ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

■

^' S tV^'V ,--i lt;-quot;r.Si''lt;--\ Vvquot; . ,

HH^Mwi

ocr page 4

I

ocr page 5

%A. //f

DE

DEN H. ALPHOSSÜS M. DE LIGUORI.

NIEUWE VERTALING

DOOR

TH. BENSDORP,

Priester van de Congregatie des Allerh. Verlossers.

4

1 Ver^eni^ln.

- Jsm UTRPCH'r l |'al_9nquot;mm«r Sibliothscv

AMSTEBDAM

F. H. J. BEKKER. 1893.

ocr page 6

AMSTELODAMI, Die 4 Dec. 1892.

A. M. C. VAN COOTH,

Libr. Cens.

IMPRIMATUR.


ocr page 7

VOORTREFFELIJKHEID DIER DEUGD.

eheel onze volmaaktheid bestaat in de liefde tot onzen allerbeminne-

lijksten God: „De liefde is de band der volmaaktheid.quot; Charitas est vinculum per-fee tio nis i). Maar de geheele volmaaktheid weder van de liefde, bestaat in de gelijkvormigheid aan Gods heiligen Wil. Ziedaar, zegt de H. Dionysius de Areopagiet 2), het voornaamste uitwerksel der liefde: den wil der beminden te vereenigen, zoodat beiden maar één verlangen hebben. Hoe meer daarom iemand met dien goddelijken wil vereenigd is, des te grooter is zijn liefde. Zeer zeker, aangenaam zijn aan God de verstervin-

1) Coloss. 3. 14.

2) De divin. nom. 4.

ocr page 8

4

gen, de overwegingen, de communiën, de werken van naastenliefde; doch wanneer? wanneer zij gedaan worden volgens zijn H. Wil. Wanneer het echter zijn wil niet is, dat zij geschieden, dan zijn zij aan God niet alleen niet aangenaam, maar worden zij door Hem zelfs verafschuwd en gestraft. Veronderstel eens; iemand heeft twee dienaren, de een werkt den ge-heelen dag, zonder zich een oogenblik rust te gunnen, doch hij doet alles vclgens zijn eigen inzicht; de ander werkt niet zooveel, maar hij is in alles gehoorzaam; zeer zeker zal die tweede door zijn meester bemind worden, en de eerste niet. Wat baat het, dat wij werken voor de glorie Gods, als Hij ons werk niet verlangt? De Heer verlangt geene offeranden (zeide de profeet tot Saul) maar gehoorzaamheid aan zijnen H. Wil. „Wil de Heer brandoffers en slachtoffers? Wil Hij niet veeleer, dat men aan de stem des Heeren gehoorzame?____ Wederspannig te zijn is als

de zonde van afgoderij.quot; Numquid vult * Dominus holocausta et victimas el nonpotius ut obediatur voci Domini? .... Quasi scelus

ocr page 9

5

idololatriae est nolle acquiescere i). Een mensch, die wil werken volgens zijn eigen wil, zonder' dat het de wil is van God, bedrijft een soort van afgoderij, want in plaats van den wil van God te aanbidden, aanbidt hij in zekeren zin zijn eigen wil.

De hoogste glorie derhalve die wij aan God kunnen geven, is in alles te handelen volgens zijnen heiligen Wil. Onze goddelijke Verlosser die op aarde de glorie Gods kwam herstellen, heeft ons voornamelijk dit door zijn voorbeeld willen leeren. Hoort, hoe de heilige Paulus Hem tot zijn eeuwigen Vader laat spreken: „Slachtoffer en offerande hebt gij niet gewild, maar een lichaam hebt gij mij toebereid. Toen sprak ik: zie ik kom, om uwen wil te doen, o God.quot; Ilostiam et oblationem noluisti, corpus autem aptasti mihi: tune dixi: ecce venio, ut faciam, Deus, voluntatem tuam 2). Gij hebt, o Vader, de slachtoffers die de menschen U aanboden geweigerd; maar Gij wilt, dat ik U

1) Reg. 15. 22.

2) Hebr. 10. 5.

ocr page 10

het leven offere, dat Gij mij gegeven hebt. Ziedaar dan, ik ben bereid uwen wil te volbrengen. Ook heeft de goddelijke Zaligmaker meermalen uitdrukkelijk betuigd, dat Hij niet gekomen was om zijn eigen wil te doen, maar dien van zijnen Vader: „Ik ben van den hemel gedaald, niet om mijnen wil te doen, maar den wil van Hem, die mij gezonden heeft.quot; Descendi de coelo, non ut faciam voluntatem meam, sed volun-tatem ejus qui misit me i). En het ken-teeken waaraan de wereld de liefde moest erkennen, die Hij zijnen Vader toedroeg, was geen ander dan zijne gehoorzaamheid aan Gods wil, waardoor Hij zich voor de zaligheid der menschen slachtofferde aan het kruis. Hij zelfverklaarde dit, toen Hij zich naar denhof begaf om zijnen vijanden, die Hem kwamen gevangen nemen, te gemoet te gaan: „Opdat de wereld wete, dat ik den Vader lief heb, en zoo doe gelijk de Vader mij bevolen heeft, staat op, laat ons van hier gaan.quot; Ut cognoscat mundus quia diligo Pat rem, etsicut mandatum dedit mihi Pater,

i) Joa. 6. 38.

ocr page 11

7

sic facio, surgite eamus hinc i). Ten laatste zeide Hij nog, dat Hij een ieder die den wil van God volbracht, als zijnen broeder beschouwde: Qui fecerit volun-tatem Patris mei ipse metis frater est 2).

Alle heiligen dan ook stelden zich immer ten doel den wil van God te volbrengen, want zij begrepen dat daarin de geheele volmaaktheid van eene ziel bestaat. De gelukzalige Henricus Suzo zeide 3) : „God verlangt niet, dat wij overvloeien van zalige ingevingen, maar dat wij ons in alles onderwerpen aan zijnen wil.quot; En de H. Theresia: „De eenige zorg, zegt zij, van eene ziel, die het gebed beoefent, moet zijn haren wil gelijkvormig te maken aan den wil van God : en zij houde zich verzekerd, dat daarin de hoogste volmaaktheid bestaat. Hij die deze gelijkvormigheid het volmaaktste beoefent, zal van God de grootste gaven ontvangen en den meesten voortgang maken in het inwendig leven.quot; De gelukzalige Stephana van Soncino, eene dominica-

1) Joa. 14. 31.

2) Matth. 12. 50.

3) L. 2. c. 4.

ocr page 12

8

nesse werd eens in een visioen ten hemel opgevoerd, zij zag daar hoe eenige overledene personen, die zij gekend had, eene plaats innamen onder de Seraphij-nen, en tegelijk werd haar gezegd, dat deze zielen tot een zoo hooge glorie waren verheven om de volmaakte gelijkvormigheid, die zij op deze wereld betoond hadden aan den wil van God. De reeds genoemde Henricus Suzo zei-de nog van zich zeiven; „Ik wil veel liever de ellendigste worm der aarde zijn met den wil van God dan een sera-phijn met mijn eigen wil.quot;

Op deze wereld moeten wij van de zaligen des hemels leeren, hoe wij God moeten beminnen. De zuivere en volmaakte liefde nu, welke de zaligen in den hemel aan God toedragen, bestaat in hunne volmaakte vereeniging met zijnen heiligen wil. Wanneer de seraphijnen het als den wil van God zouden aanzien, dat zij de gansche eeuwigheid besteedden om zand te verzamelen aan de stranden der zee of onkruid uit te roeien op de velden, zij zouden dit bereidvaardig, ja met de grootste blijdschap doen. Nog meer; Indien God

ocr page 13

9

hun een wenk gaf, om te gaan branden in het .vuur der hel, onmiddellijk zouden zij zich in dien afgrond neerstorten om aldus den goddelijken wil te volbrengen. En dat is het wat Jesus Christus ons leerde vragen, nl. dien goddelijken wil te volbrengen op aarde, gelijk de heiligen zulks doen in den hemel; Fiat voluntas tua sicut in coelo et in terra i). „Uw wil geschiede op aarde als in den hemel.quot;

De Heer noemde David een man naar zijn hart, omdat hij in alles Gods wil vervulde : „Ik heb David gevonden een man naar mijn hart, die in alles mijnen wil zal doen.quot; Inveni David virurn secundum cor meum qui faciet om-nes voluntates meas 2). Immer was David bereid Gods heiligen wil te volbrengen, gelijk hij zelf meermalen betuigd heeft: „Bereid is mijn hart, o God mijn hart is bereid.quot; Paratum cor meum, Deus, parat tan cor tneu?n 3). Ook vroeg hij niets anders van God dan hem dien heiligen wil te leeren volbrengen : „Heer,

1) Matth. 6. 10.

2) Act. 13. 22.

3) Ps. 56. 8 en 107. 1.

ocr page 14

lO

leer mij uwen wildoenquot;. Docentefacere voluntatem tuam i). Een enkele akte van volmaakte gelijkvormigheid aan den goddelijken wil is genoeg om iemand heilig te maken. Denk slechts aan Saulus; terwijl Saulus op weg is om de Kerk te vervolgen, treft hem Jesus Christus met een straal van zijn licht en bekeert hem. Wat doet nu Saulus? wat zegt hij? Hij doet niets anders dan zich volkomen overgeven aan den goddelijken wil: „Heer wat wilt gij dat ik doequot; Do mine quid me vis facere 2)? En ziedaar, op hetzelfde oogenblik doet God hem kennen als het vat van uitverkiezing, den apostel der heidenen: „Deze is mij een uitverkoren werktuig, om mijnen naam bekend te maken aan de heidenen.quot; Vas electionis est mihi iste, ut portet nomen meum coram gentibus 3). En geen wonder, want hij die aan God zijnen wil geeft, geeft Hem alles; wie aan God zijne goederen geeft door de aalmoes, zijn bloed door de lijfkastijding, zijne spijzen door te vasten, hij geeft aan God een gedeelte van

1) Ps. 142. 10.

2) Act. 9. 6.

3) Ibid. 15.

ocr page 15

II

hetgeen hij bezit, maar wie aan God zijnen wil geeft, geeft alles, hij kan in waarheid zeggen: „Ik ben arm. Heer; maar ik geef 0 alles wat ik kan; want nu ik mijn wil heb gegeven, blijft mij niets meer te geven over.quot; Ziedaar dan ook alles wat God van ons verlangt. Fili mi, praebe cor tuum mihi i). Mijn zoon, zoo zegt God tot een ieder van ons/ mijn zoon, geef mij uw hart, dat is: geef mij uwen wil. Nihil gratius Deo possumus offerre, quam ut dicamus ei: posside nos. Neen, zegt de H. Augustinus, wij brengen God nooit aangenamer offer, dan wanneer wij Hem zeggen: Heer, neem bezit van ons: wij geven aan U geheel onzen wil; geef ons slechts te kennen, wat Gij van ons begeert, en wij zullen het doen. Indien wij derhalve ten volle aan de wenschen van Gods hart willen beantwoorden, laten wij dan zorgen ons in alles gelijkvormig te maken aan zijnen heiligen wil, en niet alleen gelijkvormig maar ook éénvormig. Om met Gods wil gel ijk-vormig te zijn is het genoeg, dat wij onzen wil naar Gods wil schikken; maar

i) Prov. 23. 26.

ocr page 16

12

om éénvormig te zijn, moet daarenboven onze wil met Gods wil geheel één worden, zoodat 'wij niets anders willen dan hetgeen God wil, en alleen dat wat God wil, ook onze wil is. Dat is het toppunt van de volmaaktheid, waarheen wij al ons streven moeten richten ; dat moet het doel zijn van al onze goede werken, van al onze verlangens, van al onze overwegingen en gebeden. Vooral daarvoor moeten wij de hulp afsmeeken van onze heilige voorsprekers, onze beschermengelen, en bovenal van de allerheiligste Maagd Maria, immers juist daarom is zij de volmaaktste geweest onder de heiligen, omdat zij immer het volmaaktst vereenigd is geweest met den goddelijken wil.

§ 2.

GELIJKVORMIGHEID IN ALLES.

Doch het punt, waarop hier alles aankomt is, dat wij ons met den goddelijken wil vereenigen in alle zaken, zoowel in hetgeen ons bevalt, als in hetgeen met onze neigingen in strijd is.

ocr page 17

13

In den voorspoed weten zich zelfs de zondaren wel met den go^delijken wil te vereenigen; maar de heiligen alleen doen dit ook in tegenspoed en in zaken die aan hunne eigenliefde mishagen. Ziedaar dus waaraan men zien kan of onze liefde tot God volmaakt is. De eerbiedwaardige Pater Joannes Avila zeide : Één „God zij geloofdquot; in tegenspoed is meer waard dan zes duizend dankzeggingen, als de zaken naar wensch gaan.

Wat meer is : wij moeten ons met den goddelijken wil vereenigen, niet alleen in de tegenheden, die ons rechtstreeks toekomen van God, zooals: ziekten, kwellingen des geestes, armoede, verlies van bloedverwanten en dérgelijke, maar ook in die welke ons door bemiddeling der menschen overkomen, zooals: versmading, verlies van goeden naam, onrechtvaardige bejegening, diefstal en alle andere soorten van vervolging meer. En wat wij hier wel moeten in het oog houden, is dit: Wanneer wij door iemand benadeeld worden in onzen goeden naam, in onze eerof in onze bezittingen, dan wil God wel is waar de zonde niet van den persoon die ons benadeelt, maar hij wil toch onze vernedering.

ocr page 18

14

onze berooving, onze smart. Het is zeker, het is zelfs. een punt van het geloof: er gebeurt niets op de wereld of het gebeurt door den wil of met toelating van God. „Ik ben de Heer, die licht en duisternis vormt, die vrede maakt en rampen schept.quot; Ego Dominus formans lucem et ienebras, faciens pacem et creans malum i). Van God komt zoowel alle goed als alle kwaad, d. w. z. zoowel alle voor- als alle tegenspoed ; wij toch noemen verkeerdelijk den''tegenspoed een kwaad, ofschoon het in waarheid een goed is, indien wij hem slechts uit Gods handen aannemen. „Is er wel eenig kwaad in de stad, wat niet van God komt ?quot; zegt de profeet Amos : Si erit malum in civitate quod Dominus non fecerit 2) ? En reeds de wijze man had het gezegd: „Goed en kwaad, leven en dood komen van God.quot; Bona et mala, vita et mors a Deo sunt 3). Het is waar, gelijk ik boven zeide : wanneer iemand ons onrechtvaardig benadeelt, dan wil God niet de zonde van dien persoon en God oefent

1) Is. 45. 7.

2) Amos. 3. 6.

3) Eccl. 11. 14.

ocr page 19

15

geen invloed uit op diens kwaden wil; maar God oefent wel invloed uit in zoover de handeling, waardoor iemand u slaat, berooft, beleedigt, bloot natuurlijk is; zoodat het onaangename, wat gij lijdt, werkelijk door God wordt gewild en u toekomt van zijne hand. Daarom dan ook kon God zeggen, dat Hij en niemand anders de bewerker was van al de bitterheden, welke David zou te verduren hebben van zijnen zoon Absa-lon, ofschoon deze aan zijnen vader zelfs diens vrouwen onder zijn oog zou ontrukken; en dit tot straf zijner zonden. „Zie ik zal ramp over u verwekken uit uw huis, en uwe vrouwen voor uwe oogen wegnemen en ze aan uwen naaste geven.quot; Ecce ego suscitabo super te malum de domo , tua, et tollam uxores tuas in oculis tuis, et dabo proximo tuo i). Daarom ook zeide God tot de kinderen van Israël, dat' Hij tot straf hunner boosheid de Assyriërs zou zenden om bij hen te rooven en te plunderen: „De As-syriër is de roede mijns toorns .... ik zal hem bevelen, dat hij roove en plun-

i) 2 Reg. 12. li.

ocr page 20

i6

dere.quot; Assur virga furoris mei.... man-dabo illi ut auferat spolia el diripiatprae-dam i). De H. Augustinus verklaart dit aldus: Impietas eormn tanquam securis Dei facta est 2). God bedient zich van de boosheid der Assyriërs als van een bijl om Israël te kastijden. En Jesus zelf zeide tot Petrus, dat zijn lijden en zijn dood Hem niet zoozeer toekwam van de menschen als wel van zijnen hemel-schen Vader : „De kelk, dien mijn Vader mij gegeven heeft, zal ik- dien niet drinken ?quot; Calicem quem dedit tnihi Pater, non bibam illum ?

Toen de bode (men wil dat het de duivel was) aan Job kwam boodschappen, dat de Sabeërs hem beroofd hadden van al zijne goederen en zijne zonen hadden gedood, wat antwoordde toen de heilige man ? „De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen.quot; Do minus dedit, Dominus abstulit 3). Hij zegt niet; de Heer heeft mij mijne goederen, mijne zonen gegeven; en de Sabeërs hebben ze mij ontnomen; maar ; de

1) Is. 10. 5.

2) In ps. 37.

3) Job. I. 21.

ocr page 21

■t7

Héér heeft ze mijquot; gegeven, de Heer heeft ze mij ontnomen; want zeer wel begreep hij, dat dit verlies door God was gewild, vandaar ook voegt hij er bij: „Gelijk het aan God behaagd heeft, zoo is het geschied : de naam des Hee-ren zij gezegend.quot; Sicut Dominoplacuil ita factum est; sit nomen Domini bene-dictum. Als wij dus kwellingen hebben te verduren, moeten wij niet meenen dat zij ons alleen overkomen door toeval of door de schuld der menschen ; neen, wij moeten overtuigd zijn, dat al wat ons overkomt, ons overkomt door den wil van God: Quid quid kic accidit contra voluntatem nostram, noveris non accidere nisi de voluntate Dei i) Toen de gelukzalige martelaren van Jesus Christus, Epictetes en Astion 2) op bevel des tyrans lagen uitgestrekt op de pijnbank en* daar met ijzeren haken werden vaneengescheurd en met brandende toortsen geblakerd, zeiden zij anders niets dan: Heer, dat uw wil in ons geschiede ; en toen zij aan de strafplaats

2

1) D. Aug. in ps. 184.

2) Rosweid. 1. 1.

De Gelijkvormigheid.

ocr page 22

i8

waren gekomen, riepen zij met luide stem: Wees gezegend, o eeuwige God, want nu is uw wil volkomen in ons vervuld!

Caesarius i) verhaalt, dat zeker kloosterling, ofschoon voor het uiterlijke niet in het minste van de anderen onderscheiden, evenwel tot een zoo hoogen graad van heiligheid was gekomen, dat alleen door de aanraking zijner kleederen de zieken werden genezen. Zijn overste hierover verwonderd, vroeg hem eens, hoe het zijn kon dat hij zoovele wonderen deed, daar toch zijn leven niets voorbeeldiger was dan dat van de anderen? De kloosterling antwoordde, dat ook hij er over verwonderd was, en er de reden niet van begreep. Maar welke bijzondere godsvrucht beoefent gij dan, hernam de Abt. De goede religieus antwoordde, dat hij weinig of niets bijzonders dééd, alleen had hij immer een groote zorg gehad niets anders te willen, dan wat God wilde, en God had hem de genade gegeven zich immer volkomen met den goddelijken wil te kunnen vereenigen.

i) Lib. io. c. 6.

ocr page 23

19

De voorspoed, (zoo sprak hij) verheft mij niet, en de tegenspoed slaat mij niet neder, want ik neem alles uit Gods hand aan; ook heb ik bij al mijne gebeden slechts een enkel inzicht, nl. dat Gods wil volmaaktelijk in mij mag worden vervuld. Maar die schade dan (hernam de overste) welke eergisteren onze vijand ons berokkend heeft, door onze hoeve, waar zich ons koren en ons vee bevond, in brand te steken, bracht zij bij u dan niet het minste gevoel van verbittering teweeg? Neen vader, antwoordde hij, integendeel, ik dankte er God voor, gelijk ik in dergelijke omstandigheden gewoon ben te doen, want ik weet dat God niets doet of toelaat, wat niet tot zijn meerdere glorie en tot ons grooter welzijn is; ik ben dan ook altijd tevreden, er moog' geschieden wat wil. Toen de abt dit gehoord had, en in die ziel eene zoo groote gelijkvormigheid zag met den wil van God, was hij niet, meer verwonderd, dat die kloosterling zoovele groote wonderen verrichtte.

ocr page 24

20

§ 3-

OVER HET GELUK DAT DIE VOLMAAKTE GELIJKVORMIGHEID SCHENKT.

Doch die zich zoo gedraagt, wordt niet alleen een heilige, maar geniet ook reeds op deze wereld eenen blijvenden vrede. Men vroeg eens aan Alphonsus den groote x), koning van Arragon, een zeer wijs vorst: wie naar zijne meening wel de gelukkigste mensch ter wereld was. Hij antwoordde : degene, die zich vereenigt met den wil van God, en alles zoowel voor- als tegenspoed, uit Gods handen aanneemt: „Hun die God beminnen, werkt alles mede ten goede.quot; Diligentibus Deum omnia cooperantur in homnnquot; 2). De zielen, die God beminnen, zijn altijd tevreden, want hun eenig genoegen is het volbrengen van Gods wil, en dit ook te midden van den tegenspoed. Vandaar worden zelfs de 'kwellingen voor hen bronnen van troost en zijn zij blijde door dezelve te lijden

1)~Panorm. in vita.

2) Rom. 8.

ocr page 25

21

genoegen te kunnen geven aan hunnen beminden Heer. „Wat den rechtvaardige ook overkomt, het zal hem niet bedroeven:quot; Non contristabit jus turn quidquid ei accident i). Inderdaad, kan iemandgrooter geluk op aarde verlangen dan alles wat hij wil vervuld te zien ? Welnu als iemand niets anders wil dan den wil Gods, ziet hij alles gebeuren wat hij wil, want alles wat er op de wereld geschiedt, behalve de zonde, geschiedt door den wil van God. Men verhaalt in de levens der woestijnvaders van zekeren landbouwer dat zijne akkers immer méér vruchten gaven dan die van de anderen. Toen men hem eens vroeg, hoe dit kwam, antwoordde hij, dat men zich daarover niet moest verwonderen, want hij had altijd juist het weer, wat hij verlangde: wel hoe ? zeide men. Ja, antwoordde hij, want ik wil het weer nooit anders dan gelijk God het wil, en omdat ik van mijnen kant alles wil gelijk God het wil, daarom geeft God mij op zijne beurt vruchten, gelijk ik ze wil. De ge-latene zielen, zegt Silvianus, hebben al-

z) Prov. 2. 2i.

ocr page 26

22

tijd hun zin; worden zij vernederd, dan willen zij het zijn; lijden zij armoede, zij willen arm zijn; in een woord, wat hun ook overkome, het is altijd volgens hunnen wil, en daarom zijn zij altijd gelukkig: Humiles sunt, hoc volunt;pau-peres sunt, paupertate delectantur; itaque bead dicendi sunt. Is het koud, is het warm, regent het, waait het-iemand die vereenigd is met den wil van God zegt: ik wil dat het, koud is, ik wil dat het warm is, dat het waait, dat het regent, want het is alzoo de wil van God. Treft hem armoede, vervolging, ziekte; welaan, zegt hij, ik wil arm zijn, vervolging lijden, ziek zijn ; ik wil zelfs sterven omdat ook God het aldus wil.

Ziedaar die schoone vrijheid der kinderen Gods, vrijheid, die meer waard is dan alle heerschappijen en koninkrijken dezer aarde. Ziedaar die zoete vrede welke het erfdeel is der heiligen, een vrede quae exsuperat omnem sensum i), die meer waard is dan alle genoegens der zinnen, meer waard dan alle

i) Philip. 4. 7.

ocr page 27

23

feesten, alle vreugdemalen, alle eer en alle andere voldoeningen dezer wereld, want dat alles is ijdel en vergankelijk, en al streelt het een oogenblik de zinnen, het is onvoldoende, ja eene kwelling voor den geest. Vandaar dan ook dat Salomon, welke die aardsche genoegens in al hunne volheid had gesmaakt, vol droefheid uitriep: „Ook dit is ijdelheid en kwelling des geestes.quot; Sed et hoe vanitas et aflictio spiritus i). DeH. Geest zegt; ,De dwaze verandert gelijk de maan ; de wijze blijft in de wijsheid gelijk de zon.quot; Stultus sicut luna muta-tur ; sapiens in sapientia manet sicut sol. 2) De dwaze, d. i. de zondaar, is gelijk aan de maan, die heden wast en morgen afneemt: vandaag ziet men hem lachen, morgen weenen; vandaag is hij zachtmoedig, morgen ontembaar als een tijger; en hoe komt dat ? Omdat zijn gesteltenis afhangt van de fortuin, hij verandert naar gelang van de omstandigheden, waarin hij verkeert. De rechtvaardige echter is gelijk de zon, altijd

1) Eccl. 4. 16.

2) Eccli 27. 12.

ocr page 28

24

even helder en blij, wat hem ook over-kome; want het is hem een geluk zijnen wil immer te kunnen vereenigen met den wil van God, en daarom geniet hij een onverstoorbaren vrede. Vrede aan de menschen van goeden wil, zeide de engel tot de herders : Et in terra pax homi-nibus botiae voluntatis i). Wie anders zijn die menschen van goedèn wil, tenzij diegenen, welke hunnen wil vereenigen met den goddelijken wil, die bovenal goed en volmaakt is? Voluntas Dei bona, beneplacens et perfecta. Ja want God wil slechts wat het beste en het volmaaktste is.

De heiligen genoten door hunne gelijkvormigheid aan den wil van God, reeds een paradijs op aarde. Ziedaar, zegt de H. Dorotheus, hoe de oudvaders zich in een zoo grooten vrede konden bewaren, zij hamen alles uit Gods handen aan. Wanneer de H. Magdalena de Pazzi alleen maar het woord : wil Gods hoorde noemen, gevoelde zij zich zóó getroost, dat zij buiten zich zelve geraakte in eene vervoering van liefde. Het is

I) Luc, 2. 14.

ocr page 29

25

waar, de mensch blijft immer het bittere van den tegenspoed gevoelen; maar, als zijn wil vereenigd is met dien van God, zal dit alleen plaats hebben in het lager gedeelte; doch in het hooger gedeelte, in den geest, zal immer vrede en rust heerschen. „Uwe vreugde,quot; zeide de Verlosser tot zijne apostelen, „zal niemand u ontnemen.quot; „Uwe blijdschap zij volkomen.quot; Gaudium _ vcstrum nemo tollet avobis. Gaudmm vestrum sitplenum i). Iemand die immer gelijkvormig is met den wil van God, geniet eene volle en blijvende vreugde: zijn vreugde is vol, want, gelijk wij boven zeiden, hij heeft alles, wat hij wil; zijne vreugde is blijvend; want niemand kan hem zijne vreugde ontnemen, omdat niemand kan beletten, dat hetgeen God wil, geschiedt.

Pater Joannes Tauler verhaalt van zich zeiven 2), dat hij, na God vele jaren te hebben gebeden om iemand die hem het ware geestelijk leven zou lee-ren, op zekeren 'dag eene stem hoorde die hem zeide: ga naar die en die

1) Jó. 16. 22. et 24. •2] Bij Saint Jure,

ocr page 30

26

kerk, daar zult gij vinden wat gij zoekt. Hij gaat naar die kerk toe, en aan de deur vindt hij een bedelaar zonder schoenen aan de voeten en geheel haveloos. Hij groet hem en zegt: „Goeden dag, vriend.quot; De arme antwoordt: „Mijnheer, ik herinner mij niet dat ik ooit een kwaden dag heb gehad.quot; „Welnu, God schenke u een gelukkig leven,quot; herneemt de Pater. „Maar,quot; zeide de bedelaar, „ik ben nimmer ongelukkig geweest. Luister vader,quot; zoo ging hij voort, „ik zeg niet zonder reden, dat ik nooit een kwaden dag heb gehad; want heb ik honger, ik loof God; sneeuwt of regent het, ik zegen Hem; word ik veracht, verstooten, of moet ik een andere kwelling verduren, ik zal er mijnen God altijd voor verheerlijken. Ik zeide ook dat ik nooit ongelukkig ben geweest, en ook dit is waar, want ik heb mij eigen gemaakt mijn wil in alles zonder voorbehoud te onderwerpen aan den wil van God, ik neém dan ook alles wat mij overkomt, hetzij zoet of bitter, met blijdschap uit Gods handen aan, ik beschouw het als voor mij het beste; ziedaar. Vader, mijn geluk.quot; „Maar,quot;

ocr page 31

27

hernam Tauler, „indien God eens uw verwerping wilde, wat zoudt gij dan zeggen?quot; „Indien dat Gods wil was,quot; antwoordde de bedelaar, „zou ik mijn God vol ootmoed en liefde omhelzen, doch ik zou Hem zóó stevig vasthouden, dat wanneer Hij mij in de hel wilde neerstorten, Hij genoodzaakt zou zijn zelf mede te gaan, en op die wijze zou het mij zoeter zijn mij in de hel te bevinden met Hem, dan zonder Hem alle geneugten te smaken van het paradijs.quot; „Waarhebt gij God gevonden?quot; zeide de pater. „Daar,quot; was het antwoord, „waar ik de schepselen heb verlaten.quot; — „Wie zijt Gij?quot; — De arme: „Ik ben koning.quot; — „Waarisdanuwrijk?quot; — „Het is in mijn hart, waar alles door mij in de orde wordt gehouden; de hartstochten gehoorzamen er aan de rede, en de rede aan God.quot; Ten laatste vroeg hem Tauler, wat hem tot eene zoo hooge volmaaktheid had gebracht. „Het stilzwijgen,quot; antwoordde hij, „waardoor ik mij heb afgezonderd van de menschen en mij leerde onderhouden met God, en vervolgens mijne gedurige vereeniging met God, in wien alleen ik steeds al mijn geluk heb ge-

ocr page 32

28

vonden.quot; In één woord die bedelaar was zoo geworden door zijne groote gelijkvormigheid met den goddelijken wil; en voorzeker, hij was in zijn armoede rijker dan al de koningen dezer aarde en smaakte te midden van zijn lijden grooter geluk dan al de wereldlingen te midden hunner aardsche genoegens.

§ 4-

GOD WIL SLECHTS ONS GELUK.

O hoe groot is de dwaasheid van hen, die aan den wil van God weerstand bieden ! Zij moeten toch de kwellingen verduren ; niemand immers kan beletten, dat de besluiten van God ten uitvoer worden gebracht. „Want zijnen wil, wie weerstaat er aan ?quot; Voluntati ejus guis rests tit i). Maar daarenboven lijden zij alles zonder vrucht, ja bereiden zich bovendien nog grooter straffen in de eeuwigheid en verzwaren hun lijden op deze wereld : „Wie heeft Hem weerstand geboden, en heeft

j) Rom. 9. 19

ocr page 33

29

vrede gesmaakt ?quot; Quis restitit ei etpacem habuit i). Laat die zieke te midden zijner smarten jammeren zooveel hij wil, laat die arme in zijne ellende over God klagen, laat hij zich toornig maken, laat hij vloeken zooveel het hem behaagt, waartoe zal het hem dienen ? Waartoe anders tenzij om zijn leed te verdubbelen. O ellendige mensch, 2egt de H. Augustinus, waarom gaat ge het zoeken builen God? Zoek uwen God, vereenigt u met Hem, bind u vast aan Zijnen heiligen wil en ge zult immer, voor tijd en eeuwigheid, gelukkig zijn. Quid quaeris homimeto, quac-rendo bona ? Quaere unmn borium in quo sunt omnia bona.

Wat immers wil God ten slotte anders tenzij alleen ons geluk ? Kunnen wij ooit een vriend vinden, die ons meer bemint dan God ? Het eenige wat God wil is, dat niemand verloren ga, maar dat allen zalig worden en zich heiligen: „Hij wil niet, dat eenigen verloren gaan; maar dat allen tot inkeer komen.quot; „Dit is de wil Gods, uwe heiliging.quot; Nolens aliquos perire, sed om-

1) Job 9. 4.

ocr page 34

30

nes adpoenitentiam reverti i). Voluntas Dei sanctificatio vestra 2). God heeft in ons welzijn zij ne glorie gesteld, want daar Hij, gelijk de H. Leo zegt, uit zijne natuur eeneonein-, dige goedheid is — Deus cujus natura bonitas — en de goedheid van nature zich zoekt mede te dealen, zoo heeft God een allervurigst verlangen om de zielen deelgenooten temaken van zijne goederen en van zijn geluk. En wanneer God ons in dit leven kwellingen overzendt, geschiedt dit alleen voor ons welzijn. „Alles werkt mede ten goedeOmnia cooperan-tur in bonum 3). Zelfs de kastijdingen, die ons van God toekomen, zendt Hij ons, gelijk ook de godvreezende Judith zegt, niet over tot ons verderf, maar alleen opdat wij ons zouden beteren en zalig worden : Ademendationem, non adperdi-tionem evenisse credamus 4). Om ons van het eeuwig verderf te vrijwaren beschut God ons met zijnen goeden wil: Damine ut scuta bonae voluntatis tuae coranasti

1) 2 Petr. 3. g.'

2) i Thess. 4. 3.

3) Rom. 8. 28.

4) Judith 8. 27.

ocr page 35

31

nos i). God verlangt niet alleen ons geluk, maar Hij is er zelfs bezorgd voor: Deus sollicitus est mei. 2) En wat zou God ons ook kunnen weigeren, zegt de H. Paulus, Hij, die ons zijn eigen Zoon heeft gegeven? Qui propria Filio suo non pepercit, sed pro nobis omnibus tradidit illum, quomodo non etiam cum Ulo omnia nobis donavit j) ? „Die zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen heeft overgeleverd, hoe heeft Hij ons met Hem ook niet alles gegeven?quot; Laten wij ons dus in dat vertrouwen geheel aan Gods beschikkingen overgeven, daar toch alles geregeld is tot ons welzijn. Wat ons ook overkomt, laten wij immer zeggen : „Ik zal gerust mij nederleggen en tegelijk inslapen, want, Gij, o Heer, Gij alleen zijt mijne hoop.quot; In pace in idipsum dormiam et requiescam, quoniam tu, Do-mine, singulariter in spe constituisti me 4). Geven wij ons geheel over inzijnehanden, want zeer zeker, Hij zal zorg voor ons dragen: Omnem sollicitudinem vest ram

1) Ps. 5. 13.

2) Ps. 39. 18.

3) Rom. 8. 32.

4) Ps. 4.

ocr page 36

3:2

projicientes in eum, quoniam ipsi cura est de vohis i). Laten wij van onzen kant slechts denken aan God, aan de vervulling van zijnen heiligen wil, en God zal denken aan ons, en ons gelukkig maken. Mijne dochter, (zoo zeide de Heer tot de H. Catharina van Siëna) denk gij aan mij, dan zal ik immer aan u denken. Zeggen wij dikwijls met de gewijde bruid: „Mijn beminde is aan mij en ik ben aan Hemquot;. Dilectus metis mi hi et ego illi 2). Mijn beminde denkt om mijn geluk, ik wil dan ook op mijne beurt om niets anders denken dan om hem genoegen te geven en mij in alles te onderwerpen aan zijnen heiligen wil. Volgens den heiligen abt Nilus moeten wij God niet vragen, dat Hij late geschieden wat ons verlangen is, maar alleen, dat zijn heilige wil in ons vervuld worde. En wanneer ons beproevingen overkomen, laten wij ze dan uit Gods handen aannemen, en dat niet alleen met geduld, maar zelfs met blijdschap, gelijk de apostelen deden, die vol vreugde weggingen van den

1) I Petr. 5. 7.

2) Cant. 2. 16.

ocr page 37

33

hoogen raad, omdat zij waardig waren geacht voor den naam van Jesus versmading te lijden: Ibant gaudentes a conspectu concilii, quoniam digni habiti sunt pro nomine Jesu contumeliam pati l) Wat grooter geluk kan er zijn voor eene ziel dan te lijden, en daarbij te kunnen denken, dat zij door haar kruis geduldig te dragen God het hoogste genoegen geeft, wat zij Hem geven kan ? Ofschoon God hoogen prijs stelt op het verlangen van sommige zielen om ter Zijner liefde te lijden, toch vindt Hij, volgens de leermeesters van het geestelijke leven, nog grooter welbehagen in de gelijkvormigheid van diegenen, welke noch getroost, noch beproefd willen zijn; maar, geheel overgegeven aan Zijn heiligen wil, niets anders verlangen dan te volbrengen wat Hij begeert.

Indien gij dan, godvruchtige, ziel aan God welgevallig wilt zijn en tevens op deze wereld een gelukkig leven wilt leiden, vereenig u dan immer en in alles met den goddelijken wil. Bedenk, dat al de zonden van het ongeregeld en

•i) Act. 5. 41, De Gelijkvormigheid.

3

ocr page 38

34

bittere leven, wat gij misschien vroeger geleid hebt, alleen daaruit zijn voortgekomen, dat gij zijt afgeweken van den wil Gods. Omhels dan van nu af aan het goddelijk welbehagen, en zeg immer bij al wat u overkomt: lia Pater, quoniam sic fuit placitum ante te l). „Zoo geschiede het Heer, wijl het aldus aan U behaagd heeft.quot; Wanneer gij u om een of ander ongeval bedroefd gevoelt, denk dan dat het u is toegekomen van God, zeg dan ook aanstonds: God wil het zoo, en wees tevreden. Obmutui et no7i aperui os meum, quoniam tufecistil). „Heer, daar Gij het gedaan hebt, zal ik zwijgen en het gewillig aannemen.quot; Aan dat eene doel moeten al uwe gedachten, al uwe gebeden gewijd zijn, d. w. z. aanhoudend moet ge bezorgd zijn en aanhoudend moet ge God vragen, èn bij de meditatie, èn bij de H. Communie èn bij het bezoek aan het H. Sacrament, dat Hij u toch de volmaakte vervulling leere van zijnen H. Wil. Draag u zeiven ook voortdurend aan God op, zeg dikwijls: „zie, mijn God, ik

l) Luc. IO, 21. 2gt; PS. 38.

ocr page 39

35

bied U mij zelven aan; doe met mij en met al het mijne, gelijk het U behaagt. Dat was de oefening van de H. Theresia; minstens vijftig maal daags droeg de heilige zich aan den Heer op en gaf zich geheel aan zijne heilige beschikkingen over.

O zalig gij, beminde lezer, indien gij dit immer zult doen, zeker dan zult gij heilig worden, en daarenboven zult gij een gelukkig leven hebben, maar bovenal een gelukkigen dood. Als iemand uit dit leven scheidt, hangt alle hoop die wij omtrent zijne eeuwige zaligheid koesteren alleen daarvan af, of wij hem gelaten zien sterven of niet. Als gij derhalve, gewoon om tijdens uw leven alles wat u van God werd toegezonden bereidwillig te aanvaarden, eveneens uit onderwerping aan Gods heiligen wil uwen dood zult aannemen, dan is uw zaligheid verzekerd en gij zult sterven als een heilige. Welaan geven wij ons dan geheel aan het welbehagen van onzen God over, van onzen God, die oneindig wijs is, en dus weet wat voor ons het beste is; die oneindig goed is — immers Hij heeft ter onzer liefde zijn leven gegeven — en

ocr page 40

36

daarom ook het beste voor ons wil. Laten wij er wel van verzekerd en overtuigd zijn, zegt de H. Basilius, God draagt onvergelijkelijk veel meer zorg voor ons geluk, dan wij zeiven het ooit zouden doen of verlangen kunnen.

§ 5-

WANNEER VOORAL WIJ DE DEUGD VAN GELIJKVORMIGHEID BEOEFENEN MOETEN.

Maar komen wij nu tot de praktijk en zien wij, waarin wij ons in het bijzonder met Gods wil gelijkvormig moeten maken.

I. IN DE GEWONE OMSTANDIGHEDEN.

Op de eerste plaats moeten wij die gelijkvormigheid beoefenen in de natuurlijke dingen, die ons van buiten overkomen, bijv. bij groote hitte, groote koude, regen, duren tijd, besmettelijke ziekte en dergelijke. Wachten wij ons voor uitroepen als deze: welk een on-

ocr page 41

37

dragelijke hitte! welk een ijzingwekkende koude! welk een ongeluk! welk een rampzalig lot! welk een ongelukkige tijd! of voor andere dergelijke uitdrukkingen, die van weinig onderwerping aan Gods wil getuigen. De H. Franciscus de Borgia kwam eens gedurende den nacht voor een huis zijner orde, terwijl het sneeuwde; de heilige klopte verscheidene malen aan, maar daar de paters sliepen, werd hem niet opengedaan. Toen het dag geworden was, hadden dezen er groote spijt van, dat zij hem aldus onder den blooten hemel hadden laten wachten; maar de heilige zeide gedurende dien tijd een grooten troost te hebben gesmaakt bij de gedachte, dat God zelf die sneeuwvlokken op hem liet neervallen.

2. NATUURLIJKE GEBREKEN.

Op de tweede plaats moeten wij de gelijkvormigheid beoefenen in zaken die zich voordoen, in ons zeiven, zooals: wanneer wij honger, dorst, of wel armoede, mistroostigheid, of versmading hebben te lijden. Te allen tijde moeten

ocr page 42

38

wij zeggen: „Heer, handel en beschik Gij naar het IJ goeddunkt, ik ben met alles tevreden, ik wil alleen wat Gij wilt.quot; Pater Rodriguez zegt, dat wij obk op die wijze moeten antwoorden bij die verschillende veronderstellingen, welke de duivel ons soms voor den geest brengt, om ons in een of anderen valstrik te lokken, of ten minste om ons te verontrusten, bijv.: Indien die of die u dit of dat zeide, U zoo en zoo behandelde, wat zoudt gij dan zeggen, wat zoudt gij doen? Laten wij hem dan eenvoudig antwoorden: Ik zou zeggen of doen hetgeen God wil. Op die wijze zullen wij ons voor alle fouten en voor alle kwelling bewaren.

Op de derde plaats: wanneer wij een of ander natuurlijk gebrek hebben, hetzij dan naar de ziel of naar het lichaam bijv. een slecht geheugen, traag verstand, weinig bekwaamdheid, een misvormd lidmaat, zwakke gezondheid, laten wij ons daarover dan niet beklagen. Welke aanspraak hadden wij, en welke verplichting had God om ons een beter verstand, een schooner lichaam te geven? Had Hij ons niet kunnen doen terug-

ocr page 43

39

blijven in het niet? Wie gaat, als hij een geschenk heeft ontvangen, daarop nog bedenkingen maken? Laten wij God dus dankbaar zijn voor hetgeen Hij ons uit louter goedheid heeft gegeven, en zijn wij tevreden met hetgeen Hij van ons gemaakt heeft. Wanneer wij meer talenten, een betere gezondheid, een schooner voorkomen bezaten, wie weet of wij niet verloren zouden gaan? Voor hoevelen zijn niet de talenten en de wetenschap die zij bezaten, een oorzaak geworden van hun eeuwig verderf? immers zij, die in deze dingen boven anderen uitmunten, komen er zoo gemakkelijk toe zich zeiven te verhoovaardigen en hunnen evenmensch te verachten.

Voor hoeveel anderen is de schoonheid of de sterkte des lichaams eene aanleiding geweest om zich in duizend misdaden te werpen? En daarentegen hoevelen, die arm waren of ziek of mismaakt van lichaam, zijn daardoor heilig geworden en zalig; terwijl, indien zij rijk waren geweest of gezond of schoon van uiterlijk, zij misschien verdoemd waren gegaan. Stellen wij ons daarom tevreden met hetgeen God ons heeft gegeven. Porro

ocr page 44

4°

unum est necessarium i). „Er is maar ééne zaaknoodzakelijk.quot; Het is niet noodzakelijk dat wij schoon zijn, niet noodzakelijk dat wij eene goede gezondheid bezitten of een helder verstand, alleen is noodzakelijk, dat wij zalig worden.

3. ZIEKTEN.

Op de vierde plaats. Moeten wij bijzonder overgegeven zijn tijdens de lichamelijke ziekten. Wij moeten deze bereidwillig aannemen, en wel op die wijze en voor al den tijd dien het God behaagt. Evenwel moeten wij de gewone middelen aanwenden, daar ook dit de wil van God is; maar als die middelen niet helpen, laten wij dan onzen wil met Gods wil vereenigen, hetgeen ons veel voordeeliger zal zijn dan de gezondheid. Heer, zoo moeten wij dan zeggen, ik wil niet genezen en ik wil niet ziek blijven; ik wil alleen wat Gij wilt. Zeer zeker, het is hooge deugd zich tijdens de ziekte over zijne smarten niet te beklagen; maar wanneer deze ons hevig kwellen, is het geene fout ze aan onze

1) Luc. 10. 42.

ocr page 45

41

vrienden bekend te maken; noch ook te bidden, dat de Heer er ons van bevrijde. Ik spreek hier echter alleen van groote smarten; want men vindt er velen, die grooteiijks misdoen, omdat zij bij elke geringe smart of lichte ongesteldheid wel zouden verlangen, dat de geheele wereld hen kwam beklagen en over hen kwam schreien.

Doch wat de groote smarten aangaat, wij hooren zelfs Jesus Christus op het punt van zijn lijden te beginnen, zijne smarten aanzijne apostelen bekend maken. „Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe.quot; Trislis est anima me a usque ad mortem l). Ook bidt hij den eeuwigen Vader Hem er van te bevrijden: „Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk van mij voorbijgaan.quot; Pater mi, sipossibile est transeat a me calix iste 2).

Maar Jesus leert ons ook, wat wij moeten doen, nadat wij aldus eens gebeden hebben; nl. ons dadelijk overgeven aan den goddelijken wil, door er bij te voegen: „Nochtans niet gelijk ik wil;

1) Matth. 26. 38.

2) Ibid 39.

ocr page 46

42

maar gelijk Gij.quot; Verumtamen non sicut ego volo, sed sicut tu. Hoe dwaas is het verder van sommige personen te zeggen, dat zij de gezondheid verlangen niet om het lijden, maar om beter bekwaam te zijn voor den dienst van God, om den regel te kunnen onderhouden nuttig te kunnen zijn aan de communiteit, naar de kerk te kunnen gaan, te kunnen com-municeeren, boetvaardigheid te kunnen doen, te kunnen studeeren, te kunnen werken aan het heil der zielen door preeken, biecht hooren enz. Maar ik vraag u, godvruchtige ziel, waarom verlangt gij dat alles te doen ? Om genoegen te geven aan God? En wat gaat gij' dan zoeken, daar gij toch zeker weet, dat het Gods welbehagen is, niet dat gij bidt of te communie gaat of boelvaardigheid oefent of studeert, maar dat gij met geduld die ziekte en die smarten lijdt, welke Hij u heeft overgezonden? Vereenig dus liever uwe smarten met de smarten van Jesus Christus. — Maar het valt mij zoo zwaar, dat ik door mijne ziekte onnuttig, ja een last ben voor de communiteit, voor het huis. Maar gij moet gelooven, dat gelijk gij van uwen

ocr page 47

43

*

kant u aan den goddelijken wil onderwerpt, ook uwe oversten het aldus doen, zij weten immers dat gij dien last aan het huis veroorzaakt, niet omdat gij lui zijt, maar omdat het de wil is van God, O die verlangens, die klachten, zij komen niet voort uit liefde tot God, maar uit onze eigenliefde, die voorwendsels zoekt om ons van den wil Gods afkeerig te maken! Willen wij welgevallig zijn aan God? Welnu laten wij dan, als wij aan het bed zijn gekluisterd, tot God niets anders zeggen dan dit eene woord: „Heer, uw wil geschiede,quot; Fiat voluntas tua ! en dat eene woord laten wij het immer herhalen, tot honderd en duizendmaal toe, want daardoor alleen zullen wij aan God meer genoegen geven dan door alle mogelijke verstervingen en oefeningen van g0dsvrucht. Er is geen beter manier om God te dienen, dan zich met blijdschap te onderwérpen aan Zijnen heiligen wil. De eerwaardige Pater Avila schreef eens aan een kran-ken priester als volgt: „Mijn vriend, houd u thans niet bezig met na te gaan, wat gij doen zoudt als gij gezond waart; maar stel u tevreden met ziek te zijn zoolang

ocr page 48

44

•

het aan God zal behagen. Als gij den wil van God zoekt, wat maakt het u dan of gij gezond zijt of ziek?quot; En zeer zeker, die dienaar Gods zeide dit met reden, want God wordt niet zoozeer verheerlijkt door onze werken, als wel door onze overgeving en onze gelijkvormigheid aan zijnen heiligen wil. Daarom zeide ook nog de H. Franciscus van Sales, dat men God beter dient met lijden dan met werken.

Dikwijls ook zal het ons aan een geneesheer of geneesmiddelen ontbreken, of wel de geneesheer zal er niet in slagen onze ziekte te kennen; ook dan moeten wij ons onderwerpen aan den wil van God, daar Hij dit alles weder zoo beschikt tot ons welzijn. Men verhaalt van zekeren man, die een groote godsvrucht had tot den H.Thomas van Kantelberg, dat hij, toen hij eens ziek was, bij het graf van dien heilige zijne gezondheid ging vragen; en hij keerde gezond naar zijn geboorteplaats terug; maar, zoo dacht hij later bij zich zeiven, indien die ziekte eens beter ware voor mijne zaligheid, waartoe zou mij dan mijne gezondheid dienen? Onder den indruk dier gedachte keerde hij naar

ocr page 49

45

het graf weder en bad nu den heilige datgene voor hem te vragen, wat het beste was voor zijn eeuwige zaligheid; nauwelijks had hij dit gedaan, of hij herviel in zijne ziekte en was er zeer blijde mee, want hij was nu overtuigd, dat God het zoo beschikte tot zijn welzijn. Eveneens verhaalt Surius, dat zekere blinde, door de voorspraak van den heiligen bisschop Vedastus ziende werd. Doch later bad hij den heilige, om ingeval het gezicht niet dienstig was voor zijne zaligheid, weder blind te mogen worden, en ziet, nadat hij aldus gebeden had, werd hij weder blind gelijk te voren. Het beste dus, als wij ziek zijn, is noch gezondheid noch ziekte te vragen, maar ons eenvoudig over te geven aan den wil van God en Hem over ons te laten beschikken, gelijk Hem goeddunkt. Willen wij echter de gezondheid vragen, laten wij het dan ten minste doen met overgeving en onder voorwaarde, dat de gezondheid van ons lichaam wenschelijk zij voor de zaligheid onzer ziel; anders is ons gebed verkeerd, en zal door God niet worden verhoord, want God verhoort geen gebe-

ocr page 50

46

den, die niet met overgeving geschieden.

Den tijd van ziekte noem ik den toetssteen der geesten, want dan leert men kennen van welk gehalte de deugd is die eene ziel bezit. Als die ziel dan niet ongeduldig wordt, zich niet beklaagt, niet allerlei middelen zoekt: maar gehoorzaam is aan geneesheeren en oversten, zich rustig houdt, gansch overgegeven aan den wil van God, dan is dit een teeken, dat er werkelijk deugd in die ziel is. Maar wat te zeggen van een zieke, die zich beklaagt, die zegt dat de anderen hem niet genoeg bijstaan, dat zijne pijnen ondragelijk zijn, dat geen enkel geneesmiddel hem helpt, dat de geneesheer er niets van weet, ja zich somwijlen over God beklaagt, als drukte diens hand al te zwaar op hem? Toen de H. Franciscus, zoo verhaalt ons de H. Bonaventura i) in diens leven, eens op buitengewone wijze door de smarten werd gekweld, sprak een zijner kloosterlingen hem in zijnen al te grooten eenvoud aldus toe: Vader, bid toch den goeden God u een weinig genadiger te

i) C. 14.

ocr page 51

47

behandelen, want Hij schijnt zijn hand al te zeer op u te verzwaren. Maar toen Franciscus dit hoorde, slaakte hij een kreet: Wist ik niet, zoo luidde zijn antwoord, dat uw onnoozelheid u aldus deed spreken, ik zou u nimmer meer onder mijn oogen willen zien, daar gij aldus de oordeelen Gods durft laken. En dit gezegd hebbende, wierp hij zich, hoewel geheel verzwakt en uitgeput van pijn, uit zijn legerstede op den grond en terwijl hij dien kuste, riep hij uit: Ik dank U, Heer, voor al de smarten, die Gij mij hebt overgezonden, ik bid U, indien het U behaagt, er mij nog meer te geven. Het is mijn verlangen, dat Gij mij kastijdt en mij niet spaart; want de vervulling van uwen heiligen wil is voor mij de grootste troost, dien ik op deze wereld kan genieten.

4. VERLIES VAN PERSONEN DIE ONS NUTTIG ZIJN.

Die onderwerping is ook noodig bij het verlies van sommige personen die ons naar het tijdelijke of geestelijke nuttig zijn. De godvruchtige zielen begaan hieromtrent niet zelden groote fouten, daar

ocr page 52

48

zij zich hierin dikwijls niet aan de goddelijke beschikkingen onderwerpen. Niet van onze zielsbestierders moet onze heiligheid komen, maar van God. God wil dat wij ons voor de leiding onzer ziel van bestierders bedienen; doch alleen dan, wanneer Hij ze ons geeft; wanneer Hij ze ons echter ontneemt, wil Hij, dat wij daarover niet ontevreden zijn, maar dat wij dan des te meer vertrouwen stellen op Zijne goedheid, en Hem zeggen: Heer, Gij waart het die mij dien steun hadt gegeven. Gij ook zijt het die hem mij hebt ontnomen, dat uw wil te allen tijde geschiede; Doch kom Gij nu zelf tusschen beiden, leer Gij zelf mij thans, wat ik doen moet om U te dienen. En eveneens moeten wij alle andere kruisen, die God ons overzendt, uit zijne handen aannemen. Maar, zegt gij, die wederwaardigheden zijn straffen. Doch ik antwoord: Zijn dan de straffen, die God ons in dit leven overzendt, geen genaden, geen weldaden? Als wij God beleedigd hebben, moeten wij allen op een of andere wijze aan zijne rechtvaardigheid voldoen, hetzij dan hier of hiernamaals. Laten wij

ocr page 53

40

daarom met den H, Augustinus zeggen; „Heer brand hier, snijd hier, spaar ons niet op deze wereld; maar spaar ons in de eeuwigheid?quot; Ilic ure, hic seca, hic non parcas, ut in aeternum pareus ; en met Job: „Heer dit zij mijn troost, dat Gij mij kastijdt en mij niet spaart.quot; Haec sit tnihiconsolatio, utaffli-gens me dolore non parcas i). Zeer zeker, iemand, die de hel verdiend heeft, moet verheugd zijn, als hij ziet dat God hem op deze wereld kastijdt, want dit moet hem zeer bemoedigen in zijne hoop, dat God hem in het andere leven wil sparen. Wanneer derhalve God ons beproeft, zeggen wij dan met den hoogepriester Heli: „Hij is de Heer, Hij doe wat goed is in zijne oogen.quot; Dominus est, quod bonum est in oculis suis faciat 2).

5. GEESTELIJKE KWELLINGEN.

Verder moeten wij ook nog gelaten zijn te midden van de kwellingen des geestes. Wanneer eene ziel zich op het geestelijk leven begint toe te leggen,

4

1) 6. io.

2) I Reg. 3. 18.

De Gelijkvormigheid.

ocr page 54

5°

zal God haar gewoonlijk doen overvloeien van troost; maar als zij reeds meer in het inwendige bevestigd is, trekt God zijne hand terug. De Heer wil dan hare liefde beproeven, en zien of zij Hem ook dienen zal zonder reeds op deze wereld met gevoeligen troost te worden beloond. Zoolang wij leven (zegt de H. Theresia) is het niet te doen om veel van God te genieten; maar om zijnen H. wil te volbrengen. De liefde Gods bestaat niet in een teeder gevoel, maar in moedig en nederig God te dienen. Met dorheid en bekoringen (zegt zij op eene andere plaats) neemt God de proef, wie Hem waarlijk beminnen. Laat de ziel dus God bedanken, wanneer zij die zoetheden van Hem mag ontvangen; maar laat zij niet treurig of ongeduldig worden, als zij zich van dien troost beroofd ziet. Het is noodzakelijk hier de aandacht wel op te vestigen; sommige dwaze zielen toch meenen, als zij zich in dorheid bevinden, dat God hen verlaten heeft, of wel dat voor hen het geestelijk leven niet gemaakt is; en aldus laten zij het gebed varen en verliezen weder alles wat zij tot dan toe

ocr page 55

hadden gedaan. Er is geen schooner tijd om ons in de onderwerping aan den wil Gods te oefenen, dan juist de tijd van dorheid. Ik zeg niet, dat gij geen smart moet gevoelen, als gij u van de tegenwoordigheid van uwen God beroofd gevoelt; het is niet mogelijk dat eene ziel zulks niet gevoelt, dat zij zich daarover niet beklaagt; immers onze Verlosser zelf beklaagde er zich over aan het kruis: „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?quot; Deus tneus. Deusmeus, ut quid dereliquisti me i) ? maar zij moet zich in haar lijden immer geheel overgeven aan den wil van God. Alle heiligen hebben die troosteloosheid en verlatenheid geleden. Welk eene verhardheid van gemoed gevoel ik (schrijft de H. Bemardus); ik vind geen lust meer in de geestelijke lezing, geen behagen meer in de overweging, geen behagen meer in het gebed! De-heiligen waren meestal in staat van dorheid en beroofd van ge-voeligen troost. Dezen laatsten schenkt God slechts zelden, mogelijk alleen aan zielen, die min of meer zwak zijn, om

i) Matth. 27. 46.

ocr page 56

52

hen op den weg der volmaaktheid niet te doen achterblijven; maar de geneugten die als belooning moeten gelden, behoudt Hij ons voor in het paradijs.

Deze aarde is een plaats van verdiensten, doch die verdienste wordt verkregen door lijden; de hemel is de plaats van belooning en van vreugde. Het verlangen en het streven der heiligen was daarom niet die gevoelige ijver met troost gepaard, maar de geestelijke ijver gepaard met lijden. O, riep de eerbiedwaardige Joannes Avila uit, hoeveel beter is het in dorheid en bekoringen te zijn met den wil van God, dan zonder dien wil in verheven beschouwing!

Maar, zult gij zeggen, indien ik wist dat die dorheid mij werd toegezonden door God, zou ik er mede tevreden zijn ; hetgeen mij echter kwelt en verontrust, is de vrees, dat zij misschien mijn eigen schuld is en eene straf voor mijne lauwheid. Goed, verbeter u dan van uwe lauwheid, betoon u vlijtiger; of moet gij misschien, omdat ge in dorheid zijt, u zeiven gaan beangstigen, daarom nalatig worden in het gebed en alzoo uw ellende verdubbelen? Toegegeven: uwe

ocr page 57

53

dorheid is voor u, gelijk gij zegt, eene straf; wordt die straf u dan niet toegezonden van God? Neem haar dus aan als eene kastijding die gij wel verdiend hebt, en vereenig u met den wil van God. Zegt gij niet, dat gij de hel hebt verdiend ? Waarom beklaagt gij u dan nu ? Verdient gij wellicht, dat God u vertroost? Kom, wees tevreden met de wijze waarop gij door God behandeld wordt, volhard in uw gebed, ga op den ingeslagen weg voort, en zie voortaan wel toe of misschien uwe klachten niet voortkomen uit gebrek aan nederigheid en uit uwe geringe overgeving aan den wil van God. Wanneer eene ziel zich tot het gebed begeeft, kan zij nooit grooter voordeel doen dan zich te vereenigen met den goddelijken wil; zeg daarom met groote overgeving; Heer ik neem deze beproeving uit uwe handen aan, ik neem haar aan voor zoolang het u behaagt. Indien het uw wil is, mij gedurende de gansche eeuwigheid in dezen droevigen staat te laten, ik ben er mede tevreden. Een gebed op die wijze gedaan is wel is waar niet aangenaam, maar zal u nuttiger zijn dan de zoetste vertroosting.

ocr page 58

54

Men moet echter bedenken, dat de dorheid niet altijd een straf is; dikwijls is zij niets anders dan eene beschikking Gods tot ons welzijn, een middel om ons nederig te houden. Opdat de H. Paulus zich op zijn ontvangen gaven niet zou verhoovaardigen, liet God toe, dat hij gekweld werd door bekoringen van onzuiverheid; „Opdat de grootheid der openbaringen mij niet verheffe, is mij een prikkel mijns vleesches gegeven, een engel Satans om mij te slaan.quot; Ne mag-nitudo revelationum extollat me, datus est mihi stimulus carnis meae, angelus Sata-nae qui me colaphizet i). Wie het gebed beoefent te midden van vertroostingen doet niets groots. Est amicus socius men-sae meae et non permanebit in die necessitatis 2). Niet hem die alleen aan tafel met u is, zult gij voor uwen waren vriend houden; maar hem, die u in uwe kwellingen ter zijde staat, en dat geheel belangeloos. Wanneer God duisternis en kwelling overzendt, dan keurt Hij zijne ware vrienden. Een zekere Palladius had

1) 2 Cor. 12. 7.

2) Eccl. 6t 10,

ocr page 59

55

eens veel te lijden van dorheid in het gebed. Hij ging nu naar den H. Maca-rius, en deze gaf hem den volgenden raad: Wanneer, zeide hij, bij u de gedachte opkomt om het gebed te verlaten, moet gij antwoorden: Gaarne wil ik ter liefde van Jesus Christus mij tevreden stellen hier de muren mijner cel te bewaken. Ziedaar wat ook gij moet antwoorden. Als gij bekoord wordt om het gebed te laten varen en het u toeschijnt daar slechts tijd te verliezen, zeg dan: Ik ben hier om genoegen te geven aan God. Al deden wij in het gebed niets anders dan de verstrooiingen en de bekoringen verdrijven, zegt de H. Franciscus van Sales, toch zou ons gebed goed zijn. Ja, zegt Tauler, als iemand ondanks de dorheid in het gebed volhardt, zal God hem meer genaden geven dan indien hij langen tijd zou bidden met grooten ge-voeligen troost. Pater Rodriguez verhaalt, dat zeker persoon gedurende veertig jaren in zijn gebed nooit eenigen troost had gesmaakt; maar dat hij toch op de dagen dat hij het deed, zich immer sterk gevoelde in de deugd, daarentegen

ocr page 60

56

wanneer hij het achterwege liet, eene zóó groote zwakheid ondervond, dat hij tot niets goeds in staat was. Volgens den H. Bonaventura en Gerson zullen velen God beter dienen als zij de verlangde ingetogenheid niet bezitten dan wel; want zonder deze zullen zij veel zorgvuldiger zijn en zich beter bewaren in de nederigheid; terwijl zij anders misschien hoovaardig zouden worden of zich aan lauwheid zouden overgeven, denkende, dat zij hetgeen zij zochten reeds hadden verkregen. En wat hier gezegd wordt van de dorheid, geldt ook van de bekoringen. Wij van onzen kant moeten zorgen de bekoringen te vermijden, doch wanneer God wil of toelaat, dat wij bekoord worden, hetzij dan tegen het geloof of tegen de zuiverheid of tegen welke deugd ook, moeten wij ons daarover niet beklagen, maar ons ook daarin onderwerpen aan den goddelijken wil. Toén de H. Paulus om bevrijding bad van de bekoringen tegen de zuiverheid antwoordde hem de Heer: Sufficit tibi gratia mea i). „Mijne genade isu genoeg.quot;

i) 2 Cor. 12. 9.

ocr page 61

57

Dit geldt ook voor ons. Als wij dus zien dat God ons niet verhoort en ons van een of andere lastige bekoring niet wil bevrijden, zeggen wij dan: Heer handel en beschik Gij gelijk het u behaagt; mij is uwe genade genoeg; doch help mij die toch nooit te verliezen. Niet de bekoring, maar de toestemming in de bekoring berooft ons van de genade Gods. Wanneer wij echter de bekoringen bestrijden, dan zijn zij voor ons een middel om nederig te blijven, doen onzeverdienstenaangroeien, maken dat wij veelvuldiger onze toevlucht tot God nemen, en aldus houden zij ons ervan terug God te beleedigen en vereenigen ons inniger met zijne liefde.

6. UE DOOD.

Ten laatste moeten wij aan Gods wil gelijkvormig zijn wat aangaat onzen dood; wij moeten dien willen aanvaarden op den tijd en de wijze, waarop God ons dien wil overzenden. Toen de H.Gertrudis i) eens een heuvel beklom, gleed zij uit en viel in een laagte. Hare gezellinnen vroegen haar

i) L. I. vita c. II.

ocr page 62

58

nu of zij niet bevreesd was geweest om te sterven zonder Sacramenten. Zij antwoordde : vurig verlang ik te sterven met de Sacramenten, maar meer prijs stel ik op den wil van God, want ik houd voor zeker dat de beste gesteltenis die men hebben kan om goed te sterven, daarin bestaat dat men zich eenvoudig onderwerpt aan den goddelijken wil. Ik verlang daarom eiken dood, dien het God behagen zal mij tegeven. De H. Gregorius verhaalt in zijne dialogen i), dat de Vandalen zekeren priester hadden ter dood veroordeeld, met name Santo lus, wien zij toestonden zelf den dood te kiezen, dien hij wilde ondergaan. De heilige man echter wilde niet kiezen, maar zeide: Ik ben in de handen van God en daarom wil ik den dood sterven, welken gij door zijne toelating mij zult aandoen: dien dood alleen wil ik en geen andere. Deze daad was aan God zóó aangenaam, dat, toen die barbaren den priester hadden veroordeeld om onthoofd te worden. God den arm van den beul terughield; de barbaren door dit

i) Lib, 3. cap. 37,

ocr page 63

59

wonder getroffen schonken den priester het leven. Derhalve, wat de wijze van sterven aangaat, moeten wij dien dood voor het beste houden, welken God ons heeft voorbestemd. Als wij aan onzen dood denken, zeggen wij dan altijd ; Heer, maak slechts dat wij zalig worden en laat ons dan sterven, gelijk het U behaagt.

Eveneens moeten wij onderworpen zijn, wat aangaat het tijdstip van onzen dood. Wat immers is deze wereld ? Wat anders dan een kerker, waarin wij alleen zijn om te lijden, waar wij elk oogenblik in gevaar verkeeren om beroofd te worden van God ? Het was daarom dat David uitriep: Educ decustodia aiiimam meam i). „Heer, voer toch mijn ziel uit dezen kerker.quot; Ziedaar ook waarom de dood zoo vurig begeerd werd door de H. There-sia. Als deze heilige de klok hoorde slaan, werd zij gansch opgeruimd denkende dat er alweder een uur van haar leven voorbij was, een uur van gevaar om God te verliezen. Volgens Pater Avila moet een ieder, die in redelijk goede gesteldheid is, naar den dood verlangen en dat wel

i) Ps, 141. 8,

ocr page 64

6o

om het gevaar wat men immer loopt de genade Gods te verliezen. Wat is er beter en wenschelijker dan door een goeden dood, de zekerheid te erlangen dat wij de genade van onzen God nooit weer zullen verliezen? Doch, zult gij zeggen, ik heb nog niets gedaan, nog niets heb ik voor mijne ziel verdiend. Maar wanneer het de wil van God is dat gij thans uw leven eindigt, wat zult gij dan later nog doen, als gij zult leven tegen den wil Gods ? Wie weet zelfs of gij dan nog wel zoudt sterven, gelijk gij dat nu moogt verhopen? Wie weet of gij niet zoudt omkeeren, opnieuw in zonde vallen, en verloren gaan ? En ook, al was er anders geen reden; zoolang gij leeft, kunt ge niet leven zonder zonde, althans zeker niet zonder kleine zonde. „Waarom,quot; roept daarom de H. Bernardus uit, „waarom verlangen wij te leven, daar wij hoe langer wij leven, des te meer zonden doen? Cur vitam desidetamus, in qua quanto amplius vivimus tantopluspeccamus i). Welnu het is zeker: één dagelijksche zonde mishaagt aan God

i) Med, a 8,

ocr page 65

6i

meer dan al onze goede werken Hem kunnen behagen.

Daarenboven zeg ik dat iemand, die weinig verlangen heeft naar den hemel, blijk geeft van weinig liefde tot God. Als men bemint, verlangt men het bijzijn van den beminde; doch God kunnen wij niet zien, indien wij niet weggaan van de aarde. Alle heiligen dan ook hebben verlangd naar den dood om alzoo tot de aanschouwing te geraken van hunnen beminden Heer.

Zoo verzuchtte een H. Augustinus: „O, mocht ik sterven om U mijn God te aanschouwen.quot; Eja moriar, ut te video m. Zoo een heilige Paulus: „Ik verlang ontbonden te worden en met Christus te zijn.quot; Desiderium hahens dissolvi et esse cum Chrisio i). Zoo een David : „Wanneer zal ik komen en verschijnen voor Gods aangezicht?quot; Quando veniatn et apparebo ante faciem Dei 2) ? En eveneens alle zielen, die liefde voor God hebben. Zeker schrijver verhaalt dat een ridder eens, terwijl hij op jacht was in

1) Philip. 1. 23.

2) Ps. 41. 3.

ocr page 66

62

een bosch, iemand zeer schoon hoorde zingen; hij ging voort, en vond een armen melaatsche, bijna half verteerd; waart gij het, vroeg hij, die daar zong? Ja Heer, antwoordde de melaatsche, dat was ik. Maar hoe kunt ge zingen en , zoo gelukkig zijn te midden van al uwe smarten, die u weldra het leven zullen kosten ? De melaatsche antwoordde: Tusschen God en mij, o Heer, bevindt zich geen andere scheiding meer dan deze muur van slijk, nl. mijn lichaam; wordt deze hinderpaal weggenomen, dan ga ik het aanschijn van mijnen God genieten. Welnu ik zie dat zij eiken dag al meer en meer uit een valt, ziedaar waarom ik verheugd ben, en zing.

7. GEESTELIJKE GOEDEREN.

Ten slotte moeten wij ook gelijkvormig zijn met den wil van God wat aangaat den graad van genade en glorie. Wij moeten wel is waar alles wat op Gods glorie betrekking heeft, höog schatten; maar bovenal moeten wij hoogachting hebben voor zijn heiligen wil. Wij moeten verlangen God meer te

ocr page 67

63

beminnen dan de seraphijnen; maar wij moeten geen hoogeren graad van liefde verlangen dan God besloten heeft ons te geven. Ik geloof niet, zegt Pater Avila, dat er één heilige geweest is, die niet verlangde beter te zijn dan hij was; maar dit verlangen benam hun .den vrede niet, want zij verlangden dit niet voor zich zeiven, maar alleen om God. Zij waren daarom tevreden met hetgeen God hun had toegedeeld, al was het ook dat zij minder hadden ontvangen, want zij achtten het grooter liefde, tevreden te zijn met hetgeen God hun gaf, dan te verlangen naar meer. Ofschoon wij dus, gelijk Pater Rodriguez i) dit uitlegt, al ons best moeten doen om de volmaaktheid te bereiken, en wij ons van het bovenstaande niet als uitvlucht mogen bedienen voor onze lauwheid en traagheid, door gelijk sommigen te zeggen; „God moet het mij geven, ik kan niet meer doen dan ik doe,quot; toch, zoo gaat hij voort, mogen wij, indien wij een fout bedrijven, daarom den vrede niet verliezen, noch ons daarom minder onderwerpen aan den wil van God, die

i) Tr. 8. c. 30.

ocr page 68

64

onze fout heeft toegelaten, noch den moed laten zinken, neen wij moeten dan aanstonds van onzen val opstaan, ons vol berouw voor God vernederen, en na Hem om nieuwe hulp te hebben gevraagd, op onzen weg voortgaan. Eveneens mogen wij gerust verlangen in den hemel een plaats te mogen innemen onder de Seraphijnen — niet om zelf grooter glorie te genieten, maar om grooter glorie te kunnen geven aan God en Hem meer te beminnen — doch wij moeten ons niettemin onderwerpen aan Gods heiligen wil, en ons tevreden stellen met dien graad van glorie, welken Hij in zijn barmhartigheid zich verwaardigen zal ons te geven.

Een zeer bedenkelijke fout echter zou het zijn, naar de gaven van een bovennatuurlijk gebed te verlangen, en bijzonder te verlangen naar geestverrukkingen, visioenen en openbaringen. Integendeel, de meesters van het geestelijk leven zeggen, dat zij die door God met dergelijke gunsten bevoorrecht zijn. Hem moeten bidden om er van beroofd te mogen worden en om Hem te mogen beminnen met eenvoudig te

ocr page 69

65

gelooven, daar dit de veiligste weg is. Velen zijn zonder die bovennatuurlijke gaven tot de volmaaktheid gekomen; alleen de deugden zijn het, die de ziel tot de heiligheid brengen, en vooral de gelijkvormigheid met den wil van God. Als het echter aan God niet behaagt ons tot een verheven graad van volmaaktheid en glorie te verheffen, onderwerpen wij ons dan ook daarin aan zijnen heiligen wil, en vragen wij dat Hij ons in zijne barmhartigheid ten minste zalig make. Als wij zoo doen, dan zal het loon wat Hij ons in zijne goedheid geven zal, niet gering zijn, want onze goede God bemint bij voorkeur de onderworpen zielen.

§ 6.

BESLUIT.

In één woord, wij moeten alles wat ons overkomt of ons ooit zal overkomen, beschouwen als voortkomende uit de handen van God. En al onze handelingen moeten wij ondergeschikt maken De Gelijkvormigheid. 5

ocr page 70

66

aan dit ééne doel: den wil van God te doen en alles te doen omdat God het wil. Om nu hierin met meerder zekerheid voort te gaan, moeten wij wat het uiterlijke aangaat ons geheel verlaten op de leiding van onze oversten, en wat het inwendige betreft, op de leiding onzer zielbestierders; van Imi moeten wij vernemen, wat God van ons wil. Wij moeten daarom een groot vertrouwen stellen in de woorden van JesusChristus: Qui vos audit, me audit i). »Die Uhoort, hoort Mij;quot; bovenal moeten wij bezorgd zijn om God te dienen in dien staat, waarin Hij door ons gediend wil worden. Ik zeg dit om te waarschuwen voor de misleiding van sommigen, die hun tijd verbeuzelen en zich tevreden stellen met allerlei nuttelooze verlangens. Als ik in een woestijn zou leven, zeggen zij, als ik in een klooster zou kunnen gaan, dit huis zou kunnen verlaten, verwijderd konde zijn van die of die bloedverwanten, die of die vrienden, dan zou ik mij toeleggen op de heiligheid, ik zou die en die gestréngheden oefenen.

i) Luc. io. 16.

ocr page 71

6;

zooveel tijd wijden aan het gebed. Immer zeggen zij: „ik zou, ik zouquot; maar middelerwijl dragen zij met tegenzin het kruis, dat God hun overzendt: in in één woord zij wandelen niet op den weg dien God wil, en worden niet alleen niet heilig, maar vervallen van kwaad tot erger. Zulke verlangens zijn meermalen bekoringen van den duivel, want veelal zullen zij niet zijn volgens den wil van God. Laten wij ze daarom van ons verwijderen, laten wij God op dien weg alleen willen dienen, welken Hij voor ons bepaald heeft. Als wij zijnen wil volbrengen, zullen wij zeker heilig worden in welken staat de Heer ons dan ook moog' plaatsen. Welaan laten wij immer alleen willen, wat God wil, ja doen wij dat, en God zal ons aan zijn hart drukken. Maken wij ons daarom eenige plaatsen uit de Schrift eigen, die er ons bijzonder aan herinneren om ons immer met Gods wil te vereenigen, zooals: Domine, quid me vis facere? „Mijn God, zeg mij, wat wilt Gij van mij, ik wil alles doen.quot; Tuus sum ego, salvum me fac i). „Ik i) Ps. 18. 94.

ocr page 72

68

behoor mij zeiven niet meer toe, ik ben de uwe, o mijn God, welaan doe met mij wat Gij wilt.quot; En bijzonder als ons een zwaarder kruis treft, zooals de dood van bloedverwanten, het verlies van goederen, of iets dergelijks, o herhalen wij dan immer: Ita Pater, itapater, quoniam sic fuit placitum ante te, i) ,Ja mijn God, en mijn Vader, ja zoo geschiedde het, want zoo is het beha-gelijk geweest aan U.quot; Laat ons vooral een bijzondere voorliefde hebben voor dat gebed, hetwelk ons geleerd is door Jesus Christus: Uw wil geschiede op aarde als in den hemel. Fiat voluntas tua sicut in coelo et in terra. De Heer zeide eens aan de H. Catharina van Genua, dat zoo dikwijls zij het „Onze Vaderquot; bad, zij bij die woorden een wijl moest stilstaan en dan moest vragen, dat Gods heilige wil in haar zóó volmaakt mocht volbracht worden, als de heiligen dien vervullen in den hemel. Doen ook wij zoo, en wij zullen zeker heilig worden.

i) Matth. II. s6.

ocr page 73

69

De H. zuil van God en de onbevlekte Maagd Maria mogen immer bemind en geprezen zijn /

ocr page 74

-

ocr page 75

INHOUD.

Bladz.

Voortreffelijkheid dier deugd 3

Gelijkvormigheid in alles . . 12

Over het geluk dat die volmaakte gelijkvormigheid schenkt. 20

God wil slechts ons geluk . . 28 Wanneer vooral wij de deugd van gelijkvormigheid beoefenen moeten.......36

1. In de gewone omstandigheden.

2. Natuurlijke gebreken.

3. Ziekten.

4. Verlies van personen die ons nut

tig zij'n.

5. Geestelijke kwellingen.

6. De dood.

7. Geestelijke goederen.

Besluit.........65

ocr page 76
ocr page 77
ocr page 78
ocr page 79