ocr page 1

..................................................................................................................

v!

ELIA

ci

5t geheim zijner kracht

F. B. MEYER, B. A.

XkIJ BEWFRKT NAAR HET pNGFLSCH

ü. quot;W. S.

J2_

UITGKGKVKN noOP. DK VKRKEKIGINÖ „BIBLIOTHELK VOOR ZOKDAGSCHOOL TIN IIUISORZINquot;

Si -----i5

fk

ocr page 2

'mmmssm ■

i .•' .• ■

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

ELIA, EN HET GEHEIM ZIJNER KRACHT

ocr page 6
ocr page 7

ELIA

/J-6-

het Geheim zijner Kracht

F. B. MEYER, B. A.

Vrij bewerkt naar het Engelseli

tï. quot;W. s.

AMSTERDAM F. W. E GELING 1894.

ocr page 8

TYP. — P. A. GEURTS — NIJMEGEN.

ocr page 9

EEN WOORD VOORAF.

Onze tijd heeft dringend behoefte aan manuen des geestes en der kracht als Eiia ! Het i/iejj gevoel van deze waarheid deed mij na de lezing tot de beioerking van dit uitnemende boek besluiten, liet heeft mij geen oogenblik berouwdZelden las ik een zóó boeiend godsdienstig leerk; nimmer een, ti'elks toon en vermaan nadrukkelijker spreekt tot de menscheljke conscientie dan dit. Hoe ieeren ivij hier El ia. liefhebben; hoe dorsten naar de bron zijner kracht; hoe beschaamd tot onszelven inkeeren bij het beschomven van dit Godgewijd leven. Hoe Ieeren wij hier den diepen zin verstaan die nit elke bladzijde van onzen Bijbel ons tegenkomt, dien Bijbel, die, hoe fel hij ook best/eden xvorde, tot aan de voleinding der eeuwen, elk naar God vragend hart wijzen blijjt op den Rotssteen onzes heils!

Indien de lezer van dit zeldzaam schoonc iverk, ook maar iets van den zegen mocht ondervinden, die bij de bewerking mijn deel was, ik zon mij voor mijne moeite ruimschoots beloond achten.

H. W. S.

Ti hl, April 1894.

ocr page 10
ocr page 11

HOOFDSTUK I,

DE BRON VAX ELIA'S KRACHT. (I Ken. 17.)

Jit hoofdstuk van het Boek der Koningen begint met het verbindingswoord »Enquot;, het geeft dus eene bijvoeging tot hetgeen vooraf ging, en — deze bijvoeging komt uit Gods hand!

Wanneer wij het voorgaande hoofdstuk ten einde toe hebben gelezen — dat hoofdstuk waarin wij de donkere bladzijden vinden van Israels geschiedenis, toen bijna allen waren afgeweken van den levenden God, en de on-beschaamdste afgoderij was doorgedrongen tot alle deelen des lands — dan mocht de gedachte wel bij ons opkomen, dat nu het einde gekomen was en dat de dienst van Jehova nimmermeer onder zijn volk zou worden hersteld. Niet alleen wij, ook de hoofdpersonen in de geschiedenis van dien tijd meenden dit. Achab dacht het; Isébel dacht het; de valsche profeten dachten het; het overblijfsel der getrouwen dacht het.

i

ocr page 12

DE BRON VAN ELIA'S KRACHT.

Evenwel, zij allen hadden één factor vergeten bij hunne berekening; zij hadden Jehova, den levenden God, voorbij gezien. Hij had in dit gewichtig levenstijdperk der natie nog iets te zeggen; Hij had er nog eenige hoofdstukken bij te voegen, eer de geschiedenis ten einde was. Wanneer de menschen hun laatste kaart hebben uitgespeeld, dan is het gewoonlijk eerst Gods tijd. En wanneer God begint, dan verbreekt Hij gewoonlijk met een enkelen slag al wat de menschen zonder Hem gedaan hebben, en dan schrijft Hij zelf eenige bladzijden in de geschiedenis der menschheid, die iets te zeggen hebben aan alle volgende geslachten. Dit woordeke »Enquot; van dat nieuwe hoofdstuk is onheilspellend voor Zijne vijanden, maar vol hoop en rijk aan beloften voor Zijne vrienden.

Het zag er treurig genoeg uit in Israël. Als een somber uitvaartslied werden van geslacht tot geslacht de woorden herhaald: »Jerobeam de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.quot; — Wij weten welke die zonde was, de afschuwelijke kalverdienst, die de aanbidding van den Heilige Israëls had moeten vervangen. Na vele omwentelingen, door stroomen bloeds heen, was het koningrijk ten prooi geworden aan den ruwen gelukzoeker Omri, en de zoon van dezen man besteeg na hem den troon; hij heette Achab en van hem staat geschreven »dat hij deed wat kwaad was in de oogen des Heeren, meer dan allen die vóór hem geweest waren.quot; Meenen wij toch niet dat deze Achab zooveel slechter karakter had dan zijne voorgangers; neen, maar hij was een zwakkeling, het willenlooze werktuig van eene krachtige, niets ontziende, wreede vrouw: en — vele der afschuwelijkste misdaden

ocr page 13

DE BRON VAN ELI.VS KRACHT.

die op aarde gepleegd zijn, zijn volbracht door zwakke karakters, voortgedreven en aangespoord door sléchter maar krachtiger geesten dan zij zelve waren.

Het werd ongetwijfeld als eene schitterende partij en eene groote eer voor Israël beschouwd, toen de jonge en schoone Isébel haar prachtig paleis te Tyrus verliet, om de echtgenoot te worden van den pas gekroonden jeugdigen koning Achab. Tyrus was in die dagen op het toppunt van haar macht; zij heerschte als koningin der zeeën, hare koloniën begrensden de Middellandsche Zee tot Spanje toe. Maar hoe schitterend ook dit huwelijk was, het bracht ellende en onheil aan. Nooit wordt Gods beslist gebod, om geen verbintenis te sluiten met de goddeloozen, straflèloos overtreden.

Hoe zal deze dochter der Sidoniërs door hare priesters, die een onweerstaanbareh invloed op haar uitoefenden, gedrongen zijn, toen zij haar prinselijk en priesterlijk tehuis verliet, om alle kracht in te spannen ten einde in Israël de afschuwelijke, wrecde plechtigheden van haren landsgodsdienst in te voeren. En zij was niet traag in 't gehoorzamen! Eerst schijnt zij een tempel te hebben opgericht voor Astarte, dicht bij Jisreël. haar vorstelijk lustslot, en daarbij op eigen kosten vier honderd en vijftig priesters te hebben onderhouden. Toen bouwden Achab en zij een tempel voor Baal in Samaria, de hoofdstad des rijks, een tempel groot genoeg om eene onafzienbare schare te bevatten. Daarna verrezen overal tempels en gewijde bosschen ter eere der valsche goden, terwijl de altaren des Heeren, zooals dat op den Kannel, met ongewijde handen werden vernield. Het land wemelde van

3

ocr page 14

DE BROX VAN ELIA's KRACHT.

priesters van Ba;il, • die, zich almachtig voelende door de vorstelijke gunst die zij genoten, niets ontzagen, de getrouwen des Heeren onmeêdoogend vervolgden en ombrachten, cle scholen der profeten sloten, de profeten zelve vervolgden en doodden waar zij konden. Deze jonge mannen zwierven nu van alles beroofd, vogelvrij verklaard en door iedereen gemeden in 't gebergte rond, zoodat Obadja, Achabs hofmeester, de grootste moeite had om een aantal hunner te redden, door hen in de kalksteenspelonken van den Kannel te verbergen en hun met levensgevaar voedsel te verschaffen.

Het gansche land scheen afvallig; van alle duizenden Israels waren slechts zeven duizend overgebleven, die geene knie voor Baiil gebogen hadden, maar deze waren door vrees als verlamd, en hielden zich zóó verborgen, dat Elia hun bestaan zelfs niet vermoedde in de ure van zijne diepste verlatenheid.

God de Heer blijft echter regeeren en Hij is nooit ten einde raad. De mate der ongerechtigheid moge over-loopende zijn, de getrouwen mogen zich verborgen houden, de geheele macht der volksmcening moge zich tegen Zijne waarheid aankanten, de ondergang moge ten volle besloten schijnen; — intusschen bereidt Hij in een vergeten hoeksken der wereld Zijn werktuig toe, en zendt dat op het oogenblik van den hoogsten nood de wereld in, als Zijn algenoegzaam antwoord op al den tegenstand en de samenspanning Zijner vijanden. - Als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des Heeren de banier tegen hem oprichten.quot; (Jesaja 59 : 10.) Zoo is het geweest, en zóó zal het altijd zijn.

4

ocr page 15

5

Elia de Thisbiet, van de imooners van Gi/ead. Gilead lag ten Oosten van de Jordaan; het was een wild en ruw land; zijne heuvelen waren begroeid met sombere wouden, waarin de eenzaamheid en de stilte slechts verbroken werden door het bruischen en schuimen der berg-stroomen; zijne valleien dienden tot verblijfplaats aan het wild gedierte. De inwoners van Gilead droegen den stempel hunner omgeving — zij waren woest, bandeloos en ontembaar. Zij woonden in armoedige dorpen en leefden van hunne kudden.

Elia groeide in hun midden op, als de andere knapen. Zijne jeugd heeft hij zeker als herder doorgebracht te midden der woeste heuvelen. Toen hij tot een man was opgegroeid, onderscheidde hij zich van de bewoners der laaglanden door zijne statige gestalte, zijn ruigen haardos, zijn kemelsharen mantel en zijne buitengewone zenuw- en spierkracht. In dit alles was hij echter niet onderscheiden van de mannen van Thisbe, in wier somber gehucht hij opgegroeid was; velen hunner waren even lenig, vlug, veerkrachtig en onvermoeid als hij; neen, wij moeten elders zoeken naar het geheim zijner kracht. Naarmate hij ouder werd kenmerkte hij zich door hoogen godsdienstigen ernst. Hij was »zeer ijverend voor den Heere, den God der legerscharenquot;. Doorkneed in de Schrift, en vooral in die gedeelten die gewag maken van al wat Jehova voor Zijn volk gedaan had, verlangde Elia met een hartstochtelijk begeeren dat dit volk Hem nu ook de eere zou geven die Hem toekwam. Toen hij dus vernam hoeveel hieraan ontbrak — toen de ontzettende tijding bij geruchte hem bereikte, van 't geen aan de

ocr page 16

DE BROX VAN ELIA'S KRACHT.

overzijde der Jordaan geschiedde; toen bode na bode berichtte hoe Isébel Gods altaren had omvergeworpen, Gods profeten had gedood en de goddelooze godsdienst-vormen der Sidoniërs had ingevoerd — toen werd zijn bloed als vuur; hij was »zeer ijverende voor den Heere, den God der legerscharenquot;. O man Gods, konden wij ook maar eens zóó verontwaardigd wezen over de gruwelen van onzen tijd en mocht een vonkske van dat vuur bij ons zijn, dat op uw huisaltaar brandde!

Nu rees de vraag in hem op, wat hij doen moest. Wat vermocht hij de onbeschaafde, ongeleerde zoon der woestijn ? Daar was maar ééne zaak die hij doen kon — de toevlucht van alle geperste zielen — hij kon bidden. En gebeden heeft hij! In de vervoering van zijn gebed schijnt hem de bedreiging voor den geest te zijn gekomen, jaren geleden door Mozes aan zijn volk voorgehouden — dat indien zij afweken en andere goden dienden en hen aanbaden, des Heeren toorn tegen hen zoude ontsteken, en Hij de hemelen zoude toesluiten dat er geen regen kwame. (Deut. u ; 17.) Toen zijn geest eenmaal in dit spoor geleid was, moeten zijne gedachten zich aldus gevormd hebben : »Indien mijn God deze Zijne bedreiging niet vervult, zal het volk denken dat het slechts een sprookje is; of erger nog dat Hij zelf is een verdichtsel uit het verleden, eene doode overlevering, meer niet. Dit mag niet zijn. Beter is het dan dat het jand de ellende van den hongersnood ondervinde, en het volk verga van dorst; beter dat ik lid voor lid vaneen gescheurd worde; beter dat de grootst denkbare rampen mijn vaderland treffen, dan dat wij zouden kunnen

6

ocr page 17

DE BROX VAN ELIA'S KRACHT.

denken dat de God onzer vaderen dood is, zooals de afgoden der heidenen.quot; En alzoo bad hij dat de vreese-lijlce bedreiging van Mozes in letterlijke vervulling mocht gaan.... Hij bad ernstelijk dat het niet zoude regenen.

Een ontzettend gebed ! Inderdaad, het is zoo ; en toch, ■was het niet veel meer ontzettend dat het volk den God zijner vaderen zoude vergeten, om zich aan de woeste bachanaliën van Baal en Astarte over te geven? Vergeten wij vooral niet hoe verkeerd een volhardend zwijgen van Gods zijde kon worden uitgelegd. Was er iets gevaarlij-kers denkbaar dan dat het wetboek beschreven was met wetten, die de Wetgever niet kon of niet wilde doen eerbiedigen ?

Lichamelijk lijden is niet zulk een groote ramp als zedelijk vergrijp; daarom deinst Gods liefde niet terug om het lijden op te leggen, indien daardoor de kanker der zonde kan worden afgesneden en tot staan gebracht. Vergeet dit niet, mijn lezer. Het zou kunnen zijn dat juist daarom uw levensweg zoo smartelijk is! Gij hebt wellicht een bitteren beker te drinken, waardoor al wat gij aan vreugde gekend hebt in uw leven wordt overschaduwd. Sedert vele dagen is daar wellicht dauw noch regen van eenige zegening op uw pad gevallen. Dit alles is echter geen toeval; het is het werk van Eén, die u te lief heeft om stil te kunnen toezien dat gij Hem zoudt verlaten. Hij kan, krachtens Zijne liefde, niet anders dan u in den weg treden en tot stilstaan dwingen. De bittere beker wordt u alleen daarom toegezonden, dat gij het altaar zoudt herbouwen op Karmels hoogte, en de valsche priesters in het dal zoudt nederwerpen.

/

ocr page 18

8

Terwijl nu Elia bad, werd de overtuiging in hem bevestigd dat hem zou geschieden naar zijn gebed, en dat hij moest heengaan en Achab dit oordeel aankondigen. Al was het dan ook ten koste van eigen levensgevaar, koning en volk beide moesten weten, welke de oorzaak was van de nationale ramp die te komen stond. En zij verstonden dit blijkbaar, zooals wij later zullen zien. (i Kon. 13 : 16.) Dat de kastijding kwam op zijn gebed, blijkt ook duidelijk uit de mededeeling van Elia aan den koning: »Daar zal dauw noch regen zijn, tenzij dan nam mijn ivoordquot;.

Welk eene ontmoeting moet dat geweest zijn! Het is ons onbekend waar zij plaats had; in het zomerverblijf te Jisreël, terwijl Isébel aan de zijde van haar gemaal vertoefde ; of terwijl Achab te Samaria was, omgeven van zijne rijksgrooten. Maar waar het dan ook plaats had, het was een gedenkwaardig oogenblik. Het was de oude godsdienst tegen den nieuwen. Het kind der natuur tegenover het verweekte kind der weelde; kemelshaar tegenover zachte kleederen; zedelijke kracht tegenover onzedelijke zwakheid.

Daar was meer dan zedelijke kracht noodig voor die ontmoeting; het was toch geen kinderspel voor den on-geleerden zoon der woestijn, om met zulk eene boodschap te komen aan het weelderige hof! Wat wist hij of hij er het leven afbrengen zoude? Zekerlijk zoude het hem niet beter gaan dan zoovelen profeten vóór hem die minder bestaan hadden? Toch ging hij en keerde ongedeerd weder, gehuld in de wapenrusting eener onkwetsbare macht!

ocr page 19

de bron van elia s kracht.

Wat was clan toch het geheim zijner kracht ? Indien het mogelijk ware te bewijzen dat het bestond in eene bizondere eigenschap van Elia; in eene buitengewone natuurkracht, of in bovenmenschelijke geestkracht, dan behoefden wij deze vraag niet te doen, en allerminst op het antwoord te wachten, want dan was deze man in zijne grootheid onbereikbaar voor ons. Maar — kunnen wij u aantoonen dat dit Godgewijde leven zijne kracht putte, niet uit eenige verborgen bizondere eigenschap, maar uit de bron, waaruit ook het eenvoudigste kind Gods, dat deze bladzijde leest, kan putten, dan wordt ieder woord van deze geschiedenis eene openbaring, die ons roept om dezelfde levenshoogte te betreden.

Voorwaar, zoo is het! Daar is niets in het leven van dezen grooten ziener, dat ook wij niet kunnen ervaren, indien wij maar vasthouden aan het geloof, dat zijne kracht verkregen werd uit dezelfde bron waaruit ook wij mogen putten.

Elia's kracht lag niet in hem of in zijne omgeving. Hij was van lage geboorte. Hij genoot geene bizondere opleiding. Er wordt nadrukkelijk van hem getuigd dat hij was »een mensch van gelijke beweging als wij.quot; Toen hij door de zwakheid van zijn geloof werd afgesneden van de bron zijner kracht, was hij mismoediger en vreesachti-ger dan menig ander zou geweest zijn; hij legde zich neder in het zand der woestijn en begeerde te sterven.

Elia geeft oxs drieërlei aanwijzing omtrent de

bron zijner kracht.

1°. »Zoo waarachtig als de Heer, de God Israels, leeft.,''

9

ocr page 20

DE BRON VAN ELIA'S KRACHT.

Al mocht ook voor al de anderen Jehova dood schijnen, hem was Hij de hoogste levensrealiteit. En wij, willen wij sterk zijn, dan moeten ook wij kunnen getuigen uit den diepsten grond des harten: »Ik weet dat mijn Verlosser leeft ; Hij is mijn levende Hoogepriester en Middelaar, en omdat Hij leeft, zoo zal ik ook leven.quot; De dood des kruises was bovenmate bitter, maar Hij leeft; het graf dat Hem ontving was dicht verzegeld, maar Hij leeft; menschen en duivelen spanden samen tegen Hem, maar Hij leeft. Ieder die het woord van Jezus Christus verstaan heeft: »Zie ik leef!quot; heeft Hem ook hooren zelt;r£ren:

OO

»Vrees niet, wees sterk en heb goeden moed!quot;

2°. »Voor Wiens aangezicht ik s/a.quot; Hij stond op het oogenblik voor den koning Achab; maar hij was overtuigd van de tegenwoordigheid van Eénen, grooter dan alle aardsche vorsten; van Hem, voor wien de engelen het aangezicht bedekken, luisterend naar de stemme Zijns woords.

Mochten wij maar leeren in het dagelijksch leven ons alzoo in de tegenwoordigheid Gods in te denken; mochten wij er maar iets van leeren verstaan wat dat zegt, de Majesteit van Gods nabijheid te gevoelen! Wie den Profeet na leert zeggen in zijn leven: »God, voor Wiens aangezicht ik sta,quot; hij is een vorst Gods ook in den nederigsten levenskring.

3°. De naam »Elia,quot; kan worden vertolkt: »Jehova is mijn God,quot; maar nog eene andere verklaring is gepast: »Jehova is mijne kracht.quot; Ziedaar de sleutel tot des zieners leven. God was zijne levenskracht, voor wien zou hij vervaard zijn ? Als de boozen, zijne vijanden, tegen hem.

ocr page 21

DE BRON VAN ELIA's KRACHT.

II

naderden om zijn vleesch te eten, stieten zij zelve aan en vielen ; ofschoon hem een leger belegerde, zijn harte zoude niet vreezen; ofschoon een oorlog tegen hem opstond, zoo vertrouwde hij op den Heer. Welk eene openbaring is ons Elia's naam! Wat zou het zijn indien dit eens waarheid was van een iegelijk onzer! En waarom kan het geen waarheid worden ? Leeren wij slechts afzien van eigen kracht, die op zijn best genomen slechts zwakheid is; en leven wij voortaan slechts in de kracht Gods. Dan zal als motto van ons leven kunnen gezegd worden: »Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft.quot;

ocr page 22

HOOFDSTUK II.

D E

UITGEDROOGDE BEEK.

ij overdenken het leven van een mensch van gelijke beweging als wij — zwak waar wij zwak HhaffiiMiiii struikelend waar wij zouden struikelen; maar die toch alléén stond tegenover zijn volk, de macht der zonde en der afgoderij fnuikte en gansch eene natie tot God deed wederkeeren. En — dit is de wondervolle bekoring van deze geschiedenis — hij deed het met hulpmiddelen, die ook onder ons bereik zijn. Laat iemand ons bewijzen dat hij gesteund werd door eene geheime kracht, die buiten het bereik van ons, gewone menschen-kinderen, valt; laat iemand ons overtuigen dat hij een heldennatuur had, waaraan wij altoos vreemd moeten blijven, en wij leggen deze geschiedenis mismoedig ter zijde, teleurgesteld in onze verwachting en in onze hoop: hij is ons dan geen voorbeeld ter navolging, maar een onbereikbaar ideaal, een visioen van wat voor ons nimmer

ocr page 23

DE UITGEDROOGDE BEEK.

waar kan zijn. Dit is echter geenszins het geval. Inderdaad deze man, die Gods raad volbracht, was een worm als wij; deze pilaar in den tempel zijns Gods was een riet, bewogen door den wind des daags. Deze Profeet des vuurs, die Israël als een fakkel verlichtte, was van nature slechts eene rookende vlaswiek. Alles wat hij werd en deed, werd en deed hij door het geloof; en ook wij zullen wonderen doen door het geloof, indien wij het slechts eene macht in ons laten worden, eene macht, die de kracht Gods durfL aangrijpen. Alle macht is in God! Mochten wij maar leeren als Elia ontvankelijk te worden om Zijne kracht in ons te laten doorwerken en dan de taak te volbrengen die Hij ons voorlegt op aarde.

Vóór dat het zoo ver is, moeten wij echter als Elia worden opgevoed. Wij moeten aan de beek Krith en te Zarfath vertoeven eer wij den Karmel kunnen bestijgen.

Laat ons daarom opmerken welken weg God met Zijn dienaar hield.

I. Gods kinderen moeten leeren slechts een stap tegelijk te doen.

Dit is eene van de eerste maar tevens van de moeie-lijkste lessen. Ongetwijfeld heeft ook Elia dit moeten leeren. Vóór dat hij Thisbe verliet om te Samaria de boodschap te brengen, die hem op de ziel gebonden was, zal hij wel gevraagd hebben wat hem daarna te doen stond. Hoe hij zou ontvangen worden ? Welke uitslag zijne zending zou hebben ? Waarheen hij gaan moest om aan de wraak van Isébel te ontkomen, die reeds zoovele profeten des Hoeren geveld had met de scherpte des zwaards ? Indien hij al deze vragen voor God nederge-

13

ocr page 24

DE UITGEDROOGDE BEEK.

legd en op het antwoord gewacht had, dan zou hij nooit gegaan zijn. Neen, anders handelt God met Zijne kinderen; Hij toont hun slechts stap voor stap den weg en wil dat zij dien aldus in het geloof zullen gaan. Blijven wij wachten en redeneeren wij: »maar als ik dezen stap doe, die mij zeker in moeielijkheid brengt, wat moet ik dan doen?quot; dan blijft de hemel gesloten of geeft ons althans geen antwoord dan deze herhaling: ::Doe dezen stap en vertrouw op Mij.quot;

Zoodra had de Profeet echter niet dezen stap gedaan en zijne zending volbracht, of het woord des Heeren geschiedde tot hem, zeggende: »Ga weg van hier en verberg u aan de beek Krith.quot;

Zoo ging het ook later; eerst toen de beek was uitgedroogd, toen de stroom was geworden tot kleine plassen en de plassen tot droppelen en de droppelen waren verzonken in het zand, eerst toen kwam het woord des Heeren tot hem, zeggende: »Maak u op, ga naar Zarfath.quot;

Hoe liefelijk is dat woord: «het Woord des Heeren geschiedde, (kwam) tot hem.quot; Hij behoefde naar dat woord niet te zoeken, niet daarnaar te vragen; het kivam tot hem. En zoo zal het ook tot u komen! Het kan komen door het Woord Gods, of door eene besliste inwerking van den Heiligen Geest, of door levensomstandigheden, maar komen zal het tot u en u zeggen wat gij doen moet. Alleenlijk wacht gij op dit woord!

II. Gods kinderen moeien den rijkdom leeren kennen van een leven, verborgen in Hem.

»Ga weg van hier en wend u naar het Oosten, en verberg u aan de beek Krith.quot; De man, die een voor-

14

ocr page 25

DE UrTGEDROOGDE BEEK.

ganger moet worden voor zijne medemenschen, moet zeer klein worden tegenover zijnen God, en daar is geen beter middel om iemand klein te maken, dan hem plotseling weg te rukken uit den kring, waarin hij zich onmisbaar is gaan beschouwen, en hem te toonen dat God het wel zonder hem kan. Dan kan hij in de afzondering van zijne beek Krith overdenken hoe onzuiver zijne drijfveeren waren en hoe onbeteekenend zijne kracht is.

Op deze wijze handelde de Heiland met Zijne discipelen. Toen zij bij zekere gelegenheid tot Hem terugkeerden vol van 't geen zij hadden verricht, zeide Hij kalm: »Gaat gij alleen naar eene eenzame plaats.quot; Wij voelen ons doorgaans te sterk, wij zijn te veel vervuld van ons zeiven, dan dat God ons zou kunnen gebruiken. Wij verbeelden ons zoo dikwijls dat wij iets zijn en dat God ons niet missen kan. O, hoe hebben wij dan van noode dat God ons innerlijk leven naar de donkerheid en eenzaamheid eener beek Krith brengt! Laat het ons niet verwonderen als Hij dan zegt: »Mijn kind, gij hebt genoeg van al deze drukte, deze opgewondenheid, dit openlijk optreden; ga weg van hier en verberg u aan de beek; verberg u aan de Krith van een langdurig ziekbed, of van teleurgestelde hoop, of van smartelijk verlies, of in een verlaten worden van uwe medemenschen. Zalig hij die dan zeggen kan: Uw wil is de mijne. Gij zijt mijne verberging, neem mij slechts onder de schaduw Uwer vleugelen. Iedere menschenziel, die veel invloed verlangt op andere geesten, moet zich die veroveren aan eene verborgen Krith. Aan Karmelshoogte moet altijd eene Krith voorafgaan, en eene Krith voert altijd tot eene Kar-

15

ocr page 26

DE UITGEDROOGDE BEEK.

meishoogte. Wij kunnen niets geven, alvorens zelf iets ontvangen te hebben. Wij kunnen geen booze geesten bezweren of zelfs naderen, tenzij \vij eerst in onze binnenkamer geweest zijn, en daar met gesloten deuren en in nauwe gemeenschap met God hebben geleefd. Het is onmogelijk geestelijke macht op anderen uit te oefenen, tenzij dan dat wij ons voor onze medemenschen en voor ons zeiven kunnen verbergen in eene of andere verborgen plaats, waar ons de kracht Gods kan tegenkomen.

De heuvelen en dalen van Palestina kunnen allen spreken van eenzame plaatsen. Onze Heer en Heiland vond Zijne beek Krith te Nazareth en in de woestijn van Judea; in den olijvenhof bij Bethanië; in de eenzaamheid van Gadara. Geen wonder dus dat ook wij niet buiten onze beek Krith kunnen, waar het geluid van aardsch rumoer en van menschenstemmen wordt gedempt door het zacht kabbelen der zeer stille wateren, waarbij God Zijne kinderen doet vertoeven; en waar wij onder de beademing des Heiligen Geestes het verborgen leven in de gemeenschap van Christus onzen Heer mogen leeren kennen. Steeds heeft de almachtige God eene menschenziel, die tot Hem roept, te midden eener groote schare eene beek Krith doen vinden en haar doen ondervinden dat Hij is eene verberging tegen den vloed.

III. Gods kinderen moeten onvoorwaardelijk gehoorzaamheid leeren.

Hoe wonderlijk moet dat bevel Elia in de ooren hebben geklonken. Naar eene beek te moeten gaan, die even goed als andere wateren uit kon droogen! Hoe moeielijk te moeten gelooven dat de raven hem voedsel

i6

ocr page 27

DE UITGEDROOGDE BEEK.

zoudeu brengen op gezette tijden, de raven, die veelal leven van aas! Hoe onwaarschijnlijk was het dat hij binnen Israels landpalen verborgen zou kunnen blijven voor de speurhonden van Isébel ! Evenwel, Gods bevel was klaar en duidelijk; hem bleef niets over dan te gehoorzamen. »Alzoo ging Elia. en deed naar het woord des Heeren.quot; Wij kunnen ons voorstellen hoe hij op zekeren avond de sombere bergengte bereikte, aan welker voet de beek al schuimend en spelend zich een weg baande naar den Jordaan.

Aan weerszijde verhieven zich de reusachtige rotsen die maar eene handbreedte van de blauwe lucht zichtbaar lieten; hier en daar slingerden zich eenige boomtakken van de eene rots naar de andere en vormden zoo eene lommerrijke beschutting tegen de brandende zonnestralen. Aan den oever der beek vormde het mos een fluweelen rustbank, zachter en prachtiger dan in der koningen paleizen. En zie, daar ginds komen de jonge raven en brengen hem brood en vleesch! Welk een bewijs van Gods almacht om voor Zijn kind te zorgen! Iii later jaren heeft Elia zeker menigmaal teruggedacht aan dit merkwaardig tijdperk uit zijn leven, en zeker heeft hij den eersten avond aan de beek Krith tot zich zeiven gezegd: »Nu kan ik nimmermeer twijfelen aan Gods wonder- en liefdemacht!quot;

In de rol des boeks onzer gewijde geschiedenis kan niet alleen geen woord gemist worden, maar heeft ook ieder woord zijn eigenaardige beteekenis. Het komt ons voor dat wij in vs. 4 wel degelijk den klemtoon hebben te leggen op het woordeke daar. »Ik heb de raven geboden.

17

ocr page 28

DE UITGEDROOGDE BEEK.

dat zij u daar onderhouden zullen.quot; Wellicht had Elia zich gaarne eene andere schuilplaats verkozen dan bij de beek Krith; maar naar des Heeren woord was dit de eenige plaats waar de raven hem zouden onderhouden, en zoolang hij daar verbleef, had God Zijn woord gegeven dat Hij hem onderhouden zou.

Zóó moet het ook ons eene levensvraag zijn: »Ben ik daar waar God mij hebben wil ?quot; Kunnen wij hierop bevestigend antwoorden, dan mogen wij hiervan zeker zijn: God zal eerder een wonder doen dan ons van gebrek laten omkomen.

Wanneer de jongste zoon uit eigen beweging vertrekt naar een vergelegen land, kan hij gevaar loopen als zwijnenhoeder van honger te vergaan; wanneer echter de vader er hem heen zendt, dan zal hij genoeg en overvloed hebben. God zendt ons nergens heen, of Hij zorgt daar ook voor ons. Het manna gaat altijd hand aan hand met de wolkkolom. »Zoeken wij slechts eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid en alle deze dingen zullen ons toegeworpen worden.quot;

Wij willen ons de onvruchtbare moeite niet geven om de waarheid of zelfs de waarschijnlijkheid van dit verhaal te beredeneeren. Zij het ons genoeg dat het «geschreven staat.quot; Voor wie gelooft in de almacht van »Onzen Vader, die in de hemelen is,quot; voor wie belijdt te gelooven aan de opstanding van Jezus Christus uit de dooden, kan het bovennatuurlijke bezwaar noch rnoeielijkheid opleveren.

Indien dit Godswonder echter bevestiging en bekrachtiging van noode had, dan zoude eene groote schare kinderen Gods ook van dit geslacht kunnen opstaan, om te

i8

ocr page 29

DE UITGEDROOGDE BEEK.

getuigen van wondervolle uitreddingen en hulp in nood, waarlijk niet minder wonderbaar dan het komen der raven tot den eenzamen profeet.

In zeker Duitsch stadje had een kleine knaap dit voorval uit Elia's leven voorgelezen aan zijne moeder, die weduwe was, terwijl zij broodeloos zaten bij een uitgedoofden haard. Het knaapje vroeg of hij de deur mocht open zetten, opdat Gods raven konden binnenkomen; hij was zeker dat er reeds onderweg waren. De burgemeester van het stadje kwam voorbij, en, opmerkzaam gemaakt door de open deur midden in den winter, vroeg hij naar de oorzaak daarvan. Toen ze hem werd medegedeeld, antwoordde hij getroffen: »Ik wil heden Gods raven zijn,quot; en voorzag in hun kommer voor heden en vele volgende dagen. Zie, mijn lezer, God heeft eene onuitputtelijke bron van zegeningen; als gij slechts Zijn werk wilt doen en naar Zijnen weg wilt vragen, dan zal Hij u ter zijde staan, ook al moesten de hemelen daarbij instorten. Vertrouw slechts op het woord Zijner almacht!

IV. Gods kinderen worden dikiuijls geroepen om te verblijven bij nitdi oogende beken.

»En het geschiedde ten einde van vele dagen dat de beek uitdroogde.quot; Ook onze stoutste en wildste verbeelding vermag het niet zich den toestand voor den geest te tooveren waarin het Land der Belofte verkeerde na maanden van droogte. De heerlijke weiden tegen de helling der heuvelen waren dan verschroeid alsof ze met vuur in aanraking waren geweest. De bosschen waren dor en geen vogel liet in de toppen der boomen zijn lied hooren. Dequot; riviertjes en beekjes krompen meer en meer in hunne

ig

ocr page 30

DE UITGEDROOGDE BEEK.

bedding terug; geen regen verkwikte boom of plant; dag aan dag ging de zon op in onafgebroken brandenden gloed aan een wolkeloos blauwen hemel; zelfs geen dauw verkwikte de uitgeteerde aarde. Ook de beek Krith had lang haren dartelen, schuimenden en bruischenden loop gestaakt; iederen dag werd zij smaller van bedding en trager van gang; eindelijk was zij uitgedroogd. Wat mag Elia wel gedacht hebben ? Zou hij getwijfeld hebben aan Gods wakende zorg ? Zou hij reeds plannen gevormd hebben om zijn eigen weg verder te gaan ? Zekerlijk zou dat alles menschelijk geweest zijn; wij mogen echter hopen en vaststellen dat hij gewacht heeft op den Heer en zijne ziel heeft stil gezet als een gespeend kind. Wij willen gelooven van dezen profeet des Heeren dat de psalmtoon hem niet vreemd en nu niet verre van zijne ziel was: »Mijne ziel wacht op den Heer, ja, mijne verwachting is van Hem.quot;

Hoe menigeen, ook in onze dagen, zit wel eens ter neder bij eene uitgedroogde beek. Hier is het de uitgedroogde beek eener wegkwijnende gezondheid; daar eene steeds minder wordende bron onzer inkomsten, veroorzaakt door ziekte of werkeloosheid; elders weder de uitdroogende bron eener vriendschap, waarop wij gebouwd en gerekend hadden. Ach, het is zoo bitter en zoo moeielijk bij zulk eene uitgedroogde beek neder te zitten, veel moeielijker dan de profeten van Baal in het aangezicht te wederstaan.

Waarom laat God soms onze beken uitdroogen ? Hij wil ons leeren niet op iets dat van de aarde is, maar op Hem zeiven alleen te vertrouwen. Wij moeten geheel

20

ocr page 31

21

leeren afzien van ons zeiven en de pinnen van onze tenten los maken vóór dat Hij ons elders roept of gebruiken wil. Mochten wij deze lessen maar leeren door de ervaringen van ons leven, en zóó leeren afzien van onze beken, om met den algenoegzamen en onveran-derlijken Heiland en Helper een verbond te sluiten. Hij is de Algenoegzame, onveranderlijk, schoon de jaren vlieden en de eeuwen voorbijgaan. Hij is de onuitputtelijke, altijd even rijk voor ons, hoeveel millioen maal millioenen ook reeds door Hem zijn gezaligd en in de eeuwige woningen hun danklied aanheffen.

De rivier Gods is vol water. »\Vie van ander water drinkt zal wederom dorsten, maar wie drinkt van het watei dat Ik hem geven zal,quot; zegt de Heer, »zal nimmermeer dorsten, maar het zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.quot; Zoo wie dorst heeft die kome!

ocr page 32

HOOFDSTUK III.

NAAR ZARFATH GEZONDEN.

N'lJVfl' t ''S' den weg van liet opvoedingsplan, dat iiS rSm 31 God met Zijne kinderen houdt, om gedurig te verplanten. Het rustigste en kalmste leven is volstrekt niet altijd het meest gezegende bestaan. Sommigen bereiken eerst den hoogstcn trap van geestelijke ontwikkeling alleen door dat beproeving, kastijding en velerlei zorgvolle bemoeiingen hen voortdurend door Gods Voorzienigheid worden toegezonden. Trachten wij in dit licht Gods weg met Elia te beschouwen. In zijne jongelingsjaren was hij »tehuis,quot; toen werd hij overgebracht naar Jisreël, daarna overgeplant naar de beek Krith en ten vierden male naar Zarfath! En dat alles opdat hij niet in zou slapen, maar voort zou gedreven worden naar een hoogtepunt van zedelijke grootheid, dat hij anders nooit zou bereikt hebben; een hoogtepunt evenwel, dat hem in later dagen waardig maakte om op den Berg

ocr page 33

NAAR ZARFATH GEZONDEX,

der Verlieerlijking de evenknie van Mozes en de deelgenoot der gedachten van Christus onzen Heer te zijn!

O gij mijn broeder of zuster, aan wie God in Zijne wijsheid geen vaste woonplaats hier beneden schenkt — gij, die heden hier en morgen daar de pinnen uwer tenten moet inslaan — ontmoedig u daarom niet; dit alles geschiedt naar den raad der hoogste Liefde, die u wil opleiden tot eene heerlijke bestemming. Al uwe levensomstandigheden zijn door die hoogste Liefde met zorg gekozen om in u te werken en te volbrengen datgene waarvoor Zij u bestemde.

En daarenboven — wanneer men heeft geleerd in en met den Allerhoogste te leven zooals Elia, dan wordt onze pelgrimsreis betrekkelijk van minder belang voor ons. Hem, die leeft in de voortdurende nabijheid van den onveranderlijken God, en die zeggen kan: »Zoo spreekt Jehova, voor Wiens aangezicht ik sta,quot; hem kunnen de uitwendige levensomstandigheden slechts de oppervlakte van het zieleleven beroeren. Wat zij hem ook ontnemen, dat ééne groote voorrecht kunnen zij hem niet ontrooven. Wat zij hem ook brengen, meer dan dat kunnen zij hem niet geven. Het bewustzijn van die ma-jestueuse nabijheid is de alles beheerschende gedachte; de troost, de hulp, de bezieling van ieder uur. Evenals een uitgestrekt landschap omvat wordt door den nevel-achtigen dampkring eener brandende zomerhitte, evenzoo ziet ieder, die voor Gods aangezicht staat, menschen, dingen en gebeurtenissen omvat door de alles doordringende tegenwoordigheid Gods. Zijne plannen ten uitvoer te brengen. Zijn wil en werk te volbrengen, op Zijne aan-

ocr page 34

NAAR ZARFATH GEZONDEN.

wijzing te wachten, in de beschouwing van Zijn Wezen zich te verdiepen, te genieten de voorsmaak van de verzadiging der vreugde die voor Zijn aangezicht is, ziedaar wat den bevoorrechte onder ons, aan wien als aan Elia deze genade geschonken werd, het hart vervult. Door de kracht des Heiligen Geestes kan deze genade het deel worden van een ieder onzer, indien wij ons gansche hart slechts daarvoor ontsluiten. Waarom zouden wij er dan niet naar grijpen ?

Zien wij nu wat de geschiedenis ons verder leert.

»Het geschiedde na vele dagen dat de beek uitdroogde, want geen regen was in het land geweest.quot; Weken achtereen had Elia met onbezweken geloofsvertrouwen het oog gehad op de steeds kleiner wordende beek; gedurig was hij in verzoeking om gehoor te geven aan de stem des ongeloofs, maar hij bleef krachtig in zijn vast besluit om niets te laten komen tusschen hem en zijnen God. Het ongeloof ziet God door- en in de levensomstandigheden, zooals wij de zon soms van haar stralengloed afgesneden zien door den bezwangerden dampkring ; het geloof daarentegen plaatst God tusschen zichzelf en de levensomstandigheden en beziet ze in Zijn licht. Alzoo werd de kleiner wordende beek een zilveren draad; weldra was de zilveren draad geworden tot kleine plassen, daarna verdroogden ook de plassen. De vogelen vloden, het schuw gedierte van veld en bosch kwam niet meer om zijn dorst te lesschen, de beek was uitgedroogd. Eerst toen kwam tot den geduldig wachtenden geloofsman het woord des Hee-ren, zeggende: »Maak u op, ga heen naar Zarfath.quot;

De meesten onzer zouden zich reeds lang ongerust

24

ocr page 35

NAAR ZARFATH GEZONDEN.

gemaakt en allerlei plannen gevormd hebben. Wij zouden ons loflied gestaakt hebben, zoodra de beek minder bnii-schend door hare rotsachtige bedding ging, en onze harp aan de wilgentoppen hangend, zouden wij reeds lang vol bezorgdheid over het verdorde gras hebben heen en weer geloopen. Ja, waarschijnlijk reeds lang eer de beek droog was zouden wij ons zeiven een plan hebben voorgeschreven, en met een gebed om Gods zegen op de lippen naar elders zijn vertrokken. Ach, wij zijn altijd zoo vol van onze plannen en verrichtingen; wanneer Samuël niet komt op het juiste uur dat wij hem venvachten, dan dwingen wij ons zeiven en offeren zelf het brandoffer. En dit is eene oorzaak van onnoembare ellende en jammer. Wij leggen onszelven een plan voor en eerst als wij onoverkomelijke hinderpalen ontmoeten op den weg, beginnen wij ons zeiven af te vragen of het wel Gods weg was en Hem aan te roepen. Menigmaal redt Hij ons dan, want Zijne lankmoedigheid is groot, maar, indien wij slechts hadden afgewacht welken weg Hij met ons vóór had, clan zouden wij nooit in zoovele moeielijk-heden gekomen zijn en behoefden wij niet met zooveel tranen van schaamte en berouw op onzen weg terug te gaan.

Wat God eenmaal tot Mozes sprak: :gt;Zie, dat gij het alles maakt naar de afbeelding, clie u op den berg getoond is,quot; dit moest de leidende gedachte zijn van al Gods kinderen.

Mozes was met vurigen ijver bezield om Gods werk te volbrengen, cle beste werkkrachten van zijn volk stonden hem daarbij ten dienste, toch mocht hij geen enkele

25

ocr page 36

NAAR ZARFATH GEZOXDEX,

kwast of franje of gordijn of vaatwerk maken dan naar het goddelijk voorschrift.

Ook wij moeten leeren wachten tot God ons Zijne plannen ontvouwt, Zijn weg aantoont, Zijn wil openbaart van stap tot stap; zóó eerst zal ons leven en arbeid worden een leven en arbeid Hem ter eere! Mocht dit maar de bede van ons hart worden: »Leer mij, o Heer, Uwen weg; leid mij in Uwe waarheid en leer mij, want tot U hef ik mijne ziel op.quot;

»Toen maakte Elia zich op en ging naar Zarfath,quot; zooals hij vóór dezen naar de beek Krith gegaan was en zooals hij later gaan zou lt;3111 zich aan Achab te vertoonen.

Plaatsen wij deze korte mededeeling van Elia's onvoorwaardelijke gehoorzaamheid vóór ons als een spiegel, waarin wij ons eigen leven willen beschouwen. Hier leeren wij verstaan waarom zoo menig christenleven ééne groote mislukking is. Wij hebben eenmaal gegrepen naar het hoogste doelwit, wij hebben in het vuur der eerste liefde beloofd Hem ons leven te wijden; geen woorden waren ons sterk genoeg om de sterkte van onze liefde en de onverbreekbaarheid van het gesloten verbond te betoogen. Zelfs schijnt het den eersten tijd alsof wij niet meer in de duisternis der aarde maar in het hemelsche licht wandelen. Daar komt plotseling het goddelijk bevel klaar en duidelijk tot ons: wij moeten eene geliefde beek Krith verlaten om naar een zeer onwelkom Zarfath te gaan. Wij moeten een stap doen, eene gewoonte nalaten, een -woord spreken, waartegen vleesch en bloed opkomen, en — wij aarzelen, de prijs is te duur. Zoodra echter hebben wij niet geweigerd te gehoorzamen, of het licht dooft

20

ocr page 37

NAAR ZARFATH GEZOXDEX.

uit op ons levenspad en d mkere schaduwen hangen over ons zieleleven!

Niet dat wij onze zaligheid kunnen bewerken of verdienen door onze gehoorzaamheid; zij is Gods gave, zij is genade om niet door de eeuwige offerande van Jezus Christus, onzen Heer, maar — eenmaal geloofd hebbende tot behoudenis, moeten wij gehoorzAmcn. Onze Heiland zelf bezweert ons bij de liefde, die wij Hem toedragen, dat wij Zijne geboden bewaren. En waar Hij dat doet, mijn broeder of zuster, gelooft het vrij, het is alleen omdat Hij het weet, dat voor ons in het bewaren Zijner geboden een groot loon is.

Doorzoek uwen Bijbel van het begin tot het einde, en zie of niet altijd onvoorwaardelijke, onmiddelijke gehoorzaamheid het geheim is geweest van de edelste figuren, die ooit deze eentoonige, duistere wereld verlicht hebben. Was het niet een der eernamen van onzen Koning en Heer, »de Knecht van Jehovaquot; te zijn ? En kan een sterveling een hooger doelwit najagen dan wat het diepst van dit goddelijk hart bezielde, toen Hij zeide: »Ik kom om Uwen wil te doen, o God!quot;

Wij ontkennen het niet; de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan onzen God kan ons wel eens brengen in een vurigen oven; Zarfath ivas voor den profeet zulk een oven. Het lag buiten de landpalen van Kanaan, en er was veel dat het .voor hem gansch zeer onbegeerlijk maakte daar te vertoeven. Het behoorde tot het vaderland van Isébel, van daar had zij hare goddelooze en ontuchtige priesters aangevoerd en het leed evenzeer als Kanaan zelf onder den vloek der voortdurende droogte. Hij kon

ocr page 38

NAAR ZARFATH GEZOXDEX.

het onmogelijk anders bereiken dan door eene lange, vermoeiende reis, dwars door het land, waar zijn naam vervloekt en zijn leven vogelvrij verklaard was. En dan, aldaar te worden onderhouden door eene weduwvrouw van een heidenschen volksstam! Was het omgekeerd geweest, had hij haar moeten onderhouden, het zou niet zoo bitter geweest zijn, maar pijnlijk was het boven mate, afhankelijk te moeten zijn van hare karige verdienste en haar schamel stuk brood. Gevoelen wij het niet, hoe het daar waarlijk voor hem was een vurige oven, waar hij van allen hoogmoed, alle zelfvertrouwen, die in de schuilhoeken zijns harten nog mochten wonen, werd ontdaan ?

En reeds bij zijne aankomst nam die loutering een aanvang; toen hij het afgelegen stadje bereikte moet het tegen den avond geweest zijn, en bij de stadspoort was eene weduwe bezig hout te sprokkelen, ten einde den avondmaaltijd te kunnen bereiden. Velen zouden dit een toeval genoemd hebben, maar in het woordenboek des geloofs staat dit woord niet geschreven; datgene wat het menschelijk verstand toeval noemt, is voor het geloof eene daad der Voorzienigheid. Klaarblijkelijk was dit de weduwe, van wie God gesproken had. Uitgeput van dorst en vermoeid van de lange reis, maar toch zonder eenigen twijfel in de ziel of in til zijne behoeften zou worden voorzien, vraagt hij haar hem een dronk water te halen. Het is mogelijk dat de weduwe iets van zijne komst geweten heeft; men zou het veronderstellen uit het woord des Heeren: »//• kcb cenc 7vcdnwe geboden u te onderhouden.quot; Wij zullen haar karakter weldra nader leeren kennen, maar wij stellen nu reeds voorop : daar moet in haar

28

ocr page 39

NAAR ZARFATH GEZONDEN'.

iets geweest zijn dat niet te vinden was bij de vele weduwen in Israël. Het was niet willekeurig dat de Heer die allen voorbijging en juist tot haar kwam. Daar moet in haar een beginsel van geloof geweest zijn, dat haar onderscheidde van al de gebrek lijdende vrouwen in het aangrenzende land; hierdoor was zij geschikt om den profeet in haar huis te ontvangen en met hem Gods zegenende hand te leeren kennen.

Vandaar dan ook dat de vraag van den profeet haar niet verraste en dat zij zwijgend een beker koud water ging halen. Aangemoedigd door deze bereidwilligheid, gaat de profeet verder en vraagt ook om eene bete broods; een bescheiden verzoek, voorwaar, het deed evenwel de sluizen opengaan van hare beangstigde ziel. Zij //«(/geen bete broods meer, maar slechts een hand vol meel in de kruik en een weinig olie in de fiesch, en zij wilde dit voor zichzelve en haren zoon bereiden om zich daarna neder te leggen en te sterven.

Voorwaar, geen moedgevende ontvangst voor den man Gods na zijne lange, vermoeiende reis; maar wat betee-kende dit voor hem, wiens gemoed vervuld was van de tegenwoordigheid en de kracht Gods. God zelf had immers gezegd, dat hij zoude onderhouden worden door deze weduwe, en aldus zoude het geschieden, ook al gingen hemel en aarde voorbij! Zoo sprak dan Elia met den heldenmoed des geloofs: »Vrees niet, ga henen, doe naar uw woord; want zóó zegt de Heer, de God Israels: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie in de flesch zal niet ontbreken, tot op den dag dat de Heer regen op den aardbodem geven zal.quot;

2Q

ocr page 40

XAAR ZARFATH GEZONDEN.

Zoo hebben ook wij slechts te vragen of wij in Gods weg zijn. Indien ons geweten daarop bevestigend kan antwoorden, dan — al schijnt het ons ook onmogelijk toe dat wij geholpen zullen worden — zal dit onmogelijke geschieden. Indien de weg der gewone middelen niet voldoende mocht blijken om ons te helpen, dan zullen wij door een wonder gered worden. Staat_ daar dan niet geschreven: »Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden ?quot;

Merken wij nu nog ééne zaak op, alvorens dit hoofdstuk te eindigen, namelijk in welk eene onderscheiden beteekenis verschillende personen dezelfde heilige woorden op de lippen kunnen nemen. De weduwe zeide, evenals Elia gesproken had: »Zoo waarachtig als de Heer uw God leeft!quot; Haar echter brachten deze woorden geen troost, omdat zij slechts nageproken werden van hooren zeggen en geenszins de uiting waren van eene persoonlijk ondervonden waarheid.

God verhoede, mijn lezer, dat deze verzekering ook op uwe lippen slechts een nagesproken woord zoude zijn. Moge zij veeleer in het diepst van uw hart zijn ingeprent, opdat gij zonder vrees voor iets, uitgenomen de zonde, het leven door moogt gaan en ontmoedigde zielen moogt leeren vertroosten met de verzekering van een onwankelbaren geloofsmoed : »Vrees niet!quot;

30

ocr page 41

HOOFDSTUK IV.

DE GEEST EX DE KRACHT VAN ELIA.

Wfgjtic van mijne lezers eens in Zwitserland gereisd Kt? wj heeft, zou ooit den indruk kunnen vergeten, dien • een zonsopgang aldaar op hem maakte. Eene geheimzinnige stilte beheerscht de gansche natuur, zooals eene menigte ademloos zwijgt, terwijl zij de nadering eens konings tegemoet ziet. Daarna breekt een vreemd licht door aan den oostelijken hemel; eindelijk wordt een der hoogste Alpentoppen getint door den rooskleurigen gloed des dageraads, daarna een andere top, dan nog een en wederom een, totdat de geheele bergketen met zijne kruinen van eeuwige sneeuw glanst en schittert in gouden pracht. Intusschen zijn de dalen daar beneden nog gewikkeld in zwaren mist en gehuld in dikke duisternis. Slechts na eenige uren, wanneer de koningin des daags haren troon bestegen heeft, dringen de gezegende zonnestralen door in de kleine gehuchten en verspreide berghutten.

ocr page 42

DE GEEST EX DE KRACHT VAN ELIA.

Deze beschrijving kan ons helpen om het onderscheid te verstaan tusschen de oude bedeeling, die met de komst van onzen gezegenden Heiland in de wereld werd afgesloten, en de heerlijke nieuwe bedeeling, waaronder wij het voorrecht hebben te leven. Thans is de Heilige Geest over allen uitgestort; sints den Pinksterdag hebben zonen en dochteren, dienstknechten en dienstmaagden Zijne kracht en werking ondervonden.

Onder de oude bedeeling werd de Heilige Geest in Zijne volheid slechts over enkelen, slechts over de uitverkoren geesten onder de geloovigen uitgestort. Heden ten dage kunnen de nederigste, de zwakste, de laagst gelegen dalen Zijn gezegenden invloed ervaren, maar in de dagen van Elia leerden alleen zij, die de berghoogten der zielsverheffing bestegen. Zijne eeuwige kracht en volheid kennen.

Elia was een van de mannen, die alzoo vervuld waren met den Heiligen Geest. Dit was het algemeen getuigenis dergenen, die hem het best kenden. Eliza's zielsverlangen was; erfgenaam te worden van den geest, die zoo kennelijk zijn meester bezielde. »De geest van Elia,quot; was eene gebruikelijke uitdrukking bij de zonen der Profeten. Nog eeuwen daarna, toen de engel Gods sprak tot Zacharias in den tempel, wist hij niet beter te beschrijven hoe het beloofde kind vervuld zoude worden met den Heiligen Geest, dan door de verzekering dat »hij zoude heengaan in den geest en de kracht van Elia.quot;

Elia's profetische bediening was dus geen vrucht van zijne bizondere eigenschappen, maar de vrucht des Heiligen Geestes die in hem woonde, — evenals in andere

3^

ocr page 43

DE GEEST EX DE KRACHT VAN ELIA.

heilige mannen der oude bedeeling — door het geloof. Indien wij dus in gelijke mate als hij dien Geest konden ontvangen, dan zouden wij evenals hij kloeke daden kunnen doen. Het is slechts de groote vraag of de Heilige Geest in ons werkt en daar kracht uitoefent. Indien ja, dan zal Hij in ons, hoe zwak en ellendig wij ook zijn mogen, hetzelfde werken als in hen, die verre onze meerderen zijn in zedelijke kracht en geestesontwikkeling.

De vraag komt hier echter te pas: Mogen wij, gewone christenmenschèn van de negentiende eeuw, hopen op de gave des Heiligen Geestes in de buitengewone en bizondere mate als Elia die ontvangen had ?

Natuurlijk heeft ieder, die iets van de genade van den Heiland leerde kennen, eenigen invloed van den Heiligen

'O o

Geest ondervonden, anders immers zouden zij nooit tot den Heiland gegaan zijn; wij erkennen dan ook in den meest letterlijken zin de waarheid van onze schqone ge-zangr egelen:

„Ach, elke goede zucht

Was van dien Geest de vrucht.quot;

Evenwel is het eene onwedersprekelijke waarheid, dat boven deze gewone en algemeene geestesbedeeling, waaraan ieder geloovige deel heeft, er eene bui tengewone, gezegende zalving des Geestes bestaat, die bizondere geschiktheid en gaven schenkt tot een bizonder werk. Deze zalving had Elia. Deze zalving had ook onze gezegende Heer als de volmaakte knecht Gods, toen Hij vol des Heiligen Geestes in de kracht van dien Geest Galilea doorging. Ook de Apostelen hadden deze zalving sedert

33

3

ocr page 44

DE GEEST EX DE KRACHT VAN ELIA.

den Pinksterdag toen zij m de kracht des Geestes openlijk getuigden, hoewel die Geest reeds te voren hun inwendig leven moet vervuld hebben. De inwoners van Samaria hadden haar, maar eerst nadat Petrus en Johannes voor hen gebeden hadden »dat zij den Heiligen Geest ontvangen mochten,quot; hoewel toch blijkbaar hunne voorafgegane bekeering deze vrucht was geweest van het werk des Geestes.

En ook wij hebben deze zalving noodig en kunnen ze verkrijgen. Deze bizondere zalving was niet alleen weggelegd voor mannen als Elia, Paulus of Petrus, die oneindig hoog boven ons verheven zijn, maar voor ons allen, zoolang als daar in het boek van Gods Openbaring deze onschatbare woorden te lezen staan: »U komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen die daar verre zijn, zoovelen als er de Heere onze God toe roepen zal.quot; Hand. 2 : 39. Wij behooren tot degenen die »verre zijnquot; en mogen ons daarom de belofte toeëigenen en kunnen ook de volheid des Geestes ontvangen om ons voor onzen levensstrijd en levenstaak toe te rusten.

Om deze groote genade deelachtig te kunnen worden, moeten wij echter aan drie voorwaarden voldoen.

Wij moeten ontledigd zvorden.

God kan ons niet vervullen indien wij reeds van andere dingen vervuld zijn. De Apostelen moesten tien dagen vertoeven in de louteringschool des wachtens, hoewel zij drie jaren het onmiddellijk onderwijs van den Heiland genoten hadden. Het ontledigingsproces was echter eene onmisbare voorbereiding voor het Pinksterheil. Voor Elia had dit plaats bij de uitdroogende beek Krith,

34

ocr page 45

DE GEEST EN DE KRACHT VAN ELIA.

op den langen, vermoeienden weg naar Zarfath, en gedurende zijn verblijf aldaar. Blijkbaar duurde het drie jaren en zes maanden! Het was een lange, vermoeiende tijd des wachtens, maar hij werd goed besteed, want naarmate Elia meer ontledigd werd van zichzelven, van zijne eigengerechtigheid en zelfgenoegzaamheid, werd hij ook meer vervuld met den Geest der kracht, zoodat de heldenmoed zijns geloofs en zijne kloeke daden op Karmel mogelijk werden voor hem.

Zijn wij bereid zulk een prijs te betalen ? Zijn wij bereid om ons door God alles te laten ontnemen wat eenigermate in strijd is met Zijnen wil ? Indien nog niet, vragen wij dan van Hem, die het willen cn het werken in ons volbrengen wil, dat Hij ons brenge en leide, en Zijne genade over ons doe lichten, totdat wij geheel ver-eenigd worden met Zijnen goddelijken wil.

Maar zijn wij bereid, gaan wij dan met een hart dat van alles afstand deed tot den Zone Gods, opdat Hij ons vervulle met de volheid Zijns Geestes. Gelooven wij slechts dat Hij dit doen wil, zoodra wij ons aldus aan Hem overgeven. Gij kunt niet zoo vurig naar Hem verlangen als Hij naar u verlangt; zoodra eene menschen-ziel beseft niets anders meer te bezitten dan eene pijnlijke leegte, eene schreiende behoefte, dan is Gods Heilige Geest gereed daarin te komen woning maken. Niet altijd komt Hij met geestverrukking, met een geweldig gedreven wind of met een vuurdoop; maar desniettemin zal de Heer dien gij zocht tot Zijnen tempel komen, hetzij onder het suizen eener zachte koelte, hetzij in een stroom van lich% Want aldus spreekt de Heer:

35

ocr page 46

36

»Maak in dit dal vele grachten, want gijlieden zult geen regen zien, nogthans zal dit dal met water vervuld worden.quot; (2 Kon. 3 : 16, 17.)

Vele christenen die de volheid van Gods gaven zoeken en begeeren, begaan denzelfden misslag als degenen die zoeken en vragen naar schuldvergeving en weder-aanneming tot het kindschap Gods. Zij wachten namelijk op inwendige bewijzen, op bevindingen van de inwoning des Geestes in hun hart en weigeren aan Zijne nabijheid te gelooven, tenzij zij zekere teekenen en verschijnselen waarnemen, die hunzelven hebben goed gedacht. Dit is echter eene gevaarlijke dwaling! Wij hebben geen rekening op te maken met het gevoel, maar met het geloof. Wij moeten niet zoeken naar bewijzen van de tegenwoordigheid des Geestes in ons ; Hij openbaart niet zichzelven, Hij openbaart Jezus Christus en verheerlijkt Hem in ons, en het zekerste bewijs dat Hij tot ons gekomen is, zal voor ieder zoekend hart zijn: teederheid van geweten, meerder nauwgezetheid tegenover de zonde, toenemende liefde voor den persoon des Heilands, meerder eenswil-lendheid met Zijne leidingen. Büinerkt gij in uzelven iets van deze dingen, dan weet gij ook iets van de volheid Zijner genade!

Men vroeg eens een klein meisje naar haren leeftijd. »Ik voel volstrekt niet alsof ik al zeven jaar ben, ik voel alsof ik zes ben, maar moeder zegt dat ik zeven ben,quot; antwoordde het kleine ding. Ziedaar de werking des ge-loofs ons getoond in een klein kind; haar moeders woord is haar meer dan haar eigen gevoel. Zoo moeten ook wij afzien van zelfbeschouwing, van de ontleding onzer

ocr page 47

DE GEEST EN DE KRACHT VAN ELIA. 37

gevoelens, maar ons toevertrouwen aan de onwankelbare belofte Gods.

Eene tweede voorwaarde om de genade des Heiligen Geestes deelachtig te worden gelijk Elia is:

Volkomen gehoorzaamheid.

Wij hebben reeds vroeger daarop aangedrongen, maar het is zulk eene onmisbare voorwaarde dat wij haar niet genoeg kunnen herhalen. Christus herhaalt bijna in iedere toespraak tot Zijne discipelen de vermaning om Zijne geboden te bewaren. Hij ontsluiert ons 't geheim van Zijn blijven in Zijns Vaders liefde in deze treffende woorden: »Indien gij Mijne geboden bewaart, zoo zult gij in Mijne liefde blijven, gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaar en blijf in Zijne liefde.quot;

Onmiddelijke en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Gods Woord is eene noodzakelijke voorwaarde om de werking des Geestes te behouden en te doen toenemen. Daarentegen is eene kleine afwijking van den weg der gehoorzaamheid voldoende om dezen heiligen telegraafdraad met den hemel te verbreken en ons zelfs te berooven van 't geen wij bezitten. Denke niemand dat zulk eene gehoorzaamheid te moeielijk en te hard is; Gods geboden zijn nooit te zwaar en Zijne genade is tot alles genoeg.

Indien slechts ieder geloovige die deze bladzijde leest, er van dit oogenblik af toe kon besluiten om Elia na te volgen, die zich opmaakte en deed naar het woord des Heeren, niet met de gedachte van een goed werk te doen, maar gedreven door waarachtige liefde; — niet alleen in groote en gewichtige zaken, maar ook in het kruisen van de t, en het puntzetten op de i — hoe

ocr page 48

30 DE GEEST EN DE KRACHT VAN ELIA.

spoedig zoude hij ondervinden dat een leven van onbegrijpelijke heerlijkheid zich voor hem opende. De onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van Elia is de onvoorwaardelijke voorwaarde om »den Geest en de kracht van Elia,quot; te ontvangen en te behouden.

Ten slotte nog éene voorwaarde:

Jl'y moeten ons dagelijksch voedsel vinden in Gods Woord.

Elia, de weduwe en haar zoon leefden van een dagelijks aangevulden voorraad; de Profeet echter had nog ander voedsel, dat zij niet kenden: gt;;Dc mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle Woords dat door den mond Gods uitgaat.quot; Bij dat Woord leefde Elia gedurende die lange, eenzame en eeiitonige dagen. Somtijds besteeg hij de heuvelen achter het kleine stadje, of ging hij eens langs het zeestrand, peinzende over de oordeelen Gods. En bij de weduwe en haar zoon gezeten sprak hij voortdurend over dat Woord; zoo althans leert ons de weduwe zelve wanneer zij hem later toevoegt : »Nu weet ik dat het Woord des Heeren in uwen mond waarheid is.quot; (i Kon. 17 : 24.)

Vergeten wij toch niet dat al het bovengenoemde de bepaalde voorwaarde is om met den Heiligen Geest vervuld te kunnen blijven. De Geest werkt met en door het Woord. Wat het metaal is voor de locomotief, wat de graankorrel is voor de levenskiem, dat is het JFoo/d Gods voor den Gees/ Gods. Indien wij dus het eerbiedig onderzoek der Heilige Schrift verzuimen, snijden wij ons zeiven af van het middel waardoor Gods Geest tot den menschelijken geest doordringt.

Ik leg hier den vinger op eene wonde plek; ik raak hier

ocr page 49

DE GEEST EN DE KRACHT VAN ELIA.

de groote zaak aan, waarin men in onze dagen vooral te kort komt. De christenen onzer dagen houden bijeenkomsten, werpen zich op allerlei christelijken arbeid, lezen vele schoone en goede boeken over den Bijbel en het christelijk leven, maar cp den Bijbel zelf geven velen slechts terloops en zeer oppervlakkig acht. Daarom spreekt de Bijbel tot hen niet. Daar zijn in onzen Bijbel schatten van schoonheid en heerlijke vertroosting, die den wijzen en ver-standigen verborgen blijven, maar den kinderkens geopenbaard worden. Daar is geen boek ter wereld dat zóó den tijd loont aan zijne bladzijden besteed, als de Bijbel. Een verwaarloosde Bijbel beteekent een verhongerden en krach-teloozen geest, een dor en dood leven en een voortdurend bedroeven van den Heiligen Geest. Indien allen, die nu voortdurend langs onze straten hollen om bijeenkomsten bij te wonen, waar zij kruimkens hulp en troost zoeken op te doen, eens eenvoudig tehuis wilden blijven en daar hunnen Bijbel wilden onderzoeken, voorwaar, de Gemeente des Heeren zou er beter aan toe zijn en de maatschappij zou meer kracht van het christendom zien uitgaan. — Het is zeker eene nuchtere raadgeving, maar zij bevat waarheid.

In een volgend hoofdstuk wenschen wij het leven van den man Gods in de nederige woning wat nader te beschouwen, nu zij het voldoende op te merken dat de Heilige Geest, die zoo machtig in hem werkte, zich in hem betoonde door dezelfde vruchten die Hij altijd en in iedereen werkt, n. 1.; zachtmoedigheid tegenover be-leediging, standvastigheid in verzoeking, kracht in 't gebed, macht over den dood.

39

ocr page 50

DE GEEST EK DE KRACHT VAN ELIA.

Laat ons deze opsomming eindigen met de merkwaardige bekentenis der weduwe: »Ik weet dat gij een man Gods zijt.quot; Wij zijn gewoon te spreken van een man van letteren, van kennis, een man van karakter; hoeveel heerlijker echter is het bekend te zijn als een man Gods, — één van Gods mannen, een man naar Gods hart! Wat lof gaat er- boven dezen lof, als zoodanig bekend en gekend te zijn !

De kracht van den inwonenden Geest betoonde zich in Elia's geval in den wonderdadigen invloed die op de weduwe en haar kind werd uitgeoefend. De weduwe werd overtuigd van zonde, en hare oogen werden geopend voor de waarheid die uit God is. De zoon werd uit den dood terug geroepen tot een leven der opstanding. Ook wij zullen dergelijke ervaringen opdoen, indien wij slechts vragen en wachten om vervuld te worden met de volheid Gods. Wij hebben het Woord des Heeren Jezus: »Die in Mij gelooft, de werken die Ik doe zal hij ook doen, en zal meer doen dan deze: want Ik ga heen tot Mijnen Vader.quot;

4°

ocr page 51

HOOFDSTUK V.

DE TOETSSTEEN VAN HET HUISELIJK LEVEN.

EWMo0r men'Scen zou llet; zeer wel mogelijk zijn, zich een held te betoonen en een heilige in de een-zaamheid der beek Krith, of op de berghoogte van Karmel, en toch een zwakkeling te zijn in het klein-huiselijk leven van Zarfath. Het is iets anders, gemeenschap te oefenen met God in de heilige eenzaamheid der natuur, en kloeke daden van ijver en moed te volbrengen tot Zijns naams eer, ten aanschouwen van duizenden; en iets anders van dag tot dag met Hem te wandelen te midden van het huiselijk leven met zijne vele eischen van zelfverloochening. Inderdaad, gezegend is het huiselijk leven, op welks drempel wij alle terughoudendheid, allen strijd, alle verdenking en achterdocht kunnen laten varen, en te midden dergenen die wij liefhebben ons kunnen geven zooals wij zijn. Te ontkennen valt het evenwel niet dat juist daar, waar voor velen de liefelijkste levensbloemen

ocr page 52

42 DE TOETSTEEN VAN' HET HUISELIJK LEVEN.

bloeien, zooveel is dat ons op de proef stelt en in strijd brengt. Daar heeft men aanhoudend zachtmoedigheid, geduld, zelfverloochening en zelfbedwang te beoefenen. En juist daar worden vele menschen klein, wier karakter als de Alpentoppen, hoog boven velen hunner bekenden verheven scheen.

Dit moest niet alzoo zijn; ook behoeft het niet zóó te wezen! Indien onze godsdienst slechts is, wat hij moet zijn, dan zal hij over alles zijn bestuur hebben, over iederen blik, ieder woord, elke, ook de kleinste daad! Wanneer slechts onze godsdienst geen mantel is dien wij naar willekeur aannemen of afleggen, dan zullen wij zijne echtheid en kracht bewijzen in iedere levensuiting. »Mijne genade is u genoeg,quot; ziedaar het eenig antwoord van den Heer, op alle vragen, op iedere verontschuldiging en klacht in onze moeielijke levensomstandigheden.

Uw huiselijke kring werd voor u gekozen door de nimmer dwalende wijsheid van Eenen, die u beter kent dan gij uzelven kunt kennen, en die zich nooit vergist. Hij is voor u uitgekozen als de beste oefenschool; eiken last dien hij met zich brengt is gewogen op de hand der oneindige liefde, voordat hij u op de schouders werd gelegd. En nu zegt de Meester; »Mijn kind, daar is niets in uw leven dat gij voor Mij en door Mij niet kunt dragen; Ik zal u helpen en in staat stellen om dit waardiglijk te doen.quot;

In ons vorig hoofdstuk zagen wij iets van de kracht en den Geest waarmede Elia bezield was, en wij vernamen dat dezelfde genadegaven ook voor ons verkrijgbaar

ocr page 53

DE TOETSSTEEN VAN HET HUISELIJK LEVEN.

zijn. Nu willen wij hem volgen in zijne tijdelijke woonplaats en zien hoe hij in dien engen levenskring zijnen Heer verheerlijkte; wij zullen hem aldaar zeker nog meer leeren bewonderen en liefhebben.

Hij was dezelfde man in het huis der weduwe als hij zich betoonde op Karmels hoogte. Hij was als een van die bergtoppen die tot den hemel reiken, maar in hunne lagere gedeelten met vruchtbare weiden en schaduwrijke bosschen zijn begroeid. Hij toonde dat de werking des Heiligen Geestes in eene menschenziel zich moet openbaren in al de bizonderheden, ook de kleinste, van zijn dagelijksch leven.

En welke zijn nu de lessen die zijn verblijf te Zarfath voor ons in den schoot heeft? Ten eerste, leert Elia ons door zijn voorbeeld tevredenheid!

Het dagelijksch brood in het huis der weduwe was karig genoeg; daar was maar even genoeg voor de dage-lijksche behoeften; en daar de Profeet geen andere natuur had dan de onze, kunnen wij veilig aannemen, dat ook hij liever dan deze karige maat een ruimen voorraad van meel en olie in huis zou hebben gezien. Ook hem zou het aangenaam geweest zijn eene ruime voorraadschuur in zijne nabijheid te hebben en te kunnen zeggen: »Ziel, gij hebt voorraad genoeg om den tijd van hongersnood door te komen; neem er uw gemak van, eet, drink en wees vroolijk.quot;

Dit is echter niet Gods weg met Zijne kinderen en het zou ook geen heilzame weg voor ons zijn. Gods voorschrift is: van dag tot dag. Ook het manna viel in de woestijn dagelijks neder. Ons wordt het dagelijksch brood

43

ocr page 54

44 DE TOETSSTEEN VAN HET HUISELIJK LEVEN.

verzekerd, en zij die er van leven worden voortdurend herinnerd aan hunne zalige afhankelijkheid van des Vaders liefde; zij leeren weder worden als de kinderkens. Indien God ons in de keus gaf onzen voorraad te zien en zelf te bewaren, of dien niet te zien en het aan Hem over te laten ons dagelijks het noodige toe te dienen, de meesten onzer zouden zeker het eerste kiezen; het geeft immers een gevoel van gewicht en het streelt onzen hoogmoed onze voorraadschuren te kunnen overzien en te weten dat wij geborgen zijn. Oneindig wijzer zoude het zijn indien wij antwoordden: »Ik wil U vertrouwen, mijn Vader, want Gij zijt de levende God, die ons alles geven zult wat wij behoeven. Houdt Gij onzen voorraad in bewaring; wij worden daardoor voor verzoeking bewaard, want die rijk en verrijkt willen worden vallen in den strik.quot;

Zij die zóó kunnen leven, zijn er het beste aan toe. Zij hebben niet de zorg en verantwoordelijkheid en bijgevolg ook niet, de verzoeking, die het voor een rijke bijna onmogelijk maakt het Koningrijk Gods in te gaan. Indien God belooft — en Hij doet het — dat Hij in den nood Zijner kinderen zal voorzien, wat doet het er dan toe of zij de bron waaruit Hij put kunnen zien of niet ? De hoofdzaak is maar dat zij de heerlijke, alles zeggende belofte niet voorbijzien: «Zoekt eerst het Koningrijk Gods en Zijne gerechtigheid en alle deze dingen zullen u toe geworpen worden.quot;

Het is onmogelijk na te gaan aan wie deze regelen onder de oogen zullen komen, maar indien zij mochten gelezen worden door dezulken, wier hoogste levensdoel is onaf-

ocr page 55

DE TOETSSTEEN VAN HET HUISELIJK LEVEN.

hankelijk te worden, die mogen wel toezien. Wat bedoelen zij eigenlijk, onafhankelijk te worden van God, of van de menschen. Bij slot van rekening zal het hunne ondervinding zijn dat zij van geen van beiden onafhankelijk kunnen worden; en wij wenschen hun de ernstige vraag voor te houden: Is dit wel een waardig levensdoel voor hen die gekocht zijn met het dierbaar bloed van Christus ? Weet gij het dan niet dat wij rentmeesters zijn om te doen met hetgeen Hij ons in dit leven geeft en schenkt, gelijk Hem welbehagclijk is? Eens zullen wij Hem rekenschap hebben te geven van alles wat Hij ons heeft toe-betrouwd !

Mochten deze regelen daarentegen gelezen worden door dezulken, die worstelen moeten om het dagelijksch brood, en die weinig hoop hebben in dit leven ooit meer in eigendom te zullen krijgen dan een handvol meel in de kruik en een weinig olie, onder in de (lesch — moge hun het voorbeeld van Elia ter vertroosting zijn en het Woord Gods de hoeksteen van hun vertrouwen: »Ik zal u niet begeven noch verlaten.quot; Het kan wel zijn dat wij heden het laatste meel uit de kruik verbruikt hebben, maar ook morgen zal er juist genoeg zijn voor de behoefte van den nieuwen dag. Geen angst en zorg, maar het gebed zal ons hierin helpen. »Uw Vader weet dat gij al deze ding jn behoeft. Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, zal Hij u met Hem niet alle dingen schenken ?quot;

Elia leert ons verder door zijn voorbeeld, hoe men zachtmoedig kan blijven ook onder beleediging en terging.

Hoe lang mag die bedroefde weduwe wel over haar

45

ocr page 56

46 DE TOETSSTEEN VAN HET HUISELIJK LEVEN.

stervend kind heengebogen hebben gelegen ! Wellicht was zijn heengaan even plotseling als dat van het knaapje dat kermde: »Mijn hoofd, mijn hoofd!quot; en wellicht is hij verwelkt in een enkelen zomerdag; of wellicht heeft hij geleden aan eene lange, slepende ziekte, die niet alleen zijn jong leven ten graven sleepte, maar ook zijne moeder zoo uitputte en overspande, dat zij in haar radeloosheid ondoordacht en wreed sprak tot den man die in haar huis redding in nood had gebracht: »Zijt gij tot mij ingekomen om mijne ongerechtigheid in gedachtenis te brengen en om mijnen zoon te dooden ?quot;

Zulk eene onverwachte en onrechtvaardige opmerking moest den Profeet natuurlijk zeer grieven en kon hem een scherp of bitter antwoord ontlokken. Maar — ééne van de vruchten des Geestes is zachtmoedigheid, en alzoogaf Elia geen antwoord dan de wedervraag: »Geef mij uw zoon.quot; Is er ook al eene bittere opwelling in zijn hart geweest, zij werd dadelijk teruggedrongen door de liefde Gods, die hem vervulde.

Merken wij dit wèl op! Ook wij behoeven iets, neen veel meer van deze praktijk des godsdienstigen levens. Onbegrijpelijk groot is het aantal dergenen die zichzelven bedriegen; zij gaan naar zielroerende bijeenkomsten, draven alle zoogenaamde goede werken na, verklaren alles op het altaar des Heeren te hebben nedergelegd en spreken als of waarlijk Gods Geest hen vervulde. Maar tehuis gekomen van hunne stichtelijke bijeenkomst roept de minste botsing, of inmenging in hunne plannen, of een misslag van anderen eene toornige uitbarsting te voorschijn, of wel een toegeven aan eene knorrige, weinig

ocr page 57

DE TOETSSTEEN VAX HET HUISELIJK LEVEN,

Godverheerlijkende stemming. Zulke menschen, al hadden ze ook alle kerken en alle bijeenkomsten en bidstonden, ja wat niet al bijgewoond, hebben nog véél te leeren en hebben allereerst te vragen om iets van Gods Geest, opdat die hun de oogen opene en hen doe verstaan dat zij jammerlijk, arm, blind en naakt zijn, opdat zij door die overtuiging leeren vragen en hongeren naar de volheid des Geestes, die onze geheele persoonlijkheid en iedere levensuiting wil heiligen.

In Elia zien wij voorts welk eene krachtige prediking daar uitgaat van een heilig leven. Daar was ongetwijfeld op den achtergrond van het leven der weduwe ééne zonde, waarvan de herinnering alle andere zonden en tekortkomingen overstemt; ééne zonde in haar verleden, die voor haar geestesoog telkens weer verschijnt als de zonde van haar leven; »mijne ongerechtigheid, zegt zij (x Kon. 17 : 18). Welke zonde zij bedoelt weten wij niet; wellicht stond die in verband juist met de geboorte van den zoon. Waarschijnlijk was zij jaren geleden begaan en heeft zij haar toen met doodelijken angst vervuld, want het geweten geeft getuigenis zelfs in het hart van de kinderen des heidendoms. (Rom. 2 : 14, 15.) Maar in later jaren was dat gevoel van berouw afgestompt, was het lang verkracht geweten verstompt, en vergat zij tijden achtereen tot zelfs de herinnering aan hare schuld. O wij menschen verstaan zoo meesterlijk de kunst om eene onwelkomen, eene onaangename gedachte van ons af te zetten. En toch — hoe vreeselijk zal het zijn, wanneer wij eenmaal op den drempel der eeuwigheid onze onbeleden schuld zullen zien oprijzen, die ons als eene

47

ocr page 58

48 DE TOETSSTEEN VAN HET HUISELIJK LEVEN.

ontzaggelijke herinnering aan het onverzoend verleden toeroept: »Gedenk uwe zonden!quot; Niemand onzer zal dan ooit kunnen zeggen ; »ik heb ze vergeten !quot; want langs allerlei wegen, door velerlei middelen weet Hij, die geen zondaar met rust laat, die zich niet aan Hem gewonnen geven wil, de herinnering te doen herrijzen aan gepleegde zonden, en het geweten zijne waarschuwende stem te doen hooren. Hier is het een oud handschrift, daar eene schilderij, elders weer een of andere geur tot ons gedragen op den wind des daags, en wederom elders een lied, welks toon eene gedachte wekt, die de sluimerende herinnering aan onbeleden zonden doen ontwaken. Bij de weduwe van Zarfath was het de heilige, onberispelijke levenswandel van den Profeet, gepaard met haar eigen zieldoorborend leed. Onder .den diepgaanden indruk dier twee roepstemmen was het of haar geheugen zijne doode wedergaf, en de stem van het ontwaakt geweten sprak luide uit de klacht; »Zijt gij bij mij ingekomen om mijne ongerechtigheid in gedachtenis te brengen.quot; O, indien wij slechts meer leefden in de kracht des Heiligen Geestes! Ons leven zou eene waarschuwende, levenwekkende prediking voor zoovelen kunnen zijn!

Mocht iemand die deze bladzijden leest zich van eene nog niet beleden en dus nog niet vergeven zonde bewust zijn, o, laat die het weten dat er gewisselijk een dag komt waarop het verkrijgen van vergeving niet meer mogelijk zal wezen. Geene zonde kan ooit uit de herinnering worden weggewischt, indien zij niet beleden is aan den voet van Golgotha's Kruis. Het bloed van Jezus alleen reinigt van alle zonden; men zie dus wel toe, dat men zich late reinigen!

ocr page 59

DE TOETSSTEEN VAN HET HUISELIJK LEVEN. 49

Besluiten wij met de beschouwing van de heerlijke ge-loofsoverwinning van den man Gods, en van de gave des levens, die hij op zijn gebed wist te verkrijgen.

Van dezen worstelaar in de eenzaamheid, lezen wij hier: »Hij nam hem van haren schoot en droeg hem boven in de opperzaal, waar hij zelf woonde, hij legde hem neder op zijn bed en hij riep den Heere aan!quot; Wij bidden zoo geheel anders dan deze man Gods; wij brengen te weinig onze nooden, één voor één en stuk voor stuk voor het aangezicht des Heeren, wij noemen de dingen niet bij hunnen naam, wij eindigen te haastig, wij dringen niet aan op verhooring, wij herhalen niet met al den drang der ziel de bede, die wij van God begeeren. Is het dan wonder dat wij zoo weinig ontvangen ?

Welk eene volharding, welk een aanhouden bij den Profeet ! »En hij mat zich driemaal uit over het kind en riep den Heere aan.quot; Hij liet zich dus niet afschrikken, ook al vertoefde de Heer te komen. Ziet, daar zijn gebeden van zoo dringenden, zoo spoedeischenden aard, dat de Heer daaraan letterlijk het woord Zijner belofte waar maakt: »Eer zij roepen zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken zal Ik hooren.quot; Maar dikwerf, maar meestal, acht Hij het noodig de oprechtheid, den ernst, de diepte van ons zielsbegeeren te peilen naar ons geduld in het wachten, naar onze volharding in het smeeken, naar onzen ernst in het hopen op Zijn heil.

Elia hield aan, en welk een bidden was dat van den man Gods! Welk een eenvoud, welk eene soberheid van woorden, welk een volkomen nederleggen van zijne begeerten aan den voet van Gods troon. Heere mijn God,

4

ocr page 60

50 DE TOETSSTEEN VAN HET HUISELIJK LEVEN.

laat toch de ziel dezes kinds in hem wederkeeren!quot; zoo klinkt het met luider stem door de opperzaal, en wie zal de onuitgesproken verzuchting, de sprakelooze uitstorting van de begeerte der ziel nagaan, welke in die ure uit deze geheiligde opperzaal naar boven steeg. Wij weten nauwelijks wat hier meer te bewonderen: de grootheid van dit geloof of de stoutheid der bede.

»Enquot; — het strekke tot troost en bemoediging voor al de geslachten van de kinderen der menschen — »de Heere verhoorde de stem van Elia en de' ziel des kinds kwam weder in hem, dat het weder levend werd.quot; Het stoutmoedige geloofsgebed had dus genade gevonden bij God.

Kon daar voor Elia, den worstelaar voor Gods eer, grooter voldoening zijn weggelegd dan het eenvoudig getuigenis der dankbare en gelukkige moeder: »Nu weet ik dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des Heeren in uwen mond waarheid is.quot;

Wat zal nu wel de slotsom zijn van deze geschiedenis, waarin wij zoo kennelijk de kracht des Heiligen Geestes tot een menschenkind zien afgedaald ? Eenvoudig dit: deze vrouw, deze heidensche weduwe van Zarfath, was door het verblijf van den Godsman onder haar dak tot een keerpunt in haar leven gekomen ; van toen aan werd zij geadeld tot een kind van God en ongetwijfeld heeft ook onze Heiland, die de Schriften kende als geen ander, aan haar gedacht toen Hij (Matth. 10 ; 41) sprak van het ontvangen van een Profeet.

ocr page 61

HOOFDSTUK VI.

O B A D J A.

[ËraKjÊjla vele dagen geschiedde het Woord des Heeren andermaal tot Elia !—Maanden, misschien jaren Irarr-fi)™; waren in de stille woning te Zarfath doorgebracht ; de heiligste banden verbonden de weduwe en haar zoon aan den man Gods, en de nederige woning met hare kruik meel en flesch met olie was thans geheiligd door gewijde herinneringen aan de onveranderlijke trouw Gods.

Het moet dus wederom eene ongewensclite zaak voor Elia geweest zijn heen te gaan, en dan — waar heen te gaan! Zeer waarschijnlijk was het hem wel ter ooren gekomen, hoe Achab al de omliggende landen had laten doorzoeken: er was geen volk of koninkrijk waarheen de toornige vorst niet gezonden had, om de overheden des lands onder eede af te vragen of Elia zich bij hen niet schuil hield. Het was dus niet te verwachten dat

ocr page 62

52

hij vriendelijk zou worden ontvangen; veeleer was het waarschijnlijk dat hij onmiddellijk gevangen genomen en misschien wel in banden zou worden geperst om den vloek te herroepen waaronder gansch de natie, heel het koninkrijk nu zoo duldeloos leed.

Terwijl Elia dit alles overwoog, en de onstuimige golven in den geest gadesloeg, die op hem zouden aanbruischen^ zoodra hij de rustige haven verliet, die hem zoo lang had beschut, zal het hem zeker bang te moede zijn geworden. Maar hij kon niet anders dan gaan. Hij die vroeger gezegd had: »Ga heen, verberg u,quot; had nu gesproken : »Ga, vertoon u.quot; Was hij iets meer dan een knecht des Heeren, die onvoorwaardelijk te gehoorzamen had ? En dus vernemen wij niet anders dan de rustige verzekering: »Elia ging h(#ien om zich aan Achab te vertoonen.quot;

Op zijn weg naar 's konings hof, versterkte de profeet zich ongetwijfeld met dezelfde woorden die zijne kracht waren geweest toen hij voor de eerste maal tot den koning ging: »De Heere der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta.'' Wellicht ook heeft het als een echo op het aloude heldenlied des geloofs door zijne ziel geklonken : »De Heer is mijn licht en mijn heil, voor wien zoude ik vreezen ? De Heer is mijn levenskracht, voor wien zoude ik vervaard zijn ? Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zoude niet vreezen, ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zoo vertrouw ik hierop.quot;

Evenwel, al heeft Elia zich op deze wijze geharnast tegen de vreeze, het moet hem toch zeer bitter en smartelijk geweest zijn de verwoesting gade te slaan die over

ocr page 63

OBADJA. 53

het land gekomen was. Thans geen kabbelende beken, geen lachende groene heuvelen; geen bloeiende vijgeboom of met vrucht beladen wijnstok. De grond was dor en kaal, de hinden lieten hunne jongen in den steek omdat er geen gras was om ze te voeden, de woudezels renden met opgesperde neusvleugels de heuvelen op, om de geringste windvlaag op te vangen, die hun ver-schroeienden dorst kon lenigen. Meer dan waarschijnlijk waren de wegen in de nabijheid van steden of dorpen bezaaid met de lijken der ellendigsten onder de armen, die bezweken waren van gebrek; want wij, in ons gematigd klimaat, kunnen ons geen denkbeeld vormen van de vreeselijke gevolgen eener langdurige Oostersche droogte.

En dit alles was de vrucht van Elia's gebed. Zou het voor hem niet een ondragelijk lijden geweest zijn, indien de vurige hoop niet in hem geleefd had dat zijn volk de mate zijner schuld en zonde zou leeren inzien en leeren uitroepen: »Wij weten nu en zien dat het kwaad en bitter is den Heer onzen God te verlaten.quot;

De hongersnood was groot in alle deelen des lands, maar hij schijnt wel het zwaarst gedrukt te hebben in Samaria. »De honger was sterk in Samaria.quot; En deze hongersnood juist bracht het ware karakter van Achab aan het licht. Het zou natuurlijk geweest zijn als hij er zich zooveel mogelijk op toegelegd had de ellende van zijn volk te lenigen in zulk een kommervollen tijd, indien hij in deze bange dagen al niet wedergekeerd was tot God; maar neen — hij heeft op 't hoogste van den nood geen. andere-gedachten dan aan zijne paarden en muildieren; zijn eenige zorg is die in het leven te behouden, en zoo be-

ocr page 64

OBADJA.

geeft hij zich op weg om gras te vinden voor zijne dieren. Welk een zelfzucht zien wij hier: muildieren en ezels gaan vóór zijn volk. Een zoeken naar gras inplaats van een vragen naar God!

Onze dagen zijn echter aan eene dergelijke zelfzucht niet vreemd. Of is het. een ander beginsel wanneer een rijke op zijn donzen bed kan rusten, in gemakkelijke rijtuigen kan rijden, alle dagen overdadiglijk kan leven, zonder ééne gedachte te wijden aan hen, die zijn rijkdom voor hem verdienen en soms betaald worden met een hono-erloon. — Hebben allen, die zich christenen noemen,

O ■ 7 '

een zuiver geweten hieromtrent? Zijn er ook onder hen niet zulken, die even veel voor één enkelen maaltijd besteden als voor den nood eener lijdende wereld ? En herhalen zij daarmede niet de zonde van Achab, die gras ging zoeken voor zijne beesten, terwijl hij de menschen aan hun lot overliet? Wat zou het zijn in onze christelijke maatschappij, indien deze geest der zelfzucht werd uitgebannen door den geest van Christus ! Dan zoude zoo menige christelijke arbeid niet belemmerd worden door gebrek aan middelen en het beginsel der christelijke liefde zou den boventoon hebben in onze maatschappij en meer ons doen en laten beheerschen. Men versta mij wel, het is verre van mij de christenen te veroordeelen, omdat zij leven naar de eischen van den stand, waarin God hen plaatste; het is naar den eisch der Schrift hun plicht om ook dien stand hoog te houden als een talent, waarmede zij kunnen woekeren. Maar dit is het waartegen ik in naam van diezelfde Schrift meen te moeten opkomen, dat iemand die zich een christen durft noemen, meer

54

ocr page 65

OEADJA.

verkwist en uitgeeft voor onnoodige weelde en overdaad in zijn eigen leven, dan hij ooit uitgeeft ten dienste van zijne medemenschen, voor wie onze Heiland in den dood ging. Dit, voorwaar, is de zelfzucht van Achab.

Het wekt zeker onze hoogste verbazing, een man als Obadja zulk een invloedrijken post aan Achab's hof te zien beklccden. -gt;Obadja was de hofmeester van 's konings huis.quot; Volgens zijn eigen getuigenis vreesde hij den Heer van zijne jonkheid aan. Hetzelfde getuigenis bevestigt de gewijde geschiedschrijver waar hij zegt: «Obadja was den Heer zeer vreezende.quot; Hij had dan ook ondubbelzinnige blijken var zijn vroomheid gegeven, want toen Isébel het land met het zwaard der vervolging had ge-geeseld, ten einde de profeten des Heeren uit te roeien, had Obadja honderd profeten genomen, hen bij vijftigtallen in eene spelonk verborgen en met brood en water onderhouden. Hij was dus een goedgezind man, maar moet toch zeker een groot gemis aan zedelijke kracht in zijn karakter geweest zijn, anders had hij nooit die plaats kunnen bekleeden aan het hof van Achab en Isébel.

Het is in het minst niet af te keuren dat een christen een hooge invloedrijke plaats inneemt aan een hof of in een maatschappelijken kring, indien hij dit doen kan zonder zijn beginsel te verloochenen. Integendeel kan hij daar in de gelegenheid zijn onschatbare diensten te bewijzen aan de zaak des Heeren. Slechts weinigen echter vermogen op dezen weg trouw te blijven aan hun roeping. Zoo licht wordt de vlag gestreken en wordt er gezwegen, waar spreken en protesteeren plicht en heilige roeping is. Niet onwaarschijnlijk is het, dat dit ook

5.5

ocr page 66

OBADJA.

de zwakke zijde van Obadja was. Hij zag het nut niet in van een scherp afgebakenden weg; hij hield niet van recht doorgetrokken lijnen; zeker, hij kon de nieuwe gewoonten aan 's konings hof niet goedkeuren, maar, hij behoefde toch zijn eigene godsdienstige overtuiging niet aan iedereen op te dringen. Dikwijls was hij geërgerd over 't geen aan het hof voorviel, en het viel hem wel eens moeilijk daarover te zwijgen, maar, bij slot van rekening was het niet zijne zaak, en hij kon er toch zijne betrekking niet aan wagen door vruchteloos en voorbarig zijne stem te verheffen. Dikwijls werd zijn hart bedroefd als hij zag hoe' de profeten des Heeren vervolgd werden, en menigmaal voelde hij zich half geneigd om hunne partij te kiezen, wat vermocht echter één eenig man? Neen, hij zou hen beter kunnen helpen door te blijven waar hij was, al moest hij daarmede eenigszins zijn beginsel verloochenen! Wat moet die arme Obadja dikwijls in strijd geweest zijn, ten einde zijn plicht jegens Jehova hand aan hand te laten gaan met zijn plicht tegenover zijn aardschen meester Achab. Daar was dan ook eene ernstige beteekenis in het woord van Elia: »Ga heen, zeg uiveji heer: zie Elia is hier!quot;

Hoevele Obadja's zijn er ook onder ons! Hoe velen, die den rechten weg weten en hem wel in het geheim willen bewandelen, maar zich liefst zoo min mogelijk over den godsdienst uitspreken. Hoe velen zijn er die de banier niet durven ontrollen, waaronder hun geweten hen nog-thans gebiedt te dienen, terwijl zij dat zelfde geweten met allerlei voorwendsels verontschuldigingen het zwijgen opleggen. Zij gevoelen deelneming voor degenen, die

56

ocr page 67

OBADJA.

vervolgd worden om der gerechtigheid wil, en willen hen gaarne in het verborgen bijstaan, maar denken er niet aan zelf naar voren te treden om voor hunne overtuiging uit te komen. En intusschen meenen zij door dien verborgen bijstand aanspraak te mogen maken op de sympathie der kinderen Gods, gelijk Obadja, die zeide: »Is het mijn heer niet aangezegd wat ik gedaan heb?quot; (i Kon. 13 : 13). Maar waar het op aankomt is dit: zij kunnen er niet toe besluiten verdrukking te lijden met de belijders des Heeren, zoolang zij in eer en aanzien zijn bij de machthebbenden dezer wereld.

Welk een onderscheid tusschen Obadja en Elia! Indien wij hier het karakter van Achabs hofmeester wat breedvoerig hebben uitgemeten, wij deden het om des te beter den edelen moed van Elia te doen uitkomen.

Wij weten het wel: daar zijn, vooral in onze dagen, velen die anders oordeelen, die meenen dat de belijders des Heeren midden in het legerkamp der wereld moeten blijven; haar feesten, haar vermaken moeten deelen en niet achter blijven in tien voortsnellenden loop van het getij. Langs dezen weg hopen zij de wereld tot staan te brengen, haar op te heffen, haar te verchristelijken. Een sch'oone droom, voorwaar, geheel overeenkomstig den natuurlijken aanleg van velen, maar nog-thans een droom, meer niet. Wat zou het gemakkelijk zijn als zij gelijk hadden! Dan zouden de profeten des Heeren kunnen terugkomen uit hunne spelonken, Elia zou de onderkoning van Achab kunnen zijn, Obadja's geweten zou tot rust komen en — wij allen mochten ons haasten Obadja's te worden! Daar zijn echter

57

ocr page 68

OBADJA.

twee onoverkomelijke bezwaren tegen deze zienswijze.

In de eerste plaats zal ten eenenmale het doel gemist worden dat men zich voorstelt. De ondervinding zal lee-ren dat hij die de wereld wil opheffen, zelf spoedig wordt nedergetrokken. Geschiedde dit ook niet met Obadja? In plaats van Achab tot zijne zienswijze over te halen, zond Achab hem uit tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren, om gras te zoeken voor zijne paarden en muilezels. Was dit bij den nood der natie niet een droevige opdracht voor een man, »die den Heer zeer vreesde?quot; Dit is echter slechts een zwak voorbeeld van hetgeen hen wedervaart, die het onmogelijke mogelijk willen maken: twee heeren dienen.

Vergelijken wij den invloed, dien Abraham zich durfde voorstellen uit te oefenen op het lot van Sodom, terwijl hij stond voor het aangezicht des Heeren op den heuvel van Mamré, en den invloed van Lot, die niet tevreden met zijne tenten op te slaan buiten de poorten der goddelooze stad, midden in Sodom ging wonen en daar zelfs zich in den raad der stad liet benoemen (Gen. 19 : 1). Vergeet niet dat Lot als gevangene werd weggevoerd bij de plundering van Sodom en dat Abraham hem verloste. Maar waartoe nog meer voorbeélden aan te halen ? Pleit onze dagelijksche ervaring er niet voor, dat men niet straffeloos met twee maten kan meten ? De christelijke vrouw die zich verbindt aan een ongeloovigen man, is in het grootste gevaar om tot zijne laagte te worden nedergetrokken; de belijder des Heeren, die een man van de wereld als compagnon opneemt in zijnen handel heeft geen kracht om de zaak voor ondergang te be-

58

ocr page 69

OBADJA.

hoeden. De gemeente des Heeren die aan wereldsche overleggingen voet geeft in haren kring, zal het ondervinden dat zij zelve de wereld binnen hare poorten haalt.

Het is dan ook geheel in strijd met het onderwijs van Gods Woord. Als bazuingeschal klinkt het ons telkens uit de gewijde bladen tegen: »Gaat uit het midden van hen en scheidt u af, zegt de Heer, en raakt niet aan hetgeen onrein is.quot; In de gewijde geschiedenis vinden wij geen enkelen held des geloofs, die zijn volk bewoog en zijn tijd beheerschte van uit het midden der zondige wereld; allen, zonder uitzondering, hebben de roepstem laten hooren: »Laat ons gaan buiten de legerplaats!quot; In de wereld, maar niet van de wereld ; met den pelgrimsmantel over den schouder, den pelgrimsstaf in de hand, de pelgrimsbelijdenis op de lippen, tegenover eene wereld, die God verzaakt. Ziedaar de eenige weg voor Gods kinderen om iets te ontvangen van den geest en de kracht van Elia.

Nog enkele opmerkingen omtrent het verschil tusschen Elia en Obadja.

I. Obadja trachtte eenvoudig veel,kwaad te voorkomen ; hij bewaarde de profeten voor het zwaard van Isébel en voor den hongerdood. Nu, dit was zeer goed; voorkomende hulp als deze kan zeer nuttig zijn, maar ten slotte heeft de wereld nog iets anders, nog iets meer noodig. Daar is eene schreiende behoefte aan mannen als Elia, als Daniël, als Johannes de Dooper, mannen die alleen durven staan, die de werkers der ongerechtigheid aandurven, hen durven dagen voor Gods rechterstoel en doen bukken voor de beleedigde majesteit der goddelijke

59

ocr page 70

OBADJA.

wet. Om dit te kunnen en te durven moet men niet dubbelhartig zijn, maar integendeel van de voetzool tot den schedel gewapend als een dienstknecht des Allerhoogsten. Van Obadja ging geen kracht uit — hoe was dit ook mogelijk? — daarentegen vermocht Elia in de kracht des Geestes het getij der zonde te verleggen door een ingrijpen midden in haren stroom.

Het is niet genoeg in het verborgen de profeten voort te helpen; wij moeten heengaan en ons aan Achab ver-toonen.

II. Toen Elia Obadja beval zijn meester te gaan zeggen dat hij hem wachtte, was de verbaasde hoveling ongeloovig. Hij wist hoe vertoornd en ontstoken Achab geweest was, en dat zijn toorn nog brandende was binnen in hem; het scheen hem waanzin toe dat de profeet zich daaraan zou blootstellen. Zelfs meende hij dat Elia onkundig was omtrent de wijze, waarop Achab hem gezocht had, óf wel dat de Geest des Heeren hem zoude wegnemen, vóórdat hij den koning ontmoette. Het kwam niet in hem op dat Elia den koning zou durven te gemoet gaan, indien hij ^ien waren staat van zaken kende. En zelfs indien hij vermetel genoeg was zich in het hol van den leeuw te begeven, dan zou God zelf hem dit beletten, meende hij. In ieder geval, Obadja wenschte niets met de zaak te doen te hebben; hij was meer bezorgd voor zich zeiven, dan voor het werk Gods of de begeerte van Elia. Tot tweemaal herhaalde hij de verzuchting: »hij zal mij doodenquot;; en eerst nadat Elia God tot getuige aanriep en hem verzekerde dat hij zich nog dienzelfden dag aan den koning zou vertoonen, ging Obadja schoorvoetend

óo

ocr page 71

OBADJA.

Achab te gemoet om het hem aan te zeggen. Hoe weinig wist hij van den waren oorsprong van Elia's moed'

Welke was dan de oorsprong van dien moed ? Vinden wij dien niet in de majestueuze verklaring van Elia:»De Heer der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta.quot; God bestond wezenlijker voor Elia dan Achab. Hij was een dienaar van den Koning aller koningen; hoe kon hij dan bevreesd zijn voor een mensch, die sterven moet, en voor een menschenzoon, die eens gelijk zou zijn aan het gras dat verdort wanneer de middagzon daarover gegaan is ? De vreeze Gods had hem ontoegankelijk gemaakt voor iedere andere vreeze. Het geloof hoort den naderenden vleugelslag van twaalf legioen engelen, die tot zijne hulpe snellen. Het geloof ziet zelfs iets van de almachtige Hand, die de kinderen Gods overschaduwt. Alzoo gaan daii Gods Elia's voort Zijne bevelen te volbrengen met onverschrokken hart en fier opgeheven hoofd, al ware het ook dat hun weg belemmerd werd door evenveel duivelen als er pannen op de daken zijn.

Zien wij nu ook hoe de man Gods ontvangen werd.

Achab kon Obadja verdragen omdat hij hem nimmer bestrafte of vermaande; als het zout smakeloos geworden is, veroorzaakt het ook geen pijn meer, zelfs niet in een open wond. Maar zoodra niet heeft Achab Elia gezien of zijn woede ontsteekt: »Het geschiedde als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zeide: Zijt gij die beroerder Israels ?quot; jaren daarna zeide deze zelfde Achab, sprekende met koning josafath van een ander trouw profeet des Heeren: »Ik haat hem, want hij voorspelt geen goed maar kwaad over mij.quot; Daar is geen krachtiger getuigenis denkbaar

ÓI

ocr page 72

OBADJA.

omtrent ons leven, dan de hartgrondige haat der Achab's in ons midden. »Zalig zijt gij, wanneer u de menschen smaden en vervolgen en liegende alle kwaad tegen n spreken om Mijnentwil.quot; Indien alle menschen wèl van u spreken, moogt gij de vraag wel tot uw geweten brengen, of gij ook op weg zijt een Obadja te worden. Maar indien ooit een Achab u beschuldigt, dat gij hem beroert, verblijd u dan, en zeg hem onbevreesd, dat die beroering veroorzaakt wordt door een overtreden bevel des Heeren en door de afgoden die hij aanbidt.

Wij verlaten thans Achab en Elia, van aangezicht tot aangezicht tegenover elkander staande. Is de vraag nog noodig, wie van deze beiden de meest koninklijke verschijning was? Wij kunnen niet anders dan onze bewondering schenken aan den man Gods. Maar vergeten wij het niet, zijn optreden was niet de vrucht van zijn karakter, maar van zijn geloof.

02

ocr page 73

HOOFDSTUK VIL

VOORBEREIDIKG TOT DEX STRIJD.

|quot;et is meer dan waarschijnlijk dat Elia geen af-; gebakend plan had, toen hij Zarfath verliet. Hij - wist dat hij zich aan Achab moest vertoonen, en dat de regen nabij was, want zóó had het krijgsbevel geklonken: »Ga heen, vertoon u aan Achab, want Ik zal regen op de aarde geven.quot; Meer dan dat wist hij niet. Misschien heeft hij een duister voorgevoel gehad van den majestueuzen strijd, die stond plaats te hebben op Karmels hoogte, maar met zekerheid wist hij niets; zijn eenige taak was voorloopig zijne voortvarende natuur stil te houden, als een gespeend kind, en haar tot rust te brengen met het oude referein : »Mijne ziel wacht op den Heer, want mijn verwachting is van Hem.quot;quot;et is meer dan waarschijnlijk dat Elia geen af-; gebakend plan had, toen hij Zarfath verliet. Hij - wist dat hij zich aan Achab moest vertoonen, en dat de regen nabij was, want zóó had het krijgsbevel geklonken: »Ga heen, vertoon u aan Achab, want Ik zal regen op de aarde geven.quot; Meer dan dat wist hij niet. Misschien heeft hij een duister voorgevoel gehad van den majestueuzen strijd, die stond plaats te hebben op Karmels hoogte, maar met zekerheid wist hij niets; zijn eenige taak was voorloopig zijne voortvarende natuur stil te houden, als een gespeend kind, en haar tot rust te brengen met het oude referein : »Mijne ziel wacht op den Heer, want mijn verwachting is van Hem.quot;

Het plan tot den grooten strijd voor God tegen Baül, voor de waarheid tegen de leugen, is wellicht aan Elia geopenbaard op zijne reis van Zarfath naar Achab, en

ocr page 74

VOORBEREIDING TOT DEN STRIJD.

dat wel plotseling, zooals een bliksemstraal aan een nachtelijk reiziger het kronkelend pad te aanschouwen geeft, dat hij moet volgen naar het dal aan zijn voet. Even waarschijnlijk echter is het, dat het hem bij gedeelten geopenbaard is, zoodat hij van stap tot stap den weg ^ leerde kennen, dien hij te gaan had. Dit toch is dikwijls Gods weg, en zij, die op Hem volkomen vertrouwen, hebben daarbij ook rust. Zelfs geeft het eene voortdurende nieuwheid en frischheid aan het leven, wanneer iedere stap onvoorzien en onverwacht is en een nieuwen blik geeft op Gods liefderijke leidingen.

Indien wij ons trachten in te denken in Elia's gemoedsleven, toen hij de beschermende woning van Zarfath verliet om den langen weg der komende gebeurtenissen op te gaan, die op Karmel haar hoogtepunt vonden, dan meenen wij daarin drie hoofdtrekken te vinden; en het is wel de moeite waard na te gaan wat zulk een man gevoelde, terwijl hij het hoogtepunt zijns aardschen levens tegen ging.

I. Hij lucrd verteerd van ijver 7gt;oor de cere Gods. »Laat het bekend worden dat Gij God in Israël zijt!quot; Ziedaar het gebed, dat ons de sleutel is tot dit groote hart. Hij wist niet en hij verlangde ook niet te weten wat er met hem zou geschieden, maar zijne ziel was met heilige ja-loerschheid vervuld voor de eere Gods. Het was hem ondragelijk te denken aan de verwoeste altaren en de gedoode profeten; ondragelijk, dat het Land der Belofte zuchtte onder de goddelooze en zedelooze plechtigheden der phenicische afgoderij; ondragelijk, dat zijn volk zich langzamerhand begon in te beelden dat de God van Abraham,

64

ocr page 75

VOORBEREIDING TOT DEX STRIJD.

Isaac en Jacob afstand had gedaan van zijne macht ten behoeve der valsche goden. En wanneer hij gedwongen werd deze dingen in het aangezicht te zien, dan werd het diepst zijner ziel bewogen door verontwaardiging en smart.

Wij mogen hierin wel van Elia leeren! Wij zijn misschien ijverend voor het welslagen van ons werk, onze kerk. Bloeien deze, dan zijn wij voldaan; kwijnen zij, dan zijn wij gedrukt. Wij zijn geheel vervuld van hetgeen ligt binnen den engen cirkel onzer belangen, en vergeten den groeten wereldomvattenden cirkel van Gods eer. Is het wonder dat er zoo weinig vrucht is op onzen arbeid ? God wil zijne eer aan geenen anderen geven, noch Zijnen lof aan de beelden van onzen eigenwaan. Maar ook in dezen wil God ons opheffen tot de hoogte onzer idealen; vragen wij Hem slechts om Zijnen Geest en Hij zal ons vervullen met iets van den ijver, die brandde in het hart van Elia, alles verterende wat laag en zelfzuchtig

O O

is, om ons tot Zijne geschikte en geheiligde dienstknechten te maken.

II, Elia zuns ten nolle overtuigd dat hij slechts een dienaar was. »Laat het bekend worden dat Gij God in Israël zijt en ik Uw knecht.quot; In de oude wereld was het niet de roeping van den dienstknecht plannen te maken en die voor te leggen aan zijn meester, maar hij had gereed te zijn op den minsten wenk van zijns meesters wil, om een werktuig te wezen in zijne hand. Dit was ook de gesteldheid van Elia's geest; hij was geheel overgegeven, ontledigd, bereid zich te laten vormen door Gods hand. En die gesteldheid is ook voor ons de eenig ware.

65

5

ocr page 76

VOORBEREIDING TOT DEN STRIJD.

Zijn wij niet maar al te gereed om iets voor onzen God te doen, in plaats van God te laten doen wat Hem goeddunkt dóór ons? Wij zeggen; wij willen daarheen gaan, wij willen dit en dat doen; wij willen in dezen weg voor God arbeiden, en wij denken er niet aan, dat onze eerste vraag moet zijn, of dat wel Gods wil ten onzen aanzien is. Wij erkennen niet Zijne onvoorwaardelijke heerschappij over ons. Dikwijls verzuimen wij iets te doen dat Hij van ons verlangde, omdat wij niet willen aflaten een eigen plan te volvoeren. Ziedaar de groote hinderpaal voor de rechte werkzaamheid van vele hedendaagsche christenen. Zij zijn er niet tevreden mede evenals een Paulus de «dienstknecht van Jezus Christusquot; te zijn.

III. Elia luas zeer begeeiig om Gods wil le kennen en uit le voeren.

»Laat het heden bekend worden dat Gij God in Israël zijt, en ik uw knecht, cn dat ik al deze dingen naar Uzv woord gedaan heb.quot;

Wanneer iemand maar voelt dat hij Gods plan ten uitvoer brengt en dat God Zijn plan dóór hem uitvoert, dan is hij onoverwinnelijk; dan hebben menschen, omstandigheden, tegenstand, niet meer waarde dan het kaf dat wegwaait met den herfstwind. Gods plan is ook Zijn wil, en Zijn wil zal geschieden, al moesten hemel en aarde vergaan.

Deze vraag omtrent onze verhouding tot Gods plannen is van het grootste gewicht, omdat Gods kracht en zegen slechts ten volle kunnen genoten worden door hen, die wandelen in den weg, waarop Hij hen hebben wil. God had het plan der omzwerving in de woestijn in Zijn goddelij-

66

ocr page 77

V OOR li ICR K] Dl XG TOT UKX STRIJD.

ken raad gevormd, lang viV'irdat Israël Egypte verliet, en Hij werkte dit plan uit door de beweging der wolkkolom boven de brandende zandvlakte. Het manna viel dagelijks neer, maar slechts daar, waar dc wolkkolom het leger beschutte voor de hitte des daags. Willen Gods kinderen het manna en de schaduw genieten, dan moeten zij juist daar zich bevinden, waar zij naar Gods plan moeten zijn. Ziedaar eene gelijkenis voor ons eigen leven. Verlangen wij goddelijke hulp ? Dan moeten wij het gi )dddelijk plan met ons volgen. Het vuur brandt slechts daar waar wij het altaar oprichten naar den eisch van Gods woord. Wij moeten onzen tijd niet doorbrengen in ijdele droomerijen, of in het zoeken van vertroosting; zal dc vertroosting op den weg ons deel zijn, dan moet het ons voortdurend gebed worden; »Heer, wat wilt Gij dat ik doen zal?quot;

Men kan langs velerlei wegen Gods plan lèeren kennen.

Somtijds wordt het ons in onze levensomstandigheden aangewezen; niet altijd zijn die aangenaam, maar wel altijd aan te nemen, omdat zij ons 's Vaders wil openbaren. Geen omstandigheid wordt buiten Zijne toestemming op onzen weg geplaatst, en daarom is zij altijd een bode van den Koning, die eene boodschap brengt, ook al kunnen wij haar niet immer verstaan. — Niet zelden ook openbaart God Zijn plan aan ons door een sterk gevoel van plicht, dat toeneemt naarmate wij aanhouden in het gebed.

Gods stem doet zich op velerlei wijze hooren om het aan Hem overgegeven hart Zijn wil te doen kennen. Indien men daaromtrent in het onzekere blijft verkeeren, dan kunnen er twee oorzaken zijn: of onze wil is niet geheel, niet onvoorwaardelijk overgegeven aan Gods wil, of

ocr page 78

VOORBEREIDJXG TOT DEN STRIJD.

de tijd der volle kennis is nog niet voor ons aangebroken, en dan moeten wij tevreden zijn om stil Gods tijd voor ons af te wachten. De beste regel voor ons leven is wel deze, niets te doen zoolang wij in eenige onzekerheid verkeeren, cn gereed te zijn tot handelen zoodra wij zekerheid hebben. Menigmaal zal God ons dan eene zekerheid ten deel doen vallen als aan den Apostel Petrus. «Terwijl Petrus in zichzelven nog twijfelde wat toch het gezicht mocht zijn dat hij gezien had, ziet, de mannen die van Cornelius afgezonden waren stonden aan de poort.quot;

Het plan, dat Elia aan Achab ontvouwde, was ten volle geschikt voor- en in overeenstemming met de omstandigheden. Gansch Israël moest op het koninklijk bevel worden ontboden naar den Karmel, die zich verhief boven de vlakte van Esdralon en een waardige plaats aanbood voor eene volksbijeenkomst. De vertegenwoordigers der nationale zonde, de profeten van Baal, vierhonderd en vijftig, en de profeten van Astarte, vier honderd in getal, die de aanbidding van Jehova hadden durven op zijde dringen, moesten vooral komen. Dan zouden beide partijen de proef nemen, hetgeen de Baaispriesters niet konden weigeren, want de proef was een vuurproef en Baill was de zonnegod.

Elia wist dat het altaar van Baal onaangeroerd zou blijven; en even zeker wist hij ook dat Jehova zijn geloof met hemelvuur zou beantwoorden, zooals Hij in het roemrijk verleden van Zijn volk zoo menigmaal gedaan had. Ook hield hij zich overtuigd dat wanneer het volk niet langer kon loochenen wat hun eigen oogen hadden aanschouwd, het voor altijd de vervloekte afgoden

68

ocr page 79

VOORBEREIDING TOT DEN STRIJD.

der Sidoniers zou afzweren om terug te keeren tot den God hunner vaderen.

Waarschijnlijk werd aan Achab niet meer van het plan ontvouwd dan noodig was, om hem de oproeping tot het volk te laten richten; had men hem te veel meegedeeld, dan zoude hij zich zeker verzet hebben. Was het wel denkbaar, dat hij zoo handelbaar zou zijn geweest zonder het lokaas van den beloofden regen ? »Zoo zond Achab onder alle kinderen Israels en verzamelde de profeten op den berg Karmel.quot; Wij weten niet hoe dit geschiedde, waarschijnlijk echter is de koninklijke boodschap van mond tot mond gegaan door boden, gelijk in de dagen van Saul, toen Jabes in Gilead in gevaar was. In ieder geval moet deze oproeping van het volk enkele dagen hebben genomen; en juist bij dien tijd des wachtens willen wij een oogenblik onze aandacht bepalen. Hij was als de drukkende hitte die aan een onweersbui voorafgaat.

Waar en hoe bracht Elia dien tijd door? Wij lezen dat: »hij naderde tot het gansche volk,quot; toen zij allen op den bepaalden dag bijeen waren. Wij mogen geen eigenwillige uitlegging aan de woorden der Schrift geven, maar geeft die uitdrukking toch niet eenigszins te kennen dat hij van eene tegenovergestelde richting tot het volk kwam ? En indien het volk van alle deelen des lands te samen kwam, is het dan niet waarschijnlijk dat Elia tot hen kwam van uit eene of andere diepe spelonk op Karmel's hoogte? Naar mijne bepaalde meenmg bracht Elia die gedenkwaardige dagen des wachtens op den Karmel zelf door; des nachts vond hij daar met zijnen jongen eene

ocr page 80

VOORBEREIDING TOT DENquot; STRIJD.

70

schuilplaats in de spelonk, en over dag was hij in gepeins over den naderenden kamp. Met hoeveel weemoed zal hij zich daar neergebogen hebben bij de verspreide steenen van het verwoeste altaar des Heeren! — verwoest, niet door storm en onweder, noch door den tand des tijds, maar door de vijandelijke Isébel (i Kon. 18:30). Hoe ijverig zal hij de oorspronkelijke twaalf steenen hebben opgezocht, want — weldra zou hij ze noodig hebben! Hoe onophoudelijk zal hij daar voor het aangezicht des Heeren gestaan hebben, om zijne smeekingen op te zenden voor zijn afgedwaald volk en om kracht af te bidden voor den naderenden strijd. Wij stellen ons gemeenlijk vóór, dat het antwoord des vuurs uitsluitend de zichtbare uitwerking was van Gods raad en wil, en dat het bijna onafhankelijk van het geloof des profeten geschiedde. Maar meenen wij dan, dat er wèl veel geloof en wèl veel gebed noodig was om den regen te doen komen, maar niet om den verterenden lichtstraal te doen nederdalen ? Denkt iemand dan, dat voor het eene een dringend zevenvoudig zielsgebed noodzakelijk was, terwijl voor het andere niets anders vereischt werd, dan de weinige volzinnen, die bij het altaar werden uitgesproken ten aanhoore van een verbaasd volk. Dit is eene zeer oppervlakkige beschouwing, en zij komt niet overeen met wat wij doorgaans van Gods leidingen zien. »0m alle deze dingen wil ik gebeden zijn,quot; zegt Hij, en inderdaad was daar evenveel geheels noodig voor het hemelvuur als voor den regen. Nooit zoude de bede om vuur van den hemel op dien dag verhoord zijn geworden, indien de vorige dagen niet waren doorgebracht »voor het aangezicht des Heeren.quot;

ocr page 81

VOORBEREIDING TOT DEN STRIJD.

Het is een verheven tooneel dat ons hier zoo eenvoudig beschreven wordt. Een gansch ontledigd en alleen op zijnen God wachtend man, voor het toestroomend volk ontvouwende Gods raad en wil. Elia had geene vrees omtrent den uitslag: integendeel, naarmate de dagen voor-bijsnclden, ontlook zijne ziel tot steeds heiliger vreugde. Het oogenblik was nabij, dat hij zijn volk zich weder zou zien nederbuigren voor den troon van den allerhoogstcn God 1

O O

Elia was die hij was, niet omdat hij van ander maaksel was dan wij, maar omdat hij in de eerste en in de laatste plaats had leeren rekenen met God als de hoogste werkelijkheid, en omdat hij het als het hoogst voorrecht van zijn leven had loeren beschouwen, voor Zijn aangezicht te wandelen.

ocr page 82

HOOFDSTUK VIII.

DE STRIJD OP KARMEL'S HOOGTE.

et is morgenstond op den berg Karmel. Wij staan op zijn hoogsten top, van waar de blik noordwaarts reikt tot de uiterste grens des lands, den berg Hebron met zijn besneeuwde kruin. Ter linker zijde zien wij de Middellandsche zee, op wier blauwe wateren hier en daar een wit stipje zichtbaar is van de Sidonische zeilscheepjes. Onmiddellijk aan Karmels voet kronkelt zich de beek Kison, en daar achter ligt de vlakte van Esdrelon. die uitgelezen hof van Palestina, thans dor en kaal door eene driejarige droogte. Ginds in de verte zien wij de stad Isréel met haren koninklijken lusthof en haren zelfs hier duidelijk zichtbaren afgodstempel.

Van alle zijden stroomt de menigte toe, naar de plaats, die van oude tijden haar eene plaats der aanbidding is geweest. Nergens wordt gewerkt, het vuur in de smidse is

ocr page 83

73

uitgedoofd, de werktuigen hangen ongebruikt aan den muur, de eenige gedachte van jong en oud is: de oproeping van Achab! Ziet, hoe de duizenden van Israël zich langzaam vergaderen en iederen duim breed gronds bezetten, van waar men het gezicht heeft op het tooneel van den strijd, bereid om tot ieder denkbaar uiterste zich te laten medeslepen, zoowel tot den onzedelijken dienst van Baiil en Astarte, als tot de herstelling van den godsdienst hunner vaderen, over de lijken heen der valsche priesters.

Het volk is zoo goed als bijeen! Daar wordt de dreunende voetstap van een geregeld legercorps gehoord; vier honderd profeten van Baal, kenbaar aan de zonneteekens aan hun voorhoofd, treden toe. De profeten van Astarte verschijnen niet; de koningin, aan wier tafel zij aten heeft de oproeping des konings wederstaan. En thans wordt daar, door de opeengedrongen menigte heen, de draagstoel des konings gebracht, aan alle zijde omgeven door zijne rijksgrooten.

Wenden wij thans onzen blik af van dit panorama, deze rei van opgeheven aangezichten, dezen schitterenden stoet van priesters, zich zoo bewust van hunne macht, zoo onbeschaamd in hun optreden. Vestigen wij met de diepste belangstelling al onze aandacht op den eenen man, met zijne statige, krachtvolle gestalte, die, met een vuurgloed in de oogen en dichtgehouden mond, de stilte afwacht die op zijn wenk onder al deze duizenden zal heer-schen. Eén man tegenover geheel een volk! Zie, met welke duivelsche blikken elk zijner bewegingen bespied wordt door de priesterschaar. Geen tijger beloerde ooit

ocr page 84

DE STRIJD OP KARMEL'S HOOGTE.

met grooter woede zijn prooi. Indien hun wensch wordt vervuld, zal hij nimmermeer gindschè vlakte bereiken.

Do koning weifelt tusschen vreeze en haat; nog bedwingt hij zien, omdat hij onwillekeurig in zijn gemoed beseft dat de regen van dezen éénen man afhangt. Zijn er onder deze menschen partijgenooten van Elia, nu houden zij zich stil. Zelfs een Obadja houdt zich be-scheidenlijk uit het gezicht. Vreezen wij daarom niet voor Elia! Hij heeft de deelneming der schare niet noodig: hij is zich bewust te staan voor het aangezicht van Hem, voor wien de volkeren ijdelheid zijn. Legioenen van engelen scharen zich thans om den berg heen. Elia is een man van gelijke beweging als wij, maar hij is vol van geloof en geestkracht; hij heeft zelfs het geheim leeren kennen om God te verbidden. Op den gewichtigsten van alle dagen zijns levens zullen wij hem door het geloof — niet door eenige bizondere eigenschap, maar door het geloof — een koninkrijk zien onderwerpen, gerechtigheid zien volbrengen, aan de scherpte des zwaards zien ontkomen, eene gansche legerschaar zien op de vlucht jagen. Niets zal hem onmogelijk zijn. Staat daar niet geschreven dat »alle dingen mogelijk zijn dengenen die ge-looven ?quot; Hij sprak zevenmaal op dezen gedenkwaardigen dag, en wat hij sprak geeft (nis een waar inzicht in zijne genu )edsstemming.

I. Eerst laai hij eene vermaning hooren.

»Elia naderde tot het gansche volk en zeide: ^Hoe lang hinkt gij op twee gedachten ? Zoo de Hcere God is, volgt Hem na, en zoo het Baal is volgt hem na.quot; Voor zijn vast geloof bestond er geen »indien;quot; hij twij-

74

ocr page 85

DE STRIJD OP KARMEL'S HOOGTE. 75

feldegeen oogenblik dat Jehova God was, maar hij wilde aan het volk zijne dwaasheid voorhouden. Twee zulke tegenovergestelde godsdiensten konden niet beiden waar zijn. Een van beiden moest valsch zijn, en zoodra men den waren ontdekt had, moest de andere, de valsche, verworpen worden. Thans was hun het bestaan der natie eene dwaasheid; zij handelde als iemand die twee meesters wil dienen, voor beiden zijn best wil doen, maar geen van beiden behaagt. Elia's oprechte ziel had geen verschooning voor dezen ergerlijken dwaalweg; zij waren langzamerhand stroomafwaarts gedreven, maar thans eindelijk was de tijd gekomen dat de natie tot stilstaan gedwongen en tot de keuze gebracht moest worden om Jehova of Baal te dienen.

Het volk schijnt beschaamd en verbaasd te zijn geweest over de plotselinge beslissing die van hen gevraagd werd, want: »zij antwoordden hem niet één woord.quot;

Waar zijn de Elia's onder ons, die met de helderziendheid die alleen het geloof verleent, de weefsels, door zelfbedrog en menschenvrees gesponnen, weten weg te rukken om degenen onder ons, die nog altijd naar het onmogelijke streven en God en de wereld willen behagen, te dagen voor den rechterstoel van hun eigen geweten ?

II. Daarna iverpt Elia cene uitdaging in het midiien dei srharc :

-De God, die door vuur antwoorden zal, die zal God zijn.quot; Het was een eerlijk voorstel, want Baül was de zonnegod en de god der voortbrengende kracht, waarvan warmte het zinnebeeld is. De aanhangers van Baal konden dus dit voorstel niet weigeren.

ocr page 86

76

Daarentegen wist ieder Israëliet zich voorvallen uit het roemrijk verleden van zijn volk te herinneren, waarbij Jehova met hemelvuur geantwoord had. De brandende braambosch, de hen voorlichtende vuurkolom in de woestijn, de rockende kruin van Sinaï, het waren alle herinneringen aan de macht en majesteit van Jehova. Toen dus Elia voorstelde dat elke partij een var zoude offeren en het goddelijk vuur als antwoord op haar gebéd zoude inroepen, toen was het gansche volk terstond gereed met zijn antwoord en zeide: »Dat woord is goed.quot;

Elia deed zijn voorstel in de volkomen verzekerdheid dat God hem niet zoude verlaten. Had hij niet dagen lang doorgebracht in gebed ? Was het goddelijk plan met zijn volk hem niet geopenbaard ? Was de onderstelling denkbaar, dat God zijn dienaar in de slagorde vooraan ■/.ou plaatsen om hem daar te verlaten ?

Het is waar, daar moest een goddelijk wonder gewrocht worden, vóórdat de zon onderging, maar kon dit een bezwaar zijn voor den man, die dagen had doorgebracht in de gemeenschap met den Allerhoogste?

God zal nooit iemand verlaten, die Hem onvoorwaardelijk vertrouwt. Hij moge hem laten wachten tot de vierde nachtwake, maar eer de zon opgaat zal Hij hem over de bruischende golven heen te hulpe komen. Wees maar overtuigd dat gij in Gods weg zijt, en ga dan voorwaarts hi Gods naam! Zelfs de elementen zullen u gehoorzamen en op uw woord daalt het hemelvuur neder.

III. IIj iverp! den priesters een vernietigend spotivoord toe.

Voor de eerste maal in hun leven was het den val-schen priesters onmogelijk geweest een geheime vuurvonk

ocr page 87

DE STRIJD OP KARMEL'S HOOGTE. 77

tusschen liet hout op het altaar te leggen. Zij waren daarom heden genoodzaakt een rechtstreeksch beroep te doen op bunnen god en hiermede bleven zij niet in gebreke. Rondom het altaar bewogen zij zich in wilden dans, alleen nu en dan hunnen kring verbrekende om tegen het altaar op te springen en steeds met hun eentonigen klaagtoon de lucht vervullende: «Baill, antwoord ons ! Antwoord ons, Baiil!quot; Maar er was geene stem en geen antwoorden !

Zóó gingen drie uren voorbij. Hunne godheid volbracht intusschen met haren gewonen statigen gang haren loop aan den hemel en besteeg haren troon op haar hoogtepunt. Nu, voorwaar, was het oogenblik barer hoogste macht gekomen, nu of nooit moest zij hen helpen. Maar het eenige wat zij deed was de donker verbrande gelaatstrekken harer priesters nog donkerder kleuren.

Slechts met moeite kon Elia de vreugde verbergen, waarmede hij hunne nederlaag aanschouwde. Hij was zóó zeker van den afloop en zoozeer overtuigd, dat Baals volkomen vernietiging door niets kon worden afgewend, dat hij kalmte genoeg had om hen te bespotten met hunne godheid: »Roept met luider stem, want hij is een god: omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft of omdat hij eene reize heeft; misschien slaapt hij en zal wakker worden. En zij riepen met luider stem en zij sneden zich zeiven met messen en met priemen, naar hunne wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten.quot; Waarlijk, hun nood was groot genoeg om het medelijden ook van den hardvochtigsten god op te wekken. Intusschen — daar de hemel zweeg, moest het volk wel gaan denken dat hun godsdienst louter bedrog was.

ocr page 88

DE STRIJD OP KARMEL'S HOOGTE.

Wederom gingen drie uren voorbij, tot den tijd dat dc priesters de.s Allerhoogsten in Jeruzalems tempel het avondoffer gewoon waren op te zenden. »Maar er was geene stem en geen antwoorden en geene opmerking.quot; Het altaar stond daar nog steeds koud en zonder rook, de var lag daar nog onverteerd.

IV. De profeet laai eene iiilnoodiging hooien.

Eindelijk was Elia's tijd gekomen, en het eerste wat

hij deed was het volk te doen naderen. Hij wist waarop hij kon rekenen van de zijde zijns Gods, maar hij wilde dat liet antwoord, waarop hij wachtte en rekende, boven alle bedenking en tegenspraak zou verheven zijn. Daarom wilde hij het toezien van het gansche volk hebben terwijl hij het verbroken altaar des Heeren oprichtte. Terwijl hij met eerbiedige zorg de twaalf verspreide steenen bijeenzocht, en het altaar daarmede tot één geheel opbouwde, konden de onderzoekende blikken van gansch het volk in zijne onmiddellijke nabijheid, zien dat toorts noch fakkel, noch zelfs één vuurvonk daartusschen werd gevoegd.

V. Hij geeft een bevel.

Van een zuiver wereldsch of gewoon menschelijk standpunt bezien, zouden wij bijna zeggen: Elia's geloof werd overmoedig. De man Gods echter wist met Wien hij te doen had; hij durfde moeielijkheden, en voor den mensch onoverkomelijke bezwaren in den weg plaatsen, omdat hij wist dat Gods almacht onbegrensd is. Hoe onwaarschijnlijker de verhooring was in de meening des volks, des te treffender zoude dc majesteit en almacht Gods uitkomen.

Het altaar was opgericht, het hout daarop geschikt.

78

ocr page 89

DE STRIJD 01' KARMEL'S HOOGTE. 79

de var in stukken gehouwen. Om nu tdle mogelijke beschuldiging of verdenking van bedrog te voorkomen, en Gods wonderdaad volkomen voor het volk te doer, uit-komen, geeft Elia dit bevel; »Vult uwe kruiken met water en giet het op het brandoffer en op het hout!quot;' Tot driemalen toe wordt dit bevel herhaald en uitge-gevoerd, totdat het hout verzadigd was van water en het ook de groeve rondom het altaar gevuld had, zoodat het onmogelijk, zichtbaar onmogelijk was, dat eene be-driegelijke vonk haar werk kon doen.

Hoe weinigen onzer, indien al enkelen, kennen iets van dit vaste geloof van Elia. Wij zijn zoo zeker niet van onzen God, dat wij eenige moeielijkheid zouden durven plaatsen in den weg der verhooring. Veelmeer achten wij het noodig onze uiterste kracht in te spannen om Hem tegemoet te komen. En toch, wij zouden dezen Elia gelijk kunnen worden, indien bij ons slechts kracht des gebeds was.

VI. Elia zendt een gebed ten hemel.

En welk een gebed! Het werd uitgesproken met de kalmte van een geloofsvertrouwen, dat vast op verhooring rekent. Elia's eenige wensch was, dat de Keer zich op dezen dag zou openbaren, dat Hij tastbaar zou too-nen dat Hij God was en niemand meer, en daardoor het hart Zijns volks tot Hem doen wederkeeren.

Wij, even als Elia, wanneer wij zóó geheel onze persoonlijke belangen ter zijde kunnen laten, dat wij in ons gebed Gods eer boven alles stellen, wij ook staan dan op een bodem, waarop wij alles van God niet alleen kunnen verwachten, maar ontvangen. Onze gezegende Heiland had op aarde slechts één zielsbegeeren, dat Zijn

ocr page 90

DE STRIJD OP KARMEL'S HOOGTE.

Vader zoude verheerlijkt worden cn ook nu kan Hij geen gebed onverhoord laten, dat op dien grond wordt opgezonden. Wij hebben zijn woord : »A1 wat gij den Vader bidden zult in Mijnen naam, dat zal Ik doen: opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde!quot;

Is het wonder dat »het vuur des Heeren nederviel en het brandoffer, het hout, de steenen en het stof verteerde, ja het water oplekte dat in de groeve was. Iets anders ware niet mogelijk geweest! En denken wij nu niet, dat dit een eeuwenoud verhaal is, welks gelijke wij nimmermeer kunnen beleven. Ik zeg u, indien dezelfde nood en hetzelfde geloof onder ons aanwezig waren, wij zouden andermaal het vuur zien nederdalen. Hebben wij het niet in deze onze eeuw aanschouwd, hoe de Heilige Geest een vuur ontsteken kan in vele harten ? Onze God is een verterend vuur en wanneer Zijne tegenwoordigheid slechts begeerd en gezocht wordt, dan daalt Hij neder, over alle hinderpalen en beletselen heen.

VIL Ten laatste velt Elia een vonnis.

Het was een vreeselijk vonnis, maar wat stond hem anders te doen ? De geloovigen van den ouden dag wisten niets van onze valsche vrijzinnigheidsbegrippen. Verzeker een Elia dat die mannen mogelijk oprecht waren in hunnen valschen godsdienst en hij zal het bezwaarlijk gelooven, maar altoos zal hij staande houden, dat zij ook dan niet minder gevaarlijk zijn voor het waarachtig belang van zijn volk. Hen vrij te laten gaan zou gelijk staan met hen als apostelen van den afval te bestendigen. Zij moeten sterven; en zoo klinkt dus het bevel van dien strengen, vastberaden mond; »Grijpt de

8o

ocr page 91

DE STRIJD OP KAR.MEL'S HOOGTE.

profeten van Baal, dat niemand van hen ontkome.quot; Het volk was in eene stemming om te gehoorzamen; slechts één oogenblik te voren hadden zij de lucht doen daveren van hun geroep; »De Heer is God, de Heer is God!quot; Zij zien hoe afschuwelijk zij jaren lang bedrogen zijn door d^ze mannen en nu dringen zij zich om de verslagen priesters heen, die het weten dat hunne ure gekomen en alle tegenstand te vergeefs is.

»En zij grepen ze.quot; Duizend handen werden uitgestoken naar de mannen des bedrogs, de eene priester na den anderen werd langs de berghelling voortgejaagd door de opgewonden menigte, die in hen de oorzaak der langdurige droogte zag. Zoo »voerde Elia hen af naar de beek Kison en doodde hen aldaar.quot; De een na den ander bezweek onder zijn machtig zwaard, de koning stond hulpeloos toe te zien en Baiil was machteloos om te redden! Toen de laatste geveld was wist de Profeet dat tie regen niet meer verre was. Reeds hoorde zijn geestesoor het ge-ruisch van een overvloedigen regen; hij wist het immers, wat wij allen moeten leeren verstaan, dat God slechts aan dat land en aan dal hart Zijn zegen kan schenken, dat Hem onverdeeld toebehoort.

81

6

ocr page 92

HOOFDSTUK IX.

E I N D E L IJ K R E G E X.

[oor ons, bewoners der noordelijke landen, is het bijna eene onmogelijkheid ons al de ellende voor te stellen, door eene langdurige oostersche droogte veroorzaakt, en wij zouden ter nauwernood in de dorre velden en vlakten, die Elia van Karmels hoogte aanschouwde, den hof des Heeren herkend hebben, waarvan Mozes zeide: »De Heer uw God brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten ; een land, waarin gij brood zonder schaarsch'ieid eten zult, waarin u niets ontbreken zal.quot;

ISTog een ander woord echter, naast die heerlijke belofte, was destijds door Mozes gesproken en wel eene beschrijving van de rampen, die over Israël komen zouden, wanneer zij ter rechter- of ter linkerzijde afweken van den dienst des Heeren. Zoo was door hem ook uitdrukkelijk

ocr page 93

EINDELIJK REGEN.

gezegd: ^De hemel, die boven uw huofd is, zal klt; )per zijn en de aarde die onder u is zal ijzer zijn; de Heere uw God zal pulver en stof tut regen uws lands geven.quot; (Deut. 28 : 23, 24). Deze ontzettende voorspelling was thans in letterlijke vervulling gegaan; de gevolgen der zonde waren overal zichtbaar en het volk kon het weten, dat zijn afval de oorzaak was van al deze jammeren. De ongerechtigheden van Israel hadden scheiding gemaakt tusschen hen en hunnen God. Elia wist dit maar al te goed; daarom had hij niet geaarzeld de priesters van Baill, de aanvoerders van den nationalen opstand tegen den levenden God, ter dood te brengen. Achab moet er bij gestaan hebben, terwijl het oordeel bij de beek Kison werd voltrokken, als een onwillig toeschouwer en een onmachtig handlanger van de mannen, voor wier leven hij zelfs met geen handgebaar durfde pleiten.

Toen de laatste priester ter dood gebracht was, keerde Elia zich tot den Koning en zeide: Trek op, eet en drink, want er is een geruisch van eenen overvloedisren

' O

regen.quot; Het is alsof hij zeggen wilde: Trek op naar de tent, die gij daar ginds liet spannen, uw vorstelijk paviljoen, waar reeds uw feestmaal bereid is en uwe dienaren wachten; geniet daar van uwen overdaad, maar haast u, want nu het land gezuiverd is van deze verraders en God weer Koning is in Israël, nu blijft de regen niet lang meer uit. Hoort gij niet het suizen van den westenwind, die weldra den regen in stroomen zal aanvoeren ?

Haast u, of de regen zal uw feestmaal verstoren.quot;

Welk een verschil tusschen deze twee mannen: »Achab tuog op om te eten en le drinken; maar Elia ging op

83

ocr page 94

EINDELIJK REGEN.

i\aar de hoogte van Kannel, breidde zich uit, voorwaarts ter aarde, en legde zijn aangezicht tusschen zijne knieën.quot;' Mij dunkt ons geestesoog kan hen zien, die twee mannen, die daar te zamen den Karmel weder bestijgen; zij hebben niets gemeen, geen vreugd, geen dank, geen aanbidding. Achab heeft daar juist zijne getrouwe handlangers bij honderden zien sterven, maar hij denkt weldra aan niets anders dan aan zijn feestmaal en wijkt af naar zijne tent, terwijl de dienstknecht Gods met vasten tred het hoogere gedeelte van den berg bestijgt, om op den hoogsten top zijn bidvertrek te vinden, waar hij het uitzicht had op de Middellandsche zee, over wier blauwe wateren de avondschaduwen reeds begonnen te vallen.

Volgen wij Elia in zijn verheven bidvertrek, en overdenken wij daar den aard en het kenmerkende van zijn gebed; wat wij bij hem opmerken kan in geen enkel ■waarachtig gebed gemist worden.

hi de eerste plaats vond zijn gebed zijn grond in Gods hclofte.

Toen Elia geroepen werd om Zarfath te verlaten, ten einde zijn openbaar leven weder te hervatten, was er aan het goddelijk bevel eene goddelijke belofte toegevoegd: »Ga heen, vertoon u aan Achab, want Ik zal regen geven op den aardbodem.quot; De natuurlijke mensch zou hierop redeneren dat bidden dus overbodig was. Zou God dan Zijne belofte niet vervullen en regen zenden, onafhankelijk van eens menschen gebed? Elia's -geestelijke zin oordeelde echter anders en meer naar waarheid. Ofschoon het woord nooit in zijne ooren weerklonken had, zon leefde in hem toch reeds dezelfde gedachte die een

«4

ocr page 95

EINDELIJK REGEN.

profeet in later dagen uitte toen hij zeide, na alles te hebben opgenoemd en toegezegd wat God voor Zijn volk wilde doen: »Alzoo spreekt de Heere, Heere; Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israels verzocht worden, dat Ik het hun doe.quot; Gods beloften worden ons inderdaad niet gegeven om ons gebed te doen vertragen, maar juist om er ons toe op te wekken. Zij wijzen ons de richting aan, waarin onze gebeden zich mogen uitstrekken, en de grenzen, binnen welke wij op een antwoord mogen hopen. Ofschoon Gods Woord van bladzijde tot bladzijde vol is van rijke beloften, zij zullen krachteloos blijven zoolang wij ze niet omzetten in gebeden.

Het ligt niet op onzen weg het redelijke van deze waarheid te betoogen, en wij kunnen volstaan met op hare betrachting aan te dringen. Maar het zal niet ongepast zijn hierbij te wijzen op de grondwet in de natuurlijke wereld, en deze toe te passen op de geestelijke wereld. Een lachende hemel en een vruchtbare grond belooven den landman een overvloedige;) oogst; toch weet hij dat die belofte niet vervuld wordt, tenzij hij alle krachten inspant en den grond iedere vereischte bewerking doet ondergaan. Wat hem betreft, of hij het waarom en waartoe van zijn arbeid verstaat, voor hem is het voldoende, dat hij zijn werk doet, want hij ondervindt hoe de natuur hare beloften in een horen des overvloeds aan zijne voeten legt.

Wanneer men ons dus ooit afvraagt, waarom men bidden moet, en hoe het gebed ons helpen kan, dan doen wij verstandig en voorzichtig, niets anders te antwoorden dan : »Het gebed is het instinkt van het godsdienstig

85

ocr page 96

eindelijk; regex.

leven, het is een der eerste beginselen in de geestelijke wereld.quot; Gods Woord toont ons duidelijk dat de Al1 machtige luistert naar het gebed. Niet alleen bad onze Heiland veel, maar Hij heeft-voor altijd het gebed tot eene macht gestempeld in het woord, dat sedert vele eeuwen voor duizenden tot troost en bemoediging is geweest; : Bid en u zal gegeven worden, zoek en gij zult vinden, klop en u zal worden opengedaan.quot; Daarom kunnen wij bidden met volkomen geloofsvertrouwen, al kunnen wij evenmin de werking van het gebed ontleden, als wij de wetten der natuur kunnen begrijpen. Wij noemen het gebed niet, zooals de oppervlakkige, nieuwmodische godsdienstrichting onzer dagen doet, een onbestemde uitstorting des harten, een zich opheffen der ziel tot de onzienlijke sfeeren, neen, maar wij noemen het eene praktische levenskracht. Zoodra eene ziel waarlijk voor het altaar Gods zich plaatst, staat de Engel des Hoeren aan hare zijde en zegt: Vrees niet, gij zeer gewenschte man, uw gebed is verhoord.quot;

Elia's gebed tl'üs voor eene bepaalde zaak.

Ziehier eene aanwijzing waarom zoo vele onzer gebeden onverhoord blijven. Wij zenden ze af als pijlen, in de lucht afgeschoten. Zij zijn ons als zoovele brieven, waarop geen antwoord gewacht wordt, omdat zij geen vraag behelzen. Zij zijn als de schoten der kanonnen in een spiegelgevecht, waarvoor slechts los kruid gebruikt wordt. Daarom hebben onze gebeden zoo weinig kracht; wij bidden, zonder eenigen bepaalden praktischen uitslag te verwachten. Wij gaan wel uit om, als Izaak, in het veld te bidden tegen het naken van den avond, maar

86

ocr page 97

EINDELIJK REGEN.

wij verzuimen den Karmel te bestijgen met den vastberaden moed en den vasten tred van Elia, wetende dat ons gebed zal verhoord worden, even zeker als Elia wist dat hij door zijn gebed den zeer gewenschten en beloofden regen voor zijn volk ging verkrijgen.

Nemen wij dezen wenk, dien Elia's bidden ons geeft, ernstig ter harte; laat ons onze begeerten en wenschen met name noemen voor Gods troon, zenden wij onze gebeden op als David deed. met opgeheven hoofde het antwoord wachtende, (Ps. 5 : 4) en wij zullen nooit onverhoord bidden.

Elia's gebed icas dringend.

De verhoorde gebeden, waarvan ons de Schrift melding-maakt, zijn allen als gloeiend van vurig begeeren. Denk eens hoe Jacob worstelde, hoe Davids hart schreeuwde naar God; denk aan het aanhouden van den blinden Bar-timeüs, de volharding der radelooze Kananeesche, het bidden met sterke roeping en tranen van onzen Heiland zelf. In ieder dezer gevallen was de geheele ziel te samen gesmolten tot ééne vurige smeeking. Geen gebed wordt ouit verhoord, dat niet tot Gods verheerlijking dienen kan, maar een gebed wordt ook niet verhoord, tenzij het met zulk een ernstig en dringend willen gepaard gaat, dat de behoefte aan den gevraagden zegen ontwijfelbaar is. Indien wij slechts aandringen op de vervulling der goddelijke belofte, — niet maar om onzentwil, maar ter verheerlijking Gods, dan kunnen wij nooit te ernstig, nooit te dringend ons gebed ten hemel zenden.

Elia's gebed -lt;oas vol ootmoed.

»Hij breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna legde

87

ocr page 98

EINDELIJK REGEN.

hij zijn aangezicht tusschen zijne knieën.quot; Wij herkennen hem nauwelijks. Zoo geheel heeft hij zich van zijne eigenheid ontledigd. Weinige uren te voren stond hij recht als een krachtige eik, nu ligt hij nedergebogen als eene bieze. Toen sprak hij als gezant Gods tot de men-schen, nu smeekt hij als middelaar der menschen tot God. Het is de ondervinding van alle tijden dat degenen die het moedigst de z( mde in 't aangezicht wederstaan, zich het diepst vernederen in de tegenwoordigheid Gods. En is het niet eveneens waar, dat zij het eerbiedigst en ootmoedigst zijn, die het dichtst nabij God leven? Het is waar, gij zijt Gods kind, maar toch ook Zijn schepsel; het is waar, gij zijt een verloste, maar gij kunt uw ouden naam: zondaar nooit vergeten; het is waar, gij moogt vrijmoedig tot Gods troon naderen, maar gij moogt toch Zijne majesteit en heiligheid niet voorbij zien, die u toeroepen de schoenen van de voeten te trekken. De engelen Zijner macht bedekken zich het gelaat wanneer zij Zijn welbehagen vernemen, en roepen sHeilig,heilig, heilig is de Heer!quot; De diepste liefde, die alle vrees buiten drijft, doet toch ook wederom eene andere vrees geboren worden, die bescheiden en fijn gevoelend is als de liefde van Johannes; deze toch lag met het hoofd aan Jezus borst, maar aarzelde toch om het eerste het graf binnen te gaan waar Hij gelegen had. Het eenige, waarop wij bij God mogen pleiten, is de verdienste en het bloed van onzen algenoegzamen Hoogepriester.

Elids gebed iverd opgezonden in geloofsvenoachting.

»Alle dingen die gij biddende begeert, gelooft dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.quot; Geloof is

88

ocr page 99

EINDELIJK REGEN. 89

de onmisbare voorwaarde van ieder waarachtig gebed. Het is de gave des Heiligen Geestes. Het neemt toe wanneer liet geoefend wordt; het wordt sterk door het bouwen op Gods belofte. Daar woonde een sterk en vast geloof in Elia's hart. Hij stelde vast dat God Zijn woord zoude houden, en zoo zond hij den jongen — misschien den zoon van Zarfath's weduwe — naar de uiterste punt van den Karmel en beval hem uit te zien naar de zee; hij was er immers zeker van, dat zijn gebed eerlang verhoord en Gods belofte ten volle vervuld zoude worden.

Hoe dikwijls hebben wij niet gebeden zonder uit te zien naar den zegen dien wij afsmeekten. De statige hemelsche-pen zijn aan komen zeilen met den rijkdom van zegeningen, waarom wij gebeden hadden ; maar. daar wij er niet waren om ze te verwelkomen en in ontvangst te nemen, zijn zij weer zeewaarts gevaren.

Somtijds moeten wij ons geloof bouwen eenig en alleenlijk op het getuigenis van Gods Woord; een andermaal is het of God ons geloof in het bijzonder sterkt voor bepaalde dingen, waaromtrent wij geen belofte hebben. — Gewoonlijk kunnen wij aan de mate van ons geloof het welgevallen Gods in onze bede afmeten. Is en blijft ons geloof vasthoudend, dan mogen wij zeker vertrouwen dat God onze bede verhooren zal. Maar blijft bij ons bidden het geloof achterwege, en blijft al biddende de overtuiging weg, dat ons gebed verhoord wordt, dan kunnen wij doorgaans veilig aannemen dat de Urim en Thummim verduisterd wordt door de schaduw van het goddelijk »neen!quot; en dat Hij tot ons zegt: »Sprcek Mij niet meer over deze zaak.quot;

Daar is echter een geloof, dat God niet onverhoord

ocr page 100

EINDELIJK REGEX.

kan laten, waarvoor alle dingen mogelijk zijn, dat lacht met het denkbeeld van onmogelijkheid, dat bergen verzet en in het hart der zee plant. Moge dat geloof het onze zijn! Het was het geloof van Elia; het kan ook het onze worden, indien wij het ernstig en waarlijk begeeren.

Ella's gebed xvas volhardend.

Hij zeide tot zijn dienaar: »Ga nu op en zie uit naar de zee. Toen ging hij op en zag uit en zeide: Daar is niets Iquot;

Hoe dikwijls hebben wij onze wenschen en begeerten naar den hemel opgezonden, en hoe dikwijls ontvingen wij het antwoord: daar is niets. — Neen, daar is geen traan des berouws in die harde oogen, waarvoor wij gebeden hebben : geen schaduw van ommekeer in dat goddeloos leven; geen spoor van uitkomst voor onze bange zorgen. Daar is niets. En omdat daar nog niets is, oogen-blikkelijk nadat wij gebeden hebben, houden wij terstond op, keeren ons af van het aangezicht Gods, en gelooven niet dat Zijn antwoord reeds voor ons gereed was.

Elia niet alzoo : »En hij zeide, ga weder heen, tot zeven malen toe.quot; Men stelle zich niet voor dat den jongen geboden werd zeven maal her- en derwaarts te gaan, zonder herhaald gebed van den profeet, maar alzoo dat hij telkens weder tot zijn meester terugkeerde met dezelfde boodschap: »Daar is nietsquot; en daarna weder uitgezonden werd. Alzoo bracht hij zesmaal achtereen het bericht tot Elia: »daar is niets,quot; en telkens herhaalde deze zijn: »Ga weder heen,quot; om eerst ten zevenden maal een ander antwoord te vernemen.

Het was geen kleine beproeving van het geduld van Gods

oo

ocr page 101

EINDELIJK REGEN.

dienstknecht: toch werd hij niet verzocht boven vermogen, maar met de beproeving ontving hij ook genoegzame genade om haar te kunnen dragen.

Onze hemelsche Vader Iaat ons ook wel op antwoord wachten als wij iets van Hem begeeren; Hij doet dit echter om ons in nadere gemeenschap met Hem te brengen. Die den Heer verwachten, Hem blijven verwachten, zullen nooit beschaamd worden. Daar komt voor dengene, die aanhoudt in 't gebed, eene ure waarin Hij spreekt: »Groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt.quot;

Elia's gebed ivcrd oveii'loedig beantrvoord.

Sedert weken en maanden had de Oosterzon van meer, rivier en beek binnen de landpalen van Israël tot de laatste droppelen opgezogen; thans echter dreef de westenwind de wolken haastelijk naar het versmachtende land: »Eer zij roepen zoo zal Ik antwoorden, terwijl zij nog spreken zoo zal Ik hooren, spreekt de Heer.quot; Het antwoord op uw gebed is soms meer nabij dan gij denkt!

Eindelijk, ten zevenden male uitgezonden, zag de jongen van zijn verkenningspost aan den gezichteinder, een kleine wolk, als eens mans hand. Meer was niet noodig om den Oosterling de zekerheid te geven dat regen aanstaande was. Dit teeken was en is de zekere voorbode van een plotselingen storm. De jongen werd met haaste tot Achab gezonden, met den raad om van den Karmel af te dalen met zijn wagen vóórdat de beek Kison, door den regen gezwollen, hem zijn weg huiswaarts kon beletten; ternauwernood had echter de bode Achab bereikt, of reeds was de hemel zwart van wolken en wind en viel er een geweldige regen.

ocr page 102

EINDELIJK REGEN.

De koning begaf zich in den razenden storm en stortregen op weg; maar, sneller dan zijne schuimende paarden liepen, waren de voeten van den Profeet. Hij greep zijn reeds druipnatten mantel, wikkelde dien om zijne lendenen, en liep voor het aangezicht van Achab henen, tot daar men te Isrëel komt. Hij deed dit om den koning te toonen dat hij, hoewel ijverende tegen de afgoderij, niet te kort kwam in eerbied voor het koninklijk gezag, maar alleen gedreven werd door heiligen naijver voor de eer des Heeren.

Alzoo bracht deze eenzame man door zijn geloof en gebed den regen over Israels landouwen neder. Daar geschiedt meer op aarde door de kracht des gebeds, dan de wereld vermoedt. Waarom zouden wij Elia's geheim niet leeren kennen en beoefenen ? Wij kunnen en mogen er allen naar grijpen.

02

ocr page 103

HOOFDSTUK X.

HOE Z1JX DE HELDEN GEVALLENquot;.

ïjtider den storm en de slagregens waarmede de gedenkwaardige dag besloten werd, bereikten Koning en Profeet tegelijkertijd Isrëel. Waarschijnlijk waren zij de eersten die daar het voorgevallene kwamen berichten. Elia begaf zich naar eene of andere nederige

O O

woning, om voedsel en nachtverblijf te vinden ; Achab ijlde naar het paleis, waar Isébel hem wachtte. Den ganschen dag had de Koningin zich gekweld, hoe het af zou loopen op den Karmel. Onwillekeurig koesterde zij de ongegronde hoop dat hare priesters de zege zouden behalen, en toen zij de regenwolken zich aan den hemel zag samenpakken, schreef zij die vurig begeerde verandering toe aan eene wondere tusschenkomst van Baal, in antwoord op hunne smeeking. Wij kunnen ons voorstellen hoe ongeveer het volgende gesprek tusschen het koninklijke echtpaar plaats had, toen zij elkaar in eene der binnenzalen van het paleis ontmoetten.

ocr page 104

HOE ZIJX DE HELDEN GEVALLEN.

»Hoe is alles afgeloopen ? Zeker goed voor onze zaak; de regen heeft het mij reeds bewezen.quot;

»Ik heb u niets mede te deelen dat u genoegen kan doen.quot;

»Hoe zoo ? Wat is er dan gebeurd ?quot;

»Het allerergste is gebeurd!quot;

»Wat bedoelt gij? Zeg het mij toch. Waar zijn mijne priesters ?quot;

»Gij zult hen nooit wederzien ! Zij zijn allen gedood, en hunne lijken drijven zeewaarts af.quot;

»Wie heeft dat durven doen ? Hebben zij zich niet verdedigd ? Hebt gij hen niet beschermd ? Hoe kwamen zij om ? Waar is Elia ? Is er een volksopstand uitgebroken ?quot;

»Toen zeide Achab Isébel aan, al wat Elia gedaan had, en allen die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard.quot;

Isébels woede kende geen grenzen. Zij was als eene tijgerin, die van haar jongen beroofd is. Achab's natuur was zinnelijk en bekrompen; indien hij slechts genoeg te eten en te drinken had en zijne paarden en muildieren verzorgd waren, was hij tevreden. Hij kon niet begrijpen dat men zooveel drukte maakte over den godsdienst. Volgens hem was er niet veel verschil tusschen Jehova en Baal. Isébel niet alzoo. Zij was ook even vastberaden als hij onverschillig was. Krachtige, maar beginsellooze, berekenende natuur als zij was, kneedde zij Achab geheel naar haren wil. Voor haar was thans het gewichtigste tijdpunt in haar leven, eene crisis aangebroken. Zoowel de politiek als hare woede spoorde haar aan tot onmiddellijk ingrijpen.

ocr page 105

HOE ZIJX DE HELDEN GEVALLEN, 95

Indien deze nationale hervorming voet kreeg en zich uitbreidde, dan zouden haar werk en invloed van jaren verijdeld zijn. Zij moest dus de straffende hand uitstrekken en wel terstond! En waar kon zij beter en zekerder treffen, dan door den hoofdaanvoerder, den bezielenden geest van de afgeloopen gebeurtenis aan te tasten ?

Aldus zond zij nog dienzelfden avond, ondanks den hevigen storm, een bode tot Elia met deze bedreiging: »Zoo doen mij de goden, en doen zóó daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent dezen tijd uwe ziel stellen als de ziel van één hunner.quot; Die boodschap verraadt de vrouw; zij durfde hem niet dooden, hoewel hij binnen het bereik harer macht was, en dus bedwong zij hare woede en bepaalde zich tot dreigen. Kon zij hem maar uit het land drijven, opdat zij de handen vrij had om weer op te bouwen wat hij verwoest had! Wij weten het, helaas, zij slaagde hierin maar al te goed.

Elia's tegenwoordigheid was nimmer noodiger geweest dan thans. Het werk der uitroeiing was begonnen, en het volk was in de stemming om het voort te zetten. Het getij was verloopen, en de stroom naar God heen gekeerd; nu moest Elia den nieuwen loop besturen; nu moest hij het volk helpen om trouw te blijven aan hunne keus; nu moest hij het aangevangen verwoestingswerk veranderen in opbouwenden arbeid. Te oordeelen naar al wat wij tot dusverre van hem zagen, mochten wij verwachten dat hij Isébels boodschap met de grootste kalmte ontvangen, en in rustig vertrouwen voor God zou nederleggen, verzekerd dat deze Hem zoude bewaren in zijn tent en beveiligen tegen de woede der menschen.

ocr page 106

HOE ZIJX DE HELDEN GEVALLEN.

Wij mochten er op rekenen dat hij een waardig stilzwijgen zou bewaren, of dat hij een antwoord zou zenden aan zijn vervolgster, gelijk Chrysostomus in later dagen aan Keizerin Eudoxia zond: »Ga heen, zeg haar dat ik voor niets anders vrees dan voor de zonde.quot;

In plaats hiervan echter lezen wij — en zeker heeft de gewijde kroniekschrijver een diepen zucht geslaakt bij het nederschrijven van deze woorden: — .Toen hij dat zag, maakte hij zich op en ging heen om zijns levens wil.quot;

»Hij ging om zijns levens wil!quot; Vergezeld van zijn jongen vlood hij, beschermd door het nachtelijk duister, onder slagregen en stormgeloei, over Samaria's heuvelen, naar het zuiden van Judea waar de vruchtbare weiden van Palestina zich verliezen in de onmetelijke woestijn vlakte van Arabic. Zoo ging hij met de geoefende snelheid van een zoon der bergen. Zijn tred werd niet vertraagd en zijne kracht niet uitgeput, vóórdat hij de grenzen overschreden had, binnen welke Isébel den schepter zwaaide, en weldra bereikte hij Berseba, waar Abraham bij den waterput een bosch geplant en den naam des Heeren, ties eeuwigen Gods, had aangeroepen (Gen. 4 ; 33). Daar was hij veilig, maar ook daar durfde hij niet blijven; het schijnt wel dat zijn geest gansch ontstemd en ontsteld was. Zelfs het gezelschap van zijn jongen kon hij niet langer verdragen; hij liet hem dus achter te Berseba en begaf zich alleen dieper de wildernis in, die naar den Sinaï voert.

In den brandenden zonnegloed snelde hij al voort, vele, vele uren lang, zijne voeten verschroeiende in het brandende woestijnzand. Thans geen raven, geen beek Krith,

gó

ocr page 107

HOE ZIJX DE HELDENquot; GEVALLEN. 97

geen Zarfath, geen menschelijk medegevoel om hem te steunen, zelfs geen God, naar het scheen, om hem ter zijde te staan. Ten laatste was zijne buitengewone en veel geoefende lichaamskracht uitgeput, hij werpt zich neder in de schaduw van een jeneverstruik en begeert te sterven: »Het is genoeg, neem nu, Heere, mijne ziel, want ik ben niet beter dan mijne vaderen. Laat mij hier sterven en begraaf mij met Uw eigen hand, zooals Gij gedaan hebt met Mozes in de vallei van Beth-Peor!quot;

Hoe geheel anders werd nu alles op eenmaal! Had niet Elia, indien hij niet had gewankeld, indien hij maar had blijven vertoeven in de schuilplaats des Allerhoogsten en overnachten in de schaduw des Almachtigen — had niet Elia wellicht zijn volk kunnen redden en hen kunnen bewaren voor ballingschap en verstrooiing? Had hij slechts stand gehouden, de zeven duizend getrouwen zouden uit hunne schuilplaats te voorschijn zijn gekomen, en den Heer beleden hebben. Baal zou zóó voor goed hebben plaats gemaakt voor Jehova, en Elia zelf zou bewaard zijn gebleven voor een smaad, die op zijne nagedachtenis is blijven rusten, hoeveel eeuwen ook sedert zijn gekomen en gegaan. Want Elia heeft nimmer zijn invloed in Israël herkregen. Hij liet eene gelegenheid voorbijgaan die nooit terug kwam, en ofschoon God, die de Barmhartige is, hem Zijne liefde cn ontferming bleef betoonen, toch herstelde Hij hem nimmer weder geheel in dezelfde betrekking van Zijn bizonderen gezant en dienaar, die hij zoo gedachteloos had verzaakt.

Welk eene ernstige roepstem ligt hierin voor ons! Wij ook, wanneer wij de hand des Heeren hebben losge-

ocr page 108

HOE ZIJX DE HELDEN GEVALLEN.

laten, kunnen een misstap doen, waardoor wij al onzen invloed verspelen, en voor altijd de gelegenheid verliezen om het werk des'Heeren te doen. Als een Vader zal de Ontfermer dan ook ons weder aannemen, maar als Zijne dienstknechten worden wij nimmer meer aangesteld of vertrouwd zooals te voren.

Het is zeer opmerkelijk hoe de Bijbelheiligen dikwijls een misstap doen, dan en daar waar wij meenden dat zij stand zouden houden. Abraham was de vader der geloovigen, maar zijn geloof leed schipbreuk toen hij naar Egypte toog en Pharao misleidde omtrent zijne huisvrouw. Mozes was de zachtmoedigste van alle men-schen, maar hij verbeurde het zien van het land der belofte door een driftigcn uitval. Johannes was de Apostel der liefde, maar in een oogenblik van toornigen afkeer wilde hij vuur van den hemel roepen. Elia eveneens, de man, dien men zeker verheven zou geacht hebben boven de menschclijke zwakheden, betoont zich inderdaad »een mensch van gelijke bewegingen als wij.quot;

Welk een sprekend getuigenis hebben wij hier voor de waarheid van den Bijbel! Ware hij slechts menschen-werk, hoe anders zouden Elia's en anderer geschiedenis geboekt staan. Hoe zouden de schrijvers zich gewacht hebben om de misstappen hunner helden te beschrijven en te ontleden. Geen kunstenaar zou er ooit aan denken, eene snaar te laten springen juist op het meest spannende oogenblik. Men verwijt den Bijbel wel eens zijne niets verbloemende karakterteekeningen. Is dit echter niet juist zijn grootste roem? Hij toont de menschel ij kc natuur in een spiegel, om ons te doen er-

gS

ocr page 109

HOE ZIJX DE HEi'.DEX GEVALLEN.

kennen wat in den mensch is, cn dat om twee redenen: opdat wij nooit zouden wantrouwen, en ook opdat wij zouden leeren begrijpen, dat indien God de Heer Zijne kostelijkste vaten kon kiezen en ti lebereiden uit zulke aarde. Hij dit nog altijd kan doen door juist de minsten van Zijne kinderen in Zijn dienst te nemen. Zelfs is daar eene vertroosting voor ons gelegen in het tooneel van Elia's diepe vernedering en val. Stond deze bladzijde ons niet opgeteekend, dan zouden wij Elia altijd beschouwd hebben als te hoog boven ons staande om op eenigerlei wijze ons ter navi ilging te kunnen opwekken. Wij zouden dan niet anders aan hem denken, dan aan die oude reuzengeslachten, waarmede wij niets gemeen hebben. Thans echter, nu wij hem daar uitgestrekt zien in de schaduw van den jeneverstruik, roepende om den dood en zich aanstellende als de zwakste onder ons, thans echter gevoelen wij, dat hij alleen door Gods genade was, die hij was, en dat wij door hetzelfde geloof dezelfde gaven kunnen deelachtig worden.

Maar vragen wij vooral, welke de oorzaken mogen geweest zijn van zijn diepen val.

Ten eerste nvw hij lichamelijk overspannen.

Denkt eens welk een bangen cn bewogen tijd hij had doorgebracht, sints hij de stille woning te Zarfath verliet. Wat een inspannende dagen, wellicht ook nachten hij had doorleefd! Eerst die tijd vóór de volksvergadering met zijne vurige en aanhoudende gebeden, daarna de priesterslachting, de langdurige snelle tocht toen hij voor het aangezicht van Achab heen liep naar Israël; daarna tic overhaaste vlucht, die in haar jagende vaart niet was

99

ocr page 110

HOE ZIJN' DE HELDEN GEVALLEN.

afgebroken aleer hij zich nederwicrp in het zand dei-woestijn — dit alles werd nu gevolgd door namelooze uitputting. De veer was gesprongen door te sterke spanning, en wij moeten dit in rekening brengen, wanneer wij de onuitsprekelijk geestelijke neerslachtigheid, waaronder hij leed, beschouwen. »Wij zijn raadselachtig en wonderbaarlijk gemaakt,quot; en ons inwendig, ons geestelijk leven is ten * uiterste gevoelig voor onze uiterlijke omstandigheden. Menigeen, die een geestelijken raadsman bij zich begeert, zou beter doen met om zijn geneesheer te zenden; daarom, mocht het zijn dat deze regelen gelezen worden door iemand, die zich bewust is niet meer te wandelen in het blijmoedige geloofslicht van vroeger dagen, laat hij of zij alvorens te klagen over de raadselachtige verberging van Gods aangezicht, eens onderzoeken of daar geen lichamelijke oorzaak is. Hij die weet wat maaksel wij zijn, en het nooit vergeet dat wij slechts stof zijn, Hij ziet öp zulke kranken met einde-looze ontferming neder.

Vergeten wij het toch niet, te midden van de koortsachtige gejaagdheid van het hedéndaagsche leven is het veeleer een wonder dat er nog niet meer onder ons lijdende zijn aan eene ondragelijke levensmoeheid, als die Elia in de wildernis deed neerzinken.

Te7i hoeede hnd hij het smarleljk gevoel van alleen Ie staan.

»Ik ben alleen over.quot; Sommige menschen schijnen geboren om alleen te zijn. Het is de cijns, dien zij tv betalen hebben aan de grootheid van ziel, waarmede God hen toerustte. Daar komen echter uren in zulk een men schenleven, dat men zou moeten bezwijken, tenzij men

IOO

ocr page 111

101

opgehouden wordt door een heldhaftig besluit ei; een onwankelbaar geloof. Zelfs de ziel van onzen goddelijken Heer en Heiland werd eens overschaduwd door dit gevoel van eenzaamheid, toen Hij zeide: »Ziet de ure komt en is nu, dat gij zult verstrooid worden, een iegelijk naar het zijne en gij Mij alleen zult laten; nochthans ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij.quot; Indien zelfs onze Heer in de eenzaamheid der ziel neergebogen werd, is het dan wonder dat Elia nederstortte onder dien last ?

Ten denh zag hij op de uitwendige omstandigheden, in-plaats van op God te letten.

Tot hiertoe had Elia gestaan in de kracht van het heerlijkste geloof, omdat hij God nooit uit het oog ver-loor. Het geloof is altijd krachtig als het geloofsoog slechts niets anders ziet dan God zeiven. Wij lezen echter zoo beteekenisvol: toen Isébel's bedreiging hem bereikte, »toen hij dat zag, maakte hij zich op en ging heen om zijns levens wil.quot; In later jaren wandelde Petrus op de zee, totdat hij den blik van zijn Meester naar de woedende baren richtte. »Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd en als hij begon neder te zinken, riep hij zeggende: Heer, behoud mij!quot; Alzoo ook Elia — zoolang hij voor het aangezicht des Heeren stond, vreesde hij niet, ofschoon een leger tegen hem opstond. Toen hij echter zag op zijn eigen gevaar, dacht hij meer aan zijn leven dan aan Gods eer; hij vreesde voor den mensch, die sterven zal, en voor een menschenzoon, die gelijk staat met het gras des velds; hij vergat zipi Meester en Heer, die den hemel en de aarde gemaakt heeft en Wiens

ocr page 112

HOK ZIJX DE HEI.DEX GEVALLEN*.

alle macht is; Hij g'ing heen om zijns levens wil.''

Laat Elia's voorbeeld ons ter waarschuwing zijn! Al is het ook dat de macht der omstandigheden als breede of hoog opgezweepte golven tegen ons aanslaat, dit alles behoeft de ziel niet te bewegen, die met God in gemeenschap leeft. Die aanloopende golven zijn als stuf-kens aan de weegschaal, en zullen niets toe- of afdoen aan den weg, dien God met ons houdt. O, allen gij die in den lieer gelooft, klimt op een Imogen berg; daar zult gij het land der belofte zien; indien gij slechts niet uw blik laat verdoolen over menschenkinderen en levensomstandigheden, die het oog verduisteren.

Het is altijd een groote missta]), als wij aan God de wet willen voorschrijven. Elia wist niet wat hij zeide, toen hij tot den Heer sprak: : Het is genoeg, neem nu Heer mijne ziele.quot; Had God hem aan zijn woord gehouden, dan zoude hij in de donkerheid zijn heengegaan; dan zoude hij nooit het suizen der zachte stilte gehoord hebben, waarmede de ontferming des Heeren tot hem kwam; dan zou hij nimmer profetenscholen gesticht en Eliza gezalfd hebben, hem tot een opvolger. Dan zoude hij nimmer met een vurigen wagen ten hemel zijn gestegen'

Hoe oneindig barmhartig is God over ons, dat Hij niet al onze gebeden verhoort! Welk een lankmoedig God is Hij, dat Hij niet op onze woorden let, soms in vermetelen overmoed, soms in zondige neerslachtigheid gesproken, maar op de diepste zielsbehoeften, waarvan zij getuigen! Wij zullen het zien: Hij deed alzoo met Zijn uitgeputten en klagenden dienstknecht.

Hoe velen onder ons, menschenkinderen, hebben reeds

102

ocr page 113

HOE ZIJNquot; DE HELDEN GEVALLEN.

deze verzuchting geslaakt: Het is genoeg!quot; Hoe menig lijder, die jaren lang aan het ziekbed gekluisterd was, hoe menige vrouw, gebonden aan een onmenschelijken echtgenoot, hoe menig arbeider in Gods wijngaard, die op rotsen schijnt te ploegen! «Het is genoeg! Haal mij naar huis! De levenslast is zwaarder dan ik kan dragen. Waartoe ons nog langer laten verkwijnen ? Het is genoeg!quot;

O onverstandigen die wij zijn! Weinig weten wij wat God voor ons heeft weggelegd — in dit leven reeds en zeker in de eeuwigheid. Hoeveel zegeningen zouden wij derven, indien God ons hield aan ons woord en ons reeds wegnam, vóórckit Zijn tijd gekomen was. Mochten wij maar leeren het alles in 's Vaders hand te geven. Zeker wil Hij ons naar huis brengen; zeker heeft Hij daar voor ons plaats bereid, maar Hij zal het doen, dan wanneer wij onze levensles geleerd en Zijn werk gedaan hebben — op Zijn tijd!

I03

ocr page 114

HOOFDSTUK XL

Z1JXE GOEDERTIERENHEID BETER DAN HET LEVEN.

fe Apostel, die zijn eerste onderwijs omtrent het eeuwige liefdewezen Gods ontving, leunende aan de borst van den Heiland, zegt ons in woorden van den heiligsten eenvoud: * Wij hebben gekend en geloofd, lt;1e liefde, die God tot ons heeft.quot; Het zijn wondere woorden in den mond van een sterveling; wie ze in volle overtuiging kan nazeggen heeft niet vruchteloos geleefd. Wij mogen echter veilig aannemen, dat de meesten onzer de liefde Gods allermeest hebben leeren kennen in den weg Zijner lankmoedige verdraagzaamheid, bij misslagen en misstappen als die, welke Elia's leven verduisterden.

Die misstap, wij zagen het reeds, was zeer noodlottig; zij wierp een onvergetelijken blaam op de nagedachtenis van den profeet ; zij stuitte eene der krachtigste bewegingen ten goede in Israël in haren loop. Zij bracht schrik en ontmoediging in duizenden harten, die juist begonnen

ocr page 115

ZIJNE GOEDERTIKRK\HEID BETER ENZ. IO5

te herademen bij Elia's Godverheerlijkend betoon van geloofsijver. Zij bracht de zaak en den naam des Heeren in oneer. Een engelenkoor had den voort\ luchtigen profeet wel mogen omsingelen, zooals hij daar neerlag in het zand der woestijn, om esn treurzang aan te heffen zooals de Psalmdichter over Saul en Jonathan aanhief, bij hun dood op Gilboa's heuvelen: »Hoe zijn de helden gevallen in het midden van den strijd. O man Gods, hoe zijt gij verslagen op uwe hoogte! Wij zijn benauwd om uwentwil. Hoe zijn de helden gevallen en de krijgswapenen verloren!quot;

Indien er ooit voor iemand reden was om te maaien wat hij gezaaid had, en de gevolgen zijner zonde te dragen, dan zoude het zeker Elia geweest zijn. Maar Gods gedachten zijn anders dan onze gedachten. Hij kende den storm van teleurstelling en vernietigde hoop, die over dit edele hart waren heengegaan, als rukwinden over een veelbewogen meer. Zijn blik volgde met het teederste medelijden iederen stap van zijn vluchtenden dienstknecht, over de heuvelen van Samaria. Hij had hem thans niet minder lief dan toen hij trotsch op de overwinning bij het rookende brandoffer op Karmels hoogte stond. En de goddelijke liefde openbaarde zich, indien mogelijk, op nog teederder, nederbuigender wijze toen zij den vluchteling gadesloeg en dekte met hare vleugelen, terwijl hij terneder lag en sliep. Gelijk een herder het dwalende schaap opspoort, dat van de kudde is afgedwaald naar de woeste bergpaden, waar de koningsarend gereed is het te verslinden, zoo kwam Gods opzoekende liefde tot Elia, terwijl hij uitgeput naar het lichaam door een langen zwerftocht, en naar den geest door den storm van hartstochten

ocr page 116

ZIJNE GOKDERTIERKXHE1D

die zijne ziel beroerden, onder den jeneverboom sliep. Maar Elia's God deed nog veel meer dan hem liefhebben. Hij trachtte met onuitputtelijk geduld en teedere zorg de ziel van Zijn dienstknecht weer terug te brengen tot haar vroegeren staat van kracht en rust. Op Zijn bevel bereidde een engel tot tweemaal toe een maaltijd in de wildernis, raakte hem aan en gebood hem te eten. Geen bestraffende toespraak, geen woord van verwijt, geen bedreiging, niets dan slaap en voedsel en vriendelijke voorzorg voor de verre reis, die hij wilde ondernemen naar den berg Gods, naar Horeb. Dit brengt ons Hem in herinnering, die in later dagen in den vroegen morgen, aan den oever van Capernaüm's meer, een ontbijt gereed maakte, zooals natte en vermoeide visschers konden begeeren. Immers daar was een vuur en visch daarop en brood.quot; Dit deed Hij voor hen, die den voortvarenden Petrus volgende, blijkbaar besloten hadden niet langer op Hem te wachten, maar het vischtuig weder ter hand hadden genomen, dat zij drie jaar te voren op Zijn woord verlaten hadden.

Het zou kunnen zijn, dat deze bladzijden gelezen werden door dezulken, die afgedwaald zijn van den goeden weg. Gij hebt toch ook eens den Heer beleden met uw gansche hart, en een tijd lang gewoond op de berghoogte, waar het gouden hemellicht vrede en vreugde in uw hart deed stralen; of mogelijk zelfs hebt gij vóóraan gestaan en anderen ondersteund, hen aangespoord tot geloof en goede werken. Maar dat alles is nu voorbij. Gij hebt gestruikeld, gij zijt gevallen. De oorzaak van den val doet niets ter zake. Misschien is eene plotselinge verzoeking tot u gekomen, of hebt gij het leven in Gods ge-

io6

ocr page 117

BETER DAX HET LEVEX. lOJ

ineenschap verwaarloosd. Hoe het ook zij, de zaak blijft dezelfde ; gij zijt gevallen, en evenals Elia, op het oogen-blik toen iedereen verwachtte dat gij stand zoudt houden. En nu zijt gij beschaamd, nu wenscht gij u te verbergen voor allen, die u in beter dagen kenden; nu hebt gij den moed laten zakken en ligt verslagen en ontmoedigd ter neder in de wildernis; nu waant gij u verlaten van God en menschen. Vergeet het niet wat Elia's geschiedenis u leert: indien al verlaten van de menschen, nimmer vergeten door God! Hij heeft u nog even lief. Hij heeft medelijden met u. Hij treurt over u, en Hij wacht met teedere, voorzienige liefde, totdat gij weder in staat zijt naar Zijn woord der vertroosting te hooren.

Deze geschiedenis wekt vier gedachten in ons op aangaande Gods liefde, welke een troost voor allen, maar in 't bizonder voor hen moeten zijn, die van Karmel's hoogte in het woestijnzand zijn nedergestort.

Ten eerste: Gods liefde is onverandeiijk.

Wij weten, wij erkennen dit allen, maar wij vergeten het allen telkens in tijden van duisternis en druk. Zeker, het is licht in Gods liefde jegens ons te gelooven, wanneer wij met de schare opgaan naar Gods huis, en daar de lof- en dankpsalmen aanheffen; maar moeielijk is het te gelooven, dat Hij ons even onveranderlijk lief heeft, wanneer wij door onze zonden uitgebannen zijn naar het land van Hermon en den Jordaan; wanneer onze ziel ter nedergebogen is en onrustig, wanneer de afgrond roept tot den afgrond en al zijne baren en golven ovei ons heen gaan. Het is licht te gelooven in Gods liefde wanneer wij als Elia bij de beek Krith of op Karmel,

ocr page 118

ZIJN E GOEDERTI ER EN 11 EI [3

Zijn wil volbrengen, en opmerkende zijn op de stemme Zijns Woords; maar niet zoo licht is het, wanneer wij aan Elia gelijk in de woestijn, met ons scheepke stranden, of zonder mast en roer worden geslingerd door de woedende baren. Het is niet moeielijk in Gods liefde te ge-looven, wanneer wij met Petrus staan op den berg der verheerlijking, en in overmaat van geluk ons voorstellen tabernakelen te bouwen om voor altijd met den Heer te zijn; maar bijna onmogelijk wordt het, wanneer wij met denzelfden Apostel onzen Meester met eede verloochenen, en ontroerd worden door den veelzeggenden blik Zijner oogen.

Tóch moeten wij leeren te gelooven in de onveranderlijkheid van Gods liefde, ook al voelen wij haar niet, ook al meenen wij dat zij ons voor goed verlaten heeft; Ons moge zij soms zoo ver af schijnen als een zomerdroom is voor den Noordpoolreiziger, die wegsterft in duisternis en koude, nochthans is Gods liefde onveranderd, onbewogen; standvastig als de liefde van een vriend ; hecht en waar als de liefde eener moeder. Mist en nevelen, geboren uit onze zonden, mogen het licht der zon verduisteren, toch schijnt het even helder en blijft schijnen, tot dat het alle nevelen heeft weggevaagd. O man Gods, die daar ligt te midden van den puinhoop van zóóveel verwachtingen, hoop op God, vertrouw op Zijne liefde; de dag zal komen dat gij Hem weder prijzen zult, die de onveranderlijk Getrouwe is.

Ten tweede: Gods liefde openbaart legen over bizonderc zonden bizondere lecderheid.

Wij lezen niet dat aan de beek Krith of te Zarfath

ocr page 119

BETER DAN HET LEVEX.

ooit een engel aan Elia verscheen, of hem wekte met eene hemelsche liand. Raven en de beek en eene weduwvrouw hadden hem gediend, maar nimmer nog een engel. Hij had water gedronken uit de beek Krith, maar nimmer water, dat door engelenhanden geput was uit de rivier Gods, die vol water is. Brood en vleesch had hij gegeten, door de raven hem gebracht, zelfs brood van het wonderdadig vermeerderde meel, maar nooit brood, door engelenhanden hem toebereid.

Waartoe die bizondere liefdeblijken ? Zeker niet omdat God behagen vond in de zonde van Zijn dienstknecht, of zijn misstap wilde vergoelijken; maar omdat er een bizonder liefdeblijk noodig was om den Profeet van Zijne blijvende liefde te overtuigen; omdat zijn gemoed verzacht en tot schuldbekentenis gebracht moest worden.

\\ aar gewone middelen niet baten, daar gebruikt God buitengewone. Daar is ons in de gewijde bladen één voorbeeld bewaard, dat troost en hoop heeft gebracht aan duizenden die als Petrus gezondigd hebben, en den Heer er eeuwig voor zullen danken, dat 's Meesters handelwijze met den ontrouwen jonger ons is opgeteekend. De Heer zond eene algemeene boodschap aan Zijne discipelen om Hem vóór te gaan naar Galilea. Hij wist echter dat Petrus zich nauwelijks meer bij Zijne discipelen z( mde durven scharen, daannn zond Hij hem eene biz( mdere boodschap: Ga heen zeg het mijnen discipelen, en nan Pd rus r Op dezelfde wijze werkt Hij nog in den kring Zijner jongeren. Zóuzeer verlangt Hij de gevallenen van Zijne onveranderlijke liefde te overtuigen, dat Hem daartoe geen moeite te veel is. Hij wil daarvoor nieuwe verras-

ocr page 120

ZIJNE GOEDERT1EKEXHE1D

singen beschikken, engelen gebruiken, bizondere boud-schappen zenden, blij zal bet afgedoolde schaap op Zijne schouders naar huis dragen, het gemeste kalf slachten, en de engelen des hemels zullen met Hem blijde en verheugd zijn.

Mogelijk zijt gij, die deze regelen, leest in gevoelloosheid en wanhoop verzonken, maar intusschen is God bezig een nieuw middel uit te vinden om u Zijne liefde te betoenen. Hij haat uwen zondigen weg, zooals alleen de goddelijke heiligheid dat vermag; maar u, den zondaar, heeft Hij lief met oneindige liefde. O zoo gaarne wil Hij u die liefde doen gevoelen; niets liever wenscht Hij dan u aan te raken, dan u zachter te stemmen, dan u tot zich te roepen. Terwijl gij Hem bedroeft door uwe volhardende weerspannigheid, omringt Hij u met zegeningen. Geef u dan aan Hem gewonnen; die keuze zal u blijken eene onberouwelijke te zijn.

Ten derde: Golt;/s liefde is onvennoeid.

Waarschijnlijk was het avond toen de engel voor de eerste maal kwam, Elia aanraakte en hem gebood op te staan en te eten; want wij lezen dat hij eene dagreis ver de woestijn in ging, vóórdat hij zich nederwierp onder den jeneverstruik. De avondschaduw legerde zich reeds over het brandende woestijnzand; de zon daalde als een vuurbol aan den onafzienbaren horizont. Toen dus de engel des Heeren ten tweedenmale kwam, ging waarschijnlijk de dageraad over het wereldrond op. Aldus hadden Gods engelen den slaap bewaakt van den Profeet!

Het is onmogelijk dat wij de onuitputtelijke liefde Gods zouden kunnen peilen. Die liefde weet van geen wankelen

I IO

ocr page 121

BETER DAX HET LEVEN.

of wijken. Zij bedekt alle dingen, gelooft alle dingen, hoopt alle dingen, verdraagt alle dingen. Met goddelijke volharding houdt zij haar voorwerp vast, totdat de duisternis en de verlatenheid plaats maken voor het licht en den vrede van vroeger dagen. Zij waakt over ons in de dagen, wanneer wij ontoegankelijk zijn voor hare werking; zij houdt on.s voortdurend vast en laat niet af ons te roepen en op te wekken tot een beter, tot een Godverheerlijkend leven.

Ten vierde: Gods liefde voorziet en voorkomt toekomstige behoeften.

Wij staan bij een van de merkwaardigste en wonderbaarste voorvallen in de geschiedenis van den profeet. Wij kunnen ons nog voorstellen hoe God hem, in plaats van eene lange strafprediking, een goed maal en een rustigen slaap gaf, als de beste middelen om zijn verloren kracht te herwinnen. Wat anders konden wij verwachten van Hem, die weet wat maaksel wij zijn en gedenkt dat wij stof zijn? Maar opmerkelijk bovenal is ditt, dat God Zijn dienstknecht van voedsel komt voorzien ter wille van den verren weg, dien hij te gaan had: Sta op en eet, want de weg zou voor u te veel zijn.quot; Maar die reis werd ondernomen naar zijn eigen goeddunken, zij was de voortzetting van de lange vlucht van zijn post, en aan het einde van die reis zou eene ernstige vermaning zijn deel zijn: AVat maakt gij hier Elia ?quot; En nogthans gaf God in Zijne lankmoedigheid hem spijze, in welker kracht hij den langen weg kon gaan. Hier wederom moeten wij de verklaring van dit voor den mensch onbegrijpelijke zoeken in Gods voorkomende liefde. Elia's

1 I 1

ocr page 122

ZIJ XE GOEDERTIERENHEID

geheele wezen was overspannen. Ongetwijfeld had hij zich den langen, vermoeienden tocht naar den berg Gods vastelijk voorgenomen. Xiets kon hem van dat besluit afbrengen. Indien hij dus wilde gaan, dan wilde God zijne behoefte vóórkomen, al was het dan ook de behoefte van een ontrouwen dienstknecht en een opstandig kind. Hij gedacht Zijner ontferming en gaf hem door een maaltijd de noodige kracht om veertig dagen en veertig nachten voort te gaan. Zien wij hierin niet Gods aanbiddelijke liefde, die ons het leven, den adem en alle dingen schenkt, zelfs dan wanneer Hij weet dat wij Zijne gaven tot zelfzuchtige doeleinden, en in lijnrechte tegenspraak met Zijn geopenbaarden wil zullen gebruiken ?

Wie onzer zal, waar wij aldus bepaald worden bij Gods liefde, nog langer het pad willen volgen, dat van Hem afvoert? Wij weten het nu, Hij ziet ons aan, ook waar wij van Hem afzagen, en Hij wil ons de kracht vernieuwen, wanneer wij in algeheele verslagenheid óver onzen zondigen weg ons onvoorwaardelijk aan Hem gewonnen geven.

Wat dunkt u? mogen wij niet, alvorens dit tooneel van Gods wonderbare zondaarsliefde te verlaten, nog ecnige wenken ter harte nemen, betreffende de spijze, die de Hemel ook voor ons iederen avond en iederen morgen gereed heeft, zoolang wij hier wandelen door de woestijn van dit leven? Des avonds, als wij vermoeid zijn van onze dagtaak of van de stormen die ons hebben aange-loopen, roepen Gods engelen ons op om vóórdat wij ons ter ruste begeven te nemen van het levende Brood, dat alleen onze ziel versterken kan, en iederen mlt; irgen

I 12

ocr page 123

BETER DAK HET LEVEN'.

fluisteren zij ons toe: »Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn.quot;

De schuld van zoo menig onvruchtbaar christelijk leven ligt in het verwaarloozen van die hemelsche roepstemmen. Wij nemen het voedsel niet, dat de Heer onder ons bereik stelt; wij slapen voort, totdat de zon hoog aan den hemel staat en de engelen met hun spijsvoor-raad van ons zijn geweken.

Mogen wij behooren of gaan behooren tot het getal dergenen, die geen tweede roepstem van noode hebben, maar iederen morgen opstaan bij de eerste fluistering der engelenstem om van het vleesch te eten, dat waarlijk spijs, en van het bloed te drinken, dat waarlijk drank is. Dan zullen wij sterk zijn om iedere aanvechting te we-derstaan, iedere vermoeienis te verduren en te blijven staan voor het aangezicht des Heeren. Die den Heer verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat wordenquot;.

!I3

8

ocr page 124

HOOFDSTUK XII.

HET SUIZEN EEXER ZACHTE STILTE.

erkwikt door rust en voedsel, hervatte Elia zijne reis door de woestijn heen naar Horeb. Geen enkele plaats op aarde getuigt wellicht zoozeer van Gods tegenwoordigheid als deze heilige berg. Daar brandde de braambosch zonder te verteren; daar ontving Israël Gods Wet; daar vertoefde Mozes veertig dagen en veertig nachten alleen met God. Het was dus als een natuurlijk instinkt, dat den profeet daarheen dreef: op geheel de aarde had hij geen betere plaats kunnen kiezen. De majestueuse omgeving en de heerlijke herinnering werkten hier samen om de ziel op te heffen en tot rust te brengen.

Veertig maal zag de Profeet de zon op- en ondergaan over de wildernis. Ik weet niet of ooit iemand voldoende de beteekenis heeft verklaard van dit zinnebeeldige getal, dat zoo menigmaal voorkomt in de gewijde bladen

ocr page 125

HET SUIZEN EEXEK ZACHTE STIITE.

en meermalen in verband trebracht wordt met verzoekintr

O O

en val. Ik wil hier alleen in herinnering brengen, dat het zoo is.

De Profeet kwam aldus eindelijk bij Horeb, den berg Gods; wij zullen zien hoe God daar met Zijn voortvluch-tigen en moedeloozen knecht deed.

God sprak tut hem.

Elia had zich eenc donkere spelonk, tusschen naakte rotsen en duistere afgronden, ter woning verki )zen; en, terwijl hij daar in eenzaam gepeins verzonken wachtende was, brandde het verterende vuur voort in zijne ziel. Hij behoefde niet lang v,e wachten, want »hct Woord des Heeren geschiedde tot hemquot;.

Het Woord des Heeren was reeds dikwijls tot hem gekomen. Het was te Thisbe tot hem gekomen; eveneens te Samaria, nadat hij zijne boodschap aan Achab gebracht had. Het geschiedde tot hem toen de beek Krith uitgedro( igd was en het had hem t ipgeroepcn uit de eenzaamheid van Zarfath om zijn werkzaam leven te beginnen. En nu wederom wist het Woord des Heeren hem te vinden. Daar is geen plaats op aarde zoo eenzaam, geen spelonk zoo diep en duister, of het Woord des Heeren weet er ons te vinden en tot ons te genaken.

Evenwel, hoewel God menigmaal van den hemel tot hem gespioken had, de Heer had nog nimmer dezen toon aangeslagen: »Wat maakt gij hier, Elia?quot; De toon was gestreng en vol verwijten: »Gij zijt Mijn dienstknecht, uitgezonden om Mijn wil te volbrengen, indien ooit, dan waart gij thans noodig; het getij staat te veranderen; eene srroote hervonninlt;r bereidt zich voor, waarom hebt

Hó

ocr page 126

116

rrij u\v post verlaten ? Hoe kwaamt gij hier zonder Mijn bevel of toestemming?quot; Elia durfde geen stellig antwoord te geven. Had hij naar waarheid geantwoord, dan had hij de belijdenis van volkomen ongelijk zonder eenige verzachting of verontschuldiging moeten uitbrengen. Hij had verkeerd gedaan met zijn post te verlaten, en die eerste misstap was verergerd door iederen volgenden stap, die hem al dieper en dieper in duistere vervreemding van God had doen wegzinken.

Wij kunnen er niet aan twijfelen, had de Profeet die onderzoekende vraag des Heeren met schaamte en berouw beantwoord; had hij zijn misslag beleden en vergeving gevraagd; had hij zich op genade of ongenade overgegeven aan het mededoogen van zijn almachtigen Vriend — dan zou hem vrgeven en hij in de plaats der eere als Gods dienstknecht hersteld zijn. Dan zou God zelf in de bres gestaan hebben totdat Zijn dienaar naar zijn post teruggekeerd was om het heerlijke werk voort te zetten, dat hij zot) moedig begonnen had. Maar in plaats hiervan weerde hij de Goddelijke vraag af en ontweek het antwoord. Hij trachtte niet eens te verklaren hoe hij daar kwam, of wat hij daar deed. Veeleer weidde hij uit over zijn eigen getrouwheid in den strijd voor de eere Gods, en trachtte hij die te doen uitblinken tegenover den zondigen afval van zijn volk:

»Ik heb zeer geijverd voor den Heere, den God der heirscharen, want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlaten. Uw altaar afgebroken. Uwe Profeten met het zwaard gedood, en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijne ziel, om die weg te nemenquot;. Dit alles

ocr page 127

ii7

wist God zeer wel: ik geloof clan ook niet dat de Profeet het ooit vermeld zoude hebben indien hij niet zoo verlegen was geweest om eeno verontschuldiging, die zijn eigen lafheid en plichtverzuim kon goed maken. Inderdaad, hij was door ongeloof en vrees zedelijk geheel verlamd. De hemel van zijn zieleleven was znó zwaar bewolkt, dat geen enkele star tier vertroosting door het duister gordijn heendrong. Zoo kon dwaze zelfverheffing hem tot beschuldiging van anderen doen spreken. Hij wilde het zich zeiven en aan den Heer niet bekennen dat de schuld bij hem lag, en dat hij evenals en met de anderen verantwoordelijk was voor het verval, waarin de eer en de naam des Hoeren was gekomen. Zijn beter ik was tijdelijk onder de wolk; hij was een verwoest paleis, een prachtig vaartuig, dat zonder roer een speeltuig is der golven. Ongetwijfeld lag er een grond van waarheid in zijne woorden. Hij was vol ijver en toewijding voor de zaak des Heeren. Hij had dikwijls over den nationalen afval getreurd. Hij ging gebukt onder het gevoel van eenzaamheid en van alleen te staan. Al deze dingen waren echter niet de oorzaak, dat hij zich op dat oogenblik in de spelonk verborgen had, evenmin waren zij het ware antwoord op de onderzoekende vraag: »Wat maakt gij hier Elia ?quot;

Hoe dikwijls doet die vraag zich nog hoeren! Als een christen, wiens steun zeer begeerd wordt, zijn post verlaat om eene of andere onvoorziene moeielijkheid, of uit zelfzuchtige traagheid; — wanneer een kind Gods gevonden wordt in eene omgeving waar hij krachtens zijne belijdenis niet thuis behoort; — wanneer een, die den

ocr page 128

HET SUI/.EX EEXER ZACHTE STILTE.

naam des Heeren belijdt, samengaat niet- of wandelt in den weg der goddeloozen. dan spreekt wederom de stem uit den hemel — en gave God dat zij doorklonk in zijn geweten ! — »Wat maakt gij hier?quot; Wanneer een mensch, die groote talenten van God ontving, een gat in de aarde graaft om ze daar te begraven, terwijl hij den ganschen dag ledig staat op de markt des levens, dan komt ook tot hem de vraag: AVat maakt gij hier ?quot; Kort is het leven, te kort om daarin den luiaard te spelen; ernstig is 't leven, te ernstig om er door heen te dartelen : aan ieder wordt zijne taak op aarde aangewezen, ieder heeft hier zijne roeping te vervullen. Daar is veel kwaad dat uitgeroeid moet worden; daar zijn veel twijfelenden en twijfel moedigen, die moeten voortgeholpen, veel verlorenen die terechtgebracht, veel zondaren, die gezocht moeten worden. Ieder christen wete het, ook hem is een talent toevertrouwd en een werk aangewezen; niemand meene dal hij door zijn doen de zaligheid zal beërven, maar eenmaal gezaligd, maar eenmaal verlost zijnde, doe hij wat zijne hand vindt om te doen, en God behoede er ons voor, dat ooit tot ons Zijne verwijtende vraag moge komen: »Wat maakt gij hier?quot;

God sprak met macht tot Elia door Zijne werken: Hij gebood hem in den ingang der spelonk te staan. Elia deed dit echter niet terstond. Zou deze aarzeling ook zijn voortgekomen uit een schuldig geweten, dat hem sprak van een scheidsmuur tusschen hem en God? Weldra kwam het geluid van een grooten en sterken wind tot hem, die oversnnjr in een loeienden storm, wiens woede niets kon

O O

wederstaan. Hij scheurde de bergen, en brak de steen-

ocr page 129

HET SUIZEN EEXER ZACHTE STILTE.

rotsen voor den Heere heen, het dal was bezaaid met losgerukte rotsblokken; maar de Heer was in den wind niet. Na den wind kwam eene aardbeving, de bergen zwiepten heen en weder, de rotsen kraakten, de bodem verhief zich alsof eene almachtige hand hem ophief; maar de Heer icas ook in dc aardbeving niel. En na de aardbeving was daar een vuur; de hemelen waren in een lichtzee herschapen, iedere bergtop, iedere rotspunt stond in rossen gloed, het dal was een vurige oven; maar de Heer ivas ook in het vuur niel.

Hoe vreemd! Waren deze natuurverschijnselen dan niet alle de eigenaardige zinnebeelden der Goddelijke tegenwoordigheid? Indien wij hare uiterlijke teekenen hadden moeten beschrijven, zouden wij niet juist deze gekozen hebben ? Maar luister — daar suist eene zachte trilling door de lucht, — zeer zacht, bijna onhoorbaar als de zachte toon eener fluit, uit de verte tot ons komende van de heuvelen. Die zachte suizing trof het hart van den Profeet. Was de bruischende, loeiende storm, was het geweld der woedende elementen de echo geweest van de stormen die zijne ziel bewogen, dit geluid wekte het beter ik in hem op en oefende een verzachtenden invloed op zijne ontroerde en bewogen ziel; thans meende hij de zachte trilling van Gods liefdehart te voelen, dat hem kwam zoeken. De »zachte stiltequot; dreef hem uit zijne duistere spelonk, waarin hij bij het woeden der elementen gebleven was: »En het geschiedde als Elia dit hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijn mantel en uitging en stond aan den ingang der spelonk.quot;

Wat dit alles te beteekenen zou hebben ? Het is

I IQ

ocr page 130

120

niet moeielijk te verstaan. Elia was nog • verlangende dat zijn volk het verbond met den God zijner vaderen mocht vernieuwen, en hij meende dat dit niet anders kon geschieden dan door een buitengewoon treffend wonder-teeken. Wellicht heeft hij aldus met zichzelven geredeneerd : »De afgoden zullen nimmer uit het land worden verdreven, tenzij dat God eene beweging in het leven roept, die snellijk en onwederstaanbaar werkt als de stonnwind. Nimmer zal het land opwaken uit zijn zon-denslaap, tenzij dan door eene aardbeving. De natie moet met vuur gedoopt worden.quot; En toen hij op Karmel's hoogte stond, den doodschrik der heidensche priesters en den ijver des volks zag, toen heeft hij gedacht dat de tijd, de bepaalde tijd daarvoor gekomen was. Dat alles was echter voorbij. Niet alzoo was de weg, dien God gekozen had om Israël te verlossen. En nu, daar God niet voortging op deze wijze te werken, meende Elia dat Hij in 't geheel niet werkte, en gaf hij zich over aan de diepste mismoedigheid.

In tie natuurtooneelen, die hem voorbijgingen, wilde God tot hem zeggen; »Mijn kind, gij hebt verwacht dat Ik uw gebed met buitengewone wonderteekenen zou beantwoorden, en omdat deze niet bij voortduring zijn geopenbaard, meendet gij dat Ik werkeloos en niet opmerkende was; leer nu verstaan dat Ik niet altijd werk door groote, zichtbare teekenen; maar dikwijls zachtkens en ongemerkt. Dat heb Ik ook nu gedaan, dat doe Ik nog. De vrucht van dezen mijnen arbeid in het verborgen is, dat er nog zevenduizend in Israël zijn, die de knie voor Baiil niet gebogen en hem niet gekust hebben.quot;

ocr page 131

HET SUIZEN EEN ER ZACHTE STILTE.

Vervallen wij niet dikwijls in dezelfde dwaling als Elia ? Wanneer wij nieuw geestelijk leven verlangen te wekken, wachten wij het van indrukwekkende redenaars, machtige indrukken, groote scharen, in één woord, van geweldige invloeden, gelijk aan wind, aardbeving en vuur. Worden deze openbaar, dan meenen wij zeker te kunnen zijn van de tegenwoordigheid en de kracht Gods. — Toch leert zoo menige bladzijde der Heilige Schrift, toch leert de ervaring om ons heen, indien wij slechts opmerkzaam willen zijn, het tegendeel. Het optreden van den Heiland der wereld wederspreekt 0( )k de aan velen eigene meening. Hij twistte, noch riep, noch werd Zijne stem op de straten gehoord. Terwijl heel de wereld naar Hem uitzag en Hem met bazuingeschal verwachtte, kwam Hij ongemerkt eene nederige woning binnen, als een kind der armen. Hij openbaart zich als een malsche regen op het gemaaide gras; Zijn Geest daalt neder als eene duive, die neerdaalt zonder klapwieken en zonder geruisch. Laat ons dus den moed niet verliezen, al werkt God niet zooals wij het zouden verwachten, nochthans is Hij ook onder ons bezig groote dingen te doen. Komt Hij niet in den wind, dan in de zachte koelte; indien niet in de aardbeving, dan in de verbreking des harten; indien niet in het vuur, dan in de zomerwarmte; indien niet in de groote schare, dan in eenzame harten, in stille tranen, in boetvaardig berouw; en — in velen die, als de zevenduizend in Israël, niet als discipelen gekend zijn.

Elia echter weigerde vertroost te worden. Het scheen wel, alsof hij zich niet ontrukken kon aan den waan die hem omstrikt had. Toen God hem ten tweeden male

12 1

ocr page 132

122 HET SUIZEN EEXER ZACHTE STILTE.

vroeg: Wat maakt gij hier, Elia?quot; toen antwoordde hij op denzelfden toon, waarmede hij zich zeiven van den aanvang af had willen verontschuldigen: »Ik heb zeer geijverd voor den Heere, den God der heirscharen, want de kinderen Israels hebben uw verbond verlaten, uwe altaren afgebroken en uwe profeten met het zwaard gedood en ik alleen ben overgebleven en zij zoeken mijne ziel, om die weg te nemen.quot;

Laten wij voor een oogenblik Elia, om te luisteren naar het Woord des Heeren. Er ligt eene liefelijke gedachte in het feit van deze zevenduizend alleen door God gekende zielen. Wij bedroeven ons menigmaal, wanneer wij het kleine getal belijdende christenen vergelijken met de groote schare der ongeloovigen. Wij mogen echter rustig zijn; er zijn nog wel meer discipelen dan wij weten. Gindsche rijke eigenaar van Arimathea's hof was een nederig volgeling van Jezus. Deze vertegenwoordiger van het Sanhedrin een discipel, maar heimelijk om de vreeze der joden. De eeuwigheid zal ons zoo menig verborgen belijder openbaar maken. Maar gij, mijn lezer — draag zorg dat gij niet tot de »verborgenenquot; behoort. Gij komt daardoor in eene valsche verhouding: gij onthoudt daardoor de zaak des Heeren uw hulp en invloed; gij loopt gevaar uwen Heiland te verloochenen. Wachten wij er ons voor dat Hij zich eenmaal onzer zou moeten schamen.

Het is en blijft waar: openlijk en oprecht belijden sluit op de eene of andere wijze nog altijd een martelaarschap in, en dikwijls komt vleesch en bloed er tegen op, wanneer wij al de gevolgen berekenen, die de weigering om voor BaUl te buigen in zich sluit. Vertroosten wij ons-

ocr page 133

HET SUIZEN EEXER ZACHTE STILTE. 123

zeiven in dien strijd met de heerlijke toekomst, wanneer de Meester onzen naam zal lezen in het Boek des Levens, en ons voor heel de wereld erkennen zal als de Zijnen, en bidden wij Hem ook, dat Hij ons bekwaam make om de goede belijdenis te belijden voor vele getuigen, de belijdenis, die in de uiting des harten en in handel en wandel openbaai' wordt.

Wij kunnen veel meer ten zegen zijn dan wij vermoeden. Elia verbeeldde zich dat hij niets deed, indien hij niet openlijk te velde trok tegen zonde en afgoderij, en hij dacht er niet aan, hoe dikwijls hij die zevenduizend stillen in den lande hielp door den zijdelingschen invloed van zijn voorbeeld. Gewoonlijk werken wij minder uit door groote daden dan door een rustig leven, in overeenstemming met onze belijdenis, door een onbesproken gedrag, en door dagelijks ons licht te laten schijnen voor de menschen. Onze roeping is ons licht te laten schijnen, zonder te vragen naar een grooten aanhang. Wij hebben slechts tevreden te zijn met het volbrengen van Gods wil, wetende dat er een gedenkboek is voor Zijn aangezicht.

ocr page 134

HOOFDSTUK XIII.

GA, KEER WEDER!

et is eene ontzachelijk ernstige gedachte dat ééne zonde, één enkele misstap in dit aardsche leven voor goed onze kracht kan breken, onzen invloed kan vernietigen. — Niet altijd is dit het geval. Enkele malen, als bij Petrus, herstelt de Heer ons genadiglijk op onze plaats, en bevestigt Hij ons opnieuw in de roeping, waarvoor ieder ander ons onwaardig zou hebben gekeurd. Zoo luidde het tot Petrus: »Hoed Mijne schapen, weid Mijne lammerenquot;. Tegenover dit enkele voorbeeld in de Schrift, kennen wij er echter drie andere, waarin het schijnt of de engel met het vlammend zwaard, die den Hof van Eden ontoegankelijk maakte voor den verdreven mensch, met het strikte bevel was uitgezonden om de hervatting der vroegere taak te beletten.

Het eerste voorbeeld is Mozes. Geen mensch heeft ooit hooger eer ondervonden clan hij, smet wien God

ocr page 135

GA, KEER WEDER!

sprak van aangezicht tot aangezichtquot;. Hij was de zachtmoedigste man op den aardbodem, de knecht Gods, de leidsman en behoeder van Israels volk, wiens tusschen-komst dat volk herhaaldelijk voor volkomen vernietiging bewaarde. En toch, omdat hij onbedachtzaam gesproken en in ongeloof en drift de rots tweemaal geslagen had, moest hij het gestrenge vonnis vernemen: »Omdat gij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de oogen der kinderen Israels, daarom zult gij deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb.quot; Herhaaldelijk en dringend heeft Mozes gebeden om herroeping van dit ontzettend oordeel, maar hem werd het zwijgen opgelegd met het plechtig antwoord: »Het zij u genoeg, spreek niet meer tot Mij van deze zaak.quot;

Het tweede voorbeeld is Saul, de eerste, ongelukkige koning Israels, wiens regeering zoo schoon begon als een wolkenlooze zomermorgen, en die nochthans maar al te spoedig het vonnis der afzetting over zich bracht. Ook dit werd veroorzaakt door slechts éénén enkelen misstap. Verontrust door dat Samuel vertoefde te komen en het volk zich begon te verstrooien, begaf hij zich onbedacht op een terrein, waarvan hij zeer bepaaldelijk uitgesloten was, en offerde het brandoffer, waarmede de Israëlieten zich gewoonlijk voor den strijd bereidden. En het geschiedde, toen hij geëindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zoo kwam Samuel. En Samuel zeide : »Wat hebt gij gedaan ?.... Gij hebt zottelijk gedaan, gij hebt het gebod van den Heer uwen God niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want de Heer zou nu uw Rijk over Israël bevestigd hebben tot in eeuwigheid. Maar nu zal uw Rijk niet

125

ocr page 136

GA, KEER WEDER !

bestaan____ omdat gij niet gehouden hebt wat u de Heer

geboden had.quot; Aldus werd Saul reeds in het begin zijner regeering, nog vóór zijne verdere overtredingen en zijn gedrag met de Amalekieten, om die ééne daad van ongehoorzaamheid, die immers een zoo treurig zedelijk verval aantoonde, verworpen.

Het derde voorbeeld is Elia. Hij werd nooit weder geheel hersteld in de plaats der cere, die hij bekleed had vóór zijne noodlottige vlucht. Het is waar, het bevel kwam tot hem om weder te keeren, en nog een werk werd hem aangewezen. Dat werk echter was de zalving van drie mannen, die onderling de taak moesten volbrengen, die hij alleen had kunnen uitvoeren, indien hij de gelegenheid niet had laten voorbijgaan en getrouw was gebleven aan zijn God. Gods werk moet volbracht worden, zoo niet door ons, dan door hen, die in onze plaats worden gesteld. »Ga, keer weder op uwen weg, naar de woestijn van Damascus, ga daarin en zalf Hazaël tot koning over Syrië; daartoe zult gij Jehu, den zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israel; en Elisa, den zoon van Safat, zult gij tot Profeet zalven in uwe plaats.quot; Deze woorden luidden de doodsklok over Elia s dierbaarsten levensdroom. Nu wist hij het, hij mocht niet de verlosser Israels zijn uit de banden van den Basisdienst; anderen zouden zijn werk doen, een ander zou profeet zijn in zijne plaats.

Is het niet of hier reeds de ontzachelijke waarschuwing ons in de ooren klinkt, in later dagen van de lippen onzes Goddelijken Meesters gevloeid : . Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, neemt Hij weg?quot; Het is onmogelijk.

120

ocr page 137

GA, KEER WEDER!

dat deze woorden betrekking hebben op onze eeuwige zaligheid; want dezelfde mond had nog maar even te voren gezegd, dat Zijne schapen niet verloren zouden gaan in der eeuwigheid, en dat niemand ze uit Zijne hand zoude rukken. Hoe dan zoude de hemelsche Landman ooit hen als de onvruchtbare rank kunnen wegnemen ? Wij vinden het antwoord in de opmerking, dat de gelijkenis niet handelt over onze eeuwige zaligheid, maar over onze christelijke vruchtbaarheid. Het geldt hier niet de vraag of wij zullen verloren gaan of behouden worden, maar of wij de ons gegeven gelegenheden gebruiken en dus behouden zullen, dan of wij ze verbeuren door onachtzaamheid en traagheid. Indien wij den Wijnstok niet toelaten Zijne kracht in ons uit te storten, dan zal ons de gelegenheid om vruchtbaar te zijn in des Heeren dienst worden ontnomen. Deze overwegingen mogen ons wel met den vurigen wensch vervullen, om getrouw te worden bevonden voor het ons aanbevolen werk des Heeren.

Allen, die eene vooruitstekende .plaats innemen, zooals leeraars, onderwijzers, leiders van godsdienstige bewegingen, kortom allen, die door God vooraan zijn gesteld in de gelederen, mogen wel ernstig toezien op zich zeiven en de waarschuwingen ter harte nemen, die in de geschiedenis der eeuwen door Gods eigen hand zijn gegrift. Niet tot allen komt zoo sterke verzoeking tot ontmoediging en ongeloof als tot Elia; maar de zielevijand heeft voor ieder een eigen valstrik; voor dezen is het menschenlof en bewondering, die tot zelfverheffing leidt; voor een ander de eerzucht, de wensch om vooraan te staan, om leider en toongever te zijn, tengevolge waarvan het gebed in de

127

ocr page 138

128 GA, keer weder! •

eenzaamheid verwaarloosd wordt. Daar zijn velerlei verzoekingen en aanleidingen, waardoor wij den weg Gods verlaten en Hem in de noodzakelijkheid brengen ons uit Zijn onmiddellijken dienst te ontslaan.

Tegen de verzoekingen en de velerlei valstrikken staan echter ook vele voorbehoedmiddelen ten onzen dienste. Laat God den Heer met het snoeimes van Zijn heilig Woord in ons werken; zien wij dikwijls in den spiegel der geopenbaarde waarheid, om na te gaan of wij ook van den rechten weg afdwalen. Stellen wij onze ziel open voor den invloed des Heiligen Geestes, die ons de eerste beginselen der verborgen zonden kan aantoonen. Laat

o ~

ons zeer naijverig zijn op alles dat ons hart van den Heer kan aftrekken. »Waak en bid, opdat gij niet in verzoeking komt,quot; en eindelijk, vestigen wij al ons vertrouwen op Hem, die onzen voet voor wankelen kan bewaren.

Beschouwen wij nog nader de geschiedenis van den Godsman, dan merken wij allereerst op hoevele werktuigen God ter Zijner beschikking heeft.

Hazaël, koning van Syrië; Jehu, de ruwe krijgsoverste; Eliza, de jonge landbouwer. Deze drie verschilden allen zooveel mogelijk van elkaar; tóch waren alle drie noodig, om eene bizondere taak ten opzichte van Israël te vervullen. Hazaël was bestemd om een geesel Gods te zijn voor gansch Israël; Jehu moest de roede voeren tegen het huis van Achab, dat hij met wortel en tak moest uitroeien; Eliza's profetenstaf moest zachtkens en ver-

ocr page 139

GA, KEER WEDER!

troostend, als zomerregen en avonddauw heerschen over de getrouwen des volks.

Het is inderdaad opmerkelijk, hoe God Zijn wil uitvoert door menschen, die wanen slechts hun eigen weg te gaan. Daarmede wordt hun zondig streven niet vergoelijkt; zij blijven verantwoordelijk voor het kwaad dat zij doen, maar toch is het onwedersprekelijk dat zij Gods raad helpen volbrengen. De Schrift leert ons dit op menige bladzijde. Jozef vertroost zijne broeders na zijns vaders dood met de verzekering, dat wat zij ten kwade gedacht hadden, door God ten goede gekeerd was. David verbood zijnen mannen Simei te dooden, ofschoon zijne vervloeking van den koning zeker -hoogverraad was, omdat »de Heer tot hem gezegd had: vloek David.quot; En onze gezegende Heiland zeide, toen Hij stond overgeleverd te worden in de handen der zondaren, dat de Vader Hem den drinkbeker in de hand had gegeven.quot; De menschen mogen ons veel kwaad aandoen, waarover zij zullen geoordeeld worden, nochthans zijn al deze dingen, die God in Zijne wijsheid en liefde toelaat, boodschappen van Hem aan ons. Ons voegt onder alles de belijdenis; »Niet mijn wil. Uw wil geschiede!quot;

Deze geschiedenis heeft ons nog iets te zeggen, iets dat onuitsprekelijk vertroostend is voor Gods kinderen: *Hij kent degenen die de Zijnen zijn, en Zijn blik slaat er geen enkelen over.quot; — Elia meende dat hij alleen overgebleven was als de getrouwe aan Israels God; hierin echl: r dwaalde hij zeer: God had nog vele getrouwen in 't verborgene. »Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën die zich niet gebogen hebben

1 -Q

9

ocr page 140

GA, KEER WEDER !

voor Baal en allen mond die hem niet gekust heeft.quot; Wij weten niet:: van hunne geschiedenis noch van hunne namen. Waarschijnlijk waren zij onbekend aan het hof of in het leger, eenvoudige, nederige Godgetrouwe zielen. Hun eenitr aretui^enis was een standvastis; weigeren om de

O O O O O

afgoden te dienen; zij zuchtten in 't verborgen en riepen tot den Heer, en gelijk Israël in Egvpte in vroeger dagen, hoorde en kende God hen. Het is mij menigwert eene oorzaak van verwondering geweest, hoe deze zeven duizend geheime geloovigen zich zóó verborgen hebben kunnen houden, dat hun groote leider, de man Gods, hen niet kende. Indien het zout zijn smaak niet verloren heeft, kan het ook niet verborgen zijn, en het werk Gods in eenig menschenhart moet vroeg of laat openbaar worden. Daarom is de vrees niet ongegrond, dat de godsdienst van deze verborgen getrouwen zeer onbestemd en kleurloos geweest is, en dat wel waarlijk het alziend oog noodig was om hen te ontdekken. Desniettemin, God heeft ze ontdekt en heeft ze aangenomen. De rookende vlaswiek wordt door Hem niet uitgebluscht, maar veeleer aangeblazen. Hij verachtte het mosterdzaadje niet, maar bewaakte het met teedere zorg en liefde.

Gij, mijn lezer, zijt mogelijk zwak in het geloof en wordt wellicht niet gerekend tot de kampvechters voor Gods eer; gij wordt door tie menschen niet waardig geacht om onder Zijne belijders gerekend te worden, en evenwel — indien daar maar één vonkje geloof en liefde in u is, indien gij er maar naar tracht uzelven onbesmet te bewaren van de wereld, dan zult gij worden aangezien en gekend d()or Hem, die het kleine en verachte der wereld aanziet.

ocr page 141

GA, KEER WEDER! I3I

Vergeet echter dit niet: indien uw geestelijk leven oprecht is, dan zal het niet altijd verborgen blijven, dan zal het openbaar worden, als een opflikkerend vuur dat lang onder de asch verscholen was.

Het zou kunnen zijn dat God door dit mijn woord eene roepstem wilde doen hooren aan een broeder of zuster, die verachterd is in de genade Gods. Dan spreekt Hij op dit oogenblik ook tot hem of haar: «Ga, keer terug! Keer terug tot Mij, dien gij hebt verlaten. Keer terug tot uw werk, dat gij hebt in den steek gelaten. Keer terug tot den zielevrede en tot Mijnpgemeen-schap, die vroeger uw deel waren!quot; Mocht het antwoord zijn: Zie Heer, wij komen tot U, want Gij zijtdeHeer onze God!quot;

ocr page 142

HOOFDSTUK XIV.

N A B O T H 'S W IJ N G A A R D.

een der vertrekken van het koninklijk paleis Bfe ligt Achab, de koning Israels, op zijn rustbed, met het gelaat naar den muur gekeerd en hij weigert te eten. Wat is er gebeurd ? Zijn de koninklijke legerbenden verslagen? Zijn de Baaispriesters opnieuw gedood? Is zijn koninklijke echtgenoot gestorven? Neen, geenszins; zijne soldaten zijn nog opgev/onden van hunne laatste overwinningen over Syrië; de Baalsdienst heeft na liet moordtooneel op Karmel al zijn gezag herwonnen: Isébel, de vastberaden, wreede, niets ontziende, schoone koningin staat naast zijn rustbed en tracht de oorzaak zijner droefheid uit te vinden, eene droefheid die wellicht geveinsd was, ten einde haar medelijden op te wekken en door haren invloed gedaan te krijgen wat hij zelf niet aandurfde.

De geschiedenis is spoedig verhaald. Te yisreül stond

ocr page 143

133

het geliefkoosde zomerverblijf van het koninklijk echtpaar. Terwijl Achab op zekeren dag zijne uitgestrekte terreinen overziet, wordt zijn cog getrokken door een naburigen wijngaard, toebehoorende aan Naboth, den Jisreëliet. Deze wijngaard scheen hem zulk een begeerlijk stuk gronds om bij zijne bezitting te voegen, dat hij besloot hem tot iederen prijs te koopen. Hij ging daarom tot Naboth en bood hem den vollen prijs in geld, of een anderen beteren wijngaard in ruil. Tot zijne verbazing en verontwaardiging weigerde Naboth beide voorstellen. Naboth zeide tot Achab: .Dat late de Heer verre van mij zijn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zou!quot;

Oppervlakkig beschouwd, schijnt deze weigering ons lomp en onbetamelijk toe. Maar bij ecnig nadenken moeten wij de weigering van Naboth billijken, en daarmede de schuld van het vorstelijk echtpaar verzwaren. Kanaan werd op grond van de Mozaïsche wet beschouwd, als in bizonderen zin Gods land te zijn. De Israëlieten waren Zijne pachters, en eenc der eerste voorwaarden van hun leenmanschap was, dat zij geen enkel stuk grond, dat hun door erfenis ten deel viel, buiten de hoogste noodzakelijkheid zouden verkoopen, en dan slechts tot het Jubeljaar. In dat geval werd de verkoop gesloten met de besliste voorwaarde, dat het land ieder oogenblik kon gelost worden voor eene vastgestelde som. Waren deze twee Mozaïsche bepalingen nog van kracht geweest, dan zou Naboth minder bezwaar hebben gemaakt om tijdelijk afstand te doen van zijn vaderlijk erfdeel; beide bepalingen waren echter zeker in onbruik geraakt, en hij voorzag dat indien hij het eenmaal uit zijne handen

ocr page 144

134

gaf, zijn erfdeel voor goed zou worden ingelijfd bij de koninklijke domeinen. Van een geloovig Israêiitisch standpunt mocht hij dus wel zeggen: »Dat late de Heer verre van mij zijn.quot;

Zijne weigering berustte dus bepaaldelijk op gndsdiensti-gen grond. Maar ongetwijfeld waren er voor hem nog andere beletselen. Zijne uitdrukking de erve mijner vaderenquot; doet ons denken aan eene andere, zeer natuurlijke reden voor zijn tegenzin. Onder die wijnstokken en boomen hadden zijne vaderen sinds vele geslachten gewoond, daar had hij zelf de zonnige dagen zijner jeugd gesleten; menige gewijde herinnering was aan deze plaats verbonden en hij gevoelde bet diep, dat al het druivensap dat uit alle wijngaarden in de omgeving ooit geperst kon worden, hem nooit het gemis van deze heilige herinneringen zou kunnen vergoeden. Naboth's weigering deed Achab woedend in zijn wagen stijgen en naar Samaria rijden; en daar keerde hij als een bedorven, ontevreden kind, gemelijk en toornig, het gelaat naar den muur. Aan het einde van het vorige hoofdstuk van het eerste boek der Koningen lezen wij, dat hij gemelijk en toornig was tegen God; thans woelen dezelfde onheilige gevoelens in hem testen de menschen. Binnen enkele dagen is de vreese-

O O

lijke moord gepleegd, die met één slag Naboth, zijne zonen en zijne erfgenamen uit den weg ruimde en de onbeheerde bezitting natuurlijk in des konings hand deed vallen. Er zijn uit deze gansche geschiedenis vele lessen te halen; wij moeten ons hier echter uitsluitend bepalen bij de rol, dien Elia bij deze vreeselijke gebeurtenissen vervulde.

Bij deze gelegenheid werd de Profeet weder in diens

ocr page 145

xaboth's wijngaard. 135

gesteld. Hoe vele jaren waren er reeds verloopen sints liet Woord des Heeren voor de laatste maal tot Elia gekomen was. Misschien was het wel zes jaar geleden, en hoe menigmaal zal hij in dien tijd met vurig verlangen hebben uitgezien naar de welbekende stem. die in vroeger dagen

o 7 o o

zoo dikwerf tot hem gesproken had. Terwijl zoo de dagen en jaren verliepen, en zijne steeds levende hoop in telkens nieuwe teleurstelling verkeerde, hoe moet hij vaak zijn ingekeerd tot het diepst zijner ziel, met steeds ernstiger zelfonderzoek, steeds levendiger berouw en steeds vuriger belofte van toewijding, trouw en gehoorzaamheid, voor elke mogelijke taak, die hein kon worden opgelegd.

Verkeert iemand onzer soms in soortgelijke omstandigheden als Elia hier, hij steke toch zeer crnstiglijk de hand in eigen boezem, en onderzoeke zich of daar ook eenige zonde is die beleden moet worden aan- en vergeven door onzen ontfermenden Hoogepriester, alvorens het Woord des Heeren weder tot ons kan geschieden.

Daar kunnen ook andere redenen zijn, waarom de Heer ons niet gebruikt. Wellicht wil Hij ons uren, ja soms jaren vergunnen van »stille zijn,quot; waarin wij tot onszelven kunnen inkeeren en luisteren naar hetgeen Hij in de eenzame binnenkamer tot ons te zeggen heeft. Zulke tijden zijn kostelijke gelegenheden, om nader tot Zijne heiligende en zaligende gemeenschap door te dringen.

Toen nu het Woord des Heeren na dezen jarenlangen rusttijd weder tot Elia geschiedde, was hij alleszins bereid. Eenmaal, toen zijne tegenwoordigheid dringend vereischt werd, was hij gevloden om zijns levens wil ; thans echter geen tegenspreken, geen lafhartigheid. Hij

ocr page 146

xaboth's wijngaard.

had zijne plaats hernomen, staande voor het aangezicht des Heeren. Zijn leven had het evenwicht herkregen in den wil van God. Hij maakte zich op en ging henen naar den wijngaard van Naboth, en trad daarbinnen of wachtte aan den ingang, om den koninklijken misdadiger te vinden. Het deerde noch ontroerde hem, dat achter Achab's wagen twee gewetenlooze krijgsoversten, Jehu en Bidkar, reden; hij dacht er geen oogenblik aan, dat de vrouw, die eertijds zijn leven bedreigd had, het hem nu, waanzinnig als zij was door den reuk van het pas vergoten bloed, kon ontnemen. Daar was thans geene vrees voor den dood, geene vrees voor eenig sterfelijk mensch in Elia.

Wie verheugt er zich niet in, dat den man Gods zulk eene gelegenheid geboden werd om de donkere vlek van het verleden uit te wisschen. Zooals wij hem thans zien, is het duidelijk dat zijn wachttijd niet verloren is geweest. Hier, in de kracht van zijn herwonnen geloofsvertrouwen, treedt hij op als het belichaamd geweten eens anderen. Naboth was uit den weg geruimd en Achab zal zich, zooals zwakke karakters gaarne doen, getroost hebben met de gedachte, dat hij toch zijn moordenaar niet was. Hoe zou hij het ook zijn? Hij was immers volkomen werkeloos geweest; hij had niets gedaan dan het hoofd naar den muur wenden! Wel herinnerde hij zich dat Isébel hem om het koninklijk zegel gevraagd had, ten einde volmacht te verkrijgen voor eenige brieven, door haar in zijn naam geschreven; maar, hoe kon hij weten wat zij geschreven had? Natuurlijk, het zou jammer zijn, indien zij bevel had gegeven tot Naboth's dood, maar er was

ocr page 147

naboth's wijngaard. 137

nu niets meer aan te doen, en hij kon in ieder geval nu de erfenis wel in bezit nemen. Met zulke drogredenen slaagde hij er in het krachteloos geworden geweten het zwijgen op te leggen. Maar plotseling wordt hij verschrikt door eene stem, die hij in geen jaren gehoord had en die tot hem sprak: »AIzoo zegt de Heer: Hebt gij doodgeslagen en ook eene erfelijke bezitting genomen ?quot; Hij doodgeslagen! Wel neen, Isébel had het gedaan! Tevergeefs echter trachtte hij de verantwoordelijkheid van zich af te werpen. »Hebt gij doodgeslagen ?quot; alzoo legde de Profeet, geleid door Gods Geest, den last op tie rechte schouders.

Menigwerf draagt een hoog geplaatst persoon, die zelf terugdeinst voor eene of andere ongerechtigheid, aan een ondergeschikte de taak op zijne booze plannen te volvoeren. In Gods oog is die lastgever verantwoordelijk voor het kwaad, door zijn werktuig gedaan, op zijn bevel. De schuld komt geheel voor rekening van den lastgever, en het zal den ondergeschikte verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan dien man.

Volgens hetzelfde beginsel is een werkgever, die zijnen ondergeschikte een te karig en onbillijk loon uitbetaalt, schuldig, wanneer hij daardoor den arbeider drijft tot oneerlijke praktijken, om zijn schamel stuk brood te verkrijgen. Voor den Hemel is de werkgever verantwoordelijk voor het kwaad, dat hij door minder gedachteloosheid of onverschilligheid had kunnen voorkomen.

Het is dikwijls de roeping van Gods kinderen een zondaar te vermanen, die zich verbeeldt in zijn hoogen rang een vrijbrief te hebben voor de ongerechtigheid,

ocr page 148

naboth's wijngaard.

en tot deze taak is veel geloofsmoed noodig; het schijnt toch wel dikwerf, alsof de zonde der grooten voorspoedig is in de wereld. Een Xaboth wordt weerloos ter dood gebracht, de aarde drinkt zijn onschuldig bloed; de wijngaard komt in 't bezit van den geweldenaar, maar daar is Eén, die dit alles ziet en zeer zekerlijk Zijne gunstge-nooten zal wreken. »Zou Ik gisteren niet gezien hebben het bloed van Naboth en het bloed zijner zonen,quot; spreekt de Heer, »en Ik u dat niet vergelden op dit stuk lands ?quot; De wrake mag vertoeven, want Gods molensteen maalt langzaam, maar komen zal zij, zoo waarlijk als God God is!

Intusschen staat in Naboth's wijngaard Elia de Profeet, en in des misdadigers hart staat het getuigenis zijner schuld geschreven. Maar Elia werd gehaat met een doodelijken haat, terwille van de waarheid, waarvan hij getuigenis aflegde. »En Achab zeide tot Elia: Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand?quot; Elia was echter, ofschoon de koning het niet erkende, zijn beste vriend, gelijk Isébel zijne gevaarlijkste vijandin. De zonde verdraait echter alle dingen. Zij is gelijk aan do grijze schemering, die de meest bekende voorwerpen zóó omnevelt, dat men daarin vrienden voor vijanden en vijanden voor vrienden aanziet.

Een christen die, aan zijne roeping getrouw, de zonde bestraft en den zondaar vermaant en waarschuwt, wordt gehaat, bespot, vermeden en als een vijand beschouwt. De Bijbel wordt door zoovelen gemeden, omdat hij zoo onomwonden, zoo op den man af de zonde op de kaak stelt met hare gevolgen. God zelf wordt daarin met weerzin ontmoet. Hoe kan het ook anders? Hoezeer hebben de

ocr page 149

NABOTH'S WIJ.VGAARn. 130

Egx ptcnarcn de gezegende wolk- en \ uurkolom gehaat, die een scheidsmuur was tusschen lien cn hunne prooi. De Filistijnen zonden de ark des Verbonds sidderende van zich.

Laat het ons dan niet verwonderen, als wij den haat en de verachting van het ongeloof ondervinden. Laat ons veeleer dankbaar zijn, als de menschen ons haten, niet om onzes zelfs wil, maar om der waarheid wil, die wij spreken. Wanneer men kwaad van ons spreekt omdat wij den christennaam belijden, is dit eene aanwijzing, dat onze invloed lijnrecht in strijd is met den hoofdtoon der richting van hun leven. Een wijsgeer zeide eens: »Wat kwaad heb ik toch gedaan, dat al de slechte menschen goed van mij spreken.quot; En de Heiland zegt: »Zalig zijt gij als u de menschen smaden en vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijnentwil. Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzoo hebben zij vervolgd de profeten die vóór u geweest zijn.quot; Alleenlijk — aan ons de dure roeping, de heilige verantwoordelijkheid, om te schijnen als lichten in de wereld, om te zijn het zout der aarde, opdat, wat de wereld, wat de zonde en het ongeloof ooit mogen smaden aan of in ons, nimmer om onzentwil de naam des Heeren moge gesmaad worden!

Elia was een waar, een ernstig, een waardig profeet des Heeren. Daarom werd ook het oordeel dat hij aankondigde geheel vervuld! Drie jaren werd het uitgesteld wegens het tijdelijk berouw van Achab, maar toen hij daarna weder in de oude wegen verviel, toen viel tittel noch jota ter aarde van het aangekondigde vonnis. Hij werd gewond door een pijl die »een man afschoot in

ocr page 150

xaboth's wijngaard.

zijne eenvoudigheidquot; te Ramoth in Gilead, »en liet bloed zijner wonde vloeide in den bak van zijn wagen, en toen zij ^derywagen spoelden in den vijver van Samaria, lekten de nSnden zijn bloed.quot;

Twintig jaren later, toen Jehu naar buiten zond om naar het lijk van Isébel te zien, zoo vonden zij niets van haar om haar te begraven; niets dan haar bekkeneel en de voeten en de palmen der handen ontkwamen aan de honden, die naar het Woord des Hoeren haar vleesch aten, op het stuk lands van Jisreël. Het lichaam van Joram, hunnen zoon, werd onbegraven op denzelfden akker geworpen, en in later dagen werden aldaar de legerscharen van Israël herhaaldelijk verslagen en drenkten er den bodem met hun bloed. God is getrouw, niet alleen aan Zijne beloften, maar ook aan Zijne oordeelen.

Ieder woord door Elia gesproken ging in letterlijke vervulling; Jehova zette het zegel op de woorden van Zijn dienstknecht. De jaren die volgden rechtvaardigden hem volkomen, en bij het einde van dit treurig tijdperk van zijn leven, merken wij met blijdschap op, hoe hij hersteld was in de gunst zijns Gods en door Hem op nieuw getrouw was bevonden.

140

ocr page 151

HOOFDSTUK XV.

KOG EENMAAL DE OCDE MOED.

JPSTjSJSS ni einde de treffende gebeurtenis, waartoe wij genaderd zijn, goed te verstaan, moeten —' wij ons los maken van de bedeeling waaronder wij leven, de bedeeling van genade en ontferming, en moeten wij ons verplaatsen in de eeuw, die aan Golgotha's zoenoffer voorafging. Wij moeten toch een open oog hebben voor de verschillende tijdperken der genadebedee-lingen Gods. Wij moeten vroeger eeuwen niet beoordeelen naar den standaard van liefde en vergevensgezindheid, die wij leerden kennen in het leven en sterven van Jezus Christus, de laatste en hoogste openbaring Gods. Evenmin moeten wij in onze eeuw stelsels en daden willen invoeren, die weleer noodzakelijk waren, omdat zij passende waren aan den geest dier tijden.

De Heer heeft deze les op het nadrukkelijkst aan Zijne jongeren willen inprenten. Afdalende van den berg der

ocr page 152

NOG EEN-MAAL DE OUDE MOED.

142

verheerlijking, was Hij op weg naar Zijn kruis. Om eene of andere reden, nam Hij niet don gewonen weg langs den Oostelijken Jordaanoever, maar verkoos Hij den kortoren weg door Samaria. Op die reis waren zij waarschijnlijk tot dicht bij de plaats genaderd, waarover wij zoo aanstonds zullen spreken, en die eerlang zwart geblakerd cn verschroeid werd door den bliksem, die Ahazia's boden trof. Onder den bergweg dien zij gingen, in het dal, lag een dorp, waarheen zij eenigen uitzonden om een nachtverblijf te vragen, toen de avondschaduwen begonnen te vallen. Godsdienstig bijgeloof overstemde echter het natuurlijk menschelijk gevoel, en het verzoek werd onvoorwaardelijk geweigerd. Hadden zij slechts geweten dat Hij op weg was om het rantsoen voor geheel de wereld te betalen en eene godsdienst te brengen op aarde, waarin geen Samaritaan of Jood zoude zijn, maar Hij alles in allen — wellicht, neen zeker, zouden zij Hem welkom hebben geheeten en gastvrijheid aangeboden, zelfs met de wetenschap dat die wereldverlossende gebeurtenis in het gehate en bevrijde Jeruzalem zou plaats grijpen. Toen nu Zijne discipelen. Jacobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: »Heere! wilt Gij dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale en dezen verslinde, gelijk ook Elia gedaan heeft ?quot; Maar zich omkeerende, bestrafte Hij hen en zeide: »Gij weet niet, van hoedanigen geest gij zijt.quot; Het was alsof Hij zeggen wilde: Bedenk dat Ik een nieuw tijdperk ontsluit; het Koninkrijk der hemelen zal van nu aan door andere wetten regeerd worden, dan die, welke gij kent. Ik zal Wet noch Profeten ontbinden, maar Ik zal ze vervullen op eene andere, eene

ocr page 153

NOG EEX.MAAI. UE OUDE JIOED.

goddelijke wijze. Het rijk der genade is reeds begonnen.

Houden wij dan dit onderscheid van bedeeling recht duidelijk voor den geest. Deze bedeeling is in den geest des Zoons, die in den schoot des Vaders was; gindsche bedeeling was in den geest van den dienaar, die met vurigen ijver vervuld was voor de eere Gods. Deze straalt van den gloed des Heiligen Geestes; gindsche van liet verslindende vuur der verwoesting. De sleutel tot deze bedeeling is de verlossing, tot gindsche de openbaring der rechtvaardigheid. Het Oude Testament is vol treffende lessen omtrent Gods heiligheid en gerechtigheid. Nochthans was God, onze Vader, toen even lankmoedig en geduldig als nu: op vele plaatsen zien wij dan ook de sporen van Zijn liefdevol hart, en die sporen werden talrijker, naarmate de eeuw der vleeschwording van het Eeuwige Woord meer nabij kwam. De mensch kan echter niet de vele gedachten en openbaringen Gods tegelijk in zich opnemen. Regel moet op regel, gebod op gebod volgen, eer de mensch-heid vatbaar is voor hooger openbaring. Iedere eeuw heeft aldus eene bepaalde waarheid te leeren, die door bizondere getuigenissen en openbaringen op den voorgrond treedt. De eeuw der Mozaische wet, die haren schepter ook nog over den tijd van Elia zwaaide, was bij uitnemendheid de eeuw, waarin Gods heiligheid, gerechtigheid en gestreng oordeel over de zonde in indruk-wekkenden ernst naar voren trad. Eerst toen deze lessen ten volle geleerd waren, was de menschheid vatbaar om de liefde Gods te verstaan, die geopenbaard is in Jezus Christus onzen Heer.

Vele geleerden onzer dagen, — die onbewust hunne

143

ocr page 154

144

begrippen van oneindige liefde hebben overgenomen van het Evangelie, dat zij voorgeven niet te behoeven — ver-oordeelen het O. Testament wegens zijne gestrenge woorden en oordeelen, en zij wijzen dan onderscheiden gevallen aan, die onbestaanbaar zijn met den milden geest onzes tijds. Deze handelwijze is evenwel zeer oppervlakkig. Inderdaad is er voor den denkenden mensch niets vreemds in, dat het wezen Gods slechts langzaam en trapsgewijs zich aan de menschheid heeft kunnen openbaren. De heilige mannen van den ouden dag hadden nimmer de zachte stem van den Zoon des menschen gehoord, die Hij in Zijne bergrede deed hooren; zij hadden echter eene zeer besliste en zeer ware opvatting van Gods rechtvaardigheid en heiligheid en Zijn toornen over de zonde. Deze opvatting bezielde menigen Psalmtoon en spoorde ook Gods kinderen aan tot daden, waarvoor onze zachter gestemde natuur terugdeinst. Anders zoude Jozua nimmer de Kanaiinieten hebben uitgeroeid, of Samuël Agag in stukken gehouwen, of Elia de Baaispriesters geslacht en vuur vai^ den hemel ingeroepen hebben om de hoofdmannen met hunne soldaten te vernietigen.

Deze dingen hebben nog eene andere bedoeling dan een onnadenkend, wellicht overgevoelig terugdeinzen bij ons op te wekken. Wij zullen namelijk wèl doen met ons zeiven af te vragen, of daar bij ons — afgezien van den strengen vorm dier dagen — dezelfde haat tegen de zonde, dezelfde ijver voor de eer Gods, hetzelfde jagen naar gerechtigheid is, als in die dagen van krachtig en beslist partij kiezen in het hart der geloovigen leefde.

ocr page 155

NOG EENMAAL DE OUDE .MOED. 145

Deze voorafgaande beschouwingen zullen ons helpen 0111 de volgende geschiedenis te verstaan en zullen Elia in onze oogen vrijwaren voor de beschuldiging van wraakneming en hartstocht, zoodat wij zonder tegenzin de herleving van zijn ouden moed en zijne heldhaftige houding kunnen gadeslaan.

Zie hier de geschiedenis: Ahazia, de zoon van Achab, was de erfgenaam van zijns vaders troon en zijns vaders zonde. In lafhartige vrees ontweek hij de ontberingen van het legerkamp en de gevaren van het slagveld; hij liet Moab voortgaan in zijn opstand zonder eenige poging te doen tot onderwerping van dat trotsche volk en leidde een traag en vadsig leven in zijn paleis te Samaria. De engel des doods weet ons echter even goed te vinden waar wij in schijnbare veiligheid vertoeven, als te midden van dreigend gevaar. Hij leunde eens op het getralied hekwerk, dat het platte dak van zijn paleis omgaf, toen dit plotseling afbrak en hij voorover naar beneden stortte. Tijdens het lang uitblijven van de genezing, werd de Koning aangegrepen door een koortsachtig verlangen om te weten of hij van deze krankheid herstellen zoude, en in een vreemde gril zond hij boden naar een der oude altaren, gewijd aan Baiil-Zebub te Ekron, om de uitspraak der afgodische priesters te vernemen. Deze daad was eene besliste verwerping van [ehova; een vermetel terugkeeren tot den weg, die den toorn Gods over zijns vaders huis had gebracht; zij mocht niet onopgemerkt blijven. Elia werd dus uitgezonden om 's Konings boden tegemoet te gaan, terwijl zij zich voortspoedden over de vlakke velden van Esdraëlon,

10

ocr page 156

I46 NOG EENMAAL DE OL'DH MOED.

ten einde hun des Konings dood aldus aan te kondigen: Alzoo spreekt de Heer: gij zult niet afkomen van dat bed, waarop gij geklommen zijt, maar gij zult den dood stervenquot;.

De boden kenden den vreemdeling niet. Wellicht waren zij Sidoniërs, die zich nooit veel hadden ingelaten met het volksleven en daarom onbekend waren met den grooten Godsman. Waarschijnlijk ook waren er jaren verloopen sinds Elia's laatst openbaar optreden. Nochthans kregen zij zulk een indruk van die machtige persoonlijkheid en dien toon van gezag, en waren zoo verslagen door het ontzettend antwoord, dat zij besloten terstond weder te keeren tot den Koning. Zij vonden hem in zijne opperzaal op een rustbed met kussens ondersteund liggende, en deelden hem de reden van hun spoedigen terugkeer mede. Ahazia moet begrepen hebben wie de man was, die hun in den weg had durven treden en hem, den Koning, zulk eene boodschap durfde zenden. Om echter zeker van zijne zaak te zijn deed hij hen van den geheimzinnigen vreemdeling eene beschrijving geven. Hun antwoord luidde: »Hij was een man met een harig kleed en een lederen gordel om zijne lenden.quot; Dit was voldoende; de Koning herkende hem terstond aan deze beschrijving en zeide: Het is Elia, de Thisbiet.quot;

Twee tegenstrijdige aandoeningen vervulden nu zijn hart. Hij wenschte in zijne radeloosheid Elia in zijne macht te krijgen om zijne woede aan hem te koelen, maar tevens koesterde hij de geheime hoop, dat de mond die zijn doodvonnis had aangekondigd, mocht bewogen worden om het te herroepen. Hij besluit hem gevangen te doen nemen

ocr page 157

SOC, EENMAAL DE OUDE .MOED.

en zendt te dien einde een Hoofdman van vijftig met zijne vijftigen, en nadat zij door vuur gedood waren andermaal een Hoofdman met zijne bende. Deze mannen gingen hunne opdracht te buiten; in plaats van eenvoudige werktuigen te zijn van den vorstelijken wil, spraken zij met onverantwoordelijke onbeschaamdheid: »Gij man Gods, de Koning zegt: kom af.quot; Een van beiden: zij geloofden niet dat hij een Profeet was, of zij schepten er vermaak in de macht huns meesters boven die van Jehova te stellen. In beide gevallen was de beleediging minder tegen Elia dan tegen Elia's God gericht.

Er was dan ook niets van persoonlijke wraakneming in het ontzachelijk antwoord van den ouden Profeet. Ik kan niet gelooven dat hij één oogenblik dacht aan de hem aangedane beleediging; veeleer meen ik dat hij verteerd werd van ijver voor de eere Gods, die zoo ruw onder den voet getreden werd en die hij moest handhaven in Israël. Daar klinkt het plechtig ernstig uit den Profetenmond: »lndien ik dan een man Gods ben, zoo dale vuur van den hemel en vertere u en uwe vijftigen.quot; Aanstonds daalde vuur van den hemel en verdelgde de goddelooze spotters.

Dat er geen persoonlijke wraakzucht was in Elia's gemoed, blijkt uit zijne bereidwilligheid om met den derden Hoofdman mede te gaan, toen deze eerbiedig en ootmoedig tot hem sprak en de Engel des Heeren hem beval: »Ga af met hem, vrees niet voor zijn aangezicht. En hij stond op en ging met hem af tot den Koning.quot;

Brengen wij hier een oogenblik onze gedachten over op onzen gezegenden Heiland. Welk eene tegenstelling

147

ocr page 158

NOG EENMAAL DE OUDE MOED.

148

tegen den geest van Elia in Zijn zachtmoedig, liefdevol optreden! Hoe wonderbaar is het in onze oogen, dat Hij, die met een enkel woord Zijner almacht vuur van den hemel had kunnen doen dalen om de bende te vernietigen, die Hem in Gethsemane kwam grijpen, dat woord niet gesproken heeft. Hij wierp hen voor een oogen-blik ter aarde, om hun te toonen hoe geheel zij in Zijne macht waren, maar Hij deerde niet één haar huns hoofds. Dit was een tooneel, zoo aanbiddelijk, dat de legioenen engelen, die aan den ingang van 's hemels zalen wachtten op één wenk van Zijn wil om Hem te hulp te komen, het in sprakelooze verbazing moeten hebben gadegeslagen. De verklaring van 's Heilands gedrag is hierin te vinden dat de Zoon des Vaders zich door eene hoogere wet liet beheerschen, t. w. de wet van Zijns Vaders wil, de wet der zelfverloochende liefde, de wet des verbonds, dat in Gods raad gesloten was vóór de grondlegging der wereld! Het eenige vuur dat Hij begeerde, was het vuur des Heiligen Geestes. »Ik ben gekomen om een vuur op aarde to brengen, en wat wil Ik indien het aireede ontstoken is?quot; Hij trachtte niet zichzelven te wreken nf dc majesteit van Zijn wezen openbaar te maken. »Hij hee.-t het tegenspreken der zondaren tegen Zich verdragen.quot; »Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijns scheerders, alzoo deed Hij Zijn mond niet open. Toen Hij gescholden werd, schold Hij niet weder, toen Hij leed dreigde Hij niet, maar gaf het over Dien Die rechtvaardig oordeelt.quot; O onvergelijkelijke zachtmoedigheid; wonderbare zelfbe-heersching! Mogen wij maar genade ontvangen om als

ocr page 159

NOG EENMAAL DE OUDE MOED.

onwaardige volgelingen Zijne voetstappen te drukken, en Zijn Geest in ons te laten doordringen, niet roepende om het vuur der wrake, maar trachtende naar de behoudenis van hen die ons kwaad deden; niet een verdervend vuur des hemels, maar die vurige kolen op het hoofd 1 mzer tegenstanders brengende, die eenmaal ontbranden zullen in zachtmoedigheid, zachtheid en liefde.

Zien wij in deze geschiedenis nog eene ernstige zaak niet voorbij: wij leeren hier hoe God de zonden der Godslastering en van den moedwilligen spot niet vergeven kan. In onze dagen, vol valsche begrippen over onbekrompen liefde en over Gods vergevensgezindheid, verlagen velen in hunne opvatting zonde en kwaad al meer en meer tot iets zeer gerings en onbeduidends, dat wel niet zoo erg toegerekend zal worden. Nu is het volkomen waar dat God oneindige liefdesmart heeft over de steeds verder afdwalende zondaars; »Hij wil niet dat iemand verloren ga, maar dat allen tot be-keering komen.quot; Gelijk daar in den donkersten schuilhoek van het diepste woud geen muschje is, welks stervenszucht niet door den Almachtige met medegevoel wordt gadegeslagen, zoo is er geen enkel verstooteling der menschheid uitgesloten van Zijne alles omvattende barmhartigheid. De opzoekende goddelijke liefde Slaat met namelooze smart iedere uitbarsting van zonde, iederen verloren zondaar of zondares, iedere omgeving van godslasterlijke uitspatting, ieder moordhol der ongerechtigheid, iederen verdoolde die voortholt op den weg des eeuwigen verderfs, gade, immers: »Alzoo lief had God de wereldquot;

Toch staat naast deze liefde voor den zondaar, de

149

ocr page 160

I50 NOG EENMAAL DE OUDE MOED.

haat tegen de zonde. Zijne lankmoedigheid duurt slechts zóólang als daar eene ht)op is des berouws en der weder-keering van den zondaar. Gods toorn tegen degenen die met beslistheid de zonde dienen, willens en wetens zich van Hem afkeeren en alzoo de trekkingen van den Heiligen Geest wederstaan, sluimert slechts, maar is niet uitgebluscht. De tijd der lankmoedigheid en der genade zal eens eindigen, evenals in de dagen van Noach. Eens zal het vuur der wrake onzes Gods ontstoken worden, over allen die tegen beter weten in Zijn heiligen naam gelasterd, en met bitteren spot zich hebben afgewend van den God huns levens. Het hemelvuur, dat de onbeschaamde krijgslieden aan Karmels voet vernietigde, is slechts een flauw zinnebeeld van dat vuur der wrake. Eens zal het openbaar worden, hoe ontzettend het is den toorn des Lams te ondervinden, ten dage als Jezus Christus wederkomen zal op de wolken des hemels.

Het is gansch niet overbodig, de keerzijde van het Evangelie der genade luide uit te spreken. Immers daar is bij de kinderen van dit geslacht een onrustbarend gemis aan zondebesef. De groote massa is 1 )nver-schillig voor de prediking der genade, omdat het gevoel van zonde en de vrees voor Gods heiligen toorn tegen de zonde niet in hen is opgewekt. W ij hebben zeer dringend van noode dat andermaal zulken onder ons opstaan, die in de kracht van Elia de prediking van Johannes den Dooper doen hooren. Daar wordt zooveel gesproken, geroepen, geschreven over den nood der tijden, en wel ons, als wij »de teekenen der tijden7' leeren verstaan, die allen heenwij zen naar de toekomst des Heeren, maar de

ocr page 161

NOG EENMAAL DE OUDE HOED.

diepste, de dringendste nood der maatschappij en der menschheid wordt maar al te weinig gevoeld, namelijk overtuiging van zonde, die alleen uitdrijven kan tot God!

Slaan wij nog eenmaal een blik op Elia. In vroeger dagen was eene boodschap van Isébel voldoende om hem te doen vluchten. Thans echter hield hij stand, ofschoon een legerbende aanstormde om hem gevangen te nemen; thans hooren wij den psalmtoon in zijn bestaan: »Ofschoon een leger mij omsingelde, ik zal niet vreezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zoo vertrouw lie hierop.quot;

Toen de engel des Heeren hem gebood met den derden hoofdman mede te gaan. toen aarzelde hij niet, ofschoon hij door de volkrijke straten der hoofdstad tot in het huis zijner vijanden gaan moest. Vraagt gij naar het geheim der kracht, die hem zoo kalm en onvervaard deed staan naast de legerstede van den stervenden vorst, wiens doodvonnis hij bevestigde, om daarna ongedeerd te vertrekken? Het antwoord is niet ver te zoeken. Hij stond weer voor het aangezicht van den God zijns levens, voor Jehova den Almachtige! Zijn geloof was nu weder een levend, een werkzaam geloof, hij was weder geharnast met de wapenrusting Gods en daardoor onkwetsbaar voor de pijlen van zijnen vijand. De stemming zijner ziel moet dan ook eensluidend van toon geweest zijn met die van den Psalmdichter, terwijl hij den weg van levensgevaar betrad: »Met U loop ik door een bende en met mijn God spring ik over een muur; Gods weg is volmaakt. Hij is een toevlucht allen, die op Hem betrouwen.quot;

Is het niet heerlijk het opwaken te zien van den

ocr page 162

NOG EENMAAL DE OUDE MOED.

i52

ouden geloofsmoed van Krith, Zarfath en Karmel? De grijsaard, die zijn eindpaal naderde, was thans weder even sterk als in de dagen, toen hij voor 't eerst aan Achab's hof verscheen. Hij bracht nog vruchten voort in zijn hoogen ouderdom, en bevestigde in letterlijken zin het woord, m later dagen door Jesaja gesproken: ;:De jongen zullen moede en mat worden; de jongelingen zullen gewissehjk vallen, maar die den Heer verwachten zullen de kracht vernieuwen!quot;

ocr page 163

HOOFDSTUK XVI.

DE AVONDZANG.

jT^CSfa een stormachtig en veelbewogen verleden, was lt;le av0lu' van Elia's leven \ reedzaam en helder, raTyjn! aiSof de hemelsfeer, die hij zoude binnengaan, reeds haren invloed op hem deed gevoelen. Hij heeft waarschijnlijk geen zeer hoogen leeftijd bereikt; naar alle waarschijnlijkheid vertoonde hij nog geen zweem van lichamelijk verval. Zijn oog was nog niet verdonkerd en zijne natuurlijke kracht niet vergaan; meer uit het krachtig werkzaam leven, dat achter hem lag, dan uit de gebreken des ouderdoms kon men zijn meer gevorderden leeftijd opmaken. Evenwel kunnen wij gerustelijk besluiten, dat hij de middaghoogte zijns levens reeds overschreden had, toen hij zich begon voor te bereiden voor de laatste groote reis, en in die laatste levensperiode zal hij voorzeker zijnen God gedankt hebben, voor de betrekkelijke rust, die hij genoot na zijne stormachtige loop-

ocr page 164

DE AVONDZANG.

baan; eene rust, die rijke vruchten afwierp voor het vaderland dat hij liefhad, liefhad in God!

Die laatste levensjaren toch waren, door de werkzaamheid van den man Gods, van onschatbaren zegen en van onberekenbare gevolgen voor vele honderden jeugdige zonen Israels en daardoor voor het godsdienstig volksbestaan.

Elia's leven is terecht het leven van een Eenling genoemd ! Deze eenige man was zooals Eliza bij zijn heengaan uitriep: gt;:De wagen Israels en zijne ruiteren. Hij vormde zijne eeuw! Hoog uitstekend boven al zijne tijd-genooten, brak hij zich baan door de gelederen van mindere geesten heen en wederstond alleen de aanvallen van de machten der duisternis, zooals een rots in het midden der onstuimige wateren de hevigste branding trotseert. Alleen worstelde hij met eene bovenmenschelijke kracht tegen den stroom van afgoderij en zondedienst die zijn land had overweldigd, en zijne reuzenfiguur toont ons wat een eenig mensch in de kracht Gods en met een geloof dat bergen verzet vermag. — Toch, hoezeer zijn ijver voor de eere Gods ook gezegend werd, moet hij de wenschelijkheid hebben ingezien om aan zijn werk meer vastheid en duur te geven en het volk met den invloed van vrome geloofsmannen te doortrekken. En zoo gebruikte hij nu zijne laatste levensjaren onder de goddelijke leiding, die hem ook nu niet alleen liet, om eene inrichting te doen herleven, die als een overblijfsel uit de oudheid nog bekend was onder den naam van Profetenscholen.

Wanneer de benaming «Profeetquot; in de Schrift voorkomt, dan hebben velen dikwerf daaromtrent zeer verwarde

154

ocr page 165

DE AVONDZANG. I55

en unzckcre denkbeelden; meestal denkt men slechts aan een man, die de toekomst kan voorspellen, terwijl dit toch maar in zeker opzicht uitdrukt wat de roeping en het ambt eens Profeten omvat. Het oorspronkelijke woord beteekent »overkooken, overloopen,quot; aldus was een Profeet iemand, wiens hart overvol was van goddelijke Geestes-mededeeling, die binnen in hem worstelde om zich te kunnen uiten. Hij was de goddelijke zegsman; »God sprak door de Profeten.7' ;:De heilige mannen Gods spraken, door den Heiligen Geest gedreven.quot; De Profetenscholen waren dus kweekscholen, waar een aantal jonge mannen vergaderden, om met een geopend hart Gods mededeelingen op te vangen en den volke te verkondigen.

De ernstige reiziger, die de gewijde plaatsen in het Heilige Land bezoekt, staat met heiligen eerbied stil bij de ruïnen van Bethel, Gilgal en Jericho, waar Elia in zijne laatste levensjaren de keur bijeenverzamelde van de zevenduizend getrouwen, die geen knie voor Baal hadden gebogen, en hen leidde in het spoor, waarin hij zijne geestelijke kracht en zijn heldenvuur was deelachtig geworden. Deze scholen waren de zendingsposten van (.lien tijd; de bewaarplaatsen van heilige waarheid en wetenschap, en niet onwaarschijnlijk is het dat in haar midden een Jesaia, een Ezechiel, een Hosea hunne eerste machtige indrukken hebben ontvangen die sedert weerklank hebben gevonden bij de menschheid aller eeuwen.

Deze jonge mannen werden in verschillende steden bij getalen van vijftig gevormd en geleid. Zij werden »zonenquot; genaamd, en hun opperhoofd droeg den naam van

ocr page 166

i r6 de avondzang.

vader,quot; evenals dit later in de kloosters geschiedde. Op hoogst eenvoudige wijze gekleed, woonden zij meest in loofhutten en hielden hunne maaltijden gemeenschappelijk. Zij waren doorkneed in de kennis der heilige boekrollen, die zij waarschijnlijk afschreven ter verspreiding onder het volk; dikwijls ook werden zij uitgezonden als vol-voerders van den goddelijken wil, — om een koning te zalven, een hooggeplaatsten misdadiger te vermanen, of de partij te nemen van de verdrukte en beleedigde onschuld. — Voorzeker, wij gevoelen het, het was geen geringe taak die Elia op zich nam, om zulk een hechten, duurzamen grondslag aan deze scholen te verzekeren, dat zijn invloed daar bleef voortbestaan na zijn heengaan, en de geestesvlam, die hij ontstoken had, niet werd uitgedoofd.

Aan de jonge gemoederen, die op deze scholen onder zijne leiding en zijn invloed stonden, hing dan ook het hart van den ouden dienaar des Heeren, en hij gevoelde een onwederstaanbaren drang hen nog eens te zien, al was hij ook vast besloten niets te zeggen van zijn •naderend heengaan, en van de buitengewone eer, cie hem reeds zoo spoedig te wachten stond. Daarin zien wij de nederigheid der ware grootheid! Hij voorzag wel dat hem een uitvaart te wachten stond, die in de geschiedenis zijns volks nog maar eenmaal haat gelijke had gehad; toch was hij daarover zóó terughoudend dat, indien hij zijn eigen weg was gegaan, geen sterfelijk oog haar zou hebben aanschouwd. Eene minder groote natuur had zich het geheim zijner verwachting zeker hier of daar laten ontvallen en zoude er ongetwijfeld in geslaagd

ocr page 167

DE AVONDZANG. 157

zijn de heuvelen van de Jordaan met eene begeerig uitziende schare te bevolken. Elia echter bewaarde het geheim in zijn hart en trachtte Eliza te bewegen hem geen stap verder te begeleiden. «Blijf toch hierlquot; zoo klonk het telkenmale van zijne lippen. Wellicht vreesde dit Godgetrouwe hart, dat nu of later aan zijne gedachtenis eene eer zou worden bewezen, die alleen aan God toekwam.

Welk een zwijgend verwijt is deze laatste tocht op aarde van den man Gods voor ons! Zijne duidelijke begeerte om alleen te sterven, beschaamt ieder onzer, die zichzelf leerde onderzoeken, wanneer wij bedenken hoe gaarne wij de menschen willen doen hooren wat wij voor dun Heer doen. Daar is geen enkel talent, waarmede Hij ons heeft toegerust, dat wij niet te eeniger tijd omzetten in eene oorzaak van zelfverheerlijking. Is het dan wonder dat onze hemelsche Vader ons zoo zelden een in 'toog vallenden zegen op onzen arbeid kan geven ? Wanneer zullen wij toch eens vrij worden van ons eigen ik ? Het ware te wenschen dat wij zoo voortdurend leerden leven in het aanschouwen van de zon, dat wij de donkere schaduw van ons zeiven niet meer konden zien. Alleen de Heilige Geest kan ons vrij maken van de wet der zimde en des doods, die binnen in ons naar de heerschappij streeft. Begeeren wij maar voortdurend van God, dat die Geest Zijn werk in ons volbrenge, en in ons iets werke van den ootmoed diens mans, die bereid was zich-zelven uit te wisschen, opdat men alleen aan zijn giul-dclijken Meester en Heer zoude denken.

Niet minder dan zijn ootmoed, treft ons de kalme

ocr page 168

1^8 DE AVOXULANG.

Lreestesstemming, waarin de Profeet blijkbaar in de laatste levensdagen verkeerde. Hij wist het, eer ettelijke zonnen zouden ondergegaan zijn, zoude voor hem het licht der eeuwigheid zijn opgegaan 5 zouden al de geheimenissen, die hier zijn werkzamen geest hadden bezig gehouden, zijn ontraadseld ; zoude hij het aangezicht Gods zien! Wij konden dus verwachten dat hij de laatste levensuren in eenzame gebedsoefening zou doorbrengen, maar in plaats daarvan bracht hij de laatste dagen, evenals zoovele vroegere levensdagen, door met het bezoeken van de scholen der profeten, en in rustig gesprek met zijn vriend en opvolger, totdat de hemelwagen hem opnam. — Hier leeren wij deze les, dat het leven van den christen zóó moet zijn ingericht, dat hij geene bizon-dere voorbereiding noodig heeft als de dood hem onverwachts komt oproepen, en dat wij niet beter de wisseling der eeuwen en de wentelingen der wereld kunnen afwachten en tegemoet gaan, dan doende wat onze hand vindt om te doen en werkende het werk, dat de Heer ons op de schouders legt.

Vragen wij dus onszelven toch eens ernstig af; wanneer in de derde of de vierde of de elfde ure, maar altijd onverwacht, tot ons de roepstem des Heeren komt, zullen wij dan niet begeeren op onzen post gevonden te worden, en zullen wij daarom niet wenschen in het eenvoudige spoor der waarheid gehouden te worden, liever dan in den weg eener valsche, ingebeelde, kranke, godsdienstige opwinding te loopen, die, in de goddelijke weegschaal gewogen, onfeilbaar te licht wordt bevonden.

Wij zien verder aan Eliza zoowel als aan de jonge

ocr page 169

DE AVONDZANG.

profetenzonen met welk een eerbiedige liefde de Profeet geëerd werd. De jonge volgeling stond met zijn vaderlijken leidsman voor de laatste maal op de hoogte van Gilgal, en ondanks de vermaning van den oudere, daalde hij met hem den steilen bergtop af, die naar Bethel en Jericho voerde; zelfs volgde hij hem op zijn weg naar de Jordaan. De gewijde geschiedschrijver legt dan ook den nadruk op de kracht der liefde die deze twee verbond, waar hij tot driemaal toe herhaalt; »ZiJ beiden gingen heen; zij beiden stonden aan de Jordaan; zij beiden gingen daar over,quot; en niet minder openbaart zich de kracht dier liefde, die zelfs de dood niet konde uitwisschen, in de herhaalde verzekering van Eliza: »Zoo waarachtig als de Heer leeft en uwe ziel leeft, ik zal u niet verlaten.quot;

Het is eene liefelijke gedachte dat er in de krachtige rotsnatuur van Elia zulke aantrekkelijke hoedanigheden waren, die eene zoo diep gewortelde en zoo volhardende liefde konden opwekken. Hiermede wordt ons een blik gegund in eene teedere zijde van zijn wezen, die wij tenauwernood bij hem zouden hebben gezocht.

Natuurlijk, van de jeugdige profetenzonen maakte zich eene groote ontroering meester, toen zij hun geliefden en geëerbiedigden leermeester en leidsman voor de laatste maal aanschouwden. Met bescheiden terughouding wilden zij met hem niet spreken over een onderwerp, dat hij zelf niet aanroerde; maar, Eliza terzijde nemende, vroegen zij hem of het uur der scheiding niet nabij was. 'gt;Ja,quot; zeide deze, «inderdaad het is zoo, maar spreekt er niet over; laat er geen afscheidstooneel plaats vinden, zegt hem zwijgend vaarwel.quot; Aldus rukte de oude man zich van hen los.

1-59

ocr page 170

DE AVONDZANG.

Hue wezenlijk was de Heer nabij en in het midden van al deze menschen, ondanks de schaarste van woorden en uitboezemingen! Voor Elia was het in werkelijkheid de Heer, die hem van stad tot stad zond: :De Heer heeft mij gezonden.quot; Voor Eliza was het de levende Heer, dien hij voortdurend aanriep: »Zoo waarachtig als de Heere leeft!quot; en die Heer leefde dan ook waarlijk voor hem aan dien anderen oever in het land der heerlijkheid, waarheen zijn meester stond te vertrekken. Voor de profeten was het wederom de Heer, die hun hoofd- cn leidsman van hen zoude wegnemen.

Laat dit alles voor ons maar niet zonder beteekenis zijn! Of gevoelen wij het niet, dat zij, die zóó spreken kunnen, een hoogtepunt hebben bereikt, waarop zij den dood zonder vreeze iu het aangezicht kunnen zien? Want hun dood, wat is hij anders — wij zullen het in het volgend hoofdstuk zien — dan een overgang ten leven !

Mijn lezer, wat is de Heer voor u? Is Hij een dierbaar en zeer gewenscht vriend, van wien gij ten allen tijde met onwankelbaar vertrouwen kunt spreken? Vrees dan niet om de donkere doodsvallei te betreden. Maar indien niet, zoo haast u, wat ik u bidden mag, om uwe kleederen gewasschen te hebben in het bloed des Lams, opdat de Boom des Levens niet te vergeefs voor u moge bloeien cn de poort der hemelstad ook voor u eens geopend moge zijn.

ocr page 171

HOOFDSTUK XVII.

DE OVERGANG TEX LEVEN.

fij zijn thans genaderd tot eene der verhevenste ge-1 beurtenissen uit de Oud-Testamentische geschie-itMifiWFyj (jen;s, Hoe gaarne zouden wij haar tot in de kleinste bizonderheid beschreven zien; maar de geschiedschrijver heeft ons met de grootste soberheid niets dan de feiten medegedeeld. Slechts een paar krachtige, breede lijnen, meer wordt ons niet gegeven.

De afstand zoowel als een breede heuvelenrij waren voldoende, om de zich verwijderende gestalten der profeten aan den verlangenden blik te onttrekken van de jongelingen van Jericho; terwijl de verblindende openbaring van heniel-sche heerlijkheid het den eenigen aanwezigen toeschouwer onmogelijk maakte zeer nauwkeurig waar te nemen. Geen wonder dus dat het verhaal ons in een paar korte volzinnen wordt medegedeeld I 'gt;En het gebeurde als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zi 10 was er een vurige wagen

11

ocr page 172

\(jl

met vurige paarden, die tusschen hen beiden scheiding maakte. Alzoo voer Elia met een onweder ten hemel!quot;

Toch was daar iets gebeurd, dat, als voorbode van het aanstaande hemelsch tooneel, door nog andere oogen dan die van den eenzamen metgezel, die Elia zoo trouw ter zijde bleef, kon worden waargenomen. De beide godsgezanten hielden een oogenblik stil bij de breede wateren van de Jordaan, die hun het voortgaan dreigde te beletten. Toen werd Elia nog eenmaal bewogen door het oude, alk-s verwinnende geloof; datzelfde geloof, dat hem zoo menigmaal in staat had gesteld de grenzen der natuurwetten te overschrijden, door het aangrijpen van de machten der hoogere wereld, die alleen luisteren naar de stem van het onwankelbaar Godbetrouwen. Dat hij zijn ouden kemelsharen mantel afdeed, dien samenbond en er het water mede sloeg, was echter maar een uitwendig en zinnebeeldig tceken. Het was zijn geest, die in datzelfde oogenblik de macht van den oneindigen God aangreep, opdat die den voortrollenden stroom zou bedwingen. Hij wist dat de Heer hem hierheen gezonden had en dat zijn weg verder op aan de overzijde lag; hij zag geen middel om den door God afge-bakenden weg te vervolgen, maar hij was overtuigd dat, daar zijn weg door het water heenleidde. God bereid was om dien weg voor hem mc gt;gelijk en begaanbaar te maken. Daarom durfde hij de wateren slaan, in het geloof dat de goddelijke Almacht haar werk zoude doen; en de wateren werden her- en derwaarts verdeeld en lieten een weg op het drooge, waarover de beide mannen konden gaan. — Gods kinderen ondervinden het ook nog wel

ocr page 173

DE OVERGANG TEN LEVEN. 163

dat hun weg dwars door de voortstroomende golven leidt; toch is er ook voor hen geen andere keuze dan voorwaarts te gaan. De wolkkolom wijst voorwaarts, de levensomstandigheden doen het eveneens, de stem des harten getuigt niet anders. .Maar wat dan, als de Jordaan bruischt aan hunnen voet? Dan — is het de ure der ge-loófsbeproeving en geloofsbetooning! Waar Gods vinger tien weg wijst, zal Gods hand den weg banen. Gelooven wij slechts dat het zoo zijn zal. Gaan wij slechts voort in onwankelbaar geloof. Dalen wij den steilen lt; iever slechts af, en de hooggaande wateren der bezwaren en moeielijk-hedcn zullen wijken, en ons zal een weg getoond worden, die voor het zinnelijk menschenoog eerst verborgen was. Zou zullen wij door hei- en derwaarts verdeelde wateren ons doel bereiken.

Slaan wij nu een blik op de uiterlijke omstandigheden, die met Elia's majestueusen uitgang gepaard gingen. Vooreerst, hoe juist gekozen was de plaats! Niet de lachende vlakte van Esdraëlon, niet hare korenvelden en wijnstokken, niet hare welvarende gehuchten en dorpen. Niet Sinaï's woestijn, de getuige van Elia's diepe vernedering en val. Niet de scholen van Gilgal, Bethel of Jericho mochten zijn afscheidsgroet aan zijne veelomvattende aardsche levenstaak vernemen. Neen, maar ver van deze plaatsen, te midden van de tooneelen zijner jeugd; in het gezicht .van de berghoogte, waar zoo gedenkwaardige voorvallen in de geschiedenis der natiën waren afgespeeld ; omgeven door de zwijgende, welsprekende, grootsche natuur — daar heeft het Gode goed gedacht Zijn wagen te zenden om Elia naar huis te halen.

ocr page 174

DE OVERGAN'G TEN LEVEX.

Hoe gelled in overeenstemming met Elia's persoon-ijkheid was ook de wijze waarop hij de aarde verliet. Zelf was hij geweest als een wervelwind, die plotseling op de niets kwaads vermoedende wereld viel, alles medeslee-pende in zijn onstuimige vaart, en verwoesting en verderf achterlatende als zijn spoor. Was het niet passend dat een zoon van den storm en den wervelwind ten hemel opvoer als in zijn eigen levenselement ? Geheel zijn karakter werd bij den uitgang afgeteekend in het panorama der woestijn in het rond, met haar huiveringwekkenden wind en haar brandenden vuurgloed; terwijl de vurige hemel-paarden het zinnebeeld waren van de vurige kracht zijns geestes. Welk eene tegenstelling, deze uitgang met de zachte, kalme, zegenende opvaart van den verheerlijkten Heiland!

Ook in den uilroep, waarmede Eliza hem vaarwel zeide, was eene overeenstemming. Hij riep: »Mijn Vader, mijn Vader! Wagen Israels en zijne ruiteren!quot; Ongetwijfeld heeft hij bij dat plotselinge, verblindende hemellicht, niet verstaan wat hij zeide. Toch sprak hij niets dan de waarheid. De man. dien hij als een vader had lief gehad, was inderdaad geweest als een strijdwagen voor zijn volk. Door zijn geloof, zijn gebed, zijn daad, had hij menigmaal onheil en gevaar afgewend van zijn vaderland, krachtiger en zekerder dan eene gewapende bende had kunnen doen. Helaas, waarom moeten zulke mannen zoo schaarsch zijn ? Onze tijd heeft aan hen meer behoefte dan eenig ander tijdperk der wereldgeschiedenis!

Komt wellicht de vraag op bij sommigen die deze bladzijden lezen, waarom Elia op deze wijze ten hemel ging;

ocr page 175

DE OVERGANG TEX LEVEN.

waarom God de Heer, die nooit onnoodig buitengewone dingen doet, dezen zeldzamen weg met Zijn dienstknecht hield ? Wij antwoorden : in de eerste plaats om zijn uitgang tot een getuigenis te doen strekken voor zijn tijd. De alge-meene kennis der kinderen van dat geslacht was beperkt tot liet stoffelijk leven, slechts weinigen, die dachten aan de mogelijkheid eener eeuwigheid. In Israël waren nog maar zeer onbestemde denkbeelden omtrent een toekomend leven, en die onbestemde denkbeelden waren nog verduisterd door den invloed eener zinnelijke, neertrekkende afgoderij. In de uitvaart van F.lia nu werd een overtuigend bewijs geleverd van de werkelijkheid eener geestelijke wereld, waarin de rechtvaardige zou binnengaan; een bewijs, dat, wanneer het lichaam in het graf zonk, de geest niet hetzelfde lot ondergaat, maar een wereld binnen treedt waar zijne edelste krachten tot haar hoogste ontwikkeling konden geraken, waar vuur tot vuur, geest tot geest, de man Gods tot God naderde.

Een dergelijk getuigenis voor de mannen van zijn tijd werd gegeven door de wegneming van Henoch vóór den Zondvloed; eveneens later door de Hemelvaart van onzen Heer van den Berg der Olijven. Waar mocht wel het doel zijn van deze drie wondere reistochten, indien daar geen passend einddoel in't verschiet lag ? Moest niet de verkondiging van de wondervolle majestueuse tijding allen die haar hoorden met eene onverklaarbare vreeze vervullen, terwijl ook het nauwkeurigst onderzoek nergens een toeken oi spoor van de heengeganen deed vinden, en moest niet de overtuiging hierdoor bij het volk ontwaken, dat ieder ander ook eenmaal die reize zou moeten on-

ocr page 176

l66 DE OVERGANG ÏEX LEVEN.

dernemen naar het onbekende land, en ook eenmaal op zou stijgen tot boven de hoogste hemelen, of verzinken in de bodemlooze duisternis van den afgrond ?

In de tweede plaats was het klaarblijkelijk Gods bedoeling een duidelijk bewijs van goedkeuring te geven aan het werk Zijns dienaars. Hoe licht hadden de gezaghebbers in Israël in die dagen den invloed van Elia kunnen verzwakken, door hem een geestdrijver, een oproermaker, een heethoofd te noemen! Zij konden niets liever wenschen dan dat zijne bedreigingen en zijne oor-deelen met hem zouden wegsterven, en daardoor blijken zouden de vrucht van een krank geestesleven te zijn geweest. Hoe gemakkelijk ware voor hen dan de bewering-geweest, dat de Profeet geen waarheid Gods had gesproken in zijne dagen. Maar de mond van den lasteraar en den tegenspreker werd gesloten, nu God zulk een in betoog vallend zegel zette op het werk Zijns knechts. Het was nu alsof Jehova te voorschijn was getreden uit de onzienlijke wereld, om hem te handhaven, en als Zijn uitverkoren gezant te erkennen. De uitgang van Elia was voor de betee-kenis van zijn leven, wat de opstanding van Jezus Christus uit de dooden voor het Zijne was — Gods onweder-sprekelijk getuigenis aan de wereld. Als Gods dienaar was Elia op een noodlottig tijdstip te kort geschoten, en hij had door die tijdelijke teki irtkoming eene zeldzame gelegenheid laten voorbij gaan om Gods naam in eere te brengen; maar desniettemin was zijn leven doorgaans Godverheerlijkend geweest en God zelf wilde het getuigenis daarvan aan de menschen doen hooren. Het gebeurt wel eens meer dat God Zijne dienaren eert tegenover de

ocr page 177

DE OVERGANG TEN LEVEX.

menschen, maar hen toch in de afzondering een zeer ernstig woord te zeggen heeft over afdwalingen, die alleen aan Hem en hen bekend zijn.

Ten slotte leeren wij uit dit plechtig slotaccoord van Elia's leven, hoe raadzaam het is aan God niets te willen voorschrijven. Deze ten hemel varende man was dezelfde, die eens- als een worm ter aarde had gelegen en hegeerde te sterven. Had hij toen zijn wil gehad, hij zoude het zand der woestijn tot zijn doodbed, de brandende sirocco tot zijn graflied gehad hebben. Hoe liefderijk van God, hem de bede niet te schenken die hij zoo stormachtig begeerde! Was het niet oneindig heerlijker heen te gaan, beweend en betreurd, op den hemelwagen, dien zijn Vader hem toezond, en waarmede Achabs vorstelijk voertuig, waarvoor hij eens was heengesneld, niet te vergelijken was ?

Ziet, dit is wel een van de voornaamste redenen waarom onze gebeden onbeantwoord blijven: wij weten niet wat wij vragen. Wij vragen om dingen, waarvan wij niet eenmaal zouden droomen, indien wij maar iets wisten van het oneindig heerlijk lot, dat onze hemelsche Vader voor ons heeft weggelegd. In de eeuwigheid zullen wij Hem nog meer hebben te danken voor de gebeden die Hij ons weigerde, dan voor de gebeden die Hij verhoorde. — Wanneer, mijn lezer, het u wederom gebeurt dat uwe bede niet verhoord wordt, bedenk dan dat God mogelijk iets zóóveel beters voor u heeft weggelegd als de uitgang van Elia beter was dan een sterven in het zand der woestijn.

Wij leeren nu ook den dood beter verstaan. De dood is niets dan een overgang; niet een toestand, maar een

ocr page 178

168 DE OVERGANG TEN LEVEN.

gaan; niet iets blijvends, maar een overgang. Wij treden daarmede slechts eene deur binnen; wij gaan een brug over; van de duisternis der aarde komen Gods kinderen plotseling in 't heerlijk hemellicht. Daar is geen tusschenperiode van bewusteloos voortbestaan ; van het lichaam verlost, zijn zij terstond met den Heer. Denken wij toch niet aan den dood als een gevangenbewaarder, die de geloo-vigen in den kerker bewaart tot den dag aller dagen van 's Heeren wederkomst. De Schrift — en van haar zal geen tittel of jota ter aarde vallen — leert ons niets van dat alles. De dood is voor den in God geruste geen bode der verschrikking, maar een onmiddelijk van God gezonden engel, om hem tot den Koning der eeuwigheid te geleiden. Evenals wij op één punt des tijds, door het eenvoudige feit der geboorte, dit aardsch leven binnentreden, evenzoo treden wij, door het eenvoudige feit, dat de menschen »dood,quot; maar de engelen Gods »geboortequot; noemen, het ware leven binnen. Het feit, dat Elia op den berg der verheerlijking in heilige woordenwisseling gezien werd met Mozes en Christus, bewijst ons dat de zalig afgestorvenen in waarheid de levenden zijn; zij traden dat heilige, heerlijke, werkzame, zalige leven binnen in een punt des tijds, het oogenblik dat wij sterven noemen. Zou het dan niet meer overeenkomstig de waarheid zijn van hen te spreken, niet als van de dooden, maar als van degenen, die dood geweest zijn en nu leven in alle eeuwigheid. Men vergete echter niet, dat, hoewel het voor de verloste ziel verreweg het beste is met Christus te zijn — de zaligheid toch nog niet volkomen is vóór de opstanding des vleesches, wanneer het

ocr page 179

Dli OVERGANG TEX LEVEN.

onverderfelijkheid en onsterfelijkheid zal hebben aangedaan.

Wij weten niet welke verandering het sterfelijk omhulsel van den opvarenden Profeet onderging. Dit alleen weten wij; het sterfelijke werd verslonden tot overwinning. Met hem moet eene verandering hebben plaats gehad als die, welke plaats had in Jozefs graf, toen de gekruisigde Christus verrees met het verheerlijkte lichaam, dat lichaam, dat onafhankelijk was van de wetten der natuur, maar zóó gelijk aan het lichaam, waarin Hij drie en dertig jaar had rondgewandeld, dar Hij toch duidelijk en overal te herkennen was. Verderfelijkheid had onverderfelijkheid aangedaan ; het sterfelijke onsterfelijkheid; het lichaam der vernedering was verwisseld voor een lichaam der eere.

Ook ons, die gelooven, wacht vroeg of laat deze verandering; het is daarom onze dure roeping te wandelen als Elia, met een waakzaam en toebereid gemoed. Mogen wij nimmer denkende of sprekende worden gevonden over onderwerpen, waarmede wij niet plotseling voor God zouden kunnen verschijnen. Mogen wij bereid zijn wanneer de hemelbode ons komt opeischen, waar hij ons dan ook overvalt, — hetzij in den storm op zee, of in den storm des levens; hetzij bij eene spoorwegramp of bij eene levenssmart; hetzij in het heetst van den strijd of op een wegkwijnend ziekbed — om de poort des hemels binnen te gaan, gewasschen in het Bloed des Lams!

Wij kunnen dit hoofdstuk niet besluiten zonder nog een ernstig, dringend woord tot allen die ons tot hiertoe volgden, en in 't bizonder deze laatste bladzijden met in-

ocr page 180

170

stemming lazen. Van de mannen van Athene, het brandpunt der beschaving in Paulus dagen, staat geschreven: »Als zij nu van de opstanding der dooden hoorden, spot-teden sommigen daarmede!quot; Maar ziet, van onze dagen mag het wel gelden : de mannen van Athene zullen opstaan in het oordeel tegen het geslacht onzes tijds. In onze dagen spot men niet eenmaal meer met de opstanding der dooden, maar men heeft met koele berekening, en van God vervreemde onverschilligheid, zelfs met het begrip eeuwigheid afgedaan. Te sterven als de dieren des velds, dat is het hoogste ideaal, waartoe heden ten dage eene maatschappij, dieper gezonken dan Isébels slavendom, het leerde brengen!

Niet hoog en niet fier genoeg kan hier tegenover ieder kind van God van de hope des eeuwigen levens getuigen ! O schamen wij ons toch nooit of nimmer de belijdenis, de onuitsprekelijk zalige belijdenis van ons heilig geloof. Dragen wij hoog de banier van Hem, die kwam om ons voor tijd en eeuwigheid te verlossen. Hij gaf Zijne ziel tot een rantsoen voor eene wereld, die in het booze ligt. Wat minder mogen wij. Zijne vrijgekochten, doen, dan aan de wereld getuigenis geven door woord en daad; door handelen, zwijgen, spreken; door geheel ons leven, dat wij met de gewisheid des geloofs, voor het aangezicht van Hem, die ons de eeuwigheid in het hart legde, reizen naar de Eeuwige Stad.

Wij gelooven een eeuwig leven! en zoolang de wereld staat zal tittel noch jota ter aarde vallen van wat het goddelijk Woord daarvan getuigt!

ocr page 181

HOOFDSTUK XVIII.

EEX DUBBEL DEEL VAN ELIA'S GEEST.

lij den uitgang van Elia had nog iets plaats, j dat ofschoon voornamelijk zijn vriend en opvol-

---1 ger betreffende, den grooten Godsman zóózeer

kenmerkt, dat wij het niet onopgemerkt kunnen voorbij gaan. Het heeft toch eene diepe beteekenis. Wij vernemen dat de beide vrienden ra de Jordaan te zijn doorgegaan, »te zamen gingen en spraken.quot; Welke verheven onderwerpen zullen hen hebben bezig gehouden, terwijl zij aldus in den voorhof der eeuwigheid stonden! De afval van Israël en zijn naderende ondergang; de nu geëindigde profetische bediening met hare ernstige waarschuwingen ; het werk dat Eliza stond te aanvaarden, deze en dergelijke onderwerpen moeten hen hebben vervuld.

Het was in den loop van dit gesprek dat »Elia zeide tot Eliza: Begeer wat ik u doen zal, eer ik van bij u weggenomen word.quot; Dat was wel eene zeer wijd geopende

ocr page 182

EEN DUBBEL DEEL VAN ELIA'S GEEST.

deur voor den jongen broeder, en in het eerst verwondert het ons, dat Elia zoo durfde aanbieden ailes te te zullen geven wat Eliza vragen zoude. Is dit niet alleen mogelijk bij God ? Kan niet God alleen alles doen wat wij biddende van Hem begeeren ? Bedenken wij echter wel, dat Eiia in de innigste zielsgemeenschap met Eliza had geleefd : zij hadden immers de laatste jaren van Elia's bediening te zamen doorgebracht. Het was dan ook met de bedoeling om het gemoed van zijn vriend up de proef te stellen, dat de heengaande Ziener hem zoo herhaaldelijk tot heengaan had aangespoord; toen Eliza deze proef met zoo onwankelbare standvastigheid had beantwoord, toen eerst gaf Elia hem vrijheid zijn wensch kenbaar te maken. Hij wist het, Eliza's getrouw hart zoude niets vragen, dat zijn geloofsgebecl niet zou durven afbidden, of dat God niet kon of wilde verleenen. Elia was een man »van gelijke bewegingen als wij,quot; want hij was van onze eigen natuur, maar door eene nauwe innige gemeenschap met God had hij zulk een hoogtepunt van heilige vrijmoedigheid bereikt, dat hij den sleutel scheen te bezitten tot de voorraadsschuren van alle geestelijke zegeningen.

Elia's vertrouwen werd niet beschaamd; Eliza's bede bleef binnen de perken, die hij zich had voorgesteld. Hij begeerde rijkdom, aanzien noch wereldsche macht; evenmin een deel der aardsche voordeden, die hij opgegeven had, toen hij zijn tehuis en zijne vrienden verliet. »Eliza zeide, dat toch twee deelen van uwen geest op mij zijn!quot;

Wat bedoelde Eliza met deze bede ? Wij kunnen ons niet vereenigen met de uitlegging van hen, die meenen

ocr page 183

EEX DUBBEL DEEL VAN ELIA'S GEEST. I quot;3

dat hij begeerde het dubbele van het kenmerkende geloof en de geestelijke kracht zijns meesters te ontvangen. Wat hij bedoelde was dit: dat hij alsïElia's oudste zoon mocht worden beschouwd en dus de erfgenaam mocht zijn van zijn geest, de opvolger in zijn werk. In de wet van Mozes is een woord dat duidelijk bewijst hoe twee deelenquot; het recht was van den eerstgeboren erfgenaam. (Deut. 21 : 17). Dit begeerde de Profeet, en dit heeft hij zeker verkregen, want — het was een eerbiedwaardig begeeren! Hij was klaarblijkelijk geroepen om Elia op te volgen, maar hij gevoelde dat hij al de daaraan verbonden verantwoordelijkheid niet zoude durven aanvaarden, noch dc onvermijdelijke gevaren zoude durven trotseren, indien hij niet werd toegerust met geestelijke kracht. Niet velen onzer tellen een Elia onder hunne vrienden; indien wij echter dat voorrecht hebben, zullen wij wèl doen zijne voorbede te vragen. En — ieder onzer kent althans dien Eenen, tot Wien wij ten allen tijde gaan mogen om het hoogste te begeeren, overtuigd dat Hij het ons geven wil zonder mate. Hoofdzaak is echter, dat wij leeren hongeren naar de volmaakte gifte; daar wordt op aarde begeerd en gehongerd naar zoovelerlei dat vergaat; naar roem, naar aanzien, naar rijkdom; zalig wie leert hongeren naar Gods gerechtigheid.

Geen mensch, wat taak hem ook op de schouders wordt gelegd, behoefte daarvoor terug te deinzen, indien hij maar eerst Elia's geest heeft begeerd. Niemand zegge ooit dat hij voor eene taak niet berekend, of voor een werk niet geschikt is, dat hem kennelijk op de hand is gezet, maar hij zoeke met tranen en gebeden Gods aangezicht, en de

ocr page 184

174 hex dubbel deel van elia's geest.

mismoedigheid zal wijken, de zwakheid veranderen in kracht. Geen geloofsverwachting zal ooit worden beschaamd. Elia was die hij was; deed wat hij deed; beloofde wat hij durfde belooven, omdat hij Gt ids beloften in het geloof durfde verwachten en aangrijpen. Doen ook wij alzoo, dan zullen ook wij wakend, biddend en wachtend het geruisch van een geweldig gedrevenen wind hooren: dan zal ook ons Pinksterfeest aanbreken!

Eliza moest, om te ontvangen wat hij begeerde aan twee voorwaarden voldoen:

I. Hij moest volhardend zijn.

II. Hij moest geestelijk helderziend zijn.

I. Bij iedere schrede van de afscheidsreize stelde Elia hem op eene zware proef. Herhaaldelijk zeide hij : ■ Blijf hier,quot; maar even goed had hij een ceder van den Libanon kunnen ontwortelen, of Karmel van zijn grondslag bewegen. Noch Gilgal met zijn schilderachtige omgeving, noch Bethel met zijne herinnering aan engelenverschijningen, noch zelfs Jericho, de grensstad des lands, waren in staat hem aan te trekken of terug te houden, zelfs de Jordaan was niet in staat den waakzamen geest van den jongen Profeet van 't spoor te leiden. Eliza wist wat hij zocht, hij verstond de tucht, waaraan hij onderworpen werd, en zijn heldhaftige moed werd grooter naarmate de proef zwaarder werd, evenals de wateren van een krachtigen stroom sterker aandringen tegen een dam.

Op deze wijze verkreeg de Kananeesche vrouw van Christus haar zielsbegeeren; zóó wachtten de discipelen tien dagen lang op de belofte des Vaders.

ocr page 185

EEX DUBBEL DEEL VAN ELIA'S GEEST. 17,5

Wij zijn maar al te geneigd onszelven wijs te maken dat wij de hoogste gave verkrijgen kunnen zonder er den vereischten prijs voor te betalen. Jacobus en Johannes meenden, dat eene bloote vraag voldoende was nm hen eene zitplaats ter rechter- en linkerzijde des troons van den Zoon Gods te doen innemen; zij beseften het niet, dat het kruis aan de kroon moet voorafgaan, en dat Gethsemané's bange ziele.strijd en bittere beker nog tus-schen hen en het lied der verheerlijking lagen. Wij ook moeten de Jordaan door; dagelijks moeten wij ons kruis op ons nemen en Jezus volgen; wij moeten als Hij door den dood en het lijden heengaan; onze oude natuur moet gekruisigd, de Goddelijke wil in gehoorzaamheid aanvaard worden, ook al kost het bloed en tranen. Dan eerst worden wij toebereid en vatbaar voor het ontvangen van Gods hoogste Gave.

II. Eliza moest geestelijk helderziend zijn.

»Indien gij mij zult zien als ik van bij u weggenomen worde, het zal u alzoo geschieden; doch zoo niet, het zal niet geschieden.quot;

Daar was niets willekeurigs in de voorwaarde ; inderdaad het schijnt ons toe dat Elia geen beteren maatstaf had kunnen stellen omtrent den geestelijken toestand van zijn bestemden opvolger. Daar zijn een reine geest en een buitengewoon geloof noodig om de werkingen der geesteswereld te kunnen zien. Geen vleeschelijk sterfelijk oog zou den hemelstoet hebben aanschouwd. Zinnen, door hartstocht verduisterd, oogen door aardschen lust verblind, zouden niets hebben kunnen zien van het hemelsch gezantschap; voor dezulken zou het landschap zijn ge-

ocr page 186

EEX DUBBEL DEEL VAN ELIA'S GEEST.

woon alledaagsch aanzicht behouden hebben. Misschien was er in gansch Israël geen hart, rein genoeg, geen profeet geestelijk genoeg, om het bovenaardsche gezicht te kunnen zien. Waren wij daar geweest, waarschijnlijk zou niets anders tot ons bewustzijn zijn doorgedrongen, dan de plotselinge verdwijning van den Profeet. Daar Eliza dit gansche hemelsche gezicht aanschouwde, is het duidelijk dat zijn hartstocht gebonden, zijn hooger leven geoefend en de stand van geheel zijn geestelijk wezen zoo hoog ontwikkeld waren, dat hij waardig was om te worden toegelaten tot de »achterste deelenquot; der geestenwereld.

Nu kwam dan ook het antwoord op zijn begeeren: »Hij hief ook Elia's mantel op, die van hem afgevallen was!quot; Die afgevallen mantel, hoe groot was zijn betee-kenis voor den achtergebleven Profeet. Bij Oostersche volken werd het opleggen van den mantel steeds beschouwd als een onmisbaar deel van de zalving tot een heilige bediening. Toen dus Elia's mantel aan Eliza's voeten neerviel, wist hij terstond dat de Hemel zelf zijne bede had verhoord; wist hij dat hij nu in Elia's plaats daar stond; wist hij gezalfd te zijn met Elia's kracht. Ik geloof niet dat Eliza eenige buitengewone aandoening of tastbare aanwijzing ontving van de verandering die in hem gewrocht was. Zijn geest was stil binnen in hem, zijn pols joeg niet, de stroom der geestelijke kracht was even rustig en ongemerkt tot hem gekomen als het licht de wereld binnendringt en als de voorjaarskracht tie natuur doordringt.

Indien wij in geloovig en geduldig gebed Gods heilige

176

ocr page 187

EEX DUBBEL DEEL VAN ELIA'S GEEST. 177

Geest voor ons zeiven begeeren, moeten wij ons de vraag nooit stellen »of wij wel iets bizonders \-oelen.quot; Wij moeten gelooven dat God, die een Hoorder is dor gebeden, Zijn Woord aan ons vervullen zal, ook al vergezellen geen teekenen de komst van de hoogste Gave, die gt;Gods werk doet in degenen die gelooven.quot; Anderen echter zullen zekerlijk eene verandering in ons bespeuren en iets gewaar worden van de kracht des Geestes die in ons werkt, wanneer zij ons bij eene of andere bruischende Jordaan zien staan, en op ons woord de oproerige wateren zich her- en derwaarts zien bewegen.

Voorts, wij moeten er op rekenen dat de ons nieuw geschonken geestelijke kracht op de proef gesteld wordt. Zóó althans geschiedde het met Eliza. Hij keerde weder en stond aan den oever der Jordaan.quot; Aarzelde hij? Indien ja, dan is het maar één oogenblik geweest. Hij had Elia zien heengaan, en geloofde dus, al voelde hij waarschijnlijk niets, dat nu twee deelen zijns geestes hem ten deel waren gevallen. Hij ging dus, voort in de verzekerdheid des geloofs: gt;,Hij nam den mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg het water en zeide: Waar is de Heer, de God van Elia, ja dezelve ? En hij sloeg het water en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld en Eliza ging er door. Als nu de kinderen der profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zoo zeiden zij; »De geest van Elia rust op Eliza.quot;quot;

Zoodra Christus onze Heer gezalfd was met den Heiligen Geest, werd Hij weggeleid in de woestijn om verzocht te worden. De naam Zoon van Godquot; die boven de wateren des Doops weerklonken had, werd nu het voor-

12

ocr page 188

178 HEX DUBBEL DEEL VAN ELIA'S GEEST.

werp van de hevigste aanvallen des Boozen. »Indien Gij de Zoon van God zijtZóó zal het altijd zijn. Maar moeite, verzoeking en beproeving zullen over de Godge-trouwen niets vermogen, alleen zullen zij duidelijker naar voren brengen de gezegende en krachtdadige werkelijkheid der ontvangen hoogste Gave.

»Waar is de Heer, de God van Elia, ja dezelve ?quot; Die kreet is alle eeuwen door menigmaal herhaald door de Gemeente des Heeren, wanneer zij, van hare leiders beroofd, schijnbaar onoverkomelijke moeielijkheden tegen zich over had, en dikwerf was er meer wanhoop dan hoop in dien kreet. Noch thans ■— ofschoon de Elia's heengaan, de God van Elia blijft. Hij haalt Zijne vermoeide dienstknechten naar huis, maar Hij draagt er wel zorg voor dat anderen hunne plaats innemen en hun werk voortzetten. Vergeten wij toch nooit, dat het Zijn werk is, niet het onze. Wanneer gij moedeloos vraagt waar Hij is, en of Hij zich verborgen houdt, dan fluistert de stem Zijns Geestes u toe: »Zie, hier ben Ik!quot; Sla gij slechts in deze uwe kracht de oproerige golven, en gij zult ondervinden dat de God van Elia voor u hetzelfde wil doen dat Hij, deed voor de zaligen, die reeds Zijne ruste zijn binnengegaan en daar hunne Halleluja's mengen met de lofpsalmen der wolke van getuigen, die uw strijd en uw zegepraal gadeslaan.

ocr page 189

HOOFDSTUK XIX.

DE VERHEERLIJKING OP TABOR.

:SPgt;rö9|iioit heeft een vuriger bewonderaar van Gods IttvOn heer'ijke natuur op aarde gewandeld dan onze sTir?ifjquot; Heiland was. Geen lelie kon daar groeien aan Zijn voet, geen vogel duor het luchtruim zweven, zonder Zijne opmerkzaamheid te trekken. In Zijne dagelijkschc gesprekken dacht Hij aan de grazende lammeren en het rijpende koorn; aan frissche waterbronnen en verkwik-kenden zomerregen; aan den morgendauw en de avondschemering. Het kan ons dan ook niet verwonderen, dat Hij iedere gelegenheid aangreep om gemeenschap te hebben met de heilige stilte der natuur; evenmin dat Hij zoo dikwijls de eeuwige heuvelen besteeg, — de natuurlijke altaren der schepping, — zoo blijkbaar niet bestemd voor bewoning, maar voor aanbidding.

Bij zulk eene gelegenheid wenschen wij u in dit hoofdstuk nog te bepalen. Vermoeid van het rondwandelen onder

ocr page 190

l80 DE VERHEERLIJKING OP TABOR.

de menschen, en behoefte gevoelende om met Zijne jongeren alleen te zijn, ten einde hen voor te bereiden op Zijn naderend einde, waarvan zij nog maar altijd niets begrepen, reisde Hij met het twaalftal noordwaarts en vermeed de groote steden, totdat zij een van de kleine dorpjes bereikten, die als genesteld liggen tegen den voet van Her-mons gebergte, dien machtigen bergketen, welks toppen tot de wolken reiken en die eene majestueuse grenslijn vormen voor het noorden van Palestina. Hier schijnen zij eene week te hebben vertoefd; en welke onvergetelijke dagen zullen het geweest zijn voor de jongeren ! Hier sloegen zij de sneeuwtoppen gade, blozend onder den kus van de ochtendzon, en gloeiend onder den afscheidsgroet der avondzonnestralen. Hier doorkruisten zij de landauwen, zoo vruchtbaar en zoo schoon, dat zij reeds eeuwen geleden vergeleken waren bij de geurige olie, waarmede de Hoogepriester gezalfd werd. Hier zwierven zij dooide eeuwenoude cederbosschen en laafden zich aan de-kleine beken, die verder op dc Jordaan gingen voeden. Hoe snel vloog die week voorbij, doorgebracht in zulk eene omgeving, onder het genot van de verhevenste en ernstigste gesprekken.

Nfi verloop van acht dagen nam de Heer Zijne drie vertrouwden. Petrus, Jacobus en Johannes, mede en beklom met hen, toen tie avondschaduwen vielen, een der hoogste bergtoppen, verwijderd van alle aardsch ge-druisch. Hij ging daar kracht zoeken voor den komenden strijd, en misschien hebben deze drie Hem het eerste gedeelte van den nacht bij het waken gezelschap gehouden. Spoedig werden zij vermoeid, en waren weldra, evenals

ocr page 191

DE VERHEER LIJK I Xü OP TABOR.

later in Gethsemane, in diepen slaap ver/' mken, al bleven zij zich dan ook flauwelijk bewust van de tegenwoordigheid des Meesters, die Zijne ziel uitstortte met sterke roeping en tranen. Wij weten niet hoevele uren er verloopen waren, eer zij uit hunne sluimering werden opgewekt, — niet door het licht van den naderenden morgen, maar onder den invloed van eene bovenaardsche heerlijkheid, die van hun Meester afstraalde. De uitdrukking van Zijn gelaat was veranderd; de diepe lijnen, die Zijn aardsche lijdensweg daarin gegroefd hadden, waren geëffend ; de weemoedige uitdrukking der oogen was verdwenen. »Zijn gelaat was glanzend gelijk de zon,quot; niet blinkend als dat van Mozes door weerkaatsing van hoo-ger licht, maar van binnen uit verlicht, alsof de verborgen goddelijke glorie zich baan had gebroken door het zwak menschelijk omhulsel. »Zijne kleedingquot; (het gewone handweefsel van dat land) werd wit en zeer blinkend,quot; schitterender dan de flonkerende sneeuwkristallen boven hun hoofd, alsof de engelen Gods die geweven hadden. Maar het merkwaardigste van alles was de tegenwoordigheid van het doorluchtig tweetal, »welke waren Mozes en Elia, dewelke gezien zijnde in de heerlijkheid, zeiden Zijnen uitgang, dien Hij zoude volbrengen te Jeruzalem.quot;

Waarom het juist deze twee waren, en in het bizonder Elia, die verkozen werden voor deze plechtige samenkomst ?

In de eerste plaats, opdat zij getuigenis zouden afleggen van de goddelijkheid van den Heiland.

Voor Hem naderde nu de duisterste ure van Zijne loop-

181

ocr page 192

DE VERHEERLIJKING OP TABOR.

baan, de ure, waarin Zijne zon stond onder te gaan in een diepte van smaad en schande; en nu scheen liet wel, dat de hemel zelf zich door het gezantschap van deze hemelboden in beweging zette om Zijne vrienden, en met hen geheel de wereld te overtuigen van Zijne heerlijkheid en goddelijke afkomst. Waarom de engelen daartoe niet gezonden werden ? Immers zij zouden de menschen slechts hebben verblind. Veel beter was het deze twee vroegere aardbewoners te zenden, en juist dezen, wier daden nog voortleefden in de herinnerintr

O O

der menschen en alzoo kracht bijzetten aan het getuigenis der discipelen. Daarom werd dit tweetal gezonden: Mozes de grondlegger der Wet; Elia de grootste der Profeten.

Wij kunnen ons onmogelijk een te groot denkbeeld maken van de hooge eereplaats, die- Elia bij zijn volk innam; ook was het de algemeene verwachting dat hij zou wederkeeren om de komst van den Messias aan te kondigen. Het was dus een belangrijk getuigenis voor de discipelen en door hen voor de volgende eeuwen wat hier gezien werd, dat hij naast Jezus van Nazareth stond en Hem zijne hulde bracht.

Ook de wijze waarop beide deze afgezanten deze wereld verlaten hadden kan een reden geweest zijn. waarom zij juist gezonden werden. Mozes stierf, niet gesloopt door ziekte, maar »aan den mond des Heeren.quot; Zijn geest ging geheimzinnig over uit dit leven in de eeuwige heerlijkheid, en God zelf begroef zijn lichaam. Elia stierf niet; ook hij kende lichamelijk verval noch uitputting des ouder-doms, hij sliep niet in, maar werd veranderd »in één punt

182

ocr page 193

DE VERHEERLIJKING OI' TABOR.

des tijds, in één oogenblik.quot; \\'ij mogen in de geheimenissen van het onbekende grensland niet doordringen, dat door dit verheven tweetal tot tweemaal toe werd overschreden; maar de vraag komt bij ons op, o£ daar niet iets was in de wijze van hun heengaan van de aarde, dat hun terugkeer bij deze gelegenheid gemakkelijker maakte.

Daar was nog eene andere reden waarom zij de uitverkorenen waren. Beiden waren oorspronkelijk wegbereiders van Christus geweest. »\Vij hebben Dien gevonden,quot; zegt Filippus, »van Wien Mozes in de Wet geschreven heeft en de Profeten.quot; »Mozes heeft van Mij gesproken,quot; zegt de Heer. De Joden waren echter in groot gevaar dit te vergeten en meer gewicht te hechten aan de boden dan aan Hem, dien zij aankondigden. Zij bleven hechten aan de sterren, terwijl de zon reeds aan den hemel stond. Het bracht het doodvonnis over Stefanus, dat hij het Oude Testament scheen te minachten, door den wensch dat het zou vervangen worden door het Nieuwe. Petrus zelf was bereid om Mozes en Elia op gelijken voet met zijn Meester te behandelen, door drie tabernakelen te bouwen, voor elk een. Dit mocht niet zijn; daarom werden Mozes en Elia opgenomen in de wolk en bleef Jezus alleenquot; over; daarom werd de stemme Gods gehoord om Petrus en de heide andere discipelen te vermanen, dat zij naar Hem alleen zouden luisteren. Het was of God zeggen wilde: »Gelijk gij gehoord hebt naar de Wet en de Profeten, hoor alzoo nu naar Mijnen Zoon; plaats uzelve niet langer onder de Wet, stel u niet tevreden met de Profeten, hoe verheven en verheerlijkend voor Mij hun Woord ook was, maar wijd

ocr page 194

184 DE VERHEERLIJKING OP TABOR.

nu voortaan aan Mijne Eeniggeborene al den cerl :od en al de aandacht, die gij vroeger aan hen gaaft. Het ga nu van de schaduw tot het wezen; van de typen tot de volkomen vervulling!quot;

Wat toch wel het onderwerp mag geweest zijn, waarover zij spraken ? Gewisselijk spraken zij niet over de hemelsche heerlijkheid, nog minder over hun eigen wondervol verleden) en evenmin over de verwijderde toekomst, maar »van den uitgang, dien de Heer zou volbrengen te Jeruzalem.quot;

Groote mannen hebben groote gedachten, en wat verhevener onderwerp, wat hooger en grooter gedachte kon daar besproken worden dan de dood van den Zone Gods, die aanstaande was, en Zijne glorierijke opstanding. Deze feiten toch vormen het middelpunt der wereldgeschiedenis voor alle volken der aarde, het onpeilbare Godswonder, waarnaar alle eeuwen zich voegen. De hemelen waren op dit oogenblik vervuld met deze gedachte; de engelen verdiepten zich in den onnaspeurlijken rijkdom van de wijsheid Gods en volgden het Godslam op Zijn smartelijken weg naar het einddoel. Gansch het hemei-heir sloeg in aanbidding de geheimenis der verlossing gade, — was het dan wonder dat Mozes en Elia, deze laatstgekomenen van de aardsche kust, over niets anders spraken met den Verheerlijkte dan over dit alles beheer-schende, alles bezielende, alles vervullende onderwerp.

Immers hun eigen zaligheid was afhankelijk van den uitslag van den te volgen lijdensweg. Indien daar ooit menschen zijn geweest die de kans hadden kunnen wagen, om door eigen verdienste zalig te worden, waarlijk dan waren het deze twee. Toch zouden zij de eersten

ocr page 195

DE VERHEERLIJKING OP TABOR.

zijn geweest om deze onderscheiding af te wijzen. Bij den terugblik op hun aardsche loopbaan voelden zij diep hunne tekortkomingen en zonden. Mozes gèdacht zijne wederspannigheid bij de wateren van Massah. Elia herinnerde zich zijne ontrouw en moedeloosheid in de woestijn, en — in het licnt der eeuwigheid zagen zij kwaad in zoo vele dingen, die hun in het schemerlicht der aarde tamelijk goed hadden toegeschenen. Zij roemden voorwaar niet in eigen verdienste; hun eenige hoop ter zaligheid rustte, evengoed als de onze, in de overwinning van den prikkel des doods, en de ontsluiting van de hemelpoort voor allen die gelooven door Jezus Christus.

Hier op den Tabor werd het wonder aller wonderen, het feit aller wereldhistorische feiten besproken; hier werd het vereenigingspunt voor alle eeuwen, alle bedoelingen, alle bedeelingen, alle schepselen Gods tot aan de einden tier aarde getoond. Hier kwamen menschen en engelen to zamen ; hier vereenigden zich gezaligden en bewoners des stufs; hier Petrus, facobus, Johannes, met Mozes en Elia, en deze allen met den Allerhoogste zelf, Wiens stemme zegenend gehoord werd van uit den geopenden hemel.

Hoe nader wij komen tot het Kruis; hoe meer wij ons verdiepen in den uitgang, door den Heer om onzentwil volbracht; hoe dichter wij mogen komen bij het middelpunt aller dingen, des te meer zullen wij in harmonie komen met ons zelf, met hooger geesten, met God zeiven. Bestijgen wij dan dikwijls in den geest den Tabor en vergeten wij het niet, dat in gansch het heelal geen geest dieper is doorgedrongen in den zin en de geheimenis van het plaats-bekleedend lijden onzes Hollands, dan do groote Profeet,

ocr page 196

186 DE VERHEERLIJKING OP TABOR.

die geen hooger eere begeerde, dan tot in eeuwigheid te staan in de nabijheid des geliefden Meesters, zooals hem gegund was een oogenblik op Tabors hoogte.

Elia was een man van gelijke bewegingen als wij; zwak gelijk wij zwak zijn, verzocht gelijk wij verzocht worden, en dezelfde Elia heeft kloeke daden gedaan, die een vorst op zijn troon en honderden van afgodspriesters op het toppunt hunner macht deden sidderen. Hij heeft tegen stroom geroeid en gestaan als een rots te midden der aanloo-pende golven, met bijna bovenmenschelijke kracht. Vanwaar had Elia dit gezag, dezen heldenmoed, die vastheid, dit onwankelbaar geloofsvertrouwen ?

Het geheim van geheel zijn leven is ons in deze bladzijden onthuld; Hij stond voor het aangezicht des Heeren.

Mijn broeder of zuster! in onze dagen van afval en Godvergetenheid klinkt ook ons van vele kanten de vraag in de ooren: «Waar is de God van Elia, ja dezelve ?quot; Beantwoorden wij die vraag met ons leven, met een leven, dat hierin zijne kracht vindt, dat wij staan voor het aangezicht des Heeren onzes Gods, die van eeuwigheid tot eeuwigheid dezelfde is en blijft.

Dan zal ons leven niet te vergeefs geleefd en zullen deze bladzijden niet te vergeefs geschreven zijn!

EINDE.

ocr page 197

INHOUD.

Hfdst. Blz.

I. De Bron van Eli a's kracht...... ... i

II. De uitgedroogde beek........................12

III. Naar Zarfath gezonden...........22

IV, De geest en de kracht van Elia........31

V. De toetsteen van het huiselijk leven......41

VI. Obadja..................................-1

VII. Voorbereiding tot den strijd.........63

VIII. De strijd op Karmel's hoogte.........72

IX. Eindelijk regen!.............82

X. Hoe zijn de helden gevallen!.........93

XI Zijne goedertierenheid beter dan het leven . ... 104

XII. Het suizen eener zachte stilte.........114

XIII. Ga. keer weder..............124

XIV. Naboth's wijngaard............132

XV. Nog eenmaal de oude moed!.........141

XVI. De Avondzang........... ... 153

XVII. De overgang ten Leven...........161

XVIII. Een dubbel deel van Elia's geest........171

XIX. De verheerlijking op Tabor..........179

ocr page 198
ocr page 199
ocr page 200