.EI WAPEN irmca
V â . â ⢠.4 ;â
;STORISCH yERHAAL.
... : ⢠' ;â v, â /quot; ' y. , A-i
Nitóir het Hoogduitscli Vau JOHANNA BALTZ/
DOOR -
JAC. P. VAN TERM.
: v4
//cf
No. fs/
G. W. van Belle. â Rotterdam.
Naar het Hoogdultsch van JOHANNA BALTZ,
door
JAC. P. VAN TERM.
VAK
LUMEN IN CCELO.
Des bisschops jubeltij doet 's graven kleuren pralen In d' êelsten purpergloed, in gulden gloriewolk.... Hoog rijst des Pausen licht naast Satans wereldkolk, Waarin haast volk aan volk en land aan land verdwalen.
En Leo's koningsstar giet hare flonkerstralen
Langs d' eeuwig groenen boom, der Kerke zinnetolk. Der eenheid zilvren band snoert innig Christus' volk En buigt zich tot wie nog in schaüw of scheuring dralen.
Twee lelies, louter goud, â een beeld des hoogren levens: Symbool van 't rein geloof, van zuivre zeden tevens. â 't Azuurveld doet den blik vol hoop ten hemel slaan.
Dat wapen zij ons schild! Verlichte ons Leo's starre Het smalle levenspad. Wat immer ons benarre, â Wijst Petrus ons den weg, nooit zullen we ondergaan!
v. T.
Op LEO XIII's gouden bisschopsfeest.
O bienheurenx mille fois L'enfant que le Seigneur aime,
Qui de bonne heure entend sa voix, Et que ce Dien daigne instruire lui-mêmel
Racine.
Het was in de tweede helft der zestiende eeuw.
De kleurenpracht van een Italiaanschen nazomer lag over het Volscer gebergte en spreidde het een wonderlijk veelkleurigen mantel. Nog stonden de rijzige eiken in donkergroenen tooi; het breede loof der trotsche kastanjes had reeds een gouden tint aangenomen en stak lichtend af bij het blauwgroen gebladerte der olijven en de donkere vormen der slanke pijnen. Uit het weelderig heidekruid der Romeinsche Campanula sproten sierlijke klokjes, en overal deed het zilverkruid zijn getakt blad doorschemeren.
De dag ging ter ruste. In het westen vlamden purperen wolken en wierpen haar rozigen schijn over het rustige landschap.
Waar een bergrug het stadje Alagna, thans Anagni geheeten, nadert, zaten een zeventienjarige knaap en een veertienjarig meisje koutend en spelend op den zachten grond.
âKijk eens, Jaco,quot; zeide het meisje, âhet is, alsof wij hier in een vlammenzee zitten.quot;
De vergelijking was juist. Het heidekruid droeg
6
purperen bloesem, en de duizenden Erica-bloempjes tintelden van een gloeiend avondrood. Het was, alsof aan iedere bloem, aan ieder blad een vlammetje flikkerde, en de kinderen geheel in het warme schijnsel daarvan gehuld waren.
De knaap hief het hoofd op en zag zijne speel-genoote met bewondering aan; de donkere oogen in het krachtig gesneden gelaat verwijdden zich van verbazing.
â Grij ziet eruit als een engel, Liliariep hij, âen uw haar glanst als een gouden kroon.quot;
Lilia lachte.
âWat spreekt gij dwaas, Jaco. Als een engel! Engelen hebben witte vleugels en zachtblauwe oogen. En mijne oogen zijn zwart, evenals de uwe, en vleugels heb ik in het geheel niet. Gij, arme Jaco, ondervindt ook dagelijks, hoe weinig engelachtig ik mij gedraag. Neen, amico, ik ben maar een onnut meisje.quot;
Jaco scheen deze meening niet te deelen; nog altijd rustten zijne blikken op het bekoorlijke kindergelaat.
âHoe eigenaardig staat dat lichtblonde haar bij uwe donkere oogen,quot; zeide hij nadenkend, âen uw voorhoofd is zoo marmerblank, â men zou niet zeggen, dat gij in Italië geboren zijt, waar alle anderen door de zon gebruind schijnen.quot;
âDat komt, doordat een mijner voorvaderen met eene Duitsche gehuwd is,quot; antwoordde de kleine wijs; âzij kwam als dochter van een ridder in het gevolg van den grooten koning Carolus Magnus mede over de Alpen, toen deze te Rome tot keizer ge-
7
kroond werd. Alle dochters uit haar geslacht hebben hare blanke tint en heur goudblond haar overgeërfd.quot;
âWat weet gij dat alles mooi te vertellen.quot;
Lilia trok de schouders op.
â Als ik het nu ook nog niet wist!.... Onze dienstvrouw vertelt het mij eiken dag opnieuw.quot;
âZit eens een oogenblik heel stil,quot; verzocht Jacopo, âen wend uw gelaat een weinig af, zoodat ik goed de profiel-lijn ervan kan zien.quot;
Glimlachend deed het meisje, wat haar gevraagd was, en met bekwame hand kneedde Jacopo een uit den grond genomen stuk leem, tot werkelijk een beeld van het fijne kopje der kleine onder zijne lenige vingeren ontstond.
Lilia stiet een kreet van verbazing uit.
âWonderlijk, Jaco! Prachtig! Dat ben ik wezenlijk. Zoo duidelijk is u nog zelden iets gelukt! Dit is nog mooier dan het kleine beeld van mijn vader, dat gij uit gips gemaakt hebt.quot;
âU ken ik ook beter dan iemand anders,quot; antwoordde de knaap, â en ik houd ook van niemand op de wereld zooveel als van u. Kijk eens, ik heb wat voor u meegebracht; ik wilde het u eerst pas bij het naar huis gaan geven, maar neem het nu maar.quot;
Hij ontknoopte een doek en reikte haar een aantal sierlijke figuurtjes over: eene gems, eene springende ree, Lilia's geliefkoosd hondje, trouw nagebootst, en zelfs het relief-portret harer oude dienstvrouw.
Buiten zichzelve van vreugde, sloeg de kleine de handen ineen en wist geen woorden genoeg te vin-
8
en, om haar dank en bewondering uit te drukken.
âGij zijt een kunstenaar, Jacopo, een groot, groot unstenaar.quot;
De knaap glimlachte ernstig.
âIk wil het eens worden, Lilia. Het volgend jaar ga ik naar Rome, bij een beroemd meester, en leer zijne kunst. En als de heele wereld dan van mij spreekt, en ik een groot beeldhouwer geworden ben, dan kom ik naar Alagna terug, en wordt gij, Lilia, mijne____quot;
â Alweer aan het spelen en droomen!quot; stoorde eene volle, heldere stem Jacopo's plannen voor de toekomst, en omziende ontwaarden de kinderen een ongeveer twintigjarigen jongeling, die tegen den stam van een pijnboom leunde.
â Antonio Pecei!quot; zeide Jacopo halfluid.
âHijzelf,quot; hernam dc jongeling lachend. âIk ben met mijn vader bij de Del Rocca's op bezoek gekomen. Toen ik naar Lilia vroeg, werd mij geantwoord , dat zij met haar speelkameraad in het gebergte was gegaan. Ik ging op zoek, en daar vind ik nu de kinderen aan het spelen.quot;
Jacopo stond op; zijn donker gelaat nam een stroeven trek aan, toen Antonio hem een spelend kind noemde. De donkere oogen richtten zich met eene grammoedige uitdrukking op den jongen edelman , en de trotsch besneden mond opende zich tot een scherp antwoord.
Doch zijn toorn week. Jacopo Deli, hoewel naaide jaren werkelijk nog een kind, bezat reeds den kunstenaarsblik, de opmerkingsgave van een volwassene, en deze ontwapenden hem bij den aanblik
9
der ideaalschoone jongelingsgestalte voor zich. Vroeger had hij Antonio Pecci slechts vluchtig gezien; dit heerlijk gevormde hoofd met de geestige trekken had hem nooit zoo schoon toegeschenen, de gestalte nooit zoo slank en krachtig tegelijk.
Antonio was in het Volscer gebergte geboren maar had zijn studietijd bij verwanten te Siena door1 gebracht, uit welke stad zijn grootvader afkomstig was. Terwijl deze, eveneens Antonio Pecci geheeten, daar woonde, trachtte het machtige geslacht der Medici's de vrije stad onder Florence's heerschappij te brengen. De burgerij van Siena zond daarop Pecci naar Paus Clemens VII, om diens bemiddeling in te roepen. Toen de gezant bemerkte, dat er aan het lot zijner vaderstad niets te veranderen viel, keerde hij slechts voor eene wijle naar Siena terug en koos het in de Pauselijke Staten gelegen plaatsje Carpineto tol woonsteê voor zich en zijn geslacht uit. Het kasteel, dat hij hier tusschen hooge rotsen bouwde, zag den nieuwen bloei van zijn edel geslacht, opfleurend in zijn zoon Rodolfo en in zijn kleinzoon Antonio.
Thans bespeurde liet valkenoog van den laatste het sierlijke uit leem geknede kopje, dat Jacopo Deli vervaardigd had. Hij bukte zich en raapte het op.
âDat is Lilia!quot; riep hij verrast. ,,Hoe gelijkend! Ik mag het zeker behouden?quot;
Jacopo's hand strekte zich uit, als wilde hij zijn werk terugnemen, maar in den toon van den slanken jongeling lag iets indrukwekkends, dat alle tegen-spraak verbood. Knorrig knikte de kleine kunstenaar en hoorde met een zuurzoet gezicht Antonio's dank-
10
etuigingen aan, waarmede deze niet karig was, en elke hij op zoo innemende wijze uitbracht, dat de ronsing van Jaeopo's voorhoofd verdween.
Hij weigerde echter, mede huiswaarts te keeren, toen Antonio tot Lilia zeide:
âKom, Lilia, men wacht op ons.quot;
Toen het meisje opstond, viel het eerst goed in het oog, hoe juist haar naam haar paste. Slank en groot voor hare jaren, geleek zij in haar fijn, wit gewaad, met haar blank, onschuldig gezichtje en het goudkleurig haar werkelijk op de bloem, welker naam zij droeg: de schoone lelie, het symbool der jeugd en der reinheid.
Lilia reikte haren vriend Jacopo vriendelijk lachend de hand en schreed vervolgens aan Antonio's zijde het dal in naar Alagna.
Er was onmogelijk een bekoorlijker paar te vinden dan deze beide jonge menschenkinderen in den eersten lentebloei des levens, elkaar evenarend in adeldom van geboorte en schoonheid, elkander waardig in gaven van geest en gemoed.
Wat zou de toekomst hun brengen? Hield deze gedachte Jacopo Deli bezig ? Of deed het hem leed, dat de kleine, aan wie zijn hart hing, hem zonder aarzeling alleen had achtergelaten en licht van hart
en voet naast haar geleider voorttrippelde ?.....
Weemoedig staarde hij beiden na, tot de schemering, haar zilvergrijzen sluier wevend, hen aan zijn oog onttrok.
11
II.
Tel en un secret vallon,
Sur le bord cTune oude pure,
Croit, ii Tabri de Taquilon, Un jeune lis, ramour de la nature.
(Racine).
Na die avondstonde in het bloeiende heidekruid begon voor het drietal, dat daar te zamen geweest was, eene reeks van genotrijke dagen.
Lilia en Jacopo waren gewoon, hunne vrije uren met elkander door te brengen, koutend, spelemeiend , legenden verhalend, waarvan zich in Lilia's hoofdje een onuitputtelijke voorraad bevond. Nu had ook Antonio zich bij hen aangesloten. Was het de tegen-woordigheid van den zeldzaam begaafden jongeling of de omstandigheid, dat in Italië lichaam en geest spoedig tot rijpheid geraken, â in ieder geval kwam er een ernstiger toon in de wijze , waarop de jongelieden hunne samenkomsten doorbrachten.
In den beginne dreigde wel menigmaal tusschen de beide knapen strijd te ontstaan door een scherp woord, dat de lichtgeraakte Jacopo Deli zich nu en dan ontvallen liet, maar Lilia wist steeds zoo minzaam en zachtaardig als bemiddelaarster op te treden, dat die wolk spoedig voorbijdreef. Het was dan ook inderdaad moeilijk, wrok te voeden tegen Antonio Pecci; zijne beminnelijkheid, kalmte en grootmoedigheid ontwapenden Jacopo steeds, zooals zijne uiterlijke schoonheid het reeds den eersten avond gedaan had.
De ouders van Lilia en Antonio zagen het verkeer van het drietal met genoegen â Jacopo woonde bij
12
een ouden oom, die zich niet met hem bemoeide, dan dat hij hem kleeding en voedsel gaf â en de jongelieden vonden er ook zei ven groote bekoorlijkheid in door het voortdurend oefenen der talenten en gaven, welke God hun gesehonken had, en die daardoor tot hooge ontwikkeling kwamen.
Antonio was een jong geleerde en met menigen tak der wetenschap degelijk bekend. Daarbij bezat hij eene bijzondere begaafdheid voor muziek. Hij had zijn vader op diens reizeu vergezeld en daardoor vele beroemde mannen leeren kennen. Hij was te Rome geweest en had er de feestelijke plechtigheid bijgewoond, waarmede Pans Gregorius XIII den grooten componist van het Magnificat en de Boetpsalmen, Orlando Lasso, de orde van de Gouden Spoor verleende, en de ridders Cajetani en Mezzacosta tiem in de Pauselijke kapel de gouden sporen aan de voeten bevestigden en hem met liet zwaard der orde omgordden. Hij had in het oratorio Santa Maria in Vaticella eene geestelijk dramatische opvoering ge-aoten van de cantaten, waarvoor Philippus Nerius den ;ekst gedicht, en waarvan Giovanni Pierluigi Santé, lie naar zijne geboorteplaats Palestrina genoemd werd, ie muziek gecomponeerd had. â Lilia's teederblank gezichtje kleurde van verrukking rozerood, wanneer 'Vntonio haar op zijne luit de zangwijzen dier vrome lederen voorspeelde, en er welden soms tranen in lare oogen, wanneer de treffende melodie der Im-rroperie weerklonk of een fragment uit het hartroerende Stabat Mater.
Jacopo echter luisterde gespannen toe, wanneer hij van Realo hoorde spreken, den grooten leerling van
13
den beroemden bouwheer en beeldhouwer Andrea Sansonivo. De geheele eerzucht van den knaap was hierop gericht, bij een groot meester in de leer te gaan en zich bij hem tot een beroemd beeldhouwer te vormen. Dat hij er allen aanleg toe had en den stempel van het genie in zich droeg, was eenieder duidelijk, die de bekoorlijke, levenademende figuren zag, welke hij met onuitputtelijk talent wist te vervaardigen, en welker vorming zijne beide vrienden met verbazing aanschouwden.
Ook Lilia had een rijk talent van haren Schepper bekomen. Zij was eene geboren dichteres en bezat de voor een veertienjarig kind zelfs in Italië zeldzame gave van improvisatie. Zij wist hare schoone denkbeelden voetstoots in welluidende verzen te klee-den en vergastte hare beide toehoorders dikwijls op in hun eenvoud lieflijke verzen als het volgende, dat een, in schijn onbeduidend, door hare makkers opgegeven onderwerp: de Cypres, keurig opvat:
Waar quot;t bergpad slingert, steil en koen,
Langs afgrond en naast diepe kolken.
Heft de cypres, steeds friseh en groen,
De kruin naar 1 licht van zon en wolken.
Zoo richt de vrome hart en oog
Steeds opwaarts, boven 't aardsche duister. En streeft, als de cypres, omhoog
Naar 's hemels licht cn glorieluister. 1)
1
Het oorspronkelijke lied, waarvan de overzetting een flauwe weerklank is, heeft Jacopo Deli's hand, met dat âaan de leliequot; en een aantal andere, voor de nakomelingschap bewaard.
14
Het was op een November-uvond, toen dit gedichtje ontstond. De drie genooten waren voor het laatst bijeen. Den volgenden dag zouden Antonio en Jacopo het stadje Alagna verlaten; de eerste, om nog voor den winter naar Siena terug te keeren en daar zijne studiën te voltooien; de ander, om te Rome onder Realo's leiding zich in de beeldhouwkunst te bekwamen.
Het vooruitzicht der aanstaande scheiding drukte op aller gemoed, maar ieder gaf er naar zijn karakter eene verschillende uiting aan.
Lilia's gezichtje toonde diepen weemoed, en zij trachtte tevergeefs de tranen te weerhouden, die herhaaldelijk in hare oogen parelden.
Jaco had de donkere brauwen diep gefronst; zijne handen balden zicli, zoo vaak zijn blik op de liefelijke gestalte der kleine viel. Hij scheen geheel vergeten te zijn, met hoeveel vuur hij naar zijne studiejaren in Rome verlangd had. Thans vervulde hem slechts de pijnlijke gedachte aan de scheiding, en die weemoed veranderde in bitterheid, als Antonio, die zelfs nu zijne aantrekkelijke vroolijkheid behield, er opgeruimd van sprak, dat hij reeds in de volgende lente zou terugkeeren. Reeds in de volgende lente! En hij, Jacopo, moest drie jaren ver weg blijven, drie lange jaren, gedurende welke hij volgens den wil van zijn onbuigzamen oom ook niet éen enkele maal mocht overkomen.
Antonio zag het woelen in het binnenste van den knaap, en zooals reeds zoo dikwijls geschied was, wist hij ook nu weer het juiste middel te vinden, om hem tot kalmte te brengen.
Zij waren gezeten in den tuin van het groote huis
15
der Pecci's te Carpineto. Het water uit de marmeren fontein murmelde ruischend, en boven de bergen ging de maan helder lichtend op. Tegenover hen, op de rots, wies een hoogopgaande cypres, aan den rand eener diepe klove. Was het de schaduw van dezen boom, welke zoo duister op Taco's trekken lag ?
Bedenkelijk zag Antonio hem aan en zeide;
â Lilia, laat ons nog eens een lied van u hooren. Die cypres ginds zij uw onderwerp.quot;
En zonder aarzelen improviseerde het begaafde meisje de boven aangehaalde strofen.
Het oogenblik der scheiding naderde.
âLilia, geef mij een aandenken van u mede op reis,quot; verzocht Jacopo; âhet onderwerp blijve aan uwe keuze.quot;
Het meisje leunde tegen de door het maanlicht omstraalde fontein als eene schemerende engelgestalte, en met zoeten klank vloten haar in hare zangerige moedertaal de verzen van de lippen: â¢
Moge ik al mijn levensdagen,
Blanke lelie, reine bloem,
IT gelijken, quot;t Zij mijn roem,
Uwen naam met eer te dragen.
Moge ik zooals gij bewaren quot;t Onbezoedelde onselmldskleed.
Lijde ik eerder ramp en leed,
Dan te vallen in gevaren.
Vreugde en voorspoed wil ik derven Voor dat engelrein kleinood.
Liever treff' me een vroege dood Dan een later wroegend sterven.
18
ecne schets ontworpen, die hem tevredenstelde: het goudkleurige haar orawuifde het zedige gelaat der heilige, als ware het een aureool. In klei gemodelleerd , bevredigde hem de beeltenis nog meer; hij vatte eene groote liefde op voor zijne schepping, de liefde van den kunstenaar, den geestelijken vader. Met innige toewijding zette hij den beitel in het blanke marmer. Ongestoord wilde hij werken; zijne werkplaats was gesloten voor eenieder.
Toch waren er twee oogenparen, die zich ten zeerste gerechtigd achtten, den voortgang van den veelbelovenden arbeid te volgen; het eene was van zijn meester Realo, die het werk van zijn leerling gadesloeg, het andere van diens dochter Elena.
Elena was Realo's eenig kind, dat hij in den grond bedorven had, en die de plaats van de vroeg gestorven moeder in de huishouding haars vaders waarnam. Het was eene zeldzame, donkere schoonheid, die iedereen naar haar wil wist te dwingen met haar betooverend lachje, al stampte de kleine voet soms toornig op den grond. Alleen Jacopo Deli had zij nooit naar hare luimen kunnen schikken, hoe welwillend hij overigens steeds voor haar was, en dit boezemde haar te meer hoogachting voor den jongeling in, voor wien zij van den beginne af eene groote voorliefde getoond had. Zij onttrok zich vaak aan de vereering, waarmede de jonge kunstenaars der Eeuwige Stad de schoone signorina Realo omringden, om zich tot den ernstigen Jacopo te wenden, die nooit eene vleierij voor haar over had.
Ditmaal had zij zich evenwel beslist in het hoofd
19
gezet, den jongen beeldhouwer als model voor zijne Heilige Agues te dienen.
â Gij zijt veel te schoon naar het aardschehad hij haar lachend toegevoegd, toen zij hem dien wensch kenbaar maakte; â denkt gij, dat de H. Agues zulke donkere vlammende oogen, zulke dreigende trekken om het sierlijk neusje en zulk een trotsch mondje had?quot;
Het was voor de eerste maal, dat hij melding maakte van hare lichamelijke schoonheid, en een blijde schrik doorvoer haar. Hij was dus daarvoor toch niet blind, zooals zij meermalen gevreesd had! Wel bevatten zijne woorden een besliste weigering, maar toch gaf zij den moed niet op en verzon een eigenaardig middel.
In de gang bevond zich eene diepe nis, waarin een beeld van den H. Joannes den Dooper stond, voor hetwelk iedereu avond een lampje brandde.
Toen Jacopo op een avond thuiskwam, wilde hij als naar gewoonte groetend het beeld voorbijgaan. Een licht geruisch deed hem opzien. Sprakeloos staarde hij omhoog naar het veranderde beeld. De H. Joannes was verdwenen, en in zijne plaats stond nu eene vrouwelijke gestalte. Een wit gewaad hing haar in breede plooien om de leden, een blanke sluier golfde om het los neerhangend haar, en de armen hielden het zinnebeeld der onschuld, een sneeuwwit lammetje, omvat.
Elena had deze verkleeding uitgedacht, om den jongen beeldhouwer te bewijzen, dat zij welgeschikt was, om als eene H. Agues vereeuwigd te worden. De donkere oogen hield zij vroom ten hemel geslagen, den steeds weerbarstigen mond zacht gesloten. On-
20
tegenzeglijk was zij beeldschoon, en de kunstenaarsblik van den jongen man vermeide zich in het gezicht.
Dat was echter niet naar den zin van het meisje. Het was haar onmogelijk, nog langer op dezelfde plaats stil te staan. Licht als een veer sprong zij uit v de nis, greep Jacopo's arm en riep: |
â Zoo was het goed, niet waar ? Zoo denkt gij u uwe heilige? Zeg nu zelf; zie ik er niet even goed, zoo niet beter uit dan dat onnatuurlijk fijne meisjesgezicht met de lange blonde haren, dat gij zoo dikwijls geschilderd hebt? Kom, Jacopo,quot; voegde zij er vleiend bij, âzeg nu ja; neem mij voor model?quot;
Een donkere schaduw vloog over Jacopo Deli's gelaat, toen zij van het blonde meisje sprak. Elena bemerkte het, en eene weigering willende voorko- ^ men, sprong zij in de nis, om nogmaals hare vrome houding aan te nemen, en riep uit:
,, Zie mij nu nog eenmaal goed aan en prent u het beeld in het geheugen. Zoo . . . Begin nu morgen frisch aan uwen arbeid. Goeden nacht!quot;
Ontstemd beantwoordde Jacopo haren groet.
Van den volgenden dag af hield hij zijne werkplaats beter gesloten dan ooit. Bijna al zijn tijd bracht hij daarin door, en nauwelijks gunde hij zich d-eene pooze om aan den maaltijd te komen deelnemen.
Elena was tevreden. Zij was vast overtuigd, dat zij dien avond over zijne bedenkingen had gezegevierd en hem tot de vervulling van haren wensch
had overgehaald____
Eindelijk was de groote beslissende dag aangebro- ^ ken; hij had voor Jacopo de zege gebracht en voor de schoone Elena eene smartelijke ontgoocheling.
21
De keuze tussclien de ingezonden beelden was met groote plechtigheid geschied. Signor Onofrido Aldo, die den wedstrijd had uitgeschreven, had den beroemden musicus Andrea Gabrieli uit Venetië tot gast, wiens roem door geheel Italië verbreid was, sinds hij bij de feestelijkheden ter ontvangst van den Franschen koning. Henri VIII in de lagunenstad *) eene zoo heerlijke feestmuziek geschreven en ten gehoore gebracht had. Met Gabrieli's verblijf deed signor Aldo de keuze samenvallen, die Jacopo's Heilige Agnes trof.
Terwijl het marmeren beeld in de kapel werd opgesteld , bespeelden Andrea's meesterhanden de koningin der instrumenten, en de machtige orgeltonen maakten een zoo diepen indruk op de aanwezigen, dat velen de tranen in de oogen welden. De klanken en accoorden zweefden en leefden om het heiligenbeeld, en de innige vroomheid, die het ademde, schoen zich den aandachtigen toeschouwers mede te deelen. Waarlijk, zelden was de maagdelijke martelares schooner en edeler weergegeven dan hier, waar zij de jonkvrouwelijke trekken van Lilia della Rocca droeg.
Onder degenen, die in de kapel nederknielden, was er eene, welke deze vrome gevoelens niet deelde. Met den toorn in het hart schouwde het schoone kunstenaarskind Elena Realo op naar de H. Agnes, de beeltenis van het goudharig meisje, in welke zij met het instinct der liefde de mededingster erkende, die haar de plaats in het hart van den jongen beeldhouwer betwistte. De kleine handen tot vuisten ge-
*) 1354.
22
bald, zwaar ademend, knielde Elena in een der fluweelen bidstoelen. Hare oogen vonkten vlammen, en terwijl de wonderbaar schoone accoorden van het orgel weerklonken, kwam het sissend door de witte tanden van het opgewonden meisje:
â Gij hebt gezegevierd , gehate! Maar neem u in
acht; Elena zal zich weten te wreken.quot;
* *
*
De dag met zijne afwisselende gebeurtenissen was ten einde.
Aan den diep blauwen hemel ging de maan als een gouden bol op en wierp hare stralen over een vroolijk feest, waar krachtige jonge mannen naast schoone maagden waren gezeten, waar blijde liederen en vroolijk gelach weerschalden, en alles zich kringde om éen middelpunt: den held van het feest, Jacopo Deli.
De jonge beeldhouwers en schilders hadden in hunne eigenaardige luim den Appischen straatweg tot het tooneel hunner vreugde verkoren; luidruchtige levenslust jubelde naast de stilte der graven van het verleden, en niet verre van de ernstige grafteekens prijkte een vroolijke tent in heldere kleuren en frisch groen.
Tegenover Jacopo zat te midden eener schare vroolijke meisjes Elena Realo, die haar verdriet scheen vergeten te zijn. Ze was een weinig bleeker dan gewoonlijk, en ook was zij zooëven eerst, veel later dan de anderen, op het feest verschenen, maar zij schertste en lachte uitgelatener dan ooit en trachtte met allerlei kunstgrepen den geliefde te boeien.
23
Jacopo hoorde glimlachend doch een weinig verstrooid haren kout en hare scherts aan; hij dacht aan het briefje, dat hij heden uit Alagna had ontvangen , en waaruit hem in Lilia's sierlijk schrift de hartelijkste vriendentaai had tegemoet geklonken.
âGisteren is Antonio Pecci teruggekomen.!quot; luidde het daarin ook; âhij blijft thans voorgoed te Carpineto, en als gij nu binnen een half jaar terugkeert, blijven wij alle drie voor altijd te zamen. Komt gij, Jacopo?quot;
Zijn hart klopte onstuimig. Of hij komen zou? O, hoe gaarne, hoe onuitsprekelijk gaarne!
Het feest ging voort onder gejuich en vroolijkheid. Slechts de oude, indrukwekkende toren rees hoog in de heldere nachtlucht op en wierp een schaduw over de feestplaats als eene sombere voorspelling van naderend onheil.
Het kon omstreeks middernacht zijn. Daar joeg in vollen draf een ruiter uit de richting der stad aan. Toen hij afgestegen was, ging al spoedig een fluisteren van mond tot mond, dat zwol en zwol, immer duidelijker, tot het uitbarstte als een luide angstkreet: âVerbrijzeld door eene boosaardige hand is het heerlijk kunstwerk, dat zijnen maker onsterfelijke eer schonk! Het St.-Agnesbeeld is van het altaar geworpen en ligt in gruizels! quot;
Jacopo Deli had juist den arm om Elena's middel geslagen, om haar ten dans te voeren. Van schrik verstijfd, bleef hij staan. Hij was bleek geworden bij deze ontzettende mare. Zijne gezellin was asch-grauw; zij geleek meer een lijk dan eene bloeiende maagd. Zelfs hare purperen lippen waren wit; hare
24
zwarte oogen zagen den jongeling star aan; zij sidderde als een espenblad in den wind.
âJacopo!quot; stamelde zij.
Hij meende, dat zij hera wilde troosten, en zag haar droevig dankbaar aan. Maar nauwelijks had hij het grauwe gelaat bemerkt, of hij deinsde terug, als hadde hij een monster gezien. Dat was de uitdrukking van liet kwaad geweten!
âGrij!quot; hijgde hij. âGij waart het! Gij hebt mijne heilige, mijne Agnes, mijne lelie vernield â gij â gij!quot;
De stem stokte hem in de keel.
Elena legde smeekend hare hand op zijn arm.
â Blijf kalm, Jacopo! quot; fluisterde zij; â gij zijt zulk een groot kunstenaar; het zal u gemakkelijk vallen, een nieuw beeld te houwen, â en dan naar een ander model,quot; vleide zij, zich zacht aan hem klemmend.
Als buiten zichzelven stiet Jacopo haar terug;
âNooit, nooit! Naar een ander model? Naar u? Gij? Op een demon gelijkt gij meer dan op een heilige! Demon, die mij mijne Lilia hebt vernield! quot;
Elena deed een snijdenden lach hooren.
âDwaas!quot; riep zij; âwelnu , gij moogt het weten: ja, ik heb uwe heilige vernield, il\ Ik haat haar vroom gezichtje, haar gloriekrans van wuivend haar; ik haat . . .
Met een luiden gil was Jacopo ruggelings ter aarde gevallen.
En de schaduw van den ouden toren strekte zich over hem heen, somber en lang, als de donkere wade des doods.
25
IV.
Von der Ileimaterde scheiden, O, wolil ist es hart und herbe!
Muss icli sclieiden ohne Hoffnung, Bin ich todt, bevor icli sterbe.
(Weber)/
Het halfjaar, dat Jacopo Deli nog in den vreemde moest doorbrengen, was ten einde. Er waren reeds een paar maanden overheen gegaan, en de lente deed haren intocht, toen de jonge beeldhouwer de terugreis aanvaardde naar de Volscer bergen.
Hij had het niet lang meer in Rome kunnen uit-houden na dien St.-Jansavond. Langer bij zijn geëerden meester te vertoeven, wiens schoone hartstochtelijke dochter hem in bet liefste had gegriefd, was hem onmogelijk; naar een ander te gaan en den meester te verlaten, wien hij zooveel schuldig was, zoo diep kon hij hem niet krenken. Hij reisde dus rond door Italië en Duitschland, zich steeds tot een booger kunstenaarschap ontwikkelend. Door het ongestadig leven , dat hij leidde , bleef hij van alle gemeenschap met zijne geboorteplaats verstoken. Eindelijk kon hij niet langer weerstand bieden aan het heimwee en keerde huiswaarts.
Weelderige lentetooi versierde de natuur, tallooze bloempjes neigden de knopjes of wuifden dc kleurige blaadjes den reiziger toe, en reeds ontloken de rozen in gloeiende schoonheid. Over de bergen hing een schemerende geur, de hemel glansde zonnig, en zilveren stralen braken den morgendauw in fonkelende parels.
26
Het was Jacopo te moede, als waren de laatste drie jaren met hun koortsig streven, met hun lijden en strijden weggevaagd uit zijn leven, als ware liij weder een blij, zorgeloos kind.
En de vrome gewoonte uit zijne kindsheid getrouw, wendde hij het eerst de schreden naar het kleine godshuis, dat, door hooge pijnen overschaduwd, aan den kloeken rotswand leunde.
Het kerkje prijkte in feestelijke sier; bloemslingers golfden om pijler en langs gewelf, en onder den geur van den wierook, die in blauwige wolkjes omhoog kronkelde, mengde zich de zoete adem der bloemen. Mannen en vrouwen, in de schilderachtige kleeding des lands, vulden de banken en bidstoelcn. Er werd evenwel geene godsdienstoefening gehouden, en er scheen onder de geloovigen eer eene opgewekte stemming dan vrome aandacht te heerschen, want de hoofden bogen zich telkens tot elkander in zacht gefluister.
Jacopo had plaats genomen achter eene zuil, om zich ongestoord in het gebed en de herdenking zijner kinderjaren te verdiepen. Hij had het hoofd in de handen laten zinken en bemerkte niet, hoe eene ruischende beweging de menigte doorvoer, als lispelde een zomerwind door de bloeiende korenvelden.
Daar wekte hem de luide stem van den priester uit zijne vergetelheid.. Jacopo hief het hoofd op . . .
Groote God, wat was dat? Wat geschiedde daar onder zijne oogen? O God, moest hij terugkomen, om dat te aanschouwen?
Aan het altaar, voor den eerwaardigen priester, lag een bruidspaar geknield, om den band voor
27
het leven te sluiten: een schoone, rijzige jongeling, de edele ledematen in een plechtgewaad van goudkleurig brokaat gehuld, eene engelreine bruid, in sneeuwwit kleed, het schemerend gouden haar door den blanken sluier overhuld, liefelijk als eene bloeiende lelie; â Antonio Pecci en Lilia della Rocca.
Eene koude siddering beving den verborgen toeschouwer.
O, gruwzaam leven, zoo verwoest gij de droomen der jeugd! Hoe dikwijls had hij zich voorgesteld, welk een liefelijk beeld Lilia, de gezellin zijner kinderjaren, in haren bruidstooi zou vormen, naast den gelukkigen bruidegom, fier zulk een engel voor het geheele leven de zijne te mogen noemen. Hij had zichzelven dien bruidegom gedacht, zichzelven dat hoogste geluk der ziele voorgespiegeld: hoe hij hare hand in de zijne zou vatten en er den gouden ring, het symbool der edele onbreekbare trouw, zou aanschuiven.
Een ander was het thans, wien zulks ten deel viel. De zaligheid, die hij bij zijn vroeger droombeeld alleen reeds ondervonden had, week thans voor een te dieper, verscheurend jammer, dat zijn hart als deed breken en gloeiende tranen van smart in zijne heldere oogen deed wellen. Wederom sloeg hij de handen voor het gelaat en steunde pijnlijk;... hij bad om sterkte tot God, om genade teneinde deze bovenmenschelijke ramp te dragen.
Eerst toen een nieuw geruisch om hem heen hem verkondigde, dat de bruidstoet de kerk verliet; â eerst toen eene diepe stilte op het gefluister gevolgd was en hem zeide, dat hij alleen, geheel alleen was
28
gebleven, toen stond hij op en verliet het Godgewijde huis, â gebogen en geknakt.
Aan het blijde bruiloftsmaal klaagde Lilia Pecci tot haar jongen gemaal, dat hun gemeenschappelijke vriend Jacopo Deli niet was gekomen, om dezen gelukkigen dag door zijne tegenwoordigheid nog feestelijker te maken.
â Geen mijner brieven heeft hij beantwoord klaagde zij. âSedert St.-Jan heb ik niet het minste bericht van hem. Zijn oom wist mij ook niets mede te deelen. Onze goede Jacopo is een dwaalster geworden.quot;
De gelukkige bruidegom troostte zijne aanvallige gade over hare oprechte teleurstelling.
âWie weet, waar de talentvolle zwerver zich thans bevindt?quot; zeide hij. âMisschien houdt ook hem de liefde geboeid in een geluk â een geluk als het onze.quot;
En op dat uur zwierf Jacopo Deli, door niemand gezien, door niemand herkend, droevig in de rotsige bergen, waartusschen de schemering inviel,... en hij verwijderde zich steeds verder van zijne geboorteplaats , die hem zulke bittere ontgoochelingen had bereid, die hij nooit wilde wederzien, â en ging in de wijde, wijde wereld.
29
V.
Ach, die Heimkelir zu sich selber Wird in Schmerz allein gefunden. Harre uur: der Klosterfriede Heilt dir alle, alle Wunden!
(Web er).-
Geen haardstee onder Italië's blauwenden hemel bood een dieper geluk dan die van Antonio Pecci te Carpineto.
De lieftalligheid, de geestesadel der huisvrouwe schenen als spelend zonnelicht, dat alles verhelderde , en tevens als een magneet, die al wat goed en schoon is tot zich aantrok. Evenals onder hare hand de rozenranken opbloeiden, die de grauwe huizinge aan den rotswand met geur en kleuren sierden, zoo ontwikkelden zich alle goede kiemen in de harten van hare omgeving, bijzonderlijk in die van de kinderen, welke God haar geschonken had.
Vijftien jaren zijn verloopon sedert haren bruiloftsdag, en Lilia verheugt zich in het bezit van een krachtigen knaap van tien jaren, Ludovico genaamd, en een veertienjarig dochtertje, evenals zij Lilia geheeten, en in alles een getrouw evenbeeld dei-moeder. Het meisje is rank opgewassen, en wie haar zoo naast hare nog jeugdige moeder ziet staan, kon beiden wel voor zusters houden.
Ja, aan Antonio Pecci's haardstede woont het geluk, en in zijn boezem woont het eveneens. Zijn vaderland ziet met fierheid op hem neer, want ver over de Volscer bergen is zijn roem doorgedrongen, de roem van zijn verlichten geest, van zijne
30
onwrikbare rechtvaardigheid, van zijne goedheid en weldadigheid. Scholen en kerken heeft hij in den omtrek gebouwd, moerassen laten droogleggen en zich bij het volk den naam van âden Weldoenerquot; verworven. Vaak moet hij aan de hoven der vorsten verwijlen, om raad en hulp te verleenen, en zelfs tot menige daad, uitgaande van den Opperherder der Christenheid, heeft hij zijne medewerking mogen verleenen.
Den vriend harer kindsheid, den beeldhouwer Jacopo Ujli, heeft Lilia niet teruggezien. Zijne verblijfplaats was onbekend, en zelfs zijn eenige bloedverwant , zijn grijze oom, ontving geen bericht van hem.
Voor vijf jaren was er evenwel iets zonderlings gebeurd. Eene onbekende gesluierde vrouw had verlangd , de signora Pecci te spreken. Lilia, die meende, dat hare weldadigheid weder werd ingeroepen, en op het voorbeeld van haren gemaal nooit zulk een bede afwees, liet der vreemdelinge toegang verleenen.
Deze sloeg haar dichten sluier op, en Lilia aanschouwde een schoon, donker gelaat, waaruit prachtige bruine oogen haar doordringend aanstaarden.
De vreemde scheen het goedhartig welkom der burchtvrouwe niet te hooren. Zij antwoordde niet maar brak na een diepen, smartelijken zucht uit in de woorden:
â Zijt gij dan de Lilia, om wier wille hij mij niet kon liefhebben, al zou ik mijn leven voor hem gegeven hebben?...quot;
Maar toen signora Pecci, meenende met eene krankzinnige te doen te hebben, verschrikt terug-
31
week, maakte zij een geruststellend gebaar en zeide;
âVrees niets, edele vrouw, en hoor mij aan: Ik ben Elena Realo, de dochter van den meester, in wiens school Jacopo Deli een groot kunstenaar werd. En ik had hem lief! Maar u haatte ik, hoewel ik u niet kende; want ik zag op de tallooze schetsen, die hij maakte, steeds uw gelaat, uwe donkere oogeri, uw blond haar. Toen nu Jacopo zijne H. Agnes beitelde, hield ik niet op met aandringen, dat hij mij tot model zou nemen; want, dwaze die ik was, ik meende, dat hij mij nooit goed beschouwd had, en dat hij , wanneer hij op die wijze slechts genoodzaakt was, mijn gezichtje te bestudeeren, u vergeten en mij liefhebben zou . . . Toen het beeld gereed was, droeg het weder uwe trekken! Ik brandde van ijverzucht, ik dorstte naar wraak. Terwijl buiten de poort feest gevierd werd ter eere van Jacopo, verbrijzelde ik het afbeeldsel van mijne mededingster maar tevens den roem van mijn geliefde.
â Jacopo verliet ons. Eerst na een jaar zag ik hem weder; hij was een gebroken man. Slechts een uur vertoefde hij bij ons en nam dan afscheid voor immer. Het was, of hij mijne ziel medenam. Een oogenblik kwam nog de gedachte bij mij op, te beproeven of ik hem kon verbidden, maar ik zag het vruchtelooze daarvan in. Al had ik mij bloedig vernederd, hij kon mij niet liefhebben; ik had hem gekwetst in zijn hart en in zijn mannelijken trots; hij kon zelfs geene achting meer voor mij gevoelen. Zoo ben ik eenzaam gebleven, droevig en verlaten. Hopende tegen alle hoop in, verbeidde ik nog steeds zijne terugkomst. Onlangs echter had mijn vader van een jong schilder,
32
die van eene kunstreis was teruggekeerd, vernomen, dat Jacopo Deli in eene Duitsche stad, Munster go heeten, de monnikspij heeft aangenomen in de orde der Fraterheeren. Daar oefent hij zijne kunst uit, alleen ter eere Gods. Ik had geen rust, edele signora, voor ik het verlangen van mijn gewond hart inwilligde ; u ten minste te zien, voor ik mij uit dit leven terugtrek. Mijn vader is dood, wat zou ik toeven in een eenzaam huis? Ik verlaat de wereld, ik ga in een klooster; daar hoop ik den zielevrede te vinden, waarnaar ik verzucht. Vaarwel, Lilia!quot;
Zij liet zich door geen bede bewegen, langer te vertoeven. Haastig, zooals zij gekomen was, verdween zij uit het huis en uit het leven van Lilia Pecci.
VI.
Nunc dimittis servvmi tuuin ...
Quia viderunt oculi mei...
Lumen ad revelationem gentium
Et gloriam plebis tme...
CCnnticiun $iiii('on/s).
âHeden breng ik u eene buitengewone tijding: Jacopo Deli is teruggekeerd!quot; Met deze woorden begroette op een Octoberdag van het jaar 1577 Antonio Pecci zijne gade. âZijn tachtigjarige oom, die zijn einde voelde naderen, heeft hem laten oproepen. Men zegt, dat de vrome kunstenaar zelf eenen doodzieke gelijkt. Nog heden ga ik hem bezoeken.quot;
Ja, Jacopo Deli zag eruit als een doodzieke; dat
33
bemerkten allen, die hem wankelend zagen voortschrijden achter de lijkkist van zijn oom: dat bemerkte Lilia Pecci, toen zij hem voor het eerst na zoovele jaren wederzag. De kap van den Fraterheer omhulde een doodsbleek gelaat, dat door den donkeren baard krijtwit scheen, en in welks diepliggende oogen voortdurend een droef gelaten blik was gelegen.
Daar buiten breidde zich weer de bonte kleurenpracht van een helderen herfstdag uit, met zijn gouden schemer en warme tonen, â van een dag, schoon als die, waarop de jeugdige speelgenooten in het gebergte te zamen waren. En de oude, kinderlijke vriendschap weerklonk weer in de hartelijke woorden, die er gewisseld werden.
Antonio zag aanstonds, dat den monnik niet vele maanden levens meer beschoren waren, en dadelijk rijpte in hem het plan, om den kranke de laatste levensdagen zoo schoon en liefelijk te maken, als slechts in zijn vermogen was. Daarom trachtte hij hem zooveel mogelijk te doen verwijlen in zijn huis, welks harmonisch geluk weldadig op eenieder werkte, die zich in dien kring van liefde en vrede mocht bevinden.
Daar de drie uren gaans, welke Alagna van het hooger gelegen Carpineto verwijderd is, eene te groote krachtsinspanning van den kranken kloosterbroeder vergden, zond Pecci hem dikwijls des morgens een draagstoel en liet hem overvoeren, om dien dag of menige dagen achtereen ten zijnent te blijven. Ouder gewoonte zaten zij dan in den tuin aan de marmeren ontein tegenover de bergkloof, waaruit de cypres jpschoot, en koutten over het verleden. Jacopo
3
34
verhaalde van zijn leven in Dmtschland, van de werken, die hij gebeeldhouwd had, of hij onderrichtte Lilia's kinderen.
Toen hij dezen voor de eerste maal gezien had, .was hij teruggeschrikt bij het aanschouwen van de jonge Lilia. Zóó, juist zoo had de speelgenoote zijner jeugd, hare moeder eruit gezien. âTwee leliën dacht hij dikwijls, de slanke gestalten met de onschuldige gelaatstrekken beschouwend. â Twee leliën,quot; en het lied, dat eens op een herfstavond hier aan de bron was ontstaan, klonk hem in de ooren als een echo uit zijn lang vervlogen jeugd;
Vreugde en voorspoed wil ik derven Voor der englen rein kleinood.
Liever tretT me een vroege dood Dan een later wroegend sterven.
Somwijlen ontwaakte in den kunstenaar met aandrang weder de wensch, om beitel en pons te han-teeren, en in zulk eene stemming verzocht hij Antonio eens; âWilt ge mij veroorloven, een beeldhouwwerk te maken aan uwe bron, ter herinnering aan de dagen onzer jeugd?quot;
Gaarne gaf Antonio zijne toestemming en zeide; â Denk maar goed over uw onderwerp na, opdat het passend en zinrijk zij; het zou mij zeer lief zijn, daaraan het wapen der Pecci's te mogen ontleenen.quot;
Met ijver zette Jacopo Deli zich aan het werk____
Er ontstond een ovaal, â in het midden daarvan rees weldra een cypres omhoog, en aan iedere zijde van deze prijkte eene lelie.
Duidelijk was de beteekenis dezer symboliek: de cypres, de getuige van de jeugd, van het verleden;
35
de beide leliën, moeder en dochter, het beeld van het tegenwoordige. Wie weet, zou ook de toekomst er niet tot haar recht in komen.
Antonio Pecci zag het beeldhouwwerk met welgevallen aan en oordeelde, dat niets om den diepen zin beter tot wapen had kunnen gekozen worden van het fiere geslacht, welks naam hij droeg.
Reeds naderde het werk zijne voltooiing; daar werd het eensklaps onderbroken.
Het was op een stillen Zaterdagnamiddag, toen plotseling de angstkreet âBrand!quot; door de straten van Carpineto weerklonk. De kleine kerk stond in vlammen!
Vol schrik trachtte men te redden, wat nog te redden was.
Daar brak, bleek als een doode, signora Pecci zich baan door de volksmenigte.
â Redt mijn kind, mijne Lilia!quot; riep zij met bevende stem. â Zij is in de kerk , om het Maria-altaar te versieren. Redt haar, redt haar om Godswil!quot;
Eene huivering doorvoer allen. Redding scheen onmogelijk, want het kerkje dreigde ieder oogenblik in te storten.
Een echter aarzelde niet. Moedig, zooals slechts degenen zijn, die bereid zijn tot opoffering van hun leven voor den evennaaste, stortte een monnik zich door rook en vlammen in het kleine godshuis.
Angstige minuten, die uren schenen, gedurende welke men van spanning bijna niet kon ademen, verstreken. Daar verscheen de redder weder met rookende kleederen, verzengde ledematen, maar met het kind ongedeerd in de armen.
36
Honderd handen grepen naar het geredde meisje.
Nauwelijks had Jacopo Deli het kind aan de omstanders overgereikt, of een brandende balk stortte neder, bonsde hem op het hoofd en deed hem met een doffen kreet ineenzinken.
Hem naar Alagna, naar zijn woninkske te doen overbrengen, scheen onmogelijk. Men droeg den zwaar gewonde in het huis der Pecci's te Carpineto binnen.
Met de liefderijkste zorg werd Lilia's redder verpleegd en nogmaals den dood ontrukt. De slaande engel verleende hem nog een kort uitstel; Jacopo Deli leefde. .. maar het licht zijner oogen was voor altijd gebluscht; hij was blind! In zijn donker haar en den langen baard hadden schrik en kommer de sneeuwvlokken gemengd, die anders slechts de winter des levens strooit. Zoo bood de blinde een diep roerend beeld, wanneer hij , op een kussen gezeten, tegen de fontein in den tuin leunde en de doffe oogen zonder uitdrukking steeds op éen punt scheen gevestigd te houden.
âLaat mij het wapen voltooien,quot; verzocht hij eens-daags opgewonden. En toen men, verwonderd over dit denkbeeld, aarzelde , hem stift en beitel te geven, herhaalde hij ongeduldig: â Laat mij het wapen voltooien! Ik heb niet veel tijd meer om te arbeiden; laat mij dien benuttigen.quot;
Met verbazing zag men, met hoeveel zekerheid de blinde zijnen arbeid voortzette. Maar hij hield er niet van, als men toeschouwde op zijn werk; het was, alsof hij de aanwezigheid van anderen gevoelde. Men liet hem daarom dagelijks een paar uren alleen
37
met zijn marmerwapen, dat hij zorgzaam placht te omsluieren.
* *
*
Het was op den dag van Sinte Cecilia. De lucht was zacht en zoel, niettegenstaande men November schreef.
Jacopo Deli was met den dag zwakker geworden. De eerwaardige grijze priester van Carpineto had hem de H. Teerspijze gereikt. Nu lag de kranke vreedzaam neder, omgeven van zijne vrienden.
Hij liet zich in den tuin dragen, tegenover de cypres, hij de bron. De bevende handen trokken het omhulsel van het marmerovaal; gelukkig glimlachend wees hij Antonio Pecci op het voltooide wapenschild.
âTwee leliën, eene cypres; gij weet, wat het beduidt,quot; fluisterde hij, toen Antonio en Lilia zich over het beeldhouwwerk bogen. âDe blanke band is het zinnebeeld der hoogere liefde, die ons verbonden heeft.quot;
âMaar hier, bovenaan, Jacopo,quot; zeide Antonio verwonderd, âwat beteekent dat? Eene ster met lange stralen?quot;
âEen wonderster,quot; antwoordde de zieke geheimzinnig.
Lilia schudde het hoofd. âWat wil die ster in ons wapen zeggen?quot; vroeg zij met haar zilveren stem.
Eene uitdrukking van geluk gleed over de trekken van den monnik. âUwe oogen zien het aardsche,quot; zeide hij, â maar de blinde heeft een sprank van Gods licht mogen aanschouwen. Verneemt het; eer er vele dagen verloopen zijn, zal zulk een licht aan den hemel verschijnen. Maar die ster is slechts eene
38
voorafbeelding van de wonderster, welke zal opgaan uit uw huis, uit het roemrijk geslacht der Pecci's. â Vaart wel! Ik sterf blijde en vredig, daar ik nog den glans heb mogen aanschouwen van het â licht aan den hemel,quot; dat de aarde met zijne schittering zal vervullen..
Biddend lagen Antonio en Lilia Pecci op de knieën, doordrongen van een heilige ontzetting. De kinderen vlijden weenend hunne hoofdjes aan de borst van den verscheiden vriend, van wiens gelaat
de hemelzoete glimlach niet meer week____ Hij was
niet meer blind.... hij aanschouwde het eeuwige licht.
Korten tijd nadien verscheen aan den nachtelijken hemel eene ster in wonderbaren glans, een breeden zoom van licht achterlatende op hare baan, helderder schitterend dan eenig ander gesternte en hare stralen uitgietend over den horizon 1).
En de ster in het wapen der Pecci's?
Ook zij is opgegaan! Zooals de blinde voorspeld had, vervult het lamen in coelo de wereld met zijn licht, en de naam dier ster is:
LEO XIII.
1
In November 1577 ging de door Tycho de Brahe gadegeslagen komeet op.
â â ' â ' ' â¢â¢'â ' â¢'gt; , â quot;'â 'â¢â , ' - 'v-- ' . ⢠â
|| â â i0|l|aw||wp^^^||
't'-'