J E R E M IA
PRIESTER EX PROFEET
b ir t?
JEREMIA
PRIESTER EN PROFEET
F. B. MEIJER, B. A.
NAAR H H T ENGELSCH
I. z.
UITGEGEVEN DOOR DE VEREENIG ING ..BIBLIOTHEEK VOOR ZONDAGSCHOOL EN HUISGEZINquot;
amp;
AMSTERDAM â F. W. EGELING
1896
T
TYP. â P. A. GEURTS â NIJMEGEN.
VOORREDE.
Rev. F. B. Meijer, zoo gunstig onder ons bekend en hij velen zoo geliefd als de schrijver van âEliaquot;, âAbrahamquot;, âIsraëlquot;, enz. leidt zijn karakterschets ran âJeremia, Priester en Profeetquot; aldus in:
âDe persoon van Jeremia heeft altijd eene groots bekoring gehad voor het christelijk gemoed. Geen ander toch van de groote figuren des Ouden Testaments, biedt in zijn leven zooveel overeenkomst met dat van onzen Heiland en Heer. Van beiden kan gezegd worden: âHij ivas een man van smartquot;; van beiden: âHij kwam tot de zijnen en de zijnen hebben hem niet aangenomen.quot;
âVoor den arbeid aan deze bladzijden besteed, zal ik mij meer dan beloond rekenen, indien zij mogen bijdragen om den persoon van deze groote in het Koninkrijk dat niet van deze aarde is, meer bekend en gekend te makenquot;. â
Be priesterlijke en profetische bediening van Jeremia brengt zeer bizonder eene boodschap tot allen, die in
VI
den grooten geestelijken strijd onzer dagen genoodzaakt zijn âalleenquot; te staan; tot alle eenzamen, ook die 'in hunne liefde voor de menschheid, en in hun solidariteitsgevoel met de nooden hunner broeders, onbegrepen door 't leven gaan.
Jeremia was een der grootste profeten en naar onze meening heeft de schrijver de aangrijpendste tooneelen, zooicel uit zijn leven als uit zijne profetien geschilderd.
Wij twijfelen niet of dit boek zal allen Zondagschool-onderwijzers, die waarlijk bij hun onderwijs voor zich. zeiven een recht verstand der Schrift begeeren, welkom zijn.
H. W. S.
Tiel, 1896.
INHOUD.
Biz.
Hoofdstuk I. âHet woord des Heeren geschiedde tot mijquot; . . i
â II. âIk formeerde uquot;...........11
â III. Bakken uithouwen..... ... 22
â IV. De tweede prediking..........32
â V. Bij den ingang des Tempels .... 41
â VI. Het âamenquot; der ziel ... ..... 54
â VII. Het wassen van den Jordaan . . .... 69
â VIII. De droogte........... . Si
â IX. âIn de hand des pottenbakkersquot;......94
â X. Een heilige aandrift...........10S
â XI. Droefheid, rampspoed, beroering . . 122
,, XII. Het onverdelgbare Woord ... ⢠⢠'35
â XIII. De Rechabieten....... .... 147
â XIV. Verborgen, maar licht verspreidend.....160
â XV. Het werk der vernieling.........174
â XVI. Jeremia's heerlijkste zang. . . .....189
gt;5 XVII. âHet zwakke riet tot een steunpilaar gemaaktquot; . 203
â XVIII. In den grond om te sterven.......21S
â XIX. De val van Jeruzalem................231
,, XX. Een bewolkte zonsondergang ....... 249
HOOFDSTUK I.
âHET WOORD DES HEEREN GESCHIEDDE TOT MIJ.quot; (Jeremia I ; 4, 11, 13.)
Indien wij de dagen van David en Salomo mogen vergelijken met de lente en den zomertijd in de geschiedenis van Israël, dan was het late herfst toen de geschiedenis, die wij heden willen beschouwen, voorviel. De machtige invloed van Hiskia en Jesaja, die eene korte wijl het geestelijk verval had gestuit, was verbroken; en zelfs de hervormingsmaatregelen van den vromen koning Josia, die meer de oppervlakte des levens dan den hartader des volks roerden, konden het onvermijdelijk naderend oordeel niet afwenden.
De noordelijke stammen Israels waren ballingen in diezelfde velden van Mesopotamië, die eeuwen geleden de bakermat van hun geslacht waren geweest. En Juda, dat zich niet had laten waarschuwen door het lot zijner zusterstammen, ging in snellen vaart denzelfden weg op
2 ,Hct woord des He eren geschiedde tot mijquot;
om eene dergelijke volksramp te gemoet te gaan. Koning en dienaren der kroon, prinsen en volk, profeten en priesters waren al te gader schuldig aan dezelfde gruwelijke zonden, die eertijds de oorzaak der uitroeiing waren geweest van de Kananeesche volken uit het Land der Belofte.
Iedere hooge heuvel had zijne bosschen van groen geboomte, in welks schaduw de afgodische plechtigheden en de afschuwelijke, losbandige natuuraanbidding vrijelijk hunnen loop hadden. Het gansche land was bezaaid met afgodstempels ter eere van Baal en Astarte en al het heir des hemels, en met ontuchtige afgodsbeelden. In de steden zwermde het van de zwart getabbaarde priesters der onheilige mysteriën, in treffend contrast met de wit gskleede priesters van Jehova. Het volk leerde de onzedelijkheid beschouwen als behoorende tot hunnen godsdienst, en gewende zich aan het bezoeken dei-plaatsen, die aan ontucht gewijd waren. Allerlei zonden schoten welig op. De armen werden beroofd, de on-schuldigen valsch beschuldigd; goddelooze mannen lagen overal in hinderlaag om den voorbijganger aan te grijpen; diefstal en moord, overspel en afgodendienst, die onmiskenbare teekenen van diep zedenverval, bezwangerden de drukkende atmosfeer en bloeiden welig op den bezoedelden bodem. Jerusalem echter was het brandpunt van al deze gruwelen. In de straten der heilige stad werd den kinderen geleerd hout te kloven, terwijl de vaders het vuur ontstaken, en de vrouwen het deeg kneedden om koeken te bakken voor Astarte âde
âHet ivoor d des Heer en geschiedde tot mij.quot; 3
koningin des hemels,quot; en voor andere goden dankoffers te plengen. De Tempel met zijne gewijde herinneringen was de hoofdzetel van de Baiilsvereering; zijne voorhoven waren ontwijd door monsterachtige beelden en zinnebeelden, en rondom de heilige gebouwen waren de woningen opgericht van schaamtelooze mannen en vrouwen. Het scheen wel of de koning van Sodom, Melchizedek, koning van (Jeru)salem, uit diens aloude woonstede verdreven had. Aan den voet der Tempelwallen, in de diepte van het dal van Hinnom, vielen dagelijks too-neelen voor, die herinnerden aan de gruwelijkste wreedheden van het heidendom. Daar was de hoogte van Thophet, die haar naam ontleende aan het geroffel der trommen, welke het geschreeuw moesten overstemmen dei-zuigelingen die in het vuur werden geworpen. Het was eene vreeselijke samenvoeging: âDes Heeren Tempel, des Heeren Tempel!quot; was de kreet der hartelooze formalisten ; terwijl daar aan den voet der heilige gebouwen zulke helsche tooneelen plaats vonden. Maar ach, was dit maar de laatste maal geweest in de wereldgeschiedenis, dat de belijdenis van den waren godsdienst aldus vermengd was met duivel- en zondendienst!
In zulk een Sodom van ongerechtigheid moest Gods stem zich laten hooren. De Rechter der gansche aarde moest den goddeloozen een oordeel aankondigen, dat zeker te komen stond, tenzij spoedige bekeering het afwendde. De Goede Herder moest Zijne verdoolde schapen zoeken. Beter ware het te gelooven dat er geen God was, dan te denken dat Hij zwijgend al deze onge-
4
rechtigheden kon aanzien, die de langdurige opvoeding van het volk der verkiezing verijdelde, en zelfs het volksbestaan bedreigde.
Toch, indien Gods stem zich liet hoeren, dan moest het geschieden door den mond van Zijn dienaar. Want, indien Zijne stem onmiddellijk het oor van den zondigen mensch bereikte, dan zou deze hem bf van vreeze doen verstijven, of zij zou hem onverstaanbaar toeschijnen als het rollen van den donder. Daarom is Gods Geest, door alle eeuwen heen, de wereld rondgegaan om zich een toebereiden mond en uitverkoren zielen te verkiezen, waardoor Hij zich verstaanbaar kon maken. Ook heden ten dage zoekt Hij dezulken: nog altijd zijn menschen Zijne gemeenschapsmiddelen met menschen. Tot ons, als tot Ezechiël zegt de Geest Gods: âMenschenkind, gij zult hooren de woorden Mijns monds en gij zult hen waarschuwen in Mijnen naam.quot; Bij de roeping van Jeremia kunnen wij zien, welke soort van mensch God uitverkoren had om de overbrenger van Zijn Woord te zijn, en die ontdekking zal ons grootelijks verbazen ! Wij vinden hier den hemelschen schat in een eenvoudig aarden vat. â Niet in de hoofdstad des rijks, maar in het armelijke dorpje Anathot, drie mijlen noordwaarts; niet een bejaarde man, maar een jongeling; niet onder de edelen en hooggeplaatsten, maar in het gezin van een onbekenden priester; niet een man, krachtig als Elia, welsprekend als Jesaja, bovenaardsch als Ezechiël, maar een jongeling, beschroomd en bescheiden, zich zijne onbekwaamheid bewust, hunkerende naar eene sympathie en
âHet woord des Heeren geschiedde iot mij.quot; 5
eene liefde, die op aarde nimmer zijn deel zouden zijn,â ziedaar het uitverkoren orgaan, waardoor het Woord des Heeren kwam tot die verdorven en ontaarde eeuw.
Niet bij eene oppervlakkige beschouwing, ontdekt men de bizondere eigenschappen, die de Goddelijke keuze op Jeremia deden vallen. Maar, dat is ook geen wonder. De werkkrachten, die God verkiest om Zijne plannen uit te voeren, zijn nimmer dezelfde geweest als die, welke de mensch zou verkiezen. God heeft altijd âhet dwaze dei-wereld uitverkoren, opdat Hij de wijzen zou beschamen, en het zwakke der wereld, opdat Hij het sterke zou beschamen; en het onedele der wereld en het verachte en hetgeen niet is, opdat Hij, hetgeen iet is, te niet zou maken. Opdat geen vleesch zou roemen voor Hem,quot; ââ Uw geslacht moge het armste zijn in Manasse, en gij zelf de kleinste in uws vaders huis â nochtans indien God de hand op u legt, zoo zal Hij door u eene wonderbare verlossing teweeg brengen.
Daar waren echter vele redenen waarom Jeremia had kunnen voorbij gezien worden.
Hij was jong. â Hoe jong weten wij niet; jong genoeg echter om terug te deinzen bij de goddelijke oproeping, met den kreet; âAch Heere, Heere! zie ik kan niet spreken, want ik ben jong.quot; Ongetwijfeld had hij als knaap bizondere voorrechten genoten. Hij stamde uit een priesterlijk geslacht; zijn vader Hilkia kan de Hoo-gepriester geweest zijn, die tijdens zijne heilige bediening in den Tempel de rolle des boeks ontdekte, die een exemplaar bleek te zijn van het Boek der Wet, welke vondst
6 âHet woord des Heere7i geschiedde tot mij.quot;
aanleiding gaf tot de hervorming onder Josia. Zijn oom Shallum was de echtgenoot van Hulda, de Profetes, in wie het vuur van het oude Hebreeuwsche geloof nog helder brandde, zelfs in die dagen van bijna algemeenen afval. Safan, Baruch, Barnot en Hanameël waren waarschijnlijk de makkers zijner jeugd en vormden later een kleine groep, in wier midden de edelste vaderlandsche gevoelens werden gekweekt. Nochtans was Jeremia gelijk aan een kind! God heeft menigmaal de jongen uitverkoren voor buitengewoon belangrijke zaken ; Samuel en Timotheüs; Jozef, David, Daniël en Johannes de Dooper, â en zoo zijn er meer, ook in de ongewijde geschiedenis te noemen. Alle eeuwen door hebben jonge oogen met belangstelling de geschiedenis der roeping van Jeremia onderzocht en de hoop durven koesteren, daar zijne jeugd voor Jeremia geen beletsel was, dat zij daarom evenmin onwaardig zouden bevonden worden voor den bizonderen dienst van God. De eenige vraag, waarvan men in deze onomstootelijke zekerheid moet hebben is deze: of God u waarlijk geroepen heeft; en tot deze zekerheid kan men slechts door het meest nauwgezette zelfonderzoek geraken.
Jeremia was van nature beschroomd en overgevoelig. Het scheen wel of hij eene te gevoelige natuur had meegekregen om de gevaren en moeilijkheden van zijn tijd te kunnen bestrijden. Hij herinnert ons aan den zeebewoner, die gewoon is binnen zijne schelp te leven, maar plotseling beroofd wordt van zijne sterke omheining en naakt en onbeschut tegen de scherpe kanten der rotsen wordt
âHet woord des He er en geschiedde toi mij?''
aangeworpen. De bitterste klacht, die in later jaren vari zijne lippen kwam, was, dat zijne moeder hem in deze wereld van strijd en moeite het leven had gegeven. Ook was het, zinspelende op zijnen van nature beschroomden aanleg, dat Jehova beloofde hem tot âeene vaste stad en tot een ijzeren pilaar en tot koperen muren tegen het gansche land te stellen.quot;
Vele menschen zijn van het maaksel van Jeremia! Zij hebben de overgevoeligheid van een jong meisje, en de zenuwachtige natuur eener hinde. Zij houden meer van de ondiepe baai met haar blanken zandbodem, dan van de krachtige golven, waartegen men met mannenkracht moet worstelen. Zij hebben den rustigen vrede lief, en verlangen niet de Jordaan buiten zijne oevers te zien treden. Toch kunnen dezulken, evenals Jeremia, eene heldenrol in de wereld vervullen, indien zij maar toelaten, dat het staal van Gods kracht hunne natuurlijke zwakheid omlijnt. Zijne kracht wordt alleen in zwakheid volbracht, en Hij vermeerdert de kracht dien, die geen sterkte heeft. Gelukkig hij, die uit zijne volslagen hulpeloosheid kan opzien gelijk Jeremia deed en met hem kan zeggen : âO Heere, Gij zijt mijne sterkte ten dage der benauwdheid;quot; of met Micha: âWaarlijk, ik ben vol kracht van den Geest des Heeren en vol van gericht en dapperheid om Jacob te verkondigen zijne overtreding en Israël zijne zonde.quot;
Jsremia deinsde zeer beslist terug voor den last, dien hem opgelegd werd. â Hij zou het liefst gepredikt hebben Gods genade, Zijne grenzeniooze ontferming, de
7
woord des Heer en geschiedde tot mij.quot;
teederheid van Zijn mededoogen. In de eerste hoofdstukken, waar hij bij het volk aanhoudt om tot God weder te keeren, is daar eene teederheid in zijne stem, en zooveel roerends in zijne woorden, dat men terstond gevoelt hoe zijn hart in zijn werk was. Eenige zijner treffendste toespelingen op natuurtooneelen zijn bestemd om de liefde Gods tot berouwvolle en afgeweken zielen op den voorgrond te stellen. Gods ontferming is als eene âbronwel des levenden waters,quot; in tegenstelling met den brakken inhoud der in de rots uitgehouwen waterbakken, of als de baren van den oceaan, die aangolven tegen het zachte zand, dat zij niet verder mogen overspoelen; of gelijk aan de onuitroeibare liefde van een echtgenoot, die de dagen zijner eerste liefde niet kan vergeten, zelfs niet tegenover de ontrouw, die den vrede van zijn huis heeft verstoord.
Maar belast te worden met eene aankondiging van oordeelen; om den dag der wrake te moeten prediken; om ieder voornemen tot heldhaftig verweren te moeten tegenstaan; om profeten en priesteren tot wie hij zelf behoorde, en wier toorn hij op zich laadde, van de misdaden te beschuldigen, waardoor zij hun ambt onteerden â dat alles was de roeping, die hij het minst van alles begeerde te vervullen. âMij aangaande,quot; riep hij uit, âik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter u betaamde; ook heb ik den doodelijken dag niet begeerd, Gij weet het.quot; fjerem. 17 : 16).
Hij wist, dat hij niet goed ter tale was. Gelijk Mozes kon hij zeggen. âO mijn God, ik ben geen man wel
8
woord des lleercn geschiedde tot mij.quot; 9
ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af toen Gij tot Uwen knecht gesproken hebt, want ik ben zwaar van mond en zwaar van tong.quot; Gelijk Jesaja mocht hij uitroepen: âWee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is: want mijne oogen hebben den Koning, den Heer der heirscharen gezien.quot; â Toen zeide ik: âAch Heerc, Heere! zie ik kan niet spreken, want ik ben jong.quot;
Zij, die in Gods oog de beste sprekers zijn, zijn dikwijls degenen, die het minst met menschelijke welsprekendheid zijn begiftigd; waar die gave overvloedig aanwezig is â die groote macht, waarmede men men-schen kan bewegen â daar is ook groot gevaar om daarop te steunen, en den gezegenden uitslag aan de magnetische kracht der rede toe te schrijven. God echter kan Zijne eer aan geen ander geven. Hij mag den lof, die Hem toekomt, niet met een mensch deelen. Hij wil Zijn dienstknecht niet blootstellen aan de verzoeking om aan zich zeiven te offeren of op zijne eigen kracht te steunen. Laat dus niemand weifelmoedig zijn, omdat hem de gaven ontbreken. Dat ontbrekende zal u nooit beletten de stemme Gods te hooren. Ondanks alle gebrek zal het Woord van God tot u komen; niet alleen om u zelfs wil, maar ook ter wille van hen, tot wie gij gezonden wordt. Het eenige wat God van u vraagt, is onvoorwaardelijke overgave aan Zijn wil; bereidheid om iedere boodschap te brengen, die Hij u opdraagt. Zijn die overgave, die bereidheid uw deel, dan zal het andere
io .jT']ct woord des Ileercn geschiedde tot mij.quot;
u gegeven worden. Hij zal uwe onrust bedaren â âwees niet bevreesd.quot; Hij zal u van Zijne tegenwoordigheid verzekeren. â âIk ben met u om u te redden.quot; Hij zal u uitrusten ten strijde: âToen stak de Heer Zijne hand uit en roerde mijnen mond aan, en de Heer zeide tot mij: âZie Ik geef mijne woorden in uwen mond.quot; Hoe het Woord des Heeren tot Jeremia kwam, weten wij niet; hetzij hoorbaar als tot Samuel, of in de verborgen werkkamer zijner ziel; toen het kwam evenwel, wist hij het. En ook wij zullen het weten, als Zijn Woord tot ons komt. Zij onzer maar het toebereide oor en het getrouwe en gehoorzame hart!
HOOFDSTUK II.
âIK FORMEERDE U.quot; (Jeremia i : 5.)
God heeft Zijn plan met ieder van Zijne kinderen. Van af den voet van het kruis, waar de wieg stond onzer wedergeboorte, tot aan den oever der doodsrivier, waar wij onze wapenrusting afleggen, is daar een pad. dat Hij voor ons bestemd heeft. De steilheid en rotsachtigheid van dat pad, zijne grazige weiden en rustige lanen, zijne steile bergruggen en zijne hellingen naar de vallei der schaduw des doods, dat alles is te voren beraamd en aangewezen door Zijne onvergelijkbare wijsheid en nimmer mistastende liefde. Het pad is bereid, indien wij het maar willen bewandelen.
Van den anderen kant wederom bereidt God ons voor den weg, dien Hij voor ons bestemde. Wij zijn Zijn maaksel, geschapen voor den arbeid, dien Hij te voren voor ons heeft toebereid. Daar komt ons geen moeie-
,,/£ formeerde u.'quot;1
lijkheid tegen op dien weg, waarvoor onze natuur niet is toegerust; eveneens is er geen kracht of eigenschap in ons, die niet vroeger of later tot hare volle ontwikkeling en ontplooiing zal komen.
Van zijne vroegste jeugd af aan, had God een plan met Jeremia, en bereidde hem daarvoor. Nog voordat het zelfbewuste leven ontwaakte in de meest verborgen geboorteure van zijn wezen, had de hand van den grooten Werkmeester van uit den hemel neder gereikt om het zich vormende leven toe te bereiden tot het hooge levensdoel, waarvoor Hij hem bestemd had. Letten wij wel op de samenvoeging dezer twee verklaringen; Ik heb u (jekend en heb u geheiligd en u den volkeren tot een Profeet gesteld: en wederom. Ik formeerde u. God vormt altijd degenen, die Hij gesteld en geheiligd heeft tot
eenig groot werk.
Vragen ook wij wat ons werk is in de wereld. Vragen wij naar het werk, waartoe wij geboren en gesteld zijn, en waartoe wij in de scheppende Gods gedachte zijn opgenomen. Het is ontwijfelbaar dat daar eene goddelijke bedoeling ligt in het feit van ons bestaan. Trachten wij er naar met al de kracht, die wij bij de eeuwig stroomende bron der genade kunnen putten, om die Gods gedachte uit te voeren. En twijfele niemand onzer hieraan, dat wij met al de noodige gaven zijn toegerust, die het Godsplan met ons vereischt. God zelf heeft ons immers gevormd voor de levenstaak, en onzen geest van al de eigenschappen voorzien, die Hij wist dat wij noodig hadden voor deze taak. Onze roeping is het, om met inspan-
âIk formeerde n.quot;
ning van al onze krachten, de twee talenten te gebruiken en te ontwikkelen, die Hij ons gaf. Benijden wij nimmer een ander zijne vijf talenten. Die drie meerdere talenten waren niet noodig voor de bepaalde Godsgedachte, die wij geroepen zijn uit te voeren. Het zij ons volkomen genoeg, als wij beantwoorden aan het goddelijk plan met ons, hetzij dit plan onze verlossing of een of ander voor ons bestemd werk bedoelt. Laat ons nimmer afgunstig van of begeerig naar iets meer zijn. Onze hoogste eerzucht zij, te zijn zooals God ons wilde hebben, en dat altijd zoo goed mogelijk te zijn.
I. Het goddelijk plan: âIk heb u gekend... Ik hehn
geheiligd____ Ik heb u tot een Profeet gesteld.quot; In die
ontaarde eeuw had de eeuwige Ontfermer een zegsman noodig, en het goddelijk raadsbesluit bestemde alzoo Jeremia's geboorte, karakter en levensloop. Hoe dit bestaanbaar kon zijn met den persoonlijken wil en de levenskeus van den jongen profeet, kunnen wij niet verklaren. Wij krijgen alleen de twee pilaren te zien van den machtigen boog, maar den boog zelf niet, daar de nacht der eeuwen hem voor ons onduidelijk maakt, en bovendien onze oogen verduisterd zijn. Daar zijn menschen, die dat mysterie willen ophelderen, door hier het idee der voorwetenschap te pas te brengen. Zij beroepen zich op woorden als: âDie Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd.quot; Maar met deze aanhalen is het mysterie eigenlijk nog ondoorgrondelijker geworden. Het is altijd goed, indien mogelijk, om reeds in de jeugd de richting van het goddelijk plan met ons
14
na te gaan. Vier aanwijzingen kunnen ons daarbij helpen. Ten eerste; onze natuurlijke bekwaamheden; want deze worden, onder den invloed van Gods Geest, talenten en gaven. Ten tweede: de inwendige werking en aandrift des Heiligen Geestes, die in ons het willen en het werken werkt naar Zijn welbehagen. Ten derde, het onderwijs van Gods Woord. Ten vierde: de sprekende feiten en leidingen van ons leven. Wanneer deze te zamenloopen en in een en dezelfde richting heenwijzen, dan behoeven wij niet te twijfelen aan het goddelijk plan met ons. Op deze wijze ontsloot God voor Samuel, Jeremia en Saul van Tarsis de toekomst waarvoor zij
bestemd waren.
Daar zijn echter gevallen, waarin het goddelijk plan niet zoo duidelijk is aangewezen, waarin het leven noodwendig broksgewijze geleefd wordt en iedere levenswending schijnbaar zonder bepaald plan tot ons komt. Dan is
de vraag of wij nochtans durven gelooven, dat God met ieder onzer eene bedoeling heeft; en of wij trouw willen blijven aan onze hoogste idealen, waardoor wij ongetwijfeld het Godsplan helpen ten uitvoer brengen en het eenmaal zullen aanschouwen, in zijne ontsluierde schoonheid en regelmatigheid.
Ons komt het als het verhevenste doel voor, waarnaar wij kunnen jagen, dat wij waar maken in ons leven datzelfde woord, dat God tot Jeremia sprak : âOveral waarheen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles wat Ik u gebieden
zal, zult gij spreken.quot;
Boodschappen Gods te brengen! Gelijk te zijn aan
âIk formeerde
de engelen, die krachtige helden, die Zijn woord doen, gehoorzamende de stemme Zijns woords! Te gelijken op de jeugdige boodschapioopers aan de stations onzer groote steden, die bereid zijn om iedere boodschap over te brengen, waarmede gij hen belast! Te weten, dat uw boodschap u even zeker gegeven is als de brief, die onder de vleugels der postduif wordt gebonden. Voortgaande om de plaats te vervullen, die de Voorzienigheid Gods ons aanwees, maar slechts zoolang als Hij wil, en totdat Hij ons iets anders aanwijst! Ziedaar de gulden geheimen van zegen en blijvend geluk.
II. Karaktervormende invloeden ; Het is zeer belangrijk om cle karaktervormende invloeden na te gaan, die op Jeremia inwerkten.
Ten eerste het karakter en de gesteldheid zijner moeder en de priesterlijke bediening zijns vaders. Dan, de schilderachtige omgeving zijner geboorteplaats, het dorpje Anathoth, dat drie mijlen ten noorden van Jerusalem op den hoogen bergweg gelegen was, omgeven door de beroemde heuvelen van Benjamin, en langs den hollen weg neerziende op de blauwe wateren der Doode zee, die aanklotsten tegen de roodachtige heuvelen van Moab. â Ook de nabijheid der Heilige stad was niet zonder invloed, daar de knaap bij alle heilige feesten kon tegenwoordig zijn, en aldaar het onderwijs der bekwaamste Schriftgeleerden kon ontvangen. â Verder genoot hij den omgang en de vriendschap van godsdienstige huisgezinnen, zooals die van Safan en Maaseiah, die wel zelf het tooneel dezer wereld hadden verlaten.
ïS
âIk formeerde nquot;
maar wier kinderen den godsdienst der vaderen hooghielden, en als hun kostbaarsten schat de nationale letterkunde, psalmen en geschiedkundige overleveringen van later en beter dagen bewaarden. Zijn oom Shallum was de echtgenoot der beroemde en vrome Profetes Hulda, en hun zoon Hanameël was met Baruch, den kleinzoon van Maaseiah, de intiemste vriend van den Profeet, waarschijnlijk reeds sedert zij te zamen als knapen opgroeiden. â Ook kende hij de Profeten Nahum en Zefanja, die even heldere sterren waren als hij aan den donkeren hemel.
Blijkbaar was zijn geest zeer vatbaar voor de velerlei invloeden zijner jeugd. Zijne toespraken wemelen van toespelingen en zinnebeelden, aan de natuur, de nationale gewoonten, het menschenleven en de oudere literatuur des Bijbels ontleend! Nemen wij tot voorbeeld zijne oudste predikatie, waarin hij toespelingen maakt op de geschiedenis in Exodus beschreven ; op de roerende vermaningen in Deuteronomium; op het gebrul van den jongen leeuw en de gewoonten van den woudezel; op den jongen kameel, die zijne woestijnreis volbrengt en op den Arabier der wildernis; op het gemurmel der beek en op het uithouwen der waterbakken. Zijne gevoelige en fijnbesnaarde ziel nam al de indrukken van het afwisselende leven in zich op, om ze weer te voorschijn te brengen. Menig weefsel werd in zijn geest ingeweven; menige bloem drong met haar geur de omheining zijns harten binnen. Vele snaren werden aangeraakt als hij de stemming zijner ziel onder woorden bracht.
i6
âIk formeerde ?/.quot;
Op deze wijze werkt God ook aan ons; zóó vormt en kneedt Hij ons ook. Wanneer gij geroepen wordt tot eene taak of tot eencn strijd, die buitengewoon moeilijk en inspannend voor u is, troost u dan met de gedachte, dat gij bereid wordt tot een ander groot en heerlijk doel, dat gij nog niet zien kunt, maar dat te zijner tijd blijken zal, hoe juist voor dat doel die strijd, die moeilijke taak, u moest voorbereiden. En wanneer gij ernst hebt leeren maken met het leven, dan zult gij op uwen levensweg terugziende ontdekken, hoe alles zóó en niet anders moest zijn, om u geschikt te maken voor de taak die gij zeker niet zoo goed, zoo naar Gods welgevallen, zoo tot zegen van anderen hadt kunnen vervullen, indien uw levenspad niet door tranen, ontbering en diepgaande smart was heengegaan. Al de mazen van ons leven worden geweven door Gods leidende Hand. Gods bedoeling geeft beteekenis aan al de raadselachtige wegen. Wees daarom moedig, sterk en bovenal vertrouwend. Als Hij zich ook langs een spoor van bloed en tranen van u bedient, gij zult daarom uw loon niet weg hebben. Hij vergeet niet!
Jozefs leven geeft ons van die waarheid een treffend bewijs. In later jaren met zijne broeders sprekende over den kuil en den moeilijken weg dien hij had moeten gaan, zeide hij: Gijlieden hadt dit ten kwade gedacht, maar God heeft het ten goede gekeerd.quot;
In hoogen ouderdom terugziende op zijn leven, kon hij Gods bedoeling onderscheiden in die duistere, raadselachtige leiding. Ware hij toen ondervraagd, hoe hij
18 .,//4 formeerde w.quot;
over de goddelijke Voorzienigheid dacht ten opzichte van de beproeving en smartelijke berooving zijner jeugd, dan zoude hij blijkbaar geantwoord hebben; âGod was toen bezig, mij voor mijn toekomstig leven te vormen; Hij bereidde mij toe tot datgene wat Hij voor mij bereid had; Hij tuchtigde en rustte mij uit voor de plaats die mij wachtte en hiervan ben ik verzekerd, daar is niets gebeurd in al die lange vermoeiende jaren, dat ik zonder ernstige schade voor mijzelf en voor anderen had kunnen missen.
Alzoo bereidde God ook Jeremia op bizondere wijze voor zijne taak en onthield hem tevens zijne vertroosting niet: De Heere stak Zijne hand uit, en raakte mijnen mond aan; en de Heere zeide tot mij: Zie, Ik geef Mijne woorden in uwen mond. Op gelijke wijze had de Seraf jaren geleden Jesaja's lippen aangeraakt; en evenzeer herinneren wij ons hoe de Heiland de belofte gaf, dat de Geest des Vaders den mond der discipelen zou zalven, wanneer zij voor de rechtbank der aarde zouden worden gesleept. Het passende woord is eene bizondere gave Gods; zij was de bizondere genadegift aan de gemeente op den Pinksterdag.
God zendt ons nooit uit om Zijne boodschappers te zijn, of Hij zegt ons ook wat wij te doen hebben. Indien wij in Zijne gemeenschap leven, dan zal Hij ons de boodschap, die wij te brengen hebben, in de ziel prenten en ons leven verrijken met de gave des woords, waardoor wij onze medereizigers kunnen bereiken. Zijn er onder mijne lezers, die het als Mozes aan deze koningsgave ontbreekt,
..Ik formeerde it.quot;
zoodat hunne woorden kracht en bezieling missen, laten zij niet staan naar de wijsheid der menschelijke rede, niet naar de gaven der menschelijke welsprekendheid, maar naar de kracht en de toerusting des Heiligen Geestes; hunne bede zal niet vruchteloos zijn. Alleen, alleen maar, moeten wij niets, niets anders bedoelen dan Gods eer en verheerlijking ; dan, maar ook dan alleen zal Gods hand ook onzen mond aanraken, en zal Hij Zijne woorden in onzen mond leggen.
Nog twee andere verzekeringen gaf de Heer hem mede. Ten eerste: âOveral waarheen Ik u zenden zal, zult gij gaan.quot; Dit woord gaf eeno groote beslistheid en zekerheid aan het optreden van den Profeet. Ten tweede: âVrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u om u te redden,quot; spreekt de Fleer. Eene verzekering die, zooals wij in de verdere bespreking van dit geschiedverhaal zien zullen, op merkwaardige wijze vervuld werd.
Ieder van ons kan dezelfde wondere troostwoorden vernemen, wanneer God ons eene zending of eene boodschap opdraagt. Die opdracht kan zeer verschillend zijn; belangrijk of onbeteekenend: de last om een keizerrijk te besturen of een klein kindeke te verzorgen; om een apostel te zijn voor velen bf enkele schaapjes in de wildernis te hoeden. Maar desniettemin zijn wij uitgezonden, zoo waarlijk als Jezus Christus van uit den schoot des Vaders op aarde gezonden werd â uitgezonden om te leeren, te lijden, en Gods wil te volbrengen. Uitgezonden om eene boodschap te brengen, zooals Jozef toen hij de aartsvaderlijke tent verliet. En zoolang
âIk Jorvieerde uquot;
als wij in het aangewezen spoor blijven en de ons opgedragen zending volbrengen â zoo lang is Hij met ons. Zoo lang zijn wij sterker dan de dood, zijn wij meer dan overwinnaars. Zoo lang klinkt de melodie van Zijne stem in ons hart, hoezeer ook angst en verschrikkingen ons omgeven. De vijand moge tegen ons strijden, hij zal ons niet overmogen, want de Heer der heirscharen is met ons, de God van Jacob is onze Toevlucht.
Zien wij ten slotte hoe God aan Zijn dienaar tot tweemaal toe een visioen te aanschouwen gaf. â Ter eener zijde, eene snellijk bloeiende amandelroede, met de verzekering, dat God wakker over hun zoude zijn en Zijn woord snellijk zou gestand doen; ter anderer zijde de ziedende pot, naar het noorden gekeerd, welke het naderende kwaad over de natie voorspelde. â Op dezelfde wijze gaat de slinger van het menschelijk leven heen en weder; nu gekeerd naar de lichtzijde, dan naar de donkere schaduw. Welgelukzalig de mensch, wiens hart gerust is, omdat het vertrouwt op den Heer. Hij wordt onder Gods vleugelen bewaard en woont in het heiligdom des Allerhoogsten. De menschen mogen al hem tegenstaan, zij zullen niet overmogen; hij is omringd door de trouwe zorg van Jehova; veilig als de Israëlieten toen de wolkkolom zich stelde tusschen hen en Farao. Gelijk God tot Jeremia sprak, zoo spreekt Hij ook tot ons: ,,Zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen, want Ik ben met u, spreekt de Heer, om u uit te helpen.quot; (Jerem. I : 19.)
Daar is een tijd gekomen in Jeremia's leven, dat hij
20
âIk formeerde u quot;
schijnt afgeweken te zijn van den weg der volstrekte gehoorzaamheid en het door God voorgelegde plan den rug had toegekeerd. Orngeven door strijd en krakeel en gevloek, als ware hij een woekeraar; met den dood bedreigd, verloor hij den moed en sloeg een zijweg in. Terstond gevoelde hij echter, dat de goddelijke bijstand hem niet volgde. Inderdaad, wij zijn alleen veilig als wij in Gods weg zijn. Zoodra hij echter tot de trouwe volgzaamheid terugkeerde, werden ook de kostbare beloften vernieuwd en vernam hij weder het troostwoord: âIk stel u tot eene vaste stad, en tot een ijzeren pilaar en tot koperen muren tegen het gansche land: zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen, want Ik ben met u om u te helpen.quot;
Is er iemand onder mijne lezers die, verschrikt door de hitte des daags, van zijn post is geloopsn, zooals een dienaar der brandweer terugdeinst voor de verschroeiende vlammen? O, laat hij wederkeeren tot zijne taak, dat hij weder oprichte de trage handen en de slappe knieën. De oude zegen zal wederom zijn deel zijn: God zal hem weder aannemen tot Zijn kind, gebruiken als Zijn werktuig, en Zijne woorden hem in den mond leggen. Was het ook niet de ervaring van Petrus op den Pinksterdag ?
21
HOOFDSTUK III.
BAKKEN UITHOUWEN. (Jeremia II : 13 )
Waarschijnlijk verliep er slechts een kleine tijd tus-schen Jeremia's roeping en zijne aanvaarding der opgelegde taak. Wanneer Gods Geest eenmaal een weg dei-gemeenschap geopend heeft tot de menschelijke ziel, die Hij heeft uitverkoren om Zijn werktuig te zijn, dan onderhoudt Hij die gemeenschap voortdurend; zoo hooren wij ook van deze jeugdige, vurige ziel: âhet Woord des Heeren geschiedde tot mij.quot; Toen het kwam, doortrilde het hem.
Hij stond ternauwernood stil bij de onvermijdelijke botsing, die de goddelijke roepstem voorspelde: hij hield zich niet op, om de diepte van den tegenstand te peilen, die de hemelsche boodschap zou opwekken. Het was hem aangekondigd, dat koningen en rijksgrooten, priesters en volk tegen hem over zouden staan, maar in den
Bakken uithomven. 23
eersten gloed van zijn jeugdig geloof dacht hij meer aan de tegenwoordigheid van Jehova, die beloofd had hem te maken tot âeene vaste stad en tot een ijzeren pilaar en tot een koperen muur tegen het gansche land.quot; â Hoe liefderijk omsluiert God onze toekomst â hoe leidt Hij ons van stap tot stap voorwaarts ! Nochtans is daar een groot verschil tusschen den veerkrachtigen stap der jeugd en de ondervinding van den mannelijken leeftijd. De eerste hoofdstukken van Jeremia verschillen evenzeer van zijne klaagliederen, als het eerste voorjaarsgroen onderscheiden is van het dorre najaarsloover.
Laat ons, terwijl wij zoowel woord als daad van dezen menschelijksten aller profeten beschouwen, van zijne klaagtonen, tranen en gebeden zien op den Godmensch, wiens zachtmoedige geest zoo duidelijk afgeschaduwd en weerkaatst werd in dien van Zijn dienstknecht. Hij werkt alle eeuwen door, door Zijne dienstknechten om de zonde in iederen vorm te bestrijden en Zijn rijk van gerechtigheid en vrede te grondvesten. In het woord van Jeremia vernemen wij Zijne vurige smeekingen en vermaningen; in Jeremia's gebed hooren wij de echo van de onuitsprekelijke zuchtingen des Heiligen Geestes; in Jeremia's worsteling, den goddelijken tegenstand (strijd) tegen vleesch en bloed, en tegen de geweldhebbers dezer wereld; in Jeremia's Klaagliederen zien wij de goddelijke smart over menschelijken onwil. Deze Priester en Profeet van het aloude Jerusalem van David en Salomo, had een wonderen levensweg af te leggen; hij moest namelijk, gering als hij was in zijn leven, het kruis van
Bakken uiihouwen.
den Man van smarte, zoowel als van den eenigen Meester en Profeet van het herstelde Jerusalem afschaduwen.
Beschouwen wij thans Jeremia's dubbelen last. â Toen hij zijne bediening aanving, en zich tot dat doel van Anathoth naar Jerusalem begaf, was Josia, ofschoon nog maar een en twintig jaar oud, reeds dertien jaar lang Koning van Juda. Hij was juist begonnen met hervormingsmaatregelen in zijn land, die het oordeel over stad en volk uitstelden, ofschoon zij het niet meer konden afwenden. Zijn optreden was krachtig, bijna geweldig. âMen brak voor zijn aangezicht de altaren der Baals af, en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bosschen ook en de gesneden en gegoten beelden verbrak en vergruisde en strooide hij op de graven dergenen die hun geofferd hadden. En de beenderen der priesters verbrandde hij op hunne altaren, en hij reinigde Juda en Jerusalem. (2 Kron. 34 : 4, 5). â Wat zullen de kauwen gekwaakt hebben toen het hooge geboomte was geveld, waarin zij sinds zoovele geslachten genesteld hadden! Gedurende zeventig jaren was hier openlijk de grofste afgoderij bedreven. De losbandige uitspattingen die daar plaats hadden, werden beschouwd als een deel van den godsdienst en waren maar al te zeer in overeenstemming met den diepgezonken volkssmaak.
Was het dan wonder dat het hervormingswerk, door Josia ter hand genomen, alleen de oppervlakte raakte en het volk niet in waarheid veranderde en dat de jeugdige Profeet geroepen werd om tegen de eigenlijke kern van de volksstemming te getuigen?
24
Bakken uithouwen.
Israël had in die dagen maar ééne gedachte: n. 1. de uiterlijke erkenning van Jehova te behouden, door de handhaving van Tempel en offerdienst. Men meende als deze maar streng werden nagekomen, dan was er geen oorzaak om hen van afval te betichten. Zij hielden op dien grond vol dat zij niet verontreinigd waren en herhaalden met vermoeiende eentonigheid : âdes Heeren Tempel, des Heeren Tempel zijn deze! (Jerem. 7 : 4.)
Jeremia nu werd geroepen om aan te toonen, dat deze vormdienst volstrekt onvruchtbaar was, en zeer wel ver-eenigbaar met een innerlijk verlaten van God. Evenals de blos bij den teringlijder, was het uiterlijke hier slechts eene bedekking van den worm, die aan den hartader des volks knaagde. Evenals de bloem aan den rand van den afgrond, verbergde het de noodlottige helling. Uiterlijke belijdenis kan samengaan met volslagen ongeloof en wel met den ergsten vorm van ongeloof, omdat het hart iedere beschuldiging afwijst met het zwaard van de belijdenis der lippen.
Zóó beschouwd kan men begrijpen, hoe de aanklacht tegen zijn volk in zoo kernachtige, vurige taal door den jeugdigen Profeet geuit werd. Hij sluit zoowel Priesters als Wetgeleerden, Schriftgeleerden als Profeten in zijne vernietigende beschuldiging in. Het dal van Hinnom, met zijne gruwelijke plechtigheden, wordt als getuige tegen hen opgeroepen. Het bloed der kinderen, die daar geofferd werden, ontdekte hij aan de zoomen huns kleeds, de groene boomen op de hoogten fluisterden hem toe wat zij gezien hadden onder de schaduw hunner takken,
25
Bakken nithouwen.
iedere heuvel sprak van schanddaden die niet konden verborgen blijven. Voorwaar, geen zinnebeeld wordt verzwegen om het volk zijne ontrouw voor te stellen jegens hun Verlosser en Koning. (Jerem. 3 : 20.)
Nog een anderen last had Jeremia: hij moest waarschuwen tegen eene verbindtenis met Egypte. Het kleine Kanaan lag tusschen de twee elkander vijandige rijken bij den Nijl en den Eufraat, evenals Zwitserland tusschen Frankrijk en Duitschland ligt. Het was daarom voortdurend blootgesteld aan het doortrekken van groote legers, of aan de vijandelijke in vallen van een der krijgvoerende naburen. Het was altijd de staatkunde van eene sterke hofpartij te Jerusalem geweest, een bondgenootschap met Egypte of met Assyrië te sluiten. Ten tijde van Hiskia en Manam helde men meer over tot Assyrië, thans was men meer geneigd het bondgenootschap met Egypte te zoeken. De Profeet kwam evenwel met kracht hiertegen op. Waarom zoude zijn volk zijn lot verbinden aan dat van een heidensch volk ? Was God niet hun Koning ? Zou Hij hen niet te hulp komen bij groote rampen ? Waarlijk, voor hen was de beste staatkunde om alleen te staan; vrij van elke vreemde verbindtenis, steunende op de macht van Jehova alleen. Zijne plannen uitvoerende, Zijne wet houdende. Zijnen wil gehoorzamende. âWat hebt gij te doen met den weg van Egypte, om de wateren van Sihor te drinken? En wat hebt gij te doen met den weg van Assur, om de wateren der rivier te drinken? (Jerem. 2 : 18, 36, 37).
Dit was dus de roeping van Jeremia â alleen te
20
Bakken uithouvuen.
staan, te protesteeren tegen de zonde zijns volks, die bedekt werd door hun voorgewenden eerbied voor Jehova, terwijl zij Hem alleenlijk als Israels bizonderen beschermgod aanbaden naast vele valsche goden; en ten derde; de staatkunde der regeering te wederstaan, die een verbond zocht met het eenige volk, dat in de uren des ge-vaars die hen bedreigden, in staat scheen hun de noodige hulp te bieden. Deze drievoudige roeping moest hij betrachten tegenover den hevigsten tegenstand. Hier was dus een priester, die de zonde der priesters, een profeet, die de leugens der profeten moest ten toon stellen. En dit was geen lichte zaak; hen te moeten beschuldigen dat zij de breuk van de dochters huns volks op het lichtst geheeld hadden, zeggende: âVrede, vrede,quot; terwijl er geen vrede was: het bevreemdt ons dus niet, dat de machtigste partijen in den staat tegen hem samenspanden, evenals in later dagen Pilatus en Herodes vrienden werden!
Letten wij nu op de voorstellingen die hij gebruikt;
Een berglandschap; in eene kleine grasvlakte ontspringt eene bron uit de diepte, en stort hare wateren als een zilveren lint naar beneden in het dal. Men hoort het water kabbelen, en men kan zijn spoor volgen door den weligen plantengroei na te gaan. Daar is steeds water genoeg, voor jong en oud, voor de dorps- en gehuchtbewoners, en naarmate de bedding der beek verbreed wordt, ook voor de bewoners der steden, waar zij voorbij stroomt. De oevers van dit water zijn echter eenzaam, geen beker of emmer daalt af in de kristalheldere
27
Bakken uithouwen.
28
diepte; schijnbaar onnut vloeit het water daarheen. Ver verwijderd van dit vruchtbare dal, hoort men het geluid van den beitel en weldra ziet men menschen van allerlei ouderdom en rang, bezig met het maken van waterbakken, ten einde hunne woningen te voorzien van water. Zweetdroppelen parelen hen op het voorhoofd, terwijl zij daar van den vroegen morgen tot den laten avond hunnen zwaren arbeid voortzetten, en worstelen met het wederspannige graniet. Zij willen zich niet bedienen van de half uitgehouwen waterbakken, die hun voorgeslacht in den steek liet, noch van iets dat zij gebruikten. Iedereen heeft zijn eigen plan, zijn eigen doel. Hij arbeidt daaraan, wanneer de voorjaarszon het nieuwe, groene kleed over de weiden heenwerpt en is nog aan het werk, als de zomerhitte de steengroeven tot een oven maakt. Terwijl anderen de rijpe druif en het goudgele graan verzamelen, blijft deze voortzwoegen en gaat er zelfs mee door, als de winterkoude de vingeren verstijft. Na jaren arbeids bereikt hij zijn doel en heeft den waterbak gereed, waaraan hij zooveel levenskracht besteedde. Hij roept zijne buren bijeen om zijn voleindigd werk te bezien, en wacht zeer ongeduldig op eene regenbui. Zie, daar daalt zij neder, en de arbeider is vervuld van trots en blijdschap bij de gedachte aan den watervoorraad, dien hij zich heeft weten te verschaffen. Maar helaas, het water blijft niet; nauwelijks is het in zijn waterbak gekomen of het zakt weg; er moet ergens een noodlottige barst zijn, of wel de steen is te poreus. De ongelukkige komt tot de ontdekking, die ieder
Bakken uiikonwen.
zijner buren op zijne beurt gedaan heeft, dat ook met de uiterste zorg de in de steengroeven uitgehouwen waterbakken geen water houden. Welk een ontzachlijke misgreep is dat; de waterfontein voorbij te zien, die altijd en overvloedig water geeft om den dorst te lesschen, en de gebroken waterbakken uit te houwen, die slechts teleurstelling en wanhoop brengen. Toch, de Profeet zegt het, was dit Israels juiste toestand. Zij hadden gehandeld als geen ander volk, van af de ver verwijderde westersche eilanden der Chitteërs tot aan het oosten van Kedar. De heidenen ten minste waren trouw aan hunne goden. Ieder land behield zijne eigen goden, ook al waren het geen goden, zij behielden nochtans dezelfde godsdienstvormen en vereering van geslacht tot geslacht. Het volk van Jehova echter had Hem verlaten, zooals eene jonkvrouw haar versiersel of eene bruid hare bind-selen aflegt, en in het naloopen van valsche goden en heidensche verbindtenissen hadden zij zichzelven gebroken bakken uitgehouwen, die hen in de ure van nood en gevaar in den steek zouden laten.
Op aandoenlijke wijze herinnert de Profeet hen aan het verleden. De weldadigheid hunner jeugd, de liefde hunner ondertrouw, hun ijver in het navolgen van den Heer : het lied der verlossing dat zij zongen na hunne verlossing door de Roode zee heen, dit alles was eene treurige tegenstelling met de rampen die thans het land teisterden. In den naam van Zijnen God vraagt de Profeet naaide oorzaak van dezen jammerlijken afval.
Dit gansche hoofdstuk (Jerem. 2) is vol vragen, alsof
29
Bakken uithouwen.
God den grond wilde opsporen waarom zij Hem verlaten hebben. âO geslacht, aanmerkt toch des Heeren woord ! Ben Ik Israël eene woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: âWij zijn Heeren, wij zullen niet meer tot U komen ?quot;
Daar is in het menschelijk leven geen droever gewaarwording, dan de ondervinding van verminderende liefde, waar wij machteloos tegenover staan. Dat ontneemt den glans aan ons oog, en de veerkracht aan onzen voet; het gansche leven schijnt ons verduisterd. De vloed kan weer opkomen, de oude liefde weder-keeren en op nieuw ons deel zijn, maar dit zal de herinnering aan den tijd der verkoeling niet wegnemen, zoomin als de vreeze dat die verkoeling terugkomt.
Deze menschelijke ervaring zal ons iets doen verstaan van de smart des Eeuwigen, als Hij Israël, Zijn volk, dat Hij zooveel liefde bewezen had, zich zag af-keeren en tot vreemden worden. Inderdaad, het was bitter hen tot een hout te hooren zeggen âGij zijt mijn vader; en tot een steen: Gij hebt mij gegenereerd.quot; Hun afval was voor den Heer gelijk aan eene huisvrouw, die den man verlaat die haar lief heeft en tot een anderen man gaat.
Passen wij nu die beeldspraak van den Profeet op ons zeiven toe. âHoevelen van mijne lezers hebben zich ook niet waterbakken uitgehouwen; hoevele dorsten niet naar het water dat hunner ziele dorst zal lesschen, dorsten en zoeken te vergeefs naar verzadiging. Ziet ook hen is God zeer nabij, ook voor hen heeft de goddelijke
3°
Bakken uithomven.
fontein water in overvloed : alleenlijk zij zien het niet want zij zoeken die lessching van hun dorst niet bij God den Oneindige, maar bij menschen en de dingen dezer aarde; hoevele waterbakken worden er niet gehouwen. Hier is het Genot nagejaagd ten koste van gezondheid en rust; daar Rijkdom, ginds wederom Roem en Eer.
Maar meer nog dan die alle is daar de waterbak der Menychelijke Liefde, die, schoon als ze op zich zelve ook moge zijn als eene openbaring der goddelijke Liefde, toch nimmer den dorst eener ziel bevredigen kan die daarop alleen leerde steunen, daarin alleen verzadiging zocht, daarop alleen leerde bouwen. Ach, wat is die menschelijke liefde een onzekere, een onbetrouwbare schat, wat baart ze niet eene smart en teleurstelling! In de taal van Jeremia gesproken zijn al deze dingen âgebroken bakken, die geen water houden.quot; En in dagen van donkerheid en smart zullen zij, die daarop vertrouwden, ondervinden, dat zij op een zandgrond gebouwd hebben.
HOOFDSTUK IV.
DE TWEEDE PREDIKING. (Jeremia 3â4 )
Wij vernemen niet, welke de indruk was die Jeremia's eerste prediking maakte. Het is onmogelijk, dat Jerusalem de vurige toespraak van den jongen prediker heeft aangehoord, waarin hij zoo ernstig waarschuwde tegen do staatkunde der volksleiders en de misbruiken der priesters, zonder te gevoelen, dat een nieuwe wachter het strijdperk des openbaren levens was binnengedrongen. Van af dat oogenblik was de invloed van zijn heilig voorbeeld en van zijne vurige toespraken bestemd, om zich gedurende vierenveertig jaren machtig te doen gevoelen onder het volk. Op nieuw scheen daar eene ster dei-hope boven het afgeweken volk, want in de met verschijnselen van naderende ontbinding bezwangerde lucht, was wederom eene verstaanbare stem doorgedrongen, die Gods vermaningen en roepstemmen overbracht.
De tweede prediking.
In zijne tweede toespraak, die zich uitstrekt van het derde tot het zesde hoofdstuk, is Jeremia's taal nog krachtiger en aangrijpender. De vlam schiet hooger op; het zwaard is scherper gewed, maar de toorn is teeder-der en zelfs sidderend. Wij vinden hier bovenal den geest van den Heiland, die de blindheid en hardnekkigheid der menschen beweent, naarmate het vooruitzicht van een naderend oordeel helderder voor de ziel treedt, en de tegenstand tegen Gods verlossende liefde duidelijker geopenbaard wordt. In zijne eigen roerende woorden, was Jeremia een lam, dat ter slachting geleid werd (Jerem. ii : 19), maar hij was ook sterk als een leeuw in zijn streven om het oordeel af te wenden, dat zich reeds als zware wolken aan den gezichteinder samenpakte en dreigde het dierbaar vaderland te verwoesten. Indien één rein en heilig gemoed Juda had kunnen redden door zijne smeekingen, waarschuwingen en tranen, dan voorzeker had Jeremia dit gedaan. Maar het mocht niet zijn; het kwaad had te diep wortel geschoten, de kanker was te ver doorgedrongen, het slechte zaad, door Manasse gestrooid, te ver in den bodem gedrongen. Dit was echter in den eersten tijd van Jeremia's bediening nog niet gebleken, en met al de hoopvolle verwachting der jeugd, meende hij het onheil nog te kunnen afwenden. Zekerlijk, zoo meende hij, zou eene waarschuwende stem, die het kwaad ernstig bestrafte, en eene vaste hand, die het roer van het vaartuig stuurde, het schip nog in kalm, diep vaarwater brengen.
Nochtans â Jeremia voorzag het naderend oordeel.
33
3
De tweede prediking.
Bij den aanvang zijner bediening verheugde het land zich, zooals wij reeds zagen, in korte tusschenpoozen van vrede; die dagen waren gelijk aan het flikkerend lichtje op het gebergte, in donkren nacht. Het was een weldadig tijdperk van rust na de onrustige, vroegere eeuwen, en daar bestond waarschijnlijkheid, dat die rust duren zoude. Het machtige rijk van Assyrië was verzwakt door inwendigen strijd; Babylonië werd langzamerhand een geduchte mededinger van Nineveh; de Mediërs, onder Xyaxaus, begonnen naar de westelijke heuvelen van het Taurus gebergte af te zakken, terwijl Psammeticus het in Egypte te druk had met de uitdrijving van de Assyrische bezetting, met de bevestiging van zijn rijk, en het grondvesten zijner dynastie, om zijne begeerte uit te strekken tot het kleine, naburige koninkrijkje. Jona kon dus zijne hervorming rustig voortzetten, want aan den horizont waren geen oorlogswolkjes te zien. â Het was nu in dit tijdperk der regeering van Koning Jona, dat de nieuwgezalfde Profeet de mannen van Jerusalem en Juda ontzette, door hen bekend te maken, wat hij van zijn wachttoren had waargenomen.
Hij had de bazuin gehoord, die de landlieden bij hoopen deed vluchten naar de vaste steden. Hij had den leeuw zien opkomen uit zijne haag om het land te stellen tot verwoesting; hij had het geroep der wachters gehoord van afliet noorden, van Dan en van Efraim af tot aan Jerusalem toe, die de komst van den vijand aankondigden. Hij had de verwoesting des lands gezien, en de haastige vlucht van de verdedigers der heilige stad,
34
Dc tweede prediking.
sommigen naar de bosschen, anderen naar de rotsen en spelonken. Ja, en hij had de dochter Zions gezien, die hijgende en in benauwdheid uitriep: âO wee mij, want mijne ziel is moede van wege de doodslagers.quot;
Zoo zeker was hij van de werkelijkheid van hetgeen hij profeteerde, dat hij zich tot zijne broeders van den stam Benjamin wendde, die eene wijkplaats in de hoofdstad hadden gezocht, en er bij hen op aandrong, dat zij nog verder zouden vluchten, naar het zuiden toe. Hij aanschouwde reeds de toebereidselen tot het beleg, en hoorde de klaagtonen der belegeraars, omdat de dag zich heeft gewend en de avondschaduwen zich neigen. Hij beschreef den invallenden vijand als een groot en machtig volk, dat Israël zou wegmaaien zooals de oogst werd weggemaaid; wreed en meedoogenloos als nachtelijk rondzwervende wolven. Hun zwaard zou een schrik zijn, hun krijgsgeschreeuw oorverdoovend als het bruischen der zee, hunne wagenen en ruiteren onwederstaanbaar. Zelfs het gerucht hunner daden was voldoende om ieder, die ze hoorde, in benauwdheid te brengen. â De woorden van den jeugdigen Profeet waren als vuur tot hout. (Jeremia 5 : 14).
Men heeft weleer gemeend, dat deze profetiën zagen op den inval der Scyten, die omstreeks dien tijd in ontelbare menigte westelijk Azië overstroomden. Deze barhaarsche horden beantwoorden echter niet geheel aan de beschrijving van den profeet. Het schijnt, dat zij Palestina niet doorgetrokken zijn, maar langs de oostelijke of westelijke grens zijn voorbijgegaan. Het schijnt
35
De tweede prediking.
daarom juister om die dreigende aankondiging toe te passen op den inval van Babylon in Juda, die dertig jaar later plaats had, maar waarvoor het volk zoo herhaaldelijk gewaarschuwd was, opdat zij hunne gruwelijke afgoden zouden wegdoen en terugkeeren naar de Fontein des Levenden waters.
Jeremia droeg leed om de ongerechtigheid zijns volks.
Het gevoelige hart van Jeremia was ter dood toe bedroefd over de zware oordeelen, die hij moest aankondigen. Door de gansche rolle zijns hoeks heen ontmoeten wij uitdrukkingen, die van zielsangst getuigen. Lief als hij zijn vaderland had, was het voor hem eene harde zaak om de naderende verwoesting der heilige stad te beschouwen. De heerlijkste herinneringen zijner volksgeschiedenis gingen aan zijnen geest voorbij, terwijl hij de volgende smartkreten uitte:
âHet zwaard reikt tot aan mijne zielquot; en wederom: âMijn hart, mijn hart, ik heb barenswee. O wanden mijns harten, gij zult breken, mijn hart krimpt weg binnen iu mij, ik kan niet zwijgen.quot; Hij vereenzelvigde zich met zijn land, âhaastelijk zijn mijne tenten verstoord, mijne gordijnen in een oogenblik.quot; Hij worstelt tegen den ontvangen last om het oordeel aan te kondigen, totdat hij niet meer kan zwijgen en moede is geworden van inhouden. Hij spreekt Jerusalem aan als de dochter zijns volks, en vraagt haar zich in de asch te wentelen, in rouw te dompelen, den rouw als voor een eenigen zoon ! Hij vraagt hoe hij getroost kan worden in zijne droefheid, dewijl zijn hart bezwijkt binnen in hem. Hij wenscht,
37
dat zijn hoofd water ware, en zijn oog een springader van tranen, zoodat hij dag en nacht mocht beweenen de verslagenen van de dochteren zijns volks.
Hij zwerft alleen over het gebergte, weenende en weeklagen opheffende, omdat de weiden verdord zijn, omdat er geen stemme is van het vee en zelfs het lied der vogelen verstomd is. âWee mij,quot; roept hij uit, âmijne plage is smartelijk!quot;
Hij had geen andere keus, hij moest de oordeelen aankondigen, die hem te zien gegeven werden, maar daar waren tranen in de stem, die ze aankondigde. Het was er zoo verre van af, dat hij dien kwaden dag begeerde, dat hij gaarne zijn leven zou hebben gegeven om hem af te wenden. Zijn levenskelk was vervuld van denzelfden geest, die den Meester in later jaren tranen deed storten over de schuldige en ten doode gedoemde stad. â Dit zij ons ter beschaming! Wij hebben allen noodig iets meer van dien geest in ons te bezitten. Daar is niets vreeselijkers dan Gods bedreigingen tegen de zonde, Zijne oordeelen over de ongerechtigheid uit te spreken, zonder eenig gevoel van smart en medegevoel. Indien wij ai geroepen zijn tot spreken over het toekomend oordeel, laat het dan niet zijn zonder voorafgegane uren van eenzaam gebed, tranen en zielestrijd.
Men kan het hart van den zondaar slechts bereiken, wanneer men medegevoel met hem heeft. Slechts dan, wanneer wij persoonlijk de ontferming van den Heiland hebben ervaren, mogen wij het wagen het âwee uquot; op de lippen te nemen, dat Hij uitsprak tegen Farizeën
De tweede prediking.
38
en Sadduceën. De groote fout bij ons ligt hierin, dat wij in algemeenheden ons verliezen en niet tot bizonderhe-den afdalen; of ook, dat wij geijkte woorden gebruiken, die door hun veelvuldig, gedachteloos en gevoelloos gebruik hunne beteekenis hebben verloren. â Ach, als wij ons eens meer indachten, hoe groot de waarde van eéne enkele onsterfelijke ziel is, en hoe ontzettend daarom het verloren gaan van zulk eene ziel is ! Als wij eens wisten, hoe nameloos, hoe onuitsprekelijk de duisternis der hel moet zijn voor den van God afgevallen mensch! Als we eens iets van de beteekenis verstonden van den worm, die niet sterft en het vuur, dat niet uitgebluscht wordt. â Geen beter middel om iets van deze ontzachelijke dingen te leeren verstaan, dan ons voor te stellen of in te denken wat het zou zijn, indien eene ziel, die we liefhebben als ons leven, die ons meer geldt dan onze eigen ziel, verloren ging. Gevoelen wij daar iets van â brengen wij dan onze gedachten van die enkele ziel over op de vele zielen, die daar dolen door de woestijn der zonde; gaan wij van de eene ziel over tot eene verloren wereld. Oordeelen wij niet allereerst die dolende zielen, die verloren wereld; leeren wij ze beschouwen met iets van de ontferming van den Heiland, bf althans met iets van de smart, waarmede wij de ziel die ons lief is, zien afwijken. Indien wij dan geplaatst worden voor diepten van zonde en afval, voor verloren en te gronde gegane levens, voor ziels- en doodsangsten, die niet dan de bezoldiging der zonde zijn, dan zullen wij niet anders dan met sidderende stem en tranen in het oog en een ontfermend hart
De tweede prediking.
van Gods oordeelen kunnen spreken. Dat is de eenige weg. waarlangs wij het hart van den medezondaar kunnen bereiken, dat de eenige prediking, die overtuigend en onwederstaanbaar zal blijken te zijn om een zondaar te doen wederkeeren van de dwaling zijns wegs. Daar is niets ontzettenders dan te hooren spreken over de groote mysteriën van leven en dood, van hemel en hel, van de rechter- en linkerzijde van den rechterstoel des Aller-hoogsten, zonder de ontferming der ziel, die slechts verkregen wordt door eene nauwe levensgemeenschap met den Heiland der wereld.
Hoe hooren wij Jeremia van verlossende genade getuigen !
Weinige onder de gewijde schrijvers hebben zulk een diep en waar inzicht gehad in de liefde Gods. Het is altijd weder in de eerste hoofdstukken van Jeremia dat berouwvolle afgewekenen hun troost in de verzekering van vergiffenis zoeken en vinden. Het woord âafkeerigenquot; is een kenmerkend woord van den Profeet.
Naar Jeremia's opvatting kon de zonde Gods liefde niet doen verkoelen. Daar kan verkoeling komen tusschen man en vrouw, de huwelijksband kan verbroken worden door zonden en ontrouw; maar al waren onze overtredingen zwaarder en talrijker dan die der vrouw tegenover den man, of van den man tegenover de vrouw, nochtans kan zij de liefde niet afsnijden, die van eeuwigheid tot eeuwigheid is. De wolken kunnen de zon wel verduisteren, maar niet uitdooven. De zonde kan ons de openbaring van Gods liefde doen missen, maar nimmer
39
4°
Zijne liefde aan ons onttrekken. (Jerem. 3 : 1) Gods liefde openbaart zich dan ook in vergevende genade. Hij eischt alleen, dat wij onze zonden zullen belijden en erkennen, dat wij onzen weg bedorven en onzen God vergeten hebben. Hem is het genoeg, als wij de eigen belijdenis overnemen, die Hij ons zelf op de lippen legt: âZiet wij komen tot U, want Gij zijt de Heer onze God,quot; en Hij verzekert ons, dat onzer zonden en ongerechtigheden niet gedacht zal worden. â Gods liefde doet ons nooit naar onze zonden. Hij ontfermt zich terstond op het berouw. Hij behoudt niet eeuwiglijk den toorn. Hij staat tusschen ons en de beproeving, die over ons komt, gelijk het zachte zand aan het zeestrand ligt tusschen der menschen woningen en de schuimende golven van den oceaan. Hij wacht op onzen terugkeer, met de verzekering: âIndien gij tot Mij wilt wederkeeren, o Israël, zoo zult gij wederkeeren.quot; â O, aanmerken wij toch hierin de liefde onzes Gods: Wij hebben alles verbeurd, maar de heerlijke erfenis, de rust der ziel, de vrede des harten, de gemeenschap met den Eeuwigen, alles kan ons deel worden â- indien wij maar wederkeeren.
Goddelijk Evangelie! dat afkeerige harten trekt en roept en weder toelaat tot den kring der eeuwige erbarming, en weder toebereidt ten eeuwigen leven!
HOOFDSTUK V.
BIJ DEN INGANG DES TEMPELS. Jeremia 7â10.
Wij moeten de Boeken der Koningen en der Kronieken opslaan om de belangrijke beweging goed te verstaan, die plaats had in de dagen, toen Jeremia zijne eerste twaalf hoofdstukken schreef. Hij spreekt over 't geheel weinig van de groote hervorming, die zijn vriend Koning Josia tot stand bracht, en wederom wordt diens naam ternauwernood genoemd in de geschiedbeschrijving. Daar is echter geen twijfel aan, dat hij in geregelde gemeenschap was met den Koning en met de kleine groep ernstige hervormers, die om den Koning geschaard waren, waaronder ook Shafan, Hilkia, de Profeet Zefanja, de Profetes Hulda en zijn eigen vriend Baruch zich bevonden.
Reeds bij den aanvang zijner regeering koesterde Josia hervormingsplannen, maar hij leed onder den doodenden tegenstand der volksonverschilligheid. De dienst der af-
Bij deJi ingang des tempels.
goden had zooveel bekoring; het voorbeeld der aangrenzende volken werkte zoo machtig; de indruk op de zinnen was zoo groot, dat de groote massa des volks volstrekt niet begeerde terug te keeren tot de strenger en zuiverder aanbidding hunner voorvaderen. Bovendien had niet Salomo, vierhonderd jaar geleden, tegen de zuidelijke helling van den olijfberg de heerlijke tempels opgericht ter eere van Astoreth, de godin van Sidon, van Chemosh en Milcom, de volksgoden van Moab-Ammon ? Was daar niet gansch een leger van valsche profeten en priesters, die als parasieten steeds weliger voortteelden ? Werd niet het kleine kuddeke ijverige hervormers met alle macht tegengewerkt door diezelfde priesters en profeten, die hunne godgewijde roeping vergetende de leugen dienden, en door hunne medewerking als het ware het zegel dei-goddelijke goedkeuring zetten op den gruwel der verontreiniging, die bij den eeredienst plaats had?
De medewerking van Zefanja en Jeremia was daarom van het grootste gewicht. Terwijl Jona naar buiten werkte en onverbiddellijk met zijne reiniging en beeldstormerij doorging, werkten zij meer inwendig en deden een beroep op hart en geweten, ten einde de rechten van Jehova, den God van Israël, bij de onnadenkende menigte erkenning te doen vinden; zij wezen den afgodendienaars op het ongerijmde van het vertrouwen op de schepping hunner eigen verbeelding, en zij kondigden telkens weder het komend oordeel aan, dat het gansche volk treffen zou als eene straf voor de volkszonden, waardoor de geheele natie verwoest werd.
42
Bij den ingang des iempels.
Maar niettegenstaande deze vereende pogingen maakte de hervorming slechts geringe vorderingen, ja, er scheen zelfs vrees te bestaan, dat de aanvankelijke opwekking tot niets zou leiden, toen eene ontdekking in het achttiende jaar van de regeering van Josia een nieuwen en ongedachten stoot gaf aan het godsdienstig leven in Israel. En hoewel deze gebeurtenis niet bepaald in verband stond met het leven van Jeremia, was hij toch zoo nauw verbonden met de mannen, die er bij betrokken waren, en droeg zijne derde prediking zoo duidelijk de sporen van gehouden te zijn, onder den indruk van de hervormingen, door die gebeurtenis te weeg gebracht, dat wij niet kunnen nalaten er in korte woorden melding van te maken.
I. Het vinden der wet.
Ten tijde dat deze gebeurtenis voorviel, werd er aan het herstel van den Tempel gearbeid. Dit was meer dan noodig, want in de gewijde voorhoven had men de ontuchtige zinnebeelden der afgoderij opgericht, en daarnaast, op de plek, waar eens David had aangebeden, en Salomo zijne handen opgeheven in het plechtig, hooge-priesterlijk gebed, daar bevonden zich thans de woningen der rampzalige mannen en vrouwen, welke aan dien god-deloozen eeredienst verbonden waren. Waarschijnlijk begon het gebouw zelf ook sporen van ouderdom en verval te toonen, want er waren twee en een halve eeuw verloopen, sedert de geheele herstelling door Joas.
43
Bij den ingang des tempels.
Het werk werd uitgevoerd onder toezicht van den Hoogepriester Hilkia, daarin bijgestaan door een klein aantal Levieten, terwijl de kosten werden bestreden dooide bijdragen dergenen, die de poorten des Tempels binnentraden. Op zekeren tijd zond de koning, Safan, zijn schrijver en kanselier, den vader van Gemarja en een goed man â dezelfde, die later Jeremia verdedigde Jer. 36 : 10, 11, 12 â ten einde met Hilkia het geld, dat door de dorpelwachters verzameld was, te verrekenen. Toen deze gewichtige zaak vereffend, en het geld afgegeven was aan de mannen, die toezicht hielden op het werk, zeide Hilkia, de Hoogepriester tot Safan, den schrijver: âIk heb het Wetboek in het Huis des Heeren gevonden.quot;
Dit was eene hoogst verrassende mededeeling. De Rab-bijnsche overlevering leert, dat de vondst gedaan is onder een hoop steenen, waaronder men het boek verborgen had, in den tijd, dat Ahas al de andere afschriften dei-gewijde boeken had doen vernietigen. Ook beweren sommigen, dat het bock geborgen was in de ark, destijds door Ahas naar een der zijvertrekken van den Tempel gebannen, waar het onder stof en allerlei rommel voor het oog verborgen was gebleven. Tevens heeft er veel verschil van meening bestaan omtrent den inhoud van het gewijde handschrift. Sommigen hielden het er voor, dat de rol den geheelen pentateuch bevatte, anderen daarentegen waren van meening, dat men alleen het Boek Deuteronomium gevonden had.
Na ernstige overweging zijn wij geneigd aan te nemen,
44
45
dat men hier in het bizonder met het boek Deutero-nomium te doen heeft, zonder daarom de andere boeken van Mozes buiten te sluiten. Het is boven allen twijfel verheven, dat elke koning bij zijne troonsbestijging juist dit gedeelte van den pentateuch moest overschrijven, ten einde het elke zeven jaar aan het verzamelde volk te doen voorlezen. De bewoordingen, waarin het verbond, later door Josia met zijn volk gesloten, vervat zijn, treft men overal aan in het Boek Deuteronomium; en de eigenaardige uitdrukkingen, waardoor dit boek gekenmerkt wordt, vindt men gedurig weder in de toespraken en vermaningen van Jerernia. De invloed daarvan deed zich in zijne woorden gevoelen, evenals dit het geval was met die van A mos, Hosea, Jesaja en Micha.
De ontdekking, door Hilkia gedaan, verwekte een even groot opzien, als later het vinden van den Bijbel in de boekerij van het oude Augustinerklooster in Erfurt. Safan las er een gedeelte uit voor aan den koning, onder meer, waarschijnlijk ook het acht-en-twintigste hoofdstuk. âHet geschiedde nu, als de Koning de woorden des Wetboeks hoorde, dat hij zijne kleederen scheurde.quot; In allerijl zond hij eenige zijner meest vertrouwde vrienden naar eene der voorsteden, waar de profetes Hulda woonde. Jeremia hield' zich omstreeks dien tijd wellicht te Anathoth op; het kan ook wezen, dat zijn arbeid nog te zeer in den beginne was, om aan zijn persoon eenig gezag toe te kennen in zulk eene gewichtige aangelegenheid. Het gold hier de vraag, of het volk de vreeselijke straffen zou moeten ondergaan, die door deze woorden aangekondigd
Bij den ingang des tempels.
werden; en het antwoord hierop was een onverbiddelijk âJa, al mocht die bezoeking ook eenigen tijd verschoven worden.quot;
Zonder dralen riep de koning eene groote vergadering bijeen, van al de oudsten van Juda en de inwoners van Jerusalem, en de priesters en profeten en al het volk van den minste tot den meeste, en staande op eene verhevenheid, opgericht bij den ingang van het binnenste des Tempels, las hij voor hunne ooren al de woorden van het Boek des Verbonds, dat in het huis des Heeren gevonden was. Daarna hernieuwde hij op plechtige wijze het verbond tusschen Jehova en het volk om den Heer na te wandelen, en Zijne geboden en Zijne getuigenissen en Zijne inzettingen te houden. Wellicht werd er, â volgens de opvatting van een zeker schriftuitlegger â een os geslacht en traden de koning en het volk tusschen de verspreide stukken door, ter bezegeling van hun plechtig voornemen.
Na deze gebeurtenis breidde de hervorming zich met vernieuwde kracht uit. Het godsdienstig gevoel des volks was hoog gestemd, en de hervormers maakten gebruik van deze gunstige gelegenheid. De in het zwart gekleede priesters werden niet langer geduld; de zinnebeelden der afgoderij uit den Tempel geworpen, en buiten de stad verbrand; de woonplaatsen der rampzalige dienaren van den dienst der zinnen vernield; Tofeth werd verontreinigd, en de hoogten met den grond gelijk gemaakt. Aldus keerde Israël, voor het uiterlijk althans, terug tot zijne trouw aan den God zijner vaderen, en werd het vrij van den smet der afgoderij.
46
47
II. De scheiding tusschen Godsdienst en zedelijkheid.
De invloed van het hof; het vinden en het lezen dei-Wet; de diepe indruk, die de viering van het groote Pascha, door Josia opnieuw ingesteld, maakte; de opgewonden kruistocht tegen de oude afgoderijen â dit alles bracht voor een tijd eene groote hervorming te weeg, en het wispelturige volk hield zich ten minste oogen-schijnlijk aan den dienst van Jehova. In de voorhoven des Tempels verdrongen de bezoekers elkander; de gebruiken en voorschriften van den Levietischen eeredienst werden nauwgezet opgevolgd, en het ceremonieel volgens de inzettingen van Mozes met de grootste zorgvuldigheid nageleefd.
Maar daar had geen ware verandering des gemoeds plaats. De hervorming was geheel oppervlakkig. Onder die schoonschijnende oppervlakte heerschte de zonde in den grofsten vorm eener gruwelijke verdorvenheid, die nu en dan aan het licht kwam, en slechts wachtte op den dood van Josia om zich voor goed te openbaren.
Jeremia was tot in het diepst zijner ziel verslagen over een dergelijken uitslag eener beweging, waarvan hij zich zooveel goeds beloofd had. Hij doorgrondde den waren aard dier verandering, en hij zocht naar eene gelegenheid om te kunnen aantoonen, hoe onvoldoende eene dergelijke bekeering was om de wrake Gods, die als eene dreigende onweerswolk aan den hemel opkwam, af te wenden.
Bij gelegenheid van een feest, toen het volk van Juda
Bij den ingang des tempels.
en de inwoners van Jerusalem zich opgemaakt hadden om Jehova te aanbidden, plaatste hij zich bij den ingang des Tempels en brak los in een stroom van beschuldigingen en vermaningen.
Hij was er niet blind voor gebleven, dat het volk de uitoefening van den openbaren eeredienst geheel ten onrechte voor godsdienst hield. De wierook uit Scheba en de kostelijke, welriekende kalmus uit Arabië en Indië werden gebrand in de voorhoven des Tempels, die zij met geuren vervulden. (Jer. 6. 20.) Zij waren gewoon van den Tempel te spreken, als van het Huis Gods; en van zich zelf als van zijn volk, staande voor Zijn aangezicht. (Jer. 7. 10.) Het brandofferen en slachtofferen werd zorgvuldig in het oog gehouden, en de priesters en het volk nuttigden slechts die gedeelten van het vleesch, waarvan het gebruik hun door de Wet van Mozes was toegestaan. (Jer. 7. 21.) Het volk ver-hoovaardigde er zich op, dat de Wet des Heeren bij hen was, meenende daardoor eene bizondere aanspraak op Zijne lankmoedigheid te hebben. (8 8.) En bij elke aanklacht, die de profeet inbracht, wezen zij hem op de orde en de schoonheid van den herstelden eeredienst; op hun heerlijken Tempel; op hun bevoorrechten toestand, als de uitverkorenen Gods ; en zij riepen ; âDes Heeren Tempel, des Heeren Tempel, des Heeren Tempel zijn deze!quot;
Maar onder bedekking van dit uiterlijk godsdienstig vertoon werden de grofste zonden schaamteloos bedreven en geduld.
48
49
Eeu der beschuldigingen door Jeremia tegen zijn volk ingebracht was, dat zij zich niet meer konden schamen. (VIII : 12). Het schandelijke hunner zonde bleek duidelijk uit hun schaamteloosheid. Zij onderdrukten den vreemdeling, den vaderlooze, de weduwe. Diefstal, moord overspel werden in het openbaar bedreven. Hunne geweldenarijen waren zoo gruwelijk, en kwamen zoo veelvuldig voor, dat het scheen, alsof men met een roovers-bende te doen had, wier hol de Tempel was; leugentaal ontglipte aan hunne lippen als pijlen aan den boog; en terwijl men zich vertrouwelijk met zijn naaste onderhield, was men er op uit hem te verraden. Hoewel de afgodendienst uitgeroeid was op de hooge plaatsen des lands, zoo hield hij nog stand in de huizen der aanzienlijken, die aan het hout, dat zij den vorm van een afgod gegeven hadden, hun goud en zilver, hun zijde en purper verkwistten.
Daar bestond een in het oogvallende scheiding, tus-schen godsdienst en zeden; een noodlottig verschijnsel, zoowel in het leven der volkeren als in dat van enkele personen. Satan zelf heeft geen bezwaar in een godsdienst, die bestaat in ceremoniën, vormen en uiterlijkheden. Integendeel; hij werkt zulk een godsdienst in de hand. De ziel des menschen vraagt naar God. en heeft behoefte aan godsdienst, en nu is de groote vijand dei-zielen er op uit, het namaaksel voor de werkelijkheid te geven, en hij tracht het verlangen naar godsdienst te bevredigen met voorstellingen en afbeeldingen van het eeuwige en goddelijke â ongeveer zooals men een
4
Bij den ingang des tempels.
mensch zijn honger zou doen stillen met spijzen, die alle voedende kracht missen, en waardoor zijn gezondheid en zijn kracht langzamerhand ondermijnd worden. Er kan niet met genoeg nadruk gewezen worden op het feit, dat de ziel des menschen zonder God geen rust kan vinden, geen vrede kan hebben; terwijl zij toch maar al te zeer geneigd is, om zich te vergenoegen met wat geen brood is, en wat geen verzadiging geeft.
III. De verontschuldigingen waarachter de ziel des menschen zich verschuilt.
I. Vormendienst. Het is een oud geloof, dat God als het ware verplicht was een volk of een persoon bij te staan, die zijn uitwendige godsdienstplichten behoorlijk waarnam; alsof Hem geen andere keus overbleef, dan Zijn trouwen aanbidder te helpen.
Deze opvatting heeft zich onder verschillende vormen, bij elk volk en in elk tijdperk geopenbaard.
âWat kan God meer verlangen/' roept de heiden, âdan dat ik brandofiferen offer en eenjarige kalveren, duizende rammen en tienduizende van oliebeken; mijn eerstgeborene voor mijne overtreding, de vrucht van mijn lichaam voor de zonde mijner ziel?quot;
âWat kan God meer verlangen,quot; vraagt de vormen-dienaar van onzen tijd. âIk werd onmiddelijk na mijne geboorte opgenomen in de kerk; ik heb mij aan al hare verordeningen onderworpen; ik doe mijn best om
5°
5i
hare inzettingen te houden, en aan mijne kerkelijke verplichtingen te voldoen; ik laat mij door vvêer noch wind terughouden van het bijwonen der openbare bijeenkomsten, en zooveel in mijn vermogen is steun ik de stoffelijke belangen der kerk. Wat ontbreekt mij nog ?quot;
Onophoudelijk wordt er in den Bijbel gewaarschuwd tegen dergelijke al dan niet uitgesproken beschouwingen. âWat eischt de Heer van u?quot; zegt Micha, âdan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, in ootmoedigheid te wandelen met uwen God.quot; (Micha VI; 8). âWat zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers?quot; zegt de Heer in een van Jesaja's eerste hoofdstukken; en de profeet vervolgd nog steeds sprekende in den naam van God, âIk ben zat van de slachtoffers der rammen, het reukwerk is mij een gruwel.quot; En Jeremia spreekt hier in denzelfden geest. Hij zegt letterlijk: âDoet al uwe brandofferen weg ⢠houdt u niet meer aan de priesterlijke voorschriften u door Mozes gegeven; breekt met den vormendienst; viert niet langer feest en eindigt uwe vasten.quot; Deze dingen zijn God, tot op zekere hoogte onverschillig, wanneer zij in de plaats moeten komen van gehoorzaamheid en van een heiligen wandel. (VII : 22.)
Als het hart vrede heeft met God, dan zal het in de aanbidding in het heiligdom de voldoening eener innerlijke behoefte vinden. De uiterlijke plechtigheden zullen middelen zijn om de ziel door gemeenschap en uitstorting te versterken, maar het uitwendige kan nimmer de plaats vervullen van het inwendige. De ziel moet God kennen en Hem aanbidden als een Geest. Daar moeten
Bij den ingang des tempels.
geloof, berouw en innerlijke genade gevonden worden. ,,God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid.quot; Door alle eeuwen heen is het Hem om zulk een aanbidding te doen geweest.
2. De voorbestemming. De menschen zeggen menigmaal gelijk de Joden: âWij zijn verlost om al deze gruwelen te doen; wij zijn nu eenmaal zoo gemaakt, wij worden meegesleept door een onweerstaanbare strooming, waarover wij geen macht hebben.quot; Hoe menigeen werpt den blaam zijner zonde op Zijnen Schepper, alsof er alleen sprake ware van de natuurlijke neigingen, die hem bezielden. Hoe menige vrouw wijt de schuld van haar onuitsprekelijken val aan de macht der omstandigheden, waaraan zij ten speelbal was! Daar zijn zelfs godsdienstige fatalisten, die zoo ver gaan, van de oorzaak hunner zonden in de uitverkiezing van den Almachtige te zoeken. Welke waarheid daar ook aan de leer der predestinatie ten grondslag moge liggen, dit is zeker, dat wij daardoor nooit vrij van zonde zullen zijn in het oog van God en van Zijne engelen. De genade, die God schenken wil is meer dan voldoende om het geweld van den stroom te keeren en de macht van den hartstocht te breken.
3. Bizonclere voorrechten. Menige ziel laat er zich op voorstaan een gunsteling des hemels te zijn.
âIk ben wijs, de wet des Heeren is met mij. Hij heeft mij van noode voor de instandhouding Zijner waarheid, voor de volvoering Zij ner plannen. Ik ben te zeer
52
S3
vereenzelvigd met Zijne zaak, dan dat Hij zou kunnen gedoogen, dat ik verloren ging. Het mag gaan zoo liet wil, Hij zal mij veriossen.quot; Verdwaasde ziel, neem u in acht! meen niet, dat gij onontbeerlijk zijt voor God. Voor dat gij er waart werd Hij even goed gediend; en als gij Hem ontrouw wordt, kan Hij anderen roepen, om Zijne bevelen te volbrengen. Zie wat Hij deed aan Silo en aan Jerusalem! Hoe ledig de plaats, hoe treurig de verwoesting! Indien God het groene hout niet spaarde, wees gewaarschuwd, dat Hij ook u niet sparen zal. Neem u in acht, opdat het Koninkrijk Gods niet van u weggenomen worde, en gegeven aan een volk, dat zal weten vruchten voort te brengen.
HOOFDSTUK VI.
HET âAMEN DER ZIEL. Jeremia 11,5.
Het woord van den profeet, dat geschreven staat in het vijfde vers van het elfde hoofdstuk, heeft eene diepe beteekenis voor elke vrome ziel, die geroepen wordt om tusschen God en zijne medemenschen te staan. Maar het heeft ook eene ver reikende bedoeling voor allen, die in dit raadselachtige en moeitevolle leven, de goddelijke leerschool moeten doorloopen. Jeremia was zich bewust van den bizonderen stroom der goddelijke kracht, die in en door zijne ziel was gegaan. âHet woord was tot hem gekomen van den Heer.quot; Dit is een van de drie uitdrukkingen, waarvan hij zich bediende. Soms staat er, âhet woord van den Heer, dat tot Jeremia kwam;quot; soms, âaldus sprak de Heersoms, zooals hier, âhet woord, dat tot Jeremia geschiedt is van den Heer.quot; Waarschijnlijk was dit woord in hem als een brandend vuur, dat zich niet liet bedwingen. Het moest zich een uitweg banen; maar waar het na ernstige overweging over zijne lippen kwam, daar beantwoordde hij de goddelijke boodschap zeggende; âAmen, o Heer!quot;
Het âamen der ziel.quot;
Daar is iets zeer verhevens in zijne houding. Zooals wij gezien hebben was Jeremia van nature zachtaardig, meegaand, begaan met de zonden en de rampen van zijn volk. Niets was verder van hem dan te verlangen naar den dag des kwaads ! Niets zou hem gelukkiger gemaakt hebben dan de rol van een Jesaja te mogen vervullen, in dit tijdperk van verval in de geschiedenis zijns volks. Maar wat mogelijk was voor den grooten, evangelischen profeet in de dagen van Hiskia, was thans onmogelijk. In de dagen van Jesaja bewogen de grootsche overleveringen van het verleden, de nationale trots van het volk, en de beloften Gods zich allen in dezelfde richting. Maar ten tijde van Jeremia bestond er een niet te loochenen verschil tusschen de strooming van het door valsche profeten geleidde volksgevoel en zijne opvatting van het woord Gods.
Het moet hem zeer zwaar gevallen zijn te bewijzen, dat de profeten ongelijk hadden, en dat hij gelijk had; herhaalden zij dan niet, wat Jesaja honderd maal gezegd had? Waarom was eene staatkunde, die wilde, dat men den overweldiger weerstand zou bieden verkeerd, toen Jeremia optrad; terwijl zij goed was, toen Jesaja het gansche volk door zijn krachtig geloof in geestdrift deed ontsteken? In den eersten tijd zijner bediening vooral zal het den profeet een langdurige strijd geweest zijn, geheel alleen pal te staan tegenover den krachtigen stroom van volksgevoel en vaderlandsliefde, waarin de valsche profeten hun steun vonden. En toch, terwijl hij de vreeselijke oordeelen en bedreigingen der goddelijke
55
56 Het ..iDncuquot; der ziel.
gerechtigheid predikt, en zijn volk hun onvermijdelijk lot voorspelt, daar is hij zoo doordrongen van het gevoel der goddelijke rechtvaardigheid, zoo zeker dat God niet anders handelen kan, zoo overtuigd, dat de zonden van Israël, geoordeeld door de hoogste zedelijke wet, geen ander vonnis verdienen â dat zijn gansche hart er mee instemt, en niettegenstaande hij het oordeel over Israël uitspreken moet, hij zich gedrongen gevoelt uit te roepen : âAmen o Heer.quot;
Iets dergelijks treffen wij aan in de geschiedenis der verloste Kerk. Toen God haar gericht had, die met hare ongerechtigheden de wereld verdierf; en het bloed Zijner dienaren van hare handen eischic, toen riepen de gezegende geesten, die de diepe lessen der Goddelijke liefde aan de bron en den oorsprong dier liefde hadden leeren kennen; toen riepen zij, terwijl de rook der verwoesting ten hemel steeg: âAmen, Halleluja!quot;
Het is opmerkelijk na te gaan hoe in beide gevallen het besef van eene wel Verdiende straf en een rechtvaardig oordeel het zwijgen oplegt aan elke opwelling van medelijden, zoodat de meest gevoelige en zachtzinnige naturen in staat zijn te berusten in dingen, waartegen zij zich onder andere omstandigheden tot het uiterste zouden verzet hebben.
Bij deze twee voorbeelden mogen wij een derde voegen, dat waar onze Heer, als Hij degenen, die vermoeid en belast waren riep om tot Hem te komen, in één adem sprak van de dingen, die voor de wijzen en ver-standigen verborgen, maar aan de kinderkens geopen-
11 ct âamenquot; der ziel.
baard waren; en eindigde met de woorden: âJa. Vader! want alzoo is geweest het welbehagen voor U.quot; âWant zoovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem, Ja, en zijn in Hem Amen, Gode tot heerlijkheid door ons.quot; (Matth. XI : 26; 2 Cor. I : 20).
Dit is ook de uitspraak van den Heiligen Geest. Als de stem uit den hemel de docden. die in den Heer sterven zalig spreekt, dan zegt de Geest âja.quot; Onder deze gansche bedeeling stemt de Heilige Geest in met de uitspraken der Kerk en den gang der Goddelijke Voorzienigheid. Te diep om door menschelijke ooien te worden verstaan, spreekt de Geest zijn âAmen.quot;
I. De instemming der ziel.
Met de Voorzienigheid Het is ons dikwijls als reisden wij langs een moeielijken weg in eene bergachtige streek met een sterken, wijzen en liefderijken gids aan onze zijde, die beloofde ons veilig naar de plaats onzer bestemming te geleiden. Daar zijn op onzen weg schuimende watervallen, die zich met woest geweld naar omlaag storten, maar wier donkere wateren wij moeten doorwaden, al dreigt de geweldige stroom ons mee te sleepen ; daar zijn ondoordringbare wouden en wildernissen, waarin de zonnestralen zich geen weg kunnen banen, en waar de wilde dieren hun leger hebben; daar zijn rotsen zoo steil en paden zoo vol scherpe steenen, dat het bijna onmogelijk schijnt verder te gaan; daar zijn lange tochten door de troostelooze woestijn, waar de heete gloed verblindt, waar de zonnestralen zijn als zooveel scherpe pijlen en
57
58
men dankbaar is voor de geringste schaduw van eenig verschrompeld struikgewas; daar zijn steile hoogten en paden zoo nauw, dat men rakelings langs den gapenden afgrond gaat. In vroeger jaren weken wij, door schrik bevangen terug; in later jaren smeekten wij om een minder moeielijk pad, om een aangenamer weg, en benijdden wij anderen; maar thans is ons leven een lang, een innig, een voortdurend herhaald âAmenquot; op de leiding van Hem, die naast ons gaat, en door Wien elke stap van te voren bepaald is.
Wij moeten echter niet in eene dwaling vervallen, en meenen, dat het ons mogelijk zijn zou dit âAmenquot; terstond in vervoering en met geestdrift uit te spreken. Ach neen, het wordt zoo menigmaal geuit onder snikken, die niet bedwongen, onder tranen, die niet gedroogd kunnen worden.
Zoo ging het Abraham, toen hij zich losrukte uit het Ur der Chaldeeën; toen hij lange jaren moest wachten op de geboorte van een zoon; toen hij met een bloedend hart de hoogte van Moria besteeg. Mogelijk komen deze woorden onder de oogen van enkelen, die jaar in jaar uit gekluisterd zijn aan een pijnlijk ziekbed; of die treuren onder het onherstelbaar verlies eener geliefde zusterziel; of die gebukt gaan onder aardsche zorgen en bekommeringen, en die voortdurend aan allerlei verdriet en angst ten prooi zijn, â en het is te verwachten, dat zij de mogelijkheid betwijfelen zullen om ooit een âAmenquot; op de donkere leidingen Gods uit te spreken, dat zij vragen zullen: âWat baat het,
Het âamen'quot; der ziel.
dat woord uit te spreken met de lippen, terwijl het hart daartegen in opstand komt ?quot;
Tot eenig antwoord verwijzen wij allen, die zoo spreken, naar onzen gezegenden Heiland, die in den Olijvenhof berustte in den wil Zijns Vaders, en zulks terwijl het angstzweet Hem uit het lichaam gedreven werd, gelijk het sap door den wijngaardenier uit de druiven geperst wordt. Hij twistte niet met zich zelf. Hij wist, dat het genoeg was, indien Hij op deze lage aarde, waarop Hij door Zijn menschwording neder gedaald was, instaat zou wezen van ganscher harte te belijden : âHet is Mijn welbehagen te doen den wil Mijns Vaders;quot; âniet Mijn wil, maar Uw wil geschiedde lquot;
Heb den moed âAmenquot; te zeggen op de leidingen van Gods voorzienigheid. Zeg het al bezwijken ook uw vleesch en uw hart, zeg het onder een storm van tegenstrijdige gevoelens, zeg het onder een stortvloed van tranen, zeg het al moest het uw laatste woord wezen: en gij zult ervaren, dat waar de wil zich voegt, het hart er ten laatste mee zal instemmen. En dan, na verloop van dagen zult gij door eene onvoorziene gebeurtenis, door een kromming in den weg, door een samenloop van omstandigheden, eensklaps tot de volle overtuiging komen, dat Gods weg de naaste, de wijste en de beste was. âWat gij nu niet weet, dat zult gij na dezen verstaan,quot; zoo klinkt de voortdurende geruststelling van onzen God: en deze woorden verkrijgen niet alleen hunne vervulling in de toekomende wereld, maar
59
Het ,,amenquot; der ziel.
zij worden ook verwezenlijkt in het heden, aan deze zijde van de paarlenpoort.
2. Met de verborgenheden Gods. â Daar zijn verborgenheden welke de schranderste denkers, de diepzinnigste godgeleerden, de Johannessen en Paulussen dei-kerk niet kunnen doorgronden; wegen wier spoor zich in de ruimte verliest; klanken en kleuren, die door niemand ontleed kunnen worden; beweegredenen en drijfveeren in de geestelijke wereld, die ontgaan aan het scherpste waarnemingsvermogen van de verstandigen en wijzen onder de kinderen der menschen. De mensch, die Gods voetstappen zou willen volgen, verliest het spoor in de diepte, en het oog, dat Zijn handelingen zou willen nagaan, wordt verblind door een glans, waarbij het zonlicht verbleekt; en elke redeneering moet eindigen met den uitroep: âO diepte des rijkdoras, beide der wijsheid en der kennisse Gods! hoe ondoorgrondelijk zijn Zijne oordeelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen.quot; En zoo moet het wezen, omdat God God is. Wij zijn deelgenooten van Zijne natuur, zooals een kind dat is van zijn vader: maar het verschil tusschen ons bevattingsvermogen kan niet afgemeten worden naar den afstand tusschen het ontwakend bewustzijn eens kinds en de volle ontwikkeling van het verstand des mans, omdat men zich in het eerste geval in het eindige beweegt, terwijl er in het andere sprake is van het eindige en van het oneindige. Al ons zoeken leert ons God niet kennen, noch den Almachtige doorgronden. Geen peillood zoo diep, geen instrument zoo zuiver, geen maat-
6o
ÃI
staf zoo groot, al werd het heelal tot richtsnoer genomen, waarmee God gepeild, ontleed of gemeten kan worden.
De hoogten des hemels, de diepten der hel wat zijn zij bij Hem vergeleken ?
Maar al kunnen wij de gedachten Gods niet begrijpen, toch kunnen wij er mee instemmen. Onze vermogens zijn nog niet genoeg ontwikkeld, nog niet tot rijpheid gekomen, en daarin ligt de oorzaak van ons niet begrijpen. Wij verkeeren nog in een tijdperk der kindsheid: onze taal is het gestamel eens kinds; onze denkbeelden zijn de gedachten eens kinds. Maar wij kunnen de dingen, die geen oog gezien heeft en in geen men-schenhart opgekomen zijn, doch die ons op de bladzijden der Schrift geopenbaard worden, wij kunnen ze aannemen, ze gelooven, en er ons bij nêer leggen.
Er bestaat geen twijfel of de dood van Christus heeft ten volle aan den eisch van de Goddelijke Wet voldaan; maar toch heeft het verlossingswerk duistere punten. Niettemin roept onze ziel vertrouwend uit, âAmen, Heer \quot; Wij weten niet, waarom God ons verkoren heeft; hoe Christus in zich zeil de Goddelijke en de menschelijke natuur kan vereenigen; noch hoe de Heilige Geest de wedergeboorte in het hart eens zondaars werkt. âHoe kunnen deze dingen bestaan?quot; Ziedaar de vraag, die menigmaal opkomt in het hart desgenen, die deze verborgenheden bepeinst. Maar wanneer Hij, die tot ons gekomen is uit de sfeeren van het eeuwige licht, ons de vaste verzekering geeft van hetgeen Hij weet, en
02
getuigenis van hetgeen Hij heeft gezien, dan nemen wij Zijn getuigenis aan, en zeggen ootmoedig, âAmen, Heer!quot;
3. Met het oordeel. Gods oordeelen met de godde-loozen zijn in het verborgen. Het vraagstuk omtrent de tegenwoordige en de toekomende straf is een van de grootste en ontzaggelijkste verborgenheden, waarin de menschelijke geest zich verdiepen kan. Evenals Mozes vreezen en sidderen wij, wanneer wij de met storm bezwangerde hoogten van den Sinaï beklimmen, het rollen van den vloek-aankondigenden donder hooren, en den feilen bliksemstraal eener gloeiende verontwaardiging den schuldige zien treffen. Dergelijke overdenkingen doen als van zelf de vraag bij ons opkomen of ooit de dag zal aanbreken, waarop wij in staat zullen zijn met kalme berusting het ontzaggelijke lijden te aanschouwen dat degenen, die de liefde Gods in Christus verworpen hebben, zullen moeten ondergaan. Zullen wij den zegen des hemels kunnen genieten zoolang daar een hel is ? Zal daar mogelijkheid op geluk bestaan zoo lang daar éên schaap verloren is, één paarl aan het snoer, één steen aan de kroon, ééne stem uit het koor ontbreekt ?
Een gedeeltelijk antwoord wordt ons op deze vragen gegeven, als wij uit den mond van den zachtmoedigste der profeten bij de aankondiging van de verwoesting zijns volk, waarover hij heete tranen moet vergieten, de woorden vernemen, âAmen Heer!quot;
Wij kunnen niet verwachten, dat deze geheele overgave
63
van verstand en hart reeds de onze zal zijn; daarvoor is onze opvatting der Goddelijke gerechtigheid nog te onvolkomen, onze schatting van het vreeselijke der zonde nog te gering, onze kennis van de gesteldheid van het heelal nog te gebrekkig. Wisten wij meer van zonde en heiligheid, meer van de liefde Gods, meer van het krachtig pleiten van Zijn Geest bij de menschen, meer van het algenoegzame Zijner pogingen om zondaars tot staan te brengen en te redden, meer van de slagboomen opgericht om de goddeloozen tegen te houden in hun val, ja dan zouden wij beter kunnen begrijpen hoe het Jeremia mogelijk was te zeggen âAmen Heer!quot;
Er is eene treffende gedachte in Ezechiel XIV, 23 2^ . waar God zegt, dat wanneer wij de wegen en handelingen der zondaars zullen zien bij het licht, dat van den grooten, witten troon over hun gansche leven zal geworpen worden, wij dan vertroost zullen worden over het kwaad, dat Hij over hen gebracht heeft. En de profeet gaat voort met aan te toonen, dat God niet zonder oorzaak doet al wat Hij gedaan heeft.
Die tijd is nog niet daar, maar het is een wondervolle profetie van troost en berusting, welke bij het licht der eeuwigheid in de harten zal dalen dergenen, die gekneld en bedroefd werden als zij acht gaven op het deel der goddeloozen. Abraham zal getroost worden over de verwoesting der steden uit de vlakte; Jeremia zal getroost worden, als hij terug ziet op het lot van Jeruzalem; en Paulus zal getroost worden, als hij denkt aan de langdurige verbanning van het zaad van Abraham
Het âamenquot; der ziel.
uit hun land, en aan hun dwalen met moeden voet en verslagen hart door alle oorden der wereld. Ook wij, wij zullen vertroost worden als wij den ondergang der goddeloozen aanschouwen.
11. Be grond van den vrede der ziel.
âJa, Vader!quot; Op het eerste gezicht schijnt het ons toe alsof het hart des menschen er nooit toe komen zal, vrede te hebben met de ontzettende en moeielijke toestanden, waarvan in de vorige bladzijden sprake was. Zoolang moeders hare zuigelingen liefhebben, en erbar-ming gevoelen over hare zonen; zoolang de eene ziel aan de andere ziel verbonden is met de hechtste en innigste banden van menschelijke liefde; zoolang wij kunnen lijden en smachten, hopen en beklagen, terwijl het geheugen de herinnering van het verleden wakker houdt, terwijl de liefde heerscht en de ziel haar rechten doet gelden â moet het ons eene onmogelijkheid toeschijnen, datgene wat onbestaanbaar is met de gevoelige, menschelijke natuur te vereenigen met de liefde van God. âNeen,quot; roept gij uit, âdaar zijn dingen, waarin ik nooit kan toestemmen; besluiten, waaraan ik nooit mijne goedkeuring kan hechten; vonnissen, die ik nooit kan onderschrijven; mogelijkheden, waarop ik nimmer âAmen Heer!quot; kan zeggen Vindt die tegenkanting uwer ziel echter niet haar oorzaak in het feit, dat gij deze dingen oordeelt van het standpunt des ge-voels of der menschelijke redeneering of uit het oogpunt
64
Het âamenquot; der ziel.
van verkeerd begrepen beweegredenen der menschelijke handelingen; of in uwe begeerte om te staan in het heiligdom Gods â het brandpunt en centrum, waar de hoogste wijsheid zetelt â ten einde ingewijd te worden in de verborgenheden der verheven zedewet en der eeuwige verordeningen ?
En dwalen wij niet grootelijks, als wij meenen, dat onze liefde teerder, ons gevoel inniger, en ons medelijden dieper is dan van den Vader?
Als wij vermoeid en bezwaard zijn door de raadselen des levens, die het hoofd doen duizelen en het hart afmatten, laten wij dan onzen blik daarvan afwenden en dien richten op den Vader van onzen Heer Jezus Christus, uit Wien elke straal van liefde in het heelal is gevloeid; en ons herinneren, dat door Hem niets toegelaten of beschikt kan worden, wat niet bestaanbaar is met de meest liefderijke en rechtvaardige wijze, waarop een aardsche vader met den zoon van zijn rechterhand, met zijn Benjamin, met den oogappel zijns ouderdoms handelen zou. Op die wijze zult gij in staat gesteld worden om te zeggen: âAmen, Heer!quot;
Als gij stilstaat bij de verborgenheden der Verzoening, bij de donkerheden van plaatsvervanging en offerande, van voorbeschikking en verkiezing, van de ongelijke bedeeling van het licht des Evangelies, wend u dan tot God als den Vader der Lichten, in wien geen duisternis is en geen schaduw van liefdeloosheid, geen zweem van iets, dat onbestaanbaar zijn zou met volkomen goedertierenheid. Hij is uw Vader, de Vader van onzen Heer
65
5
Het â(1111611'' der ziel.
Jezus Christus, het symbool der innigste, menschelijke genegenheid. Waag het Hem te vertrouwen, en in de kracht van dat vertrouwen te zeggen : âAmen, Heer.quot;
Wanneer gij den zwaren slagboom ziet, die door dc verlossing gevallen is tusschen u en het droevig deel der goddeloozen ; wanneer tal van bedenkingen zich aan uw geest opdringen, zooals de kreten eener oproerige menigte tot de gewijde afzondering eens tempels doordringen, wend uw oog dan af, en blik in het gelaat des Vaders, wiens oogen niet gesloten zijn voor hetgeen u bezwaart, en waag het te gelooven, dat er noch in den hemel, noch op de aarde, noch in de hel iets gebeuren kan, wat niet in overeenstemming is met eene liefde, die de ouderliefde in het aanzijn riep; die het teederste gevoel bij Maria ontwaken deed, toen zij haar zuigeling aan het hart drukte; en die den Eengeboren Zoon overgaf in den dood des kruises tot verlossing der mensch-heid: dan zal er een nieuwe klank gehoord worden in de stem, waarmee de ziel het âAmen, Heer!quot; uitspreken mag. Met andere woorden, wij moeten niet stilstaan bij de duistere en oplosbare zaken, die zich aan alle kanten aan ons opdringen, gelijk zooveel donkere wolken. Wij moeten opwaarts zien naar den blauwen hemel met den helderen zonneschijn, naar het hart onzes Vaders. Zijne liefde gaat ver boven onze teerste, innigste, ruimste opvatting van al wat liefde is. Wij kunnen er zeker van zijn, dat in zijne handelingen met ons, met alle men-schen, en bovenal met de verlorenen liefde de grondtoon en het richtsnoer van zijn Wezen is. Hoe het ook ga,
66
Het âa?nenquot; der ziel.
wij herhalen het, dal; men alles wat er gebeurt kan rijmen met deze alles overheerschende natuur en geaardheid van het goddelijke Wezen; en naarmate men in den Vader durft gelooven, naar die mate zal men in staat zijn te zeggen âjaquot;, hetwelk de juiste overzetting is van het Grieksche woord, dat in onzen tijd vertaald is door âalzooquot;. Matth. XI : 26.
III. De zegepraal van de eenswillende ziel.
âAmen, Halleluja!quot; Toen Jezus rust vond in zijn Vader, was Hij niet slechts in staat om te zeggen: âalzoo. Vaderquot;, maar Hij voegde er aan toe: âIk dank U, Vaderquot;, en zoo zal ook eenmaal de dag aanbreken, waarop de vier-en-twintig ouderlingen, die de verloste vertegenwoordigen, het oordeel over den grooten vijand van de bruid des Lams zullen zien, en zeggen: âAmen, Halleluja!quot;
Let op de toevoeging van het Halleluja aan het âAmenquot;. Hier het âAmenquot; en maar zelden het Halleluja ; daar beide: de erkenning en de instemming, de berusting en de goedkeuring, de onderwerping aan den wil van God, en de triumfkreet van lof en aanbidding. Laten wij ons verblijden in het vooruitzicht van den tijd, wanneer wij zullen kennen, gelijk wij gekend zijn; wanneer wij geheel voldaan, ten volle gezegend zullen zijn, en van ganscher harte zullen juichen; wanneer alles wat ons duister of raadselachtig toescheen zal opgehel-
67
liet âamenquot; der ziel.
derd wezen, en wij zullen instemmen met het loflied der verloste Kerk; âGroot en wonderlijk zijn Uwe werken, Heer, Gij almachtige God! rechtvaardig en waarachtig zijn Uwe wegen. Gij Koning der heiligen.quot; (Openb. IS : 3-)
HOOFDSTUK VII.
HET WASSEN VAN DE JORDAAN. (Jeremia 12 : 5.)
Tusschen de reeds beschreven gebeurtenissen en het voorval in dit hoofdstuk vermeld, had een ontzettende ramp het volk van Juda getroffen. Niettegenstaande de ernstige waarschuwingen, die van alle zijden tot hem gericht werden, had Josia, misschien naijverig op den heldhaftigen geloofsmoed van een Hiskia en een Jesaja, met zijn klein leger de veilige stelling op de hoogte verlaten en het gewaagd daarmede Farao Necho aan te vallen, die langs de kust optrok naar Ninivé, om zijn aandeel te bekomen van den roof dier stad, wier dagen geteld waren. De twee legers ontmoetten elkander te Meggido, aan den voet van den Karmel, op de uiterste grens van de vlakte van Esdraelon, die het tooneel was geweest van zoo menig beslissenden veldslag. De uitslag van dit samentreffen was niet lang twijfelachtig.
Het wassen van de Jordaan.
Het leger van Josia werd op de vlucht gedreven, en hij zelf doodelijk gewond.
âVoert mij weg, want ik ben zeer gewond,quot; zeide de stervende koning, en zijn dienaren droegen hem van zijn strijdwagen naar een ander voertuig in de achterhoede; maar nauwelijks hadden zij hem eenige mijlen van daar weggebracht, of hij stierf te Hadadrimmon. Zijn dood veroorzaakte zulk een uitbarsting van droefheid door het gansche land, dat deze jaren daarna nog genoemd werd als het zinnebeeld van diepe smart. Zacharia wist voor de droefheid van Jerusalem, als de inwoners Hem zouden aanschouwen, dien zij doorstoken hadden, en over Wien zij zouden rouwklagen, geen beter vergelijking te vinden dan âde rouwklage van Hadadrimmon in het dal van Megiddon.quot; De rouw over Josia heeft men vergeleken bij de smart der Atheners, toen hen de tijding bereikte, dat Lysander de vloot vernield had; en bij de droefheid, die in Edinburg heerschte op den avond van Flodden. Jeremia maakte een treurzang op den dood van zijn koning en vriend, welk gedicht echter niet tot ons gekomen is; en een droeve schaduw lag over het gansche volk van Juda (2 Kron. 34 : 20â27 ; Zach. 12 : 11).
De volgende koning, Jehóahaz, de zoon van Josia, regeerde slechts drie maanden; toen werd hij met een ring door den neus als een wild beest naar Egypte gevoerd, waar hij stierf. Necho stelde Jehóahaz' broeder Jójakim in diens plaats als zijn plaatsvervanger, en maakte hem schatplichtig.
7°
Het wassen van cle Jordaan,
De vier laatste koningen van Juda wandelden niet in de voetstappen van Josia. Zij deden wat kwaad was in de oogen des Heeren, en van Jojakim staat opge-teekend, dat hij gruwelen deed (2 Kron. 36 : 1â8).
Bij den dood van Josia, staken de voorstanders dei-afgoderij, wier aantal niet gering was, het hoofd weder op. Wat was het nut van een godsdienst, die zijn trouwsten aanhanger niet van zulk een treurig lot had kunnen redden ? De hervorming, door den goeden koning in het leven geroepen, bad geen diepe wortels geschoten in het land, en de kracht, waarmee hij zijn hervormingen had doorgezet, werd thans gevolgd door een even geweldige reactie. De hervormers werden het slachtoffer van den haat des volks, zooals in later dagen de puriteinen ten tijde der Restauratie; en vooral Jeremia moest dit in hooge mate ondervinden. Hij was de vriend en de raadsman van den overleden koning geweest, en had zich nooit ontzien op de meest onbewimpelde wijze den afgodendienst en de losbandigheid zijner tijdgenoo-ten te bestraffen. Hij was het, die de vreeselijke oor-deelen voorspeld had, welke thans schenen vervuld te worden. Langzamerhand trok er een storm van haat en wraak boven zijn hoofd samen. Zonder dat hij er zich van bewust was smeedden zijn landgenooten booze plannen tegen hem, zeggende; âLaat ons den boom met zijne vrucht verderven, en laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht worde.quot;
Het was niet waarschijnlijk, dat de voorboden van
li-
Het wassen van de Jordaan.
den naderenden storm hem zouden verontrusten, want zijn lastbrief hield in, dat hij evenzeer in de overige steden van Juda als op de straten van Jeruzalem zijn waarschuwende stem zou doen hooren, en hij had denkelijk voor geruimen tijd de hoofdstad verlaten om het land door te reizen, ten einde op de marktpleinen te prediken, en het overmijdelijk oordeel aan te kondigen, dat komen moest, waar men niet gedaan had naar de woorden des Goddelijken verbonds. De uitslag van deze reis, stelde hem bitter te leur. Het volk van Juda en de inwoners van Jeruzalem spanden samen. Zij keerden terug tot de ongerechtigheden hunner voorvaderen; iedere stad had zijn beschermgod, in iedere straat verrees een altaar voor Baal, en de profeet kwam eindelijk tot de overtuiging, dat alle tusschenkomst nutteloos was voor een volk, dat zoo moedwillig in het kwaad volhardde. Zij hadden gezondigd tot in den dood, en voor die zonde is het gebed te vergeefs (10 ; 14. 1 Joh. 5 : ^).
Teleurgesteld en gansch verslagen van hart, begaf Jeremia zich naar zijn geboorteplaats Anathoth. Hij was onbewust van het hem dreigende gevaar als een schaap, dat ter slachtbank geleid wordt. Te midden zijner broeders, in het huis zijns vaders, daar zou hij ongetwijfeld veilig zijn, en er het medelijden en de liefde vinden, waaraan zijn gevoelig hart zulk een behoefte had, en die hij overal elders te vergeefs zocht.
Maar zulks was niet het geval. In dit opzicht ging het hem ook als den Heer Jezus, die tot de Zijnen kwam, maar van de zijnen niet werd gekend, doch die
72
Het wassen van de Jordaan.
Hem integendeel naar de steilte brachten, waarop hunne stad gebouwd was, cm Hein van daar in de diepte te werpen. Daar broeide verraad in het kleine dorp. De heilige band van bloedverwantschap bleek niet bestand tegen de uitbarsting van een dweepzieken haat. De priesterlijke geslachter. hadden gesidderd onder de heftige beschuldigingen van hun jeugdigen bloedverwant, maar zij wilden thans zijne berispingen niet langer aan-hooren. Er werd een aanslag beraamd, en onder den schijn van schoone woorden bedreigde men het leven van den Profeet. Hij zou het gevaar niet ontdekt hebben zonder de Goddelijke voorlichting. âDe Heer nu heeft mij te kennen gegeven, dat ik het wete, toen hebt gij mij hunne handelingen doen zien.quot; (11 : 18).
Als bedwelmd door die plotselinge ontdekking, deed Jeremia zijn beklag, en beriep zich op God. In het bewustzijn van zijn eigen gerechtigheid en de gerechtigheid Gods, werd hij voor een oogenblik meegesleept in den maalstroom van twijfelingen, omtrent de ongelijke verdeeling van het menschelijk lot; twijfelingen, die ten allen tijde het hart der verdrukten om Gods wil verontrust hebben. âGij zoudt rechtvaardig zijn, o Heere! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal noch-thans van uwe oordeelen met U spreken: waarom is der goddeloozen weg voorspoedig? Waarom hebben zij rust, allen, die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven ?quot; (II : 20; 13 ; 1.)
73
Het wassen van de Jordaan.
I. De klacht van de geplaagde en beproefde ziel.
1. Hij was zich van zijn onschuld bewust. Het lijdt geen twijfel, of Jeremia leefde in het volle besef van zijn onwaardigheid. Het gevoel van zonde en schuld zal even sterk bij hem gesproken hebben als bij elk der groote profeten en psalmisten van Israël. Hij kon niet in zulk een nauwe gemeenschap met God leven, zonder overtuigd te wezen van zijn eigen onreinheid. Wat Job gevoelde, en Mozes, en David en Jesaja, dat moet ook voortdurend zijn eigen ervaring geweest zijn. Doch met betrekking tot deze bijzondere openbaring van vijandschap meende hij zich zelf niets te verwijten te hebben. Hij had er niet op aan gedrongen een herder te zijn, noch begeerde den dag des kwaads te zien, hij had geen behagen gevonden in de rampen, die hij moest aankondigen, en evenmin gesproken uit persoonlijken wrok.
De zonden van het volk waren oorzaak geweest van de bezoekingen, die hij moest voorspellen; hij had de roekelooze zeelieden slechts willen waarschuwen voor de gevaarlijke rotsen, waar zij recht op aan voeren.
Wanneer men ons haat en beschimpt, dan is het onze dure plicht, tot ons zelf in te keeren en na te gaan, of wij ook op de een of andere wijze aanleiding geven tot die vijandschap en die vervolging. Slechts dat lijden wordt door Christus zalig gesproken, hetwelk ons onverdiend, onrechtvaardig en om Zijnentwil wordt aangedaan. Slechts hij, die onverdiend lijdt, die onrecht ver-
74
Het quot;wassen van de for daan.
draagt, kan zich beroemen de voetstappen Zijns Meeste drukken, en een offer te brengen, dat God welgevallig is. Hij alleen kan staat maken op Gods hulp ter bevrijding.
Bij het naderen van den storm is het de eerste plicht van den gezagvoerder zich te vergewissen, dat er een goede verstandhouding heerscht onder de bemanning van zijn schip, en een welwillende verhouding met de overige schepen der vloot. Wij hebben geen recht ons over de verongelijkingen van anderen te beklagen, zoolang wij niet volkomen zeker zijn, dat daartoe van onzen kant geen oorzaak gegeven is. Waar dit evenwel het geval is, daar blijft ons geen andere keus dan ons zoo spoedig mogelijk met onze wederpartij te verzoenen, al moeten wij onze gave op het altaar laten. Elk oponthoud verergert de zaak, en maakt de verzoening moeie-lijker. De loop van het recht is zoo snel, van de weder partij naar den rechter, van den rechter naar den dienaar, en van den dienaar naar de gevangenis (Matt. 5 : 22 â25).
2. De ongelijkheid in het lot der men-schen kwam hem overklaarbaar voor. â Het scheen alsof Jeremia elk woord van Asafs klacht (Ps. 73) tot het zijne had gemaakt. Hij was nooit van het nauwe pad der gehoorzaamheid geweken; hij had in elk geval den moed gehad alleen te staan, en afstand te doen van alle zaken, die den menseh in het leven verzachting en troost aanbrengen; hij had niet geaarzeld zijn hart open te leggen voor God, wetende, dat hij, voor zooveel in zijn macht was, diens wil gedaan had. En
75
â jö liet wassen van de Jordaan.
ziet,, hij werd gehaat, vervolgd en met den dood bedreigd. terwijl de weg der goddeloozen voorspoedig was, en zij, die trouweloosheid bedreven rust hadden. Ja, waarlijk het was te vergeefs geweest, dat hij zijn hart gereinigd had, en zijn handen gewasschen in onschuld. Het viel hem te zwaar. Zijn voeten waren bijna bezweken, zijn treden bijna uitgegleden.
De vraag van Jeremia is een vraag, die door alle eeuwen heen gedaan wordt, en die slechts beantwoord kan worden door er op te wijzen, dat 's werelds loop de rechte niet is; dat de gang der natuur door de zonde verstoord is; dat de vorst van de geestelijke boosheden in de lucht de vorst dezer wereld is; en de dienaren der gerechtigheid niet strijden tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers dezer eeuw, tegen de geweldhebbers in de lucht.
3. Hij was bezorgd voor de eer van God. Deze woorden zijn niet vrij van zekere wraakzucht. ,,Laat mij Uwe wraak aan hen zien; ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der dooding,quot; Onwillekeurig vergelijken wij dezen uitroep met de bede, die Jezus aan het kruis voor zijne moordenaren opzond, en met de woorden door Stefanus geuit, toen de steenen op hem geworpen werden; en het komt ons voor, alsof het goud niet geheel zuiver, het heilige niet geheel vlekkeloos was.
Er bestaat eenige grond voor de veronderstelling, dat de profeet het lot dier goddeloozen voorspelde, of Gods
Hei wassen van de J or daan.
stem door hem sprak in deze plechtige aankondiging van het komend oordeel. Maar volgens een dieper en nauwkeuriger uitlegging van zijne woorden blijkt het, dat hij zich verontrustte over de uitwerking, die het op zijn volk zou hebben als Jehova de zonde zijner vervolgers en hun voorgenomen moordaanslag ongestraft liet voorbijgaan. Het was alsof de profeet vreesde, dat zijn eigen lijden den menschen aanleiding zou geven om te denken, dat kwalijk handelen meer bevorderlijk was aan hun voorspoed dan heiligheid en deugd. Josia was de eenige Godvreezende vorst van zijn tijd, en hij viel in den strijd; hij zelf was Gods trouwe dienaar, en zijn leven was een langdurige beproeving: was het daarom een verstandige zaak God te dienen ? Zou het niet wijzer, veiliger, beter wezen, de Goden van de omliggende volken te dienen, die in staat schenen hunne volgelingen te beschermen, en gereed den voorspoed te bevorderen van de groote koninkrijken, waar men hun tempels in eere hield.
Bij het aanschouwen van de vreeselijke gevolgen der zonde: het lijden des volks, het verdorren van planten en gewassen, het omkomen van vee en vogels, ontzonk Jeremia den moed. Hij zag geen eind aan het gruwelijke kwaad zijner dagen, zoolang God dit bleef dulden. Daarom riep hij om wraak â niet tot voldoening van zijn eigen gevoel, maar ter wille van Israel.
4. Hij wierp zijne bekommernissen op den Heer. â Zoo mogen wij de woorden; âwant aan U heb ik mijne twistzaak ontdektquot; (11 : 20) uitleggen.
77
Het wassen van tie [ordaan.
Ja, dat was wijs. En het is ook onze eenige toevlucht in tijden van grooten nood. De Goddelijke Lijder deed hetzelfde aan het kruis. âDie als Hij gescholden werd niet wed.erschold; en als Hij leed niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, die rechtvaardiglijk oordeelt.quot; In zijne voetstappen moeten wij treden. Als menschen ons kwellen en kwaad tegen ons beramen, als vrienden ons begeven, als de moeielijkheden des levens op ons aankomen, gelijk de golven van den oceaan, dan moeten wij onze benauwdheden van onzelf afwenden, en op den gezegenden Heer werpen, op onzen lastdrager, en ze Hem toevertrouwen. De zorgen drukken ons niet langer, zoodra wij ze op Hem gelegd hebben. Hij zal er zich meê belasten met zulk een krachtige, innige en waarachtige liefde, dat wij niets meer te vreezen zullen hebben. Werp u zelf, uw last en uw weg op den Heer.
II. Het Goddelijk antwoord.
God boog zich tot hem neder, en sprak: âHerinnert gij het u niet meer hoe Ik u, toen Ik u voor de eerste maal riep om mijn profeet te zijn, de eenzaamheid en de verlatenheid en den strijd en de vervolging, die u wachtten, heb voorspeld ? Herinnert gij u niet, dat Ik u gezegd heb, hoe gij als een koperen muur tegenover het geheele volk zoudt moeten staan ? En hebt gij nu reeds den moed verloren ? Laat gij u zoo spoedig terneerslaan ? Heeft een eerste treffen met de wederpartij het heldenvuur al uitgedoofd? Tot nu toe hebt gij slechts
78
Het wassen van de for daan.
met voetvolk te doen gehad, spoedig zullen de ruiters op u afkomen: op het oogenblik verkeert gij nog in een tijdperk van betrekkelijke rust in de plaats uwer geboorte, omringd door degenen, die u van kindsbeen af gekend hebben, en nu zijt gij reeds onthutst; hoe zal het dan zijn als er tijd van beproeving over het land komt, gelijk als de Jordaan uit zijn oevers treedt en het omliggende land overstroomt en de wilde dieren uit hun leger drijft â hoe zal het dan zijn?quot;
Handelt God niet eveneens met ons ? Hij brengt ons niet dadelijk tegenover de ruiters, maar oefent ons eerst tegenover het voetvolk. Hij stelt niemand onzer met zwakken moed en kleine krachten bloot aan de overstrooming van de Jordaan, maar hij stelt ons eerst op de proef in onze eigen omgeving â het land der rust, waar wij betrekkelijk veilig zijn te midden dergenen, die ons kennen en liefhebben. God zendt ons de beproevingen des levens als het ware trapsgewijze; Hij stemt toe, dat de kleinere de grootere voorafgaan. Hij geeft ons de gelegenheid om in geringere moeilijkheden op Hem te leeren vertrouwen, opdat ons geloof sterker en krachtiger zou worden, totdat wij in staat zijn om tot Hem te gaan zelfs op de onstuimige golven van den oceaan. Houd u verzekerd, dat welk uw verdriet en hoedanig uwe zorgen op dit oogenblik ook zijn mogen. God heeft toegelaten, dat ze over u kwamen, om u een gelegenheid tot voorbereiding te wezen voor toekomende dagen. Verlies den moed niet, geef den strijd niet op, wees niet ontrouw in het kleine. Zeg niet,
79
liet wassen van de J or daan.
dat gij het niet dragen kunt. Gij kunt het dragen!
Zijne genade is voldoende; eigen u die toe, gebruik die, vertrouw op Hem. Wees dankbaar, dat Hij u dezen tijd van oefening en zelf onderzoek gegeven heeft; en dan, aannemende wat Hij gereed staat u te schenken genade, troost en verzekerdheid â dan kunt gij veilig voorwaarts gaan. Hij zal u niet begeven. Wat Hij zich in het mindere betoond heeft, zal Hij ook in het meerdere voor u wezen. De genade, die Hij u heden schenkt is slechts een zilveren draad vergeleken bij den stroom der genade, die Hij u morgen zal geven. Als gij u thans terug trekt, dan ontgaat gij de grooter beproeving, die zekerlijk komt, maar dan ontgaat u daarmee ook de grooter openbaring van Hem zelf, die met de beproeving gepaard gaat. Wees trouw aan God. Verlaat u op God, en vergeet niet, dat wanneer Hij u voert naar de wassende Jordaan â niet altijd de doodsrivier maar een stroom van vreeselijk lijden â dat gij dan wellicht voor de eerste maal de ark zult tegentreden, en den priester, wiens voeten, zoodra zij de oppervlakte des waters beroeren, de wateren zullen doen wijken, zoodat gij droogvoets kunt doorgaan. Als de Jordaan buiten zijn oevers treedt, dan brengt God Zijn geliefden vlak bij de dreigende golven, en eerst dan baant Hij een pad in het midden der rivier, zoodat zij niet aangeraakt worden door den stijgenden vloed.
8o
HOOFDSTUK VIII.
DE DROOGTE. (Jer. XIVâXV.)
Het was in den aanvang van Jojakims regeering. Necho was weder naar Egypte terug gekeerd; Ninevé ging zijn wissen ondergang te gemoet, Babyion begon zich langzaam te verheffen om weldra de mededinger der groote rijken, en de verwoester van Juda te worden. Intusschen werd het uitverkoren volk, gelijk een boom aan wiens hart de wormen knagen, door tal van ongerechtigheden ten verderve gebracht. Als eene waarschuwing voor de komende verwoesting, en alsof God nog een laatste poging wilde wagen om hunne oogen te openen voor het ontzettende gevaar, dat hen dreigde, zoo kwam er een verzengende droogte over het land. Zulk eene bezoeking was reeds meermalen aangekondigd als een gevolg van de ongehoorzaamheid des volks, maar nog nooit te voren was het land op zulk eene vreesdijke wijze bezocht.
6
De droogte.
Er heerschte algemeene verslagenheid. Op de openbare pleinen, waar de menschen te zamen kwamen, zat men neder in zwarte kleederen op den hard geblakerden grond. Gewend zich geheel te verlaten op de natuurlijke hulpmiddelen van een bodem, gevoed door rivieren en stroomen, welke in de valleien en op de hoogten ontsprongen, zag men zich eensklaps ten prooi aan al de ijselijkheden van een hongersnood. De wijnstokken langs de helling der bergen waren verdord, de koornvelden bedekt met stoppels, en het gras en de velden geel en verschroeid. Het scheen zelfs alsof de dauw opgehouden had te vallen, en waar eertijds de rivier haar overvloedige wateren voortstuwde, daar dreigde zij nu te verloopen in het zand. De bedding der waterleidingen was bedekt met steenen. Uit Jeruzalem ging een hartverscheurend geschrei op ten hemel, de kreet der benauwdheid van mannen en vrouwen en kinderen, wier brandende lippen niet vonden, waarmee zij hun dorst konden lessen.
Treffend is de beschrijving ons door den profeet gegeven. Het gebrek wordt gevoeld in de weelderige huizen der aanzienlijken, die hunne dienaren te vergeefs uitzenden om water. De akkerlieden zitten met bedekte hoofden in hunne schuren; waartoe zouden zij het ploegijzer drijven door den gescheurden bodem? De hinde, wier moederliefde tot een spreekwoord was geworden, verlaat haar jongen om gras te gaan zoeken. De woudezels staan op de kale hoogten, en scheppen tegen den avond den wind, die over het land strijkt, om verlichting te vinden
82
Dc droogte.
voor den versmachtenden dorst, die hen kwelt. Het land wordt geblakerd als in een oven, en de zon, die eiken dag haar loop beschrijft aan een loodzwaren hemel ziet neer op een tafreel van onuitsprekelijke ellende.
Maar is dit niet eene schildering van de bezoeking, die somtijds over de christelijke gemeente komt ? Elke trouwe arbeider weet te spreken van tijdperken, waarin het was alsof het veld, waarop hij arbeidde, verstoken bleef van den vruchtbaarmakenden dauw van den God-delijken zegen. Geen tranen van berouw, geen teekenen van een verbrijzeld hart, geen gezegende invloed van den dauw des Heiligen Geestes, geen frissche jonge loten van Godsvrucht, geen blijdschap in den Heer, geen vruchten des Geestes. Ach! dan is het werk zwaar en moeie-lijk, en het hart van den arbeider is verslagen en moedeloos. Gezegend de kerk, die zulk een tijd van droogte niet gekend heeft, en die in het geestelijk leven niet ondervonden heeft, wat in dc natuur een volslagen gemis aan zegen zeggen wil.
Op zulke tijden maakt de man, die zijn medemenschen liefheeft zich op om met den Almachtige te spreken. Hij begeeft zich in het heilige der heiligen om zich voor Hem te buigen en Hem te smeeken den koperen hemel te doen scheuren, en de tijden terug te doen keeren van eene uitstorting dier zegeningen, welke alleen kunnen bestaan in de tegenwoordigheid Gods. Zijn gelaat teekent vastberadenheid. Hoe moede zijne ocgen ook zijn, toch spreekt uit hen een krachtig besluit. Hij is bereid om met God te worstelen, zooals Jakob het deed met
S3
Dc droogte.
den engel. Laat ons naderbij treden, en luisteren naaide samenspraak tusschen Jeremia en den Almachtige. Wellicht zullen wij woorden hooren, waarmee wij ons voordeel kunnen doen als er dagen van droogte komen voor de kerk in het algemeen of voor het ons aangewezen arbeidsveld in het bizonder. Aldus hooren wij de ziel spreken met haren God.
I. De voorspraak van den bemiddelaar â âMijn God ik nader voor Uw aangezicht met de schuldbelijdenis mijner eigen zonden, en bovenal van de overtredingen mijns volks. Ik sta voor U als hun priester om de zonden te belijden, waardoor zij van U gescheiden zijn, waardoor zij zich Uw goddelijk misnoegen berokkend, en zich aan Uwe gemeenschap onttrokken hebben. Onze ongerechtigheden getuigen tegen ons, en onze overtredingen zijn vele. Eertijds wildet Gij onder ons wonen; Uw welbehagen was als de zomer. Uwe nabijheid een stroom van onafgebroken zegeningen. Uwe genade een rivier, die dc stad verblijdt. Maar in den laatsten tijd waart gij slechts zelden in ons midden en dan nog maar voor een korten tijd. Gij waart als een reiziger, die alleen inkeert om te overnachten. Uwe afwezigheid bedroeft ons zeer. Eertijds waart Gij ons een krachtig held, onze Simson, wiens arm machtig was om onze vijanden in bedwang te houden; maar sedert lang is het alsof Gij ons niet verlossen kunt, alsof Uw arm verkort is. En toch zijt Gij in werkelijkheid niet veranderd; Gij zijt onze Verlosser; Gij zijt in het midden van ons. Wij
84
85
zijn naar Uwen naam genoemd. Uwe eer is met ons lot gemoeid. Wat Gij niet doen kunt ter wille van onze verdiensten doe dat om Uws naams wil, doe het ter wille van Uwen Zoon, doe het tot handhaving Uwer eere op aarde. Verlaat ons niet, en laat de voorspelling van Ezechiël, waar hij de heerlijkheid des Heeren langzamerhand van de heilige plaats zag wijken totdat zij buiten de muren der stad gekomen was, niet in vervullins
o ' o
komen.quot; ('XIV. 7â9).
Het antwoord des Geestes Gods. â Daar zijn tijden, waarin het ons is alsof God aldus tot onze ziel spreekt â indien het ons geoorloofd is den indruk Zijner woorden in onze eigen taal over te brengen: âMijn zoon gij'/er-moeit u tevergeefs met bidden. Mijne genade is oneindig; Mijne barmhartigheid duurt in eeuwigheid; Mijne volheid wil ik voor het aardrijk uitstorten, opdat de wildernis zich zal verheugen en bloeien. Ik heb geen welbehagen in de dorstende aarde, liever is mij een land van waterbeken en fonteinen. Ik heb geen welbehagen in het gloeiende zand, liever is mij eene vruchtbaar makende bron. Maar het is mij niet mogelijk regen te geven zoolang het volk volhardt in zijne zonden, zoolang de kinderen Israels voortgaan gruwelen te bedrijven gelijk aan die waarvan Ezechiël gewaagt, toen hij met het oog eens zieners aanschouwde, dat de oudsten in Israel wierook offerden aan kruipend gedierte en verfoeielijke beesten. Onder den schijn van Godsdienst en vroomheid wordt er kwaad bedreven, dat scheiding werkt tusschen Mij en Mijn volk, en Mijn aangezicht voor hen verbergt.
De droogte.
Met dit kwaad moet rekening gehouden worden. Gij moet beginnen met de binnenkameren huns harten met kandelaren te onderzoeken, gij moet Mijn volk hunne overtredingen bekend maken en het huis Israels hunne zonden. Uw werk is thans niet dat eens middelaars, maar dat eens hervormers; nog moogt gij niet met Mij pleiten gelijk Elia op den berg Karmel, maar gij moet het verborgen kwaad des volks uitroeien zooals Elia deed, toen hij het water van de rivier Kison rood kleurde met het bloed van Achab's priesters. (XV, 10â12.)
II. De klacht van den trouicen Herder. â âAch, Heere God! Maar al te waar, droevig waar zijn Uwe woorden. Uw volk verdient alles wat Gij gezegd hebt Hun lijden hebben zij alleen aan hunne ongerechtigheden te wijten. Maar vergeet niet hoe valschelijk men hen geleidt heeft. Het land is vol van dengenen, die de waarheid onder een vloed van woorden verbergen. Zij leeren, dat de uiterlijke eeredienst voldoende is, hoe zeer het hart ook van U verwijderd moge wezen. Er bestaat een droevig kwaad; maar de schuld moet gezocht worden bij hen, die de lichtgeloovige, onstandvastige menigte misleiden. Hunne tong is als fluweel; zij roepen Vrede! vrede! waar geen vrede is. De stem van het geweten wordt tot zwijgen gebracht door hunne geruststellende verzekeringen. Spaar Uw volk! het is verstrooid omdat de herders hunner heilige roeping ontrouw zijn geworden. (XIV, 13.)
Het antwoord des Geestes Gods. â Daar zijn dagen
86
Dc droogte.
87
in het leven van den Christen, wanneer hij geroepen wordt in het land der droomen te wandelen en de gesprekken der herders, van wie Bunyan spreekt, aan te hopren als deze met elkander overleggen. âZuilen wij dezen pelgrims niet ook iets van het verbazingwekkende laten zien ?quot; Toen hiertoe besloten was voerden zij hen het eerst naar den top van een heuvel. Dwaling genaamd, wiens verste zijde zeer steil was, en zij noodigden hen een blik in den afgrond te slaan, waar zij in de diepte de lijken ontdekten van velen, die uit de hoogte gestort, verpletterd waren, en verminkt op den bodem lagen. âWat mag dit beteekenen ?quot; is de onwillekeurige vraag. De herders zeiden: âHebt gij wel gehoord van ben, die tot dwaling gekomen zijn door aan Hymenus en Filetus het oor te leenen, aangaande het geloof in de opstanding des lichaams ? Welnu deze zijn het.quot; Aldus wordt ook ons in onze voorspraak voor zondaars somtijds een blik gegund op het onvermijdelijke van Gods oordeelen, en op het onherstelbare kwaad, dat de valsche profeten aan hunne medemenschen berokkenen. Er is geen vreeselijker lot dan dat dergenen, die niet alleen zelf gedwaald, maar ook anderen op den dwaalweg gebracht hebben; die een struikelblok geweest zijn op het pad van een van deze kleinen! Beter stom, onbekwaam tot spreken te zijn, dan woorden te uiten, waardoor het jeugdig geloof verstoord wordt; of bedenkingen te maken, die met één slag het gebouw van jaren doen instorten. In dien geest luidde dan ook het antwoord, dat God den profeet gaf.
De droogte.
âHet oordeel over de valsche profeten zal vreeselijk wezen. Hun straf zal des te zwaarder zijn, omdat zij kwamen zonder gezonden te wezen, omdat zij profeteerden zonder een gezicht te hebben gezien. Geen Goddelijke aandrift bezielde hunne woorden. Ter wille van aanzien, brood, macht, vervulden zij hun ambt; maar het volk heelt het zoo gewild. De verdorvenheid der zeden kweekte een verdorven priesterdom, en een oogst van valsche profeten. De lieden over wie gij u beklaagt zijn het uitvloeisel van hunnen tijd. Ontzenuwd als het is door traagheid, weelde, hoovaardij kan Mijn volk de eenvoudige waarheid van het Goddelijke woord niet meer verdragen; en deze veile bende werd gekweekt en gevoed in den verdorven dampkring van hunne omgeving. Daarom; zoolang het volk zijne zonden niet uitge-delgd heeft, en niet tot Mij teruggekeerd is met boete en berouw, zoolang is het schuldig voor Mijn aangezicht, en moet het de gevolgen zijner overtredingen ondergaan. Ik zal hunne boosheid over hen uitstorten. (XIV, 14â16).
III. De stem van den bemiddelaar. â âIk erken o groote God de waarheid van hetgeen Gij zegt, en de rechtvaardigheid van Uw oordeel; en toch kunt Gij niet ganschelijk verwerpen. Uwe kastijdingen kunnen niet zijn tot den dood. Gij moet heelen. Gij kunt wellicht dezulken verwerpen met wien Gij geen verbond gesloten hebt, of die niet naar Uwen naam genoemd zijn, of in wier midden Gij niet in heerlijkheid getroond hebt; maar met ons kunt Gij niet handelen als met de zoodanigen.
88
De droogte. 89
Er bestaat een band tusschen U en tusschen ons, die door de zonde niet verbroken kan worden. Daar zijn aanspraken, die wij op U als onzen Vader hebben, welke door de afdwalingen van den verloren zoon niet vernietigd kunnen worden. Uw naam en Uwe eer zijn zoo nauw verbonden met onze geschiedenis, dat Gij U daarvan niet kunt losmaken. Gedenk Uw verbond; gedenk de belofte aan Uwen Zoon gedaan ; gedenk Uwe Bruid, die Gij niet kunt verstoeten; gedenk, dat Gij onze eenige toevlucht zijt; gedenk het woord, dat ons recht geeft om te hopen â daarom zullen wij op U blijven wachten. Wij zijn niet waardig Uwe kinderen genaamd te worden; maar wij smeeken om den kus, om het kleed, om het gemeste kalf.quot; (XIV, 17â22).
Ret antwoord des Geestes Gods. â Het is alsof de Heer zeide: âIk ben des berouwens moede geworden. Ik heb al het mogelijke gedaan om hen terug te houden, om hen tot het goede te brengen â nu eens door het kaf van het koren te scheiden, dan weder door lijden en verlies, of door vernieling met het zwaard. Het scheen of zij zich wilden bekeeren, maar hunne bekeering had geen grond. Thans staat Mijn besluit onherroepelijk vast. Ik moet krachtiger ingrijpen. Mijne straffen moeten geweldig, en verterend zijn. Ik zal Mijne hand tegen Mijn volk keeren, en Ik zal zijn schuim op het allerreinste afzonderen, en Ik zal zijn tin wegnemen; en Ik zal het zijnen rechter wedergeven als in het eerste, en zijne raadslieden als in den beginne. Aldus zal Ik antwoorden op uwe voorspraak voor uw volk. â De verwoesting
Dc droogte.
der stad, de gedeeltelijke uitroeiing van het volk door zwaard en hongersnood, en de verschrikkingen eener ballingschap zullen zijn als een louterend vuur, waar zij door heen moeten gaan tot een nieuw en gezegend leven. Niets kan dit verhoeden. Ter wille Mijner liefde kan ik hen niet sparen. De smeekingen van Mijne uitverkorenen kunnen Mijn besluit niet aan het wankelen brengen, daar Mijn eeuwig voornemen der verlossing slechts op die wijze volvoerd kan worden.quot; (XV, 1â9).
IV. De jammerklacht van den bemiddelaar. â Nu verzinkt de profeet in diep gepeins, en als hij denkt aan de verkeerde uitlegging, die men aan zijne bedoelingen geven zal, aan den onvermijdelijken haat, dien hij zich door zijn onverdroten prediking van het toekomend oordeel berokkenen zal, dan wenscht hij nimmer geboren te zijn. Zoo kan de dienaar Gods den moed ontzinken, en wanneer zijn gemoed even medelijdend en fijn gevoelig is als dat van Jeremia, dan wordt hij ten prooi aan de hevigste smart.
âWaarom o God hebt Gij mij zulk een teêr en mee-doogend hart gegeven; zulk een week en méégaand gemoed, zoo ongeschikt om te zien lijden ? Zou iemand van eene sterkere, minder gevoelige natuur niet beter aan Uwe bedoelingen beantwoorden ? Hebt Gij thans nog niet een kloeker man aan wien Gij deze zending kunt opdragen ? Daar zijn menschen wier huid minder gevoelig is voor de verzengende hitte; mogen deze niet tot het volk gaan ? Waarom deze bevende lippen, dit angstval-
9°
De droogte.
lige hart, dezen doorn in het vleesch ?quot; (XV, 10).
Het antwoord des Geestes Gods. â âIk zal u sterken tot het goede.quot; Het is alsof God zeide: âMijne genade is u genoeg. Ik heb u geroepen met al uwe zwakheden om Mijn wil te volvoeren, omdat Mijne kracht aldus volbracht wordt. Ik heb een nederig voetstuk van noode voor de tentoonspreiding Mijner macht. Dengenen, die geen kracht hebben, zal Ik sterkte geven; dengenen, die geen wijsheid bezitten, zal Ik Mijne diepste gedachten openbaren. Het gebroken riet zal de steunpilaar Mijns Tempels worden; de rookende vlaswiek Mij een vuurbaken zijn. Vergenoeg u de bedding te wezen, waarover de rivier heenvloeit; laat het u voldoende wezen in Mijne hand eene roede te zijn, die de bevrijding van Mijn volk moet voltooien. O gij brooze, zwakke ziel, juist gij zult waarschijnlijk het middel en het werktuig zijn voor de aanwending Mijner kracht. Verlaat u slechts op Mij, laat Mij slechts begaan door u, en met u, en in u; dan zult gij zijn als het ijzer en het koper van het noorden, dat niet te verbreken is.quot; (XV, n â14).
V. Het antwoord der ziel. â âO God, Gij weet alle dingen. Gij weet wat zij, die mij het naast zijn niet kunnen vermoeden, wat ik niet kan uitspreken, wat ik aarzel mijzelf te bekennen; Gij kent de schemerende hoop, zwak als het eerste ochtend krieken; de verlammende vrees; den strijd; de verloren idealen; de gesmoorde ontboezemingen; de liederen zonder woorden. Gij kent ze. Gij zijt mijn alles. Uw vriendelijk aanschijn
91
De droogte.
geeft mij kracht om verwijten te dragen. Uwe woorden werpen een straal van vreugde en blijdschap in mijn droevigste uren. Uwe tegenwoordigheid verbant het gevoel van verlatenheid, wanneer ik alleen ben. En toch overvalt mij somtijds een donker voorgevoel, dat Gij zult zijn leugenachtig als de wateren en niet bestendig, gelijk de beek die droog is, wanneer men het meest behoefte heeft aan haar water. Ik weet, dat het niet zijn kan, want Gij zijt getrouw; en toch wat zou ik moeten beginnen indien Gij na mij gemaakt te hebben tot wat ik ben, mij aan mijzelf overliet?quot; (XV, 15â18).
Het antwoord des Geestes Gods. â âLuister toch niet naar dergelijke voorgevoelens,quot; roept God ons toe. âLaat af van deze moedeloosheid, die u van Mij verwijdert. Gij moet voor Mijn aangezicht staan zonder dat de schaduw van een wolk zich tusschen ons stelt.
Zie niet op uwe zwakheid, maar op Mijne kracht; niet op uwe vijanden, maar op Mijne uitreddingen. Doe weg wat u zou kunnen verontreinigen, schrik niet terug voor Mijne smeltkroes, opdat gij volkomen gelouterd moogt worden. Ontdoe u van alles wat niet bestaanbaar is met uwe hooge roeping. Dan zult gij spreken als door Mijnen mond; gij zult staan in het midden eener op u aandringende menigte als een vasten, koperen muur; gij zult onvatbaar zijn voor vrees; in de donkerste uren, als de golven der goddeloosheid u zullen benauwen, als de woede der hel tegen u losgelaten zal zijn, dan zal Ik met u wezen om u te behouden, en u uit te rukken. En al zult gij geen vrouw en geen kinderen hebben, Ik zal
92
De droogte.
93
u meer zijn dan die allen. Ja, Ik zal u rukken uit de hand der boozen, en Ik zal u verlossen uit de handpalmen der tirannen.quot; âDit is de erve der knechten des Heeren. en hunne gerechtigheid is uit Mij, spreekt de Heer.quot; (XV, 19â21).
HOOFDSTUK IX.
âIN DE HAND DES POTTENBAKKERS.quot; (Jeremia XVIII, 4).
Op zekeren dag begaf Jeremia zich, gedreven dooiden Geest Gods, buiten de muren der stad naar het dal van Hinnom in den omtrek van Jeruzalem. Daar vond hij in eene kleine hut een pottenbakker bezig met zijn handwerk. âEn ziet hij maakte een werk op de schijven.quot; Bij al de verbeteringen van den tegenwoordigen tijd wordt het bedrijf des pottenbakkers nog altijd op bijna dezelfde wijze uitgeoefend als vele eeuwen voor Christus.
Terwijl de profeet aandachtig toekeek zag hij hoe de man een handvol nam van het leem, dat naast hem lag, dit kneedde tot het geheel zacht was geworden, en het toen op de schijf legde, die hij met zijn voet in beweging bracht, en aldus snel deed ronddraaien. Met zijne handen begon hij nu het vat van binnen en van buiten te fatsoeneeren; het met bekwame vingeren hier verwijdend,
â/« de hand des pottenbakkers.'''
daar vernauwend, en eindelijk den. rand om de opening aanbrengend. Op die wijze ontstond uit ecne vormelooze klomp leem een sierlijk gevormd vat, dat de voorhoven des tempels of der koninklijke vertrekken niet tot oneer zou strekken. Maar ziet, toen het bijna gereed was, en de pottenbakker klaar stond om het van de schijf te nemen ten einde naar den oven gebracht te worden, toen openbaarde zich een barst in de klei, en het werk viel in verscheiden stukken op de schijf en op den vloer van het vertrek uit elkaar.
De profeet verwachtte niets anders, dan dat de pottenbakker een ander stuk kiei zou nemen, en met de weeke grondstof nogmaals het doel zou trachten te bereiken, dat hem zoo eensklaps ontgaan was Doch tot zijne groote verwondering raapte de man, wiens bewegingen hij met levendige belangstelling gadesloeg, de gebroken stukken weder op, en voegde ze zorgvuldig bij elkander, legde de klei andermaal op de schijf en maakte daarvan loeder een ander vat gelijk als het recht was in de oogen des pottenbakkers. Dit tweede vat mocht niet zoo sierlijk zijn als het eerste, toch was het nog een fraai en nuttig stuk huisraad. Deze handeling uit het dagelijksch leven maakte Jeremia opmerkzaam op het geduld en het lijden van den pottenbakker, op zijne zorgvuldige behandeling van de grondstof, en op zijne bekwaamheid om de schade te herstellen, en de gevolgen van mislukking en teleurstelling af te wenden.
Welk een treffend beeld van Gods lankmoedigheid en geduld 1 Welk eene schoone profetie van het werk der
95
â/« de hand des pottenbakkers.''''
verlossing! Welk eene heerlijke gelijkenis van een vernieuwd gemoed, van een vernieuwd leven, en van eene vernieuwde hoop. Even als bij Jeremia komt de Goddelijke gedachte bij ons op : âZou de Heer ons niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker? Gelijk leem is in de hand des pottenbakkers, alszoo zijt gij in de hand des Heeren, o huis Israëls.quot;
De bedoeling van dit beeld schijnt geweest te zijn bij den profeet de hoop te doen ontwaken, dat er voor zijn volk, hoewel het Gods schoonste plannen verijdeld had, toch nog eene heerlijke, en gezegende toekomst mogelijk was; en dat, zoo het zich slechts wilde onderwerpen aan de bearbeiding van den Grooten Pottenbakker, Hij de gevolgen te niet zou doen van jarenlange ongehoorzaamheid, waardoor Zijne schoonste plannen in duigen waren gevallen; ja, dat Hij zich het uitverkoren volk nog tot een vat der eere zou vormen, waardig en geschikt om door den Meester gebruikt te worden.
Deze gevolgtrekking kan door een ieder onzer op zich zeiven toegepast worden. Wie onzer is zich niet bewust de aanraking van Gods vormende hand te hebben weerstaan of miskend. Wie betreurt niet, dat hij de gelegenheid tot heiligmaking hem geboden, zoo menigmaal liet voorbij gaan door de verstoktheid van zijn wil, en de hardheid zijns harten. Wie onzer zou niet wenschen weder vervormd te worden naar de gedachte des pottenbakkers. âDoch nu Heer! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk. Heer, wees niet zoo zeer
âhl de hand des pottenbakkers.quot;
verbolgen, en gedenk niet eeuwiglijk de ongerechtigheid.quot;
I. Gods arbeid met de menschen.
I. De pottenbakker heeft een ideaal. Bij zijn arbeid zweeft hem het ideaal voor oogen van het voorwerp, dat hij vervaardigen wil. Hij ziet het nog ve rborgen in het vormelooze leem, wachtend om door zijne hand te voorschijn geroepen te worden. Zijne handen doen wat zij kunnen om de schoone voorstelling, die hij zich gemaakt heeft te verwezenlijken. Voordat de vrouw de schaar in de zijde zet weet zij welken vorm zij aan het kleed geven wil; voordat de eerste spade in den grond gestoken wordt heeft de bouwmeester het plan gemaakt van het huis, dat op die plaats moet verrijzen.
Op dezelfde wijze handelt God in de natuur. Het plan voor deze aarde en hare zusterbollen was in Zijn scheppend brein ontstaan, lang voor dat de eerste lichtstraal over den afgrond zweefde. Alles wat bestaat beantwoordt in meerdere of mindere mate aan het goddelijk ideaal â alles behalve de zonde. Zoo is het met het mystieke lichaam van Christus, de Kerk, Zijne Bruid. In Zijn Boek waren in de bestemde volgorde al Zijne leden opgeschreven, toen nog geen hunner bestond, en dit was even eens het geval met de mogelijkheden van elk menschelijk leven. Ik weet niet of het ons ooit vergund zal wezen in den hemel een blik te werpen op het oorspronkelijke plan, dat God met ons voor had, indien wij ons zonder
7
97
âIn de hand des pottenbakkers.quot;
tegenstreven door Zijne vormende hand hadden laten bewerken, maar dit is zeker, dat wij, een ieder naar zijn eigen maat en gesteldheid, door God voorbestemd en uitverkoren zijn om gevormd te worden naar het beeld Zijns Zoons.
Zie eens naar die moeder, zooals zij zich heenbuigt over de wieg, waarin haar eerstgeboren zoontje sluimert! Let eens op den glimlach, die gedurig haar gelaat verheldert, gelijk het zonlicht een zomerschen dag ! Waarom zou zij toch glimlachen ? Ach, zij verdiept zich in droo-men voor de toekomst, zij bouwt luchtkasteelen, zij aanschouwt de toekomstige grootheid van haar kind â op den kansel of in de rechtszaal; in het leger of op het gebied der kunst. Indien het slechts van haar afhing dan zou er niets aan zijn geluk ontbreken, dan zou hij naam maken in den dienst der menschheid. En toch geene moeder meende het ooit zoo goed met haar kind als God met ons, toen Hij ons het aanzijn schonk aan den voet van het kruis. Om als Christus te zijn, de type der ware mannelijkheid; om voor Christus te zijn wat Hij was voor Zijn Vader; om het afschijnsel van Christus voor de menschen te wezen, zooals Hij het afschijnsel des Vaders was; om het werk der verlossing te aanvaarden; om het kruis op te nemen; om met Christus gekruisigd te worden; om met Hem op te staan, en met Hem te heerschen â ziedaar Gods ideaal met de menschen.
2. De pottenbakker bereikt zijn doel door middel van het wiel. â Bij de vorming aan het menschelijke leven vervult zonder twijfel de gang der
98
â/« de hand des pottenbakkers?
dagelijksche omstandigheden de taak van het wiel bij den pottebakker. Menigmaal is het zoo eentoonig, zoo alledaagsch, zoo nietig zelfs, en toch bestemd om mede-te werken tot de volvoering van Gods plan met ons, icanneer wij er ons niet tegen verzetten.
Menigeen, staande aan het begin van een leven vol ijver en toewijding, is begeerig de omstandigheden te veranderen, en een werkkring te vinden, waarin hij gelooft, dat zijn krachten beter en spoediger tot hunne volle ontwikkeling zullen komen. Vandaar, die onrust, die koortsige gejaagdheid, die teleurstelling en ontevredenheid in het eerste tijdperk der Christelijke ervaring. Dezulken hebben nog te leeren, dat God uit myriaden van omstandigheden het lot van ieder mensch met zorg gekozen heeft, als zijnde in het bizonder geschikt om de verborgen talenten en eigenaardigheden van de ziel, die Hij lief heeft, aan het licht te brengen en te ontwikkelen. Elke andere toestand, behalve het leven waartoe gij geroepen zijt, zou ongeschikt wezen voor het ontkiemen der verborgen eigenschappen uwer natuur, die alleen aan God bekend zijn, zooals de geur en de kleur, die in het zaad van eene tropische plant opgesloten . liggen. Geloof slechts, dat alles van te voren bestuurd en toegelaten is met het oog op hetgeen in U opgesloten is, en dat wacht op Zijn bevel, âkom uit!quot;
Tracht daarom niet door eene haastige of willekeurige daad de richting en de omstandigheden van uw leven te veranderen. Blijf waar gij zijt, tot God u elders roept, gelijk Hij U eertijds gebracht heeft, waar gij u thans
99
âIn de hand des pottenbakkers.quot;
bevindt. Volhard voor het tegenwoordige in de roeping, waartoe Hij u geroepen heeft. Werp op Hem de zorg eene verandering in uw leven te brengen, als die voor uw verdere ontwikkeling noodig mocht wezen; en zoek gij intusschen in elke levensomstandigheid ernstig naar de boodschap, de les, de oefening, die zij u te brengen heeft. Van de wijze waarop gij deze gehoorzaamt of in den wind slaat hangt de volvoering of de mislukking van Gods plan met u af.
Gij beklaagt u over de eentoonigheid van het leven. âDag in, dag uit, dezelfde sleur. Jaar in jaar uit dezelfde veelbegane weg; geen gezichteinder, geen ruimte, geen breedte, geen diepte, slechts een smalle strook lucht tusschen twee rijen hemelhooge huizen. Welke gelegenheid is er onder zulke omstandigheden voor de ontwikkeling van een grootschen aanleg ? Wat voor een veld om groote daden te ontwerpen en ten uitvoer te brengen ?'' Vergeet niet, dat dulden en dragen dikwijls meer waard is in Gods oog dan doen. Daar zijn actieve en passieve deugden, maar de laatste zijn het moeielijkst te leeren, en men leert ze het laatst. Zij heeten geduld, onderwerping, lijdzaamheid, leed-dragen, volharden in het goede. Zij eischen meer moed en geven blijk van grooter heldhaftigheid dan die eigenschappen, welke de wereld het meest bewondert. Maar zij kunnen slechts verkregen worden juist in dien eentonigen, engen kring, waarover zoovelen zich beklagen als geheel ongeschikt tot bereiking der heiligmaking.
3. Het voornaamste werk wordt gedaan
loo
â/« de hand des pottenbakkersquot;
door de vingers van den pottenbakker. â Hoe zacht is de aanraking dier vingers! Hoe groot hunne gevoeligheid! Soms schijnt het wel alsof zij met verstand begaafd waren in plaats van slechts werktuigen te zijn, waarmeê de hersenen hun voornemen volvoeren. En bij de opvoeding der ziel is het de aanraking van den Geest van God, die in ons het willen en het doen van Zijn welbehagen werkt. Hij is in ons allen; Zijn eenig doel is ons met zich zelf te vervullen, en door ons te vervullen âal het welbehagen Zijner goedheid, en het werk des geloofs met kracht; opdat de naam van onzen Heer Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in Hem.quot;
Maar wij zijn te bezig, te verdiept in vele zaken om op die zachte aanraking te letten. En wanneer wij die voelen, dan worden wij er door ontstemd, of weigeren hardnekkig er ons aan te storen. Daarom is het zoo noodig, dat wij eiken dag eenige oogenblikken, elke week een bepaalden dag afzonderen, wanneer wij ons aan alle andere invloeden onttrekken, en ons geheel en al en geheel alleen overgeven aan de Goddelijke bewerking.
Waar de hand en de schijf tegelijk aan het werk zijn, daar schijnt het menigmaal of zij zich in eene tegenovergestelde richting bewegen, en toch beoogen zij één doel. Want alle dingen werken mede ten goede dengenen, die God liefhebben. In Gods stem en aanraking vindt gij de bedoeling Zijner lotsbeschikkingen, en deze moeten kracht bij zetten aan de lessen, wier zachte vermaningen geen voldoenden indruk zouden maken. Wanneer gij dus in twijfel verkeert omtrent de bedoeling van zekere om-
IOI
. Ju de hand des pottenbakkers.'''
standigheden, die gij geroepen wordt te doorleven, en die u vreemd en onverklaarbaar toeschijnen, wees dan stil; klaag en mor niet; tracht de vele stemmen in u tot zwijgen te brengen, wacht totdat er in uwe ziel een licht opgaat over Gods bedoelingen, en iaat Zijn Geest in u samenwerken met de omstandigheden buiten u. Door de gelijke werking van deze twee â de omstandigheden, die behoefte aan genade doen geboren worden, en de inwerking van den Heiligen Geest, die niets liever doet dan genade schenken â kan de ziel omhoog stijgen, zooals de vogel zich door de gelijke beweging zijner beide vleugels in de lucht verheft.
II. God vormt de menschen ten tweede male. â âToen maakte Hij daarvan weder een ander vat.quot; Al kon de pottenbakker het vat niet maken zooals hij dat gewenscht had, toch deed hij wat hij kon met de gebroken stukken. Evenzoo handelt God met ons. Als wij weigeren aan het beste wat Hij met ons voor heeft te beantwoorden, dan laat Hij ons daarom nog niet los. Willen wij geen goud zijn dan kunnen wij zilver wezen, en zoo geen zilver dan blijft er nog hout en aardenwerk over. Hoe menigmaal moet Hij ons op nieuw maken!
Hij maakte Jacob opnieuw toen Hij met hem worstelde aan de Jabbok. Vóór dien tijd was hij een indringer en een bedrieger, daarna heette het van hem : âgij hebt u vorstelijk gedragen met God.quot; Hij maakte Simon Bar-Jona opnieuw, op den morgen der opstanding. Hij vond hem bij het open graf als de zoon der duif â
I02
.,/« de hand des pottenbakkersquot; 103
hetgeen zijn oude naam Bar-Jona beteekende âen verliet hem als Petrus, de rotsman, de apostel van het Pinksterfeest. Hij maakte Marcus op nieuw na zijne verbitterde scheiding van Paulus en Barnabas, die gevolgd werd door den tijd, waarin Petrus van hem spreekt als van zijn zoon, en Paulus in de gevangenis te Rome van hem getuigt; âwant hij is mij zeer nut tot den dienst.quot;
Mij werd eens verhaald van een talentvollen zoon, wiens vader zich bezig hield met het boetseeren van klei, bij welken arbeid den grijsaard echter menigmaal de vrees bekroop, dat zijne bekwaamheid hem op zijn vergevorderden leeftijd in den steek zou laten. Maar wat deed nu de zoon? Eiken avond, nadat de oude man zich ter rust had begeven ging hij naar diens werkplaats om alles, wat sporen van ouderdom of achteruitgang mocht dragen, te doen verdwijnen. Op gelijke wijze bemoeit God zich met onzen arbeid, als wij ons best gedaan hebben en niet geslaagd zijn, als de menschen zich teleurgesteld van ons afwenden. Hij volmaakt dien arbeid omdat Zijne genade duurt tot in eeuwigheid, en Hij het werk Zijner handen niet kan laten varen.
Zijt gij u niet bewust Gods eerste plan omtrent u zelf verijdeld te hebben? Zijn ideaal van een leven van ernstige toewijding aan Zijn dienst werd zoo droevig uit het oog verloren. Uw leven als vader, moeder of kind, als vriend of christelijk arbeider was zulk eene mislukking. De beloften afgelegd bij het doen uwer geloofsbelijdenis, op den dag van uw huwelijk, in het uur uwer inzegening, wat is er van geworden ? De eischen van het
â/« de hand des pottenbakkers.''
moderne leven en van de hedendaagsche wetenschap bemoeielijkten u zoo menigmaal. Er bleef geen andere keus over, dan u terug te trekken en aan anderen den prijs over te laten, die zij met zoo weinig moeite schenen te veroveren. Intusschen knaagt de bittere overtuiging aan uw hart. âIk heb de gelegenheid gehad, en er geen gebruik van gemaakt; zij keert helaas nooit weder. De gelukkigen, die slaagden, veroordeelen de overigen tot een nutteloos en verloren bestaan.quot; Maar hier komt het Evangelie met zijne troostende woorden tot degenen, die schipbreuk leden en zich verloren wanen. Het gekrookte riet wordt gemaakt tot een pilaar in den tempel Gods. De rookende vlaswiek wordt aangeblazen tot eene heldere vlam. Wat weggeworpen was bleek groote waarde te bezitten, en met de overgeschoten brokken werden zeven volle manden gevuld.
III. Onze houding jegens den grooten Pottenbakker. â Geef u aan Hem over. Elk deeltje van het leem voegt zich naar de schijf en de hand. En hoe gewilliger dit geschiedt des te voorspoediger gaat het werk. Opstand en tegenkanting verhinderen den arbeid van den pottenbakker. Laat God vrij spel met u hebben. Zijn wil geschiedde in u gelijk die in den hemel volbracht wordt. Onderwerp u aan dien wil, hoe zwaar het u ook vallen moge. Vertrouw op Hem, en zeg âja Heer.quot;
Daar zijn tijden wanneer wij niet kunnen gelooven, dat Gods weg de rechte is. Het leven heeft dikwijls zooveel overeenkomst met de natuur op een grauwen, killen Februaridag, wanneer de lente op het punt staat
104
â/« de hand des pottenbakkers.quot; 105
alles met haar tooverstaf aan te raken. Het schijnt alsof alles dood is, en de aarde nooit meer zal groeien en bloeien. En toch zijn in de diepte der aarde, waar dui-zende en duizende levenskiemen begraven zijn, Gods engelen bezig om de steenen weg te rollen, en den nieuwen hemel en de nieuwe aarde eener heerlijke lente voor te bereiden. Wanneer wij ons zelf dus eenmaal aan God toevertrouwd hebben moeten wij ook gelooven, dat Hij geen enkel oogenblik zal laten verloren gaan, maar onvermoeid voorwaarts spoedt tot de bereiking van Zijn ideaal.
Wij kunnen Zijne handelingen niet altijd begrijpen, omdat wij niet weten welke Zijne bedoelingen zijn. Wij vergissen ons in onze bestemming; in de roeping, waartoe wij gevormd worden; in de bediening, waartoe wij geroepen zijn. Is het te verwonderen, dat wij het spoor verliezen en ons bezwaard gevoelen ? Wij twisten met onzen Maker, zeggende : âWat doet Gij ?quot; of, âHij heeft geene handen.quot; En toch is het voldoende te weten, dat God onze Leidsman is al zijn wij volkomen onkundig naar welken top in de onafzienbare heuvelreeks Hij onzen voet wil voeren. Hij kent al de bergpassen, en zal ons zeker leiden, daar waar de weg het veiligst is.
Hierin ligt eene bizondere vertroosting voor hen, die de middelhoogte des leven bereikt hebben of oud geworden zijn. Denzulken roep ik toe: treur niet te veel over de lente en den zomer des levens, die onherroepelijk voorbij zijn gegaan; al is de herfst aangebroken toch bestaat er nog kans voor u om vruchten te dragen
â/« de hand des pottenbakkers.quot;
onder de zorg van den grooten Hovenier. Hij geeft ten allen tijde hoop. Hij kan het gevecht van de poort afwenden; Hij kan het verloren ijzer op het water doen drijven; Hij kan. de ledige vaten vullen met nieuwen, goeden wijn; Hij kan de schade der verloren jaren herstellen en mislukkingen doen veranderen in zegepralen. Hij, die machtig was om het Kruis van het hout der schande te herscheppen in een zinnebeeld van heerlijkheid en overwinning. Hij kan ook het meest hopelooze, geschandvlekte, meest verwaarloosde bestaan doen bloeien en vruchten dragen ten eeuwigen leven. Maar daartoe moet gij Hem vrij spel geven. Wat Hij ook zeggen moge, doe het, of laat het geschieden. Zoek vergeving voor het verleden, daarna herstelling, en eindelijk hervorming door Zijne hand. Verlaat u op God: en naar de mate van uw geloof naar die mate zal het aan u geschieden.
Nadat het leem in zijn laatsten vorm uit de hand des pottenbakkers gekomen is moet het in den oven gebakken worden, opdat die vorm vastheid zal verkrijgen; maar daarmeê is de bewerking nog niet afgeloopen, want de kleuren, die het versieren zullen, moeten door het vuur bestendigd worden. Men zegt, dat het verguldsel, waarmeê de vaas later prijken zal, vóór de bewerking door het vuur, opgelegd wordt in den vorm eener donkere vloeistof, welke bij eene blootstelling aan de hitte de eerste en tweede keer geheel schijnt te verdwijnen, om telkens vernieuwd te worden. Zoo handelt God ook met Zijn volk. Nauwelijks heeft de vormende hand zijn
io6
â/« de hand des pottenbakkers.quot; 107
werk verricht, of het leem wordt in den vurigen oven der verzoeking geworpen. Maar heb het geduld om de bewerking ten einde toe te verdragen. Zwijg Gode stil, en weet, dat Hij God is. Gij zult uw loon hebben, wanneer gij geworden zult zijn gelijk als het recht was in de oogen des pottenbakkers.
HOOFDSTUK X.
EEN HEILIGE AANDRIFT. (Jeremia XX : 9.)
De natuur van Jeremia doet ons menigmaal denken aan een Aeolische harp, welk instrument, gevoelig als het is voor den adem des winds, in het eene oogenblik een droevig klaaglied laat hooren en in het andere schijnt te jubelen van vreugd. Zoo fijn-besnaard, zoo gevoelig, zoo licht geroerd door voorbijgaande omstandigheden was het gemoed van den profeet. Zijn gansche boek is de afspiegeling van deze wisselende stemming, gelijk de oceaan de afspiegeling is van den veranderlijken hemel, nu eens het blauwe firmament dan weder de met storm bezwangerde lucht weerkaatsend. Het twintigste hoofdstuk bij voorbeeld draagt daar de duidelijkste bewijzen van. Daar hebt gij o. a. den uitroep: âVervloekt zij de dag op welken ik geboren ben; vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een
Een heilige aandrift.
zoon geboren.... waarom ben ik toch geboren om moeite en droefenis te zien?quot; (XX, 14â18). Maar in denzelfden adem klinkt de zegevierende kreet, âde Heer is met mij als een verschrikkelijk Held; daarom zullen mijne vervolgers struikelen en niets vermogenquot; (XX, 11). Welk een verschil tusschen deze beide stemmingen! In den eersten gemoedstoestand gaat hij door de vallei dei-schaduwen, waar dichte boomen den hemel verduisteren, en de gezwollen stroom zich dreigend doet hooren; en in de daarop volgende stemming zijner ziel staat hij op eene zonnige hoogte, van waar hij den blik laat wijden in de oneindige ruimte, over vruchtbare landdauwen en liefelijke dreven.
Dezelfde tegenstelling treffen wij aan in het negende vers. Daar vinden wij het halfgevormde besluit om God niet meer te gedenken, en niet langer te spreken in Zijnen naam, maar onmiddelijk daarop verklaart hij, dat het hem onmogelijk is den krachtigen drang van den Geest, die in hem is, te weêrstaan. âMaar het werd in mijn hart als een brandend vuur besloten in mijne beenderen ; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet.quot; Ach, hoe wonderlijk is het hart des menschen, wie kan het doorgronden ? Wie zal de hoogten schatten, waartoe het zich kan verheffen, of de diepten peilen, waarin het kan verzinken ? Welk een oneindigheid van zegen, welk een intensiteit van smart kan het bevatten ! Hoe glansrijk is zijn hemel, hoe donker zijn afgrond! Daarom is het goed voor ons het onderscheid te leeren kennen tusschen de aandoeningen van ons gemoed en
Een heilige aandrift.
die van onzen wil; maar bovenal moeten wij ons voornemen niet te vertrouwen op stemming of gemoedsaandoening, maar het gebouw onzes levens te grondvesten op den vasten bodem van een aan God onderworpen wil.
I. Be omstandigheden, die aanleiding gaven tot deze ontboezeming. â Jeremia's half gevormd besluit. â âIk zal Zijner niet gedenken, en niet meer in Zijnen naam spreken.quot;
Het is niet onwaarschijnlijk, dat de val van Nineve dagteekent uit dezen tijd. Gedurende zeshonderd jaar hadden de omliggende volkeren het ijzeren juk gedragen, en gezucht onder de overheersching eener onbarmhartige dwingelandij. Maar thans was ook zijn tijd gekomen. Een talrijk heir samengestroomd uit geheel Klein-Azië, van de oevers van de Zwarte zee, uit de gansche Tigris vallei, uit Armenië en Assyrië en versterkt door de zwervende stammen der woestijn, viel op de stad aan gelijk een zwerm horzels op een stinkend aas. De belegering, die twee jaar duurde had plaats onder aanvoering van den bekwamen Nabopolassar, wiens zoon Nebuchad-nezar bestemd was om een geesel Gods te worden. Het gerucht van deze gewichtige gebeurtenis verspreidde zich naar alle kanten, en veroorzaakte allenvege een gevoel van verademing, maar ook van onzekerheid; van verademing, omdat de dwingeland gevallen was, maar van onzekerheid, omdat men niet wist wie in zijne plaats komen zou.
Op dit tijdstip bevond Egypte zich op het hoogtepunt
no
Een heilige aandrift.
zijner macht. Gebruik makende van het verval van Nineve, had Farao de gelegenheid aangegrepen om zijn gebied tot de oevers van den Tigris uit te breiden. Evenals ai de omliggende volkeren erkende het koninkrijk Juda, â althans in naam, de opperheerschappij van den koning van Egypte. Vertrouwende op de nabuurschap en de macht van zijn machtigen bondgenoot, volhardde Jojakim in zijn schaamteloos bedrijf van afgoderij en zonde. Het geheele land was, zooals wij gezien hebben, door en door verdorven. Jeremia, de eerste van het kleine getal dergenen, die getrouw bleven aan de beste overleveringen van het verleden, liet nooit eene gelegenheid voorbijgaan om zijne stem te verheffen tegen de zonden des volks, maar het spreekt van zelf, dat hij zich hierdoor eene steeds toenemende vijandschap op den hals haalde. De samenzwering in het dorp zijner geboorte Anathoth was de eerste uitbarsting van een sluimerenden haat, die weldra gevolgd werd door tal van andere samenzweringen, listen en vijandelijkheden van den kant dergenen voor wie hij dagelijks bad, en voor wie hij gaarne zijn leven zou gegeven hebben.
Hij stond alleen, uitgeworpen door priesters en profeten, door aanzienlijken en geringen. âKomt aan,quot; zeiden zij bij zekere gelegenheid, âlaat ons gedachten tegen Jeremia denken; want de wet zal niet vergaan van den priester, noch de raad van den wijze, noch het woord van den profeet.quot; Hij was het voorwerp der algemeene bespotting. Iedereen maakte zich vroolijk ten zijnen koste. Men maakte hem een verwijt van het
in
Een heilige aandrift.
woord des Heeren, en lachte met hetgeen hij zeide. Zijne bekenden en degenen met wie hij in aanraking kwam bespiedden zijne gangen in de hoop, dat zij op de eene of andere manier vat op hem zouden krijgen, en zich op hem zouden kunnen wreken. De gespannen verhouding kwam tot eene uitbarsting door de gebeurtenissen in hoofdstuk XIX en XX beschreven. Op het bevel des Heeren nam de profeet een aarden kruik en na eenigen van de oudsten des volks om zich heen verzameld te hebben, ging hij met hen uit naar het dal van Hinnom naast de poort der potscherven. Op deze plaats lae de afval en het vuil der stad, als een voortdurend aas voor roofvogels en wilde honden. Het was een afzichtelijk oord, dat door iedereen geschuwd werd. Maar juist op deze plek hield hij eene lange en vreeselijke opsomming van de zonden des volks, gevolgd door de voorspelling van het zeker en onherroepelijk oordeel, dat men te gemoet snelde. De mannen van Jeruzalem zouden vallen door het zwaard voor het aangezicht hunner vijanden, in de benauwdheid der belegering zouden zij het vleesch hunner zonen en hunner dochteren eten. De stad zelf zou in puin verkeeren, en de omliggende vlakte bedekt worden met de lijken der verslagenen, ten prooi aan roofvogels en wilde dieren. Om kracht aan zijn woorden bij te zetten verbrak Jeremia het aarden vat, en stortte den inhoud uit op den grond, ten teeken, dat het bloed zijner landgenooten aldus vergoten, en de bodem daarmeê gedrenkt en verzadigd zou worden.
Hiermeê nog niet tevreden begaf de Profeet zich na
112
Een heilige aandrift.
zijn terugkeer van Tophet naar den tempel, en stond in den voorhof, wellicht op de trappen, die naar den voorhof der priesters leidden. Eene menigte volks woonde waarschijnlijk op dat oogenblik de eene of andere godsdienstige plechtigheid bij; mogelijk was het wel een van de hooge feesten. Toen men de stem van den profeet vernam drong zich eene talrijke menigte om hem heen, wier vertoornde aangezichten en heftige gebaren duidelijk aantoonden hoezeer men den man haatte, die door zijne voorspellingen van eene aanstaande verwoesting eene schaduw wierp over hunne gelukkigste uren. Het geduld van een zijner hoorders geraakte eindelijk uitgeput. Pashur, de bestelde voorganger in het Huis des Heeren, aan wien de handhaving der openbare orde opgedragen was, gebood eenigen Levieten of dienaren van den tempel, dat zij den profeet grijpen zouden. Hij werd ter aarde geworpen, op Oostersche wijze gegeeseld, en daarna in eene gevangenis opgesloten, waar hij den ganschen nacht blootgesteld was aan de bespotting en den haat van het gemeen, aan de koude, en aan de aanvallen dei-op roof uitgaande honden.
Den volgenden morgen schijnt Pashur berouw gehad te hebben van zijne harde bejegening, hij schonk althans de vrijheid terug aan den profeet, wiens krachtige geest geen oogenblik onthutst was geworden door de vernedering en de pijniging, die men hem had doen ondergaan. Zich tot zijn vervolger wendende kondigde hij dezen aan, dat hij zou leven om tot een schrik van zich zelf en van zijne vrienden te wezen, dat gansch Juda
8
113
Een heilige aandrift.
in de hand van den koning van Babel gegeven zou worden â van wien hier voor de eerste maal melding wordt gemaakt; dat het volk gevankelijk naar Babel gevoerd, en daar door het zwaard verslagen zou worden ; en dat al de rijkdom der stad, en al haar arbeid, en al hare kostelijkheid, en alle schatten der koningen van Juda in de hand hunner vijanden zouden gegeven worden om ze naar Babyion te voeren. Deze viervoudige vermelding van Babyion geeft grond tot de veronderstelling, dat Ninevé gevallen was, en dat de krachtige hand van Nabopolassar en van diens zoon zich reeds deden gevoelen, zoodat het zich liet aanzien dat de schepter, die niet lang meer behooren zou aan het oudste en grootste rijk der oudheid, weldra op hem zou overgaan.
De vrijheid herkregen hebbende keerde Jeremia terug naar zijn huis, en gaf daar zijn gemoed lucht in eene dier merkwaardige uitingen van heldhaftig geloof en bittere smart, welke voor ons opgeteekend zijn, opdat wij de zwakheid zijner natuur zouden leeren kennen, en weten hoe gering het vat was waaraan God zijn hemel-schen schat had toevertrouwd. Hij was geen koperen muur, maar een riet door den wind her en der bewogen; geen wijze, sterke held, maar een kind. Hetgeen hij deed en zeide in het aangezicht van zijn tijd moet niet toegeschreven worden aan eene krachtige en heldhaftige natuur; want hij zegt van zich zelf sprekende âHij heeft de ziel des nooddruftigen verlost.quot;
Och, indien de muren der binnenkameren eens spreken konden, wat zouden zij ons niet te zeggen hebben van
ii4
Een heilige aandrift.
den strijd vaa Gods meest bekende dienaren. Welk eene litanie van tranen, en zuchten, en half verstikte ontboezemingen ; hoeveel uitingen van hartverscheurend leed. Zij, die in de tegenwoordigheid hunner medemenschen het sterkst en het onwrikbaarst schenen, hebben zich in de eenzaamheid gansch hulpeloos ter aarde geworpen onder den uitroep, dat zij de zwakste en ellendigste der stervelingen waren.
De profeet schijnt zelfs verder te zijn gegaan. Het voornemen kwam bij hem op om zijn arbeid te staken, en zich uit het openbare leven terug te trekken. Waarom zou hij zich langer tegen het onvermijdelijke verzetten ? Waarom langer trachten dezulken te overtuigen, die niet overtuigd wilden wezen, en zijne liefde met haat vergolden ? Waarom zou hij zijn naam, zijne rust, de liefde der zijnen ten offer brengen aan de ondankbare taak, om zijn volk van hun dwaalweg te bekeeren ? Hij riep dan ook uit, âHeer, zend wien Gij wilt; draag de taak op aan een ander, die sterker, die heldhaftiger is dan ik ben, en laat mij terugkeeren tot de afzondering en den nederigen arbeid van het dorp mijner geboorte. Zoo klonk ongeveer ten allen tijde de klacht van Gods dienaren, als zij hunne zwakheid stelden tegenover de macht van het kwaad, dat zij moesten bestrijden ; als zij letten op den geringen uitslag hunner pogingen, op het overvloedige zaad in den onvruchtbaren bodem uitgestrooid; op de woorden, die in den wind werden geslagen; op het nuttelooze om een Achab en eene Izebel tegenstand te bieden; op de ondankbaarheid dergenen, die zij zoo
Een heilige aandrift.
gaarne zouden willen behouden. Zij waren geneigd om met den grootsten der profeten uit te roepen, âhet is genoeg, laat mij sterven!quot;
II. De onweerstaanbare aandrang.
âMaar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijne beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar ik konde niet.quot;
âO God, Gij zijt sterker dan ik, Gij hebt overwonnen.quot; Drie zaken trekken hier onze aandacht.
I. De gewoonte van den profeet om zich van de menschen tot God te wenden. â Het gansche boek door vindt men talrijke bewijzen van de nauwe gemeenschap, waarin Jeremia leefde met zijn God. God was altijd in zijne nabijheid. Gods oor was voortdurend geopend voor de stamelende bede van zijn dienaar. Gedwongen om veel alleen te leven, had de zwaarbeproefde man er zich aan gewend den omgang met God als een van de reëelste feiten zijns leven te beschouwen. In het oor van God legde hij elke gedachte neder, zooals die opkwam in zijne zie). Hij was gelijk een jonge boom, geworteld aan een waterstroom, die altijd even groen en frisch met loof beladen is. De zomerhitte zou zijne bladeren niet verschroeien, en de droogte zijne vruchten niet doen verdorren. De Heer was zijne sterkte, en zijne kracht, en zijne toevlucht ten dage der benauwdheid; aan Hem ontdekte hij zijne twistzaak. âGenees mij o Heere! zoo zal ik genezen worden; behoud mij, zoo zal ik behou-
116
Een heilige aandrift.
den worden: want Gij zijt mijn lof, laat mij niet verschrikt en niet beschaamd wordenquot; XVII 14â18. Ach laten wij trachten ons deze gewoonte eigen te maken, waarbij de ziel zich van de menschen tot God keert. Niet alleen God zoekende op gezette tijden, maar er ons aan gewennende ons geheele bestaan als het ware door te leven met Hem, die niet noodig heeft bekend gemaakt te worden met hetgeen er in ons omgaat, maar die niets liever verlangt dan dat Zijne kinderen Hem alles zullen toevertrouwen. Bespreek met God elke levensomstandigheid zelfs de kleinste, deel Hem alles mede, en zoek voor de ontelbare nooden uwer ziel hulpe bij Hem.
2. Het brandend vuur. â Wij hebben eens aan den voet van een geweldigen waterval eene kleine stoomboot gezien, die krachtig opwerkte tegen den stroom, welke haar dreigde meê te slepen. Langzaam stoomde het kleine vaartuig voorwaarts, zonder zich te storen aan de bruisende golven, die het terug wilden voeren; kalm en rustig vervolgde het zijn weg zonder af te drijven, of terug geslagen te worden of zich te laten afschrikken. En hoe kwam dat? Omdat in zijn binnenste een brandend vuur besloten was, waardoor de machine, die de boot dwong met krachtige en geregelde slagen steeds voorwaarts te stoomen, in werking werd gebracht. Op gelijke wijze brandde er in het hart van Jeremia een door God ontstoken vuur, dat onderhouden werd door een voortdurenden toevoer van brandstof. De moeielijk-heid bestond dus voor hem niet in het spreken, maar
117
Een heilige aandrift.
in het zwijgen â niet in het doen, maar in het zich onthouden.
Hierdoor wordt ons eenigzins de verklaring gegeven van zulk eene profetische aandrift, en leert men de bedoeling begrijpen van de woorden van Petrus, waar hij zegt: âmaar de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze (de profetie) gesproken.quot; Het was alsof een machtige aandrang van gedachten en gevoelens uit hen en over hen kwam, en hen onweerstaanbaar voorwaarts dreef. Op deze wijze gebeurde het menigmaal, dat de profeten de woorden hun dooiden Geest Gods in het hart gegeven, niet begrepen, en hunne volle beteekenis slechts gedeeltelijk konden beseffen .
Wat ons zelf betreft, het is onze innige begeerte te weten wat wij noodig hebben, om zulk een brandend hart te bekomen. Het bedroeft ons, dat ons hart zoo koel is jegens God. Wij beklagen er ons over, dat het christelijke leven en onze. christelijke plichten ons moeite en inspanning kosten ; wij zouden zoo gaarne het geheim leeren kennen, waardoor men zóó vervuld is van der Geest en van de gedachte aan God, dat men door geen tegenstand verschrikt en door geen vrees ontmoedigd wordt. De bron van het inwendig vuur is de liefde van God, uitgestort door den Heiligen Geest; oorspronkelijk niet onze liefde tot God, maar het bewustzijn, het besef van Zijne liefde voor ons. Als wij ons stellen tegenover het kruis â het brandpunt van Gods liefde, en steunen op den Heiligen Geest â te recht een vurigen Geest
118
Een heilige aandrift.
genaamd, ten einde Hem Zijn werk in ons te laten vervullen, dan zullen wij ervaren, dat de ijskorst, waarmede ons hart bedekt is, begint te smelten onder den invloed van tranen en berouw, en ondervinden dat langzamerhand het heilig vuur in ons ontstoken zal worden. Dan zal de liefde van Christus ons dringen; wij zullen onze gevoelens niet angstvallig wikken en wegen, maar Zijn Almachtige Geest, de gedachte aan hetgeen Hij van ons verlangt, de oprechte begeerte om Zijn wil te vervullen, zal het vuur der eigengerechtigheid dooven, en in plaats daarvan de heilige vlam der innigste toewijding ontsteken.
Wanneer die liefde eenmaal in ons hart ontbrand is, wanneer wij den vuurdoop des geestes ontvangen hebben dan zullen de zonden en het lijden der menschen â hunne goddeloosheid en godslastering, hun vergeten van God, van Zijn dienst en van Zijn dag, hun spelen met het gevaar, hun dartelen met het kwaad onzen ijver steeds meer en meer aanvuren.
De menigte, die haar verderf tegemoet ijlt, de vree-selijke taal van den Godslasteraar, de smaad van den ongel oovige, de kreet der verdrukten, de zondige vroo-lijkheid der goddeloozen, de ontwijding van het heiligste en beste wat er in den mensch is; dit alles te zien en te hooren, te denken aan het verdriet en de schande, die men den Geest van God aandoet, en daarbij het vooruitzicht van de buitenste duisternis, van den worm, die niet sterft en van den bodemloozen afgrond â voorwaar dit alles is meer dan genoeg om het smeulende vuur
II9
Een heilige aandrift.
tot eene voile vlam aan te blazen, zoodat het ons gaan zal als Jeremia, die een inner lij ken aandrang gevoelde, welken hij niet mocht weêrstaan, eene vurige begeerte welke hij niet kon onderdrukken.
3. De veiligheid van den profeet. â- âDe Heer is met mij als een verschrikkelijk held; daarom zullen mijne vervolgers struikelen, en niets vermogen.quot; De tegenwoordigheid des Heeren is redding.
Waar Ezechiel het opzet van Edom beschrijft om zich in bezit te stellen van het beloofde land, gebruikt hij ten einde de nietigheid van dien aanslag in het licht te stellen slechts een enkelen volzin. Veel beteekenend zegt hij, âalschoon de Heer daar ware.quot; Ezech. XXXV, 10. Hoewel Israël in ballingschap vertoefde toch was het voldoende, dat Gods Geest toefde in hun verlaten land.
Aldus was het Jeremia te moede. Hij mocht de zwakste der zwakken wezen; macht, invloed, wijsheid noch welsprekendheid bezitten, oogenschijnlijk eene gemakkelijke prooi voor Pashur of Jojakim zijn, maar zoolang God met hem was, hem in Zijne bescherming nam, en hem beloofde Zijne toevlucht en Zijn hoog vertrek te wezen, zoolang was hij onkwetsbaar.
O gij zwakke, beangste ziel, als gij getrouw zijt aan God, dan is God met u. Hij bezet u van achteren en van voren. Het zal u gaan als de stad des Groeten Konings â de koningen mogen vergaderen, maar zoodra zij u zien, worden zij verschrikt en haastten zij zich weg; terwijl gij eene geruste woonplaats zult hebben,
120
Een heilige aandrift.
121
eene tent, die niet ter neder geworpen zal worden, welker pinnen in der eeuwigheid niet heel uitgetogen, en van welker zeelen geenszins zullen verscheurd worden. âWant deze is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot den dood toe. (Ps. XLVIII, 15.)
HOOFDSTUK XL
DROEFHEID, RAMPSPOED, BEROERING. (Jeremia XXVI.)
Jojakim is hoogstwaarschijnlijk de meest verachtelijke der koningen van Juda geweest. Josefus zegt van hem, dat hij boos was van aard, een bedrijver des kwaads; iemand die God niet vreesde en geen mensch ontzag. Veel moet zeker toegeschreven worden aan den invloed zijner gemalin, Nehushta, wier vader Elnathan medeplichtig was geweest aan den koninklijken moord op Uria.
âJojakim was vijf-en-twintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar te Jeruzalem; en hij deed wat kwaad was in de oogen des Heeren.quot;
Aldus luidt het oordeel door den geschiedschrijver naar waarheid gegeven.
Jeremia schijnt in voortdurende oneenigheid met den koning geleefd te hebben. De eerste uiting eener vijandelijke gezindheid, die noodwendig moest ontstaan tus-
Droefheid, rampspoed, beroering.
schen twee zoo geheel verschillende personen, heeft waarschijnlijk hare aanleiding gevonden in het bouwen van een paleis voor Jojakim. Niettegenstaande het land zeer verarmd was door het betalen van eene schatting van tusschen de veertig en vijftig duizend talenten door Farao-Necho opgelegd na de nederlaag en den dood van Josia, en hoewel er zich aan den gezichtseinder onheilspellende wolken samenpakten, zoo verhinderde dit den koning niet een prachtig paleis voor zich te laten bouwen ; een huis met breede vensteren, vloeren van cederhout, en versieringen van vermiljoen. Gelijk Elia tegenover Achab stond, zoo stond Jeremia tegenover den jeugdigen koning met zijn dreigend âwee u.quot; âWee dien, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijne opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en hem zijn arbeidsloon niet geeft;.... Maar uwe oogen en uw hart zijn niet dan op gierigheid, en op verdrukking en overlast om die te doen.quot; Vervolgens wees hij er op, dat de vastigheid van Josia's troon niet gegrond was geweest op de pracht zijner woning, maar op de gerechtigheid, waarmeê hij de ellendigen en de nooddruftigen had gericht. (XXII, 13 enz.)
Geen wonder, dat een vorst als Jojakim een doode-lijken haat koesterde jegens den man, die het wagen durfde zijne stem te verheffen tegen de misdaden des konings; en evenmin, als later Herodes met Johannes den Dooper, zou hij geschroomd hebben het bloed te vergieten van den man, wiens woorden zulk een ongeveinsd oordeel uitspraken over zijne wreedheid en zijne
123
124 Droefheid, rampspoed, beroering.
verdrukking. Een sprekend voorbeeld had hij hiervan nog onlangs gegeven door het ter dood brengen van Uria, die het gewaagd had bedreigingen te doen hooren tegen Jeruzalem en hare inwoners, gelijk Jeremia thans deed. De woorden van dien man Gods hadden het volk in zulk eene woede doen ontsteken, dat hij de vlucht naar Egypte had moeten nemen, maar de koning wist zijne uitlevering te bewerken, en maakte daar gebruik van om den boetprediker van het leven te berooven, terwijl hij diens lijk eene eerlijke begrafenis weigerde. Weinig beter stond Jeremia te wachten zoo de koning ook hem uit den weg wilde ruimen. Voor het oogenblik evenwel behoefde hij niet voor zijne veiligheid te vreezen, want hij werd beschermd door den machtigen invloed van eenige aanzienlijke mannen, van wie Ahikam de zoon van Safan er een was. (XXVI, 20â24.)
I. De Goddelijke boodschap.
Door den Geest Gods gedreven begaf Jeremia zich naar den voorhof des tempels, waar hij post vatte op een van de groote feestdagen, toen de inwoners van gansch Judea opgekomen waren om te Jeruzalem te aanbidden. Niet een enkel woord van hetgeen hij zeggen moest zou hij terug houden. Wij allen hebben in meerder of minder mate den invloed van zulk een innerlijken aandrang gevoeld. Maar het was dikwijls zeer moeielijk na te gaan, of die aandrang zijn grond vond in de behoefte tot handelen onzer eigen natuur, dan wel be-
Droefheid, rampspoed, beroering.
schouwd moest worden als een gevolg van den geest van Christus, die ons drong. Slechts waar dit laatste het geval is, daar kunnen wij verwachten vrucht op onzen arbeid te zien.
Hier willen wij een oogenblik stil staan om er op te wijzen, hoe het hart des menschen het âmediumquot; kan worden, waardoor God Zijne bedoelingen aan de overige menschen kinderen wil openbaren; en nagaan hoe wij dien innerlijken drang, als van Hem komende, kunnen onderkennen.
Geen grooter belemmering voor onze meest verheven werkzaamheid dan het aandeel, dat het vleesch in onze handelingen heeft. Geen levenstoestand, geen arbeidsveld waar de listige, doodelijke invloed van dat vleesch zich niet doet gevoelen. Wij moeten er rekening tneê houden in onzen onbekeerden toestand, wanneer het den vrijen teugel viert aan zijne hartstochten en lusten. Maar wij hebben er evenzeer tegen te waken, nadat wij een nieuw leven hebben leeren kennen, want dan ondervinden wij hoe het zich tegen den Heiligen Geest verzet, en Zijne genadige bemoeiingen tracht te dwarsboomen. Ja, wij gevoelen ons bitter teleurgesteld wanneer wij tot de ontdekking komen, dat het zelfs niet vreemd bleef aan de heilige voornemens en handelingen van een God gewijd leven. De apostel Paulus noemt dit het ongelijke huwelijk van het vleesch of het eigen-ik met de heilige wet van God; eene verbintenis, die vruchten des doods moet dragen. En eindelijk vervolgt het ons voortdurend bij onzen christelijken arbeid. Daarin is
I25
Droefheid, rampspoed, beroering.
126
zooveel; wij moeten het onszelf na ernstig onderzoek bekennen, dat moet worden toegeschreven aan de begeerte om naam te maken, aan de behoefte om ons te onderscheiden, aan de rusteloosheid onzer natuur, die in plaats van dieper door te dringen in het leven des ge-moeds, liever afleiding tracht te vinden in allerlei arbeid, waardoor ernstiger gedachten worden tegengehouden en verstrooid. Er bestaat slechts één middel om dit diep ingrijpend kwaad te overwinnen. Alleen langs den weg van het kruis en het graf kunnen wij ontkomen aan, en verlost worden van de verradelijke overheersching van dit boos beginsel, dat van God vervloekt is, en even schadelijk voor een heiligen levens-wandel als de meeldauw doodelijk is voor den wasdom eener teedere plant. God sprak Zijn vloek uit over elke openbaring van het eigen-ik en het zoeken des vleesches bij het werk des geestes, en schreef dien boven het kruis, waaraan Christus stierf in de gedaante van het zondige vleesch. En nu is het de weg van een ieder onzer om dat kruis te aanvaarden, om dat Goddelijke oordeel te ondergaan, om neder te liggen in het graf, waarin de stemmen van menschelijke eerzucht en men-schelijke bewondering ons niet bereiken kunnen, en waarin het bedenken des vleesches vervangen wordt door de stilte des doods. Daar moeten wij echter niet eeuwig blijven, maar door de genade van den Heiligen Geest zullen wij geroepen worden tot de opstanding des lichts, waarin wij geen ander gelaat zullen aanschouwen dan het aangezicht van den Verlosser, geen andere stem
Droefheid, rampspoed, beroering.
zullen vernemen clan de Zijne, en waar de ziel in het heilig stilzwijgen eener volkomen gemeenschap in staat zal gesteld worden, den wensch Zijns Heeren te verstaan.
II. Hoe de boodschap ontvangen toerd.
De woorden, die Jeremia bij deze plechtige gelegenheid, toen het gansche volk hem hooren kon, tot de verzamelde menigte brengen moest, hadden eene tweeledige bedoeling. In de eerste plaats bezwoer hij het volk in den naam van God zich te bekeeren en afstand te doen van hunne zonden, en in de tweede plaats verklaarde hij, dat hunne hardnekkigheid God noodzaken zou het heiligdom van den nationalen Eeredienst een zelfde lot te doen ondergaan als Silo, dat nu reeds sedert vijfhonderd jaren verwoest was. Men kan zich geen denkbeeld maken van de woede, waarin het hooren dezer woorden het volk deed ontsteken. Zou men, zoo vraagden zij, Jeremia hoorende, niet moeten denken, dat God Zijn volk niet langer kon beschermen, of dat de godsdienst van Israël tot niets meer nut was. Priesters en Profeten hadden hun toch de verzekering gegeven, dat hunne tegenwoordigheid in den tempel van Jehova een voldoende waarborg was voor hunne veiligheid.
Dat een man het dus wagen durfde een oordeel der diepste vernedering aan te kondigen, zoo iets was eene onbeschaamdheid, die alle grenzen te buiten ging. âZoo geschiedde het als Jeremia geëindigd had te verkondigen alles, wat de Heer geboden had tot al het volk te spre-
127
128 Droefheid, rampspoed, beroering.
ken,quot; dat de woede van de opgewonden schare tegen hem losbarstte. Iets dergelijks overkwam Paulus in later dagen, toen de veronderstelling, als zou hij de gewijde plaats ontheiligd hebben, het volk in zulk een toestand van razernij bracht, dat de geheele stad beroerd werd. De menigte liep te samen, zij grepen Paulus en trokken hem buiten den Tempel, en de apostel werd slechts met moeite ontzet door eene bende romeinsche krijgsknechten, die hem gewapender hand moesten wegvoeren, terwijl de menigte des volks hem volgde al roepende; âWeg met hem!quot; Hand. 21 : 27â36.
Zonder twijfel zou Jeremia in een dergelijk oproeiden dood gevonden hebben, ware zijn leven niet beschermd door het krachtig optreden der hem goedgezinde prinsen.
Op deze wijze wordt het woord van God door de menschen ontvangen. Wij mogen het ons daarom wel ernstig afvragen hoeveel er van het eigen-ik schuilt in hetgeen wij der menigte brengen als men onze woorden rustig aanhoort en er niet door in beroering komt. Voor degenen die de zonde doen, kan het woord Gods niet anders wezen dan een brandend vuur, een geweldige geesel en een scherp tweesnijdend zwaard. Hierin hebben wij dus een zekeren proefsteen of onze boodschap een uitvloeisel is van onze eigen verbeelding of de opdracht van den Heer. Hetgeen door de menschen goedgekeurd en toegejuicht wordt draagt niet altijd het zegel des Konings, en de oorspronkelijke opdracht wordt dikwijls door de boodschappers verwisseld voor tijdingen,
Droefheid, rampspoed, beroering
die gereeder ingang vinden, en hun zelf eene betere ontvangst bereiden.
III. Eene reddende. tiisscJienkomst.
De prinsen bevonden zich ten paleize toen hun de tijding van het oproer gebracht werd. Onmiddelijk begaven zij zich naar den Tempel, waar hunne tegenwoordigheid de gemoederen eenigszins tot bedaren bracht, en het verwoede volk verhinderde in hun boos opzet om den weerloozen profeet van het leven te berooven. Zij vormden in der haast een soort van rechtbank, waarvoor het volk en de profeet gedaagd werden. De priesters en de profeten brachten de beschuldigingen tegen den man Gods in, en eischten, dat men hem ter dood zou veroordeelen, zich hierbij beroepende op het volk, waarvan zij de tolken waren.
Vervolgens sprak Jeremia om zich te verdedigen. Hij grondde zijne verontschuldiging daarop, dat hij niet anders kon dan de woorden, die God tot hem gesproken had, aan het volk te brengen; en beweerde, dat hij niet anders deed, dan de voorspellingen, door Micha in den tijd van Zedekia gedaan, herhalen. Hij ontkende niet, dat hij in hunne macht was, maar herinnerde hen tevens, dat het vergieten van onschuldig bloed Gods gerechte wraak over allen zou brengen, en hij eindigde zijne rede met de verzekering, dat hij door Jehova zelf gezonden was.
Deze mannelijke en onbewimpelde taal deed de schaal
129
9
Droefheid, rampspoed, beroering.
ten zijnen gunste overslaan. De uitspraak der vorsten luidde: âAan dezen man is geen oordeel des doods, want hij heeft tot ons gesproken in den naam des Hee-ren, onzes Gods.quot; En de wispelturige menigte, door den wind her en der bewogen, schijnt zich eenparig bij dit oordeel aangesloten te hebben, zoodat nu de vorsten en het volk tegenover de valsche priesters en profeten stonden. Dit aanvankelijk voordeel werd bestendigd dooide woorden van sommigen der oudsten des lands, die uit alle deelen van Juda opgekomen waren. Zij herinnerden het volk, dat de goede koning Hiskia geheel anders gehandeld had met den Profeet Micha. Hij had naar diens woorden gehoord, de gunst des Heeren gezocht, en daardoor de voltrekking van het oordeel Gods afgewend.
Aldus bewaart God Zijne getrouwen in het holle Zijner hand. Geen wapen, dat tegen hen gesmeed wordt, zal hen treffen. Zij zijn verborgen in het binnenste zijner tent, beveiligd voor de moordpijlen der booze tongen.
Geschiedkundig Overzicht.
Behalve in de profetieën van Nahum vinden wij in de Schrift geen melding gemaakt van den val van Ninevé. âHet Assyrische rijkquot; zegt Deken Stanley, âverdween zoo plotseling, zoo onmerkbaar, dat zijn val door niets anders gekenmerkt werd dan door de vervlogen grootheid der paleizen van de laatste koningen, en door den juichtoon over zijn ondergang, die aangeheven werd door
13°
Droefheid, rampspoed, beroering.
een der profeten van Israël. Op zijne puinhoopen verhief zich het Babylonische rijk, eerst onder de heerschappij van Nabopolassar en daarna onder diens groote.'i zoon, Nebukadnezar. Ezecheël beschrijft het ontstaan van het Babylonische Rijk als het opstijgen van een arend, groot van vleugelen, lang van vlerken en vol van vederen, die verscheiden verven had, als om daarmeê de verschillende volken, die dit rijk omvatte, aan te duiden.
In een voorafgaand hoofdstuk zagen wij, dat Egypte meester was van al de landen gelegen tusschen Nijl en Eufraat. Maar nauwelijks hadden de Chaldeën hun rijk gevestigd op de puinhoopen van Ninevé of zij waren er op bedacht Farao Necho een gedeelte van zijn uitgestrekt gebied met geweld te ontrooven. Reeds lang te voren had Jeremia voorzien, dat dit gebeuren zou, en had hij in levendige kleuren het gevecht en den afloop geschilderd van den vreeselijken strijd van Carchemis bij den Eufraat, waar twee machtige volken elkander de wereldheerschappij zouden betwisten. Hij hoorde de wapenkreten weêrklinken. Hij zag de geharnaste paarden, en de flikkerende wapenrusting der ruiters 'met hun spietsen en schilden. Hij zag hoe de Egyptische legers zich op de dichte drommen hunner vijanden wierpen, gelijk de wassende wateren van den Nijl op het land, en hoe de aan Farao onderworpen volkeren, de Mooren en de Puteërs, die het schild hanteerden, en de Dydiërs, die den boog spanden, te vergeefs al het mogelijke deden om de machtigen van Egypte in hunne vlucht te stuiten. Men vlood naar alle kanten zonder om te zien; het zwaard
132 Droefheid, rampspoed, beroering.
droop van bloed, de kreten der vluchtende scharen vervulden de lucht, en de machtigen vielen om nooit weêr op te staan. (Jer. XLVI, 1 â12.) Egypte herstelde zich nimmer van dien slag, en het was te vergeefs, dat het rijk der Farao's zich trachtte te verzetten tegen het zware juk, dat cle heerschzucht van Nebukadnezar den overwonnenen op de schouders legde.
Na deze overwinning werd Nubukadnezar door niets meer in zijne vaart gestuit.
Waarschijnlijk deelde hij de heerschappij met zijn bejaarden vader, en viel het eerste jaar zijner troonsbestijging samen met het vierde van de regeering van Jojakim (XXVI, 1.) Om eene uitdrukking van Habakuk te gebruiken, die omstreeks dezen tijd in het openbaar optrad wierp de jonge koning zich als een luipaard op de volkeren, die aan Egypte onderworpen waren geweest en deelgenomen hadden aan den strijd. Toen het gerucht van zijne zegevierende wapenen zich over de wereld verspreidde profeteerde Jeremia, dat hij de geesel Gods zijn zou, bestemd om de menigvuldige ongerechtigheden dei-volkeren te straffen.
âZiet, Ik zal zenden tot Nebukadnezar den koning van Babel, Mijnen knecht, en zal hem brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot eene ontzetting, en tot eene aanfluiting en tot eeuwige woestheden. En dit gansche land zal worden tot eene woestheid, tot eene ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren.quot;
Droefheid, rampspoed, beroering.
Bij dezen eersten inval in Juda sloeg de koning van Babel Jojakim in boeien ten einde hem gevankelijk naar Babyion te voeren, maar later schijnt hij van voornemen veranderd te zijn en Jojakim als zijn leenman, die hem den eed van trouw moest zweren op den troon hersteld te hebben. Hij beroofde den Tempel van deszelfs kostbare vaten om daarmeê het huis zijns Gods te Babyion te verrijken, en voerde verscheidene aanzienlijke Israëlieten, waaronder Daniël en zijne drie vrienden, gevankelijk mede. De tijding van het overlijden zijns vaders Nabopolassar deed hem met spoed naar Babyion terug keeren. Drie jaar lang bleef Jojakim getrouw aan zijn eed, maar daarna liet hij zich verleiden door de hoop om in vereeniging met naburige volken zijne onafhankelijkheid te herwinnen. Boden gingen heen en weder tus-schen hem en Farao, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou, niettegenstaande Ezechiël en Jeremia hem waarschuwden, dat Jehova het schenden van den eed, aan den koning van Babel gezworen, zekerlijk .straffen zou.
Het was een tijdperk van ongewone werkzaamheid voor de profeten van Jehova, die ai het mogelijke deden om een staatkundigen misslag, welke op een zedelijk onrecht berustte, en ongetwijfeld eene vreeselijke wraakneming na zich zou slepen, te voorkomen (Ezech. XVII, IS â21.)
Hetgeen zij gevreesd hadden gebeurde. Nebukadnezar was er de man niet naar om zulk een ontrouw van een hem onderworpen vorst te dulden. Hij bracht een leger
Droefheid, rampspoed, beroering.
op de been, en maakte zich gereed de woestijn door te trekken ten einde den zwakken en trouweloozen Jojakim te tuchtigen. Het was gedurende zijn optrekken naar Jeruzalem, dat de beide gebeurtenissen voorvielen, waarvan in de twee volgende hoofdstukken melding gemaakt wordt, n. 1. het bevel tot een algemeen vasten en de verschijning der Rechabieten, die met andere vluchtelingen eene veilige schuilplaats kwamen zoeken binnen de muren van Jeruzalem.
Wij weten niets met zekerheid te zeggen omtrent de lotgevallen van den profeet gedurende de laatste drie of vier jaar. Het zal hem ongetwijfeld bang te moede zijn geweest toen de stad, die hij zoo liefhad, hoe langer hoe meer door de invallen des vijands bedreigd werd. Voor hem was het in werkelijkheid een jaar van droogte, daar was geen hoop behalve op God; en menigmaal zullen hem de woorden op de lippen gekomen zijn in later jaren door den grooten Florentijnschen boetprediker 1) gericht tot de stad, die hij beminde met dezelfde innige genegenheid, welke de joden altijd voor Jeruzalem gekoesterd hebben. âUwe zonden o Florence zijn de oorzaak uwer striemen. Maar bekeert U, offert uwe gebeden, en verzoent U met elkander. Ik heb mijzelf al de dagen mijns leven gekweld om U de waarheden des geloofs bekend te maken, en U op te wekken tot een heiligen wandel; en niet dan moeite en bespotting en verwijten waren mijn deel.quot;
134
1
Savonarola.
HOOFDSTUK XII.
HET ONVERDELGBARE WOORD. (Jeremia XXXVI, 23).
Thans wordt ons de toegang verleend tot de binnenkamer van den profeet, waar hij zich zooveel mogelijk op hield om zich niet bloot te stellen aan de vijandschap en den feilen haat van het volk. Baruch zijn vertrouwde vriend, een aanzienlijk en geleerd man, bevond zich daar bij hem, en schreef met de grootste zorgvuldigheid alles neder wat de profeet, die bezield werd door de ingeving van den Heiligen Geest, hem voor zeide.quot; En de vorsten zeiden daarna tot Baruch : âVerklaar ons toch hoe hebt gij al deze dingen uit zijnen mond geschreven ?quot; En Baruch zeide tot hen: âUit zijnen mond las hij tot mij al deze woorden, en ik schreef ze met inkt in dit boek.quot;
Toen de rol geheel beschreven was droeg Jeremia, die zich niet in plaatsen van openbare samenkomst vertoo-nen durfde, zijn vriend Baruch op het geschreven woord
Het onverdelgbare woord.
aan het volk voor te lezen. Er waren op dat tijdstip buitengewoon veel vreemdelingen te Jeruzalem. Uit alle oorden des lands waren de inwoners opgekomen om deel te nemen aan de groote vasten, die uitgeschreven was met het oog op de nadering van het Babylonische heir. Onder het aanheffen van den kreet, zoo menigmaal door Jeremia veroordeeld, maar waaraan men eene bizondere verdienste toekende, âDes Hoeren Tempel, des Heeren Tempel zijn deze,'! verdrong de beangste menigte zich in de voorhoven van het heiligdom in de hoop door hunne rouwkleederen en bedekte aangezichten den Almachtige te verzoenen, en het dreigende gevaar af te wenden.
Zich eene standplaats uitgekozen hebbende aan de deur der nieuwe poort van het huis des Heeren begon Baruch te lezen, terwijl het volk zich in dichte drommen om hem heen verzamelde. Onder de verslagen menigte bevond zich een jonge man, Michaja, de kleinzoon van Safan, die zoo getroffen en onthutst was door hetgeen hij hoorde, dat hij zich haastte om de vorsten, die op dat oogenblik vergaderd waren ten huize des konings in de kamer des schrijvers ten einde aldaar raad te houden, bekend te maken al de woorden, die hij vernomen had. Deze waren op hunne beurt zoo ontsteld over hetgeen hij hun mededeelde, dat zij hem naar den Tempel terug zonden met het verzoek aan Baruch om zich onverwijld naar het paleis te begeven, en daar de woorden van den profeet aan de vergaderde vorsten voor te lezen. Baruch voldeed aan dit verzoek, en in hun midden plaats genomen hebbende ving hij aan te lezen.
136
Het onverdelgbare woord.
In deze verzameling der vorsten bevonden zich verscheiden mannen van naam : Elisama, de schrijver; Elna-than, de schoonvader des konings, dezelfde, die den profeet Uria uit Egypte gebracht had, om hem te doen sterven; en anderen. Eene groote vrees kwam over hen toen zij de onheilspellende woorden vernamen, die in hoofdzaak waarschijnlijk dezelfde zullen geweest zijn als in het vijf-en-twintigste hoofdstuk van dit boek opgetee-kend staan. Hoewel met een gelijken haat jegens den profeet bezield, waren zij allen er van doordrongen, dat diens voorspellingen van het nakend kwaad volkomen gerechtvaardigd waren, en geloofden zij, dat het niet meer dan hun plicht was den koning bekend te maken met den inhoud der rol.
Voordat zij hiertoe overgingen raadden zij echter Baruch en Jeremia om zich schuil te houden, want zij kenden maar al te goed het oploopend en heerschzuchtig karakter des konings. De rol zou in de kamer van Elisama blijven. Men meende dat het voldoende zou wezen den vorst een mondeling verslag te geven van de woorden, die zij gehoord hadden, maar de koning was hier niet mede tevreden en Jehudi werd gelast de rol te halen. Het was winter in de maand December; de koning bewoonde dat gedeelte van het paleis hetwelk des winters betrokken werd, en er was een groot vuur ontstoken in den haard.
Wij kunnen ons het aangrijpend tafereel duidelijk voor oogen stellen â de koning zittende voor het vuur, de vorsten om hem heen geschaard, Jehudi verdiept in het
137
Het onverdelgbare woord.
lezen der rol, en daar buiten in de stad algemeene verslagenheid en angst, duidelijk zichtbaar op de verschrikte aangezichten der knielende menigte in de voorhoven des tempels. Nadat de schrijver drie of vier stukken gelezen had rukte de koning hem de rol uit de hand, en om het pennemes gevraagd hebbende, dat Jehudi bij zich droeg ten teeken en tot uitoefening van zijn ambt, sneed hij de rol in stukken en wierp ze met een verachtelijk gebaar op het vuur. De slechtsten onzer kennen soms nog oogenblikken van aarzeling, en hij, die voortholt op den weg des verderfs, verneemt soms nog waarschuwende stemmen, die hem vermanen en hem terug trachten te houden; zoo ging het ook met koning Jojakim. Delaja, Gemarja en zelfs Elnathan deden hun best hem van zijn voornemen af te brengen, maar te vergeefs. Hij had geen rust voordat de geheele rol in stukken gesneden en door het vuur verteerd was. En nog niet tevreden met deze daad van gruwelijk geweld gaf hij zijnen dienaren last Jeremia en Baruch onmiddelijk gevangen te nemen, welken last zij, door de genomen voorzorg, niet ten uitvoer konden brengen.
De vernietiging van de rol redde het schip van staat echter niet van den vreeselijken ondergang welke het onder het bestuur van zijn toornigen en goddeloozen gezagvoerder tegemoet ging. De woorden van het boek. dat verbrand was geworden, werden weder op een andere rol geschreven, met bijvoeging van eene voorspelling omtrent den smaad en de vernedering, waaraan het lichaam van den dooden koning zou blootgesteld wezen.
138
Het onverdclgbare woord.
âEn zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, des daags in de hitte en des nachts in de vorst.quot;
I. Oogen om te zien.
Daar was een groot onderscheid tusschen Baruch, die geheel de overtuiging van Jeremia was toegedaan en Jehudi en de vorsten; maar daar bestond een bijna even groot onderscheid tusschen den trouwen schrijver en den door Gods Geest verlichten profeet De een schreef slechts de woorden ter neder zooals ze van de brandende lippen vloeiden; hij zag niets, hij ervoer niets, de blik zijner oogen ging niet verder dan de wanden van het vertrek. Voor den ander daarentegen bestonden er geen muren of wanden, zijn blik reikte verder dan de werkelijkheid en de boodschap, die hij te brengen had stond hem zoo helder voor oogen alsof hij ze las uit een boek.
Dit was het werk van den Heiligen Geest, die hem bezielde; van den Heiligen Geest wiens voornaamste streven het was de oogen der zieners van den ouden tijd te openen voor de groote dingen van de onzienlijke en eeuwige wereld, die weldra vervuld stonden te worden in het tijdelijke en zichtbare ondermaansche. Hun werden Goddelijke openbaringen gegeven: de troon van Saffier geschraagd door sterke Cherubims; de vreeselijke ge-richten der Voorzienigheid; de opkomst en de val van machtige rijken; de wegneming van zonde en lijden onder de machtige heerschappij van Hem, die komen zou. Te spreken van'hetgeen hij wist en te getuigen van hetgeen
139
Het onverdelgbare woord.
hij gezien had â ziedaar de roeping van den profeet. Wij zijn niet aldus aangelegd, en toch kunnen ook wij zieners wezen. Twee menschen kunnen zich in denzelfden toestand bevinden maar gelijk een dikke mist omgeeft het zinnelijke den een, terwijl die nevel voor den ander geheel opgetrokken is. Baar geen gedachte, geen eerzucht, geen begeerte buiten hetgeen tijdelijk is en gezien wordt; hier daarentegen eene openbaring van de nabijheid en de liefde Gods, van de hemelsche overheden en machten, van het werk der engelen en den tegenstand der vijanden, van de paarden en wagenen ter bevrijding, van den prijs en de kroon, van het vonnis voor den rechterstoel van Christus en van het wonen aan gene zijde der rivier. Vleesch en bloed hebben deze dingen niet geopenbaard. Zij zijn den wijzen en verstandigen verborgen, maar geopenbaard aan de kinderkens, die God liefhebben.
Gelukkig dezulken wier oogen en wier hart geopend zijn, opdat zij mogen weten welke zij de hoop zijner roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van zijne erfenis in de heiligen, en welke de uitnemende grootheid zijner kracht zij aan ons, die gelooven.
Het is van het grootste gewicht, dat alle christenen vatbaar mochten wezen, voor en in het bezit dezer zienersgave. Zulk eene gave is niet alleen verstandelijk, zij is meer, zij is geestelijk; zij is niet het gevolg van oefening en redeneering, zij is eene ingeving; zij wordt niet verkregen in de school der aardsche wetenschap, maar zij is het geschenk van Hem, die alleen de oogen der
I40
Het onverdelgbare woord.
blinden kan openen en de schellen van aardsgezindheid, die het eeuwige en onzienlijke aan den blik onttrekken, kan doen wegvallen. Ontbreekt U die gave, lezer, vraag haar dan uit de hand van uwen Heiland ; wees bereid zijn wil te doen, en gij zult leeren inzien hoe ontzettend het is blind te zijn, of niet in de verte te kunnen zien, waar Gods prachtige bergen zich in stille majesteit verheffen. Het gaat met de onzienlijke dingen als met de trotsche Alpen, die een Zwitschersch landschap aan alle kanten omringen, doch waarvan de reiziger, die na liet vallen van den avond in die plaats komt om er te eten, te drinken en te slapen, niets bemerkt. Hoewel in hunne onmiddelijke nabijheid is hij zich onbewust van de heerlijke bergen waartusschen hij zich bevindt. Men verhaalt van Ampère, dien grooten geleerde op het gebied der electriciteit het volgende. Hij was kortzichtig, doch kwam eerst door het toevallig gebruik van de brillenglazen eens vriends tot de ontdekking van dit gebrek, en hij barstte in tranen uit, toen hij tot besef kwam hoeveel er gedurende zijn leven voor hem was verborgen gebleven van het schoone en belangrijke, dat de wereld rondom hem te bewonderen gaf. Met des te meer reden zullen wij ons te bedroeven hebben over het onuitsprekelijk verlies, dat wij lijden door de geestelijke blindheid, waarvan de Heilige Geest spreekt. (2 Petr. 1, g.)
Indien daarentegen onze oogen geopend zijn zoo zullen wij geen boeken of bewijzen van noode hebben ter bevestiging van de waarheden van onzen gewijden godsdienst; van de heerlijkheid van den opgestanen Heer;
141
Het onverdelgbare ivoord.
van de onzienlijke wereld. Met de Samaritaansche vrouw zullen wij uitroepen, âwij zeiven hebben het gezien/» Geen ander bewijs zullen wij behoeven dan die onze geestelijke zintuigen ons kunnen geven. En mocht men ons geloof aanvallen met tal van wel overlegde bedenkingen, dan kunnen wij onverschrokken antwoorden, âéén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie.quot; De aartsvaders van den ouden dag, die hunne handen ophieven om de verschijning te begroeten van de stad, die geen fondamenten heeft, van het Nieuwe Jeruzalem â wier toekomst alle vromen verwachten â staan daar als het voorbeeld van den geestelijken mensch gedurende alle eeuwen; en degenen, die deze dingen aanschouwen zijn ongevoelig voor de ontberingen van het leven in de tent of, zooals het geval was met Jerernia, zij weten zich te verheffen boven den haat der menschen en de verschrikkingen eener belegering.
II. Het gébruik van het pennemes.
De menschen gebruiken het mes op verschillende wijzen met betrekking tot den bijbel. Priesterlist en dwaling, mag men een dezer wijzen van besnoeiing noemen. Zij hebben het mes gebruikt. Zij zullen het weder gebruiken.
En zij doen daar wijs aan â d. w. z. wijs in hun eigen belang; want is de bijbel eenmaal in de handen van het volk, dan is het gedaan met den valschen leidsman, die de menigte ter wille van zijne zelfzuchtige doeleinden misleid heeft. De eeuwenlange heerschappij van de
142
Het oiiverdelglare woord.
Roomsch-katholieke kerk was gebroken zoodra Tyndale en Erasmus en Luther Gods Woord onder het bereik der menigte brachten, en de Bijbel door de drukpers onder het volk werd verspreid Het behoeft dus geen verwondering te wekken, dat er zoolang dit doenlijk was in elke stad van eenige beteekenis in Europa brandstapels werden opgericht, waarop tal van bijbels aan de vlammen werden prijs gegeven, en dat er een onbeperkt gebruik werd gemaakt van het pennemes ten einde alles weg te nemen, waardoor het standpunt van den Paus en het stelsel zijner Kerk veroordeeld werd. De Vulgata met zijne verminkingen en weglatingen is een sprekend bewijs, dat het pennemes van Jehudi diens tijd overleefd heeft.
Het voorbeeld van Jojakim vindt verder navolging bij den ongelooviye, die gebruik maakt van het scherpe lemmet van snijdenden spot en valsch vernuft om de waarheden der Schrift te ondermijnen. Dezelfde vijandelijke stemming, die heerschte in het winterpaleis des konings te midden der vorsten en aanzienlijken heeft zich ook geopenbaard in de verblijven van aardsche geleerdheid en wetenschap en daar tot dezelfde resultaten geleid. De werkplaats van den scheikundige, de hamer van den mineraloog, de berekening van den wiskunstenaar en de ontdekkingen van den onderzoeker hebben ieder op hunne beurt dienst gedaan als het pennemes der vernieling.
Gedurende eiken menschenleeftijd is de Bijbel geregeld eenmaal door dergelijke lieden in stukken gesneden. En eigenlijk zijn wij allen geneigd het pennemes van
Het onverdelghare woord.
Jelmcli ter hand te nemen. â Zonder twijfel is er bijna niemand die zich, zij het dan ook onbewust, niet de gewoonte heeft eigen gemaakt om zekere gedeelten der Schrift, welke in strijd zijn met zijne levensomstandigheden of zijne geestelijke en wetenschappelijke opvatting en persoonlijke inzichten weg te laten.
Waar wij den bijbel voor ons zelf lezen in de binnenkamer laten wij daar vooral op onze hoede zijn voor het gebruik van het pennemes. Geheele bladzijden, gan-sche waarheden worden feitelijk weggenomen uit den Bijbel van waarlijk vrome christenen â gedeelten, waarin men geroepen wordt om te ontwaken en de wapenrusting des lichts aan te doen ; plaatsen, waarin gesproken wordt van de worm, die niet sterft, van het vuur, dat niet uitgebluscht wordt, van het onvermijdelijk oordeel over de goddeloozen ; hoofdstukken, waarin sprake is van de zinnebeelden en schaduwen der oude bedeeling of waarin men een vast bestek vindt van waarheden en leerstelsels, zooals b. v. in de brieven. Zonder nadeel voor zich zelf kan men niets van dit alles weglaten. De Bijbel is gelijk aan goed, voedzaam tarwebrood, dat alle bestanddeelen bevat noodig tot instandhouding van het mcnschelijk leven, en nu kunnen wij dit brood niet ontdoen van zijn stijfsel- of suikergehalte, van zijn zouten en zuren zonder gevaar te loopen het zijn voedende kracht te ontnemen.
Het is een gulden stelregel den Bijbel in zijn geheel te lezen. Het spreekt van zelf, dat een ieder zijn geliefkoosde bladzijden heeft, doorweekt van tranen, en ver-
144
Het onverdelgbare woord.
sleten door het gebruik â Ps. 23 ; Jesaja 53 ; Joh. 14 ââ¢, maar daarnevens moeten wij ons met ernst en toewijding den inhoud eigen maken der gansche Schrift, welke van God is ingegeven en daarom nuttig, opdat de mensch Gods volmaakt zij, en tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.
III. Ket onvergankelijke Woord.
De menschen mogen den bijbel onder allerlei gedaanten vernietigen, maar het Woord zelf kunnen zij niet verdelgen. Dat is het onvergankelijke Woord van God, hetwelk leeft en blijft, terwijl alle vleesch is gelijk het gras, en de heerlijkheid des menschen vergankelijk als de bloem des velds. Het moet, dunkt ons, voor degenen, die weigeren het getuigenis van Gods Woord aan te nemen, die Zijne vermaningen en bedreigingen in den wind slaan, die het op alle mogelijke wijzen trachten te vernietigen, eene ondragelijke gedachte wezen, dat hunne houding tegenover het geboodschapte geen den minsten afbreuk kan doen aan de waarde van die boodschap zelf.
Jeremia dan nam een andere rol. Het geld, dat besteed werd tot het opkoopen van bijbels, die in de straten van Londen verbrand moesten worden, stelde Tyndale in staat een nieuwe uitgaaf van de Heilige Schrift in goedkooper vorm en met beter druk het licht te doen zien. En zeker is het een hoogst merkwaardig feit, dat niettegenstaande alles wat men gedaan heeft om den
10
I4S
Het onvergankelijke woord.
Bijbel te doen verdwijnen, er thans millioenen exemplaren van bestaan, verspreid onder alle natiën der wereld, en zuiks in een volkomen ongeschonden toestand. Geen hoofdstuk uitgewischt, geen gelijkenis weggelaten, geen wonder verkleind, geen belofte verkort. Telkens en telkens heeft men verklaard, dat het een onsamenhangende, ongeloofwaardige verzameling was van geschriften uit verschillende tijdperken, wier éénheid bestond in den band, die ze samenhield, en toch bezit dit geminachte boek het hoogste gezag.
De voorspellingen door Jeremia gedaan kwamen dan ook weldra in vervulling. Noch mes, noch vuur hadden het onvermijdelijk lot van koning en stad en volk kunnen tegenhouden. De dronken kapitein mag de kaart, waarop de gevaarlijke klippen aangewezen zijn, in stukken scheuren, en de zeelieden, die er hem op wijzen, in boeien doen slaan, daardoor zal hij de schipbreuk niet verhinderen, die slechts door het wenden van het roer, en het volgen van eene andere richting voorkomen kan worden. Laten zij op hunne hoede zijn, die het getuigenis der Schrift met betrekking tot de vergelding der zonde en de wrake Gods niet aannemen; deze dingen zijn waarachtig als de troon van God, en het deel der verlosten. Vrij mogen zij twijfelen en verkleinen, de onomstootelijke feiten blijven bestaan.
146
HOOFDSTUK XIII.
DE RECHABIETEN. (Jeremia XXXV : 6â10.)
De tocht van Nebukadnezar naar Jeruzalem werd voorafgegaan door strooptochten van Syriërs, Moabieten en van de kinderen Ammons. Roofzuchtige horden vielen in de vlakten, vermoorden de landelijke bevolking, maakten zich meester van den oogst, en verspreidden overal schrik en ontsteltenis. Bedacht op lijfsbehoud, en in de hoop een gedeelte hunner have te kunnen redden, lieten de inwoners hunne huizen en akkers in de handen van den vijand, en vluchtten naar de hoofdstad in de verwachting achter de sterke muren van Zien eene veilige schuilplaats te vinden. Welk een tooneel vol leven en beweging, als dag aan dag onder de zware poorten, eerbiedwaardig van ouderdom, eene bonte menigte zich verdrong, onderkomen en voedsel zoekende in de reeds overbevolkte stad.
De Rechabieten.
Bij al die vreemdelingen bevond zich ook een stam, die de algemeene nieuwsgierigheid opwekte door zijn eigenaardig optreden en ouderwetsche gewoonten. Zij kwamen in grooten getale. De naam van hun opperhoofd was Jaazanja, hetgeen beteekent: âdien Jehova hoortquot;; en zijne broederen, en al zijne zonen, en het gansche huis der Rechabieten was met hem. Deze menschen weigerden hun intrek te nemen in de huizen of vaste gebouwen der stad, maar zij sloegen hun donkerkleurige tenten op, op een open plek binnen de muren, en wachtten daar den loop der gebeurtenissen af.
Met trots wezen zij op hun stamboom, die opklom tot de vroegste tijden uit de geschiedenis der Hebreen. Toen de Israëlieten door de woestijn van Sinaï trokken, ondervonden zij eene vriendelijke bejegening van den stam der Kenieten, welke welwillendheid den grond legde tot een voortdurende vriendschappelijke verhouding tus-schen beide volken. Deze Kenieten schijnen de godsdienstige overtuiging der Israëlieten tot de hunne gemaakt te hebben, en met dat volk in het Beloofde Land gekomen te zijn. Daar bleven zij echter getrouw aan hun verleden als een zwervend herdersvolk, doch onderhielder gedurende al die eeuwen eene vriendschappelijke betrekking met Israël. Van dit volk, dat der Kenieten, waren de Rechabieten, zoo heetten deze vreemde tentbewoners, een stam. (Richt. IV : 17â24; 1 Sam XV : 6; 1 Kron. II : 55.)
Ten tijde van Elia, wiens optreden waarschijnlijk grooten indruk op dezen man maakte, heette het opper-
148
Dc Rechabieten. 149
hoofd van dezen stam der Kenieten Jonadab de zoon van Rechab. Hij bedroefde zich over het toenemend verderf en de ongerechtigheden dier dagen, vooral voorkomend in het noordelijk gedeelte des lands, destijds onder den noodlottigen invloed van Achab en Izebel, wier omgeving een waar broeinest was van zonde en ondeugd; een brandpunt van zedelijke besmetting en verdorvenheid. In zijn streven om zijn volk te redden van zulk een goddeloos bestaan, liet deze edele man, die later de bondgenoot van Jehu werd in de uitroeiing der afgoderij, de kinderen zijns volks een plechtigen eed zweren, waarbij zij zich verbonden geen wijn te drinken, noch huizen te bouwen, noch wijngaarden aan te leggen en in tenten te wonen al de dagen huns levens. Tweehonderd en vijftig jaar waren er sedert dien tijd voorbij gegaan, maar toen de Rechabieten eene schuilplaats binnen de muren van Jeruzalem zochten, waren zij nog steeds trouw aan de overleveringen van hun geslacht, en als de vertegenwoordigers van de schoonste en reinste dagen uit de geschiedenis der Hebreeuwsche geschiedenis, stonden zij daar te midden van de verwijfde en afgoden-dienende bevolking van Jeruzalem; het toonbeeld van kloekheid en kracht.
I. Jerernia stelt de Rechabieten op de proef.
Zoodra het bericht van hun aankomst zich verspreid had, en ter oore van Jeremia gekomen was, besloot de profeet, door Gods Geest gedreven, van deze gelegenheid
De Rechabieten.
gebruik te maken, en de vreemdelingen zijn volk tot een sprekend voorbeeld te stellen. Met een vindingrijkheid, zooals slechts de ware liefde die kent, wist de Profeet alles dienstbaar te maken tot leering en vermaning zijns volks. Hij nam de hoofden der Rechabieten met zich mede naar den Tempel, en bracht ze in de kamer der zonen van Hanan, den man Gods, welke was bij de kamer der vorsten en boven het verblijf van den dorpelwachter. Waarschijnlijk werd hij daarheen gevolgd door eenige Joden, wier nieuwsgierigheid was opgewekt door het gezelschap, waarin de profeet zich bevond, en die gaarne weten wilde wat hij met die vreemde mannen in den tempel kwam doen. Zij waren dan ook getuige van de handelingen van den Profeet, die den Rechabieten bekers vol wijn liet voorzetten, en hen uitnoodigde om te drinken. En evenzoo hoorden zij het korte maar besliste antwoord van deze merkwaardige puriteinen van den ouden dag: âWij zullen geenen wijn drinken,quot; welke weigering gevolgd werd door de mededeeling, dat zij zich eeuwen geleden daartoe door een plechtigen eed verbonden hadden.
De moraal was niet twijfelachtig. Hier had men te doen met mannen, die getrouw aan den wensch van een hunner voorvaderen, iemand die slechts in naam voor hen bestond, weigerden gebruik te maken van de genietingen des levens, hen in ruime mate aangeboden. Welk een verschil met de inwoners van Jeruzalem, die de woorden van den levenden God opzettelijk in den wind sloegen, en in hunne zonden volhardden! De voor-
l5°
De Rechabieten.
schriften van Jonadab waren in hooge mate willekeurig en betroffen ten deele slechts uiterlijkheden, terwijl de bevelen van Jehova gerechtvaardigd werden door de uitspraak van het geweten, en een weerklank vonden in de eerste voorwaarden van godsdienst en zedeleer. De stem van Jonadab was de flauwe nagalm van een eeuwenoud gebod, terwijl de bevelen van Jehova voortdurend nieuw waren, gebracht door den mond der profeten, die God niet ophield tot het volk te zenden. Daar was slechts eene uitkomst mogelijk. Ondermijnd door de misdrijven en het zedenbederf, waartegen God te vergeefs Zijne stem had doen hooren, moest Juda in het eind storm oogsten, waar het wind had gezaaid. Geen ontkomen was er mogelijk aan het oordeel, dat eiken dag nader kwam. Indien het volk niet hooren wilde naar woorden van bestraffing, vermaning en waarschuwing, maar ze belachte als ijdel en overdreven, dan zou het eindelijk worden gedwongen tot de erkenning, dat niet één van Gods bedreigingen machteloos was noch ledig wederkeerde.
Wat daarentegen de Rechabieten betrof â zulk een trouw aan beginselen, zulk een vasthouden aan eenvoud, matigheid en deugd, zulk een letterlijke gehoorzaamheid aan het gebod van hunnen stamvader waarborgde niet alleen het voortdurend bestaan van het volk, dat zich op een zoo hoog standpunt wist te handhaven, maar verzekerde het ook van de gunst en de bescherming
ö o
des Almachtigen. âDaarom alzoo zegt de Heer der heir-scharen, de God Israels: Er zal Jonadab, den zoon van
De Rechabieten.
Rechab, niet worden afgesneden één man, die voor mijn aangezicht sta, al de dagen!quot;
Deze woorden hadden eene diepe beteekenis. Zij duidden zonder twijfel op het voortbestaan van het volk der Rechabieten. Opmerkelijk is het, dat Dr. Wolff, de bekende zending-reiziger, in Arabic een stam gevonden heeft, wier leden zich Rechabieten noemden, en die hem deze woorden van Jeremia uit een Arabischen bijbel voorlazen; en dat Signor Pierotti in de nabijheid van de Zuid oostkust van de Doode Zee met menschen in aanraking kwam, die zich insgelijks Rechabieten noemden, en hem op dezelfde woorden opmerkzaam maakten.
Maar de voorspelling had een nog dieper zin. Deze uitdrukking wordt in de Schrift menigmaal gebruikt met betrekking tot de priesterlijke bediening.
En mogen wij nu niet de gevolgtrekking maken, dat waar wij zulk een beginselvastheid aantreffen, zulk een los zijn van het aardsche als deze lieden kenmerkte, dat daar ook een krachtig, godsdienstig bewustzijn, een kennis van God, een macht des gebeds en der bemiddeling gevonden werden, die de kenmerkende eigenschappen zijn van het priesterschap?
Als van zelf leidt deze veronderstelling tot ernstige en leerrijke overdenkingen.
II. De elementen van een krachtig godsdienstig leven.
De uitdrukking âstaande voor Godquot; beteekent een hoog gestemd godsdienstig leven, en veronderstelt de
152
De Rechabicten.
kennis van Grod, het vermogen om Zijne bevelen op te volgen, en de macht om voor anderen tusschenbeiden te treden. Deze woorden werden bij voorkeur door Elia gebruikt, sprekende over de grootschheid zijner roeping; en Gabriël bediende zich van dezelfde uitdrukking om daardoor de maagd van Nazareth de sterkste verzekering te geven van de waarheid van hetgeen hij zeide en van het gezag, waarmeê hij bekleed was.
Wie onzer is er die niet begeeren zou dat nu en ten allen tijde hetzelfde van hem gezegd kon worden met betrekking tot zijn geestelijk leven! Welk een zaligheid altijd te staan voor God; troost en kracht te ontvangen van het licht, dat afstraalt van Zijn aangezicht. Maar zal deze begeerte iets meer wezen dan louter een wensch, dan moeten wij drie dingen, ons door de Rechabieten ten voorbeeld gesteld, betrachten.
1. Trouw aan groote beginselen. â De Rechabieten hadden inderdaad allerlei verontschuldigingen kunnen vinden, indien zij van het verleidelijk aanbod van den profeet gebruik hadden willen maken. De wijn werd hen aangeboden; het was geen overtreding van Gods gebod er van te drinken; het volk in wier midden zij zich bevonden zag er geen kwaad in, en de profeet zelf noodigde er hen toe uit. Maar niettegenstaande dit alles bleven zij trouw aan het voorschrift, dat Jonadab hun gegeven had; en zij aarzelden niet voor hunne beginselen uit te komen, al zouden zij zich daardoor den spot der omstanders op den hals halen.
In sterke tegenstelling hiermeê openbaart zich een
153
De Rechahieien.
algemeene neiging onder de menschen om te vragen wat de groote meerderheid, wat âmenquot; doet; wat er in eigen rang en stand gedaan wordt; en wat men van hen verwacht. Wij drijven mede met den stroom. Wij laten toe, dat kennissen of luimen, smaak of omstandigheden de richting van ons leven bepalen, en als wij soms een oogenblik wroeging gevoelen, wanneer wij dat leven toetsen aan den maatstaf van oorspronkelijke eenvoud en deugd, waarvan de Schrift en oude levensbeschrijvingen zoo dikwerf gewagen, dan trachten wij ons zelf te verontschuldigen door de bewering, dat de bijomstandigheden van weinig belang zijn, als wij de hoofdzaak maar niet uit het oog verliezen. Deze redeneering is echter geheel verkeerd. Wij vergissen ons deerlijk als wij meenen, dat er voor ons eenig verschil bestaat tusschen het hoofddoel onzes levens, en bijkomende aangelegenheden. In de dagelijksche omstandigheden komt het juist aan het licht wie en wat wij zijn. De best gelijkende photografiën werden genomen toen wij er ons niet van bewust waren. De man van karakter geeft niet alleen een vaste richting aan zijn leven, maallaat zich ook in omstandigheden van oogenschijnlijk minder gewicht leiden door zijne beginselen.
Alvorens verder te gaan, wil ik het mijne lezers met allen ernst op het hart drukken de dingen toch niet te doen of toe te laten omdat gewoonte, smaak of publieke opinie dat nu eenmaal willen; maar hen smeeken elke handeling huns levens, zelfs de geringste, te toetsen aan de oorspronkelijke voorschriften der wet van het koninkrijk
154
De Rechabieten.
der hemelen. Deze wet moet in de geestelijke sfeer doen wat de zwaartekracht in de natuurlijke wereldorde verricht; namelijk den loop der sterren, maar ook die der stofdeeltjes regelen.
En waar de vraag wordt gedaan: Welk beginsel krachtig en verstrekkend genoeg zal bevonden worden om zulk een groot wérk te volbrengen, daar kunnen wij geen beter antwoord geven dan hetgeen in de volgende woorden uitgesproken wordt: âHet eerste en voornaamste beginsel van het Christendom bestaat in de begeerte om Gode welgevallig te zijn in al onze daden. En juist omdat de meeste der Christenen zulk eene begeerte niet koesteren, komen zij zooveel te kort in ware godsvrucht.quot; !) Ja waarlijk, wanneer wij stilstaan bij de beschouwing van het karakter der discipelen van Jezus of bij dat der heiligen en martelaars en belijders, dan moeten wij bekennen, dat zij even nauwgezet waren in het doen van den wil van God, met betrekking tot de nietigheden des levens, als de Rechabieten in het eerbiedigen van den wensch en het bevel van den reeds lang gestorven Jonadab. De eersten werden bezield door de gedachte aan God, gelijk de anderen door de herinnering aan Jonadab.
Zou hierin niet het geheim van hun krachtig en deugdzaam leven bestaan hebben ?
Ach, welk een geheele verandering zou er met ons plaats grijpen, wanneer het de eenige eerzucht en het
J) William Law.
De Rechabieten.
vaste doel onzes levens werd slechts datgene te doen, wat welgevallig was in Zijne oogen. En wij zouden er niet minder teeder in onze liefde, niet minder trouw in. ons werk om zijn. Het zou den glans niet uit ons oog, de kracht niet uit onzen handdruk, den gloed niet uit ons hart doen verdwijnen ; maar menig ijdel woord, menige liefdelooze uitdrukking, menige dwaze zelfverheffing zou er door teruggehouden worden, en wij weder gebracht tot alles wat waarachtig, wat eerlijk, wat rein, wat lieflijk is, wat wèl luidt.
2. Onthouding van den geest der eeuw. â Hunne onthouding van het gebruik van wijn was in elk opzicht een ontzaglijk groot voordeel voor de Rechabieten. Het drinken van wijn stond in nauw verband met de verdorvenheid en de verfoeielijke uitspattingen dier dagen. (Jes. XXVIII, 1â8.) Hunne onthouding was niet alleen een protest tegen het kwaad, waaraan hunne tijdgenooten zich zorgeloos overgaven, maar eene zekere bescherming tegen het gevaar om tot dergelijke zonden te vervallen.
Voor onzen tijd is hetzelfde van toepassing. Wat men ook zeggen moge ten gunste van het gebruik van alcohol in zekeren vorm bij ziekte of zwakte des lichaams, het is boven allen twijfel verheven, dat wij er in gewone omstandigheden in geen enkel opzicht behoefte aan hebben. Welk een groote rol speelt wijn of sterken drank niet bij de lage praktijken eener onreine hartstocht, bij de onzedelijkheid van café-chantants en dergelijken, bij de losbandigheid van het tooneel, bij de ongebondenheid
De Rechabieten.
en roekeloosheid van het renperk ? De speelzalen en de holen der ongerechtigheid zijn verpest door de bedwelmende dampen van den alcohol. Hoe menig dienaar der zonde heeft niet getuigd, dat hij zonder de opwinding van het geestrijk vocht nooit zoo diep gevallen, nooit tot dergelijke dingen in staat zou zijn geweest.
En voeg hierbij de zekere, de onvermijdelijke gevolgen van het drankmisbruik: misdaad, armoede, ellende, zelfmoord en dood ; gevolgen door een ervaren staatsman voor erger gehouden dan al de jammer, die honger en pestilentie en oorlog te samen over een volk brengen.
Wanneer wij dit alles overdenken, zullen wij dan niet wèl doen met het voorbeeld der Rechabieten te volgen en een iegelijk, die tot ons zeggen zal: âdrinkt wijn,quot; te antwoorden met hunne gedenkwaardige woorden: âwij zullen geen wijn drinkenquot;?
Wij moeten ons echter niet alleen het gebruik van wijn ontzeggen, wij hebben ons ook ver te houden van den geest der eeuw met hare rusteloosheid, haar voortdurend haken naar iets nieuws, haar jagen naar vermaak, afleiding en verstrooiing, hare koortsachtige behoefte aan andere tooneelen, prikkelende lectuur, het laatste nieuws en uiterlijke praal. Voorwaar het is gemakkelijker zich te onthouden van het gebruik van sterken drank dan zich te vrijwaren voor den verderfelijken invloed van den geest der eeuw, waardoor wij aan alle kanten bedreigd worden, en die als het ware tot ons doordringt met de lucht, die wij inademen. Hier zijn de woorden van den apostel inderdaad van toepassing: âEn wordt
157
De Rechahieien.
niet dronken van wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest.quot; Gij kunt met Satan niet onderhandelen. Om hem te weerstaan behoeft men krachtiger middelen. Slechts zij, die vervuld zijn van den Heiligen Geest en toegerust met Zijne gezegende kracht, kunnen weerstand bieden aan den beker der bedwelming, die deze verlokkende wereld hun voorhoudt.
3. Los zijn van de dingen dezer aarde. â De Rechabieten woonden in tenten. Zij voerden hunne talrijke kudden van de eene plaats naar de andere, en waren tevreden met het eenvoudig bestaan van den zwervenden herder. Dit was eveneens het geval geweest met de groote aartsvaderen, die lang voor hen geleefd hadden. (Hebr. XI, 9, 13.) En sedert dien tijd is het leven in tenten het veel gebruikte zinnebeeld geweest voor dat leven, hetwelk zich zoo sterk door de hoogere wereld aangetrokken gevoelt, dat het zich niet aan de aarde hechten kan.
Het is moeielijk met juistheid te bepalen, waarin wereldsgezindheid eigenlijk bestaat. Wat voor sommige menschen een hechten aan de dingen dezer wereld zou wezen, is het niet voor anderen. Maar wij allen zijn er ons van bewust, dat er sterke banden zijn, die ons aan de aarde binden. Welke deze banden zijn kunnen wij te weten komen, als wij nagaan waaraan wij ons hechten ; waarvan wij moeielijk afstand kunnen doen, zelfs ter wille van onzen Heiland en Heer; wat wij steeds trachten te vermeerderen of te vergrooten ; waarop wij ons het meest verhoovaardigen. Die banden kunnen
Dc Rechabicten.
naam, aanzien, vormen, gewoonten, stand of fortuin heeten. Maar hoe ook, als zij ons in den weg staan bij het streven naar volmaking, of door hunne zwaarte ons belemmeren in het zoeken van het hoogere, dan moeten ze zonder aarzelen op Gods altaar gelegd worden, opdat Hij er meê doen moge naar Zijn welbehagen, en wij in staat gesteld worden ons zonder terughouding en van ganscher harte aan Hem te geven.
HOOFDSTUK XIV.
VERBORGEN, MAAR LICHT VERSPREIDEND, (jeremia XXXVI : 26.)
Toen Jojakim moedwillig de rol van den profeet in stukken had gesneden, zich bleef verharden tegen waarschuwing en bestraffing, en bovendien Gods trouwe dienaren naar het leven had willen staan â toen was er niets meer van hem te verwachten. Gedurende de verdere levensjaren van dezen slechten en kwalijkgezinden vorst werd de stem van den profeet niet meer gehoord. Het is een der vaste bestellingen van het Godsbestuur â thans nog evenzeer van kracht als eeuwen geleden, â dat de stem des Heeren niet meer gehoord wordt nadat men de Goddelijke woorden geen aandacht heeft willen schenken; en dat degenen, die geen acht willen slaan op Gods geboden, overgegeven worden aan de werking van hun eigen zondige natuur, âom alle onreinigheid gieriglijk te bedrijvenquot;. Wij hebben slechts te denken
Verborgen, maar licht verspreidend. i6r
aan de veelbeteekende woorden, die als het ware het vonnis uitspraken over den eersten koning van Israël: âEn Samuel zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe,quot; en deze niet minder strenge uitspraak van den apostel der liefde: âEr is eene zonde tot den dood; voor die zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.quot;
Wie er ook toegelaten mocht worden in het nieuwe en prachtige paleis van Jojakim, waarvan de fraaie opperzalen bekleed waren met het cederhout van den Libanon en versierd met veelkleurige verven, terwijl het licht door breede vensters naar binnen stroomde â voor Hem was er geen plaats â voor den eenigen. Wiens tegenwoordigheid het zinkende schip van Staat had kunnen redden, zooals slechts een bekwame loods ten spijt van een onkundigen en onbekwamen gezagvoerder het vaartuig veilig in de haven kan brengen. De valsche profeten mochten het oor van den koning en van het volk streelen met onware voorstellingen, in hun eigen bedriegelijk brein opgekomen ; de machtige Egyptenaren mochten er bij den koning luide op aandringen een verbond met Farao te sluiten, als het eenige redmiddel uit den benarden toestand; de stem van Jeremia werd niet meer gehoord gedurende de donkere, moeitevolle dagen, die volgden op het zoo even beschreven tooneel ten paleize, en hij kwam niet meer tot Jojakim, wiens deel weldra een verachtelijk uiteinde zou wezen.
Maar hoe ging het den profeet in die veelbewogen tijden, en hoedanig was het veld van zijn arbeid?
ii
Verborgen, maar licht verspreidend.
I. Maar de Heer had hem verborgen.
Wij weten niet welke de juiste beteekenis dezer woorden is. Was daar een John Gaunt voor dezen Wijcleff, een keurvorst van Saksen voor dezen Luther ? Hadden Ahikam, die reeds vroeger zijn voorspraak was geweest of diens zonen â Gemarja, die zijne kamer in den tempel afstond om er de rol in te doen voorlezen en Ge'dalia, die landvoogd over Juda werd na de wegvoering van Zedekia, den profeet onder hunne hoede genomen ? Of was hem eene meer gezegende en onmiddelijk van God komende schuilplaats geschonken ? Wij weten het niet; maar het zij middelijk of onmiddelijk Jeremia was in de schaduw des Allerhoogsten, beveiligd voor de aansla-cren der menschen en buiten het bereik van de moord-pijlen der valsche tongen. Wel riep hij uit bij den aanvang der benauwdheid, âIk ben afgesneden van voor Uw aangezicht,quot; maar God hoorde de stem zijner smeeking, en redde Zijn trouwen dienaar.
Ach, wij allen hebben behoefte aan de Goddelijke bescherming. Ook wij moeten luisteren naar de stem, die tot ons komt, en ons toeroept.quot; Ga weg van hier, en wend u naar het oosten en verberg u.quot; Wij stellen ons te veel op den voorgrond, wij hechten te veel gewicht aan onze eigen persoonlijkheid. Wij letten te veel op onze schaduw in plaats van naar het licht te zien, waardoor die schaduw veroorzaakt wordt. En God ziet zich menigmaal genoodzaakt ons te verbergen in de afzondering van de ziekenkamer, in de vallei der scha-
102
Verborgen, maar licht verspreidend.
duwen, in de spleten van de rots. Hij brengt ons naar Sarepta of naar den Karmel; Hij veroordeelt ons tot afzondering, eenzaamheid, vergetelheid. Eerst wanneer het eigen ik verdwenen is in de donkerheid van het graf schijnt het ware licht in onze harten, en gaat er een kracht ten leven uit van onze daden.
Hoe menigmaal heeft niet iemand van een bedeesde en schuchtere natuur steun en toevlucht gevonden bij de eene of andere krachtige persoonlijkheid aan wie hij innig gehecht was, en op die manier onverschillige blikken, ergerlijke aanmatigingen, spottende opmerkingen en vijandige bejegeningen kunnen verdragen.
Wanneer dus onze geheele natuur zich verliest in God, wanneer Zijn vriendelijk aanschijn ons eene genoegzame belooning is, wanneer wij geen ander doel hebben dan te doen hetgeen Hem welgevallig is, ja dan zijn wij veilig verborgen, en uit onze schuilplaats in het schitterende licht, dat van Hem uitgaat, kunnen wij met gelatenheid zien op het dreigende kwaad, dat ons niet zal deren.
Maar God zal Zijn beproefden en verzochten dienaar ook in den letterlijken zin des woords verbergen. Men verhaalt het volgende. Tijdens den engelschen godsdienstoorlog, toen de vijandelijke ruiters de schotsche Hooglanden onveilig maakten, was er bij zekere gelegenheid eene kleine schare van geloovigen op eene plaats tusschen de heuvels samen gekomen om zich te vereenigen in het gebed. Het leed geen twijfel of zij zouden in de handen hunner vervolgers gevallen zijn, toen er eensklaps een
163
164 Verborgen, maar licht verspreidend.
dichte mist opsteeg, en zij in letterlijken zin voor het oog van den vijand verborgen werden. Aldus treedt Gods Zoon ook thans nog voor de Zijnen tusschen beide. Leef gij slechts voor Hem. Blijf in Hem. Luister naar Hem Hij zegt tot u als David tot Abjatar. âBlijf bij Mij, vrees niet; want wie Mijne ziel zal zoeken, die zal uwe ziel zoeken ; maar gij zult met Mij in bewaring zijn.quot;
II. Jeremia stelde zijne profetiën te hoek.
Uit dit tijdperk dagteekent naar alle waarschijnlijkheid het Goddelijk bevel: âZoo spreekt de Heer, de God Israels, zeggende: Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb in een boek. (XXX, 1, 2.) Wellicht heeft Baruch hem hierbij weder trouw ter zijde gestaan. Hij ondervond ten minste eveneens de goddelijke bescherming, die het deel was van den profeet, maar dit geschiedde niet dan ten koste van zijne wereldsche vooruitzichten. Hij was een man van hooge geboorte, zijn broeder bekleedde eene voorname betrekking onder koning Zedekia, en hij zelf hoopte zich ook eenmaal te onderscheiden. âHij zocht groote dingen voor zich.quot; Doch hij verzoende zich met het lijden en den rampspoed, die een natuurlijk gevolg waren van zijn samengaan met Jeremia, nadat hij eene bizondere openbaring ontvangen had, waarin de val van den staat werd voorspeld, maar hem zelf persoonlijke uitredding beloofd. (XLV.)
Met behulp van dezen trouwen vriend verzamelde Jeremia de profetiën, die hij bij verschillende gelegen-
Verborgen, maar licht verspreidend.
heden uitgesproken had, schikte ze naar volgorde, en bleef lang stilstaan bij de bedreigingen in het vierde jaar van de regeering van Jojakim tegen de omringende volken geuit. Het woord des Heeren geschiedde door hem tegen de Phiiistijnen, en tegen de Moabieten, en tegen de Edomieten, en tegen de Ammonieten, en tegen de inwoners van Damascus en dc kinderen van Kedar. Wij raden den ernstigen lezer zich nogmaals te verdiepen in deze merkwaardige hoofdstukken, waarin het lot dezer volken onder de alles verwoestende invallen van Nebukadnézar en zijne onmeedoogende soldaten voorspeld wordt. âGij zijt mijn zwaard en mijn wapentuig,quot; zeide de profeet in den naam van Jehova tot den Grooten koning; met U zal ik de volkeren verstrooien en de koninkrijken vernietigen.quot;
De tijd door Jeremia in afzondering doorgebracht ging daarom niet verloren voor de wereld, maar droeg vruchten, zooals het verblijf van Bunyan in de gevangenis te Bedford, van Luther op den Wartburg en van Madame Guyon in de Bastille. Terwijl zwarte wolken zich boven zijn vaderland samentrokken hield de profeet zich in het verborgen bezig om het licht der profetie te ontsteken, dat zijne heldere stralen zou werpen over de donkere wateren van den tijd, tot dat de dag zou aanbreken, en de morgenschemering in het oosten zou beginnen te gloren. Onderwerp uw gansche natuur aan God, dan kunt gij er van verzekerd wezen, dat Hij die zonder ophouden en op de beste manier zal weten te bearbeiden, zoodat de hof uws harten zal gaan gelijken op die ouderwetsche
Verborgen, maar licht verspreidend.
door muren geheel ingesloten buitentuinen, waarin elk plekje vruchten voortbrengt, dank zij de onvermoeide zorg van den bekwamen hovenier.
III. Jeremia hecjaf zich tweemaal naar Babyion.
Gedurende dezen tijd moet ook het voorval plaats hebben gehad met den Linnen Gordel, want de woorden bij die gelegenheid gesproken dagteekenen uit de regeering van Jojachin, welke slechts drie maanden duurde, een tijdsverloop te kort voor de bereiking van het doel, dat de profeet zich gesteld had. (XIII, 18.)
De Israëlieten waren in hooge mate op reinheid gesteld, en vooral zeer zorgvuldig op hun linnen. Het ontging dus de aandacht niet, dat Jeremia een nieuwen gordel droeg zonder dien te laten wasschen. Toen het kleeding-stuk vuil en onoogelijk geworden was, bracht hij het op eene Goddelijke aanwijzing naar den oever van de rivier den Eufraat, en verbergde het daar in een spleet van de rots.
Sommige schriftuitleggers hebben gemeend, dat hier sprake was van een gezicht, of dat er een andere plaats bedoeld werd dan de Eufraat, die twee honderd en vijftig mijlen van Jeruzalem verwijderd was. Maar het komt ons voor, dat er geen geldige reden bestaat, waarom men zou twijfelen aan de letterlijke bedoeling van het verhaal door den profeet gedaan. Zijne tegenwoordigheid werd in Jeruzalem niet vereischt; integendeel. De tijd was geen bezwaar in vergelijking met den sterken indruk.
i66
Verborgen, maar licht verspreidend. 167
dien hij wilde teweeg brengen. Bovendien was het van groot belang, dat Jeremia ingewijd werd in den toestand der ballingen in Babyion, en dat hij zich vertrouwd maakte met den gang der zaken aldaar. In zijn latere voorstellingen betreffende den val van het Babylonische rijk vindt men zulke juiste bizonderheden en zulke nauwkeurige beschrijvingen, als slechts konden gegeven worden door iemand, die door persoonlijke aanschouwing volkomen bekend was met de stad en de aldaar bestaande toestanden.
Na zijn terugkeer uit Babyion verstreken vele dagen! Wie weet of zijn tweede reis om den verdorven gordel te gaan halen niet zoo door de almachtige Voorzienigheid besteld was, dat hij zich niet in de stad bevond gedurende de laatste dagen van Jojakims treurige en tragische geschiedenis, en daar eerst wederkeerde tijdens het begin van Jojachins kortstondige regeering. Maar dat verdorven stuk linnen, uitgespreid voor de oogen des volks, verkondigde zijn eigen geschiedenis. Juda en Jeruzalem hadden den Heer tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid kunnen zijn ; en Hij had hen aan zich willen doen kleven, maar zij hadden niet gehoord, zij volgden andere goden na om die te dienen. Daarom zou het hun lot zijn weggeworpen te worden als onnut en nergens toe dienende.
Deze zinnebeeldige handeling, waarvoor de profeet een dubbele reis, met andere woorden, een tocht van ongeveer duizend mijlen te voet moest maken, leert ons dat wij van onzen kant geen moeite te groot moeten achten.
168 Verborgen, maar licht verspreidend.
waar het de uitvoering van de bevelen onzes Konings geldt. Lang te voren, toen hij nog nauwelijks de kinderschoenen ontgroeid was, werd jeremia reeds geroepen Gods bevelen te volbrengen (I, 7): en hij mocht zich niet beklagen, wanneer eene bizondere opdracht hem ver weg riep, en hij reizen moest bij een brandenden zonneschijn, of overnachten op den vochtigen grond onder den blooten hemel. Als Jezus Christus ons in de wereld uitzendt dan is het Hem daarmeê ernst; en wij mogen ons niet bij Hem verontschuldigen met den verren afstand en de bezwaren van de reis. Het moet ons genoeg zijn, dat Hij gezegd heeft. âGa henen naar den Eufraat.quot; Wanneer dit bevel ons duidelijk geworden is, laten wij dan het voorbeeld van den profeet volgen, die met be-minnelijken eenvoud antwoordde, âzoo ging ik naar den Euphraat.quot;
IV. Hij had openharingen van het nieuice verbond.
Daar bestaat alle grond om te gelooven, dat gedurende dit tijdperk van afzondering de oogen van den profeet geopend werden om eene geestelijke waarheid te aanschouwen, die ver buiten den gezichtskring lag van hetgeen er tot op die dagen geopenbaard was, maar welke openbaring bestemd was om de voorbode te worden van de heerlijkste waarheden van het Evangelie.
Het was niet de laatste maal, dat de oogen eens ster-velings gesloten werden om helderder te kunnen zien ;
Verborgen, maar licht verspreidend. 169
beschut voor het helle schijnsel der wereld, om het licht te aanschouwen, dat nog moest opgaan.
De hlinde Milton schreef zijn verloren en herwonnen paradijs.
Het heerlijke gedicht, waaraan wij eenige oogenblikken onze aandacht willen wijden vindt men in hoofdstuk XXX en XXXI. Het bestaat uit zeven zangen. De profeet houdt zich niet langer alleen met Juda bezig; zijne gedachten omvatten eveneens de overige tien stammen. âIsraëlquot; noemt hij ze, of âEfraimquot;, die honderd en zeventig jaar geleden gevankelijk naar Ninevé waren gevoerd. Maar zijn hart springt op van vreugde, als hij de terugkeer van het gansche volk uit het land van het Noorden voorspelt, en Israël door lijden gelouterd tot een reiner, edeler leven ziet komen.
Gaarne zouden wij geruimen tijd stilstaan bij de verheven gedachten, en aangrijpende gedeelten van dezen blijden lofzang, maar wij moeten ons beperken tot eene bloemlezing; deze zal evenwel reeds voldoende wezen om een denkbeeld te geven van de schoonheid van het geheel.
âVrees niet o mijn knecht Jacob, zegt de Heer,
Ontzet U niet Israël;
Want zie ik zal U uit verre landen verlossen,
En uw zaad uit het land hunner gevangenis.quot;
âIk zal U de gezondheid doen rijzen,
En U van uwe plagen genezen, spreekt de Heer.
170 Verborgen, maar licht verspreidend.
âJa, ik heb U liefgehad met eene eeuwige liefde,
Daarom heb ik U getrokken met goedertierenheid.
Ik zal U weder bouwen.
En gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israels;
Gij zult weder versierd zijn met uwe trommelen,
En uitgaan met de rei der spelenden.quot;
âMijn volk zal met mijn goed verzadigd worden, spreekt de Heer.quot;
In verrukking gebracht door dergelijke woorden in geestvervoering gesproken ondervond Jeremia in geestelijken zin de zalige blijdschap, die over de ziel komt als deze in een toestand tusschen waken en droomen ervaren mag, dat haar liefste wenschen en verwachtingen vervuld zullen worden. âHierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was zoet.quot; (XXXI, 26).
Maar een nog veel heerlijker openbaring wachtte hem. Noch de strenge bevelen van Mozes, noch het uitgebreid ceremoniel van den Tempeldienst, noch de bedreigingen in het boek Deuteronomium gedaan, en bekrachtigd door de woorden der toen levende profeten, niets van dit alles was bij machte geweest het volk terug te houden van den weg des verderfs. Welke waarborg bestond er, dat de verre toekomst niet een herhaling van het droef verleden zou doen aanschouwen ? Maar God, die het licht gebood in de duisternis, liet het ook schijnen in het hart van zijn dienaar, en ontdekte hem de heerlijkheid des nieuwen verbonds, dat bezegeld zou worden
Verborgen, maar licht verspreidend
met het bloed des kruises, âhet nieuwe testament in mijn bloed,quot; zooals Jezus het noemde. Een verbond, dat niet langer zou berusten op de gehoorzaamheid der men-schen aan het .,Gij zultquot; en âgij zult nietmaar dat glanzen zou met het zevenvoudig herhaald, Ik zal van God. (XXXI, 31â34; Luk. XXII, 20; Hebr. VIII, 8â12.)
De wet Gods zou niet langer een uitwendig voorschrift wezen, maar een drang, die Vinnen in den mensch leefde, en waarvan hij zoo geheel vervuld zou zijn, dat voortaan de Godsdienst in de eerste plaats meer zou bestaan in hetgeen God was voor Zijn kind, dan in hetgeen dat kind deed of zeide tegenover God; dat men in het vervolg geen tusschenkomst van priester en Leviet meer zou behoeven, daar iedere ziel het recht zou bezitten zich onmiddelijk met God in verbinding te stellen; dat de zonde geheel vergeven, volkomen uitgedelgd zou worden. Ziedaar het licht, dat opging voor het geestelijk oog van den profeet; de belofte, die in Christus hare vervulling zou vinden voor allen, die door het geloof de Zijnen genaamd worden. En dit gezegend verbond zal eenmaal gansch Israel omvatten.
Het is eene ernstige vraag in hoever dit verbond, voor zoover het ons zelf betreft, in vervulling is gekomen. Wij zien verlangend uit naar het leven, waarvan het een voorsmaak geeft, en meenen de verzekerdheid van die toekomst te bezitten, totdat op het onverwachts een openbaring van haat of nijd of hoogmoed al die goede verwachtingen doet verdwijnen.
171
Verborgen, maar licht verspreidend.
Zulke ervaringen kunnen ons teleurstellen, maar zij mogen ons niet ontmoedigen. Zij zijn het bewijs, niet dat God Zijn heerlijk werk nog niet in ons begonnen heeft, maar dat wij ons een oogenblik van Hem afgewend hebben om in eigen kracht te werken, of om ons te verheffen op hetgeen in ons tot stand is gebracht.
Wanneer God ons eene hemelsche openbaring schenkt van het Goddelijke leven, dat ons uit de verte roept, zooals eertijds de koene zeevaarders aangetrokken werden door de onbekende wereld aan gene zijde van den Oceaan, dan is dit een zeker bewijs, dat Hij voldoen zal aan een verlangen, door Hem zelf in ons hart gelegd. Waar Jezus zegt, âIk ben u verschenen,quot; daar laat Hij er op volgen âom u te stellen/' Onze Vader stelt ons nooit te leur met eene belofte, die Hij niet voornemens is te vervullen, noch met eene hoop, die geen vrucht zal dragen. Laten wij tot Hem terugkeeren; ons overgeven in Zijne hand; nederig en vertrouwend luisteren naar de verborgenheden, die Hij ons openbaren wil. haten wij gelooven, dat Hij het is, die in ons werkt, en het aan Hem overlaten den schoonen droom te verwezenlijken.
Aldus zullen wij God kennen. Wat voorbij is zal voorbij blijven. De zonden en overtredingen uit ons vroeger leven zijn in de diepte gezonken, en de afgronden hebben ze bedekt, gelijk geschiedde met de lijken der Egyptenaren in de Roode zee, aan wier vervolging de Israelieten ontkomen waren. En dan zal ons uitgaan zijn
172
Verborgen, maar licht verspreidend.
â 73
met de rei; dan zal onze rouw in vroolijkheid verkeeren; onze ziel wezen als een bloeiende tuin, God zal ons troosten, ons verblijden na onze droefenis, en ons in staat stellen met vreugde te maaien wat wij in tranen gezaaid hadden. (XXXI, 10â14).
HOOFDSTUK XV.
HET WERK DER VERNIELING. (Jeremia XXVIIâXXIX.)
Toen Jeremia het eerst geroepen werd tot het werk eens profeten werd hem een zevenvoudige arbeid opgelegd. Hij werd gesteld over volken en koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven en te verstoren; ook om te bouwen en te planten. (I, 10.) Twee derde van zijn werk beoogde dus vernieling. Geen aangename en geen gemakkelijke taak, voorwaar! Niemand zal begeeren te staan in het verstikkende stof van neerstortend metselwerk, dat afgebroken moet worden om plaats te maken voor een vorstelijk gebouw. Persoonlijke belangen, ingewortelde misbruiken, winstgevend onrecht verzetten zich op het hevigst tegen iedere poging tot hervorming.
Maar Elia moest Eliza voorafgaan ; en Johannes de Dooper den weg voor Christus bereiden. Vóór het zaaien
Het werk der vernieling
de ploeg; voor het aanbreken der lente de strenge wintervorst, waardoor de aarde toebereid wordt. Zulk een arbeid der voorbereiding viel Jeremia ten deel.
I. Het werk der vernieling.
I. J oj ak i m. Toen Josia stierf droeg het gansche land rouw. Het was of ieder een persoonlijk verlies had geleden en niet alleen de weêklagers maar al de inwoners des lands treurden, roepende. âOch mijn broeder!quot; en âoch mijne zuster!quot; De lucht weergalmde van de kreten, âOch Heer!quot; âOch de heerlijkheid van Israël!quot; Jeremia voorspelde echter, dat na den dood van Jojakim geenzins zulk een rouw-misbaar zou bedreven worden. âHij zal met een ezelsbegrafenis begraven worden, men zal hem slepen en daarhenen werpen verre van Jeruzalem.quot; En eenigen tijd later, nadat de koning den treurigen moed had gehad de rol van den profeet te verbranden klonk het uit diens mond, âHij zal geenen hebben, die op Davids troon zal zitten; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, des daags in de hitte en des nachts in de vorst (XXII, 13â19; XXXVI, 29 â 31.)
De woorden van den profeet droegen het zegel des Allerhoogsten. Zij kondigden het zekere vonnis aan, dat onverbiddelijk door Jehova zou worden voltrokken. En hoewel het bericht daarvan niet tot ons gekomen is, zoo is het meer dan waarschijnlijk, dat Jeremia bij zijn terugkeer van zijn tweede reis naar Babyion de tijding vernam van den dood van zijn onverzoenlijken vijand. Er
I'/5
Het werk der vernieling.
bestaan verschillende overleveringen omtrent diens uiteinde â volgens de eene zou hij vermoord zijn in d^. straten van Jeruzalem; volgens een andere gevallen in een schermutseling met vrijbuiters, door Nebukadnezar gebruikt om de omstreken der stad te verwoesten; volgens een derde zou hij in de legerplaats van den koning van Babsl gelokt en daar verraderlijk vermoord zijn. Hoe het zij, hij stierf zoo als hij geleefd had, eerloos en ellendig.
2# J e c li o n i ci. Dc regeering van dezen vorst duin dc, even als die van Napoleon na diens terugkeer van Elba, slechts honderd dagen. Hij was achtien jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden en tien dagen, maar die korte tijd was lang genoeg om zijn
karakter te leeren kennen.
âHij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren.'
De jeugdige vorst was geheel in de macht van zijne moeder Nehusta, de dochter van Elnathan, wier handen bezoedeld waren met het bloed van Uria, en van de afgodische partij, die grooten invloed had aan het hof.
Jeremia verhief zijne stem in de straten en voorspelde vreeselijke dingen. Terwijl hij den verdorven linnen gordel aan het volk toonde, profeteerde hij het lot van den koning en van diens moeder. âVernedert U, riep
hij hen toe, âen zet U neder; want de kroon uwer heerlijkheid is nedergedaald. De steden van het zuiden, en het schoone land zijn reeds in de handen van den overwinnaar, en gansch Juda zal weldra in gevangenschap weggevoerd worden, en deze bezoeking is over U geko-
Het werk der vernieling.
men om de ongerechtigheden en het verderf en de afgoderijen op de heuvelen in het veld.quot; En daarop weder van den koning sprekende, zeide hij, dat Jechonia zou gegeven worden in de handen dergenen, die zijne ziel zochten; dat Jehova hem en zijne moeder zou wegwerpen als een gebroken vat, en hen voeren naar een ander land, waarin zij niet geboren waren om daar te sterven, zoodat zij nooit zouden wederkeeren in het land, waarnaar zij verlangden. (XIII, 18â21 ; XXII, 28â30).
En aldus geschiedde het. De verbittering der Chaldeën, die de stad belegerden om het verraad van Jechonia te straffen, was zoo groot, dat slechts de uitlevering van den koning en diens moeder hun toorn kon doen bedaren. Er bleef geen keus over, en naar Josephus ons verhaalt trok op zekeren dag een droeve stoet door de straten en door eene poort, die later den naam des konings droeg maar tegelijkertijd dichtgemetseld werd opdat niemand meer dien weg der schande zou betreden. De koning en zijne moeder, de edelen en de machthebbenden werden buiten de stad gebracht naar de legerplaats der Chal-deen, waar zij met gesluierde aangezichten en in het zwart gekleed nederzaten op de aarde.
Omstreeks dien tijd was Nebukadnezar teruggekeerd uit den krijg tegen Farao Necho, die zijn bondgenoot te hulp was gekomen, maar volkomen terug geslagen werd, en hij ontving in persoon de hulde van zijn vorstelijke gevangenen. (2 Kon. XXIV, 7.)
De plundering der stad volgde. De Tempel werd van al zijn goud, en al zijne schatten beroofd. En al de
177
Het werk der vernieling.
vorsten, en de strijdbare helden, en de timmerlieden en de smeden, en des konings vrouwen en zijne hovelingen werden gevankelijk weggevoerd uit het land, dat zij liefhadden, en -waarheen de meesten hunner nooit zouden terugkeeren. Ezechiel was een dergenen, die weggevoerd werden, en het was of een kreet van smart oprees ten hemel over het gansche land â van den Libanon en van Basan en van Abarim â toen de gevangenen zich op weg begaven naar het verre land hunner ballingschap.
3. De profeten. De profeten vormde een groote en invloedrijke klasse. Opgericht in de dagen van Samuel hadden hunne scholen een reeks van mannen voortgebracht, die een eenige plaats in het land innamen als de vertegenwoordigers Gods. Maar in de dagen van ontaarding, waarvan wij thans spreken, toen het koninkrijk van Juda zijn ondergang tegemoet snelde, schijnen zij grootelijks besmet te zijn geweest met de heerschende ondeugden van hunnen tijd. Jesaja zegt van hen, dat zij stomme honden waren, die niet konden bassen! âGeldgierig en dronken, vadsig en zedeloos zijn zij slaperig en liggen zij neder en hebben het sluimeren lief.quot; Maarzij verloochenden den Heer, en toen Jeremia zijne stem verhief antwoordden zij, âHij is het niet, en ons zal geen kwaad overkomen!quot; Zij waren tot wind geworden, en het woord van God was niet bij hen. (quot;Jes. LVI, 9 -12; Jer. V, 12â13.)
Het was uiterst pijnlijk voor Jeremia tegen hen te moeten optreden, en hun invloed op het volk tegen te moeten werken, maar hij had geene keus. Van zich zelf
178
Het werl: der vernieling. 179
sprekende zeide hij: âMijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijne beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat, want beiden priesters en profeten zijn huichelaars, en in het huis des Heeren vind ik hunne boosheid.quot; En verder spreekt hij in naam van Jehova deze vreeselijke woorden: âIn de profeten van Jeruzalem zie ik afschuwelijkheden, zij bedrijven overspel, en gaan om met valschheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeeren, een iegelijk van zijne boosheid, zij allen zijn Mij als Sodom, en hare inwoners als Gomorra. (XXIII, 9â14)
Jeremia bezwoer zijn volk niet naar deze lieden te hooren, die in Gods naam leugen profeteerden. Zij begingen de noodlottige dwaling van te teren op de grootsche overleveringen van het verleden, en zij versterkten de hardnekkigen in de hardheid hunner harten door hen de verzekering te geven, dat hen geen kwaad zou overkomen.
Zij deden al het mogelijke om den indruk van Jere-mia's waarschuwingen en vermaningen te verzwakken door het profeteeren van valsche droomen alsof zij, en niet hij ingewijd waren in de geheimen des Allerhoog-sten,en kort na de gevangenneming van Jechonia kwam het tot een uitbarsting.
Hananja uit Gebeon. waar zich een der priesterscholen bevond, stond op en weêrsprak Jeremia in het openbaar, in den Tempel ten aanhoore van de priesters en al het volk. Gebruik makende van den heiligen naam
Het werk der vernieling.
van Jehova verkondigde hij een goddelijke openbaring ontvangen te hebben, waarin hem voorspeld was, dat na twee jaar de koning en al de gevangen met al de heilige vaten uit het huis des Heeren, die Nebukadnezar had weggevoerd, weder naar hun land terug zouden keeren.
Onmiddelijk nadat hij geëindigd had met spreken stond Jeremia op, en zijne stem verheffende riep hij uit âAmen, de Heer doe alzoo, de Heer bevestige uwe woorden, en brenge allen, die gevankelijk weggevoerd zijn weder naar deze plaats; maar het zal niet geschieden, het kan niet gebeuren zonder dat de woorden, die Jehova door de profeten van ouds, lang voor mij gesproken heeft, tot een leugen worden gemaakt. Niet tevreden met hetgeen hij reeds gezegd had nam de valsche profeet het juk, dat Jeremia altijd droeg als een voortdurende herinnering aan de dienstbaarheid van zijn volk en de omringende natiën aan den koning van Babel, hem van de schouders, en brak het in tweeën zeggende : âZoo spreekt de Heer alzoo zal ik verbreken het juk van Nebukadnezar/' Jeremia zette deze woordenwisseling niet voort, maar onder vier oogen voorzeide hij Mananja, dat het houten juk door een ijzeren vervangen zou worden, en verweet hem, dat hij het volk op leugentaal deed vertrouwen. âDit jaar zult gij sterven/' waren zijn laatste woorden; en twee maanden daarna was de valsche profeet een lijk.
4. De omwonende volkeren. Bij twee gelegenheden verhief Jeremia zijne stem tegen eene vereeni-ging met de omliggende volken teneinde de toene-
Het werk der vernieling.
mende macht van Baby Ion het hoofd te bieden, iets wat vooral door Egypte gewenscht werd. De eerste maal zeide hij, dat zij den beker der grimmigheid, die God hun te drinken gaf zouden drinken ; en de volgende keer, dat zij het juk van Babyion moesten dragen. âEn nu ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukad-nezar, den koning van Babel, Mijnen knecht; en alle volken zullen hem en zijnen zoon dienen, totdat ook de tijd zijns eigenen lands kome.quot; (XXV en XXVII.)
Het is niet te verwonderen, dat de profeet zich hierdoor het verwijt op den hals haalde als zoude hij te kort schieten in liefde voor zijn vaderland. Men legde hem ten laste, dat zijne woorden het volk verslapten, en dat hij zijn invloed gebruikte om hen terug te houden van deelneming aan het verbond ter bevrijding. Hij kon evenwel niet anders, hij moest de brenger zijn van dat ontzaglijke woord van Jehova, âIk zal omverwerpen, omverwerpen, omverwerpen.quot;
5. De gevangenen.â De valsche profeten deelden het lot van hun volk, en werden eveneens als gevangenen weggevoerd, maar zij lieten niet af den bannelingen moed in te spreken door hun een spoedige terugkeer te voorspellen. âWaartoe,quot; zoo spraken zij, âzouden wij huizen bouwen, en hoven planten, en huwelijken sluiten ? Binnen korten tijd komen wij toch weder te Jeruzalem terug.quot; De woordvoerders waren Zedekia en Echab, mannen van een hoogst onzedelijken levenswandel, doch die hun gerechte straf niet ontgingen, daar zij levend verbrand werden. (XXIX, 21â23.) Maar het zaad door
182 Het werk der vernieling.
hen uitgestrooid bleef vruchten dragen, en het volk weigerde zich te schikken in zijn lot.
Naar aanleiding hiervan schreef Jeremia een brief, dien hij toevertrouwde aan de zorg van twee hem bevriende, aanzienlijke mannen, door Zedekia den opvolger van Jechonia naar Babyion afgevaardigd om den koning-de verzekering zijner trouw over te brengen. âVoegt U naar den wil van God,quot; was de hoofdgedachte van dit schrijven. âBouwt huizen, en woont daar in, en plant hoven. Zoekt den vrede der stad, waarheen God U gevankelijk gevoerd heeft, en bidt voor haar tot den Heer, want in haren vrede zult gij vrede hebben.quot; Toen Semaja, een der valsche profeten, den inhoud van dezen brief ter oore kwam schreef hij in allerijl aan Zefanja, die destijds Hoogepriester was, hem verzoekende den Profeet in de gevangenis te werpen en hem te binden als een krankzinnige. De Hoogepriester voldeed evenwel niet aan dit verzoek, maar gaf den brief aan Jeremia ter lezing, die daarop een tweede schrijven aan de bannelingen richtte, waarin hij hen deed weten, dat God Semaja en diens zaad zou straffen, âhij zal niemand hebben, die in het midden zijns volks wone, en zal het goede niet zien, dat ik Mijnen volke doen zal ter bestemder tijd.quot; (XXIX )
Geen wonder dat dergelijke voorspellingen schrik verspreidden, en dat het vreeselijk lot der beide priesters een diepen indruk maakte. Misschien zegt deze of gene; âMaar het waren vaderlandslievende mannen, die vurig verlangden naar de verlossing van hun volk. Dweepzieke
Het werk dei- vernieling.
ijveraars wellicht, maar geen opzettelijke boosdoeners. Zij geloofden wat zij hoopten.quot; Doch men moet niet vergeten, dat hun met allen grond een goddelooze en onzedelijke levenswandel ten laste werd gelegd. Door hunne zonden waren zij niet langer ontvankelijk voor de goddelijke openbaring, en terwijl zij de zonden des volks vergoelijkten, gingen zij de menigte voor in ontuchtige afgoderij. Het vreeselijk wee, dat over hen uitgesproken werd door den mond van Jeremia, en voltrokken door de hand van Jehova trof hen niet alleen als valsche profeten, maar ook als verdorven en diepgezonken men-schen.
II. Zijn medehelper.
Waar Jeremia voortging met het werk der verwoesting, waarin hij door niemand gesteund werd, maar allen tegen zich had, daar zal het hem dikwijls bang te moede zijn geweest. Men moet niet vergeten, dat hij zijn land liefhad met de hartstochtelijke genegenheid, waarvoor zijn israelitische natuur vatbaar was, en waarvan men de aandoenlijke uiting vindt in het Boek der klaagliederen. Matthew Henry zegt ergens. âHet valt niet gemakkelijk den gekruisigden Christus te prediken in een gekruisigden geest. Maar de taak Jeremia opgelegd was nog zwaarder. Gedurende veertig jaren moest hij te velde trekken tegen de zonden en ondeugden zijns volks en al dien tijd was de bron zijner tranen niet opgedroogd noch gestuit. Hij predikte de verschrikkingen van Sinaï zonder den troost van Calvarie.
Het werk der vernieling.
Juist omdat hij zooveel liefhad trof het leed hem zoo diep; en hierin ligt een troost voor allen, die lijden ter wille hunner medemenschen. Zij zeggen, dat zij zoo gevoelig en teer van natuur zijn, en dat hen alles zoo sterk aandoet, ja het is alsof zij wenschten grover bewerktuigd, dikker van huid te wezen.
Maar welk een verlies zouden zij lijden zoo zij hun gevoelig hart, vatbaar voor liefde en medelijden, moesten verwisselen tegen een onaandoenlijk gemoed niet ontvankelijk voor smart en sympathie.
âOns lijdenquot; zegt Carlyle, âstaat in een juiste verhouding tot den adeldom van ons karakter. De diepte van onze ellende is een maatstaf van onze vatbaarheid en van ons goed recht om te hopen.quot;
Al moge alles in U en om U heên donker schijnen, en troosteloos wezen als het dal van Tophet, zoo het hart slechts getrouw blijft en krachtig, dan zal de duisternis in gloed en heerlijkheid veranderd worden en wat dood scheen nieuw leven ontvangen. Dus nooit den moed verloren!quot;
Gij zoudt niet willen liefhebben, uit vrees van te moeten lijden ? Maar ach, welk een schade zoudt gij U zelf berokkenen? Misschien zoudt gij gevrijwaard wezen van een zekere mate van droefheid, maar daardoor zou de veel grootere ramp U treffen van een enghartig, zelfzuchtig, kleinzielig wezen te worden.
Het dal der schaduwen behoeft gij dan niet door te trekken, maar den berg der verheerlijking zult gij ook nooit bestijgen. Gij denkt uw leven te redden, maar gij
Het werk de?- vernieling.
zult het verliezen. Veronderstel dat Jeremia geen gehoor had gegeven aan de goddelijke roepstem maar zijn dagen in de rustige afzondering van Anathot had doorgebracht: een leven in aanzien en vrede zou dan zijn deel zijn geweest, maar.... Jehova zou nooit tot hem gesproken hebben; de Eeuwige en Onzienlijke zou zich nooit aan hem geopenbaard hebben; hij zou nooit de heerlijke voldoening gesmaakt hebben geboren uit het gevoel, dat hij gedaan had, wat in zijne macht was om te doen; zijn licht zou nooit geschenen hebben als een heldere ster in den donkeren nacht van Jeruzalem's val; de kroon van den held zou hem nooit hebben gesierd ; nooit zou het: âWel gij goede en getrouwe dienstknecht!quot; uit des Meesters mond tot hem gekomen zijn, nooit zou hij ontvangen hebben het loon âzeer groot.quot;
Bovendien zond God hem een helper en een geestverwant. Te midden der bannelingen stond Ezechiel op. In de heerlijke beeldspraak zijner rijke verbeelding bracht hij dezelfde boodschap, die Jeremia verkondigde. Hij verhief eveneens zijne stem tegen de zonde en de ondeugden des volks, hij vermaande den gevangenen zich rustig neder te zetten in het land hunner ballingschap, en hij voorspelde een zeker oordeel over de stad en het volk. Hetgeen de een zeide werd door den ander bekrachtigd. Als twee zuivergestemde muziekinstrumenten stemden zij volkomen overeen; eene overeenstemming, die, zooals onze Heer zeide, een eerste vereischte is voor de verhooring des gebeds.
Zij waren gelijk de twee olijfboomen, en de twee
Het werk der vernieling.
kandelaren, die voor den God der aarde staan. Zij hadden macht bij God en bij de menschen om den hemel te sluiten, om bloed in water te doen verkeeren en de aarde te slaan met allerlei plagen. Het gevolg hiervan was, dat het beest hun den krijg aandeed, zooals steeds gebeurt. Voorwaar hunne taak was niet gemakkelijk, want zij waren gehaat van degenen, die door hunne woorden in onrust werden gebracht. Maar God heeft hen reeds lang opgeroepen voor Zijnen troon, waar hunne plaats is in de eerste rijen dergenen, die den wil van God gedaan hebben, en door Hem welkom geheeten en beloond zullen worden.
III. Be noodzakelijkheid van dit werk. Het moest vervuld worden aan de onbekeerden.
Door dit te vergeten leidt de verkondiging van het Evangelie zoo menigmaal schipbreuk.
Wat kan de roepstem, om tot den Verlosser van zondaren te komen, baten, zoolang de zondaar het ontzettend gevaar nog niet inziet, dat hem dreigt ? Wat baat het den balsem van Gilead aan te bieden, zoolang de ziel nog niet tot de ontdekking is gekomen van haar vree-selijken toestand. Wat baat het eene plaats aan te bieden in de reddingsboot, zoolang de zeeman het volste vertrouwen heeft in zijn schip, dat op het punt staat te vergaan ? Het is een der eerste plichten van den dienaar des Heeren valsche gerustheid te verstoren, bedriegelijke verontschuldigingen te ontzenuwen, en er met den groot-
ï86
liet werk der vernieling.
sten ernst op te wijzen hoe onvoldoende het is, met het oog op de eeuwigheid, om zijn vertrouwen in iets anders te stellen dan in het Kruis van Golgotha.
Het is een groote dwaling als men de wond des harten te spoedig wil genezen. Het evangelie heeft zijne vertroostingen ; maar men mag zich die niet toeeigenen voordat de ziel zich bewust is geworden van haar toestand tegenover God, en overtuigd is van de grootheid harer zonde. De grootste opwekkingen werden altijd voorafgegaan door een strenge prediking der wet, waardoor de goddeloozen in het geweten gegrepen werden. En nog is het niet genoeg in algemeene termen het kwaad aan te duiden, er moet op den man af gesproken worden, totdat het geweten uitroept, âGij zijt die man!quot;
Als de menschen zeggen, dat zij niet kunnen geloo-ven, dan is dit waarschijnlijk daaraan toe te schrijven, dat zij het een of ander kwaad in hun hart herbergen, of zich bewust zijn van het een of ander onrecht in hun leven, dat nog niet goed gemaakt werd. Daarmeê moet rekening gehouden worden. Zooveel dit mogelijk is moet er verzoening van oude veeten, teruggave van onrechtmatig verkregen winst, het zoeken van vergiffenis, herstel van begaan onrecht bewerkt worden. Het vaste voornemen om zulks te doen, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbiedt, zal een krachtig middel bevonden worden; krachtig genoeg om alles wat den groei en den bloei van ons geloof in den weg zou staan te doen verdwijnen. De onvatbaarheid om de gave Gods aan te nemen duidt zeer dikwijls op iets aan, waardoor de Heilige
Het werk der vernieling.
Geest bedroefd wordt; en in een dergelijk geval is het werk van onderzoek, beproeving en vernietiging niet genoeg te waardeeren.
Het moet daar vervuld icorden, waar het geestelijk leven een hooger ontwikkeling bereikt heeft. Naarmate onze gehoorzaamheid grooter wordt, naar die mate zal ook het licht, dat wij ontvangen, toenemen. En bij dat toenemende licht zullen wij tot de ontdekking komen van kwaad, dat wij tot nu toe ongemerkt voorbij gingen. De Heilige Geest zal ons het verschil tusschen goed en kwaad duidelijk leeren kennen, en alles wegnemen, wat ons hierin verhinderen zou. Wanneer Hij dus de eene uitvlucht na de andere verwerpt, het ploegijzer diep door den akker onzes harten drijft, de geheime beweegredenen onzer ziel blootlegt en ons aan ons zelf ontdekt â dan zullen wij ons dankbaar onderwerpen aan dit werk van den Heiligen Geest, want deze verwoest om weder op te bouwen, rukt uit om weder te planten en voert ons naar het graf om ons het eeuwige leven deelachtig te doen worden. Wij moeten hierbij niet uit het oog verliezen, dat ook op ons de verantwoordelijkheid rust om elkander te vermanen, en op te wekken tot berouw en zulks met des te meer nadruk naarmate de tijd dringt.
i88
HOOFDSTUK XVII.
jeremia's heerlijkste zang.
(Jeremia LI.)
Eenzaam en verlaten was de stad, waarin Jeremia achterbleef, nadat koning Jechonia met zijn gezin en zijne hofhouding benevens al de vorsten en aanzienlijken van Jeruzalem naar Babyion vertrokken waren. Het spreekt van zelf, dat men het beste deel des volks niet kon wegvoeren zonder den staat te verzwakken, en het rijk te verarmen. Maar toch was het land zoo vruchtbaar, en waren de natuurlijke hulpbronnen zoo groot, dat er gegronde hoop bestond, dat het koninkrijk, zij het dan ook in afhankelijkheid van Babyion, zich eenig-zins van den schok herstellen en weder een zekere mate van bloei bereiken zou. (Ez. XVII.)
Mattanja, de derde zoon van Josia â een knaap van tien jaar, toen zijn vader te Megiddo sneuvelde, maar thans een en twintig jaar oud â werd door den veroveraar op den troon geplaatst, na het afleggen van een
igo Jeremia's heerlijkste zang.
pleclitigen eed van getrouwheid, bevestigd en bekrachtigd door het aanroepen van Jehova zelf. Het was alsof de lieidensche vorst het den jongen koning onmogelijk wilde maken ontrouw te worden nadat hij zijn woord onder zulke plechtige en voor hem bindende voorwaarden gegeven had â voorwaarden, die onder dezelfde omstandigheden zeker bindend en blijvend voor den heidenschen monarch geweest zouden zijn. Helaas! hoe menigmaal is door ongeloovigen een eerbied aan den dag gelegd voor godsdienstige voorschriften, waardoor de geloovigen zich diep beschaamd moesten gevoelen. En hoe menigmaal zullen de heidenen zich verbaasd hebben over onze lichtvaardigheid in dit opzicht. (2 Kron. XXXVI, 13; Ez. XVII, 13.)
Op verlangen van den veroveraar nam de jonge koning den naam aan van Zedekia, âde rechtvaardigheid van Jehova.quot; Het was een gunstig voorteeken, en een aanmoediging om de voetstappen van zijn edelen vader te drukken. Gedurende zijne regeering gaf Zedekia dan ook inderdaad duidelijke bewijzen, dat hij het goede wilde, maar hij was zwak en besluiteloos van aard en hij was er de man niet naar om zijn overwicht aan de verschillende partijen, die het hof beroerden te doen gevoelen, en zijn wil tot wet te maken. Hij had veel ontzag voor Jeremia, maar bezat den moed niet om in het openbaar voor dit gevoelen uit te komen, cn slechts in het verborgen gaf hij den man Gods blijk van zijn koninklijke gunst.
Intusschen kwamen er van alle kanten verschillende
Jercmid's heerlijkste zang. 191
geruchten, die de gemoederen in beroering brachten, want zij verlevendigden de hoop, dat de macht van Babyion weldra zou verbroken worden en de gevangenen zouden terugkeeren. Zooais wij gezien hebben koesterden de bannelingen dezelfde verwachtingen, daarin versterkt door, de valsche profeten, die zich gaarne voegden naaide wenschen des volks. En werkelijk schijnen verschillende staatkundige gebeurtenissen eenigen grond gegeven te hebben aan de verwachting, dat er een eind zou kunnen komen aan een toestand van vernedering en afhankelijkheid, die ondragelijk was voor het hooghartige joodsche gemoed.
Omstreeks dien tijd brak er in Elam een opstand tegen Babyion uit. Indien deze zich eens uitbreidde en meerdere volkeren zich aan Babel's heerschappij onttrokken! Maar Jehova sprak door den mond van Jere-mia: âHet zal niet geschieden; Ik zal verbreken Elam's boog, het voornaamste van hun-lieder geweld; Ik zal den koning en de vorsten vernielen, en het volk naaide vier winden uit de vier hoeken des hemels verstrooien.quot; (XLIX, 34â39.) Bovendien heerschte er een steeds toenemende ontevredenheid onder de naburige volkeren, die, hoewel zij den veroveraar als bondgenoo-ten ter zijde hadden gestaan, toch niets vuriger begeerden dan de herkrijging hunner onafhankelijkheid, en daarom Juda trachtten over te halen tot deelname aan een uitgebreid bondgenootschap, waarvan Egypte het middelpunt zou uitmaken. Maar wederom sprak de stem van Jeremia: âNeen, het zal niet geschieden; Nebukad-
Jeremicfs heerlijkste zang.
nézar volvoert slechts het bevel van Jehova; alle volken zullen hem en zijnen zoon en zijns zoons zoon dienen.quot; (XXVII, 6, 7.) Misschien was het wel op aanraden van den profeet, dat Zedekia zich omstreeks dien tijd naar Babyion begaf ten einde zijn leenheer hulde te bewijzen, en hem de verzekering te geven van zijn trouw.
Gedurende de moeielijke tijden, die volgden, bleef Jeremia getrouw aan zijn overtuiging. Hij hield vol, dat de toestand der ballingen in Babyion vergeleken met dien van het overschot des volks te Jeruzalem, stond als goede vijgen met booze. Toen het leger van Farao een tijdelijke verademing schonk, en de Chaldeën daardoor genoodzaakt waren af te trekken, voorspeldde hij, dat zij zekerlijk terug zouden keeren, de stad zouden innemen en het paleis en den tempel zouden verbranden (XXXVII); ja zijne gezindheid was zoo goed bekend bij de Chaldeën zelf, dat zij bij de inname der stad zijn leven spaarden, en hem de vrijheid gaven zicli waar hij wilde met der woon te vestigen.
Het is niet te verwonderen, dat zelfs de beste vrienden van den profeet hem soms van kleinmoedigheid beschuldigden, en meenden, dat zijn geloofsvertrouwen hem begaf. Stelde hij inderdaad Babyion boven Jeruzalem? Was hij ontrouw aan de belangen zijns volks? Maar zoo ooit dergelijke vragen bij hen mochten opkomen, dan zullen zij hun oordeel wel onmiddelijk en volkomen gewijzigd hebben, toen hij hen opriep om te luisteren naar de vreeselijke beschuldigingen, die hij in de eerste maanden van Zedekia's regeering tegen Babyion
192
Jeren da's heerlijkste zang.
ter neer geschreven had, tegelijk met de aanschouwelijke beschrijving van deszelfs val. Een afschrift van deze profetie had hij toevertrouwd aan Seraja, den oppersten kamerheer, die zich in het gevolg van Zedekia naar Babyion zou begeven, met de opdracht den inhoud in het geheim aan de bannelingen voor te lezen, en het geschrift daarna met een steen belast in den Eufraat te werpen onder het uitspreken van deze plichtige woorden, die den omstanders zeker diep in de ziel zullen zijn gedrongen: âAlzoo zal Babel zinken en niet weder opkomen, van wege het kwaad, dat ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden. (LI, 59â64.)
I. De profetie betreffende den val van Babylon.
De heerlijkheid van Babylon. In gloeiende kleuren beschrijft Jeremia de schoonheid en den luister der stad. Zij was geweest als een gouden beker in dc hand van Jehova; zijn strijdbijl en zijn wapentuig. Haar macht en haar invloed deden zich wijd en zijd gelden. Zij woonde bij vele wateren, zij was rijk aan schatten en het wonder der aarde. Als een machtige boom strekte zij hare takken uit over de naburige landen. Koningin der volkeren, kende zij geen vrees, en wachtte zij de toekomst rustig af. âIs dit niet het groote Babel, dat ik gebouwd heb,quot; riep de grootste harer vorsten, âdat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter eere mijner heerlijkheid?quot;
Het Goddelijke gericht. â De Almachtige had
13
193
Jer em id's heerlijkste zang.
Babylon gebruikt om er een groot doel meê te bereiken. Babylon was voor de volkeren geweest, wat de ijsbergen waren voor de rotsen der voorwereld, of hetgeen de vorst eiken winter voor den bodem is als zij de harde aardkorst vergruist. Maar de macht door God verleend was tot zondige en zelfzuchtige doeleinden misbruikt. De volvoering van het Goddelijke plan, de volbrenging der Goddelijke bevelen was op de meest wreede wijze geschied.
Door onnoodig en meedoogenloos bloedvergieten kenmerkten zich de legers van Babyion, en onder het bestuur van Nebukadnézar. steeg het lijden der overwonnenen ten top. En daarom spreidde Jehova zijne netten uit en ving Babyion als een wild beest. Hij opende zijn tuighuis, en bracht daaruit voort de wapenen zijner wrake.
Babylon had zich echter door niets zoozeer Gods toorn op den hals gehaald als door de wijze waarop men met zijn volk gehandeld had. De inwoners van Juda weenden, en riepen, âde koning van Babel heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft zijn buik gevuld met mijne lekkernijen. Het geweld, dat mij en mijn vleesch is aangedaan zij op Babel.quot; Daarom zou de Allerhoogste zich hunne zaak aantrekken, en het leed hun berokkend wreken. âGelijk Babel is geweest tot een val der verslagenen van Israël, alzoo zullen te Babel de verslagenen des ganschen lands vallen; want de Heer is een God der wrake, Hij zal gewisselijk vergelden.
Het optrekken der vijanden.
De standaard wordt ontplooid, en daarom henen scharen
194
Jeremiads heerlijkste zang.
zich de volkeren onder het schetteren van de krijgstrompet. De wilde stammen van den Ararat en uit Armenie, de koningen en landvoogden van Medië en van de overige landen verzamelen zich. De ruige paarden der bergbewoners, wier hoeven niet van uitglijden weten, zijn talrijk als zwermen wilde sprinkhanen, wanneer zij het land bedekken. Offers worden gebracht aan de goden van den oorlog om hen gunstig te stemmen ; en de stroom der aanvallers komt als een bruisende zee opzetten tegen de zware muren der stad. De aarde zelfs beeft onder het gewicht der geharnaste ruiters en den zwaren stap der gewapende voetknechten. âZiet,quot; zoo roept de profeet, âdaar komt een volk uit het Noorden; en eene groote natie, en geweldige koningen zullen van de zijde der aarde opgewekt worden. Boog en spies zullen zij voeren; wreed zijn ze en zullen niet barmhartig zijn, hunne stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen ze rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel!quot; (L, 41,42.)
De aanval. De boogschutters omsingelen de stad aan alle kanten, zoodat er geen ontvluchten mogelijk is. Zij hebben last den boog te spannen, en geen pijlen te ontzien. De oorlogskreet klinkt door de lucht, en de bestorming der stad neemt een aanvang. Lang biedt zij weêrstand, maar eindelijk moet zij zich overgeven ; de wallen worden bestormd, de poorten gerammeid, de muren omvergeworpen; den machtigen van Babyion valt het zwaard uit de hand, hunne sterkte is verdwenen, zij zijn als vrouwen. En alsof dit nog niet genoeg ware daar
I95
194
Babylon gebruikt om er een groot doel meê te bereiken. Babylon was voor de volkeren geweest, wat de ijsbergen waren voor de rotsen der voorwereld, of hetgeen de vorst eiken winter voor den bodem is als zij de harde aardkorst vergruist. Maar de macht door God verleend was tot zondige en zelfzuchtige doeleinden misbruikt. De volvoering van het Goddelijke plan, de volbrenging der Goddelijke bevelen was op de meest wreede wijze geschied.
Door onnoodig en meedoogenloos bloedvergieten kenmerkten zich de legers van Babyion, en onder het bestuur van Nebukadnézar. steeg het lijden der overwonnenen ten top. En daarom spreidde Jehova zijne netten uit en ving Babyion als een wild beest. Hij opende zijn tuighuis, en bracht daaruit voort de wapenen zijner wrake.
Babylon had zich echter door niets zoozeer Gods toorn op den hals gehaald als door de wijze waarop men met zijn volk gehandeld had. De inwoners van Juda weenden, en riepen, âde koning van Babel heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft zijn buik gevuld met mijne lekkernijen. Het geweld, dat mij en mijn vleesch is aangedaan zij op Babel.quot; Daarom zou de Allerhoogste zich hunne zaak aantrekken, en het leed hun berokkend wreken. âGelijk Babel is geweest tot een val der verslagenen van Israël, alzoo zullen te Babel de verslagenen des ganschen lands vallen; want de Heer is een God der wrake, Hij zal gewisselijk vergelden.
Het optrekken der vijanden.
De standaard wordt ontplooid, en daarom henen scharen
Jcremia's heerlijkste zang.
zich de volkeren onder het schetteren van de krijgstrompet. De wilde stammen van den Ararat en uit Armenie, de koningen en landvoogden van Medië en van de overige landen verzamelen zich. De ruige paarden der bergbewoners, wier hoeven niet van uitglijden weten, zijn talrijk als zwermen wilde sprinkhanen, wanneer zij het land bedekken. Offers worden gebracht aan de goden van den oorlog om hen gunstig te stemmen ; en de stroom der aanvallers komt als een bruisende zee opzetten tegen de zware muren der stad. De aarde zelfs beeft onder iet gewicht der geharnaste ruiters en den zwaren stap der gewapende voetknechten. âZiet,quot; zoo roept de profeet, âdaar komt een volk uit het Noorden; en eene groote natie, en geweldige koningen zullen van de zijde der aarde opgewekt worden. Boog en spies zullen zij voeren; wreed zijn ze en zullen niet barmhartig zijn, hunne stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen ze rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel!quot; (L, 41,42.)
De aanval. De boogschutters omsingelen de stad aan alle kanten, zoodat er geen ontvluchten mogelijk is. Zij hebben last den boog te spannen, en geen pijlen te ontzien. De oorlogskreet klinkt door de lucht, en de bestorming der stad neemt een aanvang. Lang biedt zij vveêrstand, maar eindelijk moet zij zich overgeven ; de wallen worden bestormd, de poorten gerammeid, de muren omvergeworpen; den machtigen van Babyion valt het zwaard uit de hand, hunne sterkte is verdwenen, zij zijn als vrouwen En alsof dit nog niet genoeg ware daar
/crem id's heerlijkste zang.
breekt de brand in de woningen uit. Uit verschillende wijken der stad ijlen boden naar den koning om hem dezelfde treurmare te brengen; dat de sterkten in de macht van den vijand zijn, en de stad genomen is.
De verwoesting der stad. Daarna wordt de veroverde stad aan de willekeur de ruwe krijgslieden prijs gegeven. Zwakken en hulpeloozen zijn aan name-looze wreedheid en ellende ten prooi. Op roof en buit beluste benden trekken door de stad, de graanzolders worden leeggedragen, de schatkameren geplunderd, de voorraadschuren geledigd. Al de bannelingen binnen hare muren gevangen gehouden krijgen de vrijheid weder, en de Joden in de eerste plaats. âVerlaat haar clan,quot; zoo roepen zij, âen laat ons een iegelijk naar zijn land trekken want haar oordeel rijkt tot aan den hemel, en is verheven tot aan de bovenste wolken.quot; En van toen aan zijn hare steden geworden tot eene verwoesting, een dor land en wildernis; een land, waarin niemand woont, en waar geen menschenkind doorgaat; maar de wilde dieren zullen aldaar overnachten, en het land zal woest zijn van geslacht tot geslacht. Aldus trof het trotsche Babel een gelijk lot als Sodom en Gomorra en de omliggende steden.
Zoo luidde de voorspelling van Jeremia over de machtigste stad, die wellicht ooit bestaan heeft, en die zich toen op het toppunt van aanzien en luister bevond. Zeventig jaar zouden er nog voorbij moeten gaan voordat zijn woorden vervuld zouden worden, maar de geschiedenis zelf kon niet duidelijker en nauwkeuriger wezen
196
Jeremkïs heerlijkste zavg.
dan deze voorspelling. Wanneer men deze profetie vergelijkt met het verhaal van den va! van Babel en met de onderzoekingen van Layard, dan zal men verbaasd staan over de nauwkeurige beschrijving der geringste bijzonderheden. âZij dronken den wijn, en prezen de gouden en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de steenen goden. Terzelfder ure kwamen er vingeren van eens menschen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar van het koninklijke paleis. In dienzelfden nacht werd Belsazar, der Chaldeën koning, gedood.quot;
II. Ret groote Babylon.
In elk tijdperk der wereldgeschiedenis heeft Babel zijn tegenhanger gehad. Tegenover het geslacht van Seth met zijne Godsvereering stonden de nakomelingen van Kam, de beoefenaars van kunsten en wetenschappen. De toren van Babel wierp zijne schaduw over de eerste geslachten der menschen. Tegenover Sem stond Cham; tegenover Abraham Kedar-Laomer; tegenover Israël Ninevé; tegenover Jeruzalem Babyion; tegenover het Nieuwe Jeruzalem het Groote Babel; tegenover de Bruid des Lams de vrouw in het scharlaken zittende op het beest. Waar God zich een koninkrijk had gesticht, daar stond de duivel onmiddelijk gereed er eveneens een op te richten. Onder de rampen, die zijn dierbaar vaderland als het ware overstelpten, vond Jeremia troost in het vooruitzicht van het onvermijdelijke lot, dat den onderdrukker te wachten stond. Wellicht ontlokten deze
197
Jeremia's heerlijkste zattg.
zijne woorden, gebracht aan de bannelingen, terwijl zij nederzaten aan de rivieren van Babel, en de harpen aan de willigen hadden gehangen, den psalmist deze geweldige uitbarsting van geloof en vaderlandsliefde, maar ook van onverzoenlijken haat. âO dochter van Babel! die verwoest zult worden Welgelukzalig zal hij zijn, die u uwe misdaad vergelden zal, die gij aan ons gedaan hebt.
Welgelukzalig zal hij zijn, die uwe kinderkens grijpen en aan de steenrots verpletteren zal.quot;
Tijdens de vervolgingen onder de romeinsche keizers, toen het heidendom op de wreedste wijze het Christendom trachtte uit te roeien; en later, toen onder de gruwelen der Inquisitie de Roomsch Katholieke Kerk het licht des Evangelies van den kandelaar wilde nemen â onder al die verdrukkingen hebben de lijdende kinderen Gods steeds troost gevonden in het Boek der Openbaring, waarin het vonnis uitgesproken werd over den antichrist, wiens macht zich onder den naam van heidendom of pausdom steeds tegen God heeft gekeerd, welke tegenstand aangevuurd wordt door den onverzoenlijken haat van den Booze.
De woorden, waarin dit vonnis vervat is, hebben een sterke overeenkomst met de voorspellingen van Jeremia. Ook zij â de macht van den anti-Christ â bezat de gouden beker, zij was dronken van bloed, en heerschte over de koningen der aarde. Ook zij werd vernietigd door de samenwerking dergenen over wien zij haar scepter had gezwaaid. Ook daar werd eene stem gehoord Gods volk smeekende van haar uit te gaan, opdat het niet
198
Jeremia's heerlijkste zang.
met haar omkwame. Haar geschiedde naar hetgeen zij gedaan had, en de beker der vergelding werd haar aan de lippen gezet. Evenals Seraja een steen in den Eufraat wierp, zoo wierp een sterke engel een grooten molensteen in de zee, zeggende, âaldus za! de groote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer worden gevonden/' En hare plaats zal worden het verblijf van booze geesten, en de onreine roofvogels zullen er vergaderen, de stem der fluiters en der bazuiners zal voor altijd zwijgen, het licht der lampen zal niet meer schijnen en het geluid der molens zal niet meer gehoord worden. Neen de Heer zal regeeren, totdat al Zijne vijanden voor Hem bukken.
Dan zal er in den hemel eene stem gehoord worden, de stem eener groote menigte, en als eene stem veler wateren, en als eene stern van sterke donderslagen, zeggende: âHalleluja! want de Heer, de almachtige God heeft als koning geheerscht.quot;
Wanneer wij zien hoe volkomen de profetie van Jere-mia met betrekking tot den val van Babyion vervuld werd, dan moeten wij daardoor gesterkt worden in het vertrouwen op de eindelijke zegepraal van het goede over het kwade, van het christendom over de wereld, en van Christus over den Satan.
III. Ons eigen Babylon.
Elk hart heeft zijn zwakke zijde, waar hij het meest vatbaar is voor de aanvallen der zonde; de gevaarlijke
I99
Jercmia's heerlijkste zaitg.
plek, die voortdurend bedreigd wordt. Hoe bitter waren uwe tranen van zelfverwijt! Hoe hebt gij u verzet tegen het ijzeren juk u door den vijand opgelegd. Hoe hopeloos waren uwe pogingen om te ontkomen aan het net, waarin gij gevangen waart, en waarvan de mazen niet wilden scheuren, terwijl gij er bij elke beweging steeds meer in verward raaktet. Maar even als voor de zwakke, misleidde doch zwaar beproefde joden zoo is er ook redding voor u. Hoeveel overeenkomst heeft niet de geschiedenis van uw leven met de hunne! Zij waren kinderen Gods; dat zijt gij ook. Zij hadden kunnen wonen in de onneembare sterkte van Gods beschermend verbond. Gij eveneens. Zij trachtten het verlies van Gods bescherming te vergoeden door grootsche plannen, heldhaftige pogingen en een samengaan met naburige volken. Gij eveneens. Alles wat zij ondernamen mislukte geheel en al, en zij werden verpletterd als eene mot in de hand eens kinds, zoo ging het ook u. Zij hadden bijna alle hoop opgegeven, gij eveneens -â gij durfdet niet meer op verlossing hopen. Maar gelijk God hen redde met Zijne rechterhand zoo wil Hij ook u redden. En dezelfde God, die Babyion zoo volkomen vernederde, dat er niets meer van te vreezen was. Hij is ook machtig u zoo volkomen te verlossen, dat gij niet meer zult vreezen noch u zult verontrusten â gij zult de doode lichamen uwer drijvers zien nederliggen op de oppervlakte der zee.
Begeert gij zulk een gezegende verlossing deelachtig te worden, welnu neem dan de volgende voorschriften ter harte.
200
Jeremia's heerlijksie zang.
1. Doe uit uw leven weg elke opzettelijke zonde. Zijn daar beloften, die gij nooit had moeten doen ? Herroep ze. Hebt gij in het verleden onrecht gepleegd, dat nog hersteld kan worden ? Herstel het. Zijn daar geheime zonden en overtredingen, die uw geestelijk leven ondermijnen ? Wensch oprecht daarvan bevrijd te worden, en zeg dit onomwonden aan uwen God. Maak u zelf los van de afgoden, waarop de Heer naijverig is.
2. Vertrouw aan uwen God de zorg voor uwe ziel. Gij kunt die niet bewaren, maar dat kan Hij. Hij, die u formeerde, is ook machtig om u te behouden. Eén zijner engelen heeft macht genoeg om den duivel te binden; zou de Heer der engelen dan niet machtig zijn om u te verlossen van de helsche demonen, die u tot hun speelbal zouden willen maken. In zijn zwakke, men-schelijke gedaante was Christus in staat den tempel te reinigen; zal Hij thans niet machtig zijn de onreine dingen uit uw hart weg te doen ? En eens uitgeworpen zal het Hem licht vallen ze daar buiten te houden. Bij Zijn hemelvaart werd Hij verheven boven de overheden en de machten der duisternis, en gij met hem, indien gij het slechts wist. Waarlijk, de levende Christus kan ook uw leeuw en uw draak onder Zijne voeten vertreden. Gij kunt het niet, maar Hij kan het. Stel uwe zaak met beslistheid, met ernst en met vertrouwen in Zijne hand. Zeg niet, âik zal beproeven;quot; maar zeg, âik wil vertrouwen.quot; Zie niet op uw geloof, maar zie op Hem. Roep niet, âHelp mij !quot; want dat zou wezen alsof gij ook iets doen moest, en uwe inmenging zou zeker alles
Jeremia's heerlijkste zang.
bederven. Neen, de kreet uwer ziel moet wezen, âBewaar mij !quot; dan eerst werpt gij de geheele verantwoording op Hem.
3. Vertrouw er op, dat de almachtige Verlosser uwe overgave aanneemt, zoodra gij daartoe gekomen zijt. Wat gij opgeeft zal Hij voortzetten. Hij zal alles voor u voltooien. Tracht niet te gevoelen, dat Hij het doen zal, maar wees overtuigd, dat Hij het doet. Blijf niet stilstaan bij uwe overgave, en kwel u niet met de vraag of die wel volkomen was, maar doe wat gij kunt Hem vragende u aan te nemen, zooals gij tot Hem komt. Hij doorgrondt, daar behoeft gij niet aan te twijfelen, uw bedoelen en uw begeeren, al komt gij ook in veel, wat gij zoudt willen, te kort. Hij neemt de oprechtheid van het willen voor de volkomenheid van de daad. Verban dus eiken twijfel. Durf honderdmaal op een dag tot u zelf te zeggen, âJezus is machtig om te bewaren hetgeen ik hem toevertrouwd heb; Ik ben een worm, zwak, onvernuftig; maar de zoon van God heeft mij in zijn veilige hoede genomen; Hij heeft verlost; Hij verlost; en ik ben verzekerd, dat Hij zal blijven verlossen.quot; En al veroorzaakt dit alles in u geen blijde ontroering, ai ervaart gij geen gevoel van vreugde, van zegepraal, van geestdrift, laat u dit niet ontmoedigen. Wees slechts stil en wacht op den Heer. Vrij moge de leeuw daar buiten brullen, veilig ligt de vermoeide kudde in de schaapskooi, waar zij volkomen bewaard is, want de Goede Herder stelt zijn leven voor de schapen.
202
HOOFDSTUK XVIII.
âHET ZWAKKE RIET TOT EEN STEUNPILAAR GEMAAKT.quot; (Jeremia XXIV, XXXIV, XXXVII.)
Het is een diepgaand lijden voor een gevoelige natuur om alleen te moeten staan. Zulk eene ziel voelt onmid-delijk en als bij ingeving wat zij van de menschen te wachten heeft, en als zij ontdekt, dat het medegevoel, waarnaar zij smacht opgedroogd is als een beek in den zomer; dat de belangstelling heeft plaats gemaakt voor onverschilligheid; dat warmte en vriendschap zijn veranderd in koelheid en minachting â hetzij in kleinen kring, of in de wereld, of bij bepaalde personen â dan verflauwt haar geestkracht, en het is of er niet langer kracht en invloed van haar kan uitgaan. Voor velen is het een levensbehoefte geëerd en bemind te worden. Zij hebben een afkeer van vleierij, en volkomen tevreden om op éene lijn te staan met huns gelijken, begeeren zij geenzins zich door rijkdom of aanzien daarboven te
204 ,,//lt;?/ zwakke riet tot een steunpilaar gemaaktquot;
verheffen: maar zij zijn nu eenmaal zoo geschapen, dat zij een atmosfeer van sympathie en liefde noodig hebben, zal hunne persoonlijkheid tot haar volle recht kunnen komen.
Menschen van een kloeken en krachtigen geest, van een heldhaftigen aanleg kunnen zich geen begrip maken van zulk een teóre, gevoelige natuur. En het is goed, dat zij het niet kunnen. Zij zijn voorbestemd om de ontdekkers, de baanbrekers, de strijders van hun geslacht te wezen; hun spieren zijn van staal, en hun zenuwen van ijzer; hun moed neemt toe naarmate den tegenstand en de vijandschap, die zij ontmoeten grooter worden. Maar juist daarom zullen zij het nooit beseffen wat het anderen met hun zachte, teêre natuur, met de hun aangeboren fijngevoeligheid, met hun aandoenlijk gemoed, met hun vatbaarheid voor lof en blaam, met hun behoefte aan medegevoel, goedkeuring en aanmoediging kosten moet den hun opgelegden arbeid te moeten verrichten, en pal te staan als getuigen.
Tot dezulken behoorde Jeremia. Zacht van aard, bedeesd en gevoelig van natuur, zeer vatbaar voor indrukken, sterk in zijn afkeer, maar daardoor ook sterk in zijne liefde was hij niet geschikt om alleen te staan. â Wij vinden echter groote stof tot aanbidding, als wij letten op de genade, die hem bewezen werd. Juist die man werd gedurende veertig jaar gemaakt tot een versterkte stad, en een ijzeren pilaar, en een koperen muur tegenover het gansche land â tegenover vorsten en priesters, tegenover het geheele volk. üie allen streden
âHet ziuakke riet tot een steunpilaar gemaakt205
tegen hem, maar zij konden hem niet overwinnen, want God was met hem. Hij bood het hoofd aan al zijne vijanden, en wist het vaandel tot het eind zijns levens hoog te houden. Dit wondervolle weerstandsvermogen, die zelfstandigheid van geest kwam echter nooit zoo sterk aan het licht, als gedurende de laatste maanden van de onafhankelijkheid zijns volks Bij dit gedeelte zijnet-geschiedenis wenschen wij hier eenige oogenblikken stil te staan in de hoop, dat menigeen er door versterkt moge worden, want indien de tegenwoordigheid Gods Jcremia zoo langdurig en zoo krachtig steunde dan hebben zelfs de zwakste zijner kinderen niet te vreezen.
I. De houding van Jerernia tegenover den koning.
Veel van wat betrekking heeft op den toestand van Jeruzalem gedurende de regeering van Zedekia vinden wij in het Boek van Ezechiel. Hoewel verblijf houdende in het land der ballingschap toch bleef deze profeet, voorgelicht door zijn zieners gave, niet onkundig van hetgeen er voorviel in zijn geliefde vaderstad, waarmeê zijne gedachten zich gedurig bezighielden. Uit dit oogpunt beschouwd zijn zijne profetiën in hooge mate belangrijk, en voor de kennis der geschiedenis van groot gewicht. Zooals wij gezien hebben beloofde Zedekia bij zijne troonsbestijging op de plechtigste wijze trouw aan den Koning van Babel, en het lijdt geen twijfel of het was hem op dat oogenblik volkomen ernst met die belofte, te meer daar hij op bevel van Nebukadnézar den eed
2o6 .-Het zwakke riet tot een steunpilaar gemaakt.quot;1'
van onderwerping aflegde in den heiligen naam van Jehova.
Maar hij was zwak en jong, en geheel onder den invloed van een sterke hofpartij, die er steeds op bedacht was het Chaldeensche juk af te werpen, daartoe niets liever wenschende dan een verbond met Egypte.
Twee jaren voordat deze noodlottige gebeurtenis plaatsgreep voorspelde Ezechiël reeds wat er gebeuren zou. Hij voorzag, dat er boden naar Farao gezonden zouden worden om paarden en veel volks te bestellen, en dat deed hem verontwaardigd vragen. âZal hij gedijen ? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? ja zal hij het verbond breken en ontkomen.quot; Een weinig verder beantwoordt hij zelf deze toornige vragen met de geduchte woorden. âZoo waarachtig als ik leef, spreekt de Heere Heere, zoo hij niet in de plaats des konings, die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij veracht, en wiens woord hij gebroken heeft, bij hem in het midden van Babel zal sterven! Ook zal Farao met een groot heir en een menigte van krijgsknechten niets voor hem uitrichten.quot; (Ez. XVII, li â 21.)
Zooals wij weten had Jeremia het den Koning zoowel als den vorsten ernstig ontraden zich in te laten met een verbond, dat de naburige volken met Juda wilden sluiten; en in het aangezicht der valsche profeten voorspelde hij. dat het overschot der heilige vaten, die door Nebukadnézar in den tempel achtergelaten waren, eveneens naar Babel zouden gevoerd worden, wanneer men dat booze plan doorzette. (XXVII.) Niettegenstaande al
âHet zwakke riet tot een steunpilaar gemaakt.quot; 207
deze waarschuwingen kwam het bondgenootschap tot stand; en in een noodlottig oogenblik verbrak Zedekia den eed van trouw aan den koning van Babylon gedaan.
Toen gebeurde hetgeen Ezechiël had voorspeld. Op het zeerst verbolgen door de trouweloosheid en ondankbaarheid de- Joden, die hen opzettelijk en voortdurend gehoond hadden, verzamelde Nebukadne'zar een groot leger met het voornemen om door een snelle en geduchte wraakneming een voorbeeld te stellen aan al de omliggende volken: âHet zwaard is gescherpt en ook geveegd. Het is gescherpt, opdat het eene slachting slachte; het is geveegd opdat het een glinster hebbe. Schreeuw en huil o menschenkind! want het zal zijn tegen Mijn volk, het zal zijn tegen alle vorsten van Israël: verschrikkingen zullen van wege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom klop op de heup.quot; (Ez. XXI, 8â17.)
De koning van Babel trok voort met zijn heir tot op de plaats, waar de weg zich in tweeën scheidde â de een naar Jeruzalem en de ander naar Rabba, de hoofdplaats van Ammon. Hier raadpleegde hij op de gebruikelijke manier het orakel, dat hem beval Jeruzalem te omsingelen met stormrammen en sterkten en bolwerken. En terwijl hij optrok naar de bedreigde stad kwam andermaal de stem van Jehova tot den vorst van Israel wiens ure gekomen was, zeggende: âDoe dien hoed weg, en leg die kroon af; Ik zal verhoogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is.quot; En als om dit strenge vonnis te rechtvaardigen volgde daarop onmid-delijk eene opsomming van de misdaden, die de straten
2o8 âHet zwakke ricl tot een steunpilaar gemaakt.
van Jeruzalem rood maakten van bloed, en van de gruwelen door de inwoners der stad bedreven. Het is een ontzettende toestand, gelijk ons die daar beschreven wordt, als hebbende gedurende de laatste regeerings-jaren van Zedekia te Jeruzalem geheerscht. Een bittere ervaring voor Jeremia, wiens rechtvaardige ziel van dag tot dag gekweld zal zijn geworden bij het hooren en zien van al deze ongerechtigheden. (Ez. 21 : 18â27 ; 22 : 1 â16).
Eindelijk in de maand December, 591 jaar vóór Christus, nam het beleg een aanvang. Bij de nadering van Nebukadnezar was het bondgenootschap uiteen gevallen, Jeruzalem aan zich zelf overlatende om het hoofd te bieden aan de legers der Chaldeën, die als een verbolgen zee tegen de stad kwamen opzetten. De inwoners hadden echter de voorzorg genomen zich ruim van levensmiddelen te voorzien, en zij verwachtten elk oogen-blik Farao Hoffra aan het hoofd zijner Egyptische ruiters te zien opdagen, om de belegeraars te verdrijven.
In dit hachelijk tijdsgewricht zond Zedekia twee welbekende mannen naar Jeremia om den profeet te vragen of Jehova niet voor zijn volk zou tusschentreden, zooals Hij gedaan had in de dagen van ouds, onder anderen toen Hij het leger van Sanherib in een enkelen nacht deed omkomen. Deze vraag zal Jeremia ongetwijfeld in een grooten tweestrijd gebracht hebben. Door één enkel geruststellend woord te spreken had hij den afkeer van de vorsten kunnen overwinnen, zich tot een held en een volkman kunnen verheffen, en voor goed den
âHei zwakke riet tot een steunpilaar gemaakt.quot; 209
blaam kunnen uitwisschen van lafheid en gebrek aan vaderlandsliefde, die gedurig op hem geworpen werd. Waarom zou hij niet de Jesaja van deze nieuwe belegering kunnen wezen ? Waarom zou hij zijn volk niet opwekken en aansporen tot een hardnekkig verzet en een heldhaftig geloof? Waarom zou hij zijne stem niet voegen bij die der andere profeten, die eene zekere verlossing voorspelden, en op die wijze een invloed op hen-verkrijgen, welke hij later tot de beste doeleinden zou kunnen aanwenden ?
Het zou niet te verwonderen geweest zijn indien deze en dergelijke overdenkingen bij hem opgekomen waren. Maar waar dit het geval mocht wezen, daar werden ze onmiddelijk onderdrukt. âToen zeide Jeremia tot hen: Zoo zult gijlieden tot Zedekia zeggen: Zoo zegt de Heer, de God Israels, ziet. Ik zal de krijgswapenen omwenden, die in Ulieder hand zijn, met dewelken gü strijdt tegen den koning van Babel, en tegen de Chal-deen, die u belegeren van buiten den muur; en Ik zal ze verzamelen in het midden der stad. En Ikzelf zal tegen u strijden met eene uitgestrekte hand, en met een sterken arm, ja met toorn, en met grimmigheid, en met groote verbolgenheid. En Ik zal de inwoners dezer stad slaan, zoowel de beesten als de menschen: door een groote pestilentie zullen zij sterven. En daarna, spreekt de Heer, zal ik Zedekia den koning van Juda, en zijne knechten en het volk, die in de stad overgebleven zijn van de pestilentie, van het zwaard en van den honger, geven in de hand van Nebukadnézar, den koning van
14
2 io âHet zwakke riet tot een steunpilaar gemaakt.quot;
Babel: en hij zal ze slaan met de scherpte des zwaards ; hij zal ze niet sparen noch verschoonen, noch zich ontfermen.quot;
Jeremia eindigde deze vreeselijke voorspelling met te zeggen, dat de eenige redding daarin bestond zich naar het kamp der Chaldeën te begeven, die bezig warende stad aan alle kanten te omsingelen. Allen, die in de stad bleven zouden sterven door het zwaard of door den honger of door pestilentie. Het zou hen gaan als booze vijgen, die niet konden gegeten, maar weggeworpen moesten worden. Slechts degenen, die uitgingen en zich aan den koning van Babyion onderwierpen zouden hun loven redden. (XXI; XXII, i â g; XXIV.)
En nog eenmaal, toen de belegering van Jeruzalem in vollen gang was, toen dag aan dag de kreten der strijdenden de lucht vervulden, en de stormrammen de muren beukten, terwijl de gewonden en stervenden van de wallen weggedragen werden â toen begaf Jeremi-i zich nog eenmaal onbevreesd tot den Koning om hem aan te zeggen, dat niets de plundering en den brand dei-stad kon verhinderen, daar God haar overgegeven had in de handen van den koning van Babel; en dat hijzelf gevangen genomen en voor den Koning gebracht zou worden.
âZijn mond zal tot uwen mond spreken, en gij zult te Babel komen.quot; (XXXIV, 7.)
En terzelfder tijd klonk uit de verte van gene zijde dor groote woestijn, gelijk het gelui eener doodsklok de indrukwekkende stem van Ezechicl: âWee der bloed-
..Het zwakke riet tot een steunpilaar gemaakt.quot; 211
stad! Ik zal ook den brandstapel groot maken. Draag veel houts toe, steek het vuur aan; stel ze daarna ledig op de kolen, opdat haar roest verbrande. Ik, de Heer heb gesproken. Ik zal er niet van wijken, noch berouw hebben.quot; (Ez. XXIV, 1-14).
II. Zijne houding tegenover de slaven bezittende Joden.
Het is niet onwaarschijnlijk, dat de krachtige taal van Jeremia toch eenige uitwerking had op het verharde gemoed zijns volks; op aanraden van Zedekia ging men er ten minste toe over het begane kwaad eenigzins te
O O
herstellen door het teruggeven der vrijheid aan de slaven uit de kinderen des volks. Op die wijze werd tevens de bezetting der stad aanzienlijk versterkt. Deze vrijverklaring had plaats in eene plechtige vergadering des volks, daartoe opzettelijk samengeroepen in den Tempel, alwaar het genomen besluit op godsdienstige wijze voor het aangezicht van Jehova bekrachtigd werd. Een kalf werd in tweeën gehouwen, en de vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, en de kamerlingen, en al het volk des lands gingen tusschen die twee stukken heên, met welke handeling men wilde zeggen âde Heer moge ons in tweeën houwen gelijk dit kalf, als wij onze belofte om de vrijheid terug te geven aan onze Hebreeuwsche broeders en zusters, die thans nog in slavernij zijn, niet gestand doen quot;
Dit besluit was een oorzaak van groote vreugde voor honderden, en de belegerde stad telde een aantal kloeke
212 âHei zwakke riet tot een steunpilaar gemaakt.quot;
verdedigers meer op hare bedreigde wallen. Maar wat het meeste zeide, het volk had gedaan wat recht was in de oogen des Heeren. Twee maanden verliepen na deze gebeurtenis toen, tot onuitsprekelijke blijdschap der belegerden, de aanvallen van Nebukadnézar verminderden; de gelederen van het vijandelijke leger dunden, en ten laatste de tenten werden opgebroken, en de belegeraars aftrokken. Welk eene verademing toen het gebeuk der stormrammen, en het neêrvallen der katapulten niet meer werd gehoord, en de bevolking, zoo lang binnen de muren opgesloten, weêr gaan kon waarheen zij wilde. Deze bevrijding had men te danken aan de nadering van het Egyptische leger. De joden dachten niet anders dan dat zij hunne vijanden nooit weêr zouden terugzien, en zij belachten Jeremia om zijne dreigende voorspellingen. Ja, nu het gevaar geweken was, gingen zij zelfs zoo ver van het besluit tot vrijmaking der slaven in te trekken, en de dienstknechten en de dienstmaagden tot hun vorig lot te veroordeelen.
Daar werd eene ongewone mate van moed en geloofsvertrouwen van Jeremia vereischt om zijne stem onbevreesd en onbewimpeld te blijven verheffen te midden van de opwinding der algemeene vreugde, toen zijne voorspellingen door de feiten gelogenstraft schenen; toen de vrees, die zij hadden ingeboezemd veranderde in toene-menden haat jegens den man, die ze geuit had; en toen het was alsof hij door Jehova zelf verstooten en verloochend werd. Maar hij week geen duim breed af van het pad hem door plicht en geweten voorgeschreven. De
zwakke riet tot een steunpilaar gemaakt.quot; 213
verblindheid zijns volks; hun ontrouw aan den gezworen eed; de teleurstelling en het lijden der arme slaven en de eer van Jehova, zoo schandelijk gehoond â dit alles drong hem tot spreken. âZiet, zoo spreekt de Heer, Ik roep tegen u uit eene vrijheid ten zwaarde, en ter pestilentie, en ten honger. En Ik zal de mannen overgeven, dïe mijn verbond hebben overtreden in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hunne ziel zoeken ; en hunne doode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijs zijn Zelfs Zedekia, den koning van Juda en de vorsten zal Ik overgeven in de hand van het heir des konings van Babel, die van ulieden nu zijn opgetogen. Ziet, Ik zal bevel geven, spreekt de Heer, en zal hen weder tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot eene verwoesting, dat er niemand in wone.quot; (XXXIV).
Voorwaar, er behoorde geen geringe mate van zede-lijken moed toe, en eene vaste overtuiging van de nabijheid Gods om zulke woorden te durven spreken, die een storm van verontwaardiging over het trouwe hoofd van den alleenstaanden profeet deden losbarsten. Het was zoo gemakkelijk den draak met hem en zijne voorspellingen te steken, nu het zoo zeker bleek te wezen, dat hij ongelijk, en de valsche profeten gelijk hadden. En de verbolgenheid van zijne tegenstanders was zooveel te grooter, omdat de inwendige stem van het geweten, die nog niet geheel tot zwijgen was gebracht, hun zeide, dat
2i4 âHet zwakke riet tot een steunpilaar gemaaktquot;
de woorden, die hij sprak door Jehova zelf waren ingegeven.
III. Zijne houding gedurende het tijdperk van verademing.
De gansche stad was dronken van vreugde. De Chal-deën waren afgetrokken. Zij zouden niet tegen Farao opgewassen zijn, en dus niet meer terugkeeren. Het on-weder was afgedreven, men had niets meer te vreezen. Jeremia bleef echter bij hetgeen hij gezegd had. Het was alsof men het schorre gekras van een raaf hoorde te midden van het lieflijk gezang der lenteboden. Zoo neerdrukkend ! zoo ontmoedigend! zoo geschikt om wantrouwen en angst te verspreiden! Ach hoe gaarne zou hij ingestemd hebben met de blijde klanken om hem heên. Maar hij mocht niet, hij kon niet; en toen de koning andermaal boden zond om door den profeet Jehova te raadplegen, zond hij hen terug met dit vree-selijke antwoord: âBedriegt uwe zielen niet, zeggende: de Chaldeën zullen zekerlijk van ons wegtrekken; want zij zullen niet wegtrekken. Want al sloegt gij het gquot;an-sche heir der Chaldeen, die tegen u strijden, en er bleven van hen eenige verwonde mannen over, zoo zouden zich die, een iegelijk in zijne tent opmaken, en deze stad met vuur verbranden.quot; (XXXVII, I â10).
Gods profeten hadden een te duidelijk inzicht in den afloop van den strijd tusschen Chaldaea en Egypte, dan dat zij het volk hadden kunnen vleien met hoop op
âHet zwakke riet tot een steunpilaar gemaakty 215
bevrijding. Jeremia had het sedert lang voorzien, dat de dochter van Egypte beschaamd zou worden, en overgegeven in de hand des volks van het Noorden. (XLVI, 13â28). En Ezechiel was niet minder beslist: âDaarom zegt de Heere Heere alzoo; ja, ik zal de armen des konings van Babel sterken, en mijn zwaard in zijne hand geven; maar Farao's armen zal ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen gelijk een doodelijk verwonde kermt.quot; (Ez. XXX).
Niet lang na dezen besloot de profeet gebruik te maken van den aftocht der Chaldeën om zijne geboorteplaats te Anathoth te bezoeken met het doel om aldaar geldzaken of familieaangelegenheden te regelen. Maar toen hij door de poort van Benjamin wilde uitgaan werd hij herkend door een wachtmeester, met wiens verwanten hij sedert lang in vijandschap leefde, en die nu de gelegenheid schoon zag om een lang gekoesterden wrok te koelen. (XXXVII, 13). Hij nam hem daarom gevangen onder voorwendsel, dat hij tot de Chaldeën wilde overloopen. Het was eene ongerijmde beschuldiging, want de Chaldeën hadden het beleg opgebroken en zouden waarschijnlijk nooit terugkeeren. Maar het voorwendsel was voldoende voor Jerya's bedoeling, hoe heftig de beschuldiging ook door Jeremia werd weerlegd. De profeet werd met geweld in de tegenwoordigheid der vorsten gebracht, â die evenals de priesters wien Judas aanbood zijn meester te verraden â maar al te blijde waren hun onverzoenlijken vijand eindelijk in hunne macht te hebben.
2i6 âHet zwakke riet iet een steunpilaar gemaakt.quot;
Toen de Profeet zich onder eene vorige regeering in een dergelijke moeilijkheid bevonden had was hij daaruit gered door de tusschenkomst van Abikam den zoon van Sa fan, maar deze was thans of dood of in gevangenschap.
Zedekia was te zwak om den man Gods te onttrekken aan de woede zijner rijksgrooten, indien hij al mocht hooren van het gevaar, waarin deze verkeerde. Aldus werd Jeremia veroordeeld tot veertig geeselslagen en daarna in een donkeren, ongezonden, onderaardschen kerker geworpen, waarin hij verscheidene dagen bleef tot groot gevaar voor zijn leven. Na eenigen tijd echter zond Zedekia, die wellicht wroeging gevoelde, of verontrust werd door tijdingen, die van de grenzen kwamen, om hem, en liet hem halen, zooals later Herodes Johannes den Dooper beneden uit den kerker liet komen om in de zalen van zijn paleis met hem te spreken. âIs er ook een woord van den Heere ?quot; vraagde de Koning bezorgd.
Welk eene schoone gelegenheid voor Jeremia om zijne lippen te zalven, om zoetvloeiende woorden te spreken, om de onwelkome waarheid te bemantelen. Maar hij wilde van geen vergelijk hooren. âEn Jeremia antwoordde: âEr is; en hij zeide: Gij zult in de hand des konings van Babel gegeven worden.quot; Maar daarop deed hij een beroep op de genade des Konings, opdat zijn vonnis mocht verzacht worden, en wel met dit gunstig gevolg, dat hij op koninklijk bevel in bewaring gegeven werd in den voorhof van het paleis, en hem dagelijks een bol broods uit de bakkerstraat werd verstrekt, zoolang de voorraad duurde.
âHet zwakke riet tot een steunpilaar gemaakt.quot; 217
In dien tusschentijd was het heir der Chaldeën, na de Egyptenaren verslagen te hebben, teruggekeerd, en hunne dichte gelederen omsloten de stad als een ijzeren gordel, die dagelijks nauwer toe getrokken werd, totdat Jeruzalem in hunne handen viel, als een verstrikte vogel.
Men kan dit verhaal niet lezen zonder vervuld te zijn van bewondering voor den man, die den moed had om met God alleen te staan tegenover een gewapend volk.
Het doet ons denken aan Ziegenbalg, de eerste zendeling in Oost-Indie, die alleen het hoofd moest bieden aan den tegenstand der gezamenlijke overheden, welke vast besloten waren zijn zendingsarbeid in den aanvang te fnuiken; aan Judson, die het werk der verlossing in Birma voortzette ten spijt van de vijandschap en het verraad des konings; aan Moffat, die alleen en ongewapend het grondgebied van den gevreesden Afrikaan betrad; aan John Hunt te midden der woeste kannibalen van Fiji; aan John G. Paton, die ontkwam aan vijftig aanslagen op zijn leven, en aan zoovele anderen. Maar daarom is het dan ook onze dure plicht toe te zien, dat wij Gods wil en Gods werk doen; onze zielen te doordringen van het bewustzijn Zijner nabijheid, en zonder ophouden te luisteren naar de woorden, âIk ben met u om u uit te redden.quot; Dan springen wij over een muur, dan loopen wij door eene bende, dan worden wij tot onwrikbare pilaren in Zijn eeuwigen tempel.
HOOFDSTUK XVIII.
IN DEN GROND OM TE STERVEN. (Jeremia XXXII.)
Terwijl Jeremia zich in hechtenis bevond, en wellicht door een keten in zijne bewegingen belemmerd werd, ontving hij eene Goddelijke aankondiging, dat zijn oom spoedig tot hem komen zou met het verzoek om een stuk land te Anathoth te koopen, waarvan de Profeet volgens Joodsch gebruik het recht van lossing had. Deze mededeeling bracht hem niet weinig in verlegenheid, daar hij op grond der goddelijke openbaringen volkomen zeker meende te zijn, dat het koninkrijk weldra vernietigd, en het land bijgevolg verlaten zou worden. Gedurende bijna veertien jaar had hij onophoudelijk dezelfde boodschap aan het volk gebracht, dat het land woest zou gelaten worden als een oordeel over de zonden der inwoners, en zou het nu niet lijnrecht in strijd schijnen met zijne prediking en zijne overtuiging als hij
In den grond om te sterven.
het veld te Anathoth wilde koopen om dat te bebouwen.
Het Goddelijke gebod gaf hem eerst een schok, en voor een oogenblik zal wellicht de twijfel bij hem opgekomen zijn aan de onfeilbaarheid der voorspellingen, die hij zoo zonder ophouden in de ooren zijns volks had doen weerklinken.
Hij toonde evenwel niet wat er in zijn binnenste omging, en toen de zoon van zijn oom met het verzoek zijns vaders tot hem kwam, was de Profeet dadelijk bereid daaraan te voldoen, en kocht hij het land voor zeventien zilveren sikkelen. Van een dergelijk voorval wordt in de romeinsche geschiedenis melding gemaakt. Toen Rome door Hannibal belegerd werd, bracht men het eigen stuk grond, waarop hij gelegerd was in veiling, en vond er koopers voor; voorwaar een bewijs van het rustig vertrouwen waarmee de Romeinen den einduitslag van den krijg tegemoet zagen.
Daarenboven droeg Jeremia zorg, dat de koop onder getuigen plaats had, en de koopbrief met de meest mogelijke nauwkeurigheid opgemaakt werd, alsof hij van plan was het land onmiddellijk in bezit te nemen. Wat vorm en inhoud betreft zoo werd er niets over het hoofd gezien, en ten slotte werden beide documenten â het eene, dat bizonderheden omtrent den koop bevatte, verzegeld ; en het andere, waarop de getuigen hun naam ge-teekend hadden, ongezegeld in handen van Baruch gesteld met de opdracht ze in een aarden vat te doen ten einde ze daarin zorgvuldig te bewaren. Hoogstwaarschijnlijk werden deze brieven niet eerder geopend dan
219
In den grond om te sterven.
na den terugkeer uit de ballingschap, maar op dat oogen-blik droeg deze handeling er niet weinig toe bij om het vertrouwen en de gerustheid van de daarin betrokken personen te versterken.
Alleen Jeremia deelde niet in deze blijde verwachting. Hij deed zooals God hem geboden had, maar inmiddels drukte een zware last op zijne ziel, en omgaf hem een diepe duisternis, waarin hij evenals onze Heiland aan het kruis slechts verlichting vinden kon door de toevlucht te nemen tot zijn Vader. Inderdaad gedurende dat tijdperk van zijn leven had hij veel overeenkomst met het verborgen aarden vat. waarin het onderpand van de bevrijding des lands verborgen was. Hij was slechts een onaanzienlijk vat, maar het bevatte een hemelsche schat. Hij moest in de aarde vallen om te sterven evenals het zaad, dat een levenskiem bevat, maar slechts door den dood tot ontwikkeling kan komen, en niet eerder een zegen voor de menschheid kan wezen dan nadat het in 't stervende seizoen aan de aarde is toevertrouwd geworden.
I. Uren van diepe duisternis.
De grootste ontwikkeling wordt alleen door oefening bereikt. Een stuk ijzer is een nutteloos voorwerp, totdat het een deel uitmaakt van een werktuig of van een machine. Een zaadkorrel, al is die gedurende drieduizend jaar in de lijkkist eener mummie verborgen geweest, blijft onveranderd, maar ze wordt eerst een vruchtdragend element, wanneer ze door te sterven uit de sappen der
220
In den gi-ond om te sterven.
aarde, uit dauw en uit zonnestralen, uit dampkring en uit atmosfeer het gouden koren heeft weten voort te brengen. De mensch, die een zelfgenoegzaam leven leidt, met geen ander, geen hooger doel dan de voldoening van zijn zelfzucht, en het zoeken van het eigen belang, zulk een mensch leert nooit de eigenlijke waarde van het leven kennen, en komt nooit tot zijne volle ontwikkeling. Slechts wanneer wij voor God leven, en door God voor de menschen, dan eerst zijn wij in staat den hoog-sten zegen te smaken, waarvoor onze natuur vatbaarheid bezit, en kunnen wij den vollen wasdom bereiken, die in Christus is. Uit dit oogpunt beschouwd zou het Jeremia nooit berouwen, dat hij zijne krachten, ja zijn gansche leven besteed had in den dienst van anderen. Als hij dit niet gedaan had, en terug was gedeinsd voor de stem, die hem reeds in het begin van zijn leven tot zulk een verheven werkkring riep, dan zou zijn zelfverwijt ge-evenredigd zijn geweest aan zijn grootschen aanleg, en zijn machtigen invloed op anderen.
Maar niemand kan zichzelf geven in den dienst van anderen, zonder dat hij veel ten offer moet brengen, wat door de wereld op hoogen prijs wordt gesteld. Jezus zeide, dat het graan in de aarde moest vallen en sterven zou het vruchten voortbrengen. Zal de levenskiem, die in de graankorrel besloten is, zich ontwikkelen dan is het noodig, dat het zaad eerst sterve. En waar men het ware leven deelachtig geworden is, daar moeten de begeerlijkheden en zwakheden van het eigen-ik sterven, opdat de ziel van dien last bevrijd, door niets verhin-
221
In den grond om te sterven
derd worde haar kracht in God te zoeken, en die kracht aan te wenden tot heil dergenen met wie zij in aanraking komt. Hierin vinden wij eene verklaring van het lijden en de ontberingen, die het deel waren van Jeremia. Hij moest in den dood gaan, opdat er leven zou gewekt worden in Israel, en in allen die zijne profetiën zouden lezen
Het afsterven van de banden eener mensche-lijke genegenheid.
âGij zult u geene vrouw nemen, en gij zult geene zonen noch dochteren hebben in deze plaats.quot; Deze woorden waren reeds bij den aanvang van zijn loopbaan tot Jeremia gesproken. De lieden van Anathoth uit het huis zijns vaders smeedden tegen hem samen. De vrienden, op wie hij vertrouwde, en met wie hij opging naar het huis des Heeren, verrieden hem. Hij was met zijn gansche hart aan zijn geslacht gehecht, maar noch in den engen huiselijken kring, noch tegenover de stamverwante priesters, noch tegenover de bewoners van het kleine Anathoth was het hem vergund van die genegenheid blijk te geven.
Het afsterven van de goede gezindheid zijner medemenschen. Niemand is wel geheel onverschillig voor die gezindheid. Het lijden wordt niet weinig verzacht, wanneer wij als het ware gedragen worden door sympathie en waardeering, en omringd zijn door liefde en vertrouwen. Daaruit putten wij kracht om ons tot het uiterste in te spannen. Iemand van zulk een gevoelige natuur als Jeremia was vooral zeer vatbaar voor dergelijke indruk-
222
In den grond om ic sterren.
ken. Maar hem was het bittere lot beschoren om van het begin tot het eind slechts afkeuring en tegenstand te ontmoeten. Wij weten niet van een enkele stem, die gehoord werd om hem dank te zeggen, of om hem te bemoedigen.
âWee mij, mijne moeder,quot; zoo roept hij moedeloos uit, âdat gij mij gebaard hebt, een man van den twist, en een man des krakeels den ganschen lande! ik heb hen niet op woeker gezet, noch hebben zij mij op woeker gegeven; toch vloekt mij een ieder van hen!quot;
Het afsterven van alle vaderlandsche gevoelens.
Geen oprecht vaderlander wanhoopt aan de toekomst van zijn geboortegrond. Hoe dreigend de wolken zich ook samenpakken, hoe sterk wind en storm ook tegen zijn, toch blijft hij hopen, dat het schip van staat den storm het hoofd zal kunnen bieden Uit vrees van voor lafhartig uitgekreten te worden durft hij geen vrees doen blijken. En mocht er soms twijfel en moedeloosheid in zijn hart opkomen dan onderdrukt en verjaagt hij zulke gedachten, want door er naar te luisteren, en aan dergelijke gevoelens toe te geven zou hij meenen zich aan hoogverraad schuldig te maken.
Maar Jeremia zag zich genoodzaakt een geheel anderen weg te bewandelen. Geen trouwer hart dan het zijne klopte ooit in eene menschelijke borst. Geen verhevener vaderlandsliefde had ooit haar leven veil. Zijn geloof in Israel maakte een deel uit van zijn geloof in God. Maar niettegenstaande dit alles gevoelde hij zich verplicht op zulk eene wijze te spreken, dat de vorsten schijnbaar
223
224
niet zonder reden voorstelden hem ter dood te doen brengen, omdat hij de handen der krijgslieden deed verslappen.
Het afsterven van persoonlijke vrijheid.
Een groot deel zijner bediening werd uitgeoefend of in de gevangenis of onder omstandigheden, waardoor zijne vrijheid zeer beperkt werd. Gedurig lezen wij, da: hij gevangen gehouden werd, of dat hij niet uitgaan kon waarheen hij wilde. Zijn vriend Baruch moest voortdurend dienst doen als tusschen-persoon. Ook dit zal Jere-mia zwaar gevallen zijn.
In zijne geschriften vinden wij tal van aanhalingen betreffende de natuur, en voorbeelden aan de natuur ontleend, waaruit wij met grond de gevolgtrekking kunnen maken, dat een leven van opsluiting â om niet eens van ijzeren ketenen te spreken â zijn gevoelige ziel op het pijnlijkst moet hebben aangedaan.
Het afsterven van zijn eigen meening omtrent zijne profetiën. Tot op het tijdstip, toen Jehova hem het bevel gaf om het eigendom van Hamaël te koopen, had hij nimmer getwijfeld aan het lot, dat haar wachtte. Het stond bij hem vast, dat de stad door zwaard, henger, pestilentie en vuur verwoest zou worden. Alles wa.t hij ooit in het openbaar of in kleiner kring gezegd had, had moeten dienen om meer kracht en meer nadruk bij te zetten aan de droeve zekerheid van dit vreeselijk einde. En thans scheen Gods woord, door deze daad van gehoorzaamheid te eischen, aan te duiden, dat het land in het bezit der rechtmatige eigenaren zou blijven.
In den grond, om ie sterven.
II. Jerernia's gedrag.
Slechts aan zeer weinigen werd het gegeven de voetstappen van den Verlosser van zoo nabij te mogen volgen. Ook hij moest afstand doen van alles, waaraan een mensch de grootste waarde hecht. Maar onder dit alles werd hij op derderlei wijze getroost en gesterkt.
1. Hij bad. Lees slechts deze woorden door hem zelf geboekt. âVoorts, nadat ik den koopbrief aan Baruch, den zoon van Nerya gegeven had, bad ik tot den Heer, zeggende: Ach Heere God!quot; En de Heer zelf moedigde hem aan tot deze heilige gemeenschapsoefening, want toen kort na deze gebeurtenis de tijding tot hem doordrong, dat do huizen der koningen van Juda afgebroken wei den om bouwstoffen te leveren voor eene nieuwe verdedigingslinie achter den buitensten muur, die zooveel van de belegering geleden had, en hij daardoor in eene diepe neerslachtigheid dreigde te vervallen, toen kwam andermaal het woord des Heeren tot hem: âRoep tot mij, en ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken groote en vaste dingen, die gij niet weet.quot; (XXXIII, 1â5.)
Geen grooter troost is er denkbaar voor de beproefde ziel dan het gebed. Gods aangezicht moge voor u verborgen wezen. Het moge u toeschijnen alsof gij niet dan tastend den weg kunt vinden, waar Hij door donkere wolken aan uw oog onttrokken is. Gij kunt wellicht niet meer doen dan met bevende lippen de dingen herhalen, die God reeds lang bekend zijn, zoodat gij uw gebed moet eindigen met de woorden van Jeremia; âen zie
225
*5
220
Gij ziet het.quot; En toch moet gij aanhouden in het gebed en niet vertragen, denkende aan de woorden van den apostel: âlaat uwe begeerten in alles, door bidden en smeeken, met dankzegging bekend worden bij Godquot; dan zal de vrede Gods in uw gemoed nederdalen, en gij zult rust vinden voor uwe arme, vermoeide ziel.
2. Hij steunde op Gods Woord. â De ziel van den Profeet putte kracht uit het Goddelijke woord. âUwe woorden,quot; zoo roept hij uit, âheb ik gevonden; zij waren mij tot spijze, en zij verheugden mij het hart.quot;
Het schijnt somtijds hard en ongevoelig iemand, die in droefheid verkeert den raad te geven in zijnen bijbel te lezen, en toch bestaat er geen beteren. Want achter de woorden staat het Woord. In dien hof wandelt de Zoon des Menschen. In dien tabernakel schijnt de zon wier stralen leven en zegen verspreiden. Hoe menigmaal hebben de kinderen Gods hun toevlucht genomen tot den bijbel, en vonden daarin, evenals onze Zaligmaker toen de donkerste ure over hem aangebroken was, in een psalm of in een enkel hoofdstuk den balsem van Gilead, den boom des levens, wiens bladeren genezing aanbrengen.
3. Hij week niet af van zijn plicht. â âDies kocht ik het veld.quot; Het gebeurt gelukkig niet altijd, dat het goede, wat wij met de menschen beoogen, tegenstand, vijandschap en eene onaangename bejegening ontmoet, maar ai is dit het geval toch moeten wij het niet opgeven, niet versagen en ons niet terug trekken. Gods
In den grond, om te sterven.
zon gaat op voor de boozen zoowel als voor de goeden, en Zijn regen daalt evenzeer neder op het veld van den ondankbaren gierigaard, als op de akkers Zijner kinderen. De snijdende Oostenwind, die u de scherpe sneeuwvlokken vlak in het aangezicht jaagt, is niet zoo aangenaam, als het zachte, met bloemengeur beladen zomerkoeltje, dat u de slapen verfrischt; maar als gij het spoor kunt onderscheiden, dan moet gij het volgen. De minste afwijking hetzij naar rechts of naar links kan noodlottig wezen. En menigmaal als de eenzame ziel niets had geoogst dan miskenning en tegenstand, wanneer een kruis haar deel was geweest, en zij gevonnisd werd als een misdadiger, vond zij troost in het vooruitzicht van den rijken oogst van zegeningen, die het deel zou worden dergenen, die dezelve verworpen hadden; zooals de Pinksterzegen nederdaalde op de moordenaren van Christus.
Ziedaar de toevlucht der ziel in uren van angst en benauwdheid. Zij buigt zich ter aarde roepende; âVader, Abba Vaderquot; ; zij wacht op het woord der belofte, dat tot haar komt in engelengedaante; zij geeft zich zelf in den dood, overtuigd dat het leven haar wacht, en door haar tot anderen komen zal.
III. Gods vertroostingen.
Alle dalen hebben hunne bergen, alle diepten hunne hoogten, elke middernacht heeft zijn dageraad; elk Geth-semané zijn Olijfberg. Wij kunnen niets opofferen, hetzij voor God of voor de menschcn, zonder tot de ontdek-
227
In den grond, om te sterven.
king te komen, dat zoodra wij het offer gebracht hebben, God ons vergeldt gelijk Hij het door den Profeet beloofde : âVoor koper zal ik goud brengen, en voor ijzer zal ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor steenen ijzer.quot;
Wij geven ons zelf geenzins met de bedoeling om daarmeê ons voordeel te doen, maar als wij het doen van ganscher harte en zonder bijoogmerken dan zullen wij ervaren, dat Christus geen beslag legt op de boot of op den tijd van den visscher, zonder het schip terug te doen keeren tot zinkens toe beladen met visch.
En God bewaart deze vertroostingen niet voor een nieuwe wereld, waar licht en duisternis samensmelten! Wat zou het ons, kinderen van den tijd, lang vallen daarop te moeten wachten. Neen, reeds in het heden ervaren wij, dat er vergeldingen zijn. In het eerst zal het een mensch moeite kosten de cel te verlaten, waarin hij zoolang was opgesloten, dat hij het daglicht schuwde; het aanstaren van vreemde oogen zal hem kwellen, en liij zal terugdeinzen voor elke inspanning, die hem wacht; maar als hij zich aan zijn nieuwen toestand gewend heeft, als het vreemde in zijn omgeving hem niet meer hindert, zal hij dan niet dankbaar zijn voor de verandering? Het ons losmaken uit de banden van een zelfzuchtig bestaan moge in den beginne moeielijk vallen, de onverschilligheid onzer medemenschen hard zijn om te verdragen, doch hetgeen God daar voor in plaats heeft te geven overtreft alles wat de levendigste verbeelding, de stoutste verwachting zich voorstellen kan.
228
In den grond, om te sterven.
Dit ondervond ook Jeremia. Gods vertroostingen bleven niet uit God zelf werd zijn trooster, Hij droogde hem de tranen van de oogen, Hij vergunde hem een blik te slaan in de verre toekomst, wanneer zijn volk weder hun eigen land zou bebouwen. De profeet zag hoe de menschen weder velden kochten, en koopbrieven onderteekenden en verzegelden, gelijk hij gedaan had; hij hoorde de stem der vroolijkheid, en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stem der bruid ; de stem dergenen, die lof aanbrengen ten huize des Heeren; en wat meer zegt, hij ontving de verzekering van de komst van den Mensch, de spruit uit den stam van David die zou zitten op zijnen troon, (XXXII, XXXIII).
Ook was er vergoeding in het vertrouwen, dat Nebukadnézar hun betoonde, en in den steun, die het overschot zijns volks zocht in zijne bemiddeling, zooals wij weldra zullen zien. En zoo hij slechts geweten had van de duizenden en tienduizenden, die troost zouden vinden in het stilstaan bij zijn lijden, en door de verzekeringen zijner profetiën â een hemelsche teug uit den Gouden beker der Schrift â O dan zou hij gevoeld hebben, dat zijne verdrukking slecht licht was, en niet waard vergeleken te worden bij de uitnemende en eeuwige heerlijkheid, daardoor te weeg gebracht.
Dit zal het geval wezen met allen, die in de aarde vallen om te sterven. God zal ze niet vergeten noch begeven. Het graf moge donker en diep wezen, de winter lang, de vorst streng en doordringend, maar de lente
229
230
zal eenmaal komen en de steen weggerold worden; de gouden halmen zullen in den zonnenschijn wuiven, zwaar beladen met koren, en de menschen zullen zich voeden met het brood onzer ervaring en winste doen met onze tranen, met ons lijden en met onze gebeden.
HOOFDSTUK XIX.
DE VAL VAN JERUZALEM. (Jeremia XXXVIII.. XXXIX).
Gedurende de lange, donkere maanden der belegering was er in de overvolle stad misschien maar éene ziel, die zich in een ongestoorde vrede, in een onbeperkte vrijheid mocht verheugen, en dat was de ziel van Jeremia. Door een ij'zeren keten aan den muur van zijne gevangenis gekluisterd, overschreed hij in den geest de nauwe ruimte, die hem gesteld was, en leefde hij in de groote eeuw. die komen zou als Juda verlost en Jeruzalem zeker zou wonen, in de dagen van DEN HEER, ONZE GERECHTIGHEID. En te midden der kreten van aanvallers en verdedigers, onder het onafgebroken gebeuk der stormrammen daalde er in zijne ziel een innige vrede, de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, en waarvan degenen, die elkander verdrongen, en gejaagd heen en weer gingen tusschen de stad en het koninklijke paleis, geen flauw begrip hadden.
Dc val van Jci-uzalcm.
I. De verschrikkingen van het heley.
Met inbegrip van de korte tusschenruimte, veroorzaakt door de nadering van het Egyptische leger, duurde de belegering achttien maanden, en men kan zich moeielijk een denkbeeld vormen van de menschelijke ellende in zulk een betrekkelijk kort tijdsbestek doorleefd. Men wordt er eenigzins mee vertrouwd, als men de woorden leest, waarin Ezechiël al dit lijden voorspelde. Als in een spiegel zag hij de gebeurtenissen, die komen moesten. De ketel, gevuld met het uitgezochtste vleesch. hangende over een fel vuur tot dat het geheel verteerd was; het gezicht van een ijzeren pan, die zich als een ijzeren muur stelde om de stad, gelijk de legioenen der Chal-deën de belegerde veste zouden insluiten ; de maat tarwe en rogge, boonen en linzen, gierst en spelt, die eiken dag uitgedeeld werd, maar ter nauwernood toereikend was om in het onderhoud van den profeet te voorzien; de gerstenbrooden met koemest gebakken, die hoe terugstootend van smaak toch met graagte gegeten werden ; de maatregelen in alle stilte genomen om te ontsnappen ; de angstige vlucht door eene opening in den muur met bedekt gelaat en zwaar beladen schouders â ziedaar in enkele trekken, duidelijker dan met vele woorden, de vreeselijke ellende van dat ontzettende beleg geteekend. (Ez. IV.)
Verplaats u voor een oogenbiik in de overvolle stad, binnen wier muren de bewoners van het omligsrende
oo
land uren ver in den omtrek eene schuilplaats hadden
232
De val van Jeruzalem.
gezocht met zooveel van hun have en goed als zij hadden kunnen meevoeren en redden uit de handen der onmee-doogende troepen, die den omtrek onveilig maakten. Waar zwervende stammen zooals de Rechabieten zich genoodzaakt hadden gezien met de gewoonten van hun nomadenleven te breken, en veiligheid te zoeken binnen de beschermende muren eener stad, hoewel te eerdei* zullen de beangste landslieden, wier eenzame woningen tusschen de heuvelen verspreid lagen, zich gehaast hebben dit te doen. Die groote menigte van vluchtelingen droeg er niet weinig toe bij om de moeielijkheden van het beleg te vergrooten, want zij deed den voorraad levensmiddelen, dien men in het vooruitzicht eener omsingeling opgelegd had, snel verminderen ; vluchtelingen versperden de straten en pleinen, en beiemmerden de verdedigers der stad in hunne bewegingen.
De gebeurtenis, waarvan in het vorige hoofdstuk melding is gemaakt, namelijk het afbreken van een gedeelte van het koninklijke paleis, ten einde bouwstoffen te verkrijgen voor het oprichten van eene tweede versterkingslinie, is slechts een van de talrijke voorbeelden van de uiterste krachtsinspanning, door Zedekia en zijn volk aan den dag gelegd, in de hoop den meedoogenloozen naar bloed en wraak dorstenden vijand, die in dichte drommen op de stad aanliep, terug te slaan. Hier moest een aanval op den muur afgeslagen, daar eene poging om de stad door een loopgraaf te naderen, verijdeld worden; ginds begon een gedeelte der wallen, waar de stormrammen vrij spel hadden gehad, gevaarlijke scheu-
De val van Jeruzalem.
234
ren te vertoonen en moest men zich haasten de schade te herstellen. En onder dit alles moest men voortdurend op zijne hoede zijn om niet getroffen te worden door de steenen, die onophoudelijk uit de katapulten in de stad geworpen werden, terwijl overal het gevaar van brand dreigde tengevolge der vuurpijlen en andere brandbare voorwerpen, die als een gloeiende regen te midden der belegerden vielen, wien geen oogenblik van verade-ming gegund werd. Er werd eene voortdurende vergadering van oversten en aanzienlijken ten paleize gehouden, waarin men al het mogelijke beraamde om den vijand door list of geweld te keeren. Inmiddels raakte de voorraad levensmiddelen uitgeput, en begon de toevoer van water op onrustbarende wijze te verminderen; het ging er meê als met den kuil van Malehia, waarin niets overbleef dan slijk. Dit alles geschiedde bij den aanvang van het beleg; maar naarmate de tijd verliep, werd de toestand hoe langer hoe hachelijker. Het was alsof alle machten der hel samenspanden, om het afgrijselijke van den toestand te verergeren. De kostelijke zonen Zions, zoo menigmaal vergeleken bij fijn goud, lagen thans uitgestrekt in de schaduw der huizen, gelijk onnutte scherven, weggeworpen door de hand des pottenbakkers. De vrouwen verloren haar moederlijk gevoel en weigerden haar kinderen het voedsel, dat zij zelf niet konden ontberen. De tong der zuigelingen werd droog en kleefde aan het verhemelte, en hun verschroeide keeltjes konden geen geluid meer doorlaten. Kleine kinderen, die in andere tijden ieders medelijden opwekken, smeekten te
De val van Jeruzalem.
vergeefs om brood. Aanzienlijke vrouwen zochten in den afval der stad, waarmeê zij den nijpenden honger zouden kunnen stillen. De eersten des volks droegen geen spoor meer van het voorname uiterlijk, waardoor zij zich eertijds van de groote menigte onderscheidden, maar dwaalden als levende geraamten langs de straten. Het zwaard van den vijand daarbuiten maakte minder slachtoffers dan dat van den honger daarbinnen, en om de maat der ellende vol te maken aanschouwde men het vreeselijke schouwspel, dat vrouwen hare zuigelingen doodden, om zich met hun vleesch te voeden. Ten laatste openbaarde zich de pest in al hare verschrikkelijkheid, en de lucht werd vervuld met den afschuwelijken stank der doode lichamen, welke men geen tijd had om te begraven, en die de straten bedekten, gelijk de bladeren den grond in den herfst, zoodat diegenen, die ontkomen waren aan het zwaard van den vijand en aan dat van den honger, vielen als slachtoffers der pestilentie.
O Jeruzalem, gij die profeten steenigt, en vergiet rechtvaardig bloed, thans ondervindt gij hoe vreeselijk het is te vallen in de handen des levenden Gods. Geen menschelijke hand bracht deze bezoeking over u; niet aan menschen alleen hadt gij dit ontzettend lijden te wijten.
Gij o Heer hebt den profeet en den priester in uw heiligdom gedood; de jongen en de ouden doen vallen in de straten. Gij hebt ze in den dag Uws toorns gedood, Gij hebt ze geslacht en niet verschoond.
Intusschen ging de eene dag na den anderen voorbij en
235
De val van Jeruzalem.
bereikten Jeremia van alle zijden de treurmaren van hetgeen er in de stad geschiedde. Helaas hij was onmachtig om iets te doen tot verlichting der vreeselijke ellende. Het ging hem als den geneesheer, die gedwongen is lijdelijk toe te zien, waar eene ongeneeselijke kwaal een hem dierbaar leven sloopt,
II. Het dubbele lijden van den Profeet.
Behalve de ellende en het gevaar, die Jeremia met de overige inwoners der overbevolkte stad gemeen had, drukte hem nog eene bizondere smart. Naar het scheen richtte hij tot allen, die door den voorhof der bewaring gingen, dezelfde woorden, welke hij tot den koning gesproken had, hem aankondigende, dat een zeker omkomen door'het zwaard, den honger en de pestilentie het deel zou zijn dergenen, die in de stad bleven, terwijl er geen andere mogelijkheid bestond op levensbehoud dan in de overgave aan den koning van Babel. Hij liet geen gelegenheid voorbij gaan om te voorspellen, dat Jeruzalem zeker zou vallen in de hand van Nebukadnezar. Geen wonder, dat deze woorden, die van mond tot mond gingen eene groote verslagenheid in de stad veroorzaakten. Zij kwamen den lieden voor den geest, als zij hun werk deden op de wallen, en men besprak ze met elkander als men des nachts om de nachtvuren gelegerd de kansen van het beleg overwoog.
Het feit, dat de woorden van Jeremia zoo menigmaal gebleken waren openbaringen van Jehova zelf te zijn.
236
De val van Jernzaleïn.
zette eene buitengewone kracht bij aan de voorspellingen van den profeet.
Het is dus begrijpelijk, dat de vorsten, wetende hoeveel er aan gelegen was, dat het volk den moed niet zou verlieze.i, er op aandrongen, dat een rnan ter dood zou gebracht worden, die niet alleen een verslappenden invloed uitoefende op de inwoners der stad, maar de handen der krijgslieden, die Jeruzalem verdedigen moesten, verlamde. Liever dan hun voordeel te doen met de onwelkome boodschap wilden zij den trouwen boodschapper het zwijgen opleggen door hem van het leven te be-rooven.
De jonge koning was meer zwak dan slecht, een speelbal en een werktuig in de handen van het hof en van zijne grooten. Hij voldeed dus aan hun verzoek, zeggende: âZiet, hij is in uwe hand; want de koning zou geen ding tegen u vermogen.quot;
Zonder dralen werd Jeremia nu in een der diepe in den grond uitgehouwen regenputten, welke men in groote getale te Jeruzalem aantrof, geworpen. Ten gevolge van het gebrek aan water gedurende het beleg was er in den kuil niet anders dan een dikke laag slijk, waarin de profeet bijna geheel verzonk. De toestand was hachelijk, er scheen geen redding mogelijk. Maar neen, het leven van den getrouwen profeet zou niet eindigen in de afschuwelijke duisternis van dit vochtige graf, waaruit zijn hulpgeroep geen menschelijk oor bereiken kou. Ongedachte hulp was nabij. Een moorsche kamerling Ebed Melech genaamd â welke naam echter niet anders
237
Dc val van Jeruzalem.
beduidt als âde dienaar des koningsquot; gaf bij deze gelegenheid een bewijs van zijne gehechtheid aan de zaak van God. Eene lieflijke profetie van de wijze, waarop de heidenen die zouden ter harte nemen en bevorderen. Hij spoedde zich tot den koning, die nu zat in de poort van Benjamin om recht te spreken, en drong er op aan, dat Jeremia zoo spoedig mogelijk uit den modderigen kuil verlost, en van een wissen dood gered zou worden.
De zwakke Zedekia, steeds handelende onder den invloed van den laatsten indruk, was evenzeer geneigd het verzoek van zijn trouwen dienaar â waarschijnlijk de bewaker van zijn harem â in te willigen, als hij kort geleden bereid was geweest zijnen vorsten hun eisch toe te staan. Hij gaf den kamerling dus vergunning zich van een aantal gewapende mannen te doen vergezellen, ten einde eiken tegenstand te voorkomen en den Profeet uit diens onderaardsche gevangenis te bevrijden. Wij kunnen de kiesche wijze, waarop de edele Moorman zich van deze taak kweet, niet genoeg bewonderen. Het was hem niet voldoende den profeet uit den kuil te doen ophalen, maar hij liet tegelijk met de zeelen gescheurde lappen neder, in der haast in een der rommelkamers van het paleis bijeenverzameld, met de aanbeveling die zachte lompen op de zeelen te leggen, opdat men den man Gods zonder hem te bezeeren naar boven zou kunnen trekken.
Ziehier een daad van vrouwelijke teederheid, die een even lieflijken geur verspreidt als de nardus, uitgegoten over de voeten van den Heer. Het is niet genoeg hen.
De val van Jeruzalem.
die onzen bijstand behoeven, te dienen en te helpen, er hangt zoo oneindig veel af van de wijze, waarop onze hulp verleend wordt, en ons dienen moet zijn in den geest der Christelijke liefde en der Goddelijke zachtmoedigheid. Niet wat wij doen, maar de wijze waarop wij het doen doet ons ware karakter het meest aan het licht komen.
Menigeen zou zich met de zeelen naar de opening van den put heengespoed hebben, maar slechts zij, die bezield waren met den geest der liefde, zouden daarbij zulk eene teedere bezorgdheid als van den moorschen kamerling aan den dag gelegd hebben. Is het niet opmerkelijk en aandoenlijk tevens, dat terwijl er in Gods Woord zooveel onvermeld is gebleven, verscheiden regeis zijn gewijd aan de mededeeling van een oogenschijnlijk zoo onbeduidende omstandigheid; van den goeden raad aan den van allen verlaten profeet door zijn fijngevoeligen bevrijder in der haast gegeven : âEn zij trokken Jeremia bij de zeelen, en haalden hem op uit den kuil; en Jeremia bleef in het voorhof der bewaring.quot;
Van dat oogenblik tot aan den val der stad bleef de profeet veilig in hechtenis; slechts eenmaal werd de eentonigheid der dagen verbroken toen hij in het diepst geheim nogmaals bij den Koning, die hem andermaal wilde raadplegen, geroepen werd. Nog eenmaal en thans voor het laatst stonden deze twee mannen tegenover elkander â de Koning en de Profeet â zwakheid tegenover kracht â de een de vertegenwoordiger van den tanenden luister van het geslacht Davids, en de ander
239
De val van Jeruzalem.
van de onvergankelijke heerlijkheid van waarheid en gerechtigheid. Nogmaals vraagde Zedekia wat het eind zou wezen, en nogmaals ontving hij een antwoord, dat geheel in strijd scheen met het gezonde verstand â Ondergang en Dood als men in de stad bleef; Vrijheid en Leven als men zich aan den vijand overgaf.
De Koning antwoordde dan ook den Profeet, zeggende; âTot den vijand gaan? dat nooit! Zulk een daad zou het bloed der koningen, dat door mijne aderen vloeit onwaardig zijn. Ik zou mij blootstellen aan den hoon der Joden, en de Chaldeën zelf zouden mij in hunne hand geven om den spot met mij te drijven.quot;
Jeremia zeide daarop: âZij zullen u niet overgeven,quot; en daarop begon hij de zaak des konings te bepleiten alsof het zijn eigene was. âWees toch gehoorzaam aan de stem des Heeren, naar welke ik tot u spreek; zoo zal het u wel gaan, en uwe ziel zal leven.quot; En ten laatste schilderde hij met levendige kleuren het lot, dat den koning te wachten stond indien hij draalde totdat de stad in de hand van den overwinnaar zou gevallen zijn. In plaats van blootgesteld te wezen aan de bespotting van enkele overgeloopen Joden, zou hij den schimp en den smaad te verduren hebben van zijne eigen vrouwen en kinderen, die, alsdan zelf in de macht der overwinnaars, zich van de gunst huns nieuwen meesters zouden trachten te verzekeren door den gevallen vorst, in wiens voorspoed zij gedeeld hadden, te honen.
Deze raad door Jeremia gegeven brengt ons de woorden in herinnering tot vijfmaal toe bij verschillende
240
De val van Jeruzalem.
gelegenheden door den Heer gesproken , waar Hij zegt; dat degenen, die hun leven willen behouden hetzelve zullen verliezen, en die hun leven verliezen hetzelve zullen vinden en behouden. Niet in het ontzien van onze kracht, maar in het gebruik maken er van; niet in het begraven onzer talenten, maar in het woekeren er meê; niet in het bewaren van het zaad in de schuur, maar in het wegwerpen er van op den akker; niet in het volgen van eene aardsche, menschelijke gedragslijn, maar in het overgeven van ons zelf aan den wil van God â vinden wij het veilige en gezegende pad; den weg, die ten leven leidt. De man, die gelooft, oordeelt niet naar hetgeen hij ziet, noch naar hetgeen zijne zintuigen hem openbaren; hij gaat langs paden, die de wereld niet kent; hij handelt volgens ingevingen, die een gevolg zijn van zijn voortdurende gemeenschap met den geest, van welke ingevingen tot hem komen door het Woord van God. in overeenstemming zijn met de beste uitingen van het gezond verstand.
De zedelijke zwakheid, welke het ongeluk was van Zedekia openbaarde zich duidelijk in het verzoek aan den profeet gedaan, dat hij den vorsten niets van den inhoud hunner samenspreking zou meêdeelen, en dat hij, onder den schijn van hun alles te zeggen, de waarheid zou weten te verzwijgen. Het is moeielijk een oordeel uit te spreken over de wijze, waarop Jeremia al hetgeen hij met den koning gesproken had, wist te verbergen voor de nieuwsgierigheid der vorsten, die hem met vragen bestormden.
241
16
242 De val van Jeruzalem.
In zijne antwoorden vinden wij eenigen schijn van dubbelhartigheid, weinig bestaanbaar met het karakter van een profeet van Jehova. Wij moeten echter niet vergeten, dat de vorsten geen recht hadden om hem te ondervragen; en dat hij niet verplicht was hun de ge-heele waarheid te zeggen. Het is geenzins onze plicht elke onbeschaamde nieuwsgierigheid te voldoen, maar wij moeten er steeds naar trachten ondubbelzinnig te zijn in onze woorden en handelingen, en volkomen oprecht, als wij beweren de waarheid te zeggen aan degenen, welke het recht hebben, die van ons te vernemen. In de gegeven omstandigheden stelde Jeremia zich voor den koning in de bres, waarschijnlijk de laatste daad van toewijding en trouw voor het koninklijke huis, dat hij gedurende bijna veertig jaar met tranen en smeekingen van des zelfs ondergang had pogen te redden, en waarvoor hij zijn hartebloed had willen geven.
III. Het lot van de stad.
Eindelijk was er eene bres gekomen in de oude vestingwerken, en als de golven van eene opgezweepte zee stroomden de woeste krijgsbenden naar binnen, dood en verderf op hunnen weg verspreidend. De koningen der aarde en de inwoners der wereld zouden het nooit geloofd hebben, dat de tegenpartijder en de vijand de poorten van Jeruzalem zou ingaan; en toch geschiedde het. Toen vlood het verschrikte volk van de beneden-naar de bovenstad, hunne woningen prijs gevend aan de vernielzucht der plunderende soldaten.
De val van Jeruzalem.
Gelijk roofvogels op het doode aas in de woestijn, openbaarde zich de ellende in allerlei vorm in de rampzalige stad.
Wee over de mannen, die voor hun leven hadden gestreden ! maar duizendmaal wee over de vrouwen en de jonge dochters, over de kinderen en de zuigelingen! De oorlog is altijd verschrikkelijk, maar geen geschiedschrijver heeft het gewaagd den sluier op te lichten, en in onverholen woorden de gruwelen te beschrijven, gepleegd bij de plundering der stad door zulke krijgers als door Nebukadnezar en zijne legeroversten ten strijde werden gevoerd. De wolven in de wouden van Siberië kennen meer erbarming dan deze. En alle vorsten des konings van Babel togen henen, en hielden in bij de middelste poort, van waar zij hunne bevelen gaven om het behaalde voordeel onmiddelijk te vervolgen, en de vluchtende bevolking na te zetten in de bovenstad, waar men zich tot een laatsten, wanhopigen tegenstand voorbereidde.
Laat op den dag werd er eene ernstige beraadslaging gehouden in het oude paleis van David. Al het mogelijke moest gedaan worden om het koninklijke huis te redden âde adem onzer neuzen, de gezalfde des Heeren.quot; Er werd daarom besloten, dat, zoodra het duister zou geworden zijn, Zedekia en zijn harem zouden trachten te ontkomen door eene bres, die men maken zou in den muur aan de Zuidzijde der stad, van waar men onder een gewapend geleide verder kon trekken.
Aldus gebeurde letterlijk hetgeen Ezechiël voorspeld
243
De val van Jeruzalem.
had. âEn de vorst, die in het midden van hen is zal het gereedschap op den schouder dragen in het donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door den wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken.quot; (Ez. XII, 12.)
Eene lange rij vluchtelingen, beladen met alles wat men in der haast had kunnen redden, bewoog zich zwijgend door de tuinen des konings in de richting van den muur, en donkere schimmen gleden spookachtig in de duisternis voort tusschen de krijgsknechten door, die in ademlooze stilte op post stonden. Indien men slechts vóór het aanbreken van den dag de vlakte van Jericho bereiken kon, dan bestond er alle hoop aan de woede der vervolgers te zullen ontkomen. Maar dien ganschen nacht zullen Zedekia waarschijnlijk de woorden van den profeet in de ooren geklonken hebben. âGij zult niet ontkomen; maar gij zult vallen in de hand van den koning van Babel.quot; âWee dien, die met zijn Formeerder twist. Dat een potscherf twiste met aarden potscherven.quot;
Dit was niet de eerste keer en niet de laatste maal, dat de mensch meende te kunnen ontkomen aan de bedreigingen Gods.
Op de eene of andere wijze werden de Chaldeën in kennis gesteld van de voorgenomen vlucht des Konings. Het gansche heir maakte zich op om hem na te zetten. âOnze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden des hemels; zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd, de gezalfde des Heeren is gevangen in hunne groeven.quot;
244
De val van Jeruzalem.
Zoo klinkt de jammerklacht van Jeremia, en Ezechiël doet ons een nog dieper blik slaan in de gebeurtenissen van dien vreeselijken en gedenkwaardigen nacht. âIk zal ook mijn net over hem uitspreiden, dat hij in mijn jachtgaren gegrepen worde; en alien die rondom hem zijn tot zijne hulp, en al zijne benden zal Ik in alle winden verstrooien.quot; (Klaagl. IV, 19, 20; Ez. XII, 13, 14.)
Wat den volgenden morgen in Jeruzalem, en hetgeen eene maand later gebeurde, geschiedde toen de bovenstad eveneens in de handen der belegeraars viel, vonden wij opgeteekend in het Boek der Klaagliederen. In de straten en in de huizen lagen de lijken opgehoopt dergenen, die na de gruwelijkste mishandelingen ondergaan te hebben, door het zwaard gevallen waren; maar zij, die omkwamen waren nog gelukkig te prijzen in vergelijking dergenen, die in ballingschap weggevoerd, als slaven verkocht, en aan een leven erger dan de dood prijs gegeven werden. Daarop barstte de woede los over de gebouwen der stad. De Tempel en de paleizen, de openbare gebouwen en de woningen der burgers werden een prooi der vlammen. Waar eens de heerlijke, heilige stad gestaan had, zag men thans niets meer dan zwart geblakerde puinhoopen, en het was den Profeet alsof hij den geest der verwoeste plaats hoorde weeklagen.
âGaat het ulieden niet aan, gij allen die over den weg gaat ? Schouwt het aan en ziet of er eene smart zij gelijk mijne smart, die mij aangedaan is, waarmede de Heer mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns!quot;
245
Dc val van Jeruzalem.
âAllen, die over den weg gaan, klappen de handen over u ; zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: âIs dit die stad waarvan men zeide, dat zij volkomen van schoonheid was, eene vreugde der gansche aarde? Al uwe vijanden sperren hunnen mond op over u; zij fluiten en knersen met de tanden; zij zeggen: Wij hebben ze verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben; wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien. De Heer heeft gedaan wat Hij gedacht had; Hij heeft zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard en Hij heeft den vijand over u verblijd; Hij heeft den hoorn uwer tegenpartijders verhoogd. Om des bergs Zions wil, die verwoest is, waar de vossen op loopen.quot; (Klaagl. II, 15, 16, 17. V, 18.)
Wat Zedekia betrof, hij werd achterhaald en naar Ribla gevoerd, waar Nebukadnezar, die waarschijnlijk den spoedigen val der stad tegemoet had gezien, zich op dat oogenblik bevond. Met barbaarsche wreedheid doodde de overweldiger de zonen van Zedekia voor diens oogen, zoodat hun doodsangst het laatste tooneel was, dat hij aanschouwde benevens de slachting van al de edelen des lands. En toen als genadeslag stak, waarschijnlijk met eigen hand, Nebukadnezar den ongeluk-kigen koning dc oogen uit.
Die lange rij gevangenen op weg naar de plaats huaner bestemming in het verre land, ziedaar een tafree! het penseel eens kunstenaars waardig. Men heeft het vergeleken met den droeven tocht der ballingen, die voort-
246
De val van Jeruzalem.
durend van uit Rusland door de steppen van Midden-Azië naar de woeste vlakten van Oost-Siberië gevoerd worden. Zwakke vrouwen en kleine kinderen, genoodzaakt dag en nacht door te reizen zonder rekening te houden met vermoeidheid of ziekte ; priesters en profeten meêgesleurd in de ellende, die zij hadden helpen bevorderen; rijken en armen aan elkander gekluisterd, en door de speer of de zweep tot voortgaan gedwongen. Dooide vlakte van den Jordaan, langs Damascus en toen dertig dagen door de ongastvrije wildernis, hetzelfde pad gaande, dat bij den aanvang der Geschiedenis betreden was door Abraham hun grooten voorvader, den vriend van God â en die bange tocht onder het handgeklap der omwonende volken. De bitterste herinnering, die men in latei-jaren van deze dagen overhield, knoopte zich vast aan de blijdschap der Edomieten over den val der stad.
âGedenk Heer,quot; zoo roept de psalmist, âaan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem ;quot; ja zelfs de evangelist-profeet laat zich zoo zeer vervoeren, dat hij de verwachting uitspreekt den Goddelijken Overwinnaar te zien komen wadende in stroomen Idumeesch bloed.
Aldus gaf God den koning en zijn volk in de hand der Chaldeën, die de jongelieden doodden in het heiligdom, en geen medelijden kenden met kinderen noch vrouwen, met jongen noch ouden. God gaf die allen in hunne hand. En al de vaten van het huis Gods, en al de schatten van het huis des Heeren, en al de kostelijkheden der koningen van Juda, deze alle werden naar Babel gebracht. En zij verbrandden het huis van God,
247
248 De val van Jeruzalem.
en de huizen der stad staken zij aan met vuur en zij vernielden de kostbaarheden. En degenen, die aan het zwaard ontkomen waren, werden naar Babel gevoerd, en zij dienden hem en zijne zonen.
Lang vóór dien tijd, in het vierde jaar van de regeering van Jojakim, toen zijn vriend en Secretaris Baruch zich beklaagde over de beproevingen, die zijn deel waren, omdat hij de bevelen van Jehova volvoerde, had Jeremia hem de verzekering gegeven, dat zijn leven gespaard zou blijven ten dage der algemeene verwoesting. âZoo zegt de Heer; zie wat ik gebouwd heb breek ik af; en wat ik geplant heb ruk ik uit, zelfs dit gansche land. En zoudt gij u groote dingen zoeken? Zoek ze niet; want zie, Ik breng een kwaad over alle vleesch, spreekt de Heer; maar Ik zal u uwe ziel tot een buit geven, in alle plaatsen waar gij zult henen trekken.quot; Gelijk Noach gered werd uit de wateren van den zondvloed, en Lot van de verwoesting van Sodom, en de eerste Christenen door hunne vlucht naar Pella van de verschrikkingen van den laatsten val van Jeruzalem, zoo ontkwam de trouwe Baruch ongedeerd aan deze vreeselijke tooneelen. âEn de man aan wiens lenden de inktkoker was op dien was een teeken, en de mannen, die zwaarden droegen lieten hem gaan.quot; (XLV.; Ez. IX.)
HOOFDSTUK XX.
EEN BEWOLKTE ZONSONDERGANG. (Jereraia XLâXLIV.)
Indien de laatste verzen der profetiën van Jeremia van zijn eigen hand zijn, dan heeft de man Gods nog twintig jaar na den val van Jeruzalem geleefd; maar ook deze dragen de sporen van dezelfde diepe smart, waardoor de veertig jaren van zijn openbaar optreden zich kenmerkten. Wat zijn openbaar leven betreft, zoo schijnt het alsof met uitzondering van onzen Goddelijken Heer niemand zulk een droevig lot, zulk een onafgebroken smart ten deel is gevallen als aan dezen man Gods. Dit was zoozeer de meening van de joodsche Schriftuitleggers van de profetie van Jesaja, dat zij de woorden van het drie en vijftigste hoofdstuk, waar gesproken wordt van den Man van smarten, die geplaagd was en geslagen en verdrukt, en die stom was voor het aangezicht zijns scheerders, op hem toepasten. Het spreekt van zelf, dat
Ecu bewolkte zonsondergang.
wij bij het licht van Golgotha in deze onvergelijkelijke woorden een oneindig dieper beteekenis zien, maar desniettegenstaande zijn zij tot op zekere hoogte op Jere-mia van toepassing.
Men zou zijne smart drieledig kunnen noemen; zijne droefheid over den val van Jeruzalem, waaraan hij uiting gaf in het boek der klaagliederen ; zijne droefheid over den moord van Gedalia en de vlucht naar Egypte, en zijne droefheid over de gevangenen te Babel. Maar te midden dezer bittere ervaringen droogde de bron van hoop en berusting nooit geheel voor hem op. Benauwd van alle zijden, maar niet vervaard; ontmoedigd, maar niet wanhopend ; vervolgd, maar niet verlaten ; ter aarde geworpen, maar niet vernietigd; voortdurend overgegeven in den dood, maar ten volle verzekerd zijnde, dat de Heer hem nooit zou loslaten ; en dat Hij, niettegenstaande de kastijding, medelijden zou hebben naar de grootheid Zijner barmhartigheid.
I. Be verlaten stad.
In welk een droevig licht stelt het boek der Klaagliederen ons het veroverde land voor, nadat Nebekadné-zar het werk der verwoesting voltooid had, en de lange rijen van gevangenen reeds ver op weg waren naar Babel. Wij weten niet hoe groot hun aantal was. Waarschijnlijk bedroeg het verscheidene duizenden, grooten-deels uit de rijkste en aanzienlijkste inwoners des lands bestaande. Slechts de armen had men achter gelaten om
25°
Een bewolkte zonsondergang.
den grond te bebouwen, opdat het land niet in eene volslagen woestenij zou verkeeren. Maar het was eene zeer schaarsche bevolking â slechts enkele gezinnen van landbouwers op plaats en eertijds door duizenden bewoond.
âHoe zit die stad zoo eenzaam, die vol volks was! Zij is als eene weduwe geworden. Zij weent steeds des nachts, en hare tranen loopen over hare kinnebakken.'' Het heilige vuur was gedoofd op hare altaren ; pelgrims richtten hunne schreden niet langer naar Jeruzalem om de hooge feesten bij te wonen ; hare poorten waren in de aarde verzonken en de woningen waren onmeedoogen-loos door het vuur vernield. Och, hoe menigmaal zal Jjeremia treurend langs deze zwarte puinhoopen zijn gegaan. Daar was de plaats van het altaar; hier van het heiligdom. Ginder had het paleis van David gestaan; een weinig verder het prachtige gebouw, dat Jojakim voor zich zelf had laten oprichter, met zijne brcede vensters en kostbare versieringen; aan een anderen kant het voorhof der bewaring, waar men hem zoo lang gevangen gehouden had; en eindelijk de plek, waar hij zoo menigmaal gestaan had om het volk van wege zijne zonden te bestraffen. En midden van dit alles bleef de natuur onveranderd en vervolgden de jaargetijden, de weken en maanden, de dagen en nachten hun gewonen loop. De oude bergen, die daar gestaan hadden in de dagen van David en van Hiskia werden nog altijd beschenen door het morgenrood, en nog steeds hulden hunne toppen zich in de grauwe nevelen van den nacht. De zon ging nog altijd op boven den Olijfberg en zonk nog steeds weg
251
252 Een bewolkte zonsondergang.
in de westelijke zee. Het uitgestrekte landschap van heuvelen en dalen, waardoor de stad als eene golvende zee was omringd, bood nog hetzelfde schoone, indrukwekkende vergezicht; want Zion was altijd beroemd geweest om de schoonheid harer ligging. Maar op de plaats, waar de dochter Zions woonde was de stilte des doods neêrgedaald, eene angstwekkende stilte, die slechts verbroken werd door het gehuil der roofdieren en der wilde honden. Geen woorden kunnen uitdrukken wat Jeremia onder dit alles moet gevoeld hebben, hij, die zijn land zoo vurig liefhad. Hij zal meer geleden hebben dan eenig ander patriot van vroeger of later tijd, omdat de liefde voor zijn volk en zijn godsdienstig leven zoo nauw met elkander verbonden waren. Wel had hij de woorden van Hem, die in later jaren op dezelfde plek stond, en zijne oogen over de vlakte liet gaan tot de zijne kunnen maken. âJeruzalem, Jeruzalem! gij die de profeten doodt, en steenigt, die tot u gezonden zijn! Hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild! Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten !quot; (Luk. 13 : 34, 35.)
II. Be moord van Geclalia.
Nebukadnezar en zijne legerhoofden schijnen zeer goed op de hoogte geweest te zijn van den stand der partijen tijdens het beleg van Jeruzalem, en het gevolg was, dat de Koning aan zijne officieren bepaalde bevelen gaf
Een bewolkte zonsondergang.
betreffende de veiligheid van Jeremia. Toen de bovenstad genomen was, bracht men hem uit den voorhof der bewaring, en werd hij met de andere gevangenen geboeid weggevoerd naar Rama, eene plaats ongeveer vijf mijlen ten noorden van Jeruzalem.
Opmerkelijk zijn de woorden door den overste dei-trawanten bij die gelegenheid tot Jeremia gesproken, waar deze de vergeldende gerechtigheid van Jehova erkende â een der talrijke bewijzen, dat vele heidenen zich ten opzichte van hun godsdienstzin gunstig van menigen belijder onderscheiden. âDe Heer uw God heeft dit kwaad over deze plaats gesproken, en de Heer heeft het doen komen en gedaan, gelijk als Hij gesproken had; want gijlieden hebt gezondigd tegen den Heer, en Zijner stem niet gehoorzaamd; daarom is ulieden deze zaak geschied.quot; Daarna werden hem de ketenen losgemaakt van zijne geboeide handen, en hem de vrijheid gelaten om met de overigen naar Babel te trekken of in het land te blijven en zich te vestigen, waar hij wilde. En toen Jeremia niet recht scheen te weten, waarheen hij zich zou begeven, raadde het Chaldeeuwsche legerhoofd hem aan zich bij Gedalia te voegen, om diens handen te sterken, en hem met zijn raad bij te staan, in de moeielijke taak, die den zoon van Ahikam op de schouders was gelegd. In plaats van dus een rustig, onbezorgd leven te gaan lijden betrad de profeet andermaal het moeielijke pad van zijn plicht.
Gedalia was de kleinzoon van Safan, den schrijver van koning Josia, en de zoon van Ahikam, dezelfde, die des-
253
Een bewolkte zonsondergang.
tijds naar de profetes Hulda gezonden was om haar te raadplegen over het pas gevonden boek der wet. Bij eene vroegere gelegenheid was Jeremia door Ahikam tegen de woede der grooten beschermd geworden. Blijkbaar was het gansche geslacht met de sterke banden eener oprechte vriendschap aan den man Gods gehecht, doordrongen van denzelfden geest, en bezield met dezelfde gevoelens. Gedalia had zich steeds aan deze beginselen gehouden, en in de schatting van Nebukadnézar was hij daarom de meest geschikte persoon aan wien men de teugels van het bestuur kon toevertrouwen, en die in staat zou zijn eenig gezag over het verstrooide overschot des volks uit te oefenen. Jeremia begaf zich dus tot hem, rijk begiftigd met reiskosten en andere blijken van waardeering, hem door den overwinnaar .geschonken.
Gedurende een korten tijd ging alles goed. De nieuwe landvoogd koos zijn verblijf te Mizpa, eene oude sterkte, drie honderd jaar te voren door Asa gebouwd om de invallen van Baësa tegen te houden. De stad was op eene rotsachtige hoogte gelegen, eene diepe put voorzag in de behoefte aan water. Eene bezetting van Chaldeeuw-sche soldaten gaf aan het bestuur van Gedalia een zeker vertoon van aanzien en macht. De verstrooide Joden begonnen Mizpa eenigszins als een middenpunt en toevluchtsoord te beschouwen. De aanvoerders van plunderende benden, die zich nog steeds tegen den overwinnaar hadden verzet, haastten zich thans om zich aar. den vertegenwoordiger der oude dynastie te onderwerpen, en de Joden, die de vlucht hadden genomen naar Moab,
254
Eei: bewolkte zonsondergang.
Edom en andere naburige staten keerden terug in het land van Juda tot Gedalia te Mizpa.
Wat zal het Jeremia verheugd hebben hier weder eene kern van orde en vastigheid te zien ontstaan, waardoor een einde scheen te zullen komen aan verstrooiing en wanorde, en hoe zal hij al zijn invloed aangewend hebben om het pas gevestigde gezag van Gedalia te steunen. Maar, helaas, de schoone droom werd spoedig en wreed verstoord door den verraderlijken moord van den landvoogd â die uitstekend voor zijne moeielijke taak berekend scheen te wezen â door Ismael den zoon van Nethanja. Te midden van een feest, door den niets kwaads vermoedenden Gedalia gegeven, werd hij, benevens al de Joden, die bij hem waren en de gansche Chaldeeuwsche bezetting, door het zwaard gedood. Den dag na deze gruweldaad brachten de moordenaars, wier handen nog rood waren van bloed, zeventig pelgrims om het leven, die op weg waren om te treuren op de puinhoopen van Jeruzalem, en hunne gaven te leggen op de plaats waar het verwoeste altaar had gestaan.
De diepe put op den burcht werd gevuld met de lijken der gedoode slachtoffers, en daarna voerde Ismael het gansche overschot des volks, dat te Mizpa was, en des konings dochters naar het hof van den koning der kinderen Amnions, zijn medeplichtige in deze zaak.
Eene bittere teleurstelling voorwaar, welke niemand pijnlijker trof dan Jeremia, die in de mislukking van deze laatste poging, om zich rustig in den bestaanden toestand te schikken, een overtuigend bewijs zag van
Een bewolkte zonsondergang.
den onverzoenlijker! afkeer zijns volks tegen de heerschappij des konings van Babyion. En deze overheer-sching, dat wist hij, zou toch zeventig jaar moeten duren.
Ook scheen het arme volk voor goed den moed verloren te hebben; want hoewel het Johanan en anderen aanvoerders der zwervende benden gelukte Ismael in te halen, en al de gevangenen en de vrouwen en kinderen, die hij met zich voerde, uit zijne hand te redden, zoo had niemand den moed naar Mizpa terug te keeren, en als schapen zonder herder, aan alle kanten benauwd, vervolgd en in de engte gedreven, besloten zij hun land te verlaten en zuidwaarts te trekken in de hoop een toevlucht te vinden in Egypte, met welk land men in den laatsten tijd in zulk eene nauwe betrekking had gestaan.
Zij voerden Jeremia met zich mede. Men had vertrouwen in zijne gebeden en in zijn woord; sedert het gebleken was, dat zijne voorspellingen zoo menigmaal bewaarheid werden. Men wist, dat hij goed aangeschreven stond bij den koning van Babel. En daarom beschouwde men hem als een steun en een voorspraak ; de edele vertegenwoordiger van de beste verwachtingen en overleveringen des volks; de man in wien men tegelijker tijd den wijze, den staatsman en den profeet huldigde.
Toen men te Chimham gekomen was, eene plaats bekend in de geschiedenis van David, en gelegen op de grens van Palestina en Egypte, werd er eene ernstige beraadslaging gehouden over de vraag of men verder trekken of terug keeren zou. Men wendde zich in deze
256
Een bewolkte zonsondergang.
moeielijkheid tot Jeremia, opdat hij God bidden zou het volk den weg bekend te maken, dien het gaan zou, en de zaak, die het doen moest, zeggende: âdat ons de Heer uw God bekend make den weg, dien wij zullen gaan.quot;
Maar hoewel men aldus geneigd scheen zich geheel door de stem van Jehova te laten leiden, toch was het den vragers geen volkomen ernst met hun verzoek, want terwijl zij voorgaven, dat het hem alleen te doen was om Gods wil te leeren kennen, waren zij in hun hart reeds besloten naar Egypte te trekken.
Tien dagen lang bleef Jeremia aanhouden in het gebed. Toen geschiedde het woord des Heeren tot hem, en hij riep al het volk op om te hooren naar hetgeen hij te zeggen had. Sprekende in den naam des Almachtigen zeide hij: âIndien gijlieden in dit land wilt blijven wonen zoo zal ik U bouwen en niet afbreken, en U planten en niet uitrukken. Vreest niet voor het aangezicht des konings van Babel, want Ik zal met U zijn om U te behouden, en uit zijne hand te redden.quot;
Zoo zij daarentegen bleven volharden bij hun voornemen om naar Egypteland te gaan, in de hoop daar geen krijg te zullen zien, noch het geluid der bazuin te hooren, noch naar brood te zullen hongeren, dan zouden zij door het zwaard, en den honger en de pestilentie achterhaald worden en er als vreemdelingen sterven. Zij zouden aldaar tot eene vervloeking en tot eene ontzetting, en tot een vloek en tot eene smaadheid wezen, en het land hunner geboorte nooit meer terugzien. Terwijl hij
257
17
Een bewo/kte zonsonderga7ig.
sprak scheen hij echter tot de treurige ontdekking te komen, dat het plan om naar Egypte te trekken gedurende de dagen zijner afzondering meer en meer veld gewonnen had, zoodat zijne woorden niet meer bij machte zouden zijn den sterken stroom te keeren.
Dit bleek dan ook inderdaad het geval te wezen. Toen hij geëindigd had te spreken de woorden met welke God hem tot het volk gezonden had, beschuldigden de aanvoerders hem, dat hij leugen sprak, en eene verkeerde uitlegging gaf aan Gods openbaringen. Hem zelf niet rechtstreeks van verraad willende betichten beweerden zij, dat Baruch, die nog steeds zijn trouwe vriend en metgezel was hem tegen hen ophitste en hem trachtte over te halen naar Kanaiin terug te keeren ten einde hen aldaar aan de Chaldeën over te geven, die hen zouden dooden of gevankelijk naar Babel wegvoeren.
Het gevolg was, dat men verder trok naar Egypte, naar Tachpanhes, eene plaats tien mijlen over de grenzen.
Deze hardnekkige onverzettelijkheid, waardoor men niet naar zijne woorden wilde hooren, doof bleef voor zijne smeekingen, en in zijne beste bedoeling verraad meende te zien, was zeker de laatste droppel, die den bitteren beker deed overvloeien. Hoe hard moet het geweest zijn voor den man, die gedurende de veertig jaren van zijn openbaar optreden, zijne beste krachten gegeven had om zijn volk te raden en getrouw te doen blijven in het eenvoudige en vaste geloof aan den God hunner vaderen, aldus miskend en kwalijk geoordeeld te worden.
258
Een bewolkte zonsondergang.
III. Egypte.
Maar nog steeds moest hij zijne stem tegen de handelwijze des volks blijven verheffen. Nauwelijks had men zich in de nieuwe woonplaats gevestigd of hem werd gelast twee groote steenen te nemen, en die te verbergen in de klei, die gebruikt werd bij eenig metselwerk, dat aan den ingang van Farao's paleis te Tachpanhes gebouwd werd. âOp deze steenen,quot; zoo sprak hij, âzal de koning van Babel zijn troon zetten, en daarboven zijn schoone tent uitspannen. Hij zal komen en Egypteland slaan, en een vuur aansteken in de huizen der goden, en zich met den buit van het land verrijken met even weinig moeite als waarmee een herder zijn kleed aantrekt. De zuil van Heliopolis zal hij eveneens verbranden. Door hierheen te gaan zijt gij den gevreesden vijand niet ontkomen, maar hebt gij U zelf rechtstreeks in zijne armen geworpen.quot;
Na deze gebeurtenis moeten er eenige jaren voorbij zijn gegaan, waarvan ons niets ter oore is gekomen, en gedurende welken tijd de groote koning werd beziggehouden met het beleg van Tyrus, en hij dus buiten staat was iets tegen Farao te ondernemen.
Langzamerhand hadden de Joden zich over eene groote uitgestrektheid van het land verspreid, zoodat er zoowel ia Boven als Beneden Egypte weldra Israëlietische nederzettingen gevonden werden, waar de gebruiken en de afgoderijen van het omringende land maar al te spoedig burgerrecht verkregen.
259
Een bnoolkte zonsondergang.
Niettegenstaande de bittere ervaring, die zij opgedaan hadden ten gevolge van het dienen der afgoden zoo brandden de uitgeweken Joden opnieuw wierook voor de Goden van Egypte, en bedreven zij andermaal de zelfde gruwelen, die zooveel rampen en ellende over hun land en hun volk gebracht hadden. Gebruik makende van eene groote volksverzameling ter gelegenheid van een feest ter eere der valsche Goden waarschuwde Jeremia hen nogmaals voor het onvermijdelijk lot, dat hen in Egypteland treffen zou, gelijk het hen in Jeruzalem getroffen had. âZiet,quot; zoo waarschuwde de getrouwe profeet, âGod zal Zijne grimmigheid uitstorten over degenen, die in Egypteland wonen, gelijk hij zijne grimmigheid uitgestort heeft over de inwoners van Jeruzalem, en Hij zal ze straffen door het zwaard, en door den hongeren door de pestilentie, zoodat geen der overgeblevenen uit Juda, die naar Egypteland togen om aldaar te wonen, zullen ontkomen, noch aldaar zullen verblijven, noch naar het land van Juda terug zullen keeren.quot;
Een heftig tooneel was het gevolg van deze woorden. De verontwaardigde Joden verklaarden, dat zij voort zouden gaan met wierook branden voor de goden des hemels, zooals zij reeds in de straten van Jeruzalem gedaan hadden. Ja, in hunne verbittering gingen zij zoover van de rampen, die hen getroffen hadden, daaraan toe te schrijven, dat zij gedurende eenigen tijd met die gewoonte gebroken hadden. Jeremia daarentegen, thans een oud man met witte haren en een gelaat, waarin de smart diepe vorens geploegd had, aarzelde niet in den
200
Een bewolkte zonsondergang.
naam van den God, dien hij met zooveel getrouwheid diende, met den meesten nadruk te verklaren, dat de ellende, welke over het volk gekomen was, niet toegeschreven moest worden aan het ophouden van den afgodendienst, maar juist aan het volgen van vreemde goden. Van wege, dat gij gerookt hebt. en dat gij tegen den Heer gezondigd hebt, en in zijne wet, en in zijne inzettingen, en in zijne getuigenissen niet hebt gewandeld, daarom is U dit kwaad wedervaren, gelijk het is te dezen dage.quot; En daar op ging hij voort met den inval van Nebukadnezar in Egypte te voorspellen, die geschiedde in het jaar 568 vóór Christus met dit gevolg, zoo lezen wij bij Josephus, dat al de overgebleven Joden, die ten spijt van Jeremiads waarschuwingen eene schuilplaats in Egypte hadden gezocht, gevankelijk naar Babel weggevoerd werden. Aldus werd bewaarheid, dat Gods woord blijft bestaan tot in eeuwigheid, maar de raad der boo-zen moet vergaan.
Onder al deze droeve en smartelijke ervaringen was de ziel van Jeremia tot rust gekomen gelijk een gespeend kind.
Wanneer hij zeide, dat zijne kracht verminderde, dan was zijne verwachting van den Heer. Wanneer hij dacht aan de smart en de bitterheid, die zijn deel waren geweest, dan herinnerde hij zich het vast verbond en daarop bouwde hij zijne hoop. De Heer was zijn deel, en hij wachtte en betrouwde op de verlossing zijns Gods. Hij wist, dat God hem niet eeuwiglijk zou verwerpen; maar dat de Heer, al bedroefde Hij hem, toch mededoogen
261
Een bewolkte zonsondergang.
met zijn dienstknecht zou hebben naar de grootheid Zijner barmhartigheid. Hij wist, dat zijn Verlosser leefde, die zich zijne zaak had aangetrokken, en hem over zijne vijanden zou doen zegevieren. Zijn blik reikte verder dan het heden, en hij zag hoe het einde der gevangenschap daar was; aanschouwde den terugkeer van zijn volk; de weder opbouwing der stad; het heilige en gezegende leven harer inwoners; de luisterrijke regeering van de Spruit uit Davids stam; het nieuwe Verbond, waarvoor het oude zou moeten wijken. En daarom verkeerde hij nooit in volslagen duisternis, maar zijne heilige en getrouwe ziel aanschouwde in de verte de schemering der eerste stralen van de opgaande zon der Gerechtigheid. De Trooster zal ook tot hem gekomen zijn. God, die zich neerbuigt tot de verslagenen van hart, zal ook balsem en vrede in zijn gewond gemoed gestort hebben. Zco oud als de wereld is heeft Hij Zijne dienaren nimmer aan zich zelf overgelaten in eene angstige, troostelooze droefenis. Voor de oprechten rijst altijd het licht uit de duisternis. De donkerste ure, die ooit aanbrak voor den zoon des menschen eindigde, met het woord des vertrouwens; âVader in uwe handen beveel ik mijnen Geest.
En nu; mochten deze bladzijden in handen komen van dezulken, wier leven was gelijk dat van Jeremia, vol van wolken en donkerheid, slechts zelden beschenen door het vriendelijke licht der zon ; in handen derzulken, wier voet den lijdensweg heeft betreden, en die gewandeld hebben in het dal der schaduwen, och, laten zij het toch
202
Een bewolkte zonsondergang.
beseffen, dat niets zoozeer de innige gemeenschap met den Geest Gods bevordert; en dat de ontfermer zich ïot niemand zoo liefderijk nederbuigt als tot degenen, die verbrijzeld zijn door droefheid en smart. Slechts wanneer wij ons zelf verliezen en sterven, eerst dan zullen wij het leven vinden en beginnen veel vrucht te dragen. Gij moet niet trachten naar berusting. Gij moet willen berusten. Onderwerp U aan Gods machtige hand. Kunt gij niets anders zeggen, stamel dan onder tranen en snikken bij dag en bij nacht. âVader niet mijn wil, maar uw wil geschiedde.quot; Twijfel nooit aan Gods liefde. Veronderstel geen enkel oogenblik, dat Hij u vergeten of verlaten heeft. Luister nooit naar booze inblazingen, als hadt gij den oogst, dien gij moet inbrengen tot minder duren prijs kunnen verkrijgen. God is volmaakt, en dientengevolge zijn zijne handelingen met u ook volmaakt, de wegen, waarlangs Hij u leidt, de beste.
De Heilige Schrift bericht ons niets aangaande den dood van Jeremia. Of hij, zooals de christelijke overlevering zegt, in Egypte gesteenigd is, of dat hij kalm ontsliep in het rustige ziekenvertrek omringd door de teedere zorgen van zijn trouwen Baruch â wij weten het niet. De Bijbel staat betrekkelijk slechts kort stil bij sterven en heengaan om den dood van dien Eenen, wiens sterven den Dood overwon, des te sterker te doen uitkomen, en daar des te langer bij te vertoeven. Op het leven en het werk Zijner dienaren komt het in de eerste plaats aan, waar het Godswerk betreft. Hetgeen zij zeiden, deden, leden, heeft meer waarde voor Hem dan de
263
Een bewolkte zonsondergang.
wijze waarop zij op Zijn bevel het leven verlieten. Het komt er oneindig meer op aan hoe een mensch geleefd heeft, dan hoe hij gestorven is. Al is het bericht daarvan niet tot ons gekomen toch weten wij, dat het einde in volmaakte overeenstemming zal geweest zijn met het gansche leven.
Och hoe goed zal het den profeet geweest zijn de oogen te sluiten voor de ellende, die de zonde over het uitverkoren volk gebracht had, om ze weder te openen in het Land, waar zonde, dood noch strijd gekend wordt, maar waar de volmaakte vrede woont.
Welk een glans van blijdschap en verrukking zal er over dat vermoeide gelaat gekomen zijn, de laatste, blijde naglans der ziel, toen zij aan het lichaam des verderfs, afgetobd en uitgeput van den langen strijd, ontvlood en haar door God zelf het âwel gij goede en getrouwe!quot; toegeroepen werd.
Men heeft de nagedachtenis van den profeet in groote eere gehouden. Het was het volk na deszelfs herstelling alsof zijn trouwe geest nog altijd over hunne belangen waakte. De gedachte, dat de man God hem ter hulp gekomen was sterkte Judas Maccabaeus in den strijd.
Men geloofde, dat hij nog steeds voortging als bemiddelaar op te treden, hetgeen hij hier beneden tot het eind toe gedaan had, en in de dagen, die aan de tweede belegering van Jeruzalem voorafgingen, hield men het er voor, dat hij weder verschenen was in de gedaante van den Zoon des Menschen.
204
Doon de Veneeniging âBibliotheek voor Zondagschool en Huisgezinquot;
is mede uitgegeven bij
F. W. EGELING te Amsterdam:
F. B. MEIJER
â E L I A -
OF
HET GEHEIM ZIJNER KRACHT.
Naar het Engelsch door h. 1y. s.
/1.60; in linnen band /quot;2.â.
ANNIE LUCAS
STAD EN BURCHT.
Een verhaal uit den tijd der Hervorming in Zwitserland.
2 dln /4.â ; in 2 linnen banden /4.90.
EMMA MARSHALL
DAGERAAD.
Eene geschiedenis uit den voorlijd der Hervorming,,
/2.â; in linnen band /2.50.
A. L. O. E.
Hebreeuwsche Helden.
Een verhaal uit den tijd der Maccabeën. /1.90; in linnen band /quot;2.40.