üp
: ' /
graaf Leo Tolstoi, zoon
â¢*gt;Y'V r''
â r-f' yifjV
' .r rJ i ,-gt;â r-l r-1 rJ
.....fJ/r sJS'ï
M:ry-
^:ramp;
mm
Wek 163
Typ. KOCH amp; KNUTTEL, Gouda.
amp; r
â aiA
i
1
GRAAF LEO TOLSTOI (Zoos)
è
EVALLEN
HAAR HET DUITSCII
J
HL
(DIE VERFÃHRUNG)
Bibiir gt;
GOUDA J. ï. SWAETSENBURG
VOOIFIIRIBIDE.
----=5â0----
Het verhaal, dat wij hier het publiek aanbieden, heet in het Russisch: âOp den Tatjanas-dagquot; en heeft tot motto Turgenjew's woorden uit een zijner verhalen: ,,Een slecht verhaal heeft meer waarde, dan de uitstekend-ste beschouwing.quot; Tatjanas-dag valt op den 12dcn Januari, dat is de stichtingsdag der Universiteit van Moskau 1). Op dien dag hebben er gewoonlijk groote drinkgelagen plaats, en graaf Leo Tolstoï's vader heeft reeds meermalen het drinken op dezen dag en het bezoeken
1) Bij ons dus de quot;Dies natalis. Hij wordt jaarlijks door professoren en studenten, en corps, elk afzonderlijk gevierd door festijn en studentenjool (op de kroeg, soeieteit), nadat de Rector Magnificus, het jaarlijks aftredend hoofd van den Senaat, zijn ambt met eene plechtige feestrede in de gehoorzaal der Academie aan zijn amht-genoot-opvolger heeft overgedragen. VlïRT,
6
van publieke huizen, als een gevolg van het drinken, gegeeseld. Zooals altijd maakten de woorden van den ouden Tolstoï indruk â doch de jeugd bleef getrouw aan hare oude gebruiken, En nu komt de zoon, een gewezen student van de Moskausche Universiteit â en tracht wederom, evenals in zijn twee eerste vertellingen; ,,Het Blauwe Boekquot; en âDe Verleidingquot;, vertellend datgeen te geeselen, waartegen zijn vader in beschouwingen vroeger openlijk optrad. Wij willen het gaarne erkennen, dat deze vorm van bestrijding onzer slechte gewoonten veel sympathieker aandoet en een veel dieperen indruk achterlaat, vooral wanneer zij zoo talentvol geschiedt als in het onderhavige geval.
âEen derde vertelling van den jongen Tolstoï,quot; zal menigeen zeggen, ja, een derde en een nog veel schoonere dan de twee eersten. Alle drie moeten te zamen gelezen worden, om evenals beelden uit een grooten roman op ons in te werken.
De vertellingen van den jongen Tolstoï beoogen allen hetzelfde doel, â zij zijn ernstig en onberispelijk van vorm.
7
De groote aantrekkelijkheid van de vertelling bestaat al weder in het detailleeren, dat een onovertroffen eigenschap van den grooten Russischen schrijver is, die iederen lezer boeit en hein dwingt om de zielsproblema's van hare helden te volgen.
DE VERTALER.
(Dp den morgen van den 12den Januari 189 * ontwaakte de student Wlassow in eene bijzonder vroolijke gemoedsstemming. Zijn blauwe, ronde oogen blikten naar de lage, witte zoldering van zijn kamertje, dat hij reeds lang had lief-gekregen. Het roodachtige licht van de zoo juist eerst opgegane winterzon viel door de met ijs bedekte ruiten der kleine vensters zonder gordijnen, en hij gevoelde, dat hij niet langer slapen kon, niettegenstaande het nog zeer vroeg in den morgen was.
âHoe schoon is toch alles en wat is het leven bekoorlijk en prettig,quot; dat was zijne eerste gedachte.
In de kamer was het koud, zoodat Wlassow den adem uit zijn eigen mond zag, doch in
10
het lekkere warme bed, onder de wollen, bonte dekens, die zijne moeder voor hem had gestikt, gevoelde hij zich aangenaam, en de frissche lucht, die hem over het aangezicht woei, deed hem goed.
Wlassow's collega Twansky sliep nog op zijn ijzeren, kromgebogen ledikant. Hij snurkte tamelijk luid onder zijn verschoten studentenmantel, waarmede hij zich had toegedekt. Zijn aangezicht was naar de kachel gekeerd, zijn groot lichaam was ineengekronkeld, alleen zijn zwarte, kortharige nek en zijn dikke hals waren zichtbaar.
Wlassow richtte zich een weinig op, keek eerst naar zijn nikkelen horloge, vervolgens naar zijn collega en begon toen te glimlachen.
âLaat ik hem maar laten slapen,quot; besliste hij, âhet is nog te vroeg. Gisteren heeft hij tot laat in den nacht gelezen. Hoe of hij zich vandaag zal houden ? Ach, ik maak me wezenlijk beangst om hem,quot; dacht hij.
Wlassow ging weder op den rug liggen en trok de zachte deken tot aan de kin omhoog. Zijn goedig, open gelaat met de kuiltjes in de frissche wangen en met den naar boven
n
omgebogen neus, nam eene gelukkig naiëve uitdrukking aan. Zijne lippen plooiden zich tot een tevreden glimlach samen, zijne oogen schitterden, zijn gansche uiterlijk was frisch en gezond. Over zijn gansche wezen lag die kuischheid der jeugd verspreid, welke men alleen bij reine, nog onverdorven jongelingen aantreft, en die zoo aantrekkelijk werkt.
Bij den eersten aanblik zoude niemand geloofd hebben, dat deze jongeling de student is, die reeds de geheele overgeleerde wetenschap der histologie 1) in zich opgenomen heeft.
Wlassow legde de beide handen onder het met een dicht, zacht en licht haar bedekte hoofd en dacht na.
âVandaag is het de dag van de heilige ïatjana, de dag van de stichting der Universiteit, de eerste in zijn studentenleven. Als een volwassen man zal hij hem vieren. Hij zal in een Moskausch restaurant met alle feestvierenden dineeren, hij zal alle redevoeringen aanhooren, zal de wonderbaarlijke verhoudingen van gelijkheid en vrijheid waarnemen, die er op dezen
1
Leer van de weefsels in het lichaam van mensch en dier.
Vert.
12
dag tusschen professoren en studenten heersclien.
âJa, het is heerlijk, zich student te gevoelen,quot; ging Wlassow voort met denken, terwijl hij steeds opgeruimder werd, âmen gevoelt zich zoo geheel als een mensch, men wordt als het ware een totaal ander wezen. Het is compleet, of men vleugels heeft gekregen. Het is zoo geheel anders dan op het gymnasium, waar de leeraars ons hoogere wezens toeschijnen, waar men zich tegenover hen steeds onwetend en nietig gevoelt. Hier echter ziet alles er anders uit. Iwansky vertelde me, hoe op dezen dag studenten en professors, oude en jonge studenten zich bij elkander aansluiten. Hoe allen zich zoo plezierig gevoelen en vrij en ongedwongen met elkander omgaan O, dat moet toch wonderbaar schoon zijn.quot;
Wlassow begon zich nu nauwkeurig voor te stellen, wat hij dezen dag zoo al zien en beleven zoude, alles, wat hij tot nog toe slechts van hooren zeggen en volgens hetgeen zijne eigene phantasie hem afmaalde, kende.
âDe hoofdzaak is â om bij het diner niet te veel te drinken!quot; Hij besloot daartoe, toen hij aan het kroegen dacht, dat op dezen
1 ^
io
dag gewoonlijk plaats heeft, âik drink maar een weinig, alleen om mijn fatsoen op te houden. Vanavond ga ik naar de schouwburg. Ik zal het aangename met het nuttige vereenigen, door het stuk van Ostrowsky te gaan zien, dan ga ik naar huis en verder terstond onder de wol. En den volgenden dag, dan maar weer met frisschen moed aan het werk. Heerlijk! Wat is het toch prettig, te studeeren, nieuwe kundigheden op te doen, waarvan men weet, dat ze ons nuttig, onbetwistbaar nuttig zijn. Wat is toch alles wondervol! Een half studiejaar ligt er achter mij. Nog vier en een half jaar en ik ben arts, dokter â zoo noemt men toch immers de artsen â dokter Wlassow. Ik keer naar mijn geboortestad, naar S. terug, zal een uitgebreide praktijk hebben en in de geheele stad bekend zijn, evenals nu de vader van Iwansky! Een kluchtige kerel, die zoon van Iwansky. Die zegt maar; Ik heb geen lust om met die lijken te scharrelen, hij studeert daarom in de rechten. En toch, is er wel eene betere wetenschap dan de geneeskunde ? Men kan de menschen van nut zijn en daarenboven een
14
flink inkomen hebben. Neen, een beter vak is er op de heele wereld niet.quot;
En nu begon hij er over te droom en, hoe hij zijn levenswijze in zoude richten na de voltooiing zijner studiën.
De armen zoude hij gratis behandelen, ze bezoeken in hunne vuile, vunzige kelderwoningen, hen troosten, door de rijken zoude hij zich voor zijne moeiten laten betalen. En dan zoude ook zijn oude vader zijn betrekking op de galerij opgeven en er te huis zijn gemak eens van nemen kunnen.
Wlassow dacht, aan zija geboortestad en aan zijne familie. Zijne gedachten voerden hem in de boscheiden woning zijner ouders in 8., en een vurig verlangen maakte zich van hem meester om de zijnen te zien, hen te omhelzen en met hen te kunnen praten. Bijzonder levendig stelde hij zich zijne moeder voor, eene schrale, slanke vrouw, met een schuchteren, helderen blik en magere handen, zijne moeder, die hij, ach. zóó liefhad. âHeb ik maar eerst mijn examens achter den rug,quot; zeide Wlassow gevoelvol bij zichzelven, âdan zal ik voor huis gaan zorgen. Geld verdien ik dan als water, want behalve
15
mijn privaat-praktijk zal ik trachten nog eene extra aanstelling te krijgen, wij zullen dan aan niets gebrek hebben, gelijk nu menigmaal gebeurt, toen wij verleden jaar onder anderen, niet eens het schoolgeld voor mijn jongste zuster konden betalen.
Hij ging voort met gelukkig voor zich uit te kijken, terwijl hij zich aan zijne droomerijen overgaf. Hij gevoelde zich dezen morgen zoo vroolijk gestemd als in langen tijd het geval niet geweest was.
âHoe schoon, hoe prachtig is toch alles op de wereld,quot; sprak onophoudelijk eene inwendige stem in hem, hoe lief had hij al de zijnen, ja, eigenlijk gezegd allen en alles op de wereld; Iwansky, de professor, de Universiteit, de wetenschap. Wlassow bekroop eensklaps de lust om zijne beenen in de hoogte te steken of eenige andere zotheid te doen. Doch hij lachte slechts om dezen wensch en bleef stil liggen. Door zijn lachen ontwaakte Iwansky en draaide zich log om. Wlassow dacht niet anders of zijn vriend zoude nu wel opstaan, doch toen hij bemerkte dat diens zwarte kop weder onder den mantel verdween, gaf hij zich opnieuw aan zijne eigene gedachten over.
16
Hij keek naar den inenschenschedel, die op de tafel naast het venster lag, en op zijne nieuwe, eerst onlangs gekoekte boeken. Daar had hij dezen dag al een bijzonder genoegen in. Zij herinnerden hem aan de werkelijkheid en toonden hem aan, dat al zijne gedachten over de toekomst geen loutere droomen zijn en waren â¢en zich reeds in het leven zelf begonnen te verwezenlijken.
Daar ligt de anatomie van Sarnow, de phy-sica van Hero, de chemie van Ivolbe, daar liggen onder de tafel beenderen, die een scherpe lucht van zich geven â daar hangt aan een spijker de rugwervel van een skelet, dat een bosje kleine krullen gelijkt. Dat alles zijn geen phantasiebeelden, maar de werkelijkheid, de grondslag voor zijne latere kennis en bekwaamheden. Wlassow begon over de onderscheidene Latijnsche benamingen van de afzonderlijke dee-len van den schedel na te denken. Hij kende alle namen uit het hoofd en dat stemde hem nog opgeruimder. Hij gevoelde zich zóó vroo-lijk gestemd, dat hij het nu toch werkelijk noodzakelijk achtte, om zijne beenen in de lucht te steken. En zonder eenige bepaalde reden
17
schoot hem nu het lied te binnen : âWaarom zoo treurig, waarom zoo peinzend!quot; dat zijne zusters tehuis zongen; hij nam zijne vroegere liggende houding weder aan en begon toen dat lied met gevoel halfluid voor zich uit te zingen.
Inmiddels werd het lichter in de kamer. De zon achter de vensters steeg hooger en verlichtte de banden der boeken en den schedel op de tafel, alles schitterde, alles was als gelakt. Het was tijd om op te staan. De komende dag zoude gewichtig, zoude rijk aan indrukken worden, en Wlassow besloot om op te staan, ten einde zijn vriend te wekken. Plotseling echter viel zijn blik op den op het boekenrek liggenden brief zijner moeder, dien hij kort geleden ontvangen had, en hij wilde hem voor de derde maal doorlezen. Hij kreeg den brief, las eerst het adres, haalde er toen liefdevol het dunne velletje postpapier uit, dat naar alle richtingen met het bleeke handschrift zijner moeder beschreven was, en begon langzaam te lezen. In den brief werd nauwkeurig haar geheele huiselijk leven beschreven. Dan volgden onderscheiden moederlijke raadgevingen. Wlassow kende dit alles tamelijk wel uit het hoofd, doch
GEVALLEN. 2
18
het deed hem goed, om zich door zijne fantasie nog eenmaal in dit, voor hem zoo dierbare midden te laten overvoeren. Daar is alles nog bij het oude, allen hebben hem lief, evenals vroeger, en denken vaak aan hem. De moeder gaat nog maar altijd voort met in haren zoon een bijzonder rijk begaafden jongen te zien en hoopt, dat er uit hem een buitengewoon man zal groeien. Zij bidt iederen dag voor hem en denkt haast uitsluitend aan hem. De vader gelooft insgelijks aan zijne groote geestelijke krachten.
âEn ik zal jelui toonen, dat ik wat kan, dat ik het tot iets brengen zal,quot; zeide Wlas-sow, toen hij den brief ten einde had gelezen en hem voorzichtig weder in het couvert stak, â al moest het me dan ook nog zooveel inspanning kosten. Ik zal een goede dokter, een goed mensch â en wellicht ook een beroemd ...quot;
Hij ontstelde plotseling over deze zelfbewuste gedachten en brak ze af. Daarop richtte hij zich in zijn bed op, begon zijn gespierde handen en de rooskleurige vingers te beschouwen. Vervolgens wreef hij zich met zijne handen de koonen. Het deed hem goed zich sterk en
19
gezond te gevoelen. Hij spande de spieren van den rechterarm en bevoelde dien.
âDat kan nog al, voor mij is het voldoende,quot; dacht bij met zelfvoldoening, terwijl bij met de linkerband op de ronde en steenharde spieren drukte; âik voor mij heb geen sterkere noodig.quot;
â Wassili Wassiljewitsch, Wassja,quot; schreeuwde hij plotseling uit volle borst en wierp nu met de beenen zijn deken zoover mogelijk het bed uit.
âSta toch op, het is meer dan tijd.quot;
De lange Iwansky draaide zich weder om, zoodat het bed als 't ware onder den last kraakte. Langzaam stak hij zijn dikken, behaarden arm onder den mantel te voorschijn, en nadat hij zich naar Wlassow had toegekeerd, opende hij traag de slaperige oogen. Zijn groot aangezicht met den bakkebaard, den zeer langen neus en de naar beneden hangende mondhoeken drukte thans, nog meer dan gewoonlijk, een zekere teleurstelling, een zekeren weemoed uit.
âNou, wat wou je?quot; vroeg hij met een ontevredene, heesche basstem. âWaarom schreeuw je toch als een bezetene?quot;
20
âSta op, amice, sta op âquot; gat Wlassow lachend ten antwoord. âJe weet toch. dat het vandaag Tatjana's dag is . . .
âWat kan mij dat schelen,quot; morde Iwansky, âmaar verduiveld, wat is dat hier bar koud.quot;
Hij sloot andermaal zijne oogen en wilde nog eenmaal inslapen. Weldra gevoelde hij echter, dat hij uitgeslapen had, hij hoestte nog eenige oogenblikken tamelijk luid en richtte zich iu zijn bed op, het kussen achter zijn rug omhoogschuivend.
âAch, vriendje, wees zoo goed,quot; zeide hij glimlachend tegen Wlassow, âen geef mij mijne sigaretten eens, daar op de tafel naast je.quot;
Iwansky stak zich eene dikke sigarette aan, hij deed een paar krachtige trekken, keek Wlassow eens aan en zeide:
âDus het is vandaag Tatjana's dag, â het is een intressante, heel intressante dag, broertje,quot; hernam Iwansky met de oogen pinkend en met beide handen over zijn langen baard strijkend. âMen kan op zoo'n dag heel wat beleven en zien. Trouwens, ik heb er je al het een en ander van verteld. Wat het schoonst
21
is, dat is de gelijkheid, ja, vandaag zijn we allen gelijk.quot;
Iwansky zweeg. Hij dacht even na en ging voort:
â's Avonds pleegt het dan hniten de stad erg vroolijk toe te gaan. Hier doet een ieder zich voor, zooals hij werkelijk is, oprecht, en wat een redeneerlust, wat een openhartigheid, â prachtig! Ik kan me nog zoo goed herinneren, hoe het vorige jaar Se wak o â je weet wel, de bekende Sewako â van een fontein af voorde studenten een speech hield. Hij raakte in vuur â en bom, daar lag hij beneden bij de forellen â kostelijk. Een student hengelde hem er uit, anders zou de arme kerel verdronken zijn, want hij kon niet meer op zijn bee-nen staan. Alle forellen heeft hij daar den schrik op het lijf gejaagd. ...quot;
Iwansky sprak langzaam en al glimlachte hij daarbij ook, toch lag er op zijn gelaat de onvergankelijke uitdrukking van stillen weemoed. Met groot genoegen hoorde Wlassow hem aan. Hij wist, dat Iwansky, gelijk altijd, overdreef, doch liet hem uitpraten.
âEn toen hij er nu eindelijk uitkroop,quot; ging
22
Iwansky voort, ârilde hij, zoo nat over zijn geheele lichaam als een verdronken poedel, ging aan een tafeltje zitten, waarop men hem van alle zijden Champagne bracht. A.llen wilden hem helpen om andere kleeren aan te trekken; de studenten boden hem hunne kleeren aan, doch hij bleef maar zwijgend en onverschillig zitten, keek ons allen eens aan en begon plotseling te huilen, 't Was werkelijk verschrikkelijk en wij kregen oprecht medelijden met den armen kerel.quot;
Iwansky werd ernstig.
âIs dat wezenlijk alles waar?quot; vroeg onwillekeurig Wlassow.
âJa, zeker, broeder, ik ben er zelf bij geweest. Een onaangename indruk bleef er bij mij achter. Nu, het is immers niet altijd zoo. Er is ook veel goeds in. Vooral m de vrijheid, dat herhaal ik. Tegen den avond moet men naar de voorstad rijden om er ten minste eens een kijkje te nemen,quot; liet Iwansky na eene korte pauze er op volgen; âen wat zijn jou plannen voor vandaag?quot;
âIk heb besloten, om op de Moskows-
23
kaia te eten,quot; antwoordde Wlassow, â âer niet veel te drinken, 's avonds naar den schouwburg te gaan, â ik heb al een kaartje gekocht â en dan te gaan âwollen.quot;
âZoo!quot; zeide Iwansky kortaf, deed een krachtigen haal aan zijne sigarette en zweeg.
11.
Xwansky was slechts weinige jaren ouder dan Wlassow en bovendien ook veel langer op de Universiteit dan deze. Zij woonden bij elkander, wijl zij uit dezelfde stad waren, mekaar van kind af kenden en op hetzelfde gymnasium gegaan hadden. Het samenwonen was niet alleen goedkooper, maar ook gezelliger.
Het deed Wlassow's ouders genoegen, dat hun zoon met Iwansky, dien zij ten minste kenden, samenwoonde. Wel is waar vertrouwden zij hem niet al te best, daar zij hem voor een lichtzinnigen en tamelijk bekrompen jongen hielden, maar toch waren zij niet bang, dat Iwansky, die nog al een liefhebber van zwieren was, het beproeven zoude om hun zoon te verleiden. Iwansky beloofde het bij zijn
25
vertrek naar Moskon, en zij verzochten hem om een weinigje het oog te houden op hnn zoon en in geval van nood hem bij te staan. En werkelijk, Iwansky was dan ook inderdaad één zorg en al voor zijn collega en medebewoner. Angstig vroeg hij telkens, wat Wlassow toch scheelde, wanneer deze al eens terneergeslagen was. Naar zijn drinkgelagen en kroegjolen nam hij hem niet mede, ja, hij hield zelfs op, deze te bezoeken en geheel tegen zijne oude gewoonten en zijne vroegere levenswijze in, gedroeg hij zich den geheelen herfst door bedaard, bleef meer dan vroeger thuis en las voortdurend.
Slechts eens bleef hij een geheelen nacht zwieren, kwam in eene kwade en sombere stemming tehuis, doch des te oprechter was ook den volgenden dag zijn berouw en zwoer hij Wlassow,'van niet meer te zullen drinken. Hij vroeg hem om vergiffenis voor de grove woorden, die hij hem gisteren zonder eenige reden in het gezicht had geslingerd, en werd van dezen dag af nog bedaarder.
Wlassow kon maar niet begrijpen, vanwaar die verandering bij zijn vriend kwam. Ook
26
kwam het hem in de verste verte niet in de gedachte, dat het zijn invloed was. Hij wist, dat Iwansky, in alle studentenclubs in de eerste studiejaren voor een eersten doordraaier gehouden werd en nu was hij omgekeerd als het blad van een boom. Wlassow verheugde zich over deze verandering en hechtte zich nu nog
meer aan Iwanskv.
«/
Zij brachten hun tijd zeer ordelijk door, Iwansky werkte vlijtig en las veel, Wlassow bezocht de colleges en zat urenlang in de anatomische musea en in de bibliotheek. Tehuis spraken zij over allerlei zaken, herdachten hun leven in S. en amuseerden zich bij den samowar, dien Iwansky gewoonlijk tot op het laatste druppeltje uitdronk. En toch lag er een onderscheid in de betrekkingen tot elkander, die de â ongelijkheid van hun leeftijd en van hunne karakters wel met zich brengen moest.
Iwansky was een in zichzelven gekeerd karakter en sprak uit ⢠eigen beweging slechts ongaarne en dan nog weinig. Wlassow daarentegen was steeds openhartig, en niets dat hij liever deed dan voor bevriende menschen zijn gansche hart uit te storten. Iwansky was
27
reeds 25 jaar. Wlassow daarentegen eerst 18 jaar oud. Iwansky was een reeds geheel volwassen man, die al heel wat beleefd en meegemaakt had, hij zag er echter veel ouder uit, dan hij inderdaad was, bij hem vergeleken scheen Wlassow nog een knaap. Iwansky kende reeds sinds langs de vrouwen en had ze al âzatquot; gekregen, gelijk hij zelf bekende. Wlassow was bang om aan haar ook alleen maar te denken, en onbewust nam hij zich in acht voor alles, wat hem dreigde te verleiden; daarom dan ook bezocht hij zijne collega's niet, die in dit opzicht gevaarlijk voor hem hadden kunnen worden, en deed hij ook al zijn best, om niet te drinken. Hij gevoelde zich prettig, het leven scheen hem vroolijk toe, en hij was bevreesd om deze gelukkige stemming te verstoren. Maakten zich al eens zinnelijke lusten van hem meester, die hem in de laatste jaren tamelijk vaak bestormden, dan joeg hij ze van zich, door te trachten in iets anders verstrooiing te zoeken. Tot dusver kostte hem dit tamelijk weinig moeite. Iwansky bleef in bed liggen en ging voort met rooken. Hij dacht aan Wlassow en aan zichzelven, aan den tijd,
28
waarin liij op diens leeftijd nog liet gymnasium bezocht. Ook liij was destijds nog rein en weemoed overviel hem bij deze gedachte.
Wat was er van hem in die drie laatste jaren geworden? Welk een verbazend onderscheid! De vroolijkheid en de opgeruimdheid waren weg. Vóór hem lag de weg somber en vervelend. De onbeduidende carrière van een jurist, een vervelend leven, en geen hoop op iets beters! Iwansky werd zeer droevig, zijne mondhoeken zakten nog meer naar beneden. âEn waarom leer ik toch al dezen onzin van den vroegen morgen tot den laten avond ?quot; dacht hij, terwijl hij een somberen blik op de vóór hem liggende boeken wierp. âMen blokt, zooals men dat gelieft te noemen, men leert plaatsen van buiten, waartoe dit alles? 't Is in één woord treurig!
Iwansky dacht aan het Tatjanaleest van het vorige jaar.
âQf zou ik me weer een stuk in mijn kraag drinken?quot; dacht hij, âdat geeft ook niet veel.quot;
Hij begon snel met de oogen te pinken.
âDus je wildet die lol toch medemaken?quot;
29
vroeg Wlassow, die zich inmiddels al aangekleed had.
âIk weet het nog niet. amice. Jou raad ik het in elk geval af. Om je eerlijk de waarheid te zeggen, verveelde ik mij in de laatste dagen crimineel, het zal me wellicht goed doen, als ik me weder eens wat kan verstrooien. Ik ben suf geworden van al dat blokken. En daarbij komt nog, dat niemand al dien onzin noodig heeft. Dat is het beroerde van de zaak.
Iwansky hield nog al van krasse uitdruk-dingen. âJe bent vandaag niet best gemutst,quot; zeide Wlassow, droevig glimlachend. âKom, sta nu liever maar eens op, en laat ons thee gaan drinken,quot; liet hij er vroolijk op volgen, trad naar de deur en riep om het ontbijt. Na eenige oogenblikken trad de knecht voor de gemeubileerde kamers. Haasje genaamd, een klein, beweeglijk mannetje, met een baardeloos gezicht in een versleten jas binnen en bracht den kokenden samowar, twee broodjes en het jongste nummer van het âRussische Nieuwsblad.quot;
âGoeden morgen, heeren,quot; zeide hij, âgefeliciteerd met den feestdag.quot;
30
N
âIk dank je, Haasje,quot; antwoordde Iwansky.
âKamer No. 15 is al naar de academie voor het feest,quot; hernam Haasje schielijk. âGe hebt lang geslapen, heeren, het is al over tienen.quot;
Haasje verdween uit de kamer. Iwansky en Wlassow dronken hunne thee, wierpen een blik in de courant, kleedden zich aan en traden gezamenlijk de straat op.
III.
Wlassow woonde de viering van den Dies bij ; vervolgens dineerde hij in liet Moskauer restaurant. Eindelijk zag en hoorde hij dan toch alles, waarvan hij zoolang gedroomd had. Redevoeringen , kortere en langere aanspraken werden er gehouden en men praatte er allerhartelijkst met elkander. Er werd veel gedronken op den bloei van de studeerende jongelingschap, van de Universiteit, van de professoren en van de wetenschap.
Eenige professoren brachten Wlassow in verrukking door de wijze, waarop zij met de studenten omgingen. Een bijvoorbeeld, drukte allen de hand en bracht hun de allerhartelijkste wen-schen toe. Een ander gedroeg zich zóó een-
32
voudig, dat men in hem ternauwernood een professor zoude gezien hebben ; een derde hield een fraaie korte aanspraak, over de beteekenis van de wetenschap en in verband daarmede, over het wezen van het studentzijn en van de Universiteit.
âJa, het is waar, hier heerscht een volkomen gelijkheid en vrijheid,quot; dacht Wlassow, toen hij tegen zeven uur 's avonds het restaurant verliet, âdat was alles zeer schoon!quot;
Hij verkeerde in eene tevreden stemming. Bovenal deed het hem genoegen, dat hij eindelijk ook als een volwassene en als een gelijke te midden van de meest beschaafde en meest gevierde menschen aan het feest kon deelnemen.
Wlassow was ook over zichzelven tevreden. Gelijk hij zich had voorgenomen, dronk hij aan tafel maar weinig en gevoelde hij zich volkomen nuchter en opgewekt. Hij dacht niet anders, of nu het diner, dat hij voor het gevaarlijkste deel van den dag had, gehouden gelukkig voor hem was afgeloopen, zoo zoude ook de avond een genoeglijke zijn.
âEen glas Champagne,quot; rekende Wlassow na, terwijl hij met haastige schreden naar zijne
33
woning terugkeerde, âeen half glas bier, ja, eigenlijk nog minder, een kwart glaasje likeur, dat was alles, dus niet te veel. Zoo was het uitstekend!quot; En Wlassow gevoelde zich weder in dezelfde verheugde stemming, waarin hij dien morgen verkeerd had. Op straat scheen het hem, na het gedruisch en het lawaai, dat aan tafel geheerscht had, in het oog loopend stil en verkwikkelijk.
De vinnige koude wekte hem op. Op straat gleed er zachtjes een slede voorbij, op de trottoirs snelden de menschen haastig voorwaarts, helder waren de uitstalvensters der winkels verlicht.
âIk wip maar eventjes op mijn kamer aan, om te zien, of er geen brieven zijn gekomen,quot; zeide Wlassow bij zichzelven, âdan ga ik naar den schouwburg en morgen zet ik mij weder aan het werk, ik moet Newton's wetten nog instudeeren â en dan zal het leven verrukkelijk zijn. Leeren, leeren!quot;
Wlassow dacht aan Iwansky. Die had aan tafel vrij wat meer gedronken. Wlassow had dat zeer wel bemerkt, en hij begon er zich ongerust over te maken.
GEVALLEN. 3
34
âVandaag schijnt hij er weer van door te gaan,quot; dacht hij, âhij wilde ook spreken, maar hij werd vuurrood â overigens beloofde hij mij, om na tafel terstond thuis te komen. God geve het! God geve het!quot;
En Wlassow trachtte zich daarmede te troosten. Hij vermoedde echter, dat Iwansky zich heden zeker bedrinken en alle mogelijke dwaasheden uithalen zoude. Hij was vandaag al den heelen morgen in zulk eene stemming, en deze gedachte maakte Wlassow weder ongerust. Ter zelfdertijd kwam hij eenige studenten tegen, die haast schenen te hebben en opgewonden wat met elkander bespraken. Wlassow keek hen eens aan. Een der sprekers scheen hij van aanzien te kennen. Deze herhaalde voortdurend, dat er iets â volstrekt noodig, volstrekt noodig! was, en Wlassow kreeg nu den indruk, dat de student tamelijk aangeschoten was. Zijne oogen schitterden en in de uitdrukking van zijn gelaat lag iets dierlijks. Wlassow kreeg bij dien aanblik eene onaangename gewaarwording.
âZij bedrinken zich, zij bedrinken zich !quot; dacht hij met weemoed, âbah, wat is dat toch afschuwelijk.quot; En wederom dacht hij aan Iwansky.
35
âMisschien,quot; begon hij na te denken, âals deze Dies er niet geweest ware, dan zoude mijn Iwansky kalmpjes doorgeleefd hebben. Vandaag brengt hij het er nooit goed af â dat heb ik dadelijk gemerkt. Hoe jammer! Kan men het dan werkelijk niet zonder brandewijn doen? En toch, goed en wel beschouwd heeft de brandewijn niets aangenaams.quot;
Wlassow gevoelde zich plotseling teleurge-gesteld. Hij scheen nu eenmaal een beter idee van dezen feestdag te hebben gehad. Het middageten scheen hem nu ook al niet zoo bijzonder toe, het was of daar iets aan mankeerde. Hij herinnerde zich nu ook een armen student, dien hij op de trap ontmoette, toen hij het restaurant verlaten wilde. Hij stond tegen de leuning aan geleund, zoo bleek als een lijk. Zijne oogen waren mat, hij prevelde iets onverstaanbaars vóór zich uit. Op het tapijt vóór hem lag een groote plas. Wlassow dacht eerst, dat het bloed was; toen hij echter naderbij trad, zag hij, dat het roode wijn met onverteerde stukken haring was.
âHoe walgelijk is dit alles,quot; dacht Wlassow. âEn dan die lange, magere student met zijn
36
langen baard, die van zijn stoel afviel en zich het voorhoofd verwondde! Bah, wat misselijk!'
Deze indrukken, die in hem weder ontwaakten, terwijl hij aan Iwansky dacht, verduisterden voor hem Let beeld van het vroolijke studentenfeest.
En dat men ook op den Dies veel drinkt, veel onzin uitkraamt, en zelfs dit, dat men onschuldig glas- en aardewerk stukslaat, dat alles scheen hem thans iets overtolligs, onnoodigs toe.
Doch het deed hem leed, dat hij het in zijne verbeelding ontworpen beeld van het feest moest verwoesten, en met opzet dacht hij aan dien beminnelijken professor, die hem zoozeer bevallen had.
âEnfin, dat is een ieder zijne zaak, of hij drinken wil of niet,quot; dacht hij, en verder tot zijne vertroosting: âde drinkers zeiven zijn daarvan schuld, wie geen maat kent, moet maar boeten, over het algemeen was toch alles zeer aardig; hoe kusten onder anderen die twee heeren mekaar, die elkander in geen tien jaar gezien hadden, men kon er zoo die oprechte vreugde uit merken. Hoe overtuigend sprak in den beginne Bereschenko, de studenten verza-
37
melden zich aan de deuren en luisterden naar zijne woorden ; neen, neen, liet is toch alles schoon, er ontstaat eene algemeene toenadering vrijheid en gelijkheid,quot; zoo herhaalde Wlassow Iwansky's woorden, die hem steeds weer in de gedachten kwamen.
Onbemerkt was Wlassow voor zijn huis aangekomen. De ijskoude lucht had hem geheel opgefrischt, en vergenoegd sprong hij de smalle trap op. In den half donkeren corridor kwam Haasje hem te gemoet.
âZijn er brieven voor me?quot; vroeg Wlassow vroolijk.
âNeen, neen.quot;
âEn is de brievenbesteller er al geweest?
âJa, maar voor u had hij niets.quot;
âDat spijt me,quot; zeide Wlassow bedroefd. Doch weldra kwam hij weder in zijne vorige opgewekte stemming.
âZoo, en hoe gaat het jou?quot; vroeg hij Haasje.
â't Gaat nog al. Is het feest al afgeloopen ?quot;
âJa, vriendje, ik ga nu naar den schouwburg. Ik zou Ostrowsky's âBoschquot; wel eens
willen zien.quot;
âHet Bosch?quot; zeide Haasje, en zijn gelaat
38
verhelderde, âja, dat is een mooi blijspel, Bosch van Ostrowsky. Ik en de kok, wij hebben samen het stuk gezien, hij is een liefhebber van de comedie. Ik heb heel wat gelachen in dat stuk.quot;
En het gerimpelde aangezicht van Haasje vertrok zich tot een zeer kluchtige grimas.
âIs het al lang geleden, dat je het gezien hebt?quot; vroeg Wlassow lachend.
âVerleden jaar!quot; Wlassow lachte en spoedde zich naar den schouwburg.
IV.
In den schouwburg werd Ostrowky's âBoschquot; een kleine klucht, gegeven. Wlassow wilde deze ook eens zien. In de pauze ging hij naar het buffet, daar hij dorst had van den wijn, waaraan hij niet gewoon was, en van het smakelijke middageten, om daar zijn geliefkoosden perenwijn te drinken, waaraan hij besloten had, zijn laatste 50 kopeken 1) op dezen dag uit te geven. Hij nam zich voor, om te voet huiswaarts te gaan.
Hij begaf zich naar beneden; vóór hem liepen twee elegante dames, die onder het loopen sigaretten uit hare kokers namen. Het buffet was vol tabakswalm.
âGeef mij als je blieft een flesch perenwijn,quot;
1
1 kopeke = 1.9 cent Ned.
40
vroeg hij beleefd aan een kellner, die de eene flescli wijn na de andere inschonk voor heeren, die hem omgaven.
Toen de wijn hem gebracht was, nam hij plaats aan een tafeltje, schonk den bruisenden drank in en wilde juist het glas aan den mond brengen, toen op hetzelfde oogenblik een troepje aangeschoten studenten met veel gedruisch de bufFetzaal binnentrad. De studenten spraken allen dooreen en een weemoedige basstem schreeuwde luider dan alle anderen: â Hij is verloren geraakt, dat is zeker, dat canaille ! En toch kan hij nergens anders zijn dan hier.quot;
Wlassow herkende Iwansky. Hij ontstelde hevig. Zijn eerste denkbeeld was te vluchten, zich te verbergen, in den grond te zinken, maar reeds was het te laat.
âDaar heb je hem! Daar is hij!quot; schreeuwde Iwansky als een bezetene, toen hij zijn collega herkende, âwat heb ik jelui gezegd, hij heeft zich in de buffetzaal verstopt. Ha, zoo, Petertje, canaille, die je bent!quot;
Dit alles kwam voor Wlassow geheel onverwacht. Hij had eene gewaarwording als zoude men hem dadelijk aangrijpen en wat aandoen,
41
eene gewaarwording, alsof hij nu verloren was. In zijne slapen klopte het woest, en doodsbleek wordende stond hij daar eenige oogenblikken zonder te begrijpen, wat er voorviel. Iwansky was zwaar beschonken en waggelde heen en weer. Wlassow had hem nog nooit in zulk een een toestand gezien. Zijn jas hing open, zijne oogen stonden diep in hunne kassen, de mondhoeken trilden en zijn gelaat met den langen neus, die nu als een overtollig stuk vleesch aan het aangezicht hing, had een allerdomste uitdrukking aangenomen.
âDenk niet, dat ik dronken ben,quot; ging Iwansky voort, âik heb maar alleen wat te veel geproefd â dat is alles, en nu komen we je afhalen. We hebben hier een troïka, wil je mee? Denk niet, dat we je op een onfatsoenlijke plaats zullen brengen. Ik zelf zoude de eerste zijn om je naar huis te jagen. We willen alleen maar wat gaan toeren met de troïka. 1) Vindt je dat goed? Denk niet, dat ik . . .quot;
âIk denk niets,quot; sprak eindelijk Wlassow,
1
Een troïka is een Enssiseli rijtuig met drie paarden naast elkander bespannen. Vert.
42
âmaar schreeuw toch zoo niet, dat past niet.quot;
âPast dat niet?quot; herhaalde Iwansky, âweet jij, wat past of niet?quot; En hij begon nog luider te schreeuwen. âZeg me eens, hoe komt het in je hersens op, je te verstoppen en peren wijn te drinken? Mijn God, almachtige Allah! Dat canaille drinkt me waarachtig perenwijn!quot;
Wlassow wist niet, waar hij zich verbergen zoude. Iwansky gedroeg zich ploerterig en trok de algemeene aandacht, gelukkig dat men schelde voor den aanvang van het stuk, en van lieverlede raakte de bulïetzaal ledig.
Na Iwansky traden ook de overige studenten naar Wlassow toe; eenigen daarvan kende hij. Aan hun hoofd was vorst T. een lange, slanke jonkman, met een donker, mager gezicht. Wlassow was eerst kort geleden met hem op de Universiteit bekend geraakt, en hij beviel hem zeer.
De vorst trad naar Wlassow toe en begroette hem.
âUw vriend is wat opgewonden,quot; zeide hij beleefd, âdoch dat gaat wel over. Maak u daarover maai' niet bezorgd. Ga toch op een
43
stoel zitten,quot; wendde hij zich daarop tot Iwansky. âHij wilde u alleen vragen of ge mede gingt rijden. Wij zullen een troïka nemen. Zonder u wil hij toch niet mede. Neemt ge de uitnoodiging aan?quot;
âZeker, neemt hij ze aan,quot; schreeuwde Iwansky. âWaartoe nog al die woorden?quot;
âHoud je mond,quot; onderbrak de vorst hem, âen ga liever zitten, zeg ik je.quot;
Iwansky zweeg en gehoorzamend ging hij zich met zijn volle zwaarte op een marmeren tafel zetten. Zijn hoofd zonk krachteloos naar omlaag en de oogen vielen hem toe.
âKom, ga mede,quot; hernam de vorst op weeken toon. terwijl hij Wlassow's hand greep, âniet waar, ge gaat toch mede?quot;
âIk dank u zeer,quot; antwoordde Wlassow, â maar spoedig beginnen ze te spelen en bovendien wilde ik ook vroeg naar huis toe.quot;
Wlassow was geheel onvoorbereid op deze onverwachte overvalling en wist niet wat hij antwoorden zoude. Hij bloosde en zette zijn glas peren wijn weg.
De vorst maakte Wlassow bekend met die studenten, welke hij nog niet kende. Allen
44
trachtten liem eenstemmig over te halen om mede te gaan rijden.
âLaat die klucht toch naar de maan loopen,quot; zeide een der studenten, âongetwijfeld is het weer zoo'n flauwiteit. Rijden is oneindig veel prettiger en het weer is zoo heerlijk.quot;
âGij zult nog bijtijds thuis zijn,quot; zeide een tweede, âen bovendien is het ook nog zoo laat niet.quot;
âHij gaat mede, hij gaat mede!quot; liet zich een derde hooren, âik zie wel, dat het een nette kerel is en dat hij geen spelbreker zal willen zijn.quot;
Deze vroolijke, vriendelijke stemmen, de dringende verzoeken, de eigen wensch om met de troïka een rijtoer te maken, dit alles bedwelmde Wlassow.
Hoe zoude hij dat alles kunnen afslaan? Het was ten eenemnale onmogelijk. Hij zoude de geheele vroolijke stemming van het clubje vergallen, hij zoude een slecht kameraad en student zijn. Daarenboven zag hij in dit alles hoegenaamd geen kwaad â een rijtoer te maken, en hij stemde dus toe.
âDaar dank ik u voor,quot; zeide de vorst.
45
âdat is nu eens fideel van u. Komaan, mijne heeren, laat ons nu vóór we heengaan, nog een glaasje nemen ter versterking.
âJa, jaquot; â riep een student, âdat vind ik goed. Maar laat ons dan ook gaan, het wordt tijd.quot;
Zij drongen allen naar het buffet. Alleen Iwansky bleef zitten doorslapen.
âProsit!quot; zeide de vorst, een vol glas nemende en Wlassow een ander toeschuivende, âop den bloei der wetenschap der medicijnen.
Wlassow wilde zeggen dat hij niet dronk, dat hij heden al genoeg had gedronken, dat hij er zeer voor bedankte, maar in plaats daarvan glimlachte hij onnoozel en greep naar het glaasje.
A.llen dronken. Wlassow stond een oogen-blik besluiteloos. Om echter met voor de anderen onder te doen, goot hij den brandewijn in één teug in den mond, gelijk de vorst dat deed.
âBen ik dan een schooljongen?quot; dacht hij, zichzelven kunstmatig tot dapperheid aanmoedigend; âkan ik dan met eens meer een boiiel
verdragen ?quot;
Ditmaal verslikte hij zich niet gelijk aan
46
tafel bij het glaasje likeur, hij had begrepen, dat men na het drinken terstond den mond toemaken en een minuut lang niet spreken moest. Hij at daarna zelfs geen broodje meer.
âUw vriend Iwansky is heelemaal buiten westen,quot; zeide de vorst, terwijl hij zijn boterham kauwde en op Iwansky wees, âmaar wij moeten niet vergeten, dat hij in langen tijd niet doorgedraaid heeft.quot;
Iwansky scheen inmiddels op zijn stoel geheel ingeslapen te zijn, want zijn gansche lichaam waggelde en loodzwaar plofte hij op den grond neer. De studenten proestten het uit. Wlassow deed dit onaangenaam aan. Voor een oogenbhk kromp zijn hart ineen, maar hij begon te glimlachen en stemde met den lach der anderen in. Iwansky stond spoedig op; verlegen keek hij om zich heen en begon nu flauwtjes en gedwongen te glimlachen.
âIk was in slaap gevallen,quot; zeide hij luien wischte zich het stof van de knieën, âkomaan, hoe is 't, gaan wij nu rijden?quot;
âJa, wij gaan rijden,quot; zeide de vorst vroo-lijk, âwij willen er nog eentje pakken en dan gaan we er van door. Luistert eens, heeren,
47
wie met Wlassow nog geen broederschap gedronken heeft, doe het nu. Ik begin, wilt ge?quot; vroeg hij Wlassow.
âWaarom met?quot;
Iwansky zag zwijgend aan, hoe de vorst met Wlassow de handen kruiste en op de broederschap dronk, en begon nu langzamerhand zijn jas toe te knoopen. Hij scheen een ordelijk voorkomen te willen aannemen en ook aan zijne gelaatsuitdrukking bemerkte men, dat hij zich alle mogelijke moeite gaf om nuchter te schijnen.
Na het broederschap drinken verlieten de studenten de buffetzaal.
Gedurende dit tooneel bleef Iwansky nog maar altijd staan en deed vergeefsche pogingen om de bovenste knoop van zijn uniformjas 1) toe te maken ; plotseling echter keerde hij naar zijn vorige plaats terug en ging daar op een stoel zitten.
âWat beteekent dat nu?quot; vroeg de vorst, terwijl hij naar Iwansky toetrad, âkom, kom, sta op.quot;
âOpstaan?quot; herhaalde Iwansky, met zijne slaperige oogen pinkend.
Vert.
1
De Russische studenten dragen een uniform.
48
De studenten, die in de deur waren blijven staan, barstten in lachen uit.
âWij gaan weg zonder jou,quot; zeide de vorst, âje waart toch werkelijk weer heelemaal bijgekomen â en . .
âBijgekomen? Bijgekomen? Och kom!quot; Eu Iwansky glimlachte weder hopeloos en gedwongen. Daarop gaf hij zich eenige moeite, en stond op. Eenige personen uit het publiek en de buffethouder beschouwden hem glimlachend.
âVergeet vooral niet, amice,quot; hief hij aan, terwijl hij den vorst met den wijsvinger dreigde, âvergeet vooral niet, amice, versta je wel, dat er geen politieke alchimie bestaat, waardoor men uit loodinstincten een gouden gedrag zoude kunnen scheppen â begrepen ? Een gouden gedrag!quot; Hij zeide dit alles met het grootste gevoel.
âWat leutert hij daar toch,quot; lachten de studenten.
Iwansky keek hen verachtelijk aan, daarop herhaalde hij zijne phrase: âdat er geen politieke alchimie bestaat,quot; enz.
âDat is uit Spencer,quot; zeide Wlassow, verlegen lachend. âHij bestudeerde hem in den
49
laatsten tijd veel en wat hem bijzonder aantrok, leerde hij van buiten.
âDat is nu eerst nog eens een verstandis; mensch!' sprak Iwansky. âPetertje is een verstandige kerel, en jelui met je allen? Kennen jelui dan wat? Weetnieten zijt ge allen, deugnieten, begrepen ? Deugnieten en daarmede basta!quot;
Iwansky zette eensklaps een woedend gezicht. Hij liet het hoofd zinken, trok de wenkbrauwen samen, balde de vuisten, even alsof hij iemand eens wilde afrossen.
âToe, breng ons niet aan het schrikken,quot; zeide de vorst met schertsende gestrengheid, âje houdt ons immers maar nutteloos op.''
Iwansky wilde nog wat zeggen, maar hij morde slechts voor zich uit, hief het hoofd op en het gelaat nam weder zijn vroegere goedig zwakke en teleurgestelde uitdrukking aan.
âLaat ons gaan rijden,quot; zeide hij kortaf, âde duivel hale jelui allemaal.quot;
De studenten verlieten den schouwburg. Aan de inrij, voor welke eenige politieagenten heen en weer liepen, kwamen twee troïka's voorgereden. Het clubje verdeelde zich in
4
GEVALLEN. *
50
tweeën en nam met veel drukte plaats. De vorst met zijn twee beste vrienden en Wlassow namen plaats in de eene slede, Iwansky met de overigen in de andere.
De vroolijk gestemde koetsiers in hooge, ronde mutsen en blauwe jassen met roode gordels omgord, lieten aantrekken, de schellen weerklonken. Weldra waren de sleden op den grooten weg. De lucht was evenals overdag, stil, de hemel met een grijs floers bedekt, en het vroor nog sterker.
De vorst, in de eerste slede staande, zong:
Gaudeamus igitur.
Allen zongen mede. Ook Wlassow zong mede, niettegenstaande hij nog maar gedeeltelijk de woorden van dit studentenlied kende.
Hij gevoelde zich buitengewoon prettig. Hij wilde meeschreeuwen, zich werkzaam betoonen en op deze heerlijke troïka steeds verder en verder vliegen. Hij ging eveneens in zijne slede overeindstaan en zong, zonder te weten wat. Hij keek half in verrukking nu eens naar het aangezicht van den vorst, dan weer op de vette paarden, die lustig voortliepen en
51
den koetsiers kluiten sneeuw in het aangezicht wierpen.
Iwansky brulde met zijne basstem:
w Vivant omnes viigines.
Faciles, formosae.quot;
âEn ik heb voor den brandewijn niets betaald,quot; dacht Wlassow, God weet, waarom nu juist â âik moet het hem teruggeven.quot;
âHoeveel ben ik schuldig?quot; vroeg hij aan den vorst, âge hebt alles aan het buffet betaald.quot;
Doch weldra gevoelde hij er spijt van, dat hij juist thans deze ongepaste vraag deed.
âWat?quot; vroeg de vorst bijna streng, âinde eerste plaats âgijquot;, en ten tweede is er onder collega's geen sprake van rekeningen, heb je dat begrepen, beste vriend. Wil daar voor het vervolg om denken. Buitendien verkies ik nu heden eens alles te betalen.quot;
Wlassow begon zich hoe langer hoe minder op zijn gemak te gevoelen.
âJa, maar waarom,quot; zeide hij vastberaden, âje kunt toch niet alles betalen!quot;
âJe bent een kluchtige vent,quot; antwoordde de vorst lachend, terwijl hij zijne witte tanden
52
liet zien, âmaar je bent toch een goede, beste kerel.quot; En hij legde teeder zijne hand op Wlassow's schouder.
Pereat tristitia, pereat doloresquot; ....
ging hij voort het lied te zingen.
Wlassow keek den vorst aan en gevoelde zich wederom vroolijk en opgewekt.
âHi) heeft gelijk, het zijn me dan ook afrekeningen?quot; dacht hij. âDe volgende maal betaal ik voor hem, ik heb nog drie roebels.quot;
En hij begon nu eveneens te zingen.
âKijk eens, wat gaan die studenten er weer van door, dat is crimineelquot;, zeide de dikke koetsier, die op den hoek der straat stond, tegen zijn buurman, âdat zal me weer wat geven. Brr. . . .quot; wendde hij zich tot zijn jong paardje, dat er met de troïka van door wilde gaan, âbrr. . . . heb maar wat geduld.quot;
-gt;, lt;.) (igt; ~
[fpgsEsgsEsgsESESEsgsHSHSHsgsasHsgsgsHi: EsgsgsHsgsEsa
i j ^ _ quot;----fir
iD^H5H5H5H5g5E5E5g5g5B5g5g5E5H5E5gE5H5gga5agg5EH5E5Ã]
K
V.
Het was drie uur in den morgen, toen de waardin van een publiek huis in de 8-steeg, juffrouw Marie, thee wilde drinken. Zij had zoo juist nog eens een kleine inspectie over hare inrichting gehouden, de aan de achterzijde liggende corridors met de, aan beide zijden gesloten deuren, de helder verlichte, met men-schen gevulde zaal, en zeer voldaan trad zij nu in haar klein kamertje, links van het âsalonquot;, waar op een tafel de samowar kookte, een pot met ingelegde vruchten en zoete gebakjes op een blauw bord stonden. Aan het venster hingen vogelkooien met kanaries, en op de vensterbank stonden een stuk of wat potten met geraniums. In den hoek voor de kostbare heiligenbeelden brandde de lamp.
54
âNeen, ik kan waarachtig niet, met den besten wil ter wereld, ik kan niet,quot; zeide juffrouw Marie verontschuldigend, zich tot een klein bleek manneke wendend, dat voor âzakenquot; bij haar was. âGe ziet het immers zelf, dat het vandaag erg druk is, een massa studenten â alle kamers zijn bezet.quot;
âDat is voor mij een straffe Godsquot;, antwoordde bet kleine manneke, zette zijn kop thee op tafel en begon zich op zijn stoel heen en weer te bewegen. âWat zal ik nu beginnen?quot;
âWel, wat ge wilt,quot; antwoordde juffrouw Marie, âgij weet immers, mijn schatje, waar niets is, verliest de keizer zijn recht. Alle meisjes hebben volk, en ik kan de laatsten toch niet uit de zaal nemen? Ge weet dat zelf toch wel.quot;
âAch en welk een gelukkig toeval! Die luidjes zijn jong, half aangeschoten en aan geld hebben ze ook al geen gebrek. Gij zijt al de vijfde, bij wie ik kom. Wat te doen? Het noodlot schijnt het niet te willen. Ik had u wel het eerst bezocht, maar ik wist, dat de studenten uwe trouwe klanten zijn. ... en zoo is het ook !''
55
Het kleine manneke werd nadenkend en liet de- handen op den knie zakken. Zijn gelaat zag er afgemat, ongelukkig en ziekelijk uit. Met de bleeke, magere hand streek hij zijn dun, rood baardje glad. Bij de dikke en zelfvoldane juffrouw Marie vergeleken scheen hij nog medelijdenswaardiger. Zij keek hem aan en zeide toen op een toon van medelijden : âMaar, mijn schatje, wees toch niet zoo bedroefd, het sop is waarachtig de kool niet waard. Zoo even ben ik nog eens gaan kijken, ik dacht, dat ze vrij zouden zijn; er is hier al een heelen tijd een clubje studenten, maar die zijn nog op hun kamers. Misschien wilt ge nog wel een paar minuutjes wachten, mijn schatje, en dan zullen wij wel verder zien.quot;
Juffrouw Marie had de gewoonte om Jan en alleman met âschatjequot; aan te spreken. En daarenboven had zij er slag van, om dat woord met eene bijzondere teederheid uit te spreken.
Het kleine manneke besloot te wachten en begon nu zijn tweeden kop thee uit te slurpen. Er begon wat leven in hem te komen en hij vertelde nu eene lange geschiedenis, hoe hij eens in één nacht 3000 roebels provisie verdiende.
56
â En toch gaat het ons slecht; ons leven is zeer hard,quot; eindigde hij klagend. âGij leeft heel anders, wandelt in uw huis rond, drinkt uw thee en maakt schitterende zaken naar ik zie.quot;
En inderdaad, de inrichting van juffrouw Marie maakte dien nacht dan ook uitstekende zaken.
Inmiddels ging de deur open en een der juffrouwen kwam hinnenloopen. Haar hals en hare armen waren bloot. Op haar aangezicht lag een dikke laag poudre de riz. De groene zijden japon zat haveloos aan haar dik lichaam.
âDie studenten zijn weg!quot; zeide zij haastig. âZij rijden dadelijk heen, zij zeiden mij, dat ik het u zeggen moest.
âIk dank je, mijn schatje,quot; antwoordde juffrouw Marie.
De juffrouw draaide zich om en verdween.
âZiet ge nu wel!quot; wendde juffrouw Marie zich tot haren bezoeker, âdat ge er goed aan gedaan hebt door wat te wachten.quot;
Zij stond op en ging met een lichten, haastigen tred de kamer uit, onder het loepen eene sigarette aanstekende.
57
Het kleine manneke volgde haar. Er kwam meer en meer leven in hem, en onbestendig dwaalden zijne oogen rond.
âMisschien, dat wij het nu terstond eens kunnen worden, mijn schatje!quot; zeide juffrouw Marie, terwijl zij de zaal naderde, waarin de gasten met de âdamesquot; eene quadrille dansten, en uit welke allerhande tonen kwamen, âik ben tot uw dienst, ik sta tot uwe beschikking, maar ge weet dat. ...quot;
Zij had den zin nog niet voleindigd, toen een jong studentje de zaal uitsnelde, haar als waanzinnige voorbijstormde en met zijn voorhoofd tegen haar aangezicht aanbotste. Juffrouw Marie trad waggelend achteruit en greep met beide handen naar haren mond. Daarop spoog zij dik, donker bloed.
âAch, mijn God, mijn God,quot; kermde zij â âbloed, de waanzinnige aap heeft mij aan het bloeden gestooten. De kerels zijn half gek .... ach . . . .quot;
Een paar dametjes snelden naar haar toe, en het kleine manneke deed hetzelfde.
âMag ik u wat water geven?quot; bood hij aan..
âJa, breng mij maar wat, mijn schatje. Ach,
58
mijn God, sla ze toch dood, die gekken,quot; ging juffrouw Marie voort met kermen âWat zou er met dien aap van een jongen gebeurd zijn? Zou hij soms stapel geworden zijn? Die weergasche groen !''
En zij spuwde in den hoek, waarheen hare sigaar gevlogen was, en schold nog heviger. Wlassow had zich het voorhoofd ook stuk gestooten, doch hij keek slechts een enkele maal om en snelde vervolgens naar beneden naar de voorkamer.
âMijn schatje !quot; hoorde hij achter zich roepen, maar vóór hij tegen de vrouw was aangebonsd, hoorde hij dit woord ook. âSchatje !quot; herhaalde Wlassow en dit woord scheen hem zóó woest op deze plaats, waar het toch zóó teeder werd uitgesproken.
Hij rukte zijn jas uit de handen van den portier, wierp haar over de schouders en stormde naar de laatste trap, die door eene openstaande deur op straat voerde.
âHaast u maar zoo niet, mijnheer, ge komt nog wel terecht,quot; riep de slaapdronken portier hem na, die slechts met moeite Wlassow's overjas had gevonden.
59
Buiten gekomen bleef Wlassow plotseling stilstaan. Uit volle borst ademde hij de koude lucht in. Het was doodstil. De donkere hemel stond vol sterren, boven zijn hoofd schitterde de Groote Beer. In de sleden sliepen de koetsiers, de paarden stonden onbeweeglijk, de koppen naar den grond gebogen, een weinig verderop wachtten andere sleden. Achter het huis rechts schitterde hoog aan den hemel de afnemende maan in een onbeweeglijk heldere vlek.
âWat is dat alles?quot; da,cht Wlassow, âbestaat dat alles werkelijk op aarde?quot; En voor een oogenblik werd hij geheel nuchter. âMijn God, hoe prachtig!quot; -zeide hij zachtjes, âen ik? Wat heb ik gedaan?quot;
Daar hoorde hij tonen, de heldere muziek, wier klanken hij zoo juist voorbijgegaan was. Het gevoel van wanhoop, dat hij zoo even ondervonden had, snoerde zijn hart nog sterker samen.
Hij wilde weer voortloopen, ver wegloopen van datgeen, wat zoo even geschied was.
âWat heb ik gedaan? Is het dan geschied?quot; vroeg hij ontsteld bij zichzelven. âJa, het is geschied!'' En hij wilde het zelf niet gelooven.
60
âJa, ik heb alles verloren, alles verloren, men heeft mij het allerkostbaarste, het beste ontnomen, onherroepelijk ontnomen,quot; herhaalde eene stem in zijn binnenste, ânimmer zult ge het verlorene terugkrijgen.quot; En een gevoel van diep hartzeer, een hartzeer, dat hij tot dusver niet kende, een bitter, ontroostbaar hartzeer, een gevoel van hulpeloosheid maakte zich van hem meester. âWegloopen? Maar waarheen,quot; dacht hij bitter, en hij begreep, dat datgeen wat er zoo even met hem was voorgevallen, in hem terugbleef, zijn gansche ziel in hem omkeerde, steeds met hem onafscheidelijk zijn en hem zijn geheele leven door vervolgen zoude. Maar hij kon thans niet helder denken. In zijn hoofd en in zijne ooren klopte het van den gedronken wijn, zijne gedachten waren verward en verbrokkelden zich in kleine, domme phrases en woorden.
Krijschende tonen van een wals bereikten nog steeds zijne opren. Wlassow bleef nog een oogenblik staan en sloeg toen heel schielijk de steeg in. Hij greep met de hand naar het voorhoofd, dat hem thans in de koude heviger pijn deed.
61
Nadat hij eenige schreden gedaan had, bleef hij wederom stilstaan, evenals of hij iets vergeten had, en keek toen om.
âJa,quot; zeide hij luid, voor de eerste maal in zijn leven zich in een toestand gevoelende, die den waanzin nabij was. âJa, schatje heeft zij gezegd .... en wat zijn zij daar te beklagen, allen, allen, en wat is de maan toch schoon!quot;
En Wlassow nam plotseling zijn hoed af en sloeg zich eenige kruisen. âMijn God, help mij, red mij!'' sprak hij op fluisterenden toon â âhelp , . . .quot;
In de steeg was het stil, maar zij was ongewoon helder verlicht. Behalve de gaslantaarns brandden ook nog aan de deuren der inrichtingen bonte lantarens en door de vensters der âhuizenquot; stroomde een helder licht op straat. Twee studenten en een heer in een pels en met een bonte muts reden hem in een rijtuig voorbij, een gemeen lied zingend. Uit het huis, waar naast Wlassow staan bleef, kwam ijlings een jong officier en ging hem voorbij, daarbij wat in zijn-baard brommende en met de hand in de lucht gesticuleerend. Ergens in de verte schreeuwde men wild, hartverscheurend.
62
Een zekere geheimzinnige, misdadige stemming woei er door het gansche nachtelijke leven dezer steeg, waar beschonken menschen schreeuwden, waar de huizen met al hetgeen er in voorviel, schitterend verlicht waren.
âHaast u maar zoo niet, ge komt nog wel terecht,quot; herhaalde Wlassow de woorden van den portier; âneen, ik kom niet terecht, nergens kom ik thans terecht. Er bestaat geen politieke alchimie,quot; kwam hem plotseling in de gedachte, âneen, werkelijk niet.quot;
Wlassow schrikte voor zichzelven. Wat is er toch met hem? Is hij gek geworden? En hij wierp zich schielijk den mantel over het hoofd en hield hem stevig met de handen toe en begon toen hard te loopen, evenals wilde iemand hem inhalen. Op den hoek eener straat liep hij den nachtwaker tegen het lijf en zou bijna gevallen zijn.
Nu bemerkte hij eerst, dat hij âgindsquot; de overschoenen vergeten had.
âVal maar niet, val maar niet,quot;' zeide de nachtwaker goedig.
âIk heb de overschoenen vergeten, verloren, zij kostten drie roebel,quot; zeide Wlas-
63
sow bij zichzelven, â âmaar God zij met hen. Wat heb ik nu ook noodig? Niets, niets!quot;
Hij keek den nachtwaker eens aan en plotseling schaamde hij er zich over om den blik van een mensch te ontmoeten, even alsof allen â en dus ook deze nachtwaker â wisten, wat hij gedaan had.
Wanneer zich op dit oogenblik een afgrond voor hem hadde geopend, hij zoude er in gesprongen zijn zonder zich ééne seconde te bedenken, alleen, om zich maar voor de men-schen te verbergen, voor alles, wat hem op deze wereld omgaf.
Hij liep verder en alleen de gedachte : â verloren, voor eeuwig, en te gronde gericht,quot; vervolgde hem folterend en drukte op zijn hart, waarbij hij geene verlichting vond. âHoe kwam dat dan toch? Hoe kon hij het ook slechts toelaten?quot; Op al die vragen echter kon hij geen antwoord geven. Hij had alles verloren,quot; alles! Alleen daarvan was hij zich zeiven bewust. Wlassow vloog als een waanzinnige door de straten en stegen, eindelijk haalde hij adem en liep wat langzamer. Toen hij wat
64
had uitgerust, liep hij wederom voort in de richting zijner woning.
Hij gevoelde zich niet nuchter, ongelukkig, voor eeuwig verloren. Zonder dat hij het zelf wist, was hij tehuis. In zijne kamer gekomen, stak hij geen lamp aan, kleedde zich snel uit en vloog onder de dekens. Hij ging liggen, zonder zich te verroeren en verborg het aangezicht in de kussens.
Hij begon na te denken, wilde iets weten, iets begrijpen, doch hij kon alleen op fluisterenden toon zeggen: âMijn God, help mij, red mij, mijn God!quot; en viel toen terstond in een zwaren en vasten slaap.
VI.
D en volgenden dag ontwaakte Wlassow eerst tegen den raiddag. Hij opende de oogen, keek eerst om zich heen, dan in zich en lier-kende noch zichzelven, noch datgeen, wat hem omgaf. In plaats van zijne gewone, opgeruimde morgenstemming, gevoelde hij op zijn hart een last, die hem het leven verzwaarde. In den mond had hij een bitteren, viezen smaak, hij had een gevoel alsof zijn hoofd in koperen ringen gekneld was. Terstond ontwaakten in zijn geheugen de gebeurtenissen van gister, flij herinnerde zich nu alle bijzonderheden.
Doch niet de schrik en de wanhoop van gisteren maakten zich van hem meester, hij ondervond thans eene zekere onverschilligheid voor alles op de wereld en eene zekere verslapping. Hij begon na te denken, beproefde
GEVALLEN. O
66
evenals gister de woorden; âverloren, weggenomenquot; te herhalen, doch thans was hem alles volkomen hetzelfde. Hij gevoelde noch medelijden met zichzelven, noch angst, noch weemoed. Hij bevond zich in een toestand van volkomen zielsonverschilligheid.
âSchouwburg,quot; dacht Wlassow, zich bezinnende op de reeks der gebeurtenissen van den vorigen dag, âbrandewijn, troïka, toen dit Rumenië, de vorst, champagne, ja, en toen reden wij naar een restaurant, tracteerden den koetsier en toen daarheen. Wat ging dat toch ongemerkt en snel in zijn werk!quot;
En hij herinnerde zich nu ook zijn moed van gister. Eene zekere bravoure kwam er over hem, de wensch om de leidsman van het gezelschap te zijn en niet alleen aan al de dolle streken daarvan deel te nemen, maar ze zelfs te leiden.
Hij had zichzelven nooit te voren van deze zijde gekend.
Hij stond verwonderd over deze onverschilligheid voor alles, wat er gister met hem was voorgevallen. Gisteren gevoelde hij iets anders.
âZou ik maar liever weer niet gaan slapen !quot; vroeg hij zichzelven, de oogen sluitend.
67
In plaats hiervan echter richtte hij zich in bed op en omvatte de knieën met de handen. Zijn gelaat was erg afgevallen en bleek en had eene weemoedige uitdrukking, zijne oogen betrokken en stonden diep in hunne kassen. Hij wierp een blik op Iwansky, die met open mond lag te slapen.
âWat een walgelijk gezicht!quot; dacht Wlassow. Nu keek hij door het venster, door 't welk de heldere zon scheen. In de kamer bevonden zich nog dezelfde voorwerpen als gisteren: de beenderen, de boeken, de schedel.
âMaar wat is dat alles vervelend, niemand heeft er wat aan, het dient tot niets. En wat een vieze lucht verspreiden die leelijke beenderen !quot;
Wlassow liet het hoofd zinken en dacht na. Op zijn voeten lag de deken, waar hij zoo op gesteld was.
âAch, als zij dat eens wist,quot; dacht hij van zijne moeder. âJa, misschien word ik nog wel ziek,quot; kwam hem vervolgens in de gedachte. âDat zou overigens ook maar goed, heel goed zijn. Men moet er toch wat voor hebben.quot;
En wederom toonde die gedachte hem den ganschen omvang van zijn ongeluk.
68
âZoo beschouwt men dan zichzelven. Men veracht zich, men is zóó bedroefd, dat men zichzelven zelfs eene ziekte toewenscht, als straf voor zijne zwakte, voor zijne zedeloosheid.quot;
Eu Wlassow gevoelde zich zeer treurig. â En men moet toch nog verder leven,quot; dacht hij, meer en meer uit den toestand van apathie tredende, waarin hij ontwaakt was, âmen moet , toch nog verder leven.quot;
Hij bekeek zijne hand. Vervolgens rook hij er aan. Zij verspreidde al die geuren en luchten, waarmede dat gansche huis en al die vrouwen gedrenkt waren. Wlassow wilde opstaan en zich wasschen. Hij bleef echter liggen en woelde zich met de handen door het haar.
Op dit oogenblik trad Haasje binnen. Hij bracht de laarzen en de kleeren.
âGoeden morgen,quot; zeide hij met zijn gewone goedhartigheid, â't is vandaag een mooie dag en vriezen, dat het doet, zeker wel twintig graden.quot;
Wlassow keek hem onverschillig aan en zeide niets.
âEn wat is mijnheer treurig gestemd, of vergis ik me?quot; vroeg Haasje, bij de deur blijvende staan. âGisteren nog zoo vroolijk
69
en vandaag..... Neen, dat is niet goed.quot;
Wlassow glimlachte eventjes en antwoordde wederom niets.
Haasje verdween schielijk uit de kamer.
âGisteren vroolijk en vandaag treurig,quot; herhaalde Wlassow, âja, ik geloof het best.quot; En hij stelde nu zichzelven voor, hoe hij was en hoe hij geworden was. Hij herinnerde zich den morgen van gisteren en wilde plotseling gaan weenen.
âVerloren, weggenomen,quot; klonk het wederom in zijne ziel, evenals gister, bitter en smartelijk.
âMijn God, help mij, red mij!quot;
Wlassow kroop het bed uit en trad naar het venster. Hij legde het hoofd tegen de koude ruit en keek op straat.
Er kwam een bakker door de straat, hij stak zich eene sigarrette aan. Wlassow keek naar hem en hij kreeg nu ook trek om te rooken. Gisteren had hij dat trouwens ook al geprobeerd. Hij trad naar de tafel, nam eene sigarette uit den koker van Iwansky, stak haar aan en begon gretig den rook in te snuiven. En nu scheen het hem, alsof hij wat verlichting gevoelde.
âWat voer jij daar uit?quot; vroeg Iwansky, die
70
tegen zijne gewoonte zonder morren ontwaakte.
âIk rook, zooals je ziet.quot;
âZoo,quot; hernam Iwansky, âzoo!quot;
Wlassow stond verwonderd over den toon, waarop Iwansky deze woorden uitsprak. Iwansky moest zeker reeds lang ontwaakt zijn en dacht zeker in stilte over iets na.
âEn ben je al lang wakker?quot; vroeg Iwansky.
âNeen, daar net.quot;
Wlassow trad wederom naar het venster en plaatste zich daarvoor.
Met bloote voeten op den kouden vloer en in zijn nachthemd, begon hij het koud te krijgen. Deze rilling was hem echter aangenaam. Iwansky stak nu ook eene sigarette aan.
âNu, hoe is 't? Ben je soms melancholiek?quot; vroeg hij weekhartig na eene kleine pauze.
Wlassow antwoordde niet.
âBen je soms treurig, amice ? ' begon Iwansky wederom ernstig, âdat beteekent niets, hoor, dat gaat wel weer over, dat kan den beste overkomen, let er maar niet eens op, terugkrijgen kan je het nu toch niet meer.quot;
Wlassow zweeg nog altijd, plotseling echter sidderde zijn hoofd, zijne schouders bewogen
71
zich en hij begon te snikken, te snikken alsof er bij hera wat was gebarsten. Hij snikte als een klein kind.
,.Ja, jij hebt mooi praten, terugkrijgen kan men het toch niet,quot; zeicle hij eindelijk temidden van zijne tranen. âJij hebt mooi praten, jij hebt vergeten, hoe zwaar het is te verliezen, te verliezen, het allerkostbaarste, het aller. . .quot;
Hij stokte een oogenblik en keerde zijn goedig, betraand gelaat naar Iwansky toe.
âNimmer zal ik het mijzelven vergeven, nimmer,quot; het hij er op volgen, met moeite de woorden uitbrengend, âen waarom deed ik het toch, waarom? O, dat is verschrikkelijk. . . voor eeuwig, voor immer!quot;
Hij zweeg en liet het hoofd hangen, even alsof hij over iets nadacht. Daarop wierp hij zich eensklaps op zijn bed, legde zich op den buik en verborg het aangezicht in de kussens. Zijn gansche lichaam bewoog zich krampachtig en ging door het dof gesnik omhoog.
âHoud op, houd op,quot; zeide Iwansky zacht en zijne stem beefde.
Eenige oogenblikken zwegen beiden.
âHoor eens, Petertje,quot; zeide Iwansky, van
72
zijn bed opstaande en naar Wlassow toetredende, die nog maar altijd snikte, â vergeef me. Om Godswil, ik bid je, vergeef me toch, ik alleen ben schuldig.quot;
Hij legde teeder zijne groote, breede btarid op den schouder van Wlassow en wachtte. Zijne oogen pinkten.
âWanneer ik niet beschonken ware geweest, zou je naar huis zijn gegaan, zooals je plan was.quot;
âNeen, neen,quot; sprak Wlassow van onder zijn deken, âdat is het niet. Je hebt geen schuld, waarlijk niet. Alles deed ik alleen â ik alleen â en dan het andere. Ik weet het zelf niet.quot;
En hij begon nog heviger te snikken. Iwansky trad naar de tafel en ging op een stoel zitten. Met eene vrij linksche beweging wischte hij zich een traan af, die op zijn wang viel en hem zonderling kittelde.
âArme jongen,quot; fluisterde hij vóór zich uit. âEn ik? Wat een gemeene schoft!â Wat ben ik zwak.quot;
âHet allerkostbaarste weg voor altijd, voor eeuwig!quot; herhaalde nog eenmaal de snikkende, bijna kinderlijke stem van Wlassow.
EINDE.
De uitgeuer dezes debiteert met uitmuntend
succes:
(Sraaf amp;o amp;oIsfoI (Soon).
HET BLAUWE BOEK
EEN PENDANT VAN DE KREÃTZER SONATE
TAN
»1^ afri-ei a f LEO T03L.ST0I
fO,SO.