ocr page 1

mm*

Vak 140

fT' ■3^K

ROMEIFSCHE

j ASTIQÏÏITEITEB. j

SCHETS

Staatsinstellingen van het Romeinsche Rijk

D':. P. HOEKSTRA,

Hector van het gymnasium te Breda.

TWEEDE DRUK.

ZWOLLE,

VV. E. J. TJEENK WILLINK, g. 1 8 9 2. /0

wsgt;.....—...................—......:-sïil

187

ocr page 2
ocr page 3

RIIMEIKSCHE

A N T 1 Q V I T E I T E N

ocr page 4
ocr page 5

' nli MO

/^7

r

ROMEINSCHE

AlfTIQTJITEITES.

SCHETS

Staatsinstellingen van het Romeinsche Rijk

Dquot;. P. HOEKSTRA,

Reotor van het gymnasium te 15 re da.

TWEEDE DRUK.

- —-W—Crf--------

^ O PC. -- , • , ,,

' ZWOLLE, \V. E. J. TJ KENK WILLINK. 18 9 2.

ocr page 6
ocr page 7

V O (J R R E111 C n T.

Deze tweede druk verschilt in menig opzicht van zijn voorganger. De wijze van behandeling is dezelfde gebleven, maar de praktijk en wijziging van inzichten hebben tot talrijke veranderingen — ik hoop verbeteringen — aanleiding gegeven.

Nog meer dan vroeger heb ik mij aangesloten bij de resultaten van Mommsen. Toch is hier en daar zelfs in enkele voorname punten zijn zienswijze niet gevolgd. Zoo is,'naar liet my voorkomt, zyn meening omtrent de wetgevende macht van het concilium plebis reeds voor jaren door Ihne, om van anderen niet te spreken, grondig weerlegd. Evenmin kan ik aannemen, dat zyn ingewikkelde verklaring van dc hervorming der comitia centuriata, in het in 1887 verschenen 3dli deel van zijn Eömisches Staatsrecht, de hypothese van Pantagathus zou hebben verdrongen.

Van mijn oorspronkelijk plan om telkens aan den voet dei-pagina opgave te doen van mijn afwijkingen van Mommsen en liet gevoelen van verschillende autoriteiten omtrent de meest betwiste punten mede te deelen, heb ik afgezien. Vooreerst om ruimte te winnen en verder omdat het bij het groote verschil der ineeningen een toeval zou zijn, zoo mijn keuze ieder bevredigde. Indien derhalve iemand nu en dan zich met de door mij gegeven voorstelling niet wenscht te vereenigen, dan kan hij de zijne door de leerlingen laten opteekenen.

Van verschillende zijden heb ik wenken ontvangen voor een eventuee]en herdruk. Sommigen stelden voor enkele door hen minder noodig geachte hoofdstukken geheel of gedeeltelijk weg te laten. Maar deze desiderata waren van zoo uiteenloopenden

ocr page 8

VOO KBERICHT.

aard, dat liet verkieslijk scheen in dit opzicht geen veranderingen aan te hrengen. Daarentegen heb ik gemeend te moeten voldoen aan het verzoek van velen, die ook de instellingen van het keizerrijk wenschten opgenomen te zien. Want nn er tengevolge van het K. B. van 21 Juni 1887 reeds in de 5d,i klasse een uur wordt besteed aan de staatkundige geschiedenis van Eome, kan ook de staatsregeling van dit in alle opzichten belangrijk tijdvak data opera worden behandeld. Dat het princi-paat met eenige uitvoerigheid is besproken en dat ook aan de monarchie eenige pagina's zijn gewijd, zal hoop ik niet als verloren moeite beschouwd worden. Het spreekt van zelf, dat het geenszins mijn bedoeling kan zijn beide nieuwe hoofdstukken tot in bizonderheden door de gymnasiasten te laten memori-seeren; ik vlei mij evenwel, dit zij bij het behandelen der staatkundige geschiedenis van het keizerrijk eenigen dienst zullen kunnen bewijzen.

Prof. J. C. Naber, die de welwillendheid heeft gehad de op het rechtswezen betrekking hebbende gedeelten te herzien, heeft daardoor de gebnxikers der Schets niet minder dan den schrijver ten zeerste verplicht. Tal van behartigenswaardige opmerkingen zijn mij medegedeeld door Dr. A. W. van GreerenDr. I. E. Wijga; voor hun meer dan gewone belangstelling betuig ik hier gaarne mijn welgemeenden dank.

Ten slotte spreek ik den wensch uit, dat het werkje ook in zijn veranderde gedaante zijn oude vrienden behouden en nieuwe moge winnen.

BREDA, H

12 Juli 18 92.

VI

ocr page 9

1

I N H O ü D.

Koninkryk.

Bladz.

HOOFDSTUK I. ms patricische staat.......1—10

§ 1. Geschiedenis..........-........1

§ 2. Bevolking. (Geutes. Patriciërs. Cliënten. Plebejers.).....3

§ 3. Koning. Senaat. Curiae. ConiWa curiata......- . . fi

§ 4. Leger....................8

Republiek.

HOOFDSTUK II. hinnenlaxdsohe gescuiedenis . . 11—30

§ 1. Strijd tusschen de patriciërs en jikbejers........11

§ 2. Nieuwe partijvorming...............Ifi

a. Nobiles..................16

b. Eqnites . . ...............17

c. Volk..................19

HOOFDSTUK IH. bevolking.........21—31

j 1. Burgers. .... ........... .21

a. Durgerreclit................21

ü. Beperkt burgerrecht..............23

c. Tribus..................26

§ 2. Peregrini...................28

§ 3. Slaven....................29

HOOFDSTUK IV. volksveiigaderingen.....32—4(1

§ 1. Algemeen overzicht................32

j 2. Auspicia. Patrum auctoritas............34

§ 3. Comitia curiata.................36

■

ocr page 10

l X II ü U 1).

Bladz.

§ 4. Coinitia ccnturiata................37

a. Samenstelling. Gang der vergadering........37

b. Bevoegdheid der comitia centuriata........40

§ 5. Comitia tribnta................43

§ 6. Concilium plebis................44

HOOFDSTUK V. senaat............47

§ 1. Samenstelling.................47

§ 2. Senaatszittingen................51

§ 3. Werkkring..................55

§ 4. De volksvergaderingen en de senaat.........58

IIO O F D S T V K VI. magistraten.........61—93

§ 1. Algemeen gedeelte...............61

a. Indeeling. Anibtsgezag........ ... 61

b. Petitio. Prorogatio............................65

c. Anspicia der magistraten...........67

§ 2. Consulaat........ .........69

§ 3 Praetuur . . . .............72

§ 4. Censuur............. .... 74

§ 5. Tribunaat..................79

§ 6. Aediliteit..................83

§ 7. Quaestuur..................86

§ 8. Magistratus minores ordinarii...........87

§ 9. Magistratus extraordinarii.............88

§ 10. Dictator. Magister equitum............90

$ 11. Dienaren der magistraten........................92

HOOFDSTUK VIT. rechtswezen.......94—117

§ 1. Het recht. Bronnen van het recht.........94

§ 2. lus Privatum.................98

a. Indeeling . . . ............98

b. Personen- en familiereclit...........98

a de Persoon ... .... .... 98

(3. de Familie. Agnatic. Cognatio..............98

y Huwelijk........... . . 99

o. Patria potestas. Adoptio. Adrogatio . .... 101

c. Zaken- of eigendomsrecht...........103

d. Erfrecht .... ............104

e. Obligationes................106

§ 3 Indicia privata................107

a. Rechters. Rechtbauken . ..........107

b. Legis actiones. Formulae...........108

VIII

ocr page 11

i N n o u I).

Blad/

c. Het geding................J10

§ 4. Indicia publica................Ill

a. Delieta publica. Questiones perpetuae . . . ... Ill

b. Het proces voor de quaestiones perpetuae......114

c. Straffen.................11(5

HOOFDSTUK VIII. eeredienst.......118_186

§ 1. Godenleer...................118

a. Nationale godheden.............118

h. Uitheemsche godheden.............120

§ 2. Inrichting van den eeredienst....... .... 123

a. Sacra privata ... ...... .... 123

h. Sacra publica...............125

§ 3. Priesters. Priesterschappen.............128

a. Priesterambt..... ..........128

b. Pontifices. Rex sacrorum. Flamines. Virgines Vestales . 129

c. Vllviri epulones..............132

cl. II. X. XVviri sacris facinndis . . ..... .133

e. Augures..... ..... ..... 133

ƒ. Haruspices.......... .....134

g. Fetiales.................135

h. Salii. Fratres Arvales. Luperci.........135

H O O F D S T U K IX. krijgswezen........137_150

§ 1 Hervormingen van Camillas............I37

§ 2. Dienstplicht. Lichting Het legioen en zijne aanvoerders . . 137

§ 3. Marsch. Legerplaats. Slag. Belegering........141

§ 4. Soldij. De dienst. Straffen en belooningen. Triumf . . . . 146

§ 5. Het leger van Marius en van Caesar ... .....148

HOOFDSTUK X. italië..........151_102

§ 1. Uitbreiding van Italië. Ontwikkeling der steden.....151

§ 2. De Latijnsche Bond. Municipia...........152

§ 3. Ager publicus.................I54

§ 4. Kolonies...................I57

[ 5. Socii. Ins Latii................I59

§ 6. Italië na den bondgenootenoorlog..... .... 161

HOOFDSTUK XI. provinciën........163_169

§ 1. Toestand der provinciën..............163

§ 2. Bestuur der provinciën..............100

ocr page 12

t n ii o u i).

BI adz.

HOOFDSTUK XII. geldmiddelen.......170—177

§ 1. Muntwezen..................170

§ 2. Uitgaven...................173

§ 3. Inkomsten. Belastingheffing . ..........175

Keizerryk.

HOOFDSTUK XIII. het princtpaat......178—219

§ 1. Geschiedenis.................178

§ 2. Bevolking..................181

a. Burgers.................181

h. Peregrini.................184

c. Slaven. Vrijgelatenen.............184

§3. De Princeps..................186

a. Ambtsaanvaarding. Aftreding. Gezag.......180

h. Titels. Eerbewijzingen.............188

c. Mederegent. Medekeizer............189

d. Hof. Hofbeambten. Kanselarij..........189

§ 4. De instellingen der republiek............191

a. Comitia.................191

h. Senaat...................192

c. Magistraten................193

§ 5. Ambtenaren..................194

a. Ontwikkeling van den ambtenaarsstand.......195

h. Praefecti praetorio..............198

§ 6. Rijksbeheer..................199

a. Het rijk en zijn deelen............199

h. Rome..................201

c. Italië..................202

d. Provinciën................203

e. Stedelijke organisatie.............208

§ 7. Rechtswezen..................211

a. Bronnen van het recht............211

h. ludicia publica...............212

c. ludicia privata...............213

§ 8. Geldmiddelen..... ...........214

a. Inkomsten................214

h. Uitgaven.................216

c. Beheer der geldmiddelen............217

HOOFDSTUK XIV. de monarchie...... 220—237

§ 1. Geschiedenis.......... ......220

x

ocr page 13

T N n O ü I). XT

iiladz.

§ 2. Bevolking................................222

a. Burgers.................222

gt;gt;' Peregrini.................224

c. Slaven. Vrijlating..............224

^ 3. De keizer..............................225

§ 4. Centraal bestuur................225

§ 5. Staatsraad. Hooge ambtenaren............227

§ fi. Kijksbeheer..................229

a. Verdeeling van het rijk. Steden.........229

b. Rome en Constantinopel............231

c. Rijks verdediging...............232

§ 7. Rechtswezen..................233

a. Bronnen van het recht............233

b. Rechtspraak................234

j 8. Geldmiddelen..............................235

a. Belastingen........................235

b. Beheer der geldmiddelen............237

LIJST VAN' BEHANDELDE WETTEN' EN I'LEBISCITA........238

LIJST VAN KE1ZEKS............................243

OVERZICHT VAN DEN INHOUD....................245

ocr page 14
ocr page 15

KONINKRIJK.

HOOFDSTUK I.

DE PATRICISCHE S T A A T.

§ 1. Geschiedenis.

'Omtrent de eerste eeuwen van Eome's bestaan is weinig met volkomen zekerheid bekend. Maar al te dikwijls moet het gebrek aan betrouwbare berichten worden aangevuld door gissingen, die, hoe scherpzinnig ook, toch altijd gissingen blijven. Evenwel is het mogelyk in groote trekken een denkbeeld te geven van de oudste geschiedenis van den staat en van de ontwikkeling zijner instellingen.

De hoofdvolken van Italië waren de Latijnen, de Sabijnen en de Umbriërs. De eersten hadden zich gevestigd in Latium, [lutus) de vlakke streek, waaraan zij hun naam Latini, mannen dei-vlakte, ontleenden. In den loop der tijden ontstonden in Latium tal van staatjes, ieder onder een vorst, wien een raad der oud. sten en eene vergadering der weerbare mannen ter zijde stond. Ondanks gedurige onderlinge veeten bleet' het gevoel van gemeen-schappelijke afstamming bij hen levendig en reeds vroeg bestond er een bond van 30 Latijnsche steden, waarvan Alba longa het middelpunt was.

Een dezer staatjes in Latium was Eome, oorspronkelijk eene nederzetting op den mons Palatinus van een Latijnscheu stam, de Ravines, waarmede later de Titles en de Luceres, de ee-^en

ocr page 16

van Sabijnsche, de laatsten van Latijiische afkomst, zicli ver-eenigden.

Het is niet mogelijk eenigszins nauwkeurig den ouderdom van Rome te bepalen. De berekeningen van Varro, volgens welke 21 April 704 v. C. de stichtingsdatum zou zijn, hebben niet de minste waarde; alleen kan men veilig aannemen, dat de oorsprong der stad niet later moet gezocht worden.

De Palatinus was omringd met een muur, waarvan de sporen nog over zijn {Itor.ia quadratd), maar allengs zette de jonge staat zijn grenzen uit, zoodat hij nog zes andere naburige vlekken bevatte. De herinnering aan dezen ouden toestand werd tot in den keizertijd bewaard door het Septimontium, het feest der zeven bergen (VIII. 2. b.). Een latere vergrooting van gebied — waar-schijnlijk een vereeniging met een dergelijke nederzetting op den naburigen collis Quirinalis — heeft duidelijke sporen achtergelaten. De burgerij werd by deze gelegenheid klaarblijkelijk aanzienlijk vermeerderd, want niet alleen werden de oude en de nieuw toegevoegde geslachten voortaan onderscheiden als r/entes maiores en minores, maar ook de priestercolleges en de ruiterij werden verdubbeld l). De stad behield den naam lioma, het vereenigde volk heette populus Romanus qwrites •i). Een burcht, het Capi-tolinm, verrees op den heuvel, die sedert dien tijd collis Capi-tolinus heette, en een geduchte muur onder den voorlaatsten koning opgetrokken, sloot het vergroote stadsgebied in, dat zeven heuvels bevatte: Quirinalis, Viminalis, Esquilinus, Caelius, Aventinus, Palatinus, Capitolinus.

De overlevering geeft aan Eome zeven koningen. Wat zij van de regeering der vier eerste verhaalt, is eenvoudig een opgesmukte schildering van de ontwikkeling van den staat. Romulus regelt de burgerlijke, Numa de godsdienstige instellingen; geneis de veldheer, deze de priester; in Tullius Hostilius en Ancus Martins keeren zij als in hunne schaduwbeelden terug. Daarentegen schemert in de verhalen omtrent de laatste koningen duidelijk

*) De overlevering stelt deze vermeerdering van (jentes en ruiterij verkeerdelijk op naam van een der laatste koningen, Tarqninius Priscus.

*) QuirUes schijnt afgeleid van het Sabijnsche curis, quiris, speer, en beteekent dan speerdragers.

ocr page 17

geschiedkundige waarheid door. Nieuwe instellingen komen op, het gebied breidt zich aanmerkelijk uit, de invloed der naburige, Grieksche coloniën doet zich reeds duidelijk gevoelen op godsdienst, kunst, beschaving. De vorsten zijn uit een vreemd, Etruscisch geslacht, dat zich de erfopvolging wil verschaffen. Tarquinius Priscus, die de rij opent, wordt nog met de gebruikelijke formaliteiten gekozen, maar Servius Tullius regeert reeds iniussu populi en Tarquinius Superbus wordt als het type van een tyrannus afgeschilderd.^

§ 2. Bevolking. (G e n t e s. Patriciërs.

Clienten. Plebejers).

Het Romeinsche volk bestond uit eene vereeniging van geslachten. Een geslacht {gens) omvatte allen, die een gemeen-schappelijken stamvader hadden en het zelfde wmen gentiUcium droegen. Wanneer onderlinge verwantschap niet meer kon worden aangetoond, hetgeen natuurlijk hoe langer hoe moeilijker ging, dan diende de gemeenschappelyke naam tot bewijs der (j ent Uit m. In den beginne woonden alle leden eener (jem, in familiën gegroepeerd, samen en hadden gemeenschappelij ken grondeigendom, maar toen naburige gent es zich vereenigden tot een staat werden langzamerhand de gemeenschappelijke landerijen verdeeld en verslapte de band tusschen de gentiles. Niettemin bleef iedere gens een gesloten geheel uitmaken, vooral ten gevolge der iura gentilicia, die door den staat werden erkend en beschermd. Als iura gentilicia hadden zich allengs ontwikkeld:

1°. ws sacromm. Iedere gens stond onder bescherming van een bepaalde godheid ter eere van wie sacra werden gevierd, waartoe alle gentiles bijdroegen en waaraan allen behoorden deel te nemen.

2°. ius hereditatis. Bij ontstentenis van andere erfgenamen konden de gentiles de nalatenschap van een overleden lid hunner gens aanvaarden.

3°. ius curae legitimde. De gentiles konden de voogdijschap uitoefenen over de minderjarigen en krankzinnigen hunner gens.

4°. ius sepulchri. Sommige gent es hielden vast aan de oude gewoonte van gemeenschappelijke begraafplaatsen.

ocr page 18

4

5°. ins decretorum. Iedere gens kon besluiten nemen in haar eigen familieaangelegenlieclen. Zoo was in de geus Fabia liet caelibaat en de expositio infantum verboden en mocht in de geus Manila, sedert de veroordeeling van M. Manlius Capitolinus (384), niemand meer het praenomen Marcus dragen.

De leden der geslachten, de gentiles, heetten ook patres in zoover zij alleen van rechtswege vaders waren of zijn konden. Spoedig evenwel werd het gewoonte hen met een van pater afgeleid adiectivnm patricii te noemen, want uitsluitend zij hadden volgens Eomeinsche opvatting een vader '). Alleen de patriciërs natuurlijk hadden in den aanvang, bij ontstentenis van gelijkberechtigde elementen in den staat, het burgerrecht;'zij alleen dienden in het leger ^temden in de volksvergadering en traden /op als overheidspersonen en als priesters. | Terwijl zij beletten, dat de overige bevolking door huwelijk in hunne gentes kwam, ontwikkelde zich van zelf een geboorteadel, wiens kring tijdens de koningen door het opnemen van patricische geslachten uit de naburige steden, waar overeenkomstige toestanden zullen bestaan hebben, herhaaldelijk werd uitgebreid, maar die onder de republiek gesloten bleef.

Tusschen de burgers en hun slaven stonden de clientes (cluere), halfvrijen of hoorigen. Deze lieden misten het burgerrecht, zij behoorden alleen tot den staat, die hun vrijheid beschermde. Hcorigheid ontstond door:

1°. maimruissio. Ontslag uit de slavernij schonk alleen de vrijheid, geenszins het burgerrecht.

2°. avvlicatio. De vreemdeling, die zich te Eome vestigde, stelde zich onder de bescherming van een familiehoofd.

3°. deditio. Het strenge oorlogsrecht liet toe de overwonnenen als slaven te verkoopen. Maar de praktijk was milder; soms

') Bij de Romeinscie schrijvers komt patres voor als; 1°. patriciërs, 2°. de senaat der koningen, 3°. de patricisch-plebejische senaat. Patres is Ij ij Cicero steeds liet patriciseli deel van den senaat; den gelieelen senaat noemt hij, evenals Caesar, senatus of patres conscripti. Patres wordt door Sallnstius soms, door Livins dikwijls, gebruikt in den zin van den gelieelen senaat. Sedert patres de engere beteekenis bad gekregen van de patricische senaatsleden, werden in het dagelijkseh leven de gentiles nooit anders ge-noemd dun patricii.

ocr page 19

5

werd zelfs een aanzienlijk geslacht met het burgerrecht begiftigd, in den regel werd aan de onderworpenen (dediticii) het gebruik hunner landerijen en de vrijheid gelaten, maar zoo, dat zij kwamen in de clicnteel van den koning of van de familiehoofden, aan wie zij werden toegewezen.

De gewezen meester van den cliënt en de burger onder wiens bescherming hij tengevolge van applicatio of deditio stond, heette zijn patronus (pater). De verhouding tusschen patroon en cliënt bleef aan beide kanten voor de nakomelingen bestaan, hetgeen reeds daaruit blijkt, dat de cliënt het nomen gentile voerde van zijn patroon. De cliënt was zijn patroon eerbied verschuldigd; hij vergezelde hem in den oorlog, droeg bij tot den bruidschat van diens dochter, tot het losgeld van den patroon of van diens zonen, tot de boeten, waartoe deze werd veroordeeld en tot de kosten der sacra gentilicia, tot welke hij ook werd toegelaten. Daarentegen behoorde de patronus den client te beschermen, hem bij te staan voor het gerecht en hem het recht te verklaren. Sedert de cliënt zelf in rechten kon optreden gold als regel, dat patroon en cliënt elkander niet mochten aanklagen noch tegen elkander konden getuigen. Het werd als een vergrijp, dat den dood verdiende, beschouwd wanneer de patroon zijn verplichtingen niet nakwam; patronus si clienti fraudem fecerit sacei' esto. (lex XII tah.)

Gaandeweg verbeterde de toestand der clienten. Zij verwierven familie- en vermogensrechten en kregen de bevoegdheid om zelf op te treden voor het gerecht.

De clienteel is nooit by de wet opgeheven, maar reeds vroeg eindigde zij in veel gevallen van zelf. Daartoe gaf al dadelijk aanleiding de erfelijkheid en niet minder het groot aantal clienten van veel families. Niet alleen bestond de hoerigheid der dediticii meestal meer in naam dan in werkelijkheid, maar bij het veelvuldig uitsterven der patricische geslachten bleven hun clienten zonder patroons en tengevolge van de ontwikkeling van den staat, benevens de toenemende welvaart van vele clienten, werden de banden hoe langer hoe losser. Zoo ontstond allengs onder de clienten een talrijke klasse van inwoners, die feitelijk geheel vrij en onafhankelijk waren, plehes^ plebs (pleo), menigte, genaamd. De plebejers misten alle politieke rechten. Eerst toen

ocr page 20

6

hun werd vergund in het leger te dienen en in de volksvergaderingen te stemmen, hadden zij het burgerrecht, zij het dan ook een beperkt burgerrecht verkregen. Wat hun ontbrak moesten zy in een vinnigen strijd stuk voor stuk veroveren.

§ 3. Koning. Senaat. Curiae. Comitia curiata.

Het hoofd van den staat was de koning, naast wien een raad [senatus) en een volksvergadering [comitia) stonden. Bij het overlijden des konings kwam de regeering weder aan den senaat, die zoo spoedig mogelijk uit zijn midden door het lot een tus-schenkoning (interrex) benoemde {proderé). De interrex oefende vijf dagen de volle koninklijke rr ht uit en gaf dan het bewind over aan zijn eveneens by het lot aangewezen opvolger, die weer vijf dagen regeerde en zoo verder. quot;De eigenlijke taak van den interrex was het voorstellen van een nieuwen koning. De eerste mocht dit niet doen, waarschijnlijk omdat hij inauspicato gekozen was.

Had de interrex in overleg met den senaat een geschikten candidaat gevonden, dan riep hy het volk samen ter bevestiging oi' verwerping dezer keuze. Van het laatste geval komt geen voorbeeld voor. Op de goedkeuring des volks (creatio) volgde de inawjuratio, het vragen van de toestemming der goden tot de keuze, hetgeen de pas gekozen koning zelf deed. Vervolgens gaf de senaat zyn toestemming door de zoogenaamde patrum auctoritaa (IV. 2), terwijl ten slotte het volk in de comitia door het aannemen eener lex curiata de imperio (IV. 3), door den koning zelf voorgesteld, zich tot gehoorzaamheid jegens hem verplichtte.

De koning was dns een burger door volk en senaat tot de hoogste waardigheid geroepen. Hij had de hoogste macht in oorlog en in vrede en werd daarom voorafgegaan door twaalf lictoren met fasces cum securibus. Hy was opperbevelhebber van het leger, oefende de rechtspraak uit, handhaafde de wetten en riep zoowel den senaat als het volk samen. Vooral was hem de zorg voor den godsdienst toevertrouwd. Evenals de huisvader het gezin voorging met offer en gebed, onderhield de koning voor den staat het verkeer met de goden. Hij alleen

ocr page 21

had het recht om van staatswege naar den wil der goden te vragen, de auspicia te houden. Bij zyu dood keerde dit recht terug tot den senaat [auspicia ad patres redeunt), die de auspicia terstond aan een interrex overdroeg.

De macht des konings was beperkt door senaat en volk maar meer nog door den mos maiorum., van oudsher overgeleverde gewoonten. Het verwaarloozen van den mos maiorum heeft Tarquininls Superbus zijn troon gekost.

De opbrengst van een deel van het staatsdomein was den koning toegewezen.

Onder den koning traden enkele ambtenaren op, die door hem werden benoemd.

De tribuni celernm waren bevelhebbers der ruiterij, de trihuni militum van het voetvolk; de II quaestores parricidii, de eenige vaste burgerlijke ambtenaren, waren belast met het opsporen en instrueeren van halszaken; de II viri perduellionis komen voor in een enkel geval van perduellio. In aangelegenheden betreffende den eeredienst werd de koning bijgestaan door de colleges der pontijices, awjures en fetiales (VIII. 3).

De senatus (setiex), waarin oorspronkelijk alle yentes waren vertegenwoordigd, telde 300 leden, die door den koning werden gekozen uit de seniores der gentes 1).

De senaat had een dubbelen werkkring. Als drager der auspicia benoemde hij uit zijn midden een interrex. Ook moest hij als zoodanig de besluiten van het volk onderzoeken, die bij eerst dan door zijn goedkeuring {patrum auctoritas) bekrachtigde wanneer zij niet in strijd waren met de herkomsten en de auspicia.

Verder was de senaat een consilium regium. Hij behoorde in alle belangrijke zaken door den koning te worden geraadpleegd, ofschoon deze niet gehouden was steeds naar den senaat te luisteren.

Het volk was naar de geslachten ingedeeld in 30 curiae

') De Ram nes, Titles en Lnceres moeten ieder een senaat van 100 leden hebben gehad. Hun samensmelting bracht het getal up 300. De menigte verwarde en tegenstrijdige berichten omtrent een uitbreiding van den senaat onder de koningen — in den regel wordt Tarquinins Prisons genoemd — van 100 leden tot 300, bewijzen, dat de overlevering den overgang van het eerste getal op het tweede niet kon vinden.

ocr page 22

8

{yuiris). Deze indeeling had betrekking op bodem en burgerij-, maar de lokale beteekenis der curiae moet spoedig verdwenen zijn. Het leger werd geliclit volgens de curiae en de burgers kwamen cnriathn samen. Iedere curia bad lianr eigen lokaal {curia) met kapel (so.cellum), en vierde baar eigen sacra curionia. Aan het hoofd eener curia stond een curio, die bijgestaan werd door een priester (flamen curialis). Het oppertoezicht over de curiones oefende de curio maximus uit. De bode der curia heette lictor.

De curiae omvatten zoowel de patriciërs als de elienteu en de plebejers, maar in de vergaderingen der curiae, de comitia curi-ata, verschenen alleen de burgers, dus in den beginne de patriciërs. Wanneer ook de plebejers werden toegelaten Is onbekend. Alleen de koning voerde in deze vergaderingen het woord, terwijl het volk slechts te luisteren had naar zijn mededeelingen en op zijn vragen moest antwoorden. De vergaderingen hadden plaats op het forum-, er werd curiathn gestemd, in iedere curieviritim.

Tot de bevoegdheden der comitia curiata behoorden: 1°. creatio regis; 2°. lex de imperia; 3°. beslissing over oorlog en vrede; 4°. verleening van het burgerrecht. Verder kwamen de curiae samen om getuige te zijn van zekere godsdienstige en burgerlijke handelingen {comitia curiata calata). (IV. 3.)

§ 4. Leger.

Alleen de burgers, de patricii, waren dienstplichtig. Iedere der drie tribus {liavmes, Tities en Luceres) stelde volgens de curiae 1000 man te voet {müites van mille') en lOO ruiters {ce-leres). Het leger {legio) bestond derhalve uit 5000 voetknechten en 300 ruiters. Aan het hoofd van het voetvolk, dat in 30 cen-turiae was ingedeeld, stonden _3 trihuni militum. De kern van het leger, de ruiterij, was in 3 centuriae of 10 turmae verdeeld en werd door 3 trihuni celerum. aangevoerd. Tengevolge van de uitbreiding van den staat (pag. 2) werd de ruiterij verdubbeld. De 3 oudste centuriae equitum heetten voortaan Ramnes, Tities, Luceres priores, de 3 latere Ramnes, Tities, Luceres posterior es.

Een geheel nieuwe samenstelling van het leger wordt toegeschreven aan den voorlaatsten koning, Servius Tullius

') Hel is niet uit te maken met welk recht de overlevering den naam

ocr page 23

9

Hij liet de reeds verouderde indeeling van liet land in drie tribus geheel vervallen en verdeelde de stad Rome in vier districten (tribus): Suburana, Palatina., Collina, Esquilina. Do grondeigenaars in deze tribus, zoowel patriciërs als plebejers, werden verdeeld in 5 classes. Iedere classis telde evenveel cnn-turiae iuniorum (mannen van 18 tot 46 jaar) als seniorum (mannen van 46 tot 60 jaar). De Jilii familias dienden in de classes hunner vaders. Ieder moest zieli zelf' van do voorgeschreven wapenrusting voorzien.

Classes.

! Oenti

riae

Grondeigendom.

inn. ! 1

sen.

Wapenrusti n g.

1°.

20 iugera en daarboven

40

40

1

helm, pantser, metalen schild, scheen platen. zwaard en speer.

2°.

15 iugera

10

10

als boven, doch het schild was van hout, terwijl het

.

pantser ontbrak.

;!0.

10 iugera

10

10

als boven, maar de scheen-platen ontbraken.

4°.

5 iugera

10

10

de eenige wapenen waren speer en werpspies.

5°.

2 iugera

15

15

het eenige wapen was een

slinger.

I i , ' Ö

Door deze regeling was het voetvolk het hoofdwapen geworden. Het zwaartepunt lag natuurlijk bij de iuniores, het veldleger; de seniores deden dienst als bezetting en kwamen zelden onder de wapenen. Dó centuries der 3 eerste klassen vormden de zwaargewapenden, die der beide laatste de lichtgewapenden, de rorarii. Bovendien stonden by het leger, buiten de classes gelicht, 2 centuriae fobrum, mineurs, 2 centuriae cornicinum et

van Servius Tullius aan deze regeling verbindt. In het algemeen zij hier herinnerd, dat dikwijls geheel ten onrechte aan bepaalde namen en jaartallen feiten worden vastgeknoopt, die zich eerst van lieverlede hebben ontwikkeld.

ocr page 24

10

tubicinum mnzikanten en 1 centiirui adcensonim celaio rum, die als reserve diemie.

De ruiterij werd op 18 centuriae gebracht. Tot aanschaffing van een paard ontving de ruiter van den staat 10.000 as («ei equestre) en jaarlijks als voedergeld 2000 as iaes horde-ariuni). De eg idles behoorden tot de voornaamste families; in de 6 oudste centuriae dienden tot kort voor den 2,1('n Punischen oorlog uitsluitend patriciërs.

Het leger te velde bestond dus uit 85 centuriae peditum = 8500 voetknechten, 18 centuriae equitum = 1800 ruiters, mitsgaders 200 fahri, 200 cornices et tuhicines en de adcensi velati.

Dat voortaan de dienstplicht niet meer aan geboorte maar aan grondeigendom was verbonden, en dat nu derhalve ook de plebejers in de gelederen stonden, was een gevolg van de behoefte om het leger te versterken. Het getal grondeigenaars werd tevens vermeerderd door aan de inwoners der veroverde streken, wien tegen een pachtsom hun eigen landerijen waren gelaten (pag. 5), den vollen eigendom opnieuw te verzekeren. Waarschijnlijk werd aan den dienstplicht het stemrecht verbonden, ofschoon onder de koningen het leger niet als stemhebbend lichaam optreedt. In elk geval is de indeeling volgens classes de grondslag geworden der comitia centuriata en in zoover prijzen de schrijvers niet ten onrechte Servius Tullius, als den volksvriend, die het recht der geboorte verbrak, als den tweeden stichter der stad.

ocr page 25

REPUBLIEK.

HOOFDSTUK II.

B 1 N N E N L A N D S C H E G E S C It I E I) E K 1 S.

§ 1. Strijd tusschen de patriciërs en plebejers.

Met Tarquinius Superbus viel het koningschap te Eome (509). Ieder was den tyran hartelijk moede en door de samenwerking van het leger, dat juist voor Ardm lag, met de patriciërs, had de omwenteling een geleidelijk verloop.

De senaat maakte zich terstond van den toestand meester. Om ook verder het leger te vriend te houden, liet hij twee aanvoerders (jpraetores, indices, consules) kiezen door de dienstplichtige burgers, op wie tevens de voornaamste bevoegdheden der comitia curiatu. overgingen. Hiermede trad het door Servius Tullius georganiseerde leger voor het eerst als politiek lichaam op {comitia centuriata). Tegelijkertijd werd een aantal plebejers in den senaat opgenomen.

De bekrompen slimheid, die de Eomeinsche adel steeds aan den dag heeft gelegd, wanneer het gold zijn voorrechten te verdedigen, komt bij deze gelegenheid duidelijk aan het licht. Wat met de eene hand werd gegeven, werd met de andere terug genomen, want beide schijnbaar vrijgevige inwilligingen hadden geen verre strekking. In de comitia centuriata gaven niet alleen de vermogenden den doorslag, maar bovendien behoefde elk besluit dezer vergadering de goedkeuring van het patricisch deel van den senaat {jpatrum auctoritus).

ocr page 26

12

In al linn handelingen gedroegen zich de patriciërs als over-heerschende partij en de druk van onophoudelyke, meerendeels ongelukkige oorlogen, voerde de ontevredenheid der plebejers ten top. Ka herhaalde bedreigingen scheidden zy zich af en verlieten de stad (494). Als hun hoofdgrieven worden opgegeven: zware oorlogslasten, armoede, schulden, meedoogenlooze schuldeischers, niet geheel evenwel in overeenstemming met den loop der gebeurtenissen.

Het schuldrecht (ius ne.rus) was ontegenzeggelijk zeer hard (III. 1. b.). Ook de oorlogslasten drukten natuurlijk zwaarder den kleinen dan den grooten grondeigenaar, maar behalve, dat een plotselinge bijna algemeene verarming der plebejers kwalijk is aan te nemen, bewijst de schikking, die ten slotte werd getroffen, dat nog andere drijfveeren tot de eerste «ece-ss/o hebben geleid. Wat de plebejers vooral krenkte, meer dan de slechte tijden en de onmacht der volksvergadering, was de schending hunner burgerlijke rechten door den trotschen adel. Het willekeurig optreden der consuls, het verwaarloozen der provocatio (IV. 4. Ij) , het ontbreken van volle burgerrechtelijke zelfstandigheid wekte misnoegen en verbittering. Daarom leidde de uitwijking niet ■ tot verzachting van het schuldrecht — al kwam men den noodlijdenden plebejers tegemoet — noch tot het invoeren van geschreven wetten, maar tot liet aanstellen van trihuni plehis, wier taak het zou zijn de plebejers te beschermen tegen den willekeur der consuls.

Van dit oogenblik werd de plebs bijna een staat in den staat met eigen vertegenwoordigers, de txUami plehis, met eigen vertegenwoordiging, het concilium plehis met een steeds aangroeiende macht, meer langs den weg der feiten dan langs dien der wetgeving verkregen.

Aanvankelijk bepaalde zich de bevoegdheid der trihuni tot het ius auxilii. Tevens moeten zij wel de bevoegdheid hebben gehad om de plebs bijeen te roepen voor de verkiezing hunner opvolgers en die hunner helpers, de aediles plebis, en om de plebejers te laten stemmen over voorstellen betreffende hun eigen aangelegenheden {ius cum plehe agendï). De lex JPuLLiLia Voleronis (471) gaf hun het recht om hiervoor de plebs tribusgewijze samen te roepen tot de zoogenaamde concilia ^plehis. Soms

ocr page 27

13

brachten de tribuni evenwel onderwerpen te berde, die buiten hun bevoegdheid lagen; dQ plebs kon daarover geen geldig besluit nemen, maar het rusteloos dryven der volksleiders dwong dikwijls den senaat of de comitia centuriata om tot den begeerden maatregel over te gaan. De alleszins billijke wensch der plebejers naar geschreven recht werd sedert 462 door den tribuun C.—Terentiliua Harsa jaren lang telkens op den voorgrond gebracht. De concessies van den senaat: vermeerdering van het aantal der tribunen tot tien, het verdeelcn van den Aventinus als bouwterrein aan arme burgers door de lex Icilia (456), de lex Aternia-Tarpeia (454), die het boeterecht der consuls beperkte, werden alle in dank aangenomen, maar het hoofddoel werd geen oogenblik vergeten.

Het is bekend hoe het instellen van decemviri leyUjus scri-hundis (451—449) bestemd was om de wenschen der plebs te bevredigen, maar hoe, volgens de overlevering, willekeur en misdaad van het tweede college der decemviri de plebs andermaal uit de stad dreef. Onmogelijk kan deze voorstelling juist zijn. Het decemviraat was een schitterende overwinning voor de plebejers geweest. Hun recht om tot het hoogste ambt te worden toegelaten was erkend, want het zoo gesmade tweede college bestond voor de helft uit plebejers en de wetten der XII tafelen, het werk der decemviri, sneden aan allerlei willekeur den pas af. Haar hoe ook de toedracht moge geweest zyn, de vroegere orde van zaken werd hersteld, consuls en tribunen kwamen terug. Op de nieuwe consuls L. Valerius Politus en M. Horatius Barbatus rustte nu de taak om de gemoederen te bedaren, en zy volbrachten die met omzichtigheid en beleid. Zij deden drie leries Valeriaitllaraiiaji (449) aannemen.

1°. Ne quis ullum magistratum sine provocatione crearet.

Door deze wet werd verijdeling der provocatio door het instellen van magistraturen, die er niet aan gebonden zouden zijn, • zooals onlangs het decemviraat, voor altijd belet.

2°. Ut qui trihunis plet/is, aedilibus nocuisset eins caput lovi sacrum esset, familia ad aedem Cere ris, Liheri, Liheraeque venum. iret.

De onschendbaarheid der tribunen werd dus uitdrukkelijk weer gewaarborgd.

ocr page 28

14

Ut quod trihutim plehs iussisset totmn populum tener et.

Voortaan zouden de wetten der concilia plebis verbindend zyn voor liet gelieele volk, met dien verstande, dat de senaat ze vooraf moest hebben goedgekeurd. (IV. G.)

De wetten der XII tafelen bleven van kracht. Uit de berichten over deze wetten en de overgebleven fragmenten blijkt, dat ze hoofdzakelijk het burgerlijk recht regelden, zoodat Livius overdrijft door ze te kenschetsen als fons omnu puhlici privatique iuris. Vooral aan recht en rechtspraak was een breede plaats ingeruimd. Het ius nexus bleef, behoudens enkele verzachtende bepalingen. Als hoogste interest werd 10 0/0 vastgesteld. Met de vordering van het maatschappelijk verkeer was rekening gehouden, in zoover nu voor 't eerst waarden in geldsommen werden uitgedrukt. Het provocatierecht werd uitdrukkelijk verzekerd, vonnissen in halszaken werden uitsluitend gebracht aan de comitia ceuturiata. Het huwelijk tusschen patriciërs en plebejers werd echter nog steeds niet beschouwd als een wettig Romeinsch huwelijk.

Het eerste bedrijf van den grooten worstelstrijd was hiermede afgespeeld. Xu een verbetering van hun maatschappelijken toestand was verkregen, stelden de plebejers alles in het werk om een einde te maken aan hun staatkundige achteruitzetting.

In 445 trad de tribuun C. Canuleius op met twee voorstellen: het invoeren van bet/huwelijksrecht, ennuhium,, tusschen beide standen, en de openstelling van het consulaat voor de plebejers. Bij gemengde huwelijken, die meer en meer voorkwamen, was het nadeel vooral aan de zijde der patriciërs, want de patriciër, die een plebejische vrouw huwde, had niet d? vaderlijke macht over zijne kinderen, die bovendien den' staat hunner moeder volgden, derhalve plebejers werden. Aan den eersten eisch werd dus spoedig voldaan.

Omtrent het tweede voorstel werd een middelweg ingeslagen. Niet het consulaat werd den plebejers bewilligd, maar voortaan zou het bewind gevoerd worden door de bevelhebbers van het legioen, de h-ilumi militum. Deze officieren, die alle jaren op nieuw door de consuls werden benoemd, zouden voortaan in de comitia ceuturiata worden gekozen om , met de bevoegdheid der consuls bekleed, aan het höofd te staan van den staat met den

ocr page 29

15

titel tri/mui mi Uturn consular i potcstate. Voor de plebejers, die altijd verkiesbaar waren geweest tot dezen militairen post, werd op dejc wijze de weg geopend tot het hoogste ambt in den staat, maar eerst in 400 gelukte het een der hunnen, den ouden senator P. Licinius Calvus, te doen verkiezen. Gewoonlijk komen zes trihuni mil. cons. pot. voor, soms drie of vier. De senaat kon, als het hem noodig scheen, consuls doen verkiezen en maakte van dit recht dikwijls gebruik. Voor het honden van den census werd nu een afzonderlijk ambt in het leven geroepen, de censuur.

Ook deze maatregel nam ds ontevredenheid der plebejers niet weg. Hunne vorderingen werden door de tribunen van 377, C. Licinius Stolo en L. Sextius Lateramis, samengevat in een reeks van wetsvoorstellen. Tien jaar lang verzetten zich de patriciërs met alle middelen, die hun ten dienste stonden, maar de tribunen werden telkens herkozen en hamerden steeds op hetzelfde aambeeld. Zij verhinderden de maatregelen der regeering, hetgeen aanleiding gegeven heeft tot het onjuiste verhaal, dat zij gedurende vijf jaren (375—371) de magistraatskeuzen zouden hebben belet (solitudo magistratv.uni). Eindelijk moest de senaat zijn toestemming geven en in 367 gingen de volgende leges Lie In ia e-Sextiae door:

1°. ut consuluni utique alter ex plehe crearetur. .t,___

2°. ne quis plus quinyenta iugera agri publici possideret. 3°. ut deducto eo de capite quod usuris pernumeratum esset, id quod superesset triennio aequis portionihus persoheretur.

4°. ut pro duumviris sacris faciundis decemviri crearentur, ita ut pars ex plehe, pars ex patri/ms Jleret.

De laatste wet onttrok dus aan de patriciërs het recht om uitsluitend priesterambten te bekleeden.

De macht van den adel was nu gebroken. Wel werd de rechtspraak van het consulaat gescheiden en aan een patricisch magistraat, den praetor, toegewezen, maar binnen weinig jaren werd den plebejers tot deze en andere waardigheden de toegang geopend. De lex Publilia Philonis (339) bevorderde, de lex Hortensia (287) voltooide de gelijkstelling van de plebiscita met ile leges populi liomani (IV. 6), terwijl de lex Ogulnia (300) de plebejers reeds tot de priestercolleges der auyures en pontijices bad toegelaten.

ocr page 30

DfWjd was dus beslist ten nadeele der patriciërs, een gevolg van hun koid^Wge politiek van kleine middelen. Diegene uit hun middci^i||Plke door het ^krstaan van verstandige en billijke toogjd^^dieid getoond^Rldcn, dat zij den toestand begrepen, zooals Sp. Cassius ^Hellinus (486) en M. Manlius Capitolinus (384) hadden hun pogingen met den dood moeten bekoopen. Daarom zagen de patriciërs zich een voor een al hun voorrechten ontwi^flH zE bchicUj-n het uitsluitend bezit van eenige waardigheden|i8Re ^plplebe^fc niet begeerden, maar hadden daarentegen geen toegang tot^^P concilium plebis en waren uitgesloten van het tribunaat, van de plebejische aediliteit en van de tweede consuls- en censorsplaats.

4

§ 2. Nieuwe p a r t ij v o r m i n g.

\miles. b d^Bïstis

Het patriciaat was sedert dWfcstiging der republiek een gesloten stand, een geboorteadel geworden; eerst Caesar verhief in 45 verscheidene geslachten in den adelstand. Op deze wijze moest het patriciaat zijn ondergang tegemoet gaan en het blijkt dan ook hoe langzamerhand het getal hunner families, waaruit nog lögeeringspersonen voortkwamen, afnam.

De toenadering tusschen de patriciërs en rijke plebejers, die reeds tijdens den strijd der standen herhaaldelijk was gebleken, werd veel grooter toen het pleit beslecht was. De families, zoowel patricische als plebejische, waaruit geregeld de curulische magistraten werden gekozen, vereenigden zich tot een kring, waarin het moeilijk was binnen te dringen, en vormden zoo een nieuwe aristocratie, de nohilitas, die door den naam „ambts-adelquot; het best wordt gekarakteriseerd. Die tot den kring behoorden, heetten uobiles, de anderen irjnohiles. De nobiles spanden allo krachten in om alleen voor zich de hooge ambten te behouden. By de patricische geslachten gelukte dit het best, want sedert 432 komen slechts een vijftigtal families voor van de patricische nobiliteit. Hun aantal nam echter steeds af; tegen het einde der republiek waren er slechts 16 patricische families, die de hooge ambten bezetten. Natuurlijk waren er

ocr page 31

17

buitendien vele patricische families, maar deze hebben nooit een der hunnen tot een curulische waardigheid kunnen doen verkiezen. De kring der plebejische regeeringsfamilies werd daarentegen vrij dikwijls versterkt, vooral omdat de plebejers zooveel meer plaatsen hadden te bezetten. Uit de fasti consulares blijkt, dat tusschen 166 en 76 uit 72 verschillende plebejische families consuls zyn gekozen.

Hij, die voor het eerst :n zijn geslacht een curulisch ambt bekleedde, was strikt genomen nog'niet notdlis; bij werd homo uovus genoemd, ook wel auctor generis of princeps nolilitatis; het eerste werd van plebejers, het laatste van patriciërs gezegd.

Om de nobïlitas groepeerden zich burgers uit alle standen, maar vooral de ryke grondbezitters en kapitalisten. Zoo vormde zich een politieke party, die zich zelf gaarne optimi, opt im at es, honi noemde. Het orgaan van de notnlitas was de senaat. Daar had de invloed der patriciërs sedert het midden der 3e eeuw v. C. plaats gemaakt voor dien der nohiles, die den geheelen staat beheerschten, want ook het tribunaat werd geregeld door mannen uit hun kring bekleed.

Een voorrecht der nob Uit as was het ins imaginum., dat altijd aan het bekleeden van een curulisch ambt was verbonden. Het lus imaginum gaf den nohilis het recht om de imagines, wassen maskers, zijner vaderen, die een curulisch ambt hadden bekleed, in zyn atrium te plaatsen.

Tegenover de nobiles verhief zich de partij der popular es, hoofdzakelijk uit de lagere klassen bestaande, gewoonlijk aangevoerd door tribuni plebis, die dikwijls zelf van eene familie, die tot de nobilitas behoorde, afstamden. Eeeds by de consulsverkiezingen voor 217 teekenden beide partyen zich scherp af, maar eerst met de Gracchen begon opnieuw de worsteling tusschen de tribunen en den senaat, die eindelijk heeft geleid tot den ondergang der republiek.

b. Equites.

De ruiterij heeft zich te Rome ontwikkeld tot de ridderschap; een zuiver militaire instelling heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan van een afzonderlyken stand.

2

ocr page 32

18

De 18 centuriae equitum. (pag. 10) werden voltallig gehouden door de consuls, later door de censoren. Eeeds spoedig vielen in de centuriae een groot aantal plaatsen open, omdat aan de equites, die in den senaat werden gekozen, liun paard gelaten werd en anderen tot officieren bij het voetvolk werden benoemd {militia equestris). Ten einde deze plaatsen te vervullen, werden, volgens de overlevering sedert het beleg van Veii (± 4U0) uit de vermogende burgers iuniores aangewezen om op eigen paarden te dienen {equo privató), terwijl zij, die hun paarden van den staat ontvingen, voluit equites Romani equo publico heetten. Om aangewezen te kunnen worden voor den dienst te paard waren vereischten:/vrije geboorte tot in het derde geslacht, onbesproken gedrag en, waarschijnlyk sedert den 2,len Punischen oorlog, een census van 40Ü.ÜÜ0 sestertiën. De centuriae werden bij ieder lustrum aangevuld en gemonsterd door de censoren irecognitio equitum). Alle jaren op den 15lt;lBn Juli hielden de equites een feestelijken optocht (transvectio equitum'), waarbij zij in de trahea gedost, van hun eereteekenen voorzien, van den tempel van Mars naar het forum, trokken, waar een offer werd gebracht aan hun beschermgoden Castor en Pollux, waarop zij naar het üajiito-lium reden.

Gaandeweg werden de equites niet meer opgeroepen voor den werkelijken dienst, maar stelden de socii de ruiters. De burger-ruitery was het officierskorps geworden en eques Romanus stond, tot eques als ridder tot ruiter.

De titel eques Romanus werd spoedig van de in de centuriae dienende equites, hetzij equo publico hetzy equo privato, uitgestrekt tot alle burgers, die aan de vereischten om voor den dienst te paard te worden aangewezen, voldeden. Een voornaam deel van hen maakte, sedert de lex Claudia (219) aan de senatoren allen quaestus verbood, de bankiers uit, die de staatsinkomsten pachtten, de publiami. Uit deze klasse werd de senaat geregeld gevoed en met de regeerende senaatsfamiües vormde zij de optimatenpartij. Om deze elementen te verdeelen, dreef C. Gracchus zijn lex Bempronia iudiciaria (12o) door, die in plaats van senatoren uitsluitend equites op het album iudicum bracht. De verwijdering, die in den boezem der optimatenpartij steeds bestond, de scheiding tusschen geboorte- en geldaristocratie, werd

ocr page 33

19

door deze wet tot een breede kloof gemaakt. Vooral kwamen senatoren en equites in botsing iu de provincies, waar meermalen de stadhouders paal en perk moesten stellen aan de knevelarijen der publicani. Nu gaf de wet van Gracchus aan de equites een scherp wapen in handen tegen de senatoren, want terwijl deze vroeger zooveel mogelijk hun standgenooten vrijspraken , werden thans de stadhouders en hun ambtenaren geregeld veroordeeld.

Deze wet van Gracchus bakende tevens den ridderstand nauwkeuriger af, door aan den eenen kant de senatoren uit te sluiten en aan den anderen kant injemdtas en een census van 400.000 sestertiën te eischen, zoodat allen die den naam van ridder droegen thans samengevat waren in den ordo equester.

De equites llomani equo publico genoten de volgende voorrechten. / Hun 18 centuriae stemden het eerst in de comitia cen-turiata waren gerechtigd tot het dragen van een gouden

ring en van de tunica angusticlavia Jen hadden vaste plaatsen in den schouwburg. Dit laatste recht, hun ontnomen door Sulla,,' werd herkregen door de lex Roscia (67), die hun de 14 eerste rijen achter de orchestra, waar de senatoren zaten, aanwees, (sedere in qiiattuordechn, spectare in equite). De annlus aureus en de tunica angusticlavia werden, zoo het scïiynt, de onderscheidingsteekenen van allen, die tot den ordo equester behoorden.

c. Volk.

Toen de strijd tussohen patriciërs en plebejers was uitgevochten, bleek het, dat allengs zich de bevolking geschaard had in twee nieuwe kampen. Het onderscheid tusschen beide standen was verdwenen om plaats te maken voor den nog veel geduchter scheidsmuur van den eigendom.

Landbouw en veeteelt waren de eenige bedrijven, die van oudsher te Rome in eere stonden. Vermogen was altijd gelijkluidend met grondeigendom. Handwerk, nijverheid en kleinhandel waren veracht, alleen voor den groothandel werd een uitzondering gemaakt, en deze werd door de lex Claudia (219) (pag. 18) den senatoren belet. Zulke ineeningen konden zich alleen dan vestigen, wanneer de meerderheid van het volk

2*

ocr page 34

20

eenigen grondeigendom had en dat was werkelijk het geval. De welgestelde boer was de vertegenwoordiger van den middelstand te Rome, en de staatslieden, die het belang van hun land begrepen, streefden er voortdurend naar om dezen kern der bur-gerij te bewaren.

Op den duur werd het echter voor deze klasse der burgerij onmogelijk zich staande te houden. De grond kwam in de handen van enkelen, die bovendien door hun tallooze slaven landbouw en nijverheid op bescheiden schaal geheel overvleugelden. Het aantal grondeigenaars nam gestadig af, het proletariaat groeide voortdurend op onrustbarende wijze aan, zoodat in 104 de tribuun L. Philippus in den senaat kon verklaren, dat er in den geheelen staat geen 2000 vermogende lieden waren, een bewering die Cicero niet weerlegt maar kortweg veroordeelt als capitalis oratio ad aequationem louorum pertinens.

Het zou ons te ver voeren, wanneer wij eenigszins nauwkeurig wilden nagaan hoe. deze toestand, die met de geheele ontwikkeling van den fiomeinschen staat ten nauwste samenhangt, langzamerhand is geboren. Ifaast de slavernij was het overlaten van den ager puhlicus als possessie aan enkelen, een der voornaamste oorzaken, die het opeenhoopen van den grondeigendom in weinig handen bevorderden.^-

ocr page 35

I'MO-Uiti •'!. amp;cip'yvt I }~s

P i-l ' i '' ^ r~^ '.L-t^ WLgt;-n^-^-; i-i 'i—

(J

J c Oc-v^j -

C'W. f' quot; •• ^ L-H x

. V ^/MMaXvUI s iL . / 0 è\ . . *

?/Vu£ 1' • gt;3 /-quot;Vi^o-W ^

. 'VyA^^0 If ' ^ ^ ^

itquot;.: ';' r*'/ ■ A . OJJ^. •■ ■• ., )

/ / ■■■ „ ;

,A'. ;-r- ■ v-f

1 . a r • - ■ gt; •'

,- c

'■ h0*Jlr\~*~.—l£.i^v««v, ^gt;-»-j ■_ u gt;si Oi

.• ■- . c^ Ut -oC A.. •■'

2^ ÏVVJ _, iV-w

^ f c nquot;.'.- .M.i . 11gt; -quot;£~tu.lt;y

^ ugt;v-h'* i

BEVOLK T,X G.

_p. . ■ ' V

HOOFDSTUK III.

3 faJiXo-

^ C -quot;W' ' »quot;lt;$ L'-/i,.; {S/^v't0 .' /-* w'ft }

{

§ 1. Burgers.

a. Burgerrecht.

Het burgerrecht (««« Quiritium, ius civitatis of kortweg civitas) werd verkregen door geboorte, maar kon ook worden verleend: (?/£ 47'^ craw 2?««, aut natus sit oportet ant factus). Zij, die uit een matrimonium iustum waren geboren, hadden van rechtswege de civitas en heetten ingenui. Verleend werd het burgerrecht : door manumissio iusta, door een volksbeslnit of door overheidspersonen , meestal veldheeren of triumviri coloniae deducendae, wien daartoe door het volk de bevoegdheid was gegeven.

De rechten, die een Romeinsch burger bezat, waren, naarmate zij op het bizonder of op het staatkundig leven betrekking hadden, iura privata of iura puhlica. Onder de koningen en in de eerste eeuwen der republiek bezaten alleen de patriciërs deze rechten in hun vollen omvang {cites opiimo iiiai). Overigens is er altijd verschil blijven bestaan tusschen de rechten der patriciërs en die der plebejers.

Ten opzichte der uitoefening hunner iura privata waren de burgers sui iuris of alieni iuris. Sni iuris {pater famïlias) was de burger, die van niemand afhankelijk was en de vrije beschikking had over zijn persoon en goederen. Alieni iuris daarentegen waren de burgers, die niet volkomen hun eigen meester waren, dus de kinderen in potestate patris of in mancipio en de vrouwen in manu mariti. Slechts zij, die sui iuris waren, genoten alle iura privata, hoofdzakelijk bestaande in conubium en commercium.

ocr page 36

22

Conuhium was het recht een wettig Eomeinsch huwelijk [ma-trimonium iustum) aan te gaan. Daartoe was voor de lex Canu-leia (445) noodig burgerrecht en gelijkheid van stand, sedert deze wet alleen het burgerrecht. Conuhium tusschen burgers en vreemdelingen bestond eerst dan, wanneer dit bij verdrag met een anderen staat was bepaald. In dit geval volgden de kinderen den staat des vaders en hadden dus, wanneer de vader een Romein was, het Eomeinsch burgerrecht. Ontbrak dergelijk verdrag dan volgden, overeenkomstig het ius yentium, de kinderen den staat der moeder. De kinderen van een Eomeinsche burgeres en een vreemdeling zouden dus het Eomeinsche burgerrecht hebben, maar een lex Minicia, van onbekenden datum, bepaalde, dat bij zulke gemengde huwelijken de kinderen den staat zouden volgen van dengene der ouders, die het slechtste recht had, zoodat zij in geen geval het Eomeinsch burgerrecht verkregen.

Commercium gaf de bevoegdheid om volgens Eomeinsch recht eigendom te kunnen verwerven, houden en vervreemden en omvatte dus het ius emendi et zendendi, het ius ohlirjalionum, het ius testamenti factionis et her editatum (vgl. VUL 2. c.).

Tot de iura publico, behoorden vooral: het ius provqcationis, het recht om zich van een vonnis van den magistraat te beroepen op het volk; het hes sufragii, het recht om in de comitia te stemmen; het ius hqnorum,, het recht om de hooge staatsambten te bekleeden en het ius sacerdotium,, het recht om zitting te nemen in de voorname priestercolleges.

De cues optimo iure waren dienstplichtig en belastingschuldig. De minimum-census voor dienstplicht bedroeg oorspronkelijk 11.000 as, voor belasting 1500 as.

Oudtijds heette het hurgcrrecht_. caput, een uitdrukking, die later alleen nog in vaste wendingen voorkwam (capite census, iudicium capitis). De juristen noemden caput de rechtspersoonlijkheid van den burger, den geheelen omvang zijner rechten als zoodanig en capitis deminutio iedere wijziging of vermindering van het caput.

Deze dembiuiio was drieërlei:

1°. De capitis deminutio maxima. Zij was een gevolg van het verlies der vrijheid, waardoor tevens burgerrecht en familierechten verloren gingen en werd toegepast op:

ocr page 37

23

a. de krijgsgevangen burgers; deze keerden krachtens het ius postliminii in hun vorigen toestand terug; ^ i( ■

b. de dediti, d. i. burgers, die wegens schending van het ius legationis of wegens het sluiten van een verdrag met den vijand, waaraan senaat en volk hun goedkeuring onthielden , werden uitgeleverd;

c. de iacensi en de burgers, die zich aan de dienstplicht onttrokken; zij werden trans Tiberim als slaven verkocht;

d. de addieti, die trans Tiberim werden verkocht (pag. 25);

e. de fur es manifesti;

f. de door hun vader trans Tiberim verkochte kinderen.

2°. De capitis deminutio media ^ die feitelijk gelijk was aan de voorgaande, werd veroorzaakt door het verlies van het burgerrecht en vond plaats:

a. door reiectio civitatis, het vrijwillig prijsgeven van het burgerrecht, door zich in een anderen staat te laten opnemen (duarum civitatum civis esse nostro iure chili nemo potest) ;

b. door verbanning, hetzij ten gevolge van een door de comitia centuriata uitgesproken vonnis et iyni interdictio), hetzij vry willig vóór de veroordceling. De comitia konden iemand terugroepen en in zijn vroegere rechten herstellen {i-estitutio in integrum).

3°. De capitis deminutio minima ontstond zoo dikwijls een burger de mutatio familiae onderging, derhalve door:

a. adrogatio; e. mancipio datio, het tijdelijk

b. adoptio; ■ afstaan van een kind om een

c. conventio in manum; schuld te voldoen of een schade

d. emancipation te herstellen.

b. Beperkt burgerrecht.

Verschillende klassen van burgers hadden slechts een onvolledig burgerrecht {cises minuto iure). Het burgen-echt werd beperkt:

1°. door natuurlijke oorzaken. Dit beperkte recht hadden:

a. feminae; b. impuberes; c. furiosi.

De vrouwen waren verstoken van alle politieke rechten en

ocr page 38

24

misten zelfstandigheid voor civiele daden. Zoo ook de minderjarigen en krankzinnigen.

2°. door staatsrechtelijke bepalingen. Hierdoor stonden by de cives optima hire achter;

a. aerarii;

b. proletarii;

c. lihertini;

e. infames ;

f. /ilii fam. in pair ia pot.;

g. filii fam. mancipio dati.

d. addicti en nexi;

Aerarim was de burger, die niet tot een tribus behoorde en niet aan dc gewone belasting (tributum), oorspronkelijk alleen van res mancipi geheven, was onderworpen Hij werd naar zijn geheele vermogen aangeslagen voor een misschien regelmatige belasting. Zoowel wat stemrecht betreft als belasting stond dus de aerarius achter by den tribulis; daarentegen was hij in beginsel vrij van dienstplicht.

Tot de aerarii behoorden:

10. de niet-grondeigenaars;

2°. zij wier grondeigendom beneden dat der 5de klasse bleef;

3°. de door den censor uit de tribus verwijderde burgers;

4°. de inwoners der municipia.

Sedert alle burgers tot de tribus werden toegelaten (pag. 27), de censoren iemand niet meer uit alle tribus konden verwyderen en de municipia het volle burgerrecht kregen, verdween deze klasse van burgers.

/ Pmletarii heetten de burgers, wier vermogen minder dan 1500 as bedroeg. Zij, die een hoogeren census hadden, heetten adsidui of locupletes. De proletarii betaalden geen belasting en dienden slechts bij uitzondering in het leger. Tot 312 stonden

') Volgens Romeiusch spraakgebruik om een lagere klasse te noemen naar de functie, die zij met een hoogere gemeen heeft, beteekent aerarius: die alleen belasting betaalt, ofscboon de dienstplichtige dit ook doet. 'Zoo is proletarius, hij, die alleen voor de proles in aanmerking komt, ofschoon dit bij de adsidui ook het geval is; capite census, hij, wiens caput alleen geschat wordt, niettegenstaande iedere burger een caput heeft; municeps, de in de munia deelende niet-burger, ofschoon ook iedere burger munus capit; pedarivs, de senator, die alleen aan de discessio deel neemt, ofschoon ook de anderen stemmen.

ocr page 39

25

zij buiten de tribus en hun stemrecht in de comitia centuriata is altijd zoo goed als quot;waardeloos geoleven. De proletarii worden ook aangeduid als capite censi, dat eigenlijk de naam was van hen, die minder dan 375 as bezaten.

Tegenover deze burgers, die ingenui waren, stonden de liber-tini, de vrijgelatenen. Volgens de overlevering kregen de slaven sedert Servius Tullius bij hun vrijlating het plebejisch burgerrecht, ofschoon zij de clienten bleven hunner gewezen meesters. Alleen de vormen der manumissio insta gaven iusta libertas en cioilas, maar ook de op deze wijze vrijgelaten slaven stonden in menig opzicht beneden de ingenui. Zij genoten de inra privata, maar tot Augustus was him het conuhium met ingenui ontzegd. Van de mm puhlica hadden ■ zij het stemrecht. De meesten waren zeker aerarii, de weinige adsidui onder hen stonden in de tribus en in de klasse, waarop hun vermogen hun recht gaf. Sedert de 3lle eeuw werden de libertini herhaaldelijk uitdrukkelijk beperkt tot de trilus urhanae, waarin zij na den bondgenootenoorlog, behoudens korte tusschenpoozen, steeds zijn gebleven. Het recht om hooge ambten en priesterlijke waardigheden te vervullen hebben tijdens de republiek de libertini niet kunnen verwerven. Zelfs op hun zoons bleef de smet der onvrije geboorte kleven.

Addicti en nexi waren beide gevangenen voor schuld, maaide addicti waren gevangen ten gevolge van een ^vonnis (addictió) terwijl de nexi dit waren zonder tusschenkomst van den magistraat. Dit verschil vloeide voort uit het onderscheid dei-contracten. De in dezen toestand gebrachte burgers misten feitelijk hun politieke rechten. De schuldeischer kon den hem toegewezen schuldenaar {addictus), indien deze binnen 60 dagen zijn schuld niet betaald had, verkoopen trans Tiberim en zelfs dooden. De nexus kon door den schuldeischer gedwongen worden voor hem te werken servi loco; hij mocht echter niet verkocht worden of ter dood gebracht. De lex Poetelia-Papiria (326) verzachtte hoi schuldrecht door te bepalen: ut pecuniae creditae bona dehitoris non corpus obnoxium esset.

In fames, eerloos waren zij, die een onteerend beroep, dat van leno, histrio of gladiator uitoefenden, of zij, die een indicium turpe tot hun last hadden. Het leger eh de hooge ambten

ocr page 40

26

waren voor hen gesloten. Wettelijke bepalingen hieromtrent bestonden eehter niet.

De Jïlii familias worden behandeld VII. § 2. b.

De aerarii, proletarii en libertini werden alleen in tijd van nood voor den krijgsdienst gebruikt. In het midden van de 2de eeuw v. C. werden evenwel de burgers, die een census boven 4000 as hadden, geregeld gelicht. Soms werd de grens verder uitgestrekt; dan moesten de burgers, wier census van 4000 tot 1500 as bedroeg, hun wapenrusting zelf aanschaifen, die beneden 1500 as bleven, kregen hun wapenrusting van den staat; een census van 375 as gaf, zoo het sehynt, steeds vrijstelling. De libertini dienden op de vloot en werden, wanneer zij te velde dienden, zooals in den bondgenootenoorlog, in afzonderlijke cohorten ingedeeld.

c. Tribus.

CDe tribus van Servius Tullius bleven bestemd voor het doel, waarmede zij waren ingesteld: heffing van belasting en lichting der weerbare manschappen. Zij kregen nog grooter beteekenis voor de staatsregeling door het verbinden van liet stemrecht aan den dienstplicht en door de instelling van het concilium plebis en der comitia tributci, waar de burgery tributim samenkwam.

De tribus omvatten alleen den ager privatus, den grondeigendom der burgers, niet den ager publicus noch den grondeigendom van vreemdelingen. Daardoor vormde een tribus niet altyd een aaneengesloten geheel. Tengevolge der vermeerdering van den grondeigendom der burgers, in den beginne vooral veroorzaakt door de verdeeling der gemeenschappelijke landerijen, werd allengs het getal tribus vermeerderd tot in 241 het getal 35 werd bereikt, dat niet is overschreden. De 4 oudste tribus heetten urhanae, de latere rusticae.

Van den grond werd de tribus overgebracht op de eigenaars. Zij, wier landerijen in een tribus waren opgenomen, behoorden met hun mannelijke afstammelingen tot die tribus. Dit behoo-ren tot een tribus kan men de persoonly ke tribus noemen. Zoo konden belastingheffing en lichting tributim geschieden. Bij verwisseling van grondeigendom verwisselden ook de tribus van

ocr page 41

27

den persoon; hem, die in verschillende tribus eigendommen bezat, werd door den censor aangewezen tot welke tribus hij zou be-hooren.

Appius Claudius verschoof in zijn censuur (312) de grondslagen van den staat, door zonder senaat of volk te raadplegen ook aan de niet-eigenaars te veroorloven zich in de tribus te laten inschrijven. Terwijl hij in plaats van uitsluitend grondeigendom ook het overige vermogen als maatstaf van den census aannam, werd menig burger het stemrecht in de classes machtig, die vroeger slechts een schijnstemrecht had gehad. Op de samenstelling der volksvergaderingen was deze maatregel derhalve van grooten invloed. ,

De volgende censoren lieten Appius' maatregel ongerept. Die van 30J:, Q. Fabius Maximus Rulliauus en P. Decius, brachten een verandering aan door te bepalen, dat de niet-grondeigenaars alleen konden ingeschreven worden in de trihus ur/jauae, die voortaan voor alle burgers openstonden. De vrijgeboren grondeigenaars werden waarschijnlijk uit deze tribus overgebracht naar de tribvs rusticae, die hierdoor van hoogeren rang werden dan de trilus urbanae. De censoren konden nu .een burger niet meer geheel en al uit de tribus stooten; zij konden hem alleen van een trihus rustica overplaatsen in een trihus urhana.

(Door de censoren van 312 en 304 was het behooren tot een tribus identiek geworden met het bezitten van het burgerrecht. Derhalve werd het gewoonte de tribus bij den naam te voegen: M. Tullius M. Jil. Corn {eliïl) Cicero.

De uitslag quot;van den bondgenootenoorlog bracht in den toestand der tribus onderscheidene wijzigingen. Geheel Italië werd nu opgenomen in de 35 tribus, maar zoo, dat alle cives ingenui kwamen in de trihus rusticae, alle lihertini in de trihus urhanae. Verder werd, terwijl vroeger het gebied van eene zelfde gemeente dikwijls behoorde tot meer dan één tribus, nu iedere gemeente in haar geheel gevoegd by ééne tribus, zoodat vele landerijen wisselden van tribus, hetgeen vroeger nooit was geschied. Hierdoor werden vooreerst de deelen van een tribus dikwijls over geheel Italië verspreid. Maar ook op de tribus van den burger, de persoonlijke tribus, had deze maatregel grooten invloed, want omdat nu het gebied eener gemeente

ocr page 42

28

slechts tot ééne tribus behoorde, werd de tribus van den burger voortaan bepaald door zijn geboorteplaats. Alle vrijgeboren burgers van Arpinum behoorden b. v. tot de tribus Cornelia. Ieder Romein, met uitzondering natuurlijk van de oud-patricische families en der plebejers, die niet uit de municipia kwamen, had dus naast de communis patrio, Roma, zijn vaderstad in engeren zin (domus of origö).

Aan het hoofd van iedere tribus stonden curatoren tri/mum, misschien ten getale van 10, die waarschijniyk oudtijds tri/mui aerarii werden genoemd, omdat zij tot ± 400 belast waren met de uitbetaling der soldij. Zij werden door de tribus gekozen; hun taak was vooral de magistraten bij hunne administratieve werkzaamheden te ondersteunen door hun kennis van personen en toestanden.

§ 2. Peregrini.

Ieder vrij man, die het Eomeinsch burgerrecht miste, heette oorspronkelijk hostis, later peregrinus. Tegenover de Romeische burgers waren peregrini niet alleen de inwoners der van Rome geheel onafhankelijke staten, maar ook de aan Rome onderworpen volken, wien het burgerrecht niet was verleend.

/' Oudtijds was de burger van een vreemden staat, wanneer hij zich op Romeinsch gebied bevond, geheel zonder rechten. Hij kon zich échter de bescherming van een Romein verzekeren door een hospitium privatum met hem aan te gaan, of zich in diens clien-teel te begeven (ius applicationis).

Tusschen Rome en de naburige staten werden ook verdragen gesloten, waarbij van weerszijden aan de inwoners bescherming door de wet werd gewaarborgd. De toestand van den peregrinus te Rome verbeterde, toen meer en meer de regels van het ius gentium, ingang vonden, vooral sedert de aanstelling van den praetor peregrinus (241).

Ook de inwoners van onderworpen landen waren voor de Romeinen, zooals gezegd is, peregrini. Hun toestand hing geheel af van het verdrag, dat zy bij hunne onderwerping met Rome hadden gesloten. De bewoners der provincies werden gewoonlijk exterae nationes genoemd, die van Italië socii. Onder de socii hadden de Latini, ofschoon zij peregrini bleven, een bevoorrechte plaats. )

ocr page 43

29

§ 3. Slaven.

Slavernij ontstond volgens het ius civile of volgens het ius gentium. Volgens het ius civile in de gevallen waarin capitis deminutio maxima plaats greep. Volgens het ius gentium waren slaven de krijgsgevangenen (met nitzondering natuurlek der in burgeroorlogen gevangen Romeinen) en de kinderen eener slavin.

Het woord servus duidt den slaaf aan als onvrije, mancipium als eigendom van zijn meester, venalis als koopwaar, familiaris of puer als behoorende tot het huis zijns meesters, verna als in het huis des meesters geboren.

De slavenstoet heette fumilia. De familia rustica bebouwde de landerijen en was werkzaam in de fabrieken van den meester; de familia urha.na vormde het zeer uitgebreide dienstpersoneel van den rij ken Romein. Dikwijls werden slaven, nadat hun een handwerk of beroep was geleerd, door hun eigenaar verhuurd.

Terwijl aan den eenen kant de slaaf als een zaak werd beschouwd, namelijk als een res mancipi, en hij derhalve geen caput had, kon het feit, dat hij een mensch was niet geheel worden weggecijferd. De slaaf werd niet door het recht beschermd en kon dus door zijn meester worden gepijnigd en gedood. Hy had alleen het bruikleen van hetgeen zijn meester hem liet behouden (pecidimn). Maar het contract door den slaaf aangegaan bond zijn meester, wanneer hij het in diens naam had gesloten, en de slaaf werd, wanneer hij een misdaad had gepleegd, voor het gerecht vervolgd.

Alleen na gepijnigd te zijn kon de slaaf voor de rechtbank getuigenis afleggen {quaestionem habere de servis). Slechts bij hooge uitzondering mocht hij tegen zijn meester getuigen. Wanneer de meester in zijn huis was vermoord, werden vetere ex more alle slaven ter dood gebracht, qui sub eodem tectu fuerunt. Huwelijk bestond tussehen slaven niet; hun echtgemeenschap (contulernium) moest door den meester worden goedgekeurd.

De slaaf had wettig geen naam, servis nomen nullum; oudtijds werd hij naar \ praenomeri zijns meesters genoemd: Marcipor {puer), Lucipor enz. Later heetten zij naar hun afkomst, Si/rus, Lydus, Af er of droegen namen alleen voor slaven in gebruik: Datus, Dawa., Stichus.

ocr page 44

30

Vroeger waren de meeste slaven krijgsgevangenen uit Italië, maar bij de steeds toenemende vraag werden telkens groote scharen dezer ongelukkigen uit alle landen van Azië, uit Thracië, Illyrië en zelfs uit Aethiopië te Eome aan de markt gebracht.

Ook de staat had slaven (servi puhlicï). Zij werden gebruikt als ondergeschikten der overheidspersonen of als tempeldienaars (servi fanorum, fanatici).

De slavernij werd opgeheven door vrijlating (jnannmissió), die kon zyn insta of minus iusta.

1°. Er waren drie vormen der manumissio iusta; vindicta, censu, testamento.

a. De manumissio vindicta geschiedde in den vorm eener vm-dicatio (handhaving van eigendomsrecht) en had plaats voor een magistraat aim imperio (gewoonlijk den praetor), in tegenwoordigheid van den manumissor, den wauumittendus en een burger, den assertor in libertatem., waarvoor dikwijls een lictor fun-geeïde. De assertor legde een staf, vindicta l), op het hoofd van den slaaf met de woorden: Jmnc hominem liberum esse aio (mndicatio). Daarop liet de heer de hand van den slaaf los, terwijl hij zeide: hunc hominem liberum esse nolo (in iure cessio). Ten slotte wees de magistraat den slaaf de vrijheid toe (addicere lihertatem), waarop de aanwezigen hem gelukwenschten: cum tu liber es gaudeo. Als teeken zijner vrijlating werd den gewezen slaaf een hoed (pileus) op zijn kaal geschoren hoofd geplaatst.

b. Censu werd een slaaf vrijgelaten, wanneer zijn meester hem toestond zich bij de censoren als burger op te geven.

c Testamento kon de vrijlating plaats grijpen op twee manieren. De meester kon namelijk een slaaf bij uitersten wil vrijverklaren (libertus Orcinus) of hij kon zijn erfgenaam verzoeken dit te doen. In het laatste geval werd de slaaf de libertus heredis.

') Bij cite vindicatie bediende men zicli van een vindicta oi feshwa om daarmede zijn eigendomsrecht te kennen te geven op het betwiste voorwerp. Later werd daarvoor ook door den assertor aan den manumittendus een oorvijg gegeven.

ocr page 45

31

2°. De rnanumissio minus insta geschiedde:

a. per epistolam, een schriftelijke verklaring van den meester;

b. per mensam, een nitnoodiging tot, de tafel van den meester;

c. inter arnicos, een mondelinge verklaring van den meester in tegenwoordigheid zyner vrienden.

Door de rnanumissio insta kreeg de slaaf met de vrijheid tevens het beperkte burgerrecht; de rnanumissio minus insta gaf wel feitelijk, niet rechtens de vrijheid. Een op deze wijze vrijgelaten slaaf pro libero erat, morahatur in libertate.

Sedert de lex Mardia (357)- moest van iederen vrijgelaten slaaf 5 0/0 van zyn waarde betaald worden (vicesima manu-missionis). Het aurum vicesimarium werd gestort in het aerarium sanctius.

De vrijgelatene heette met betrekking tot zijn staatsrechtelijken toestand libertinus; ten opzichte van den manumissor, liber-tus. Hy bleef in menig opzicht ondergeschikt aan zijn vroegeren meester (patronus), wiens praenomen hij sedert den laatsten tijd der republiek in den regel, en wiens nomen gentile hij steeds aannam (M. Tullius Tiro).

ocr page 46

W C', . . :-.lt;/ ;' ■■' / -£. $ spC'i,

^•' A~' -)-£ • ». f—t Oc •*'—v L t ,' 1 ' '

,. ^r. C quot;c- - -• t z ' .4* ^ ^ ^

------,a,-^. ,, A.. ^

r ■•*.■■■ '■« • /

•lt;!f ' quot;^ •' «■gt; v/ igj * '/ lt;f

-O /' (*quot; t I 't c ' '/ gt; :. : Cu f

br

/y gt;gt;-v _ - (1V ^ /lt;7 i* 'ft. , --. _____

J i r fquot; ' C*-*-*r amp; ci

f • fit , ■$'-* (jf éj ry ■ ÏC L c/v ■ • ' lt;■■ quot; lt;' gt;**-1 j ( /.■ I.-Q

Ctyj ^V-vAi amp;*« lt;% V-Ct lU ' 'amp;*■'lt;' y ^y '*-* A

T.

J-

L' , quot;.. ' , y HOOFDSTUK IV.

'/quot;/Or

quot;quot;vOIjKSVE KG A BERINGEN. J ' '

S 1. Algemeen overzicht.

O O

De vergaderingen van liet volk heetten concilium, coutio of comitia.

Concilium was de algemeene naam voor een volksbijeenkomst, maar duidde in engeren zin de vergaderingen der plebs aan [concilium, plehis).

Contlo heette een vergadering, waar het volk samenkwam, niet volgens een zijner politieke indeelingen, en waar geen stemming plaats greep, maar die belegd werd door den magistraat tot hut doen eener mededeeling, gewoonlyk ter toelichting van een eerstdaags door hem in stemming te brengen wetsvoorstel. De voorzittende magistraat opende de contio met een gebed isol-lemne precationis carmen), daarop hield hij zy n rede en verleende dan, zoo het hem goed dacht, het woord ad svaclendum of 'id dissuadendum.

Comitia waren vergaderingen, waar het volk samenkwam volgens een zijner politieke indeelingen, na het waarnemen der auspicia en waar een stemming plaats greep. Het recht zulke vergaderingen samen te roepen en te leiden (ius ayendi cum populo) kwam alleen aan de hoogere overheidspersonen toe. Er waren drie soorten van comitia:/ quot;curiata, centuriata en trihut a. • Zij waren toegankelijk zoowel voor patriciërs als plebejers. De laatste hadden bovendien een afzonderlijke vergadering, concilium plehis.

Bij alle.comY/a werden de volgende formaliteiten in achtgenomen: ln. samenroeping door den voorzittenden magistraat (edicere,

-I:

Z - e ■ . gt;Lp.

/«f , 4~'gt; 1 ^

5 lt;^3 t ' '£~ 'o. / [ i j 'r ,^ quot; quot; f • ■' ^ 'lt; '

^4 • * c/' ■ C I L '^- f ._,

^ -4. •

- c v lt;- «■ »'i'-V^r »-v c? o it* j*r £-y -tr ci-térrr•' i

. fquot; I- ^» vV

s '

ic (5quot;^ 4/-Z ^4?,^ i f'

Ld 'kt lt;■'

-J..

*-. 'Vt-lt;7C,^» .gt; rr

(hj~ * S-P~' quot;

t?/ W

'C , , v .

tgh-ys '-4quot; ■ 'quot;■ W-/V n r : ~K

lt;f . ..... . J/ . . '. .

-e

bt L o/e. .-.

'A*

o lt; o.

7-t e

~S'

-£gt; gt;V-i f ■

lt;V'li ■ \ ^ -

/

«JV

f'V'l

* ff Ji i •

ocr page 47

amp; ..£■*■ * y Q'^ t./. C4Uv-\— *quot; ^T) H)

quot;r

,4,^,, -/ j J is ti- ■ • .j,.

~ iLcSgt;

't «-V-. 'i-v-. L^-- 1

' u.

-4


H- :oo ko- •■ !f y * ) i

sa

indicere comitia) ten minste een trinundinum (17 dagen) vooruit. Tegelijkertijd geschiedde de bekendmaking van het te behandelen wetsvoorstel (jrromulgatio rogationis).

■2°. de dag der vergadering moest zijn een dies comitialis.

;J0- de vergaderplaats was altijd een templum, een voor her houden van anspicia gewijde plaats.

4°. wanneer de quot;voor de vergadering bestemde dag was aangebroken, raadpleegde de voorzitter de anspicia en liet bij gunstigen uitslag een nieuwe oproeping doen.

5°. de vergadering begon prima luce en mocht niet langer dan tot zonsondergang gerekt worden.

6n. zij werd geopend met een carmen sollemne precationis, waarna de voorzitter, zoo hij niet vooraf een contio hield, on-middellyk zyn royatio voorlas.

7quot;. daarop werd tot stemming overgegaan en wel curiatim, centuriatim ot tributim; de uitslag werd terstond bekend gemaakt {renuntiatio).

Oorspronkeiyk was de stemming openbaar, doch sedert de laatste helft der '2^e eeuw v. C. werd achtereenvolgens door verschillende wetten voor alle zaken geheime stemming ingevoerd. Sedert deze lej/es tabellariae kreeg ieder by Idesvergaderingen een tahella voor de namen zij tier candidaten, en bij wetgevende ot rechterlijke comitia twee tabellae, de eene met Y(tt) ll(o//as), voor, de andere met A(?itiq/io), tegen.

De tabellae werden in een mand (cista) geworpen, die toevertrouwd was aan de hoede van rogatores. Ook bevonden zich dikwijls particulieren (custodes) bij de stembus, om onregelmatigheden te beletten. Het openen van de stembussen en het schiften der stemmen [diribitid) geschiedde door diribitores. •

Wanneer de stemming nog niet was aangevangen, kon de vergadering worden gestuit:

1°. door nuntiatio van een der by de comitia steeds tegenwoordige augures, wegens een door hem waargenomen ongunstig teeken; hij gebruikte dan de formule alio die.

2°. door obhuntiatio van een magistraat met de verklaring se servasse ot servaturam de caelo (pag. 34).

3quot;. door de intercessio van een par maiorve potestas dan die van den voorzitter.

ocr page 48

y-

■,«? -- -' ■-^ f. i. Mx.

ft—5 -

- ■1 Oc^. V ~ 11 ^

quot;l*»*amp;** *Wt

amp;■gt;' c ; itxJ. ' -,at

,A IfAr,-»,*

| Ö

Ct •j'**( '■ C- ^ /~

i ^p ,- .

n ■-/- ■• •• ~ i-. t'-ti . .- •

\ ^ .' $quot;*■■gt;* £fli ■) /kj.-*^

4°. door de intercessio van een tribunus plehls. ' quot;quot; ■ ? ' amp;.cj

• 11 !---''quot;'

Niet alleen vóór, maar zelfs tijdens de stemming werd de .....

/

' 't '/yKsl'-C' trf C^\ •

/' /

i (ï ** y' L c£.

c / * ■ d r*

Voor het houden eener volksvergadering moest de voorzittende

/quot;-quot;f* # l'JJl

magistraat vooraf de toestemming der goden vragen door middel -In de laatste eeuw v. C. werden voor de com'dia i

.// gt;' Ct

■ö ■ Vi

' ■V lt;- S, !

ft lt;lr'

'~:C: *

Camp;-'

7 '

C * y i

gt;, . /, lt;u. ■ . 'IA , , • gt;' gt;/..^,4 quot; quot;quot; - r-y-l.

***' *r,rf**. v ' j ... . Vr Clt;*quot; /~l4a .....

-C-*. ■

«*gt;• lt;:lt;• •gt;

■ 1^'nJht i •

T'C -t • •

; -/.v sa: ■gt; er iC. **■■gt; der auspicia.

j-j-. — '?• uitsluitend auspicia caelestia, weerteekens, geraadpleegd. Lit c j -h-Jï-fri' ■ ' Welke positieve teekens de toestemming der goden werd opge-quot; Jitih: e.. ' C' nlaa^t js njet bekend, maar een bliksemstraal maakte den dag,;

^ — voor comitia ongeschikt.

* . .

b' :,oi( '* c rX-t-t-n-a Ieder kon een door hem gezien ongunstig teeken den magistraat -

facta*. „M /i-y melden- (nuntiare), maar de magistraat was alleen verplicht te Vl

, letten op de nuntiatio der atigures, welke noodzakelijk een ver- ^

^ p j i ■' ■■■ /'?■ tl ■ ^aS'nS ten gevolge had [alio die). De verklaring van een ma-

gistraat, dat hij den hemel had geraadpleegd (se caelum servasse) s ] i . . J , , ,

''en ongunstige teekens had waargenomen (obnuntiatio) veroor- t ^

o-b-nquot; !loc* ,

1°. auspicia e diris, met name vallende ziekte, die daaroni, '

morlus comitialu heette.

2°. auspicia e caelo, vooral een donderslag of bliksemstraal. Een wetsvoorstel {royatio) kreeg na aangenomen en bekend gemaakt te zijn (renuntiata) kracht van wet (perferre leyem, lex perlata). De lex werd genoemd naar het uomen gentile van den voorsteller (lator). ,

Lex aut rogatur id est fertur, aut abrogatar id est prior lev ■ . tollitur, aut derogafur id est pars primae ley is tollitur, '

subrogatur irf ««lt; adicitur aliquid primae leyi, aut obrogatur id est mutatur aliquid ex prima leye. •gt;

De dagen, quibus cum populo agi licet {dies comitiales) werden door de pontijices in den kalender aangegeven. Uitgesloten waren de dies nefasti, die voor godsdienstige handelingen bestemd waren en waarop de praetor geen rechtszaken behandelde, benevens de dies fasti, de voor de civiele rechtspraak aangewezen dagen.

Tijdens het einde der republiek waren er ongeveer 190 dies comitiales.

zaakte eveneens verdaging. Omdat deze verklaring moest geloofd

f-C ' £ té* * S/£ quot; / £ vi, -^r ^ m 'és -

f)c * ' -» Cl' ' ■* -v-t

fx'l ^

§ 2. Auspicia. Pat mm auctoritas.

vergadering ontbonden, door:

_ . / -- ?/»»'

^lt;- ./ lt;3 q

ocr page 49

35

hc^k'l- »lt; ' worden, was het spoedig reeds voldoende wanneer een magistraat V? aankondigde se caelum servatnrum esse. De voorzitter kon echter ■ ^ een magistraat van minderen rang, dan hij zelf was, verbieden oh-1 ' umdiatio aan te wenden. Wanneer den consul, die comitia wenschte

te houden, door een ander overheidspersoon b. v. door een quaestor, die zijn ambt aanvaardde, werd gemeld, dat hy een bliksemstraal had gezien, dan kon hij moeiclijk op dien dag de vergadering laten doorgaan. Daarom voegden de magistraten by de oproeping: ne quis magistratus minor de caelo servare velit.

De ohnuutiatio werd geregeld door twee wetten, do lex Aelia en de lex Fuji a (± 150 v. C.). Hoogst waarschijnlijk bepaalde de lex Aelia, dat obnuntiatio magistraten van den zelfden rang onderling toekwam, dus consul tegen consul, praetor tegen praetor, en naar het schijnt , ook den praetoren tegen de consuls, wier colleyae minores zij waren. Ook de tribunen konden nu obnuntiatio aanwenden, niet alleen onderling, maar ook tegen de consuls en de praetoren. Omgekeerd waren door deze wet de concilia plebis onderworpen £,an de ohnuutiatio. De lex Fujia bevestigde de lex Aelia en stelde strafbepalingen vast voor het aanwenden der obnuntiatio op dagen voor kiescomitiën bepaald. Een lex Glodia (58) van den tribuun P. Clodius Pulcher schafte de obnuntiatio af.

Tijdens de koningen moesten de besluiten der comitia curiata bekrachtigd worden door de patrum auctoritas (auijere) van den senaat. Toen ook plebejers in den senaat kwamen, eischten en verkregen de patricische leden dit bekrachtigingsrecht voor zich, omdat naar hun beweren bij hen alleen de auspicia popnli Ro-mani berustten. De magistraat, die in een volksvergadering eenig besluit had doen aannemen, moest dit daarna aan de patricische senatoren voorleggen, die, zooals het schijnt, op deze wijze, alle wetten en keuzen der comitia curiata, centuriata en tributa konden vernietigen, zoo deze in strijd waren met de auspicia of 's lands wetten.

McDe patrum auctoritas is later bij verschillende wetten, waar-

V'i • /van slechts enkele bekend zijn, tot een formaliteit verlaagd.

* /gt;•?

3*

ocr page 50

36

§ 3. C o m i t i a c u r i a t a.

Bij de vestiging der republiek werden door het optreden der comitia centuriata de curiata geheel op den achtergrond gedrongen. In staatszaken bleef hun alleen de lex de imperia.

De lex curiata, de imperia bekleedde op plechtige wijze den reeds wettig gekozen magistraat met het imperium, d. i. de hoogste militaire en rechterl'jke macht. Hij, die het imperium noodig had, leidde zelf de vergadering, bij diens ontstentenis zijn ambtgenoot. Het hiertoe strekkend wetsvoorstel, bestaande uit een korte formule, werd altijd aangenomen, want den wettig gekozen magistraat mocht de lex de imperia niet geweigerd worden. Daarom kwam spoedig het volk niet meer op, maar werd het vertegenwoordigd door de lictoren der 30 curiën. Toch was het verleenen dezer lex geen overtollige plechtigheid geworden, want Cicero zegt nog: consuli si le'jem curiatam van hahet, attin-gere rem militarem non licet. In de laatste eeuw der republiek verzetten zich de tribunen herhaaldelijk tegen de lex de imperia, om hetzij aan de regeering, hetzij aan een gehate persoonlijkheid moeielijkheden -te veroorzaken.

Vanouds vereeuigde zich het volk curiatim, om getuige te zijn van zekere godsdienstige en burgerlijke handelingen, die ten overstaan van het collegium der pantijices moesten plaats grijpen. Deze curiënvergaderingen heetten comitia curiata calata {calare), en hadden plaats voor de curia calahra op het Capitool. Voorzitter was vroeger de koning als opperpriester van den staat, tijdens de republiek de pontifex maximus.

Voor de volgende handelingen werden deze comitia belegd:

1°. inaurjuratia van den rex sacrarum en der famines.

2°. testameiitum camitiis calatis factum; tweemaal 's jaars werd aan de burgers gelegenheid gegeven om hun uiterste wilsbeschikking te maken in tegenwoordigheid vau het geheele volk.

3°. ad ray alio, het aannemen van iemand, die sui iuris was, als zoon.

4°. transitie ad plebem, waarvoor een verklaring voor de camitia curiata noodig was, en tengevolge waarvan de gewezen patriciër zijn namen gentile behield. Zoowel adrajatia als trau-sitia ad plebem hadden de goedkeuring der pantijices noodig.

ocr page 51

37

omdat hierbij de instandhouding der patricische gent es en hnnner sacra in 't spel kwam.

5°. detestatio sacrorum, waardoor de patriciër, die in een ander geslacht overging, van zijn vroegere sacra gentilicia werd losgemaakt.

6°. het bekendmaken der Nonae, hetgeen op de Ka.leudae geschiedde, en van de feesten der loopende maand., waarvoor de Nonae waren aangewezen. Dit gebruik bleef bestaan ook toen door de leyes XII ta/j. en het ius Flavianum (VII. 1.) de kalender algemeen bekend was geworden,

§ 4. Comitia centuriata.

a. Samenstelling. Gang der vergadering.

Met den aanvang der republiek trad, luidens de overlevering, het leger op als comitia centuriata (pag. 10). Spoedig werd échter het stemrecht in deze vergaderingen gegeven aan alle burgers wanneer zij den dienstplichtigen leeftijd hadden bereikt. De comitia centuriata werd de hoofdvergadering van het Ro-meinsche volk, zooals reeds blijkt uit de benamingen: comitiatus maximus, comitia insta, verus populus in campo Martio. Den grondslag 1 dezer comitia vormde steeds de klassenindeeling van Servius Tnllius.

Van de 18 centuriae equitum droegen de zes oudste den naam sex suffragia. De centuriae equitum bestonden natuurlijk uit iuniores. Hun census wordt niet opgegeven, maarzij moeten geregeld hebben behoord tot de eerste klasse. Dé klassen telden evenveel centuriae iuniorum. als seniorum. De eerste klasse werd soms kortweg classis genoemd, de klasse by uitnemendheid, en de leden classici. De overigen waren dus infra classem. Zij, wier census lager was dan die der 5lle klasse, waren vereenigd in de centaria adcensorum velatorum ').

Het volgende lijstje geeft een overzicht van de samenstelling der comitia centuriata. De sommen, achter iedere klasse geplaatst,

1

) Ten onrechte wordt deze centuria ook die der proletarii of cap ite censi genoemd, cf. Mommsen, St. III. 282 vlgg.

ocr page 52

38

geven liet vermogen aan (in triëntale assen, vgl. XII. 1), dat men minstens behoorde te hebljen om tot die klasse te worden toegelaten. Sedert 312 werd de census niet meer uitgedrukt in grondbezit maar in geldsommen (pag. 27).

Census.

18

2I,(i klasse 3',c klasse 4llc klasse S'1quot; klasse

80 100.000 as.

20 75.000 as.

20 50.000 as.

20 25.000 as.

30 11.000 as.

cent. fabrum

cent. cornicinum et iubicinum cent. adcensorum. velatorum

Totaal 193

In de corn 'dia centuriata waren, omdat iedere centurie éene stem had, eigendom en leeft yd bevoorrecht. Want de equites en de eerste klasse, do groote grondeigenaars derhalve, beschikten over de meerderheid der stemmen en men kan aannemen, dat de centuriae seniorum doorgaans de helft kleiner waren dan die der iuniores, zoodat hun stemmen dubbele waarde hadden.

Een gewichtige verandering ondergingen At comitia centuriata, zooals gewoonlijk -wordt aangenomen, in 241. In dat jaar werd het getal der tribus definitief gebracht op 35, en met de tribus hangt deze regeling ten nauwste samen. Denkelijk is zij echter niet in 241 op eens in het leven geroepen, maar langzamerhand voorbereid.

In ietïere tribus werden de burgers van ieder der 5 klassen verdeeld in twee centuriae, die der iuniores en die der seniores, zoodat elke tribus 10 centuriae had. Tengevolge hiervan telde nu iedere klasse evenveel centuriën, namelijk 70. De 18 centuriae equitum, de centuriae fabrum, cornicinum en adcensorum velatorum bleven bestaan. Er waren dus (35 x 10) 18-1-2-1-2 1 = 373 centuriën; de meerderheid was nu 187, zoodat de derde klasse aan iedere stemming moest deelnemen. Niet de klassen vormden dus voortaan eigenlijk den grondslag der comitia centu-

2 1

ocr page 53

39

riata, maar de tribus, het beginsel, dat reeds lang dc patricisch-plebejische comitia trihuta beheerschte. In plaats van over de helft beschikten nu de hoogstaangeslagenen slechts over ruim een vijfde deel der stemmen; de doorslag kon derhalve voortaan gegeven worden door de kleine grondeigenaars.

De gang dor vergaderingen der centuriata herinnert telkens aan hun oorspronkelijk militair karakter. De burgers in deze comitia samen gekomen, vormden den exercitus; de vergadering kon alleen geleid worden door een magistraat met hot imperium. bekleed , gewoonlijk een consul of dictator. Tijdens de schorsing van het consulaat was dit de taak der decemviri en der trihuni militares cons. pot. De interrex kon het volk centuriatim samenroepen voor magistraatskeuzen, de praetor voor comitia iudiciaria. De vergadering moest gehouden worden buiten het pomerium, en had gewoonlijk plaats op den campus Martius 1).

Wanneer op den vroegen morgen van den dag der vergadering de auspicia gunstig zijn uitgevallen, dan beveelt de voorzitter zijn accensus; „ Calpurni voca inlicium om nes Quirites hue ad méquot;, waarop deze met luider stem verkondigt: „ Omnes Quirites visite hue ad indicesquot;. Hoorngeschal in arce en om de muren der stad herinnerde de burgers nogmaals aan hun plicht om te verschijnen. Oudtijds moesten de burgers gewapend opkomen. Gedurende de comitia wapperde in arce een roode vlag [vexillum russeum); werd deze ingehaald dan moest de vergadering terstond ontbonden worden.

Op het punt de vergadering te openen laat de voorzitter weder een oproeping doen door zijn accensus, daarop verricht hij een offer by gestaan door pontijices, augures en twee offerpriesters, en spreekt het gebed. Op zyn bevel impero qua con-

1

) Het pomerium was de gewijde grens der stad, die bij Liv. L.44wordt voorgesteld als een ruimte onmiddellijk voor en achter den stadsmuur, door steenen paaltjes (cippi) kenbaar gemaakt. Het schijnt echter, dat onder pomerium moet verstaan worden de strook, die ter betere verdediging achter d. i. binnen den muur was vrijgelaten. Bij vergrooting der stad werd het pomerium verlegd {pomerium prof er re).

Het pomerium was de grens der auspicia urbana; buiten het pomerium konden deze alleen worden overgebracht door bizondere ceremoniën en ficties.

ocr page 54

40

venit ad com it ia centvriata, scharen zich de burgers volgens klassen en centuriën. Nu leest de voorzitter zijn wetsvoorstel {ruyatio) voor, waarop tot stemming wordt overgegaan.

Een gedeelte van don campus Martins was afgescheiden door een staketsel (pvïle, saeptum) met evenveel ingangen {pontes) als er centuriën te gelijk stemden. Hier had ieder zyn stem af te geven; de stemmen voor of tegen werden op tahulae door punten aangeteekend.

Er werd gestemd centuriatim, in iedere centurie viritim. Eerst stemden de equites, daarop de eerste klasse. Gewoonlijk waren deze het eens en was de volstrekte meerderheid, nadat de eerste klasse gestemd had, verkregen. In dat geval werden de overige klassen niet opgeroepen. In 241 werd echter het recht der vóor-stemming, waaraan ominis causa, te Rome groot gewicht werd gehecht, aan de equites ontnomen. Het eerst stemde voortaan een centurie der eerste klasse door 't lot aangewezen (centuria praerogativa); wanneer deze stem was hekend gemaakt, stemden de 69 overige centuriën der eerste klasse met de equites, en daarop de volgende klassen afzonderlek tot de meerderheid was verkregen.

Na het bekend maken van den uitslag (renuutiatio) sloot de voorzitter de vergadering [remittere exercituin) met de woorden:

si vohis videtur discedite Quirites.

b. Bevoegdheid der comitia centuriata.

De comitia werden samengeroepen voor magistraatskeuzen, rechtspraak en wetgeving.

In de comitia centuriata werden gekozen:

1°. alle magistratus maiores ordinarii: consuls, praetoren en censoren;

2°. van de magistratus maiores extraordinarii de decemviri legihus scribundis en de trihuni militares cons. pot.

Deze verkiezingen werden alleen geldig door de patrum. aucto-ritas. De lex Maenia (± 290) bepaalde evenwel, dat deze bekrachtiging moest voorafgaan, in incertum comitiorum eventum.

De rechtspraak der comitia centuriata strekte zich alleen uit over zaken, die het caput van den burger betroffen [capite an-

ocr page 55

41

quirere). Zij berustte op de lex Valeria de provficatione (509) van den consul P. Valerius,Publicola: „ne quis mayistratus civerr Jio-manum. adversus provocationem. necaret neve verberaretquot;. Sedert, deze wet konden dus de burgers van een vonnis van den magistraat, dat een lijfstraf uitsprak, zich beroepen op de oom'dia centuriata. Provocatio kon echter niet aangewend worden tegen het mperium van den consul en den praetor in krijgszaken, evenmin tegen consuls, die door het s. c. ultimum (V. 3) met het hoogste gezag waren bekleed. De lex XIl tai. verplichtte, door de bepaling: de capite civis nisi per maximum comitiatum ue ferunto, den magistraat om, alvorens een lijfstraf op te leggen, zich te wenden tot de comitia centuriata, die hierdoor rechtspraak kregen in hoogste instantie 1).

Alleen een magistraat kon voor de comitia als aanklager optreden. Hij maakte dengene, dien hij wilde aanklagen {reus), het feit bekend, waarom hij hein vervolgde en dagvaardde hem, om voor het volk te verschijnen (diei dictio). Wanneer de reus geen borgen {vades) stelde, ken hij in hechtenis genomen worden. Op den dag van het proces droeg de voorzitter zijn aanklacht voor (anquisitio) en eischte een straf. Daarop volgden de pleidooien en het getuigenverhoor. Deze handelingen werden in vier achtereenvolgende coutioues herhaald; na afloop der vierde contio [quarta accusatio) opende de magistraat de comitia iudi-ciaria en liet terstond over zijn eisch stemmen. De aangeklaagde

1

) Het ins provocationis werd uitgebreid door:

1°. de lex Valeria-IIoratia (449) nu quis ullum moyistratum sine provo-catione crearet (pag. 13).

2°. eeu lex Valeria (300), die waarschijnlijk den dictator aan de provocatio onderwierp.

3°. drie leges Porciae, waarvan tijdstip noch inhoud nauwkeurig bekend zijn en die steeds als een wet worden aangehaald. Zij dienden ter vervanging en aanvulling der leges Valeriae. Een bepaling der leges Porciae bedreigde gravem poenam si quis verher asset necassetve civem Romanum. Zij moeten de geeseling op bevel van den magistraat hebben verboden want Cicero zegt: lex Porcia pro tergo civium lata. De doodstraf hebben zij niet afgeschaft; misschien hebben zij den magistraat voorgeschreven in bepaalde gevallen in plaats van doodstraf verbanning te eischen. Bovendien strekten zij de provocatio, die vroeger beperkt was tot de banmijl der stad, uit over de burgers in het geheele rijk.

ocr page 56

42

kon, als de stemming nog niet was afgeloopen, zich door de vlnclit aan de straf onttrekken. Soms liet het volk de behandeling van een rechtsgeding over aan een daartoe benoemde rechtbank, quaestio extraordinaria (VTI. 4).

De bevoegdheid der verschillende comiüa op wetgevend gebied was niet scherp afgebakend. In de condtia centuriata werden tot het ontstaan der comiüa tributa alle, tot de Ux Hortensia (287) bijna alle door consuls en praetoren voorgestelde wetten behandeld. Sedert 287 ging de wetgevende macht der centuriata meer en meer over op het concilium, plehis. Steeds bleven aan de centuriata voorbehouden de lex de hello indicendo. het besluit tot het voeren van een aanvallenden oorlog, en de lex de censoria potestate, die de censoren met hun eigenaardig gezag bekleedde en een navolging was van de lex curiata de imperio.

De wetsvoorstellen in deze comitia gebracht, steunden op een voorafgaande behandeling in den senaat. Gedwongen kon de magistraat daartoe niet worden, maar uiterst zelden werd van deze gewoonte afgeweken (V. 3).

Het verleenen der patrum aucto'ritas aan de in de comitia centuriata aangenomen wetten werd tot een formaliteit gemaakt door de lex Publilia Philonis (339): ut leyum quae comitiü cen-turiatis ferrentur ante initum svffragium. patres auctores Jierent.

Eet zou zeker rationeeler zijn geweest de patrum auctoritas voor goed op te heffen, maar de geschiedenis der Eomeinsche staatsregeling toont overal, dat de Romeinen slechts ongaarne er toe overgingen, om bestaande instellingen af te schaffen. Oude herkomsten liet men bestaan, maar zoodra zij begonnen te knellen, verwrong men ze, of rekte ze uit.

§ 5. Comitia tributa.

Het ontstaan der comitia tributa wordt niet uitdrukkelijk gemeld ; het eerst worden zij genoemd in 447, toen do quaestorskeuzen voor het eerst in deze vergaderingen geschiedden. Patriciërs zoowel als plebejers bezochten deze vergaderingen; zij heeten steeds comitia tributa, de besluiten leges, het verzamelde volk popidus; nooit concilium , plehiscitum, plebs. De comitia tributa werden gehouden auspicato op dies comitiales, onder voor-

ocr page 57

48

zitting van een consul, praetor of aedilis curulis. Plaats van samenkomst was het forum; later de campus Martins. De stemming geschiedde trilutim, in iedere tribus viritim. De 85 tribus stemden tegelijk. De tribus, wier stem volgens het lot liet eerst bekend werd gemaakt, heette principium; de burger, die daarin het eerst had gestemd, prbiceps Uit de samenstelling der vergadering tribusgewijze volgt, dat ook hier de middelstand over de meerderheid der stemmen beschikte.

In de comitia trihuta werden gekozen: sedert 447 de quaesto-j'es, sedert 366 de aedites curules, verder de XXVIran, de ma-yistratus minores extraordinarii, en sedert 862 zes. sedert de lex Atilia-Marcia (811) zestien, sedert '207 vier en twintig tiri-Imni militum.

De patricische magistraten moesten, nadat aan dc comitia centuriata uitsluitend de halszaken waren voorbehouden, zich wenden tot de comitia trihuta, wanneer zij een hoogere boete dan het door de lex Aternia-Ta.rpcia bepaalde maximum wilden opleggen 1). By al de bekende gevallen van rechtspraak in deze comitia zijn nooit consuls of praetoren, maar alleen aediles curules voorzitter.

De consuls dienden van ouds hun wetsvoorstellen in bij de centuriata. Het eerste voorbeeld van een wet dcor een consul in een tribusvergadering voorgesteld, is de lex de vicesima ma-mwuissionis, waarover de consul Cu. Manlius 857, in het kamp voor Sutrium, tribusgewijze liet stemmen. Meer en meer brachten de consuls en praetoren hun wetsvoorstellen in de comitia trihuta, denkelijk omdat hun oproeping met minder formaliteiten gepaard ging dan die der centuriata.

Sedert de 8dc eeuw v. C. werd ook aan de tribus het bezetten overgelaten van sommige der hooge priesterambten in de zoogenaamde comitia sacerdotum. Het kerkelijk recht wilde, dat de priestercolleges zich zelf door coöptatie voltallig hielden. Om dit

') De lex Atemia-Tarpeia (454) bepaalde als malta supreme, 2 schapen en 30 ossen. Wilden de magistraten liouger boete opleggen, dan moesten zij zich tot het volk wenden- De lex lulia-Papiria (430) bracht de boeten in geldsommen over en bepaalde de waarde van een schaap op 10, van een os op 100 as.

ocr page 58

44

beginsol niet te schenden, en toch do keuzen door liet volk te laten geschieden, vond men den volgenden uitweg, die karak-teriseerend is voor de wijze, waarop de Romeinen hun instellingen wisten te plooien. In plaats der 35 tribus werden onder voorzitterschap van een der pontijices slechts 17 tribus {minor pars populï), door het lot aangewezen, ter stemming opgeroepen ; daarop coöpteerden de colleges den door de tribus gewilden persoon. Aldus werd het nieuwe beginsel gehuldigd, en bleef het oude recht geëerbiedigd, want de 17 stemmende tribus waren het volk niet, en de coöptatie bleef plaats grijpen.

Op deze wijze werden gekozen:

rin. de pontifex maxhnus, en wel uit At pontijices. Dit moet reeds geschied zijn voor 212.

2°. de curio maximus, denkelijk uit de curiones. Voor het eerst wordt dergelijke verkiezing vermeld in 209.

oquot;. sedert de lex Domitia (104) de colleges tier pontijices, auyures, Xviri sacris faciundis, en YYLviri epulones. Ieder college stelde een zeker aantal candidaten, waaruit door de 17 tribus moest worden gekozen.

§ 6. Concilium pie bis.

Het schijnt , dat in den beginne de plebs curiatim samenkwam ter verkiezing der tribuni en aediles plehis en om te stemmen over voorstellen der tribunen uitsluitend omtrent haar eigen aangelegenheden '). Tengevolge der lex Puhlilia Voleronis (471) kwam voor dit alles de plebs tributim bijeen. Eerst later (zie beneden) konden de tribuni het concilium plehis besluiten doen nemen in zaken den geheelen staat betreffende. In deze vergaderingen voerde, daar tot 312 uitsluitend grondeigenaars in de tribus stonden, de kleine boer den boventoon. Een algemeene vergadering der plebs werd het concilium plehis eerst na 312, toen de tribus voor alle burgers werden opengesteld.

Ten allen tijde waren van deze vergaderingen de partririërs

*) De geruchtmakeude gedingen tegen Coriolanus (491), Menenius Lana-tns (477), K. Quinctius Cincinnatus (461) schijnen verzonnen te zijn. In elk geval moeten zij beschouwd worden als een aanmatiging der tribunen.

ocr page 59

45

uitgesloten. De leiding berustte bij de tribunen, voor de reclit-spraak ook bij de aediles ple.his. De officieele naam is altijd gebleven concilium plehis, al worden zij ook dikwijls minder nauwkeurig comitia tributa genoemd; de besluiten heetten ple-hiscita, sedert de le.c Hortensia (287) ook lex plebivescitum of kortweg lex ').

De concilia plehis moesten een trinundinum vooraf worden aangekondigd en werden gehouden inauspicato op mmdinae tot de lex Hortensia (287) deze dagen verklaarde tot dies fasti non comitiales. De vergaderingen hadden in den regel plaats op het forum , minder dikwijls op den campus Martins.

Alle 35 tribus stemden gelijktydig; principium heette de tribus, wier stem volgens het lot het eerst was bekend gemaakt, de eerste stemmer princeps. Het twijfelachtig voorrecht der spectio kregen de voorzitters der concilia plehis door de lecjes Aelia-Fujia (pag. 35

In de concilia plehis werden gekozen de trihuni en aediles plehis

Het recht der tribunen om boeten op te leggen wegens belee-diging van hun persoon en waardigheid werd sedert de lex Hortensia (287) uitgestrekt tot misdrijven jegens den staat gepleegd (VI. 5). Indien het bedrag der boete de door de lex Aternia-Tarpeia (pag. 43) gestelde malta suprema overschreed, kou pro-vocatio worden aangewend. Daarom wendden zich de tribunen denkelijk in dat geval steeds terstond tot het concilium plehis. De tribunen vervolgden alleen vergrijpen door magistraten in de uitoefening van hun ambt gepleegd, die buiten het bereik der strafwet vielen. De aediles plehis traden op in gevallen, die de wet uitdrukkelijk strafbaar had gesteld. ^

Het plebisciet heeft kracht van wet gekregen tengevolge van drie wetten:

1°. lex Valeria-Huratiu. (449): ut quod plebs tributim iussisset totum populum tener et.

') Comitia Uta zegt Cicero van de volksvergadering, waarin zijn schoonzoon Dolabella tot iribunus plehis werd gekozen, en eveneens gebruikt Livins zeer dikwijls jyopulKS, waar klaarblijkelijk plebs wordt bedoeld. Spoedig namelijk werd pojmlus gezegd voor de volksmenigte tegenover den senaat en de magistraten.

ocr page 60

46

2°. lex PnMilia Philonis (339): ut plebiscita omnes Quirites tenerent.

3°. lex Hortensia (287): ut qnod plehs mssis-set omnes Quirites teneret.

Van deze wetten is misschien de volgende verklaring de meest aannemelyke.

Niettegenstaande alle drie vplkomen hetzelfde zeggen, n.1. dat een plebisciet verbindend wordt voor het geheele volk, moet er toch tusschen haar een verschil hebben bestaan. Het schijnt, dat de inhoud der wetten wel juist maar niet volledig is overgeleverd. De lex Valeria-IIoratia gaf denkelijk aan de tribunen het recht om wetsvoorstellen den geheelen staat betreffende in het concilium plehis te brengen, mits de senaat daartoe vooraf zyn toestemming had verleend. De lex Publilia TPlnlonis schijnt die toestemming tot een formaliteit te hebben gemaakt. De lex Hortensia onthief het plebisciet van elke inmenging van den senaat en stelde het geheel gely k met een lex populi Romani.

Het concilium plebis werd nu het voornaamste wetgevend lichaam. De tribuni, als het ware magistratus populi geworden, onderwierpen als de andere overheden hun wetsvoorstellen aan den senaat, zoodat deze, zij het dan ook in ge wijzigden vorm, het toezicht op de tribunische wetgeving behield.

ocr page 61

HOOFDSTUK V.

SENA A T.

§ 1. Samenstelling.

Met de vestiging der republiek kregen de consuls het reclit den senaat voltallig te houden. Al dadelijk werden door de eerste consuls eenige plebejers gekozen, maar deze nieuwe leden stonden in menig opzicht achter bij hun patricische ambtgenooten. Deze laatste alleen kozen den interrex en bekrachtigden door hun patrum auctoritas de besluiten van het volk. Daarenboven werden de plebejische leden niet door den voorzitter opgeroepen om hun meening te zeggen en voorstellen te doen, maar zij hadden alleen het recht om te stemmen. Deze verhouding tus-schen de patricische, en plebejische senatoren wordt uitgedrukt door den titel patres conscripti, waarmede van dezen tijd af de senaat werd toegesproken. Hoogst waarschijnlijk is deze formule een asyndeton, waarin patres de patricische senatoren, conscripti, de mede-opgeschrevene, de plebejische senatoren aanduidt ■).

Tengevolge der lex Ovinia (± 312): ut censores ex omniordine optimum qnemque iurati in senatum let/erent, ging de lectio senatus over op de censoren. Met de ordines, waaruit de cen-^ soren gehouden waren onder eede te kiezen, waren bedoeld de verschillende klassen der gewezen magistraten, de quaestuur

') Dionysius vertaalde den titel door „ira-riai; syypoiyoi \ Hooft door „beschreven vaderenquot;. Maar reeds de formule: qui patres qui conscripti {sunt), toout dat deze verklaring, die nog veel aanhangers vindt, geen steek houdt. Conscripti is veeleer een oudere uitdrukking voor .adscrivti.

ocr page 62

48

ingesloten; eerst dan kwamen de overige burgers in aanmerking (adlectï). Door deze regeling werd de senaat een lichaam bijna geheel samengesteld uit oud-magistraten en bepaalde zich de taak der eensoren tot het controleeren der volkskeuzen. Tevens kregen de plebejers, daar zij meer posten te bezetten hadden dan de patriciërs, de meerderheid in den senaat.

Sedert de lex Ovinia bestond de senaat uit senatores, quihuaque in senatu sententiam dicere licet. Senatoren waren zy, wier namen door de censoren op de lijst waren geplaatst. Met qui/ms in senatn sententiam dicere Heet werden de gewezen curulische magistraten aangeduid, die nog niet in den senaat waren gekozen, maar daarvoor by de volgende lectio in aanmerking kwamen. Zy hadden volkomen dezelfde rechten als de eigenlijke senatoren. Dit recht om na afloop van het ambtsjaar zitting te nemen (ius sententiae dicendae) werd uitgebreid tot de aedilesplehis (± 123), later tot de trihuni plehis (± 102), eindelijk tot de quaestöreu (81). Ook had recht van zitting de flamen Dialis. Zij, die geen curulisch ambt hadden bekleed, heetten pedarii. De voorzitter was niet verplicht hun meening te vragen, zoodat in den regel hun rol zich bepaalde tot het deelnemen aan de stemming; ibant pedilms in sententiam alienam, vanwaar hun naam.

De ranglijst der senatoren, overeenkomstig hun hoogste waardigheid , was als volgt:

1°. Consulares

2quot;. Praetorii f Uurules.

3°. AedUicii cur. )

4°. AedUicii pleh.

5°. Tribunicii

6°. Quaestorii leduui.

7°. Adlecti -f r-, . • •

In ieder klasse gold anciënniteit, en by overigens gelijke omstandigheden stond een patriciër boven een plebejer. Sedert het einde der 2lle eeuw v. C. werd alleen op anciënniteit gelet. Bovenaan op de lijst stond de princeps senatus, gekozen uit de patricische diet at or ii en consulares.

Ieder lustrum, gewoonlijk dus om de vijf jaar,quot; werd door de censoren de senaat aangevuld, en wel tot het normale getal van 300 leden. Bij de lectio schrapten de censoren van de lijst

ocr page 63

49

{album senatoriuni) de namen der overledenen en van degenen, die zij onwaardig achtten (inovere, eic.ere senatu, praeteriré) en vulden de opengevallen plaatsen aan met hen, die sedert de laatste lectio een ambt hadden bekleed tot en met de quaestuur. Wanneer de censoren iemand van dezen voorbijgingen, of een senator uitstieten, schreven zij gewoonlijk de reden achter den naam van den getroffene {subscriptio). Zoowel over het opnemen als het verwijderen van leden moesten beide censoren eenstemmig zyn. Ten slotte werd het nieuwe album van de rostra voorgelezen en in het openbaar aangeslagen.

Om verkiesbaar te zyn waren civitas en ingenuitas onontbeerlijk ; ook zonen van vry gelat enen werden steeds geweerd. Een census senatorius bestond er tijdens de republiek niet, maar wie een ambt bekleedde, dat toegang gaf tot den senaat, moest noodzakelijk een vermogend man zijn of uit een vermogende familie stammen. De aetas senatoria was sedert de lex Villia annalis (180) (VI. § 1. b.) de leeftijd der quaestuur, 27 jaar. Sulla stelde dien vast op 30 jaar.

Uitgesloten waren zij, die door een iudicium turpe tot infames waren gestempeld, en zij, die een veracht beroep uitoefenden: opijices, mercenuarii, neyotii gerentes. Het pachten van staatsinkomsten en het aannemen van openbare werken was den senatoren verboden. Het drijven van groothandel was geoorloofd, maar werd beperkt door een lex Claudia (219): ne quis senator cuive senator pater esset maritimam navem, quae plus quam trecentarum amphorarum esset, liahe.ret. Caesar hernieuwde dit verbod door de lex lult a repetundarum (59), Het besturen en productief maken van zyn landerijen werd als het meest eervol voor den senator beschouwd; velen dienden in het leger als legati, of oefenden de rechtspraktijk uit, anderen waren, vooral als stille vennooten, in handelsondernemingen betrokken.

Sulla hield in 81 als dictator rc.ip. const it. een lectio senatus, en bracht tevens het aantal leden op 600. Voortaan werden jaarlijks 20 quaestoren gekozen, die de opengevallen plaatsen zouden bezetten, waardoor het verdubbelde getal senatoren ten naastenbij kon gehandhaafd worden. Zoodoende was voor de lectio senatus de censuur overbodig geworden, maar verscheidene der door Sulla benoemde senatoren betoonden zich, vooral bij

4

ocr page 64

50

de uitoefening der rechtspraak, hunne onderscheiding zoo weinig waard, dat een zuivering van den senaat luide verlangd werd. Dientengevolge werden in 70 weer censoren benoemd, L. Gellius Poplicola en Cn. Cornelius Lentulus, qui asperarn censuram ege-runt, want zij stootten niet minder dan 64 leden uit, waaronder P. Corn. Lentulus den consul van het vorige jaar.

Caesar, die 40 quaestoren liet benoemen, herzag sedert 47 als dictator reip. const it uendae jaarlijks den senaat. Hij benoemde, zonder op de herkomsten te letten, een menigte zyner aanhangers: centuriones, Galliërs en zelfs zonen van vrijgelatenen tot leden van het hoogste staatslichaam. Het getal senatoren steeg daardoor tot 900, maar nog willekeuriger ging Antonius te werk, die quot;den senaat vulde, zooals hij voorgaf, volgens de nagelaten beschikkingen van Caesar. Orcini noemden de Romeinen deze nieuwelingen spottend, omdat zij, evenals de bij testament vrijgelaten slaven, patronum habehant in Or co. Onder de triumviri telde de senaat meer dan 10Ü0 leden.

De senatoren waren in het genot van eenige onderscheidingsteekenen en voorrechten, die meerendeels uit lateren tijd dag-teekenden. Zij hadden een afzonderlijk schoeisel, den calceus of mulleus, een hoogen schoen meest van rood leêr, op de wreef vastgehouden door een gesp (lunula) en met zwarte riemen icor-rigiaé), die tot de kuit gingen, voorzien. Tot het dragen van dit schoeisel waren oorspronkelijk alleen de patricische senatoren gerechtigd {calceus pairicius), later ook de plebejers, die een curulisch ambt hadden bekleed en in de laatste eeuw der republiek alle senatoren {calceus senatorius). Evenwel bleef de lunula steeds aan de patricische senatoren voorbehouden; de plebejische consul had het recht dit versiersel by den triomf te dragen. Verder hadden de senatoren evenals de equites het ius anuli aurei, en droegen zij de tunica laticlavia, een onderkleed met een breeden purperen streep {clavns) van den hals tot beneden toe. Scipio Maior bewerkte in zijn tweede consulaat (194) tot ergernis van velen, dat in den schouwburg de plaatsen in de orchestra uitsluitend voor de senatoren werden bestemd.

Een zeer gewaardeerd voorrecht der senatoren was het ius leyationis liberae. Aan den senator, die zich buiten Italië wilde begeven, werd de titel toegekend van leyatus senatus, waardoor

ocr page 65

51

hij kon optreden als vertegenwoordiger van Rome en recht had op huisvesting en vervoer van wege den staat, in welks gebied hy zich bevond; gewoonlyk ontving hij van den stadhouder der provincie lictoren. Wegens het misbruik, dat van de legatio libera werd gemaakt, stelde Cicero in den senaat voor om ze te doen vervallen. Zijn voorstel werd niet aangenomen, maar de duur der legatio libera werd tot een jaar beperkt.

De onderbevelhebbers (legatï) waren uitsluitend senatoren, eveneens tot 123 de leden der quaestiones perpetnae.

§ 2. Senaatszittingen.

Het ius cum patribus ayendi d. i. het recht den senaat samen te roepen {cogere, vocare) en het ins referendi d. i. het recht den senaat onderwerpen ter behandeling voor te stellen (referre, relationew facere) hadden oorspronkelijk de consuls en de praeto-ren later ook de tribuni plebis. Van de wujistratus extraordinarii waren hiertoe bevoegd; de decemviri leg: scrih., de trib. mil. cons, pot., de dictator, de magister equitum, de interrex en de praefectns urbi. De praetor urbanus nam by onstentenis der consuls het voorzitterschap waar; overigens komen weinig gevallen voor van senaatsvergaderingen door een praetor geleid.

De senaat werd samengeroepen door een edictum, dat tyd, plaats en somtyds onderwerp der vergadering aangaf; in spoed-eischende gevallen door praecones of viatores. De zitting had plaats tusschen zonsop- en ondergang, gewoonlijk in de curia Hostilia, die door Tulliüs heette gebouwd te zijn. Soms werden elders vergaderingen guhonden : in den tempel van luppiter Capitolinus, van Castor, van Concordia, van Virtus, of van Honos. Altijd moest de vergaderzaal een templum zijn, een voor het houden van auspicia gewijde plaats. Buiten het pomerium kwam de senaat bijten, hoofdzakelijk om gehoor te verleenen aan een stadhouder cum imperio, die door de heilige grens der stad te overschreden, zijn imperium zou verliezen. Gewoonlyk diende dan tot vergaderplaats de tempel van Apollo, van Bellona of de curia Pompei a, een zaal behoorende bij het in 55 door Pompeius gebouwde tlieatrum. Wanneer het prodigium was gemeld bovem esse locutam had de vergadering sub diva plaats.

De senaatszittingen waren strikt genomen niet openbaar. Alleen

4»

ocr page 66

52

de dienaren der aanwezige magistraten bevonden zicli in de zaal. De deuren waren evenwel geopend, en daar wachtten de zonen der senatoren hunne vaders af' en zaten oudtijds de tribuniplehis. Ook bevond zich dikwijls voor de deuren een gvoote menigte, die niet alleen door luide teekenen van goed- of af keuring toonde, dat zij met belangstelling de discussies volgde, maar soms zelfs de stemming trachtte te beletten. In enkele gevallen werden de deuren gesloten en de dienaren verwijderd; het dan genomen besluit heette sen. cons, tacitnm.

Zonder geldige redenen mochten de senatoren de zitting niet verzuimen. Do voorzitter kon tegen achterblijvers het ius jnyno-ris capionis aanwenden, dat later in een boete werd veranderd, maar uiterst zelden werd toegepast. Tijdens de republiek was, naar het schijnt, slechts bij de behandeling van enkele onderwerpen de tegenwoordigheid van een bepaald getal senatoren vereischt. De oudste bepaling hieromtrent komt voor in het ,v. c. de BacchanaJihus (186), tengevolge waarvan veranderingen in dat besluit alleen konden gebracht worden, wanneer minstens 100 senatoren, derhalve een derde der leden, aanwezig waren. Met do termen frequens en infrequent, die dikwijls voorkomen, wordt in het algemeen een druk of slecht bezochte senaatszitting bedoeld. Cicero noemt de vergadering, waarin tot zijn terugroeping werd besloten en die door 417 leden behalve de magistraten werd bezocht, senatus freqnentissimus.

Midden in de vergaderzaal tegenover de deur stonden naast elkaar de curulische zetels der beide consuls of die van den praetor, wanneer deze voorzat, of het suhsellium van den tri-hnnv.s plehis. In de beide door een breeden gang gescheiden zijruimten namen de senatoren op banken plaats, naar welgevallen en zonder onderscheid van rang. Ook de magistraten schijnen geen vaste plaatsen te hebben gehad, maar zich te midden der overige senatoren te hebben gezet. Do voorzitter verricht, voor hy de zaal binnentreedt, een offer en raadpleegt de auspicia. Na médedeelingen te hebben gedaan over loopende staatszaken, berichten van stadhouders en dergelijke, stelt hij een onderwerp aan de orde (relationem facit) '). Het voorstel is infinite de

ocr page 67

53

rep. omtrent den algemeenen politieken toestand of de singulis rebus finite, omtrent ceu by zonder punt. Regel is: de rebus divi-nis prins quam humanis.

De aanhef van iedere relatio luidt: Quod bonum, felix fau-stumque sit popnlo Romano Quiritium, referimus ad vos patres eonscripti .... daarop volgt de relatio zelve, en ten slotte: de ea re quid Jieri placet?

De voorzitter kon, na bet onderwerp te bebben toegelicht, zelf een voorstel doen en den senaat nitnoodigen terstond tot stemming over te gaan. Gewoonlijk echter opende hij de beraadslaging omtrent het aan de orde gestelde punt door het gevoelen der vergaderde senatoren te vragen volgens een vaste rangorde (ordiue consulere senatum, seutentias rog are, interrogare). Eerst werd gevraagd de princeps senatus, dan de consulares, de prae-torii enz. In de laatste eeuw der republiek was het gewoonte om de magistratus designati het eerst te vragen, en met recht; want zij moesten dikwijls de genomen besluiten uitvoeren. De magistraten werden niet ordine gevraagd, maar allen tot en met den quaestor konden het woord nemen wanneer bet hun behaagde.

De voorzitter wendt zich tot 'Ie leden nominatim: die M. Tulli, quid censes? Allen zijn verplicht te antwoorden en de eerst gevraagde senator moet omtrent het aan de orde zijnde onderwerp een voorstel doen. Daartoe staat hij op en houdt een rede {stans sententiam die it); ook geschreven redevoeringen komen voor (de scripto sententiam dicere). Zijn conclusie of zijn voorstel leidt hij in door censeo of decerno of mild placet. Degenen, die daarop gevraagd worden, kunnen of een ander voorstel doen of amendementen voorstellen of zich verklaren voor een reeds gedaan voorstel: [Cn. TPompeio adsentior). Ook kan de senator opstaan en zich plaatsen bij iemand, die reeds gesproken heeft en wiens gevoelen hy deelt (jpedibtis ire in sententiam alienani).

senaatsvergadcriiïgen in acht werden genomen, op den mos maiorum. Vandaar de verlegenheid van Pompeins, die in 70 consul werd en dus moest presideeren , ofschoon hij nooit een zitting van den senaat had bijgewoond. Op zijn verzoek vervaardigde zijn vriend Varro voor hem een stTaywytxon, een handleiding voor den president van den senaat, waarvan eenige uittreksels bewaard zijn bij Gellius, Noctes Att., XIV, 7.

ocr page 68

54

De gevraagde senator kon buiten de orde gaan [eyredi relatio-ueni) en doorspreken. Soms werd dit middel aangegrepen om het nemen van een besluit te beletten, want met zonsondergang werd de zitting opgeheven (diem dicendo consnmere,- eximere). Deze beide bevoegdheden kwamen derhalve eenigszins tegemoet aan het gemis van het recht van initiatief en van het recht om verdaging der vergadering te vragen.

Ofschoon dns de gang van zaken een geheel andere was dan in onze parlementen, heerschtc toch bij de senaatszittingen dikwijls de grootste levendigheid. Omdat de magistraten konden spreken wanneer zij wilden en de senator, die het woord voerde, verlof kon krijgen om vragen te richten tot den voorzitter en andere magistraten, ontstonden er menigmaal opgewonden woordenwisselingen (altercationes) en interrupties. Do redevoeringen droegen vaak een sterk persoonlijks-karakter en werden ontvangen met luide kreten van bijval of afkeuring [rnultae et secundac murmurationes, maxima acclamatio,, clamor senaiui).

Wanneer de voorzitter het onderwerp voldoende besproken achtte, sloot hij de beraadslaging, stelde de orde vast, waarin de verschillende voorstellen in stemming zouden gebracht worden [jrri-wam, secmidam enz. sententiam prunvntiaf), en noodigdc de senatoren tot stemming uit met de woorden: qui hoc censetis illuc trensite, qui alia omnia (ominis causa voor qui hoc nou censetis) in hanc partem. Deze wijze van stemmen heette dan ook dis-cessio {discedere, pediLus ire in sententiam). De voorzitter maakte den uitslag der stemming bekend met de formule: haec pars maior cidetur. Eenstemmigheid heette: sine ulla varietate, ad uninn omnes consentiunt. .....

Wanneer de voorzitter verder geen onderwerpen ter behandeling had voor te stellen, konden andere magistraten mot hot ius referendi op hun beurt relationes doen.

Do zitting word door den voorzitter opgeheven (dimittere senatum) met de woorden: nihil vos rnorumur, retinemus, patres conscripti.

Het genomen besluit werd op schrift gebracht door den voorzitter bijgestaan door eenige senatoren, qui scribundo adfuerunt. Het droeg den naam senatus consultum of seuatus auctoritas. In engeren zin heette senatus auctoritas een besluit, dat door inter-

ocr page 69

55

cessio was getroffen en waarvan dus de uitvoering achterwege bleef. De intercessio kon uitgeoefend worden door magistraatspersonen, qui eadem pot est ate qua ii qui s. c. facere veil ent, maiorete e.ssent en door de tribnni plehis. Het s. c. werd neergelegd in het aerarivm in den tempel van Saturnus. De aediles plehis konden er voor hun archief in aede Cereris een afschrift van maken. Caesar voerde in zijn consulaat (59) het gebruik in de handelingen van den senaat te doen opteekenen door snelschrijvers (notarii) en ze door de zoogenaamde acta seHains openbaar te maken.

§ 3. Werkkring.

Daar de wetgeving berustte bij het volk, de uitvoerende macht bij den magistraat en; de rechtspraak verdeeld was tus-schen volk en magistraat, bleef er oogensclüjnlijk slechts weinig plaats over voor den senaat. Hij was de raadgever der magistraten, die echter aan zijn adviezen niet gebonden waren. Maar omdat de magistraten hun ambt slechts een jaar bekleedden en daarentegen gedurende hun geheele leven zitting hadden in den senaat, kreeg deze steeds grooter invloed en werd hij eindelijk oppermachtig. De magistraten daalden, trots het verzet van enkelen, tot den rang van dienaren van den senaat, die niet alleen het hooge administratieve lichaam werd in den staat, maar reeds bij het begin der 3',e eeuw v. C. feitelijk de regeering in handen had.

I. De patricische senatoren hadden zich voorbehouden:

1n. het recht om uit hun midden een interrex te verkiezen.

2°. het recht om door de patrum auctoritas de wetten en keuzen der comitia te bekrachtigen. Mettertijd verloor dit recht zijn waarde (pag. 35. 40. 42).

II. De bevoegdheden, die de geheele senaat zich allengs had verworven, kunnen onder de volgende rubrieken gebracht worden:

1°. Beheer. Hiertoe behoorden vooral:

a. Eeredienst. De magistraten moesten waken voor het instandhouden der sacra van den staat en vreemde eerediensten {super- ^ stitio externa) weren. Maar reeds vroeg kreeg de senaat in dezen grooten invloed. Wanneer de consuls mededeel ing deden vunprodi-

ocr page 70

56

fjia, verzond de senaat de zaak aan het priestercollege, tot wiens bevoegdheid zij behoorde. Hij kon dan besluiten tot het nemen dei-door dit college voorgestelde maatregelen : lustratio, supplicationes, ver sacrum (dit laatste alleen behoudens goedkeuring van het volk), beloften van spelen of van tempelbouw. Op deze wijze werden dikwijls nieuwe sacra ingevoerd, vooral tengevolge der Sibyllijnsche boeken, die alleen op last van den senaat mochten geraadpleegd worden (VIII. 1. b.); soms werden op senaatsbesluit bestaande sacra afgeschaft , zooals in 186 de Bacchanalia.

b. Financiën. In den beginne hadden de consuls de beschikt king over de schatkist. Maar tengevolge der gewoonte om by buitengewone uitgaven den senaat te raadplegen kreeg deze van lieverlede het opperbestuur over de geldmiddelen (dispensatio aerarii). De senaat schreef wanneer het noodig was een trihutum ex censu uit (XII. 3.) en verleende zijn toestemming tot alle uitgaven; alleen de gelden door de consuls voor het beheer dei-stad Eome besteed, maakten hierop een uitzondering. Derhalve geschiedde het bewilligen van gelden aan de censoren (ultro tri-hutd) en andere ambtenaren ten behoeve van openbare werken, het uitbesteden van leverantiën voor het leger, benevens het bepalen der krijgsschatting, de beslissing over den buit, het aankoopen van graan voor de uitdeelingen, het toestaan van gelden voor de ludi enz. bij senaatsbesluit. Verder had de senaat feitelijk de controle over het muntwezen. Het oppertoezicht, voor de financiën breidde zich spoedig uit tot alle eigendommen van den staat, in het bizonder over den ager pmhlicus.

c. Krijgswezen. Sedert de senaat de geldmiddelen bestuurde, beheerschte hij ook het krijgswezen. Hef besluit tot een lichting der burgers, het bepalen van het contingent der bond-genooten, het benoemen van veldheeren in buitengewone gevallen en het aanwijzen van het oorlogstooneel {provincias nominare, de-cernere) ging uit van den senaat. Aan den overwinnenden veldheer stond hij supplicationes en ovatio of triumphus toe.

d. Provinciën. Een veroverd land werd namens den senaat door tien leg at i ingericht tot een wingewest. Het nemen van beslissingen in alle belangrijke zaken de provinciën betreffende bleef steeds den senaat voorbehouden (XI. 2).

e. Rome en Italië. Dikwijls werd de senaat door de ma-

ocr page 71

57

gistraten geraadpleegd omtrent het beheer der stad Eome, zoodat liij ook hier zich deed gelden. Hij hield toezicht op de coloniae en municipia en zelfs de socii in Italic moesten zich zijn inmenging in hun zaken getroosten. Zoowel in Italië als in de provincies oefende de senaat administratieve rechtspraak uit en strafte buitengewone misdaden: samenzwering, afval, hoogverraad, knevelarij. Het onderzoek werd geleid door een consul of een dictator.

2°. IFet geving. De magistraten brachten eerst na voorafgegane goedkeuring van den senaat hun wetsvoorstellen iu de comitia. Hoogst zelden weken zij van deze gewoonte af, wegens de middelen tot verzet, die den senaat ten dienste stonden. Deze kon tegen een hem onwelgevallig wetsvoorstel de intercessio van een tribuun of van een ambtgenoot van den voorsteller inroepen; hij kon ook met weinig moeite een fout in den vorm vinden b. v. auspicia vitiata en dientengevolge verklaren: ea lege non videri populmi tuneri. Deze verklaring, die eerst in lateren tijd gebruikelijk werd, schafte de wet niet af, hetgeen alleen bij volks-besluit mogelijk was, maar de magistraten konden er zich, zoo zij de wet niet wilden uitvoeren, op beroepen. De senaat kon dus eensdeels het voorstellen van een wet verhinderen en een reeds aangenomen wet feitelijk buiten werking stellen. Aan den anderen kant spoorde hij dikwijls de magistraten aan om rogationes in zijn geest voor te stellen. Op deze wijze stond ook dc wetgeving geheel onder zijn invloed.

Herhaaldelijk nam de senaat het recht om dc wetten te schorsen door het zoogenaamde -v. c. ultiniunivideant cousules, prae-tores, trïbuni plehis enz. . , . ne quid respublica detrbnenti capiat. Dit senaatsbesluit bekleedde de overheidspersonen, die het aanwees, met buitengewone volmachten en deed dus in anderen vorm de in onbruik geraakte dictatuur herleven. Soms werd het voorafgegaan, dikwijls gevolgd door de verklaring van den senaat contra rem publicani factum videri, waardoor deze bepaalde handelingen veroordeelde als schadelijk voor den staat. Het s. c. ultimum, voor het eerst genomen na den dood van Tib. Gracchus (133), werd later in troebele tijden herhaaldelijk uitgevaardigd , ofschoon de wettigheid door de popular es steeds werd bestreden. Met het s. c. ultimum ging meestal de verklaring

ocr page 72

v_

58

gepaard, dat er een tumvltus was, d. i. oorlog of oproer in Italië, en tengevolge daarvan werd steeds een iustitium uitge-geschreven; stilstand der openbare zaken met name staking der civiele rechtspraak en der senaatszittingen en sluiting van het aerariuni. In den regel stonden dan ook de bizondere zaken stil.

3°. Mayistruatskeuzen. De senaat bepaalde of' en wanneer censoren en dictatoren moesten benoemd worden en de benoeming van den dictator had hij feitelijk in handen. Hij zorgde verder, dat de magistraatskcnzen te rechter tijd geschiedden en den magistraat, die mtio creatus was, noodigde hij uit om te bedanken; deze stoorde zich echter niet altijd aan dit verzoek. Sedert den 2llen Pnnisehen oorlog oefende de senaat de proroyatio -imperii uit (VI. 2).

4°. RecMnpraalt. Ofschoon tot de lex Sempronia (123) uitsluitend senatoren op het album iudicum werden gebracht, had de senaat als lichaam geen rechtspraak. Hij deed zich echter ook op dit gebied gelden door zijn invloed op de hiertoe behoo-rende wetten en edicten der magistraten. Bij processen tegen bondgenootcn (zie boven 1°. e.) gaf zijn gevoelen den doorslag.

5°. .Buitenlandsche zaJcen. De betrekkingen met het buitenland werden door den senaat onderhouden, die daartoe gezantschappen uitzond en ontving. Aan vreemde vorsten en volken schfink hij eeretitels als: rex, socii atque amici populi Romani.

De onderhandelingen, die aan een oorlogsverklaring voorafgingen , werden door den senaat gevoerd, hoewel de beslissing aan de comitia centuriata stond. Het hiertoe strekkend wetsvoorstel werd natuurlijk vooraf aan zijn oordeel onderworpen. Vredesverdragen werden gesloten door den veldheer, doch niet zonder goedkeuring van den senaat en bij het vaststellen der voorwaarden werd de veldheer gewoonlyk bijgestaan door ley at i uit den senaat. De bevestiging der aldus tot stand gekomen verdragen door het volk schuilt dikwijls achterwege te zijn gebleven.

§ 4. De volksvergaderingen en de senaat.

Het volk is souverein. Zoo luidde kort en bondig de theorie, maar in werkelijkheid was de toestand geheel anders. De macht

ocr page 73

59

der volksvergaderingen is nooit groot geweest; initiatief, debat, amendement waren in de comitia onbekende zaken. Wel kon in een contio de voorzitter een ander het woord verleenen, maar verplicht was hij daartoe volstrekt niet. Bovendien stond het recht van vereeniging onder scherp toezicht; godsdienstige en burgerlijke vereenigingen {sodaUtates) werden onder een of ander voorwendsel ontbonden, wanneer men vermoedde, dat zij zich met politiek inlieten. Op deze wijze werd elke voorafgaande bespreking onmogelijk gemaakt.

Alle instellingen te Eomc waren berekend op een kleinen staat, de stad en haar omgeving, en de eerbied voor den mos maiorum was zoo groot, dat zij als de omstandigheden het eisch-ten slechts noode door andere werden vervangen. Zoo gingen ook de volksvergaderingen uit van het denkbeeld, dat ieder burger deel kon nemen aan de beslissing over 's lands belangen. Maar met de vergrooting van het rijk, vooral sedert den bondgenootenoorlog, was dit onmogelijk geworden en hoe ingewikkelder het samenstel werd der staatsmachine des te moeilijker kon de burgerij een zelfstandig oordeel vellen.

De eenigc goede oplossing der moeilijkheid, een stelsel van vertegenwoordiging, heeft de overheid niet toegepast. Daarom legden de burgers zich neer by het gevoelen van den senaa,t, die de wetsvoorstellen vooraf onderzocht, zoodat de magistraten zich verzekerd konden houden van het aannemen hunner voorstellen in de comitia. Het bewind ging derhalve over in handen van den senaat en op de eendrachtige samenwerking van dit machtige lichaam met de overheidspersonen berustte de kracht van den staat.

Maar toen de partij der populares het hoofd opstak, moest de senaat herhaaldelijk het onderspit delven en niet altyd zonder eigen schuld. Toch hield hij het roer in handen en had hij zelfs veerkracht genoeg om de aanvallen der Gracchen te weer- ^ staan, maar zijn invloed verzwakte gaandeweg. Het baatte weinig , dat Sulla den senaat weer een overwegende plaats verschafte; hij wist die niet te bewaren. Meer en meer lieten de tribunen door het volk senaatsbesluiten vernietigen of beslissingen nemen

O O

in zaken, die steeds aan den senaat waren voorbehouden. De volksvergaderingen, die reeds lang door de klinkende woorden van

ocr page 74

60

eerzuchtige dry vers en heethoofden zich lieten leiden, konden in geen enkel opzicht meer het orgaan der burgerij heeten. De rustige burger verscheen er niet meer, nog minder in de con-tiones, waar het schuim der bevolking soms tooneelen aanrichtte, die geheel Eome in ontsteltenis brachten. De oude staatsregeling had zich zelf overleefd.

ocr page 75

HOOFDSTUK VI.

MAGISTRATE N.

§ l. Algemeen gedeelte.

a. Indeeling. Amhlsgesag.

Magistratux beteekencle in den tijd der republiek: 1quot;. eendoor liet volk verleend ambt; 2°. den persoon, die zulk een ambt bekleedde. Hot was dus onnauwkeurig, dat de interrex, de dictator en de magister e/juitmu, ofschoon zij niet door het volk werden benoemd, toch tot de magistraten werden gerekend. Ook de trihuni jilebis waren eigenlijk geen magistratus, maar toen het nnderseheid tussehen plehs en populns verdween, werden zy als zoodanig beschouwd en betiteld.

De magistraten kunnen tot de volgende kategoriën gebracht worden:

1°. ordinarii, zij die elk jaar werden gekozen benevens de censoren, en extraordinarii, wier keuze door bizondere omstandigheden werd bepaald;

2°. cum imperia en nine imperia; '•

■ 3°. patricii, zij wier ambt vroeger alleen door patriciërs kon worden bekleed, en pleheii, de ter bescherming der plebs ingestelde overheden;

2°. maiores en minores, naarmate zy het inx auspiciornm, maio-rnm of minor urn hadden;

I

5n. curnlea, zij die als ambtszetel de tella cnrnlis hadden, en non-cnndes.

ocr page 76

62

Overzicht der voornaamste Magistraten,

Magutratns Maiores.

Consul. cur. cum. imp.

\ Praetor. ■ t. 1 „ „

Ordinarii

Extraordinarii.

(Ordinarii. Extraordinarius.

Ordinarii.

Censor.

Dictator.

Interrex.

Trib. milit. cons. pot. Decemviri lei?:;, scrib.

oo

Mag intra tus M iuores.

Aediiis Cnralis. Quaestor.

Magister Equitum.

Magistrates Plebeii.

Tribunus plebis.

Aediiis plebis.

sme cum

cur. sine imp. non-cur. ., .. cur. cum „


De geheele omvang van het ambtsgezag van een magistraat heette potestas; als zoodanig wordt gesproken van een potestas consularis, aedilicia, quaastoria enz. In engeren zin werd potestas gebezigd van de bevoegdheden, die allen magistraten eigen waren, terwijl slechts enkele hoogere magistraten imperium hadden. Vandaar kwam het, dat potestas vooral gezegd werd van het ambtsgebied der lagere magistraten en ontstond er een tegenstelling tusschen cam imperio esse en cum potestate esse.

De potestas omvatte:

1°. het ius auspiciorum (§ 1. c.).

2quot;. het ius edicendi, het recht van iederen magistraat om verordeningen te maken binnen den kring van zyn bevoegdheid.

3°. het ius habendi contioneni.

4°. het ius multae dictionis en het ius pig naris capionis, dat alle magistraten hadden ter handhaving hunner potestas, uitgezonderd de guaestor.

ocr page 77

63

Het imperium gat' het recht:

1°. om een leger aan te voeren en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden {suis auspiciis rem gereré).

2°. van crimineele en civiele rechtspraak; de laatste kwam in bepaalde zaken ook toe aan de censoren (YI. 4) en de aediles cwrules (VI. 6). De crimineele rechtspraak ging geheel over aan de quaes times perpetuae.

3°. het ius cum populo agendi.

4°. het ius cum patri/ms agendi, dat later ook de triluni pjlebis kregen.

5°. het ius coercitionis, bestaande behalve in de nmltae diet ia en de pignoris capio in het ius vocationis populum viritim en het ius prensionis. De coercitio werd ook uitgeoefend door den trihunus plebis; de magistraten cmn imp. oefenden haar uit tegen de andere magistraten, alleen niet tegen den onschendbaren trihunus plehis.

Slechts twee magistratus ordinarii vereenigden de potestas en het imperium in vollen omvang n.1. de consul en de praetor.

Het ambtsgebied der magistraten was of beperkt tot de stad %en haar banmijl, die zich mille passus buiten den stadsmuur uitstrekte {imperium domi), of het bevond zich buiten de banmijl (imperium militiae). Of de ambtshandelingen van burgerlijken of militairen aard waren kwam hierbij niet in aanmerking. Sommige magistraten konden zoowel domi als militiae werkzaam zijn (dictator, consul, praetor, quaestor), andere alleen domi (de censoren, tribunen en aedilen), andere alleen militiae (de quaestoren in Italië, de magistraten in de provincies, de buitengewone commissiën). Het volle imperium, dat het ius vitae ac necis in zich sloot, kon reeds uitgeoefend worden buiten het pomerium (pag. 39), maar in dit opzicht had de gewoonte de banmijl tot grens gemaakt. Binnen het pomerium moesten de lictoren der magistraten de bijlen uit de fasces nemen ten teeken, dat deze de provocatie eerbiedigden.

De behoefte om in mogelijke conflikten der magistraten te voorzien , gaf aanleiding tot het scheppen der volgende verhoudingen;

ln. maior potestas. Alle magistraten cum imperio hadden waior potestas tegenover hen, die het imperium misten, behalve tegenover den censor. Onder de magistratus cum imp. had de

ocr page 78

64

dictator maior potestas tegenover den consul, deze tegenover den praetor, de werkelijke magistraten tegenover de pro-magistraten. De macht van den trihunus plehis heeft langzamerhand de waarde gekregen van een maior potestas tegenover alle magistraten, uitgezonderd den dictator. De censoren hadden tegenover de ma-(jistratus cum imp. de maior potestas niet, evenmin de aedilen tegenover de quaestoren.

2°. par potestas. De republiek bracht in de magistratuur het beginsel der collegialiteit, daar een ambt in den regel door twee of meer personen werd bekleed. Ieder had evenwel voor zich de geheele macht en kon die in al haar omvang uitoefenen [par potestas). Om moeilijkheden, die hierdoor licht konden ontstaan, te vermijden vond men twee uitwegen: het wisselen van het gezag onder de ambtgenooten en het verdeelen der bevoegdheid , hetzij door het lot, hetzij bij onderling goedvinden. Bovendien werd de verhouding der magistraten onderling geregeld door twee zich langzamerhand ontwikkelende toestanden, beide berustende op het beginsel der maior en der par potestas.

1n. het recht van verbod, vis maioris imperii. Krachtens dit recht kon een hoogere magistraat , een maior potestas, eene nog te verrichten handeling verbieden aan een lageren magistraat.

2°. de intercessio. Overeenkomstig den regel; par maiorve potestas plus valeto kon een magistraat een reeds voltrokken handeling van zijn ambtgenoot vernietigen. Dit recht kwam ook een hoogeren magistraat tegenover een lageren toe. De intercessio ontwikkelde zich vooral bij het tribunaat.

Het onderscheid tusschen beide bevoegdheden bestond hierin, dat een tegen het verbod voltrokken handeling wel is waar strafbaar was maar niet ongeldig, terwijl de intercessio een handeling vernietigde. Intercessio en recht van verbod strekten beide om misbruik van ambtsgezag te voorkomen. Daartegen dienden ook de verantwoordelijkheid der magistraten en de tus-schenkomst van den senaat.

Dc magistraten werden gekozen door het volk (behalve de interrex, de dictator en de magister equitum). Zij waren verantwoordelijk (uitgezonderd de dictator en de censor ten opzichte zijner potestas censoria). Hun ambten waren onbezoldigde eere-posten (Jionores) die slechts tijdelijk konden bekleed worden.

ocr page 79

65

Als vertegenwoordigers van het volk werden hun door de burgers blijken van eerbied betoond: (adsnrgere, decedere de semita, adaperire caput, descendere ex equo). Bovendien hadden zij enkele onderscheidingsteekenen. Alle magistraten, behalve de quaestor, droegen de toy a praetexta, waartoe ook de gewezen magistraten bij de spelen gerechtigd waren. De mayidratus cum imp. hadden lictoren met fauces cum securihus; hun ambtszetel was de sella curulü (wagenstoel), een ivoren vouwstoel zonder rug of leuningen. Allen hadden eereplaatsen by feesten en spelen en verwierven, te beginnen met den aedilis curttlu, het ius imayinum.

b. Petitio. Proroyatio.

Sedert de gelijkstelling der beide standen kon ieder Romein, die het volle burgerrecht liad, een magistratuur bekleeden. Vrijgelatenen waren rechtens uitgesloten, zonen van vrijgelatenen feitelijk.

Omtrent herkiezing, continuatio ruayistratuuni, bestonden geen bepalingen totdat in 342 een piehiscitum voorschreef: ne quia eun-dem mayistratum intra decern annos caperet, neve duos mayistratus uno anno yereret. Evenmin schijnt er aanvankelijk iets bepaald te zijn geweest omtrent den leeftijd voor het aanvaarden der verschillende ambten. Eerst de lex Villia annalis (180) behelsde voorschriften omtrent de leyitima aetas en wel de volgende: om te dingen naar een ambt moest men tien achtereenvolgende jaren beschikbaar zijn geweest voor den krijgsdienst; het bekleeden der quaestuur moest voorafgaan aan de praetuur, het bekleeden der praetuur aan het consulaat; tusschen het bekleeden van twee patricische ambten moest een hiennium, verloopen. Daar men op zijn l?116 jaar in dienst kon treden, kon de quaestuur aanvaard worden met het volle 27ste jaar; voor de praetuur werd de ouderdom van $0, voor het consulaat derhalve die van $?gt; jaar vereischt. Dikwijls werd tusschen quaestuur en praetuur óf aediliteit óf tribunaat, ook wel beide, bekleed. Cicero beroemt er zich gaarne op, dat hij al zyn ambten heeft bekleed sua anno, op den vroegsten wettigen leeftijd. Het kwam herliaaldelyk voor, dat van deze bepalingen vrijstelling werd

5

ocr page 80

66

verleend (legibus solvï); zoo aan Scipic Minor, Marius, Pom-peius, Octavianus.

De lex Cornelia van Sulla (81) stelde voor de quaestuur den leeftijd van 30 jaar vast. Cicero, die den 3 Jan. 76 dertig jaar was geworden, aanvaardde de quaestuur den 5rten Dec. van dat jaar.

De Eomein, die zich candidaat wilde stellen voor een ambt {peter e, petit or), moest zich opgeven hij den voorzitter der eomitia, waarin de verkiezing zou plaats hebben [professio no-minii). Het schijnt, dat deze magistraat het recht had om can-didaten te weigeren. Het aannemen als candidaat heette raüonem hahere alicnius. Voor de verkiezing werden, om stemmen te winnen, geoorloofde en ongeoorloofde middelen in praktijk gebracht. De candidaat in een togi Candida gehuld, (candidatus), ging rond {amhire, amhitui), en wendde zich persoonlijk tot de kiezers. Een slaaf, de nomenclator, fluisterde hem de namen in der burgers, die hij dan hartelijk toesprak en de hand drukte {prenmre, prensatio). Dikwijls werdén maaltijden gegeven of toegangskaarten voor den schouwburg uitgedeeld. Het koopen van stemmen was strafbaar, maar geschiedde bij verreweg de meeste verkiezingen. Het daartoe benoodigde geld werd bij een tusschenpersoon (sequester) gestort en door divisores verdeeld. Ook waren kiesvereenigingen [sodalitates, sodalicia) verboden. Op ambitus, onwettig ambtsbejag, waren strenge straffen gesteld. Een Ze.r Cornelia, waarschijnlijk van Sulla, stelde uitsluiting vast van alle ambten gedurende 10 jaar; de lex Cal-purnia (67) boete en levenslange uitsluiting van ambten; Cicero's lex Tullia (63) verbood het geven van maaltijden en spelen, en bedreigde tienjarige ballingschap, maar de wedijver der candi-daten was zoo groot ,,ut vel caelum mere, modo magistr'aturn adipiscantur exoptentquot;.

De gekozen magistraat heette tot de aanvaarding van zijn ambt designatus. Ieder magistraat moest binnen vyf dagen na de aanvaarding een eed afleggen (iurare in leges) in handen van den quaestor urhanus en by het neerleggen van zijn betrekking een contio samenroepen, waarin hij zwoer, de wetten te hébben in acht genomen {eiurare magiatraturri).

De burger, die zonder magistraat te zijn met de bevoegdheden

ocr page 81

67

van een ambt was bekleed, was fro magintratu. Het ambt zelf werd dan in den regel door een ander bekleed. De promagistra-tuur, waartoe liet ontbreken van beschikbare ambtenaren aanleiding gaf, ontstond gewoonlijk door de prorogatio imperii, het verlengen van het imperium. Het eerste voorbeeld hiervan komt voor in 326. In den beginne werd het imperium verlengd door een volksbesluit, sedert den 2[,en Punischen oorlog meest door den senaat. Door Sulla werd de prorog at io voor het consulaat en de praetuur tot regel gemaakt (pro consnle, pro praetore).

Soms werd door het volk, later ook door den senaat, aan privaatpersonen het imperium opgedragen (jprivati cum imperid). Ook deze waren dan pro magistratu. Zoo werden Scipio Maior en Pompeius, die nog nimmer een ambt hadden bekleed, naar Spanje gezonden pro consule en Cato Minor, die quaestor was geweest, naar Cyprus als pro quaestors pro praetore. De stadhouder kon op deze wijze een opengevallen ambt in zijn provincie bezetten (legatus pro quaestore).

c. Auspicia der Magistraten.

Onder het koningschap was de senaat, tijdens de republiek het patricisch deel van den senaat, drager der auspicia publica. Deze werden aan den koning, later aan de patricische magistraten opgedragen. Bij ontstentenis des konings, later der patricische magistraten, keerden de auspicia tot d,e patres terug (auspicia ad patres redeunt) en trad een interregnum in. Alle auspicia berustten op het groote teeken, waardoor luppiter opti-mus maxim.us, de eigenlijke zender van alle teekens, aan Romulus machtiging had verleend tot het stichten zijner stad. Omdat de patriciërs alleen de auspicia heetten te bezitten, kon een plebejer niet aan het hoofd van den staat staan, maar toen eens dit bezwaar was overwonnen, werd er geen onderscheid gemaakt tusschen de auspicia der patricische en die der plebejische magistraten. De magistraat kon het ius auspiciorum, ook Hpectio genaamd, uitoefenen, wanneer hij dit verkoos, maar iedere gewichtige handeling behoorde te geschieden auspicato. In vier gevallen was dit zelfs noodzakelijk: bij het benoemen van overheidspersonen (interrex, dictator), by ambtsaanvaar-

5*

ocr page 82

68

ding van een magistraat, bij het vertrek van een veldheer of stadhouder en Ij ij volksvergaderingen.

Consul, praetor en censor hadden auspicia maiora, de overige gewone overheden hadden auspicia minora. Wanneer twee magistraten tegelijkertijd auspicia hielden voor dezelfde handeling,

gold als regel: maiora auspicia magis rata sunt quan aliormi. De auspicia waren impetrativa, die op verzoek werden gegeven,

quae optata veniunt, of ohlativa, die zich toevallig voordeden,

quae non poscuntur.

De auspicia impetrativa konden zijn:

1°. ex avi/ms, uit de vlucht of het geschreeuw der vogels.

2°. ex (juadrupedibus, uit het loopen en janken van sommige dieren.

3°. e cn.elo, uit het waarnemen van donder en bliksem {auspicia caelestia).

4°. e tripudiw, uit het vreten der heilige hoenders.

De beide eerstgenoemde soorten waren in de laatste eeuw v. C.

niet meer gebruikelijk. Toen was zeer in zwang liet beschouwen der ingewanden (exta) der offerdieren.

De auspicia ohlativa waren:

sir/na e diris, waarschuwingen, alle door de Romeinen als ongunstig beschouwde teekens: ieder gedruis, een plotselinge donderslag of bliksemstraal.

De auspicia moesten genomen worden op de plaats, waar de handeling zou plaats grijpen, voor welk doel te Rome bepaalde ruimten waren afgebakend en gewijd {templa). Daar sloeg de magistraat 's avonds te voren een tent op (tahernaculunï), waar hij zich te ruste legde. Terstond na middernacht stond hij op en vroeg luppiter om de verlangde teekens binnen een ruimte itemplum) te voren door een auyur met een staf zonder knoesten (lituus) aan den hemel beschreven. De tegenwoordigheid van awjures was volstrekt geen vereischte; alleen de magistraat, die / de spectio hield, beslistte of de teekens, die hij zelf waarnam of door een ander liet waarnemen, gunstig waren of' niet. Bij ambtsaanvaarding werd gebeden om een bliksemstraal van links naar rechts {fiduien shiistruni), in omgekeerde richting {fulmen dextrum) was Lij ongunstig. Voor het houden van cornitia was een bliksemstraal altijd ongunstig.

ocr page 83

G9

In later tyd werden de auspicia impetrativa schandelijk misbruikt. Niet alleen werd iederen magistraat, die bij zijn ambtsaanvaarding om goede teekens bad, geregeld bericht, dat een fnhnen sinistrum waargenomen was. maar de verklaring van een magistraat, dat hij de auspicia e caelo had waargenomen, zelfs zou waarnemen [olnuntiatio), was voldoende om comitia te verdagen (pag. 35).

Bij de auspicia e tripudiis had de bewaker de)- heilige hoenders, de pnllarius, de zaak geheel in zijn hand. Het gulzig vreten der hoenders, zoodat de brokken van den snavel vielen, was een gunstig teeken en dit was door vasten en week voer zonder moeite te bereiken. Daarom werden deze auspicia geregeld aangewend in de legerplaats.

Veel grooter dan bij de auspicia impetrativa was de invloed der augtcres bij de oblatvoa. Hun nuntiatio op grond van dergelijke teekens verhinderde noodzakelijk de comitia, want hun wetenschap was zoo ingewikkeld geworden, dat een oningewijde zich niet met hen kon meten in het verklaren der teekens. Wanneer twijfel ontstond of bij net nemen der auspicia alle regels zorgvuldig in acht waren genomen, werd de zaak onderworpen aan het oordeel der auyures, en wanneer deze verklaarden, dat er een fout {yitium) had plaats gegrepen, noodigde de senaat den magistraat, die vitio creatus was, uit om te bedanken, of verklaarde, dat het genomen volksbesluit geen kracht van wet kon verkrijgen (pag. 58).

§ 2. Consulaat.

De koninklijke macht ging, met uitzondering der priesterlijke waardigheid, op de consuls over; hun imperium was echter annumi et duplex, en bovendien waren zij verantwoordelijk. Eerst droegen zij den titel praetor „qui praeit populoquot; (vgl. prae-torium, navis praetor ia). Sedert het decern viraat kreeg consul de bovenhand.

De consulskeuzen hadden plaats in de comitia centuriata, onder voorzitting van een consul, interrex of dictator. Bij het overlijden van een consul moest zijn ambtgenoot zoo spoedig mogelyk

ocr page 84

70

een opvolger {consul suffectus) laten kiezen. Een enkele maal komen op dezen regel uitzonderingen voor.

Tengevolge der lex Licinia Sextia (367): ut alter utique consilium. e plele crearetur werd het volgende jaar een der voorstellers, L. Sextius, als eerste plebejische consul gekozen. De wet werd echter meermalen geschonden. In 215 werden twee plebejische consuls gekozen, maar de auyurea verklaarden, dat zij vitio creati waren; in 172 traden voor het eerst twee plebejers als consuls op.

De insignia der consuls waren: de toga praetexta, de sella curulis en 12 lictores.

(De eerste dienaren van den staat aanvaardden hun ambt op plechtige wijze. Xa in den vroegen morgen de auspicia te hebben gehouden, legden zij de toga praetexta aan en ontvingen de gelukwenschen hunner vrienden, die hen daarop in plechtigen optocht naar het Capitool geleidden, waar zij een witten stier offerden aan luppiter Capitolinus en geloften deden voor den staat. Terstond daarop had een senaatszitting plaats, waarin de consul maior (zie beneden) voorzat en den datum der onder zijn consulaat te houden feriae Lat'mae voorstelde. Na afloop werden zij door den stoet, die hen had afgehaald, huiswaarts geleid.

Met den dag, waarop de consuls hun ambt aanvaardden, begon het burgerlijk jaar, dat naar hen werd genoemd. Aanvankelijk was deze dag misschien de 13e September, waarop zij den gouden jaarspijker op 't Capitool insloegen; tijdens den 2™ Punischen oorlog was het de 15c Maait, sedert 153 voor goed 1 Januari.

Ofschoon door de provocatio, het tribunaat, de wetgeving der decemviri, de censuur, de praetuur en vooral door de toenemende macht van den senaat en de concilia pie Lis beperkt, bleef het consulaat het eerste ambt in den staat {suprenta potestas, mains imperium , populi Jionornm Jinis). j

Het consulaat vereenigde oorspronkelijk het volle imperium clomi et militiae. Krachtens hun imperium domi hadden de consuls de intercessio en de coercitio tegenover alle magistraten, met uitzondering der trihuni plehis. De leiding der binnenlandsche aangelegenheden en het uitvoerend bewind berustte in hun handen; zij zaten derhalve voor in de comitia en in den senaat en zorgden voor

ocr page 85

71

de uitvoering en handhaving van wetten en besluiten. De beschikking over de schatkist werd hun grootendeels onttrokken vooral door de invoering der censuur, maar bij ontstentenis dei-censoren namen zij hunne flnancieele werkzaamheden waar. De civiele rechtspraak verloren de consuls bij de instelling der prae-tuur. Zij benoemden den dictator en hadden tot de lex Ovinia (pag. 47) de lectio senatus. Op de verhouding met het buitenland hadden zij grooten invloed, omdat de onderhandelingen met vreemde vorsten en volken door hen werden gevoerd. Van de geestelijke functies der koningen waren sommige op hen overgegaan; zij konden b. v. de procuratio prodigiorum en supplica-tiones leiden en zaten voor bij de ludi Romani en de feriae Latinae.

Het imperium mïlitiae gaf aan de consuls het opperbevel over het leger. In verband daarmede hielden zij den dilectus, gewoonlijk na voorafgaand senaatsbesluit, namen den soldaten den krygseed af [sacramento adigerè) en benoemden de tribuni mïlitum (IX. 2.). De consu's voerden oorlog, hetzij afzonderlijk , hetzij te samen. In den beginne bleven zij de eerste maanden te Rome en vertrokken dan naar het oorlogstooneel. Toen later de senaat de provinciae, militaire kommando's, aanwees, werd gewoonlijk aan ieder consul een afzonderlijk bevel in Italië opgedragen. In tijd van nood, zooals in 216, ver-eenigden zij zich; het opperbevel wisselde dan om het etmaal. Bij het uitbreiden van Rome's macht voerde de eene consul den oorlog in, de andere buiten Italië. De consuls verdeelden de provinciae met onderling goedvinden [comparare provincias inter sé) of lieten het lot beslissen (sortiri provincias).

Vóór hun vertrek uit Rome raadplegen de consuls de auspicici, doen geloften aan luppiter Capitolinus (vota nuncupare) en verlaten, door hun vrienden begeleid, in den veldheersmantel {pa-ludamentum) gedost de stad. De lictoren verwisselen de toya niet het oorlogsklecd [sagum) en steken buiten de banmijl de bijlen in de roedenbundels, ten teeken, dat thans het volle imperium. der consuls, dat hun het hts vitae ac necia geeft, in werking treedt. Sedert Sulla bleven de consuls tijdens hun ambtsjaar te Rome en eerst dan, prorogate imperio, vertrokken zij, pro consnle naar hun provincies.

ocr page 86

72

Ieder der beide consuls kon liet gezag in zijn vollen omvang uitoefenen. Om botsingen, die door deze regeling onvermijdelijk waren, te voorkomen, wisselde, als beide consuls te Eome waren, de leiding der zaken om de maand. Hij, die dezen voorrang liad, heette consul maior; zijn twaalf lictoren gingen voor hem uit. He oudste in jaren had het eerst dit recht. De consul minor had oorspronkelijk geen lictoren; van daar heette de consul maior ook is penes qnem fasces sunt. Deze wisseling van het gezag verdween mettertijd en in alle belangrijke zaken handelden beide gemeenschappelijk. Het is niet bekend welke weg werd ingeslagen wanneer de consuls het oneens waren.

§ ö. P r a e t n u r.

De civiele rechtspraak werd in 3G7 gescheiden van het consulaat en opgedragen aan een afzonderlijken magistraat, den praetor. Indien het de bedoeling der patriciërs is geweest om dit ambt uitsluitend voor zich te houden, dan heeft die maatregel hun weinig gebaat, want reeds in 337 werd een plebejer, de bekende Q. Publilius Philo, tot praetor gekozen.

Omdat een deel van het imperium op hem was overgegaan, was de praetor de colleya, hoewel de colleya minor der consuls. Als zoodanig werd hij gekozen in de comitia centuriata onder voorzitting van een consul of dictator, en had hij het ius cum patribus uxjendi benevens het ius arjendi cum populo in de comitia trihuta. Hij kon de comitia centuriata alleen samenroepen voor rechtszaken.

Hoofdzakelijk behoorden tot zijn werkkring de indicia privata. Ofschoon de praetor in ieder proces zelf uitspraak kon doen, zette hy in den regel alleen de zaak op, en liet de uitspraak over aan een of meer door hem aangewezen rechters. De rol van den praetor in de rechtspraak wordt samengevat in de drie woorden: rfo, dico, addico (do iudicem, dico ius, addico litem, rem controvevsani).

Ten gevolge der steeds aangroeiende werkzaamheden werden in 241 twee praetoren benoemd, en had eeu splitsing der iuris-dictio plaats in iurisdictio of provincia urlana en perecjrina. De praetor, wien de iurisdictio urbana door het lot ten deel was

ocr page 87

73

gevallen, heette praetor urbauus; de iurisdictio inter cives etpere-jrinos en inter peregrinos werd uitgeoefend door den praetor qid inter peregrinos ins dicit. Eerst onder de Antonini kwam de naam praetor peregrinus op; provincia peregrina wordt echter door Livins geregeld gebruikt. Fotestan en imperium van beide praetoren waren volkomen dezelfde, maar fa praetor urlanus was de eerste in rang; hij droeg den naam van praetor maior, bij afwezigheid der consuls werd aan hem de custodia urhis opgedragen.

In 227 werden twee nieuwe overheidspersonen met den titel van praetor benoemd, nu evenwel niet voor de rechtspraak maar om het stadhouderschap te bekleeden der eerste Eomeinsche wingewesten : Sicilië en Sardinië. Iva de verovering van Spanje werden in 197 met hetzelfde doel op nieuw twee praetoren benoemd. Voorloopig werd het getal praetoren niet vermeerderd, ofschoon het getal wingewesten toenam. Men nam zijn toevlucht tot de prorog at io imperii (pag. G7), door deels consulares deels praetorii aan het hoofd van provincies te plaatsen. De senaat bepaalde elk jaar hoeveel provinciae praetoriae behalve de provincia urlana en peregrina er zouden zijn. De verschillende provinciae werden door sortitio onder de nieuw benoemde praetoren verdeeld.

Sedert de instelling der quaestio perpetua de repetundis (149), die later door andere werd gevolgd, bleven gewoonlijk de praetoren te Eome als voorzitters dezer rechtbanken. Daarop gingen y-ij, prorogato imperio, als stadhouder naar een provincie. Sulla maakte hiervan een vasten regel. Hij bracht het getal praetoren op acht, die gedurende hun ambtsjaar de rechtspraak te Rome leidden en liet volgende jaar pro praetore aan het hoofd eener provincie stonden. Tijdens Caesar waren er eerst 10, later 14 en 16 praetoren.

De praetor kon, krachtens zijn imperium., het opperbevel over een leger voeren. Sedert de 2rte eeuw v. C. kwam dit zelden voor; in 71 bedwong de praetor M. Licinius Crassus Dives den slavenopstand onder Spartacus.

De praetor droeg de toga praetexta; zijn sella curulis stond op een verhevenheid {tribunal). Te Home had hy twee, in de provincie zes lictoren.

ocr page 88

74

Toen in 212 de ludi Apollinares werden ingesteld, werd de zorg daarvoor opgedragen aan den praetor urbanus.

§ 4. C e n s u u r.

Het houden van den census, volkstelling en schatting van het vermogen der burgers, werd, waarschijnlijk bij de instelling der tribuni milit. cons. pot. (4-ïo), aan het consulaat onttrokken en opgedragen aan twee daarvoor benoemde patricische magistraten, de censores. Denkelijk was, wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, vooral wegens hunne gedurige afwezigheid te velde, deze afscheiding noodzakelijk geworden, maar bij deze reden kan zich ook dc wensch der patriciërs gevoegd hebben om den census niet aan plebejers toe te vertrouwen. In 351 werd de censuur voor het eerst bekleed door een 'plebejer, C. Mareius Rutilus, die ook de eerste plebejische dictator was geweest, en in 339 bepaalde een lex Publilia Philonis, dat een der beide censoren steeds een plebejer moest zijn.

Na voorafgaand senaatsbesluit werden de censoren onder voorzitting van een der consuls gekozen in de comitia centuriata. Terstond na hun verkiezing aanvaardden zij hun ambt. Toen het bleek, dat dc werkzaamheden aan den census verbonden, niet in een jaar konden worden volbracht, werd door de lex A em ilia (434) de duur van het ambt op anderhalf jaar gebracht. Soms werd deze termijn door den senaat verlengd ter voltooiing der door de censoren begonnen bouwwerken.

De census werd besloten met een reinigingsoffer {lustrum), welke naam ook gegeven werd aan de periode van den eenen census tot den volgenden. In den regel was de duur van zulk een periode j/ijf jaar, maar men vindt ook lustra van drie en vier jaar.

Behalve de gewone rechten der potestas hadden de censoren nog een bizondere bevoegdheid noodig, de zoogenaamde censor ia potestas, die hun door een lex centuriata dc censoria potestate werd verleend. Deze potestas censoria in den beginne van weinig be-teekenis (censura , res a parva origine orta) gaf hun alleen het recht om het volk voor zich te roepen, tot den census en daarnaar de burgers te verdeelen in tribus, classes en centuriae.

ocr page 89

75

Maar toen zich uit de schatting het regimen morum had ontwikkeld en aan de censoren de vecoijnitio equitum, benevens de lectio senatus was opgedragen, beschouwden de Eomeinen het ambt als een sanctissimus magistratus, dat met enkele uitzonderingen steeds door consulares werd bekleed. De censoren waren aan niemand verantwoording schuldig en alleen aan de inter-cessio collegae onderworpen. Zij droegen de toya praetexta, hadden als ambtszetel de sella curulis en werden in een purperen gewaad begraven.

De ambtsbezigheden der censoren bestonden:

1°. in het houden van den census en in het in verband daarmede uitoefenen van de lectio senatus, de recognitio equitum en het regimen morum;

2°. in financiëele werkzaamheden;

Census. Gewoonlijk werd het eerst door de censoren de lectio senatus volbracht (pag. 48). Daarop vaardigden zij een edikt uit {formula census) waarin zij bekend maakten, op welke wij ze en volgons welken grondslag de census door hen zou gehouden worden. De census had plaats op den campus Martins in de open lucht, by de mlla publica, het arabtslokaal der censoren in de nabijheid van hun archief in aecle Nympharum, In den nacht, die voorafging, hielden de censoren de auspicia en lootten wie van beiden het lustrum zou verrichten. De census werd geopend met een plechtige contio. Daarop begonnen de werkzaamheden, waarbij de censoren werden bijgestaan door praetoren, tribunen, de curatores tribuum. en taxateurs [iuratores). Als ondergeschikten waren hun scrihae, viatores, praecones en nomenclatores toegevoegd.

In den census waren begrepen alle burgers zonder onderscheid van geslacht, ouderdom en stand, benevens de inwoners van die municipia, welke een eigen bestuur misten en die derhalve te Rome moesten gecenseerd worden. Opgeroepen werden alle burgers , die hetzij nog dienstplichtig waren, hetzij om ouderdom ot gebreken van den dienst waren vrijgesteld. Niet opgeroepen werden; vrouwen, kinderen en JiUi fam. in patria potestate; deze werden door hun echtgenooten, voogden of vaders opgegeven. Van de knapen, die niet in patria potestate stonden, en van de vrouwelijke personen, die noch in potestate noch in manu

ocr page 90

76

•«-aren [orhi et orhae) werd een afzonderlijke lyst opgemaakt. De opgeroepene behoorde persoonlijk te verschijnen, maar men kon zich, zoo noodig, laten vertegenwoordigen. Door de lex wunicipalis van Caesar (45) werd de census uitgestrekt over geheel Italië; toen moest in alle municipia de census gehouden worden door liet stedelijk bestuur, dat de lijsten naar Eome zond.

Het eerst werden opgeroepen, naar een bepaalde volgorde der tribus, allen, die tot een tribus behoorden, daarop dc aerarii (pag. ^4). Ieder moest ex anivii senteutia opgeven: zijn naam, ouderdom, woonplaats, vader of vrij later, tribus, vrouw, kinderen, vermogen en vervulde dienstjaren. Tevens werd een onderzoek ingesteld naar den levenswandel (zie benoden). Bij de opgave van het vermogen kwamen in aanmerking; de arjer privatum censui censendo d. i. tot een tribus behoorende belastbare landerijen, verder slaven, trek- en lastvee. Sedert 312 werd het gehecle vermogen belastbaar gesteld en konden alle burgers in zich een tribus laten inschrijven (pag. 27).

Itecoffvitio equitum. quot;Na afloop van den census had de recog-nitw equitum plaats op het forum , waar de censoren een tweede ambtslokaal hadden, het atrium Libertatis. Een praeco riep de namen op; ieder eques moest met zijn paard aan den teugel voor de censoren verschijnen. De formule „traduc equum'''' zeide hem, dat hy in de gelederen kon blijven; „vende equum.'' sprak de censor wanneer de eques zijn dienstjaren had volbracht of senior was geworden of, hetzij wegens lichaamsgebreken, hetzij wegens onwaardig gedrag of slechte verzorging van zijn paard van de lijst werd geschrapt. Ten slotte werden de centuriae weder vol-tallr.g gemaakt.

quot;Volgens de aldus verkregen opgaven werden opgemaakt:

1°. de lyst der belastingschuldigen, waarop zich bevonden: de tribul.es, de aerarii en de orhi et orhae.

2°. de lijst der dienstplichtigen, die alle burgers behelsde, welke tot een tribus behoorden, boven de 17 jaar, ingedeeld in iuniores en seniores volgens tribus, classes en centuriae.

De censoren leverden bij het nederleggen van ambt hunne stukken (tabulae censoriaé) uit aan de quaestores urbani, die ze in het aerarium bewaarden.

Regimen morum. Met den census ontwikkelde zich het zede-

ocr page 91

77

meesterschap {regimen moruri), waaraan de censuur haar groote beteekenis ontleende. Drie middelen stonden den censoren ten dienste om de burgers te straffen :/senatii tnovere^quumpubliciwt adimere, trihu movere. Dit laatste heette ook aerarium facere of in tabid as Caeritum referre, omdat Caere als de eerste stad gold, die tot een wunicipmm zonder eigen bestuur was vernederd en haar inwoners dus tot aerarii waren gemaakt. Vóór 312 stond trihu movere gelyk met iemand uit alle tribus stooten; toen evenwel alle burgers in een tribus waren ingedeeld, konden de censoren iemand alleen uit eer tribus rustica overplaatsen in een tribus urbana en daardoor zijn stemrecht verminderen. De uitdrukking aerarium facere bleef echter ook hiervoor bestaan.

Soms waarschuwden de censoren bij edikt tegen hetgeen hun strafbaar voorkwam, vooral tegen weelde '). Overigens liepen de gestrafte tekortkomingen zeer uiteen. Gewoonlijk straften zij vergrijpen, die buiten het bereik der strafwet vielen: slecht beheer van vermogen, verwaarloozing van landerijen, poging tot zelfmoord, overdadige leefwijze, maar ook lafheid in 't gevecht, misbruik van ambtsbevoegdheid, meineed en andere meer. In den regel behoorden de gestrafte burgers tot de hoogere standen.

De bestraffing der censoren heette nota, notatio, naar de aanmerking, die met opgaaf van reden (subscriptió) af liter den naam van den getroffene werd gevoegd. De gestrafte burger kon zich echter verantwoorden en zoo aan de schande {ujnominia) ontkomen, die de nota censoria op hem laadde. De volgende censoren konden de ignominia weer opheffen, (restitutio in integrum'). Van de wijze, waarop de censoren het regimen morum uitoefenden, behoefden zij niemand rekenschap te geven, maaide algemeene opinie was krachtig genoeg om tegen misbruiken te waken.

De census werd gesloten met een plechtig reinigingsoffer (lustruni). Zonder deze plechtigheid waren de handelingen der

1) Van geheel anderen aard waren de iveeldewetten {lef/es simjituariaé) l die door eonsuls of tribunen werden voorgesteld, en bepaalde overtredingen straften. De eerste was de lex Oppia (215) tegen de overdrijving der vrouwen in sieraden en kleederen. Een reeks van dergelijke wetten, van de lex Orcliia (181) tot de lex Inlia (46) van Caesar, was gericlit tegen overdaad bij feestmalen.

ocr page 92

78

censoren niet geldig. De hiervoor door het lot aangewezen censor offerde op den campus Martius een zwijn, een schaap en een stier {suovetaurilia) tot vervulling der gelofte zijns voorgangers , en deed op zijn beurt geloften voor het nieuwe lustrum. Het vaste gebed luidde; ut dii imrn or tales res populi lioniani meliores amplioresque facer ent, doch werd door Scipio Africanus Minor bij zijn censuur vervangen door de formule: ut dii immor-tales res populi Romani perpetuo iiicolumes servarent.

Financiëele werkzaamheden. De staat moest zyn uitgaven, waartoe in de eerste plaats die voor openbare werken behoorden , bestrijden uit zijn gewone inkomsten. Slechts als deze ontoereikend waren werd de belasting geheven, die op den census gebouwd was. Daarom werden aan de censoren de financiëele werkzaamheden opgedragen, die vroeger door de consuls werden verricht. Deze werkzaamheden kunnen eenigermate vergeleken worden met het opmaken van het budget, omdat zij de inkomsten vaststelden, waarnaar de voornaamste uitgaven werden geregeld. Dientengevolge waren de censoren belast met;

1°. vectigalia fruenda locare, de verpachting der inkomsten en eigendommen van den staat; de belasting {yectigal) die betaald moest worden van den ayer pnhlicus, en de opbrengst der tollen, mijnen en andere staatseigendommen. De verpachting geschiedde te Rome in het begin van het ambtsjaar der censoren summis pretiis. O minis causa werd een begin gemaakt met de oester-banken in den lacus Lucrinus.

2°. ultrotributa' locare, de aanbesteding, injimis pretiis, dei-leveranties aan den staat en vooral die van het onderhoud en den bouw en aanleg van staatsgebouwen, waterleidingen, bruggen en wegen (sarta tecta tueri) 1). Eigenlijk behoorden de censoren voor dit alles te zorgen in den geheelen staat, maar metterdaad bepaalden zij zich tot Rome en de heerwegen in Italië..

De senaat stond voor dit alles een bepaalde som toe, maar liet aan de censoren de keuze der uit te voeren werken over.

') Ultro tributa schijnt te beteekenun: vrijwillige aanwijzing van gelden liüor den senaat. In sarta tecta tueri is waarschijnlijk sartmn een subst. en beteekent de geheele uitdrukking; de wanden en het dak der gebouwen in stand houden.

ocr page 93

79

De verschillende contracten der censoren konden door den senaat worden gewijzigd of verbroken.

In de geschillen, waartoe deze werkzaamheden aanleiding konden geven, b. v. tusschen de publicani en de belastingschuldigen of tusschen de publicani en den staat, hadden de censoren het recht te beslissen. Wanneer dc staat bij het geschil was betrokken, oordeelden de censoren zelf; in andere gevallen benoemden zij een scheidsrechter.

De censuur werd door Sulla feitelijk opgeheven. Door zijn lex Cornelia (pag. 49) en door het ophouden van het trihutum sedert 168 had zij haar voornaamste reden van bestaan verloren en de overige werkzaamheden van het ambt konden dooide consuls , praetoren en aedilen worden waargenomen, zooals reeds geschiedde wanneer de censoren waren afgetreden. Evenwel werden in 70 weer censoren benoemd (pag. 50) en ook latei-traden zij nog herhaaldelijk op.

§ 5. T r i b u n a a t.

Na de eerste secessio (494) werden tengevolge van door het geheele volk bezworen wetten {leges sacmtae) ter bescherming der plebejers tegen den willekeur der consuls de trihuni plehis ingesteld. Do naam tribun au werd zeker gekozen omdat de plebejers bij hun op militaire wijze geregelden uittocht in plaats der trihuni milituni zelf bun aanvoerders hadden benoemd. Het consulaat strekte tot voorbeeld voor dit nieuwe ambt; evenals de consuls mayistratus populi waren, zouden de tribunen ma-yistratus plebis zijn. Ter uitoefening van hun beschermingsrecht (ius auxilii) werden de tribunen voor onschendbaar (sacrosancti) verklaard, zoodat degene, die zich aan hun persoon vergreep, sacer werd, d. i. door ieder straffeloos kon worden gedood. Ook bedreigden de leges sacratae straffen tegen al wie de bijeenkomsten der plebs stoorde.

Er waren eerst twee, sedert 437 tien tribunen. Zij werden door de plebs gekozen, die daartoe in de eerste tijden denkelijk curiatim, sedert de lex Puhlilia Vóleronis (471) (pag. 12) tri-butim bijeenkwam. Alleen plebejers konden benoemd worden; een patriciër, die zich verkiesbaar wilde stellen, moest door

ocr page 94

80

adrotjatio of transitio ad plelem (pag. 36) aan dezen allereersten eiscli voldoen. In familiekronieken werd dikwijls van zulk een overgang tot de plebs melding gemaakt, waarschijnlijk om aan een plebejische familie patricischen oorsprong toe te schrijven, want alleen van P. Sulpicius Rnfus, P. Clodius Pulcher en P. Cornelius Dolabella staat het vast, dat zij tot de plebs zijn overgegaan.

Dc tribunen misten de auspicia impetrativa (pag. 68) en hadden geen insignia; hun ambtszetel was een houten bank (hu/j-sellium). Hun werden twee aedlles plebis als helpers toegevoegd; later hadden zij viatores en scribae. Hun ambtslokaal bevond zich bij de basilica Torcia.

Aanvankelijk zullen wel mannen van rijperen leeftijd tot dit moeilijk ambt geroepen zijn; toen de strijd tusschen de standen was beslecht werd het gewoonlijk bekleed na de quaestuur. De ambtsaanvaarding had plaats op den 10llcn December, den dag der instelling.

In de hitte van den strijd tegen de patriciërs werden de tri-buni dikwijls herkozen; na het plebisciet van 342 (pag. 65) hoogst zelden. C. Gracchus was tribmnm ple.bis in l'2'ó en 122, T. Apuleius Saturninus in 101 en 100.

Oorspronkelijke bevoeydJteden. Eerst langzamerhand hebben zich de bevoegdheden der trihuni ontwikkeld, al matigden zij zich herhaaldelijk rechten aan, die zij niet bezaten. Hunne voorname bevoegdheid was het ins auxïlii, het negatieve recht om op verzoek (appellatió) van een plebejer persoonlek voor hem op te treden tegen den magistraat. Dit recht, gewaarborgd door hun onschendbaarheid, konden zij handhaven door liet ius coercitionis, waardoor zij ieder ook den magistraat, die hun verzet minachtte of zich aan hun persoon of de plebs vergreep, konden beboeten, gevangen nemen en zelfs dooden. Om hun auxilium steeds te kunnen verleenen, mochten de trihuni zich, behalve tijdens de feriae Latmae, des nachts niet buiten de banmijl der stad begeven en moest hun deur ook des nachts geopend zijn. Hun werkkring was tot de banmijl beperkt en tegen den dictator konden zij aanvankelijk niet optreden (pag. 41). Zij waren geen verantwoording schuldig. Ook patriciërs riepen soms de hulp der tribunen in.

ocr page 95

81

Het ius cum plebe ageudi, het recht om de plebejers samen te roepen voor de verkiezing van tribuni en aediles plehh en om hen te laten stemmen over voorstellen betreffende hun eigen aangelegenheden, moeten de tribuni wel van den beginne af hebben gehad.

Vermeerderde rechten. Dc wetgeving der consuls van 449 (pag. 13) had klaarblijkelijk ten doel om het tribunaat te ontdoen van zijn revolutionnair karakter. De onschendbaarheid der tribunen werd opnieuw verzekerd en het ambt zelf werd op ruimer grondslagen gevestigd door het te voorzien van uitgebreide rechten. Het ius cum plebe agendi werd uitgebreid in dien zin, dat zij voortaan in het concilium plebis, behoudens voorafgaande machtiging van den senaat, voorstellen konden doen betreffende den geheelen staat (pag. 45). Waarschijnlijk is ook om dezen tijd de intercessio toegelaten tegen edikten van magistraten, wetsvoorstellen en senaatsbesluiten. Toen de tribunen tegen senaatsbesluiten konden intercedeeren — dus na 449 — lieten zij hun subsellium voor de deur der curia plaatsen om terstond zich te kunnen verzetten. Spoedig schijnen zij evenwel de zittingen in het lokaal zelf te hebben bijgewoond en de lex Hortensia (287) gaf hun met het recht den senaat bijeen te roepen het ius referendi. De lex Atinia (± 120) verleende hun het recht om na afloop van hun ambtsjaar zitting te nemen in den senaat.

De lex Hortensia, die het plebisciet met de lex populi geIijk stelde, maakte daardoor feitelijk de tribunen tot magistratus populi. Dit bleek al dadelijk uit een recht, dat zij voortaan dikwyls uitoefenden. Hunne bevoegdheid om hun aangedane be-leedigingen te straffen, pasten zij nu toe op misdaden tegen den staat gepleegd en die niet voor de comitia behoorden. Wanneer de tribunen dergelijke zaak wilden vervolgen, legden zij een boete op en brachten haar, indien zij de provocatie-grens wilden overschrijden, voor het concilium plebis. Zij bepaalden zich echter tot het vervolgen van ambtsmisdrijven waartegen geen straffen waren bepaald; eigenmachtig oorlogvoeren, onbillijke verdeeling der buit, verwaarloozing der auspicia, partydige rechtspraak, omkooping enz. De aediles plebis traden op in bij de wet voorziene gevallen, natuurlijk niet bij halsmisdaden

6

ocr page 96

82

(pair. 40. 45). Later werden al deze proeessen gevoerd voor de qnaestiones perpetnae.

Eindelijk werden nog aan de tribunen werkzaamheden opgedragen van zeer uiteenloopendcn aard: liet wijden van tempels, het toezicht over begraafplaatsen, het benoemen van voogden, zelfs het leiden van spelen.

Het trihunaat na de lex Horteima. Voortaan werd het tribunaat veelal door jonge nohiles bekleed, in den regel na de quaestuur. De tribunen onderwierpen nu, zooais de mayistratus pojiuli steeds hadden gedaan, hun wetsvoorstellen vooraf aan de goedkeuring van den senaat, die zich dikwijls van hun wet-trevend initiatief bediende. Anderhalf eeuw werkte zoo het tribunaat met de regeering mede tot het door Tib. Gracchus weder het orgaan der revolutie werd. Sulla wist voor korten tijd den overmoed der volksmenners te breidelen. Hij onderwierp in 88 de wetgeving der tribunen aan de beperkingen, die voor de lex Hortensia bestonden, maar nog verder ging hij tijdens zijn dictatuur in 82. De auxïlii latio der tribunen liet hij bestaan, ook hun gekortwiekt recht van wetgeving, maar overwegende, dat juist lt;ie heftigste tribunen tot de nobiliteit hadden behoord, sloot hij voor de tribunicii den toegang tot de overige honor en. Hierdoor vernederde hij het ambt en werden de nohiles belet om mede te dingen. Imayo sine re wordt niet ten onrechte het dus besnoeide tribunaat genoemd.

De lex Aurelia (75) van den consul C. Aurelius Cotta hief de uitsluiting der tribunen van de verdere ambten weder op; de consuls van 70, Pompeins en Crassus, herstelden de vorige macht van het tribunaat. Opnieuw konden voortaan de tribunen, nu door dezen dan door genen machthebber aangezet, de instellingen der republiek ondermijnen.

Intercessio. Ten slotte enkele woorden over de aanwending der intercessio.

De intercessio collegae, zooals die bij het consulaat bestond, had den vorm aan de hand gedaan, waarin de tribunen hun ius auxïlii uitoefenden. Intercessio werd aangewend op verzoek (appellatio) van een burger of uit eigen beweging der tribunen en wel tegen handelingen en besluiten van magistraten, wetsvoorstellen en senaatsbesluiten.

ocr page 97

83

Gewoonlijk werd de appellatio gericht tot het geheele collegium, dat na gehouden beraadslaging zioh voor of tegen de auxilii latio verklaarde [pro collegio, ex collegii sententla pronuntiare). Bij volksvergaderingen spraken de tribunen hun intercedo uit voor of tydens de stemming, niet na de renuntiatio, omdat zij zich dan zouden hebben verklaard tegen den uitgesproken wil van het volk. Tegen alls handelingen der volksvergaderingen kon intercessio worden aangewend, behalve tegen de verkiezing der tribunen. In den senaat oefenden de tribunen, sedert zij de vergaderingen bijwoonden, de intercessio uit tijdens de rondvraag, de stemming of de formuleering van het senaatsbesluit; zij werd evenals bij do comitia gericht tegen den voorzittenden magistraat.

Intercessio tegen de intercessio als zoodanig was niet mogelijk, wel tegen de tot handhaving der intercessio aangewende coercitio. Wanneer derhalve alle tribunen besloten te intercedeeren, konden zij den magistraat terstond tot gehoorzaamheid dwingen, maar iedere tribuun, die het met zyn ambtgenooten oneens was, kon hun intercessio krachteloos maken door zich te verzetten tegen de door deze aangewende coercitio. Vandaar: unum vel adversum omnes satis esse. Daarom werd op het verzet van éen tribuun in den regel niet gelet, wanneer een magistraal zeker was van de bescherming der overigen.

§ 6. Aediliteit.

Van al de Eomeinsche ambten heeft geen enkel in den loop der tijden zich zoo zeer vervormd, en zoo weinig zijn oorspron-kelijk karakter bewaard als de aediliteit. Bij de instelling der trihuni pleltis werden hun twee aediles plebis toegevoegd, die zy waarschijnlijk eerst zelf benoemden, doch wier keuze sedert de lex Puhl. Voleronis (-471) in de concilia plebis geschiedde. De aedilen hadden de tribunen in de uitoefening van hun ambt ter zijde te staan, en als zoodanig waren zij onschendbaar. Maar vooral waren zij belast met de zorg voor het plebejisch aichief, dat in aede Cereris werd bewaard; waarschijnlijk hebben zij om die reden hun naam aan het woord aedes ontleend. Sedert 449 was hun veroorloofd om ten behoeve van hun archief afschriften te nemen der sen. consult a.

6*

ocr page 98

84

Aan de aediles plebis werd bij buitengewone omstandigheden herhaaldelijk met goed gevolg de handhaving van rust en orde in de stad toevertrouwd. Daardoor schijnt men op de gedachte te zijn gekomen om, daar handel en verkeer beter toezicht ver-eischten, de aediliteit te veranderen in een staatsambt en zoo tevens te ontdoen van haar karakter van oppositie. In 366 werd de aediliteit losgemaakt van het tribunaat en verheven tot een zelfstandige magistratuur. Tevens werden in dat jaar twee nieuwe aedilen benoemd, aediles curules, uit de patriciërs.

Er waren dus voortaan 4 aedilen. De aediles plebis werden gekozen in het concilium plebis en misten imignia. De aediles curules werden gekozen in de comitia trïbuta en hadden de toga praetexta en de sella curulis; zij werden gerekend tot de hoogere magistraten; de afstand tusschen hen en den quaestor was veel grooter dan tusschen aediliteit en praetuur. Spoedig kregen ook de plebejers toegang tot dit ambt in dier voege, dat het eene jaar patriciërs, het andere plebejers optraden en deze wisseling duurde langen tijd voort. Het onderscheid tusschen beide soorten van aedilen bleef echter steeds bestaan.

De wijze, waarop beide aediliteiten zich naast elkander ontwikkelden zonder ineen te smelten, geeft een uitmuntend bewijs van de lenigheid der Romeinsche instellingen. Een collegium is de aediliteit niet geworden; het bleef een magistratuur verdeeld in twee collegia; de vorm van beide was verschillend, de bevoegdheid was wezenlijk dezelfde.

In de rangorde der ambten stond thans de aediliteit boven het tribunaat. De lex Ovinia gaf aan de aediles curules het ius sententiae dicendae in den senaat, dat later ook tot de aediles plebis werd uitgestrekt. De verhouding der plebejische aedilen tot het tribunaat werd nooit uitdrukkelijk opgeheven, maar hun onschendbaarheid verviel van zelf; herhaaldelijk zijn zoowel aediles plebis als aediles curules voor een hoogeren magistraat quot;•edaasd.

O O

De aedilen worden door Cicero genoemd curatores urbis, aunonae ludorumque sollemnium.

De cura nrbis, waarvoor de gezamenlijke aedilen de vier stadskwartieren onder elkander by het lot verdeelden, kan in 't algemeen politietoezicht genoemd worden. De aedilen zorgden

ocr page 99

85

voor veiligheid en orde in de straten, die zij tevens moesten ondcrliouden, voor den goeden staat van openbare gebouwen en waterleidingen; zij traden op bij brand en hielden toezicht op halneae en popinae. Voor dit alles hadden zy het ius midtae dictionis; wanneer de op te leggen boete de provocatiegrens (pag. 43) overschreed, wendden de aed. cur. zich tot de comitia trihuta, de aed. pl. tot het concilium, plehis. Bovendien konden zij behoudens de provocatio boeten opleggen voor sommige misdrijven van niet-politieken aard: woeker, toovenarij, overtreding der wet op den a/jer pnhlicns enz. Het bedrag der boeten konden zy besteden voor hun spelen of voor openbare werken.

De cura annonae sloot in zich toezicht op het handelsverkeer, óp koop en verkoop in 't algemeen; daarom weerden de aedilen valsche maten en gewichten, en vervalschte levensmiddelen. Vooral hadden zy te zorgen dat te Rome dg korenprijzen niet bovenmatig werden opgevoerd. Soms kochten zy op last van den senaat koren aan voor de uitdeelingen aan het volk. Caesar stelde voor de cura annonae twee nieuwe aedilen in, de aediles üeriales, die tevens de ludi Ceriales gaven.

De cura ludorum werd de voornaamste bezigheid der aedilen. Livius geeft, als hij gewag maakt van de instelling der aediles curules, als aanleiding ten beste, dat toen in 366 de ludi Roruani met één dag waren verlengd, en de aediles pl. zich hierover bezwaard gevoelden, jonge patriciërs zich aanboden om die taak van hen over te nemen. De leiding dezer spelen, die destyds de eenige waren, berustte echter niet by de aedilen maar nog lang daarna bij de consuls; de aediles cur. hebben waarschijnlijk in den beginne hun bijstand verleend, en later de uitvoering op zich genomen. De consuls waren evenwel steeds eerevoorzitters. Verder gaven de aediles curules de Megalesia (ingesteld 204), de aediles plehis de ludi pleheii (ingesteld 220), de Cerialia en de Flor alia. De vergoeding, die de senaat voor de spelen toestond, (500 minae tijdens den 2™ Punischen oorlog) was spoedig op verre na niet voldoende tot bestrijding der steeds stijgende onkosten. Menig aedilis zette, om zich by voorbaat de volksgunst te verzekeren voor het verkrijgen van de hoogere Jwnores, aan zyn spelen een luister by, dia hem zijn geheele vermogen kostte.

ocr page 100

86

De aediles curules hadden bovendien rechtspraak in handelsgeschillen en in damnum iniuria datum. In deze processen, gevoerd volgens de bepalingen van het edictum aedilicium, dat door de aediles curules bij hun ambtsaanvaarding werd afgekondigd , gaven zy, evenals de praetor in de andere civiele zaken, een rechter.

§ 7. Quaestuur. . — t.

Bij den aanvang der republiek werd aan de II quaestores par-ricidii (pag. 7) tevens opgedragen het beheer der schatkist. Zij werden benoemd door de consuls, aan wie zij ondergeschikt waren. Toen in 449 met het consulaat de quaestuur weer in 't leven werd geroepen, werd de keuze gegeven aan de comitia trihuta, die daarvoor het eerst in 447 samenkwamen. In 421 werden nog 2 quaestoren benoemd, terwijl bepaald werd, dat zij voortaan zouden gekozen worden proviiscue de plebe ac patri-lus. In 267 werd het getal quaestoren verdubbeld. Toen waren er derhalve 8, namelijk: 2 quaestores urhani, 2 die de consuls in den oorlog vergezelden, 4 in Italië. Met het aantal provincies werd ook dat der quaestoren vermeerderd. Tijdens Sulla waren er 20, tijdens Caesar 40 quaestoren. Gezamenlijk vormden zij een collegium, de verschillende jsroirówae verdeelden zij onder elkander bij het lot.

1°. De quaestores urhani waren belast met het opsporen en vonnissen van halsmisdaden van niet-politieken aard. Deze recht-spraak bleef tot de invoering der quaestiones perpetuae in hun handen. Hun voornaamste functie was echter het beheer van het aerarium, dat zich bevond in aede Saturni. Zij inden: de belasting der burgers {trihuta), de belasting der bondgenooten (stipendia), de inkomsten der bezittingen van den staat (yecti-galia), benevens de boeten {bona damnatorum) en de opbrengst van den oorlogsbuit {manubiae), en deden uitbetaling van alle voor den dienst van den staat vereischte gelden. In het aerarium waren aan hun hoede toevertrouwd niet alleen de stukken, die betrekking hadden op 's lands geldmiddelen, maar ook de wetten, de senaatsbesluiten, het album iudicum en andere gewichtige staatsstukken, zoodat zij behalve als betaalmeesters ook

ocr page 101

87

als rijksarchivarissen fungeerden. Om deze reden legden de magistraten in hun handen den ambtseed af. Tevens bewaarden zij de veldteekenen. Bovendien was aan de quaestores urbani opgedragen het onthaal van vreemde vorsten en gezanten.

Voor htm omvangrijk beheer waren hun scrihae toegevoegd, op wie hoofdzakelijk de geheele dienst bij het aerarium. dreef. Aan het hoofd dor scribatt stonden de zoogenaamde sex primi.

2°. De twee sedert 421 benoemde quaestoren begeleidden do consuls naar het oorlogstooneel en voerden het beheer over de krijgskas. Toen de consuls gedurende hun Ambtsjaar te Rome bleven, behielden zij toch hun quaestoren, die door hen met verschillende opdrachten konden belast worden. De stadhouders in de provincies hadden ieder éen quaestor, behalve die van Sicilië, welke er twee had. Het aantal dezer quaestoren nam dus met het vermeerderen der provincies gestadig toe.

3°. Het instellen van 4 nieuwe quaestoren in 267 was een gevolg van de uitbreiding der Romeinsche heerschappij over Italië. Er is van deze quaestoren weinig bekend, zoowel van hun functiën als van hun standplaats. Zy waren zeker werkzaam ten behoeve der schatkist. Het meest genoemd wordt de quaestor te Ostia, wiens hoofdbezigheid schijnt geweest te zijn de zorg voor het ontvangen en het vervoeren van het koren naar Eome, voornamelijk ten behoeve der uitdeelingen in de hoofdstad.

De quaestuur was de primus yradus honorum en verleende sedert do lex Ovinia toegang tot den senaat.

§ 8. Magistratus m i n o r e s ordinarii.

Magistratus minores heetten in eugeren zin de overheidspersonen beneden den quaestor, die saamgevat werden onder den naam XXVlcm. De door hen bekleede posten zijn, met uitzondering van die sub 5°. en 6°., eerst geruimeu tijd na de instelling, tengevolge der keuze in de comitia tributa, magistra-turen geworden. Gewoonlijk ging de vervulling van een dezer ambten de quaestuur vooraf; onder Augustus werd dit regel.

1°. de XwW stütibus iudicandis (VII. ó. a.). r '

2°. de Illuin' capitales of nocturni of kortweg tresviri. Zy

ocr page 102

88

werden door den praetor nrhanns benoemd, na 242 in de cowitia irihuta. Hun taak was de hoogere magistraten bij te staan by hiin civiele en crimineele rechtspleging. Zij spoorden misdaden op {malejicia conquirere), bevalen voorloopige inhechtenisneming en leidden de eerste instructie der zaak; zij moesten zorgen voor de veiligheid der straten by nacht en hadden het toezicht over de gevangenissen en de daarin voltrokken executies. Als hoofden van nachtwacht en brandweer waren zij ondergeschikt aan de aedilen.

3°. de I Yviri iuri dicundo of praefecti Capuam Cumas worden eerst door den praetor nrhanns, en later door het volk benoemd. Zij spraken recht in naam van den praetor urhanm in de steden van het sedert 338 onderworpen Campanië.

4°. de Wlviri A. A. A. F. F. (am, arr/ento, auro jlando, ferinndo) muntmeesters, sloegen munt in opdracht van den senaat in den tempel van Inno Moneta., van waar zij ook Illviri mone-talcs werden genoemd.

5°. de YVviri viis in urhe puryandü, hadden de zorg voor de reiniging van de straten der stad binnen den muur.

G0. de Wviri viis extra urbem purgandis, waren met het zelfde toezicht belast buiten den stadsmuur tot aan den eersten mijlsteen , en stonden als de vorige onder de aedilen. De beide laatste collegia komen eerst sedert Caesar voor, en werden door Augustus afgeschaft; voor de overigen werd toen de naam XXüm gebruikt.

§ 9. Magistratus extraordinarii.

Onder de magistratus extraordinarii moet een onderscheid gemaakt worden tusschen hen, wier benoeming in bepaalde gevallen was voorgeschreven, en degene, dit tengevolge eener bizondere aanleiding optraden. Tot de eersten behoorden:

1°. de dictator (pag. 90).

Jtquot;. de int err ex. Tijdens de republiek werd het regel, dat bij het ontbreken der consuls of van een dictator de patricische magistraten hun ambt neerlegden om zoodoende een interregnum te scheppen. Door de patricische leden van den senaat werd dan een interrex benoemd [prodere) om de comitia consularia te

ocr page 103

89

houden. De interrex was altijd een patriciër; hij had de volledige consulaire marht, bekleedde zijn ambt vijf dagen en benoemde dan zijn opvolger (vgl. pag. 6). De laatste interrex komt voor in het jaar 52.

3°. de praefectus urhi. Wanneer beide consuls zich vooreenigen tijd uit Eome verwijderden, wees degene, die het laatst vertrok, een senator aan als praefectus urhi voor de custodia uriu en het samenroepen van den senaat. Sedert de instelling der praetuur werd alleen een praefectus urhi benoemd feriarum Latinarum causa, die door alle magistraten werden bijgewoond.

Tengevolge van bizondere omstandigheden traden op:

1°. de XtoVï leyihus scrihundis (pag. 13).

2°. de trihuni militares consulari potestate (pag. 14).

3°. de dictatores legihus scrihundis et rei puhlicae constituendae. Tot deze waardigheid liet zich Snlla in 82 tengevolge eener. lex Valeria, die hem tevens met de meest uitgebreide volmacht bekleedde, benoemen door den interrex L. Valerius Flaccus. Van Vergelijken aard waren de dictaturen , die Caesar werden opgedragen. In het jaar 49 werd hij na een volksbesluit door den praetor M. Aemilius Lepidus benoemd tot dictator. Na elf dagen legde hij deze dictatuur neêr, doch in 48 werd zij hem op nieuw opgedragen voor onbepaalden tijd; in 46 werd dit ambt verlengd voor den tijd van 10 jaren; in 44 werd hij dictator in perpetuum. Xa zijn dood werd door een lex Anto-nia (44) dit ambt voor altijd afgeschaft.

4°. de Uïviri rei puhlicae constituendae. Onder dezen titel werden door een lex Titia tegen het einde van 43 Lepidus, Antonius en Octavianus voor den tijd van vijf jaar aan het hoofd van den staat geplaatst. In 38 verlengden zij zelf hun volmacht; Lepidus legde zijn ambt iii 36 neer, Antonius werd in 32 door het volk afgezet, Octavianus behield het ambt alleen tot 13 Jan. 27.

Zoowel Sulla en Caesar als de lllviri reip. const, hadden onbeperkte bevoegdheden. De trihuni konden tegen hen het ius in-tercedendi niet aanwenden, de consuls waren hun ondergeschikt; zij hadden een onbeperkt strafrecht en waren niet onderworpen aan de provocatio. Caesar had het recht voor de magistraturen een bepaald aantal candidaten voor te stellen; de Uïviri benoem-

ocr page 104

90

den zelfs verschillende magistraten. Zoowel Caesar als de ïïlviri vergaven naar welgevallen het lidmaatschap van den senaat.

MayMratun extraordinarii minores kunnen genoemd worden:

1° de IJviri perdiiellioni iudicandae, die recht te spreken hadden over misdrijven tegen den staat gepleegd. Zij werden voor ieder bizonder geval eerst door de consuls, later door do comitia benoemd, die hun ook instructies gaven; bij provocatio vertegenwoordigden zij het volk. De bekende gevallen, waarin zij optreden, gelden alleen hoogverraad (perduelUo).

2°. de door de comitia tributa benoemde commissies tot liet uitvoeren van bepaalde opdrachten: b. v. IIIcm coloniae dedu-ceudae, \l\viri agris dandis axs'ujnandis, ïïviri aedi dedicandae,

I\viri navales.

§ 10. Dictator. Magister E q u i t u m.

Korte jaren na de vestiging der Republiek benoemden de Romeinen in een benarden tijd een bnitengewonen magistraat, een dictator, om tijdelijk het oppergezag alleen uit te oefenen.

Wie de eerste dictator is geweest, 11'. Valerius of T. Lartius,

wanneer en onder welke omstandigheden hij tot dit ambt geroepen werd, wisten de oude schrijvers niet recht meer, en het doet / ook weinig ter zake. Spoedig werd het echter regel om in asperiori/jus bellis aut in civili motu diffieiliore tot dezen maatregel zyn toevlucht te nemen (ultimum auxilium).

De beteekenis van den naam dictator schuilt in het duister;

de oudste titel van dezen overheidspersoon, magister populi,

schijnt hem te zijn gegeven, omdat hij oudtijds in den strijd het voetvolk, de kern van het leger, aan voerde. /^De senaat besliste wanneer de aanstelling van een dictator noodig was, de benoeminquot;- zelve kwam uitsluitend toe aan dengene der beide consuls, die door comparatin of sortitio daartoe werd aangewezen.

Het sprak van zelf, dat alleen aanzienlijke mannen tot de «

dictatuur behoorden geroepen te worden; in den lateren tijd werden uitsluitend consulares benoemd. De eerste plebejische dictator was C. Marcius Riitilus 356.

De benoeming van den dictator geschiedde bij voorkeur te Rome, maar moest plaats grijpen in at/ra Romano. De consul

ocr page 105

91

begaf zich, na de auspicia te hebben geraadpleegd, tot den-gene, dien hij wensohte te benoemen {priem nocte, silentio dictator em. dicebat). Terstond na zijn benoeming liet de dictator zich door een lex curiata het imperium opdragen. De duur van zijn ambt ging den tijd van zes maanden niet te boven, en het was regel, dat hij zijn ambt neerlegde wanneer hij de taak, waarvoor hij was benoemd, had volbracht.

De dictatuur kan een tijdelijke terugkeer tot het koningschap genoemd worden. De dictator vereenigde het ambtsgezag van beide consuls; hij was aan provocatio noch ~intercessio gebonden en was geen verantwoording schuldig. Ten teeken zijner waardigheid had hij, ten minste te velde, 24 lictoren, die, omdat de provocatio niet tegen hem kon worden aangewend, de bijlen in de fasces droegen. Do overige magistraten behielden hunne ambten, maar zij waren den dictator ondergeschikt. De consul diende, wanneer hij met den dictator ten strijde trok, als diens onderbevelhebber, su/t auspiciis dictatoris, en mocht in zijn tegenwoordigheid geen lictoren voeren; ook in vredestijd handelde hij naar de bevelen van den dictator.

In den 2lIen Punischen oorlog nam men na langen tyd weder zijn toevlucht tot de dictatuur. Toen na den slag by het Trasumeensche meer de consul C. Flaminius Xepos was gesneuveld en zyn ambtgenoot Cn. Servilius oorlog voerde in Gallië, weid Q. Fabius Maximus door het volk tot dictator gekozen {pro dictatore wordt hij daarom door Livius genoemd) en M. Mi-nucius Eufus tot zyn magister equitvm. De wijze, waarop Fabius den oorlog voerde, beviel het volk niet, zoodat tegen alle regels door een lex Metilia; de aequando mat/, equitum ac dictatoris iure (216) het gezag van Minucius gelijk gesteld werd met dat van Fabius.

Deze handelwijze kon geenszins strekken om het aanzien der dictatuur te verhoogen, maar ook iu andere opzichten was thans de dictator niet meer de onbeperkte gezaghebber van vroeger. Hij moest zich onderwerpen aan de provocatio (pag. 41) en aan de intercessio (van dit laatste komt het eerste voorbeeld voor in 209). Verder vroeg hij evenals de andere magistraten instructies van den senaat en gaf hij verslag van zyn ambtshandelingen. Ook was de korte duur van het ambt een verhindering om hem

ocr page 106

92

aan het hoofd van een leger te plaatsen buiten Italië. Daardoor geraakte de dictatuur in onbruik. Do laatste dictator rei ge-ruudae causa was M. Junius Pera 216. Toen waren er, hetgeen zonder voorbeeld is, twee dictatoren, want terwijl Pera oorlog voerde werd Q,. Fabius Buteo benoemd tot dictator senatus legendi causa.

Sedert de 4de eeuw werd de dictatuur, oorspronkelijk ingesteld rei gerundae of seditionis sedandae causa., herhaaldelijk aangewend om bij ontstentenis der consuls te voorzien in een hunner functies, waarvoor het imperium van den praetor niet vol-doende was b. \,'clavi Jigendi c., diïectus hahendi c., comitioruw, ■? haLendorum c., ludorum faciendorum c., senatus legendi c., feriarum Latinarum Jiabendarum causa. Sedert 202 komt voor dergelijke doeleinden een dictator niet meer voor. 'V, i,

■ ' U quot; I I !

De naam dictator werd weder in het leven geroepen voor de aan Sulla en Caesar verleende onbeperkte volmachten.

De dictator benoemde terstond na zijn ambtsaanvaarding een magister equitum, die hem ter zijde stond en by zyn afwezigheid verving. De titel van dezen magistraat geeft aanleiding om te vermoeden, dat hij aanvankelijk bevelhebber der ruiterij was; later fungeerde hij als onderbevelhebber van den dictator,

die hem ook andere opdrachten kon geven. In rang volgde hij op den praetor.

§ 11. Dienaren der Magistraten.

Voor de dienaren der magistraten werd de algemeene naam apparitores gebruikt (apparent, parent magistratihus). Zij werden door de magistraten benoemd, genoten bezoldiging en moesten vrije burgers zijn. De magistraten behielden in don regel de dienaren hunner voorgangers, waartoe zij later verplicht waren,

want de apparitores konden toen plaatsvervangers stellen en zelfs hun ambt verkoopen. De voornaamste klassen der apparitores waren ingericht als corporaties, collegia, en verdeeld in decuriae; aan het hoofd stonden decern primi of sex primi.

Verreweg de aanzienlijkste waren de scribae en onder hen namen de scriha/ quaestorii de eerste plaats in. Deze rekenden hun stand onmiddellijk na dien der equites (ordo honestus).

ocr page 107

93

Lictores (liceré) waren toegevoegd aan de magistraten cum imperio. De lictoren gingen in een lange rij voor den magistraat uit, en maakten als het noodig was ruim baan voor-hem {turbam submoverè). De lictor die onmiddellijk voor den 'jonsnl uitging heette lictor proxumus. Met de roeden der fasces voltrokken zij de geeseling fyiiyis caedere), met de bijl dc doodstraf (securi ferire). Te Rome droegen zij de toga, te velde het sayum. Ook sommige priesterlijke waardigheidsbekleeders hadden lictoren, eveneens de 30 curiae; deze misten natuurlijk Ae fasces.

Viator es, boden, komen voor bij alle magistraten, ook bij sommige mag. minores, maar vooral bij de tribunen.

Vxaecows werden gebruikt voor alle bekendmakingen; zij riepen de com it ia en soms den senaat samen, geboden stilte, en maakten den uitslag van de stemmingen der comitia bekend.

Ieder magistraat had bovendien een accensus voor zijn persoonlijken dienst. De accensi verloren met het aftreden van den magistraat hun betrekking; zij waren de geringste onder de apparitores.

Verder hadden de magistraten een menigte servi publici tot hunne beschikking.

ocr page 108

HOOFDSTUK VII.

KECIITS W EZ EN.

§ 1. Het Eecht. Bronnen van hot Recht.

De Romeinen onderscheidden ins publicum en ius privatum.

lus publicum, ad statum rei Romanae sjiuctat. Het omvat dus zoowel de inrichting van den staat als de regeling van de verhouding der burgers tot den staat. Tot het ius publicum be-hooren: staatsregeling en staatsbestuur, benoeming van overheidspersonen,- regeling van krijgs- en financiewezen, de eeredienst (ius sacrum ritueel recht) en de strafrechtspleging.

Ius 'privatum ad sinr/ulorum ntilitatem pértinet. Het bepaalt derhalve de rechten en verhoudingen der te Rome levende personen onderling. Het ius privatum heeft als onderdeelen het ius civile en het ius gentium.

Quod quisque popnlus ipse sihi ius constituit, id ipsius proprium est, vocaturque ius civile m. a. w. ius civile is het recht, dat alleen geldt voor hen, qui eiusdem civitatis sunt; het ius civile J torn auor urn alzoo is het recht, dat alleen gold voor cives Romani. Aan het ius civile waren uitsluitend eigen : het Romeinsch huwelijk, de patria potestas, de aynatio, de mancipation de nsucapio, het erfrecht en enkele obligationes.

De rechtstoestand der vreemdelingen, die zich te Rome ophielden , berustte in den beginne op foedera met verschillende Staten gesloten. Toen echter bij toenemend verkeer deze regeling onvoldoende bleek, is men er toe overgegaan een gedeelte van het Romeinsche recht ook op peregrini van toepassing te verklaren m. a. w. tot een ius commune omnium hominum te maken.

ocr page 109

Daartoe behoorden de pot est as dominorum ^ de traditio en verreweg de meeste obligationes. Op dezen grondslag steunde het verkeer der peregrini te Eome onderling, en dat der Romeinen met de peregrini. Voor dit onderdeel van het Romeinsche recht kwam de naam ius gentium ') in zwang, omdat men zich voorstelde, dat de daartoe hehoorende rechtsinstellingen gemeengoed waren der geheele menschheid, een recht dus, waarvan men zeggen kon: apud omnes populos peraeque custoditur.

Tegenover het strenge recht iius strictum), de letter der wet, stelden de Romeinen de bilHjkheid {aequitas'), d. w. z. de onmiddellijke uitspraak van het rechtsgevoel {ut inter honos lene agiev. oportet et sine fraudationé). De Romeinsche opvatting der rechtspraak gelijk de Romeinsche inrichting van het rechtswezen lieten toepassing der aequitas, zelfs met ter zijde stelling van het ius strictum,, op ruime schaal toe.

Als hrounen van het recht tijdens de republiek kwamen in aanmerking: wetten, plebiscieten,quot; edicten van magistraten en ^ responsa prndentium.

Het Romeinsche recht berustte op gewoonte en werd voor het eerst in de XII tafelen geformuleerd. Tot lustinianus bleven de XII tafelen formeel de grondslag van alle recht, ofschoon natuurlijk de vele wetten van jongeren datum en verdere rechtsbronnen dien grondslag meer en meer voor het oog verborgen.

Onder de jongere rechtsbronnen, waardoor de XII tafelen naar den achtergrond werden gedrongen, neemt in de laatste eeuw der republiek het praetorisch edikt de eerste plaats in. Na de XII tafelen werd betrekkelijk zelden het een of ander punt van het privaatrecht bij de wet geregeld. Ten einde nu toch dit recht te doen beantwoorden aan de eischen des tijds, nam de praetor, hoewel zyn wettelijke bevoegdheid zich eigenlijk bepaalde tot de handhaving van het bestaande recht, maatregelen vd adiuvandi vel supplendi vel corrigendi iuris civilis gratia en maakte krachtens zijn ius edicendi, bij zijn ambtsaanvaarding, de regels bekend, welke hij diensvolgens nevens het

1} Met den naam ius gentium werden ook bestempeld de in het internationaal verkeer aangenomen regels, die nauwkeuriger worden aangeduid met den naam ins belli ar pacis, volkenrecht.

ocr page 110

90

bestaande recht of zelfs in strijd daarmede zou toepassen '). Het geheel dezer regels, het edict um praetorhan, edictum perpetuum dat tot stand kwam onder den invloed van bekwame rechtsgeleerden , en steeds werd gecontroleerd door het rechtsgevoel der openbare meening, groeide gaandeweg aan tot een belangrijken omvang. Wel was het edictum van iederen praetor alleen geldig gedurende zijn ambtsjaar, daar het alleen berustte op den wil van den magistraat, (lex annua wordt het daarom door Cicero genoemd), maar de kern werd door iederen praetor geregeld herhaald en droeg den naam edictum tralaticium. Nieuwe bepalingen heetten nova edicta, nova clamulae. Soms vaardigde de praetor in den loop van zijn ambtsjaar met het oog op bizondere gevallen bepalingen uit, die edicta repentina werden genoemd. De lex Cornelia (67) verplichtte den praetor om zich strikt te honden aan bet eens door hem uitgevaardigde edictum perpetuum.

Allengs deed zich het praetorisch recht meer gelden. De reden van den grooten invloed van den praetor voor het recht is zijn machtsvolkomenheid in zake rechtsbedeeling. Hem was als wettelijke taak de handhaving van het ius privatum opgedragen; niemand was aangewezen om het te handhaven tegenover hem. Daardoor heeft hij een eigen ordening kunnen scheppen in die stoffen, waarby zijn rechtspraak gemoeid was (met name het vermogensrecht). Zoo kreeg men voor die stoffen twee rechtsordeningen , die van het ius civile en die van den praetor {ius honorarium?), van welke de praetorische het won, omdat de praetor op zijn gebied almachtig was en even goed rechtsluüp kon verleenen aan hen, die z. i. de billijkheid aan hunne zyde hadden, al was ook het ins civile tegen hun verlangen gekant, als wel ontzeggen aan hen, die hun recht uitsluitend afleidden

1) Hoe iet praetorisch recht werkte zal later blijken. Hier vinde het volgende voorbeeld een plaats Volgens de XII tafelen kon de fur manifest iis, tenzij hij zich vrijkocht, den bestolene als slaaf toegewezen worden. Het praetorisch edikt bepaalde de afkoopsom op het viervoudige der waarde van het gestolene; improbata est asperitas poenae et ... . quadrupli actio praetoris edicta coast it ut a est. Gains III. 189. De billijkheid dezer wijziging springt in het oog.

ocr page 111

97

van het ius civile, zonder cle billyklieid op hun zijde te hebben. Aanvankelijk eerbiedigde de praetor het oude landrecht en gaf hij slechts voorschriften ter aanvulling der bestaande rechtsbepalingen , doch reeds aan 't einde der republiek gaf hij by con-flikt tusschen zijn ordening en de civiele de voorkeur aan de zijne ^).

Het edikt van den praetor pereyrims ontwikkelde zich op dezelfde wijze als dat van den praetor quot;urhantts.

Behalve de wetten, plebiscieten en edikten had ook de arbeid der rechtsgeleerden grooten invloed op do ontwikkeling van het Eomeinsche recht. Hunne adviezen (responsa prudentiuni) hoewel rechtens niet verbindend, hadden nochtans grooten feitelijken invloed. De rechtsgeleerde litteratuur dagteekent sedert de uitgave van een hoek, dat Cn. Flavins, vrijgelatene en scriba van Appius Claudius, hetzij met, hetzij buiten diens voorkennis in 'tjaar 304 het licht deed zien, waarin de ley is actiones benevens

de dies fasti waren opgenomen en dat later ius Flavianum werd'

- i .gt; 'quot;i-.-

'genoemd. De grondslag voor eeu openlijk onderricht in het recht werd gelegd door Tib. Coruncanius, den eersten plebejischen pontifex maximus (consul 280), die by zyn adviezen auditoresp toeliet. Meer en meer nam de studie van het recht in bloei toe en het scheen wel, dat in sommige geslachten, de Mucii, de Aelii, de Porcii, de Sulpicii daarvoor aanleg en voorliefde erfe-.lijk waren. Naam maakten zich Sext. Aelius, wiens werk Tripertita den text der XII tafelen, de gebruikelyke interpretatio benevens de leyis actiones inhield, wat dit laatste deel betreft een verbeterde editie van het ius Flavianum; verder de leermeesters van Cicero: de auynr Q. Mucius Scaevola en diens neef de pontifex max. Q. Mucius Scaevola.

') Een voorbeeld zal dit ophelderen. Gesteld iemand overlijdt zonder testament, nalatende een Jilius emancipatm en een broeder. Volgens liet ius civile zon de broeder als agnatus proximus moeten erven, volgens bet praetoriscb recht wordt den jilius emancipatie de erfenis toegewezen.

ocr page 112

98

§ 2. lus privatum.

a. Indeeling.

Het privaatrecht omvatte:

1°. het ius de personis, betrekkelijk de personen met opzicht tot hun vrijheid, hun burgerrecht en hun stelling tot de familie;

2°. het ius de rebus, betrekkelijk het vennogen;

3°. het ius de actionihm, betrekkelijk de handhaving van rechten.

b. Persmien- en Familierecht.

a. De Persoon.

Het voornaamste omtrent den persoon is medegedeeld in Hoofdstuk III. De rechts- en handelingsbevoegdheid van den Eo-meinschen burger was in de eerste plaats afhankelijk van geslacht en leeftijd. Zoo stonden de vrouwen, voor zoover zij niet als dochters onder de potestas des vaders of als echtgenoote onder de manus mariti geplaatst waren, onafhankelijk van den leeftijd, onder de tutela van een voogd, buiten wiens medewerking zij naar het ius civile niet geldig konden handelen. Deze voogdij is echter tijdens het keizerrijk vervallen.

Mondig werd de Romein ten opzichte van het openbaar leven, stemrecht en dienstplicht, met zyn 17de jaar. Ten aanzien van het privaatrecht trad de mondigheid eerder in, en wel, voor zoover een vaste leeftijd werd aangenomen (hetgeen alleen door de Proculiani, niet door de Sabiniani gedaan werd) met het jaar. Tot op dezen leeftijd stond hij, die niet in patria potestate was, onder een voogd.

/3. De Familie. Agnatic. Cognatio.

Voorts werd de' rechtsbevoegdheid bepaald door de stelling, die men in de familie innam. De familie berustte niet in de eerste plaats op het huwelijk en de natuurlijke afstamming, maar op een band, dien het ius civile schiep, den band der „machtquot;. De vrouw, echtgenoote van den man, moeder der

ocr page 113

99

f

kinderen, stond in den regel buiten de familie. Evenzoo konden — ' kinderen vreemd zijn aan de familie, (dochterskindereu, ge-. emancipeerde kinderen) terwij 1 omgekeerd personen, die door het bloed niet tot de familie behoorden, (aangenomen kinderen) _ er deel van konden uitmaken.

De oud'Eomeinsche familie had tot hoofd den pater familias,

wien als zoodanig absoluut gezag tegenover de leden toekwam {ius vitae ac necis). Dit gezag werd gaandeweg door wet en gewoonte getemperd. De pater familias verrichtte als hoofd van het gezin de sacra der familie.

Tussohen de personen, die by den dood van den pater familias nog onder zijn gezag stonden, bleef een wettelijke band bestaan, de apnatio. Terwijl cognatia allen omvatte, die uit hetzelfde bloed -gesproten waren, was de agnatio, beperkt tot degene, die onder denzelfden pater familias stonden of zouden gestaan hebben, zoo de gemeensohappelij ke stamvader nog leefde '). Broeder en zuster waren dus aynati, maar de kinderen der zuster behoorden niet tot den agnatenkring hunner moeder, maar tot dien huns vaders. Halve broeders van vaderszijde waren aynati, halve broeders van moederszijde daarentegen cog nat i. Door datio in adoptionem en door emancipatio ging natuurlijk de agnatio verloren. Het oude Romeinsche recht lette bijna uitsluitend op de agnatio.

y. H u w e 1 ij k.

Om een wettig Romeinsch huwelijk {raatrimonium rus turn) te kunnen aangaan was vereischt: 'conuhium tusschen beide partijen, , • een bepaalde leeftijd, toestemming der beide partijen en die hunner ouders of voogden;'quot;bepaalde graden van bloedverwantschap, waaromtrent in verschillende tijden verschillende regels bestonden, waren een beletsel voor het hu wel ij k. Het matrimonium iustum had twee vormen: de vrije vorm zonder manus en de strenge vorm met manus. In het eerste geval ■ bleef de vrouw

in patria potestate, in het tweede geval verkreeg de echtgenoot

'VA'

c'l

\

') De agnatisclie familia in engeren zin omvatte dus degene, die- onder dezelfde patria potestas stonden, in ruimeren zin hen, die onder dezelfde patria potestas gestaan hadden, in den ruimsten ziu de geus.

7quot;

ocr page 114

100

over de vrouw rechten, die mams heetten 1). Door de manies trad de vrouw uit haar familie maar ging over in die van den man jüiae loco. Zij werd dan door de wet beschouwd als de spror consanguinea (dus als agnaat) harer eigen kinderen, kou geen eigendom hebben, want wat zij verwierf behoorde den man, en heette, ter onderscheiding van de vrouw, die niet in manu mariti was, materfamilias.

Voor het huwelijk zonder manus was alleen de toestemming van beide partijen en van hunne ouders noodig; de man us werd verkregen door' 'cgnfarreatio, coemptio of usus.

' De oudste en plechtigste vorm was de confarreatio, het gewijd of sacraal huwelijk. De naam is ontleend aan den spelt-koek [jinnis farreus) dien het jonge paar samen at in tegenwoordigheid van den pontifex maximim, den Jlamen Dialis en tien getuigen.

De coemptio, de wereldlijke vorm, berustte op den oiul-Eomein-schen vorm van verkoop {mancipatio) welke plaats greep teu overstaan van kooper, verkooper, vijf getuigen en den lib ripens, d. w. z. den houder der weegschaal, waarop in vroeger tijd, toen men nog geen gemunt geld kende, de koopprijs werd toe-gewogen. In later tijd gt;yerd het voldoende geacht, indien de kooper met een raudusculum de schaal aanraakte en dit vervolgens aan den verkooper ter hand stelde. De werkelijke betaling had dan vooraf of later plaats, of bleef geheel achterwege, indien de partijen eene schenking bedoelden (imarjinaria venditio). Deze zelfde formaliteiten lagen ten grondslag aan de coemptio.

De usus deed de ma mis ontstaan wanneer de vrouw een geheel jaar onafgebroken met den man samenwoonde. De vrouw kon de conventio in manum verhinderen door telkens voor afloop van den verjaringstermijn een trinoctiuni bij hare familie door te brengen. Van de drie wijzen van ontstaan der manies gold ten fyde van Gaius nog slechts de coemptio. De usus had deels dooide wet, deels door de gewoonte zijne kracht verloren; de confarreatio werkte volgens een senaatsbesluit uit den tijd van Tiberius nog slechts met betrekking tot het ius sacrum. In den

') De hand was het zinnebeeld van macht en bezit; verg. mancipium, mancipatio, emancipatio.

ocr page 115

101

lateren keizertijd is ook de roemptlo en dus het geheele huwelijk met mams in onbruik geraakt.

Het huwelijk gesloten door cgnfarreatio werd ontbonden door een ceremonie, die den naam diffaj-reatio droeg; by het vrije huwelijk kon de vrouw door haar man worden teruggezonden met de formule: tugs res tihi habeto. De man behoorde, zoo hy zijn vrouw verstiet {t-ejiudium mittere, nuntium remitturé), een consilium amicorum te raadplegen. Scheiding werd te Rome niet moeilijk gemaakt; men herinnere zich slechts wat in dit opzicht gemeld wordt omtrent vele hoofdpersonen van de laatste eeuw der republiek.

§. Patria potestas. Adoptio. Adrogatio.

Kinderen geboren uit een matnmonium instuw, waren in patria potentate, eene macht, die in beginsel geheel onbeperkt was. Evengoed als over zijne slaven had de vader over zijne kinderen het ins vitae ac necis, ofschoon ten aanzien van laatstgenoemden de publieke opinie ieder misbruik krachtiger te keer zal hebben gegaan. Achtte de vader de doodstraf of een andere zware straf verdiend,. dan behoorde hij een consilium am icorum te raadplegen. In den keizertijd was zelfs de tusschenkomst der overheid noodig. Van de weinige gevallen, die overgeleverd zijn, waarin een vader zijn kind liet dooden, is het meest bekend het door Sal-lustius (Cat. 39) vermelde: Q. Fulvins senatoru films qnem retractiüu ex itinere pater necari iussit. Ten aanzien van pasgeboren kinderen golden bijzondere voorschriften. Mismaakte kinderen kon de vader volgens het recht der XII tafelen terstond dooden. Expositio infantium komt in later tyd dikwijls voor; eerst in den keizertijd wordt zy als strafbaar aangemerkt.

Verder kon de vader zijn kind verkoopen, hoewel niet meer dan driemaal; de wet der XII tafelen bepaalde: si pater filium ter venum dntyit Jilins a pat re liher esto. De toestand van den door zijn vader verkochten zoon heette: in mancipio esse; by vrijlating ex mancipio herleefde de patria potestas tot tweemalen toe; de derde maal echter werd de zoon sui iuris overeenkomstig het medegedeelde voorschrift der XII tafelen.

De zoon, die in patria potestate was, kon geen eigendom hebben, wel kon de vader hem eenig goed ten gebruike afstaan onder

ocr page 116

102

den naam peculhm. Augustus bepaalde, dat de Jilius familiax de vrije beschikking zou behouden over hetgeen hij in den krijgsdienst verworven had (j)ecnlium castrensè).

De patrio, potest as eindigde eerst met den dood van den pater familias, want men werd niet sui iuris door het bereiken van een bepaalden leeftijd. Was een. Jilius familias gehuwd, dan kwam de patri a potestas over zijne kinderen, de manus over zijne vrouw niet hem, maar zijnen vader toe. Op de staatkundige rechten en stelling van het kind had de vaderlijke macht geen invloed '). Opgeheven werd de patrio, potestas door de emancipatio, een handeling waaraan het ius vendendi des vaders ten grondslag lag. Wanneer iemand zijn zoon wilde emanci-vquot;' peeren, dan verkocht hij hem, in den vorm der mancipation tot drie maal toe aan een tusschenpersoon, die hem echter telkens weêr uit het mancipium ontsloeg. De derde maal was hij, volgens den boven aangehaalden regel der XII tafelen, sui iuris. Wilde de vader zelf de definitieve vrijlating verrichten, dan moest de zoon na de derde mancipatio eerst nog aan zijn vader ge-reman-cipeerd worden.

Ter tegemoetkoming aan het streven om familie en naam in stand te houden, liet de wet het aannemen van een zoon toe uit een ander gezin. Het aannemen van iemand, die alieni iuris was, behoorde tot het privaatrecht en heette adoptio, het aannemen van iemand, die sui iuris was, viel onder het ius publicum en. geschiedde door adrogatio (Hoofdst. IV § 3). De adoptio had plaats door een schijnproces over het vaderschap voor den praetor urlanus, waaraan etne verbreking der oorspronkelijke patrio potestas door drie mancipationes vooraf had te gaan. De jilius adoptims trad uit zijn familie, maar ging terstond over in die van dengene, die hem aannam, onder wiens patrio potestas hij ook kwam, en wiens naam hy voortaan droeg, ofschoon hij zijn vroeger nomen gentilicium gewoonlijk met den uitgang anus Heef voeren 2).

') Het verhaal bij Liv. 45, is overdreven; de }/. potesius wordt daar verward met den zedelijken invloed des vaders.

J) Zij, die geadopteerd werden op een leeftijd, waarin zij reeds als zelfstandig bekend waren, behielden iu het dagelijksch leven him eigen naam. Zoo noemt Cicero zijn vriend 7. Pomjtonius AUicns slechts eenmaal (J. Cae-cilius (ad Att. III, 20).

ocr page 117

io;-i

Zoo heette de zoon van L. Aem. Paullus sedert hij door een zoon van Scipio Afrieanus Maior was aangenomen P. Corn. Scipio Aemilianus, de andere sedert zijn adoptatie door een Fabius, Q. Fabius Maximus Aemilianus. Adroyatio had plaats in de comitia cnriata nadat de pontijices een gunstig oordeel hadden uitgebracht over de redenen, die tot de adroyatio leidden en zich hadden verzekerd van het blijven bestaan der tsacra yenti-licia van den adroyandus.

e. Zaken- of Eiyendomsrecht.

Hen onderscheidt eigendom (domirinm., proprietais) en bezit {possessie).

Eigendom is het volledige_-refcht op een zaak;.bezit is feitelijke hfierschappij over de zaak. Het verschil komt vooral hierin uit, dat de bezitter, die niet tevens eigenaar is, slechts voorloopig in de heerschappij over de zaak wordt gehandhaafd.t Hy moet wijken, zoodra eene tegenpai-ij optreedt, die het bewijs levert, eigenaar te zijn. Bezit kan echter, wanneer de bezitter zich niet bewust is dat een ander meer recht op de zaak heeft dan hij, door verjaring leiden tot eigendom. Het oud-Romeinsche recht kende twee soorten van zaken: res 'manciyi en res nee rnan-cipi '). Om nes res aut mancipi sunt aut nee wuncipi. Mancipi res suni^praedia in Italico solo tam rustica, qualis est fundus, qnam nrbana, qualis domns^ item iura praediorum rusticorum velut via, iter, actus 2) / item servi et quadrupedes, qnae dorso collove domantuvsf velut ^Coves, muli, equi, asini. Elephanti et cameli quamvis collo dorsove domantur nee mancipi sunt quoniam bestia-rum numero sunt.

Res nee mancipi zijn alle overige zaken.

Het eigendomsrecht op res mancipi werd verworven door maneipatio; door in iure cessio (schijnproces over het eigendoms-

') Muncipiii) 3 Gen. van mancipium.

!) Deze iura praediorum zijn rechten op eens anders zaak. Via, iter, actus: het recht om te gaan, te rijden, vee te drijven over het land van een ander. Zij worden res mancipi genoemd, omdat zij door eene maneipatio in het leven kunnen worden geroepen.

ocr page 118

104

f

reclit voor den praetor); 'door nsucapio (verjaring), waardoor onroerende goederen na een onafgebroken bezit van twee jaar,

roêrende goederen na verloop van een jaar eigendom van den bezitter werden.

De handeling, waardoor res nee mancipi werden overgedragen,

heette/ traditio; zij bestond in bloote overgifte van het bezit;

evenwel was ook d^ï're iure cessio en de? umcapio op deze zaken van toepassing.

De verdeeling in res mancipi en nee mancipi werd door lusti-nianus afgeschaft. Deze keizer namelijk maakte alle zaken tot res nee mancipi.

Ten opzichte van het eigendomsrecht had men reeds onder de republiek de tegenstelling van civiel eigendomsrecht {dominium ex iure Quiritium) en praetorisdi eigendomsrecht (in bonis esse alien fris). Het dominium ex iure Quiritium kon alleen verkregen, i

c/ quot; ^ ..... ~ r . • » \ •

worden op een wijze door de wet [ius civile) erkend. In bonis '

had men de zaak wanneer do praetor de heerschappij over die ;.w' 'lt;'

zaak als eigendom handhaafde (d. w. z. niet bloot voorloopig),, j ^ -ook al was de wijze van verkrijging volgens de wet ongeldig./''

Met name indien res mancipi waren overgedragen niet door man-cipatio, maar door enkele traditio (inbezitstelling). Het praeto-risch eigendomsrecht ging door usucapio over in dominium ex iure Quiritium. Daardoor verkreeg men echter niet zoozeer een nienw recht, als wel een wettelyken grondslag voor zijn recht.

H\ ■■■-h 1

d. Erfrecht.

Erfopvolging ontstond krachtens testament {hereditas testa-mentaria) of zoo er geen testament was gemaakt {ab intestato) krachtens de wet {Jiereditas lerjitma).

Er waren drie streng Eomeinsche testamenten:

Het testamentum in comitiis calatis, waartoe tweemaal 'sjaars in de comitia calata gelegenheid werd gegeven.

Het testamentum in procinctu, dat de soldaten voor den slag konden maken, waarbij het leger getuige was.

Het testamentum per aes et libram, waarbij op de nalatenschap de mancipatio werd aangewend. De erflater verkocht., zijn goed (voor een sehijnprijs) aan den erfgenaam, later aan een

ocr page 119

105

tusschenpersoon (familiae emptor), die na den dood des ei-flaters de nalatenschap volgens diens wil verdeelde. Het werd daarbij gebruikelijk dien wil op schrift te brengen {tabulae testainenti).

De praetor gaf aan zulk een geschreven testament rechtskracht,

ook al waren de formaliteiten der mancipatio daarbij verzuimd,

indien het stuk maar voorzien was van de zegels van zeven getuigen {testamenUim praetormni).

Wanneer iemand stierf zonder een testament te hebben gemaakt, dan verviel de nalatenschap aan zijn aanhoorige erfgenamen (hm-edeH mi). Dit waren degene, die het naast in de macht van don overledene hadden gestaan: vrouw (mits in manu mariti staande) en kinderen, zoowel de eigen kinderen als de geadopteerde. Uitgesloten waren zij, die door uithuwelijking met in manum convenito, Aooiemancipatio qï'Aoov datio in adoj)tio)ievi uit de pairia potedan getreden waren. Bij ontstentenis der ,m'

traden de naaste agnati op (van de aijnatae alleen de zusters)

en als ook deze ontbraken de gentiles.

Het erfrecht, volgens het strenge im civile, dat geen acht sloeg op bloedverwantschap, maar alleen lette op de aynatio gaf aan 't praetorisch recht herhaaldelijk gelegenheid om met mildere bepalingen op te treden. Langs dezen weg werden de aanspraken der geëmancipeerde kinderen behartigd. In de eerste plaats lette de praetor op de Jieredets legitimi, maar hij vulde de ^'' ■ . • ' ■gt; rij aan en schoof die personen in, wier uitsluiting onbillijk werd geacht. Op deze wijze werden hoe langer hoe meer de rechten der cognati erkend. ■ ,

Het recht van hem, die slechts naar praetorisch recht eene nalatenschap had verworven, heette honor im posse sua. De bonorum possessor was niet eigenlijk erfgenaam, maar heredis loco, en hetgeen hij dus had verkregen was niet zijn eigendom ex iure Qniritium, maar werd dat door usucapio. In den tusschentijd had hij de zaak in bonis.

Om een erfenis te kunnen aanvaarden, moest er cornmercium .■

bestaan tusschen den erflater en den erfgenaam; een peregrinus kon dus niet van een Romein erven. Ieder mondige burger '

kon een testament maken; de vrouwen tijdens de republiek in 't algemeen slechts met de auctoritas harer voogden. Het ius testandi hadden ook van oudsher de Vestaalsche maagden.

ocr page 120

106

die, daar zij uit haar familie waren getreden, uiet ah in-testato konden erven, en wier vermogen, wanneer zij zonder testament stierven, aan den staat verviel. Het erfrecht was den vrouwen niet gunstig. De lex Voconia (109) verbood, dat iemand, die gesehat werd op een vermogen van 100,000 as, een vrouw tot erfgenaam zou instellen of meer zou vermaken dan de helft van zij n vermogen bedroeg. Zelfs voor dochters golden deze ongunstige bepalingen.

e. Obligatione», f -. • • • gt;/'

Een breede plaats beslaan in het Eomeinsche recht de ohli-gatioues. Obligatio est iuris vinculum quo necessitate adstrin-gimur alicuius solvendae rei secundum nostras civitatis iura. Met andere woorden; obligatio duidt aan een verhouding tusschen twee personen, waarvan de een jegens den ander gehouden is tot een op geld waardeerbare praestatie. De rechthebbende heet creditor, hij die zich verplicht heeft, debitor.

' Er zijn drie bronnen van obliyationes:/contractus, delicta en variae causarum Jlgurae.

k De obligationes ex contractu ontstaan door een door de wet erkende overeenkomst; hiertoe behooren: koop, huur, leening enz.

■ De obligationes ex delicto ontstaan door onrechtmatige daden. Tot deze soort worden gerekend:! damman iniuria datum, De-sehadiging van eigendom; , iniuria, 'persoonlijke beleediging door woorden of daden;3 furtum, diefstal; rapina, roof, d. i. diefstal met geweld. Veel misdrijven, die volgens de tegenwoordige opvatting gericht zijn teger. de openbare rechtsorde, werden derhalve te Eome uit een privaatrechtelijk oogpunt beschouwd.

Obligationes ex variis causarum Jiguris worden de obligaties genoemd, die zonder onder een der beide kategoriën te vallen , zieh deels aan die ex contractu, deels aan die ex delicto aansluiten. Hiertoe behoort b. v. de aansprakelij klieid van den rechter, die een partijdig vonnis heeft geveld, qui litem stiam fecit.

ocr page 121

107

§ 3. Indicia p r i v a t a.

a. RecJfters. Rechtbanken.

Overeenkomstig het ondersclieid van ius privatum en ius publicum waren er te Rome indicia privata en indicia pu-blica 1). Tot de eerste behoorde ook de rechtsvordering uit hoofde van de zoogenaamde delicta privata: furtum, rapina, damnum., iniuria (pag. 106). In den keizertijd konden evenwel de delicta privata ook voor den strafrechter gebracht worden.

De iurisdictio. d. w. z. de taak om voor de handhaving van het ius privatum zorg te dragen, ging van den koning over op de consuls en van deze op den praetor (iirbanns), gedeeltelijk ook op de aediles curules (pag. 86). Gewoonlijk velde de magistraat het vonnis niet zelf, maar wees hij daartoe een rechter aan (iudicis dutioj. Van oudsher werden de rechters gewoonlijk uit den senaat genomen. Augustus liet een album iudicum selec-torum opmaken voor de indicia privata uit de senatoren en equites.

De rechter heetteof ^arbiter, al naar gelang de aard van het geschil meer de toepassing van het strenge recht, dan wel der billijkheid medebracht. Somtijds werd de taak van den unus index aan eene commissie van drie of vijf personen opgedragen. De leden van zoodanige commissie heetten isaamp;i-ecuperatores.

De persoon van den rechter werd door den praetor aangewezen, die echter zooveel mogelijk op den wensch van partijen had te letten. Waren deze omtrent een bepaalde keuze overeengekomen, dan was die overeenkomst voor den praetor bindend.

De index datus had slechts over één bepaald geschil te beslissen. Voor ieder geschil werd een afzonderlijke index (arbiter, commissie van recuperatores) aangewezen.

Sommige geschillen kwamen niet voor een index datus, omdat zij aan vaste gerechtshoven waren voorbehouden.

') Hoe de indicia privata, die als alle Ewneiusclie instellingen slechts oj) een kleinen staat waren berekend, zich langzamerhand hebben ontwikkeld , is nagenoeg onbekend. In 't algemeen zijn de berichten over de indicia privata zeer spaarzaam. Van al de redevoeringen van Cicero betreffen slechts vier het ius privatum.

ocr page 122

108

Voor indicia privata bestonden twee vaste hoven; de decemviri en de centummri.

De decemviri stlitihus iudicandis quot;waren, naai' liet schynt, oorspronkelijk een plebejisch, rechterlijk college, ingesteld omstreeks denzelfdcn tijd als het tribunaat. Tegen het einde der republiek was hun rechtspleging beperkt tot processen over den status (lihertas en civitas).

De rechtbank der centummri telde 105 leden, drie uit iedere tribus, waarschynlyk door het volk gekozen; de leiding berustte by een quaestorius. Deze rechtbank deed uitspraak in kwesties over eigendom en nalatenschap.

b. Lecjis actiones. Foruiulae.

Oudtijds werd een proces gevoerd in vormen, die den naam droegen van leyis actiones. Het kenmerkende der legis actiones bestond hierin, dat partijen verplicht waren, hun verlangen in te kleeden in vaste formules, waarvan niet mocht worden afgeweken op straffe van het geheele proces te verliezen. Deze formules moesten mondeling voor den praetor (in iure) worden opgezegd cn gingen vaak gepaard met symbolische handelingen l). Behalve de legis actio eischte de wet der XII tafelen in alle gevallen, die niet met name waren uitgezonderd, een sacramen-

') Cicero deelt, terwijl tij lacht over de omslaclitiglieid der legis actiones, de handelingeu mede, die plaats grepen bij rei vindicatio (handhaving van eigendomsrecht). Hij de vindicatio behoorde het betwiste voorwerp aanwezig te zijn, later was een kluit van den akker, een steen van het hnis, een vlok wol van het schaap voldoende. De eischer zegt bij Cicero: Fundus qui est in agro qui Saltinus vacatur, cum ego ex iure Qiiiritium me am esse aio, inde ego te ex iure manu conserturn voco. De gedaagde antwoordt: nnde tu me ex iure manu conserturn vocasti, inde Hi ego te revoco. Hierop spreekt de praetor: suis wtrisque svperstitibus praesentibus jstam viam dico, mite viam. Nu zonde men zich naar den betwisten akker moeten begeven, doch daar deze werd voorgesteld door de aanwezige kluit, vervolgde de praetor onmiddellijk: „redite viamquot;. In plaats van dezen omhaal had de zaak, meent Cicero, uitstekend als volgt kunnen behandeld worden: „Fundus Sabinus mens estquot;, „Lnmo meusquot; en daarop de uitspraak des rechters (pro Murena 12}.

ocr page 123

109

turn. Beide partijen moesten namelijk ad pontem d. i. in sacro, ; .

in een tempel, een bepaalde som storten, die sacramentum heette f ^ ^ '

(/

en die 50 of 500 asses bedroeg naarmate de waarde der be-;

twiste zaak minder of meer dan 1000 asses was. Later was t. - jjy*-het voldoende borgen (praedes) te stellen. De verliezer verbeurde het geld ten behoeve der schatkist; met het oog op dit sacramentum heette de regelmatige ley is actio,' I. a. per sacramentum.

Waar het niet gevorderd werd sprak men van ttnylegis actio per iudicis arlitrive postulationem. Na de XII tafelen is hieraan nog toegevoegd eene. lejis actio per condictioneia. Deze vorm Avas toepasselijk wanneer eene bepaalde geldsom of eene bepaalde zaak e.v contractu gevorderd werd. Zij kenmerkte zich door eene aanzegging (condictio) van den eischer aan den gedaagde om na 30 dagen voor den praetor te verschijnen ad iudicem capiendum.

Ook hier viel het sacramentum weg.

Hoofdvereischtc bij deze processen was het nauwkeurig opzeggen der voorgeschreven formules. De geringste afwijking deed het proces verliezen. Zoo zegt Gains: eum qui de vitibus succisis ita egisset, ut in actione vites nominaret reperirnus causam perdi-disse, quia delmisset ar Lores nominare. Ten gevolge dezer nimia subtilitas werd achtereenvolgens door de lex AeLutia en door twee leges luliae, denkelijk van Augustus, deze procedure voorde meeste gevallen afgeschaft en vervangen door het proces ver fqrmulam. De partijen waren nu niet meer aan vaste woorden en handelingen gebonden, maar de praetor steldena hen te hebben gehoord, een geschrift op {formula) waarin hij na aanwijzing des rechters de zaak kortelijk uiteenzette en den rechter zijn instructie gaf ').

Het groote onderscheid tnsschen de processen door middel van legis actiones en formulae bestond hierin, dat in het eerste geval de partijen zelve het geding omschreven, en in het tweede de praetor uit de gegevens van partijen het geschilpunt opmaakte

') Gains geeft onder meer de volgende formule; —„index esto. Sigaret Allium Agerium apud Numerium Negidium mensam argenteam deposnisse eamque dolq malo Numerii Negidii Aulo Agerio redditam non esse quantiea res erit, tanta pecunia Numerium Negidium Aulo Agerio condemnato. Si non pa ret absolviio.

ocr page 124

110

en in de formula begrensde. Het formulierproces verschafte dezen bovendien het middel, om den rechter te dwingen in plaats van het ins civile de voorschriften van het ius honorarium aan zijne ^ beslissing ten arrondslaar te leezen. '■

quot; 0 0 00 .■ ert-Cf- (y

' /

c. Het geding.

Ieder proces bestond uit twee afdeelingen: in iure, de behandeling der zaak voor den praetor, etiamp;in iudicio, de behandeling voor den index.

De eischer {actor) moest zelf zijn tegenpartij voor den praetor dagen {in ius vocatio); dit geschiedde mondeling op den openbaren weg door uitdrukkingen als veni in ius, in ius amhula, sequere me ad tribunal. By onwil van den gedaagde kon de eischer hem met geweld voor den praetor brengen {manum ini-~ cere). Hy behoorde dan een of meer voorbygangers tot getuigen aan te roepen (antestatio) met de woorden: licetne antestari, en raakte bij toestemmend antwoord de auricula van den getuige aan.

Voor den praetor gekomen zeide de actor de legis actio op of vroeg een formula. Over de redactie dezer laatste ontstond meestal veel verschil, zoodat dikwijls voor haar definitieve vast-' stelling een tweede verschijning van partyen noodig was. Daar- • toe wees dan de praetor een dag aan, waarop de gedaagde (is cum quo anitur) zich door een borgtocht {vadimonium) verplichtte om te verschijnen. Vadimonium ohire of uistere heette het verschijnen, het wegblijven, onder verbeurte der borgtocht, vadimonium deserere.

De behandeling van een zaak door middel van een legis actio werd gesloten met de litis contestation oorspronkelijk een aanroeping van getuigen door beide partyen, ten einde te laten vaststellen, dat de formaliteiten behoorlijk in acht waren genomen en welke de inhoud der legis actio was, opdat later voor den index omtrent het geschilpunt geen twyfel zou bestaan. In het formulier-proces was deze handeling overbodig, omdat de geschreven formula hiervoor een meer betrouwbaar middel was. Evenwel bleef ook hier het woord litis contestatio in gebruik om aan te duiden het oogenblik van de definitieve vaststelling van het geschilpunt.

ocr page 125

Ill

/ Op den bepaalden dag heeft de behandeling der zaak in iudi-cio plaats. Voor den index, die zich altijd laat bijstaan door eenige, door hem zelf gekozen deskundigen [consilium) verschijnen de partijen met Inm advokaten. Van beide zijden wordt de zaak kort uiteengezet {causae coniectio), daarop volger; het getuigenverhoor, het bijbrengen van bescheiden en ten slotte de pleidooien {causae peroratio). Het vonnis des rechters, sententia, is eerst onder de keizers aan hooger beroep onderworpen. Voor de uitvoering van het vonnis heeft de praetor te waken; volgens de XII tafelen richt zij zich tegen den persoon. De eischer, die zich op het vonnis beroept, sleept de tegen party in ius {rnanus in-iectio), zegt daar eene bepaalde formule {lef/is actio per manus iniectionem) op, en ontvangt vergunning den iudicatus te gijzelen,

tenzij een derde liet bestaan van een vonnis bestrijdt (vindex).. De gijzeling moet zestig dagen duren. Heeft zij niet ten gevolge, dat den eischer het verschuldigde betaald wordt , dan heeft hii het

_ _ , t 1 » ! CW-VCik- ' •' '

reent den iudicatus te dopden of als slaaf trans Tiberim te ver-koopen. Dit strenge recht werd sedert de lex Poetelia (pag. 25)

door toedoen des praetors vervangen door beslag en verkoop van het geheele vermogen van den veroordeelde {miséio in bona)

gevolgd door bonorum venditio.

§ 4. Indicia public a.

a. Delicta publica. Qnaestiones perpetuae.

Het gedeelte van het recht, dat betrekking had op de misdrijven tegen den staat en de veiligheid der burgers werd te Rome bedorven door de inmenging der politieke partijen, die van het recht om te straffen, dat den staat toekwam, zooveel mogelijk gebruik maakten, om tegenstanders onschadelijk te maken. De grenzen tusschen delicta publica en delicta privata waren volstrekt niet scherp getrokken, evenmin bestond er een nauwkeurige indeeling der misdaden '). Zelfs sedert de quaesti-

1) Een woord geheel overeenkomende met ons „misdaadquot; hebben de Romeinen langen tijd niet gehad; delirium publicum is een woord van den keizertijd. Nog bij Cicero beteekent crimen niet de misdaad als zoodanig maar beschuldiging, pnnt van aanklacht: teneri, accusari crinline aliqiio.

ocr page 126

112

ones perpetuae werden dikwijls ongelijksoortige misdaden onder één wet vereenigd, zoodat meermalen aanklachten en misdrijven niet met lum eigen naam werden aangeduid maar met dien der wet waaronder zij vielen: b. v. in plaats van caedes: teneri, accusari leye Cornelia de sicariis.

De erimineele rechtspraak, die evenals de civiele bij den koning had berust, werd tijdens de republiek uitgeoefend door het volk in zijn verschillende vergaderingen. Herhaaldelijk benoemde echter het volk tot het onderzoeken (quaerere) van en het vellen van een vonnis over een misdrijf, een commissie (quaestio), waarvan dan de senaat den voorzitter aanwees. Deze tijdelijke rechtbanken gaven het denkbeeld aan de hand om voor bepaalde misdrijven vaste hoven op te richten, een maatregel, die sedert de vergrooting van den staat na 89 noodzakelijk werd. Het eerste hof van dien aard was de quaestio perpetna de repetundis door de lex Ualpurnia (149) van den tri-hunus pi. L. Calpurnius Piso Frugi in 't leven geroepen, omdat afpersing, een misdaad alleen tegen provincialen gepleegd, in hot volk een veel te genadigen rechter vond. Enkele andere quaestiones volgden, maar eerst Sulla onttrok de geheele erimineele rechtspleging aan het volk door ze aan quaestiones perpe-tuae te brengen. Tijdens Cicero komen de volgende qtiaestioms perpetuae voor: inter sicarios (moord), veneficii (vergiftiging), falsi (vervalsching), maiestatis (hoogverraad), ambitus (kuiperij bij verkiezingen), repetundarum (knevelarij),/'eraamp;ite (verdtiiste-ring van staats- en tempelgoederen), de vi (geweld). Deze namen duiden alleen de voornaamste misdadeii aan, die voor een quaestio perpetuak werden behandeld. De quaestio inter sicarios nam niet alleen kennis van moord maar ook van brandstichting en om-kooping, de quaestio falsi van valschheid in geschriften en bovendien van valsche munterij, meineed en het verleiden tot meineed.

De leden eener quaestio perpetua, het consilium, werden genomen uit den senaat. Daar evenwel de onpartijdigheid dei-senatoren, vooral bij de processen de repetundis, om licht te begrijpen redenen, veel te wensehen overliet, bepaalde C. Gracchus door zijn lex Sempronia iudiciaria (123), dat jaarlijks een lijst van rechters {album iudicum) moest worden opgemaakt uitsluitend uit den ridderstand. Door deze wet won hij de equites,

ocr page 127

113

maar de rechtspraak verbeterde er niet op, omdat nu de schaal geregeld oversloeg ten voordeele der equites, de pachters der belastingen. De lex Servilia (106) van den consul Q,. Servilius Caepio stelde voor korten tijd het allum iudicum samen uit senatoren en equites. De lex Plautia (89) liet iedere tribus 15 indices uit haar midden kiezen, zoodat het geheele getal 525 bedroeg. Kort daarop bracht Sulla door zijn lex Cornelia (89) de rechtspraak weer in handen van den senaat. De lex Aurelia (70) van den praetor L. Aurelius Cotta deed het album iudicum bestaan uit drie decuriae, uit drie standen genomen: senatores, equites en trihuni aerarii (pag. SSjT De laatsten werden door een lex lulia (46) van Caesar geschrapt; Antonius stelde in 43 weer een derde decuria in, bestaande uit centuriones en veterani, die reeds het volgende jaar werd afgeschaft.

Het getal der in het album opgenomen personen heeft in verschillende tijden afgewisseld tusschen 300, 450 en 600. Sedert de lex Aurelia (70) werd het album jaarlijks opgemaakt dooiden praetor urbauus volgens de vigeerende leges iudiciariae. Voor iedere nieuwe zaak- werd door den voorzitter der quaestio door sortitio uit het album een rechtercollege gevormd. Het aantal leden van iedere quaestio .werd bepaald door de wet, die haar had ingesteld of gereorganiseerd; het hoogste getal, dat ' medegedeeld wordt, is 75, het geringste 32. Er werden evenwel boven het vereischte getal indices nog zooveel uitgeloot als aanklager en beschuldigde mochten wraken (reicere). Wanneer tijdens het proces rechters uitvielen, wegens ziekte of benoeming tot een magistratuur, werd het consilium door sub,'sortitio aangevuld. De indices spraken alleen schuldig of onschuldig uit; de quaestioues perpetuae droegen derhalve dus geheel het karakter der tegenwoordige rechtbanken van gezworenen.

Het voorzitterschap eener quaestio werd waargenomen door den praetor, die daartoe bij den aanvang van zijn ambtsjaar door het lot was aangewezen. Soms overtrof het getal der .quaestioues dat der beschikbare praetoren of werd wegens den toevloed van rechtszaken een quaestio in verschillende afdee-lingen gesplitst. In die gevallen werd uit de aedilicii van 't vorige jaar een voorzitter uitgeloot, die dan den titel droeg van iudex quaestionis. In inre moest echter de zaak altijd geleid

8

ocr page 128

114

worden door een praetor. De voorzitter stemde niet mede en legde, daar hij magistraat was, den eed niet af.

b. Het proces voor de quaestiones perpetuae.

-jïen aanklager van staatswege kenden de Romeinen niet. Ieder bnrger, die sui iuris was en geen indicium, turpe te zgnen laste had, kon bij de quaestiones perpetuae aanklagen. Velen spoorde do belooning aan, die de staat uitloofde, gewoonlijk het vierde deel van het vermogen des veroordeelden. Zulke aanklagers van beroep (quadruplatores) waren veracht, daarentegen gold het voor eervol iemand te doen veroordeelen in een voor den staat gewichtige zaak. De aanklager moest zweren, dat liij niet val schel ijk (calumniae causa) aanklaagde; den calumniator werd volgens de lex llemmia de letter Kialumniator) op 't voorhoofd gebrand. Eveneens was praevaricatio, het heulen van den aanklager met den aangeklaagde, strafbaar.

De aanklager moest zich tot den praetor wenden om van hem vergunning tot een aanklacht te bekome» [postulatio). Wanneer tegelijkertijd verschillende aanklagers zich aanmeldden om afzonderlijk tegen denzelfden persoon op te treden wegens 'tzelfde misdrijf, dan besliste een gerechtshof, waarvan de praetor, bij wien de aanklacht was ingebracht, voorzitter was, na hen te hebben gehoord, wien hij tot de aanklacht zou toelaten. Deze handeling heette divinatio.

Was de aanklager toegelaten, dan reikte hij een geteekende acte van beschuldiging in (riominis delatio). Gewoonlijk waren er medeaanklagers {sub script or es), die ook de aanklacht moesten onderteekenen (suhscriptio). Daarop volgde het verhoor Qnter-rocjatio) van den aangeklaagde door den praetor, die, als het hem wensehelijk voorkwam, de zaak op de rol bracht (nominis receptio) en tevens den dag van het proces bepaalde. Hiermede was de behandeling in iure afgeloopen en begon de behandeling in iudicio.

De rechtszitting heeft plaats op het forum of in een basilica.-De praetor is gezeten op zijn sella curulis op het tribunal, om hem heen zitten op subsellia de gezworenen. Eveneens nemen op subsellia plaats de aanklager, benevens de aangeklaagde {reus)

ocr page 129

115

met zijn advokaten {patrom) en vrienden. Zoodra iemand reus

wordt trekt hij in den regel rouwgewaad aan {toya pulla) ■ c

en laat baard en hoofdhaar groeien (sordidus, srptalidus). De

aanzienlijke vrienden, die hem vergezellen, [advocatï) wenschen

door hun tegenwoordigheid het hof tot een gunstig oordeel te

stemmen.

Het eerst spreekt de beschuldiger, daarop de beschuldigde of diens advokaten. De tijd voor aanklacht en verdediging is beperkt binnen zekere grenzen {tempus legitimum). Zoowel tijdens als na de pleidooien kunnen schriftelyke bewijzen worden byge-bracht of getuigen worden gehoord. Op de pleidooien volgt een wisseling van vragen en antwoorden (altercatió) tusschen beide partijen. Ten slotte kunnen ten gunste van den reus, zoowel door aanzienlijke burgers als uit naam van provincies, laudationes op den aangeklaagde worden gehouden.

Hierop vraagt de voorzitter of de indices voldoende zijn ingelicht. Wanneer maer dan een derde in ontkennenden zin antwoordt (siii nou liquere) door te stemmen met N(on) L{iquet),

dan moet het geheele geding op nieuw worden gehouden (am-pliatio) '). Er kunnen verscheidene ampliationes plaats hebben.

Zoo echter twee derde der gezworenen verklaren, dat zij in staat zyn een vonnis te vellen, wordt tot stemming overgegaan. Zy, die een N. L. hebben uitgebracht, blijven buiten stemming. Ieder gezworene ontvangt een met was bestreken tafeltje, aan den eenen kant voorzien van de letter A(hsoho) aan den anderen kant van de letter U(pndem.no). Na een dier letters te hebben uitgewischt,

werpt hij de tahella in een urn (sitella) -). De voorzitter opent de stembus en maakt den uitslag bekend. Meerderheid van stemmen beslist.

De lex Servilia (lli) schafte de ampliatio yoor de quaestiones de repetundis af, en stelde de comperendinatio in. Tengevolge daarvan moest de zaak in twee zittingen worden behandeld,

minstens door één dag gescheiden. Sedert de lex Aurelia (70)

is er noch van ampliatio noch van comperendinatio meer sprake.

1) De stemming omtrent het N. L. geschiedde hoogst waarschijnlijk mondeling.

2) Volgens anderen ontvangt de rechter een hlanco tafeltje en heeft hij dus de letter zelf te schrijven.

Ss

ocr page 130

116

Wanneer de aangeklaagde schuldig was bevonden, begon een nieuwe handeling in iure. Dan bepaalde de praetor de straf overeenkomstig de bestaande wetten, meestal aqua et igni interdict io. Zoo de straf uit een boete bestond of door schadevergoeding was verzwaard, bepaalde de praetor, gewoonlijk ter zijde gestaan door een deel van het consilium, het bedrag (litiH aesti-matió).

c. Straffen.

In den oudsten tijd komen voor burgers slechts twee straffen voor: doodstraf {poena capitalis) en geldboete (imdta). De gewone vorm der doodstraf was onthoofding, voorafgegaan door geeseling, (virgis caedi securique ferirï). * Met deuxlio de rupe Tarpeia werden zij gestraft, die zich aan de vrijheid des volks hadden vergrepen (zoo Sp. Cassius Viscellinus en M. Manlius Capitolimis) later ook overloopers, weggeloopen gijzelaars, slaven en vrijgelatenen, die hun meester of patroon hadden verraden. Vooral in de rechtspleging der trib. plehis speelt het werpen van de Tarpeische rots een groote rol. Yan worging (strangulatie) wordt alleen gewag gemaakt by het voltrekken van het doodvonnis aan de C'ofö/Manï.i Vadermoordenaars wer

den iu een leeren zak (culleiis) genaaid in den Tiber geworpen, opdat noch het land, noch de lucht, noch het water door hen zou worden bezoedeld. In den keizertijd werden in dien zak ook een hond, een aap, een slang en een haan gesloten. - De gewone straf voor slaven was het kruis,- waaraan in do provincies ook misdadigers van geringen stand werden geslagen.

Oudtijds toen alleen de comitia in halszaken oordeelden en uitsluitend een overheidspersoon kon aanklagen werd zoo het schijnt de beschuldigde terstond in hechtenis genomen, tenzij hij een borg stelde. Langzamerhand werd het gebruikelijk den aangeklaagde op vrije voeten te laten; vooral toen bij de quaestiones perpetuae ieder burger het recht van aanklacht kreeg, scheen voorloopigc hechtenis onbillyk. Tun gevolge hiervan kon de beschuldigde voor het vonnis geveld was en, sedert de quaestiones peipetuae, zelfs na het uitspreken van het vonnis, zich dooide vlucht aan de doodstraf onttrekken (exsilium, solum vertere

2

ocr page 131

117

exsilii causa l). De vrijwillige ballingschap werd soms bij volks-besluit tot een levenslange gemaakt met verlies van alle burgerschapsrechten , door over den voortvluchtige de aqua et icjni quot;

interdictio uit te spreken. Of deze bevestiging steeds plaats greep en onder welken vorm zij geschiedde is onbekend, maar feitelyk was in dit geval de a//ua et iyni interdictio in agro Romano steeds van kracht. Het exdliu.ni werd nu ook als poena capitalis beschouwd en aldus genoemd. Langen tijd werd geen enkel misdrijf door de wet met ballingschap bedreigd. Daarom kan Cicero zeggen exsilium non supplicium est, sed refugium portitsque supplicii. Hy zelf stelde voor het eerst door zyn lex Tullia (63) ballingschap als straf op ambitus.

De Romeinsche ballingen moesten den ager liomanus myden.

Zy konden zich dus in een naburige stad b. v. Tibur of Praeneste,

ophouden en bij de slechte inrichting der politie slopen zij zeker dikwijls te Rome rond. Maar na den bondgenootenoorlog moesten zij Italië verlaten. Bij voorkeur hielden zy zich toen op te Massilia oï te Athene; daar waren zy volkomen vrij, zoodat de grootste misdadigers in den regel over de strengheid der wet niet hadden te klagen.

De co» lit ia legden in den oudsten tijd dikwijls geldboete als straf op. Later komt boete als straf voor delicta puhlica zelden voor. De lex üalpurnia (67) stelde boete op ambitus. Menigmaal 'quot;l'-

werd de doodstraf verzwaard door verbeurdverklaring van het ' ^

vermogen. Gevangenisstraf werd niet toegepast. Eerst onder de keizers werden verschillende misdrijven met gevangenis gestraft. Eerloosheid (infamia) werd zelden uitgesproken, maar een crimineele veroordeeling werd als een iudicium turpe beschouwd.

') Waarsehijiilijk werd de doodstraf ten allen tijde toegepast, maar maakte men ondersclieid des persoons. Misdadigers uit het volk werden gegrepen en door de ïllviri capitales gevonnisd. Onder de keizers werd deze Ijevoor-recliting der honestiores boven de humiliores onomwonden uitgesproken.

io - ^ ^-1 i ■/; z'.

- - - i-' * . ■ '-u-- hjuhi

^ ...... _

L_-_______Kb

ocr page 132

HOOFDSTUK VIII.

EEREDIEN ST.

§ 1. Godenleer.

a. Nationale godheden.

De Romeinschc eeredienst was volgens de overlevering een schepping der koningen, die in hun handen wereldlijke en geeste-lijke macht vereenigden. Ook tijdens de republiek was de eeredienst een tak van het staatsbestuur; de priesters waren dienaren van den staat, de tempels met hun kassen en gronden waren staatseigendom.

Een godsdienstig leerstelsel kenden de Romeinen niet. In het algemeen hielden zij zich weinig op met godsdienstige bespiegelingen. Zij vereerden en ontzagen de goden vooral als de beschermers hunner stoffelijke belangen en hun heerschappij over de wereld beschouwden zij als een belooning voor de nauwgezetheid, waarmede zoowel de burgers als de staat zich van de vereering der goden kweten.

Daarom miste ook de Eomeinsche godenleer den dieperen zin en den dichterlijken tooi van die der Grieken. De goden der Romeinen, vooral de hoogere, waren sombere, abstracte wezens. Een eigen mythologie hebben de Romeinen zoo goed als niet gekend en bijna twee eeuwen lang stelden zij hun goden niet door beelden voor, maar door zinnebeelden b. v. luppiter door een steen, Mars door een lans.

De samensmelting van de bevolking van den Quirinalis met die van den Falatinus (pag. 2) is vooral te herkennen door de veranderingen in den eeredienst. Sedert deze vereeniging week lanus.

ocr page 133

119

de hoofdgod van den Talatinus, meer en meer terug voor Inp-piter, die de beschermer werd van liet vereenigde volk. Mars en Quirinus, identieke godheden, de eerste van den Pttlatinvs, de tweede van den Quirinalis, traden op als de politieke vertegenwoordigers van beide deelen en kregen ieder een afzonderlijken priester. Naast de palatijnsche salii van Mars kwaraert; de salii Arjonales van Quirinus; de colleges der pontijices en awjures alsmede het getal der Vestaalsche maagden werden verdubbeld.

De aanraking met de Etrnscen heeft op het wezen van den Eomeinschen eeredienst weinig invloed uitgeoefend.

Aan het betrekkelijk klein getal der goden word een buitengewone uitbreiding gegeven door het zoogenaamde indujitare. Dit was een wijze van bidden, waarbij een of meer goden werden aangeroepen, niet in 't algemeen, maar met bijvoeging van die eigenschap of eigenschappen, waarvan men in een gegeven geval hulp verwachtte. Daar men spoedig vergat aan welke goden deze eigenschappen waren toegeschreven, werden zij allengs ge-personificeerd, en traden zij op als zelfstandige goden. Bij het aanroepen der Iterduca herinnerden zich misschien sommigen, dat het eigenlijk luno was tot wie men bad om het kind te geleiden; het mocht nog aan enkelen bekend zyn, dat Stercutus of Sterculinius, de god der bemesting, oorsproukely k een attribuut was van Saturnus, de levenwekkende kracht van den aardbodem; maar de oorsprong der meeste aldus ontstane goden geraakte geheel in vergetelheid. Tengevolge hiervan kon de leer der pontijices ontstaan: singulis actibus proprios deos praeesse, waardoor het getal godheden tot in het oneindige werd vermenigvuldigd. Zoo hielpen Xumeria eu Gamena het kind bij het rekenen en zingen, en versterkte Minerva het geheugen; zoo maakte men Bubona tot de godheid van de runder-, Epona van de paardenfokkerij, stelde de bijenteelt onder bescherming van Mellonia, de cardo onder die van Cardea enz. Hiermede stond in verband het vereeren van abstracte denkbeelden als persoonlijke godheden: Aequitas, Concordia, Fides, Honor, Spes, Virtus, Terminus, Pax en vele andere.

De uitbreiding van den godenkring door het indigitare kwam mettertijd tot staan. Er werden nog tempels gebouwd voor Aius

ocr page 134

120

Locntius, de stem, die de nadering der Galliërs had verkondigd, en voor den deus rediculns, die Hannibal had gedwongen om voor Eome om te keeren; bij de invoering van de koperen munt ontstond een deus aesculanus, by het slaan der zilveren munt in 269 een deus aryentinus, maar toen in 217 voor het eerst gouden munten in omloop werden gebracht, was deze eigenaardige wijze om goden te scheppen reeds minder gebruikelijk, want een deus aurinus hebben de Romeinen niet gehad.

Het beginsel, dat aan het indigiteeren te gronde lag, deed zich echter steeds gelden. De leer, die de werkingen der godheid tot in de kleinste bizonderheden zocht vast te stellen, moest ook erkennen, dat er nog onbekende of ten minste te Eome niet vereerde goden waren. Om geen god voorbij te gaan, werden derhalve dikwijls allo onbekende goden gezamenlijk aangeroepen met de formule: sive deus sive dea of quisqnis es of sive quo alio nomine fas est appellare. Dit beginsel leidde van zelf tot groote verdraagzaamheid jegens vreemde eerediensten en vermeerderde herhaaldelijk het aantal goden van den staat.

Niet zonder uitwerking op den eeredienst was de veranderde toestand van den staat, die een gevolg van de vermeerderde rechten der plebejers. De patriciërs hadden alleen het ius sacro-rum, konden alleen avspicia jiuhlicit honden en priesters zijn der goden van den staat; de plebejers hadden slechts een private vereering der Eomeinsche goden. Dezen scheidsmuur wilde Tar-quinius Superbus opheffen door op den Capitolinus een tempel te stichten aan luppiter, luno en Minerva gewijd, die een binten de patricische gemeente staand, godsdienstig middelpunt zou zijn voor alle burgers van den [staat, en ten minste uiterlijk een eenheid tot stand bracht.

b. Uitheemsche godheden.

De godenkring werd herhaaldelijk uitgebreid door het opnemen van enkele Italische godheden, vooral tengevolge der Eomeinsche veroveringen. Het was een overtuiging der Eomeinen, dat een belegerde stad alleen kon worden ingenomen, wanneer zij door haar beschermgoden was verlaten. Daarom trachtten zij in den ouderen tyd de goden eener belegerde stad door beloften tot zich

ocr page 135

121

te lokken, zooals de Inno van Veii. De sacra eener veroverde stad,

die steeds ten laste der ovenvinnaars kwamen, lieten de Romeinen soms onder hun toezicht op de oude plaats voortbestaan, soms plantten zij ze naar Rome over. Deze nieuwe eeredieusten werden door den staat in den regel van een tempel, die evenwel buiten het pomerium lag, en een dotatie voorzien en aan de zorg -

van de familie van den veroveraar toevertrouwd. In tegenstelling met de oud-romeinsche godheden {di patrii of di indigetei)

heetten de later ingevoerde di novensides of di pevegrini.

Het invoeren van eenige Italische godheden was evenwel van weinig heteekenis, vergeleken met de omkeering, die de Griek-sehe godenleer in den Romeinschen eeredienst te weeg bracht.

Door het toenemend verkeer met de steden van Groot-Grieken- t

land waren de Romeinen gemeenzamer geworden met Grieksche denkbeelden, maar de snelle verbreiding van den Griekschen eeredienst is alleen toe te schrijven aan de Sibyllijnsche boeken.

Het kan als zeer waarschijnlyk beschouwd worden, dat deze boeken, die Tarquinius Superbus van de Sihijlla van Cumae zou gekocht hebben, een verzameling van orakels behelsden, in den omtrek van Erythraf (KI. Azië) ontstaan en vandaar naar Cumae gekomen. Tarquinius liet de Sibyllijnsche boeken in een gewelf van den tempel van luppiter Capitolinus neerleggen en benoemde een priestercollege, de Tlviri sacris faciundis, om ze te raadplegen. Dit geschiedde alleen bij buitengewone rampen, ter bezwering van den toorn der goden. (§ 3. d.)

De Sibyllijnsche boeken kenden natuurlijk alleen de Grieksch-Aziatische goden, en de door hen verordende vereering gold alleen deze. Aldus werd een geheel nieuwe eeredienst ingevoerd en brachten sommige staatspriesters offers ritu Romano, andere ritu Graeco. Het geheele Grieksche godenstelsel werd langzamerhand te Rome ingeburgerd en verdrong op den duur den dienst der echt-Romeinsche goden. De eeredienst van Apollo, een den Romeinen geheel onbekenden god, behoorde sedert de invoering der ludi Apollinares (212) tot de gewichtigste en schitterendste eerediensten van den staat.

Aan den anderen kant werd door de Sibyllijnsche boeken de gelijkstelling der plebejers met de patriciërs op godsdienstig gebied voorbereid. Aan al de door hen bevolen eerediensten

HF •

UvC v-vgt;^-

ocr page 136

122

nam de geheele burgerij deel, en toen dus de plebejers, bij het toenemen hunner politieke rechten, ook tot de invloedrijke priesterambten wensehten te geraken, viel het den patriciërs gemakkelijker hun eischen in te willigen, nu zij reeds toegelaten waren tot de vereering van het meerendeel der goden van den staat. Toen de lex Licinia-Sextia (367) den plebejers toegang verleende tot het colleyium der XwW sacris faciundis en de lex Oyulnia (300) tot dat der pontijices en augures, waren, evenals in den beginne, wereldlijk en geestelijk gezag weder vereenigd, maar met dit onderscheid, dat niet de wereldlijke macht op de geestelijke, maar omgekeerd de geestelij kc macht op de wereldlijke berustte.

Sedert de Punische oorlogen begon de Romeinsehe staatsgodsdienst in verval te geraken. Zeer velen kon het geloof der vaderen niet meer bevredigen en op het voetspoor der Grieken begonnen de Romeinen te philosopheeren over godsdienstige onderwerpen. Ongelukkigerwijze namen zij niet tot leidslieden de Grieksche wijsgeeren uit den goeden tijd, maar de lateren. Ennius vertaalde de hps. avayoayvj van Euhemerus (± 300), waarin breedvoerig de stelling werd ontwikkeld, dat de goden slechts voortreffelijke menschen waren geweest en de mythologie werd verlaagd tot een reeks van avonturen. Deze platte opvatting vond gereedelyk ingang by de Romeinen en werd spoedig door hen op hun eigen godenleer toegepast. Zoo gingen de godsdienstige meeningen der burgers en de godsdienst van den staat steeds verder uiteen. De pontifex maximus Q,. Mucins Scaevola (consul 95), erkende, dat er drie soorten van goden waren: die der dichters, die der wijsgeeren en die van den staat; hy verklaarde zieb echter in elk geval voor de laatsten en beschouwde een kennismaking met de beide eersten als ver-(Jerfelijk voor het volk.

Bovendien was het aanzien der priesters gedaald, omdat men aan. sommigen van hen, met wier waardigheid dit vroeger on-vereenigbaar was geacht, het bekleeden van staatsambten had moeten toestaan, en niet minder sedert de coöptatie feitelijk was afgeschaft en de geestelijke waardigheidsbekleeders zoo goed als de wereldlijke door het volk werden gekozen (pag. 43). De onverschilligheid en onwetendheid der priesters deden het overige.

ocr page 137

123

Cicero klaagt, dat de augures de leer der auepicia niet meer kenden en ze alleen tot politieke doeleinden gebruikten, d. i. misbruikten. De tempels vervielen, vele eclit-Eomeinsclie goden geraakten geheel in vergetelheid; de overigen werden met Grieksche godheden geïdentificeerd: luppiter met Zetis, luno met Hera, Diana met Artemis, Liber met Bacchus, Venus met Aphrodite. Wat eens Cato bij zijn ijveren tegen de Grieken had voorspeld, quandoeunque ista yens suas litter as dabit, omnia corrumpet, was volkomen vervuld.

Toen het voorvaderlijk geloof in minachting was geraakt, zochten de ernstige lieden hun toevlucht by de stelsels der Grieksche wijsgeeren van de meest uiteenloopende richting. De leer der stoïcijnen, die in veel opzichten met het Romeinsche karakter strookte, vond' de meeste aanhangers, vooral onder de staatslieden. De groote menigte wendde zich liever tot de zinnelijke Oostersche eerediensten. Eeeds in 204 had de staat op raad der Sibyllijnsche boeken den wilden dienst van Cybele [Magna Mater'), naar Romeinsche toestanden gewijzigd, opgenomen. Omstreeks denzelfden tyd verbreidde zich ook de dienst van Isis, en ofschoon hij nog in 58 door den senaat als een tinpis reliyio werd gebrandmerkt, werd hij niet alleen niet uitgeroeid , maar vonden ook de andere Aegyptische godheden vurige geloovigen.

§2. Inrichting van den eeredienst.

a. Sacra privata.

•

De vereering, die ieder burger, iedere vereeniging en de staat zelf den goden schuldig is, bestaat in heilige handelingen (sacra) van verschillenden aard. De sacra van de familie en van de ffe7is zijn sacra privata, die van den staat zijn sacra publica.

Het middelpunt van den huiselijken godsdienst vormen de penates en de lar. De penaten (penus) zijn de beschermgoden der voorraadskamer {cella penaria); onder hun hoede staat dus de welvaart van het huis, waarvan de spijskamer getuigt. De haard, die zich oudtijds bevond in de zaal, wier wanden zwart

ocr page 138

124

werden van zijn rook, het atrium, is hun altaar. Zij komen geregeld voor ten getale van twee.

Uit het geloof der Eomeinen, dat de zielen der afgestorvenen in de onderwereld als goddelijke wezens (dii manes) voortleefden, ontwikkelde zich de dienst van den lar. In den lar familiar is vereerden zy den stamvader van het gezin, die de genius ') is van den heer des huizes en als zoodanig voor de instandhouding der familie waakt, leder huis heeft slechts één lar 2). Het sacrarium of lararium, waarin het beeld van den lar werd bewaard, bevond zich in het atrium; toen haard en keuken naar het achtergedeelte van het huis werden verplaatst, had de lar geen vaste plaats meer. Zijn vereering was diep by de Eomeinen ingeworteld, en duurde zelfs in den christelyken tijd voort.

De huisvader verricht als priester van het gezin geregeld het morgengebed, het gebed aan tafel en offert een gedeelte van den maaltijd aan den lar. De sacra van het gezin gaan over op den erfgenaam van den pater familias; vandaar beteekent here-ditas sine sacris, een onvermengd geluk. w •'lt; •• ' ,f'£ 1 ' •

Iedere patricische getts had sacra (jentilicia en gemeenschappelijke begraafplaatsen, die ook bizondere sacra vereischten. Gewoonlijk had de yens een sacellum, waarin een uit haar midden gekozen jlamen de noodige offers verricht. Wanneer met het uitsterven eener gens, aan welke sacra puhlica waren toevertrouwd, deze sacra zouden te niet gaan, zorgde de staat intijds voor de instandhouding, door aan de overblijvende leden dier gens nieuwe leden voor de sacra .toe te voegen en dus de gens te veranderen in een godsdienstige broederschap, een zoogenaamde sodalitas. Ook werd wel by het invoeren van nieuwe eerediensten terstond zulk een sodalitas of collegium opgericht.

») Alles wat bestaat heeft een genius, beschermgeest: het huis, de stad, de staat, ieder mensch, iedere vereeniging, het geheele volk. Men offerde aan zijn genius op zijn verjaardag en bij andere blijde gelegenheden, vandaar uitdrukkingen als genio indulgere, genium curare, placare.

') Toch wordt er soms van lares gesproken. Dit komt misschien omda^ dikwijls in het sacrarium de beelden der penates en dat van den lar ver-eenigd werden, zooals bewaard gebleven beeldhouwwerken te zien geven.

ocr page 139

125

dat dan geldelijk door den staat werd ondersteund. Deze soda.

litotes Melden den hun toevertrouwden eeredienst in stand, en kwamen bijeen voor gemeenscbappeiyke offers en feestmaaltijden.

De naam collegium werd later voor deze broederschappen het meest gebruikt; de vier voornaamste priesterschappen droegen hem bij uitnemendheid.

Behalve deze collegia waren er nog drie andere soorten van vereenigingen met min of meer godsdienstig karakter, die ook aldus heetten, maar van de bovengenoemde hierin verschilden,

dat haar eeredienst een private vereering was, niet van den staat, en dat zy bovendien nog een ander doel hadden:

1°. de collegia, opijicum, de handwerkslieden, die allen in negen vereenigingen waren ingedeeld en in veel opzichten overeenkwamen met de gilden, die immers ook altijd een beschermheilige hadden; rj

2°. de collegia sodalicia, politieke vereenigingen, met onze , kiesvereenigingcn te vergelijken, in 64 bij s. c. verboden, doch in 58 door een lex Oiodia weer toegelateji; J^lgt; ^

3°. collegia, die de instandhouding van een eeredienst be-doelden, en die door den staat niet werden ondersteund, maar erkend waren. Tot deze soort behoorde de vereeniging ter viering der Bacchanalia, die in 186 by s. c. werd opgeheven.

b. Sacra publica.

■ / Er waren twee soorten van sacra pullica:,1 sacra popularia en -sacra pro populo. De sacra popularia werden door de bur-gerij gevierd; het waren de eigenlijke volksfeesten, meest uit den vroegsten tijd afkomstig en voornamelijk betrekking hebbende op landbouw en veeteelt. Zij hadden ten doel den zegen der goden af te smeeken over het geheele volk, voor den voor-- spoed van het gezin en de vruchtbaarheid der akkers, en tevens hun toorn af te wenden voor wat mocht zijn misdreven. Tot deze feesten behoorden:

1°. het Septimontium, dat reeds gevierd werd, toen Eome nog beperkt was tot de zeven oudste heuvels (pag. 2);

2°. het overoude feest der Ar gei, bestaande in een plechtigen optocht, waarbij op den pons suhlicius werd geofferd en vier

ocr page 140

126

en twintig stroopoppen in den Tiber werden geworpen. Het offer op de brug werd beschouwd als een zoenoffer terwijl de poppen mensehenoffers heetten te vervangen;

3°. de sacra der curiae. De leden der curiae vierden twee feesten: de Fornacalia [farris torrendi ferine) ter eere der dea Fornax, . en de Fordicidia, waarbij een drachtige koe werd geofferd voor de vruchtbaarheid van het jaar. Degenen, die niet wisten tot welke curia zij behoorden, of verzuimden het offer van hun curia bij te wonen, konden aan hun verplichting voldoen op den laatsten dag van het feest, die daarom stultormn. feriae heette.

4°. de Paganalia, feesten door de bewoners der pagi gevierd, waartoe behoorden de Sementivae en de Ambarvalia, landbouw- . feesten; verder de Terminalia ter eere van Terminus, den beschermer der grenssteenen; de Compitalia door de bewoners dei-wijken van de stad gevierd ter eere der beide lares cqnipitales, -de beschermers der kruiswegen; de Var ilia of Pal ilia., een rei-nigingsfeest op den 21s,cn April, den stichtingsdag der stad. Oorspronkelijk was het een herdersfeest, maar spoedig werd het door de geheele bevolking meegevierd.

11 De sacra pro populo waren het belangrijkste gedeelte van den eeredienst, in naam van het geheele volk, op kosten van den staat gevierd om den zegen der goden voor het bestaan en den voorspoed van den staat te behouden. De burgers woonden de heilige handelingen by als toeschouwers en, hoewel dus strikt genomen hun tegenwoordigheid geen vereischte was, waren de dagen, waarop de sacra van den staat gehouden werden, feestdagen, op welke de gewone bezigheden verboden waren, zoodat ieder persoonlijk by de plechtigheid tegenwoordig kon zyn. Behalve de bovengenoemde volksfeesten zijn al de talrijke in den Romeinschen kalender opgeteekende feesten sacra pro populo.

Evenmin als het volk in het algemeen samenkwam tot onderlinge stichting, was ook de tempel een verzamelplaats der ge-loovigen. De Eomeinsche tempel was een woning van den god, waaraan hy gewijd was, in den regel uitsluitend toegankelijk voor zijn dienaren, d. i. de priesters. De burger verrichtte gewoonlijk zijn godsdienstoefeningen t'huis, maar in bizondere gevallen, b. v. wanneer hy de gelofte had gedaan een bepaalden god een offer te brengen, kon hy dat doen in een staatstempel.

ocr page 141

Hij moest zich dan aan de voorschriften van den tempel honden, en voor 't gebruik der offergereedschappen betalen, hetzy met een deel van het offerdier, hetzij met een vaste geldsom.

Sommige tempels hadden hun eigen priesters, zooals de tempel van Vesta en de tempels der door den staat opgenomen vreemde goden, maar bij do meeste was dit niet het geval. Een regelmatige eeredienst werd in deze tempels niet gevierd; voor het gebouw zorgde een tempelbewaarder (aedituus).

De eeredienst bestond in offers, gebeden^ liederen, dansen, optochten, feestmalen en spelen. Het middelpunt van iedere heilige handeling was een offer {saerijiciuni). Er werden onbloedige offers gebracht, die in vruchten {primitiaè), spijzen {dupes), offerkoeken (lifm), melk, wijn, honig bestonden of dierenoffers. Welk dier in bepaalde omstandigheden moest worden geofferd, was nauwkeurig voorgeschreven. Het offer was altijd vergezeld van een gebed en werd onder eerbiedig zwijgen der omstanders (favete Imjuis) verricht. Opdat de offeraar geen ongunstig voorteeken zon zien of hooren, omhulde hij by den ritus Romanus in den regel het hoofd, en een tibicen blies de fluit. Een offer volgens den ritus Graecus werd begeleid door de lyra en de offeraar droeg een lauwerkrans.

Spelen werden gewoonlijk gegeven ten gevolge eener gelofte (Jiidi votivi). Soms werden zij geregeld alle jaren herhaald. Tijdens de republiek ontstonden er zeven vaste spelen: de ludi Romani, plehe.ii, Ceriales, Apollinares, Megalenses, Florales en victoriae Sullanae. Het godsdienstig ritueel bij de spelen werd geregeld door de verschillende priestercolleges; zij werden uit naam en op kosten van den staat gegeven door magistraten (pag. 74. 85). Dje^oudste spelen waren/ludi circenses (de drie eerste der bovengenoemde), paarden- en wagenrennen, verbonden met gymnische wedstrijden. In 364 werden uit Etrurië ter bezwering eener pest de,/ludi scenici ingevoerd, die door Livius Andronicus (240) tot geregelde tooneelvoorstellingen werden ontwikkeld. Hiertoe behoorden de laatste der bovengenoemde.' Ludi yladiatorü, eveneens uit Etrurië afkomstig, werden eersïsedert 204 gehouden door particulieren bij lijkfeesten {ludi funebres). Men stelde zich namelijk voor, dat de schimmen der afgestorvenen (jncme.s) door bloed bevredigd werden. In de laatste eeuw

ocr page 142

128

der republiek werden zij ook door magistraten gegeven, geheel op eigen kosten, ter verwerving der volksgunst.

§ 3. Priesters. Priesterschappen.

a. Priesterambt.

De priesters vormden geen afzonderlijken stand, voor wien het onderhonden van godsdienstigen zin levenstaak -is, maar zij bekleedden hun ambt naast andere, zelfs»naast militaire posten (pag. 122). Zij verrichtten den hun door den staat toevertrouwden eeredienst, en stonden verder als deskundigen den magistraat ter zijde in alle zaken, waarbij de goden gemoeid waren.

De oude ordo sacerdotum: 1°. rex sacrorum (lanus), 2°. Ila-

j i j f. . x

men Dialis (luppiter) , 3°. f amen Martialis (Mars), 4°.

Quirinalis (Quirinus), 5°. pontifex maxinvus (Vesta), berusttcf/* , op het meerdere of mindere gewicht van de goden, die zij dien-' den. De famines verloren veel van hun aanzien, terwyl de groote priestercolleges op den voorgrond traden. Deze colleges; ' pontijices, awjures, Hviri sacris facinndis, werden met de Vllwn'

epulones genoemd quattuor amplissima colleyia. De drie eerste kregen grooten invloed op den gang der staatszaken, en werden daarom door de plebejers begeerd, die de flaminaten verwaarloosden. Geringer priestercolleges waren de Wiww# ' (pag.' 8), de fetiales, de salii, de f aires Art ales en de luperci. Buiten de eigenlijke Romeinsche priesterschappen stonden de haruspices.

De priesters behoorden te zijn zonder lichaamsgebreken en van reinen levenswandel; zij werden, vooral de voornaamste, gekozen uit aanzienlijke families. Zy genoten menig voorrecht. Bij hun ambtshandelingen en feestelijke gelegenheden droegen zy de w-X' 'quot;'' t-SJquot; praetexta, de famines bovendien een bizonder hoofddeksel, den alhoyalerus of apex. Zij waren vrijgesteld van belasting en krijgsdienst en hadden een eereplaats by feesten en spelen. Ge-woonlyk bekleedden zij hun ambt levenslang; verschillende priesterambten konden in één persoon vereenigd zijn.

De oorspronkelijke coöptatie der priesterschappen, feitelyk vervangen door volkskeuze sedert de lex Domitia (104) (pag. 44),

werd door Sulla hersteld, doch wederom afgeschaft door de lex Labiena (63).

ocr page 143

129

Behalve servi puhlici hadden de priesters tot hun dienst lie tores , pullarii, victimarii, tibicines en viatores. By den eeredienst waren ook behulpzaam camilli en cariillae, kinderen uit door eonfarreatio gesloten huwelijken, wier ouders heide nog in leven waren. Meestal waren het kinderen der pontijices; de camilli werden dikwijls later zelf tot het priesterambt geroepen.

b. Pontijices. Rex sacra rum. Flamines. Virgines Vestates.

Het collegium pontijicum bestond oorspronkelijk uit 3, latei-uit 6 leden, waaronder de koning, die voorzitter van het collegium was. Xa de verdrijving der koningen werd een der leden voorzitter met den titel pontifex maximus. De lex Ogulnia (300) bracht het getal pontijices op 9 en bepaalde dat 5 plaatsen door plebejers moesten bezet worden. Sulla verhoogde het getal tot 15.

De pontifex maximus werd gekozen door de pontijices, later in de comitia sacerdotuvi (pag. 43). Hij was sedert de verdrijving der koningen het hoofd van den eeredienst; het collegium der pontijices was niet veel meer dan zijn consilium. Hij waakte, dat zoowel de staat als de burgers hun plichten jegens de goden vervulden. Hij benoemde den rex sacrorum, de famines maiores, de virgines Vestales en waarschijnlijk ook de famines minor es i de pontijices minor es en de salii. Over deze personen had hij het lus coercitionis. Voor al deze handelingen was hij toegerust met het lus auspiciorum en het imperium, zoodat zijn ambts-gezag eenigermate overeenkwam met dat der magistraten. In het bizonder was aan zijn zorg toevertrouwd de oudste eeredienst van den staat, die in zyn ambtswoning, de regia, het vroegere koninklijk paleis, en den daaraan grenzenden tempel van Vesta, werd uitgeoefend. Het altaar van Vesta was de haard van den staat {focus publicus); in het atrium Vestae bevonden -zich de palladia, waaraan het bestaan van den staat heette ver-bonden te zijn, benevens de penates en lares puhlici. Eveneens werden in de regia de beschermgoden van den staat: Ia/rus, luppiter, Mars, Quirinus en Vesta vereerd. De dagelijksche dienst werd waargenomen door den rex sacrorum, it famines maiores en de virgines Vestales.

I X De pontijices verrichtten talrijke offers voor den staat; met

ocr page 144

130

name was hun met den rex, de famines en de Vestales de ge-heele dienst der patrii dii toevertrouwd, daar de meeste tempels geen eigen priesters hadden (pag. 127). Omdat bij de pontijices de kennis berustte van het nis divinum werden zij geraadpleegd bij geschilpunten in het gewijd recht, by de invoering van nieuwe sacra, by de procuratio prodigiorum en by vota publica. Zy stonden de magistraten ter zyde bij het verrichten van gebeden en offers en zorgden voor de juiste uitvoering der sacra zoowel publica als privata. Van daar hun tusschenkomst by familiezaken als confarreatio, adrogatio enz.

De pontijices waren belast met het vaststellen van den kalender, waardoor zy op den gang der staatszaken een niet onbeteekenenden invloed konden uitoefenen. Oudtijds werden zij dikwijls geraadpleegd in rechtskwesties. Dat zij de eenige rechtskundigen waren, schynt een onjuiste voorstelling te zyn.

Het omvangrijk archief van het college (lihri pontijicum) werd in de regia bewaard.

Tot het collegium pontijicum behoorden, toen Cicero zijn oratio de domo uitsprak, behalve de 15 pontijices: de rex sacrorum, de 3 famines maiores en 3 pontijices minoren. De laatsten stonden de pontijices by verschillende ambtshandelingen ter zijde, vooral als scribae; zij namen ook deel aan de beraadslagingen en feestmaaltijden van het collegium.

De rex sacrorum., die geen staatsambt mocht bekleeden, verrichtte eenige priesterlijke handelingen, die vroeger de koning vervulde, o. a. de offers aan lanus. Hij was altijd een patriciër en werd, op voordracht der pontijices, benoemd door den pontifex ntaximns, aan wiens gezag hy was onderworpen, niettegenstaande hy een hoogeren rang bekleedde en by de feestmaaltijden van het collegium de eerste plaats innam. Zyu echt-genoote, de regina sacrorum, had ook sommige offers te verrichten.

Oudtijds waren er 15 famines (Jlare) d. i. priesters van bepaalde goden, maar do 12 famines minores geraakten met hun goden in vergetelheid. Wat wij van de 3 maiores weten, bepaalt zich hoofdzakelijk tot de kennis van het strenge ceremo-niëel, waaraan zij onderworpen waren. Vitjjlamen Dialis moest een patriciër zyn, geboren uit een huwelijk door confarreatio gesloten en zelf aldus gehuwd. Hij was met zyn geheele huis

ocr page 145

131

I - -r

L -^ ,3-^gt; %#■ ■■'

den god gewijd, mocht (voor 119) geen staatsambt bekleeden, geen Jeger zien, niet te paard stijgen, niet zweren, zijn huis niet verlaten zonder verlof van den pontifex maximus, geen strik aan zijn gewaad, geen ongebroken ring (teekens der slavernij) dragen, niets onreins aanroeren. Iedere dag was voor hem een feestdag, daarom mocht hij geen arbeid zien en was hij steeds in feestgewaad; hij trad af wanneer hem de apex van het hoofd viel. Zijn vrouw, de f am'mica Dialis, was priesteres van luno; wanneer zij stierf moest hij zijn ambt neerleggen. Tegen al deze beperkingen, wier lijst aanzienlijk kan worden uitgebreid, woog het niet op, dat den jlamen Dialis een lictor was toegestaan , benevens de sella curulis en dat hij zitting had in den senaat. Het ambt was aan het einde der republiek reeds 75 jaar onvervuld.

'DüZfamen Martialis en Aejfamen Quirinalis waren vrijer in hun bewegingen. Ook werd hun het bekleeden van staatsambten vroeger toegestaan dan aan den jlamen Dialis. De 3 famines werden uit een voordracht der pontijices door den pontifex rnaximus gekozen.

Voor den dienst van Vesta, die in geheel Latium verbreid was, benoemde Xunia 4, Servius Tullius 6 Yestaalsche maagden, zoo dat iedere stamtribus vertegenwoordigd was bij den haard van den staat. De Yestaalsche maagden werden gekozen (cajterè) door den pontifex maximus, die over haar de patrio, potestas uitoefende. Een lex Vapia (misschien van 65) bepaalde, dat de pontifex maximus 20 jonge meisjes moest voorstellen, waaruit in een contio door het lot de aanstaande dienares van Vesta werd aangewezen. De Yestaalsche maagd moest zijn patrima et matrima (beide ouders nog in leven hebben), van deftige familie, zonder lichaamsgebreken en niet jonger dan 6, niet ouder dan 10 jaar. De diensttijd eener Yestaalsche maagd duurde 30 jaar, waarvan 10 jaar als tijd van voorbereiding werd besteed, 10 jaar aan het uitoefenen van den dienst, de laatste 10 jaar aan het onderwijs der nieuwelingen. Dan kon zij den dienst verlaten en een huwelijk aangaan, hetgeen evenwel zelden geschiedde en als een malum omen werd beschouwd. Aan de Yestaalsche maagden werd bij haar indiensttreding een geldsom door den staat verstrekt, waarover zij de vrije beschik-

9*

ocr page 146

132

king hadden; haar woning was de tempel van Vesta. Onder de Yestaalsehe maagden was zij, die het langst in dienst der godin was geweest, de eerste; haar titel was virgo Vestalis maxima.

De Vesfaalsche maagden werden met den grootsten eerbied behandeld. Voor den lietor, die haar voorafging, week ieder, zelfs de consnl; zij hadden een eereplaats bij de spelen, konden over haar vermogen beschikken, legden getuigenis af zonder eed en vermochten veel door haar voorspraak. Persoonlijke belee-digingen haar aangedaan werden met den dood gestraft; de misdadiger, die haar op zijn weg naar 't schavot ontmoette, was van de doodstraf gered. Al deze eerbewijzingen moesten haar eenigszins schadeloos stellen voor het gemis van huiselijk geluk en waren een belooning voor haar strengen dienst. In de eerste plaats moesten zij het eeuwige vuur onderhouden op den haard van den staat, de pekel {inuries) en het offermeel (jnola salsa) bereiden, dat zoowel voor den dienst van Vesta als van andere goden werd gebezigd. Verder moesten zij gebeden opzenden voor volk en staat en deelnemen aan menigvuldige sacra jmblica, o. a. aan het feest der Bona Dea. Op den feestdag van Vesta, de Vestalia, was haar tempel, die steeds voor mannen gesloten was, den huisvrouwen toegankelijk. De pontifex maxi-mus oefende een streng toezicht op haar uit. De maagd, die het heilige vuur liet uitgaan, hetwelk als een pródujium werd heschoiiwd, werd door hem met roeden gekastijd; zij die haar gelofte van kuischheid had geschonden, werd levend op den campus sceleratus ingemetseld.

c. Wlviri epulones.

Het collegium der VIIwW epulones, dat in 196 op voorstel van den trih. pl. C. Licinius Lucullus werd ingesteld, ter verlichting van den dienst der pontijices, telde eerst 'i, later 7, sedert Caesar 10 leden. Aanvankelijk bepaalde zich hun taak tot het aanrichten van hot epulum lovis ter eere der drie Capi-tolijnsche godheden tijdens de ludi pleheii. Later werd dergelijk epulum ook gevierd by de ludi Rotnani, en daar het steeds meer gebruikelijk werd om by spelen, tempelwijdingen, triurnfen het volk van staatswege te onthalen, waarbij de senatoren den maal-

ocr page 147

133

tijd gebruikten op het Capitool, en de Yllviri epulones voor al deze epulae publicae moesten zorgen, werd hun werkkring zeer omvangrijk. Invloed op staatszaken konden zy uit den aard der zaak niet uitoefenen.

d. II. X. TYviri sacris faciundis.

Tarquinius Superbus benoemde Ilviri sacris faciundis om de door hem ingevoerde S.byllijnsche boeken te bewaren en te raadplegen. Sedert 367 (pag. 122) bestond het collegium uit 5 patricische en 5 plebejische leden; en voortaan heette het ILviri s. f.; Sulla vermeerderde dit getal tot 15 (XYviri s. ƒ.). Alleen in haolielijke omstandigheden, wanneer zich buitengewone pro-digia (taetra) voordeden, gelastte de senaat den decemviri om de libri fatales te openen {adire, inspicere lilros) en niet zonder reden, want de door de Sibyllijnsclie boeken bevolen procuratio-/ nes waren zeer kostbaar; meestal bestonden zij in het stichten van een tempel; het houden van spelen, lectisternia of suppli-cationes ').

Aan het collegium waren, daar de Sibyllynsohe boeken in Grrieksche hexameters waren vervat, twee Grieksche tolken toegevoegd.

Verder waren de X(XV)!7/n' s. f. belast met het toezicht op en de leiding van den ritus Graecus, dien de door de Sibyliyn-sche boeken ingevoerde goden eischten.

e. ^Augures.

Het collegium der augures telde aanvankelijk 3, later 6 leden, waaronder den koning. De lex Ogulnia (300) verschafte aan de

1) TienJectLsleniiipn was een offer, waarbij het beeld van de godheid op een leef us lag, den linkerarm op een kussen {puhinus) gesteund, waarom ook de leetus zelf pul vin ar heette; voor den leetus stond een tafel met spijzen, die het offer uitmaakten. Ofsehoou het spijsoffer een Komeiusch gebruik was, zijn de lectisternia ongetwijfeld eerst door de Sibyllijnsche boeken ingevoerd. Voor de godinnen vonden de Komeinen het voegzamer sellisternia te bereiden.

Snjijilicationes waren bede- en dankdagen, dikwijls met lectisternia verbonden, en waaraan de geheele burgerij deelnam. Zij waren, zooals uit den ritus blijkt, eveneens van Griekschen oorsprong.

ocr page 148

134

plebejers den toegang tot dit college, dat voortaan uit 9 leden bestond: 4 patriciërs en 5 plebejers. Sulla bracht het getal op 15; voorzitter was de oudste met den titel augur maxim us. De aiujures waren de vertegenwoordigers van de leer der auspicia, de divinatio. Zij vormden een college van deskundigen, wier bijstand de magistraten inriepen bij alle handelingen, waarvoor zij de toestemming der goden noodig hadden. Wegens zijn ge-wichtigen politieleen invloed stond het collegium in hoog aanzien;

het telde onder zijn leden alleen zeer voorname mannen.

De voornaamste taak der aurjurts was oudtijds het op verzoek der overheid waarnemen der auspicia ex avibus, waaraan zij ook hun naam ontleenden. De regels, volgens welken zy den wil dei-godheid opmaakten uit de vlucht en het geschreeuw der vogels,

waren zeer ingewikkeld en zijn nagenoeg onbekend. De auspicia.

moesten genomen worden onder de diepste stilte; met het gelaat jiaar het Zuiden gewend, lette de augur op de teekens, die zich voordeden binnen de door hem met zijn liluus aan den hemel beschreven ruimte (templmi). De teekens, die uit het Oosten kwamen, dat de augur aan zijn linkerhand had, heetten daarom sinistra en waren gunstig, die uit het Westen waren ongunstig (dextra). --.v -.i-

In de laatste eeuw der republiek waren de auspicia ex avibus verouderd en door die e coelo en e tripmdio vervangen.

.W^V.

f. li am spices.

Wegens den aard hunner werkzaamheden kunnen hier gevoegelijk de haruspices besproken worden, ofschoon eerst onder keizer Claudius een ordo haruspicum werd ingesteld. Eeeds zeer vroeg werd op senaatsbesluit voor de procuratio van die prodigia,

waarvoor noch in de boeken der pontijices noch in de Sibyllijn-sche boeken was voorzien, de raad ingewonnen van haruspices uit Etrurië, waar scholen bestonden voor hun wetenschap. Zij leidden den wil der goden af uit de beschouwing van de wanden [exta) der offerdieren en uit de fulmina. Dit alles behoorde ook tot het gebied der priestercolleges, maar terwijl deze alleen goed- of afkeuring der goden konden mededeelen, beweerden de haruspices veel meer in bizonderheden te kunnen

ocr page 149

135

afdalen. Wat hen vooral van de colleyia onderseheidde, was dat zij bezoldiging genoten. Lat';r komen ook Romeinsche Jiarus-pices voor. Hun hulp werd ook door particulieren ingeroepen, maar veel vertrouwen stelde men in hun oprechtheid niet, want reeds Cato zeide mirari se, quod non rideret haruspex, cum vide-ret haruspicem.

g. Fetiales.

De godsdienstige formaliteiten voor het sluiten van vrede en het verklaren van oorlog werden geregeld door het ius fetiale, dat bewaard werd door het uit 20 leden bestaande collegium der fetiales. De Romeinen beweerden, dat zij alleen dan tot een oorlog overgingen, wanneer hij was iustum ac phm. Vooraf werd .een deputatie van 2 of 4 fetiales, wier hoofd pater patratus heette, naar het vreemde land gezonden om herstel van grieven te vragen (ad res rejpeteiidas). Deze handeling heette clarigatio. Do pater patratus sprak onder aanroeping van luppiter de klacht van het Romeinsche volk uit op de grens; quot;aij herhaalde die tegen den eersten inwoner van het land, dien hij ontmoette; daarop bij de poorten en op het forum voor de overheid der stad. Hij gaf een bedenktijd van 30 dagen; werd geen voldoening gegeven, dan verwijderden de fetiales zich den 33sten dag en deden te Rome verslag van hun zending. Indien senaat en volk daarop tot den oorlog besloten, begaven zich de fetiales op nieuw naar de grenzen; de pater patratus kondigde plechtig den oorlog aan en slingerde een bloedige speer in liet vijandelijke land. In later tijd werd de grens voorgesteld door de columna hellica bij den tempel van Bollona, waar nog lang in den keizertijd de ceremonie der fetiales plaats greep. Bij het sluiten van een vrede of een verdrag doodde de pater patratus, nadat de voorwaarden waren voorgelezen, een zwijn met een silex, een heiligen keisteen {foedns icere, feriré) en zwoer: Tu luppiter populum Romanum sic ferito ut ego hunc por cum hie hodie feriam.

h. Salii. Fratres Armies. Luperci. ■

Met korte woorden moet nog melding gemaakt worden van drie priesterschappen, die uit den grijzen voortijd stammen en

ocr page 150

136

wier stichting (ie overievering op verschillende wijze met de oudste geschiedenis van Rome in verband bracht. Onder de republiek waren vooral de beide laatste in verval geraakt, maar door toedoen van Augustus kwamen zij tot een vroeger ongeken-den bloei.

De salii, een overal in Italië voorkomende priesterschap, bestonden uit twee collet/ia, de salii Palatini en de salii Agonales of Collini (pag. 119), Hun dienst, die de vereering van Mars ten doel had, die Gradims heette op den Palatinus, maar Qui-rinus op den Quirinalis, knoopte zich hoofdzakelijk aan het bekende ancile van Nu ma. In Maart en October hielden de salii een plechtigen ommegang door de stad, waarbij zij, aangevoerd door een voordanser {praesnV) en een voorzanger {vates), een wapendans uitvoerden onder het zingen van hun heilig lied {carmen saliaré). De optocht in Maart, die byna de geheele maand in beslag nam, eindigde des avonds op bepaalde plaatsen (inansiones), waar des nachts de ancilia werden bewaard en de salii aanzaten aan een maaltyd, die evenals de feestmalen der pontijices spreekwoordelijk was geworden wegens zijn luister {dapes saliares).'

De frat res Arvales, een sodalitas van 12 leden, vierden jaar-lijks in Mei een feest ter eere der Dea Dia (een indigitatie van Ops) voor de vruchtbaarheid der akkers. Dit feest duurde vier dagen en bestond hoofdzakelijk uit een oifer aan de godin, een optocht waarby het oude carmen fratrum Arvalium werd gezongen, en den onontbeerlijken maaltijd.

Een der oudste priesterschappen, die al de anderen heeft overleefd, was die der htperci, die in Februari de Inpercalia vierden, een overoud herdersfeest, waarbij bokken werden geofferd. In de vellen der geslachte bokken gehuld trokken de Inperci door de stad, en sloegen met de riemen [fehrua) dier vellen wie zij op hun weg tegenkwamen. De Inperci bestonden uit twee collegia: de Fabiani en de Quinctiliani of Quinctiales.

ocr page 151

'■ HOOFDSTUK IX.

K E IJ G S 1V E Z E N.

§ 1. Hervormingen van Cam ill us,

Na Servius Tullius moet een grondige hervorming van liet krijgswezen tot stand zijn gekomen, die niet zonder waarschijnlijkheid in den tijd van Camillus wordt geplaatst.

De vroegere slagorde, de logge phalanx, die in de gevechten met de Galliërs ondoelmatig was gebleken, werd afgeschaft en vervangen door de veel handiger indeeling in manipels. Ook werd het meerendeel der troepen voorzien van een ijzeren helm en kreeg het scutum rondom ijzeren beslag. Eindelijk werd by het beleg van Veii (406) om de troepen ook 's winters in het veld te kunnen houden, soldij ingevoerd. Vroeger was nu en dan soldij uitbetaald, maar nu werd het regel. Daardoor was het ook mogelijk minder gegoede burgers onder de wapenen te roepen. Het beginsel, dat de arme niet mocht dienen, werd niet losgelaten, maar de grens werd uitgestrekt tot hen, die een census hadden van 4000 as (pag. 26). Reeds vroeg riep men niet meer alle weerbare manschappen op, maar werd het leger door een lichting geformeerd.

§ 2. Dienstplicht. Lichting. Het legioen en zijn aanvoerders.

Omtrent het leger tijdens den 3den Punischen oorlog zijn wij vrij nauwkeurig onderricht.

Regelmatig werden jaarlijks 4 legioenen gelicht, die met het contingent der socii 2 exercitus consulares vormden. Op grooter

ocr page 152

138

troepenmassa's was de oudere taktiek niet berekend. Er waren dikwijls meer legioenen (eens in den 2llcn Pnnischen oorlog 23 en tijdens den bondgenootenoorlog zelfs tweemaal zooveel), maar deze stonden dan onder afzonderlijke bevelhebbers. Hoogst zelden bestond een leger uit meer dan 4 legioenen.

Dienstplichtig was de Romein van z'yu volle 17lll! tot het volbrachte 45ste jaar. Hij behoorde dan tot de iuniores en de staat kon van hem 10 veldtochten te paard, of 16, en in geval van nood, zelfs 20 veldtochten te voet vergen. Vrijstelling gaven alleen lichaamsgebreken, ouderdom en het bekleeden van een magistratuur of van een priesterambt.

Jaarlijks riepen de consuls bij edikt de dienstplichtige burgers tot den dilectus op. Uit een door het lot aangewezen tribus werden telkens 4 man opgeroepen en uit deze viertallen werd by ieder legioen een man ingedeeld. Daarop werd een tweede tribus uitgeloot en zoo verder. Op deze wijze kreeg ieder legioen een vierde der uit iedere tribus gelichte manschappen. Hierop legden de soldaten den eed van trouw (sacrameutuni) aan den veldheer af. De eerste soldaat sprak alleen den eed uit, eigenlijk een verwensehing voor het geval, dat hij de trouw brak; de overigen sloten zich bij hem aan met de woorden: idem in me. Een buitengewone lichting in gevaar-lijke tijden heette coninratio omdat dan de soldaten den eed in massa aflegden. Er waren steeds vrijwilligers in de gelederen, meest oud-gedienden, wier diensttijd reeds verstreken was (veterant). Soms riep een veldheer veteranen bij name op om in dienst te treden (evocati).

Het legioen telde 4200 man; 1200 hastati (Jlos mvenuni), 1200 principes (ro/jiistior aetcus), 600 triarii {veteranns miles spectatae virtuivs), 1200 velites {minus roloris). De drie eerste troepensoorten, de zwaargewapenden, waren ieder ingedeeld in 10 nianipuli; iedere manipel had 2 centuriae, zoodat het legioen bestond uit 30 manipuli of 60 centuriae. De manipels der hastati en principes telden 120, die der triarii 60 man. De velites, de lichtgewapenden, behoorden tot de laagste census-klassen; zij vormden geen afzonderlijke manipels, maar aan iedere centuria der zwaargewapenden waren 20 velites toegevoegd.

Elke manipulus had zijn eigen veldteeken, soms een vaandel

ocr page 153

139

(vexillum), gewoonlijk een signum, een staak, waarop zich eenige boven elkander geplaatste kransen bevonden, gekroond door eene hand.

Het opperbevel over een leger voerde een consul of een dictator, ook wel een praetor; in de provincies een proconsul of een propraetor. Het legioen had 6 trihuni militum, waarvan in den regel telkens twee het bevel voerden, in dier voege, dat zij elkander om het etmaal afwisselden. Oorspronkelijk werden deze officieren door den veldheer benoemd (rnfuli), later (pag. 43) ' werden zij gedeeltelijk door de co j uit ia trihuta gekozen (pomit idles). In den regel waren de tribuni militum jonge mannen uit den -senatoren- of ridderstand, die met het tekleeden van dit ambt hun loopbaan begonnen. De qncmtor, intendant, had de krijgs-kas; hij zorgde voor de uitbetaling der soldy, de verdeeling van den buit en voor de proviand.

De centuria werd gecommandeerd door een onderofficier (centurio)

door de trihuni militum onder goedkeuring van den veldheer benoemd. Het legioen telde dus 60 centuriones. De centurio van de eerste centurie van den manipel heette centurio prior, die van de tweede centurio posterior. De voornaamste centuriones waren die der triarii, dan volgden die der principes, het geringst in rang waren die der ha.sta.ti. De eerste centurio van het legioen was hij, die aan het hoofd stond van de eerste centuria van den eersten manipel der triarii, die omdat een manipel der triarii ook pilus heette, den naam droeg van centurio primi pili prior of centurio primi pili of primipilus of primus pilus. Daarop volgde de tweede centurio van den eersten manipel der triarii en zoo verder. De laatste centurio van het legioen was dus hij, die het bevel had over de tweede centuria van den tienden manipel der hastati en decumus hastatus poste-rioris centuriae heette, of, daar ook kortweg voor centurio ordinis werd gezegd ordo, ordo decumus hastatus. Als teeken van hun rang droegen de centuriones een wingerdstaf {vitis); zij klommen C'-i zelden of nooit tot hoogeren rang op, de vitis was hun maar-schalksstaf. De centurio had onder zich een mihcenturio of optio (fiptare) dien hij zelf benoemde.

De legioensoldaten voerden allen een kort tweesnijdend zwaard [(/ladiiis), dat aan de Hispani was ontleend en tijdens den 2llen

ocr page 154

140

Punischeti oorlog werd ingevoerd. De soldaten droegen het reclits, de officieren links. De hastati en de principes -waren verder gewapend met het pïlum, een geduchte werpspies, bestaande uit een houten schacht en een ijzer van dezelfde lengte, dat vrij diep in de schacht was gedreven; het gehecle wapen was ongeveer 2 meter lang. De triarii droegen eerst de langere maar lichtere hasta, die later door een pïlum werd vervangen.

De zwaargewapenden hadden een metalen helm (cassis), de lichtgewapenden een lederen helm (galea); hij de officieren was hy met een vederbos (crista) versierd. Het bovenlichaam werd door een lederen pantser (lorica) beschut; de soldaten van de eerste censusklasse droegen een maliënkolder van ringen (lorica Jiamata) of van schubvormige of vedervormige yzeren plaatjes (lork-a squamata, plumata). Sedert de invoering der manipels werd alleen het rechter heen waarmede werd aangetreden'^door een scheenplaat (ocrea) beschermd. Aan den arm droeg de legionarkts een lang vierkant schild (scutum). Het bovenkleed van den soldaat was het sagnm, dat in den strijd werd afgelegd. Later werden hracae, een soort van broek, en laarzen (calhjae) ingevoerd. De veldheer droeg een purperen mantel, {paluda-. mentum).

Bij het legioen behoorden 300 ruiters in 10 turmae, ieder van 30 man, ingedeeld. Elke turma stond onder 3 decuriones. De ruiters waren voorzien van een rond schild (parma), een pantser (thorax), helm, scheenplaten, en waren gewapend met zwaard en lans. Dikwijls was ook het paard geharnast. Zadel en stijgbeugels kwamen veel later in gebruik.

Aan het legioen waren altyd troepen der Latijnsche en Itali-aansche socii toegevoegd. Het voetvolk van dit contingent was gewoonlijk iets sterker, de ruiterij driemaal sterker dan die der Romeinen, zoodat een exercitns consularis in den regel uit ongeveer 18000 voetknechten en 2400 ruiters bestond. Wanneer de legioenen werden versterkt dan werd ook het getal socii naar evenredigheid vermeerderd. De socii vormden nooit een zelfstandig geheel, maar waren altijd een onderdeel van het verbonden leger. De contingenten der verschillende staten bleven tot het einde van den 2'len Punischen oorlog als cohort es bijeen.

ocr page 155

141

Iedere stad gaf aan haar contingent een praefectus mede, maaide gezamenlijke socü stonder onder 12 proefecti socinm, die steeds Eomeinsebe, door den veldheer benoemde, officieren waren. De keurtroepen der bondgenooten heetten extraordinarii. Sedert de Romeinen buiten Italië oorlog voerden werden ook uit vreemde landen hulptroepen in dienst genomen. Deze heetten steeds anxilia tegenover de Italiaansche socii. Na den bondgenootenoorlog bestond het leger alleen uit Eomeinen en avxïlia.

De veldheer was omringd door een lijfwacht van keursoldaten {cohors praetorid) uit ruiters en voetknechten bestaande. Het schynt, dat Scipio Minor het eerst en wel in den oorlog tegen Numantia, zulk een keurcorps samenstelde.

§ 3. Marsch. Legerplaats. Slag. Belegering.

Het leger op marsch Inette aymen. De voorhoede vormden de extraordinarii, dan volgde de ala dextra socioncm, daarop de beide legioenen, ieder gevolgd door zyn tros {impedimenta) , vervolgens als achterhoede de ala sinistra sociorum. De ruiterij bevond zich op de flanken of sloot den trein. Bij gevaar voor een vijandelijken overval werd het aymen quadratum geformeerd, waarbij de hastati, principes en triarii in drie kolonnes naast elkander marcheerden, terwijl de tros voorafging. In Spanje en Afrika werd dikwijls een ander soort van aymeu quadratum gevormd, een vierkant met ledige ruimte, waarbinnen zich de tros bevond. Verder kwam nog voor de orbü, een gevuld carré en de testudo, vooral toegepast bij het beklimmen van hoogten, waarbij de schilden dicht aaneengesloten werden gehouden.

De soldaat had behalve zijn wapens nog te dragen: een of meer schanspalen {vallijp], gereedschappen: zaag, spade, bijl en dergelijke en sedert Marius ook proviand, meestal voor 17 dagen. Het gewicht van dit alles wordt op 30 kilogram geschat. Van deze door den soldaat gedragen bagage (sarcina) moet wel onderscheiden worden de op iumenta en wagens geladen legertros (impedimenta), die door micliones en calones werd begeleid.

In oorlogstijd kampeerde het leger des nachts altijd in een door een wal en een droge gracht beschermde legerplaats, die naar een vast plan was ingericht. Zij had, behalve wanneer het

ocr page 156

142

terrein dit verhinderde, den vorm van een kwadraat en werd afgebakend volgens de leer der augures. De plattegrond geeft een voorstelling van een Romeinsch kamp voor 2 legioenen.

Porta praetoria

sociorum sociorum

hastati

principes

triarii

S $

decumana

romani

triarii

principes hastati

sociorum sociorum

via

quintana

pedites equites

hastati

principes

triarii equites

S

equites triarii

principes hastati

S5 2°

'S ^

^ Si,

via

ara

O

principalis

praef. s. leg.

1

tribuni

tribuni

leg. praef. s.

delect i milites

forum

8

c

prae toriu

m

□

a lt;1

quaestor.

delect i milites

socii

extra

ordina-

rii

Porta decumana

Eerst werd de plaats bepaald voor de veldheerstent (praeto-riuni), daarop werden de wegen der legerplaats afgebakend volgens lijnen van Oost naar West [decuman'i) en lijnen van Noord naar Zuid {cardines). Langs den car do maximus liep de via

ocr page 157

143

principalis, die 100 voet breed was en het kamp in een voorste en achterste helft verdeelde. De via principalis werd rechthoekig gesneden door een langs den decumanus maxi ui ns getrokken weg van 50 voet breedte {via decutnana), die de legerplaats in een rechter en linker helft scheidde. In de praktijk werd op de windstreek niet gelet en deelde de via principalis de castra in de breedte, de via decuniana in de lengte. Parallel met de via principalis liep de via quintana, zoo genaamd naar de vijf laatste manipels, die er aan lagen. In de voorste helft der legerplaats kampeerde het gros der troepen, in de achterste bevonden zich het praetoriuni, de tenten der hoofdofficieren, liet altaar, waarop de veldheer offerde, het aucjurale, waar de auspicia werden gebonden, het qvaestorium, de intendantirar, en het forum , waaide soldaten geschaard stonden, wanneer de veldheer staande op een verhevenheid {tribunal) hen toesprak. Van de vier poorten was de porta praetoria naar den vijand gekeerd.

Om de castra liep een walweg van 200 voet breedte om den vijand te beletten de tenten in brand te steken, en die voor de legerplaats heette te zijn, wat het pomerium was voor de stad-.

Geregeld werden wachtposten uitgezet {statimes, custodiae, excuhiae, vif/iles). Do nachtdienst duurde van quot;s avonds zes tot 's morgens zes uur en was in vier vigiliae, ieder van drie uur, ingedeeld. Het wachtwoord heette tessera.

Het legioen werd in drie liniën in slagorde geschaard; vooraan stonden de manipels der Jiastati, dan die der principes, einde-lijk die der triarii. Tussehen de verschillende manipels werd eenigc ruimte gelaten, zoodat iedere manipel een geheel op zich zelf vormde, waardoor het legioen een buitengewone gemakkelijkheid van beweging verkreeg, terwijl zoo noodig elk oogenblik de manipels zich tot een aaneengesloten drom konden vereenigen.

120 ra. 40 vel.

hastaü □□□□□□□□□□ = 1600 120 m. 4- 40 vel.

principes '□□□□□□□□□□=1600 60 m. 40 vel.

triarii □□□□□□□□□□= 1000 Een manipel had 20 man in het front; de afstand tussehen

ocr page 158

144

de soldaten bedroeg 3 voet, de breedte van den manipel was dus 60 voet.

In den slag vormden meestal de beide legioenen het centrum, de socii en de ruiters bevonden zich op de vleugels (ala dextra, sinistra). Oudtijds stond het leger in één lange lyn (fronts Ion ga). Dikwijls werd later aangewend de acies obliqua, waarbij het eene deel van het leger aanviel en het andere voorloopig buiten gevecht bleef. De slagorde heette gebogen {acies sinuata), wanneer de vleugels den aanval begonnen, terwijl het centrum achterbleef. Bij den cimeus, de wigge, drong het centrum aan de spits vooruit en trachtte door de rijen der vijanden te breken. Tegen den cuneus werd aangewend de omgekeerde slagorde, de holle wigge fqrfex of forceps), die den cuneus in zich trachtte op te nemen en te omsingelen. In den slag bij Cannae voerde Hannibal deze manoeuvre uit tegen den cuneus der Romeinen, maar hij misleidde den vijand door in den beginne zijn centrum te laten vooruitrukken, en eerst in de hitte van den strijd zijn flanken zoodanig te laten zwenken, dat de forfex tot stand kwam.

De veldheer gaf het teeken tot den slag door een roode vaan (vexillum) op het praetorium te plaatsen en de tuba te laten steken. Daarop schaarde hij de troepen in slagorde {adem pro castris instrueré) en hield dan veelal een coJiortatio. Op een tweede teeken rukte het leger voorwaarts, eerst in den gewonen pas {sigua inferre) daarop in den versnelden pas {conc/irsus) onder het aanheffen van het krijgsgeschreeuw {clamor). In de nabijheid van den vijand gekomen, slingerden de soldaten hun werpspiesen {emiuus), daarop trokken zij het zwaard {cqminus). De velites openden den aanval. Spoedig stonden zij hun plaats af aan de hastati, die, wanneer hun krachten te kort schoten, zich terug trokken, terwijl tegelijker tijd door de tussehenruim-ten hunner manipels de principes naar voren rukten. Indien ook deze den vyand niet deden wijken dan verwijdden de triarii hun tusschenruimten tot den dubbelen afstand en namen daarin de manipels der Jiastati en principes op, om zoo door een algemeenen krachtigen aanval den strijd te beslissen {res ad triarios redit).

Een versterkte plaats trachtte men te nemen door bestorming {oppiKjnatio repentina) belegering {oppuynatid) of insluiting {obsidiö).

Bij de oppiujuatio repentina werden de verdedigers door een

ocr page 159

145

hagelbui van werptuigen van den muur verdreven en de gracht werd gedempt; dan vormden de soldaten de textudo, d. i. zy sloten de schilden dicht aaneen, zoodat deze een dak boven hunne hoofden vormden en rukten zoo tot den voet der muur, dien zij trachtten te ondermijnen of met stormladders {scalae) te beklimmen.

Een geregeld beleg [pppuynatio] was noodzakelijk by een behoorlek versterkte stad. Het doel der oppngnatio was vooral het maken van een bres in den muur om zoo in de stad te geraken. Wanneer het terrein gunstig was dan behoefde dit alleen effen gemaakt te worden om de belegeringswerktuigen tegen den muur te voeren. De soldaten werden hierbij beschermd door plutei, schermen van hout of gevlochten teenen; in de nabij heid der stad werden de plntei vervangen door de veel steviger testu-dinex, houten barakken, die van voren gesloten konden worden, van een dak waren voorzien en met huiden waren behangen, die voortdurend vochtig werden gehouden om te beletten, dat zij door den vyand in brand werden geschoten. Ten einde de soldaten, die onder de testudines arbeidden, gelegenheid te geven zich terug te trekken, werden daarachter houten loodsen {vhieae) geschoven, die in een lange rij achter elkander werden geplaatst en aldus een gang vormden.

Veel grooter moeilijkheden waren te overwinnen, wanneer het terrein door grachten of hindernissen was doorsneden. In dat geval werd een stevige dam {ayger) opgeworpen, waarop de belegeringswerktuigen, de toren en de stormram, werden voort-geschoven. De toren (turris) had verscheidene verdiepingen (tahulata) waaruit valbruggen [tsanihucae) konden neergelaten worden. In de onderste verdieping bevond zich de stormram {arien), een. zware houten balk, van een metalen ramskop voorzien, die, nadat hij was achteruit getrokken, plotseling werd losgelaten en dan met geweld den muur deed schokken. Dik-wijls was de artes ook opgehangen in een tesittdo arietaria. Al de bovengenoemde werktuigen stonden in den regel op rollen. Ter vernieling der muren diende ook de muursikkel [falx mttra-lits), om de bovenste laag van den muur te rukken en de muur-boor (terehra), waarmede gaten in den muur werden gestooten.

Zoo de belegerden weinig geschut hadden werd ter hoogte va:n den muur en parallel daarmede een atjtjer opgeworpen ten einde

10

ocr page 160

146

daarop liet geschut te plaatsen. Loodrecht stond de agger op den stadsmuur wanneer de veldheer den aanval op een bepaald punt wilde richten. Ook door mijnen (cuniculi) poogde men de stad binnen te dringen.

Zelden ging een veldheer er toe over om een stad door volkomen insluiting (ohsidio) tot overgave te dwingen. In dat geval werd de stad door een dubbelen wal en een dubbele gracht [circumvallatio) afgesneden. Op deze wyze noodzaakte Caesar door reusachtige werken de door haar ligging bijna onneembare stad Alesia zich over te geven.

De belegerden poogden de werken van den vijand en zijn werktuigen te vernielen door het slingeren van steenen of door ze met vuurpijlen {malleoli, falaricae) in brand te schieten. De aries en de falx muralm werden met strikken gegrepen en door windassen in de stad getrokken; de agger werd als het ging, ondermijnd. Het voornaamste verdedigingsmiddel der belegerden was echter het geschut.

In de belegeringskunst waren de Eomeinen geheel de leerlingen der Grieken, aan wie zy ook het zware geschut {tor-mentd) ontleenden. De afbeeldingen en beschrijvingen, die wij hebben van de tormenta, zijn onvolledig en onduidelyk. Het is evenwel blijkbaar, dat zij naar het beginsel van den voetboog gevolgd waren. Het meest komen voor catajiultae, die pijlen en steenen in horizontale richting slingerden, en ballistae, waarmede steenen en zware balken werden gedreven in boogvormige richting.

§ 4. Soldij. De dienst. Straffen en belooningen.

T r i ii m f.

Sedert 40G werd soldij betaald en wel om het halfjaar (semestre stipendium) of om het jaar {annuum stipendium) na aftrek van de kosten van verpleging en uitrusting. Het stipendium annuum bedroeg 1200 as voor den legionarius, 2400 as voor den centurio, 3600 as voor den ruiter. De muntverande-ring van 217 (XII. 1.) had op de soldij geen invloed, zoodat sedert de legioensoldaat jaarlijks 120 denarii ontving, welke som door Caesar tot 225 denarii werd verhoogd.

ocr page 161

147

De dienst in 't Eomeinsche laser -vas liard en de tucht strenc.

o O

Om de soldaten zooveel mogelijk bezig te houden en de discipline te bewaren werd een groot gedeelte van den dag besteed aan oefeningen, en allerhande arbeid binnen en buiten de legerplaats. Aan straffen geen gebrek. Degradatie {mutatio militiae), het inhouden van soldij {aere dirni), tepronkstelling voor de veldheerstent {discinctum ad principia stare), extra-arbeid kwamen dikwijls voor. Diefstal en valsche getuigenis werden gestraft met geeseling (caztigatio), waarop dikwijls de dood volgde. Deserteurs wachtte de dood (fmtuanum), terwij 1 oproer of lafheid in 't gevecht door decimatio, het dooden van iederen tienden man, werd geboet. De veldheer had het onbeperkte ius vitae et necis; provocatie kon dus niet worden aangewend. Sedert Augustus konden de tribuni militum zich echter beroepen op den keizer. Tegenover de straffen stonden veelvuldige praemia militaria. Krijgsmansdeugd werd beloond door bevordering, eervolle vermelding pro contione, verhoogde soldij , {duplicia ciharia) eereteekenen, als armbanden (armillae) , halsketenen (torques), medailles {phalerae), die aan riemen bevestigd op het harnas werden gedragen, hastae purae, lansschachten zonder punt, en vooral door coronae oorspronkelijk van loof, spoedig van edel metaal. De corona triumpJialis en de corona ovalis werden door den veldheer gedragen bij triumf of ovatie; de zelden verleende corona olsidionalis of corona graminea werd den veldheer geschonken door een gered leger of bevrijde stad: de corona civica was de prijs voor het redden eens burgers; de corona vallaris of castrensis, de corona muralis en de corona navalis werden uitgereikt aan hen , dien het eerst in den strijd den wal van een legerkamp, den muur van een vesting of een schip des vijands hadden beklommen.

De veldheer werd na een belangrijke overwinning door zijn soldaten met den titel imperator begroet, dien hij zoolang de veldtocht duurde bleef dragen. Er wordt gemeld, dat er eerst sprake kon zijn van dezen eeretitel, dien de senaat officieel kon erkennen of niet, wanneer 5000 gesneuvelde vijanden het slagveld bedekten. De overwinnende veldheer liet zijn lictoren fasces laureati dragen en berichtte in litterae laureatae aan den senaat se rem bene gessisse. Daarop werd dan gewoonlijk

10*

ocr page 162

148

iT-' ' I-H ■

op voorstel van den voorzitter van den senaat een dankfeest (snpplicatio) nitgesclireven, dat als de voorbode van den tiiumf werd beschouwd.

De triumphus, de hoogste eer, die een veldheer ten deel kon vallen, werd alleen verleend aan hem, die suis auspiciis d. i. als opperbevelhebber den oorlog had gevoerd. Wanneer de senaat het besluit tot het toekennen van een trmmf had genomen, werd door een lex den veldheer voor den dag van zij r zegetocht het imperium binnen het ponierium toegestaan. De triumt was eigenlijk een godsdienstige plechtigheid, en heette den feestclijken terugkeer van het overwinnend leger voor te stellen.

De stoet werd geopend door cornicines, dan kwamen wagens met buit beladen, borden met de namen van overwonnen volken en veroverde steden, in later tijd schilderden van veldslagen , verder gevangen gemaakte vorsten en voornamen. Eindelijk naderde, voorafgegaan door zijn lictoren met fasces laureatii de zegepralende veldheer in een met vier paarden bespannen zegekar, aangedaan met de ornament a triumpJialia [tunica palmata, toy a picta, corona laurea, scipio ehurneus) terwijl een senus puhlicus een gouden krans boven zijn hoofd hield. Hem volgden do otfer-r f. „dieren en daarop de troepen, die hun zegeliederen afwisselden met : , jV^^srmtzanL''!-!! op den triumpliator. De optocht, die door de menigte '■1 , werd toegejuicht met den kreet ia triumphe, ging door de porta tritcmphalis over het forum langs de sacra via naar het Capito-/j Hum, waar de overwinnaar een stier offerde aan luppiter en de

lauwerkransen der fasces neergelegd werden in (jremio lovis.

Voor geringer daden werd een acatio^ toegestaan. De veldheer, met een myrtenkrans getooid, trok te voet of te paard de stad binnen en offerde een schaap op het Capitool.

§ 5. Het leger van Mar i us en Caesar.

Een rij van hervormingen werden tijdens Marius ingevoerd. ^Vooreerst werden de capite censi in de gelederen toegelaten. Spoedig kon het leger door vrijwilligers uit dezen stand voltallig worden gehouden en werd de dienst een kostwinning.

Het legioen werd versterkt tot 6000 man. Om sterkere afdeelingen te verkrijgen verdeelde Marius het legioen in

ocr page 163

149

10 cohortes, ieder van 600 man, door telkens een manipel der ha-itati, principes en triarii te vereemgen tot éene cohors. De manipels bleven als onderafdeelingen der cohors bestaan, maar hun veldteekens werden afgeschaft. Iedere cohors had evenwel haar eigen signum; het veldteeken van het legioen was een zilveren adelaar door den aquilifer gedragen.

De Romeinsche ruiterij werd afgeschaft; zij komt het laatst voor in den oorlog tegen lugurtha.

Het pilum werd verbeterd; de ijzeren pennen, waarmede het ijzer in de schacht was bevestigd, verving Marius door een houten pen, zoodat beide deelen by het uittrekken uit het schild gemakkelijk scheidden en het pilum door den vijand niet kon worden gebruikt. Een andere verbetering in het pilum bracht Caesar aan door alleen de punt van het ijzer te laten harden ft en liet overige gedeelte van week ijzer te laten maken. Hierdoor boog het ijzer in het schild en werd niet alleen het pilum maar ook het schild onbruikbaar. Om den soldaten een grooter last gemakkelijker te doen dragen, werd hun een staak verstrekt,

voorzien van een plankje, waarop de sarcinae rustten (mulus Marianus).

Onder Caesar telde het legioen 3000 a 3600 man, ingedeeld in 10 cohorten. De cohors telde 3 manipels ieder van 2 een -turiae. De wapening van alle soldaten was dezelfde. De velites verdwenen en het onderscheid tusschen hastati, principes en triarii , die nu ook pilani heetten, verviel en bleef alleen bestaan in de titels der centurio's. De centuriones der eerste cohorte waren als primi ordines de voornaamste; zij hadden zitting in den krijgs-raad {consilium). '•% ' quot; c Hö

De tribuni militum voerden niet meer het bevel over het .

legidtn. Caesar vertrouwde deze taak aan ley at i, beproefde officieren uit den senatorenstand.

De auxilia bestonden uit troepen te voet vooral Balearische slingeraars funditores), Cretensische boogschutters {sagittariï),

Numidische en Germaansche lichtgewapcnden en ruiters (Spanjaarden, Galliërs en Germanen).

Gewoonlijk was de slagorde de acies triplex. Vier cohorten van ieder legioen vormden de prima acies, drie de secunda acies,

en drie de tertia acies. De auxilia stonden op de vleugels, die

ocr page 164

150

door de ruiterij gedekt werden. Het terrein en andere omstandigheden gaven evenwel dikwijls aanleiding tot een andere opstelling der troepen.

De snelle marschen van Caesar zyn bekend. Gewoonlijk werd niet langer dan 6—7 uur gemarcheerd (iustum iter), in welken tijd 20 Eomeinsche mijlen (30 kilom.) en in den looppas [gradm plenns) 24 Eomeinsche mijlen (36 kilom.) werden afgelegd. De voorhoede [jirimmn aymen) werd gevormd door de ruiterij en de lichtgewapenden; het centrum (exercitum, agmen niedium) had de impedimenta meestal bij zich, soms trok het op zonder bagage ie.rpeditï) in slagorde [acie instructa); ruiterij en lichtgewapenden sloten den trein {novissimum, extrenmm agmen).

ocr page 165

HOOFDSTUK X.

. ■ xgt; -ty

!_ quot;Va ~ èl ■ 9^

I T A L I Ü. lt; '■ !.lt;%.•*»✓

2igt;s» ' quot;• ■

§ 1. Uitbreiding van Italië. Ontwikkeling der steden.

De naam Italië, oorspronkelijk die van de oude woonplaatsen der Oenotri of Itali tusschen den Tiber en het voorgebergte Grarganus, ging door deze, toen zij door de Sabelliërs werden verdrongen, op de zuidspits van Italië, liet land der Bruttii,

over en breidde zich met de heerschappij der Eomeinen over het golieele Appennijnsclie schiereiland uit. In de tweede eeuw v. C. strekte Italië zich geographisch reeds uit tot de Alpen,

maar staatsrechtelijk waren in het Noorden de Aesis oostelijk, en de Arnus westelijk de grens tusschen Italië en Gallië. In 59 werd de noordelijke grens gevormd door den Rubico ten Oosten, «v € ^

en de Macra ten Westen, zoodat de zuidelijkste stad van Gallië ^

Ravenna en de noordelykste stad van Italië Ariminum was. . /'7'

Gallia Cisalpina, dat de Romeinen in 191 onderwierpen, werd langen tijd evenals Italië door de Romeinsehe overheid bestuurd.

Sulla scheidde hot in 81 van Italië, en behandelde het als een provincie, doch reeds in 42 werd het bij Italië ingelijfd, dat zich thans uitstrekte tot de rivier de Formic bij Tergeste (Triëst).

Dit gebied bestond uit een aaneenschakeling van gemeenten,

die zich allengs hadden gevormd. Do gouwen [pagï), waarin oudtijds de genten in gehuchten (vici) bijéén woonden, hadden een burcht (/«•■r, caxtellum), waaromhoen zich een dorp, insge-lijks pagns genoemd, vormde. Papi, die gemeenschappelijke belangen hadden, 'kozen plaatsen van vereeniging {fora, concilia-huld), die op haar beurt leidden tot het ontstaan van een stad

ocr page 166

152

(oppidum, civitas, popnlus) , waarvan de payi, mei en castella, die rich op haar gebied (ager) bevonden, afhingen. Op deze stedelijke gemeenten (civitates), die ieder een administratieve éénheid vormden, berustte het Romeinsche beheer.

De lex municipalis van Caesar (pag. 162) kende zeven soorten van plaatsen: municipia, colouiae, praefectnrae, fora, concilia-Itula, vici en castella, die tot drie kategoriën kunnen gebracht worden:

1°. municipia, coloniae, praefectnrae, met gemeenschappelij-ken naam oppida, waren stedelijke gemeenten met eigen bestuur en rechtspleging;

2°. »2« en cantella waren de plaatsen gelegen in het gebied dezer gemeenten;

3°. fora en concilialmla waren gemeenten in wier gebied zich nog geen stad had ontwikkeld.

§ 2. De Latijnsehe Bond. Municipia.

Ot' Rome ooit heeft behoord tot den Latijnschen bond is niet meer uit te maken. De overlevering plaatst het eerst naast, later over den bond. Na de verovering van Alba longa (pag. 1) door Tullus Hostilius sloot Rome een foedns aeqmm met het La-tijnsch verbond, doch maakte tevens aanspraak op het protectoraat. Reeds onder Tarqninius Priscus was de bond feitelijk van Rome afhankelijk; het gemeenschappelijk heiligdom, door Ser-vius Tullius op den Aventinus gesticht, was een bewijs der ^ w itt -t.erkenning van Rome's hegemonie, die'Tarquinius Superbus in

een volkomen opperheerschappij veranderde. De deemoediging van Rome door Porsenna gaf den Latijnen gelegenheid het Romeinsche juk af te schudden, doch na den slag by het meer Regillus werd onder den consul Sp. Cassius het verbond hernieuwd (493).

Weder werd een foedns aeqmm gesloten, m. a. w. rechten en verplichtingen zouden van weerszijden dezelfde zijn. Eeuwige vrede tusschen beide partyen, wederkeerige hulp in den oorlog, gelijk aandeel in den buit, wisseling van het opperbevel over het leger, conmiercium, connbimn en het recht van nederzetting op het geheele gebied van den bond, waren de voornaamste

ocr page 167

153

voorwaarden van het verdrag. Hierdoor kregen de te Eome gevestigde Latini stemrecht in de comitia trihnta, in telkens op nienw door 't lot aangewezen trilus,. Dit verbond, waartoe de Hernici in 486 toetraden, werd verbroken in 389, hersteld in 358, doch na de volledige onderwerping der Latijnen in 338 voor goed opgeheven.

De Romeinen pasten nu tegen de Latijnen een systeem toe, dat zij reeds een enkele maal hadden aangewend, maar waarvan zij zich voortaan bij al him veroveringen geregeld bedienden. De Latijnsche bond werd als politiek lieliaam opgeheven, en bleef alleen voortbestaan als godsdienstige feestvereeniging {feriae Latinae). De verbindingen der onderworpen steden onder elkander werden verbroken, en iedere stad werd in een afzonderlijke verhouding tot Eome gebracht, om door deze ongelijkheid van politieken toestand gemeenschappelijke belangen onmogelyk te maken. Sedert behoorden de tot Rome in betrekking staande steden in Italië tot twee hoofdklassen:

1°. die het Romeinsche burgerrecht geheel of gedeeltelik bezaten: burgerkolonies en ttmnicipia;

2°. steden, aan wie door een foedns een zekere mate van zelfstandigheid was verzekerd (civitates foederatae), waartoe ook behoorden de coloniae Latinae.

In den beginne hadden de Romeinen de gewoonte veroverde steden bij hun gebied in te lijven of op te nemen in den Latijn-sehen bond. Maar na 338 gaven zij aan alle veroverde steden, zooals zij reeds vroeger in sommige gevallen hadden gedaan, een beperkt burgerrecht. De inwoners moesten deelen in alle lasten der Romeinen, met name dienstplicht en belasting, waarvoor hun werd toegestaan commercium en conubium of een van beide, maar niet het ins suffragii et honorum. Daarom noemen de geschiedsehrij vors dit beperkt burgerrecht civitas sine suffragio. a Zulk een stad heette municipium, de inwoners municipes (pag. 24).

Er waren twee soorten van municipia. Die der eerste soort hadden hun eigen magistraten, volksvergaderingen en senaat; die der tweede soort misten al deze rechten en werden van Rome uit als een vicus geregeerd. Tot de eerste klasse behoorde sedert 338 Capua, dat evenwel na zijn afval in 216 tot de tweede soort werd vernederd; tot de tweede soort behoorde Caere, de

ocr page 168

154

eerste stad, die tot een municipium werd gemaakt, zoo het schijnt omstreeks 390 , en waarnaar do inwoners der steden dezer tweede klasse Uaerites werden genoemd (pag. 77). Daar de municipia een deel uitmaakten van den Romeinschen staat, gold bij hen het Romeinsche recht en werden zij gesteld onder de rechtspraak van den praetor urhanm, die een plaatsvervanger benoemde, den praefeetus iuri dicnndo. Oorspronkelijk waren dus alle municipia zoogenaamde praefecturae. Toen de municipia het volle burgerrecht verkregen, werd in de meeste de rechtspraak gedeeltelijk aan hun eigen overheden toevertrouwd.

Het verleenen der civitas sine suffrayio was de strengste vorm der onderwerping. De eenige troost van de inwoners der municipia was het uitzicht op het volledig burgerrecht, dat hun vroeg of laat werd geschonken. Waarschynlijk heeft Tusculum, dat door Cicero wordt genoemd municipium antiquissimum, het eerst het volle burgerrecht ontvangen. Ook na het verkrijgen van het volle burgerrecht bleven de steden municipia heeten, de inwoners municipes, maar daarmede werden dan degenen bedoeld, die, hoewel niet te Rome geboren, het volledig Romeinsch burgerrecht genoten en in een tribus waren ingedeeld. Zoo was Cicero cwü Ronianns, municeps Ar pinas.

Na den oorlog met Pyrrhus hebben de Romeinen de civitas sine mffragio niet meer verleend, maar de verovering van Italië voltooid door het stichten van kolonies.

§ 3. Agar p u b 1 i c u s.

Sedert overoude tijden was een gedeelte van het land eigen-i' C o-L dom van den staat; de opbrengst van het eene deel diende

quot;'-f cA _ tot bestrijding der kosten van den eeredienst, het andere was gt; den koning als domein toegewezen. Deze staatslanderijen [ager

A' pjuhlicus) namen steeds in omvang toe, want het afstaan van iiii,. f- . ;.een derde, soms van twee derden van het veroverde land was een der eerste vredesvoorwaarden.

Het aldus verkregen land werd, wanneer het niet bestemd was tot vestiging eener kolonie (ager colonicus) geheel of gedeeltelijk verkocht [ager quaestorius omdat de verkoop door den quaestor geschiedde), of onder de burgers verdeeld {ager

ocr page 169

155

a- i-CV c 'yj' ; gt; ' '

assignaties of viritanus), terwijl dikwijls de weiden [ager pas-cuus) werden verhuurd tegen een weidegeld, berekend naar ieder stuk vee, en scriptura geheeten, omdat daarvan afzonderlijke lijsten werden gehouden. De landerijen, die niet gemakkelijk in kleine perceelen konden gesplitst worden, werden overgelaten aan degenen, die ze het eerst in bezit namen tegen ]/10 van de opbrengst der korenvelden en '/. van die der olijftuinen en wijnbergen {rectigal). Dit in bezit nemen heette occupation de grond zelf ager occupatonns of arcijlnalis. De ager occupatorius kon verkocht en overgedragen worden, maar ging nooit door usucapio (pag. 104) in eigendom {dominium) over; hij bleef steeds possession want de staat kon ten allen tijde zijn eigendomsrecht doen gelden. Volgens de overlevering konden alleen de patriciërs agri occnpatorii hebben, maar toen de plebejers het burgerrecht hadden verkregen stonden zij ook in dit opzicht rechtens met de patriciërs gelijk.

Het occupatie-systeem werd hoe langer hoe meer toegepast, de landverdeelingen kwamen steeds zeldzamer voor en de posses-sores wisten herhaaldelijk zich aan de belasting op den ager occupatorius te onttrekken. Allengs vereenigden zich in de handen der rijken groote bezittingen {latifundia), die zij door groote troepen slaven op weinig kostbare wijze lieten bewerken. De kleine grondbezitter, die telkens van huis en hof ten oorlog werd geroepen, kon aan zulk een mededinging het hoofd niet bieden en eindigde met zijn hoeve over te doen aan zijn machtigen buurman, die daartoe soms zich niet ontzag om geweld te gebruiken. Grootendeels trokken deze verarmde lieden naar Rome, waar zij het proletariaat vermeerderden.

Daardoor ontstond reeds vroeg een streven om de possessio te beperken, en het aldus vrijgekomen land te doen strekkeu tot opheffing van den boerenhand, waarop ten slotte Italië's welvaart berustte. De consul Sp. Cassius deed in 486 het voorstel om den ager publicus te verdeelen en te verpachten, maar men wist de plebs tegen dit voorstel op te ruien, omdat Cassius billijkerwijze ook dc Latiui en Hernici wilde doen deelen, en hij werd als landverrader veroordeeld. Herhaaldelijk verwekten 'later trihuni door hun leges agrariae groote opschudding, maar meestal zonder het beoogde gevolg.

ocr page 170

156

Een nieuwe weg werd ingeslagen door de lex Licinia (367). Niemand zon meer dan 100 runderen en 500 schapen op de gemeene weide mogen hebben, en van den ai/er p/iilicus niet meer dan 500 mgerü mogen bezitten; de grondbezitters zouden verder een aantal vrije daglooners in dienst moeten hebben, geëvenredigd aan het aantal hunner slaven. Aanvankelijk schijnt aan de wet streng de hand te zijn gehouden, — onder de eersten, die wegens overtreding werden veroordeeld, bevond zich Licinius Stolo zelf — maar op den duur bleef alles by het oude. Wel werd meermalen door landaanwijzingen en het aanleggen van koloniën tijdelijk in den nood voorzien ■), maar het eenige afdoende middel, afschaffing van het occupatie-systeem, wilde de bezittende klasse niet.

Eerst Tib. Gracchus (133) nam, bij de steeds toenemende versmelting van den boerenstónd, de wet van Licinius weer op. Zijn wetsvoorstel beperkte het aandeel, dat ieder in den ager puhlicus zou kunnen hebben tot 500 iugera, benevens 250 iugera 1

voor iederen volwassen zoon, doch zoo, dat het geheel 1000 iugera niet te boven kon gaan. Bovendien werd voor de ingetrokken landerijen een schadeloosstelling toegestaan. De ager puhlicus om Capua zou verdeeld worden onder voorwaarde, dat van de stukken een belasting zou worden geheven en dat zij niet vervreemd mochten worden. C. Gracchus stelde bovendien in 123 het stichten van drie colonies voor: te Tarentum, Capua en Carthago (lunonia), die uitsluitend door arme burgers zouden bevolkt worden, terwijl de vroegere kolonisten tot de klassen behoorden, en dus altijd eenig vermogen bezaten. De tribuun M. Livius Drusus, door de senaatspartij gewonnen, wist Gracchus te overtroeven door in zijn lex Livia bovendien nog het stichten van tien kolonies voor te stellen. Gracchus viel en het voorstel van Drusus werd niet uitgevoerd.

Achtereenvolgens werd nu het werk van Gracchus afgebroken. De lex Thor ui (118) verbood verder alle akkerassignaties, en. verzekerde aan de possessores hun bezit tegen een belasting, die onder de arme burgers zou verdeeld worden, doch die dóór een

1) Zooals ua deu 2«° Puuisclien oorlog, en in 227 door het verdeeleu van .den ager Senonicus.

/V

ci~gt;r

KJ.

u

C'

. y JW f

6001

1

M':

/'lt;;

'j -a

4*

ocr page 171

157

lex ayraria van 111 werd afgeschaft. Deze wetten gaven aan den boerenstand den doodsteek, en verzekerden voor altijd do belangen der possessore». Alle verdere leges agrarlae hadden niet betrekking op den ager occupatorins maar op den verpachten age/- publicus, of op de possessies der bondgenooten, of op het aankoopen van landerijen uit de schatkist, en waren dus gericht tegen de inkomsten van den staat. De volkstribuun L. Appu-leius Saturninus (100) wilde door aankoop van landerijen een onderkomen zoeken voor de veteranen van Marius, zooals later Sulla voor de zijne zorgde. De leegte, door den onmenschelijk gevoerden burgeroorlog ontstaan, was zoo groot, dat toen Sulla al zijn veteranen geborgen had, een gedeelte van den ager publicus nog onbezet bleef. Den verkoop der sortes assignatae had Sulla streng verboden, doch zonder gevolg; twintig jaar later waren overal weer latifundia en het proletariaat was vermeerderd met de veteranen en de verdreven eigenaars.

Nog eenmaal werd een poging gedaan om het dreigend gevaar af te wenden. De tribuun Servilius Rullus stelde in 63 voor, om wat er nog van den ager puhlicus in Italië over was, alsmede dien in de provincies, te verkoopen en voor dat bedrag, vermeerderd met de inkomsten der veroveringen van Pompeius in Azië, land aan te koopen ter verdeeling onder de arme burgers , vooral onder de door Sulla beroofde. De lex Servilia

O 7

werd wegens den tegenstand der nobiliteit, wier woordvoerder Cicero was, door den voorsteller ingetrokken. Evenzoo mislukte de lex Flavia (60), die vooral het belang der soldaten van Pompeius op 't oog had.

Caesar deed in 59 zijn le.v Julia agraria aannemen tegen den wil van den senaat (pag. 57), waardoor behalve door den staat tot dit doeleinde aangekochte landerijen, ook de ager Campauus, nagenoeg het eenige wat in Italië was overgebleven van den ager publicus, verdeeld werden onder 20,000 arme burgers en veteranen. Het verkoopen der toegewezen stukken binnen twintig jaar was verboden.

§ 4. Kolonies.

Met het stichten van koloniën beoogden de Romeinen op verschillende tijdstippen verschillende doeleinden.

ocr page 172

158

1°. Aanvankelijk vestigden zij, volgens een in Italië in-heetnsche gewoonte, kolonies in een pas veroverde streek ter bevestiging hunner heerschappij {propngnaculmn imperii), en tevens ter verdediging der grenzen (colonia vehit arx imposita). Behoudens een paar uitzonderingen werden sedert 338 alle burgerkolonies aan de kust gevestigd (coloniae maritimae). De burgers, waarmede deze koloniën werden bevolkt, behoorden tot de klassen en waren derhalve nooit geheel van vermogen ontbloot.

2°. C. Gracchus wilde door het uitzenden van kolonies in den nood der burgerij voorzien (pag. 156). Dit denkbeeld, door Appuleius Saturninus weder opgevat ter verzorging dei-veteranen van Marius (pag. 157), werd door Sulla op groote schaal verwezenlykt. Eveneens beloonden Caesar en na hem de triumviri hun oud-gedienden op deze wijze en hoe gewelddadig vooral de laatsten te werk gingen, leeren de klachten der dichters. Het onderscheid tusschen de door Gracchus voorgestelde kolonies en de zoogenaamde militaire kolonies, die Sulla in 't leven riep, was niet zoo groot als men oppervlakkig zou denken. Beide hadden verzorging van arme burgers ten doel, maar de militaire kolonies hadden hoofdzakelijk, hoewel niet uitsluitend, het oog op een bepaalde klasse van arme burgers, de veteranen.

3°. De keizers stichtten herhaaldelijk kolonies om een veroverd land in bedwang te houden, en keerden daarmede terug tot het oorspronkelijk doel der kolonisatie.

Kolonies werden gesticht ten gevolge van een s. c., later by een wet, en ook Caesar vroeg nog op zijn lex de agro Campanc dividendo de machtiging van het volk, maar daarna stichtte hij kolonies krachtens zijn imperium zonder voorafgaande wet, en de keizers volgden zijn voorbeeld. Niet aan het volk, maar aan den imperator dankten dus voortaan de veteranen hun verzorging.

Dezelfde wet, die de stichting eener kolonie beval, benoemde daartoe een commissie, IlIwVi coloniae deduceudae, en bepaalde het getal kolonisten benevens het aantal aan ieder toe te wijzen iucjera. Oudtijds bestond een kolonie uit 300 hoofden van gezinnen, later werd dit getal soms vertienvoudigd. Voor het geval, dat zich geen voldoend getal aanbood, werd tot een

ocr page 173

159

loting of lichting overgegaan. De grootte van liet stuk land,

dat iederen kolonist werd toegewezen, wisselde af van 2 tot 10 iuyera. De kolonisten trokken anspicato, onder aanvoering der met liet imperium Lek 1 eede lllviri op militaire wijze naaide aangewezen streek, waar de kolonie werd gesticht volgens de leer der angures. De oorspronkelijke bewoners kregen de civitas sine suffragio, maar op den duur versmolten zij met de kolonisten, en verwierven alle inwoners het volledig Eomeinsch burgerrecht.

Behalve de Romeinsche waren er ook Latijnsche kolonies.

In de stichting der Latijnsche kolonies moeten drie tijdperken onderscheiden worden. De eerste periode is die van den Latijnschen bond; de tweede loopt van 493—340, den tijd van het Eomeinsch-Latijnsch-Hernicisch verbond; in de derde periode stichtten de Romeinen koloniën, die zij met Latijnen bevolkten.

De Romeinen zelve trokken niet gaarne als kolonisten uit.

Na den 2d,!11 Punischen oorlog zijn slechts tweemaal burger-kolonies gesticht, onmiddellijk na den oorlog in Zuid-Italië en voor het laatst in Gallia Cisalpina. Overigens bevolkten zij hun kolonies met Latini. Deze coloniae Latinae werden geheel op dezelfde wijze uitgezonden en ingericht als de coloniae civium.

Alleen was, omdat zij meer het aanleggen van nieuwe steden ten doel hadden, het getal kolonisten veel grooter dan dat der burgerkolonies. De coloniae Latinae behoorden tot dc civitates faederatae, de inwoners waren dus peregrinl en de Romeinsche burgers, die zich een enkele maal in een Latijnsche kolonie lieten inschrijven, ondergingen derhalvê een capitis deminutio media. •

amp;■ . . ' lc ' ■ r ilt' -

§ 5. S o c i i. lusLatii.

De Romeinen kenden drie soorten van betrekkingen met vreemde volken:

1°. amimtia, een vriendschapsverdrag waardoor wederzijds vrede en ongehinderd verkeer werd verzekerd. Van dezen aard was het verdrag met Alba en later met Carthago in 348 en 306;

2°. hospitium publicum, dat na den mval der Galliërs aan Caere werd toegestaan, waardoor zoo. het schijnt aan alle burgers van een staat de rechten werden toegekend, die soms aan

ocr page 174

IGO

enkele vreemdelingen werden geschonken: ontvangst en verpleging op staatskosten, aanspraak op een gastgeschenk, vooral het recht om te koopen en te verkoopen en daarvoor persoonlijk voor het jjerecht te kunnen optreden ;

3°. fpedus, een verbond met nauwkeurig omschreven rechten en verplichtingen. De staten, waarmede Rome een foedus aanging , heetten civitates foederatae en behielden hun souveieiaiteit. hetgeen vooral daaruit bleek , dat een Romeinsch balling er zich kon neerzetten en het burgerrecht verwerven. Verder hadden zij hun eigen bestuur, eigen rechtspleging en muntrecht. Zij mochten echter geen betrekkingen met het buitenland onderhouden, want elk verdrag behelsde de formule: nt eosdem quos populiix Ito-manm amicox utqne 7/,odes haheant en zij waren gehouden hulptroepen te leveren. Deze staten, waren met hun toestand zeer tevreden, want na den bondgenootenoorlog betoonden Heraclea en Neapolis weinig lust om het Romeinsch burgerrecht aan te cpij-i. .'m ^njemen. In den regel was het verbond niet een fogdm aegnmu, maar was de afhankelijkheid der civitates foederatae van Rome uitdrukkelijk uitgesproken door de formule: maiestatem. popali Rortani comiter conservanto. Bij het uitbreken van den l8ten Pu-nischen oorlog waren alle steden in Italië, die niet als coloniae of municipia het burgerrecht geheel of gedeeltelijk bezaten, in het bondgenootschap met Rome opgenomen. Gezamenlijk worden zij genoemd socü et Latini, socii nomenque Latinvm, socii et Latium.

De Latini, bestaande uit die steden van het Latijuscli verbond. die het burgerrecht nog niet hadden: Tibur, Praeneste en een paar onbeduidende plaatsen, maar vooral uit de Latijnsche kolonies, hadden boven de andere socii verschillende voorrechten, — gt;,]je samengevat werden onder den naam ius Latii, Latiuitas of

T-V,- ■ ' ,

^,0c j; - Latium. Als de andere socii waren zy peregrini, maar zij ge

noten de rechten van den vroegeren Latijnschen bond: commer-cium, conubium en het recht van nederzetting te Rome met stemrecht in de cornitia triluta, in een door het lot aangewezen tribus. Bovendien kon een Latinns het burgerrecht verwerven:

1°. wanneer hij zich te Rome vestigde, maar een zoon in zijn stad achterliet [stirpem ex sese domi relinqueré); -■ ' tv.'

2°. door het bekleeden van een magistratuur in zijn stad;

'

ocr page 175

161

3°. wanneer hij een Romeinseh magistraat kon doen veroor-deelen de rejietundis, Volgens cle lex Sen'dia (111).

De beide eerste wijzen waren natuurlijk de meest gebruikelijke. Dikwijls trachtten zich de Latini zonder aan deze bepalingen te voldoen in de tribus te laten inschrijven. Wanneer zich de Latijnsche steden beklaagden over haar ontvolking, werd een streng onderzoek ingesteld; in het jaar 107 werden ten gevolge van zulk een onderzoek 12,000 Latini uit Rome verdreven. Zulke uitzettingen hadden later herhaaldelijk plaats.

De twaalf sedert 208 gestichte coloniae Latinae hadden minder rechten; zij mochten alleen kopergeld munten, hadden commercium doch geen conuhium, en konden alleen door aan een der onder 1 en 2 genoemde voorwaarden te voldoen het burgerrecht verwerven.

Na den bondgenootenoorlog waren er in Italië geen steden meer met het ius Latii. Gallia Transpadana werd in 89 met dat recht begiftigd, dat ook aan veel steden in de provincies werd geschonken.

I -

§ 6. Italië na den bondgenootenoorlog.

De verhouding van Eome tot de bondgenooten werd steeds drukkender; de socii werden in alle opzichten achteruitgezet,

en door de Romeinsche magistraten op de meest willekeurige wijze behandeld. De verhouding was nu omgekeerd; vroeger werd het inlijven eener stad als een aanwinst voor Rome beschouwd , thans nu het Romeinsche burgerrecht steeds begeerlijker was geworden, werd het met de meeste .zor^ bewaakt.

Het eerste voorstel om aan de bondgenooten het burgerrecht te verleenen, was van den consul M. Fulvius Flaccus (125) drie jaar later werd het herhaald door C. Gracchus. De verijdeling hunner hoop, op nieuw gewekt door M. Livius Drusus 91,

voerde tot den bondgenootenoorlog. Op het einde van 90 werd door §en lex Itdia van den consul L. lulius Caesar aan de trouw gebleven socii het burgerrecht gegeven, en in Januari van 89 door de lex Plautia-Papiria, door twee tribunen voorgesteld , aan alle inwoners der civitates foederatae, wanneer zij zich binnen 60 dagen by den praetor urbanus aanmeldden. De

nieuwe burgers werden eerst ingedeeld in 8 der bestaande tribus,

-• , o, ,»i.jl

' '' quot; ' ii z-ojjj

i ~ dj

ocr page 176

162

hetgeen hun stemrecht waardeloos maakte, maar reeds in 84 werden zij in alle tribus opgenomen.

Gallia Cispadana had in 89 het burgerrecht verkregen waar-schijnlijk door een lex Pompeia van den consul Cn. Porapeius Strabo, die ook in hetzelfde jaar aan Gallia Transpadana het ins Latii gaf, dat de 12 jongste Latijnsche kolonies hadden. Caesar verleende het burgerrecht aan Gallia Transpadana en in 42 werd de provincie Gallia opgeheven en het land voor goed met Italië vereenigd (pag. 151).

Het verleenen van het burgerrecht bracht in Italië groote verandering te weeg. Het Latijn werd overal de officiëele taal en verdreef de inheemsche dialekten; voortaan heerschten op het schiereiland Eomeinsch recht, Romeinschc zeden en gebruiken. Maar het voornaamste gevolg was de ontwikkeling van de zelfstandigheid der steden. Het onderscheid tusschen de steden in Italië verdween; zij moesten nu eigenlijk met dezelfde rechten als Rome in het staatsverband worden opgenomen. Dit is evenwel niet volkomen gelukt. Rome zelf is nooit een afzonderlijke gemeente geworden; het bestuur der hoofdstad was tevens het bestuur van den staat, alle uitgaven ten bate van Rome werden steeds beschouwd als staatsuitgaven. Aan het bestuur van den staat konden de steden niet deelnemen, omdat het stelsel van vertegenwoordiging niet werd toegepast. De Romeinen vergenoegden zich met aan de steden een zooveel mogelijk zelfstandig inwendig beheer toe te staan en de grenzen tusschen de bevoegdheid van staats- en stadsbestuur te trekken door ley es municipale» ').

In vele steden bleven geruimen tijd nadat zij het burgerrecht hadden verkregen de vroegere inrichtingen bestaan; zoo behielden meestal de magistraten hun oude titels. Te Lanuvium, Aricia en Tusculum stond aan het hoofd een dictator; te Lavinium en Praeneste twee praetoren; te Beneventum twee consuls; te Arpi-num. Fundi en Formiae drie aedilen. Tegen het einde der republiek begon in de stedelijke besturen overal gelijkvormigheid te komen.

') Twee leges municipales zijn gedeeltelijk bewaard; de lex Rubric (49), die de rechtspleging in Gallia Cisalpina regelde, en de lex lulia municijpalis (46) {tabula Heracleensis), een algemeene gemeentewet van Caesar, zoowel voor Home als de mnnicipia in en buiten Italië.

ocr page 177

/

HOOFDSTUK XL

P H O V I N C I Ji N.

§ 1. Toestand der provinciën.

ƒquot; Frovincia beteekende oorspronkelijk den aan een magistratas ^ cum imperia toegewezen werkki-ino-. Toen de provincia Sicilië en Sardinië te besturen werd opgedragen aan praetoren met het volledig imperium consulare, verwijdde zich de beteekenis . van het woord tot:^n. stadhouderschap, ^0. wingewestTquot;^ »

Een provincie was een onderworpen land buiten Italië, door een Romeinsch magistraat bestuurd. Haar grondgebied was eigendom van het Eomeinsche volk (praedium populi Romanï) en derhalve schatplichtig. De namen van de wingewesten der republiek en de jaren hunner inrichting tot provincie zijn de volgende:

1. Sicilia......241

2. Sardinia.....231

o. Hispania Citerior j

4. Hispania Ulterior A-^JUx t ■

5. Illyricum.....45

6. Macedonia.....146

7. Africa . . ... . 14G

8. Asia /lt;£ lt;--'. ■ . 13o

O ' • ■

- •

10. Gallia Cisalpina .

. 81

(pag. 151).

11. Bithynia. . . .

74

(Cyrene tïquot; . . gt; (Creta.....

74

. 67

. |Cilicia .: . 'Cyprus . . . .

. 64

. 58

14. Sj'ria .

. 64

9. Gallia Narbonensis . . 120

De Romeinen brachten bij het invoeren hunner heerschappy overal dezelfde beginsels in toepassing. Een onderworpen land werd door den veroveraar, bijgestaan door tien door den senaat daartoe aangewezen legati tot een provincie ingericht (in formani provinciae redigerè). De aldus tot stand gekomen regeling [lex.

11-

ocr page 178

164

provinciae) droeg den naam van den veldheer, en bleef voortaan de grondslag van liet beheer. De Romeinen deden in de provincies even als in Italië het beheer berusten op de stedelijke organisatie. Daarom werd allereerst de provincie verdeeld in ^ distrikten (civitates) met een der grootste steden tot centrum.

2 . Sicilië had 67, Gallië 64 dergelijke civitaten. Om de banden,

\ die vroeger tusschen de inwoners hadden bestaan, zooveel moge

lijk te verbreken, werden de distrikten zoo geregeld, dat de oude indeeling geheel verviel. Zelfs werd dikwijls tusschen de verschillende civilates het commercium opgeheven, zoodat de inwoners onderling hun eigendommen moeilijker konden van de hand doen, en de Eomeinen, die overal commercium hadden, des te gemakkelyker eigendommen konden verwerven. Hierop werd de politieke en financieele toestand der provincie geregeld. Met geweld genomen steden werden verwoest, haar landerijen tot Eomeinsch domein (ayer publicus) gemaakt. Aan de steden, die zich hadden onderworpen, liet men haar gebied en stedelijke rechten, aan de inwoners hun vrijheid en bezittingen. Op alle landerijen werd echter een belasting gelegd als praemium Victorian et poena lelli. In sommige provincies waren eenige bevoorrechte steden, namelijk steden met Romeinsche inrichtingen en vrije steden. De steden in een provincie konden dus evenals in Italië behooren tot de volgende kategoriën:

ln. Sleden met Romeinsche inrichtingen: coloniae civinnt, • • '' W- mmicwia en-lcoloniae Latinae. Haar toestand was ongunstiger clie der steden van dezen rang in Italië, omdat zij belasting-schuldig waren, en op haar gebied het dominium ex iure Qidri-tium (pag. 104) niet toepasselijk was.

2°. Yiije steden en wel:

a. civitates foederatae. Het foedxs, dat deze steden met Rome hadden gesloten, erkende haar zelfstandigheid naast Rome en was van beide kanten bezworen. Een oorkonde van het verdrag werd in bronzen tafels gegrift en zoowel te Rome als in de stad zelve bewaard. De toestand dezer steden was de gunstigste van alle provinciesteden. Zij kwamen slechts in geringen getale voor en alleen in de oudste provincies. In Sicilië waren er drie: Messana, Tauromenium en Xetum; verder genoten dit voorrecht: Massilia, Athene, Rhodus, Tyrus, enz.

ocr page 179

1G5

ïhamp;n,

Be—brmWTs hadden administratieve vrijheid, eigen rechtspraak en in civiele zaken ook over de bij hen gevestigde Romeinen, het mm (pag. 160) en het recht om munt (gewoon-lijk alleen koperen munt) te slaan. De landerijen bleven het eigendom van de stad of haar burgers, die bovendien immunes waren, d. i. vrygesteld van Romcinsche belastingen, en alleen moesten voldoen aan de bij het foeduis gestelde voorwaarden : w levering van troepen en schepen, levering van koren tegen be- O taling, en het ontvangen van doortrekkende Romeinsche ambte— ' . t ^ Js naren. De stadhouder mocht zich met de aangelegenheden dezer steden niet bemoeien en moest, wanneer hg op haar gebied ver-scheen, zyn insignia afleggen.

b. civitates sine foedere immunes et liherae. Zij hadden dezelfde voorrechten als de civitates foederatae, met dit onderscheid, dat haar toestand niet berustte op een foedns, maar op een le.v of s. c.. die elk ootrenblik konden ingetrokken worden. Tot de

—-— _ IVquot;quot;

weinisre steden, die zich in deze welwillendheid der Romeinen j ,

O » i,j ■

verheugden, behoorden o. a. Panormus, Segesta, Utica, Thap--^ ,, sus, Smyrna, Ephesus, Alexandria Troas ').

Het behoeft niet gezegd te worden, dat aan alle vrije steden buitenlandsche politiek was verboden. Bij de inrichting der provincie was haar een stedelij k recht (fer) gegeven, waaraan zij zich moesten houden. Haar zelfstandigheid kwam dus hierop neer, dat zij volgens deze gemeentewet zich zelf konden beheeren door haar eigen overheden, zonder inmenging des stadhouders.

Daar zij vry van belasting waren, en munt- en exsielrecht hadden, werden zij beschouwd als externe, d. i. als niet tot de provincie behoorende.

3°. Onderworpen steden: civitates stipendiariae, dediticiae, die verreweg de meerderheid uitmaakten. Aan deze steden was het stadsrecht op nieuw vèrleend, zij behielden haar raad, volksvergadering en overheden, hadden in bepaalde civiele zaken eigen rechtspraak en beheerden zich zelf uit haar eigen inkomsten,

maar deze rechten waren haar verleend door den veldheer en de

') Er was nog een derde kategorie van deze steden, n.1. civitates liberae, die belasting betaalden; dit was echter een overgangstoestand, wanneer er nog geen provincie was ingericht, waartoe zij konden hehooren.

ocr page 180

166

10 legati, die de provincie hadden ingericht, en niet door een foeduts, lex of s. c. Zij waren in alles afhankelijk van den stadhouder, die nauwkeurig toezicht hield over de uitoefening dezer rechten en telkens in haar aangelegenheden kon ingrijpen. Het grondgebied dezer steden was ager publicus en dus schatplichtig aan Rome.

§ 2. Bestuur der provincies.

Alle beslissingen omtrent de provincies behoorden tot de bevoegdheden van den senaat, die ook over de verschillende kommando's beschikte. In de laatste eeuw der republiek begonnen zeer tot schade der staatsregeling de tribunen dit terrein te betreden; men denke aan de lex Gabinia (67), die Pompeius den oorlog tegen de zeeroovers opdroeg, de lex Manilia (06), die hem belastte met den oorlog tegen Mithridates, de lex Vatinia (59), die Caesar voor 5 jaar de provincies Gallia Cisalpina en. Illyricum toekende.

Tot het besturen der provincies werden aanvankelijk praetoren gekozen, sedert 227 twee voor Sicilië en Sardinië, sedert 197 twee voor de beide Spanjes. Toen het getal provincies toenam, bracht men de proroyatio imperii in toepassing en werden consuls en praetoren van 't vorige jaar, soms ook privati uitgezonden als stadhouders, pro consule of pro praetore. Sedert de instelling der qmestiones perpet na f bleven eerst sommige, later alle praetoren gedurende hun ambtsjaar te Rome, en Sulla maakte de prorogatio tot regel door te bepalen, dat zoowel de consuls als de praetoren onmiddellijk na hun ambtsjaar aan het hoofd eener provincie moesten geplaatst worden.

De senaat bepaalde welke provinciae zouden zijn conmlarets, welke praetoriae (decernere, nominare provincial). Daarop verdeelden eerst de consuls dan de pj-aetoren de provincies onder-ling door comparatio of sortitio. De lex Sempronia (123) van C. Gracchus bepaalde om partijdigheid van den senaat te voor-' komen, dat de beide provinciae consulares nog voor de comitia 'coilsularia, moesten aangewezen worden.

Terstond na afloop van hun ambtsjaar gingen de consuls en praetoren naar de hun ten deel gevallen provincies, maar een

amp;

)■ -ü

£-3 -i- ■

ocr page 181

167

Ol^y t-x L- / .

'A-- ' » gt; • I-

ter Pompeia (52) beval, ter betengeling van ambitus, nadat een s. c. van denzelfden inhoud was voorafgegaan, dat eerst vijf jaar na het consulaat of de praetuur het stadhouderschap zou worden bekleedJ Ten einde in het gebrek aan stadhouders, dat nu tijdelijk ontstond, te voorzien, werden de magistraten opgeroepen, die vroeger hun provincie van de hand hadden gewezen. Onder deze behoorde ook Cicero, die in 51 Cilicië bestuurde. De lex Pompeia, door Caesar in 48 opgeheven, werd door Augustus hersteld.

Het stadhouderschap duurde als alle ambten één jaar, doch werd dikwijls verlengd eerst door een/volksbesluit Jater door «. c. Daar evenwel de stadhouder de komst van zijn opvolger behoorde af te wachten, had een uitdrukkelijke proroyatiu dikwijls niet plaats. Sulla bepaalde door een le.v Cornelia (81), dat de stadhouder binnen 30 dagen na aankomst van zijn opvolger de provincie moest verlaten; de eerste bleef tot zijn komst te Eome met het imperium oekleed.

Voor de stadhouder Eome verliet, bepaalde de senaat de grenzen zijner provincie, en stelde een geldsom (vqsarium), benevens troepen en schepen tot zyn beschikking (oniatio pro-vinciae '). Proconsuls werden oorspronkelijk gezonden naar die provincies, waar de grootste legermacht noodig was; zij voerden 12 lictoren met fasces cum securiLus. Aan het hoofd der rustiger provincies, waar een kleiner leger voldoende was, werden propraetoren gesteld, die 6 lictoren hadden; overigens was hun ambtsgezag gelijk aan dat der proconsuls.

/ De stadhouder is het hoofd der provincie ^ls opperbevelhebber der troepen kan hij een lichting houden zoowel van burgers als van provincialen ,5en een oorlogsbelasting opleggen. Hij zorgt voor de verdediging der provincie, en in een nog niet geheel onderworpen of in een bedreigde provincie treedt hy op als veldheer aan het hoofd van een groot leger. ^ Hij staat aan het hoofd der rechtspleging (pag. 165),oen heeft als strafrechter over de provincialen het ius vitae ac necis sine provocations. In

■T/j i CL. ^Tji^

') Het vasarium, dut den stadhouder voor zijn kosten van uitrusting en inrichting werd toegekend, was daartoe rijkelijk voldoende. Cicero hield van deze gelden ruim 2 millioen sestertiën over.

ocr page 182

1(58

de civiele rechtspraak heeft hij zich, behalve aan de lex provin. ciae1 de wetten en senaatsbesluiten, te honden aan zijn edicium, dat hij by zyn komst uitvaardigt en waarin, zooveel mogelijk rekening is gehouden met het inheemsche recht der provincie. Ten behoeve der rechtspraak is iedere provincie verdeeld in districten (conventus), in wier hoofdplaatsen de stadhouder op gezette tijden recht spreekt. Verder heeft hij het opperbeheer der geheele provincie en houdt uit dien hoofde nauwlettend toezicht op de stedelijke administratiën.

/ Den stadhouder werd door het lot een quaestor toegevoegd; alleen in Sicilië waren twee quaestoren {quaestor Syracuianus en quaestor Lilybaetanus). Voor zyn vertrek uit Rome kreeg de quaestor de kas, waaruit hij alle onkosten voor het beheer der provincie betaalde, en waarin hij de opbrengsten der provincie stortte. Na afloop van zijn ambt legde hij rekening en verantwoording af, tevens uit naam van den stadhouder. Hij had in de provincie een rechtspraak overeenkomende met die der aedilen te Rome. De stadhouder kon hem ook een deel zijner eigen civiele rechtspraak toevertrouwen, of hem in zijn plaats laten optreden {quaestor pro conside, q. pro praetorè). Tusschen den stadhouder en zijn quaestor behoorde te bestaan een vinculum pietatis, maar de voorbeelden van het tegendeel zijn niet schaarsch. Bij ontstentenis of overlijden van den quaestor droeg de stadhouder de vervulling van zyn ambt op aan een der legaten {legatus pro quaestorè).

De stadhouder werd vergezeld door een of meer onderbevelhebbers (legati) van senatorenrang; hun benoeming geschiedde door den senaat op voordracht van den stadhouder, die hen belastte met een kommando of met de civiele rechtspraak. De post van legatus was zeer begeerd.

In - het gevolg des stadhouders bevonden zich verder jonge lieden, zonen van vrienden of bloedverwanten {coinites, contu-lernales, cohors praetoria), om ervaring op te doen en fortuin te maken. Hun werd dikwijls door den stadhouder een opdracht toevertrouwd; voor hun onderhoud zorgde de staat, maar de stadhouder was voor hen verantwoordelijk. Met deze begeleiders moet niet verward worden de cohors praetoria, de lijfwacht van den stadhouder; officieren en soldaten behoorden in 't alge-

ocr page 183

169

meen niet tot de comités. Tot de comités werden wel gerekend de talrijke bezoldigde apjiaritorea, die de stadhouder mede nam: -lictores, acriboe, interpretes, tahellarii, pullarn, medici enz., quot; . ^

maar niet de vrijgelatenen en slaven, die zijn persoonlijke zaken behartigden.

Voor den Romeinschen staat, die geheel teerde op zijn wingewesten , was het van 't grootste belang deze in een behoorlijken toestand te houden. Daarom trachtten de Romeinen de hun onderworpen streken voor uitputting te bewaren, en nieuwe bronnen van welvaart te openen of de bestaande milder te doen vloeien. De belangen der inwoners kwamen daarbij'^ i ■ volstrekt niet in aanmerking, wat Cicero daarvan ook met schoonklinkende woorden moge zeggen. Maar dc beste maatregelen en verordeningen der regeering oin de provincies zoo vruchtdragend als mogelyk te maken voor den staat, werden in den regel door haar eigen ambtenaren verijdeld. De stadhouder, meestal geruïneerd door de ontzaglijke kosten zijner verkiezingen en spelen, moest in korten tijd niet alleen zijn eigen beurs maar ook die van zijn gevolg vullen. Overal vond een schraapzuchtig stadhouder voorwendsels voor afpersing en gelegenheid om zijn macht te misbruiken; hij verkocht elk gunstbewijs en liet zich overladen met geschenken. En ten slotte moesten de ongelukkige inwoners standbeelden en tempels voor hun kweller oprichten en, wanneer hij de repetundis was aangeklaagd, een laudatio naar Rome zenden, uit vrees voor zijn opvolger, -- /a: , . quot;

Daarenboven werden de provincialen uitgezogen door de puhlicani, (pag. 176) tegen wier knevelarijen de stadhouder zich quot;

niet durfde verzetten, en niet minder door de negotiatores, Ro- ia , -ƒ lt; gt; mcinsche kapitalisten, die dikwijls tegen ongehoorde woekerwinst geld leenden aan de verarmde steden of vorsten, en niet zelden met behulp van den stadhouder de inwoners tot het uiterste dreven. Eerst het keizerryk bracht verademing voorde provincies aan.

ocr page 184

HOOFDSTUK XII.

GELDMIDDELEN.

§.1. Het muntwezen.

Het oudste ruilmiddel der Romeinen was vee; pecunia is zonder twijfel een afleiding van pecus. Vroegtijdig bedienden zij zich bovendien van koper (aes rude), dat in stukken (raudu-scula) by gewicht in betaling werd gegeven. Zoowel in de taal (aestimare van aes, pendere voor betalen, stipendium, ex-peudere en dergelijke meer) als bij den symbolischen koop voor liet gerecht [per aes et libram) is de herinnering aan dit overoud gebruik blijven voortleven. Servius Tullius liet koperstukken gieten en met een teeken voorzien, den kop van een rund, schaap of zwijn (aes siynatim), maar deze stukken werden nog steeds toegewogen. Eerst onder de decemviri is te Eome geld gemunt ; toen werden stukken koper ter waarmerking van gehalte en gewicht van een teeken voorzien, waardoor het wogen overbodig werd. Deze oudste munt sloot zich aan het bestaande gewichtstelsel aan, want de munteenheid, de as, had het gewicht van het Eomeinsch pond (327 gram). De volgende stukken werden toen uitgegeven:

As = 12 Unciae = 1 pond koper.

Semis . = 6 „ = '/a * „ ^

Trie»* = 4 „ = '/s „ „

Quadrans =3 „ „

Sextans =2 „ = '/« „ „ • -

Uncia = 1 Uncia = 1lli „ „ i

De oudste as (as libram, aes gram) had, zooals uit de

ocr page 185

171

weging der tot ons gekomen stukken blijkt, nagenoeg het volle gewicht. In den loop des tyds werden de koperstukken steeds lichter gemaakt, zoodat zij in plaats van gegoten, geslagen konden worden.

In het jaar 269 werd een munt opgericht in den tempel van luno Moneta, werden YLlviri monetales benoemd en begon men zilvergeld te slaan. Daarvoor werd een muntvoet gekozen, die reeds algemeen verbreid was, de Attische drachme, die ook op Sicilië in gebruik was. Het nieuwe zilverstuk, dat hiermede in waarde overeenkwam, was de denarius. Tevens werd, om den denarius in overeenstemming te brengen met het bestaande systeem, de duodecimale indeeling van de oude Eo-meinsche munt vervangen door de decimale. De as libralis werd afgeschaft en vervangen door een as, die slechts -1 nnciae woog, den zoogenaamden trientalen as. De nu geslagen zilverstukken waren:

'Denarius X = 10 as. 40■

Quinarius V = 5 as.

Sestertius IIS ~ 21/2 as. ')

Op deze wijze konden koper- en zilvergeld naast elkander blijven voortbestaan. De triëntale as was het tiende deel van den denarius en de sestertius was derhalve de aequivalent van den ouden as libralis, naar welken nog langen tyd werd gerekend. Zoo kwam het, dat niet de denarius, maar de sestertius, die de bemiddelaar was tusschen het oude en het nieuwe systeem, diende tot het bepalen van geldsommen en by voorkeur uummus werd genoemd.

In den loop van den lslen Punischen ooi-log daalde de as tot 2 vuciae {as sextantarius), en werd in 217 vastgesteld op 1 un-cia. Tevens werd door een lex Flamiuia de denarius gebracht op 16 as en zyn zilvergehalte met 1/7 verminderd. De as, die nauwelyks de helft van de nominale waarde had, was pasmunt geworden, daarom kon zijn gewicht gevoegelyk worden verminderd, zooals in 89 geschiedde toen hy tot '/^ uncia

Het was in het schrift gebruikelijk de teekens, die de waarde aanga ven, van een dwarsstreep te voorzien. Sestertius voor semistertius, derdehalf.

ocr page 186

172

gereduceerd werd. Het nieuwe stelsel bleef tot diep in den keizertijd bestaan:

Denarius — 16 as.

Quinarim = 8 as.

Sestertius = 4 as. ■

%

Zoowel de staat als particulieren bewaarden lang voor de invoering van zilvergeld hun vermogen in zilveren en gouden staven. Eerst in 217 werd goudgeld geslagen, stukken van 60, 40 en 20 sestertiën nominaal, die evenwel op verre na die waarde niet liadden en spoedig verdwenen. Ook de goudstukken iaureï), die Sulla, Pompems en Caesar lieten slaan, werden in den liandel alleen naar liun gewicht aangenomen.

Het is moeilijk de juiste waarde der Eomeinsche munten te bepalen wegens de wisselende verhouding van goud eu zilver aan den eenen kant en die van zilver en koper aan den anderen kant. In 't algemeen kan men aannemen, dat de denarius een waarde had van 42 cent, de sestertius dus van ruim 10 cent.

Nog moeilijker is het de relatieve waarde van het geld, zyn verhouding tot den koopprijs, vast te stellen. Het spreekt van zelf, dat tydens het bestaan van Rome deze verhouding ten zeerste heeft afgewisseld.

Ten slotte volgen hier de onderdeelen van den as, waarvan zich de Romeinen bedienden, om de deelen van een eenheid uit te drukken, zoowel van een kapitaal, een erfenis, een akker, een uur, als van gewichten en koperen munten.

as. | u.nciae.

name n.

as.

unciae 1 namen.

1 ■ 12 quot;/n 11

s/c 10 9

2/3 8 7/12 7 ' ^2 ^

%

as.

deunx. de.v tans, dodraus. hes.

septunx. semis.

''Ui Va

xu

Vc Vb 1/l2 V24

5 4 3 2

IV2 1

v*

quincunx.

triens.

quadrans.

sextans.

sescunx.

uncia.

semuncia.

ocr page 187

173

§ 2. Uitgaven.

Het financiewezen der republiek is weinig bekend. Bij gebrek van een voldoend aantal cijfers is het onmogelijk om zeifs bij benadering voor eenig tydstip een begrooting te maken van de inkomsten en uitgaven van den staat.

De staatszorg strekte zich te Eome lang zoo ver niet uit als in den tegenwoordigen tijd; de uitgaven bepaalden zich hoofdzakelijk tot de volgende posten:

1°. Eeredienst. TDe kosten van den eeredienst, die een staatsinstelling was, werden di?or den staat gedragen. De groote priestercolleges en waarschijnlijk alle tempels hadden kassen (arcue), die gestijfd werden door de den tempel toegewezen landerijen, en door toevallige baten; geschenken, de entreegelden der nieuwe priesters en de vergoeding, die de burgers voor het oiïer moesten betalen, terwijl bovendien de sacramenta (pag. 109) in de kas der pontijices werden gestort. Alle buitengewone offers en feesten: procurationem prodig'wrum, vooral de ludi (pag. 127), werden door den staat bestreden. De priesterambten waren /lonores en als zoodanig onbezoldigd, maar aan de curiones, de Vestaalsche maagden en denkelijk ook aan de J!amines, die hun ambt levenslang bekleedden, werd, wanneer zij in dienst traden, een geldsom toegewezen. De verschillende dienaren der priesters genoten bezoldiging;

2°. Openbare Werken. ïot in de 2,le eeuw v. C. stelden de openbare werken de zwaarste eischen aan de schatkist. De censoren moesten de hun toegestane gelden aanwenden voor het bouwen en onderhouden der stadsmuren, porticus, basilicae, fora, bruggen, waterleidingen, kortom van alle staats-gebonwen en werken. Ook in de Romeiusche kolonies en municipia hadden zij voor dit alles te zorgen, maar meer en meer bestreden deze steden zelf de daarvoor noodige uitgaven, en bepaalde zich de werkzaamheid der censoren tot den aanleg en het onderhoud van wegen, bruggen en havens in Italië;

3°. Le/jer en Vloot. De burgers Tjekostigden zelf hun wapenrusting en verpleging te velde. Sedert 406 werd het betalen van Soldij {stipenditun) ingevoerd (pag. 137), tevens zorgde de staat voor de bondgenooten en voor de vloot;

ocr page 188

174

4°. Beheer. Tijdens de republiek waren de kosten van het beheer gering. De steden in Italië bekostigden hun uitgaven uit de haar toegewezen landerijen; het ontbrekende kon door een plaatselijke belasting worden aangevuld. Alleen de ondergeschikte ambtenaren werden bezoldigd, en de stadhouders der provinciën kregen vergoeding voor hun uitrusting;

5°. Cura annonae. Ten gevolge van de gestadige vermeerdering der bevolking in de hoofdstad, terwijl de korenbouw in Italië steeds afnam, omdat men zich op de meer winstgevende veeteelt, olgf- en wijnbouw toelegde, was de staat genoodzaakt, ten einde hongersnood en buitengewone rijzing der korenprijzen te voorkomen, om te zorgen voor een geregelden korentoevoer naar Rome. Vooral Sicilië, de nutrix plebis lionianae, en later Azië leverden hiertoe bijdragen. De quaestor te Ostia nam het geleverde koren in ontvangst, de aedilen verkochten het te Rome en bepaalden zoo ook den prijs voor den handel. Deze levering van koren kon alleen dan den staat nadeel berokkenen, wanneer de inkoopsprijs dien van den verkoop overtrof. C. Gracchus bepaalde echter door zijn lex Sempronia fnmentaria (123), dat ieder burger maandelijks 5 modii (S'/j liter) tarwe zou kunnen ontvangen tegen 6'/3 as den modius, minder dan de helft van den kostenden prijs. Door verschillende leges frmnen-tariae werd deze milddadigheid {largitio), die den staat zware onkosten bezorgde, gewijzigd, en Sulla schafte de korenuitdee-lingen waarschijnlijk geheel af. Zij werden reeds door de lex Terentia et Cassia (73) weer ingevoerd overeenkomstig de bepalingen van Gracchus. De bedeeling bleef verder bestaan, en werd het gewone middel der partijen om de plebs te winnen. Een lex Ulodia (58) deelde het keren uit om niet. Ieder stemhebbende burger te Rome had recht op deze uitdeelingen, hoewel de meer gegoeden zich niet zullen hebben aangemeld. In 4(5 vond Caesar 320,000 personen op de lijsten der bedeelden. Hij beperkte hun getal tot 150,000, Augustus tot 200,000, De plaatsen, die door sterfgevallen openvielen, werden door loting weder bezet. Reeds tydens de Republiek komen soms coruji-aria {cougiiis)- ,voor, geschenken van wijn of olie als toegift by het koren.

ocr page 189

175

§ 3. Inkomsten. Belastingheffing.

In het beheer der geldmiddelen kunnen twee perioden worden onderscheiden, waarvan de eerste tot 167, de tweede tot Augustus loopt.

In het eerste tijdperk werd de eenvoudige huishouding van den staat bekostigd uit de volgende inkomsten:

1n. Victigaüa, opbrengst van staatseigendummen:

a. de opbrengst van den ayer publicus, langen tijd de voornaamste bron van inkomsten (pag. 78).

h. vergoeding voor huur van bouwterreinen {solarium'), en voor het gebruiken van waterleidingen, cloacae, bruggen en wegen.

c. inkomende en uitgaande rechten (portoria).

2 n. Verdere inkomsten:

a. toevallige baten: oorlogsbuitf boeten.

b. het hoofdgeld geheven van de te Rome gevestigde vreemde, lingen [aerariï).

c. het aurum vicesimarium (pag. 31).

In oorlogstijd, vooral sedert het invoeren der soldij (406), schoten de inkomsten meestal te kort. Men moest dan overgaan tot het heffen van een buitengewone kapitaalsbelasting, {trihutum ex censn) door van het vermogen der burgers een tri-hiitum simplex, duplex of triplex d. i. 1, 2 of 3 per mille te vorderen. Het trihutum kan in zeker opzicht beschouwd worden als een gedwongen leening, want, wanneer de schatkist het toeliet, werd het geheel of gedeeltelijk terugbetaald. Herhaaldelijk verzette zich de burgerij hardnekkig tegen een oorlog, die het heffen van een trihutum in het verschiet stelde. Nog in 200 werd het voorstel van de regeering om Philippus van Macedonië den oorlog aan te doen, met bijna algemeene stemmen in de comitia centuriata verworpen. Toen de verovering van Macedonië in 167 de schatkist ten boorde had gevuld, en het geluk der Eomeinsche wapenen steeds in het tekort voorzag, behoefde het trihutum niet meer uitgeschreven te worden. Nog eens komt het voor, en wel onder het consulaat van Hirtius en Pansa in 43.

In de periode na 167 werden alle uitgaven bestreden uit de

ocr page 190

176

belastingen (vectigalia) der provincies. Alleen liet gebied der vrije steden eener provincie was vrij van Eomeinsche grondbelasting (pag. 165), het overige werd door de Romeinen beschouwd als ager puhlicus. Een gedeelte dezer gronden werd verkocht {ar/er quaestorius) of aangewezen tot het stichten eener kolonie, maar bleef dominium van den staat en was daarom met een vectujal bezwaard. Over een ander gedeelte, gewoonlijk het gebied der verwoeste steden en het domein der vroegere vorsten, behield de staat zelf het beheer; deze landerijen heetten mengeren zin ayer puhlicus en werden door de censoren verpacht. Verreweg het grootste gedeelte werd aan de inwoners gelaten, die echter alleen het bezit {possessio') en het vruchtgebruik (imtx fructuz) hadden en uit dien hoofde, volgens de redeneering der Romeinen, belasting moesten betalen.

Iedere provincie moest een direkte belasting opbrengen, die óf als trlhutim noli of als stipendium werd geëiseht.

a. In twee provincies, Sicilië en Azië (in de laatste van de lex Sempronia (123) tot Caesar), bestond deze belasting uit een grondbelasting (trihutum. soli), die gekweten werd door een bepaald gedeelte van den oogst, gewoonlijk het tiende {decumae) en die derhalve aan wisseling onderhevig was. De decumae rustten op den bodem en werden dus ingevorderd van hem, die het land bebouwde, hetzij als eigenaar hetzij als pachter.

h. De overige provincies betaalden een vaste bijdrage {stipendium, ook wel trihutum genoemd) hetzij in geld, hetzy in natura, soms onder beide vormen. Macedonië b. v. had jaarlijks 100 talenten (ƒ 300,000) op te brengen.

De graanprovincies Sicilië, Azië en later Aegypte moesten bovendien tegen een vasten prijs een bepaalde hoeveelheid koren leveren voor de uitdeelingen te Eome (frumentum emptum). In alle provincies moest het koren worden opgebracht voor den stadhouder en zijn gevolg (frumentum in cellami), dat insgelijks werd betaald. Yerder bestond in alle provincies een havengeld [portorium), in den regel 5 0/0 van alle in- en uitgaande handelswaren.

Voor het heffen en leveren der vaste belastingen zorgden de besturen der civitates. De veranderlijke- de tienden, de portoria en de inkomsten der domeinen werden door de censoren ver-

ocr page 191

177

pacht. De pachters, pnhlicani [publicum = vectigat), behoorden tot den rijken burgerstand, die sedert de lex Sempronia indiciarlci (pag. 112) den orclo equester vormde. De pnhlicani vereenigden zich tot vennootschappen (societates), met een manceps aan het hoofd, op wiens naam het koptrakt stond en die den staat borgtocht [praedes et praedid) stelde. De administratie te Rome werd gevoerd door een magister, in de provincie door een pro mayistro, die een menigte ondergeschikten hadden.

Voor den staat was dit stelsel ongetwijfeld de gemakkelijkste wyze om de belastingen te innen, voor de provincies was het een bron van ellende. De hebzucht der belastingpachters, wier eenige zorg het was de pachtsom zoover mogelijk te overtreffen, deinsde voor geen middel terug en de stadhouder, die de aangewezen beschermer der provincialen had moeten zijn, deed met de pnhlicani mede of liet na wat zijn plicht hem gebood, omdat hem anders, en veelal niet zonder reden, bij zijn terugkeer te Rome een proces de repetundis wachtte.

12

ocr page 192

K E I Z E R R IJ K.

HOOFDSTUK XIII.

HET PRINCIPAAT.

§ 1. Geschiedenis.

Caesar was gevallen, omdat de senaat zich niet kon schikken in de rol van machteloos werktuig van den alleenheerscher. Daardoor omzichtiger geworden, besloot de erfgenaam van zijn macht, Octavianns, zich van den senaat, in plaats van hem ter zijde te schuiven, te bedienen als een steunpilaar zijner regeering. Hij wilde de heerschappij verdoelen tusschen hem zeiven, als den vertegenwoordiger van het volk, en den senaat (dyarchie). Een keizerschap in de latere opvatting van het woord is dus de door hem in het leven geroepen regeeringsvorm niet. Een hetere benaming is principaat naar den naam princeps, dien hij zich zelf herhaaldelijk gaf, omdat hij wilde beschouwd worden als de 'princeps civium, en dien de oudere schrijvers uitsluitend bezigen. Het principaat, in dezen zin opgevat, is een nieuwe mr-gistratuur met vast omschreven rechten en verplichtingen, de princeps een door de wet gebonden magistraat, die na het nederleg-gen van zijn ambt tot verantwoording kon worden geroepen (§ 3).

Iva den slag bij Actinm (31) was Octavianus de eenig overgeblevene der triumviri reip. coustituendae. Hij behield voorloopig de aan deze magistraten opgedragen buitengewone volmachten (pag. 89). Den 13 Jan. 27 stelde hij evenwel deze volmachten

ocr page 193

179

weer ter beschikking van senaat en volk, nit dankbaarheid waarvoor de senaat hem drie dagen later den titel Aurjustns schonk. Van dit tijdstip dagteekent het principaat.

Octavianus bedoelde geenszins door bovengenoemden afstand zich te onttrekken aan het staatsbestuur. Hij behield het consulaat, dat hy 1 Jan. 27 voor de zevende maal had aanvaard en de potedas tribiinicia, die hem in 36 voor onbepaalden tijd, in 30 levenslang was verleend. Tevens kwam hy met den senaat overeen, dat hem voor den tijd van tien jaren zouden gelaten worden de provinciën, waarin een leger noodig was, met het imperium proconsulare, en dat hy het oppertoezicht zou houden over de provinciën, die weer aan den senaat overgingen, Door dit imperium proconsulare werd hij opperbevelhebber van leger en vloot.

Tot het jaar 23 bekleedde hij steeds het consulaat. In dat jaar legde hy dit ambt neer en verklaarde het niet meer geregeld te kunnen bekleeden. Niet het consulaat toonde hy te beschouwen als het hoogste burgerlijke gezag, maar de polentas trihunicia, door van dit tijdstip af zijn regeeringsjaren te tellen naar deze laatste waardigheid. Er was veel wat voor deze opvatting pleitte. De princeps werd door de potestus Iribunicia niet tribimm plel/is, maar hij verkreeg daardoor de bevoegdheid van het tribunaat, werd onschendbaar en kon alle rechten van dit ambt uitoefenen zonder beperking van tyd of plaats.

Verder verkreeg Augustus verschillende bevoegdheden , die hem of bij afzonderlyke wetten werden toegekend of door hem uit zyn reeds verkregen rechten werden afgeleid. Daartoe behoorden vooral: het recht om oorlog te verklaren en vrede en verdragen te sluiten (23), om voorstellen te doen aan den senaat, die den voorrang hadden boven alle andere, om magistraten aan te bevelen en om verordeningen te maken. Bovendien werd hem een bepaald aandeel verleend aan wetgeving, rechtspraak en beheer benevens vrijstelling van verschillende wetten. Hy was lid der vier hooge priestercolleges en sedert 12 v. C. pontifex tnaximus. In het jaar 2 v. C. gaf hem de senaat den eerenaam pater patriae. Zyn titel was: Imperator Caesar Augustus Div. Jilius.

Voortaan waren er dus twee dragers der souvereiniteit, de

12«

ocr page 194

180

priucejis (keizer) en de senaat. Bij deze verdeeling was de senaat reeds daardoor in het nadeel, dat hij zijn gezag uitoefende als licliaam, de princeps daarentegen alleen. Maar door liet opperbevel over het leger liad de priucejis metterdaad alle macht en door zijn overwegenden invloed op de samenstelling van den senaat hing deze ten slotte van hem af. Toch hebben zoowel Augustus als Tiberius den senaat een voornaam aandeel in de staatszaken willen toekennen, met name in het beheer. Augustus had evenwel de draagkracht der beide pijlers van zijn kunstig gebouw verre overschat. Den princeps ontbraken al te dikwijls de talenten en het karakter voor de hem toegedachte reuzentaak, de senaat toonde zich spoedig zoo ongeschikt, dat Augustus herhaaldelijk diens rechten moest inkorten. Het ware onbillijk hem daarom te beschouwen als een huichelaar, die van den beginne af aan het voornemen zon hebben gehad zich van de geheele regeering meester te maken. De omstandigheden hebben hem zoowel als zijn opvolgers steeds verder gedreven op den weg, die reeds onder Nero feitelijk uitliep op het absolutisme.

De rol van den senaat hing grootendeels af van de persoonlijkheid des keizers. Bij den val van het lulisch-Claudisehe huis hoopte de senaat het oorspronkelijk principaat te kunnen herstellen. Daarom werden by de ambtsaanvaarding van Vespasia-nus door de zoogenaamde lex de imperio Vespasiani de den keizer toekomende rechten omschreven, ten einde nieuwe aanmatigingen te voorkomen. Doch ook Vespasianus kon aan den wensch van den senaat naar een gelijke plaats naast den keizer niet voldoen. De fijn uitgedachte, maar door haar innerlijke onwaarheid onhoudbare dyarchie van Augustus kon niet weer in het leven worden geroepen. Geheel ter zijde geschoven onder het schrikbewind van Domitianus, werd de senaat onder de krachtige regeeringen van Traianus en Hadrianus, maar vooral onder het voorspoedig tijdperk der Antonini behoorlijk ontzien. Tot een krachtig optreden bracht hij het echter ook nu niet en juist onder de Antonini werd, niet het minst door het toenemend overwicht van het leger, de geheele machteloosheid van den senaat voorbereid. Terwijl Septimius Severus den senaat stelselmatig trachtte te fnuiken, trad hij onder Alexander Severus,

ocr page 195

181

die hem een plaats als staatsraad aanwees, weer meer op den voorgrond. Maar de keizers, die elkander nu snel opvolgden, waren meestal officieren, door een toeval, gewoonlijk muiterij, op den troon gebracht. Erkenning door den senaat werd niet meer verlangd, soms indirekt gegeven, herhaaldelijk formeel uitgesproken om nog eenig teeken van leven te geven.

Het is waar, dat na de afzetting van Maximinus en den val van Gordianus I en II (238} de senaat nog een krachtige poging heeft gedaan de rollen om te keeren en zicli hoven den keizer te plaatsen. Hij benoemde tegen den geliaten en ge vreesden Maximinus twee tegen keizers, 1'upiemu Maximus en Galviuus Balbinus, die met XXwVi rei pnhlicae curandae, uit den senaat gekozen, zouden regeeren. De maatregelen van den senaat om Italië tegen Maximinus te verdedigen bleken afdoende, maar zoowel deze als de door den senaat benoemde keizers werden spoedig door hun legers vermoord en onder hun opvolger Gordianus III komen de XXviri niet meer voor. Spoedig daarop bracht Gallienus den senaat den doodsteek toe, door de senatoren niet meer benoembaar te verklaren voor officiersposten, waardoor zij tevens langzamerhand van alle stadhouderspostcn werden uitgesloten.

Nog eenmaal herleefde de hoop van den senaat, toen de soldaten in hun berouw over den door hen op Aurelianus gepleegden moord (275), dit staatslichaam verzochten een keizer te benoemen. Maar toen de daarop gekozen keizer Tacitus na weinig maanden door de handen zijner soldaten viel, dacht niemand meer aan de herstelling van het principaat. Alleen van de absolute monarchie was voor het rijk redding en rust te verwachten.

§ 2. Bevolking.

a. Burgers.

Het burgerrecht werd verleend door de keizers, die het niet alleen viritim, maar ook aan vele steden in de provinciën schonken. Caracalla gaf hij edikt het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rijk (212).

Terwijl de iura private/, geen wijzigingen van belang onder-

ocr page 196

182

gingen, werden de iura pnhlica zeer besnoeid. Zoo verloor liet ius suffragii door Tiberius alle waarde; het ins Jionorum werd afhankelijk gemaakt van den census senatorius en het ius pro vocation is werd vervangen door beroep op den keizer. De indeeling in klassen, onnoodig sedert de bevoegdheid der comitia overging op den senaat (pag. 191), verviel. Daarentegen werden de burgers nog steeds in de tribus iugesehreven en het voegen van de tribus bij den naam was een bewijs van het bur-gerreeht. Met de 3de eeuw begint dit gebruik te verdwijnen.

Het burgerrecht ging verloren door capitis deminutio maxima of media. De laatste werd niet alleen veroorzaakt door de inter-dictio aqua et ixjni, maar ook door de straf der deportatio in insulam, die tevens verbeurdverklaring van liet vermogen ten gevolge had. De relegatio, onder het keizerrijk een zaehter vorm der verbanning, deed noch burgerrecht, noch vermogen verliezen en bewerkte dus geen capitis deminutio.

Het streven der maatschappij in de laatste eeuw der republiek om zich te splitsen in standen, vond in de keizers krachtige bevorderaars. Augustus riep den senatorenstand {ordo senatorius) in het leven door te bepalen, dat daartoe zouden behooren niet alleen de senatoren, maar ook hunne vrouwen en kinderen, terwijl de stand erfelijk werd in de mannelijke lijn. De keizer kon den senatorenstand verleenen, doch alleen aan hen, die de inye-nuitas hadden, benevens een census van 1,000,000 sestertiën. Door het opnemen van provincialen verspreidde zich de senatorenstand in het geheele rijk. Zij, die behoorden tot deze aristocratie, den eersten stand van het rijk, mochten noch huwelijken aangaan met vrygelatenen noch deelnemen aan de societates puhlicanorum.

De leden van den senatorenstand genoten de voorrechten en hadden de insignia, van de senatoren der republiek. Zij alleen konden de waardigheden bekleeden eigen aan de senatoriale loopbaan (§ 5. a.). Zij hadden het recht ten hove te verschijnen (adwissio lihera) en kregen door M. Aurelius den titel clarissimi, die hun in het dagelijksch leven reeds lang werd gegeven.

Op den senatorenstand volgde de ordo eyuester, waartoe in het algemeen de vrijgeboren burgers behoorden, die een census hadden van 400,000 sest. De keizer kon echter aan vrijgelatenen

ocr page 197

183

de ridderlijke waardigheid schenken door het verkenen van het ins anuli aurei, dat evenwel de rechten van den patroon handhaafde, of door de natalium restitutio, waardoor elk spoor der onvrije geboorte werd uitgewischt. De eijuites behielden de insignia. die zij hadden onder de republiek, en kregen onder Vespasianus toegang tot het hof.

Augustus schiep in den ridderstand een bepaalde klasse van ridders, de equites eqno publico {equites illustres) de plaatsvervangers der 18 cehturiae. Hnn getal bedroeg ongeveer 5000; zij waren verdeeld in 6 turn me, gecommandeerd door seviri. ilet de jaarlyksche transvectio werd verbonden de recogniiio door den keizer, die dus dezen ridderrang verleende. Sedert de 2lle eeuw werden de aanvragen voor een eqmis pii/dicus onderzocht door de afdeeling der keizerlijke kanselarij a censihus (pag. 191).

Uit de equites eqno publico benoemde de keizer de meeste zijner officieren en hooge ambtenaren (§ 5. a.).

Deze beide standen {uterque ordo) vervingen de vroegere uohi-litas, die met het ins imaginum verdween. Het patriciaat werd herhaaldelijk uitgebreid door Caesar en door sommige keizers krachtens hun censorsambt; in de 2ae eeuw maakte het recht om het patriciaat te verleenen, een deel uit der keizerlijke bevoegdheid. Het eenige voorrecht der patriciërs bestond daarin, dat zij alleen de priesterlijke waardigheden konden vervullen, die tijdens de republiek uitsluitend voor hen toegankelijk waren geweest, terwijl zij na de quaestuur de praetuur konden aanvaarden (§ 4. c.).

Zij, die tot de eerste standen behoorden, heetten honestiores tegenover de andere burgers, de humiliores, ordo plebeius. De derde stand, de grootc menigte imjenui beneden den ridderstand, speelde een zeer ondergeschikte rol in het openbare leven; de geringere burgerlijke betrekkingen werden tot Constanten door vrijgelatenen vervuld. Alleen de militaire dienst bood den man uit het volk de gelegenheid om vooruit te komen; in de 3ae eeuw kon hij het brengen tot den officiersrang; soms geraakten zelfs mannen uit den minderen stand op den troon.

Gevoegelijk kunnen hier een paar wetten van Augustus worden besproken, die de instandhouding der burgerij ten doel hadden door het sluiten van huwelijken en het opvoeden van kin-

ocr page 198

184

deren te bevorderen. De lex lulia de maritandis ordinibus (18 v. C.), aangevuld door de lex Papia-Poppaea (9 v. C.), trachtte den ongeiluwden staat tegen te gaan, vooral door liet aanvaarden van erfenissen door ongelnnvden te verbieden of te bemoei-lij ken en door bepaalde vormen en voorschriften vast te stellen voor echtscheiding. Daarentegen werden ouders van drie of meer kinderen door het zoogenaamde ius (triimï) li/jerorum op verschillende wijzen bevoordeeld. Het ius liherorum gaf o. a. voorrechten bij een candidatuur en bij het verdeelen der provincies, voorrang boven ambtgenooten en vrijstelling van lastposten b. v. voogdijschap.

b. Pereyrini.

Het keizerrijk liet aan de Latini hun bevoorrechte plaats. Er waren twee klassen van Latini:

lu. Latini coloniarii. Het ius Latii, in Italië na den bondgenootenoorlog verdwenen, bleef in de provincies bestaan en werd dikwijls aan steden, soms aan geheele provincies verleend (paS- 160).

2°. Latini itmiani, die een overgang vormden tusschen slaven en vrijgelatenen. De lex hmia-Norbana (19 v. C.) der consuls M. lunius Silanus en L. Norbanus Balbus gaf de meeste rechten der Latini coloniarii aan de slaven op wie de wammiissio minus insta was toegepast, en aan de slaven beneden de 30 jaar, vrijgelaten zonder inachtneming van de voorwaarden der lex Aelia-Sentia (pag. 185). De Latini iuniani hadden commercium; zij konden evenwel noch erven, noch testeeren, zoodat bij hun dood hun vermogen aan hun patroon verviel: vivant quasi inyeimi et moriantur ut seni. Zij konden door keizerlijke gunst of door aan bepaalde voorwaarden te voldoen het burgerrecht erlangen. De Latini iuniani verdwenen voor korten tijd door het verleenen van het burgerrecht aan de geheele vrije bevolking van het vij k, maar zij kwamen natuurlijk spoedig terug.

c. Slaven. Vrijgelatenen.

De invloed van de slavernij op zedelijk en op maatschappelijk gebied was in den keizertijd noodlottiger dan ooit. De slavernij

ocr page 199

IS.')

nam steeds grooter omvang aan en de staat zelf had voor de verschillende takken van dienst een menigte servi puhlici. Een menschelijker behandeling der slaven werd voorbereid door de letterkunde (Seneea). Ook de wetgeving greep hier in.

Een lex Petrmia (lste eeuw n. C.) verbood het willekeurig overleveren der slaven ad bestias depiiynauda*. Hadrianus ontnam den meester het recht zijn slaven te dooden en bepaalde dat de meester, wiens hardheid ondragelijk scheen, zijn slaven moest verkoopen. Ook kreeg de slaaf het recht zijn meester in sommige gevallen b.v. van hoogverraad of van valsche nmnterij. aan te klagen. Daarentegen herstelde het s. c. Silanianum (10) het oude gebruik, dat bij bet vermoorden eens meesters in zijn eigen huis, de slaven gedood werden, qui sul eodetu tecto fuerunt.

De vroegere wijzen van vrijlating bleven bestaan; die ex ceusn verviel met den census. De manumissio vindicta werd zoo vereenvoudigd, dat de magistraat op een bloote verklaring van den heer, zelfs in transitu, de vrijheid toewees.

De vrijgelatenen legden zich bij voorkeur toe op handwerken; velen verwierven door handel of nijverheid een groot vermogen; anderen begaven zich in den staatsdienst en klommen soms daarin op tot hooge posten. De hebzucht en onbeschaamdheid dezer parvenu's was spreekwoordelijk.

Het opgaan der vrijgelatenen in de ingenui werd bevorderd door Augustus, die alleen tusschen leden van den senatorenstand en vrijgelatenen het huwelijk verbood; anderdeels stelde de wetgeving, om het aangroeien van het gespuis in de hoofdstad te voorkomen, herhaaldelijk paal en perk aan de overmatige vrijlatingen.

De lex Aelia-Sentia (4 n. C.) bemoeilijkte liet vrijlaten door jonge lieden beneden de 20 jaar en van slaven beneden de 30 jaar; zij bepaalde verder, dat slaven, vroeger door hun meesters op onteerende wijze gestraft, bij de vrijlating alleen de rechten der pereyrini dediticii konden krijgen en op geenerlei wijze de latiniteit of het burgerrecht konden verwerven.

De lex Fnfia-Caninia (l8^ eeuw n. C.) beperkte het aantal by testament vrij te laten slaven tot een zeker percentage.

ocr page 200

186

§ 3. De Princeps. a. Amltmanvaardiny. Aftrediwj. Gezay.

De keizerlijke waardigheid werd aanvaard door twee afzonderlijke handelingen; het overnemen van het imperinm en van de trihunicia pot est at. Beide machten werden voor het leven verleend, het imperium door den senaat, de pot est os trihunicia na senaatshesluit door de comitia centuriata. Dikwijls was de opvolger door /.yn voorganger aangewezen en deze werd, ofschoon het beginsel der erfelijkheid rechtens niet bestond, door den senaat geregeld erkend. In veel gevallen wierp zich een pretendent op, meestal een veldheer door zijn troepen gesteund (occnpare principatum). De eenige plechtigheid bij de ambtsaanvaarding bestond in een offer op het Capitool.

Het recht den princeps af te zetten, dat alleen in tijden van groote troebelen is uitgeoefend, kwam den senaat toe. Met de afzetting ging gepaard damnatio memoriae (d. i. den doode werd een eerlijke begrafenis ontzegd, zijn beelden werden verbrijzeld en zijn naam werd van de monumenten verwijderd) benevens rescissio actorum, waardoor zijn handelingen nietig werden verklaard, tengevolge waarvan zij in den eed, dien de ambtenaren en senatoren jaarlijks den lstcn Januari moesten afleggen, niet werden opgenomen. Herhaaldelijk werd over een overleden princeps, ook al was hij niet afgezet, een doodengericht gehouden, waarvan meestal damnatio memoriae en. rescissio actorum, soms ook de laatste alleen, het gevolg was.

Den kern van de macht des keizers vormden het imperinm, en de trihunicia potestas.

Allereerst berustte zijn gezag op het imperinm. Wie het hn-perium bezat was keizer, al miste hij ook alle andere rechten, niet omgekeerd. Het imperium werd verleend door den senaat, maar nooit is er getwijfeld aan de rechtmatigheid eens keizers, die, door een leger uitgeroepen, de macht bezat zich te doen eerbiedigen, zelfs wanneer erkenning door den senaat achterwege bleef. Met het imperium was de titel Augustus verbonden.

Hot imperium verleende het opperbevel over leger en vloot

ocr page 201

187

met de daaraan verbonden rechten: liet benoemen van officieren, het lichten van troepen, de uitbetaling van soldij , het toekennen van eereteekenen enz. Door het imperium was du keizer de eerste magistraat in alle provincies, want hij alleen was pro-consnl in de promnciae Caesar is, terwijl in de provinciae seuatus zijn gezag ging boven dat des stadhouders. In theorie strekte zieh het imperium, misschien niet nit over Italië, feitelijk zeker, en ook te Rome verloor de keizer het imperium niet, ofschoon hij het daar in de eerste eeuwen niet uitoefende.

De trihunicia potestas, die aan tijd noch plaats was gebonden, verleende den keizer onschendbaarheid, gaf hem behalve de coerciüo, het recht om te intercedeeren tegen alle magistraten en tegen senaatsbesluiten, om zich tegen misbruiken te verzetten en den burgers te hulp te komen, waar hij het noodig achtte.

Bovendien bezat de keizer een reeks van bevoegdheden, waarvan sommige hem uitdrukkelijk werden verleend bij dezelfde wet die hem met de trihunicia potestas bekleedde.

Hij had het ius edicendi als magistraat, maar buitendien kon hij de wetten interpreteeren door decreta of rescript a (§ 7. a.). Hij kon den senaat voorstellen doen, die den voorrang hadden boven alle andere, een bepaald aantal magistraten aanbevelen, die gekozen moesten worden en senatoren benoemen, wanneer hij censor was. De leiding der buitenlandsche zaken berustte geheel bij den keizer, die ook beslistte over oorlog en vrede en verdragen sloot. Hij had een aandeel in de crimineele en civiele rechtspraak en in de wetgeving, voorzoover hij wetten kon maken omtrent bepaalde onderwerpen [leyes datae), b.v. het verleenen van stedelijke rechten, van het burgerrecht van de imjenuitas en van de latiniteit; eindelijk had hij deel in het bestuur der financiën en in het beheer van Rome en Italië.

De princeps was niet alleen lid van de hooge priestercolleges, maar als pontifex maximus was hij hoofd van den eeredienst, benoemde hij de priesters en had hij het beheer over de tempelgoederen. Deze waardigheid gaf aan het principaat een soort van -wijding. Eerst Gratianus (375) liet den titel vallen.

ocr page 202

188

b. Titels. Eerbewjziugen.

De keizers voerden lt;le titels Imperator, Augustus, Caesar. Ook voegden zij by Imn naam de door hen bekleede ambten, b.v. Imp. Caes. Traianus Hadrianus Aug. pont. max. trilt. pot. cos III p{ater) p(atriae) proconsul. Pr biceps is nooit een offieiëele titel geweest: evenwel komt hij in opschriften voor naast andere eeretitels: optimus, providentissimus, pins felix, invictus, aeterms. Sedert Septimius Severus werd de keizer dominus genoemd door gemeenten en corporaties; dominus et deus sedert Aurelianus. Dioeletianus stelde de titulatuur dominus verplicht, maar eerst sedert Constantijn noemden zich de keizers aldus zelf.

De princeps droeg te Rome de toga praetexta, bij feesten een purperen met goud geborduurde toga en op het hoofd een lauwerkrans. Als veldheer droeg hij het paludamentum en het zwaard. Hij zat tussehen de beide consuls op de sella ctirnlis, bij feesten op een verhoogden vergulden zetel. Hij had 12 lictoren, sedert Domitianus 24. In het paleis was steeds een cohorte der praetoriani (§ 5. b.) en een schaar van trawanten {Germani, corporis custodes).

Den 3,lequot; Januari werden geloften gedaan voor den keizer {votornm nuncupatió); zijn verjaardag en de dag zijner ambtsaanvaarding (dies imperii) waren feestdagen. In het eedsfomm-lier kwamen de namen der vergode keizers en de genius van den regeerenden keizer voor naast dien van luppiter, zoodat meineed als majesteitsschennis werd beschouwd. Het standbeeld des keizers werd geplaatst inter principia legionum en de munten prijkten met zijn borstbeeld. In de provinciën en in Italië werden nog bij het leven des keizers hem tempels, spelen en priesters gewijd. Na zijn dood werd hij in den regel (pag. ISt!) bij senaatsbesluit onder de goden van den staat (divi) opgenonmi {cousecratio, «TroS'c'wTtc).

De mannelijke leden van het keizerlijk huis droegen dei-titel Caesar, die evenwel door Hadrianus uitsluitend den troonopvolger werd voorbehouden. De vrouwen voerden vroeger soms, sedert Domitianus geregeld, den titel Augusta; de keizerin heette sedert Faustina, de gemalin van M. Aurelius, mater cas-trorum. Aan de prinsen van den bloede werd door de equites

ocr page 203

189

den titel pruicepx inventutis geschonken, dien zij droegen v;m het aanleggen der toya virilis tot hun intrede in den senaat. De nabestaanden des keizers werden in veel opzichten bevoorrecht, b.v. bij het verleenen van ambten; zij hadden eereplaatsen bij spelen en feesten en dikwijls zelfs eerewachten. Ook leden der keizerlijke familie werden onder de divi en clivae opgenomen, maar officiéél werden alleen de keizers en keizerinnen geteld.

c. Medereyent. Medekeizer.

Tot regeling der opvolging liet de princeps dikwijls een mederegent {conxors, particeps imperii) benoemen. De mederegent was sedert Tiberius steeds een eigen of geadopteerde zoon des keizers. Hem werd op verzoek des keizers door den senaat het imperium proconsulare verleend. Daarna verkreeg hij van den keizer met toestemming van den senaat de tribunicia potestas. Sedert Sep-timius Severus werd ook wel de tribunicia potestas alleen toegekend. Zoowel het imperium als de trib. pot. van den mederegent waren geringer dan die van den princeps, maar zijn imperium was hooger dan dat der overige proconsules. Een bepaald aandeel aan de regeering had de mederegent niet; hij voerde de opdrachten uit, die hem door den keizer werden toevertrouwd. By den dood des keizers moest den mederegent door den senaat uitdrukkelijk het keizerlijk gezag worden opgedragen.

Om dezen vorm overbodig te maken en de opvolging nog meer te verzekeren, liet Marcus Aurelius terstond by zijn regeeringsaanvaarding zijn adoptief-broeder, L. Verus, den zoon van L. Aelius Verus, den eersten mederegent van Hadrianus, tot medekeizer benoemen met den titel Augustus. Beide keizers hadden volmaakt dezelfde rechten. Herhaaldelijk waren er latei-twee, soms zelfs drie Auyusti. In den beginne was alleen de eerste pont. maximus, sedert 238 droegen zij beiden dezen titel.

d. Hof. Hofbeambten.. Kanselarij.

De naaste omgeving des keizers vormde zijn hof. Allen, die door den keizer ontvangen werden, oorspronkelijk alleen sena-

ocr page 204

190

toren, sedert Vespasiamis ook ridders, heetten amioi Anrjnsti. Uit lien koos de keizer zijn raadslieden {consilium), die hem op zijn reizen buiten Italië vergezelden (comités Augusti).

Voor den dienst ten paleize was een talrijk hofpersoneel noo-dig. Dit personeel bestond uitsluitend uit slaven en vrijgelatenen, van wie onder zwakke keizers enkelen, vooral de opperste kamerdienaar (decurio cuhicularioruin), soms een groote rol speelden. Het beheer van het paleis voerde een intendant , die ten minste sedert Nero jirocurator castreusis heette. De keizerlijke kas [Jis-ciis) werd bestuurd door den a rationibus (§ 8. c.). Voor zyn brieven en stukken had de keizer twee secretarissen: ah epistulis en a lihellis.

Uit den aard der zaak droegen de drie laatste posten reeds terstond eenigermate het karakter van staatsambten en zij kregen dit steeds meer. Onder Claudius wisten de vrijgelatenen, die deze ambten bekleedden, Pallas, Narcissus en Polybius, nagenoeg de geheele regeering in hun bureau's te concentreeren. Zulk een aanzien als tijdens Claudius hebben deze ambten nooit weer gehad, maar het zijn staatsambten gebleven veel meer dan hof-ambten , ofschoon de beide laatste {cih epistulis en a lihellis') hun oorspronkelijken aard nooit geheel hebben verloren.

Hadrianus, die de geheele administratie aan den ridderstand bracht (§ ó), bezette ook deze ambten met equites, welk voorbeeld de verdere keizers volgden. Tevens organiseerde hy de keizerlijke kanselarij. Deze bestond uit de volgende afdeelingen (scrinia) :

ln. ah epistulis. Deze afdeeling werd door Hadrianus gesplitst in twee onderafdeelingen: ah epistulis latinis en ah epistulis grae-cis. Hier werden de door den keizer bij epistula verleende prl-vilegia, op schrift gesteld, benevens de aanstellingen der lagere officieren (de benoeming tot hoogere rangen geschiedde bij eigenhandige!! codicillus des keizers). Het ambtelijk verkeer met het buitenland, met steden en corporaties, met stadhouders en veld-heeren, kortom de geheele correspondentie werd hier gevoerd.

2°. a lihellis. Deze afdeeling ontving alle verzoekschriften (lihelli), die tot den keizer gericht werden en adviseerde omtrent het door den keizer te geven antwoord {suhscriptio), dat deze eigenhandig op het verzoekschrift schreef. Een onderafdeeling,

ocr page 205

191

a censifjus, onderzodit sedert de if11'-' eeuw de verzoekschriften om opneming in den senatoren- en den ridderstand; zij droeg dezei; naam, omdat in deze het onderzoek naar het vermogen van den adressant vooral in aanmerking kwam. Een andere onderafdee-ling, a cognitionihns, moest den keizer inlichtingen geven omtrent zaken, waarin deze persoonlijk recht sprak; in den beginne was hiermede een ambtenaar belast.

3°. Voor het eerst wordt tijdens Caracalla melding gemaakt van het scrinium a memoria {memoria bet. officieel stuk'. Op deze afdeeling gingen de voornaamste werkzaamheden van beide bovengenoemde over.

§ 4. De instellingen der republiek.

a. Cornitia.

Pe verdeeling van het gezag tusschen keizer en senaat moest noodzakelijk leiden tot het verval der cornitia. Zij verloren terstond de rechtspraak en spoedig de magistraatskeuzen en de wetgeving.

Cornitia curiata onder leiding van een pontifex max. komen nog,herhaaldelijk voor.

De cornitia ceuturiata kozen de consuls en de praetoren, tot Tiberius deze keuzen overdroeg aan den senaat. Voortaan had hier de reunntiatio plaats dezer magistraten. De le.v de trihoiicia potestate des keizers (pag. 186) werd in deze cornitia voorgesteld.

De cornitia trihuta behielden tot Tiberius de kenze der aediles cuniles, der quaestores en der XXczW (pag. 88). Onder Augustus en Tiberius werden hier nog herhaaldelijk wetten aangenomen, door den priuceps of door consuls voorgesteld.

Het concilium plebü verloor, insgelijks door Tiberius, de keuze van tribuni en aediles plehis. Tot Xerva werden nog door enkele keizers krachtens hun tribuuicia potestas wetten in het concilium gebracht.

Omstreeks het midden der 3Je eeuw worden volksvergaderingen voor het laatst genoemd.

ocr page 206

192

b. Senaat.

Augustus bracht het getal leden tot (iOO terug; hij stekle de aetas senatoria vast op 25 jaar en bepaalde een census senatorim van 1.000.000 sestertiën. Het lidmaatschap werd verkregen door het bekleeden der quaestuur of door de keuze {adlectio) van den keizer, wanneer deze de censuur bekleedde, die dan tevens eon bepaalden rang {inter tribimicios, praetorios) verleende. De senaat werd jaarlijks herzien door den keizer, bijgestaan eerst door III viri legendi senatns , later door de afdeeling der keizerlijke kanselarij a censibus (pag. 191). Deze formaliteit bepaalde zich tot het schrappen van hen, die overleden waren of die hun bevoegdheid hadden verloren, en het opnemen van degenen, die in den loop van het jaar de senatoriale waardigheid hadden verworven. Aan het hoofd van de lijst stond de keizer, die prmceps senatus was; dan kwamen de consulares en zoo verder.

De senaat vergaderde meestal in de door Caesar begonnen, door Augustus voltooide curia Inlia. Augustus voerde door zijn lex Inlia de senatu hahendo een reglement van orde in, dat vaste senaatszittingen {senatus legitimus) voorschreef op de kalendae en de idus van iedere maand met uitzondering van September en October, en overigens met enkele wijzigingen de gebruiken dei-republiek handhaafde.

De keizer had niet alleen het ins refereudi, maar hij kon ook schriftelijke voorstellen (oratio, litterae) inzenden, die clan door een zijner quaestoren werden voorgelezen en die den voorrang hadden boven alle andere. Zelfs kregen later de keizers het recht in dezelfde zitting verscheidene voorstellen te doen met prioriteit boven de rélationes der overige magistraten, die zoo van elk initiatief konden beroofd worden. Tegen voorstellen van den keizer kon niet geintercedeerd worden, maar deze kon krachtens zijn trih. jjotestas elk s. c. vernietigen.

De redactie der s. c. c., hun bewaring en die van alle stukken den senaat betreffende was toevertrouwd aan een senator, gewoonlijk een quaestor {a/j actis senatus), door den keizer voor onbepaalden tijd benoemd.

De senaat verloor geheel zijn invloed op de buitenlandsche

ocr page 207

i ya

politiek en in zaken van oorlog; het beheer der provinciën en der financiën moest hij met den keizer deelen. Daarentegen kreeg hij rechtspraak (§ 7. b.), aandeel aan de wetgeving en de magistraatskenzen.

Door Tiberius kregen de senaatsbesluiten kracht vim wet, ofschoon zy niet leyc.s maar s. lt;;. c. heetten. Maar spoedig verloor de senaat elk initiatief en sedert de 3(U' eeuw werden wetgevende «. c. c. alleen voorgesteld auctore principe.

Tiberius bracht de magistraatskeuzen te beginnen met die der X X ciri aan den senaat. De keizer had evenwel het recht om voor ieder colleyiiuu een bepaald aantal candidaten {candidati Caesaris) voor te stellen (nouiinare), die gekozen moesten worden {sine repulsa et amhitu denignaudi). Verder koos de senaat den pontifex max. en de leden der vier groote priestercolleges, maar ook hier had de keizer de nomination zoodat de senaat den door dezen voorgestelden candidaat koos, die dan in de comitia Hacerdotum werd afgekondigd.

Augustus vormde in '11 v. C. een commissie, bestaande uit eenige magistraten en 15 senatoren, waarmede hij de in den senaat te behandelen zaken voorbereidde. In zijn laatste levensjaar bestond deze commissie uit 20 senatoren, de fungeerende consuls, de considex designati benevens de keizerlyke prinsen, en hare besluiten werden met s. c. c. gelyk gesteld. Tiberius liet deze commissie vervallen en benoemde een staatsraad {consilium), uit senatoren en ridders bestaande.

c. Magistrateu.

De magistraten der republiek werden door het keizerrijk gehandhaafd, maar hunne bevoegdheden gingen meer en meer over op den keizer.

De ordo honorum werd ten strengste in acht genomen. Om te kunnen dingen naar de quaestuur moest men 25 jaar zijn, den census senator lus bezitten, gedurende één jaar trihunus mïli-tum geweest zijn en een der plaatsen van het XXviraat hebben bekleed. Op de quaestuur volgde voor den plebejer de aedili-teit of het tribunaat; de patriciër was van dezen trap vrijgesteld. Voor de praetuur werd een leeftijd van 30 jaar ver-eischt, het consulaat kon twee jaar later worden aanvaard.

13

ocr page 208

194

(Jensuur. Herliaaldely k werden onder de eerste keizers censoren benoemd, hoofdzakelijk voor de lectio senatns. Dikwijls was de keizer een der censoren. Domitiamis gaf zich den titel censor perpetuus en trok aan de kroon alle bevoegdheden der censuur, die daarmede ophield te bestaan.

Consulaat. Onder de regeering van Tiberius werd het regel, dat de consuls slechts 6 maanden iu functie bleven eu dan door andere werden opgevolgd. De tijd van het ambt werd steeds bekort, totdat sedert Hadrianus meestal om de twee maanden nieuwe consuls optraden. De eerste consuls van het jaar heetten ordinarii, de volgende sujfecti.

Het consulaat bleef de amplissimns honor. De consuls vertegenwoordigden als het ware het recht van den senaat op de mede-heerschappij en waren eenigermate de gelijken van den keizer, die voor hen opstond en stervende hun het bewind overgaf. Maar de macht van het consulaat was onherroepelijk verloren. De voornaamste functie der consuls was het voorzitterschap van den senaat. Verder behielden zij de vrijwillige jurisdictie (mann-missio, emancipatio en adoptio). Zij kregen door opdracht van den senaat rechtspraak in appel, tegelyk met den keizer, in de civiele zaken, die te Rome, in Italië en in de provinciae senatns voorkwamen, en hadden tot M. Aurelius dc tut or is datio extra, ordi-nem. Zij werden belast met het geven van verschillende door den keizer ingestelde ludi pubtici. Hun ambtsaanvaarding werd met een optocht van buitengewonen luister {processus consul ar is) gevierd.

Voor eenige der voornaamste keizerlijke ambten was voorafgaande bekleeding van het consulaat een vereischte.

Praetuur. Augustus beperkte het getal praetoren tot 12, maar sedert de 2l,e eeuw was 18 het normale getal. De iuris-dictio urhana en de iurisdictio peregrina bleven bestaan; de laatste natuurlijk slechts tot Caracalla (pag. 181). De civiele rechtspraak ging echter voor een deel over op den princeps, de consuls en nieuw benoemde praetoren. Zoo stelde Augustus een praetor hastarius aan als voorzitter der Cviri (pag. 108): Claudius twee praetor es Jtdeicomniissarii en Marcus Aurelius een praetor tutelar is. Ook verloren de praetoren met het afschaffen der juaestiones perpetuae (§ 7. b.) het voorzitterschap dezer hoven. De meesten van hen hadden geen andere ambtsbezigheden dan

ocr page 209

195

het geven van de spelen der aedilen, die Augustus hun in 22 had overgedragen.

Aediliteit. De 6 aedilen bleven, maar Augustus deed spoedig de ervaring op, dat zoowel de cura urbi-i als de cura annonae in hunne handen alles te wenschen overliet. Daarom behielden zij alleen markt- en zedenpolitie en de voor marktpolitie noodige rechtspraak. In het midden der 3lie eeuw wordt dit ambt voor het laatst genoemd.

Tribunaat. De tribunen behielden het ius auxilii, het im inter-cessionis en het iws vocandi senatum. Maar zij waren onderworpen aan de int er cesaio van den keizer, terwijl het omgekeerde niet het geval was. Tegenstand van dezen kant had de keizer niet te duchten.

L it de praetoren, aedilen en tribunen werden jaarlijks door het lot de voorzitters der XlYregio7ies van Rome benoemd (pag. 202).

Quaestuur. Er waren in den regel 20 quaestoren; 4 van hen waren toegevoegd aan de consuls {quaestores consulum), 2 aan den keizer {quaestores (Jaesaris) , 2 waren quaestores urhani, die het beheer der schatkist verloren, maar als archivarissen werkzaam bleven, 2 waren gevestigd te Ostium en te Ariminum, de overige gingen met de stadhouders der provinciae senatus mede. Claudius hief de quaesturen in Italië op, maar gaf het beheer van het aerarium Saturni weer aan 2 quaestoren; dit duurde tot 56 (§ 8. c.). Augustus vorderde van de quaestoren geldelijke bijdragen voor het plaveien der straten, welke belasting Claudius verving door de verplichting om gladiatorenspelen te geven. Alexander Severus bepaalde, dat deze kosten uitsluitend zouden gedragen worden door de quaestores candidati principis.

Vigintiviratus. Augustus schafte van de XXVltvV/ de lYviri i. d. Capiiam üumas alsmede de llviri v. e. u. purg. af. Voor de overgebleven XXrjn werd de census senatorius vereischt, terwijl het bekleeden van een der posten van het XXviraat aan de quaestuur moest voorafgaan. In de 3d« eeuw worden zij nog genoemd.

§ 5. Ambtenaren.

a. Ontwikkeling van den amltenaarsstand.

Tengevolge van de verdeeling van de heerschappij tusschen keizer en senaat hadden beide hun eigen beheer en eigen ambtenaren.

13#

ocr page 210

196

De senaat had ambtenaren voor het beheer van Rome en van zyn provinciën, voor de rechtspraak en voor een deel van het beheer der financiën. Deze ambtenaren, uitsluitend senatoren, waren de oude republikeinsche magistraten van het XXviraat tot het consulaat, verder de stadhouders der provincies met hun legati en quaestoren. Zij genoten geen bezoldiging cn hun ambten droegen het karakter van magistraturen.

De keizer had in den beginne, behalve voor de betrekkingen aan het hof (pag. 190) alleen ambtenaven voor zijn provincies en voor den fiscus (§ 8. c.). Zij waren lasthebbers van den princep.i, die hen naar welgevallen kon benoemen en ontslaan. Met de steeds toenemende uitbreiding van de bevoegdheden des keizers vermeerderde ook het getal zijner ambtenaren. Het waren deels vrijgelatenen, deels ridders en senatoren. De senatoren werden niet bezoldigd; de overigen kunnen volgens hun bezoldiging verdeeld worden in trecenarü, ducenarir, centenarii en *exa//enarii.

Omdat de keizer alle regeeringszaken persoonlijk heette te leiden was er geen ministerie zooals in een hedendaagschen staat. De keizer zelf was het middelpunt van alles. Eenigermate werd een centraal beheer ingevoerd onder Claudius door diens vrijgelatenen, Pallas, Nareissus en Polybius. Deze sluwe maar bekwame mannen wisten hun ambten; a rationibns, ah epistulis en n libellis, eigenlijk hofambten, te verheffen tot staatsambten en zich van de regeering meester maken (pag. 190). In alle takken van het beheer kwamen door hun toedoen, onder de hoofden, vrijgelatenen. De senatoren werden van vele posten verdrongen en het beheer werd grootendeels gevoerd door ridders en lihertini.

De regeling van het beheer onder Claudius werd door diens opvolger in hoofdzaak behouden. Eerst Hadrianus, de groote hervormer, schiep een nieuwen ambtenaarsstand. In plaats van met vrijgelatenen, die zoo niet langer het rijk dan toch de financiën bestuurden, bezette hij alle hoogere ambten met ridders, voor wie een geregelde loopbaan werd geopend. De opvolgers van Hadrianus gingen op dezen weg verder. Door de scheiding van het militair en burgerlijk gezag in den loop der 3de eeuw en vooral door den maatregel van Galliemis, die de senatoren

ocr page 211

197

van alle ofticiersplaatsen uitsloot (pag. 181) bleven slechts enkele betrekkingen voor deze open. l)e ridders waren overal in liim plaats getreden.

Onder de hooge ambten konden sommige alleen door senatoren, andere alleen door ridders worden bekleed. Er vormden zich dus allengs twee ambtelijke loopbanen, een senatoriale en een ridderlyke, wier hoogste posten ongeveer van denzelfdeii rang waren. Dikwijls ging een ridder over tot de senatoren-loop-baan ; van het omgekeerde komt geen voorbeeld voor.

Alleen voor den senatorenstand waren toegankelijk: de repu-blikeinsche magistraturen en promagistraturen, te beginnen met het XXviraat en eindigende met het consulaat en procousaiaat; verder verschillende hooge keizerlijke ambten: die van Uijatux Legionis, leyatus Any. pro praetorc, curator aejuarum, cur. operuut publicorum, cur. viarum, praefectm aerarii, urbi.

Van de lagere ottieiersrangen kon alleen die van trihuims militum ook door senatorenzonen worden bekleed (trib. mil. lati-claviï). Gallienus verwijderde de senatoren geheel uit het leger (pag. 181).

De equiten equo publico waren verpliclit eenigen tijd als officier te dienen. Hun loopbaan begon met de drie laagste rangen: praefcctuis cohorlis, bev(dhebber over een afdeeling voetvolk der hulptroepen, tribuuv.s militum (trib. mil. auijmticlavu), praefectus equitum ot alue, bevelhebber over een afdeeling ruiterij der hulptroepen, waarbij later de praefectura cantrorum (pag. 2U0j kwam. Sedert de L,lle eeuw moest de ridder twee, sedert Sep-timius Severns vier offieiersposten hebben bekleed. Daarna was hij omnibus equestribus militiis fuuclus of a mililiis. Dikwijls bleef de ridder dienen; anders ging hij over tot den ei vielen dienst. Sedert Hadrianus kon de ridder van den dienst vrijgesteld worden en zijn loopbaan beginnen met ondergeschikte burgerlijke betrekkingen als adoocatus /hei, enz.

Na het doorloopen der officiersrangen of lagere burgerlijke betrekkingen, kwam de ridder in aanmerking voor verschillende posten, die alleen voor hem open stonden: ridderlijke stadhouderschappen (pag. 205); militaire posten: die van pracf.prae-torio, praef. viyilum, prac.f. classis; ambten bij het beheer van Rome en der financiën: dat van praef. autiouae,praef. vehiculoruni.

ocr page 212

198

procurator Aiujmti; ambten by de keizerlijke kanselarij, als: ah epistulü ^ a libellis (pag. 190). Onder deze ambten bestond geen vaste rangorde, zooals onder de vier rangklassen van den senaat. Een opklimming ontbrak echter niet; de hoogste posten vooral de praef. vi/jilum, annonae, urhi en praetorio werden alleen na langen dienst bereikt.

Onder Marcus Aurelius werd voor de beide tot de ambten toegelaten standen een vaste rangorde ingevoerd. Hij verdeelde de ambtenaren van ridderrang in drie klassen. Tot de eerste klasse bekoorden alleen de praefecti praetorio, die den titel kregen van viri eudnentissind; de tweede klasse omvatte de overige praef ecti, van den praefectus classis tot den praefectus annonae, benevens de hooge ambtenaren bij den fiscus en de keizerlijke kanselarij met den titel vir perfectissimusj tot de derde klasse behoorden de procurator es, die sedert viri eyreyii heetten.

T)e senatoren kregen toen officieel den titel clarissimus (pag. 182).

b. Praefecti praetorio.

Van alle keizerlijke ambtenaren werden spoedig de bevelhebbers der keizerlijke lijfwacht, de praefecti praetorio, de voornaamste. Zij waren de eerste officieren in de omgeving des keizers, wiens persoon zij beschermden, wiens bevelen zij uitvoerden en tot wiens vertrouwelingen zij zich gemakkelijk konden maken. ITaar daardoor werden zij ook licht de mededingers des keizers, zooals de geschiedenis voldoende bewijst.

Augustus omringde zich met een lijfwacht, bestaande uit 9 cohortes praetoriae, ieder van 1000 man, aan wier hoofd hij 2 v. C. twee praefecti praetorio stelde. Zijn opvolgers benoemden soms een, soms drie praefecti, maar in den regel waren er twee, die beiden hetzelfde gezag hadden en elkander zoo in evenwicht hielden, of ten minste konden houden. Augustus had nooit alle cohortes praetor iae tegelijk te Rome; zij heetten slechts bij uitzondering daar te verblijven. Tiberius trok al de cohortes praetoriae te Rome samen en bouwde voor hen een groote kazerne. Van dezen tijd dagteekent de steeds wassende invloed van de praefecti praetorio. Zij kregen het bevel over de troepen

ocr page 213

190

in Italië, maar hun aanzien werd vooral groot, toen zij de rechtspraak uitoefenden als plaatsvervangers des keizers, eerst tijdelijk, later voor goed. Sedert het begin der 3,le eeuw hadden zij de crimineele rechtspraak in Italië ultra oentesimum miliarium urhis 'Romae, verder over degenen die niet onder de rechtspraak der stadhouders vielen, terwijl op hen geappelleerd kon worden van alle vonnissen der stadhouders. Tevens vervingen zij den keizer in het voorzitterschap van het consilium principis. Met het oog op dezen werkkring werden zij uit de voornaamste rechtsgeleerden gekozen; tot Constantijn hadden zij echter steeds den officiersrang.

Sedert Hadrianus werden de praefecti prmtorio beschouwd als de olficieele plaatsvervangers van den keizer. Hun invloed bleef evenwel evenals vroeger in de eerste plaats afhankelijk van hun persoonlijke hoedanigheden.

De pravfecti praetorio waren met weinig uitzonderingen steeds ridders; Alexander Severus verbond aan hun waardigheid den rang van senator.

i? 6. Rijksbeheer.

a. liet rijk en zijn deeleu.

Toen Augustus de regeering aanvaardde, liet de grensregeling van het rijk veel te wenschen over; zelfs binnen degeographisch aangenomen grenzen vormde het rijk geen aaneengeschakeld geheel. Gedurende zijn geheele regeering is het zijn streven geweest het rijk af te ronden en door natuurlijke grenzen te omsluiten: den Euphraat, den Donau, den Eijn, den Atlantischen Oceaan en de Afrikaansche en Arabische woestijnen. Binnen deze grenzen heeft — met uitzondering van Britannia, door Claudius bezet en Dacia, door Traianus veroverd — het Eo-meinsche rijk zich steeds moeten beperken.

In de 2lle eeuw begon men om het geheele rijk een linies imperii te trekken door, waar natuurlijke grenzen ontbraken, grachten te graven en verschansingen aan te leggen, meer om aan het buitenland het verkeer bezwaarlijk te maken dan om krachtige aanvallen af te weren.

Ter verdediging van dit ontzaggelijk gebied voerde Augustus

ocr page 214

Lgt;( l( I

tie staande legers in. Zijn 25 legioenen■ legde hij in de grensprovincies. Aan het hoofd van een legioen, dat steeds met auxilia was vermeerderd, stond een leyatns legionis, gewoonlyk een praetoriun, sedert Gallienns (pair. 197) een praefectun ler/ioniu. De troepen werden in vaste kampementen gehouden, eerst gezamenlijk, sedert Domitianns ieder legioen in afzonderlijke castra. Hierdoor was voor het legioen een nieuwe officier noodig, de praefecti's eautrormu, plaatselyke kommandant.

De meeste provinciën hadden weinig of geen troepen; ingeval van nood moesten zij zelf voor haar verdediging zorgen.

\ oorts stationneerde Angnstus op zeeën en rivieren vloten: clasnis jiraetoria Misenenzis, classis praetoria Itavennns, classis Britannica, Voutica, Si/riaca, Alexandrina, Germauica, Panumiea, Moesiaca en andere meer, ieder onder bevel van een praefectus classis uit den ridderstand.

Het Eomeinsche rijk bestond als voorheen nit drie onderscheidene bestanddeelen: lionie, Italië en de provinciën.

Ka 89 was wel is waar het onderscheid tusschen de beide eerste elementen staatsrechtelijk opgeheven, maar Eome bleef toch het middelpunt van het rijk; de magistraten bleven tevens en vooral, hoezeer ook hnn bevoegdheden inkrompen, overheden van het ryk; do uitgaven ten behoeve der hoofdstad werden uit de staatsschatkist gevonden.

Italië bestond uit een complex van vrije Komeinsche steden (civitates), die zich zelf volkomen vrij bestuurden. Een gemeenschappelijk beheer hadden zij niet noodig, omdat zij slechts bij uitzondering troepen hadden te leveren en de bodem van Italië viij was van belasting. Deze zelfstandigheid ging onder de keizers langzamerh'and verloren (pag. 203).

De provincies werden als voorheen beschouwd als praedia populi llomani; haar bodem was belast; de inwoners, ofschoon persoonlijk vrij, misten elk aandeel aan de regeering zoowel van het rijk als van hnn eigen land. De keizers verleenden evenwel in de provincies ruimschoots het burgerrecht en de latiniteit; door Caracalla werden alle vrije inwoners van het rijk Eomeinsche burgers. Aan de welvaart der provincies lieten zich de keizers, niet zonder reden, veel gelegen liggen. Vele van haar bereikten thans een ongekenden trap van bloei.

ocr page 215

201

b. Home.

Het beheer van Rome Lleef in den beginne bij de magistraten, maar spoedig bleek hoe weinig deze voor hun taak berekend waren. Daarom trokken reeds de beide eerste keizers de voornaamste takken van het stedelijk beheer aan zich, en zij regelden die geheel op nieuw.

1°. De cura annonae werd tengevolge van een hongersnood, die de hoofdstad teisterde, door senaat en volk aan Augustus opgedragen. Eerst benoemde de keizer hiervoor curatores frn-meuti, later een praefectus annonae uit den ridderstand. Deze ambtenaar had te zorgen, niet alleen dat de markt te Rome voorzien was van koren, waartoe vooral Aegypte bijdroeg, maar ook van andere levensmiddelen. Hij oefende toezicht op schippers, slagers, bakkers en dergelijken en had rechtspraak in alle zaken, zijn werkkring betreffende, behoudens appel op den keizer, later op den praefectuti praetorio (pag. 100). In de provincies en te Rome had hij een menigte ambtenaren en hij beschikte zelfs over een aantal soldaten.

2quot;. De openbare werken kwamen geheel aan den keizer. Voor het toezicht op de staatsgebouwen benoemde Augustus 2 n. C. curatores aedium sacrarum et operum locorumque puhlicorum. Het beheer der waterleidingen {cura aquarum) gaf hij aan een curator aquarum, een senator vau consulairen rang. Tiberius stelde een commissie in van vijf leden, senatoren, voor het onderhouden van den Tiber en diens oevers, curatores rij)arum et alvei Tiberis. Deze drie commissies vormden met de curatores marum (pag. 203) één collegium.

3°. Augustus riep 6 n. C. op dringend verzoek der burgerij de praefectura vigihuu, brandweer, in het leven. Zij bestond uit 7 coJ/ortes viyiluM, ieder van 1000 tot 1200 man. De bevelhebber, praefectus vigilum, steeds een ridder, was ook belast met de naehtpolitie der hoofdstad en had als zoodanig een vrij uitgebreide rechtspraa k.

4°. De pogingen van Augustus om ook de politie in handen tc krijgen stuitten af op tegenstand van den senaat. Tiberius schiep voor de veiligheid der hoofdstad de praefectura urhis. Aan het hoofd stond de praefectus urbi, een vur cousularis. Hij

ocr page 216

•2ÜLgt;

had onder zijn bevelen 3, later 6 cohorten urhanae, ieder van 1000, later van 1500 man. Hij zorgde voor de handliaving van rust en orde in de stad en kreeg een zeer uitgebreide rechtspraak, zoowel civiele als crimineele. Sedert de 3lt;1,! eeuw werd door hem alleen de crimineele rechtspraak uitgeoefend te Eome en intra centesinmm miliarium, terwijl hij rechter van appel was in de civiele zaken, waarin door de stedelijke magistraten in eerste instantie uitspraak was gedaan.

Augustus verdeelde Eome in XIV regiones met 265 vici, naar het schijnt hoofdzakelijk voor den eeredienst. Jaarlijks werd door het lot uit de aedilen, tribunen en praetoren voor elke regio een voorzitter aangewezen. Aan het hoofd van iederen vicus stonden 4 vicormgvstri, in den regel liberti. Tot de instelling der praefeetiira vigilnm waren deze belast met de brandweer. Daarna zorgden zij voor de feesten der lares compitales (pag. 126), waarbij Augustus als derde godheid den geniuH Augnsti voegde. Tevens onderhielden zij onder toezicht van den voorzitter der regiones de sacella der kruiswegen.

Alexander Severus stelde voor de XIV regiones een commissie in van 14 curat or es, allen comulares, die onder voorzitting van den praefectus urhi over de stedelijke belangen der hoofdstad beraadslaagden en beslisten. Deze commissie bestond nog ten tijde van f'onstantijn.

e. Italië.

Augustus bepaalde zich ten opzichte van Italië tot het nemen van eenige maatregelen van algemeen beheer.

Hij verdeelde, misschien ten behoeve der statistiek, van de administratie der keizerlijke domeinen en voor het innen van belastingen als de vicesima hereditatum, Italië in XI regiones:

Oppei'-Italië: R. XI regio Transpadana, li. X Venetia et His-tria, li. IX Liguria, li. VIII Aemïlia.

Midden-Italië: li. VII Etruria, li. VI Umbria, li. V Picenum, li. IV Samnium, li. I Campania.

Beneden-Italië: li. III Sruttii et Lncania, li. II Apulia et Calabria.

Het schijnt, dat Rome de XHllc regio was. Deze regiones zijn de grondslag geworden der latere verdeeling van Italië in provincies.

Verder plaatste Augustus op verschillende punten van Italië

ocr page 217

■20-Ó

militaire bezettingen ter handhaving van rust en orde. Ook trok hij het beheer der groote wegen, de cura viariiin, aan zich en belastte met het toezicht op iederen weg een curator viarum, die minstens een praetorim moest zijn.

Het zelfstandig beheer der steden lieten de keizers ongerept, tot verwarring in de financiën en slechte rechtsbedeeling hun tussehenkomst noodzakelijk maakten.

Traianus mengde zich het eerst in de aangelegenheden dei-steden door de controle over haar financieel beheer op te dragen aan een aanzienlijk mt.n uit een naburig municipium of uit Eome [curator rei puhlicae). Sedert Alexander Severns schijnt de aurator een vast ambtenaar te zijn geworden, die het gehcele geldelijke beheer der stad voerde.

Hadrianus gaf het deel der civiele rechtspleging, dat aan den Eomeinschten magistraat toekwam (pag. 208), aan vier consvlares. Marcus Aurelius regelde de rechtspleging in Italië opnieuw. Di' rechtspraak in halszaken werd uitsluitend uitgeoefend door den praef. urhi te Rome en 100 mijlen in den omtrek, door den praef. praetorio in het overige Italië. De civiele rechtspleging te Rome en omstreken {tirbica dioecesiu) werd uitgeoefend door de praetoren en in Italië door vier praetorii met den titel iuridïci.

In de 3de eeuw werd herhaaldelijk in Italië een keizerlijk commissaris benoemd ad corrujendxm statmn ItaHae) later corrector Italiae geheeten, belast met het toezicht op het beheer van alle steden.

Sedert de instelling dezer correctores, die feitelijk stadhouders waren, bestond het eenige voorrecht van Italië boven de provincies in vrijdom van grondbelasting.

d. Provinciën.

Tengevolge der verdeeling van Augustus in '27 v. C. waren er 10 provinciae seuatns, de overige waren provinciae Caemris. De later verworvene werden alle keizerlijke provinciën.

1quot;. De provinciae senatus werden als vroeger door gewezen magistraten bestuurd. Het onderscheid tusschen provinciae con-mlares en provinciae praetoriae bleef bestaan, maar alleen Asia en Africa waren consulares, alle overige waren praetoriae. Alle stadhouders droegen evenwel den titel pro consule; die in Africa en Asia hadden 12, de overige 6 lictoren. De provincies werden

ocr page 218

204

aanvaard vijf jaar na het bekleeden van het consulaat ot' de praetnur, doch reeds onder Tiberius werd dit tijdvak tot 10 en zelfs tot 15 jaar verlengd. De stadhouders werden als vroeger door hot lot benoemd; alle consulares, zoowel de ordinarii als de suffeeti en alle praetorii, ook de adhcti inter praetorios, namen aan de loting deel. Door de le.r Tapia-Poppaea (pag. 1{!4) hadden sommigen het voorrecht der keuze.

Daar in deze provinciën geen troepen van belang aanwezig waren, hadden de stadhouders geen imperium en trokken zij toyati uit. Alleen in Africa was éen legioen, soms twee legioenen, maar deze troepen kwamen spoedig onder de bevelen van den leyatus der keizerlijke provincie Xumidia. De stadhouders oefenden het beheer uit, de civiele rechtspraak en de crimineele rechtspraak over de provincialen. Zij hadden hetzelfde personeel als onder de republiek, maar in iedere provincie was een procurator Augusti voor het bestuur der domeinen en voor de in den Jiscus te storten belastingen.

2quot;. De provincial üaesaris beheerde de keizer, die haar proconsul was, door zijn vertegenwoordigers. Zij kunnen tot twee klassen gebracht worden:

a. De grootste provincies, vooral die, waarin een groot leger stond, werden bestuurd door legati Augusti pro praetore, deels consulares, deels praetorii. Zij voerden alle zonder onderscheid vijf fasces, waarnaar zij ook qninqnefascales heetten. De legatus Aug. pro pr. had het beheer, de civiele rechtspraak en de crimineele rechtspraak over de provincialen. Door afzonderlijke opdracht des keizers kon hij, evenals de stadhouders in Aeprovinciae senatns, het imperium nier urn, of ius gladii verkrygen, d. i. rechtspraak in halszaken over Eomeinsche burgers in zijn provincie, met uitzondering van senatoren, officieren en decuriones, welke te Ei mie terecht stonden. Hij had het opperbevel over het leger in zijn provincie; onder hem stonden evenveel legati legionum, als er legioenen in zyn provincie waren.

Het financieel beheer was opgedragen aan een procurator Augusti. In enkele provincies was voor de rechtspraak een legatus iuridicus, den legatus Aug. ondergeschikt. Zoowel de stadhouder als de overige ambtenaren waren senatoren; zij werden door den keizer benoemd.

ocr page 219

lgt;()5

h. In so mini gr provinciën, die geheel als geannexeerde landen werden beschouwd, bleven de vroegere instellingen geheel bestaan. Zulk een provincie wns als het ware het domein (t(?ioc ïióyo?) des keizers, die de opvolger heette der vorige regenten. Zoo behield Aegyptus de instellingen der Ptolomaeën onveranderd. Een praefectus Aegypti, met twee, soms drie legioenen onder zijn bevelen, bestuurde als een onderkoning het land. Onder zijn toezicht berustte de rechtspraak bij een iuridicus Alexandriae of Aegypti; het financieel beheer bij een procurator Ale.randriae ad rationes patrimonii, terwijl ieder legioen gekom-mandeerd werd door een praefectus castrornm. Al deze ambtenaren waren ridders.

De stadhouders in de overige provincies van deze soort: lu-daea, Noricum, Eaetia, Alpes Poenninae, Alpes Cottiae, Alpes maritimae, Thracia en Manretania heetten procuratoren Angmtr en behoorden tot den ridderstand. In den regel worden zij aangeduid als procurator et praeses, procurator cum hire gladii. of kortweg praeses. Sedert Alexander Severus werden verscheidene keizerlijke provincies onder een procurator gesteld; het bevel over de troepen in deze provincies werd den praeses ontnomen en opgedragen aan een dux.

Alle ambtenaren in deze provinciën genoten bezoldiging. Spoedig werd aan alle stadhouders de e.lgemeene naam praeses gegeven. Zij ontvingen zonder onderscheid instructies {mandata) voor hun beheer en moesten zich in onvoorziene gevallen tot den keizer wenden. In de provinciae Caesaria was van al hun uitspraken appel op den keizer; in de provinciae senatus kon men zoowel op den senaat als op den keizer appelleeren.

Onder het keizerrijk waren in de provincies evenals tijdens de republiek: steden met Eomeinsche inrichtingen, vrije steden en provinciesteden (pag. 1G4). Het aantal steden met Romeinsche inrichtingen werd evenwel belangrijk vermeerderd, fieeds Caesar had het ius Latii geschonken aan alle steden op Sicilië; Augustus aan vele steden in Gallia Xarbonensis in Aquitania en in de Alpes. Vespasianus gaf dit recht aan geheel Spanje. Bovendien werden door de keizers veel steden in de provincies met het burgerrecht begiftigd en verscheidene kolonies gesticht. Ten behoeve dezer laatste kategorieën werd het ius ItaHcum uit-

ocr page 220

20(5

gedacht. Door deze rechtsfictie werd haar bodem gelijkgesteld met solum Italicmv, de grondeigendom was er dus ex iure Qui-ritium (pag. 104) en de inwoners waren vrijgesteld van provinciale belastingen. Deze steden hadden een zelfstandig beheer d. i. zij waren niet onderworpen aan het toezicht des stadhouders.

Traianus begon, evenals in Italië, zoo ook in de provincies, zich te bemoeien met het beheer van die steden, welke tot nog toe niet onder den stadhouder gestaan hadden. Er werd name-lijk een keizerlijk commissaris benoemd, hetzij voor éene stad, hetzij voor alle steden in eene provincie voor de controle op haar beheer, onder den naam curator of logista, of leg. Aug. ad corrigendum statuin civit. liberarum. Sedert de 3lle eeuw komen zij in sommige provincies geregeld voor als correctoren civitatium liberarum.

De Romeinen lieten de groote algemeene vereenigingen van godsdienstigen aard, die zij in de Grieksche landen vonden, bestaan of veroorloofden haar herstel. Do keizers richtten deze vereenigingen op, waar zij nog niet bestonden, zoodat spoedig alle provinciën haar landdag (commune, concilium provinciae, zoti/óv) hadden, een eerste proeve eener vertegenwoordiging.

De landdag, bestaande uit afgevaardigden {legati, wvéSpoi, Kotvópou/oi) gekozen door de civitates der provincie kwamen eens in het jaar bijeen tot het vieren van een feest ter eere des keizers, onder leiding van den sacerdos provinciae {rkpyitaiuq), die alle jaren opnieuw gekozen werd uit de deftigste inwoners der provincie. Hij bestuurde de kas der vereeniging en gaf ter gelegenheid der vergadering op eigen kosten spelen.

In den landdag werd na onderzoek van het financieël beheer van het afgeloopen jaar het budget voor het volgend jaar en de bijdrage der verschillende civitates vastgesteld en de sacerdos gekozen. Verder werd besloten tot het oprichten van standbeelden voor personen, die zich verdienstelijk hadden gemaakt jegens de provinciën, in de eerste plaats voor den vertrekkenden stadhouder. Wanneer er echter omtrent den stadhouder ernstige klachten rezen, wendde zich de landdag schriftelijk of door afgezanten tot den keizer, die zelf antwoordde.

De betere toestand der provincies onder het keizerrijk moet voor een deel worden toegeschreven aan het toezicht, dat aldus de keizers over de stadhouders konden uitoefenen.

ocr page 221
ocr page 222

208

e. Stedelijke Organisatie.

Sedert het einde der republiek kregen de municipia, coloniae en oppida Latina door ler/es municipales een gelijkvormige organisatie (pag. 162). Tengevolge daarvan werden al deze steden in den regel municipia genoemd ').

In het algemeen waren de steden ingericlit naar het model van Rome. Do bevolking bestond uit cites en iucolae, die allen verplicht waren de gemeenschappelijke lasten te dragen, maar alleen de eersten hadden deel aan het bestuur. De burgerij [popnltts) was ingedeeld of in trihus of in curiae en kwam tri-hutim of curiatim samen voor wetgeving, magistraats-en priesterkeuzen, in hoofdzaak op dezelfde wijze als te Rome in de coinitia.

Het stedelijk bestuur bestond uit vier magistraten, hetzij ver-eenigd tot één college van IVwn, hetzij gescheiden in twee colleges van TLoiri. In het eerste geval heetten de twee voor-naamsten ÏYviri iuri dicundo, de beide anderen lYviri aed'de*: in het tweede geval daarentegen Wviri iuri dicundo en ïhtiri aediles. De Wviri of Wviri i. d. gaven hun naam aan het jaar; zij vormden het dagelijksch bestuur en zaten voor in de volksvergadering en in den gemeenteraad; zij hadden een beperkte civiele rechtspraak (bepaalde gewichtige zaken behoorden in Italië voor den praetor, te Rome later voor de iaridici (pag. 203j in de provincies voor den stadhouder) en velden vonnis in die crimineele zaken, welke niet in Italië voor de quaestiones per-pe.tuae en in de provincies voor den stadhouder thuis hoorden. De bovengenoemde aediles golden als collegae minores der Uviri iuri dicundo. Hun werkkring omvatte, als die der aedilen te Rome: de zorg voor openbare gebouwen en straten, de markt-politie eu de cura annonae. Voor het houden van den census werden nm de vijf jaar II of \Wviri censoria potestate quin-

1) De kennis vim het bestuur dezer steden, zoowel in Italië als in de provinciën, berust vooral op de in 1851 ontdekte stedelijke rechten van Mulaca en Salpensa, door Domitianus verleend {aes Malacifanum et Sa/-pensanuni) en de in 1871 gevonden lex der colon ia hdio-Genetiva (44 v. C.'t (ürso nu Ossuna).

ocr page 223

209

qiiennales of kortweg qninquennales, benoemd, wier werkzaamheden overeenkwamen met die der eensoren te Rome. In het jaar, dat zij in functie waren, waren er geen llviri of TVviri.

De magistraten genoten dergelijke voorrechten en eerbewijzin-gen als de curulisehe magistraten te Rome. Zij droegen in het gebied hunner stad de toga praetexta en werden voorafgegaan door twee lictoren, hetzij met fasces zonder bijlen, hetzij met viryae of hacilla. Om een ambt te kunnen bekleeden moest men zijn inyenuus, geen indicium tnrpe tot zijn last hebben, geen veracht beroep uitoefenen, den leeftijd van 30 jaar bereikt hebben en een zekeren census — zoo het schijnt 100.000 sest. — bezitten. Dc ambten behoorden naar volgorde te worden bekleed : quaestor, aedilis, Hy. i. d.

De gemeenteraad (senatus, ordo deeurionum, curia, soms ook patres et conscrvpti) bestond in den regel uit 100 leden, verdeeld in 10 decuriae. Aan het hoofd stonden de decent primi. Toegang tot den senaat verschafte in het algemeen het bekleeden eener magistratuur. Evenals te Rome kwamen bij de lectio senatus door de quinquennales drie klassen van burgers in aanmerking: de zitting hebbende leden, die alleen tengevolge van een indicium tnrpe konden verwijderd worden, de sedert de laatste lectio gekozen magistraten en eindelijk de burgers, die den census hadden, vereischt om een ambt te bekleeden.

Alle gemeentelijke zaken van eenig belang moesten den senaat worden voorgelegd. Daartoe behoorden: de verdediging der stad, de eeredienst, financiën, openbare werken en het benoemen van beambten.

De stedelijke regeeringen moesten zorgen voor het nakomen der verplichtingen jegens het rijk:- het stellen van troepen, verplegen der doortrekkende ambtenaren en soldaten, leveren van paarden en fourage voor de post, heffen van belastingen enz.

De inkomsten der steden bestonden uit: opbrengsten van gemeentegronden, rente van kapitalen, vergoeding voor het gebruik van waterleidingen, cloacae, enz. en eindelijk boeten.

Ieder niunicipiwn had in den regel een college van pontijices en van anyures, door de comitia, voor hun leven benoemd. Bovendien waren overal Jlamines, die voor den tijd van één jaar werden benoemd dec re to decurionuni en die den eeredienst van

14

ocr page 224

210

een of meer geconsacreerde keizers of van den nog regeerenden keizer verrichtten ij!amen Angudï). Spoedig werden de famines de voornaamste priesters.

Onder de keizers vormden zich in de municipia drie standen; de ordo decuriomm, de or do Aiigiistcdiian en de plebs ook popidus of municipes genoemd. De ordo deciirionum was de eerste stand, overeenkomende met den senatorenstand te Rome; de ordo August al ium vormde, evenals de equites te Eome een stand tusschen de decurlones en de plebs.

De Aurjustales schijnen hun oorsprong te hebben in het college der sexviri of seviri, dat in alle steden ontstond, en spelen en offers gaf ter eere van de geconsacreerde keizers en van den nog regeerenden. De leden werden door den senatus telkens voor éen jaar benoemd, in den regel uit de libertini en moesten dan een som in de gemeentekas storten. Bij de spelen en offers, die zij zelf bekostigden, droegen zij de toga praetexta; zij werden daarbij voorafgegaan door twee lictoren met fasces en zaten in tribunali op hisellia. Bij alle openbare spelen hadden zij een eereplaats. Uit deze seviri ontwikkelden zich de Angustales. Na afloop van hun jaar behielden de seviri bij raadsbesluit hunne eererechten en vormden zoo een ordo seviralium,, meestal evenwel ordo Augustalium genoemd. In de 2l1quot; eeuw werden zij erkend als een coi'poratie {Aug us tale's corporatï) met eigen kas en het recht om te besluiten b. v. omtrent het oprichten van standbeelden en het kiezen van patroni.

In Africa, Spanje, Gallië en in alle landen met Grieksche bevolking lieten de Romeinen de nationale inrichtingen bestaan. Zij beperkten echter het actief en passief stemrecht door een census. De stedelijke overheden bleven; de raad (po-Ar,) werd evenwel alle jaren op nieuw gekozen. Bij verwerving van het burgerrecht of van de latiniteit kregen deze steden de inrichting der municipia.

Op het einde der 2lle eeuw begonnen de steden overal haar zelfstandigheid en de boven geschetste organisatie tc verliezen (pag. 208). De comitia moesten hun rechten afstaan aan den senaat, die voortaan de magistraten en priesters benoemde onder goedkeuring der praesides. De magistraten moesten gekozen worden uit de decuriones. Hun bevoegdheden gingen allengs geheel over op de cnratores en correctores (pag. 203).

ocr page 225

211

§ 7. Rechtswezen.

a. Bronnen van het recht.

Nieuwe rechtsbronnen uit deze periode zijn de senatws consult a en de constitutiones. Wetten en plebiscieten verdwenen langzamerhand; de responsa prudentinm en het edikt van den praetor ondergingen in sonmige opzichten een wijziging.

Tijdens de republiek hadden de geleerden alleen feitelijken invloed. Augustus gaf aan de verdienstelijken onder hen het ius respondendi d. w. z. de bevoegdheid om te adviseeren ex aucto-ritate principis. De renponm dezer bevoorrechte juristen zouden, mits schriftelijk uitgebracht en verzegeld, overgelegd voor den rechter, verbindende kracht hebben. Alleen in geval van strijd tusschen juristen met dit recht beleend, zou volgens een constitutie van Hadrianus de rechter vrij zijn.

De rechtswetenschap trad met het keizerrijk een tijdperk van bloei in. Onder Augustus vormden zich daarin twee richtingen; aan het hoofd der eene stond C. Ateius Capito , wiens volgelingen naar zijn beroemden leerling, Masurius Sabinus, den naam Sabiniani kregen, terwijl de school van M. Antistius Labeo die der Proculiani heette naar een harer meest bekende voorgangers, Sempronius Proculus. Beroemde rechtsgeleerden in de 2de eeuw waren Celsus, Salvius lulianus en Graius, wiens Institutiones door Niebuhr zijn teruggevonden. In de 3dc eeuw leefden de klassieke rechtsgeleerden: Papinianus, Ülpianus, Paulus en Mo-destinus.

Het praetorisch recht bleef voorloopig op den ouden voet. Doch Hadrianus liet door den grooten rechtsgeleerde Salvius lulianus de beide praetorische edikten, benevens het edictum uedi-licium herzien en in deze gestalte door den senaat bekrachtigen. Het aldus tot stand gekomen edikt zou voortaan onveranderlijk zijn. Het droeg den naam Edictum Perpetuum of Edictum Ha-drianum. Voor de provincies werd waarschijnlijk een afzonderlijk edictum provinciale vastgesteld als richtsnoer voor de stadhouders.

De princeps oefende ook zelf wetgevende macht uit en wel door zijn decreta, rescripta, mandata en edicta. Het decretum is

14*

ocr page 226

212

een rechterlijke beslissing van den keizer en had wetgevende heteekenis, in zoover de daarin vervatte wetsinterpretatie in analoge gevallen moest worden in acht genomen. Het rescriptum. is een antwoord op vragen of verzoekschriften van particulieren of op vragen door ambtenaren gesteld; ook op de rescripta moest in analoge gevallen gelet worden. Mandata zijn instructies aan keizerlijke ambtenaren. Edicta zijn een uitvloeisel van het ins edicendi des keizers en behelzen algemeene voorschriften.

De algemeene naam voor deze uitingen van den keizerlijken wil was constitutio principis. Zij hadden wetgevende strekking (Jiabeut let/is vicem).

b. Indicia pii/jlica.

Xaast de qnaestiones perpetuae voerde het keizerrijk de rechtspraak {cognitio) in van keizer en senaat. Evenwel waren deze beide niet verplicht kennis te nemen van een voor hen gebrachte zaak.

De procedure voor de qnaestiones perpetuae geschiedde volgens de vroegere wetten en de le/jes luliae van Augustus, die vier decuriae van gezworenen instelden: senatoren, ridders, tribuni aerarii en ducenarii, de laatsten aldus geheeten, omdat zij niet den geheelen, maar meer dan den hal ven riddercensus moesten bezitten. Zij werden door den keizer voor hun leven benoemd. Waarschijnlijk was er van de uitspraak der qnaestiones geen beroep op den keizer, maar deze kon, wanneer de meerderheid slechts uit een stem bestond, vrijspraak bewerken door den zoogenaamden calculus Minervae. De qnaestiones verloren spoedig de rechtspraak in halszaken; in de 3116 eeuw verdwenen zij geheel.

De senaat nam in den regel alleen kennis van belangrijke politieke processen tegen hoog geplaatste personen. Aangifte geschiedde by de consuls. De procedure was dezelfde als die voor de qnaestiones, maar het vonnis had den vorm van eens. c. Er bestond geen appel op den keizer, maar deze kon door zijn intercessio een veroordeelend vonnis vernietigen. Mettertijd bepaalde zich de rechtspraak van den senaat tot senatoren; deze hadden namely k sedert Septimius Severus het recht om door hun ambtgenoot en geoordeeld te worden.

ocr page 227

213

De keizer kon of persoonlijk recht spreken of door gevolmachtigden. In het eerste geval -werd hij voor de instructie bijgestaan door een ambtenaar (« cognitionibus) en voor de uitspraak door een consilium. Aan dit consilium gaf Hadrianns een vaste organisatie. De leden (consiliarii Awjusti) werden door den keizer benoemd uit den senatoren- en uit den ridderstand en genoten bezoldiging. Zij stonden den keizer, zoowel in de civiele als in de crimineele rechtspraak bij. Gewoonlijk gaven zij hun adviezen schriftelijk. De beslissing stond alleen aan den keizer. Daar bij voorkeur rechtsgeleerden van naam werden benoemd, kreeg het consilium gronten invloed op de vorming van het recht.

In den regel droeg de keizer zijn rechtspraak op aan een gevolmachtigde (index delegatus), hetzij voor een bepaald geval aan een index, hetzij bij algemeene opdracht aan zijn ambtenaren. Zoo kregen de jiraefecti praetorio in Italië, de praefecti urhi, vigihim, annonae te Rome en de stadhouders in de provincies een vaste rechtspraak. Van hun vonnissen was appel op den keizer, die tevens het recht van gratie (indulgentia) had.

c. Indicia privata.

De praetor urhanns, de praetor peregrinus en de nediles cnrnles behielden hun iurisdictie. Zoo ook de beide vaste hoven der XivW en der Griri. De formulae bleven de regelmatige wijze van procesvoering; alleen wanneer de zaak voor de Ccm moest dienen was het gebruik der legis actionem verplichtend.

Maar de princeps kon in ieder geschil in het geheele rijk recht doen. Hij oordeelde in alle zaken, die hij aan zich trok, zelf of door middel van een door hem benoemden plaatsvervanger. Deze rechtsbedeeling, waarbij de for inula verviel, heette cognitio extraordinaria, omdat zij in strijd was met de regelmatige wijze van procedecren. Vandaar dat de gewone magistraten slechts in bepaalde gevallen het voorbeeld van den princeps volgden, totdat Diocletianus deze wijze van rechtsbedeeling tot regel voor allen maakte, zoodat de formula in alle gevallen wegviel.

Een andere wijziging in de rechtspraak bestond in de moge-

ocr page 228

214

lijkheid van hooger beroep, iets dat de republiek, althans in dezen vorm, niet kende. Men kon thans namelijk van alle vonnissen bij den magistraat en vervolgens bij den princeps appel-leeren.

§ 8. Geldmiddelen.

a. Inkomsten.

Augustus herstelde de verwarde financiën van den staat dooiden druk der belastingen gelijkmatiger te verdeelen en de wijze van heffing te verbeteren. Daartoe liet hij de opmeting van het ryk door Caesar begonnen, onder leiding van Agrippavoortzetten. Eerst onder Traianus was deze veelomvattende arbeid gereed. Doch reeds in 23 v. C. legde Augustus aan den senaat een rationarium of hreviarimn imperii over, dat een nauwkeurigen staat van land- en zeemacht, benevens een opgaaf van den stand der schatkist en van de inkomsten en uitgaven behelsde. Ongelukkigerwijze is geen enkele dezer gegevens bewaard gebleven.

De inkomsten vloeiden voor een groot deel uit dezelfde bronnen als voorheen.

1°. Inkomsten van het domein;

De beschikking over den ayer publicus ging van den senaat over op de keizers, die hem hoofdzakelijk gebruikten voor hun veteranenkolonies (pag. 158). Een rijke bron van inkomsten was, vooral tengevolge der doeltreffende maatregelen van Tiberius, de verpachting der metalla.

2°. Belastingen der provincies:

Augustus verbond aan de opmeting van het rijk een volkstelling en schatting. Daartoe werden de provincies verdeeld in distrikten, waar de schatting geschiedde door adiutores ad census ook censores en censitores genoemd. In iedere provincie was een leg atv s, later procurator, Aiajusti ad census accipiendos ^ die de censoren controleerde en hunne lijsten tot een geheel vereenigde. Op deze wijze werd het aantal inwoners van iedere provincie benevens de waarde hunner bezittingen vastgesteld. De landerijen werden opgemeten in imjera en naar haar waarde in klassen ingedeeld. Van ieder iugerum werd '/5 of lj7 van de opbrengst in natura

ocr page 229

215

of een vaste som als grondbelasting {tributum. soli) geheven. Bovendien moest ook betaald worden van de huizen, het. meubilair, de slaven en de schepen. Die geen vermogen hadden, betaalden een hoofdgeld [tributum capitis). Deze schatting werd in den beginne om de vijf jaar, sedert Hadrianus, naar het schijnt, om de vijftien jaar hernieuwd.

3°. Indirecte belastingen:

a. portoria. Ter inning der in- en uitgaande rechten was het rijk verdeeld in een aantal distrikten, ieder meestal uit meer dan éene provincie bestaande. Voor elk dezer districten bestond een bepaald percentage op Sicilië ó0/,,, in Gallië, Azië en Italië 21I2 0/0. In elk distrikt waren onderverdeelingen op de wijze onzer vroegere plaatselijke accijnsen.

b. aurum manumissionum, door Caracalla gebracht op 10 0/0, door Macrinus tot 5 0/0 teruggebracht.

c. vicesima hereditatium et leyatorum, alleen door Eomeinsche burgers verschuldigd, wanneer er geen nauwe verwantschap bestond tusschen erfgenaam en erflater.

d. ceutesima rerum venalium, bestaande in 1 0/0 van alles wat in het openbaar werd verkocht, door Tiberius verminderd tot 1!2 n/0, voor Italië door Cfaius afgeschaft.

e. quina et vicesima venalium mancipiorum., een belasting van 4 o/q van den prijs van iederen gekochten slaaf.

De drie laatste belastingen zijn door Augustus ingesteld.

4°. Buitengewone inkomsten:

De toevallige baten der republiek: oorlogsbuit en boeten, werden vermeerderd door:

a. bona dauinatoriim, tengevolge der talrijke verbeurdverklaringen.

b. bona vacantia, onbeheerde goederen, waartoe sedert de lex Papia Foppaea (pag. 184) behoorden de bona caduca.

c. legaten aan den keizer.

d. het aurum coronarium, geschenken aan den keizer, zoowel door de steden in Italië als in de provinciën; dikwijls niet zonder dwang opgebracht.

ocr page 230

216

b. Uitgaven.

1°. Uitgaven voor liet rijk.

a. Beheer. De kosten van het beheer, vroeger gering, namen thans een grooten omvang aan. De keizer, zijn hofhouding en het steeds aangroeiend leger van ambtenaren, die nu met uitzondering der senatoren allen bezoldigd werden, stelden hooge eischen aan de schatkist.

b. Leger en vloot verslonden groote sommen, niet alleen wegens de invoering van een staand leger, maar ook omdat de verpleging te velde niet meer van de soldij werd afgetrokken. De legioensoldaat kreeg een vaste soldij, door Domitianus gebracht op 300 denarii, zoodat alleen de soldij en voeding van éen legioen kan gesteld worden op 1.566.000 denarii.

c. Post. Om van Rome uit de geheele administratie te kunnen leiden, stelde Augustus een postdienst {curmx puhliais) in, die door Hadrianus werd georganiseerd. De dienstbrieven werden overgebracht door koeriers (tahellariï), die op alle groote wegen stations vonden {luittationes, mansiones). Ook ambtenaren konden van de post gebruik maken, maar alleen op vertoon van een diploma door den keizer of namens hem uitgereikt. Zulk een bewijs gaf niet alleen recht op vervoer, maar ook op verblyf en voeding in de mansiones. De kosten werden gedragen dooide aanliggende steden, maar bleven ook, toen zij sedert Nerva, ten minste in Italië, door den Jiscus heetten gedragen te worden, een drukkende last. Septimius Severus verdeelde bet rijk in postdistricten, ieder bestuurd door een proefectm veMculonm, die onder zich postdirecteuren had. De gedachte om de post tot middel van verkeer voor de inwoners te doen dienen, schijnt nooit bij iemand te zijn opgekomen.

2°. Uitgaven voor Eome.

a. Openbare werken.

b. Eeredienst en spelen.

c. Cnra annonae. Door Augustus werd het getal bedeelden gebracht op 200.000 (pag. 174) en de geheele cura annonae opgedragen aan den praefectns annonae (pag. 201). By buitengewone gelegenheden werden aan de soldaten geschenken in geld (donativa) gegeven, aan het volk koren en olie (conyiarid)

ocr page 231

217

uitgedeeld. Sept. Severus liet alle dagen olie nitdeelen; Au re-li anus, in plaats van maandelijks koren, alle dagen brood en varkensvleesch.

d. Onderwijs. Onder Vespasianus werden voor het eerst La-tijnsclie en Grieksche rhetoren door den staat bezoldigd. Hadri-anus stiehtte een athenaeum, dat nog onder Theodosius bestond. Ook in de groote provinciesteden verrezen inrichtingen van hooger onderwijs. Augustus stichtte de hibliotheca Palatina, die spoedig door andere boekerij en werd gevolgd. Aan het hoofd der bibliotheken stond sedert Claudius een procurator bibliothecarum.

3°. Uitgaven voor Italië.

a. Openbare werken, met name het onderhouden der heirbanen {cnra viarum).

b. alimentatio. Het sluiten van huwelyken en het opvoeden van kinderen (pag. 184) trachtte Nerva aan te moedigen door in verschillende steden van Italië fondsen te stichten, om daaruit het onderhoud van kinderen van arme, maar vrije lieden te bekostigen. Traianns liet 5000 dergelijke kinderen toe tot de korenuitdeelingen te Eome en breidde hot aantal der voor de alimentatio bestemde kapitalen aanzienlijk uit. Andere keizers en ook particulieren volgden dit voorbeeld. Ten behoeve der alimentatio werd Italië verdeeld in distrik^en, die deels onder het opzicht stonden der curatores viariim,, deels onder dat van afzonderlijke ambtenaren , praefecti of procuratores alimentornm.

c. Beheer der geldmiddelen.

De verdeeling der provincies tusschen keizer en senaat maakte naast het aerarinm Saturni een keizerlijke schatkist (Jiscm Cae-■saris) noodzakelijk. Een derde kas was het aerarium militare.

1°. Het aerarinm Saturni, do schatkist van den senaat, ontving in den beginne niet alleen de vroegere ^inkomsten, in de eerste plaats de belastingen der proviuciae senatns, maar ook de quina et vicesinia ven. mancipiorum (pag. 215) en de opbrengst der hona vacantia et cadnca. De senaat had de beschikking over dit aerarium en benoemde jaarlijks de praefecti aerarii Saturni, mannen van praetorischen rang, die in plaats der quaestoren het beheer hadden. Claudius gaf het beheer in 44 aan twee quae-

ocr page 232

218

stores aer. Sat., telkens voor den tijd van drie jaar benoemd, die door Nero in 56 werden vervangen door 2 praefecti aerarii, senatoren door den keizer benoemd. Feitelijk ging nu de beschikking over deze schatkist aan den keizer over. De meeste baten vloeiden langzamerhand in den 'Jisctm en ouder Gallieuus begon met het onderscheid tusschen provincial Uaesaris en provincial', senatus ook het onderscheid tusschen Jiscias en aerarium te verdwijnen.

2°. Het aerarium militare werd door Augustus ingesteld voor het uitbetalen der pensioenen (praemia. militaria). Deze kas werd gestyfd door de tic. hereditatium en de cent. rerum vena-lium. Het beheer voerden drie praef. aer. militares, senatoren, door den keizer benoemd. Het aer. militare heeft tot de3deeeivw bestaan.

' 3°. De Jiscus Caesaris, de keizerlijke schatkist , ontving de inkomsten van het vermogen des keizers, waartoe ook de domeinen in de provincies werden gerekend, verder de legaten den keizer vermaakt, het aurum coronarinm, de inkomsten der keizerlijke provinciën, de schatting der cijnsplichtige staten en de bijdragen der provinciae senatus.

Uit den Jiscus werden bestreden de uitgaven voor leger en vloot, de bezoldiging der keizerlijke ambtenaren, het onderhoud der groote wegen, de kosten voor de bouwwerken en de fru-mentationes te Eome en de uitgaven des keizers.

Met het belang van den Jiscus groeide ook het aanzien van den bestuurder. Eerst was hij een vrijgelatene des keizers {a rationilus), sedert Hadrianus een procurator Augusti a rationihus, in 't spraakgebruik procurator Jisci; sedert Marcus Aurelius droeg hij den titel rationalis, die hem boven de procuratores stelde.

Sept. Severus scheidde het beheer van het persoonlijk vermogen des keizers {res privatd) van de kroongoederen (patrimoniuv/-Caesaris). Het eerste werd sedert beheerd door een procurator (later magister) rei privatae.

Augustus behield het systeem der verpachtingen, maar Tiberius begon met enkele belastingen zelf te innen door procuratores. Tijdens Sept. Severus werden alleen nog de portoria verpacht. Zoo waren de puhlicani keizerlijke ambtenaren geworden.

ocr page 233

219

Het mnntrecht was door Augustus verdeeld tusschen den keizer en den senaat. De eerste muntte goud- en zilvergeld, de tweede uitsluitend koper. De munt van den senaat werd door lllviri a. a. a. f. f. bestuurd onder toezicht des keizers. Aan het hoofd der keizerlijke munt stond een procurator monetae.

Aurelianus begon ook in de provinciën te laten munten.

ocr page 234

HOOFDSTUK XIV.

DE MONAKCHIE.

§ 1. Geschiedenis.

Sedert de laatste helft der S4quot; eeuw werd de verdediging der grenzen tegen de aanvallen der barbaren hoe langer hoe meelde voornaamste taak der regeering. Vandaar de soldaten-keizers, die veelal gelegenheid noch lust hadden zich met het inwendig bestuur te bemoeien, en wier oorlogen met tegenkeizers den staat ondermijnden. Diocletiamis wist door krachtige maatregelen het verval een tijdlang te stuiten. Hij zette de versleten vormen, waarvan het principaat zich nog niet had ontdaan, ter zijde en vestigde de monarchie. Met de nationaal-romeinsclie traditie werd gebroken door Italië geheel te brengen in den toestand der overige deelen van het rijk en door den zetel van het bestuur te verleggen naar het Oosten; een nieuwe verdeeling van het rijk in dioecesen en praefecturen werd ingevoerd, het financiewezen werd hervormd, het leger versterkt, het corps ambtenaren gereorganiseerd.

De opvolgers van Diocletianus werkten zijn stelsel verder uit. Bovendien poogden zij de machten, die den Romeinschen staat het meest bedreigden, het Christendom en de barbaren, dienstbaar te maken aan de belangen van den staat. De legers namen steeds meer barbaren, vooral Germanen, op en het Christendom werd door Constantyn gelijk gesteld met den heerschenden gods-dienst.

Maar ook de schaduwzijden der nieuwe staatsregeling bleven niet uit. De verlagende werking van het absolutisme bedierf het karakter van hoog en laag. Daarbij werd de wilskracht verlamd door de zware offers, die de landsverdediging en de

ocr page 235

221

verkwisting der keizers onophoudelijk vergden. De vaderlandsliefde, die eens in de municipia zoo krachtig had gebloeid, ging te gronde onder den algemeenen druk. Onder deze omstandigheden moesten kunsten en wetenschappen kwynen, zelfs de taal verbasterde. In de worsteling tusschen een ondergaande beschaving en een nieuwen tijd ging het Eomeinsche element te gronde. De toekomst behoorde aan het Christendom en de Germaansche volken.

Diocletianus nam terstond Maximianns tot medekeizer aan. Ieder der beide keizers regeerde — met afwijking van de vroegere gewoonte -—- over een deel van het rijk. Maximianus kreeg het Westen, hoofdstad Milaan; Diocletianus behield het Oosten en vertoefde gewoonlijk te Nicomedia. In 213 benoemde Diocletianus twee Caesares, Galerius en Constantius Chlorus, zoowel ter verzekering der opvolging als ter betere verdediging des rijks, want eiken Caesar werd een gedeelte van het rijk ter bescherming aangewezen. Overigens waren zij in alles ondergeschikt aan hunne Anyusti.

Latere keizers hebben herhaaldelijk weder Auyusti en Caesares benoemd.

Een voorbijgaande verdeeling van het rijk in een Oostelijke en een Westelijke helft door Valentinianus I (364) kreeg bij den dood van Theodosius den Groote (395) voor goed haar beslag. Het Westelijk rijk had tot hoofdstad Eome, het Oostelijk Constantinopel. Beide rijken werden echter steeds beschouwd als deelen van een zelfden staat, de keizers als ambtgenooten en de staatsregeling was in beide ryken in hoofdzaak dezelfde. Van nu af ontwikkelden zich echter beide deelen geheel zelfstandig; het Westen onder den invloed van Eomeinsche, het Oosten onder den invloed van Grieksche beschaving.

Het Westersche rijk bezweek reeds in 47(5 onder de slagen der barbaren; het Oostersche hield stand tot 1453.

Het aandeel van Diocletianus aan de nieuwe staatsregeling is niet met zekerheid te bepalen. Zijn voorgangers hadden veel voorbereid, zyn opvolgers, met name Constantijn, hebben veel gewijzigd en toegevoegd. Daarom heeft de volgende beknopte schets vooral het oog op de staatsinstellingen sedert Constanty n den Groote.

ocr page 236

222

§ 2. Bevolking.

a. Burgers.

Het burgerrecht werd verkregen en ging verloren als vroeger. Het onderscheid tusschen ingenui en libertini bleef bestaan.

Maar het voornaamste onderscheid was dat tusschen hoogere en lagere klassen. De hoogere klassen waren:

a. de or do senator ins, de adel van het rijk. De stand van senator was verbonden aan bijna alle keizerlijke ambten; hy was als vroeger erfelijk in de mannelijke lijn, maar hing niet meer af van een census.

b. de officiales, lagere ambtenaren.

Tot de lagere klassen behoorden:

a. de decuriones, de adel der municipia.

b. de ordo pleheius, waartoe behoorden de possessores, die niet vielen onder de vorige kategorieën, de negotiator es (pag. 236), de artifices en de plehs rustica, of rusticaui of coloni.

De oorsprong der coloni ligt in het duister. Tegen het einde der 2lle eeuw komen zij reeds voor en in de 4lle eeuw waren zij over het geheele rijk verspreid. De coloni waren ingenui en zelfs burgers, want zij genoten een beperkt conubium en commer-cium, maar zy waren vastgeketend aan den grond, waarmede zij van hand tot hand gingen. Zij waren de slaven van den grond (servi terrae ipsins], maar niet van den grondeigenaar, want deze, wiens verplichte pachters zij waren en die den fiscus borg bleef voor de betaling van hun capitatio (§ 8. a.), kon hun noch van hun landerijen berooven, noch deze verkoopen zonder tevens de coloni in den verkoop te begrijpen. De stand van colonus erfde voort en de wet maakte ontkomen zoo goed als onmogelijk.

Om de draagkracht der belastingschuldigen zoo hoog mogelijk te spannen, werden onderscheiden standen en beroepen erfelijk verklaard. Dit onzalig streven versteende de maatschappy door het kweeken van een alle wilskracht doodenden kastengesst. Erfelijkheid werd toegepast op den senatorenstand, op het decu-rionaat (pag. 210), op verschillende kategorieën van officiales, oy de tetera.ui, de coloni en op onderscheiden beroepen en bedrijven

ocr page 237

■223

(bakkers, slagers, schippers, werklieden der keizerlijke fabrieken). Daarentegen werd de liandel (mercimonium) aan allen van eenigen rang of fortuin verboden.

Van de iiira privata werden het ins connbii et commercii door alle burgers genoten. Maar de lihertini mochten geen huwelijken aangaan met clarissimi; ook voor de coloni waren beide rechten beperkt. De patrio, potestas werd ingekort. Het verkoopen van een kind werd strafbaar gesteld door Diocletiauus; het dooden van een kind werd door Constantijn gelijk gesteld met parri-cidium.

De iura puhlica waren voor alle burgers niet dezelfde, in zoover lihertini, en sedert 416 ook heidenen, ketters en joden, geen staatsambten mochten bekleeden.

Groot was de ongelijkheid der burgers voor de burgerlijke, zoowel als voor de strafwet. Voor vele kategorieën van burgers bestond een afzonderlijke rechtspraak (pag. 235); de straffen verschilden naar den stand van den veroordeelde; alleen op de lagere klassen werden lijfstraffen' toegepast.

Ook de godsdienst maakte een onderscheid tusschen de burgers. Het Christendom overvleugelde den alouden eeredienst. Na de afkondiging van het tolerantieëdikt van Milaan (312), dat het Christendom met den heerschenden godsdienst gelijk stelde, kregen kerk en geestelyken verschillende voorrechten. Spoedig werd de sluiting der tempels bevolen (353), hoewel aan dit edikt slecht de hand werd gehouden. Maar de verwoesting van tempels door yveraars werd niet gestraft, eerlang (399. 408. 415) zelfs bevolen. De reactie onder lulianus (361—363) was van korten duur. Twintig jaar na zijn dood, omstreeks 382, werden de priestercolleges van hun inkomsten beroofd; een edikt van 370 brandmerkte voor het eerst de eeredienst der vaderen als boerengodsdienst {paganitas); een edikt van 416 sloot zijn laatste aanhangers van staatsambten uit.

Lasten [minera) bracht de monarchie in overvloed. De belastingen werden tot het uiterste opgevoerd; daarbij kwamen vele andere lasten en corveeën (pag. 236). De krijgsdienst werd niet meer aan alle burgers als een persoon]yke verplichting opgelegd, maar bepaalde klassen van burgers waren gehouden recruten te leveren [praebitio tironmii). Dit waren de clarissimi en honorati

ocr page 238

'224

(pag. 226) de officiales, fadecuriones en verder de niet tot deze klassen behoorende possessore.i. Bovendien moest gezorgd worden voor paarden en inkwartiering. Vrijstelling dezer lasten genoten zij, die een betrekking liadden bekleed, waaraan de titel vir inlustris was verbonden, of die zekere hof betrek kingen hadden vervuld. Zonen van veteranen en van de kolonisten in de grens-distrikten {limitanei, ripenses, huryarii) waren erfelijk tot den dienst verplicht. In tijd van nood werden alle burgers en zelfs slaven onder de wapenen geroepen.

b. Peregrini.

De monarchie kende behalve de ingenui alleen Latini luniani met hun afstammelingen {Latini ingenui) en peregrini dediticii met hun afstammelingen {peregrini ingenniy Met de opheffing der le.r Aelia-Sentia door lustinianus verdwenen deze klassen.

Maar in dezen tijd werd een nieuw soort van peregrini in 't leven geroepen. De keizers namen barbaren in het rijk op:

a. door hen na hun deditio te verdeelen onder de possessores als coloni (pag. 222).

b. door hun landerijen te geven, meestal aan de grenzen van het rijk. Zij, die uit Gallië of uit Germanië, links van den Eijn kwamen, heetten laeti: die aan den Donau werden ge-reeruteerd en gecoloniseerd werden gentiles genoemd. Zoowel de laeti als de gentiles waren vrij, maar gebonden aan den grond; zij betaalden geen belasting, maar waren erfelijk tot den krijgsdienst verplicht. Het schijnt, dat alleen de laeti huwelijken met burgers konden aangaan.

e. Slaven. Vrijlating.

De toestand der slaven, langzamerhand verbeterd, verergerde onder de eerste christelijke keizers. Wel ontnam Constantyn den meester geheel en al het ius necis, dat reeds vroeger wf.s beperkt , en verbood hij bij verkoop het scheiden van naaste familieleden, maar in het algemeen was de wetgeving niet gunstig voor de slaven. Ook kerken en geestelijken hadden slaven en het blijkt niet, dat de laatsten in de behandeling hunner slaven een goed voorbeeld gaven. Maar de christelijke leer, die alle

ocr page 239

225

menschen als broeders beschouwt, deed op den duur haar zegenrijke werking gevoelen.

De wijzen van vrijlating werden door Constantijn vermeerderd met:

a. de manumiasw in sacrosanctis ecclesiin, voor den bissch op en de gemeente.

b. een geestelijke kon zyn slaven overal en ten allen tijde vrijlaten. De slaaf kon behalve op de vroegere wyzen de vrijheid verkrijgen door:

a. de lomji temporis praescriptto, exceptie van verjaring.

b. het aanwijzen van misdadigers.

c. dienst bij de cuhicularii.

d. intrede in den geestelijken stand met goedkeuring zijns meesters.

§ 3. De keizer.

De keizer wordt meer en meer een Oostersch despoot. Zyn macht is onbeperkt; alle inwoners van het rijk zijn zijne onderdanen [subiecti, servi, So'Aot). Hij noemt zich zelf dom inns; zyn onderdanen heeten hem sacratissimus en divinus. Alles wat tot zijn persoon in betrekking staat is heilig {sacer): zyn paleis, zijn kabinet, zijn raad. Hij draagt den diadeem en sedert Con-stantijn den stralenkrans {nimbus). Wie hem nadert, bewijst hem goddelijke eer (adoratie).

Rechtens was ook nu de keizerlijke waardigheid niet erfelijk. Een of meer legers kozen den opvolger, dikwijls reeds door den voorganger aangewezen door adoptie en door het verleenen van den titel Aur/vstus of Caesar. De senaat bekrachtigde de keuze, een bloote formaliteit.

De keizer aanvaardde zijn waardigheid met grooten luister. In het keizerlijk purper gedoscht, werd hij op een schild geheven en sedert Leo I (457) door den patriarch van Constantinopel gekroond.

§ 4. Centraal bestuur.

De monarchie wist het geheele rijksbestuur te centraliseeren door middel van een uitgebreiden staf van ambtenaren, wier

15

ocr page 240

220

rangorde en bevordering aan strenge voorschriften waren gebonden.

De keizer werd vooral voor rechtspraak en beheer ter zijde gestaan door een staatsraad (consistorivm, principis). Gewichtige vraagstukken van binnen- en buitenlaudsche politiek kwamen in den regel in dezen raad niet ter sprake, maar werden beslist in het kabinet (sacrum cuhiculmti) des keizers. Daartoe behoorden in de eerste plaats drie hooge hof- en staatsdignitarissen: de quaentor sacri palatii, minister van het keizerlijk kabinet, de magister officiorum, opperhofmaarschalk, en de praepositus sacri cuhiculi, opperkamerheer.

Civiele en militaire posten waren streng gescheiden. Het algemeen civiel beheer werd gevoerd door de hoofden der vier praefeeturen: de praefecti praetorio en de praefecti urbi der twee hoofdsteden. Het departement van financiën was verdeeld in het aerarium sacrum.! bestuurd door den comes sacrarum larcji-tiouKni, en het aerarium privatum onder den comes rerum priva-tarum.

Het leger stond onder magistri müitum, wier aantal afwisselde.

Deze grootwaardigheidsbekleeders waren de onmiddellijke vertegenwoordigers, de ministers des keizers. Onder hen ressorteerden een aantal andere hooge ambtenaren. Al de ambtenaren der verschillende departementen oefenden civiele en crimineele rechtspraak uit binnen den kring hunner bevoegdheden.

Constantijn liet de senatoren weer tot den staatsdienst toe. De ambtenaren van den senatorenstand hadden den titel clarissimi, die van den ridderstand heetten perfectissimi of egregii. Na Constantijn verdween de ridderstand als tweede stand van het rijk, maar nog tot de 5ae eeuw bleef hij bestaan als gemeentelijke instelling in de beide hoofdsteden. De titel egregius werd afgeschaft, die van perfectissimus bleef voor enkele lagere ambtenaren. Alle hoogere ambtenaren hadden sedert Constantijn den rang van senator en waren dus clarissimi. Er waren onder hen drie rangen: dar. et inlustris, dar. et spectahilis en claris-simus kortweg. Zij, die keizerlijke, militaire of civiele ambten, waaraan de rang van clarissimus was verbonden, of ook den titel dezer ambten (honorarii) hadden verkregen, vormden de klasse der houorati.

ocr page 241

227

Als persoonlijke onderscheiding werd sedert Constantijn verleend :

a. de titel patricius, meestal aan gewezen hooge ambtenaren, die den voorrang gaf boven de praefecti praetorio.

b. de titel comes (comitiva), die in drie graden [comes nrdinis primi, secundi, tertïi) aan ambtenaren of decuriones werd geschonken.

Alle hooge ambtenaren hadden bepaalde onderscheidingsteekenen en droegen een uniform [chlamys) met een purper-kleurigen, leeren bandelier (cmgiduvi), voorzien van een gouden gesp.

Alle ambtenaren waren ingeschreven in twee registers {later-cnlnm mams et minus). Het eerste behelsde de namen der hooge ambtenaren en berustte by den primicerins notariontm (pag. 228); het tweede, dat de lagere ambtenaren bevatte werd bewaard door den quaestor sacri palatii.

Iedere hooge ambtenaar had een uitgebreid personeel, zyn officium, dat in scrinia was verdeeld. De benoeming en bevordering der officiales was, behoudens enkele uitzonderingen, afhankelijk van de goedkeuring {prohatoria) des keizers.

§ 5. Staatsraad. Hooge ambtenaren.

Het consistorium principis of sacrum conmtorium diende den keizer van advies in zaken van beheer, wetgeving en vooral van rechtspraak. Leden {a consiliis sacris, later comités cousisto-rianï) waren:

ln. comités inlnstres n.1. de quaestor s. palatii, de magister officiorum, de comes sacrarum largitionum en de com.es rermu privatarum,

2°. comités spectahïles of comités consistoriani, in den regel gewezen hoofden van scrinia.

3°. comités consistoriani vacantes, buitengewone leden.

De processen-verbaal der zittingen werden opgemaakt door griffiers {tribuni et notarii) met den rang van clarissimi, aan wier hoofd de eerste staatssecretaris [primicerins notariorum) stond.

De hoofdpersoon in den staatsraad was de quaestor s. palatii, die daarin dezelfde rol vervulde als vroeger de praefectus prae-

15#

ocr page 242

228

torio in het consilium principis. Hij was bij ontstentenis des keizers voorzitter, ontwierp de wetten en verordeningen en de antwoorden op de tot den keizer gerichte verzoekschriften en contrasigneerde {suhucrlberè) de wetten, edikten en rescripten. Hij behoorde derhalve groote bekwaamheid als rechtsgeleerde te bezitten Verder bewaarde hij het laterculum minus (pag. 227).

De magister offwiorwn vereenigde in zich zeer niteenloopende bevoegdheden. Hij handhaafde de orde in het paleis, en had civiele en crimineele rechtspraak over alle hofbeambten; hij was het hoofd der vreemde lijfwacht [acholae palatinae of scholares) , ten getale van 3500 man. Onder zijn bevelen stonden de scholae der agentes in rebus, koeriers, waardoor hij het verkeer met het buitenland leidde, de cnriosi, inspecteurs naar de provinciën gezonden om toezicht te houden op politie en posterijen, de metatoren , keizerlijke kwartiermakers, en de lampadarü, keizerlijke fakkeldragers. Ook was hij opperceremoniemeester.

Sedert den val van Rufinus (396) bestuurde de magister offi-cioruni de post en de keizerlijke wapenfabrieken.

Onder den magister offwiorum. ressorteerden vier hoofdafdeelin-gen der keizerlijke kanselarij;

a. het scrinium memoriae onder den magister memoriae: Adno-tationes omnes dictat et emittit et precihns respondet.

b. het scrinium epistolarum onder den magister epistolarmn: Leg at ionen civitatum et consnltationes et preces tract at.

c. het scrinium liljellorum onder den magister lihellorum et sacrarum cognitionum: Cognitiones et preces tractat.

d. het scrinium dkpositionum onder den magister provisionum ac dispositionum; waar o. a. de wetten, edikten en decreten der keizers werden bewaard.

De vir. inl. praepositus s. cuhiculi had onder zijn bevelen het dienstpersoneel des keizers. Aan hem waren ondergeschikt; de vir speet, primicerius s. cuhiculi, eerste kamerheer, de vir speet, castrensis s. palatii, intendant, de vir speet, comes domorum., intendant der keizerlijke paleizen, en de comes sacrae vest is. Sedert Theodosius II was dc praep. s. cuhiculi zelfs hooger in rang dan de q. s. palatii en de mag. offwiorum.

Van minderen rang dan de drie bovengenoemde dignitarissen, hoewel van grooten invloed, was de primicerius notariornm, de

ocr page 243

229

eerste staatssecretaris, het hoofd der trihunl et notarii (pag. 227), die tevens het laterculum mains bewaarde en alle aanstellingen uitgaf.

§ 6. R ij k s b e h e e r.

a. Verdeeling van het rijk. Steden.

Het streven van Dioeletianus en zijn opvolgers was vooral gericht op de eenheid van het rijk. Daartoe moest de indeeling in provincies worden opgegeven en werd het rijk verdeeld in 12 regeeringsdistricten {dioecesex), 5 in het Oosten: Oriens, Pon-tica, Asiana, Thracia, Moesiae en 7 in bet Westen; Paniioniae, Britanniae, Galliae, Viennensis, Italia, Hispaniae, Africa. Sedert Constantijn behoorden deze dioecesen tot een der 4 praefecturae, waaruit het rijk bestond: Oriens, Illyricum, Galliae en Italia. Iedere dioecese bevatte een aantal provincies; het gezamenlijk getal der provinciën bedroeg 116.

Een praefectuur werd bestuurd door een v. inl. praefectus praetorio. Hij was feitelyk de eerste der keizerlyke ambtenaren; alleen de consules ordinarii en de patricii (pag. 227} stonden in rang boven hem. Onder hem ressorteerden alle takken van bestuur in zijn praefectura. Hij beschikte over een bizondere schatkist (area praefecturae), hij had het recht van wetgeving, in zoover hij het bestaande recht kon interpreteeren; van zijn rechtspraak was geen appel, want hij sprak recht vice sacra, in naam des keizers; de stadhouders der provincies werden op zijn voordracht benoemd.

Aan het hoofd eener dioecese stond een vicarius met den titel tspectahilvs. Hij werd steeds onafhankelijker gemaakt van den praefectus. Van zijn rechtspraak was appel op den keizer. De bestuurder van de dioecesis Orientis heette comes Orientü, die van Aegyptus had den titel praef. Aiigtistalis. Beide waren hooger in rang dan de overige vicarii.

De praefectura Italia had 3 dioecesen: Italia, Africa, Pan-noniae (Illyricum occidentale). De dioecesis Italiae had twee vicarii; den vic. Italiae, residentie Milaan, over de 7 noordelijke provincies en den vic. urhis Romae te Rome, over de 10 zuidelijke provinciën, met uitzondering der stad Rome.

ocr page 244

230

Iedere provincie liad een stadhouder, die het opperbeheer voerde, maar geen militair kommando hezat. Hij was geheel ondergeschikt aan den vicarius, op wien van zijn uitspraken kon worden geappelleerd. De stadhouders droegen den alge-meenen naam rector, maar in sommige provincies heetten zij consulares, in andere correctores en praemles. De drie oude provincies Asia, Achaia en Africa hadden proconsules; die van Asia en Africa stonden onmiddellijk onder den keizer. De meeste stadhouders waren clarissimi, de proconsules hadden den titel speetahilis.

De autonomie der steden was verdwenen. Er was nog altijd een ordo decurionum en een stedelijk bestuur, maar de curator reip. of logista was oppermachtig (pag. 206). Valentinianus I stelde in 364 een defensor civitatis in met het doel om de burgers te beschermen tegen den overmoed en de knevelarijen dei-keizerlijke ambtenaren. De defensor werd gekozen door de inwoners der stad onder goedkeuring des keizers.

De ordo decurionum en de August ales bleven de hoogste standen, maar de laatsten verdwenen met het veldwinnen van het Christendom, zoodat er behalve de decuriones alleen nog de ordo pleleius (pag. 222) overbleef.

Reeds in de 3de eeuw begon het moeite te kosten de decuriones — thans ook curiales en municipes genaamd —• voltallig te houden. Sedert de stedelijke magistraat van zijn macht was beroofd, werd voor eerzuchtige lieden de staatsdienst veel begeerlijker. Bovendien werden den deouriones een aantal munera opgelegd zoowel voor de stad (openbare werken, bijdragen voor de gemeentekas) als voor den staat (inning van belastingen, recru-teering) en persoonlijk werden zij aansprakelijk gesteld voor alle geldelijke verplichtingen der stad. Zoo werd het decurio-naat een ondragelijke last, waaraan men trots de strengste maatregelen der regeering op alle wijzen trachtte te ontsnappen. De keizers verklaarden in de 4I'C eeuw het decurionaat erfelijk in de mannelijke lijn en wanneer op deze wijze het vereischte getal niet werd bereikt, had een adlectio plaats, waarbij zelfs kinderen niet uitgesloten waren. De ongelukkige curiales, ten einde raad, deden afstand van hun vermogen, werden soldaat, monnik, zelfs colonus, alles te vergeefs, de regeering sloot een

ocr page 245

231

voor éen al deze uitwegen. Maar de decuriones gingen te gronde en met hen de welvaart der steden.

b. Rome en Constanünopel.

Constantyn verhief Byzantium, onder den naam Constantino-polis, tot hoofdstad van het Oosten. Hij verdeelde de stad in XIV regiones en schoeide het bestuur op dezelfde leest als te Rome. Zelfs anachronismen als senaat, praetuur en quaestuur werden niet vergeten, het consulaat werd tusschen beide hoofdsteden verdeeld.

Iedere hoofdstad werd beheerd door een v. inl. praefectus arii, die in rang gelijk stond met den praefectns praetorio.

Hij was het hoofd der stedelijke regeering, kortom bet culmen n rhanurn.

Onder hem stonden:

1°. de praef. annonae, belast met de zorg voor den koven-aanvoer, de uitdeelingen enz.

2°. de praefectns viyilmn, hoofd van naohtpolitie en brandweer.

3°. de comes portus, die de havenpolitie uitoefende.

4°. de ambtenaren voor openbare werken: de comes formarum, die te zorgen had voor de waterleidingen, de comes riparuni et alvei Tiheris et cloacarum, de curator opernm nmximorum, de curator statnarum en de trihnnus rerum nitentimn, de beide laatsten belast met het toezicht op de kunstschatten.

5°. de magister census of ccrsnuru, de chef van het bureau der censuales, de griffie van den senaat.

Zoowel te Rome als te Constantinopel vond men een inrichting voor hooger onderwijs en in elk der XIV regiones was een archiater belast met de geneeskundige behandeling der onvermogenden.

De senaat nam, naar het schijnt, alleen besluiten omtrent spelen en omtrent de munera der senatoren en dan nog behoudens keizerlijke goedkeuring. Soms werd voor de leus zijn advies gevraagd over wetten, wanneer deze den ingezetenen nieuwe lasten oplegden. In tyd van nood herinnerde zich soms de keizer de voormalige grootheid van den senaat door hem te raadplegen. Leo VF schafte den senaat als een onnut lichaam af (± 900).

ocr page 246

232

Recht van zitting gaf de comnlaritas, die verkregen werd door den consulattm ordinarius en suffectus, door adlectio inter consulares en door het bekleeden van een ambt, waaraan de titel clarissimus of spectabilis was verbonden. De wet zorgde, dat niemand, om de lasten aan het lidmaatschap verbonden (pag. 230) te vermijden, zicli onttrok. Verschillende ambtenaren genoten vrijstelling van deze lasten. Voorzitter was de consul 451, daarna de praefectus urbi.

Het consulaat werd nog als de hoogste eerepost beschouwd. Aan het ambt was verbonden: het voorzitterschap van den senaat, het geven van spelen en eenige rechtspraak (rnanumüsio, tutoris datio). De consules ordinarii werden door den keizer benoemd. Sedert de deeling van het iyk was er nu eens éen consul te Rome en éen te Constantinopel, dan weer waren er in beide steden twee consuls. De laatste consul was Fl. Basi-lius in 451 te Constantinopel.

Van de praetoren schijnen alleen de praetor tntelaris en de •praetor de liberalihus causis hun rechtspraak te hebben behouden. De overigen hadden alleen spelen te geven. Evenmin kan een andere ambtsbezigheid der quaestoren worden ontdekt. Beiden komen nog onder lustinianus voor.

De aediles worden na de 3ae eeuw niet meer genoemd.

De titel van tribunus werd nog in de 5(,e eeuw door den keizer verleend.

c. Rijksverdediging.

Het leger bestond uit voetvolk, ruiterij en auxilia. Het legioen was uitsluitend samengesteld uit voetvolk; de getalsterkte schijnt aanmerkelijk verminderd te zijn, daarentegen bedroeg het getal legioenen in de 5de eeuw 175. Het legioen werd gekomman-deerd door een praef. legionii. De ruiterij was in afzonderlijke vexillationes ingedeeld onder praefecti alarum. Meer en meer werden in de legioenen barbaren {laeti, gentiles) (pag. 224) opgenomen. De auxilia werden vooral aangeworven uit de vrije volkstammen in Germanië.

De troepen waren verdeeld in palatini en comitatenses, die het veldleger uitmaakten, en riparienses, verdeeld in pseudocomita-

ocr page 247

233

temen en limitanei. Do pseudocomitatenses waren mobiele afdee-lingen ter versterking van het veldleger. De limitanei, onder dtices en comités, waren reeds sedert Alexander Severns orfelijk belast met de verdediging der grenzen, waarvoor hun landerijen in eigendom waren gegeven.

Sedert Constanten werd het bevel over het gezamenlijk leger te velde gevoerd door twee magistri militum, arrtiorum, equitv.m et peditmn of m.Kj. utriusque militiae. In de S116 eeuw waren in het Oosten 5, in het Westen 3 mag. militum. De mag, militum. die zich aan het hof bevonden, heetten in praesenti of prae-•t ent ales.

Nog behoorden tot het leger de scholae palatinae (pag. 228) en de lijfwacht des keizers. Constanten had reeds de zeer verminderde cohortes praetoriae afgeschaft en voortaan werd de keizer alleen beschermd door een reeds in het laatst der 3dei eeuw gevormde, hoog bezoldigde lyfwacht te voet en te paard, de domestici et protect or es. Aan hun hoofd stonden twee viri inl. - comités domesticorum, éen voor het voetvolk en een voor de ruiterij.

§ 7. Rechtswezen.

a. Bronnen van het recht.

In deze periode krijgt de ontwikkeling van het recht haar beslag en wel tengevolge der codificatie, die door vroegere keizers voorbereid, door lustinianus tot stand werd gebracht.

Hoe langer hoe meer deed zich namelijk de behoefte gevoelen aan een nieuwe codificatie van het recht. Formeel berustte het recht op de XII tafelen, het edictum perpetuum, de wetten, senaatsbesluiten en keizerlijke verordeningen. Maar de meeste dezer bronnen waren alleen toegankelijk door de rechtsgeleerde litteratuur, die langzamerhand zulk een omvang had gekregen, dat de rechters het overzicht misten.

Valentinianus III voorzag daarom in een dringende behoefte door in 426 aan de geschriften van Papinianus, Paulus, TJlpia-nus, Gaius en Modestinus, alsmede aan de door hen geciteerde schrijvers, met uitsluiting der overige, kracht van wet toe te

ocr page 248

234

kennen. Ook ontstonden verschillende verzamelingen van keizerlijke verordeningen. De meest bekende is de codex Theodosianus door Theodosius II in 438 gepubliceerd.

Keizer lustinianus (527—565) vatte het plan op het geldende recht tot een geheel te vereenigen. Hij liet, ter vervanging van alle bestaande rechtsopteekeningen, rechtsboeken aanleggen, waaraan later nog door hem zeiven afzonderlijke verordeningen, No-vellae, zijn toegevoegd. Deze verzameling, thans Corpus inris civilis genoemd, is nevens de Institutiones van Grains (pag. 211) de hoofdbron van onze kennis van het Eomeinsche recht. Zij bevat:

ln. Institutiones, een kort leerboek van het recht.

2°. Pandecta of Diyenta, een min of meer systematische bloemlezing uit de werken van 39 oudere rechtsgeleerden.

3°. Codex lustinianus, keizerlijke verordeningen tot 534.

4°. Novellae, verordeningen van lustinianus van 534—565.

b. Rechtspraak.

De keizer was de bron van recht en wetgeving. Hij vaardigde de wetten uit en interpreteerde door zyn rescripta en decreta het bestaande recht, zonder echter aan die interpretatie dezelfde kracht te verbinden als aan zijn leges edictales.

Decreta en rescripta, die vroeger, zoo niet uitdrukkelijk anders was bepaald, ook voor analoge gevallen golden, waren thans alleen van kracht voor ieder bizonder geval. Onmiddellijk bemoeide zich de keizer met de rechtspraak: na appellatio, wanneer geappelleerd werd op den keizer van een vonnis van een ambtenaar, waarvoor appel was toegestaan; na relatio of consult,atio, wanneer de ambtenaar in een moeilyk geval den keizer verzocht om te beslissen; na supplicatio, wanneer een particulier den keizer verzocht recht te doen in eerste instantie. Gewoonlij k werd in al deze gevallen het onderzoek geleid door den quaestor s.palatii.

Nauwkeurig was omschreven, voor welken rechter iedere zaak behoorde. In de steden had de municipale magistraat en later de defensor cimtatis beperkte rechtspraak; boven hen stond de stadhouder met zyn assessoren, die minder gewichtige zaken kon opdragen aan een iudex pedaneus; verder kwamen de vicarii en

ocr page 249

235

de praefecti praetorio met hun assessores, eindelijk de keizer met zijn consistorium. De beide hoofdsteden hadden de keizerlijke ambtenaren als rechters, den praefectus urhi als rechter van appel. Constantijn gaf aan de bisschoppen rechtspraak in godsdienstige aangelegenheden en in de civiele zaken, die partijen aan hun oordeel onderwierpen.

Bovendien hadden verschillende kategorieën van personen een bizondere jurisdictie. In crimineele zaken kwamen inlustres uitsluitend voor den keizer, de stadhouders \oox\mn2gt;raef.praetorio, de clar'mimi te Rome voor den praef. urhi, de officiales voor den ambtenaar tot wiens departement zij behoorden, de militairen voor hun cliefs. De geestelyken der christenen werden tot Valentinianus III ten crimineele geoordeeld door hun kerkelijke overheden. Deze kregen door lustinianus in civiele zaken rechtspraak over hunne ondergeschikten.

Reeds bij den aanvang van het keizerrijk heetten de rechtsgeleerden, die als pleiters optraden, advocati. Zij konden sedert Claudius honorarium rekenen tot een maximum van 10.000 sestertiën. De advocati stonden de partijen bij; wilden dezen niet in persoon verschenen, dan konden zij een vertegenwoordiger benoemen. Deze vertegenwoordigers heetten cognitores ofprocura-tores; later werd de naam procurator algemeen. In de 4,le eeuw vormde zich de orde van advokaten {corpus togatoruni). Om ingeschreven te worden in het register (matricula fori) werd een examen vereischt en een tijd van stage {supernnmerarii). De ingeschreven advokaten genoten vele persoonlijke voorrechten, maar waren wat hun stand betreft aan een bizondere discipline onderworpen.

§ 8. Geldmiddelen.

a. Belastingen,

Diocletianus deed het laatste onderscheid tussehen Italië en de provinciën vervallen door ook daar grondbelasting te heffen.

Het trihutum soli, de grondbelasting (pag. 215) heette voortaan iugatio of capitatio terrena. Genoemde keizer had namelijk een nieuwe opmeting van het rijk laten doen en daarbij voor de

ocr page 250

236

inning der belastingen den bodem laten indeelen in iuga of capita. Een iugum bevatte een zeker aantal iuyera, afhankelijk van de soort en de opbrengst der landerijen. Er waren 7 klassen van landerijen.

Xaar aanleiding dezer schatting werd een kadaster {capitastrum , catastrum) opgemaakt. De belasting werd betaald in geld of in natura. Bovendien moest een annona worden opgebracht bestaande in brood, olie, vleeseh, hout, uniformen, fourage. De annona werd ook wel in geld betaald. Een afzonderlijke belasting (capitatio animalium) werd geheven van huizen, slaven en vee.

Tegenover de personen, die deze grondbelasting moesten kwijten, de possesssores, stonden de negotiator en, bandeldrijvenden en neringdoenden. In de provincies waren voor en na verschillende bedrijven belast en Diocletianus bepaalde, dat alle neringdoenden in het geheele rijk een patentbelasting {lustralis collatio, eJirysar-gyrum) moesten opbrengen.

Een hoofdgeld, vroeger alleen door on vermogenden betaald (pag. 215) werd nu opgebracht door de coloni (pag. 222) als capitatio plebeia of humana.

De plebs urhana, die geenerlei bedrijf uitoefende, was vrijgesteld van direkte belastingen.

De belastingen van het principaat bleven bestaan met uitzondering der waarschijnlyk door Constantijn opgeheven vic. Aereditatium.

De senatoren, die vrij waren van alle stedelijke lasten, waren daarvoor verplicht tot een afzonderlijke belasting (follis, gleha, descriptio) van hun grondeigendom. Zij, die geen grondeigendom hadden, moesten een hoofdgeld storten van minstens 7 goudstukken (solidi). Een pond goud werd gerekend op 72 solidi.

Bovendien was nog ten laste der senatoren het auruni ohlati-cium, een zoogenaamd vrijwillige feestgave, en Aevotormi ablatio, nieuwjaarsgeschenk, beide voor den keizer.

De decuriones hadden bij feestelijke gelegenheden den keizer het aurum coronarium aan te bieden.

Ten slotte vergde de staat een menigte andere offers: het aanleggen en onderhouden van wegen, het stichten en herstellen van staatsgebouwen, het leveren van materialen, het stellen van

ocr page 251

237

postpaarden (paraveredi), waar de postdienst ontbrak en corveeën {munera sordida) van allerhanden aard.

b Beheer der geldmiddelen.

Diocletianus verklaarde alle staatseigendommen tot keizerlijk goed, die reeds lang als zoodanig waren beschouwd. Daarmede werd liet aerarium Saturni uitsluitend een gemeentekas van Rome. Er waren nu twee keizerlijke schatkisten;

Het aerarium. sacrum., de rijksschatkist, werd bestuurd dooiden v. perf. rationalis summae rei, sedert het midden der 4(le eeuw door een comes sacrarum laryitionuw. Het ontving de direkte en indirekte belastingen (met uitzondering der annona) en de opbrengst der mijnen en keizerlijke fabrieken.

Het aerarium privatum onder een v. perf. rationalis of mag. s. rei privatae, later v. inl. comes rertmi privatarum, inde de inkomsten van alle kroongoederen en van het persoonlyk vermogen des keizers, de opbrengst der hona proscriptorum sen damnatoruni en die der hona caduca en vacantia.

Anastasius herstelde als in der tyd Sept. Severns het onderscheid tusschen het persoonlijk vermogen des keizers en het kroongoed. Het eerste werd voortaan als patrimonium sacrum beheerd door een v. inl. comes s. patrimonii. Vroeger heette juist omgekeerd het persoonlijk vermogen res privata, het kroongoed patrimonium. Instinianus stelde het persoonlek vermogen des keizers als domus divina onder een comes.

Iedere praefeotuur had een kas (area praefecturae), waarin de annona (pag. 236) werd gestort en waaruit de kosten voor het leger en de bezoldiging der ambtenaren werden bestreden. Toen spoedig de annona hiervoor niet voldoende bleek, werd ook éen deel der capitatio terrena, der portoria en de opbrengst der hona caduca in deze area gestort.

ocr page 252

LUST DER BEHANDELDE WETTEN EN PLEBISCITA.

N A A M.

DATUM.

INHOUD.

Lex Aebutia

± 200

voert bet formulierproces in. p. 109.

Aelia

± 150

bepaalt, dat obnuntiatio magistraten van denzelfden

rang onderling toekomt, eveneens den tribunen

onderling en tegen de consuls en de praetoren. p. 35.

Aelia-Sentia

4 u. C.

de manumissionibus. p. 184. 185.

Aemilia

434

stelt den duur der censuur vast op l£ jaar. p. 74.

quot; agraria

111

schaft de belasting op den ager publicus af. p. 157.

'/ Anton ia

43

stelt een derde decuria van rechters in, bestaande

uit centurio's en veteranen, p. 113.

»» Appuleia

100

beoogt het stichten van kolonies voor de veteranen

van Marius (niet uitgevoerd), p. 157.

« Aternia-Tarpeia

454

bepaalt de multa suprema op 2 schapen en 30 ossen.

p. 13. 43.

'/ Atinia

± 120

geeft den trib. pl. het ins sent. dicendae. p. 81.

'/ Atilia-Marcia

311

geeft aan de com. trib. v. 16 trib. mil. p. 43.

quot; Aurelia

70

brengt op het album iudicum senatoren, equites en

trib. aerarii. p. 113. 115.

75

heft uitsluiting der trib. pl. van verdere ambten op.

'/ Calpurnia

149

p. ö^.

stelt de eerste quaestio perpetua (de repet.) in. p. 112.

quot;

67

bedreigt ambitus met boete en levenslange uitsluiting

van ambten, p. G6. 117.

« Canule ia

445

de conubio. p. 14.

quot; quot;

//

de consulatu (niet aangenomen), p. 14.

'/ centuriata

de bello indicendo. p. 42.

de censoria potestate. p. 42. 74.

quot; Claudia

219

ne quis senator cuive senator pater esset maritimam

navem.....haberet. p. 19. 49.

// Clodia

58

stelt koreuuitdeelingen in om uiet. p. 174.

ocr page 253

239

T

INHOUD.

NAAM.

DATUM.

Lex Clodia

58

// //

58

Cornelia

88

*

82

»/ «

82

*

81

-

81

»

81

.

81

„ „

81

quot;

81

„ „

81

.

67

» curiata

quot; Domitia

104

Leges XII tabularum

451—450

Lex Flaminia

217

quot; Flavia

60

n H

± 82 n.C.

quot; Fufia

150

» Fufia-Caninia

leeeawn.C.

« Fulvia

125

» Gabinia

67

» Hortensia

287

'/ Icilia

456

quot; de imp. Vespasiani

70 n. C.

schaft de obnuntiatio af. p. 35.

laat de collegia sodalitia weer toe. p. 125.

beperkt de wetgeving der tribunen, p. S2.

sluit voor de tribiinicii den toegang tot de verdere

ambten, p. 82.

beveelt het stichten van militaire kolonies, p. 82. bepaalt, dat de stadhouder tot de benoeming van zijn opvolger in de provincie moet blijven, p. 167. benoemt jaarlijks 20 quaestoren, die ook La hun

ambtsjaar zitting houden in der: senaat, p. 49. brengt de crimineele rechtspleging geheel aan den

senaat, p. 112.

bepaalt, dat alleen senatoren rechters kunnen zijn. p. 113.

herstelt de coöptatie der priestercolleges, p. 128. stelt de uitsluiting van alle ambten gedurende 10 jaar

als straf op ambitus, p. 66.

schaft de koremiitdeelingen af. p. 174.

verplicht den praetor om zich strikt te houden aan

zijn edictum. p. 96.

de imperio. p. 8. 36.

geeft de keuze van de leden der 4 groote priestercolleges aan de comitia sacerdotum. p. 44. 128. bevatten het eerste geschreven Rom. recht. p. 13. 14. 41. 95.

brengt den denarius op 16 as en vermindert zijn

zilvergehalte, p. 171.

wil landaauwijzingen doen aan de soldaten van Pom-

peins (mislukt), p. 157.

mun. Malacitani et mun. Salpeusani. p. lt;*08. bevestigt de lex Aelia de auspiciis. p. 35. de manumissionibus. p. 185.

de civitate sociis danda (mislukt), p. 161.

geeft aan Pompeius het opperbevel in den oorlog

tegen de zeeroovers. p. 166.

ut quod plebs iussisset omnes Quirites teneret. p. 15.

42. 46. 81.

de Aventino publicando. p. 13.

omschrijft de rechten des keizers, p. 180.


I

ocr page 254

240

N A A M.

DATUM.

I x\T HOUD.

Lex lulia

90

verleent het burgerrecht aan de trouw gebleven

socii p. 161.

59

de agro Campano viritim dividendo. p. 157.

- //

59

repetundarnm. p. 49.

46

schaft de decuria der tribuni aerarii af. p. 113.

*

V

tegen tafelvveelde. p. 77.

quot;

//

beperkt het aantal der bedeelde burgers, p. 174.

quot; •gt;

45

lex municipalis, voor Italië en Rome. p. 162.

* «

44

de colonia lulia Genetiva. p. 208.

// i-

42

de civitate Galliae Transpadanae danda. p. 162.

de senatu habendo (van Aug.). p. 192.

v

18

de maritandis ordinibus (van Aug.). p. 184.

quot; lalia-Papiria

430

bepaalt in boetezaken de waarde van een schaap op

10, van een os op 100 as. p. 43.

// lunia-Norbana

19

de manumissionibus. p. 184.

// Labiena

63

schaft de coöptatie der priestercolleges af. p. 128.

Leges Liciniae-Sextiae

367

ut consilium utique alter e plebe crearetur. p. 15.70.

ne quis plus 50 iugera agri publ. possideret. p, 1 5. 156.

de decemviris sacris faciundis. p. 15.

de aere alieno. p. 15.

Lex Licinia

196

stelt het college der Vllviri epulones in. p, 132.

quot; Livia

123

bepaalt, behalve de maatregelen van C. Gracchus, het

stichten van 10 kolonies (niet uitgevoerd), p. 156.

91

de civitate sociis danda (mislukt), p. 161.

'/ Maenia

± 290

doet bij de keuzen der comitia centuriata de patrum

auctoritas voorafgaan, p. 40.

quot; Manilia

66

draagt aan Pompeius den oorlog tegen Mithridates

op. p. 166.

quot; Manlia

357

de vicesima manumissionum. p. 31. 43.

•' Metilia

216

de aequando magistri eq. ac dictatoris iure. p. 91.

quot; Minicia

?

ut ex alterutro peregriuo natus deterioris parentis con-

ditionem sequeretur. p. 22.

quot; Ogulma

300

ut quattuor pontifices, quinque augures de plebe om-

nes adlegerentur. p. 15. 129. 133.

quot; Oppia

215

tegen opschik der vrouwen, p. 77.

'/ Orchia

181

tegen tafel weelde, p, 77.

« Ovinia

± 312

ut censores ex omni ordine optimum quemque iurati

in senatum legerent. p. 47. 84.

'/ Papia

65

de virginibus Vestalibus. p. 131.

ocr page 255

241

NAAM.

DATUM.

INHOUD.

Lex Papia-Poppaea

9

aanvulling der lex lulia de marit. ord'nibus. p. 184.

« Petronia

leeeu\vn.C.

verbiedt het willekeurig overleveren van slaven ad

bestias depugnandas. p. 185.

•gt; Plautia

89

laat jaarlijks uit iedere tribus 15 rechters door het

lot aanwijzen, p. 113.

quot; Plautia-Papiria

88

verleent het burgerrecht aan alle bondgencoten, die

zich binnen 60 dagen bij den praetor urbanus aan

melden. p. 161.

« Poetelia-Papiria

326

ut pecuniae creditae bona damnatorum non corpus

obnoxium esset. p. 25.

quot; Pompeia

89

de iure Latii Galliae Transpadauae danda. p. 162.

quot;

quot;

de civitate Galliae Cispadanae danda. p. 162.

70

geeft het tribunaat zijn vorige macht terug. p. 82.

quot;

52

bepaalt, dat eerst 5 jaar na afloop van hun ambts

jaar de consuls en praetoren hunne provincies

kunnen aanvaarden, p. 167.

Leges Porciae

vervangen de leges Valeriae de provocatione. p. 41.

Lex Publilia Philonis

339

ut plebiscita omnes Quirites tenerent. p. 15. 46.

//

quot;

ut legum quae comitiis centuriatis ferrentur ante

initum suffragium patres auctores fierent. p. 42.

-

ut alter utique e plebe censor crearetur. p. 74.

'/ Publilia Voleronis

471

geeft den trib. pl. het recht de plebs tributim samen

te roepen, p. 12. 44. 79.

quot; Roscia

67

laat de equit.es weder sedere in XIV. p. 19.

quot; Rubria

49

regelt de rechtspleging in Gallia Cisalpina. p. 162.

Leges sacratae

492

stellen het tribunaat in. p. 79.

Lex Serapronia

133

van Tib. Gracchus, hernieuwt in hoofdzaak de lex

Licinia agraria. p. 156.

//

123—121

van C. Gracchus, hernieuwt de vorige en bepaalt het

stichten van 3 kolonies, p. 156.

*

quot;

« « bepaalt, dat de provinciaè consula-

res moeten toegewezen worden voor

de comitia consularia. p. 166.

-

« « bepaalt, dat ieder burger maande

lijks 5 modii koren zal kunnen

ontvangen tegen 6^ as den modius.

v» 1 IA

123—121

p. 1/4.

- bepaalt, dat alleen equites rechters

kunnen zijn. p. 18. 112.

16

ocr page 256

242

NAAM.

DATUM.

INHOUD.

Lex Serapronia

123—121

van C. Gracchus, voert de heffing van tienden in

Azië in. p. 176.

/r '/

ter verleening van het burgerrecht

aan de socii (mislukt), p. 161.

// Servilia

111

vervangt de ampliatio door comperendinatio. p. 115.

* O

106

brengt senatoren en equites op het album iudicum.

p. 113.

63

stelt voor om den overblijvenden ager publicus in

Italië te verdeden (ipislukt). p. 157.

Leges tabellariae

139—107

voeren geheime stemming in voor de comitia. p. 33.

Lex Terentia et Cassia

73

herstelt de korenuitdeelingen. p. 174.

quot; Terentilia

462

de legibus scribundis. p. 13.

quot; Thoria

118

verbiedt verdere akkerassignaties enz. p. 156.

« de trib. potestate

verleent den keizer de trib. pot. p. 186.

quot; Tullia

63

bedreigt ambitus met lOjarige ballingschap, p. 66.

// Titia

43

stelt het triumviraat in. p. 89.

quot; Valeria

509

ne quis magistratus civem Roman um adversus provo-

cationem necaret neve verberaret. p. 41.

300

de provocatione. p. 41.

//

82

de Sulla dictatore. p. 89.

Leges Valeriae-Horatiae

449

ne quis ullum magistratum sine provocatione crearet.

p. 13. 41.

/,

ut qui tribunis pi. nocuisset eius caput lovi sacrum

eeset. p. 13. 81.

//

ut quod tributim plebs iussisset totum populum tene-

ret. p. 14. 45.

Lex Valinia

59

geeft aan Caesar de prov. Gallia Cisalp, en Illyricum.

p. 166.

« Villia (annalis)

180

bepaalt de volgorde der honores. p. 49.

* Voconia

169

over het erfrecht der vrouwen, p. 106.

ocr page 257

LIJST VAN KEIZERS.

PRINCIPA AT.

Gens lulia.

Militaire kaizers.

Augustus 27 f. C.

—14

u. C.

Commodus

180—192

Tiberius

14-

- 37

Pertiuax. Didius lulianus

192—193

Caius (Caligula)

37-

- 41

Clodius Albinus

193—197

Claudius

41-

— 54

Pescennius Niger

193—194

Nero

54-

- 68

Septiraius Severas

193—211

M. Aur. Aatoaius (Caracalla) 1

211—217

Geta j

211—212

Galba .

Macrinus

217—218

Otho j

68-

- 69

Blagabalus

218—222

Vitellius 1

Alexander Severus

222—234

Maximiuus

234—238

- •

Gordiauus I en II

238

Pupienus en Balbinus

238

Gens Flavia.

Gordianus III

238—244

Vespasianus

69-

- 79

Philippus Arabs

244—249

Titus

79-

- 81

Decius

249—251

Domitianus

81-

- 96

Gallus

251—253

Aemilianus

253

Valerianus

253—259

Gallienus

259—268

Keizers by adoptie.

Claudius II

268—270

Nerva

96-

- 98

Aurelianus

270—275

Traiauus

98-

-117

Tacitus

275—276

Hadrianus

117-

-138

Florianus

276

Autoninus Pius

138-

-161

Probus

276—282

Marcus Aurelius

161-

-180

Carus

282—283

Carinus

283—285

Numerianus

283—284

ocr page 258

244

MONARCHIE.

284—305

28*-3?0

305—311 305—306 305—307

305—313

306—312

307—324 306—337 337—340 337—350

337—361 361—363

363—364

364—375 364—378 375—383 375—392 384—388 392—394 379—395

W.

üiocletianus \ Maximianus ) Galerius

Constantius Chlorus Valerius Se ver us Maximinus Maxentius Licinios Constantinus I Constantinus II Conslans

Constantius O.

lulianus

lovianus

Valentinianus I W. Valens O.

Gratianns )

Valentinianus II I Maximus Eugenius Theoilosius I.

WESTERSCH KEIZERRIJK.

Honorius Valentinianus III Petronius Maximus Avitus Maiorianus St'verus

395—423 423—455 455

455—456

456—461 461—465

Ricimer

Anthemius

Olybrius

Glycerins

lulius Nepos

Romulus Ammstulus

465—467 467—472 472

472—473

473—475 475—476


OOSTERSCH KEIZERRIJK.

474 474—491 491—518

395—408 408—450 450—457 457—474

Arcadius ïheodosius II Marcianus Leo 1

Huis van Theodosius.

Leo II

Zeno

Anastasius

Huis van lustinus.

578—582 582—602 602—610

Tiberius II

-Maaricius

Phocas

518—527 527—565 565—578

lustinus I lustinianus I lustinus II

ocr page 259

OVERZICHT YAK DEN INHOUD.

K O IV I IN K R IJ K.

Bladz.

HOOFDSTUK I. De patricische staat..... |

§ 1. Geschiedenis. De drie hoofdvolken van Italië. De Latijnsche 1 bond. 1. Oorsprong van Rome. Nederzetting van Ramnes, Tities en Luceres op den mous Palatinus. De raons Quirinalis met de stad vereenigd. Gentes maiores en minores. Populus Ro-manus quirites. 2. De zeven koningen. 3.

§ 2. Bevolking. {Gentes. Patriciërs. Client en. Plebejers.) Geslachten. 3 lura gentilicia. 3. Patricii. Afleiding van den naam. Ontstaan der clienteel. 4. Plichten van patroon en cliënt. Verbetering van den toestand der clienten. 5. Opkomst der plebs, 6.

§ 3. Koning. Senaat. Curiae. Comitia cnriata. Benoeming en 6 ambtsaanvaarding. Koninklijk gezag. 6. Ambtenaren des konings. Senaat. Aantal en keuze der senatoren. Werkkring van den senaat. 7. De 30 curiae. De comitia cnriata en hun bevoegdheid. 8.

§ 4. Leger. Het leger onder de eerste koningen. 8. De vier tribus 8 van Servius Tullius. Classes en centuriae. Samenstelling en wapening van het leger van Servius Tullius. 9. Reden en gevolgen dezer legerorganisatie. 10.

REPUBLIEK.

HOOFDSTUK II. Binnenlandsche Geschiedenis. II

§ 1. Strijd tnsschen de patriciërs en plebejers. Oorzaken van 11 den strijd. 11. Instelling van het volkstribunaat. Verdere con-

ocr page 260

246

Bladz.

cessies aan de plebs. 12. Het decemviraat. Leges Valeriae-Horatiae. 13. Leges XII tabnlarum. De voorstellen van C. Ca-nnleius. Tribuni mil. cons. pot. 14. Leges Liciniae-Sextiae. 15. De strijd beslist ten nadeele der patriciërs. 16.

§ 2. Nieuwe partijvorming, a. Noiiles. Voortdurende verminde- 16 ring der patricische families. 16. Het opkomen der nobiliteit. lus imaginum. De popnlares. 17. b. Equites. De ridderschap ontwikkeld uit de ruiterij. Equites equo publico en equo private. Recognitio en trausvectio eqnitum. De ruiterij wordt het officierskorps. De lex Sempronia iudiciaria. 18. Deze wet bakent den ridderstand scherper af. Voorrechten der equites. 19. c. Volk. De burgers beneden den ridderstand. Hun moeite zich staande te houden. 20.

HOOFDSTUK III. Bevolking........

§ 1. Burgers, a. Burgerrecht. Verwerving van het burgerrecht. 21.

Inra privata. Sui iuris, alieni iuris. Conubium. Coramercium.

Inra publica. Caput. 22. Capitis deminutio. 23. b. Beperkt burgerrecht. Een onvolledig burgerrecht hebben 1°. feminae, impuberes, furiosi; 2°. aerarii, prolelarii, libertini, addicti en nexi, infames, filii fara. in pot. patris en fil. fam. mancipio dati. 24. 25. c. Tribus. Doel der tribus. Haar vermeerdering. Persoonlijke tribus. 26. Appius Claudius laat alle burgers tot de tribus toe. De tribus na den bondgenootenoorlog. 27. Curatores tribuum. 28.

§ 2. Peregrini. Toestand der peregrini. Verbetering daarin gebracht. 28.

§ 3. Slaven. Ontstaan der slavernij. Toestand der slaven. 29. 11a-nnmissio insta. 30. Manumissio minus insta. 31.

HOOFDSTUK IV. Volksvergaderingen. ... 32

§ 1. Algemeen Overzicht. Concilium. Contio. Comitia. 32. For- 32 maliteiten bij de comitia. Leges tabellariae. Wijzen om de comitia te verhinderen. 32. Lex. Dies comitiales. 34.

§ 2. Auspicia. Patrum auctoritas. Nuntiatio. Obnuntiatio. 34. 34 Lex Aelia. Lex Fufia. De patrnm auct. het bekrachtigingsrecht der patr. senatoren voor de besluiten der comitia. 35.

§ 3. Comitia curiata. Lex. cur. de imp. Com. cur. calata. 36. 36

S 4. Comitia centuriata. a. Samenstelling. Gang der vergadering. 37 Ontstaan en samenstelling. 37. Hervorming dezer comitia. 38. Voorzitter. Formaliteiten. Pomerium. 39. Stemming. 40. h. Bevoegdheid der comitia centuriata. Magistraatskeuzen. Lex Mae-nia. 40. Rechtspraak. Provocatie en de het ius provocationis

21

21

29

ocr page 261

247

regelende wetten. 41. Proces in deze comitia. Wetgeving der comitia cent. Lex Publilia Philonis. 42.

Comitia tribnta. Ontstaan en aard dezer comitia. 42. Voor- 42 zitter en formaliteiten. Magistraatskeuzen, rechtspraak, wetgeving. 48. Comitia sacerdotum. 44.

Concilium plebis. De plebs komt tributim bijeen sedert de lex 44 Publilia Voleronis. 44. Voorzitter en formaliteiten. Keuzen, rechtspraak, wetgeving. 45. Het plebisciet krijgt kracht van wet. 46.

HOOFDSTUK V. Senaat..........47

Samenstelling. Plebejers in den senaat bij den aanvang der 47 republiek. Hun verhouding tot de patriciërs. Lex Ovinia. 47. Senatores, quibusque in senatu sententiam dicere licet. Ranglijst der senatoren. 48. Lectio senatus. Voorwaarden om verkiesbaar te zijn. Maatregel van Sulla. 49. Orcini. Onderscheidingsteekenen en voorrechten der senatoren. 50. Senaatszittingen. Magistraten, die den senaat samenroepen. 51 Tijd en plaats der vergaderingen. 51. Senatus frequens en infre-quens. Loop eener zitting. Relatio. 52. Rondvraag. 53. Stemming. 54. Redactie van het sen. cons. 55.

Werkkringquot;. Redenen van de overmacht van den senaat. Rech- 55 ten der patr. senatoren. 55. Bevoegdheden van den geheelen senaat: Beheer, eeredienst, financiën, krijgswezen, provinciën,

Rome en Italië. 56. Wetgeving. 57. Magistraatskeuzen. Rechtspraak. Buiteulandsche zaken. 58.

De volksvergaderingen en de senaat. Het volk in theorie 58 souverein. De senaat wordt echter oppermachtig. 59. De popu-lares en hun drijven. 60.

HOOFDSTUK VI. Magistraten.......61

Algemeen gedeelte, a. Indeeling. Ambisgezag. Verschillende 61 kategoriën van magistraten. 71. Potestas. Imperium. 63. Maior potestas. Par potestas. Vis maioris imperii. Intercessio. 64. Voorrechten der magistraten. 65. b. Feiitio. Frorogatio. Herkiezing. Lex Villia annalis. 65. Professio nominis. Ambitus, lurare in leges. Eiurare magistratum. 66. De promagistratuur. Prorogatio imperii. Privati cum imperio. 67. c. Auspicia der magistraten. lus auspiciorum of spectio. Aanwending. 67. Auspicia impetrativa, oblativa. Het waarnemen der auspicia. 68. Misbruik. Auspicia vitiata. 69.

Consulaat. Keuze. Lex Licinia-Sextia. Insignia. Ambts- 69

ocr page 262

248

Bladz.

aanvaardiog. 70. Ambtsgezag. Imperium domi, militae. 71. Consul maior, minor. 72.

§ 3. Praetuur. Instelling. Werkkring. Praetor urbanus, peregrinus. 72. 72 Vermeerdering der praetoren. 73.

§ 4. Censuur. Instelling. Keuze. Duur van het ambt. 74. Cen- 74 sus. 75. Resultaat van den census: lijst der belastingschuldigen,

lijst der dienstplichtigen. 76. Regimen morum. Nota censoria. 77. Lustrum. Financiëele werkzaamheden: vectigalia fruenda locare, ultrotributa locare. 78. Sulla heft de censuur feitelijk op. 79.

§ 5. Tribunaat. Instelling. Leges sacratae. Aantal tribunen. 79. 79 Alleen plebejers verkiesbaar. Oorspronkelijke bevoegdheden. lus auxilii. lus coercitionis. 80. lus cum plebe agendi. Vermeerderde rechten. Uitbreiding der intercessio. De tribunen in den senaat. Hun rechtspleging. 81. Het tribunaat na de lex Hortensia. Aanwending der intercessio. 82.

§ 6. Aediliteit. Instelling. Twee aediles plebis. 83. De aediliteit 83 een staatsambt. Twee aediles curules. Cura urbis. 84. Cura annonae. Twee aediles Ceriales. Cura ludorum. 85. Rechtspraak der aediles curules. Edictum aedilicium. 86.

§ 7. Quaestuur. Oorsprong. Benoeming. Twee quaestores urbani. 86 Hun werkkring. 86. Twee quaestoren der consuls. Quaestoren in de provinciën. Quaestoren in Italië. 87.

§ 8. Magistratus minores ordinarii. XXVIviri: Xviri stlitibus 87 iudicandis. Illviri capitales. IVviri iuri dicundo. Illviri A. A. A. F. F. IVviri viis in urbe purg. Ilviri viis extra urbem pur-gandis. 88.

§ 9. Magistratus extraordinarii. Dictator, interrex, praefectus 88 urbi. Xviri leg. scrib., trib. mil. cons. pot., diet. leg. scrib. et reip. const.,, Illviri reip. const. 89. Magistratus extraord. minores. 90.

§10. Dictator. Magister Equitum. Instelling. Benoeming. 90. Be- 90 voegdheid en duur van het ambt. De dictatuur tijdens den 2en Punischen oorlog. 91. Aanwending der dictatuur in andere gevallen dan waarvoor zij ingesteld was. De magister equitum en zijn verhouding tot den dictator. 92.

^ 11. Dienaren der Magistraten. Algemeene naam: apparitores. 92. 92 Scribae. Lictores. Viatores. Praecones. Accensi. 93.

HOOFDSTUK VII. Rechtswezen......94

§ 1. Het recht. Bronnen van het Recht. lus publicum. lus pri- 94 vatum. 94. lus gentium. lus strictum. Aequitas. Leges XII tabularum. Edictum praetorium. 95. Ontwikkeling van hetprae-

ocr page 263

249

Bladz.

torisch recht. 96. Kesponsa prudentium. Aanvang der rechtsgeleerde studiën. 97.

§ 2. Ins Privatum, a. Indeeling: lus de personis, de rebus, ie 98 actionibus. h. Personen- en Familierecki. a. De persoon. Diens rechten afhankelijk van geslacht en leeftijd. 98, /3. De familie. Agnatio. Cognatio. De eigenaardige verhoudingen der Rem. familie. Paterfamilias, y. Huwelijk. Matri-moninm iustnm. Manus. 99. Confnrreatio. Coemptio. Usus. 100. Diffarreatio. Scheiding, d- P atria potestas. Adoptio. Adrogatio. Aanwending der patria potestas. 101. Emanci-patio. Adoptio. 102. Adrogatio. 103. c. Zaken- of Eigendomsrecht. Dominium. Possessio. Res mancipi. Res nee mancipi. 103. Mancipatio. In iure cessio. Traditio. Usucapio. Dominium ex iure quiritium. In bonis esse. 104. d. Erfrecht. De drie streng Rom. testamenten. 104. Test. praetorium. Invloed van het prae-torisch recht of het erfrecht. 105. e. Obligationes. Drie bronnen van obligaties. 106.

j 3. ludicia privata. a. Rechters. Rechtbanken. Unus iudex. Ar- 107 biter. Recuperalores. 107. Decemviri. Centumviri. 108. h. Legis actiones. Formulae. Aard en soorten der legis actiones. Waarom zij meerendeels werden vervangen door formulae. 109. c. Ret geding. Dagvaarding. Behandeling der zaak voor den magistraat (in iure). 110. Behandeling voor den rechter (in iudicio). Het vonnis en zijn gevolgen. 111.

§ 4. Indicia publica. a. Delict a puhlica. Quaestiones perpetuae. 111 De crimineele rechtspraak uitgeoefend door den koning, daarop door het volk. Quaestiones perpetuae. Hervorming van Sulla. Het consilium. Lex Sempronia. 112. Overige leges iudiciariae. Album iudicum. Samenstelling der quaestiones perpetuae. Voorzitters. 113. b. Rel proces voor de quaestiones perpetuae. Aanklagers. Calumniari. Praevaricari. Postulatio. Divinatio. No-minis delatio. Subscriptio. Nominis receptio. 114. De zitting. Reus. Advocati. Patroni. De pleidooien. Non Liquet. Stemming. -Ampliatio. Comperendinatio. 115. Litis aestimatio. c. Straffen. Alleen doodstraf en boete. Exilium. 116. Ballingschap als straf sedert 63. Gevangenisstraf eerst onder de keizers. 117.

HOOFDSTUK vin. Eeredienst.......||8

§ 1. Godenleer, a. Nationale godheden. Rom. mythologie ontbreekt 118 bijna geheel. 118. Wijzigingen in den eeredienst door de ver-eeniging met den Quirinalis. Indigitare. 119. De tempel op deu Capitoliuus bestemd tot een godsdienstig middelpunt voor alle burgers. 120. b. TJitheemsche godheden. De Rom. goden-

ocr page 264

250

Bladz.

kring uitgebreid door het opnemen van enkele Italische godheden maar vooral tengevolge der door de Sibyllijnsche boeken bevolen eerediensten van Grieksche goden. 121. Verval van den staatsgodsdienst. 122.

§ 2. Inrichting van den eeredienst. a. Sacra privaia. Penates. 123 Lar. Genius. Sacra gentilicia. 124. Sodalitates. b. Sacra publica. 125. Twee soorten: sacra popnlaria (Septimontium, feest der Argei, sacra der curiae, Paganalia, Ambarvalia, Terrai-nalia, Compitalia, Parilia) en sacra pro populo van staatswege gevierd. 126. Tempels. Offers. Spelen. 127.

§ 3. Priesters. Priesterschappen, a. briest eravibt. De oude ordo 128 sacerdotum. Flamines. IV amplissima collegia. Rechten der priesters. Hun keuze. 128. b. Tontifices. Rex sacrorum. Flamines. Virgines Vest ales. Het collegium pontificum; vermeerdering der leden. De pontifex max. het hoofd van den eeredienst; zijn ambtskring. 129. Werkkring der pontifices. 130. De flamen Dialis, Martialis, Quirinalis en het ceremonieel waaraan zij waren ouderworpen. Virgines Vestales, haar verplichtingen en rechten. 131. c. Vllviri epulones. 132. Instelling en taak. 132. d. II. X. XVviri sacris faciundis. Instelling, aantal leden en werkkring. 133. e. Augures. Aantal en werkkring. f. Haruspices. Hun afkomst en onderscheid van de inheemsche colleges. 134. g. Fetiales. lus fetiale. Pater patratus. For-maliteiteu bij oorlogsverklaring. 135. A. Salii. Fratres Arvales. Luperci. Salii Palatini en Salii Agonales. Hun optochten. Het feest der fratres Arvales. Carmeu fratrum Arvalium. Luper-calia. 136.

H O O F l) STUK IX. Krijgswezen.......137

Hervormingen van Camillas. Indeeling in manipels; ver- 137 betering der wapenen, invoering van soldij. 137.

Dienstplicht. Lichting. liet legioen en zijn aanvoerders. 137 Lichting. Coniuratio. Hastati. Principes. Triarii. 138. Tribuni militum. Centuriones. 139. Wapening. Socii. 140. Auxiüa. Marsch. Legerplaats. Slag. Belegering. Agmen. Agmen 141 quadratum. Orbis. Testudo. 141. Beschrijving der legerplaats. 142. De slagorde van het legioen. 143. Beloop van een slag. 144. Oppugnatio repentiua. Oppugnatio. Obsidio. 14amp;.

Soldij. De dienst. Straffen en belooningen. Triumf. In- 146

voering en verhooging der soldij. 146. Verschillende straffen ea eereteekeuen. Coronae. 147. Beschrijving van triumf en ovatie. 148. Het leger van Marius en Caesar. Het legioen door Marius 148 versterkt en in cohorten verdeeld; het pilum verbeterd; de

§ 1. § 2.

§ 3.

§ 4. § 5.

ocr page 265

251

Bladz.

Rom. ruiterij afgeschaft. Het legioen van Caesar, zijn indeeling en aanvoerders. 149. Marsch- en slagorde. 150.

HOOFDSTUK X. Italië..........151

§ 1. Uitbreiding van Italië. Ontwikkeling der steden. De naam 151 Italië langzamerhand verbreid over het Apennijnsche schiereiland. 151.

§ 2. De Latijnsche Bond. Municipia. Verhouding van Rome tot i52 den Lalijnschen bond. 152. Opheffing van den bond. Feriae Latinae. Instelling der municipia. Twee klassen van municipia. 153. Zij verwerven het volle burgerrecht. 154.

§ 3. Ager pubiicus. Ontstaan van den ager publicus. 154. Ager 154 colonicus, quaestorius, adsignatus, pascuus, occupatorius. Lati-fundia. 155. Leges agrariae: lex Licinia, lex Sempronia, lex Livia, lex Thoria. 156. De ager publicus neemt steeds af. Lex lulia agraria. 157.

§ 4. Kolonies. Drie soorten van rom. kolonies. Stichting eener 157 kolonie. 158. Latijnsche kolonies.

§ 5. SocÜ. Ins Latii. Amicitia. Hospitium publicum. Foedus. 159 Socii et Latini. 160. Wijze waarop de Latinus het Rom. burgerrecht verwerft.

§ 6. Italië na den bondgenootenoorlog. Oorzaken van den bond- 161 genootenoorlog. Lex lulia. Lex Plautia-Papiria. 161. Gevolgen van het verleenen van het burgerrecht aan alle inwoners van Italië. Regeling der verhouding van Rome tot de andere steden door leges municipales. 162.

HOOFDSTUK XI. Provinciën........163

§ 1. Toestand der provinciën. Aantal provinciën. Inrichting eener 16 3 provincie. 163. Klassen van steden in een provincie. Steden met Romeinsche inrichtingen. Vrije steden. Civitates foedera-tae. 164. Civitates sine foedere immunes et liberae. Onderworpen steden. 165.

§ 2. Bestuur der provincies. De senaat opperbeheerder der pro- 166 vincies. De stadhouders en hun benoeming. 166. Lex Pompeia. Lex Cornelia. Gezag vao den stadhouder 167. Quaestor. Le-gati. Cohors. Cohors praetoria. 168. Ongunstige toestand der provinciën. 169.

HOOFDSTUK XII. Geldmiddelen......170

§ 1. Het Muntwezen. Pecunia. Aes rude. Aes signatum. Geld 170 voor het eerst gemunt onder de decemviri. De as is munteenheid. 170. Invoering van zilvergeld. Denarius. Quinarius. Ses-

ocr page 266

252

Bladz.

tertius. De as tot 2, tot 1, tot ± uncia verminderd. Lex Fla-rainia. 171. Aurei. Onderdeelen van den as. 172.

§ 2. Uitgaven. Het financiewezen weinig bekend. De uitgaven 173 betreffen: Eeredienst, Openbare werken. Leger en vloot. 173. Beheer, Cura annonae. 174.

§ 3. Inkomsten. Belastingheffing. Twee tijdperken in het beheer 175 der geldmiddelen. Vectigalia. Tributum ex censn. 175.- De geldmiddelen na 167. De belastingen der provincies. Tributum soli. Stipendium. Portorium. Frumentum emptum, in cellam. 176. Societates publicanorum. 177.

KEIZERRIJK.

HOOFDSTUK XIII. Het Principaat.....178

§ 1. Geschiedenis. De macht verdeeld tusschen Octavianus en den 178 senaat. Het principaat een nieuwe magistratuur. 178. Octavianus legt zijn buitengewone volmachten neer en ontvangt den titel Augustus. Zijne bevoegdheden. 179. Verhouding van de keizers tot den senaat. 180.

§ 2. Bevolking, a. Burgers. Verwerving van het burgerrecht. Edikt 181 van Caracalla. 181. Wijzigingen in de rechten der burgerss Tribus. Verlies van het burgerrecht. Deportatio. llelegatio.

Ordo senatorius. 182. Ordo equester. Equites equo publico. Patriciaat. Ordo plebeius. 183. Lex lulia de maritandis ordini-bus. Lex Papia-Poppaea. lus trium liberorum. 184. b. Peregrini. Latini colonarii. Latini luniani. 184. c. Slaven. Vrijgelatenen. Verbetering van den toestand der slaven door letterkunde en wetgeving. Wijzen van vrijlating. Toestand der vrijgelatenen. Beperking der vrijlating door de lex Aelia-Sentia en de lex Fufia-Caninia. 185.

§ 3. De Princeps. Ct. Ambtsaanvaarding. Aftreding. Gezag. Aan- 186 vaarding der keizerlijke waardigheid door het overnemen van het imperium en van de tribunicia potestas. Afzetting. Damnatio memoriae. Rescissio actorum. 186. Aard van het imperium en van de tribunicia potestas. Overige bevoegdheden des keizers. 187. b. Titels. Eerhewijzingen. Titels: Imperator, Augustus, Caesar; daarnevens de namen der keizerlijke ambten. De naam princeps. Keizerlijke insignia. Praetoriani. Votorum nuncupatio. Conse-cratio. Titels en eerbewijzen aan de leden der keizerlijke familie. 188. Mederegent. Medekeizer. De consors imperii en zijn bevoegdheid. Duo Augusti. 189. d. Hof. Hofbeambten. Kanselarij. Amici Augusti. Dienstpersoneel. Procurator cas-

ocr page 267

253

Bladz.

trensis. A rationibus, ab epistulis, a libellis. De vrijgelatenen van Claudius. Sedert Hadrianus bestaat de kanselarij uitscrinia: ab epistulis, (latinis graecis) a libellis, a censibus en acognitioni-bus. 190. Het scrinium a memoria. 191.

De instellingen der republiek, a. Comitia. Hun verval. 191

b. Senaat. Aantal leden. Aetas, census. Verwerving van het lidmaatschap. Opmaken van de lijst. Lex luiia de senatu habendo. De rechten van den Keizer in den senaat. Ab actis senalus. 192. Bevoegdheid van den senaat. Het s. c. krijgt kracht van wet. De magistraatskeuzeu aan den senaat. Candi-dati Caesaris. Commissiën uit den senaat door Augustus benoemd.

c. Magistraten. De ordo honorum. 193. Censuur; Opgeheven door Domitiï.nus. Consulaat; Bekorting van het ambtsjaar. Con-sules ordinarii, suffecti. Bevoegdheden. Praetuur. Aantal prae-toren. Hun ambtsbezigheden. 194. Aediliteit. Inkrimping van den werkkring. Het ambt verdwijnt. Tribunaat. Rechten der tribunen. Quaestuur. De verschillende quaestoren en hun werkkring. XXviratus gereorganiseerd door Augustus. 195.

Ambtenaren, a. OntwiJckeling van den ambtenaarsstand. De 196 ambtenaren van den senaat uitsluitend senatoren. Ambtenaren

des keizers: senatoren, ridders en vrijgelatenen. Het ontbreken van een centraal bewind. Het bestuur der vrijgelatenen van Claudius. Hadrianus schept een nieuwen ambtenaarsstand. De senatoren langzamerhand uit de ambten verdrongen. 196. Sena-toriale en ridderlijke loopbaan. 197. b. praefecti praetorio. Augustus plaatst aan het hoofd der 9 cohortes praetoriae 2 praefecti. Hun wassende invloed. 198. Hun rechtspraak. 199. Rijksbeheer. a. Eet rijk en zijn deelen. Grenzen door Au- 199 gustus gesteld. Limes imperii. 199. Legioenen en vloten. De drie deelen van het rijk 200. b. Rome. Het beheer van Rome komt aan deu keizer. Cura annonae. Praefectus annonae. Openbare werken. Curatores aedium sacrarum et operum loco-rumque publicorum. Curatores riparum et alvei Tiberis. Prae-fectura vigilum. Praefectus vigilum. Praefectura urbis. Praefectus urbis. 201. De XIV regiones van Rome. c. Italië. Augustus verdeelt Italië in XI regiones. 202. De autonomie der steden. Ingrijpen van Hadrianus. d-. Provinciën. Provin-ciae Caesaris en provinciae senatus. Het bestuur der provinciae senatus. 203. Bestuur der provinciae Caesaris. Legati Aug. pro pr. of quinquefascales. Legati legionum. Procurator Au-gusti. 204. Praefectus Aegypti. Procuratores. Praesides. Vele steden in de prov. krijgen het burgerrecht. Het ius Latii. lus Italicum. 205. Curator, logista of legatus Aug. ad corrigendum

ocr page 268

254

Bladz.

statuin civit. liberarum. Provinciale landdagen. Hun doel en uitwerking. 206. Overzicht der provinciën in de le en het begin der 2e eeuw n. C. 207. d. Stedelijke organisatie. Gelijkvormige inrichting van het bestuur der steden. Gives, incolae. Comitia. II, IVviri iuri dicundo. 208. II, IV. i. d. quinquen-nales. Gemeenteraad : senatus, ordo decurionum. Inkomsten der steden. Pontifices, augures, flamines. Hamen Augusti. 209. Drie standen: ordo decurionum, ordo Augustalium, plebs. Het verval der stedelijke inrichtingen. 210.

§ 7. Rechtswezen. a. Bronnen van het recht. Nieuwe bronnen 211 van het recht: senatus consulta en responsa prudentium. Bloei der rechtswetenschap. Sabiniani. Proculiani. Voorname rechtsgeleerden. Edictum Perpetuum of Hadrianum. Wetgevende macht des keizers. 211. Constitutioues principis: decreta, res-cripta, mandata, edicta. b. Indicia pnblica. De quaestiones perpetuae. Zij verdwijnen in de 3e eeuw. Rechtspraak van den senaat. 212. Rechtspraak van den keizer. Consilium principis. Index delegatus, e. Indicia privata. De pr. urb , de pr. per. de aediles cur. en de hoven der Xviri en der Cviri behouden hun rechtspraak. Cognitio extraordinarii. 213. Appel.

§ 8. Geldmiddelen, a. Inkomsten. Opmeting van het rijk. In- 214 komsten van het domein en van den ager publicus. Belastingen der provincies: tributum soli, tributum capitis. 214. Indirekte belastingen: portoria, aurum manumissionum, vic. hered. et legatorum, cent. rerum venalium, quina et vic. ven. mancipiorum. Buitengewone inkomsten: bona damnatorum, bona vacantia, legaten aan den keizer, aurum coronarium. 215. h. Uitgaven. Uitgaven voor het rijk: Beheer, leger en vloot, post. Uitgaven voor Rome: openbare werken, eeredienst en spelen, cura annonae, onderwijs. 216. Uitgaven voor Italië: openbare werken, alimentatie. c. Beheer der geldmiddelen. Het aerarium Saturni.

Zijn beheerders en uitgaven. 217. Aerarium militare. Fiscus Caesaris. Zijn uitgaven en beheerders, lies privatae. Patrimonium Caesaris. Direkte inning der belastingen. 218. De munt. 219.

HOOFDSTUK XIV. De Monarchie .... 220

§ 1. Geschiedenis. Het verval van den staat gestuit door Diocle- 220 tianus. Zijn hervormingen en die zijner opvolgers. 220. Diocle-tianus en Maximianus. Hun Caesares. Verdeeling van het rijk onder Valentiuianus I in een westelijke en oostelijke helft; zij wordt definitief bij den dood van Theodosius den Groote. 221.

§ 2. Inwoners, a. Burgers. Hoogere en lagere klassen. Coloni. 222 Erfelijkheid van sommige standen en beroepen. 222. Inra privata.

ocr page 269

25b

Bladz.

lura publica. Ongelijkheid der burgers voor de wet endoorden godsdienst. Lasten. 223. h. Feregrini. Latini luniani. Latini ingeuui. Peregrini dediticii. Peregrini ingenui. Barbaren: laeti, gentiles, c. Slaven. Vrijlating. Hun toestand. Nieuwe wijze van vrijlating. 224.

§ 3. Keizer. De keizer wordt een despoot. Verkrijging en aanvaar- 225 ding der keizerlijke waardigheid. 225.

§ 4. Centraal bestuur. Consistorium principis. Sacrum cubiculum. 225 De grootwaanligheidbekleeders. De ranlt;ren der ambtenaren. Clarissimi, perfectissimi, egregii; sedert Constantijn: inlustres, spectabiles sn clarissimi. Honorarii. Honorati. 226. Patricias. Comes. Laterculum maius, minus. Officia.

§ 5. Staatsraad. Hooge ambtenaren. Het consistorium principis 227 en zijne leden. 227. De quaestor sacri palatii. De magister officiorum en zijn scrinia. De praepositus sacri cubicnii. De primicerius notariorum. 228.

§ 6. Ryksbeheer. a Verdeeling vayi het rijk. Steden. Het rijk 229 verdeeld in 4 praefecturae, 12 dioeceses en 116 provinciën. De praefecti praetorio en de vicarii. De comes Orientis. De praef. Augustalis. 229. De stadhouders der provinciën. Defensor civi-tatis. Verdwijnen der decuriones. 280. h. Rome en Constanti-nopel. De beide hoofdsteden en haar instellingen. Praefectus,

urbi, vigilum ; comes portus; ambtenaren voor openbare werken; magister censunm. De senaat. 231. Consulaat. Praetuur. Quaestuur. c. Rijksverdediging. Aantal legioenen. Palatini en comitatenses. Riparienses. 232. Magistri utriusque militiae. Scholae palatinae. Domestici et protectores. 233.

§ 7. Rechtswezen t. Bronnen van het recht. Codificatie van het 233 recht. Valentinianus III kent kracht van wet toe aan de geschriften van 5 rechtsgeleerden. 233. Codex Theodosianus. Corpus iuris civilis. h. Rechtspraak. De keizer, de bron van wetgeving en recht. Zijn onmiddellijke rechtspraak, üe gewone richting in de verschillende deelen van het rijk. 234. Bizondere jurisdictie. Advocati. Procuratores. 235.

§ 8. Geldmiddelen, a. Belastingen. Capitatio terrena. Capitas- 235 trum. Annona. Capitatio animalium. Lustralis collatio. Capitatio plebia. Follis of gleba. Aurum oblaticium. Votorum oblatio. Aurum coronarium. Verdere lasten. 236. h. Beheer der geldmiddelen. Het aerarium Saturni wordt gemeentekas van Rome. Aerarium sacrum. Comes sacrarum largitionum. Ae-rarium privatum. Patrimonium sacrum. Area praefecturae. 237.

ocr page 270
ocr page 271
ocr page 272

Dquot;. GAEL STEGMANN,

liUJNSClE GRiMMATlCA,

VOOR NEDERLANDSCHE GYMNASIA BEWERKT

door

Dr. N. J. BEVERSEN,

Leeraar aan het Gymnasium te Goriucliem.

I. ETYMOLOGIE. — II. SYNTAXIS.

1'rijs per (leel / 1.90.

„Dr. N. J. Bcvevsen, leeraar aan het Gymnasium te Gorinchem, heeft een verdienstelijk werk verricht door de Latijnsehe Grammatica van Br. C. Stegmann, een hoek, dat wetenschappelijkheid, beknoptheid en duidelijkheid in zich vereenigt, voor de Nederlaudsche gymnasia te bewerken.

Daar B. o. a. ook gebruik heeft gemaakt van de voortreffelijke gramiu. van Dr. Harre (die beste Schulgrammatik, volgens Dr. 0. Wagener) en beide boekeu, door bekwame en ervaren docenten geschreven, ua degelijke voorstudiën, aan de hand van de beste wetenschappelijke werken zijn tot stand gekomen, durven wij de bewerking van Stegmann's grammatica ieder aanbevelen, die classick latiju stelt boven een mengsel van vroeger en eigen maaksel, 't welk door sommige grammatica's en schoolboeken onder den naam latijn in omloop is en wordt gebracht.

De uitvoering laat niets te wensohen over. Aan de firma Tjeenk quot;W illink te Zwolle een woord van dunk voor de zorgen, die zij aan dit boek heelt besteed. Het zal duidelijk blijken, dat typographische middelen in sommige gevallen meer vermogen dan de hooggeroemde viva vox, ook van den docent.

(Dr. .r. W. Beck in den Nederl. Spectator, 1889, pag. 153.1

Prof. B E N D E R,

mm

Naar het Hoogduitsoh 'bewerkt door Dr. E. MEHLER.

Prijs /' 1.90.

„Het is een kort en zakelijk overzicht van het voornaamste uit de literatuur-beweging bij de Romeinen en bevat een schal van wetenswaardigheden.

{Noord en Zuid.)