ocr page 1

lt;■)' W'v ■ X-rE EVXvfljS • f ■ i

• LEfDEjM- AA^l^/V\MNSrEB2.- j

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6

«U-/

r

ocr page 7

5ïene Sarve

ocr page 8

gt;

•gt;

ocr page 9

DICHTSTUKJES

VAN

-HHr H. ERMANN. 4^

LJilDKN. — J. VV. VAX LEEUWEN,

Maarsma i issteeg. ^--- ^

Ti

ocr page 10
ocr page 11

T O E W IJ DING aan' den Dichter B. van Af ritus.

'k Hob nooit een lied op II gedicht. Wat zon daarvan de reden wezen? Ik peinsde lang, maar zag geen lie

Wel menig danktoon is gerezen In 't hart, dat stil U heeft geprezen Voor zooveel goeds door U gesticht:

Maar toch, geen lied aan U gericht? Misschien is 't antwoord dus te lezen Uw Muze heelt in mij gedicht.

Gymnasium Katwijk a;R.

ocr page 12
ocr page 13

AAN MT.INE VRIENDEN'.

quot;N Jan de aren op zijn erf verspreid quot; Moest liij voor ons een garve 1)ind(!ii.quot; Zoo llnisterden mijn trouwe vrinden,

En de eigenliefde liet zich vinden, En „amenquot; was al links gezeid.

'k Heb eenige aren opgeharkt.

Ter schifting weinig tijd gevonden.

Ze tot een breede garf gebonden En deze stoutweg uitgezonden;

Zij staat te koop nn op de markt.

1

ocr page 14

Geen koren is er zonder kaf!

't Geldt ook van dicht- of prozaschriften, Aan u, mijn vrienden, 't kaf te schiften, Ik weet: gij zult niet muggeziften Kn dorscht de garve niet te straf.

Dat dient mijn zwakheid in heur kraam ! Slaat Zoïlns met blinden vlegel.

Geen nood, dat maakt mij geenszins kregel Uw wenseh, o vrienden, was mijn regel: Voor U bond ik deze aren saam.

2

ocr page 15

DE SCHICHT EN HET LIED.

J^lnks van mijn pijlboog snorde een schicht.

Doch waar hij viel, ontging 't gezicht: Hem volgde 't oog niet in zijn vlucht. Ie schielijk schoot hij door de lucht.

Aan 't hart ontsprong een zangrig lied, Waarheen het voer. ik wist liet niet:

Geen hlik zoo scherp, die in de lucht Het lied kan volgen in zijn vlucht.

'k Vond later in een eik den Mits.

Nog gaaf niet ongebogen spits.

En 't was in 't edel vriendenhart.

Dat heel mijn lied gevonden werd.

3

s 7^, N

ocr page 16

MIJN LIED.

„Voihi pourquoi jc t'aime et je te remercie,

Dien trés haut, Dien trés bon, d avoii- mis en mon coeur

Ontre la foi ([Ui sauve, nn grain de pnósie.quot;

J. 1!. Füugeray S. J. (1856—1888) Oeuvres choisies.

Mijn lied is éen,ijn lied is éen,

Mijn lied is kleen,

Maar welt mij uit het harte: 't Vaart niet naar hooge sferen heen, Mijn lied van vreugd en smarte.

Al is het klein.

Mijn lied is rein En ruiseht alleen voor vrinden, Niet op het woelig stedeplein,

Maar onder 't looi' der linden.

4

ocr page 17

Het leamp;cht mijn dorst,

Verkoelt mijn borst:

0, laat ilcn lust mij boeten En d' arbeid, dien de schouder torst, Door 't kleine lied verzoeten!

Hoe dank aan God Voor dit genot Naar eer en plicht geweten! 't Doet mij betalen schot en lot En dragen en .... vergeten!

ocr page 18

DE ARBEID.

|n alle bange stonden, ' Die God de Heer mij gaf, Heb 'k vrede en troost gevonden. Een steunpunt en een staf.

Een vriend ging aan mijn zijde,

Een makker hou en trouw Verruimde, ja verblijdde

Miju hart in druk eu rouw.

Hij deed de olijftelg bloeien

Op 's harten zooren grond. En rondom heelkruid groeien Voor een verborgen wond.

ocr page 19

iiij d roogdc vaak mijn tranen En maakte 't zware liclit, De ster, die 'k straks zag tanen, Omblonk weer 't aangezicht.

Zijn vuist om te verweren

Hield steeds een zwaard omvat. Zijn roepstem deed mij keeren Van 't bloemrijk kronkelpad.

'k Prijs luid zijn milden zegen!

'k Heb d'arbeid steeds bemind: Hij bleek op al mijn wegen Mijn beste en trouwste vrind.

^--^ N

V

ocr page 20

DES DICHTERS WANDELING.

Nauw kom ik buiten voor den da Of zie, de leeuwrik neemt een vlucht En tiereliert in de ijle lucht.

En grasscheut, bloemen altegaar Staan met juweel en paarl in 't haar. En statig buigen keer op keer Ai de aren en de popels neer.

Zelfs wordt door Philomeel bij nacht Een serenade mij gebracht. En glinsterwormen in het hout Illumineeren heel het woud.

'at of het toch beduiden mag:

ocr page 21

Wat raad! Het is nu eenmaal zoo: Geen dichter reist incognito; Der blijde lente ontgaat het niet, Wie koning is op haar gebied.

AAN EEN WATERVAL.

Gij stort met doiulrend klaatren

U van de hoogten af,

En vindt iu breede waatren Uw eeuwig, peilloos graf.

Gij torstet niinrner vloten.

Geen dreef hebt gij bebloemd ; Gij zijt als vele grooten

Slechts door een val beroemd.

9

ocr page 22

HET GOUDEN RISSCHOPS-JUB1LÉ van 7.. H. Paus Leo XIII •1843—-1803.

„Nu vallen de schellen vim de oogen nu het blijkt, dat de Kerk werkelijk den steun van boven geniet onder Leo XFII.quot; Dr. Sohaepman.

e Paus vioit feest! Tn alle wereldstreken Zwiert door de luc.lit de blanke zegevaan: Wat rnillioenen harten spreken, Wat rnillioenen hailen smeeken,

Wier moed en trouw nog niet bezweken, Gaat over land en oceaan Naar 't Vaticaan!

ocr page 23

Den grijsaard, die Gods Boodschap moet vertolken. Den wanklen tred des moeden pelgrims richt Langs 't pad, omgrijnsd van breede kolken, In 't dal dat nevelen omwolken.

Hem, eenig Leider aller volken,

Omschijnt nu 't schrander aangezicht Een troostrijk licht.

Een troostvol licht bestraalt met gouden luister Het hoofd, dat vijftig jaar de mi tra draagt, Een glans, die heil spelt in het duister Aan 't harte, dat met dank geil uister.

Al torst ile koningshand een kluister.

Rij 't kruisbeeld bidt, één gunst nog vraagt De kracht, die schraagt.

De Paus viert feest, herdenkt de vijftig jaren Van vreugd en smart, van zegepraal en strijd: 't Verleen, waarop zijn oog wil staren. Mag hem en zijn getrouwen scharen Het heil der toekomst openbaren :

Wat 's vijands woede rijt en splijt. God wint altijd.

ocr page 24

De Paus viert feest! Zie aller oog zich richten Naar d' Oppervorst bij Christus' vredevaan! Of zwarte neevlen zich verdichten, Het kruishout blijft de Rots omlichten, Zal door den Paus den vrede stichten;

Heel 't menschdom zal het woord verstaan Van 't Vaticaan!

EEN CRITICUS.

»llij schrijft talentvol, doch ik kan Mij niet de richting van dien man Volstrekt maar niet vereenigen : Dus — zal ik hem maar steenigen.quot;

12

ocr page 25

HET PORTRET MIJNER MOEDER.

dat ik keer op keer uw beeltenis aanschouwe!

^ Een licht bestraalt mijn hart, als 't oog u wedervindt, Zij 't in het zwak portret, o eerbiedwaarde vrouwe,

Tot op dit uur door heel mijn kinderhart bemind!

Dan komt een ander beeld mijn dankbre ziel omzweven,

Dat zij alleen, vooral in 't lijdensuur, herkent En gij , gij zelve niij in 't harte hebt geweven En wisseling van lot noch tijden immer schendt.

Gij staat daar voor mijn geest met uwe duizend zorgen.

Met al de teederheid die in uwe oogen lacht,

Sinds ik voor 't eerst in 's levens lentemorgen Gerust heb op uw schoot zoo zorgeloos en zacht.

Dank voor het lief' portret dat gij mij hebt geschonken,

Mij is die kleine gilt een dierbaar pand op aard.

Maar, moeder, hoe gedankt voor 't beeld van liefde omblonken. Hot beeld, waarop mijn ziel in vreugd en droefheid staart!

ocr page 26

Aan

Uit. H. J. A. M. S C H A EP M A N.

1867. 13 Augustus. 1892.

Hij wiens harte gelooft aan het eeuwige Woord, Dat eens vleesch werd in maagdlijken schoot, — Aan den Zoon, met den glans van de Godheid omgloord.ij wiens harte gelooft aan het eeuwige Woord, Dat eens vleesch werd in maagdlijken schoot, — Aan den Zoon, met den glans van de Godheid omgloord.

Den Verwinnaar van leven en dood, —

Aan den Christus, den Heiland van 't mensehlijk geslacht,

Die Zijn Kerk heeft gevest in den vloed.

Onze schuld heeft gedelgd en den vrede gebracht Voor den prijs van Zijn Goddelijk bloed:.....

Wie eerbiedig het hoofd buigt voor 't vorstelijk beeld

Van Sint Petrus, dat de eeuwen trotseert.

En met macht en gezag, door de vorsten verspeeld.

Millioenen beheerscht en regeert.

En als steunpunt der orde in den chaos nog staat

Voor de scharen, van Christus verweesd,

En den rustigen blik op het worstelperk slaat In de kracht van den Heiligen Geest:.....

14

ocr page 27

Wie er jubelt en schreit bij het zielroerend dicht,

Het gedenkstuk door Broere's genie.

Voor den God onzer tempels in geestdrift gesticht.

Als een summa der theologie,

Dithyrambe, van liefde, bewondrlng en dank.

Van geloofskracht, doorbrekend den schijn, Een gezang, dat bazuint of met streelenden klank Liellijk ruischt om het heilige schrijn;

Hij eert h(:}n. den gehoorzamen zoon van de Kerk.

Op haar voorbeeld ook kind van zijn tijd. Een O'Connell, die stierde naar 't zwaarwichtig werk:

Onze school uit den dwangdienst bevrijd!

Paladijn voor de vrijheid van 't land en bet volk,

Die hun rechten bepleit, waar het past,

In 's lands raadkamers treedt als hun roemrijkste tolk. Xiet als blinde naar lichtstralen tast.

Neen, de ridderkling bleek voor zijn hand niet te zwaar

Deze man van de daad, niet van 't ik.

Voor het erf onzer vaadren doorschouwt het gevaar.

Wijl bij vorscht met een adelaarsblik.

En hij streed met de wapens voor God. die ze gaf.

En hij hield zijne wapens gewet En blijft trouw aan zijn eed: ik zal kampen tot 't graf: Bij het kruis heeft hij schrap zich gezet ').

1) Jaarboekje van Alb. Thijm. 1892. Bladz. LUI.

ocr page 28

Eene beé uit mijn hart, dat hem hoogacht en mint,

Die voor waarheid en schoonheid en recht Met geen vleiende taal zijne meening omwindt

Voor geen koning, geen meester noch knecht — Uit mijn harte, doortinteld van dankbaar gevoel

Voor het goede door hem reeds gesticht:

O, hij strijde nog lang, trots gewoel en gejoel.

Velen kampen naast hem in zijn licht!

BIJ DEX DOOD VAN I'rof. ,1. A. ALBERDINGK THIJM.

J^aar hooger heelt zijn rijke geest gehaakt.

Zijn rein gemoed voor 't reine Schoon geblaakt, Zijn vlugge hand den arbeid nooit gestaakt,

Zijn vroom gelooi' bij Petrus' rots gewaakt.

Zijn vaderhart het wel en wee gesmaakt,.... Thans is zijn dag van vreugde en rust genaakt.

16

ocr page 29

HOOP.

VTope sluimert in liet harte.

' Als in 't kelkje morgendiuiw:

Hoop schuilt achter 't floers van zielsleed. Ais verkwikkend hemelblauw.

Hoop ontkiemt, als op de steenrots

't Spruitje kleen eu zwak en lijn:

Hope glimt in weenende oogen,

Als in 't water een robijn.

Ach, hoe vaak uw wenschen dorden

Bij het schroeien van de smart.

Immer blijft uw bloesem geuren.

Immer hopend menschenhart!

•17

ocr page 30

EEN li EE LD UIT VROEGER DAGEN.

schgramv haar, ecu forsche knevel, Op de borst het eerekruis. Van karakter ietwat wrevel.

Stapte hij met zwaron stevel Van den drempel uit ons huis.

Ik, kleinduimpje, draalde blijde.

Schoon mijn tred soms achterbleef. Als een schildknaap aan zijn zijde: 't Was als toog ik mee ten strijde Met dien krijgsman, moeders neef.

ocr page 31

«Jongen,quot; zei hij, «laat je raden: Wit is wit. en zwart is zwart; Vlied der boozen kronkelpaden :

Recht door zee met woord en daden Trouw, oprecht en lier van hart!quot;

En hij keek mij aan met oogen, Waarin ruwe goedheid blonk.

Meer dan preeken en betoogen Heeft zijn taal bij mij gewogen,

Wijl zij heel mijn ziel doorklonk.

Lang reeds heeft hij rust gevonden.

Trouw, oprecht en fier was hij : 'k Blijf dien kapitein verbonden, En nog vaak in mijmerstonden

Stap 'k als schildknaap aan zijn zij

ocr page 32

GEEN BACILLEN' MEER AAN DEN DISCH.

r

Keiaas. wat bange tijden: Wat kommer en verdriet! Men hoort van alle zijden Een doodstil bacillenlied.eiaas. wat bange tijden: Wat kommer en verdriet! Men hoort van alle zijden Een doodstil bacillenlied.

Er gluipt in alle hoeken

Een klein moorddadig dier liet nestelt zich in boeken, In schrijf- en postpapier.

i

20

ocr page 33

Wie zon or niet van ijzen.

Wie zit niet in de dras? Bacillen in je spijzen,

Bacillen in je glas!

Bacillen in je schalen ,

In pan en botervloot! De kiem van alle kwalen — ■Ie smeert haar op hot brood

Och, alles kan je ontsmetten:

•ie vest en jas en rok, ■Ie hoeden en je petten, Tot zelfs je wandelstok.

Maar wie kan hulp ons bieden Ten disch bij spijs en drank Waarheen ter wereld vlieden? Wij tafelen ons krank.

Gij moogt uw honger stillen ;

Men seint ons uit Berlijn; In 't bier zijn geen bacillen. Dat is voor hen venijn.

21

ocr page 34

Alom zijn zij in leven,

Alom in limine tier,

Maar moeten daadlijk sneven, Al ruiken zij maar bier.

Dat hebben de geleerden Heel noestig nitgevorscht,

Zij eerden en waardeerden Den vaderlandsclien dorst.

Sprengt dus met bier je spijzen, En dan maar aan de knap;

En laat een vivat rijzen Voor Duitsche wetenschap!

ocr page 35

AAN DEN ZEEREERW. HEER 11. R AU MAKERS

1)1J Z1.IX VERïKEK NAAU UK VREEMDE MlSSIËN.

trekt dan. Zendeling, voor 't lieiliiimbrengend kruis Ver van uw Vaderlaml. uw maagschap en uw huis Met heel uw heldenmoed naar de onbekende streken,

Waar 's Heeren Oogst wel rijpt, maar Oogsters nog ontbreken: Snel voort Apostel! 't Is Gods liefde die u wekt: Ga, waar u 't vrome hart van jongs af henen trekt.

Doeh, Priester, druk nog eerst uwe ouders aan het hart! 't Heelt wel de wonde niet, maai- lenigt toch de smart. Die de ofl'erwilligste gevoelt in 't uur van scheiden :

Gedenk, hoe trouw zij u op 't levenspad geleidden. Ach, jongste zoon! zoo ver roept God u van hen af. En keert gij ooit terug, gij weent dan bij hun graf.

23

ocr page 36

Snol voort, Apostel, en ontvang onze' afscheidsgroet! U vergezelt de bede uit aller vol gemoed:

»Zie God! uw priester gaat niet al zijn eedle gaven Van geest en hart om U verdorde zielen laven:

O schenk hem wat hij vraagt, wat hij U immer vroeg Uw liefde, een rijken oogst. Dit, lieer, is hem genoeg

AAN Du. G. BROM.

(Sevoel voor 't ware, goede, schooni!,

O, reinste vreugde voor mijn hart!.... Was daar geen vriend, die met mij voelde, Ook in die vreugde sloop de smart!

ocr page 37

A A N T W E E M 1 S S I 0 N A RI S S E N

UU HUN VEHTUEK NAAR OOST-INDIË.

aar 't veri-c. Iiccrlijk land ti-ekt jrij kloekmoedig henen, ' Terwijl ons broederhart, tot de oll'erdaad bereid,

U met zijn bee en wensch en zegening geleidt,

En al uw vrienden hier uwe afreis stil beweenen.

Zal 't ongestadig lot op aarde ons ooit hereenen,

Die de eindelooze zee straks van elkander scheidt? Ach, onoplosbre vraag, die 't hart meer kwelt dan vleit. Al wordt het van den glans der zoete hoop doorschenen.

Doch zien we u immer weer op 't kronkelpad naar 'tgral'. Toch staan wij, broeders, lier aan .lezus' liefde u af: 't Vaarwel roept gij ons toe om slaven vrij te maken.

Reist heen! gij klemt vol moed het kruisbeeld in de hand, Wij zien elkander weer in 't ver, in 't heerlijk land. Waar 't hart geen zuchten meer om't laatst vaarwel zal slaken.

ocr page 38

ZOO VAN HART!

ritten woelen in uw borst,

't Kruis is tlrukkend, dat }ie torst; U met sUilen moed omschorst I Sterk van hart in druk en strijd.

Hoor, uw broeder steent en weent; Liefderijk hem troost verleend:

Maar uw troostwoord zij gemeend!

T e e i1 van hart, w aar i e m a n d I ij d t.

Kunst zij groot, of' kunst zij klein: 't Schoon weerstraalt er, is zij rein, Spiegel van gemoed en brein.

Open hart voor alle schoon.

ocr page 39

Zoo ge uw vriend in kommer vindt,

Dan getoond lioe gij bemint!

In den nood kent men den vrind.

Trouw van hart, dat spant de kroon.

Sterk van hart in druk en strijd. Teer van hart waar iemand lijdt, Open hart voor alle schoon.

Trouw van hart dat spant de kroon!

ocr page 40

11 ET LIED.

^ingt in uw ziel hot fiisschc lied.

Dat balsem in ilc wonde giet . ü, grif hot in den niarniersteen: Zuo blijft het zingen hierbeneén.

Licht treedt oen stille wandlaar toe En zet zich neder lijdensmoo:

Hij loost het lied, en ongemerkt Voelt zijne ziele zich gesterkt.

Wat gij eens zongt met liefde en lust. Schenkt hem weer vreugd on zoete rust: Zong eens in u 't verkwikkend woord, 't Zingt nog in hem verkwikkend voort.

En zeker, in zijn harte leeft Hij. die hot lieil geschreven hooft. O ij blijft, van de aarde heengegaan, ü zanger, troostend bij ons staan.

ocr page 41

WELKOMSTGROET XA DE HUWELIJKSREIS.

eest welkom, vrienden, in uw huis! Weest welkom na de huwlijksreize! Gij gingt te zamen hand iu hand Bergo)), bergal' door Zwitserland, Luchthartig en met zoet gepeize.

De groeten van den Drachenfels Zondt gij getrouw uw een'gen broeder: Schoon ver van huis vergat ge ons niet. En 't kinderharte zong zijn lied Op 't jaarfeest uwer lieve moeder.

■20

ocr page 42

Een prachtig lnnvlijksreisje, on toch Op primo .Inli moest gij klagen :

o't Was op den liilt;ri bitter kond Maar als tnen van eikander liondt, Dan is de kon nogal to dragen'.

Het hnwlijksreisje is nn voorhij ?

Pardon, ik meen 't is aan 't beginnen, Uw bootje glijdt op do effen baan ,

't Zal nog een heel eind verder gaan , Het loopt de haven nog niet binnen.

Hoe kalmpjes glijdt het bootje voort, Hot kont geen zorgen. zon men zweren : Voorzichtig! zie ginds draait oen kolk, Ginds broeit een storm in de onweerswolk. En 't bootje kan niet wederkooren.

Maar ook do Zeestar blinkt altijd: Blijft, vrienden, op Maria staren! Geen vreeze dan de vroeze Gods! Uw bootje zal langs kolk en rots Zelfs in het noodweer veilig varen

ocr page 43

Beproeving is do levensreis;

Ach, waarom zouden wij 't verhelen!

Mijn vrienden, houdt steeds hand in hand, Ueist immer saam naar 't Vaderland, Blijft lief en leed te zarnen doelen.

Beproeving is de levensreis.

En :t hart heeft dikwerf stof tot klagen ; 't Was op den Rigi bittor kond :

Doch als men van elkander houdt. Dan is de kon nogal te dragen.

31

ocr page 44

POËZIE SCHUILT OVERAT.

»Schlaft eiii Lied in allen Dingen . Die da triiumen fort und fort, Und die Welt hebt an zu singen, Tri Hst dn nur das Zaubenvort.quot;

riciikndoufk.

7:t jj;ij om zingensstoi' verlegen,

0 wie Dichter is. niet gij!

Voelt gij dan niet allerwegen

D'aderatocht der poëzij ?

Gouden snaren oin te zingen Spande God door 't wijd heelal: Klinke 't lied met vol gesehal! 't Sluimert nog in alle (liiigen.

't Sluimert ginds in stargeflonker,

Waterbergen. bloemenpracht. Zonnegloed, in 't aaklig donker Van de donderlucht bij nacht;

lu de puinen der kasteden,

Aan de stille tempelpoort,

In de zilverwitte abeelen :

't Droomt in alles sluimrend voort.

ocr page 45

Waar er zwaarden vonken spreien, Waar een ziel van liefde gloeit, Waar er harten eenzaam schreien.

Waar de roos der onschuld bloeit. Waar de vreugd van vriendenkringen

Druivenbloed in bekers giet.....

Gouden snaren voor het lied !

Alle* noodic/t uit tot ziugoi.

't Lied te scheppen, uit te vinden,

Dichter, gij vermoogt het niet: Wekken moet gij en ontbinden

't Ingeschapen, sluimrend lied.

Roep het. Zanger, op ten leven:

Weet. dat alles u aanhoort:

Zie, do gouden snaren beven ; Spreek utv macltliy toovenvoord!

33

ocr page 46

AAN DEN DICHTER O. JONCKBLOET.

hebt een lied gezongen. Een lied van vreugde en smart; Piep in mijn ziele drongen Die tonen van uw hart.

Gij zengt de rozengaarde,

Getuige van ons leed. De frissche, zonnige aarde, Bedroppeld met ons zweet.

Gij zongt van aardsche dreven.

Van rijk ombloeide paên. Waar wij in zwoegend streven Op scherpe doornen gaan.

-F—

ocr page 47

Gij zongt van morgeninister, En toch, o(' de uchtend gloort,

Wij strontplen in liet duister 0|gt; 't ruwe reispad voort.

Wij zwerven oin en dwalen gt;ïet wankelenden staf

Door deze sombre dalen

Naar 't wachtend, eenzaam graf.

Gij hebt een lied gezongen.

Een lied van diepe smart.

En in mijn ziele drongen Die tonen van uw hart.

Toch trilt — mijn dank, o zanger! In 't lied van uw gemoed

Een troostgalm, die niet langer Mijn ziele weenen doet.

Gij zongt van andre sferen , Waarheen de reisweg leidt.

Waar rust voor 't zielsbegeeren. Geluk, geluk ons beidt.

ocr page 48

Waar 't hart in jubelklanken,

In juichend lofgeschal,

Voor «Stille smartquot; God danken En eeuwig loven zal.

Een gids richt onze schreden,

En leidt ons bij de hand, Om moedig voort te treden Naar 't «verre, schoone land.quot;

En vlieten vaak nog tranen, Er schemert ook een lach : Zie 'k hier de zonne tanen,

Ginds daagt een eeuvv'ge dag.

Gij hebt een lied gezongen ,

Een lied van vreugde en smart Diep in mijn ziele drongen Die tonen van uw hart.

Versmaad mijn danktoon. Dichter,

Mijn kleene gave niet:

De reize valt mij lichter Bij 't klinken van uw lied.

30

ocr page 49

STEM DES HARTEN. Aan N.

Joon ik een knaapje was met helder stralende oogen.

Het pas ontluikend hart van zorgen onbewust, En, als een vogeltje zijn donzen nest ontvlogen,

Mijn lenteliedje zong met tintelenden lust;

Toen ik een knaapje was, en alles in dit leven

Van vrij- en blijheid sprak en alles lachte en zong. Deze aarde oen lusthof scheen met frissche lentedreven, Wier kleuren-liellijkheid'het hart tot juichen drong;

Toen scheen het mij alsof bij 't klimmen mijner jaren

Het vroolijk glanzend licht van 's levens lentezon Xog winnen zou in glans en 't groen der lenteblaren Nog frisscher, geuriger, nog groener worden kon . ...

ocr page 50

1

Wie riep den storimviml op ilie lieel miju giuxrd vernielde? Wie heeft het juichend lied gesniourd in 't jonge hart?

Wie doofde 't edel vuur, den gloed die mij bezielde? Wie dreef mij in de ziel den doren van de smart?

Mijn jonkheid heeft helaas van 't zoet venijn gedronken, Dat fonkelt in 't kristal van 't wufte zingenot,

En na de zwijmelteng was, alles mij ontzonken,

Was walging in mijn hart, was 't harte zonder God.

Sinds martel ik mij af met zoeken en met vragen,

Ontspruit geen vrengdekiem aan d' akker van 't gemoed ;

't Eenvoudige geloof, 't geloof der kindsche dagen Dreef op de golven heen van 's twijfels wilden vloed.

En met dien vasten steun is ook mijn moed bezweken. De worm alleenig blijft die in mijn harte kroop.

De tranen die gestaag langs dorre kaken leken.

Zijn tranen van berouw, maar tranen zonder hoop.

Daar valt geen lichtstraal meer in deze sombre dalen, 't Naar vrijheid snakkend hart buigt onder 't slavenjuk.

Mijn zwerftocht zonder doel, mijn rust- en hooploos dwalen Voert dichter naar het graf en verder van 't geluk.quot;

3S

ocr page 51

Staak, stiiak dat ijzig liud, die wilde wanhoopskreten, Pe ster der hope blinkt totdat liet wraakuur slaat; Ach, zoek bij God de rust voor uw doorknaagd geweten, Dat God ontkennen wil, en weet dat God bestaat.

ZUCHT TEN HEMEL.

yer boven 't blauw dat gindsche bergen kust.

\ erstomt en sterft het somber lied der smarte:

Daar zwijgt de ziel in hooggestemden lust: Daar licht liet Eden van 't onrustig harte!

Draag lentelucht mij op uw glansen voort! Ontvoert mij op uw aêm, gij zachte winden!

Mijn Vaderland is ginds, dat zalig oord.

Waar ook mijn ziel haar rust en lust zal vinden.

ocr page 52

DE LAATSTE DICHTER.

ij/ wij ut nimmer dan liet ilichtvuur, quot;' Dat n het hai-t ontschiet: Zal nimmer zijn gezongen liet laatste, laatste lied?quot;

„Is niet reeds lang geledigd

De kristallijnen Bron, Geplukt het laatste bloempje Op Phocis' Helicon?quot; *)

Zoolang de zon daarboven

Haar flik kerst ralen schiet, En 's menschen oog den Lusthof Vol kleur en leven ziet:

*) Helicon, de berg. waar de dichterbron ontsprong. In Phocis was ook het beroemde orakel van Delphos.

ocr page 53

Zoolang des bliksems vuurpijl Door iiwarte wolken breekt,

En bij het doudrend knallen De mensch van angst verbleekt;

Zoolang het licht des hemels In kleurenvonken vloeit;

liet hart voor warme vriendschap En trouwe liefde gloeit:

Zoolang de nacht nog llonkert In 't lijk bepareld kleed.

En van het schrift der starren Nog Óen den zin ontleedt;

Zoolang de lieve lente

Nog weeldrig rozen strooit:

Het oog nog straalt van vreugde, De wang een lachje tooit:

Zoolang de wilgenbloesem

Nog bij den grafsteen treurt:

Do wreede dood de dierbren

Van 't hart der dierbren scheurt

41

ocr page 54

Zoolang de Z;iiiggodinno In ziiigtüi vindt haai' lust,

En 't hart des jonglings jubelt, Dien zij het voorhoofd kust;

Zoolang nog klinkt de harpe Des zangers dooi' den gaard,

En eens verlaat als dichter De laatste mensch deze aard.

Heeft lang genoeg de lusthof Der aarde in bloei gestaan,

Zijn bloemen en zijn sterren Verstoven en vergaan:

Is winterkoude en lijden . Is menschlijk wel en wee

Vernietigd en verzwolgen In éene onpeilbre zee: —

Dan, dim eerst rnoogt gij vragen 0 vraag het eerder niet!

Of eindlijk is gezongen Het laatste, laatste lied.

ocr page 55

Manch' schone Aussicht kann man leicht verbaun, Doch nicht die schönste, die: Mit Gottvertraun Nach Jenseit üher Zeit und Grab zu schaun!

Richard Hoos.

43

ocr page 56
ocr page 57

»MIJNT KRACHTEN NEMEN' TUE.quot;

Mijn krachten nemen toe, 'k zal lang nog kunnenijn krachten nemen toe, 'k zal lang nog kunnen

[werken.quot;

Zoo sprak hij met een kuch, de voorboó van den dood: Ach laat een wijl die hoop, zoo peinsde ik droef, hem sterken, Straks dragen wij hem heen ter ruste in 's aardrijks schoot.

Het hart des menschen wil op 't blijde Morgen staren. De bloem der hope valt niet licht haar stengel af:

Hoe dacht een bruisend hart, een hart van twintig jaren. Bij 't stralen van de zon aan 't kille, donker graf?

ocr page 58

«Mijn krachten nomon toe!quot; Hij had zijn vijf talenten Pas door een Imogen eed den dienst van God gewijd : Zij zouden, hoopte hij, voor 't verre Morgen renten En... schitterender kroon na langer, langer strijd!

Die fiere wensch doorgloeide een onverdorven harte.

Doch de ongeneesbre kwaal woelde in de reine borst: De ziel vloog op naar 't oord der «vreugde zonder smarte. Schoon zij maar kort het juk des arbeids had getorst.

De Heer des wijngaards was niet 's jonkmans wil tevreden Hij gaf den jongen knecht het volle, rijke loon:

Mijn broeder roept mij toe: uw Morgen kiemt in 't Heden O werk voor God alleen, zóó wint gij 's Hemels kroon!

ocr page 59

HET LAATST VAARWEL.

Vfet dierbaar lijk, dat zacht door u gekust, ' Zoo erustig-stil daar op liet sterfbed rust. Zegt n vaarwel, maar weenen kunt gij niet; De dood wekt huivring, waar men hem nog ziet.

Bij 't lijkkleed en de kist en 't klokgebrom En 't Dies irae blijft uw smart nog stom : Gewillig schier staat gij den dierbare af.

Alsof gij niet geloofde aan 't open graf.

Eerst dan als gij in den familiekring Rondom 11 ziet bij droeve fluistering,

Dan steekt de wond des harten dubbel fel, En hoort gij 't laatst, het wezenlijk vaarwel.

ocr page 60

EEN HERINNERING.

at marmerbleek gelaat, die stroef geplooide trekken,

Niet door de stilt des tijds, maar door de smart gegroefd, Hoe komen zij. gestaag de erinring in mij wekken

Aan 't uur. toen ik daar stond in 't diepst der ziel bedroefd !

Daar lag hij, in wiens borst het lentelied van 't leven

Gesmoord werd in de zucht der folterende smart; Het lachend beeld der jeugd, van rozengloed omgeven.

Verdween voor 't kwijnend oog. zonk weg in't brekend hart.

Lang stond ik naar mijn vriend i-i 't bitter uur te staren:

De dood. de wreede dood trad grimmig op hem aan : De jonkman was gereed: maar 't hart van twintig jaren, Het diep gevoelig hart weerstreefde 't henengaan.

48

v

ocr page 61

))'k Heb nog voor amlren niet gewoekerd met talenten,

«Door God mij toevei-tromvd tot Zijne meerdere eer:

))Mijn werkloos leven, ach! bracht vruchten voort noch renten: »\lt;)l schaamte sta ik straks als heed laar voor den Heer,

))Tk heb nog niet geknield bij de arme lijdenssponde,

»01 met een troostend woord een droel' vaarwel verzoet, ))Geen zielen nog ontvoerd aan 't slingerpad dei' zonde, ))Geen zuiver, argloos hart voor 't addergil' behoed.

»De onnntte dienstknecht mag de zoete rnst niet vragen,

»Alleen voor tap lend zweet den werkman toegezegd:

))Geen ongerimpeld hoofd mag eenw'ge lanwren di'agen, «Slechts vooi' den heldenmoed des kampers weggelegd.quot;

/00 klaagde n\v edel hart. toen gij ons moest verlaten.

Mijn dierbre bi-oeder, mijn oprechte, warme vriend!

Maar wij, wij klaagden stil. toen we aan nw sponde zaten: »0, hadden wij zoo trouw :ils gij den Heer gediend!quot;

Uw rijke ziele had gewoekerd met haar gaven.

Ons van haar liefdegloed en adel meegedeeld,

Meer dan zij weten kon er velen mogen laven,

Zoo vaak door 't streelend woord een hartewond geheeld.

^ ^--N

ocr page 62

Hoevelen hvacbt uw beé terug van 't. pad der zonde!

Hoe liebt pij 't eigen hart voor 't addergif behoed ! Hoe heeft nw reinheid ons, die weenden bij mv sponde, De wrange bitterheid van 't laatst vaarwel verzoet!

Dacht gij er niet meer aan, in 't ernstig uur van scheiden,

Hoe gij voor God geleefd, gewerkt, geleden hadt, — O, toen gij kwaarat in 't land, waai' de Englen n verbeidden Heeft God u mild getoond dat Hij het niet vergat.

EO

ocr page 63

NEEN, NIET TE VROEG! —

p^fee.n, niet te vroeg is 't licht dier oogjes uitgeblnscht, ' Heelt moeder u, liel' kind, voor 't laatst goê nacht gekust

Na duizend, duizend liefdezorgen:

Neen, niet te vroeg... al zijt ge in 't tweede levensjaar Geslagen dooi' den dood, en weenden bij nw baar Uwe ouders 0|i dien droeven morgen.

Neen, niet te vroeg!... Gij kendet. toen ge aan moeders hart In 't vroege levensuur gestreeld, gekoesterd werdt.

De liefde niet die n zou leiden:

Maar heeft uw jeugdig hart die liefde niet gesmaakt, 't Heeft ook in later tijd geen hangen zucht geslaakt Als kind en moeder moeten scheiden.

Neen, niet te vroeg!.... Al heelt uw hartje 's levens leut'. Haar vreugd en lust, haar glans eu rijkdom niet gekend,

Nocli 't lachend groen der blijde dreven: 't Heeft ook de somberheid des winters niet aanschouwd. Niet om verzwonden vreugd gezucht, geweend, gerouwd ; Eén lente geurt er slechts in 't leven!

ocr page 64

Neen, niet te vroeg!... Want hebt «jij op deze aaide, kind, Geen menschgeworden God, geen Kindervriend bemind,

Om n ten marteldood verwezen:

Toch ook geen schuldgevoel kwelde u, noch zielsverdriet. En, steeg geen danktoon op, ondankbaar waart gij niet, Een Rechter hadt gij niet te vreezen.

Neen, niet te vroeg!... Ach! langs het geurig bloemtapeet Schrijdt hier de pelgrim vooit ten koste van zijn zweet

Op 't ruwe bergpad naar dea Hemel.

Maar u, lief kind, n nam Gods Engel bij de hand.

En langs den kortsten weg kwaamt ge in 't beloofde land. Ver boven 't woelig stofgewemel.

Neen. niet te vroeg vloogt gij naar reine sferen heen. En liet gij, dierbaar kind, uwe ouders hier beneên

In droefheid achter op dien morgen ;

Deelt, kleine, gij zoo vroeg in 't eeuwig heilgenot.

Nu bidt ge ook ginds voor hen als engeltje tot God :

«Loon Gij, Heer, al hun liefdezorgen!quot;

ocr page 65

MOEDERS DOOD.

I.

struoiile Mei zijn rozen, Zong weer zijn lustig lied Maar in liet lun.s mijns vaders Daar lachte, zong hij niet.

Do linde voor de woning

Weeklaagde droef en zacht, En staarde stil en treurig Op al de lentepracht.

'U Zat bij mijn kranke moeder:

Mij was de hemel zwart. Een namelooze weemoed Sloop in mijn angstig hart.

ocr page 66

Zij zat in ii' onilcn leunstoel

Zoo bleek en kinclitloos neer: Haar kille hand verwarmde En kuste ik keer ojj keer.

Terwijl liet lied der lente Zoo lilij gezongen werd O God! toen was liet winter In niijti nog jeugdig hart.

II.

Meiklokjes ging ik zoeken

In 't donkergroene boscli. En bond die lievlingsbloemen Van moeder tot een tros.

Wanneer ik in de struiken

Een kleinen bloemsteel brak. Was 't ol' het zachte knappen Van naad rend scheiden sprak.

ocr page 67

Iloo steek lig ook de doornen

lüj 't jilnkkeii mochten zijn, Ik /.;ig tiet bloed niet vloeien, Ik voelde niet de pijn.

't Was ook geen dauw noch regen,

Die op de hloenipjes lag.

Maar tranen die ik weende Den lieven, langen dag.

111

Den laatsten dag der Meimaand — Het Pinksterfeest brak aan Is zij, die schier niet rustte, Ter eeuw'ge rnst gegaan.

Wel minde Jezus' Moeder Mijn brave moeder teer, Dat Zij met haar ontzweelde Naar hooger, reiner sl'eer.

ocr page 68

Nu jimhlen zij ilaiii' liciilou In 't Heinelsch Panulijs:

O, geve ik 's Hemels vreugde

Voor aardsche vreugd nooit pi'ijs!

Mijn hullije kan niet stranden,

Komt veilig mi aan wal; Twee moeders zie ik wenken. Twee sterren overal. —

Zoo dacht ik somtijds later: Maar toen zij mij verliet. Toen, in die droeve stonde. Ach, neen! dacht ik zoo niet.

Toen trok haar Van 't stadig Toen jammerde «Mijn moeder

lijk mijne oogen . weenen rood : ik mistroostig : dood, ach dood!quot;


56

ocr page 69

IV.

Gij stuart zoo vreemd ons grooten aim,

Gij üiet ons bitter weenen — Uw hartje kan nog niet verstaan Waarom wij zoo zijn aangedaan, Waarom wij allen weenen.

Ook gij moest weenen. kindekijii,

Ook gij hebt haar verloren ! Ook gij deelt in de zielepijn. En niemand heelt, o zusje mijn, Zooveel als gij verloren.

V.

/.ij droegen mijn moederliel' henen: Ik wierp op de knieën mij neer; Zij sloegen geen acht op mijn weenen Als was zij mijn moeder niet meer.

57

ocr page 70

Zij dempten den grafkuil met aarde En pluntten daarnevens een kruis;

Mijn hart, dat naar 't plekje nog staarde, Ging treurig, verlaten naar huis.

'k Zag 't zonnelicht liefelijk stralen

Kn hoorde het vogelenlied ;

'k Zag rozen en leliën pralen.

Als ware er niets droevigs gesel lied.

Toch was zij gedragen ten grave,

Die eens deelde in mijn vreugde en mijn smart; Toch lag daar begraven het brave. Het trouwe, mij liefhebbend hart!

ocr page 71

IN 'S LEV KNS LENTE HEENGEGAAN.

ii, mijn hi'oivlor. stond in 's levens lentejuren Een beeld, een lachend beeld van 't leven voor den geest Uw oog bleel' 0|gt; het schoon van aarde en hemel staren, Uw lustig harte dronk slechts geur van rozeblaren. En vierde dag aan dag welzalig, zorgloos feest.

En bij dien zoeten droom in 's jonkheids tooverdreven.

Rij al die lentevreugd, bij al die praal en pracht.

Zaagt gij de distels niet, waarvan in 't aat'dsche leven Ue volle perken voor zoovelen zijn doorweven.

Hebt gij aan winterzonne en stormen niet gedacht.

Zoo wandeldet gij voort, gelukkig in uw droomen.

I!ijk door uw leven zeil', tevreden met uw schat: Wat wonder, dat de lust u uit de ziel kwam stroomen. En gij een engel scheent, voor ons op aard gekomen, Om vreugdebloemen ons te strooien op het pad.

59

ocr page 72

Helaas, tucli gingt gij lieen van rloze uw zonnige aarde.

Terwijl uw blijile jeugd haar zachten glans nog schoot. Terwijl uw weg nog liep door 't l'rissehe groen der gaai'de, Uw lachend oog, uw hart op 't heerlijk beeld nog staarde En op den tooverglans van 's levens morgenrood.

ïi Waarom dan gingt gij heen, gij vreugde van ons leven ?quot;

Dat is de stille klacht, die 't hart der ouders uit.

En God alleenig weet wat tranen antwoord geven.

Al houdt het vast geloof den blik omboog geheven.

Al buigt zich 't bloedend hart voor 's Hemels raadsbesluit.

Waarom dan vloodt gij, ach! zoo spoedig van ons henen.

Gij wist toch dat ge ons liet in sombre zielesmart; 01' is het waarheid wat wij snikken onder 't weenen : «Een schooner lentezon is aan zijn geest verschenen.

Hier toeven mocht hij niet: te schuldloos was zijn hart.quot;

Ja, waarheid spreekt dat woord, en al uw vrienden weten.

Dat ge ons ten troost en vreugde een en^el zijt geweest, Een engel, die daar ginds ook ons niet zal vergeten.

Maar eens in 't verre land zijn dierbren welkom heeten; O vier dus blij te moe uw eeuwig lentefeest!

ocr page 73

Ja, vier mv lentefeest, waar do eeiuv'ge lentemorgen

Uw ziel verrukt en stemt ten eenwig jubellied, 0, bliji' daar in uw vreugd vol liefde voor ons zorgen. En zie mijn tranen, die voor aller oog verborgen, Een staage lietle u zijn: vergeet uwe Ouders niet.

HET HEERLIJKST AKKOORD.

Seen vollei', heerlijker- akkoord

Wordt ooit gehoord , —• En wie die 't niet verstaat! — Dan wen zich in het kleine woord

Het groote hart verraadt.

ocr page 74

W A RE T R O O S T. aan mi.in Vader.

Met neergebogen hoofd stond liij aan 't graf te weenen Aan 't open graf van hem, dien hij zoo had bemind : Het blijde levenslicht, de ster had uitgeschenen:et neergebogen hoofd stond liij aan 't graf te weenen Aan 't open graf van hem, dien hij zoo had bemind : Het blijde levenslicht, de ster had uitgeschenen:

De sehoone jongeling, zijn lieveling ging henen ,

Daar in de groeve zonk mijn broeder, ach ! zijn kind.

Helaas, ik was niet daar, bij dat tooneel van smarte.

En kon 't geknakte hart geen troost, geen hnlpe bién ! Zijn stille diepe zucht, vernam ik nit de veite.

Zij sneed mij door de ziel. . . . en 't lijdend kinderharte Zag uit. zag vurig nit naar 't uur van wederzien.

Die ure sloeg voor mij na twee, twee lange jaren.

Maar wat al zieleleed, wat wee zij achterliet! . . ..

Ik zag dat bleek gelaat, die zilvergrauwe haren.

Het mat en vochtig oog, dat lang op mij bleef staren : De vreugd van 't wederzien werd dieper zielsverdriet.

62

ocr page 75

En sinds dat pijnlijk uur dorst ik wel dikwijls klagen :

«Waarom, algoedo God. troft Gij dat vaderhart? «Waarom, waarom hebt gij dat od'er willen vragen, «Het zwaard niet uit de hand des wreeden doods geslagen, «Waarom den braven man gekweld door zulk een smart!quot;

En telkens was het mij als ruisehte een stem mij tegen:

«O kus de trouwe hand van Gods Voorzienigheid, «De brave, dien zij wondt, kent ook haar milden zegen, «En treedt hij aan die hand op steile kronkelwegen,

«'t Is toeli een vaderhand, die steunt en draagt en leidt.quot;

«Het hoofd omhooggericht naai' 't land waar de Englen wonen !

«Een teedre vriend van God is hij dien God beproeft. «Wie kent de hemelvreugd die 't lijdend hart zal loonen. Wie zag den stralenkrans, waarmede God zal kronen

«Het hoofd, waarin de smart haar voren heeft gegroefd!quot;

Bij dat weldadig woord heb ik den blik geheven,

En open ging het hart. waarin weer zonlicht viel. Wèl hem, wien op zijn pad, in 't moeilijk voorwaarts streven. Het zachte licht beschijnt van 't ander, hooger leven ; Alleen dat licht vertroost, in 't nijpend leed, de ziel.

ocr page 76

r.l.l ÜEX INGANG VAX MKT KERKHOF.

niet voorbij : de toegang is ontsloten : Treed in en zie hier peinzend om n heen. Eer gindsche wilg in knoppen is geschoten. Dekt hier wellicht ook 11 do gral'kuilsteen.

Ga niet voorbij : wel kostbaar zijn de stonden.

Gesleten op deezquot; plek zoo rijk aan vree: Treed in. en wat gij hier hebt ondervonden. O draag het in 't gewoel der wereld mee!

64

ocr page 77

Die beste Poesie liegt mis ganz nahe, uhd ein gewöhnliclier Gegenstand ist nichi sol ten ihr Hebster Stollquot;.

Nova i. is.

65

S* -■ 'tip • _

5

ocr page 78

60

ocr page 79

NAAR AMERIKA!

TWTet fierheid doorklieft in liet holst van den nacht ' Een stoomschip de glinstrende baren:

Trots ijlt het vooruit met geweldige kracht,

Verwinnaar van duizend gevaren.

Gloort de lichtend, dan is het aan 't eind zijner haan Do zee is zoo kalm en zoo helder de maan.

Het stampend gevaarte voert mee in zijn schoot

Het leven van honderden menschen.

Die moedig trotseeren en stormen en dood

Voor 't land hunner droomen en wenschen : Amerika! morgen reeds landen zij aan:

De zee is zoo kalm en zoo helder de maan.

Nog wandlen twee vrienden gearmd op het dek, 't Gelaat draagt geen zweem meer van rimpel. Het hart. dat zich uitstort in vroolijk gesprek.

Is licht als de zwierende wimpel:

Want morgen reeds komen ze in 't vaderland aan; De zee is zoo kalm en zoo helder de maan.

07

ocr page 80

»De Hemel,quot; zegt de een, »zij geloofd en gedankt!

Ik ben niet door d'afgrond verzwolgen.

Het schip heelt soms vreeslijk gegierd en gczwankt.

Want erg was Xeptunus vei'bolgen:

Behouden kom 'k weer in Amerika aan;

De zee is zoo kalm en zoo helder de maan.quot;—

«Mijn moeder,quot; zegt de ander, »lieeft aak lig gedroomd

Den nacht vóór het droevige scheiden :

Zij zag toen het schip op een rotsklip gestoomd...

En eensklaps verzinken ons beiden;

Maar morgen zal 't kind voor zijn moeder weer staan! De zee is zoo kalm en zoo heldor de maan!quot;—

In 't scheepsruim genieten de nachtlijke rust

En Ieren en kloeke Germanen;

Hun oogleên heelt do Engel der hope gekust;

't Geluk mocht in 't vaderland tanen,

In 't andere werelddeel lacht het luiu aan:

De zee is zoo kalm en zoo helder de maan.

De koopman van Boston lei 't moede hoofd neer;

Hij droomt van den bloei zijner zaken:

»'k Ben eindelijk rijk! De fortuin nam een keer.

En noodt mij den arbeid te staken :

De lading doet morgen de haven reeds aan ;

De zee is zoo kalm en zoo helder de maan.quot;

ocr page 81

Nog waakt bij het heil van haar ziekelijk kind

De moeder niet duizenden zorgen :

«Slaap, kleine, daar tmilt nu geen aaklige wind!

Slaap rustig, mijn lieve, tot morgen.

Dan komen we in t andere vaderland aan;

De zee is zoo kalm en zoo helder de maan.quot;

«En als gij daar aankomt, in 't gastvrije land.

Dan hebt gij genezing gevonden.

Dan speelt gij weer vroolijk aan 't zonnige strand.

Slaap, kindliel', nog weinige stonden;

Het schip stoomt nu recht op den ocverzoom aan; De zee is zoo kalm en zoo helder de maan.quot;—

Op eenmaal — een schok mot een dondrenden slag!

«Gestrand !quot; stijgt de noodkreet ten hemel:

En al wie in 't scheepsruim te shiimeren lag,

Doorgilt dra het raadloos gewemel.

Het schip op een klip aan het eind zijner baan ! De zee is zoo kalm en zoo helder do maan.

De kiel is verbrijzeld ; opborrelend dringt

Het water naar binnen in stroomen.

De zeeboot helt krakend op zij — en verzinkt

Bij 't land aller wénschen en droomen. Eén oogenblik slechts werd ontroerd de oceaan.

Toen glom hij weer kalm In het licht van de maan.

sa

ocr page 82

HE RAVEN VAN SINT ME1NRAU.

Sint Meinrad leefde eenzaam in 't Zuricliei' woud. Vervreemd van de wereld, haar schijnzoet en goud.

Hij hield er twee vrienden, veel zwarter dan roet. Twee raven ; zij hadden hij Meinrad liet goed.

/.ij vlogen en lladderdon rond, heinde en veer.

Maar kwamen nauwkeurig o|i etenstijd weer.

Eens drongen twee roovers brutaal in de kluis. En vonden er Meinrad geknield voor het kruis.

Zij grepen hem aan en zij joegen, o smart! Den goedigen grijsaard een moordpriem in 't hart.

gt;

70

ocr page 83

Zij zochten in hoeken en gaten naar buit, En wroetten den grond op, maai- vonden geen duit.

Zij sloegen met grimmige vloeken c.abaal.

En gingen met ledigen zak aan den haal.

Maar 't gruwelstuk hadden de raven gezien : Zij klapwiekten, krijschten en krasten voor tien.

Vermoord was de gastheer — dat stak ze in den krop; Zij waren de roovers al gauw achterop.

Zij hielden niet op met dat aaklig gekras; De moordenaars zaten geducht in de dras.

En waar zij ook gingen, het kraste om hen heen. ïe Zurich kwam straks al het volk op de been :

»De raven van Meinrad !... dat is er niet pluis!... Die kerels gepakt! en vooruit naai- de kluis!quot;

Het woud drong men binnen en vond daar het lijk; Door weeklacht gal' ieder van deelneming blijk.

Den moordenaars trof nu het welverdiend lot:

Lang krasten de raven rondom het schavot.

ocr page 84

VOOR 'T EERST VAN HUIS.

| k ^iiijr als kniiap voor 't eerst van huis: ^ Mijn moeder stond te weenen ,

Maar vader glimlachte op den hok :

»Maak spoed! Wij moeten henen!quot;

»Neeni, .jongen, op de slnitmand plaats.quot;

En 's vaders zweepkoord klapte: »'t Is goed zoo! Bruintje, nu vooruit!quot; En bruintje trok en stapte.

En moeder liep een eind wegs mee

En lachte mij maar tegen.

Al had zij telkens met haar schort Ileur tranen weg te vegen.

ocr page 85

»Frits,quot; zei zo, »neera vat noten mee!

Hier is je zijden dasje!

Je schrijft toch elke week, niet waar? 't Ls koud' knoop toe het jasje!quot;

En vader zweepte bruintje voort.

Nog lang bleef moeder turen :

»0, bij die vrouwen,quot; sprak hij »zou Het afscheid eeuwig duren.quot;

»Frits, hou je kranig! word een man!

Blijf 's vaders naam steeds eeren !...

Foei, schreien igt;ast een jongen niet!... En nu maar flink studeeren !quot;

Wij kwamen aan. Hij greep mijn hand;

Dat was het afscheidsteeken:

«Houd God voor oogen. Frits en... en...quot; Hij kon geen woord meer spreken.

73

ocr page 86

DE Ml UI JJSTÜÜI.

^^ie, grootmoeder lief, lioo de lindetak bloeit: quot; Hoe geuren de rozen, van 't zonlicht omgloeid!

Mijn bruigom keert weder; hij is reeds nabij:

Mijn hart klopt zoo lustig en rustig en vrij.

Ik strengel den bruidskrans; het woord is ten pand;

Als 't lindeblad uitschiet, dan kom ik in 't land.

.v «Ja, kind, uw geluk lacht mij toe of... de dood.

Ik voel dat mijn kracht en mijn levenslust vlood:

Aan 't spinrokken zit ik reeds zeventig jaar.

Mijn vingeren beven en grijs is mijn haar;

'k Ben vreemdling op aarde, verlaten, alleen:

Ik spin nog mijn doodskleed en dan ga ik heen.quot; quot;

-

ocr page 87

«Neen, denk niet aan scheiden, ach grootmoeder mijn

Nog spint gij do draden zoo hecht en zoo lijn.

Gij spint mij een bruidstooi; gij znit het, niet waar?

Een voorgevoel zegt mij: de feestdag is daar.

Maak gij mij den keurigen feestdos gereed:

Straks ga ik ter bruiloft in 't sneeuwwitte kleed.quot;

En grootmoeder glimlacht; het spinnewiel snort; De lentezon taant en de lenteroos dort;

't Wordt zomer en herfst en de wintervlaag loeit: De bruidegom kwam niet... De lindetak bloeit, En grootmoeder zit aan het spinrok en spint Het sneeuwwitte doodskleed voor 't arme kind.

ocr page 88

DE STROOl'KR VANquot; FRANKFORT.

oost Manner, de wilddief, is eindlijk gevangen . Hij bromt in den toren, wordt zeker gehangen! Dat nieuwtje ging rond door de straten der stad , In 't vrijmachtig Frankfort waar .loost was gevat.

Een negental dagen en rnstlooze nachten Zat Joost in het vunzige kot te versmachten;

De tiende dag nadert, de dag van de straf De strooper treedt moedig op 't galgeveld af.

Daar stroomen en poorters en schepenen samen : De schout leest het vonnis, dat allen beamen.

En zegt tot den wilddief; »Daar hangt al Je strop! Heb je iets nog als uiterste wil? spreek dan op!quot;

«Men schijnt hier in Frankfort,quot; zei Joost, «niet te weten. Dat niemand in 't schieten met mij zich kan meten: Getrouw is mijn snaphaan en paalvast mijn hand.

Geen schutter als ik wordt gevonden in 't land.

ocr page 89

»Ik wenschte in ds windvaan, die staat op den toren, Uit weerwraak een negental gaten te boren: Dat droinmelsclie ding met zijn knarsend geluid Heeft driemaal drie nachten mijn slaaplnst verbruid.

))Ik wil vóór mijn doodstraf den Frankforters leeren, T)at strooper Joost Manner geen strop kan onteeren :

Want schiet ik een negen in 't vaan van metaal, Dan sterf ik met eere aan den eerloozen paal.quot;

»'k Stem toe,quot; zegt de schout «ja. wij schenken je 't leven. Als jij van je kunst ons dit proefje kan geven;

Maar schiet je geen negen in 't vaan van metaal. Dan sterf je met schand aan den eerloozen paal,quot; —

/.ie! duizenden staan in een kring om den toren. En scherpen hun oogen en spitsen hun ooren,

De schout geeft het teeken voor de ernstige grap — 't Geweer wordt geladen en Joost zet zich schrap.

Hij mikt op een haar, want verduiveld! die kogel Geldt de eer en het leven, geen reebok of vogel: Het vuurwapen knalt en daar stijgt een gejoel: ))Het lot is hem gunstig, de kogel trof doel.quot; —-

77

ocr page 90

Nog acht malen laat hij het buskruit ontploffen, En telkenmaal juicht men : «Getroffen ! getroffen !quot; En wonder! daar .staat, na de negende maal, Het cijfer van negen in 't vaan van metaal.

De raad overlegt en na ernstig gefluister :

))Joost Manner, strek Frankfort tot nut en tot luister; De vest wordt je paalvaste hand toevertrouwd,

Wees hoofdman der schutters!quot; sprak plechtig de schout.

•loost antwoordt: »De stad is met muren omgeven: Het stroopen op 't onbemuurd veld is mijn leven. Ik schiet op geen menschen; bedankt voor die eer! Bewaar goed mijn negen — en snap me niet meer!quot; —

Maar, is dit verhaal, uit het rijk van de sagen. Zóó werklijk gebeurd? — Die zoo iets mij durft vragen, Die stoome naar Frankfort: hij ziet op de vaan Van d'eigensten toren de negen nog staan. 1)

1) In 18öl — het jaar waarin Das malerische n n d romantische Rheinland van ilen beroemden hoogleeraar Dr. Karei. Simrock voor de derde maal werd nitfjegeven - was te Frankfurt aan den Main die toren «dei-Eschenheimer Thurmquot; nog Ie zien (L. c. blz. maar «voor den niokerslng

der moderne Vandalen viel menig gedenkstuk ineen,quot; schreef Dr. Schaepman. Misschien is ook dit gedenkstuk vergruizeld.

ocr page 91

DE LAATSTE DER ROODHUIDEN.

e laatste gloed van 't avondrood Vloeit over zee en aard, Waarop een eenzame Indiaan Weemoedig peinzend staart.

Hij ziet de Stille Zuidzee ginds, /.ij glanst als vloeibaar goud, Is breed en diep en toch zoo kalm. Dat 'n huikje haar vertrouwt.

De blauwe bergrug achter hem

Versmelt in 't grauw verschiet. Waar, met het oog des geestes, hij Het woud der vaadren ziet.

79

ocr page 92

En in de lucht geen toon, geen klank Die 't plechtig zwijgen breekt;

Doch hoor, hoe, leunend op zijn boog. De peinzer imirnilend spreekt:

)gt;Ginds aan d'Ohio heb ik n Aanbeden, Zonnegod.

De Roodhuid ziet dien stroom nooit, weer, Zoo scliikte 't wreede lot.quot;

»De blanke bouwt zijn huizen, waar Ons jaelitpaard brieschte en joeg,

Zijn hakmes velt de bosschen neer.

Waar quot;t meisje om liel'de vroeg.quot;

))Toch hieven onze krijgers eens Der vaadren standerd op:

De vuren gloeiden in ons kamp Op eiken heuveltop.quot;

«De vijand hooide ons krijgsgeschreeuw En kromp van schrik ineen,

Want onze pijl trol' altijd doel En velde menigeen.

SU

ocr page 93

»Wiiar zijn zij nu? — Des vreemfllings Ircii

Ontwijdr, dit zwijgend land:

Ik bon de laatste van mijn nis En voel de iiiju der scliand.quot;

«Waar zijn zij nu —- /.ij smolten weg

Als de ijstaj) voor de zon:

Vergaan , vergaan is onze roem .

De blanke beul verwon!quot;

«Zijn bajonetten glinstren nu

Langs de oevers van den stroom.

Ku de 1 ndiaansrhe stam verdween Als 't sebijnbeeld van een droom.quot;

ocr page 94

ij kent me,quot; zoo s]irak hij, en streelde zijn Iwnrd quot; En ledigde in één teug den beker,

)i 11 et bloed van mijn ras is in mij niet ontaard ;

Een eindlooze baan leg ik al' in één vaart:

Met mij stoomt men veilig en zeker.

«Doch eens — ik beken het toen is mij het zweet;

Van schrik langs het voorhoold gedropen ;

liij Spicheren ') stond onze heirmaeht gereed ,

Ik stookte mijn stoomros de lendenen heet;

Voor honderd caissons ï) moest het loopen.

1) Tussclien Forbach en Saarbriicken. wanr «loor dr ovrrmaclit «Ier Pruisen 1« Pransclien het onderspit dolven, (5 Anlt;f. 187(1.

2) Waggons, met buskruit geladen.

ocr page 95

quot;In zulk een gezelscliii)) duur pijpt ge niet mm:

Kén vonkje in het kruit kost het leven.

Ge loeit als een kat, overziet heel de baan.

Blijft handig en trouw bij den stoomketel staan. Een misgreep.... hrrr! 't is om te lieven!

»\\ ij stoomden pijlsnel door het hladstille hoscli.

Jiangs bergen en weiden en akkers.

Vooruit, immer voorwaarts en t'risch er op los: Hoe blonken de starren, hoe zwoegde mijn ros! Ik dacht aan den strijd en mijn makkers.

»Op eens. na een koeltje zoo wonderlijk zacht.

Begon er een stormwind te loeien.

Die wolken bijeenjoeg met woedende kracht.

Daar zie ik den bliksem in 't holst van den nacht Den gitzwarten hemel doorgloeien.

«En vulirstraul bij vuurstraal schoot recht naar heneén

Het rommelde en kraakte daarboven: De bliksemllits speelde om de kruitwagens been — fieen twijfel, mijn trein barst in splinters uiteen, Is aanstonds als stuifzand verstoven.

83

ocr page 96

»Gij kent me. doch 'k voelde in dien uitersten nood

De knieën verwrikken en knikken.

'k Braveer op het slagveld 't vijandelijk lood:

Maar denk ereis, vriend, aan zoo'n luchtvaart en dood. Dan voelt ge onder 't wambuis iets tikken.

»'k Zag 't einde der reize. God heeft mij behoed.

— Op Hem blijf ik immer vertrouwen.

Al had ook het noodweer geraasd en gewoed,

Mijn spoortrein kwam aan en met dankbaar gemoed Heb 'k biddend de handen gevouwen.

»Want als 't er op aankomt, is m ij n kunst niets waan

Hij dronk weer een schuimenden beker,

En trok aan de stoomlluit en pookte in den haard,

Daar snelde hij henen, doch riep in zijn vaart: «Dan stoomt men met fiod alleen zeker.quot;

ocr page 97

RIDDKR IIUMAÜE.

c vluktc van Kossowa Di'uiuit onder 't lioel'ge.stiiiii|i; Uaai' strijdt Hougiuir en Moslem Een heeten worstelkai11p;

Daar kletteren de waapnen Van menig koenen held;

Daar wordt de bloem der krijgers Door 't moordend staal geveld.

Wie is 't, die als een stormwind

Daar over 't slagveld bruist?

De ridder Huniade,

Hoe 't zwaard blinkt in zijn vuist!

ocr page 98

Het is of helle vonken Hem s|i!itteii om 't vizier. Als liij met hlikseni-siiellieiil Doet slingreu 't blank rapier.

«Terug, gij ila|i|(er ridder! He toom n\v vurig ros!

Uw moed drijft u te smm ic . lgt;e dood stuift op u los!quot;

Te laat: daar zijgt gctroll'en Met steigrend ros ter aard, Ku in dien val vcis|ilintert Des ridders vlammend zwaard.

Een tweetal woeste Turken I'espringt den lieren held: Zij grijpen en zij sleuren Hem ver van 't oorlogsveld.

Hen lokt het ghnstrend kruisje, Dat hem zijn moeder gaf: Een rukt met dolle woede Het pand van 't harnas al'.

86

ocr page 99

De woeste roove.quot; glimlacht: Ito riildcr Uiiiirsetaiidt:

liet Moinooil zijner niucüer In vuige rooversliaiul!

Doch zie. ook de and re woestaard Kisdit van den bnit zijn deel; IIe granisc.ha|i is ontstoken Om 't schitterend jnweel.

liij heiden slaat het tvvistvnnr Aldra in vlainincn uit,

Kn heiden slingervnisten .

Kn ieder eischt den huit.

Daar rijst eensklaps de ridder Met vlaninienscliietend oog. Ontrukt den een het kromzwaard : liet llonkert van omhoog.

«Nu is de kans gewisseld ; De vuist omklemt een zwaard 1quot; Twee barsche schedels [dollen Met lellen slag ter aard.

ocr page 100

De krijger rukt het kleinood Den mover uit de liand : Hij denkt ami zijne moeder. En kust liet dierbaar pand.

Dan stormt hij naar het strijdperk Jn 't dreigendste gevaar: Het Turksche lieir vliedt siddrend Voor Huniade's scliuar!

AAN KKN SAAIKX PLAKKKU.

2)aar is een tijd van komen, Haar is een tijd van gaan : Dit moet gij zóó verstaan . Dat, is 't uw tijd van komen. Het mijn tijd is van gaan.

ocr page 101

r.KNKUAAL SANIiKliS.

j ii zijne Xopidsclie reisverhalen, zoo keurig van ^ vorm, degelijk van inhoud en prettig van toon. geeft de geestrijke Dnitsche Jezuïet, P. Alex. Daumgaitner, den lezers der Stiiumoi nu* Mario-Luach nu en dan ook een Scandinavisch gedicht te genieten, door hem in het Duitsch overgebracht.

Aan een dier verhalen, »Aus dein Lande Suomiquot; getiteld, ontleenen wij Genkhaai. Sanukls, waarin ile Finlandsche dichter Rimeberg ('), op zijn eigen lossen, luchtigeii trant, een der meest populaire heldenfeiten van zijn landgenoot Sandels bezingt. Op het voorbeeld van den Duitschen vertaler. en ongeveer met yijn woorden, laten ook wij aan onze vrije overzetting eenige noodzakelijke toelichtingen voorafgaan.

1) Hij wenl ^eburen in isd'i. «» deelen poëzie uil in hut Zweedscli, stierf in 1877.

ocr page 102

«Di' popnlairsti! dei' Finsche bewllieWiers in den oorlog, tnssclien Unsliind (üi Zwodisn in 't bjegin dezer eeuw om liet bezit van Finland gevoerd, was zeker krijgsoverste, Sandels gelieeten, een ee.hte )iou\vlt;legen van hoogst eigenaardige soort, die uitmuntend zoo door krijgslist als persoonlijke dapperheid, den Russen tallooze parten speelde en den strijd nog lustig voortzette, toen de andere aanvoerders het oorlogstooneel reeds verlaten hadden, en Uussische legerkorpsen zijne kleine bende van alle zijden in liet nauw brachten. Door overrompeling nam hij dikwerf vele honderden vijanden gevangen. In den loop van één maand sloeg hij de Russen 50 mijlen terug, en bet gelukte hem, meer dan 1000 van hen te dooden of te vangen en overvloedige proviand te bemachtigen. Een der verinaardste poetsen, die hij den Rus heeft gespeeld . was die van Augustus 1808 kort vóór het Congres van Erfurt, toen de Czaar reeds zijne hoofdstad verlaten had om in persoon met Napoleon te onderhandelen, en de Russische minister Arakt-schejew van dit oogenblik gebruik maakte om den wapenstilstand met de Finnen te verbreken. De overste Sandels stond toen met slechts 1400 man in de omstreken van .lisalmi aan den westelijken oever der Koljorivier in een verschanst kamp. Aan de overzijde der rivier waren de Russische generaal Tatsclikow en prins Nikolaas Dolgoruki met 6000 Russen gelegerd. Tatsclikow kondigde den 27stel1

ocr page 103

Augustus aan. dat tegen één uur de strijd hervat zou worden. Sandels, een uiterst nauwgezet krijgskundige. hield zicli stipt aan de klok en he-steedde het laatste uur van den wapenstilstand, om zich in de woning van den predikant te Pardala door een stevig maal te sterken tegen den aanstaanden strijd. ïatschkow's horloge liep — 't zij bedrog of toeval — een uur voor. De Viitahrug over de rivier was nog niet geheel afgebroken en de llussisdie krijgsmacht drong aan van den anderen kant. eer men haar den overtocht kon beletten. De voorhoede der Finlanders was weldra uiteengejaagd , en de Russen rukten nu terstond op de. verschansingen zelve van het Finsche leger aan. liet was een hachelijk oogenblik. Doch Sandels. die intusschen was toegesneld, verloor zijne koelbloedigheid niet. Hij wachtte rustig, totdat de linie der Russen zich bij de verschansingen eenigszins had verdeeld, en liet toen door den overste Fablander een aanval doen met de bajonet. De linie werd verbroken en het Russische leger naar de overzijde der rivier teruggeslagen. Meer dan 700 Russen vielen, waaronder prins Dolgoruki zelf.

In zijne populaire »Erzahlungen des Fahnrichs Stiilquot; heeft Uuneberg dit wapenfeit op de volgende wijze geteekend.quot;

ui

ocr page 104

Te Pardala o|gt; zijn gemak aan 't ontbijt

Zat Sandels. do Finlandsche held:

)A\ oer vechten ! Mij hale de droes, als de kaiii|gt;

Vandaag niet de Viiia-brng gelilt!

Gegroet, waarde iiospes! .... Vergeef mij de vraag Züg, liebt gij een bielstuk. mij krevelt de maag!quot;

»Die Tatschkow zond heden de boodschap al vroeg

Om één uur begint weer de strijd. — Eet smakelijk ! Geef me wat rundergebraad

Ik heb nog een goed uur den tijd: —

En leg ik u. gastvrije vriend, niet op stroo. Wel, schenk dan een roemer vol ouden Bordeaux.quot;

Doch zie! daar snelt eensklaps een renbode toe:

))Men schond het verdrag, generaal!

En Brusin toog henen.... de brug moet vernield,

Vóórdat ons de Rus achterhaal'.

Bij ons wijst de klok pas het middaguur aan, De Rus heeft op één zijn horloge reeds staan.quot;

Behaaglijk strijkt Sandels langs knevel en baard .

Als ware er geen sprake van strijd: »Kom, vriendlijke gastheer, kom schenk nog ccus

Zulk druivenbloed wekt appetijt.

Die Rus Dolgoruki maakt altijd zoo'ii spoed, Ik drink op zijn welzijn en huldig zijn moed.quot;

ocr page 105

Do bode spreekt haastig: «Men wacht, generaal.

Vol ongeduld op uw bevel!quot; —-»Nu — zeg aan Fahlander, de brug is niet breed,

Zijn batterij hondt liet nog wel.

Kén nnrtje nog doe hij 't kanon er langs gaan! — Toe, reik me die kaJlskotelet ereis aan.quot;

De renbode gaat. Maar een ruiter snelt toe

Op 't snuivende, stuivende ros.

Springt af en verschijnt als de bliksem in huis.

Daar vliegt al de kamerdeur los...

't Is Sandels' vertrouwling. een knap adjudant, — Wat maakte zijn sabe' al Russen van kant!

Hij staat voor de tafel met vuurschietend oog

En buldert zijn opperhoofd aan :

»Wij harden 't niet langer, wij plassen in 't bloed.

't Is straks met ons leger gedaan!

Het vlamt nog van moed, doch het vlamde nog meer. Zag 't eindlijk het zwaard van zijn aanvoerder weer.quot;

Verstrooid luistert Sandels naar 't bruisende woord .

En schertst: »0! dat jeugdige bloed.

Verhit van den rit! Kom, neem plaats aan den disch

En doe je eens terdege te goed.

Je schijnt me wat haastig gebakerd vandaag:

Toe, leg eerst een Hink fondement in je maag!quot;

ocr page 106

l)f .jonkiiiiui spreekt ilreigetul: »1)(' kanip valt ons zwaar,

De vijand staat reeds voor de lirug;

Te Kaupila griinbekt een heel bataljon.

De voorhoede wijkt straks terug.

Verward zijn de scharen, geen langer gedraal!

lieslis dus en geef uw hevel. generaal!quot;

«Bevel — Hond u rustig, zet kalmpjes u neer,

Die schotel is heerlijk, pak aan!

.Maar drink eerst een heker, dan zal liet gehraad

Wat gladder het keelgat in gaan.

Haal 't hart ereis op! doe als waar' je te huis!

Ziedaar mijn hevel en mijn wachtwoord incluis.quot;

De jonkman verbleekt en van drilt trilt zijn stem.

Hij dondert zijn legerhoofd toe;

»'t 11ooge woord moet er uit; ja! wij minachten n.

Wij zijn dat geleuter nu moe!

Wij schelden u lafaard. van l'inland ontaard.

De schande onzer vaan eu den kogel niet waard.quot;

»Wat zeg jij? ik, lafaard? de schande onzer vaan?quot;...

Hij stuift met een schaterlach op,

«Dat zeggen de troepen van Sandels. van mij?

Maar zijn zij gebruid met den kop?

Mijn degen... mijn paard!... op de Virta-brug aan! Ik. Sandels, een lafaard, de schande onzer vaan?quot;...

94

ocr page 107

En liet stormt en het mast en liet kookt aan de brug.

Het klettert en knettert en knalt.

De kruitrlamp hangt zwaar over water en land.

Het krijgsgetier giert en weerschalt:

En de aschgranwe henael verdonkert al meer.

En staart met ontzetting op 't worstelend heer.

De Einlandsche drom staat daar pal op den wal.

iilikt moedig den dood in 't gezicht,

Eerst momplen /ij dol' en dan klagen /.ij Inid :

))De veldheer verzaakte zijn plicht.

Wij kampen als leeuwen op leven en dood .

De lafaard ontweek de gevaren en vlood.quot;

Doch ziet! ha. daar naakt hij op 't schuimende ros!

Hoe lier golft zijn phnmbos omhoog!

Daar staat hij. de veldheer, op d' uithoek der schans,

Geen bangheid verdonkert zijn oog;

Kalm richt hij den kijker met paal vaste hand:

Bestrijkt met zijn blik èn het water 't land.

Nn dringen de Kussen al verder vooruit.

Voor duizenden geldt liiin zijn val:

quot;t Kanonvuur verdubbelt, het vlamt naar één punt.

Dij rustloos musketteugeknal:

Maar hagelt liet kogels op Sandels gericht.

Hij staat on verwrikt en vertrekt geen gezicht.

05

^--^

ocr page 108

Di' «Inppro Fahlanflei' spoort ijlings zijn paard

En rent op don krijgsoverste aan:

«Bij 't heil nwer trouwen. stijg at', genei-aal:

Zoo ver mag nw stontlieid niet gaan!quot;

«Stijg al', generaal!quot; roept nu dondrend de schaar, «Uw leven is 't onze, nw gevaar ons gevaar!quot;

Maar roerloos bleel' Sandels daar staan op de plek .

En lachte met schamperen spot:

»Is 't leger nu laf, en bekrnipt het de vrees?

Zoo 't weifelt, beslist is ons lot:

Wij nemen de proef — nog één oogenhlik tijd.

Maar houdt n slagvaardig: geducht wordt de strijd.quot;

Het handjevol krijgers hij Kanpila wordt.

Schoon trouw tot den dood aan zijn plicht.

Ten laatste gedwongen tot eervolle vlucht.

Daar 't strijdend voor de overmacht zwicht.

In wilde verwarring ontspringt het den dans.

En ijlt nu doldriftig langs de eigenste schans.

Geen duimbreed wijkt Sandels van 't punt waar hij staat

Al trappelt en hinnikt zijn paard:

Al snellen de Russen bij duizenden toe

Op 't bolwerk in stuivende vaart :

Al worden de zijnen bevangen met schrik,

Held Sandels blijft staan met. een rustigen blik.

ocr page 109

Hij /iet oj) zijn uurwerk .... één oogenblik nog....

De wijzernaald staat op één uur —

Dan roept hij; »Fall lander, zijn de onzen gereed?

Wees dapper, nü gaan we in het vuur: Het Russische leger verbrokkelt zijn kracht.

Frisch op! sla er door met geheel onze macht!quot;

Gezegd is gedaan! zie, daar schieten op eens

De zeshonderd af van den wal,

De vreeslijke worstling is spoedig beslecht.

Daar davert het zege-geschal:

De duizenden zwichten en deinzen terug. De zeshonderd wonnen, gered is de brug!

En Sandels draalt aan op zijn sneeuwwitten hengst.

Met schuim overspat en met bloed.

En rijdt langs de schare met stralenden blik

En brengt aan de dappren zijn groet.

«Ik hield me,quot; zoo lacht hij, «gestreng aan het uur: Ik voerde geen lafaards, maar helden in 't vuur!quot;

Geen morren gaat meer van gelid tot gelid.

En de oogen staan lustig en klaar.

Een stormig gejubel en eindloos gejuich

Stijgt op uit de moedige schaar.

En 't galmt aan de Virta-brug tienduizendmaal: «Victorie! Geen held zooals gij. Generaal!quot;

97

ocr page 110

DE VROUW VAX DEN IER.

Xf otens rami en, harten jamren ' In het duister kerkerkot, Gijzelplaats des lerschen pacliters: Hoor! is dat de staji des wachters?... Neen. de Ion) treedt door het schot:

»))Hoor ze weenen, hoor ze stenen;

O, zij hongren, die gij mint!

Geldschuld zal u niet meer klemmen ;

Wilt ge O'Connell tegenstemmen,

'k Delg uw schuld — om vrouw en kind.

98

ocr page 111

Liiiig wel draalt liij. eindlijk faalt hij;

Ach, /.ij hongren, die hij mint: En hij gaat met wankle schreden ... Maar daar ziet hij nadertreden Bleek van armoe vrouw en kind ;

)'T)oe uw keuze! /ij uw leu/.e:

Ierland. Ierland worde vrij! lt; gt;1' wij hongren, of wij sterven.

Laat uw eere niet verderven !

Ierland — roept zij worde vrij!'?

«Zóó uw leuze'. Doe uw kenze!quot;

En hij gaat. heslist het lot.

Kiest O'Connell den Itevrijdei'.

Eer en glorie aan den strijder! — »»Zet den Ier weer achter 't slot!quot;quot;

Doe uw keuze! Zij de leuze:

Vrij, o vrij moet Ierland zijn!

En dat wachtwoord der getrouwen Klinkt door Erin's groene gouwen:

Vrij. ja vrij zal Ierland zijn!

!W

ocr page 112

D E /. E G E T IJ D I N' O.

^^oed nieuws voor den koning, goed nieuws voor ons allen quot; [Het koorn is vertrapt en de gracht is bloedrood.] Zoo juichen herauten door straten en hallen,

[En vijand en vriend werd de prooi van den dood.] «Aan ons bleef de zege! De stad is genomen!

»De vijand is nauw aan ons slagzwaard ontkomen!quot;

» »Wie streed er het moedigst?quot; quot; vraagt juichend de konin

[Het koorn is vertrapt en de gracht is bloedrood.] » »Wat geel' ik dien held voor ziju moed tot belooning?quot;quot;

[En vijand en vriend werd de prooi van den dood.] »Zij streden als helden de jongste naast de oudste;

»Maar VVendnlph, o vorst,, was van allen de stoutste !quot;

» »Waar is hij ?quot; quot; — vraagt juublend de schoone verloofde

| Het koorn is vertrapt en de gracht is bloedrood.) » «Wanneer zie 'k hem weer, diende krijg mij ontroofde?quot;

[En vijand en vriend werd de prooi van den dood.] «Leg het bruidsgewaad af om in 't zwart u te kleeden , «Uw bruidegom Wendulph heeft 't moedigst gestreden!quot;

ocr page 113

VOüIl ÉÉN STUKJE GOUU. lt;)

de Apeniiijii /.ijii kruiu verheit, /.icli spieglend in den stroom — Diuir leidt door 't dichte, woeste woud. Door wilgestruik en kreujielhout Ken weg naar 't heilig Room'.

Met luttel reisgeld in de tasch.

Een grove pij om 't lijf Trekt door dit onherbergzaam oord De vrome Jan van Kenty voort. Dooi' jaren stram en stijf.

Reeds groet zijn oog de heil'ge stad,

En de uren zijn geteld:

Maar plotsling davert hem in 't oor: «Sta. monnik, ga niet verder door: Uw leven of uw geld !quot;

1) Verg. hel Roineiusch brevier 20 October.

101

ocr page 114

Een vijftal roovers seliieten toe.

Hot ilreigenil stual ontliluot: Hot autwourd luidt: «Ziehiei' mijn schut! 'k Gal' meer /.00 ik nog meer bezat: Het lielpe u uit deu nood!quot;

Goils dieiiiiar zweeg. De roovers gaan

Op nieuwen plondei'toclit.

Maar hoe?... daar vindt hij in zijn zak Ken goudstuk dat er heimiijk stak. Hoe goed hij had gezocht!

Nu roept hij luid de roovers na —

Men komt verbaasd nabij,

«Hier is,quot; zoo klinkt het uit zijn mond. Nog meerder geld dat ik daar vond Verscholen in mijn pij!quot;

Verpletterd staan de schelmen daar, De deugd heelt wondre kracht, /.ij vallen voor zijn voeten neer Eu zijn gewonnen voor den Heer,

Wiens liefde had gewacht.

ocr page 115

Eu Kent}* spoedt zich ijlings voort

Naai' Rome's heiligJom.

Daar dankt hij God in 't hart verheugd. Vijf zielen voerde tot de deugd Één stukje goud weerom.

KEN BUUIil'KAAT.I F..

buurvrouw, wip reis even aan!quot; »»Nu, vijf niinuutjes, dim moet 'k gaan:

Ik heb de lieele wasch nog staan.quot;quot;

En meer dan vijl' kwartiertjes zijn verstreken, Nog ging zij niet, /.oo'n pret is 't, kwaatl te spreken.

•103

ocr page 116

DE BRON VAN SLNTE KKYNE. '}

^^uiiJwestlijk van England diuii' welt eene bron.

Een klaarder is nergens te zien;

Geen vrouw in (Jonnvallis die niet heelt gehoord Van 't water der bron Sinte Keyne.

Een eik en een iejtebooni bloeien er bij.

Daarnaast schiet een esch welig op. Van d'oeverkant bnigt naar het water een wilg Zijn takkigen. dorstigen top.

!) Spreek uit: Sinte Kien.

ocr page 117

Een reiziger kwam daar op stikheeten dapr,

Doodmoe en gebruind door de zon,

Uij was reeds bij 't gloren van d' ochtend op pad, En vlijde zie.li néér bij de bron.

Hij rustte in de scbaiiuw van den loofrijken wilg,

De luchtstroom verkoelde zijn borst:

Hij dronk van het water zoo helder en frisch En leschte zijn brandenden dorst.

Toen naderde een man uit het huis van nabij,

En bleef bij de waterbron staan En vulde zijn emmer, verzuchtte eens en sprak Den wandelaar vriendelijk aan :

«Indien gij gehuwd zijt en — hier ligt de knoop —-

Uw vrouw van dit nat nog niet dronk,

Dan laafde n vandaag wis de heilzaamste teug,

Die ooit de Fortuin voor u schonk!quot;

«Mijn vrouwlief, was 't antwoord, bezocht nooit dit land.

Dronk nooit van dit water, naar 'k gis:

Maar spreek ereis duidlijk en zeg mij toch hoe Mijn dronk daarom heilzamer is!quot;

105

ocr page 118

»lte heilige Keyne kwam hier vaak, zei de man Sinds eeuwen reeds lilijkt ons haar macht;

Zij gal' door haar woord, eer zij de aarde verliet. Aan 't water een wondere kracht:

«Proeft de echtgenoot vóór zijne vrouw van dit nat, — Al was hij zoo bang als een haas —

Wél hem ! want hij blijft dan zoolang als hij leeft In 't huishouden zeker de baas.

«Maar wee! als zijn vrouw er het eerste van drinkt üchannen! waar hulp dan gezocht?quot;

Ue reiziger bukte weer gauw naar de bron En dronk nog eens Hink van het vocht.

Toen vroeg hij: »Mijn vriend, gij dronkt zeker bijtijds? Gij woont hier niet verre van daan....quot;

Üe man schudde 't hoofd en verzuchtte eens en keek Glimplachend den vreemdeling aan :

))Ilet huwlijk was nauwlijks gesloten of 'k liep Op 'n draf naar de bron Sinte Keyne:

Och hemel, te laat! In de kerk had mijn vrouw Zich reeds van een lleschvol voorzien.

•106

ocr page 119

\V R O E G 1 N G.

Koor, hoor! liet kermen van een vrouw En 't krijten van een kinci! De sneeuwwolk breekt, en 't ijl kristaloor, hoor! liet kermen van een vrouw En 't krijten van een kinci! De sneeuwwolk breekt, en 't ijl kristal

•laagt dwarlend in den wind : In donkren iiacht steunt immer voort,

Gedragen door den wind,

De matte klaagstem van een vrouw En 't krijten van een kind.

liij 't haardvuur peinst de heer van quot;t slot

En staroogt voor zich uit, Eu plotseling weerklinkt zijn naam.

Hij kent dat stemgeluid :

Een schok doorvaart ziju rustloos hart,

Hij rilt bij 't koestrend vuur, Al dringt geen sneeuwvlaag in de zaal, Geen stormwind fel en guur.

107

ocr page 120

In donkren nacht steent immer voort,

Gedragen dooi' den wind,

üe matte klaagstem van een vrouw

Eu 't krijten van een kind.

De lieer vol angst beveelt en roept;

»Hondt af, houdt af die vrouw! Gesloten blijve 't grendelslot.

Dat ik haar niet aanschouw!quot;

)gt;Doch waartoe vrees?quot; zou prevelt hij,

ij Hoe toon ik mij zoo laf!

De doode treedt niet in dit huis,

Wie rijst weer uit het graf?quot;

Toch in den nacht steent immer voort.

Gedragen door den wind,

De matte klaagstem van een vrouw En 't krijten van een kind.

•)lloudt af, houdt af!quot; roept hij opnieuw.

Want buiten klinkt een gil,

Die op de vleuglen van den storm

Hem nadert wreed en schril. En dichter schuift hij naar den haard .

Verwenscht in wroegingssmart Den stormwind . die zoo luid bespot

't Geheim, dat knaagt aan 't hart.

ocr page 121

Steeds nader, nader komt de kreet

En giert door 't grendelslot,

De ridder is verstijfd van schrik

En vloekt nu tegen God.

En eensklaps linilt een wilde vlaag Den gang door van het hnis.

En open vliegt de deur der zaal Met donderend gedruisch.

De heer stuift van zijn leunstoel op!

Daar aan den drempel treedt Een jonge, .slanke, bleeke vrouw

Met doodsgewaad omkleed:

Zij spreekt geen woord, zij slaakt geen zucht.

Doch staait den ridder aan Met /achten hlik. die scherp verwijt En alles doet verstaan.

De ridder weet, wat niemand weet

En leest wat niemand leest. Wat niemand hoort, verneemt ziju hart.

Al zwijgt de kille geest.

Dat harte schrikt hij elk gevaar.

In knagend naberouw.

Voor 't spooksel van eeu snoode daad En voor de schim der vrouw.

•109

ycJsV quot;quot;quot;N

ocr page 122

EEN 0C)THE-XAV0RSC1I EP..

Kn07.ce! hoezee! ik holi gevonden I )i' rekening zoo lang verzwonden Van Göthe's handigen l)arbier! Moe lioog de dichter hem betaalde. T»ii' van zijn kin de stoppels haalde. Ligt voor mij op een stuk papier!n07.ce! hoezee! ik holi gevonden I )i' rekening zoo lang verzwonden Van Göthe's handigen l)arbier! Moe lioog de dichter hem betaalde. T»ii' van zijn kin de stoppels haalde. Ligt voor mij op een stuk papier!

Al mis ik eenig cijlerteeken.

Al mocht, de naam zell's iets verhleeken.

'k Heb een doordringend, schei'p gezicht! Heil u, o wetenschap! want klaarder Wordt ons nu Giithe en eerbiedwaarder: Van dit papiertje straalt «meer licht!quot;

110

V

ocr page 123

Dasz die Heimath sie erreiehe.

Hebt die Tan lie Bliek mui Fliifr —

Niich dem slïszen Himmelreielie Mat die Seele iliren Zng.

Carl Rr.'xn.pii Tanker.

ocr page 124
ocr page 125

MISF.RTCORDIA DOMTNI. ')

ygt;Ih hen de llocile Jlertler.quot; (Joh. X, 14.)

V/ot dwaalpad gaan! — ü, welk oon treurig woord ! ' Het zwervend kind gaat angstig, angstig voort En zoekt en tast en voelt zich nergens thuis .

Kn weet den weg niet naar het vaderhuis.

Het dwaalpad gaan! - Ach, welk een treurig lot! De vrede en vreugd zijn heen. de kracht geknot. Gij zwerft, o ziel, al zijt gij doodlijk moe;

Steeds dwaalt gij voort niet wetend waar noch hoe.

Daar klinkt een stem ! — Zij is zoo godlijk schoon .

Doortrilt geheel de ziel met wondren toon.

Daar blinkt een ster! — De lucht, van neevlen zwart.

Klaart eensklaps op in 't arme menschenhart.

Daar wenkt een hand! - Wien hiel' zij van den grond.

Die dan de zoetste kalmte en rust niet vond !

Aan 't hart des Herders rust het moede hun ,

Aan quot;1 hart des Herders, die het zoeken kwam.

I) lgt;it quot;'M volo^mlc jroilielitoii /.ijn rHirspionkolijk in Iwl Dnitscli

vervaanlig»! iloor opih.* Ijokeerliairc uit lifi Prolpstanli.sine.

11R

ocr page 126

Wie telt liet aantal, door de liefdekracht Des Goeden Herders reeds naar huis gebracht? Die liefde. mateloos en onbeperkt.

Blijft onverllamvd, als liad zij nooit gewerkt. Toont kribbe en kruis al 's Herders zoekend liart, Dat door de wreede speer geopend werd, De Herder ving voorgoed te zoeken aan.

Toen in het outer llij was schuilgegaan.

Vraagt gij, wat Jezus nacht en dag daar doet? Zijn blikken zochten u met liefdegloed :

Hij bleef het waakzaam oog trouw naai' n slaan En zag in droefheid u het dwaal pad gaan; Gij gingt den breeden weg. Hij waakte en zocht. Of Hij 't verloren schaapje redden mocht.

En toen gij geenszins aan zijn liefde dacht,

Heeft Hij om u geweend, gewaakt, gewacht-

Sla nu een blik op heel uw levensloop!

Ziet gij geen stralend licht, het licht der hoop? Daagt voor uw heugenis geen dag van ver? Is niet de ontferming Gods de blanke ster?

Hebt gij niet 's Herders stem, zijn haitlijk woord Voor de eerste maal in 't heiligdom gehoord? Hief niet zijn hand u zachtjes van den grond Aan de outer-tree, waar Hij zijn schaapje vond?

ocr page 127

Gij weent? — O Ja, mijn ziel, ween voort!

Looi' God met tranenvloed en spreek geen woord Gij hebt geen tranen, ook geen bloed genoeg Ten ofl'er Hem. die 't srliaapje liuiswaarts droeg, lüed beel n zeil' aan Hem ten oflerlam !

Verteere nw ik in irinste lieldevlam!

Zoo werkt gij mee met Gods barmhartiglieid . Herleeft dan in zijn Hart. voor u bereid.

Zoo vaak gij nn in 's Hoeren tempel treedt. De ster van 't eeuwig licht u welkom heet. Gedenk dan dankbaar den genadedag.

Toen aan 't altiuir nw hart te smachten lag. Wat kunt ^ij doen. als pij dien dag herdenkt. Dan dat gij Hem n zelve telkens schenkt Met heel nw hart en al nw liefdekraeht,

Die ii in 't licht barmhartig heeft gebracht.

115

ocr page 128

HET WARE LICHT.

oo raenig' licht op aarde Glanst met vorsdieiHen schijn Km elk kan ons tot voordeel, Ten troost en vreugde zijn: Want licht en 's menschen ziele

Zijn met elkaar verwant En allernauwst vereenigd Dooi- een geheimen band.

Dringt in het mensehenharte

Een straaltje zonnelicht, Hoe blinkt van lust en vreugde

Dan 's menschen aangezicht 1 En wekken tlonkerstarren

Aan 't blauwe lirmament Geen droomen en verlangens Te voren ongekend ?

ocr page 129

Niets is or, wat hij :t glinstren

Het liet' geflonker haalt. Dat uit do onscluildige oogen

Van 't kind ons tegenstraalt. Het i.s als viel een weerschijn

Een afstraal van omhoog Van 't eeuwig, godlijk zonlicht In 't i'elne kinderoog.

Er blinken vele lichten Met ongelijke pracht.

Maar zijn bij de éóne lichtbron

Als 't donker van den nacht; Bij 't ééne licht, dat aarde

En hemel overschijnt /.uó glansrijk, dat het duister Van 't somber graf verdwijnt

Een noorderlicht, dat droeven

Verkwikking mededeelt, De nevelwolken wegdrijft En alle wonden heelt: Een licht, dat liellijk flonkert Langs het gevaarlijk strand . Opdat wij veilig reizen

Naar 't hemelsch Vaderland;

ocr page 130

Een licht, een vurig sprankje,

Dat elke Christen kent: De nooit gedoolde godshunii Voor 't heilig Sacrament: Een licht, dat elke stonde

Naar 't Tabernakel wijst, En met zijn vlammend tongske Den God des levens prijst.

Een üiele, die op Christus

Als op haar Bruigom staart, O, neen, zij kent geen reiner, Geen schooner licht op aard! Voor 't klatergoud der wereld Sluit zij hare oogen dicht, Doch ziet naar quot;t Tabernakel. Xaar 't onverganklijk licht.

Ach. drukt het kruis des levens

Ons vaak niet ui te zeer De ziele zou bezwijken,

Vond zij niet keer op keer Den God des Tabernakels,

Die minzaam op haar ziet En eiken zielsbedroefde De zoetste laafnis biedt.

118

ocr page 131

O, zonder Tabernakel

Noem ik den rijkdom — nood, En eiken lichtstraal — schaduw,

En al het leven — dood :

Doch met het Tabernakel

Vervangt de vreugd de smart, Wordt elke traan een parel, Een Hemel ieder hart.

Men mag mij alles schenken, Mij is het waardloos goed, En alles mij ontnemen.

Het is mij lief en zoet:

Ik ga naar 't Tabernakel.

Wanneer mijn harte zwicht, Eu vlied met wanne liefde Alleen naar 't ware licht!

ocr page 132

«SANCTUS.quot; (Isaï ii ^ I, X.)

i' knielen Englenscharen Aanbiddend oin 't altaai'. Kn |iiijzcii hoog lienr Koning Met zang en eitersnaar: Kn zingen, quot;t. Iiool'd oinslniiM'd. Kn jnle.lien zonder end ; O heilig, heilig, heilig,

Is God in 't Sacrament.

De lilunke kaarsen llonkreu Vooi' 't eerhiedwaai'dig sehrijn Als lieve kleene sterren Met wonderbaren schijn ;

Haar vlaninietjes verkonden Zoo vurig zonder end : O heilig, heilig, heilig Is God in 't Sacrament.

ocr page 133

HiiT geuren le;itebloeiiieii Bontkleurig, Irisch en klaar, Schoon de eeuwge Lcntezonne Ziuli .sclinillioiult op 't altaar: '/■ij neigen liare kelkjes En tlnistren zonder end : ü heilig, heilig, heilig Is God in 't Sacrament.

Er stijgen wierookgeuren In dwarrelende vlucht Door 't rein en needrig kerkje En balsemen de lucht: Dat feestlijk wierookoll'er Verkondigt zonder end : O heilig, heilig, heilig Is God in 't Sacrament.

En gij, mijn arme ziele.

Voor wie de Godmensch leelt In 't kleene Tabernakel, Ik vraag, wat gij Hem geelt.' Zink needrig op de knieën En bid hier zonder end : •ia, heilig, heilig, heilig .Mijn God in 't Sacrament!

ocr page 134

«TOT AAN DEN BERG GODS.quot; (1 Kon. XIX, 7. 8).

C^ta op en eet!quot; — zoo klonk het woord quot; Den afgezant des Heeren tegen , »Sta op en eet! want gij moet voort En 't doel der reis is afgelegen.quot;

En toen hij 't woord vernomen had,

Stond 's Heeren dienaar op en at,

En ging, door 's Hemels kracht gedragen. Tot aan den berg Gods, veeitig dagen.

Gods berg, dat is het eenig doei Der levensreis van alle zielen,

De weg is steil. de dag zoo zwoel,

Dat velen krachtloos nedervielen:

Zwikt niet de wandlensmoede voet?

Stolt niet in de aaren 't kruipend bloed? Zal niet het hart van zwakheid beven? Wie dan zal moed en kracht mij geven ?

ocr page 135

»Sta op en eet!quot; — zoo klinkt het woord Des Heeren oji mijn bange vragen:

«Sta op en eet!quot; want gij moet voort. En ver nog zal do voet u dragen;

Sta ijlings op, gij wordt genood Aan 's Heeren tafel: eet het brood, Het levensbrood, dat wondren werken En 't moede harte zal versterken!

Dat levensbrood o zalig lot! —

Huigt diep in 't stof mij dankbaar neder: Dat brood — het is mijn Heer en God : Dat brood geeft mij het leven weder; Dat brood daalt van den Hemel af: Dat brood maakt zoet mijn dood en graf: Dat brood, het Manna ons gegeven, Is 't voedsel voor het zieleleven.

Ü , levenwekkend wonderbrood ,

Mijn Heer en God. hoe zou ik klagen !

Hoe zon, gesterkt tot in den dood ,

Ik naar Gods berg de reis niet wagen! Zij dure lang nog, veertig jaar.

De lucht zij zwoel, bewolkt en zwaar, 'k Heb hoogen moed en frissehe krachten. Dat brood zal sterken, pijn verzachten !

123

ocr page 136

O. teerspijs,- liefde's hoogst gewrocht, Wat kan de ziele hier begeeren

Dan teerspijs voor haar pelgrimstocht Tot aan den heil'gen herg des Heeren! »Sta oj) en eet!quot; want gij moet voort', 'k Sta op eu eet, gelool' Gods woord; 'k Zal nimmer op de reis versagen, Hoever de voet mij ook moog' dragen.

m

\/

ocr page 137

BIJ EEXE EERSTE H. COMMUNIE.

|ii het wit gekleede bruidjes, ' Met haat- kransjes fijn en teer, Zag ik met gepaste schreden Door 't versierde kerkrnim treden Xaar den i'eestdisch van den Heer.

Met een blosjen o]i cle wangen

En een glimlach om den mond Gingen zij, het hoofd gebogen. Sloegen hare. onschuldige oogen Stil eerbiedig naar den grond.

En zij knielden aan den leestdisch — O, benijdenswaardig lot! — Om met heilig zielsverlangen In het reine hart te. ontvangen Den voor 't oog verborgen God.

125

/W\

ocr page 138

Op dut schouwspel staarden de ouders

Met van vreugde stralend oog:

Onder al die engelreinen Was ook een van hunne kleinen; O, hmi harte klopte hoog!

En dat hart zond bede op hede

Xaar den Hemel voor liet kind : «God van liefde, hlijf het hoeden. Met het Brood der Englen voeden.

Geef Heer. dat het II bemint!quot;

Na die bede, lieve kleine.

Itied ik u mijn heilwensdi :uin:

Houd bij 's levens vreugd en smarte Hen verborgen God in 't harte,

O. dan zult gij veilig gaan.

Veilig gaan door 't wisslend leven.

Recht naar 't doel, aan Jezus' hand. Opwaarts langs de steile wegen ,

Sterk door 's Hemels rijken zegen,

Naar het eeuwig Vaderland !

ocr page 139

W E N S C 11 E X.

't TLmechtig hert versmacht naar frissche waterstroom en : * Naar 't nest verlangend, kirt de tortel op de twijg: liet arme weesje klaagt of moeder weer zal komen:....

Ach , dat alleen naar God de zucht mijns harten stijg I

De bedelaar klopt aan en toeft hij elke woning:

Het klimop slingert langs den ringmuur van het slot: Aan 't roosje hangt de bij en zuigt den zoeten honing:.... Blijf eeuwig trouw, mijn ziel, trouw aan uw Heer en God !

De fiere krijger wenscht op 't bed van eer te sterven.

De wakkere matroos op 't wild geklots der zee : De vader des gezins op eigen grond en erven : ....

Sterf ik aan Jezus' Hart — waar ook — ik ben tevree!

127

^--^ N

ocr page 140

A F (; E W E /. E N.

«Omdat er voor ben geene plaats was in de herberg.quot;

hrc. li. 7.

o koningstelg uit Davids stam,

Om zijne deugden uitverkoren Tot Voedstervader van het Lam , - -T)at nit den schoot des Vaders kwam Als (ion met ons straks wordt geboren Uit zijne maagdelijke Bruid,

Door Isaïas voorbeduid. —

Vraagt voor die Vrouwe, nooit volprezen. Ken rnst|ilaats, maar wordt algewesten.

En toch. die Vrouw draagt in haar schoot Den Heer des Hemels en der aarde. Den Zegepraler van den dood .

Die ons komt redden uit den nood.

ocr page 141

T)o.n kelk dos lijilens vrij aanvaardde En 't Hemelhof weer openstelt En ons de «blijde Boodschapquot; meldt En ons wil troosten en genezen, En... Jozefs bee wordt afgewezen.

Vergeefs ook smeekt de teedre Maagd : Ontgaat het u dan . wreede lieden, Wie hier een onderkomen vraagt, En hoe het dra in 't Oosten daagt, En wat er heilrijks zal geschieden In dezen wondervollen nacht.

Door heel het menschdom hing verwacht En door profeten hoog geprezen ?

Helaas! de Maagd wordt afgewezen.

O Godmensch! neen Gij wreekt U niet Als Gij in 't kribje op dorre halmen Ons heel Uw schat van liefde biedt En later al Uw bloed vergiet Op Golgotha, waar vloeken galmen Ten Hemel heen, die opengaat Om Uwe bloedige offerdaad ;

O God, wees duizendmaal geprezen! Gij hebt den mensch niet afgewezen.

i-jy

—N

ocr page 142

KERSTKEDE VOOR EEN AFGEDWAALDE.

... .....w ...;t Kind,

Dat 'k in de kribbe vind En al mijn levensdagen Zoo Jiartlijk heb bemind.

't Geloof van mijne moeder Bloeit fnsch nog in mijn hart: liij 's levens vreugd en smart Aanbid ik 'tlvind, mijn Broeder, God, die geboren werd.

V

ocr page 143

'k Zie nog de wenkbrauwboog]es. Zoo fijn en zwart en dic.lit, En o, den glans en 't licht In 't git der' lachende oogjes Van 't aangebeden Wicht.

'Ilt; Zie 't blosjen op de wangen . Verlicht door wondren straal, En 's mondjes zacht koraal. Dat ik met zielsverlangen Gekust heb menigmaal.

'k Zie nog de starren blinken : 'k Hoor in den stillen nacht Met liefelijke kracht Het »Gloriaquot; weerklinken

Voor 't Kind, flat vrede bracht.

'k Blijf op de kribbe staren. Waar k troost en vrede vind Bij 't lieve, Godlijk Kind, Dat sinds mijn jonge jaren Ik hartlijk heb bemind.

131

ocr page 144

Thans kom ik weenend vragen : «Hergeef, o Kind, den schat Aan hem, die U vergat.

Maar in zijn kindsche dagen Beminde, loofde, aanbad.quot;

«Ook hem noem ik mijn broeder. Die uit zijn edel hart,

Door twijfelzucht verward , 't Geloof bant zijner moeder.

Dies troostloos blijft in smart.quot;

13-2

ocr page 145

i - - ■'rrWi ^ •.....

/

TERUG NAM! DE KRIUliE VAX BETHLEHEM!

Aan N.

| k heb gezocht en niet gevonden; quot; ^ 0, wie verslaat mijn zieledorst; Wie zal de waarheid mij verkonden ?

Mijn hart verbloedt aan vele wonden, De twijfelzucht verscheurt mijn borst!quot;

»Verklaar mij 't raadsel van dit leven: Van waar ik kom, waarheen ik ga! 'k Ben moede van het zoekend streven , Met zwarte nevelen omgeven:

De grond ontzinkt mij, waar ik sta.quot;

ocr page 146

»Is daav een God , die ons ziet lijden .

De lasten wikt ons opgetast; Een God , die leeft en kan bevrijden . De rust hei-geeft na 't lange strijden, Ons harte stilt van wee vermast?quot;

»Leeft God? — lloor d' urmen volksdroni vloeki

Hoe woest dreigt de afgeteerde hand, Die straks den rijkaard op komt zoeken, De brandtoorts werpt in alle hoeken Van 't koningshuis en 't vaderland!quot;

»Leeft er een God, als rustverstoorders

Gebouwen gruizen met één slag?

Gift wordt gemengd door zielbekoorders, Het mes gewet door broederinoorders! Rijst niet alom de roode vlag?quot; . . .

Staak, dierbre vriend, dat roekloos vragen.

't Tuigt van iets anders dan van moed. Laat weer de hoop uw ziele schragen, Wil niet meer uw geluk verdagen. Gij , zwervling op des twijfels vloed!

m

ocr page 147

Stooi' langer niet met sombre klachten

De stilte van uw moeders graf: Zij wekken ijzige gedachten,

't Zijn trotsche kreten die verachten Het antwoord, dat uw moeder gal'.

Acli, sla het oog o)) 't zoet verleden!

Denk n een oogenblik weer kind : Heken — het wordt u afgestreden — Gij hebt geloofd, gehoopt, gebeden, Aan moeders zijde God bemind.

Haar antwoord heeft n\v hart doorklonken:

— Aan wien de schuld dat gij 't versmaadt? Terug naar 't Kind, van licht omblonken. Dat u den vrede had geschonken En minzaam n nog gadeslaat.

Dat Kindeke op een handvol halmen

Geeft antwoord op uw wilde klacht:

Kniel bij de kribbe, blijf niet talmen. Dan hooit gij weer der Englen psalmen,

Smaakt weer den vree, dien Christus bracht. Kerstnacht wordt u weer Christus' nacht.

ocr page 148

AAN Jgt;KN IJ.IPK.NDKN JEZUS. ')

O Heer,

quot;^^ij knielen voor U neer,

Het hoofd gebogen.

Met schreiende oogen,

Daar wij uw tiunen niet en kunnen drogen.

Uw smart is naamloos groot!

Wat heeft tot zulk een dood U toch bewogen?

I) Naar de wijze van liet uud lied (Anno iti'il) »0 Heer, aensiel toch Sion teerquot; (zie Leo-Cautate v. d. Zeereerw. Heer Lans.)

13ü

ocr page 149

O God,

Geslagen en bespot,

En aangeschonden Om onze zonden:

Zij zijn liev, die uw lichaam wreed doorwondden Vergeef' ons, God en Heer!

Wij blijven immermeer Aan U verbonden.

ü God!

Hoe koost Gij zulk een lot. Zoo bloedig strijden En grievend lijden!

Gij sterft om van den dood ons te bevrijden. Zie ons genadig aan :

Ons harte zal voortaan Do zonde mijden.

137

ocr page 150

.MOEDKU KN KIND.

Mijn moeder heelt zoo vauk herluuvUl: (O, kon ik duizendmaal haar loonen!) «Daarboven, waar liet zonliclit straalt, Daarboven . waar Gods Knglen wonen,ijn moeder heelt zoo vauk herluuvUl: (O, kon ik duizendmaal haar loonen!) «Daarboven, waar liet zonliclit straalt, Daarboven . waar Gods Knglen wonen,

Daar leel't een Moeder, die n mint Nog inniger dan ik. mijn kind.quot;

«Niet alles, wat uw hartje vraagt, Kan , lieve jongen , ik u geven ;

Daarboven dus uw nood geklaagd!

Volg trouw dien raad geheel uw leven:

Daar leel't een Moeder, die u mint En rijker is dan ik, mijn kind.quot;

ocr page 151

ygt;11 zingt gij nog uw lentezang, Het blijde leven lacht u tegen;

Gij smaakt, geniet liet... doch hoelang? Door distels kronklen 's menschen wegen; Er leeft een Moeder, die u mint:

Troost der hedrukten heet zij, kind.quot;

Ik hel» uw woorden, dierbre vrouw, üp 's levens reize niet vergeten:

lu vrede en angst, in vreugd en rouw Mocht ik Maria Moeder heeten;

Er leeft een Moeder, die mij mint Nog inniger dan gij uw kind.

Haar liefdegloed heb ik gevoeld in 't eigenbatig. koude leven;

Ach ! veler hart i.s afgekoeld , Het moederhart is trouw gebleven.

Er leeft eeu Moeder, die mij mint Geen moeder heeft zoo lief haar kind!

'k Heli telkens haar mijn nood geklaagd Als moed en krachten mij ontzonken;

Veel lieeft het kinderhart gevraagd. Het moederhart heeft méér geschonken. Er leeft een Moeder, die mij mint. Zij deelt haar rijkdom met beur kind!

13!)

ocr page 152

Troost der bedrukten! — 't, .Tonge hart Vermocht die woorden nauw te schatten,

Maar leerde in de oefenschool der smart, Wat bittre zoetheid zij bevatten.

Ik blijf, o Moeder, die mij mint.

Tot in den dood uw dankbaar kind !

En haar. die mij U kennen deed. Wil haar U dubbel Moeder toonen :

Bid God, die U zijn Moeder lieet.

Mijn grijze moeder rijk te loonen.

Maria, Moeder, die mij mint.

Verhoor de bede van een kind!

ocr page 153

])K mUF. LELIES.

'Ym liet stille kloostor hoefde ' Sint Acgiilius, een broeder Vroom en kinderlijk-eenvoudig. Voor zijn Jezus en diens Moeder.

In den lommerrijken bloemhof Kweekte hij wel duizend bloemen , Die hij smaakvol schikte en plantte En wier namen hij kon noemen.

Wat die bloemen samen lispten, Wat de geuren die zij spreidden En de kleurentaal beduidden , Wat de teere knopjes zeiden,

141

ocr page 154

quot;ij verstond der bloemen sprake, Hoorde haar den Schepper prijzen, Hoorde haar Gods goedheid loven En haar danklied opwaarts rijzen.

'tRoode roosje sprak van liefde, 't Leliewit van Englenreinheid , 't Blauw viooltje van den Hemel, 't Stengeltje van 's menschen

Dorens vlocht de broeder samen. Die met roosjes hij vereende :

jiDat is Jezus' doornenkrone.quot; Zei de vrome man en weende.

Wen aurikels en ranonkels Schitterden in bont gewemel,

Riep de kloosterbroeder blijde: »0 nog schooner is de Hemel!quot;

In den bloemtuin kwam eens wandl 't Peinzend hoofd ter aard gebogen , Een geleerde kloostermonnik ,

Tranen blonken in zijne oogen.

142

ocr page 155

«Broederlief, wat mag u deren ?quot;

Vroeg hem zacht de leekebroeder.

dAsIi, mij pijnigt,quot; luidde 't antwoord, »Een geheim omtrent Gods Moeder.quot;

»'k Voelde een twijfel in mij rijzen: »— Moog de Hemel mij vergeven ! ■— »Is de Hemelkoninginne «Waarlijk altijd Maagd gebleven?quot;

Hoe de dienaar van Maria,

Sint Aegidius, ontstelde.

Dat er zulk een booze twijfel Geest en hart eens inonniks kwelde!

Aanstonds schreef hij niet een takje In den zandgrond zonder spreken: Maagd Maria vóór den Kerstnachl. En — o heerlijk wondert,eeken !

Zie , daar schoot een witte lelie Op dezelfde |ilek naar boven . . .

Weder schreef de vrome broeder Om Maria méér. te loven:

«3

ocr page 156

Maagd Maria in den Kerstnacht. Zie, een tweede lelie beurde Steel en bloemknop uit den zandgrond Kn ging open, biocide, en geurde...

Maagd Maria na den Kerstnacht Schreef al weer de leekebroeder.

Daar ontsproot een derde lelie;

Glorie aan de Maagd on Moeder!

De geleerde kloostermonnik Ging nn henen zonder weemoed; In zijn harte stond geschreven :

Boven wetenschap gaat deemoed.

144

^--— x

ocr page 157

DE BEDE VAN IERLAND.

JwTaria. o gij, onze Moeder geprezen.

' Geroemd door ons. zwervers, de Sterre der zee, Gij jubelt niet hen, die ten Hemel gerezen Den angel der smarte gevoelen noch vreezen :

Ons voert nog de stormwind van tegenspoed mee.

Ach ! sluit hij het lied Van de zalige koren

Een wijle het oor voor den leestlijken toon.

En denk aan uw smart toen ge uw Kind hadt verloren. Toen ge onder het kruishout de klaagstem moest hooren. Den doodstrijd aanschouwen van .lezus, uw Zoon.

1U

ocr page 158

O Moeder en Maagd, liij de grievende pijnen Zie neder op ons uit de Hemelsehe Stad,

Wij streven en zwoegen en strijden en kwijnen,

Den lichtstraal der lioop zien wij angstig verdwijnen, De schaduw des doods spreidt zich over ons pad.

Een kreet wordt gehoord door de treurige gouwen , De kreet van den jammer, de kreet van den dood.

Ons hart kan de ellende niet langer aanschouwen.

De schamele kleinen van lerlands getrouwen.

Zij rillen van koude, zij schreien om brood!

Beloont gij dus. Moeder, den trouw uwer zonen. Den kamp van den Ier voor het heilig geloof?

Laat gij den verwinnaar met doornen bekronen?...

Toef, Moeder, niet langer U Moeder te toon en,

Voor 't smeeken des kinds blijft geen moederhart doof.

ocr page 159

BIJ HET BEELD DER II. MAAGD. ')

| k hail naar wede en licht gehaakt ' En menig droeven nacht doorwaakt. De stille beden nooit gestaakt En 't bijbelblad herlezen :

Geen vrede daalde, ik zag geen licht. Er hing een wolk voor 't aangezicht, En 'k voelde heel de smart en 't wicht Van geestlijk blind te wezen.

Maar, toen ik eens mv beoltnis zag. Peinsde ik op U den gansehen dag. En niet zijn liefelijken lach

Bleef mij uw beeld omzweven. En langzaam week de zielesmart: Aan 'tjonge, twijfelzieke hart.

Omhuld met nevels, dicht en zwart. Werd hoop en moed hergeven.

1) Naar het moiuloling verhaal eener bekeerlinge.

ocr page 160

Zou 't waar zijn? Is de schoone vrouw, Dio 'k in rlit heilig beeld aanschouw. Zij, tot het kruis den Heiland trouw,

Tot Moeder mij geschonken?

Zou 't waar zijn. dat zij mij bemint, Een wakend oog houdt op het kind, Dat zoekend rondtast en niet vindt?.... O, 'k zag »de Perlequot; vonken!

Nu straalt de zon met vollen glans! Ook ik kniel voor uw beeltnis thans. Ook ik bid nu den rozenkrans Met uw getrouwen mede.

Mijn jeugd doorstond een harden tocht. Maar wat al doornen 't leven vlocht, Ik heb gevonden wat ik zocht: De »Perlequot; en zielcvrede.

Die schatten hebt gij. teedre Maagd. Die 't lieve Kind op de armen draagt. Voor mij, omzwervend kind, gevraagd

Aan Jezus, onzen broeder.

Vol liefde en dank staar 'k op uw beeld De glimlach, die uw mond omspeelt. Heelt mijne zielewond geheeld:

Gij, ja, gij zijt mijn Moeder!

«8

ocr page 161

VAN ENEN CLERC, DIE lïEGUEEHUE MARIA TE S1EN.

- - 't Is ijdel mij zijn naam to vragon — Een vrome »clerc,quot; alom bemind,

Een man, eenvoudig als een kind.

Hij gloeide van oprechte minne Voor 's hemels schoone Koninginiu!;

Hoewel hij nooit die Vrouwe zag,

Hij dacht aan haar don ganschen dag.

r loofde in lang vervlogen dagen

ocr page 162

ïïij peinsde eons ondei' zijn getijden : Hoe innig zou ik mij verblijden, Moclit ik Maria even zien, Der schooue Vrouw mijn harte bn'n.

Daar sprak de stem der zoete Vrouwe: »('ilj weet niet wat fiij wenscbt, mijn trouwe De luister van mijn sehooidieid, kind,

Maakte u op de eigen stonde blind!quot; —

«'k Zal goedigste aller Koninginnen, Mag ik ü zien, L' vuurger minnen; Ik houd één oog behoedzaam dicht, In 't ander strale nw liellijk licht!quot;

Toen kwam, met schitterglans omgeven. De Koninginne tot hem zweven,

Steeg weldra weder naar omhoog,

Doch . . . hij was blind nu aan één oog.

»0 Vrouw,quot; riep hij van vreugde dronken, «Wat zoet genot hebt gij geschonken!

Daal nogmaals even van omhoog.

Laat mij U zien met 't ander oog!quot;

ocr page 163

En weer, van schittarlicht omluisterd, Hield zij den vrome een wijl gekluisterd, En, van verrukking als ontzind.

Werd deze aan 't ander oog ook blind.

Dat smartte diep de Koninginne Om zijne kinderlijke minne;

Dies daalde zij ten derden keer En gaf 't gezicht heur dienaar weer.

Ijl

ocr page 164

DE LIEVE MEI.

o lieve Mei groet lachend weer Zijn schoone Koningiunc, Spreidt roode rozen lijn en teer

Bij 't beeld der zoete minne; — Kom , Christen, als de lieve Mei,

Uw Koningin begroeten;

Pluk liefdebloempjes in de wei, En strooi die aan haar voeten !

De vogels hupplen door 't geblaêrt,

Hoor, hoe zij kwinkeleeren! 't Is of hun zang ten hemel vaart, Om Jezus' Moeder te eeren; — Kind van Maria, kom ook gij

Uw Moederliel' daarboven Met vroolijk harte vrij en blij In feestgezangen loven!

ocr page 165

De lulio beurt haar blanke kroon, Om naar de Maagd te wijzen, En spreidt lieur zilverglans ten toon , Om 't reinste Hart te prijzen : — Kind van die Maagd, bewaar den schat,

In 't doopsel u gegeven :

Uw ziel zij rein als 't lelieblad.

En geur' ten eeuwig leven!

ocr page 166

IN DE MEIMAAND.

e beeltenis iler. Lieve Vrouw Straalt weer, omgeurd van Icntebloenien En liedren, die haar «zaligquot; noemen,

Heur waardigheid en deugden roemen, Weerklinken door den tempelbouw.

Haar kindren naadren tot dien troon , Zij hebben Moeder veel te vragen : Dat ze in gevaren niet versagen En steeds hun naam met eere dragen Van trouwe strijders voor haai' Zoon.

ocr page 167

Z(! ontwijken zorg eu aarilscli gcdruiscli, En knielen aan Maria's voeten Om vi'oom-eerbiedig haar te groeten , I)ie al hun zielsleed kan verzoeten, Den last verlichten van hun kruis.

liet dankbaar bruidje Mikt haar aan. — 't Gedenkt den sehoonsten dag van 't leven Beloolt opnieuw haar aan te kleven ,

Haar reine deugden na te streven, Met Moeder hand aan hand te gaan.

De vrome jongeling knielt neer Om zijne keuze te versterken:

Als priester voor Gods eer te werken, De drift van 't kwade te beperken,

Den vree te brengen van den Heer.

Een vader helt naar Jozefs Bruid Zwaarmoedig zijn vereelte handen : De kommer doet hem 't voorhoofd branden . Hij bidt voor zijne dierbre panden,...

Weer straalt de hope voor hem uit!

ocr page 168

Een droeve moeder klaagt haar nood :

»Mijn zoon heeft zijn geloof verloren. De wereld boven God verkoren !quot;

En in heur harte raag zij 't hooren :

«Houd moed! Ik wek hem van den dood.quot;

Zoo troost zij in haar stillen glans En stoit haar duizend zegeningen Op allen , die haar beeld omringen En één van hart haar glorie zingen, Haar eeren met hun rozenkrans.

1Ö6

ocr page 169

AAN DEN II. ALPHONSUS MARIA DE LIGUORI. •1787—i887.

e moede, stramme león van 't boetgewaad omgeven En de armen kruiselings op de eedle borst gevlijd, Terwijl het. kralensnoer zacht door de vingren glijdt. Die ons met gouden pen Gods heii ge wet omschreven:

Zoo blijft uw needrig beeld een dankbaar kroost omzweven, Alphonsus, wiens vernuft, den Schepper toegewijd, In onverganklijk schrift nog voor Zijn glorie strijdt En aller borst ontgloeit om naar dat doel te streven.

Hoe glanst ü 't aureool om 't eerbiedwaardig hoofd , Dat vaste kennis borg, maar vaster heeft geloofd,

En voor wie peinst en zoekt, gepeinsd heeft en gevonden.

Door wetenschap, geloof, door ijver, heldendeugd Hebt gij het moederhart van Jezus' Bruid verheugd: O Kerkleeraar! — die naam moge U haar dank verkonden

/ (^3 V.

ocr page 170

AAN DENquot; ZALIGEN HERMAN .I07.EI-quot;. ')

VTerman Jozef, o! hoe gaarne ' Zou 'k een waardig lied U zingen: Maar ik mis den zilvren harptoon En do stem van hemelingen.

In een hoekje mot uw boekje Had ik keer op keer genoten, Wie uw leven heeft beschreven Had een lusthof mij ontsloten.

1) Dit gedichtje, is de opdracht vaneen klein werkje, getiteld: Legende van den zaliyen Herman Jozef', uitgegeven ten voor-deele der blinde meisjes in het gesticht te Grave. De grondslag der Legende is eene Latijnsche levensbeschrijving door een Prior, die in het klooster Steinfeld met den zaligen Herman Jozef zeiven leefde, omstreeks het jaar 1200. Van deze levensbeschrijving gaf Dr. Fr. Kaulen een vrije bewerking in liet Duitsch, welke zoo goed ontvangen werd, dat ei' reeds een tweede uitgave van verschenen is. Ook mijne vertaling mocht een tweeden druk beleven.

158

7^gt; ^

ocr page 171

Ja uw leven is een gaarde,

Waar de schoonste bloemen geuren :

Beelden uwer rijke deugden,

Fijn van vormen, /.acht van kleuren.

't Rozeknop.je sprak van liefde,

Vurig als een gloeiend kooltje,

't Leliewit van englenreinheid,

Van uw deemoed het viooltje.

De open meibloem zong van blijheid , Zwaardkruid loofde uw moed in 't strijden , De vergeet-mij-niet uw trouwe.

Passiebloem geduldig lijden.

En daai' bloeiden, tierden, geurden Duizend, duizend andre bloemen :

Wie ter wereld kan uw deugden Alle roemen . alle noemen ?

0, boe gaarne, Herman Jozef,

Zou ik U een lollied zingen:

Maar ik mis den zilvren harptoon En de stem van hemelingen.

139

ocr page 172

Peinzend kwam ik op den inval: — 7,al men niet van driestheid spreken? ))'k Moest het kleine, reine boekje In een Hollandsch kleedje steken.quot;

In het uitgespaard kwartiertje Sloop ik heen en werkte rustig In een hockjen aan uw boekjen — 't Liep van stapel blij en lustig.

Xu bleef mij nog één verlangen : 't Roekje, hoe ook uitgevallen, U ter eere te verspreiden,

Mocht het zijn, bij duizendtallen.

In een hoekje met mijn boekje — 'k Dorst liet. Herman, stil vermoeden Zou dan menig hart U prijzen En mijn loflied U vergoeden.

Op het zedig, Hollandsch werkje Vroeg ik dies uw milden zegen. Dat de bloemen uwer liefde Geuren mochten allerwegen.

ocr page 173

Maar weer dacht ik: «Licht wil Herman , Hij, zoo needrig en bescheiden,

't Eerlijk hoekje zijner deugden Liever niet alom verspreidenquot;...

Zie. toen heeft een minzame engel lleimlijk mij iets ingellmsterd. En ik heb met zielsgenoegen Naar zijn gulden i-aad geluisterd :

»U\v Patroon zal mild het werkje Zeegnen en zijn weg doen vinden, Schenkt gij 't penninkje dier blaadjes Aan onschuldige, arme blinden.quot;

«Blinden — Jezus' lievelingen, Om haar lang en treurig lijden: Ook de kleinste liefdegaven Zullen Jozefs hart verblijden.quot;

Ja, zoo zij het! Herman Jozef, Stoit nu op mijn boekje uw zegen, En de bloemen uwer deugden liloeien, geuren allerwegen!

II

ocr page 174

AAN DEN' II. AL0YS1US GONZAGA, S. .1.

-1591 — 21 Juni — -1801.

jc/ et hart vol schuldbesef blijl' 'k voor uw beeltnis staan ' En zie U, voor het kruis ter aarde neergebogen. Met tranen van berouw in uwe onschuldige oogen, De maagdelijke leên met felle geesels slaan.

Mocht na de kleene fout zóó ver de droefheid gaan, O lelieblanke ziel ten Hemel opgevlogen ?

Gods weegschaal heeft de schuld en hot berouw gewogen ; Met eerbied staren U de Serafijnen aan.

Zingt gij het hallel mee in 't heir der Boetelingen, Den hoogen bruiloftszang der reine Maagdenschaar, Of 't eeuwig zegelied met eiken Martelaar?

Er straalt een troon voor U in al die breede kringen; Vw liefde droeg een merk van ongekenden gloor:

Dies zingt ge een eigen lied in 't jublend Englenkoor.

•162

ocr page 175

P.I.1 DE BEELTENIS VAN HEX II. ALOVSIUS.

•1391. — 21 .IITNI. — -1891.

ons uwe beeltnis naad ren ,

Jonge telg nit edel bloed,

V\ ien de aloude roem der vaadren

Overstraalt met vollen gloed :

Toch het hallel dat wij zingen ,

Geldt uw aardschen luister uiet. Waar een licht uit hooger kringen Om uw hoofd zijn stralen schiet.

Onder 't vaandel in de rangen ,

Waar de roem liet Kruis omblinkt. En de galm der zegezangen

't Breedc worstelperk doorklinkt: Waar men boetling en belijder Naast den bloedgetuige telt,

Straalt gij. schoon nog jeugdig strijder. Reeds als rijk omlatiwerd held.

ocr page 176

't Kleed der armen 0111 de leden,

Aan uw voet de gravenkroon , Werpt gij 's werelds ijdelheden ,

Wufte grootheid van haar troon ; Om de roede, die ten bloede

't Sehuldelooze vleesch kastijdt. Scheldt do nooit ontfermensmoede God de schuld van andren kwijt.

Op uw voorbeeld willen staren

Wij . de telgen van 't geslacht. Dat reeds achttienhonderd jaren

Held aan held heelt voortgebracht : Ook wij strijden in dit leven

Voor de kruisvaan, Kampioen:

Help ons bij dat moedig streven : Onbevlekt blijve ons blazoen!

ocr page 177

A AX DEN 11. STANISLAUS KOSTKA.

Vloeide in uw ac'i'en vorstelijk bloed, Kroonde uwer vaadren glorie nw sla|ieii,

't Keurmerk nws adds was uw gemoed ; Grootseh was uw streven , edel uw daad : De aarde om den Hemel licht gij versmaad.

Zie ons voor U een een-krans strenglen.

Seraf van liel'de, toonbeeld der jeugd , ('■ij liierbeneden lievling der Englen,

Deelt in limi glorie, deelt in bun vreugd Hier zongt gij mee in 't Eiigeleukoor,

Zingt met die, Englen de eeuwigheid door!

Jong en aamniimig kind onzer Moeder,

Die U tot Jezus' troon heeft geleid , Schuldlooze jonkman, dierbare broeder.

Die ons daarboven allen verbeidt:

Vraag voor ons, Heil'ge — uw bee is gebod Reinheid des harten, liefde tot God!

i'ijkte de roem in 't wlil van nw wajien

ocr page 178

AAN DE 11. BARBARA

BESCHEUMIllilUCilS VOOH KEN ZALIGEN dooi).

(Wijze: O, naam.' zoo zoel. in ile oorcn.)

, reine bruid des lleeren, O , teedre Barbara,

Hebt Jezus' kruis gedragen

En volgde trouw Hem na:

Help gij ons Christus volgen

En blijf aan onze zij ,

Maar sta vooral vol liefde In 't stervensuur ons bij.

ocr page 179

O . Maagd en Martlaresse,

Die 's werelds vreugd ontvloudt, En na een heilig leven

Blij gingt ten marteldood:

Help gij enz.

Gij zijt een treilend voorbeeld

Voor de ouders en het kind . Hoe 't hart eens waren dienaars

Den God van liefde inint;

llel|i gij enz.

Vraag kracht in de bekoring,

In 't lijdensuur geduld,

Maar vraag vooral vergeving

Van onze zondenschuld:

Help gij enz.

Geel', dat het Brood des levens

Door Englenhand bereid . In quot;t ernstig uur ons sterke

Op reis naar de eeuwigheid. Help gij enz.

ocr page 180

M A C, DAL E N A.

cl\, spreek toch immer niet van Magdalena's zonden, Niet van haar zware .schuld en diepen, diepen val; Wil aan het inenschenhart, het wankel hart verkonden, Hoezeer zij heelt heniind! O, meld dat overal!

Meld hoe zij nederhoog en lug En daar zich de oogen Jang En met dien tranenvloed beur Heur ronw niet Jezus' smart

aan 's Heeren voeten en stil heeft uitgeweend misdrijf af mocht boeten. op 't innigst heeft vereend,


ocr page 181

I Too met gebroken moed en bmndend zielsverlangen Zij naast het OM'erlani den kruisberg opwaarts ging

Ku met beuquot; zwakken arm het kruishout hield omvangen. Waaraan haar God en Heer voor haar te sterven hing.

Hoe zij bij 't open graf' zwaarmoedig bleef gebogen,

Toen zij het dierbaar lijk iles Meesters niet meer vond,

Maar ook haar reine ziel van vreugd werd opgetogen.

Toen 't zacht «Mariaquot; vloot van 's Heereu heil'gen mond.

Hoe tot liet stervensuur met ongekreukte trouwe

Haar ziele blanker bleel' dan die van 't schuldloos kind:

Ach, 't broze menschenhart wil staren op de vrouwe. Die minnend heelt geboet en boetend heeft bemind.

Neen, spreek toch immer niet van Magdalena's zonden: Zij heeft tot aan het graf door liefde diep gerouwd;

Wij brengen rozen aan, haar tot een krans gebonden. Met onze tranen ook van boetesmart bedauwd.

ocr page 182

DRIK GEZKLL1NNEX 01' DKX LEVENSWEG.

»De kunst is een vrieiulelijke Engel op liet steile levenspad. Terwijl de waarheid ons geleidt langs de afgronden en de kruiswegen, terwijl de dengd ons steunt en sterkt op den smaljen, steilen weg, gaat de kunst aan onze zijde en gaart bloemen tusschen de rotsspleten en bezielt niet haar tooverachtig lied de ernstige eenzaamheid.quot;

Dr. Sen AEP.MAN.

Jiangs den afgrond leidt ons Waarheid,

Op de kruispaên van het leven Kunnen wij bij hare klaarheid Kalm en veilig opwaarts streven,

Deugd geeft steun, vernieuwt de krachten Op den steilen weg van 't leven:

Zij kan troosten, pijn verzachten,

Dat wij stadig opwaarts streven.

17quot;

ocr page 183

K u n s t laat over bei'g en dalen -— Vriendelijke Engel in dit leven — 't Reine licht der schoonheid stralen Bij 't eentonig opwaarts streven.

Ken!' van bloemen gaart en plukt zij Langs het zandig pad van 't leven; Dooi' haar zangzoet lied verrukt zij Bij het ernstig opwaarts streven.

Laat door Waarheid u geleiden, Steunt op Deugd iu 'tonvast leven, En laat Kunst uw hart vermeiden: Troostrijk is dan 't opwaarts streven.

171

ocr page 184

quot;HET LAATSTE AVONDMAALquot;

VAX

LliüNAIiliO DA VlNC'l.

[Aan mijn x'nvnd lt;U'ii nc/iililcr Utto Mlt;:t*rtj, |

T.

ju liet, stilt. Siinta SI mi a ^ D e 11 e g ra z i h geheeten ,

Was de vrome l'ater Prior In den broederkring gezeten.

»' k l?en zoo even,quot; sprak hij zuclitend, «Van den Hertog ') weergekonien En helaas! Iieh op mijn klaagschrilt Onlieilspellend nieuws vernomen.quot;

1) Ludovico Sforza.

ocr page 185

iiMijiic klacht gold Leonardo:

Wil hij ons geduld trotseeren ?

Onvoltooid blijl't nog zijn kunstwerk,

't II (ï i I i g Avondmaal des Heeren.quot;

«Ach ! het had reeds vele jaren In onze eetzaal kunnen prijken En der Predikheeren kunstzin En hun vroomheid laten blijken 1quot;

»X.wakke lijnen. II au we schetsen Van nauw kenbare liguren 1'lijven uit do matte grondverf Onineedoogend naar ons gluren.quot;

»ZaI het einde 't werk nooit kronen? Moeten wij dan altijd wachten?

Wil de kunstnaar Leonardo Onze heden steeds verachten ?

»'t Schijnt zoo. :t Antwoord van den schilder, Door den Hertog ons gegeven ,

Doet van ongeduld mijn harte En van heil'gen toren beven

•173

ocr page 186

» »Zeg den Prior, spi-ak do Meester: Hij is lastig, onbescheiden;

Kunst is aan geen tijd gebonden! Hij moet dulden en verbeiden !quot; quot;

gt;gt; «Voor 't genie is werken denken: t Moet, het kan noch wil zich reppen Niet in 't vaardige penseel ligt Zijn beteeknis, maar in 't scheppen

» «Mijn verbeelding zoekt twee typen, — En hoelang moet zij nog zoeken! -'tEene, dat wij vroom aanbidden, t Ander, dat wij willen vloeken!quot;quot;

» »Hoe zal ik den Heiland malen. Van Gods majesteit omschenen ?

Zijn van liefde stralende oogen,

Die t versteendste hart doen weenen !quot;

» »En waar is het Judas-type?

Kan de beeltnis ooit gelukken Van wie op de wang des Heeren Den geveinsden kus dorst drukken !'quot; quot;

■I7i

ocr page 187

» ))Zeg den Prior, sprak de Meester: Ifij is lastig, onbescheiden:

Kunst is aan geen tijd gebonden : Hij moet dulden en verbeiden!quot;quot;quot;'

't Hoofd gebogen zweeg de Prior. Hoor! daar luidt men voor de metten Allen gaan nu om hun droefheid Dooi- den koorzang te verzetten.

Feest in 't klooster, blijde stemming! Droefheid kan iu vreugd verkeeren : Op bet pleister van den refter Prijkt het Avondmaal des Ileere

Pater Prior met zijn broeders Pd ij ft in stillen eerbied staren Op Da Vinci's grootste kunstwerk, 't Wonderstuk van zestien jaren.

ocr page 188

Do azuren mantel over 't purper Van den tabberd omgeslagen,

Zit in 't midden van de zijnen llij. die straks bet kruis zal dragen.

Zielesmart en medelijden Zijn op 't zacbt gelaat te lezen . Kn de majesteit eens Konings Overscbijnt geheel zijn wezen.

Kn liet woord van 't brandend barte, Hoor geen lijden te verzaden.

Trilt nog op ile reine lippen : «Ken van n zal Mij verraden !quot;

Jezus' boofd is licht gebogen ,

't Oog wil Judas niet aanschouwen; «Ken van u zal Mij verraden !quot;'

't Woord doorsnijdt het hart der trouwen.

»Een van u zal Mij verraden !quot;

Smart beeft dia den schrik vervangen.

Jonas' Zoon is opgestoven,

Gloed der grainschap kleurt zijn wangen.

ocr page 189

En Joannes, .Ttizns' lievling,

Mot do t Kin don saamgevomven . Blijl't woemoedig voor zich staren. Wil zijn Meester uiet aanschouwen.

Judas naast hom prangt don hnidel . Koude vrees ligt in zijn trekken: Angstig ziet hij op; zal Christus 't Snoodo plan geheel ontdekken ?

Schaduw valt op den verrader; Teekent dat verstokte boosheid . Zwarten ondank van het harte. Godvergeten trouweloosheid ?

Aller blik en handen vragen En zij stemmen niet te gader, Maar Thaddeus wijst op Judas : «Ziet, daar zit hij, de verrader!quot;quot;

Xiet alleen in licht en kleuren Blijft Da Vinci's naam geschreven. Noch in lijnen en schakeering:

Zijn gestalten handion, leven.

•177

ocr page 190

Vaardigheid in het penscelen Ach, hoe vaak is zij gewoonheid !

Leonardo heeft «vereeuwigdquot;

't Enkel «oogenblik van schoonheid.quot; ')

Pater Prior met zijn broeders lileef in stillen eerbied staren Op Da Vinci's grootste kunstwerk, 't Wonderstuk van zestien jaren.

1) Dr. Schaepman : Over de kunst eti liet leven. rf*lt;lo po-houden te Rotterdam. 12 Febr. ISO't.

178

ocr page 191

I II O IJ D.

Biz.

Toewijding .......... V

Aan mijne vrienden ........ 1

De schicht en het lied. Naar Longfellow .... li

Mijn lied ........... 4

De arbeid. Naar het Duitsch ....... G

Des dichters wandeling. Naar Joseph von Kicuenüouff . 8

Aan een waterval. Naar het Duitsch ..... 9

Het gouden bisschops-jubilé van Z. H. Paus Leo Xül . . 10

Een criticus .......... 12

liet portret mijner moeder . . . . . . . 13

Aan Dr. 11. J. A. M. Schaepman . . . . . . 14

lgt;ij den dood van Prof. J. A. Alberdingk Thijm . . . 16

Hoop. Naar liet Duitsch ........ 17

Een beeld uit vroeger dagen . . . . . . . 18

Geen bacillen meer aan den disch ..... 20

Aan den Zeereerw. Heer 11. Haijmakers .... 23

Aan Dr. G. Brom ...... ... 24

Aan twee missionarissen ....... 25

Zóó van hart .......... 26

Het lied. Naar liet Duitsch ....... 28

Welkomstgroet na de huwelijksreis ..... 20

Poëzie schuilt overal. Naar het Duitsch..... 32

ocr page 192

Aan ilen diclitei' G. Jimckljloet Stem des harten ......

Zucht ten hemel. Naar het Duitsch De laatste dichter. Naai' Anastasius Guün Mijn krachten nemen toe ....

Het laatst vaarwel. Naar Sully Prudiiommk . Een herinnering ......

Neen, niet te vroeg! .....

Moeders dood. Naar W. Kukiten, S. .1. .

In 's levens lente heengegaan ....

liet heerlijkst akkoord .....

Ware troost .......

Bij den ingang van het kerkhol'. Naar .Ioiiaxx Vogi. Naar Amerika! Naar Joseph Spillmann. S. .1. De raven van Sint Meinrad ....

Voor 't eerst van huis. Naar Albert Krkens

De bruidstooi. Naar het Duitsch

De strooper van frankfort ....

De laatste der Roodhuiden. Naar William Cui.lex Een gevaarlijke reis. Naar het Duitsch .

Ridder Huniade. Naai- .Ioiiaxx Vogl Aan een saaien plakker .....

Generaal Sandels. Naar Alex. ISaumoartxer, S. .1 De vrouw van den Ier. Naar .Iacou Schueer . De zegetijding. Naar Augusta Weuster Voor één stukje goud .....

Een buurpraatje ......

34 37

au

40 45

47

48 51 53 59 61 02 64 67 70 72 74 76 7'.) 82 85 88 89 98

100 101 103 lOi 107

Dry

De bron van Sinte Keyne. Naar Rohert Soutiiev. Wroeging. Naar Arthur L. Salmon

I i

■180

ocr page 193

Een Göthc-navorsclicr. Naar luit Duitsch . . . . 110

Misericordia Domini. Naar Cokuula VVöiilku . . . 113

Het ware licht » » » ... 116

»Sanctusquot; » » » ... 120

«Tot aan den berg Godsquot; » » ... 122

Bij eene eerste H. Conimnnie ...... 125

Wenschen. Naar J. B. Fougeray, S. .1. . . . . 127 Afgewezen . ........ .128

Kerstbede voor een afgedwaalde ...... 130

Terug naar de kribbe van Betlilehem! ..... 133

Aan den lijdenden Jezus . . . . . . . 130 Moeder en kind . . . . . . . .138 De drie lelies. ........ .141

De bede van Ierland. Naar bet Engelscli . . . . 145

Hij het beeld der H. Maagd . . . . . . . 147

Van enen clerc, die begheerde Maria te sien . . . 149 De lieve Mei . ....... . .152

In de meimaand ......... 154

Aan den H. Alphonsus Maria de Ligivori .... 157

Aan den Zaligen Herman Jozef ..... . 158

Aan den H. Aloysius Gonzaga ..... . 102

Bij de beeltenis van den II. Aloysius . . . . . 103

Aan den II. Stanislaus Kostka ...... 105

Aan de II. Barbara. . . . . . . . 100

Magdalena. Naar Mak ia vom Rheine . . . . . 108

Drie gezellinnen op den levensweg . . . . . 170

»llet laatste Avondmaar' van Leonardo (h Vinei . . . 172

--

ocr page 194
ocr page 195
ocr page 196

i

ocr page 197
ocr page 198
ocr page 199