,
J. DE K.OO.
hiervan hadden zij geen voorstelling; en de voorstellingen welke anderen er zich van maakten, rekenden zij tot de utopieën. De daden, echter, die anderen, in de staatkunde tredende als een nieuwe partij, predikten om de utopieën te verwezenlijken, hielden zij voor strafbare volksmisleiding of deerniswaardig zelfbedrog.
Het kritiekste, nu, was voor deze mannen in dien tijd het wezen van hunne klassebeschaving. Zij hebben niet beseft, dat wat zij bestreden â het orthodoxe geloof, de achterlijkheid van allerlei sociale en politieke instellingen, de gebreken en de smakeloosheden van den landaard â dat dit alles anders en beter kon zijn, kon vervangen wezen door een zuivere vrije gedachte, het algemeene kiesrecht en een in haar soort voortreffelijke arbeiderswetgeving, een veerkrachtig nationaal gevoel en een sterke, edelmoedige publieke opinie â zonder dat nochtans de groote kwestiën welke in onze dagen over de toekomst van de volken beslissen, een enkele schrede dichter bij hare oplossing waren gebracht. Zij zagen niet dat de burgerlijke beschaving er eene was, die berustte op de onmondigheid en onwetendheid van een gansche klasse van menschen, gelijk de burgerlijke welvaart voortkwam uit hun onbetaald gebleven arbeid. Zij wilden de onwetendheid verhelpen en de onmondigheid afschaffen zoo verre zij noodig vonden om het aspekt van de samenleving, die het nu eenmaal buiten de proletariërs niet stellen kon, bevalliger, betamelijker en menschelijker te maken. Zooals men zich eenige burgerlijke vermaken en uitspanningen, een goeden masltijd en een fraaie theatervoorstelling, niet kan denken zonder de koksknechts die de schotels gereed maakten, zonder de suppoosten, de sjouwers, die de bezoekers hunne plaatsen wijzen en op het tooneel de schermen bezorgen, â evenzoo is in de gedachte van de meest geavanceerde vertegenwoordigers van de bourgeoisie, het geheel van de burgerlijke kuituur niet bestaanbaar zonder medewerking van de tallooze bescheidene, duistere, zwij-
I4S
J. DE KOO.
gende, in lagere en hoogere dienstverrichting zwoegende agenten van haar genot, haar voorspoed, haar weelde, hare kennis, haar kunst; van al haar verscheiden inspanning en hare hoogste verheffing. Dezen onmisbaren handlangers een met hunne levensroeping vereenigbaar maximum van vrijheid en gelijkheid te verschaffen, dit moest wel het uiterste doel zija dat iemand zich kon voorstellen en anderen aanprijzen, die de hoogere mensche-iijke bezigheden en de fijnere maatschappelijke volkomenheden beschouwde als natuurlijke en noodzakelijke voorrechten van eene bijzondere klasse. In de boeken der ekonomisten die speciaal de noodwendigheid van de klassenverdeeling hadden te onderzoeken, werd het feit betoogd. De theologen bestelden er Gods zegen op; en de ongeloovigen hechtten aan de natuurwetenschappelijke onvermijdelijkheid van verschil tusschen arm en rijk, heer en knecht, analoog aan de eeuwige ongelijkheid in de andere kategorieën van levende wezens. De geschiedkundigen konden niets anders dan uit overeenkomstige toestanden in het verleden, de verhouding van heden goedkeuren, en haar voor de toekomst van kracht verklaren. En eindelijk werd het gevoel dat evenwel iets voor den kleinen man gedaan behoorde te worden, bevredigd door de demokratische en arbeidersl ievende propaganda, die, verre van aan de uitkomsten van de staathuishoudkunde, het geloof, het ongeloof, de historie, eenigen afbreuk te doen, de praktijk van het klassenverschil bevestigde, door de tevredenheid en het vertrouwen van de misdeelden te vergrooten.
En hoe moet het nu gaan, wanneer in de ondere lagen van de maatschappij, die zoo. vast en bewegingloos, immers als grondslag van het hoogere leven van de bourgeoisie, voor altijd bezonken schenen, wanneer zij, na eenige afgebroken trilling en enkele onregelmatige schokken, gaan verkeeren in een tijdperk van voortdurende en voortdurend aanzwellende schudding, die met
O'
een omwenteling dreigt welke den bovenbouw van de samenleving vroeg of laat in den afgrond stort ? De blik van de scherp-
'49
J. DE KOO.
zinnigsten werd onvast die zich dit schouwspel wilden verbeelden, en de oogen van de blijmoedigsten versomberden. Hunne burgerlijke wereld in stukken scheen hun «en onredbare chaos. Deze wereld â of niets; de bourgeoisie â of niemand. Een andere keus kenden zij niet, bestond er niet. Zij waren niet ex-klusief of al te naijverig op hunne rechten. Wie wilde en er in slaagde, mocht vrij zijn geringen stand ruilen voor een plaats in den hunnen. Geboorte deed niets ter zake, noch geloof of beginsel of vorm. Wie zich opwerkte was welkom, mits door eerlijke middelen, en wie met de eerlijkste middelen het verste kwam, de eereplaats waardig in zijn nieuwen stand. De eerlijke armoede werd ook hooger gesteld dan de verdachte rijkdom. Maar de hoogste onderscheiding was de achting verschuldigd aan iemand die tegelijk vermogend en beschaafd was, en bij wien niet door sporen van een geringe afkomst het rechte genot en het goede gebruik van zijn rijkdom voor zich en voor anderen eenigermate belemmerd werd. Het ideaal was een klasse van proletariërs, die zooveel mogelijk van de beschaving van de bourgeoisie hadden overgenomen, zich hadden hervormd naar haar voorbee'd, zonder evenwel afkeerig te worden van de bezigheden die als het grove werk waren dat aan de fijnere handreiking van de bourgeoisie noodzakelijk moest voorafgaan, en als de materieele arbeid welke zij hadden te verrichten, wilde het geestelijk werk en het daarbij behoorende nietsdoen van de bourgeoisie ongestoord kunnen worden voortgezet.
Ja, hoe moest het gaan, nu, in Holland nog wel niet of bijna niet, maar in eenige andere landen de groote, geduldige klasse van de handlangers en helpers der bourgeoisie althans groepsgewijs uit hunne afzondering te voorschijn traden, hun aandeel eischten in de regeling van de algemeen zaak, en, wat voor onze geavanceerde landgenooten het voornaamste was, optraden met een stelsel van leeringen, politieke, wijsgeerige, ekonomische, zedelijke, die in hoofdpunten van de hunne afweken, in andere
J. DE KOO.
hoofdpunten er lijnrecht tegenover stonden? Van Vloten en de zijnen zouden, mogen wij gelooven, met welgevallen het hebben aangezien, dat een jonger geslacht was opgestaan in welks handen hunne eigen meeningen verder gedragen werden. Voor de konsekwentiën van hunne theorieën waren zij, onderstellen we, niet bevreesd. Indien zij radikaal waren, voor nog radikaleren dan zij zouden zij wel niet geweigerd hebben plaats te maken wanneer hun beurt gekomen was. Maar in het socialisme van de proletariërs lag niets of zeer weinig dat als een direkta voortzetting van het burgerlijk radikalisme kon worden aangemerkt. Het was een geheel ander ding, principieel ten eenemale verschillend ; het twijfelde aan voorname bestanddeelen van de burgerlijke wetenschap en moraal; het bespotte, loochende en bestreed de geheele burgerlijke beschaving.
En nu kwam van de burgerlijke beschaving het klassenkarak-ter aanstonds te voorschijn. Zoo het geen kinderspel genoemd mocht worden, waren het toch maar schermutselingen geweest, die de koterieën van de bourgeoisie hadden bezig gehouden, vergeleken bij den strijd op leven en dood welke nu de vereenig-de klasse tegen de andere te voeren zou hebben. Het verschil tusschen konservatief en geavanceerd van leden van de bourgeoisie onderling, werd bijna onzichtbaar bij den afstand tusschen burger en proletarier. Voor al het andere moest de bourgeoisie zorg dragen, regeerende klasse te blijven. Het handhaven van hare privilegies â van privilegies welke hatelijker worden naarmate ze meer worden aangevochten â werd haar eerste taak. De bourgeoisie vergat hare twisten en hare veeten en sloot zich tegenover dit nieuwe en duizendvoudig dreigender gevaar, tot ee//e reahtionnaire massa.
Echter: van een klassenbeschaving kan eerst sprake zijn, en de beschaving van de bourgeoisie; werd er eerst eene in den on-gunstigen zin van het woord, toen de strijd van de klassen aanving. Van Vloten heeft het allereerste begin in dit land zien
J. DE KOO.
smeulen, en het is aan twijfel onderhevig welke zijde hij zou hebben gekozen indien hij langer had geleefd en de ontwikkeling van den strijd had gadegeslagen. Zijn geheele optreden is aante-merken als een van' de laatste pogingen van idealisten onder de bourgeoisie om hunne eigen klasse te zuiveren, en de groote veranderingen waarvan zij de noodzakelijkheid zich niet ontveinsden, te weeg te brengen door een beroep op de betere gezindheid van hunne volgelingen. Maar reeds bij het leven van dit wakkere en achtenswaardige, helaas weinig talrijke geslacht, hadden de ekonomische grondslagen waarop de grootheid van de bourgeoisie berustte, wijzigingen ondergaan, welke onvermijdelijk den teruggang van de klasse bewerkten, het einde van hare geestelijke en politieke overmacht aankondigden. Evenwel waren in hunne dichtere nabijheid de sporen van deze komende revo'utie nog zwak en schaarsch. Het socialisme wat zij in hun eigen 'and beleefden, was niet in staat iemand van de tegenpartij ernstig ongerust te maken. Er was, toen zij zich verzetten, bij hen geen stille twijfel, noch een geheime angst, dat zij streden voor een verloren zaak. Zij, persoonlijk, hadden niet het voornemen zekere maatschappelijke instellingen te beschermen, en maakten hunne argumentatie niet ondergeschikt aan eenig stoffelijk belang. Het klassenkarakter van de burgerlijke beschaving kwam wel aanstonds aan den dag, maar bij de lieden die hier bedoeld zijn, nog slechts als een beperkt theoretisch inzicht, niet als de zelfzuchtige en vervolgzieke praktijk, welke sedert de organen van de bourgeoisie ongeveer zonder uitzondering heeft gekenmerkt.â
VII.
De polemische geschriften van Van Vloten, welke geen enkele zwakheid van de bourgeoisie onbestraft laten, bepalen nauwkeurig de grens van dei verst reikende kritiek zijner dagen. Hij zelf heeft een of twee schreden gedaan op een terrein dat niet
IS2
J. DE KOO.
voor zijn voeten was bestemd. Zijne paar anti-socialistische opstellen zouden met moeite nu nog een lezer vinden. De brochure waarvan Van Vloten de voorrede zou geschreven hebben, bevat citaten en blijken van instemming van de meest vrijzinnigen onder zijne tijdgenooten. Behalve Betz ontmoet men er namen als Hartogh Heys van Zouteveen, Arthur Cornette, Heldt, Elise Haighton. Maar ook Mevrouw BosboomâToussaint, Jhr. de Savornin Lohman en Mr. Cohen Stuart (Alkmaar) â⢠alsof het noodig was bevonden reeds toen aanteduiden wat sedert bewezen werd, dat geavanceerd en konservatief, ongeloovig en orthodox, woorden zijn die óp mikroskopische verschillen betrekking hebben, bij den afstand van bourgeois en proletarier. De ontaarding van de anti-socialistische kritiek heeft met toenemende snelheid plaats gegrepen; en reeds is in de nog idealistisch gezinde afkeer, sprekende uit de monden van eenige der genoemden en van eenige anderen die iets vroeger of iets later tegen het socialisme optraden, een weinig bitterheid wegens gewaande miskenning van wat zij voor het volk meenden te hebben verricht, n'.et onduidelijk op te merken.
Evenwel is de zuiver ideologische richting in den strijd tegen het socialisme tot op dezen dag niet geheel uitgestorven. De Heer de Koo is twaalf jaren redacteur van eeu groot dagblad geweest, waaraan veel geld en nog meer geest in zooverre tevergeefs werd besteed, als het niet gelukte er de kourant voor goed mee te vestigen. Men zou zich geweld moeten aandoen om niet te willen zien dat zij die de materieele en zij die de andere kosten droegen, moeielijk konden besluiten ook nog uit hun beurs en hun brein te betalen de propaganda voor het socialisme. Zij waren geen socialisten, maar indien zij het geweest waren, moest een van de voorwaarden welke vervuld moesten worden als zij niet volstrekt zeker wilden zijn van monnikkenwerk te zullen verrichten, een minstens koele houding tegenover de sociaalde-mokratie zijn. De Heer de Koo zou met de geringste hoeveelheid
J. DE KOO.
154
socialisme zijn blad onmiddellijk hebben vermoord. Het is aan zijne scherpzinnigheid te kort doen indien men onderstelt dat hem onbekend zou zijn gebleven, wat de geringste van zijne lezers wist. Het is aan zijne eerlijkheid te danken, dat hij niet voor de verleiding is bezweken de levenskansen van zijn blad te vermeerderen, door tegen het socialisme te ijveren op een manier, die andere kourantiers als winstgevend hebben leeren kennen. De Heer de Koo heeft aan het besef van zijn belang niet meer, maar minder gehoorzaamd dan berekenbaar was. Want als lid van een klasse moest hij eenmaal, als burgerlijk publicist andermaal tegen het socialisme gekant zijn. Nu hij, wij nemen dit aan als een vaststaande waarheid, verre van een dubbelen ijver aan den dag te leggen, met een meer dan gewone gematigdheid is opgetreden, hebben wij recht te zeggen dat het zuiver ideologische anti-socialisme aan hem het best kan worden bestudeerd. Dit, wat zijne rechtschapenheid betreft. Wat zijn vernuft aangaat, de indirekte vergelijking met de geesten die hier genoemd zijn, bewijst dat wij niet het voornemen hebben hem oneer te doen. Van Moten struikelde bij de eerste stap over de klassengrens. Zijne groote bekwaamheden en al zijn talent; wat richtten zij uit in dien anderen en laatsten strijd ? â De specialiteit van den Heer de Koo is een nog fijnere scherts en een minder hartstochtelijke maar bijtender ironie. Niet in een haastige boutade of uit een terloops neergeschreven bladvulling; in een reeks artikelen over de beginselen van zijne politieke partij, een vergelijkende studie van de beginselen van andere partijen, verschenen in dea zomer van 1892, zal men de teekenen kunnen opmerken dat de Heer de Koo niet gelukkiger is geweest clan de Heer van Vloten. De klasseblindheid openbaart zich bij personen als een pijnlijk gebrek aan zelfkennis. Dezelfde wapenen van de onderlinge twisten wil men gebruiken in den kamp tegen het Socialisme. Maar dan reiken zij niet ver.â
J. DE KOO.
VIII.
â¢ââ Elke bevoorrechting van het kapitaal moet ophouden â alzoo spreekt het voor eenige weken nieuw vastgestelde programma van de verlichtere helft van onze bourgeoisie, door de Liberale Unie vertegenwoordigd.
Als men nu bedenkt dat kapitaal maar een ander woord is voor voorrecht, dan krijgt deze verklaring een zonderling, ja, lachwekkend aanzien. Een voorrecht, dat niet langer bevoorrecht mag worden â wat blijft er van over? Bij monde van de Liberale Unie verlangt het kapitalisme dat aan zijn bestaan een einde wordt gemaakt. Hoe zou kapitaal kunnen worden gevormd, als de produktiemiddelen niet waren in het bezit van partikulieren, die den arbeid lieten verrichten door personen zonder eigendom dan een paar handen of een hoofd, en uit de opbrengst van de waren den arbeid betaalden, met het recht om het overige in hun zak te steken ? En nog zou het kapitaal minder beteekenen, indien niet het op deze wijze vergaarde geld weer aan andere bezitters van produktiemiddelen, of aan hen die het worden wilden, werd uitgeleend tegen een vergoeding, wederom in geld uittekeeren aan hem die oorspronkelijk bezat. Het is dus de toestand dat de een produktiemiddelen heeft en steeds meer aanschaffen kan, en de ander niet, welke de noodzakelijke voorwaarde is van het kapitaal. Twee andere toestanden zijn mogelijk : dat iedereen produktiemiddelen bezit; dat niemand er heeft. Den eersten hebben wij achter den rug; den tweeden streven wij te gemoet. In de Middeleeuwen was iedere werkman de eigenaar van zijn gereedschap ; en het handwerk was de eenige produktievorm van de nijverheid. Het kapitaal was niet noemenswaard bevoorrecht wijl er bijna geen kapitaal bestond. De enkele meer gevorderde streken of steden die reeds kapitalistisch werden, kenden een overeenkomstige bevoorrechting. Het geld overigens had geen macht omdat er haast geen geld was, het was
155
J. DE KOO.
een tijd van direkte produktie. Op het land waren en werden meer en meer Adel en Kerk de eigenaren van den bodem, en in allerlei graden van de lieden die er op woonden ; maar dit was hun rijkdom en de opbrengst ontvingen zij in natura : geruild werd er weinig, handel bestond alleen in eenige streken en steden ; de goederen welke voortgebracht werden, waren nog enkel gebruikszaken; ââ een kapitalistisch stelsel was nog maar in zeer beperkte afmetingen aanwezig.
Wij tellen de nieuwe geschiedenis van af de ontdekking van Amerika, en in het algemeen van de' koloniale veroveringen van de West-Europeesche volken. Werkelijk hebben deze gebeurtenissen veel er toe bijgedragen om een nieuw produktie-stelsei te grondvesten, door het mogelijk maken voor het eerst op groote schaal in Europa rijkdommen te koncentreeren. Maar al vroeg in de Middeleeuwen, van uit de Italiaansche, de Zuid-Nederland-sche en de Gost-Zee steden, waar maar een steen in de. stille wateren werd geworpen, breidden zich kapitalistische kringen over de oppervlakte van de beschaafde wereld uit, welke haar ten slotte geheel bedekten. Ook in de produktie- en levenswijze op het platte land verving langzamerhand het geldsysteem de aartsvaderlijke verhoudingen. Een edelman en landheer was vroeger machtig geweest naarmate het cijfer van de lijfeigenen en cijns-plichtigen groot was. Des te meer vazallen togen onder hem ten strijde' in den oorlog; en in de.n vrede beschikte hij over des te meer levensmiddelen voor zijne direkte onderhoorigen, des te ruimer kon hij leven en laten leven, zijn kasteel beter inrichten en bevestigen, meer kunstenaren en handwerkers aan zich verbinden; hooger uitsteken boven zijne gelijken. Toen de steden grooter en talrijker werden, een vrije handwerkersstand en handelsgilde de burgerij vormden nog lang onder de demokratische instellingen die van den tijd der markgenootschappen stamden, voortlevende, allengs overgaande in heerschappij van den rijl-dnnt, gelijk een zeker getal van de vermo-
^6
J. DE KOO.
gendste geslachten te zamen aangeduid werden; â toen begon gelijktijdig ook naar buiten, op het land, de macht van het geld voelbaar te worden. De invloed van de stad, waar het koopmanskapitaal heerschte, revolutionneerde de toestanden op het land. De grondbezitters werden begeerig naar de schatten welke de burgers opstapelden, naar de; weelde die zij genoten. Voor hare behoeften werd wederkeerig de stad afhankelijk van het land. Ofschoon nog vele steden nog lang zelf, en dikwijls binnen hare muren, landbouw dreven, werd het stedelijk bestaan toch meer gespecialiseerd in handel en industrie. De stad werd de marktplaats ; de markt werd voorzien door de vrije boeren en land-heeren. De direkte voortbrenging veranderde in warenproduktie ; de adel en geestelijken verlangden geld in plaats van goederen om in de steden de vreemde waren te kunnen koopen. En zoo werd de bodem zelf een waar. De macht van de grondeigenaren werd niet meer bepaald door het getal personen die zijn land voedde en in hem hun meester zagen; maar door de hoeveelheid verhandelbare waar die het opbracht. Het zuiver middeleeuw-sche streven was naar land en menscben. Het nieuwere belang bracht meê, dat men land verwierf met juist zooveel menscben als onmisbaar waren om het voor den eigenaar winstgevend te maken. Er volgde een periode van verdrijving en onteigening der vrije boeren; die of eenvoudig verjaagd werden, en de vagebonden zijn die men in het begin van. de nieuwere geschiedenis overal de beschaafde wereld ziet overstroomen, of als pachters van de landheeren een niet veel gelukkiger bestaan mochten voortzetten.
Lang bleef en nog is niet geheel van de aarde verdwenen het overblijfsel van de middeleeuwsche ekonomische inrichting. Maar zij werd steeds sneller en onder duidelijker verschijnselen vervangen door de kapitalistische, gebaseerd op de scheiding van den mensch en zijn bestaansmiddel: den bodem, de grondstof en het werktuig. Eenmaal aanwezig is deze scheiding, welke de
157
J. DE KOO.
eene helft van het menschdom aan de andere onderwerpt, bestemd grooter en grooter te worden. En nu de nietbezittende massa slechts hare arbeidskracht heeft overgehouden, is zij voor haar levensonderhoud in volstrekte afhankelijkheid vervallen van de kleine klasse van de kapitaalbezitters, welke zij zelve heeft voortgebracht en rijk gemaakt. En hoe zou men nu aan ell-e bevoorrechting van het kapitaal een eind kunnen maken ? Door aan den mensch het produktiemiddel terug te geven, want het is de onteigening die hem aan het kapitaal heeft verslaafd. Maar dan vervalt het kapitaal geheel en al. Het kapitaal is een privilegie, of het is niet. Letterlijk beteekent de klausule in het programma van de Liberale Unie, dat de kapitalistische Hasse moet ophouden bevoorrecht te zijn. Maar dan zou zij afstand moeten doen van datgene wat haar tot kapitalistische klasse maakt: van het kapitaal. En aangezien nu geen andere wijze denkbaar is om kapitaal te verzamelen, dan het als bezitter van produktiemiddelen koopen van de arbeidskracht van nietbezitters, zal de kapitalistenklasse, wil zij niet langer bevoorrecht zijn, moeten eindigen met kapitaal te vergaderen. Dan is zij echter geea kapitalistenklasse meer. Zij is een geprivilegeerde klasse, of zij is niet.
Er worden nu van min en meer geavanceerde zijde, door liberalen en radikalen, voorstellen gedaan om tegelijkertijd de bevoorrechting van het kapitaal afteschaffen en het bestaan van de kapitalistische klasse te bestendigen. Eenige bepalingen ten haren gunste zouden inderdaad kunnen vervallen zonder het stelsel afbreuk te doen. De toelichting van het liberale programma vermeldt de militaire plaatsvervanging als een systeem dat verdwijnen moet, en de regeling van de arbeidsmarkt als een onderwerp dat voorziening eischt. Indien misbruiken als het een worden hersteld, en nuttige zaken als de andere ingevoerd, dan is het groote privilegie van het kapitaal, voor zoover het in de macht ligt van de wetgevende klasse,
J. DE KOO.
eer bevestigd dan verzwakt. Door het instandhouden van verkeerdheden en het venvaarloozen van grieven welke den naijvor en de ontevredenheid van misdeelden al te sterk prikkelen, loopt men gevaar naderhand een veel grootere koncessie te moeten doen dan begrepen zou zijn in een tijdig toegeven. Hierbij is geen ander beginsel betrokken dan de wijsheid van tijdige koncessies; en de vraag is slechts of deze wijsheid voor de meerderheid van de liberalen niet een te zware proef zal zijn. â
IX.
Welk programma onder leiding van den Heer de Koo de radikalen zich hebben gegeven, werd in een vorig hoofdstukje aangeduid. Letterlijk luidt artikel één als volgt: afschaffing van die wettelijke bepalingen, welke opeenhooping van kapitaal in de handen van enkelen bevorderen en invoering van wetten die een meer gelijkmatige verdeeling van het maatschappelijke inkomen in de hand werken.
De vraag die wij stelden; hoe de kapitaalvorming zal plaats hebben als de winsten van nijverheidsondernemingen etc. een bij de wet voor te schrijven maximum niet mogen overtreffen, en, door aan de arbeiders het overige te geven, een verhouding tusschen kapitaal en arbeid wordt verkregen, âgelijk zij behoort te zijnquot; ; deze vraag is toepasselijk op de bovenstaande klausule van het programma, ontworpen in den zelfden geest als het aangehaalde artikel en vele andere van den Heer de Koo. Hoe zal het kapitaal zich ophoopen, indien het niet is in de handen van enkelen? Niet iedereen is geschikt voor het bedrijf van kapitalist; en, indien de wereld er zich aan gewende, een woonplaats van kleine renteniers te worden, zou zij den ondernemingsgeest, den ruimen koopmansblik en het industrieele genie moeten derven welke de maatschappij van het grootkapitalisme onderscheiden.
I59
J. DE KOO.
Van deze zoutelooze utopisterijen houdt de sociale paragraaf van het liberale programma zich vrij. Het is volkomen doenlijk de arbeidersklasse in dienst te stellen van de voortbrenging met de produktiemiddelen welke haar niet toebehooren, en de door haar geproduceerde ovenvaarde te kapitaliseeren,
â zonder bovendien de arbeiders alleen de lasten van de defensie, of een onevenredig deel van de openbare uitgaven te laten dragen; of hen aan nuttelooze en nodelooze plagerijen, gevaren en nadeelen bloot te stellen, als staatsburgers en in hun bedrijf. Dit is klaarblijkelijk de gedachte van den steller geweest van de liberale klausule. Behalve andere, hebben de radikalen in hun orgaan, schertsend de Volksstem geheeten, deze grief tegen hem te kennen gegeven, dat hij door vaagjes van dke bevoorrechting te spreken, tegelijk te veel en te weinig zeicle;
â was dit nu niet gedaan om tevens de liberalen van de rechterzijde te bevredigen en die van de linker niet af te stooten? Dit zijn huishoudelijke zaken waarin het ongeraden is zich te mengen; en de vrijheid, die ik mij hier wil veroorloven betreft het ekonomische deel van de kwestie. Het schijnbe-ar zooveel geavanceerder programma van de radikalen zou namelijk, indien het ondenkbarer-wijze tot uitvoering kwam, de maatschappij doen terugkeeren tot een voor-kapitalistischen toestand. Aangezien de wetten die de âmeer gelijkmatige verdeelingquot; zouden bevelen, in strijd zouden komen met de noodzakelijke ontwikkeling van de produktieve krachten, welker hoogte op ieder gegeven tijdstip het ekonomische karakter van de maatschappij bepaalt, is het voor ons zoo goed als onmogelijk ons een toekomst voor te stellen, die zich eenmaal heeft voorgedaan als een uitvloeisel van de toenmalige ontwikkelingshoogte van het produktieve vermogen, en derhalve als een historische periode uit het verleden geheel begrijpelijk is. Hce een wereld er zou uitzien,met sterke1 produktieve krachten, welke niet meer door het partikuliere initiatief te besturen zijn, deze
J. DE K.00.
in handen van partikulieren gtlaten maar de meerwaarde volgens de wet âgelijkmatig verdeeldquot;, en slechts de âncodige vergoedingquot; aan de bezitters toegestaan, is een raadsel dat wij niet doorgronden. Wij die de wetten hebben leeren kennen als gevolgen en zichtbare teekenen van zekere ekonomische realiteiten, /aiiinen niet dan zeer onduidelijk ons een realiteit verbeelden, welker ekonomische samenstelling door een systeem van wetten zou worden bepaald. Een realiteit bovendien, niet geschapen uit het niet of uit een vorige periode van hare evolutie door de werking van een wet overhaastig opgerezen, maar teruggedrongen van een reeds veel hooger stadium door haar bereikt. Een realiteit eindelijk, niet in haar geheel door een overmachtige en overmoedige Staatsmacht aa.ngegrepen en gedwongen zich te regelen naar een stelsel van reaktionnaire voorschriften, die met een voor niets terugschrikkend geweld alle inrichtingen en gebruiken, welke tezamen den meer gevorderden maatschappelij-ken toestand uitmaken, zouden verbieden en vernielen. Mogelijk is en althans mogelijk te bedenken, dat eene regeering het grootkapitalisme vernietigde ; alle instellingen van het groot bedrijf ophief, de stoomwerktuigen afschafte, het handwerk in alle vakken herstelde, de naamlooze vennootschappen, de monopolies verbood, -â de produktie bond aan de1 vormen, welke voor vijfhonderd jaar hare natuurlijke gedaante was. Maar de toestand, dien de radikalen, wij zeggen niet zich voorstellen, maar aanduiden in woorden waarvan de strekking door hen niet wordt gevoeld, is een ekonomiesche werkelijkheid die met de heden-daagsche voorname kenmerken zou gemeen hebben en andere voorname kenmerken niet. Die half, wat de voortbrenging aangaat, in de ig6, en half, naar de verdeeling, in de 14® eeuw thuis behoort. Eene voortbrenging op kapitalistischen voet, en een op het socialisme gelijkende verdeeling. Een voortbrenging welke de geldkapitalen zou blijven behoeven, die de verdeeling zou verspillen. Een maatschappelijke inrichting derhalve die met
11
1ÃI
J. DE KOO.
cle eene hand zou onbruikbaar maken wat de andere noodif
O
had. Een hersenschim, in een woord, die,1 van de sociaalde-mokratie het halve programma heeft overgenomen, en daarom een herschenschim is. â â-
X.
De Heer de Koo, echter, komt ons te hulp. Hij heeft in het artikel van De Volksstem â zonder daarbij te zeggen, zeer waarschijnlijk zonder de noodzakelijkheid te gevoelen dat hij het zeide, waarom het evangelie van Marx minder aannemelijk zou wezen dan het zijne; immers beide zouden een toekomst voorspellen, en was dit het niet was,ons denkvermogen te boven ging? â maar hij heeft althans aangeduid met een voorbeeld uit de praktijk, waarheen de toepassing van zijn verdeelings-systeem zou leiden. De Heer van Marken namelijk, de groote Delftsche industrieel, is bij eene feestelijke gelegenheid op de gedachte gekomen, de sommen welke genoten zijn geworden door de direktie als salaris en winst, te voegen bij het bedrag aan de werklieden betaald, om te komen tot het geheel wat âde arbeid'' in een zekere tijdsduur zou hebben genoten. Taalkundig is het ongetwijfeld geoorloofd, iedereen die niet zijn tijd in ledigheid doorbrengt, een arbeider te noemen; en het geheel van menschelijke inspanning, âden arbeid.quot; Maar in ekonomi-schen zin heeft het woord een andere beteekenis, en wordt in den regel gebruikt om een onderscheid aan te geven tusschen personen die hun arbeidskracht verkoopen en anderen die haar koopen. Dei heeren direkteuren zijn geen arbeiders, niet wijl zij luieren, maar omdat zij het kapitaal vertegenwoordigen en dikwijls zelf de grootste kapitaalbezitters zijn. Waarom door den Heer van Marken van dezen regel in de ekonomische terminologie werd afgeweken, kan hier in het midden blijven; maar zooveel is zeker, dat het wenschelijk is, een aangenomen woor-
102
J. DE KOO.
denkeus te blijven volgen wijl men anders de aandacht vestigt op de willekeurige uitzondering en een onderzoek uitlokt naar de redenen van eenei verwarring, welke althans in het geval van den Heer van Marken niet in onwetendheid kan gelegen zijn. Hoe dit zij, de symbolische of grafische voorstelling van de winstverdeeling in deze wereldberoemde industrieën, in triomf door de straten van Delft gesleept, dient zorgvuldig bewaard te blijven; en aan het nageslacht te worden overgeleverd als een monument van den tijd toen men nog wel begeerig-heid voelde naar de vruchten van den arbeid van zijne mede-menschen, â maar er zich toch reeds een beetje voor begon te schamen.
Verbeeldt u, zegt de Heer de Koo, dat de gelden, welke thans volgens dit vrijgevige systeem naar het kapitaal gegaan zijn, eens â- âna aftrek van de noodige! vergoedingenquot; â aan de arbeiders gekomen waren! â âZouden er, vraagt hij, te Delft niet een aantal vriendelijke woonhuizen zijn verrezen, bewoond door gelukkige gezinnen, die langzamerhand uit den arbeidersstand tot den middenstand opklommen?quot;... Ieder heeft het recht zich zijne eigen idealen te fatsoeneeren, wijl ze ten slotte niet een ander, maar den maker moeten bevredigen; en bovendien is het juist een van de grieven van den Heer de Koo, dat het socialisme de zijne al te verheven kiest. Een uit de arbeidersklasse zich tot den rang van kleine kapitalisten omhoog gewerkte schaar, overigens ; gehuisvest in vriendelijke woningen te Delft en elders ; gelukkig wijl ze een paar centen hebben overgespaard en nu op hunne beurt een krieseltje kunnen woekeren, den huisjesmelker spelen van andere, allicht minder riante verblijven, of wat dobbelen onder toezicht van een nauwgezet effektenhandelaar, of zich laten besabelen door groote financiers â ziedaar een toekomst, die wel is waar het denkvermogen niet al te zeer op de proef stelt, maar de verbeelding, om, alleen van ons zelf te spreken en onze geestverwanten, slechts weinig
I63
J. DE KOO.
164
bekoort. En daarvoor heeft een man en een auteur als De Koo twintig Jaar van zijn leven besteed, zijne land- en stadgenooten te beduiden dat zij karakterlooze knullen en kortzichtige scharrelaars waren; â om, nu na en naast hem het socialisme opkomt er ter bestrijding van hunne meening aangaande de noodzakelijke verwording van onze ekonomische instellingen, hijzelf met een programma van hervorming moet voor den dag komen, dit niets anders blijkt te zijn als een maaksel van subjektieve voorkeur; een zedelijk, aesthetische en intellektueele verslechtering zou zijn, erger dan zijne, eigene kritiek immer vaardig maakt. Dit is het bijzondere kenmerk van den publicist De Koo ; het alge-meene tevens van de geestesrichting en van de maatschappelijke klasse welke hij vertegenwoordigt als een van hare beste mannen. De hoogste verheffing van de bourgeoisie is de bespotting van hare eigen zotheden. De geestige, scherpe en waakzame bekijvers van hare ontaarding, verschaffen haar den prikkel dien zij begeert, en bezorgen haar de afleiding die zij noodig heeft. De Heer de Koo heeft op de massa van zijne klassegenooten voor, dat hij te ernstig is. Hij neemt zijne betrekking van hervormer van de rijke en machtige koterieën te veel ter harte. Toen het eenigen tijd geduurd had, lieten zij hem. in den steek. Evenwel is het ook hem niet geoorloofd boven zijn klasse te stijgen, en met de verheffing die genoemd is, moet hij tevreden zijn. Want in het geval dat in dit en het vorige hoofdstuk van ons artikel besproken wordt; de beide sociale paragrafen, het liberale en radikale; is de kritiek van den Heer de Koo even juist nis zijne schepping waardeloos is. Het blijft voor hem geen geheim dat zoo plompweg van ell-e bevoorrechting van het kapitaal te spreken, in die monden, onzin is. Het was, zeide ik, een huishoudelijke kwestie of deze passage radikaal of liberaal moest worden opgevat; maar voor den Heer de Koo, als lid van de familie, is het ver van onverschillig; en zijne bespotting van deze wellicht opzettelijke duisterheid, aangenomen de wenschelijkheid
J. DE KOO.
dat de scheiding van burgerlijke fraktiën duidelijk zij, past in de rol van den burgerlijken boetprediker. De arbeidersbelangen moeten ten volle tot hun recht komen ; dit is de verkorte inhoud van een andere zinsnede uit het liberale programma. â âDie-twee woordjes, zegt de Heer de Koo, elke en ten volle, Imnnen zoo veel beteekenen.quot; !)
âZij beloven, naar het schijnt, een oplossing der sociale ques-tie... Waarom werd nu aan het bestuur, dat uitgenoodigd, wordt een program te ontwerpen, niet duidelijk te kennen gegeven, hoever men ten opzichte dezer twee hoofdpunten bedoelde te gaan? Het maakt zulk een zonderlingen indruk... een liberale groep tot eenige1 personen te hooren zeggen : maakt voor ons een program, dat alle arbeids- en arbeidersbelangen ten volle tot hun recht doet komen, en dat ell-e, bevoorrechting uitsluit. Men behoeft juist niet te denken, dat zulke lieden elkander met opzet voor den mal houden, maar toch de vraag is geoorloofd: hebben zij, die zóó luchthartig; over de ernstigste zaken spreken, wel behoorlijk nagedacht?quot;
Ea nu zullen ook wij niet behoeven te vreezen dat de Heer de Koo zijn zwak voor scherts zoo ver zal drijven, van âde ernstigste zakenquot; opzettelijk belachelijk te maken. Maar wel mogen wij vragen : ââ is het niet even ondoelmatig zich bij het eischen van hervormingen te bedienen van termen die geheel afhangen van ieders persoonlijke waardeering, als het neerschrijven van de algemeenheden van de liberale klausule? Is niet het verlangen van âredelijke verhoudingenquot; of van eene' âgelijk zij behoort te wezenquot;, of een partikulier initiatief met de ânoodige ruimtequot;, of van niet meer dan ânoodigequot; vergoeding voor het kapitaal â is dat meer, of wel minder onbestemd dan de leuze van tegen ell-e bevoorrechting, van voor alle arbeidsbelangen ? Het radikale programma bevat tal van andere sociale punten en meermalen heeft de Heer de Koo â er is in den loop van dit
') Volksstem (Weekblad) van 29 Juni.
J. DE KOO.
opstel reeds aan herinnerd â vele en ver strekkende wenschen te kennen gegeven, alle min of meer precies geformuleerd. Maar wat dezen hoofdeisch aangaat, en zijn toelichting in het radikale orgaan: de te wijzigen verdeeling van het maatschappelijk inkomen, hierop is eerder een scherper kritiek toepasselijk dan de kritiek van den Heer de Koo op de liberale paragraaf. De politieke halfslachtigheid van de partij welke tevreden is met een programma dat onderscheidene en beter gescheiden blijvende groepen tracht te vereenigen, wij geven haar den Heer de Koo gaarne gewonnen. Het is zijn kracht dergelijke fouten te vinden, zijn talent de schuldigen tei berispen. En wel niet waarschijnlijk, dat in een andere door hem gevoerde polemiek, zijne zwakheid zoo dicht bij zijn kracht lag. De ëkonomische verkieslijkheid van het liberale boven het radikale programma, om welke te onderscheiden het noodig zou zijn de burgerlijke verblindheid afgelegd te hebben, bespeurt hij niet. De liberale Unie heeft ongelijk met niet te zeggen wat elh en alle is; goed, maar zij heeft geen ongelijk met het kapitalisme slechts van die gebreken te willen zuiveren welke het missen kan zonder te veranderen van aard als ekonomisch stelsel. Het liberale instinkt is vertrouwbaarder dan het radikale overleg. Wat de liberalen willen is weinig en misschien niet eens uit een goed hart. Wat de radi-kalen willen is veel en met de beste wil ter wereld; er ontbreekt alleen aan dat het mogelijk is.
En de Heer de Koo bespeurt met een enkelen oogopslag wat er aan het eene te kort komt; â wat er aan het andere te veel is zal hij wellicht nooit ontdekken.
Bij Dr. van Vloten stuitten wij op deze tegenstrijdigheid: dat zijne onverzoenlijke en levenslange oorlog tegen de laagheden en dwaasheden van zijne klasse, hem niet belette aanstonds partij te kiezen vóór haaiquot;, toen de aanspraken van de andere zich meer van nabij en iets luider deden hoeren in.de eerste dagen van het socialisme hier te lande. Zijne kritiek was steeds
166
J. DE KOO.
onder deze verzwegen konditie op te vatten geweest, dat zij eene soort zelfkastijding van de bourgeoisie voorstelde ; een poging van de betere elementen in haar midden om van den beteren geest, langs den weg van betoog, spotternij en vermaning, het geheel te doordringen. Maar nu moest men hun ook den tijd laten het goede voorbeeld te geven en aan de massa tijd laten om het te volgen. Hoe slecht het met de bourgeoisie in menig opzicht gesteld was, wie anders dan zij zou de groote hervormingen. in praktijk kunnen brengen waarvan de toekomst van volk en land afhankelijk was? Eindelijk zou zij hare taak wel begrijpen, haar aanvatten en voltooien. Maar wie in dit spel met ruwe handen greep, nog wel, namens eene ondergeschikte klasse, den voorgenomen hervormingsarbeid betwijfelde en afkeurde', was een verrader tegen wiens aanvallen de' geheele bourgeoisie behoorde front te maken.
Sedert den tijd van Van Vloten zijn diepe, onherstelbare scheuren in het voorheen zoo kompakte klassegeheel gekomen. Weinigen hebben zooveel als de Heer de Kooi er aan mede gewerkt dat de stukjes van de bourgeoisie werden uitgebracht, hare zaken op straat kw; m_ii, haar goede naam nog geheel ergens anders. Evenals Van Vloten niet anders deed dan op zijne wijze getuigen van den ondergang eener klasse waartoe hij zelf behoorde, heeft de fleer de Koo de doorloopende kroniek geschreven van haar voortgezet verderf. En evenals. Van Vloten bij de direkte bewijzen dit indirekte geveegd, dat hare beste mannen de klassenverblinding niet konden afleggen. De tegenstelling bij Van Vloten is, dat hij de bourgeoisie te gelijk verachtte en in bescherming nam. Bij De Koo is de overeenkomstige dubbelzinnigheid minder eenvoudig. Zijn geloof in de bourgeoisie kan op een theeschoteltje. Het zou niemand ingevallen zijn bij: hem om een voorrede van een boekje tegen het socialisme aan te komen. Als ridder van de burgerlijke maatschappij heeft hij juist niet den besten naam. Maar bij hem is de tegenstrijdigheid dat
167
J. DE KOO.
hij, de groote veiiakbroer van de rijke en regeerende koterieën, in de waardeering van de maatschappelijke verschijnselen welke zijne en hare houding bepalen, nog' geheel de beperkte burgerman is, die bij hem, als hij zijne gedaante bij anderen ontmoet, zooveel weerzin wekt.
Van Vloten is de zelfbewuste bourgeois en er trotsch op dat hij zijn volk zal ringelooren en ranselen in de goede richting. De Koe' weet dat het boter aan de galg is en lacht wat met het \olkje \an zijn lezers; maar hoe hopeloos is niet zijn eigen gehechtheid aan eenige van hun diepste vooroordeelen. Als bespotter \an het liberale programma heeft hij zijn laatste woord gesproken. Wat er toen verder kwam over een eigen program ware beter achterwege gebleven.
XI.
De Heer de Koo, indien hij een medaille ware, zou een schitterende keerzijde hebben.
Hij is de auteur van een grooter getal leesbare prozastukken dan uit de pen van een onzer levende tijdgenooten zijn vooit-gekomen. Hij heeft de regeerende burgerij en dat niet uit de hoogte van zijne geleerde voorgangers) als Busken Huet en Van Vloten, maar familiaar weg in al hun dagelijksch doen en laten, beter getroefd dan iemand anders. Het is zeer wel, te zeggen dat de hoogste verheffing van den geest onzer bourgeoisie de half cynische, half moraliseerende bespotting harer eigen gebreken is; maar daarbij behoort de erkenning dat de personen, bij monde van wie zij dus haar ondergang met de tonen van hunne spotliederen begeleiden laat, verre boven het alledaagsche verheven lieden zijn. Hoe dit zij, slechts voor hen die met ons van meening zijn, dat de Heer de Koo in onze journalistiek en zijne bijzondere rol als radikaal hekelaar van het stervend liberalisme, uitmuntende verdienste heeft, kan ons geheele betoog van zijne
i68
J. DE KOO.
zwakheid als bestrijder van het socialisme eenige waarde hebben. De vooroordeelen welke hij met zijne vijanden, de zwakheden die hij met zijn slachtoffers gemeend heeft, wat betreft de eko-nomische beschouwing van de sociaaldemokratie en van het kapitalisme, zijn in het voorgaande aangeduid. Doch wie met zekere technische inzichten staan of vallen zou, allerminst de publicist De Koo. Gij kunt aantoonen, dat hij de zelfgenoegzaamheid zijner maatschappelijke kaste zoo ver drijft, van lachende te spreken over een wereldliteratuur, hem alleen bij geruchte bekend. Dat hij in de volle bekrompenheid van de bourgeoisie, over het denkbeeld van een geheele vernietiging der burgerlijke instellingen slechts kan! meesmuilen. Dat hij een verslag van de werkelijkheid in het verval van het kapitalisme en de gelijktijdige opkomst van een ander stelsel van hoogere orde, voor bijgeloof en inbeelding houdt; en zelf onvervaard een toekomstige sociale regeling ontwerpt, niet op de voortschrijdende ontwikkeling van het bestaande gericht, maar een gedwongen terugkeer tot afgedane maatschappelijke vormen. Maar dit alles laat zijn reputatie van de sociale en politieke tekortkomingen in zijne eigen klasse beter dan iemand te zien en met meer talent dan wie ook te bestrijden, volkomen onaangetast. De vraag is slechts, en het antwoord moet zijn beeld als vertegenwoordiger zijner klasse voltooien, de vraag is wat van zijn figuur terecht komt, zoodra de Heer de Koo zijn in den kamp tegen de bourgeoisie beproefd wapentuig van sarkasme en ironie aanwendt tegen het socialisme.
Van de artikelen, voor nu juist zes jaar in het dagblad De Am-sterdammer verschenen, en die tezamen een vrij lijvige brochure zouden maken, waarvan wij enkel kunnen betreuren dat zij niet is verschenen, willen vrij thans nog maar de gedeelten bespreken, welke aan dit slot van onze beschouwingen van dienst kunnen zijn.
Wijl de Heer de Koo verneemt dat de socialistische kritiek zich sterk maakt uit de hedendaagsche ekonomische gebeurte-
169
T. DE KOO.
nissen afteleiden welke ander systeem in de plaats zal treden van het onze, noemt hij het socialisme een cjeloof. Hij onderscheidt vier âsociale geloovenquot;. Wat is het nu dat ons eenigs-zins wee om het hart maal:t als wij dit in scherts bedoelde woord hooren toepassen op het socialisme, terwijl wij het met instemming gebruikt zien voor de drie andere politieke richtingen? Ligt de oplossing voor de hand, en is het de eenvoudige reden dat wij de zon niet in het water kunnen zien schijnen? Men hoore de sjofele generalisatie ,het socialisme verfrommeld en afgekloven, en vrage zich, in antwoord op wat zij vraagden, of onze indruk niet aannemelijk is, die hierop neerkomt, dat de grappen over zaken die men niet verstaat, hun doel moeten missen.
Drie gelooven zijn het hierover eens, dat de maatschappij hervormd moet worden.
âMaar hoe ?
De revolutionnaire socialisten zeggen: door deze kapitalistische maatschappij omver te werpen; de evolutionnairen, door deze kapitalistische maatschappij geleidelijk te vervangen door eene, waarin grond, en arbeidsmiddelen uit handen van de toevallige bezitters in de macht der gemeenschap komen.
Men ziet het:j een zeer eenvoudig middel â in theorie, niet zoo eenvoudig echter in de prahtijk.
Doch daarom niet getreurd.quot; â
Getreurd inderdaad moet er worden, wanneer in eene prin-cipieele verhandeling de meest begaafde man van een uiterst geavanceerde richting, over de arbeiderspartij en hare verschillende groepen sprekende, zich maakt tot de echo van een dorps-societeitstafel. Noch de ârevolutionnairequot; noch de âevolution-naire socialistenquot; zeggen wat hun hier in den mond is gegeven. Deze tegenstelling van evolutionnair en revolutionnair bestaat alleen in de verbeelding van de bourgeoisie; de eeuwig konkelende en plannenmakende bende1, om nu eens aan dit, dan
J. DE K.OO.
weer aan dat kwaad iets te doen, hetzij met snelwerkende, hetzij met langzame middelen j en geen ander verschil tusschen zich zelve en de arbeiderspartij of tusschen fraktiën van deze zich kan denken, als andere âmiddelenquot;, min of meer âeenvoudigquot;, plotseling of âgeleidelijkquot;. ââ Wij willen, na al het gezegde, het debat niet heropenen, en voeren het bovenstaande alleen aan om te motiveeren wat wij bij het lezen van deze definities denken : â houdt gij het socialisme voor een geloof zooveel ge wilt, wat gij er van begrijpt is inderdaad een geloof aan de onfeilbaarheid van een middel, maar tusschen het socialisme zooals het is en deze afspiegeling, ligt het onderscheid van een ding en zijn karikatuur. â In den ironischen trant vervolgende, zegt de de Heer de Koo :
âMen zou zeer onmenschlievend moeten wezen, indien men zich niet verheugde in het ontstaan van een geloof, dat reeds zoo veel ongelukkigen met hoop heeft vervuld en nog zoo veel ongelukkigen bemoedigen zal, enz.quot;
Nu, aan de vraag hoe hij zijne menschlievendheid zal besteden is de Heer de Koo ten aanzien van de sociaaldemokratie nog niet gevorderd. Voor hem zal het allereerst de vraag zijn, de sociaaldemokratie te verstaan. Indien men vervolgens nog op zijne edelmoedigheid mag rekenen, dan houden wij ons aanbevolen.
XII.
Wij moeten uit de reeks van artikelen met het opschrift De Radikale Party, nog eenige plaatsen bijbrengen, die tezamen met de vorige citaten het beeld geven van het socialisme dat de-Heer de Koo met zich omdraagt, en waarvan wij zekér kunnen zijn dat het algemeen bij de bourgeoisie voor juist wordt gehouden.
Zie hier een korte schets van zijn ontstaan:
J. DE KOO.
âHet socialisme schijnt ons toe de vrucht te zijn van een eenzijdig materieele opvatting van de maatschappij. Het heett zich rekenschap gegeven van dechonomhche, verschijnselen bijna uitsluitend uit een stoffelijk oogpunt, en de remedie voor de groote kwaal dan ook gezocht alleen in een wijziging der werkzaamheid van stoffelijke faktoren.
Het heeft dit gemeen met zijn diep verachten voorganger: het Manchesterdom. Ook dat meende genoeg te hebben aan kennis der wetten, die de produktie beheerschen ; de maatschappij zou tot het hoogst mogelijk peil van welvaart worden opgevoerd, indien die wetten slechts onbelemmerd konden werken; vrijheid was de leus, alles verwijderen wat de machine in haren vaart zou kunnen stuiten, en de aardsche hemel lag in het verschiet.
Dit Manchesterdom, mechanisch als het was, heeft totaal fiasco gemaakt, eenvoudig omdat het geen rekening heeft gehouden met de eigenschappen der menschen, die deze produk-tiewetten, onverbrekelijk, als natuurwetten, bekleed met de majesteit van het mathematische, zouden exploi'teeren.
Zooals het steeds in de wereld gaat, volgde op de actie de reactie. De vrijheid had de1 grootst mogelijke maatschappelijke wanorde gebracht en de sociaal-demokratie bleef niet in gebreke dit in het licht te stellen, de oorzaken daarvan na te sporen en het middel tot verbetering aan te] wijzen. Maar ook zij, zeer verklaarbaar, wanneer men in aanmerking neemt den tijd waarin, en de omstandigheden waaronder, zij ontstond, vestigde gelijk het te bestrijden Manchesterdom, haar blik op de wereld der produktie, proklameerde in de plaats van de volstrekte vrijheid de algemeene gebondenheid, verordineerde dat de machine nu eens precies andersom haar raderen zou moeten wentelen, in de vaste overtuiging, evenals de gehate Manchesterschool, dat de maatschappij geheel mechanisch te behandelen was, om haar te brengen waar men haar begeerde.quot;
172
J. DE KOO.
173
Het zijn twee grieven, waarvan althans éen typisch-burger-lijk moet heeten, die tegen deze passage kunnen worden aangevoerd. De eene is de ideologische opvatting van het socialisme als hoofdzakelijk een gedachtensysteem: een uitvinding van denkers, die meenden met een reeks voorschriften eenige verkeerdheden uit het maatschappelijk âmechanismequot; te kunnen verwijderen. Het andere is de blijkbare onbekendheid met âden tijd waarin en de omstandigheden waaronder het ontstond.quot; Wel is gedrukt op de noodzakelijkheid van deze faktoren in aanmerking te nemen, zonder welke de opgemerkte eigenaardigheden minder âverklaarbaarquot; zouden zijn .En nu moge de voorstelling die de schrijver van bedoelde omstandigheden en data bezit, voor hem zijn socialisme zelfs âzeer verklaarbaarquot; maken, bij eene nauwkeuriger beschouwing blijkt al onmiddellijk dat de opvatting van het socialisme als de reaktie tegen de liberale ekonomie, wel in de kraam van ideologische gemeenplaatsen, maar niet in een waarachtig historisch verband van deze dingen te pas komt. Het socialisme is de leer die de belangen en de vooruitzichten van de proletariërs vertegenwoordigt en uitdrukt, gelijk de staathuishoudkunde onmiddellijk en onverbreekbaar bij de bourgeoisie behoort. Het socialisme is, in zijne eerste gedaante, dadelijk met de proletariërsklasse opgekomen, toen zeer spoedig na de overwinning van de revolution-naire bourgeoisie gebleken was, dat zij van hare overwinning allereerst gebruik wilde maken, om hare bondgenoten, de werklieden, te knevelen. Heti socialisme is het verzet van de onderdrukte klasse, dit is haar zeer reëel ontstaan en bestaan, en dit is geheel iets anders dan een ideëele geboorte uit een reaktie van denkbeelden. Ook op âhet Manchesterdomquot; is een overeenkomstige definitie toepasselijk. Niet, gelijk het hier wederom, wordt geteekend, als een meening die aan een zekere soort van kennis genoeg dacht te hebben en daarin toevallig en ongelukkig gedwaald heeft: neen, het Manchesterdom heeft evenmin gedwaald
J. DE KOO.
174
als fiasco gemaakt. Het is een verzameling voorschriften van maatschappelijke inrichting volgens den wil van de bourgeoisie, en het heeft van de maatschappelijke inrichting alles gedaan gekregen wat met mogelijkheid ten bate van de bourgeoisie te bereiken was. Maar nu moet men een bijzonder mechanisch idee hebben van de wereld, als men gelooft dat het de voorschriften en leerstellingen van ekonomie zijn geweest, die dit hebben verricht. Zij waren hoogstens de uitdrukking, de in woorden geformuleerde terugkaatsing van de werkelijke ekono-mische omstandigheden, welke het mogelijk maakten dat de bourgeoisie groot werd. Niet de ekonomie gaf de vrijheid, maaide vrijheid werd geeischt door de toenmalige produktievoorwaar-den. En de bourgeoisie1, inziende dat dit tevens haar belang was, heeft hare staatkundige macht aangewend om voor zich de vrijheid van kracht te houden. Wel is waar heeft zich aan de akademies en in de pers vervolgens een zeker theoretisch stelsel ontwikkeld, waarmede men de belangen van de bourgeoisie ook wetenschappelijk wilde betoogen, en toonen dat het algemeen belang met het hare onverbreekbaar samen ging, en de kritiek van de proletariërsklasse is bij monde van hare geleerden ea leiders gericht geworden op de feilen en fouten van deze leer, maar dit alles is zeer ondergeschikt en heeft met de zwevende en slappe voorstelling van het socialisme als de reaktie van de eene theorie geboren, uit het fiasco' van de andere, niets te maken. De burgerlijke staathuishoudkunde begon eerst te verliezen, toen de voorheen grenzenlooze macht van dei burgerij eenigszins werd beperkt door de ekonomische en politieke vorderingen van de arbeiders. De burgerlijke staathuishoudkunde begon te verliezen, toen de realiteit waarop zij steunde, veranderen ging. Jaren lang waren theorie en praktijk van dezelfde strekking geweest, had de praktijk de theorie gedekt. Die 'ndus-trieele en politieke vrijheid van de bourgeoisie, was noodig geweest en had de verwachtingen duizendmaal overtroffen. De
J. DE KOO.
175
aardsche hemel lag niet meer in het verschiet: de geldmannen zwelgden in zijne bovenaardsche genoegens. Maar nu begonnen de produktieve krachten zoo geweldig zich te ontwikkelen, na eerst de uit de middeleeuwen overgebleven banden te hebben gekraakt, dat zij door het systeem van privaatbezit of partikulier initiatief niet meer waren te regeeren: de krisissen, de werkeloosheid, de overproduktie, het, pauperisme, de waanzin van de weelde, de razernij van de armoede, de lichamelijke en verstan-diglijke teruggang van arm en rijk â â en de aanwas van het proletariaat als een klasse van gevaarlijke erfgenamen der beschaving, die de neiging aan den dag legden het uur van haar versterf te verhaasten. Alles teekenen dat de produktieve machten in de maatschappij door het geldende ekonomische stelsel niet meer naar behooren konden worden bestuurd. Nu volgde de periode van de geavanceerde politiek, de radikale ekonomie, het katheder-socialisme; het geheel van proefnemingen, halfheid in doen en denken, morsen met van de arbeiders afgeziene leuzen ; zonder dat ergens ter wereld een politieke partij of een staathuishoudkundig stelsel gevormd werd, verstandelijk of wetenschappelijk vergelijkbaar bij de bourgeoisie in hare kracht en hare klassen-ekonomie. Het fiasko waarover de Heer de Koo spreekt is enkel schijn. Het âManchesterdomquot; heeft zijn tijd gehad, zoolang het baseerde op de ekonomische toestanden van zijn tijd; nu is het verouderd, niet wegens inwendige gebreken maar vervallen door uitwendige stooten; en de demoralisatie van de bourgeoisie, samengaande met dezen ekonomischen achteruitgang, is zoodanig, dat zij geen ander stelsel in de plaats heeft kunnen geven. Trouwens, welk wetenschappelijk systeem kan uitgaan van een tusschen hangen en wurgen geslingerde, in alle richtingen het bedriegelijk ideaal van zelfbehoud najach-tende klasse? Maar de gangbare zeurderij dat het Manchester-dom mechanisch was, eenzijdig, materialistisch, en op een fiasko is uitgedraaid, bewijst dat de1 nakommers van onze dagen de
J. DE KOO.
grcotschheid en de glorie van hunne eigen klasse niet meer begrijpen. De oude ekonomen hebben hun tijd volkomen goed begrepen. Zij zagen wat de ontwikkeling belemmerde. Zij waren niet sentimenteel als het er op aan kwam, die hindernissen weg te nemen ; en toen de arbeiders vroegen wat er met hunne te groote scharen gebeuren moest, antwoordden zij : sterf. Zij heb^ ben den weg gewezen naar welvaart en overvloed; en hunne schuld is het niet dat zij het klassenkarakter van de op deze wijze gekweekte beschaving niet opmerkten, maar het bourgeois-zijn prezen als een ideaal-toestand waarnaar ieder te streven had, en ieder streven kon. Allerminst waren zij uit een mechanische school; want nimmer heeft, tot de werkelijkheid veranderde, een wetenschap zoo zeer aan de verwachtingen beantwoord, of een leer zoo precies het leven weerspiegeld. -ââ
XIII.
Na op deze wijze te hebben vastgesteld, niet wat de liberale ekonomie was en het socialisme ïs, maar in welke gedaante zij ten slotte op het papier verschijnen na de boerekermis van de radikale kritiek te hebben doorgemaakt, kan de Heer de Koo zijnen humor ongestoord te keer laten gaan. Het spreekt va« zelf dat een leer die zoo vele menschen verheugt, zoo veel ongelukkige menschen namelijk, en er nog zoo vele verblijden zal, en welbeschouwd een even bedriegelijk universeel heilmiddel blijkt te zijn als het vorige van het Manchesterdom, en feitelijk niets anders dan een gelijkelijk wanhopige poging door de reaktie daarop geïnspireerd â het spreekt van zelf dat deze tegenstrijdigheid in het socialisme aan een geest die goedlachs is, vele uitgezochte momenten kan verschaffen. De geheele ne-gentiende-eeuwsche arbeidersbeweging die een nieuwe toekomst meent voortebereiden, als een muis in den val te zien loopen om een stukje spek dat alleen uit de verte smakelijk leek, ââ het
176
J. DE KOO.
is een schouwspel zoo komiek als door geein opzettelijk ten too-neele gevoerde klucht overtroffen kan worden. Wie, die niet zijn buik vasthoudt? En, waarom wij harder lachen dan omi iets anders, is de grootte van het abuis; de enorme, in het oog vallende en springende afmetingen van de vergissing die de reden van alles is, en die, wilde men maar een oogenblik luisteren en een sekonde nadenken, aanstonds zou kunnen worden opgehelderd. Want weet gij welk bagatel zoowel de liberale als de socialistische richting maar even vergeten in rekening te brengen? Het is de mensch, de mensch, met zijne menschelijke eigenschappen en vooral met zijne gebreken. En hieruit volgen twee dingen : ten eerste zal zulk een mechanische verandering als de sociaaldemokraten willen, eenvoudig de raderen van het maatschappelijk voertuig nu eens naar een anderen kant doen rollen, niets helpen, want de mensch is een zoo gekompliceerd wezen dat er wel eenige zaken buiten hem te veranderen zijn en eenigs-zins tot zijn voordeel te schikken, doch zoo maar aan de maatschappij ,,een nieuwe wet op te leggen voor de voortbrenging en voor de verdeeling van de produktenquot; vruchtelooze moeite moet blijven. Het tweede is, dat de hoop op een verdwijnen van menschelijke zonden of hoofdzonden, waaraan de socialisten immers zeggen zeer gehecht te zijn, al even ijdel moet genoemd worden als het vooruitzicht van de omwenteling zelve, die deze
zedelijke verheffing zou te weeg brengen......
De mensch : â wie kent hem- of heeft hem, zelfs ooit gezien ? Een koninkrijk werd eenmaal voor een paard geboden; maar wat zou men niet willen geven voor een mensch? Eene nieuwe ekonomie zal ontstaan, voorspelt de Heer de Koo, die âde studie van de sociale kwestie biji den mensch begintquot;. Zie hier een schoon geval van het meest fantastische theoretiseeren bij iemand, die de nuchterheid en eenvoud-zelf verlangt te zijn. Immers van eene zoodanige ekonomie zou niet alleen het einde, maar het begin ten eenenmale onvindbaar zijn. De uiterste inspanning zal
177
J. DE K.OO.
178
niet verder kunnen gaan dan tot den maaUchappelijken mtmch. Sedert onheugelijke tijden behoort de mensch tot de samenleving. Alle eigenschappen die wij van hem kennen, die anderen voor ons van hem gekend hebben, zijn in de samenleving ontwikkeld. Proeven op of met mensche.n buiten de samenleving, die iets bewijzen, zijn niet genomen. Het mag mogelijk genoemd worden, dat dit later zal gelukken, of eenmaal op eene nu onvoorziene wijze de mensch zal worden gevonden die het type is van den mensch in 't algemeen, maar anders dan als een lid van de maatschappij zal men op het oogenblik geen mensch tot het onderwerp van zijn studie kunnen nemen. Men kan den mensch tot op zijn hemd uitkleeden en zelfs verder, maar ontdoen van wat hem aan de maatschappij verbindt, kan men niet. Wat wij ons van den mensch voorstellen is almee, zooals ieder menschelijke gedachte of aandoening,! een voorstelling van maatschappelijken aard. Nu is het zeker waar dat wij, uit een reeks van waarnemingen omtrent menschelijk doen en laten, eene asbtrrktie van menschelijkheid kunnen maken en die zelfs onbewust met ons omdragen; welke abstraktie bovendien in een gegeven samenleving en op een gegeven tijd, juist wijl zij door maatschappelijke motieven wordt bepaald, bij de groote menigte van de menschen wel ongeveer dezelfde zal zijn. Verder zal, voor de dagelijksche dingen, met deze abstraktie gehandeld kunnen worden als met de werkelijkheid. Anders gezegd: wat wij van de menschen denken, zal wel niet zoo veel verschillen van hetgeen de menschen zijn. Maar reeds deze praktische regel gaat in evenveel gevallen niet als wel op. Ervaren en bekwame lieden vergissen zich somtijds in hunne verwachtingen en berekeningen, uitgaande van de abstraktie die zij onbewust of bewust zich hebben eigen gemaakt. Er komt dit bij, dat althans tegenwoordig er niet ééne maatschappij is, maar bijna in de geheele beschaafde wereld, de samenleving in twee maatschappijen is gesplitst. Die twee klassen zijn gevormd door dezelfde krachten die de samen-
T. DE KOO.
leving hebben opgebouwd en bestuurd : de ekonomische krachten. Zij zijn het diel den vorm van de samenleving bepalen, en dus, zooals gelegd is in laatste instantie, ook alle menschelijk-maatschappelijke eigenschappen bepalen. Men maakt zich van deze waarheid niet af door haar eenzijdig, materialistisch, of mechanisch te noemen. De vraag is niet of zij ons bevalt, maar of zij juist is. En allerminst maakt men zich van haar af door een beroep op den mensch en zijn kwaliteiten. Immers, indien de studie van dei meest verschillende maatschappijen ons leert, dat over haar lotgevallen in het groot, en over hare kenmerken vergeleken bij andere-, de wijze waarop door hare leden werd gearbeid om in hunne stoffelijke behoeften te voorzien, in ieder bijzonder geval beslissend was, en telkens de meest verschillende menschen voortbracht, dan valt de maatstaf van wat in den mensch natuurlijk en blijvend is, ons voor altijd uit de hand.
Onbruikbaar, zeiden we, is het abstrakte begrip mensch in het dagelijksch leven wel niet geheel, maar toch veel minder bruikbaar dan wij zouden wenschen.
Volkomen nutteloos is het, indien wij er mee willen bepalen wat in geheel andere maatschappelijke omstandigheden gedaan of gelaten zal worden. Om het verleden te verklaren, en een toekomst aan te duiden, hebben onze generalisaties van men-schelijke hoedanigheden, niet de geringste waarde. Ons stelsel van deugden en gebreken, onze kennis van wat in den mensche-lijken aard lig'; en wat niet, zij laten ons onmiddellijk in den steek zoodra wij de grenzen van onzen eigen tijd noemenswaard zijn overschreden. En vooral ondervinden wij hunne waardeloosheid, wanneer wij de grenzen van onze maatschappelijke klasse te buiten gaan. Eeuwen liggen er tusschen een bourgeois en een proletariër in de landen met sterk ontwikkelde kapitalistische toestanden. Op zich zelf zou reeds dit feit voldoende zijn om te bewijzen, dat de menschen gelijk wij hen kennen, niet buiten de maatschappij kunnen bestudeerd worden.
179
J. DE KOO.
De Heer de Koo, die uitgaat van een abstrakten, nooit gezie-nen mensch, moet natuurlijk met de hardnekkigheid van een katechiseermeester vasthouden aan de deugden en gebreken welke de dagelijksche moraal onderscheidt. En nu komt ons dit niet alleen voor in strijd te zijn met de bescheidener en ruimere leer van den maatschappelijken oorsprong van de zedelijkheid, maar uit eenige van zijne redeneeringen omtrent deugden die schaars en gebreken die onuitroeibaar zullen blijven, zien wij, dat in de blinde gehechtheid aan deze verouderde dogmatiek, de feiten uit de maatschappelijke geschiedenis met het effenste gezicht worden verkracht. Altijd bezig over de ontoereikendheid van dat fameuze middel: de afschaffing; van de partikuliere produktie, zegt bijvoorbeeld de Heer de Koo, dat juist de in beslagneming van de produktiemiddelen door een klasse plaats heeft gevonden, omdat âhet meerdere de neiging heeft het mindere te overheerschen.quot;
âMaar dan rijst alweder dadelijk de vraag: hoe zal daarmede ophouden de werking van deze door niemand te loochenen wet, dat het meerdere de neiging heeft het mindere te overheerschen en het mindere juist door het gevoel van zijn minderheid die overheersching zoekt, althans zich laat welgevallen? Al had b.v. voor eeuwen de kapitalistische produktiewijs plaats gemaakt voor de kommunistische of kollektivistische, de regeerende klasse zou niet ontbroken hebben, en zich bij de verdeeling van het produkt evengoed het leeuwendeel hebben toegeëigend als nu; er zoude alzoo een nieuw soort van kapitalisme zijn ontstaan. Want niet in de produktie-wijze zit de kwaal, maar in de verdeeling, en die verdeeling zal toch moeten plaats hebben door menscJie» van gelijke beweging als waaruit thans de maatschappij is samengesteld. De mtnschen moeten het doen en die menschen, ook al hebben zij algemeen kiesrecht, verwisselen wel van theo-riën ,maar wisschen hun karaktertrekken niet uit.quot;
Nu, dit is niet anders dan een abstraktie van heersch- of heb-
i8o
J. DE KOO.
zucht afkomstig van het schouwspel van vele heb- en heersch-zuchtige menschen. Zoodanige menschen, in ekonomische omstandigheden die het mogelijk maakten of in de hand werkten, hebben zich van de arbeidsmiddelen meester gemaakt. Maar mag dit worden bevestigd tot een dogma, dat altijd en eeuwig in alle ekonomische omstandigheden- menschen zullen gevonden worden, bereid en geneigd anderen aan zich te onderwerpen en stoffelijk te benadeelen? Maar als nu de omstandigheden het verbieden ? Zij hebben het belet, zoolang de arbeidsmiddelen zoo primitief waren dat de opbrengst nauwelijks in de omnid-delijke behoeften kon voorzien, en de produktieve krachten zoo weinig ontwikkeld waren dat ieder individu zijn gedeelte er van gemakkelijk kon beheeren. En zij zullen het formeeren van een klasse, eigenares der produktiemiddelen, verhinderen, wanneer de opbrengst zoo overvloedig! wordt dat het belang van bevoordeeling vervalt; â als de produktieve krachten zoo intensief werken en zulke omvangrijke toepassingen krijgen dat partikulier bezit onmogelijk wordt. Wij hebben maatschappijen gekend zonder de heerschzucht, met een volstrekte politieke gelijkheid steunende op een volstrekte ekonomische gelijkheid. Er is dus meer reden om aan te nemen dat, indien de volstrekte ekonomische gelijkheid, niet hersteld door een revolutie of bij meerderheid van stemmen geproklameerd, of geschapen als een verwezenlijkt idee van geleerden â maar uit de ekonomische noodzakelijkheid voortgesproten, dat dan de volstrekte politieke gelijkheid zal terugkeeren : meer reden om gelijk te hebben met de voeten op den vasten grond van de feiten, dan zwierend in nevelen van een onbewezen leerstuk van een ingeschapen heerschzucht-en-egoisme.
Neen, dit âbeginnen bij den menschquot;, een streven dat op een zoo onbetrouwbaren grondslag bouwt als een persoonlijke meening omtrent den mensch, en geen rekening er mee houdt dat dit in het algemeen niet anders dam een maatschappelijke voor-
l8l
J. DE KOO.
stelling van een maatschappelijk verschijnsel kan zijn, en tegenwoordig onmogelijk iets anders als een klassegevoelen; verder dat het bourgeoisgevoelen in deze noodzakelijk bekrompen en gebrekkig moet zijn wegens de maatschappelijke motieven die haar plaats bepalen, is het omgekeerde van wat het voorgeeft te zijn. Het is precies hetzelfde misverstand als van de geschiedkundigen die een historisch onderzoek, van de sociologen die eene samenlevingswetenschap boven tijd, maatschappij en klasse verheven, aan ons willen opdringen. Wie met zijn enkele denken over den m?.nsch, meent te kunnen uitmaken, wat van hem in de toekomst kan worden verwacht; te kunnen vaststellen, waartoe hij onmogelijk zich zal kunnen verheffen, bewijst dat hij het voornaamste menschelijke in den mensch: lid van een samenleving te zijn, niet verstaat; en naar den aard van een zijner gewichtigste funkties: het denken, een maatschappelijke verrichting, â immers buiten de samenleving heeft, men geen denkende wezens gevonden -â⢠in het donker ligt te grabbelen. En het misverstand dat de Heer de Koo met andere bekwame tijd-genooten gemeen heeft, is een vorm van de vergissing dat de bourgeoisie de menschheid zou zijn. â
XIV.
In het bijzonder, zeiden we, maakt het den lachlust van den Heer de Koo gaande, dat de socialisten zich een totaal verdwijnen van eenige noodlottige menschelijke zwakheden voorstellen.
Zie hier, opdat wij niet buiten de stukken oordeelen, de ge-heele1 passage:
â âHet echte socialisme, meent met de menschen, zooals zij thans zijn, een toestand in het aanzijn te kunnen roepen, waarin zij gansch andere eigenschappen zullen vertoonen. 'Wanneer maar eerst de revolutie de kapitalistische maatschappij heeft inéén getrapt en de kommunistische heeft gegrondvest zal het
J. DE KOO.
innerlijk der menschen veel van zijn boozen aard verliezen. Een revolutie of wa.t en we krijgen de. gemeenschap, de gemeenschap, die alle landen en volken omvat; die, hoe ook in onderdeelen gesplitst, een centraal orgaan tot regeling van den arbeid bezit, en een voor heel die gemeenschap geldende ordening tot verdeeling van het voortgebrachte naar ieders behoefte erkent. Uit zal het dan zijn met het grove egoïsme, tot dusver de groote beweegkracht ookquot;van hen, die in het minst niet geprikkeld worden door den strijd om 't bestaan. Tot zwijgen gebracht zal zijn de ijdelheid, die alles doet wat in haar vermogen is om het verschil van rang en stand in eere te houden. En ook andere booze neigingen, die onder ons menschen heerschen : de lust om onze wijsheid en dwaasheid te doen zegevieren, de neiging om een partij te vormen en op een revolutie een kontra-revolutie te doen volgen, de naijver, alle deze en nog eenige dozijnen hebbelijkheden, waardoor, onder de hedendaagsche bedeeling, iedere door het menschenbrein uitgedachte orde van zaken zoo- moeielijk langer dan luttele tientallen van jaren, en dat dan nog maar in een beperkten kring, in stand te honden is, â zij zullen verdwijnen, in elk geval hun kracht verliezen met het privaatbezit der arbeidsmiddelen, na den grooten revolutiedag.
âEn dat niet alleen, iets nog heuglijkers en wonderbaarders dan het afsterven en wegkwijnen van onze maatschappelijke hoofdzonden zal de overgang der kapitalistische maatschappij volgen. Terwijl wij den last van zooveel zwarte ondeugden, waaronder de menschheid eeuw aan eeuw gebukt is gegaan, haar van de schouders lichten, schieten onze deugden op in ongekenden bloei. Een plaats ons aangewezen in de gemeenschap en allen te zamen door de gemeenschap, ieder naar zijn aard, aan het werk gezet en ieder naar zijn behoefte bedeeld, zal onze arbeidslust niet af -maar toenemen, ons plichtsbesef zal worden versterkt, ons gevoel van waardigheid, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid zal zich verheffen, onze tevredenheid zal zekerder, onze
â 83
J. DE KOO.
krachten zullen frissrher worden, en natuurlijk het produktie-vermogen zal zich vermeerderen, onberekenbaar. Want met de gemeenschapsproduktie zal eerst recht het gevoel van solidariteit bestaan, zooals men dat reeds nu in groote gemeenschapskringen aantreft, b.v. in het leger, maar dan in veel hoogere mate en op oneindig nobeler wijs.
O, zoete revolutiezucht!
Dat wij hiervan nu eigenlijk niets gelooven, zal ons door menigeen moeilijk vergeven kunnen worden. De ware socialisten achten dit een blindheid die ongeoorloofd is, en, vele evolution-naire broeders beschouwen menschen van onze soort als min-toerekenbare wezens, aangezien wij ekonomisch zoo fabelachtig doro, en in het sociale zoo totaal misdeeld van voorstellingsvermogen zijn, dat zij onmogelijk, anders dan bij wijze van beleefdheid, met ons zouden kunnen redeneeren.quot;
Men ziet dat hieraan alleen de val van het eerste menschen-paar behoort, om een in oorsprong toegelicht leerstuk van de menschelijke verdorvenheid te zijn. â Gij kunt verbazend geavanceerd wezen, mijne Heeren van de Bourgeoisie, maar, bij den een wat verder van de oppervlakte dan biji den ander, de filister steekt toch in uw aller huid. Fabelachtig dom, zoudt gij zijiiijâ ach neen, uwe kortzichtigheid behoort niet tot het gebied van de fabelen, maar is de zeer reëele trek van het in-tellectueele beeld uwer vervallen klassebeschaving. âOngeoorloofdquot; is daarom: deze âblindheidquot; niet te noemen ,geen individu is aansprakelijk voor de gebreken van zijne klasse, en allerminst de Heer de Koo die alles gedaan heeft wat in zijn vermogen was om haar van eenige gebreken te zuiveren. Zonderling echter hoe de bourgeoisie, nu het er op aan komt te toonen dat hare eigen meesters haar iets hebben geleerd, â was er niet een filosofie van burgerlijken oorsprong die den draak stak met het zweeren bij deze onuitroeibare âbooze neigingenquot; en hardnekkigen âlustquot;, en in het licht stelde hoe datgene wat de moralisten en theologen
184
J. DE KOO.
met etiketten van deugd en ondeugd beplakten, zeer veranderbare, met de uiterlijke omstandigheden van de menschen somtijds met elkaar van plaats wisselende, en in hun tegendeel overgaande, geeste-ijke gesteldheden waren ? ââ hoe nu de bourgeoisie haar eigen beschaving een schop geeft, in een somber en volkomen willekeurig bijgeloof aan de slechtheid van den mensch argumenten zoekt tegen het socialisme; en, bsdenkelijkst van alles, de meest geavanceerde radikaal aan den reaktionnairen katholiek de hand reikt om gezamenlijk tegen zijne vermetelheid te protesteeren: âdie een ideaalmensch ontwerpt, beter dan cle almachtige God hem heeft geschapen.quot;!) Wie de hier aangehaalde volzinnen uit het dagblad Be Amsterdammer overleest, gevoelt dat in het binnenste van hen die zoo schrijven ,de; chaos is teruggekeerd, en alle hoop op beterschap en geloof aan vooruitgang; ver te zoeken is. Het is de kwinkslag van den wanhoop, de boert van het fatalisme. Wij zouden niets te zeggen hebben wanneer de motieven, die zoo laag en zoo laf doe.n denken van de menschen, eenige wetenschappelijke waarde hadden. Maar zelfs van een burgerlijk standpunt is het een leer van het jaar nul, en gekant tegen iedere, niet slechts tegen de socialistische hervorming. Is hetl systeem van den Heer de Koo: de vriendelijke huizen met de tevreden gezinnen van arbeiders die op weg waren de genoegens van den bourgeoisstand deelachtig te worden, â is dat ook een âdoor het menschenbrein uitgedachte orde van zaken (welke) zoo moeielijk langer dan luttele tientallen van Jaren, en dat nog maar in beperkten kring, in stand te houden isquot;? Waarom dan ons in te spannen, en eene moreele politiek te prediken in deze wereld van onsterfelijke zonden en hoofdzonden ? De Heer de Koo, indien hij de logische tegenstrijdigheid van deze zijne levensbeschouwing met de door hem
i) Redevoering van het rijksdaglid Dr. Bachem op den dezer dagen gehouden Katholiekendag te Munchen.
J. DE KOO.
gevoerde politiek komt te ovenvegen, zal om zijn eigen radikalis-me nog meer moeten schateren dan om de arbeiderspartij, die, hoévrel zij dwaalt, dwaalt met konsekwentie. Niet wat hier te lezen staat, dat slechts het eigen stelsel bespottelijk maakt, is de zienswijze van het socialisme. Indien ook wij van de men-schelijke natuur iets meenen te weten, is het dit, dat zij een voortbrengsel is van de samenleving. In het verkeer van men-schen met menschen noemen wij zekere aanrakingen deugden, andere : ondeugden.
Een eenzaam eilandbewoner bezit geen van beide. Ons vermogen om hierin te onderscheiden, is wederom een maatschappelijke aanwinst. Verandert nu de maatschappij van grondslagen, dan zal de menschelijke ziel een ander beeld weerkaatsen. In eene andere maatschappij leven andere menschen, iedere maatschappij brengt hare bewoners voort, geeft aan de menschen hunne menschelijkheid, en een telkens gewijzigde. Wij nu, tegenwoordig, meenen dat de werking, welke wij aanschouwen, de socialistische samenleving bezig is te vestigen. De motieven in de kapitalistische, die in het verkeer zich doen gelden als onaangename menschelijke eigenschappen, zullen in de socialistische maatschappij, niet terugkeeren. Daarom zeggen wij met een aan onze voorstelling dezer dingen ontleende terminologie : zij zal beter zijn. Maar het onderscheid van goed en kwaad is een ideeële uitdrukking van schadelijk en gunstig in de maatschappij. Daarom is het juister te zeggen: in de socialistische maatschappij zal ons moreel gevoel verdwenen zijn. Dit is echter geen voorstelling die met onze realiteit korrespondeert, en in de woorden van nu blijft het daarom verkieslijk te zeggen: de menschen zullen beter zijn.
âHiervan nu eigenlijk niets te geloovenquot;, vergeven wij van harte. Het is allereerst een vraag van weten. Het, geloof aan de geschapen boosheid, blijve dan uw eenig geloof, â atheïsten, die God verstoeten en den duivel in zijn plaats stellen. Geluk
iS6
J. DE KOO.
met de bergen die gij er door verzetten zult -â⢠en verzet hebt. Mee een grijns op haar gezicht om de kennis en het ideaal van haar eigen beteren tijd die voorbij is, en van den nog beteren die komt, zoo verlaten wij op den drempel van de twintigste het beeld van de negentiende-eeuwsche bourgeoisie. â
d. F., Aug. 1S95.
187
Tquot;