ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

pu ' VA 1«

DE JONGSTE REIZEN

NAAR

HET UOOUDEU,

BEWERKT DOOK

J. B. RIETSTAP.

.— . . -

i « • i*Df »

c' ■ .• .. «-i - T

5 U 1 T.

—-'--yc y»,.-* -«Hjig--1—

quot;quot;i ILel en r^ixatt^u.

li %

AMSTERDAM,

l-'. Ti. J. BEKKER.

ocr page 8
ocr page 9

TOCHTEN

NAAR DE

IJ S G E W E S T E K

REIZEN VAX PROFESSOR NORÖENSKJÖLD NAxVR SPITSBERGEN, DE POOLZEE EN DE JENISSEI, EN OPSPORING VAN DEN NOORDOOSTELIJKEN DOORTOCHT MET DE VECiA.

REIZEN VAN DE WILLEM BARENTS

NAAR DE IJSZEE.

ocr page 10
ocr page 11

HOOFDSTUK I.

REIZEN VAN PROFESSOR NORDENSKJÖLD NAAR SPITSBERGEN.

Afkomst en opleiding van Nerdenskjöld. — Spitsbergen. — Vangst van wal-visschen en walrussen. — Toi-Nten naar het hooge noorden door Tsjitsjagof, Phipps, Buchan, Frankün, Clavering, Sabine en Parry. — Reis van ïorell en Nordenakjöld naar Spitsbergen in 1858, en volgende reis van 1861. — Stormvogels. — Vermoeide sneeuwvogels. — De Zeven Ijsbergen. — Het onbekende land. — Walrusjacht. — Robben. — De Treurenbergbaai en de begraafplaats. — Invloed van het hyperiet op de magnetische waarnemingen. — Viering van den St.-Jans-dag.— Juni als lentemaand. — Spitsbergen's zomer. — Bootreis in straat Hinlopen. — Bedreigd door walrussen. — Alken-bi oeiplaats. — Een West-Indische boon.—Tocht naar Noordoost-land en de naburige eilanden. — Nordenskjöld ontmoet een beer. — Eigenaardigheden der Groenlandsche robben. — Gemerkte rendieren. — Witte walvisscben. — Walrussen-moord. — Smeerenberg. — Roode sneeuw.

— Broeiplaats der eidereenden. — liet ontstaan der ijsbergen. — Steenkoollaag met afdruksels van bladeren. — Reis van Nordenskjöld naar Spitsbergen in 1864. — Het Beeren-eiland. — liet inslaan der wig. — Merkwaardige fossilen en rotsen. — Weder eene wig ingeslagen. — De rotges.

— Ontdekte moord. — Avontuur aan kaap Teleurstelling. — Ijsbergen als slepers. — Barents-land. — Giles-land. — Het vermaak van een beer. — Redding van schipbreukelingen.

Geeu naam uit het gebied der wetenschap is in den laatsten tijd meer op de lippen geweest dan die van den Zweedschen professor Nordenskjöld. Hem toch was het gegeven een groot aardrijkskundig vraagstuk , dat de wereld drie eeuwen had bezig gehouden en aan welks oplossing schatten en menschenlevens waren ten ofler gebracht, van de lijst der raadsels af te voeren, en voor de langdurige onzekerheid eene verblijdende zekerheid in ds plaats te stellen. De noordoostelijke doortocht uit Europa naar Azië, boven Siberië heen, door de geleerden vermoed.

ocr page 12

Nordenskjold's Reizen naar het noorden.

door de kooplieden gewensclit, maar vruchteloos vau Willougliby en Barents tot op Cook gezocht (terwijl het aan aanmoediging niet ontbrak, want Cook trachtte de premie van 20,000 pond sterling te verdienen, die door het Engelsche Parlement voor de ontdekking van zulk een doortocht was uitgeloofd) , werd door hem gevonden , gelijk wij later zullen mededeelen. Zijn welslagen, dat vau de grootste gevolgen kan zijn voor de toekomst, vermindert echter den roem dier vroegere stoute reizigers niet, want meer dan waarschijiilijk zou hij even als zij het hoofd tegen de ijsmuren gestooten hebben, indien hij niet de stoomkracht, dien grooten hefboom der 19de eeuw, tot zijne beschikking had gehad.

Voor velen, die van de gelukkige reis der Fega kennis bekwamen , zal de naam van Nordenskjöld nieuw zijn geweest. Hij was dit echter niet voor hen, die eenigszins op de hoogte -waren gebleven van hetgeen er op aardrijkskundig gebied voorvalt. Sinds twintig jaren had hij tochten in het hooge noorden ondernomen, de vruchten daarvan aan de wereld medegedeeld en de ervaringen verzameld die voor zijne laatste en belangrijkste reis onmisbaar waren. Eenmaal bezocht hij Groenland, vijfmaal Spitsbergen, tweemaal den mond der Jenissei. Met ondervinding toegerust, bijgestaan door kundige officieren en wakkere manschappen, en voorzien van alle benoodigdheden die de tegenwoordige nijverheid ten behoeve van langdurige zeereizen levert, wist hij wat bij liet doorkruisen der ijsgewesten zoowel gedaan als nagelaten moest worden en kon hij al de hulpmiddelen, die de wetenschap aan de hand geeft, in toepassing brengen.

Zijne opleidiüg had een zoo veelbewogen leven niet doen verwachten. Gesproten uit een adellijk Zweedsch geslacht, werd Adolf Erik Nordenskjöld den J.8 November 1832 te Helsingfors in Finland geboren, waar zijn vader in Russische dienst stond als chef van het mijnwezen. He-zelfde loopbaan was voor hem bestemd. In 1849 aan de akademie te Helsingsfors gekomen, legde hij zich op schei-, natuur- en wiskunde en natuurlijke historie, maar bovenal op mineralogie en geologie toe en maakte zulke snelle vorderingen, dat hij op zeer jeugdigen leeftijd meer dan eens voor een professoraat in aanmerking kwam, hetgeen hem echter telkens ontging, omdat hij wegens zijne vrijzinnige neigingen reeds sedert zijn studententijd ongunstig bij het Russische bestuur aangeschreven stond. Hij begaf zich dus naar Zweden waar hij zijne studiën voortzette, een paar verhandelingen schreef, vau welke eene met goud bekroond werd, en in het voorjaar van 1858 eene uit-noodiging ontving om als geoloog den heer Otto Torell, chef van de

4

ocr page 13

De Spitsbergen-groep. — De walvisschen.

geologische dienst iu Zweden, op eeue reis uaar Spitsbergen te vergezellen. Na zijn terugkeer van dien tocht werd hij tot professor aan het rijksmuseum te Stockholm benoemd, in plaats van wijlen professor Mosander.

De theorieën omtrent een voormalig ijs-tijdperk, gedurende hetwelk een groot gedeelte van het noordelijk halfrond met ijs bedekt was geweest, gelijk tegenwoordig Groenland, hadden de aandacht van Torell getrokken. Om de voor Skandinavië inzonderheid belangrijke verschijnselen te bestudeeren, die met de ijsvorming in verband staan, had hij zich reeds in 1857 uaar IJsland begeven en dit in verschillende richtingen doorkruist. Het volgende jaar wenschte hij Spitsbergen te bezoeken eu liet hij liet oog op Nordenskjöld vallen om hem te vergezellen.

Spitsbergen, uit drie groole eilanden en een aantal kleinere bestaande, heeft zijn naam naar de spitse bergen, die zich wel tot 1700 meter verheffen. De oppervlakte wordt op meer dan 50,000, door sommigen zelfs opmeer dan 70,000 vierkante kilometer geschat. De Spitsbergen-groep breidt zich van 11 tot 28 graden oosterlengte van Greenwich en van 77 tot ruim 80 graden noorderbreedte uit. Zij werd den 19 Juni 1596 door Willem Barents op zijn derden tocht tot opsporing van eene noordoostelijke doorvaart ontdekt eu door hem Nieuwland genoemd, omdat hij een gedeelte van Groenland meende voor te hebben. Eerst in 1863 werd zij door kapitein Carlsen, een Noorweegsch walrusjager, omgestevend.

Het grootste der drie eilanden draagt den naam van West-Spitsbergen en heeft de beide andere eilanden ten oosten, waarvan het noordelijkst gelegene Noordoost-land en het zuidelijkste Stans-Voorland of Edges-land heet. Tusschen dit laatste en West-Spitsbergen heeft men nog het niet onaanzienlijke eiland Harents-land, en dicht bij de westkust van West-Spitsbergen ligt het zeer lange en smalle eiland Prins Karel's quot;Voorland. Een goed eind bezuiden de groep vindt men het Eeeren-eiland, waarvan in de verhalen der reizen naar Spitsbergen meermalen sprake is.

De overvloed van walvisschen in de zee bewesten Spitsbergen lokte weldra visschers van alle zeevarende natiën aan. Hollanders, Franscheu, Engelschen trachtten elkander in dat bedrijf de loef af te steken, doch de eerstgenoemden oefenden het op de grootste schaal uit eu vestigden eene nederzetting, die zij Smeerenberg noemden en waar de traan gekookt werd. Doch de zee was hier na een zeker aantal jaren doodge-vischt, zoodat de echte walvisch nu is uitgeroeid en de vangst sedert lang heeft opgehouden.

Later kwamen Russen, die op verschillende plaatsen langs de kust

5

ocr page 14

Nordenskjold's Reizen naar het noorden.

hutten bouwden en op walrussen, vossen, robben en beeren jacht maakten. Ook dit verminderde allengs en tegen 1830 zonden nog slechts weinige personen schepen daarheen. De laatste Russische expeditie van dien aard had omstreeks 1850 plaats.

Tegenwoordig begeven zich alleen Noorwegers naar Spitsbergen om jacht op walrussen te maken, behalve dat er nu en dau een Engelsch-man op een pleziertochtje naar 't hooge noorden aanlandt. Een koopman van Hammerfest was het, die in 1795 in compagnieschap met een Bus de eerste Noorweegsche expeditie tot jacht- en vischvangst naar Spitsbergen uitzond. De equipage van Laplanders en Russen bracht den winter op Spitsbergen door. Doch de tegenwoordige exploitatie door Noorwegers dagteekent eigenlijk van 1819, toen een Engelsch handelshuis te Bodoe eene galjas met elf man naar het Eeeren-eiland en Spitsbergen zond, om zich te vergewissen of er genoeg visschen en dieren waren, om jacht en vischvangst tot een voordeelig bedrijf te maken. Zij konden het Beeren-eiland niet vinden, maar kwamen van Spitsbergen terug met de tijding, dat daar overvloed van walrussen, rendieren en eidereenden was. Ten gevolge van dit verslag werd een vaartuig met acht man van Hammerfest uitgezonden. Men bereikte het Beeren-eiland, waar het grootste gedeelte der bemanning aan land ging om te jagen; maar door mist en zwaren wind verloor de schipper het eiland uit het gezicht, en in de onmogelijkheid om het terug te vinden keerde hij naar Hammerfest weer. De achtergelatenen voorzagen hunne boot van eene genoegzame hoeveelheid walrusvleesch en kwamen aldus ook in Noorwegen terug. Eene volgende geheel gelijke expeditie in 1821 onder denzelfden sehipper en met dezelfde bemanning liep geheel op dezelfde wijze af. In 1822 overwinterden eenige Noorwegers op Spitsbergen aan de Kruisbaai (op de westkust van West-Spitsbergen), hetgeen anderen aanmoedigde om dit voorbeeld te volgen, doch niet altijd met denzelfden gelukkigen uitslag. Nog altijd bezoeken schepen uit Hammerfest en Tromsoe deze wateren om te visschen. Over het geheel heeft dit voordeel aan de reeders opgeleverd, doch bovenal heeft het stoute zeelieden aangekweekt, die ervaring van de vaart in de ijsgewesten opdeden.

Meer dan eene eeuw is Spitsbergen het punt van uitgang geweest voor expeditiën, die den noordpool trachtten te bereiken. Veel pleitte daar ook voor. Een tak van den Golfstroom schenkt aan de westkust eene veel hoogere temperatuur dan zij volgens hare aardrijkskundige ligging zou hebben en zeer waarschijnlijk is er nog meer land ten noorden. De beroemdste noordpoolvaarders zijn met dat doel hier

6

ocr page 15

De reis van 1858.

geweest. In 1705 werd de Russische admiraal Tsjitsjagof door keizerin Catharina met drie schepen naar Spitsbergen gezonden, om naar den noordpool door te stevenen. Hij bracht het niet verder dan tot 80 graden 21 minuten noorderbreedte en het volgende jaar tot 80 graden 28 minuten. Kapitein Phipps, later lord Mul grave, trachtte in 1773 met de Racehorse en de Carcass den pool te bereiken, kwam tot 80 graden 37 minuten, bezocht de Zeven Eilanden ten noorden van Spitsbergen en bracht het noordelijk gedeelte van Noordoost-land in kaart. Reeds in liet begin van Augustus raakte hij in het ijs bezet, doch hij zaagde eene geul door ijs van 12 voet dikte en keerde naar Engeland terug. In 1818 werd eene breedte van 80 graden 34- minuten ten noorden van Spitsbergen bereikt door kapitein Buchan met de Dorothea en luitenant Franklin (later de beroemde maar ongelukkige sir John Franklir) met de Trent. Clavering en Sabine bezochten in 1823 Spitsbergen met de Griper, en terwijl de laatste op een der eilanden maguetische waarnemingen deed, stevende de eerste noordwaarts, maar geraakte niet verder dan 80 graden 20 minuten. Na zijne derde poolreis, die de ontdekking van een noordwestelijken doortocht ten doel had, ondernam Parry in 1827 zijne welbekende expeditie met de lleda en koos de Treurenberg-baai tot uitgangspunt voor zijne sledetochten, met welke hij de breedte van 82 graden 45 minuten bereikte, toenmaals en nog lang daarna het hoogste punt waartoe iemand gekomen was.

In datzelfde jaar werd Spitsbergen bezocht door professor Keilhau, een Noorweegsch geoloog, die er een verslag van gaf in zijne Reis door Oost- en West-Finmarken. De eerste reis, die, van Zweden uit, met een wetenschappelijk doel naar Spitsbergen ondernomen werd, was die van professor Loven van Stockholm, in 1837.

Deze geleerde spoorde twintig jaar later Otto Torell tot de reis aan waarvan wij hierboven spraken en op welke deze Nordenskjöld medenam. Met de sloep Frithioj van 64 ton liepen zij den 3 Juni 1858 van Hammerfest uit en richtten zich naar het Beeren-eiland, waarvan het ijs hen echter afhield, zoodat zij naar de zuidwestkust van West-Spits-bergen stevenden. Na vele waarnemingen aan land gedaan en verzamelingen aangelegd te hebben, wilden zij de zoogenaamde Duizend Eilanden opzoeken (die nog geen honderd in getal zijn), doch een zware storm noodzaakte hen naar Hammerfest koers te zetten, waar zij den 28 Augustus aankwamen.

Van eene daarop gevolgde reis naar Groenland teruggekeerd, begon Torell plannen voor een nieuwen tocht naar de poolzee te beramen. De Zweedsche Vertegenwoordiging stond daarvoor 8000 rijksdaalders

7

ocr page 16

Noidenskjöld's Reizen naar het noorden.

toe (1), waar later nog 12,000 bijgevoegd werden, en de toenmalige kroonprins gaf 4000 rijksdaalders, terwijl bepaald werd, dat elk der weteu-scliappelijke mannen, die aau de expeditie zouden deelnemen, zijne eigene kosten moest betalen. Carl Petersen, een ervaren Deenscb gids, die reeds menigen poolreiziger had vergezeld, werd aangeworven om mede te gaan en aau de toebereidselen te helpen. Tot aanprijzing van zijn plan deed Torell in den zomer vau 1860 eene reis naar Kopenhagen en Londen, waar hij veel bijval vond, terwijl ook de Zweedsche akademie vau wetenschappen hare goedkeuring betuigde eu door haar invloed de bovengenoemde verhoogde bijdrage uit de schatkist bewerkte.

Torell slaagde uiet in zijn wensch om de stoomboot Fox te huren, waarmede McCliutock zijne poolreis gedaan had. Hij moest zich tevreden stellen met de Aeolus en de Magdalena, van 92 eu 82 tou, schepen van de gewone soort die tusscheu Noorwegen en Spitsbergen varen, doch ook de gemakkelijkste, omdat zij door kleine openingen in het ijs kunnen heeukomen. Op de Aeolus, ouder konimando vau luitenant Lilliehöök, bevoudeu zich Torell, de chef der expeditie, Nor-denskjöld als onderchef eu geoloog en belast met de waarneming dei-zon, Mahugreu als dier- eu kruidkundige eu Chydenius als natuurkundige. Aau boord der Magdalena, onder bevel van kapitein Xuyleu-stjerna, waren Jilomstraud als geoloog, Duuer als sterre- eu natuurkundige, Goës als dierkundige en tegelijk scheepsdoctor, Smitt als kruidkundige, eu vou Ylen als jager eu teekeuaar. Anders Jakobsson, een oud zeeman, die Torell naar IJsland, Groenland eu Spitsbergen vergezeld had, was in dienst genomen als handlanger voor de dierkundigen en legde in weerwil van zijne zeveutig jaren eeu grooten ijveren belaugstelliug aan deu dag.

De expeditie lag den 15 April 1801 te Tromsoe in Noorwegen tot uitzeilen gereed, maar werd door tegenwind, mist en sneeuwbuien tot 7 Mei opgehouden. Na eeu kort vertoef te Carlsoe verloor men deu J 0 Mei het laud uit het oog eu zag men des avonds deu ijs-stormvogel, een voorbode van de poolstreken. Deze vogel huist op de Ear oer, de eilanden bij IJsland, Groenland, Kamtsjatka, Nova-Zembla, en broeit op de hoogste rotsen in koloniën van duizendtallen. Elk paar heeft slechts éeu zeer groot ei, dat in het begiu van Mei, bij uitzondering iu Juui gelegd wordt, eu het opkweekeu der jongen is niet vóór het midden van September afgeloopen. Met deu „burgemeesterquot; eu „'t juf je,quot; twee andere vogelsoorten van 't hooge noorden, zijn zij de

8

1

Een rijksdaalder = C7 '/j cent Nederlandsch.

ocr page 17

De reis van •186-1. —

Walrusjacht.

9

grootste vijaudeu der andere vogels, wier nesten zij van de eieren en de jongen berooven. De vogel geeft, evenals zijne broeiplaats, een ver-stikkenden reuk als van dierenlijken in ontbinding af en bespuwt den-geen, die liem onvoorzichtig aanraakt, met eene kwalijk riekende traan-achtige vloeistof.

Den 12 Mei kwam liet Beeren-eiland in liet gezicht en waren de vaartuigen onophoudelijk van zwermen alken omringd. Het eiland ligt ten oosten van den Golfstroom en buiten liet bereik van diens invloed, zoodat liet klimaat er strenger is dan men naar de ligging zou verwachten. Dikwijls wordt het door misten omhuld en door stormen geteisterd, en ten allen tijde is de landing moeielijk en gevaarlijk. Twee pogingen werden er toe gedaan , doch beide verijdelde het ijs, dat dicht tegen den oever opgepakt lag.

Na den ISden het Beeren-eiland verlaten te hebben, werden desche-pen den 16den bezoclit door tallooze sneeuwvogels, op weg naar liet noorden. Zij schenen zeer vermoeid, gingen in het want en op de dekken zitten en waren volstrekt niet schuw. Na een korten tijd uitgerust te hebben , vervolgden zij hunne zware reis. Telkens werd er gedregd en grond met gedierten van verschillenden aard bovengebracht. Men zag dikwijls vinvisschen en de zee had eene fraaie blauwe kleur. Den 17den en ISden daalde de temperatuur, de vinvisschen verdwenen en de zee kreeg eene vuilgroene tint. De grens van den Golfstroom met zijne welbekende blauwe kleur was gepasseerd.

De expeditie kwam den 21 Mei in het gezicht van Spitsbergen, herkende Prins Karei's quot;Voorland, en zeilde weldra de Zeven Ijsbergen oj) West-Spitsbergen voorbij, een gletscher van vele mijlen breedte, die hier en daar door bergruggen verdeeld is en daaraan zijn naam te danken heeft. Wegens bet ijs kon men niet in noordoostelijke lichting vorderen. In den avond van den 23steu zag men groote zwermen vogels noord oostwaarts vliegen, misschien naar een land meer noordelijk dan Spitsbergen , welks bestaan door de walrusjagers als zeker wordt beschouwd. Volgens hen ziet men aan de noordelijkste punt, die tot nog toe bereikt is, dikwijls zulke zwermen, die daar iu snelle vaart nog altijd verder noordwaarts trekken.

Hier had een avontuur plaats, dat de bekoorlijkheid der nieuwheid bezat: men ging op de walrusjacht uit. In de boot begaven zich twee man der equipage die harpoeniers van hun vak waren; geweren lagen op de banken , geladen met puntkogels, de lansen en opgerolde lijnen waren op de plaatsen waar zij behoorden, en de harpoenen hingen voorop. Men had nog geen walrus waargenomen , maar eens-

ocr page 18

NordenskjcilcTs Reizen naar het noorden.

klaps zeide de stuurman, dat hij er zag iu de richting die hij aanwees. Daar waren twee kleine zwarte vlekken te zien , die een ongeoefend oog nooit zou ontdekt hebben en waarin men zeker geen overeenkomst met eenig dier had kunnen vinden. Doch de jagers verklaarden, dat liet twee walrussen waren, die op eene ijsschots lagen te slapen. Er werd eene korte beraadslaging gehouden, hoe het spoedigst en gemakkelijkst bij de dieren te komen, en men besloot zekere geul tus-schen het ijs te volgen. Plotseling staken twee walrussen dicht bij de boot de koppen boven het water uit, waarop zij haastig onderdoken. Eenige oogenblikkeu later kwamen zij weer boven, maar men achtte het best ze niet te volgen, ten einde de beide andere, waarop 't het eerst gemunt was, niet te verschrikken. Ondertusschen was men zoo dicht bij deze laatste gekomen dat de harpoenier zijn wapen gereed maakte en met de hand beduidde welken kant de boot gestuurd moest worden. Weinige woorden, niet anders dan de hoog noodige, werden gewisseld, en stil bewogen de acht omwonden riemen zich in het water. ISoa; verroerden de dieren zich niet. De boot schoot achter een groot rotsblok, waarop de zee met woede brak , zoodat alle andere geluid overstemd werd, doch zij moest de branding ontwijken en kwam dus weer iu het gezicht der walrussen. Weldra maakten deze eene beweging en richtte een hunner den kop op. Allen bukten zoo diep mogelijk, de harpoenier nam de harpoen in de hand en legde een geweer naast zich , en op de gefluisterde woorden : „Zij liggen weer stil,quot; werd de boot voorzichtig nog eenige vademen voortgeroeid. Toen verhieven de dieren de koppen, zagen de zeelieden zouder vrees aan, en richtten zich te halverlijve op. „Zij zullen onderduiken! Schiet! Gij dezen, ik dien anderen, — achter het oor!quot; werd'er geroepen. De harpoen snorde door de lucht en te gelijk vielen twee schoten. De beide walrussen zonken op het ijs neer, de eene onbewegelijk, de andere nog met teekenen van leven. Nogmaals een schot, maar nu richtte de laatste zich andermaal op, en daar hij reeds bij den rand der ijsschots was, gleed hij er af en zonk.

De bootsgezellen sprongen op het ijs en begonnen tien gedooden walrus de huid af te halen. A'ervolgens sneed men de dikke laag spek van het lichaam en hieuw den kop af met de lange ivoren tanden. De harpoen bad in dit geval niets uitgericht; liet was een kogel geweest, die het dier juist achter liet oor had getroffen , de eenige plaats waar hij onmiddellijk den dood veroorzaakt, want treft hij eene andere plaats van den kop , dan slaat hij plat tegen liet ougeloofelijk harde been. Zelf als de kogel door de hersens gaat, is dit niet dadelijk eene doo-

do

ocr page 19

De Treurenberg-baai.

delijke woud. Op alle audere plaatseu van het licliaam blijft hij in de speklaag steken of brengt hij den dood pas te weeg als het dier weer in het water is, waar het zinkt.

Nauwelijks had de boot de schots verlaten , of een ontzaggelijk aantal meeuwen, die zich terstond na den dood van den walrus in den omtrek verzameld hadden , schoten toe om zich aan de overblijfselen te vergasten. Het waren voornamelijk „burgemeesters,quot; aldus wegens hun deftig voorkomen genoemd , die het gulzigst en het minst schuw waren, en eenige sneeuwwitte ivoor-meeuwen, die van vroegere reizigers den naam van „raadsheerenquot; hebben ontvangen.

Bij de walrusjacht moet men zoo min mogelijk gedruisch maken. Die behoedzaamheid is ten aanzien van de robben niet noodig, behalve wanneer zij zich bij hare opening in het ijs bevinden, want dan schrikken zij lichtelijk ; doch in open water of tusschen drijfijs kan men ze door fluiteu of eenig ander geluid — zooals verscheidene malen op deze reis werd waargenomen — dichterbij lokken. Zij staken dan den kop ver boven het water uit, luisterden naar het geluid, doken onder en kwamen op eene andere plaats weer boven. Een geweerschot hield hen slechts korten tijd op een afstand.

Na eenige dagen in de Kobbe-baai te hebben doorgebracht, zag Torell groote massa's ijs voorbij drijven, zoodat hij meende dat de gelegenheid gunstig was om zich een weg benoorden Spitsbergen te banen. De schepen liepen dus den 30 Mei uit, doch vonden weldra pak-ijs, dat zich zoover het oog reikte noord- en oostwaarts uitstrekte, en waren verplicht, na vergeefsche pogingen om de Brandewijnbaai op Noordoost-land te bereiken, het anker in de Treurenberg-baai in het noorden van West-Spitsbergen te werpen , het punt waar Parry zijn pooltocht had aangevangen. In de nabijheid lag eene begraafplaats, aan eeu dertigtal steenhoopen kenbaar, dagteekenende uit den tijd toen de Hollanders en zeevaarders van andere natiën bij duizenden voor de walvischvangst herwaarts kwamen. Parry vond er een Hollandsch grafschrift van 1690 en de reisgenooten van Torell een van 1730.

Men deed een uitstapje naar de Hecla-bocht, waar Parry gelegeu had en beklom daar den berg Hecla , 1720 voet hoog, van waar men een uitgestrekt gezicht over Noordoost-land had. Langs de kust is dat eiland vlak, met onaanzienlijke hoogten, en het binnenland bestaat uit eene onafgebrokene sneeuwvlakte, nog hooger boven de zee gelegen dan de Hecla. In de nabijheid van dezen berg zeiven vond men groote massa's hyperiet, een vulkanisch gesteente dat veel ijzer bevat. Daaraan schreven de geleerden de storingen toe, die zij bij hunne magne-

H

ocr page 20

Nordenskjöld's Eeizen naar het nooriien.

tische waaruemingen ondervonden. Hoe belangwekkend de ontdekking van dit gesteente dus voor de geologen was, voor de natuurkundigen , wier berekeningen in den war werden gebracht, was het een geheel ander geval.

Nauwelijks waren de beide schepen in de Treurenberg-baai geankerd, of zij zagen er zich , niet vier walrusvaartuigen die er ook eene toevlucht hadden gezocht, door het ijs ingesloten. Eene poging den 12 Juni aangewend, om er doorheen te boren, mislukte door windstilte, en op St. Jansdag, 21 Juni, lag men er nog. Die dag, die in geheel Skan-dinavië een feest is, werd volgens oud gebruik gevierd.- De zon schitterde aan een prachtigen blauwen hemel, maar had de kracht nog niet bezeten om genoeg bloemen en bladeren voor een krans, laat staan tot bekleeding van den onmisbaren St.-Jans boom, aan de weerspannige aarde te ontlokken. Wat liet land niet kou leveren, verschafte de zee. Er was overvloed van bruin zeewier met bladeren van vier voet lengte en bijna even lange stengels. Hiermede omkleedde men een hoogen mast die op den Aeolus-berg geplant en met alle vlaggen en wimpels, die te krijgen waren, versierd werd, en bij dien mast ontstak men een reusachtig vuur van drijfhout, waar de leden der expeditie en de equipages der overige ingeslotene schepen zich rondom schaarden. De vier noordsche volken. Zweden, Noorwegers, Deenen en Finnen, waren er vertegenwoordigd en zelfs aan Laplanders ontbrak het niet. De vlammende brandstapel, de vroolijke St.-Jans-boom, de bonte menigte door den gloed verlicht, de naburige graven, het pak-ijs dat zich tot aan den horizon uitstrekte, de zon aan het onbewolkte hemelgewelf, die de harten met hoop vervulde, — dit alles vormde een tafereel, dat bij de aanwezigen een diepen indruk naliet. Ernst en scherts wisselden elkander af, maar de laatste had de bovenhand en zelden is er opgewekter van zin met de glazen geklonken dan hier bij de grafsteden der Treurenberg-baai.

Juni is lentemaand op Spitsbergen. De zon rees steeds hooger boven den horizon ; eerst werd de sneeuw zacht en nat, en vervolgens verdween zij met plekken van den grond; er begonnen zich eenige kruiden en bloempjes te vertoonen, en na 22 Juni daalde de thermometer niet meer beneden het vriespunt, doch sneeuw viel er gedurende de eerste helft van Juni nog. Eerst legen het einde der maand hielden de misten op, waarvan men veel last had gehad.

In het begin van Juli viel de zomer met eene snelheid in, waarvan men in meer gematigde luchtstreken geen denkbeeld heeft. De temperatuur steeg soms tot 52 graden Fahrenheit in de schaduw, het licht was

12

ocr page 21

Bedreigd door walrussen.

zoo sterk dat het de oogen pijn deed, en als men zwaar werk in de zon moest verrichten was de hitte drukkend.

Een sledetocht, hoog naar het noorden, waartoe het plan was beraamd, bleek onmogelijk, omdat men te lang te Tromsoe opgehouden en vervolgens in de Treurenberg-baai door het ijs ingesloten was. Toen nu den 2 Juli het ijs opbrak en de schepen vrij geraakten, werd bepaald dat ïorell, Nordenskjöld en Petersen met eene boot een opne-mingstocht in straat Hiulopen (tusschen Spitsbergen en Noordoost-land) zouden doen en dat Chydenius zich noordwaarts zou begeven om voor-loopige maatregelen te nemen tot het meten van een boog van den meridiaan.

Op de bootreis voorzag Petersen's geweer den kok voortdurend van versch rendiervleesch en toen men kaap Fanshawe gepasseerd was werd er ook nu en dan een walrus gevangen. Ontzaggelijke gletschers, van welke een zelfs 7 mijlen breed was, waren tot aan de zee afgegleden. Ontelbare zwermen alken zochten hun voedsel tusschen het ijs. Het licht der zou die in dit seisoen niet ondergaat en de eigenaardige dierenwereld, gaf iets vreemds en grootsch aan het landschap, dat op de beschouwers indruk maakte. Ontelbare walrussen speelden in het water of lagen dicht opeengehoopt op de ijsschotsen, zóó dicht soms dat niet alleen de schots onder het water was gezonken, maar een gedeelte van het lichaam der dieren ook, terwijl andere er rondom zwommen en, als er geen plaats ledig was, hunne makkers, die er reeds lagen, met hunne groote slagtanden poogden te verdrijven. Men harpoeneerde een walrus en zag zich in een oogenblik omringd door een vijftigtal andere, die binnen den afstand van een geweerschot in een halven kring achter de boot zwommen. Zelfs Petersen, hoe gemeenzaam ook met de dierenwereld van liet noorden, was eenigszins onthutst en liet dadelijk al de geweren laden. Doch gelukkig bleken de dieren meer met nieuwsgierigheid dan met wraakzucht bezield. Vreedzaam volgden zij de boot een aanmerkelijken afstand en staken de lompe koppen zoo ver mogelijk uit het water, om te zien wat er gebeurde. Zelfs toen men den dooden walrus op eene ijsschots trok om dien van huid en spek te ontdoen, zagen zij nieuwsgierig toe, totdat het in het water vloeiende bloed heu verdreef.

Bij Dym-punt vond men nesten van eidereenden met versche eieren, eene zeer aangename afwisseling met de alken-soep, waarvan de reizigers in de laatste dagen bijna uitsluitend hadden moeten leven. In deze streken zag men de grootste alken-broeiplaats, die tot nog toe was ontmoet. Zwarte klippen van 800 tot 1000 voet hoogte, die zich an-

13

ocr page 22

14 Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

derhalve mijl ver uitstrekten en loodrecht uit de zee oprezen, strekten tot verblijfplaats aan raillioenen alken, die in alle kloven en reten dicht opeengepakt zaten. De meermalen gehoorde bewering, dat de zwermen vogels, die bij het lossen van een geweerschot opvliegen, de zon verduisteren en er dan nog geen vermindering zichtbaar is in de aantallen die stil zitten, werd hier letterlijk bewaarheid. Sommige waren zelfs zoo mak, dat men ze uit de boot met de hand kon grijpen.

Op den terugtocht deed men het üeput-eiland in de Murchison-baai aan. Luitenant Lilliehöök was met de Aeolus vertrokken en had volgens afspraak een geschrift daaromtrent achtergelaten in een opge-stapelden steenhoop, of cairn zoo als die in de taal der poolreizigers heet. Men stevende voort naar Shoal-punt en zag het strand bedekt met groote massa's drijfhout, waartusschen kurken , berkenbast, stokken enz., afkomstig van de visscherijeu op de Lofoden, benevens andere daar door de stroom ingen aangevoerde voorwerpen gevonden werden. Het drijfhout vormde eene breede strook langs de kust, en verder op, waar het water thans nimmermeer komt, zelfs niet bij springtij, waarschijnlijk ten gevolge van eene langzame opheffing van het land, lag eene tweede dergelijke strook van veel ouder hout, dat in een staat van vermolming verkeerde. Tusschen dit alles vond men eene goed bewaard gebleven boon van het West-Indisch gewas Entada gigalobium, 5 centimeter hoog en bijna 6 centimeter breed. Deze boonen, die met den Golfstroom door den Atlantischen Oceaan drijven, worden niet zelden op de kust van Noorwegen aangetroffen. Dat er ook een in het noorden van Spitsbergen werd gevonden, was het overtuigendste bewijs , dat de Golfstroom ook deze hooge breedte bereikt. In het rijksmuseum te Stockholm heeft men zulk een boon , die te Tjoern, in het district Bohus, opgegraven is uit eene veenlaag, 80 voet boven den spiegel der zee.

Den 23 Juli bereikte de bemanning der boot de Aeolus weder, wier equipage iutusschen bij de Treurenberg-baai een der vroeger door Parry aangelegde depots onder een hoop drijfhout opgespoord had. De voorraad bestond uit een geweer, dat thans onbruikbaar was, eene houten ammunitiekist, van binnen met lood bekleed , die patronen en los kruit bevatte, alles goed bewaard gebleven, en 11 hermetisch gesloten blikken. Een van deze, terstond geopend, hield gebraden vleesch in, dat in gelei en vet gelegd was en zich zoo gced had gehouden alsof het daar pas den vorigen dag was geplaatst.

Torell en Nordenskjöld begaven zich den 26 Juli weer op reis, om de nog onbezochte kust van Noordoost-land te onderzoeken. Er weid

ocr page 23

De Castrén-eilantlen. — Het Parry-eiland. 15

bepaald dat de Aeolus naar het Depót-eiland zou zeilen en zich tot 24 Augustus aan geschikte ankerplaatsen in die streek zou ophouden. Achtereenvolgens moest het schip daarna vertoeven in de Lommenbaai, bij de Russische eilanden, aan den mond der Wijde l'.aai, de Noorweeg-sche eilanden (in 't noordwesten bij de kust van West-Spitsbergen) en in de Kobbe-baai, en als de bootreizigers dan nog niet terug waren moest het zich niet aan het gevaar eener ongewenschte overwintering blootstellen, maar langzamerhand naar de zuidelijker havens van Spitsbergen afzakken, om eindelijk naar Noorwegen terug te keeren. Lilliehöök, Malmgren en Cli3rdenius deden Torell en Xordenskjöld naar de Brandewijn-baai uitgeleide in vier booten, van welke eene, van gegalvaniseerd ijzer gemaakt, aan land getrokken en tot een depot ingericht werd.

De beide laatstgenoemden vertrokken van de Brandewijn-baai naaide Noordkaap, de noordelijkste punt van Noordoost-land en zetten na eene korte halt hunne reis voort, maar kwamen niet verder dan een klein eiland, éeu van twee die ten zuidoosten van de Noordkaap lagen en van hen den naam van Castrén-eilanden ontvingen. A an den top van het grootste eiland, ongeveer 1000 voet boven de zee, had men een goed gezicht tusschen het vasteland en de Zeven Eilanden. Het ijs , hetwelk men meende dat weggedreven was, bleek zich op nieuw verzameld te hebben, zoodat er weinig vooruitzicht scheen om zich daar een weg doorheen te banen. Desniettemin s/elukte dit en landde men

O O

aan den zuidkant van het Parry-eiland, dat bijna geheel uit twee bergen van 1500 voet hoogte bestaat, door eene vallei gescheiden. Hoewel de geologische formatie dezelfde is als die van het noorden van West-Spitsbergen en de noordelijke breedte nauwelijks een graad verschilt, bestaat er een in 't oog loopend onderscheid tusschen het dieren-en plantenrijk, hetgeen vermoedelijk aan den invloed eener koude zee-strooming uit het oosten is toe te schrijven. De plantengroei in het dal was zeer schaars, doch hier en daar vertoonde zich eenig groen, en op zulk eene plaats graasden drie groote vette rendieren, die geschoten werden. Na Marten's-eiland, het oostelijkste der Zeven Eilanden, en Phipps-eiland aangedaan te hebben, besloten de reizigers, omdat zij geen rendieren meer te schieten vonden, naar Noordoost-land terug te keeren. Op de beide laatstgenoemde eilanden hadden zij hoog boven den spiegel der zee geheele geraamten van walvisschen aangetroffen, een bewijs welk eene opheffing het land daar in den loop des tijds ondergaan had.

Men kwam dus aan de Castrén-eilanden terug, doch deed van daar

ocr page 24

16 Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

weer nieuwe tochten oostwaarts in de baai. Op het Scoresby-eiland had Nordenskjöld een avontuur, dat gelukkig, voor hem afliep , doch lichtelijk een noodlottig einde had kuiiDeu nemen. Ongewapend begaf hij zich aan wal, om op het hoogste punt wetenschappelijk werk te verrichten. Toen hij zich nog een vijftigtal schreden van den top bevond zag hij die plaats reeds door een beer ingenomen, die waarschijnlijk uitkeek naar de prooi welke zich op de omringende ijsvelden aan hem zou vertoonen. Het dier had Nordenskjöld ook gezien en deze waagde het niet naar de boot terug te keeren, maar ging recht op den vijand los, in de verwachting dat de beer zou schrikken en wegloopen, 7,00 als hij meermalen de ijsbeeren had zien doen als een man hen naderde. Hierin had hij zich echter vergist; de beer kwam hem langzaam , een halven kring beschrijvende , te gemoet. Het dier, thans zoo nabij dat Nordenskjöld het met een stok had kunnen slaan, stond iets hooger op een steenblok , snuivende en met de voorpooten trappelende. Onze reiziger begon zoo luid mogelijk te schreeuwen en met groote steenen te werpen, die echter weinig indruk maakten. Eindelijk raakte een steen zijn voorpoot die over den rand van het rotsblok omgebogen was en de pijn bewoog hem tot den aftocht. Nordenskjöld volgde hem een eind totdat hij zich achter eene vooruitstekende rotspunt verborg , en spoedde zich toen, zoo snel zijne beenen hem dragen wilden, naar de boot. Nauwelijks had hij die bereikt en zijne ontmoeting verteld, of de zeelieden riepen : „Zie, daar is hij weer 1quot; en wezen naar eene rots, vierhonderd voet verwijderd, van waar de witte souverein van het eiland de vreemden stond op te nemen. Twee mannen gingen aan land om jacht op hem te maken , doch toen hij hen zag naderen nam hij de vlucht en liet zich niet meer zien.

In het laatst van Augustus kwamen de bootreizigers bij de Aeolus terug, die zij in de Lommenbaai vonden. Het schip had gedurende hunne afwezigheid in straat Hinlopen gekruist en in het begin der maand veel Groenlandsche robben gezien. Deze dieren hielden zich in kudden van 30 tot 40 bijeen, zwommen buitengemeen snel, en staken , als zij adem wilden halen, alle te gelijk den kop boven het water uit, doken onmiddellijk weer onder en herhaalden weinige minuten later dezelfde behendige manoeuvre, doch op een aanzienlijken afstand van de plaats waar zij zich het eerst vertoond hadden. Deze robben zijn voor de Groenlanders van hetzelfde belang als de rendieren voor de Laplanders.

Op een uitstapje ten zuiden van straat Hinlopen werden twee „gemerktequot; rendieren geschoten. Om haar aanwezigheid op Spitsbergen te

ocr page 25

Gemerkte rendieren.

verklaren, heeft men ondersteld, dat zij uit de bewoonde districten van het vasteland afgedwaald waren, en daar het land der Samojeden het naaste is waar tamme rendieren leven (want Xova Zembla is onbewoond), heeft men aangenomen dat de zee tusschsn dat land en het oosten van Spitsbergen vol van nog onbekende eilanden is, de rendieren zich in den winter over het ijs van het eene naar het andere begeven en zij aldus eindelijk op Spitsbergen komen. De leden dei-expeditie bespraken het voor en tegen dezer onderstelling dikwijls. Hunne jagers schoten, toen de Aeolus in straat Hinlopen kruiste, vier ot' vijf dezer „gemerktequot; rendieren, van welke de huiden voor het rijksmuseum te Stockholm werden medegenomen. Van alle schenen de punten der ooren afgesneden en al de jagers, die dergelijke rendieren geschoten hebben, verzekerden dat de beide ooren altijd op dezelfde hoogte zijn afgesneden, doch op een grooteren of kleineren afstand van den wortel. Neemt men aan dat dit merken door middel van een mes geschied is en de dieren eenmaal behoord hebben aan een noma-dengezin dat een ander land bewoont, dan zouden al de tot nog toe op Spitsbergen geschoten rendieren aan éenen eigenaar moeten toebehoord hebben, want dat merk is gedurende de laatste twintig jaren onveranderlijk hetzelfde geweest. Het getal van die gemerkte dieren op Spitsbergen is zoo groot, dat zij wel een tiende gedeelte uitmaken van de rendieren welke er jaarlijks gedood worden en die men ten minste op 1000 en in sommige seisoenen wel op 1500 kan stellen. Een uomadengezin, dat jaarlijks 100 rendieren verliest door afzwerving, kan bezwaarlijk 20 jaar lang blijven bestaan en zulke talrijke kudden bezitten dat dit al dien tijd kan blijven doorgaan zonder ruïneus te worden. Hier komt nog bij, dat de noordelijke volken gewoon ziju hunne rendieren te merken door eeu gat in een der ooren te boren, nooit in beide, en het dus zeer onwaarschijnlijk is dat zij al hun vee zouden merken door een stuk van de twee ooreu af te snijden. De gemerkte rendieren op Spitsbergen verschillen in geen enkel opzicht van de ongemerkte ; zij behooren alle tot het Spitsbergsche ras , dat zich van de rendieren op het vasteland onderscheidt door eene mindere grootte en nog andere kenmerken. Vermoedelijk zal de reden gezocht moeten worden in de strenge vorsten van het voorjaar, die de ooren der nog jonge rendieren aantasten. Dit komt ook in Finmarken en Lapland voor en de aldus bevroren ooren krijgen nimmer hun natuurlijken vorm terug.

In de Lommenbaai, war.r men van de uitstapjes met de booten terugkeerde, was het dierenrijk goed vertegenwoordigd. Aan de oevers graasden rendieren, waarvan 11 geschoten werden. Sneeuwhoenders wer-

17

ocr page 26

18 Nordenskjold's Reizen naar bet noorden.

den gezieu, die anders op Spitsbergen zeldzaam zijn. Witte walvissclien, van welke men er een ving, speelden in het water. Deze bevallige dieren, meer dan 14 voet lang, zwemmen in scliolen en zijn zoo sclinw dat men ze slechts moeielijk vangt. Zij vertoeven dikwijls in de nabuurschap van aan de kust uitkomende gletschers, waar het water troebel is van het fijne stof dat de gletscher bij zijne voortglijdende beweging van het rotsgesteente afschuurt. In zulk water kan de visch den harpoenier en zijne boot niet zieu. Het volwassen dier is melkwit en zeer schoon van vormen, doch de jongen zijn donker van kleur. De Noorwegers maken jacht op de witte walvissclien met eene bijzondere soort van harpoenen, doch de llussen vingen ze vroeger met sterke netten, zoo als de Groenlanders nog doen, die zich jaarlijks van verscheidene honderden meester maken. Men vindt de witte walvissclien aan de kusten der poolzee, op de oostkust van Azië tot aan den 52steu graad breedte, en op de kusten van Amerika in de St. Laurensbaai. IViet zelden zwemmen zij de rivieren hoog op, om jacht te maken op vis-schen. In de Amoer heeft men hen tot op 250 Engelsche mijlen van de zee aangetroffen.

De Aeolus lichtte den 24 Augustus het anker en bereikte, na eerst noordwest en toen noord gestuurd te hebben, de breedte van 80 graden 30 minuten, het hoogste punt waartoe men met een schip op deze reis kwam. Het eerste plan om in de Brandewijn-baai te ankeren werd opgegeven uit vrees, dat men er, als de wind omliep, door het ijs zou ingesloten worden. Men wendde den steven weer westwaarts om bij de Treurenbergbaai te dreggen, waarna het anker aan de westzijde van het Moöen-eiland werd geworpen. Dit vlakke eiland, dat zich slechts 6 voet boven het water verheft, is een geliefkoosd toevluchtsoord voor de walrussen als het ijs in de zee smelt en zij verplicht zijn aan land te gaan. De leden der expeditie, die het eiland bezochten, zagen daar een tooneel, dat luide van de baldadige wreedheid van den mensch getuigde. Heeds van verre ontdekten zij iets wits, dat, toen zij naderbij gekomen waren, bleek te bestaan uit honderden of liever duizenden op elkander gehoopte geraamten van walrussen, waarvan liet duidelijk was dat vele enkel ter wille van hunne slagtanden gedood waren, terwijl men het verder aan weer en wind had overgelaten de lichamen te vernietigen. De walrusjagers bespieden het oogenblik wanneer de walrussen zich aan land begeven, sluipen hen dan na, dooden met hunne lansen die welke zich het dichtst bij het strand bevinden, en vormen aldus een wal tegen die welke verderop liggen. Deze trachten zich in hun schrik over de lichamen hunner makkers heen in de zee te rollen en ver-

ocr page 27

Walrusmoord. — Smeerenburg. 19

stikken of vertrappen elkander. De eerste aanval vereischt veel moed en onverschrokkenheid , doch is meer eene slachting dan eene jacht, want van de vele honderden, die op deze wijze van het leven beroofd worden, vallen op verre na niet alle door de hand van de jagers. Deze vullen hun schip met het spek en de huiden, houwen—als zij niet meer aan boord kunnen nemen — de koppen der overige ter wille van de slagtanden af, en laten verder de overblijfselen liggen, die nu jaren lang andere walruskudden van die plaats afschrikken. Aldus wordt voor lange tijden het jachtveld bedorven.

Het ware te wenschen dat de jacht op Spitsbergen aan eeuige regeling wierd onderworpen, want thans wordt elk levend wezen dat eenige geldelijke waarde bezit (eider-eenden en andere vogels, walrussen, robben , rendieren, ijsbeeren; uit blinde hebzucht roekeloos verdelgd, met de gedachte: „Doe ik het niet, dan doet het een ander.quot; Anders zal binnen eeuige tientallen jaren de walrus uitgeroeid zijn op alle toegankelijke plaatsen der kusten van Spitsbergen, gelijk reeds het geval is geweest op het Beeren-eiland, en ce andere dieren zullen hetzelfde lot ondergaan.

Daar de zee nu naar het noorden ijsvrij was, zou de kommandant der Aeolus gaarne weder in die richting gestevend zijn om te trachten den Sisten graad breedte te bereiken, doch de bemanning en Petersen verzetten er zich tegen, omdat het schip niet goed bezeild was en in geval van storm misschien het drijfijs niet zou kunnen ontwijken, waardoor het dan zou ingesloten worden en genoodzaakt tot overwinteren. De Aeolus zeilde dus naar de westkust en bezocht Smeerenburg, wellicht de beste haven van Spitsbergen , die , naar men zegt, in den bloeitijd der walvischvangst wel door 18,000 menschen in een zomer bezocht werd. Van de groote traankokerijen , door de Hollanders opgericht , zijn nagenoeg geen sporen meer over eu alleen de vele grafsteden , zoo op deze plaats als in andere gedeelten van Spitsbergen , getuigen van het groote getal personen, die hier eenmaal zijn aangeland. Den 3 September vertrok men zuidwaarts, om de Marjdalena op te zoeken, doch men moest in de Kobben-baai (*) schuilen, omdat de barometer de nadering van een storm voorspelde. Deze woedde dan ook den 7 , 8 en 9 September uit liet zuidzuidoosten , vergezeld van sneeuwbuien. Het najaar was nu ingevallen. De vogelklippen waren ledig, want de bewoners hadden de wijk naar het zuiden genomen. De sneeuw was op vele plaatsen rood gekleurd door een mikroskopisch plantje , de Protococcus nivalis, 't geen de aanleiding heeft gegeven lot het praatje omtrent roode of bloedige sneeuw.

(*) Door eene vergissing is op blz. 11 en 15 hiervoren Kobbe-baai gedrukt.

ocr page 28

Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

In deu morgen van 9 September liep de Magdalena deze zelfde baai binnen. Toen de Aeolus deu 9 Juni afscheid van haar had genomen, had de Magdalena getracht zicli door het pak-ijs voorbij den Grijzeu Hoek een weg naar het westen te banen. Daar dit niet gelukte, deed meu met booten .onderzoekingen in Aldert Dirks baai en de Wijde Baai.

De oostkust van deze laatste was een der beste jachtvelden van Spitsbergen. Eene boot keerde van een uitstapje van drie dagen met niet minder dan 24 rendieren terug. Blomstrand en Dunér namen er eene temperatuur van 61 graden Fahrenheit iu de schaduw waar, de hoogste die men gedurende den geheelen zomer ondervonden heeft. Vervolgens bezocht men de Xoonveegsche eilanden , van welke het westelijkste merkwaardig is, doordien de eider-eenden daar in groote koloniën broeien. Deze vogels leven in scharen bijeen , altijd op eilanden waar zij veilig zijn tegen den bergvos. Zelden worden eenige andere vogels in hun gezelschap geduld dan de „burgemeesterquot; en de braudgans. Ook de zeezwaluwen leven op zich zeiven. Als de eider-eend niet meer dan een of twee eieren in het nest heeft, legt zij er eene schelp (Buc-cinum glaciale) bij.

Den 81 Juli wierp de Magdalena het anker in de Kruisbaai aan de westzijde van West-Spitsbergen, merkwaardig door den onmetelijken gletscher, achter in den noordwestelijken arm dier baai. Onophoudelijk maken zich daar groote ijsblokken van los , die niet zelden 40 tot 50 voet boven het water uitsteken en eene lengte en breedte van 150 tot 200 voet hebben. Met deze ijsbergen kunnen de ijsmassa's, die van de gletschers in de Wijde Baai, de Magdalena-baai, de Zeven Ijsbergen enz. afbrokkelen , iu geen vergelijking komen. De oorzaak daarvan is de grootere diepte van het water te dezer plaatse. De meeste gletschers van Spitsbergen raken dadelijk deu grond als zij iu de zee afglijden en rusten dan op een stevigen bodem , ten gevolge waarvan slechts betrekkelijk kleine stukken ijs er van kunnen losgaan ; doch als het water zoo diep is , dat het voorste gedeelte van den gletscher drijft, kunnen veel grooter massa's iu eens afbreken. Op deze wijze ontstaan de reusachtige ijsbergen, die uit de diepe fjorden van Groenland naar de zee afdrijven. Dat men in deze gedeelten van 't hooge noorden zoo zelden van ijsbergen hoort, is dus niet daaraan toe te schrijven dat er \vreinig landijs is en de gletschers klein zijn, maar daaraan dat het water bij de kust te weinig diepte bezit. De groote ijsbergen uit de Kruisbaai bereiken waarschijnlijk nooit de open zee, omdat zij op ondiepten blijven zitten.

Aan de Koningsbaai, waar de Magdalena vervolgens ankerde, ont-

20

ocr page 29

De reis van 1864.

flekte Blomstrand een steenkolenlaag, in welke de afdruksels van bladeren en andere deelen van planten zichtbaar waren, een bewijs dat er een tijd was geweest toen weelderige bosschen van bladerrijke boomen, naar 't schijnt eene soort van ahornen , de bergen en dalen tooiden van een land , waar, voor zoo ver sneeuw en ijs het niet bedekt, de poolwilg, die zich slechts eenige duimen boven den grond verheft, thans de eenige vertegenwoordiger van het boomenrijk is.

Eindelijk stevende de Magdalena weer noordwaarts naar de Robben-baai , waar zij de eenige dagen vroeger aangekomen Aeolus voor anker vond. Den 12 September nam men gezamenlijk de tehuisreis aan, onderweg nog altijd zooveel wetenschappelijke waarnemingen doende als mogelijk was. Den 23 September was de Aeolus te Tromsoe terug en den 2 7sten viel de Magdalena er binnen.

üaar de expeditie van 1861 de voorbereidende opmetingen om tot zekerheid te komen of er op Spitsbergen een boog van den meridiaan zou kunnen gemeten worden onvoltooid had gelaten, vestigde de Zweedsche akademie van wetenschappen de aandacht der regeering op de wenschelijkheid om dat werk te volbrengen, waarvan het gevolg was dat de Vertegenwooidigiiig weer een subsidie verleende. Deze nieuwe expeditie werd onder het bevel van Nordenskjöld gesteld. Duller en Malmgren zouden hem weer vergezellen; Chydenius was in den tusschentijd overleden.

Eene oude, maar nog sterke kanonneerboot, de Axel Thor eisen, van slechts even 26 ton inhoud, werd beschikbaar gesteld en voor 51/.i maand geproviandeerd, want er was ruimte noch geld om levensmiddelen voor een geheel jaar in te nemen, zoo als bij eene reis naar het noorden behoort te geschieden. De equipage bestond uit 12 man, den schipper Hellstad en den harpoenier Usima medegerekend, die reeds aan de vroegere tochten hadden deelgenomen.

Het scheepje zeilde den 15 Juni 1864 uit en kreeg den 17den liet lïeereu-eiland in het gezicht. De kust was nu vrij van ijs, zoodat men landen kon op eene plaats die men de Zuiderhaven noemt. Eene verlatene Russische hut werd door het bedekken van de deur, de vensters en den schoorsteen met zeildoek in een photographisch etablissement herschapen, waar Nordenskjöld gezichten van de omringende kust opnam. De staat van het weer belemmerde de waarnemingen, zoodat men genoodzaakt was te vertrekken, maar eerst dreef Nordenskjöld bij de zoogenaamde Burgemeestershaven eene wig in de rots, opdat men daaraan later zou kunnen nagaan of liet land in de poolstreken zich voortdurend opheft, zoo als algemeen wordt aangenomen. De wig werd

21

ocr page 30

22 Noidenskjöld's Reizen naar het noorden.

deu 19 Juni 1864 iugedreveu, 4 Zweedsclie voet boven den spiegel der zee.

Het grootste gedeelte van liet Beeren-eiland is vlak en ligt 100 tot 250 voet hooger dan de zee. Het heeft twee terrasvormige bergen, van welke de grootste, de Berg der Ellende genoemd, zich in het noordoosten 1200 voet verheft. Ue kust is rotsachtig met hier en daar een zandig strand, waar de kudden walrussen komen uitrusten. Overal liggen kolossale hoopen walrusbeenderen, die de reden verklaren waarom het Beeren-eiland bezocht en voor korte pooien zelfs gekoloniseerd werd. Twee hutten getuigen nog van die kortstondige bezoeken. De eene hebben wij reeds vermeld ; de andere werd in 1822 bij de Noor-derhaven gebouwd door eeu koopman van Hammerfest, die verscheidene jaren achtereen manschappen zond om er te overwinteren en de walrusjacht uit te oefenen, tot dat de geheele kolonie door liet scorbut uitstierf.

Van het Beeren-eiland werd de steven gewend naar den Stor-fjord tusschen West Spitsbergen en Stans-Voorland, dien men door het ijs niet bereiken kon, zoodat het anker in de Veilige Haven, aan den IJs-fjord, werd geworpen. Men besloot hier tot eene bootreis, doch het ijs belette achter in de baai door te dringen en men landde dus aan den oever eener rivier, die door een dal liep, dat het Eendierdal werd genoemd, omdat het veel door rendieren bezocht wordt. Op deze en dergelijke reizen was steeds naar fossilen uitgezien, doch die, welke Nordenskjöld hier ontdekte, waren van eeu meer bijzonderen aard. Hij vond niet ai-leen groote schelpen als van nautilussen, maar ook stukken beenderen afkomstig van krokodilachtige dieren, gelijk anders alleen iu warme gewesten voorkomen. In den tusschentijd schoot Hellstad zeven vette rendieren, wier vervoer bijna een ougeluk veroorzaakt had, want eeu matroos, die met eeu rendier op den rug eeu snel stroompje doorwaadde, geraakte van de been en zou haast verdronken zijn.

Toen Kordenskjöld den 30 Juni op het schip terugkwam, schilderde hij de genoegens zijner reis met zulke levendige kleureu, dat zijne reis-genooten eenparig oordeelden niet beter te kunnen doen dan ook zulk een uitstapje te ondernemen. Na dus den sleutel der kajuit, waaide wijn en de sterke dranken bewaard werden, aan Johansson, een vertrouwd man uit Stockholm, ter hand gesteld en üsima, bij afwezigheid van Hellstad, tot schipper aangesteld te hebben, vertrok het gezelschap, — Nordenskjöld, Malmgren, Hellstad, de kok en twee man in éene boot, en Dunér, de stuurman en twee jongens in eene andere. Hellstad schoot weer rendieren en de matrozen zochten eieren van

ocr page 31

Gezichten in den IJs-fjord. 23

eider-eeuden. Bij Gipshoek had men eea prachtig gezicht. Het land bestond uit verweerd hyperiet, waaruit zicli op eenigen afstand van den oever eene hooge rots verhief, gevormd door horizontale lagen gips, hier en daar met stukken albast doormengd, die zich als parelsnoeren voordeden ; hoogerop liep eene zwarte laag hyperiet, daar boven verhieven zich grijze lagen en het geheel was door een verblindend sneeuwveld gekroond. Verderop in de Sassen-baai bood de Tempelberg, die reent uit de zee omhoog steeg, een nog grootscher schouwspel aan. De breede laag hyperiet, die den top uitmaakte, was door afstortende beekjes zeer regelmatig verdeeld in stukken, die op een afstand de grootste overeenkomst hadden met reusachtige gothieke bogen, waardoor het geheel het voorkomen droeg van eene kolossale, in puin gevallen gothieke kathedraal. De fjord aan den voet van den berg was bedekt met ontelbare, fantastisch gevormde stukken drijfijs, en lag daar zoo kalm en stil, dat elke rots en elk stuk ijs helder weerspiegeld werd. Ontelbare zeevogels, die gedeeltelijk op de hellingen der bergen, gedeeltelijk op de eilanden in den fjord broeiden, vlogen in kringen door de lucht of zwommen tusschen het ijs om voedsel te zoeken, en verbraken de plechtige stilte, die aan het hooge noorden eigen is. Van hier stak men naar deu anderen oever van den fjord over, doch daarbij liep de boot gevaar tusschen het drijfijs verbrijzeld te worden. De medegeuomen provisiën begonnen ten einde te loopen en men besloot dus terug te keeren. Het ijs hield hen nog verscheidene dagen op, doch eindelijk kwamen zij behouden op het schip in de Veilige Haven terug. Dunér, die een anderen weg was uitgegaan en niet veel bijzonders had gevonden als een waterval van 700 voet hoogte, was er reeds vroeger teruggekeerd.

Intusschen was er het jacht Sullaua aangekomen, waarmede een En-gelschnian, de heer Birkbeck, een pleziertochtje naar Spitsbergen deed. De leden der expeditie werden onmiddellijk bij hem aan boord te di-ueeren gevraagd en hadden al den tijd dat zij bij elkander bleven liggen een drukken omgang met den Engelschman en zijne reisgenooten. Zij bewonderden de sierlijkheid en het comfort op het jacht, maar verbaasden zich tegelijkertijd dat men met die fraaie maar brooze notendop zonder stevige booten eu zonder eenige voorzorg tegen ongelukken zeeën durfde bevaren, waar de geringste botsing met een ijsveld het scheepje naar de diepte zou hebben gezonden.

Den 16 Juli verliet de Axel Thordsen den IJs-fjord, nadat Norden-skjöld weer eene wig had ingeslagen, waarnaar men later de rijzing van het land zou kunnen beoordeelen. Reeds deu volgenden dag werd het schip bij den Bell-sond door een storm beloopen , die drie dagen

ocr page 32

24 Noidenskjöld's Reizen naar het noorden.

aanhield, docli de ledeu der expeditie niet weerhield aan land te gaan om waarnemingen te doen.

De eilanden bij den Horn-soud, waar men den 30 Juli liet anker liet vallen, zijn opmerkelijk wegens de onnoemelijke aantallen cotges , de kleinste zwemvogels van Spitsbergen, die men daar vindt (*). Tot broeiplaatsen kiezen zij de enorme steenhoopen, die op vele plaatsen naast de rotsen afgebrokkeld liggen. Mier houden zij zich in ongeloofelijke hoeveelheden op. Gedeeltelijk vliegen zij in zulke dichte zwermen rond, dat men hen bij den eersten oogopslag voor wolken zou houden; andere zitten zoo opeengepakt op de steenklompen dat men er met één schot 10 tot 20 doodt, terwijl weer andere als ratten in de holen onder den grond kruipen. Toen Torell en Nordenskjöld in 1861 op Spitsbergen waren zochten zij tusschen de steenen rotges-eieren , maar zonder vrucht, zoodat zij reeds onverrichter zake wilden terugkeeren, toen hunne aandacht door een gekakel in de diepte getrokken werd. Zij lichtten de steenen op en bemeesterden verscheidene levende vogels en eieren. Aardig was het, welke geluiden tusschen de steenen uitkwamen als men dicht bij den grond het geschreeuw der rotges nabootste. Zonder dat men een vogel zag volgde het antwoord van alle kanten onder den grond, en die geluiden verwekten dan een steeds hernieuwd gekakel, zoodat eene enkele vraag aanleiding gaf tot eene langdurige conversatie tusschen de gevederde holbewoners. Het vleesch der rotges is zeer aangenaam, zonder eenigen tranigen bijsmaak, zoodat er gedurende het vertoef aan den Horn-sond een groot aantal geschoten werden.

Nordenskjöld en Dunér bezochten het eilandje dat het diepst in den so:ld lag en vonden daar 9 schedels op een hoopje liggen, naar men zeide overblijfselen van Kussen , die uitgeplunderd en vermoord waren door Engelsclie zeelieden , welke daarvoor ongestraft zijn gebleven. Eene andere misdaad van dien aard , ook op de kusten van Spitsbergen gepleegd, werd op eene wonderbare wijze ontdekt, hetgeen de bestraffing der schuldigen ten gevolge had. De manschappen van een Eussisch vaartuig , te Archangel teruggekeerd, rapporteerden dat zij hun kapitein en twee kameraden door een ongeluk verloren hadden. Natuurlijk verwekte dit geene verwondering, totdat eenige jaren later, in 1853, een Xoorweger op Spitsbergen een menschelijk geraamte vond en daarnaast een geweer. Op den loop waren woorden gekrast, houden-

(quot;) Zij zijn door de oude llollandsche Groenlandvaardeis rotges genoemd, in navolging van het geluid dat zij maken. Als men hen op zee ontmoet, verraden zij ue nabijheid van land.

ocr page 33

Ontdekte moord. — Ijsbergen als slepers. 25

de dat hij kapitein, met twee man die reeds vau honger gestorven waren, door zijne equipage met op^et aan wal was achtergelaten. De Noorweger zond het geweer naar Archangel , de misdaad werd bewezen cn de schuldigen giugen naar Siberië.

Den 3 Augustus stak de A.rel Thordsen weer in zee, stevende de zuidpunt van West-Spitsbergen om, richtte zich vervolgens noordwaarts en kwam deu 16den bij de Waller Thijmen straat, die Stans-Voorland van Barents-land scheidt. Nordenskjöld en Dunér gingen aan wal aan de zuidwestelijke punt van het weinig bezochte Barents-land, om waarnemingen te doen. Dunér schoot een fraai rendier, zoodat de kok , dien zij bij zich hadden, naar het schip werd gezonden om eene boot tot vervoer van het dier en last kreeg zekere landpunt om te roeien , ten einde de personen, die aan wal waren, af te halen. Doch door misverstand en eene reeks van tegenspoeden konden Nordenskjöld eu Dunér het schip pas bereiken na 16 uren geloopen en geklommen en 24 uren gevast te hebben. Ter herinnering werd dit voorgebergte kaap Teleurstelling genoemd.

Toen het schip de ankers weer gelicht had , werd het nu voor- dan achterwaarts gedreven, tot dat men het vastmaakte aan een ijsberg, dien dc stroom recht door het andere ijs lieenduwde, zoodat hij een breed ijsvrij spoor achter zich open liet. Dikwijls gebeurt het dat het ijs zich in twee verschillende richtingen beweegt, zoodat het drijf-ijs den eenen kant uitgaat eu de ijsbergen van den tegenovergestelden kant komen, omdat hun voet diep in het water zinkt en daar aan eene strooming in tegenovergestelde richting gehoorzaamt. Niet zelden laten de zeevaarders in de wateren van Spitsbergen zich op zulk eene wijze door een ijsberg voortboegseeren.

Bij Helis-sond, die Barents-land van AVest-Spitsbergen scheidt, beklommen de reizigers den op de oostkust van dit laatste eiland gelegenen Witten Berg, 't geen zeer moeielijk ging, daar de ijskorst die de sneeuw bedekte telkens onder hunne voeten afbrokkelde. Het gezicht van den top was een der indrukwekkendste, die men in deze gewesten kan genieten. Hecht oostwaarts, op een afstand die op 120 mijlen geschat werd , zag men een zeer hoog land , met twee bergen wier koepelvormige toppen boven de andere uitstaken. Dit was het westelijkste gedeelte van een groot, geheel onbekend poolland, het Giles-land, dat, ofschoon reeds in 1707 door den kommandeur Giles ontdekt, geheel vergeten is eu op vele der nieuwste kaarten eenvoudig weggelaten wordt. Op het oogenblik was de zee tusscheu dit land en Spitsbergen bedekt met onafgebrokene ijsvelden, waardoor geen schip zich een weg

ocr page 34

5J6 Nortlenskjöld's Reizen naai- het noorden.

kon baneu. Wel werd. het plau gevormd toch eene reis daarheen te beproeven , nadat de wetenschappelijke werkzaamheden , waarvoor de tocht naar Spitsbergen was ondernomen, zouden afgeloopen zijn, docli ook toen nog maakte liet ijs de zee onbevaarbaar.

Bij de boot terugkomende bevond men dat een beer er een bezoek gebracht en zulk eene verwarring aangericht had, dat men wel een uur noodig had om de wijd en zijd door hem verstrooide voorwerpen bijeen te zoeken. Hij scheen op de vlucht gejaagd door het voor hem ongewone gerammel van een zak harde beschuiten, dien hij ledig had geschud, want .zijne sporen op het zand leverden het bewijs, dat hij op dat oogenblik het hazenpad had gekozen. In den loop van den nacht kwam hij, gelijk men verwacht had , op nieuw een bezoek aan de boot brengen , doch hij werd tot een overhaasten aftocht genoodzaakt, zonder dat een der kogels die hem werden nagezonden hem trof, tot grooten spijt der reizigers die zijne huid reeds verdeeld hadden voordat hij geschoten was en zich te goed hadden meenen te doen aan beeren-biefstuk , die hun bij vorige gelegenheden zeer lekker had gesmaakt. De manschappen daarentegen wilden nooit beerenvleesch eten, ofschoon het zeer goed is en voor vet, eenigszins grof rundvleesch, met een bijsmaak van varkensvleesch , gehouden kan worden. Deze afkeer spruit gedeeltelijk voort uit de meening dat de lever vergiftig is, hetgeen waar kan zijn, terwijl de jonge matrozen vreezen dat zij door het eten van beerenvleesch voor hun tijd grijs zullen worden.

De verschillende wetenschappelijke werkzaamheden waren omstreeks 24 Augustus afgeloopen en men wilde het overige van het seisoen nog gebruiken tot waarnemingen van den staat van het ijs op de kusten van Spitsbergen, toen de reis tot een plotseling einde kwam. Aangezien de weg door straat Hinlopen wel de kortste was, maar het gevaar opleverde dat een zeilschip zoo laat in 't jaar in 't ijs bezet kon raken, richtte men den steven zuidwaarts. Er werden eenige robben geschoten, die het schip uit nieuwsgierigheid volgden en zoo vet waren dat zij bleven drijven, terwijl zij anders, als zij in het water gedood worden, zinken en verloren gaan. Men passeerde de Zuidkaap en zette weer noordwaarts koers, toen men den 30 Augustus bij een fris-schen wind zeilende eene boot met menschen ontdekte, die, met een groote vlag op, zoo snel mogelijk naar de Asel Thordsen roeiden. Het leed geen twijfel dat zij schipbreukelingen waren, zoodat liet vaartuig bijdraaide en hen aan boord nam. Men vernam van hen, dat er nog zes andere booten waren, te zamen met 37 man, behoorende tot drie schepen, die op de kust, van Noordoost-land in het ijs besloten waren geraakt. Met de booten

ocr page 35

Redding van zeelieden. 27

hadden zij in 14 dagen een weg van 100 geograpliische mijlen afgelegd. In den namiddag ontdekte men eene andere boot en in deu nacht van 2 op 3 September nog vier. Na eenig zoeken kwam men de zevende boot den 4 September op het spoor.

Gelukkig werd plaats voor 10 man op twee kleine jachten gevonden, die in deu IJs-fjord lagen. De Axel Thordsen behield er 27 en had dien ten gevolge 42 man aan boord. Onder die omstandigheden was er geen denken meer aan, verder noordwaarts te gaan; er moest tol den terugkeer besloten worden. Den 13 September bereikte men Tromsoe en daarmede was de expeditie af'geloopen.

ocr page 36

HOOFDSTUK II.

KEIZEN VAN PROFESSOR NORDENSKJÖLD NAAR DE POOLZEE, EN OVERWINTERING.

Reis van Nordenskjöld in 18C8 tot bereiking van de hoogste breedte. —Plan van den locht. — Haaitnvangst. — Beschrijving van het Beercn-eiland. — De poolwilg. — Witte walvisschen. — De hermiet. — Veen. — Terugkeer van leden der expeditie. — De hoogste breedte bereikt. — Vergeefeche pogingen om door het ijs te dringen. — Het lek. — Einde der teis. — Reis van Nordenskjöld naar het noorden in IS/'i en 1873. —Rendieren tot trekdieren gekozen. — Uitrusting der expeditie. — De dwergberk. — Sabine's observatorium. — Kolonie aan kaap Thordsen. — Leigh Smith met de Samson. — Winterkwartier aan de Mosselbaai. — De schepen ingesloten door het ijs. — Onverwachte bezoekers. — Zes schepen in het ijs. — Ontsnapping der rendieren. — Inwijding van het overwinteringshuis. — Vette rendieren. — Bezoek aan de zes schepen in het ijs. — De 17 man naar kaap Thordsen. — liet invallen van den winter. — Verdwijning der zon. — De poolnacht. — Bepaling van rantsoen. — Brood uit rendiermos. — Wetenschappelijk werk. — Tijdverdrijf der manschappon. -- Stormen. — Maanlicht. — Noorderlicht. - Lichtgevende schaaldieren. — Eerste geval van scorbut. — Kerstmis cn Oudejaarsavond. — Sneeuwgebouwen. — Gevaar van stranding. — Terugkeer der zon. — Invloed der afwisseling van dag en nacht op den slaap. — Plannen voor een sledetocht naar het noorden.— Tegenspoeden. — Een man verloren. —Sneeuwblindheid. — Tijdverdeeling-op dsn sledetocht. — Bezoek aan de Parry- en Phipps eilanden. — Onmogelijkheid om verder noordwaarts te komen. — Terugkeer langs een anderen weg. — Boeren als wegwijzers. — Opneming der kust van Noord-oostland. — Het binnenlandsch ijs. — De reuzengletscher. — Gevaarlijke ijsspleten. — Aankomst aan de Wahlenbergbaai en Shoal-punt. — Terugkomst van Nordenskjöld en zijne manschappen aan de Mosselbaai. — Treurig loven der achtergeblevenen aan de Mosselbaai gedurende Nordenskjöld's afwezigheid. — Tjjdige hulp door T.eigh Smith met de Diana aangebracht. — Begrafenis van Mattilas cn zijn kameraad. — Lot der -17 man aan kaap Thordsen. — Terugkeer naar Zweden.

Hadden de vroegere Zweedsche expeditiën het meer bepaalde onderzoek van Spitsbergen ten doel gehad, het oogmerk van den tocht,

ocr page 37

De reis van 18G8.

die in 1868 werd ondernomen, was zoo vei' mogelijk noordwaarts door te dringen. l)aar men te Stockholm oordeelde dat er reeds genoeg op het gebied der poolreizen gedaan was, klopte Nordenskjold bij de kooplieden te Gothenburg om ondersteuning van zijne plannen aan en richtte hij aan graaf A. Ehrensvard, gouverneur van Gothenburg, eene memorie, waarin hij uiteenzette dat het najaar de geschiktste tijd voor een tocht naar net noorden is, omdat het oude ijs dan gedeeltelijk door de kracht der zon is gesmolten , gedeeltelijk verbroken en door de poolstrooming naar het zuiden weggevoerd, terwijl de vorming van nieuw ijs nog niet is begonnen. Onder de punten van gewicht noemde hij een onderzoek vau de dieren- en plantenwereld op het Jieeren-eiland, dat hij als het eenige overgeblevene stuk van een uitgebreid poolland beschouwde, waardoor Spitsbergen eenmaal met Skandiaavië verbonden was geweest; een onderzoek der aardschichten op dat eiland en aan den IJs-fjord en de Koningsbaai , die fossile planten bevatten, om licht te krijgen aangaande den overgang uit het voorhistorische warme tijdperk, toen daar weelderige bosschen gi'oeiden, tot de ijsmassa's van den tegenwoordigen tijd; een voortgezet onderzoek op Spitsbergen van de dieren en planten te land en in de zee; dreggingeu op de grootste diepten; metereologische waarnemingen , enz. Bij dit plan stond op den voorgrond, dat men geen roekelooze pogingen zou doen om door het ijs heen te boren , met gevaar van er in besloten te geraken en noch voor- noch achterwaarts te kunnen gaan. In het begin van Augustus vertrekkende, dacht Nordenskjüld in het midden van November terug te zullen zijn.

De Gothenburgsche konplieden schreven voor aanzienlijke sommen in, om de kosten der expeditie te dekken , en Xordenskjöld's plan werd van zoo vele zijden toegejuicht, dat hij vrijheid vond aan de Zweedsche regeering te verzoeken, eene kleine stoomboot ten gebruike te geven. De regeering stond de .So/w af, eene als schoener getuigde ijzeren stoomboot van 60 paardenkracht, die in den winter gebezigd werd om de post tusschen Zweden en Duitschland over te brengen. Zij werd gesteld onder kommando van den kapitein ter zee graaf von Otter , met luitenant Palander als onder-kommandant, en was bemand met 14 koppen. Meer dan 150 Zweedsche zeelieden hadden zich aangemeld, om aan den tocht deel te nemen. Het wetenschappelijk personeel bestond buiten Nordenskjüld uit dr. Nyström, geneesheer der expeditie , Malmgren, Holmgren en Smitt als dierkundigen , Berggreu en Fries als plantkundigen, Lemström als natuurkundige, en Naucklioff als geoloog en mineraloog.

29

ocr page 38

30 Nordenskjold's Reizen naar het noorden.

De Hojia vertrok den 7 Juli 1868 vau Gothenburg, nam te Aale-sund kolen en provisiën aan boord , bereikte den löden ïromsoe en stak , na de laatste toerustingen voltooid te hebben, van daar den 20 Juli in zee. Het schip was voor 70 weken geproviandeerd.

In dit jaargetijde is het op de zee ten noorden van Noorwegen zeer levendig. Vele schepen onderhouden den handel met Archangel, kleine Russische vaartuigen bezoeken Finmarken om zakken meel tegen ge-droogden visch te ruilen , en een aantal Xoorweegsche visschers liggen bij de banken om haaien te vangen. Men bezocht zulk een visschers-vaartuig en vond de equipage bezig met een aan boord geheschen haai van meer dan 8 voet lengte. Het zeemonster , met eene verraderlijke uitdrukking in zijne diepliggende smaragdgroene oogen, lag roerloos op het dek , doch ieder zorgde wel op een eerbiedigen afstand van zijn geduchten muil te blijven. Na van de lever, uit welke men traan kookt, ontdaan te zijn, werd de haai aan de Zweedsche dierkundigen gegeven, die hem ter ontleding naar de Sofia lieten vervoeren.

Het Beeren-eiland kwam den 22 Juli in het gezicht en in den avond van dien dag gingen de geleerden met hunne assistenten aan land, voorzien van levensmiddelen voor eene week. Vijf dagen werden aan het onderzoek van het eiland besteed, dat uit een vrij etfen plateau bestaat , hier en daar met hoogten bezet en door kleine valleien doorsneden, op wier bodem beekjes hun weg tusschen naakte gesteenten zoeken. In 't noordoosten rijst de Berg der Ellende loodrecht uit de zee op, en in het zuiden heeft men den Fuglefjeld van ongeveer dezelfde hoogte. Geen van beide is met gletschers of eeuwige sneeuw bedekt.

Niet zoozeer aan zijne formatie als wel aan de eentoonige grauwe kleur van het landschap heeft het eiland zijn verlaten voorkomen te wijten. Men vindt geen spoor van weidegroen in het binnenland en noch minder van geboomte of heesters. Niets anders ziet men dan den poolwilg, die met zijne dunne stengels over het mos kruipt en twee of drie bladeren vertoont, nauwelijks zoo groot als een vingernagel. Groene plekjes in holten waar water bijeengeloopen is bestaan hoofdzakelijk uit mossen. Met uitzondering van deze vochtige plaatsen vertoont de grond nergens eenig spoor van bedeksel. Door de vereenigde werking van water en vorst zijn de rotsen letterlijk in stukken gevroren. Op die opeengehoopte grootere en kleinere steenblokken kunnen planten ven hoogere orde geen voedsel vinden, te minder daar elk kiempje dat zich mocht vormen, onmiddellijk wordt weggevaagd door den wind of weggespoeld door den regen. Slechts

ocr page 39

Het Beeren-eiland.

33 plauteu van lagere orde vouden de kruidkundigen der expeditie , hetgeen met de 5, reeds vroeger waargenomen dooh nu niet aangetroffen, 38 maakte. De insektensoorten waren slechts 12 in getal

Het voorkomen van het Beeren-eiland is belangwekkender dan het inwendige. De rotsen stijgen recht uit de zee op, en daar zij van betrekkelijk zachte steensoorten zijn , heeft de golfslag ze in den loop der tijden in bogen, grotten, kolommen, torens enz. herschapen. Zoo de plantenwereld schaars is vertegenwoordigd, de zeevogels zijn ongeloo-felijk talrijk. Men zou hen de eigenlijke bewoners des eüands kunnen noemen. Wel treft men ook eenige bergvossen aan, doch deze zijn zeldzaam en de meeste komen gedurende den winter , evenals de ijs-beeren, naar welke het eilaud zijn naam heeft. De zeevogels hebben hier het rijk in ; zij bouwen hunne nesten op de loodrechte rotswanden en uitspringende klippen. Mijlen ver kan men langs de kust varen en al de richels, steilten en hellingen tot, 4()0 of 500 voet boven de zee letterlijk bedekt zien met vogels, wier witte borsten tegen het rotsgesteente afsteken , alsof dit met kalk besprenkeld was. Duizenden andere vliegen over lt;le zee , ontelbare zwermen dobberen op de golven, en heinde en ver is lucht, land en water zwart van vogels.

Ken groot gedeelte van liet eiland bestaat uit lagen waarin men vele schelpen, koralen enz. vindt, een bewijs dat zich hier in lang verledene tijden eene geheel andere dierenwereld in een bijna tropischeu oceaan ophield. Voor twee en een halve eeuw ontdekte men kolenaderen op de noordkust, en bij het tegenwoordige onderzoek bleken die uit het echte kolentijdperk herkomstig, want men vond cr afdruksels van planten uit dat tijdperk in, gedeeltelijk in de kolenlagen zeiven, gedeeltelijk in den zandsteen die ze van elkander afscheidde. Gedurende den tijd dat de Sofia bij het eiland kruiste werden die kolen onder de ketels van het schip gebruikt.

Den 27 Juli zette het koers naar de Zuid kaap, doch toen men den 29sten in de nabijheid kwam, was de toegang door het ijs versperd. Na eene vergeefsche poging om oostwaarts te stevenen, wendde men westwaarts en wierp den Sisten in de Groene Haven in den IJs-fjord het anker.

Eenige visschers, die op witte walvisschen jacht maakten, hadden aan de andere zijde dier baai eene tent opgeslagen. Toen de leden dei-expeditie hen kwamen bezoeken waren reeds 24 van die visschen van verschillende grootte, doch de zwaarste wel 14 of 16 voet lang, gevangen. Zij lagen in eene rij op het strand, de meeste van hun spek

31

ocr page 40

Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

ontdaan en de overige op die behandeling wachtende. De traan uit dat spek levert een aanzienlijk voordeel op en de huid geeft, behoorlijk bereid, een zacht en buigzaam leder. De toestand, waarin de gedoode dieren op het strand verkeerden , leverde een merkwaardig getuigenis van de eigenaardigheden van het klimaat van Spitsbergen. Ofschoon zij voortdurend aan den invloed der zonnestralen waren blootgesteld , was er geen spoor van ontbinding te zien en het lid der expeditie, dat zich met de iusectenttudie bezig hield, kon geen enkele vlieg of ander insect, dat op vleesch aast, op die lijken vinden. De meeuwen daarentegen lieten niet na, zich aan het vlcesch te vergasten.

Xabij de Groene Haven ligt het graf van zekeren Kussischen hermiet Staratsjin, die er in 1826 van ouderdom stierf. De overblijfselen zijner hut zijn nog op een voorgebergte te zien, dat zijn naam draagt. Hij had op Spitsbergen 32 winters (sommigen zeggen zelfs 39) doorgebracht, waarvan 15 achtereenvolgende.

De Sofa vertrok den 4 Augustus naar de Advent-baai en bleef daar tot den llden liggen. Den 6 Augustus vertrokken Nordenskjüld, Palander , Malmgren en vier man met eene boot om den Noord-fjord te onderzoeken, die tegenover de Advent-baai aan de andere zijde van den IJs-fjord ligt. In een dal vond men iels bijzonder zeldzaams op Spitsbergen, namelijk veen, op sommige plaatsen 12 voet dik, hetgeen, ofschoon in betrekkelijk nieuwere tijden gevormd en dus slechts de overblijfselen van meer noordelijke planten bevattende, het bewijs leverde dat er een klimaat geweest is tijdens hetwelk het ijs nog niet de nagenoeg-onbeperkte heerschappij van tegenwoordig had verkregen. De rivier had uit de aardlaag, waarop het veen rust, verscheidene groote en gced ontwikkelde schelpen losgemaakt van soorten die nu nog slechts in het noorden van Noorwegen, maar niet meer op de kusten van Spitsbergen voorkomen.

Den 11 Augustus was het gezelschap aan boord terug en stoomde de Sofia den LTs-fjord uit, de westkust langs naar het noorden. Overal ging men aan land om onderzoekingen te doen , maar in het noorden mislukten alle pogingen om dcor het ijs te dringen. Te Smeerenburg lag de Severine te wachten, een scheepje dat brieven en provisien voor de expeditie had aangebracht. Met de Severine keerden Fries, Holmgren, Malmgren, Nauckhoff en Smitt naar Noorwegen terug, en den 16 September stevende de Sofa naar de Zeven Eilanden, waarvan men echter wegens het ijs wel 12 zeemijlen moest verwijderd blijven. Doch daar voorbij was open water en men begon de hoop te koestereu, wel niet de pool te bereiken, maar misschien hooger te komen dan tot nog toe

52

ocr page 41

De hoogste breedte bereikt. 33

aan eenig schip gelakt was De breedte van Seoresby, 81 graden 30 minuten, was vooralsnog het „Hiertoe en niet verderquot; geweest. Cjlroot was dus aller blijdschap, toen liet op den morgen van den LSdeu bleek, «lat men tot 81 graden 32 minuten was gekomen, nog altijd met open water vooruit. Den volgenden dag haalde men, na vee] laveeren tusschen het ijs, de breedte van 81 graden 42 minuten.

„Wij bereikten dat punt,quot; schreef kapitein van Otter, „juist ten acht ure des morgens. Ik kondigde het groote feit door saluutschoten aan, en toen de geleerden op het dek kwamen, zagen zij de Zweedsche vla» van de masten wapperen ter eere van dezen gedenkwaardigen dag. Volgens berekening hadden wij slechts op 81 graden 39 minuten moeten zijn , doch nit waarnemingen, bevestigd door andere op den volgenden dag, bleek dat wij den stroom in ons voordeel hadden gehad.quot;

Na uiteengezet te hebben waarom hij het onmogelijk acht den pool door open water te bereiken, vervolgt von Otter: „Ik beschouw dat de eer der vlag, die van de stoomboot wapperde, volkomen gehandhaafd was, toen wij een punt bereikt hadden waar niemand met echte stukken bewijzen kan, dat hij van het dek van zijn schip eeue'hoogte genomen heeft, dat wil zeggen binnen 400 zeemijlen van den pool. Scoresby, die te voren het verst gekomen was, verklaarde, met het gezag van iemand, die eene ondervinding van zeventien jaren achter zich had, dat het open water, hetwelk hij daar in 1806 vond, zeer zeldzaam was, en wanneer mannen als Phipps en Franklin zich moesten tevreden stellen eene breedte van 80 graden 48 minuten eu 80 graden 28 minuten bereikt te hebben, kan in redelijkheid van niemand, al heeft men ook eene sterke stoomboot tot zijne beschikking, méér gevorderd worden dan dat hij nog een graad verder komt. Dat die breedte niet bereikt kou worden dan door op menige plaats met kracht tegen de ijsvelden in te stoomen , waar nooit eenig zeilschip had kunnen doorbreken , behoeft niet gezegd te worden, en toen de Sojia op hare eereplaats ter breedte van 81 graden 42 minuten lag, was er geen streek van het kompas waar niet een man, met behulp van een ijshaak, eene mijl ver over ijs had kunnen gaan.quot;

Daar men onmogelijk verder noordwaarts kon komen, werd de koers westwaarts gericht. De stroom liep zuidwaarts en daardoor was de 's avonds weer door ijs omringd, waar zij niet zonder moeite uitkwam. Den 20 September kreeg men Spitsbergen op nieuw in het gezicht, doch er bestond geen plan daar eene haven op te zoeken. Het schip volgde den rand van het pak-ijs of stevende door het drijfijs heen eu

3

ocr page 42

34 Noidenskjöid's Keizen naar tiet noorden.

traditie elke opening bimieu te driugen , die naar liet uoordeu scheen te leiden. De ijsblokken waren zeer hard en deden zich op een afstand aanmerkelijk vergroot voor. Sommige, zwart van aangehechte aarde, gaven blijk dat zij zich ergens van het laud hadden afgescheurd. De koude was vele graden onder uul , doch de manschappen hadden zich aan de temperatuur van het hooge noorden gewend un konden er zich zeer goed iu schikken. De grootste ongelegenheid , die de koude veroorzaakte, was de vermeerdering van het ijs; zelfs de mist bevroor als hij het water raakte en de oude blokken ijs werden zoo hard als staal.

Naardien de kolen voorraad bijna verbruikt was, werd den 23 September besloten naar Spitsbergen terug te keereu. Op dat oogenblik was het prachtig weer en heldere zonneschijn. Aan alle zijden zag men het schip omringd door groote en kleine blokken ijs, waarvan sommige plat lagen , andere tegen elkander opstonden en vele, op de wijze van grotten uitgehold, van binnen de schoonste eu helderste tinten van blauw vertoonden. De meeste manschappen der Sofia waren op het ijs bezig, en sommigen vulden de vaten uit een vijvertje versch water dat zich in de diepten van een ijsveld verzameld had. De dierenwereld was nog buitengemeen talrijk en men had reden zich te verwonderen , dat zoo ver in de zee en zoo midden in liet ijs zooveel meeuwen , alken en rotges zich ophielden.

Den 25sten kreeg men Spitsbergen weer in 't gezicht, dat er als een reusachtig lijkkleed uitzag, door de zware sneeuwbuien die inden voorafgegauen nacht waren gevallen. Na vier dagen in het Zuidergat, tusschen het Deenen-eiland en het vasteland gelegen te hebben , vertrok de Sofia den 29sten naar de llobben-baai om steenkolen in te nemen en lichtte den 1 October weer het anker voor eeue nieuwe poging om ten noorden van Spitsbergen door te dringen met de hoop om daar land te ontdekken, waarvan het beslaan vermoed werd. Werd dit oumoaelijk bevonden , dan zou men den steven naar de Zeven Eilanden wenden en van daar uitstapjes naar het noorden doen en ook naar het oosten, naar het raadselachtige Giles-land. Dit kon ten gevolge hebben dat men tot overwinteren werd genoodzaakt, waarvoor men dus toebereidselen maakte. Men liet de keus op het Parry-eiland vallen eu berekende dat men proviand voor 60 dagen kon inedenemeu , in welken tijd de 8-lste graad breedte te bereiken was, waarna er nog tijd zou overblijven om iu het voorjaar een tocht naar Giles-land te ondernemen. Al deze vooruitzichten werden eciiter onverwachts verijdeld.

In den morgen van 4 October, toen de Sofia zich door de ijsmassa's heenwerkte die haar omringden, kwam zij zoodanig in botsing met

ocr page 43

Hot lek. — Uitstap naar Groenland. 35

eeu ijsblok , dat. zij een groot lek kreeg, waardoor het water een der kolenhokken binnenstroomde. Het tusschenschot. werd onmiddellijk dicht gemaakt, om het water tot die ruimte te beperken. De schok had niet alleen eene ijzeren plaat gebogen en doen barsten, maar ook twee ijzeren ribben gebroken en het dek boven het kolenhok ontzet. Slechts met inspanning van alle krachten kon men de Sofia Loven water houden en haar 11 uren na het ongeval bij het eiland Amsterdam voor anker brengen. jN'a het schip zooveel mogelijk verlicht te hebben , voerde men het naar de Koningsbaai over, waar liet gerepareerd werd. Den 11 den stevende men van daar zuidwaarts en den léden bij de Zuidkaap deed men eene poging om oostwaarts naar Giles-land te komen, maar op een halven graad van de Duizend Eilanden raakte men in het ijs , waar weldra geen verder voortdringen meer mogelijk was. Het plan moest dus opgegeven worden, en na nog eeu storm bij het Beeren-eiland te hebben doorstaan, liet de Sofa den 20 October te ïromsoe het anker vallen.

Professor Oswald Heer, te Zurich, verklaarde van dezen tocht: »Naar mijne overtuiging is door de Zweedsche expeditie, uit hoofde van de rijke verzamelingen van allerlei aard die zij heeft medegebracht, meer verricht tot verrijking van onze kennis, dat indien zij enkel ware teruggekeerd met de tijding, dat de Sojia hare vlag aan den noordpool had geplant.quot;

Nordenskjöld wiens geest altijd met de gedachte aan poolreizen vervuld was, beraamde weldra eene nieuwe expeditie, doch deed vooraf (in 1870) eeti uitstapje naar Groenland, in de eerste plaats om de ijs-verschijnseleu aldaar te onderzoeken en ten tweede om zich te vergewissen of het raadzaam was honden als trekdieren op een tocht naaide poolgewesten te bezigen. Alle Groenlanders, die hij raadpleegde, rieden het hem af. Hunne voornaamste reden was, dat hij het ver-eischte getal honden niet zou kunnen bekomen dan door ze in alle nederzettingen in Noord-Groenland op te koopen, en dat het dan bijna zeker was dat de besmettelijke hondenziekte, die in verscheidene dier nederzettingen gelieerscht had , ook onder de aangekochte dieren zou uitbreken. Gebeurde dit dan zou niet alleen het bestede geld verloren , maar ook de expeditie van een hulpmiddel, waarop zij zicli verlaten had, beroofd zijn.

iNa dus met eene overlevering der poolreizigers , volgens welke de honden onmisbaar zijn op die tochten, gebroken te hebben , vestigde hij zijne aandacht op het rendier, dat in het noorden van Skandinavië uitsluitend als trekdier gebezigd wordt, wanneer men onmetelijke uit-

ocr page 44

Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

gestrektheden, dik met sueeuw bedekt, bereizen moet. Op zijn verzoek zond de heer Oscar Dickson, de Gothenbnrgsche koopman die steeds bewijzen van zijne groote belangstelling in Nordenskjöld's ondernemingen gegeven had , eene lijst van daartoe betrekkelijke vraagpunten aan een aantal personen , die met de behandeling van rendieren vertrouwd waren , en toen de daarop ontvangen antwoorden meerendeels gunstig luidden werden 40 rendieren aangekocht, en tot voeder 3000 zakken rendiermos ingeslagen.

Voor de ontworpen nieuwe expeditie gaf de Zweedsche regeering niet alleen een aanzienlijk subsidie, maar stond zij ook de mailstoomboot Polhem en de brik Gladan, behoorlijk bemand en uitgerust, ten gebruike af. De groote hoeveelheid rendiermos, die naar Spitsbergen overgevoerd moest worden, maakte het noodig bovendien de stoomboot Onkel Adam van Gothenburg te huren. De Polhem van 60 paardenkracht stond onder bevel van luitenant Palander en had aan boord, behalve Nordenskjöld die de chef der geheele expeditie was , den officier van gezondheid dr. Envall, luitenant Parent van de Itali-aansche marine , die op verzoek van de Italiaansche regeering aan den. tocht deelnam, den natuurkundige Wijkauder en den kruidkundige Kjellman. De expeditie was goed voorzien van magnetische, astronomische, metereologische en physische instrumenten, van peiling- en dregtoestellen , van drie verplaatsbare observatoriën die te Stockholm gemaakt waren, en van eene bibliotheek van 1000 boekdeelen, gedeeltelijk verschaft door graaf Ehrensvard, gouverneur van Gothenburg.

De Polhem en de Gladan liepen gezamenlijk den 4 Juli 1872 van Gothenburg uit. De eerste , die nog verschillende havens van Noorwegen aandeed, bereikte ïromsoe den 13 Juli, en de laatste stevende rechtstreeks naar Spitsbergen. De Polhem bleef meer dan veertien dagen te Tromsoe liggen om nog verschillende maatregelen te nemen die de vermoedelijke lange duur der reis noodzakelijk maakte en daa;.-door had de bemanning gelegenheid de feesten bij te wonen wegens het duizendjarig bestaan van Noorwegen, of juister gezegd wegens den duizendsten verjaardag van den slag van Hafrsfjord , die de vereeni-ging der meer of minder onafhankelijke stammen, welke Noorwegen bewoonden, tot eene natie ten gevolge had. Den 21 Juli zette de Polhem zijne reis voort, en in den avond van den 23sten bevond hij zich bij het Beeren-eiland , dat echter door den zwaren mist niet te zien was, zoodat de voorgenomen landing moest achterwege blijven. Den 25sten kreeg men de Zuidkaap in het gezicht. Nordenskjöld ging met eenige zijner reisgenooten op deze weinig bezochte plek aan

36

ocr page 45

De reis van 1872—73. — De dwergberk. 37

wal, doch kon door den staat van het weer hare juiste ligging niet bepalen , zooals zijn voornemen was geweest. Den 2fisten wierp de Pol-iem het anker in de Advent baai, waar de Glaclan reeds drie dagen te Voren was aangekomen.

Na de Dickson-baai onderzocht te hebben , de oostelijkste der twee armen waarin de Noord-fjord, eene der twee groote afdeel in gei.' van den IJs-fjord, zich splitst, verlieten Polhem en Gladan de Advent-baai en lieten den 2 Augustus het anker vallen in de Groene Haven, waar Xordenskjold niet zooveel fossilen vond als hij gehoopt had. Kjellman cu Wijkander begaven zich in den tusschentijd naar de Kolenbaai, om den dwergberk te zoeken die er in 1870 door andere reizigers onidekt was. Na lange en vruchtelooze nasporingen, toen alle hoop was opgegeven en zij reeds naar de booten terugkeerden, zagen zij plotseling de donkergroene bladeren tusscheu het mos omhoog steken. Deze berk wordt beschouwd als ten laatste overblijfsel uit den tijd toen Spitsbergen een warmer klimaat bezat dan tegenwoordig. De boompjes waren niet hooger dan twee voet en de dikste stammen niet dikker dan een paar centimeters. Toen deze na de terugkomst in Zweden door middel van het mikroskoop onderzocht werden, schenen stammetjes van die dikte ongeveer 80 jaar oud te zijn. De jaarringen waren zoo dun en fijn, dat zij in sommige gedeelten van den stam niet onderscheiden konden worden.

De Groene Haven den 4 Augustus verlatende passeerden de schepen tusschen Prins Karel's Voorland en het vasteland en richtten zich naar het Parry-eiland, waar uien echter op ondoordringbare ijsdammen stiet en verplicht was weder zuidwaarts te keeren. Bij Welkom-punt ontmoette men in den morgen van den 9deii een Noorweegsch vaartuig, welks kapitein berichtte dat het met het ijs ten noorden van Spitsbergen ongunstiger gesteld was dan sinds vele jaren, zoodat hij drie weken opgesloten was geweest in de Liefde-baai. Oostwaarts was de zee met dicht opeengepakt drijfijs bedekt, waardoor het onmogelijk zou zijn zicli een weg te banen.

Bevreesd om in te vriezen begaven de Polhem en de Gladan zich naar Fairhaven, in afwachting dat het ijs door een guustigen wind zou worden uiteengedreven. Gedurende dat gedwongen oponthoud deed Wijkander eene reeks magnetische waarnemingen op ,.Sabine's observatorium,quot; eene plaats kenbaar aan een grooteu kring steenen, waar Sabine in 1823 eene reeks van physische en astronomische waarnemingen had gedaan. Zij ligt op de zuidwestkust van het binnenste der Noorweegsche eilanden. Ook voor astronomische waarne-

ocr page 46

38 Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

mingeu werd gezorgd en dagelijks waren twee en soms drie booten vau 's morgeus tot 's avonds met dreggen bezig.

Den 13 Augustus kwam de Onkel Adam van Tromsoe met kol er, en rendiermos en 40 rendieren aan boord, onder toezicht van vier Laplanders , Nils, Mickel, Johan en Andres.

Nu al de drie vaartuigen der expeditie aldus vereenigd waren, werd eene nieuwe poging in 'twerk gesteld otn door het ijs te dringen , maar wederom zonder gevolg. Men keerde dus naar Fairhaven terug en ontscheepte de rendieren op het binnenste Noorweegsche eiland , waar de Laplanders eene tent voor zich opsloegen.

Daar het weer ongunstig bleef en windstilte met sterken noordenwind afwisselde werd de Onkel Adam van een gedeelte zijner lading bevrijd eu weggezonden om de stoomboot Mimer te gemoet te gaan , die uit Tromsoe verwacht werd met provisiën enz. voor eene zoogenaamde Zweedsche kolonie aan kaap Thordsen in deu Us-fjord waar men eene coprolietlaag wilde exploiteeren.

Den 27 Augustus deden de Polhem en de G la dan weer eene poging om oostwaarts door te dringen, doch bij den mond der Roode Baai ontmoetten zij eene voor de vischvangst uitgeruste stoomboot , wier kapitein mededeelde dat er nog bijna geen verandering in het ijs gekomen was. De expeditie keerde dus naar iairhaven terug en zette de rendieren naar het vaste land over, waar zij beter voedsel konden vinden en minder gevaar hadden in rotskloven te vallen.

Den 29 Augustus liep een vreemd vaartuig Fairhaven binnen , hetgeen de Samson bleek te zijn, met den heer Leigh Smith nan boord, die van een tweeden ontdekkings- en jachttocht in het hoo-ge noorden terugkeerde. Hij kwam uit de quot;Wijde Baai, waar liet ijs hem vijf weken had ingesloten, eu van waar hij 11 dagen had noodig gehad om naar Fairhaven te komen, ofschoon de afstand tus-schen de beide plaatsen slechts eeuige weinige Engelsehe mijlen bedraagt. De heer Leigh Smith ontving de leden der expeditie met veel voorkomendheid en bezocht zelf den volgenden dag de schepen der expeditie. De onderneming wekte zijne groote belangstelling , gelijk de uitrusting en de werkzaamheden zijne volkomene goedkeuring wegdroegen. Bij zijn vertrek verzekerde hij aan de leden der expeditie , dat hij ouder de eersten zou zijn, die hen den volgenden zomer zouden komen opzoeken. Op dat oogenblik vermoedden zij nog niet, hoe groot de dienst zou zijn die hij hun zou bewijzen.

Het scheen nu wel onmogelijk de Zeven Eilanden volgens liet oorspronkelijke plan te bereiken, doch men zou ze misschien op zekeren

ocr page 47

Voorbereiding tot iln overwintering. 30

afstand kunnen naderen. Na luitenant von Holten met viej; man to hebben achtergelaten om de rendieren weer aan boord van de Onkel Mam te brengen wanneer dat schip terugkeerde, verlieten de PoUem en de Gladav. Pairhaven den 1 September, passeerden den Verlegen Hoek en richtten zich noordwaarts, waar men op S!) graden 5 minuten zulk sterk ijs ontmoette, dat het alle hoop, om de Zeven Eilanden te bereiken, deed vervliegen. Het vormde één onafgebroken veld van aanmerkelijke dikte , dat menigen storm scheen te zullen trotsee-ren eer het verbroken en weggedreven was. Xa eene vruchtelooze poging om de Murchison-baai binnen te loopen en de Treurenberg-baai ten deele met ijs verstopt vindende , koos men de Mosselbaai tot winterkwartier voor de expeditie en kwamen de schepen er den 3 September voor anker.

Terstond begaven Xordenskjöld en Palander zich aan wal op een eiland om eene plaats uit te kiezen voor het huis, dat gebouwd zou moeten worden, Eene geschikte plek, vlak, hoog, droog en zandig, en van eene voldoende ruimte was spoedig gevonden, zoodat onmiddellijk de liand kon geslagen worden aan het ontladen der schepen en het timmeren van het houten gebouw, waarin de expeditie den winter zou doorbrengen. Met werk ging vlug, want dat gebouw van 50 voet lengte en 38 voet breedte, met !) voet hooge zijwanden, was reeds den 10 iSepteraber voltooid en werd Polhem genoemd naar liet schip, üe obse.rvatoriöu, drie in getal, voor magnetische, astronomische en metereologische waarnemingen, kwamen tegelijkertijd gereed.

Den 0 September was de Onkel Adam aangekomen met verschillende rariteiten, zoo als couranten van eene maand oud, nieuwe aardappelen en pas kortelings in den Us-fjord gevangen zalmen. Tevens vernam men dat de directeur van het plan van kolonisatie aan kaap Thordsen zich door onverwachte omstandigheden genoodzaakt had gezien het werk aldaar te staken, het plan om te overwinteren had opgegeven en, na reeds een huis tot winterkwartier gebouwd en voor een deel van het benoo-digde voorzien te hebben , met al zijne manschappen naar Noorwegen zou terugkeeren. De kapitein van de Onkel Adam was zoo verstandig geweest eene groote hoeveelheid van de nu overtollige provisiën en den geheelen voorraad geneesmiddelen te koopen.

üe rendieren waren eerst ontscheept op het eiland waar men de woning had gebouwd , doch werden vervolgens naar het vasteland overgebracht , omdat de Laplanders verklaarden dat de dieren daar een langen tijd goed en overvloedig voedsel konden vinden. Men voorzag de Laplanders van jachtgeweren en bepaalde eene premie voor elk

ocr page 48

40 Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

sueeuwlioeu , dat zij zouden scliieten. Verscheidene ledeu der expeditie gingen ook iu 't veld, eu langs dien weg kreeg men, voordat de poolnacht inviel eu de duisternis eeu einde aau alle jacht maakte, 150 ïi 200 sueeuwhoeuders iu bezit.

J)e lijd was uu voor de Glaclaa eu de Onkel Adam gekomeu om terug te keereu. Ue persouen, die overwinteren zouden, hadden hunne brieven voor hunne betrekkingen iu het vaderland geschreven, de kruidkundige had zijne verzamelingen ingepakt, de geologen hadden de verzamelde rotsgesteenten als ballast ingescheept, toen op den morgen van 16 September, de voor het vertrek bepaalde dag, een hevige storm losbrak, zoo onverwacht eu reeds terstond zoo fel, dat de schepen niet iu zee konden steken. Men kou niets anders doen dan zorgen dat zii niet op den wal dreven en moest verder afwachten tot het weer zou bedaren. Doch weldra , en deze maal geenszins onverwacht, hoorde nieu uit het kraaiennest (*) roepen: „liet ijs komt,quot; eu in korten tijd waren de schepen er door ingesloten. Reeds op den middag was er geen opening meer, groot genoeg om er eeu bootje, veel minder een schip door te brengen, en waar men het oog sloeg, op de zee of in de baai, nergens zag men iets anders dan wit, dicht opeengepakt ijs.

Zou dit weer spoedig opbreken , of zou het de schepen den ge-iieeleu winter ingesloten houden ? Levendig werd die vraag besproken eu men streelde zich met hoop , doch het was een zeer pijnlijke tijd vau spanning die volgde, liet begon te sneeuwen en vroor sterk ; de sneeuw, op het water vallende, vormde eene pap, die terstond bevroor en als een cement de ijsblokken tot eene vaste massa aaueenhechtte , waarvan het zich liet aanzien dat zij niet dan door de felste stormen verbroken zou kunnen worden,

Er werden dus toebereidselen voor de overwintering van al de schepen gemaakt, toen men den 30 September, juist tegen het ondergaan der zon , zes mannen zag naderen. In andere omstandigheden zou dit met genoegen zijn waargenomen , doch thans zag men hunne komst met bezorgdheid te gemoet, want het viel niet moeielijk te raden wie de vreemden waren en wat het doel van hun bezoek was.

De ergste gedachte werden nog door de werkelijkheid overtroffen: het waren niet een of twee schepen , die het ongeluk hadden gehad iu

iquot;) Mot kraaiennest is een tonvormige liouten stelling, in den top van don voorsten mast aangebraclil, om dengeen , die de wacht heelt , tegen do guurheid van hot weer te bescherinon. Kr zit eene draaibare kap op, mot eene opening er in om naar buiten Ie zien.

ocr page 49

Zes schepen in het ijs bezet. 41

liet ijs bezet te raken, maar zes verkeerden in dat geval. De mannen waren door hunne kameraden afgezonden , één van elk schip , en verklaarden, zich gedurende liet laatste van den zomer in straat Hinlopen met goed gevolg te hebben bezig gehouden met de jacht op robben, walrussen en beeren. Sommige hunner hadden de straat vóór 13 September verlaten en zich naar de Wijde Baai begeven om rendieren te schieten, waarvoor 't nu liet beste seisoen was, en de overigen waren op dien 1(5 September uit straat Hinlopen vertrokken, maar toen door liet ijs verrast. Vier der schepen lagen ingesloten bij den Grijzen Hoek en de twee andere bij Welkom-punt. üe equipages waren ten getale van 58 man , en onder hen bevond zich zekere Mattilas, bij de poolreizigers welbekend , die reeds 42 zomers achtereen deze zeeën bevaren had. Om zijn hoogen leeftijd had hij, ofschoon hij het anders gaarne gedaan zou hebben, de tegenwoordige expeditie, met wier chef hij sedert lang bekend was , niet vergezeld. De afgezondenen verklaarden dat zij slechts een geringen voorraad proviand bezaten , waarmede zij, in verband met de vertaoedelijke opbrengst der jacht, tot het begin van December hoopten te komen , maar dan zou de hongerdood hen aangrijnzen, indien de expeditie hen niet bijstond.

Het was een bedenkelijk geval. De expeditie telde 67 koppen en men rekende uit, dat de provisiën , indien de rations tot twee-derden verminderd werden, zouden kunnen strekken tot dat er toevoer uit Zweden kwam. Bijstand te weigeren was bijna onmogelijk , en echter kon de poging om 125 man te voeden met een voorraad die onvoldoende was voor 67 geen ander gevolg hebben dan dat allen gemeenschappelijk te gronde gingen. Een uitzicht echter bestond er misschien nog op redding. Kapitein Clase van de Onkel Adam had medegedeeld, dat er aan kaap Thordsen eene hoeveelheid provisiën was achtergelaten. Men gaf aan de walrusjagers dus den raad , dat een aantal hunner zich over land of ter zee naar kaap Thordsen zouden begeven, 't geen zij ook goed vonden. Doch indien een derde gedeelte van hun aantal slaagde om die plaats te bereiken, zouden de overblijvenden toch nog altijd te veel zijn.

Xordenskjöld raadpleegde de officieren en men besloot aan de kapiteins der in het ijs bezette schepen te schrijven, dat alle hulp zou verleend worden waartoe men in staat was. Nadat die brief aan het zestal voorgelezen was , vertrokken zij den 1 October met een minder bezwaard hart dan zij gekomen waren.

Daar een ongeluk nooit alleen komt, volgde op de insluiting der schepen door het ijs spoedig een ander, dat noodlottig wa- voor de

ocr page 50

Nonlonslijolil's Bcizen naar het. noorden.

uitvoering van liet oorspronkelijke plan der expeditie. Terwijl de vier Laplanders gedurende een zwaren sneeuwstorm koffie zaten te drinken in hunne tent ontsnapten de rendieren, zonder dat men er ooit iets meer van gehoord of gezien heeft. Door het loeien van den storm kon men het klinken der bellen , die sommige droegen., niet hooren, en hunue sporen werden onmiddellijk door nieuwe sneeuw uitgewiseht. De Laplanders waren verslagen over het gebeurde en deden alles om de vluchtelingen weer op te sporen; doch te vergeefs. Slechts één keerde na eene afwezigheid van eene week onverwachts weer, meteene groote gapende wond op den rug, die men vermoedde dat door een van de rotsen losgeraakte steen toegebracht zou zijn. De wond werd uitgewasschen en met een stuk rendier vel verbonden , en genas spoedig. De vlucht der rendieren was uit een dubbel oogpunt betreurenswaardig : vooreerst werd daardoor het geheele plan der expeditie verijdeld , en ten tweede vag men zich door dit ongeval beroofd van een aanzienlijken voorraad vleesch , die van het grootste nut had kunnen zijn bij hst uitbreken van het scorbut.

Den 1 October werd liet gebouw aan land betrokken en den volgenden morgen richtte luitenant Palander na eene korte godsdienstoefening eene toespraak tot de manschappen. Met herinnering aan hetgeen zij tot nog toe ondervonden hadden , hield hij hun voor, dat het van hun gedrag zou afhangen, of een aantal menschen aan den hongerdood ontkwamen. [lij schilderde hun de noodzakelijkheid af, om met geduld de onvermijdelijke ontberingen te doorstaan en tevreden re zijn met de vastgestelde winterrantsoenen', omdat de gelukkige afloop der overwintering voor een groot deel daarop zou berusten. Ten slotte hief hij eamp;n volkslied aan, dat door allen van ganscher harte meegezongen werd. Hierna gingen allen vlijtig aan't werk om de nieuwe woning in orde te brengen , en de opgewektheid was zoo groot, dat lach en scherts elkander opvolgden op eene wijze, die men bezwaarlijk verwacht zou hebben bij mannen wier vooruitzichten zoo donker waren.

Reeds kort nadat men zich in het nieuwe huis gevestigd had , werden twee wilde rendieren geschoten. Zij waren van kolossale gestalte , in vergelijking met de tamme rendieren waaraan men gewoon was, en hadden hun winterkleed reeds aan, eene haarlaag van verscheidene duimen dikte, waartusschen tie oogen slechts met moeite zichtbaar waren. Bij een korten kop die nagenoeg één geheel met den dikken nek uitmaakte, hadden zij eene vormelooze gedaante en korte dikke pooten. Die vormeloosheid was niet enkel het gevolg van het lange baar, maar ook van de dikke laag vet die in dit jaargetijde

42

ocr page 51

Bezoek aan de ingesloten schepen. 43

alle spieren der rendieren omgeeft. Het is verwonderlijk hoe zij zulk eene hoeveelheid vet, op Spitsbergen kunnen opdoen, waar de plantengroei zoo schraal is en de zomer zoo kort. In liet voorjaar en nog tot in het laatst van Juni zijn zij slechts vel over been ; doch in het laatst van Augustus en gedurende de geheele maand September gelijken zij op zwaar vee en is al hun vleesch zoo omringd en doordrongen van vet, dat velen liet bijna niet kunnen eten.

Den 22 October ging Palander met vijf manschappen op reis , om , toegerust met eene boot, eene slede en provisiën voor veertien dagen, een bezoek aan de in het ijs besloteue Noorvveegsche schepen te brengen. Zij bereikten den derden dag den Grijzen Hoek en vonden vier ingevroren schepen dicht bij elkander nabij het strand liggen, achter een breeden wal van zware ijsblokken. Verderop scheen het ijs niet buitengewoon dik te zijn doch de walrusjagers waren van ineening, dat , al wierd dat ijs door de winterstormen opgebroken, de ijs wal er weerstand aan bieder, en niet verdwijnen zou voordat de zomerzon er hare vernietigende kracht op uitoefende. De schepen konden dus niet vroeger op bevrijding hopen. De twee andere vaartuigen lagen veel meer westwaarts bij Welkom-punt. Den 17 October waren 17 man uit de verschillende equipages over het ijs vertrokken, om te gaan zien of' er open water bij de Noorweegsche eilanden was. In dat geval waren zij voornemens met eens boot, die zij medegenomen hadden, naar den Us-fjord te varen en hun verblijf te nemen in het thans verlatene huis der kolonie aan kaap Thordsen. De achtergeblevene manschappen verklaarden dat hun proviand niet verder zou strekken dan tot het midden van November en verzochten zich een veertien dagen vroeger dan afgesproken was bij de expeditie te mogen voegen , onder belofte om in het voorjaar, wanneer zij zich gemakkelijker door de jacht konden onderhouden dan in de donkere maand November, veertien dagen vroeger te vertrekken. Welk een ongunstig ijsjaar het was , kan daaruit blijken dat de vroeger genoemde Mattilas op al zijne vorige reizen nog later in het najaar dan deze maai naar Noorwegen had kunnen terugkeeren. In 1871 bijv. had hij Noordoost-land eerst den J6 October verlaten.

Palander verliet met zijne manschappen den Grijzen Hoek den 25 October en kwam reeds den 26sten te Polhem terug.

De winter begon zich nu te doen gevoelen. De vogelzwermen waren langzamerhand in aantal verminderd. Eenige eider-eenden, wier jongen niet tijdig genoeg de krachten hadden gekregen voor de groote reis naar 't zuiden , waren de laatste die heengingen. Tegen liet einde van

ocr page 52

Nordenskjöid's Reizen naar liet noorden.

Ojtober zag in^n nog slechts nu en clan een meeuw, die uit liet noorden kwam, over de baai vliegen. Eene enkele maal hoorde men het geschreeuw der ivoormeeuw, dat, ofschoon niet welluidend, toch aangenaam aandeed, omdat het een teeken van leven was en de diepe stilte der natuur verbrak. De temperatuur bleef gewoonlijk 4 graden Fahrenheit beneden het vriespunt. De 13de October was de laatste dag op welken men de zon zag , die nu vier en een halve maand zou wegblijven. Volgens de wetten der straalbreking had zij nog tot den •20sten moeten zichtbaar zijn , doch de bergketen ten zuiden van de .Mosselbaai sneed daar zeven dagen van af. Yan 26 October af had men den geheelen dag kunstlicht noodig, hoewel men buiten de deur zijn weg nog kon vinden.

j\u de lange en treurige poolnacht was ingevallen, werd liet van 't grootste belang zoo zuinig mogelijk met de voorraden der expeditie om te gaan en voor de gezondheid der manschappen te zorgen. Het eerste vraagstuk, 't geen zich voordeed, was dat der voeding. Toen de I'olkeni vertrok waren er voor 22 man provisiën voor 18 maanden aan boord. De Glaclan, met t officieren, 2 onderofficieren en 21 zeelieden, had Zweden verlaten met proviand voor ongeveer 6 maanden. De Onkel Adam, met 12 personen aan boord behalve de kapitein, had, toen hij in September naar Spitsbergen kwam , slechts voorraad voor eenige weken. Deze was aangevuld door den aankoop dien de kapitein aan kaap Tliordsen had gedaan, waardoor hij nu proviand had voor omtrent G maanden. Er werd besloten uit den voorraad van de PoU/em nog eene zekere hoeveelheid provisiën te geven, voornamelijk geconserveerde , omdat er daarvan slechts weinige waren onder den vermelden aankoop. De equipages van de J'olhem en de Glad an werden beschouwd als één geheel uitmakende. In 't laatst van September was volgens gemaakte berekeningen een zelfde ranlsoen voor de bemanning der beide vaartuigen vastgesteld, hetwelk aanmerkelijk kleiner was dan hetgeen men aanvankelijk gemeend had te zullen kunnen bepalen.

Indien de Noorwegers verschenen, zoo als dagelijks verwacht werd, zou er nog eene verdere vermindering moeten toegepast worden. In dat uiterste geval was besloten de toevlucht tot het rendiermos te nemen , waarvan men zulk een grooten voorraad bezat, die door de vlucht der rendieren nutteloos was geworden. Men nam eene proef om er, vermengd met roggemeel, brood van te bakken. Het mos werd uitgezocht , van alle vreemde bestanddeelen gereinigd en een korten tijd gekookt om er wat van den bitteren smaak aan te ontnemen. Daardoor ging wel iets van de voedingskracht verloren, doch dit was

ocr page 53

Winterwerk.

onvermijdelijk. Vervolgeus werd het mos gedroogd, gemalen, met roggemeel en water gekneed en in dunne schijven gebakken. Het op die wijze verkregen brood zag er goed uit, had de kleur van roggebrood , was goed gerezen enz., doch smaakte zeer bitter. Indien men er eenigs-zins aan gewoon was, en vooral wanneer men nijp3ndeii honger had , kon men het zeer goed gebruiken.

De gewone discipline van een oorlogschip werd iu acht genomen aau boord van de Gladan , en ook aau wal, voor zoover dit met het wetenschappelijk karakter der expeditie bestaanbaar was.

ITet volgende werk werd gedurende den winter verricht:

Geregelde metereologische waarnemingen elk uur gedurende den dag en den nacht; magnetische waarnemingen om het uur en Uveetnaal 'smaands, den Isten en den löden, om de vijf minuten, iu overeenstemming met soortgelijke waarnemingen die te Upsaia zouden gedaan worden; waarnemingen omtrent de straalbreking en den slinger ; waarnemingen van de sterren, het noorderlicht, de dampkrings-electriciteil, de temperatuur van de aarde en de zee ; dierkundige onderzoekingen door dreggingen onder het ijs, enz.

De manschappen brachren hun ledigen tijd voornamelijk door met lezen, maar ook met verschillende spelen , zooals dammen, schaken en domino. Dit laatste viel zeer in den smaak der Laplanders, die ook leerden schaken , na zich in den beginne meestal met kaartspel vermaakt te hebben. Dikwijls hielden zij zich ook bezig met een spel, waarvan de leden der expeditie nooit het fijne hebben begrepen. Zij gebruikten daarbij dobbelsteenen , een bord met vakken als een dambord en kegelvormige houten figuurtjes, die op de vakkeu aau den buitenrand van het bord geplaatst en overeenkomstig de met de dobbelsteenen geworpen oogen bewogen werden. Dobbelsteenen , bord en figuren waren door tie Laplanders zeiven gemaakt. Verder strekten muziek en zang en somtijds de dans tot aanvulling van de ledige uren der manschappen. In 't voorjaar volgden uitspanningen in de open lucht, zoo als schaatsenrijden, ofschoon goed ijs, daarvoor geschikt, niet zoo overvloedig was als men het zich in zulke ijsgewesten zou voorstellen.

November begon met een zwaren storm en bijna die geheele maand stormde het hevig uit het zuiden, zuidwesten en zuidoosten. Den 2 fsteu woedde er een sneeuwstorm, zooals geen van de leden der expeditie ooit had bijgewoond. Er was geen denken aan waarnemingen te doen, en zelfs toen de storm had opgehouden konden zij nog niet dadelijk hervat worden, maar moest men eerst de aangerichte schade herstellen.

45

ocr page 54

46 Nordenskjold's Reizen naar liet noorden.

Ofschoon o]) zich zelf zeer onaangenaam , deden deze stormen de expeditie toch een zeker genoegen, omdat zij een uitweg voor de JNoor-weegsche schepen konden banen. J)e richting van den wind was juist «i'esclukl om de ijsmassa's van de kust te jagen. Wetende dat de walrusjagers een grooten afkeer van eene overwintering op Spitsbergen hebben, onderstelde men , dat, al wierd zelfs maar één der schepen in open water gebracht, de overige door huuue equipages verlaten zouden worden om mede te gaan. Desniettemin maakte men toebereidselen , voor het geval dat zij kwamen opdagen. Men richtte de Po/hem voor hen in en maakte alles gereed om hen zoo goed mogelijk te ontvangen. Den lOden zouden zij komen, volgens de afspraak die Palander aan den Grijzen Hoek met hen gemaakt had; doch toen daar eenige dagen overheen waren gegaan en het weer gunstig bleef voor het opbreken van het ijs, begon men zich overtuigd te houden dat het de ingesloten schepen gelukt was in volle zee te komen en zij nu reeds ver op hunne terugreis naar Noorwegen waren.

Daar men ook hier in den omtrek meer open water begon waar te nemen, werd de vraag besproken of de (Uadan en de Onkel Adam mede zouden terugkeeren , indien zich de gelegenheid voordeed. De moeielijkheid om in de nu bijna volslagen duisternis te varen en de kans om dan weer op eene andere en veel ongunstiger plaats in het ijs bezet te raken, werd aangevoerd tegen het wegzenden van de schepen , maar tocli begon men met toebereidselen om vau een samenloop van gunstige omstandigheden gebruik te kunnen maken , als die zich voordellen, zoo als dat de baai vrij geraakte van ijs, dat het weer gunstig was en dat de maan boven den horizon stond.

Gedurende de geheele maand November was het weer zeer zacht. De temperatuur daalde zelden veel beneden het vriespunt en was er dikwijls vooral op de stormdagen, een of twee graden boven. In September had men een strengen winter verwacht, en thans scheen het omgekeerde het geval te zullen zijn.

Toen de zon diep beneden den horizon stond , verdreef het zachte licht der maan de duisternis van den nacht. Nooit was dit hemellichaam aan de reizigers zoo dierbaar geweest, nooit was haar licht hun zoo schoon en krachtig voorgekomen als nu het de duisternis temperde die zich over de streek , waar men overwinterde, had uitgebreid. Onbeschrijfelijk schoon waren de November-dagen, die door de maan verlicht werden. Allen verklaarden, dat zij zeker nimmermeer een hemel zouden zien, zoo heerlijk als zij toen somwijlen gelegenheid hadden met diepe bewondering te aanschouwen, [iet tooneel was op liet

ocr page 55

Nachttal'oreel.

middaguur liet indrukwekkendst. Op zekeren dag waren Xordeuskjöld en Kjellinan naar den uitersten rand van liet ijs gewandeld , oin van nabij liet schouw.-pel gade te slaan van de golven die als ten reidans gingen en de ijsblokken op haar rug droegen. Na met moeite aan liet uiterste punt gekomen te zijn, want het ijs was Keer ruw , zetten zij zich neder, om een blik om zich heen te slaan. Onvergelijkelijk grootsch was het gezicht. Aan het zuidwesten van het hemelgeweli' stond de volld maan te blinken en in de zee van licht die van haar uitging dreven eenige lang uitgerekte wolken. Jiecht in 't zuiden zag men bij den horizon een Hauw roodachtig schijnsel, dat zich duidelijk onderscheiden liet van 't witte licht der maan. Hier was de zon ondergegaan, toen de lange poolnacht een aanvang nam; het was haar laatste gloed dien men zag. In 't zuidoosten schoten eenige stralen licht van den horizon nit, elk oogenblik van grootte , kleur en plaats veranderende ; dit was het noorderlicht in den vorm zoo als het zich doorgaans in deze streken voordoet. Hoven de hoofden der beschouwers flikkerde de poolster, overal fonkelden sterren aan het uitspansel met meer of minder glans en groot verschil van kleur , en op den noordelijken en noordoostelijken horizon rustte zwarte duisternis. Bij dat schoone firmament voege men eene wijde zee blinkende in het maanlicht, met drie schepen die er donker tegen afsteken en op het land het kleine huis, uit welks vensters het licht der lampen naar buiten stroomt. Men had zich eerder kunnen voorstellen dat het avond was, een avond in eene romantische streek , dan dat liet volgens den tijd tegen den middag liep. Eene indrukwekkende stilte lag over het landschap uitgebreid , nu en dan slechts afgebroken door een geknars, veroorzaakt door het wrijven der ijsblokken tegen elkander, wanneer zij door de deining heen en weer schommelden.

Den 25 November waren er nog maar 100 voet ijs tusschen de Gladau en het open water, doch den 27stcn ging de maan onder en viel eene volstrekte duisternis in. Van nu af en gedurende de geheele maanden December en Januari en een gedeelte van Februari was het noorderlicht zeer gewoon, doch over het algemeen bezat het te weinig helderheid om de donkerheid noemenswaardig te verminderen. Het vertoonde zich op alle uren van den dag en in alle windstreken, doch liet meest in 't zuiden. Zelden deed het zich voor in den vorm die in Zweden het meest gewoon is, namelijk als een bundel lichtstralen, die van eene donkere onderlaag of wolk uitgaan, liet was hier meestal zichtbaar als een flauw verlichte rand aan de wolken of als eene verzameling van lange fijne stralen, nu eens weinig in getal en ver uit-

47

ocr page 56

48 Nonlenskjöld's Reizen naar het noorden.

een verspreid, dan weer talrijker en dan in liet zenith tot eene meer of minder volle kroon vereenigd. Het gebeurde ook wel , dat breerie, sterk verlichte en sierlijk dooreengevlochten banden van verschillende kleuren aan 't zwerk verschenen, doch deze hielden slechts zeer kort stand. Zij waren echter zeer geschikt om dit belangwekkende natuurverschijnsel door de spectraal-analyse te onderzoeken, hetgeen ook zoo dikwijls gedaan werd als mogelijk was.

Nog een ander verschijnsel trok groote opmerkzaamheid. Het strand was meerendeels bedekt met sneeuw, die vochtig werd gehouden door het water, eu in die pap hielden zich een groot aantal bijna mikro-skopische schaaldieren op. Hunne aanwezigheid bleek uit een sterk bleekblauw licht dat die sneeuwpap van zich afgaf als zij aangeraakt werd en dat bij onderzoek van die kleine organismen bleek voort te komen. Ging men op een donkeren en stormachtigen dag langs het strand, 'dan sloegen er aan alle zijden blauwe vlammen uit, zoodat men bijna vreesde dat de schoenen zouden verschroeien en de kleederen in brand geraken. Niet minder belangwekkend was het op een stillen dag, wanneer de zee open en kalm was, langs den ijs-gordel te wandelen die het strand omzoomde, want elke golf, die langzaam kwam aanrollen, gaf, wanneer zij tegen het ijs brak, ook plotseling eene blauwachtige flikkering af, die voor een oogenblik liet donkere watervlak, dat er het dichtst bij was, verlichtte.

Den 30 November lag de Gladan in open water, doch de andere schepen waren nog in het ijs bezet. Er begon zich nieuw ijs te vormen en snel nam het in dikte toe. Den 8 December had men het eerste geval van scorbut. De patient was een oud zeeman, die, niet gewoon aan geconserveerde provisiën , alleen gezouten vleesch had willen eten. Door verandering van spijzen en eene doelmatige behandeling verdween de ziekte spoedig. Den llden kreeg men weer maanlicht, eene groote vertroosting na een tijd van zoo diepe duisternis, dat men • buiten de deur den weg niet vinden, noch de hinderpalen die men ontmoette vermijden kon. Van het maanlicht maakte men gebruik om de Gladan door de Polhem naar eene nieuwe ankerplaats te doen slepen. De Onkel Adam was reeds vroeger verplaatst, zoodat de schepen nu op weinig afstand van elkander lagen en als het ijs opbrak te gelijk vrij zouden zijn. Toen weer een geval van scorbut voorkwam hield dr. Envall eene toespraak over de noodzakelijkheid voor allen om lichaamsbeweging in de open lucht te nemen en de geconserveerde provisiën te gebruiken , ofschoon de manschappen daar in het algemeen niet veel van hielden. Den 20sten stierf een der

ocr page 57
ocr page 58
ocr page 59
ocr page 60

De Kerstboom. 49

zeelieden na eene ziekte van eenige dagen aan pleuris, gepaard met beginselen van scorbut. Den 22sten begroef men hem zoo statig mogelijk ; de kist, op eene slede gezet, werd door de eene helft der equipage over liet ijs en de sneeuw getrokken en door de andere helft gevolgd.

Den 23sten brak het ijs op, ofschoon het weinige uren te voren zoo sterk was geweest, dat kanonnen er over hadden kunnen gaan. De drie schepen waren nu vrij, maar bij de afwezigheid van maanlicht moest men alle gedachten aan terugkeer laten varen.

De avond voor Kerstmis werd met de in Skaudinavië gebruikelijke plechtigheid gevierd, waarbij de kerstboom, versierd met Zweedsche, Noorweegsche en Italiaansche vlaggen en behangen met kerstgeschenken de hoofdzaak was. Die gaven, uit messen, borstels, boeken, tabak, sigaren, stukjes zeep, enz. bestaande, werden verloot, en daar ieder drie of vier loten kreeg en evenveel prijzen trok, was de opgewondenheid groot. Vooral de Laplanders, die nooit iets dergelijks bijgewoond en ter eere van het feest hun veelkleurig Zondagspak aangetrokken hadden, waren buiten zich zeiven van blijdschap over de heerlijkheden, die hun ten deel vielen. Daarop volgde een maaltijd met nationale gerechten. De beide Kerstdagen bracht men volgens Skan-dinavisch gebruik in stilte door.

De oudejaarsavond werd gevierd met een souper van de officiereu, en nadat tot aller vermaak eenig vuurwerk afgestoken was, deed men het eindigende jaar 1S72, dat voor de leden der expeditie zoo rijk aan gebeurtenissen was geweest, met saluutschoten uitgeleide.

De manschappen waren in den tusschentijd bezig geweest een badhuis op te trekken met de materialen van eene op een afstand gevonden Russische hut, doch deze bleken ontoereikend en het werk bleef onvoltooid. Daarna wilde men een exercitieloots bouwen van de zakken met rendiermos, doch telkens als zij hare voltooiing naderde, moest er eenige verandering worden gemaakt, zoodat men alles omverhaalde en op nieuw begon. Eindelijk besloot men het gebouwtje met een muur van sneeuw te omringen, en deze zelfstandigheid bleek een beter materiaal te zijn dan de mos-zakken. Men bouwde dus vervolgens nog verscheiden huizen van sneeuw, en één, zóó fraai uitgevoerd dat men het met den titel van Kristallen Paleis vereerde, werd lang als een tweede magnetisch observatorium gebruikt.

Ook het dreggen, soms in open water, soms ouder hit ijs, werd den geheelen winter voortgezet, en aan deze bestendige bezigheid was het voorzeker toe te schrijven, dat allen opgewekt var geest bleven en de vermindering der rantsoenen niet dadelijk zooveel nadeel deed als

4

ocr page 61

50 Nordenskjold's Reizen naar het noorden.

men gevreesd had. Er kwamen echter vrij wat gevallen van scorbut voor; wel weken zij voor geneeskundige behandeling, doch men zag dat, indien de Noorwegers de expeditie nog waren komen vermeerderen, liet gevolg waarschijnlijk zou zijn geweest, dat de meesten, zoo niet allen, hun graf op de barre kusten van Spitsbergen hadden gevonden. Het onvoldoende der rantsoenen werd toch door den officier van gezondheid beschouwd als de voorname oorzaak dat het scorbut zoo vroegtijdig uitbrak en zoovelen aantastte, hoewel de neerdrukkende invloed van de langdurige duisternis en de vatbaarheid voor het scorbut, die het poolklimaat te weeg brengt, ook niet uit het oog moest worden ve.loren.

In den morgen van 7 Januari rees de thermometer aanmerkelijk, ofschoon hij nog altijd ouder het vriespunt bleef, en weldra begon een hevige storm uit het zuidoosten te woeden, die in weinige uren de Mosselbaai van ijs bevrijdde en de schepen uit hunne kluisters ontsloeg.

Er werden nu toebereidselen gemaakt, om met de Polhetn noordwaarts te stevenen, ten einde den verderen toestand vau het ijs te onderzoeken, doch eer men daarmede gereed was, stak er een storm uit het noordwesten op en vroren de schepen weer in. Gedurende het overige van Januari was de koude niet hevig en brak bij meestal zuidenwind het ijs in de baai nu en dan op. Er werd bepaald, dat, zoodra men weer vrij zou wezen, al de schepen de Mosselbaai zouden verlaten, de Polhetn om zich naar 't noorden te richten, en de beide andere om huiswaarts te keeren. Den 29 Januari was de geheele baai vrij van ijs. Men besloot dus dien avond te vertrekken, doch de wind nam zoozeer toe, dat dit uitgesteld moest worden. Den 30sten bleef de storm aanhouden en verdubbelde in hevigheid, zoodat de drie schepen gevaar liepen om fe stranden. De Polhem geraakte werkelijk op eene zandbank, doch werd, hoewel niet zonder groote moeite, afgebracht. Eindelijk ging de storm liggen en kon men elkander geluk wenschen met de redding uit het dreigende gevaar. Het verlies der provisiën, die zicli aan boord bevonden, zou in geval van stranding waarschijnlijk zijn geweest en de reizigers waren dan den hongerdood te gemoet gegaan.

Den 6 Februari kou men voor 't eerst het lamplicht missen, doch slechts een korten tijd op den dag. Het duurde nog tot 13 Maart eer de zon zichtbaar werd. Den 20 Februari bereikte de koude haar toppunt en was de zee weer, zoover het oog reiken kon, met ijs bedekt, dat eiken dag dikker werd. Den 3 Maart vermoedde men echter, doordien zich eenige meeuwen vertoonden, dat er op geen al te grooten afstand open water was. Dit werd ook spoedig bevestigd. Van eene

ocr page 62

Invloed der afwisseling van dag en nacht. 51

naburige hoogte zag men deu 4deu eeu boogvormig kanaal, dat zicli van straat Hinlopen naar liet kleine Moffen-eiland en van daar naar de Xoorweegsche eilanden uitstrekte. Nog ging er van straat Hinlopen zulk een kanaal uit, langs de westkust vau Noordoost-land naar de Brandewijn-baai.

Den 6 Maart werd een groote ijsbeer geschoten, wiens vleesch eene aangename afwisseling was voor lieden, die zich zoolang van geconserveerde provisiën hadden moeten bedienen. Men hoopte op meer beeren, maar die verwachting was ijdel.

Er werd besloten, dat den 16den twee detachementen van Polhem zouden vertrekken, het eene onder Nordenskjöld en Palander naar üiles-land, het andere ouder Krusenstjerna en Parent naar Noordoost-land. Doch het scheen, dat de expeditie steeds met tegenspoeden moest te kampen hebben, want den 16den woei een hevige storm met sneeuwbuien uit het zuidoosten, waardoor het vertrek onmogelijk was. Een langen tijd bleef het weer zeer slecht; het stormde en sneeuwde bijna eiken dag en was daarbij zeer koud. Voordat er verbetering kwam, ging het grootste gedeelte der maand Maart voorbij en was het te iaat geworden om het opgevatte plan uit te voeren, daar de eigenlijke poolreis omstreeks het midden van April moest worden aangevangen.

Men bevond zich nu in de allereerste dagen van April. De zon bleef zoolang boven den horizon, dat er eigenlijk geen nacht meer was. Merkwaardig was de invloed, dien de afwisseling van dag en nacht op den mensch uitoefende. Gedurende het eerste gedeelte van den donkeren tijd had men eene bijna onovenvinuelijke slaperigheid ondervonden; men meende wel 24 uren achtereen te kunnen slapen. Doch tegen het einde van dien tijd kreeg men last van slapeloosheid en bijna allen kostte het moeite zich de noodige rust te verschaften. Nu het wéér dag was, vielen allen in slaap zoodra zij zicli ter ruste hadden begeven en sliepen geregeld door, maar naarmate de pooldag vorderde kwam de slapeloosheid terug, ofschoon niet in dezelfde mate als vroeger.

In het midden van April had men zeer koude dagen, zoodat al liet open water weer bevroor en de zee spoedig eene onafgebroken ijsvlakte vertoonde. Men besteedde den tijd nu aan de toebereidselen voor den beraamden sledetocht naar het noorden. De omstandigheden waren ongunstig, want de manschappen hadden veel van hunne krachten verloren door de onvoldoende voeding gedurende den winter, en de rendieren, waarop men voor dien tocht alle hoop had gebouwd, waren ontvlucht, doch Nordenskjöld wilde, al kou men niet zoo hoog komen als hij vroeger berekend had, de ruime slede-uitrusting, waarvan men

ocr page 63

52 Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

voorzien was, niet ongebruikt laten. Bovendien had, onafhankelijk vau, de te bereiken hoogte, een sledetocht naar het noorden veel belang omdat men alleen op deze wijze kennis kon opdoen van den toestand van het pool-ijs in dit jaargetijde.

Nordenskjöld wilde, dat het hoofddetachement door twee kleinere detachementen zou vergezeld worden, van welke het eene provisiën op de Zeven Eilanden moest brengen, om dan terug te keeren, en het andere hetzelfde moest doen na iets meer ten noorden van die eilandengroep gekomen te zijn.

Het vertrek was op 23 April bepaald, doch moest tot den volgenden dag worden uitgesteld, omdat eene der sleden brak, zoodra zij in beweging werd gebracht. Men ging dus den 24sten op weg met twee sleden, elk boven de gewone vracht beladen met eene boot. Men trok eerst de 1000 voet hooge bergen over, die de Mosselbaai van den ingang der Treurenbergbaai scheiden. Bij den aanvang hielpen bijna al de manschappen der schepen, die eene goede gezondheid genoten, aan het opslepen der sleden tegen de hoogten, zoodat men snel vooruit kwam, maar op het hoogste punt verlieten zij het gezelschap, dat verder alleen de reis vervolgen moest, de zachte hellingen af, die naar den Verlegen Hoek loopen.

Op dit tweede gedeelte van den tocht had men het nieuwe ongeluk, dat de slede, die voor het hoofddetachement bestemd was, in stukken brak, en toen men iets verder Krusenstjerna ontmoette, die een andereu weg over de bergen had genomen, hoorde men liet onwelkome nieuws, dat een zijner mannen ziek was geworden en hij zich daarom verplicht achtte terug te keeren. Een van Nordenskjöld's eigen manschappen begon ook te klagen en bleek later vrij ernstig door het scorbut aangetast te zijn. Alles scheen dus tegen de onderneming te hebben samengezworen.

Nordenskjöld wilde desniettemin voorwaarts gaan na zijne gebroken slede verwisseld te hebben met die, welke voor Krusenstjerna's afdee-ling zou hebben gediend, maar bij onderzoek ook bleek gebroken te zijn. Het was duidelijk, dat de sleden, te Kopenhagen met de grootste zorg naar |Engelsche modellen vervaardigd , niet sterk genoeg waren om over hobbelig ijs of zelfs over een oneffen grond de zware lasten (2000 a 3000 pond) te vervoeren, die in een geval als het tegenwoordige noodig waren, zoodat zij versterkt moesten worden met de materialen, die men op de overwinteringsplaats bezat. Met dit doel keerde Palander met een gedeelte der manschappen naar Polhem terug.

Met de overigen wilde Nordenskjöld den tijd , die tot het in orde

ocr page 64

Een man verloren.

brengen der sleden vereischt zou worden, gebruiken om zooveel mogelijk noordwaarts in de richting, die hij zou te volgen hebben, een depot van provisiën aan te leggen. Doch dit voornemen werd verijdeld door het ongeluk, dat een der mannen overkwam. Xordenskjöld vertrok met zijn detachement van den Verlegen Hoek over het ijs, en den derden dag daarna, onderstellende dat hij dicht bij Shoal-punt moest zijn, gaf hij aan twee der medegenomen Laplanders last nog iets verder te gaan, om te zien of zij drijfhout konden vinden, om het eten op te koken. Zij kwamen spoedig terug, de een met de tijding dat hij land in de nabijheid gezien had, de andere met een stuk hout van het strand zelf. Zij werden nu met een derde uitgezonden , om met eene der sleden eene hoeveelheid van dat hout te halen. Doch intusschen waagden het twee der zeelieden, uit misplaatsten ijver en zonder eenig bevel van Nordensk jöld , met de andere slede liet kamp te verlaten om ook hout te gaan zoeken, zonder evenwel de reeds afgezondenen te volgen of eenige vraag te doen aangaande de richting, die zij moesten inslaan. Een hunner bemerkte spoedig, dat zij op een verkeerden weg waren en keerde terug, na te vergeefs zijn kameraad, den bootsman Snabb, aangespoord te hebben met hem mede te gaan. Snabb, een bruikbaar, maar eigenzinnig man, verkoos echter voort te gaan, en kwam niet meer terug. Zoodra Nordenskjöld het gebeurde vernam, ging hij er met een der Laplanders op uit om de sporen van Snabb en de door hem getrokken slede te zoeken, doch de sneeuwjacht had alles zoo zeer bedekt, dat er geen spoor te vinden was. Even vruchteloos bleven in de volgende dagen de pogingen, doordien de sneeuwjacht aanhield en aller oogen geleden hadden door het staren op de sneeuw. Een der Laplanders was zoo blind, dat hij geleid moest worden; verscheidene manschappen waren weinig minder hevig aangetast, enJSor-denskjöld zelf boette zijne onvoorzichtigheid, om niet dadelijk bij het begin der reis een sneeuwbril op te zetten, met een begin van sneeuwblindheid, die hem belette waarnemingen te doen, terwijl de minste inspanning van zijne oogen hem hevige pijn veroorzaakte.

Dit ongeval belette het detachement verder te gaan, zoodat Nordenskjöld liet plan om een depót benoorden de Zeven Eilanden aan te leggen moest opgeven , want men mocht deze plaats niet verlaten , zoolang er nog eenige hoop of mogelijkheid bestond om Snabb terug te vinden. Intusschen kwam de tijd, waarop, volgens de gemaakte afspraak, mannen moesten afgezonden worden om Palander bij den Verlegen Hoek te gemoet te gaan.

Den 2 Mei kregen zes mannen daartoe het bevel, terwijl Norden-

53

ocr page 65

54 Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

skjöld met drie andere hij Shoal-punt bleef. Deu 5 Mei verscheen Palander met de sleden, de uitrusting van het hoofddetachement, enz. Terwijl de meeste mannen over het ijs gingen, had Palander van een kanaal, dat de sterke wind der vorige dagen daarin geopend had , gebruik gemaakt om de booten en provisiën over te brengen, waardoor hij in staat was geweest het oueft'ene ijs te vermijden , dat Nordenskjöld's detachement zoo lang had opgehouden. Op deze wijze had hij deu mond van straat Hiulopen in 18 uren kunnen passeeren.

Daar de terugkeer van Krusenstjerna met zijne manschappen eene vermindering in het personeel had te weeg gebracht, werd de volgende verdeeling gemaakt. De hoofdafdeeliug bestond uit Nordenskjöld , Pa-lander en negen man en was voorzien van eene boot, eene tent, slaapzakken, jachtgeweren, instrumenten, geneesmiddelen, een kooktoestel, talk tot brandstof en proviand voor 50 dagen. Dit alles was op twee sleden gepakt, die, na de door Palander daaraan gemaakte veranderingenj de zware schokken doorstonden, welke zij op deze reis ondergingen. Eene tweede afdeeling vau zes man zou de hoofdafdeeliug tot aan de Zeven Eilanden vergezellen en provisiën plaatsen in een daar aan te leggen depót.

Gedurende deu sledetocht werd de volgende levenswijze gevolgd. De kok (die geen aangeuameu post had, zoodat elk der manschappen dien op zijne beurt een dag moest waarnemen) werd 's morgens twee uren vóór men op weg zou gaan gewekt om koffie te zetten. Tot brandstof diende drijfhout, als men het krijgen kon, en anders talk ; maar in dit laatste geval moest men zuinig zijn en daarom binnen de tent koken. Deze stond hierdoor spoedig vol met een roeterigen rook , die de reizigers zoo zvvart als negers maakte en zich slechts zeer moeielijk liet afwasscheu. Zoodra de koffie gereed was, kondigde de kok dit met luider stemme aan eu begon dan onmiddellijk dien drank bij gelijke portiën uit te deelen in blikken kannen, die te gelijk voor koffiekopjes en soepborden dienden. Als de koffiepot niet meer op het vuur behoefde te staan, werd er eene pan opgezet, waar een half pond pem-mikan (gedroogd en fijn gehakt vleesch, met vet verme ngd) voor elk man in ging. Des morgens kreeg ieder ook eene hoeveelheid brood en boter. Na afloop van den maaltijd ging men op weg. De marsch duurde vijf uren, met een kwartier rust om de anderhalf uur. Op den middag werd een uur halt gehouden en aan elk man een stuk brood, een stuk varkensvleesch en een klein glaasje brandewijn uitgedeeld. Daarna marcheerde men weer vijf uren en dan werd de teut voor den nacht opgeslagen. Het avondmaal bestoud wederom uit een

ocr page 66

Tijdveideeling. — Parry-eiland en Phipps' eiland. 55

stuk brood, een half pond pemmikan en een glaasje brandewijn voor ieder. quot;Van de pemmikan kookte men een krachtige en voedzame soep, die de manschappen gaarne aten en die, indien men genoeg pemmikan had gehad om haar gedurende den winter tweemaal 's weeks met groenten aan de equipages der drie schepen te geven, zeker allen tegen het scorbut zou hebben gevrijwaard. Na het avondeten werden de gom-elastieke matrassen, waarvan men voorzien was, opgeblazen en uitgespreid ; men kroop in de slaapzakken, trok een vilten deken over zich heen en rustte binnen weinige minuten in de armen van den slaap. Er werd des nachts geen wacht gehouden, ofschoon er, toen meu zicii op de noordkust van Noordoost-land bevond , dagelijks beeren gezien werden. Des nachts maakten zij het den reizigers echter niet lastig.

Den 6 Mei in den morgen vertrok men van Shoal-puut, begunstigd door een goeden wind, zoodat men zeilen op de sleden kon zetten en spoedig het Lage Eiland bereikte. Daar moest men echter wegens de sneeuwbuien vier dagen in de tent blijven. De reis werd den lüden bij goed weer voortgezet; den 12den kwam men voorbij kaap Hansteen en de Brandewijn-baai aan de Castrén-eilanden, en den léden ging men van daar op weg naar het Parry-eiland. Het ijs was zoo oneffen, dat men, ofschoon de afstand niet aanzienlijk was, het eiland pas op den middag ;Van den 16den bereikte. Aan de kust werd drijfhout in overvloed gevonden en weldra deed zich de gelegenheid voor om het te gebruiken, want men schoot een rendier. Uit de vele sporen in de sneeuw bleek , dat zelfs deze eilanden , zoo nabij den Sisten breedtegraad , door vele groote dieren bewoond worden, die, indien alleen de ruimte van voedsel hen bij de keus hunner woonplaats bepaalde, zich in veel zuidelijker streken zouden moeten ophouden. Talrijke voetstappen van beeren, die soms tot op verre afstanden de sporen van rendieren volgden, bewezen dat deze gevaarlijke vijanden in hunne nabijheid hadden. liet voornaamste voedsel van den beer , gedurende den tijd dat hij zijn winterslaap niet doet, bestaat echter uit robben, en misschien in geval van nood ook uit mos. In de maag van een beer, tijdens de expeditie van 18(54 aan den 8tor-fjord geschoten, vond men niets dan aarde , vermengd met eenige overblijfselen van planten.

Den 17 Mei begaf men zich over goed en eflen ijs naar Phipps' eiland, waarvan binnen weinige uren de zuidoostelijke punt bereikt werd. Nordeuskjüld beklom eene rots, om den omtrek op te nemen. Daar z.ag hij, dat de zee ten noorden van de Zeven Eilanden bedekt was met verward dooreen ge worpen en op elkander gestapelde blokken ijs, waartusschen noch open plekken noch effen ijsvelden te zien waren,

ocr page 67

56 Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

zoodat liet onmogelijk zou zijn er met de zwaar beladen sleden vooruit te komen Dit verbaasde hem des te meer, omdat hij bij twee vroegere gelegenheden hier onafgebroken effen ijsvelden had gezien, die niet het minste bezwaar tegen een ver uitgestrekten sledetocht schenen op te leveren. Zoo als het nu echter met het pool-ijs ten noorden vau Spitsbergen stond, was het blijkbaar onmogelijk zelfs maar één graad verder te komen. Het was dus ondoenlijk, de reis nog verder naar het noorden voort te zetten.

Om den tocht echter niet geheel nutteloos te doen zijn, besloot Nordeuskjöld niet terug te keeren langs den weg, dien hij gekomen was, maar ten oosten van Noordoost-land om te gaan, ten einde daarvan de nog niet goed bekende kusten te bepalen en andere waaruemingen te doen. Zelfs bij zulk een omweg hoopte hij in 20 of 30 dagen in het winterkwartier terug te zijn, en dus tijd genoeg te hebben tot het aanwenden eener tweede poging om nog verder noordwaarts te stevenen. Die terugreis duurde ecliter meer dan 40 dagen en ging met grooter moeie-lijkheden en gevaren gepaard dan hij verwacht had, doch ook de wetenschappelijke uitkomsten waren grooter dan hij had voorzien.

Men richtte zich dus den 18 Mei van Phipps' eiland naar kaap Platen, waar men ten gevolge van den staat van liet ijs eerst den 23sten aankwam. Gedurende dien tocht zag men een aantal beeren en ontmoette men telkens hunne sporen. De reden waarom die dieren zich hier ophielden, waar geen robben te vangen waren en geen wild zich vertoonde, was moeielijk te gissen. Merkwaardig was liet te zien met welk een overleg de beeren den geschiktsten en gemakkelijksteu weg wisten te kiezen , met vermijding van groote hoogten of dik besneeuwde plaatsen, tenzij de sneeuw genoegzaam opeen gepakt was otn hun zwaar lichaam te dragen. Wanneer de reizigers, zoo als dikwijls het geval was, den weg niet konden zien en sporen van beeren vonden , volgden zij die meermalen over groote afstanden en bevonden zich altijd wel daarbij.

Ten oosten van kaap Platen was het ijs goed , althans in de nabijheid van de kust, zoodat men vrij snel zou gevorderd zijn, indien men niet telkens van den weg had moeten afwijken om de kust in kaart te brengen en sterrekundige waarnemingen te doen. Ook het weer was meestal gunstig en in het laatst der maand zelfs warm , zoodat de sneeuw begon te smelten en men in holten kleine hoeveelheden versch water kon vinden. Vele fjorden waren door schoone bergen omringd, op wier steile hellingen reeds millioenen zeevogels aanwezig waren, terwijl de voet hier en daar bekleed was met mos van een levendig groen. Men zag er reu-

ocr page 68

Het binnenland van Noordoost-land.

dieren grazen, van welke verscheiden geschoten werden en deze waren vetter dan die, welke men vroeger gedurende het voorjaar in de meer zuidelijke streken van Spitsbergen gevangen had.

De reis langs de noordkust van Noordoost-land nam het geheele overige der maand Mei in eu duurde dus veel langer dan berekend was. Men zou nu de oostkust zuidwaarts hebben moeten volgen ,

O '

doch daar was thans misschien hier en daar open water te wachten en men had de boot op de Zeven Eilanden achtergelaten. Er werd dus besloten van het ijs op het land te gaan en de reis dwars door Noord-oost-land voort te zetten naar de Wahlenberg-baai. Dal binnenland bestaat uit eene onafgebroken ijsmassa van ontzettende dikte. De oostkust van het eiland is één steile ijsmuur, nergens met voorgebergten of landtongen afgewisseld en dien ten gevolge de breedste gletscher die op aarde bestaat. Hij is oneindig breeder dan de reusachtige Hum-boldt-gletscher op Groenland, door Kane in zijn reisverhaal met zulke levendige kleuren geschilderd.

Van den Isten tot den 15den Juni had men dagelijks op die landreis bf sneeuwstormen bf dikke misten en vielen meermalen manschappen in spleten van het ijs, die door de sneeuw onzichtbaar waren geworden. Dit ging met levensgevaar gepaard , doch gelukkig werden allen behouden. Den I5den kwam men geheel onverwacht aan het oostelijkste gedeelte der Wahlenberg-baai uit, die dieper het land inliep dan de kaarten deden vermoeden. Er waren reeds vele openingen in het ijs, dat den fjord bedekte , zoodat liet moeite kostte met de sleden er op en aan de overzijde er weer af te komen. Aan dien overkant werd men andermaal door sneeuwstormen opgehouden , zoodat men pas den 23sten Shoal-punt bereikte.

Met eene kleine boot, bij het vroegere vertrek daar achter gelaten, stak Palander dadelijk met drie man naar de Mosselbaai over, terwijl Nordenskjold met de anderen achterbleef tot er eene grootere boot zou gezonden worden. Alvorens die echter kon aankomen, vond hij gelegenheid aan boord van een visschersvaartuig te gaan, dat hem en de zijnen ook naar de Mosselbaai overbracht, waar allen nu in den namiddag van 29 Juni weer vereenigd waren.

Voor de leden der expeditie, die te Mosselbaai waren gebleven, was de tijd sedert het vertrek der detachementen zeer treurig verloopen. Hoewel de Mei-maand gekomen was, bleef de winter aanhouden en vroor het sterk. De zou, ofschoon sinds lang boven den horizon, was zelden zichtbaar en werd door zware wolken of dichte misten bedekt. In het ijs kwam geen verandering, ja het nam veeleer in dikte toe.

37

ocr page 69

58 Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

De provisiën begonnen onrustbarend te verminderen ; onmisbare artikelen, zooals azijn eu limoensap (de twee krachtigste middelen tegen het scorbut) raakten op. Allen voelden hunne krachten afnemen, eeu bewijs dat eene vergrooting der rantsoenen hoogst noodzakelijk was, terwijl het integendeel te vreezen was, dat zij nog verder verminderd zouden moeten worden. Den C Mei bleek dat allen aan boord van de Onkel Adam, met ééne uitzondering, door 't scorbut aangetast waren; op de Polhem werden bij velen de verschijnselen dier ziekte waargenomen en aan boord van de Gladan was de gezondheidstoestand ook verre van bevredigend. Dagelijks kwamen eeu aantal scorbut-lijders van de schepen aan wal; sommigen gingen op krukken, anderen ondersteunden zich met een stok, nog anderen werden door hunne kameraden gedragen. De koude, het ijs, de honger en het scorbut wareu de gewone onderwerpen der gesprekken, maar het scorbut werd het meest gevreesd. Men trachtte wild te schieten voor de zieken, docli ving slechts eenige vogels. Robben kon men ook niet vermeesteren, ofschoon er dagelijks vele gezien werden, en dit was eene des te grooter teleurstelling, omdat er een algemeene afkeer tegen de geconserveerde provisiën en zelfs het gezouten vleesch ontstaan was, zoodat men naar een stuk robbenvleesch als naar een lekkernij uitzag.

De 31ste Mei was de eerste dag, dat de temperatuur boven het vriespunt steeg en 's middags ving meu een aantal vogels en een jongeu rob. Een en ander leverde een heerlijk onthaal op. Den 6 Juni zag men een vaartuig, dat begroet werd door liet hijschen der vlaggen op de schepen eu op het huis aan land. Allen snelden naar den rand van het ijs en waren reeds aau boord, eer het ijsanker nog was vastgehecht. Het was een klein visschersvaartuig van Hammerfest. De bemanning werd van alle kanten met vragen bestormd en vertelde, dat koning Karei XV van Zweden eu nog een ander lid der vorstelijke familie — men wist niet wie — overleden wareu; dat er niets bekend was van eeuig plan om hulp aan de expeditie te zenden; dat verscheiden visschersvaartuigen in 't noorden lagen, waarvan twee dicht bij de Mosselbaai ; dat de meeste der walvischjagers, die den afgeloopen winter in 't ijs besloten waren geweest, na eene zeer moeielijke reis in Noorwegen terug gekomen, doch vele nog op Spitsbergen achtergebleven waren en men van hun lot niets wist. De leden der expeditie trachtten eenige provisiën i van den kapitein te koopen, docli hij kon niets missen dan wat aardappelen, gezouten vleesch en koffie.

Even na het middaguur kreeg men de twee schepen in 't oog, waarvan gesproken was, en één richtte rechtstreeks deu steven naar Ie

ocr page 70

Hulp in nood. 59

Mosselbaai. Het had brieven en couranten voor de expeditie aan boord, alsmede provisiën, welke de heer Ebeltoft, agent der expeditie te Trom-soe, begrepen had te moeten zenden. Het bracht ook de tijding mede, dat Mattilas en een kameraad, aan den Grijzen Hoek gebleven om op de verlaten schepen te passen, overleden waren. Van de 17 man schappen, die zich naar kaap ïhordsen hadden begeven, wist men niets naders.

In weerwil van de vermeerdering van proviand was de toestand nog altijd bedenkelijk. Het verval van krachten was groot en algemeen en het scorbut bleef een dreigend spook. Men spande alles in om verscb voedsel te bekomen en er werden dan ook vele vogels geschoten, doch zij waren onvoldoende voor 60 monden, terwijl ook de ammunitie ten einde begon te loopen. De rantsoenen zouden hoogstens tot het einde van Juli strekken, en het was geenszins zeker, dat men dan eene plaats zou bereikt hebben waar men nieuwen voorraad kon opdoen.

Dit was de staat van zaken, toen den 12 Juni een groot schip de baai binnenstoomde. Men had het reeds ver in zee gezien en voor een Zweedsche kanonneerboot gehouden, doch het bleek de Diana te zijn met den heer Leigh Smith. Men haastte zich naar den rand van het ijs en werd door den heer Smith met de meeste voorkomendheid ontvangen. Onderricht hoe het met de provisiën stond, verklaarde hij een aanzienlijken voorraad te bezitten, waarvan hij aanbood af te staan wat hij missen kon, iets wat natuurlijk met de grootste erkentelijkheid werd aangenomen.

Den volgenden dag kwam hij de nederzetting aan wal bezichtigen en hoorde met belangstelling het verslag van de wetenschappelijke waarnemingen gedurende den winter. Nog denzelfden dag ontving men de toegezegde provisiën, bestaande uit versche aardappelen, geconserveerde vleeschsoorten, groenten en soepen, alle van voortreffelijke hoedanigheid. Dit alles was een geschenk voor de expeditie, die den heer Leigh Smith voor zijne tijdige en welwillende hulp innig dankbaar was.

Men kon nu de toekomst zonder zorg te gemoet zien. Het weer begon ook gunstig te worden voor het opbreken van het ijs. Ju de Mosselbaai verminderde het eiken dag langzaam, doch zichtbaar. Toen omtrent de helft der baai van ijs bevrijd was, besloot Krusenstjerna een slop te laten zagen door het ijs, dat nog tusschen de schepen en het open water lag. Men begon daarmede den 20 Juni en zette het werk onverpoosd voort, want de verlossing was nu in het vooruitzicht. Deze hoop, in verband met het zachtere weder, het uitspruiten van

ocr page 71

60 Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

kruiden en liet terugkeeren der vogels van allerlei soort, oefenden den gunstigsten invloed op den gemoedstoestand der schepelingen uit. Het scorbut begon te verdwijnen, de krukken en stokken waren niet meer noodig en opgeruimdheid verving de gedrukte stemming, waarin allen gedurende de koude dagen van Mei en het begin van Juni verkeerd hadden.

Daarop verwekte de terugkomst van Palander met zijne manschappen algemeene blijdschap. De reizigers waren zoo veranderd, dat mcu hen bijna niet herkende. Hun haar en baard waren lang en ruw, hun gelaat was zwart van rook en roet. Zij waren teleurgesteld dat zij hunne poolreis op liet Phipps-eiland hadden moeten staken, doch troostten zich met de overtuiging, dat zij het mogelijke hadden gedaan, dat hunne reis dwars door Noordoost-land geheel eenig was en dat de vele gedane waarnemingen de kennis van den toestand der ijsgewesten belangrijk hadden vermeerderd.

Den dag toen Nordenskjöld met zijne manschappen terugkwam werd het slop door het ijs voltooid en een uur daarna ankerden de Gladan en de Onkel Adam onder aller gejuich in open water. Nog denzelfden avond ten 8 ure ving het laatste schip de tehuisreis aan, waarop den anderen morgen de Gladan volgde.

De Polhem zou nog eenigen tijd op de kust van Spitsbergen blijven en vertrok den 1 Juli uit de Mosselbaai, waar Wijkander met eenige mannen werd achtergelaten om zijne magnetische en meteorologische waarnemingen te voltooien en dan alles voor den terugkeer i^i orde te brengen. Het schip stevende naar den Grijzen Hoek, om Mattilas en zijn kameraad, die nog onbegraven lagen, ter aarde te bestellen. De beide ongelukkige)! hadden onder twee omgekeerde booten gewoond; zij hadden die met huiden en vellen overdekt en er zelfs een kachel in geplaatst. Mattilas verdiende terecht den naam van een veteraan der poolgewesten. Met zijn scheepje had hij 42 zomers de baren der IJszee bevaren en alles getrotseerd. Hij was een welvarend man geworden, een der rijkste van de Noorweegsche walrusjagers, doch daarop had de eene tegenspoed na den anderen hem getroffen. Zijn schi:) verloor hij en de vangst viel tegen. Aldus ging hij achteruit, totdat hij nog slechts een klein aandeel had overgehouden in het vaartuig, waarop hij schipper was, en in de opbrengst van de jacht en visch-vangst gedurende den zomer. De wensch om het oog op zijne nu zoo kleine bezitting te houden, had hem doen besluiten op Spitsbergen te overwinteren en daar had hij, die zoo vele gevaren te boven was gekomen, thans den dood gevonden.

ocr page 72

Noodlottige overwintering. öl

Roerend zijn de woorden, die de twee mannen in een dagboek geschreven hadden. Zij verhalen hoe zij eerst onverpoosd hadden gewerkt, om de aan hunne bewaring toevertrouwde schepen en ladingen tegen de onstuimige elementen te beveiligen, maar hoe hun dit mislukt was. Zij moesten de schepen verlaten en eene toevlucht op het strand zoeken, waar wind en golven hen bedreigden. Het was een ware strijd om het leven, die nu begon: ziekte spant samen met de vijandige natuur. Zij nemen lichaamsbeweging om liet verraderlijke scorbut oo een afstand te houden, doch te vergeefs. Als er niets te doen is, trekt de een of de andere eene door henzelven vervaardigde en met steenen beladen slede rondom hunne armelijke woning. De ziekte verzwakt hen meer en meer en het trekken der slede begint steeds inoeie-lijker te vallen. quot;Weldra kunnen zij niet meer gaan. De eene ligt geheel hulpeloos, de andere kruipt nog naar buiten om hout te zoeken, ten einde hunne woning ten minste eenmaal daags te kunnen verwarmen. Maar ook dit houdt spoedig op; zij kunnen niet meer, gelijk zij in het laatste tijdperk gewoon waren, een gebed aan God in hun dagboek neerschrijven. Daarop volgt de dood.

Van den schipper van een hier liggend visschersvaartuig vernam men nu, dat de 17 man, die in het vorige jaar naar kaap Thordsen waren gegaan, om er den winter door te brengen, aan het scorbut waren overleden. Vijftien waren er dood gevonden en men nam aan, dat de twee overigen reeds door hunne kameraden begraven waren, doch daar de grond met sneeuw bedekt was, had men de begraafplaatsen niet kunnen vinden. De mannen hadden ongelukkigerwijze geen verstandig gebruik weten te maken van de middelen, waarover zij te beschikken hadden. Zij bezaten een overvloed van provisiën, maar tot het laatste toe gebruikten zij voornamelijk varkensvleesch en gezouten vleesch, zonder dit noemenswaardig af te wisselen met de geconserveerde en gedroogde groenten en de aardappelen, waarvan nog eene aanzienlijke hoeveelheid gevonden werd. Nooit was iemand, die heeft moeten overwinteren, zoo goed toegerust geweest als zij. Zij waren voorzien van alle lévensbenoodigdheden, hadden een uitmuntend li nis, voldoende brandstof, gereedschappen van allerlei aard, eene schaafbank, enz. Het was blijkbaar, dat zij een werkeloos leven geleid en zich verbeeld hadden, dat de overvloed van proviand hen tegen het scorbut zou vrijwaren. In plaats van de twee vertrekken te gebruiken om te slapen, hadden zij zich allen in één vertrek bijeen gepakt. Aan niets anders dan eten en slapen schenen zij gedacht te hebben. De laatste inschrijving in het dagboek was van 29 April.

ocr page 73

62 Nordenskjöld's Reizen naar het noorden.

In den morgen van 2 Juli den Grijzen Hoek verlatende, stevende de Polhem noordwaarts naar de Zeven Eilanden. Den volgenden dag bevond liet schip zich op SO graden 42 minuten noorderbreedte, dicht bij het ijs, dat zich in een boog ten oosten en zuiden en voorts ten noordwesten van die eilanden uitstrekte. Aan levensmiddelen was thans geen gebrek. De walrusjagers voorzagen de expeditie ruim van vogels, eieren en rendiervleesch en wilden daar meerendeels geen betaling voor aannemen. Na ook het Moffen-eiland, de Treurenberg-baai en straat Hinlopen bezocht te hebben, keerde de Polhem naar het winterkwartier terug, waar nu de waarnemingen afgeloopen en alle zaken ingepakt waren. Het schip bracht echter eerst Nordenskjöld naar den Us-fjord over , stevende toen weder noordwaarts, doch liep gevaar bij de Noorweegsche eilanden in het ijs bezet te geraken en liep, na telkens door misten opgehouden te zijn, den 17den de Mosselbaai binnen , waar alles aan boord genomen werd, wat vervoerd kon worden. Den 18den verliet de Polhem die baai voor goed, haalde Nordenskjöld van kaap Staratsjin in den LTs-fjord af en stevende nog naar de Groene Haven, om zes Noorwegers aan boord te nemen, die tot de equipage van een schip hadden behoord , dat eene maand te voren tusschen het ijs verbrijzeld was. Het overige dier equipage had zich naar de Recherche-baai in den Bell-sond begeven en werd daar ook door de Polhem afgehaald, die nu den 1 Augustus de reis naar het vaderland aanvaardde , den 6den te Tromsoe aankwam en, na een vrij langdurig oponthoud te Bergen, den 29 Augustus liet anker te Gothenburg liet vallen, waar de expeditie ontbonden werd.

ocr page 74

HOOFDSTUK III.

KEIZEN VAX PllOFESSOK NORDENSKJÖLD NAAR DE JENISSEI.

Tocht van 1875. — Straat .lugor. — Het s-chiereiland Jalmal. — Versch water als vergift voor zeedieren. — Afgoden. — De Zweedsche vlag aan de monding der Jenissei. — Dickson's Haven. — De bootreis. — Grazende ijsbee-ren. — Simoviën. — Drijfhout. — Gevaar van schipbreuk. — Een gids aan-genuracn. — Ontstaan van eilanden. — Goedkoope visch. — Onschuldig opgehangen. — De toendra. — De waterwegen. — Vruchtbare grond. — Druiven in Siberië. — De stoomboot Alexander, een drijvend pakhuis. — Statige stuurlieden. — Dudino. — Mararaoet-tanden — Reusachtige wouden. — Het klooster Troit. — Honden als schuitentrekkers. — Heidensche gebruiken. — Onmettelijke uitgestrektheid van het bouwland. — Goudwasscheriien. — De «baiken.quot; — Aankomst te .Tenisseisk. — Tocht van 187(i ter zee en te land. — Straal Matotsjkin. — galmen. — De Kaïische Zee. — Nieuw ontdekt eiland. — Onderzoek naar overblijfselen van mammoets. — Het wachten op de landexpeditie. - Terugkeer naar Europa. — Kort overzicht van andere tochten naar de Jenissei.

De Karische Zee, ten oosten van Nova-Zeinbla , werd langen tijd als ontoegankelijk beschouwd , omdat men meende dat het ijs er ondoordringbaar was. Wel bleek de onjuistheid van bet gevoelen uit de reizen van ettelijke Noorweegsche walrusjagers, die Nova Zembla omste-venden, de Karische Zee binnenliepen en hunne tochten zelfs tot aan het Witte Eiland aan den mond van de Golf der Ob uitstrekten, doch de natuurlijke historie van de zee en hare kusten was geheel onbekend, en dit spoorde professor Nordenskjöld tot een onderzoek aan. Het lag dan ook in zijn plan, de monding der Jenissei aan te doen en die rivier een eindweegs op te varen. Gelukte dit, dan zou een vraagstuk, van het grootste belang voor den handel, opgelost zijn.

De Proven, een klein vaartuig van 70 ton, bemand met 1'2 Noor-weegsche walrusjagers, die allen vroeger de poolstreken hadden bezocht, was voor deze reis beschikbaar gesteld door den heer Oscar Dickson, van Gothenburg, die ook al de kosten der expeditie droeg. Norden-

ocr page 75

64 Nordenskjöld's Reizen naar de Jenissei.

skjöld nam twee kruidkundigen, Dr. Kjellman en l)r. Lundström, en twee dierkundigen, Dr. Theel en Dr. Stuxberg, op zijne reis mede.

Ka van Tromsoe in zee gesleept te zijn, richtte de Proven zich den 14 Juni 1875 door Fugloe-sond om de Noordkaap, die men den 17den passeerde, naar het zuidelijk gedeelte van Aova-Zembla. Gedurende het voorjaar en het begin van den zomer is dit dubbele eiland op een korten afstand van het land omringd door een ijsgordel, waarin zich, volgens de ondervinding der walrusjagers later twee doorgangen vormen, die slechts met dun drijfijs bedekt zijn en waardoor de ijsvrije strook water langs de kust in gemeenschap komt met de open zee ten westen. Een dezer kanalen wordt gewoonlijk bij straat Matotsjkin en het andere ter hoogte van de Noord-Ganzenkaap aangetroffen. De Tronen koos dit laatste en kwam er den 22 Juni zonder moeite door. In eene kleine kwalijk beschutte baai ten noorden van die kaap wierp men liet anker. Na hier twee dagen met peilen en dreggen te hebben doorgebracht, zeilde men noordwaarts en ankerde hier en daar, naar mate de gelegenheid zich voordeed. Tot aan kaap Matotsjkin was de kust nagenoeg vrij van ijs , doch ten noorden dei-straat van dien naam, die de Karische Zee verbindt met de Barents-Zee, sloot het ijs bij het land aan, zoodat het onmogelijk was verder noordwaarts te komen, gelijk aanvankelijk in het plan der expeditie had gelegen. Nordeuskjöld besloot dus zijne fortuin te beproeven bij eene der beide doorgangen, de Karische Straat of Karische Poort, en straat Ju-gor of straat Nassau zoo als de oude Hollandsche zeevaarders haar noemen, die aan beide zijden van het eiland Groot Way gat sj naar de Karische Zee leiden.

Den 15 Juli was men bij de Karische Poort, doch vond die geheel door ijs geblokkeerd. Er stak een storm uit het noordoosten op, die met afwisseling tot den 3üsteii aanhield en gedurende welken het schip eene beschutting zocht aan de zuidwestkust van het Waygatsj-eiland, bij kaap Grebeni. Door de hooge zee kou pas den SOsten eene boot uitgezet worden, om aan wal te gaan en fossielen te verzamelen. Ilier zag men voor het eerst Samojcden, die, zoodra zij het vaartuig in het oog kregen, met zeer hooge sleden, door drie of vier rendieren getrokken, het hellende strand afkwamen en zich vervolgens aan boord begaven, waar zij gastvrij ontvangen werden.

Daar vermoedelijk de sterke noordoostenwinden het ijs in het zuiden der Karische Zee zouden hebben opgehoopt, liet het zich aanzien, dat men dit jaar in oostelijke richting niet ver zou kunnen komen. Nordeuskjöld wilde desniettemin zoo spoedig mogelijk eene poging in die richting

ocr page 76

Schiereiland Jalmal. — Dickson's Haven. 65

doen en liet dus den 31 Juli den steven naar straat .lugor wenden. Windstilte noodzaakte de Proven aan den ingang der straat liet anker te laten vallen, doch den 2 Augustus kon het schip weer voortkomen en snelde het, door een sterken zuidwestelijken stroom voortgedreven, de Karische Zee te gemoet. Zoover het oog reikte vond men haar vrij van ijs, en de koers werd gericht naar het middengedeelte van het schiereiland, dat de Karische Zee van de Golf der Oh scheidt en dooide Samojeden Jalmal wordt genoemd. De wind was zeer zacht, zoodat men slechts langzaam vooruit kwam, maar ofschoon dit het geduld op eene harde proef stelde, had het de goede zijde, dat het dreggen, liet opnemen der kusten enz. in deze wateren, nu voor de eerste maal eene wetenschappelijke expeditie ze bezocht, des te beter verricht werd. Hier deed het merkwaardig geval zich voor, dat het water aan de oppervlakte der zee, hetwelk ten gevolge van het uitstroomen der groote rivieren bijna geheel vrij van zoutdeelen is, een doodelijk vergift bleek te zijn voor de dieren, die uit het zoute water op den bodem, waar zij leefden, opgehaald werden.

Den 8 Augustus bracht men eenige uren op de noordwestkust van Jalmal door, ter wille van sterrekundige waarnemingen. Op het strand waren sporen zichtbaar van Samojeedsche sleden en van menschen, waarvan sommige barrevoets moesten geweest zijn. Dicht daarbij vond men een altaar, uit een vijftigtal beerenschedels opgebouwd, beenderen van walrussen, rendieren enz. Midden tusschen een hoop beenderen stonden twee ruw uit drijfhout gesneden figuren, aan den mond en de oogen met bloed besmeerd, met twee kromme stokken er bij, waaraan beeren- en rendierbeenderen hingen. In de nabijheid zag men eene vuurplaats en een hoop rend ierbeenderen, de laatste blijkbaar de overblijfselen van een offermaal.

Men stevende verder noordwaarts, totdat aaneengesloten effen ijsvelden op 75 graden 35 minuten noorderbreedte en 79 graden 30 minuten oosterlengte den voortgang in die richting verhinderden. Men volgde den rand van het ijs naar het oosten en richtte eindelijk den koers naar de, noordzijde der monding van de Jenissei, waar men den I 5 Augustus het anker liet vallen en de Zweedsche vlag plantte. De reizigers hadden het tot een punt gebracht, dat de groote zeevarende natiën sedert eeuwen te vergeefs hadden trachten te bereiken.

Deze plaats, die een zeer goeden ankergrond opleverde, werd Dickson's Haven genoemd. J\ordenskjöld, Lundström en Stuxberg maakten zich gereed, om met drie walrusjagers van hier af met eene Xorr-landsche boot, opzettelijk voor dit doel in Noorwegen gebouwd, de

5

ocr page 77

66 Nordenskjold's Reizen naar de Jenissei.

Jeuissei op te varen. De Pröveii, keerde naar Tromsoe terug, ouder bestuur van dr. Kjellmau, die beuoorden Nova-Zembla wilde omzeilen, doch liet ijs boveu kaap Middeudorlf oudoordriugbaar voud en zich dus zuidwaarts uaar straat Matotskjin richtte, die hij, na dikwijls door windstilte te zijn opgehouden, den 4 September bereikte. Stormen, windstilte, tegenwind en tegenstroomingen vertraagden den doortocht zoozeer, dat hij eerst den lOden aan deu westelijken uitgang kwam. Ook op de verdere tehuisreis beliep het schip nog geweldige stormen, zoodat het pas den 20 September te Hammerfest kon binnenloopen.

De Norrlaudsche boot, die men Anna gedoopt had, verliet Dickson's Haven den 19 Augustus, zoo zwaar met provisiën enz. beladen, dat zij bijna tot den rand in liet water lag eu geen zwaren golfslag zou hebben kunnen doorstaan, liet was dus een geluk, dat de reizigers iu de monding der Jenissei bestendig door goed weer begunstigd werden. Men hield het langs den oever, tusschen de talrijke lage en rotsige eilandjes, die op de Russische kaarten met deu naam van Severo Vostotsjnoi Ostrof' (Noordoost-eilanden) staan aangeduid, liet water daartusschen schijnt diep genoeg voor groote schepen, ofschoon het wel kan zijn, dat het door blinde klippen onveilig wordt gemaakt. Met gunstigen wind en kalm water zeilden de reizigers zonder noemenswaardige rust in 42 uren naar kaap Sjaitanskoi, waar zij door en door nat, en afgemat door gemis van slaap, iu den nacht van deu 20sten op den 21sten aankwamen.

Men had zich slechts aan twee plaatsen opgehouden. De eerste was Jevremof Kamen, waar drie ijsbeeren vreedzaam tusschen de rotsen graasden. Zij lieten zich niet verschrikken door het groote vuur, dat ontstoken werd om koffie te zetten, noch lokken, zooals men hoopte. De tweede plaats was Krestofskoi, eene nu verlaten simovie (eene nederzetting die èn 's winters èn 's zomers bewoond wordt), die, te ocr-deelen naar het aantal huizen en de wijze waarop deze ingericht warea, eenmaal een tijdperk van bloei moest hebben gekend. Drie gebouwen met platte daken van zoden waren nog goed bewaard gebleven ; elk daarvan was een waar labyrinth vau vertrekken — woonkamers, bakhuis, badvertrekken, bewaarplaatsen voor walvisch- of robbenspek, met: daarvoor bestemde troggen in reusachtige boomstammen uitgehold, enz. Alle artikeleu van huisraad waren verdwenen en letterlijk vond men geen spijker meer in de muren, een bewijs dat de bewoners niet uitgestorven, maar verhuisd waren. Te Dudiuka vernam men later, dat die ontruiming reeds eenige jaren geleden had plaats gehad, ten gevolge van de moeielijkheid om op die afgelegen plaats, die overigens zoo

ocr page 78

Drijfhout. — Nachtelijk gevaar. 67

uitmuntend voor de vischvangst geschikt was, voortdurend genoegzaam meel aan te voeren. Nu liet verkeer op de Jenissei sedert dien tijd zoo was toegenomen, zeide men dat er plannen voor eene nieuwe vestiging bestonden. Het plantenrijk was buitengewoon weelderig; het gras en de andere kruiden stonden zoo hoog, dat zij het gaan bemoeie-lijkten, iets dat waarschijnlijk toegeschreven moet worden aan den overvloed van dierlijke meststof, dien het vroeger hier aitgeoefendt bedrijf ten gevolge had gehad.

Van kaap Sjaitanskoi zeilde men met een gunstigen wind naar Sapotsnaja Korga (de Punt van de Laars), een laag voorgebergte, dat ver in de Jenissei uitspringt en vroeger bewoond was , zoo als uit de vele overblijfselen van gebouwen bleek. Nu eu dan houden zich hier nog jagers en visschers op, gelijk bewezen werd door de vele vossen-vallen langs den oever. De plaats zelve was eene der minst aangename, die de reizigers aan de Jenissei hebben aangetroffen. Voor een groot deel was het voorgebergte overdekt met massa's drijfhout, onmetelijke boomstammen met afgebroken takken en wortels, die als een chaos op en door elkander lagen, zoodat men er slechts met moeite en tijdverlies doorheen kou komen. De stammen , die het dichtst bij het water lagen , waren nog geheel versch; de andere verder op het strand en daar tien- of honderdtallen jaren geleden aangespoeld, bevonden zich in alle mogelijke toestanden tusschen versch-lieid en vermolming. Dergelijke hoopen drijfhout, ofschoon niet zoo omvangrijk als hier, treft men overal rivierafwaarts langs de oevers aan, terwijl hooger opwaarts slechts enkele stukken hout gevonden worden en zij soms zelfs geheel ontbreken.

Door sterken wind en golfslag werd men hier twee dagen opgehouden, totdat er eindelijk in den namiddag van 23 Augustus gelegenheid kwam om voort te zeilen. De koers werd naar Goltsjika gericht, de noordelijkste bewoonde simovie op den oostelijken oever der Jenissei, doch toen men in den nacht de plaats naderde waar zij moest liggen , kwam men bij vrij hooge zee aan eene zandbank. Het zeil was ingenomen en het scheen niet geraden in het donker vooruit te gaan, zoodat men den steven naar Sverevo op den westelijken oever wendde, waar zich ook eene simovie moest bevinden. Daar kon men echter in de duisternis ook niet onderscheiden of er woningen stonden en men keerde dus naar den anderen oever terug , om den dag af te wachten en eene geschikte landingsplaats te zoeken. Plotseling geraakte men in eene geweldige branding en was men, na verscheiden mislukte pogingen om tegen wind en zee terug te roeien , waarbij de boot bijna

ocr page 79

68 Nordenskjöld's Keizen naar de Jenissei.

zouk, verplicht het zeil weer te hijschen, ten einde met kracht de branding te doorsnijden. Het geluk werkte mede; juist op de ondiepste plaats werd de boot door een golf opgelicht en er over getild , waardoor men weder in diep water kwam. Men zag nu aan den oever eene hut, doch moest wegens de hevige deining voorbij varen, tot eindelijk eene geschikte landingsplaats gevonden werd in de nabijheid van de Mesenkin, een riviertje dat op den rechteroever in de Jenissei valt.

Aan wal gekomen ontwaarde men twee personen, die, door een aantal honden vergezeld, bessen zochten. Aanvankelijk schenen zij de vreemdelingen te willen ontwijken, doch eindelijk kwamen zij nader en deelden mede, dat zij Eussen waren, in dienst van een koopman van .Tenisseisk, die te Goltsjika een jachtstation had. Na eeuig gesprek deeil Nordenskjöld den jongste, een kozak met name Feodor , het voorstel, daar hij met de streek goed bekend scheen te zijn , den reizigers tot gids naar Uudinka te strekken. Na eenig over en weer spreken stemde hij toe, mits hij 50 zilveren roebels zou ontvangen en verlof kreeg van zijn meester, die zich te Goltsjika, 30 wersten van hier, bevond. Hij ging onmiddellijk heen om die vergunning te vragen en beloofde den volgenden avond terug te zullen zijn.

Hij kwam echter eerst den morgen daaraan volgende , door vijf andere Russen vergezeld. Deze werden door de reizigers in hunne tent zoo goed mogelijk ontvangen en weldra ontstond een levendig gesprek, waarin zij mededeelden dat er te Goltsjika een ondernemer woonde met drie helpers voor de jacht en de vischvangst en te Sverevo alleen een oud man met zijn zoon. De oude vmoviën verder noordwaarts waren thans verlaten. Daarentegen kwamen dikwijls inboorlingen (Samojeden, Dolganeu en Jakoeten) uit de toendra (de zoogenaamde woestijn) naar het strand, doch hun aantal was in de laatste jaren sterk verminderd door de pokken, die vooral de Samojeden geteisterd hadden.

Den 28 Augustus roeide men tusschen een aantal eilanden door, die met levendig groen bekleed waren en meestal steile wanden hadden, van welke hier en daar groote hoeveelheden veen waren afgebrokkeld. Op die plaatsen kon men zien, dat zulk een eiland ontstaan was uit eene zandbank, in den loop der tijden eerst met drijfhout en naderhand met een plantenkleed overdekt, waaruit dan weer de dikke veenlaag was ontstaan.

Tegen den avond legde men bij de Nikandrofska-eilanden aan, wier bewoners juist een net inhaalden. Voor een zilverroebel kocht Nordenskjöld negen visschen, die te zamen 25 pond wogen, een goedkoope

ocr page 80

Onschuldig opgehangen. G9

inslag, hoewel men den vreemdeling uatuurlijk dubbel zoo veel had gevraagd als men van een inboorling geëischt zou hebben. De Jenissei is beroemd om haar rijkdom aan uitmuntende groote visscheu.

Gelijk de meeste bewoners van deu benedenloop der rivier, hielden ook de visschers van Nikandrofska een aantal honden, die van hetzelfde ras schenen te zijn als die, welke men iu Groenland voor trekhonden gebruikt. Zij worden echter als nutteloos voor lange reizen door onbewoonde streken beschouwd, indien zich daar geene gelegenheid om te jagen of te visschen voordoet. In dat geval gebruikt men rendieren.

Den volgenden dag roeide men bij stil en schoon weder voort. Te Tolstoi Nos, eene goed gebouwde simovie, ontving de bevolking de reizigers zeer vriendelijk en legde groote belangstelling voor hunne reis aan den dag. Twee mijlen ten noorden vau deze plaats stond een fraai monument, iu de gedaante eener kapel, ter gedachtenis van een der velen, die in de vorige eeuw om staatkundige redenen hierheen verbanuen waren. Volgens het opschrift was hij op last der overheid opgehangen nabij de plaats waar hij begraven ligt en had men daarna bevonden, dat hij onschuldig was. Dit gedenkteeken was voor de reizigers de eerste herinnering aan eene klasse van lieden, die in alle maatschappelijke opzichten van groot gewicht is in Siberië.

Hier vernam men, dat de laatste stoomboot van dit seisoen vijf dagen geleden deze plaats gepasseerd was en thans eenige mijlen hooger op de rivier lag. Om die iu te halen moest men dus haast maken, en na 26 uren zeilens en roeiens kreeg men op den morgen van 31 Augustus die boot, Alexander genaamd, in het oog.

Men was hier nog ver boven den poolcirkel, en daar misschien menigeen zich voorstelt, dat die streek, de Siberische toendra, in den winter eene ijs- en sneeuwwoestijn is en in den zomer slechts eenig spaarzaam mos en kruid vertoont, verdient het vermelding dat dit geenszins het geval is. AVel doet de winter zich daar streng gevoelen, maar des zomers is de plantengroei weelderig, inzonderheid op de eilanden die iu het voorjaar overstroomd worden. De vruchtbaarheid van den grond en de uitgestrektheid en rijkdom der weidegronden ontlokten aan een der walrusjagers, een man die in 't noorden vau Noorwegen eeu lapje gronds tusschen de rotsen bezat, een kreet van benijding over het prachtige land, dat de Heer „deu Kusquot; geschonken had. Hij verbaasde zich onophoudelijk, dat geen beest dat gras afweidde, geen zeis het maaide. Dagelijks hoorde men hetzelfde uit zijn mond, eu met verdubbelde kracht toen eenige weken later de statige oude bosschen tusschen Jenisseisk eu Toeioechansk bereikt werden of de bijua onbewoonde

ocr page 81

70 Nordenskjöld's Reizen naar de Jenissei.

vlakteu aan de andere zijde van Krasnojarsk in 't gezicht kwamen, die uit eene dikke laag tuinaarde bestonden en zeker de beste gedeelten van Skandinavië in vruchtbaarheid overtroffen. Dit oordeel, dat ter plaatse zelf geveld werd door een ongeleerd, maar ervaren landbouwer, is niet zonder belang om zich een oordeel te vormen over de beteekenis, die Siberië eenmaal kan krijgen.

In den zomer van 1875 is Siberië door drie verschillende expeditiën bereisd, om de mogelijkheid van eene verbetering der waterwegen te onderzoeken. Zij kwamen tot de slotsom, dat het mogelijk zou zijn de Angara, een zijtak van de Jenissei, tot het meer Baikal bevaarbaar te maken en de üb met de Jenissei en wederom de Jenissei met de Lena te verbinden, en dit alles voor slechts 700,000 roebels. Daardoor zou eene gemeenschap te water verkregen worden voor een gebied, groo-ter dan het vereenigd stroomgebied van den Donau, deu Don, den Dnieper, den Dniester, deu Nijl, de Po, de Ebro, de llhone eu al de rivieren, die zich in de Zwarte Zee, de zee van Marmora en de Middellandsche Zee uitstorten. Wel is waar ligt een gedeelte van het bedoelde gebied ten noorden van den poolcirkel, maar daar vindt men de uitgestrektste bosschen der aarde, en ten zuiden van die boschgewesten strekken zich houderden mijlen ver vlakten met den vruchtbaarsten grond uit, die slechts op de ploeg vau den landman wachten, om de rijkste oogsten te leveren. In 't zuiden loopen de Jenissei en hare zijtakken door streken, waar de druif in de open lucht rijp wordt. Toen Nordenskjöld de aauteekeningen over dit onderwerp in zijn dagboek schreef, lag een prachtige Siberische druiventros voor hem.

De stoomboot Alexander, met den koopman Iwan Michailowitsj Jarmenief aan boord, die te gelijk voor kapitein speelde, was noch eene passagiers-noch eene goederenboot, maar een drijvend pakhuis. De koopman bemoeide zich weinig met de vaart, maar veel met de goederen en werd dan ook door de bemanning zelden „kapitein,quot; maar gewoonlijk „meesterquot; genoemd. De inrichting van het schip stemde met dien staat van zaken overeen. De geheele voorkajuit was als een winkel ingericht, met planken langs de wanden waarop de goederen lagen, een lessenaar, enz. De achterkajuit strekte tot kantoor en slaapkamer voor den „meesterquot; en lag verder vol goederen, vaten, pakken, enz. Plaats bleef er dus voor passagiers niet over eu toen de Anna de stoomboot op zijde kwam en de Zweedsche vlag heesch, was de ontvangst van Jarmenief's zijde verre van voorkomend. Aanvankelijk betoonde hij zich volstrekt niet genegen de reizigers op te nemen , doch toen Nordenskjöld met behulp van zijn gids Feodor en een Zweedsch- Russisch woordenboek

ocr page 82

De Alexander.

hem had uitgelegd welke lieden zij waren en met welk doel zij deze reis deden, veranderde hij van houding en van dat oogenblik af was hij de aangenaamste en voorkomendste gastheer, dien men vsenschen kon. Om plaats te maken werd eene hut op liet dek ontruimd, maar zij was zoo klein, dat men er nauwelijks uitgestrekt in liggen kon. De walrusjagers moesten zich voorshands in de machinekamer behelpen^ waar de machinist het hun zoo gemakkelijk mogelijk maakte. Later kregen de reizigers eene grootere hut en werd die, welke zij in gebruik hadden gehad, door de walrusjagers betrokken.

De eigenlijke vaart had plaats volgens de bevelen van twee statige stuurlieden, die, in lange kaftans gehuld, gedurende hunne wacht op een stoel bij het stuurrad eene sigaar zaten te rooken en met het onbezorgdste hart ter wereld aardigheden wisselden met de lieden, die den stroom afvoeren. Aan de voorplecht stond altijd een man met een langen stok de diepte te peilen, want om de sterke strooming in het midden der rivier te vermijden, werd zoo dicht mogelijk langs den oever gehouden, somtijds zóo dicht dat men bijna aan wal had kunnen springen en de Xorrlaudsche boot, die aan de zijde der stoomboot was vastgemaakt, over het land werd gesleept. Verder had de Alexander eerst eeu en vervolgens twee lodje (vrachtschepen) op sleeptouw, bijna even groot als de stoomboot zelf en bestemd om den gedurende de reis opgekochten visch, die gewoonlijk aan boord werd gezouten en toebereid, in te nemen. Op den geheelen afstand van de zee tot .lenis-seisk vond men niet één steiger of havenhoofd, zoodat èn de stoomboot en de loeide een aantal grootere en kleinere lichters en booten op sleeptouw hadden, om de gemeenschap met den oever te kunnen onderhouden.

Siberië bezit, vooral aan de oevers der Jenissei, rijke kolenlagen, die echter nog niet bewerkt worden, zoodat de Alexander, even als alle andere stoombooten op de Siberische rivieren, hout als brandstof moest gebruiken. De geheele benoodigde hoeveelheid kon echter niet aan boord geborgen worden, zoodat men dikwijls moest aanleggen, niet enkel om handel te drijven, maar ook om hout in te nemen. Ho vendien was de zwakke machine somtijds buiten staat om al die vaartuigen op sleeptouw tegen den stroom, die hier en daar zeer snel liep, op te trekken, en bij de pogingen om stiller water nabij den oever te vinden kwam de stoomboot niet zelden te dicht bij het land en raakte vast, in weerwil van het waarschuwend geroep van den man met den stok. De reis ging dus zoo langzaam, dat Jenisseisk, de bestemmingsplaats, eerst na eene volle maand bereikt werd.

71

ocr page 83

72 Nordenskjöld's Keizen naar de Jenissei.

Dit zou voor audere passagiers zeer verdrietig geweest zijn, doch onze reizigers hadden er zeer gewenschte gelegenheden aan te danken om aan wal te gaan en hunne waarnemingen te doen. Wat de plantenwereld betrof, bleek hun dat de grens van vele gewassen in Siberië zich veel noordelijker uitstrekte dan in Zweden.

Doch wij loopen de geschiedenis een weinig vooruit. Toen de Zweden door de Alexander aan boord waren genomen, lichtte deze liet anker en stoomde naar het dorp üudino, eenige mijlen verderop aan de rivier gelegen, aan de monding der neveurivier Dudinka. Het dorp bestaat uit weinige huizen, bewoond door een aanzienlijk koopman met name iSotnikof, twee priesters, een „smotritalquot; (overheidspersoon), een paar banuelmgeu en eenige daglooners en inlanders. Sotnikof dreet een uitgebreideu handel met de bewoners der omstreken, door graan, laken, thee, suiker, ijzerwerk, buskruit, lood, brandewijn, enz. te ruilen tegen pelswerken, visch, mammoettanden, enz., 't geen eerst met stoom-booten de Jenissei werd opgezonden en vervolgens langs verschillende wegen naar Moskou, St. Petersburg, China enz. ging. Eeeds jegens eene vroegere expeditie, die de mammoetvoudsten kwam onderzoeken, had hij zich zeer verdienstelijk gedragen en ook Nordenskjüld en de zijnen ontving hij voorkomend. De andere notabelen der plaats betoonden evenzeer den reizigers veel vriendelijkheid.

Gelijk in de meer noordelijk gelegen simoviëu waren de woningen in de zuidelijker gelegen dorpen langs de Jenissei van dicht bij elkander geplaatste boomstammen gebouwd, met een eenigszins versierden gevel aan de straat. Yan binnen zagen die woningen er zeer zindelijk uit, alleen met uitzondering dat overal torren rondkropen. De muren waren versierd met niet zeer kunstrijke prenten en photogra-phiën, meerendeels leden der keizerlijke Russische familie, beroemde mannen gewoonlijk in generaals-uniform, tafereelen uit de Russische geschiedenis, enz. voorstellende. Somtijds was de vloer, althans in het voornaamste vertrek, met pelswerk belegd. De slaapplaats bestond gewoonlijk uit eene legerstede bij het dak, zóó groot dat zij een derde ot de helft van het vertrek besloeg, en zoo hoog boven den grond dat een mau er recht op ouder door kon gaan. Het eten werd gekookt in groote ovens, die te gelijk het huis verwarmden. Dagelijks was er versch brood te bekomen en zelfs in de huishoudens der minder bemiddelden behoorde eene geelkoperen theevaas tot het onmisbare huisraad. \\ aar men binnentrad kon men van eene hartelijke ontvangst verzekerd zijn en als men eeuigen tijd vertoefde, moest men, welk uur van den dag het ook ware, een glas thee met de huisgenooteu drin-

ocr page 84

De streek van Dndino.

keu. (*) De kleediug bestoud bij de welgesteldeu uit eeu iu de laarzen gestoken broek van fluweelachtige stof, eeu op de borst met zilver geborduurd overhemd en eeu wijde, dikwijls met bout omzoomde kaftan. De armen, iudieu zij althans niet al te behoeftig waren, droegen dezelfde soort van kleederen, doch van mindere stof eu meestal onzindelijk. In den winter was, naar men vernam, de Samojeedsche/ies/-, een gewaad van veileu van jonge rendieren, aan alle standen eigen, wanneer zij zich buiteushuis moesten begeven. Er heerschte volkomen veiligheid en opmerkelijk was het, dat er geen ouderscheid scheen gemaakt te worden tusschen degenen, die in dit land geboren, eu hen, die er wegens misdrijven heen verbannen waren. Men legde weinig nieuwsgierigheid aan den dag om achter de feiteu te komen, die bun de straf op den hals hadden gehaald. Vroeg Nordeuskjöld waarom zij herwaarts waren gezonden, dan kreeg hij gewoonlijk het zeer rekbare antwoord : om slecht gedrag.

De mammoet-tanden zijn hier een belangrijk handelsartikel en schijnen iu groote hoeveelheid op de toendra aanwezig te zijn, doch de slechte wegen maken het vervoer dikwijls onmogelijk. Ofschoon dit de ware mammoet-streek is, komen groote overblijfselen van het lichaam, vooral die nog met het vleesch eu de huid bekleed zijn, zelden voor, eu waarschijnlijk zijn de hier levende nomaden ook weinig genegen om, als zulk een vondst plaats heeft, er openbaarheid aan te geven. Even onwillig waren in vroeger tijd de Zweedsche boeren, en in sommige districten zijn zij het nog, oin inlichtingen aangaande erts-aderen te verstrekken.

73

Den 4 September, bij prachtig weer, lichtte de Alexander het anker en stoomde verder zuidwaarts. Het landschap begon langzamerhand geheel van karakter te veranderen, iSij de groote bocht, die de Jenis-sei ten westen van Dudino maakt, beginnen de pijnboomen talrijk te worden, doch zelden schieten zij er hooger dan 20 voet op. Zij zijn overal op de hoogten verspreid, doch maken niet den aaugenamen indruk van de wilgen- en elzenboschjes meer noordelijk. Eenige mijlen ten zuiden van Dudino zag men echter reeds prachtige pijnbosschen, ofschoon die plaats nog boven den poolcirkel ligt. Hier neemt het eigenlijke woud een aanvang, het 'uitgestrektste woud op narde, dat zich met slechts geringe afbrekingen dwars door Siberië van het Oeral gebergte tot aan de Zee van Ochotsk en van noordwaarts boven den poolcirkel tot zuid-

(') In Rusland drinkt men do ttioc niet uit kopjes, maar uit glazen en is zij do gowone drank den gelieelcn dag door.

ocr page 85

74 Nordenskjold's Reizen naar de Jenissei.

waarts voorbij den 58sten of ö9sten graad breedte uitstrekt. Aan de mondingen der rivieren Chatanga en Lena loopt het noordwaarts op tot den 7Men graad, of nog 60 mijlen hooger dan de Noordkaap in Europa.

Gedurende de reis met de Anna en de Alexander was liet reisgezelschap steeds geland op den oostelijken oever, die overal zeer hoog was, of wel op sommige der talrijke eilanden. l)en 7 ISeptember kreeg men gelegenheid tot eene landing op den westelijken oever, die, evenals de -westoever der meeste rivieren, die van het zuiden naar liet noorden loopen, vlak is en bijna gelijk met liet water ligt. l)e grond was ten deele met allerweelderigst gras begroeid, ten deele met boschjes van gelijkmatige hoogte bezet. Partijen van zeer rechte wilgen wisselden met heldergroene plekken gronds af, en daar een riviertje, 't welk in de Jenissei viel, er zich doorheen kronkelde, had het geheel het voorkomen van een fraai en goed onderhouden park. Op den oostelijken oever vertoonde de natuur een geheel ander karakter. De pijnbooinen van het woud waren dikwijls van de kolossaalste afmetingen en reeds half verteerd door ouderdom. Daartusschen was de grond zoo bedekt met omgevallen boomen, sommige nog versch, andere reeds half of heel vermolmd en nog slechts door den bast bijeen gehouden, dat men alleen op gevaar af van de beenen te breken den weg door die wildernis kon nemen. Bovendien waren de gevallen stammen overal met een moskleed bedekt, ja soms er geheel onder verborgen. De berken, hier en daar tusschen de pijuboomen zichtbaar, hadden een bast van eene verblindende witheid. Wie zich iu zulk een bos cl i waagt, moet van een kompas voorzien en daar grondig mede vertrouwd zijn, want eene vergissing zou hem in eene richting kunnen brengen, waarin hij over een-of tweehonderd mijlen afstands geene bewoonde plaats, geene hut zou ontmoeten.

Later op den dag kwam men aan het klooster Troit, vroeger rijk en zeer beroemd, maar nu slechts bewoond door een enkelen monnik, den prior zeiven, een bejaard eerwaardig man, die de reizigers zeer vriendelijk ontving. Het voor gasten bestemde vertrek was versierd met vele portretten van Siberische bisschoppen en ook met dat van een Russischen keizer met gepoederd haar, een blauw ordelint en eene verschoten uniform. Het was de afbeelding van keizer Paul, maar hier bleef men er bij dat het Peter III was.

De reis werd voortgezet, nadat de talrijke equipage van de Alexander en de lodje met groote stichting de godsdienst-oefeningen in de kloosterkerk en in eene naburige kapel, waar het stoffelijk overschot

ocr page 86

Het klooster Troit. — Heidensche gebruiken. 75

vau deu stichter rust, had bijgewoond en de reizigers de merkwaardigheden van het klooster bezichtigd hadden, waaronder een goed bewaarde Slavische bijbel uit de 16de eeuw. Men ging weer langzaam vooruit, tengevolge van deu sterken stroom en het veelvuldig oponthoud, waarvan de reizigers gebruik maakten om aan wal te gaan eu gesprekken aan te knoopen met de oeverbewoners, die zich hier voor hun eigen rekening of die van anderen des zomers op de visch-vangst toelegden. Zij woonden in tenten, die der Samojedeu met ren-diervellen, die der Ostiaken met berkenbast gedekt. Altijd vindt men rondom die tenten eeu groot aantal houden, die gebruikt worden om de booten tegen deu stroom op te trekken, eeu vreemd gezicht voor de walrusjagers, die dit nog nooit hadden bijgewoond. Het noodige aantal honden wordt aan een touw gespannen, waarvan men liet einde aan den voorsteven der boot vastmaakt. Op deu vlakken oever hebben de honden daardoor ware jaagpaden uitgetreden. De boot gaat uiet diep en wordt door den persoon, die er in zit, op een behoorlijken afstand van deu wal gehoudeu. Ofschoon die booten dikwijls slechts uit een uitgeholden boomstam bestaau, kunnen zij, wegens de groote afmetingen der boomeu in deze gewesten, zeer ruim en van goede vormen zijn.

Dat er, al heeteu de inlanders tegenwoordig Christeuen, nog heidensche gebruiken ouder hen voortleven, kan uit het volgende blijken. .Bij eene simovie, waar de reizigers den ld September landden, vonden zij als gewoonlijk eene begraafplaats tusschen het geboomte bij de huizen. De lijken waren in groote kisten boven den grond geplaatst ; ten bewijze dat Christenen in die kisten rustten, was nagenoegbij elke kist eeu kruis geplaatst, doch aau de takken der booinen hingen de kleedereu van den overledene, met een bundeltje leveusmiddelèn, voornamelijk gedroogde visch. Verder vernam men, dat de bemiddelden nog wel eens eenige bankbiljetten van eeu roebel bij die provisie voegen, opdat de overledene bij zijne komst in de andere wereld uiet dadelijk gebrek aan geld zou hebben.

Tot nog toe had men gedurende de reis stroomopwaarts van Dudino af zeer schoon, dikwijls warm najaarsweer gehad. De eerste vorst deed zich in den nacht van 19 op 20 September gevoelen en van toen af daalde de temperatuur des nachts meestal beneden het vriespunt, doch de dagen waren nog altijd fraai en warm eu uu en dan viel een weinig regen.

Deu 20sten ankerde men aau de monding der ZSeder-Toengoeska, eene der grootste neveurivieren, die uit het oosten in de Jenissei

ocr page 87

7ü Noidenskjöld's Reizen naar de Jenissei.

vallen. Hier bood zich eene geschikte gelegenheid aan, om peilingen dwars door de rivier te doen. Op korten afstand van den westelijken oever peilde men 4 vadem, toen 2l/2, daarna weer 7. Ook de peilingen op andere plaatsen schenen de verzekering der opvarenden, dat de rivier tot aan Jenisseisk diep genoeg is voor vrij groote schepen, te bevestigen. Doch om dit boven twijfel te verheften en tevens het geschiktste vaarwater vast te stellen, zouden nog uitgebreide opnemingen moeten plaats hebben.

Nog boven den poolcirkel had men hier eu daar bij de woningen stukjes ontgonnen land gezien, waarop aardappelen, kool en rapen geteeld werden. Naarmate men zuidelijker kwam, namen die akkertjes in aantal en grootte toe. Eigenlijke graanteelt zagen de reizigers niet, voordat zij te Sykobatka kwamen, op omstreeks den GOsten graad breedte, doch Nordenskjoid hield zich overtuigd, dat later, wanneer bosschen uitgeroeid zouden zijn, de landbouw met voordeel nog veel noordelijker zou kunnen uitgeoefend worden. Heeds van dit punt, waar de eigenlijke landbouw nu begint, tot aan de zuidelijke grenzen van Siberië, of nog juister tot aan de steppen van Midden-Azië, heeft men op de meeste plaatsen een afstand van meer dan 600 mijlen, en wanneer in aanmerking wordt, genomen, dat eene strook lands van die breedte, met een prachtigen, gemakkelijk bebouwbaren grond, zich van het Oeral-gebergte tot de Stille Zee uitstrekt, dan kan men zich een denkbeeld vormen, welke veroveringen de ploeg in die gewesten nog maken kan en welk eene toekomst zich wellicht eenmaal voor hen zal openen.

Onmiddellijk ten zuiden van Sykobatka voer meu voorbij het dorp Nasimofskoi en eene daar tegenover gelegene, thans verlaten goud-wasscherij, naar den eersten veroveraar van Siberië Jermakova genoemd. Men had hier rijke goudhoudende zandlagen over eene vrij groote uitgestrektheid aan eene oostelijke nevenrivier van de Jenissei gevonden en vóór de ontdekking van Californië werd dit een korten tijd als het rijkste goudland der wereld beschouwd. Er werden hier kolossale fortuinen gemaakt, en de verhalen van de honderden puds (1) goud, die in sommige jaren uit het zand waren gehaald, en van het buitensporige leven dergenen, wien de groote prijzen uit deze loterij ten deel vielen, maken nog tegenwoordig het onderwerp der gesprekken in deze streek uit. Vele dier rijke goudwasschers zijn geruïneerd bij hunne pogingen om nog meer te winnen, en de andere, die hunne „gouden

1

Een pud ruim 10 kilogram.

ocr page 88

Goudwasscherijen. — Barken. 77

pudsquot; (de muut-eenheid die zij bij voorkeur iu huune gesprekken noemden) hebben weten bijeen te houden, zijn naar St. Petersburg, Moskou, Ivrasnojarsk, enz. verhuisd. Al de nederzettingen voor goudwasscherij zijn dus nu verlaten en maken op den oosteiijken oever eene reeks half vervallen houten gebouwen uit, waarvan na eenigen tijd nog sieclits de herinnering zal over zijn. Toch hebben zij een grooteu invloed op de toekomst des lands gehad, want daardoor zijn de eerste pioniers naaide wildernis gelokt en de eerste zaden der beschaving in die streek uitgestrooid.

Op vele plaatsen langs de rivier zag men nog andere herinneringen aan den tijd, toen jaarlijks duizenden werklieden naar de goudwasscherijen stroomden, namelijk kolossale vlotten van boomstammen, hier „barkenquot; genoemd, die nu in meer of minder vermolmden toestand op den oever liggen. Zij dienden tot het aanvoeren van leveusbenoo-digdheden uit zuidelijk Siberië. Goederen werden aldus langs de hoofdrivier gebracht uit streken ten zuiden van Minusinsk bij de Chinee-sche grenzen en langs hare nevenrivier de Angara van het meer Baikal, ja van nog verdere streken, want zelfs de rivier Selenga, die er van het zuiden invalt, is over een aanzienlijk gedeelte van haar loop bevaarbaar. „Barkenquot; van middelbare grootte, te Minusinsk gebouwd voor liet vervoer van graan, kosten 300 roebels, kunnen 130 ton dragen en worden door een equipage van 15 man de rivier af gebracht. Ter plaatse hunner bestemming gekomen, worden zij voor eenige roebels verkocht, indien men er een kooper voor vindt. In weerwil van hun lompen vorm zijn zij zeer geschikt voor het vervoer te water, en dit zou nog méér het geval zijn, indien er 20 of 30 achter elkander bevestigd en door eene kleine sleepboot getrokken werden. Hierdoor zouden de manschappen op elke „barkquot; een derde minder kunnen zijn en de nu reeds lage kosten van vervoer nog verder dalen.

De telkens zich herhalende nachtvorsten hadden ten gevolge, dat de uitstapjes aan land niet zooveel stof meer opleverden om de verzamelingen te verrijken, en de reizigers begonnen dus naar de aankomst ter bestemmingsplaats te verlangen. De snelle stroom en de veelvuldige halten veroorzaakten echter onophoudelijke vertragingen, zoodat eerst den 31 September het anker te Jenisseisk werd geworpen.

Zij bleven daar verscheiden dagen vertoeven, ten einde tijdingen uit Europa te bekomen, eene fraaie verzameling uit het gebied der natuurlijke historie te bezichtigen, die een banneling met name Marks had aangelegd, en de loopende zaken te regelen, in verband waarmede het vermelding verdient, dat de heer Balangin, de eigenaar van de

ocr page 89

quot;8 Nordenskjcld's Reizen naar de Jenissei.

Alexander, geeu vracht wilde aannemen voor de lange reis, die de onderzoekers met zijne stoomboot gedaan hadden. Zij lieten daarom als eene gedachtenis hunne Norrlandsche boot Anna aan hem over.

Vervolgens keerden zij huiswaarts over Krasnojarsk, Tomsk, Omsk, Tjumen, Ekaterineuburg , Tagilsk, Perm, Kazan, Nisjui-Xovgorod, Moskou , St. Petersburg , Helsingfors en Abo en van daar met de stoomboot naar Stockholm.

Voor dezen reistocht vau Noorwegen naar de monding der Jenissei, waardoor een zeeweg naar Siberië was ingewijd , ontving Xordenskjöld in Januari 1876 eene dankbetuiging van het Russische gouvernement.

Hoe goed dus zijne expeditie geslaagde ware, beweerden sommigen dat dit slechts een gevolg was geweest van den buitengewoon gunstigen staat van het ijs in 1875. Hij wederlegde dit door te verwijzen naar de tochten van sommige Noorweegsche walvischvaarders, van de gebroeders Palliser in 1869 en van Wiggins in 1874. Haar bovendien de wetenschappelijke onderzoekingen in de Karische Zee en in het dal der Jenissei dienden voortgezet te worden, werd in 1876 besloten twee expedition uit te zenden, eene over zee en eene over land. He laatste moest de- rivier afzakken en zich nabij hare monding met de eerste vereenigen.

Nordenskjöld droeg het bestuur der land-expeditie aan Hr. Theel op, die vergezeld werd door de heeren Brenner en Arnell als kruidkundigen en de heeren Sahlberg en Trvbom als dierkundigen.

Voor de zeereis werd de ïnier gehuurd, eene sterke eikenhouten goederenboot van 40 paardenkracht en 400 ton inhoud. Ten einde den nieuwen handelsweg practisch te openen, uam men eeuige goederen mede, voornamelijk Zweedsche nijverheidsproducten, die voor Siberië geschikt zouden zijn. He kosten dezer expeditiën werden weder ge-gedragen door den heer Oscar Dickson van Gothenburg en door den rijken Siberischen koopman Alexander Sibiriakof.

He Ymer, die, behalve Nordenskjöld, ook dr. Kjellman en dr. Stux-berg aan boord had, liep den 25 Juli 1876 van Tromsoe uit en stevende door den archipel der Noorweegsche kust voorbij Hammerfest naar Masoe, een plaatsje met eene kerk eenige mijlen ten zuidwesten van de Noordkaap. Behalve een tiental visschersgezinnen wonen daar eenige kooplieden, een geestelijke en een geneesheer, zoodat het de uiterste voorpost der Europeesche beschaving in het noorden is. Hier werd dr. Kjellman ontscheept, die gedurende de reis van de Ymer naar de Jenissei studiën omtrent de algen van noordoostelijk Noorwegen

ocr page 90

Tocht van 1870. 79

zou maken, in aansluiting aan zijne onderzoekingen in 1872 en 1873 op Spitsbergen eu iu ]875 op Xova-Zembla.

Na zich hier slechts zoo lang te hebben opgehouden als uoodig was om dien geleerde met zijne bagage en instrumenten aan land te zetten, stoomde de Yrae.r door Mageroe-Sond oostwaarts. Den Süsten liep men straat Matotsjkin binnen, den langen eu smallen maar diepen zeearm, die Nova-Zembla van 't oosten naar 't westen iu twee eilanden verdeelt. Bij den westelijken ingang lagen twee Russische schepeu voor anker, bij welke men zich, volgens het gebruik in de poolzeeëu, eenigeu tijd ophield om over den staat van het ijs, de jacht, enz. te spreken. De Russen waren uit om witte walvisschen, rendieren en zalmen te vangen. Deze laatste zijn in de moudeu der rivieren van Xova-Zembla zeer overvloedig en hebben dikwijls eene voordeelige visscherij opgeleverd. Doch tot hiertoe hadden zij weinig geluk gehad. Slechts weinig zalmen waren nog gevangen, van welke zij er twee aan de Ymer teu geschenke gaven, 't geen met een tegengeschenk beantwoord werd. Daar men nog geen volwassen exemplaren van dezen visch , waarvan zooveel verscheidenheden voorkomen, van Nova-Zembla had kunnen krijgen, werden de twee zalmen aan den dierkundige overgeleverd voor zijne spiritus-verzamelingen en kwamen zij niet iu de kombuis te recht.

Den 31 Juli was het schip straat Matotsjkin uit en stoomde het de Karische Zee binnen. In het oostelijk gedeelte van de straat had men slechts eenige losse stukken ijs ontmoet, die door den stroom heen en weer gedreven werden , maar de zee vond men vrij van ijs, zoover het oog reikte. Er werd dus recht oostwaarts koers gezet, doch in korten tijd ontwaarde men het gewone voorteeken van ijs , namelijk eeuewitte lichtstreek bij den horizon, en eenige uren later kwam men tusschen stukken drijf-ijs, die in aantal toenamen, totdat de zee eindelijk zoo dicht met ijsschollen bedekt was, dat het niet langer geradeu scheen in die richting door te dringen. In de zuidelijke richting, die daarop werd ingeslagen, stuitte men ook op ijs waar niet door te komen was. Men zag zich dus verplicht terug te keeren en op eene geschikte plaats aan de oostelijke monding van straat Matotsjkin een gunstiger tijdstip af te wachten.

In den middag van 5 Augustus werd het anker weer gelicht. Er hadden in de vorige dagen geen sterke westen- of zuidwesten-winden seheerscht, zoodat er nou' s-een vooruitzicht bestond, dat men oostwaarts

O quot; 3 O O '

voldoende open water zou vinden. Doch intusschen had zich langs de oostkust van Nova-Zembla eene breede ijsvrije strook water gevormd, waarvan gebruik werd gemaakt om zuidwaarts te stevenen. 13ij fraai

ocr page 91

80 Nordenskjold's Reizen naar de Jenissei.

kalm weer stoomde de Ymer snel voort, zoodat men reeds den volgenden dag aan de Karische Poort kwam. Eene nieuwe poging om nu dwars de zee over te steken werd weer belemmerd, gedeeltelijk dooiden zwaren mist. Wanneer de nevelen wat optrokken, stoomde men langs den rand van het ijs, hetgeen zich weldra naar het oosten wendde, zoodat men , ware het weder helder geweest, waarschijnlijk reeds den volgenden dag den tegenover liggenden oever bereikt zou hebben. Onder de tegenwoordige omstandigheden waren er vier dagen toe noodig, zoodat men kaap Bjeloesja op de westkust van het schiereiland Jalmal pas den 10 Augustus in het oog kreeg.

De zee was langs de kust met ijsvelden bedekt, die zoo wrak waren, dat de gang der stoomboot er soms weinig door vertraagd werd, doch op verscheiden plaatsen trof men harder ijs en de vaart werd nog moeielijker door een mist, die het onmogelijk maakte de grootte en de ligging der ijsvelden rondom het schip te onderscheiden. Bij de poging om zich door zulk een ijsgordel een weg te banen, geraakte de \mer op den middag van den lOdeu tusschen dik oud ijs. Na er 24- uren in bezet te zijn geweest, kwam men wel vrij, doch aan de zuidzijde van den ijsgordel, zoodat men toch opgesloten zat. Eerst den 12den ging het ijs geheel van elkander en kon men weer voortstoomen. De zee werd aanhoudend meer ijsvrij , zoodat men onverhinderd het Witte Eiland kon omstevenen , de Golf der ()b voorbij en naar de-monding der Jenissei, waar men den 15den het land in 't gezicht kreeg.

Nordenskjöld verwonderde zich een geheel vlak land te zien, terwijl hij van zijne vroegere reis wist, dat er eene soort van heuvelreeks door de toendra naar .Tevremof Kamen liep. Evenmin was er iets van de talrijke rotsige eilandjes te zien, die Dickson's Haven kenmerken. Men bleef echter langs de kust voortstoomen, de rivier op, en kreeg toer; de onverwachte oplossing van het raadsel. Het bleek dat de golf aan de monding der Jenissei, die omtrent 70 Engelsche mijlen breedte heeft, in tweeën verdeeld was door een eiland van 30 mijlen lengte, dat evenzeer aan de llussische kaartenteekenaars als aan de inboorlingen onbekend scheen gebleven te zijn. Waarschijnlijk was liet tot nog toe niet ontdekt, omdat het niet zichtbaar is van den rivieroever, dien de weinige booten, welke dit gedeelte der rivier bevaren, altijd volgen. Dit groote nieuwe eiland, dat aan beide zijden diep water heeft, kan van veel nut voor de vaart in deze streken worden, omdat liet voor schepen in de monding der rivier eene welkome beschutting tegen winden en zeeën uit het noordwesten oplevert. Nordenskjöld

ocr page 92

Sibiriakofs's eiland. — De maramoets.

noemde het Sibiriakof's eiland, naar den ijverigen en edelmoedigen beschermer der expeditiën in Siberië.

Den 16den stevende men tusschen Sverevo ei; Sopotsjnaja Korga door, waar de rivier zich tot 13 mijlen vernauwt, en wierp kort daarop het anker bij Goltsjika , de noordelijkste simovie die op dat oogenblik op den oostelijken oever vau de Jenissei bewooud werd. De daar gevestigde handelsagent kwam dadelijk aan boord en deelde mede, dtt de plaats in den loop van den zomer door drie stoombooten bezocht was, die de intusschen verzamelde goederen medegenomen en zijn magazijn van nieuwe voorzien hadden. Hij had gehoord, dat de lieer Sidorof' een schip had uitgerust, om eeue lading grafiet naar Europa te brengen, eu dat zich eenige vreemdelingen te Jenisseisk hadden opgehouden, van waar zij voornemens waren de rivier af te zakkeu naar de monding. Van die reis zelve had hij echter niets vernomen.

Nordenskjöld begreep dat dit zijne collegas moesten zijn , die met de land-expeditie belast waren, en om hen zoo spoedig mogelijk te gemoet te gaan, stoomde hij voort naar de Mesenkin, waar bepaald was dat Théel's gezelschap zich met hem zou vereenigeu.

De reden voor die afspraak was de volgende. Toen Nordenskjöld het vorige jaar zijne reis op de .lenissei deed, vernam hij toevallig van de inboorlingen, dat een gedeelte van eene mammoethuid daar in de omstreken aan liet licht was gekomen. Hij kou echter geen persoonlijk onderzoek instellen, omdat het seizoen reeds zoo ver gevorderd was, dat hij slechts met de uiterste moeite de laatste stoomboot kon inhalen, die de rivier opvoer. Hij wenschte dus gebruik te maken van de gelegenheid, die de expeditie van het tegenwoordige jaar schenken zou, om die zaak na te gaan en zich zoo mogelijk voor een der rijksmuseums te verzekeren van dat overblijfsel uit een vóórhistorisch tijdperk, hetwelk in den bevroren bodem van Siberië tot lieden toe bewaard was gebleven. Daarom was bepaald, dat Théel zou trachten tijdig genoeg de Mesenkin te bereiken, om opgravingen te doen. Eene tweede reden voor de afspraak was de onzekerheid of het water meer zuidwaarts iu de rivier diep genoeg voor de Ymer zou zijn, zoodat men zich wilde richten naar de peilingeu, die Théel gedurende zijne bootreis de rivier afwaarts zou doen.

Aan de Mesenkin vond men echter Théel niet en de inlanders hadden ook niets van hem vernomen. Nordenskjöld deed dus zelf een uitstapje naar de plaats waar de mammoet-huid zich moest bevinden en slaagde er in uit eene nieuw gevonden zandbank een paar groote en een aantal kleine stukken huid op te graven, die pas kor-

(!

81

ocr page 93

82 Nordenskjöld's Reizen naar de Jenissei.

telings door den voorjaarswas der rivieren van eene hooger gelegen plaats daarheen gespoeld schenen. Van de inlanders kreeg hij nog eenige stukken huid en twee stukken been, maar van een geheel of bijna volledig geraamte was niets te ontdekken.

In den morgen van 17 Augustus stoomde de Ymer verder de rivier op, doch bij Jakovieva begon de diepte, die tot nog toe 12 a 15 vadem had bedragen, te verminderen; een zware mist bemoeielijkte de vaart, en na bij het zoeken van een dieper vaarwater verscheiden malen aan den grond geraakt, maar zonder schade weder afgebracht te zijn, keerde de Ymer naar de vorige ligplaats bij de Mesenkin terug.

In afwachting van Théel's aankomst besloot men de lading van de Ymer te lossen aan de simovie Korepofskoi, een weinig ten zuiden van de Mesenkin, en onder bewaring te laten van Feodor, den gids van het vorige jaar, die daar woonde en als een vertrouwd persoon beschouwd werd. De lossing was den 23 Augustus afgeloopen, en geene retourlading behoevende in te nemen, zakte de Ymer den 25sten de rivier weder af naar de monding van de Mesenkin.

Voor het vertrek uit Stockholm was bepaald, dat Theel, indien het de Ymer niet gelukken mocht de Jenissei te bereiken, in geen geval zóó lang aan het noordelijk gedeelte dier rivier zou blijven dat hij gevaar liep de laatste stoomboot van het jaar naar de Jenisseisk te missen. De inboorlingen berichtten nu aan Nordenskjöld, dat de laatste rivier-stoomboot omstreeks 7 September van Saostrofskoi zou vertrekken. De afstand van die plaats naar de Mesenkin bedroeg ongeveer lfi5 Engelsche mijlen, waartoe men met eene boot stroomopwaarts onder gewone omstandigheden 7 of 8 dagen noodig had. Het was niet te onderstellen, dat ïhéel zijne bootreis voorbij Saostrofskoi zou voortzetten, in geval hem bleek dat de Mesenkin niet vóór 1 September bereikt kon worden. Nordenskjöld achtte het dus niet noodig langer dan het einde van Augustus met de Ymer in deze streken te blijven, terwijl het ook niet zeker was, dat men bij een later vertrek geen gevaar zou loopen in het ijs der Karische Zee bezet te geraken. Er werd dus besloten den 1 September terug te keeren, hoe onaangenaam het ook ware dit te doen zonder de leden der land-expeditie er. de belangrijke verzamelingen, die zij zeker aangelegd hadden. Vóór zijn vertrek zond Nordenskjöld echter een bode met eene boot naar Saostrofskoi, om aan Théel een brief te overhandigen, houdende me-dedeeling van Nordenskjöld's voornemen om op den genoemden dag naar Noorwegen terug te keeren. Théel kreeg dien brief behoorlijk in bezit. Hij was den 11 Augustus tot aan de J3riochofski-eilanden

ocr page 94

Reizen van anderen.

gekomen, doch had daar geen booten en roeiers kunnen krijgen, om hem met zijne verzamelingen verder de rivier af te brengen. Hij was dus genoodzaakt over land terug te keeren.

De Ymcr, 's morgens op 1 September vertrokken, bereikte deu üden Dickson's Haven en stoomde, daar het weer gunstig was, onmiddellijk door. De zee was aanvankelijk vrij van ijs, doch bij het naderen van Nova-Zembla stiet men op een dikken ijsgordel, die zich langs de kust uitstrekte tot aan straat Matotsjkin, welke men den 7 September bereikte. Men bleef daar tot den ISden om water en ballast iu te nemen. Het weer hield zich bestendig goed en den 22 September liep de Ymer te Tromsoe binnen.

Nordenskjold heeft door deze reizen naar de Jenissei een zeeweg uit den Atlantischeu Oceaan naar Siberië gebaand, die van onberekenbaar gewicht voor de ontwikkeling van 't noorden van Azië kan zijn. De heer de Lesseps schroomde niet, Siberië het rijkste land der wereld te noemen, wat de voortbrengselen uit de drie rijken der natuur betreft. Dit kan bezwaarlijk overdreven genoemd worden, als men den overvloed en de verscheidenheid der artikelen nagaat, die Siberië oplevert : goud, zilver, koper, ijzer, grafiet, steenkool en fossiel ivoor, hout uit onbegrensde bosschen, graan uit onbegrensde vlakten van den vruchtbaarsten grond, pelterijen uit de koudste districten, later wellicht wijn uit de warme gewesten, wol en vet, vleesch dat versch kan gehouden worden enkel door het bloot te stellen aan de felle winterkoude, en eindelijk visch van de fijnste hoedanigheid in onberekenbare hoeveelheden.

Eene week nadat Nordenskjöld de monding der Jenissei had verlaten, liep kapitein Wiggins er binnen met de stoomboot Thames. Hij bevoer de Jenissei tot Koerejka, legde daar zijn vaartuig voor den winter op en keerde over land terug. In 't voorjaar terug komende, vond hij het onder ijs en sneeuw bedolven en na het met veel werk weer bruikbaar te hebben gemaakt, had hij het ongeluk op eene zandbank te geraken, zoodat hij het schip moest verlaten.

Een heer Bojiing, die op zich had genomen de uit de \mer geloste goederen naar Jenisseisk te vervoeren, bad, om onafhankelijk van de rivierstoombooten te zijn, een eigen vaartuig (eene soort van rivierboot of lichter) voor dat vervoer laten bouwen, doch daarna in de gelegenheid gekomen om toch eene overeenkomst met eene rivierstoomboot aan te gaan, verkocht hij zijn nu overbodig nieuw vaartuig aan den heer Seebohm, een Engelsch vogelkenner, die er de rivier mede wilde afzakken om zich bij Wiggins te voegen en met dezen gezamenlijk

83

ocr page 95

84 Nordenskjöld's Reizen naar de Jenissei.

zijue ouderzoekingen voort te zetten. Seebokm vond Wiggins en bleef bij hem, totdat de stoomboot moest verlaten worden.

Terwijl Nordenskjöld iu 1876 de monding der Jenissei trachtte te bereiken, was de Russische kapitein Schwauenberg bezig de rivier af te zakken met de lading grafiet van Sidorof, vroeger vermeld. Hij vertrok van Jenisseisk met een daar gebouwdeu schoener, doch was, ua velerlei oponthoud, genoodzaakt dien bij de Briochofski-eilanden onder toezicht van den stuurman en vier matrozen achter te laten, waarop hij over laud naar St. Petersburg reisde, om beschikkingeu voor eeue verdere reis in het volgende jaar te maken. Gedurende zijue afwezigheid leed de schoeuer schipbreuk en ging de lading grafiet verloren. De vijf mau werdeu gered eu namen hun verblijf in eene hut aan den oever, waar allen, met uitzondering van den stuurman, aan het scorbut stierven. In het voorjaar zond Schwaneuberg eenige manschappen, om het schip te helpen afbrengen, 't geen zij vergaau vonden, zoodat zij hun intrek bij den stuurman in de hut namen, in afwachting van eene gelegeuheid om naar Jenisseisk terug te keereu. De voorjaars-overstroomingeu kwamen echter opzetten, waardoor de bewoners der hut verplicht werden eene toevlucht op het dak te zoeken, waar zij acht dagen moesteu doorbrengen, omringd door de rivier, die aangewassen was tot eeue zee.

Ondertusschen hadden Wiggins en iSeebohm zich met hunne man-schappeu geborgen in de rivierboot, die de laatstgenoemde vauBojling gekocht had. Wiggius, die een onverschrokken zeeman is, stelde voor mei. dat vaartuigje, hoe ongeschikt het ook was om zee te bouweu en het ijs te trotseeren, de rivier af te zakken, de Karische Zee over te steken en te trachten eene Europeesche haven te bereiken. De manschappen weigerden echter hun kapitein op zulk eene gewaagde reis te: vergezellen, eu daar Schwaneuberg juist op dit tijdstip verscheen, werd de rivierboot aan hem verkocht. Door zijue vroegere ramp niet ontmoedigd, gaf Schwauenberg aan zijn uieuwen aankoop den naam van het „Morgenrood,quot; en ofschoon het niets meer was dan een platbodems vaartuig van 50 voet lengte en 14 voet breedte met Wh voet diepgaug, gelukte het hem er Vardoe, aan de uiterste noordoostpunt van Noorwegen, mede te bereiken.

Toeu Schwauenberg de Jenissei deu 21 Augustus verliet, outmoette hij eene stoomboot, die juist de monding binneuliep. Het was de Fraser, die met eene lading suiker, tabak en audere goederen, onder kommando van kapitein Dallman, deu 25 Juli Bremen verlateu had. Schwauenberg deelde aan Dallman mede, dat Sibiriakof eene lading koren voor

ocr page 96

De ontsluiting van Siberië. 85

hem gereed had liggen, doch nadat Dallman zijne goederen gelost en tot 1] September gewacht had, zonder iets van liet koren te vernemen, achtte hij een langer vertoef ongeraden. Hij verliet dus de monding der Jenissei den 14 September en legde (een oponthoud van twee dagen aan straat Matotsjkin niet medegerekend) stoomende den geheelen afstand van de Jenissei tot aan den eersten Noonveegschen vuurtoren bij Hammerfest in 6 dagen en 8 uren af.

De stoomboot Jouisa van 60 paardekracht, kapitein Dahl, vertrok den 23 Juni 1877 van Lubeck, deed Londen en Huil aan, bereikte Tromsoe den 28 Juli en de zuidpunt van Nova-Zembla den 2 Augustus, stoomde de Ob en diens nevenrivier de Irtisj meer dan 1000 Engelsche mijlen op en kwam den 20 September te Tobolsk aan.

Niet zonder bezwaren derhalve, maar met de afwisseling van voor-en tegenspoed, die alle nieuwe ondernemingen kenmerkt, is men begonnen Siberië met zijne onmetelijke wouden, zijne nog onmetelijker weilanden en als voor óe korenteelt geschapen bouwlanden en zijne onuitputtelijke delfstoffejijke schatten voor den wereldhandel te ontsluiten.

ocr page 97

HOOFDSTUK IV.

REIS VAN PROFESSOR NORDENSKJÖLD MET DE VEGA, IN 1878 EN 1879, TOT ONTDEKKING VAN DEN NOORDOOSTELIJKEN DOORTOCHT.

Vroegere pogingen om een noordoostelijken doortocht te vinden. — Memorie van Nordenskjöld omtrent dat vraagstuk. — Expeditie van de Vc/ja, vergezeld van de Fraser, de Express en de Lena. — De Samojeden te Tsjabarova. — Afgoden. — Het Witte Eiland en Dickson's Haven. — Terugkeer van de Fraser en de Express. — De Karaenni-eilanden. — Kaap Sleilegof. — Het eiland Minnin. — Straat Taimyr. — De Actinia-baai. — Armoede der dieren- en plantenwereld. — Kaap Tsjeljoeskin. — Het eiland Preobrasjenski. — Terugkeer der Lena. — De Nieuw-Siberisohe eilanden. — Kaap Sviaïoi Nos. — De Beeren-eilanden. — De Tsjaun-baai. — Kaap Sjelagskoi. — Inboorlingen van kaap Sjelagskoi. — De rotsen bij kaap Baranof. — Kaap Onman. - Eiland en golf Koljoetsjin. — Noorderlicht. — In 't ijs besloten, slechts 120 mijlen van de Behringstraat. — Toebereidselen tol de overwintering. — De Onkilons en hunne geschiedenis. — Een afstammeling der Omokis. — De Tsjoektsjen en hunne levenswijze. — Sledetochten. — Verhuizing der Tsjoektsjen naar Naskai. — Hunne onvermoeidheid. — Een fijn diner bij de Tsjoektsjen. — Hunne taal. — Beerenjacht der Tsjoektsjen. — Nieuwe sledetochten en felle koude. — De Vega ontslagen uit het ijs. — De Behringstraat bereikt. — Aankomst te Jokohama. — Terugkeer naar Europa.

Toen Spanjaarden en Portugeezen zich in de Ifi'1quot;' eeuw een weg naar het Oosten hadden gebaand, dien zij geheim poogden te houden, trachtten andere volken een eigen weg te vinden naar het rijk van Cathay, zooals men in dien tijd Cliina noemde, en volgens hunne ligging scheen een noordelijke weg in de eerste plaats gezocht te moeten worden. Aan drie richtingen werd gedacht: vooreerst over of bij den noordpool, waar men onderstelde dat eene open zee zou wezen, eene onderstelling die zelfs tot in de nieawste tijden door sommigen nog is vastgehouden; ten tweede langs een noordwestelijken doortocht ten noorden van Amerika, en ten derde langs een noordoostelijken doortocht ten noorden van Azië.

ocr page 98

De noordoostelijke doortocht. 87

Tal vau reizen werden iu deu loop der jaren in al die richtingen ondernomen, maar alle mislukten. Van de pogingen om den weg in de twee eerste richtingen te vinden, behoeven wij hier niet te spreken, maar reeds meer dan drie eeuwen is het geleden, dat eene expeditie tot ontdekking van den noordoostelijken doortocht uitgerust werd. De Londensche Compagnie der „Merchant Adventurers,quot; die haar naam later in Moskovische Compagnie veranderde, stelde in 1353 drie schepen onder bevel van sir Hugh Willoughby, die, den 20 Mei van dat jaar van Greenwich uitgeloopen, genoodzaakt was op de kust van Lapland te overwinteren en er met zijne bemanning den dood vond. Zijn reisgenoot Chancelor kwam eindelijk naar Moskou en legde er dei; grond voor den Engelschen handel met Rusland. Hij werd voor de tweede maal uitgezonden, maar leed schipbreuk en verdronk. Zonder nog op zijne terugkomst te wachten had de Moskovische Compagnie in 155C een klein schip uitgerust onder Stephen Burrougli; dit passeerde tusschen Nova-Zembla en het. eiland Waygatsj en kwam tot in de Karische Zee, maar werd daar door ijs en mist in zijn verderen voortgang gestuit. Van dien tijd af tot in het laatst der vorige eeuw-volgden dergelijke expeditiën elkander op en wij behoeven slechts Barents en de overwintering op Xova-Zembla te noemen, om te herinneren aan het deel, dat ook de Nederlanders er aan gehad hebben.

De groote zeevarende natiën staakten de pogingen in noordoostelijke richting en legden zich voornamelijk op het vinden van een noordwestelijken doortocht toe, doch liet Russische gouvernement zond in den loop der tijden niet minder dan 18 expeditiën uit, om iVova-Zem-bla, de Karische Zee en de Siberische kust ten oosten op te nemen. Ook van dit een en ander werd men allengs afgeschrikt; uit de reizen van admiraal Lütke van 1821 tot 1824 scheen te blijken, dat het onmogelijk was zich een weg door de Karische Zee te banen; de lieer von Baer, met eene zending daarheen belast, noemde die zee een „ijskelder,quot; en Pachtoesof, die er in 1832 door heen wilde dringen, om de mondingen van de Ob en de Jenissei te bereiken, keerde onverrichter zake terug , na genoodzaakt te zijn geweest op Nova-Zembla te overwinteren.

Toen echter de Karische Zee bevaren was en Nordenskjöld's tochten van 1875 en 1876 de mogelijkheid om tot de mondingen der groote Siberische rivieren te komen bewezen hadden, kreeg de zaak een ander aanzien en werd het oude plan weer opgenomen. Nordenskjöld achtte het vinden van den noordoostelijken doortocht thans, nu men de stoomkracht tot zijne beschikking had, zeer mogelijk. Om zeker te gaan, be-

ocr page 99

88 Nordenksjöld's Reis met de Vega.

studeerde liij grondig al de pogingen, die waren aangewend om, langs de kust van Siberië, van de monding der Jenissei naar de Behring-straat te stevenen, en de vrucht daarvan was eene memorie, die hij aan het Zweedsche gouvernement richtte.

In dat stuk zette hij uiteen, dat de zee teu noorden van de Siberische kust, van de monding der Jenissei tot aan de Tsjaunbaai, nooit door een wezenlijk zeewaardig schip en nog minder door stoombooteu bezocht was, alleen door kleine vaartuigen, wier planken met boombast aaneengehecht en in de reten met mos toegestopt waren, zoodat eene open zee met frisschen wind gevaarlijker voor hen was dan drijfijs, terwijl zij ten overvloede juist in dat jaargetijde, wanneer de zee het meest ijsvrij is, namelijk in den laten zomer of liet najaar, de toe-vlucht in eene winterhaven namen. Het ijsdek, dat zicli des winters langs de kust, hoewel waarschijnlijk niet in de voile zee vormt, breekt eiken zomer, waaruit dan drijfijs ontstaat, dat met zuidenwinden de zee ingaat, maar met noordenwinden terugkomt, zoodat liet sciiijnt dat de Siberische Zee van de eigenlijke Poolzee afgescheiden is door eene reeks eilanden, van welke men tot op liet oogenblik slechts Wrangei's land en de Nieuw-Siberische eilanden kent.

Nordenskjöld achtte het waarschijnlijk, dat eene goed toegeruste stoomboot, zonder al te veel hinder van het ijs te hebben, zich in het najaar in weinige dagen een weg zou kunnen banen, waardoor het mogelijk zou worden, niet slechts een aardrijkskundig vraagstuk, dat de wereld eeuwen had bezig gehouden , op te lossen, maar ook met de middelen, die tegenwoordig aan de wetenschap ten dienste staan, eene tot nog toe onbekende zee van ontzaglijke uitgebreid lieid uit het oogpunt der geographic, hydrographie, geologie en natuurlijke historie op te nemen.

Mocht de expeditie, in strijd met de verwachting, haar doel niet geheel bereiken, dan zou zij daarom toch niet nutteloos zijn, want zij zou dan een geruimen tijd op plaatsen aan de noordkust van Siberië vertoeven, die voor wetenschappelijke nasporingen geschikt zijn. Elke mijl, die men voorbij de monding van de Jenissei kwam, zou een stap verder tot de volledige kennis van den aardbol wezen.

Op deze grondslagen, zeer in liet breede door Nordenskjöld ontwikkeld , kwam eene nieuwe expeditie tot stand, waartoe de heer Oscar Dickson weer ongeveer f 150,000 bijdroeg, de koning van Zweden f 25,000, de heer Sibiriakof evenveel, enz. l)e heer Dickson kocht ten behoeve van dezen tocht voor ruim f 100,000 den stoomwalvischvaai-der Feya, van 60 paardekracht, die in 1873 te Bremeu van eiken-

ocr page 100

Samenstelling der expeditie. 89

hout gebouwd en ter bescherming tegen het ijs met eene buitenhuid vau ander hout bekleed was. De Zweedsche Vertegenwoordiging schonk subsidiën voor de uitrusting en proviandeering, terwijl het gouvernement aan de officieren en manschappen der Zweedsche marine, die als vrijwilligers aan den tocht zouden deelnemen, de tractementen en andere voordeden verzekerde, waarop zij bij dienst in verafgelegen zeeën aanspraak zouden hebben.

iXordenskjöld, als chef der expeditie, werd vergezeld door den luitenant ter zee Palander, kommandant van de Vega (*); luitenant Bruse-witz, onderkommandant; Dr. Kjellman, kruidkundige; Dr. Stuxberg, dierkundige ; Dr. Almquist, officier van gezondheid en kruidkundige ; luitenant Giacomo .Hove, van de Ttaliaansche marine, hydrograaf; luitenant Hovgaard, van de Deensche marine; en luitenant Nordquist, van de Russische garde, dierkundige en tevens tolk. De bemanning bestond uit 18 der krachtigste matrozen van de Zweedsche vloot en 3 Noor-weegsche walrusjagers. De Vega was geproviandeerd voor eene bemanning van 31) koppen gedurende twee jaren en rijk voorzien van anti-scorbutieke middelen, onder anderen limoensap, waarvan gedurende den winter eene hoeveelheid bij elk dagelijksch rantsoen gevoegd werd.

Voor een gedeelte der reis kreeg de Vega drie andere schepen tot geleide mede. Tot aan de monding der -lenissei zou zij vergezeld worden door de stoomboot Fraser en het zeilschip Express, en tot aan de Lena door de kleine stoomboot Lena, van Bessemer-staal gebouwd. De Express had in eene Engelsche haven 350 ton kolen voor de expeditie aan boord genomen en zou met de Fraser, die op de uitreis met tabak en ijzer bevracht was, voor rekening van den heer Sibiriakof bij eene simovie aan de monding der .lenissei 40,000 pud koren en 500 pud talk inladen. De lading der Lena bestond uit provisiën voor 16 maanden en kolen. De Fraser, met de Express op sleeptouw, daar ex-geen wind was, vertrok van Vadsoe den 13 Juli 1878 en bereikte den 20sten straat Jugor. Van Tromsoe, waar Nordenskjöld zich bij de expeditie voegde, vertrok de Vega den 21 Juli, vergezeld van de Lena. Beide schepen werden te Masoe opgehouden tot den 25sten, toen zij weer het anker lichtten en door den Maseroe-sond koers zetten naar de Ganzenkaap, op de westkust van Nova-Zembla. Zonder een spoor van ijs gezien te hebben, bereikten zij straat Jugor. Den 30steu wierp de fega, na langs de kust van Nova-Zembla naar straat Jugor gestoomd te zijn, het anker bij liet Samojedendorp Tsjabarova, waar de I'rnser

(') üe Vega, die de vlag der Zweedsche marine niet mocht voeren.heeft de reis gedaan onder die der Koninklijke Zweedsche Jachtclub.

ocr page 101

90 Nordenskjöld's Reis met de Vega.

en de Express reeds sedert den üOsten gelegen hadden. Den Sisten vertoonde zich de Lena en was het kleine eskader voltallig.

Nordeuskjöld kocht hier kleedingstukken, huisraad enz. van de Sa-mojeden en trachtte ook eenige afgoden te koopen, die door dat volk nog altijd heimelijk vereerd worden, ofschoon zij Christenen heeten en aan de christelijke godsdienst-oefeningen deel nemen. quot;Voor zeven roebels deed eene oude vrouw er hem eenige over. Deze afgoden waren van verschillenden aard. l)e eene was een steen, dien men door eenige smeeren verf de gelijkenis met een gezicht had gegeven; de andere, ook van steen, had voor gezicht een koperen plaat; een derde bestond uit eene soort pop van dierenhuid, met oorringen en kralen versierd. Alle geleken op die kunstelooze poppen, waarmede boerenkinderen zich tevreden stellen, zonder dat de speelgoed-koopman in de stad er een penning aan verdient.

Des zomers wonen te Tsjabarova een negental Russen, die in het voorjaar van Poestosersk komen, waar zij hunne vrouwen en kinderen achterlaten, en in het najaar weer vertrekken. Gedurende hun verblijf drijven zij ruilhandel met de Samojeden en leggen zich op vischvangst en reudierfokkerij toe. De waren worden over de toendra herwaarts gebracht en naar Poestosersk teruggebracht door middel van lichte, zeer lange en met honden of rendieren bespannen sleden, die men in Siberië varten noemt. De Russen wonen in lage, met zoden gedekte houten hutten en de Samojeden in tenten van rendier vel, welke in gedaante met die der Laplanders overeenkomen.

Een der Russen noodigde de reizigers uit, thee bij hem te komen drinken. In den loop van het gesprek deelde hij mede, dat zich aan de overzijde van den zeearm op het eiland Waygatsj een Samojeedscli altaar bevond, waarheen hij hun den weg wilde wijzen.

quot;Waygatsj is een eiland van eene vrij regelmatige gedaante, ongeveer 90 kilometer lang en 40 breed en bestaat grootendeels uit een vrij effen plateau, dat steil in de zee afloopt. Gras is er vrij overvloedig en het eiland wordt dus als goede weidegrond voor rendieren beschouwd, In het voorjaar brengen de Samojeden hunne rendieren over het ijs daar heen, om er hen gedurende den zomer te laten grazen. In het najaar keeren de dieren naar het vasteland terug, doch zijn dan verplicht den zeearm over te zwemmen, die in dit seisoen vrij van ijs is.

Van oudsher is Waygatsj rijk geweest aan altaren en de daarbij aangetroffen houten afgoden zijn reeds afgebeeld in de reisbeschrijvingen van vroegere Ilollandsche en Engelsche zeevaarders. Op oude Holland-sche en Russische kaarten staan verscheiden voorgebergten als kaap

ocr page 102

Eene offerplaats. 91

Bolvan of Afgodenkaap genoemd. Deze laatste overblijfselen vau een vorm van eeredienst, die eenmaal over de geheele aarde verbreid was, bezitten een zoo groot ethnographiscli belang, dat Nordenskjöld de gelegenheid niet wilde laten voorbijgaan, om ze met een bevoegd geleider te bezoeken. Hij stak dus den 31 Juli met Almquist, Hov-gaard en Nilson, den kamteia van de Eraser, deu zeearm over om de offerplaats te gaan bezichtigen, waarbij het gezelschap door prachtig weer begunstigd werd.

De kalkrotsen van Waygatsj zijn door de werking van de vorst en de golven op sommige plaatsen tot diepe en fraaie grotten uitgehold. De grootste was heilig in de oogen der inboorlingen, die er een altaar hadden opgericht, dat echter voor een dertigtal jaren door de Russen verwoest is. De grond was ecliter nog bezaaid met de gebeenten van offerdieren en hier en daar lagen verroeste stukken ijzer, die wellicht ook tot offeranden hadden gediend. In de nabijheid was door de inlanders een ander altaar opgericht. Op een heuveltje van drie of vier voet hoogte lagen een aantal rendiergesveien, nog aan den schedel bevestigd en met stokjes doorstoken, waarop weer andere rendierhoorns bevestigd waren. Men zag ook gebeenten van beeren, en onder anderen den kop en de pooten van een onlangs gedooden beer, bij welke twee looden kogels, die waarschijnlijk gediend hadden om hem het leven te benemen, op een steen gelegd waren. Voorts lagen er bij die hoogte een aantal kleine houten poppen, waarvan neus, oogen en mond op eene zeer lompe wijze ingesneden waren. Eene plek van den grond vertoonde nog de duidelijke sporen van tot vuurplaats gediend te hebben, waar het ottermaal bereid werd. De geleider verhaalde, dat de Samojeden bij hunne offerfeesten niet alleen de afgoden trachtten te doen proeven van het bloed der offerdieren, maar ook, als zij rijk genoeg waren om zich die weelde te veroorloven, hun brandewijn in den mond poogden te gieten, om op een goeden voet met hen te komen.

Terwijl luitenant Hovgaard eene teekening van de plaats maakte, verzamelde Nordenskjöld een aantal rendiergeweien, stukken ijzer en afgoden in een zak. Hoewel de llus den vorigen dag zeer gespot had met de Samojeedsche afgoden, scheen hij nu toch volstrekt niet op zijn gemak, dat zij weggenomen werden, en eindelijk verzocht hij, dat onze reiziger de wellicht vertoornde goden zou tevreden stellen door eene zekere schatting, 't geen geschiedde door twee stukjes zilvergeld tusschen twee steenen te leggen.

Den 1 Augustus lichtten al de schepen het anker en stevenden door

ocr page 103

92 Nordenskjöld's Reis met. de Vega.

straat Jugor de Karische Zee binnen. De Lena stoomde vooruit naar liet Witte Eiland, waar Dr. Almquist en de luitenants Hovgaard en Nordquist aan land gingen en 36 uren vertoefden, waarna het schip naar Dicksons's Haven, aan de monding der Jenissei, voortstevende. Tot hiertoe had men geen ijs gezien; op de hoogte van het Witte Eiland ontmoette men nu een uitgestrekt veld drijfijs, zoo wrak echter, dat het den voortgang niet verhinderde. Ten oosten van het eiland verdween het ijs geheel en den 6 Augustus wierpen al de andere schepen het anker in Dicksou's^Haven.

In den morgen van den 9den voeren de Fraser en de Express de rivier op naar Saostrofskoi, waar zij den 2()steu aankwamen en hunne lading losten. De Express bleef daar liggen ora eene nieuwe lading in te nemen en de Fraser voer de rivier hooger op naar Dudinskoi, waar eene volle lading tarwe, rogge en talk lag te wachten, en keerde den 2 September naar Saostrofskoi terug. IVa hier nog eenige dagen vertoefd te hebben, namen de beide schepen de tehuisreis aan en ontmoetten bij Tolstonosofski de stoomboot Moshva van Bremen, die de equipage van eene gestrande Noorweegsche stoomboot, met name Za-rilza, aan boord had. De Fraser en de Express namen die equipage over en zakten de rivier verder af, waar zij de Zaritza drijvende vonden, met G'/a voet water in het ruim. Er gingen manschappen aan boord om haar leeg te pompen, hetgeen gelukte, zoodat de Zaritza onder geleide van de Fraser weer zee kon bouwen. Gedurende die terugreis had men in de Karische Zee weinig last van ijs. Eenoorden de Noord kaap scheidden de beide schepen van elkander; de Express zeilde zuidwaarts en de Fraser viel te Tromsoe binnen.

Na een dag, ; besteed aan het opnemen van Dickson's Haven, zetten de Vega en de Lena den 10 Augustus hun tocht oostwaarts voort, nu door geheel onbekende streken. Zij richtten zich naar de Kamenni Ostrof of Rotsige Eilanden, tusschen welke zij een vrij vaarwater langs de kust vonden, doch reeds den volgenden morgen moest men wegens zwaren mist het anker werpen in eene baai van een eilandje bij kaap Sterlegof, dat nog geen naam had, maar nu Minnin werd genoemd, naar een Russischen luitenant ter zee, die het in 1840 met een zeer klein vaartuigje bereikt had. Toen in den middag het weer opklaarde, sloegen de beide vaartuigen dadelijk de oostelijke richting in.

Den 13 Augustus bemerkte men op de Vega, die voorzichtig vooruit stoomde, dat men geen 50 el meer van het land verwijderd was, hetgeen door den mist tot nog toe verborgen was gebleven. Gelukkig kon men dit gevaar vermijden, doch een uur later werd men belem-

ocr page 104

Kaap Tsjeljoeskin. 93

merd door een drijvend ijsveld. Daar maakte men de schepen aan vast en het ijsveld trok ze oostwaarts voort, hetgeen 24 uren duurde. Toen kregen de vaartuigen weer ruimte en zetten koers naar de straat, die het eiland Taimyr van het vasteland scheidt. Men hield stil m eene kleine baai in straat Taimyr, waaraan de geleerden der expeditie den naam Actinia gaven, naar den Latijnschen naam eener zee-anemone, die in deze streken veelvuldig wordt aangetrotlen. Ue straat bleek bij peiling niet overal diep genoeg voor de Vega te zijn en het was dus gelukkig, dat het ijs aan de noordzijde brak en de reis in die richting voortgezet kon worden.

De dieren- en plantenwereld was zoo schaars vertegenwoordigd, dat de kusten, in vergelijking met die van Spitsbergen en Nova-Zembla, als eene woestijn beschouwd konden worden. Men zag slechts weinig zeevogels ; de ganzen waren iets talrijker. Met nog een paar sneeuw-hoenders, een uil en eene soort van valk was de lijst nagenoeg gesloten. Het land was vrij van sneeuw en bedekt met een grijsgroen kleed van grassen en mossen.

Hoewel het telkens mistig was, lichtten de Vega en de Lena den 18 Augustus het anker en vonden den 19deu langs de geheele kust een open kanaal in het ijs, waardoor zij aan eene kleine baai kwamen, dicht bij kaap Tsjeljoeskin. Bij Nordenskjölds vertrek hadden zijne Zweedsche vrienden beweerd, dat hij die beroemde kaap nimmer zou bereiken, en thans, twintig dagen na het passeeren van straat Jngor, was hij er niet alleen, maar zelfs zonder aan zijne schepen het minste letsel hekomen ot' een man der equipages verloren te hebben. Het groote feit werd gevierd door het hijschen der vlaggen en het lossen van vreugdeschoten, die een ijsbeer, het eenige levende wezen, dat zieh aan de kust vertoonde, op de vlucht joegen. Den volgenden dag plantte men op het uiterste punt der kaap een mast, bevestigde dieu met een grooten hoop steenen en begroef er eene blikken bus ouder, waarin een verslag vau de tot dusver afgelegde reis en van de verdere plannen geborgen was. Vóór Nordenskjöld was deze kaap nog slechts door één man betreden, namelijk in 1742 door dengeen, die er ziju naam aan gegeven had.

Men bepaalde hare juiste ligging (77 graden 3G minuten noorderbreedte en lü-'i graden 25 miuuten oosterlengte van Greenwich) door astronomische waarnemingen, en Kjellman en Almquist verzamelden er planten. Het zonderlinge verschijnsel deed zich hier voor, alsof alle planten een marsch in noordelijke richting ondernomen hadden en dooide zee gestuit waren, want in een klein bestek vond men daar alle

ocr page 105

04 Nordenskjöld's Reis met de Vega.

soorten bijeen, die over het verdere land verstrooid waren, zóó zelfs dat verscheidene daarvan te vergeefs meer zuidwaarts werden gezocht.

De schepen hervatten deu 20 Augustus hunne reis en stevenden oostwaarts, in de hoop eene verlenging der Nieuw-Siberische eilanden aan te treffen, doch weldra drijfijs ontmoetende en door zwaren mist overvallen, richtte men den steven meer zuidwaarts en bevond zich den 24steu bij het eiland Preobrasjenski, dat 250 voet boven deu waterspiegel uitsteekt eu overvloedig van gevogelte voorzien was, zoodat men gedurende eenige dagen niet enkel voor de officieren, maar ook voor de manschappen eenige afwisseling in de spijzen kon brengen.

De reis werd door geheel open water voortgezet, tot dat men den 27 Augustus de monding der Lena bereikte. Nordenskjöld was voornemens geweest daar te ankeren, doch de gunstige wind en de open zee boden zulk eene uitstekende gelegenheid aan om vooruit te komen, dat hij een zoodanig oponthoud niet gerechtvaardigd achtte. Volgens het vroeger vastgestelde plan scheidden hier de Vega en de Lena.

De Lena stevende de golf der Lena in, niet zonder moeite en gevaar, daar er geen loods te bekomen was. Deu 7 September kwam zij op de eigenlijke rivier, waar de vaart miuder bezwaren opleverde. Zij bereikte Jakoetsk den 21 September en verzond van daar depêches van de Vega naar Irkoetsk, waarop een telegram uit die stad, van 16 October, de gelukkige volbrenging van het eerste gedeelte van het programma der expeditie, het omstevenen van het schiereiland ïaimyr cn het opstevenen der Lena, door een stoomboot uit den Atlantischen Oceaan, aan de beschaafde wereld verkondigde.

De Vega van haar kant nam den koers noordoostwaarts naar Fadejef, een der Nieuw-Siberische eilanden, die uit een wetenschappelijk oogpunt zeer merkwaardig zijn om de overblijfselen van mammoets en andere dieren uit datzelfde tijdperk, die er in nog grooter hoeveelheid dan op het vasteland gevonden worden. Sommige zandbanken aan de oevers zijn zoo vol beenderen en tanden van mammoets, dat jaren lang ivoorverzamelaars er elk voorjaar met houdensleden heengingen en m het najaar, als het water op nieuw met ijs bevloerd was, met een rijen buit terugkeerden.

Volgens Hedenström, den eenigen wetenschappelijken man die deze eilanden bezocht heeft, vindt men in 't binnenland heuvelen, geheel bedekt met overblijfselen van mammoets, rhinocerossen, bisons, schapen, enz. Eene volledige opneming had nog nooit plaats gehad, omdat de eilanden zoo moeielijk toegankelijk zijn en daar Nordenskjöld het belang zelfs van een oppervlakkig onderzoek kou waardeeren, was het zijn

ocr page 106

Overwintering van Sjalavrof. 95

wensch een der eilanden aan te doen of er ten minste tussclien te kruisen.

Aanvankelijk vorderde men snel, doch nadat den 28 Augustus een paar der westelijkste eilanden in 't gezicht waren gekomen, werd de Vega door de toenemende ondiepte der zee belet met volle kracht voort te gaan. Den SOsten bereikte men het eiland Ljachof, waar Norden-skjöld wilde lauden; hij moest daar echter vau afzien wegens het ijs, dat liet eiland omgaf, en het gevaar waaraan het schip bij een plotse-lingen storm in dit ondiepe water zou zijn blootgesteld geweest.

De straat door welke het zuidelijkste der Nieuw-Siberische eilanden van het vasteland is afgescheiden, heeft aan de zuidzijde een voorgebergte, dat, gelijk vele andere punten op de noordelijke kusten van Rusland, die men slechts met moeite kan omstevenen, Sviatoi Nos of Heilige Kaap wordt genoemd. In 1736 verklaarde de onverschrokken reiziger Laptjef, dat het onmogelijk was dit voorgebergte om te zeilen, omdat het volgens de eenparige verklaring der hier wonende Jakoeten omsloten was door ijsmassa's, die nooit smolten. Doch drie jaar later zeilde Laptjef het zelf om, een nieuw bewijs, gelijk IVordeuskjöld heeft aangemerkt, hoeveel „onmogelijkhedenquot; in de aardrijkskunde toch mogelijk blijken te zijn. Het werd in 17fi I nog eens gedaan door Sjalavrof, wiens naam in herinnering verdient te worden gehouden. Hij was een rijk koopman, die het onderzoek van de noordkust van Siberië beoosten de monding der Lena tot zijne levenstaak scheen te hebben gekozen. In 1700 liep hij de Lena uit, doch kwam liefeerste jaar niet verder dan de Jama, de naast bij de Lena gelegen rivier aan de oostzijde. De eigenlijk gezegde expeditie ging eerst van daar uit, den 1 Juli 1761. In de helft van September zeilde hij de Sviatoi Nos om eu bereikte in 't laatst dier maand de Beeren-eilauden, waar zijn broos vaartuig door het ijs werd tegen gehouden. Hij ging overwinteren aau de monding der Kolima, waar hij van drijfhout een huis bouwde, dat hij omringde met een wal van sneeuw, bewapend met twee kanonnen. Toen in het volgende jaar het ijs de kust verlaten had, stak hij weer in zee, doch door tegenwind en andere ongunstige omstandigheden kon hij niet verder komen dan ten westen van kaap Sjelagskoi, zoodat hij naar zijn vorig winterkwartier aan de Kolima terugkeerde. In den volgenden zomer wilde hij zijn tocht hervatten, docli zijne reisgenooten, afgemat van een driejarigen strijd tegen het ijs eu het klimaat, wilden hem niet meer volgen. De verdere expeditie moest dus opgegeven worden. Sjalavrof, die zelf geen middelen meer bezat, ging naar Moskou om ondersteuning te zoeken eu verkreeg er ook de gelden om eene nieuwe reis te ondernemen

ocr page 107

9G Nordenskjöld's Reis met de Vega.

Hij verzamelde weer eeue equipage en vertrok in 1764 naar de Siberische IJszee, doch onderging nu liet lot, dat bijna eene eeuw latei-zulk eene treurige vermaardheid aan Franklin's naam heeft gegeven. Bijna 70 jaren bleef men onkundig van de plaats waar eu de wijze waarop hij met de zijnen bezweken was, totdat in 1823 een van Wran-gel's reisgenooten op liet strand ten oosten van kaap Sjelagskoi eene hut vond, die volgens de mededeelingen der inlanders van Sjalavrof herkomstig was. De rondom de hut liggende gebeenten waren die van den onverschrokken reiziger en zijne tochtgenooten, waarschijnlijk allen als slachtoffers van het scorbut gevallen.

Den 31 Augustus bij stil en helder weer stoomde de Fegu de straat door, die vrij was van ijs, even als het naburige land van sneeuw. In oostwaartsche richting zag men open water langs de kust. In de volgende dagen veranderde het weer en ouder sneeuwbuien kwam men den 3 September bij de Jieeren-eilanden. Het drijfijs hinderde slechts weinig, maar in 't noorden vertoonden zich onafgebroken ijsvelden, die Xordenskjöld beletten ziju plan uit te voeren, om noordwaarts van de monding der Kolima nasporingen te doen of er nog land was tus-schen het eiland Ljachof en Wrangel's Land. Eene poging om van het oostelijkste der Beeren-eilanden recht oostwaarts naar kaap Sjelagskoi te stevenen moest ook opgegeven worden, omdat die weg door ondoordringbare ijsvelden afgesloten was. Dientengevolge was Nor-denskjöld verplicht zich te wenden naar het open kanaal langs de kust, dat voortdurend smaller werd, zoodat hij meer en meer het land moest naderen, waar de diepte op eene bedeukelijke wijze afnam. Hij kwam er echter gelukkig door, passeerde de Tsjaun-baai in den nacht van 5 op G September en bereikte kaap Sjelagskoi in den vroegen' morgen van den 6den.

Toen bleek het, dat het schip zoozeer door ijs omringd was, dat men onmogelijk verder kon komen in oostwaartsche richting. Men moest meer open water zoeken noordwaarts, of wel een bijna ijsvrij doch ondiep kanaal langs de kust volgen. Tot dit laatste werd besloten, doch aanvankelijk had men groote moeite om door het ijs te breken waarin het schip besloten zat.

Nauwelijks was de fez/a het land genaderd, of er staken twee booten van wal, ongeveer gelijk aan die der Eskimo's en vol met inlanders, de eerste die men gezien had sedert het vertrek van Tsjabarova aan straat Jugor. Men hield stil, om hen aan boord te laten komen, en ontving hen vriendelijk, doch ongelukkigerwijze kon geen van allen Engelscli of eenige andere bekende taal spreken. Alleen een knaap

ocr page 108

De Ir-Kajpi. 97

kon tot tien tellen in het Engelscti, waaruit althans bleek dat de inboorlingen eenigen meerderen omgang met de Amerikaansche walvisch-vaarders aan de Behringstraat dan met de Russische kooplieden hadden.

Van de Lena tot aan de Hehringstraat is de kust over het algemeen laag en vlak; slechts hier en daar rijzen alleenstaande rotsen bijna aan den waterkant op. De merkwaardigste zijn twee aan kaap Ikranof, die nagenoeg op dezelfde lijn staan, de westelijke van wit graniet, de oostelijke van zwartblauwen leisteen. Eerst na de monding der Kolima en die beide rotsen gepasseerd te zijn, begon de expeditie ernstige moeielijkheden te ondervinden. Hoe oostelijker men kwam, des te meer ijs vond men, des te dichter werd het. Verderop waren er geen rivieren meer van zoodanige kracht, dat zij, gelijk de Jenissei, de Lena en de Kolima , het poolijs op een afstand konden houden. Nu eens durfde de Vega wegens den mist niet voortgaan, dan weer liep zij gevaar door de drijvende ijsvelden tegen den wal verbrijzeld te worden. Zij vond echter, van kaap Jakan af, gedurende eenige ureu weer open water en bereikte den 14 September het voorgebergte, dat door Cook de Noordkaap was genoemd, maar volgens Nordenskjöld, om verwarring met andere noordkapen te voorkomen, veeleer zijn in-landscheu naam van Ir-Kajpi moet dragen. Hier werd zij gestuit door ijs. Men hoopte op verandering, doch den 18 September bracht de stoombarkas , waarvan de Vega voorzien was en die telkens op kondschap uitging, de tijding dat het ijs aan den kant van kaap Ammon dikker begon te worden. Er werd dus besloten tot eene poging om het met kracht te verbreken. De Vega ging voorop en stiet de ijs-schotsen weg, doch deze sloten zich bijna terstond weder achter haar, waardoor de barkas dikwijls in gevaar kwam om verbrijzeld te worden. Ondanks alle inspanning zag men zich den volgenden dag tegengehouden door een ontzaggelijk ijsveld, dat voor kaap Wankarema vast lag, en door den mist en het ondiepe water kon men geen anderen uitweg vinden.

Den 26 September was men echter gevorderd tot kaap Onman, een voorgebergte dat aan de golf van Koljoetsjin loodrecht tot eene hoogte van 300 voet oprijst. Na die omgestevend te zijn, kreeg men den Imogen ronden berg van het eiland Koljoetsjin in 't oog, die zich majestueus boven deze ijswereld verhief. Eerlang verdween hij in het duister van den nacht, doch daarentegen werd men verrast door een prachtig noorderlicht. Omstreeks 10 ure des avonds ontstonden aan den horizon vlammen, wier middenpunt in het noorden lag. Andere vlammen volgden daarop, minder helder naarmate zij dichter bij het

7

ocr page 109

98 Nordenskjöld's Reis met de Vega.

zenitli kwamen, maar weder meer glansrijk bij de afdaling naar den zuidelijken horizon. Dit licht was schitterend wit en weldra werd de lucht als met bogen omgeven, die prachtig tegen den donkeren, maar met sterreu bezaaiden achtergrond afstaken.

Later in den nacht kreeg de hemel weer een ander aanzien. Aan het zenith vertoonde zich eene lichtende streep, die in vlammen-vorm met al de kleureu van den regenboog heen en weer golfde. In het oostelijk gedeelte der streep kwam meer en meer beweging, totdat aan die zijde boven den horizon eensklaps een onmetelijke fakkel opsteeg, die groote golvende lichtstralen uitschoot. De streep verbleekte, de stralende fakkel werd steeds grooter, en te gelijk schoten uit het zenith gouden stralen naar alle zijden heen. Een kwartier uurs daarna verflauwde alles; de lichtbogen kwamen wel weer een oogenblik te voorschijn, maar daalden langzaam in noordelijke richting af en doofden toen uit.

Eeue nieuwe poging om uit de golf te geraken werd den volgenden dag beproefd. Het was heerlijk weer en de zon scheen met bijna zooveel kracht als op een voorjaarsdag in Europa. Nog denzelfden avond bereikte men kaap Jinredlen, die, hoewel minder hoog, overeenkomst met kaap Onman heeft. Hier was de zee op slechts weinige voeten van de kust zeer diep. Gedurende den nacht verzamelden zich weer nieuwe ijsmassa's rondom het schip, en na eenige mijlen oostwaarts gevorderd te zijn moest men andermaal stilhouden. Hevige stroomin-gea voerden meer en meer ijs aan, de voorbode van de kluisters waarin de expeditie eerlang voor een tijd van 294 dagen zou geslagen worden. Den 28 September wierp de Vega, 1400 meter van land, het anker bij Pitlekai, een dorpje der Tsjoektsjen van slechts 18 tenten tusschen de Koljoetsjin baai en kaap Sertze-Kamen, nog slechts 120 mijlen van de Behringstraat, nadat men, van Tromsoe af, reeds 4200 mijlen gelukkig had afgelegd. Een bestendige noordenwind en een wal van ijs-schotsen, waar geen mensehelijke macht in staat was doorheen te breken, hielden het schip vast, maar zoo weinig kon men zich met de gedachte gemeenzaam maken, dat hier voorloopig een einde aan de reis zou komen, dat meu nog bijna de geheele maand October liet verloo-pen, zonder ernstige toebereidselen tot eene overwintering. „Hadden wij nog een enkel uur met volle kracht kunnen doorstoomen,quot; schreef Nordenskjöld later, „wij zouden het open water bereikt hebben, dat weinige geographische minuten verder zichtbaar was.quot;

Eindelijk echter viel aan de waarheid niet meer te twijfelen; me:a was bij Pitlekai in het ijs besloten op 67 graden 7 minuten noordei-.

ocr page 110

Toebereidselen voor den winter.

breedte eu 173 graden 24 minuten oosterlengte. Dit was zoo dik geworden, dat men er aan land een huis van bouwde ten behoeve der officieren, die dag en nacht magnetische waarnemingen moesten doen. De weg van het schip daarheen werd, om tegen verdwalen bij nacht of onder sneeuwbuien gewaarborgd te zijn, afgebakend door rechtop geplaatste ijsblokken van 4 of 5 voet hoogte, 20 schreden van elkander en door touwen onderling verbonden.

jVa de voltooiing van dit observatorium begon men het schip voor den winter gereed te maken. Men nam een der masten met zijn want weg, richtte bij den voorsteven eeue tent op en bekleedde het dek meteene dikke laag sneeuw, hetgeen zeer gemakkelijk viel, daar de najaarsstormen reeds groote hoeveelheden daarvan tegen de zijde van het schip opgejaagd hadden. Van het tusscheudek, dat ledig geruimd en met een schoorsteen voorzien werd, maakte men eene vergaderzaal voor de equipage, hetzij voor godsdienstoefeningen, hetzij voor de voordrachten die er eiken Zaturdag s-vond over poolreizen, onderwerpen uit de natuurlijke geschiedenis enz. gehouden werden. Verder had men aan boord eene goede bibliotheek en de jaargangen 1877 en 1878 van eene Zweedsche courant. Eiken morgen gaf men daarvan een nomtner aan de equipage uit, en, ofschoon de berichten over den Russisch-Turkscheu oorlog een jaar oud waren, werden zij niet minder gretig gelezen. Het Kerstfeest vierde men in zeer opgewekte stemming met een rijkelijk maal en het oprichten van een Kerstboom, uit eenige dennentakken samengesteld en met gekleurde linten bijeengebonden. Kisten met geschenken, tot nog toe zorgvuldig verborgen gehouden, werden te middernacht geopend en verwekten door hun inhoud algemeene blijdschap. Tot verdere afleiding voor de equipage was er tusschendeks eene draaibank opgesteld, waaraan de manschappen vele aangename uren met de bewerking van hout doorbrachten.

De baai, waarin de Vega gevangen was, lag naar het noorden open en was met zulke ontzettende ijsblokken gevuld, dat het schip tusschen die kristallen muren zoo beschut lag als in de veiligste haven.

Toen de reizigers aldus door den wintervorst opgesloten waren, trachtten zij betrekkingen aan te knoopen met de inlanders, hetgeen niet moeielijk viel, want reeds bij de eerste verschijning van het schip hadden mannen, vrouwen en kinderen uitgelaten van blijdschap het strand op en neer geloopen.

Kaap Ir-Kajpi had een historisch belang door de overgebleven sporen van de Onkilons, een aan de Tsjoektsjen voorafgegaan volk, dat vroeger de geheele kust van kaap Sjelagskoi tot aan de monding der Ana-

99

ocr page 111

J

11

Nordenskjöld's Reis met de Vega.

(lir bewoonde en tegenwoordig nog slechts voorbij dat punt in eenige weinige dorpen aangetroffen wordt. Omstreeks het midden der 16de eeuw werd Kroeichoi, het opperhoofd der Onkilons, die een opperhoofd der Tsjoektsjen gedood had, door diens zoon vervolgd. Na eenigen tijd zwervens langs de kust zocht hij eene toevlucht op de Ir-Kajpi, die hij versterkte en waar men nog onderaardsche schuilplaatsen en verdedigingswerken aantreft. De zoon van den vermoorde wist op den top van de Ir-Kajpi te komen en doodde er den zoon van zijns vaders vijand. Volgens landsgebruik had de veete daarmede vereffend moeten zijn, maar Kroeichoi, die hetzelfde lot vreesde, liet zich door rniddel van riemen van de Ir-Kajpi naar beneden, waar hij een vaartuig vond, dat hem naar het eiland Sjalanrof overbracht. Zijne stamgenooteu volgden hem op vijftien vaartuigen, waarna allen gezamenlijk noordwaarts trokken naar het land, dat men, volgens de inboorlingen, op zonnige dagen van kaap Jakan af kan zien liggen. Den volgenden winter trok een andere stam, die met Kroeichoi bevriend was, met alle rendieren daarheen. Later moeten nog meer stammen de richting hebben ingeslagen, waarin de Onkilons hen waren voorgegaan.

De Jakoeten, die thans de oevers der Kolima bewonen, zijn dus evenmin oorspronkelijk van de kust als de Tsjoektsjen. Het schijnt zeker, dat vroeger vier andere volken het land in bezit hebben gehad : de Omokis, de Sjelagis, de Toengoezen en de Joekagivis. De beide eerste, door later aangekomenen of door ziekten uitgeroeid, bestaan niet meer; de twee andere leiden een zwervend leven en verminderen dagelijks in aantal.

Door een der inlanders kwam Norkenskjöld in kennis met een oud opperhoofd, dat van de Omokis beweerde af te stammen. Hij was er zeer trotsch op, dat hij de taal zijner voorvaderen nog in zijn gezin in stand had gehouden, en bediende zich er van, om de groote daden van dat voorgeslacht te vertellen. Aan de oevers der Kolima, ten noorden van de Omolon, woonden volgens hem vóór vele jaren die Omokis, een vredelievend volk, hetwelk zich met jacht en vischvangst bezig hield en zoo talrijk was, dat het naar men zeide meer woningen had dan er sterren aan den hemel waren. De komst der Kussen in het land was hun noodlottig, want toen verbreidden zich ziekten ouder hen, die zij vroeger niet gekend hadden. Zij besloten dus naar andere gewesten te verhuizen en vertrokken in twee afdeelingen met hunne kudden, zonder dat men weet wat er van hen geworden is. Aan de monding der Indigirka worden overblijfselen van hutten gevonden, die bij menschengeheugenis niet bewoond zijn geweest, doch

100

i:

■ lt;

11

lil

liD

M!

n' i

• i

f; ,

li? li, 1 ;•'gt;

ill hi I ^ ■ liiï

-

ocr page 112

Onkilons en Omokis.

waaraan de uaam der Omokis uog verbonden is. Men heeft wel eens ondersteld, dat zij over de Nieuw-Siberische en andere eilanden naar Groenland geraakt zijn. In dat geval zouden de Eskimo's afstammelingen wezen van de Omokis en andere volken, die bij de komst der Kussen de wijk uit Azië hebben genomen. Bewezen is het, dat de gebruiken der Tsjoektsjen en der Groenlanders tot in de kleinste bijzonderheden met elkander overeenkomen.

De leden der expeditie van de Vega gingen dus mei belangstelling de voormalige residentie van Kroeichoi op Ir-Kajpi bezichtigen. Zij vonden er de overblijfselen van tien Onkilonsche woningen, grootendeels onder den grond aangelegd, met zoden gedekt en op walvischribben rustende. Elk huis bestond uit drie of vier vertrekken, die aan de noordzijde lagen, terwijl aan de zuidzijde een lage smalle gang liep. Men deed in de nabijheid eene opgraving en vond onder eene hoogte eeu walvischkaak van 20 voet lengte, gevuld met rendiergeweien en beenderen van verschillende diersoorten. Ten zuiden van den berg zag men ook eenige oude woningen, ter plaatse waar Kroeichoi zich tegen den zoon van het opperhoofd verdedigd had. l)aar lagen tevens men-schenbeenderen, met schedels van beeren en robben, maar de reizigers mochten er niet dicht bij komen, want volgens de verklaring der Tsjoektsjen was het eene gewijde plaats, waar zij hunne dooden neder-legden. Zij begraven die namelijk niet, maar laten ze ter prooi aan de wolven, die in troepen komen om ze te verslinden. De dierensche-dels waren er bij gelegd als eeu eerbewijs.

lieeds in het begin van October was het ijs zoo sterk, dat er eeu dagelijksch verkeer tusschen de inlanders en de opvarenden der \ega kou plaats hebben. De Tsjoektsjen wilden gaarne de Europeesche gebruiken leeren kenuen, maar kwamen vooral tabak eu brood vragen.

' O

Hunne tenten, meestal van rendiervel vervaardigd, zijn dubbel ; de buitenste heeft een platrondeu, de binnenste en veel kleinere, die tot winterverblijf strekt, een vierkanten vorm. De ingang der groote tent is altijd aan de oostzijde. Wanneer de beide tenten goed gemaakt zijn kan het in de kleinste zeer heet wezen, terwijl het op hetzelfdeoogen-blik in de grootste fel koud is. In die binnenste tent slapen de Tsjoektsjen gewoonlijk geheel ontkleed. De honden moeten zich in de buitenste ophouden, waar ook de levensmiddelen bewaard worden.

Bijna altijd brandt ouder de uiterste tent een groot vuur, waarop in een ijzeren pot de spijs bereid wordt. Eondom den haard ligt het geheele geziu op den grond eu uit den aard der zaak kan het niet anders, want de geheele tent is vervuld met rook, die alleen door.

lül

ocr page 113

102 Nordenskjöld's Reis met de Vega.

den ingaug kan ontsnappen, zoodat men, wil men adem halen, verplicht is zich op den grond uit te strekken. Eondom de tenten staan op onderstellen de booten, die op de kajaks der Eskimo's gelijken.

Eerlang kwamen de reizigers in aanraking met een man, die invloed scheen te bezitten en door zijne stamgenooten ïsjeporin genoemd werd. Aanvankelijk hield men hem voor een opperhoofd, maar dat was hij niet, want de Tsjoektsjen aan de kust erkennen geen opperhoofden. Van de stammen in het binnenland, die kudden rendieren houden, heeft daarentegen elke zijn opperhoofd, terwijl er bovendien twee opperste hoofden zijn, die door de Russen benoemd worden. Ten tijde der jaarmarkten zamelen de hoofden de schatting in, die opgebracht moet worden alvorens men zaken mag doen. De liendier-Tsjoektsjen zijn nomaden; na de jaarmarkten van het voorjaar zwerven zij met hunne talrijke kudden oostwaarts af en trachten eenigen handel aan de Heh-ringstraat te drijven, waarop zij in 't najaar weer naar het binnenland trekken.

Tsjeporin deed zich nog als een echt natuurkind kennen. Hij verscheen in staatsie, met een rood wollen hemd over zijn ondergoed, terwijl aan elk zijner ooren een vergulde horlogeketting hing, van ouderen met een klein Zweedsch zilverstukje ter waarde van 6 of 7 cents, met een gat doorboord. Hij was verrukt over de toonen van een draaiorgel en begon er bij te dansen, zoodat hij onder zijne zware kleeding van rendiervel weldra in het zweet baadde. Zijne uitgelatenheid had geen grenzen meer toen men eene speeldoos aan den gang bracht, zoodat hij muziek hoorde zonder dat iemand de hand aan de doos had. Van dat oogenblik af was hij met lijf en ziel aan de reizigers verknocht, die hij met de grootste hartelijkheid in zijne woning ontving. Zeer verheugd was hij ook, dat hij verlof kreeg met zijne voornaamste vrouw Atanga aan boord te komen, wier hoofd hij bij wijze van diadeem versierde met een oude gouden galon, die hein gegeven werd. De Tsjoekstjen toch, ofschoon in naam Christenen, houden er, als zij maar bemiddeld genoeg zijn, twee vrouwen op na. Zij volgen de voorschriften van het Christendom op, voor zoover die niet met hunne gebruiken of begeerten in strijd zijn.

De kleeding der mannen bestaat uit rendiervel en gelijkt op die dei-Laplanders. Bij regeu of sneeuw dragen zij een overkleed van dieren-darmen. Zijn zij in groot tenue, dan tooien zij zich met een katoenen kleed en met eene muts versierd met glaskralen. In September gingen de meesten nog blootshoofds, doch in het felle van den winter droegen zij een hoofddeksel van bont, dat onder de kin werd vastgemaakt en

ocr page 114

Inlandsche hoofden.

tot op de schouders neerdaalde. Het schoeisel bestaat uit lage laarzen met zolen van robben- of beerenvel. Aan den hals droegen verscheidene inlanders amuletten, die zij tot geen prijs verkoopen wilden. De kleeding der vrouwen heeft veel overeenkomst met die der mannen. Zij dragen het haar lang en gevlochten; dat der mannen is van voren lang, waar het over het voorhoofd wordt gekamd, en van achteren kort. Bijna alle mannen versieren zich met oorhangers van glaskralen en het gezicht der vrouwen is getatoueerd, zelden dat der mannen. Er waren veel kinderen, die zeer gezond schenen te zijn en door mannen eu vrouwen dikwijls op de schouders werden gedragen. Binnen de tenten waren zij gewoonlijk raakt en aldus liepen zij soms bij eene temperatuur beneden nul naar buiten.

In October kreeg Nordenskjöld een bezoek van een inlander met name Wassili Menka, wien de Russen een zeker gezag over de omwoners hadden opgedragen. Hij woonde te Markova aan de Anadir, was een man van eene kleine gestalte en een tanig gelaat, die lezen noch schrijven kon, een onverstaanbaar Russisch sprak eu met een fraai wit rendiervel over een blauw flanellen hemd gekleed was. Deze hooge ambtenaar wist niet eens dat er een keizer van Rusland op de wereld bestond, maar wel dat er te Irkoetsk een zeer machtig lieer woonde, waarmede hij waarschijnlijk den gouverneur bedoelde. Hij was door twee eenvoudig gekleede personen vergezeld, die lijfeigenen of slaven schenen en met zekere plechtstatigheid als welkomstgeschenk twee rendierbouten aanboden, waarvoor het drietal tegenge-schenken van flanel en tabak ontving. Op zekeren dag stelde Xor-denskjöld aan Wassili Menka een open brief voor den gouverneur van Irkoetsk ter hand, doch veertien dagen later kwam hij terug met de boodschap, dat hij dien niet aan zijn adres had kunnen bezorgen. Daarover doorgehaald, bekende hij dat hij er ook geen moeite toe gedaan had, omdat hij zich niet bij den gouverneur had durven vervoegen zonder een geschenk van brandewijn !

In November gelukte het Nordenskjöld echter door middel van een anderen bode den gouverneur van Irkoetsk eeu brief voor den heer Oscar Dickson te Gothenburg te doen toekomen, waarin hij mededeelde dat hij niet ver van de Behringstraat lag ingevroren, doch in Mei van het volgende jaar (het heeft echter nog wel wat langer geduurd) door het kanaal van Suez hoopte terug te keeren en dat het niet noo-dig was hem hulp te zenden. Dien brief ontving de gouverneur eerst den 3 Mei 1879 en de heer üickson den 5 Augustus van hetzelfde jaar.

ïien maanden lang kwam er geen verandering in het ijs, dat de

103

ocr page 115

Nüidenskjöld's Reis met de Vega.

Vega iugesloteu hield. Er werden dus sledetochteu beraamd, waarvoor Tsjeporin acht honden leverde, die zijn broeder Harat zou besturen. Aanvankelijk ging het met die tochten zeer moeielijk, want men moest hoogten op en af, en diepe spleten, waarin water stond, noodzaakten tot groote omwegen. Daarentegen werd men door uitstekend weer begunstigd, eu naarmate men hooger boven den spiegel der zee kwam, werd het uitzicht schooner. In het zuiden scheen de zon op met sneeuw bedekte bergen, wier kruinen schitterend tegen de helderblauwe lucht afstaken. In het noordwesten verhief de leikleurige ir-Kajpi zich boven eeiie blinkende zee. Aan den horizon hing een zware mist, en tegen de zilverkleurige helling van den Ammon staken zwart de masten der F eg a af.

De sleden, van welke men zich bediende, waren door de Tsjoektsjen gemaakt, die het in deze fabricatie ver gebracht hebben. Zij bestaan uit berkenhout, alles aan elkander gebonden, zonder dat er een spijker bij gebruikt is. Ontstaat er dus eenig gebrek aan, dan kan men het dadelijk door middel van riemen van robbenvel herstellen. Voor de honden, die de sleden trekken (de eenige huisdieren welke men hier vindt), dragen de Tsjoektsjen niet de minste zorg. Nordenskjöld heeft hun gedurende zijn lang verblijf nooit eenig voedsel zien geven. De arme dieren moesten zelf uit de sneeuw den afval opgraven, waarvan zij leefden.

Harat was zeer spraakzaam, hetgeen Nordenskjöld gelegenheid gaf inesr en meer woorden van de taal der Tsjoektsjen op te vangen. De inlander zong de eentoouige liederen van zijn stam voor den Europeaan, van wien hij op zijne beurt Zweedsche liederen verlangde te hoo-ren. Maar Harat wijdde zijne aandacht niet uitsluitend aan de muziek ; gedurende de geheele reis waren zijne oogen niet van Nordenskjöld's zakken afgewend, waar op de verleidelijkste wijze eenige halzen van tiesschen uitstaken, zoodat de professor hem van tijd tot tijd moest verzoeken naar de honden te zien. Hij kommandeerde die met het woord zoeda als zij rechts en da als zij links moesten gaan, doch om hun begrip op te scherpen, voegde hij er doorgaans een geduchten zweepslag in de verlangde richting bij.

Van dezen tocht, die naar de Ir-Kajpi was gegaan, kwam Nordenskjöld verkleumd in de woning van Tsjeporin terug. Diens beide vrouwen trachtten hem weer te verwarmen door zijne handen te wrijven en brachten hem daarop in de binnenste tent, waar eene groote lamp brandde. Deze lampen bestaan uit eene soort van aarden of houten kruik met walvischtraan, waarin pitten van gevlochten mos hangen. Des wintert

ocr page 116

Geld niet gewild.

kookt men op die lampen, die eene hoo^e vlam, veel licht en eene groote warmte geven. Op reudiervellen uitgestrekt, rookte INordenskjöld met zijn gastheer en diens gemalinnen eene pijp, doch hij kon de dames niet met een teugje cognac verkwikken, zooals Tsjeporin gaarne gezien zou hebben, omdat Harat alle fiesscheu leeg gemaakt had.

Geld is bij deze bewoners der oostkust van Siberië niet in tel. Nor-denskjöld had bij zijne tochten naar de Jenissei in 1875 en 187o veel kramerijen en snuisterijen aan boord gehad, om die te bezigen bij den ruilhandel met de inlanders, doch deze beliefden er niet van gediend te zijn, verlangden geld en namen zelfs papieren geld gretig aan. Daarom had hij er zich bij zijne expeditie met de Vega niet van voorzien en nu bleek liet juist, dat er bij deze inboorlingen goede zaken mede gedaan hadden kunnen worden. Hij bezat genoeg Russisch geld, maar dat namen zij niet aan ; het had in hun oog geen waarde. Zij stelden minder prijs op een biljet van 25 roebels dan op een stukje zeep, gewikkeld in een papier met sterk gekleurde figuren, en een koperen of tinnen knoop ging boven een goud- of zilverstuk. Eenige Zweedsche stukjes van 50 ore (ruim 30 cents) kon Nordenskjöld slechts plaatsen na er een gat in geboord te hebben, zoodat zij voor oorringen konden dienen. Hij geeft dus den raad aan latere reizigers in die gewesten, zicli te voorzien van groote naai- en stopnaalden, groote messen, bijlen, zagen en andere gereedschappen, tabak en wollen en katoenen hemden van sprekende kleuren, ofschoon witte ook liefhebbers vinden. Het allereerst is de brandewijn gevraagd en voor dat artikel zouden de Tsjoektsjen alles doen; doch ofschoon Nordenskjöld er ruim genoeg van voorzien was, verkoos hij het om redenen van menschelijkheid niet als ruilmiddel te gebruiken. Over het algemeen verstaan de inlanders den ruilhandel zeer goed. daar zij er reeds van jongs af nauwkeurig mede bekend zijn. Vele der beverhuiden, die op de markt van Irbit (in het gouvernement Perm in Eusland) verkocht worden eu uit het. gebied van Alaska heeten te komen, zijn reeds dikwijls door de handen van Siberische wilden en Eskimo's gegaan, alvorens in die der Russische kooplieden te geraken.

Tabak is ook zeer begeerd. In sommige der poolgewesten van Noord-Amerika kan men (volgens den Russischen reiziger Dittmar) voor een enkel blad een fraai bevervel bekomen. In die koude, zoowel in 't noorden van Azië als in dat van Amerika, rooken mannen eu vrouwen hunne pijp, die echter uiterst klein is. De mannen dragen altijd een tabakszak bij zich, met een vuurslag, bestaande uit een staal eu een stuk agaat eu eene soort van zwam, die zij zelf bereiden uit gekauwde hout-

105

ocr page 117

Nordenskjöld's Reis met de Vega.

vezels. Zout gebruiken zij uiet, maar daar dit toch onmisbaar is voor het menscheiijk gestel, voorzien zij daarin waarschijnlijk op eene andere wijze. Daarentegen zijn zij zeer verlekkerd op suiker, en koffie behaagt hun niet als er niet zeer veel suiker in is. Zij drinken echter gaarne thee.

Behalve eenige messen en oude geweren, van walvischvaarders gekocht, hebben de Tsjoektsjen nog hunne oorspronkelijke wapenen. Zij maken jacht op de beeren met lange lansen voorzien van punten van been of ijzer, en op de robben met harpoenen en spiesen met weerhaken. Vogels vangen zij met eene soort van slinger, bestaande uit zeer dunne riempjes, vereenigd in een bos veereu, een houten bal of een robbentand. Zeer behendig weten zij dien te werpen, waarmede een aantal vogels tegelijk kunnen gevangen worden, doordien deze zich in de vele riempjes verwarreu.

Het voornaamste bedrijf dezer inboorlingen is de robbenvangst. Zij bemeesteren de robben door middel van netten, die des zomers op rotsblokken uitgespreid en des winters tusschen spleten in het ijs neergelaten worden. Van het vel vervaardigen zij niet alleen kleederen, maar ook zakken om traan, brandewijn en andere vloeistoffen in te bewaren. Bij de Kendier-Tsjoektsjen verruilen zij robbenvellen tegen rendiervellen, die zij noodig hebben om hunne tenten mede te dekken.

Omstreeks het nieuwe jaar begon de vangst te verminderen, zoodat de Tsjoektsjen van Pitlekai opbraken en zich te Naskai, 12 ttiijlen ten oosten van de Vega, gingen vestigen. Gelijk alle wilden dachten zij nooit aan de toekomst en legden dus geen voorraad tegen den winter op. Het weinige robbenspek, dat zij in voorraad hadden, was reeds tegen liet einde des jaars verbruikt, ofschoon zij allen dagelijks eten van de Vega gekregen en er de laatste maand zelfs geheel van geleefd hadden. Vingen zij bij toeval nog eens een rob, dan aten zij er van totdat zij niet meer konden en kwamen vervolgens bij Nordenskjöld met de klacht, dat zij niets meer te eten hadden. Behalve het overschot van den scheepskost, ontvingen zij gedurende het verblijf van de Vega 2000 pond versch brood. Ofschoon geen horloges rijk zijnde, wisten zij op de minuut af wanneer er aan boord van het schip gegeten werd.

Daar tegenover bewezen zij ook groote diensten. Altijd vlug en opgeruimd, brachten zij vele uren op het dek van het schip door met houtzagen bij eene temperatuur van 40 graden onder nul. Zij stelden hunne sleden ter beschikking van de reizigers en stonden vele voorwerpen af, waaruit men den graad van beschaving van dit volk, dr.t nog bijna in het steentijdperk verkeert, bepalen kon. Dieven zijn de

106

ocr page 118

Onvermoeidheid der Tsjoektjsen.

Tsjoektsjen uiet, maar wel oplichters, die gevilde rossen, waarvan zij eerst den kop en de pooten afgesneden hadden, aan de reizigers voor hazen trachtten te verkoopen. Op de sledetochten met de leden der expeditie was hun voornaamste punt van overdenking, of hunne belooning bij de terugkomst uit wat tabak of uit een glas brandewijn zou bestaan. Aan deze twee producten der beschaving gaven zij de voorkeur boven alle andere. Eens echter deed zich het merkwaardige geval voor, dat een inlander bedankte voor brandewijn en in de plaats daarvan brood vroeg voor zijne kinderen, een voorbeeld van zelfverloochening dat allerzeldzaamst onder hen is.

Toen de Tsjoektsjen naar Naskai verhuisden, kwamen zij gezamenlijk op de Yega afscheid nemen, wel wetende dat zij niet met ledige handen zouden weggaan. Nordenskjöld maakte van de gelegenheid gebruik, om dat Naskai eens te bezichtigen. In gezelschap van llatsjilen, een bevriend inlander uit Pitlekai, giug hij op weg in eene kleine slede, die slechts door zes houden werd getrokken, doch zoo vlug dat zij onder weg andere sleden voorbij haalden, die wel zwaar beladen waren, doch ook door twintig honden getrokken werden. De groote sleden dienen slechts voor langdurige reizen, vooral in het voorjaar, wanneer de Tsjoektsjen zich naar de jaarmarkten van Maskowa, Anadir en Anijuisk bij de Kolima begeven. Zij verruilen daar de vellen en tanden van robben tegen tabak en brandewijn, die de Amerikanen jaarlijks aanvoeren.

Twee vrouwen, die van de Vega terugkeerden, waar zij tot hare groote blijdschap ledige flesschen en blikken gekregen hadden, welke laatste zij als kommen en lepels gebruiken, stapten met vluggen tred Xorden-skjöld's slede voorbij. Zij moesten nog 10 Eugelsche mijlen te voet afleggen, eer zij te huis zouden zijn. Den volgenden dag zag hij haar terug in hare woning te Tejapka, waar zij 's nachts ten 4 ure waren aangekomen. Tot zijne verwondering vond hij haar vlijtig aan't werk, in weerwil van den vermoeienden marsch, dien zij achter den rug hadden. Toen luitenant Nordquist een bezoek bij Wassili Menka in diens dorp had afgelegd en vandaar terugkeerde, liep een dienaar van Menka, die medegegeven was om den weg te wijzen en de sledehonden aan te zetten, gedurende den geheelen tocht, die uren duurde, met slechts korte rustpoozen voor de slede uit en onderhield zijne krachten alleen door veel tabak te kauwen. Even onvermoeid waren de honden, die het tot den einde toe goed uithielden en in al dien tijd niets te eten kregen.

Het gehucht Irgonoek passeerende wilde Nordenskjöld daar eenige

107

ocr page 119

d08 Nordenskjöld's Reis met de Vega.

inlanders bezoeken, die iüj kende. Zij ontvingen hem met blijdschap en gedurende den maaltijd kwamen er nog andere Tsjoektsjen binnen, die hem hadden leeren kennen. Daar het juist de tijd der robbenvangst was en gebraden robbenvleesch tot de lekkernijen der Tsjoektsjen behoort, werd hij er op onthaald. Van robbenvleesch wordt ook eene, soep gemaakt, die echter zeer flauw is. Gedurende het robbenseisoen deelt de huisvrouw dat vleesch eu die soep 3s morgeus als ontbijt eu 's avonds tegen het ter ruste gaan aau al de leden van het gezin uit. JJuiten dit vleesch hebben de Tsjoektsjen bijna niets anders dan visch, dien zij gekookt, rauw of bevroren eten. Eenmaal werd aan Norden-skjöld een waar koningsmaal — naar iulaudsche begrippen — voorgezet. Het begon met robbenspek, toebereid met eene groente van wil-genbladereu; daarop volgde eeu gekookt ribbenstuk van een rob, en het eindigde met eene soep van robbenbloed. Doch 't was toen ook eeu tijd van overvloed ; onze reiziger zag aau de wanden der teut niet minder dan 40 robben hangen en op verscheidene plaatsen lagen zijdeu robbenspek op groote stapels.

Isa den maaltijd strekte Nordenskjöld zich volgens uituoodiging van zijn gastheer op eeuige rendiervellen uit eu rookte er bij liet licht dei-lamp de pijp, die hein werd aangeboden. Hij vertelde aau zijue hoorders het eeu eu ander van de Europeesche dingen en verwonderde zich over de juistheid waarmede zij zijne beschrijving van een spoorweg begrepen. „'t Is eeue slede zonder houdeu,quot; zeide er eeu, oin te tooueu dat hij het gevat had, „eu in plaats van de houden is er een schoorsteen.quot; Tot nadere inlichting teekende Nordeuskjöld op den groud eene slede, met een schoorsteen in het midden, waaruit eene rookwolk opsteeg. Over het geheel hoordeu deze Aziateu de Europeanen gaarne vertellen van hun land, hunne schooue zou eu hunne warme woningen, eu schenen zij niet ongezind hen derwaarts te volgen.

Tan Naskai begaf Nordenskjöld zich naar Tjapka, de meest oostelijk gelegene plaats, die men met sleden van het schip af bereikte. Zij bestond uit 14 tenten. Eeue mijl verder lag het rotsige eilandje Id-lidlja, waar men overblijfselen van ünkilousche woningen vond, van oudere dagteekeuing dan de bouwvallen op lr-Kajpi. Bij eeue rotskloof hieldeu zich ontelbare meeuwen en sneeuwmusschen op. Met uitzondering van het gekras der raven, waarvan de evengenoemde ruïnen wemelen, waren dit sedert lang de eerste vogelstemmeu die de reizigers hoorden.

Op die verschillende sledetochten verzamelde luitenant Nordquist eeu duizendtal woorden van de taal der Tsjoektsjen, zoodat meu van he.u

ocr page 120

Taal der Tsjoektsjen. — Waarnemingen. 109

eene woordenlijst dier taal eu mededeelingen over haar bouw verwachten kan. Om liet zoo ver te brengen is hij verplicht geweest vele uren in de tenten der inlanders te vertoeven en zich dikwijls eene verpeste en smoorheete atmospheer te getroosten. Het onuitstaanbaarste van alles vond men den walm van soms drie lampen te gelijk ia de beperkte ruimte. Meermalen gebeurde het, dat de reizigers het niet langer konden uithouden eu midden in den nacht naar buiten liepen om versche lucht te gaan inademen, in weerwil van liet gevaarlijke om zicli zonder overgang uit een heeten dampkring aan eene koude van 46 graden bloot te stellen.

Men bleef op de Vega gelukkig geheel verschoond van het scorbur, dien onverbiddelijken vijand der noordpoolreiz'gers, hetgeen onder anderen daaraan werd toegeschreven, dat geeu enkele dag geheel donker was ; de kortste duurde toch nog vijf uren. De goede voeding en de bestendige werkzaamheid hadden ook een heilzamen invloed. Men zag dus de overwintering onbevreesd te gemoet, verzekerd dat men in den volgenden zomer zonder al te veel tegenspoed de Behringstraat zou bereiken. Om echter gewaarborgd te zijn, indien aan het schip eenig onheil weervoer, had men levensmiddelen voor vier maanden aan den wal gebracht; en ware de equipage genoodzaakt geweest haar weg over land te vervolgen, de Tsjoektsjen zonden haar zonder twijfel geholpen hebben.

Gedurende den tijd dat het daglicht slechts weinige uren aanhield, (leed men alleen metereologische en magnetische waarnemingen, ouder de leiding van luitenant Hovgaard. De met die werkzaamheden belaste officieren en geleerden waren ten getale van elf. Teders beurt in het huis van ijs duurde zes uren en dit was eene zware beproeving. Fn rendiervellen gehuld, liepen zij de kleine ruimte op en neer om zich te verwarmen, want bij eene koude van 20 graden had niemand lust in zittend werk. Doch wanneer de nacht helder was en de hemel met sterren bezaaid, of als het noorderlicht schitterde en sneeuw en ijs met een fantastischen gloed kleurde, kwamen de opvarenden der Vega, en in de eerste plaats quot;Nordenskjöld, den eenzamen waarnemer dikwijls bezoeken.

De jacht leverde in het seisoen van vorst niet veel op, omdat men de witte hazen en de evenzeer witte vogels op de sneeuw niet onderscheiden kon. De beeren waagden zich zelden aan de bewoonde gedeelten der kust, of hielden zich in rotskloven op, waar de Tsjoektsjen eene bijzondere manier hebben om hen te vangen. De jager beweegt met de linkerhand een of ander voorwerp heen en weer boven de kloof

ocr page 121

HO Nordenskjöld's Reis met de Vega.

waariu hij denkt dat het dier verscholen ligt, en op het oogenblik dat het met den kop uit zijn schuilhoek komt om er zich meester van te maken, steekt hij het een mes in de keel. Soms gelukt het den beerde hand van den jager te grijpen, doch dit gebeurt zelden.

In het laatst van Mei 1879 werden de dagen lang genoeg om weer te kunnen werken. Ofschoon het nog zeer koud was, kon men op nieuw tot sledetochten van zekere uitgestrektheid overgaan. Ter beschutting tegen de koude omwonden de reizigers hunne voeten met dik flanel en trokken daar laarzen van zeildoek over heen, maar desniettemin moesten zij van tijd tot tijd uit de sleden stappen, om door heen en weer loopen hunne voeten tegen bevriezen te vrijwaren. Nordenskjöld had veel nut van eene kleeding van hertenvel, met eiderdons gevoerd, die hij te Kopenhagen had laten maken. Zij was lichter en aangenamer dan de kleederen van rendiervellen, die voor de manschappen der Veya waren vervaardigd, maar, waaronder zij het veel te warm hadden. Tijdens de felste koude bedekte men neus en wangen met een doek, vastgemaakt ouder een kap van kameelhaar.

Eerst in het laatst van Mei begon het ijs zijne kracht te verliezen. Zoodra men bemerkte dat het bros werd, sloeg men het rondom het schip los. De gaten, welke de robben den geheelen winter in het ijs hadden opengehouden om lucht door te scheppen, werden grooter eu droegen daardoor veel bij om de Vega vrij te maken. In den aanvang van Juli werd het gevaarlijk zich over het ijs naar den wal te begeven. Als de wind uit het zuiden woei, zag men over eene uitgestrektheid van 3 of 4 mijlen open water ontstaan. Deze plekken namen bij voortduring in grootte toe en weldra scheen het water langs de kust nagenoeg geheel open.

Eindelijk, den 18 Juli, sloeg het uur der verlossing en zette de Vega onder vollen stoom koers naar het oosten. Heeds twee dagen later passeerde zij met vlaggen getooid als voor een feest de Oostkaap, aldus genoemd als de oostelijkste punt van Azië, die zij met salvo's uit haar geschut begroette, terwijl de equipage bij het binnenloopen van de Stille Zee de daverendste hoera's aanhief.

Nog denzelfden avond, 20 Juli, bereikte de Vega de St. Laurens-baai op het Tsjoektsjisch schiereiland, eenige mijlen bezuiden de Beh-ringstraat. Bij de opneming van den voonaad, waarover men voor de verdere reis kon beschikken, bleek dat men nog 4000 kubiek voet steenkolen en levensmiddelen voor een jaar aan boord had.

Tot verdere uitbreiding van de ethnographische kennis zocht men hier en verder met vlijt, doch zonder vrucht, naar de Ankali's, die de

ocr page 122

De Ankali's.

overblijfselen der Onkilous zouden zijn. Luitenant Nordquist had gedurende de overwintering een aantal inlanders ondervraagd naar de dorpen in deze gewesten en hunne bewoners. Bij hunne opsomming eindigden zij altijd met het dorp Erstrin, dat het laatste is aan den westkant der Oostkaap. Zij zeiden dat een ander volk, dat zij Ankali's noemden, verder oostwaarts en zuidwaarts woonde en zich voorna melijk op de Aziatische kust der Behringstraat en aan de monding der Anadir ophield. Deze opgaven kwamen in hoofdzaak overeen met hetgeen men dienaangaande in werken over deze gewesten opgeteekend vond.

Toen men door zwaren mist in de nabijheid der Oostkaap slechts langzaam vorderen kon, roeiden 20 a 30 inboorlingen in eene groote boot van dierenhuiden op het sc'iip aan. Men zag hen met genoegen naderen, meenende dat men nu met den nieuwen volksstam kennis zou maken, doch toen zij aan boord geklommen waren, herkende men echte Tsjoektsjen in hen, gelijk men er reeds zoo vele gezien had. De Ankali's, zeiden zij, woonden verder op, den kant uit naar de St.-Lau-rensbaai.

Toen men aan den ingang van deze baai liet anker wierp, ontving men als naar gewoonte een bezoek van de kustbewoners en ging men aan land om hunne tenten te zien. Zij spraken de taal der ïsjoektsjen, doormengd met eenige vreemde woorden; de bouw van hunne tenten verschilde eenigszins van dien bij hunne naburen, en hunne gelaatstrekken waren ook iets anders dan die der Tsjoektsjen. Zij beweerden af te stammen van een krijgshaftig volk, dat vroeger over de noordkust heerschte, doch zeiden dat de eigenlijke Ankali's verder zuidwaarts woonden.

K,enige dagen later liet men het anker vallen in de Konjambaai, op 64 graden 49 minuten noorderbreedte en 172 graden 58 minuten oosterlengte van Greenwich. Ook daar vond men weer echte Tsjoektsjen, namelijk bezitters van rendieren. Tot verdere inhammen van de St. Laurensbaai kon men niet doordringen, omdat zij nog door ijs versperd waren. Men ankerde dus bij het dorp Noeniagmo. De tenten lagen niet aan het strand, zoo als die der Tsjoektsjen-dorpen, welke men tot nog toe gezien had, maar vrij hoog op een gebergte tusschen de zee en eene rivier die hier uitmondt. Deze plaats was rijk aan bloemen en dr. Kjellman verzamelde er in weinige uren een honderdtal soorten, waaronder die nog nergens aangetroffen waren. Dr. Stuxberg beklom eene hoogte en zag daar het lijk van een inboorling, dat er op de wijze der Tsjoektsjen bijgezet was. Er lag een gebroken pot bij, met pijlen,

Ill

ocr page 123

112 Nordenskjold's Reis met de Vega.

spiesen, eene pijp, een oogscherm tegen de sneeuw en andere voorwerpen, die men gemeend had dat den doode in zijn nieuw bestaan van nut konden zijn. Het lijk had daar ten minste reeds een jaar gelegen, maar de pijp was eene dier goudsche pijpen, die de Vega in menigte aan boord had en welke men voor en na had uitgedeeld aan de inboorlingen, die er een bezoek kwamen brengen. Deze pijp kon hier dus eerst lang na de ter aarde bestelling geplaatst zijn.

De jacht scheen in de laatste dagen zeer voordeelig te zijn geweest, te oordeelen naar de vele stukken robbenvleesch en ingewanden, die bij de tenten te drogen gelegd waren, en naar de stukken nog bloedend vleesch die er binnen hingen en eene lucht verspreidden welke deed walgen.

Bij den ingang van elke tent zag men ook hooge groene takken, gewoonlijk met eene schare vrouwen en kinderen er omheen, die met grooten smaak de bladeren aten. Reeds op andere plaatsen had men gezien, dat de inboorlingen zakken vol bladeren en kruiden verzameld hadden, om tot voorraad voor den winter te dienen. Hieruit bleek dat de hoeveelheid plantaardige zelfstandigheden, die de Tsjoektsjen gebruikten, niet gering was en dus verkeerdelijk was aangenomen dat zij zich uitsluitend tot dierlijk voedsel bepaalden. Men heeft hier waarschijnlijk eene afspiegeling van de levenswijze der volken in het steentijdperk.

Van Noeniagmo wendde de Vega den steven naar Port-Clarence op de Amerikaansche kust der Behringstraat, daar het van belang was zoo spoedig mogelijk eene haven te bereiken van waar men tijdingen naar Kuropa kon zenden, niet alleen om te doen weten dat de reis tot dusverre goed afgeloopen was, maar ook om te voorkomen dat er g route en nuttelooze kosten gemaakt werden om de verloren gewaande expeditie te gaan opsporen, 's Middags van den 22sten wierp men het anker te Port-Clarence, onmiddellijk bezuiden de westelijkste punt van Amerika. Het was de eerste haven welke inderdaad dien naam verdiende, sedert de Vega de Actinia-haven verlaten had. In al die.i tusschentijd had het schip steeds op opene reeden gelegen, zonder eenige bescherming tegen het geweld van wind en golven uit de opene zee, doch door het beleid van den kommandant, luitenant Palander, en de zeemanschap der equipage had het al die beproevingen onbeschadigd doorstaan.

Zoodra het anker gevallen was kwamen er groote booten van dierenhuiden, vol mannen, vrouwen, kinderen, teuten eu huisraad. Velen hunner waren blijkbaar op weg naar de plaatsen van jacht en vischvangst

ocr page 124

De Eskimo's aan de Behringstraat. 113

waar zij den zomer doorbreugen. De opvarenden waren Eskimo's, die geen woord van de taal der Tsjoektsjen verstonden, doch enkelen spraken een weinig Engelscli en één was zelfs te San Francisco en te Ho-noloeloe geweest. Uit vele voorwerpen van hun huisraad en gereedschap bleek, dat zij met Amerikanen en walvischvaarders iu aanraking waren gekomen; sommigen bezaten zelfs Remmington-geweren. Deze omgang-had blijkbaar tot hun voordeel gestrekt en hen min of meer beschaafd.

Vele dezer Eskimo's huisden onder hunne soms verblindend witte katoenen zomertenten, die zeer zindelijk gehouden en op deu vloer met matten belegd waren. Sommigen gingeu op zijn Earopeesch gekleed, anderen droegen den gewonen broek van robben- of reudiervel en een bovenkleed van marmottenbont, waarover zij bij regenachtig weer een mantel van robbendarm wierpen. De vrouwen waren getatoueerd met eenige strepen aan de kin. Vele mannen hadden knevels en andere droegen een baard, die echter niet zeer gevuld was. Gewoonlijk was hunne benedenlip doorboord met twee gaten, waarin zij stukjes steen, been of een glazen knop hadden gestoken, doch deze mode begint in onbruik te geraken en wordt meer en meer vervangen door het Euro-peesche gebruik om de ooren te doorboren, ten einde er sieraden in te hangen. Hij een meisje hing een groote blauwe kraal aan den neus, waartoe diens middenschot doorboord was. Zij scheen zeer verlegen te worden, toen zij aller oogen op dat versiersel gevestigd zag. Alle vrouwen hadden lange snoeren kralen, die aan hare ooren slingerden, en droegen ijzeren of koperen armbanden.

Nadat de eerste schuchterheid geweken was, betoonden de inboorlingen zich handelbaar, voorkomend en eerlijk, ofschoon zeer bedelachtig en bij den ruilhandel onuitputtelijk in praatjes. Opperhoofden schenen zij niet te bezitten; er heerschte eene volkomen gelijkheid en de vrouwen stonden niet achter bij de mannen. De kinderen gedroegen zich zeer betamelijk, ofschoon zij niets van 't geen wij opvoeding zouden noemen hadden ontvangen.

Gedurende het verblijf bij de Tsjoektsjen had men weinig ruilingen kunnen doen, omdat men geen geschikte ruilvoorwerpen bezat. Hier echter was Nordenskjöld rijk, ten gevolge van zijn overgebleven voorraad winterprovisiën. Hij maakte er gebruik van om zich zeer vele voorwerpen aan te schaliën, die uit een ethnographisch oogpunt belangrijk waren. Niet altijd echter slaagde hij daarin. Zoo zag hij grof uit hout gebeeldhouwde en beschilderde vogels met uitgespreide vlerken op palen van ruim een meter hoogte achter eene tent, doch hij deed ver-geefsche pogingen om die te ruilen tegen een grooten deken. Ofschoon

8

ocr page 125

H4 Nordenskjöld's Reis met de Vega.

hij gewoonlijk daarvoor alles krijgen kon wat hij begeerde, moest hij

hier onverrichter zake vertrekken.

.

Als een bewijs hoe uitgeslapen de Amerikanen zijn om uitwegen voor hunne handelsartikelen op te sporen, toonde een Eskimo eene gedrukte prijscourant waarbij een handelshuis te San i'rancisco zijne jachtbenoo-digdheden aanbood aan de „heeren jagers'' [sporting gcnllemen) aan de Behringstraat.

Men had nu wel zomer, maar tegelijk de aan deze streken eigene plaag der muskieten. Als de leden der expeditie tochten aan laud hadden gedaan, waren hunne handen en gezichten ontoonbaar van de steken dier insecten. Zonder zich daardoor echter te laten afschrikken, deed men verscheiden uitstapjes op de rivieren Konirad en Imaurab wier oevers met dicht houtgewas begroeid waren. In weerwil van de muskieten waren dergelijke tochtjes een onuitsprekelijk genot voor rei-j zigers, die maanden lang tusschen sueeuw en ijs opgesloten hadden ge

zeten. Hier en daar sprongen in die rivieren landtongen vooruit, be-1 zaaid met de tenten van visschers, die hunne netten naar zalm uit

wierpen.

Na een zeer aangenaam oponthoud verliet de Vega den 26 Juli Port-Clarence om hare reis te vervolgen en liet den Sisten het anker vallen aan den noordoostkant van het eiland St.-Lanrens, dat de Tsjoektsjen Engna noemen, het grootste eiland tusschen de Aleoetische eilanden en de Behringstraat. Het ligt dichter bij Azië dan bij Amerika, maar wordt desniettemin tot dit laatste werelddeel gerekend, zoodat Rusland het tegelijk met Alaska aan de Vereenigde Staten afstond. Het wordt slechts door eenige weinige Eskimo-gezinnen bewoond.

Vermits hier geene haven is en de Vega weer op eene open reede lag, wenschte luiteuant Palander deze plaats zoo spoedig mogelijk te verlaten en lichtte men den 2 Augustus het anker. Het doel was nu het eiland Karaginsk op de oostkust van Kamtsjatka, ten einde de gesteldheid van dat land met die van het schiereiland der Tsjoektsjen te vergelijken ; doch daar tegenwinden langdurige vertraging veroorzaakten, gaf men dit plan op en richtte zich naar het Jtehring-eiland, waar men den 14 Augustus in eene slecht beschutte haven aan den westhoek voor anker kwam. Het is het westelijkste en het naast bij Kamtsjatka gelegene der Aleoetische eilanden en behoort aan Rusland, doch de Ame-rikaansche Alaska-maatschappij bezit er het monopolie der jacht en heeft er eene factorij, die de 300 inwoners, welke uit een gemengd ras van Russen en Aleoeten bestaan, van levensmiddelen en andere benoodigd-heden voorziet. In ruil daarvoor ontvangt zij pelswerk, vooral van

if

ii

iB 'j .

ocr page 126

Het Behring-eiland.

eeae robbeusoort, de zeekat, waarvan er jaarlijks wel 50,000 tot 100,000 op dit eiland en het Koper-eiland gedood worden. Overigens zijn er Russische ambtenaren gevestigd, om' aan de rechten van Rusland de hand te houden en voor de goede orde te zorgen.

Met opzicht zoowel tot de geologie als tot de natuurlijke historie is het Behring-eiland een der merkwaardigste in het noorden der Stille Zee. Hier was het, dat Behring, na zijne laatste en rampspoedige reis in de zee die zijn naam draagt, den 19 December 1741 zijn aan ontdekkingen gewijd leven eindigde, kort nadat zijn schip in een storm tegen de rotsen van het eiland verbrijzeld was. Vele zijner tochtge-nooten overleefden hem echter en onder anderen de natuurkundige Steller, die eene meesterlijke beschrijving van het eiland, waarop hij zijns ondanks negen maanden doorbracht en dat nooit te voren bezocht was, heeft achtergelaten. Naar aanleiding van Steller's mededeelingen had Nordenskjold gehoopt hier huiden en geraamten van de merkwaardige dieren te koopen, die zich in deze streken hebben opgehouden. Hij kreeg er dan ook een aantal, doch verscheiden van die diersoorten waren bijna uitgeroeid door de onophoudelijke jacht die er opgemaakt is. De vossen waren vroeger in zulke ongeloofelijke hoeveelheden aanwezig, dat zij niet alleen verslonden wat zij bij dag en bij nacht in de open lucht aantroffen, maar tot in de woningen drongen en alles wegsleepten wat zij konden machtig worden, zelfs voorwerpen die hun tot jiiets konden dienen, zoo als schoenen, kousen, messen, zakken enz. Als men buitenshuis aan 't werk was, moest men hen soms met een stok wegjagen. Zij werden gevaarlijk door hunne slimheid en door het overleg waarmede zij gezamenlijk wisten te bereiken, wat aan elk afzonderlijk onmogelijk was. Sedert dien tijd zijn zij echter bij duizenden en nogmaals duizenden de prooi der jagers geworden, wien het om hun pels te doen was, en thans zijn zij zoo zeldzaam, dat Nordenskjold en de zijnen er gedurende hun verblijf niet één te zien konden krijgen. De weinige, die nog over zijn, schijnen ook de blauwzwarte pels van hun voorgeslacht, die zoo gezocht was en zoo dnur betaald werd, niet meer te bezitten, maar eene soort van witachtig bout te hebben, waaraan weinig waarde wordt toegekend. Op het naburige Koper-eiland moeten zij echter nog vrij talrijk zijn.

Het merkwaardigste zoogdier van het Behring-eiland, de stelléra of groote zeekoe, is echter geheel uitgeroeid. Zij bekleedde om zoo te zeggeu de plaats der herkauwende dieren onder de zoogdieren die in de zee leven, had eene bruine kleur en was bekleed met haar, dat aaneen kleefde en eene soort van buitenhuid vormde, die op de schors

115

ocr page 127

-116 Nordenskjöld's Reis met de Vega.

van een ouden eik geleek. Volgens de opgave van Steller zou dit ontzaggelijke dier wel tien meter lang zijn geweest. De kop was groot, de hals kort en het bovenlijf zeer zwaar, doch naar achteren toe steeds smaller wordende. Het dier had twee korte voorpooten, die plotseling zonder teenen of nagels eindigden. In de plaats van achterpooteu had het eene staartvin op de wijze der walvisschen. De zeekoeien waren bijna altijd bezig met het eten van zeewier, dat hier in overvloed op de kusten groeide, en lieten zich daarbij niet storen door de nabijheid van menschen. Men kou tusschen haar heen en weer gaan en haar aanraken zonder dat zij schuw werden. Zij scheneu eene groote gehechtheid voor elkander te koestereu en wanneer eene geharpoeneerd was, deden de andere de uiterste pogingen om haar te redden. Ten tijde van Steller graasden die dieren in groote kudden langs de kusten. Hij en zijne lotgenooten doodden er een aantal. Later werd deze jacht een bepaald bedrijf van Russen, die van Kamtsjatka naar de Aleoeti-sche eilanden overstaken; zij doodden de zeekoeien bij honderden en hadden die dieren weldra uitgeroeid, die vóór Steller niet bekend waren en toen nog slechts op het Behring-eiland werden gevonden.

Het eenige groote dier, dat uog even talrijk is als ten tijde van Steller, is de zeebeer. Ook deze soort was sterk verminderd toen de Alaska-maatschappij van het Russisch gouvernement liet monopolie der jacht ontving, tegen betaling van 2 roebels voor elk dier, dat zij zou doen dooden. Zij maakte van die bevoegdheid gebruik om strenge regels op deze jacht te stellen, die nu op verscheiden tijdstippen des jaars streng verboden is. Het getal dieren, dat de maatschappij wil latsn dooden, wordt vooraf bepaald. De daarvoor aangewezene worden zoo goed mogelijk uitgezocht, terwijl men die, wier pels beschadigd is, even als de wijfjes en de jongen, spaart. Doordien men de zeebeeren op deze wijze ontziet, ziju zij bijna huisdieren geworden. Bij honderdduizenden verzamelen zij zich in dicht opeengedrongen kudden op het strand. Men mag hen daar niet storen zonder een uitdrukkelijk verlof van het hoofd van het naaste dorp. Onder geleide vauzulk een dorpshoofd begaven de leden der expeditie zich naar een voorgebergte op de noordkust van het eiland, dat eene geliefkoosde verblijfplaats der zeebeeren was. Het kostte niet veel moeite eene kudde te naderen, die eenigszins afgezonderd van de anderen lag. De oudste dieren betoonden zich aanvankelijk wel wat onrustig, toen er menschen tusschen hen verschenen, doch werden weldra kalm en boden den reizigers een buitengewoon schouwspel aan. Langs het rotsige strand vormden de schuimende golven een zilveren band; tot achtergrond strekte de onmetelijke zee, en de acteurs in

ocr page 128

De zeebeeren. — Aankomst in Japan. 117

dit vreemde tooneel waren duizenden dieren van eene zonderlinge gedaante. Oude mannetjes lagen stil en onbewegelijk, onverschillig voor hetgeen er rondom hen gebeurde; andere kleuterden met hunne korte pooten over de rotsgesteenten en liefkoosden elkander cf vochten een oude zeebeer scheen een jongeren het vechten te leeren; de jongen, aan eene donkerder huidkleur kenbaar, wentelden zich tusschen de oudere rond, maar werden dikwijls de slachtoffers als deze schrikten en bij hunne pogingen om naar het water te komen hen vertrapten. Eu te midden van die drommen zeebeeren troonde eenzaam op een hoog rotsblok een zeeleeuw, liet eenige exemplaar dat de reizigers gedurende hun geheelen tocht van Europa naar de Behringstraat gezien hebben.

Den 19 Augustus verliet de Vega liet Behring-eiland en zette zuidwaarts koers naar Japan. In het begin had men een gelijkmatigen en gunstigen wind, maar tegen het einde der maand, toen men in de koero-sivo, den golfstroom der Stille Zee, geraakt was, veranderde het weer. Men kreeg tegenwind en ondervond eene drukkende hitte, die door zware regenbuien en onweders niet getemperd werd. Bij zulk een onweer op 31 Augustus sloeg de bliksem met een verschrikkelijk geweld in den grooten mast der Vega, wierp diens top met de vlag in zee en deed den mast zelfs tot ver naar beneden splijten. Allen aan boord ondervonden een zwaren schok en een der manschappen werd niet onbelangrijk gekwetst. Eindelijk liet de Vega in den avond van 2 September 1879 het anker in de baai van Jokohama in Japan vallen.

Den volgenden dag verzond Nordenskjöld het volgende telegram aan den koning van Zweden:

„De Zweedsche expeditie biedt haren doorluchtigen beschermheer hare gelukwenschen aan: het doel der reis is bereikt, de noordoostelijke doortocht gevonden, een nieuwe zeeweg geopend, zonder verlies van een enkel man, zonder eenige ziekte en zonder avarij aan het schip.quot;

Met geestdrift werden de reizigers in Japan ontvangen. Sedert een paar jaren bestaat daar in de hoofdstad Tokio (die vroeger Jeddo heette) een Japansch aardrijkskundig genootschap, met een prins van het keizerlijk huis tot voorzitter. Dit genootschap richtte een grooten feestmaaltijd ter cere van Nordenskjöld en de zijnen aan en noodigde daartoe ook de leden van twee andere genootschappen, de Engelsche Oost-Aziatische maatschappij en de Duitsche vereeniging voor de natuur-en volkenkunde van Oost-Azië. De prins, die te Berlijn zijne opleiding heeft genoten en het Duitsch volkomen machtig is, bracht een toast vol lof en bewondering voor Nordenskjöld en diens reisgenooten in de Duitsche taal uit. Men kon met recht zeggen, dat hier „de

ocr page 129

H8 Nordenskjöld's Reis met de Vega.

geleerde wereldquot; van Japan bijeen was, doordien zooveel Europeanen bij de Japansche inrichtingen van hooger onderwijs zijn aangesteld en ook een aantal Japanners zicli op wetenschappelijke studiën toeleggen.

Door het kanaal van Suez keerde de Vega in Europa terug. De verdere reis naar Zweden was een aaneengeschakelde triomftocht. Aan alle belangrijke plaatsen, waar het schip zich ophield, trachtte men den koenen reizigers hulde te bewijzen, zoodat wij slechts de voornaamste ovatiën, die hun ten deel zijn gevallen, zullen aanstippen.

Xapels, de eerste groote stad die in Europa aangedaan werd, ontving hen allerluisterrijkst. Toen de Vega er den 14 Februari 1880 voor den wal kwam, werd zij met 21 saluutschoten begroet, terwijl alle schepen in de haven zich met vlaggen hadden getooid, en begaven de Zweedsche gezant bij het hof van Italië en de te Napels gevestigde Zweedsche consul zich aan boord om de reizigers te verwelkomen, bij wier landing wederom saluutschoten gelost werden en een muziekcorps het Zweedsche volkslied speelde. De syndicus (burgemeester) der stad begroette hen in eene rede, drukte de bewondering uit waarmede men hunne stoute onderneming had gadeslagen en geleidde hen met open rijtuigen naar het Hotel royal (les Elrangers , waar hun vier dagen later door het gemeentebestuur een groot feestmaal werd aangeboden, waarbij 150 gasten, onder welke alle autoriteiten van Napels, aanzaten en het aan enthusiastische toasten niet ontbrak. In de volgende dagen boden de studenten van de universiteit aan Nordenskjöld en zijne reis-genooten een prachtig album met hunne 2000 handteekeningen aan, dat in zilveren letters tot opschrift droeg: ,,A.an de geleerden der Vega, de jongelieden der universiteitquot; en op de eerste bladzijde de volgende opdracht bevatte : „Het eerst van allen brengen de jongelieden der universiteit van Napels een hartelijken groet, vol dankbaarheid en bewondering, aan de onversaagde zeevaarders, de edele bevorderaars der wetenschap.quot; De koning benoemde Nordenskjöld tot grootofficier van de orde der Kroon van Italië.

Rome, Lissabon en andere plaatsen werden daarna door de reizigers bezocht, die men overal vierde als de oplossers van het groote vraagstuk, dat de wereld zoo lang had bezig gehouden, doch inzonderheid te Parijs was het, dat die huldebetuigingen weder groote verhoudingen aannamen. In de eerste dagen van April 1880 wedijverde daar alles om hun eer te bewijzen. Het Fransch Aardrijkskundig Genootschap hield in eene zaal, die 3000 menschen kon bevatten en die geheel vol was met genoodigden, eene plechtige zitting, die door den juist te Parijs aanwezigen kroonprins van Zweden werd bijgewoond,

ocr page 130

Eerbewijzen aan (ie leden der expeditie. H9

om aan Nordenskjold hare groote gouden medaille uit te reiken. De admiraal la Roncière le Noury presideerde en had aan zijne rechterhand den kroonprins en aan zijne linkerhand Nordenskjold, naast wien weer de heer Ferry, de minister van onderwijs, gezeten was. Ook in eene opzettelijk belegde zitting van den Parijsehen gemeenteraad werd aan Nordenskjold eene gouden medaille aangeboden, wederom in het bijzijn van den Zweedschen kroonprins, die almede tegenwoordig was bij een diner van 220 couverts, dat de te Parijs aanwezige Zweden den reizigers in het Hötel Continental gaven. Den volgenden dag werden zij bij den President der Republiek op het diner genoodigd.

Doch hiermede waren de eerbewijzen, die men hun te Parijs bracht, nog niet afgeloopen. Zij werden genoodigd tot bijwoning eener vergadering in de Sorbonne, waar de minister van onderwijs de prijzen zou uitreiken aan hen, wier antwoorden op prijsvragen van geleerde genootschappen bekroond waren. Dat ook deze bijeenkomst voor een deel ter hunner eere belegd was bleek daaruit, dat men de zaal niet enkel met de Fransche, maar ook met de Zweedsche kleuren versierd had. De minister weidde dan ook in zijne rede met lof over hen uit en stelde in 't licht, dat niet alleen nauwgezette studie het welslagen van hun tocht mogelijk had gemaakt, maar dat ook alles met kalm overleg berekend was, zoodat zelfs in geval van mislukking der onderneming een geregelde terugkeer over land in het plan was opgenomen. Hij eindigde met de mededeeling dat de President der Republiek op zijn voorstel Nordenskjold tot kommandeur en Palander tot officier van het Legioen van Eer benoemd had, waarvan hij hun onder liet daverend gejubel der aanwezigen de versierselen ter hand stelde.

Hoe aangenaam het verblijf ook voor de reizigers te Parijs moest zijn, er komt een tijd van scheiden eu bovendien wachtte men hen met vurig verlangen in hun vaderland terug. Eerst begaven zij zich nog naar Londen om zich in het Aardrijkskundig Genootschap aldaar te vertoonen, doch, ofschoon zij ook daar hartelijk ontvangen werden, baarde hunne komst er niet zooveel opzien als elders, omdat de bevolking al hare aandacht wijdde aan de verkiezingen, die na de ontbinding van het Parlement moesten plaats hebben. Intusschen was de Per/a, die de kusten van Europa gevolgd had, te Vlissingen gekomen, waar zij bezocht werd door een verslaggever van de Middelhnrgamp;che Courant, die er in dat blad het een en ander over mededeelde, hetgeen ons belangrijk genoeg voorkomt om het hier over te nemen.

„Zooals men de Tega rustig op de reede ziet liggen,quot; zegt hij, „zou men het haar niet aanzien, dat zij een van de grootste daden, die tot

ocr page 131

■120 Nordenskjold's Reis met de Vega.

dusver op liet gebied der Poolvaart te vermelden zijn, op baar rekening heeft. Het is een barkschip van ongeveer 500 tonnen inhoud, met een hulpstoomvermogen van 70 paardenkracht, waarmede het onder gunstige omstandigheden een vaart van een mijl of vijf maakt. Als zeilschip wordt zij echter geprezen als handig en niet lui; zij loopt met een bezeilde, stevige bries een 12 mijls vaart, en ieder zeeman zal zeggen dat dit mooi is. Het vaartuig is stevig gebouwd, 28 duimen eikenhout beschermen het tegen de aandringende ijsmassa's en bovendien heeft de boeg een ijzeren pantsering.

„De Vega heeft „achteruitquot;, dat is in het ofücierslogies, dat eenvoudig, maar practisch en net is ingericht, 9 personen geherbergd.

„De bemanning „vooruitquot; bestaat uit 21 man, meest schepelingen der Zweedsche marine. Allen zien er flink en gezond, gebaard en krachtig uit; thans echter, naar een der officieren, mijn vriendelijke leidsman, meende, wat minder dan onmiddellijk na de 294 dagenlange overwintering in den oostelijken hoek der IJszee. Toen waren allen blozend en dik in het vleesch, wat nu, als gevolg der in meer dan een opzicht vermoeiende „kapelletjesquot;, die men in Japan, de Middel-landsche zee, Engeland, enz. heeft aangedaan, al wat verminderd is.

„Die overwintering lijkt, als men haar hoort vertellen, zoo bar niet als de verbeelding van onzen Tollens zich die voorstelde. Voegen wij er echter dadelijk bij, dat ze van die op Nova Zembla voor drie eeuwen ook niets gehad heeft. De Vega heeft vlak onder den Siberischen wal rustig vastgevroren gezeten, zelve één geworden met de ijsmassa's die laar omgaven en is, toen het ijs in de lente los raakte, ook weder zonder schokken of gevaar losgekomen. In de logiezen kon men behoorlijk stoken, aan brandstof en goed voedsel bestond geen gebrek, zoodat van de ontzettende koude daarbuiten niet meer gemerkt werd dan noodig was. Weer- en natuurkundige waarnemingen, tochten per slede over het ijs en het land in, waar men bij de goedaardige en behulpzame bevolking zich spoedig verstaanbaar leerde maken, namen echter al den tijd in beslag en hebben dit tijdvak van gedwongen stilzitten van belangrijke waarde voor de wetenschap gemaakt. lederen Zaterdag werden in het ruim voor de geheele bemanning voordrachten gehouden over meteorologie, natuurkunde, de Poolvaart en andere toepasselijke onderwerpen. Zoodoende vloog de tijd om en de herinnering aan die maanden behoort zeker niet onder de minst aangename, welke de kloeke mannen van de Vega thuis brengen.

„Verre is het dan ook van mij, de beteekenis en waarde van hun werk te verkleinen. Zeiven spreken zij er eenvoudig en bescheiden

ocr page 132

Verdere eerbewijzen. 121

over: het gewone kenmerk vau zeelieden, die iets verricht hebben, waarvoor meer dan gewone moed, geduld en geestkracht vereischt worden. „Hadden wij geen stoom gehad, we hadden het nooit zoover kunnen brengen,quot; — zeide mij een der officieren en hij sprak tegelijk zijne hooge bewondering uit over onze oud-Hollandsche zeevaarders, die met zoo gebrekkige hulpmiddelen dezelfde gevaren getrotseerd hebben. Ook de Willem Barents ea zijn tocht naar Jt'rans Jozefs land was hun goed bekend, en toen ik hun vertelde, welk een kleine schoener het is, waarmede deze reis volbracht is, toen sprak uit woord en gebaar hun ongeveinsde hoogachting voor de mannen die dat gedaan hebben.

„Voor de rechtstreeksche vaart tusschen Europa en Azië, — dit was de meening van de officieren, •— is de volbrachte doorvaart van geen beteekenis. Men kan hetzelfde doei te gemakkelijk en spoedig door liet Suezkanaal bereiken, om de reis „dwars door het ijsquot; te verkiezen, die in minstens 30 van de 100 gevallen door eene overwintering afgebroken zal worden. Maar voor de verbinding van Siberië, westelijk met Europa en oostelijk met Japan, is de verkregen kennis wel degelijk van gewicht, en langs de groote rivieren, de Ob, de Jenissei, de Lena, welke zeer diep in dit land dringen en een gedeelte des jaars zeker eu veilig bereikbaar zijn, kau zich een handelsweg vormen, die van groote beteekenis voor het wereldverkeer belooft te worden.quot;

De reis werd nu met de Vega noordwaarts voortgezet, het eerst naar Kopenhagen. Daar was de geestdrift nog veel grooter dan ergens elders en waren alle standen der maatschappij van de hoogste tot de laagste er zoodanig mede vervuld, dat men schertsenderwijze van eene „Nordenskjöld-koortsquot; sprak. In den laten avond van den 15 April kwam de Vega, vergezeld door 9 stoombooten met belangstellenden uit Deensche en Zweedsche kustplaatsen, alsmede door eene stoomboot met 300 studenten van de universiteit van Lund, op de buitenste reede van Kopenhagen aan. Den volgenden morgen stoomde zij te midden van een zwerm van stoom- en roeibooten naar den wal, begroet door saluutschoten van de oorlogschepen en forten. Aan land werden de reizigers ontvangen door een aantal vereenigingen met hare banieren en muziek, terwijl duizenden nieuwsgierigen zich opgehoopt hadden in de met vlaggen versierde straten, die de stoet volgde. Des avonds kregen de reizigers eene audientie bij den koning, die aan Nor-denskjöld het grootkruis en aan Palander het kommandeurskruis der Danebrogs-orde schonk, terwijl de overige geleerden der expeditie het ridderkruis ontvingen. Eene vergadering van het Aardrijkskundig Genootschap, hun ter eere, werd bijgewoond door den koning van De-

ocr page 133

122 Nordenskjöld's Reis met de Vega.

nemarken, zijn broeder en zijn zoon den kroonprins, waarop een souper volgde waarbij de kroonprins voorzat. Nadat men nog een galadiner ten hove had bijgewoond, werd de reis naar Stockholm, haar einddoel, aanvaard.

Den 24- April liep de Vega daar de haven binnen. Hier op den vaderlandschen bodem wachtte den reizigers geen minder eervolle ontvangst dan die zij op zoo vele plaatsen elders reeds ondervonden hadden, en hier ook vielen hun de hoogste eerbewijzen ten deel. Nadat den 25sten eene godsdienstoefening in de slotkapel was gehouden, kwam de koning aan boord van de Vega en deelde aan allen, die den tocht hadden medegedaan, de medailles uit, die opzettelijk ter herinnering geslagen waren. Zij vertoonen aan de voorzijde het borstbeeld des konings met het omschrift in het Zweedsch „Oscar II, koning van Zweden en Noorwegen,quot; en aan de keerzijde de afbeelding van de orde der Poolster, met het omschrift: „Weg door de Noordelijke IJszee gebaand.

lil ■'11

a

Jl

1878 — 1879.quot; quot;Van deze medaille zijn vier exemplaren in goud geslagen, voor Nordenskjöld en de voornaamste leden der expeditie ;

de overige zijn van zilver en hebben bovenaan eene koninklijke kroon, om ze aan het lint der orde van de Poolster te kunnen dragen. Des avonds was de geheele bemanning der Vega op een feestmaal in het koninklijk paleis genoodigd, waarbij de koning zelf een heildronk op de koene zeevaarders instelde en hun namens het Zweedsche volk dank betuigde voor de nieuwe lauweren, die zij de Zweedsche vlag hadden doen behalen.

De koning ging nog verder in zijne gunstbewijzen. Nordenskjöld, die reeds van adel was, werd bevorderd tot baron; Palander (in de vorige dagen tot kapitein ter zee benoemd) en Dickson van Gothenburg werden in den adelstand verheven. Dickson ontving tevens het grootkruis der orde van de Poolster, dat Nordenskjöld resds bezat. Siberiakoff, die de expeditiën naar het noorden ook zoo krachtig had ondersteund, werd met het kommandeurskruis der Poolster begiftigd. Reeds in Januari 1880 had de Eerste Kamer van den Zweed-schen Rijksdag bepaald, dat aan Nordenskjöld als nationale belooning een jaargeld van 4000 Zweedsche kroonen voor zijn leven zou worden toegelegd.

Geen wonder dat de tocht van Nordenskjöld allerwege geestdrift verwekt heeft; door hem was weder een der groote raadselen opgelost, die de aandacht der wereld zoo lang hebben bezig gehouden. Thans was de poging gelukt, die men in den loop der tijden ten minste zes-tienmaal te vergeefs had beproefd. De gevolgen zijn nog niet te over-

1 (ir :

J

li'

pi!;.' J

H

I

:r

f

i

ocr page 134

Vermoedelijke gevolgen der reis. 123

zien, maar reeds weet men dat er stoombooten op stapel zijn gezet om een geregeld goederenvervoer tusschen China en Siberië in 't leven te roepen, en ook van Europa uit zullen dergelijke ondernemingen zicli niet lang laten wachten. Zoo het ook geen practisch nut zou hebben, den geheelen weg van Nordenskjöld te volgen en van Nova-Zembla naar de Behringstraat te varen, zal waarschijnlijk weldra elk jaar eene vloot uit het oosten en eene vloot uit het westen naar de monding der Lena stevenen om de Europeesche, de Oostersche en de Siberische voortbrengselen onderling te ruilen. Had overigens de Vega zich niet zoo veelvuldig moeten ophouden om te dreggen en wetenschappelijke waarnemingen te doen, zij zou zonder twijfel hare reis in één seisoen en zonder overwintering volbracht hebben.

ocr page 135

HOOFDSTUK V.

REIZEN VAN DE WILLEM BARENTS NAAR DE IJSZEE.

De tochten van Barents, Heemskerk en Linschoten naar de IJszee en Nova-Zem-bla. — De walvisohvangst bij Spitsbergen. — Eerste tocht van de Willem Barents in 1878. — Jun Mayen eiland. — De noordkapers. — Overwintering op Jan Mayen eiland in 1633—34. — Het west-ijs. — Benamingen der soorten van ijs. — Spitsbergen. — Oprichting van een gedenksteen te Smeerenburg. — Het Beeren-eiland. — Broeiplaats van lommen. — Vardoe. — Het onderzoek der Barents-zee. — De mist in die zee. - quot;Vochtigheid aan boord. — Nova-Zembla. — Onderzoek van straat Matotsjkin. — Gevaar van drie reis-genooten. — Vergeefsche pogingen om op kaap Nassau te landen. — Tehuis-reis. — Tweede tocht van de Willem Barents in 1879. — Het leven aan boord. — De postduiven. — Voorzorgen tegen bezetting in het ijs. — Vardoe en Vadsoe. — Straat Matotsjkin. — Het ijs in de Karische Zee. — Ontmoeting met de Isbjörn. — Deugdelijkheid van het hardglas. — Oprichting van een gedenksteen op kaap Nassau. — Ijsbergen. — Frans Jozefs land. — Barents' Hoek en Koolemans Beynen Hoek. — Belang van Frans Jozefs land voor de vangst van robben en walrussen. — Terugkeer. — Wijze van vischvangst in Noorwegen. — Tehuisreis.

Twee redenen spoorden de Hollanders van het laatst der I6de eeuw tot tochten naar het kille noorden aan, met het doel om door een noordoostelijken doortocht (dien pas Nordenskjöld geheel heeft kunnen volgen) Indië te bereiken : vooreerst, dat zij nog niet gewoon waren aan de rechtstreeksche vaart op Indië, om de kaap de Goede Hoop heen, die geheel iu handen van de Portugeezen was; en ten tweede, hunne berekening dat de weg van Holland naar China, boven Azië om, twee duizend mijlen korter moest zijn dan die om Afrika's zuidpunt. Balthasar de Moucheron, een man in de Nederlandsche handelsgeschiedenis van dien tijd met eere bekend, ijverde sterk voor het uitrusten eener expeditie om dit practisch te onderzoeken, want vond men den doortocht, dan zou Holland een eigen weg naar Indië hebben

ocr page 136

De tochten van 1594—96.

en door deu kortereu afstand met meer voordeel dan Portugal kuuneu varen. Moucheron wist verscheiden groote staatslieden van zijn tijd, en ten slotte zelfs Maurits, Oldenbarnevekl en de Staten van Holland voor zijn plan te winnen, met het gevolg dat den 5 Juni 1594 eeuige kleine vaartuigen voor een noordschen ontdekkingstocht in zee staken. Amsterdam, Enkhuizen en de provincie Zeeland hadden elk een schip geleverd, en Amsterdam bovendien uog een jacht. Doch zij zouden elkander slechts tot zekere hoogte gezelschap houden; de Amsterdam-sche schepen, ouder bevel van Willem Barents, moesten zich naar de pool richten, omdat de Amsterdamsche predikant en aardrijkskundige Plancius meende, gelijk velen nog tot in onze dagen hebben volgehouden, dat daar open water te vinden moest zijn, terwijl de andere schepen, onder Jan Huygen van Linschoten, oottwaarts zouden afhouden. In beide richtingen was men onvoorspoedig. Barents nam de geheele kust vau Nova-Zembla op en bracht die in kaart, maar kon door het ijs niet verder dan 77 graden noorderbreedte komen, en Linschoten bereikte door straat Jugor (toen straat Nassau genoemd) de Karische Zee, maar werd eveneens door het ijs gestuit. Vier maanden later kwamen allen onverrichter zake terug.

Terwijl Barents zeer goed de moeielijkheden wist te sciiatten, waarmede ondernemingen van dezen aard steeds zouden te kampen hebben, was Linschoten vol goeden moed en meende hij dat slechts zeer toevallige omstandigheden hem de bereiking van het groote doel onmogelijk hadden gemaakt. In zijne geestdrift wist hij die overtuiging ook aan Oldenbarnevekl, Maurits en de voornaamste leden der Staten-Ge-neraal mede te deelen, zoodat eene nieuwe expeditie tot stand kwam. Twee schepen werden door Amsterdam geleverd, twee door Enkhuizen en twee door Zeeland, alle dubbel bemand en van levensmiddelen voor anderhalf jaar voorzien. Een toegevoegd jacht zou, zoodra men kaap Tabin gepasseerd was, met die tijding naar het vaderland terugkeeren (1). Maar het kwam zoover niet. De vloot, met Linschoten, Barents en Heemskerk aan het hoofd, werd te lang door allerlei toebereidselen op-

125

1

Er bestonden toenmaals nog geen kaarten van de streken benoorden Zweden, waar men geloofde dat fabelachtige landen lagen met even fabelachtige bewoners. Mededeelingen van den ouden Romeinschen schrijver Plinius waren het eenige waarop men steunen kon. Uit zijne onduidelijke beschrijvingen werd afgeleid, dat do kust van Lapland noordoostwaarts opliep tot aan zekere kaap Tabis of Tabin, op de hoogte van de golf der Ob (het schiereiland Taimyr moet daarmede bedoeld zijn.) Liep die landspits op tot aan het eeuwige ijs van den noordpool, dan was een doortocht naar het oosten onmogelijk. Eindigde zij lager, dan moest men haar ten noorden kunnen omstevenen, om verder China te bereiken.

ocr page 137

Reizen van de Willem Barents.

gehouden, zoodat de zomer bijna half verloopen was eer men zee kon kiezen. Men zette koers naar straat Jugor, maar omstreeks het midden van September belemmerde het ijs allen verderen voortgang en in de helft van November waren de schepen te Amsterdam terug.

De Staten onttrokken zich aan verdere ondersteuning van dergelijke ondernemingen en meenden die aan bijzondere personen te moeten overlaten. De stad Amsterdam rustte nu nogmaals twee schepen uit, die den 18 Mei 1596 uit het Vlie vertrokken. Aan het hoofd van deze onderneming stonden weder Barents en Heemskerk, benevens Jan Cornelis Rijp. Er was besloten straat Jugor te vermijden en noordoostwaarts te stevenen. Op deze reis werden liet Beeren-eiland en Spitsbergen ontdekt. Van Spitsbergen keerde men naar het Beeren-eiland terug, waar de beide schepen scheidden. Dat met Rijp stevende noordwaarts, om boven 80 graden breedte den gewenschten doortocht te zoeken, het andere met Barents en Heemskerk zette koers naar Nova-Zembla, ten noordoosten waarvan, naar het gevoelen van Barents, de open poolzee moest liggen, indien deze bestond.

Het ijs verijdelde ook deze maal weer alle pogingen, zoowel van Rijp als van Barents. Het was op dezen derden tocht dat de overwintering van Barents en Heemskerk met hunne manschappen op Nova-Zembla plaats had, zoo beroemd geworden door de daarvan uitgegeven onopgesmukte en roerende beschrijving en nog beroemder door het gedicht van Tollens (1). Op de terugreis in open booten stierf Barents, ongeschokt in zijn geloof aan eene open poolzee, want liet waren bijna zijne laatste woorden, dat hij den voorgenomen tocht met Gods hulp nog zou volbrengen, als hij zijn koers noordoost van de Noordkaap stellen zou.

De tallooze gevaren en ontberingen, aan zulke reizen verbonden, schrikten het zeevolk van die dagen niet af, doch er moest eenige winst mede te behalen zijn. Daarom liet men het barre Nova-Zembla voortaan liggen, maar ontstond er allengs eene steeds drukkere vaart naar liet nieuw ontdekte Spitsbergen, welks wateren van walvisschen wemelden. Verscheiden natiën zonden hunne schepen daarheen, maar Nederland had langen tijd het grootste aandeel in die visscherij. Van het midden der I7de tot het laatst der 18de eeuw werden er ruim 14,000 Nederlandsche schepen voor uitgerust, van welke 560 in het ijs ver-

126

1

De overblijfselen van die overwintering zijn in 1876 door een Engelschman, den heer Ch. Gardiner, op Nova-Zembla bijeenverzameld, en aan de Nederlandsche regeering geschonken, die hem daarvoor eene opzettelijk geslagen groote gouden medaille vereerd heeft.

ocr page 138

Pogingen tot herstel der ijsvaart. 127

gingen. quot;Welk een noodlottigen invloed de tijdsomstandigheden ook mogen uitgeoefend hebben, is het toch onbegrijpelijk dat een eenmaal zoo bloeiende tak van industrie zóó geheel kon verloopen, dat er omstreeks de helft dezer eeuw nog slechts één schip ter wal nschvangst uitging, waar vervolgens in 't geheel geen sprake meer van was.

Door dit langzaam wegkwijnen der ijsvaart was ook de belangstelling daarvoor uitgestorven, even als het ras der geharde zeelieden, gewoon onverschrokken tegen de ijsbergen en de zeemonsters strijd te voeren, geheel verdwenen was. Enkelen in ons vaderland, die genoeg studie van de oude reizen gemaakt hadden om te weten hoe die vaart naar de poolgewesten de kweekschool was geweest van geoefende matrozen, tegen alle gevaren der zee opgewassen, wier zenuwen verstaald waren te midden der ontzagwekkende tooneelen van de noordsche natuur, trachtten die belangstelling weer op te wekken, in de overtuiging dat een groot belang des lands er bij betrokken was.

Van daar dat de heer Groeninx van Zoelen den 16 Januari 1875 op de algemeene vergadering van het Nederlandscli Aardrijkskundig Genootschap voorstelde, dat men pogingen zou aanwenden, om door een Nederlandscli zee-officier deel te doen nemen aan de Engelsche Noord-pool-expeditie, die juist beraamd was. De daartoe gedane stappen werden met het gevolg bekroond, dat de heer L. R. Koolemans Beynen, luitenant ter zee der '2de klasse, verlof kreeg zich in te schepen aan boord van het Engelsche stoomjacht Pandora, kapitein Allen Young, met hetwelk hij twee tochten, naar den Peel- en den Smith-sond, me-demaakte, waarvan hij een verslag heeft gegeven in het Tijdschrift van hel Aardrijkskundig Genootschap, jaargangen 1876 en 1877. Van die tochten teruggekomen, liet hij geene gelegenheid voorbijgaan om het belangrijke onderwerp ter sprake te brengen en aan te dringen, en zoo was het niet onnatuurlijk dat na eene door hem gehouden voordracht op de vergadering van het Aardrijkskundig Genootschap, op 17 Januari 1877, de vraag in behandeling werd genomen, of niet van wege dat Genootschap eene expeditie naar het noorden onder jNederlandsche vlag kon worden op touw gezet.

Het bestuur meende dat voor het Genootschap de tijd hiertoe nog niet was aangebroken, en ten gevolge van dit besluit trokken bijzondere personen zich de zaak aan. Eenige heeren gaven ouder dagteekening van 18 ïebruari 1877 eene circulaire in het licht, waarin zij de medewerking van de regeering en het volk inriepen om in Mei 1878 een vaartuig te kunnen uitzenden, vooreerst om op de voornaamste der door Nederlanders ontdekte plaatsen cairns (steenhoopen) of

ocr page 139

Reizen van fie Willem Barents.

gedenksteenen met opschriften op te richten ter gedachtenis van de eerste ontdekkers, eii teu tweede om in de J5arentszee waarnemingen ten aanzien van het ijs en de overige plaatselijke toestanden te doen. Den 17 Maart werd op eene vergadering van belangstellenden te 's Gravenhage een voorloopig comité verkozen. Prins Hendrik aanvaardde het beschermheerschap over de onderneming, Piins Alexander nam het voorzitterschap op zich, er vormden zich allerwege in het land subcom-missien, en acht maanden later kon men over f 28,000 beschikken. Die som was aanzienlijk, doch op verre na niet voldoende om een stoomschip te bouwen en uit te rusten, zoo als men zou gewenscht hebben en dat ook uit verschillende oogpunten verkieslijk zou zijn geweest. Men besloot zich dus tot een zeilschip te bepalen, dat den naam van Willem Barents zou dragen. Wegens de beperkte geldmiddelen moest het klein uitvallen, doch, indien men toch geen stoomschip kon bekomen, was de kleinheid van het houten schip een voordeel, daar het zich gemakkelijker in en uit het ijs zou kunnen bewegen dan vaartuigen van grootere afmeting.

De bouw werd opgedragen aan de scheepsbouwmeesters Meursingen Huygens te Amsterdam, die aannamen het schip, van de beste materialen getimmerd, voor /29,300 te leveren. Het moest den 25 April 1878 geheel zeilklaar gereed zijn, doch er werd zoo veel spoed gemaakt, dat het reeds den 6 April, onder het gejuich van een groot aantal belangstellenden, van stapel liep. Bij den bouw van het schip waren zeer bijzonder de omstandigheden in 't oog gehouden, waarin het zou verkeeren. Alle verbanddeelen steunden elkander wederkeerig en onderling, zoodat, wanneer eenig deel van het schip zwaar in het ijs bekneld zat, het geheele verband als eene massa aan die drukking weer-siand zou bieden. Vooral had men aan het schip een onder het water scherp toeloopenden vorm gegeven, zoodat het bij ijspersing eerder omhoog getild, dan ingedrukt zou worden. De zware, met ijzer beslagen voorsteven helde zeer naar voren over, hetgeen den stoot aanmerkelijk moest breken, als het vaartuig met kracht tegen de zware ijsvelden aanliep.

Men nam voor 18 maanden steenkolen in en voor evenveel tijd proviand, berekend voor eene bemanning van 14 koppen, de officieren eronder begrepen. Deze laatste waren de luitenant ter zee 1ste klasse A. de Bruyne, die zich als kommandant voor de Willem Barents had aangeboden, de luitenant ter zee 2de klasse L. R. Koolemans Beynen, bestemd tot ijsloods, de luitenant ter zee 2de klasse jhr. M. H. Speelman, belast met de wetenschappelijke waarnemingen, dr. C. P. Sluyter,

128

ocr page 140

Het vertrek in quot;1878.

natuurkundige, dr. P. J. Hijinans van Anrooy, officier van gezondheid van het Indisch leger, en de heer W. J. A. Grant, een Engelschrcan, die aangeboden had als photograaf de reis mede te maken, zelf voor alle toestellen en benoodigdheden te zorgen en bij de terugkomst dei-expeditie al zijne clichés aan het comité af te staan. Veie bevaren matrozen hadden zich voor de reis aangemeld en daaruit waren de flinkste gekozen, inzonderheid die op kleine scheepjes gediend hadden en zich daar dus wisten te behelpen.

De uitrusting werd door den minister van marine uit den rijksvoor-raad aan de expeditie in bruikleen afgestaan, evenals de voor de wetenschappelijke waarnemingen vereischte instrumenten, waaraan dr. E. van Eijckevorsel nog de zijne toevoegde, die hij voor dergelijke doeleinden in Indië had gebruikt. Van particulieren kwamen van alle zijden geschenken in, meerendeels in voedingsmiddelen en kleedingstukken bestaande.

In de instructie, die het comité voor den kommandant de Bruyne en zijne officieren had opgesteld, werd er nadrukkelijk op gewezen dat alles moest ingespannen worden om eene overwintering in het l'.ooge noorden te vermijden, die onrust verwekken en weer van de poolreizen afschrikken zou. Deze eerste tocht moest een oefenings- en proeftocht zijn, omdat de Nederlandsche zeelieden nooit de Barentszee bezocht hadden, onbekend waren met de door onze voorvaderen ontdekte eilanden in het hooge noorden en het gebruik der aldaar noodige instrumenten niet verstonden, zoodat zij langzamerhand aan dit een en ander gewend moesten worden.

Den 5 Mei 1878 werd tie IF ill em Barents van Amsterdam naar I.lmui-den gesleept, en over dien geheelen afstand kwam aan het gejuich der nieuwsgierigen geen einde, „waaruit duidelijk bleek,quot; zegt het reisverhaal, „dat men met het doel der reis minder goed bekend was en er hooger verwachtingen van koesterde dan op een zomertocht te verwezenlijken zouden zijn.quot; De officieren van de Willem Barents hoopten dus, dat zij geen teleurstelling zouden verwekken bij de velen, „die klaarblijkelijk dachten, dat zij een ongewoon waagstuk gingen doen eu als het ware den dood tegemoet snelden.quot; 's Middags van den 6 Mei werd liet schip door de Sim son, aan wiens boord zich een aantal zeeofficieren en andere belangstellenden met een muziekcorps bevonden, een kwart mijl buitengaats gesleept, en daarop ging het met eene stijve bries uit het oosten naar het noordnoordwesten.

De eerste dagen verliepen kalm en werden besteed aan het ordenen en rangschikken van vele voorwerpen, die daaraan nog behoefte

9

129

ocr page 141

Reizen van de Willem Barents.

hadden, want tot op het laatste oogenblik vóór het vertrek waren aan-houdend zaken aan boord gebracht en timmerlieden, ververs en smeden bezig geweest om het schip bewoonbaar te maken en een helder aanzien te geven. Men vorderde goed, doch onverhoeds kwam er eene stoornis, doordien een klein lek bij eene pijp in het achterdek ontstond en de kommandant hierom genoodzaakt was te Bergen in Noorwegen binnen te loopen. Zes dagen later was men met de reparatie gereed en waren tegelijk voorzorgsmaatregelen genomen tegen de herhaling van zulk een ongeval.

De koers werd gericht naar het Jan Mayen eiland, op 71 graden noorderbreedte en 8 graden westerlengte, maar door aanhoudende tegenwinden en telkens veranderend weer had men 23 etmalen noodig om van Bergen af dat eiland te bereiken. Na het passeeren van den COsten breedtegraad zag men de scholen bruinvisschen en de gewone grijze meeuwen niet meer, die het schip tot nog toe vergezeld hadden; in de plaats kwamen eene soort van dolfijnen, de zoogenaamde noordkapers, en ijsstormmeeuwen. De noordkapers, die tot 12 voet lang worden, hebben vrij ver naar achteren een gat midden op den kop, waardoor zij van tijd tot tijd een waterstraal opspuiten. Een eigenaardig gezicht was het ook, wanneer zij onder het schip heen doken en zich als eene groote wit glimmende massa voordeden, 't geen veroorzaakt werd door het laagje vet waarmede hunne huid bedekt is. Bij het Jan Mayen eiland verdwenen ook deze visschen weer.

Pas den 1 Juni gelukte het den poolcirkel te snijden, en wel op 4 graden 18 minuten westerlengte. De tegenwiud was zeer verdrietig voor het volk, dat nieuwsgierig uitzag naar het ijs, maar ook voor de officieren, die den kostbaren tijd langzaam zagen voorbijgaan, zonder dat zij iets noemenswaardigs konden uitrichten. De kommandant begon dan ook te overwegen, of het niet beter was van het Jan Mayen eiland af te zien en noordelijker koers te zetten naar het zoogenaamde westijs, toen men op den morgen van 8 Juni aan den noordwestelijken horizon zeer duidelijk den 6000 voet hoogen Beerenberg op dat eiland zag liggen. Terwijl men op de kust aanhield werd het meer en meer mistig, maar eensklaps scheurde het nevelkleed en lag het eiland, door de zon beschenen, voor de reizigers ; een schouwspel, hoogst zelden door de bezoekers van deze streken genoten. Daarop werd het weer andermaal buiig en kon het schip niet voor anker komen, zoodat men den steven naar zee wendde.

Het Jan Mayen eiland, voor ons eene belangrijke plek groncis, is bijna geheel uit de geheugenis van het tegenwoordige geslacht wegge-

130

ocr page 142

Het Jan Mayen eiland 131

wischt. Te reclit heeft dau ook de steller van het reisverhaal getracht de oude herinneringen te verlevendigen. Zijns inziens is Jan Jacob May, die het eiland in 1614 aandeed en naar wien het zijn naam heeft, niet de eigenlijke ontdekker en komt die eer aan Engelsche zeelieden toe, doch de Nederlanders behoorden onder de eersten die er de walvisch-vaugst beproefden. Tot 1640 was het eiland een der drukst bezochte vischplaatsen van het hooge noorden en verrezen aan de verschillende baaien hutten en traankokerijen, terwijl zelfs in 1628 de Noordsche Compagnie aan de Noord baai twee forten en eene batterij oprichtte, om hare industrie tegen de roofzucht van hare mededingers, de Biscaaische visschers, te beschermen. De walvisschen werden door de onverpoosde jacht steeds schuwer, zoodat zij grootendeels uit deze wateren verdwenen, doch men vermoedde, dat zij, na het vertrek der schepen, die hier alleen gedurende de zomermaanden vertoefden, in de baaien terug kwamen, en om dit te onderzoeken en tevens de proef te nemen of het klimaat zou veroorloven zich gedurende den winter ook met de vangst bezig te houden, boden zeven Nederlaudsche zeelieden aan, een winter aan de Noordbaai door te brengen. Van het beuoodigde voorzien werden zij er achtergelaten, toen de Hol-landsche visschersvloot den 26 Augustus 1633 naar het vaderland vertrok ; doch bij hare terugkomst den 4 Juni 1634, vond zij geen der onverschrokken mannen meer in leven. Hun trouw bijgehouden journaal, waarin het verhaal der doorgestane ellenden vervat was, eindigde met 30 April. Onder dagteekening van den 3den dier maand las men, dat toen nog slechts twee van de zeven gezond waren en de overigen zwaar aan 't scorbut leden. Volgens het later gedaan verslag vonden de matrozen der teruggekeerde vloot hunne maats „seer deso-laet ende dood in huune kooyen liggen ; den eenen hadde noch het kasenbroodt bij hem in de koy staen, den anderen het boeck noch bij hem leggen alsoo hij noch leggen lesen hadde; voorts de resterende sijn soo mede in haar kooyen doodt gevonden; alsoo hebben de 7 matrosen so droevigh haer leven geëindight!quot;

De Willem Barents richtte zich nu naar het westijs, zooals men den stroom van velden, schollen en bergen van ijs noemt, die jaar in jaar uit onafgebroken langs de oostkust van Groenland uit het poolbekken naar het zuiden gaat. Volgens de medegegeven instructie moest men niet in dat ijs doordringen, maar aan zijn zoom door waarnemingen de grens der koude en warme stroomen aan de oppervlakte en in de diepte trachten te bepalen. Den 11 Juni ontmoette men voor 't eerst het zilverwit gekleurde drijfijs, dat ontstaat door den hevigen strijd.

ocr page 143

Reizen van de Willem Barents.

dien de zee steeds met den rand van het ijs voert. Die strijd is een der meest grootsche natuurtooneelen, welke men kan aanschouwen. De wind jaagt de zeeën naar het ijs, en met eene gelijkmatige snelheid volgt de eene golfslag op den anderen en breekt met donderend geweld op de zware massa's, die met schuim overdekt worden. Soms stort de zee er over heen, maar ook niet zelden verspilt zij vruchteloos hare woede en wordt zij als eene wolk van spattend schuim teruggedreven. Naarmate het echter den oceaan gelukt het ijs meer naar het westen te drijven en te breken, ontstaat er een breede gordel van ijs en schuim die eene groote oppervlakte inneemt. De golven werpen de schotsen op en over elkander en slaan ze in tallooze brokken, totdat eindelijk het aldus opgestuwd en samengedrongen ijs sterk genoeg is om de kracht van den golfslag te doorstaan. Het is een waar oproer in de natuur, want terwijl de stukken ijs gezamenlijk aan de kracht der zee het hoofd bieden, voeren zij, wanneer de ijsvelden door den storm tegen elkander ingedreven, opgestuwd en verbrijzeld worden, met elkander een strijd, in vergelijking waarmede die met de golven niets te beduiden heeft (*).

(quot;) De noordpoolvaardera hebben allengs vele bijzondere benamingen voor de verschillende soorten van ijs ingevoerd en daar men die telkens in de verslagen van de poolreizen aantreft, zal het niet overbodig zijn ze hier op to sommen.

«Veldenquot; zijn zulke uitgestrekte ijsvlakten, dat men uit het kraaiennest den omvang er niet van overzien kan.

«Vlaardenquot; zijn kleine velden, wier omtrek uit het kraaiennest wèl overzien kan worden, hoewel zij toch zelden eene kleinere middellijn dan céne Duitsche mijl hebben.

»Baai-ijsquot; noemt men de vlakke schollen van ongeveer 2 meter dikte, die gedurende één winter in de baaien der kusten gevormd worden.

sDrijfijsquot; bestaat uit ijsmassa's van verschillenden vorm en grootte, doch kleiner dan vlaarden.

■)Stroornijsquot; is eene langwerpige aaneenschakeling van los- of baai-ijs, waarvan de stukken in elkander haken.

»Pak-ijsquot; is eene onafzienbare opeenhooping van zwaar drijf-ijs.

«Open of zeilbaar ijsquot; is ijs, dat zoo verspreid ligt, dat een schip er gemakkelijk tusschen door kan zeilen.

»Schol-ijsquot; is ongeveer hetzelfde als open ijs.

«Jong of eenjarig ijsquot; is ijs dat zich pas in den laatsten winter gevormd heeft en doorgaans niet meer dan 2 meter dik is.

i Land-ijs,quot; ijs dat zich aan de kust vastgezet heeft.

«Zeeknollenquot; of «dompelaarsquot; noemt men de overgebleven harde kern van vroegere schotsen, die tusschen wind en water drijft.

«Boodschappers,quot; stukjes ijs, die men aantreft voordat de meer gesloten ijsrand bereikt wordt.

132

ocr page 144

Spitsbergen. — Sraeerenburg.

Na het verrichten vau de voorgeschreven waarnemingeu wendde men zich naar Spitsbergen, dat den 18 Juni in 't gezicht kwam. Ter wille van het weer, dat ongunstig was, besloot de kommandant eene anker-plaats aan de noordkust op te zoeken, die men den volgenden morgen bereikte en waar men een prachtig gezicht had, toen de nevels optrokken. In den middag werd het anker geworpen bij den zoogenaam-den Zeeuwschen Uitkijk, die later Sabine's Observatorium is genoemd. Hier lag men veilig onder de beschutting der hoogs gebergten, terwijl daarbuiten op de open zee de storm loeide. Honderden stormmeeuweu, vermoeid van den strijd tegen de orkanen, lieten zich in eene dichte massa achter het schip neer, om daar in 't kalme water uit te rusten. In het algemeen wemelde het van zeevogels, waarvan de officiereL er vele schoten. Onder dit onstuimige weer sneeuwde het zonder ophouden, zoodat zelfs de steilste bergwanden met sneeuw bedekt waren, eu het geheele landschap, in weerwil dat men zich iu 't midden der Junimaand bevond, het kilste wintergezicht opleverde.

Hier liggende zag men eene groote school witte walvisschen, wel honderd in getal, doch te ver af, om er jacht op te maken. IJsbeeren kreeg men niet te zien ; wel ontdekte men er een versch spoor van iu de sneeuw, dat verder over het ijs gevolgd werd, doch men zag toeu op een grooten afstand slechts eene donkere stip, geheel buiten het bereik. 13ij een bezoek aan het Ganzen-eiland, om na te gaan of daar op de oostkust eene geschikte plaats voor een eventueel op te richten metereologisch station was, vond men een tegen de noordenwinden beschut plateau, vanwaar men ten allen tijde de bewegingen van het ijs op zee zou. kunnen volgen.

Na eenige dagen langs de kust gekruist te hebben, deed men Smee-renburg aan, eens zoo levendig en bedrijvig, thans woest en verlaten, en waarvan niets was overgebleven dan wat gebroken roode dakpannen, puin, stukken walvischbeen, roeiriemen, einden half vergaan touw, enz. Het naburige kerkhof was de somberste plaats die zich bedenken liet; de meeste kisten waren opengebroken, doodshoofden en beenderen lagen over den grond verspreid en de grafkruisen, van welke nog slechts enkele opschriften konden ontcijferd worden, waren omgewaaid.

Nadat de halfvergane deksels weder op de kisten gespijkerd en de kruisen opgezet waren, bouwde men een grooten steenhoop en plaatste daartegen in hellende richting een uit het vaderland medegebrachten gedenksteen met het volgende opschrift:

433

ocr page 145

Reizen van de Willem Barents.

*

IN MEMORIAM.

SPITSBERGEN OF NIEU-LAND.

ONTDEKT TOT 79° 30' N. BREEDTE DOOR DE HOLLANDERS.

HIER OVERWINTERDEN 1633 — 34 JACOB SEEGEKSZ. EN ZES ANDEREN.

HIER OVERWINTERDEN EN STIERVEN 1634 — 35 ANDRIES JANSZ. VAN MIDDELBURG EN

ZES ANDEREN.

I)e gelieele equipage vau de Willem Barents bracht omstreeks middernacht een laatste bezoek aan deze plaats en luisterde met aandacht naar de volgende korte toespraak van den kommandant:

„Mannen ! Door het oprichten van dezen steen vervullen wij een wensch van de Nederlandsche natie, die hier op deze oude begraafplaats van reeds lang gestorven vaderlandsche zeelui een kennelijk huldeblijk wil plaatsen, ter herinnering aan de koene daden en den kloeken ondernemingsgeest onzer onverschrokken zeevaarders. Eeuwen heeft hunne asch hier reeds gerust, en als wij rond ons kijken blijkt dat van vele dier graven nog slechts weinig is overgebleven, maar wat niet vergaan is en wat niet zal vergaan zoolang Hollands vlag nog fier op alle zeeën waait, dat is de achting en eerbied, waarmede hunne nakomelingen de herinnering in eere houden aan die mannen, die eeuwen geleden zooveel gedaan hebben voor de eer en welvaart van 't geliefde vaderland.quot;

Na in de Robbenbaai uit een helder meertje versch water ingenomen en van den noorschen walrusjager Kjelsen, die zich hier met zijn schip bevond, 200 eendeneieren, op een eiland in de nabijheid verzameld , ten geschenke ontvangen te hebben, stevende de Willem Barents langs de westkust van Spitsbergen zuidwaarts naar het Beeren eiland, dat den 13 Juli verkend, doch door de aanhoudende nevels eerst den 15den bereikt werd. Men wierp het anker in de Zuidhaven, waar volgens eene vroegere afspraak ook het Noorweegsche stoomschip Vöringen zou komen, dat onder bevel van een officier van de Noorweegsche marine natuurkundige waarnemingen deed in de noordelijke IJszee, doch buiten het ijs, omdat het voor de ijsvaart niet berekend was. Het had beloofd in de helft van Juli brieven en tijdingen uit Nederland in de Zuidhaven te zullen aanbrengen, en bij onderzoek bleek dat het er reeds

134

ocr page 146

Het Beeren-eiland. —

Vardoe.

135

geweest was. Bij eene oude hut stond een vlaggestok met zeildoeksche vlag en 10 passen magnetisch noord van daar vond men een zorgvuldig toegesoldeerd kistje in den grond, dat de brieven bevatte. Iedereen aan boord opende met de grootste gretigheid de zijne. In alle stond de wensch uitgedrukt, dat men spoedig eenig bericht in Nederland mocht ontvangen van het lot der expeditie, en op grond daarvan besloot de kommandant nu rechtstreeks naar het eiland Yardoe te stevenen , de noordoostelijkste plaats van Noorwegen, op 70 graden'20 minuten noorderbreedte en 31 graden 10 minuten oosterlengte, waar hij brieven en berichten naar het vaderland kon afgeven.

Van den korten tijd vóór het vertrek werd gebruik gemaakt om nog het een en ander van het eiland te zien. De kust bestaat grootendeels uit loodrecht oprijzende donkere rotsen, waarop de zee voortdurend met donderend geweld breekt. Door dat eindelooze beuken der wateren zijn in den loop der eeuwen tallooze grotten en kloven in liet rotsgesteente geboord, onder welke vooral eene, die de „burgemeesterspoortquot; is genoemd en waar men onder door kan varen, zeer indrukwekkend is. Op de uitstekende kanten der loodrechte rotswanden zaten de lommen, die één of hoogstens twee eieren leggen op de kale rots zonder eenige onderlaag van mos of veeren, in rijen, schreeuwende en voortdurend op eigenaardige wijze de koppen bewegende, in onnoemelijke hoeveelheden naast elkander te broeien. Met de helderwitte borsten naar de beschouwers toegekeerd, leverden zij een der karakteristiekste tooneelen uit het hooge noorden op. üe officieren schoten er een 60tal, maar hunne naaste buren bleven kalm zitten of, vlogen zij eene enkele maal op, zij keerden dadelijk naar hunne plaats terug. Bleef een aangeschoten dier op den rotsrand liggen, dan wierpen de andere vogels het naar beneden en lieten er het ei, dat nu onbeheerd was, onmiddellijk op volgen.

's Morgens van den 22 Juli kwam de Willem Barents bij Vardoe ten anker, eene plaats die men tegenwoordig bijna niet meer hoort noemen, maar die aan de oud-Hollandsche zeevaarders zeer goed bekend was, toen de handel tusschen Nederland en Rusland eene groote be-teekenis had. Zij was toen, even als nog tegenwoordig, een middenpunt voor den ruilhandel met Laplanders en Kussen en wordt nog van zooveel beteekenis voor de visscherij geacht, dat de regeering er een zeehoofd van betonblokken heeft doen bouwen, hetwelk millioenen kost. De bevolking is echter niet talrijk, want er zijn slechts 1500 inwoners, die grootendeels bestaan van de traankokerij en den handel in kabeljauwen, die hier gedroogd worden, terwijl men de koppen in eene stoomfabriek tot guano verwerkt. De soldaten van het garnizoen, die niet

ocr page 147

Reizen van de Willem Barents.

te vecliteu hebbeu, houden zicli voornamelijk met vissollen bezig.

Zoodra de brieven aan liet postkantoor afgegeven waren vertrok de Willem Barents weer, daar de kommandant liet slechte weer, dat hij voorzag, liever in de open zee dan op eene weinig vertrouwbare ankerplaats wilde afwachten. Men kwam nu tot het hoofddoel der reis: het onderzoek van de Barents-zee, de zee tusschen Spitsbergen en Xova-Zembla ; doch uit den aard der zaak levert het verslag dier wetenschappelijke waarnemingen weinig belangrijks voor gewone lezers op. Men ouderzocht de temperatuur van het water en de bewegingen van het ijs, peilde de diepten en bracht door dreggen allerlei kleine diersoorten van den bodem der zee naar boven. Dit een en ander heeft zijn gewicht voor zeelieden en geleerden, en is dan ook ten hunnen behoeve met de noodige uitvoerigheid in het reisverhaal opgeteekend. Zeer dikwijls had men mistig weer, waardoor het verkrijgen van astronomische plaatsbepalingen onmogelijk werd, en de oogenblikken, dat de dagvorst zich vertoonde, waren zoo zeldzaam, dat op den kreet: „Zon! Zon \quot; de geheele bemanning naar het dek snelde. Uren, dagen, weken bleef men in den mist varen, waardoor zelfs de opgeruimdsten aan boord stil en somber werden, een bewijs hoezeer de inensch behoefte heeft aan licht en kleur. Terwijl men buiten het schip niets dan eene grauwe dampmassa zag en lucht en water samensmolten, had men binnensboords met vochtigheid te kampen, die benedendeks tot een voortdurendeu drupregen overging. Op de bedden konden geen lakens meer gebruikt worden en op de matrassen zat een vingerdik schimmel, zoodat men dag en nacht in eene natte omgeving leefde. De oliepakkeu, die in de eerste dagen volle bescherming verleenden, waren weldra ook met vocht verzadigd.

In dien toestand had de equipage bijna eene maand doorgebracht, toen men den steven naar Nova-Zembla wendde en dit eiland dei; 20 Augustus in 't gezicht kreeg. Behoedzaam liep men straat Matotsjkin binnen en wierp het anker onder den noordelijken wal der straat bij liet zoogenaamde Zwarte Eiland, waar men zelfs bij harden wind volkomen beschut lag. Thans was de sneeuw bijna overal weggedooid, maar desniettemin zag het land er dor en woest uit; alleen ontwaarde men tusschen de kale grauwe rotsmassa's, in de onmiddellijke nabijheid van bergstroompjes, eenige groene mossoorten met wat bloempjes er tusschen, waar groote kudden rendieren weidden.

Den 22 Augustus ondernamen dr. Sluyter, dr. Hijmans en de heer Grant een uitstapje naar de vallei der ïjirakina, op den zuidelijken oever der straat, eeue rivier die zich door twee hoofdmondingen ontlast,

136

ocr page 148

Onderzoek van straat Matotsjkin. 137

iu welke een tal van geultjes eene delta van hoogst gevaarlijk drijfzand vormen. Hier verdwaalden deze lieeren des avonds en eerst na het doorstaan van vele ongemakken en gevaren werden zij uit hun be-deukelijken toestand gered. Twee dagen later kreeg dr. Sluyter ten gevolge van die buitengewone vermoeienis een aanval van pleuris, die hem in levensgevaar bracht en drie weken aan zijne kooi boud. A\ at hij op zijne vochtige en schimmelige matras leed, als het schip, gelijk dikwijls het geval was, bij stormachtig weer en hooge zee geweldig slingerde, zal ieder zich kunnen voorstellen.

In de volgende dagen zette men bij doorgaans buiig weer den tocht door de straat voort. De verschillende kapen en baaien werden achtereenvolgens verkend, doch de steller van het reisverhaal verklaart, dat, indien hij wilde trachten van deze kust een even uitvoerige eu duidelijke beschrijving te geven als Barents heeft gedaan na zijn tocht van 1594, toen hij dit land voor 't eerst bezeilde, zijne beschrijving zeker ver bij die van dezen bekwamen zeevaarder zou achterstaan. Barents zeilde in een paar zomermaanden langs deze hem geheel onbekende kust en gaf, in het vaderland teruggekeerd, eene beschrijving van de verschillende kapen, eilanden, ondiepten, ankerplaatsen, riffen, in één woord van de geheele kustlijn, die zoo uitvoerig en aanschouwelijk is, dat men met het reisverhaal in de hand iu staat zou zijn eene kaart van dit gedeelte van Nova-Zembla te ontwerpen. Zoo de wetenschappelijke navigatie tegenwoordig ver is vooruitgegaan, waren daarentegen onze voorvaderen verder in het varen op de kenuis van het land; het was eeu opmerken van de minste bijzonderheden van land en kust, de richting en strekking van bijzondere punten, van alles wat thans, nu men met goede kaarten op astronomische waarnemingen vaart, meer bepaald tot het gebied der hydrographie gerekend wordt.

Na straat Matotsjkin verlaten te hebben stevende men noordwaarts eu vond met moeite kaap Nassau aan de noordwestkust van Nova-Zembla, maar door het slechte weer moest men van 29 Augustus tot (i September kruisen, zonder mogelijkheid om den medegebrachteu gedenksteen op dat belangrijke, door Barents ontdekte voorgebergte te plaatsen. De kommandant besloot dus die poging op te geven en, daar het ongestadige weer de voorbode van den naderenden winter was eu men in den avond van 5 September ouder dichte sneeuwbuien kaap Nassau uit het oog verloren had, terug te keeren om het laatste gedeelte zijner instructie uit te voeren eu nogmaals de ligging van den noordelijken ijsrand te gaan bepalen. Die rand werd eerst ontmoet in

ocr page 149

Reizen van de Willem Barents.

den meridiaan van 55 graden 14 minuten oosterlengte, op 78 graden 17 minuten noorderbreedte, van waar de kommandant, toen een hevige storm uit het zuidwesten hem noodzaakte weer uit het ijs te sturen, de tehuisreis aanvaardde. Ten gevolge van de aanhoudende zuidelijke winden kwam hij eerst den 23 September te Hammerfest voor anker, waar hij, na per telegram aan het hoofdcomité te 's Gravenhage kennis van zijne behouden aankomst gegeven te hebben, een paar dagen bleef liggen om het tuig na te zien en brieven en tijdingen uit Tromsoe in te wachten, waarop hij den 26sten de reis voortzette en dagen lang door stormweer op de Doggersbank werd opgehouden, totdat hij eindelijk in den avond van 12 October te I.lmuiden binnenliep.

Hoewel men niet in alle opzichten geslaagd was, mocht men met voldoening op de uitkomsten van dezen eersten tocht terugzien. Evenwel had hij meer gestrekt om de officieren te oefenen en de matrozen op nieuw aan de ijsvaart te gewennen, dan dat er groote wetenschappelijke resultaten verkregen waren. Daarom verklaarde het hoofdcomité in zijne instructie voor een tweeden tocht, dat nu hoogere wetenschappelijke eischen mochten gesteld worden, waarvoor een afzonderlijk programma was ontworpen door professor Buys Ballot, hoofddirecteur van het Koninklijk Nederlandsch Metereologisch Instituut. Een hoofdpunt bleef echter, dat alles vermeden moest worden wat tot eene overwintering aanleiding zou kunnen geven.

Door bijdragen van vele zijden, die evenwel niet zoo ruim vloeiden als ten behoeve van den tocht van 1878, was men namelijk in staat gesteld ernstig de handen aan 't werk te slaan om in 1879 eene nieuwe expeditie uit te zenden. De Willem Barents, die er wederom voor zou dienen, werd vertimmerd, om de gebreken, die men op de vorige reis had leeren kennen, te verwijderen. Het logies der officieren kreeg meer ruimte, zoodat het nu slaapplaatsen voor zes personen aanbood, en voor den kommandant werd een eigen logies en slaapplaats in eene hut op het achterdek ge/naakt, die echter in de practijk te veel aan de stortzeeën bleek blootgesteld te zijn. De hut bij de kombuis, waar vroeger de doctor en de Engelsche photograaf gelogeerd waren (en wel zeer slecht) werd tot eene badkamer bestemd. In verband met dit een eu ander kwamen er veranderingen in de stuurinrichting, het zeilpunt van het schip werd meer naar voren gebracht en het kreeg eene tweede looze kiel. Al deze veranderingen waren verbeteringen, met uitzondering, gelijk wij zeiden, van de hut voor den kommandant.

Het personeel der expeditie werd gedeeltelijk verwisseld, om allengs zooveel personen als mogelijk was aan de oefeningen op dergelijke toch-

138

ocr page 150

Het vertrek in 1879.

ten te doen deelnemen. Alleen de kommandant de Bruyne, de luitenant ter zee Speelman en de heer Grant, die de taak van photograaf vervulde, gingen weer mede; maar verder bestond het personeel der officieren en geleerden uit den luitenant ter zee 1ste klasse H. van Broekhuyzen, den luitenant ter zee 2de klasse H. Calmeijer, den officier van gezondheid van het Indische leger A. Taassen, en dr. T. H. van Lidth de Jende, als zoöloog. Voor matrozen werden weer de aanbevelenswaardigste van de vele manschappen van oorlogs- en koopvaardijvloot, die zich hadden aangeboden, uitgekozen.

Evenals de vorige maal kwamen vele geschenken van particulieren in en verleende de minister van marine op nieuw zijn krachtigen steun, door de artikelen, die in 's lands magazijnen voorhanden waren, in bruikleen af te staan onder verrekening na terugkomst, terwijl de directie der stoomvaartmaatschappij Nederland het overige tegen billijke prijzen leverde. Hoewel de voorraad van voedsel en kleeding weer voor anderhalf jaar berekend werd, was toch gebleken dat men van vele artikelen aanmerkelijk kleiner hoeveelheden kon medenemen.

Den 1 Juni 1879 lag de Willem Barents eigenlijk tot vertrek gereed, kwamen de officieren aan boord en werd de bemanning op de gebruikelijke wijze aangemonsterd; maar daarom kon men toch nog niet uitzeilen, want alles was drukte en beweging, en ofschoon dit zich bij het vertrek van elk schip voordoet, maakt het reisverhaal de opmerking, dat het is alsof eene poolreis nog meer beslommering aanbrengt. De uitrusting en voorbereiding geschiedt op eene geheel andere schaal; het schip moet tot in de kleinste bijzonderheden van alles voor anderhalf jaar voorzien zijn ; bestelde goederen komen na het bepaalde tijdstip maar juist toch nog bijtijds aan; alles verkeert in eene schijnbare verwarring, zoodat men ten slotte niet weet hoe men is klaar gekomen. quot;Wat niet op zijne plaats staat, moet dan maar gedurende de eerste dagen der reis geordend worden.

Door de vereenigde krachten van allen was men echter den 3 Juni gereed om uit te loopen en werd het schip naar IJmuiden gesleept, onder zeer onaangenaam, buiig en regenachtig weer. De wind, die sterk uit het zuidwesten geblazen had, liep in den namiddag naar het noordwesten om, zoodat de kommandant het beter achtte dien dag niet naar zee te gaan, maar op den volgenden morgen te wachten. De officieren hadden dus gelegenheid met de leden van het hoofdcomité, die hen uitgeleide hadden willen doen, aan een diner iu het Willem Barents-Holel deel te nemen, waarvan de herinnering hen later op de eenzame reis nog menigmaal verkwikte, als de laatste herinnering aan het vaderland.

139

ocr page 151

Reizen van de Willem Barents.

Den 4. Juni werd het eohter erust; in den vroegen morgen sleepte eene stoomboot de Willem Barents naar buiten en ouder het hoezee van vrienden eu belangstellenden ging het de Noordzee in.

Hoe het bij zulk eene reis de eerste dageu in zee toegaat, verhaalt ons het verslag van dezen tocht. De allereerste uren zijn na eene win-terrust, zooals de Willem. Barents genoten had, vol werkzaamheid, want alles moet weer zijne vaste plaats krijgen. Het duurt niet lang, of degenen, die nog niet gevaren hebben, beginuen den invloed van de bewegingen van het schip te gevoelen en er worden dien dag minder sigaren gerookt, terwijl men er ook 's middags aan tafel eenigen mist. Doch men gewent zich spoedig aan het geregelde leven aan boord van een schip in zee. Ieder moet daar een schakel zijn in de ketting, en daartoe werden de wachten zoo verdeeld, dat elk der drie zeeofficieren als zijne onmiddellijke hulp op de wacht een der geleerde hee-ren bij zich kreeg, die daardoor spoedig op de hoogte der scheepsge-bruiken kwamen en binnen korten tijd in staat waren belangrijke diensten te bewijzen, en als het noodig was het roer in handen te nemen. Het ontbijt, dat ten 8 ure plaats had, werd niet geregeld bezocht, omdat degenen, die 's nachts de laatste wacht hadden gehad, dan ontbraken, doch het middagmaal, op één ure vastgesteld, was voor allen het middenpunt van den dag. Men kwam eenige oogenblikken vroeger te zamen en hield eene societeit, waar het menigmaal levendiger toeging dan aan wal, want men vertelde zijne levensgeschiedenis, zijne avonturen, zijne vooruitzichten of teleurstellingen, en besprak de kansen der reis, het lot van vroegere noordpooltochten, en honderd zaken meer. Ten 6 ure volgde het avondmaal, dat weer even gezellig was, maar niet door fijnheid uitmuntte, want het bestond uit scheepsbeschuit met kaas en koffie, of, als er iets zeer extra's was, uit pannekoeken of lijstpodding.

Des Zondags werd er altijd eene godsdienstoefening gehouden, als de gesteldheid van wind en weer het niet verhinderde.

Van dit aangename leventje kon echter alleen sprake zijn bij betrekkelijk kalm weer. Bij stormweer — en daarmede heeft men op deze reis geducht te kampen gehad — ging het geheel anders toe. Men kon niet aan tafel blijven zitten en het beste was zich ergens op den grond in een hoek neer te vlijen, waar men dan nog de grootste moeite had het eten naar binnen te krijgen. Het ergste was als de kok erwtensoep schafte, want dan moest men onder het slingeren en stampen van het schip met de eene hand het bord in evenwicht trachten te houden en met de andere hand een lepel zonder morsen naar den mond pogen

140

ocr page 152

De zwemmende hond. — De postduiven. iH

te brengen. Hoe dikwijls men in beide opzichten faalde laat zicli begrijpen. Had men liet gewaagd plaats te nemen aan de tafel, dan kreeg men bij eene onverwachte beweging van het schip niet zelden eene kom spekvet of een mosterdpot, die van de tafel gleed, in den schoot. Dikwijls ging het geheele servies tegen den grond er vermengden zich alle bestanddeelen met elkander. Dit een en ander behoort echter tot die ongevallen, waaraan zeelieden gewoon ziju. Was men zoo onvoorzichtig zich op het dek te begeven, zonder vooraf eeu geolied pak en klomplaarzen aangetrokken en een zoogenaamden zuidwester op het hoofd gezet te hebben, dan was men iu eeu oogenblik doornat van de overslaande stortzeeën. Men had een. houd aan boord, die bij zulk weer inderdaad niet te benijden was, want dikwijls werd hij uit zijn hok gespoeld en moest hij eenigen tijd op het dek rond zwemmen tot dat het water weer was afgeloopen.

Van de postduivenvereeuiging de Snel vlieger te Haarlem had men elf postduiven medegekregen, om de proef te nemen of door deze vogels tijdingen konden werden overgebracht, wanneer andere middelen van gemeenschap ontbraken. In het gezicht der quot;Noorweegsche kast liet men de eerste op, met groeten aan de vrienden in Holland. Het diertje scheen veel moeite te hebben om de richting te ontdekken die het moest inslaan, en vloog wel een uur heen en weer, maar nooit is er iets meer van vernomen. Met de volgende duiven, die men op de reis liet vliegen, ging het niet beter. Later, toen men in straat Ma-totsjkin voor anker lag, waren er nog vijf over, voor welke de kom-inandaut in den mast eeu hokje liet maken, waar zij in en uit konden vliegen. .Bij harde winden gingen zij achtereenvolgeus verloren, totdat men den 9 September de laatste verloor. Geen van alle is terecht ge-komeu.

Toen men den 10 Juni den poolcirkel passeerde, bereidde men zich op de ontmoeting van ijs voor, ofschoon men nog dagen zou kunnen zeilen eer men het te zien kreeg, doch voorzorg werd noodzakelijk geacht, omdat men, tusscheu het ijs zijnde, nooit weet wat gebeuren kau en zijne maatregelen tegen het ergste moet genomen hebbeu. De bemanning met de officiereu was aangewezen voor de twee sloepen en voor elke sloep werd eene uitrustiug gereed gemaakt en bij de hand gezet, zoodat in geval van nood het schip in den kortsten tijd kou verlaten worden, met water voor 10 en levensmiddelen voor 40 dagen.

Het ijs bereikte men in den nacht van 5 op G Juli. Het was nog zeer los verspreid ijs, waartusschen een aantal robbeu zich ophielden.

ocr page 153

Reizen van de Willem Barents.

docli weldra stuitte men op liet pak-ijs. Na hier allerlei waarnemingeu omtrent de richting van het ijs, de temperatuur van het water enz. gedaan te hebben, zette men kosrs naar Vardoe, reeds vroeger vermeld. Niet ver van daar ligt het meer belangrijke Yadsoe, van waar in de laatste jaren eene voordeelige visscherij op den veel voorkomenden vin-visch, eene walvischsoort, gedreven wordt. Vroeger, toen men slechts zeilschepen had, leverde dit niet veel op, daar de vinvisch moeielijk te vangen is en betrekkelijk weinig traan geeft, doch tegenwoordig bezigt men voor die vangst stoomschepen, die den visch dadelijk naar den wal slepen, waar het spek afgesneden en uitgekookt wordt.

Na wTater te hebben ingenomen, vertrok men den 13 Juli en stevende bij koud en mistig weer noordoostwaarts, om weer waarnemingeu ten aanzien van het ijs te doen, waarmede men 14 dagen bezig was. De steven werd vervolgens naar het eiland Kolgoejef gericht, dat den 27sten in het gezicht kwam. Van hier ging het noordwaarts naar straat Matotsjkiu, wier westelijke monding den 4 Augustus bereikt werd. Twee dagen moest men echter door den flauwen wind stil liggen en eerst in den avond van den 6den kon men de straat binuenloopen. Gedurende den geheelen tocht door de straat vertoonde zich volstrekt geen ijs, zoodat men dacht dat het een gunstig ijsjaar was en men de Karische Zee zou kunnen binuenloopen, doch toen men aan de oostelijke monding der straat kwam en in het laatste uur reeds eenige losse stukken ijs voorbijgezeild was, zag men noord-, oost- en zuidwaarts eene aaneengesloten ijsmassa, bestaande uit zwaar en licht drijfijs, groote en kleine schollen, ijs dat oogenschijnlijk nog weinig persingen doorstaan had, er gezond uitzag en geen hoop gaf dat het nog dit jaar zou smelten.

Het was dus een slecht ijsjaar in de Karische Zee en de komman-dant meende dat hij onder zulke omstandigheden niet mocht beproeven Barents Ushaven, die op de noordoostkust van Nova-Zembla ligt, langs de oostkust van dat eiland te bereiken, want al werd daar het land-water, de watergordel dien men doorgaans langs de kusten aantreft, zóó bevonden dat men er door kon sturen, zoo zou het toch een waagstuk geweest zijn en had de terugtocht lichtelijk door het ijs afgesneden kunnen worden.

Hij achtte het dus beter terug te keeren en de ijstoestanden benoorden Nova-Zembla te gaan opnemen. De winden waren in de laatste maanden meestal noordelijk geweest en hadden het ijs van de noordkusten van Nova-Zembla zuidwaarts kunnen drijven naar de Karische Zee, die er dan ook vol van was.

142

ocr page 154

De Isbjörn. — Gedenksteen op kaap Nassau. 143

Men keerde alzoo terug, maar had nog niet lang de oostelijke monding der straat verlaten, of men bemerkte dat een schip die inzeilde, hetgeen de noorsche kotter Isbjörn bleek te zijn. Aan boord bevonden zich sir Henry Gore Booth, naar deze streken gekomen om te jagen, en kapitein Markham, de gewezen eerste officier van de Aleri, die was medegegaan om de ijstoestanden in de Barentszee op te nemen. Zij hadden vele rendieren gescholen en bezaten zulk een aanzienlijken voorraad vleesch, dat de hoeveelheid, die zij aan de opvarenden van de Willem BarenU ten geschenke gaven, 18 dagen strekte. Omgekeerd konden deze de Engelschen van dienst zijn, die gedurende de reis hun voorraad glazen, kopjes en borden gebroken hadden. De heeren Jeekel Mijnssen en Co., de hardglasfabrikamen te Leerdam, hadden de Willem Barents rijkelijk van die soorten van voorwerpen van hardglas voorzien en daarvan was nog niets gebroken, zoodat men de Engelsche heeren uit de verlegenheid kou helpen en tegelij k in staat was den roem van het fabrikaat te verbreiden. Ook op de vorige reis was geen enkel stuk in het gebruik gebroken.

Een paar dagen zeilden de Willem Barents en de Isbjörn iu gezelschap en gingen toen ieder zijns weegs. Deii 22 Augustus kwam het Hollandsche schip de westelijke monding van straat Matotsjkin uit en stevende noordwaarts, om den gedenksteen op kaap ATassau te gaan plaatsen, waarin men thans beter slaagde dan de vorige maal. 's Morgens van den 29sten werd liet anker op die hoogte geworpen en maakte men oumiddellijk eene sloep gereed om den steen over te brengen. Het was mooi weer met heldere lucht, maar het land lag nog groo-tendeels onder sneeuw bedolven. Op den noordoosthoek van het oostelijkste der Barents-eilanden bouwde men een cairn, waartegen onder een driemaal hoera van het scheepsvolk de gedenksteen bevestigd werd, die het volgende opschrift droeg :

IN MKMORIAM.

KAAP NASSAU,

' ONTDEKT DOOR DEN NEDEELANDSCHEN ZEEVAARDER WILLEM BARENTS,

1594.

Onmiddellijk daarna ging men weder onder zeil om ten noorden en noordoosten van Nova Zembla nieuwe waarnemingen omtrent den toestand van het ijs te doen. Den 1 September stormde het zoo hevig en sloeg er zooveel water over, dat de kommandant het geraden oordeelde zijne hut op het dek te verlaten, om niet over boord gespoeld te worden. Daarbij had men voortdurend jachtsneeuw en was alles

ocr page 155

Reizen van de Willem Barents.

bevroren. Op 78 graden 40 minuten noorderbreedte en 54 graden 30 minuten oosterlengte zag men voor het eerst eenige ijsbergen, die echter weldra in aantal vermeerderden, zoodat men er spoedig 12 of 14 rondom zich had, schitterend van blauwe en groene tinten en omzwermd door een aantal kleine zeevogels. Zij bezaten alle een nagenoeg gelijken vorm ; het waren vierkante of langwerpige plompe ijsmassa's van wel 20 meter hoogte en 30 meter lengte en breedte. Volgens berekening zou zulk een ijsberg 150 meter diep moeten gaan, doch misschien is het minder, omdat niet alle ijs- en sneeuwlagen, waaruit hij bestaat, dezelfde dichtheid hebben. Het gelukte de Willem Barents vrij te houden van die gevaarlijke buren, want het gebeurt wel eens dat zulk een ijsberg omkantelt of eensklaps in stukken springt, welk laatste onze reizigers er met een zagen gebeuren.

Den 7 September, toen men bij een oosten- en oostnoordoosten wind zeilde, nam de kommandant eene flauwe zuidoostelijke deining in het water waar, die hem deed vreezen dat de wind uit die richting zou komen. Hij was daarvoor beducht, omdat het ijs ten noorden van jNova-Zembla, dat hij achter zich had, juist door zuidoostenwind ver-eenigd zou kunnen worden met het ijs in 't westen, waardoor hem de terugtocht zou worden afgesneden.

Ten 6 ure 's namiddags voer men in noordnoordoostelijke richting in een mist, toen de lucht in het noorden eensklaps ophelderde en men Frans Jozefs land aanschouwde, den aldus genaamden archipel die in 1873 door de Oostenrijksche expeditie ontdekt was met het stoomschip TegeUhof, dat daar in het ijs is gebleven. Na de Oostenrijkers waren de Hollanders de eersten, die dat geheimzinnige, op 80 graden noorderbreedte en 55 graden oosterlengte gelegen land zagen.

De opgewekte stemming, welke zich aan boord openbaarde, was gemakkelijk te begrijpen. Op den kreet: „Land vooruit vloog alles naar het dek, en in een oogenblik zaten officieren en geleerden in en om het kraaiennest, ten einde beter te zien. De kleine Willem Barents had zeilende het land bereikt, waar het groote Oostenrijksche stoomschip tegen wil en dank, in ijsvelden vastgevroren, ten spel van wind en golven was heengedreveu ; en gelijk men er zeilende was gekomen, hoopte men er zeilende van terug te keeren. Ieder, die zich in staat gevoelde een trek op het papier te doen, nam het potlood om eene schets te maken van de kust. Voor die opneming was het goed dat men keunis droeg van de waarnemingen, die Payer tijdens de Oostenrijksche expeditie door middel van drie sledetochten had gedaan. Aan het eiland Zichy-land werd de meest westelijke hoek door onze zeevaarders

144

ocr page 156

Frans Jozefs land. 145

Hoek Barents genoemd, terwijl zij aan den westhoek van liet eiland Mac-Clintock den naam Koolemans Beynen gaven. Het land was overal met sneeuw bedekt.

De vraag deed zich nu voor, wat onder de gegeven omstandigheden gedaan behoorde te worden. Het verder doorzeilen met noordelijken koers werd belet door het ijs, dat zich noordwaarts uitstrekte en waarschijnlijk aan den wal vast zat. Een sloeptocht tusschen en over het ijs om het land te betreden was een te gewaagd stuk, daar men ongeveer 3'/2 mijl van den naasten wal lag. Er bestond te veel gevaar, dat de manschappen, die tot den tocht werden uitgezonden, nimmermeer aan boord zouden terug komen. Gaarne zou men eenige zekerheid erlangd hebben omtrent het lot dat de stoomboot Tegellhoff had getroffen, waarbij men tegelijk in de gelegenheid zou zijn geweest, te onderzoeken tot hoever oostelijk het open water zich uitstrekte. Doch liet ijs, dat men benoorden Nova-Zembla achter zich gelaten had, maakte den kommandant ongerust. Het vergevorderde seisoen en de daarmede gepaard gaande lange nachten, het dalen van den barometer dat slecht weer voorspelde, de talrijkheid der ijsbergen die in dat geval hoogst gevaarlijk hadden kunnen worden, dit alles deed hem besluiten hier niet langer te vertoeven, maar koers naar het zuiden te zetten. Niet zonder spijt evenwel ging hij daartoe over, want men had het beloofde land gezien zonder liet te mogen betreden. Wel bleek later, dat op dat oogenblik de ijstoestanden achter de Willem Barents in het oosten en zuidoosten gunstiger waren geweest dan men had kunnen onderstellen , doch de kommandant, die daarvan onkundig was, mocht niet anders handelen dan hij deed.

Krijgt men door voortdurende wetenschappelijke reizen in 't hooge noorden eene juistere kennis van de grenzen en de bewegingen van het ijs, dan kunnen de kusten van 1'rans Jozefsland van veel belang voor de visscherij worden, want men zag er eene menigte walrussen en robben, waaromtrent de noorsche visschers dan ook met belangstelling inlichtingen aan de opvarenden van de Willem Barents vroegen.

Na den 8 September een tijd lang oost gezeild te hebben, om vrij van het ijs te blijven, veranderde men, toen later op den dag de wind toenam, den koers van zuidzuidoost in zuidwest ten westen. Den volgenden dag wakkerde de wind tot een storm aan en van nu af was het

O O

bijna niet meer mogelijk waarnemingen te doen. Slechts eene waarneming kon men nog verkrijgen, namelijk op 17 September, die echter als op zich zelf staande weinig of geen waarde bezat. De grens van het ijs in 't westen kon door het aanhoudende stormweer uit het

10

ocr page 157

■146 Reizen van de Willem Barents.

zuiden niet meer zouder gevaar genaderd worden. Het bleek dat het geschikte seisoen voorbij was, en den 19 September besloot de komman-dant dus eene noorsche haven op te zoeken. Hij deed dit te meer, omdat hij wist dat den 1 October te Hamburg eene internationale vergadering zou worden gehouden, om te beraadslagen over de oprichting van wetenschappelijke stations binnen den poolcirkel, en hij het van belang achtte dat het dan op die vergadering zou bekend zijn, dat hij Frans Jozefs land in nagenoeg open water had bereikt.

Den 24 September liep hij de haven van Hammerfest binnen, van waar hij bericht van zijne behouden aankomst aan het hoofdcomité te 's Gravenhage zond. Ten einde meer plaatselijke kennis op te doen, besloot hij verder over Tromsoe te gaan, waarvoor hij een noorschen visscher als loods aannam. Deze leerde aan de bemanning van de Willem Barents hoe in Noorwegen met den haak gevischt wordt en gaf zelf eene proef van zijne bekwaamheid, door in een kwartier verscheidene kabeljauwen op te halen. Bij deze wijze van visschen gaat men als volgt te werk.

Onder aan een goed glimmenden haak bevestigt men een reepje zeer glinsterend buikvel van een of anderen visch en maakt daar eenige overlangsche sneden in. De haak wordt dan in het water afgelaten en, als men bemerkt dat hij den bodem bereikt heeft, ongeveer een vadem ingehaald. Telkens doet men een ruk ter armslengte aan den haak, laat hem weer zakken, slaat hem weer op, en gaat zoo voort, totdat men bemerkt dat er iets aan zit. Zoo spoedig mogelijk haalt men dan de lijn in en brengt een visch op het droge, die echter blijkbaar niet in den haak gebeten heeft, want deze zit in de meest verschillende deelen des lichaams. Het schijnt dat de visschen, door het glinsteren van haak en vel aangelokt, er nieuwsgierig rondom zwemmen en dan den met een ruk opgehaalden haak in het lichaam krijgen. Bijna altijd waren de aldus gevangen visschen kabeljauwen of schelvisschen.

Den 2 October werd de reis van Tromsoe naar Holland aanvaard en 5s avonds van den 19den kreeg men het vuur van Kijkduin in't gezicht, maar door het hevige stormweer duurde het tot den 22sten eer men te IJmuiden kon binnenloopen. Opmerkelijk was op deze tehuisreis het volkomen gemis van vogels geweest, terwijl er het vorige jaar eene groote menigte gezien waren. Men onderstelde dat zij, wegens het voortdurend stormweer, de kusten hadden opgezocht.

ocr page 158

REIZEN

VAN

MEVROUW BRASSEY,

NAAR

EMSTAÏÏTINOPEL,

DE IONISCHE EILANDEN en CYPRUS.

ocr page 159
ocr page 160

HOOFDSTUK I.

Reis van 1874. — Tanger. — De markt. — Ken koffiehuis. — De kasjba of citadel. — Een Moorsche bruiloftsstoet. — Ergelsche jagers. — Tetuan. — De wilde zwijnenjacht. — Loofhutten. — «Mevrouw Brassey's lamp.quot; — Centa. — Onaangenaam nachtverblijf. - Overtocht naar Algesiras. — Vertrek van Gibraltar. — Palermo. — Monreale. — De koninklijke kapel. — Messina. — Het lichten der zee. — De Grieksche Archipel. — De Piraeus. — De Grieksche kleederdracht. — De grijze tint van het landschap. — Athene. — De tempel van Theseus. — De Pnyx en de Areopagus. — De Propylaeën. — De Acropolis. — De tempel van den Olympischen Jupiter. — De Grieksche wijnen. — Honing van den Hymettus. — Kaap Sunium en de tempel van Minerva. — Het eiland Negroponte. — Euripo. — Scyros. — Mitylene. — ïenedos. — Gevaarlijke tocht door de Dardanellen. — Aankomst teKonstan-tinopel.

Even bevreesd als de zeelieden zijn om op Vrijdag uit te zeilen, even gaarne doen zij het op Zondag. Iedereen was dus in een goed humeur, toen wij op Zondag 13 September 1874 bij heerlijk weer de haven van Portsmouth uitstoomden. Ons reisgezelschap bestond buiten mij zeiven uit Tom, onze drie kinderen, Tab, Mabelle en het schootkind je, van welke de twee oudste, als wij Gibraltar bereikt hadden, met eene bonne naar Engeland zouden terugkeeren, en verder uit de heeren Swift en Bingham en mijne nicht Eva Robinson (*).

De reis ging voorspoedig en den 17den bevonden wij ons ter hoogte van Lissabon. Verscheidene malen werden walvisschen gezien, van welke een nabij het stoomjacht zijn waterstraal opspoot, en dagelijks speelden scholen bruinvisschen rondom het schip. Het water was vol kwallen van allerlei gedaante en kleur, en 's nachts schitterde het door tallooze

(') Mevrouw beschrijft de reis, gelijk zij reeds hare vroegere reis om de wereld had beschreven. Het schijnt dat zij bij de meeste gelegenheden den toon aangaf, en van Mijnheer Thomas Brassey, den evengenoemden «Tomquot;, is bijna geen sprake. Hij heeft het zeker te druk gehad met de besturing van zijn stoomjacht, de «Zonnestraalquot; (Sunbeam), waarmede de tocht gedaan werd.

ocr page 161

150 Reizen naar Konstantinopel enz.

lichtgevende diertjes, alsof het met sterren bezaaide uitspansel er in werd teruggekaatst.

Den 18den liepen wij kaap St.-Vincent om en 's morgens van den 19den, terwijl het zeer heet en bladstil was, stoomden wij in de richting naar Tanger op de Afrikaansche kust, toen plotseling eene geweldige bui losbrak, die eenige uren aanhield en in korten tijd zulk eene hooge zee opjoeg, dat wij meer water overkregen dan wij bergen konden en het onplezieriger hadden dan op de gebeele reis van Engeland tot dit punt, ofschoon wij intusschen reeds op eenige stormen onthaald waren. Wij werden echter eenigszins beschut door de hooge rotsen van kaap Spartel en terwijl wij langs de kust stoomden, verkwikten wij ons aan de schoone gezichten, inzonderheid toen Tanger in 't gezicht kwam, dat gelijk de meeste oostersche steden, welke men van een afstand ziet, eene parel geleek die uit de zee opdook.

quot;VVij lieten ons in eene boot naar den wal roeien, terwijl het jacht voor eenige uren in zee werd gezonden, doch wij mochten niet landen, omdat wij onzen gezondheidspas niet hadden, die aan boord gelateu was, in de meening dat wij hem niet zouden noodig hebben. Wij zonden eene boodschap aan den Engelschen consul om ons uit den nood te helpen, maar ontvingen ten antwoord dat hij er niets aan doen kon. Onvervaard zonden wij eene tweede boodschap af, en kregen toen tot bescheid dat wij over een half uur aan wal mochten komen.

Gedurende de drie uren, dat wij onder eene brandende zon met de boot op en neer schommelden, strekte het ons tot afleiding dat eenige Arabieren wedrennen aan het strand hielden, en anderen met hunne paarden recht in zee gingen om ze te wasschen. Als bronzen beelden zaten zij op den rug der dieren, die van angst brieschten als zij den grond onder de pooten kwijt raakten, doch, wat zij ook deden, hunne ruiters niet konden afwerpen.

Toen wij eindelijk het land mochten betreden, begaven wij ons het eerst naar het Royal Victoria Hotel, waar wij zindelijke kamers met uitzicht op het noorden vonden. De stad en hare bevolking was schilderachtig, zoodat wij besloten er ook den volgenden dag, die een Zondag was, te gaan doorbrengen. Na het luncheon bezochten wij de markt, vol Arabieren in hunne witte haiks, negers in hunne gestreepte overkleeden, Bedoeïnen in hunne burnoes, en Mooren en Joden in veelkleurige gewaden. De vrouwen van deze laatste waren nog opzichtiger gekleed dan de mannen, want liet was sabbath en zij hadden dus haar fraaiste pak aan. De Jodinnen droegen het gelaat onbedekt, terwijl de Moorinnen tot aan de oogen in een doek gewikkeld waren. Duiten

ocr page 162

Tanger. 151

de poort stonden rijen kameelen uit liet binnenland en muilezels en paarden uit de omringende dorpen; een aantal lieden die er vrij wild, doch tevens pittoresk uitzagen, lagen onder kleine gestreepte tenten of met bamboes gedekte hutten gekampeerd, oefenden eenig handwerk uit of kookten hun sober maal voor den ingang. Talrijke gezinnen met kinderen lagen hier aan den zoom der groote woestijn ondanks de felle hitte in de tenten zoo dicht opeengepakt, als wij het bij de Laplanders gevonden hadden aan de grenzen der eeuwige sneeuw. Deze overeenkomst van gewoonten tusschen twee verschillende natiën, de eene het gansche jaar onder eene gloeiende zon en de andere bijna zonder zon hoegenaamd, was zeker opmerkelijk. Slangenbezweerders stonden in een kring van bewonderaars te werken, en sprookjesvertellers droegen hunne verhalen voor aan een publiek, dat op steenen en rotsblokken als in een amphitheater zat.

Op onzen terugweg naar het jacht, na in het hotel gedineerd te hebben; gingen wij een klein Moorsch koffiehuis binnen, verlicht door twee nachtpitjes in glazen met olie, die aan lange kettingen tot bijna op den grond hingen. Wij moesten hier op onze hielen neerhurken en kregen Turksclie koffie, die bereid wordt door een lepeltje koffie en een lepeltje suiker in een kopje te doen en er kokend water op te gieten. Het mengsel is zeer dik, maar zoet en geurig. In een hoek zaten een half dozijn lieden kaart te spelen, in een anderen hoek tokkelde een man eene soort van mandoline, en onze gids verhoogde de muzikale genoegens door met een mes op een sleutel de maat te slaan.

Op de reede lag een Spaanscli oorlogschip, welks kapitein ons aan boord een bezoek bracht. Vroeger hierheen gezonden om zekere geschillen onder de Kabylen te beslechten, was liet er sedert blijven liggen. Het ontving van tijd tot tijd gedeelten der oorlogsschatting die Marokko aan Spanje moest betalen, en de officieren en manschappen waren zoo slim er eerst hunne volle tractementen af te houden, voordat zij het geld naar Madrid zonden.

Den volgenden dag, Zondag, gingen wij weer aan wal, zagen andermaal de markt die nog voller was dan de vorige maal eu bezochten de kasjba of citadel, van welke wij een aardig gezicht op de stad hadden, wier huizen, gelijk die der meeste Afrikaansche steden, van klei gebouwd zijn, doch er zindelijk uitzien omdat men ze meestal gewit eu slechts zelden in de oorspronkelijke kleur gelaten heeft; enkele vindt men eronder, die rood of geel geschilderd zijn. Bij de moskeeën, met hare minarets van groene, roode of gele tegels, staat gewoonlijk een palmboom, hetgeen een schilderachtig effect maakt.

ocr page 163

152 Reizen naar Konstantinopel, enz.

In den namiddag trok een Moorsclie bruiloftsstoet voorbij, wier nadering door eene krijscliende muziek en het knallen van geweerschoten werd aangekondigd. Wij volgden hem door de nauwe straten en kwamen aldus aan het huis der bruid, die wij in eene vierkante kist, bekleed met neteldoek en versierd met gekleurde kwasten, van het dak van haar huis zagen nederlaten en op een muildier plaatsen. Vierman waren bestendig bezig dien toestel in evenwicht te houden, doch de bruid moet door het onophoudelijke hotsen en schommelen wel zeeziek geworden zijn eer zij den tocht ten einde had gebracht, want ofschoon het huis van haar aanstaanden echtgenoot niet ver was, leidde men haar eerst de geheele stad door.

Bij fraai maanlicht roeiden wij naar het jacht terug, waarmede wij den volgenden morgen naar Gibraltar stoomden, om de mailboot uit Indië op te wachten, die de oudste kinderen, ïab en Mabelle, weer naar Engeland zou overbrengen. l)ie boot kwam twee dagen vroeger dan verwacht werd, zoodat wij den grootsten spoed moesten maken om alles tijdig gereed te hebben. Maar daardoor was de smart der scheiding korter. Wij brachten de kinderen tegen den avond aan boord en weldra waren de lichten van het schip achter de rotsen van Algesiras verdwenen.

De Zonnestraal moest kolen innemen en vervolgens schoon gemaakt en nagezien worden. Van den tusschentijd maakten wij gebruik om met eene boot van de Messageries Nationales naar de kust van Afrika over te steken, en kwamen het eerst weer te Tanger aan, waar wij photographiën maakten, in het hotel dineerden en op het platte dak koffie dronken. Van dit punt hadden wij een schoon gezicht over de baai tot aan het Atlasgebergte en westwaarts op de schilderaciitige oude stad zelve.

De volgende dag was gewijd aan een bezoek in het kamp van eenige Engelsche officieren, hierheen gekomen om te jagen. Zij hadden vijf goed gemeubeleerde tenten en eene zesde om voor de maaltijden te dienen. De weg liep over golvend land, bezet met aloës, mirten, wilde olijf boomen, palmetten enz., terwijl wij op het vlakke land maïs, tarwe, gerst enz. zagen groeien. Wij ontmoetten scharen Arabieren, die met vrouwen en kinderen, kameelen, paarden en ezels ter markt gingen. Boven ons zweefden een aantal groote roofvogels en minstens een dozijn zaten zich aan een dood schaap te vergasten. Zeer vermoeid bereikten wij het kamp, blijde ons te kunnen nederwerpen om uit te rusten en eenige verfrissching te gebruiken. Het ondergaan der zon was zeer schoon, het opkomen van de maan indrukwekkend, en het

ocr page 164

Tetuan. — De wilde zwijnen jacht. 153

schilderachtige van het tooneel werd nog verhoogd door een brandenden boom op den voorgrond, die bij ongeluk door een vuurtje van de Arabieren aangestoken was. De officieren hadden zicli van een uitstekenden Eranschen kok voorzien, zoodat wij ons ten 7 ure aan eene tafel konden zetten, die de beste keuken van P;arijs of Londen geen oneer zou hebben aangedaan, 's Nachts was het zeer koud en in den morgen viel er wat regen, 't geen de temperatuur veel aangenamer maakte dan den vorigen dag.

De heeren gingen vroeg uit om te jagen en kwamen tegen 8 ure met eenig wild terug, waarop wij omstreeks half 11 naar Tetuan vertrokken. Na een rid van vier uren over een dikwijls zeer steilen weg hielden wij aan de met oleanders bezette boorden van een stroompje onder het lommer van een paar wilde olijf boomen rust. Daarna bracht een rid van wederom drie uren ons te Tetuan, eene ommuurde stad op eene hoogte, van waar men het gezicht op de lagere ruggen van liet Atlas-gebergte heeft. Het laatste gedeelte van den tocht voerde ons tusschen weelderige aanplantingen met heldere beekjes door. Maïs, tarwe, meloenen, vijgen, moerbezien, granaten, appelen groeiden hier in overvloed, en de hellingen van het gebergte waren zoo groen, dat zij een geheel Europeescli karakter droegen en in de sterkste tegenstelling stonden met de dorre woestijn die wij achter ons hadden gelaten.

Het was bijna donker toen wij in de stad kwamen en onzen weg zochten door de vuile kromme straten, over de markt en onder verscheidene poorten door, totdat wij in de jodenwijk (wier bewoners er eiken nacht in worden opgesloten) ons logement vonden. Wij moesten diep buigen, om de deur te kunnen binnentreden. Door een nauwen gang kwamen wij op een binnenplein met een traliewerk er overheen en van daar langs een steilen trap naar de eerste verdieping, waar wij eene zitkamer kregen in welke twee bedden stonden, en twee slaapkamers die op de galerij uitkwamen, alle met miniatuur-venstertjes, zoodat het voornaamste licht door de deur moest binnenvallen.

Het regende dien nacht zwaar, doch wij zaten te 6 ure allen te paard, omdat er eene wilde zwijnen jacht zou gehouden worden. Na een rid van een paar uren tusschen tuinen gelijk den vorigen dag kwamen wij aan een heuvel bij een Arabisch dorp, waar een dozijn Arabieren in lange witte burnoes en veelkleurige tulbanden en gewapend met lange geweren, met koper beslagen en met zilver ingelegd, op den grond vruchten zaten te eten. Verderop stonden eenige mannen, die een aantal honden van allerlei gedaante en kleur aan touwen hielden. Na met dit gezelschap nog een kwartier verder gegaan te zijn, stegen wij

ocr page 165

154 Reizen naar Konstantinopel, enz.

af en werden in positie gesteld, terwij) de Arabieren met de honden het wild gingen opjagen. Het was een zeer heete dag en daar wel anderhalf uur verliep zonder dat er iets gebeurde, verschilde het niet veel of wij waren allen in slaap gevallen. Eindelijk verscheen de eerste drijver op den top van den heuvel en daarna spoedig anderen. De honden blaften en het was een algemeen rumoer. Een oogenblik later vertoonde zich een groot wild zwijn, waarop verscheiden schoten gelost werden, doch het ontsnapte in het dichte kreupelhout. Er volgde een klein, waarvan niemand notitie nam, en daarop weer een reusachtig dier, waarop iedereen schoot, zonder dat iemand het raakte. Zoo ging het ongeveer anderhalf uur lang. Tien boschvarkens kwamen in het gezicht, waarvan er een gedood werd, benevens twee sjakals. Men vond toen dat het tijd was om het ontbijt te gebruiken, waaraan ieder eer bewees; liet was dan ook eene aangename afwisseling met het sprakeloos stilstaan in de zon, daar men bij deze jacht, evenals bij de hertenjacht, niet spreken of zich bewegen mag.

Na dat maal keerde ik met Eva terug om rust te gaan nemen, terwijl wij de heeren aan 't jagen lieten. Zij vermoeiden zich zeer, zagen nog veel wilde zwijnen, maar troffen geen enkel, en konden niet op klein wild schieten, omdat hunne geweren met kogels geladen waren. Het jagen in Marokko is overigens ook niet zonder gevaar, omdat de Mooren onhandig met vuurwapenen omgaan. Het vorige jaar was hier een Engelschman bij ongeluk op de jacht doodgeschoten, waaraan wij op eene onaangename wijze herinnerd werden toen wij een kogel over ons hoofd hoorden Huiten. Daarbij komt dat een wild zwijn, als het getroffen maar niet doodelijk gewond is, zich bijna altijd op de naastbij zijnde personen werpt en hun lichaam met zijne slagtanden openrijt.

Wij waren te vermoeid om na het diner de stad nog te gaan bezien, en brachten den tijd dus liever op het platte dak van het loge-mentje door. Daar het juist in de dagen van het loofhuttenfeest was, zagen wij in de jodenwijk zeer aardige loofhutten in de straat en boven op de huizen. In onze kamer hing eene zonderlinge lamp, bestaande uit een zeer groot bierglas — gelijk ik het maar noemen zal — omringd van negentien kleinere, alle behangen met amuletten tot afwering van het booze oog. Ik wilde dien merkwaardigen toestel koopen, docli wegens den feestdag mocht de eigenaar geen zaken doen. Hij zou er mij later over schrijven. Dit heeft hij nooit gedaan, maar van vrienden, die te Tetuan geweest zijn, heb ik vernomen dat hij die lamp toont als „Mevrouw Brassey's lamp.quot;

Men bracht ons het vreemdelingenboek van dit logement, dat met

ocr page 166

Ceuta.

1838 begon. Er waren elk jaar slechts vijf of zes Engelsche namen in geschreven, en voorts de namen van zes Engelsche dames gedurende dat geheele tijdperk.

Daar wij uitgerekend hadden dat wij over ïanger niet in tijds te Gibraltar terug konden zijn, besloten wij naar Ceuta te rijden, en daar op de boot naar Algesiras te gaan. Den volgenden morgen kwamen dus de officieren, die achterbleven om hunne jacht voort te zetten, afscheid nemen. Binnen twee uren kregen wij de ultramarijnblauwe zee, wier golven op een strand van sneeuwwit zand braken, in het gezicht en als het niet zoo heet ware geweest en wij drie dagen aan de reis hadden kunnen besteden in plaats van aan een dag gebonden te zijn, zou het een zeer aangename tocht zijn geworden, maar nu was het ten hoogste vermoeiend.

Omstreeks 4 ure 's middags kwamen wij aan de buitenposten van Ceuta, waar de Moorsche soldaat, die ons tot geleide had gestrekt, zijne wapenen moest afgeven, die hij terug zou bekomen als hij naar de woestijn weerkeerde. Wij reden door poorten en langs wallen van de sterkste constructie de stad binnen. Het logement was vol militairen, zoodat de kastelein geen kamers en nog minder beddeu voor ons had ; wij moesten reeds tevreden zijn, dat hij ons iets te eten verschafte. Daarna deden wij eene wandeling door de stad, op de hielen gevolgd door een drom kleine jongens. Wij namen eene opmerkelijke overeenkomst met Gibraltar waar. De citadel ligt op eene hooge rots, door eene zandige landtong met het vasteland verbonden, doch wordt bestreken door de omringende hoogten, zoodat de positie niet zoo sterk als die van Gibraltar is. -Niemand sprak iets anders dan Spaansch, en daar ik bijna alles vergeten had wat ik ooit van die taal heb geweten, kostte het ons vrij wat moeite te krijgen wat wij noodig hadden. Eindelijk trofi'en wij een manneke aan, dat ongeveer twintig woorden En-gelsch en evenveel woorden Eransch verstond, en daar hij met de familie van den kastelein bekend was, bezigde hij zijn invloed om ons een onderkomen bij vrienden van dezen te verschaffen, waar wij deu nacht konden doorbrengen. Rustig hadden wij het er niet, want niet alleen werden wij gefolterd door de muskieten, maar ons vertrek scheen ook eigenlijk een doorgang te zijn, waar aanhoudend allerlei mensciien in en uit liepen. Wij vernamen dat onze redder uit den nood seüor Louis Tareiio y Rodriguez was, secretaris van de strafgevangenis op de Chaffarinische eilanden, die hier zijn verloftijd bij zijn broeder, een ontvanger der in- en uitgaande rechten, doorbracht.

Ten 5 ure waren wij weer op en trachtten koffie te bekomen, doch

155

ocr page 167

156 Reizen naar Konstantinopel, enz.

slaagden daar niet in. Veel moeite kostte liet ook, lieden te vinden die onze bagage naar de kade wilden dragen, maar gelukkig werden wij weer geholpen door onzen beleefden vriend van den vorigen dag, die reeds vroeg kwam opdagen. De stoomboot vertrok pas ten 8 ure, in plaats van ten half 7, gelijk gezegd was, zoodat wij zooveel haast niet hadden behoeven te maken, indien dit ons bekend ware geweest. Na een eenigszius onstuimigen tocht kwamen wij 's voor middags ten 10 ure te Algesiras aan, van waar wij dadelijk met eene boot, nu roeiende dan zeilende, naar ons jacht vertrokken, dat ^vij kort na het middaguur bereikten en na de ondervindingen der laatste dagen dubbel behagelijk door zijne zindelijkheid vonden.

Na te Gibraltar nog een uitstapje naar het dorp Campimento op Spaansch grondgebied gedaan te hebben, verlieten wij in den morgen van 30 September de haven, om ons naar Italië te begeven. Bij meestal sterken wind en hooge zee liepen wij den 5 October de baai van Palermo binnen, na geruimen tijd een prachtig gezicht op de kusten gehad te hebben, die eene afwisseling aanboden van rotsen, kloven en vruchtbare vlakten, met allerlei granen en vruchten bezet.

Zocdra het jacht binnen de havenhoofden lag werd het omringd door booten , die allerlei koopwaren kwamen aanbieden : koralen, schelpen, kanarievogels, marmeren tafelbladen (zeer schoon en ongeloofelijk goedkoop), vruchten van allerlei soort enz. Wij landden aan de Marina en gingen rechtstreeks naar het Hotel Trinacria, dat wij twaalf jaar te voren bezocht hadden en waar de kastelein ons dadelijk herkende. Vroeg in den namiddag begaven wij ons naar Monreale, eerst door rechte , zindelijke straten, maar vervolgens over een stoffigen weg tegen eène steile hoogte op, van waar men een fraai gezicht had op de stad en de Conca d'Oro, de gouden schelp, zoo als het dal genoemd wordt waarin zij ligt. Om de tien of twintig el trof men een schildwacht aan, en om de mijl zag men een wachthuis met vier of vijf soldaten, alles ter bescherming tegen roovers, die hier in den laatsten tijd talrijk waren geweest.

Op den top der hoogte ligt de stad Monreale, met hare beroemde kathedraal en klooster, welk laatste nu tot kazerne gebruikt wordt. Het gezicht van dit punt, vooral van het terras in den tuin, is onvergelijkelijk schoon, want men overziet de geheele stad en de vlakte waarin zij ligt. De kathedraal, in een gemengden Normandischen, Byzan-tijnschen en Gothischen stijl gebouwd, is eenig door hare versieringen; zij is namelijk geheel bekleed met prachtig mozaïk op een goudgrond, hetwelk de geschiedenis van het Oude en Nieuwe Testament voorstelt.

ocr page 168

— Het lichten der zee.

157

Palermo.

Den volgenden dag bezochten wij te Palermo zelf de kathedraal en de koninklijke kapel, die een deel van het koninklijk paleis uitmaakt. De kathedraal is groot, licht en hoog, maar wordt in schoonheid ver door de kapel overtroffen, die zeer klein, maar met het prachtigste mozaïkwerk op een goudgrond bekleed is, dat evenals te Monreale geschiedenissen uit het Oude en Nieuwe Testament voorstelt. Zelfs de kolommen zijn daarmede ingelegd. De vloer bestaat uit valcken van verguld en gekleurd marmer, de zoldering uit gesneden hout bedekt met schilderwerk. Het oog ontdekt geen plekje dat niet op de rijkste wijze versierd is. De vensters zijn klein en hebben geschilderde glazen, zoodat het gewone daglicht wat somber is, doch als de zon er door-valt moet het een prachtig schouwspel wezen.

Den 7 October verlieten wij Palermo en den volgenden morgen liepen wij de straat van Messina in. De rots der Scylla, met eene bouwvallige sterkte op den top, en de geheele kust van Zuid-Italië lag als een panorama voor ons uitgespreid, terwijl de Siciliaansche kust zich even bekoorlijk voordeed. Het speet ons bijna, dat wij Messina bereikten.

Bij de landing werden wij drie kwartier opgehouden met vragen over onzen gezondheidspas, en daarna verloren wij weder drie kwartier aan het postkantoor met het afzenden van brieven en het informeeren naar brieven die voor ons moesten gekomen zijn, maar die wij nooit hebben gekregen. Wij bezochten nog een winkel van bewerkte koralen, waarvoor matigen prijs zeer fraaie artikelen te bekomen waren, doch wij hielden ons slechts zeer kort aan wal op en keerden naar het jacht terug , dat, na versclie provisiën te hebben ingenomen, weer voort-stoomde.

Den volgenden avond verdween Sicilië uit het gezicht, doch lang hielden wij de Etna nog in het oog. De nacht was heerlijk, tallooze sterren flikkerden aan het uitspansel en myriaden lichtgevende diertjes brachten een effect te weeg alsof het water dat schijnsel weerkaatste. De Zonnestraal scheen lichtende golven te doorklieven. Het schoonste schouwspel van dezen aard hadden wij echter kort te voren op de hoogte van Lissabon genoten. In een onstuimigen nacht deed de zee zich als gesmolten goud voor en was daarbij zoo doorschijnend, dat men in de diepte honderden visschen naar alle zijden kon zien wegschieten. Thans zagen wij een groot aantal vallende sterren en luchtverhevelin-«en van buitengewone helderheid. De nachten waren zoo warm en

o o

aangenaam in deze streken, dat men onafgebroken op het dek naar die luchtverschijnselen bleef zitten staren en slechts met moeite besluiten kon de legerstede op te zoeken.

ocr page 169

Reizen naar Konstantinopel, enz.

In den morgen van 10 October zagen wij de Grieksche kust. eu het eiland Zante in het verschiet, 's Middags passeerden wij Navarino en den volgenden morgen het eiland Cerigo, waar wij tegenwind kregen. Het was nog iu den vroegen ochtendstond en de zon ging op over een bekoorlijk tooneel. Allerwege werd de zee verlevendigd door schepen, die vroolijk voor den wind wegzeilden of er tegen worstelden, naar gelang van den koers dien zij moesten nemen.

Wij stoomden de golf van Nauplia en Argos door en hielden toen op kaap Hydra aan. Ofschoon de thermometer 72 graden in de schaduw wees, maakte de noordoostenwind (die in deze streken vrij regelmatig waait) het bijna koel. Het blauw der zee werd hier en daar gebroken door wit gekuifde golfjes, en de levendige geele, bruine en roode kleuren der rotsen en eilanden contrasteerden schilderachtig met dat even levendige blauw. Wij hoopten nog dien avond Athene te bereiken, hetgeen des te meer uoodig was, omdat wij geen brood of versche provisiën meer aan boord hadden ; al wat men van dit laatste in voorraad had genomen, was door de hitte bedorven, zoodat men het overboord had moeten werpen.

Gedurende den namiddag nam de wind bestendig toe eu vertraagde onzen voortgang aanmerkelijk. Ten 8 ure waren wij in de golf van Aegina bij het eiland Salamis, nabij den Piraeus, de haven van Athene. Deze is moeielijk bij avond binnen te loopen , omdat haar ingang tus-schen den vuurtoren en eeue groote rots, die wel een baken maar geen vuur draagt, te nauwernood ruimte voor twee schepen aanbiedt. Het gelukte echter zonder loods binnen te loopen en ten 10 ure lag het jacht veilig geankerd.

Des morgens kwamen de beambten der gezondheidspolicie aanboord en deelden ons mede dat er eenige gevallen van pokken in de stad waren, zoodat de Grieksche overheid ons bij ons vert rek geen schoonen gezondheidspas zou kunnen geven, doch wellicht zou de Turksche consul er zijn visa wel op willen zetten, eu dan was de zaak in orde. Na eenig overleg besloten wij het zeer lichte gevaar van te Konstantinopel quarantaine te moeten houden maar te loopen en aan land te gaan-Kort daarna kwamen de kapiteins van een Eussisch eu een Fransch oorlogschip, die hier lagen, ons een bezoek brengen en hunne diensten aanbieden, en daar zij niets van pokken gehoord hadden stelde ons dit gerust. Intusschen werd ous jacht omringd door vele booten, sommige met vruchten, andere met waschvrouwen, nog andere met tolken. Onder deze laatsten bepaalden wij onze keus op zekeren Angelo Mel-lissino eu wij hebben alle reden gehad om tevreden over hem te zijn.

158

ocr page 170

Athene en zijne oudheden.

Na het ontbijt gingen wij naar den wal en huurden een der daar gestationeerde rijtuigen met twee paarden, die ons snel door de straten van den Piraeus en over den weg naar Athene voerden. Het was voor ons een vreemd gezicht, de mannen in hunne nationale dracht te zien, bestaande in een vrouwenrok die tot aan de knieën reikt, een geborduurd wambuis en een kleurigen gordel; niet miuder ongewoon was de kleeding der vrouwen, van welke vele, zelfs als zij in Europeesch costuum waren, een fez met een langen gouden kwast op net hoofd droegen. De weg liep over een vlak land, bezet met wijngaarden, olijf-, granaat- en vijgenboomen, en als men in aanmerking nam dat het hier in zes maanden niet geregend had, was het verbazend dat de vruchten zich zoo goed voordeden. Nergens stonden omheiningen of afschuttingen en de vrij woest uitziende voerlieden der wagens die wij tegenkwamen gingen rechts en links in de wijngaarden eu vulden hun voorschoot met druiventrossen. Te halfweg zagen wij twee putten en eenige boerenwoningen, waar de voerlieden doorgaans stilhouden om hunne paarden te laten drinken en zich zelf te verfrisschen, 't geen noodzakelijk is, niet zoozeer wegens de lengte der reis als wegens het stof dat in witte wolken de lucht vervult. Kort daarna kregen wij Athene in het oog en hadden wij het gezicht op de Acropolis, wier bouwvallen schilderachtig tegen de helderblauwe lucht afstaken, de eenige kleur-partij in het geheele tafereel, want al het overige heeft in dit jaargetijde een grijs voorkomen; de hoogten zijn als verbrand en met de vlakten is het nog erger. De huizen zijn leverkleurig of wit, maar hebben allen grijje daken, en de boomen zijn zoodanig met stof beladen, dat zij ook grijs schijnen. Alleen tegen den avond, wanneer de ondergaande zon de bergen purper kleurt, komt er eenige verandering in de eentoonigheid.

Wij reden eerst naar den tempel van ïheseus, de best bewaard gebleven tempel der oude wereld. Door zijne ligging tegen kogels en bommen beschermd, heeft hij zijne bewaring misschien nog het meest daaraan te danken gehad, dat hij in de middeneeuwen tot kerk werd gebruikt. Hij is met zijne dubbele rij kolommen, zijne basreliefs en zijn gaaf dak een der schoonste overblijfselen van de Grieksche bouwkunst eu bevat thans een museum van antiquiteiten, die in de onmiddellijke nabijheid opgegraven zijn. quot;Vervolgens reden wij den berg op naar de Acropolis en kwamen voorbij het moderne observatorium op den Nimfenberg. Aan onze rechterhand hadden wij de Pnyx (de plaats waar iu het oude Athene de volksvergaderingen werden gehouden) en aan de linkerhand de Areopagus, waar de apostel Paulus predikte. Wij gingen de poort door, zochten onzen weg tusschen bouwvallen van al-

-159

ocr page 171

Reizen naar Konstantinopel, enz.

lerlei aard, beelden, basreliefs, kolommen, kapiteelen, en bereikten weldra de Propylaeën, de tempelvormige poorten die toegang tot de binnenruimte der Acropolis geven. Eerst bezochten wij nog den kleinen tempel der Overwinning, die met 'een ijzeren hek gesloten is en de schoonste beeldhouwwerken en basreliefs bevat, en gingen eindelijk den hoogen trap voorbij de Pinakotheek op en ston den na eenige oogenblik-ken op den top van den berg der Acropolis.

Aan de eene zijde hadden wij het prachtige Parthenon en aan de andere zijde het Erectheum met liet schoone portaal der cariatiden, waarvan nog zes heerlijke kolommen staande zijn gebleven. Wij genoten het vergezicht van Athene tot Eleusis, Salamis eu Korintlie aan den eenen kant, en van den Pentelischen berg en den Hymettus tot aan de Elyseesche velden aan den anderen kant, doch alles was grauw en stoffig en zelfs de tuinen en palmboomen schonken bijna geen afwisseling.

Eindelijk rukten wij ons van deze plaats los, want wij waren zeer vermoeid, en lieten ons naar het Hólel des Etrangers rijden om rust eu verfrissching te zoeken, die wij er ook vonden, want het was een zeer goed ingericht logement. Lang hielden wij er ons echter niet op; weldra reden wij weder uit en wel voornamelijk naar hetgeen over is van den tempel van den Olympischen Jupiter, vijftien fraaie kolommen die nog overeind staan en één die tegen den grond ligt. Een koffiehuishouder had zich in de nabijheid gevestigd en een aantal stoelen en tafeltjes in de schaduw der reusachtige kolommen geplaatst. Dit maakte een zeer zonderlingen indruk, maar het contrast deed de ruïnen nog reusachtiger schijnen dan zij reeds waren. Vervolgens reden wij naar den koninklijken tuin bij het paleis, die 's middags van 4 ure tot half 6 voor het publiek openstaat. Dit park is aangelegd met kronkelende paden, die naai open plekken leiden, waar zeldzame buitenland sche gewassen onder de schaduw van hoog geboomte groeien. Door een goed stelsel van besproeiing wordt dit alles in dit heete eu droge klimaat groen en frisch gehouden.

Wij kwamen aan den Piraeus terug, door 'tstof zoo wit als molenaars. Toen wij ons dan ook den volgenden morgen weer naar Athene begaven, namen wij den spoortrein in plaats van eeu rijtuig en behoefden slechts tien minuten over de reis te doen. Na andermaal een paar uren op de Acropolis te hebben doorgebracht, ontbeten wij met eenige vrienden in het straks genoemde hotel. De tafel was smaakvol versierd en de kok toonde een kunstenaar in zijn vak te zijn. Wij proefden de wijnen des lands, waarvan sommige zeer goed en andere meer

-160

ocr page 172

De honing van Hymettus. — Kaap Sunium. — Euripo. 161

ongemeen dan smakelijk waren. De gewone wijn, dien het volk drinkt, is sterk met hars aangezet om hem beter te kunnen bewaren; er wordt gezegd, dat, als men er eenmaal den smaak van gekregen heeft, men niets anders drinken wil, doch oningewijden smaakt dat wijntje als een apothekersdrankje. Wij kregen ook den beroemden honing van den berg Hymettus te proeven en iets geurigers laat zich bezwaarlijk voorstellen.

quot;VVij bevonden dat de treinen , even als al het andere, midden op den dag siesta hielden en dan niet liepen, zoodat wij ons met rijtuig-naar den Piraeus moesten laten terugbrengen. Het jacht had reeds stoom op, toen wij iian boord kwamen, en weldra waren wij weer mijlen weg van Athene. De terugblik was zeer schoon, doch aangezien daarbuiten de noordoostenwind sterk blies en al de schepen in 't ronde de zeilen gereefd hadden, achtten wij het geraden ook beschutting te zoeken, te meer daar de nacht naderde. Wij vonden die onder kaap Sunium, die met een tempel van Minerva gekroond is. Nauwelijks hadden wij het anker laten vallen of eene Noorweegsche bark, wier kapitein wij te Tromsoe hadden leeren kennen, salueerde ons met hare vlag ; een Oostenrijksch schip, denkende dat daar wel reden voor moest bestaan, begon ook te salueeren, en zoo salueerden wij elkander alle drie een tijd lang.

Nog schooner dan den vorigen avond zag de tempel van Minerva er den volgenden morgen uit, toen de langzaam opgaande zou de witte kolommen en de met roode en bruine tinten uit de donkerblauwe zee oprijzende rotsen bescheen. Het tafereel werd verlevendigd door de witte zeilen van eenige scheepjes , die onder bescherming van het land zich voortspoedden. Daarbuiten in de volle zee woedde een storm, die ons recht tegen was. „Tomquot; wilde dus beproeven den weg door het nauwe kanaal tussclieu het eiland Negroponte en het vasteland te volgen. Wij waren daar eenigzins gedekt door de hooge bergen, maar de wind was toch zoo sterk dat wij niet zeer snel vorderden. Zoo passeerden wij de vlakte van Marathon, Delis eu Apostoli, aldus genaamd naar de vele reizen der apostelen. Na een zeer ondiep kanaal doorgegaan te zijn , waar onophoudelijk gepeild moest worden, wierpen wij het anker te Drokho, dicht bij de plaats waar het oude Chalcis gelegen heeft. Daar wij hier dicht bij het gebergte waren , dat van struik roovers wemelde , werd de wacht op het dek verdubbeld eu van geweren en sabels voorzien, metlast om het overige van het volk te roepen als er eene boot naderde. Gelukkig echter stonden wij aan geen aanvallen ten doel.

Op de plaats van (Jhalcis is een stadje gebouwd, met name Euripo,

11

ocr page 173

162 Reizen naar Konstantinopel, enz.

waar wij ons heen begaven om een loods te zoeken. Het zag er scliü-deraclitig uit met zijne Venetiaansche gekanteelde wallen, die overal afbrokkelden, en aan wier voet kolossale steenen kanonskogels lagen, die eeuwen geleden liet werk der verwoesting liadden aangevangen, üe stad is aan de zuidzijde der zeestraat gebouwd en aan de noordzijde ligt een Venetiaanscli fort. Beide zijn door eene brug van 50 voet lengte, die geopend wordt om schepen door te laten, met elkander verbonden. De hoofden , die door deze brug worden vereenigd, werden reeds 4lü jaren vóór de Christelijke tijdrekening gebouwd en stelden de Boeötiers in staat het rechtstreeksche verkeer der Atheners met Thracië, Thessalië en Macedonië te belemmeren, door de Atheensche schepen te noodzaken eene stormaciitige zee te bevaren waar tien maanden van de twaalf dezelfde wind waait en het nog tegenwoordig niets ongewoons is dat een zeilschip zes weken op een gunstigen wind ligt te wachten.

Toen wij landden vroeg niemand naar onze papieren, ofschoon wij zelfs op dat zeer vroege morgenuur door soldaten en eene bonte menigte omringd werden. Wij hadden het geluk iemand aan te treffen die eenige woorden Italiaansch sprak en zoo goed was een loods te gaan opzoeken. Onderwijl wandelden wij voort, gingen de brug over en traden het fort binnen, waar aardige witmarmeren basreliefs tusschen de steenen ingebouwd waren , waarbij de gevleugelde leeuw van St. Markus, het zinnebeeld van Venetie, dikwijls voorkwam. Over de brug teruggekeerd gingen wij de hoofdstraat van het stadje in, waar zeer merkwaardige uitstekende daken en balkons van gesneden hout te zien waren. De moskee, een pittoresk gebouw, wordt thans als kazerne gebruikt en heeft eene bevallige Turksche fontein naast zich, die door een palmboom overschaduwd 'wordt.

Wij maakten kennis met een Engelschman , kapitein Mansell, die onze papieren vroeg, waarover de Grieksche autoriteiten zeer ongerust waren dat zij vergeten hadden die te vragen. Hij woonde hier reeds zeven jaar en gaf ons eene interessante beschrijving van dit afgelegene en onbekende stadje. De inwoners verheugden zich in een heerlijk klimaat en gingen gezellig met elkander om. Eenmaal in de week kwam er eene stoomboot op en af, 't geen eene aangename afwisseling was; maar een- of tweemaal in de week had men ook eene aardbeving, die dikwijls belangrijke schade aanrichtte en als minder aangenaam beschouwd werd. De huizen waren er echter op gebouwd en hadden geen bovenverdiepingen. Eene andere schaduwzijde van Euripo was, dat men zich niet op het vasteland kon wagen, uit hoofde van de vele struikroovers.

ocr page 174

De Dardanellen.

De loods kwam, voordat wij liet stadje nog geheel bezichtigd hadden en verstond een weinig Ttaliaansch, zoodat wij ons met hem konden onderhouden. Tegen den middag vertrokken wij, een tijdlang vergezeld door een school bruinvisschen. De vaart ging niet voorspoedig, daar de doorgangen soms zeer nauw waren, zoodat wij tegen den avond het anker in de baai van Gadakira moesten werpen.

Den volgenden morgen, 16 October, gingen wij ten 6 ure weer op reis, juist toen de zon uit de kim rees en de toppen van het Pindus-gebergte met een liefelijk rozenrood kleurde. De eerste drie uien was het tooneel onbegrijpelijk schoon. Toen wij eindelijk, tusschen de eilanden door , in de opene zee waren gekomen, werd de machine stil gehouden en zeil opgezet. De sterke wind was ons echter tegen, zoodat de koers naar Scyros in plaats van naar de Dardanellen gericht werd. 5s Middags ten 3 ure passeerden wij dat eiland met zijne steile klippen, van welke men zegt dat Theseus zich in de zee geworpen heeft. Bijna elk rotsblok, elk eiland in deze wateren is van belang, niet alleen om de mythologische verhalen die er aan verbonden zijn, maar ook om de rol die het in de Gneksche geschiedenis gespeeld heeft.

Met liet zeilen ging het niet, en den volgenden morgen werd dus weer stoom gemaakt. quot;VYij passeerden het eiland Mitylene, het oude Lesbos, dat' weinig bezocht wordt, ofschoon het vele belangrijke antiquiteiten bezit. Aldus de kust van Klein-Azië genaderd liepen wij den zeearm tusschen het eiland Tenedos en het vasteland in en passeerden de vlakte van Troje en de Besika Baai, waar de Engelsche vloot zoo dikwijls ten anker ligt. Zoo kwamen wij des avonds aan de straat van Chanak-Kalesi, waar twee torens het nauwste gedeelte van den ingang der Dardanellen bestrijken. Wij verwachtten dat meu hier onzen gezondheidspas zou komen vragen en stoomden dus slechts langzaam voort, tot dat er een kanonschot gelost werd. Toen stopten wij, doch daar zich geen beambte vertoonde en de strooming ons achteruit dreef, hervatten wij de vaart en werden door niemand lastig gevallen. Dit nauwe vaarwater is altijd vol schepen, ouder welke vele geen lichten voeren, zoodat het er bij avond en nacht vrij gevaarlijk is. AYij vernamen later dat wij er gelukkig afgekomen waren en zeer goed een kogel van de forten in den romp van het jacht hadden kunnen krijgen. Volgens de strikte letter der wet hadden wij eene boete van ongeveer f 300 voor ons doorstoomen zonder verlof moeten betalen, doch door de ijverige bemoeiingen ouzer diplomatie te Konstantinopel liepen wij zonder schade vrij.

163

ocr page 175

HOOFDSTUK II.

Gezicht op Konstantinopel. — Stamboel, Pera en Skutari. — De kaïks. — Het openbare park. — De Ramadan of vastentijd. — De honden. — De bazars. — De Bezistan. — Liefhebberij voor uurwerken. — üe graven der Sultans. — Verborgen kostbaarheden in de bazars. — Nogmaals de honden. — Bezichtiging der moskeeën. — Het museum der Janitsaren. —De keizerlijke schatkamer.— Skutari. — De onderkoning van Egypte. — De branden. — De Zoete Wateren van Azië. — Therapia. — Kerkgang van den sultan. — De Turksehe tijd. — Tochtje naar de Zwarte Zee. — Geruchten dat de sultan het jacht wil koo-pen. — Bezoeken aan Turksehe dames. - Bezoeken bij ministers. — De kerkhoven. — Nieuwe kerkgang van den sultan. — De Zoete Wateren van Europa. — De keizerlijke pauwen. — Het paleis Tsjeragan. — Bezoek ophetvlaggeschip van den Turkschen admira il. — De schilder Chlebowski. — Nieuwe bezoeken aan ïurksche dames. — Hare zucht naar meerdere vrijheid. — Einde van den Ramadan. — Tegenbezoeken van Turksehe dames. — Optocht van den sultan op het Bairam-feest. — De wallen van Konstantinopel. — Het paleis Beglerbeg. — Ontmoeting van de keizerin der Franschen met de Sultane Valideh. — Bijzondere uitspanning van den sultan. — üe treurige geschiedenis der Fransche brug.

Wij waren reeds bij liet aanbreken van den dag op liet dek en zagen de zon over de lage landen aan beide zijden der zee van Marmara opgaan, noch het duurde nog tot 9 ure eer Konstantinopel voor ons oprees en het werd 11 ure eer wij nabij genoeg gekomen waren om al de schoonheid van dat tafereel te kunnen genieten. Allerwege vertoonden zich moskeeën, wier koepels, door slanke minarets omgeven, de eene boven de andere verrezen als schildwachten die een heiligdom bewaakten; cipressen, oude verdedigingswerken, huizen en paleizen van allerlei bouworde ; torens, hoog, laag, dun, dik, rond en vierkant, met en zonder kanteelen ; tuinen, schepen, stoombooten, sloepen, kazernen en openbare gebouwen, alles in de bontste verwarring door elkander. l)e scheepvaart is belangrijk, want niet alleen drijft Konstantinopel zelf een groot,en handel, maar het is hier ook de algemeene weg naar en

ocr page 176

De Ramadan.

van de Zwarte Zee. üe stad bestaat eigenlijk uit drie steden, Stamboel, Pera en Skutari, slechts van elkander gescheiden door den Gouden Hoorn en den Bosporus, zeearmen van zoo weinig breedte dat land en water bijna niet te onderscheiden zijn. Van een afstand kan men bezwaarlijk zien waar het eene begint of het andere eindigt.

Langzaam stoomden wij vooruit, eindelooze reeksen huizen en tuinen voorbij, hier en daar afgewisseld met opene plekken waar groote branden waren voorgevallen. Bij den Serail-hoek, aan den ingang van den Bosporus en den Gouden Hoorn, kwamen een loods en een havenmeester aan boord, en na ons met moeite en niet zonder gevaar van botsingen een weg door de vele schepen gebaand te hebben, lieten wij ;s middags ten half 2 bij het arsenaal te Tophaneh, waar de oorlogschepen liggen, het anker vallen.

Gelijk altijd wanneer men ergens voor anker komt, werden wij dadelijk omringd door een zwerm booten, waarmede men allerlei artikelen te koop kwam aanbieden. l)ie lange en smalle vaartuigen, die men kaïks noemt, schoten in menigte over het watervlak, soms met goederen beladen, maar nog veelvuldiger met Turksche gezinnen aan boord, waarvan de vrouwen tot aan de oogen omsluierd waren. Tegen half 5 gingen wij aan land en begaven ons door straten, die bij eiken voetstap een schilderachtig tooneel opleverden, naar het openbare park waar een muziekcorps speelde en alle Europeanen van eenig aanzien , die Kon-stantinopel bevatte, bijeen waren, en dineerden vervolgens in Misseri's Hotel, waar wij vele bekenden aantroffen. Op onzen terugweg naar het jacht werden onze ooren verscheurd door de wanluidende toonen van Turksche militaire muziek, die voor de woningen der officieren speelde. Wij vonden de straten stampvol, de moskeeën en minarets waren verlicht, overal werden zwermers en voetzoekers afgestoken, want het was de Ramadan of vastentijd, en het aanbreken van den avond wanneer men weer mocht eten, werd met die vreugdeteekenen begroet. Yele Mohammedanen nemen een streng vasten in acht, en eten, drinken noch rooken (dit laatste misschien de grootste ontbering voor een Oosterling) van den opgang der zon tot haar ondergang ; maar dan wordt een kanonschot gelost, en na den geheelen dag slapende doorgebracht te hebben, verzamelen zij hunne krachten om te gaan eten en drinken en den nacht in vermaak door te brengen. Het was een schoon gezicht van het jacht op de honderden spitse minarets, met myriaden kleine lampen geïllumineerd.

Wij waren bij het aanbreken van den dag op liet dek na een slechten nacht doorgebracht te hebben, ten gevolge van het afgrijselijk gejank

165

ocr page 177

166 Reizen naar Konstantinopel, enz.

der iu 't wild loopeude honden, die in groote troepen rondzwerven. Ofschoon het een heldere morgen was, hing er, tengevolge van de vele stoombooten, een rookwalm boven de stad, zoodat zij deed denken aan Liverpool, van de overzijde der Mersey gezien. Na het ontbijt bezochten wij de vermaarde bazars van Stamboel. Een aantal Tnrksche dames, vergezeld van negerinnen of oude vrouwen, kochten artikelen van allerlei aard, maar voornamelijk Europeesche fabrikaten. Het was merkwaardig ze met gretigheid te zien bieden op Europeesche costumes uit de tweede hand, alle van de opzichtigste kleuren en overdadig met agrementen, falbalas enz. versierd, maar van de eerste frisch-heid beroofd. Ik heb mij vroeger wel eens afgevraagd waar de oude toiletten van bals, diners, soirees enz. bleven ; maar nu ik de kolossale afdeeling van den bazar gezien heb, aan den verkoop van deze artikelen gewijd, weet ik het. De naijver, die elders tusschen de uitoefenaars van eenzelfde bedrijf heerscht, schijnt hier niet te bestaan, want er zijn straten waar alle winkeliers hetzelfde artikel verkoopen : zadels, muilen, katoenen en wollen goederen, bedden, stoelen, kortom wat men maar bedenken kan. Hierdoor heeft de kooper eene groote keus en bestaat er veel concurrentie tusschen de verkoopers, doch als men een aantal verschillende artikelen behoeft, moet men uitgestrekte wandelingen doen, want de bazars zijn mijlen lang, en naar men beweert heeft zelfs geen inwoner van Konstantinopel ze alle gezien.

Het voorkomen der uitgestalde artikelen viel mij tegen, doch de beste werden binnenshuis bewaard. De Bezistan in het midden der bazars is het belangrijkste. Hier vindt men allerlei soort van fraaie oude wapenen, juweelen, meubelen en vooral uurwerken van den in-gewikkeldsten aard, die niet alleen de uren, maar ook de dagen der week en de maanden aanwijzen en airtjes spelen. Zij zijn veelal vroeger in Europa gemaakt voor de Turken, die op uurwerken verzot zijn. In één vertrek van den harem van den bey van Tunis te Bardo telde ik 2G groote pendules met candelabres. Tegenwoordig worden zij echter zeer goedkoop van de hand gedaan, omdat andere modellen in de mode zijn gekomen.

Het bezoeken der bazars waar men aanhoudend voortdrentelt, geduwd wordt door de menigte en duwen moet om vooruit te komen, is een zeer vermoeiend werk, terwijl men bijna bezwijkt van de hitte, daar al de bazars overdekt zijn en alleen ronde gaten in de zoldering hebben, door welke het licht met het fraaiste kleurenspel op de menigte daarbeneden en op de uitgestalde voorwerpen valt.

Na het luncheon reden wij Stamboel door en zagen uit het rijtuig

ocr page 178

De Graven der Sultans. — De bazars.

de verschillende moskeeën, de fraaie kolom van ïheodosius, en de obelisk van graniet, 50 voet hoog en uit één stuk, die Konstantijn de Groote uit Egypte heeft doen overbrengen. Wij stapten uit om de Graven dei-Sultans te bezichtigen, een koepelvormig gebouw in een tuin. De vloer is met prachtige tapijten belegd, en in het midden staat de tombe van den sultan die aan Abdoel Aziz was voorafgegaan, omringd door een hek van parelmoer. De leden zijner familie liggen rondom hem. Al de grafgestichten zijn overdekt met brocade en kostbare shawls en omringd met kostbare ingelegde bidstoelen waarop versierde exemplaren van den Koran prijken. Jn de nabijheid liggen de drie zonen der zuster van dien sultan begraven , die volgens het toenmalige gebruik eenvoudig in hunne kindschheid vermoord werden, opdat zij nooit naar de troonsopvolging zouden staan. Turkije is en zal altijd een verwonderlijk land blijven met zijne mengeling van beschaving, weelde en barbaarsch-heid.

Na het diner in Misseri's Hotel keerden wij naar het jacht terug door steile straten waar wij elk oogenblik over honden struikelden; die dieren toch gaan nooit van zelf uit den weg, zoodat men in het donker niet kan nalaten op hen te trappen. Het veiligste is bij den avond van draagstoelen gebruik te maken, waarvan dan ook vele dames zich bedienen. Bij dag kan men aan de hoeken van alle straten goede paarden huren, doch de rijwegen zijn zoo slecht dat men als uit elkander geschud wordt en de richting is zoo slecht gekozen, dat men mijlen ver van de plaats zijner bestemming afraakt. Al de minarets waren weer verlicht met kleine lantaarns, doch anders gerangschikt dan den vorigen avond.

Den volgenden morgen werden wij na het ontbijt door een vriend afgehaald, die ons door zijne betrekkingen met de kooplieden in staat zou stellen de ware kostbaarheden in de bazars te zien. Het duurde echter lang voordat zij er toe te bewegen waren. Eerst sloten en grendelden zij de deur zorgvuldig, en daarna moesten wij een langen tijd allerlei prullen bezichtigen eer de ei'genlijke schatten voor den dag kwamen. Onder de borduursels, vierhonderd, vijfhonderd, achthonderd jaar oud, waren prachtige stukken; wij zagen Perzisch email en waterpijpen van de kostbaarste bewerking ; koperen lampen , uitgeslagen als kant en bezet met turkooizen; gouden en zilveren koffieserviezen ; gespen met edelgesteenten; kunstig ingelegde pistolen en dolken; zeldzaam Oostersch porselein; kortom meer dan opgenoemd kan worden.

's Namiddags deden wij een wandelrid buiten de stad en zagen een kiosk die voor Abdoel Aziz gebouwd was, om er ééns of hoogstens

467

ocr page 179

168 Reizen naar Konstantinopel, enz.

tweemaal iu liet jaar eeue pijp te gaan rookeu. Van den top der hoogte, waarop zij stond, had men een heerlijk gezicht op den Gouden Hoorn, den Bosporus en de steden Pera, Stamboel en Skutari met hare voorsteden Galata en ïophaneh. Aan de table d' hóte bij Misseri vonden wij vele vreemdelingen, juist met eene der stoombooteu aangekomen. Twee dier gasten waren alleramusantst; de eene , een professor van Oxford die naar den vreemde ging om den doorgang van Venus waar te nemen, verkondigde nooit gehoorde stellingen, zoo als dat Newton niets van de wis- en sterrekunde geweten had; de andere was een Braziliaan, die te land en ter zee had gediend, twintig talen kende, en er zeven alle even slecht sprak. Hunne gedachtenwisselingen hielden al de aanzittenden in een voortdurenden schaterlach.

Toen wij de eerste maal bij het arsenaal aan wal stapten werd ons hondje l'elise door een twintigtal woeste honden aangevallen die zich als wolven op haar wierpen ; doch binnen weinige dagen leerden zij haar kennen en schenen zij tot de overtuiging gekomen dat zij geen vast verblijf bij hen kwam zoeken, maar alleen rustig voorbij wenschte te gaan, en zij lieten haar dus vervolgens zonder hinder door. De drie steden zijn vol van die honden en daar zij de straten, op welke men alle vuil en afval neerwerpt, van onreinheden zuiveren, worden zij niet vervolgd, maar zelfs door de inwoners regelmatig gevoed. Zij houden zich in hunne eigene wijken op, en de hond uit een andere wijk, die er voedsel komt zoeken, wordt dadelijk aangevallen en doodgebeten. Zijn eeuig middel van redding is dat hij op den rug ga liggen , en zijne pooten opsteke ten teeken van onderwerping. Dan houden zijne vervolgers op, al is het in 't heetste van 't gevecht, loopeu kuorrend om hem heen en leiden hem eindelijk naar zijne eigene wijk terug. Ontelbaar zijn de jonge honden, en als er in eene wijk te veel komen om er hunne onderhoud te vinden, banen hunne ouders zich vechtende den weg elders heen, om hun genoeg te eten over te laten. Werpt ge een hond iu liet voorbijgaan een stuk brood toe dau vergeet hij u nooit, maar ziet eiken dag naar u uit. Ik heb dit een en ander door geloofwaardige personen, die lang te Konstantinopel hebben gewoond, liooren verzekeren.

Gedurende den llamadan kan men de moskeeën alleen des Woensdags zien, en zelfs dan nog is het moeilijk de daartoe uoodige firmans van de regeering te krijgeu, omdat de ambtenaren door het vasten in een bijzonder slecht humeur zijn en den tijd liefst met slapen doorbrengen. Wij gingen er echter Woensdag den 21 October op uit en kregen na lang wachten het vereischte verlof. Eerst begaven wij ons naar de St.

ocr page 180

De St. Sophia. — De moskeeën van Achmed en Soliman. 169

Sopliiakerk, die van binnen vrij wat schooner is dan van buiten. De enorme koepel, de grootste der wereld, wordt geschraagd door bogen van de bevalligste evenredigliedeu. Met uitzondering van groote kringen van hangende olielampen is het middengedeelte open en vrij, zoodat men de kolossale afmetingen van het gebouw behoorlijk kan waarnemen. Het is geheel met mozaïk en fiju gekleurde tegels bekleed. Sommige der kolommen, die de bogen torschei., zijn van groen jaspis en komen uit deu beroemden tempel van Diana te Ephese. Andere, van porfier, zijn uit den weinig minder beroemden zonnetempel te Baalbek gehaald.

Van de St. Sophia gingen wij naar de moskee van Achmed, waarheen de sultan zich altijd ter gelegenheid van het Bairamfeest begeeft. Zij werd omstreeks 1601 gesticht door den sultan wiens naam zij draagt en die zoo ongeduldig was om haar voltooid te zien, dat hij er zelf eiken Vrijdag met de werklieden aan arbeidde. Zij heeft zes minarets, terwijl de St. Sophia er slechts vier bezit, slanke torens van eene buitengewone hoogte en groote pracht. De voorhof, waartoe koperen deuren den toegang geven, is omringd door eene rij zuilen van marmer en porselein en heeft in 't midden eene marmeren fontein. Van binnen ziet men de muren in fresko beschilderd en met den koepel, die door vier reusachtige pilaren ondersteund wordt, loopen vier groote halve koepels samen. De vensters hebben gekleurde glazen, waardoor een getemperd zacht licht binnen de ruimte valt.

Op het plein, waar deze moskee staat, bevindt zich het museum der Janitsaren, eene verzameling stijve wassenbeelden, die alleen belangrijk zijn om hunne kleederen, de getrouwe nabootsing der costumes welke de hoogere en lagere ambtenaren van liet hof in de laatste honderd jaar gedragen hebben.

]NTa een langen rid door straten, die evenwijdig met den Gouden Hoorn liepen, bereikten wij de moskee van Soliman, een der fraaiste sredenkstukken van de Mohammedaansche bouwkunst. Doch het was op den middag, de Muzelmannen kwamen aanstroomen en wij achtten het raadzaam ons te verwijderen, daar men ons gewaarschuwd had dat het in dezen vastentijd gevaarlijk was na liet middaguur in de moskeeën te blijven vertoeven, omdat fanatieke Mohammedanen zich wel eens konden verbeelden een Gode welgevallig werk te doen door een Christen te mishandelen.

Een kawas van deu Engelschen consul kwam ons op hetzelfde oogen-blik een toegangbiijet brengen om de keizerlijke schatkamer te mogen zien. Zij bevindt zich bij het oude Serail paleis, dat eenige jaren gele-

ocr page 181

170 Reizen naar Konstantinopel, enz.

lt;leu verbrand is, bij welke gelegenheid deze kostbaarheden met moeite tegen de vlammen beveiligd werden. Het eerste wat bij het binnentreden het oog treft, is een geëmailleerde troon, ingelegd met paarlen, robijnen en diamanten. Kasten langs de wanden zijn vol fluweelen bidkleedjes, geborduurd met goud eu bezet met edelgesteenten. Voorts bevatten zij geweren, dolken en zwaarden, ingelegd of bezet met smaragden zoo groot als hoendereieren en robijnen als duiveneieren, doch alle met vlekken. Schotels met losse turkooizen, koralen, agaten, kornalijnen, topa-sen, enz. stonden er bij. Eene kast was vol vazen van agaat en kristal, gedeeltelijk geëmailleerd eu versierd met kostbare steenen. Op eene bovenzaal hingen zadels en schabrakken, beslagen met goud en bezet met gesteenten. Flet grootste wonderstuk was echter eene kaptafel, ingelegd met diamanten en robijnen; de pilaren, die den spiegel droegen, waren met groote diamanten bezet en de lijst van den spiegel was ééne massa robijnen en diamanten. Zelfs de franje langs den rand dei-tafel, drie of vier duim lang, bestond uit hangende snoeren diamanten. Toen Eugénie, de keizerin der Franschen, zich hier bevond, kreeg zij voor meer dan een millioen gulden van deze kostbaarheden ten geschenke en de sultan bood haar alles aan wat zij bewonderde , zelfs zonder dat zij eenigen wensch te kennen gaf om het te bezitten.

Op een morgen te 10 ure verlieten wij Stamboel en staken met de veerpont naar Skutari over. Wij reden den berg achter Skutari op naar het aardige dorp Sjoemlejah en het hooggelegene Boelgoerlu, van waar men een prachtig gezicht heeft over de Zee van Marmara en de Prinsen-eilanden tot aan de golf van Ismed, Kadi-Keui eu Skutari. Aan onze voeten lagen de Serail-hoek, Stamboel, de Gouden Hoorn, Pera, Tophaneh, Galata en de Bosporus. Nog hooger gestegen genoten wij het panorama over den Bosporus, in de richting naar Therapia , Boejoekdere en de Zwarte Zee. Na dit tochtje stapten wij in kaïks en lieten ons uaar het jacht roeien, waarmede wij nu langzaam den Bosporus iustoomden.

Het was een liefelijke middag eu de gezichten rechts en links waren nog schooner, dan ik ze, van boven af gezien, mij had voorgesteld. Op de bo-chrijke golvende oeverlanden, waar kleine dalen hoog iu het achterliggende gebergte opliepen, was geen einde aan de kiosken en paleizen, van welke een der schoonste aan den onderkoning van Egvote toebehoorde. Hij was het vorige jaar hier geweest, doch men had hem zoo geplukt, dat hij dit jaar niet was teruggekomen, maar zijne moeder had gezonden. Een der anecdotes betrekkelijk zijn verblijf was, dat hij de eer had gehad den sultan als gast te ontvangen eu bij die gelegen-

ocr page 182

Branden. — Kerkgang van den sultan.

genheid een gouden tafelservies, opzettelijk uit Parijs ontboden , gebruikt had. Na het diner had de sultan verklaard, dat na hem niemand anders daarvan gebruik mocht maken, zoodat hij verzocht, het maar dadelijk naar zijn paleis te zenden. Dit is een staaltje hoe de onderkoning door iedereen, met den sultan te beginnen, geschoren was.

Wij passeerden Kandili, van waar men bestendig uitkijk naar branden houdt. Als er een uitbreekt wordt de wijk , waar de brand is, door een bepaald aantal kanonschoten aangeduid. Dikwijls was er eiken dag braad, soms wTel twee op een dag, doch in den laatsten rijd had men er minder van gehoord. De brandspuiten waren van de lompste soort en de spuitgasten liepen wel met den grootsten haast naar de plaats van den brand, maar gingen, daar aangekomen, rustig zitten tot dat men hen huurde om te spuiten. Bij lloemili Hissar kwamen wij in het nauwe gedeelte der straat, den eigenlijken ingang tot den Bosporus, gelijk Chanak het van de Dardanellen is. Hier ligt de ondex--zeesche telegraafkabel van Europa naar Azië. Langzaam dreven wij voorbij het paleis der Zoete Watereu van Azië, waarachter een grasland is, belommerd door prachtige platanen, waar de Turksche dames gewoon zijn in den zomer en den herfst des Vrijdags en Zondags te gaan wandelen. Ditzelfde doen zij in het voorjaar en het begin van den zomer bij de Zoete Wateren van Europa, aan het einde van den Gouden Hoorn, en des winters te Masjlek.

Na ontelbare paleizen en kiosken voorbij gestoomd te zijn, bereikten wij 's middags Therapia, en dineerden er op het verblijf van den Engelschen ambassadeur. De woning is uitwendig van hout, maar van binnen heeft men eene marmeren vestibule en komt men langs een marmeren trap in eene marmeren zaal. Dit staat zeer fraai, maar is in het najaar en den winter lastig, omdat men het er niet warm kan stoken.

Den volgenden dag, een Vrijdag, keerden wij in de vroegte naar Konstantinopel terug, om den sultan Abdoel Aziz ten 12 ure naar de moskee te zien gaan. Uit vrees voor moordaanslagen bepaalde hij altijd op het laatste oogenblik naar welke moskee hij zich wilde begeven, en wel of hij te water of te land en, in dit laatste geval, of hij te paard dan wel in een rijtuig zou gaan. Alles was dus voor elk dier mogelijkheden te land en te water gereed gemaakt, en het eenige middel om met zekerheid den stoet te zien, was zich in een open rijtuig bij het paleis Dolmabadje, de residentie van zijne majesteit, te plaatsen en eene kaïk in de nabijheid gereed te houden. Wij deden dit en

171

ocr page 183

172 Reizen naar Konstantinopel, enz.

hadden weinig moeite, want er was geeu opeeuhooping van nieuwsgierigen. Er stonden vele net gekleede soldaten geschaard, prachtig getuigde paarden werden heen en weer geleid, en allerwege stonden officieren te paard of met rijtuig te wachten. Precies ten twaalf ure werd een hoornsignaal gegeven ; talrijke pasjas, in lichtblauw met goud gekleed, werden als zij te dik waren in den zadel getild of stegen als zij nog vlug genoeg waren zelf op hunne paarden, met roode, witte of gouden schabrakken bekleed. Onmiddellijk daarop volgde des sultans oudste zoon, een zeer leelijk jongman van een jaar of zeventien, prachtig in purper en goud gekleed, terwijl het tuig van zijn paard met goud en gesteenten overdekt was. Een stoet van een veertigtal fraai uitgedoste officieren te voet omringden hem. De grootvizier, vergezeld van al de ministers, even prachtig gekleed, doch zonder zulk een groot gevolg, kwam daarna. Eindelijk verscheen de saltan in eene soort van klein tenue met een wijden mantel er over, en een paar groote diamanten sterren op de borst. Hij bereed een prachtig wit Arabisch paard, welks teugels en schabrak van goud en diamanten fonkelden, sloeg rechts noch links den blik en scheen van de groeten en het gejuich geen notitie te nemen. Hij had een schrander voorkomen, doch zag er, ofschoon eerst 44 jaar oud zijnde, als een man van 70 uit. Zijn gevolg van officieren te voet was ontelbaar. De trein werd door troepen en eenige weinige rijtuigen besloten. Langs den geheelen weg stonden soldaten geschaard en verschillende muziekcorpsen, met een honderd el tusschenruimte, speelden Turksche volksliederen. Wij wachtten niet op zijne terugkomst, want men zeide ons dat hij zeer onbestendig was en nu eens een half uur, dan weer bijna drie uren in de moskee bleef.

De Turksche tijd is moeielijk vast te stellen, want hij verandert eiken dag. Wat bij ons middernacht is (het einde van een dag en het begin van een volgenden) is bij de Turken het oogenblik van den ondergang der zou. Dit verspringt dus eiken dag een paar minuten en heeft ten gevolge dat men bij alles te vroeg of te laat komt. Waarschijnlijk loopen dan ook in de geheele stad geen twee klokken of horloges gelijk. Door die omstandigheid kwamen wij op dezen dag drie kwartier te vroeg voor onze boot en brachten den tusschentijd door met het bestudeeren van de gaande en komende menigte. Wij zagen nu meer in het bijzonder dat de booten, die hier zoo talrijk gebruikt worden en de plaats van huurrijtuigen van andere steden vervullen, goed zijn ingericht en met groote bekwaamheid bestuurd worden. Een gedeelte van zulk eene boot is afgezonderd voor de

ocr page 184

Bezoeken bij Turksche dames. 173

Turksche vrouwen, die daar opeengedrongen zitten als schapen in een hok, doch zich, als het geen vasten is, den tijd weten te korten met het eten van snoeperijen en het drinken van koffie en suikerwater.

Na eenige dagen stormachtig weer, besloten wij de Zwarte Zee eens in te loopen, doch de deining was zoo hevig, dat wij er spoedig genoeg van hadden en naar den Bosporus terugkeerden. Bij het wenden sloeg de zee meer van het dek weg, dan wij op de geheele reis van Engeland tot hier verloren hadden. Onder zwaren mist en hevigen wind stoomden wij den Bosporus weer af en vonden die zeestraat zoo vol schepen, dat het ons slechts met moeite gelukte op eene goede plaats het anker te werpen.

Wij hoorden den volgenden dag het onrustbarende nieuws, dat de sultan groote begeerte naar ons jacht gekregen had en het wenschte te bezitten. Daar elk zijuer grillen bevredigd moest worden, stonden indien dat gerucht op waarheid gegrond was, slechts drie wegen voor ons open : wij konden weigeren het vaartuig te verkoopen, hetgeen onmiddellijk het ontslag van den grootvizier en eene verandering van miuisterie zou tengevolge gehad hebben ; wij konden bewilligen in den verkoop, natuurlijk tot onzen grooten spijt, doch zeker met een belangrijk geldelijk voordeel; en eindelijk konden wij stilletjes in den nacht wegstoomen en den sultan het verlies van zijn nieuw stuk speelgoed laten betreuren. Doch gelukkig heeft geen van die drie gevallen zich voorgedaan.

Met Eva Robinson besloot ik eenige harems te gaan bezoeken. De twee nichten van den onderkoning van Egypte, de prinsessen Nazli en Azizieh, bij welke wij ons het eerst aanmeldden, waren naar hare buitenplaats. Mevrouw Ikbal Kiasim, schoondochter van den vermaarden staatsman Euad-pasja, liet ons eenigen tijd wachten en zond ons daarop eerst door eene slavin en vervolgens door eene Eransche gezelschapsdame de boodschap dat zij in het bad was en het haar dus zeer speet ons niet te kunnen ontvangen.

Bij de vrouw van Hilmeh bey, eene kleindochter van Euad pasja, troffen wij het gelukkiger. Zij ontving ons in een Fransch morgengewaad , blauw cachemire, prachtig met rozen geborduurd , en had haar blond geverfd haar, dat van nature zwart was, naar de laatste mode opgemaakt. Zij legde den Eranschen roman, dien zij bezig was te lezen, uit de hand en stond op om ons te begroeten. Al de tegenwoordige Turksche vrouwen der hoogere standen hebben eene tamelijk goede opvoeding van Europeesche gouvernantes ontvangen en lezen Europeesche boeken, waarschijnlijk meerendeels romans. Alle klagen over haar lot.

ocr page 185

174 Reizen naar Konstanlinopel, enz.

De Turken vergisseu zich, indien zij deuken dat zij liunne vrouwen en dochters eene behoorlijke opvoeding kunnen geven en ze dan toch in afzondering en onderwerping kunnen houden. Wanneer men deze dames hare eigene gevoelens en die harer vriendinnen over dat onderwerp had hooren verkondigen, zou men gedacht hebben dat eene revolutie voor de deur stond. De jonge dames in Turkije groeien thans op in de overtuiging dat het tirannie is, dat zij haar gelaat moeten omsluieren en van de wereld worden buitengesloten. En desniettemin geloof ik, dat zij, in weerwil van hare fijne opvoeding, zich niet ontzien hare slavinnen zwaar te mishandelen. Onze gastvrouw liet ons door twee slavinnen in half-Europeesche en half-Turksche dracht eerst confituren en een glas water en vervolgens een kop koffie voordienen en verontschuldigde zich dat zij ons daarbij niet gezelschap hield, omdat het vastentijd was.

Den volgenden dag giug „Tomquot; met een vriend naar den grootvizier en verscheidene der ministers, bij welke zij eene particuliere au-dieutie gevraagd hadden. Alle ontvingen hem met voorkomendheid en spraken veel met hem, hetzij in het Eransch hetzij met behulp van een tolk. Wegens den Kamadan werden geen pijpen en koffie aangeboden, zoo als anders gebruikelijk is. Een vriend verzekerde ons echter, dat hij meer dan eens gedurende den Eamadan bij een der ministers was geweest, die, als hij na het lange gesprek behoefte aan eenige afwisseling gevoelde, zorgvuldig al de deuren sloot, de vensters openzette , eene sigarette ging rooken, na afloop het laatste hoopje asch met een borsteltje wegveegde en dan de deuren weer ontsloot.

Het tractement van den grootvizier bedraagt omtrent f 350,000 'sjaars, dat van den minister van financiën f180,000, doch daar deze hooge ambtenareu bij de minste gril van den sultan afgezet worden, leggen zij het er op toe , om in den korten tijd, dat zij misschien aan net bewind zullen zijn, zooveel mogelijk hun zak te vullen. Met hunne verheffing tot die posten gaat het even vreemd in zijn werk. De laatste grootvizier voor onze komst was sergeant geweest. Een andere sergeant werd tot kolonel benoemd en kreeg eene gratificatie van f 6000, enkel doordien een onzer vrienden hem een paar ganzen van een bijzonder soort geschonken had , die met den tijd nakroost kregen. De sultan die een groot liefhebber van dieren is, zag ze bij het wachthuis en wenschte ze te koopen. De sergeant wilde geen prijs noemen, doch smeekte den sultan ze als zijn eigendom te beschouwen en werd daarop beloond met de evengenoemde promotie. Een gewoon matroos werd tot kom-mandant van een der grootste pantserschepen bevorderd, omdat hij een

ocr page 186

Kerkhoven. — Nieuwe kerkgang van den sultan. 175

mooie kat bezat die liij allerlei kunstjes had geleerd. Hij bood den sultan het dier ten geschenke aan, mocht zelf de belooning noemen die hij verlangde, en bevorderde zich daarop tot admiraal. Zulke dingen klinken als dolle verzinsels, maar zijn bekende feiten.

Terwijl de heeren bij de ministers wareu, lieten wij ons naarSkutari varen en bezochten er het Turksche kerkhof, dat verscheidene bunders oppervlakte beslaat en met cipressenbosschen bezet is, tusscl.en welke de grafsteenen staan, vele met de schitterendste kleuren beschilderd. De Oosterlingen zijn van oordeel, dat de geur der cipressen de uitwade-mingen der graven onschadelijk maakt, en het schijnt dat daar iets van waar is, want men vindt telkens kleine begraafplaatsen midden in volkrijke steden en de Europeanen verzekeren, dat dit volstrekt geen nadeelige gevolgen heeft; doch nooit zijn zij zonder de beschermende cipressen. Op het midden van dit kerkhof, onder eene der grootste tomben , ligt een der meest geliefkoosde paarden van sultan Abdoel Aziz begraven. Zijne majesteit hield altijd nog paarden genoeg over , want hij had er 80C ; r'ijne vrouwen waren ten getale van 700, en men zou moeielijk kunnen zeggen, voor wie van beiden , eenige bepaalde favoriten uitgezonderd, het slechtst gezorgd werd.

Yan dit Turksche kerkhof begaven wij ons naar het Engelsche, waar tijdens den Krim-oorlog zoovele Europeanen ter aarde zijn besteld. Het ligt voor liet kospitaal en is met geboomte en bloemen versierd. Daar het zeer hoog is, heeft men van hier een schoon gezicht over de zee van Marmara, de Prinsen-eilanden, den Gouden Hoorn en Konstanti-nopel. Als herinnering namen wij een schildpadje mede, dat tusschen het groen voortkroop.

Op Vrijdag den 30 October, een schoonen morgen, maakten wij juist aanstalten om ons naar den wal te begeven, ten einde den sultan naar de moskee te zien gaan, toen de erfgrootliertog van Oldenburg, een jongmensch die eene reis naar liet Oosten deed, met zijn gevolg bij ons aan boord kwam. Hij had vernomen, dat de sultan te water naar de moskee van i'uudukli zou gaan, tegenover welke wij juist geankerd lagen, en de sultan zelf had hem den raad gegeven ons verlof te vragen om den stoet te zien van ons jacht af, als de beste plaats van waarneming. Te 12 uren kwamen vijf kaïks voor het paleis Dol-mabadje. De sultan stapte in de eerste, wit geschilderd en met rood fluweel met goud bekleed, die een vergulden troonhemel droeg. De kussens waren bezet met goud en edelgesteenten en op die tegenover de zitplaats van den sultan lagen twee der ministers met over de borst gekruiste armen in de meest slaafsche houding geknield. De stuurman

ocr page 187

■17C Reizen naar Konstantinopel, enz.

droeg een prachtig costuum vau groen en goud en de bemanning bestond uit 24 roeiers, met witte hemden en broeken, purjieien wambuizen met goud geborduurd, en scharlakenroode fez. Yoor eiken riemslag knielden zij neer, raakten met hun voorhoofd den bodem der boot aan, richtten zicli weer in staande houding op, en sloegen met een geweldigen slag de riemen in het water. De gang der kaïk was zeer snel en overtrof dien der vlugste stoomboot. Doch de inspanning is ontzaggelijk groot, want hoewel de roeiers uitgelezen manschappen zijn houden zij het niet meer dan een jaar of twee vol.

De tweede kaïk, met den zoon des sultans, kwam in hoofdzaak met de eerste overeen ; doch de boeg was rond en droeg de beeltenis van een kleinen vogel, in plaats van scherp te zijn en een grooteu vogel te dragen ; de troonhemel was ook minder rijk versierd , en wij telden slechts 20 roeiers in plaats van 24. De drie laatste booten, wit met goud geschilderd en zonder gehemelten, werden slechts door 10 roeiers gestuurd en hadden de ministers aau boord. Bij het water was elke plek door soldaten en muziekcorpsen bezet. De schepen hadden alle vlaggen in top, salueerden met het geschut bij het passeeren der kaïks en lieten hunne manschappen in het want paradeeren. Onze matrozen waren juist bezig liet jacht van buiten te schilderen, toen de erfgroot-hertog aan boord kwam ; wij lieten hen met dat werk ophouden en hadden nocli juist tijd het jacht een feestelijk aanzien te geven, voordat de sultan voorbij kwam. Bij zijne landing ging hij over een rood tapijt tusschen twee rijen pasjas door, die als knipmessen gebogen stonden. Hij voelde zich zoo gestreeld dat het jacht ter zijner eere opgetuigd was, dat hij, alvorens de moskee binnen te treden, den minister van marine gelastte zich dadelijk bij ons aan boord te begeven, om dank te zeggen voor de hem bewezene eer. Daar deze minister niets dan ïurksch kon spreken, kwam in zijne plaats Arif pasja, de kommandant van het gepantserd eskader, die een weinig Engelsch sprak en met belangstelling het jacht inspecteerde.

In den middag voeren wij met kaïks den Gouden Hoorn op, naar de Zoete Wateren van Europa, een aangenaam tochtje van een paar uren, waarvan het laatste gedeelte door eene smalle rivier met grasrijke boorden liep, die door prachtige boomen beschaduwd werden, lu het voorjaar en den zomer, wanneer het hier van kaïks en rijtuigen wemelt en de Turksche dames in groepjes op stukken ta])ijt onder het geboomte koffie zitten te drinken met de noodige lekkernijen er bij, moet het een zeer levendig tooneel zijn. Bij de kiosk van den sultan stapten wij uit en wandelden naar het iets verder gelegene paleis. Waar men het

ocr page 188

Pauwen. — Het paleis Tsjeragan. — Het admiraalschip. 177

oog sloeg zag men pauwen ; honderden wandelden over de grasperken, zaten op de boomen en muren of liepen iu en uit het huisje dat bij het paleis voor hen opgeslagen was. Zij stonden in hooge gunst bij den sultan en werden bijgevolg goed verzorgd. Hier wachtte het rijtuig ons, waarmede wij naar Konstantinopel terug zouden rijden. Juist bij het instappen vroeg onze tolk, of wij onze revolvers wel bij ons hadden, daar de weg niet altijd veilig was. Wij waren er niet van voorzien, omdat wij niet hadden gedacht dat zij noodig zouden wezen; maar gelukkig hadden wij geen last van struikroovers.

Na het ontbijt den volgenden morgen gingen wij het nieuwe paleis Tsjeragan bezichtigen, waartoe Arif pasja ons de gelegenheid zou verschaften. Wij zagen het gedeelte voor den harem bestemd, dat uit honderden vertrekken bestond ; elke kamer had geschilderde muren, was met matten belegd en bevatte een groot ledekant met vier stijlen en verscheidene divans bekleed met satijn, alles van verschillend patroon, gelijk ook de gordijnen. Verder stond er eene kast tot bergplaats van verschillende voorwerpen, maar in het geheele paleis was geen stoel te vinden. De dames van den harem leggen hare kleederen, hoe kostbaar ook, in een hoop op den vloer. Wij hadden gaarne de vertrekken van den sultan gezien, die men zeide dat het fraaist waren; doch daar zijne majesteit juist verwacht werd om eene inspectie te houdeu, waren wij verplicht te vertrekken zonder onze nieuwsgierigheid te hebben bevredigd.

Daar het te laat was om het paleis Beglerbeg te gaan bezichtigen, begaven wij ons naar het vlaggeschip Osmanieh, ten einde het bezoek van den admiraal te beantwoorden. Hij was niet aan boord, doch wij werden beleefd ontvangen door den kapitein die zeer weinig Engelsch en den doctor die nog minder lïansch sprak. Zij onthaalden ons in de kajuit van den admiraal op sigaretten, koffie en likeuren en kwamen eindelijk op den genialen inval om den eersten machinist, die een En-gelschman was, als tolk te ontbieden. Toen leidden zij ons het schip rond, dat in de volmaaktste orde was en elke Europeesche marine tot eer zou hebben gestrekt. De kanonnen, de affuiten, alle koper- en staalwerken blonken als spiegels en de dekken waren toonbeelden van zindelijkheid. Bij ons vertrek stonden officieren en manschappen opgesteld ; de geweren werden gepresenteerd, liet vaandel neergelaten, en met de grootste ceremonie geleidde men ons naar onze sloep terug.

Daarna legden wij een bezoek af in het atelier van den schilder Chlebowski, die voor den sultan een enorm stuk schilderde, den zege-pralenden intocht van Mahmoed II in Konstantinopel voorstellende.

12

ocr page 189

178 Reizen naar Konstantinopel, enz.

Hij bezat eene allerbelaugrijkste verzameling vluchtige schetsen iu rooden inkt door den sultan zeiven, die daarop in het ruwe had aangegeven wat hij op de schilderij gebracht wenschte te hebben. Ofschoon dikwijls slechts uit enkele trekken bestaande, waren zij zeer geestig en getuigden van groot talent, vooral wanneer het tafereelen uit veldslagen betrof.

Op een der volgende dagen hervatten wij onze bezoeken aan de harems, na vooraf kennis te hebben doen geven van onze komst. De Turksche dames toch z'jn gaarne vooraf verwittigd als zij visite zullen ontvangen. Het eerst begaven wij ons naar de prinses Azizieh. Na een aantal deuren doorgegaan en ontelbare trappen opgeklommen te zijn, bereikten wij hare receptiezaal uit welke men een prachtig gezicht over den Bosporus heeft. Zij ontving ons in een ochtendtoilet van blauw satijn, gegarneerd met ongeverfde struisveeren. Zij was gezet doch bevallig van gestalte, had het haar sterk gefriseerd en rookte gedurende ons geheele bezoek onophoudelijk sigaretten. Slavinnen brachten eene pijp binnen, bestaande uit een roer van jasmijnhout met een fraai barnsteeneu mondstuk en bezet met diamanten. Nadat die pijp bij ons allen de ronde had gedaan volgden er lekkernijen, die op een gouden blad op dik met diamanten en robijnen bezette gouden schoteltjes aangeboden werden, en daarna koffie in porseleinen kopjes die zoo dun als een eierschil waren en daarom in eene soort van eierdopjes stonden. Deze dopjes waren van goud met openingen en in elke opening hing een groote diamant vrij te slingeren, hetgeen een onbeschrijfelijk schoou effect maakte. De prinses had eene Frausche gezelschapsdame die het onderhoud gaande hield en sprak zelve ook zeer goed. Het was dus een aangenaam bezoek dat wij aflegden, doch het duurde lang, want het wordt als onbeleefd beschouwd wanneer men minder dan een uur blijft en wij bleven zelfs langer. De prinses liet eenige harer slavinnen kleeden, om ons de costumes te toonen; een klein negermeisje, dat de rol van page vervulde, had een prachtig Albaneesch costuum aan, stijf van het goudgalon en borduursel, waarmede zij er kluchtig uitzag. Nadat de prinses over ons jacht iiad gesproken, dat zij gaarne wiide zien, deed zij een aantal vragen over de levenswijze in Engeland, over onze reizen, en over Londen en Parijs. Zij brandde vau verlangen om die beide steden te bezoeken, doch er bestond weinig vooruitzicht dat die wensch ooit bevredigd zou worden. Een gedeelte van het gesprek liep als naar gewoonte over de achteruitzetting die de Turksche vrouwen ondergaan en alle die wij spraken legden de heftigste begeerte naar meer vrijheid aan den dag.

Ons volgend bezoek gold de prinses Nazli, de zuster van prinses

ocr page 190

Het leven van Turksche dames.

Azizieh, even goed vau voorkomen, nog beter onderwezen, nog veel meer geavanceerd van begrippen dan hare zuster, en even goed Engelscli sprekende als deze Fransch. Hare vertrekken waren behangen en gegarneerd met licht blauw satijn, gelijk wij het bij hare zuster rood hadden gevonden. De meubelen waren fraai en van Fransch fabrikaat ; doch hier zag men bovendien boeken en bloemen, en over het geheel droeg de woning een meer Europeesch karakter. De prinses, in een geruit morgengewaad gehuld, ontving ons even voorkomend als hare zuster en hield zich eveneens al den tijd met liet rooken van sigaretten bezig. De talrijke slavinnen waren niet fraai gekleed, doch de pijpen, serviezen enz. schitterden ook hier van diamanten, robijnen en andere kostbare gesteenten. De prinses vertelde ons vele bijzonderheden van het Turksche Jeven en uit hare eigen geschiedenis. Haar vader, M ustapha iazil, was de vermoedelijke opvolger van zijn ouderen broeder den onderkoning van Egypte, toen de sultan de orde van troonopvolging veranderde en bepaalde dat de regeering op des onderkouings oudsten zoon zou overgaan, — een maatregel dien hij ook in zijn eigen geval wenschte te nemen, doch die waarschijnlijk op verzet zou stuiten. Hij wilde namelijk dat zijn oudste zoon zijn opvolger zou worden, doch dit was in strijd met het gebruik, volgens hetwelk telkens de oudste mannelijke afstammeling uit het huis van Osman op den troon moet komen. Ue prinses Nazli was geëngageerd met haar neef, den oudsten zoon van den onderkoning en haar uitzet was reeds geheel klaar, toen de onderkoning plotseling begon te vreezen dat hij vergiftigd zou worden als hij door te veel familie omringd werd. Hij brak dus de verloving af en de prinses werd nu toegezegd aan Halil pasja, die van zijn vader 30 millioen gulden had geërfd, netjes in goudstukken in kistjes gepakt. Hij ging met den schat naar Parijs, verteerde een millioen of 20 in die verleidelijkste aller steden, en kwam toen terug om de prinses te trouwen en de overige 10 millioen door te brengen.

Eene der Turksche dames, die wij bezochten, zeide : „Ik heb den Koran dertigmaal in het oorspronkelijk Arabisch gelezen en nog vele uitleggingen bovendien. De priesters zeggen ons, dat er slechts één God bestaat, die geen man of vrouw is, maar een geest, en dat Mohammed zijn profeet is. Maar kunnen wij dat gelooven, daar alles voor den man is en niets voor de vrouw? Een goede Go:l zou niet zoo onrechtvaardig kunnen zijn. Verder zegt men, dat wij voor onze mannen moeten knielen en hunne handen kussen, en dat, als zij ons de hand kussen (de mijne doet liet echter altijd, want hij is in quot;West-

179

ocr page 191

180 Reizen naar Konstantinopel, enz.

Europa geweest) liunne lippeu zullen verbranden en onze hand ook ; dat wij moeten loopen, al zijn wij ook ziek en zwak, terwijl zij rijden, en dat wij bovendien hunne bagage moeten dragen. Dat kan niet waar zijn.quot; Deze beschouwingen waren moeielijk te wederleggen en zij drukte waarschijnlijk het gevoelen uit van al hare zusteren, die eenige opvoediug hebben genoten. Deze ontevredenheid zal eenmaal tot eene uitbarsting komen, in weerwil dat er in de moskeeën afzonderlijke diensten worden gehouden, om aan de vrouwen den plicht der gehoorzaamheid in te prenten. Eene andere dame deed mij lachen door hare ontboezeming: „Ofschoon mijn man zelf niet zoo erg op onze onderworpenheid staat, geloof ik niet dat hij ooit iets doen zal om ons meer vrijheid te verschaften of ons naar den schouwburg te laten gaan. Zij zijn allen 't zelfde, 't Zijn rechte Turken ! Zij verheugen zich, dat zij een voorwendsel hebben om alleen uit te gaan en hun vermaak te zoeken.quot;

Op Maandag den 9 November ontbeten wij vroeg, om de bazars nog eens te bezoeken, waar het nu door het regenachtige weer donker en vuil was. Wij deden vele gelukkige aankoopen, want het was de laatste dag van den Eamadan (vastentijd), en de winkeliers gaven hunne artikelen voor spotprijzen weg, om geld te bekomen voor het Bairam-feest, dat er onmiddellijk op volgt. Daarna moesten wij naar boord terugkeeren, om de aangekondigde bezoeken van eenige Turksche dames af te wachten. Izzet bey, kleinzoon van Euad pasja en gemaal van de prinses Azizieh, kwam het eerst, ten einde zijne moeder, mevrouw Kiasim, te ontvangen. Deze zag er verwonderlijk goed uit; in weerwil van hare 45 jaren scheen zij nog geen 30. In de kajuit waar zij, toen de deur goed gesloten was, haar gelaatsdoek aflegde, zou men haar voor eene Francaise gehouden hebben. Zij was smaakvol gekleed in twee tinten van bruin, met een hoed van zwarte kant. In hare manieren en wijze van uitdrukking had zij alles van eene Europeesche dame en bare opiaer-kingen over boeken, schilderijen enz. waren volkomen juist. Men xou moeielijk begrijpen waar zij hare kennis had opgedaan, noch zich voorstellen dat zij eene slavin was geweest, die Euad pasja, toen zij nog zeer jong was, had gekocht om met zijn zoontje te spelen, en die hij later aan dien jongman tot vrouw had gegeven, zoowel om hare talenten en goede manieren als om hare groote schoonheid.

Prinses Azizieh kon wegens ongesteldheid niet komen, hetgeen eene groote teleurstelling voor haar was, daar zij veel moeite had gehad om verlof te krijgen. Dit was toch de eerste maal, dat Turksche dames een bezoek aan eene Europeesche mochten brengen. Thans volgde de

ocr page 192

Het Bairam-feest.

prinses Nazli, gekleed iu fijn blauw satijn met Brusselsche kant, en een blauw satijnen hoed met leverkleurige veeren. Voor alles wat zij zag legde zij de grootste belangstelling aan den dag en alles bewonderde zij. Onze koffie en thee scheen zij echter niet lekker te vinden, en al den tijd rookte zij.

Na een vertoef van meer dan twee uren vertrokken ouze bezoeksters zeer voldaan. Eene nieuwe wereld had zich voor haar ontsloten. Gelukkig was het een zoo kalme dag, dat zij bij het gaan en komen met de booten niet de minste vrees behoefden te koesteren.

's Middags en 's avonds hoorden wij kanonnen bulderen en muziekcorpsen spelen, om het einde van den Ramadan en het begin van den Bairam aan te kondigen. Daar wij te midden van een aantal oorlogschepen geankerd lagen was het vooruitzicht op eene reeks van oor-verdoovende saluutschoten vijfmaal daags drie dagen achtereen niet bijzonder verblijdend.

Sinds onheugelijken tijd was het gebruikelijk geweest, dat de sultan den eersten morgen van de Bairam bij het aanbreken van den dag van het Serail-paleis vertrok en in groote staatsie met al zijne ministers en onder geleide van eene sterke troepenmacht voorbij de St. Sophia moskee naar de moskee van Achmed reed en weer denzelfden weg terug. Wij hadden dienovereenkomstig onze beschikkingen gemaakt, en waren, na ons te hebben laten wekken om half 6, tot vertrek gereed om 7 uren, toen onze dragoman of tolk in grooten haast kwam berichten, dat de sultan te water zou gaan en wel slechts naar de moskee van ïophaneh. In allerijl tuigden wij het jacht weer feestelijk op en de sultan passeerde er met de vijf fraaie kaïks dicht langs heen. Zijn eigen kaïk verliet de linie en kwam zeer dicht bij, om een goed gezicht op het vaartuig te hebben. Hij groette ons herhaaldelijk, zoodat wij in de gelegenheid waren hem naar wensch op te nemen.

Zoodra hij voorbij was gingen wij aan wal en bestegen onze paarden. Er waren zooveel equipages, dat ik niet had gedacht dat Konstanti-nopel er zulk een aantal bevatte, en alle zaten vol Turksche dames in hare fraaiste kleêren en met juweelen overladen. Sommige hadden de kleur van haar costuum gekozen in overeenstemming met die van haar rijtuig. De menigte te voet, allen in feestgewaad, was zoo talrijk, dat men er slechts zeer langzaam door kou komen. Nadat de sultan van Tophaneh naar het paleis Dolmabadje was teruggevaren, begon de volksmenigte zich in beweging te stellen om te zien hoe de dames van den harem terugkeerden en al de ministers en hooge ambtenaren hunne gelukwenschen aan den sultan gingen brengen. Het eerst kwam de

131

ocr page 193

182 Reizen naar Konstantinopel, enz.

Sultane Valideli, „de moeder vau den sultan en van haar land,quot; die daarom de eenige Turksche dame is, welke haar gelaat niet behoeft te omsluieren, want daar ieder zoon het gelaat zijner moeder onbedekt mag aanschouwen, mag het volk dat der algemeene moeder zien. Haar prachtig rijtuig werd door vier fraai getuigde zwarte paarden getrokken en door een grooten stoet van slaven en soldaten gevolgd ; doch de gordijntjes der portiereu waren neergelaten, zoodat wij haar niet zien konden. De andere sultanes zaten in even schitterende rijtuigen, meeren-deels door witte paarden getrokken en door drommen van volgelingen omringd. Hierna kwam de oudste zoon van den sultan, opperbevelhebber des legers, en daarop zijn volgende zoou, een knaap van zeven jaar, die desniettemin opper-admiraal der vloot was. De trein werd aangevuld en besloten door ministers en ambtenaren van allerlei rang in hunne schitterende uniformen.

Den volgenden dag nog vóór het ontbijt kwam Ali bey van wege Arif pasja aan boord bij ons, om namens den sultan te vragen op welken dag en uur wij zijn paleis te Beglerbeg zouden wenschen te bezichtigen, opdat dan alles voor ons in gereedheid gebracht zou kunnen worden. De sultan had den vorigen nacht tusschen twaalf en één ure zijn adjudant, die iedereen uit den slaap was komen opschrikken, voor die zaak naar Arif pasja gezonden. Wij bepaalden den volgenden dag voor dat uitstapje en bestemden den dag van lieden, om de oude wallen der stad te gaan zien. Wij moesten mijlen ver door nauwe en morsige straten rijden tot dat wij aan de zoogenaamde Zeven Torens kwamen, waar wij de wallen beklommen eu het schoone gezicht over Konstantinopel en verder over de zee van Marmara bewonderden. Te paard reden wij vervolgens buiten om de wallen, die driedubbel zijn eu tot de merkwaardigste werken uit de middeneeuwen behooren. Zij hebben enorme afmetingen en zijn van afstand tot afstand met vierkante torens bezet, zoodat zij in die vroegere dagen zeer sterke verdedigingswerken moeten geweest zijn. Abdoel Aziz had ze voor een nietig sommetje aan zijne moeder verkocht om de steenen voor bouwmaterialen te gebruiken, en men was reeds bezig met het afbreken, toen dit Wandalenwerk in 1869 op de vertoogen van den Engelschen gezant gestaakt werd. Wij reden verscheidene poorten voorbij en heuvels op en af, altijd over een ellendigen weg, totdat wij Ejoeb bereikten, de moskee waar de sultan niet gekroond, maar met liet zwaard van Osman omgord wordt, hetgeen met eene krooning gelijk staat.

Arif pasja kwam ons den volgenden morgen voor liet bezoek te Beglerbeg afhalen en voerde ons in eene boot met twaalf roeiers daar-

ocr page 194

Het paleis Beglerbeg. 183

heen. Aan den ingang werden wij door een half dozijn dienaren ontvangen die ons eerst een groot bassin met zeewater toonden waarin eene rob zwom en vervolgens naar den tuin voerden, waarin ondanks het late seisoen nog een groot aantal bloemen in den besten staat bloeiden. Op een terras aan de zijde van den Bosporus stond eene kiosk met enorme vensters van spiegelglas, die elk als het ware een omlijst en telkens verschillend landschap vertoonden. Het paleis zeif is een prachtig gebouw, waarin vooral de trap met zijne balustrade, alles prachtig ingelegd, bezienswaardig is. De vestibule, wier zoldering door groote marmeren kolommen gedragen wordt, is door een aantal vertrekken omgeven, het eene al fraaier dan het andere ; de muurvakken zijn beschilderd, meest met afbeeldingen van schepen, en de zolderingen rijk versierd. Na de voor de mannen bestemde afdeeling van liet paleis (het selemlek) gingen wij die voor de vrouwen (den harem) bezichtigen. De groote middenzaal was versierd met eene tafel, eene kamerkroon, kandelabres en eene pendule, alles van meerendeels mat zilver, een geschenk van den onderkoning van Egypte, en bevatte twee fraaie kabinetten, waarin een aantal vau des sultans kostbaarheden bewaard werden. De kamers rondom deze zaal waren ook talrijk en ruim, doch hadden alle witte muren. Van hier kwamen wij in eene derde prachtige zaal, met eene groote fontein in 't midden, die in eene badkuip veranderd kon worden. Soms liet de sultan in deze zaal tooneelvoorstellingen geven.

In eene der kamers werden ons koffie, confituren en sigaretten aangeboden, waarna wij in den tuin de hoogst gelegene kiosk gingen bezoeken, die uitzicht heeft op liet openbare wandelpark en waar de sultan wel eens de beweging der volksmenigte ging gadeslaan. Het paleis trad hij niet meer binnen sedert de keizerin der l'ranschen er gelogeerd had, want eene bijgeloovige vrees had hem bevangen omdat haar ongeluk zoo kort op dat bezoek was gevolgd; zelfs had hij eenige bijgebouwen laten afbreken, om te beproeven of hij aldus den slechten invloed zou kunnen afwenden. Toen de keizerin er echter vertoefde, bezocht hij haar eiken dag. Eens ging zij eene visite brengen aan zijne moeder, de Sultane Valideh, en gaf haar een kus op de wang, waarover de sultane woedend werd. Zij riep uit dat zij nog nooit zoo beleedigd was, en nog wel door eene ongeloovige! Zij moest zich van ontroering te bed begeven, onderging eene aderlating en nam verscheidene Turksche baden, om zich van de verontreiniging te zuiveren.

Bij het verlaten van de kiosk gingen wij een vijvertje langs, waarin ongeveer drie voet water stond. Een der uitspanningen van den sultan

ocr page 195

184 Reizen naar Konstantinopel, enz.

was, dat hij er soms aan den oever ging zitten en eenige der dames van den harem voorbij deed roeien in een bootje, dat men dan opzettelijk liet omslaan. Zij moesten zich voor die gelegenheid zoo fraai mogelijk kleeden en kregen daarna nieuwe costumes.

De zoogenaamde ïransche brug, die wij op den terugkeer passeerden, was merkwaardig om de volgende daaraan verbonden geschiedenis. Zij moest op zekeren bepaalden tijd voltooid zijn, hetgeen de aannemer echter voor onmogelijk verklaarde met zijne Turksche werklieden, indien zij niet nacht en dag mochten doorwerken. Hiertoe kreeg hij verlof, en de benoodigde toortsen werden op kosten van den sultan verschaft. Aldus ging alles een tijd lang goed, totdat de ongelukkige aannemer op zekeren dag aanzegging kreeg, dat hij de brug moest openen om een schip uit de dokken door te laten. Hij begaf zich naar de ministers van marine en financiën en zeide dat het onmogelijk was, want dat hij alles zou moeten afbreken en er wel twee of drie maanden zouden vereischt worden om de steigerwerken en heimachines weer in den ouden toestand te brengen. De ministers konden niets anders antwoorden dan: »Als de sultan zegt dat liet moet, dan moei het ook geschieden, of wij verliezen onze betrekking, zoo niet ons hoofd.quot; Het schip ging er dus door, ten koste van meer dan een millioen gulden en eene vertraging van drie maanden in den bouw der brug, — en wel, omdat de sultan op zekeren dag zijn jongste zoontje in den harem schreiende had gevonden. Men had aan 't knaapje beloofd dat hij admiraal zou worden en nu kon hij uit het venster der kinderkamer zijne vlag niet op zijn schip geheschen zien. Daarom moest een groot pantserschip van zijne ligplaats gehaald en voor het paleis Dolmabadje geankerd worden, om aan die kindergril te voldoen en de geheele stad moest maanden lang in ongerief blijven verkeeren, gezwegen nog van de verspilling van geld, waarvan de sultan zeer weinig betaalde, want de schade kwam voornamelijk op den aannemer neer.

ocr page 196

HOOFDSTUK III.

Het lol van Chlebowski. — Vertrek van Konstantinopel. — Zante. — De pekbron-non. — Ellendig bestuur van de Grieksolie regeering. — Ceplialonia. — De olijvenoogst. — ithaka. — Overblijfselen der oudheid. — Het «Café de Télé-raaque.quot; — Corfu. — Grieksche vrouwen in het Zondagspak. — Waterhoozen. — Messina. — De ruïnen van Taormina. — De Liprisohe eilanden en Strom-boli. — Napels. — Het museum met voorwerpen uit Porapeji. — De uitbarsting van den Vesuvius. — Corsica. — Baslia. — De stiletten eis de «vendetta.quot; — Nizza. — Monaco. - Parijs. — Terugkeer in Engeland.

Ons verblijf te Konstantinopel liep ten einde en den 16 November gingen wij de stad in, om rekeningen te betalen en afscheidsbezoeken te brengen. Hieronder behoorde eeue visite aan den schilder Chlebowski om hem te bedanken voor zijne beleefdheid, dat hij ons eene der schetsen van den sultan, die hij nooit aan iemand had willen afstaan, ten geschenke had gegeven. Het was een met luchtige trekken ten papiere gebracht zeegezicht, waarop men twee kolossale oorlogschepen zag en een derde bij den wind overliggende, met kaïks op den voorgrond , werkelijk zoo los en tegelijk duidelijk aangegeven , alsof 't het werk van een schilder vau beroep was. Chlebowski vertelde ons zijn leven iu het paleis, 't geen veel overeenkomst met dat van een staatsgevangene had. Hij moest altijd hard doorwerken, kreeg nauwelijks den noodigen tijd om te eten of te rusten en mocht nooit ziek of vermoeid zijn, want de sultan ontsloeg dadelijk eiken beambte of bediende die het ongeluk had ziek te worden, al ware het maar voor een enkelen dag. Eeeds vijf jaren had hij voor den sultan gewerkt , voordat hij dezen te zien had gekregen; maar daarna kwam zijne majesteit telkens en gaf schetsen van 't geen hij geschilderd wilde hebben. Des Vrijdags placht hij te zeggen : „Vandaag is 't wel rustdag voor ons, ju aar gij zijt een Christen en moogt dus werken.quot; Zaturdags was het: „Gij zijt geen jood en kunt dus van daag ook werkenen Zondags behaagde het zijne majesteit te zeggen: „Ik weet dat het voor u rust-

ocr page 197

186 Reizen naar KonstantinopeK enz.

dag is, maar voor mij is het dat niet, want ik ben een Muzelman , en dus moet ge van daag voor mij werken.quot; Wij hebben later vernomen , dat Chlebowski, na een tijdsverloop vau negen jaren , met eene geheel ondermijnde gezondheid zijne betrekking bij den sultan heeft moeten nederleggen.

In den avond van denzelfden daglichtten wij het anker en den volgenden dag liepen wij de Dardanellen door. Na een kort vertoef op tusschenliffgende plaatsen richtten wij ons naar de Ionische eilanden en bereikten in den namiddag van 28 November onder zeer slecht weer, donder, bliksem en stroomenden regen , het eiland Zante. Gaarne hadden wij de beroemde pekbronnen bezocht, die Herodotus reeds voor meer dan 2000 jaar beschreven heeft en die nog altijd in denzelfden toestand verkeeren; doch wij konden er niet komen, omdat het Griek-sche gouvernement de goede wegen niet onderhoudt die de Eugelschen er gedurende hunne heerschappij gemaakt hebben en de zware regens ze reeds op verscheidene plaatsen vernield hadden (1). Volgens hetgeen ons verhaald werd , ziet men het pek door verscheidene vadem helder water opwellen in den vorm van eene grooten bol van gutta-percha of gom-elastiek, die aan de oppervlakte van het water barst, waar dan de omwoners het pek afscheppen. Allen die wij spraken, betreurden het, dat de Engelschen de eilanden niet meer bezet hielden, en hingen een zwart tafereel op vau het Grieksche wanbestuur , dat eenvoudig een stelsel van geweld en omkooping is, Eoovers en deugnieten , die bij machte zijn eenige piasters aan de zoogenaamde policie te betalen , worden nooit gepakt, maar in hunne plaats werpt men onschuld igen in de gevangenis. Op de tijdstippen der verkiezingen is het schandaal erger dan ooit en dringen soldaten met de bajonet op het geweer de woningen binnen om de ongelukkige kiezers naar de stembus te drijven, waar zij moeten stemmen zoo als de intriganten het voorschrijven. Onder zulk een systeem gaat natuurlijk alles ten verderve ; wegen, havens , gebouwen, alles vervalt. De Grieksche natie heeft sinds lang getoond de vrijheid onwaardig te zijn, die het opgewondene Europa eene halve eeuw geleden aan Turkije voor haar afgedwongen heeft.

1

Ten gevolge der staatsgebeurtenissen in het begin dezer eeuw waren de ionische eilanden in 1815 tot een rijkje onder den naam van Vereenigde Staten der Ionische Eilanden gefatsoeneerd en, daar- zjj onmogelijk voor zich zelf konden zorgen, onder het protectoraat van Engeland gesteld. Er ontstond echter ir. den loop der jaren zulk een geschreeuw om met Griekenland vereenigd te worden, dat Engeland eindelijk de eilanden in 1863 aan Griekenland overdroeg. Maar nadat de oloniërs'' aldus hun ideaal bereikt hadden, heeft het hun bitter berouwd.

ocr page 198

Cephalonia. — De Olijven-oogst. —• Ithaka. 187

Vau hier ging de reis naar Cephalonia, waar wij het anker wierpen in de baai van Argostoli, de moderne hoofdstad van het eiland. Aau wal was niet veel te zien, en ofschoon van elk plekje gronds partij getrokken is voor de teelt der druiven die de krenten opleveren, is het algemeen voorkomen doodsch en kaal, geheel anders dan op Zante. De oude olijfboomen waren zoo zwaar en knoestig als woudboomen. De landlieden hielden zich juist bezig met de inzameling der vruehteu; jongens zaten in de takken , mannen sloegen van beneden met lange stokken er tegen, en vrouwen en meisjes raapten de olijven op, die op de onder den boom uitgespreide kleeden vielen en brachten ze vervolgens naar de perstoestellen. De goede olie der eerste persing wordt voor uitvoer verkocht, en het product der tweede persing houden de boeren voor hun eigen gebruik, of wel eten zij de olijven zonder ze voor de tweede maal uit te persen. Geperst of ongeperst maken de olijven met brood en een weinig zuren wijn het hoofdvoedsel dezer eilanders uit, die er zich zeer goed bij bevinden , want de olijven bevatten , goed rijp zijnde, zooveel olie, dat zij bijna evenveel voedingskracht bezitten als vleesch , terwijl zij bovendien in dit warme klimaat veel gezonder zijn.

Tijdens ons verblijf speelde te Argostoli een zeer goed Italiaansch operagezelschap, gelijk er ook een is te Zante , waar men zelfs bezig was een fraai nieuw operagebouw te zetten. Hier te Argostoli hadden wij de voorstelling wel willen bijwonen , doch voor de eerste maal werd Rigolelta gegeven en er was geen plaats meer te krijgen. Eenige onzer bedienden gingen echter naar de mindere rangen en verhaalden ons dat het tooneel klein was en de decoratiëu slecht waren, maar dat spel, zang en costumes lof verdienden en de dames in de Ipges fraaie toiletten vertoonden.

Wij stevenden het eiland om naar de baai van Damos aan de oostzijde, in wier nabijheid de ruïnen liggen der stad van denzelfden naam, die in den ouden tijd de iioofdstad des eilands was , en staken van daar over naar Ithaka, thans Thiaki, waar wij den nauwen ingang der haven van de hoofdstad Bathy of Vathi, te nauwernood zichtbaar tusschen de omringende rotsen , binnen liepen. Zoodra mogelijk begaven wij ons aan wal om een uitstapje naar de grot der Nimfen en het kasteel van Ulysses te doen, doch wij konden geen rijdieren bekomen, want alle paarden en ezels waren in gebruik voor den olijvenoogst. Eindelijk kregen wij toch een paard en een e^el en konden den weg naar de grot der Nimfen inslaan. De weg was steil en oneffen , doch op alle punten genoot men zoo over het land als over de zee een

ocr page 199

Reizen naar Konstantinopel, enz.

schoou uitzicht. Door eene zeer kleine opening kropen wij de grot binnen, die wel licht ontving door verscheidene spleten, doch zoo weinig , dat wij verplicht waren toortsen te ontsteken om de versteeningen goed te zien. Het tooneel was niet zoo treffend als wij ons naar de beschrijving van Homerus voorgesteld hadden, ofschoon het er toch op de hoofdpunten mede overeenkwam.

quot;Wij daalden weer naar de s'ad af en wandelden de onzindelijke straten door, die van den rand des waters naar den top der achterliggende hoogten oploopen, doch hier en daar met tuinen van oranjeappelen, limoenen en bloemen afgebroken worden. Bij de groote kerk zagen wij het „Café de Télémaque!quot; Men verbeelde zich eens, als men kan, Telemachus en Mentor hier op een matten stoel aan de hoofdstraat van Vathi hun kop koffie drinkende!

quot;Wij richtten nu den koers noordwaarts en wendden den steven naar Corfu, waar wij in den avond van 3 December bij de hoofdstad van denzelfden naam het anker lieten vallen. Vóór liet aanbreken van den dag was ik op liet dek om de zon te zien opgaan. Het eiland is weelderig en vruchtbaar, en steekt pikant af tegen de besneeuwde gebergten op de tegenoverliggende kust van Albanië. Het eerste wat een Engelschman bij het binnentreden der stad treft, is dat overal het En-gelsche wapen weggehouwen is, hetwelk aan verscheidene gebouwen en instellingen was aangebracht, ten bewijze van Engeland's protectoraat. Doch de inboorlingen die toen klaagden dat zij slaven waren, betreuren thans de opheffing van het Britsch bestuur. Zij hebben bij ondervinding het verschil leeren kennen, nu zij bemerken dat het Griek-sche gouvernement hen geheel verwaarloost, behalve bij het heffen van de verpletterende belastingen. Het patriottisshe bewustzijn dat hen nu een Grieksch koning regeert schijnt hun weinig troost te schenken.

Na een bezoek aan de citadel, die hoog boven de stad uitsteekt, reden wij naar het dorp Garousta, waar wij onder de schaduw der ohjf-boomen ontbeten. Op eene wandeling door het dorp konden wij de vrouwen in haar Zondagspak bewonderen. Zij droegen het haar in tressen langs de zijden van het gelaat gelegd en metroode linten doorvlochten ; op het hoofd hadden zij een langen witten doek met opengewerkte punten ; over een donkerblauwen rok werd een zwart gestreept voorschoot met breede lichtblauwe linten gedragen. Een zwart fluweelen jak met goudgalon op de naden, over een wit hemd, soms nog met een gekleurd vest tusschen beiden in, voltooide het costuum. In de stad was gelijk in de meeste steden met opzicht tot de kleeding niets bijzonders waar te nemen.

■188

ocr page 200

Waterhoozen. — De ruïnen van Taormina. 189

Tot ons leedwezen moesten wij spoedig van Corfu scheiden, daar het ver gevorderde seisoeu ons naar Ecgeland terugriep. Het was reeds 7 December. Nauwelijks waren wij het eiland Paxo voorbij, of de bemanning riep ons in allen haast op het dek om eece waterhoos te zien. De zee hief zich op zekere plek omhoog als eene onmetelijke fontein, terwijl een pekzwarte wolk recht daarboven zich als een kegel naar beneden verlengde en met het water vereenigde. Iets verder bevond zich eene andere hoos. Eu terwijl wij naar die beiden over stuurboord uitzagen, vloog eene derde kleinere waterhoos langs onzen spiegel heen, zoo dicht dat de mau aan het roer zeide dat hij die bij wijze van spreken wel had kunnen grijpen; doch eer hij ons kon roepen was zij reeds mijlen ver, zoo snel vloog zij voort. Het was een geluk dat wij vrij waren geloopen, want die waterhoozen ziju zeer gevaarlijk en bezitten zulk eene kracht dat zij de dekken soms inslaan en een schip kunnen doen zinken. Oorlogschepen trachten ze wel eens te breken door er kanonschoten op te lossen, ten einde zulk een onheil te voorkomen.

Op de verdere reis werden wij door vreeselijke stormen geteisterd, die ons meermalen ver terugdreven op den afgelegden weg. Eindelijk liepen wij de haven van Messina binnen waar wij reeds zeer nabij ge-wee t, doch weer van weggeslagen waren. Wij besloten er nog wat te blijven, aangezien de barometer wederom slecht weer voorspelde en gebruik van de gelegenheid te maken om de ruïnen te Taormina te gaan zien. Van het dorp van dien naam leidt een steile weg van eeni-ge honderden ellen naar het antieke amphitheater, dat een der best bewaard geblevene van de wereld is. Het tooneel is er nog aanwezig; met ziet de kleedkamers en den toegang voor de acteurs en zelfs liet wateruurwerk waarnaar de voorstellingen a/gemeten werden, de zitplaatsen der Vestaalsche maagden, de ingangen voor de senatoren, de patriciërs en de plebejers en de toonbanken voor de verkoopers van programma's en ververschingen. De schoone ligging der plaats is moeielijk in woorden te schetsen. Van dit hooge standpunt heeft men rechts en links het gezicht over de straat van Messina, terwijl de blik zich ook tot den Etna uitstrekt en het land allerwege met dorpen bezaaid ziet. Wij hadden een lang gesprek met deu opzichter, die zijn post hier reeds -38 jaar waarnam en het bestuur over alle opgravingen en repa-ratiën voerde. Hij bezat plannen hoe het amphitheater er onder de Grieken, Romeinen, Saraceenen en Normandiërs had uitgezien en met zijne toelichtingeu was het zeer belangrijk de achtereenvolgens voorgekomen veranderingen na te gaan.

ocr page 201

190 Reizen naar Konstantinopel, enz.

Hoewel de barometer laag stoud, was het deu li December zulk een schoone dag met een zoo goeden wind, dat wij weer zee kozen, doch nauwelijks waren wij buiten de haven of het schip werd zoo plotseling over zijde geworpen dat velerlei dingen van hunne plaats geraakten. Het overige van den dag ging het echter tamelijk wel en tegen den avond waren wij bij de Liparische eilanden. Zij doen zich schilderachtig voor, doch zijn weinig bekend. Stromboli met zijn vulkaan, die thans sterk in werking was en een prachtig schouwspel opleverde, behoort tot deze groep. Het weer was zeer ongunstig geworden ; windbuien en regenvlagen wisselden elkander af, in de verte rolde de donder en bliksemflitsen doorkliefden de lucht. Omstreeks 11 ure, toen iedereen zich ter kooi had begeven, behalve degenen die de wacht hadden, wierp eene ontzettende windvlaag het jacht geheel over zijde, doch gelukkig waren de booten goed bevestigd of zij zouden weggeslagen zijn. Met het uitzicht op hetgeen gebeuren kon, waren ook de andere voorwerpen vastgezet en alle lichten en luiken met zeildoek overkleed. Binnen weinige oogenblikken richtte het schip zich weer op, zonder dat er noemenswaardige schade was geleden.

Deu volgenden morgen werd het beter geacht te Napels binnen te loopen, dan door te stevenen naar Livorno, zoo als aanvankelijk het plan was geweest. Met het vallen van den avond kwamen wij eraan. Het weer was veel verbeterd en de beroemde golf deed zich liefelijk voor, toen wij de eilanden Ischia en Procida, de baaien van Pausilippo en Jiajae enz. voorbij stevenden.

Op een der volgende dagen gingen wij het museum bezoeken, inzonderheid om de voorwerpen uit Pompeji te bezichtigen, die op nieuw gerangschikt waren. Men ziet hier vijgen, olijven, pruimen, noten, alles wel uitgedroogd en zwart geworden, doch de gedaante der oliedroppelen is op sommige olijven nog te herkennen. Ook de brooden, de kazen, de eieren zijn volkomen bewaard gebleven. De keukengereedschappen, meestal van brons, onderscheiden zich daardoor, dat het handvat eene afbeelding is van den visch, het dier of den vogel tot wiens bereiding het gereedschap geacht werd bestemd te zijn. Ook de schalen en gewichten stellen de artikelen voor, die er mede gewogen moesten worden, zoo als brood, kaas, varkens-, schapen- of rundvleesch, enz. Aroorts vindt men keukenfornuizen die nog tegenwoordig tot model zouden kunnen strekken, vernuftige toestellen om water te warmen, kook- en braadpannen, strijk- en krulijzers en allerlei andere huishoudelijke voorwerpen, en bovendien sierlijke vazen, bronzen beelden, bijouteriën , cameeën en intaglios. Dagen en weken zou men hier kunnen doorbreugen, maar dan ook tot de geringste bij-

ocr page 202

Het museum van Pompeji. — De Vesuvius. 191

zonderheden de dagelijksche levenswijze leeren kennen van de bevolking, die tweeduizend jaar geleden in deze streken huisde. Een der zalen bevat meer dan drieduizend papyrusrollen, te Herculaneutn gevonden, die verscheidene geleerden steeds bezig zijn te openen en te ontcijferen.

Wij reden naar Kesina, om nog zooveel mogelijk van de laatste uitbarsting van den Vesuvius te zien. Van hier zou men een heerlijk gezicht op de golf hebben, indien dit niet belet wierd door een geheele straat van bouwvallige huisjes, die slechts hier en daar vergunnen door eene opening een blik op de zee te werpen. Het was er overigens zeer levendig door de uitventers van allerlei waren, makers en verkoopers van macaroni, visschers die netten zaten te knoopen of te herstellen, eiu.; iedereen deed iets of nam er althans den schijn van aan, want het was te koud dan dat zelfs de Napelsche lazzaroni zich aan hunne gewone bezigheid van niets doen konden overgeven.

Na eenigen tijd verlieten wij den grooten weg en sloegen dien naar de dorpen Massa en Somna in. Weldra begonnen zich bergen ascia aan beide zijden te vertoonen, herinneringen aan de uitbarstingen van drie jaren te voren. Het duurde niet lang of wij kregen een breeden stroom van lava in 't oog, die uit den krater was gevloeid. Hij scheen telkens op de grilligste wijze en zonder eene begrijpelijke reden van richting veranderd te zijn en dikwijls een huis, waar hij recht op aan kwam, gespaard te hebben, om zich zijwaarts te wenden en een ander te vernielen.

Wij stapten uit liet rijtuig en wandelden over gestolde lavabeddingen waarvan nog rook opsteeg. Als men de bovenkorst wegnam kon men daaronder zicli nog de vingers branden; ja, indien men er diep genoeg in boorde, stuitte men op vuur, sterk genoeg om er op te kunnen koken.

Te Napels teruggekeerd werd besloten den volgenden morgen de reis voort te zetten, doch daar liet weer verbeterde en de wind gunstig werd scheen het nog raadzamer het maar terstond te doen. In den laten avond van 18 December werd dus het anker gelicht en daarop den geheelen nacht tusschen Ischia en het vasteland doorgestoomd. Des middags van den tweeden daaraanvolgende!! dag waren wij bij Corsica, waar wij beschutting tegen het gure weer zochten in de haven van JBastia, die moeielijk is binnen te loopen, en, is men er eenmaal in, dan kan men zich nauwelijks wenden of keeren. Het duurde dus langen tijd eer wij op onze plaats kwamen of liever door allerlei beambten en onderbeambten op onze plaats werden gebracht, niet zonder ruime aanwending van kettingen, kabels, ankers en anderen toestel.

ocr page 203

192 Reizen naar Konstantinopel, enz.

Door ons overhaast vertrek van Napels hadden wij dat allergewichtigste document, den gezondheidspas, vergeten, zoodat het te vreezen was dat wij niet zouden mogen landen, indien wij zelfs niet terug wierden gezonden naar de haven van waar wij kwameu. Gelukkig bleek de chef der geneeskundige dienst een humaan man te ziju ; hij gaf ous verlof om te landen en telegrafeerde inmiddels naar Napels om te vernemen hoe het met de zaak stond. Na het ontbijt maakten wij van die vergunning gebruik en gingen de steile straten of liever trappen op, die van de haven naar het voornaamste gedeelte der stad leiden, waar breede straten en fraaie huizen zijn. Niet zonder moeite kregen wij een rijtuig, waarmede wij een rid langs liet strand deden ; doch de koude was zoo fel (geen wonder op 20 December), dat wij spoedig terugkeerden.

De Engelsche consul kwam bij ons dineeren en verhaalde veel wetenswaardigs omtrent het eiland. Hij had een jaar in de hoofdstad Ajaccio doorgebracht, waar vele vreemdelingen verblijf houden om redenen van gezondheid of om het goedkoope leven. Des winters is het klimaat er goed, doch des zomers loopt men gevaar er de koorts te krijgen, tengevolge van de vele stilstaande wateren in den omtrek. Engelsche bedienden willen er gewoonlijk niet blijven en de inlandsche zijn zeer slecht, doch kosten daarentegen weinig aan loon of onderhoud. De weg van Bastia naar Ajaccio, dien men met rijtuig in twee dagen kan afleggen, moet zeer schoon wezen en wij waren aanvankelijk voornemens dat tochtje eens te doen, doch bij onderzoek vernamen wij dat die weg thans op zeker punt door de sneeuw versperd was en wij een afstand van vier uren te voet zouden moeten afleggen, om aan de andere zijde van het gebergte een nieuw rijtuig te nemen. Hier hadden wij geen lust in. De gerechtshoven ziju te Bastia gevestigd, zoodat daar een aantal rechters en rechtsgeleerden wonen, benevens verscheidene ambtenaren , die een onderprefect aan het hoofd hebben.

Gedurende den nacht waren alle elementen in oproer: het stormde, donderde, weerlichtte, sneeuwde, regende en hagelde. De morgen was grimmig koud en de bergen bij de stad waren alle tot zeer laag met sneeuw bedekt, eene reden van verwondering voor vele inwoners, die dit nog nooit zoo gezien hadden. Eene dienstmeid uit Ajaccio herkomstig, waar het klimaat veel zachter is, begreep er niets van, vooral toen men wat sneeuw op hare hand legde en zij die tusschen bare vingers zag verdwijnen. De Engelsche consul had op dezen dag aan de heeren eene jachtpartij willen aanbieden, maar het weer liet het niet toe ; de zon was heet, doch telkens vielen er zware sneeuwbuien en de wind

ocr page 204

Stiletten. — De vendetta. — Nizza.

blies zoo fel, dat men zich slechts met moeite op de been kon houden. De jachtliefhebbers verloren er veel aan, want deze streek is rijk aan wild gevogelte.

Des middags verbeterde het weer eenigszins en gingen wij met den consul eene wandeling door de stad doen om eenige rariteiten te koo-pen, onder anderen stiletten. Daar het vervaardigen en verkoopen dezer uit de romans zoo bekende dolken verboden is, aangezien de inboorlingen maar al te vlug zijn om er zich van te bedieuen, kostte het uiet weinig moeite om tot een inkoop te geraken. De „vendettaquot; of bloedwraak heerscht op Corsica nog in volle kracht; er zijn weinig familiëu die niet eene veete met eene andere hebben, en alle staan met den dolk gereed. Dezen zelfden morgen hadden wij gezien dat eeuige manschappen op een schip naast het onze een knaap van tien of twaalf jaar plaagden ; plotseling trok het kereltje een stilet, wierp zich op hen en zou een ongeluk aangericht hebben, indien hij niet tijdig door een ander bij de kraag ware gegrepen.

In den avond van 22 December staken wij weer van wal en de volgende morgen was de schoonste die zich liet denken. Lucht en zee waren beide even liefelijk blauw ; de maan stond nog hoog aan den hemel, Corsica en de Italiaansche kust lagen reeds in het verschiet. De bergen werden door het licht der opgaande zon getint, eu telkens deed zich, naar mate wij voortstoomden, een nieuw tafereel aan het oog voor. Slechts met weerzin scheidde men van dit fraaie schouwspel om naar beneden te gaan.

AVij richtten den steven naar Nizza, waar wij tegen den middag aankwamen en onzen weg naar het postkantoor zochten, om weer den altijd welkomen stapel brieven uit het vaderland in ontvangst te nemen. Op de Promenade des Anglais bezichtigden wij de winkels, gevuld met artikelen uit de streken van welke wij juist terugkeerden: moorsche winkels met wapenen, paardentuigen en curiositeiten ; Spaan-sche winkels met mantillas en kanten ; winkels met bronswerken en Grieksche antiquiteiten ; winkels met voorwerpen van barnsteen, or-duurwerken, lampen, karpetten en shawls uit Konstantinopel, Smirna en het verdere Oosten, en vooral bloemenwinkels vol viooltjes, oranjebloesems, heliotropen, mignonnetten en allerlei andere kinderen van Flora.

De zon brandde, ofschoon de wind koud was, en de parasols waren onmisbaar. Tegen den avond gingen wij met den trein naar Monaco, doch stapten bij vergissing aan het station te Monaco zelf at, zoodat wij de stad door moesten wandelen naar Monte Carlo, waar het hotel

13

193

ocr page 205

194 Reizen naar Konstantinopel, enz.

en het Casino zich bevinden. De avond kon niet anders dan sciioon genoemd worden ; de wind was gaan liggen en het was volle maan, zoodat de palmen, de aloës en andere ongemeene gewassen in de tuinen den indruk gaven, dat men zicli in 't Oosten bevond. ATa het diner gingen wij naar de speelzaal, waagden eene kleinigheid, verloren die natuurlijk en vermaakten ons vervolgens met het bestudee-ren der gelaatsuitdrukkingen en manieren van de spelers. Met den trein van half elf 's avonds keerden wij terug en kwamen even over twaalven op het jacht aan.

Wij hadden liet besluit genomen de reis verder over land te vervolgen en dus werd des morgens vroeg onze bagage aan wal gebracht. Het vroor hard, en toch scheen de zou op dat morgenuur met genoeg kracht om hinderlijk te zijn. Ook de wagens van den trein waren aan de zijde waar de zon stond heet. Den 25 December kwamen wij bij zeer koud weer te Parijs aan, doch ofschoon de vorst sterker was dan zij zicii in vele jaren had doen gevoelen, waren de kamers in het Hotel Meurice warm en gezellig, als naar gewoonte. W ij vertoefden thans eenige dagen ter wille van de bezienswaardigheden van Parijs, ontbeten en middagmaalden telkens in een ander koffiehuis of restauratie, zagen eenige der meest beroemde stukken in de schouw-jurgen en kregen ook gelegenheid de nieuwe Opera te bezichtigen, waarvan toenmaals iedereen den mond vol had, maar die nog niet in gebruik was.

In den avond van 1 Januari 1875 vertrokken wij van Parijs raar (Jalais. Er heerschte eene lievige koude en toen wij te Calais kwamen viel er natte sneeuw. Daarop bedekte zich de grond met ijzel, zoodat men bijna geen voet kon verzetten. Alle pakdragers en beambten hadden pantoffels van zelfkant aangetrokken, maar nog met hun bijstand kostte het moeite op de boot te komen. Na een zeer onaangenamen overtocht bereikten wij Dover, en was onze buiteulandsche reis geëindigd. Wij hadden J 3,000 Eugelsche mijlen afgelegd en daartoe juist zes maanden besteed. Het was een zeer aangenaam uitstapje geweest, maar toch was het nog aangenamer weer eens rustig te huis te zitten.

ocr page 206

HOOFDSTUK IV.

De baai van Vigo. — De Spaansche nachtwakers. — De zeven kapellen. — De vischraarkt van Vigo. — Het fort. — Gezicht op de Bayona-eilanden. — De kathedraal. — Redomiela. — De spoovwegviaduct. — Bijzondere manier van rekenen te Vigo. — Moeielijk vertrek uit de ba d van Vigo. — De Guadalquivir. — Cadix. — Loven en bieden met de gezondheidspolicie. - De kathedraal. — Vertrek onder storm naar Sevilië. — De Salinas. — Krabbenpooten. — De sherry. — Sevilië. — De kathedraal.— De schilderijen van Murillo. —De Alcazar. — Het huis van Pilatus. — De muskieten. — De tabaksfabriek. — De tuin van den bertog van Montpensicr. — Terugkeer naar Cadix. — De muziek op de Plaza de Minas. — Gibraltar. — Het kerkhof. —Het slechte water van Vigo.— Bruinvisschen en vliegende vissohen. — Dt «loodsmannetjes.quot; — Gevaar voor aanzeiling. — Almeria. — Een winkel op zee.

De tocht van 1874 was cms zoo goed bevallen, dat wij in liet laatst vau 1878 besloten dien voor een goed deel te herhalen. Vrijdag 20 September van dat jaar liepen wij weer uit, en in den avond van den 24-sten kregen wij de lichten van Goruüa in 't gezicht, onder zulke hevige windvlagen, dat het slingeren van 't schip bijna niet veroorloofde op de been te blijven. Wij deden echter die haven niet aan, maar zetten de reis voorten zagen in den namiddag van den volgenden dag de Bayona-eilanden aan deu ingang der schoone baai van A'igo, steile rotsen op wier hoogste punt een vuurtoren prijkt. Na zonsondergang werd het mistig en konden wij slechts langzaam de baai instoomen, terwijl men bovendien op zijne hoede moest zijn tegen aanvaringen met de honderden visschersbooten die de zee bedekten. Het hielp eenigzins dat zij allen groote toortsen op den boeg voerden, zoowel om den visch door het licht aan te trekken als om de plaats kenbaar te maken waar zij zich bevonden, üe geuren, die van het land tot ons overkwamen, waren bijna even sterk en aangenaam als die van de Specerij-eilanden in het Oosten. Men vergat de kwelling van een paar dagen slecht weer op zee, toen men aldus eene besloten haven als 't ware binnengleed en wederom het gedruisch van het leven aan den wal hoorde.

ocr page 207

496 Reizen naar Konsfantinopel, enz.

De klok der kathedraal sloeg juist acht ure toen wij het anker lieten vallen en gedurende den heelen nacht hoorden wij de nachtwakers volgens Spaansch gebruik liet uur en den staat van liet weer uitroepen, eene zeer doelmatige instelling om dieven tijdig te waarschuwen en hun de gelegenheid te geven zich uit de voeten te maken.

Het was een fraai schouwspel, dat zich den volgenden morgen aan ons oog voordeed. De omliggende bergen zijn alle tot den rand van het water met wijngaarden en maïs-aanplantingen bezet. Op zeven dei-meest in 'quot;t oog loopende bergen zagen wij witte kapellen, volgens het volksverhaal door zeven zusters gebouwd, die er een aan godvruchtige oefeningen gewijd leven leidden. Elke kapel wordt thans bewoond door een hermiet en strekt tot doelwit van scharen pelgrims, die uit alle streken van Spanje derwaarts komen.

Tegen den middag gingen wij aan wal en brachten een bezoek aan de schilderachtige, maar al te sterk riekende vischmarkt. De booten worden op het strand getrokken tegenover een galerij van lage bogen en de tusschenruimte is gevuld met eene bewegelijke, kakelende menigte, allen in de levendigste kleuren gekleed. Van daar begaven wij ons naar het nieuwe gedeelte der stad en stapten aan het Hotel de l'Europe af, dat gehouden werd door een Engelsch-sprekenden Zweed met zijne Fransch-sprekende vrouw.

Vigo is gebouwd tegen een steilen berg, gekroond met een fort, en doet zich, van uit zee gezien, pittoresk en indrukwekkend voor, doch de straten zijn nauw en morsig.

Na in het hotel ontbeten te hebben, reden wij de baai rond en vervolgens den berg op naar het fort, van waar men een fraai gezicht had op de stad en over de baai, welke, in twee armen verdeeld, zeer ver het land inloopt. Aan haar ingang staken de Bayona-eilandeu purperkleurig tegen de lucht af, die aan de ondergaande zon een gouden gloed ontleende, terwijl de zee, eveneens als van gesmolten goud, met honderden zwarte visschersbooten bezaaid was.

In de stad teruggekeerd hadden wij nog gelegenheid de kathedraal te bezichtigen, die zich juist bij het schemerlicht ten gunstigste in hare vormen voordeed. De geheimzinnige indruk werd verhoogd door de lampjes die als glimwormen tusschen de kolommen glinsterden en de kerkbezoekers te nauwernood zichtbaar maakten. Daar buiten genoot bijna de geheele bevolking de koelte van den avond op de alameda, het groote stadsplein.

Den dag daarna deden wij met de zeilsloep een tochtje naar Redondela, een stadje, schilderachtig gelegen aan een riviertje van denzelfden naam,

ocr page 208

Rekenkunst te Vigo. 197

dat zich in een van de talrijke inhammen der baai uitstort. Het weer was wel heet, maar toch aangenaam, en nu en dan stak een koeltje op, dat onze zeilen deed zwellen. Elk punt, dat wij voorbij voeren, leverde een nieuw en schoon gezicht op. Het quarantaine-eiland en liet lazaret, beide heerlijk gelegen, zagen wij slechts uit de verte. Op een bekoorlijk plaatsje, in de schaduw van over liet water hangende boomen, hielden wij stil om te ontbijten, terwijl boerenmeisjes aan den wal ons met hare zwarte oogen schuw docli uieuws^ierir; cradesloegen.

O O O O O

Bij Eedondela gaat een spoorweg over het dal door middel van een viaduct, die een meesterstuk van ingenieurskunst is. Aan het station, dat hier dicht bij ligt, stond een rijtuig met twee kleine paardjes, vooraf besteld om ons naar Vigo terug te brengen. De weg over de hoogten is zeer fraai, vooral zoo als wij dien zagen iu het licht fier namiddagzon, toen de boomen lange purperen schaduwen wierpen. Vele bont gekleede boeren en boerinnen kwamen ons tegen, die van de markt terugkeerden en zeer opgeruimd schenen, zoodat verscheidene zelfs zongen en dansten op liet maatgeluid der tamboerijn, door een hunner geslagen. Te Vigo ligt het spoorwegstation juist aan den ingang der stad en ofschoon het ten tijde van onze aanwezigheid reeds twee jaren bestond, scheen het nog altijd een voorwerp van bewondering en verwondering voor de inwoners, die er bij voorkeur hunne avondwandeling lieenrichtten om een trein en vooral eene locomotief te zien.

In den namiddag van den 28sten wilden wij vertrekken. Wij rekenden dus af met degenen die nog iets van ons te vorderen iiadden, doch dit was eene zeer lastige taak, daar allen schenen afgesproken te hebben om de waarde van elk geleverd artikel of eiken bewezèn dienst, hoe gering ook, op ééne vaste som te taxeeren, namelijk een pond sterling, 't geen zeker zeer gemakkelijk zou geweest zijn voor het optellen. Zoo werd voor een rijtuig gedurende vier uren, een rijtuig gedurende één uur, eene boot die wij een dag in gebruik hadden gehad, een maaltijd dien wij niet hadden besteld, een gids wiens bijstand geen penning waard was geweest, al te maal een pond sterling in rekening gebracht, zoodat deze regeling van zaken niet zonder onaangenaamheden atiiep.

Tegen 4 ure stak een windje op, waardoor wij langzaam, tusschen de vissehersbooten heen, de baai uit konden komen. Prachtige tinten bij den ondergang der zon volgden op het schitterend daglicht en steeds donkerder werden de purperen schaduwen op de gebergten en de LSayona-eilanden, tot dat de maan opging en de toortsen der visschers weer

ocr page 209

W

JB

198 Reizen naar Konstantmopel, enz.

outstokeu werden. Ten 10 ure moest stoom gemaakt worden, ten eiude tusschen de engten door te sturen. Te middernacht kwam een zware mist op, zoodat liet jacht den geheelen nacht zijne stoomfluit en misthoorns moest doen hooren. Mist, die zulk een groot gevaar voor aanzeiling doet ontstaan, behoort tot het gevaarlijkste wat men op zee kan ondervinden. Meer dan eens hebben wij dat gevaar geloopen, doch zijn er altijd gelukkig afgekomen. De morgen was nog dampig, maar weldra brak de zou door en volgde er een lieete dag, terwijl het den dag daarna, bij meer opgestoken wind, zoo koud was dat men zich in plaids moest wikkelen.

fn den namiddag van 2 October kregen wij den grooten vuurtoren aan de monding der Guadalquivir in het gezicht. Aanvankelijk waren wij voornemens die rivier op te stevenen tot aau Sevilië, doch bij nader overleg werd het beter geoordeeld naar Cadix koers te zetten en ons dan van daar per spoor naar Sevilië te begeven.

Den volgenden ochtend teu 6 ure kregen wij Cadix in het oog. Het was een schoon gezicht op die sneeuwwitte stad met haar moorsch karakter, maar toen de zou hooger rees en het licht in kracht toenam werd het al te oogverblindend. De sterke wind klom allengs tot een storm en de talrijke visschersbooten, die iu de baai op en neer voeren, waren genoodzaakt de wijk naar het land te nemen, om daar beschutting te zoeken.

15

K

m

j*-

ng

®'6r

•IL

Wij hadden geen gezondheidspas van Vigo medegebracht, omdat „Tomquot;, de doctor en de stuurman ieder op zijne beurt dachten dat de andere daarvoor gezorgd had. Eenigen der bemanning werden dus met eeue boot naar den wal gezonden, om met het hoofd der gezond-heidspolicie te onderhandelen, doch ontmoetten halverwege de quaran-taineboot. De ambtenaren maakten eeue groote beweging over de quarantaine. Eerst zeiden zij, dat wij in 't geheel niet aan wal mociiten komen; daarop wilden zij het ons vergunnen, mits wij verklaarden dat wij niet voor ons genoegen Cadix hadden aangedaan, maar het weer ons genoodzaakt had er biunen te loopen; en eindelijk beloofden zij, dat zij deu gouverneur en den eersten doctor zouden gaan spreken en wij dan wel over een uurtje zouden mogen landon. Wij haalden hen over ons iu dien tusschentijd wat versche provisiën te doen bezorgen, daar wij slechts voor twee dagen voorzien waren geweest en nu gebrek begonnen te krijgen.

Omstreeks half li mochten wij aan land komen en ontscheepten ons aau de oude waterpoort bij de vischmarkt, waar wij eeu rijtuig en eeu wegwijzer namen. De hitte was drukkend, zeer verschillend van

m

l'Bi

!f Ü

ocr page 210

Zoutpannen. — Krabbenpooten. — Seville. 199

Vigo. Het eerst gingen wij de moderne kathedraal zien, waaraan koningin Isabella een prachtig gehemelte van Carrarisch marmer en een verguld altaar ten geschenke gegeven heeft. Vervolgens wilden wij een ridje rondom de stad doen, maar het was zoo heet, het woei zoo sterk en er dwarrelde zooveel stof op, dat wij liever naar de ï F oud a de Parisquot; (het Parijsche koffiehuis) gingen, om de Engelscoe courauten te lezen. .Met den trein van kwart voor vieren vertrokken wij naar Sevilië, onder een zoo hevigen storm, dat de weinige hoornen er vau kraakten. Op de landtong, die Cadix met het vasteland verbindt, zagen wij slechts enkele muilezeldrijvers, die van de markt terugkeerden en met gebogen hoofd, waar zij den hoed op vastgebonden hadden, tegen den wind inliepen. Verderop kwamen wij aan de Salinas of zoutpannen, waar men het zout verkrijgt door zeewater te laten uitdampen ; het wordt dan op groote hoopen gestapeld, die bij maanlicht een spookachtig voorkomen aan het landschap geven. Een blik uit de portieren was voldoende om aan het drooge, dorstige, verbrande voorkomen van het land te doen zien, dat wij in Spanje waren. Thans vooral was alles bovenmate dor, want het had in geen maanden geregend.

In de zoute poelen dezer streken wemelt het van eene soort van krabben, wier achterpooten als eene groote lekkernij beschouwd worden. Men trekt die pooten uit het lichaam van het levende dier, dat dan vrijgelaten wordt en weer nieuwe pooten krijgt, zoodat men op deze wijze den voorraad altijd gaande houdt. Aan de stations worden deze krabbenpooten in belangrijke hoeveelheden te koop aangeboden.

Voorbij Puerto Santa Maria reden wij door een district, waar op groote schaal de druiven geteeld worden, uit welke men de sherry of Xerez-wijn verkrijgt. De wijngaarden maakten weinig vertoon, doch strekken zich mijlen ver over het gebergte uit, en midden in eiken wijngaard staat een wachthuisje. Te Xerez hield de trein een tijdlang stil en stapten de meeste passagiers uit, om sherry van het vat te drinken. Wij deden dat ook en vonden den wijn zeer smakelijk, zonder dat er alcohol in te bespeuren was.

Na ruim vijf uur sporens kwamen wij 's avonds ten 9 ure te Sevilië, waar wij in het Hotel de Paris afstapten. Den volgenden morgen bezochten wij de beroemde kathedraal en beklommen den niet minder beroemden toren, die als de Giralda bekend is. Eerst wandelden wij het onvergelijkelijke gebouw door en bewonderden den grootschen aanleg en de schoone evenredigheden, en daarna werden wij door den bewaarder rondgeleid om de kapellen en de schilderijen te zien, die noch talrijk noch belangrijk zijn. Het is het geheel, dat zulk een diepen indruk

ocr page 211

200 Reizen naar Konstantinopel, enz.

op den beschouwer maakt. De beschilderde gothieke bogen, de ontzagwekkende hoogte, de uitstekende vereeniging van bevallige vormen en grootsche gedachten, dit alles gezien bij het licht dat enkel door geschilderde glazen binnenvalt (want in de geheele kathedraal vindt men geen venster van ongekleurd glas) levert een schouwspel op, dat door niets ter wereld geëvenaard wordt. De naam van den ontwerper van dit trotsche gebouw is onbekend; hij werkte ter eere van God en uit liefde voor zijne kunst, maar niet om bij de menschen roem te behalen, ofschoon nu de roem van dien onbekende jaarlijks door duizenden verkondigd wordt. Het gezicht uit dit statige gothieke gebouw op het moorsche voorplein met zijne marmeren fontein, zijne oranjeboomen en zijne bogen in den bekenden moorschen hoefijzervorm is even fraai als vreemd, en uit verschillende hoeken der kerk heeft men nog zulke gezichten, die in ongewoonheid, maar ook in schilderachtigheid met elkander wedijveren. Van buiten vertoont de kathedraal eene opeen-hooping van deelen uit allerlei tijdperken en in allerlei bouwstijlen, sommige zeer leelijk, andere bijzonder schoon.

Van de kathedraal begaven wij ons naar het liefdadig gesticht la Caridad, om Murillo's twee beroemde schilderijen „Mozes het water uit de rots slaandequot; en «het wonder der broodeu en visschenquot; te zien. Zij behooren tot de schoonste werken van dien vermaarden schilder. In het museum zagen wij 24 stukken van zijne hand, ook zeer schoon, doch minder indruk makende, omdat zij op eene rij tegen een hoogen gewitten muur geplaatst zijn en ten overvloede een slecht licht hebben.

Het volgende gebouw dat wij bezochten was de Alcazar, die prachtig gerestaureerd is in den moorschen stijl. De fijn uitgehouwen arabesken, de marmeren kolommen, de binnenpleinen met hunne fonteinen en tuinen, de schitterend gekleurde tegels getuigen hoe prachtig oorspronkelijk de aanleg is geweest. Eenige kamers had koningin Isabella in gebruik gehad en waren dienovereenkomstig gemeubeld, doch de met satijn bekleede vergulde stoelen en de ingelegde meubelen schenen misplaatst op de met roede tegels belegde vloeren en de met gekleurde tegels bekleede muren. De stoelen, die met Turksche stollen of met grauw linnen overtrokken waren, deden zich in die omgeving veel beter voor. Het zoogenaamde bad van Maria de Padilla en de fontein van Pedro II waren in dit heete seisoen geheel uitgedroogd.

Vermoeid van al wat wij gezien hadden en uitgeput van de warm te kwamen wij in ons hotel terug, maar des avonds deden wij een rij-toertje voorbij den Gouden Toren (waar in vroeger tijd het goud uit Amerika ontscheept werd) naar de voorstad Triana, het hoofd-

ocr page 212

Het huis van Pilatus — D« tabaksfabriek. 201

kwartier der heidens, waar de bewoners pratende , lachende en zingende voor hunne deuren de koelte zaten te genieten, allen met bloemen in bet haar, hoe haveloos overigens hunne kleeding ware.

Den volgenden morgen zeer vroeg, voordat de daghitte zich deed gevoelen, begaven wij ons naar het zoogenaamde huis van Pilatus, aldus genoemd omdat een hertog van Medina Celi in de dertiende eeuw, na zijne terugkomst van een kruistocht, het zoo als het heet iieeft doen bouwen naar het model van het huis van Pontius Pilatus te Jeruzalem.

Men laat daar dan de plaats zien waar de haan kraaide en het balkon van waar Pilatus Jezus aan het vergaderde volk toonde. Het is een fraai staaltje van moorschen bouwtrant en na de kathedraal het meest bezienswaardige gebouw van Sevilië. Het gezicht dat men door de moorsche bogen op den tuin heeft is betooverend schoon. He'; gebouw, nooit beschadigd, heeft nooit gerestaureerd behoeven te worden, en de tuinen en pleinen zijn veel beter onderhouden en de tegels veel fijner dan in den Alcazar. Zulk eene diepte, zulk eene doorschijnendheid, zulk eene helderheid van kleur als bij deze tegels heb ik nooit gezien; het was als of men er diep iu zag. Midden in den tuin stond eene soort van prieel, waaronder een marmeren fontein klaterde, in wier bekken goudvisschen tusschen waterleliën heen en weer schoten. Men had hier uren kunnen zitten luisteren naar de fontein, zonder door een enkelen zonnestraal gehinderd te worden. Des avonds echter, hoe liefelijk het hier zijn moge, zou men onvermijdelijk door de muskieten verdreven worden, want daarvan wemelt het hier. In weerwil van muskietennetten en alle andere voorzorgen kon ik 's morgens mijne oogen bijna niet opendoen en waren mijne vingers stijf en gezwollen van de beten dier afgrijselijke insecten.

Later op den dag gingen wij de vermaarde tabaksfabriek bezichtigen, waar 5000 vrouwen en meisjes werkzaam zijn. Het was een merkwaardig schouwspel, die alle met het rollen van sigaren bezig te zien aan honderden tafeltjes, elk met vijf of zes vrouwen, in eene onafzien -bare zaal, wier zoldering door kolossale vierkante pijlers gedragen wordt. Zij schenen alle nog al dartel, zoodat zij onder toezicht stonden van een aantal matronen, die tusschen de tafeltjes patrouilleerden, om te zorgen dat er niet te veel gepraat en gedruisch gemaakt werd. De vrouwen ontdoen zich van hare overkleederen, wanneer zij in de fabriek komen, en werken in een zeer luchtig costuum. Vele brengen hare zuigeliugen mede, doch ofschoon deze kleine wereldburgers in wiegen en kinderstoelen vrij talrijk waren, hoorde ik geen geschreeuw. Andere laten zich door katten en honden vergezellen, die geduldig in

ocr page 213

202 Reizen naar Konstantinopel, enz.

de ledige tabaksmaudeu liggeu te wachten , tot humie meesteressen weer lieeugaau. Het werk wordt bij liet stuk betaald en op dien grondslag wisselt het loon eener werkster, naar mate van hare bekwaam-heif], van 30 cents tot f 3,50 per dag af. Na gerold te zijn, worden de sigaren in open bakken in lokalen boven en beneden de werkzaal gedroogd.

Hier en op vele andere plaatsen zagen wij roodvoetige patrijzen hangen in kooitjes, zoo klein dat de diereu er zich te nauwernood in konden omkeeren. Op onze vragen vernamen wij, dat zij in strikken gevangen waren, nu gedresseerd werden om tot lokvogels te dienen, en, wanneer zij goed geleerd zijn, verbazend duur worden betaald.

Na ons bezoek in de tabaksfabriek trachtten wij het paleis van den hertog van Montpensier te zien, doch werden afgewezen, omdat men den hertog zelf verwachtte en alles in de weer was om toebereidselen tot zijne ontvangst te maken. De concierge gaf echter een kleinen jongen mede, oin ons den zeer uitgestrekten tuin te laten zien, die in den Engelschen smaak is aangelegd, doch met toevoeging van tropische gewassen en geboomten, hetwelk een zeer schoon effect maakt. In alle hoeken stonden hokken met dieren, zoo als pauwen, duiven, hoenders, papegaaien, koeien, herten, enz.

Des avonds keerden wij met den trein van half 7 naar Cadix terug, waar wij ten 11 ure op het jacht aankwamen en bevonden dat de wind eindelijk was gaan liggen. De volgende dag was Zondag en daar de militaire muziek des middags op de Plaza de Minas zou spelen, gingen wij daarheen. Wij vonden een fraai park, bezet met welriekende of veelkleurige gewassen en heesters. Mooie Spaansche meisjes met de bekende nationale inantilles en waaiers waren in grooten getale aanwezig, maar evenzeer de leelijke Spaansche dandies, met groo-te sigaren in den mond en hooge smalle hoeden op het hoofd.

Op den middag van 7 October verlieten wij de baai en liepen een oogenblik groot gevaar op de Varkens te geraken, gevaarlijke klippen aan den ingang, die haar naam ontvangen hebben naar hare vermeende gelijkenis met varkensruggen. Met eene frissche koelte stevenden wij weldra door de baai van Trafalgar en te middernacht passeerden wij kaap Tarifa en liepen de straat van Gibraltar binnen, waarna het nog slechts weinig tijds duurde of wij lieten het anker te Gibraltar zelf vallen.

Wij gingen spoedig aan wal en brachten onder anderen een bezoek aan het kerkhof, waar een lieve vriend van ons begraven lag. Op deze stille plek liggen Joden, Mohammedanen, Katholieken en Protestanten

ocr page 214

Bruinvisschen en vliegende visschen. 203

naast elkander, terwijl alleen een licht ijzeren hekje eene sclieiding tusschen de graven maakt. Is men eenmaal hier binnen, dan is men geheel door boomen en heesters van de buitenwereld afgezonderd en ziet men er niets van dan de oude beroemde rots van Gibraltar, die boven alles uitsteekt, en de Spaansche gebergten, die zich in 't verre verschiet uitstrekken. Hier en daar heeft men op ee.ue open plek een gezicht op de zee, of ontwaart men de masten der schepen die voor anker liggen of ver weg zeilen.

In den laatsten tijd hadden wij veel zieken onder de bemanning van ons jacht gehad en eerst heden vernamen wij dat het water te quot;Vigo (waar wij onzen laatsten voorraad hadden ingenomen) zoo slecht is, twee putten uitgezonderd, dat de Engelsche regeering aan hare vloten in den Atlantischeu Oceaan en de Middellandsche Zee verboden heeft het daar in te nemen. Een betrekkelijk klein Engelsch oorlogschip had eenigen tijd te voren zeventien man aan typheuse koortsen ziek gehad, en met zekerheid had men kunnen nagaan dat dit aan het water van Yigo te wijten was geweest.

Wij hielden ons niet lang te Gibraltar op en den 11 October trachtten wij 's morgens vroeg te vertrekken met behulp van de zeilen, doch er was geen tochtje en bijna machteloos dreven wij nu eens vooruit, dan weer eens achteruit. Terwijl wij aldus werden opgehouden, zagen wij ons omringd door eeue school bruinvisschen, die aan de oppervlakte der zee spelende telkens uit het water sprongen en dan weer onderdoken. Plotseling ontstond er eeue groote beweging onder hen; zij schoten heen eu weer, sloegen het water met hunne staarten en verkeerden in de grootste opgewondenheid. Uit hun midden rees op het onverwachtst een zwerm vliegende visschen op, elk drie of vier voet lang, die na vier of vijf voet hoog in de lucht gesprongen te zijn, in de geopende bekken der bruinvisschen terugvielen. Dit tooueel hield eenigen tijd aan eu werd telkens op verschillende punten der baai gezien, daar de slachtoffers en hunne vijanden voorwaarts en achterwaarts zwommen, terwijl de zeemeeuwen krijschend rondvlogen, om op alles neer te schieten wat voor haar zou overblijven. Het scheen dat de vliegende visschen van beneden opgejaagd waren door haaien, maar zich daardoor plotseling te midden van andere vijanden bevonden hadden, aan welke zij niet konden ontsnappen door de meeuwen, die over de zee zweefden, zoodat er nergens uitkomst voor hen was.

Tegen den avond waren wij eindelijk de baai uitgedreven en begonnen wij de zuidelijke kust van Spanje te volgen, waar wij tegen den avond van den volgenden dag het vuur op kaap Sacratif bij het stadje Motril

ocr page 215

204 Reizen naar Konstantinopel, enz.

iu 'toog kregen. Van den vroegen morgen af waren acht visschen van de soort die men uloodsmaunetjesquot; noemt ons schip vooruit gezwommen, nu eens vlug, dan eens langzaam, naar mate de wind sterker of zwakker was. Zij lieten zich bijna door den boeg van het schip aanraken en schoten dan pijlsnel vooruit. De zeelieden houden het er voor, dat zij een schip komen waarschuwen dat er gevaar is of dat er haaien in den omtrek zijn. Dit laatste niet onwaarschijnlijk achtende, lieten wij een ijzeren haak en ketting voor die vischvangst gereed leggen, doch geen haai vertoonde zich.

Den geheelen dag hadden wij ons te midden van een aantal vaartuigen bevonden, stoom- en zeilschepen. Van de eerste waren verscheidene ons vooruitgestevend en van de laatste hadden wij er vele achter ons gelaten. Maar tegen zonsondergang zagen wij ons nog door een geheelen zwerm schepen omringd, die alle zeilen hadden opgezet, en toen het donker werd schitterden aan alle zijden hunne groene en roode lichten als glimwormpjes.

Wij lagen reeds te kooi en waren in diepen slaap, toen de heer Bingham, een onzer medereizigers, aan onze deur klopte met de boodschap, dat de stuurman oïomquot; wenschte te spreken. Dit was om ons niet te verschrikken, want in waarheid bestond er gevaar voor aanzeiling met een ander schip en de stuurman zag geen kans die te vermijden. Doordien er volslagen windstilte heerschte, had ik geen denkbeeld van senig gevaar eu maakte ik mij dan ook niet ongerust, vóór ik den stuurman hoorde zeggen: «Het schip kan niet wenden en zal op ons inloopen.quot; Met eenige sprongen was ik op het dek en zag ik den zwarten romp eener bark, die langzaam naar ons toekwam. Daar er geen wind was, waren wij beide hulpeloos en scheen niets ons te kunnen redden. Of men voor- of achteruit trachtte te werken, het was alsof e.i eene geheimzinnige aantrekkingskracht tusschen de beide vaartuigen bestond, die ze langzaam maar zeker naar elkander voerde, terwijl zij met de hooge golven rezen of daalden. Doch na een half uur, in spanning doorgebracht, stak er een windje op eu gelukte het ons iets achteruit te gaan, waarop de bark voor onzen boeg passeerde.

Den volgenden morgen vroeg ik aan het ontbijt wat er gebeurd zou zijn, als wij werkelijk met dat schip in botsing waren gekomen.

«Welquot;, was het antwoord van Tom, «wij zouden er tegen verbrijzeld zijn of wel zoo lang tegen elkander op en neer geschuurd hebben, tot dat wij naar den kelder waren gegaan. Wij hadden allen aan boord der bark moeten overspringen en zouden door haar meêgenomen zijn naar de haven waarheen zij tuestemd was of waar zij ons had kunnen afzetten.quot;

ocr page 216

Ëen winkel op zee. 205

Dezen morgen ten 6 ure bevonden wij ons bij Almeria, eene groote stad aan de baai van denzelfden naam bij eene weelderige vlakte. De witte huizen, met den gevel naar de zee, deden zich als paleizen voor, en het oude grauwe moorsche kasteel met zijne zware muren, omringd door oranjeboschjes, verhoogde het schilderachtige voorkomen der plaats.

Ten 8 ure stak een fnsch koeltje op eu omstreeks 10 ure waren wij bij kaap Agaat, aldus genoemd naar het gebergte, waarin dergelijk gesteente gevonden wordt. Een vijftal Engelsche mijlen van die kaap werden wij gepraaid door eeu zeilbootje met zes man, die ons tot onze verbazing druiven, meloenen, granaatappelen enz. te koop aanboden, waarvan wij gaarne gebruik maakten. Omgekeerd vroegen zij scheepsbeschuit en tabak en sommige onzer matrozen deden, geloof ik, veel beter zaken met die ruilmiddelen dan wij met ons geld. Maar in ieder geval vonden wij het denkbeeld om zulk een zeewinkel op te zetten recht origineel.

ocr page 217

HOOFDSTUK V.

Oran. — Een Arabisch feest. — Zandstorm in de woestijn. — De sirocco. — Vogels aan boord. — Cagliari.—De zouthandel.—De straten. — üe kleederdrachten. — Het museum. — De ronde torens. — Milis, het aardsche paradijs. — Het oranjewoud. — Vermakelijkheden te Cagliari. — Het amphitheater. — Napels. — Pompeji en de opgravingen. — Panorama te Vietri. — Palermo. — Vroolijke roovers. — De tempels van Paestum. — Tocht naar den krater van den Vesuvius. — De seismograaf of aardbeving-meter. — Gevaarlijke overtocht naar Capri. — De stad Cipri. — De sprong van Tiberius. — Panorama van dat punt. — De tarantella. — De rotstrap. — Vreeselijk stormweer.

De tegenwind waarmede wij bestendig te kampen hadden, bewoog ons den steven naar Oran in Algerië te wenden, maar naauwelijks hadden wij den koers veranderd of de wind ging geheel liggen. Er moest dus stoom gemaakt worden, twee ureu later kregen wij een loods aan boord en tegen den avond wierpen wij in de goed beschutte haven van Oran het anker.

De stad, die op de helling van een berg ligt, is achtereenvolgens door de Mooren, de Spanjaarden en de l'ranschen versterkt en twee forten, op hoogten gelegen, bewaken scherp den ingang tot de haven. De avond viel spoedig na onze aankomst, doch de welwillende havenmeester aarzelde niet ous verlof te geven om aan land te gaan. Hij had van de hoogte de nadering van het jacht gezien en zich liaar de haven gespoed om ons van dienst te zijn. Wij konden dus landen en begaven ons langs een weg tusschen tuinen, waar de geur der bloemen bijna bedwelmend was, naar het Hotel de la Paix, en hadden daar het gezicht op een plein met palmboomen waar Mooren, Arabieren, negers en zouaven in de meest pittoreske groepen neerzaten. Er werd een Arabisch feest gevierd met zijne gewone begeleiding van eentoo-nige muziek en spookachtige optochten. De dansers in witte gewaden, hoepels zwaaiende waarop kaarsen gestoken waren, draaiden langzaam rond op de maat van doffe trommen en schelle fluiten. Een tochtje den volgenden dag buiten de poorten bracht ons in eene vruchtbare vallei, waar elke tuin in een bloemendos prijkte en bezet was met

ocr page 218

Üran. — De sirocco. 207

boomeu wier takkeu ouder liet gewicht der vruchten bogeu. üe verdeeling van het water is door de Mooren met zulk eene juistheid geregeld dat niemand te veel of te weinig krijgt en er geen droppel verspild wordt. Hieraan is dan ook de vruchtbaarheid dezer streek te danken; verder op achter de stad, naar het Atlas-gebergte toe, is het land dor en verschroeid.

Oran heeft 40,000 inwoners en bezit een aantal zeer goede en tevens goedkoope koffiehuizen en logementen. ïlemcen, 120 kilometers van hier, is eene groote stad omringd door prachtige wouden die uitmuntend timmerhout opleveren, niet ver van de woestijn aan de eene en Marokko aan do andere zijde. Van Oran kan men zich ook naar Mansourah begeven, eene vervallen moorsche stad met groeven van albast en onyx, waaruit de zware kolommen der nieuwe Opera van Parijs herkomstig zijn. De spoorweg naar Algiers is voltooid, zoodat men die stad in 14 uren bereiken kan, tenzij men zich onderweg te Orleans-villa, Belizane of Blidah, al welke plaatsen van belang zijn, wil ophouden.

Wij keerden naar het jacht terug, omdat de wind intusschen gunstig was geworden, en staken in zee, maar nauwelijks waren wij eeni-gen tijd onder zeil of de wind ging weer liggen en er moest stoom gemaakt worden. Zoo ging het bij afwisseling. Den geheelen daff bleven wij bij de kust en konden wij het Atlas-gebergte zien. Opmerkelijk was de zonsondergang; de lucht in 't zuiden was van eene zandkleur, waar grauwe wolken vóór dreven. Wij hielden het voor een geweldigen zandstorm in de Sahara, die de wolken voor zich uit joeg. Den volgenden dag woei de bekende heete wind, de sirocco, die wolken zand medevoerde en op het dek uitstortte, en telken male als die wind met nieuwe kracht opstak was het als of de deur van een oven openging en een stroom verzengende lucht uitliet. Iedereen gevoelde zich van geest- en lichaamskracht beroofd. Zonder twijfel stond deze stoornis in de atmospheer in verband met den grooten zandstorm in de woestijn, dien wij den vorigen dag hadden waargenomen.

Er waren ontelbare hoeveelheden vogels aan boord gekomen, die de felheid van den wind zonder twijfel van de kust had weggewaaid: mus-schen zonder tal, vier groote havikken, een uil, een roodborstje en zeer vele andere. Geheel uitgeput lagen er een aantal hijgende op het dek. Ik had gewenscht hun begrijpelijk te kunnen maken dat zij eten en drinken zouden krijgen en weer vrij gelaten zouden worden als wij land naderden ; maar de meeste waren te bang om te eten, behalve de musscheu, die hunne gewone vrijmoedigheid behouden hadden en zich volkomen op hun gemak schenen te gevoelen

ocr page 219

'208 Reizen naar Kon.stantinopel, eni.

Den 19 October 's morgens kregen wij kaap Spartivento, de zuidelijkste punt van het eiland Sardinië, in het gezicht en namen op elke rotspunt, die eene noemenswaardige hoogte had, een ronden toren waar, veel gelijkende op de raadselachtige oude torens die men ook hier en daar op de kusten van Ierland vindt. Ten half 11 liepen wij de baai van Cagliari binnen, door bergen omringd die vervallen kasteden dragen en aan den voet schilderachtige dorpjes hebben. Terwijl de doctor zich roet den hofmeester naar den wal begaf ter zake van den gezondheidspas, onthaalden wij ons zeiven op heerlijke drui-veu, die uit de booten, welke ons schip omringden, voor een stuiver het pond verkocht werden. Een ridje, dat wij daarna aan land wilden maken, moest uitgesteld worden, omdat er in de stad slechts twee huurrijtuigen waren, beide aan denzelfden man behoorende die ook eigenaar van twee lijkwagens was, en al die vier voertuigen waren op dit oogenblik in gebruik.

Zout, door uitdamping verkregen, is hier het voorname artikel van uitvoer. De wijze van verzending zagen wij eenigen tijd aan. Twee mannen in eene boot schepten het zout in manden, die dan door een derden opgetild werden naar eene loopplank langs het schip, van waar een vierde ze toereikte aan een vijfde op de verschansing, die den inhoud in het ruim uitstortte en de manden weer in de boot wierp, 'tgeen alles met een ongeloofelijke snelheid werd volbracht.

De straten van Cagliari zijn zeer nauw en steil en bestaan ten deele nit trappen. Elk venster heeft zijn balkon, soms nog van oud Spaansch ijzerwerk en elk balkon is met bloemen bezet, doch tusschen die balkons waren touwen gespannen, waarop kleedingstukken te droogen hingen. Wij stegen altijd hooger, voorbij middeneeuwsche torens en muren, tot dat wij uitkwamen op de plaats van den ouden wal, 'hans in eene wandeling veranderd, van waar men een uitgestrekt gezicht over land en zee geniet. Op deze hoogte boven de stad bevinden zich verscheidene dergelijke wandelplaatsen. Hier vindt men de kathedraal, de citadel, het paleis van den aartsbisschop en dat van den gouverneur, rondom welken verder de voornaamste huizen geschaard zijn. Naar mate men dus lager afdaalt komt men lager op de maatschappelijke ladder, tot dat men eindelijk aan den waterkant de woningen der armste inwoners aantreft. •

Men had ons gezegd dat wij in het hotel niet veel gemak zouden ondervinden en werden dus aangenaam verrast toen men ons eene kleine maar nette eetzaal binnenleidde, met bloemen en spiegels versierd, terwijl de vlugheid en beleefdheid der kelners niets te wenschen

ocr page 220

De Sardiniërs.

overliet. Zij spraken eene soort van patois, dat onmogelijk te verstaan was, en verstonden ook ons niet, maar wisten liet toch zoo aan te leggen dat zij alles brachten wat wij wenschten, zoodat wij geen reden van klagen hadden. Er zaten veel Italiaansche officieren aan, omdat hier een sterk garnizoen ligt. Na het diner gingen wij eene steile, morsige straat af naar het postkantoor en bleven onder weg meer dan eens staan om naar de muziek te luisteren, die in onderscheiden huizen gemaakt werd.

De Sardiniërs vertoonen in voorkomen en kleediug de sporen van een gemengden oorsprong. De mannen zien er als Grieken van den tegenwoordigen tijd uit en kleeden zich als zoodanig, terwijl de vrouwen de Spaansche dracht volgen. De dames dragen meerendeels de Spaan-sche mantilla, en onder de drachten der boerinnen zijn zeer schoone en kostbare. Hare sieraden, van massief goud gemaakt, zijn bezet met kleine paarlen of granaten en munten dikwijls door smaakvol fatsoen uit. Bij de mannen zijn hemds- en manchetknoopen in zwang, alsmede groote vestknoopen van gewerkt goud of zilver met granaten, en bij de vrouwen zeer groote oorhangers met paarlen, ringen, haarnaalden en halskettingen. Ik bezocht een winkel, waar uitsluitend deze boerensieraden verkocht werden, en stond verwonderd over de zorgvuldige bewerking, maar niet minder over den hoogen prijs.

Den volgenden dag, een Zondag, gelukte het ons een rijtuig te bekomen, waarmede wij langs een met zwaar geboomte beplanten en van zitbanken voorzienen weg rondom de stad reden, waarna wij de kathedraal, een fraai gebouw uit de middeneeuwen, bezochten. De kapellen zijn elk van eene verschillend gekleurde soort van marmer en het hoogaltaar, een werk uit de zeventiende eeuw, is van gedreven zilver en met zilveren beelden en kandelabres bezet. De dienst, begeleid door een goed orgel en fraaie muziek, was zeer indrukwekkend. Onder de aanwezigen merkten wij vele bewoners der omringende dorpen op, die aan hun costuum kenbaar waren. De vrouwen droegen meestal een rood jak met goudgalon versierd en met zilveren knoopen bezet, en daaronder een wit chemiset met open mouwen. Tot hoofddeksel diende een roode doek, wier slippen tot op de schouders nederhingen, terwijl de benedenhelft van het gezicht achter een sluier verborgen was. Enkele jonge vrouwen droegen een nauwsluitend keurslijf van satijn en daarover heen een zwart fluweelen vest met gouden en zilveren borduursel, alles bijeengehouden door een gordel van dezelfde stoffen. Het costuum werd voltooid door een rooden rok en een wit satijnen voorschoot.

209

14

ocr page 221

'210 Reizen naar Konstantinopel, enz.

Na deu dienst iu de kathedraal bracliten wij eeu bezoek aan liet museum, dat vele voorwerpen uit het gebied der natuurlijke historie en het delfstoflelijk rijk bevat, doch liet belangwekkendst zijn de op het eiland opgegraven oudheden van Etruskischeu, Romeinschen en Egyp-tischen oorsprong, zoo als glazen vazen, amphoren, lampen, sieraden, enz. Eenig is de verzameling van bronzen figuren, wapenen, ornamenten enz. uit het Phenicische tijdperk. Enkele der merkwaardigste stukken, die men naar het wetenschappelijk congres te Florence had gezonden, waren pas teruggekomen en stonden nog ingepakt, maar de directeur van het museum had de goedheid de kisten voor ons te doen openen. Er waren drie Phenicische inschriften bij, gegraveerd op smalle reepen zeer duu goudblad, die men opgerold had gevonden. Zij waren gecopieerd, doch tot nog toe niet ontcijferd. Buiten deze is nog slechts één dergelijk inschrift bekend, naar ik meen op Malta ontdekt. Verder toonde en verklaarde de directeur ons de meest opmerkelijke voorwerpen, waaronder eeu model van eeu der ronde torens, die bij het naderen van de kust onze aandacht hadden getrokken en aan de Pheniciërs worden toegeschreven, maar misschien van een nog ouder ras herkomstig zijn. Men vindt er wel 300U over het eiland Sardinië verstrooid, en alle zijn van denzelfden aard, Tn de gedaante van een geknotten kegel van 30 tot 60 voet hoogte en van 100 tot 300 voet omtrek aan de basis, met verscheiden vertrekken van bin-uen, zijn zij gebouwd van het rotsgesteente der nabuurschap en gewoonlijk geplaatst op den top van hoogten, die de omliggende vlakken beheerschen.

Langs een spoorweg, die hoofdzakelijk voor het vervoer der ertsen is aangelegd, kan men zich in weinige uren naar Sassari, Iglesias of Oristano begeven. In de nabijheid dezer laatste stad ligt Milis, eene plaats waarvan ieder, die haar bezocht heeft, met geestdrift spreekt De Pransche reiziger E. Delessert laat zich op de volgende verrukte wijze over dit weinig bekend aardsch paradijsje uit.

„Ik had reeds dikwijls oranjeboomen in de open lucht zien groeien. Zelfs had ik eens onder de met vruchten beladen takken van zulk geboomte mijn ontbijt gebruikt op de kust van Phenicië, de heerlijkste plek op aarde, waar de zee over het goudkleurige zand aan mijne voeten kabbelde, maar nog nooit had ik de verbazing, de vervoering ondervonden, die mij bij het aanschouwen der tuinen van Milis beving. Hier ziet men niets dan oranjeappelen, niet die vruchten op regelmatige afstanden aan de takken hangende en door het groene loof omgeven, maar trossen van dertig of veertig te gelijk, die door

ocr page 222

Het oranjewoud van Milis. 2H

hare zwaarte de takken naar de aarde deden buigen. Deuk niet aan een groepje oranjeboomen hier en daar, wier geur u ontmoet en weer verlaat, naar mate ge er heen wandelt of u er van verwijdert, maar tracht u eeu werkelijk bosch, een geheel woud van oranjeboomen voor te stellen! Zoo ver het oog in dit geurig plantsoen kan reiken, ziet het niets dan de goudgeele vruchten. Oranjeappelen op den voor-grond, oranjeappelen op den achtergrond, oranjeappelen ;,aii den horizon. Wij bevonden ons hier juist op het tijdstip, toen de boeren de vruchten ten verkoop inzamelden. Dat oogsten geschiedde op de eenvoudigste wijze. Er werd een laken onder den boom uitgespreid, een man klom in de takken, en van daar wierp hij de appelen neer van welke een bedwelmende geur opging. Om een denkbeeld van de uitgestrektheid van dit woud te geven, behoef ik slechts te zeggen dat ik twee uren noodig had om het op een matigen draf rond te rijden. Aan 't einde van dien tocht bevonden wij ons bij den koi;ing der oranjeboomen, wiens stam een man nauwelijks kon omvatten en waarvan de zware takken zich forsch uitstrekten. Het opschrift herinnert aan het bezoek, dat koning Karei Albert hem den 18 Maart 1829 gebracht heeft.

„De oranjeboomen hebben echter dit toovergewest niet uitsluitend in bezit. Hier en daar komt men op plekken, waar zij tegen het geweld der winden door hooge populieren beschermd worden, of de wilde wijnranken zich rondom de stammen van het geboomte strengelen en de grond bezaaid is met veelkleurige bloemen. Het is eene too-vergaarde, die op zich zelve de reis naar Sardinië waardig is en de onaangenaamheden van een tocht over de dorre vlakten en kale gebergten van het noorden des eilands vergeten doet. Het bosch van Milis behoort tot de wonderen der wereld, en ik heb er de zoete her-1nnering van het overdadigste genot aan te danken. Van de 48 uren, die wij hier vertoefden, bracht ik er ten minste 30 in het oranjebosch door. Ik gaarde een voorraad van balsemgeuren voor minder gelukkige tijden op en benijdde Sardinië het bezit van dien schat.quot;

Op twee der openbare wandelplaatsen van Cagliari speelden in den avond van dezen Zondag twee uitstekende muziekcorpsen. Bovendien bezit de stad nog twee andere, het eene van de brandweer en het andere van de ambtenaren, iets wat sterk voor den kunstzin der inwoners pleit. Het geheele jaar door zijn hier twee schouwburgen geopend en des winters heeft men eene opera. Het was dezen avond op de wandeling zoo vol, dat men bijna niet door de menigte kon heendringen. Wij namen plaats op eene der steenen banken en deden op ons gemak onze waarnemingen aan de talrijke voorbijgangers.

ocr page 223

112 Reizen naar Konstantinopel, enz.

Hier op de reede lieten wij de arme vogeltjes weer vrij, die eenige dagen te voren onder den storm eene toevlucht op ons jacht gezocht hadden. Na in den eersten tijd zeer schuw te zijn geweest, waren alle zoo tam geworden, dat zij uit mijne hand kwamen eten. Ik hoopte dus dat sommige zich zoo op hun gemak zouden gevoelen dat zij aan boord bleven, docli ua wat rondhuppelens, wipten zij op de verschansing en in het want, altijd hooger, en verlieten ons eindelijk geheel en al, om naar de boomen aan den oever te vliegen.

Daar Cagliari op de plaats der oude stad Caralis gebouwd is, worden hier dikwijls oudheden uit den Griekschen en llomeinschen tijd opgedolven. Niet lang te voren had men de overblijfselen gevonden van het huis van den proconsul Balbus, met even schoone en wel bewaarde mozaïken als die van Pompeji. Wij wenschten het antieke amphitheater te zien, dat niet ver van de stad gelegen is, en hadden tegen 8 uur 's morgens een rijtuig voor het huis van den Engelschen consul besteld, doch daar twee uren vroeger eenige droppels regen gevallen waren, wilde de eigenaar van het rijtuig dat kostbare stuk niet aan de woede der elementen blootstellen. Na veel pratens over en weer haalden wij hem eindelijk over, doch daarmede was veel tijd verloren gegaan en het jacht lag op het punt van vertrek ken.

Eindelijk gingen wij en bereikten na een ridje, waarbij wij over den op en neer loopenden weg als erwten dooreengeschud werden, het zeer ruime, in de rots uitgehouwen amphitheater, welks onderaardsche gangen en galerijen zelfs tot aan het strand der zee loopen. Hoewel de rijen zitplaatsen hier en daar gebroken zijn, kan men zich toch het algemeene voorkomen van dezen schouwburg, toen hij nog ongeschonden was, zeer goed voorstellen. Ik zette mij op een der hoogste banken, van waar men een prachtig gezicht op de zee had, en bracht mij het tooneel voor den geest, dat deze ruimte eenmaal moest opgeleverd hebben, toen zij gevuld was met nieuwsgierigen en de wilde dieren daar beneden elkander bevochten.

quot;Wegens gebrek aan tijd moesten wij voor de gastvrije uitnoodiging van den consul bedanken en ons naar het jacht terugspoeden, dat reeds alle tuig op had, terwijl het anker juist gelicht was. Wij gingen dus dadelijk onder zeil, maar zagen plotseling eene boot, wier be. manning ons uit al hare macht teekenen gaf om te stoppen. Hoe onaangenaam dit oponthoud ook ware, hielden wij toch stil, en toen bleek het de klerk van den consul te zijn, die ons nagezonden was met een klein valiesje, dat ik in het rijtuig had laten liggen.

Na een tocht door eene zeer holle zee kwamen wij den 24 October

ocr page 224

Pompeji. 213

te Napels aan. Het was een regenachtige morgen, doch iu weerwil van die ongunstige omstandigheid zag de golf van Napels met hare talrijke voorgebergten en eilanden er zoo bekoorlijk uit als ooit. Naar mijne ervaringen is er niets op de wereld mede te vergelijken. Er was bijna geen wind en terwijl wij aldus langzaam voortstevenden, hadden wij al den tijd om ons dit grootsche tooueel diep in den geest te prenten. Tegen den middag klaarde het weer op en werden wij door booten omringd, wier opvarenden koralen, schelpen, schilderijen, bloemen, vruchten, enz. te koop aanboden. Er kwamen ook muzikanten met guitareu en fluiten, en voorts verscheiden commissi onnairs en waschvrouwen om hunne diensten aap te bieden. Het was niet onaardig, dat zij ons, ten bewijze van hunne soliditeit, de aanbevelingen toonden, die wij zelven hun bij ons vroeger bezoek in 1874 gegeven hadden. De voornaamste aldus aanbevolenen, Luigi als gids en Bertha Falsalta als waschvrouw, maakten zicli op grond van die vroegere bekendheid van onze personen en ons goed met een zelfvertrouwen meester, dat alle mededingers tartte. De eerste boodschap, dit wij Luigi opdroegen, bestond in het afhalen der voor ons bestemde brieven van het Engelsche consulaat, en het was een waar genot die tijdingen uit het vaderland weer te doorloopen na er eenigen tijd van verstoken te zijn geweest.

Den volgenden morgen vertrokken wij met den trein van kwart over achten naar Pompeji en ontbeten daar in het Hotel üiomède bij het spoorwegstation. He onder de asch bedolven stad is nu afgesloten en men moet 2 francs de persoon betalen om er binnen te komen, maar krijgt daarvoor een geleider mede. Bedelaars worden er niet geduld en fooien mogen niet gegeven worden, 't welk beide een groot gemak is. De opgravingen boezemden mij eene diepe belangstelling in. De regeering besteedt er veel geld aan en houdt een aantal manschappen aan 't werk , waardoor men ook zeer gewichtige voorwerpen gevonden heeft, doch vreemdelingen worden slechts bezwaarlijk bij de opgravingen toegelaten. quot;VYij hadden dus weinig hoop er iets van te zien, maar gelukkig kwam een der hoofdopzichters in denzelfden trein met ons van Napels en had de goedheid ons een permissiebillet te geven om alles te zien wat de moeite waard was. Nadat wij dus de oude opgravingen bezichtigd hadden, bracht de gids ons naar het nieuwe gedeelte, waar twee zeer beleefde ambtenaren den arbeid bestuurden en verscheiden werklieden bezig waren met houweelen en een schoffel de asch en den puimsteen van een prachtigen mozaïkvloer in 't midden van een groot huis te verwijderen. De kleinere kamers waren den vorigen.

ocr page 225

2.14 Reizen naar Konstantinopel, enz.

dag gezuiverd en haddeu vele bronswerkeu, beeldjes, glazen voorwerpen enz. opgeleverd.

Wij zetten ons neer en sloegen het werk met de grootste aandacht gade. In den beginne gebeurde er niet veel belangrijks. De mannen hakten en schepten de bovenlaag weg, maar brachten slechts eeue soort van pannen aan 't licht, die blijkbaar van het dak afkomstig waren, en daarna eenige looden pijpen en kranen. Het is zeer merkwaardig, dat, terwijl de watertoevoer in het tegenwoordige Italië zoo gebrekkig is, men reeds te Pompeji behoorlijke waterbakken had met hun volledig stel pijpen en kranen. Eenige oogenblikken later ontdekte men eene groote amphora of kruik, vervolgens eenige bronskleurige glazen flesschen en bekers van sierlijke vormen en daarna een stel looden gewichten, die niets bijzonders waren. Hierop kwam men weer aan eene laag asch, maar toen ging er plotseling een juichkreet op, want men vond eene unieke zilveren vaas, verscheiden bronzen vazen, een partijtje zilveren en bronzen munten en vervolgens nog eenige groote glazen flesschen, die door ouderdom met regenboogkleuren schitterden, een schaar en een bos sleutels. Hierna zag men weer een tijd lang niets dan asch, tot dat de ijver der gravers op nieuw werd geprikkeld door de vondst van een halssnoer van gouden en agaten kralen (die door het lange liggen natuurlijk los geraakt waren), eene fraaie bronzen vaas vol muntstukken en eenige kleine kristallen (leschjes met eene gouden reep aan elkander verbonden. Doch eene glazen vaas van de beval-ligste gedaante was niet bestand tegen verplaatsing en viel in stukken onder de handen van den teleurgestelden vinder, ofschoon hij zorgvuldig al de daarop liggende asch had weggenomen, alvorens haar aan te raken. Na de opsporing van nog een paar amphoren en andere minder belangrijke voorwerpen bereikte men den muur van het vertrek, en werd het werk gestaakt, hetgeen mij speet, want ik stelde er het levendigste belang in. Op sommige oogenblikken geraakten de manschappen werkelijk in geestdrift en schenen zij als bij instinct, of eigenlijk op grond van lange ervaring, te gevoelen wanneer zij op het punt stonden iets van belang te vinden. Soms konden zij zelfs uit de kleur van de omringende asch opmaken, van welke stof het nog verborgen voorwerp zou zijn. Gaarne zou ik iets als herinnering medegenomen hebben, doch dit was onmogelijk, doordien het gouvernement den verkoop van het gevondene ten strengste verboden heeft.

Wij dankten de ambtenaren voor hunne inlichtingen, schonken aan de werklieden een drinkgeld, en begaven ons door de doodstille straten naar het spoorwegstation voor den trein van 2 ure.

ocr page 226

Salerno. — Paestura.

Wij kwamen tegen 4 ure te Vietri aan en hadden van den drempel van het station een prachtig panorama voor ons ; aan de eene zijde de blauwe golf van Salerno en aan de andere zijde de even blauwe golf van Amalfi : beiden met hunne kleine inhammen, terwijl het roede gebergte tot aan den rand des waters met groen bekleed was. Langs een steil afdalenden weg kwamen wij in eene lange nauwe straat, die naar liet strand leidde, en na onder den reusaclitigen viaduct gepasseerd te zijn, over welken de spoorweg hier door de vallei loopt, bereikten wij de stad Salerno, waar wij in het Hotel Victoria goede kamers kregen met uitzicht over de zee. Gaarne hadden wij hier nu wat uitgerust, maar Luigi besliste anders en voerde ons mede om de kathedraal te zien, die omstreeks 1084 door Robert Guiscard uit steenen der ruïnen van Paestum gebouwd is.

Daar wij het uitzicht hadden op een langen rid den volgenden dag begaven wij ons tijdig te bed. Reeds vroeg waren wij weder op, ontbeten in haast en spoedden ons om den trein van half S aan het station van Salerno, dat vrij ver buiten de stad ligt, te halen. Doch daar bleek het dat wij ons noodeloos gehaast hadden, want niet alleen gingen onze horloges vóór, maar de trein kwam bovendien te laat aan. Onder de wachtende passagiers bevonden zich eenige gevangen struik-roovers, die naar Napels moesten gebracht worden om te recht te staan. Zij waren in 't minst niet neerslachtig, maar praatten en lachten met hunne bewakers en de omstanders, alsof zij naar een plezierpartijtje gingen.

Onze tocht was naar Paestum gericht, zoodat wij te Battipaglia uitstapten, waar een rijtuig voor ons gereed stond. Na twee en een half uur rijdens door eene vlakke streek bereikten wij Paéstum, waar een beambte der regeering belast was met het rondleiden der vreemdelingen. De drie vermaarde tempels waren het doel van ons bezoek. Die van Ceres en Vesta is een juweel, maar wordt, wat het grootsche en indrukwekkende betreft, geheel in de schaduw gesteld door dien van Neptunus, van waar men een prachtig gezicht over land en zee heeft. Wij moesten de vlakte overwandelen om de Basilica te bezichtigen, op wiens trappen wij een haastig ontbijt gebruikten, want de tijd begon te dringen. Na nog eenige bloemen verzameld en photografiën van de tempels gekocht te hebben, reden wij naar Battipaglia terug, waar de trein nu op zijn tijd aankwam, en ten 6 ure 's namiddags bevonden wij ons weer te Napels.

De volgende dag was voor een bezoek aan den Vesuvius bestemd. Wij reden door de dorpen Resina en Portici naar de zoogenaamde

215

ocr page 227

216 Reizen naar Konstantinopel, enz.

hermitage. Dikwijls was de weg kaal en somber, doch daar, waar de lava tot verweeriug was overgegaan, had zich een weelderig planten-kleed ontwikkeld. Eeu hoop kleine jongens omzwermde ons, en telkens liepen zij de tuinen in om vijgen en druiven voor ons te plukken. Aan de hermitage stegen wij te paard eu reden naar den voet van deu krater, van waar ik mij in een draagstoel naar den bovenrand liet voeren, terwijl de overigen van het gezelschap met touwen eu riemen tegen de helling werden opgetrokken. Het was een zeer winderige dag en wij werden bijna verblind en verstikt door de zwaveldampen. Mijne dragers stapten vlug over deu rand heen en droegen mij door dikke rookwolken achterwaarts in den krater af, waar hunue voeten bij elkeu stap in het zand wegzonken. Niet ver van het nieuwe lavabekken zetten zij mij neer. Wij wandelden over den bodem van deu ouden krater naar den nieuwen en staarden liet wondervolle schouwspel eeuigen tijd zwijgend aan. De terugkeer ging met dezelfde moeielijkheden gepaard. Wij stegen op de vroegere plaats weer te paard en stapten af aan het observatorium, dat op den Vesuvius is opgericht, ten einde er de verzameling van stoffen te zien, die bij verschillende gelegenheden uit de kraters ziju opgeworpen. Bijzondere aandacht verdient hier de seismograaf, een werktuig dat door eene vernuftige toepassing van de electriciteit de geringste vulkanische stoornis in den schoot der aarde aanduidt en zelfs het oogeublik, den duur en de richting van het verschijnsel aan-teekent.

Twee dagen later begaven wij ons met de sloep naar Santa-Lucia, om daar aan boord van de stoomboot naar Capri te gaan, alwaar het jacht later bij ons zou komen. Het had den vorigen dag sterk gewaaid en geregend, eu hoewel het weer thans eenigszins verbeterd was, werd het weldra opnieuw ongunstig. De stoomboot begon zoozeer te stampen en te slingeren, dat het dek binnen eenige oogenblikken met zeezieke passagiers bezaaid was, die de jammerlijkste geluiden slaakten. Nooit te voren had ik menschen gezien, zóó ziek en zóó bevreesd voor de zee. Bij het schoone Sorrente, waar wij twee «uren later aanlegden, verlieten dan ook al die reizigers de boot; zij wilden liever de betaalde vracht en het genoegen om Capri te zien opofferen dan zich aan verdere ellende blootstellen. Op den overtocht van Sorrente naar Capri was het werkelijk nog erger. Wij schuurden zoo dicht langs de kust en de klippen, dat wij, indien de machine onklaar ware geraakt, binnen weinige minuten tot spaanders zouden geslagen zijn. Het liet zich aanzien dat wij niet zouden kunnen landen, doch de kapitein

ocr page 228

Capri. — Messina. 217

stuurde zijne boot zoo behendig, dat wij zoo dicht als mogelijk was bij den wal kwamen. Een schuitje bracht ons daarop naar het havenhoofd, waartegen wij met zeer veel moeite en niet zonder gevaar met touwen werden opgetrokken.

Na ons eenigszins hersteld te hebben bestegen wij ezels om de wijnen oranjegaardec der stad Capri, de hoofdstad des eilands, te bezoeken, en beklommen den Sprong van Tiberius, zoo als men eeue loodrechte rots 700 voet boven de zee noemt. Niet ver van daar vindt men de overblijfselen van deu vuurtoren en van de Villa Jovis, beide door Tiberius gebouwd. Het gezicht van deze rots was indrukwekkend, want het strekte zich uit over een groot gedeelte van het eiland, de golf van Sorrente, de ruïnen van Paestum, Amalfi, Sorrente, den Vesuvius, Napels, Bajae en de eilanden Nisida, Ischia ea Procida.

Na het diner lieten wij eenige boeren uitnoodigen de tarantella voor ons te dansen, hetgeen zij volgaarne deden. De meisjes vooral voerden de ingewikkelde figuren op de meest coquette wijze op de maat van twee tamboerijns uit. Vijf paren namen aan den dans deel, in dier voege, dat, als één paar het geheel uitgeput opgaf, een ander paar inviel.

Den volgenden dag reden wij naar Anacapri langs een goeden nieuwen weg, die over de rotsen is uitgehouwen, waardoor men echter gedeeltelijk een zeer pittoresken trap heeft moeten vernielen, die vroeger het eenige middel van gemeenschap tusschen het lagere en het hoogere gedeelte des eilands uitmaakte. Na van den top van den berg Solaro een schoon panorama genoten te hebben, daalden wij naar Anacapri af, een klein dorp met eene groote kerk.

Wij keerden naar de stad Capri terug en begaven ons, na van de meisjes, die de ezels bestuurd hadden, eenige stukken zwart koraal te hebben gekocht, die bijzonder aan dit eiland eigen zijn, aan boord van het jacht, dat ons lag te wachten.

Bij het aanbreken van den 2 November bevonden wij ons aan den mond der schoone straat van Messina en ten 10 ure op deu morgen waren wij de Scylla en de Charybdis gepasseerd en lieten wij liet anker in de haven van Messina vallen.

Nauwelijks was dit geschied, of wij werden door booten als naar gewoonte omringd, die allerlei artikelen te koop kwamen aanbieden, doch het meest welkom was ons de boot van den Erigelscheu consul, die eene hoeveelheid brieven en couranten uit Engeland bracht. Men moet veel gereisd hebben en een eenigszins langen tijd van nieuws verstoken zijn geweest, om het geuot van brieven uit het vaderland naar waarde te kunnen schatten.

ocr page 229

218 Reizen naar Konstantinope I, enz.

Het in ontvangst nemen van deze brieven was de voorname reden waarom wij Messina hadden aangedaan. Weldra vertrokken wij weer; wel daalde de barometer, doch de wind was gunstig. Er volgde echter een stormnacht op, dien wij niet licht zullen vergeten en gedurende welken bijna niemand aan boord een oog look. Den anderen morgen ondervond ik er nog zoozeer de gevolgen van, dat ik niet dadelijk kon opstaan. De zee was hol en wij hadden weer een even slechten nacht. De wind bleef echter steeds gunstig en zoo kregen wij reeds den dag daarna de zuidwestkust van Creta in het gezicht. Aangezien de wind nog altijd goed was, werd besloten recht door te zetten naar Cyprus, dat zich den 7 November aan ons oog vertoonde.

ocr page 230

HOOFDSTUK VI.

Cyprus. — De Minotaur. — Het lossen der kanonnen. — Schichtighöid der Cyprische paarden. — Paphos en de tuin van den tempel van Venus. — De bouwvallen van Ktima. — Het kamp van het Tlste regiment. —Geweld der koorts.

— Goedkoope prijzen. -- Diamanten van Paphos. — Aabest. — Episkopi. — Katten. — Het zoutmeer. — De wijn van Cyprus. — Limasol. — Ruiling van couranten tegen potten en pannen. — Becoaficos. — Larnaka. — Do Indische regimenten en de verkoop hunner goederen. — De kapper Truefitt. — De weg naar Nikosia. — Het »Dauwdroppeltje.quot; — Aankomst lo Nikosia. —Ontmoetingen aldaar. — Doorreis naar het Kloosterkamp en aankomst aldaar. — Buitengewone koude in den nacht en hitte gedurende den dag. — Het Gritk-sche klooster en de archimandriet. — De Pendactylon. — Slechte gezondheidstoestand onder de Engelsche troepen gedurende den zomer. — Nikosia van binnen. — Slangen. — Tocht naar Kythrsea. — Het huis van den Armeniër.

— De hitte op Cyprus. — Geldzucht der Armeniërs. — Inlandsche zijden en andere stollen. — Een chemisetje voor koningin Victoria. - Het kamp te Ma-thiati; slechte gezondheidstoestand der troepen. — Onderzoekingen naar de koorts van Cyprus. — De nieuwe weg van Dali naar Mathiati — Dali; beleefdheid der inwoners. — Terugkomst te Larnaka. — Famagusta, de melan-koliekste stad. — De romantische struikroover. — Het koortsmoeras. — Ky-renia. — De koorts onder de troepen. — Een kapitale inkoop voor vier-en-twintig stuivers. — Karavastasia aan do baai van Morfu. — Uitrusting van kapitein de Lancey. — Voorkomen der Cyprische vrouwen. — Izachastra — Aankomst in het klooster Kikko. — Bediening door de monniken. — De wasch-kom. — Beleefdheden van den archimandriet. — Het dal Chaos. — Terugkomst op het jacht. — Vertrek van Cyprus.

De kust van Cyprus bestaat uit kooge rotseu, die er thans zeer kaal uitzagen , maar na de winterregens waarschijnlijk met een friscli groen bekleed zouden zijn. Lucht en zee waren heerlijk blauw, toen wij onder een zacht koeltje, te nauwernood voldoende om de zeilen te doen zwellen, langzaam de kust volgden. Niet ver van ons lag een groot oorlogschip met vijf masten, dat weldra bleek het reusachtige pantserschip „Minotaurquot; van de Engelsche vloot te zijn. Wij brachten er een bezoek en ontvingen een diepen indruk van de grootsche inrichting, ofschoon het schip zich op dit oogenblik niet op het gunstigst voordeed, want het dek was bezet met groote booten , met paarden

ocr page 231

220 Reizen naar Konstantinopel, enz.

die teruggezonden werden, en met hutten voor officieren, die tot herstel vau gezondheid Cyprus verlieten. Den vorigen dag waren er schietoefeningen met de kolossale kanonnen gehouden en men verhaalde ons dat planken door den schok van elkander waren gesprongen. Het moet iets verschrikkelijks geweest zijn voor de zieken. Twee vreemdelingen, een Japanner en eeu Chinees, die in hun vaderland bestemd waren voor den zeedienst en nu bij de Engelschen hun vak leerden, waren zeer ziek, en de laatste, die vreesde dat zijn einde naderde , verkeerde in den grootsten zielsangst, omdat niemand hem zekerheid kon geven dat zijn lijk naar China zou gezonden worden, om op de gewijde begraafplaats bij Canton eene rustplaats te vinden , terwijl hij zich verbeeldde, dat hij, indien dit niet geschiedde , tot eeuwige folteringen gedoemd zou zijn.

Iedereen aan boord sprak kwaad van het klimaat van Cyprus en verheugde zich te kunnen vertrekken. De equipage was echter, hoewel veel aan wal verkeerd hebbende, betrekkelijk vrij gebleven van koortsen , hetgeen men daaraan toeschreef, dat zij altijd gedistilleerd water had gedronken. De schrijver Hepworth Dixon, die drie maanden op Cyprus had doorgebracht en nu met den „Minotaurquot; op weg naar Malta was, deelde ons veel wetenswaardigs omtrent het eiland mede. quot;Vooral waarschuwde hij ons tegen de paarden, die dikwijls zeer schichtig zijn , 't geen hij persoonlijk had ondervonden , want hij was afgeworpen en had het sleutelbeen gebroken.

Kort na ons bezoek stoomde de „Minotaurquot; naar Malta, waarna wij wat dichter de kunst naderden en het anker juist voor de haven van Paphos wierpen. Van het jacht af konden wij de overblijfselen van den in de oudheid beroemden tuin bij den tempel van Venus zien. De grond helt naar de zee af, en het achtergedeelte van den tuin is omringd door een vrij steilen, halfcirkelvormigen wal van horizontale kalksteenlagen, zoodat hij in eene diepte ligt en men er van geene zijde binnen kan komen zonder een ravijn af te dalen. Dien ten gevolge is het er doodstil, al blaast de wind op het hoogland fel. Op verschillende plaatsen komen stralen helder water uit de rotsen, hetgeen men kan zien dat op nog meerdere plaatsen het geval is geweest. In de oudheid werden hier mysteriën gevierd en bracht men waarschijnlijk den nieuweling door onderaardsche gangen, die nu ingevallen zijn, plotseling uit de duisternis in den tuin, die hem dan wel als een hemelsch verblijf moest voorkomen.

Des middags, toen het wat koeler was geworden, gingen wij aan wal, zadels en teugels medebrengende, want wij wisten reeds dat wij

ocr page 232

Cyprus. 221

niets dan ongezadelde paarden zouden kunnen bekomen, waarmede Arabieren ook reeds stonden te wachten. Onze tocht had de bouwvallen van Ktima ten doel , waarvan echter weinig meer te zien was. Eenige gebroken marmeren kolommen , sarkophagen en platte steenen met opschriften, sommige nog staande, de meeste reeds omgevallen, waren liet voornaamste wat wij zagen, ofschoon de weg eu de velden bestrooid waren met stukken van marmeren kapiteelen en ornamenten. Het zoogenaamde Yenusbad , waar een heldere beek doorstroomt, bestaat nog en men wees ons eene marmeren kolom, waaraan de apostel Paulus zou gegeeseld zijn , omdat hij het evangelie op het eiland had gepredikt.

De weg over de rotsen naar het kleine Turksche dorpje Ktima liep zeer steil op. Waar men maar over eenig water beschikken kon, scheen de grond uiterst vruchtbaar te zijn. Iets verder lag het kamp van het 71ste Engelsche regiment , waar een aantal houten hutten voltooid en betrokken waren. Tot dusverre hadden de manscüap-pen zich moeten behelpen in tenten zonder bedden, zoodat zij op den blooten grond moesten slapen, enkel met een deken onder zich en eene tweeden tot dekking. Het was dus geen wonder, dat er van 150 officieren en manschappen 27 aan de koorts lagen en zelfs degenen, die aan de beterhand waren, nog de sporen van het geweld der ziekte vertoonden, want zij strompelden slechts met moeite voort en zagen er als lijken uit. Het kamp bezat eene mooie apotheek, maar ongelukkig ontbraken daarin juist de middelen tegen de koorts , zoodat de militaire doctor wanhopig was.

Van een Griek, die hier de cantine hield, vernamen wij dat alles sedert de komst der Engelschen zooveel duurder dan vroeger was geworden, maar toch waren het nog slechts spotprijzen die men vroeg. Kalkoenen waren te krijgen voor nog geen 2 gulden, schapen voor 6 gulden, eieren voor l1/^ a 2% cent het stuk, en zoo alles naar evenredigheid. In de bergen dezer streek worden de vermaarde diamanten van Paphos die niets anders zijn dan een uitstekend soort van rotskristal, en het vermaarde onbrandbare mineraal asbest gevonden.

Den volgenden morgen waren wij weer onder stoom en stevenden de kust langs, die er bergachtig en over het geheel kaal uitzag, dcch hier en daar door groene plekken en groepen geboomte verlevendigd werd. Bij kaap Blanco ligt de stad Episkopi, waar de Italiaansche generaal Cesnola een schat vond, die in de geleerde wereld een groot opzien heeft gebaard. Bij zijne opgravingen ontdekte hij onder de ruïnen van een ouden tempel drie vertrekken vol vazen, halskettingen.

ocr page 233

222 Reizen naar Konstantinopel, enz.

borstspelden, oorhangers en andere sieraden, alles van goud of zilver. Ter verklaring van de aanwezigheid dier voorwerpen op deze plaats onderstelde men, dat de inwoners , door vijanden bedreigd, onder den tempel hunne kostbaarheden geborgen hadden, maar dat zij allen gedood waren of in slavernij weggevoerd, zoodat het geheim der bewaarplaats verloren was gegaan.

Verder passeerden wij kaap Zeogari en kaap Gatto, de laatste aldus genoemd naar de vele wilde katten in den omtrek , afstammelingen, naar men wil, van eenige katten die de monniken van het klooster St.-Nicolaas, die door adders geplaagd werden, ontboden hadden. Deze beide kapen vormen de zuidelijkste eindpunten van een voorgebergte, waarachter een zoutmeer ligt, hetwelk eene uitmuntende haven zou kunnen zijn, indien het door een kort kanaal met de zee verbonden wierd. Het ligt dicht bij Limasol, dat om verschillende redenen als de belangrijkste haven des eilands kan beschouwd worden, vooral voor den uitvoer van wijn, die, omdat stoombooten deze plaats niet aandoen, met zeilschepen naar Egypte wordt vervoerd. In de nabijheid, in het district dat vroeger de Commanderia of het gebied der St. Jans-ridders werd genoemd, wordt de beste wijn van Cyprus verbouwd. Men kan hier mijlen ver door zeer vruchtbare doch slecht verzorgde wijngaarden rijden, waar schapen en geiten naar goedvinden grazen en de ranken en bladeren opeten of de druiventrossen vertrappen, die de boeren geplukt en in afwachting van eene gelegenheid tot vervoer op den grond neergelegd hebben. Als de wijngaardeniers er eens tijd of lust toe hebben, persen zij die druiven uit en gieten het vocht in manshooge kruiken om te gisten. Heet de wijn tot den verkoop geschikt te zijn, dan wordt hij in de wijngaarden tot een ongelooöijk lagen prijs verkocht, die ongeveer op een stuiver voor een drietal flesschen uitkomt. Ik vond hem echter in het geheel niet lekker, en dit gevoelen werd door de meesten van ons reisgezelschap gedeeld ; hij is zoet en koppig en smaakt merkbaar naar teer. Men zegt, dat hij honderd jaar noodig heeft om zijne voortreffelijke eigenschappen te ontwikkelen, hetgeen wel wat lang is om te wachten. De soort van druiven is dezelfde als op Madera, en toen daar voor eenige jaren de wijnstokken wegstierven, zonden Grieksche priesters er nieuwe stekken van Cyprus heen.

Limasol is eene witte stad, die zich langs de zeekust uitstrekt, met koepels en minarets ver boven de huizen en de palmboomen uitstekende. Nooit heb ik zulk een blauw gezien als van de lucht en de zee op dezen morgen, en zoo de kleur sterk was, de hitte was het niet minder. De kleine landingssteiger was nog versierd met wijngaardranken en

lt;5 i:

ocr page 234

Liraasol, — Beccaficos. 223

olijftakkeu, als overblijfselen van eene eerepoort, die eeu paar dagen te voren bij de aankomst van den Eugelschen gouverneur opgericht was. De burgemeester liep met de geheele bevolking uit, waarscliijulijk in de meeuiug dat wij weer een partijtje voorname Eugelsclien waren, die beredevoerd moesten worden. Toen zij vernamen dat wij slechts om ezels kwamen , ten einde een tochtje te doen , verminderde de eerbied zichtbaar, doch de burgemeester was zoo vriendelijk met eenige notabelen ons de geheele stad door te leiden naar de markt en naar het half Venetiaansche, half Turksche fort, van waar men eeu schoon gezicht over den omtrek heeft.

Terwijl wij rondwandelden ontvingen wij een briefje van den hier als commissaris gestationeerden kolouel Warren, met wien vij voor eenige jaren in Rusland gereisd hadden, die ons nu uitnoodigde bij hem te komen ontbijten. Hij kwam weldra zelf en verhaalde ons dat hij een inspectiereisje van drie dagen gedaan had en verbaasd was geweest over de vruchtbaarheid des lands en de groote uitgestrektheid der wijngaarden. Wij gingen met hem naar het gouvernementshuis, dat tegelijk postkantoor en rechtbank is, en waar zijn adjanct-commis-saris aan typheuse koorts ziek lag. Men had den doctor van Larnaka ontboden, doch deze stond zoo als men het noemt met de handen in 't haar, daar hij den patient bijna stervende had gevonden en de geneesmiddelen niet bezat, die in dit geval vereischt werden. Wij waren zoo gelukkig hem te kunnen verschaften wat hij noodig had, en bovendien portwijn, bouillon en andere versnaperingen, waaraan het geheel ontbrak.

Alvorens naar het jacht terug te keeren dreven wij een niet onaar-digeu ruilhandel met den kolonel van nieuwe couranten tegen oude potten en pannen. Ik moet er echter bijvoegen, dat deze zeer bevallige vormen hadden en uit antieke grafsteden opgedolven waren.

Spoedig gingen wij weer onder zeil en vervolgden onzen weg langs de kust. Aan het diner hadden wij „beccaficos ,quot; vogels, die hier talrijk voorkomen eu voor gebruik geconserveerd worden. Zij zijn zeer vet en malsch en zouden dus wel smakelijk wezen, indien men ze niet te voren bedierf door ze, zoodra zij gedood zijn , met veeren en al in de sterke azijn te dompelen die van den laudwiju gemaakt wordt. Dit neemt het grootste gedeelte van den eigenlijken smaak weg. Desniettemin gaan zij voor iets fijns door en worden wijd en zijd in flesscheu verzonden. Reeds in de klassieke oudheid waren zij vermaard eu in de tijden der kruistochten ging er een groote roep van uit, maar waarschijnlijk werden zij toen geconserveerd in deu wiju der Commanderia

ocr page 235

224 Reizen naar Konstantinopel, enz.

Tegen 9 ure des avonds bevonden wij ons bij Larnaka en den volgenden morgen kregen wij den havenmeester aan boord , die een zeer ongunstig verslag gaf van den gezondheidstoestand aan wal, hetgeen , liet heete en drukkende weer in aanmerking genomen (op 9 November !) geen verwondering behoefde te baren. Iets later ontvingen wij een telegram van den Engelschen gouverneur sir Garnet Wolseley, die ons uitnoodigde eenige dagen bij hem te komen doorbrengen in het zoogenaamde Kloosterkamp bij Nikosia, waaraan wij ons voornamen te voldoen, zoodra wij muilezels of een rijtuig konden krijgen. ATij hoorden van eene diligence spreken, doch dit bleek niets anders dan eene open kar te zijn, door een paard en een muilezel getrokken. Het gelukte ons echter paarden te bekomen om te rijden en muilezels om de bagage te dragen.

In afwachting dat een en ander gereed zou gemaakt worden , bezichtigden wij de stad Larnaka. Hoewel reeds eenigszins verbeterd sedert de komst der Engelschen, was het nog altijd een akelig nest met vervallen kaden, die men trachtte te repareeren met steenen van het antieke Salainis. Op sommige plaatsen staat de zee tot aan de deuren, zoodat men een omweg moet maken om van achteren in het huis te komen. Er zijn groote winkels vol artikelen , die niet gevraagd worden, en wier eigenaars in menig geval geruïneerd zullen zijn, daar zij hun voorraad ingeslagen hadden in het vooruitzicht op veel meer Engelsche troepen dan er kwamen. Juist de vorige week waren de Indische regimenten weer vertrokken, die men aanvankelijk op Cyprus geplaatst had, en hunne overtollige goederen werden met een ontzaglijk verlies in publieke veiling verkocht. Paarden gingen van de hand voor f10 of f 12 het stuk, en de opbrengst der provisiën was in evenredigheid.

AVij hadden gehoord, dat de Londensche kapper Truefitt hier een winkel had opgericht en bevonden dat zijne zaak nog heel wat meer omvatte dan enkel haarsnijden en reukwatertjes verkoopen, doch al zijne bedienden hadden aan de koorts ziek gelegen ; verscheidene waren naar Engeland teruggekeerd, en dus konden wij ons haar niet bij Truefitt op Cyprus geknipt krijgen, gelijk ons voornemen was geweest. Zoowel in dezen winkel als in de overige maakte het bezoek een treurigen indruk, want alle winkeliers en hunne bedienden zagen er ziekelijk uit en deden jammerlijke verhalen van de verwoestingen door de koorts aangericht.

Ten 3 ure gingen wij op weg naar Nikosia, door nauwe stoffige straten van aarden hutten, voorbij een klooster van zusters van liefda-

ocr page 236

Nikosia. 225

digheid, die zich gedurende al die tijden van ziekte en ellende als engelen gedragen hebben. Buiten de stad iiep de weg over verschroeide vlakten en kale heuvels. Met uitzondering van eenige verwaarloosde wijngaarden en korenvelden was er geen spoor van bebouwing te zien dan in de tuinen rondom een paar ellendige dorpjes. De weg zelf is slecht en wij haddeu een langen tijd noodig om het dorp Furin te bereiken, waar wij van paarden verwisselden. Hier hadden een ondernemende smid en een glazenmaker en loodgieter, beiden Engelschen die geen werk in hua vak hadden kunnen bekomen, eeue compagnieschap aangegaan en, in afwachting van de voltooiing van een steenen huis dat zij bouwden, eene tent opgeslagen, die zij „het Dauwdroppeltjequot; hadden genoemd en waar zij de dorstige reizigers vau bier, limonade en andere ververschingen voorzagen.

Onze paarden en muilezels waren schichtig van aard en maakten dus de reis vrij gevaarlijk. Eens geraakten wij bijna op hol, doordien de paarden schrikten van een dooden ezel, die midden op den weg lag en wel, zooals onze gids mededeelde, reeds sedert twee dagen, zonder dat iemand de moeite had genomen het lijk weg te ruimen. De zoogenaamde „diligencequot; passeerden wij ook, en tusschen de twee laatste stations zagen wij de tenten der beambten van de Oostersche Telegraafmaatschappij, bezig met de oude houten telegraafpalen door ijzeren te vervangen. Wij kwamen ook vele treinen zwaar beladen kameelen tegen, die voortbrengselen uit het binnenland naar de kust brachten, en ledige ossenkarren die benoodigdhedeu voor het kamp gingen halen.

Het was laat in den avond, doch bij schijnende maan, toen wij voor de poort van Nikosia kwamen, die wij goed gesloten vondén. Eerst na er met steenen op geklopt, hard geschreeuwd en toen een ge-ruimen tijd gewacht te hebben, kwam een oude Turk met een lantaarn en een sleutelbos te voorschijn, om ons binnen te laten. De gekan-teelde muren der stad waren hoog en dik, maar de Yenetiaansche kanonnen, die eenmaal in de schietgaten hadden gestaan, lagen in 't rond op den grond geworpen. Bij het heldere maanlicht was het een treflend gezicht. De poort, die wij binnentraden, was iets zeer merkwaardigs. Zij bestond uit een lang tongewelf, dat de geheele opgaande helling, van den grond buiten den muur tot de hoogvlakte waarop de stad gebouwd is, bedekte. Te halverwege van de lengte bevindt zich een elliptische koepel, van boven met eene ronde opening, door welke het licht valt.

De nauwe, kromme, morsige straten waren op dit uur geheel ledig

15

ocr page 237

226 Eeizen naar Konstantinopel, enz.

en de stilte werd alleen afgebroken door het huilen en janken van tallooze honden. Bij een gebouw dat een soort van koffiehuis scheen weigerde onze koetsier verder te gaan en begon maar dadelijk de paarden uit te spannen. Zeer spoedig werden wij door een aantal nieuwsgierigen omringd, die onder hevige gebaren met elkander spraken, maar jegens ons zeer beleefd waren en ons stoelen brachten om uit te rusten. Ongelukkigerwijze verstonden zij geen der talen in welke wij het woord tot hen richtten en evenmin konden wij hen verstaan. Eindelijk scheen een man een genialea inval te krijgen : hij ijlde heen en keerde na eenige oogenblikken terug met den kastelein van het „Hó-tel Albert,quot; zoo als te lezen stond op het kaartje dat bij ons terstond presenteerde ; hij sprak Duitsch en trachtte ons over te halen den nacht in zijn hotel door te brengen. Hij opperde allerlei bezwaren tegen de voortzetting van onze reis en beweerde dat het kamp ten minste nog anderhalf uur verder lag. Een kelner of vriend, dien hij bij zich had, verzekerde echter dat het zoo ver niet was en bood aau ons den weg te wijzen. Ik besteeg daarop weder een paard, de overigen volgden te voet, en zoo trokken wij een aantal nauwe straten door tot dat wij plotseling eene roode uniform zagen, die van een soldaat die ons op zeker punt had moeten opwachten, maar ons mis geloopen was, 't geen nu al die moeite en vertraging had veroorzaakt. Hij bracht ons eene andere poort uit, langs eene waterleiding, door de drooge bedding eener rivier, en zoo eindelijk in het Kloosterkamp, generaal Wolseley's hoofdkwartier, waar wij hartelijk verwelkomd werden. Drie hutten welke met elkander gemeenschap hadden en zoo goed mogelijk van sophas, stoelen, matten, tafels, enz. voorzien waren, werden tot onze beschikking gesteld.

Na het gebruik van een goed maal zochten wij de rust, die wij na een zoo vermoeienden dag wel hadden verdiend. Onder zes dekens te slapen en toch 's morgens om 5 ure van koude wakker te worden, was ons zeer vreemd, na de hitte die wij in de laatste dagen hadden uitgestaan. Het bleef koel tot 9 ure, en daarop werd het in een oogenblik gloeiend heet. Dat zulke plotselinge afwijkingen van temperatuur zeer ongezond moeten zijn, kan een ieder begrijpen.

Na het ontbijt wandelden we naar het Grieksche klooster, waaraan het kamp zijn naam ontleende. Het was een groot antiek gebouw met eene kerk en een aantal cellen, waarvan eenige door generaal Wolseley iu gebruik waren genomen om tot bureaux te strekken gedurende de uren van den dag wanneer het in de tenten onuitstaanbaar heet was. Men noodigde ons uit eene wandeling in den tuin te doen

ocr page 238

Ontvangst bij den archimandriet. 227

totdat de archimandriet of aartsbisschop van Cyprus gereed zou zijn ons met zijne onderhebbende priesters te ontvangen en rond te leiden. Hij was een knap oud man van 70 a 80 jaar met doordringende zwarte oogen, een langen grijzen baard en eene waardige houding, geheel het ideaal van een Griekschen patriarch. In de kerk toonde hij ons een altaarschut, beschilderd met drie tafereelen in Hyzantijnsclien stijl, die zeer verdienstelijk schenen. De gebeeldhouwde en vergulde preekstoel , iets zeer zonderlings, was tegen den muur bevestigd en men kon er alleen in komen door middel van eene touwladder, zoodat, als die weggenomen was, de priester er niet meer uit kon. Na deze bezichtiging van de kerk noodigde de archimandriet ons in zijne vertrekken, waar men ons confituren, Turksche koffie en koud water aanbood. Van het balkon genoot men een fraai uitzicht, eerst op het kamp met zijne witte tenten en vervolgens op de stad Nikosia, die op dezen afstand met hare witte kerken , moskeeën en minarets, uit eene onderlaag van groen naar de blauwe lucht oprijzende, eene schilderachtige plaats scheen. Over de vlakte heen zagen wij den Pentadactylon of vijfvingerigen berg , aldus genoemd naar zijne vijf toppen , die op de meeste punten des eiiands een herkenningsteeken zijn. Er was een tijd dat Nikosia fraaie gebouwen bezat, doch zij liggen nu in puin en zijn vervangen door de aarden hutten der Turken. De archimandriet is de opperste geestelijke des eiiands en moest eigenlijk zijn verblijf houden te Kikko , het voornaamste klooster in het gebergte gelegen, doch houdt om het meerdere gemak doorgaans zijn verblijf alhier. Hij behandelde ons zeer beleefd, maar het gesprek ging niet heel vlot , omdat het door middel van een tolk moest gevoerd worden. Hij spoorde ons aan ook Kikko te bezoeken en gaf mij bij het vertrek eene zeer fijne spons van Kyrenia, vanwaar de allerbeste komen, ten geschenke.

Intusschen was het zeer heet geworden en begaven wij ons naar onze tenten om brieven te schrijven en couranten te lezen, doch de hitte noodzaakte ons weldra eene koelere plaats op te zoeken , die wij ook onder eenige olijfboomen vonden , waar zich een verkwikkend koeltje deed gevoelen.

Op dit oogenblik, na het vertrek der Indische troepen, waren er niet veel soldaten meer in het kamp, maar de percentswijze verhou-ding van zieken bleef dezelfde. De toestand gedurende den zomer moet verschrikkelijk geweest zijn, toen de thermometer van Eahrenlieit des daags op 120 graden en des nachts nog op 80 graden stond en de manschappen als muizen stierven. Zij moesten bij partijen van acht.

ocr page 239

228 Reizen naar Konstantinopel, enz.

verstoken van alle gemakken, onder eene linnen tent op den grond slapen, hadden weinig dienstplichten te vervullen en bezaten geen middelen van uitspanning die hunne gedachten van hun ongelukkig lot konden afleiden. De Indische troepen leden evenveel als de Britsche. Daarbij kwamen de moeielijkheden der begrafenis, want bij de Indische troepen moest op het verschil van caste gelet worden ; sommige verbrandden hunne dooden, andere begroeven die met bijzondere ceremoniën , en zelfs bij de Europeanen waren Grieksche, Mohammedaansche, katholieke en protestautsclie begrippen te ontzien.

Er werden nu houten hutten opgeslagen, die de soldaten betrokken naarmate zij gereed kwamen; doch het liet zich verwachten dat zij niet veel beschutting zouden opleveren tegen het natte en koude weer, dat in aantocht was, want de planken sloten niet goed op elkander en men behoefde zicli niet naar het venster te begeven, om te zien wat daar buiten voorviel. In mijne hut zag ik door de reten de zon over de vlakte opgaan.

's Middags , toen de lucht wat begon af te koelen, ondernamen wij een ridje naar Nikosia. Een aantal Grieksche vrouwen uit die stad waren op het nieuws van onze aankomst naar het kamp gewandeld (hetwelk geene kleinigheid voor haar was), in de hoop ons te zien, en wachtten stil en eerbiedig onder de olijf boo men niet ver van onze hutten, totdat wij zouden verschijnen.

Het inwendige der stad stelt de verwachting te leur , ofschoon er nog enkele fraaie gebouwen staan. De oude kathedraal van St. Sophia, thans eene Turksche moskee, is een werk uit den besten tijd der gothiek. Daar tegenover ligt de St. Nikolaas kerk , die nu tot graan-pakhuis wordt gebruikt. Elk huis bezit een tuin en de bazaars zijn gefestoneerd met wijngaardranken. Desniettemin draagt de gehesle stad den stempel van verlatenheid, verval en onreinheid. Een der beste oud-Turksche gebouwen strekt tot gouvernementshuis.

Door eene nauwe straat met instortende huizen en verwaarloosde tuinen aan beide zijden kwamen wij in het open veld en reden door een klein dorpje naar de plaats waar een nieuw gouvernementshuis gebouwd wordt. Die plaats wordt de Slangenheuvel genoemd, omdat er eens twee slangen ontdekt en gedood zijn, waaruit de onjuistheid blijkt van de bewering , dat Cyprus van vergiftige slangen zou wemelen. Men vindt ze integendeel zelden en ik heb een paar dierkundigen , die gekomen waren om ze te zoeken, hunne taak moedeloos zien opgeven.

Den volgenden morgen reden wij naar Kythrcea, een dorp in een

ocr page 240

Naar Kylhraia. 229

liefelijk dal. Eerst passeerden wij eene brug over de rivier Pedeus, in de nabijheid van een afgrond, waarin men al de dieren werpt die in de stad sterven. Dientengevolge zwierven hier een aantal hongerige en verwilderde honden rond, die ons woedend aanblaften. Twee uren lang zagen wij geen schijn van plantengroei , maar kwamen toen tus-schen wijngaarden, katoenvelden en oranjeboschjes. Aan het huis van een rijk Armeniër werden wij door diens vrouw en dochters ontvangen , die ons door een gang waar een aantal meisjes katoen zaten uit te pluizen en door twee localen welke tot pakhuis voor katoen, zaden, vruchten enz. strekten, naar eene reeks ruime vertrekken op de bovenverdieping brachten, waar men uit de vensters een gezicht over het geheele dal had. Na zulk een langen rid onder brandende hitte was het een onbeschrijfelijk genot in een koel steenen huis op een Turkschen divan uit te rusten! Wat moet de zon op Cyprus, die nog in November op een woedenden leeuw gelijkt, wel in den zomer wezen! De officieren verklaren dat zij nooit zoo iets ondervonden hebben, en dat de heetste gewesten in Indië of tusschen de keerkringen er in geen vergelijking mede komen. De vrouw des huizes verkwikte ons met water , koffie, limonade en confituren en na eenige rust waren wij in staat eer te bewijzen aan het ontbijt, dat generaal W olseley reeds herwaarts vooruit gezonden had.

Daarop versche muilezels bestegen hebbende reden wij eene vlietende beek langs tot aan de plaats waar zij als een heldere waterstroom met vrij groote kracht uit de helling van een berg ontspringt. Niemand weet van waar dat water komt, doch oude schrijvers beweerden dat het geheel onder de zee door uit de gebergten van Karamanië in Klein-Azië herwaarts stroomt. Het is alsof het eene toovérkracht bezit, w int hoornen en gewassen van allerlei aard komen hier onder zijn invloed tot den weelderigsten wasdom. Men bedient zich van dien stroom om verschillende molenwerken te drijven, die soms van den onbeholpensten aard zijn, maar toch allen heel wat arbeid verrichten. Het dorpje Kythnea zelf ligt als tusschen vruchten en bloemen verscholen en alle muren zijn met langharige varens bekleed.

\an daar keerden wij naar het huis van den Armeniër terug, die even als zijn broeder het postje van tolk in het Engelsche kamp vervult. Het is onbsgrijpelijk hoe een groot grondeigenaar, wiens bezittingen de vruchtbaarste gedeelten van deze vruchtbare vallei omvatten, lust heeft voor een loon van f 4.,5() daags voor tolk te spelen, ja zich aangeboden had als oppasser bij een der officieren. De eenige verklaring was dat een Armeniër alles doet om geld te krijgen en eer-

ocr page 241

230 Reizen naar Konstantinopel, enz.

gevoel of stand op zijde zet als hij maar een penning verdienen kan.

Het was bijna donker toen wij vertrokken en onder menige struikeling maar zonder vallen over eene met steenen bezaaide vlakte naar het kamp terug galoppeerden, waar ons een koopman wachtte met de zijden stoffen voor welke dit land beroemd is. Zij zien er als pope-line uit, maar bestaan inderdaad geheel uit zijde, zijn eene oude Hol-landsche el (69 centimeter) breed en kosten fl,80 de Engelsche el of yard (even 91 centimeter). De fraaiste stoffen zijn mijns inziens de ongeverfde, aan welke men hare natuurlijke kleur heeft gelaten, van roomkleur tot het schitterendste goudgeel. Velen verkiezen eene leikleur en daarvan worden groote hoeveelheden verkocht, maar mij kwam die tint leelijk voor.

quot;Wij kochten ook iets van eene aardige inlandsche stof, die hier dooide vrouwen geweven wordt en waarvan men cliemisetten maakt, die met kant worden gegarneerd. Generaal Wolseley had er een aan koningin Victoria als een proefje van inlandsche industrie gezonden, hetwelk zoo zeer bevallen had dat er nog twee besteld werden. De jonge dame, die het proefstuk had gemaakt, was de dochter van een der rijkste ingezetenen van Nikosia, lid van den raad en bekleeder van aanzienlijke posten. Zij had dat echter niet gedaan als eene zaak van eer, maar alleen voor klinkende specie, en ,wel in die mate, dat toen zij er hare meid mede naar het kamp zond, deze stelligen last had het pakje niet af te geven als zij niet te gelijk het geld kreeg.

De volgende nacht was weer bitter koud, niet die frissche drooge koude die men soms op een bergtop ondervindt, maar eene vochtige en klamme, die rillen deed en klappertanden. Wasschen en aanklee-den was eene ware beproeving en ik was te verkleumd om ten 7 ure te kunnen ontbijten ; eerst na een rid onder de reeds helder schijnende zon te hebben gedaan, kreeg ik mijn geregelden bloedsomloop terug.

Met leedwezen verlieten wij het kamp, waar iedereen zoo voorkomend was geweest en ons zooveel mogelijk van dienst had trachten te zijn. Generaal Wolseley deed ons uitgeleide tot het dorp Zered, waar wij afscheid namen. Met een gids sloegen wij den weg in naar het kamp te Mathiati. Het was eeti vervelende rid in de hitte en onze gids scheen den weg niet goed te kennen, maar eindelijk ontwaarden wij witte tenten in de verte onder eenig geboomte. Dit bleek een kamp der genie te zijn en men berichtte ons dat een ander kamp niet ver van hier lag. De manschappen zagen er slecht uit en zeiden dat zij veel van koortsen geleden hadden en nog leden, ofschoon zij schenen te meenen dat zij, hadden zij beter voedsel en woning gehad, van veel ellende bevrijd zouden zijn gebleven.

ocr page 242

Het slechte water. — Dali.

De reden, waarom de koorts zoozeer op Cyprus heerscht, heeft reeds dikwijls een punt van onderzoek uitgemaakt. Sommigen zeggen dat de bodem des eilands met water doorweekt is, ofschoon men het niet aan de oppervlakte ziet; doch tot staving van hun gevoelen wijzen zij er op, hoe spoedig men water krijgt als men een put graaft. Anderen zoeken de oorzaak der koorts, vooral bij de inboorlingen, die evenmin gespaard blijven als de vreemdelingen, in het feit dat bijna elke put zich in de onmiddellijke nabijheid van eene Turksche of Grieksche begraafplaats bevindt. De onderzoekingen van den laatsten tijd maken het meest waarschijnlijk dat de slechte hoedanigheid van het water inderdaad de schuld heeft, eu daarom hebben de oorlogschepen van verscheidene mogendheden in last aan hunne equipages hier ter plaatse geen ander water te verstrekken dan dat in machines gedistilleerd is uit zeewater.

Wij reden het kamp door totdat wij een soldaat ontmoetten die ons naar de tent kon brengen van een officier, die ons wachtte en bij wien wij het ontbijt gebruikten, waarna wij een weinig rondreden, de gezichten op het gebergte eu de zee bewonderden, en de hospitaaltenten bezochten, waar wij het gewone verslag hoorden dat de ziektegevallen meer dan 20 percent van de sterkte bedroegen. Toch scheen het hier eene gezonde plek; het was een afbellende rotsgrond met oogenschijnlijk goed water; en evenwel hadden de manschappen zwaar geleden, ofschoon nog niet zoo zwaar als te Kyrenia.

Na eene korte rust stegen wij wederom op en sloegen den weg in naar Dali, het oude Idalium, waar een rijtuig ons zou wachten. Wij reden ter zijde van een nieuwen weg dien de Engelschen van Dali naar Mathiati aanlegden. De geheele bevolking uit den omtrek was hier aan den arbeid, zoodat wij de beste gelegenheid hadden om de eigenaardigheden der inboorlingen waar te nemen. De mannen verdienden 60 en de vrouwen 45 cents per dag, terwijl zelfs de kleine kinderen 25 cents konden winnen door manden met steenen te vullen en de helling af naar beneden te brengen.

Te Dali aangekomen konden wij het rijtuig nergens vinden. Een Turksch dorp van aarden hutten zonder vensters, maar met dicht gesloten deuren en met uiterst weinig voorbijgangers wier taal men niet verstaat, is geen aangename plaats om iets te zoeken, vooral wanneer de avond valt en men zwaar vermoeid is. Eindelijk vonden wij het rijtuig met den koetsier, benevens onzen gids dien wij ook al kwijt waren. Het was hoog tijd, want een onzer rijpaarden, dat reeds gedurende den dag onwel was geweest, wilde geen voet meer verzetten

23i

ocr page 243

232 Reizen naar Konstantinopel, enz.

zoodat wij verplicht wareu het achter te laten en la*t gaven het later naar Larnaka te zenden, doch het arme dier is daar nooit gekomen, want het stierf weldra. Terwijl alles in orde werd gemaakt bracht een beleefde Turk stoelen voor ons naar buiten en bood ons de gebruikelijke confituren en koud water aan. De manieren dezer lieden, zelfs in de minste standen, zijn voorkomend, zoodat de West-Europeaan in vergelijking met hen ruw is.

Onze tocht van hier naar den grooten weg van Nikosia naar Larnaka ging weer door eene vruchtbaarder streek. Te Larnaka waren wij 's avonds ten 7 ure terug. Door ziekte onder de equipage konden wij den volgenden dag niet vertrekken, zooals wij voornemens waren; eerst den dag, daarna gingen wij onder zeil en kwamen, na eenige stadjes en dorpjes gepasseerd te zijn, op den middag te Jfainagusta aan.

De muren dier eenmaal aanzienlijke stad liggen op vele plaatsen in puin. De kathedraal en de andere kerken verheffen zich nog indrukwekkend boven de palmboomen, doch overigens draagt alles zulk een stempel van verlatenheid als ik nergens elders heb waargenomen. Het tooneel van ruïne en verval wordt voltooid door de moerassen in de nabij li ei d. Pamagusta, reeds door Ptolemaeus Philadelphus gesticht, werd door de Lusignans, de Genueezen en de Venetianen achtereenvolgens verbouwd en versterkt. De Othello, dien Shakespeare onsterfelijk heeft gemaakt, is hier eenmaal gouverneur geweest.

Op weg naar den wal ontmoetten wij den doctor die ons verlof kwam brengen om aan land te gaan, en nu met ons terugkeerde. De binnenhaven lag vol bootjes en aan den oever stonden kameelen, die zakken met granaatappelen droegen, in eene lange rij geschaard. Eenige beleefde maar havelooze Turken boden ons van die appelen aan en wezen ons den weg naar de Latijnsche St-Nikolaas kerk, die in üothieken stijl gebouwd is, doch nu voor moskee gebruikt wordt.

Ziet famagusta er van buiten melankoliek uit, van binnen is het er nog erger mede gesteld. Te midden van de bouwvallen van huizen en paleizen, die eenmaal eene bevolking van 30^,000 personen bevatten, ziet men nu slechts eenige ellendige hutten, die 300 inwoners herbergen. Van de 200 kerken, hier eenmaal aanwezig, staan er nog slechts 3, en de weinige lieden, die men op straat aantreft, zien er uit als lijken en glijden voorbij als spoken.

Op het gouvernementshuis bezochten wij eenige officieren, wier bedienden alle aan de koorts lagen. Daaronder bevond zich ook een stalknecht, die vroeger een Syrische roover was geweest en eene merkwaardige geschiedenis achter zich had.

ocr page 244

De roniantische roover.

Bij een rijken Turk iu de omstreken van Smirna dienende, was hij met diens dochter op de vlucht gegaan, zoodat hij de wijk naar het gebergte had moeten nemen en daar een struikroover van de romantische soort was geworden, die de rijken uitplunderde en aan de armen aalmoezen gaf. Men zegt zelfs, dat hij achtereenvolgens wel aan 2000 Grieksche meisjes een bruidschat had geschonken. De Turksche overheden stelden alle moeite in 't werk om hem te vatten, maar doordien elke boer zijn vriend was gelukte dit nooit en ontsnapte hij altijd aan de soldaten. Gedurende den Krim oorlog hielpen de Engelsche troepen de Turksche bij een hunner expeditiën tegen Kattirdji-Janni, zooals de roover heette, doch met denzelfden uitslag. Men verhaalt dat hij eens onverwachts met een dozijn volgelingen, allen van top tot teen gewapend, een hnis bij Smirna binnentrad waar het geziu aan den maaltijd zat en verklaarde dat, wanneer zij verzadigd waren, hij en zijne manschappeu zich vau het overschot zouden bedienen. De huisgenooten stonden echter dadelijk op en voorzagen huune ongenoodigde gasten van al wat zij wen^cliten, waarop Kattirdji-Janni ten bewijze van zijne dankbaarheid verklaarde, dat hij hen ouder zijne bescherming nam, met verzekering dat, als zij ooit in de handen zijner bende vielen, hun geen haar van het hoofd gekrenkt zou worden. Eindelijk echter of te zeer in het nauw gebracht of zijn avontuurlijk leven moede, gaf hij zich aan de Turken over, op voorwaarde dat hij naar Cyprus verbannen zou worden. Rij werd eerst naar Konstantiuopel gebracht en zou verder waarschijnlijk naar het eiland zijner verkiezing overgevoerd zijn, had niet een Frauschman, die vroeger door hem uitgeplunderd was, geëischt dat hij eene strenge straf zou ondergaan. Dientengevolge werd hij in eene kleine cel geplaatst, waar hij, aan den muur vastgeklonken, zeven jaren doorbracht. Later zond men hein, nog altijd in zware boeien, naar Eamagusta, en ofschoon zijne straf in 1S75 eenigszius getemperd was, had hij eerst kort vóór onze aankomst zijne vrijheid herkregen, doch mocht zelfs nu nog de stad niet verlaten.

Het moeras nabij de stad wemelt van vogels van verschillende soorten, maar een volkspraatje beweert dat een jager, die het waagde ze te gaan schieten, de koorts zou hebben voordat zij nog gebraden hadden kunnen worden.

Hier liggen nog vele fraaie Venetiaansche kanonnen, benevens duizenden ponden ijzeren en marmeren kogels, ofschoon de Turken van een en ander reeds scheepsladingen hebben weggevoerd. Wij namen een dier marmeren kogels mede, als eene herinnering aan de oude stad die zoovele aanvallen van vreemde vijanden heeft doorstaan, maar nu

233

ocr page 245

234 Reizen naar Konstantinopel, enz.

van zelf wegbrokkelt en in puin valt. Kon de haven verbeterd en het moeras drooggemaakt worden, dan ware het altijd mogelijk dat zij zich nog weder eenigszins verhief.

's Middags ten 6 ure hervatten wij onze vaart rondom het eiland, blijde dat wij Famagusta verlieten, want allen erkenden wij nooit iets zoo melankolieks en neerdrukkeuds gezien te hebben. Het was een fraaie heldere avond en daar onze koers dicht langs de kust liep bleven wij de bergen steeds in 't oog behouden. Na kaap Andreas, de oostelijkste punt des eilands, omgestevend te zijn, richtten wij den koers westwaarts langs de noordkust van Cyprus en kwamen 's morgens ten 10 ure bij Kyrenia aan.

Nauwelijks was het anker gevallen of wij hoorden ons toeroepen: „quot;Welkom te Kyrenia.quot; [let was onze oude vriend Holbach, een officier van het 60ste regiment, die ons dadelijk naar zijn verblijf medevoerde.

Een uur later ankerde het Engelsche oorlogschip „Humber,quot; om het 42ste regiment af te halen, 't geen hoog tijd was, want de manschappen zagen er allen zeer ziekelijk uit en dezen zelfden morgen waren er weer 13 nieuwe gevallen van koorts gerapporteerd. En toch moest het, naar den schijn te oordeelen, eene gezonde plaats zijn en woei er een frisch windje.

De heer Holbach had zijne kamers in het gouvernementshuis, een fraai gelegen oud Turksch gebouw met dikke muren, om de hitte van den zomer en de koude van den winter buiten te sluiten. Aan de eene zijde had men het gezicht op de blauwe zee en aan de andere op een tuin met boschjes oranje- en citroenboomen, niet een paar schrale teringachtige boompjes, maar geheele bosschages en de takken zwaar beladen met vruchten. Maar zelfs op deze schoone plaats, beschermd tegen de zou en altijd verfrischt door een aangenaam windje, werd om den anderen dag een van de drie mannen die op de wacht stonden, door de koorts overvallen en op eene baar weggedragen.

Die aanvallen komen zonder dat men eene aanleidende oorzaak kan bedenken, en zoo plotseling dat niemand zich een enkel uur veilig mag rekenen. Men had het oude en ruime klooster la Pais, met zijne hooge en ruime vertrekken, tot hospitaal willen gebruiken; maar de lijders waren er daar nog erger aan toe dan in hunne heete en bedompte hutten. Het is geheel onbegrijpelijk hoe een zwaar steenen gebouw, 500 of 600 voet boven de zee en aan alle zijden door frissclie lucht omgeven, zoo ongezond kan zijn; doch men verzekerde ons, dat men zelfster hoogte van 3000 voet boven de zee nog niet tegen de Cyprische koorts gevrijwaard is.

ocr page 246

Goedkoopheid. — Karavastasia. — De jacht. 235

Daar onze hofmeester ziek was ging ik zelve naar de markt, waar ik over de goedkoopheid van alles verbaasd stond. Ik kocht eene hoeveelheid spinage, artisjokken, tomaten, uien en andere groenten, ruim toereikend voor ous en de equipage, te samen ongeveer veertig personen, voor vierentwintig stuivers!

Den volgenden dag stoomden wij de kust verder iangs, liepen kaap Kormakiti om, stevenden de baai van Morfu binnen en wierpen het anker te Karavastasia, om van daar het uitstapje naar Kikko te doen. quot;.oodra wij den tolk en de muilezels, die ons uit het kamp bij Nikosia zouden worden toegezonden, met den verrekijker konden ontdekken gingen wij naar den wal. Die kleine expeditie had de aandacht van de omwoners getrokken, die ons meldden dat generaal Wolseley in den namiddag verwacht werd. De menschen waren als gewoonlijk zeer beleefd en boden ons stoelen aan, om gedurende het korte oponthoud te rusten. Tot ons reisgezelschap behoorde, toen wij vertrokken, kapitein de Lancey die geen ander rijdier dan een ezel had kunnen krijgen, en te Lefka van ons zou scheiden om zich naar het kamp van Mathiati te begeven. Hij had eene zeer lange reis voor zich, maar met een gids om hem den weg te wijzen, eene Turksche dictionnaire in den eenen zak en eene Grieksche in den anderen, een pak boterhammen, een potje gelei en eene flesch koude thee, aanvaardde hij zijn tocht in de grootste opgewektheid.

Het eerste gedeelte van onzen weg over eene steenige vlakte, waarbij wij herhaaldelijk de drooge bedding eener rivier moesten doortrekken, was niet zeer interessant en werd nog minder aangenaam gemaakt door de groote hitte; doch weldra reden wij eene vallei met geboomte en beekjes binnen. Na een uur ontmoetten wij generaal Wolseley, die met zijne bijhebbende officieren van Morfu kwam. Wij stapten af en verkwikten ons allen met eene teug wijn met mineraal water. Het gesprek kwam op de jacht. De generaal verklaarde, dat de bosschen en mooie jachtvelden, die men meende dat er op Cyprus waren, tot de hersenschimmen behoorden. Er groeiden wel fraaie boomen, doch weinige in getal en zoo ver uiteen, dat zij nergens een bosch vormden. Wild was er bijna niet; alles bepaalde zich tot eenige hazen en patrijzen. Wij hadden ook gehoord, dat er in het binnenland wilde paarden en runderen waren, afstammende van dieren welke de Venetianen hier in den ouden tijd hadden vrijgelaten; doch de antwoorden, welke wij op onze vragen dienaangaande kregen, schonken ons de overtuiging dat zij thans uitgestorven zijn, indien zij ooit hadden bestaan.

Na een poosje vervolgden wij ieder onzen weg, de generaal over

ocr page 247

236 Reizen naar Konstantinopel, enz.

Lefka naar Karavastasia waar hij ons jacht zou bezichtigen en verder over het klooster van Xeropotamos naar Nikosia, terwijl wij in het dal bleven, maar steeds hooger tegen de bergen op kwamen. Bij eiken stap werd onze weg, langs welken eene beek heenbruischte , schooner, ïe Kampas besprenkelde de vrouw van het dorpshoofd ons met rozenwater en verzamelde zich eene talrijke menigte om ons aan te gapen, terwijl de muilezels gedrenkt werden van het heldere koude water, dat uit eene rots sprong.

Door een hollen weg, des winters waarschijnlijk de beddiug van een schuimenden bergstroom , kwamen wij aan het dorpje Izachastra, waar men ons wederom met rozenwater besprenkelde. Venus heefc op dit aan haar gewijde eiland geenszins haar stempel nagelaten. J)e vrouwen mogen levendige oogen eu regelmatige gelaatstrekken bezitten, zij hebben eene leelijke tint, leelijke tanden en eene leelijke taille. Wonen zij in de stad dan komen zij bijna nooit buiten de deur en zien er bleek eu zwak uit, en op het platte land heeft de brandende zon, die zij gedurende den veldarbeid moeten doorstaan , ze zoo bruin als kastanjes gemaakt. Alle hebben zij een slepend en gang alsof zij op liet punt staan te vallen. Hare kleeding is meestal slordig en van donkere kleuren, zoodat zij er zelfs niet pittoresk uitzien.

Spoedig na ons vertrek uit Izachastra bereikten wij het hoogste punt van den pas, van waar wij naar verschillende zijden een schoon uitzicht jiadden. Het voorkomen van het landschap veranderde elk oogenblik en naarmate wij nu deze, dan gene met pijnboomen begroeide rots omtrokken hadden wij telkens een verschillend vergezicht over de zee.

Daar hier op het eiland de schemering slechts zeer kort duurt was het spoedig donker en moesten wij het aan de muilezels overlaten bij instinct den weg naar het klooster Kikko te vinden. Hoeveel vertrouwen wij echter op dat instinct hadden, waren wij toch zeer blijde toen wij een vriendelijk licht tusschen het geboomte • zagen schemeren. Het eerst belandden wij aan de achterdeur tot schrik der daar gehuisveste monniken , die naar buiten kwamen om ons den weg naar de voordeur te wijzen. Daar ontving ons een nog grooter getal monniken, die ons over het voorplein, trappen op en gangen door, naar een klein vertrek met fraai gebeeldhouwde cederhouten zoldering geleidden. De superieur kwam ons daar met andere monniken verwelkomen eu zeide dat men, omdat wij niet vóór den avond verschenen waren, ons niet meer verwacht had, zoodat het nu wel anderhalf uur zou duren eer ons een maaltijd kon voorgezet worden, eene groote teleurstelling , daar ons ontbijt niet zeer stevig was geweest; doch hij had

ocr page 248

Het klooster Kikko.

de vriendelijkheid ons intusschen eenige ververschingeu te laten aanbieden, bestaande uit brood, kaas, druiven, koffie, de gewone confituren en Cyprischeu wijn. Een dozijn monniken bedienden ons en letten met de grootste aandacht op den minsten wensch dien wij zouden te kennen geven, ofschoon zij geen woord van onze taal ver-stonden, noch wij van de hunne.

Mijne slaapkamer was een klein gewelfd vertrek met dikke muren , getraliede vensters en eene zilveren lamp aan de zoldering. De meubelen bestonden uit twee divan* , met Turksche tapijtstof bekleed, en acht stoelen op twee rijen tegen den muur gerangschikt. Toen ik te kennen gaf dat ik mijne handen wenschte te wasschen verscheen een monnik met eene tinnen wasclikom, een tweede met een stuk zeep en een derde met een handdoek, terwijl een vierde met eene kaars bijlichtte. Het kostte mij de grootste moeite hen te overreden mij alleen te laten bij het verrichten mijner wasschingen. Zij bleven beleefd aandringen de waschkom te mogen vasthouden totdat ik er ten minste mijn gelaat in zou gedompeld hebben, en toen gingen zij buiten de deur staan wachten totdat ik met mijn toilet gereed zou zijn.

Den volgenden morgen vroeg opgestaan gingen wij dadelijk uit om de lichtspelingen van den ochtend op het gebergte waar te nemen ; doch de archimandriet, die opzettelijk van Nikosia gekomen was om ons te ontvangen, was ous reeds vóór geweest, ofschoon hij nog den vorigen avond de koorts had gehad. Hij voegde zich bij ons toen wij uitgingen en betuigde zijn leedwezen dat onze ontvangst, ten gevolge van onze late aankomst, niet volkomen naar behooren was geweest. Had de regel zijner orde hem niet verboden na zonsondergang op den weg te zijn, dan zou hij ons halverwege den berg tegemoet zijn gegaan, om ons zelf naar het klooster te geleiden en voor alles te zorgen.

Het voorkomen des lands, gezien van een bergje dat zich nabij het klooster verhief, had veel overeenkomst met dat eener relief-kaart, zoo talrijk waren de bergruggen die zich in alle richtingen uitstrekten en zoo ontelbaar de vertakkingen der valleien. Aan onze voeten lagen wijngaarden, doch alles zag er dor uit, want de druiven waren reeds sinds lang ingezameld. Door de vensters der bijgebouwen van het klooster zagen wij de groote kruiken wijn staan, alsmede de steenen bakken waarin de druiven, rijp en onrijp, gaaf en verrot, tegelijk met de stengels en de bladeren, door de boeren met de voeten uitgetreden worden. Het is eene ruwe wijze van doen, maar toch zag de omgeving er zindelijker uit dan menige andere die ik gezien heb en waar de wijn in een vertrek bij allerlei onhebbelijke artikelen bewaard werd.

237

ocr page 249

238 Reizen naar Konstantinopel, enz.

Wij keerden ten 8 ure naar het klooster terug om te ontbijten, waarna de arcliimandriet ons kwam afhalen om ons de kerk te laten zien, een fraai gebouw, dat veel op de kerk van het klooster te Nikosia gelijkt en ook een altaarschut met Byzantijnsch schilderwerk, benevens fraaie boeken en zilveren kandelaars bevat. Ook hier zagen wij weder den zonderlingen preekstoel, waar men met eene touwladder moest inklimmen. In zijne vertrekken liet de archimandriet ons vervolgens koffie, confituren en water aanbieden. Hij was zichtbaar onwel en kon bezwaarlijk op de been blijven, maar wilde ons toch overal rondleiden, waarbij hij zich door twee monniken liet ondersteunen. Als eene merkwaardigheid toonde hij ons het blok hout dat geslagen werd om de godsdienstoefeningen aan te kondigen, toen de Turken het gebruik van eene klok nog niet veroorloofden, en de bronzen plaat die daartoe later als een bijzonder gunstbewijs mocht gebezigd worden. Thans verheugt het klooster zich in het bezit van een fraai stel klokken, die eene Russische familie ten geschenke heeft gegeven.

De archimandriet had ons naar Lefka of Karavastasia willen vergezellen, maar de staat zijner gezondheid maakte dit geheel onmogelijk, zoodat hij ons zijn secretaris medegaf, die een geweer had, een goeden muilezel bereed en eenige weinige woorden Engelsch sprak. Wij konden voor de terugreis verschillende wegen kiezen. Eén daarvan, acht uren lang, liep van Kikko door het gebergte naar een ander klooster, en dan tusschen oleander en mirtenboschjes naar Ktima en Paphos. Een andere, die tien uren kostte, zonder den tijd der noodzakelijke halten te rekenen, leidde naar den top van het Troödos gebergte en daalde dan naar Lefka en Karavastasia af. Doch beide wegen zouden waarschijnlijk hoogst vermoeiend zijn, zoodat wij besloten maar terug te keeren langs dien welken wij gekomen waren.

Te halverwege hielden wij balt onder de schaduw van eenige groote pla-taanboomen bij een beekje in eene vallei die den veelbeteekenenden naam van Chaos droeg. Het overige van de terugreis naar Karavastasia ging sneller en aangenamer dan wij op grond van onze vroegere ondervinding hadden durven verwachten: het was veel koeler, zoodat wij beter tegen de vermoeienis bestand waren. De schaduwen begonnen reeds lang te worden, toen wij uit de smalle dalen op de steenachtige vlakte kwamen, en toen wij eindelijk den laatsten berg afdaalden en het jacht in 'tgezicht kregen viel de duisternis. De secretaris van den arcliimandriet had gaarne met ons aan boord willen gaan, en wij zouden het hem ook wel gegund hebben, want zeker zou hij veel hebben geinen dat hem nieuw en vreemd was, nadat hij vijftien jaren onafgebroken in

ocr page 250

Ervaring van Cyprus. 239

Cyprische kloosters had doorgebracht; doch ongelukkigerwijze was de zon onder, voordat wij te Karavastasia aankwamen en nu moest hij doorgaan naar het klooster Xeropotamos.

De bemanning van het jacht had zich gedurende onze afwezigheid zeer goed vermaakt en zag ons bijna met leedwezen terugkeeren, daar dit een spoedig vertrek voorspelde, terwijl allen gaarne nog eenige dagen zouden gebleven zijn. Dezeu dag nog hadden verscheidenen met ezels een uitstapje naar Lefka gedaan; het dorpshoofd had Len in zijn huis genoodigd en op brood, vruchten en koffie onthaald, inlandsche muziek en dansen voor hen laten uitvoeren, en hen bij hun vertrek beladen met vruchten en andere geschenken. En dit alles zonder dat men over en weer een woord van elkanders taal verstond.

Omstreeks 9 ure werd het anker gelicht en stoomden wij weg van Cyprus, waar wij de tien laatste dagen zoo aangenaam hadden doorgebracht.

Volgens het rapport van den doctor had het verblijf te Cyprus allen aan boord goed gedaan en niemand had den geringsten aanval van koorts ondervonden, ofschoon men het zich meer dan eens verbeeld had. Toch was onze. levenswijze zeer verschillend geweest: sommigen waren altijd aan boord gebleven, anderen hadden zich alleen in de havans aan wal begeven en nog anderen hadden in het binnenland gereisd, waar zij aan al de felheid der zon waren blootgesteld geweest, en op zeer onregelmatige wijze gegeten en geslapen hadden. Ik persoonlijk gevoelde mij na dit verblijf te Cyprus veel beter dan te voren. Gedistilleerd water hadden wij niet tot onze beschikking gehad; wij waren integendeel genoodzaakt geweest onze watervaten tweemaal op Cyprus te doen vullen, en toch hadden wij er geen slechte gevolgen van ondervonden, ofschoon de inboorlingen zeiden, dat het thans juist een zeer ongunstig jaar was en zelfs de houden op de straat aan koorts gestorven waren. Zeker was het opmerkelijk dat de regens, die anders reeds in het begin van October vallen, nu over de helft van November nog uitgebleven waren. Men begon de gevolgen van den buitengewoon heeten zomer en de zeer langdurige droogte reeds te gevoelen. Tijdens het Turksche bestuur zijn er jaren geweest dat er in 't geheel geen regen viel en men een groot aantal inwoners, om hen voor den hongerdood te vrijwaren, naar de tegenoverliggende kust voerde, terwijl de overigen op eene sobere wijze in het leven werden gehouden door scheepsbeschuit, die de regeering liet uitdeelen.

De overeenkomst waarbij Turkije aan Engeland vergund heeft Cyprus te bezetten is eene bron van groote moeielijkheden ten aanzien van de rechtsbedeeling, den verkoop en de overdracht van land enz., daar

ocr page 251

240 Reizen naar Konstantinopel, enz.

niemand juist schijnt te weten hoelang het Engelsch bestuur zal duren of wat de eigenlijke voorwaarden der bezetting zijn. Sommigen zijn van gevoelen dat Engeland het best zou doen het eiland maar ten spoedigste weer te verlaten, daar het, indien het klimaat niet ten eenemnale verandert (waarop natuurlijk geen uitzicht bestaat), tot niets anders dan tot een kolenstation kan strekken.

Cyprus heeft achtereenvolgens onder het bestuur van de Pheuiciërs, de Grieken, de Perzen, de Egyptenaren, de Romeinen, de Byzantijnen, de Saraceenen, de Eranschen (ten tijde van de Lusignans), de Venetianen en de Turken gestaan, talrijke lotwisselingen ondervonden en langen tijd een beroemden naam gehad, doch verkeert gedurende de laatste driehonderd jaren in een droevigen toestand. Mocht er thans, onder een Europeesch bestuur een betere tijd aanbreken! Doch het is te vreezen dat het klimaat altijd een onoverkomelijk beletsel tegen waren bloei zal blijven.

ocr page 252
ocr page 253
ocr page 254
ocr page 255
ocr page 256