ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

T 1

/: ' 'v- -■ -. . ■quot; ;- ^ t ■■ ■.. - s:' ■ -■

■■ \

i

ocr page 5

n

NEDERLANDSCHE

STAATSWETTEN.

ZEVENDE, GEHEEL VERNIEUWDE DRUK.

MET VERWIJZING NAAR DE OVEREENKOMSTIGE ARTIKELEN

/

UITGEGEVEN ONDER TOEZICHT VAN

Mk. J. C. MEIJER,

Advocaat-Procureur te Leeuwarden.

S N E E K, J. F. VAN D K ü T E N. 1 Sept. 1893.

ocr page 6
ocr page 7

ALGE M EEN E INHOUD.

DE GRONDWET.

VOOi; HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

Bladz.

I Hoofdstuk. Van het Ryk en zyne inwoners.......1

II „ quot;Van den Koniug..........2

Afd. 1. Van de troonopvolging.........2

„ 2. Van het inkomen der Kroon. ......4

„ 3. Van de voogdij des Konings........5

„ 4. Van het Regentschap.........6

„ 5. Van de inhuldiging des Konings.......8

„ 6. Van de magt des Konings........9

„ 7. Van den Raad van State en de ministeriële departemeuteu. . 11

III Hoofdstuk. Van de Staten-Generaal.........12

Afd. 1. Van de zamenstelling der Staten-Generaal.....12

„ 2. Van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.....14

„ 3. Van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.....15

„ 4. Beschikkingen aan beide Kamers gemeen.....15

„ 5. Van de wetgevende Magt........17

„ 6. Van de begrooting..........20

IV Hoofdstuk. Van de Provinciale Staten en de Gemeentebesturen. . . 20

Afd. 1. Van de zamenstelling der Provinciale Staten. . . .20

„ 2. Van de magt der Provinciale Staten......21

„ 3. Van de gemeentebesturen........22

V Hoofdstuk. Van de Justitie...........24

Afd. 1. Algemeene bepalingen.........24

„ 2. Van de regterlyke Magt.........26

VI Hoofdstuk. Van de Godsdienst..........27

VII „ Van de Financiën..........28

VIII „ Van de Defensie..........28

IX „ Van den Waterstaat..........30

X „ Van het Onderwys en het Armbestuur......30

XI „ Van Veranderingen..........31

Additionnele artikelen.........31

WET

REGELENDE HET KIESREGT, EN DE BENOEMING VAN AFGEVAARDIGDEN TER EERSTE EN TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL.

I Afdeeling. Van het kiesregt..........33

§ 1. Van de kiezers...........33

§ 2. Van de lysten der kiezers........35

^ 3. Van het stemmen der kiezers........41

II „ Van de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede

Kamer der Staten-Generaal en van hunne aftreding. . . 46

ocr page 8

II ALGEMEENE INHOUD.

§ 1. Van de afgevaardigden ter Eerste Kamer.....46

5 2. Van de afgevaardigden ter Tweede Kamer.....50

^ 3. Van de aftreding der leden van de Eerste en Tweede Kamer. 53

TABEL,

BEDOELD IN ABT. 99 DEB KIESWET..........

WET

BEGELENDE DE ZAMENSTELLING EN MAGT VAN DE PBOVINCIALE STATEN.

EERSTE AFDEELING.

Van de zamensteliing der Provinciale Staten.

I Hoofdstuk. Algemeene bepalingen.........

II „ Van de leden der Staten.........05

§ I. Van hunne benoeming.........65

§ 2. Van de vereischten voor het lidmaatschap der Staten, en van

de hiermede onvereenigbare betrekkingen.....67

§ 3. Van den rooster van aftreding der leden van de Staten. . 69 § 4. Van de vergoeding der reis- en verblijfkosten van de leden

der Staten...........^

III „ Van den Commissaris des Konings.......69

IV „ Van den Griffier..........70

V „ Van de leden der Gedeputeerde Staten......71

§ 1. Van hunne benoeming.........71

§ 2. Van de vereischten voor het lidmaatschap der Gedeputeerde

Staten, en van de hiermede onvereenigbare betrekkingen. . 72

§ 3. Van den tijd van aftreding der leden van Gedeputeerde Staten. 73

§ 4. Van de bezoldiging der leden van Gedeputeerde Staten. . 73

VI „ Van de vergadering der Staten en der Gedeputeerde Staten. 73

§ 1. Van de vergadering der Staten.......73

§ 2. Van de vergadering der Gedeputeerde Staten. . . .76

TWEEDE AFDEELING.

Van de magt der Provinciale Staten.

I Hoofdstuk. Algemeene bepalingen.........77

II „ Van de begrooting.........78

Hl }) Van de door de Staten uit te voeren wetten en Koninklyke

bevelen............82

IV „ Van de regeling en het bestuur van het provinciale huishouden............82

§ 1. Algemeene bepalingen.........82

§ 2. Van het toezigt op de gemeentebesturen. . . . .83 V „ Van de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken. . . 8i

VI „ Van het schorsen en vernietigen der besluiten van de Staten

en Gedeputeerde Staten........85

Overgangs-bepalingen.........86

Tabel, bedoeld in art. 180, aanwijzende het in elk hoofdkiesdistrict te kiezen getal leden der Staten. . . .87 WET,

HOUDENDE BEGELING VAN DE VEBDEELING DEB PBOVINCIKN IN KIESDISTBICTEN, TEB BENOEMING DEB LEDEN VAN DE PBOVINCIALE STATEN ENZ. . . 89

ocr page 9

ALGEMEENE INHOUD.

WET

BEQELENDE DE ZAMENSTELLING, INBIGTING EN BEVOEGDHEID DER GEMEENTEBESTUREN.

EERSTE AFDEELIMG.

Van de zanvenstelliDg en inrigting der gemeentebesturen.

1 Titel. Algemeene bepalingen.........101

II „ Van den Raad...........101

Hoofdst. ï. Van de leden van den Raad........101

§ 1. Van hun getal...........101

§ 2. Van de benoeming der leden van den Raad. . . 102

§ 3. Van de vereischten voor het lidmaatschap van den Raad en

van de hiermede onvereenigbare betrekkingen. . . . 104

§ 4. Van den tyd van zitting der leden van den Raad. . . 106

„ II. Van de vergadering van den Raad......106

§ 1. Van het onderzoek der geloofsbrieven en het zitting nemen

der nieuw inkomende leden.......106

§ 2. Van het houden en de orde der vergadering. . . . 108

III Titel. Van den Burgemeester.........110

IV „ Vat de Wethouders.........113

V „ Var den Secretaris............... 115

VI „ Van den Ontvanger.............

TWEEDE AFDEELING.

Van de bevoegdheid der gemeentebesturen.

1 Titel. Algemeene bepalingen.........118

11 „ Van de regeling en het bestuur van de huishouding der

gemeente............120

Hoofdst. I. Algemeene bepalingen.........120

„ II. Van de plaatselyke verordeningen......122

§ 1. Van de plaatselyke verordeningen in het algemeen. . . 122 « 2. Van de plaatselyke verordeningen tegen wier overtreding

straf is bedreigd, in het byzonder......123

„ III. Van het dagelyksch bestuur der gemeente .... 125

§ 1. Van het dagelyksch bestuur in het algemeen. . . . 125

§ 2. Van de handhaving der openbare orde in het byzonder. . 127 UI Titel. Van de besluiten der Gemeentebesturen aan de goedkeuring

der Gedeputeerde Staten te onderwerpen.....129

IV „ Van de begrooting van inkomsten en uitgaven der gemeente

en de daartoe betrekkelijke rekening en verantwoording. 130

Hoofdst. I. Van de begrooting..........130

„ II. Van de rekening en verantwoording......133

V Titel. Van de gemeente-eigendommen, werken en inrigtingen. . 135 VI „ Van plaatselyke belastingen. . ...... 135

Hoofdst. I. Algemeene bepalingen.........135

„ II. Van de byzondere soorten van plaatselyke belastingen. . 136

„ III. Van de invordering der plaatselyke belastingen. . . . 138

Overgangsbepalingen.........142

Slotbepaling..............

WET

TOT VERZEKERING DEB UITVOERING VAN SOMMIGE VOORSCIIBIFTEN VAN PLAATSELIJKE VEBOBDENINGEN................

Ill

ocr page 10

IV ALGEMEENE INHOUD.

WET,

HOUDENDE REGELING DER AFKONDIGING VAN ALGEMEENE MAATREGELEN VAN

INWENDIG BESTUUR VAN DEN STAAT.........144tt

WET

O? HET NEDERLANDERSCHAP EN HET INGEZETENSCHAP......

Overgangsbepaling.........147

Slotbepaling...........147

WET

TOT REGELING DER TOELATING EN UITZETTING VAN VREEMDELINGEN. . . 149

WET

TOT REGELING DER ALGEMEENE VOORWAARDEN, OP WELKE, TEN AANZIEN VAN DE UITLEVERING VAN VREEMDELINGEN, VERDRAGEN MET VREEMDE MOGENDHEDEN KUNNEN WORDEN GESLOTEN.........152

WET

TOT REGELING EN BEPERKING DER UITOEFENING VAN HET REGT VAN VEREENI-

GING EN VERGADERING............158

WET

TOT REGELING VAN HET REGT VAN ONDEZOEK (ENQUÊTE)......161

WET

BETREKKELIJK DE REGTSMAGT DEB HOOGE EN ANDERE HEEMRAADSCHAPPEN,

DIJK- EN POLDERBESTUREN ENZ..........166

WET

TOT VOORLOOPIGE VOORZIENING IN SOMMIGE WATERSTAATSBELANGEN. § 1. Van de straffen tegen overtreding der keuren. . . . 172

4 2. Van de middelen tot voorziening bjj verzuim of weigering

van besturen om werken uit te voeren en hunne schulden

te voldoen of bij gebreke van beheer.....172

§ 3. Van de regeling van waterstaatsbelangen, meer dan ééne

provincie rakende.........176

WET

KEGELENDE DE ONTEIGENING TEW ALGEMEENEN NUTTE.

Algemeene bepalingen.........177

I Titel. Over onteigening in gewone gevallen......178

Hoofdst. I. Over hetgeen aan de verklarir gvan het algemeen nut vooraf

behoort te gaan..........178

„ II. Over de eindaanwyzing der te onteigenen perceelen. . . 179

„ III. Van het geding tot onteigening.......180

n IV. Over de betaling van de schadeloosstelling. . . . 188 II Titel. Over de onteigening by vestingbouw, den aanleg, het herstel of onderhoud van dyken, b^i besmetting of andere dringende omstandigheden........190

Hoofdst. I. Over de onteigening bij vestingbouw, den aanleg, het herstel of onderhoud van dyken.......190

„ II. Over onteigening by besmetting.......192

111 Titel. Over onteigening by oorlog, brand of watersnood. . . 194 Slotbepalingen. . . ......195

ocr page 11

ALGEMEENE INHOUD.

WET

TOT VEREVENING VAN SOMMEN ALS KOOPPHIJZEN EN VERGOEDINGEN, WEGENS

ONTEIGENINGEN TEN ALGKMEENEN NUTTE TOEGEKEND......196

WET,

HOUDENDE REGELING DER VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE HOOFDEN DER

MINISTERIËLE DEPARTEMENTEN...........197

WET

HOUDENDE REGEL. DER ZAMENST. EN DE BEVOEGDH. V. D. RAAD VAN STATE.

I Hoofdstuk. Van de zamenstelling van den Raad van State en de Ambtenaren bg dien Raad.........200

Afd. 1. Van de zamenstelling van den Raad......200

„ 2. Van de ambtenaren bjj den Raad......202

II Hoofdstuk. Van de bevoegdheid en de werkzaamheden van den Raad

van State...........203

Afd. 1. Van de bevoegdheid van den Raad......203

„ 2. Van de regeling der werkzaamheden van den Raad. . . 204

III Hoofdstuk. Slot- en overgangsbepalingen.......207

WET,

HOUDENDE INSTRUCTIE VOOB DE ALGEMEENE REKENKAMER.

I Hoofdstuk. Zamenstelling van het kollegie en deszelfs verpligtingen in

in het algemeen..........209

II „ Contröle op de ontvangsten........212

III „ Contröle op de uitgaven........213

IV „ Verantwoording..........215

V „ Herzieningen ten aanzien van rekenpligtigen. . . . 219

VI „ Nationale schuld en pensioenen.......220

Additionele artikelen.........220

WET

TOT AANVULLING DER INSTRUCTIE VOOR DE ALGEMEENE REKENKAMER. . . 221

WET

TOT REGEL. VAN HET TOEZIGT OP DE ONDERSCHEIDENE KERKGENOOTSCHAPPEN. 222 WETTEN

A. TOT REGELING VAN HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN. .... 225

B. TOT NADERE TIJDELIJKE VOORZIENING OMTRENT HET NEDERLANDSCHE

MUNTWEZEN..............229

C. TOT VERVANGING DER KOPEREN DOOR BRONZEN PASMUNT ENZ. . . . 230

D. HOUDENDE NADERE VOORZIENING OMTRENT HET MUNTWEZEN. . . . 233

E. HOUDENDE NIEUWE BEPALINGEN NOPENS DE UITGIFTE VAN MUNTBILJETTEN. 234

WET,

HOUDENDE VOORZIENINGEN OMTRENT DE NEDERLANDSCHE BANK. . . . 236

Overgangsbepalingen.........241

WET

TOT REGELING VAN HET ARMBESTUUR.

I Hoofdstuk. Van het Armbestuur.........243

Afd. 1. Van instellingen van weldadigheid, hare oprigting en reglementen. ........... 243

V

1446

147

147

149

|

ocr page 12

ALGEMEENE INHOUD.

Van opgaven, door de bestnren van alle instellingen van

weldadigheid te doen, en van collecten.....

3. Bepalingen betreffende het bestuur van burgerlyke en ge-

mengde instellingen.........246

Van de ondersteuning der armen.......

Van het verhaal op de ondersteunden, hunne bloed- of aanverwanten of nalatenschappen.......

Van subsidiën uit fondsen van burgerlijke gemeenten aan

instellingen van weldadigheid.......

Van bedelaars en landloopers.......

Van de uitspraak over geschillen.......

VI

24ö

248

II Hoofdstuk.

III

IV

V VI VII

249 |

250 250

250

251

Algemeene overgangs- en slotbepalingen.....

Afd. 2.

WET

OP HET LA.GKR ONDEBWIJS.

Algemeene bepalingen......

Van het openbaar onderwijs.....

Van de scholen.......

Van de onderwijzers.....

Van de kosten van het onderwys. .

Van het bijzonder onderwijs.....

Van de akten van bekwaambeid lot het geven

onderwys........

Van het toezigt op bet lager onderwijs. Van bevordering van het schoolbezoek.

Overgangsbepalingen.....

Overgangsbepalingen der wet van 8 December 1889.

WET

HOUDENDE 11KGELING VAN HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

257 |

202 I

2G2 | 263 | 269 :| 272 |

275 279 282 | 28:

28,

I Titel.

II „

§1. § 2. § 3.

Til „

IV „

V „

VI ,,

VII „

I Titel.

Hoofdst. I.

« 1.

§ 2.

§ 3. II.

§ 1.

§ 2.

4 3.

III Titel.

IV „

V „ VI „

VII „

Algemeene bepalingen.........

Van het openbaar middelbaar onderwijs.....

Van de burgerscholen, hoogere burgerscholen en landbouwscholen............

Van de scholen..........

Van de onderwijzers.........

Van de kosten..........

Van de Polytechnische sehocl......

Van de school..........

Van de leeraren.........

Van het bestuur.........

Van het bijzonder middelbaar onderwys.

Van het toezigt.........

Van de eindexamens........

Van de acten van bekwaamheid......

Overgangsbepalingen........

289

290

291 291 f 294

297

298 ?

298 I

299 299

299

300 302 306 309


WET

HOUDENDE AANVULLING DER WET VAN 2 MEI 1863 (STSBL. NO. 50), TOT REGELING VAN HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.........311

ocr page 13

ALGEMEENE INHOUD. VII WET

TOT BEGELING VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

1 Titel. Algemeene bepalingen.........313

II „ Van het openbaar hooger onderwys......313

Hoofdst. I. Van de gymnasia..........313

« 1. Van de scholen..........313

§ 2. Van de ondenvijzers.........316

§ 3. Van de kosten...........318

§ 4. Van het bestuur en het toezigt.......318

„ II. Van het Athenaeum Illustre te Amsterdam. . . . 320

„ III. Van de universiteiten.........320

§ 1. Algemeene bepalingen.........320

§ 2. Van het onderwijs aan de Ru^suinvemteiten. . . . 321 § 3. Van de hulpmiddelen voor het onderwas, de prijsvragen en

de beurzen aan de Ryksuniversiteiten.....323

§ 4. Van de docenten en beambten aan de Rijksuniversiteiten. . 324

^ 5. Van het by wonen der lessen aan de Ryksuniversiteiteu. . 325

§ 6. Van het beheer en het toezigt aan de Rijksuniversiteiten. . 327

„ IV. Van de wetenschappelijke graden.......329

Hl Titel. Van het bijzonder hooger onderwys......332

IV „ Overgangsbepalingen.........334

W E T,

HOUDENDE REGELING DEK VOORWAARDEN TOT VERKRIJGING DER BEVOEGDHEID

VAN ARTS, TANDMEESTER, Al'OTIIEKEK, VROEDVROUW EN APOTII.-BED1ENDE. . 339

Overgangsbepalingen.........344

WET

TOT REGELING VAN HET ONDERWIJS VAN 's RIJKSWEGE IN DE BEELDENDE KUNSTEN...............346

WET

TOT REGELING VAN HEI MILITAIR ONDERWIJS BIJ DE LANDMAGT, VOOR ZOOVER DAARBIJ DE OPLEIDING VOOR DEN OFFICIKBSKANG EN DE HOOGERE VORMING VAN DES OEFICIER ZIJN BETROKKEN.

I Hoofdstuk. Inrichtingen van militair onderwys......349

II „ Algemeene bepalingen........350

III „ Van het voorbereidend onderwijs tot opleiding voor den

officiersrang...........352

1. Van de Cadettenschool.........352

§ 2. Van eenen Cursus..........354

IV „ Van üe opleiding voor den officiersrang.....354

§ 1. Van de Koninklijke Militaire Academie.....354

§ 2. Van den Hoofdcursus.........358

V „ Van de Hoogere Krijgsschool,......359

VI „ Het toezicht, het bestuur en de leeraren.....361

VII „ Overgangsbepalingen.........361

WET

BETREKKELIJK DE NATIONALE MILITIE.

I Hoofdstuk. Algemeene bepalingen.........363

„ Van de vrijwilligers by de militie......365

ocr page 14

ALGEMEENE INHOUD.

Van de inschrijving voor de militie......

Van de lotelingen..........

Van de loting...........

Van de naloting..........

Van vrijstelling van de dienst.......

Van uitsluiting van de dienst.......

Van de vervanging..........

Van den militieraad.........

Van de zamenstelling van den militieraad.....

Van de werkzaamheden en de bevoegdheid van den militieraad. ...........

Van het heroep van de uitspraken van den militieraad.

Van den militie-commissaris........

Van liet oproepen en het afleveren van de by de militie in

te lyven manschappen........

Van de dienst, het verlof en het ontslag der by de militie

ingeljjfden...........

Van de dienst. . .........

Van het verlof...........

Van het ontslag..........

Van de zeemilitie in het bijzonder......

Van het verzuim van inschryving, van het niet-verschynen voor Gedeputeerde Staten, van het niet-voldoen aan de oproeping ter inlijving en van vrijstelling, op valsche bewijsstukken verkregen.........

Strafbepalingen..........

Overgangsbepalingen.........

TABEL

WEGENS HET TOEKENNEN VAN VRIJSTELLINGEN OP GKOND VAX 1gt;E DIENST VAN BROEDERS, BEDOELD BIJ ART. 49 DER WET OP DE NAT. MILITIE.

Familie van vier zonen.........

Familie van vyf zonen.........

WET,

HOUDENDE OPRIGTING VAN SCHUTTERIJEN OVER DEjGEHEELE UITGESTREKTHEID

DES RIJKS...............

Bepalingen, tot de schutteryen in bet algemeen, zoowel dienstdoende als rustende, gelykelyk betrekking hebbende.

Over de verpligting en bevoegdheid tot de schutterlyke dienst. Over de inschryving, loting en beoordeeling der redenen van

vrystelling en uitsluiting........

Over de nommerverwisseling.......

Over de sterkte, den diensttyd, het jaarlijksch ontslag en

de wederaanvulling.........

Over de oflicieren en onder-ofticieren......

Over de middelen ter bestrijding der kosten en het verdere

financiële der schutteryen........

Bepalingen tot de dienstdoende schutteryen in het byzon-

der betrekkelyk..........

Over de wapenen, onderscheidingsteekenen en kleeding

VIII

365 367 367 369 371 373 375 377

377

378 380

382

383

384 384 386 i

III Hoofdstuk.

IV

§ 1. § 2.

V

VI VII

VIII

§ 1. § 2.

§ 3.

IX X

XI

§ 3.

XI1 Xlll

390 394 |

394 1 WEN'

XIV

1 Afdeel ing.

Hoofdst. 1. „ 11.

„ 111. „ IV.

» V. „ VI.

II Afdeeling.

Hoofdst. I.

400 400

402;-404!

400.; 406

40D 409

ocr page 15

ALGEMËENE INHOUD. IX

lloofdst. II. O^er de wapenoefeningen, de dienst-verrigtingen, de verhouding tot de militaire magt...........409

„ 111. Over de schutterigke tucht en de regtspleging. . . . 412 11 Afdeeling. Bepalingen tot de rustende schutterden in het byzonder

betrekkelijk...........415

:V „ Over den landstorm.........416

V „ Over de eerste daarstelling der schutteryen op den voet

drtzer wet en verdere transitoire bepalingen. . . . 417

Slot artikel...........418

WET

OT REGELING DER JAGT EN V1SSCHERIJ.........419

WET,

[OUDENDE WETTELIJKE BEPALINGEN TOT REGELING VAN DEN KLEINHANDEL IN STERKEN DRANK EN TOT BETEUGELING VAN OPENBARE DRONKENSCHAP. . 435

Strafbepalingen..........440

Overgangsbepalingen.........441

WET,

OT VOORZIENING TEGEN BESMETTELIJKE ZIEKTEN.......443

Strafbepalingen..........450

Slotbepaling...........450

BESLUIT,

OUDENDE REGELEN, OP TE VOLGEN BIJ VERIJBANDING OF VERNIETIGING VAN ONTEIGENDE VOORWERPEN, ONTSMETTING VAN BESMETTE VOORWERPEN, GEBOUWEN, VOER- OF VAARTUIGEN, EN ONSCIIADELIJKMAKING VAN MESTVAALTEN

EN ANDERE VERZAMELINGEN VAN VUIL.........451

Regelen, op te volgen by verbranding of vernietiging van onteigende voorwerpen, ontsmetting van besmette voorwerpen, gebouwen, voer- of vaartuigen, en onscbadelijkma-king van mestvaalten en andere verzamelingen van vuil. 452

1. Algemeene regelen..........453

2. Regelen omtrent het ontsmetten van besmette of van be

smetting verdachte voorwerpen.......453

3. Regelen voor het onschadelyk maken van lyken. . . 455

4. Regelen omtrent het ontsmetten van gebouwen of vertrek

ken en van vaar- of voertuigen......455

5. Regelen omtrent het onschadelijk maken van door zieken

langs verschillende wegen ontlaste stoffen. . . . 456

6. Regelen omtrent het onschadelijk maken van tot ontsmet

ting gebruikt waschwater en van verzamelingen van vuil en omtrent het ontsmetten van privaten en urinoirs. . 457 WET,

[OUDENDE BUITENGEWONE MAATREGELEN TOT AFWENDING VAN EENIGE BESMETTELIJKE ZIEKTEN EN TOT WERING IIAREE UITBREIDING EN GEVOLGEN. . . 458 WET,

HOUDENDE BEPALINGEN TOT HET TEGENGAAN VAN OVERMATIGEN EN GEVAARLIJKEN ARBEID VAN JEUGDIGE PERSONEN EN VAN VROUWEN.

1- Inleidende bepalingen.........461

ocr page 16

ALGEMEENE INHOUD.

Van den arbeid van jeugdige personen en van vrouwen.

Toezicht...........

Strafbepalingen.........

461 4()5 165 467

§ 3. § 3. § 4. § 5.

Overgangs- en slotbepalingen......

BESLUIT

TOT VASTSTELLING VAN EENEN ALGEMEENEN MA ATKEGEL VAN BESTUUR ALS BEDOELD BIJ DE ARTIKELEN 5, 7 EN 11 DER (ABBEIDS)WET VAN 5 MEI 1889

(STSBL.

BESLUIT

TOT VASTSTELLING VAN EENEN ALGEMEENEN MAATREGEL VAN BESTUUR, ALS BEDOELD BIJ ARTIKEL 4 DER (ARBEIDS)WET VAN 5 MEI 1889 (STSBL. NO. 48).

WET,

REGELENDE HET TOEZIGT OP HET GEBRUIK VAN STOOMTOESTELLEN.

48).

4751

I Titel. Yan vergunning tot liet in werking brengen van stoomtoe-

stellen............

II „ Van het toezigt op de in gebruik zijnde stoomtoestellen. .

III „ Strafbepalingen..........

IV „ Uitzonderingen en overgangsbepalingen.....

BESLUIT

TOT UITVOERING DER WET VAN 28 MEI 1869 (STSBL. NO. 97), REGELENDE HET TOEZIGT 01' HET GEBRUIK VAN STOOMTOESTELLEN. I Hoofdstuk. Van de vergunning tot het in werking brengen van stoomketels............

II „ Van de veiligheidstoestellen........

III „ Van de regelen, by het gebruik van stoomketels in acht te

nemen. . . ........

IV „ Van het op stoomtoestellen uit te oefenen toezigt.

V „ Algcmeene bepalingen en uitzonderingen.....

WET

TOT REGELING VAN HET TOEZIGT BIJ HET OPRIGTEN VAN INRIGTINGEN, WELKE

GEVAAR, SCHADE OF HINDER KUNNEN VEROORZAKEN......

Uitzonderingen en overgangsbepalingen.....

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN TOT REGELING VAN HET AUTEURSRECHT. § 1. Begrip en omvang van het auteursrecht. ....

§ 3. Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht op door

den druk gemeen gemaakte werken......

§ 3. Duur van het auteursrecht........

§ 4. Handhaving van het auteursrecht......

§ 5. Overgangsbepalingen.........

§ 6. . Slotbepalingen...........

WET,

HOUDENDE VASTSTELLING VAN HET REGLEMENT OP HET BELEID DER REGERING VAN NEDERLANDSCH INDIË.

I Hoofdstuk. Van de zamenstelling van de regering van Nederlandscli .................

481 j 4831 4861

480 9

488 490 •

49 ól 495 i 4991

5U8i

511]

5121

513i BVll

515

5151

5171

ocr page 17

ALGEMBENE INHOUD. XI

II Hoofdstuk. Van de bevoegdheid en de pligten van de redering van

]Nrederlandsch Indië.........523

III ;s Van het algemeen bestuur........533

IV „ Van de gewestelyke en plaatselyke besturen. . . .533 V „ Van de Justitie..........535

VI „ Van de ingezetenen.........540

VII „ Van de Godsdienst.........542

rlII „ Van het onderwys..........543

IX „ Van den handel en de scheepvaart......543

Overgangsbepalingen.........544

ocr page 18

Wet Wet 1 Wet 1 Wet ; k.b. S Wet Wet S Wet k.b. 1 Wet S Wet 2

k.b. 5

Wet

K.b. E

KB. 1

Wet

Wet

Wet

Wet

!k.b. s

k.b. i k.b. :

Wet S Wet ' K.B. ]

Wet Wet ! Wet : Wet i

k.b. ;

k.B. k.b. k.b. k.b. Wet Wet

Wet Wet

Wet Wet

CHRONOLOGISCHE LIJST

DER OPGENOMEN EN VERWERKTE WETTEN EN BESLUITEN.

Blz, 1

399 ■1 209 166 221 225 227 1

149 65 161 101 177 l44fl| 89 144 222 243 517 544 158 197 172 419 192 363 200 366 289 236 389

311

Grondwet. (Publicatie 24 Aug. 1815, S. 45.) Wet 11 April 1S27, S. 17. Schutterijen.

SS. 48—59. Wijziging Grondwet. S. 40. quot; ' quot;

Wett. 4 Sept. 1840 Wet 5 Oct. 1841 Wet 9 Oct. 1841 Wet 10 Febr. 1844 Wet 26 Nov. 1847 K.B. 29 Junij 1848 Wett. 11 Oct. 1848 Wet 13 Aug. 1849 Wet 6 Jul ij 1850 Wet 5 Aug. 1850 Wet 29 Jnnij 1851 Wet 28 Aug. 1851 Wet 26 April 1852 Wet 5 Nov. 1852 Wet 31 Aug. 1853 Wet 10 Sept. 1853 Wet 28 Junij 1854 Wet 2 Sept. 1854 K.B. 15 Oct. 1854 Wet 22 April 1855 Wet 22 April 1855 Wet 12 Julij 1855 Wet 13 Junij 1857 Wet 1 Jung 186] Wet 19 Aug. 1861 Wet 21 Dec. 1861 Wet 1 Mei 1863 Wet 2 Mei 186'. Wet 22 Dec. 186; Wet 22 April 186' K.B. 31 Mei 1865

Rekenkamer.

S. 42. Waterschapsbesturen.

S. 6. Aanv. Instr. Rekenkamer.

S. 69. Muntwet.

S. 27. Middellijn d. zilveren muntsp.

SS. 59—70. Wijziging Grondwet.

S. 39. Toel. en uitzett. vreemdeling,

S. 39. Provinciale wet.

S. 45. Enquête.

S. 85. Gemeentewet.

S. 125. Onteigening.

S. 92. Afkond. Maatr. Inw. Best.

S. 197. Kiestabel Prov. Staten.

S. 83. Uitv. Plaats, verordeningen.

S. 102. Kerkgenootschappen.

S. 100. Armbestuur.

S. 129. Reg. Regl. N. Indiö.

S. 136. Inw. tred. R. R. N. Indië.

S. 32. Veteenig. en Vergadering.

S. 33. Ministeriele Verantwoord.

S. 102. Waterstaatsbelangen.

S. 87. Jagt en Visscherij.

S. 54. Wijziging Onteigening 68.

S. 72. Nationale Militie.

S. 129. Raad van State.

S. 44. Toevoeging Militie 17.

S. 50. Middelbaar Onderwijs.

S. 148. Nederlandscbe Bank.

S. 22. Nadere bepaling Militie.

S. 57. Staking voorber. onderwijs Polytechnische School.

ocr page 19

CHRONOLOGISCHE LIJST.

XUI

Wet 7 Julij Wet 14 Sept. Wet 14 Sept. Wet 28 Mei K.B. 24 Sept. Wet 9 April Wet 2(5 Mei Wet 1 Juny K.B. 16 Junij Wet 20 July Wet 21 Julij

Wet 4 Dec. K.B. 30 Jan. K B. 12 Sept. Wet 3 Dec. Wet 6 April Wet 2 Junij Wet 6 Junij K. B. 26 Junij K.B. 28 Julij S.B. 26 Febr.

Wret 28 April 1876, Wet 28 Junij 1876, i.B. 19 Nov. 1876,

Des.

Mrt.

Mrt.

Mrt.

April

Mei

Mei

Nov.

Deo.

Dec.

1865,

1866, 1866, 1869,

1869,

1870, 1870, 1870, 1870, 1870, 1870,

1872,

1873,

1873,

1874,

1875, 1875, 1875, 1875,

1875,

1876,

(Vet 19 Wet 28 Wet 28

1876,

1877, 1877, 1877, 1877, 1877, 1877, 1877, 1877, 1877, 1877,

tVet

LB. i.B. LB. i.B. LB. rt'et

Dec.

Wet iVet

«Vet 19

7 Mei 1878, 7 Mei 1878,

Wet 17 Aug. 1878, Wet 25 Dcc. 1878,

S. 79. Wijziging Gemeentewet 260. 138

S. 123. Wijziging Vereeniging 14. 159

S. 139. Verevening Onteigening. 196

S. 97. Stoomtoestellen. 481

S. 154. Uitv. Stoomtoestellen. 488

S. 71. Aanv. R.E, N. Indië 62. 533

S. 78. Onderw. Beeldende kunsten. 346

S. 85. Wijz. Armbestuur passim. 243

S. 93. Inw. tred. wijziging Armw. 256

S. 123. Wyziging Rekenkamer 29. 214

S. 136. Wijz. Suikercultuur R.R.

56, en R.R 60. 531, 532 Wijziging K.B. Stoomtoestellen 38, 52. 488 S. 134. Besmettelijke Ziekten. 443 S. 25, Wijz. K B. Stoomtst. 39, 40. 496 S. 128. Wijz. K.B. Stoomtoest. 12. 491 S. 188. Aanvulling Besm. Ziekten. 443 S. 66. Uitlevering Vreemdelingen. 152 8. 95. Inrigtingen Gevaar. 501 S. 117. Gouden Standpenning. 229 S. 124. Middellijn tienguldenst. 229 S. 141. Vrijst. vergunn. Inr. Gevaar. 510 S. 44. Wijziging K.B. Stoomtoestellen 38, 52. 495, 498 S. 102. Hooger Onderwijs. 313 S. 143. Wijziging M. Onderw. 38. 297 S. 232. Wijziging K.B. Stoomtoestellen 43, 44. 496, 497 S. 255. Aanv. Inr. Gevaar 2, V. 502 S. 36. Wijz. Besm, Ziekten 10. 446 S. 43. Bronzen Pasmunt. 230 S. 52. Wijziging Onteigening 73. 194 S. 84. Middellijn bronz. pasmunt. 230 S. 97. Spelinggehallebronzenpasm. 231 S. 101. Inw. tred. Hooger Onderw. 338 S. 194. Instell, Depart. W.H. en N. 481 S. 199. Wijz. K.B. Stoomtoest. 10. 491 S. 215. Schorsing zilveraanmunting. 230 S. 285. Uitv. van wetten door Min.

van W. H. en N. 481

S. 33. Wijz. H. Ondw. 7, 9,17, 84. 313

S. 40. Wijziging R.R. N. Indië

94. 95, toev. 95«. 538, 539

S. 127, Lager Onderwijs. 257

S. 222. Bevoegdlieid Arts enz. 339

K.B. 22 Aug. 1870, S. 155.


ocr page 20

CHRONOLOGISCHE LIJST.

K.B. ]2 Febr. 1879, S. 33. Inw. tred. wet Bevoegdheid Arts enz. 345 Wet 25 April 1879, S- 87. Aanv. Midd. Ondw. 311 Wet 28 Juni 1881, S. 97. Drankwet. 435 Wet 28 Juni 1881, S. 102. Wijziging Gem. 264—266. 139 Wet 28 Juni 1881, S. 103. Toev. Bevoegdheid Arts

enz. 25. 345 Wet 28 Juni 1881, S. 107. Wijziging H. Onderw. § 5

en art. 106. 325, 334

Wet 28 Juni 1881, S. 123. Wijz. Raad v. State 13. 202

Wet 28 Juni 1881, S. 124. Auteursrecht. 511

Wet 4 Dec. 1881, S. 182. Wijz. K.R. Ned. Indië 108. 541 Wet 11 Juli 1882, S. 89. Tijdel. Voorz. Geneesk. hulp

Zeemagt. 344

Wet 11 Juli 1882, S. 92, art. 18. Wijziging Militie 72. 377

Wet 27 Juli 1882, S. 117. Wijziging L. Ondw. 4, 5. 258

Wet 15 Juni 1883, S. 75. Wijziging H. Ondw. 126. 338

Wet 3 Jan. 1884, S. 2. Wijziging L. Ondw. 65. 257

Wet 23 April 1884, S. 54. Wijziging Drankwet. 435

Wet 24 April 1884, S. 70. Wijziging Militie passim. 363

Wet 26 April 1884, S. 80. Buitengew. Maatr. Besm. Z. 458

Wet 27 April 1884, S. 97. Versmelting Rijksdaalders. 233

Wet 27 April 1884, S. 98. Muntbiljetten. 234 Wet 11 Juli 1884, S. 122. Wijz. R. v. St. 15,16. 202,203

Wet 11 Juli 1884, S. 123. Wijziging L. Ondw. passim. 257 Wet 20 Juli 1884, S. 164. Wijziging Buitengew. Maatr.

Besmettelijke Ziekten. 459 Wet 5 Dec. 1884, S. 228. Wijz. G. 196 foud 198). 31 Wet 16 April 1885, S. 78. Wijziging Drankw. passim. 435 K.B. 10 Mei 1885, 8.118. Tekst Drankwet. 435 Wet 23 Juli 1885, S. 141. Toev. H. Ondw. 85tó«. 330 K.B. 26 Juli 1885, S. 167. Ontsmetting. 451 Wet 26 Juli 1885, S. 169. Wijziging Gem.wet 240. 136 Wet 14 April 1886, S. 61. Wijziging Jagtwet 10. 421 Wet 15 April 1886, S. 64. Invoeringswet S.E. Pass. Wet 25 Dec. 1886, S. 248. Schorsing Uitvoerrecht suiker N. Indie. 544 Wett. 6 Nov. 1887, SS. 183-193. Wijziging Grondwet. 1 Wet 6 Nov. 1887, S. 193. G. Add. art. X. Wijziging

Gem. 5. 102

K.B. 30 Nov. 1887, S. 212. Tekst Grondwet. 1

Wet 31 Dec. 1887, S. 265. Verband N. Strafwetg. Pass.

Wet 7 Aug. 1888, S. 122. Wijz, wet Ned. Bank. 236

Wet 5 Mei 1889, S. 48. Arbeidswet. 461 Wet 26 Oct. 1889, S. 137. Toev. Bevoegdheid Arts

enz. 23«. 344

XIV

ocr page 21

Wet 8 Dec. 1889,

K.B. 9 Dec. 1889,

K.B. 14 Dec. 1889,

Wet 9 Mei 1890,

1890, 1890, 1890,

Wet 30 Juni Wet 21 Juli Wet 12 Aug.

K.B. 30 Oct. 1890, K.B. 4 April 1891,

Wet 22 Juni 1891, K.B. 15 Juli 1891, K.B. 18 Juli 1891, K.B. 24 Juli 1891, K.B. 17 Oct. 1891, Wet 4 April 1892, Wet 5 April 1892,

1892, 1892, 1892, 1892, 1892,

K.B. 10 Juni K.B. 11 Aug. K.B. 29 Sept. K.B. 29 Nov. Wet 12 Deo.

Wet 12 Deo. 1892, AVet 30 Deo. 1892, K.B. 3 Febr. 1893,

Wet 8 April 1893, Wet 22 Juni 1893, Wet 23 Juni 1893,

CHRONOLOGISCHE LIJST.

xv

S. 175. Wijziging L. Ondw. passim. 257

S. 176. Uitv. Arb.wet 5, 7, 11. 468

S. 177. Tekst wet L. Onderwijs. 257

S. 78, art. 40. Wijz. L.O. 42. 269

art. 41, 5°. Verv. M.O. 34 en 35. 297

art. 41, 6U. Verv. H.O. 22 en 23. 318

S. 101. Wijziging Rekenkamer 9. 211

S. 126. MiUt. Onderw. Landmacht. 349 S. 148. Hooge en gewichtige Openb.

betrekk. bedoeld in G. 90. 46

S. 158. Wijz. K.B. Arb.w. 5, 7,11. 468 no. 22. Inw. treden wet Militair

Onderwijs Landmacht. 362

S. 125. Titel Koningin. 24

S. 147. Uitv. Arbeidswet 4. 475

S. 149. Aanw. vestig. Cadettensch. 350

S. 153. Wijz. Regelen Ontsmetting. 452

S. 172. Wijz. K.B. Arb.w. 5,7,11. 468

S. 58. Tijdel. Wijz. Mil. passim. 363 S. 64. Schorsing uitv.recht suiker

N. Indië. 544

S. 136. Wijz. K.B. Arb.w. 5, 7, 11. 468

S. 199. Wijz. K.B. Arbeidswet 4. 475

S. 229. Tekst K.B. Arbeidswet 4. 475

S. 257. Uitv. Arbw. Depart W. H. N. 463 S. 261. Wijz. Bevoegdh. Arts enz.

passim. 339

S. 268. Nederl. en Ingez.schap. 144i

S. 292. Wijz. L.O. overg.bep. VI. 287 S. 47. Uitv. Arbw. Dep. Waterst.

Handel en Nijverh. 468, 475

S- 64. Wijz. Besm. Z. passim. 443 S. 91. Ingez.sch. voor JMil.wet. Aanvbl. S. 111. Wijziging Afkond. Maatr.

Inwendig Bestuur 3. 144«


i

ocr page 22

VEEKOETINGEN.

X — Wet houdende Algemeene Bepalingen van Wetgeving

voor het Koningrijk.

B. W. = Burgerlijk Wetboek.

G. = Grondwet.

Gem. = Gemeentewet.

H. O. = Wet op het Hooger Onderwijs.

Ind. Comp. = Indische Comptabiliteitswet van 23 Apr. 1864i. Stsbl.

no. 35, zooals die bij latere wetten is gewijzigd. K. = Kieswet.

K. B. = Koninklijk besluit.

L. O. = Wet op het Lager Onderwijs.

Mil. - Wet betrekkelijk de Nationale Militie.

M. O. = Wet op het Middelbaar Onderwijs.

O. — Wet regelende de Onteigening ten algemeenen nutte,

p. — Provinciale Wet.

R. O. = Wet Regterlijke Organisatie.

R. R. = Reglement op het beleid der Regering van Nederlandseh

Indië.

R. V. = Wetboek van Burgerlijke Regtsvorderiug.

Sch. = Wet op de Schutterijen.

S. R. = Wetboek van Strafrecht.

Stsbl. of S. = Staatsblad.

Wet min. verantw. — De wTet op de Ministeriële verantwoordelijkheid. ^8) — Artikel 8 der wet waarin het voorkomt.

Het tusschen haakjes geplaatste cijfer bij aanhalingen der Grondwet in verschillende wetten, dnidt het artikel der Grondwet van 1887 aan.

ocr page 23

VERBETERINGEN EN AANVULLINGEN,

MEIJER NEDERL. STAATSWETTEN, 7de DRUK. .1 September 1893.

ving

Blz. 2. Grondwet, art. 6. Achter het 2de lid als wet waarnaar wordt verwezen, te lezen: (Wet van 12 Dec. 1892, Stsbl. no. 268.)

Blz. 158. Wet Vereeniging. In het opschrift staat 14 Sept. 1886, jte lezen: 14 Sept. 186fi.

Blz. 279. Wet Lager Onderw., art. 68. Achter het 2de lid als K B. waarnaar wordt verwezen, te lezen: (K.B. 31 Deo. 1891, Stsbl. no. 254.)

Blz. 287. Wet Lager Onderw., Overg. bepaling, art. VI. In het jlste lid in plaats van 1803, te lezen: 1897. (Wet 30 Dec. 1893, Stsbl. no. 292.)

Blz. 293. Wet Middelb. Onderw., art. 22. Bij de noot toe te voegen: K.B. 9 April 1892, Stsbl. no. 85.

Blz. 348. Wet Onderw, Beeldende Kunsten, art. 16. In de noot als K.B. waarnaar wordt verwezen, te lezen: K.B. 22 Pebr. 1893, | Stsbl. no. 50.

Blz. 361. Wet Milit. Onderw. Landmacht, art. 48. Bij de besluiten waarnaar wordt verwezen, toe te voegen: K.B. 5 Apr. 1893, Stsbl. no. 58; 8 Apr. 1893, Stsbl. no. 65.

Blz. 362. Wet Milit. Onderw. Landmacht, art. 50. Toe te voegen: (Volg. K.B. 4 Apr. 1891, no. 22, is dit tijdstip bepaald op 20 Apr. 1891, behoud, overg.-bepalingen.)

Blz. 365. Wet Nat. Militie, art. 15. De zinsnede onder 1°. te lezen:

1°. hij, wiens vader, of, is deze overleden, wiens moeder, of, zijn beiden overleden, wiens voogd ingezeten is volgens de wet van den 28sten Julij 1850 {Staatsblad no. 44); (G. 6; Wet 12 Deo. 1892, Stsbl. no. 268; Wet 22 Juni 1893, Stsbl. no. 91.)

De wet vau 22 Juni 1893, Stsbl. no. 91, bepaalt:

Art. 1. Voor zoover voorde toepassing der wet betrekkelijk de Nationale Militie, ter aanwijzing wie ingezetene is of wie voor ingezetene wordt

ocr page 24

XVIII

gehouden, de bepalingen gelden, voorkomende in artikel 3, eerste, tweede en derde lid, der wet van 28 Juli 1850 {Staatsblad no. 44), gewijzigd bij de wet van 3 Mei 1851 {Staatsblad no. 46), blijven die bepalingen daarvoor van kracht. ')

Art. 2. Deze wet treedt in werking op 1 Juli 1893.

') De hier bedoelde bepalingen luiden;

Gevestigd of ingezetenen zijn, die binnen het Rijk in Europa hebben gewoond:

1». gedurende de drie laatste jaren;

3°. gedurende achttien maanden, na aan het bestuur hunner woonplaats het voornemen tot vestiging te hebben verklaard.

Nederlanders zijn gevestigd of ingezetenen, die gedurende de laatste achttien maanden hunne woonplaats binnen het Rijk in Europa hebben gehad.

Nederlanders, die ter zake van 's lands dienst in een vreemd land wonen, worden voortdurend als ingezetenen beschouwd.

Bk. 458. Wet Buitengew. Maatr. Besmettel. Ziekten, art. 1. Bij de besluiten waarnaar wordt verwezen, toe te voegen; K B. 20 Juli 1893, Stsbl. no. 116.

ocr page 25

GRONDWET

VOOR HET

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN,

zooals die is gewijzigd bij wetten van 6 Nov. ]887, Stsbl. dos. 183—193, afgekondigd 30 Nov. 1887; en bekend gemaakt bij K. B. 30 Nov. 1887, Stsbl. 212. ')

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN HET RIJK EN ZIJN INWONERS.

IArt. I. Het Koningrijk der Nederlanden omvat het grondge-Ibied in Europa, benevens de koloniën en bezittingen in andere we-relddeelen.Art. I. Het Koningrijk der Nederlanden omvat het grondge-Ibied in Europa, benevens de koloniën en bezittingen in andere we-relddeelen.

2. De Grondwet is alleen voor het Rijk in Europa verbindende, voor zoover niet het tegendeel daaruit blijkt.

Waar in de volgende artikelen het Rijk wordt genoemd, wordt alleen het Rijk in Europa bedoeld.

3. De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en splitsen en nieuwe vormen. (G. 82; Gem. 128—133.)

De grenzen van het Rijk, van de provinciën en van de gemeenten kunnen door de wet worden veranderd. (G. 59.)

4. Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen. (A. 9; B.W. 2.)

De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen en de algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien van hunne uitleve-i ring verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten. (Wet van 13 Aug. 1849, Stsbl. no. 39 en van 6 April 1875, Stsbl. no. 66, gewjjz. 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

5 {pud 6). Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar. (G. 169.)

1) De artikelen waarbij het oude volgnommer is vermeld, zijn bij deze herziening onveranderd gebleven.

STAATSWETTEN. 1

vee (ie :lt;i bij daar-

ocr page 26

GRONDWET.

Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet. (Wet van 4 Juni 1858, Stsbl. no. 46.)

6. De wet verklaart wie Nederlanders en wie ingezetenen zijn.

Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerd. (Wet van 28 Juli 1850, Stsbl. no. 44.)

De wet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde.

7 (oud 8). Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

8. Ieder heeft het regt om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde magt in te dienen.

Elk verzoek moet door den verzoeker onderteekend zijn. Onder-teekening uit naam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmagt.

Wettig bestaande ligchamen kunnen aan de bevoegde magt verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot hunnen bepaalden werkkring behoorende. ((}. 188,148; P. (J3; Gem. 120.)

9 (oud 10). Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend.

De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde. (Wet van 22 April 1855, Stsbl. no. 32, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DEN KONING.

EEKSTE AFDEEMNG.

Van de troonopvolging. (G. 196.)

Art. 10 (oud 11). De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen. (G. 22.)

It. De Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen bij regt van eerstgeboorte, met dien verstande, dat by vóóroverlijden van een regthebbende diens zonen of verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen op gelyke wijze in zyne plaats treden en de Kroon nooit in eene jongere lijn of een jongeren tak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden. (G. 18.)

12. Bg ontstentenis van opvolgers in het voorgaande artikel aangewezen, gaat de Kroon over op de in leven zijnde dochters van den laatst overleden Koning, by regt van eerstgeboorte.

13. By ontstentenis ook van de dochters, in het voorgaand artikel

2

ocr page 27

GRONDWET.

bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters van de nedergaande mannelijke lijnen uit den laatst overleden Koning en, bij gebreke ook van deze en van hare nakomelingen, gaat de Kroon over in de nedergaande vrouwelijke lijnen.

In deze gevallen heeft steeds de oudere lijn vóór de jongere, de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en hebben in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang.

14. Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot het Huis van Oranje-Nassau behoorende, die den laatst overleden Koning, in den lijn der afstamming van wijlen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, het naast bestaat.

Bij gelijken graad van verwantschap heeft de eerstgeborene den voorrang.

Is de bedoelde bloedverwante des Konings vóór Hem overleden, dan treden hare nakomelingen in hare plaats, des dat de mannelijke lijn vóór de vrouwelijke en de oudere vóór de jongere en in iedere lijn de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren gaan.

15. Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der vier voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins quot;Willem den Vijfde en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, op gelijke wijze als in art. 11 ten opzigte van de nakomelingen van wylen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, is bepaald.

16. Afstand van de Kroon heeft ten opzigte van de opvolging hetzelfde gevolg als overlijden.

17. Het kind, waarvan eene vrouw zwanger is op het oogenblik van het overlijden des Konings, wordt ten opzigte van het regt op de Kroon als reeds geboren aangemerkt. Dood ter wereld komende wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

18. Van de erfopvolging, zoowel voor zich zelve als voor hunne nakomelingen, zijn uitgesloten alle kinderen, geboren uit een huwelijk aangegaan door een Koning of eene Koningin buiten gemeen overleg met de Staten-Generaal, of door een Prins of Prinses van het regerend Stamhuis buiten de bij de wet verleende toestemming.

Zoodanig huwelijk aangaande, doet eene Koningin afstand van, en verliest eene Prinses haar regt op de Kroon.

Wanneer de Kroon, hetzij door erfopvolging, hetzij ingevolge artt. 15, 10,20 of 21 in een ander Stamhuis is overgegaan, gelden

3

1*

ocr page 28

i GRONDWET.

deze bepalingen alleen voor de huwelijken, na het tijdstip van dien overgang gesloten. (G. 11.)

19. Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in of eenige voorziening omtrent de orde van erfopvolging raadzaam maken, is de Koning bevoegd daaromtrent een voorstel te doen.

De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering.

20. Wanneer geeu bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen.

De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering.

21. Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegd opvolger naar de Grondwet bestaat, geschiedt de benoeming regtstreeks door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. Zij worden daartoe in dubbelen getale binnen eene maand na het overlijden bijeengeroepen. (G. 102.)

22. Al de bepalingen omtrent de erfopvolging worden op de nakomelingen van den eersten Koning, op wien krachtens een der twee voorgaande artikelen de Kroon overgaat, toepasselijk, in dier voege, dat het nieuwe Stamhuis ten opzigte van die opvolging van Hem zijnen oorsprong neemt op gelijke wijze en met dezelfde gevolgen als het Huis van Oranje-Nassau dit volgens art. 10 doet uit wijlen Koning Willem Prederik, Prins van Oranje-Nassau.

Ditzelfde geldt in het geval van art. 15 ten opzigte vau de aldaar bedoelde nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje.

Het geldt evenzeer ten aanzien van de nakomelingen der vrouw, die bij opvolging tot de Kroon is geroepen, met dien verstande, dat de Kroon eerst bij geheele ontstentenis van die nakomelingen in de volgende lijn van het Stamhuis, waartoe die vrouw door geboorte behoorde, overgaat.

23 {oud 26). De Koning kan geene vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg.

In geen geval kan de zetel der regeering buiten het Rijk worden verplaatst.

TWEEDE APDEELING.

Fan het inkomen der Kroon.

Art. 24. Behalve het inkomen uit de domeinen door de wet van 26 Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door wijlen Koning Willem II tot kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijksoh inkomen uit 's Lands kas, waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming door de wet wordt vastgesteld. (Wet van 19 Febr. 1891, Stsbl. no. 33.)

ocr page 29

GRONDWET.

25 (pud 28). Den Koning worden tot Deszelfs,gebruik, zomeren winterblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan f 50000 jaarlijks ten laste van den Lande kunnen worden gebragt.

26 {oud 29). De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle personele lasten.

Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door Hen genoten, i (G. 175.)

27 {oud, 30). De Koning rigt Zijn Huis naar eigen goedvinden in.

28 {oud 31). Het jaarlijksch inkomen eener Koningin-weduwe, gedurende haren weduwelijken staat, uit 's Lands kas is ƒ150000.

29 {oud 32). De oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de

-■ Kroon, is des Konings eerste onderdaan en voert den titel van Prins van Oranje. (G. 30, 33, 42, 74.)

30. De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit 's Lands kas een jaarlijksch inkomen van ƒ100000, te rekenen van den tgd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebragt op ƒ200000, na liet voltrekken van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend.

TIERDE AFDEELING.

Vau de voogdij des Konings.

Art. 31. De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is. (B.W. 385.)

Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje, ingeval deze Regent wordt.

32. De voogdy van den minderjarigen Koning wordt geregeld en de voogd of voogden worden benoemd bij eene wet. (Wet van 14 ? Sept. 1888, Stsbl. no. 150.)

Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. (G. 108.)

33 {oud 37). Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid Zijns opvolgers, gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, zoo worden, is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning over de regeling der : voogdij gehoord.

34. Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elke voogd, in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal, in handen van den Voorzitter, den volgenden eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof) al „de pligten, welke de voogdij mij oplegt, heilig te vervullen, en er „mij bijzonder op te zullen toeleggen, om den Koning gehechtheid „aan de Grondwet en liefde voor Zijn volk in te boezemen !

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;)

ocr page 30

GRONDWET.

35. Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen, wordt in het noodige toezigt over zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. 32 bepaald.

De wet bepaalt den eed of de belofte door de hiertoe benoemde voogd of voogden af te leggen.

VIERDE AFDEELING.

Van het Regentschaji.

A.rt. 36 {oud iO). Gedurende de minderjarigheid van den Koning wordt het koninklijk gezag waargenomen door eenen Regent. (Gr. 31.)

37. De Regent wordt benoemd bij eene wet, die tevens de opvolging in het Regentschap, tot 's Kouings meerderjarigheid toe, kan regelen. Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. (G. 108.)

De wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid Zijns opvolgers, gemaakt. (Wet van 2 Aug. 1884, Stsbl. no. 1S8.)

38. Het Koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen.

Wanneer de hoofden der ministeriele departementen, in rade ver-eenigd, oordeelen dat dit geval aanwezig is, geven zij van hunne bevinding kennis aan den Raad van State met nitnoodiging om binnen een bepaalden termijn advies uit te brengen.

39. Blijven zij na afloop van den gestelden termijn bij hun oordeel, dan roepen zij de Staten-Generaal in vereenigde vergadering bijeen, om hun, onder overlegging van het advies van den Raad van State, zoo dit is ingekomen, van het voorhanden geval verslag te doen.

40. Zijn de Staten-Generaal in vereenigde vergadering van oordeel, dat het in art. 38, 1ste lid, omschreven geval aanwezig is, dan verklaren zy dit by een besluit, dat op last van den in art. 10S, 2de lid, aangewezen Voorzitter wordt afgekondigd en dat op den dag der afkondiging in werking treedt.

Bij ontstentenis van dezen Voorzitter wordt door de vergadering een Voorzitter benoemd.

41. In het geval van art. 40 is de Prins van Oranje, wanneer hij zijn achttiende jaar vervuld heeft, van regtswege Regent.

42. Ontbreekt een Prins van Oranje of heeft de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet vervuld, dan wordt in het Regentschap voorzien op de wijze in art. 37 bepaald; in het laatste geval tot aan het tijdstip waarop hij zijn achttiende jaar vervuld heeft.

43. Bij het aanvaarden van het Regentschap legt de Regent in

6

ocr page 31

GRONDWET.

'aar te eeae vereenigde vergadering van de Staten-Generaal in handen van orzien den Voorzitter den volgenden eed of belofte af:

irigen „Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof), dat ik „ia de waarneming van het Koninklijk gezag, zoolang de Koning min-Jemde „derjarig is (zoolang de Koning buiten staat blijft de regering waar te nemen), de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven. „Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het grcnd-„gebied des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid, en de regten van „alle des Konings onderdanen en van elk hunner zal beschermen „ea tot instandhouding en bevordering van de algemeene en byzon-„dere welvaart alle middelen aanwenden, welke de wetten te mij-t,ner beschikking stellen, gelijk een goed en getrouw Regent schuldig is te doen.

„Zoo waarlik helpe mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;)

44. Wanneer een Regent buiten staat geraakt het Regentschap waar te nemen, zijn de artt. 38, 2de lid, 39 en 40 toepasselijk.

Is de opvolging in het Regentschap niet geregeld, dan wordt art. ^ 37, 1ste lid, toegepast.

45. Het Koninklyk gezag wordt waargenomen door den Raad van State:

1°. bij het overlijden des Koning, zoolang niet in de troonopvolging volgens art. 21 is voorzien, voor den minderjarigen Troonopvolger geen Regent is benoemd, of de Troonopvolger of Regent afwezig is;

2quot;. in de gevallen van artt. 40 en 44, zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is; en bij overlijden van den Regent, zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het Regentschap aanvaard heeft;

3quot;. Ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afwezig is.

Deze waarneming houdt van regtswege op, zoodra de bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft aanvaard.

Wanneer in het Regentschap moet worden voorzien, dient de Raad van State het daartoe strekkend ontwerp van wet in:

in de gevallen, onder 1°. en 2quot;. vermeld, binnen den tijd van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het Koninklijk gezag;

in het geval, onder 3°. vermeld, binnen den tijd van eene maand nadat de troonopvolging heeft opgehouden onzeker te zyn.

46 {oud 4S). Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van het Regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het Regentschap. (Wet van 23 Juli 1885, Stsbl. no. 157.)

Deze bepaling kan gedurende het Regentschap niet worden veranderd.

47. Zoodra het in art. 38 omschreven geval heeft opgehouden

7

ocr page 32

GRONDWET.

te bestaan, wordt dit door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering verklaard bij een besluit, dat op last van den Voorzitter, in art. 40 vermeld, wordt afgekondigd.

48. Dit besluit wordt genomen op voorstel van den Regent of van ten minste twintig leden der Staten-Greneraal.

Deze leden dienen hun voorstel in bij den Voorzitter der Eerste Kamer, die de beide Kamers onmiddellijk in vereenigde vergadering bijeenroept.

Is de zitting der Kamers gesloten, dan zijn die leden bevoegd de oproeping zelve te doen.

49. De hoofden der ministeriele departementen en de voogd of voogden zijn persoonlijk gehouden aan de Kamers der Staten-Gene-raal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den toestand van den Koning of van den Regent verslag te doen. (G. 94.)

Art. 94, 3de lid, is ten deze ook op de voogden toepasselijk.

50. Onmiddellijk na afkondiging van het in art. 47 omschreven besluit herneemt de Koning de waarneming der regering.

VIJFDE AFDEELINS.

Van de inhuldiging des Konings.

Art. 51. De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodra mogelijk plegtig beëedigd en ingehuldigd binnen de stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde vergadering der Staten-Generaal. (G. 108.)

52. In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd;

„Ik zweer (beloof) aan het Nederlansche volk, dat Ik de Grond-„wet steeds zal onderhouden en handhaven.

„Ik zweer (beloof), dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewa-„ren; dat Ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de regten van „alle Mijne onderdanen zal beschermen, en tot instandhouding en „bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen „zal aanwenden, welke de wetten te Mijner hese likking stellen, „zooals een goed Koning schuldig is te doen.

„Zoo waarlijk helpe Mij God almagtig!quot; („Dat beloof Ik!quot;)

53 {oud 52). Na het afleggen van dezen eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-Gene-raal, wier Voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëedigd of bevestigd wordt:

„Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandsche „volk en krachtens de Grondwet, U als Koning; wij zweren (belo-„ven), dat wij Uwe onschendbaarheid en de regten Uwer kroon

8

ocr page 33

GRONDWET.

„zullen handhaven; wij zweren (beloven) alles te zullen doen wat „goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen.

„Zoo waarlijk helpe ons God almagtig!quot; („Dat beloven wij!quot;)

ZESDE Al'DEELING.

Vau de magt des Konings.

Art. 54 {oud 53). De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk. (Cr. 77.)

55 {oud 54). De uitvoerende magt berust bij den Koning. (G. 56 volg. 134, 135, 143, 147, 172, 181, 189, 192, 193.)

56. Door den Koning worden algemeene maatregelen van bestuur vastgesteld.

Bepalingen, door straffen te handhaven, worden in die maatregelen niet gemaakt, dan krachtens de wet.

De wet regelt de op te leggen straffen.

57 {oud 55). De Koning heeft het opperbestuur der buitenland-scbe betrekkingen.

58. De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, met bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als Hij met het belang van den Staat bestaanbaar acht. (G. 94.)

59. De Koning sluit en bekrachtigt alle verdragen met vreemde Mogendheden. Hij deelt den inhoud dier verdragen mede aan de beide Kamers der Staten-Generaal, zoodra Hij oordeelt dat het belang van den Staat dit toelaat.

h erdragen, die wijziging van het grondgebied van den Staat inhouden, die aan het Eijk geldelijke verpligtingen opleggen of die eenige andere bepaling, wettelijke regten betreffende, inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd dan na door de Staten-Generaal te zijn goedgekeurd.

Deze goedkeuring wordt niet vereischt, indien de Koning zich de bevoegdheid tot het sluiten van het verdrag bij de wet heeft voorbehouden. (G. 109.)

60 {oud 58). De Koning heeft bet oppergezag over zee- en landmagt.

De militaire officieren worden door Hem benoemd. Zij worden door Hem bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld, volgens de regels door de wet te bepalen.

De pensioenen worden door de wet geregeld.

61 {oud 59). De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen. (G. 2.)

De reglementen op het beleid der regering aldaar worden door de wet vastgesteld. (Wetten v. 2 Sept. 1854, Stsbl. 129 en van 31 Mei 1865, Stsbl. nos. 55 en 50, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

9

ocr page 34

GRONDWET.

Het muntstelsel wordt door de wet geregeld. (Wet v. 14 Deo. 1853, StsW. no. 126; 1 Mei 1854, Stsbl. no. 75 en 20 Apr. 1855, Stsbl.no. 12.)

Andere onderwerpen deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blgkt te bestaan.

62 {oud 60). De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een omstandig verslag geven van het beheer dier koloniën en bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden.

De wet regelt de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen. (R.R 60; Wet van 23 April 1804, Stsbl. no. 35.)

63. De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegien en ambtenaren, die uit 's Rijks kas worden betaald.

De wet regelt de bezoldiging van den Raad van State, van de Algemeene Rekenkamer en van de regterlijke Magt. (G. 74,155, 179.)

De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting der Rijksuitgaven.

De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld,

64 (oud 02). De Koning heeft het regt van de munt. Hy vermag Zyne beeldtenis op de muntspecien te doen stellen. (G. 177, 178.)

65 (oud 63). De Koning verleent adeldom.

quot;Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden aangenomen.

66 [oud 64). Ridderorden worden door eene wet, op het voorstel des Konings, ingesteld.

67. Vreemde orden, waaraan geen verpligtingen verbonden zijn, mogen worden aangenomen door den Koning en. met Zijne toestemming, door de Prinsen van Zijn Huis.

In geen geval mogen andere Nederlanders, of de vreemdelingen, die in Nederlandsclie staatsdienst zijn, vreemde ordeteekenen, titels, rang of waardigheid aannemen, zonder bijzonder verlof van den Koning.

68. De Koning heeft het regt van gratie van straffen door reg-terlijk vonnis opgelegd.

Hy oefent dat regt uit na het advies te hebbe:i ingewonnen van den regter daartoe bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen. (K.B. 13 Dec. 1887, Stsbl. no. 215.)

Amnestie of abolitie worden niet dan bij eene wet toegestaan.

69. Dispensatie van wetsbepalingen kan door den Koning slechts worden verleend met magtiging van de wet.

De wet, welke deze magtiging verleent, noemt de bepalingen, waarover de bevoegdheid tot dispensatie zich uitstrekt. (B.W. 88, 111, 134.)

Dispensatie van bepalingen van algemeene maatregelen van bestuur is toegelaten voor zoover de Koning Zich de bevoegdheid daartoe bij den maatregel uitdrukkelijk heeft voorbehouden.

70. De geschillen tusscben provinciën onderling; provinciën en

10

ocr page 35

GRONDWET.

remeenten; gemeenten onderling; alsmede tusschen provinciën of remeenten en waterschappen, veenschappen en veenpolders; niet be-loorende tot die, vermeld in art. 153 of tot die, waarvan de beslissing crachtens art. 154 is opgedragen aan den gewonen regter of aan een ;ollegie, met administrative regtspraak belast, worden door den loning beslist. (P. 148; Gem. 132.)

71. De Koning draag.: aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet oor en doet hun zoodanige andere voorstellen als Hij noodig acht.

Hij heeft het regt de door de Staten-Generaal aangenomen wets-mtwerpen al of niet goed te keuren. (G. 109, 110 volg., 120.)

72. De wijze van afkondiging der wetten en der algemeene maat-•egelen van bestuur en het tijdstip waarop zij aanvangen verbindende e zijn, worden door de wet geregeld. (A,. 2 en Wet v. 20 Apr. 1852, 3tsbl. no. 92.)

Het formulier van afkondiging der wetten is het volgende:

„Wij enz.....Koning der Nederlanden, enz.....

| „Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: ' „Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat enz. (De beweegreden der wet.)

| „Zoo is het, dat Wij, den llaad van State gehoord, en met gemeen ËjOverleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij dezequot; enz. (P. 101 volg., |Gein. 108 volg.)

(De inhoud der wet.)

| „Gegevenquot; enz.

Ingeval eene Koningin regeert of het Koninklijk gezag door een lllegent of door den Raad van State wordt waargenomen, wordt de daardoor noodige wijziging in dit formulier gebragt.

73. De Koning heeft het regt, om de Kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk of beide te zamen, te ontbinden.

Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tot het verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertig dagen, en tot het zamenkomen der nieuw verkozen Kamers binnen twee maanden. (G. 104.)

De Raad van State, het koninklijk gezag waarnemende, oefent liet regt van ontbinding niet uit.

O O

ZEVENDE AFDEELING.

Vcm den Raad van State en de ministeriele departementen.

Art. 74. Er is een Raad van State, welks zamenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet. (Wet 21 Dec. 1861, Stsbl. 129, gewijzigd bij wet van 28 Juni 1881, Stsbl. no. 123 en 11 Juli 1884, Stsbl. no. 122.)

11

ocr page 36

GRONDWET.

De Koning is Voorzitter van den Raad en benoemt de leden.

De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regtswege zitting in den .Raad.

75. De Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen, door Hem aan de Staten-Greneraal te doen of door deze aan Hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van bestuur van het Rijk en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

Aan het hoofd der uit te vaardigen besluiten wordt melding gemaakt dat de Raad van State deswege gehoord is.

De Koning hoort wijders den Raad van State over alle zaken, waarin Hij dat noodig oordeelt. (G. 74.)

De Koning alleen besluit en geeft telkens van Zijn genomen besluit kennis aan den Raad van State.

76. De wet kan aan den Raad van State of aan eene afdeeling van dien Raad de uitspraak over geschillen opdragen.

77 {oud 73). De Koning stelt ministeriele departementen in, benoemt er de hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.

De hoofden der ministeriele departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt. (P. 127 volg.; Gem. 126.)

Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet. (Wet van 22 April 1855, Stsbl. no. 33.)

Alle koninklijke hesluiten en beschikkingen worden door een der hoofden van de ministeriele departementen medeonderteekend.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE SÏATEN-GENERAAL.

EEKSTE AÏDEELING.

Van de zamenüelling der Stalen-Generaal.

Art. 78 [oud 74). De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandselie volk. (P. 92.)

79 [oud 75). De Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer.

80. De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschap-pelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zyn, hebben bereikt.

De wet bepaalt, in hoeverre de uitoefening van het kiesregt wordt geschorst voor de militairen beneden den rang van officier bij de zee- en de landmagt voor den tijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden.

12

ocr page 37

GRONDWET.

Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij, wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd; zij die in gevangenschap of hechtenis zijn; zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren; zij die ia het burgerlijk jaar, voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten en, voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van den aanslag in eene of meer Rijks directe belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan. (K. Wet van i Juli 1850, Stsbl. no. 37, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

81. De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, die gekozen ■worden in kiesdistricten.

De verdeeling van het Rijk in kiesdistricten en alles wat verder het kiesregt en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld. (K.)

82. De Eerste Kamer besfeat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende verhouding:

Noordbrabant........0

Gelderland.........6

Zuidholland.........10

Noordliolland........9

Zeeland..........2

Utrecht..........2

Friesland..........4

Overijssel..........3

Groningen.........3

Drenthe..........2

Limburg..........3

50

In geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van provinciën of vorming van nieuwe, voorziet de wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden. (G. 3.)

83. Wanneer de Staten-Generaal in dubbelen getale worden bijeengeroepen, wordt aan de gewone leden van elke Kamer een gelijk getal buitengewone leden toegevoegd, op dezelfde wijze als de gewone te verkiezen.

Het besluit der bijeenroeping wijst tevens den dag der verkiezing aan.

13

ocr page 38

14 GRONDWET.

TWEEDE AFDEELING.

Fan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Art. 84. Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen vereischt dat men mannelijk Nederlander zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe. (K. 1 volg., 98.)

85. De leden der Tweede Kamer worden gekozen voor vier jaren. (K. 115.)

Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar. (P. 24, 59; Gem. 27, 80.)

86. De leden stemmen zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen. (G. 131.)

87. Bij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij den volgenden eed of belofte af;

„Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;)

Alvorens tot dien eed of die belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af;

„Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid der Staten-Generaal te „worden benoemd, direotelijk of indirectelijk, aan geen persoon, on-„der wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd „of gegeven heb.

„Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking „te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of „geschenken aannemen zal, direotelijk of indirectelgk. (G. 91.)

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat verklaar en be-„loof ik!quot;)

Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning of in de vergadering der Tweede Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd.

88 {oud 84). De Voorzitter wordt door den Koning benoemd voor het tijdperk eener zitting, uit eene door de Kamer aangeboden opgave van drie leden. (G. 92.)

89. De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal worden geregeld.

Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som van f 2000 's jaars.

Deze schadeloosstelling wordt niet genoten dcor de leden, die het ambt van minister bekleeden, noch ook, voor den tijd der zitting, door hen, die gedurende de geheele zitting afwezig bleven. (G. 100.)

.

ocr page 39

GRONDWET. 15

DERDE APDEEL1NG.

Fan de Eerste Kamer der Steden-Generaal.

Art. 90. Om lid der Eerste Kamer te kunneu zijn, moet men voldoen aan de vereischten voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer gesteld en bovendien of behooren tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen öf eene of meer hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bij de wet aangewezen, bekleeden of bekleed liebben. (K. 71; Wet van 12 Aug. 1890, Stsbl. no. 148.) | Het getal der hierboven bedoelde hoogstaangeslagenen wordt in •elke provincie bepaald tot één, die tevens de algemeene vereischten bezit om lid der Staten-Generaal te zijn, op iedere vijftien honderd -jzielen.

91. De leden der Eerste Kamer worden gekozen voor negen jaren. :|Art. 80 is op hen van toepassing.

Zij leggen bij het aanvaarden hunner betrekking gelijke eeden ^(beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer gzijn bepaald, hetzij in handen van den Koning, hetzij in de verga-Jjdering der Eerste Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door ■den Koning gemagtigd. (Cr. 87.)

Zij genieten reis- eu verblijfkosten volgens de wet.

Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende leden zijn dadelijk herkiesbaar. j(K. 113, 115.)

92. De Voorzitter wordt door den Koning uit de leden benoemd voor het tijdperk eener zitting. (G. 88, 108.)

VIERDE AMEELING.

Beschikkingen aan beide Kamers gemeen.

Art. 93. Niemand kan tegelijk lid der beide Kamers zijn.

Die tegelijk of op meer dan ééne plaats tot lid van de Eerste of van de Tweede Kamer of van beide Kamers is gekozen, verklaart welke dier benoemingen hij aanneemt.

94. De hoofden der ministeriele departementen hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben alleen eene raadgevende stem, ten ware zij tot leden der vergadering mogten benoemd zijn.

Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleeuen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van den Staat. (G. 49, 58, 59.)

Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn. (G. 77.)

95. Beide Kamers hebben, zoowel ieder afzonderlijk als in ver-eenigde vergadering, het regt van onderzoek (enquête), te regelen

.

ocr page 40

GRONDWET.

door de wet. (Wet van 5 Aug. 1850, Stsbl. no. 45, zooals bij laten wetten gewijzigd.)

96. Een lid van de Staten-Generaal kan niet te gelijkertijd zijc vice-president of lid van den Raad van State, president, vice-president of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij den Hoogen Raad, noch president of lid van de Algemeene Rekenkamer, noch Commissaris des Konings in eene provincie.

De wet regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de vereeni-ging van het lidmaatschap van eene der beide Kamers met andere dan de in het eerste lid uitgesloten, uit 's Lands kas bezoldigde ambten.

Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van eene der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van regtswege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn, keeren zij tot de werkelijke dienst terug.

Zij die na hunne verkiezing tot lid van de Staten-Generaal een bezoldigd Staatsambt, dat zij niet reeds tijdens die verkiezing vervulden, aannemen, verliezen van regtswege het lidmaatschap, maav zijn herkiesbaar. (G. 128.)

97. De leden der Staten-Generaal zijn niet, geregtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd. (P. 74; Gem. 47.)

98 (oud 93). Elke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven harer nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprgzen.

99. Elke Kamer benoemt haren griffier.

Deze mag niet te gelijk lid van eene der Kamers zijn.

100. De Staten-Generaal komen ten minste eenmaal 's jaars te zamen.

H unne gewone zitting wordt geopend op den derden Dingsdag in September.

De Koning roept eene buitengewone zitting bijeen, zoo dikwijls Hij zulks noodig oordeelt.

101. De afzonderlijke vergaderingen der beide Kamers en evenzoo de vereenigde vergaderingen worden in het openbaar gehouden. (P. 69; Gem. 43.)

De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of de Voorzitter het noodig keurt. (P. 69^; Gem. 43i, 44.)

De vergadering beslist, of met besloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen.

102. Is bij overlijden des Konings of bij afstand van de Kroon de zitting gesloten, dan vergaderen de Staten-Generaal zonder voorafgaande oproeping. (G. 21, 24; P. C9; Gem. 40.)

16

.

ocr page 41

GRONDWET.

Deze buitengewone zitting wordt op den vijfden dag na het over-., .. Jijden of na den afstand geopend. Zijn de Kamers ontbonden, dan ^ zö? vangt deze termijn aan van den afloop der nieuwe verkiezingen. '■Pr®siquot; 103. De zitting der Staten-Generaal wordtin vereenigde vergade-quot; ing der beide Kamers door den Koning of door eene Commissie van Mijnentwege geopend. Zij wordt op dezelfde wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt, dat het belang van den Staat niet vordert haar te doen voortduren.

De gewone jaarlijksche. zitting duurt ten minste twintig dagen, tenzij de Koning gebruik make van het regt in art. 73 omschreven. (G. 100.)

104. Bij ontbinding van eene der Kamers of van beide sluit de Koning tevens de zitting der Staten-Generaal. (G. 73.)

105. De Kamers mogen noch afzonderlijk nocli in vereenigde vergadering beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft

eeri der leden tegenwoordig is. (G. 132; P. 75; Gem. 48.) erquot; 106. Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte meerderheid aar der stemmende leden opgemaakt.

_ Bij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene S' volgende vergadering uitgesteld.

aai In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. 'T1 De stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproeping, wanneer één der leden dit verlangt en alsdan mondeling. (G. 132; P. 76 volg.; Gem, 50 volg.)

107. De stemming over personen voor de benoemingen of voordragten in de Grondwet vermeld, geschiedt bij besloten en ongetee-kende briefjes.

De volstrekte meerderheid der stemmende leden beslist; bij staking ln van stemmen beslist het lot. (G. 132; P. 77; Gem. 51 volg.)

108. Bij eene vereenigde vergadering worden de beide Kamers 1 b als slechts ééne beschouwd en nemen hare leden, naar willekeur, door

elkander plaats. (G. 19, 20, 21, 32, 34, 35, 37, 39, 40, 42, 43, 44, ;nquot; 47, 48, 51, 95, 101, 103, 105, 113.)

•n' De Voorzitter der Eerste Kamer heeft de lei dine der versraderinar. KG. 404.)

n-

VIJFDE AFDEELING.

ij. fa/i de wetgevende Magt.

jn Art. 109 [oud 104). De wetgevende Magt wordt gezamenlijk ïdoor den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend. (G. 59, 71; le P. 130, 140; Gem. 135.)

f quot;O. De Koning zendt Zijne voorstellen, hetzij van wet, hetzij andere, aan de Tweede Kamer bij eene schriftelijke boodschap of door eene Commissie. (G. 71.)

STAATSWETTEN. 2

17

ocr page 42

GRONDWET.

Hij kan aan bijzondere door Hem aangewezen commissarissen opdragen de ministers bij bet behandelen van die voorstellen in de vergaderingen der Staten-Generaal bij te staan.

111. Aan de openbare beraadslaging over eenig ingekomen voorstel des Konings gaat altyd een onderzoek van dat voorstel vooraf.

De Kamer bepaalt in haar Reglement van Orde de wijze, waarop dit onderzoek zal worden ingesteld.

112. De Tweede Kamer alsmede de vereenigde vergadering der Staten-Generaal heeft het regt wijzigingen in een voorstel des Konings te maken.

113. Wanneer de Tweede Kamer tot aanneming van het voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij het aan de Eerste Kamer met het volgende formulier:

„De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste Kamer „het hiernevens gaande voorstel des Konings en is van oordeel, dat „het, zooals het daar ligt, door de Staten-Generaal behoort te worden „aangenomen.1'

Wanneer de Tweede Kamer tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met het volgende formulier:

„De Tweede Kamer der Staten-Generaal betuigt den Koning haren „dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den „Staat en verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere „overweging te nemen.quot;

114. De Eerste Kamer overweegt, met inachtneming van art. 111 het voorstel zoodanig als het door de Tweede Kamer is aangenomen.

Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zy daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:

„Aan den Koning.

„De Staten-Generaal betuigen den Koning hunnen dank voor Zij-„nen gver in het bevorderen van de belangen van den Staat en „vereenigen zich met het voorstel zooals het daar ligt.quot;

„Aan de Tweede Kamer.

„De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer „kennis, dat zij zich heeft vereenigd met het voorstel betrekkelijk .......op den.....aan haar door de Tweede Kamer toegezonden.quot;

Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aanneming vsn het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren;

„Aan den Koning.

„De Eerste Kamer der Staten-Generaal betuigt deu Koning haren „dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den „Staat, en verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere „overweging te nemen.quot;

18

ocr page 43

i

GRONDWET. 19

„Aan de Tweede Kamer.

„De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer kennis, dat zij den Koning eerbiedig heeft verzocht het

„voorstel betrekkelijk....., op den.....aan haar door de

„Tweede Kamer toegezonden, in nadere overweging te nemen.quot;

115, Zoolang de Eerste Kamer nog niet heeft beslist, blijft de Koning bevoegd het door Hem gedaan voorstel weder in te trekken.

116 {oud 11U). De Staten-Generaal hebben het regt voorstellen van wet aan den Koning te doen. (G. 71, 75.)

117. De voordragt daartoe behoort uitsluitend aan de Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van 's Konings voorstellen is bepaald, en, na aanneming, aan de Eerste Kamer verzendt met liet volgende formulier:

„De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste „Kamer liet hiernevensgaande voorstel, en is van oordeel, dat de „Staten-Generaal daarop 's Konings bewilliging behooren te ver-„zoeken.quot;

Zij is bevoegd aan een of meer van hare leden de schriftelijke en mondelinge verdediging var_ haar voorstel in de Eerste Kamer op te dragen.

118. Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt yAj het aan den Koning met het volgende formulier:

„De Staten-Generaal, oordeelende dat het nevensgaande voorstel „zou kunnen strekken tot het bevorderen van de belangen van den „Staat, verzoeken eerbiedig daarop 's Konings bewilliging.quot;

Voorts geeft zij daaraan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier:

„De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis aan de Tweede

„Kamer, dat zij zich heeft vereenigd met het van haar op den.....

„ontvangen voorstel betrekkelijk.....en daarop namens de

„Staten-Generaal 's Konings bewilliging heeft verzocht.quot;

Wanneer de Eerste Kamer liet voorstel niet goedkeurt, zoo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer, met het volgende formulier:

„De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft geene genoegzame „reden gevonden om op het hiernevens teruggaande voorstel 's Ko-„nings bewilliging te verzoeken.quot;

119 (oud 113). Andere voordragten, dan voorstellen van wet, kunnen door elke Kamer afzonderlijk aan den Koning worden gedaan.

120 (oud 114). De Koning doet de Staten-Generaal zoo spoedig mogelijk kennis dragen, of Hij een voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die kennisgeving geschiedt met een der volgende formulieren :

„De Koning bewilligt in het voorstelquot; of:

„De Koning houdt het voorstel in overweging.quot;

121. Alle voorstellen van wet, door de Staten-Generaal aangenomen

2*

ocr page 44

GRONDWET.

en door den Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht van wet en worden door den Koning afgekondigd.

De wetten zijn onschendbaar. (A, 2, 11.)

122. De wetten zijn alleen voor het Rijk verbindende, voorzoover daarin niet is uitgedrukt dat zij voor de koloniën en bezittingen in andere wereldeelen verbindend zgn. (G. 2, 59, 62, 75, 161, 181.)

ZESDE AFDEELING.

F'au de begrooting.

Art. 123 (oud 119). Door de wet worden de begrootingen van alle uitgaven des Rijks vastgesteld, en de middelen tot dekking aangewezen. (G. 63 136, 187, 171 volg.)

124. De ontwerpen der algemeene begrootingswetten worden jaarlijks van wege den Koning aan de Tweede Kamer aangeboden, dadelijk na het openen der gewone zitting van de Staten-Generaal, vóór den aanvang van het jaar, waarvoor de begrootingen moeten dienen. (G. 100.)

125 (oud 121). Geen hoofdstuk der begrooting van uitgaven kan meer dan die voor één departement van algemeen bestuur behelzen.

Ieder hoofdstuk wordt in een of meer ontwerpen van wet vervat.

Door zoodanige wet kan overschrijving worden toegestaan.

126. De verantwoording van de Rijksuitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de door de Rekenkamer goedgekeurde rekening, aan de wetgevende Magt gedaan naar de voorschriften van de wet. (G. 179; Wet van 5 Oct. 1841, Stsbl. 10, zooals bij latere wetten aangevuld en gewijzigd.)

VIERDE HOOFDST CJK.

VAN DE PROVINCIALE STATEN EN DE GEMEENTEBESTUREN.

EERSTE AFDEELING.

Van de zamenstelling der Provinciale Staten.

Art. 127. De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren rectstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door lie wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. (P. 17 volg.)

Het tweede en derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing.

De helft dier leden treedt om de drie jaren af. (P. 24 volg.)

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt,

20

ocr page 45

GRONDWET. 21

dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der provincie zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

128 [oud 121). Niemand kan tegelijk zijn lid der Eerste Kamer van de Staten-Generaal en lid der Staten eener provincie, noch ook lid der Staten van meer dun ééne provincie. (G. 82, 90; P. 21.)

129. De leden der Staten leggen by liet aanvaarden hunner betrekking den volgenden eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten des „Rijks.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;)

Zij worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd gelijken eed (verklaring en belofte) van zuivering als hierboven in art. 87 voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is bepaald.

130. De Staten vergaderen zoo dikwerf in het jaar als de wet bepaalt, en bovendien wanneer zij door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen. (P. 63 volg.)

De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kumers van de Staten-Generaal is bepaald in art. 101. (P. G9 volg.)

131. De leden der Staten stemmen zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen. (G. 86; P. 72.)

(32. Omtrent het beraadslagen en stemmen gelden de regels in de artt. 105, 106 en 107 ten aanzien van de Kamers der Staten-Gene-raal voorgeschreven. (P. 75 volg.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de magl der Provinciale Staten.

Art. 133. Het gezag en de magt van de Staten worden door de wet geregeld met inachtneming van de voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat.

134. Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der provincie overgelaten. (P. 130 volg.)

Zij maken de verordeningen, die zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen.

Die verordeningen behoeven de goedkeuring des Konings; deze kan niet worden geweigerd dan bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord. (P. 140,142.)

135. Wanneer de wetten of de algemeene maatregelen van bestuur het vorderen, verleenen de Staten hunne medewerking tot uitvoering daarvan. (P. 127 volg.)

ocr page 46

22 GRONDWET.

136. Elk besluit der Staten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van eene provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings.

De wet geeft algemeene regels ten aanzien van de provinciale belastingen.

Deze belastingen mngen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere provinciën niet belemmeren. (G. Ii7; P. 139.)

137. De begrooting der provinciale inkomsten en uitgaven, jaarlijks door de Staten op te maken, behoeft de goedkeuring des Konings. (P. 103 volg.)

De wet regelt het vaststellen van de provinciale rekening.

138 (oud 13é). De Staten kunnen de belangen van hunne provinciën en van hare ingezetenen bij den Koning en by de Staten-Generaal voorstaan. (G. 8, 148; F. 93; Gem. 120.)

139 136). De Staten benoemen uit liun midden een collegie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet te stellen, de dagelyksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet. (P. ió volg., 149 volg.)

140. De magt des Konings om de besluiten van Provinciale Staten ol' van Gedeputeerde Staten, die met de wet of liet algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld. (P. 106 volg.)

141. De Koning stelt in elke provincie een Commissaris aan met de uitvoering Zyner bevelen en met het toezigt op de verrigtingen der Staten belast.

Deze Commissaris is Voorzitter van de Vergadering der Provinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten en heeft in laatstgenoemd collegie stem.

Zijne jaarwedde en de kosten zijner woning worden op de begrooting der Rijksuitgaven gebragt. De wet beslist of andere uitgaven van het provinciaal bestuur ten laste van het Rijk komen. (P. 28 volg.)

DEKDE AFDEELING.

Van de gemeentebesturen.

Art. 142. De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen worden door de wet geregeld met inachtneming dei-voorschriften iu de volgende artikelen dezer afdeeling vervat. (Wet van 29 Juni 1851, Stsbl. no. 85, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

143. Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden regtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschap-

ocr page 47

GRONDWET. 23

ihaf- pelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, des welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben Bereikt. (Gein. 1, *1 volg,; K. 1, 3, 6.)

ciale Het tweede en het derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing.

Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt dat men deu mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij, niet by regter-i lijke uitspraak de beschikking of het beheer over zgne goederen

jaar- hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouder-Ko- dom van drie en twintig jaren vervuld hebbe. (Gem. 19 volg.)

De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen. (Gem. 5 volg.)

pro- De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van

iten- den raad, benoemd en door Hem ontslagen. (Gem. 5!) volg.)

144. Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van de legie huishouding der gemeente overgelaten. (Gem. 13é volg.) wet Hij maakt de verordeningen, die hij in het belang der gemeente rden noodig oordeelt. (Gem. 150 volg.)

'. 45 Wanneer de wetten, algemeene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen het vorderen, verleeuen de gemeentebesturen Sta- hunne medewerking tot uitvoering daarvan. (Gem. 126.)

neen Wanneer de regeling en het bestuur van de huishouding eener wet gemeente door den gemeenteraad grovelijk worden verwaarloosd, kan eene wet de wijze bepalen, waarop in het bestuur dier gemeente, met met afwijking van de beide eerste zinsneden van dit artikel, worde igen voorzien.

De wet bepaalt, welk gezag het gemeentebestuur vervangt, wan-3iale neer dit in gebreke blijft in de uitvoering der wetten, der algemeene emd maatregelen van bestuur of der provinciale verordeningen te voorzien. (Gem. 126(5.)

;roo- 145. De magt des Koniugs om de besluiten van gemeentebesturen, tga- die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te nen. vernietigen, wordt bij de wet geregeld.

Die magt is onbeperkt ten aanzien van de plaatselijke verordeningen en reglementen. (Gem. 151 volg.)

146. De besluiten der gemeentebesturen, rakende zoodanige beschikking over gemeente-eigendom of zoodanige andere burgerlijke regtshandelingen als de wet aanwijst, alsmede de begrootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan de goedkeuring der Gedeputeerde ge- Staten onderworpen. (P. 143; Gem. 194 volg.)

der Het opmaken der begrootingen en het vaststellen der rekeningen Wet wordt door de wet geregeld. (Gem. 203 volg.)

gd.) '47. Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wij

lden zigen of afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen r de aaii de Gedeputeerde Staten, die daarvan verslag doen aan den i de Koning, zonder Wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag wor-lap- den gegeven. (P. 145, 161; Gem. 232.)

ocr page 48

GRONDWET.

De wet geeft algemeens regels ten aanzien der plaatselijke belastingen.

Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. (Gem. 240—257.)

148 {oud 144). De gemelde besturen kunnen de belangen van hunne gemeenten en van hare ingezetenen voorstaan bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij de Staten der provincie waartoe zij be-hooren. (G. S, 138; P. 93; Gem. 120.)

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN DE JUSTITIE.

EEHSTE AFDEELIKG.

Algemeene bepalingen.

Art. 149. Er wordt alom in het Rijk regt gesproken in naam des Konings. (R.V. 430.) ')

150. Het burgerijk en handelsregt, het burgerlijk en militair strafregt, de regtspleging en de inrigting der regterlijke Magt worden bij de wet geregeld in algemeene wetboeken, behoudens de bevoegdheid der wetgevende Magt om enkele onderwerpen in afzonderlijke wetten te regelen.

151. Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan na voorafgaande verklaring by de wet dat het algemeen nut de onteigening vordert en tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander volgens de voorschriften van eene algemeene wet. (B.W. 625 ; Wetvan 28 Aug. 1851, Stsbl. no. 125, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

Deze algemeene wet bepaalt ook de gevallen in welke de voorafgaande verklaring bij de wet niet wordt vereischt.

Het vereischte, dat de verschuldigde schadeloosstelling vooraf betaald of verzekerd zij, geldt niet, wanneer oorlog, oorlogsgevaar.

1) By de wet van 23 Juni 1891, Stsbl. no. 125, is het volgende bepaald;

Art. 1. Zoolang eene Koningin de Kroon draagt, wordt bij het gebruik van alle wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officieele benamingen, waarin het woord „Koningquot; voorkomt, in plaats daarvan het woord „Koninginquot; gebezigd, met inachtneming van de daardoor noodzakelijk wordende taalkundige veranderingen.

Art. 2. Voor de rechtsgeldigheid van de toepassing sedert den overgang van de Kroon op Hare Majesteit WÏLHELMINA aan wettelijk vastgestelde voorschriften betreffende formulieren, ambtstitels en officieele benamingen gegeven, maakt het geen onderscheid of daarbij het woord „Koningquot; dan wel het woord „Koninginquot; met inachtneming van de daardoor noodzakelijk geworden taalkundige veranderingen, gebezigd is.

Art. 3. Deze wet is ook verbindend voor de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

Zy treedt in werking op den Isten September 1891.

24

ocr page 49

GRONDWET.

be- oproer, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneming vordert. :(0. 73 volg.; Add. art. TV.)

152. Waar in het algemeen belang eigendom door het openbaar •gezag moet worden vernietigd of, hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk, moet worden onbruikbsar gemaakt, geschiedt dit tegen schadeloos-stelling, tenzij de wet het tegendeel bepaalt. (Add. art. V.)

Het gebruik van eigsndom tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, wordt bij de wet geregeld.

153. Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende ' regten, over schuldvordering en andere burgerlijke regten behooren

bij uitsluiting tot de kennisneming van de regterlyke Magt.

154. De wet kan de beslissing van twistgedingen, niet behoo-rende tot die, vermeld in art. 153, hetzij aan den gewonen regter, hetzij aan een collegie met administrative regtspraak belast, opdragen; zij regelt de wijze van behandeling en de gevolgen der beslissingen.

155 {oud 149). De regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door 'regters, welke de wet aar wijst. (R.Ó. 1.)

156 {oud 150). Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent. (G. 164; R.O. 65. 87; R.V. 74, 97, 126—128.)

De wet regelt de wijze, waarop geschillen over bevoegdheid, tus-;schen de administrative en regterlijke Magt ontstaan, worden beslist.

157. Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.

De wet bepaalt den vorm van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord. (G. 32; S.V. 39 volg., 54, 95, 98, 104 volg., 139.)

158. Het binnentreden in eene woning tegen den wil van den bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens eenen bij zonderen of algemeenen last van eene magt door de wet aangewezen.

De wet regelt de vormen, waaraan de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden is. (Wetten van 31 Aug. 1853, Stsbl. no. S3 en van 21 Juli 1890, Stsbl. no. 127.)

159 {oud 154). Het geheim der aan de post of andere openbare instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen in de wet omschreven. (S.V. lil.)

160. Op geen misdrijf mag als straf gesteld worden de algemeene verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebehoorende.

25

ocr page 50

GRONDWET.

161. Alle vonnissen moeten de gronden waarop zij rusten, inhouden en in strafzaken de wettelijke voorschriften, waarop de veroordeeling rust, aanwijzen.

De uitspraak geschiedt met open deuren.

Behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald zyn de teregt-zittingen openbaar. (R.O. 20; R.V. 18, 59.)

De regter kan in het belang der openbare orde en zedelijkheid van dezen regel afwijken.

TWEEDE AFDEELING.

Van de regterlijke Magl.

Art. 162. Er bestaat een opperste geregtshof onder den naam van Hooge Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning overeenkomstig het volgende artikel worden benoemd. (R.O. 1, S3 volg.).

163. Van eene voorgevallen vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennis gegeven die, ter vervulling daarvan, eene voordragt van drie personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen.

De Koning benoemt den president en den vice-president uit de leden van den Hoogen Raad.

164. De leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriele departementen, de gouverneurs-generaal en de hooge ambtenaren onder anderen naam met gelijke magt bekleed in de koloniën of bezittingen des Rgks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, te regt voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzy van 's Konings wege, hetzy van wege de Tweede Kamer. (Wet van 22 April 1855, Stsbl. no. 33; R.O. 92; S.V. 301 volg.; R.O. 93; S.V. 29'1 volg.)

De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge collegien wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad te regt staan.

165. De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden 'oop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten door de leden der regterlijke Magt.

Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken, en behoudens de door de wet te stellen uitzonderingen, (R.O. 99.)

De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden geregeld bij de wet. (R.O. 87 volg.)

(66. De leden van de regterlijke Magt worden door den Koning aangesteld.

20

i

ocr page 51

GRONDWET. 27

De leden van de regterljjlse Magt, met regtspraak belast, en de procureur-generaal bij den Hoogen Kaad worden voor hun leven aangesteld. (R.O. 37, 51, 62, 84.)

Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen. (R.O. 11, 13.)

Op eigen verzoek kunnen zij door den Koning worden ontslagen.

Indien een collegie belast wordt met administrative regtspraak in het hoogste ressort voor het Rijk, zijn de eerste, tweede en vierde zinsnede van dit artikel op de leden daarvan toepasselijk.

Zij kunnen worden afgezet of ontslagen op de wyze en in de gevallen, bij de wet aangewezen.

Dit artikel is niet toepasselijk op hen die uitsluitend belast zijn met regtspraak over personen, behoorende tot de zee- of landmagt of tot eenige andere gewapende magt, of met de beslissing van disciplinaire zaken.

ZESDE HOOFDSTUK.

VAN DE GODSDIENST.

Art. 167 {oud 164). Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappg en harer leden tegen de overtreding der strafwet. (B.VV. 1948; R.V. 107; S.V. I0W).

168 {oud 165). Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend.

169 {oud 166). De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen. (G. 5.)

170 {oud 167). Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de noodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust.

Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naaide wetten en reglementen is toegelaten.

171 ((»«/ 168). De traktementen, pensioenen en andere inkomsten van wc'ken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.

Aan de leeraars, welke tot nog toe uit 's Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.

172 {oud 169). De Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich honden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat. (Wet van 10 Sept. 1853, Stsbl. no. 102, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

de

ocr page 52

GRONDWET.

173 {oud 170). De tusschenkomst der Regering wordt niet ver-eischt bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen, noch, behoudens verantwoordelijkheid volgens de wet, bij de afkondiging van kerkelijke voorschriften.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

VAN DE FINANCIEN.

Art. 174. Geene belastingen kunnen ten behoeve van's Rijks kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet. (G. 123,136,137,147.)

Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen voor het gebruik van Rijks werken en inrigtingen, voor zooveel de regeling van die heffingen niet aan den Koning is voorbehouden.

175 [oud 172). Geene privilegiën kunnen in het stuk van belastingen worden verleend, (ó. 26.)

176 {oud 173). De verbindtenissen van den Staat jegens zijne schnldeischers worden gewaarborgd. De schuld wordt jaarlyks in overweging genomen ter bevordering der belangen van de schnldeischers van den Staat.

177 {otid 174). Het gewigt, de gehalte en de waarde der muntspeciën worden door de wet geregeld. (Wet van 26 Nov. 1847, Stsbl. no. 69; van 6 Juni 1875, Stsbl. no. 117; van 28 Maart 1877, Stsbl. no. 43 en van 27 Apr. 1884, Stsbl. no. 97.)

178 {oud 175j. Het toezigt en de zorg over de zaken van de Munt en de beslissing der geschillen over het allooi, essai en wat dies meer zij, worden door de wet geregeld.

179. Er is eene Algemeene Rekenkamer, welker zamenstelling en taak door de wet worden geregeld.

Bij het openvallen eener plaats in deze Kamer, zendt de Tweede Kamer der Staten-Generaal eene voordragt van drie personen aan den Koning, die daaruit benoemt.

De leden der Rekenkamer worden voor hun leven aangesteld.

Het 3de en 4de lid van art. 166 is op hen van toepassing. (G. 126; Wet van 5 Oct. 1841, Stsbl. no. 40, zooals bij latere wetten aangevuld en gewijzigd.)

ACHTSTE HOOFDSTUK.

VAN DE DEFENSIE.

Art. 180. Alle Nederlanders daartoe in staat, zijn verpligt mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied.

Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn, kan die pligt worden opgelegd.

181. Tot bescherming der belangen van den Staat is er eene zee-

28

ocr page 53

GRONDWET.

en eene landmagt, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienst-pligtigen.

De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij regelt ook de verplig-tingen die aan hen, die niet tot de zee- of landmagt behooren, ten aanzien van 's Lands verdediging opgelegd kunnen worden.

182. Vreemde troepen worden niet dan krachtens eene wet in dienst genomen.

183. De dienstpligtigen ter zee zijn bestemd om te dienen in en buiten Europa. Aan de dienst, door hen in de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen te vervullen, worden door de wet voor-deelen verbonden.

184. De dienstpligtigen te land mogen niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen worden gezonden.

185. Wanneer in geval vau oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de dienstpligtigen die niet in werkelijke dienst zijn, door den Koning geheel of ten deele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Staten-Generaal gedaan, om het onder de wapenen blijven der dienstpligtigen zooveel uoodig te bepalen.

186. Al de kosten voor de legers van het llijk worden uit 's Rijks kas voldaan.

De inkwartieringen en het onderhoud van liet krijgsvolk, de transporten en leverantien van welken aard ook voor de legers of verdedigingswerken van het Rijk gevorderd, kunnen niet dan volgens al-gemeene regels bij de wet te stellen en tegen schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners of gemeenten worden gebragt.

De uitzonderingen op die algemeene regels voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden worden bij de wet vastgesteld.

Of er oorlogsgevaar in den zin, waarin dat woord in 's Lands wetten voorkomt, aanwezig is, beslist de Koning.

187. Ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid kan door of van wege den Koning elk gedeelte van het grondgebied des Eijks in staat van oorlog of in staat van beleg verklaard worden. De wet bepaalt de wijze waarop en de gevallen waarin zulks geschieden kan en regelt de gevolgen.

Bij die regeling kan worden bepaald, dat de grondwettelgke bevoegdheden van het burgerlijk gezag ten opzigte van de openbare orde en de politie geheel of ten deele op het militair gezag overgaan, en dat, de burgerlijke overheden aan de militaire ondergeschikt worden.

Daarbij kan wijders afgeweken worden van de artt. 7, 9,158 en 159 der Grondwet.

Voor het geval van oorlog kan ook van art. 156, 1ste lid, worden afgeweken.

29

ocr page 54

GRONDWET.

NEGENDE HOOFDSTUK.

VAN DEN WATERSTAAT.

Art. 188. De wet geeft regels omtrent het waterschapsbestuur, het oppertoezigt en toezigt daaronder begrepen, met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen van dit hoofdstuk vervat. (Wet van 12 Juli 1855, Stsbl. no. 102.)

189. De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat den waterstaat betreft, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit 's Rijks kas of op eene andere wijze gevonden.

190. De Staten der Provinciën hebben liet toezigt op alle waterstaatswerken, waterschappen, veenschappen en veenpolders. Nog-tans kan de wet het toezigt over bepaalde werken aan anderen opdragen.

De Staten zijn bevoegd, met goedkeuring des Konings, in de bestaande inrigtingen en reglementen der waterschappen, veenschappen en veenpolders veranderingen te maken, waterschappen, veen-schappen en veenpolders op te heffen, nieuwe op te rigten en nieuwe reglementen voor zoodanige instellingen vast te stellen. Tot verandering van de inrigtingen of reglementen kunnen de besturen van die instellinsren voorstellen aan de Staten der provincie doen. (P. 137, 138.)

191. De besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders kunnen volgens regels, door de wet te stellen, in het huishoudelijk belang van die instellingen verordeningen maken.

TIENDE HOOFDSTUK.

30

193

^dende z [doet va Sslag aa ino. 10t

Art

wet wi rverklai stelt, i

195

ontbor niet di eenkor

196 volgir

197 Konic digil no. 2]

VAN HET ONDERWIJS EN HET ARMBESTUUR. II

geni

Art. 192 {ond 194). Het openbaar onderwijs is een voorwerp Iword

van de aanhoudende zorg der liegering. vervi

De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging II

van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld. (L O. 33.) perse

Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend open- Dt

baar lager onderwijs gegeven. (L.O. 16.) der i

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der over- I1

heid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs aard

betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijk- de v

heid des onderwijzers; het een en ander door de wet e regelen. (Wet woo

L.O. van 17 Aug. 1878, Stsbi. no. 127, zooals bij latere wetten gewij- ^

zigd; Wet M.O. van 2 Mei 1S63, Stsbl. no. 50, zooals bij latere pass

wetten gewijzigd; Wet H.O. van 28 Apr. 1870, Stsbl. no. 102, zoo- geer

als bij latere wetten gewijzigd.) of t

De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare en lagere zijn

scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven. ^

J

ocr page 55

GROKDWET. 31

193 {oud 195). Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regering, en wordt door de wet geregeld. De Koning doet van de verrigtingea dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven. (Wet van 28 Juui 1854, Stsbl. no. 100, zooals bg latere wetten gewijzigd.)

ELFDE HOOFDSTUK.

VAN VERANDERINGEN.

LArt. 194Art. 194 [oud 196). Elk voorstel tot verandering in de Grond-

et wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. De wet verklaart dat er grond bestaat om het voorstel, zoo als zij het vaststelt, in overweging te nemen.

195 [oud 197). Na de afkondiging dezer wet worden de Kamers ontbonden. De nieuwe Kamers overwegen dat voorstel en kunnen niet dan met twee derden der uitgebragte stemmen de aan haar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering aannemen.

196 [oud 198). Gedurende een Regentschap kan in de troonop-Ivolging geene verandering worden gebragt.

.197 [oud 199). De veranderingen in de Grondwet, door den Koning en de Staten-Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd en bij de Grondwet gevoegd, (Publicatie 15 Nov. 1887, Stsbl. Jno. 210.)

ADDITIONNELE ARTIKELEN.

Art. I. Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen.

II. Alle op het oogenblik der afkondiging van de veranderingen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en besluiten worden gehandhaafd, totdat zij achtervolgens door andere worden vervangen.

III. De heerlijke regten betreffende voordragt of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft.

De opheffing der overige heerlijke regten en de schadeloosstelling-der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld.

IV. Art. 151 der Grondwet is niet toepasselijk ten aanzien van aardhaling, ingeval de specie wordt genomen van gronden, waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, in 1886 rustte.

V. Het eerste lid van art. 152 der Grondwet blijft buiten toepassing, totdat de wettelijke regeling omtrent de gevallen waarin geene schadeloosstelling ingeval van vernietiging of voortdurende of tijdelijke onbruikbaarmaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden.

VI. Behoudens het regt des Konings om de Kamers der Staten-

J

ocr page 56

GRONDWET,

Generaal of eene van die Kamers te ontbinden, blijven de beide Kamers, zooals die op het tijdstip der afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, zijn zamengesteld, bestaan tot op den dag der opening der nieuwe Kamers. Zijn vóór dien dag verkiezingen noodig ter vervulling van plaatsen, die door ontslag overlijden of om eene andere reden openvallen, dan geschieden deze overeenkomstig de op den dag der genoemde afkondiging bestaande bepalingen. De Koning bepaalt het tijdstip der opening van de nieuwe Kamers, zoo kort mogelijk na de verkiezingen in art. IX bedoeld.

VII. (Houdt in veranderingen in de Kieswet, welke aldaar zijn opgenomen.)

VIII. Na de afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, heeft eene herziening plaats van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen, overeenkomstig de wet van 4 Julij 1850 (Stsbl. no. 37), gelijk zij bij art. VII is gewijzigd.

Voor de herziening der kiezerslijsten worden de termijnen van art. 1, sub c, en van art. 7 dier wet gesteld op den 21sten dag na de bedoelde afkondiging. De kiezerslijsten worden vastgesteld 1 49sten en gesloten uiterlijk op den 77sten dag na

ening van de lijsten der hoogstaangeslagenen wordt de termijn van art. 73 dier wet gesteld op den 49sten dag na bedoelde afkondiging. Zij worden vastgesteld uiterlijk op den 77sten en gesloten uiterlijk op den 105den dag na die afkoadiging.

De eerstvolgende herziening van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen heeft plaats in 1889.

IX. Do verkiezingen voor de nieuwe Kamers der Staten-Generaal hebben plaats binnen vier maanden na die afkondiging.

X. Het tweede lid van art. 5 van de wet van 29 Junij 1851 [Staatsblad no. 85) vervalt. ')

XI. Aan de verkiezingen van leden van Provinciale Staten en gemeenteraden, die mogten plaats hebben vóór de sluiting der kiezerslijsten, bedoeld in art. VIII, nemen de personen deel, wier namen voorkomen op de kiezerslijsten, geldende tijdens de afkondiging der wetten, houdende verandering in de Grondwet.

XII. De Koning is bevoegd den tekst der herziene Grondwet bekend te doen maken en daarbij in de artikelen, welke naar een ander artikel verwijzen, de veranderingen van nummers aan te brengen, welke noodig blijken te zijn. (Zie K.B. 30 Nov. 1887, Stsbl. no. 212.)

1) Het tweede lid van art. 5 der Gemeentewet luidde:

Om kiezer van den Gemeenteraad te zijn moet men in de directe belastingen de helft betalen van de som, in de kiezers van leden der Tweede Kamer van de Sta-ten-Generaal gevorderd.

32

ocr page 57

WET

jHEGELENDE HEÏ KIESREGT, EN DE BENOEMING VAN AFGEVAARDIGDEN TER EERSTE EN TWEEDE

I KAMER DER STATEN-GENERAAL. KAMER DER STATEN-GENERAAL.

Vastgesteld den 4den July 1850, Stsbl. no. 37, uitgegeven den 7deu July d.amp;.v. Gewyzigd by de wet van 6 Nov. 1887, Stsbl. no. 193 (art. VII van de Add. artt. der Gr one. wet) en 30 Dec. 1887, Stsbl. no. 257.) 1)

EERSTE AFDEELING.

Van het kiesregt.

§ 1. Van de kiezers.

Art. *1. De leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden gekozen door de mannelijke meerderjarige ingezetenen des Rijks, tevens Nederlanders, die;

, a. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar ter zake van het door hen ter bewoning gebruikte huis of afgezonderd gedeelte van een woonhuis in de personele belasting zyn aangeslagen naar eene hoo-gere huurwaarde dan die, welke volgens art. 1, litt. a en b, van pe wet van 24 April 1843 {Staatsblad no. 15) aanspraak geeft op Vermindering tot een derde of twee derde gedeelten der belasting haar de drie eerste grondslagen 2), en dien aanslag ten volle hebben betaald;

: b. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar in de grondbelasting zijn aangeslagen tot een bedrag van ten minste ^ien gulden en dien ten volle hebben betaald;

1) De met een * gemerkte artikels en alinea's zijn aldus gewijzigd, toegevoegd of vervallen door additionneel artikel VII der Grondwet.

1 2) Deze bepaling der wet op de personele belasting luidt:

a. Eenderde gedeelte van het bij de wet bepaalde bedrag, wanneer de jaar-lykache huurwaarde dier woningen en woonhuizen beloopt als volgt:

van f18 tot beneden f21, in de gemeenten, welker kom eene bevolking heeft van beneden 3000 zielen.

» * 22 „

- 25,

in de gemeenten, welker kom eene bevolking

3000 tot beneden

5000 zielen.

» -25 „

- 30,

id.

van 5000 tot beneden 8000 zielen.

» -30 „ .

„ - 35,

id.

„ 8000 „ „

12000 .,

» ■ 35 ,,

- 40,

id.

„ 12000 „

17000 „

» -40 „

„ - 45,

id.

„ 17000 „

24000 „

« - 45 „

- 50,

id.

„ 24000 „

30000 „

» -50 „

- 60,

id.

„ 36000 „

48000 „

» -67 „

00 O

id.

„ -ISOOO en daar

boven.

b. Tweederde gedeelten van dat bedrag, wanneer de jaarlijksche huurwaarde STAATSWETTEN. 3

ocr page 58

34 KIESWET.

c. hetzij, hoofden van gezinnen of alleen wonende personen zijnde, van den inwonenden eigenaar of eersten huurder van een woonhuis of afgezonderd gedeelte van een woonhuis, waarvan de huurwaarde voor de personele belasting ten minste op het dubbele gesteld is van het laagste in de gemeente voor den vollen aanslag vereischte bedrag, gedurende negen maanden, voorafgaande aan den 15den February, een gedeelte in huur hebben gehad en bewoond, waarvoor geen afzonderlijke aanslag in de personele belasting geschiedt, maar waarvan de jaarlijksche huurwaarde, ongestoffeerd, in verhouding tot de belastbare huurwaarde van het woonhuis of afgezonderd gedeelte van het woonhuis geschat, het sub a bedoelde bedrag van den vollen aanslag bereikt; (G. 80, 127, 130.)

met dien verstande, dat op de lijsten van kiezers niet worden geplaatst:

zij wien het kiesregt ontzegd is bij eene regterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan;

zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren;

en zij die in het burgerlijk jaar voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten onderstand van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur hebben genoten.

Het kiesregt wordt niet uitgeoefend door degenen die in gevangenschap of hechtenis zyn.

Voor het kiezen van leden der Provinciale Staten en van leden van den gemeenteraad gelden dezelfde regelen als die, welke in dit artikel voor het kiezen van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn gesteld, met dien verstande, dat men bovendien ingezeten der provincie moet zijn om kiezer van leden der Provinciale Staten, en ingezeten der gemeente, om kiezer van leden van den gemeenteraad te wezen. (Add. artt; P. 3; Gem. 5.)

*2. Deze wet houdt: voor Nederlander hem, die het is volgens de

dier woningen en woonhuizen is, als volgt;

van f 21 tot beneden f 24, in de gemeenten, welker kom eene bevolking heeft van beneden 3000 zielen.

- 25 „ „ - 28, in de gemeenten, welker kom eene bevolking heeft van 3000 tot beneden 5000 zielen.

- 30 „ „ - 33, id. van 5000 tot beneden 8000 zielen. -35 „ „ - 38, id. „ 8000 „ „ 12000 „ -40 „ „ - 44, id. „ 12000 „ „ 17000 „ -45 „ „ - 49, id. „ 17000 „ „ 24000 „

- 50 „ „ - 55, id. „ 24000 „ „ 36000 „ -60 „ „ - 70, id. „ 36000 „ „ 4800«) „

- 80 „ „ - 100, id. „ 48000 en daar boven.

Indien eenig dorp met eene stad tot ééne gemeente is versenigd, zal dat dorp als eene gemeente op zich zelve worden beschouwd.

ocr page 59

*

KIESWET. 35

wet verklarende, wie Nederlanders zijn; voor meerderjarig, die voor of op den dag der sluiting van de lijsten der kiezers den leeftijd van drie en twintig jaren heeft bereikt; voor ingezeten des Rijks, die zijne woonplaats gedurende de laatste aan die sluiting voorafgaande achttien maanden hier te lande of in de koloniën of bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen gehad heeft; voor ingezeten dei-provincie of der gemeente, die zijne woonplaats gedurende het laatste aan de genoemde sluiting voorafgaande jaar binnen de provincie of de gemeente gehad heeft. i'G. 6; Wet van 12 Dec. 1892, Stsbl. no. 268.)

Door den aanslag in de grondbelasting en dien in de personele belasting in art. 1 vermeld, worden de hoofdsom en de Rijksopcenten verstaan.

s3. Vervallen, (Zie T3 nieuw.)

4. De bewijsmiddelen voor het bestaan van den door deze wet gevorderden aanslag zijn:

het aanslagbiljet;

een uittreksel uit de kohieren der directe belastingen. (K. 7/.)

-5. Vervallen.

§ 2. Van de lijden der kiezers.

Art. 6. In elke gemeente, worden door den Voorzitter, onder medewerking der met de dagelijksche leiding van zaken belaste leden van den gemeenteraad, drie lijsten opgemaakt, de personen aanwijzende, die tot het kiezen van leden van de Tweede Kamer, van de Provinciale Staten en van den gemeenteraad bevoegd zijn. (P.3; Gem. 5.)

*7. De lijsten worden opgemaakt naar aanleiding der jaarlijks voor den 15den February aan den Voorzitter van den gemeenteraad dooide ontvangers der directe belastingen in te zenden, door hen te waarmerken opgaven, waarin alle mannelijke inwoners der gemeente, die inde gemeente overliet laatstverloopen dienstjaar ter zake van hunne woning in de personele belasting zijn aangeslagen naar eene hoogere huurwaarde, dan die welke volgens art. 1, litt. a en i, van de wet van 24 April 1843 {Staatsblad no. 15) aanspraak geeft op vermindering tot een derde of twee derde gedeelten der belasting naar de drie eerste grondslagen, alsmede alle mannelijke inwoners der gemeente, die wegens eigendommen in de gemeente gelegen in de grondbelasting zijn aangeslagen tot een bedrag van ten minste tien ^ gulden, worden opgenomen, mits hunne aanslagen ten volle zijn voldaan.

De Voorzitter van den gemeenteraad noodigt, bij kennisgeving, ; de mannelijke inwoners der gemeente uit, om, zoo zij in eene andere , gemeente over het laatstverloopen dienstjaar in de personele belasting tot het in de vorige zinsnede bedoelde bedrag of in de grondbelasting ■ in eene andere gemeente of in meer gemeenten te zamen tot een bedrag van ten minste tien gulden zyn aangeslagen, daarvan door overleg-

3*

ocr page 60

KIESWET.

fing der voor voldaan geteekende aanslagbiljetten, vóór den 15den ebruarij te doen blijken. Deze aauslagbiljetten worden na de vaststelling der kiezerslijsten aan belanghebbenden teruggegeven.ing der voor voldaan geteekende aanslagbiljetten, vóór den 15den ebruarij te doen blijken. Deze aauslagbiljetten worden na de vaststelling der kiezerslijsten aan belanghebbenden teruggegeven.

De man wordt in de grondbelasting geacht te betalen den aanslag zijner vrouw, de vader dien zijner minderjarige kinderen, wegens de goederen, waarvan hij het vruchtgenot heeft. (B. W. 866.)

Aanslagen in de grondbelasting wegens onverdeelde onroerende goederen gelden ook voor den mede-eigenaar, wiens naam niet bij den aanslag in het kohier is vermeld, mits zijn aandeel in dien aanslag ten minste tien gulden bedraagt.

Bij dezelfde kennisgeving als vorengemeld noodigt de Voorzitter van den gemeenteraad de mannelijke inwoners der gemeente, die op grond van het bepaalde bij art. 1, sub c, of krachtens het vorig lid van dit artikel, aanspraak meenen te kunnen maken om geplaatst te worden op de kiezerslijsten, uit, daarvan vóór 15 Februarij aangifte te doen. Het model dezer aangifte wordt door Ons vastgesteld.

De bewijsstukken, bij zoodanige aangifte overgelegd, waartoe in het geval van het 4de lid van dit artikel moeten behooren het aanslagbiljet of authentiek afschrift daarvan, eene opgaaf van het bedrag van het aandeel in den aanslag en de bescheiden betrekkelijk het gemeenschappelijk bezit, worden na de vaststelling der kiezerslijsten aan belanghebbenden teruggegeven. Het bedrag der jaarlijksche huurwaarde van de hier bedoelde gedeelten van woonhuizen, waarvoor geen afzonderlijke aanslag in de personele belasting geschiedt, ongestoffeerd, in verhouding tot de belastbare huurwaarde van het woonhuis of afgezonderd gedeelte van het woonhuis, wordt bepaald door eene schatting van drie becedigde schatters. Kan bet bedrag der schatting niet bij meerderheid der schatters worden bepaald, dan geldt de schatting die noch de hoogste noch de laagste is.

De wijze van aanstelling van deze schatters, de door hen af te leggen eed (of belofte), de regeling van en de belooning voor hunne werkzaamheden, zoomede de wijze van onderzoek omtrent het aandeel in de aanslagen, bedoeld in bet vierde lid van dit artikel, worden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.

8. Op de lijsten wordt gebragt de naam van elk inwoner der gemeente, welke de in de kiezers gevorderde vereischten bezit en niet op de kiezerslijsten eener andere gemeente voorkomt. (K. 2.)

Kriigslieden worden gehouden voor inwoners der gemeente, waar zij in'bezetting liggen.

s9. De lijsten vermelden, behalve den naam en de voornamen van den kiezer, de plaats en dagteekening zijner geboorte en de dagtee-kening zijner naturalisatie, zoo deze heeft plaats gevonden, en het bedrag van de huurwaarde der woning, waarvoor hij in de personele belasting (eersten grondslag) over het laatstverloopen dienstjaar is aangeslagen en bij gebreke daarvan bet bedrag van zgn aanslag in de grondbelasting of het bedrag van de jaarlijksche huurwaarde,

36

ocr page 61

KIESWET.

■waarop het door hem bewoonde gedeelte van een woonhuis ingevolge het laatste lid van art. 7 is geschat.

10. De lijsten worden, binnen eene maand na den in art. 7 vermelden dag, door den voorzitter en de met de dagelij ksche leiding van zaken belaste leden van den gemeenteraad vastgesteld, dadelijk aangeplakt en gedurende veertien dagen op de secretarie der gemeente voor een ieder ter inzage nedergelegd. Van dit een en ander geschiedt te gelijkertijd openbare kennisgeving.

*IOWs. Op den dag van de vaststelling van de lijsten zendt de secretaris der gemeente een afschrift of afdruk daarvan aan het bestuur van elke der in de gemeente gevestigde instellingen van weldadigheid voorkomende op de lijst, bedoeld in art. 3 der wet van 28 iJunij 1854 {Staatsblad r^o. 100). Deze besturen ziju verpligt binnen (veertien dagen aan den gemeenteraad opgave te doen van de namen van alle op de lijsten voorkomende personen, welke in het burgerlijk jaar aan de vaststelling der lysten voorafgaande van hunnentwege onderstand hebben genoten.

11. Elk inwoner van het kiesdistrict of, zoo het verkiezing voor ;den raad geldt, elk ingezeten der gemeente, de in art. 1 vermelde |vereischten bezittende, is bevoegd tegen de lijsten bezwaren in te ïdienen, wanneer daarop:

1°. zijn naam of die var een ander, tegen de bepaling van art. 8, 5niet, of niet behoorlijk vooikomt;

I Zquot;. de naam van iemand, die, hetzij een of meer der in de kiezers igevorderde vereischten mist, of uitgesloten is, betzij op de kiezerslijst éener andere gemeente staat, is gebragt.

*Betreft het bezwaarschrift de schatting der jaarlijksche hnur-Jwaarde van gedeelten van woonhuizen, bedoeld in het voorlaatste lid van art. 7, dan zorgt de Voorzitter van den raad onverwijld voor herschatting door drie beëedigde herschatters, ten aanzien van welke toepasselijk is het laatste lid van art. 7. De kosten der herschatting zijn voor rekening van dengene, die het bezwaarschrift indient; deze is verpligt het bedrag daarvan, hetwelk ook bepaald wordt bij den -■bovengenoemden algemeenen maatregel van bestuur, te gelijk met de indiening van het bezwaarschrift, bij het gemeentebestuur te storten. Verzuimt hij deze storting, dan wordt op het bezwaarschrift betreffende de schatting geene beschikking genomen.

12. De bezwaren worden, binnen veertien dagen na de dagteekening der in art. 10 bedoelde kennisgeving, by verzoekschrift, door de noodige bewijsstukken gestaafd, aan den gemeenteraad ingediend.

*\20is. De secretaris der gemeente doet in het geval onder no. 1 Ivan art. 11 bedoeld, binnen 24 uren na het inkomen van het be-izwaar aan de besturen van elke der in art. \Qbis bedoelde instellingen mededeeling van den naam van degenen wier plaatsing op de lijst verlangd wordt. Deze besturen zijn verpligt binnen 7 dagen aan den gemeenteraad kennis te geven van het feit ■—• indien het zich

37

ocr page 62

KIESWET.

voordoet —• dat deze personen in het burgerlijk jaar aan de vaststelling der liist voorafgaande van hunnentwege onderstand hebben genoten. (K. 1.)

13. In het geval, onder no. 2 van art. 11 bedoeld, geeft de secretaris der gemeente aan den persoon wiens weglating van de lijst wordt gevraagd, binnen vier en twintig uren schriftelijk daarvan kennis. Deze kan ter secretarie inzage nemen van het verzoekschrift met bijgevoegde stukken, en zijne wederlegging schriftelijk inleveren.

14. *De raad beslist over de bezwaren tusschen den achtsten en den veertienden dag nadat zij zijn ingediend, en verbetert de lijsten, zooals hij vindt te behooren. Heeft het bezwaar de schatting van gedeelten van woonhuizen betroffen, dan wijzigt de raad de kiezers-lijsten in overeenstemming met de uitkomst der hersohatting, zoo deze daartoe aanleiding geeft. Kan het bedrag der herschatting niet bij meerderheid der herschatters worden bepaald, dan geldt de schatting die noch de hoogste noch de laagste is.

*De raad geeft van zijne beschikkirg op de bezwaren, met redenen omkleed, terstond kennis aan de oelanghebbenden.

£ene afwyzende beschikking doet hij, ten koste van den verzoeker, door een deurwaarder aan diens persoon of woonplaats beteekenen.

Gelijke beteekening geschiedt van eene toewijzende beschikking, in het geval onder no. 2 van art. 11 vermeld, aan hem, die van de lijst is weggenomen. Deze beteekening geschiedt ten koste van den Staat, van de provincie of van de gemeente, naar gelang het bezwaar tegen de kiezerslijsten voor de benoeming van leden van de Tweede Kamer, van de Provinciale Staten, of van den gemeenteraad was gerigt.

15. Gedurende acht dagen, te rekenen van den dag dezer beteekening, kunnen de belanghebbenden, die in het besluit van den raad niet berusten, de zaak, bij een met redenen omkleed en door hen onderteekend verzoekschrift, vergezeld van de bewijsstukken, en van een afschrift der beschikking van den gemeenteraad, onderwerpen aan de uitspraak der arrondissements-regtbank, binnen wier ressort de lijsten zijn opgemaakt. (G. 154.)

Zij zijn niet gehouden, zicli van de tusschenkomst eens procureurs te bedienen. (R. V. 135.)

16. In de gevallen, begrepen onder no. 1 van art. 11, brengt het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na de iadiening van het verzoekschrift, zijne conclusiën ter teregtzitting uit. Daarna doet de regt-bank, mede ter teregtzitting, binnen drie dagen uitspraak.

17. In het geval, bedoeld onder no. 2 van art. 11, laat de verzoeker zijn verzoekschrift, met afschriften der bewijsstukken en der beschikking van den gemeenteraad, binnen driemaal vier en twintig uren na de indiening beteekenen aan dengene, die hij beweert ten onregte onder de kiezers te zijn opgenomen of aan dengene, op wiens verzoek

38

ocr page 63

KIESWET.

lij van de lijst is weggenomen, en doet het exploit van beteekening er griffie der arrondissements-regtbank nederleggen.

18. De wederpartij kan binnen acht dagen eene memorie van antwoord aan de regtbank indienen, met overlegging van bewijsstukken.

19. Binnen vijf dagen na afloop van laatstgemeldeu termijn brengt liet openbaar ministerie zyne conclusie ter teregtzitting uit. De regtbank doet daarna, mede ter teregtzitting, bi.'.nen drie dagen uitspraak.

20. De vernietiging van de, ten gevolge der artikelen 16—19 gedane uitspraak der regtbank kan, docli alléén wegens schending of verkeerde toepassing der wet, gevraagd worden aan den Hoogen Raad, zoowel door de verzoekende, als door de wederpartij, al heeft deze geene memorie van antwoord aan de regtbank ingediend. (R. 0. 99, 105.)

21. 'Zij legt daartoe, binnen veertien dagen na den dag, w aarop het vonnis der arrondissements-regtbank is uitgesproken, ter g-riffie van den Hoogen Raad een verzoekschrift neder, waarin hare gr-onden en eisch tot cassatie worden ontvouwd, met aanwijzing der wetsbepalingen, welke men beweert te zijn geschonden of verkeerdelijk toegepast.

Zij legt daarbij over een afschrift van het vonnis, waarv an zij de vernietiging verlangt, en de bewijsstukken, die zij voor de regtbank heeft gebruikt; geene andere.

Zij is niet gehouden, eene som voor boete te consigneren of te betalen. (R. V. 406, 407.)

22. In het geval, bedoeld onder no. 2 van art. 11, doet zij, binnen acht dagen na het nederleggen van het voormelde verzoeksclrift ter griffie van den Hoogen Raad, aan de wederpartij beteekeuen;

1quot;. een afschrift van dat verzoekschrift:

2quot;. een afschrift van het bewijs, door den griffier van den Hoogen Raad afgegeven, van het nederleggen van dit verzoekschrift ter griffie van dien raad; en het exploit van beteekening ter zelfde griffie nederleggen.

23. De wederpartij, al heeft zij geene memorie van beantwoording bij de regtbank ingediend, kan, binnen veertien dagen na liet ontvangen der beteekening in het voorgaande artikel vermeld, ter griffie van den Hoogen Raad een verzoekschrift doen nederleggen, waarin hare beantwoording van den ingestelden eisch van cassatie en hare conclusie worden ontvouwd. (R. V. 411.)

Zij mag daarbij geene andere bewijsstukken overleggen, dan die zij voor de regtbank heeft gebruikt.

24. Binnen vier en twintig uren na de ontvangst van het verzoekschrift, in art. 21 vermeld, en, in het geval, bedoeld onder no. 2 van art. 11, binnen vier en twintig uren nadat de termijn, in art. 23 bepaald, is verstreken, stelt de griffier van den Hoogen Raad al de te dier zake ontvangene en ter zijner griffie nedergelegde stukken in handen van den procureur-generaal bij den Hoogen Raad. (R. Y.

39

ocr page 64

KIESWET.

25. Deze brengt, binnen veertien dagen daarna, zijne conclnsiën ter teregtzitting van den Hoogen Eaad uit.

De Hooge Raad doet, binnen acht dagen daarna, zijne uitspraak.

26. Wanneer de Hooge Raad grond vindt tot vernietiging van het vonnis der arrondissements regtbank, beslist hij in hetzelfde arrest de hoofdzaak, zoo als de regtbank, die het vernietigde vonnis heeft gewezen, had behooren te doen.

Indien de beslissing dor hoofdzaak afhangt van daadzaken or regtspunten, welke bij de vroegere behandeling zijn onopgelost gekten, verwijst de Hooge Raad het geding naar de regtbank, ten einde, met inachtneming van de uitspraak van den Hoogen Raad, de hoofdzaak verder te behandelen en te beslissen.

27. De procureur-generaal bij den Hoogen Raad is, wanneer geene der partijen zich van liet vonnis der regtbank, in hare zaak gewezen, daartegen in cassatie heeft voorzien, bevoegd die cassatie, in het belang der wet, te vragen.

Het te wijzen arrest kan de regten, door de partijen verkregen, niet benadeelen. (R. O. 98.)

28. Indien er geene wederpartij is, of deze niet heeft geantwoord, komen de in art. 36 niet bedoelde kosten, zoo het verzoek wordt toegestaan, ten laste van den Staat, van de provincie of van de gemeente, naar gelang de zaak de kiezerslijsten voor de benoeming der leden van de Tweede Kamer, van de Provinciale Staten, of van den gemeenteraad heeft betroffen.

Onder deze kosten zijn mede begrepen die van het exploit van beteekening, vermeld onder het tweede lid van art. 14.

29. Regtsvorderingen, overeenkomstig de artt. 15—26 ingesteld, stuiten in geen geval het werk der verkiezing.

30. De voorzitter van den gemeenteraad zorgt, dat in de lijsten de wijzigingen, bevolen bij regterlijke uitspraken, die in kracht van gewijsde zijn gegaan, op vertoon dier uitspraken, onmiddellijk worden gebragt.

31. Hij sluit de lijsten uiterlijk op den vyf en twintigsten April, doet ze op nieuw aanplakken en op de secretarie der gemeente voor een ieder ter inzage nederleggen, en zorgt, dat van dit een en ander openbare kennisgeving geschiede.

32. Binnen vijf dagen na de sluiting, zenót hij afschrift van de lijst der kiezers voor de Tweede Kamer aan de besturen der hoofdplaatsen van het rijks-hoofdkiesdistrict en onderkiesdistrict, waarin de gemeente ligt; afschrift van de lijst der kiezers voor de Provinciale Staten aan de besturen der hoofdplaatsen van het provinciaal hoofdkiesdistrict en onderkiesdistrict, waarin de gemeente ligt.

33. De geslotene lijsten blijven voortdurend van kracht, behoudens de wijzigingen, daarin ten gevolge van regterlijke uitspraken, of bij de herziening, te brengen. (K. 85.)

40

ocr page 65

KIESWET.

34. De herziening geschiedt jaarlijks in de tweede helft der maand ïebruarij. (K. 7a.)

Daarbij worden de bepalingen der artt. 6—32 in acht genomen.

35. Bij de herziening worden van de lijsten geschrapt, allen, die daarop verkeerdelijk zijn gebragt, die een of meer der in de kiezers gevorderde vereischten verloren hebben, en die overleden zijn. (K. 1.)

De namen van hen, die bij de herziening van de lijsten worden geschrapt, worden te gelijk met de in art. lü bedoelde aanplakking, nederlegging en openbare kennisgeving, afzonderlijk bekend gemaakt.

36. De in de vorige artikelen bedoelde bezwaar- en verzoekschriften, stukken, voor dn regtsvorderiugeii benoodigd, beslissingen, uitspraken, kennisgevingen en de door de ontvangers der directe belastingen af te leveren uittreksels uit de kohieren zijn vrij van zegel-, griffie- en registratie-kosten. (K. 86.)

*36fo's. De bestuurders van instellingen van weldadigheid, die niet voldoen aan de voorschriften vervat in de artt. iOAw en \ibis worden gestraft met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.

tj 3. Van hel stemmen der kiezers.

Art. 37. Ten minste acht dagen vóór den ter verkiezing bestemden tijd ontvangt elk kiezer van den voorzitter van den gemeenteraad zijner woooplaats door een gemeente-ambtenaar of over de post een gesloten brief van oproeping, vermeldende den dag, den tijd en de plaats voor de verkiezing aangewezen en bevattende een stembriefje waarop, zoo het eene keuze voor den gemeenteraad geldt, het zegel der gemeente, zoo zij voor de Provinciale Staten of de Tweede Kamer moet geschieden, dat der hoofdplaatsen van het hoofd- en van het onderkiesdistrict staat afgedrukt. ') (K. 100, 110; P. 5, 6, 13, 143; Gem. 7, 8.)

Den kiezer, die zijn stembriefje verloren, of er geen ontvangen heeft, wordt gelegenheid verschaft, om er ter secretarie der gemeente een te bekomen.

38. De inlevering van het stembriefje geschiedt in de gemeente, waar de kiezer op de kiezerslijst is gebragt;

bij het bureau van stemopneming van de hoofdplaats van het onderkiesdistrict, zoo de gemeente met andere zoodanig district uitmaakt;

bij het bureau van de afdeeling of van het onderkiesdistrict, waar binnen de kiezer woont, zoo de gemeente in afdeelingen of onderkiesdistricten is verdeeld. (K. 99. Zie Tabel achter deze wet.)

41

39. Het stembriefje, schriftelijk ingevuld, wordt door den kiezer in persoon op de plaats, voor de inlevering bestemd, in de aldaar aanwezige stembus gestoken.

1) Deze alinea aldus gewyzigd by art. 1 der wet vau 30 Dec. 1887, Stsbl. no. 257.

ocr page 66

KIESWET.

40. De kiezers, die geene krijgslieden zijn, verschenen ongewapend op de plaats, voor de inlevering der stembriefjes bestemd.

De kiezers houden zich aldaar uitsluitend bezig met het stemmen over te kiezen personen.

41. De inlevering der stembriefjes vangt aan des morgens ten negen ure, en duurt tot des namiddags ten vijf ure, zoo de verkiezing tusschen den eersten Mei en den laatsten September; tot des namiddags ten vier ure, zoo zij tusschen den eersten October en den laatsten April plaats vindt. Zij duurt niet langer dan één dag.

42. De voorzitter van den raad der gemeente, waar de inlevering plaats heeft, zorgt voor eene daartoe geschikte zaal.

Die voorzitter, of die hem vervangt, is voorzitter van het bureau van stemopneming (K. 47, 99; Gem. 77.)

Is in eene gemeente meer dan één zoodanig bureau aanwezig, dan wordt het voorzitterschap van het hoofdbureau door den voorzitter van den raad, dat van elk der overige door een lid van den raad, door dezen te verkiezen, bekleed.

43. Het bureau van stemopneming bestaat, behalve uit den voorzitter, uit twee leden van den gemeenteraad, door dezen te verkiezen.

In gemeenten, waar ten gevolge der door den Minister van Bin-nenlandsche Zaken overeenkomstig artikel 99 gedane aanwijzing van onderkiesdistricten meerdere bureaux van stemopneming worden ver-eischt, kunnen, indien de gemeenteraad dit bij verordening bepaalt, leden van bureaux door het college van dagelijksch bestuur aangewezen worden uit kiezers, inwoners der gemeente, die telkens voor twaalf maanden daartoe door den gemeenteraad worden benoemd, ten getale van ten hoogste het dubbele der leden van den gemeenteraad; deze benoeming geschiedt vóór 1 Maart en wordt in het nieuwsblad waarin de officiëele kennisgevingen van het gemeentebestuur worden geplaatst, aangekondigd; vacaturen in het getal der bedoelde kiezers kunnen tusschentijds, zoo noodig, op gelijke wijze worden aangevuld.

De voorgaande zinsnede is niet toepasselijk op het hoofdbureau van stemopneming.

Elk bureau kan zich door den secretaris en beambten der secretarie van de gemeente doen bijstaan. ')

44. Op de tafel, voor het bureau van stemopneming staande, ligt een exemplaar dezer wet en der overeenkomstig art. 31 laatst geslote-ne kiezerslijst, die bij de verkiezing in aanmerking komt. (K. 47.)

45. De tafel is zoodanig geplaatst, dat de kiezers de verrigtin-gen van het bureau kunnen gadeslaan.

42

46. Nevens of op de tafel staat de stembus, vervaardigd naar het door Ons daarvoor vast te stellen model, en gesloten met twee verschillende sleutels, waarvan de eene onder den voorzitter, de andere

1) Art. 43 aldus gewijzigd bg art. 2 der wet van 30 Dec. 1887, Stsbl. no. 257.

ocr page 67

KIESWET.

onder den oudsten stemopnemer bernst. (K. B. 1850, Stsbl. no. 46.)

47. Tot de stembus wordt niemand toegelaten, dan die, volgens de in art. 44 bedoelde lijst, bevoegd is tot de keuze mede te werken.

48. De in art. 43 bedoelde leden van het stembureau zijn stem-opnemers; beiden teekenen de namen op van eiken kiezer, die een itembriefje in de bus komt doen. Zij onderteekenen met den voor-sitter de door hen aldus gehoudene lijsten. ') (K. 52.)

49. De voorzitter van het bureau van stemopneming is belast met de handhaving der oide in de zaal, waar gekozen wordt.

Niet dan op de vordering van het bureau, en alleen tot bedwang van wanorde, mag eeuige gewapende magt in de zaal of hare toegangen worden geplaatst. De burgelijke en militaire autoriteiten zijn gehouden aan die vordering te voldoen.

50. Wanneer het bureau bevindt, dat de wanorde in de zaal het behoorlijk inleveren der stembriefjes onmogelijk maakt, wordt dit door den voorzitter verklaard. De inlevering wordt daarop terstond geschorst, en tot den volgenden dag, of, is deze een Zondag, tot den daarna volgenden verdaagd. (K. 41, 50.)

De stembus, op de in art. 51 bedoelde wijze onmiddellijk te sluiten, wordt overeenkomstig de artt. 53 en 54 behandeld.

51. Zoodra de ter inlevering der stembriefjes in art. 41 bepaalde tijd verstreken is, wordt dit door den voorzitter van het bureau aangekondigd. De stembus wordt daarop, in tegenwoordigheid der in de zaal aanwezige kiezers, terstond verzegeld met het zegel zoo der gemeente waar de verkiezing plaats heeft, als van elk der leden van het bureau van stemopneming. Vooraf wordt de bus, op de door Ons te bepalen wijze, zóó gesloten, dat geene stembriefjes daaruit geligt, of daarin gestoken kunnen worden. (K. B. 1850, Stsbl. no. 46.)

De op het oogenblik van het verstrijken van den tijd in de zaal aanwezige kiezers worden nog tot de bus, vóór hare sluiting, ter inlevering hunner stembriefjes, toegelaten.

52. Na afloop hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit is ingerigt overeenkomstig het bij deze wet gevoegd voorschrift, en wordt door den voorzitter en de stemopnemers geteekend. (K. 47. Zie voorschrift achter deze wet, blz. 64.)

53. Onmiddellijk na de onderteekening van het proces-verbaal wordt de stembus met hare, in een behoorlijk verzegeld papier ge-sloteue, sleutels en de in art. 48 bedoelde lijsten der kiezers, door den jongsten stemopnemer overgebragt naar den voorzitter van het bureau

i van stemopneming, of naar die van het hoofdbureau, zoo het de bus van een onderbureau, of naar dien van het bureau van het hoofdkies-distriot, zoo het de bus van een onderkiesdistrict geldt.

43

54. De voorzitter bewaart alle de, volgens het vorig artikel, bij

1) Art. 48 aldus gewijzigd b'ü art. 3 der wet van 30 Dec. 1887, Stsbl. no. 357.

ocr page 68

44 KIESWET.

hem overgebragte stembussen, sleutels en lijsten, en brengt die, den dag, waarop de opening der stembriefjes moet geschieden, in de voor die opening bestemde zaal, (K. 57.)

55. Het openen der stembriefjes geschiedt in de hoofdplaats van het hoofdkiesdistriot, op den dag nadat zij zijn ingeleverd.

Ingeval het openen der briefjes, den dag nadat zij zijn ingeleverd, in eenig kiesdistrict onmogelijk of hoogst moeielijk blijkt te zijn, kan door Ons, bij een voor elke opening te nemen besluit, het openen voor zoodanig district worden verdaagd. In geen geval geschiedt het openen later, dan op den derden dag nadat de briefjes zijn ingeleverd.

56. Indien in een onderkiesdistrict het in art. 50 voorzien geval plaats vindt, geschiedt voor het gelieele kiesdistrict, waartoe dat onderkiesdistrict behoort, de opening op den dag na dien, waarop in dit laatste de stembriefjes zijn ingeleverd, of, is deze een Zondag, op den daarna volgenden.

Het zelfde geldt voor eene gemeente, waarin het bedoeld geval slechts voor één bureau van stemopneming heeft plaats gevonden.

57. Het openen der stembriefjes vangt aan des morgens ten negen ure. Het geschiedt in het openbaar, door den in art. 54- bedoelden voorzitter en zijn bureau van stemopneming. (G. 96; P. 19.)

In gemeenten, waar de opening schijnen mogt niet in éénen dag te kunnen afloopen, kan liet college van dagelij ksch bestuur uit de voorzitters en leden van de bureaux van stemopneming een of meer onder-bureaux benoemen, om liet bovenbedoeld bureau in het openen behulpzaam te zyn.

Deze ondcr-bureaux, ieder van welk door een lid van den raad wordt voorgezeten, ontvangen in de zaal en uit handen van den voorzitter, in art. 54 bedoeld, de door hen te openen bussen met de daarbij behoorende sleutels en lysten van kiezers, begeven zich naar de voor hen bestemde zalen, nemen bij de opening de artt. 58—04 in acht en maken terstond den uitslag van het door hen bevondene, waarvan zij behoorlijk aanteekening houden, bekend aan den gemelden voorzitter, die daarna op de wijze, bij de artt. 05 en volgende voorgeschreven, te werk gaat. ')

58. De kiezers, die op de in art. 4S bedoelde lijsten voorkomen, en bij de opening tegenwoordig zijn, kunnen, zoo de stemopneming niet overeenkomstig de wet geschiedt, bezwaren inbrengen. Hiervan wordt in het proces-verbaal der opening melding gemaakt. (K. 62.)

Bij het opeaen geldt de bepaling van art. 49.

59. Vóór het openen, worden de briefjes geteld en met het getal der kiezers, die, blijkens de lijsten, stemden, vergeleken. De briefjes worden, zoo er verschillende bussen te ledigen zijn, ongeopend onder een gemengd. (K. 70.)

1) He 3de en 3de aliuea van art. 57 aldus vastgesteld by art. 4 der wet van 30 Dec. 1887, Stsbl. no 257.

ocr page 69

KIESWET. 45

60. Bij het openen, wordt de inhoud van elk briefje door den voorzitter overluid voorgelezen, door den oudsten stemopnemer nagezien en door beide stemopnemers opgeteekend.

61. Van onwaarde zijn de briefjes, die het in art. 37 bedoeld zegel missen; die onderteekend zijn; geen persoon duidelijk aanwijzen; niet ingevuld zijn; andere stembriefjes omvatten, of daaraan opzet-ielijk zijn vastgehecht.

De in een briefje ingevulde naam van een lid der vergadering, ter wier aanvulling wordt gestemd, welks beurt van aftreding op het ijdstip, waarvoor de verkiezing geschiedt, nog niet is gekomen, wordt roor niet geschreven gehouden. (K. 62.)

62. Het bureau van stemopneming beslist over de waarde van het briefje, welks geldigheid wordt betwijfeld, terstond nadat het is geopend. De voorzitter maakt de redenen van twijfel en de beslissing onmiddellijk bekend. (K. 58.)

63. De briefjes, die meer of minder namen, dan er personen te kiezen zgn, inhouden, gelden.

64. De, na het voer de keuze vereischte getal, in een briefje vermelde namen komen riet in aanmerking en worden niet voorgelezen door den voorzitter, die echter deze omstandigheid bekend maakt. 'K. 60.)

65. Terstond na den afloop der opening, wordt door den voorzitter )ekend gemaakt het getal der briefjes, die, na aftrek der van on-vaarde verklaarde, overgebleven zijn; dat der stemmen, welke dien en gevolge de volstrekte meerderheid uitmaken; en dat der stemmen, ip elk persoon uitgebragt.

66. Eene verkregene meerderheid van stemmen geldt niet, wan-icer daarop een tusschen het getal der in de bussen gevondene stem-iriefjes en dat der kiezers, die stemden, bestaand verschil van in-loed heeft kunnen zijn. Het bureau van stemopneming neemt te dien anzien eene beslissing, die door den voorzitter wordt bekend genaakt. (K. 70; P. 81.)

67. Nadat de uitslag der stemming is medegedeeld, wordt proceserbaai opgemaakt.

Dit is ingerigt overeenkomstig het bij deze wet gevoegd voor-ichrift en wordt door den voorzitter en de stemopnemers getee-end. (Zie voorschrift achter deze wet, blz. 55.)

68. Binnen vier en twintig uren na den afloop der stemopneming, orden aan het bestuur der gemeente, waar deze heeft plaats gehad, c processen-verhaal, bij art. 52 en het vorig artikel bedoeld, inge-onden. Daarbij worden de geopende stembriefjes, die gelden en die an onwaarde zijn verklaard, in twee afzonderlijke, met de zegels er leden van het bureau van stemopneming behoorlijke verzegelde akken gesloten, gevoegd. (K. 104, 105 ; P. 9, 10 ; Gem. 10, 11.)

69. Het gemeentebestuur bewaart de processen-verbaal, en doet fschriften daarvan terstond aanplakken en ter secretarie der gemeente

den

ocr page 70

KIESWET.

voor een ieder ter inzage nederleggen. Het bewaart de stembriefjes gedurende een jaar en vernietigt ze vervolgens.

70. De bepalingen der artt. 37—09 gelden in elk geval, dat eene herstemming, of andermaal een vrije stemming moet plaats hebben.

De laatste heeft altijd plaats, wanneer een bureau van stemopneming heeft beslist, dat een tusschen het getal der in de bussen gevondene stembriefjes en dat der kiezers, die stemden, bestaand verschil op eene verkregene meerderheid van stemmen van invloed heeft kunnen zijn. (K, 6ö.)

TWEEDE AFDEEL1NG.

Van de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en van hunne aftreding.

§ 1. Fan de afgevaardigden ter Eerste Kamer.

Art. *71. Leden der Eerste Kamer kunnen alleen zijn mannelijke Nederlanders, die niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn, den ouderdom van dertig jaren vervuld hebben en of behooren tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen of een of meer hooge en gewigtige openbare betrekkingen, door de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. Deze betrekkingen worden voor de eerste maal aangewezen bij algemee-nen maatregel van bestuur, welke van kracht blijft tot dat die door eene wet wordt vervangen. Het voorstel van zoodanige wet wordt binnen twee jaren na het in werking treden der veranderingen in de Grondwet bij de Staten-Generaal ingediend. (G. 82, 90; Wet van 12 Aug. 1890, Stsbl. no. 148.) f)

) Als booge en gewichtige openbare betrekkingen, bedoeld in art. 90 van de Grondwet, worden, by de wet van 12 Aug. 1890, Stsbl. no. 148, aangewezen;

Voorzitter en lid van eene der Kamers der Staten-Generaal;

Vice-President en lid van den Raad van State;

Staatsraad in buitengewonen dienst;

President en lid van de Algemeene Rekenkamer;

Directeur van het Kabinet des Konings;

Hoofd van een Departement van algemeen bestuur;

Buitengewoon Gezant en gevolmachtigd Minister;

Minister-resident;

Consul-Generaal in Nederlandschen dienst;

President, Vice-President en lid van den Hoogen Raad;

Procureur-Generaal en Advocaat-Generaal by den Hoogen Raad;

President, Vice-President en lid van een gerechtshof;

Procureur-Generaal en Advocaat-Generaal bij een gerechtshof;

President en lid van het Hoog Militair gerechtshof;

4ö

ocr page 71

KIESWET.

72. In elke provincie wordt door Gedeputeerde Staten eene lijst opgemaakt, hen aanwijzende, die in de op bet oogenblik van het vaststellen der lijst tot de loopende dienst behoorende kohieren, in de rijks-directe belastingen, zoo in opcenten als in hoofdsom, het hoogst zijn aangeslagen.

*De bepaling van art. 4 is daarbij van toepassing. (K. 7, 120.)

-De aanslag der vrouw in de directe belastingen wordt beschouwd als staande ten name van haren man, die van minderjarige kinderen als staande ten name van hunnen vader, voor zooveel betreft de goederen, waarvan hij het vruchtgenot heeft.

73. *Het opmaken der lijst geschiedt jaarlijks in de eerste helft der maand April naai aanleiding der jaarlijks vóór 1 April aan Gedeputeerde Staten door de ontvangers der directe belastingen in te zenden, door hen te waarmerken opgaven, waarin elk belastingschuldige op hunne tot de loopende dienst behoorende kohieren voorkomende en het bedrag waarvoor hij in elke belasting afzonderlijk is aangeslagen, wordt aangewezen. (K. 7, 31.)

Advocaat-fiscaal voor 's Konings zee- en landmacht;

Commissaris des Konings in eene provincie;

Lid van Gedeputeerde Staten;

Burgemeester van eene gemeente, welke volgens de laatste openbare volkstelling

uit meer dan 20000 zielen bestaat;

Curator van eene ryks-Universiteit;

Curator van de gemeentelijke Universiteit te Amsterdam;

Hoogleeraar aan eene rijks-Universiteit en hoogleeraar aan de gemeentelijke Universiteit te Amsterdam;

Hoogleeraar-directeur en hoogleeraar aan de Polytechnische school;

Voorzitter en lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen; Luitenant-Admiraal; Vice-Admiraal; Schout-bij-nacht; Kapitein ter zee;

Generaal der infanterie; Luitenant-Generaal; Generaal-Majoor; Kolonel, bij het

Nederlandsch en Nederlandsch Indisch leger;

Voorzitter van het Muntcollege;

Hoofdingenieur-adviseur en hoofdingenieur van scheepsbouw;

Hoofdinspecteur, Inspecteur en Hoofdingenieur van den Rijkswaterstaat;

Voorzitter van den Raad van toezicht op de spoorwegdiensten;

Voorzitter van het College voor de Zeevisscherijen;

Voorzitter van de kamer van koophandel en fabrieken in eene gemeente, of eene vereeniging van gemeenten, welke volgens de laatste openbare volkstelling uit meer dan 20000 zielen bestaat;

Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië;

Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië ;

Vice-president en lid van den Raad van Nederlandsch-Indië;

President en lid van de Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indië;

Algemeen Secretaris van het gouvernement in Nederlandsch ludiëj Hoofd van een departement van algemeen bestuur in Nederlandsch-Indië; President, Vice-President en lid van het Hooggerechtshof van Nederlandsch-Indië; Procureur-Generaal by het Hooggerechtshof van Nederlandsch-Indië;

President, Vice-President en lid van het Hoog Militair gerechtshof van Nederlandsch-Indië;

Advocaat-fiscaal voor de land- en zeemacht van Nederlandsch-Indië;

Gouverneur van Celebes en onderhoorigheden, van Sumatra's Westkust en van

Atjeh en onderhoorigheden;

Resident van Batavia, Soerabaija, Djokjokarta, Soerakarta en Samarang;

Gouverneur van Suriname;

Gou verneur van Curasao;

Voorzitter van en Procureur-Generaal by het Hof van Justitie in Suriname.

47

ocr page 72

48 KIESWET.

Gedeputeerde Staten noodigen de inwoners der provincie uit, om, arroï

zoo zij elders in de rijks-directe belastingen zijn aangeslagen, daar- (Gem

van vóór den Isten April te doen blijken. Da

*74. Gedeputeerde Staten brengen op de lijst zoodanig getal perso- 83

nen, binnen de provincie wonende, dat op iedere vijftien honderd in- volen

woners der provincie één tot lid der Eerste Kamer uit dezen hoofde gaan, verkiesbaar zij. (G. 90.) , is de

*75. Vervallen. de ar

76. De lijst vermeldt, behalve den naam, de voornamen van den 84 hoogst aangeslagene, de plaats en dagteekening zgner geboorte, de Junij dagteekening zijner naturalisatie, zoo deze heeft plaats gevonden, in de het bedrag, waarvoor hij in elke belasting afzonderlijk is aangesla- lijst s gen, en waar de aanslag is geschied. (K. 9.) 85

77. De lijst wordt, uiterlijk op den laatsten April, door Gedepu- regtei teerde Staten vastgesteld en dadelijk geplaatst in een dagblad der Ssten provincie en in de Nederiandsche Staats-Courant. (K. 10, 83.) 86,

*78. Elk Nederlander die niet bij regterlijke uitspraak de beschik- tot 8

king of het beheer over zijne goederen heeft verloren, noch van de 87

verkiesbaarheid ontzet is, is bevoegd tegen de lijst bezwaren in te gekoz

dienen, wanneer daarop; 88,

1°. zijn naam of die van een ander in strijd met de bepalingen der n

van artt. 72 tot 76 niet of niet behoorlijk voorkomt; *A

2quot;. de naam is gebragt van iemand die een of meer der in art. die ir

71 vermelde vereischten, om als hoogstaangeslagene verkiesbaar te rooste

zijn, mist. (K. 11, 12.) _ 89.

79. De bezwaren worden vóór den 15den Mei, bij verzoekschrift, overli door de noodige bewijsstukken gestaafd, bij Gedeputeerde Staten in- ; tig df gediend. In;

80. In het geval, onder no. 2 van art. 78 bedoeld, geeft de griffier 'van d der Staten aan den persoon, wiens weglating van de lijst wordt kenin; gevraagd, binnen vier en twintig uren schriftelijk daarvan ken- 90. nis. een di

Deze kan ter provinciale griffie inzage nemen van het verzoek- notule

schrift met bijgevoegde stukken, en zijne wederlegging schriftelijk Dit

inleveren. dige 1

81. Gedeputeerde Staten beslissen over de bezwaren, binnen veer- men, ( tien dagen nadat zij zijn ingediend; verbeteren de lijst, zoo als zij invloe vinden te behooren; en geven van hunne beschikking, met redenen 91. omkleed, terstond kennis aan de belanghebbenden. bewijs

De voorschriften van het 2de en 3de lid van art. 14 zijn hier van teeker

toepassing. de bei

82. Gedurende acht dagen, te rekenen van den dag dezer beteeke- Hij ning, kunnen de belanghebbenden, die in de beslissing van Gedepu- acht c teerde Staten niet berusten, de zaak, bij een met redenen omkleed ver- 92. zoekschrift, vergezeld van de bewijsstukken en van een afschrift der be- Gedep schikking van Gedeputeerde Staten, onderwerpen aan de uitspraak der gestelc

STA.

ocr page 73

KIESWET.

arrondissements-regtbank, binnen wier ressort de lijst is opcremaakt. (Gem. 143.)

Daarbij worden de bepalingen der artt. 15—28 in acht genomen.

83. Gedeputeerde Staten zorgen, dat in de lijst de wijzigingen, bevolen bij regterlijke uitspraken, die in kracht van gewijsde zijn gegaan, op vertoon dier uitspraken, onmiddellijk worden gebragt, en, is de lijst reeds gesloten, afzonderlijk in de dagbladen, aangewezen bij de artt. 77 en 84, worden vermeld. (K. 77.)

84. Gedeputeerde Staten sluiten de lijst uiterlijk op den Ssten Juuij, doen haar op nieuw plaatsen in een dagblad der provincie en in de Nederlandscbe Staats-Conrant, en zenden dadelijk afschrift der lijst aan den Minister van Binnenlandsche Zaken. (K. 77.)

85. De geslotene lijst blijft, behoudens de daarin ten gevolge van regterlijke uitspraken te brengen wijzigingen, van kracht tot den Ssten Junij van het volgende jaar. (K, 33.)

86. De bepaling van art. 36 is van toepassing op de in artt. 72 tot 81 bedoelde gelijksoortige stukken.

87. De leden der Eerste Kamer worden door de Provinciale Staten gekozen, op de door de provinciale welbepaalde wijze. (ü. 82; P.78—SS.1»

88. De gewone tijd ter hunner verkiezing is de tweede Dincsda^ der maand Julij. (K. ]0U; P. 5.)

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met den volgenden derden Dingsdag van September naar den rooster moeten aftreden.

89. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen dertig dagen na dat openvallen.

In geval van ontbinding der Eerste Kamer, geschiedt de verkiezing van de leden der nieuwe Kamer binnen veertig dagen na de dagtee-kening van het besluit tot ontbinding. (G. 73; P. 66.)

90. Gedeputeerde Staten zenden ten spoedigste aan den benoemde een door den voorzitter en den griffier te teekenen uittreksel uit de notulen der Staten-vergadering, waarin hij is benoemd.

Dit uittreksel vermeldt het getal der bij de stemming tegenwoordige leden van de Staten, dat der op den benoemde uitgebragte stemmen, en de omstaudigheden, die op de geldigheid der stemmen van invloed geweest zijn. Het strekt den benoemde tot geloofsbrief. (K. 105.)

91. De benoemde geeft, bij het bekomen van het uittreksel, een bewijs van ontvangst daarvoor af, en, binnen drie weken na de dag-teekening van dat bewijs, kennis aan de Gedeputeerde Staten, of hij de benoeming aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan, geacht de benoeming niet aan te nemen. (K. 93, 106.)

92. Die in meer dan ééne provincie is benoemd, verklaart aan de Gedeputeerde Staten dier provinciën, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn, welke benoeming hij aanneemt.

STAATSWETTEN. 4

49

ocr page 74

KIESWET.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan, geacht geene der op hem uitgebragte benoemingen aan te nemen. (G. 93; K. 107.)

93. Binnen veertien dagen nadat Gedeputeerde Staten kennis hebben bekomen, dat een benoemde de benoeming niet aanneemt, of nadat de in artt. 91 en 92 bepaalde tijd verstreken is, doen de Provinciale Staten eene nieuwe keuze. (K. 108.)

*94. De tot lid der Eerste Kamer benoemde legt, indien hij voorkomt op de lijsten der hoogstaangeslagenen, nevens zijn geloofsbrief, aan de Kamer over een uittreksel, voor zooveel zyn persoon betreft, van de provinciale lijst van hoogstaangeslagenen waarop hij gebragt is en eene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt. Indien hij niet voorkomt op de lijsten der hoogstaangeslagenen, legt hij nevens zijn geloofsbrief en de verklaring vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt, over een uittreksel uit de geboorteregisters of bij gemis daarvan eene acte van bekendheid, waaruit de tijd en plaats zijner geboorte blijken en eene verklaring, vermeldende welke der hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bedoeld in art. 71, hij bekleed heeft. (K. 111; Wet 12 Aug 1890, Stsbl. no. 148.)

95. De leden der Eerste Kamer kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan de Kamer, die het ter kennis brengt van den Minister van Binnenlandsche Zaken, of, zoo de zitting der Kamer gesloten is, aan dien Minister. (K. 112; P. 16; Gem. 18.)

*96. Een lid der Eerste Kamer, op geene der geslotene provinciale lijsten van hoogstaangeslagenen meer genoemd, noch daarop, ten gevolge van regterlijk eindvonnis hersteld, of daarvan ten gevolge van zoodanig vonnis geschrapt, houdt op lid te zgn, tenzij hg eene of meer der hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bedoeld in art. 71, bekleedt of bekleed heeft. Hij geeft hiervan kennis aan de Kamer, met vermelding der reden. De nieuwe keuze geschiedt binnen dertig dagen na de dagteekening der laatst geslotene lijst, of, is de zaak in regten gebragt, na die van het eindvonnis. (K. 77, 83, 84.)

*97. Hetzelfde vindt plaats, wanneer een lid der Eerste Kamer ophoudt Nederlander te zijn of een der andere in art. 71 vermelde vereischten verliest, of na zyne verkiezing een bezoldigd Staatsambt aanneemt, dat hij niet reeds tijdens die verkiezing vervulde. De nieuwe keuze geschiedt alsdan binnen dertig dagen na den dag, waarop de Minister van Binnenlandsche Zaken kennis van het feit heeft bekomen. (G. 9G; K. 90, 112.)

§ 2. Van de afgeoaardigden ter Tioeede Kamer.

Art. *98. Leden der Tweede Kamer kunnen alleen zijn manne-lijke Nederlanders, die niet bij regterlijke uitspraak de beschik-

50

ocr page 75

KIESWET.

'equot; king of het beheer over hunne goederen hebben verloren, noch van in. Je verkiesbaarheid ontzet zijn en den ouderdom van dertig jaren

hebben vervuld. (G. S4.)

lis *99, De leden der Tweede Kamer worden gekozen in de kies-

of districten, waarin het Rijk wordt verdeeld, door hen, die op de in de art. 6 bedoelde lijst van kiezers voor deze Kamer zijn gebragt. (G. 80.)

Eene bij deze wet gevoegde tabel regelt de verdeeling des Rijks or- in kiesdistricten, en bepaalt liet getal der in elk district te kiezen 'fs- leden. (Zie achter deze wet, blz. 57.)

ion Onderkiesdistricten worden, na gehoord advies der Gedeputeerde

'op Staten, door den Minister van Binnenlaudsche Zaken aangewezen. Qggt; 100. De gewone tijd ter verkiezing der leden van de Tweede Ka-

ien mer is de tweede Dingsdag der maand Junij.

ne- ^Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden,

be- die met den volgenden derden Dingsdag van September moeten af-;is- treden. (K. 37, 88; P. 5; Gem. 7.)

de 101. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag,

ide overlijden of om eene andere reden openvallen geschiedt binnen der-in tig dagen na dat openvallen. (G. 73; K. 97; P. 0; Gem. 8.) 18.) Ingeval van ontbinding der Tweede Kamer, geschiedt de verkie-

'nt- zing van de leden der nieuwe Kamer binnen veertig dagen na de die dagteekening van het besluit tot ontbinding.

Za- 102. De verkiezing geschiedt in de onderkiesdistricten op denzelf-

ter. den dag, als in de hooldkiesdistricten. (P. 7; Gem. C.)

103. Bij eene eerste stemming wordt niemand benoemd, dan met 'in- volstrekte meerderheid van stemmen.

quot;op, Bij herstemming, noodzakelijk wanneer die meerderheid bij de

ge- eerste stemming niet is verkregen, wordt men benoemd met de azij meeste stemmen. Indien de stemmen staken, is de oudste in jaren ;en, de benoemde.

inis Ingeval van gelijken ouderdom, beslist het lot. (K.65,66;P.8;Gem.lO.) iedt 104. Wanneer bij eene eerste stemming geene volstrekte meerder-f, is heid is verkregen, wordt onmiddellijk door het bureau eene lijst ïé.) opgemaakt, bevattende tweemaal zoo veel namen als er personen te mer benoemen zijn.

ael- Op de lijst worden gebragt zij, die bij de eerste stemming de meeste

ats- stemmen hebben erlangd.

1de. Ingeval bij de eerste stemming de stemmen tusschen meer dan het in den de eerste zinsnede bedoelde getal personen waren verdeeld, worden op van de lyst allen gebragt, die aldus de meeste stemmen hebben verkregen.

51

Deze lijst, aan de besturen van alle gemeenten van het kiesdistrict terstond op te zenden, wordt, met den in art. 37 bedoelden brief van oproeping, aan de kiezers gezonden. De stemming over de op de lijst vermelde personen geschiedt binnen veertien dagen na de dag-me- teekening van het in art. G7 bedoelde proces-verbaal. (K. 110; P. 9; lik- Gem. 11.)

t

4*

ocr page 76

52 KIESWET.

105. Het bureau van stemopneming der plaats, waar de opening der stembriefjes is geschied, zendt ten spoedigste aan den benoemde een door den voorzitter en een der stemopnemers geteekend afschrift van het in art. 67 bedoeld proces-verbaal. Het zendt hem, is hij bij herstemming gekozen, afschrift zoo van het verbaal, dat na de eerste stemming, als van hetgeen na de herstemming is opgemaakt.

Dit afschrift strekt den benoemde tot geloofsbrief. (K. 90; P. 10; Gem. 12.)

106. De benoemde geeft, bij het bekomen van het afschrift, een bewijs van ontvang daarvoor af, en, binnen drie weken na de dagtee-kening van dat bewijs, kennis aan het genoemd bureau van stemopneming, of hij de benoeming aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan, geacht de benoeming niet aan te nemen. (K. 91; P. 11; Gem. 13.)

107. Die in meer dan één kiesdistrict is benoemd, verklaart aan de bureaux van stemopneming der hoofdplaatsen van die districten, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn, welke benoeming hij aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan, geacht geenederop hem uitgebragte benoemingen aan te nemen. (K.92; P. 12.)

108. Wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, of de in artt. 100 en 107 bepaalde tijd verstreken is, geeft het bureau van stemopneming der hoofdplaats van het betrokken kiesdistrict daarvan onmiddellijk kennis aan de besturen van alle de gemeenten van het district.

Binnen veertien dagen na die kennisgeving geschiedt eene nieuwe keuze. (K. 93; P. 13; Gem. 14.)

109. Hetzelfde vindt, zoo iemand de benoeming in één district heeft aangenomen, en in een ander op de lijst dergenen, waarover moet worden herstemd, staat, in dit laatste district plaats.

Te dien einde, geeft het bureau van het eerstgenoemde district aan dat van het laatste onmiddellijk kennis van de aanneming. (P. 13.)

110. De dag voor de, ter vervulling eener in de Tweede Kamer openvallende plaats, noodige herstemming of n.euwe stemming wordt bepaald door den Minister van Binnenlandse,ie Zaken, die, zoodra zich een der in de artt. 104, 108 en 10'J bedoelde gevallen voordoet, daarvan door het bureau van stemopneming der hoofdplaats van het kiesdistrict wordt verwittigd. (P. 14; Gem. 15.)

111. De tot lid der Tweede Kamer benoemde legt, nevens zijn geloofsbrief, aan de Kamer over een uittreksel uit de geboorteregisters, bij gemis daarvan eene acte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken, en eene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt. (K. 94; P. 15 ; Gem. 17.)

112. De artt. 95 en 97 zijn op de leden der Tweede Kamer van toepassing.

ocr page 77

KIESWET. 53

§ 3. Van de aftreding der leden van de Eerste en Tweede Kamer.

Art. 1113. Een derde gedeelte van de leden der Eerste Kamer treedt om de drie jaren af. (Gr. 85, 91.)

Het eerste aftredende derde bestaat voor

Noordbrabant uit ... 2 leden Gelderland „ . . . 2 „

4

. 3 . 1 1

■ 1 „

1

\: 17 leden.

lid

2 leden

.2 quot;

3 n 3 „

1 1 1 1 1 1 1

lid

17 leden.

2 leden 2 „

3 „ 3 ,i 1 lid

2 leden 1 lid 1 „ 1 » ■ 1G leden.

Zuidholland „

Noord holland „

Utrecht „

Friesland „

Overijssel „

Groningen „

Drenthe „

Limburg „

Het tweede bestaat voor

Noordbrabant uit

Gelderland „

Zuidholland „

Noordholland „

Zeeland „

Utrecht „

Friesland „

Overijssel „

Groningen „

Drenthe „

Limburg „

Het derde bestaat voor

Noordbrabant uit

Gelderland „

Zuidholland „

Noordholland „

Zeeland „

Friesland „

Overijssel „

Groningen „

Limburg „

i

1

114. Vervallen.

115. Bij ontbinding der Eerste Kamer begint de rooster van aftreding telkens op nieuw te werken over twee jaren, te beginnen met den eerst volgenden derden Dingsdag in September. (G. 91.)

ocr page 78

KIESWET.

Bij ontbinding der Tweede Kamer treden de leden af drie jaren na den eerstvolgenden derden Dingsdag in September. (Gr. 85.)

*116. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid der Eerste Kamer naar den rooster aftreedt, zooverre deze aien tijd niet zelf heeft aangewezen. (P. 25; Gem. 29.)

*117. Die ter vervulling eener buiten den gewonen tijd van aftreding opengevallen plaats tot lid der Eerste of Tweede Kamer is verkozen, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden. (P. 20; Gem. 3Ü.)

Artt. 118—122. (Behelzen vroegere overgangsbepalingen. Zie thans Add. artt. VI, VIII—XI der Grondwet 1887.)

123. Deze wet is verbindende met den dag barer afkondiging. (A. 2; P. 181; Gem. 294.)

VOORSCHRIFT van het in art. 52 bedoelde proces-verbaal (zooals het is gewijz. bij art. 5 der wet van 30 Dec. 1887, Stsbl. 257.)

PROCES-VERBAAL van de inlevering van stembriefjes, die ten behoeve der keuze van .... lid (leden) van de Tweede Kamer (de Staten van . . . . , den gemeenteraad) heeft plaats gevonden den . . . . 18 . ., in de gemeente .... (onderkiesdistrict . . . .) (hoofdkiesdistrict . . . .)

Het bureau van stemopneming neemt in de ter inlevering der stembriefjes bestemde zaal plaats, des morgens ten . . ure.

Het is zamengesteld uit den heer.....voorzitter, en de hee-

ren......... stemopnemers.

De lijst der kiezers, die by de verkiezing in aanmerking komt, mitsgaders een exemplaar der wet, regelende het kiesregt en de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer, wordt op de tafel, voor het bureau staande, nedergelegd.

De stembus, na onderzocht en volkomen ledig bevonden te zijn, wordt met twee sleutels gesloten, waarvan de céne door den voorzitter van het bureau, de andere door den heer .... als oudsten stem-opnemer in bewaring wordt genomen.

In de stembus zijn briefjes geworpen door de op de nevensgevoeg-de lijst vermelde kiezers.

En is dit zonder stoornis der orde afgeloopen.

(Heeft zich het in art. 50 bedoeld geval voorgedaan, daarvan hier melding te maken )

54

ocr page 79

KIESWET.

Ten . . ure wordt door den voorzitter verklaard, dat de ter inlevering der stembriefjes bestemde tijd verstreken is.

Onmiddellijk daarop is de stembus met het zegel der gemeente en met de zegels van ons ondergeteekenden behoorlijk verzegeld, nadat die vooraf op de daartoe voorgeschrevene wijze was gesloten.

De bus is daarna, met hare beide, in een door ons insgelijks behoorlijk verzegeld papier gesloten, sleutels, aan den heer . . . , als jong-sten stemopnemer, ter hand gesteld, om die te brengen waar het behoort.

En is hiervan terstond proces-verbaal opgemaakt, in tegenwoordigheid van de in de zaal aanwezige kiezers.

Gedaan te....., den........18 . .

Voorzitter.

| Stemopnemers.

VOORSCHRIFT van het in art. 07 bedoeld proces-verbaal.

PROCES-VERBAAL van de opening der stembriefjes, die ter benoeming van ... lid (leden) van de Tweede Kamer, (de Staten van . , den gemeenteraad) den .... 18 . . zijn ingeleverd.

Op heden den .... 18 .. in de gemeente.....(zoo het de benoeming van leden der Tweede Kamer of der Provinciale Staten geldt, te vermelden, dat de gemeente de hoofdplaats is van het hoofdkiesdistrict), is door het bureau van stemopneming in de ter inlevering van stembriefjes bestemde zaal plaats genomen, des morgens ten . . ure.

Het bureau is zamengesteld uit den heer .... voorzitter, en de heeren......leden van den gemeenteraad, stemopnemers.

De voorzitter plaatst op de tafel . . stembus (stembussen) bij hem

den .... 18 . . overgebragt uit de gemeente........(In te

vullen de namen van al de gemeenten, waaruit bussen zijn overgebragt.) (Hier te vermelden, in het bij de tweede zinsnede van art. 57 bedoelde geval, dat en hoevele bussen aan een of meer onder-bureaux ter opening zijn overgegeven, de namen van de leden dier bureaux, en dat die leden van hunne bevinding behoorlijk verslag hebben gedaan.)

De zegels der bussen worden onderzocht en bevonden (geschonden of ongeschonden) te zijn.

55

ocr page 80

56 KIESWET.

De bussen worden achtereenvolgens geopend en bevonden . . . stembriefjes te bevatten.

Dit getal met de lijst der kiezers, die briefjes hebben ingeleverd, vergeleken zijnde, is gebleken te zyn even groot als (grooter, kleiner dan) het getal dier kiezers.

Nadat de briefjes zijn ondereengemengd, -worden zij door den voorzitter een voor een geopend en overluid voorgelezen.

Het bureau heeft van onwaarde verklaard........briefjes.

(In te vullen de redenen.)

Het getal der geldige uitgebragte stemmen is mitsdien geweest

Van dit getal zijn uitgebragt op...........

(In te vullen de namen van allen, op welke stemmen zijn uitgebragt.)

Hebben alzoo de volstrekte meerderheid van stemmen (de meeste stemmen) verkregen.................

(In te vullen de namen van ben, die de meerderheid of de meeste stemmen hebben bekomen.) (Hier te vermelden, of het verschil tas-sohen het getal gevonden briefjes en dat der kiezers, die stemden, op de stemming van invloed heeft kunnen zijn.)

Is (zijn) derhalve verkozen tot lid (leden) van.......

(lu te vullen de namen der gekozenen.) (Is geene meerderheid verkregen, te vermelden, wie de personen zijn, waarover herstemming moet plaats vinden, en dat van die personen de in art. 1U4 bedoelde lijst is opgemaakt.)

En zijn tegen deze opening van stembriefjes, door de in de zaal aanwezige kiezers, geene bezwaren ingebragt.

(Ingeval bezwaren zijn ingebragt, die alhier te vermelden.)

En is na afloop van dit een en ander proces-verbaal opgemaakt, in tegenwoordigheid van allen die zich in de zt.al bevonden.

Gedaan te......, den.......18 . .

T

Voorzitter.

Stemopnemers.

ocr page 81

TABEL,

BEDOELD IN ART. 99 DER KlESWET.

GRONINGEN ZUIDHORN

APPINGEDAM

WINSCHOTEN

VEENDAM ASSEN

EMMEN LEEUWARDEN HARLINGEN FRANEKER

SNEEK

SCHOTERLAND DOKKUM

HOOFD-

GEMEENTEN

.2 =

KIESD1STRIC-

VAX HET

quot;S « «

TEN.

HOOFD KIESDISTRICT.

ü c

Groningen, Haren, Noorddyk, Bedum, Ten Boer Slochteren, Hoogezund........

Zuidhorn, Aduard, Ezinge, Leens, Ulrum, Olde bove, Grijpskerk, Oldekerk, Grootegast, Marum Adorp, Hoogkerk, Leek, Kloosterburen, Winsum

Appingedam, Delfzijl, 't Zandt, Bierum, Uithuizer meeden. Uithuizen, Usquert, Warffum, Eenrum Baflo, Stedum, i»liddelstum. Kantens, Loppersum

Winschoten, Termunten, Nieuwe Schans, Beerta Kieuwolda, Midwolda, Finsterwolde, Noordbroek Zuidbroek, Scheemda, Bellingwolde, Wedde .

Veendam, Meeden, Sappemeer, Muntendam, Oude Pekela, Nieuwe-Pekela, Vlagtweide, Oustwedde

Assen, Wildervank, Zuidlaren, Anlo, Gieten, Gas selte, Roden, Peize, Eelde, Norg, Vries, Rolde

Emmen, Borger, Odoorn, Schoonebeek, Dalen Zweelo, Sleen, Oosterhesselen, Coevorden, Wes terbork, Beilen............

Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Idaarderadeel

Harlingen, Barradeel, Wonseradeel, Bolsward, Wor kum, Hindeloopen..........

Franeker, Franekeradeel, 't Bildt, Menaldumadee Baarderadeel, Tlennaarderadeel.....

Sneek, Wymbritseradeel, Stavoren, Ilemelumer Oldephaert, IJ 1st, Gaasterland, Sloten, Rauwer derhem, Doniawerstal.........

Schoterland, Utingeradeel, Opsterland, Hasker land, Aengwirden...........

Dokkum, Oostdongeradeel, Westdongeradeel, Dan tumadeel, Ferwerderadeel, Ameland, Schiermon' nikoog................

ocr page 82

58

KIESWET.

HOOED-

GEMEENTEN

d a

KIESDISTR1CT-

VAN HET

« ?§ —•

TEN.

HOOFDKTESDISTRICT.

0) O '3 SJ

BERGUM

? Kollumerland. Achtkarspelen, Tietjerksteradeel,

1

WOLVEGA

V Ooststellingwerf, Weststellingwerf, Lemsterland, ' Smilde, Diever, Vledder, Havelte......

1

STEENWIJK

f Steenwijk, Steenwijkerwold, Oldemarkt, Kuinre, 1 Blankenham, Blokzijl, Stad-Vollenhove, Ambt-\ Vollenhove, Giethoorn, Wanneperveen, Zwart-r sluis, Staphorst, Hasselt, Genemuiden, Nieuw-

1

Meppel, Dwingelo, Nyeveen, Ruinen, Ruinerwold Iloogeveen, Zuidwolde, de Wijk, Avereest. .

Zwolle, Zwollerkerspel, Dalfsen, Wijhe, Heino

Kampen, Kamperveen, Grafhorst, Usselmniden Wilsum, Zalk en Veecaten, Oldebroek, Elbur; Uoornspyk, lieerde, Hattem.......

Stnd-Ommen, Ambt-Ommen, Gramsbergen, Stad Hardenberg, Arabt-Hardenberg, den Ham, Hel lendoorn, Vriezenveen, Kaalte, Holten . .

Stad-Almelo, Ambt-Almelo, Tubbergen, Gotmar sum, Deneka mp,Wierden,Weerselo, Borne, Ryssen

MEPPEL ZWOLLE KAMPEN

OMMEN ALMELO

ENSCHEDÉ DEVENTER

LOCHEM

ZUTPHEN

DOETINCHEM

Enschedé, Oldenzaal, Losser, Haaksbergen, Hen gelo, Lonneker...........

5

| Deventer, Diepenveen, Bathmen, Voorst, Gist.

Lochem, Markelo, Goor, Stad-Delden, Ambt-Del den, Diepenbeim, Gorssel, Laren, Borculo, Neede Eibergen, Ruurlo, Groenlo.......

ARNHEM ELST

NIJMEGEN

Zutphen, Vorden, VVarnsveld, Brummen, Hengelo Steenderen, Hummelo, Doesburg ....

Stad-Doetinchem, Ambt-Doetinchem, Winterswgk Aalten, Lichtenvoorde, Wisch, Dinxperlo, Zelhem Gen dringen............

Rheden, Zevenaar, Rozendaal, Westervoort,Duiven Huissen, Didam, Angerlo, Bergh, Wehl, Herwen en Aerdt.............

^ Arnhem

Eist, Wageningen, Doorwerth, Renkum, Valburg Heteren, Hemmen, Bemmel, Gent, Pannerden Ewyk, Beuningen..........

| Njjmegen,Millingen,übbergeu,Groesbeek,Heumen.

ocr page 83

59

kieswet.

HOOFD-

GEMEENTEN

« S3

KIESDISTRIC

VAN HET

TEN.

HOOFDKIESDISTRICT.

O ^ Cl

o «

ra ^

Druten, Overassclt, Wychen, Balgoij, Batenburg, Bergharen, Horssen, Appeltern, Driel, Hurwenen, Rossum, Zaltbommel, Ammerzoden, Brakel, Zui-lichem, Poederoijen, Hedel, Kerkwijk, Gameren Dreumel, Wamel, Heerewaarden.....

Tiel, Zoelen, Geldermalsen, Wadenoijen, Est en Opynen, Ophemert, Varik, Deil, Beesd, Waardenburg, Haaften, Maurik, Lienden, Uzendoorn Echteld, Dodewaard, Resteren.....

druten

tiel

wijk bij duurstede

amersfoort

apeldoorn

utrecht

breukelen

hilversum

Wijk bij Duurstede, Driebergen, Rysenburg, Lang broek, Cothen.Werkhoven.Odijk, Houten, Schalk wijk. Tuil en 't Waal, Jutpbaas, Vreeswyk, IJs selstein, Lopik, Jaarsveld, Benschop, Willig Langerak, Montfoort, Hoenkoop, Polsbroek, Wil leskop, Snelrewaard, Culenborg, Beusichem, Bu ren, Buurmalsen...........

Ede, Barneveld, Nykerk, Scherpenzeel, Renswoude Veenendaal, Rhenen, Amerongen, Leersum, Hoe velaken ..............

Amersfoort, Bunschoten, Eemnes, Baarn, Hoog land. Soest, Stoutenburg, Leusden, Woudenberg Maarn, Zeist, Doorn.........

Apeldoorn, Epe, Ermelo, Harderwijk, Putten

Utrecht, de Bildt, Maartensdijk, Bunnik, Ouden rijn. Achttienhoven, Westbroek.....

Breukelen-Nyenrode,BreukelenSt.Pieter8, Nieuw veen. Nieuwkoop, Zevenhoven, Ter Aar, Abcoude Proostdij, Abcoude-Baambrugge, Loosdrecht, Vin keyeen. Vreeland, Loenen, Loenersloot, Mijdrecht Wilnis, Maarsseveen, Maarssen, Tienhoven, Zui len, Vleuten, Laagnieuwkoop, Kockengen, Ka merik, Zegveld, Haarzuilens, Ruwiel, Harmeien Veldhuizen, Linschoten.........

Hilversum, Ouder-Amstel, Watergraafsmeer, Die men, Muiden, Naarden, Huizen, Blaricum, Laren Bussum, Weesp, Weesperkarspel, Ankeveen, Ne derhorst den Berg, Nigtevecht, Kortenhoef, 'sGra veland..............

Hoorn, Zwaag, Berkhout, Avenhorn, Ursem, Scher merhorn. Oudendijk, Beets, Beemster, Oosthui zen, Warder, Middelie, Kwadgk, Purmerend Edam, Katwoude, Monnikendam, Marken .

Enkhuizen, Medemblik, Opperdoes, Twisk, Abbe kerk. Hoogwoud, Winkel, Opmeer, Spanbroek Obdam, Hensbroek, Sybekarspel, Wognura, Nib

hoorn

enkhuizen

(Zie volg. blz.)

ocr page 84

€0

ENKHUIZEN

(Vervolg.)

ALKMAAR

HELDER

AMSTERDAM

HAARLEM

BEVERWIJK ZAANDAM

KIESWET.

HOOFD

GEMEENTEN

03 S

KIESDISTRIC

VAN HET

TEN.

HOOFDKIESDISTRICT.

O ^ Ö

lt;u v •ö N

bixwoud, Midwoud, Wervershoof, Andijk, Boven karspel, Grootebroek, Hoogkarspel, Westwoud Blokker, Schellinkhout, Wydenes, Venhuizen ürk...............

Alkmaar, Heiloo, Bergen, Schoorl.Warmenhui/en Harenkarspel, St. Maarten, Schagen, Wieringer waard, Barsingerhorn, Nieuwe-Niedorp, Oude Kiedorp, Heerhugowaard, Oudkarspel, Noord Scharwoude, Zuid-Scharwoude, Broek op Langen dyk, St. Pancras, Koedijk, Oudorp, Oterleek .

den Helder, Texel, Vlieland, Terschelling, Wierin gan, Anna Paulowna, Zype, Callantsoog, Petten

HAARLEMMERMEER

Amsterdam. Nieuwer-Amstel Haarlem........

Beverwijk, Zandvoort, Bloemendaal, Schoten Spaarndam, Haarlemmerliede en Spaarnwoude Velsen, Assendelft, Westzaan, Krommenie, Wij aan Zee en Duin, Heemskerk, Uitgeest, Castri cum. Akersloot, Limmcn, Egmond binnen. Eg mond aan Zee...........

Zaandam, Koog a. d. Zaan, Zaandyk, Wormerveer Wormer, Jisp, Graft, de Rijp, Zuid- en Noord Schermer, Wijdewormer, Oostzaan, Ilpendam Landsmeer, Buiksloot, Broek in Waterland, Nieu wendam. Hansdorp...........

Haarlemmermeer, Sloten, Heemstede, Bennebroek Aalsmeer, Uithoorn, Leimuiden, Lisse,Hillegom Alkemade..............

I Leiden

Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout. Sassen heim, Voorhout, Oegstgeest, Warmond, Rijns burg, Valkenburg, Leiderdorp, Rijnsaterwoude Woubrugge, Oudshoorn, Koudekerk, Zoeterwou de, Voorschoten, Veur, Wassenaar. . . .

Gouda, Boskoop, Moerkapelle, Waddinxveen Moordrecht, Nieuwerkerk a. d.IJssel, Ouderkerk a. d. IJssel, Krimpen a. d. IJssel, Krimpen a. t Lek, Gouderak, Lekkerkerk......

Bodegraven, Aarlanderveen, Hazerswoucle, Alphen Zwammerdam, Rietveld, Woerden, Waarder Barwoutswaarder, Papekop, Lange-Ruige Weide Reeuwijk, Oudewater, Hekendorp, Haastrecht Vlist, Stolwyk, Schoonhoven, Bergambacht, Am merstol, Berkenwoude.........

GOUDA

BODEGRAVEN

ocr page 85

61

KIESWET.

HOOFD-

GEMEENTEN

u a

— 'Sas cö

KIESDISTRIC

VAN HET

TEN.

HOOFDKIESDISTRICT.

' O I a

l lt;o agt;

1

Delft, Hof van Delft, Pijnacker, Vrijenban, Berkel Bleiswijk. Zevenhuizen, Bergschenhoek, Hille gers jerg..............

Loosduinen, 's Gravensamle, Maassluis, Maasland de L'.er, Naaldwyk, Schipluiden, Monster, Wate ringen, Rijswijk, Voorburg, Stompwijk, Nootdorp Zoetermeer, Zegwaard, Benthuizen ....

r Schiedam, Overschie, Schiebroek, Kethel, Vlaar l dingen, Vlaardingerarabacht.......

^ Rotterdam, Kralingen, Charlois.Capelle a. d. Ussel

LOOSDUINEN

SCHIEDAM ROTTERDAM

Brielle, den Bommel, Ooltgensplaat, Stad aan ' Haringvliet, Oostvoorne, Vierpolders, Nieuwen hoorn, Hellevoetsluis, Nieuw-Helvoet, Rockanje Heenvliet, Geervliet, Zwartewaal, Spijkenisse Hekelijgen, Zuidland, Abbenbroek, Oudenhoorn Rozenburg, Pernis, Hoogvliet,Poortugaal, Gouds waard, Piershil, Zuid-Beijerland, Nieuw-Beijer land...............

S GRAVENHAGE DORDRECHT

's Gravenhage............

Dordrecht, Dubbeldam, Zwyndrecht, Papendrecht Heerjansdam............

RIDDERKERK

Ridderkerk, Barendrecht, Hendnk-Ido-Ambacht IJsselmonde,Rhoon, 's Gravendeel, Stryen, Maas dam, Puttershoek, Heinenoord, Oud-Beijerland Mijnsheerenland, Westmaas, Klaaswaal, Numans dorp...............

Gorinchem, Herwynen, Vuren, Nederhemert, Wijk en Aalburg, Veen, üp- en Neer-Andel, Giessen Rijswijk, Woudrichcm, de Werken en Sleeuwyk Werkendam, Schelluinen, Arkel, Kedichem, Heu kclum, Asperen, Hardinxveld, Giessen-Nieuw kerk, Giessendam, Molenaarsgraaf, Hoogblok land, Hoornaar, Noordeloos, Nieuwland. . .

GORINCHEM

SLIEDRECHT

MIDDELBURG

Sliedrecht, Vianen,Hage8tein, Everdingen,Schoon rewoerd. Leerdam, Hei- en Boeikop, Leerbroek Lexmond, Meerkerk, Ameide, Tienhoven, Lange rak, Goudriaan.Nieuwpoor^Groot-Ammers, Otto land, Peursum, Brandwijk, Bleskensgraaf, Wijn gaarden. Streefkerk, Nieuwlekkerland, Alblas serdam, Oud-Alblas.........

Middelburg, Vlissingen, Veere, Oostkapelle, Dom burg, Vrouwenpolder, Serooskerke, Aagtekerke Grijpskerke, Westkapelle, St. Laurens, Meliskerke Zoutelande, Biggekerke, Oost- en West-Soubur) Koudekerke, Ritthem, Nieuw- en St. Joosland.

ocr page 86

62

KIESWET.

HOOFD-

GEMEENTEN

agt; c

KIESDISTRIC

VAN HET

TEN.

HOOFDKIESDISTRICT.

ü n C

03 0»

OOSTBURG

Oostburg, Catzand, Retranehement, Zuidzande, | Sluis, Aardenburg, Eede, St. Kruis, Waterland-kerkje, Uzendyke, Breskens, Groede, Nieuwvliet, Scboondijke, Hoofdplaat, Biervliet, Neuzen, Hoek, Philippine, Westdorpe, Zaamslag, Sas van Gent, Axel...............

1

GOES

Goes, Arnemuiden, 's Heer-Arendskerke, 's Heer-Abtskerke.'Wolpbaartsdyk, Heiukenszand, 's Gravenpolder, Kattendgke, Kloetinge, Wemeldinge, Wissekerke, Colijnsplaat, Kortgene, Kats, Tbo-len, Oud-Yossemeer, Poortvliet, St. Annaland, Stavenisse, St. Maartensdijk, Scberpenisse, St.

1

HONTENISSE

Hontenisse, Overslag, Zuiddorpe, Koewacht, Boschkapelle, Hulst, Clinge, St. Jansteen, Stoppeldijk, Hengstdijk, Graauw en Langendam, Os-senisse, Rilland-Bath, Waarde, Sehore, Kruinin-gen, Krabbendijke, Yerseke, Kapelle, Borsselen, Driewegen, Nisse, Ovezande, Hoedekenskerke, 's Heerenhoek,Oudelande,Ellewoutsdyk, Baarland.

1

ZIERIKZEE ,

Zierikzee, Haamstede, Noordwelle, Renesse, Se-rooskerke, Burgb, Elkerzee, Ellemeet, Brouwershaven, Zonnemaire, Duivendijke, Kerkwerve, Noordgouwe, Dreischor, Oosterland, Nieuwer-kerk, Ouwerkerk, Bruinisse, Goedereede, Ouddorp, Stellendam, Dirksland, Melissaut, Middel-harnis, Sommelsdijk, Oude-Tonge, Nieuwe-Tonge, Herkingen...............

1

BERGEN OP ZOOM

Bergen op Zoom, Woensdrecht, Ossendrecht, Huy-bergen. Putte, Nieuw-Yossemeer, Wouw, Halsteren, Roosendaal en Nispen, Steenbergen en Kruisland...............

1

BREDA 5 Breda, Rucphen en Vorenseinde, Hoeven, Etten lt; en Leur, Princenhage, Terheyden......

1

OOSTERHOUT

Oosterhout, Zundert, Rijsbergen, Ginneken en Ba-vel, Teteringen, Dongen, 's Gravenmoer, Loon op Zand, Gilze en Reyen, Chaam, Baarle Nassau.

1

ZEVENBERGEN .

Zevenbergen, Dinteloord en Prinsland, Oud- en Nieuw Gastel, Fijnaart en Heiningen, Willemstad, Klundert, Standdaarbuiten, Oudenbosch, Hooge en Lage Zwaluwe, Geertruidenberg, Made en Drimmelen, Raamsdonk.........

1

WAALWIJK

(Zie volg. blz.) lt;

Waalwyk, Almkerk, Dussen Munster en Muilkerk, Waspik, Meeuwen Hill en Babylonienbroek, Heesbeen Eethenen Genderen, Drongelen, Hang-oort Gansoijen en Doeveren, Besoyen, Baard-wyk, Drunen, Nieuwkuyk, Vlymen, Empel en

ocr page 87

KIESWET.

GEMEENTEN

•VAN HET

HOOFDKIESDISTRICT.

63

M SS

IIOOFD-K1ESDISÏRIC-TEN.

Meerwijk, Engelen, Bokhoven, Iledikhuizeu, Herpt, Oudheusden, Heusden, Capelle, Sprang, Vrijhoeve Capelle, Cromvoirt, Helvoirt, Uden-hont, Berkel, Haaren...........

Tilburg, Gisteru-yk, Moergestel, Ililvarenbeek, Goirle, Alphen en Riel, Biessen, Oost- West- en Middelbeers..............

WAALWIJK

(Vervolg.)

TILBURG

EINDHOVEN

Eindhoven, Hooge en Lage Mierde, Reusel, Bladel en Netersel, Oirschot, Liempde, Vessem Wintelre en Knegsel, Zeelst, Strijp, Woensel, Best, Stratum, Gestel en Blaarthem, Hoogeloon Hapert en Casteren, Duizel en Steen3el,Eersel,Luykgestel Borkel en Schaft, Bergeyk, Dommelen, Wester hoven, Veldhoven en Mereveldhoven, Riethoven Oerle, Valkenswaard.........

MAASTRICHT

Helmond, Tongelre, Nunen Gerwen en Nederwet ten, Zesgehuchten, Bakel en Milheeze, Deurne en Liasel, Vlierden, Geldrop, Mierlo, Lierop, As ten, Someren, Leende, Heeze, Maarheeze, Soeren donk Sterksel en Gassel, Budel, Aalst, Waalre Stiphout. Aarle-Rixtel........

Maastricht, St. Pieter, Oud-Vroenboven,Meerssen Amby, Heer, Gronsveld, Eysden.....

Gulpen, Mesch, Rijckholt, St. Geertruid, Mheer Noorbeek, Slenaken, Wittem, Vaals, Bocholtz Simpeiveld, Wijl re. Valkenburg, Oud-Valkenburg, Margraten, Cadier en Keer, Bemelen, Berg en Terblyt, Houthem, Kerkrade, Voerendaal, Schin op Geulle, Heerlen, Schaesberg, Klimmen

Sittard, Borgharen, Itteren, Bunde, Geulle, Elsloo Stein, Urmond, Obbicht en Padenhoven, Greven bicht, Limbricht, Bom, Nieuwstadt, Broeksittard Munstergeleen, Geleen, Beek, Spaubeek, Schim mert. Hulsberg, quot;Wijnandsrade, Nuth, Ulestraten Schinnen, Arastenrade, Hoensbroek, Brunssum Schinveld, Jabeek, Bingelrade, Merkelbeek, Oirs beek, Eygelshoven, Ubach over Worms, Nieu wen ha gen.............

SITTARD

ROERMOND

VENLO

(Zie volg. blz.)

Roermond, Susteren, Roosteren, Echt, Ohé en Laak, Stevensweert, Vlodrop, Posterholt, St. Odi li(:nberg,Melick en Herkenbosch, Montfort, Maas bracht, Linne, Herten, Maasniel, Horn, Beegden Heel en Panheel, Wessem, Thorn, Swalmen, Bee sel................

Venlo, Grubbenvorst, Arcen en Velden, Broekhui zen, Meerlo, Wanssum, Venray, Bergen, Otter sum, Gennep, Mook, Sambeen, Vierlingsbeek

ocr page 88

KIESWET.

GEMEENTEN

VAN HET

HOOFDKIESDISTRICT.

64

HOOFDKIESDISTRICTEN.

Maashees en overloon, Oploo St. Anthonis en Ledeacker, Belfeld, Tegelen........

Weert, Hunsel, Stramproy, Nederweert, Roggel Heythuizen, Neer, Kessel, Meijel, Helden, Seve nuni, Maasbree, Horst, Buggenum, Nunhem Haelen, Ittervoort, Neeritter, Baexem, Grathem

VENLO

(Vervolg.

WEERT

Grave, Boxmeer, Alera Maren en Kessel. Lith Lithoyen, Geffen, Oss, Oijen en Teeffelen, Megen Haren en Macharen, Dieden Demen en Langel Deursen en Dennenburg, Huisseling en Neerloon Berghem, Herpen, Heesch, Schayk, Ravenatein Reek, Velp, Escharen, Gassel, Beers, Linden Cuyk en St. Agatha, Oeffeit, Haps, Beugen en Rykevoort, Wanroy, Mill en St. Hubert, Nistel rode...............

'S HERTOGENBOSCH

's Hertogenbosch, Vught, den Dungen, Berlicum Rosmalen, Nuland, Boxtel, Esch......

Veghel, LTden, Zeeland, St. Michielsgestel, Schyn del, St. Oedenrode, Dinther, Heeswyk, Erp, Boekei, Gemert, Son en Breugel, Lieshout, Beek en Donk.................

ocr page 89

WET

REGELENDE DE ZAMENSTELLING EN MAGT VAN DE PROVINCIALE STATEN.

(Vastgesteld den 6deu Julij 1850, Stsbl. no. 39, uitgegeven den lOden July d. a. v.)

EERSTE AFDEELING.

Van de zamenstelling der Provinciale Staten.

EERSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. I. De Staten verga teing van elke provincie is zamengesteld uit liet in art. 2 bepaald getal leden;

Onzen commissaris, als voorzitter;

een griffier.

2. Het getal der leden bestaat:

in Noordbrabant uit . . . 64

„ Gelderland „ ... 62

„ Zuidholland „ . . . 80

„ Noordholland „ ... 72

„ Zeeland „ ... 42

„ Utrecht „ ... 41

„ Friesland „ ... 50

„ Overijssel „ ... 47

„ Groningen „ ... 45

„ Drenthe „ ... 35

„ Limburg „ ... 45

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE LEDEN DER STATEN.

§ 1. Van hunne benoeming.

Art. 3. De leden der Staten worden gekozen in de kiesdistricten, waarin de provincie wordt verdeeld, door hen, die op de in art. 6 der wet, regelende het kiesregt enz., bedoelde lijst van kiezers voor de Staten zijn gebragt.

STAATSWETTEN. 5

ocr page 90

66 PROVINCIALE WET.

4. Eene afzonderlijke wet regelt, nadat de Staten zijn gehoord, de verdeeling der provinciën in kiesdistricten, en bepaalt het getal der in elk district te kiezen leden. (Wet v. 5 Nov. 1852, Stsbl. no. 197; P. 180.)

5. De gewone tijd ter verkiezing der leden van de Staten is de tweede Dingsdag der maand Mei.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met den volgenden eersten Dingsdag van Julij, volgens den bij art. 24 bedoelden rooster, moeten aftreden. (K. 88, 100; Grem. 7.)

6. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen twee maanden na dat openvallen, op den door Gedeputeerde Staten te bepalen dag. (K. 07, 101; Gem. 8.)

7. De verkiezing geschiedt in de onderkiesdistricten op denzelfden dag als in de hoofdkiesdistricten. (K. 102; Gem. 9.)

8. Bij de eerste stemming wordt niemand benoemd, dan met volstrekte meerderheid van stemmen.

Bg herstemming, noodzakelijk wanneer die meerderheid bij de eerste stemming niet is verkregen, wordt men benoemd met de meeste stemmen. Indien de stemmen staken is de oudste in jaren de benoemde.

In geval van gelijken ouderdom beslist het lot. (K. 103; Gem. 10.)

9. Wanneer bij eene eerste stemming geene volstrekte meerderheid is verkregen, wordt onmiddellijk door het bureau van stemopneming, waarbij de opening der stembriefjes is geschied, eene lijst opgemaakt, bevattende tweemaal zooveel namen, als er personen te benoemen zijn.

Op de lijst worden gebragt zij, die bij de eerste stemming de meeste stemmen hebben erlangd.

In geval bij de eerste stemming de stemmen tusschen meer dan het in de eerste zinsnede bedoeld getal personen waren verdeeld, worden op de lijst allen gebragt, die aldus de meeste stemmen hebben verkregen. Deze lijst, aan Gedeputeerde Staten en aan de besturen van alle de gemeenten van het kiesdistrict terstond op te zenden, wordt, met den brief van oproeping, aan de kiezers rondgezonden.

De stemming over op de lijst vermelde personen geschiedt binnen veertien dagen na de dagteekening van het in art. 67 der wet, regelende het kiesregt enz., bedoeld proces-verbaal. (K. 104; Gem, II.)

10. Het bureau van stemopneming, waarbij de opening der stembriefjes is geschied, zendt ten spoedigste aan den benoemde een door den voorzitter en een der stemopnemers geteekend afschrift van het in art. 67 der wet, regelende het kiesregt enz., bedoeld procesverbaal.

Het zendt hem, is hij bij herstemming gekozen, afschrift zoo van het verbaal, dat na de eerste stemming, als van hetgeen na de herstemming is opgemaakt.

Dit afschrift strekt den benoemde tot geloofsbrief. (K. 90, 105; Gem. 13.)

It. De benoemde geeft, bij het bekomen van het afschrift, een be-

ocr page 91

PROVINCIALE WET.

wijs van ontvang daarvoor af. Dit bewijs wordt terstond aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.

Binnen drie weken tia de dagteekening van dat bewijs geeft de benoemde kennis aan Gedeputeerde Staten, of bij de benoeming aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan, geacht de benoeming niet aan te nemen. (K. 91, 106; Gem. lö.)

12. Hij, die in meer dan één kiesdistrict is benoemd, verklaart aan Gedeputeerde Staten, binnen den iu het vorig artikel gestelden termijn, welke benoeming hij aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan, geacht geene der op hem uitgebrachte benoemingen aan te nemen. (K. 92, 107.)

13. Wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, of de in de beide vorige artikelen bepaalde tijd verstreken is, geschiedt binnen veertien dagen eene nieuwe keuze.

Hetzelfde vindt, zoo iemand de benoeming in een district heeft aangenomen, en in een ander op de l^st staat van hen waarover moet worden herstemd, plaats in dit laatste district.

Te dien einde geeft het Dureau van het eerstgenoemde district aan dat van het laatste onmiddellijk kennis van de aanneming. (K. 93, 108; Gem. 14.)

14. De dag voor de, ter verkiezing van een lid der Staten noo-dige, herstemming of nieuwe stemming wordt bepaald door Gedeputeerde Staten. (K. 110; Gem. 15.)

15. De tot lid der Staten benoemde legt, nevens zijn geloofsbrief, aan de Staten over:

een uittreksel uit de geboorteregisters; bij gemis daarvan eene acte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken;

eene vei'klaring van den voorzitter van den raad der gemeente, waarin hij woont, getuigende, dat hij gedurende het laatste, aan zijne verkiezing voorafgaande jaar zijne woonplaats binnen de provincie gehad heeft;

eene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt. (K. 94, 111; Gem. 17.)

16. De leden der Staten kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan Gedeputeerde Staten. (K. 95, 112; Gem. 18.)

§ 2. Van de vereischten voor het lidmaatschap der Staten, en van de hiermede onvereenig bare betrekkingen.

Art. 17. Leden der Staten kunnen alleen zijn de ingezetenen dei-provincie, die Nederlanders en in het volle genot der burgerlijke en

5*

67

ocr page 92

T

68 PROVINCIALE WET.

burgerschapsregten zijn, en den ouderdom van vijf en twintig jaren hebben vervuld.

Voor ingezetenen worden gehouden zij, die gedurende het laatste jaar hunne woonplaats binnen de provincie gehad hebben;

voor Nederlanders, zij, die het zijn volgens de wet, verklarende wie Nederlanders zijn. (K. 2, 71, 9S; Gem. 19.)

18. Zij die, ter waarneming der hun door Ons of van Onzentwege opgedragene commissiën, verpligt zijn, tijdelijk buiten de provincie te verblijven, houden daardoor niet op ingezetenen te zijn, zoolang hun hoofdverblijf binnen de provincie gevestigd blijft. (K. 8; Gem. 20; B.W. 74.)

19. Zij, die, ter verkiezing van de leden der Staten, voorzitten, zijn binnen het district, waar zij voorzitten, niet tot lid der Staten benoembaar. (G. %.)

20. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten graad mag niet bestaan tusschen de leden der Staten. (P. 38, 51; Gem. 21; B.W. 345 volg.)

Wanneer personen, zich in dien graad bestaande, ter gelijkertijd in hetzelfde kiesdistrict of in verschillende districten zijn verkozen, wordt de oudste in jaren voor benoemde gehouden. (Gem. 22.)

Die na zijne benoeming in den verboden graad van zwagerschap geraakt, behoeft vóór den afloop van zijn tijd van zitting niet af te treden.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (B.W. 352.)

21. Het lidmaatschap der Staten is onvereenigbaar met:

het lidmaatschap der Eerste Kamer van de Staten-Generaal of van de Staten eener andere provincie; (G. 128.)

de betrekking van hoofd van een departement van algemeen bestuur ;

van commissaris des Konings in de provincie;

van griffier der Staten;

van ambtenaar in de dienst der provincie werkzaam, of met het ontvangen of uitgeven der gelden van de provincie belast;

van geestelijke of bedienaar der godsdienst. (Gem. 23.)

22. De leden der Staten mogen in regtsgedingen, waarin de provincie betrokken is, niet als advocaat of procureur werkzaam zijn, (Gein. 24.)

23. Een lid der Staten, een der in art. 17 vermelde vereischten verliezende, of eene der in art. 21 uitgeslotene betrekkingen aannemende, houdt op lid te zijn. Hij geeft hiervan kennis aan Gedeputeerde Staten, met vermelding der reden.

De nieuwe keuze geschiedt binnen twee maanden nadat Gedeputeerde Staten van het feit kennis hebben hekomen, (K. 96, 97, 112; Gem. 25.)

ocr page 93

PROVINCIALE WET. 69

§ 3. Van den roosier van aftreding der leden va» de

Art. 24. De helft van de leden der Staten treedt om de driejaren at', met den eersten Dingsdag der maand Julij.

De aftredenden zyn dadelijk weder verkiesbaar.

De rooster hunner aftreding wordt vastgesteld bij de in art. 4 bedoelde wet. (G. 127; P. 178; Gem. 27, 2S.)

25. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid der Staten, naar den rooster, aftreedt. (K. 116; Gem. 29.)

26. Die, ter vervulling eener buiten den bij den rooster bepaal-'den tijd opengevallene plaats, tot lid der Staten verkozen is, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden. (K. 117; Gem. 30.)

§ 4. Van de vergoeding der reis- en verblijfkosten van de leden der Staten.

Art. 27. De leden de:- Staten genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet. (Wet v. 3 Mei 1851, Stsbl. no. 50.)

De leden, met der woon gevestigd in de gemeente, waar de vergadering der Staten wordt gehouden, genieten geen reis- en verblijfkosten.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DEN COMMISSARIS DES KONINGS.

Art. 28. Onze commissaris heeft zijne vaste woonplaats in de gemeente, waar de vergadering der Staten wordt gehouden. (P. 1; Gem. 74.)

29. Hij zit voor in de vergadering der Staten en in die der Gedeputeerde Staten. (Gem. 66.)

In de vergadering der Staten heeft hij eene raadgevende stem en uit hij zijn gevoelen, zoo dikwyls hij het noodig oordeelt.

In die der Gedeputeerde Staten heeft hij stem, doch onthoudt hij zicli van medestemmen over de zaken, die hem, zijne eohtgenoote, of zijne bloed- of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of waarin hij als gelastigde is betrokken.

30. Hij teekent alle de stukken, die van de Staten en Gedeputeerde Staten uitgaan. (Gem. 69.)

31. Hij ontvangt en opent alle aan de Staten of Gedeputeerde Staten gerigte stukken.

Hij brengt die terstond ter tafel in de vergadering, waar zij be-hooren, tenzij die stukken, volgens de orde der vergadering, dadelijk behooren te worden verzonden aan dat lid of aan die leden, aan wier meer bijzondere behandeling het onderwerp, waartoe de stukken betrekking hebben, is opgedragen. Hij zorgt, zooverre het van hem

ocr page 94

70 PROVINCIALE WET.

afhangt, voor de uitvoering van hetgeen de vergadering omtrent de stukken besluit.

Hij is, in spoedeisohende gevallen, bevoegd, het gevorderd voor-loopig onderzoek der stukken, alvorens ze ter tafel te brengen, te doen plaats hebben, en geeft daarvan in de eerstkomende vergadering kennis.

Ten behoeve van dit onderzoek zijn alle aan de Staten ondergeschikte ambtenaren en besturen verpligt, hem de gevraagde inlichtingen te verstrekken. (Gem. 67, 68.)

32. Hij is belast met de uitvoering van alle besluiten en beslissingen der Staten en Gedeputeerde Staten.

Het besluit, dat, naar zijn oordeel, als strijdig met de wet of het algemeen belang, door Ons kan worden geschorst of vernietigd, brengt hij niet ten uitvoer.

Hy geeft van dit gevoelen, binnen vier en twintig uren na het nemen van het besluit, aan de Staten of Gedeputeerde Staten kennis. Hij is, indien, dertig dagen na de dagteekening dezer kennisgeving, geene schorsing of vernietiging door Ons is bevolen, tot uitvoering van het besluit verpligt. (tiem. 70.)

33. In alle regtsgedingen, de provincie betreffende, treedt hij, namens Gedeputeerde Staten, als eischei- of verweerder op, en worden de vonnissen en gewijsden voor of tegen hem uitgesproken en ten uitvoer gelegd. (Gem. 71.)

34. Hij heeft het oppertoezigt over de provinciale griffie.

Op zijne voordragt worden, uitgenomen de griffier, de ambtenaren en bedienden bij de griffie door Gedeputeerde Staten benoemd, geschorst en ontslagen. (Gem. 72.)

35. Ongesteld of afwezig zijnde, wordt hij, tot dat Wij zullen hebben voorzien, vervangen door het oudste lid in jaren van Gedeputeerde Staten, dat aanwezig is. (Gem. 77.)

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN DEN GRIFFIER.

Art. 36. De griffier wordt door de Staten benoemd, uit eene voordragt van drie personen, door Gedeputeerde Staten te doen, en door hen, op voorstel van Gedeputeerde Staten, ontslagen. (P. 7; Gem. 95.)

37. Niemand is tot griffier benoembaar, dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is, en den ouderdom van vijf en twintig jaren heeft vervuld. (Gem. 96.)

38. De griffier mag Onzen commissaris en de leden van Gedeputeerde Stalen niet in den eersten of tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (P. 51; Gem. 97; B. Wquot;. 345, 352.)

39. Hij mag, met zijn ambt, geenerlei lands- of provinciale bediening, noch eeuige betrekking bij een in de provincie gelegen water-

ocr page 95

I

PROVINCIALE WET. 71

schap, noch die van hoogleeraar, lector of onderwijzer, notaris of procureur, te gelijk bekleeden, noch de practijk als advocaat uitoefenen.

Het is hem verboden, middellijk of onmiddellijk aandeel te hebben in pachten, leveringen of aannemingen ten behoeve der provincie. (Gera. 24, 02, 98, 9!;.)

40. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door hem, in de vergadering van Gedeputeerde Staten, in handen van den voorzitter, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, de volgende eed of belofte afgelegd:

. „Ik zweer (beloof), dat ik alle de pligten, die de wet op de za-,.menstelling en magt van de Provinciale Staten en de door de Sta-„ten van . . . vastgestelde of vast te stellen instructie aan het ambt „van griffier liebben verbonden, eerlijk en vlijtig zal vervullen.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;) Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 (87) der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd. (Gem. 1Ü0.)

41. De griffier is Onzen commissaris en Gedeputeerde Staten, in alles wat het hun bij deze wet opgedragen bestuur aangaat, behulpzaam. (Gem. 10.1.)

42. Door hem worden alle de stukken, die van de Staten en Gedeputeerde Staten uitgaan, mede-onderteekend. (Gem. 102.)

43. Zijne instructie wordt door de Staten vastgesteld. (Gem. 103.)

44. Hij heeft zyne vaste woonplaats in de gemeente, waar de vergadering der Staten wordt gehouden.

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN DE LEDEN DER GEDEPUTEERDE STATEN.

§ 1. Van hunne benoeming.

Art. 45. De Staten benoemen uit hun midden een collegie van Gedeputeerde Staten.

Dit collegie bestaat uit zes, doch in Drenthe uit vier leden. (Gem. 79.)

46. De gewone tijd ter verkiezing der leden van Gedeputeerde Staten is de eerste op de opening der Statenvergadering volgende Woensdag der maand Julij.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die op den vorigen dag zijn afgetreden. (Gem. 80, 83.)

47. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag of overlijden, of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen twee maanden na dat openvallen. (P. 55 ; Gem. 82, 8i.)

48. De benoemde, die in de vergadering tegenwoordig is, verklaart binnen twee, hij die niet tegenwoordig is, binnen acht dagen na ontvangst van het berigt zijner benoeming, of hij die aanneemt. (Gem. 85.)

ocr page 96

T

72 PROVINCIALE WET.

49. quot;Wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, geschiedt, zoo spoedig mogelijk, een nieuwe keuze. (Gem. 8(5.)

50. De leden van Gedeputeerde Staten kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan de Staten. (Gem. 88.)

§ 2. Van de vereischten voor het lidmaatschap der Gedeputeerde Staten, en can de hiermede onvereenigbare betrekkingen.

Art. 51. Bloedverwantschap of zwagerschap, tot den derden graad ingesloten, mag niet bestaan tussehen Onzen commissaris en de leden der Gedeputeerde Staten, noch tussehen de leden onderling. (Gem. 21, 97; P. 38; B. W. 345, 352.)

Die na zijne benoeming in den verboden graad van zwagerschap geraakt, behoeft vóór den afloop van zijnen tijd van zitting niet af te treden.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte.

52. Die ophoudt lid der Staten te zijn, houdt tevens op lid van Gedeputeerde Staten te wezen. (Gein. 87.)

53. De leden van Gedeputeerde Staten mogen, met de hunne, niet te gelijk bekleeden eenige bezoldigde lands- of provinciale bediening, nocli de betrekking van lid of beambte van een gemeentebestuur;

van dijkgraaf, lid of beambte van het bestuur van een in de provincie gelegen waterschap;

van hoogleeraar, lector of onderwijzer;

van notaris of procureur;

noch de praktijk als advocaat uitoefenen.

54. Zij mogen niet tegenwoordig zijn bij het opnemen en goedkeuren der rekening eener aan Gedeputeerde Staten ondergeschikte inriffting, tot welker bestuur zij behooren. (Gem. 89.)

55. Een lid der Gedeputeerde Staten, eene der in art. 53 uitgeslo-tene betrekkingen aannemende, houdt op lid te zijn.

Binnen twee maanden nadat Gedeputeerde Staten van het feit kennis hebben bekomen, geschiedt ter vervulling zyner plaats, eene nieuwe keuze. (P. 47.)

56. De leden van Gedeputeerde Staten zgn verpligt, alle de vergaderingen van bun collegie, tenzij eene geldige reden, ter beoordeeling der vergadering, het hun belette, bij te wonen.

57. Het is hun verboden, middellijk of onmiddellijk aandeel te hebben in pacliten, leveringen of aannemingen ten behoeve der provincie. (Gem. 24.)

58. Die met het vorig artikel in strijd handelt, of gedurende eene maand, zonder geldige reden, de vergadering niet bijwoont, wordt in zijne betrekking door Gedeputeerde Staten geschorst, tot

ocr page 97

PROVINCIALE WET.

ut, ge- . de eerstkomende gewone of buitengewone vergadering der Staten.

De Staten beoordeelen het geval en doen, indien zij den geschorste de hun , schuldig bevinden, na deze vervallen te hebben verklaard, eene Staten. nieuwe keuze.

Gedurende de scliorsing mist de geschorste het genot z^iner jaarwedde, die hem, wcrdt hij door de Staten schuldig verklaard, te re-Pquot;- kenen van het tijdstip der schorsing, onthouden blijft. (Gem. 26.)

§ 3. Van den tijd van aftreding der leden van Gedeputeerde Staten.

Art. 59. De leden van Gedeputeerde Staten worden benoemd voor zes jaren.

De helft der leden treedt om de drie jaren af, met den eersten Dingsdag der maand Julij.

De aftredeuden zijn dadelijk weder verkiesbaar. (Gem. 80.)

60. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid, overeenkomstig het vorig artikel, aftreedt. (Gem. SI.)

61. Die, ter vervulling eener buiten den gewonen tijd vau aftreding opengevallene plaals, tot lid van Gedeputeerde Staten verkozen is, treedt af op het tijdstip waarop degene, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden. (P. 47; Gem. 82.)

§ 4. T'an de hezoldiyiny der leden van Gedeputeerde Staten.

Art. 62. Aan de leden der Gedeputeerde Staten wordt eene jaarwedde toegelegd, waarvan zij de helft als vast inkomen genieten. De overblijvende helften worden in elke provincie hyeengevoegd ;oed- en om de drie maanden tusschen de leden verdeeld, naar gelang van likte bet getal der vergaderingen, door ieder in dien tijd bijgewoond.

Hij, die wegens commission, hem als lid van Gedeputeerde Staten ;slo- opgedragen, is afwezig geweest, behoudt zijne aanspraak op het presentiegeld. (Gem. 94.)

aene ZESDE HOOFDSTUK.

VAN ÜE VERGADERING DER STATEN EN DER GEDEPUTEERDE STATEN.

quot;a-

'lug § 1. Van de vergadering der Staten.

1 te Art. 63. De vergadering der Staten van Noordbrabant wordt ge-

)ro- houden te 's Hertogenbosch;

die der Staten van Gelderland te Arnhem;

□de die der Staten van Zuidholland te 's Gravenhage;

mt, die der Staten van Noordholland te Haarlem;

tot die der Staten van Zeeland te Middelburg;

7ö

graad ! leden m. 21,

•schap liet af ''

! haar

n Ge-

, niet ning,

ir;

pro-

ocr page 98

1

74 PROVINCIALE WET.

die der Staten van Utrecht te Utrecht; de wijs

die der Staten van Friesland te Leeuwarden; afgelef

die der Staten van Overijssel te Zwolle; „

die der Staten van Groningen te Groningen; Rijl

die der Staten van Drenthe te Assen; „

die der Staten van Limburg te Maastricht. Zij

In buitengewone omstandigheden kan door Ons eene andere plaats Grond

daartoe worden aangewezen. (P. 85.) hebbe

64. Jaarlijks worden twee gewone vergaderingen gehouden. 72. De eene wordt geopend op den eersten Dingsdag der maand Julij; van, o

de andere op den eersten Dingsdag der maand November. (G. 130; 73.

K. 88; P. 4(5, 179.) •gt; hunns

65. De gewone vergadering komt zonder voorafgaande oproeping graad bijeen. zijn l

Zij duurt, tenzij de Staten tot liet tegendeel besluiten, ten minste 74,

veertien dagen. ning,

66. Buitengewone vergaderingen worden, zoo dikwijls het, tot het 75, doen van keuzen, door de wet wordt gevorderd, of Wij het noodig meer oordeelen, na voorafgaande oproeping door Onzen commissaris, 76 daartoe telkens door Ons te magtigen, gehouden. (G. 130; P. mend 47, 55.) Bi

In die vergaderingen wordt, behoudens het bepaalde bij art. 58, volge

niets behandeld, dan de zaken waarvoor zij zijn b^eengeroepen. In

67. De vergadering, gewone of buitengewone, mag uiterlijk voor king veertien dagen worden verdaagd. (G.

68. Zij wordt, in Onzen naam, door den voorzitter geopend en 7i gesloten. gestf

69. Zij wordt in het openbaar gehouden. bij b De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aan- 71

wezige leden het vordert of de voorzitter het noodig keurt. bene

De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraad- Z

slaagd. woo

Over de punten, in besloten vergadering behandeld, kan daarin I

ook een besluit worden genomen. (G. 13M, 101; Gem. 43.) luid

70. Alvorens tot andere werkzaamheden over te gaan, onderzoekt gete elke vergadering de geloofsbrieven barer nieuw inkomende leden. 7

Zij beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of of 1

de verkiezing zelve oprijzen, dadelijk, of, zoo de zaak uitstel vordert, £

op een daartoe te bepalen dag. pal

In dit geval gaat zij ondertusschen met hare andere werkzaam- bij

heden voort. 1

De nieuw inkomende leden nemen geen deel aan het onderzoek en ver

de beoordeeling hunner eigene geloofsbrieven. Zij wonen de daarover '

te houden beraadslagingen niet bij. (Gem. 31, 32.) nee

71. By het aanvaarden hunner betrekking wordt door de leden der bri Staten, in de vergadering, in handen van den voorzitter, door ieder op int

ocr page 99

PROVINCIALE WET. 75

de wijze zijner godsdienstige gezindheid, de volgende eed of belofte afgelegd:

„Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten des Rijks.quot;

„Zoo waarlijk lielpe mij God almagtig!quot; (Dat beloof ik!quot;) Zij worden hiertoe niet toegelaten, dau na deu in art. 83 (87) der laats Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te

hebben afgelegd. 129; Gem. 39.)

; _ 72. De leden stemmen elk volgens eed en geweten, zonder last

u'ij; van, of ruggespraak met hen, die benoemen. (G. 131; Gem. 45.) 130; 73. Zij onthouden zich van medestemmen over de zaken, die hen, hunne echtgenooten, of hunne bloed- of aanverwanten tot den derden pmg graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of waarin zij als gelastigden

zijn betrokken. (P. 29, 85; Gem. 40.)

nste 74. Zij zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de stem of meening, door hen inde vergadering geuit. (G. 97; P. 85; öem. 47.) het 75. De vergadering mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet 'dig meerdandehelft der leden tegenwoordig is. (G.1Ü5,132 volg.; Gem. 42.) ■ns, 76. Alle besluiten worden door volstrekte meerderheid der stem-P. mende leden opgemaakt.

Bij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene 58, volgende vergadering uitgesteld.

In deze en evenzoo in eeue voltallige vergadering, wordt, bij sta-oor king van stemmen het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

(G. 106, 132; Gem. 50.)

en 77. Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping

gestemd, doch bij het doen van keuzen of voordragten van personen, bij besloten en ongeteekende briefjes. (G. 107; Gem. 52.) n- 78. Wanneer eene keuze of voordragt van personen is te doen,

benoemt de voorzitter vier leden tot stemopnemers.

d- Zij onderzoeken, of het getal briefjes gelijk is aan dat der tegen

woordig zijnde leden.

In De inhoud van elk briefje wordt door een der stemopnemers over

luid voorgelezen, door een ander nagezien, door de beide overige op-kt geteekend. (K. 59, (gt;0.)

79. Er hebben zoovele stemmingen plaats, als personen te kiezen rf of voor te dragen zijn.

t, 80. Niet ot niet behoorlijk ingevulde stembriefjes worden, tot be

paling der meerderheid, afgetrokken van het getal der leden, die i- bij de stemming tegenwoordig geweest zijn.

In geval van twijfel over den inhoud van een briefje, beslist de u vergadering. (K. (55.)

r 81. Eene verkregene meerderheid van stemmen geldt niet, wan

neer de vergadering beslist, dat daarop een tusschen het getal der r briefjes en dat der tegenwoordig zijnde leden bestaand verschil van ) invloed heeft kunnen zijn. (K. 66.)

ocr page 100

PROVINCIALE WET.

82. De stemming is nietig indien het getal behoorlijk ingevulde briefjes niet grooter is, dan de helft van dat der leden van de vergadering.

83. Wanneer niemand bij de eerste stemming de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot eene tweede vrije stemming overgegaan.

Is ook bij deze geene volstrekte meerderheid verkregen, dan wordt de stemming bepaald tot de twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen hebben verkregen, of, zijn de meeste stemmen tusschen meerdere personen verdeeld, tot allen, die aldus de meeste stemmen hebben erlangd.

Ook hierdoor geene volstrekte meerderheid van stemmen verkregen zijnde, heeft er een vierde stemming plaats over de twee personen, die bij de derde stemming de meeste stemmen hebben erlangd.

Indien bij de derde of de vierde stemming de stemmen staken, beslist het lot. (K. 103, 104.)

84. Het reglement van orde, dat de Staten voor hunne vergadering vaststellen, wordt aan Onze goekeuring onderworpen. (Gem 53.)

§ 2. Van de vergadering der Gedeputeerde Staten.

Art. 85. De bepalingen der artt. 63, 73, 74 en 77 zijn van toepassing op de vergadering der Gedeputeerde Staten.

86. De leden der Gedeputeerde Staten, ter vergadering komende, teekenen hunnen naam op eene lijst, die, bij het eindigen der vergadering, door den voorzitter en den griffier wordt gesloten en onderteekend.

Deze lijst wordt, ten minste gedurende een jaar, ter provinciale griffie bewaard.

In elke gewone vergadering der Staten worden de sedert de vorige gewone vergadering gehoudene lijsten, ter kennisneming, overgelegd. CP. 5S, 62.)

87. De vergadering mag geen besluit nemen, tenzij meer dan de helft der leden, de voorzitter daaronder begrepen, tegenwoordig zij. (P. 75, Gem. 02.)

88. Alle besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen opgemaakt.

Bij staken van stemmen wordt het nemen van een besluit tot de volgende vergadering verdaagd.

De stemmen dan andermaal stakende, wordt geen besluit geacht genomen te zijn. (P. 76, Gem. 92.)

89. Indien in gevallen, waarin eene beslissing volstrekt wordt gevorderd, de stemmen staken, wordt een lid der Staten daartoe jaarlijks in de gewone zomervergadering door de Staten te benoemen, in de vergadering geroepen. Zoodanig lid heeft, zooverre de te beslissen

76

ocr page 101

PROVINCIALE WET.

zaak aangaat, stem en zitting in de vergadering, totdat deze eene beslissing heeft genomen.

90. Ingeval omtrent het hencemen of voordragen van personen de stemmen staken, beslist het lot. (P. 83.)

91. Het reglement van orde, dat de Gedeputeerde Staten voor hunne vergadering vaststellen, wordt aan de goedkeuring der Provinciale Staten onderworpen. (P. 150; Gem. 93.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de magt der Provinciale Staten.

EERSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 92. De Provinciale Staten vertegenwoordigen de geheele provincie. (G. 78.)

93. üe Staten kunnen de belangen van hunne provincie en van hare ingezetenen bij Or.senbijde Staten-Generaal voorstaan. (G.8,138; Gem. 1'2U.)

94. Hun behoort, met betrekking tot de regeling en het bestuur van het provinciale huishouden, alle bevoegdheid, die niet bij deze of eenige andere wet aan Gedeputeerde Staten is opgedragen. (P. 149—Ifiti; Gem. 134.)

95. Zij hebben het regt, de ter uitoefening hunner bevoegdheid noodige inlichtingen, hetzij door eene bijzondere commissie uit hun midden te doen inwinnen, het/.ij schriftelijk van alle aan hen ondergeschikte ambtenaren en besturen te vorderen.

Indien deze ambtenaren of besturen, na twee malen daartoe te zijn aangeschreven geweest, de inlichtingen terughouden, kunnen deze, na het verstrijken van den te stellen termijn, worden ingewonnen, door een of meer leden der Staten, onder persoonlijke aansprakelijkheid der ambtenaren en leden van besturen, welke tot de vertraging hebben medegewerkt, voor de kosten.

Eene bijzondere commissie mag, op Onze magtiging, hare werkzaamheden ook na de sluiting der Statenvergadering voortzetten.

96. Zij kunnen met de Staten van andere provinciën over zaken, tot hunne bevoegdheid behoorende, in briefwisseling treden.

97. De zaken, die twee of meer provinciën gemeenschappelijk aangaan. kunnen door de Staten dier provinciën, daartoe door Ons ge-magtigd, onder Onze goedkeuring worden geregeld. (Gem. 121.)

98. Onze beslissing omtrent de door de Staten gemaakte, aan Onze goedkeuring te onderwerpen reglementen en verordeningen wordt bekend gemaakt binnen twee maanden na den dag, waarop zij zijn vastgesteld.

De beslissing kan door Ons. bij eeu, binnen dien tijd te nemen, met redenen te omkleeden besluit, worden verdaagd.

77

ocr page 102

78 PROVINCIALE WET.

Is zij niet genomen vóór de gewone zomervergadering, die na de vaststelling van het stuk volgt, dan worden de Staten in die vergadering met de redenen van het uitstel van Onzentwege bekend gemaakt. (a. 134; P. 110, 115, 133, 138.)

99. Onze goedkeuring wordt verleend of onthouden aan de verordening in haar gebeel, gelijk zij door de Staten is vastgesteld.

100. De door Ons goedgekeurde begrootingen en rekeningen, betreffende de enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven, en alle andere algemeene provinciale reglementen en verordeningen, worden in bet provinciale blad geplaatst, en algemeen verkrijgbaar gesteld.

101. De reglementen en verordeningen treden, indien zij geen ander tijdstip daartoe aanwijzen, in werking op den achtsten dag na de dagteekening van het blad, waarin zij zijn geplaatst. (A. 2.)

102. Het formulier van afkondiging luidt;

„De Gedeputeerde Staten van .... doen te weten, dat door de

„Staten dier provincie (door hen), in hunne vergadering van ....

„is vastgesteld hetgeen volgt:

(de inhoud van het vastgestelde, zoo het stuk Onze goedkeuring behoeft, de dagteekening van het besluit, waarbij die goedkeuring is verleend.)

„Gegevenquot; enz.

De afkondiging van bet stuk geschiedt binnen veertien dagen nadat Onze goedkeuring is verleend, of. zoo het deze niet behoeft, binnen acht dagen nadat het is vastgesteld. (Gem. 169.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE BEGBOOTING.

Art. 103. De begrooting der kosten van het provinciaal bestuur, voor zoo veel het rijksbestuur is, en die der enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven, worden jaarlijks door Gedeputeerde Staten opgemaakt en aan elk lid der Staten gezonden, veertien dagen vóór het openen der gewone zomervergadering, die voorafgaat aan het jaar, waarvoor zij moeten dienen., (G. 137; Gem. 903.)

De beide begrootingen worden, zoodra zij zijn opgezonden, algemeen verkrijgbaar gesteld.

104. De Staten onderzoeken de beide begrootingen zonder uitstel, en doen de eerste het eerst af.

105. Op de begrooting der kosten van het provinciaal bestuur, voor zooveel het rijksbestuur is, worden gebragt:

de jaarwedden van Onzen commissaris, van de leden der Gedeputeerde Staten, van den griffier en van de ambtenaren en bedienden bij de provinciale griffie;

de door hen en de leden der Staten te genieten vergoeding van reis- en verblijfkosten.

T

ocr page 103

PROVINCIALE WET.

de kosten van licht, brand en bureaubehoeften der provinciale griffie;

de sohrijfloonen aldaar betaald wordende;

de kosten van het onderhouden, schoonhouden en meubeleren der gehouwen, bestemd voor de vergaderingen der Staten en Gedeputeerde Staten, en voor de provinciale griffie;

de voor die gebouwen, waar zij eigendom van bijzondere personen zijn, te betalen huur;

de kosten van onderhoud, van het gebouw, tot woning van Onzen commissaris bestemd, waar het rijks-eigendom is;

de huur van dat gebouw, waar het geen rijks-eigendom is, tenzij de commissaris wone in liet provinciaal gebouw, voor de vergaderingen der Staten en de provinciale griffie bestemd.

106. De in het vorig artikel bedoelde kosten, Ons door de Staten voor te dragen, worden, zoover Wij die goedkeuren, door Ons op de begrooting der rijks-uitgaven gehragt.

Van het door Ons te dien aanzien heslotene geschiedt kennisgeving aan de Staten.

107. Op de begrooting der enkel provinciale en huishoudelijke uitgaven worden gehragt;

de jaarwedden der niet op de provinciale griffie, in de dienst der provincie werkzame ambtenaren en bedienden;

de door hen te genieten vergoeding van reis- en verblijfkosten; de kosten van het aanleggen en onderhouden van provinciale wegen en werken;

de kosten van het onderhoud der provinciale eigendommen en de wegens die eigendommen verschuldigde lasten;

de renten en aflossingen van de door de provincie aangegane geldleeningen;

de kosten, vallende op de door de provincie te voeren gedingen; de kosten van tiet provinciale blad en van andere ten behoeve der provincie gedrukte stukken;

de kosten van verpleging der arme krankzinnigen;

alle uitgaven, in liet provinciaal belang noodig, of door bijzondere wetten aan de provincie opgelegd. (P. 2U5.)

108. De in het vorig artikel bedoelde begrooting wordt ingerigt overeenkomstig de door Ons, te dien aanzien, bij eenen algemeenen maatregel van inwendig bestuur, te geven voorschriften. (Gem. 20G.)

109. Zij behoeft, om te werken. Onze goedkeuring. (G. 137; P. 115.)

110. Op de begrooting zijn de bepalingen der artt. 98 en 99 van toepassing.

111. Is Onze goedkeuring niet verleend aan de begrooting vóór den aanvang van het jaar, waarvoor deze moet dienen, dan kunnen Gedeputeerde Staten door Ons worden gemagtigd, tot op de helft der aangevraagde sommen uitgaven te doen uit die posten der begroeting, waartegen bij Ons geene bedenking bestaat. (Gem. 211.)

Ï9

ocr page 104

PROVINCIALE WET.

112. Indien de Staten weigeren, de door de wet aan de provincie opgelegde uitgaven op de begrooting te brengen, geschiedt zulks door Ons.

Indien, in dat geval, de provinciale inkomsten niet toereikende zijn, en de Staten weigeren nieuwe middelen tot dekking voor te dragen, woorden de overige, niet bg de wet aan de provincie opgelegde uitgaven door Uns, bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit, ia zoodanige rede verminderd, dat Jusschen de provinciale inkomsten en uitgaven evenwigt zij.

Deze vermindering kan de renten der door de provincie aangegane geldleeniugen niet treilen. (Gem. 212.)

113. Af- en overschrijving op de posten der in art. 107 bedoelde begrooting kan niet geschieden, dan voor zooverre daartoe bij de begrooting zelve, of bij een afzonderlijk, door Ons goedgekeurd besluit der Staten, magtiging is verleend. (Gem. 214.)

114. Tot het bevelen der af- en overschrijvingen, waartoe bij de begrooting magtiging is verleend, behoeven Gedeputeerde Staten in elk geval Onze toestemming. (Gem. 215.)

115. De begrooting der provinciale inkomsten vermeldt alle de inkomsten der provincie, van welken aard ook. (Gem. 204.)

Zij wordt te gelijk met de begrooting der in art. 107 bedoelde uitgaven aan Onze goedkeuring onderworpen.

Up haar zijn de artt. 108—110 van toepassing.

116. De door de Staten voorgedragene provinciale belastingen, waartegen bij Ons geene bedenking bestaat, worden bij een ontwerp van wet, hetwelk de enkel provinciale en huishoudelijke behoeften, tot welker dekking zij moeten dienen, vermeldt, en de reglementairé voorschriften, naar welke zij zullen worden ingevorderd, aanhaalt, zoo spoedig mogelijk, aan de bekrachtiging der wetgevende magt onderworpen.

Zoo in de voorschriften, betreffende de invordering, wijziging wordt noodig gekeurd en gebragt, wordt de belasting dienovereenkomstig niet geheven, dan na op nieuw door de wet bekrachtigd te zijn. (G. ISO.)

117. AccLjnsen mogen niet als provinciale belastingen worden voorgedragen.

Voor liet overige is de voordragt van provinciale belastingen onderworpen aan de regels en perken, door de wetten betreflende's Lands belastingen gesteld. (P. 176.)

118 De rekenpligtige provinciale ambtenaren doen van de, door hen voor de provincie gedane ontvangsten en uitgaven rekening en verantwoording aan de Algemeene Rekenkamer, overeenkomstig de regelen door de wet gesteld. (Wet van 8 Oct. 1841, Stsbl. no. 40, zooals bij latere wetten aangevuld en gewijzigd.)

119. Van de enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven wordt door Gedeputeerde Staten, over elk dienstjaar, aan de

80

ocr page 105

PROVINCIALE WET.

Staten verantwoording gedaan, onder overlegging van eeae rekening, welker cijfers door de Rekenkamer zijn deugdelijk verklaard.

Gedeputeerde Staten zenden deze rekening, met vermelding van hetgeen zij ter hunner verantwoording dienstig achten, aan elk lid der Staten, veertien dagen voor het openen der tweede gewone zomervergadering, die volgt na het jaar, waartoe de rekening betrekking heeft.

De rekening wordt, zoodra zij is opgezonden, algemeen verkrijgbaar gesteld. (P. 103; Gem. 218.)

120. De Staten onderzoeken de rekening, zonder uitstel, en stellen het bedrag der ontvangsten en uitgaven vast, bij een besluit, waarvan het ontwerp door Gedeputeerde Staten, te gelijk met de rekening, wordt opgezonden.

De Gedeputeerde Staten zijn bij de beraadslagingen daarover tegenwoordig, doch onthouden zich van medestemmen over het besluit. (Gem. 220.)

121. Het door de Staten genomen besluit behoeft Onze bekrach-tiging.

122. De betalingen ten behoeve der enkel provinciale en huishoudelijke uitgaven geschieden op bevelschriften van Gedeputeerde Staten, door hunnen voorzitter, een der leden en den griffier te teekenen. (Gem. 224.)

123. Op de bevelschriften wordt door hem, aan wien zij zijn gerigt, niet betaald, dan wanneer daarin iietgeen te betalen is en de post der begrooting, waarop het is aan te wijzen, wordt vermeld. (Gem. 114.)

124. Wegens uitgaven, door Gedeputeerde Staten bevolen, waardoor liet eindcijfer der begrooting of de aangewezen begrootingspost wordt overschreden, of die, ter kwader trouw, zijn aangewezen op een post, waarmede zij niet overeenstemmen, worden de leden der Gedeputeerde Staten en de commissaris des Konings, tenzij blijke dat zij tnt het bevelen dier uitgaven niet hebben medegewerkt, persoonlijk aansprakelijk jegens de provincie, indien die uitgaven, bij het besluit in art. 12U bedoeld, niet onder de provinciale uitgaven worden opgenomen.

De Staten benoemen, zoo dikwijls daartoe, volgens dit artikel, termen zijn, iemand uit hun midden met de regtsvervolging tot schadevergoeding belast. (Gem. 225, 226.)

125. De termijnen van verjaring voor de vorderingen ten laste van het Rijk, bij de wet bepaald of te bepalen, zijn op de vorderingen ten laste der provincie van toepassing. (Wet 8 Nov. 1815, Stsbl. no. 51; Gem. 228.)

126. De gelden, door ryks ambtenaren ten behoeve der provincie ontvangen, worden vóór het einde van elke maand, volgende op die waarin zij zijn ontvangen, door den Minister van Financiën ter beschikking van Gedeputeerde Staten gesteld.

STAATSWETTEN. 6

81

ocr page 106

ï

82 PKOVINCIALE WET.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE DOOR DE STATBN UIT TB VOEREN 'WETTEN

EN KONINKLIJKE BEVELEN.

Art. 127. De Staten worden belast met de uitvoering van de wetsbepalingen en algemeene maatregelen van inwendig bestuur, betreffende bet bijzondere bestuur van den waterstaat;

de vereeniging en splitsing van gemeenten;

het onderwijs, voor zooveel het wordt gegeven op scholen, dooide provincie, door gemeenten of bijzondere personen opgerigt;

het armbestuur;

de nijverheid;

voorts van alle wetten, welker uitvoering hun door Ons wordt opgedragen. (Gr. 135.)

Ï28. De algemeene voorschriften en bevelen, door Ons te geven omtrent de uitvoering der wetten, waarvan de uitvoering aau de Staten is opgedragen, worden door hen nageleefd.

129. quot;Wanneer de Staten niet, of niet behoorlijk, voor de uitvoering der in artt. 127 en 128 bedoelde wetten, maatregelen en bevelen zorgen, kan Onze commissaris door Ons, bij een in het Staatsblad te plaatsen, met redenen omkleed besluit, worden gemagtigd, om in de uitvoering te voorzien. (P. l/i.)

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN DE REGELING EN HET BESTUUR VAN HET

PROVINCIALE HUISHOUDEN.

§ 1. Algemeene bepalingen.

Art. 130. Aan de Staten behoort de regeling en het bestuur van het provinciale huishouden. (G. 134.)

131. Zij regelen de geldleeningen ten laste der provincie te doen; de bezoldigingen van alle provinciale ambtenaren; en hetgeen verder de geldmiddelen der provincie aangaat.

132. Zij besluiten tot het koopen, ruilen of vervreemden, het bezwaren of verpanden van provinciale eigendommen, het treffen van dadingen daaromtrent, en het aanvaarden der aan de provincie gedane legaten of schenkingen. (Gem. 137.)

133. De besluiten, door de Staten omtrent de in artt. 131 en 132 bedoelde zaken te nemen, behoeven Onze goedkeuring.

134. Zij bevelen, behoudens de bepalingen der wet door art. 191 (188) der Grondwet gevorderd, het aanleggen of verbeteren van provinciale wegen, gebouwen, werken en iurigtingen. (G. 190.)

135. Zij beoordeelen en beslissen of de provincie regtsgedingen zal voeren. (Gem. 143.)

136. De Staten oefenen toezigt uit, voor zooverre dit door Ons niet aan anderen is opgedragen, over alle verveeningen, ontgrondingen.

ocr page 107

PROVINCIALE WET. 88

indijkingen, droogmakerijen, mijnwerken en steengroeven binnen hunne provincie. (G. 190.)

137. Zij hebben het toezigt op alle wateren, bruggen, wegen, waterwerken en waterschappen binnen hunne provincie.

i de 138. Zij zijn bevoegd, behoudens de bepalingen der wet, door art. ;uur, 191 (188) der Grondwet gevorderd, de inrigtingen en reglementen der waterschappen Ie veranderen en nieuwe vast te stellen. ! Hunne besluiten te dien aanzien worden onderworpen aan Onze door goedkeuring. Daarop zijn de bepalingen der artt. 98 en 99 van toepassing. (Wet van 12 Juli 1855, Stsbl. no. 102.)

139. Zij zorgen, dat de doorvoer, en de uitvoer naar en invoer uit andere provinciën geene belemmeringen ondergaan. (G. 136c.) ordt 140. Zij maken de reglementen en verordeningen, die zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen, en onderwerpen die aan Onze even goedkeuring. (G. 134.)

i de 141. Hunne reglementen en verordeningen kunnen geene bepalingen omtrent onderwerpen van algemeen rijks-belang inhouden. (P. 167; iring Gem. 150.)

'elen 142. De bepalingen dier reglementen en verordeningen houden van iMai/ regtswege op te gelden, zoodra omtrent het daarin geregelde onder-m in werp door eene wet of een algemeenen maatregel van inwendig bestuur voorschriften worden gegeven. (G. 151.)

§ 2. Z7quot;//ei loezigt op de gemeentebesturen.

Art. 143. De besluiten der gemeentebesturen, betreffende de beschikking over gemeente-eigendom en andere door de gemeentewet aan te wijzen burgerlijke regtshandelingen, worden onderworpen aan de goedkeuring der Staten.

■ van Dit geschiedt insgelijks met de gemeentelijke begrootingen van inkomsten en uitgaven. (G. 14G; Gem. 194, 207.)

oen; 144. Het instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten of ver- gewone marktdagen in de gemeenten geschiedt niet dan met magti-ging der Staten, tenzij in de gevallen waarin de goedkeuring aan Ons t be- is voorbehouden, en die door een algemeenen maatregel van bestuur van worden aangewezen. (Gem. 195.)

3 ge- 145. De besluiten der gemeentebesturen tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van plaatselijke belastingen worden door de Staten, on-132 der mededeeling van hun gevoelen, aan Ons ter goed- of afkeuring

voorgedragen. (G. 147; Gem. 233.)

191 146. De Staten vragen van Ons de schorsing of vernietiging dei-pro- plaatselijke verordeningen, die hun met de wetten of het algemeen

provinciaal belang strijdig voorkomen. (Gem. 152—161, 233.)

n zal '47. Zij trachten alle geschillen tusschen de gemeentebesturen hunner provincie in der minne te doen bijleggen. Indien zij daarin niet i niet slagen, dragen zij het geval, zoo het een geschil van bestuur betreft, igen, aan Ons ter beslissing voor.

6*

ocr page 108

PROVINCIALE WET.

148. De geschillen over het aanleggen en onderhouden van werken, en alle andere geschillen van hestunr tnsschen de provincie en ééne of meer gemeenten, worden door üns heslist. (G. 70.)

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN DE DAGELIJKSCHE LEIDING EN UITVOERING VAN ZAKEN.

Art. 149. De dagelijksche leiding en uitvoering van zaken be-hooren aan Gedeputeerde Staten, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet. (G. 139; Gem. 176.)

150. Eene door de Staten, onder Onze goedkeuring, te maken instructie voor de Gedeputeerde Staten regelt de uitoefening hunner bevoegdheid tot de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken, overeenkomstig de bepalingen der artt. 151—162.

151. Gedeputeerde Staten voeren de wetten, algemeene maatregelen van inwendig bestuur en Koninklijke bevelen uit, waarvan de uitvoering aan de Staten is opgedragen.

Zij maken de daartoe noodige verordeningen en onderwerpen die aan Onze goedkeuring. (G. 135; P. 127.)

152. Door hen worden insgelijks uitgevoerd de provinciale reglementen en verordeningen, en de besluiten en beslissingen der Staten. (P. 32; üem. 179r/.)

153. Zij beslissen de geschillen over de in de beide vorige artikelen bedoelde uitvoering gerezen, tenzij de wetten of verordeningen dit aan anderen hebben opgedragen, (üem 179i.)

154. Zij beheeren de provinciale inkomsten en eigendommen, en zijn bevoegd die eigendommen te verhuren.

155. Zij vertegenwoordigen de provincie in regten. (P. 135.)

Zij zijn bevoegd, alvorens de magtiging der Staten tot het voeren van een regt^geding ten behoeve der provincie te hebben verkregen, alle conservatoire maatregelen, zoo in als buiten regten, te nemen, en verpligt, te doen wat noodig is, ter voorkoming van verjaring en verlies van regt of bezit. (Gem. 179Ï-.)

156. Zij benoemen en ontslaan alle uit de provinciale kas bezoldigde ambtenaren en bedienden, welker benoeming niet bij deze wet of de provinciale reglementen en verordeningen £.an de Staten is voorbehouden.

Zij schorsen den griffier en alle uit de provinciale kas bezoldigde ambtenaren en bedienden. (P. 34; Gem. 179o,/), y.)

157. Zij zijn belast met de behoorlijke voorbereiding van al hetgeen in de vergadering der Staten, ter overweging en beslissing, moet worden gebragt. (Gem. 1790-.)

Zij ontwerpen, tenzij de Staten het aan bijzondere commissiën opdragen, de nieuwe of gewijzigde reglementen van waterschappen en alle de provinciale reglementen en verordeningen, volgens de artt. 138 en 140 door de Staten vast te stellen.

84

ocr page 109

PROVINCIALE WEI.

Zoodanige bijzondere commissie mag, op Onze magtiging, hare werkzaamheden ook na de sluiting der Statenvergaderintr voortzetten. (P. 95.)

158. De keuren of politieverordeningen der waterschappen behoeven hunne goedkeuring. (P. 138.)

159. Zij stellen de plannen en voorwaarden van aanbesteding vast van de door de Staten bevolene werken, tenzij deze zich de goedkeuring daarvan hebben voorbehouden. (Gem. 179«'.)

160. Zg zijn bevoegd, in het onderhoud van alle provinciale werken, wanneer dit geen uitstel lyden kan, zonder daartoe vooraf door de Staten gemagtigd te zijn, te voorzien, mits daarvan in de eerstkomende vergadering oer Staten kennis gevende.

161. Zij oefenen de in artt. 143—147 vermelde magt der Staten uit.

162. Zij houden op al, wat de provincie aangaat, een gedurig toe-zigt, en doen jaarlijks, in de gewone zomervergadering, aan de Staten een uitvoerig en beredeneerd verslag van den toestand der provincie.

Dit verslag wordt ingerigt op de wijze en in den vorm door den Minister van Binnenlandsche Zaken voor te schrijven, en algemeen verkrijgbaar gesteld.

Een algemeen reglement van inwendig bestuur regelt de oprig-ting van bureaux van statistiek in de onderscheidene provinciën. (Gem. 182.)

163. Zij zijn wegens de riagelijksche leiding en uitvoering der zaken, voor zooveel dein de artt. 102—1C2 omschrevene handelingen betreft, aan de Staten verantwoording schuldig.

Zij geven alle te dien aanzien door de Staten verlangde inlichtingen.

Ingeval zij weigeren dit te doen, kunnen de Staten hen van hunne betrekking vervallen verklaren. (Gem. 89, 183.)

164. Art. 95 is op Gedeputeerde Staten van toepassing.

165. Over alle zaken,de provincie betreffende, dienen Gedeputeerde Staten van raad en bericht aan bet Departement van Binnenlandsche Zaken en de andere departementen van algemeen bestuur.

ZESDE HOOFDSTUK.

VAN HET SCHORS EX EN VERNIETIGEN DER BESLUITEN VAN DE STATEN EN GEDEPUTIiEKDE STATEN.

166. De besluiten der Staten en Gedeputeerde Staten, die met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, worden door Ons geschorst of vernietigd. (G. 140; Gem. 153 )

167. De door de Staten vastgestelde en door Ons goedgekeurde provinciale reglementen en verordeningen kunnen, zoo zij met de wetten of het algemeen belair.' strijdig zijn, door eene wet, die tevens de gevolgen regelt, warden geschorst of vernietigd.

85

ocr page 110

PROVINCIALE WET.

168. De uitspraken van Gedeputeerde Staten over geschillen van | gel(] bestuur of andere, wier beslissing hun door bijzondere wetten is op- B ver\ gedragen, worden geschorst of vernietigd op de wijze en met de ge- fi I volgen, in die wetten omschreven. ! woi

169. In alle andere, door de twee vorige artikelen niet bedoelde ; (Ge gevallen, wordt de schorsing of vernietiging van besluiten der Staten |' en Gedeputeerde Staten door Ons bevolen bij een met redenen om- eer; kleed, in het Staatsblad te plaatsen besluit, dat, ingeval van schor- 1' sing, den duur hiervan bepaalt. (Gem. 154.) ten

170. Schorsing stuit onmiddellijk de werking van het geschorst 1 besluit. der

Zij kan niet langer duren dan een jaar. (Gem. 155.) ]

171. Is binnen den voor de schorsing bepaalden tijd de vernieti- nio ging van het besluit door Ons niet uitgesproken, dan wordt dit (G( geacht geldig te zijn. (Gem. 156.) 1

172. Een besluit, dat geschorst is geweest, kan niet op nieuw dei worden geschorst. (Gem. 157.) art

173. Vernietiging van wege strijd met de wet brengt mede ver ■ Gr nietiging van alle de gevolgen van het vernietigd besluit. i

Bg vernietiging van wege strijd met liet algemeen belang, kun- dei nen die gevolgen, welke niet met dat belang streden, in stand blijven. (Gem. 158.) ho

174. De Staten of Gedeputeerde Staten zorgen, in geval van schorsing of vernietiging hunner besluiten, dat aan art. 170 of art. 173 (A worde voldaan, en op nieuw in de bij het geschorst of vernietigd besluit behandelde zaak, voor zooveel noodig is, voorzien.

Indien zij dit nalaten, wordt, zoo het besluit de uitvoering gold der in de artt. 127 en li8 bedoelde wetten, maatregelen en bevelen, in die uitvoering, op de bij art. 129 bepaalde wijze, van Onzent-wege voorzien. (Gem. 159.)

O VERGANGS-BEPALINGEN.

Art. 175. Alle bestaande provinciale ambtenaren en magten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze wet, zijn vervangen.

Op alle burgerlijke rijks-ambtenaren, thans werkzaam voor het provinciaal bestuur, door of van wege Ons benoemd en ten gevolge der bij deze wet aan de Provinciale of Gedeputeerde Staten verleende magt herbenoemd, is de wet van den 9den Mei 1846 {Staatsblad no. 24), betreffende de burgerlijke pensioenen, bg voortduring toepasselijk.

Aan dezelfde ambtenaren, door de Provinciale of Gedeputeerde Staten niet herbenoemd, kan door Ons ten laste van 's Rijks kas wachtgeld worden toegekend, voor zoover zij geen aanspraak hebben op pensioen. (Gem. 284.)

176. De instructiën der griffiers, de bepalingen omtrent de orde in de vergadering, en alle omtrent punten, by deze wet niet geregeld.

86

ocr page 111

PROVINCIALE WET.

geldende voorschriften blijven gelden, tot dat zij door andere worden vervangen.

De thans in sommige provinciën bestaande provinciale accijnsen worden binnen vijf jaren na de dagteekening dezer wet afgeschaft. (Gem. 290.)

177. De eerste keuze voor de leden der Staten geschiedt op den eersten Dingsdag der maand September. (Gem. 287.)

178. De eerste helft der leden van de Staten en Gedeputeerde Staten treedt af met den eersten Dingsdag in Jnlij 1853. (P. 5.)

179. De dag der eerste bijeenkomst van de nieuwe Statenvergaderingen wordt door Ons bepaald.

Na de opening hunner vergadering, gaan de Staten, zoo spoedig mogelijk, over tot het benoemen der leden van Gedeputeerde Staten. (Gem. 288.)

180. Totdat daarin bij de in art. 4 bedoelde wet is voorzien, worden de leden der Staten gekozen in de hoofdkiesdistricten, volgens art. 6 van het kiesreglement, in liet 7de additionnele artikel der Grondwet (van 1848) vervat, door Gedeputeerde Staten vastgesteld.

Gedeputeerde Staten kunnen, waar zij het noodig keuren, onderkiesdistricten aanw:jzen.

Eene bij deze wet gevoegde tabel bepaalt het getal der in elk hoofdkiesdistrict te kiezen leden.

181. Deze wet is verbindende met den dag harer afkondiging. (A. 2; K. 123; Gem. 294.)

87

TABEL, BEDOELD IN AKI. 180, AANWIJZENDE HEI IN ELK HOOFDKIESDISTRICT TE KIEZEN GETAL LEDEN DER STATEN.

getal in elk

PROVINCIE.

HOOFDKIESDISTRICT. hoofdkiesdistrict

te kiezen leden.

NOORDBRABANT

64 leden.

/ 's Hertogenbosch 1 Grave 1 Tilburg j Heusden / Helmond 1 Eindhoven I Breda f Zevenbergen \ Bergen op Zoom

8 7 7 7 7 7

7 7

GELDERLAND

62 leden.

/ Arnhem l Harderwijk \ Zutphen J Ruurlo t Doetichem | Eist I Nymegen \ Zalt-Bommel

8

7

8 8

7

8 8 8

ocr page 112

PROVINCIALE WET.

88

GETAL IN ELK HOOFDKIESDISTRICT TE KIEZEN LEDEN.

HOOFDKIESDISTRICT.

PROVINCIE.

Leyden

Leyderdorp

Gouda

Gorinchem

Eordrecht

Iste district 's Gravenhage 2de „ „

Iste „ Rotterdam 2de

Schiedam Ridderkerk Brielle Delft

1ste district Amsterdam 2de „ „

3de

4de „ „

5de „ „

Haarlem

Alkmaar

Hoorn

Edam

Zaandam

Middelburg

Zierikzee

Goes

Sluis

Utrecht

Amersfoort

IJsselstein

Leeuwarden

Dokkum

Heerenveen

Sneek

Franeker

Zwolle

Kampen

Deventer

Almelo

Enschedé

Groningen

Onderdendam

Appingadam

Winschoten

Assen

Hoogeveen

Maastricht

Roermond

Venlo

Sittard

Heerle

ZUIDHOLLAND

80 leden.

NOORDHOLLAND

72 ledeu.

ZEELAND

42 leden.

UTRECHT

41 leden.

FRIESLAND

50 leden.

OVERIJSSEL

47 leden.

GRONINGEN

45 leden.

DRENTHE

35 leden.

LIMBURG

45 leden.

ocr page 113

WET,

HOUDENDE REGELING VAN DE VERDEELING- DER PROVINCIËN IN KIESDISTRICTEN, TER BENOEMING DER LEDEN VAN DE PROVINCIALE STATEN ENZ.

(Vastgesteld den oden Nov. 1852, Stsbl. no. 197, uitgegeven den 12den Nov. d. a. v.)

Art. (. Elke provircie wordt, ter benoeming der leden van de Provinciale Staten, verdeeld in de kiesdistricten, welke op de by deze wet gevoegde tabel A zijn aangewezen.

2. Gedeputeerde Staten kunnen, waar zij het noodig achten, onderkiesdistricten aanwezen.

Zij zorgen, dat althans elke gemeente van 1000 inwoners een Onderkiesdistrict uitmake.

3. Het getal der in elk district te kiezen leden en de rooster naar welken zij om de driejaren aftreden, wordt in de tabel A geregeld.

4. In elk nieuw district worden zoovelen der in elk tegenwoordig district benoemden geacht gekozen te zijn, als de bii deze wet gevoegde tabel B aanwijst.

5. Gedeputeerde Staten bepalen, naar welk nieuw district ieder oer in elk tegenwoordig district benoemden, volgens den in tabel B gestelden regel, overgaat.

Zij doen, binnen eene maand na de afkondiging dezer wet, in een dagblad der provincie eene lijst plaatsen, aanwijzende, in welk nieuw district elk der tegenwoordige leden van de Staten geacht wordt gekozen te zijn.

Zij zenden uittreksels dezer lijst aan de gemeentebesturen der hoofdplaatsen van de nieuwe districten en aan de leden, zoover ieder sangaat.

6- Deze wet verbindt met den dag harer afkondiging.

LE

TRICT DEN.

6«

ocr page 114

PROVINCIALE WET.

88

GETAL IN ELK HOOFDKIESDISTRICT TE KIEZEN LEDEN.

HOOFDK1ESDISTRICÏ.

PROVINCIE.

ZUIDHOLLAND

80 leden.

NOORDHOLLAND

72 ledeu.

ZEELAND 42 ledeu.

UTRECHT

41 leden.

FRIESLAND

50 ledeu.

OVERIJSSEL

47 leden.

GRONINGEN

45 ledeu.

DRENTHE

35 ledeu.

LIMBURG

45 ledeu.

Leyden

Leyderdorp

Gouda

Gorinchem

rordrecht

1ste district 's Gravenhage 2de „ „

1ste „ Rotterdam 2de

Schiedam Ridderkerk Brielle Delft

1ste district Amsterdam 2de „ „

3de

•ide „ „

5de „ „

Haarlem

Alkmaar

Hoorn

Edam

Zaandam

Middelburg

Zierikzee

Goes

Sluis

Utreclit

Amersfoort

Usselstein

Leeuwarden

Dokkum

Heerenveen

Sneek

Franeker

Zwolle

Kampen

Deventer

Almelo

Enschedé

Groningen

Onderdendam

Appingudam

Winschoten

Assen

Hoogeveen

Maastricht

Roermond

Veulo

Sittard

Heerle

6 6 6 6 6 6 6 7

7 6 6 6 6

8 7 7 7 7

7

8 7 7 7

11 10 11 10

13

14 14

10 10 10 10 10

9 9 9 10 10 11 11 11 12 18 17 9 9 9 9 9


ocr page 115

WET,

HOUDENDE REGELING VAN DE VERDEELING DER PROVINCIËN IN KIESDISTRICTEN, TER BENOEMING DER LEDEN VAN DE PROVINCIALE STATEN ENZ.

(Vastgesteld den oden Nov. 1852, Stsbl. no. 197, uitgegeven den 12den Nov. d. a. v.)

Art. I. Elke provincie wordt, ter benoeming der leden van de Provinciale Staten, verdeeld in de kiesdistricten, welke op de bij deze wet gevoegde tabel A zijn aangewezen.

2. Gedeputeerde Staten kunnen, waar zij liet noodig achten, on-oerkiesdistrioten aanwijzen.

Zy zorgen, dat althans elke gemeente van 1000 inwoners een onderkiesdistrict uitmake.

3. Het getal der in elk district te kiezen ieden en de rooster naar welken zij om de driejaren aftreden, wordt in de tabel A geregeld.

4. Iq elk nieuw district worden zoovelen der in elk tegenwoordig district benoemden geacht gekozen te zijn, als cle bij deze wet gevoegde tabel B aanwijst.

5. Gedeputeerde Staten bepalen, naar welk nieuw district ieder oer in elk tegenwoordig district benoemden, volgens den in tabel B gestelden regel, overgaat.

Zij doen, binnen eene maand na de afkondiging dezer wet, in een dagblad der provincie eene lijst plaatsen, aanwijzende, in welk nieuw district elk der tegenwoordige leden van de Staten geacht wordt gekozen te zijn.

Zij zenden uittreksels dezer lijst aan de gemeentebesturen der hoofdplaatsen van de nieuwe districten en aan de leden, zoover ieder aangaat.

6. Deze wet verbindt met den dag harer afkondiging.

6a

ocr page 116

90

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

TABEL A.

HOOFD

GEMEENTEN

.2 c

es -3

V

« B ^

93

«3 .

'O C

lt;u lt;—

KIESDISTRICT.

VAN HET

HOOFDKIESDISTRICT.

Iquot;? «

në

a

EINI

' (Verv

KII

'S HERTOGENBOSCH

HEUSDEN

HELMOND

EINDHOVEN

(Zie volg. bladz.)

Noordbrabant.

's Hertogenbosch, Rosmalen, Den Dungen, St. Michielsgestel, Schyn-del, Vught, Heeswjjlc, Dinther, Gef-fen, Nuland, Heesch, Nistelrode, Lith, Lithoyen, Berlicum c. a.

Grave, Escharen, Velp, Reek, Gas-sel. Linden, Cuyk, Schayk, Beers, Uden, Mill, Zeeland, Ravenstein, Dieden c. a., Deursen c.a., lluis-seling c. a.. Boxmeer, Sambeek, Vierlingsbeek, Maashees c. a., Op-loo c. a , Wanrooy, Beugen, Oeffeit, Haps, Oss, Berchem, Megen c. a., Oyen c. a., Herpen

Tilburg, Goirle, Berkel c.a., Oister-wyk, Moergestel, Diessen, Hilva-renbeek, Loon op Zand, Udenhont, Gilze en Ryen, Boxtel, Etsch, Hel-voirt, Haren, Cromvoirt, Liempde

Hensden, Bokhoven, Alem c. a., Em-pel c. a.. Engelen, Drongelen c.a., Dussen,Hedikliuizen, Heesbeen c.a., j Herpt en Bern, Meeuwen c. a.. Oud-heusden c. a.. Wijk en Aalburg, I Veen, Woudrichem, Ryswijk, An-del. De Werken c. a., Werkendam, 1 Giesaen, Emmikboven c. a., Alm-kerk, Waalwijk, Baardwyk, Besoi-jen, Capelle, Sprang, Vryhoeve Ca-pelle. Waspik, Vlijmen, Nieuwkuik c. a., Drunen

Helmond, Aarle Rixtel, Beelc en Donk, Lieshout, Mierlo, Stiphout, Gemert, Bakel c. a,, Nunen en Ger-wen c. a., Heeze, Leende, Asten, Deurneen Liessel, Vlierden, Someren, Lierop, Budel, Maarheeze, Soe-rendonk c. a., Veghel, Erp, Boekei

Eindhoven, Aalst, Dommelen, Geldrop, Gestel c. a., Oerle, Stratum, Stryp, Tongelre, Valkenswaard, Veldhoven c. a., Waalre, Woensel c. a., Zeelst, Zes gehuchten, Borkel en Schaft, Westerhoven, St. Oeden-rode. Son en Breugel, Oirschot, Best, Vessem c.a.,Oostelbeers c. a..

BEB

ARÏ EDE PUI

OLI VOC ZU1 RUI AA] ZEI

DO]


|P

ocr page 117

91

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

HOOFD-KIESDISTRICT.

GEMEENTEN

van het

HOOFDKIESDISTRICT.

Getal der te kiezen leden.

Eerste aftredende helft.

Tweede aftredende helft.

eindhoven

(Vervolg.)

. Bladel, Bergeyk, Reusel, Hooge-mierde c. a., Hoogeloon c. a., Eer-tel, Duisel c. a., Riethoven, Luyks-' gestel

7

4

3

breda

l Bieda, Ginneken c. a., Teteringen, / Princenhage, Etten en Leur, Rijs-bergen, Zundert c. a., Chaam, Al-' phen en Riel, Baarle-Nassau

7

3

4

zevenbergen

f Zevenbergen, Klundert, Willemstad, 1 Standdaarbuiten, Hooge en Lage ' Zwaluwe, Oudenbosch, Oosterhout, 's Gravenmoer, Raamsdonk, Geer-truidenberg, Made en Drimraelen, ' Terheyden, Dongen, Fijnaart c. a.

7

4

3

bergen op zoom

f Berden op Zoom, Putte, Ossendrecht, 1 Woensdreeht c. a., Huibergen, Ilal-' steren. Nieuw Vosmeer, Steenber-1 gen Rozendaal c. a., Rucphen c.a., ' Hoeven c. a., Dinteloord, Wouw, k Oud-Gastel c. a.

7

3

4

9

64

quot;33

33

Gelderland.

arnhem

[ Arnhem, Rozendaal, Rheden

4

0

0

ede

j Renkum, Doornewerth, Wageningen, [ Ede, Scherpenzeel, Barneveld

4

2

0

putten

; Hoevelaken, Nykerk, Putten, Er-- melo, Harderwijk

4

2

0

oldenbroek

» Elburg, Doornspyk, Oldebroek, Hat-! tem, Epe, lieerde

4

2

2

voorst

i Apeldoorn, Voorst, Brummen

4

2

0

zutphen

- Zutphen, Gorsel, Warnsveld, Laren, ! Verwolde, Lochem

4

2

0

ruurlo

; Neede, Borculo, Ruurlo, Vorden, 1 Eibergen, Groenlo, Lichtenvoorde

4

2

2

aalten

; Winterswijk, Aalten, Dinxperlo, 1 Wisch, Ambt, Doetichem

4

2

2

zevenaar

j Gendringen, Bergh, Didam, Zeve-1 naar, Herwen, Pannerden, Duiven, Westervoort, Angerlo, Wehl

5

3

2

doesburg

l Stad Doetichem, Doesburg, Hum-melo en Keppsl, Steenderen, Hengelo, Zelhem

3

1

0

ocr page 118

92

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

93

HOOFD-

GEMEENTEN

lü 'O ^3 a ^

(U 4) C

RIESDISTRICT.

VAN HET HOOFDRIESDISTRICT.

« « quot; ^ ^ fl

fc- -O —

(U 4J «

W is

eö

5 Gent, Bemmel, Valburg, Loenen en ' Wolferen, Eist, Huisen

IHeteren, Hemmen, Dodewaard, Resteren, Echteld, IJzendoorn, Lien-den, Maurick, Zoelen, Tiel, Wade-nojjenHeteren, Hemmen, Dodewaard, Resteren, Echteld, IJzendoorn, Lien-den, Maurick, Zoelen, Tiel, Wade-nojjen

/ Ophemert, Varik, Est en Opynen, \ Geldermalsen, Waardenburg, Deyl, Haaften, Herwijnen, Vuren, Buren, Beusiche-m, Culemborg, Beest, Buur-malsen

Brakel, Zuilichem, Poederoigen, Nederhemert, Ammerzoden,Hedel, Kerkwijk, Gameren, Zalt-Boemel, Hurwenen, Driel, Rossum

Heerewaarden, Dreumel, Appeltern, Wamel, Druten, Horssen, Batenburg, Bergharen, Ewyk, Wychen, Balgoy, Overasselt,Heumen, Groes-beek

Nymegen, Ubbergen, Millingen, Beu-ningen

Zuldholland.

Leyderdorp, Zoeterwoude, Roude-kerk. Voorschoten, Oe}£stgeest, Rgnsburg, Valkenburg, Warmond, Sassenbeim, Noordwyck, Noordwy-kerbout, Voorbout, Lisse, Hillegom, de Vennip, Ratwyk

Leyden

GELDERMALSEN

ZALT-BOEMEL

NIJMEGEN

LETDERDORP

ZOETERMEER

Zoetermeer, Veur, Wassenaar, Voorburg, Zegwaart, Stompwyk, Bent-buizen, Pynakker, Nootdorp Ber-kel,Hilliger8berg,.Scbiebroek. Berg-scbenboek. Tempel, Zevenbuizen, Bleiswijk, Nieuwerkerk op der. IJs-sel, Capelle op den IJssel, Moordrecht, Moercapelle

's GRAVENHAGE | 's Gravenhage

i

VLAARDINGEN

Vlaardingen, Vlaardinger-Ambacht, Maassluis, Maasland, Rozenburg, Naaldwijk, de Lier, 's Gravesande, Monster, Looaduinen, Wateringen, Ryswijk

3

2

1

4

2

2

4

2

3

3

1

3

4

3

3

4

2

2

62

31

31

4

3

2

5

3

2

4

2

2

10

5

5

4

2

2


ocr page 119

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

93

HOOFDKIESDISTRICT.

GEMEENTEN

VAN HET

HOOFDKIESDISTRICT.

agt; v (u lt;—

S'S's i g'S'S

ai- -In-


delft

Eelft, Hof van Delft, Vryenban, Abtsregt, Akkersdyk, Schipluideu, Hodenpijl, Groeneveld, St.-Maar-tensregt

3

1

0

schiedam

Schiedam, 0. en N. Mathenease, Nieuwland, Kethel, Zouteveen, Overschie 1)

3

2

I

rotterdam

Rotterdam, Kralingen

13

6

7

alphen

a Iphen, Boskoop, Bodegraven .Zwam-merdam, Hazerswoude, Hoogeveen, Oudshoorn, Ter Aar, Nieuwveen, Alkemade, Hoogmade, Broekhorst, Woubrugge, Rijnsaterwoude, Aar-landerveen. Nieuwkoop, Zevenhoven, Achttienhoven

4

2

2

gouda

Gouda, Haastrecht, Woerden, Rietveld, Waarder, Barwoutswaarder, Oudewater, Hekendorp, Papekop, Lange Ruige Weide, Stein, Oukoop, Broek, Noord-Waddinxveen, Zuid-Waddinxveen, Reeuwjjk, Sluipwijk, Middelburg, Schoonhoven, Vlist, Stolwyk, Ouderkerk op den IJssel, Berken woude. Zuidbroek. Gouderak, Berg-Ambacht, Aramerstol, Lekker-kerk. Krimpen op de Lek, Krimpen op den IJssel, Stormpolder

6

3

3

gorinchem 1

Gorinohem, Schel luinen,Arkel, Spijk, Hardinxveld, Leerdam, Scboonre-woerd, Leerbroek, Nieuwland, As-peren, Heukelom, Kedichem, Via-nen, Hagestein, Everdingen, Lex-mond, Hei- en Boeicop

4

2

3

sliedrecht

Meerkerk, Ameide, Tienhoven,Noordeloos, Hoog-Blokland, Hoornaar, Groot-Ammers, Nieuwpoort, Lange-rak, Goudriaan, Ottoland, Gies-sendam, Giessen-Nieuwkerk, Peur-sum, Neder-Slingeland, Streefkerk, Brandwijk, Molenaarsgraaf, Bles-kensgraaf, Hofwegen. Laag-Blok-land, Sliedrecht, Wyngaarden, Alblasserdain, Nieuw-Lekkerland, Oud-Alblas, Papendrecht

4

2

2

dordrecht ]

Dordrecht, Dubbeldam, Wieldrecht de Myl

4

2

2

1) Aldus gewijzigd door art. 7 der wet van 4 Dec. 1885, Stsbl. no. 203.

ocr page 120

94

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

HOOFD

GEMEENTEN

i c a tS

£

^ s • gj U -tZ

KIESDISTRICT.

VAN HET

HOOFDKIESDISTRICT

« 5 —

« 13 —

Hè

rQ K

ca

03

E

KIES

Oud Beijerland, Numansdorp, Zuid-Beyerland, Klaaswaal, Heinenoord, Goidschalxoord, Nieuw-Beyerland, Piershil, Goudswaard, 's Gravendeel, Puttershoek, Maasdam,Strijen, Streijensas, Mynsheerenland, West-

ZAAN!

OUD-BEIJE EILAND

ENKH

Ridderkerk; Rijsoort, Zwijndrecht, Meerdervoort, Hendrik-ldo-Am-bacht, Sandelingen-xVmbacht, Heer-Oudelands-Ambacht, Groote Lindt, Heerjansdara, Kleine Lindt, Kijfhoek, IJsselmonde, Oost- en West-Barendrecht,Charlois,Katendrecht, Poortugaal, Rhoon, Hoogvliet, Per-nia

Brielle, Oostvoorne, Zwartewaal, Vierpolders of het Nieuwland.Nieu-wenhoorn, Hellevoetsluis, Nieuw Hellevoet, Oude en Nieuwe Strui-ten, Rockanje, Naters, Zuidland, Biert, Simonshaven, Hekelingen, Oudenhoorn, Spykenisse, Geervliet, Heenvliet, Abbenbroek

Middelharnis, Sommelsdyk, Dirks-land. Melissant, Onwaard, Roxe-nisse. Goedereede, Stellendam, Ouddorp, Oude Tonge, Nieuwe Tonge, Herkingen, Ooitgensplaat,den Bommel, Stad aan 't Haringvliet

RIDDERKERK

HOOB

MIDDELHARNIS

NIEl AM!

17

40

Noordholland.

den Helder, Terschelling, Texel, Vlieland

Schagen, St.-Maarten, de Zype Wie-ringerwaard, Callantsoog, Petten, Wieringen, Barsingerhorn, Oud-Carspel, Zuid-Scharwoude, N:)Ord-Schnrwoude, Sint-Pancras, I»roek op Langendijk, Haringcarspel, Warmen huizen .Koedyk^ergeiijSchoorl, Heer-Hugowaard,Veenhnizen,Nieu-we-Niedorp, Oude-Niedorp, Wiakel

Alkmaar, Oudorp, Egmond-binnen, Egmond aanZee,Wimmenum,Heilo, Limmen, Castricum, Heemskerk, Uitgeest, Akersloot

DEN HELDER

ALKMAAR

MI]

(Zie

ocr page 121

95

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

HOOFDKIESDISTRICT.

GEMEENTEN

VAN HET

HOOFDKIESDISTRICT.

Getal ïr te kie-en leden.

Eerste ftredende helft.

Tweede ftredende helft.

0]

*

ZAANDAM

ENKHUIZEN

PURMEREND

NIEUWER-AMSTEL

AMSTERDAM

WEESP

HAARLEM

12

MIDDELBURG

(Zie vgl. blz.)

Zaandam, Zaandyk, Koog aan de Zaan, Wormerveer, Oostzaan.Crom-menie, Westzaan, Assendelft

Enkhuizen, Urk, Medemblik. Opperdoes, Twisk, Spanbroek, Opmeer, Hoogwoud, Hensbroek, Opdam, Zijbecarspei, Abbekerk, Midwoud, Wervershoof, Andyk, Grootebroek, Bovencarspel, Hoogcarspel, Westwoud, Venhuizen

Hoorn, Berkhout, Beets, Oudendijk, Schardam, Avenhorn, Grosthuizen, Scharwoude, TJrsum, Oterleek,Wog-nura, Nibbixwoud, Zwaag, Blokker, Schellinkhout, Wgdenes

Purmerend, Kwadijk, llpendam. Landsmeer, Beemster, Oostbuizen, Warder, Scherraerhorn, de Rijp, Graft, Zuid- en Noord-Schermer, Wormer, Wijde Wormer, Jisp

Edam, Middelie, Monikkendam, Katwoude, Marken, Broek in Waterland, Nieuwendam, Buiksloot, Scheilingwoud, Ransdorp

Nieuwer-Amstel, Rietwij keroord, Ouder-Amstel, Uithoorn, Aalsmeer, Leymuiden, Kalslagen, Sloten

Amsterdam

Weesp, Weespercarspel, Diemen, Watergraafsmeer, Muiden. Naar-den, Huizen, Nederhorst den Berg, 's Graveland, Kortenhoef, Ankeveen, Laren, Bussum, Blaricum, Hilversum

Haarlem, Beverwyk, Wijk aan Zee en Duin,Velsen, Spaarnwoude.Spaarn-dam, Houtrgk en Polanen, Haar-lemmerliede, Zuidschalkwijk, Bloe-mendaal, Schoten,Zandvoort,Heem-stede, Bennebroek, Berkenrode

Zeeland.

Middelburg, Aagtekerke, Amemui-den, Biggekerke en Krcmmenhoeke, Domburg, Gapinge, Grijpskerke,

4

3

4

O

3

O

3

1

3

1

2

1

31

17

4.

2

6

3

72

36


ocr page 122

96

quot;WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

HOOFDKIESDISTRICT.

GEMEENTEN

VAN HET

HOOFDKIESDISTRICT.

Getal der te kiezen leden.

Eerste aftredende helft.

Tweede aftredende helft.

MIDDELBURG

(Vervolg.)

' Kleverskerke, Koudekerke, Melis-i en Mariekerke, Nieuwland en St. 1 Joosland, Oostkapelle, Oost- en West Souburg, Ritthem, Seroosker-ke, St. Laurens en Drigdarnme, Veere, Vlissingen, Vrouwenpolder, k Westkapelle, Zoutelande

II

6

5

ZIERIKZEE

' Zierikzee, Rommenede, Brouwersha-i ven, Bruinisse, Burgh en Wester-schouwen, Dreischor, Duivendijke, Elkerzee.Ellemeet .Haam stede,Kerk-1 werve, Nieuwerkerk, Noordgouwe, ' Noordwelle, Oosterland.Ouwerkerk, v Renesse, Serooskerke, Sonnemaire

6

3

3

THOLEN

. Tholen, Oud-Vossemeer, Poortvliet, ' Scherpenisse, St. Annaland, St. | Maartensdijk, St. Philipsland, Sta-venisse

3

1

2

GOES

Goes, Baarland, Borssele, Colyns-plaat, Driewege,Elle\voutsdijk, Fort Bath en Bath, 's Gravenpolder, 's l Heer-Abtskerke, 's Heer-x\rendsker-| ke,'s Heerenhoek,'slIeer-IJendriks-

I kinderen, Heinkenszand, Hoede-kenskerke, Kapelle, Kats, Katten-\ dyke, Kloetinge, Kortgeen, Krab-i bendijke, Kruiningen, Nisse, Gude-| lande, Ovezande, Rilland en Maire, f Schore en Vlake, Waarde en Val-kenisse, Wemeldinge, Wissekerke, W'olphaartsdijk, Yerseke

8

4

4

SLUIS

r Sluis, Aardenburg, Biervliet, Bres-i kens, Cadzand, Eede, Groede, Ilei-1 le, Hoofdplaat, Nieuwvliet, Oost-/ burg, Retranchement, Schoondyke, | St. Anna ter Muide, St. Kruis, Waterlandskerkje, Uzendyke, Zuid-\ zande

6

3

3

HULST

f Hulst, Axel, Boschcapelle, Clinge, i Graauw en Langendam, Hengstdyk, j Hoek, Hontenisse, Koewacht, Neu-lt; zen, Ossenisse, Overslag, Philip-j pine, Sas van Gent, Stoppeldijk, f St. Jan Steen, Westdorpe, Zaam-\ slag, Zuiddorpe

8

4

4

6

42

21

21

Utrecht.

UTRECHT

| Utrecht

13

7

6

ocr page 123

T

97

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

HOOFD

GEMEENTEN

i d | ^

is

lt;u

quot;O S «

VAN HET

sj r3 —i

KIESDISTRICT.

HOOFDKIESDISTRICT.

Ü w 3 Hi-

quot;Ö N j 03

93

Amersfoort, Hoogland, Duist, Bunschoten, Eemnes, Baarn, de Vuur-sche, Soest, Leusden, Stoutenburg, Renswoude

Amerongen, Woudenberg, Veenen-daal, Rhenen, Leersum, Maarn, Darthuizen, Langbroek, Wijk bij Duurstede, Cothen, Werkhoven Sterkenburg, Odyk, Rijzenburg, Driebergen, Doorn, Zeist, Bunnik, Rijn au wen

IJsselstein, Vreeswijk, Jutphaas, Schonauwen, Oud-Wulven, Houten, Schalkwyk, Tuil en 't Waal, Lo-pik, Jaarsveld, Cabauw, Zevender, Willige Langerak, Noord-Polsbroek, Zuid-Polsbroek, Honkoop, Benschop, Willeskop, Montfort, Snel-rewaard, Linschoten, Wulverhorst, Achthoven, Oudenryn. Veldhuizen, Harmeien, Vleuten, Haarzuilens, Gerverskop, 's Gravesloot, Zegveld, Kamerik Mijzyde, Kamerik Hout-dijken, Teckop, Kockengen, Laag Nieuwkoop

Wilnis, Oudhuizen, Vinkeveen en Waverveen, Mijdrecht, Abcoude Proosdij, Abcoude Baambrugge, Nigtevegt, Vreeland, Loenen, Loe-nersloot, Loosdrecht, Ruwiel, Portengen, Breukelen St. Pieter, Breu-kelen Nyenrode, Maarssenbroek, Maarssen, Maarsseveen, Tienhoven, Westbroek. Maartensdijk, de Bildt, Achttienhoven, Zuylen

AMERSFOORT

AMERONGEN

IJSSELSTEIN

BREUKELEN

Leeuwarden, Leeuwarderadeel,Idaar-deradeel, Menaldumadeel, Tietjerk-steradeel

Dokkum, Ferwerderadeel, Westdon-geradeel, Oostdongeradeel, Dantu-madeel, Kollumerland en Kieuw-Kruisland, Achtkarspelen, Ameland, Schiermonnikoog

Smallingerland, Opsterland, Oost-stel lingwerf, Weststelli ngwerf.Scho-terland, Aengwirden, Utingeradeei

LEEUWARDEN

10

DOZKUM

10

HEERENVEEN

10

ocr page 124

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

SNEEZ

FBANEKER

ZWOLLE DEVENTER

STEENWIJK

ZWARTSLUIS DALFSEN RAALTE MARKELO

ENSCHEDE

OLDENZAAL STAD ALMELO

STAD OMMEN

12

Sneek, Ylst, Sloten, Workum, Hin-deloopen, Stavoren, Wymbritsera-deel, Hemelumer Oldephaert en Noordwolde, Gaasterland, Lem-sterland, Doniawerstal, Haskerland, Rauwerderbem, Hennaarderadeel

Franeker, Harlingen, Bolsward, Wonseradeel, Franekeradeel, Bar-radeel, 't Bildt, Baarderadeel

Overijssel.

| Zwolle | Deventer, Diepenveen

\

Kampen, Schokland, Kamperveen, Wilsum, TJsselmuiden, Grafhorst

Steenwijk, Steenwykerwold, Olde-markt, Giethoorn, Kuinre, Blankenham, Blokzijl, Stad Yollenhove, Ambt Yollenhove

Zwartsluis, Hasselt, Genemuiden, Wanneperveen

Dalfsen, Zwollerkerspel, Staphorst, Zalk

Kaalte, Hellendoorn, Heino, Wijhe, Olst

Markelo, Goor, Rijssen, Hol:en, Bathmen

Enschedé, Lonneker, Haaksbergen, Diepenheim, Stad Delden, Ambt Delden, Hengelo.

Oldenzaal, Losser, Ootmarsum, Denekamp, Weerselo, Borne

Stad Almelo, Ambt Almelo, den Ham, Wierden, Yriesenveen, Tub-bergen

Stad Ommen, Ambt Ommen, Nieuw-leusen, Avereest, Stad Hardenberg, Ambt Hardenberg, Gramsbergen.

HOOFD

GEMEENTEN

.2 a

__ OJ

agt;

•a ®

VAN HET

4) —

lt;u ts ~

KIESDISTRICT.

HOOFDKIESDISTRICT.

0 ^ S

EH

C6

03

KIE

GROl HOOC

ZUIE

OND

app:

win ouii

ASS HO)

MA

10

5

10

5

50

25

4

3

4

2

3

2

4

0

O

1

8

1

4

2

3

2

6

3

5

2

5

3

4

2

47

24


ocr page 125

99

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

HOOFD-

GEMEENTEN

u s

__'C «

as ^

O TS

ai — •

a

'S =

KIESDISTRICT.

VAN HET

HOOFDKIESDISTRICT.

Stï

gil

O «

a

Groningen.

GRONINGEN

[ Groningen

8

4

4

HOOGEZAND

f Hoogezand, Sappemeer, Haren, f Noorddyk

3

3

1

ZUIDHORN

• Zuidhorn, Grijpskerk, Oldenhove, ' Ezinge, Aduard, de Leek, Marum, Grootegast, Oidekerk

5

2

3

ONDERDENDAM

- Bedum, Winsum, Leens, Ulrum, i Kloosterburen, Eenrum, Bafio, Warffura, Adorp, Middelstum, Kan-tens, üsquert, Uithuizen, Hoog-[ kerk

7

4

3

APPINGADAM

Appingadam, Delfzijl, Bierum, 't t Zandt, Loppersum, Ten Boer, Sloch-teren, Stedum, CJithuizermeden, Termunten

8

4

4

WINSCHOTEN

Winschoten, Midwolde, Nieuwwolde, Finsterwolde^eerta.Nieuweschans, Zuidbroek, Noordbroek, Scheemda, Muntendam, Meeden, Bellingwolde

7

3

4

OUDE PEKEL-A

Wedde, Onstwedde, Vlagtwedde, Oude Pekel-A, Nieuwe Peksl-A, Veendam, Wildervank

7

4

3

45

23

22

7

Drenthe.

assen

Assen. Anlo, Smilde, Norg, Roden, Peized,Eelde,Zuidlaren, Vries, Gieten, Gasselte, Odoorn, Borger. Bei-len. Rolde, Westerbork, Diever, Dwingelo, Vlsdder

18

9

9

hoogeveen

Hoogeveen, Coevorden, Dalen, Em-1 men, Havelte, Meppel, Nijeveen, Oosterhesselen, Ruinen, Ruiner-1 wold, Sleen, de Wijk, Zuidwolde, Zweelo

17

9

8

3

35

18

17

Limburg.

maastricht

Maastricht

6

3

3

ocr page 126

100

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

HOOFD

GEMEENTEN 1 -J g

O

ü G ^

'S g

VAN HET 1 quot;S « —

^ —H

KIESDISTRICT.

HOOFDKIESDISTRICT. 1° S S

| -5

a

ce

Amby, Beek, Bemelen, Berg en Ter-blijt, Borgharen, Bunde, Cadier en Keer, Elsloo.Eysden,Geulle, Grons-veld.Heer Houthem, Itteren,Meers-sen, Mesch, Oud Vroenhoven, Ryck-holt, St. Geertruid, St. Pieter, Spau-beek, Stein, ülestraten

Bocholtz, Gulpen, Margratek, Mheer, Noorbeek, Oud-Valkenburg, Schiu op Geulle, Simpelveld, Slenaken, Strucht, Vaals, Valkenburg, Wit-tem, Wylre

Eijgelshoven, Heerlen, Hoensbroek, Hulsberg, Kerkrade,Klimmen,Nieu-wenhagen, Rimburg, Schaesberg, Schimmert, Ubach over Worms, Voerendaal, Wynandsrade

Amstenrade, Bingelrade, Brunssum, Jabeek, Merkelbeek, Nuth, Oirs-beek, Schinnen, Schinveld, Bom, Broeksittard, Geleen, Grevenbicht, Limbricht, Munstergeleen, Nieuw-stad, Obbicht, Sittard, Urmond

Roermond, Echt, Herten, Hom, Linne, Maasbracht, Melick en Herkenbosch, Maasniel, Montfort, St. Odilienberg, Ohé en Laak, Poster-holt, Roosteren, Stevensweert, Sus-teren, Swalmen, Vlodrop

Baexum, Beegden, Buggenum, Grat-hem, Halen, Heel, Heijthuizen, Hunsel, Ittervoort, Meijel, Neder-weert. Neer, Neeritter Nunhem, Roggel, Stamproy, Thorn, Weert, Wessem

Arcen en Velden, Beesel, Belfeld, Broekhuizen, Grubbenvorst, Helden, Kessel, Maasbree, Tegelcn, Venlo

Horst, Meerloo, Sevenum, Venray, Wanssum, Bergen, Gennep, Mooi:, Ottersum

5

3

4

3

4

2

5

2

6

3

6

3

5

3

4

2

45

23

MEERSSEN

HEERLEN

ROERMOND

22

ocr page 127

WET

REGELENDE DE ZAMENSTELLING, INRIGTING EN BEVOEGDHEID DER GEMEENTEBESTUREN.

(Vastgesteld den SOsten Juny 1851, Stsbl. no. 85, uitgegeven den oden July d.a.y. Gewijzigd bij de wet van 7 July 1865, Stsbl. no. 79; van 28 Juny 1881, Stsbl. no. 102; 26 July 1885, Stsbl. no. 169; 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 6 Nov. 1887, Stsbl. no. 193, Add. art. X,

Grondw. 1887.)

EERSTE APDEELING.

Van de zamenstelling en inrigting der gemeentebesturen.

TITEL I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. I. Het bestuur van elke gemeente bestaat uit een Raad, een Burgemeester en Wethouders. (G. 142, 143; Gem. 59, 79.)

2. In elke gemeente is een Secretaris en een Ontvanger. (Gem. 95, 106.)

De Burgemeester kan, met Onze goedkeuring, tot Secretaris worden benoemd.

3. Dezelfde persoon kan zijn Burgemeester, of Secretaris, of Ontvanger van meer dan eéne gemeente, mits de bevolking van geene dier gemeenten 5000 zielen te boven ga, de gemeenten aan elkander grenzen en haar gezamenlijk zielental 10,000 niet overtreffe.

De bevolking eener gemeente wordt geacht te bestaan uit het door de laatste openbare volkstelling daarin aangewezen getal inwoners.

TITEL II.

VAN DEN RAAD.

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE LEDEN VAN DEN KAAD.

§ 1. Van hun getal.

Art. 4. De Raad, onverschillig of de Burgemeester er al, dan niet lid van zij, bestaat uit:

STAATSWETTEN. 7

ocr page 128

GEMEENTEWET.

7 leden in gemeenten beneden de

11

11

11

ii van

3,000

tot 6,000

13

n

11

ii ii

6,001 10,001

„ 10,000

15

ii

11

ii

„ 15,000

17

ii

n

ii ii

15,001

„ 20,000

19

V

ii

ii ii

20,001

„ 25,000

21

ii

ii

ii n

25,001

„ 30,000

23

ii

n

ii ii

30,001

„ 35,000

25

ii

ii

ii ii

35,001

„ 40,000

27

ii

ii

ii ii

40.001

„ 45,000

29

ii

ii

ii n

45,001

„ 50,000

31

ii

ii

i' «

50,001

„ 60,000

33

ii

ii

JJ ii

60,001

„ 70,000

35

71

ii

ii ii

70,001

„ 80,000

37

11

ii

ii ii

80,001 boven

„ 100,000

39

11

ii

ii ii

de 100,000

Fan de benoeming der Raad.

102

3,000 zielen.

leden van den

Art. 5. De leden van den Raad worden gekozen door hen, die op de in art. 6 der wet, regelende het kiesregt, bedoelde lijst van kiezers voor den Gemeenteraad zijn gebragt. (Gr. 143.) ')

6. De gemeenten kunnen in afdeelingen, ter inlevering der stembriefjes. worden verdeeld.

In gemeenten van 25,000 zielen en daarboven moet dit geschieden.

Eene plaatselijke verordening, aan G-edeputeerde Staten mede te deelen, stelt die verdeeling vast.

7. De gewone tijd, ter verkiezing der leden van den Raad, is de derde Dingsdag der maand Julij.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met den volgenden eersten Dingsdag van September, volgens den by art. 27 bedoelden rooster, moeten aftreden. (K. 88, 100; P. 5.)

8. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen zes maanden na dat openvallen, op den door Burgemeester en Wethouders te bepalen dag. (K. 96, 97, 101; P. 6.)

9. De verkiezing geschiedt, waar de gemeente in afdeelingen is verdeeld, in alle afdeelingen op denzelfden dag. (K. 102; P. 7.)

10. Bij de eerste stemming wordt niemand benoemd, dan met volstrekte meerderheid van stemmen.

Bij herstemming, noodzakelijk wanneer die meerderheid bij de

1) Het 2de lid van dit artikel is vervallen bg Add. art. X, Grondw. 1887.

ocr page 129

GEMEENTEWET. 103

eerste stemming niet is verkregen, wordt men benoemd met de meeste stemmen.

Indien de stemmen staken, is de oudste in jaren de benoemde.

In geval van gelijken ouderdom beslist het lot. (K. 05,66,103; P. 8.)

11. Wanneer bij eene eerste stemming geene volstrekte meerder-teid is verkregen, wordt onmiddellijk door het bureau van stemopneming, waarbij de openirg der stembriefjes is geschied, eene lijst opgemaakt, bevattende twee maal zoo veel namen, als er personen te benoemen zijn.

Op de lijst worden gebracht zij, die bij de eerste stemming de meeste stemmen hebben erlangd.

In geval bij de eerste stemming de stemmen tusschen meer dan het in de eerste zinsnede bedoeld getal personen waren verdeeld, worden op de lijst allen gebracht, die aldus de meeste stemmen hebben verkregen.

Deze lijst wordt, met den brief van oproeping, aan de kiezers rondgezonden.

De stemming over de op de lijst vermelde personen geschiedt binnen veertien dagen na de dagteekening van bet in art. 07 der wet, regelende hetkiesregt, bedoeld proces-verbaal. (K. 104,110; P. 9.)

12. Het bureau van stemopneming, waarbij de opening der stembriefjes is geschied, zendt ten spoedigste aan den benoemde een door den voorzitter en een der stemopnemers geteekend afschrift van het in art. 67 der wet, regelende het kiesregt, bedoeld proces-verbaal.

Het zendt hem, is bij bij herstemming gekozen, afschrift zoo van liet verbaal der eerste stemming, als van dat der herstemming.

Dit afschrift strekt den benoemde tot geloofsbrief. (K. 'JO 105 ■ P. 10.) v . gt;

13. De benoemde geeft, bij het bekomen van het afschrift, een bewijs van ontvang daarvoor af, en, binnen acht dagen na de dagteekening van dat bewijs, kennis aan Burgemeester en Wethouders, of hij de benoeming aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbygaan, geacht de benoeming niet aan te nemen. (K. 91, 100; P. 11.)

14. Wanneer eene benoemde zijne benoeming niet aanneemt, of de in het vorig artikel bepaalde tijd verstreken is, geschiedt binnen veertien dagen eene nieuwe keuze. (K. 93, 108; P. 13.)

15. De dag voor de ter verkiezing van een lid van den raad noodige herstemming of nieuwe stemming wordt bepaald door Burgemeester en Wethouders. (P. 14.)

16. Burgemeester en Wethouders zorgen, dat Gedeputeerde Staten van de in art. 12 bedoelde processen-verbaal, binnen acht dagen na de dagteekening daarvan, afschrift bekomen, en geven hnn kennis van het al of niet aannemen der benoeming door een gekozene en van den dag, waarop, naar aanleiding der artt. 8 en 14, eene verkiezing zal plaats hebben.

7*

ocr page 130

GEMEENTEWET.

17. De tot lid van den Raad benoemde legt, nevens zijn geloofsbrief aan den Kaad over;

een uittreksel nit de geboorteregisters, bij gemis daarvan, eene acte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken; (B.W. 31,127.)

eene verklaring van den Burgemeester, getuigende, dat bij, gedurende het laatste aan zijne verkiezing voorafgaande jaar, zijne woonplaats binnen de gemeente gehad beeft;

eene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen, die hij bekleedt. (K. 94, 111; P. 15.)

18. De leden van den Raad kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan den Raad.

Zij, die hun ontslag hebben ingezonden, blijven leden van den Raad, totdat de geloofsbrieven hunner opvolgers zijn goedgekeurd. (K. 95, 112; P. 16.)

§ 3. Van de vereischten voor het lidmaatschap van den Raad en van de hiermede onvereenigbare betrekkingen.

Art. 19. Leden van den Raad kunnen alleen zijn de meerderjarige ingezetenen der gemeente, die Nederlanders en in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten zijn.

Voor meerderjarigen worden gehouden zij, die den ouderdom van drie en twintig jaren hebben vervuld;

voor ingezetenen zij, die, gedurende het laatste jaar, hunne woonplaats binnen de gemeente badden;

voor Nederlanders zij, die het zijn volgens de wet, verklarende wie Nederlanders zijn. (Gr. 143, 80; Gem. 5; K. 1, 2, 71, 98; P. 17.)

20. Die, ter waarneming der hun door Ons of van Onzentwege opgedragen commissiën, verpligt zijn, tijdelijk buiten de gemeente te verblijven, houden daardoor niet op, ingezetenen te zijn, zoolang hun hoofdverblijf binnen de gemeente gevestigd blijft. (K. 8; P. 18; B.W. 74 volg.)

21. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad mag niet bestaan tusschen den burgemeester en de leden van den Raad, noch tusschen de leden onderling.

Die, na zijne benoeming, in den verboden graad van zwagerschap geraakt, behoeft, vóór den afloop van zijn tijd van zitting, niet af te treden.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (P. 20; B.W. 345—352.)

22. Wanneer personen, elkander in den verboden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaande, te gelijkertijd zijn gekozen, wordt de oudste in jaren voor benoemde gehouden.

In geval van gelijken ouderdom beslist het lot. (P. 20.)

104

ocr page 131

GEMEENTEWET. 105

23. Het lidmaatschap van den Raad is onvereenigbaar met de )ofs- betrekking van:

a. hoofd van een departement van algemeen bestuur;

eene b. commissaris des konings in de provincie;

ten • c. lid der Gedeputeerde Staten;

d. griffier der Staten;

31^. e. commissaris van politie;

oon- 'i f- ambtenaar, van wege het gemeentebestuur aangesteld, of daaraan ondergeschikt, behoudens de bevoegdheid van den Burgemeester, a|]e die Secretaris der gemeente is, om tevens lid van den Raad te zijn;

ff. ambtenaar, met het ontvangen of uitgeven der gelden van de slag gemeente belast, of aan eenige aan het gemeentebestuur onderge

schikte administratie rekenpligtig;

dgjj /i. geestelyke of bedienaar der godsdienst;

i. onderwijzer voor het lager of middelbaar onderwijs; k. krijgsman in werkelijken dienst.

De bepaling der zinsnede f is niet van toepassing op de leden !(/ van armbesturen, noch op de leden van het bestuur van godshuizen,

en andere instellingen van liefdadigheid; noch eindelijk op genees-, heel- of verloskundigen, die met de armen-praktijk belast zijn. (P. 21.) jrja- 24. De leden van den JLlaad mogen:

roljg in regtsgedingen, waarin de gemeente betrokken is, niet als ad

vocaat of procureur werkzaam zijn; (P. 22.)

van bij het opnemen en goedkeuren der rekening eener aan het ge-

' meentebestuur ondergeschikte inrigting, tot welker bestuur zij be-oon- hooren, niet tegenwoordig zijn; (P. 54.)

noch middellijk, noch onmiddellijk deelnemen aan onderhandsche jnde pacht van gemeentegoederen of inkomsten, aan leveringen of aanne-. p_ mingen ten behoeve der gemeente, aan liet koopen van betwiste

vorderingen ten haren laste. (P. 57.)

irege 25. Een lid van den Raad, een der in art. 19 vermelde vereisch-

;ente ten verliezende, of eene der in art. 23 uitgeslotene betrekkingen |arl(r aannemende, houdt op lid te zijn. Hy geeft hiervan kennis aan den 18° Raad, met vermelding der reden.

De nieuwe keuze geschiedt binnen zes maanden nadat Burgemees-yee. ter en Wethouders van het feit kennis hebben bekomen. !(len Indien de in de eerste zinsnede bedoelde kennisgeving niet is

gedaan, en Burgemeester en Wethouders evenwel meenen eene nieuwe ihap keuze te moeten bevelen, gaan zij hiertoe niet over, dau acht dagen ;t af na den belanghebbende te hebben gewaarschuwd.

t Het staat dezen vrij, de zaak binnen dien tijd aan den Raad te onderdie werpen. Op's Raads beslissing zijn dan de artt. 33—37 van toepassing.

De nieuwe keuze geschiedt in dit geval binnen zes maanden na oed- de dagteekening der einduitspraak. (K. 96, 97, 112; P. 23.) Zen 26. Die met art. 24 in strijd handelt, wordt in zijne betrekking

geschorst door den Raad.

1 .

)

ocr page 132

GEMEENTEWET.

1 i

106

Deze onderwerpt het geval onmiddellijk aan Gedeputeerde Staten, die den geschorste oproepen om zijne verdediging te hooren, oc en hem, zoo zij hem schuldig bevinden, van zijn lidmaatschap ver- 01 vallen verklaren.

Gedeputeerde Staten kunnen ambtshalve het raadslid, dat met R

art. 24 in strijd handelt, na het in zijn belang te hebben gehoord, vi

van zijn lidmaatschap vervallen verklaren. (P. 58.) te

De belanghebbende kan, gedurende veertien dagen, te rekenen • sc van den dag, waarop hem de uitspraak van Gedeputeerde Staten

is medegedeeld, hiervan bij Ons in beroep komen. Daarbij geldt de bi

bepaling van art. 37. k

De van zijn lidmaatschap vervallen verklaarde is. gedurende twee sl jaren, te rekenen van den dag der einduitspraak, niet tot lid van

den Raad verkiesbaar. sl

§ 4. fan den tijd van zitting der leden van den Raad. n

Art. 27. De leden van den Raad hebben zitting gedurende zes n

jaren. (G. 143.) g

Een derde van hen treedt om de twee jaren af, met den eersten

Dingsdag van September, volgens een daarvan te maken rooster. G

De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar. (Gem. 59, 80; tf

P. 34.) b

28. Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten mede

te deelen, stelt den rooster van aftreding vast. ' g

29. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid van den Raad, naar G den rooster, aftreedt. (K. 116; P. 25.)

30. Die ter vervulling eener, buiten den bij den rooster bepaal- a den tijd, opengevallene plaats, tot lid van den Raad verkozen is, s treedt af op het tijdstip, waarop degeen, in wiens plaats hij is ver- d

kozen, moest aftreden. (K. 117; P. 26.)

1

TWEEDE HOOEDSTUK. i:

e

VAN DE VERGADERING VAN DEN RAAD.

\

§ 1. fan het onderzoek der geloofsbrieven en het zitting ,]

nemen der nieuw inkomende leden. e

Art. 31. De Raad onderzoekt de geloofsbrieven der nieuw inkomende leden, beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen, en geeft vat elke door hem genomene beslissing terstond keunis aan Gedeputeerde Staten en aan den benoemde. (

De niet-toegelatene wordt met de redenen van 's Raads beslissing 1

bekend gemaakt. (P. 70.)

ocr page 133

GEMEENTEWET.

32. De nieuw inkomenden nemen aan het onderzoek en de beoordeeling hunner eigene geloofsbrieven geen deel en wonen de daarover te houden beraadslagingen niet bij. (P. 70.)

33. Gedurende acht dagen, te rekenen van den dag, waarop de Raad heeft beslist, staat het vrij aan den niet-toegelatene, aan elk lid van den Raad, en zoo de Burgemeester geen lid is, ook aan dezen, tegen de beslissing van den Raad bezwaren bij Gedeputeerde Staten schriftelijk in te dienen. (Gem. 25.)

34. Gedeputeerde Staten doen binnen veertien dagen na den in het vorig artikel bepaalden tijd uitspraak, die met redenen omkleed, terstond wordt medegedeeld aan den Raad, tegen wiens beslissing bezwaren zijn ingebragt, en aan den niet-toegelatene.

35. Gedeputeerde Staten kunnen ook ambtshalve omtrent de beslissing van den Raad uitspraak doen.

Zij geven van het voornemen hiertoe aan den Raad berigt binnen acht dagen, nadat hun de beslissing is medegedeeld.

Zij brengen binnen veertien dagen, na dat berigt, hunne uitspraak, met redenen omkleed, ter kennis van den Raad en van den niet-toe-gelatene.

36. De Raad, of de niet-toegelatene, die in de uitspraak van Gedeputeerde Staten niet berust, kan, gedurende veertien dagen, te rekenen van de dagteekeLing dier uitspraak, hiervan bij Ons in beroep komen.

37. Onze beslissing, zoo spoedig mogelijk, nadat het beroep is gedaan, bij een met redenen omkleed besluit te nemen, wordt aan Gedeputeerde Staten gezonden, die voor de uitvoering zorgen. (P. 168.)

38. De nieuw inkomende leden aanvaarden hunne betrekking niet, alvorens de in art. 33 en art. 35, tweede zinsnede, bepaalde tyd verstreken, of, is de zaak bij Gedeputeerde Staten of bij Ons aanhangig, door Gedeputeerde Staten of door Ons hunne toelating bevolen zij.

Ter vervulling der plaatsen van hen, die niet als leden van den Raad zijn toegelaten, wordt, zoo in de beslissing van den Raad niet is berust, geene nieuwe verkiezing bevolen, alvorens de zaak bij einduitspraak zij afgedaan. (P. 6, 47, 55.)

39. Bij het aanvaarden hunner betrekking wordt door de leden van den Raad, in de vergadering, in handen van den voorzitter, door ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, de volgende eed of belofte afgelegd:

„Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten

„des Rijks, en dat ik de belangen der gemeente .... met al

„mijn vermogen zal voorstaan en bevorderen.

„Zoo waarlijk helpe mg God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;)

Zij worden hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 (87) der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd. (Gem. 65, 100, 108; P. 71.)

107

ocr page 134

GEMEENTEWET.

§ 2. Van het houden en de orde der vergadering.

Art. 40. De Raad vergadert jaarlijks ten minste zes malen, en voorts zoo dikwijls de Burgemeester of Burgemeester en Wethouders het noodig oordeelen, of het in gemeenten beneden de 20,000 zielen door drie, in de overige gemeenten door een vijfde der leden schrif-teli|k, met opgave van redenen, wordt gevraagd. (P. 64.)

41. De vergadering wordt belegd door den Burgemeester, die zorgt, dat elk lid schriftelijk daartoe opgeroepen, en het beleggen te gel^k ter openbare kennis gebragt worde. (P. 65 volg.)

42. De oproepingsbriefjes worden, spoedeischende gevallen uitgezonderd, ten minste tweemaal vier en twintig uren voor het houden der vergadering, aan de leden van den Raad bezorgd. Zij vermelden, zooveel mogelijk, de zaken waarvoor de vergadering is belegd.

De Raad kan steeds, behoudens de slotbepaling van art. 49, over andere zaken beraadslagen en besluiten.

43. De vergadering wordt in het opeabaar gehouden.

De deuren worden gesloten, wanneer het, in gemeenten beneden de 20,000 zielen door drie, in de overige gemeenten door een vijfde der aanwezige leden wordt gevorderd, of de voorzitter het noodig keurt.

De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten, in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen.

De Raad kan omtrent het in besloten vergadering behandelde aan allen, die daarbij tegenwoordig waren, de geheimhouding opleggen. Deze wordt in acht genomen totdat de Raad haar opheft. (G. 130, 101; P. 69.)

44. In eene beslotene vergadering kan niet beraadslaagd, noch een besluit genomen worden over:

a. de toelating van nieuw benoemde leden; (Gem. 31.)

b. de plaatselijke begrooting en rekening; (Gem. 203 volg., 208 volg.)

c. het doen van uitgaven, op die begrooting niet voorkomende, of de daarop nitgetrokkene posten te boven gaande; (Gem. 213.)

d. het aanwijzen der middelen tot dekking van zoodanige uitgaven; (Gem. 21H.)

e. het invoeren, wijzigen of afschaffen van plaatselijke belastingen; (Gem. 232 volg.)

f. het aangaan van geldleeningen; (Gem. 136; P. 131.)

g. het geheel of gedeeltelijk vervreemden en het bezwaren van de eigendommen der gemeente; (Gem. 137; P. 132.)

h. het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van gemeente eigendommen; (Gem. 138, 194.)

i. het onderhands aanbesteden van werken of leveranti ën; (Gem .142.)

108

ocr page 135

GEMEENTEWET.

k. het aanleggen en opheffen van inrigtingen van openbaar nut. en (Gem. 141.)

ers Het voorschrift van dit artikel belet niet, dat ten allen tijde,

en wanneer de handhaving der orde zulks mogt vorderen, de voorzitter

if- van de hij art. 66, tweede zinsnede bedoelde bevoegdheid kunne ge

bruik maken. (P. 29.)

lie ' 45. De leden stemmen elk volgens eed en geweten, zonder last

en van of ruggespraak met hen, die benoemen. (G. 131; P. 72.)

46. Zij onthouden zich van medestemmen over de zaken die hen, it- hunne echtgenooten, of hunne bloed- of aanverwanten, tot den der-

u- den graad ingesloten, persoonlek aangaan, of waarin zij als ge-

sr- lastigden zijn betrokken. (Gem. 91; P. 73.)

is 47. Zij zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de stem of mee

ning door hen in de vergadering geuit. (G. 97; P. 74.) er 48. De Kaad mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet de

grootste helft van het bij art. 4 bepaald getal leden tegenwoordig is. (G. 105; P. 75.)

5n 49. Wanneer het in het vorig artikel vereischt getal leden niet is

de opgekomen, wordt eene nieuwe vergadering belegd, op de in art.

ig 42 voorgeschreven wijze. Evenwel beiioeven er slechts vier en twin

tig uren tusschen de rondwending der oproepingsbriefjes en het uur

e- der vergadering te verloopen.

Wanneer ook dan het vereischt getal niet is opgekomen, gein schiedt het beleggen der vergadering andermaal op dezelfde wijze, met aanhaling in de oproepingsbriefjes der bepalingen van dit artikel. Ie In deze laatste vergadering beraadslagen en besluiten de tegen-p- woordige leden over de in de oproepingsbriefjes vermelde onder-'t. werpen.

50. Alle besluiten worden door volstrekte meerderheid der stem-ih mende leden opgemaakt.

Bij staking van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld.

.) In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij

)f staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

(G. 100; P. 76.)

i- 51. Ingeval omtrent het benoemen, of voordragen van personen

de stemmen staken, beslist het lot. (Gem. 92; P. 83.) i; 52. Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping

gestemd, doch bij het doen van keuzen of voordragten van personen. bij besloten en ongeteekende briefjes. (G. 107, 132; P. 77.) e 53. Het reglement van orde, dat de Raad voor zijne vergade

ring vaststelt, wordt aan Gedeputeerde Staten medegedeeld. (P. 84.) n 54. De Raad kan vaste commissiën zijner leden belasten met de

voorbereiding van hetgeen, waarover hij heeft te hesluiten. Hij be-) noemt er jaarlijks de voorzitters en leden van en doet hunne namen

bekend maken.

109

ocr page 136

GEMEENTEWET.

Hij kan insgelijks, doch alleen op voordragt van Burgemeester en Wethouders, aan vaste commissiën zijner leden opdragen, Burgemeester en Wethouders in het beheer van bepaalde takken van de huishouding der gemeente bij te staan.

De leden dezer laatste commissiën, waarvan altijd de Burgemeester of eene der Wethouders voorzitter is, worden jaarlijks benoemd door den Raad, die hunne namen doet bekend maken.

55. Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten mede te deelen, regelt den werkkring dier vaste commissiën. (G. 144.)

56. Elke commissie dient den Raad, Burgemeester en Wethouders en den Burgemeester over de tot haren werkkring beboerende zaken van berigt en raad.

57. De regelen voor het benoemen van andere commissiën van raadsleden, tot uitvoering van een bijzonderen last, worden bij het reglement van orde voor de vergadering van den Baad gesteld.

58. De leden van den Raad genieten, waar de Raad het bepaalt, voor het bijwonen zijner zittingen een presentiegeld, welks bedrag door Gedeputeerde Staten, nadat de Raad is gehoord, wordt vastgesteld.

TITEL III.

VAK DEN BURGEMEESTER.

Art. 59. De Burgemeester wordt door Ons, voor den tijd van zes jaren, benoemd. (G. 143; Gem. 27, 80.)

60. Hij kan ten allen tijde door Ons worden ontslagen.

In geval hij met art. 24, dat ook hem geldt, in strijd handelt, of zich aan wangedrag of merkelijke achteloosheid schuldig maakt, kan hij, zoo de zaak geen uitstel lijdt, door Gedeputeerde Staten, die daarvan onmiddellijk aan Ons verslag doen, voor ééne maand worden geschorst.

Schorsing van Onzentwege gaat den tijd van drie maanden niet te boven.

61. Niemand is tot Burgemeester benoembaar, dan die Nederlander, in liet volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is, den ouderdom van vijf en twintig jaren heeft vervuld en ingezeten is der gemeente. (Gem. 19.)

Van dit laatste voorschrift kan, in het belang der gemeente, worden afgeweken. (G. 143e.)

62. De betrekking van Burgemeester is, behoudens de bepaling der tweede zinsnede van art. 2, onvereenigbaar met de betrekkingen, die met het lidmaatschap van den Raad onvereenigbaar zijn.

Zij is bovendien onvereenigbaar met de betrekking van;

lid der regterlijke magt, uitgenomen de betrekking van regter-plaatsvervanger;

no

ocr page 137

GEMEENTEWET.

ambtenaar van het openbaar ministerie of van de griffie bi) eenig regterlijk collegie; (Gem. 292.)

ambtenaar bjj het bestuur van 's Eijks directe belastingen;

ambtenaar bij de provinciale griffie;

hoogleeraar of lector bij instellingen van liooger onderwijs;

deurwaarder.

63. De Burgemeester kan niet zijn ambtenaar van den waterstaat in werkelijke dienst;

noch ambtenaar bij het bestuur van 's Rijks indirecte belastingen; noch practiserend geneesheer, heel- of vroedmeester;

noch notaris, zaakwaarnemer of procureur.

Hij kan echter, is het in het belang der gemeente noodig, tot vereeniging van eene of meerdere dier betrekkingen met de zijne, door Ons, de Gedeputeerde Staten gehoord, worden gemagtigd.

64. Het burgemeesterschap ontheft van en is onvereenigbaar met schutterlijke dienst. (Gem. 184 volg.)

65. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door den Burgemeester, op de wijze zyner godsdienstige gezindheid, in handen van Onzen Commissaris in de provincie dezelfde eed of belofte afgelegd, als in art. 39 is voorgeschreven.

Hy wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 (87) dei-Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd.

66. De Burgemeester is voorzitter van den Raad, en heeft daarin, zoo hij geen lid is, eene raadgevende stem.

Hjj neemt daarbij de bepalingen van art. 46 in acht. (P. 29.) Hij zorgt voor de handhaving der orde in die vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op eenigerlei wyze door de toehoorders wordt verstoord, hen, die dit doen, of alle toehoorders te doen vertrekken.

67. Hij ontvangt en opent alle aan den Raad of aan Burgemeester en Wethouders gerigte stukken.

Hy brengt die terstond ter tafel in de vergadering, waar zij behoo-ren, tenzij die stukken, volgens de orde der vergadering, dadelijk behooren te worden verzonden aan het lid of de leden, meer in het bijzonder met de zaken, waartoe de stukken betrekkine hebben belast. (P. 31.) s '

68. Hij is, in spoed-eischende gevallen, bevoegd, het gevorderd voorloopig onderzoek der stukken, alvorens ze ter tafel te brengen, te doen plaats hebben, en geeft daarvan in de eerstkomende vergadering kennis.

Ten behoeve van dit onderzoek zijn alle aan den Raad ondergeschikte ambtenaren en besturen verpligt, hem de gevraagde inlichtingen te verstrekken.

69. Hij teekent alle stukken, die van den Raad of van Burgemeester en Wethouders uitgaan. (P. 30.)

Ill

ocr page 138

GEMEENTEWET.

Hij kan insgelijks, doch alleen op voordragt van Burgemeester en Wethouders, aan vaste commissiën zijner leden opdragen, Burgemeester en Wethouders in het beheer van bepaalde takken van de huishouding der gemeente bij te staan.

De leden dezer laatste commissiën, waarvan altijd de Burgemeester of eene der Wethouders voorzitter is, worden jaarlijks benoemd door den Raad, die hunne namen doet bekend maken.

55. Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten mede te deelen, regelt den werkkring dier vaste commissiën. (G. 144.)

56. Elke commissie dient den Raad, Burgemeester en Wethouders en den Burgemeester over de tot haren werkkring behoorende zaken van berigt en raad,

57. De regelen voor het benoemen van andere commissiën van raadsleden, tot uitvoering van een bijzonderen last, worden bij het reglement van orde voor de vergadering van den Raad gesteld.

58. De leden van den Raad genieten, waar de Raad het bepaalt, voor het bijwonen zijner zittingen een presentiegeld, welks bedrag door Gedeputeerde Staten, nadat de Raad is gehoord, wordt vastgesteld.

TITEL III.

VAN DEN BURGEMEESTER.

Art. 59. De Burgemeester wordt door Ons, voor den tijd van zes jaren, benoemd. (G. 143; Gem. 27, 80.)

60. Hij kan ten allen tijde door Ons worden ontslagen.

In geval lüj met art. 24, dat ook hem geldt, in strijd handelt, of zich aan wangedrag of merkelijke achteloosheid schuldig maakt, kan hij, zoo de zaak geen uitstel lydt, door Gedeputeerde Staten, die daarvan onmiddellijk aan Ons verslag doen, voor óéne maand worden geschorst.

Schorsing van Onzentwege gaat den tijd van drie maanden niet te boven.

61. Niemand is tot Burgemeester benoembaar, dan die Nederlander, in liet volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is, den ouderdom van vijf en twintig jaren heeft vervuld en ingezeten is der gemeente. (Gem. 19.)

Van dit laatste voorschrift kan, in het belang der gemeente, worden afgeweken. (G. 143e,)

62. De betrekking van Burgemeester is, behoudens de bepaling der tweede zinsnede van art. 2, onvereenigbaar met de betrekkingen, die met het lidmaatschap van den Raad onvereenigbé.ar zijn.

Zij is bovendien onvereenigbaar met de betrekking van:

lid der regterlijke magt, uitgenomen de betrekking van regter-plaatsvervanger;

no

ocr page 139

GEMEENTEWET.

ambtenaar van het openbaar ministerie of van de griffie bij eenif regterlijk collegie; (Gem. 292.)

ambtenaar bij het bestuur van 's Rijks directe belastingen;

ambtenaar bij de provinciale griffie;

hoogleeraar of lector bij instellingen van hooger onderwijs;

deurwaarder.

63. De Burgemeester kan niet zijn ambtenaar van den waterstaat in werkelijke dienst;

noch ambtenaar bij het bestuur van 's Rijks indirecte belastingen^ noch practiserend geneesheer, heel- of vroedmeester;

noch notaris, zaakwaarnemer of procureur.

Hij kan echter, is het in het belang der gemeente noodig, tot vereeniging van eene of meerdere dier betrekkingen met de zijne, door Ons, de Gedeputeerde Staten gehoord, worden gemagtigd.

64. Het burgemeesterschap ontheft van en is onvereenigbaar met schutterlijke dienst. (Gem. 184 volg.)

65. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door den Burgemeester, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in handen van Onzen Commissaris in de provincie dezelfde eed of belofte afgelegd, als in art. 39 is voorgeschreven.

Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 (87) der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd.

66. De Burgemeester is voorzitter van den Raad, en heeft daarin, zoo hij geen lid is, eene raadgevende stem.

Hjj neemt daarbij de bepalingen van art. 46 in acht. (P. 29.) Hij zorgt voor de handhaving der orde in die vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op eenigerlei wijze door de toehoorders wordt verstoord, hen, die dit doen, of alle toehoorders te doen vertrekken.

67. Hij ontvangt en opent alle aan den Raad of aan Burgemeester en Wethouders gerigte stukken.

Hij brengt die terstond ter tafel in de vergadering, waar zij behoo-ren, tenzij die stukken, volgens de orde der vergadering, dadelijk behooren te worden verzonden aan het lid of de leden, meer in het bijzonder met de zaken, waartoe de stukken betrekking hebben, belast. (P. 31.) 6 '

68. Hij is, in spoed-eischende gevallen, bevoegd, het gevorderd voorloopig onderzoek der stukken, alvorens ze ter tafel te brengen, te doen plaats hebben, en geeft daarvan in de eerstkomende vergadering kennis.

Ten behoeve van dit onderzoek zijn alle aan den Raad ondergeschikte ambtenaren en besturen verpligt, hem de gevraagde inlichtfn-gen te verstrekken.

69. Hij teekent alle stukken, die van den Raad of van Burgemeester en Wethouders uitgaan. (P. 30.)

Ill

ocr page 140

GEMEENTEWET.

70. Als hoofd van den Eaad en van het collegia van Burgemeester en Wethouders is hij, behoudens de bepaling van art. 179a, met de uitvoering hunner besluiten belast.

Het besluit, dat, naar zijn oordeel, als strijdig met de wet of het algemeen belang, door Ons kan worden geschorst of vernietigd, brengt hij niet ten uitvoer.

Hij geeft van dit gevoelen binnen vier en twintig uren na het nemen van het besluit, kennis aan het collegie, dat het nam en aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan terstond aan Ons verslag doen.

Hij is, indien dertig dagen na de dagteekening zijner kennisgeving aan Gedeputeerde Staten geene schorsing of vernietiging door Ons is bevolen, tot uitvoering verpligt. (P. 32.)

71. In alle regtsgedingen, de gemeente betreffende, treedt hij, namens de gemeente, als eischer of verweerder op, en worden de vonnissen en gewijsden voor of tegen hem uitgesproken en ten uitvoer gelegd.

Dit geschiedt, zoo het geding wordt gevoerd tusschen gemeenten, waarover één persoon Burgemeester is, in eene dier gemeenten door en tegen dengeen, die, volgens art. 77, den Burgemeester vervangt. (Gem. 143; P. 33.)

72. Hij zorgt, dat elk ingezetene der gemeente, dit vragende, ter secretarie inzage kan nemen en, ten zijnen koste afschrift kan doen maken van de besluiten van den Raad, zoover daaromtrent, volgen art. 43, geene geheimhouding is opgelegd. (P. 34.)

73. Hij geniet eene jaarwedde, die door Gedeputeerde Staten, nadat de Raad is gehoord, onder Onze goedkeuring wordt vastgesteld.

Behalve die jaarwedde, geniet hij, onder welke benaming ook, geenerlei inkomen uit de gemeentekas, dan de wedde van Secretaris, zoo hij daartoe is benoemd. (Gem. 94, 104, 107.)

74. Hij heeft zgne vaste woonplaats binnen de gemeente, of, is hij burgemeester van meerdere gemeenten, binnen eene dier gemeenten. (Gem. 61, 79; P. 28.)

Hiervan kan, is het in het belang der gemeenten noodig, door Ons, de Gedeputeerde Staten, die het gevoelen van den Raad inwinnen, gehoord, ontheffing worden verleend.

Hij is in de gemeente, waar hij niet met der woon is gevestigd, op vaste, door Gedeputeerde Staten te bepalen, openbaar bekend te maken dagen, ten minste eenmaal in de week, voor de ingezetenen te spreken. (Gem. 99, 107, 117.)

75. Hij behoeft verlof van Onzen Commissaris in de provincie, om langer dan acht dagen, van den Minister van Binnenlandsche Zaken, om langer dan eene maand buiten de gemeente zich op te houden.

Dit voorschrift geldt, indien hij Burgemeester is van meerdere gemeenten, of de in het vorig artikel bedoelde ontheffing heeft verkregen, ten aanzien zijner woonplaats.

112

ocr page 141

GEMKEKTEWET.

76. Hij draagt de onderscheidingsteekenen, door Ons te bepalen.

77. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den Burgemeester wordt hij vervangen door den Wethouder, die van de aanwezigen de oudste in jaren is, of, deze ongesteld zijnde, door den daarop in jaren volgenden Wethouder.

Indien alle de Wethouders ongesteld of afwezig zijn, treedt het oudste lid in jaren van den Raad, dat aanwezig is, op. Onze Commissaris in de provincie kan echter de tijdelijke waarneming aan een der andere leden van den Raad opdragen. (Grem. 71, 90, 105, 119: P. 35.)

78. Die, buiten het geval van ongesteldheid van den Burgemeester, met de waarneming, gedurende meer dan eene maand, onafgebroken is belast geweest, heeft voor dien tijd op de aan de betrekking verbondene jaarwedde aanspraak.

TITEL IV.

VAN DE quot;WETHOUDERS.

Art. 79. De Wethouders worden door den Raad uit zijn midden benoemd. (P. 4-5.)

In gemeenten van 20,000 zielen en daar beneden zijn twee, in de overige, naar goedvinden van den Raad, drie of vier Wethouders.

80. Zij worden gekozen voor zes jaren.

De helft treedt om de driejaren af, met den eersten Dingsdag van September.

De af'tredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar. (P. 59.)

81. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk der Wethouders aftreedt.

(P. (i0.)

82. Die, ter vervulling eener buiten den gewonen tijd opengevallen plaats, gekozen is, treedt af op het tijdstip, waarop degeen, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden. (P. 61.)

83. De gewone tijd, ter verkiezing der Wethouders, is de eerste Dingsdag van September.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen van hen, die op dien dag aftreden. (P. 46.)

84. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden, of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen veertien dagen na dat openvallen.

Gaat dit laatste gepaard met het openvallen eener plaats in den Raad, dan beginnen de veertien dagen te loopen van den dag, waarop het ter vervulling benoemde lid is toegelaten. (P. 47.)

85. De tot Wethouder benoemde, die in de vergadering tegenwoordig is, verklaart binnen 24 uren, die niet tegenwoordig is, binnen drie dagen, na ontvangst van het berigt zijner benoeming, of hij die aanneemt. (P. 48.)

STAATSWETTEN. 8

113

ocr page 142

GEMEENTEWEI.

86. Wauneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, geschiedt binnen acht dagen eene nieuwe keuze.

87. Die ophoudt lid van den Kaad te zijn, houdt tevens op Wethouder te wezen. (P. 52.)

88. De Wethouders kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan den Raad. (P. 50.)

Zij blijven niettemin hunne bediening waarnemen, tot dat hunne opvolgers die hebben aanvaard.

89. De Wethouders mogen geene der in art. 62 vermelde betrekkingen met de hunne te gelijk bekleeden, met uitzondering van die in de 5de alinea genoemd.

Eene dier uitgeslotene betrekkingen aannemende, zenden zij terstond hun ontslag in.

Dit nalatende, worden zij door den Raad van bunne betrekking vervallen verklaard.

Dit laatste kan insgelijks geschieden, wanneer zij zes achtereenvolgende vergaderingen van Burgemeester en Wethouders, zonder geldige reden, niet hebben bijgewoond of weigeren de in art. 183 bedoelde inlichtingen aan den Raad te geven. {Gem. 2(5; P. 53, 55, 58.)

90. De Wethouder, die ongesteld, of afwezig, of met de tijdelijke waarneming van het burgemeesterschap belast is, wordt, zoodra noo-dig, vervangen door een ander lid van den Raad, door dezen te benoemen.

Zoodanig lid, buiten het geval van ongesteldheid van den Wethouder, gedurende meer dan eene maand onafgebroken met de betrekking belast zijnde, heeft voor dien tijd aanspraak op de jaarwedde en het presentiegeld, daaraan verbonden. (Gem. 105.)

91. De Wethouders staan den Burgemeester bij in het bestuur der onderscheidene takken van de huishouding der gemeente.

Zij vormen tevens met den Burgemeester een collegie.

Op de leden van dit collegie, waarvan de Burgemeester voorzitter is, zijn de artt. 46 en 47 van toepassing. (P. 45.)

92. Het collegie van Burgemeester en Wethouders mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft zijner leden, of, is dit getal oneven, de grootste helft daarvan tegenwoordig is.

Alle besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen opgemaakt.

Bij staken van stemmen beslist, zoo het benoemingen of voordragten van personen geldt, het lot, in alle andere zaken de stem van den voorzitter. (Gem. 48, 50; P. 87 volg.)

93. Het reglement van orde, door het collegie voor zi^ne vergadering vast te stellen, wordt aan de goedkeuring van den Raad onderworpen. (Gem. 53; P. 84.)

94. Aan de Wethouders wordt een jaarwedde, door Gedeputeerde Staten, nadat de Raad is gehoord, onder Onze goedkeuring, vast te stellen, toegelegd. Zij genieten de helft daarvan als vast inkomen.

114

ocr page 143

gemeentewet.

De overblijvende helften worden bijeengevoegd en om de drie maanden tnsschen hen verdeeld, naar gelang van het getal der vergaderingen, door ieder in dien tijd bijgewoond.

Die, wegens commissica hem als wethouder opgedragen, is afwezig geweest, behoudt zijne aanspraak op het presentiegeld.

Behalve die jaarwedde, genieten de Wethouders, onder welken naam ook, geenerlei inkomen uit de gemeentekas, dan hetgeen verbonden is aan eene andere, hun opgedragen openbare gemeentebediening. (Gem. 73, 77, 78; P. 62.)

TITEL V.

van ;den secretaris.

Art. 95. De Secretaris wordt door den Raad, die eene aanbeveling van twee personen, door Burgemeester en Wethouders in te dienen, ontvangt, benoemd, geschorst of ontslagen.

De Burgemeester, tot Secretaris benoemd, wordt als zoodanig niet dan met Onze goedkeuring geschorst of ontslagen. (Gem. 2, lOi; P. 36.)

96. Niemand is tot Secretaris benoembaar, dan die Nederlander, meerderjarig en in het volle genot der burgerlhke en burgerschaps-regten is. (Gem. 19, 61, 107; P. 37.)

97. De Secretaris mag den Burgemeester niet in den eersten of tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan. (B.W. 345, volg.; Gem. 21, 107; P. 38.)

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (B.W. 352.)

98. Hij mag geene der volgens art. 62 met het burgemeesterschap onvereenigbare betrekkingen te gelijk met zijn ambt bekleeden, uitgenomen die, welke in alinea 5 van dat artikel en in art. 23 f en g worden vermeld.

De bediening van Secretaris is met die van Ontvanger der zelfde gemeente onvereenigbaar.

In gemeenten echter van 5000 zielen en daar beneden kunnen, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, de bedieningen van Secretaris en Ontvanger door denzelfden persoon worden bekleed, zoo de Secretaris geen Burgemeester is. (Gem. 2; P, 39.)

99. Op hem is van toepassing hetgeen bij de tweede en de laatste zinsnede van art. 24 ten aanzien der leden van den Raad, en bij de artt. 63 en quot;quot;4 ten aanzien van den Burgemeester is bepaald.

De regel in art. 63, ten aanzien der bekleeding van ambten bij het bestuur van 's Rijks indirecte belastingen vastgesteld, strekt zich, wat den Secretaris betreft, ook over de ambten bij het bestuur van 's Rijks directe belastingen uit.

100. Alvorens zijne bediening te aanvaarden, wordt door hem, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in de vergadering van den Raad, in handen van den voorzitter, de volgende eed of belofte afgelegd:

115

8*

ocr page 144

GEJIEENTEW£T.

„Ik zweer (beloof), dat ik alle de pligten, die de wet, regelende de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeen-

„tebestuien en de door den Raad van.....vastgestelde, of vast

„te stellen instructie aan het ambt van Secretaris hebben verbon-„den, eerlijk en vlijtig zal vervullen.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;) Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 (87) der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd. (Gem. 05, 108; P. 40.)

101. De Secretaris is den Raad, Burgemeester en Wethouders, den Burgemeester en de commissiën van den Raad iu alles, wat het hun opgedragen bestuur aangaat, behulpzaam. (P. 41.)

102. Door hem worden alle de stukken, die van den Raad en van Burgemeester en Wethouders uitgaan, mede-onderteekend. (P. 42.)

In de gemeenten, waar de Burgemeester tevens met de taak van Secretaris is belast, worden die stukken door een der Wethouders mede- onderteekend.

103. De instructie van den Secretaris wordt door den Raad vastgesteld en aan Gedeputeerde Staten medegedeeld. (P. 43.)

Hij wordt daarbij inzonderheid ook met de zorg voor het archief, onder het toezicht van Burgemeester en Wethouders, belast.

104. Hij geniet eene jaarwedde, die door Gedeputeerde Staten, nadat de Raad is gehoord, onder Onze goedkeuring, wordt bepaald.

Leges, ter secretarie geheven, worden aan de gemeentekas verantwoord. (Gem. 73, 94.)

105. By ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den Secretaris, wordt hij vervangen op de wijze, by het reglement van orde voor de vergadering van den Raad te bepalen.

Die, buiten het geval van ongesteldheid van den Secretaris, met de waarneming zijner bediening, gedurende meer dan eene maand, onafgebroken is belast geweest, heelt voor dien tijd op de daaraan verbondene jaarwedde aanspraak. (G. 77, 90, 107.)

TITEL VI.

VAN DEN ONTVANGER.

Art. 106. De Ontvanger wordt door den Raad, die eene aanbeveling van twee personen, door Burgemeester en Wethouders in te dienen, ontvangt, benoemd, geschorst of ontslagen. (G. Ié3; Gem. 95.)

107. Op hem is van toepassing hetgeen bij de artt. 96—98, 103 en 104 ten aanzien van den Secretaris, bij de tweede en laatste zinsnede van art. 24 ten aanzien der leden van den Raad, en bij de artt. 63 en 74 ten aanzien van den Burgemeester is bepaald.

Het is hem echter niet verboden ambtenaar bij het bestuur van 's Rijks belastingen te wezen.

108. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door hem,

116

ocr page 145

GEMEENTEWET.

op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in de vergadering van den Raad, in handen van den voorzitter, de volgende eed of belofte afgelegd:

„Ik zweer (beloof), dat ik alle de pligten, die de wet, regelende „de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebestu-

„ren en de door den Raad van.....vastgestelde, of vast te

„stellen instructie aan het ambt van Ontvanger hebben verbonden, „eerlijk en vlijtig zal vervullen.

„Zoo waarlijk helpe mg God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;) Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan ua den in art. 83 (87) der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd. (Gem. 65, 100.)

109. De Ontvanger stelt voldoenden zakelijken borgtogt, ter waarde van ten minste een tiende van den ontvang, doch van niet minder dan ƒ100.

Het bedrag van den ontvang wordt berekend naar het gemiddeld bedrag der inkomsten van de gemeente gedurende de laatste vijf jaren, na aftrek van het genotene uit geldleeningen, teruggaven van voorschotten en verkoopingen van gemeente eigendommen.

De borgtogt kan, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, beneden het tiende worden gesteld in gemeenten, waar de Ontvanger verpligt is, jaarlijks meermalen geregeld te storten.

In gemeenten, waar de geringheii van ontvangst en helooning eene afwijking van den regel schijnt te eischen, kan, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, met persoonlijken borgtogt genoegen worden genomen

110. Vóór de benoeming van den Ontvanger, wordt de aard en het bedrag van zijn borgtogt door den Raad bepaald.

De Ontvanger aanvaardt zijn ambt niet, dan na het stellen van zijn borgtogt.

111. De eens gestelde borgtogt wordt, bij aanmerkelijke verhooging of verlaging der inkomsten van de gemeente, naar den regel van art. 109, door den Raad verhoogd of verlaagd.

De Ontvanger, die, binnen den door den Raad bepaalden tijd, de verhooging van zijn borgtogt niet heeft gesteld, wordt beschouwd zgn ontslag te hebben gevraagd.

112. De acte van borgtogt wordt, ten koste van den Ontvanger, voor een notaris verleden.

Zij is alleen aan het vast registratieregt onderworpen.

113. De Ontvanger is belast met de invordering van alle de inkomsten en ontvangsten der gemeente en zorgt, dat die behoorlijk geschiede.

114. Door hem geschieden alle betalingen uit de gemeentekas. Hij betaalt, behalve in het geval, vermeld in art. 225, niet,

dan op bevelschriften, die hetgeen te betalen is en den post der begrooting, waaruit de betaling moet geschieden, vermelden, en

117

ocr page 146

GEMEENTEWET.

op de wijze, in art. 224 voorgeschreven, geteekend zijn. (P. 122.)

115. Hij doet van de door hem voor de gemeente gedane ontvan-sten en uitgaven jaarlijks rekening aan Burgemeester en Wethouders.

De rekening wordt ingerigt overeenkomstig met de, ten dien aanzien, door Gedeputeerde Staten, onder Onze goedkeuring, te geven voorschriften, (üem. 206, 218.)

116. De Ontvanger geeft aan Burgemeester en quot;Wethouders, zoo dikwijls zij het vorderen, inzage in de boeken en kas.

Gedeputeerde Staten kunnen, zulks noodig achtende, opneming der kas van hunnentwege gelasten. (Gem. 179/quot;, 181.)

117. Ontvanger van meer dan éene gemeente zijnde, is hij verpligt op vaste, door Burgemeester en Wethouders te bepalen, openbaar bekend te maken dagen, zich in elke dier gemeenten tot het doen van ontvangsten en uitgaven te begeven. (Gem. 74.)

118. By schorsing, ontslag of overlijden van den Ontvanger worden door Burgemeester en Wethouders zijne boeken gesloten, zijne kas opgenomen en die boeken en kas, totdat in de dienst is voorzien, bewaard.

Burgemeester en quot;Wethouders maken van het, bij dit sluiten en opnemen bevondene proces-verbaal op.

119. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den Ontvanger wordt hij vervangen op de wijze, bij zijne instructie te bepalen.

Die, buiten het geval van ongesteldheid van den Ontvanger, met de waarneming zijner bediening, gedurende meer dan eene maand, onafgebroken is belast geweest, heeft voor dien tijd op de daaraan verbondene jaarwedde aanspraak. (Gem. 77 volg., 90, 105, 107.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de bevoegdheid der gemeentebesturen. TITEL 1.

ALGEMEENE BETALINGEN.

Art. 120. De gemeentebesturen kunnen de belangen hunner gemeenten en van hare ingezetenen by Ons, bij de Staten-Generaal en bij de Staten der provincie, waartoe zij behooret, voorstaan. (G. 148, 8, 138; P. 99.)

121. Besturen van twee of meer gemeenten kunnen gemeenschappelijke zaken, belangen, inrigtingen of werken, na magtiging en onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, regelen.

De magtiging en goedkeuring kunnen, indien de Gedeputeerde Staten ze weigeren, door de besturen van Ons worden gevraagd.

Wanneer de gemeenten in verschillende provinciën liggen, vragen

us

ocr page 147

GEMEENTEWET.

de Gedeputeerde Staten dier provinciën, alvorens de bedoelde mag-tiging te verleenen, Onze goedkeuring. (P. 97.)

122. De kosten, uit de in het vorig artikel bedoelde regeling voortvloeiende, worden door de kassen der betrokkene gemeenten, naar het belang dat elke er bij heeft, gedragen.

üp de daarover gerezen geschillen zijn de artt. 147 en 161 der provinciale wet van toepassing.

123. De gemeentebesturen hebben het regt, de ter uitoefening hunner bevoegdheid noodige inlichtingen, hetzij door eene commissie uit hun midden te doen inwinnen, hetzij schriftelijk van alle aan hen ondergeschikte ambtenaren en besturen te vorderen.

Indien deze ambtenaren of besturen, na tweemalen daartoe te zijn aangeschreven geweest, de inlichtingen terughouden, kunnen deze, na het verstrijken van den te stellen termijn, worden ingewonnen door een of meer leden van het gemeentebestuur, onder persoonlijke aansprakelijkheid der ambtenaren en leden van besturen, welke tot de vertraging hebben medegewerkt, voor de kosten. (P. 95.)

(24. Over alle zaken, de gemeente betreffende, dienen de gemeentebesturen van berigt en raad aan het Departement van Binnenland-sche Zaken, aan de overige departementen van algemeen bestuur, aan Onzen Commissaris in de provincie, aan de Staten en aan de Gedeputeerde Staten. (Gem. 126.)

125. De gemeentebesturen gedragen zich naar hetgeen, in geschillen van bestuur, tusschen gemeente en gemeente, of tusschen gemeente en provincie gerezen, door Ons wordt beslist. (Gem. 122.)

126. Wanneer rer uitvoering van wetten, van algemeene maatregelen van inwendig bestuur, vau onze daartoe betrekkelijke bevelen, en van provinciale reglementen en verordeningen door het gemeentebestuur moet worden medegewerkt, geschiedt dit door Burgemeester en Wethouders.

Vorderen de wetten, maatregelen, bevelen, reglementen of verordeningen eene bepaalde medewerking van den Raad en wordt die door dezen geweigerd, dan voorzien Burgemeester en Wethouders daarin. (P. 127 volg.)

127. Wanneer Burgemeester en Wethouders niet of niet behoorlijk voor de hun bij het vorig artikel opgedragen uitvoering zorgen, kan Onze Commissaris in de provincie, ten koste der nalatigen, in die uitvoering voorzien. (P. 129.)

128. Tot vereeniging of splitsing van gemeenten wordt niet overgegaan, dan nadat de bepalingen der artt. 129—132 zijn in acht genomen. (G. 3.)

129. De wijze en voorwaarden der vereeniging of splitsing worden, nadat Burgemeester en Wethouders der betrokkene gemeenten zijn gehoord, ontworpen door Gedeputeerde Staten, of, zoo de gemeenten in meer dan ééne provincie liggen, door eene commissie

119

ocr page 148

GEMEENTEWET.

uit de Gedeputeerde Staten dier provinciën. (Gem. 121; P. 97.) 1

130. Hierbij wordt in het oog gehouden: nar dat, in geval van vereeniging eener gemeente of van een deel is

daarvan met eene of meer andere gemeenten de bezittingen en las- gel ten van die gemeente of van dat deel komen ten voor- en nadeele ga£ der vereeniging, tenzij bijzondere omstandigheden eene andere schikking eisclien; wa dat, ingeval van splitsing eener gemeente, de openbare gebouwen (P en werken zooveel mogelijk het deel, waarin zij gelegen zijn, volgen;

dat de vruchten, welke de ingezetenen in natura uit een gemeente- be;

eigendom trekken, aan hen, die ze trokken, verblijven. da

131. Het ontwerp wordt in elk der betrokkene gemeenten voor- mi gelegd aan het oordeel van den Raad en van eene door de kiezers

voor den Raad, ten zelfden getale, als diens leden, te kiezen com- re missie uit de ingezetenen, waarin de Burgemeester voorzit.

De leden dier commissie worden, op de bij de kieswet bepaalde de

wijze, buiten de leden van den Raad, gekozen, en benoemd met de as

meeste stemmen. Daarbij gelden de bepalingen der eerste zinsnede ei

van art. 12 en der artt. 13—15. (Gem. 293.) te

132. Het gevoelen van den Raad en dat van de commissie worden schriftelijk aan Gedeputeerde Staten uitgebragt en door hen ver- vi volgens met hun advies aan het Departement van Binnenlandsche ii Zaken ingezonden. h

133. Wanneer de wet eene vereeniging of splitsing van gemeenten

heeft bevolen, blijven de bestaande plaatselijke verordeningen, ambte- v

naren en magten in de vereenigde of gesplitste gemeenten voortdu- r ren, totdat zij door andere volgens de wet zijn vervangen.

De wet, die de vereeniging of splitsing beveelt, verordent de noo- a

dige maatregelen ter verkiezing van den nieuwen Raad. (Gem. 284.) t

TITEL II. ]

]

VAN DE REGELING EN HET BESTUUR VAN DE HUISHOU-DING DER GEMEENTE.

EERSTE HOOFDSTUK.

ALGEMKENE BEPALINGEN.

Art. 134. Aan den Raad behoort, met betrekking tot de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente, alle bevoegdheid die niet bij deze of eenige andere wet aan den Burgemeester, of aan Burgemeester en Wethouders is opgedragen. (G. Ii4; P. 94.)

135. Aan hem behoort het maken van de verordeningen, die in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid worden ver-eischt en van andere, betreffende de huishouding der gemeente. (G. 155; Gem. 150, 151; P. 140.)

120

ocr page 149

GEMEENTEWET.

136. De Raad regelt de bezoldigingen van alle plaatselijke ambtenaren en bedienden, zoover de regeling niet aan Gedeputeerde Staten is opgedragen; de door die ambtenaren te stellen borgtogten; de geldleeningen en hetgeen verder de geldmiddelen der gemeente aan-

Elk besluit tot bet doen eener geldleening wijst de middelen aan, waaruit de renten en aflossing der leening zullen worden gevonden. (P. 131; Gem. 58, 73, 94, 104, 1Ü7, 109—111.)

137. De Raad besluit tot het koopen, ruilen of vervreemden, liet bezwaren of verpanden van gemeente-eigendommen, het treffen van dadingen daaromtrent, en het aanvaarden der aan de gemeente gemaakte legaten of gedane schenkingen. (G. 146; P. 132; Gem. 194.)

138. Hy besluit omtrent het verhuren, verpachten of op eenige andere wijze in gebruik geven der gemeente-eigendommen. (Gem. 194,44«//;.)

(39. Hij besluit tot het verleenen der kwijtschelding, die krachtens de wet, of eene overeenkomst, of op gronden van billijkheid toekomt aan de huurders, pachters of bruikers der gemeente-eigendommen, en aan hen, die hebben aangenomen, ten behoeve der gemeente iets te doen of te leveren.

140. Hij maakt in overeenstemming met algemeene of provinciale voorschriften, de noodige verordeningen tot verdeeling der gemeente in wyken en tot opmaking van volledige staten der bevolking en harer huizing.

141. Hij beveelt het aanleggen of verbeteren van gemeentewegen, waterleidingen, straten, pleinen, grachten, gebouwen, werken en in-rigtingen, (Gem. 44^.)

142. Hij kan zich de vaststelling der plannen en voorwaarden van aanbesteding der werken en leverantiën, ten beiioeve der gemeente te doen, voorbehouden.

De aanbesteding geschiedt in het openbaar, behoudens de gevallen, waarin, om bijzondere reden, onderhandsche aanbesteding in het belang der gemeente ware. (Gem. 44/.)

143. De Raad beoordeelt en beslist of van wege de gemeente of voor eene harer afdeelingen, die zich in het geval bevindt door art. 217 omschreven, een regtsgeding zal worden gevoerd.

Bij geschil over burgerlijk regt tusschen zoodanige afdeeling en de gemeente of eene andere afdeeling der zelfde gemeente, onderwerpt de Raad de zaak aan Gedeputeerde Staten, en benoemen deze, zoo zij tot het voeren van een geding magtigen, uit de ingezetenen der afdeeling eene commissie, daarmede belast.

Elk ingezeten kan, daartoe volgens art. 194 gemagtigd, ten zijnen laste, namens de gemeente een eisch in regten doen, die volgens zijne meening door den gemeenteraad in het belang der gemeente behoorde te zijn gedaan. (Gem. 71.)

144. De Raad besluit tot het instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen. (P. 144; Gem. 195.)

121

ocr page 150

GEMEENTEWET.

145. Hij benoemt en ontslaat alle gemeente-ambtenaren en bedienden, wier benoeming niet bij deze wet of de plaatselijke verordeningen aan anderen is opgedragen. (Gem. 59, 79, 89, 95, 106, 149. 191.)

146. Hij laat zich jaarlijks verslag doen van den toestand van alle in de gemeente aanwezige godshuizen, gestichten van weldadigheid, genootschappen en andere instellingen van openbaar nut, die niet Rijks of Provinciale instellingen, of aan het algemeen of provinciaal bestuur onmiddellijk ondergeschikt zijn, (Wet op het Armbestuur, artt. 3, 10, 19.)

147. Hij benoemt, zooverre de benoeming niet aan anderen behoort, op de wijze, by plaatselijke verordeningen te bepalen, de leden en beambten van het bestuur der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid. Hij schorst en ontslaat de door hem benoemden. (Gem. 79, 95, 106.)

148. Zijne goedkeuring wordt vereischt op de begrooting en rekening der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid, die uit de gemeentekas onderstand genieten.

149. De Raad benoemt uit zijn midden een of meer personen ter waarneming der betrekking van ambtenaar van den burgerlijken stand.

De Burgemeester, ofschoon geen lid van den Raad, is tot ambtenaar van den burgerlijken stand benoembaar. (B.W. 18 volg.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE PLAATSELIJKE VERORDENINGEN.

§ 1. Van de plaatselijke verordeningen in het algemeen.

Art. 150. De plaatselijke verordeningen, waaronder alle voorschriften en beschikkingen van den Raad en van Burgemeester en Wethouders worden verstaan, treden niet in hetgeen van algemeen Rijks- of provinciaal belang is.

Bij twijfel, of eene verordening dit deed, verbindt zij, tot dat art. 153 is toegepast. (F. 14-1.)

151. De bepalingen van plaatselijke verordeningen, in wier onderwerp door eene wet, een algemeenen maatregel van inwendig bestuur of eene provinciale verordening wordt voorzien, houden van regtswege op te gelden. (P. 142.)

152. De plaatselijke verordeningen worden terstond aan Gedeputeerde Staten, wanneer deze daartoe aanvraag doen, medegedeeld.

153. De plaatselijke verordeningen kunnen, zoover zij met de wetten of het algemeen belang strijden, door Ons worden geschorst of vernietigd. (G. 140, 144; F. 166.)

122

ocr page 151

GEMEENTEWET.

, f|(:_ 154. De schorsing of vernietiging wordt door Ons bevolen bij een ve:r_ met redenen omkleed, in het Staatsblad te plaatsen besluit, dat, in-106 geval van schorsing, den duur hiervan bepaalt. (P. 169.)

155. Schorsing stuit onmiddellijk de werking der geschorste be-. van palingen.

ïlda- •' kan niet langer duren dan een jaar. (P. 170.)

nut '56. Is binnen den voor de schorsing bepaalden tijd de vernieti-

n of der bepalingen door Ons niet uitgesproken, dan worden deze

het geatht geldig te zijn.

Hiervan geschiedt, zoover het eene afgekondigde verordening be-j)e_ treft, openbare kennisgevitg. (P. 171.)

(jgjj 157. Bepalingen, die geschorst ziju geweest, kunnen niet op nieuw

gen worden geschorst. (P. 172.)

[en 158. Vernietiging van wege strijd met de wet brengt mede ver

nietiging van alle de gevolgen der vernietigde bepalingen, zoover die ke. non voor vernietiging vatbaar zijn.

jjjg Bij vernietiging van wege strijd met het algemeen belang, kun

nen de niet met dat belang strijdige gevolgen in stand blijven, ter (P;.T.73-) _ . . _

:en 159. De Raad of Burgemeester en Wethouders zorgen, in geval

van geheele of gedeeltelijke schorsing of vernietiging hunner veror-fe_ deningen, dat aan art. 155 of art. 15S worde voldaan en op nieuw in hetgeen de geschorste of vernietigde bepalingen regelden, voor zooveel noodig is, voorzien. (P. 174.)

160. Gedeeltelijke schorsing of vernietiging eener verordening heeft op de geldigheid der in het besluit tot schorsing of vernietiging niet genoemde bepalingen geen invloed.

ij 2. Van de plaatselijke verorrleningen tegen wier overtreding straf is bedreigd, in het bijzonder.

Art. 161. De Raad kan op overtreding zyner verordeningen, voor zooveel daartegen niet by eene wet, eenen algemeenen maatregel van a inwendig bestuur of eene provinciale verordening is voorzien, hech-

i tenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en

twintig gulden stellen, alsmede verbeurdverklaring van de voorwerpen door middel van de overtreding verkregen of waarmede de ' overtreding is gepleegd, voor zoover zij den veroordeelde toebe-hooren. ')

123

162. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen j jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden of daarvoor vrijwillig de geldboete is betaald, kan de regter geldboete of hechtenis tot het dubbel van het voor elk gesteld maximum uitspreken. ')

1) Zie noot volg. bladzijde.

ocr page 152

124 GEMEENTEWET.

163—165. Vervallen. ') _ Is i

166. De verordeningen, tegen wier overtreding straf is bedreigd, gemee worden, zooveel mogelijk, ontworpen door een vaste commissie uit tevens den Raad, waarvan de Burgemeester voorzitter is. (Gem. 54, 177.) dep ut

167. Zij worden binnen tweemaal vier en twintig uren, nadat 174 zij door den Raad zijn vastgesteld, in afschrift, door den Burge- toe ai meester en den Secretaris te waarmerken, medegedeeld aan Gedeputeerde Staten.

Gedeputeerde Staten geven aan den Raad herigt van de ontvangst binnen veertien dagen, nadat hun het afschrift is geworden. (Gem. 152, 171, 187.)

168. Deze verordeningen verbinden niet, dan wanneer zij behoorlijk zijn afgekondigd. (A. 1, 2.)

169. De afkondiging geschiedt binnen veertien dagen na de dag-teekening van het in art. 167 bedoeld berigt, tenzij dit inhoude, dat Gedeputeerde Staten de schorsing of vernietiging der verordening aan Ons hebben gevraagd. (P. 101.)

170. De verordening, wier schorsing of vernietiging aan Ons is gevraagd, wordt afgekondigd, zoodra Wij hebben verklaard, dat voor schorsing of vernietiging geene redenen bestaan.

Deze verklaring wordt geacht gegeven te zijn, indien, binnen twee maanden na de dagteekening van het in art. 167 bedoeld berigt,

geene andere beslissing door Ons is genomen. (Gem. 152, 153.)

171. In spoedeischende gevallen kan de Raad besluiten tot het doen afkondigen eener verordening, onmiddellijk nadat zij is vastgesteld.

Hiervan wordt, bij het inzenden van het afsclirift der verordening, aan Gedeputeerde Staten kennis gegeven. (Gem. 107.)

172. De afkondiging geschiedt op de wijze, te bepalen by eene plaatselijke verordening, die tevens het noodige voorschrift, om van de gedane afkondiging te doen blijken, bevat.

173. Het formulier van afkondiging luidt:

„De Burgemeester en Wethouders van .... doen te weten,

. dat door den Raad dier gemeente in zyne vergadering van ....

„is vastgesteld de volgende verordening:

(titel der verordening)

(inhoud der verordening)

„Zijnde deze verordening aan de Gedeputeerde Staten van ....

„volgens hun berigt van den .... in afschrift medegedeeld.

„En is hiervan afkondiging geschied, waar het oehoort, den' enz.

In het geval, bedoeld bij art. 171, worden de woorden: „volgens hun berigt van denquot;, weggelaten en wordt tusschen de woorden „hiervanquot; en „afkondigingquot; liet raadsbesluit tot bespoediging dezer laatste vermeld.

1) Artt. 101 en 102 aldus gewijzigd en artt. 103—165 vervallen by art. 24 der wet van 15 April 1886, Stsbl. uo. 01. di

ocr page 153

gemeentewet.

Is de verordening, overeenkomstig art. 121, door twee of meer gemeentebesturen gemeenschappelijk vastgesteld, dan wordt dit en tevens de magtiging eu goedkeuring hetzij van Ons, hetzij vau Gedeputeerde Staten, op het afgekondigde stuk vermeld. (P. 102.)

174. De verordeningen treden, indien zij geen ander tijdstip daartoe aanwijzen, in werking op den derden dag na dien, waarop zij zijn afgekondigd. (A. 2; P. 101.)

175. De afgekondigde verordeningen worden, gedurende drie maanden, op de secretarie der gemeente voor een ieder ter lezing neder-gelegd. Zij worden hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld, en medegedeeld aan het kantongeregt, de arrondissements-regtbank en het geregtshof, waaronder de gemeente behoort, en aan het openbaar ministerie bij die collegiën.

Het oorspronkelijke stuk wordt ter secretarie bewaard.

176. Jaarlijks doen Gedeputeerde Staten in het provinciaal blad eene korte opgaaf plaatsen van de gedurende het vorige jaar door de gemeentebesturen hunner provincie afgekondigde verordeningen.

177. Door de in art. 106 bedoelde commissie, of, waar deze niet bestaat, door Burgemeester en Wethouders, wordt aanhoudend onderzocht, aan welke van de bepalingen der plaatselijke verordeningen, tegen wier overtreding straf is bedreigd, voortdurende kracht is toe te kennen, en van de uitkomsten vau dit onderzoek jaarlijks aan den Raad verslag gedaan. (Gem. 54, 166.)

178. Ten minste eenmaal in de vijf jaren verklaart de Raad, ten gevolge eener algemeene herziening, welke dier verordeningen nog gelden.

Dit geschiedt by eene verordening, welke de titels der geldende verordeningen, of de geldende bepalingen der gedeeltelijk afgeschafte verordeningen vermeldt.

Op die verordening zijn de artt. 166—175 van toepassing.

DERDE HOOFDSTUK.

van het dagelijksch bestuur dee gemeente.

' quot; ' S 1- het dagelijksch bestuur in het algemeen.

Art. 179. Tot het dagelijksch bestuur der gemeente, aan Bnrge-^115 meester en Wethouders opgedragen, behoort:

■Jen u. het uitvoeren der verordeningen van den Raad ; (P. 152; Gem. 70.) 1261 b. het heslissen der over die uitvoering gerezen geschillen, tenzij

de beslissing aan anderen opgedragen zij; (P. 153.)

c. het afkondigen der in art. 166 bedoelde verordeningen; (Gem. 168.) der d. het dienen, overeenkomstig art. 124, van berigt en raad, tenzij

dit bepaaldelijk van den Raad verlangd worde;

125

ocr page 154

GEMEENTEWET.

e. het beheereu der inkomsten en uitgaven van de gemeente, zoover dit niet aan anderen is opgedragen;

f. het opnemen der boeken en kas van den Ontvanger; (Gem. 115, 116.)

g. het toezien op het beheer en onderhoud van alle plaatselijke werken en eigendommen;

h. de zorg, zoover van hen afhangt, voor de iustandhouding, bruikbaarheid, vrijheid en veiligheid der publieke wegen, bruggen, veren, wateren, vaarten, straten, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, tot gemeene dienst van allen bestemd; (Gem. 205/.)

i. het vaststellen der plans en voorwaarden van aanbesteding der werken en leverantiön, ten behoeve der gemeente te doen, wier vaststelling de Raad niet aan zich voorbehield; (Gem. 141, 142.)

k. de handhaving van de marktpolitie, en van die over de plaat-selgke vervoermiddelen;

/. het toezigt op de publieke gezondheidsdienst;

m. het handhaven der politie over het begraven en de begraafplaatsen ;

n. het toezigt op de brandbluschmiddelen;

o. het benoemen en ontslaan der wijk- en brandmeesters;

p. dat der ambtenaren en bedienden bij de plaatselijke secretarie; (Gem. 145, 59, 79, 89, 149, 191.)

y. het schorsen van alle uit de gemeentekas bezoldigde ambtenaren, welker schorsing niet aan anderen is opgedragen; (Gem. 95, 106; P. 156.)

r. het nemen, alvorens de gemeente tot het voeren van een regts-geding gemagtigd zij, van alle conservatoire maatregelen, zoo in als buiten regten, en liet doen wat noodig is, ter voorkoming van verjaring en verlies van regt of bezit; (Gem. 71,143, 194/;; P. 135, 155.)

s. het behoorlijk voorbereiden, zoover het niet aan anderen is opgedragen, van al hetgeen in den Raad ter overweging en beslissing moet worden gebragt; (Gem. 54, 106; P. 159.)

t. het toezien op het beheer der banken van leening en der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid, waarover door de wet op het armbestuur, den stichtingsbrief of andere verordening, aan het gemeentebestuur toezigt is opgedragen; (Gem. 148; Wet op het Armbestuur.)

u. het geregeld, op onderscheidene tijdstippen in hst jaar bezoeken van alle die inrigtingen, en het doen van verslag daaromtrent aan den Raad; (Gem. 182.)

v. het houden van een gedurig toezigt op al wat de gemeente aangaat. (P. 162.)

180. Onder de uitvoering der verordeningen van den Raad behoort de bevoegdheid tot het, des noods ten koste der overtreders, doen wegnemen, beletten of verrigten van hetgeen in strijd met die verordeningen, wordt daargesteld, ondernomen of nagelaten.

126

ocr page 155

GEMEENTEWET.

Spoedeisohende gevallen uitgezonderd, geschiedt dit niet, dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd. (Gem. 162.)

181. Het opnemen der boeken en kas van den Ontvanger geschiedt ten minste eens in de drie maanden. Proces-verbaal wordt daarvan opgemaakt en aan den Raad en Gedeputeerde Staten medeeedeeld. (Gem. 116.)

182. Jaarlijks in de maand April doen Burgemeester en Wethouders aan den Raad een uitvoerig en beredeneerd verslag van den toestand der gemeente.

Dit verslag wordt aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.

Het wordt ingerigt in den vorm, door den Minister van Binnen-landsche Zaken, de Gedeputeerde Staten gehoord, te bepalen en, hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. (Gem. 179«; P. 162.)

183. De Burgemeester en Wethouders zijn wegens het dagelijksch bestuur aan den Raad verantwoording schuldig, en geven te dien aanzien alle de door den Raad verlangde inlichtingen. {Gem. 89; P. 163.)

§ 2. Van de handhaving der openbare orde in het hijzonder.

Art. 184. In geval van oproerige beweging, van zamenscholing of andere stoornis der openbare orde, is de Burgemeester bevoegd, de hulp der schutterij en van het in de gemeente aanwezige of naastbij zijnde kiijgsvolk te vorderen.

Hij geeft hiervan terstond kennis aan Onzen Commissaris in de provincie.

185. De bevelhebbers van de schutterij en het krijgsvolk voldoen terstond aan de vordering van den Burgemeester. (Gem. 64.)

Zij wordt door hem, zooveei mogelijk, schriftelijk gedaan.

186. In het in art. 184 bedoeld geval, is de Burgemeester bevoegd, alle bevelen, die hij ter handhaving der orde noodig acht, te geven.

Hij laat tot maatregelen van geweld niet overgaan, dan na het doen der vereischte waarschuwingen.

187. Is het, in zoodanigen toestand noodig, algemeene voorschriften van politie voor de inwoners uit te vaardigen en onverwijld af te kondigen, de Burgemeester is er toe bevoegd. Hij brengt die voorschriften terstond ter kennis van Onzen Commissaris in de provincie en, zoo spoedig mogelijk, ter kennis van den Raad.

Onze Commissaris kan de uitvoering van zoodanige voorschriften schorsen.

De voorschriften vervallen, zoo zij niet door den Raad in zijne eerstvolgende vergadering worden bekrachtigd; tenzij de Burgemees-

127

ocr page 156

GEMEENTEWET.

ter ten aanzien van een raadsbesluit tot niet-bekraclitiging oordeele te moeten handelen naar de voorschriften der 2de en 3de zinsnede van art. 70.

In geval de Burgemeester, of die hem moet vervangen, buiten staat is te handelen, kunnen de noodige voorschriften en bevelen door Onzen Commissaris worden uitgevaardigd. (Gem 77.)

188. De politie over de schouwburgen, herbergen, tapperijen en alle voor het publiek openstaande gebouwen en zamenkomsten, open-baie vermakelykheden en openlijke huizen van ontucht, behoort aan den Burgemeester.

Hg waakt tegen het doen van met de openbare orde of zedelijkheid strijdige vertooningen.

189. Bij brand heeft de Burgemeester, behoudens de gewone dienstregeling, door plaatselijke verordeningen voorgeschreven, het opperbevel. (O. 73 volg.)

190. De Commissarissen en dienaren van politie of veldwachters, tevens aan de algemeene of rijkspolitie, onder het daarmede belast gezag, dienstbaar, staan, zooveel de gemeentepolitie betreft, onder de bevelen van den Burgemeester. (Gem. 23e.)

De gemeentepolitie rust op de plaatselijke verordeningen en bevelen, die, ten gevolge dezer wet, in het huishoudelijk belang der gemeente zijn gegeven.

191. De Commissaris van politie wordt door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

Zijne bezoldiging wordt, den Raad en de Gedeputeerde Staten gehoord, door Ons geregeld,

De dienaren van politie worden, op voordragt van den Commissaris, aangesteld en ontslagen door den Burgemeester, die, in overleg met den Commissaris, hun de noodige ambts-instructie geeft.

Een en ander geschiedt in de gemeenten, waar geen Commissaris van politie is, door den Burgemeester alleen.

De veldwachters worden, in overleg met den Burgemeester, door Onzen Commissaris in de provincie, die hunne instructie, in overeenstemming met de algemeene verordeningen, vaststelt, benoemd en ontslagen.

192. Ter handhaving der openbare orde, of in het algemeen belang, kunnen, wanneer de bijstand der plaatselijke beambten ot vrijwillige hulp ongenoegzaam is en de plaatselijke middelen het betalen van hulp niet gedoogen, de inwoners der gemeente tijdelijk tot het doen van persoonlijke diensten worden opgeroepen.

193. Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten mede te deelen, regelt den aard en duur dezer diensten, alsmede de gevallen, waarin zij kunnen worden gevorderd. Zij laat, zooveel mogelijk, elk inwoner vrij, de diensten, waartoe hij wordt opgeroepen, door een plaatsvervanger te doen waarnemen, of voor geld, in de gemeentekas te storten, af te koopen.

128

ocr page 157

GEMEENTEWET.

TITEL III.

VAN DE BESLUITEN DER GE M E E N TE B E S TU E E N AAN DE GOEDKEURING DER GEDEPUTEERDE STATEN TE ONDERWERPEN.

Art. 194. Aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten worden onderworpen de besluiten der gemeentebesturen, betreffende:

a. het aangaan van gelflleeningen;

b. het waarborgen der renten en aflossingen van geldleeningen, door anderen aan te gaan;

c. het koopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden van onroerend goed, van inschrijvingen in een der grootboeken van de Nederlandsche schuld, van schuldbrieven of vorderingen;

d. het aanvaarden der aan de gemeente gemaakte legaten of gedane schenkingen;

e. het onderhands verhuren, verpachten, of in gebruik geven van gemeente-eigendommen;

f. het onderhands aanbesteden van werken of leverantiën;

(j. het treffen van dadingen;

h. het voeren van regtsged; ngen door de gemeente, hetzij in eersten aanleg, hetzij in hooger beroep of cassatie;

i. het berusten in eene tegen de gemeente ingestelde regtsvor-dering.

Bij geschil tusschen de gemeente en de provincie, wordt in de gevallen, bij de drie laatst voorgaande zinsneden bedoeld, het besluit van het gemeentebestuur aan Onze goedkeuring onderworpen.

Bij geschil tusschen de gemeente en den staat wordt in dezelfde gevallen noch Onze goedkeuring, noch die van Gedeputeerde Staten vereischt. (G. 140; P. 143; Gem. 1S9, 207.)

195. De besluiten der gemeentebesturen tot het instellen, afschaffen of' veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen worden aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten onderworpen, zoover de goedkeuring daarvan niet bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan Ons is voorbehouden. (Gem. 144; P. 144.)

196. Gedeputeerde Staten beslissen omtrent de in de beide vorige artikelen bedoelde besluiten binnen dertig dagen na dien, waarop zij hun zijn aangeboden. (Gera. 167.)

197. Zij worden geacht het besluit goed te keuren, waaromtrent zij, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn, geene beslissing of geen berigt, de beslissing verdagende, aan het bestuur, dat het besluit nam, hebben ingezonden. (Gem. 170.)

198. Het besluit van Gedeputeerde Staten, waarby de goedkeuring van een der in artt. 194 en 195 bedoelde besluiten geweigerd wordt, is altijd met redenen omkleed.

199. Het voeren van een regtsgeding door de gemeente, zoo in

STAATSWETTEN. 9

129

ocr page 158

130 GEMEENTEWET,

hooger beroep en in cassatie, als in eersten aanleg, wordt door Gedeputeerde Staten niet toegestaan of geweigerd, dan nadat hun het regts-kundig onderzoek, te dien aanzien door het gemeentebestuur in te stellen, is medegedeeld. (Gem. 143, 194.)

200. In geval Gedeputeerde Staten het besluit van een gemeentebestuur weigeren goed te keureu, kan dit bestuur binnen dertig dagen, te rekenen van de dagteekening der beslissing van Gedeputeerde Staten, bij Ons voorziening vragen. (Gem. 209, 227.)

201. Onze beslissing, binnen twee maanden, nadat het verzoek om voorziening is gedaan, bij een met redenen omkleed besluit te nemen, wordt aan Gedeputeerde Staten gezonden, die, met den meesten spoed, voor de uitvoering zorgen. (P. 151.)

202. Indien een besluit van Gedeputeerde Staten, waarbg het besluit van een gemeentebestuur is goedgekeurd, door Ons wordt geschorst of vernietigd, neemt dat bestuur, met betrekking tot de by zijn besluit behandelde zaak, art. 159 in acht.

TIÏEL IV.

VAN DB BEGKOOTING VAN INKOMSTEN EN UITGAVEN DEK GEMEENTE EN DE DAAUTOE BETREKKELIJKE REKENING EN VERANTWOORDING.

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE BEGROOTING.

Art. 203. De begrooting der plaatselijke inkomsten en uitgaven wordt, met de noodige inlichting en bescheiden, jaarlijks, vier maanden vóór den aanvang van het jaar, waarvoor zij moeten dienen, door Burgemeester en Wethouders aan den Raad aangeboden.

Zij wordt, zoodra zij is aangeboden, op de secretarie der gemeente voor een ieder ter lezing nedergelegd, en hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling, tussclien welke en de behandeling der begrooting in den Raad ten minste veertien dagen moeten verloopen, geschiedt openbare kennisgeving. (P. 103.)

204. De begrooting der inkomsten vermeldt alle ontvangsten der gemeente van welken aard ook, en zooveel mogelijk, het bedrag, waarop elke post in het bijzonder wordt geraamd. (P. 115.)

205. Op de begrooting der uitgaven, die alle uitgaven der gemeente, van welken aard ook, vermeldt, worden gebragt:

a. de jaarwedden van den Burgemeester, de Wethouders, den Secretaris, den Ontvanger, den Commissaris van politie en de overige plaatselijke ambtenaren en bedienden;

b. het presentiegeld der leden van den Raad;

ocr page 159

GEMEENTEWET.

■ c.. de kosten van licht, brand en bureaubehoeften, benoodigd voor het gemeentebestuur;

d. de kosten der stukken, die ten behoeve der gemeente geschreven of gedrukt worden;

e. de kosten van het onderhouden, schoonhouden en meubelen van het gebouw of vertrek, voor de vergadering van den Raad, en van

». Burgemeester en Wethouders, mitsgaders voor de secretarie der gemeente bestemd;

f. de huur van dat gebouw of vertrek, waar het geen gemeenteeigendom is ;

y. de kosten van het aanleggen en bijhouden der registers van den burgerlijken stand;

h. die van het aanleggen en bijhouden van de dubbelen dei-leggers en plans van het kadaster;

i. die van het aanleggen en bijhouden der bevolkingsregisters; h. die van het aanleggen en bijhouden der kiezerslijsten en van

het uitoefenen der kiesverrigting, zoo, dat elke gemeente de kosten drage der verrigtingen, waarvoor haar bestuur heeft te zorgen;

L die van de zorg voor le plaatselijke wegen, straten, pleinen, vaarten, bruggen en audere plaatselijke werken, in den omvang bij art. 179/i aangeduid;

m. die van het aanleggen en onderhouden der algemeene begraafplaatsen ;

n. die der brandweer;

o. die van het onderhoud der gemeente-eigendommen en de wegens die eigendommen verschuldigde lasten;

p. die der kamers van koophandel en fabrieken;

q. die der plaatselijke gezondheidspolitie;

r. de renten en aflossingen van de door de gemeente aangegane geldleeningen;

s. alle opeischbare schulden der gemeente;

t. de kosten der door de gemeente gevoerde gedingen; u. de kosten van abonnement op het Staatsblad en op het i-V-o-vinciaal blad der provincie;

». de in art. 122 bedoelde kosten;

w. een post voor onvoorziene uitgaven;

x. alle uitgaven, door bijzondere wetten aan de gemeente ongeleed. (P. 107; L Ó. 43 volg.; Sch. 34.)

206. De begrooting der inkomsten en uitgaven wordt ingerigt naar voorschriflen, door Gedeputeerde Staten, onder Onze goedkeuring, te geven. (P. 108.)

207. Zij behoeft, om te werken, de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

Zij wordt hun, nadat zij door den Raad is vastgesteld, ten minste twee maanden vóór den aanvang van het jaar, waarvoor zij moet dienen, voorgedragen. (G-. 140; P. 143.)

131

9*

ocr page 160

GEMEENTEWET.

208. Gedeputeerde Staten beslissen over de begrooting vóór den aanvang van het jaar waarvoor zij moet dienen.

Zij kunnen de beslissing bij een, vóór dien tijd te nemen, met j redenen te omkleeden besluit, verdagen.

209. I)e Raad kan, indien Gedeputeerde Staten de begrooting weigeren goed te keuren, bij Ons voorziening vragen. Daarbij gelden

de artt. 200 en 201. (Gem. 227.) tv

210. Gedeputeerde Staten verkenen of onthouden hunne goedkeuring aan de begrooting in haar geheel, gelijk zij door den Raad is vastgesteld; behoudens het bepaalde bij art. 212. (P. 99, 110.)

211. Is hunne goedkeuring niet verleend aan de begrooting vóór den aanvang van het jaar, waarvoor deze moet dienen, dan magtigen zij het gemeentebestuur, tot op de helft der aangevraagde sommen nitgaven te doen uit die posten der begrooting, waartegen bij hen geene bedenking bestaat.

Zij magtigen daarbij tevens het gemeentebestuur tot ontvang van zoodanige inkomsten, waartegen zij geene bedenking hebben. (P. 111.)

212. Wanneer de Raad weigert, de door de wet aan de gemeente opgelegde uitgaven op de begrooting van uitgaven te brengen, geschiedt zulks door Gedeputeerde Staten.

Indien, in dat geval, de plaatselijke inkomsten niet toereikende zyn, en de Raad weigert, nieuwe middelen tot dekking voor te dragen, worden de overige, niet bij de wet aan de gemeente opgelegde uitgaven door Gedeputeerde Staten, bij een in het provinciaal blad te plaatsen besluit, in zoodanige reden verminderd, dat tusschen de plaatselijke inkomsten en uitgaven evenwigt zij. (P. 112.)

213. Buiten de begrooting kan geeue uitgaaf geschieden, dan met afzonderlijke, voorafgaande magtiging van Gedeputeerde Staten.

In buitengewone gevallen echter van dringenden spoed, kan de Raad tot het doen van zoodanige uitgaaf besluiten, mits zijn daartoe te nemen, met redenen te omkleeden besluit terstond aan Gedeputeerde Staten inzendende. Hij wijst tevens de middelen tot dekking aan.

De uitgaaf, door Gedeputeerde Staten goedgekeurd, wordt aan de begrooting toegevoegd.

Bij weigering van Gedeputeerde Staten is art. 209 toepasselijk.

Indien Wij de uitspraak van Gedeputeerde Staten bevestigen, zijn de leden van den Raad, die tot het besluit hebben medegewerkt, persoonlijk voor de uitgaaf aansprakelijk.

214. Af- en overschrijving op de posten der begrooting van uitgaven kan niet geschieden, dan voor zooverre daartoe bij de begrooting a zelve, of bij een afzonderlijk, door Gedeputeerde Stater, goedgekeurd besluit van den Raad magtiging is verleend. (G. 125; P. 113.)

215. Tot het bevelen der af- en overschrijvingen, waartoe bij de begrooting magtiging werd verleend, behoeven Burgemeester en Wethouders in elk geval de toestemming van den Raad. (P. ll-l.)

132

ocr page 161

GEMEENTEWET.

216. Op het besluit vaa Gedeputeerde Staten, houdende goedkeuring der begrooting, is art. 202 van toepassing.

217. In gemeenten, wier afdeelingen of dorpen een afzonderlijk verinogen, afzonderlijke inkomsten of lasten hebben, kan dit onderscheid blijven bestaan.

Buiten de gevallen, waarin de wet, bij vereeniging van gemeenten, zoodanig onderscheid vaststelt, kunnen afzonderlijke lasten en inkomsten, in bijzondere afdeelingen eener gemeente, waar het noodig is, bij een besluit van den gemeenteraad, onder onze goedkeuring. Gedeputeerde Staten gehoord, worden toegelaten. (G. 'ó; Gem. 128—133.)

Gedeputeerde Staten regelen, onder Onze goedkeuring, het verband dezer afzonderlijke huishoudingen met de algemeene huishouding der gemeente, overeenkomstig het stelsel dezer wet.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE HEKENING EN VERANTWOORDING,

Art. 218. Van de inkomsten en uitgaven der gemeente wordt door Burgemeester en Wethouders, over elk dienstjaar, verantwoording gedaan aan den Raad. onder overlegging van de hun door den Ontvanger, volgens art. 115 aangebodene rekening, die alle ontvangsten en uitgaven van het dienstjaar vermeldt. (Gem. 183; P. 119.)

219. Deze rekening wordt, met alle de daarbij beboerende bescheiden, en met vermelding van hetgeen Burgemeester en Wethouders ter hunner verantwoording dienstig achten, aan den Raad overgelegd binnen zeven maanden na afloop van het jaar, waartoe zij betrekking heeft.

Zij wordt tegelijk op de secretarie der gemeente voor een ieder ter lezing nedergelegd, en hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving. (Gem. 203.)

220. De Raad onderzoekt de rekening zonder uitstel en stelt het bedrag der ontvangsten en uitgaven voorloopig vast, bij een besluit, waarvan liet ontwerp hem, te gelijk met de rekening, wordt aangeboden.

Burgemeester en Wethouders zijn bij de beraadslagingen daarover tegenwoordig, doch onthouden zich van medestemming over het besluit. (P. 120.)

221. Het besluit van den Raad wordt, met de rekening en de daarbij behoorende bescheiden, binnen den termijn, door Gedeputeerde Staten telkens te bepalen, aan hen opgezonden. Zij sluiten de rekening vóór het einde van het jaar volgende op dat, waartoe zij betrekking heeft, en stellen het bedrag der ontvangsten en uitgaven vast.

133

ocr page 162

GEMEENTEWET.

Zij gaan hiertoe niet over, dan nadat htm is gebleken, dat de rekening gedurende ten minste veertien dagen op de secretarie ter lezing heeft gelegen. (Gem. 203, 219.)

222. Het beslnit van Gedeputeerde Staten, houdende vaststelling der ontvangsten en uitgaven, strekt, zoover de daarin goedgekeurde ontvangsten en uitgaven betreft, aan den Ontvanger en aan Burgemeester en Wethouders tot ontlasting.

Gedeputeerde Staten kunnen den Ontvanger of Burgemeester en Wethouders afzonderlijk ontlasten, zoo zy beider beheer voor geene gelijktijdige goedkeuring vatbaar oordeelen. (Gem. 226, 227.)

223. Op het besluit van Gedeputeerde Staten, in het vorig artikel bedoeld, is art. 202 van toepassing.

224. De uitgaven uit de plaatselijke kas worden bevolen door Burgemeester en Wethouders bij bevelschriften, door hunnen voorzitter en een der Wethouders te teekenen. (P. 122.)

225. In geval tot betaling van hetgeen door de wet aan de gemeente is opgelegd en op hare begrooting gebragt, geene bevelschriften worden afgegeven, kunnen Gedeputeerde Staten, na den Raad te hebben gehoord, onder persoonlijke aansprakelijkheid van hen die er toe medewerkten, bij een besluit de betaling bevelen.

Dat besluit geldt voor den Ontvanger als bevelschrift. (Gem. 114, 212.)

226. Burgemeester en Wethouders worden wegens uitgaven, door hen bevolen, waardoor het eindcijfer der begrooting of de aangewezen begrootingspost wordt overschreden, ot die ter kwader trouw zijn aangewezen op een post, waarmede die uitgaven niet overeenstemmen, tenzij blijke, dat zy tot het bevelen dier uitgaven niet hebben medegewerkt, persoonlijk aansprakelijk jegens de gemeente, indien die uitgaven, bij het in art. 222 bedoeld besluit van Gedeputeerde Staten niet onder de uitgaven der gemeente worden opgenomen.

De Eaad benoemt, wanneer daartoe volgens dit artikel termen zijn, iemand uit zijn midden, met de regtsvervolging tot schadevergoeding belast.

227. Door den Raad, door Burgemeester en Wethouders en door den Ontvanger kan tegen de beslissing van Gedeputeerde Staten omtrent de rekening by Ons voorziening worden gevraagd.

Daarbij gelden de artt. 200 en 201.

228. De termijnen van verjaring, voor de vorderingen ten laste van het Rijk, bij de wet bepaald of te bepalen, zijn op de vorderingen ten laste der gemeente van toepassing. (Wret 8 Nov. 1815, Stsbl. no. 51.)

Burgemeester en Wethouders brengen de termijnen, minstens eene maand voor den afloop daarvan, bij openbare kennisgeving in herinnering. (P. 125.)

134

ocr page 163

GEMEENTEWET. 135

TITEL V.

VAN DE GEMEENTE-EIGENDOMMEN, WEKKEN EN INRIGTINGEN. lt;

Art. 229. De gemeentfbesturen zorgen, dat een nauwkeurige staat opgemaakt en bijgehouden worde van hetgeen, naar het burgerlijk regt, eigendom der gemeente is.

Deze staat en de daarin jaarlijks gebragte verandering wordt aan (iedeputeerde Staten medegedeeld en, hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. (Gem. 72.)

230. De aan de gemeente behoorende wegen, straten, pleinen, grachten, vaarten, kanalen, bruggen, havens, kaden, wallen en openbare gebouwen mogen niet worden vervreemd, bezwaard of verpand, dan nadat zij door een besluit van den Raad verklaard zgn, ter openbare dienst niet meer bestemd te wezen.

Gedeputeerde Staten kunnen bevelen, dat in de gemeenten, waar het hun nuttig schynt, van de gemeentewegen, vaarten en andere, ter dienst van het algemeen bestemde, zaken een staat worde opgemaakt en hijgehouden. (Gem. 137, 205/.)

231. Behoudens bestaande wettige verpligtingen van anderen, is het onderhoud der in het vorig artikel bedoelde werken en gebouwen een gemeentelast.

TITEL VI.

VAN PLAATSELIJKE BELASTINGEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 232. Het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting wordt bepaald bij een besluit van den Raad, dat, in geval van invoering of wijziging, de voorwerpen, door de belasting te treffen, haar bedrag en bare grondslagen vermeldt. (G. 14-7; Gem. 145.)

233. Dit besluit wordt, binnen acht dagen nadat het is genomen, met al de voorschriften, betreffende de invordering der belasting, voorgedragen aan Gedeputeerde Staten, die Ons binnen zes weken na de dagteekening van het besluit verslag doen.

234. Onze beslissing omtrent het invoeren, wyzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting wordt bekend gemaakt binnen twee maanden, nadat Gedeputeerde Staten Ons daarover verslag hebben gedaan.

De beslissing kan door Ons, bij een, binnen dien tijd te nemen, met redenen te omkleeden besluit, worden verdaagd.

235. Bij het door Ons te nemen besluit tot goedkeuring der invoering of wijziging eener plaatselijke belasting worden de voorschriften, naar welke zij zal worden ingevorderd, aangehaald.

Zoo de Raad in de voorschriften, betreffende de invordering, wij-

ocr page 164

GEMEENTEWET.

ziging brengt, wordt de belasting dienovereenkomstig niet geheven, dan na op nieuw door Ons te zijn goedgekeurd.

236. De door den Raad vastgestelde en door Ons goedgekeurde bepalingen, betreffende plaatselijke belastingen, worden, zoo zij met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, op dezelfde wijze, waarop zg zijn gemaakt, onverwijld ingetrokken.

Bg gebreke dier intrekking kunnen zij door eene wet, die tevens, zoo noodig, de gevolgen regelt, worden geschorst of vernietigd.

237. De plaatselgke belastingen mogen den doorvoer, en den uitvoer naar en invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. (G. 147c, 136.)

238. Voor plaatselijke belastingen worden gehouden, of daarmede, wat de toepassing van de artt. 232—237 betreft, gelyk gesteld de in naam der gemeente gevorderde weg-, straat-, brug-, kaai-, haven-, kraan-, sluis-, dok-, boom- en veergelden, wik-, weeg-, meet- en keurloonen, gelden voor banken of staanplaatsen in hallen, op markten en dergelijke openbare plaatsen, begrafenisregten en andere gelden voor het gebruik of genot van openbare gemeentewerken, bezittingen of inriglingen, en dat van door of van wege het gemeentebestuur verstrekte diensten. (Gem. 240, 254.)

239. Ook op belasting in natnra, of verpligting tot arbeid of levering ten behoeve van gemeentewerken, z^n, zooveel de aard dei-zaak het toelaat, de artt. 232—237 van toepassing. (Gem. 193.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE BIJZONDERE SOORTEN VAN PLAATSELIJKE BELASTINGEN.

(Zooals gewijzigd bij de wet van 7 Juli 1865, Stsbl. no. 79 en 26 Juli 1885, Stsbl. no. 169.)

Art. 240. Tot dekking der plaatselijke uitgaven kunnen de gemeentebesturen :

lu. jaarlyks geheel of gedeelteiyk beschikken ten laste van het Rijk over eene som, geiyk staande met vier vyfde gedeelten van de zuivere opbrengst der hoofdsom en Ryks-opcenten van de belasting-op het personeel gemiddeld over de belastingjaren 1882-1883, 1SS3-1884 en 1884-1885 in hunne gemeente geheven; ')

2°. de volgende belastingen heffen;

opcenten op de hoofdsom der grondbelasting; (Ger,i. 242.)

opcenten op de hoofdsom der personele belasting eu andere daarvoor vatbare Ryks-belastingen, direct naar het vermogen of inkomen geheven, met uitzondering van het patentregt; (Gem. 240', 247.)

hoofdelijke omslagen of andere plaatseiyke directe belastingen; (Gem. 243, 245.)

136

eene belasting op de honden; (Gem. 253.)

1) De wet van 26 Juli 1885, Stsbl. no. 169, waarbij deze zinsnede is gewyzigd, bepaalt tevens dat zy vóór 1 Januari 1896 wordt herzien.

ocr page 165

GEMEENTEWET.

eene belasting op tooneelvertooningen en andere openbare vermakelijkheden ;

de regten, loonen en ar dere gelden, bedoeld in art. 238. (Gem. SSi.)

241. Belastingen op voorwerpen van verbruik worden niet geheven. (Gr. 147c.)

242. Het getal der opcenten op de grondbelasting kan voor de gebouwde eigendommen tot veertig, voor de ongebouwde tot tien gaan.

243. Hoofdelijke omslagen en andere plaatselijke directe belastingen worden geheven naar grondslagen, die voor een redeiyken maatstaf van het inkomen der belastingschuldigen te houden zijn.

Als grondslagen kunnen niet uitsluitend worden aangenomen een of meer grondslagen van de personele belasting, of van de andere in de zesde (5de) zinsnede van art. 240 bedoelde Rijks directe belastingen.

244. Vervallen.

245. In de hoofdelyke omslagen of andere plaatselijke directe belastingen worden uitsluitend aangeslagen zij, die in de gemeente hun hoofdverblyf houden, en zij, die er verblijven.

Daarin wordt over een dienstjaar:

door hem, die niet dat geheele jaar in de gemeente zijn hoofdverblijf hield of er verbleef, slschts voor zooveel twaalfden gedeeld, als zgn hoofdverblijf of verblijvin de gemeente maanden heeft geduurd; gedeelten van maanden voor geheele te rekenen;

door hem, die geene drie maanden van dat jaar in de gemeente verbleef, niet bijgedragen;

door hem, die, ter waarneming eener openbare betrekking, in eene gemeente buiten zijn hoofdverblijf tijdelijk vertoeft, in die gemeente niet bijgedragen.

In welke gemeente het hoofdverblijf, waarvoor men steeds in de lasten bijdraagt, gevestigd zij, wordt niet uitsluitend naar de verklaringen, in art. 76 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld, maar naar omstandigheden beoordeeld.

246. Vervallen.

247. Heffing van opcenten op de hoofdsom der personele belasting is niet geoorloofd, tenzij de opcenten op de hoofdsom der grondbelasting tot het in art. 24-2 genoemd cijfer zijn opgevoerd en een hoofdelijke omslag of andere directe belasting worde geheven, welker opbrengst met het bedrag der te beffen opcenten op de personele belasting minstens gelijk sta.

248-252. Vervallen.

253. Op bonden, uitsluitend gehouden ten dienste van den landbouw of eenig bedryf van nijverheid, of ter bewaking van gebouwen of erven, wordt geene. of eene mindere belasting, dan op andere honden, gelegd.

254. He aan het slot van art. 240 vermelde regten, loonen en gelden worden tot geen hooger bedrag geheven, dan noodig is te achten, om den betaler, naar evenredigheid van het gebruik of ge-

137

ocr page 166

GEMEENTEWET.

not, dat hij heeft, in de kosten van aanleg, onderhoud of verstrekking van het door hem gebruikte of genotene te doen dragen.

Poortgelden en recognitiën wegens de uitoefening of aanvaarding van bedrijven of bedieningen worden in geene gemeente geheven.

255. Bijzondere wetten, vóór deu Isten Januarij 1S66 voor te dragen, wijzen de gemeenten aan, in wier belang, uit hoofde van bijzondere omstandigheden, van de bij art. 241, en art. 254, 1ste zinsnede, gestelde regels kan worden afgeweken.

256. De voorschriften omtrent den vrijdom van plaatselijke belastingen, door vreemde gezanten of consuls, of personen, tot huune gezantschappen of consulaten behoorende, te genieten, worden door Ons gegeven.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE INVORDERING DKR PLAATSELIJKE BELASTINGEN.

Art. 257. De invordering der plaatselijke belastingen wordt geregeld bij plaatselijke verordeningen, overeenkomstig de bepalingen der artt. 258—269. (Gem. ^33, 235.)

258. Tegen hem, die nalaat de door hem verschuldigde plaatselijke belasting vóór of op den verschijndag te betalen, wordt door den ontvanger, die het aangaat, een dwangbevel afgegeven, medebrengende het regt, om de roerende en onroerende goederen des schuldenaars zonder vonnis aan te tasten.

259. De ontvanger geeft het dwangbevel niet af, dan na den belastingschuldige te hebben gewaarschuwd en vervolgens aangemaand.

Hij kan den nalatigen belastingschuldige, alvorens tegen hem een dwangbevel af te geven, door de inlegering van een krijgsman tot betaling dwingen.

260. De regelen, bij de wet op de invordering van 's Rijks directe belastingen gesteld of te stellen, ten aanzien der waarschuwing en aanmaning van den belastingschuldige, der inlegering bij en van het dwangbevel tegen hem, gelden voor de invordering der plaatselijke belastingen.

Daarbij gelden insgelijks de bepalingen dier wet omtrent, de kosten van vervolging. (Wet 22 Mei 1845, Stsbl. no. 22 en 1 Junij 1850, Stsbl. no. 2(5.)

Het dwangbevel door een gemeente-ontvanger uitgevaardigd, kan in het geheele Rijk worden ten uitvoer gelegd. ')

261. De beteekening van stukken, betreffende vervolging ter invordering van plaatselijke belastingen, geschiedt door een ambtenaar, daartoe door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen.

262. De plaatselijke belasting, die niet binnen drie jaren, te rekenen van het tijdstip waarop zij verschuldigd, of waarop de laatste acte van vervolging beteekend was, werd ingevorderd, is verjaard.

1) Deze laatste alinea is toegevoegd bg de wet van 7 July 1865, Stsbl. no. 79.

138

ocr page 167

GEMEENTEWET.

•ek- 263. De opcenten op 's Bijks directe belastingen worden, tegelijk

met deze, door 's Rijks ambtenaren ingevorderd, en vóór het einde ing van elke maand, volgende op die, waarin zij zijn ontvangen, aan den n. gemeente-ontvanger uitgekeerd. (P. 126.)

te 264. De kohieren der hoofdelijke omslagen en andere directe plaat-

'an selijke belastingen worden door Burgemeester en Wethouders ople

ste maakt en vastgesteld door den Baad.

Zij behoeven de goedkeuring van Gedeputeerde Staten, alvorens as- uitvoering te kunnen erlangen.

;e- Indien het besluit van Gedeputeerde Staten tot goedkeuring van

lor een kohier door Ons wordt geschorst of vernietigd, neemt het ge

meentebestuur, met betrekking tot dat kohier, art. 159 in acht.

Binnen veertien dagen na de goedkeuring worden de kohieren in afschrift gedurende vyf maanden op de secretarie der gemeente voor een ieder ter lezing nedergelegd. Van de nederlegging geschiedt

openbare kennisgeving. (Gem. 207, 219.) ')

265. Het aanslagbiljet wordt uitgereikt binnen twee maanden na de goedkeuring van het kohier, behelst een uittreksel uit het kohier, voor zooveel dit den aangeslagene betreft, en vermeldt den dag der uitreiking. Binnen drie maanden na die uitreiking kan de aangeslagene tegen zijn aanslag bij den Baad bezwaren inbrengen.

De Baad beslist daarop zoodra mogelijk en deelt zijne beslissing terstond aan den belanghebbende mede.

Deze kan binnen dertig dagen na die mededeeling by Gedeputeerde Staten in beroep komen.

Gedeputeerde Staten doen ten spoedigste uitspraak en deelen die aan den Raad en aan den belanghebbende mede. ')

266. De verpligting tot het betalen van den aanslag wordt door het indienen van bezwaren en het instellen van beroep, bedoeld in het vorig artikel, niet opgeschort.

Heeft de belastingschuldige vóór de eindbeslissing zgu aanslag geheel of gedeeltelijk betaald, dan wordt hem het te veel betaalde zoo spoedig mogelijk teruggegeven.

De bezwaarschriften tegen den aanslag en de beschikkingen en kwijtingen betreffende de teruggave van ten onregte betaalde belastingen zijn vrij van zegelregt. ')

t 267. De plaatselijke belastingen op voorwerpen van verbruik, waarvan binnen de gemeente een Bijksaccijns wordt betaald, worden, zooveel de wijze van invorderen van dezen accijns het toelaat, geheven door middel van opcenten op de hoofdsom van dien accijns.

Deze opcenten worden te gelijk met den accijns, en naar de regelen omtrent de heffing van deze bij de wet gesteld, ingevorderd.

139

Op den regel der eerste zinsnede kan, waar het in het belang der

J

1) Artt. 264, 265 en 266 aldus gewyzigd by de wet van 28 Juni 1861, Stsbl. no. 102.

ocr page 168

GEMEENTEWET.

gemeente wordt gevorderd, door Ons eene uitzondering worden toegelaten.

268. Teu behoeve der inning van de plaatselijke belastingen wordt niemand in den vervoer van, of de beschikking over zijne goederen meer beperkt, dan ter verzekering der inning noodig is. (G. 147; Gem. 247.)

269. Niemand wordt tot eenige betaling verpligt wegens de formaliteiten, door hem, ter verzekering der inning van de plaatselijke belastingen, te vervullen.

270. Afgeschaft bij art. 'id der wet van 15 April 188G, Stsbl. no. 64.

271. Ontduiking of overtreding ter zake van plaatselijke belastingen, de poging daartoe of de medepligtigheid daaraan, wordt gestraft met:

geldboete;

verbeurdverklaring van hetgeen het voorwerp der ontduiking of overtreding of poging daartoe is geweest;

verbeurdverklaring van hetgeen waarin dat voorwerp was vervat, als vaatwerk, kisten, baien, manden, zakken, en dergelijke. (Gem. 161 volg.)

272. Als boete wordt uitgesproken:

tegen de handelaars, fabrikanten of trafikanten, die een der in het vorig artikel bedoelde overtredingen, ten aanzien van voorwerpen, hun handel, fabrijk of trafijk betreffende, hebben gepleegd, of doen plegen, of gepoogd te plegen of te doen plegen, het zesdubbele van de verschuldigde belasting, doch ten minste vijftig gulden;

tegen bedienden, arbeiders en knechts van handelaars, fabrikanten of trafikanten en tegen alle door dezen bezoldigde personen, welke, zonder last hunner meesters, met betrekking tot de voorwerpen, in de vorige zinsnede bedoeld, een dier overtredingen hebben begaan, of gepoogd te begaan, het vierdubbele van de verschuldigde belasting, doch ten minste vijf en twintig gulden;

tegen andere personen, welke een dier overtredingen hebben begaan, het dubbele der verschuldigde belasting, doch ten minste vyf gulden;

tegen hen, die aan een dier overtredingen medepligtig zijn, het dubbele der verschuldigde belasting, doch ten minste twee gulden.

Bij herhaling dier overtredingen kan de geldboete werden verdubbeld. (Gem. 163.)

140

273. Voor de strafbaarheid der in art. 271 bedoelde poging en medepligtigheid gelden de eischen, in de artt. 45 en 48 van het Wetboek van Strafrecht voor strafbare poging tot en mec'epligtigheid aan misdrijf gesteld.

Dc artt. 271—282 zyn, met eenige wijzigingen (welke hier zijn opgenomen), van blyvende kracht verklaard by art. 25 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 169

GEMEKNTEWET.

274. De Eaad kan hem, die wegens een der in art. 271 bedoelde overtredingen meer dan eenmaal is veroordeeld geweest, gedurende zekeren tijd, doch voor niet meer dan twee jaren, het genot ontzeggen van crediet, of entrepot, of afschrijving of teruggaaf van belasting, hem bij de verordeningen, betreffende de plaatselijke belastingen, toegekend.

275. De processen-verbaal van de ambtenaren der plaatselijke belastingen omtrent de in art. 971 bedoelde overtredingen worden uiterlijk binnen vier en twintig uien, na ontdekking van de overtreding, opgemaakt, en zoo het opmaken niet door hen is geschied op den eed, bij den aanvang hunner bediening afgelegd, binnen twee maal vier en twintig uren na de opmaking voor den kantonregter of zijn plaatsvervanger beëedigd.

276. De ambtenaren der plaatselijke belastingen kunnen ten allen tijde, onder vertoon, des gevorderd, hunner acte van aanstelling, de bij de verordeningen op die belastingen aan hun toezigt onderworpen fabrijken, kelders, winkels, magazijnen en andere dergelijke plaatsen onderzoeken.

Zij kunnen echter de gedeelten dier gebouwen, die ter bewoning dienen, tusschen zons onder- en opgang niet onderzoeken, dan in bijzijn van den Burgemeester, of van een der Wethouders, of van een Commissaris van politie.

Woningen, niet tot de gemelde gebouwen behoorende, mogen zij niet binnentreden, dan tusschen zons op- en ondergang, en niet anders, dan in het bijzijn hetzij van den Burgemeester of van een der Wethouders, hetzij van een Commissaris van politie, voorzien van een bevel van den Burgemeester, hetwelk de Commissaris, des gevorderd, vertoont. (Wet, tot verzekering der uitvoering van sommige plaatselijke verord., van 31 Aug. 1853, Stsbl. no. S3.)

277. By ontdekking van een der overtredingen, in art. 271 omschreven, worden de goederen, voor verbeurdverklaring vatbaar, aangehaald, ten koste der verliezende partij, opgeslagen en onder bewaring gesteld van den gemeente-ontvanger.

Van de goederen wordt, alvorens zij in bewaring worden gesteld, inventaris opgemaakt, in tegenwoordigheid van de eigenaars of belanghebbenden, of in hunne afwezigheid, indien zij, behoorlijk opgeroepen, binnen twee dagen niet verschenen zijn. (Gem. 271.)

278. Aangehaalde goederen worden vrijgegeven, wanneer daarvoor ten genoegen van den gemeente-ontvanger borgtogt gesteld, of het bedrag der waarde in zyne kas gestort wordt.

279. Aangehaalde goederen worden, wanneer de verbeurdverklaring daarvan bij regterlijk vonnis is uitgesproken, in het openbaar door een deurwaarder of ander daartoe bevoegd persoon verkocht.

Goed, dat gevaar loopt te bederven, of levend vee kan, op mag-tiging van den kantonregter, te stellen op het proces-verbaal, en vrij van zegel en registratie, spoediger worden verkocht.

141

ocr page 170

GEMEENTEWET.

De opbrengst van den verkoop wordt in de kas van den gemeenteontvanger gestort.

280. De eigenaars van verkeerdelijk aangehaalde goederen, of zij wier belang daarbij is betrokken, hebben aanspraak op schadevergoeding.

Deze kan niet meer bedragen dan één ten honderd van de waarde der goederen in de maand, te rekenen van den dag der aanhaling tot aan dien der teruggave.

Indien verkeerdelijk aangehaalde goederen zijn verkocht, kunnen de eigenaars of belanghebbenden niet meer, dan de opbrengst terugvorderen.

281. De vervolgingskosten, die niet op een bekeurde kunnen worden verhaald, komen ten laste der gemeente.

282. De opbrengst der boeten en verbeurdverklaringen komt ten voordeele der gemeente. (Gem. 164.)

283. De wet van 29 April 1819 {Staatsblad no. 15) is ingetrokken.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 284. Alle bestaande plaatselijke ambtenaren en magten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze wet, zijn vervangen. (G. Add. 1; P. 175; Gem. 133.)

285. De Burgemeesters worden door Ons binnen twee jaren na de dagteekening dezer wet benoemd.

De eene helft der benoemden treedt af op den Isten January 1856, de andere op den Isten Januarij 1857.

De gemeenten, waar dit geschieden zal, worden door Ons aangewezen.

286. De eerste opmaking der in art. 6 der wet, regelende het kies-regt, bedoelde lijst van kiezers voor den gemeenteraad geschiedt in de eerste helft der maand Julij 1851.

De lijst wordt uiterlijk op den 15den Julij vastgesteld, en uiterlijk op den 25sten Augustus gesloten.

Bij deze opmaking komt alleen in aanmerking de aanslag op de kohieren der directe belastingen, op den 30sten April van dit jaar tot de loopende dienst behoorende.

287. De eerste keuze voor de leden van den Raad geschiedt op den tweeden Dingsdag der maand September van dit jaar. (P. 177.)

288. Het eerste der !e der leden van den Raad treedt af met den Isten Dingsdag van September 1853; de eerste helft der Wethouders met den eersten Dingsdag van September 1854. (P. 178.)

289. De dag der eerste bijeenkomst van den nieuwen l!aad wordt voor elke gemeente bepaald door Gedeputeerde Staten. (P. 179.)

290. De instructiën voor den Secretaris en den Ontvanger, de bepalingen omtrent de orde in de vergadering van den Raad, en alle omtrent punten, bij deze wet niet geregeld, geldende voorschriften

142

ocr page 171

GEMEENTEWET.

blijven gelden, totdat zij door andere worden vervangen. (P. 176.)

291. Alle bestaande plaatselijke verordeningen, tegen wier overtreding straf is bedreigd, worden binnen vijf jaren na de dagteeke-ning dezer wet met hare voorschriften in overeenstemming gebragt.

Alle plaatselijke belastingen worden binnen dien tijd herzien en aan Onze goedkeuring onderworpen.

Bij gebreke hiervan vervallen, na afloop van dat tijdvak, die verordeningen en belastinger.

292. Totdat daaromtrent by de wet anders zal zijn voorzien, blijven de bepalingen van art. 45 der wet op de regterlijke organisatie gelden. (Gem. 62.)

293. In gemeenten, geene vijf en twintig kiezers voor den Raad tellende, blijft de werking der artt. 4—3!), 131 en 132 dezer wet, voor zooveel de benoeming der bij deze laatste artikelen bedoelde commissie betreft, voorloopig geschorst.

De schorsing duurt niet langer dan twee jaren, te rekenen van de dagteekening dezer wet.

Middelerwijl blijven in die gemeenten de aldaar thans geldende bepalingen omtrent de vereischten voor het lidmaatschap van den Raad en de hiermede onvereenigbare betrekkingen en omtrent het getal, de benoeming, den tijd van zitting en de beëediging der Raadsleden gelden.

SLOTBEPALING.

Art. 294. Deze wet verbindt met den dag harer afkondiging. (A. 2; K. 123; P. 1S1.)

143

ocr page 172

WET

TOT VERZEKERING DER UITVOERING VAN SOMMIGE VOORSCHRIFTEN VAN PLAATSELIJKE VERORDENINGEN.

(Vastgesteld den Sisten Augustus 1853, Stsbl. no. 83, uitgegeven den 4den Sept. d.a.v.)

Art. I. Indien de zorg voor de nakoming van eenig voorsolirift eener plaatselijke verordening, hetwelk strekt tot handhaving van de openbare rust of veiligheid, of tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen, vereisoht, dat zij, die met de uitvoering belast zijn, of daartoe moeten medewerken, de bevoegdheid bezitten de woningen der ingezetenen, huns ondanks, binnen te treden, kan de gemeenteraad daartoe, hetzij hij diezelfde, hetzij hij afzonderlijke verordening, den last verstrekken. (G. 158.)

De bepalingen van artt. 167 en]68 der (Gem.)wet van 20 Junij 1851 {Staatsblad no. 85) zijn op elke verordening, waarin die last wordt gegeven, en waarop die lastgeving betrekking heeft, toepasselijk.

De onmiddellijke afkondiging, bij art. 171 dier wet vermeld, mag van zoodanige verordening in geen geval geschieden.

2. De verordening, welke den last geeft, kan, indien daartoe noodzakelijkheid bestaat, bepalen, dat de uitvoering ten allen tijde mag plaats hebben.

Zonder die bepalina: mag de last niet tussohen zons-onder- en opgang worden uitgevoerd.

3. De last kan niet worden uitgevoerd dan in bijzijn, hetzij van den kantonregter, hetzij van het hoofd of een der leden van het gemeentebestuur, of van een commissaris van politie.

Van deze uitvoering en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt door hem, die krachtens bovenstaande bepaling daarbij tegenwoordig is geweest, binnen tweemaal 24 uren proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezeten, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.

ocr page 173

144«

quot;WET,

HOUDENDE REGELING DER AFKONDIGING VAN ALGEMEENE MAATREGELEN VAN INWENDIG BESTUUR VAN DEN STAAT.

(Vastgesteld den 26sten April 1852, Stsbl. no. 92, uitgegeven den 5deii Mei d.a.v. Gewijzigd by de wet van 23 Juni 1893, Stsbl. no. 111.)

Art. I. De algemeene maatregelen vau inwendig bestuur van den Staat, zijn in het geheeie Koningrijk verbindend, uit kracht van hunne afkondiging door den Koning gedaan.

Zij werken terstond, nadat hunne afkondiging in alle deelen van het Koningrijk bekend kan zijn. (G. 73; A. 2.)

2. De afkondiging geschiedt:

door plaatsing in het Staatsblad,

door plaatsing in het Staatsblad en in de Staats-courant gelijktijdig.

Ingeval gelijktijdige plaatsing in het Staatsblad en de Staatscourant bevolen is, wordt het tijdstip, waarna de maatregel, overeenkomstig art. 3 dezer wet, zal werken, daarbij uitgedrukt.

3. De afkondiging wordt gerekend in het geheeie Koningrijk bekend te zijn op den twintigsten dag na dien der dagteekening van liet Staatsblad, waarin de algemeene maatregel van inwendig bestuur is opgenomen, of, indien bij het besluit, houdende vaststelling van zoodanigen maatregel, behalve de plaatsing in het Staatsblad, ook gelijktijdige opneming in de Staats-couran/ is bevolen, op den tweeden ') dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en van de Staats-courant, waarin de algemeene maatregel van inwendig bestuur geplaatst is. (A. 2.)

!)«

1) Hei noord „vijfdenquot; aldus veranderd in „tweedenquot; bij de wet van 33 Juni 1893, Stsbl. no. UI.

STAATSWETTEN.

ocr page 174

WET

OP HET NEDERLANDERSCHAP EN HET INGEZETENSCHAP.

(Vastgesteld den iaden December 1893. Stsbl. no. 268. uitgegeven den 24sten Pee. d.a.v.)

Art. I. Nederlanders door geboorte zijn;

a. het wettig, gewettigd of door den vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader den staat van Nederlander bezit 4, het wettig kmd van een Nederlander die binnen driehonderd daaen vóór de geboorte van het kind overleed,

c. het alléén 'door de moeder erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de moeder den staat van Nederlander bezit;

d. het noch door den vader noch door de moeder erkend natuurlijk kind, in het Rijk geboren. (B.W. 305 volg., 327 volg., 3i5 volg.)

2. Nederlanders zijn ook; , j i ^ „

a. het kind van een ingezetene des Rijks —hetzij vader, hetzij moeder, naar de in art. 1 gemaakte onderscheidingen — die zelf geboren is uit eene in het Rijk wonende moeder, tenzij blijke dat liet kind als vreemdeling tot een ander land behoort;

b. het in het Rijk te vondeling gelegd of verlaten kind, zoolang van zijne afstamming, hetzij als wettig of gewettigd kmd, hetzij dooi

erkenninG*. niet bin kt. , i j i 4.

3. Nederlanderschap door naturalisatie wordt verkregen door het in werking treden der wet waarbij zij verleend wordt.

Voor elke naturalisatie is aan 's lands kas verschuldigd honderd

SUlKj het verzoek om naturalisatie legt de verzoeker het bewijs over;

iü. dat hij meerderjarig is in den zin der Nederlandscne wet, (1gt;.VV. 385 ^

2». dat hij het Nederlanderschap verloren heeft of dat hy gedurende de laatste vijfjaren zijne woonplaats of zijn hoofdverblijl inhet Ryk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen gehad heelt 30. dat hi.j bij een ontvanger der registratie eene som van honderd

gulden heeft gestort. , . , , . . . ,lo

Indien de verzoeker tot een ander land behoort, kan van hem de overlegging gevorderd worden van een bewijs, dat de wetgeving van dat land geen beletsel tegen zijne naturalisatie in Nederland opleveit.

Ingeval de naturalisatie niet verleend wordt, wordt de gestorte som aan den verzoeker teruggegeven. (4.)

ocr page 175

WET NEDERLANDERSCHAP EN INGEZETENSCHAP.

4. Naturalisatie kan ook om redenen van staatsbelang worden verleend. Daarbij is artikel 3 niet van toepassing.

De wet, waarbij zij verleend wordt, regelt in ieder bijzonder geval de voorwaarden, aan die naturalisatie verbonden.

5. De vrouw volgt staande huwelijk den staat van haren man. (72.)

Een verzoek om naturalisatie kan niet door eene gehuwde vrouw

worden gedaan.

De naturalisatie, verleend aan den man, strekt zich van rechtswege uit tot zijne vrouw.

Na ontbinding des huwelijks geldt artikel 8 of artikel 9.

6. Het wettig of gewettigd kind van een als Nederlander genatu-raliseerden vader, vóór diens naturalisatie geboren, gelijk mede het door zijn als Nederlander genaturaliseerden vader erkend natuurlijk kind, vóór diens naturalisatie geboren, wordt als mede-genaturaliseerd

zlt; beschouwd, en behoudt den staat van Nederlander totdat het, meer-er^ derjarig geworden in den zin der Nederlandsche wet, mits binnen het jaar daarna, aan den burgemeester of het hoofd van het plaatse-van lijk bestuur zijner laatste woonplaats in het Rijk of zijne koloniën of ; bezittingen in andere werelcdeelen of aan den Mederlandschen gezant

'lijk of eenen Nederlandschen ccnsulairen ambtenaar in het land, waar ;•) het woont, zijn wil te kennsn geeft om in de naturalisatie niet langer te zijn begrepen.

noe- Hetzelfde geldt ten aanzien van het wettig of gewettigd kind, in-

gt;ren dien de moeder, weduwe geworden, genaturaliseerd is, en ten aanzien ;ind van het natuurlijk kind, alléén door zgne moeder erkend en vóór

hare naturalisatie geboren.

van 7. Nederlanderschap wordt verloren:

ioor 1quot;. door naturalisatie in een ander land, of, voor zooveel een min

derjarige betreft, door het deelachtig worden van eene vreemde natio-bet naliteit door de naturalisatie hetzij van den vader hetzij van de moeder,

naar de in artikel 1 gemaakte onderscheidingen, in een ander land; ierd 2». door huwelijk van de Nederlandsche vrouw die, door of ten

gevolge van haar huwelijk, krachtens art, 5 vreemdeling wordt; ver: 3°. door het verkrijgen van eene vreemde nationaliteit door den

i.W. wil van den verkrijger;

4°. door zonder Ons verlof zich te begeven in vreemden krijgs- of ende staatsdienst;

Rijk 5°. door, behalve ter zake van 's lands dienst, woonplaats te heb-eeft; ben buiten het Rijk en zijne koloniën of bezittingen in andere we-derd relddeelen gedurende tien achtereenvolgende jaren, tenzij de afwezige vóór liet verstrijken van dien termijn aan den burgemeester of het ii de hoofd van het plaatselijk bestuur zijner laatste woonplaats in het Rijk van of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den vert. Nederlandschen gezant of een Nederlandschen consulairen ambtenaar som in het land, waar hij woont, kennis geve, dat hij Nederlander wenscht te blijven.

STAATSWETTEN. 10

Ié5

ocr page 176

WET NEDEELANDERSCHAP EN INGEZETENSCHAP.

Van den dag waarop die kennisgeving ontvangen is, begint de tienjarige termijn opnieuw te loopen.

Ten opzichte van minderjarigen begint de tienjarige termijn te loopen met den dag hunner meerderjarigheid in den zin der Nederland-sche wet. (B.W. 385.)

8. De vrouw, die door of ten gevolge van haar huwelijk den staat van Nederlander verloren heeft, bekomt dien door de ontbinding van het huwelijk terug, mits zij binnen het jaar daarna haren wil om dien terug te bekomen aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur harer woonplaats in het Rijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den Nederlandsehen gezant of een Nederlandschen consulairen ambtenaar in het land, waar zij woont, te kennen geeft. (5.)

9. De vrouw, die door of ten gevolge van haar huwelijk den staat van Nederlander bekomen heeft, behoudt dien na de ontbinding des huwelijks, tenzij zij binnen het jaar daarna haren wil om dien niet langer te behouden aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur harer laatste woonplaats in het Kijk of zyne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den Nederlandschen gezant of een Nederlandschen consulairen ambtenaar in het land, waar zg woont, te kennen geeft. (5.)

10. Het wettig, gewettigd of erkend natuurlijk kind van een Nederlander, geboren vóór dat deze in een ander land werd genaturaliseerd, ten gevolge waarvan het kind mede den staat van Nederlander verloor, bekomt dien terug, mits het, meerderjarig geworden in den zin der Nederlandsche wet, binnen het jaar daarna zyn wil om dien terug te bekomen aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur zijner woonplaats in het Rijk of zyne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den Nederlandschen gezant of een Nederlandschen cousulairen ambtenaar in het land, waar het woont, te kennen geeft.

Hetzelfde geldt ten aanzien van het wettig of gewettigd kind, indien de moeder, weduwe geworden, in een ander land was genaturaliseerd en ten aanzien van liet natuurlijk kind, alléén door zijne moeder, die in een ander land werd genaturaliseerd, erkend.

11. Eenmaal 's jaars doet de Minister van Justitie van de kennisgevingen, volgens deze wet in het buitenland gedaan, aankondiging in de Staatscourant.

12. Allen die volgens deze wet den staat van Nederlander niet bezitten, zyn vreemdelingen.

13. Ingezetenen van het Rijk zijn zij, die hunne woonplaats in het Ryk hebben en haar gedurende de voorafgaande achttien maanden in het Rijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen gehad hebben.

14. Het Ryksingezetenschap houdt op door vestiging der woonplaats buiten het Rijk.

146

ocr page 177

WET NEDERLANDERSCHAP EK INGEZETENSCHAP. 147

15. Ben minderjarige in den zin der Nederlandsche wet, wiens vader of voogd Ryksingezetene is, wordt als zoodanig aangemerkt.

Meerderjarig geworden, behoudt hij de hoedaniglieid van Kijks-ingezetene, indien hij zijne woonplaats in het Rijk vestigt.

16. De bepalingen van ingezetenscliap, in bijzondere wetten voorkomende, gelden alleen voor zooveel betreft de onderwerpen, in die wetten behandeld.

Overgangsbepal ing.

Met uitzondering van hen, die in Nederlandsch-Indië ingevolge de wet van 2 September 1854 (Staatsblad no. 120) als inlanders eu met dezen gelijkgestelden worden beschouwd, zijn zij die op het tgd-stip, waarop deze wet in werking treedt, den staat van Nederlander bezitten, Nederlanders in den zin van deze wet, totdat zij het Nederlanderschap volgens deze wet verliezen. Voor hen die op dat tijdstip hunne woonplaats hebben buiten het Rijk en zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen, begint de termijn van tien jaren, bedoeld in artikel 7, sub Squot;., van genoemd tijdstip af te loopen.

Hij die op het tijdstip, waai'op deze wet in werking treedt, in het Rijk uit aldaar niet gevestigde ouders geboren en geen 24 jaren oud is, verkrijgt den staat van Nederlander door eene kennisgeving van zijn voornemen om in het Rijk te blijven wonen, te doen aan den burgemeester zijner woonplaats binnen het jaar na dat tijdstip, of, indien hij nog minderjarig is in den zin der Nederlandsche wet, binnen het jaar na zijne meerderjarigheid.

Ten aanzien van de vreemdelingen, die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, voldaan hebben aan artikel 8 van het Burgerlijk Wetboek, blijft, wat de toepassing betreft van het burgerlijk recht en van artikel 1!) der wet van 13 Augustus 1849 (Staatsblad no. 39), gewijzigd bij de wet van ö April 1875 (Staatsblad no. 66), de gelijkstelling met Nederlanders gehandhaafd, zoolang zij hunne woonplaats in het Rijk behouden.

Slotbepaling.

Behoudens het bepaalde in de voorgaande overgangsbepaling, vervallen bij het inwerkingtreden dezer wet de artikelen 5 tot en met 12, uitmakende den tweeden titel van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek, en de wetten van 28 Juli 1850 (Staatsblad no. 44) en 3 Mei 1851 (Staatsblad no. 4(1), gelijk mede de wet van 21 December 1850 (Staatsblad no. 75.)

In de wetten, waarin sprake is van Nederlanders, hetzij volgens het Burgerlijk Wetboek, hetzij volgens de wet ter uitvoering van art. 7 der Grondwet (wetten van 28 Juli 1850, Staatsblad no. 44, en 3 Mei 185], Staatsblad no. 46), wordt, in plaats daarvan, gelezen

10*

ocr page 178

148 WET NEDERLANDERSCHAP EN INGEZETENSCHAP.

„Nederlanders volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschapquot;, behalve in art. 22 der wet van 6 April 1875 {Staatsblad no. 66), waarin de woorden: „volgens het Burgerlijk Wetboekquot; vervangen worden door: „volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, alsmede hen, die in de Nederlandsche koloniën \ of bezittingen in andere werelddeelen uit aldaar gevestigde ouders 1 zijn geborenquot;.

Deze wet treedt in werking op 1 Juli 1893.

ocr page 179

quot;WET

TOT REGELING DER TOELATING EN UITZETTING VAN VREEMDELINGEN.

«gt;

(Vastgesteld den 13den Augustus 1849, Stsbl. uo. 39, uitgegeven den lOden September d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 6 April 1875, Stsbl. no. 66 en 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Art. I. Alle vreemdelingen, die voldoende middelen van bestaan hebben, of door werkzaamheid kunnen verkrijgen, worden in Nederland toegelaten op den voet, bij de vier eerstvolgende artikelen omschreven. (G. ib.)

2. De toelating heeft plaats op een regelmatig buitenlandsch paspoort.

Buitenlandsche paspoorten ;:ijn regelmatig, wanneer zij zijn;

(i. afgegeven door of van wege do regering van het land, waartoe de vreemdeling behoort;

b. geviseerd voor de reis herwaarts door eenen Nederlandschen diplomatieken of consulairen agent bij die regering;

c. niet verjaard.

3. Ook het bezit van andere geleibrieven kan de toelating wettigen, mits daaruit blijke, wie de houder is, en van waar en met welk doel hij herwaarts komt.

4. Zelfs kunnen vreemdelingen worden toegelaten op bloote aanmelding van hunne personen, met opgave, wie zij zijn, en van waar en met welk doel zij herwaarts komen. (Wet, doortoclit en vervoer van landverhuizers, v. 1 Juni 1861, Stsbl. no. 53, zooals nader gewijzigd.)

In dit geval kan gevorderd worden een bewijs van bekendheid, door twee of meer bij de politie bekende personen geteekend.

5. De toelating geschiedt door het hoofd van politie der gemeente aan de grenzen of ter plaatse van eerste aankomst, met uitreiking van eene reis- en verblijfpas, hetzij al dan niet tegen in-bewaar-geving van het buitenlandsche paspoort of van andere vertoonde geleibrieven.

6. De reis- en verblijfpassen zijn geldig voor den tijd van drie maanden. Zij kunnen worden verlengd door het hoofd van politie, ter plaatse waar de vreemdeling zich bevindt.

De verlenging dezer passen kan alleen wordeu geweigerd wegens gemis van de vereischten, bij art. 1 bedoeld.

ocr page 180

VREEMDELINGEN-WET.

Wanneer de betrokken ambtenaar van politie meent, dat de verlenging van de reis- en verblijfpas niet kan worden toegestaan, zal bij de weigering onverwijld aan de beoordeeling van den kantonreg-ter onderwerpen, om daaromtrent te bandelen overeenkomstig art. 11. |

7. De vreemdelingen zijn verpligt, bnnne reis- en verblijfpassen en de buitenlandselie paspoorten of andere geleibrieven, die in bnn bezit zijn, te vertoonen aan de ambtenaren van politie, die zulks mog-ten vorderen, en aan de bewoners der huizen, waarin zij worden opgenomen.

8. Aan vreemdelingen, die binnen 's lands zonder reis- en verblijfpas worden aangetroffen, kan door het hoofd van politie der gemeente, binnen welke zij zich bevinden, zoodanige pas alsnog worden afgegeven, met inachtneming der regelen, voor de toelating van eerst aankomende vreemdelingen vastgesteld.

9. Niet toegelaten vreemdelingen, die geene reis- en verblijfpas kunnen bekomen, binnen 's lands gevonden wordende, moeten over de grenzen worden gebragt.

10. Toegelaten vreemdelingen kunnen niet over de grenzen worden gebragt, dan op bevel van den kantonregter der plaats, waar zij zich ophouden, of op onzen last.

11. De kantonregter kan geene uitzetting bevelen dan wegens gemis der vereischten, in art. 1 omschreven, en na den vreemdeling te hebben gehoord, of nadat deze daartoe behoorlek is opgeroepen.

Van dit verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt.

Indien de vreemdeling niet is verschenen, wordt daarvan in het bevel tot uitzetting melding gemaakt.

Het bevel van uitzetting moet met redenen omkleed zijn.

Van het proces-verbaal en het bevel van uitzetting zendt de kantonregter afschriften aan Onzen Commissaris in de provincie.

Wij behouden Ons de bevoegdheid voor, om het bevel van uitzetting, of de uitvoering er van, op te heffen.

Het is echter uitvoerbaar, niettegenstaande een beroep op Ons, of, overeenkomstig art. 20, op den Hoogen Raad,

12. De vreemdeling, gevaarlijk voor de publieke rust, kan op Onzen last worden uitgezet.

De vreemdeling, wiens uitzetting door Ons is bevolen, is verpligt binnen veertien dagen na bekomen kennisgeving het Rijk te verlaten. Gedurende dien tijd kan hij gebruik maken van de bevoegdheid, bij art. 20 dezer wet verleend, en inmiddels in verzekerde bewaring gesteld worden.

Wanneer hij van die bevoegdheid geen gebruik gemaakt, of de Hooge Raad zijne bezwaren ongegrond bevonden heeft, wordt aan den last tot uitzetting onmiddellijk gevolg gegeven.

Hij wordt dan verwijderd, zoo mogelijk over die grens, welke hij zelf zal aanwijzen.

150

13.

linge

nen

bepa

medi

14

het

ocr page 181

VREEMDELINGEN-WET.

13. Wij behouden Ons de bevoegdheid voor, om aan vreemdelingen, gevaarlijk voor de publieke rust, eene bepaalde plaats binnen het Koningrijk tot verblijf aan te wijzen, of hun het verblijf op bepaalde plaatsen van het Rijk te ontzeggen.

Van de Koninklijke besluiten, in dit en art. 12 bedoeld, wordt mededeeling gedaan aan de Kamers der Staten-Generaal.

14. [Vreemdelingen, die, binnen vijf jaren na dagteekening van het bevel van uitzetting eens kantonregters, binnen 's lands worden aangetroffen, zonder van eene latere toelating te kunnen doen blijken, worden gestraft met gevangenis van acht dagen tot drie maanden.] ')

15. [Vreemdelingen, die tegen eene uitzetting, op Onzen last, zonder dat deze is opgeheven, in Nederland terugkeeren, worden gestraft met gevangenis van drie tot zes maanden.] •)

In de gevallen, bij dit en het voorgaand artikel voorzien, worden de veroordeelden, na afloop der straf, over de grenzen gebragt.

16—18. Ingetrokken bij art. 1 der wet van li April 1875, Ütsbl. no. 6(i, „op de uitlevering van vreemdelingenquot;.

19. De bepalingen dezer wet zijn niet toepasselijk op vreemdelingen, die, naar art. 8 van het Burgerlijk Wetboek, met Nederlanders zijn gelijkgesteld, en met betrekking tot deze wet voor ingezeten worden gehouden, noch op den binnen liet Kijk gevestigden vreemdeling, die met eene Nederlandsche vrouw is gehuwd of gehuwd geweest en uit haar een kind of kinderen heeft, in Nederland geboren. (Art. 22, Wet op de uitlevering, 6 April 1875, Stsbl. no. 66; alinea 8 overgangsbepaling der wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 Deo. 1892, Stsbl. no. 268.)

20. Allen, op wie deze wet van toepassing mogt worden gemaakt, en die beweren Nederlanders te zijn ol' in de uitzonderingen van het voorgaand artikel te vallen, kunnen zich, doch alleen op die gronden, bij verzoekschrift, en, in de gevallen, bij de artt. 12 en 18, met inachtneming van den termijn, bij die artikelen gesteld, tot den Hoogen Haad wenden, ten einde te doen verklaren, dat deze wet op hen van geene toepassing is.

De Hooge Raad beoordeelt deze vraagpunten, na den procureur-generaal te hebben gehoord, en doet alleen daarop uitspraak.

151

21. Alle acten en stukken, ten gevolge dezer wet op te maken of af te geven, zgu vry van zegel-, registratie- en griffle-regten.

Ike

i

1) Deze strafbepalingen zijn afgeschaft bij art. 3(1 der wet van 15 April 1886 Stsbl. no. 64. Zie thans art. 197 van het Wetboek van Strafrecht.

ocr page 182

WET

TOT REGELING DER ALGEMEENE VOORWAARDEN, OP WELKE. TEN AANZIEN VAN DE UITLEVERING VAN VREEMDELINGEN, VERDRAGEN MET VREEMDE MOGENDHEDEN KUNNEN WORDEN GESLOTEN.

(Vastgesteld den 6den April 1875k Stsbl. no. 66, uitgegeven den ISden April d.a.v. Gewijzigd by de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.) 1)

Art. I. De artt. 16, 17 en 18 der wet van 13 Augustus 1840 {Staatsblad no. 39) worden ingetrokken.

Ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen worden geene nieuwe verdragen gesloten of bestaande vernieuwd, dan met inachtneming van de bepalingen dezer wet.

2. Vreemdelingen worden niet uitgeleverd dan wegens de volgende misdrijven, buiten het Rijk gepleegd:

*1°. a. aanslag, ondernomen met het oogmerk om den Koning, de regerende Koningin, den Regent of een ander hoofd van een bevrienden staat van het leven of de vrgheid te berooven of tot regeren ongeschikt te maken;

b. aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-regeren de Vorstin, van den Troonopvolger of van een lid van het vorstelyk huis;

*2°. doodslag of moord, kinderdoodslag of kindermoord;

*3°. bedreigingen strafbaar gesteld bij bet tweede lid van art. 285 van het Wetboek van Strafrecht;

*4°. het opzettelijk veroorzaken van de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw door haar zelve of door anderen; (S.ft. 295 volg.)

*5quot;. mishandeling die zwaar ligchamelijk letsel of den dood ten

gevolge heeft, mishandeling met voorbedachten rade of zware mis-andeling; (S.R. 300 volg.)evolge heeft, mishandeling met voorbedachten rade of zware mis-andeling; (S.R. 300 volg.)

*0°. verkrachting of een der misdreven tegen de zeden strafbaar

]) De met * gemerkte alinea's en artikels zyn aldus gewijzigd bij art. 18 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 183

WET OP DE UITLEVERING ENZ.

gesteld bi] de artt. 243 tot en met 247 van het Wetboek van Strafrecht ;

*7°. koppelarij;

8°. dubbel huwelijk; (£.R. 237.)

9°. opligting of wegvoering, verberging, wegmaking of onderschuiving van een kind;

]00. opligting of wegvoering van een minderjarige; (S.R. 279, 280.)

*11°. het namaken of vervalschen, met het in art. 208 van het Wetboek van Strafrecht omschreven oogmerk, van muntspeciën of muntpapier of het opzettelijk in omloop brengen van valsche of ver-valschte muntspeciën of mantpapier;

*12°. valschheid in zegels en merken strafbaar gesteld bij de artt. 216 en 217 van het Wetboek van Strafrecht;

*13°. valschheid in geschriften, strafbaar gesteld by de artt. 225 tot en met 227 van het Wetboek van Strafrecht, benevens het in voorraad hebben of invoeren van billetten eener krachtens wettige verordeningen van den Staat opgerichte circulatiebank, waarvan de valschheid of rervalsching den dader toen hij ze ontving bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven;

*14°. meineed; (S.R. 207.)

*15°. omkooping van ambtenaren strafbaar gesteld bij de artt. 178, 363 en 364 van het Wetboek van Strafrecht, knevelarij, verduistering door ambtenaren of daarmede gelijkgestelden;

s160. brandstichting in de in art. 157 en art. 328 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gevallen;

*17°. opzettelijke en wederregtelijke vernieling van een gebouw strafbaar gesteld bij art. 352 van het Wetboek van Strafrecht of van een gebouw of getimmerte in de in art. 170 van voormeld Wetboek strafbaar gestelde gevallen;

*18quot;. openlijk geweld met vereenigde krachten tegen personen of goederen, omschreven in art. 141 van het Wetboek van Strafrecht;

*19°. het in de in art. 168 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde gevallen opzettelijk en wederregtelijk doen zinken of stranden, vernielen, onbruikbaar maken of beschadigen van vaartuigen;

20°. muiterij en verzet van passagiers tegen den schipper, en van mindere schepelingen jegens hunne meerderen in rang;

21quot;. het opzettelijk doen ontstaan van gevaar voor een spoortrein;

22°. diefstal; (S.li. 310.)

23°. opligting; (S.R. 320.)

24quot;. misbruik van eene handteekening in blanco; (S.R. 225.)

*25°. verduistering; (S.R. 321.)

20°. bedriegelyke bankbreuk. (S.Il. 341.)

3. De uitlevering kan geschieden niet alleen wegens het begaan van het misdrijf, maar ook wegens poging daartoe of medepligtigheid daaraan, voor zoover die poging of die medepligtigheid ook hier te lande strafbaar is. (S.R. 45, 47 volg.)

153

ocr page 184

WET OP DE UITLEVERING

4. Geene uitlevering wordt toegestaan zoolang de vreemdeling wegens het buiten het Rijk gepleegde misdrijf hier te lande wordt vervolgd, of wanneer hij deswege hier te lande heeft teregt gestaan en hetzij veroordeeld, hetzij vku regtsvervolging ontslagen of vrijgesproken is.

5. Geene uitlevering wordt toegestaan wegens misdrijven, waarvan de vervolging of de opgelegde straf vóór de aanhouding hier te lande, of. zoo er nog geene aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door de regtbank te worden gehoord, naar de Nederlandsche wetgeving is verjaard.

6. quot;Indien de vreemdeling wegens een ander strafbaar feit dan dat waarvoor zijne uitlevering wordt aangevraagd hier te lande vervolgd wordt of straf ondergaat, kan de uitlevering niet worden toegestaan dan na den afloop der hier te lande ingestelde vervolging en nadat hij de hem opgelegde straf zal hebben ondergaan, of hem daarvan gratie zal zyn verleend.

Deze bepaling belet niet dat de vreemdeling tijdelijk worde uitgeleverd, ten einde in den vreemden staat teregt te staan, onder voorwaarde dat hij na afloop van het onderzoek worde teruggevoerd,

*7. Geene uitlevering wordt toegestaan dan onder voorwaarde dat de uitgeleverde niet zal mogen worden vervolgd of gestraft voor eenig in het verdrag niet genoemd strafbaar feit vóór zijne uitlevering gepleegd, dan nadat hij, na zijne uitlevering, eene maand de vrijheid heeft gehad om het land weder te verlaten.

8. De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieken weg.

Zij wordt niet toegestaan dan na advies van de regtbank, onder

welker regtsgebied de opgeëischte persoon is aangehouden of zich bevindt.

De regtbank beslist bij haar advies welke der in beslag genomen goederen ingeval van uitlevering aan den opgeëischten persoon zullen worden teruggegeven, welke, als stukken van overtuiging, zullen worden afgegeven.

9. In afwachting van de aanvrage langs diplomatieken weg kan de vreemdeling, wiens uitlevering kan worden aangevraagd, op last van een officier of hulp-officier van justitie voorloopig worden aangehouden op aanvrage van de magt, in den vreemden staat tot voorloopige aanhouding bevoegd en als zoodanig in het verdrag aangewezen.

De op en bij hem zijnde goederen kunnen in beslag genomen worden.

Geschiedt de aanhouding op last van een hulp-officier van justitie, dan stelt deze den aangehoudene onverwijld ter beschikking van den officier.

10. De officier kan, na den aangehoudene te hebber, gehoord, een bevel van voorloopige aanhouding tegen hem uitvaardigen, dat aan den aangehoudene binnen tweemaal vier en twintig uren wordt beteekend.

154

ocr page 185

VAN VREEMDELINGEN.

*üe officier beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van den aangehoudene, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde bewaring te blijven, en de teruggave van de in beslag getomen goederen, ten ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, een en ander indien hem geene aanvrage tot uitlevering, met de daarbij noodige bescheiden, is medegedeeld binnen een termijn, bij het verdrag te bepalen, en van niet langer dan;

1°. twintig dagen na ds dagteekening van het bevel van aanhouding, indien de aanvrage tot aanhouding namens eene Europeesche regering is gedaan;

2quot;. drie maanden na die dagteekening, indien zij namens eene niet-Europeesche regering is gedaan.

Geschiedt de aanvrage tot uitlevering binnen den gestelden ter-tnyn, dan wordt vei'der gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artt. 13 tot en met 18.

11. Bij de aanvrage tot uitlevering door de vreemde regering gedaan, moet, in het oorspronkelijke of in gewaarmerkt afschrift, worden overgelegd hetzij het vonnis van veroordeeling, hetzij het vonnis van in staat van beschuldiging stelling of van regtsingang met bevel van gevangenneming, hetzij eene daarmede gelijk te stellen akte, in den vreemden staat gebruikelijk, en als zoodanig in het verdrag aangewezen.

12. Vreemdelingen, wier uitlevering krachtens verdrag wordt aangevraagd, kunnen, voor zoover dit niet reeds geschied is, worden aangehouden. (Verdrag met België, zie K.B. (i Juni 1889, Stsbl. no. 93; verdrag met V. S. Amerika, zie K.B. 9 Juni 1889, Stsbl. no 74.)

Het bevel van aanhouding moet hun binnen tweemaal vier en twintig uren worden beteekend.

De op en bij hen zynde goederen kunnen worden in beslag genomen.

Binnen vier en twintig uren na de aanhouding wordt daarvan kennis gegeven aan den officier van justitie bij de regtbank, binnen welker regtsgebied zij heeft plaats gehad.

13. Üe officier requireert binnen drie dagen na de aanhouding en, zoo deze geen plaats heeft gehad of reeds vóór de aanvrage is geschied, binnen drie dagen na daartoe te zijn aangeschreven, dat de opgeëischte persoon door de regtbank worde gehoord, en dat deze haar advies uitbrenge over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering.

14. Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëischte persoon de behandeling der zaak met gesloten deuren verlange, of wel de regtbank. om gewigtige redenen, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden, bevele, dat het geheel of gedeeltelyk met gesloten deuren zal plaats hebben.

Het verhoor heelt plaats in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie.

De opgeëischte persoon is bevoegd zich door een raadsman te doen

155

I

ocr page 186

WET OP DE -UITLEVERING

bijstaan. Als raadsman kan gekozen worden ieder, die bevoegd is voor den strafregter tot verdediging van beklaagden op te treden.

15. Binnen veertien dagen na het verhoor zendt de regtbank haar advies en hare beslissing, in art. 8 bedoeld, met de tot de zaak behoorende stukken aan Onzen Minister van Justitie.

16. De voorloopig aangehouden of opgeëischte persoon, die beweren mogt dat hij Nederlander en deze wet op dien grond niet op hem van toepassing is, kan dit beweren, mits niet later dan op den veertiendeu dag na zijn verhoor door de regtbank, bij verzoekschrift aan de beslissing van den EToogeïi Raad onderwerpen.

Hij wordt zoo spoedig mogelij i na zijne aanhouding door den officier van justitie bekend gemaakt met en bij zijn verhoor voor de regtbank herinnerd aan die bevoegdheid, onder mededeeling dat hij zich daaromtrent met een raadsman kan verstaan.

De Griffier van den Hoogen Raad geeft onmiddellijk kennis aan Onzen Minister van Justitie, dat liet verzoekschrift is ingediend.

17. De Hooge Raad doet uitspraak na den prokurenr-generaal te hebben gehoord.

Beslist de Hooge Raad dat de verzoeker Nederlander is, dan beveelt de Raad, indien hij aang-elioaden is, zijne onmiddellijke invrijheidstelling, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te big ven.

De prokureur-generaal bij den Hoogen Raad geeft onmiddellijk kennis aan Onzen Minister van Justitie van de gevallen uitspraak.

Is daarbij beslist dat de verzoeker Nederlander is, dan worden de in beslag genomen goederen terngg-egeven, ten ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, en vervalt de procedure by de regtbank, indien die reeds aangequot;vangen en nog niet geëindigd is.

18. Is vóór of op den dag in art. 10 bepaald de beslissing van den Hoogen Raad niet ingeroepen of is door dezen beslist dat de opge-eisohte persoon geen Nederlander is, dan wordt, nadat het advies der regtbank is ontvangen, door Onzen Minister de uitlevering gelast of geweigerd.

Ingeval van weigering wordt de opgeëischte, indien hij aangehouden is, onmiddellijk ontslag-en, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te blijven., en worden hem de in beslag genomen goederen teruggegeven, ten «^are er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan.

19. Is de opgeëischte persoon niet aangehouden en, na behoorlijk te zijn opgeroepen om door de rcgttank te worden gehoord, niet verschenen, dan gaan de termijnen, in artt. 15 en 16 genoemd, in met den dag waarop het verhoor door de regtbank is bepaald.

20. De regering kan vergunnen, dat een vreemdeling, wiens uitlevering door eene vreemde Mogendlieid aan eene andere vreemde Mogendheid is toegestaan, over het Nederlandsch grondgebied, onder medegeleide van Nederlandsche beambten, worde vervoerd, mits

156

ocr page 187

VAN VREEMDELINGEN.

met de Mogendlieid, aan welke de uitlevering geschiedt, door Nederland een uitleveringsverdrag zij gesloten en het misdrijf, waarvoor uitlevering toegestaan is, in dat verdrag vermeld zij.

21. Vreemdelingen, die hier te lande in voorloopige hechtenis zijn of straf ondergaan, kunnen ter confrontatie of tot het afleggen van verklaringen in strafgedingen, die in eenen vreemden staat aanhangig zijn, op last der regering tijdelijk worden overgezonden.

Indien die vreemdelingen hier te lande straf ondergaan, zal hun straftijd geacht worden niet te zijn afgebroken door die tijdelijke overzending.

22. Als Nederlanders beschouwt deze wet hen, die het zijn volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, alsmede hen, die in de Nederlandsche koloniën of bezittingen in andere werelddeelen uit aldaar gevestigde ouders zijn geboren. ')

23. Alle akten en stukken, ten gevolge dezer wet op te maken, zijn vry van zegel en registratie en worden kosteloos afgegeven.

157

24. Deze wet is niet van toepassing op het aanhouden, het aan boord terug brengen of het ter beschikking van de consulaire ambte. naren stellen van gedeserteerde matrozen.

1) Art. 22 aldus gewijzigd bij alinea 2 van de Slotbepaling der wet van 12 Deo. 1892, Stsbl. no. 268, in werking tredend 1 Juli 1893.

ocr page 188

WET

TOT REGELING EN BEPERKING DER UITOEFENING VAN HET REGT VAN VEREENIGING EN VERGADERING.

(Vastgesteld den S3sten April 1855, StsM. no. 33, uitgegeven den SOsten April d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 14 Sept. 1886, Stsbl. no, 123 en van 15 April 188Ö, Stsbl. no. 64.)

Art. I. Tot rle oprigtiug eener verceniging wordt geene magtiging gevorderd. (G. 9.)

2. De vereeniging, strijdig met de openbare orde is verboden.

3. Met de openbare orde wordt strijdig geaelit elke vereeniging, welke tot doel heeft:

1°. ongehoorzaamheid aan of overtreding van de wet of eene wettelijke verordening;

Üquot;. aanranding of bederf der goede zeden;

3quot;. stoornis in de uitoefening der regten, van wie het ook zij. (7.)

4. Afgeschaft door art. 'id der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 04. Zie thans art, 140 Wetb. v. Strafrecht,

5. Geene vereeniging, buiten die door de Grondwet of andere wetten ingesteld, treedt als regtspersoon op dan na of door eene wet, bf door Ons te zijn erkend.

Alle voor onbepaalden tijd of voor langer dan dertig jaren aangegane vereenigingen, welke als regtspersonen willen optreden, behoeven eene erkenning door de wet.

Dergelijke vereenigingen, voor minder dan dertig jaren aangegaan, kunnen duor Ons worden erkend. (0, 12.)

6. De erkenning geschiedt door goedkeuring van de statuten of reglementen der vereeniging.

Die statuten of reglementen bevatten het doel, de grondslagen, den werkkring en de overige regelen der vereeniging.

7. De erkenning wordt door Ons alleen geweigerd op gronden, ontleend aan het algemeen belang.

Het besluit van weigering is met redenen omkleed.

8. Wijziging of verandering der goedgekeurde statuten vereischt nadere goedkeuring.

9. De goedgekeurde statuten, wijzigingen of veranderingen worden door de Staatscourant openbaar gemaakt. (8.)

i

i

ocr page 189

WET OP DE VEREENIGING EN VERGADERING.

10. De afwijking van goedgekeurde statuten geeft aan het openbaar ministerie de bevoegdheid om by den burgerlijken regter de

i vervallen-verklaring der vereeniging van hare hoedanigheid van regtspersoon te vorderen.

De regter, de vervallen-verklaring uitsprekende, kan aan de vereeniging, niettegenstaande liooger beroep of voorziening in cassatie, de bevoegdheid tot het plegen van burgerlijke handelingen bg voorraad ontzeggen.

De verevening der zaken eener van hare regtspersoonlijkheid vervallen verklaarde vereeniging geschiedt onder toezigt des regters, die de vervallen-verklaring uitsprak, op de wijze en met inaclitiie-ming der vormen, omtrent onbeheerde nalatenschappen vastgesteld. (B.W. 1172 volg.)

11. Nadat door den benoemden curator de roerende en onroerende goederen der vereeniging verkocht en de schulden betaald zijn, wordt het batig slot, zoo er een is, aan hen, welke op het oogenblik der vervallen-verklaring leden der vereeniging zijn, of aan hunne regt-hebbeuden, elk voor het aandeel, dat zij in de vereeniging hebben, uitgekeerd.

12. V ereenigingen, niet als regtspersonen volgens deze wet ingesteld of erkend, kunnen als zoodanig geene burgerlijke handelingen aangaan.

De overeenkomsten namens haar gesloten, en de goederen namens baar verkregen, worden ten opzigte van het Rijk en van derden beschouwd als volgende de personen, welke de overeenkomst gesloten en de goederen aanvaard hebben, al is het ook, dat in de overeenkomsten en titels de handelende personen slechts als gemaartigden of beheerders der vereeniging zijn aangewezen.

13. De onderlinge verhouding der leden van vereenigingen, welke niet als regtspersonen kunnen optreden, regelt zieli naar de door ben vastgestelde reglementen en de algemeens regelen van het burser-lijk regt.

De bepalingen van artt. 1700 en 1701 van het Burgerlijk Wetboek blijven op deze vereenigingen, ofschoon niet als regtspersonen beschouwd, van toepassing.

14. De bepalingen der voorafgaande artikelen zijn niet van toepassing op de burgerlijke maatschap of vennootschap, noch op vennootschappen van koophandel, wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen en scheepsreederijen.

De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Koophandel blijven op deze onderwerpen van toepassing. ')

15. Vereenigingen, welke vóór het in werking komen dezer wet bestonden, worden beoordeeld naar de wetten, waaronder zij zijn opgerigt. (A. 4.)

1) Dit artikel is aldus gewijzigd bij de wet van 14 Sept. 186G, Stsbl. no, 123, welke wet van terugwerkende kracht is verklaard tot den dag der invoering van de wet (op de Vereeniging en Vergadering) van den 25stcn April 1855, Stsbl. no. 33.

159

ocr page 190

160

16. Vreemdelingen, geene ingezetenen zijnde, kunnen niet zijn leden van staatkundige vereenigingen.

17. Afgeschaft bij art. 3 der wet van 15 Apr. 1886, Stsbl. no. i 64, en vervangen bij Wetb. v. Strafrecht.

18. Openbare vergaderingen tot gemeenschappelijke beraadslaging ! worden in de opene lucht niet toegelaten, dan op bekomene vergunning van het hoofd van het gemeentebestuur, verleend vijl dagen, vóór dat de vergadering wordt gehouden. (Gem. 188.)

Onze Commissaris in de provincie kan zoodanige vergunning intrekken, of, by weigering der vergunning door het hoofd van het

femeentebestuur, haar van zijnen kant op verzoek van belangheb-enden verleenen.emeentebestuur, haar van zijnen kant op verzoek van belangheb-enden verleenen.

19. Tot alle vergaderingen in gebouwen, waarbij het publiek wordt toegelaten, hebben de ambtenaren van algemeene en plaatselijke politie den vrijen toegang.

Weigering van toegang geeft regt aan de ambtenaren der politie om, bijgestaan door het hoofd van het gemeentebestuur, zich den toegang te verschaffen. (23.)

20. Het dragen van wapenen is verboden in de vergaderingen, in de twee voorgaande artikelen bedoeld.

Dit verbod is niet toepasselijk op militaire officieren en onderofficieren, in uniform gekleed. (23.)

21. Bijeenkomsten om zich in het hanteren van wapenen te oefenen, worden op plaatsen, in den regel voor het publiek toegankelijk, of wanneer zij door meer dan tien personen worden bijgewoond, niet toegelaten dan met vergunning van het hoofd van het gemeentebestuur.

Deze vergunning wordt niet verleend dan ten minste vijf dagen, vóór dat de bijeenkomst wordt gehouden, en onder de voorwaarden, in het belang der openbare veiligheid gevorderd.

Het 2de lid van art. 18 is ten deze toepasselijk.

22. Elke vergadering, waarin de openbare orde wordt gestoord, of tegen de bepalingen dezer wet wordt gehandeld, gaat op de opvordering der politie terstond uiteen. (Gem. 184 volg.)

23. Onverminderd de straffen, vastgesteld op bijzondere misdrijven in geoorloofde of ongeoorloofde vereenigingen en vergaderingen, of ter gelegerheid daarvan gepleegd, worden zij, die artt. 16, 18, 20 en 21 overtreden, gestraft met geldboete van vijltig cents tot honderd gulden of hechteuis van één dag tot twee maanden. ')

1) Art. 23 aldus seKgzigd door art. 3r(, art. TO no. 13 en art. 11 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 191

3t zijn

WET

TOT REGELING VAN HET REGT VAN ONDERZOEK (ENQUÊTE).

(Vastgesteld den öden Augustus 1850, Stsbl. no. 45, uitgegeven den ISden Aug. d. a. v. Gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 31 Deo. 1887, Stsbl. no. 265.)

lolitie Art. I. Het besluit tot het instellen van een onderzoek (enquête) i den wordt, nadat het onderwerp vooraf in de afdeelingen onderzocht, en aan de orde van beraadslaging is gesteld, in eene vergadering der ;n, in Tweede Kamer genomen, en be,vateene nauwkeurige omschrijving van

het onderwerp des onderzoeks. (G. 95.)

ader- 2. Dit besluit wordt, bij uittreksel uit de notulen der Kamer, in

de Staatscourant geplaatst.

oefe- De namen der leden, die tot eene commissie van onderzoek zijn elijk, benoemd, en de bepaling van het getal, dat minstens tot de afne-niet ming der verhooren wordt vereischt, worden eveneens bij uittreksel ente- uit de notulen openbaar gemaakt.

Uitbreiding, aanvulling of vervanging van het personeel der com-■gen, missie van onderzoek, alsmede hare ontbinding, worden langs den-■den, zelfden weg kenbaar gemaakt.

3. Van het tijdstip der eerste bekendmaking af, zijn alle ingezetenen en andere binnen het grondgebied des Rijks verblijfhoudende

lord, personen verpiigt aan de oproepingen tot verhoor te voldoen door vor- de commissie uitgevaardigd, en alle openbare ambtenaren gehouden om, in overeenstemming met de bepalingen dezer wet, gevolg te jven geven aan de vorderingen der commissie van onderzoek, die deze tot , of uitvoering van haren last noodig oordeelt.

, 20 De Hoofden der Ministeriële Departementen kunnen alleen onion- dervraagd worden op de wijze, bij art. 89 (94) der Grondwet voorgeschreven .

4. De getuigen en deskundigen verschijnen voor de commissie quot; 13 van onderzoek, hetzij vrijwillig op eene schriftelijke oproeping, hetzij ingevolge dagvaarding.

5. Dagvaarding van getuigen of deskundigen geschiedt door de deurwaarders bij de verschillende regterlijke collegiën, hetzij op regt-streekschen last der coininissie, hetzij, ten gevolge van hare vordering, op last der ambtenaren van het Openbaar Ministerie.

STAATSWETTEN. 11

)1. no.

laging irgun- , lagen,

ig in-ra het gheb-

wordt )olitie

ocr page 192

ENQUÊTE-WET,

6. De getuigen of deskundigen worden in persoon of ter hunner woonplaats gedagvaard, ten minste drie dagen vóór den dag van het verhoor. . .. |

Deze termen wordt met éénen dag voor iedere drie en dertig mijlen afstands vermeerderd.

7. De verhooren van getuigen en deskundigen worden door de commissie van onderzoek in een der vertrekken van het gebouw gehouden, waarin de Tweede Kamer vergadert.

De schriftelijke aauteekening der afgelegde verklaringen of gegeven berigten wordt aan de getuigen of deskundigen voorgelezen eu door deze onderteekend.

Indien een getuige of deskundige door ongesteldheid verhinderd wordt om voor de commissie ter aangewezen plaats te verschijnen, kan zij, zulks noodzakelijk oordeelende, aan den kantonregter dei-woonplaats van dien getuige of' deskundige opdragen, om hem daar ter plaatse, eu naar gelang van omstandigheden, zelfs in zijne eigene woning te ondervragen.

8. De commissie kan het verhoor van getuigen of deskundigen, mits dezen den ouderdom van zestien jaren vervuld hebben, onder eede doen plaats hebben.

Onder eede gehoord wordende, zweert (belooft), op de wijze van ieders godsdienstige gezindheid, de getuige de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen; de deskundige zijn verslag naar eer en geweten, en overeenkomstig zijne beste wetenschap, te zullen uitbrengen.

9. Indien de behoorlijk gedagvaarde getuige of deskundige niet verschijnt, wordt daarvan een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk eene nauwkeurige omschrijving der akte van dagvaarding behelst en door de aanwezige leden der commissie, of in het geval van het 3de lid van art. 7 door den kantonregter, wordt onderteekend.

Dit proces-verbaal wordt door de oommissie, wanneer zij het noo-dig oordeelt, in handen gesteld van het openbaar ministerie bij de regtbank van het arrondissement, waarin de in gebreke gebleven getuige of deskundige woont.

10. De vervolging van den nalatigen getuige of deskundige staat ter kennisneming van den burgerlijken regter en wordt, zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep, ter teregtzitting voor burger-lyke zaken behandeld, op de wgze, bij de wet voor strafzaken ter kennisneming van de arrondissements-regtbank voorgeschreven.

De bepalingen van den 16den titel van het Wetboek van Strafvordering zgn ten dezen van toepassing. ')

162

11. Het proces-verbaal van niet-verschijning, door de commissie, of in het geval van het 3de lid van art. 7 door deu kantonregter

1) Art. 10 aldus gewyzigd door art. 1, -lo. der wet van 31 December 1887, Stsbl. | no. 265.

ocr page 193

ENQUÊTE-WET.

opgemaakt,, levert, behoudens tegenbewijs, een volledig bewgs op van hetgeen daarin vermeld staat.

12. Afgeschaft. ')

13. Onverminderd de vervolging wegens de eerste niet-verschijning, kan de commissie eene nadere dagvaarding van denzelfden getuige of deskundige bevelen, en zelfs door tusschenkomst van den officier by de betrokkene regtbank een bevel van medebrenging van den regter-coinmissaris in het arrondissement, waarin de getuige of deskundige woont, of zich werkelgk bevindt, doen requireren, om bij de dagvaarding te worden gevoegd.

14. By herhaalde niet-verschyning zyn de artt. 9, 10 en 11 dezer wet mede van toepassing. ')

15. Wanneer een getuige of deskundige, hetzy op de eerste, hetzy op de nadere dagvaarding verschenen of uit kracht van het bevel van medebrenging voor de commissie gebragt zynde, weigert te antwoorden, of den eed (belofte) af te leggen, wordt daarvan procesverbaal opgemaakt, hetwelk de redenen van weigering, zoo die gegeven zyn, inhoudt, en door de aanwezige leden der commissie, of in het geval van het 3de lid van art. 7 door den kantonregter, wordt onderteekend. Dit proces-verbaal bezit de bewyskraebt in art. 11 omschreven.

16. De commissie stelt dit proces-verbaal, wanneer zy het noodig oordeelt, in handen van het openbaar ministerie by de regtbank van het arrondissement waarin het verhoor was gelast; de vervolging geschiedt op de wyze bij art. 10 omschreven.

17. De regtbank van het arrondissement kan de gijzeling van den weigeraebtigen getuige of deskundige gelasten; deze gijzeling wordt voor een tijdvak van zes maanden uitgesproken, doch houdt op wanneer de getuige of deskundige vroeger aan zyne verpligting mogt hebben voldaan.

Op de vordering der commissie van onderzoek, gelast de president van de arrondissements-regtbank de dadeiyke gijzeling van den weigerachtigen getuige of deskundige, die inmiddels tot aan de uitspraak van den president, op last der commissie, binnen het lokaal, waar zy vergadert, in bewaring kan worden gehouden; het dooiden president af te geven bevel vermeldt de gedane verdering, benoemt den deurwaarder met de overbrenging belast, en wyst de plaats der voorloopige gijzeling aan.

Van de in-gijzeling-stelling wordt eene akte opgemaakt, waarin het bevel tot gyzeling wordt aangehaald en waarvan onmiddellijk een afschrift aan den geggzelde wordt overhandigd.

163

Deze voorloopige gijzeling houdt op bij de voldoening aan de vroeger geweigerde verpligting, en vervalt van regtswege, indien

1) Artikel 12 en de 2(le alinea van art. 14 afgeschaft by art. 3d der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. G4. Zie thans art. 444 Wetb. v. Strafrecht.

ii*

ocr page 194

164 ENOTETE-WET.

de bekrachtiging daarvan niet binnen acht dagen bij den regter is gevraagd.

De bij vonnis bevolene of bekrachtigde gijzeling is uitvoerbaar, niettegenstaande verzet of honger beroep. (S.R. 192.)

18. Niemand kan genoodzaakt worden als getuige of deskundige de-geheimen van eenig handwerk, bedrijf of nering bloot te leggen, die door hem of de zijnen worden uitgeoefend, noch andere soortge-lijke bijzondere belangen te openbaren.

19. Zij, die uit hoofde van hunnen stand, beroep of wettige betrekking tot geheimhouding verpligt zijn, kunnen zich verschoonen getuigenis af te leggen, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toebetrouwd.

20. De gevoelens, door de leden van collegiëu bij de behandeling van zaken ter vergadering geuit, en de deswege plaats gehad hebbende beraadslagingen mogen nimmer een onderwerp van verhoor of ondervraging uitmaken.

De verschooning van verpligte geheimhouding door burgerlijke ambtenaren of militairen van allen rang ingebragt, moet insgelijks worden aangenomen indien zij rust op het beweren, dat de verlangde openbaarmaking wordt geoordeeld in strijd te zijn met het belang en de zekerheid van het Rijk, de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen, of op den stelligen last hunner meerderen denzelfden grond van verschooning aanduidende.

In beide gevallen kan echter de Kamer op het verslag barer commissie verlangen, dat de gegrondheid der ingebragte verschooning door het hoofd van het departement van algemeen bestuur, waaronder de betrokken ambtenaar of militair behoort, nader bevestigd worde.

21. Het hoofd van het departement van algemeen bestuur, bij hetwelk, of onder wiens ondergeschikte ambtenaren, stukken voorhanden zijn, welker inzage door de commissie schriftelijk verlangd wordt, bewilligt die inzage, tenzij hij oordeelen mogt, dat zij met het belang en de zekerheid van het Rijk, de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen in strijd zoude kunnen zyn.

22. Bij de toepassing der bepalingen, in de beide voorafgaande artikelen vervat, op leden van staats-collegiën of andere ambtenaren, wier werkkring hen niet regtstreeks onder eenig departement van algemeen bestuur rangschikt, zal de magtiging tot of weigering van inzage van stukken, of verklaring van strijdig staatsbelang, worden gegeven door het hoofd of de hoofden der departementen van algemeen bestuur tot wier werkkring die behandelde zaken eigenaardig behooren.

23. Wanneer de commissie van onderzoek noodig acht, buiten 's lands of in de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen verblijf'houdende personen als getuigen of deskundigen te hooren, kan zij van de vragen, waarop antwoord verlangd wordt.

ocr page 195

ENQUÊTE-WÉT.

in geschrifte mededeeling doen aan het betrokken departement van algemeen bestuur, hetwelk de voldoening daaraan bevordert, wanneer het dat van Buitenlandsche Zaken betreft, door de tusschenkomst der diplomatieke of consulaire agenten, en, wanneer het dat van Koloniën betreft, door de betrokkene koloniale regeringen.

Indien de medegedeelde vragen door ambtenaren of militairen van allen rang moeten worden beantwoord, en het hoofd van het betrokken departement van algemeen bestuur van oordeel is, dat het belang en de zekerheid van het Rijk, de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen de beantwoording niet toelaat, wordt daarvan aan de commissie kennis gegeven.

Het 3de lid van art. 20 is ten deze van toepassing.

24. Behalve in het geval van art. 25, kunnen nimmer verklaringen voor eene commissie van onderzoek, of op hare vordering afgelegd, als bewijs in regten gelden, hetzij tegen dengene door wien zij afgelegd zijn, hetzij tegen derden.

25. (De 1ste en 2de alinea van dit art. zijn afgeschaft bij art. 'id der wet van 15 April 1S86, Stsbl. no. 04. Zie thans Wetb. v. Strafrecht artt. 207 en ^7.)

Het proces-verbaal van gehouden getuigen-verhoor bezit de bewijskracht in art. 11 omschreven.

26. De getuigen en deskundigen ontvangen, des verkiezende, schadeloosstelling door de commissie, of in het geval van het 3de lid van art. 7 door den kantonregter, op vertoon der schriftelijke oproeping ol' der akte van dagvaarding, te begrooten overeenkomstig het bepaalde omtrent getuigen en deskundigen in de artt. 61, 63, C5 en 06 van den VIden titel van het tarief van justitie-kosten en salarissen in burgerlyke zaken.

27. Alle acten, uit kracht dezer wet op te maken of uit te vaardigen, zijn vrij van zegel- en registratie-regten.

28. De bevoegdheid en de werkzaamheden eener commissie van onderzoek worden door de sluiting van de zitting der Kamer niet geschorst. (G. 103.)

In geval van ontbinding houdt die bevoegdheid op, en worden die werkzaamheden gestaakt op hetzelfde oogenblik, waarop het besluit van ontbinding ter kennis der Kamer gebragt wordt. (ü. 73.)

Gegijzelde getuigen of deskundigen worden bij ontbinding dei-Kamer terstond ontslagen. (17.)

165

ocr page 196

a. v

quot;WET

BETREKKELIJK DE REGTSMAGT DER HOOGE EN ANDERE HEEMRAADSCHAPPEN, DIJK- EN POLDERBESTUREN ENZ.

(Vastgesteld den 9den October 1841, Stsbl. no. 42, uitgegeven den 15den Oct. d.a.v. Gewyzigd bjj de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Art. I. De hooge en andere heemraadschappen, wateringen, waterschappen, dijk- en polder-besturen, en andere dergelijke kollegiën, zullen geene regtsmagt hebben of kunnen uitoefenen.

2. De kollegiën en besturen, in art. 1 genoemd, die reeds op openbaar gezag bestaan, of als zoodanig in het vervolg mogten ingesteld worden, zullen het regt hebben:

1°. Om de door hen noodig gekeurde werken en opruimingen, hetzij gewone of buitengewone, zoowel bij weigering, of nalatigheid van de daartoe verpligten, als bij dringend of dreigend gevaar, ten koste van denzelven te doen uitvoeren. ') (17, 20; Wet voorl. voorz. Waterstaatsbel. 12 Julij 1855, Stsbl. no. 102, artt. 1 en 2.)

2°. Om in gevallen van dringend of dreigend gevaar, de voorwerpen, tot waterkeeriug benoodigd, welke zich in den omtrek bevinden, aan derden toebehoorende, behoudens behoorlijke schadevergoeding, tot zich te nemen.

3°. üm aarde te mogen halen ter naaster lage en minster schade, tot het maken, verleggen, verbeteren of herstellen van dijken en wa-terkeeringen in acht nemende de bijzondere verordeningen daaromtrent bij de bestaande of nader te maken keuren en reglementen vastgesteld of vast te stellen; alles behoudens behoorlijke schadevergoeding, zoo mogelijk vooraf te begrooten. Hiervan zijn uitgezonderd die gronden waarop de verpligting tot aardlevering zonder vergoeding, of wel tegen een bepaalden prgs, mogt rusten. (O. 68.)

3. De kollegiën en besturen, by artt. 1 en 2 bedoeld, zullen bij dwangbevel, medebrengende het regt van parate executie, dat is het regt om de goederen des schuldenaars zonder vonnis aan te tasten, kunnen invorderen:

1

1) Aldus gewijzigd by art. 3ci der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 197

WET OP DE WATERSCHAPSBESTUREN.

u. van de dijk-, polder-, schot- en andere pligtigen, alle de omslagen en lasten, het dijks-district of den polder betreffende;

b. van de daartoe verpligten, alle de kosten der werken en opruimingen, bij no. 1 van art. 2 bedoeld, of van al wat, in strijd met de bestaande reglementen en gebruiken of de voorschriften, naar aanleiding daarvan gegeven, mogt zijn gebouwd, geplaatst, gemaakt, gedaan of geplant, met uitzondering nogtans van de beloopene boeten; ')

c. van hunne ontvangers, rentmeesters, penningmeesters, gaarders of andere hoe ook genaamde rekenpligtigeu, gelijk mede van derzel-ver borgen, de gelden, aan de kollegiën of besturen toebehoorende of verschuldigd, en welke in de kassen dier opgenoemde rekenplig-tigen aanwezig zijn, of moeten zijn, en wijders alle andere voorwerpen, het eigendom dier kollegiën uitmakende. (19.)

4. Voor zoover nogtans door sommige der in artt. 1 en 2 bedoelde kollegiën eu besturen, de dijk- en polderomslagen, of verdere lasten, volgens derzelver instellingen of reglementen, niet regtstreeks van de dijk- en polderpligtigen of andere schuldpligtigen. worden ingevorderd, naar de gemeente-, ambaclits- of polderbesturen daarvoor worden aangeslagen, zullen die omslagen en lasten, bij wanbetaling, worden verhaald, volgens de bepalingen, te dien opzigte bij de bestaande reglementen gemaakt, of nader vast te stellen.

5. Het regt, om bij dwangbevel en parate executie te procederen zal, in de gevallen bij art. 3, litt. a en 4 bedoeld, niet langer openstaan dan gedurende den tijd van drie jaren, nadat de omslagen of de kosten der werken of opruimingen invorderbaar verklaard zijn. (24.)

6. Alvorens van het bedoelde regt gebruik worde gemaakt, zal de ontvanger of andere hoe ook genaamde rekenpligtige, aan lederen schuldpligtige, vallende in de termen van art. 3, litt. a en A, eene schriftelijke waarschuwing doen toekomen, houdende opgave der verschuldigde som; van de oorzaak der schuld, de keur, het reglement of de beschikking, waarop de vordering gegrond is, het tijdvak waarover, of wel het werk of de opruiming waarvoor de betaling gevraagd wordt, voorts van de plaats der betaling en den tijd, binnen welken deze betaling zal moeten geschieden.

Deze tijd zal niet korter mogen zijn dan van veertien dagen.

167

7. Geene betaling binnen den gestelden tijd gevolgd zijnde, zullen de ontvangers, of andere hoe ook genaamde rekenpligtigeu, den schuldpligtige in persoon of aan zijne woonplaats door eenen bode of bediende van het kollegie of bestuur, of door eenen deurwaarder daartoe bijzonder gevolmagtigd, doen sommeren, om binnen eenen bepaalden tijd, die niet minder zal zyn dan van zeven vrije dagen, het verschuldigde te voldoen. Van die sommatie zal afschrift worden uitgereikt.

1) Deze alinea aldus gewijzigd by art. 3ci der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 198

quot;WET OP DE WATERSCHAPSBESTUREN.

8. De sommatie en de waarschuwing in artt. 6 en 7 vermeld, zijn vrij van zegel en registratie.

9. Ingeval de schuldpligtige niet woonachtig is binnen het district of den polder alwaar de goederen gelegen zijn, waarvoor he^ achter- j of bes stallige verschuldigd is, zal de bedoelde waarschuwing, alsmede de verscl sommatie, worden afgegeven ter woonplaats van den bruiker van het Tquot; goed, of wel van den zaakgelastigde van den schuldpligtige of, by ontstentenis van den een' en den anderen, aan het hoofd van het plaatselijk bestuur.

10. Indien op de gedane sommatie geene betaling volgt, zal het dwangbevel worden uitgevaardigd.

Dit dwangbevel zal op de gewone wijze en voorts, gelijk bij art. 6 ten opzichte der waarschuwing is vastgesteld, worden iugerigt.

De afgifte zal geschieden door den ontvanger of anderen reken-pligtige, nadat het dwangbevel uitvoerbaar zal zyn verklaard door den president van het kollegie of het bestuur, uit welks naam de betaling wordt gevorderd, of hetwelk, volgens de bijzondere reglementen,

daartoe bevoegd is.

11. De beteekening en verdere ten uitvoerlegging zal geschieden door den, bij art. 7 bedoelden, bode of bediende van het kollegie of bestuur, of door eenen deurwaarder, alles op de wijze bij het W etboek van Burgerlijke Regtsvordering, ten aanzien van het geregtelijk ten uitvoerleggen van vonnissen en authentieke acten bepaald, of bij nadere wetten te bepalen. (R.V. 430 volg., 491 volg.)

ïusschen de beteekening van het dwangbevel en het in beslag nemen der goederen, zal een tijdsverloop moeten zijn van zeven vrije dagen.

12. Degene, tegen wien het dwangbevel is uitgevaardigd, zal daartegen kunnen komen in verzet, totdat het dwangbevel, volgens de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering ten aanzien der vonnissen vastgesteld, zal gerekend kunnen worden ten uitvoer te zijn gelegd. (R.V. 82 volg.)

Dit verzet, binnen den bovengemelden termijn en in de hierna voorgeschreven vormen gedaan zijnde, stuit voorloopig de uitvoering van het dwangbevel; zullende by de akte van verzet de middelen,

waarop liet gegrond is duidelyk moeten worden omschreven.

13. Het verzet, op grond dat de schuldpligtige, ofschoon zijne dyk-of polderpligtigheid niet ontkennende, echter beweert in de dijk-of polderlasten te hoog te zijn aangeslagen, of wel dat de kosten van werken of opruimingen, welke, ingevolge art. 3, litt. ten zijnen laste gebragt worden, onnoodig of te hoog berekend zijn, of dat hem de noodige tijd, om die zelf te verrigten, niet gegund is, zal geschieden, buiten eenigen vorm van proces, bij request, in te dienen bij het kollegie of bestuur hetwelk de zaak aangaat, eu dat hierop naar bevind van zaken zal beschikken. Voor zoover de geëxecuteerde daarbij in het ongelijk mogt worden gesteld, dat hij zich binnen den

168

ocr page 199

quot;WET OP DE WATERSCHAPSBESTUREN. 169

i, zijn L tijd van eene maand, te rekenen van den dag waarop hem die be-' schikking zal beteekend zijn, mede bij request, kunnen wenden tot istrict Gedeputeerde Staten der provincie, waaronder het vorderend kollegie chter- of bestuur behoort, mits voorafgaande voorloopige betaling van het , r

jde de verschuldigde. (Wet 12 Juli 1855, Stsbl. no. 102, art. 18.)

m het In beide gevallen zal, binnen 24' uren na het indienen van het )f, bij request, het gedaan verzet, aan hem die het dwangbevel heeft uit-n het gevaardigd, moeten beteekend worden.

14. Gedeputeerde Staten zullen partijen gelasten hare zaak mon-il het deling of schriftelijk te verdedigen, naarmate de omstandigheden dit zullen vereisclien, en voorts, na verhoor van het betrokken kollegie irt. 6 of bestuur, zoodanige eindbeschikking nemen, als zij, in overeen-t. stemming met de reglementaire voorschriften, zullen vermeenen te

iken- behooren.

door 15. Alle verzet, op eenen anderen grondslag gedaan dan die in e be- art. 13 vermeld is, en de opvordering van eigendom der in beslag genten, nomene goederen door derden, zullen, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, moeten worden eden aangebragt bij de arrondissements-regtbank, waaronder de kollegicn ■ie of of besturen, in artt. 1 en 2 bedoeld, behooren, of de goederen gelegen boek zijn, ten einde daaromtrent summierlijk in het laatste ressort, of be-: ten houdens liooger beroep, naar gelang der zaak, uitspraak te doen. na- (R.V. 450 volg., 538 volg.)

16. Het verzet wegens verzuim in de vormen zal niet worden toeslag gelaten, wanneer de geëxecuteerde reeds van het middel van verzet,

frije bij art. 13 vermeld, zal hebben gebruik gemaakt.

17. In de gevallen bij art. 15 bedoeld, zullen, zoowel ten aanzien aar- van het bewijs der daadzaken, die tot de executie aanleiding gegeven gt; de hebben, als ten opzigte der schuldpligtigheid, de gewone regelen van ten regten niet worden gevolgd, maar die daadzaken en die schuldplig-ten tigheid als in regten voor bewezen worden gehouden, wanneer de-

zelven zullen zijn geconstateerd, of daarvan blijken zal op zooda-rna nige wijze, als met de reglementen van ieder der voormelde kollegiën ing of besturen overeenstemt, behoudens liet tegenbewijs. (20.)

len, 18. In dezelfde gevallen zal de partij, die het verzet heeft in

gesteld, van de daaromtrent gedane uitspraak niet in hooger be-ijk- roep worden toegelaten dan na voorafgaande provisionele betaling ijk- van het verschuldigde, waarvan liet bewijs aan den hoogeren regter 'an zal moeten worden overgelegd. Hiervan zullen nogtans zijn uitge-len zonderd de gevallen die de opvordering van eigendom der in beslag em genomen goederen door derden betrelfen.

ie- (9. Wanneer van het regt van parate executie gebruik wordt ge

bet maakt tegen de ontvangers en andere rekenpligtigen en derzelver bor-lar gen, zal het dwangbevel tegen hen door de kollegiën en besturen, •de waaronder zij behooren, zelve worden afgegeven en door den president len eieoutoir worden verklaard. (3tf.)

ocr page 200

WET OP DE WATEESCHAPSBESTUREN.

20. Alle vervolging ter betaling van boeten, wegens overtredingen of het niet naleven der keuren of reglementen van de kollegiën of besturen, bij artt. 1 en 2 bedoeld, zal, met inachtneming der bepalin- Jh gen der wet op de Regterlijke Organisatie, ter kennisse en beslissing dat tij van den gewonen regter gebragt en door het openbaar ministerie bij hebbel denzelven vervolgd worden; zijnde de bepalingen in art. 17 vervat op de hier bedoelde gevallen mede toepasselijk.

Het verhaal der boeten zal geschieden in naam van den ambtenaar van het openbaar ministerie. ')

21. De presidenten, de leden en de beëedigde beambten van gedachte kollegiën of besturen, zijn, evenals de kollegiën of besturen zeiven, bevoegd overtredingen te constateeren.

Hnnne processen-verbaal zullen geloof verdienen, tot dat het tegendeel wordt bewezen.

22. Het zal aan de kollegiën en besturen, bij artt. 1 en 2 bedoeld, vrijstaan, om met de bekeurden, ter zake voorschreven, in schikking te treden.

De opbrengst der boeten bij schikking opgelegd, komt ten bate van het waterschap. -)

23. Afgeschaft. •)

24. Alle vorderingen, ter zake van onvoldane omslagen of herstellingen, de kollegiën en besturen bij artt. 1 en 2 bedoeld betreffende, mitsgaders ter zake van de kosten der door die kollegiën of besturen noodig gekeurde werken en opruimingen, zullen, na verloop van vijf jaren, zijn verjaard, te rekenen van het tijdstip dat dezelve omslagen en kosten invorderbaar verklaard zyn, of, in geval van vervolging, van het oogenblik der laatste geregtelijke akte. (5.1

De verjaring van alle actiën ter zake van invorderingen van de ontvangers of andere hoe ook genaamde beambten der meergenoemde kollegiën of besturen en derzelver borgen, zal dezelfde zijn,

als by het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld. ')

25. Aan de kollegiën en besturen, in artt. 1 en 2 bedoeld, wordt voor de dijk- en polderomslagen, herstellingen of andere lasten, het dijk- en polder-bestuur betreffende, op de gronden, land en andere eigendommen, welke aan die lasten of omslagen onderworpen zijn,

het regt van privilegie toegekend. (B.W. 1183.)

Dit privilegie zal stand houden gedurende twee jaren, te rekenen van den dag waarop de verschuldigde omslagen en lasten invorderbaar zijn geworden, in dier voege, dat, wanneer binnen dien tijd de goederen voor de verschuldigde achterstallige lasten niet bepaaldel^k zullen zijn aangesproken en vervolgd geworden, het voorschreven privilegie zal vervallen ziju.

1) Artt. 20 en 34 aldus gewijzigd en 23 afgeschaft by art. 3d der wet van 15 April 1886, Stsbl. uo. 64.

3) Deze alinea is toegevoegd door art. 10, no. 5 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no 64.

170

ocr page 201

WET OP DE WATERSCHAPSBESTUREN.

Hetzelve privilegie zal geenerlei nadeel toebrengen aan zoodanige verbanden of privilegiën, als vóór de afkondiging dezer wet zijn verkregen, maar daarentegen drukken op alle de zoodanigen, die na dat tijdstip ontstaan, en boven welke hetzelve alzoo den voorrang hebben zal.

Het voorschreven privilegie wordt in alles gelijk gesteld met dat, in art. 1185, no. 4, van het Burgerlijk Wetboek omschreven, en zal mitsdien uitgeoefend en gerangschikt worden, zoo als te dien aanzien in artt. 1193 en 1194 van het voorschreven Wetboek is bepaald.

26. Alle vroegere wetten en bepalingen, voor zoo ver die met de teger.woordige wet strijdig mogten zijn, worden gehouden voor afgeschaft.

171

her-

;ref-n of oop elve

van

)

i'an ■ge-ijquot;,

rdt

het ere Jn,

en er-de Ük en

15 bJ.

ocr page 202

Hu

naar 1 i eene daarti

TOT VOORLOOPIGE VOORZIENING IN SOMMIGE pligt WATERSTAATSBELANGEN.

(Vastgesteld den 13den July 1855, Stsbl. no. 102, uitgegeven den 18deu July d.a.v. Gewyzigd by de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

WET

§ 1. Van de straffen tegen overtreding der keuren.

Art. I. De besturen van waterschappen kunnen op overtreding der keuren of verordeningen van politie, door hen krachtens de hun toegekende of tot hiertoe wettig uitgeoefende bevoegdheid gemaakt of te maken, en van daarmede gelijkstaande voorschriften, voor zooveel daartegen niet by eene wet of wettelijke verordening is voorzien, hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden stellen. ') (G. 191; Gem. 161.)

2. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden of daarvoor vrijwillig de geldboete is betaald, kan de regter geldboete of hechtenis tot het dubbel van het gesteld maximum uitspreken. ') (Gem. 162.)

3—5. Vervallen. ')

6. Het politieregt der waterschapsbesturen om de molens, sluizen, of andere werktuigen, waarmede de overtreding is gepleegd, ten koste van den overtreder te sluiten, te verzegelen, te stempelen of op eenige andere wijze buiten gebruik te stellen, blijft gehandhaafd. (Gem. 180.)

§ 2. Van de middelen tot voorziening hij verzuim of weigering van beduren om werken uit te voeren en hnnne schulden te voldoen of bij gebreke van beheer.

Art. 7. De uitvoering van noodzakelijke werken, waaronder ook jn^

opruimingen worden verstaan, welke door de daartoe verpligten niet zou

geschiedt, wordt door Gedeputeerde Staten bevolen i;

----; kos

1) Artt. 1 en 3 aldus gewyzigd en artt. 3—5 vervallen bij art. 26 der wet van 15 ; ged April 1886, Stsbl. no. 64. der

.

ocr page 203

TOORL. VOORZIENING IN WATERSTAATSBEL. 173

Hun daartoe strekkend, met redenen te omkleeden, besluit wordt ; onmiddellijk medegedeeld aan het bestuur van het waterschap, dat, | naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, krachtens zijne inrigting, eene wet, een algemeenen maatregel van inwendig bestuur, Onze daartoe betrekkelyke bevelen of eene provinciale verordening, ver-pligt is de werken te ondernemen of door de onderhoudpligtigen te doen verrigten.

Het bestuur geeft, binnen drie dagen, berigt van de ontvangst. |(31 ; Gr. 19U.)

8. Ingeval het bestuur beweert, dat de werken niet noodzakelijk zijn, kan het binnen vier weken, te rekenen van den dag waarop door hem de beslissing van Gedeputeerde Staten is ontvangen, bij Ons voorziening vragen.

Van het indienen van dit verzoek geeft het gelijktijdig kennis aan Gedeputeerde Staten.

Onze beslissing wordt, met redenen omkleed, aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.

9. Meent het bestuur op geen der gronden, in art. 7 vermeld, tot het ondernemen of doen -verrigten der werken verpligt te zijn, dan kan het binnen den termijn in art. 8 gesteld. Onzen Commissaris in de provincie doen dagvaarden voor de regtbank van het arrondissement waar de zetel van het bestuur gevestigd is, ten einde door deze omtrent de verpligting uitspraak worde gedaan.

Indien het bestuur krachtens art. 8 by Ons voorziening gevraagd lieeft, gaat de termyn, bij dat artikel gesteld, in met den dag Onzer beslissing.

De kosten van het regtsgeding, indien het is uitgewezen ten voor-deele van liet bestuur, worden gedragen door den Staat. (21; G. 154.)

10. Indien het bestuur, ofsciioon het binnen den gestelden termijn tegen het besluit der Gedeputeerde Staten niet is opgekomen, of, niettegenstaande Onze beslissing of de uitspraak van den regter, weigert of nalatig is de bevolen werken te ondernemen of te doen verrigten, kunnen Gedeputeerde Staten ze doen uitvoeren ten koste van hen, tot wier last zij, indien het bestuur niet weigerachtig of nalatig ware geweest, zouden zijn gekomen.

11. Indien, hangende het regtsgeding, door Ons, na Gedeputeerde Staten gehoord te hebben, wordt beslist, dat de uitvoering der werken geen uitstel kan lyden, geschiedt zij van Rijkswege.

De kosten daarvan worden, indien het regtsgeding ten nadeele van het waterschap is uitgewezen, verhaald op hen, tot wier last zij, indien het bestuur de werken had uitgevoerd, of doen verrigten, zouden zijn gekomen.

12. Weigert of verzuimt het bestuur voor de voldoening van de kosten dier werken en van bet ten zijnen nadeele uitgewezene regtsgeding te zorgen, dan wordt de omslag, deswege over de ingelanden, waterschappen of gemeenten te doen, met inachtneming zooveel

éi

ocr page 204

VOOKL. VOORZIENING IN WATEBSTAATSBEL.

doenlijk van de daaromtrent in elk waterschap bestaande bepalingen, door Gedeputeerde Staten geregeld, en worden de termijnen van invordering door hen bepaald.

De aansprakelijkheid der ingelanden zal zich niet verder uitstrekken dan tot hunne eigendommen in het betrokken waterschap gelegen. (20.)

13. De overgifte der stukken, tot regeling dezer zaak vcreischt, bedo kan door Gedeputeerde Staten in regten worden gevorderd. b

Bij het vonnis, houdende veroordeeling tot overgifte, wordt de voorloopige ten-uitvoer-legging daarvan, des noods door middel van lijfsdwang bevolen.

De bepaling van art. 590 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering omtrent het stellen van zekerheid is hier niet van toepassing.

De kosten, uit deze regtsvordering en uit de gijzeling voortvloeiende, komen ten laste van het waterschap, zoover zij op den bewaarder der stukken niet kunnen worden verhaald.

14. De door Gedeputeerde Staten vastgestelde staat van verdeeling over ingelanden, waterschappen of gemeenten, wordt aan den ontvanger van het waterschap, ten laste waarvan het werk wordt verrigt, ter uitvoering gegeven.

Deze neemt daarbij de voorschriften der wet van 9 October 1841 {Staatsblad no. 42) en van de reglementen in acht, en moet, evenzeer als de overige beambten en bedienden der betrokken waterschaps-en gemeentebesturen, de bevelen van Gedeputeerde Staten betrekkelijk deze heffing nakomen.

15. De opbrengst van dezen omslag wordt niet in de kas van het waterschap gestort.

Daarvan, even als van al de uitgaven wegens de door Gedeputeerde Staten genomen voorzieningen, wordt door den ontvanger aan Gedeputeerde Staten afzonderlijk rekening en verantwoording gedaan.

Van de vaststelling dezer rekening geschiedt door Gedeputeerde Staten aan het bestuur van het waterschap mededeeling, met uit-keering van het voordeelig slot.

Het besluit van Gedeputeerde Staten, houdende vaststelling der ontvangsten en uitgavf n, strekt, zoover de daarin goedgekeurde ontvangsten en uitgaven betreft, aan den ontvanger tot ontlasting.

De borgtogt van den ontvanger is evenzeer tot zekerheid van het beheer dezer ontvangsten en uitgaven, als van het overige geldelijk beheer ten behoeve van het waterschap verbonden.

16. Wordt door den ontvanger en door de overige beambten en bedienden tot deze inning niet of niet behoorlijk medegewerkt, en wordt niet voor hunne vervanging op de daarvoor bepaalde wijze gezorgd, of wel worden de openstaande betrekkingen dier beambten en bedienden niet op de vastgestelde of gebruikelijke wijze vervuld,

174

ocr page 205

VOORL. VOORZIENING IN WATERSTAATSBEl.

dan voorzien Gedeputeerde Staten daarin door tijdelijke aanstelling van bijzondere ambtenaren en bedienden-

De belooning wegens de door dezen ten opzigte der inning te uit-i verleenen diensten, wordt door Gedeputeerde Staten ten laste van rscbap ^ het betrokken waterschap geregeld.

De betaling dezer belooning, van de in art. 13, laatste zinsnede 3ischt, bedoelde kosten en van al de verdere uitgaven dezer werken, geschiedt op bevelschriften van Gedeputeerde Staten, door hunnen voorzitter, 'dt de een der leden en den griffier der Staten te teekenen.

el van 17. De voorzitter van het oollegie van Gedeputeerde Staten treedt in de plaats van den voorzitter, bedoeld in artt. 10 en 19 der wet ïrlijke van 9 October 1S41 (Staatsblad no. 42).

st van In het geval, omschreven in laatstgenoemd artikel, wordt liet

dwangbevel door Gedeputeerde Staten afgegeven.

voort- Is het waterschap in meer dan eene provincie gelegen, dan wor-p den den de voorzitter en de griffier door Ons aangewezen.

18. Het verzet op de gronden, bedoeld in art. 13 der wet van 9 October 1S41 (Staatsblail no. 42) wordt gedaan bij Gedeputeerde Staten.

Hunne uitspraak kan door Ons worden geschorst of vernietigd op de wijze, in art. 109 der provinciale wet bepaald.

Maken Gedeputeerde Staten bezwaar hunne uitspraak behoorlijk te herzien, dan wordt de zaak door Ons, den Raad van State gehoord, beslist.

Ons besluit, overeenkomstig hetwelk de staat van verdeeling door Gedeputeerde Staten moet worden gewijzigd, wordt in het Staatsblad geplaatst.

19. Indien het bestuur van een waterschap weigert of nalatig is te zorgen voor de betaling eener schuld, waartoe het is veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, en dit, wegens gemis van genoegzame goederen, voor executie vatbaar, niet kan worden ten uitvoer gelegd, gelden de bepalingen van artt. 12 en volgende.

20. De bepalingen van artt. 10 en volgende zijn ook van toepassing voor het geval, dat het bestuur van een waterschap, bij gemis van de vereisclite toestemming der ingelanden of van de in den omslag dragende besturen tot de uitvoering van het werk, de voldoening der schuld en tot de vaststelling van den omslag niet kan overgaan.

De ingelanden of de in den omslag dragende besturen, door wier weigering het bestuur van het waterschap tot de uitvoering van het werk niet kan overgaan, kunnen gedurende acht dagen na het ■verstrijken van den termijn, in de artt. 8 en 9 gesteld, van de in die artikelen aan het bestuur gegeven bevoegdheid gebruik maken, indien dit niet door het bestuur zelf geschiedt.

21. Is in een waterschap geen bestuur aanwezig, en is het nood-

175

ocr page 206

VOORLi VOORZIENING IN WATERSCHAPSBEL.

zakelijk in het beheer te voorzien, dan beramen Gedeputeerde Staten middelen, ten einde op de, in het reglement bepaalde, of door het gebruik ingevoerde wijze een nieuw bestuur optrede.

Is dit doel niet te bereiken, dan geschiedt de benoeming of de voordragt der leden van het bestuur regtstreeks door Gedeputeerde Staten.

Op dit bestuur zijn de bepalingen van artt. 7 en volgende van toepassing.

22. De voorschriften van art. 25 der wet van 9 October 1841 {Staatsblad no. 42) gelden ook voor de uitgaven en omslagen, welke het gevolg zijn van de voorziening, krachtens deze wet te nemen.

§ 3. Van de regeling van waterstaatsbelangeii, meer dan ééne provincie rakende.

Art. 23. Belangen van waterstaat, twee of meer provinciën gemeenschappelijk aangaande, over wier regeling de Staten dier provinciën zich niet of niet behoorlijk verstaan, kunnen door Ons, den Raad van State gehoord, bij een met redenen omkleed, in het Staatsblad te plaatsen besluit, worden geregeld.

176

ocr page 207

Staten ir het

WET

of de teerde

e van

1841 welke

REGELENDE DE ONTEIGENING TEN ALGEMEENEN

NUTTE.

(Vastgesteld den SSsten Augustus 1851, Stsbl. uo. 135, uitgegeven den (iden Sept. d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 1 Junij 1861, Stsbl. no. 64, 29 Maart 1877, Stsbl. no. 52 en 15 April 188G, Stsbl. no. 64-.)

n ge-

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. I. Onteigening ten algemeenen nutte kan in het publiek belang van den Staat, van eene of meer provinciën, van eene of meer gemeenten, en van een of meer waterschappen plaats hebben. (G. 151, 152.)

2. In dat publiek belang kan ook ten name van b^zondere personen of vereeningen, aan wie de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, is toegestaan, worden onteigend. (O. 19.)

3. Als eigenaars van het goed waarvan sprake is, worden zij beschouwd, die als zoodanig in de registers van het kadaster voorkomen, en bij gemeenen eigendom, uit die registers blijkbaar, ook de mede-eigenaars. (O. 14.)

Desniettegenstaande kan ieder, die beweert eigenaar of medeeigenaar te zijn, en niet in het geding van onteigening is geroepen, aan den regter verzoeken, daarin te mogen tusschenkomen, zoolang de eindconclusiën door partijen niet genomen zijn. Hetzelfde regt hebben derde belanghebbenden, w aaronder verstaan worden huurders, en zij die zakelijke regten op het goed hebben.

Bij tegenspraak der hoedanigheid van eigenaar, mede-eigenaar of derde belanghebbende, wordt de onteigening met de overigen voortgezet, en zal by, die beweert eenig regt op de zaak te hebben, dit alleen op de schadevergoeding kunnen uitoefenen, die in dat geval wordt geconsigneerd, (ü. 55.)

4. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Eegtsvorde-ring ziju op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zooveel daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

STAATSWETTEN. 12

pro-

i den

'aats-

ocr page 208

WET OP DE ONTEIGENING.

TITEL I.

OVER ONTEIGENING IN GEWONE GEVALLEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER HETGEEN AAN DE VERKLARING VAN HET ALGEMEEN NUT VOORAF BEHOORT TE GAAN.

Art. 5. Geene verklaring van algemeen nut wordt voorgesteld, dan nadat de belanghebbenden in staat zijn gesteld hunne bezwaren daartegen te doen hooren.

6. Te dien einde doet, nadat eenig werk van algemeen nut is ontworpen, het betrokken Departement vau algemeen bestuur aan het bestuur van ieder gemeente, binnen welke vermoedelijk ten behoeve van dat werk eigendommen zullen te onteigenen zijn, een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten en grondteekeniugen van dat gedeelte, hetwelk onder die gemeente gelegen is, toekomen. (O. 8.)

De vermoedelijk te onteigenen eigendommen worden, met hunne kadastrale nommers en de namen hunner in de registers van het kadaster aangeduide eigenaars, duidelijk aangewezen.

7. Ten minste gedurende dertig dagen worden die plannen, kaarten en grondteekeniugen op de seoretariën der gemeenten, ter inzage van een ieder, nedergelegd.

Van die nederlegging wordt door de hoofden der gemeentebesturen èn in de Staatscourant èn in een der dagbladen hunner provincie en gemeente, of, bij het ontbreken daarvan, in dat eener naburige plaats kennis gegeven. Zij wordt daarenboven door hen op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt.

De kosten worden door den Staat vergoed, die ze verhaalt op hen ten wier name het werk wordt ontworpen. (O. 9, 11.)

8. De belanghebbenden moeten binnen dertig dagen, na de aan het slot van het vorig artikel vermelde bekendmaking hunne bezwaren, mondeling of schriftelijk, aan het eollegie van burgemeester en wethouders der gemeente, binnen welke de aangewezen goederen gelegen zijn, opgeven. Dit brengt die bezwaren, waarvan het in het eerste geval proces-verbaal, door belanghebbenden re onderteekenen, opmaakt, ten spoedigste ter kennis van het bij het werk betrokken Departement van algemeen bestuur en voegt er zijn advies over de ingebragte bezwaren bij. (O. 6.)

9. Wanneer tot het maken van het plan, gravingen, opmetingen, of liet stellen van teekenen op iemands grond noodig geaciit worden, moeten de bruikers dier goederen dit gedoogen, mits hun dit twee maal vier en twintig uren te voren door het hoofd van het gemeentebestuur schriftelijk zy aangezegd.

De schade, daardoor veroorzaakt, wordt door den kantonregter

178

begroo ten w:

ocr page 209

WEI OP DE ONTEIGENING.

begroot, en door den Staat vergoed. Deze verhaalt die kosten op hen, ten wier name het werk wordt ontworpen. (O. 7.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE EINDAAKWIJZINO DER TE ONTEIGENEN PERCEELEN.

EN

Art. 10. Het voorstel van wet tot verklaring vau het algemeen nut, wijst den aard en de strekking, zoomede de hoofdpunten ter isteld, bepaling der algemeene rigting van liet werk aan, en, bij kanalen ezwa- en wegen, zooveel mogelijk de gemeenten, door welke zij zullen loo-pen. (G. 151.)

s ont- Nadat die verklaring wet is geworden, benoemen Gedeputeerde m het Staten eene of meer commission uit hun midden, die, bijgestaan door hoeve eenen van wege het algemeen bestuur aan te wijzen ingenieur en werkt het hoofd van het betrokken gemeentebestuur, zich in alle gemeenten leelte, vervoegen binnen welke, volgens het plan, één of meer perceelen te onteigenen zijn, ten einde de bezwaren der belanghebbenden tegen lumie dat plan aan te hooren.

3t ka- Die commissiën moeten hare werkzaamheden, met inbegrip van de inzending van het proces-verbaal, in art. 13 vermeld, binnen zes kaar- weken, van den dag harer benoeming af, volbragt hebben. (0.13, 63.) azage quot;• Uiterlyk veertien dagen, vóór dat de commissie zich naar eenige gemeente begeeft, wordt, door de zorg van het hoofd van het lestu- gemeentebestuur, tijd en plaats, op welke de commissie bijeen zal ovin- komen, op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt, r na- Een en ander wordt tevens in de Staatscourant, benevens in een of m op meer dagbladen der provincie, door Gedeputeerde Staten daartoe aan te wijzen, aangekondigd. De kosten komen ten laste van hen, ten It op wier name het werk wordt uitgevoerd. (O. 7, 9.)

De belanghebbenden worden daarbij tevens opgeroepen.

ï aan '2. Zoo spoedig mogelijk, en ten minste veertien dagen vóór de zwa- zamenkomst der commissie binnen eenige gemeente, moeten de uit-3r en gewerkte plans van het werk met de kaarten en grondteekeningen, i ge- voor zooverre deze stukken die gemeente betreffen, op de secretarie i het dier gemeente ter inzage van een ieder nedergelegd worden. Het men, tweede lid van art. 6 is hier toepasselijk. De bekendmaking geschiedt kken op de wijze en ten koste als in het vorig artikel vermeld.

jr de De stukken blijven ter inzage van een ieder liggen, totdat de commissie hare werkzaamheden binnen die gemeente heeft volbragt. gen. Een uitgewerkt plan van het geheele werk is, van het tijdstip, in ■den, art. 11 aangewezen, totdat de commissie hare werkzaamheden heeft twee volbragt, ter inzage van een ieder, hetzij ter secretarie van eene der mte- gemeenten, door welke het werk loopt, hetzij ter griffie van de provincie.

gter '3. Van de mondeling bij haar ingekomen klagten maakt de com-

12*

179

ocr page 210

WET OP DE ONTEIGENING,

missie proces-verbaal, door de klagers te omlerteekeneu, op, en zend' Wai dit met de haar schriftelijk medegedeelde bezwaren, benevens harlt; de wel meening daaromtrent, aan het bij het werk betrokken Departemen; magt van algemeen bestuur. (O. 6.) De eig

Van dat proces-verbaal en dat advies moet een afschrift op de jwaaro] secretariën der gemeenten, binnen welke de commissie hare zittingen kundig gehouden heeft, voor ieder, die dit verlangt, ter lezing liggen, leder (G. 14 kan er ten zijnen koste een afschrift van nemen. De

14. Nadat de stukken bij het Departement zijn onderzocht, ge- de ope schiedt de eindelyke aanwijzing der perceelen, welke onteigend moe- '8. ten worden, door aanhaling van de plans of kaarten, waarop die nen tr perceelen naauwkeurig zyn aangewezen, en vermelding van hunne de an kadastrale nommers en de namen der in de registers van het kadas- gelege ter aangeduide eigenaars. Die aanwijzing geschiedt door Ons binnen acht maanden, nadat de commissiën haren arbeid hebben volbragt.

Wanneer Ons besluit niet binnen dien tijd genomen is, vervalt de wet, waarbij liet algemeen nut verklaard is. Geene nieuwe wet mag daaromtrent voorgesteld worden, dan nadat op nieuw de formaliteiten, bij artt. 5 en volgende voorgeschreven, plaats hebben gehad.

Indien andere perceelen, dan welke bij het eerste plan vermeld zijn, moeten worden onteigend, worden de bepalingen der vier voorgaande artikelen ten aanzien dier perceelen toegepast. (O. 3, 10.)

15. Ons besluit wordt in de Staatscourant en in een of meer daarbij aan te wijzen dagbladen openbaar gemaakt. Het wordt daarenboven door do hoofden der gemeentebesturen, binnen welke perceelen te onteigenen zijn, op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt. (O. 11.)

16. Perceelen, die onteigend moeten worden ten gevolge van veranderingen in de door de aanwijzing, in art. 14 genoemd, vastgestelde rigting, worden mede door Ons op de wijze en bicnen den tijd, bij dat artikel bepaald, aangewezen.

Ons besluit deelt de redenen mede, welke de verandering hebben doen noodig keuren. Het wordt op de wijze, bij art. 15 vermeld, ter algemeene kennis gebragt.

Het heeft geeuerlei kracht, zoo de formaliteiten, by artt. 10, 11, 12 en 13 voorgeschreven, daaraan niet zijn voorafgegaan.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN HET GEDING TOT ONTEIGENING.

Art. 17. Zoodra Ons besluit het te onteigenen goed heeft aangewezen, moet de onteigenende partij den eigendom, vrij van alle lasten en regten, daarop ruslende, bij minnelijke overeenkomst pogen te verkrijgen. (O. 14, 66.)

Zij kan er echter erfdienstbaarheden op gevestigd laten.

180

ocr page 211

WET OP BE ONTEIGENING. 181

Wanneer het eigendommen betreft, weiker vervreemding volgens de wet niet zonder magtiging van regterlijke of administratieve magt kan plaats hebben, is die magtiging ook in dit geval noodig. De eigendom mag voor geenen lageren prijs worden afgestaan dan waarop die vóór de magtiging geschat zal wezen, door drie des-ingen kundigen, door de bevoegde arrondissements-regtbank te benoemen, leder (G. 146.)

De acte van overdragt wordt op de wijze, bij de wet bepaald, in , ge- de openbare registers ten koste der verkrijgers overgesolireven. moe- 18. Ingeval de onteigenende partij geene overeenkomst heeft kun-p die nen treifen, doet zij de eigenaars, in Ons besluit aangewezen, voor nnne de arrondissements-regtbank, onder wier regtsgebied die goederen adas- gelegen zijn, dagvaarden, ten einde de onteigening dier perceelen te nnen 'hooren uitspreken, en het bedrag der schadeloosstelling te hooren gt. vaststellen.

It de Indien de, aan denzelfden eigenaar toebehoorende goederen, die mag onteigend moeten worden, in verschillende arrondissementen zijn ge-litei- legen, wordt de dagvaarding gedaan voor de regtbank, onder welker ,d. ressort de hoofdplaats der bebouwing behoort, en bij gebreke van meld zulk eene hoofdplaats, voor eene der regtbanken, binnen welker res-roor- sort een of ander gedeelte der goederen gelegen is, ter keuze van de

onteigenende partij.

laar- 19. In het geding der onteigening treden, wanneer de uitvoering ubo- van het werk aan bijzondere personen of vereenigingen is toegestaan, ;n te deze als eischende partij op. Waar dit het geval niet is, wordt het tend geding op naam van Onzen Commissaris in de provincie gevoerd, of, indien de onteigening alleen binnen eene enkele gemeente gevorderd ver- wordt, op naam van het hoofd van het gemeentebestuur.

elde In het publiek belang van een waterschap kan het geding ook , bij op naam van het bestuur van dat waterschap worden gevoerd. (O. 1, 2.)

iben 20. Wanneer de eigenaar buiten het Koningrijk woont, of zijne , ter woonplaats onbekend is, wordt het geding gevoerd tegen den gevo!-magtigde of bewindvoerder, indien een zoodanige binnen het Koning-11, rijk bekend is, en, zoo ook deze onbekend is, tegen een derde, binnen het ressort der regtbank wonende, en door deze op verzoek en ten koste der onteigenende partij, te dien einde te benoemen. De alzoo benoemde kan, bij hot ophouden zijner betrekking, het loon van den bewindvoerder eens afwezige, en daarenboven de gemaakte onkosten in rekening brengen.

Desniettemin is de eigenaar geregtigd ten dage, in art. 23 ge-ige- noemd, op de dagvaarding, aan den gevolmagtigde, bewindvoerder ten of door den regter benoemde gedaan, te versoliijnen, in welk geval de dagvaarding als aan hem geschied wordt beschouwd en het geding tegen hem wordt gevoerd.

21. De onteigening van al de binnen het reGftsorebied derzelfde

zend; 3 hart em en;

op de

l te

ocr page 212

WET OP DE ONTEIGENING.

arrondissements-regtbank voor het werk noodige en niet bij minnelijke overeenkomst verkregene eigendommen moet te gelijker tijd gevraagd worden, op straffe van veroordeeling van den eischer in al de kosten van de gedingen, over later aangevraagde onteigeningen gevoerd. (O. 17.)

Deze bepaling is niet van toepassing op perceelen, krachtens art. 16 ter onteigening aangewezen.

22- De dagvaarding moet, op straffe van nietigheid, de som, welke als schadeloosstelling aangeboden wordt, vermelden. (O. 50.)

23. Ten minste drie dagen vóór de verschijning legt de onteigenende partij tot staving van haren eisch, ter griffie van de regtbank over:

1°. Ons besluit, waarbij de te onteigenen perceelen worden aangewezen; (O. 14—16, 66.)

2°. een door het hoofd van het gemeentebestuur afgegeven bewijs, dat de commissie tot aanhooring van de bezwaren der belanghebbenden zitting gehouden heeft in de gemeente, binnen welker kring het goed, welks onteigening gevorderd wordt, gelegen is; alsmede de Staatscourant, waarin die zitting ten minste veertien dagen te voren is bekend gemaakt; (O. 11.)

3°. een mede door het hoofd van het gemeentebestuur afgegeven bewijs, dat de uitgewerkte plans met de daarbij beboerende kaarten en grondteekeningen overeenkomstig art. 12 op de secretarie der gemeente gelegen hebben; en, zoo het plan, in het laatste lid van dat artikel genoemd, ter griffie van de provincie was nedergelegd, een daarvan door den griffier der Staten afgegeven bewijs.

24. De regtbank behandelt zaken, aangaande onteigening ten al-gemeenen nutte, vóór elke andere.

Ten dage dienende concludeert de aanlegger tevens tot benoeming van één of meer deskundigen, ter opneming der schade door de onteigening aan de eigenaars en derde belanghebbenden te veroorzaken.

Op denzelfden dag, of uiterlijk acht dagen daarna, geven de verweerders de gronden hunner tegenspraak bij conclusie op.

Partijen kunnen in dezefde teregtzitting hare conclusiën by pleidooi breeder ontwikkelen.

Alle gronden van verdediging, zoo exceptiën als die, welke de hoofdzaak aangaan, worden, op verbeurte van het regt om de overige in te brengen, te gelijker tijd voorgesteld.

Oproeping tot vrijwaring wordt niet toegelaten.

Indien van twee of meer gedaagden de een verschijnt, de ander niet, wordt met den verschonende onmiddellijk voortgeprocedeerd, en de uitspraak geschiedt tusschen al de partijen bij een en hetzelfde vonnis, hetwelk als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd, en waartegen geen verzet wordt toegelaten.

Het openbaar ministerie neemt zijne conclusie in dezelfde teregtzitting, of uiterlijk binnen vijf dagen daarna.

182

ocr page 213

WET OP DE ONTEIGENING.

Uiterlijk acht dagen na de teregtzitting doet de regtbank uitspraak.

25. De regtbank kan aan de onteigenende partij haren eisch niet toewijzen:

1°. wanneer de wet ontbreekt, waarbij het algemeen nut van het werk verklaard is; (O. 10.)

2°. wanneer Ons besluit, waarbij de aanwgzing ter onteigening der in de dagvaarding vermelde goederen is geschied, niet wordt overgelegd; (O. 23.)

3°. wanneer het blijken inogt, dat de commissie tot aanhooring van de bezwaren der belanghebbenden bij de rigting van het werk in de gemeenten, binnen welker kring het goed, welks onteigening gevorderd wordt, gelegen is, geene zitting gehouden heeft, of wel dat de zitting niet vooraf in de Staatscowrani bekend is gemaakt; (O. 11.)

4°. wanneer de uitgewerkte plans met de daarbij behoorende kaarten en grondteekeningen niet overeenkomstig art. 12 op de secre-taricn der gemeenten ter inzage gelegen hebben.

26. Tegen de uitspraak des regters, houdende nietigverklaring van de dagvaarding of ontzegging van den eisch om eenige andere reden, wordt hooger beroep toegelaten.

27. Buiten de gevallen, in het voorgaande artikel genoemd, benoemt de regtbank een of meer deskundigen in oneffen getale.

Zij benoemt voorts een harer leden, om, vergezeld van den griffier, als commissaris bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn, en wijst het dagblad aan, waarin de aankondiging door het openbaar ministerie, in het volgende artikel vermeld, moet geschieden. (O. 00.)

28. Het vonnis der regtbank wordt door de onteigenende partij aan de wederpartij beteekend ten minste acht dagen vóór dien, waarop het onderzoek is bepaald, met oproeping om daarbij tegenwoordig te zijn. Bij afwezigheid der wederpartij gaat het onderzoek door.

Binnen acht dagen nadat het vonnis is gewezen, wordt het door de meest gereede partij aan de deskundigen beteekend.

De regter-commissaris bepaalt, met inachtneming van den meest mogelijken spoed, tijd en plaats van het onderzoek der deskundigen, en geeft daarvan onmiddellijk kennis aan het openbaar ministerie. Dit doet daarvan aankondiging in het dagblad, in het vonnis aangewezen. De griffier roept de deskundigen op.

Derde belanghebbenden kunnen bij dat onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begrooten. (O. 35, 36.)

29. De deskundigen leggen op de plaats des onderzoeks in handen van den regter-commissaris den eed af.

Zij kunnen, op de gronden in art. 1950 van het Burgerlijk Wetboek vermeld, door partijen gewraakt worden.

De regter-commissaris beslist over de redenen van wraking, die

183

ocr page 214

WET OP DE ONTEIGENING.

niet dan vóór de eedsaflegging mogen worden voorgesteld. Van zijne beslissing valt nooli hooger beroep, noch cassatie.

In de plaats der deskundigen, die niet opgekomen zijn, of weigeren aan hunne verpligtingen te voldoen, als ook in de plaats van die, tegen welke hij de wraking heeft aangenomen, benoemt hij anderen. Indien tengevolge hiervan het onderzoek moet worden uitgesteld, bepaalt de regter-commissaris daarvoor eenen naderen tgd, waarvan noch beteekening door partijen, noch aankondiging door het openbaar ministerie geschiedt.

De regter-commissaris brengt de bepaling dezer wet omtrent de begrooting der schadeloosstelling, voor zooveel ter zake vereischt wordt, onder de aandacht der deskundigen. (O. 39 volg.)

30. Partijen kunnen aan den regter-commissaris en de deskundigen al die stukken mededeelen en al de gronden opgeven, welke volgens haar oordeel tot eene juiste bepaling der schade kunnen leiden.

31. Ook ambtshalve kan de regter-commissaris ten allen tijde die personen voor zich en voor de deskundigen doen verschijnen, wier inlichtingen hij tot betere beoordeeling der zaak nuttig mogt achten.

Indien deze personen schadeloosstelling vorderen, wordt die dooiden regter-commissaris begroot en daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.

32. De formaliteiten, bij hot Wetboek van Burgerlijke Eegtsvorde-ring voorgeschreven omtrent het getuigenverhoor en het berigt van deskundigen, zijn ten deze niet toepasselijk.

33. Wanneer de deskundigen of de personen, wier verschijning de regter-commissaris gelast heeft, op den bepaalden tijd, schoon behoorlijk geroepen, niet opkomen, of, zondere wettige redenen, weigeren den eed te doen, of de van hen gevraagde inlichtingen te geven, worden zij door den regter-commissaris veroordeeld tot vergoeding dei-te vergeefs gedane onkosten; alles onverminderd hunne gehoudenheid jegens de partyen tot vergoeding van kosten, schaden en interessen. ') (S.R. 192, 2° en 444.)

Hij kan hen echter op hun verzet bij ongezegeld verzoekschrift, om billijke redenen, van de tegen hen uitgesprokene veroordeeling vrijstellen.

34. De griffier maakt een proces-verbaal op, doo;: den regter-commissaris en hem te onderteekenen, van het bij het onderzoek gebeurde.

Hij neemt daarin de verklaringen op der personen, bij het onderzoek gehoord, welke verklaringen hun worden voorgelezen en door hen onderteekend. De deskundigen doen hun advies in het procesverbaal opnemen of voegen het er onderteekend bij. In het eerste geval teekenen zij mede het proces-verbaal.

184

In geval een deskundige of ander gehoord persoon niet kan teeke-

1) Aldus gewijzigd bij art. 3cZ der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 215

WEI or DE ONTEIGENING.

nen of weigert dit te doen, wordt daarvan melding gemaakt ia het proces-verbaal, met opgave der redenen.

De deskundigen verklaren de gronden, waarop hunne bepaling der schadeloosstelling rust.

Zij begrooten ook de schadeloosstellingen, aan derde belanghebbenden te betalen, voor zooverre die bij deze wet niet zijn geregeld.

In het proces-verbaal wordt de dag vermeld, waarop de neder-legging ter griffie, in het volgende artikel voorgeschreven, zal plaats hebben.

35. Een en ander wordt gedurende veertien dagen ter inzage der partijen als ook der derde belanghebbenden op de griffie nedergelegd, waarvan door den griffier in een dagblad, door den regter-commis-saris aan te wgzen, kennis wordt gegeven. (O. 3, 28.)

36. Gedurende die veertien dagen kunnen partijen en derde belanghebbenden hunne bezwaren, na die aan de wederpartij te hebben beteekend, schriftelijk aan den regter-commissaris indienen.

37. Na afloop dier veertien dagen brengt de regter-commissaris, in de eerstvolgende voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde teregtzitting, zijn rapport uit, zonder dat er eenige verdere oproeping van partijen vereischt wordt.

Op dezelfde teregtzitting kunnen derde belanghebbenden conclu-siën nemen, en, zoowel als partijen, hunne conclusiën nader bij pleidooi doen ontwikkelen. Het openbaar ministerie neemt zyne conclusiën in dezelfde teregtzitting of uiterlijk binnen acht dagen daarna.

Uiterlijk veertien dagen na die teregtzitting doet de regtbank, indien zij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, in art. 235 van het Wetboek van Burgerlijke Eegtsvordering toegekend, uitspraak over de onteigening en over de schadeloosstelling, aan de eigenaars en derde belanghebbenden uit te keeren. (O. 66.)

38. Gebouwen, van welke een gedeelte onteigend wordt, moeten, op de vordering des eigenaars by zijne conclusie, in art. 24 genoemd, door de onteigenende partij geheel worden overgenomen.

Ditzelfde zal met erven moeten geschieden, wanneer deze door de onteigening tot een vierde hunner uitgestrektheid verminderen of kleiner dan tien vierkante Nederlandsche roeden worden.

Deze overneming kan echter niet gevorderd worden, wanneer het overgebleven stuk gronds onmiddellijk aan een ander erf van denzelfden eigenaar grenst. (O. 43.)

39. Bij de berekening der schadevergoeding wordt niet gelet op nieuwe getimmerten of op veranderingen, gemaakt na de nederleg-ging ter inzage, in art. 7 of in art. 12 bepaald, naar gelang het goed volgens het plan in eerstgemeld, of volgens dat in laatstgemeld artikel genoemd, ter onteigening is aangewezen.

40. Alleen de werkelijke waarde der goederen, niet de denkbeel-

185

12«

ocr page 216

WET OP DB ONTEIGENING.

dige, welke zij uitsluitend voor den persoon des eigenaars hebben, komt in aanmerking.

41. Bij berekening der schadeloosstelling wordt acht gegeven op de mindere waarde, welke voor de niet onteigende goederen het noodzakelijk gevolg van de onteigening is.

42. Bij onteigening van een verhuurd goed wordt door de onteigenende partij aan den huurder, wiens huurtijd nog één of meer jaren moet duren, tot schadeloosstelling eene som betaald, gelijkstaande aan den huurprijs van twee jaren.

Indien nogtans de te velde staande vruchten, of de onkosten welke de huurder aantoont gedurende de laatste twee jaren aan het goed te hebben besteed, meer beloopen dan de tweejarige huurprijs, wordt de waarde dier vruchten of het bedrag dier onkosten als schadeloosstelling betaald.

Indien de huurder minder dan een jaar huur had, wordt hem de huurprijs van een vol jaar, of de waarde der te velde staande vruchten, zoo die meer beloopt, vergoed.

Indien de verhuring of hare verlenging na een der termijnen, in art. 39 volgens de daarby vermelde onderscheiding aangewezen, heeft plaats gehad, wordt door de onteigenende partij aan den huurder geene schadeloosstelling betaald, maar heeft deze eene vordering tot schadevergoeding tegen den verhuurder, ten ware anders mogt zijn overeengekomen.

43. De hypotheekhouder heeft geen regt op eenige afzonderl^ke schadevergoeding. Hij oefent zijn regt alleen uit op de som, die aan den van zijn erf onteigende is toegekend, en zulks onverschillig of zijne schuldvordering al dan niet opeischbaar zij.

Hij heeft geen regt, de betaling zgner geheele schuldvordering te eischen, wanneer slechts een gedeelte van het verhypothekeerde goed onteigend wordt. (O. 38.)

Wanneer de hypotheek tot zekerheid eener voorwaardelijke schuld of eener schuld van onbepaalde grootte is gesteld, kan de schuld-eischer vorderen, dat die som tot het beloop der in de acte opgegevene waarde in een van de grootboeken der nationale werkelijke schuld, ter zijner keuze, worde ingeschreven; in het eerste geval totdat de onzekerheid omtrent het bestaan der schuld hebbe opgehouden.

Wanneer de hypotheek tot zekerheid van altijddurende renten is gesteld, wordt het twintigvoudig bedrag der jaarlijksche rente uit de schadeloosstelling voldaan.

44. Wanneer ten gevolge der onteigening een regt v£,n erfdienstbaarheid verloren wordt, zal de vergoeding uit de aan den onteigende toegekende som worden gevonden, en daarop bij de bepaling dier som worden gerekend. Bij de berekening wordt vooral de meerdere of mindere noodzakelijkheid dier erfdienstbaarheid, en de mogelijkheid haar door eene andere te doen vervangen, in het oog gehouden.

186

ocr page 217

WET OP DE ONTEIGENING.

45. Hij, die op het onteigende goed een regt van vruchtgebruik had, heeft slechts aanspraak op de interessen van de aan den onteigende als schadeloosstelliag toegekende som, welke op zijn verlangen in een der grootboeken der nationale werkelijke schuld, ter zijner keuze, wordt ingeschreven.

Hetzelfde geldt voor hec, die een regt van gebruik of bewoning op het onteigende goed hebben, doch alleen tot een bedrag, berekend naar gelang van hun genot, door de deskundigen te bepalen.

Bij onteigening van fideicommissaire goederen, doet de bezwaarde erfgenaam de schadeloosstel;ing in een der grootboeken inschrijven.

46. Zij, die door de onteigening een regt van grondrenten of tienden verliezen, hebben uit de som, tot schadeloosstelling aan den schuldpligtige toegewezen, regt op den afkoopprijs, bij de vestiging bepaald, en, bij gebreke van zoodanige bepaling, op het twintig-voudig bedrag der jaarlijksehe of gemiddelde opbrengst, volgens de regels in artt. 799 en 800 van het Burgerlijk Wetboek gesteld.

47. Bij verlies ten gevolge van onteigening van eenen in tijde-lijke erfpacht bezeten grond, wordt de vergoeding, aan den erfpachter verschuldigd, door de deskundigen begroot, die daarbij letten op den tgd, dien het regt waarschijnlyk nog zou hebben geduurd.

Op gelijke wijze bepalen zij. wat uit de schadeloosstelling aan hem, die een regt van opstal verliest, zal worden betaald.

By onteigening van erven, aan het regt van beklemming onderworpen of in eeuwigdurende erfpacht bezeten, worden zoowel de eigenaar als de beklemde meijer, of de erfpachter in het geding geroepen en de aan elk hunner verschuldigde schadeloosstelling afzonderlijk begroot.

48. Bij onteigening in geval van bepoldering en droogmaking van verdronken landen, wordt aan de onteigenden, overeenkomstig de bepaling van art. 649 van het Burgerlijk Wetboek, slechts de waarde betaald, waarop die gronden als verdronken land zullen worden geschat.

49. Wanneer de onteigening niet den geheelen grond, waarop de in de vorige artikelen genoemde regten rusten, maar slechts een gedeelte treft, wordt de schadeloosstelling in evenrediglieid van het niet onteigende tot het onteigende gedeelte, naar de bovenstaande regels, berekend. (O. 48, 53.)

50. Wanneer de bij het vonnis bepaalde schadevergoeding meer bedraagt dan het gedane aanbod, wordt de onteigenende partij, en in de overige gevallen de verweerder, in de kosten veroordeeld. (O. 22.)

51. Wanneer het vonnis bij verstek is gewezen, kan men daartegen binnen acht dagen na de beteekeuing, op de wijze, in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgeschreven, in verzet komen.

187

ocr page 218

188 W£T OP DE ONTEIGENING.

52. Tegen het vonnis wordt geen hooger beroep toegelaten.

De voorziening in cassatie moet binnen drie dagen na de uitspraak

plaats hebben.

Zij geschiedt door eene verklaring ter griffie der regtbank, die het vonnis heeft gewezen. (O. 66.)

53. Deze verklaring wordt binnen acht dagen met eene ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij beteekend, en gaat vergezeld van dagvaarding tegen de eerstvolgende, voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde, teregtzitting na den in het volgend lid bepaalden termijn.

De tegenpartij heeft veertien dagen om, des verkiezende, te antwoorden.

In de genoemde teregtzitting nemen de partyen hare conclusiën, des verkiezende bij pleidooi, mits in dezelfde teregtzitting, nader te ontwikkelen.

Het openbaar ministerie neemt zijne conclusiën in diezelfde teregtzitting, of uiterlijk binnen vijf dagen daarna.

Uiterlijk acht dagen na de teregtzitting spreekt de Hooge Raad zgn arrest uit.

54. Binnen acht dagen, nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, doet het openbaar ministerie het bij uittreksel in een dagblad der provincie, bij het vonnis aangewezen, plaatsen.

Hetzelfde heeft, met inachtneming van denzelfden termijn, op last van het openbaar ministerie bij den Hoogen Raad plaats, wanneer de voorziening in cassatie tegen het vonnis, waarbij de onteigening werd uitgesproken, verworpen is, of wanneer de Hooge Raad, het vonnis des eersten regters vernietigende, de onteigening uitspreekt, in welk geval zijn arrest het dagblad aanwijst. (G. 165.)

VIERDE HOOFDSTUK.

OVEE DE BETALING VAN DE SCHADELOOSSTELLING.

Art. 55. Het vonnis van onteigening vervalt, wanneer niet binnen zes maanden, nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, de schadeloosstelling betaald, of, in de gevallen, waarin dir, volgens deze wet kan geschieden, geconsigneerd is. De onteigenende party is alsdan gehouden tot vergoeding der schade, welke do wederpartij daardoor mogt hebben geleden. Onder die schade zijn echter niet begrepen de proceskosten, waarin de onteigende mogt zijn veroordeeld, noch ook het verlies der voordeelen, die de onteigende uit de onteigening zou hebben getrokken. (O. 3, 50.)

Onder de schadeloosstelling zijn begrepen de wettelijke interessen daarvan, te rekenen van den achtsten dag nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. (0.72, 75.)

56. Wanneer zij, tegen wie de onteigening is uitgesproken, de

)

ocr page 219

WET OP DE ONTEIGENING.

bepaalde schadeloosstelling weigeren aan te nemen, kan de onteigenende partij zich in het bezit doen stellen van het onteigende goed, mits de schadeloosstelling aangeboden en geconsigneerd zij, op de wijze in de Tweede Afdeeling van den Vierden Titel van het Derde Boek van het Burgerlek Wetboek bepaald.

57. In het geval van het voorgaand artikel wordt de onteigenende partij, op bevelschrift van den voorzitter der arrondissements-regtbank, des noods door middel van den sterken arm, in het bezit der onteigende goederen gesteld.

Bij haar verzoekschrift aan dien voorzitter moet zij een afschrift van het vonnis overleggen, waarbij de onteigening uitgesproken is, en eene verklaring van den griffier der arrondissements-regtbank, of, zoo er voorziening in cassatie heeft plaats gehad, van den griffier bij den Hoogen Raad, dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Ook de acte, waaruit van het aanbod van gereede betaling en van de daarop gevolgde consignatie, of wel alleen van de consignatie in het geval van het volgend artikel, blijkt., moet worden overgelegd.

58. Wanneer ouder de onteigenende partij beslag op de schadeloosstelling gelegd, of wanneer er rangregeling gevraagd mogt worden, doet zij terstond zonder eenig aanbod de gelden consigneren en zich op de hierboven bepaalde wijze in het bezit stellen. (O. 55.)

59. Het vonnis van onteigening wordt tegen overlegging van een duplicaat der qnitantie van betaalde schadeloosstelling, of van een afschrift der beschikking van den voorzitter der arrondisse-ments regtbank, waarbij de in-bezit-neming wordt toegestaan, in de openbare registers, bedoeld bij art. 671 van het Burgerlijk Wetboek, overgeschreven.

Door die overschrijving gaat de eigendom op de onteigenende partij over, vrij van alle lasten en regten daarop rustende. Alleen erfdienstbaarheden kunnen op het onteigende goed gevestigd blijven, doch niet dan met goedvinden der onteigenende partij. (O. 57.)

60. Dijk- en soortgelijke lasten en alle belastingen, hoegenaamd, waarmede het onteigende goed is bezwaard of die daarvan worden betaald, gaan van den dag, waarop het eindvonnis van onteigening in kracht van gewijsde is gegaan, of waarop, in het geval van art. 57, de in-bezit-neming heeft plaats gehad, op de onteigenende partij over.

61. Indien, ten gevolge van oorzaken welke de onteigenende bij magte was uit den weg te ruimen, met het werk, waartoe werd onteigend, niet binnen een jaar nadat het eindvonnis van onteigening in kracht van gewijsde is gegaan, aanvang is gemaakt, of de arbeid daaraan meer dan een jaar mogt zijn gestaakt, of indien nit andere omstandigheden is aan te toonen, dat het werk blijkbaar niet tot stand zal worden gebragt, kan de onteigende bij deu reg-

18!)

ocr page 220

190 TVET OP DE ONTEIGENING.

ter het afgestane goed terugvorderen in den toestand, waarin het ]

zich alsdan bevindt; doch onder gehoudenheid om, in evenredig- wo

heid tot de terugontvangen waarde, de schadeloosstelling terug te gei geven. (O. 76.)

TITEL II. ar

OVER DE ONTEIGENING BIJ VESTINGBOUW, DEN AANLEG, m(

HET HERSTEL 01' ONDERHOUD VAN DIJKEN, BIJ BE- ve

SMETTING or ANDERE DRINGENDE OMSTANDIG- VS

HEDEN. he

EERSTE HOOFDSTUK. vf

P1

OVER DE ONTEIGENING BIJ VESTINGBOUW, DEN AANLEG, ü;

HET HERSTEL OF ONDERHOUD VAN DIJKEN.

Cf!

3

Art. 62. Onteigening van onroerende zaken, ten behoeve vau «

vestingbouw, den aanleg, het herstel of het onderhoud van dijken,

heeft plaats uit kracht van een door Ons, den Raad van State ge- o

hoord, genomen besluit, waarbij de goederen, die onteigend moeten n

worden, naauwkeurig, met opnoeming hunner kadastrale nommers | v en van de namen der in de registers van het kadaster aangeduide | lt;3 eigenaars, worden aangewezen.

Dat besluit wordt in het Staatsblad geplaatst. (G. 151; O. 3, 69.) (

63. Alvorens dit besluit te nemen worden de belanghebbenden

in staat gesteld, hunne bezwaren tegen de rigting van het werk ken- ;

baar te maken aan eenc commissie, zamengesteld op de wijze bij art. 10 bepaald.

Waar het den aanleg, het herstel of het onderhoud van dijken geldt, wordt de commissie mede bijgestaan door een lid van een der ter plaatse bestaande collegiën of besturen, in artt. 1 en 2 der wet van 9 October 1841 {Staatsblad no. 42) vermeld.

Deze commissie houdt in alle gemeenten, onder welke goederen te onteigenen zijn, ten minste ééne zitting. (O. 10.)

64. Art. 9, het laatste lid van art. 10 en de artt. 11 tot en met 61 zijn ten deze toepasselijk, met uitzondering van no. 'A van art. 25.

65. Wanneer niet de grond zelf onteigend wordt, maar slechts tot het verrigten van in dezen titel vermelde werken zekere speciën uit den grond noodig geacht worden, mag dit ook op ee;i besluit van Gedeputeerde Staten of wel der in artt. 1 en 2 der wet van 9 October 1841 {Staatsblad no. 42) vermelde collegiën en besturen geschieden.

Het besluit, door Ons of door de zoo even genoemde collegiën of besturen genomen, wijst zoo naauwkeurig mogelijk de oppervlakte aan, waarover en de diepte, tot welke de uitgraving zal plaats hebben.

ocr page 221

WET OP DE ONTEIGENING.

Behalve de plaatsing in het Staatsblad., in art. 62 voorgeschreven, wordt het in de Staatscovrant en in een dagblad der provincie opgenomen.

De schadeloosstelling bepaalt zich in dat geval tot de waarde der weggenomen speciën en de schade, door die wegneming aan den grond toegebragt, met inachtneming der bepaling van art. 41.

66. Bij gebreke van minnelijke schikking benoemt de arrondisse-ments-regtbank, in het geval van het voorgaande artikel, op het verzoekschrift hetzij van hem, die onteigent, of van den eigenaar van den grond, een of meer deskundigen, in oneffen getale, om een berigt over de schadeloosstelling te geven.

By het verzoekschrift moet een exemplaar van het Staatsblad, waarin Ons besluit, of van de Staatscourant en het dagblad der provincie, waarin dat der Gedeputeerde Staten of der andere genoemde collegiën of besturen is opgenomen, worden overgelegd.

De regtbank benoemt één harer leden, om als commissaris, vergezeld van den griffier, bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn. (O. 17, 70.)

Zij bepaalt tevens den dag en de plaats, waar en wanneer dat onderzoek zal geschieden. ïen minste twee maal vier en twintig uren te voren wordt dit aan de wederpartij beteekend en afschrift van het exploit ter griffie van de regtbank nedergelegd. Bij gebreke dier beteekening vervalt het vonnis.

Het vonnis wordt aan het gebouw der regtbank aangeplakt, en de griffier roept de deskundigen op.

Derde belanghebbenden kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begroeten.

De regter-commissaris bepaalt bij het onderzoek den dag, waarop hij zijn rapport aan de regtbank zal uitbrengen. Deze dag wordt aan de wederpartij beteekend, zoo zij niet is verschenen bij het onderzoek, en afschrift van het exploit ter griffie nedergelegd. Inmiddels liggen het proces-verbaal van den regter-commissaris en het advies der deskundigen op de griffie ter lezing.

Op den bepaalden dag nemen, na het rapport van den regter-commissaris, partijen en derde belanghebbenden hunne conclusiëu, welke zij, mits op dezelfde teregtzitting, bij pleidooi breeder kunnen ontwikkelen.

De regtbank beslist, na het openbaar ministerie gehoord te hebben, terstond of op de eerstvolgende teregtzitting.

Geenerlei andere formaliteiten behoeven hier in acht te worden genomen.

Tegen het vonnis, waarbij de onteigening is uitgesproken, wordt noch verzet, noch hooger beroep, noch beroep in cassatie toegelaten.

Het 2de en 3de lid van art. 20, het laatste lid van art. ii, de artt. 39 en 33 en de vyf eerste leden van art. 34, zijn op de regts-vordering, in dit artikel omschreven, van toepassing. (O. 23,28,37, 52.)

191

ocr page 222

WET OP DE ONTEIGENING.

67. De wegneming der speciën heeft niet plaats dan nadat de onteigenende partij de schadeloosstelling heeft betaald of geconsigneerd.

De artt. 55 tot 58 zijn ook hier van toepassing.

68. De artt. 65 tot en met 67 zijn niet toepasselijk ingeval de specie wordt genomen van gronden, waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, mogt rusten. Geen nieuwe verpligting van dezen aard kan na de afkondiging dezer wet door gewoonte of verordening worden gevestigd. ')

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER ONTEIGENING BIJ BESMETTING.

Art. 69, Onteigening ter afwering eener gevreesde, of tot het stuiten van den voortgang eener aanwezige, besmetting heeft plaats uit kracht van een besluit, door Ons genomen, verklarende dat daarvoor genoegzame reden bestaat. Wanneer echter het gevaar slechts voor eene provincie in het bijzonder te duchten is, kan die verklaring ook bij besluit van Gedeputeerde Staten geschieden.

In zeer dringende gevallen kunnen de gemeentebesturen hiertoe overgaan, mits van hun besluit binnen tweemaal vier en twintig uren aan Gedeputeerde Staten kennis gevende.

In het, besluit, zoo van Ons, als van Gedeputeerde Staten of van het gemeentebestuur, worden de goederen, die onteigend moeten worden, met opnoeming van de uamen der eigenaars, aangewezen, en wordt daarin wijders melding gemaakt van de schriftelijke verklaring van eenen deskundige, waaruit van de noodzakelijkheid dier onteigening blijkt.

Het besluit wordt op de gebruikelijke wijze ter openbare kennis gehragt, en in een of meer daarbij aan te wijzen dagbladen geplaatst.

Indien het besluit de onteigening betreft van besmette of van besmetting verdachte voorwerpen, kunnen die voorwerpen onmiddellijk of later door of van wege het bestuur, met de onteigening belast, worden in beslag genomen.

Gedeputeerde Staten kunnen de toepassing van hun besluit aan de gemeentebesturen opdragen. (O. 62; G. 152, Add. art. 5.)

70. Bij gebreke van minnelijke schikking dient, in liet geval van het voorgaand artikel, het bestuur, met de onteigeaing belast, een verzoekschrift aan den kautonregter in, strekkende dat de ont-eigeninjr door hem worde uitgesproken en de schadeloosstelling bepaald. (O. 17, 60.)

192

Bg het verzoekschrift moet het besluit, volgens het voorgaand artikel genomen, worden overgelegd.

1) Aldus gewijzigd bij de wet van 1 Junij 1861, Stsbl. no. 54.

ocr page 223

WET OP DE ONTEIGENING.

De kantonregter benoemt daarop onmiddellijk een of meer deskundigen, in oneffen getale, welke, na beeedigd te zijn, hun oordeel omtrent de hoegrootheid der schadeloosstelling uitbrengen.

71. De kantonregter is met zijnen griffier bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig. Hij laat terstond van hunne meening en de gronden, daarvoor door hen aangevoerd, door zijnen griffier proces-verbaal opmaken, en bepaalt onmiddellijk daarna of uiterlijk drie maal vier en twintig uren later, de verschuldigde schadevergoeding.

De eigenaar wordt, indien hij binnen de gemeente woont, waar het onderzoek moet plaats hebben, door den kantonregter, zooveel noodig schriftelijk, uitgenoodigd, bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn; desgelijks, indien het de onteigening van een besmet voorwerp geldt, de personen by welke het gevonden is.

Derde belanghebbenden kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begrooten.

De artt. 29 en 33 zijn ook hier toepasselijk, behoudens dat hetgeen daar van den regter-commissaris gezegd is, op den kantonregter toepasselijk quot;wordt.

Geenerlei andere formaliteiten behoeven hier in acht te worden genomen.

De termijnen worden naar gelang der omstandigheden, door den kantonregter, des noods van uur tot uur, bepaald.

Tegen het vonnis des kantonregters, waarbij de onteigening is uitgesproken, wordt noch verzet, noch hooger beroep, noch beroep in cassatie toegelaten. (O. 66.)

72. De overgang van den eigendom, voor zooverre het roerende goederen betreft, heeft niet plaats dan nadat van wege het bestuur, met de onteigening belast, de schadeloosstelling is betaald of geconsigneerd; het laatste, wanneer binnen de gemeente, waar het onteigende goed zich bevindt, de gelegenheid ontbreekt de betaling te doen, of de onteigende weigeren mogt op het hem gedane aanbod de schadevergoeding te ontvangen, of wel, wanneer er beslag op die penningen mogt zijn gelegd. Art. 55 is ook hier van toepassing. (O. 50, 58.)

Bij onroerende goederen gelden de bepalingen van het Vierde Hoofdstuk van den Eersten Titel, behoudens dat hetgeen daar van den president der regtbank gezegd is, op den kantonregter toepasselijk wordt, en de overlegging van de verklaringen des griffiers, in art. 57 voorgeschreven, vervalt.

De schadeloosstelling wordt door het bestuur, met de onteigening 'oelast, voorgeschoten en komt ten laste van den Staat. In die provinciën echter, waar provinciale belastingen tot het te keer gaan der besmetting worden geheven, kumen de kosten ten laste dei-provincie.

193

ocr page 224

WET OP DE ONTEIGENING.

TITEL III.

OVER ONTEIGENING BIJ OORLOG, BRAND OF WATERSNOOD.

Art. 73. Wanneer ingeval van oorlog, brand of watersnood, oogen-blikkeJijke inbezitneming volstrekt noodzakelijk geacht wordt, kan deze op last van de hoogste burgerlijke of militaire overheid, ter plaatse aanwezig, geschieden. (Gem. 189.)

Ingeval van watersnood kan die last ook door de betrokken col-legiën en besturen, in artt. 1 en 2 der wet van den 9den October 1841 {Staatsblad no. 42) vermeld, of door de hoofden dier collegiün en besturen, gelyk door hunne daartoe gemagtigde leden, worden gegeven.

Oorlog, in den zin dezer wet, wordt geacht aanwezig te zijn, niet alleen bij uitgebroken krijg, maar ook zoodra de toestand zoo dreigend voor 's Lands defensie is, dat de militie te land, hetzij geheel, hetzij ten deele, buitengewoon krachtens art. 184 (185) der Grondwet door Ons is bijeengeroepen, en zoolang die als zoodanig onder de wapenen blijft. ')

Door watersnood wordt niet enkel het geval verstaan dat dijken zijn doorgebroken of overstroomingen hebben plaats gehad, maar ook dat van dringend of dreigend gevaar voor doorbraak of overstrooming.

De eigendom gaat onmiddellijk op dengene over, in wiens naam de inbezitneming is geschied, vrij van alle lasten en regten daarop rustende. Alle in art. 60 genoemde lasten of belastingen, waarmede het onteigende goed is bezwaard, gaan van den dag der inbezitneming op hem over.

74. Zoodra mogelijk na de onteigening, moet degene, die haar bevolen heeft, aan de onteigenden geregtelijk eene schadevergoeding doen aanbieden, of in de gevallen, in art. 58 genoemd, consigneren.

Indien dit aanbod of die consignatie niet binnen drie maanden is geschied, alsmede wanneer met het aangebodene of geconsigneerde geen genoegen wordt genomen, kan de schadevergoeding in regten door de onteigenden worden gevorderd.

In het eerste geval kan de Staat, de provincie, de gemeenten of het waterschap de bedoelde schadeloosstelling van hen, die de onteigening gelast hebben, persoonlijk terugvorderen, ten ware het verzuim huiten hunne schuld mogt hebben plaats gehad.

194

75. De wettelijke interessen der verschuldigde schadevergoeding moeten van den dag der inbezitneming aan de onteigenden worden betaald. (O. 55.)

1) Aldus gewijzigd bij de wet van 29 Maart 1877, Stsbl. no. 53.

ocr page 225

WET OP DE ONTEIGENING.

76. Wanneer hij, in wiens naam de onteigening gelast is, den eigendom van het goed niet langer voor het beoogde doel noodig acht, en er nog geene drie jaren sedert de onteigening verloopen zijn, is de onteigende bij voorkeur boven alle anderen tegen betaling van den prijs, door deskundigen te begrooten, tot de verkrijging daarvan ge-regtigd. (O. 61.)

SLOTBEPALINGEN.

Art. 77. Op de gevallen, waarin volgens art. 187 (186) der Grondwet moet worden voorzien, is deze wet niet toepasselijk.

78. De wet van 29 Mei 1841 {Staatsblad no. 19) is ingetrokken.

Zij blijft intusschen toepasselijk op regtsvorderingen tot onteigening vóór de afkondiging dezer wet aangevangen.

Het zal desniettemin aan de onteigenende partij vrijstaan, van hare volgens de vorige wet aangevangen regtsvordering, zoolang nog geen vonnis in de zaak is gewezen, afstand te doen en een nieuwe volgens deze wet in te stellen. In dat geval moet zij alle kosten, door de wederpartij tot op het doen van dien afstand gemaakt, betalen.

Zij kan tot die betaling genoodzaakt worden op het enkel bevelschrift van den voorzitter der arrondissements-regtbank, gesteld aan den voet van den door de wederpartij opgemaakten staat van kosten.

Dit bevelschrift is uitvoerbaar bij voorraad.

195

ocr page 226

WET

TOT VEREVENING VAN SOMMEN ALS KOOPPKIJZEN i EN VERGOEDINGEN, WEGENS ONTEIGENINGEN TEN ALGEMEENEN NUTTE TOEGEKEND.

(Vastgesteld den liden September 1866, Stsbl. no. 139, uitgegeven den 20sten Sept. d.a.v.)

Art. I. Sommen, wegens aankoop ten belioeve van de Staatsspoorwegen, krachtens de wet van 28 Augustus 1851 {Staatsblad no. 125) vóór het in werking treden van de tegenwoordige wet toegekend: 1°. als koopprijzen van onteigende goederen in overeenkomsten, waarbij goederen, bezwaard met tiendregt, of andere zakelijke regten dan erfdienstbaarheden, zijn aangekocht;

2°. als schadevergoeding voor verlies van tiend of andere zakelijke regten rustende op perceelen, bij de overeenkomsten, sub 1°. bedoeld, aangekocht;

3°. als schadevergoeding voor verlies van tiend of andere zakelijke regten, in overeenkomsten, welke gesloten werden, terwijl de perceelen, met die regten bezwaard, onder een algemeen beding van vrge levering waren gekocht;

worden door de Algemeene Rekenkamer verevend, de laatstgemelde sommen op de verklaring van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, dat in de aan de eigenaren der perceelen toegekende koopprijzen geenerlei vergoeding wegens verlies van die regten, waarover afzonderlijk is overeengekomen, is begrepen.

2. Na het in werking treden van deze wet worden de vorderingen, voortvloeijende uit overeenkomsten, bedoeld bij art. 17 der wet van 28 Augustus 1851 (Staatsblad no. 125), verevend, ook dan, wanneer de vergoeding voor den eigenaar der perceelen en die voor den tiendheifer of den geregtigde tot andere zakelijke regten bij onderscheidene acten is geregeld.

ocr page 227

WET,

HOUDENDE REGELING DER VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE HOOFDEN DER MINISTERIËLE DEPARTEMENTEN.

(Vastgesteld den 23sten April 1855, Stsbl. no. 33, uitgegeven den 30stcn April d.a.v. Gewijzigd by de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Art. I. De Hoofden der Ministeriële Departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van do Kroon afhangt.

Zij zijn wegens het niet-naleven van deze verpligting verantwoordelijk en in regten vervolgbaar overeenkomstig de volgende bepalingen. (G. 77.)

2. De mede-onderteekening van Koninklijke besluiten of Koninklijke beschikkingen wijst het Hoofd van het Ministerieel Departement aan, dat voor die besluiten of beschikkingen aansprakelijk is.

3. Afgeschaft volgens art. 'id, wet 15 April 1886, Stsbl. no. ()4. Zie thans artt. 355 en 356 Wetb. v. Strafrecht.

4. De Hoofden der Ministeriële Departementen staan ter vetvol-ging, hetzij van Onzentwege, hetzij van wege de Tweede Kamer, te regt voor den Hoogen Raad. (G. 16i; S.V. 301.)

5. Het besluit, waarbij van Onzentwege de vervolging van een der Hoofden van Ministeriële Departementen bevolen wordt, bevat eene naauwkeurige aanduiding der feiten, waarop de beschuldiging van een of meerdere der bij deze wet strafbaar gestelde misdrijven rust, benevens den last op den procureur-generaal bij den Hoogen Raad om de vervolging in te stellen.

Afschrift van dit besluit wordt aan de beide Kamers der Sta-ten-Generaal medegedeeld.

6. De Tweede Kamer der Staten-Generaal, zoodanige mededeeiing ontvangen hebbende, neemt harerzijds geene aanklagt tegen denzelfden persoon wegens dezelfde feiten in overweging. (19.)

7. Geene aanklagt tegen een der Hoofden van dc Ministeriële Departementen wordt bij de Kamer in overweging genomen, tenzij door vijf leden schriftelijk en met opgave der feiten ingediend. (10.)

8. De Kamer overweegt in de afdeelingen, of de aanklagt een onderwerp van nader onderzoek zal uitmaken.

STAATSWETTEN. 13

ocr page 228

WET OP DE MIN. VEELAKTWOORDELIJKHEID.

De Voorzitter geeft van het indienen der aanklagt binnen 24 uren kennis aan den betrokken Minister.

Het in overweging nemen der aanklagt kan niet vroeger dan acht dagen na deze kennisgeving aan de orde gesteld worden.

9. Wanneer tot het in overweging nemen der aanklagt besloten is, wordt zij gesteld in handen eener commissie van onderzoek, daartoe door de volle Vergadering te benoemen.

10. Zij, die de aanklagt hebben ingediend, zijn van deze commissie uitgesloten, doch kunnen door haar, tot het geven van nadere inlichtingen, worden gehoord.

11. De Commissie van onderzoek is belast met het opsporen en verzamelen van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten, in de aanklagt vermeld, kunnen leiden.

De bepalingen der wet tot regeling van het regt van onderzoek (enquête) zijn daarbij van toepassing, (Wet van 5 Aug. 1850, Stsbl. no. 45.)

De bloedverwanten en aangehuwden van den betrokken Minister, in de regte linie en tot in den derden graad der zijdlinie, mitsgaders zijne echtgenoot, zelfs na echtscheiding, kunnen niet genoodzaakt worden, verklaringen af te leggen.

12. In iederen stand van het onderzoek is de commissie verpligt den betrokken Minister, wanneer hij dit wenscht, te hooren.

Hij kan niet genoodzaakt worden voor haar te verschijnen.

13. Zoodra do commissie van onderzoek de aanklagt genoegzaam toegelicht acht, brengt zij over de daarbij aangevoerde feiten verslag uit.

Dit verslag wordt aan de Afdeelingen verzonden, en over de aanklagt verder geraadpleegd als over een voorstel van wet.

14. By de beraadslaging over de aanklagt wordt de betrokken Minister, op zijn verlangen, gehoord, en aan hem in ieder geval het laatst het woord gegeven.

Hij behoudt dit, regt, niettegenstaande hij vóór of gedurende het onderzoek mogt zijn afgetreden.

15. Wanneer eene aanklagt tegen een der hoofden van de Ministeriële Departementen door de Tweede Kamer niet in overweging is genomen, kan, bij het opkomen van nieuwe bezwaren, de aanklagt hervat, in ieder geval, van Onzentwege de vervolging van den betrokken Minister ter zake derzelfde feiten bevolen worden. (17.)

Wanneer echter de aanklagt, na gedaan onderzoek en gehouden beraadslagingen, door de Tweede Kamer verworpen is, kan tegen den betrokken Minister wegens dezelfde feiten, noch van Onzentwege, noch van wege de Kamer, op nieuw eenig onderzoek ingesteld of eene strafvervolging gelast worden.

16. Iedere aanklagt tegen een der Hoofden van de Ministeriële Departementen wordt geacht verworpen te zijn, wanneer binnen drie maanden, na hare indiening, door de Tweede Kamer geen eindbesluit is genomen.

198

ocr page 229

WET OP DE MIN. VERANTWOORDELIJKHEID,

Wanneer de aanklagt aanleiding geeft tot een onderzoek in de overzeesche bezittingen, kan deze termijn door de Tweede Kamer tot één jaar verlengd worden.

Bij sluiting der zitting van de Staten-Generaal gedurende den loop van het onderzoek, begint, met den dag der opening van de volgende zitting, een nieuwe termijn van drie maanden te loopen.

Bij ontbinding der Tweede Kamer vervalt eene, bij haar aanhangige aanklagt van regtswege, onverminderd de bevoegdheid tot het doen eener nieuwe aanklagt overeenkomstig art. 7. (lt;j. 73.)

17. De stilzwijgende verwerping eener aanklagte, ten gevolge van het verloopen van den termijn, kan niet ingeroepen worden tegen den van Onzentwege gegeven last, om denzelfden persoon wegens dezelfde feiten te vervolgen.

18. De Tweede Kamer toetst de aangeklaagde feiten aan het regt, de biliykheid, de zedelijkheid en het staatsbelang.

Genoeraame gronden tot vervolging vindende, wijst zij, bij haar besluit, de feiten, waarop de beschuldiging rust, nauwkeurig aan, en belast den procureur-generaal bij den Hoogen Raad met de vervolging, onder toezending, binnen drie dagen, van het besluit met de aanklagt en de verzamelde bescheiden.

Afschrift van dat besluit wordt aan Ons en aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal medegedeeld. (20.)

19. Na de ontvangst der mededeeling, bij het vorig artikel voorgeschreven, wordt van Onzentwege tegen den aangeklaagden Minister wegens dezelfde feiten geene vervolging gelast.

20—26. Vervallen door art. 302 van het Wetboek van Strafvordering.

27 en 28. Vervallen door artt. 304 en 305 van het Wetboek van Strafvordering.

29—35. Afgeschaft bij art. 3c? der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64. Zie thans artt. 355, 356 en 70 volg. Wetb. v. Strafrecht.

36. De regtsvordering tot vergoeding van schade, door een [bij deze wet] strafbaar gesteld feit geleden, kan alléén op eene veroordeeling door den Hoogen Raad rusten, en wordt voor den gewonen burgerleken regter ingesteld.

37. De geldelijke verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen wordt door eene nadere wet geregeld.

199

■

13*

ocr page 230

WET

HOUDENDE REGELING DER ZAMENSTELLING EN DE BEVOEGDHEID VAN DEN RAAD VAN STATE.

(Vastgesteld den Sisten December 1861, Stsbl. no. 139, uitgegeven den 27sten Dec. d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 28 Juni 1881, Stsbl. no. 123 en 11 Juli 1884, Stsbl. no. 122.)

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE ZAMENSTELLING VAN DEN RAAD VAN STATE EN DE AMBTENAREN BIJ DIEN RAAD.

EERST li AEDEELING.

Van de zamenüelling van den Raad.

Art. I. De Raad van State is zamengesteld, buiten Ons als Voorzitter, uit:

een vice-president en veertien leden. (G. 74«, 4.)

2. De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, zitting in den Raad van regtswege [en eene raadgevende stem] (G. Tic). Door Ons kan aan de overige Prinsen van Ons Huis, wanneer zij meerderjarig zijn, zitting en raadgevende stem in den Raad verleend worden.

3. De vice-president en de leden van den Raad worden door Ons benoemd en ontslagen.

4. Er kunnen staatsraden in buitengewone dienst door Ons worden benoemd ten getale van hoogstens vijftien. Zg worden door Ons ontslagen.

Zij worden door Ons of van Onzentwege opgeroepen om deel te nemen aan bepaalde werkzaamheden van den Raad, en hebben alsdan gelijke bevoegdheid als de leden.

Aan de behandeling der onderwerpen, bedoeld bij art. 23, nemen zij geen deel.

Zij genieten, als zoodanig, geene bezoldiging. Waaneer zij elders woonachtig zijn dan ter plaatse, waar de zetel der E.egering gevestigd is, erlangen zg schadeloosstelling voor reis- en verblijfkosten naar een door Ons vast te stellen tarief. (43.)

5. De staatsraden in buitengewone dienst worden gekozen uit hen die bewijzen hebben gegeven, hetzij van bekwaamheid in zake van

ocr page 231

WET OP DEN KAAD VAN STATE.

wetgeving of bestuur, hetzij van bijzondere bekendheid met de aangelegenheid van de koloniën en bezittingen van den Staat in andere werelddeelen.

6. Niemand kan zijn vice-president, lid van den Raad van State of staatsraad in buitengewone dienst, dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is en den ouderdom van vijf en dertig jaren heeft vervuld.

7. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad mag niet bestaan tusschen den vice-president en de leden, noch tusschen de leden onderling.

In geval van opkomende zwagerschap na de benoeming, legt hg, door wiens huwel^k de zwagerschap ontstaat, zijn ambt neder.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (B.W. volg.)

8. Onvereenigbaar met de betrekking van vice-president of lid van den Raad is:

de betrekking van geestelijke of bedienaar van de godsdienst, pleitbezorger, advocaat, notaris, solliciteur of zaakwaarnemer;

elke openbare bediening.

9. Alvorens hunne betrekking te aanvaarden leggen de vice-president, de leden van den Raad en de staatsraden in buitengewone dienst, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in Onze handen den volgenden eed (belofte) en verklaring af:

„Ik zweer (verklaar) dat ik middellijk noch onmiddellijk, „onder welken naam of wat voorwendsel ook, tot het verkrijgen „mijner aanstelling aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven „of beloofd, noch zal geven.

„Ik zweer (beloof) dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige „beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk. (Gr. 87.)

„Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning, dat ik de Grond-„wet steeds zal helpen onderhouden, en al de pligten van een

vice-president , t. gt; o ^ .

„--van den Raad van State (staatsraad in bnitenge-

„wone dienst) eerlijk en vlijtig zal vervullen.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig.quot; (Dat verklaar en beloof ik.)

Deze eed (verklaring en belofte) kan door de leden van den Raad en de staatsraden in buitengewone dienst ook worden afgelegd in eene vergadering van den Raad in handen van den vice-president, daartoe door Ons gemagtigd.

10. De vice-president en de leden van den Raad hebben hnn vast en voortdurend verblijf in de gemeente, waar de zetel der Regering is gevestigd.

11. Om zich uit die gemeente te verwijderen behoeft de vice-

201

ocr page 232

WET OP DEN RAAD VAM STATE.

resident Onze toestemming, en behoeven de gewone leden die van en vice-president.

Om het Eijk te verlaten is Onze toestemming noodig voor de leden en, ingeval van afwezigheid van meer dan veertien dagen, ook voor de. staatsraden in buitengewone dienst.

12. De vice-president wordt, bij verhindering of ontstentenis, vervangen door het oudste aanwezige lid, naar rang van benoeming.

13. De Raad wordt in afdeelingen verdeeld. (G. 74«, 76.)

Eene daarvan, zamengesteld uit vijf leden, den vice-president daaronder begrepen, is, onder diens voorzitterschap, belast met de taak, omschreven bij art. 23. Bij verhindering of ontstentenis wordt de vice-president vervangen door het oudste aanwezige lid der afdeeling.

De algemeene maatregel van inwendig bestuur, bedoeld bij art. 46, bepaalt het getal der overige afdeelingen en harer leden, regelt de vervanging dier leden wegens verhindering of ontstentenis, en wijst de ministeriële departementen aan, waartoe die afdeelingen in betrekking staan.

Door Ons, den Raad gehoord, worden de leden der afdeelingen aangewezen en, zoo noodig, afgewisseld. ')

De leden van de afdeeling voor de geschillen van bestuur worden niet afgewisseld. In bijzondere gevallen, waarin, tot verzekering der dienst, vervanging noodzakelijk is, wordt door Ons, den Raad gehoord, voorzien. (23.)

De staatsraden in buitengewone dienst worden door Ons of van Onzentwege opgeroepen om aan bepaalde werkzaamheden van de eene of andere afdeeling deel te nemen. Het derde lid van art. 4 is hier van toepassing. (4.)

14. Door Ons kunnen, op voordragt van den Raad, deskundigen worden opgeroepen, ten einde in den Raad of in zijne afdeelingen te dienen van voorlichting en advies. (4.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de ambtenaren bij den Raad.

Art. 15. Bij den Raad worden door Ons benoemd één secretaris en het vereisohte getal referendarissen en commiesen van Staat.

Zij worden door Ons ontslagen.

Zoo dikwijls een der genoemde ambten behoort t? worden vervuld, draagt de Raad van State aan Ons een dubbeltal ter aanbeveling voor. -)

De aanstelling der overige beambten en der bedienden geschiedt op de wijze door Ons, den Kaad gehoord, te bepalen.

1) Het 3de en 4de lid van dit artikel aldus gewgzigd bg de wet van 28 Juni 18S1, Stsbl. no. 123.

2) Dit lid is aan art. ló'toegevoegd door de wet van 11 Juli 1884, Stsbl.no. 122.

202

ocr page 233

WET OP DEN RAAD VAN STATE.

16. Behalve de hoedanigheid van Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten, wordt vereischt, om te zijn secretaris van den Raad van State, dat men den ouderdom van dertig jaren, om te zijn referendaris, dien van vijf en twintig, en om te zijn commies van Staat, dien van drie en twintig jaren hebbe bereikt.

Tot referendaris of commies van Staat zijn alleen benoembaar zij. die den graad van doctor in de Staatswetenschap, in de rechtswetenschap of in de beide rechten aan eene Rijksuniversiteit of daarmede door de wet gelijkgestelde inrichting binnen dit Rijk verkregen hebben, 'j

17. De secretaris, de referendarissen en de commiesen van Staat leggen, alvorens hun ambt te aanvaarden, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in 's Raads vergadering den navolgenden eed (belofte) en verklaring af:

„Ik zweer (verklaar) dat ik, middellijk noch onmiddellijk, on-„der welken naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner „aanstelling aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of be-„loofd, noch geven zal.

„Ik zweer (beloof) dat ik, om iets hoegenaamd in deze bentrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige „beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk. (G. 87.)

„Ik zweer (beloof), dat ik al de pligten, aan mijn ambt verbonden, eerlijk en vlijtig zal vervullen.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; (Dat verklaar en beloof ik.)

18. De secretaris, de referendarissen en de commiesen van Staat hebben hun vast en voortdurend verblijf in de gemeente, waar de zetel der Regering is gevestigd.

De bepaling van art. S is op hen van toepassing.

19. Zij zijn verpligt geheim te houden wat hun in hunne betrekking bekend wordt.

Hunne overige verpligtingen worden geregeld bij eene instructie, door Ons, den Raad gehoord, vast te stellen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE BEVOEGDHEID EN DE WERKZAAMHEDEN VAN DEN-RAAD VAN STATE.

EERSTE AFDEELING.

203

Van de bevoegdheid van den Raad. Art. 20. Onverminderd de bijzondere bevoegdheid van den Raad

1) Art. 16 aldus gewyzigd by de wet van 11 Juli 1884, Stsbl. no. 122.

ocr page 234

204 WET OP DEN RAAD VAN STATE.

van State, bij de artikelen 42 (38) en 47 (45) der Grondwet toegekend, is de Raad werkzaam naar de regelen van bevoegdheid in de volgende artikelen omschreven.

21. Door Ons worden bij den Raad ter overweging gebragt alle voorstellen, door Ons aan de Staten-Generaal te doen, of door de Staten-Generaal aan Ons gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen . van inwendig bestuur van den Staat en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. (G. 75.)

22. De Raad wordt door Ons gehoord over vernietiging van besluiten der Provinciale of Gedeputeerde Staten of van plaatselijke verordeningen. (P. 140, 146; G. 140.)

23. De afdeeling, welker zamenstelling geregeld is in het tweede lid van art. 13, wordt belast met het onderzoek der geschillen van bestuur of andere, aan Onze beslissing onderworpen, en draagt Ons de uitspraak voor. (G. 154.)

24. De Raad wordt wijders door Ons gehoord in de gevallen, waarin de wet het beveelt, mitsgaders over alle zaken van algemeen of bijzonder belang, waaromtrent Wij het noodig oordeelen (G. 75c.)

25. De Raad is bevoegd aan Ons voordragten te doen omtrent onderwerpen van wetgeving of bestuur, waaromtrent hg het doen van voorstellen aan de Staten-Generaal of het uitvaardigen van algemeene maatregelen van inwendig bestuur wenschelijk acht.

26. De afdeelingen van den Raad dienen de hoofden der ministeriële departementen in zaken van bestuur of wetgeving, des gevraagd, van voorlichting.

TWEEDE AFDEELING.

Van de regeling der werkzaamheden van den Raad.

Art. 27. De vergadering, in art. 42 (38) der Grondwet bedoeld, wordt bijeengeroepen door den vice-president, hetzij ambtshalve, hetzij op een voorstel van vyf leden van den Raad, hetzij op verlangen van de hoofden der ministeriele departementen.

Hij zit in de vergadering voor, tot door haar een voorzitter is gekozen.

28. In alle gevallen, waarin de Raad of de afdeeling, welker zamenstelling geregeld is in het tweede lid van art. 13, wordt gehoord, wordt de overweging aanhangig gemaakt door de hoofden der ministeriële departementen, krachtens telkens door Ons te ver-leenen magtiging.

29. Alvorens de Raad beraadslaagt en besluit over de onderwerpen, bedoeld bij de artt. 21, 22 en 24, heeft een voorbereidend onderzoek plaats door de afdeeling, in betrekking staande tot het ministerieel departement, hetwelk de zaak aangaat.

ocr page 235

WET OP DEN KAAD VAN STATE.

De afdeeling treedt, des noodig, met het hoofd van het departement in overleg. Zij brengt in den Eaad verslag uit. Het verslag gaat vergezeld van een ontwerp van het te geven advies en vermeldt, hij verschil van ge voelen tusschen de leden der afdeeling, de gronden van het verschil. Betreft de zaak meerdere departementen, tot meer dan ééne afdeeling in betrekking staande, het onderzoek heeft op gelijke wijze plaats in, en het verslag wordt uitgebragt door de vereenigde afdeelingen. De vice-president kan ook in dit geval het onderzoek en het uitbrengen van verslag opdragen aan leden, die uit de afdeelingen, welke de zaak betreft door hem worden aangewezen.

De vice-president is bevoegd, waar hij dit uoodig acht, leden eener afdeeling, door hem aan te wijzen, te doen deel nemen aan het onderzoek, bij eene andere afdeeling aanhangig.

In bijzondere gevallen kan, met Onze magtiging, het voorbereidend onderzoek door den Raad worden opgedragen aan leden of staatsraden in buitengewone dienst, niet behoorende tot de afdeeling, die met het onderzoek zou zgn belast. Door dezen wordt gehandeld gelijk voor het onderzoek der afdeelingen is bepaald.

30. De Raad beraadslaagt over de onderwerpen, bedoeld bij de artt. 21, 22 en 24, met het hoofd van het ministerieel departement, hetgeen de zaak aangaat, wanneer hij of dat hoofd het verlangt.

31. De hoofden der ministeriële departementen geven aan den Raad, aan zijne afdeelingen of aan de leden, of staatsraden in buitengewone dienst met eenig voorbereidend onderzoek belast, de inlichtingen, die in verband met de te behandelen zaken vereischt worden.

Zoo de Raad het dienstig acht inlichtingen in te winnen of bezwaren te kennen van bij de zaak betrokken besturen, collegiën of personen, geschiedt dit door tusschenkomst van de hoofden der ministeriële departementen, die de zaak aangaat.

32. Tot het vaststellen van 's Raads advies wordt gevorderd een aantal van minstens negen leden, de vice-president of staatsraden in buitengewone dienst daaronder begrepen.

Het advies wordt vastgesteld bij volstrekte meerderheid van stemmen.

JBij staking van stemmen wordt het vaststellen van het advies tot eene volgende vergadering uitgesteld.

Wanneer ook dan de stemmen staken, heslist die van den vice-president, of, bij diens ontstentenis, van het voorzittend lid. Van die omstandigheid wordt in het advies melding gemaakt.

33. De Eaad geeft, zoo dikwijls hij door Ons wordt gehoord, zijn advies schriftelijk en met redenen omkleed.

Zijn er gevoelens in den Raad uitgebragt, van dat der meerderheid afwijkende, de afzonderlijke adviesen, die gevoelens ontwikkelende, worden bij 's Raads advies gevoegd.

205

ocr page 236

WET OP DEN RAAD VAN STATE.

34. Van het door Ons genomen besluit in zaken, waarover de Raad gehoord is, wordt hem telkens mededeeling gedaan. (G. 75c?.)

35. Bij de behandeling der onderwerpen, bedoeld in art. 23, worden in acht genomen de regels, bij de volgende artikelen gesteld. (G. 70.)

36. Wanneer geschillen van bestuur of andere aan Onze beslissing worden onderworpen, worden de belanghebbenden opgeroepen om de memoriën of bewijsstukken, die zij tot staving hunner bezwaren of beweringen noodig achten, in te dienen binnen eenen door den vice-president in dier voege te bepalen termijn, dat hun de daartoe noodige tijd niet ontbreke.

De vice-president kan, op schriftelijk verzoek van de opgeroepe-nen, de termijnen verlengen, zoo dikwerf het belang der zaak het vordert.

De memoriën moeten door de belanghebbenden of door bijzondere gemagtigden onderteekend zijn.

Alle schrifturen en bewijsstukken, zoowel van Onzentwege als van wege de belanghebbenden ingediend, worden ter secretarie van den Raad nedergelegd. Door de belanghebbenden of hunne gemagtigden kan daarvan inzage, en te hunnen koste, volgens een door Ons vast te stellen tarief, afschrift worden genomen.

37. Na verloop der in het vorig artikel bedoelde termijnen worden al de stukken, tot de zaak betrekkelijk, tot onderzoek gesteld in handen van de afdeeling, welker zamenstelling geregeld is in het tweede lid van art. 13.

Deze is bevoegd by de belanghebbenden of hunne gemagtigden de inlichtingen in te winnen, die het onderzoek vordert.

Het eerste lid van art. 31 is hier van toepassing.

38. In eene openbare vergadering der afdeeling wordt verslag nitgebragt, behelzende een overzigt van de zaak en van haren loop en vermeldende de gevoerde beweringen en overgelegde bewijsstukken. Het verslag onthoudt zich van het uiten van een gevoelen.

De belanghebbenden worden opgeroepen om in die vergadering te verschijnen en na het uitbrengen van het verslag toegelaten om persoonlijk of door hunne gemagtigden hunne belangen toe te lichten.

39. De afdeeling beraadslaagt daarna met gesloten deuren.

Zij draagt Ons de uitspraak over het geschil voor bij een schriftelijk advies, vergezeld van het ontwerp van een met redenen omkleed door Ons te nemen besluit.

Tot het vaststellen van het advies wordt gevorderd een aantal van meer dan de helft der leden. (32.)

Het tweede, derde en vierde lid van art. 32, alsmede het laatste lid van art. 33 zijn hier van toepassing.

40. Indien Onze beslissing van het advies afwijkt, wordt zij, met redenen omkleed, in het Staatsblad geplaatst. Zij wordt tegelijk in de Staats-courant openbaar gemaakt met het rapport van het hoofd

206

ocr page 237

T

WEI OP BEN RAAD VAN STATE. 207

van het ministerieel departement, hetwelk Onze beslissing mede onderteekend heeft. Dit rapport bevat het ontwerp, bedoeld bij het tweede lid van art. 39.

41. In eene openbare vergadering der afdeeling wordt voorlezing gedaan van Onze beslissingen omtrent de onderwerpen, bij art. 23 omschreven.

42. Het beleggen der openbare vergaderingen, bedoeld bij de artt. 38 en 41, wordt in de S'aats-courant aangekondigd.

De vice-president zorgt in die vergaderingen voor de handhaving der orde en is bevoegd, wanneer die orde wordt verstoord, hen, die dit doen, of allen te doen vertrekken.

43. De vice-president zoowel als de leden zijn verpligt over alle zaken hun gevoelen en hunne stem uit te brengen.

Zij onthouden zich van medestemmen in die zaken, welke hen, hunne echtgenooten of hunne bloed- of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of wanneer zij als gelastigden daarin zijn betrokken.

Deze bepalingen zijn van toepassing op de staatsraden in buitengewonen dienst, wat betreft de zaken, tot welker behandeling zij zijn opgeroepen. (4.)

44. Zij, die aan de beraadslagingen van den Raad of van zijne afdeelingen deel nemen of daarbij tegenwoordig zijn, nemen de geheimhouding in acht, door Ons opgelegd, of door de hoofden der ministeriële departementen, wie de zaak aangaat, aanbevolen.

Q-eheimhouding wordt ook in acht genomen wanneer de meerderheid van hen, die aan de beraadslaging deel nemen, daartoe besluit. (39a, 19.)

45. Niemand is geregtelijk vervolgbaar wegens de meening, door hem in den Raad uitgebragt. (Gr. 97; P. 74; Gem. 47.)

46. Alle verdere bepalingen ter regeling van de werkzaamheden van den Raad, hetzij in zijne algemeene vergaderingen, hetzij in zijne afdeelingen, worden vastgesteld bij eenen algemeenen maatregel van inwendig bestuur. (K.B. 4 Sept. 1862, Stsbl. no. 174, gewijz. bij K.B. van 29 Maart 1875, Stsbl. no. 32, 8 Dec. 1877, Stsbl. no. 201 en 16 Nov. 1881, Stsbl. no. 177.)

DERDE HOOFDSTUK.

SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 47. Op het oogenblik, waarop deze wet in werking treedt, is de thans bestaande Raad van State ontbonden.

De staatsraden in buitengewone dienst, die niet in de zamenstel-ling van den nieuwen Raad begrepen worden, erlangen den titel van honorair staatsraad. (4.)

48. De tegenwoordige referendarissen zijn op nieuw benoembaar,

ocr page 238

WET OP DEN KAAD VAN STATE.

zonder tot het afleggen van het bij art. 16 bedoelde examen gehou-den te zijn. (15 volg.)

De tegenwoordige commiesen van Staat zijn als zoodanig op nieuw benoembaar, zonder tot het afleggen van dat examen gehouden te ziin. Om tot referendaris te worden benoemd, zijn zij tot het afleggen daarvan gehouden. (10.)

Aan de gewone leden, die bij de zamenstelling van den Kaad niet op nieuw worden benoemd en geene aanspraak hebben op pensioen, wordt een wachtgeld toegelegd ten bedrage van troee derden der door hen genoten jaarwedde.

49. Zoolang de instructie en de algemeene maatregel van inwendig bestuur, bedoeld bij de artt. 1(J en 46, niet zijn vastgesteld, worden de bestaande bepalingen zooveel mogelijk opgevolgd.

50. Alle stukken, voortvloeijende uit de behandeling van onderwerpen, bedoeld bij art. 23, zijn vrij van zegelregten en worden, voor zooveel zij aan registratie onderhevig zijn, gratis geregistreerd.

51. Deze wet treedt in werking op 1 Julij 1862, of op een vroeger door Ons te bepalen tijdstip. (A. 2.)

208

ocr page 239

WET,

HOUDENDE INSTRUCTIE VOOR DE ALGEMEENE REKENKAMER.

(Vastgesteld den 5den October 1841, Stsbl. no. 40, uitgegeven den 8sten Oct. d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 20 Julij 1870, Stsbl. no. 123, 15 April 188G, Stsbl. no. 04 en 30 Juni 1890, Stsbl. no. 101.)

EERSTE HOOFDSTUK.

ZAJIEKSTELLING VAN JIET KOLLEGIE EK DESZELFS VEKPLIGTISGEN IK HEI ALGEMEEN.

Art. I. De Algemeene Rekenkamer zal bestaan uit zeven leden; uit dat getal verkiest de Koning eenen vasten voorzitter. Een secretaris, aan het kollegie toe te voegen, wordt door den Koning benoemd, uit een drietal kandidaten door de Algemeene Rekenkamer voor te stellen. (Gr. 179.)

2. De leden en de secretaris van de Algemeene Rekenkamer zullen den vollen ouderdom moeten hebben bereikt van dertig jaren; uit geenerhaude hoofde aan den lande rekenpligtig mogen zijn, noch eenig ander ambt bekleeden; geen leden zijn van de Staten-Generaal of Provinciale Staten of van een plaatselijk bestuur; zij zullen elkander niet mogen bestaan iu of binnen den vierden graad van bloedverwantschap of zwagerschap. (G. 166.)

Indien de zwagerschap mogt ontstaan na de benoeming, zal het lid of de secretaris, die dezelve heeft aangegaan, zijne betrekking niet kunnen blijven behouden, zonder vergunning des Konings.

3. Bij vacature onder de leden geeft de Algemeene Rekenkamer daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, ten einde in de vervulling, overeenkomstig het bepaalde bij art. 200 der grondwet [van 1840j, worde voorzien. (G. 179i5.)

Bij wangedrag, onzedelijkheid of merkelijke achteloosheid, zoo ook in geval van ongeschiktheid door ouderdom, zwakte of aanhoudende ziels- of ligchaamsziekten van een lid der Algemeene Rekenkamer, zal het kollegie daarvau kennis geven aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, ten einde, naar bevind van zaken, ter vervanging van zoodanig lid, eene voordragt aan den Koning te doen.

Overigens worden de bepalingen, die, ten aanzien der leden van de regterlijke magt, vervat zijn in de artikelen 11 en 13 der wet op

STAATSWETTEN. 14

ocr page 240

WET, HOUDENDE INSTRUCTIE

de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, ook op de leden van de Algetneene Kekenkamer toepasselijk verklaard.

4. De ambtswedde van den voorzitter wordt bepaald op vijf duizend gulden, die van de overige leden op vier duizend gulden 's jaars.

De leden en de secretaris zullen hunne woonplaats moeten houden in de gemeente, binnen welke het kollegie is gevestigd.

5. De vaste ambtenaren en bedienden der Algemeene Rekenkamer zullen, op hare voordragt, door den Koning aangesteld en door het kollegie van de noodige instruction voorzien worden,

6. De leden en de seerelaris der Algemeene Rekenkamer zullen, alvorens in functie te treden, ieder op de w ij ze zijner godsdienstige gezindheid, in handen des Konings afleggen den eed (de verklaring) dat zij, om te worden benoemd tot het ambt, waartoe zij geroepen zijn, noch directelijk, noch indirectelijk, aan eenige personen, hetzij in of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige gifte of gave beloofd of gegeven hebben, noch te beloven of geven zullen, en voorts den eed (de belofte) dat zij zullen zijn getrouw aan den Koning; dat zij de grondwet zullen onderhouden en handhaven, hunne instructiën met alle naauwgezetheid opvolgen en hunnen post ter goeder trouw, met alle naarstigheid, eerlijkheid en onzijdigheid waarnemen, en dat zij, wijders, om iets hoegenaamd in hunne betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken zullen aannemen, directelyk of indirectelijk.

De ambtenaren en bedienden der Kamer zullen door den voorzitter in de vereenigde vergadering van het kollegie beëedigd worden.

7. De leden en de secretaris der Algemeene Rekenkamer mogen, op straffe daarop bij het Wetboek van Strafregt gesteld, middellijk of onmiddellijk, geen aandeel hebben in eenige aanbesteding, leve-rancie, pacht van goederen, regten of middelen, of in eenige zaak waaromtrent met het Rijk wordt overeengekomen. ' S.R. 370 1quot;.)

Het is hun almede verboden eenige vorderingen ten laste van het Rijk, vatbaar om door de Kamer te worden verevend, hetzij vóór, hetzij na de verevening, te koopen of voor hunne rekening te nemen, onder welke benaming zulks ook zoude mogen zijn; als ook om op eenige wijze, regtstreeks of zijdelings, deel te hebben in den aankoop van zoodanige vorderingen.

Het voormeld verbod is insgelijks toepasselyk op de ambtenaren en bedienden der Algemeene Rekenkamer, zonder uitzondering.

8. De voorzitter heeft het oppertoezigt over alle de werkzaamheden van de Algemeene Rekenkamer, en waakt voor de stipte uitvoering van de tegenwoordige wet in het algemeen en voor de naleving van het vast te stellen reglement van orde, bedoeld bij art. 65 dezer wet; hij zorgt voor de bewaring van alle charters, stukken of bescheiden, bii het kollegie berustende, en ziet toe, dat geene afgifte van stukken, beboerende tot het archief der kamer, geschiede,

210

ocr page 241

VOOR DE ALGEMKENE REKENKAMER.

anders dan met toestemming van het kollegie of op bevel van den regter.

Hij zal inzage, afschrift of uittreksel van de voorzeide charters, stukken en bescheiden mogen toestaan.

9. De voorzitter brengt al de stukken, die aan de Algemeene Rekenkamer of aan hem. in deze zijne hoedanigheid, worden toegezonden, ter beraadslaging van de vergadering; maakt de besluiten volgens de meerderheid der stemmen op, en heeft, bij het staken dei-stemmen, eene beslissende stem, behoudens liet bepaalde bij liet laatste lid van dit artikel.

Geene besluiten zullen in de vergadering der Algemeene Rekenkamer kunnen genomen worden, indien niet ten minste vier leden, de voorzitter daaronder begrepen, tegenwoordig zyn.

Indien slechts vier leden tegenwoordig zijn en de stemmen staken, zal de beslissing worden aangehouden tot de eerstvolgende vergadering. Staken de stemmen alsdan andermaal, dan beslist de stem van den voorzitter. ') (60.)

10. Onverminderd de verdeeling der werkzaamheden tusschen de leden onderling, zullen all3 rekeningen in eene algemeene vergadering moeten worden opgenomen en gesloten, nadat gehoord zal zijn het verslag van het lid of de leden, met het voorloopig onderzoek belast geweest.

11. De leden en de secretaris mogen niet tegenwoordig zyn bij de beraadslagingen over eenige zaak, hen zelven of hunne naastbe-staanden, in of binnen den vierden graad van bloedverwantschap of zwagerschap, betreffende. (2«.)

12. De voorzitter zal zich, zonder toestemming van den Koning, niet langer van zijnen post mogen verwijderen dan voor ééne week. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis, zal hij vervangen worden door het oudste lid, naar rang van benoeming.

Hij is bevoegd, om aan de leden en den secretaris verlof te geven, uiterlijk voor den tijd van ééne week; voor langer, mits niet te boven gaande den tijd van zes weken, wordt zoodanig verlof door het kollegie verleend.

Wanneer nog langer verlof mogt noodig zijn, wordt het verzoek daartoe aan den Koning gedaan.

13. De Algemeene Rekenkamer zal dienen van berigt, consideration en advies op alle zoodanige stukken als aan haar tot dat einde door den Koning zullen worden verzonden.

14. Binnen de eerste drie maanden van ieder jaar, zal zij den Koning een volledig verslag aanbieden van het resultaat barer werkzaamheden over het afgeloopen jaar; dat verslag zal aan de Slaten-Generaal worden medegedeeld, ten laatste in de zitting, die in October daaraanvolgende geopend wordt. (O. 1Ü(M.)

1) Art. 9 aldus gewijzigd by de wet van 30 Juni 1890, Stsbl. no. 101.

14*

211

ocr page 242

WEI, HOUDENDE INSTRUCTIE

15. Zij is verpligt om den Koning ten allen tijde zoodanige voordragten en mededeelingen te doen, als, volgens haar inzien, kunnen leiden tot vermindering of besparing van staats-uitgaven en tot vereenvoudiging van 's Ryks geldelijk beheer.

Voor zoo veel de Algemeene Rekenkamer dit mogt noodig oor-deelen, zal daarvan vermelding geschieden in het verslag bij het voorgaande artikel bedoeld.

16. Zij is almede gehouden, om aan de hoofden der departementen van algemeen bestuur al de bedenkingen mede te deelen, die zij, in het belang van 's Rijks schatkist, nuttig mogt achten, met betrekking tot overeenkomsten wegens diensten en leveringen aan of ten behoeve van het Rijk; en zulks ook dan, wanneer die bedenkingen haar geene aanleiding geven, om de in rekening gebragte uitgaven dadelijk te verminderen of te verwerpen.

17. Zij zal aan de hoofden der departementen van algemeen bestuur alle zulke inlichtingen geven, als de aard barer werkzaamheden medebrengt en toelaat, onder gelijke verpligting van de hoofden der departementen van algemeen bestuur jegens de Algemeene Rekenkamer.

18. Zij is verpligt om rekening en verantwoording te vorderen wegens alle Rijks-, gewestelijke en gemeentefondsen. Rijksgoederen en eigendommen, overeenkomstig de hierna volgende bepalingen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

CONTKÖLE OP DE ONTVANGSTEN.

Art. 19. Deugdelijk verklaarde afschriften van de provinciale maandstaten, wegens alle Rijks-middelen en inkomsten zonder onderscheid, zullen maandelijks of over zoodanige andere tijdvakken, als waarover dezelven worden opgemaakt, door de autoriteit, die met de verzameling der bijzondere staten belast is aan de Algemeene Rekenkamer worden ingezonden, en zullen aldaar moeten zijn ontvangen uiterlyk vóór het einde der maand, volgende op het betrokken tijdvak.

20. De 13de maand- of saldo-staat, wegens alle Sijks-middelen en inkomsten, zal, op gelijke wyze als bij het vorig artikel is gemeld, doch vergezeld van de arrondissements-staten en de byzondere staten van iederen rekenpligtige, wiens verantwoording daarin is begrepen,-aan de Algemeene Rekenkamer worden ingezonden, uiterlijk op den laatsten der maand April, volgende op het dienstjaar.

In de bovengemelde staten zullen moeten zijn vervat al de ontvangsten, op de onderscheidene kantoren van elke administratie gedaan. (46.)

21. Van alle andere ontvangsten, voor het Rijk gedaan, doch in de hiervoren bedoelde staten niet begrepen, zullen daarenboven maan-

212

ocr page 243

VOOR DE ALGEMBENE REKENKAMER. '213

(lelijks behoorlijke staten aan de Kamer worden overgelegd door de hoofden der departementen van algemeen bestuur, waartoe het onderwerp van ontvangst behoort.

22. De verkregene kennis van alle Rijks inkomsten zal ter Alge-meene Kekenkamer den grondslag uitmaken der verificatie vaa den ontvang der algemeene rekening, bedoeld bg art. 120 van de grondwet [van 1840]. (G. 126.)

DERDE HOOFDSTUK.

CONTHÖLE OP DE UITGAVEN.

Art. 23. De berekeningen, strekkende tot grondslag van de hoofdstukken der algemeene begrooting van staats-uitgaven, welke voor ieder departement van algemeen bestuur afzonderlijk bij de wet zijn vastgesteld, zullen den grondslag uitmaken van de controle, daarop door de Algemeene Rekenkamer uit te oefenen. (G. 125.)

De hoofden der departementen zullen beschikken over de sommen, bij de begrooting voor hun departement toegestaan, uitgaven betreffende, op de grondwet of bijzondere wetten gegrond.

Voor het overige zal de beschikbaarstelling door den Koning bij besluit plaats hebben.

24. De sommen, bij ieder artikel der begrootingen uitgetrokken, zullen worden beschouwd als maximum van uitgaaf, voor het onderwerp daarbij vermeld.

Mogt, in bijzondere gevallen, eene af- en overschrijving in hetzelfde hoofdstuk van het eene artikel op het andere noodig zijn, zal de aanvrage, daartoe door het hoofd van het departement van algemeen bestuur aan den Koning te doen, vooraf met het visa van de Algemeene Rekenkamer moeten worden voorzien, om van de toereikbaarheid van den te verminderen post der begrooting te doen blijken, en zal van de plaats gehad hebbende af- en overschrijving duidelijke melding werden gemaakt in het algemeen verslag, bij art. 14 bedoeld. (G. i25c.)

25. Alle uitgaven ten laste van het Rijk zullen, zooveel het nut der zake medebrengt, vóór de betaling bij de Algemeene Rekenkamer worden onderzocht, verevend en geboekt.

26. Met voorkennis van de Algemeene Rekenkamer zullen er crediet-openingen en voorbetalingen kunnen plaats vinden, behoudens nadere verevening der betrokkene schuldvorderingen; zullende alzoo geene Rijks-uitgave als wettig gedaan beschouwd worden, dan na verevening bij de Algemeene Rekenkamer.

Behalve deze steeds aan latere verëvening onderworpen blijvende voorbetalingen, zullen geene betalingen, van welken aard ook, uit 's Rijks schatkist mogen geschieden, dan op het visa van de Algemeene Rekenkamer.

ocr page 244

WET, HOUDENDE INSTKXJCTIE

De Alsjemeene Rekenkamer zal de gevraagde orediet-openingen, voorbetalingen of visa zonder verwijl verleenen, ten behoeve en ter verantwoording van het hoofd van het departement van algemeen bestuur, wien zulks aangaat.

27. ') Rij alle verëveningen van uitgaven, hetzij de betaling reeds geschied is of nog volgen moet, zal de Algemeene Rekenkamer zich overtuigen:

Vooreerst, dat de betrokken post van de begrooting toereikend is; teu andere, dat de aard der uitgave niet de omschrijving van den post overeenstemt; en eindelijk, dat er geene vermenging van fondsen over verschillende dienstjaren of van verschillende hoofdstukken het gevolg van kan zijn.

28. Onverschillig of het onderzoek en de verevening vóór of na de betaling geschiedt, zal de Algemeene Rekenkamer al verder alle schuldvorderingen toetsen aan de bestaande wetten en daarop gegronde Koninklijke verordeningen, daarbij aan te halen, en zicli van de deugdelijkheid der bewijsstukken overtuigen, die, tot staving van elke vordering, voor zoo veel noodig, aan haar zullen moeten worden overgelegd.

Geene voorafgaande verevening zal geschieden, anders dan ten name van den oorspronkelijken titularis.

29. De Algemeene Rekenkamer verevent geene vorderingen ten laste van den Staat, die niet te barer kennis zijn gebragt binnen ééne maand na het tijdstip, waarop de vorderingen, ingevolge de wet van den Ssten November 1815 (Staatsblad ko. 51), verjaard zouden zijn, tenzij, om bijzondere redenen, de voldoening volgens die wet verjaarde of niet tijdig ter kennis van de Algemeene Rekenkamer gebragte vorderingen, voor de afsluitiug der betrokken begrooting, door Ons mogt worden toegestaan. 1)

30. Wegens betalingen uit de posten, die voor geheime uitgaven bij de berekeningen tot grondslag der begrooting van eenig departement van algemeen bestuur mogten zijn uitgetrokken, zal door de Algemeene Rekenkamer geene overlegging van bewijsstukken worden gevorderd. Wanneer dit door den Koning, in bijzondere gevallen, mogt worden bepaald, zal die vrijstelling zich ook uitstrekken over betalingen, aangewezen op de som, bij de wet van onvoorziene uitgaven ter Zijner beschikking gesteld.

31. Op den laatsten December van het jaar, volgends op het dienstjaar, en alzoo nadat geboekt zijn al de stukken van uitgaven, welke nog gedurende die maand bij haar zijn ingekomen, zal de xUgemeene Rekenkamer de begrootingen in hare registers afsluiten en daarop geenerliande uitgaven meer toelaten.

214

1

Art. 29 aldus gewyzigd by de wet van 20 July 1870, Stsbl. no. 123.

ocr page 245

VOOll DE ALGEMEENE REKENKAMER.

Deze bepaling zal worden toegepast aanvankelijk op de begrooting over 1841. ')

32. De Algemeene Rekenkamer zal, zoo min vóór als na de betaling, eenige verevening- tot stand brengen of eenige uitgaven lijden, die niet op de begrootingswetten of andere daarmede gelijkstaande wetten gegrond is.

33. Zij zal van alle verstrekkingen, hetzij in mindering op aan-bestedhigspenningen, hetzij bij voorschot aan de korpsen der landmagt en anderen, hetzij ter goede rekening, voor dagelijksche huishoudelijke onkosten bij de magazijnen en elders, nauwkeurig aanteekening houden, en waken voor de latere verrekening, de teruggave of de verantwoording.

34. Zij ziet toe, dat de voorschotten, aan de hoofd-adiuinistratiën van de korpsen der landmagt te verstrekken, het maximum niet te boven gaan, daarvoor door den Koning te bepalen.

35. Ue Kamer zal mede zorgen, dat geene gelden ter goede rekening worden verstrekt, dan voor onderwerpen, die dezen maatregel van voorziening gebiedend vorderen.

36. Ue kennis, die bij de Algemeene Hekenkaraer zal berusten omtrent alle erkende wettige staats-uitgaven, zal aldaar den grondslag uitmaken der verificatie van de uitgaven der algemeene rekening, bedoeld bij art. 12(1 der grondwet [van 1840], '^ü. 126.)

VIERDE HOOFDSTUK.

VERANTWOORDING.

Art. 37. De rekeningen van ontvangst en uitgaven der verschillende departementen van algemeen bestuur, bedoeld bij art. 200 der grondwet [van 1840] zullen ter Algemeene Rekenkamer worden over-gebragt binnen drie maanden na liet afgeloopen jaar, en zullen voor elke begrooting twee zoodanige rekeningen worden afgelegd, te weten : één voor elk jaar, dat de begrooting, volgens art. 31 dezer wet, zal openstaan. Deze rekeningen zullen den grondslag uitmaken van de algemeene rekening, vermeld bij art. 126 der grondwet [van 184UI. (G. 126.)

215

38. De vorm en de inrigting der rekeningen van de departementen van algemeen bestuur, zoo mede van de algemeene rekening, bedoeld bij art. 126 van de grondwet [van 1840], zullen, na overleg met den Minister van Financiën, door de Algemeene Rekenkamer worden vastgesteld; en zal de laatstgemelde rekening aldaar worden overgebragt binnen zes maanden na het afgeloopen jaar.

1) Van dit art. en van artt. 37 en 38 is by de wet van 20 July 1870, Stsbl. no. 132, afgeweken voor deugdelijke vorderingen, verjaard volgens de wet van 1815, maar w-aarvan de voldoening was toegestaan vóór het inwerking treden der wet van 1870.

ocr page 246

WET, HOUDENDE INSTRUCTIE

De posten van die rekening zullen, wat derzelver volgorde en omschr^ving betreft, in alle opzigten moeten beantwoorden aan de indeeling der begrooting van ontvangsten en aan de afdeelingen en artikelen der begrooting van uitgaven.

Voor zooveel die rekeningen ook zullen betreffen eenige bijzondere Rijks-fondsen, zal daaromtrent de indeeling worden gevolgd, die deswege bij de betrokken bijzondere wetten mogt voorkomen. L

39. Behalve de rekeningen van de departementen van algemeen bestuur, zal de Kamer ook opnemen de rekening van 's Rijks kas en van alle daarin gedeponeerde fondsen, van welken aard ook, mitsgaders de verantwoordingen van alle personen, die gelden of geldswaarden, aan het Rijk toebehoorende, ontvangen, beheeren of onder zich hebben; de hoofden der departementen van algemeen bestuur zullen aan de Algemeene Rekenkamer aanwijzing doen van de rekenpligtigen, ieder voor zoo veel zij tot zijn departement behooren.

40. Wegens alle in 's Rijks kas gedeponeerde, zoo mede wegens alle fondsen van inwendig beheer, die als eigendom van het Rijk te beschouwen zijn, zal aan de Algemeene Rekenkamer, jaarlijksohe of driemaandelijksche verantwoording geschieden, naar mate de aard der inrigting dit toelaat. Zij zorgt, dat de door haar erkende batige saldo's van laatstgemelde fondsen, op het einde van ieder jaar, in 's Rijks schatkist worden overgebragt, wanneer dit met den oorsprong en de strekking van gezegde fondsen is overeen te brengen.

41. Van de bepaling in art. 39 dezer wet kunnen worden uitgezonderd alle subsidiën of toelagen tot een bepaald einde verleend en waaraan de verpligting tot verantwoording niet verbonden zal zijn geworden.

42. De Algemeene Rekenkamer zal toezien, dat door de rekenpligtigen de vereischte borgtogt worde gesteld tot zoodanig bedrag, als door de betrokken departementen van algemeen bestuur, overeenkomstig de bestaande verordeningen, zal worden bepaald. In geval van nalatigheid, zal zij hare medewerking weigeren tot de uitbetaling van alle ambts wedden als andei-zins, ten behoeve van de nalatigen. Zij zal, in dat geval, den genomen maatregel brengen ter kennisse van het departement van algemeen bestuur, waaronder de rekenplig-tige behoort.

43. Het geheel of gedeeltelijk opheffen van borgtogten, gesteld tot zekerheid van den lande, door rekenpligtigen of andere schuldenaren van den Staat, het doorhalen van hypothecaire inschrijvingen

of het overbrengen derzelven op andere panden, zal niet anders ge- | schieden dan met toestemming van de Algemeene B'ekenkamer. »

44. Er bestaan tusschen de Algemeene Rekenkamer en de rekenpligtigen eene onmiddellijke betrekking omtrent het doen van verantwoording, en zulks van de inzending af tot den eindelijken afloop der rekening toe. (57.)

45. De modellen der rekeningen of verantwoordingen, zoowel als

216

ocr page 247

VOOR DE ALGEMEEFE KEKENKAMER.

de termijnen van inzending, voor zoo veel deze laatste niet reeds bij deze wet zelve zijn geregeld, worden, na ouderling overleg met de departementen van algemeen bestuur, door de Algemeene Rekenkamer vastgesteld. (57.)

46. De staten, ingevolge art. 20 dezer wet aan de Algemeene Rekenkamer over te leggen, zullen door haar worden aangemerkt als de verantwoording te behelzen van de rekenpligtigen, daarbij betrokken, voor zoover uit den aard van hun beheer geen byzonaere rekenpligtigheid voortvloeit.

De Algemeene Rekenkamer is bevoegd, om dienaangaande zoodanige nadere toelichtingen en inzage te vorderen, als zij tot meerdere verzekering van haar toezigt noodig acht.

47. De rekenpligtigen, die in de inzending hunner rekeningen achterlijk blijven, zullen door de Algemeene Rekenkamer worden aangeschreven, om dezelve binnen eenen bepaalden termijn in te zenden; bij voortdurende nalatigheid zal hun nog een laatste termijn kunnen worden voorgeschreven; doch mogt, na verloop van dien, de rekening nog niet ontvangen zijn, zal zij de zaak ter kennis brengen van het departement waaronder de rekenpligtige behoort, en inmiddels hare medewerking weigeren tot de uitbetaling van alle dienstwedden als anderzins, ten zijnen behoeve. ') (S.R. 184.)

48. De rekenpligtigen zullen de saldo's, die zij zelve erkennen schuldig te zijn, in de schatkist storten en die storting, met overlegging der quitantie, als laatste post van uitgaaf in hunne rekening brengen.

De rekeningen, waaromtrent deze bepaling niet mogt zijn in acht genomen, zullen aan de inzenders teruggezonden en beschouwd worden als bij de Algemeene Rekenkamer niet ingekomen.

49. Wegens alle verstrekkingen van gelden ter goede rekening, zullen de verantwoordingen bij de Algemeene Rekenkamer moeten zijn ontvangen, uiterlijk binnen drie maanden na de dagteekening van het bewijs der voorafgaande verevening van de Rekenkamer, waar deze verstrekkingen steeds aan verbonden zullen zijn.

50. Voor zoo veel die verantwoordingen onderwerpen betreffen van doorloopend beheer, zal de storting, bevolen bij art. 48, door den rekenpligtige alleen behooren plaats te hebben wegens het saldo zijner laatste rekening over ieder dienstjaar.

51. Wie gelden ter goede rekening hebben genoten, zullen geene nieuwe verstrekkingen van dien aard erlangen, zoo niet ten minste drie vierden dor vroeger genoten sommen aan de Algemeene Rekenkamer zijn verantwoord.

217

52. De posten, zoo wel van ontvang als van uitgaaf, in iedere verantwoording voorkomende, zullen door aanhaling der betrokken autorisatie en door behoorlijke bewijzen moeten zijn gestaafd: alléén

1) Art. 47 aldus gewyzigd door art. Sd der wet van 15 April 18b6, Stsbl. no. 64.

ocr page 248

WET, HOUDENDE INSTRUCTIE

geringe posten van uitgaaf', die voor geen volledig bewijs vatbaar zijn, zullen, op verklaring van den belanghebbende, kunnen worden aangenomen.

53. De Algemeenc Rekenkamer schrijft aan de rekenpligligen de termijnen voor tot beantwoording barer bedenkingen, tot het indienen van bezwaren tegen hare bijvoegingen en doorhalingen, en tot het inleveren der quitantiën wegens de storting der saldo's die daarvan het gevolg zijn. Van al hare beschikkingen dienaangaande, zoo ook van de door haar erkende voordeel ige saldo's voor den rendant, doet zij geregelde mededeeling aan de betrokken departementen van algemeen bestuur.

De akten, aanwijzende de voor het Rijk batige saldo's worden door haar ter invordering aan het departement van Financiën gezonden; en moet daarentegen door het departement, hetwelk de zaak betreft, order worden gesteld op de voldoening van de saldo's, welke aan de rekenpligtigen te goed komen.

De Algemeene Rekenkamer zal den Koning telken drie maanden verslag doen van de rekeningen, welke, bij haar ingekomen, gedurende een gelijk tijdvak onafgedaan gebleven zijn, met opgave der redenen van die vertraging.

54. Alle bewgzen en bescheiden, overgelegd by alle rekeningen of verantwoordingen, van welken aurd, blijven ter Algemeene Rekenkamer berusten.

55. Behalve de zorg voor de regelmatige verantwoording, zoowel van de jaarlyks af te werpen baten als van de opbrengst van den verkoop van Rijks-goederen en eigendommen, van welk een en ander de Algemeene Rekenkamer, volgens artt. 21, 39 en 4Ü van deze wet, kennis moet verkrijgen, zal zij ook ten aanzien van den voorraad munt-materiaal, welke bij het kollegie van raden en generaal-meesteren der munt voorhanden is, eene behoorlijke controle uitoefenen, overeenkomstig het reglement, daartoe door den Koning vast te stellen, na daaromtrent de Algemeene Rekenkamer te hebben gehoord.

56. Zij zal almede een behoorlijk toezigt houden over het beheer van het materieel, dat in de magazijnen, arsenalen, hospitalen en op de werven voorhanden is.

Onafhankelijk van de administratieve voorschriftea, die daaromtrent later magten worden gegeven, zal dat toezigt in alle gevallen moeten strekken;

1°. Tot het verkrijgen der kennis, dat de voorwerpen, die ten behoeve van zoodanige instelling aangekocht en geleverd worden, daar ook werkelijk ontvangen zijn;

2°. Om zich te verzekeren, dat er geene afgifte van materiëlen voorraad geschiedt, anders dan op last en met voorkennis van de bevoegde autoriteiten, ten welken einde altijd, binnen de zes eerste maanden van ieder jaar, een volledige inventaris van ieder magazijn, door het hoofd van het betrokken departement van het algemeen

218

ocr page 249

VOOR DE ALGEMEBNE REKENKAMER.

bestuur voor deugdelijk verklaard, aan de Algemeene Rekenkamer zal worden toegezonden.

Deze inventarissen zullen bij het einde van het afgeloopen jaar opgemaakt en van zoodanige toelichtingen vergezeld moeten zijn, als de omstandigheden zullen vorderen; en

3°. Om te zorgen, dat geen magazijnmeester of daarmede gelijkstaand beambte, evenmin als zijne erven of regtverkrijgenden, van zijne verantwoordelijkheid worde ontslagen of de gestelde borgtcgt opgeheven, tenzij het der Algemeene Rekenkamer blijke, dat de opvolger den materiëlen voorraad, volgens eenen gelijken inventaris, heeft aanvaard.

57. De rekeningen wegens het beheer van de provinciale fondsen zullen, na vooraf door de Provinciale Staten te zyn opgenomen en

foedgekeurd, binnen zes maanden ter finale sluiting aan de Algemeene iekenkaraer worden ingezonden.oedgekeurd, binnen zes maanden ter finale sluiting aan de Algemeene iekenkaraer worden ingezonden.

Ue bepalingen van artt. 44 en 45 dezer wet zijn ook op de alhier bedoelde rekeningen toepasselijk. (P. 118; Wet 2 Mei 1851, Stsbl. no. 28.)

58. De door den Koning goedgekeurde begrootingen zullen den gronslag uitmaken van de ontvangsten en uitgaven dier rekeningen.

59. Telken jare, nadat de gemeente-rekeningen, naar aanleiding van art. 157 der grondwet [van 1S4Ü] en volgens de bestaande voorschriften, zullen zijn opgenomen en gesloten, zal de Algemeene Rekenkamer, op autorisatie des Konings, uit elke provincie eenige dier gesloten rekeningen, door haar aan te wijzen, met de begrootingen vergelijken, met de daartoe behoorende bewijsstukken naauwkeurig onderzoeken, en voorts van hare bevinding dienaangaande in haar jaarlijksch verslag, bedoeld bij art. 14, melding maken. (Gem. 218.)

VIJFDE HOOFDSTUK.

HERZIENINGEN TEN AANZIEN VAN REKENPLIGTIGEN.

Art. 60. Wanneer een rekenpligtige, na den eindelijken afloop zijner rekening, bij art. 5li dezer wet bedoeld, zich bezwaard acht door verminderingen, bijvoegingen of doorhalingen, door de Algemeene Rekenkamer bevolen of vastgesteld, zal hij, binnen twee maanden, nadat die eindbeslissing ter zijner kennis zal zijn gebragt, de herziening daarvan bij de Kamer kunnen vragen, welke alsdan tot die herziening zal overgaan, evenzeer als zij zulks ook binnen gelyken termijn van ambtswege zal kunnen doen.

Het voorloopig onderzoek, dat omtrent zoodanige herziening mogt noodig zijn, zal worden opgedragen aan andere leden van de Kamer, dan die de beslissing hebben voorgesteld, waardoor de rekenpligtige zich bezwaard acht. Het besluit omtrent die herziening zal in eene bijeenkomst van de volle Kamer moeten genomen worden, buiten toepassing van het tweede lid van art. 9 dezer wet.

219

ocr page 250

quot;WET ALGEMEENE REKENKAMER.

Van den nitslag dezer herziening zal zij melding maken in het verslag, hij art. 14 dezer wet bedoeld.

ZESDE HOOFDSTUK.

NATIONALE SCHULD EN PENSIOENEN.

Art. 61. Het duhhel van de grootboeken der nationale schuld zal bij de Algetueene Rekenkamer berusten en door dagelijksche aan-en al'schrijvingen worden bijgehouden.

62, Van alle geldleeningen, ten laste of onder waarborg van het Ryk aangegaan, houdt de Algemeene Rekenkamer mede de noodige registers, zoodanig als vereischt zal worden om deswege eeue rigtige controle te verzekeren.

63. Alle pensioenen ten laste van den Staat zullen bij de Algemeene Rekenkamer ingeschreven en derzelver betaling, gelijk mede die van alle afloopende betalingen, persoonlijke toelagen of wachtgelden, met alle naauwkeurigheid door haar gecontroleerd worden.

ADDITIONELE ARTIKELEN.

Art. 64. De voorschriften der tegenwoordige wet zullen, in derzelver geheele uitgestrektheid, met den Istea Januarij 1842 in werking worden gebragt.

65. De Algemeene Rekenkamer zal inmiddels aan den Koning alle zulke voordragten doen, als zij tot de geregelde uitvoering van deze wet zal noodig achten. Deze voordragten zullen in de eerste plaats betreö'en het reglement van orde voor hare inwendige werkzaamheden, de instructie voor haren secretaris en de zamenstelling van hare bureaux.

220

ocr page 251

WET

TOT AANVULLING DER INSTRUCTIE VOOR DE ALGEMEENE REKENKAMER.

(Vastgesteld den lOden February 1844, Stsbl. no. 6, uitgegeven den 13den February d. a. v.)

Art. I. Uitgaven wegens werken of leverantiën, bedongen bij contracten, aangegaan in het dienstjaar, over hetwelk de noodige gelden voor dezelve op de Staatsbegrooting zijn toegestaan, worden ten laste der begrooting van dt,t dienstjaar verevend, al zijn dezelve in bet eerstvolgende jaar opgeleverd.

Zulks gesclüedt eveneens met de schadeloosstellingen en verdere kosten der onteigeningen, ter zake dier werken gedaan.

De vorderingen by dit artikel bedoeld, moeten vóór den Sisten October van het jaar waarin zij ontstaan, door de belanghebbenden ingeleverd zijn, en vóór den 30sten November van dat zelfde jaar ter kennis van de Algemeene Rekenkamer worden gebragt.

2. Contracten wegens werken of leverantiën, welke het volgend dienstjaar betreffen, maken daarvan bepaaldelijk melding.

De uitgaven daaruit voortvloeijende, worden ten laste van zoodanig dienstjaar gebragt.

3. Uitgaven wegens onderhouds-werken en leverantiën, over meer dan één dienstjaar loopende, zoo mede de uitgaaf voor huur van een gebouw, pand, perceel of erf, worden verevend ten laste der begrooting van het jaar waarin de verschuldigde termijn vervalt, tenzij by de Staatsbegrootingen zeiven anders ware bepaald.

4. De bepalingen dezer wet zijn ook toepasselijk op alle uitgaven, welke vóór den laatsten December jongstleden bij de Algemeene Rekenkamer bekend geweest en door de schatkist bij wijze van crediet-opening betaald geworden zyn. ')

1) Zie wet 25 April 1864, Stsbl. no. 35, Indische Comptabiliteits-wet.

ocr page 252

WET

TOT REGELING VAN HET TOEZIGT OP DE ONDERSCHEIDENE KERKGENOOTSCHAPPEN.

(Vastgesteld den lOden September 1858, Stsbl. no. 102, uitgegeven den 15den Sept. d.a.v. Gewyzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 31 Deo. 1887, Stsbl. 110. 265.)

Art. I. Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomene vrijheid verzekerd, alles, wat hunne godsdienst en de uitoefening-daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen. (G. 168.)

De bepalingen betreffende de inrigting en het bestuur worden, voor zooveel zij niet reeds aan Ons bekend zijn gemaakt, binnen eene maand na de afkondiging dezer wet, door de bestuurders of hoofden der kerkgenootschappen aan Ons medegedeeld. Nieuw te maken bepalingen worden mede voor of bij het in werking brengen daarvan op gelijke wijze ter Onzer kennis gebragt.

Voor zooveel er zich onder de bepalingen, bij dit artikel bedoeld, eenige bevindt, welke de medewerking van het staatsgezag vereisoht, wordt die medewerking niet verleend, tenzij de bepaling door Ons is goedgekeurd.

2. Vreemdelingen aanvaarden geene kerkelijke bediening, dan na daartoe Onze toestemming te hebben verkregen.

Alleen in het belang der openbare orde en rust kan die toestemming geweigerd worden. (G. 5.)

3. De titulaturen in de kerkgenootschappen, aan de bedienaren der openbare godsdienst toegekend, geven noch ten opzigte van het wereldlijk gezag, noch ten opzigte van andere kerkgenootschappen, eenige aanspraak, rang of voorregt.

In de aanraking met het wereldlijk gezag worden die titulaturen alleen gebezigd met vermelding van den geslachtsnaam der titularissen.

4. De ter aanwijzing van kerkelijk gebied door kerkgenootschappen gebezigde namen van provinciën of gemeenten worden slechts als van kerkdijken aard beschouwd en hebben geen verder gevolg.

5. Synodale vergaderingen en hoofden, die kerkgenootschappen vertegenwoordigen of besturen, behoeven Onze goedkeuring op de plaats van vestiging.

ocr page 253

WEI ONDERSCHEIDENE KERKGENOOTSCHAPPEN. 223

Voor zooveel deze goedkeuring bij de afkondiging dezer wet nog niet is verleend, wordt, na met hen gehouden overleg, door Ons, den Kaad van State gehoord, over de geschiktheid der aangewezene vestigingsplaats uitspraak gedaan.

Alleen in het belang der openbare orde en rust en bij een met redenen omkleed en openbaar gemaakt besluit kan eene aangewezen vestigingsplaats als zoodanig door Ons ongeschikt worden verklaard.

6. De bedienaren der openbare godsdienst dragen het gewaad voor kerkelijke plegtighedeu of bij de uitoefening van de openbare godsdienst, in hun kerkgenootschap gebruikelyk, niet dan binnen gebouwen en besloten plaatsen, of daar waar de openbare godsdienstoefening, naar het 2de lid van art. 167 (170) der Grondwet, is toegelaten.

7. Elke oprigting of inrigting van een gebouw tot uitoefening van de openbare godsdienst, binnen den afstand van twee honderd ellen van eene bestaande kerk, vereischt, iu het belang der openbare orde, een onderzoek omtrent de plaats van vestiging.

Vóór dat de oprigting ol' inrigting wordt toegelaten, wordt daaromtrent door het gemeentebestuur beslist. Deze beslissing is vatbaar voor een beroep op Gedeputeerde Staten, en bij bezwaar ook tegen de beslissing van deze, wordt hunne uitspraak aan Onze eindbeslissing onderworpen. Het besluit door Ons te nemen, na den Raad van State te hebben gehoord, wordt met redenen omkleed en openbaar gemaakt. (P. 16S.)

Wanneer de oprigting of inrigting zonder verlof heeft plaats gehad, wordt het gebouw gesloten.

8. Het klokkengelui tot viering van kerkelijke plegtigheden of om de ingezetenen tot de godsdienstoefening op te roepen, kan in gemeenten, waar kerken van meer dan één kerkgenootschap zijn, in het belang der openbare orde en rust door Onzen Commissaris in de provincie worden verboden.

Klokkengelui tot andere einden heeft geene plaats dan met vergunning der plaatselijke politie.

9. Hij, die aan deze wet niet voldoet, hare voorschriften overtreedt, of elders, dan art. 167 (170) der Grondwet toelaat, de openbare godsdienst uitoefent, wordt verklaard „in strijd met de wel te hebben gehandeldquot; en veroordeeld in de kosten.

10. De officieren van justitie bij de arrondissements-regtban-ken eisehen, overeenkomstig met de bepalingen van art. 854 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, voor de regtbank, ter burgerlijke teregtzitting, de toepassing van het voorgaand artikel.

Geene vervolging kan door hen worden ingesteld dan op magti-ging van den procureur-generaal, onder wiens bevelen zij staan, of op last des regters in de gevallen, voorzien bij art. 33 van het Wet-

ocr page 254

224 WET ONDEKSCHEIDENE KEKKGENOOTSCIIAPPEN,

boek van Strafvordering, en art. 73 van de wet op de regterlijke organistatie en het beleid der justitie. ')

11. Van het vonnis wordt appel, van het arrest cassatie toegelaten.

12. Die, na eenmaal ter zake van overtreding dezer wet te zijn veroordeeld, zich aan herhaling daarvan schuldig maakt, wordt gestraft met schorsing in de uitoefening zijner burgerschapsregten voor den tijd van drie tot. tien jaren, en met hechtenis van een dag tot een jaar, te zamen of afzonderlijk. '1)

13. De regtsgedingen krachtens het voorgaand artikel ter zake van herhaalde overtreding gevoerd, worden op de gewone wijze voor den gewonen strafregter behandeld.

De vervolging wegens overtredingen van deze wet verjaart door verloop van twee jaren.

14. Bij het in werking komen dezer wet zijn, behoudens de bepalingen der wetten en reglementen, bedoeld in art. 107 (170) der Grondwet, afgeschaft de wet van IS Germinal, jaar X, en alle andere met de tegenwoordige wet strijdige bepalingen.

1

Art. 12 aldus gewijzigd bij art. 11 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. G4.

ocr page 255

WETTEN

TOT REGELIN'j VAN HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

A. (Vastgesteld den 26stei] November 1847, Stsbl. uo. 69, uitgegeven den Ssten Dec. d.a.v.)

Art. I. 's Eijks muntspeciën zijn standpenningen, pasmnnt en negotiepenningen.

2. De standpenningen zijn de volgende zilveren muntstukken; de gulden, zijnde de eenheid van het Nederlandsche muntstelsel,

de rijksdaalder of het stuk van twee en een halve gulden, de halve gulden of het stuk van vijftig cents.

3. Zilveren pasmunt zijn :

het stuk van vijf en twintig cents,

het stuk van tien cents.

het stuk van vijf cents.

4. Koperen pasmunt zijn:

de cent of het honderdste gedeelte van den gulden,

de halve cent.

5. De negotiepenningen zijn:

de gouden Willem,

de gouden dukaat,

van beide deze stukken kunnen dubbele geslagen worden en van het eerste stuk ook halve. (Wet van 1875, art. ü.)

6. De gulden bevat negen wigtjes, vier honderd vijftig duizendsten van een wigtje fijn zilver.

Het gewigt van den gulden is tien wigtjes, met eene ruimte van drie duizendsten van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gehalte is negen honderd vijf en veertig duizendsten (0,945), met eene ruimte van anderhalf duizendsten, zoowel boven als beneden dat gehalte.

7. Het gewigt van den rijksdaalder is vijf en twintig wigtjes, van den halven gulden vijf wigtjes,

van het stuk van vijf en twintig cents drie wigtjes vijf honderd vijf en zeventig duizendsten van een wigtje,

van het stuk van tien cents een en vier honderd duizendsten van een wigtje,

van het stuk van vijf cents zes honderd vijf en tachtig duizend-sten van een wigtje.

De ruimte in gewigt is, voor den rijksdaalder twee duizendsten, voor

STAATSWETTEN. 15

ocr page 256

226 WETTEN OP HET NEDERLAKDSCHE MUNTWEZEN.

den halven gulden vijf duizendsten, voor het stuk van vijf en twintig cents zes duizendsten, voor het stuk van tien cents tien duizendsteu, en voor het stuk van vij f cents twaalf duizendsten gedeelten van het ge-wigt voor elk stuk bepaald, zoowel boven als beneden dat gewigt.

8. Het gehalte vau den rijksdaalder en van den halven gulden is aan dat van den gulden gelijk en dezelfde ruimte wordt voor hetzelve toegestaan.

Het gehalte der zilveren pasmunt is zes honderd veertig duizend-sten (0,640), met eene ruimte van vier duizendsten zoowel boven als beneden dat gehalte.

9. Vervallen door art. 11 der wet van 1877. Zie blz. 232.

10. De beeldenaar der standpenningen is als volgt:

op de voorzijde 's Konings borstbeeld, tot omschrift voerende den naam des Konings, met de woorden: Koning der Nederlanden, Oroot-Hertog van. Luxemburg, met zoodanige verkortingen als de grootte der stukken vereischt;

op de keerzijde het wapen des Rijks, tusschen de aanduiding dei-geldswaarde : 21/2 . . G, 1 . . G, en y2 . . G, tot omschrift voerende: Munt van het Koningrijk der Nederlanden, met de noodige verkortingen en het jaartal.

Op de stukken van eenen gulden en eenen halven gulden staat onder het wapen: 100 ceuts en 50 cents, met zoodanige verkortingen als noodig wordt bevonden.

Gemelde stukken worden gemunt in den ring.

De rijksdaalder en de gulden hebben tot randschrift de woorden: God zij met ons.

De halve gulden wordt met eenen staanden kartelrand gemunt.

11. De beeldenaar der zilreren pasmunt is aan de voorzijde 's Konings borstbeeld met een omschrift gelijk aan dat der standpenningen, en aan de keerzijde 25, 10 en 5 cents, tusschen twee eiken takken, benevens het jaartal.

Deze stukken worden in den ring gemunt, met een staanden kartelrand.

12. Vervallen door art. 11 der wet van 1877. Zie blz. 232.

13. De gouden Willem bevat zes wigtjes, zes en vijftig duizendsten van een wigtje fijn goud. (Wet van 1S75, art. 6.)

Het gewigt van den gouden Willem is zes wigtjes, zeven honderd negen en twintig duizendsten van een wigtje, meteen ruimie van anderhalf duizendste gedeelte van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gewigt van den dubbelen gouden Willem is dertien wigtjes, vier honderd acht en vijftig duizendsten van een wigtje, met eene ruimte van een duizendste van dat gewigt zoowel hoven als beneden hetzelve.

Het gewigt van den halven gouden Willem is drie wigtjes, drie honderd vier en zestig en een half duizendsten van een wigtje, met eene ruimte van twee duizendsten van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

ocr page 257

WETTEN OP HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN. 227

Het gehalte van den gouden Willem, alsmede dat van den dubbelen en halven, is negen honderd duizendsten (0,900), met eene ruimte van een half duizendste, zoowel boven als beneden hetzelve.

14. De beeldenaar van den gouden Willem is als volgt:

op de voorzijde 's Konings borstbeeld, tot omschrift voerende den naam des Konings, met de woorden: Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, met zoodanige verkortingen als de grootte van het stuk vereischt, (Wet van 1875, art. 6.)

op de keerzijde het wapen des Rijks, tusschen twee eikentakken, hebbende tot omschrift, aan de eene zijde van het wapen de cijfers 0w729 en aan de andere zijde 0,900, met het jaartal boven het wapen.

De beeldenaar van den dubbelen en haiven gouden Willem is aan dien van den enkelen gelijk, met dien verstande echter, dat op de wapenzijde de cijfers 0w729 voor het eerste stuk door 13w458 en voor het laatste door 8w36é5 vervangen worden.

Deze stukken worden gemunt in den ring.

De enkele en dubbele gouden Willem hebben tot randschrift de woorden: God zij met ons.

De halve gouden Willem heeft eenen staanden kartelrand.

15. De gouden dukaat bevat drie wigtjes, vier honderd vier en dertig eu een half duizendsten van een wigtje fijn goud.

Het gewigt van den gouden dukaat is drie wigtjes, vier honderd vier en negentig duizendsten van een wigtje, met eene ruimte van anderhalf duizendste gedeelte van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gewigt van den dubbelen dukaat is zes wigtjes, negen honderd acht en tachtig duizendsten van een wigtje, met eene ruimte van een duizendste van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gehalte zoowel van den enkelen als van den dubbelen gouden dukaat is negen honderd drie en tachtig duizendsten (0,983), met eene ruimte van een half duizendste, zoowel boven als beneden hetzelve.

16. De beeldenaar van den enkelen en dubbelen gouden dukaat is:

op de voorzijde een geharnaste man, tusschen het jaartal, met

het omschrift: Concordia res paroae crescunt, en

op de keerzijde, binnen een vierkant: Mo. Attr. Reg. Èelgii ad legem imperii.

Deze stukken worden op den vrijen stempel gemunt en hebben eenen kartelrand.

17. De middellijnen der verschillende muntspeciën worden door Ons bepaald bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit. ')

l) K.B. van 29 Junü 1848, Stsbl, no. 37, bepaalt de middellgn van den Rijksdaalder op 38 strepen, van den Gulden op 28 strepen, van den Halven-gulden op 33 strepen; van bet Vyfentwinlig-cents-stuk op !9 strepen, van het Tien-cents-stuk op 15 strepen, van het Vyf-cents stuk op 12,5 atrepeii.

15«

ocr page 258

WETTEN OP HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

18. Het staat ieder vrij de zilveren standpenningen en de gouden negotiepenningen te doen munten in 's Rijks munt, wanneer geene werkzaamheden voor het Rijk zulks verhinderen. (Wet van 1875, artt. 5, G en 7c.)

De muntmeester is niet verpligt partijen goud beneden de honderd Nederlandsche ponden, noch partijen zilver heneden de duizend Ne-derlaudsche ponden aan te munten.

Door Ons wordt het muntloon, hetwelk door bijzondere personen wordt voldaan, vastgesteld by een in het Staatsblad te plaatsen besluit. (K.B. 29 Juny 1848, Stsbl. no. 28, en 1.9 Nov. 1857, Stsbl. no. 115.)

De zilveren en koperen pasmunt wordt alleen voor rekening van het Rijk geslagen.

19. In de Staats-Courant wordt jaarlijks medegedeeld hoeveel van elke muntspecie in het laatstvoorgaande jaar aan 's Rijks munt voor het Rijk, en hoeveel voor bijzondere personen is aangemunt geworden.

20. De negotiepenningen zijn geen wettig betaalmiddel.

Niemand is verpligt zilveren pasmunt tot een hooger bedrag dan

van tien gulden, of koperen pasmunt tot een hooger bedrag dan van één gulden, in betaling aan te nemen. (Wet van 1877, art. 5.)

21. Geene nagemaakte of valsche muntspeciën, noch ook muntspeciën naar deze wet of naar de wet van den 28sten September 1816 [Staatsblad no. 50) en latere wetten vervaardigd, wanneer die eenigzins vervalscht, in waarde verminderd, verminkt of geschonden zijn, worden in 's Rijks schatkist aangenomen en is niemand gehouden dusdanige muntspeciën aan te nemen.

22. De muntspeciën in het vorige artikel vermeld, in vervalsch-ten, in waarde verminderden, verminkten of geschonden toestand aan de lands-kantoren aangeboden, worden aldaar, evenzeer als alle nagemaakte en valsche muntspeciën, aangehouden, en na liet afgeven van bewijs der aanhouding, aan raden en generaalmeesteren der munt opgezonden; om na onderzoek of, en na uitspraak dat dezelve zich werkelijk in zoodanigen toestand bevinden, te worden doorgesneden en alzoo aan de aanbieders te worden teruggegeven.

Op dezelfde wijze wordt door raden en generaalmeesteren der munt gehandeld ten opzigte van alle muntspeciën, welke aan hun onderzoek worden onderworpen, wanneer die in onvohioenden toestand zijn bevonden.

23. Vóór den Sisten December 1850 worden nadere wettelijke bepalingen gemaakt omtrent de gouden stukken van tien en vgf gulden, volgens de wetten van 28 September 1816 [Staatsblad no. 5U) en 22 December 1825 [Staatsblad no. 80) gemunt. (Wet van 17 Sept. 1849, Stsbl. no. 46, en K.B. 9 Junij 1850, Stsbl. no. 30.)

Die muntspeciën blijven wettig betaalmiddel, zoo lang de bij het vorige lid bedoelde wettelijke bepalingen niet tot stand zijn gebragt.

24. Al de wetten tot regeling van het Nederlandsche muntwe-

228

ocr page 259

quot;WETTEN OP HET NEDEBLANDSCHE MUNTWEZEN. 229

zen, van vroeger dagteekening dan de wet van 18 December 184-5 {Staatsblad no. 90) ') worden ingetrokken.

De krachtens de ingetrokken wetten geslagen muntspeciën blijven echter op den voet der wet, waarbij zij werden ingesteld, gangbaar, voor zoover zij niet bij de wet zijn of worden buiten omloop gesteld.

B. W E T

TOT NADERE TIJDELIJKE VOORZIENING OMTRENT HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

(Vastgesteld deu 6deu Junij 1875, Stsbl. no. 117, uitgegeven den 12den Junij d.a.v.)

Art. I. Standpenning is;, nevens de zilveren, vermeld in art. 2 der wet van 26 November 1847 {Staatsblad no. 69):

het gouden tienguldenstuk.

(K.B. van 26 Junij 187S bepaalt de middellijn van het gouden tienguldenstuk op 22'/j millimeter.)

2. De gouden standpenning bevat zes duizend acht en veertig tienduizendste gedeelten (0.6Ü48) van een gram (wigtje) fijn goud op den gulden.

3. Het gehalte van den gouden standpenning is 0,900, met eene ruimte van 1,5 duizendste, zoowel boven als onder dat gehalte.

Het gewigt is 6,720 grammen (wigtjes.)

De ruimte in gewigt is 2 duizendsten van het gewigt, zoowel daarboven als daaronder.

4. De beeldenaar van den gouden standpenning is:

op de voorzijde 's Konings borstbeeld, tot omschrift voerende den door het woord Koning voorafgeganen naam des Konings en de spreuk: God zij met ons-,

op de keerzyde het wapen des Rijks met de Koninklijke kroon, tusschen de waarde-aanduiding 10 G, wijders het jaartal en het omschrift: Koningrijk der Nederlanden, benevens het rauntteeken en m untmeestersteeken.

Dit stuk wordt in den ring gemunt en heeft een kartelrand.

5. De artt. 17, 19, 21 en 22 der wet van 26 November 1847 {Staatsblad no. 69) zijn op den gouden standpenning toepasselijk.

Het staat ieder vrij gouden tienguldenstukken te doen munten in 's Rijks munt, wanneer geene werkzaamheden voor het Rijk zulks verhinderen.

1) Deze wet heeft betrekking op de iuwisseling der nog in omloop zynde pro-vinciale en generaliteits muntspeciën.

15a*

ocr page 260

330 WETTEN OP HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

De muntmeester is niet verpligt partgen goud beneden de honderd kilogram (pond) aan te munten.

Door Ons wordt het muntloon, door bijzondere personen te voldoen, vastgesteld bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur. (K.B. van '2ö Junij 1875, Stsbl. no. 125.)

Het muntloon kan echter niet hooger worden gesteld dan op vijf gulden per kilogram (pond) tienguldenstukken.

6. Er heeft geen aanmunting meer plaats van den enkelen, dubbelen en halven gouden Willem, bedoeld bij de artt. 5, 13 en Ié der wet van 26 November 1847 {Staatsblad no. G9) en bij art. 5 der wet van 1 Mei 1854 {Staatsblad no. 75.)

7. Deze wet treedt in werking den Isten Julij 1875.

Zij wordt vóór den Isten Januarij 1877 herzien.

Tot dat tijdstip blijft de bevoegdheid tot aanmunting van zilveren standpenningen, anders dan voor rekening van den Staat, geschorst. ')

C. WET

TOT VERVANGING DER KOPEREN DOOR BRONZEN PASMUNT ENZ.

(Vastgesteld den 28sten Maart 1877, Stsbl. no. 43, uitgegeven den 13den April d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64)

Art. I. De koperen pasmunt, welke thans ingevolge de wetten van 28 September 1810 {Staatsblad no. 50) en 26 November 1847 {Staatsblad no. 69) in omloop is, wordt vervangen door bronzen.

2. Bronzen pasmunt zijn:

het twee-en-een-halve-centstuk;

het een-centstuk;

het halve-centstuk.

(K.B. van 18 April 1877, Stsbl. no. 84, bepaalt de middellijn van het twee-en-een-balve-centstuk op 23'/j millimeter; ran het een-centstuk op 19 millimeter; van het halve-centstuk op 14 millimeter.)

3. Het metaal der bronzen pasmunt is zamengesteld uit 0,950 koper, 0,040 tin en 0,010 zink, met zoodanige ruimte als voor elk dier metalen door Ons nader zal worden bepaald bij een algemeenen maatregel van inwendig bestuur.

1) Bij de wet van 9 December 1877, Stsbl. no. 315, is deze bevoegdheid tot aanmunting, anders dan voor rekening van den Staat, geschorst, totdat daaromtrent nader door de wet zal z\jn voorzien.

ocr page 261

WETTEN OP HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

Het gewigt is:

van het twee-en-een-balve-centstuk 4 grammen (wigtjes);

van het een-centstuk 2,5 gram (wigtje);

van het halve-centstuk 1,25 gram (wigtje).

De ruimte in gewigt is voor elk dier soorten één stuk op honderd.

(Bij K.B. van 5 Mei 1877, Stshl. no. 97, is bepaald, dat op de zamenstelliug van het metaal voor de bronzen pasmunt eene ruimte wordt toegestaan van 0,010 (tien duizendsten) voor het koper; van 0,005 (vijf duizendsten) voor het tin en evenveel voor het zink; een en ander zoowel boven als onder de bij art. 3 der wet van 28 Maart 1877, Stsbl. no. 43, vastgestelde hoeveelheid.)

4. De beeldenaar der bronzen pasmunt is:

op de voorzijde de gekroonde leeuw met het zwaard en den bundel pijlen, in het met blokken bezaaide veld, zonder het wapenschild, voorzien, maar door een parelrand afgescheiden van het omschrift: Koningrijk der Nederlanden, met het jaartal, benevens het muut-teeken en nmntmeestersteeken;

op de keerzijde in cijfen; de waarde-aanduiding 2'/2 cent, 1 cent, '/j cent, tusschen twee oranjetakken.

Deze stukken worden in den ring gemunt en hebben een kartelrand.

5. Niemand is verpligt bronzen pasmunt aan te nemen tot een hooger bedrag dan van vijf en twintig cents. (Wet van 184'7, art. 20.)

6. Door Ons worden de kantoren aangewezen, waar de bronzen pasmunt tegen standpenningen kan worden ingewisseld, mits de aangeboden nominale waarde niet minder bedrage dan tien gulden.

7. De artt. 17, 19, 21 en 22 der wet van den 2Gsten November 1847 {Staatsblad no. 09) zijn op de bronzen pasmunt toepasselijk.

8. Het is verboden vreemde koperen, bronzen en nickel munten in betaling te geven.

In de door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan te wijzen grensgemeenten is het echter geoorloofd van die vreemde munten voor eene waarde van ten hoogste twintig centen in betaling te geven, mits de inbetalinggeving plaats hebbe met toestemming van degenen aan wien zij geschiedt en op geen hoogeren koers dan door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur is vastgesteld.

9. Het is aan Kijks-, provinciale, gemeentelijke en waterschapsambtenaren en aan pachters en onderpachters van Rijks-, provinciale, gemeentelijke en waterschapsinkomsten insgelijks verboden, bij ontvangsten welke zij als zoodanig doen, die vreemde munten in betaling aan te nemen.

10. Overtreding van de bepalingen der artt. 8 en 9 wordt gestraft met eene geldboete van ten minste vijftig cents en ten hoogste vijf en zeventig gulden.

231

ocr page 262

232 WETTEN OP HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

Wanneer tijdens het plegen van deze overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald, kan de geldboete tot vgfhonderd gulden worden verhoogd. ')

11. De koperen pasmunt, die overeenkomstig de wetten van den 28sten September 1816 {Staatsblad no. 50) en van den 26sten November 1817 (Staatsblad no. 69) geslagen is, wordt op de door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vast te stellen tijdstippen en wijze, hetzij in ééns, hetzij achtereenvolgens, buiten omloop gesteld, nadat tot inwisseling daarvan gedurende ten minste veertien dagen gelegenheid is gegeven.

Tot die buiten-omloopstelling blijft zij op den bestaanden voet, be-houdeus de bepalingen van de artt. 5 en 6, wettig betaalmiddel.

12. Deze wet treedt in werking op den Isten Julij 1877.

Wij behouden Ons echter voor, de bepalingen van de artt. 8, 9 en 10 bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vroeger in werking te brengen.

1) Art. 10 aldus gewijiigd door art. lid en f der wet van 15 April 1886, Stshl. no. 64.

ocr page 263

WETTEN OP HET NEDEBLANDSCHE MÜNTWEZEN.

D. WET,

HOUDENDE NADEKE VOORZIENING OMTRENT HET MUNTWEZEN.

(Vastgesteld den 37steu April 1884, Stsbl. no. 97, uitgegeven den 30sten April d.a.v.)

Eenit; artikel.

Onze Minister van Financiën is gemachtigd om, wanneer en in zoover als hij het met het oog op den toestand van Ons muntwezen noodzakelijk acht, een bedrag van ten hoogste vijf en twintig mil-lioen gulden in Nederlandsche rijksdaalders te doen versmelten tot haren en die baren, door tusschenkomst van de Nederlandsche Bank, te verkoopen.

Alvorens van deze machtiging gebruik te maken, wint Onze voornoemde Minister de voorlichting in van de afdeeling van den Raad van State, die tot het Departement van dezen Minister in betrekking staat.

Het advies door 's Raads afdeeling uitgebracht, wordt, zoodra 's lands belang zulks toelaat, aan de Wetgevende Macht medesedeeld.

233

ocr page 264

234 WETTEN OP HET NEDBSLANDSCHE MUNTWEZEN.

E. quot;WET,

HOUDENDE NIEUWE BEPALINGEN NOPENS DE UITGIFTE VAN MUNTBILJETTEN.

(Vastgesteld den 27sten April 1884, Stsbl. no. 98, uitgegeven den 30sten April d.a.v.)

Art. I. Er zal zijn eene rentelooze Staatsschuld ten bedrage hoogstens van vijftien millioen gulden.

2. De bewijzen dier rentelooze schuld dragen den naam van muntbiljetten. De uiterlijke vorm daarvan en het bedrag van elk stuk, dat niet minder kan zijn dan tien gulden, worden door Ons bepaald bij maatregel van inwendig bestuur. (K.B. 12 Sept. 1885, Stsbl. no. 182.)

Zij zyn op vertoon verwisselbaar bij de Nederlandsche Bank, als agent van 's Rijks schatkist, tegen standpenningen.

Muntbiljetten in den door Ons bepaalden vorm uitgegeven, zijn wettig betaalmiddel. Bij verandering in den vorm blijven zij wettig betaalmiddel tot een door Onzen Minister van Financiën, krachtens Ons besluit, openbaar aan te kondigen tijdstip en zijn zij gedurende vijf jaren na dat tijdstip tegen standpenningen verwisselbaar.

3. Tot zekerheid van de verwisseling tegen standpenningen strekken de na te noemen inschrijvingen op het Grootboek der Nationale Schuld, als:

een kapitaal groot drie millioen driehonderd drie en dertig duizend vierhonderd gulden (/ 3 333 400) op het Grootboek der 3 percents Nationale Schuld in te schryven onder het hoofd: Fonds tot verzekering van de verwisseling der muntbiljetten tegen standpenningen, zoomede de op hetzelfde hoofd van rekening over te schrijven kapitalen, groot f 1010 300 {een millioen tien duizetid driehonderd guldeii) 3 percents Nationale Schuld en ƒ 18 788 000 (achttien millioen zevenhonderd acht en tachtig duizend gulden) 21/2 percents Nationale Schuld, op de Grootboeken dier schuld thans ingeschreven onder het hoofd: Fonds tot verzekering van de verzilvering der rentelooze schuld onder bewaring van de directie der Nederlandsche Bank.

De muntbiljetten worden van een stempel of visum van de Nederlandsche Bank voorzien.

ocr page 265

WETTEN OP HET NEDEELANDSCHE MUNTWEZEN.

4. Onze Minister van Financiën is bevoegd de in artikel 3 genoemde inschrijvingen op het Grootboek der Nationale Schuld te beleenen, wanneer de toestand der schatkist dat vordert ten gevolge van de inwisseling der muntbiljetten tegen specie. In dat geval moet een bedrag aan muntbiljetten gelijkstaande aan de door be-i leening verkregen som aan de circulatie onttrokken worden. Dat

bedrag wordt onder bezwaring gesteld van de Nederlandsche Bank.

Van deze handeling wordt proces-verbaal in drievoud opgemaakt door of van wege Onzen Minister van Financiën en de directie der Nederlandsche Bank, houdende opgave van het bedrag der in be-leening opgenomen som en der in bewaring gegeven muntbiljetten. Een exemplaar van dit proces-verbaal wordt aan de Algemeene Rekenkamer toegezonden.

De in bewaring gegeven muntbiljetten worden niet in 's Rijks age schatkist teruggebracht dan na of met gelgktijdige aflossing der opgenomen gelden. Ook hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt, van 0P n'elijke wijze als hierboven is bepaald.

ejlj 5. Wegens het verlies van muntbiljetten wordt in geen geval )ns eenige vergoeding toegekend.

85 Wanneer muntbiljetten onbruikbaar zijn geworden, kunnen die,

mits zij nog kenbaar zijn, tegen nieuwe stukken verwisseld wor-als den, doch niet dan op bijzondere machtiging door Ons in elk geval te verleenen.

;ijn De als onbruikbaar verwisselde of anderszins ingetrokken munt-

ret- biljetten worden ter Algemeene Rekenkamer overgebracht om door ch. haar te worden vernietigd.

ge- 6. Het namaken of vervalschen van muntbiljetten, het desbe-

iel. wust uitgeven, ter uitgifte in voorraad iiebben of binnen dit Rijk invoeren van valsche of vervalschte biljetten wordt gestraft met de jjj. straffen in het Wetboek van Strafrecht op gelijke handelingen ten aje aanzien van nationale muntspeciën bedreigd, (S.R. 208 volg.)

7. De wet van 26 April 1852 [Staatsblad no. 90) wordt inge-uj_ trokken.

3 De bepalingen van de beide laatste alinea's van artikel 2 zyn op

ids de krachtens die wet uitgegeven muntbiljetten van toepassing.

°M-ijquot;

m- ■

'.en

its

re- -

Ier ■he

e-

235

ocr page 266

WET,

HOUDENDE VOORZIENINGEN OMTRENT DE NEDER-LANDSCHE BANK.

(Vastgesteld den 22sten December 1863, Stsbl. no. 148, uitgegeven den 28sten I)ec. d a.v. Gewyzigd en aangevuld bij de wet van 7 Aug. 1888,

Stsbl. no. 122.) )

Art. I. Geen circulatiebank kan worden opgeri^t en geen buiten-landsche circulatiebank mag hare bankbiljetten hier te lande in omloop brengen anders dan krachtens eene bijzondere wet en op den voet en de voorwaarden bij zoodanige wet te stellen.

Onder circulatiebank wordt verstaan elke inrigting, bestemd om bankbiljetten uit te geven of in omloop te brengen.

2. De Nederlandsche Bank blijft na het eindigen van het bestaand octrooi, onder de navolgende bepalingen en voor een tijdperk van vijf en twintig jaren, geregtigd om als circulatiebank werkzaam te zgn. ')

3. De Nederlandsche Bank is eene naamlooze vennootschap.

4. De inhoud dezer wet zal ten grondslag liggen aan de acte van oprigting der Nederlandsche Bank als naamlooze vennootschap.

5. De hoofdzetel der Nederlandsche Bank blijft te Amsterdam.

Vóór of met 1 Januarij 1865 vestigt zij te Rotterdam eene Bijbank

en elders agentschappen en correspondentschappen.

In elke provincie zal minstens één agentschap zijn.

1) Bij art. 1 der wet van 7 Aug. 1888, Stsbl. no. 122 (waarvan de overige artikelen in den tekst zijn opgenomen) is het volgende bepaald:

Het tijdperk, waarvoor de Nederlandsche Bank, krachtens art. 2 der wet van 22 December 1863 (Staatsblad no. 148), gerecht:gd is om als circulatiebank werkzaam te zijn, wordt, te rekenen van het einde daarvan, verlengd met vijftien jaren, dus tot en met den Sisten Maart 1904, en wel onder de bij die wet gemaakte bepalingen, voor zoover daarvan bij deze wet niet wordt afgeweken.

Dat tijdperk wordt geacht stilzwijgend telkens opnieuw met tien jaren verlengd te zijn, tenzij door Ons of door de Bank ten minste twee jaren vóór het einde van het loopend tijdperk door opzegging van ongeneigdheid tot die verlenging blijk zij gegeven.

t) De met * gemerkte alinea's en artikels zijn aldus gewijzigd of toegevoegd ingevolge artt. 3—11 der wet van 7 Aug. 1888, Stsbl. no. 123.

ocr page 267

WET, HOUDENDE VOOEZ. OMTKENT DE NED. BANK. 237

Het aantal correspondentschappen regelt zich naar de bestaande behoeften.

De inrigting en de werkkring der Bijbank en der agentschappen worden aan Onze goedkeuring onderworpen. , *6. Het maatschappelijk kapitaal der Nederlandsche Bank be-

draagt twintig millioen gulden, ten volle gestort.

Het kan met toestemming van de Bank bij de wet worden vergroot.

ten *6bis. De Bank vormt een reservefonds, ten bedrage van een vierde

van haar maatschappelijk kapitaal.

Het reservefonds is, behoudens het bepaalde bij het tweede lid van art. 22, bestemd tot aanvulling van mogelijke verliezen op het maatschappelijk kapitaal.

7. De operatiën der Bank zullen bestaan:

iten- l». in het disconteren:

om- *«. van wisselbrieven, assignatiën en orderbriefjes, met twee of voet meer solidair verbondenen en met een looptijd niet langer dan de gebruiken des handels medebrengen en in geea geval van langer dan om zes maanden;

b. van hier te lande binnen drie maanden aflosbare of verschij-be- nende schuldbrieven of rentebewijzen, zoowel van nationale als van serk vreemde schuld, en van soortgelijke stukken van bijzondere ligcliamen aam of vennootschappen, altijd ouder solidaire medeverbindtenis van den discontant;

2°. in het beleenen:

van a. van effecten, hetzij staatsschulden, hetzij aandeden en obligation

van bijzondere ligchamen of maatschappijen;

am. 0. van goederen, waren en koopmanschappen, munt en munt-

ïnk materiaal;

*3°. in den handel in gond en zilver, en in het doen verwerken en vermunten daarvan;

4°. in het ontvangen van gelden in rekeningcourant; eri. *3°. in het koopen en verkoopen van wisselbrieven en ander han

delspapier, buitenslands betaalbaar, niet twee of meer solidair verwet bondenen en met geen langeren looptyd dan de gebruiken des hanen- dels medebrengen.

ai1. De som der in buitenslands betaalbaar papier belegde gelden mag

en nooit langer achtereen dan gedurende een tydperk van veertien da-pze „en jjgf bedrag van het beschikbaar metaalsaldo der Bank te boven gaan.

en Daarenboven zal de Bank de bevoegdheid hebben, om, op de voor-

®quot; waarden door haar in het openbaar aan te kondigen, gelden en andere waarden in eigenlijk gezegde bewaring te nemen.

*De Staat behoudt zicb de bevoegdheid voor om, wanneer hy in- mocht toetreden tot eene Munt-Unie, gegrond op het stelsel van den dubbelen standaard en in de landen die daarvan deel uitmaken aan

ocr page 268

WET, HOUDENDE VOOBZ. OMTRENT DE NED, BANK.

de voornaamste circulatiebanken de verplichting wordt opgelegd, al het haar te koop aangeboden wordende muntmetaal, waarvan de vermunting hg de wet aan ieder zal zijn vrijgelaten, tegen muntprijs te koopen, dezelfde verplichting bij de wet op te leggen aan de Ne-derlandsche Bank.

8. De Nederlandsche Bank houdt zich met geene andere opera-tiën bezig dan de in het vorig artikel genoemde.

Zij verleent niemand, wie het ook zijn moge, eenig crediet of voorschot in blanco.

Zij neemt geen deel in eenige handels-, nijverheids- of andere onderneming.

Zij kan hare eigene aandeelen niet inkoopen.

Evenmin koopt zij eifecten, goederen, waren of koopmanschappen.

Met uitzondering der localen, noodig voor haar bedrijf, koopt of bezit zij geene vaste goederen.

Van hare beleeningen blijven uitgesloten hare eigene aandeelen.

Zij schiet geen geld op hypotheek, noch onder verband van schepen.

*9. De Bank is, bij uitzondering op hetgeen bij het vijfde lid van art. 8 bepaald is, bevoegd, om het reservefonds benevens een vijfde van haar maatschappelijk kapitaal te beleggen in Nederlandsche Staatsschuld en in andere ter beurze van Amsterdam of van andere voorname plaatsen in Europa dagelijks verhandelbare schuldbewijzen.

De lijst dier schuldbewijzen wordt door de directie en de commissarissen der Bank, in eene gemeenschappelijke vergadering, vastgesteld en zoo noodig van tijd tot tijd herzien.

10. *De Nederlandsche Bank blijft zich belasten met de kostelooze bewaring der algemeene Rijkskas te Amsterdam.

*Zij belast zich evenzeer kosteloos met de waarneming der function van Rijkskassier aldaar, alsmede te Rotterdam en in alle plaatsen, waar zij agentschappen heeft of vestigt.

Wegens een en ander is zij verantwoordelijk aan den Minister van Financiën en rekenpligtig aan de Algemeene Rekenkamer.

*Zij belast zich bovendien kosteloos met het kassierschap der Rijkspostspaarbank en met de bewaring van alle geldswaarden dier spaarbank en van de door deze in pand genomen waarden. (Wet 25 Mei 1880, Stsbl. no. 88, Rijkspostspaarb., art. 15.)

11. De Nederlandsche Bank verleent kosteloos, naar de wet, hare hulp en medewerking tot de vervaardiging, uitgifte en intrekking der muntbiljetten; zij is daartoe echter alleen verpligt zoolang het gezamenlijk bedrag van deze de som van vijftien millioen niet te boven gaat.

De wijze waarop zij de haar in dit en het vorig artikel opgelegde verplichtingen vervult, wordt door Ons, de directie der Bank gehoord, vastgesteld.

238

ocr page 269

WET, HOUDENDE VOORZ. OMTRENT DE NED. BANK.

*\\bis. Bij uitzondering op hetgeen bij het tweede lid van art. 8 is bepaald, is de Bank:

lquot;. verpligt, om aan den Staat, telkens wanneer de Minister van Financiën dit tot tijdelijke versterking van 's Rijks schatkist noo-dig acht, voorschotten in rekening-courant, tegen de gewone belee-ningsrente te verstrekker , op voldoend onderpand van schatkistbiljetten, waarvan de uitgifte of beleening bij de wet zal zijn toegestaan;

2quot;. bevoegd, om aan den Minister van Financiën, ten behoeve van den Staat, dergelijke voorschotten tot inwisseling, tegen standpenningen, van daartoe aangeboden muntbiljetten te doen, op onderpand van het geheel of een gedeelte der kapitalen, als fonds tot verzekering van de verwisseling der muntbiljetten tegen standpenningen, op de (Trootboeken der Nationale Schuld ingeschreven.

Hare voorschotten onder 1°. bedoeld, mogen tegelijker tijd gezamenlijk niet meer dan vijf millioen gulden bedragen.

De verpligting tot het verstrekken dier voorschotten houdt op zoodra en voor zoo lang als het beschikbaar metaalsaldo der Bank beneden tien millioen gulden is gedaald. Zij vervalt in zoover dit saldo door die voorschotten beneden dat bedrag dalen zou.

De bevoegdheid onder 2°. bedoeld houdt op wanneer de Staat besluiten mocht om voor meer dan vijftien millioen gulden aan munt-papier uit te geven.

12. De vorm en de hoegrootheid der uit te geven bankbiljetten worden door de directie der Bank ter kennisse van het publiek gebragt.

Zij geeft geene biljetten uit tot een lager bedrag dan van f 25.

13. De biljetten der Nederlandsche Bank zga op vertooning betaalbaar bij de Hoofdbank, de Bijbank eu de agentschappen.

De betaling bij de agentschappen kan echter worden uitgesteld, tot dat specie van de hoofdbank zal kunnen ontvangen zijn.

De biljetten der Bank kunnen als betaalmiddel in 's Rijks kassen worden toegelaten.

Zij zijn vrijgesteld van het regt van zegel.

14. De houder van een bankbiljet is bij uitsluiting geregtigd om de uitbetaling der daarin uitgedrukte geldsom van de Bank te vorderen.

Wegens verlies of vernietiging van bankbiljetten behoeft door de Bank geene vergoeding verleend te worden.

Bij verdenking wegens misdrijf of op schriftelijk aanzoek der belanghebbenden, staat het der directie vrij, quitering en afteekeuing der biljetten te vorderen van hem, die ze ter inwisseling aanbiedt.

De bepalingen van artt. 227—229 van het Wetboek van Koophandel zijn niet van toepassing op bankbiljetten.

(5. Behalve bankbiljetten zal de Nederlandsche Bank geen ander papier uitgeven dan assignatiën aan order van het eene bankkantoor op het andere.

16. De verhouding, waarin het gezamenlijk bedrag van bankbil-

239

ocr page 270

238 WET, HOUDENDE VOORZ. OMTRENT DE NED. BANK.

de voornaamste circulatiebanken de verplichting wordt opgelegd, al het haar te koop aangeboden wordende muntmetaal, waarvan de vermunting bij de wet aan ieder zal zijn vrijgelaten, tegen muntprijs te koopen, dezelfde verplichting bij de wet op te leggen aan de Ne-derlandsche Bank.

8. De Nederlandsche Bank houdt zich met geene andere opera-tiën bezig dan de in het vorig artikel genoemde.

Zij verleent niemand, wie het ook zijn moge, eenig crediet of voorschot in blanco.

Zij neemt geen deel in eenige handels-, nijverheids- of andere onderneming.

Zij kan hare eigene aandeelen niet inkoopen.

Evenmin koopt zij effecten, goederen, waren of koopmanschappen.

Met uitzondering der localen, noodig voor haar bedrijf, koopt of bezit zij geene vaste goederen.

Van hare beleeningen blijven uitgesloten hare eigene aandeelen.

Zij schiet geen geld op hypotheek, noch onder verband van schepen.

::9. De Bank is, bij uitzondering op hetgeen bij het vijfde lid van art. 8 bepaald is, bevoegd, om het reservefonds benevens een vijfde van haar maatschappelijk kapitaal te beleggen in Nederlandsche Staatsschuld en in andere ter beurze van Amsterdam of van andere voorname plaatsen iu Europa dagelgks verhandelbare schuldbewijzen.

De lijst dier schuldbewijzen wordt door de directie en de commissarissen der Batik, in eene gemeenschappelijke vergadering, vastgesteld en zoo noodig van tijd tot tyd herzien.

10. *De Nederlandsche Bank blijft zich belasten met de kostelooze bewaring der algemeene Rijkskas te Amsterdam.

*Zij belast zich evenzeer kosteloos met de waarneming der func-tiën van Rijkskassier aldaar, alsmede te Rotterdam en in alle plaatsen, waar zij agentschappen heeft of vestigt.

Wegens een en ander is zij verantwoordelijk aan den Minister van Einanciën en rekenpligtig aan de Algemeene Rekenkamer.

■^Zij belast zich bovendien kosteloos met het kassierschap der Rijkspostspaarbank en met de bewaring van alle geldswaarden dier spaarbank en van de door deze in pand genomen waarden. (Wet 25 Mei 1880, Stsbl. no. 88, Rijkspostspaarb., art. 15.)

11. De Nederlandsche Bank verleent kosteloos, naar de wet, hare hulp en medewerking tot de vervaardiging, uitgifte en intrekking der muntbiljetten; zij is daartoe echter alleen verpligt zoolang het gezamenlijk bedrag van deze de som van vijftien millioen niet te boven gaat.

De wijze waarop zij de haar in dit en het vorig artikel opgelegde verplichtingen vervult, wordt door Ons, de directie der Bank gehoord, vastgesteld.

i

ocr page 271

WET, HOUDENDE VOOKZ. OMTRENT DE NED. BANK. 239

*\\/jis. Bij uitzondering op hetgeen bij het tweede lid van art. 8 is bepaald, is de Bank:

1°. verpligt, om aan den Staat, telkens wanneer de Minister van Financiën dit tot tijdelijke versterking van 's Rijks schatkist noo-dig acht, voorschotten ir rekening-courant, tegen de gewone belee-ningsrente te verstrekken, op voldoend onderpand van schatkistbiljetten, waarvan de uitgifte of beleening bij de wet zal zijn toegestaan;

2quot;. bevoegd, om aan den Minister van Financiën, ten behoeve van den Staat, dergelijke voorschotten tot inwisseling, tegen standpenningen, van daartoe aangeboden muntbiljetten te doen, op onderpand van het geheel of een gedeelte der kapitalen, als fonds tot verzekering van de verwisseling der muntbiljetten tegen standpenningen, op de Grootboeken der Nationale Schuld ingeschreven.

Hare voorschotten onder 1°. bedoeld, mogen tegelijker tijd gezamenlijk niet meer dan vijf millioen gulden bedragen.

De verpligting tot het verstrekken dier voorschotten houdt op zoodra en voor zoo lang als het beschikbaar metaalsaldo der Bank beneden tien millioen gulden is gedaald. Zij vervalt in zoover dit saldo door die voorschotten beneden dat bedrag dalen zou.

De bevoegdheid onder 2°. bedoeld houdt op wanneer de Staat besluiten mocht om voor meer dan vijftien millioen gulden aan munt-papier uit te geven.

12. De vorm en de hoegrootheid der uit te geven bankbiljetten worden door de directie der Bank ter kennisse van het publiek gebragt.

Zij geeft geene biljetten uit tot een lager bedrag dan van f 25.

13. De biljetten der Nederlandsche Bank zijn op vertooning betaalbaar bij de Hoofdbank, de Bijbank en de agentschappen.

De betaling bij de agentschappen kan echter worden uitgesteld, tot dat specie van de hoofdbank zal kunnen ontvangen zijn.

De biljetten der Bank kunnen als betaalmiddel in 's Rijks kassen worden toegelaten.

Zij zijn vrijgesteld van het regt van zegel.

14. De houder van een bankbiljet is bij uitsluiting geregtigd om de uitbetaling der daarin uitgedrukte geldsom van de Bank te vorderen.

Wegens verlies of vernietiging van bankbiljetten behoeft door de Bank geene vergoeding verleend te worden.

Bij verdenking wegens misdrijf of op schriftelijk aanzoek der belanghebbenden, staat het der directie vrij, quitering en afteekening der biljetten te vorderen van hem, die ze ter inwisseling aanbiedt.

De bepalingen van artt. 227—229 van het Wetboek van Koophandel zijn niet van toepassing op bankbiljetten.

15. Behalve bankbiljetten zal de Nederlandsche Bank geen ander papier uitgeven dan assignation aan order van het eene bankkantoor op het andere.

16. De verhouding, waarin het gezamenlijk bedrag van bankbil-

ocr page 272

240 WET, HOUDENDE VOORZ. OMTRENT DE NED. BANK.

jetten, bankassignatiën en rekening courant saldo's door munt of muntmateriaal moet zijn gedekt, wordt bepaald bij Koninklijk besluit, op voordragt van de directie der Bank te nemen. Dit besluit wordt in het Staatsblad geplaatst, en, voor zooveel noodig, van tijd tot tijd gewijzigd. (K.B. 16 April 1864, Stsbl. no. 18 en 20 Junij 1880, Stsbl. no. 113.)

17. De directie der Bank bestaat uit een president, vijf directeuren en een secretaris. Het toezigt op de handelingen der directie wordt uitgeoefend door commissarissen.

18. De president en de secretaris worden door Ons, telkens voor zeven jaren benoemd. In eene gemeenschappelijke vergadering van de directie en de commissarissen wordt voor elke benoeming eene aanbevelingslijst van twee personen opgemaakt en Ons aangeboden, ten einde daarop door Ons zooveel acht kunne geslagen worden, als Wij zullen vermeenen te behooren.

De directeuren worden, telkens voor den tijd van vijf jaren, benoemd door de stemgeregtigde aandeelhouders, uit eene voordragt van drie personen, opgemaakt door de directie en de commissarissen in eene gemeenschappelijke vergadering. Jaarlijks treedt een der directeuren af.

Alle leden der directie zijn bij hunne aftreding terstond op nieuw benoembaar.

*Op voorstel van eene gemeenschappelijke vergadering der directie en commissarissen kan de president zoowel als de secretaris door Ons in de waarneming zijner betrekking worden geschorst of daaruit ontslagen. Ingeval eene schorsing wordt voorgesteld, geschiedt tevens een voorstel betreffende de tijdelijke vervulling.

*Op gelijk voorstel kunnen ook de overige leden der directie door de stemgerechtigde aandeelhouders worden ontslagen.

19. Er zijn minstens vijftien commissarissen. Zij worden door de stemgerechte aandeelhouders gekozen.

20. Van Regeringswege wordt toezigt op de handelingen der Bank uitgeoefend door een Koninklijken commissaris, door Ons te benoemen en te ontslaan.

De Koninklijke commissaris heeft het regt, alle vergaderingen van aandeelhouders en van commissarissen bij te wonen en aldaar eene raadgevende stem uit te brengen.

*De directie der Bank is gehouden, hem telkens op zijne aanvrage al die inlichtingen te verstrekken, welke hij tot behoorlijke uitoefening van zijn toezicht noodig acht.

De verdere instructie van den Koninklijken commissaris wordt door Ons bij besluit vastgesteld.

Zijne bezoldiging komt ten laste der Bank.

21. De directie der Nederlandsche Bank doet eenmaal 's weeks, door plaatsing in de Nederlandsche Staats-courant mededeeling vau eene verkorte balans in een door Ons goed te keuren vorm.

ocr page 273

WET, HOUDENDE VOOBZ, OMTRENT DE NED. BANK. 241

it of *22 De winsten der Bank blijven ten beloope van vijf percent van sluit, het maatschappelijk kapitaal uitsluitend ten hare voordeele.

■ordt Mochten de winsten in eenig jaar minder dan vijf percent van dat ; tijd kapitaal bedragen, dan wordt hetgeen er aan ontbreekt uit het reserve-880, fonds aangevuld, mits dit fonds niet beneden vijftien percent van het

maatschappelijk kapitaal dale.

;teii- Bedragen de winsten méér dan vijf percent van het maatschappelijk ectie kapitaal, dan gaat van dit meerdere eerst tien percent in het reservefonds, totdat dit het bij art. 6iis bepaalde bedrag heeft bereikt. Van voor het overschot blijft de helft ten voordeele van de Bank en komt de van wederhelft ten voordeele van den Staat, totdat het aandeel der Bank eene in de winsten, behalve de vereischte aanvulling van het reservefonds, den, zeven percent van het maatschappelijk kapitaal bereikt. Het meer-, als dere wordt voor een derde door haar en voor twee derden door den Staat genoten.

be- Als grondslag voor de verdeeling der winsten strekt de jaarlijk-

ragt sche balans der Bank, zooals die door hare commissarissen is vast-ssen gesteld, voor zoover zij in overeenstemming is met de bepalingen der der wet en van de statuten der Bank.

Geschillen over de vraag, of de balans met die bepalingen in over-;uw eenstemming is, worden door drie scheidslieden in het hoogste ressort beslist. Van die scheidslieden wordt één door den Minister van ctie Financiën en één door de directie der Bank gekozen en de derde loor door de rechtbank te Amsterdam benoemd. Aandeelhouders der lar- Bank kunnen daartoe niet gekozen of benoemd worden, edt Het aandeel van den Staat in de winsten der Bank vervalt:

1°. wanneer aan een ander dan de Nederlandsche Bank mocht oor worden toegestaan bankbiljetten uit te geven en in omloop te brengen;

2°. wanneer de Staat besluiten mocht, om voor meer dan vijftien 1 de millioen gulden aan muntpapier uit te geven.

*23. De rente der bij art. 9 bedoelde effecten wordt onder de win-mk sten der Bank opgenomen. Vóór- of achteruitgang van hunne waarde loe- wordt ten bate of ten laste van het reservefonds gebracht.

,an By de wet van 7 Aug. 1888, Stsbl. no. 122, zijn gevoegd de

jne volgende

OVERGANGSBEPALINGEN.

ige

ife- Art. 12 (der wijzigingswet van 1888). Het reservefonds, dat

krachtens de by art. 9 der genoemde wet verleende bevoegdheid, rdt door de Bank, ingevolge art. 41 harer bestaande statuten, gevormd is, strekt als eerste grondslag voor het reservefonds, waarvan art. 3 dezer wet de vorming voorschrijft.

bs. Art. 13 (der wijzigingswet van 1888). Indien het reservefonds bij het

au einde van het tijdperk, waarvoor art. 1 dezer wet de Nederlandsche Bank opnieuw het recht geeft om als circulatiebank werkzaam te

ocr page 274

2é2 WET, HOUDENDE VOORZ. OMTRENT DE NED. BANK.

zijn, blijken mocht meer te bedragen dan op den Sisten Maart 1889, volgens de balans over het boekjaar 1888/89, en dat tijdperk niet weder wordt verlengd, komt dat meerdere voor de helft ten voordeele van den Staat en blijft het voor de wederhelft ten hate der Bank.

A,rt. 14 (der wyzigingswet van 1888). De nieuwe aandeelen, het bedrag vertegenwoordigende waarmede het maatschappelijk kapitaal der Bank krachtens art. 3 dezer wet wordt vergroot, worden tegen storting van hun nominaal bedrag en eene uitkeering bovendien van vijf en twintig ten honderd over dat nominaal bedrag aan den Staat, ter beschikking gesteld van de aandeelhouders der Bank, in verhouding tot hunne aandeelen.

De aandeelen, waarover op die wijze binnen drie maanden na het in werking treden dezer wet niet beschikt is, worden in het openbaar of ter beurze verkocht. Van hetgeen zij meer dau hun nominaal bedrag opbrengen wordt vijf en twintig ten honderd over dat nominaal bedrag aan den Staat uitgekeerd en het overschot in het reservefonds gestort.

Art. 15 (der wijzigingswet van 1888). De statuten der Nederland-sche Bank worden, behoudens Onze goedkeuring, met de bepalingen dezer wet in overeenstemming gebracht.

Art. 16 (der wijzigingswet van 1888). Deze wet treedt in werking men den isten April 1889.

T

■

ocr page 275

WET

TOT REGELING VAN HET ARMBESTUUR.

(Vastgesteld den 28sten Juny 1854, Stsbl. no. 100, uitgegeven den 12dea Augustus d.a.v. Gewyzigd by de wet van 1 Juny 1870, Stsbl. no. 85, en 15 April 1886, Stsbl. no. 6-i.)

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN HET ARMBESTUUR.

EERSTE AEDEELING.

Fan instellingen van weldadigheid, hare oprigting en reglementen.

j„en Art. I. Instellingen van weldadigheid, in den zin dezer wet, zijn die, welke armenverzorging, in of buiten gestichten, voortdurend £jne ten doel hebben.

Op instellingen, uitsluitend bestemd tot het voorkome van armoede, is deze wet niet van toepassing.

2. De wet onderscheidt:

a. staats-, provinciale- of gemeente-instellingen, door de burgerlijke overheid geregeld en van harentwege bestuurd;

b. instellingen eener kerkelijke gemeente, bestemd voor de armen eener bepaalde godsdienstige gezindte, en van wege die kerkelijke gemeente geregeld en bestuurd;

c. instellingen, door bijzondere personen of door bijzondere, niet kerkelijke, vereenigingen geregeld en bestuurd;

d. instellingen, van gemengden aard, in welker regeling of bestuur door de burgerlijke overheid en van wege eene kerkelijke gemeente of door bijzondere personen of bijzondere, niet kerkelijke, vereenigingen gezamenlijk wordt voorzien.

3. Van alle in de gemeente aanwezige instellingen van weldadigheid wordt, naar de onderscheidingen, bij art. 2 vermeld, door de zorg van het gemeentebestuur, eene lijst opgemaakt en bijgehouden.

4. De reglementen der gemeente-instellingen, vermeld onder litt. a van art. 2, worden, binnen eenen door Ons voor te schrijven termijn, door den gemeenteraad, met inachtneming van de bepalingen dezer wet, herzien, of, zoo er nog geene bestaan, vastgesteld.

De oprigting van nieuwe instellingen van dien aard geschiedt krachtens een besluit van dien raad, houdende tevens vaststelling van het reglement.

5. De reglementen der instellingen, vermeld onder litt. d van art.

1889, : niet deele c.

i, het itaal :egen van Itaat, hou-

i het pen-naal omi-irve-

ocr page 276

WET OP HET ARMBESTUUR.

2, worden, binnen eenen door Ons voor te schrijven termijn, door den gemeenteraad en het betrokken kerk- of bijzonder bestuur gezamenlijk, met inachtneming van de bepalingen dezer wet, herzien, of, zoo er nog geene bestaan, vastgesteld.

Daarvan moet blijken door een besluit van den gemeenteraad.

De oprigting van nieuwe instellingen van dien aard en het vaststellen van hare reglementen geschieden op gelijke wijze.

6. De besluiten der gemeenteraden en de reglementen, bij de artt. 4 en 5 vermeld, worden, binnen acht dagen, nadat zij zijn vastgesteld, in afschrift, door den burgemeester en den secretaris te waarmerken, medegedeeld aan Gedeputeerde Staten. Deze geven aan den raad berigt van de ontvangst binnen acht dagen, nadat het afschrift hun is geworden.

Gedeputeerde Staten zien toe, dat die reglementen de noodige voorschriften inhouden tot verzekering van een regelmatig beheer, en dat zij niets bevatten, strijdig met de wetten of het algemeen belang.

7. De bepalingen betreffende de inrigting en het bestuur der instellingen, onder litt. ö en c van art. 2 vermeld, worden door hare bestuurders aan het bestuur der gemeente, waar zij zijn gevestigd, medegedeeld.

Die mededeeling geschiedt, voor de reeds bestaande instellingen, binnen zes maanden na het in werking treden dezer wet, en voor die, in het vervolg op te rigten, binnen ééne maand, nadat zy tot stand komen.

Wijzigingen der medegedeelde bepalingen worden, binnen eene maand na hare vaststelling, op gelijke wyze aan het gemeentebestuur bekend gemaakt.

Indien de instelling niet uitsluitend armenverzorging ten doel heeft, wordt de mededeeling beperkt tot hetgeen die zorg betreft.

De instellingen, voor welke de gevorderde mededeeling niet binnen de gestelde termijnen geschiedt, missen van het oogenblik van het verstreken dier termijnen af, totdat zij plaats heeft, de bevoegdheid, bg art. 1G91 van het Burgerlijk Wetboek aan zedelijke ligchamen toegekend, tot het aangaan van burgerlijke handelingen.

8. Alle niet door het Staats- of provinciaal ge;;ag opgerigte gods-en werkhuizen, die behooren tot de instellingen, vermeld onder litt. a en d van art. 2, zijn, onverminderd het toezigt, dat daarop, in verband met hunnen oorsprong, stichtingsbrief of andere verordeningen, door anderen moet worden uitgeoefend, onderworpen aan het toezigt van het gemeentebestuur. (Gem. 12(5, 179#.)

Van Onzentwege kan, zoo dikwerf wij dit nood:g oordeelen, door een plaatselijk onderzoek in die en in provinciale gods- en werkhuizen worden nagegaan, of zij aan hunne bestemming blijven beantwoorden.

9. Zoo het doel eener instelling van weldadigheid is vervallen,

244!

ocr page 277

WET OP HET ARMBESTUUR. 245

wordt het gebruik harer bezittingen en inkomsten tot eene andere, aan de laatst bekende zoo naby mogelijk komende, bestemming geregeld, ten aanzien van.

a. gemeente-instellingen (art. 2«), door den gemeenteraad, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten;

h. instellingen eener kerkelijke gemeente (art. 2i), door de bevoegde kerkelijke besturen;

c. instellingen van bijzondere personen of vereenigingen (art. 2c), door de oprigters of hunne erfgenamen, en, by ontstentenis of onbekendheid van deze, door de bestuurders der instelling; in het laatste geval onder Onze goedkeuring; en

d. instellingen van gemengden aard (art. 2^), door den gemeenteraad en het bevoegd kerkelijk of bijzonder bestuur in gemeenschappelijk overleg, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

Blyft die regeling binnen eenen voor elk bijzonder geval, des noo-dig door Ons, voor te schrijven termijn achterwege, dan geschiedt zij door Ons bij een met redenen omkleed, openbaar gemaakt besluit. Deze bepaling geldt voor de instellingen, onder litt. c vermeld, slechts zoo de oprigters zeiven of hunne erfgenamen niet meer in leven of niet bekend zijn.

TWEEDE Al-'DEELING.

Van opgaven, door de besturen van alle instellingen van weldadigheid te doeti, en van collecten.

Art. 10. De besturen van alle instellingen van weldadigheid doen jaarlijks, binnen den daarvoor door den Minister van Binnenland-sche Zaken aangewezen term ij n, en in den door dezen voor te schrijven vorm, ten behoeve van het verslag, hij art. 195 (193) der Grondwet bedoeld, aan het gemeentebestuur opgave van het getal der door hen ondersteunden of verpleegden; van het beloop hunner uitgaven voor helieer en voor onderstand van allerlei aard, en van dat hunner inkomsten door collecten, inschrijvingen of ander vrijwillige hijdra-gen en subsidiën.

De besturen der burgerlgke en gemengde instellingen doen daarenboven alle verdere opgaven, door de Eegeering noodig geacht.

II. De bestuurders, die niet voldoen aan het voorschrift van art. 10, worden elk met geldboete van vijftig cents tot vijf en zeventig gulden gestraft. ')

Zij zijn hoofdelijk voor het geheel der gezamenlijk opgelegde boeten aansprakelijk.

Tegen den bestuurder, die bewyst het zijne te hebben gedaan om aan het voorschrift gevolg te geven, wordt geene veroordeeling uitgesproken.

1) Art. 11 aldus gewyz. door art. 11 der wet van 15 April 1880, Stabl. no. 64.

STAATSWETTEN. 16

ocr page 278

246 quot;WET OP HET ARMBESTUUE.

12. De besturen der kerkelijke, gemengde en bijzondere instellingen van weldadigheid moeten, des gevraagd, aan de burgerlijke besturen opgeven, of eene arme, die zich bij een burgerlijk bestuur heeft aangemeld, van hen al dan niet onderstand kan erlangen.

De bestuurders, die deze opgaven niet doen binnen veertien dagen na de aanvraag, worden elk met geldboete van vijftig cents tot vijf en twintig gulden gestraft. •)

Het 2de en 3de lid van art. 11 is ook in dit geval van toepassing.

13. Openbare inzameling van gelden ten behoeve van instellingen van weldadigheid, bij wege van collecte, inschrijvingen of op eenige andere wijze, heeft niet plaats, dan nadat daarvan minstens driemaal vier en twintig uren te voren schriftelijk kennis zij gegeven aan het gemeentebestuur. (Gem. 120.)

Geene zoodanige inzameling mag plaats hebben ten behoeve van instellingen, die vallen in de toepassing van het laatste lid van art. 7.

Het gemeentebestuur kan de inzameling stuiten.

Zoo het bestuur der betrokkene instelling zich met die stuiting bezwaard acht, kan het Onze beslissing inroepen.

Van de toepassing van dit artikel zijn uitgezonderd collecten in kerkgebouwen bij de uitoefening der openbare eeredienst, en die, voor instellingen eener kerkelijke gemeente, enkel aan de huizen van de ledematen dier gemeente.

DERDE AFDEELING.

Bepalingen betreffende het bestuur van burgerlijke en gemengde instellingen.

Art. 14. Alle daarvoor vatbare goederen der gemeente-instellingen, onder litt. «, en der instellingen onder litt. d van art. 2 vermeld, moeten voor den koopprijs of de door deskundigen te schatten waarde, tegen brandschade worden verzekerd.

De verzekering geschiedt, voor de goederen, reeds bezeten hij het in werking treden dezer wet, binnen drie maanden daarna, en voor die, later te verkrijgen, binnen ééne maand na den eigendomsovergang.

De bestuurders, die dit hebben verzuimd, zijn, hoofdelijk voor het geheel, aansprakelijk voor de schade, door dat verzuim teweeg gehragt.

Het openbaar ministerie kan, in het belang der instelling, ambtshalve de toepassing dezer bepaling vorderen.

De bepaling van het laatste lid van art. 11 is hier mede van toepassing.

15. De beschikbare gelden dier instellingen worden belegd door aankoop van inschrijvingen in een der grootboeken der Nederland-sche schuld.

1) Art. 12 aldus gewqzigd door art. 11 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. G4.

ocr page 279

WET OF HET ARMBESTUUR. 247

Zij kunnen, na verkregen goedkeuring van Gedeputeerde Staten, ook worden belegd door aankoop van onroerende goederen of in ren-tegevende schuldbrieven:

«. van geldleeningen van den Staat, provinciën of gemeenten, onder voorwaarde, dat de stukken op naam zyn gesteld, en de verklaring inhouden, dat zij niet dan krachtens de by de wet gevorderde magtiging kunnen worden vervreemd;

6. gehypothekeerd op vaste goederen, welker onbezwaarde waarde ten minste een derde boven de te beleggen som bedraagt.

Indien Gedeputeerde Staten de gevraagde goedkeuring weigeren, kan het bestuur der betrokken instelling Onze beslissing vragen.

Bestuurders, die zich schuldig maken aan grove nalatigheid in het beleggen van geldsommen, niet noodig voor het dagelijksch beheer, zijn, hoofdelijk voor het geheel, de wettelijke interesten daarvan verschuldigd. Het openbaar ministerie kan, in het belang der instelling, ambtshalve de toepassing dezer bepaling vorderen.

De bepaling van het laatste lid van art. 11 is hier mede van toepassing.

16. De besturen dier instellingen behoeven de magtiging van Gedeputeerde Staten tot het opnemen van gelden; vervreemden, uitgeven op erfpacht, verruilen of verpanden van onroerende goederen; ver-koopen of overdragen van inselirijvingen in een der grootboeken der Nederlandsche schuld, of van andere effecten, actiën en schuld, vorderingen; verleenen van kwijtschelding of afslag van pachtgelden, huurpenningen en interesten; voeren van regtsgedingen, anders dan in het geval, bij art. 72 vermeld; het aangaan van dadingen en opdragen van de beslissing eener zaak aan scheidsmannen, en alle andere daden, die buiten het gewoon beheer vallen. Zij mogen onroerende goederen niet anders dan in het openbaar verhuren of verpachten, ten ware Gedeputeerde Staten in bijzondere gevallen, in het belang der instelling, bewilligen, dat het onderhands geschiede. (P. 143; Gem. 194.)

De besturen, die zich met de beschikking van Gedeputeerde Staten bezwaard achten, kunnen Onze beslissing vragen.

17. Gelijke magtiging van Gedeputeerde Staten wordt voor de besturen dier instellingen vereischt tot het oprigten van nieuwe of het vernieuwen van bestaande gebouwen en het doen van buitengewone, met vernieuwing gelijkstaande herstellingen, waarvan de kosten worden berekend te boven te gaan eene som, door Gedeputeerde Staten te bepalen.

Alle werken, die eene uitgaaf vorderen van meer dan vijf honderd gulden, worden in het openbaar aanbesteed, ten ware Gedeputeerde Staten, in bijzondere gevallen, in het belang der betrokken instelling, toestaan, dat daarvan worde afgeweken.

De bepaling van het laatste lid van art. 10 is hier mede van toepassing.

.

16*

ocr page 280

248 WET OP HET ARMBESTUUR.

18. Alle handelingen in strijd met de voorschriften der artt. 15 en 16 worden, zoo zij niet, om redenen in het belang der instellingen, na hare volbrenging, door Gedeputeerde Staten zgn bekrachtigd, door den regter, op de vordering van belanghebbenden of van het openbaar ministerie, nietig verklaard.

Uitgaven, gedaan in strijd met art. 17, worden in de rekening der betrokken instelling niet goedgekeurd.

19. Onverminderd de bepaling van art. 148 der (Gem.)wet van den 29sten Junij 1851 {Staatsblad no. 85), zijn de begrootingen en rekeningen van ontvangsten en uitgaven der gemeente-instellingen, onder litt. «, en der instellingen, onder litt. d van art. 2 vermeld, onderworpen aan de goedkeuring van den gemeenteraad.

Indien de gemeenteraad de gevraagde goedkeuring weigert, kan het bestuur der betrokken instelling de beslissing van Gedeputeerde Staten vragen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE ONDEKSTEUNING DER ARMEN.

Art. 20. De ondersteuning der armen wordt, behoudens de verdere bepalingen dezer afdeeling, overgelaten aan de kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid.

21. Geen burgerlijk bestuur mag onderstand verleenen aan armen dan na zich, voor zooveel mogelijk, te hebben verzekerd, dat zij dien niet van kerkelijke of bijzondere instellingen van weldadigheid kunnen erlangen, en dan slechts bij volstrekte onvermyde-lijkheid.

22. Het burgerlijk of algemeen, het gemengd armbestuur of, by gebreke daarvan, het bestuur der gemeente, waar de arme zich bevindt, beslist zonder beroep op de aanvraag om onderstand dergenen, die verkeeren in het geval, bij het vorig artikel bedoeld.

23. Vervallen bij de wet van 1870.

24. Aan liet verleenen van onderstand mogen voorwaarden worden verbonden, niet strijdig met de wet, de openbare orde of de goede zeden.

25. Vervallen bij de wet van 1870.

26. De kosten, voortvloeijende uit het overbrengen van arme krankzinnigen naar, en hunne verpleging in gestichten voor krankzinnigen, voor zooverre die niet uit de fondsen dier gestichten zelve moeten worden bestreden, of daarin niet door de kerkelyke en bijzondere weldadigheid wordt voorzien, worden voldaan uit de fondsen der burgerlijke gemeenten, waar de verpleegden woonplaats hebben en, indien die woonplaats binnen het Rijk niet te vinden is, uit 's Rijks kas.

V€

Artt. 22 en 20 aldus gewijzigd bij de wet van 1870.

ocr page 281

WET OP HET ABMBESTUUR. 249

De wijze, waarop van het verstrekken der in het eerste lid bedoelde kosten wordt kennis gegeven, wordt door Ons geregeld.

De kosten van verpleging in gevangenissen van arme kinderen van gevangenen, die niet van de ouders kunnen worden gescheiden, worden voldaan uit de fondsen, waaruit de verpleging der ouders in de gevangenis wordt bekostigd.

27—48. Vervallen bij de wet van 1870.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN HET VERHAAL Oï DE ONDERSTEUNDEN, HUNNE BLOED-OP AANVERWANTEN OF NALATENSCHAPPEN.

Art. 49. De inkomsten van bezittingen van weezen, vondelingen, verlaten kinderen en andere armen, in burgerlijke, kerkelijke of bijzondere godshuizen verpleegd, kunnen, gedurende den tijd der verpleging, worden genoten door het bestuur, dat haar bekostigt, doch niet verder dan tot het beloop der gemaakte kosten.

50. Op de nalatenschappen van hen, die, gedurende hunne verpleging in de godshuizen overlijden, kunnen de kosten dier verpleging en der begrafenis worden verhaald, voor zooverre die niet reeds door de toepassing van .art. 49 zijn vergoed.

51. De artt. 49 en 50 zijn niet van toepassing ten aanzien van meerderjarigen, die op andere voorwaarden in een godshuis ter verpleging zijn opgenomen.

52. Alle verdere onderstand aan armen, waaronder belooning van arbeid niet wordt verstaan, kan door het burgerlijk, kerkelijk of bijzonder bestuur, voor welks rekening de verstrekking plaats had, renteloos worden verhaald:

n. indien de ondersteunde tot de teruggaaf daarvan in staat geraakt, op hem zei ven;

b. op zijne bloed- of aanverwanten, die, krachtens de artt. 376 en volg. van het Burgerlijk Wetboek, tot zijne alimentatie zijn ver-pligt.

53. De vorderingen, bij de artt. 49, 50 en 51 vermeld, zijn be-voorregte schulden, en nemen rang onmiddellyk na die, in art. 1195 van het Burgerlijk Wetboek omschreven, voor zooverre zij daarin niet reeds zijn begrepen.

54. De octrooijen, vroeger verleend omtrent het veriiaal vau kosten van verpleging of ondersteuning, of het erfregt van burgerlijke, kerkelijke of bijzondere instellingen van weldadigheid op de nalatenschap der verpleegden of ondersteunden, zijn vervallen.

55—57. Vervallen bij de wet van 1870.

58. De regtsvorderingen tot het verhaal van onderstand, krachtens de artt. 49, 50, 51 eu 52, verjaren door verloop van vijf jaren na den 31sten December van het jaar, waarin de onderstand is verstrekt.

ocr page 282

250 WEI OP HET ARMBESTUUR.

VIERDE HOOFDSTUK.

VAK SUBSIDlëN UIT FONDSEN VAN BURGERLIJKE GEMEENTEN AAN INSTELLINGEN VAN WELDADIGHEID.

Art. 59. Na het in werking komen dezer wet, mogen geene subsidien uit de fondsen van hurgerlgke gemeenten aan besturen van instellingen van weldadigheid worden toegestaan, dan bij een met redenen omkleed besluit van den gemeenteraad.

60. Bij dat besluit moet blijken:

a. dat de volstrekte noodzakelijkheid van het subsidie is bewezen door de rekening en verantwoording der inkomsten en uitgaven van het betrokken bestuur over het laatst afgeloopen, en de begrooting voor het loopend of eerstvolgend dienstjaar;

b. dat ten behoeve van het betrokken bestuur, naar het oordeel van den gemeenteraad, op eene billijke wijze is bijgedragen door ben, van wie, overeenkomsüg den aard der instelling, in den regel bijdragen kunnen worden verwacht;

c. dat- het bestuur der instelling, overeenkomstig haren aard en hare bestemming, aan zijne verpligtingen naar vermogen voldoet.

61. De besluiten der gemeenteraden, krachtens dit hoofdstuk genomen, worden, binnen acht dagen na hunne dagteekening, medegedeeld aan Gedeputeerde Staten.

Deze zien toe, dat niet dan bij volstrekte onvermijdelijkheid sub-sidiön verleend worden. Zij nemen alle maatregelen, waartoe zij bevoegd zijn, om de vermindering er van te bevorderen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN BEDELAARS EN LANDLOOPERS.

Artt. 62—68. Artt. G2 en 68 vervallen bij de wet van 1870, en artt. 03—67 afgeschaft bij art. 47 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no 64.

ZESDE HOOFDSTUK.

VAN DE UITSPRAAK OVER GESCHILLEN.

Art. 69. Geschillen over de inrigting en bestemming van instellingen, onder litt. « en van art. 2 vermeld, en over het regt tot benoemen, schorsen en ontslaan harer besturen, worden door Ons heslist na verhoor dergenen, die, bij het ontstaan var het geschil met het bestuur der betrokken instelling zijn belast.

70. Geschillen, ontstaan over de woonplaats, in art. 26 bedoeld, worden, zoo ze niet door Gedeputeerde Staten in der minne worden bijgelegd, door Ons beslist.

De kantonregters zijn verpligt, op aanvraag van Gedeputeerde Staten, personen onder eede of belofte te hooren over feiten betreffende

ocr page 283

■WET OP HET ARMBESTUUR. 251

feschillen, in dit art. bedoeld, en daarvan proces-verbaal op te ma-en. ')eschillen, in dit art. bedoeld, en daarvan proces-verbaal op te ma-en. ')

71. Vervallen bij de wet van 1870.

72. Geschillen:

a. over de vraag, of eene instelling al dan niet is eeue instelling van weldadigheid en tor welke der in art. 2 omschreven soorten zij behoort;

b. over de toepassing der artt. 49—54;

c. omtrent aanspraken, die mogten worden ontleend uit acten van indemniteit, borgtogt, ontslag, readmissie en dergelijke afgegeven, of uit overeenkomsten tot het wederkeerig ondersteunen van elkanders armen aangegaan voor het in werking treden der wet van den 2Ssten November ISIS {Staatsblad no. 40) door gemeentebesturen en burgerlijke of algemeene en gemengde armbesturen;

behooren, indien zij niet door de administratieve magt in der minne worden afgedaan, tot de kennis van de regterlijke magt. ')

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.

Art. 73. Onder godshuizen worden, voor de toepassing dezer wet verstaan alle inrigtingen, in welke armen met een weldadig doel worden gehuisvest, met of zonder verdere verzorging.

Ten aanzien van gestichten voor krankzinnigen blijven de bepalingen der wet van den 2lt;Jsten Mei 1841 {Staatsblad no. 20) 1) in kracht.

Onder werkhuizen worden verstaan alle inrigtingen van weldadigheid, waarin aan armen, in plaats van onderstand, arbeid tegen loon wordt verstrekt.

74. Indien een gemeenteraad weigert de uitgaven, die krachtens deze wet, met of zonder regt van verhaal, uit de fondsen der gemeente moeten worden gedaan, op de begrootingen te brengen, wordt art. 212 der (Gem.)wet van den 29sten Junij 1851 {Staatsblad no. 85) toegepast.

75. Vervallen bij de wet van 1870.

76. Voor de werking dezer wet is art. 874 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvorderiug toepasselijk op de besturen der burgerlijke gemeenten.

77. Alle stukken, uit deze wet voortvloeijende, zijn vrij van zegelen griffieregten en worden, voor zooveel zij aan registratie onderhevig zijn, gratis geregistreerd.

78. De wet van den 2Ssten November 1818 {Staatsblad no. 40)

!ta-nde

1

De wet van 39 Mei 1841, Stsbl no. 20 is vervangen door de wet van 27 April 1884, Stsbl. no. 96, gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 284

TVET OP HET ARMBESTUUR.

en alle andere wetten, reglementen en verordeningen betrekkelijk de onderwerpen, bij deze wet geregeld, worden afgeschaft.

By de wet van 1870 zijn gevoegd de volgende overgangs-bepa-lingen:

Art. 15 (der wijzigingswet van 1870). De behoeftige krankzinnigen welke zich op den dag van het in werking treden dezer wet in krankzinnigengestichten bevinden, blijven tot hun overlyden aldaar of hun ontslag uit het gesticht voor rekening van de fondsen, waaruit zij volgens de wet van 28 Junij 1854 {Staatsblad no. 10Ü) worden verpleegd.

Art. 16 (der wijzigingswet van 1870). Art. 3 der wet van 1(gt; December 1858 (Staatsblad no. 84) blijft van kracht.

252—256

Art. 17 (der wijzigingswet van 1870). Deze wet treedt in werking op het door ons te bepalen tijdstip. ')

1) Bij K.B. ran 16 Junij 1870, Stsbl. no. 93, is dit tijdstip bepaald op 15 July 1870.

ocr page 285

WET

VAN 17 AUGUSTUS 1878,

HOUDENDE HERZIENING- DER WET VAN 13 AUG. 1857 (STAATSBLAD NO. 103) TOT REGELING VAN HET

LAGER ONDERWIJS.

(Vastgesteld den 17den Aug. 1878, Stsbl. no. 127 en uitgegeven den 22sten Aug. d. a. v. Gewyzigd bij de wetten van 27 Juli 1882, Stsbl. no. 117, 3 Jan. 1884-, Stsbl. no. 2, 11 Juli 1884, Stsbl. no. 123, 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 8 Dec. 1889, Stsbl. no. 175, Nader bekend gemaakt bij Ko-ninkl. Besl. van 14 Dec. 1889, Stsbl. no. 177 en gewyzigd bij de wet van 9 Mei 1890, Stsbl. no. 78.)

TITEL I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. I. Lager onderwijs is huis- of schoolonderwijs.

Onderwijs, gegeven aan kinderen van ten hoogste drie gezinnen gezamenlijk in de woning van het hoofd van een dier gezinnen, is huisonderwijs.

Ieder ander onderwijs, waaronder ook het onderwijs in armenin-riehtingen, gods-, gast- en werkhuizen, gestichten van weldadigheid en andere instellingen van openbaar nut gegeven, wordt voor de toepassing dezer wet als schoolonderwijs beschouwd.

quot;s2. ') Onder lager onderwijs begrijpt deze wet het onderwijs in:

a. het lezen;

b. het schrijven;

c. het rekenen;

d. de beginselen der Nederlandsche taal;

e. die der vaderlandsche geschiedenis;

f. die der aardrijkskunde;

g. die van de kennis der natuur;

h. het zingen; (L.O. 15.)

i. de eerste oefeningen van het handteekenen; (L.O. 15.)

1) De met * gemerkte alinea's en artikels z\jn aldus gewyzigd of toegevoegd volgens artt. 1—IV der wet van 8 Dec. 1889, Stsbl. no. 175. Artt. V—X dier wet behelzen Overgangsbepalingen, welke achteraan z|jn opgenomen.

STAATSWETTEN. 17

ocr page 286

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

j. de vrije- en orde-oefeningen der gymnastiek; (L.O. 15A, 16.) k. de nuttige handwerken voor meisjes; (L.O. 15.)

Aan lagere scholen kan bovendien onderwijs gegeven worden in: l. de beginselen der Fransclie taal;

m. die der Hoogduitsclie taal;

7i. die der Engelsche taal;

o. die der algemeene geschiedenis;

p. die der wiskunde;

q. het handteekenen; (L.O. 15.)

r. de beginselen der landbouwkunde; (L.O. 15.) s. de gymnastiek: (L.O. 15i, 16.)

t. de fraaie handwerken voor meisjes. (L.O. 15.)

-3. üe lagere scholen opgericht en onderhouden door het Rijk of de gemeenten zijn openbare, de overige zijn bijzondere scholen. (L.O. 16 volg., 43 volg., 51 volg.)

Door waterschappen of provinciën worden geene uitgaven ten behoeve van het lager onderwijs gedaan.

Aan bijzondere scholen noch aan bijzondere inrichtingen tot opleiding van onderwijzers mogen van wege de gemeente geldelijke bjj-dragen of eenige andere ondersteuning middellijk of onmiddellijk worden toegekend, dan in de gevallen en onder de voorwaarden in deze wet genoemd. (L.O. 54lt;iis, 45'; 82^, Wet 1889 art. VII.)

4. Art. 5 der wet van 1 Juni 1865 {Staatsblad no. 58) is toepasselijk op alle lokalen, waarin lager schoolonderwijs gegeven wordt.

Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur worden door Ons, zoowel in het belang van de gezondheid als van het onderwijs, algemeene regelen vastgesteld omtrent den bouw en de inrichting der lokalen, waarin openbaar lager schoolonderwijs gegeven wordt, alsmede omtrent het aantal kinderen dat daarin mag worden toegelaten, met bepaling of en in hoeverre deze regelen verbindend zijn voor de lokalen. waarin door gemeenten gesubsidieerd bijzonder lager schoolonderwijs wordt gegeven. (L.O. 50, 87; Wet houdende Aanvul. M.0 1879, Stsbl. no. 87, art. 2; K.B. 4 Mei 1883, Stsbi. no. 41.)

5. Geen lager schoolonderwijs wordt gegeven in lokalen, welke door den inspecteur van het geneeskundig Staatstoedgt zijn afgekeurd als schadelijk voor de gezondheid of van onvoldoende ruimte

oor het aantal schoolgaande kinderen. (L.O. 50.)

De inspecteur spreekt de afkeuring uit bij schriftelijke en met redenen omkleede verklaring en zendt daarvan afschrift aan Gedeputeerde Staten en tenzelfden dage aan het gemeentebestuur, aan den districtsschoolopziener en aan het hoofd der school. Gedeputeerde Staten gelasten burgemeester en wethouders der gemeente, waarin het lokaal ligt, deze verklaring af te kondigen binnen een door hen te bepalen termijn. (L.O. 9; Wet houdende Aanvul. M.0. 1879, Stsbl. no. 87, art. 2.)

Bij Gedeputeerde Staten kunnen tegen de uitspraak van den inspecteur in hooger beroep komen

258

ocr page 287

WEI OP IIET LAGER ONDERWIJS.

a. de districts-schoolopziener;

b. het hoofd der school;

c. de eigenaar of bruiker van het lokaal;

d. de ouders cl' verzorgers van schoolgaande kinderen.

Het beroep moet worden ingesteld binnen dertig vrije dagen, te rekenen van den dag, waarop het afschrift der verklaring van den inspecteur op last van Gedeputeerde Staten door het gemeentebestuur is afgekondigd.

Gedeputeerde Staten geven aan elk der in beroep gekomen belang hebbenden schriftelijk kennis van hunne beslissing.

Ieder, die hij de beslissing partij geweest is, kan daartegen bij Ons in hooger beroep komen.

Dit moet ingesteld worden binnen dertig vrije dagen, te rekenen van den dag waarop de kennisgeving van de beslissing van Gedeputeerde Staten den belanghebbenden is toegezonden.

Hangende de termijnen van beroep en tot de eindbeslissing kan met het geven van onderwijs in het afgekeurd lokaal worden voortgegaan, ten ware de inspecteur van het geneeskundig staatstoezigt om dringende redenen, in zijne verklaring uitdrukkelijk te vermelden, anders mogt hebben bevolen. (L.O. 14.)

Indien de inspecteur van het geneeskundig Staatstoezigt schriftelijk verklaart, dat het afgekeurde lokaal voldoende verbeterd is, of dat het aantal kinderen genoegzaam beperkt is, kan het onderwijs worden hervat. (L.O. \öc.)

6. Niemand mag lager onderwijs geven, die niet in het bezit is der bij deze wet gevorderde bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid. (G. 192i/; L.O. 23 volg.)

Vreemdelingen behoeven bovendien Onze vergunning. ( G.5; Wet van 4 Jnnij 1858, Stsbl no. 46, art. Ic.)

7. De bepalingen van het voorgaande artikel zijn niet toepasselijk op

a. hen, die uitsluitend aan kinderen van één gezin lager huisonderwijs geven; (L.O. li.)

h. hen, die, van het geven van lager onderwijs geen beroep makende en zich zonder geldelijke belooning daartoe bereid verklarende, van Ons vergunning hebben verkregen tot het geven van zoodanig onderwijs.

Vrijgesteld van het bezit van een der bewijzen van bekwaamheid bij het voorgaande artikel bedoeld is hij, die voor het vak of de vakken, waarin hij onderwijs geeft, bevoegd is ingevolge het Koninkljjk besluit van 2 Augustus 1815, no 14., de wet van 28 April 1876 [Staatsblad no. 102), of de wet van 2 Mei 1863 [Staatsblad no. 50.)

*8. Jongelieden van beiderlei kunne mogen in de school als kwee-keling worden toegelaten en aldaar behulpzaam zijn, mits zij

a. hun vijftiende jaar ingetreden zijn en hun negentiende niet volbracht hebben, of de akte, bedoeld in art. 5(1 onder a, bezitten;

b. tot geene werkzaamheden in de school gebezigd worden dan de

259

17*

ocr page 288

■vtet op het lager onderwijs.

zoodanige, welke zij onder het toezicht en de leiding van een in hetzelfde schoolvertrek aanwezigen bevoegde verrichten, en

c. na drie maanden als kweekeling geplaatst te zijn geweest, in het bezit zyn van een door den arrondissements schoolopziener schriftelijk goedgekeurd bewijs, niet ouder dan een jaar en afgegeven en onderteekend door het hoofd der school, waarin zij tijdens de afgifte waren toegelaten, dat hun zedelijk gedrag en hunne vorderingen voldoende zijn.

Ingeval de arrondissements-schoolopziener zijne goedkeuring weigert, kan het hoofd der school binnen veertien dagen na die weigering de beslissing van den districts-schoolopziener inroepen. Deze beslist binnen eene maand.

Het hoofd der school geeft van de toelating van een kweekeling in zijne schoul minstens drie dagen te voren schriftelijk kennis aan den arrondissements-schoolopziener. (67 volg.)

*9. Hij, die in strijd met het voorschrift van art. 5 schoolonderwijs geeft in een afgekeurd lokaal, of die, als hoofd der school, in een vertrek meer leerlingen toehiat dan het naar de in art. 4 bedoelde regelen mag bevatten of daarin kweekelingen toelaat zonder dat de vereischte schriftelijke kennisgeving daaraan is voorafgegaan of wel anders dan op den voet, bij het voorgaand artikel bepaald, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vorige veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden of met hechtenis van ten hoogste veertien dagen. Bij tweede of volgende herhalingen gepleegd telkens binnen twee jaren nadat de laatste veroordeeling wegens eerste of volgende herhalingen onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis opgelegd van ten hoogste één jaar. (S.R. 436.)

10. Behalve de gevallen, hierna vermeld, vervalt de bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs voor hem, die bij eindvonnis is veroordeeld

a. Afgeschaft bij art. Sd der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64. ')

b. tot eene der straffen, omschreven in art. 28 nos. 4 en 5 van het Wetboek van Strafrecht. ^1)

11. Hij, die de bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs verloren heeft, kan haar niet terug bekomen, behalve ;'d de gevallen, in artt. 29, 31 en 53 voorzien.

In deze gevallen kan zij hem door Ons worden teruggegeven.

*12. Van Rijkswege worden kweekscholen en nor-naailessen tot opleiding van onderwijzers opgericht en onderhouden. (G. 192.)

260

1

Art. 1M aldus gewyzigd door art. 10 no. 40 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 289

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

De inrichting wordt bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. (K.B. 21 Msi 1891, Stsbl. no. 97; 29 Juni 1890, Stsbl. no. 97.)

Ten behoeve van de opleiding van onderwyzers kan eene Rijksbijdrage worden verleend,

1quot;. aan gemeentehjke en aan bijzondere kweekscholen;

2°. aan normaallessen en aan hoofden van scholen, voor elk der door hen opgeleide personen die de akte bedoeld in art. 56 onder a hebben verkregen, volgens door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen regelen en voorwaarden. (K.B. 3 April 1890, Stsbl. no 34.)

Op de door het Rijk of de gemeenten opgerichte en onderhouden kweekscholen en normaallessen zijn het 1ste en 2de lid van art. 33 van toepassing.

De bepalingen sub a en c van art. 8 en die van art. 9, voor zoover deze op de toelating van kweekelingen betrekking hebben, zijn niet van toepassing op de leerscholen, verbonden aan door Ons aangewezen kweekscholen.

13. Waar in deze wet van onderwijzers gesproken wordt, zijn hieronder onderwijzeressen begrepen, ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bepaald zij.

14. *Onverminderd het bepaalde in art. 5 en met uitzondering van de gevallen, voorzien in art 19, sub a, b, e, d en kan van elk besluit, krachtens deze wet door (gedeputeerde Staten genomen, bij Ons in hooger beroep worden gekomen door ieder, die bij de vernietiging of verbetering van het besluit van Gedeputeerde Staten belanfr heeft. (P. 168.)

Het hooger beroep moet worden ingesteld binnen dertig vrije dagen, te rekenen van den dag, waarop liet besluit openbaar gemaakt of den belanghebbende toegezonden is.

15. *Deze wet is niet toepasselijk op:

*«. hem, die uitsluitend in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder /(, ?, k, q, r en /, bijzonder onderwijs geeft;

-6. de scholen, uitsluitend bestemd voor het onderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder /;, i, j, k, q, r, s en (;

c. de scholen, waarin geene kinderen boven de zes jaren worden toegelaten en geen ander dan voorbereidend onderwijs gegeven wordt, behoudens dat ook deze scholen onderworpen zijn aan de bepalingen van artt. 5 en 73 dezer wet;

d. militaire onderwijzers en het onderwijs, door hen gegeven aan militairen;

e. de scholen voor doofstommen, blinden, spraakgebrekkigen en idioten;

f. de scholen in gevangenissen, bedelaarsgestichten of Rijks werkinrichtingen en in Rijks opvoedingsgestichten, behoudens de bepalingen omtrent de bevoegdheid van hen, die lager onderwijs geven. (L.O. 55 volg.)

261

ocr page 290

quot;WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

TITEL 11.

VAN HEI OPENBAAR ONDERWIJS.

§ 1. Van de scholen.

Art. (6. In elke gemeente wordt voldoend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen, welke voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid toegankelijk zijn. (G. 192.)

Het onderwijs omvat de vakken, in art. 2 vermeld onder a—en daar, waar genoegzame behoefte aan uitbreiding bestaat, een of meer of wel alle vakken, vermeld in dat artikel onder l—t.

*De in de school toegelaten kinderen zijn in elke klasse verplicht aan het onderwijs in alle de aldaar onderwezen vakken deel te nemen, met uitzondering van de vakken vermeld in art. 2 onder,;' en s.

''Naburige gemeenten kunnen zich, met inachtneming van art. 121 der (üem.) wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad no. 85) vereenigen tot het oprichten en in stand houden van gemeenschappelijke scholen of tot het vaststellen eener regeling omtrent de toelating van kinderen uit de eene gemeente op de scholen der andere. (L.O. 48, 70.)

17. Voor zooveel doenlijk wordt aan hen, die het gewoon school-nderwijs genoten hebben, gelegenheid gegeven tot het genieten van

herhalings-onderwijs.

Het herhalings-ouderwijs kan zich uitstrekken tot een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder l—al zijn die vakken niet begrepen geweest in het genoten gewoon schoolonderwijs.

18. De besluiten van den gemeenteraad, betreffende het getal dei-scholen en de vakken, welke op de scholen zullen onderwezen worden, worden aan Gedeputeerde Staten medegedeeld. Zoo Gedeputeerde Staten het getal scholen of den omvang van het onderwijs onvoldoende achten, bevelen zij, den inspecteur gehoord, vermeerdering.

Gelijke vermeerdering kan. Gedeputeerde Staten gehoord, door Ons worden bevolen.

19. sDe besluiten van den gemeenteraad, betreffende:

a. de plaats, waar een schoollokaal zal zijn gevestigd;

b. de vermindering van het getal scholen of van den omgang van het onderwys;

c. de vereeniging eener school met of hare vervanging door andere;

d. de sluiting eener school of de schorsing van het onderwijs aan ene school;

*e. den leeftijd welken de kinderen moeten bereikt hebben vóór zy p de openbare school worden toegelaten, en van dien waarop zij die chool moeten verlaten;

*f. het verleencn van ontslag aau onderwijzers en de gevallen be-oeld in art. 29 onder 4 en c;

262

ocr page 291

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

worden aau de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen. (L O. 14.)

*De artikelen 196,197,198, 200, 201 en 202 der (Gem.)wet van 29 Juni 1851 {Staatsblad no. 85) zijn ten deze toepasselyk.

20. Sluiting eener school voor bepaalden tgd kan door Gedeputeerde Staten bij een met redenen omkleed besluit worden bevolen.

Zij hooren in het geval van dit en het voorgaande artikel vooraf den inspecteur van het lager onderwijs.

Gelijke sluiting kan door Ons, Gedeputeerde Staten gehoord, worden bevolen.

21. De regeling van de schooltijden en van de vacantien, de vaststelling van het leerplan en van de bij het onderwijs te gebruiken boeken en de verdeeling der school in klassen geschieden door het hoofd der school en, zoo de regeling voor meerdere scholen gelijkelijk werkt, door de hoofden dier scholen gezamenlijk, onder goedkeuring van burgemeester en wethouders en van den districts-sehoolopziener. (L.O. 70, 76.)

Bij verschil tusschen burgemeester en wethouders en den districtsschoolopziener beslist Ocze Minister, die met de uitvoering dezer wet belast is. (L.O. 34, 67.)

22. Bij de regeling der schooltijden wordt door het vrygeven van uitdrukkelijk in de regeling genoemde uren gezorgd, dat de schoolgaande kinderen van de godsdienstleeraren godsdienstonderwijs kunnen genieten.

Onder voorwaarden door burgemeester en wethouders in overleg met den districts schoolopziener te bepalen, worden de schoollokalen, des noodig verwarmd en verlicht, voor dit godsdienstonderwijs beschikbaar gesteld.

Bij verschil is het laatste lid van het voorgaande artikel toepasselijk.

§ 2. Z7uit de onderwijzers.

Art. 23. Aan het hoofd van elke school is een onderwijzer geplaatst, die den leeftijd van 23 jaren moet volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezit (L.O. 56^.)

De waarneming van liet bestuur eener school kan echter tydelijk worden toevertrouwd aan een ouderwijzer, die den gevorderden leeftijd of den rang van hoofdonderwijzer niet bezit, mits aan de school geen onderwijzer in het bezit van dien rang, ingevolge art 24, verbonden zij. 'Zoodanige waarneming mag niet langer duren dan zes maanden. (L.O. 88a.)

24. *Het hoofd der school wordt bijgestaan door ten minste één onderwijzer, zoodra het aantal schoolgaande kinderen meer dan veertig, door ten minste twee onderwijzers, zoodra het een en negentig bedraagt.

263

ocr page 292

quot;WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

*Voor elk vijf-en-vijftigtal schoolgaande kinderen boven de ne gentig wordt een onderwijzer meer vereisoht. (K.B. 18 April 1890, Stsbl. no. 64.)

quot; Wanneer met inbegrip van het hoofd der school het aantal onderwijzers ingevolge de voorafgaande bepalingen van dit artikel aan de school verbonden meer dan vier bedraagt, moeten ten minste twee, wanneer het meer dan acht bedraagt, ten minste drie hunner den leeftijd van drie en twintig jaren volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten.

*0nder de onderwijzers, in dit artikel bedoeld, worden zij, die uitsluitend in een of meer der vakken, genoemd in art. 2, onder h—t, onderwijs geven, niet medegerekend.

Op geene school mogen meer dan zeshonderd kinderen gelijktijdig worden toegelaten, tenzij hiertoe door Ons om byzondere redenen vergunning wordt verleend.

*liij de toepassing van dit artikel wordt tot grondslag genomen het getal kinderen, die op den vijftienden dag der maand Januari van het loopende schooljaar als werkelijk schoolgaande bekend staan.

*Waar die grondslag ten gevolge van het tijdstip van oprichting der school niet kan worden vastgesteld, geldt het aantal kinderen dat op den laatsten dag der maand volgende op die waarin de school geopend is, als werkelijk schoolgaande bekend staat. (L.O. 884.)

25. Wanneer de school in verscheidene klassen verdeeld is, wordt bet onderwijs in de laagste klassen bij voorkeur aan onderwijzeressen, dat in de hoogste klassen, behalve aan de scholen uitsluitend voor meisjes bestemd, bij voorkeur aan onderwijzers opgedragen.

26. Aan eiken onderwyzer wordt eene vaste jaarwedde toegelegd. Die jaarwedde bedraagt in geen geval minder dan zeven honderd gulden voor het hoofd der school, niet minder dan zeshonderd gulden voor de onderwijzers, met rang van hoofdonderwgzer, die, volgens art 24, moeten aanwezig zijn in scholen met meer dan vier onderwijzers, en niet minder dan vierhonderd gulden voor eiken anderen onderwijzer.

Door Ons kan, Gedeputeerde Staten der provincie gehoord, voor elke provincie bepaald worden, waar en tot welk bedrag het minimum van jaarwedde voor de verschillende onderwyzers aan de onderscheidene klassen van scholen hooger zijn zal dan het bedrag in de voorgaande zinsnede bepaald.

*De twee voorgaande zinsneden gelden niet voor de onderwgzers, uitsluitend belast met het onderwijs in een of meer der vakken, genoemd in art. 2 ander h—t.

Het hoofd der school geniet bovendien vrije woning, zoo mogelijk met oenen tuin. (L.O 41.)

Ingeval hem geene vrije woning kan verschaft worden, ontvangt hij eene billijke vergoeding voor huishuur, waarvan het bedrag door Gedeputeerde Staten wordt bepaald.

264

ocr page 293

WET OP HEI LAGER ONDERWIJS.

Met inachtneming dezer voorschriften worden de jaarwedden der onderwijzers door den gemeenteraad onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten geregeld.

In geval van hooger beroep bij Ons van het besluit van Gedeputeerde Staten, wordt bij Onze beslissing de vereischte regeling vastgesteld.

27. Om als onderwijzer benoemd te kunnen worden, wordt het bezit vereischt

a. eener akte van bekwaamheid; (L.O. 6, 55 volg.j

b. van een getuigschrift van zedelijk gedrag, afgegeven door den burgemeester der gemeente of de burgemeesters der gemeenten, waar hij, aan wien het wordt uitgereikt, in de twee laatste jaren gewoond heeft..

Bij weigering van een der burgemeesters kan bet getuigschrift worden verleend door Onzen Commissaris in de provincie.

Met zoodanig getuigschrift wordt gelijk gesteld het getuigschrift van zedelijk gedrag, afgegeven door de bevoegde overheid buiten 's lands, onder welker gebied de bezitter in de twee laatste jaren heeft gewoond. (L.O. 59, Wib.)

28. De onderwijzers, aan de gemeentescholen verbonden, worden door den gemeenteraad benoemd.

*De benoeming van den onderwijzer, aau liet hoofd der school geplaatst, geschiedt uit eene voordracht van minstens drie bevoegden, opgemaakt door burgemeester en wethouders en den districts-sclioolopziener. (L.O. 7().)

*Indien burgemeester en wethouders en de districts-schoolopziener niet tot overeenstemming kunnen geraken, gaat aan de benoeming een vergelijkend onderzoek naar de geschiktheid der candidaten vooraf.

*Melden meer dan zes bevoegden zich voor het onderzoek aan, dan kunnen burgemeester en wethouders, in overeenstemming met den districts-schoolopziener, bepalen welke candidaten, mits niet minder dan zes, daaraan zullen worden onderworpen. Bij gemis aan overeenstemming omtrent de keuze der op te roepen personen, worden alle candidaten die zich hebben aangemeld tot liet onderzoek toegelaten.

^Ingeval de benoeming na voorafgaand vergelijkend onderzoek plaats heeft, wordt de voordracht, bestaande uit minstens drie bevoegden, door den districts-schoolopziener opgemaakt en door dezen met een schriftelijk, niet redenen omkleed advies omtrent de voorgedragen candidaten aan den raad ingezonden.

*Al wat verder liet in dit artikel bedoeld onderzoek betreft, wordt door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. (K.B. 17 Deo. 1890, Stsbl. no. 1S4.)

*In gemeenten waar meer dan eene school bestaat kan de onderwijzer, aan het hoofd der eene geplaatst, aan het hoofd der andere

265

ocr page 294

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

worden gesteld zonder voordracht, indien de gemeenteraad na overleg met den districts-schoolopziener hiertoe besluit.

*06 benoeming van andere onderwijzers geschiedt uit eene voordracht van minstens drie bevoegden, opgemaakt door burgemeester en wethouders in overleg met den arrondissements-schoolopziener, na ingewonnen bericht van het hoofd der school, waaraan de benoeming geschieden moet. Het bericht van het hoofd der school en liet schriftelijk, met redenen omkleed advies van den arrondissements-schoolopziener worden aan den raad overgelegd. (L.O. 75.)

*De onderwijzers, verbonden aan scholen, uitsluitend door het Rijk bekostigd, worden benoemd door Onzen Minister die met de uitvoering dezer wet belast is. (L.O. 2!W, 32«?, 67.)

29. Ontslag aan onderwijzers, aan gemeentescholen verbonden, wordt door den gemeenteraad verleend. (L.O. 30 volg.)

a. rechtstreeks overeenkomstig eigen verzoek, met ingang van den dag door den gemeenteraad te bepalen;

op voordracht van burgemeester en wethouders of van den districts schoolopziener, indien het een onderwijzer betreft, aan het hoofd eener school geplaatst;

c. op voordragt van burgemeester en wethouders of van den arrondissements-schoolopziener, indien het een onderwijzer betreft, die niet aan het hoofd eener school is geplaatst. (L.O. 19/quot;.)

In de twee laatste gevallen kan het ontslag niet-eervol worden verleend.

Door Gedeputeerde Staten kan worden verklaard, dat de niet-eervol ontslagen onderwijzer de bevoegdheid tot het geven van onderwijs heeft verloren. (L.O. 11, 53.)

Aan onderwijzers, verbonden aan eene school, uitsluitend door het Rijk bekostigd, wordt, hetzij overeenkomstig eigen verzoek, hetzij ambtshalve, ontslag verleend door Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet belast is. (L.O. 28«, 32«?, 67.)

30. Een onderwijzer, aan eene gemeenteschool verbonden, kan op voorstel van den arrondissements-schoolopziener voor hoogstens eene maand door burgemeester en wethouders worden geschorst. Zij geven hiervan onmiddellijk kennis aan den gemeenteraad en aan den districts-schoolopziener met opgave van de redenen der schorsing.

De schorsing geschiedt zonder stilstand van jaarwedde.

Zij kan binnen den tijd, waarvoor zij is uitgesproken, door den gemeenteraad worden opgeheven.

31. Behalve op de wijze, in de twee voorgaande artikelen bepaald, kan de schorsing of het ontslag, doch in het laatste geval slechts niet-eervol, op voordragt van den districts schoolopziener door Gedeputeerde Staten worden uitgesproken.

Op dergelijk ontslag is het voorlaatste lid van art. 29 toepasselijk.

32. In de tijdelijke waarneming der door schorsing, ontslag of

206

ocr page 295

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

ontstentenis aan eene gemeentescliool opengevallen plaats wordt door burgemeester en wethouders in overleg met den arrondissements-schoolopziener voorzien.

■*Indien in de vervulling, waar het betreft het hoofd der school, niet door den gemeenteraad is voorzien binnen zes maanden nadat de plaats is opengevallen, geschiedt zulks door Gedeputeerde Staten na voorafgaand vergelijkend onderzoek naar de geschiktheid der candidaten. (L.O. 54.)

In geval van tijdelijke verhindering kan, op gelijke wijze als in het eerste lid van dit artikel is bepaald, in de waarneming worden voorzien.

De schorsing van onderwijzers, verbonden aan scholen, uitsluitend van Rijkswege bekostigd, en de voorziening in de tijdelijke waarneming aan dergelyke scholen geschieden door Onzen Minster, met de uitvoering dezer wet, belast. (L.O. 28z, 2(W, 07.)

*32his. Wanneer in eene gemeenteschool jongelieden in het bezit der akte, bedoeld in art. 50, onder a, op den voet van art. 8 als kweekelingen zijn toegelaten, zijn deze bij schorsing, ontslag, ontstentenis of tijdelijke verhindering van eenen onderwijzer in die school, op aanwijzing van het hoofd, bevoegd en verplicht tot de waarneming der opengevallen plaats, hangende het overleg in het eerste lid van art. 32 voorgeschreven.

33. Het schoolonderwijs wordt onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen en aan hunne opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden.

De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten wat strijdig is met den eerbied verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden. (L.O. 3, 53.)

De onderwijzer, die zich in dit opzigt aan pligtverzuim schuldig maakt, kan door ons voor hoogstens een jaar en bij herhaling der overtreding voor onbepaalden tijd in zijne bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan een openbare school geschorst worden. (Wet houdende Aanvul. M.O. 1879, Stsbl. no. 87, art. 1.)

Het geven van godsdienstonderwijs blijft aan de godsdienstleeraren overgelaten.

34. Op bezwaarschriften tegen het in de school gebruik maken van bepaald aangewezen leerboeken wordt beslist door Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet is belast. (L.O. 21, 67.)

Zijne beslissing wordt in de Staatscourant openbaar gemaakt.

Den onderwijzer, die een aldus afgekeurd leerboek gebruikt, wordt door burgemeester en wethouders verboden hiermede voort te

In geval van ongehoorzaamheid wordt aan den onderwijzer een

iet-eervol ontslag gegeven.

35. Het is den ouderwijzers op straffe van ontslag verboden handel

267

ocr page 296

WÜT OP HET LAGER ONDEKWIJS.

te drijven of eenige nering of beroep, behalve liet geven van onderwijs, uit te oefenen. (L.O. 29 volg.)

36. Het is hun op gelijke straffe verboden ambten of bedieningen te bekleeden of te gedoogen, dat te hunnen huize handel of nering gedreven of eenig beroep uitgeoefend worde door de leden van hun gezin.

Zoowel van het eene als van het andere verbod kan vrijstelling worden verleend door (Gedeputeerde Staten, den districts-schoolopzie-ner gehoord.

Het ontslag, in dit en de twee voorgaande artikelen bedoeld, wordt verleend, hetzij door den gemeenteraad op voordragt van den dis-tricts-schoolopziener of van burgemeester en wethouders of van den arrondissements-schoolopziener naar de onderscheidingen, in art. Ü9 onder b en c gemaakt, hetzij ingevolge art. 31 door Gedeputeerde Staten, hetzij aan scholen, uitsluitend door het Rijk bekostigd, door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast. (L.O. 28*, 2lJ(/, 32rf, 67.)

37. Aan de onderwijzers wordt, in de gevallen bij art. 38 en onder de voorwaarden by art. 41 en 42 dezer wet gesteld, pensioen verleend ten laste van het Rijk.

38. Regt op pensioen wordt verkregen door na volbrachten vijf en zestigjarigen leeftijd bekomen ontslag.

Pensioen kan insgelijks verleend worden aan een onderwijzer, die na tienjarigen diensttijd uithoofde van ziels- of ligchaamsgebreken ^ voor de waarneming zijner betrekking ongeschikt is en op dien grond ontslag heeft bekomen.

Die ongeschiktheid wordt aangenomen op de verklaring van den districts-schoolopziener en van Gedeputeerde Staten.

Bij de berekening van het pensioen komen alleen in aanmerking diensten vóór of sedert het in werking treden dezer wet als onderwijzer aan eene openbare school ten behoeve van het lager onderwijs bewezen.

*39. Aan den onderwijzer hoofd eener school die ten gevolge van de opheffing der school, en aan den onderwijzer, die, wegens opheffing der school of wegens opheffing zijner betrekking, omdat, het krachtens deze wet in de school gevorderd aantal onderwijzers is overschreden, wordt ontslagen en niet in de termen valt pensioen te genieten, wordt ten laste van het rijk een wachtgeld verleend tot een bedrag van de helft der jaarwedde, die hij op her. tydstip van zijn ontslag genoot. Dit wachtgeld vervalt na vijf jaren wanneer het geldt het hoofd eener school, na twee jaren wanneer het geldt een « onderwijzer, of wanneer het hoofd of de onderwijzer in de termen komt om pensioen te genieten, of zooveel vroeger als by tot eene betrekking van Ryks-, provincie- of gemeentewege wordt benoemd, waarvan de bezoldiging met het bedrag van het wachtgeld gelijk staat of dit overtreft, of zoodanige betrekking, hem niet van Rijks-,

268

ocr page 297

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

provincie- of gemeentewege opgedragen, aanvaardt. Bij de aanvaarding eener betrekking, niet van Rijks-, provincie- of gemeentewege opgedragen, waarvan de bezoldiging lager is dan het wacLtgeld, wordt dit verminderd met het bedrag dier bezoldiging.

Behalve in het laatstgenoemde geval rekent de tijd, gedurende welken het wachtgeld wordt genoten, mede voor aanspraak op pensioen.

In de aan onderwijzers, geen hoofden van scholen, te verleenen wachtgelden wordt door de gemeente de helft aan het Rijk vergoed.

40. Het pensioen beloopt voor elk jaar dienst een zestigste deel van de jaarwedde, die over de laatste twaalf maanden, aan het ontslag voorafgegaan, tot grondslag gediend heeft voor de bepaling der bijdrage, in het volgend artikel vermeld, doch mag nimmer het twee derde gedeelte dier jaarwedde te boven gaan.

41. Als bijdrage voor pensioen wordt door de onderwijzers jaarlijks betaald twee ten honderd van de jaarwedde aan hunne betrekking verbonden.

De jaarwedde wordt berekend met inbegrip van hetgeen de onderwijzer, aan het hoofd eener school geplaatst, op grond van art. 26, vierde lid, dezer wet geniet. Het bedrag dezer inkomsten wordt door Gedeputeerde Staten bepaald.

De bijdrage komt ten voordeele van het Rijk en wordt door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan 's Rijks schatkist verantwoord.

42. De bepalingen van de artt. 8, 'J derde lid, 12 derde lid, 18 tot en met 81 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, zijn op de pensioenen der onderwijzers van toepassing. ')

*42Ws. De artt. 6, 26, 27, lit. a, en 3a—4-2 gelden niet voor de onderwijzers aan openbare scholen, uitsluitend belast met het onderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder i, k, q, r en t.

De arlt. 26 en 35—gelden niet voor de onderwijzers aan openbare scholen die uitsluitend in een der vakken of in beide vakken vermeld in art. 2 onder,/ en s onderwijs geven, dan wel daarnevens mede onderwijs geven in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder h, i. k, q, r en t.

§ 3. Van de kosten van het onderwijs.

Art. 43. Elke gemeente voorziet in de kosten van haar lager onderwijs, voor zoover die niet komen ten laste van anderen of op andere wijze worden gevonden.

44. Die kosten zijn

a. de jaarwedden der onderwijzers;

269

b. de vergoeding aan onderwijzers, aan het hoofd van scholen staande, wegens gemis van vrije woning; (L.O. 26.)

1) Art. 42 aldus gewyzigd hg art, 40 der wet van 9 Mei 1890, Stsbi. no. 78.

ocr page 298

WET OP HET LAGER ONDEEWIJS.

c. de toelagen en bijdragen tot opleiding van onderwijzers; (L.O. 12lt;;.)

d. de uitgaven ten behoeve vau het herhalings-onderwijs; (L.O.

17-)

e. die voor het stichten en in stand houden of voor het huren der schoollokalen en onderwyzerswoningen;

f. die voor het aanschaffen en onderhouden der school meubelen en der schoolboeken, leermiddelen en schoolbehoeften;

g. die voor verlichting en verwarming en het schoonhouden dei-schoollokalen ;

*h. die van het plaatselijk schooltoezicht en van het vergelijkend onderzoek;

i. die voor de schoolbibliotheken, belooningen en eerebinken. (L.O. 82.)

*45. Door het Rijk wordt over elk dienstjaar aan de gemeente eene bijdrage verleend:

1quot;. a. voor elk hoofd eener school van negentig en minder leerlingen tweehonderd vijftig gulden;

van een en negentig tot en met eenhonderd negen en negentig leerlingen driehonderd gulden;

van tweehonderd tot en met driehonderd negen leerlingen vierhonderd gulden;

van driehonderd tien tot en met vierhonderd negentien leerlingen vijfhonderd gulden;

van vierhonderd twintig en meer leerlingen zeshonderd gulden;

b. voor elk der onderwijzers, die het hoofd der school bijstaan, voor zoover die bijstand volgens art. 24 verplichtend is, voor scholen:

van een en veertig tot en met negentig leerlingen eenhonderd vijftig gulden;

van een en negentig en meer leerlingen tweehonderd gulden, doch voor elk dier onderwijzers die den leeftijd van drie en twintig jaren volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten, voor zoover zulks volgens art. 24 gevorderd wordt, driehonderd gulden;

c. indien het aan de school verbonden onderwijzend personeel het minimum van onderwijzers, bij artikel 24 gesteld, overschrijdt:

voor scholen van negentig en minder leerlingen eenhonderd vijftig gulden en van een en negentig tot en niet driehonderd negen leerlingen tweehonderd gulden voor één onderwijzer;

voor scholen van driehonderd tien en meer leerlingen tweehonderd gulden per onderwijzer voor ten hoogste twee onderwijzers;

doch omvat het onderwys behalve de vakken a—/■ tevens ten minste twee der vakken onder l, m en n en het vak onder p van artikel 2 genoemd:

voor scholen van negentig en minder leerlingen tweehonderd gulden voor één onderwijzer;

voor scholen van een en negentig tot en met eenhonderd negen en

270

ocr page 299

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

negentig leerlingen tweehonderd vijftig gulden per onderwijzer voor ten hoogste twee onderwijzers;

voor scholen van tweehonderd en meer leerlingen tweehonderd vijftig gulden per onderwijzer voor ten hoogste drie onderwijzers. Indien een onderwijzer in den loop van het jaar wordt in dienst

festeld, ten gevolge van ontslag de school verlaat, of overlijdt, wordt e bijdrage berekend naar den maatstaf subesteld, ten gevolge van ontslag de school verlaat, of overlijdt, wordt e bijdrage berekend naar den maatstaf sub a, b m c vermeld, in evenredigheid van het aantal volle maanden dat hij in dat jaar aan de school verbonden is geweest; (L.O. hihix.)

2quot;. vijf en twintig ten honderd van de kosten wegens het stichten, verbouwen of aankoopen van schoollokalen voor zoover die niet komen ten laste van anderen of op andere wijze worden gevonden.

Voor de sub 1°. vermelde bijdrage komen niet, in aanmerking de scholen waarvan de opbrengst der schoolgelden eene inkomst oplevert van gemiddeld tachtig gulden of meer per leerling en per jaar.

Voor de berekening daarvan dient tot grondslag het aantal leerlingen waarnaar volgens den maatstaf in art. 24 vermeld, het aantal onderwijzcs geregeld wordt. (L.O. bihis.)

Voorschriften omtrent de uitvoering dezer bepalingen worden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur gegeven, met inachtneming van het beginsel, da: behoudens aanvulling of terugbetaling na afloop van het dienstjaar de uitkeering der bijdrage geschiedt:

a. bij voorschot:

« die sub 1°. a en i bedoeld naar het aantal onderwyzers dat ingevolge het bepaalde bij artt. 23 en 24 aan de school moet verbonden zijn;

die sub 1°. c bedoeld, voor zoo ver het aantal op 1 Januari van het dienstjaar aan de school verbonden onderwijzers voor de bijdrage in aanmerking komt;

i. die sub 2° bedoeld in verband met de betalingstermynen. (K.B. 13 Sept. 1890, Stsbl. no. 154.)

*46. Ter tegemoetkoming in de kosten, welke voor rekening der gemeente blijven, wordt voor ieder schoolgaand kind, met uitzondering van bedeelden, en van hen die, schoon niet bedeeld, onvermogend zijn, een schoolgeld geheven van ten minste twintig cents per maand.

De minvermogenden worden, indien het schoolgeld voor ieder kind van dezelfde klasse gelijk is, slechts voor een ffedeelte aandeheffins onderworpen.

Vrijstelling van verplichting tot het heffen van schoolgeld kan aan * eene gemeente door Ons worden verleend bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord. Intrekking dezer vrijstelling geschiedt op dezelfde wijze.

Het invoeren, wijzigen of afschaffen van dit schoolgeld geschiedt met inachtneming van de artt. 232—236 der (Gem.)wet van 29 Juni lS51(Staa/s6ladno.85), met dien verstande dat aan de verordening tot

271

ocr page 300

quot;WET OP HET LAGER OUDERWIJS.

heffing Onze goedkeuring niet wordt onthouden dan bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord.

De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening overeenkomstig de bepalingen van de artt '258—262 dier wet. Indien het schoolgeld, behalve voor zooveel betreft de gevallen in het 2de lid van dit artikel en in art. 48 vermeld, voor ieder kind van dezelfde klasse niet gelijk is, zijn daarop de artt. 264'—206 dier wet, gelijk die gewijzigd is by de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 102), mede van toepassing, met dien verstande dat het schoolgeld voor geen kind meer bedrage dan hetgeen voor het onderwijs van dat kind kan geacht worden voor rekening der gemeente te blijven.

47. Het- gemeentebestuur bevordert zooveel mogelijk het schoolgaan der kinderen van bedeelden, onvermogenden en minvermogenden.

*48. Tenzij bij eene regeling krachtens het laatste lid van art. 16 gemaakt, anders is bepaald, bedraagt het schoolgeld voor de kinderen uit andere gemeenten niet meer dan dat voor de kinderen uit de heffende gemeenten.

Voor twee of meer kinderen uit één gezin, gelijktijdig ter school gaande, kan het bedrag van het schoolgeld lager gesteld worden dan het, berekend voor ieder afzonderlijk, wezen zou. (L.O. 16, 70.)

49. Indien Wij, Gedeputeerde Staten gehoord, oordeelen dat eene gemeente, door de uitgaven tot eene behoorlijke inrigting van haar lager onderwijs vereischt, in verhouding tot hare middelen en andere uitgaven onbillijk zou worden bezwaard, kan haar uit 's Rijks kas tijdelijk subsidie verleend worden. Ons daartoe strekkend en met redenen omkleed besluit wordt, te gelijk met het advies van Gedeputeerde Staten, in de Sldalscourant openbaar gemaakt.

50. De bestekken voor en de gunning van den bouw en verbouw van scholen en onderwijzerswoningen, ter bekostiging waarvan aan de gemeente overeenkomstig art. 4!) uit 's Rijks kas tijdelijk subsidie wordt verleend, behoeven de goedkeuring van Onzen Minister met de uitvoering dezer wet belast; deze beslist, den districts-schoolop-ziener gehoord.

In alle overige gevallen worden de bestekken eau de goedkeuring van den districts-schoolopziener onderworpen. Ingeval deze bezwaar maakt zijne goedkeuring te verleenen, kan de beslissing van Onzen Minister met de uitvoering dezer wet belast, worden ingeroepen.

TITEL III.

VAN HET BIJZONDER ONDERWIJS.

A.rt. 51. Tot het geven van bijzonder onderwijs wordt vereischt het bezit

a. eener akte van bekwaamheid; (L.O. 55 volg.)

272

ocr page 301

7

WET OP HET LAGER ONDERWIJS. 273

b. van een gelijk getuigsclirift, ais in art. 27, litt. h, is vermeld, en waarop het voorlaatste en het laatste lid van dat artikel toepasselijk zijn;

c. van een bewijs, dat deze beide stukken door burgemeester en wethouders der gemeente, waar het onderwijs zal gegeven worden; zijn gezien en in orde bevonden.

Burgemeester en wethouders geven hiervan aan den districts-sclioolopziener berigt. (L. O. 70, 76.)

52. Omtrent de afgifte van het bewijs, vermeld in litt. c van het voorgaand artikel, wordt uiterlijk binnen vier weken, te rekenen van den dag, waarop de aanvrage daartoe geschied is, door burgemeester en wethouders beslist.

Van die beslissing, of wanneer binnen dien termijn de beslissing aan den belanghebbende niet is kenbaar gemaakt, wordt beroep op Gedeputeerde Staten toegelaten.

Na afwijzing door Gedeputeerde Staten, of indien binnen den tijd van zes weken na het ingesteld hooger beroep hunne beschikking aan den belanghebbends niet is kenbaar gemaakt, kan bij Ons in beroep worden gekomen.

53. De onderwijzer, die bij het geven van bijzonder school- of huisonderwijs leeringen verspreidt strijdig met de goede zeden of aansporende tot ongeboorzaamheid aan de wetten des lands, kan op voordragt van burgemeester en wethouders of van den districtsschoolopziener door Gedeputeerde Staten worden verklaard zijne bevoegdheid tot het geven van onderwijs verloren te hebben.

Deze bepaling is ook toepasselijk op den onderwijzer, die zich aan een ergerlyk levensgedrag schuldig maakt. (L.O. 11, 29.)

54. De onderwijzer, die de lessen der school bestuurt, wordt geacht aan haar boofd te staan.

Hij moet den leeftijd van drie en twintig jaren volbragt liebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten.

Van deze vereisehten wordt vrijstelling verleend in geval eener tijdelijke waarneming, mits het niet langer dure dan zes maanden, dat een onderwijzer, die den gevorderden leeftijd of den hoofdonderwijzersrang niet bezit, aan het hoofd der school staat. (L.O. 32A.)

Aan bijzondere lagere scholen kan onderwijs gegeven worden in dezelfde vakken als aan de openbare. (L O. 2.)

*54to. Door liet Rijk wordt over elk dienstjaar aan de besturen der bijzondere lagere scholen eene bijdrage verleend volgens denzelfden maatstaf als bij art. 45 sub 1°. aan de gemeente ten behoeve der openbare lagere school wordt toegekend, mits:

1quot;. de school staat onder het bestuur van eene instelling of ver-eeniging die rechtspersoonlijkheid bezit;

2°. het onderwijs de vakken omvat in art. 2 vermeld onder a—j, alsmede /r, tenzij, wat het laatste vak betreft, blijke dat de schoolgaande kinderen daarin elders voldoend onderwijs ontvangen;

STAATSWETTEN. 18

ocr page 302

274 WET OP HET LAGER ONDERWIJS,

3°. dat onderwijs gegeven wordt gedurende ten minste achttien uren per week, waarvan ten hoogste twee uren in het vak vermeld onder k van art. 2, volgens een aan den arrondissements-sehoolop-ziener medegedeelden en in een der schoolvertrekken op eene zichtbare plaats opgehangen rooster van lesuren, waarop tevens de feestdagen en vacantietijden zijn vermeld;

4U. het aantal onderwijzers voldoet aan de voor de openbare scholen gestelde eischen in de artt. 23 en 24, het 3de lid uitgezonderd.

Voor die bijdrage komen niet in aanmerking de bijzondere scholen:

a. waarvan het aantal leerlingen boven zes jaren, dat als werkelijk schoolgaande bekend staat, berekend naar den maatstaf in art. 24 vermeld, minder dan 25 bedraagt;

b. waarvan de opbrengst der schoolgelden eene inkomst oplevert van gemiddeld tachtig gulden of meer per leerling en per jaar;

c. wanneer bij vacature in het onderwyzend personeel tusschen het ontstaan daarvan en de aanvaarding zijner betrekking door den benoemde een langere tijd verloopt dan; wat het hoofd der school betreft, van zes maanden; wat de overige onderwyzers betreft, van vier maanden;

d. waarvan blijkt dat zij gehouden worden als winstgevend bedrijf.

Voor de berekening van liet sub b vermelde wordt het voorschrift

gevolgd dienaangaande bij art. 45 gegeven.

De besturen zijn gehouden aan Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, en aan Gedeputeerde Staten der provincie, waarin de school is gevestigd, alle inlichtingen te geven verlangd met betrekking tot litt. a—d, in dit artikel vermeld, en zulks op straffe van verval van aanspraak op de bijdrage. (L.O. 67.)

Jaarlijks in de maand Januari zendt het bestuur, dat op eene Rijksbijdrage krachtens dit artikel over het voorgaande jaar aanspraak maakt, zijne daartoe strekkende aanvrage aan de Gedeputeerde Staten van de provincie, waarin de school is gevestigd.

Deze beslissen vóór 1 Mei daaraanvolgende, of de school voldoet aan de eischen en voorwaarden, in dit artikel tot het verleenen eener Rijksbijdrage gesteld, bepalen het bedrag dier Rijksbijdrage overeenkomstig de eerste zinsnede van dit artikel en deelen hun besluit onverwijld mede aan Onzen Minister met de uitvosring dezer wet belast, alsmede aan den inspecteur van het lager ouderwijs, in wiens ambtsgebied de school is gevestigd, en aan het bestuur, dat de aanvrage deed.

Binnen dertig vrije dagen na de dagteekening van dat besluit kan daarvan bij Ons in beroep worden gekomen door Onzen Commissaris in de provincie en door den inspecteur en het bestuur in het vorige lid bedoeld.

Het bedrag, waarop het bestuur aanspraak mocht kunnen maken, wordt alsdan bij Onze eindbeslissing vastgesteld.

De voorschriften omtrent de uitvoering van dit artikel worden

ocr page 303

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

door ons gegeven bij algemeenen maatregel van bestuur. (K.B. 19 Febr. 1890, Stsbl. no. 20.)

TITEL IV.

VAN DE AKTEN VAN BEKWAAMHEID TOT HET GEVEN VAN LAGER ONDERWIJS.

Art. 55. De bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs wordt verkregen door het afleggen der in deze wet omschreven examens. (L.O. 27«, 51«, 66, 89.)

*56. De akten van bekwaamheid zijn;

а. die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot het geven van huis- en schoolonderwijs in de vakken, vermeld in art. 2, onder a - i, en tevens bevoegdheid kan verleenen tot het geven van huis- en schoolonderwijs in een der vakken of in beide vakken, genoemd onder j en k in art. 2 der wet; (Wet houdende Aanvul. M.O. 1879, Stsbl. no. 87, art. 5.)

б. die, waarvan het bezit met den rang van hoofdonderwijzer de bevoegdheid verleent tot het geven van huis- en schoolonderwijs niet alleen in de vakken, vermeld in art. 2 onder a—i, maar ook in die, aldaar genoemd onder o en y, en tevens bevoegdheid kan verleenen tot het geven van huis- en schoolonderwijs in een der vakken of in beide vakken, genoemd ondery en k, in art. 2 der wet; (Wet houdende Aanvul. M.O. 1879, Stsbl. no. 87, artt. 3, 5, 7);

c. die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot het geven van huisonderwijs of tot hot geven van huis- en schoolonderwijs in bepaalde vakken.

57. Ter verkrijging der akte, vermeld in art. 56, onder a, wordt vereischt

a. de volbragte leeftijd van achttien jaren;

*i. het afleggen van een examen, waartoe minstens eenmaal 's jaars de gelegenheid in elke provincie wordt opengesteld, voor eene commissie, samengesteld uit den inspecteur van het lager onderwijs in de provincie en vier districts- of arrondissements-schoolopzieners. (L.O. 64.)

Onze Minister, die met de uitvoering dezer wet is belast, wijst, de leden dier commissien aan en bepaalt den tijd, waarop zij vergaderen .

Hij kan bij verhindering van den inspecteur een districts-school-opziener in diens plaats als voorzitter benoemen. (L.O. 68, 69.)

58. De zitting der commissie wordt in de provincie Noordholland te Amsterdam en in de andere provinciën in de hoofdplaats der provincie gehouden.

De tijd, gedurende welken de examens worden afgenomen, wordt door den inspecteur bij openbare aankondiging ter algemeene kennis gebragt.

275

18*

ocr page 304

b

270 WET OP HET LAGEB. ONDERWIJS. wij:

als

De commissie kan zich door deskundigen doen bijstaan. lag:

De examens, behalve die van onderwijzeressen, worden in het doo

openbaar gehouden. (M.O. 69c.) het

59. Hij, die zich aan het examen wenscht te onderwerpen, meldt den zich tijdig aan bij den schoolopziener van het district zijner woon- der plaats, of, komt hij van buiten 's lands, van de plaats, waar hij vod voornemens is zich te vestigen. mei

Hij legt daarbij een of meer getuigschriften over van zijn zedelijk c

gedrag en zyne geboorte-akte. _ keu

De dag en de plaats van het examen worden hem door den dis- 0 e

tricts-schoolopziener bekend gemaakt. con

Hij legt het examen af in de provincie, waarin hij woont, of, van 1

buiten 's lands komende, voornemens is zich te vestigen. die

60. ^Het examen omvat: (K.B. 17 Dec. 1890, Stsbl. no. 183.) ger

foed lezen en schrijven; oed lezen en schrijven; (

e kennis der zinsontleding, der spelregels en der eerste gronden we

der Nederlandsche taal; _ _ het

vaardigheid om zich, zoowel mondeling als schriftelijk, juist en p]a

gemakkelijk uit te drukken; zet *de eerste oefeningen van het handteekenen;

*het rekenen, zoowel met gehcele getallen als met gewone en tien- vai deelige breuken en kennis van de leer der evenredigheden en van

het Nederlandsch stelsel van maten en gewichten; de

de beginselen der aardrijkskunde, inzonderheid van Nederland en ge zyne overzeesehe bezittingen;

de grondtrekken der vaderlandsche geschiedenis; op de beginselen van de kennis der natuur;

de theorie van het zingen; zk de beginselen van onderwijs en opvoeding. w( *Aan allen, die hiertoe bij hunne aangifte het verlangen hebben kenbaar gemaakt, wordt, nadat tot hunne toelating is besloten, de gelegenheid gegeven, bewijzen van bekwaamheid in de vrije en ordeoefeningen der gymnastiek, aan onderwijzeressen bovendien bewijzen on van bsdrevenheid in de nuttige handwerken voor meisjes te leveren.

*Aan ieder, die voldaan heeft, wordt eene akte van bekwaamheid zi kosteloos uitgereikt, üp de akte van bokwaaraheid van hen, die bij

het examen in de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek of in de to

nuttige handwerken of in die beide vakken hebben voldaan, wordt m

daarvan aanteekening gedaan. ni

*Van het examen in de eerste oefeningen van het handteekenen

zijn vrijgesteld zij, die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid ki in het vak q volgens art. 65iw.

*61. Ter verkrijging der akte, vermeld in art. 50 onder b, wordt vereischt;

a. het bezit der akte, vermeld in art. 50 onder a\

ocr page 305

WEI OP HET LAGER ONDERWIJS.

b. het bewijs van minstens tweejarige werkzaamheid als onderwijzer of, na aflegging van het examen, vermeld in art. 50 onder als kweekeling aan eene of meer openbare of bijzondere scholen van lager onderwijs of als onderwijzer aan eene of meer scholen voor doofstommen, blinden, spraakgebrekkigen of idioten, afgegeven door het hoofd of de hoofden dier scholen, of het bewijs afgegeven door den bestuurder eener door Ons aangewezen kweekschool voor onderwijzers, van gedurende twee jaren aan die school de lessen ter voorbereiding van dit examen, na aflegging van het examen, vermeld in art. 5C onder ü, te hebben gevolgd;

c. het afleggen van een examen, loopende, behalve over de vakken, in art. 2 vermeld onder a—y, over die, aldaar genoemd onder o en q, en over methode van onderwys en opvoeding voor eene der commissiën, in art. 62 bedoeld.

Van dit examen zyu, voor zooveel het vak q betreft, vrijgesteld zij, die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid in dit vak volgens art. 654«.

62. Jaarlijks worden door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, een of meer commissiën tot het afnemen der examens, in liet voorgaand artikel bedoeld, benoemd en de tijd wanneer en de plaatsen, waar zij hare zittingen zullen houden, tijdig aangewezen.

De voorzitters en leden dezer commissiën genieten uit 's Rijks kas vacatiegelden en vergoeding voor reis- en verblijfkosten.

De voorzitter der commissie brengt den tijd, gedurende welken de examens worden afgenomen, bij openbare aankondiging ter al-gemeene kennis.

De examens, behalve die van onderwijzeressen, worden in het openbaar gehouden. (L.O. 58.)

63. Hij, die zich aan het examen wenscht te onderwerpen, meldt zich tijdig aan bij den voorzitter der commissie, voor welke hy wenscht te verschijnen, en legt daarbij over

a. zijne geboorte-akte;

b. een of meer getuigschriften van zedelijk gedrag;

c. zijne akte van bekwaamheid als onderwijzer, bedoeld in art. 56 onder a;

d. het bewijs, vermeld in art. 61 onder h.

De dag en de plaats van het examen worden hem door den voorzitter bekend gemaakt. (L.O. 58.)

De omvang van het examen, de wijze van afneming en wat verder tot dit examen betrekking heeft, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld. (K.B. 17 Dec. ISDO, Stsbl. no. 180.)

*Aan ieder, die voldaan heeft, wordt eene akte van bekwaamheid kosteloos uitgereikt.

*De aanteekening, bedoeld in het voorlaatste lid van art. 60,

277

ocr page 306

278 WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

wordt op de akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer overgeschreven.

64. *Ter verkrijging eener akte, die de bevoegdheid verleent tot het geven van huisonderwijs in enkele vakken, vermeld in art. 2 onder a—g wordt vereischt:

a. de volbragte leeftijd van achttien jaren;

b. het afleggen van een examen in de vakken, waarvoor de bevoegdheid verlangt wordt, voor eene der commissien, in art. 57 vermeld.

De bepalingen van artt. 58 en 59 zijn ten deze toepasselijk. Aan ieder, die voldaan heeft, wordt kosteloos eene akte van bekwaamheid uitgereikt als huisonderwijzer, waarin de vakken, over welke het examen met goed gevolg is afgelegd, worden uitgedrukt.

*65. Ter verkrijging eener akte van bekwaamheid voor huis- en schoolonderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2, onder m, ti, p, r, en s, wordt vereischt;

а. het bezit der akte, vermeld in art. 56, onder a;

б. het afleggen van een examen voor eene der commissiën, bedoeld in art. 69 der wet (M.ü.j van 2 Mei 1863 {Staatsblad no. 50).

Al wat verder de in dit artikel bedoelde examens betreft wordt door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. (K.B. 3 Aug. 1879, Stsbl. no. 148; 9 Aug. 1879, Stsbl, no. 149; 17 Dec. 1890, Stsbl. no. 181.)

*65^'.?. Van tijd tot tijd wordt gelegenheid gegeven om door het afleggen van een examen voor bijzondere commissien, daartoe benoemd door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, eene akte van bekwaamheid te verkrijgen voor huis- en schoolonderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 ondery', k, q, en t.

Al wat de in dit artikel bedoelde examens betreft, wordt door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. (K.B. 24 Oct. 1884, Stsbl. no. 219; 17 Dec. 1890, Stsbl. no. 182.)

*65^e/-. Voor het afleggen der examens worden de navolgende sommen bij vooruitbetaling voldaan:

voor het examen, vermeld in art. 57, onder b, vijf gulden;

voor het examen, vermeld in art. 61, onder c, tien gulden;

voor het examen, vermeld in art. 64, onder A, loopende over één vak, twee gulden;

voor het examen, vermeld in art. 64, onder loopende over meer dan één vak, vier gulden;

voor het examen, vermeld in art. 65, onder b, in elk der vakken, genoemd onder l, m, n, p, r en s, in art. 2, vijf gulden;

voor het examen, vermeld in art. 65te in elk der vakken, genoemd onder j en Tc, in art. 2, twee gulden;

voor het examen, vermeld in art. 65iw, in elk der vakken genoemd onder q en t, in art. 2, vijf gulden.

Deze gelden worden in 's Rijks schatkist gestort.

ocr page 307

quot;WET OP HET LAGER ONDERWIJS, 279

e-

66. De akten van bekwaamheid, volgens de voorschriften dezer at wet verkregen, gelden, wat de daaraan verbonden bevoegdheid be

rt. treft, voor het geheele Rijk en zijne koloniën en bezittingen in an

dere werelddeelen.

e. TITEL V.

gt;7

VAN HET TOEZIGT OP HET LAGER ONDERWIJS.

e- Art. 67. Het toezigt over het lager onderwijs in liet geheele

er Kijk is opgedragen aan Onzen Minister, die met de uitvoering dezer

wet is belast. (L O. 21.)

■n Dat toezigt wordt onder zijne bevelen uitgeoefend door de inspec-

a- teurs, de districts-schoolopzieners en de arrondissements-schoolopzie-

ners.

68. Het ambtsgebied van iederen inspecteur omvat eene of meer ld provinciën, dat van iederen districts schoolopziener een der distric

ten, waarin de provinciën door Ons worden verdeeld. (K.B. 22 Jan. it 1880, Stsbl. no. 5.)

3 De inspecteurs en de districts-schoolopzieners worden door Ons

c. benoemd, geschorst en ontslagen. (L.O. 77, 76.)

Zij genieten, behalve eene vaste jaarwedde, vergoeding voor reis-3t en verblijfkosten uit 's Rijks kas.

B- Zij bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze toestem-

t ming.

1 1

r- geval van ziekte, afwezigheid, schorsing of ontstentenis wordt

een inspecteur dooreen districts-sclioolopziener, een districts-school-is opziener door een arrondissements-schoolopziener vervangen.

1, Onze Minister, met de uitvoering dezer wet belast, wijst den

plaatsvervanger aan.

i- 69. Elk schooldistrict wordt door Ons verdeeld in minstens twee

arrondissementen.

In ieder arrondissement is een arrondissements-schoolopziener. Die schoolopzieners worden door Ons benoemd voor den tijd van n zes jaren.

De aftredenden zijn weder benoembaar.

:r Zij kunnen ten allen tijde door Ons worden ontslagen.

Zij genieten vergoeding voor reis- en verblijfkosten uit 'sRijks kas. i. Zij staan den districts-schoolopziener ter zijde.

De verdeeling der werkzaamheden tusschen de districts- en arron-j- dissements-schoolopzieners wordt door Ons geregeld.

70. Het plaatselijk toezigt wordt uitgeoefend door burgemeester j- en wethouders. (L.O. 16rf.)

De gemeenteraad kan ter nadere verzekering van het plaatselijk toezigt eene commissie instellen, welke Je bevoegdheden bezit, in de artt. 73 en 74 dezer wet omschreven. (L.O. 79.)

ocr page 308

WEI OP HET LAGER ONDERWIJS.

Eene plaatselijke verordening regelt hare zamenstelling en inrig-tins. (L.0. 16, 48.)

71. De leden der plaatselijke commissien, de arrondissements-sohoolopzieners, de districts-sclioolopzieners en de inspecteurs leg-

fen, bij de aanvaardig hunner bediening den eed of de belofte af, at zij hunne pligten getrouw en naar bebooren zullen waarnemen.en, bij de aanvaardig hunner bediening den eed of de belofte af, at zij hunne pligten getrouw en naar bebooren zullen waarnemen.

De aflegging van den eed of van de belofte geschiedt door de leden der plaatselijke commissie in handen van den burgemeester en door den burgemeester, is deze zelf tot lid der commissie benoemd, in handen van den kantonregter; door de arrondissements-schoolopzie-ners en de districts-schoolopzieners in handen van Onzen Commissaris in de provincie; door de inspecteurs in handen van Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast.

Bij lierbenoemino; wordt de eed of belofte niet op nieuw afgelegd.

72. Rehalve de ambtenaren, in art. 8 no. 1—6 van het Wetboek van Strafvordering genoemd, ') zijn tot het opmaken van proces-verbaal van de overtredingen dezer wet en van andere verordeningen op het lager onderwijs bevoegd de leden van het collegie van burgemeester en wethouders, de voorzitters en leden der plaatsclyke commissien van toezigt, de arrondissements-schoolopzieners en de districts-schoolopzieners en de inspecteurs, ieder binnen de grenzen van zijn ambtsgebied.

*73. Voor leden van het college van burgemeester en wethouders, voor de voorzitters en leden der plaatselijke commissien van toezicht, voor de arrondissements-schoolopzieners, voor de districts-schoolopzieners en voor de inspecteurs, ieder binnen de grenzen van zijn ambtsgebied, moeten alle scholen, waar lager onderwijs wordt gegeven, zoo openbare als bijzondere, steeds toegankelijk zijn en op hunne aanvrage onverwijld worden geopend. De hoofden dier scholen en de overige onderwyzers zijn gehouden aan hen of aan Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, de verlangde inlichting omtrent de school en het onderwijs te geven. Zij zijn hiertoe verplicht in eiken vorm, waarin die inlichtingen gevraagd worden, het-zy schriftelijk, hetrij mondeling, en zoowel bij gelegenheid van het schoolbezoek, als op andere tydstippen. (S.R. lS4.)

280

74. De plaatselijke commissien houden een naauwkeurig toezigt op alle scholen in de gemeente, waar lager onderwijs gegeven wordt; bezoeken die ten minste twee malen 's jaars, hetzij gezamenlyk, hetzij door commissien uit haar midden; zorgen dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt nageleefd worden; houden aanteekening van het onderwijzend personeel, van het getal leerlingen en van den staat van het onderwijs; doen jaarlijks vóór 1°. Maart aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag van den toestand van het on-

1) Be verwijzing naar liet art. Wetb. y. Strafv. aldus gewijzigd by art. 2 der wet van 31 Dec. 1S87, Stsbl. no. 265.

ocr page 309

quot;WBI OP HET LAGER ONDERWIJS.

derwijs in de gemeente en zenden daarvan afschrift aan den arron-dissements-schoolopziener; deelen aan dezen de belangrijke veranderingen mede, die het schoolwezen heeft ondergaan; geven hem, den distriots-schoolopziener en den provincialen inspecteur alle inlichtingen, die deze verlangen; verleenen den onderwijzers, die hare voorlichting, hulp of medewerking vragen, bijstand en beijveren zich den bloei van het onderwijs naar vermogen te behartigen. (L.O. 70/;, 78.)

75. De arrondissetnents-schoolopzieners zorgen voortdurend bekend te blijven met den toestand van het schoolwezen in hun arrondissement; bezoeken twee malen's jaars alle daarbinnen gelegen scholen, waar lager onderwijs wordt gegeven, en houden van dat. schoolbezoek naatiwkeurig aanteekening; waken dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt nageleefd worden; treden in overleg met de plaatselijke schoolcommissiën en de gemeentebesturen; doen zoowel aan dezen als aan de districts-schoolopzieners de voorstellen, die zij in het belang van het onderwijs achten; doen aan den districts-schoolopziener na verloop van elke drie maanden opgave van de door hen gedurende dat tijdvak bezochte scholen; geven hem kennis van al hetgeen bun bij het schoolbezoek belangrijk is voorgekomen en verstrekken hem alle inlichtingen, die hij verlangt; behartigen de belangen der onderwijzers, bevorderen hunne bijeenkomsten en wonen die zooveel mogelijk bij. (L.O. 28, (gt;9.)

76. De districtsscboolopzieners zorgen zoo door schoolbezoek als door mondeling en schriftelijk overleg met de arrondissements-school-opzieners, plaatselijke commissien en gemeentebesturen voortdurend bekend te blijven met den toestand van het lager schoolwezen in hun district en de verbetering en den bloei daarvan te bevorderen; zy oefenen het hun opgedragen toezigt met naanwlettendheid uit en waken, dat de veror-deningen op het lager onderwijs stipt worden nageleefd; zij doen aan den inspecteur de voorstellen, die zy in het belang van het onderwijs achten, en geven hem alle inlichtingen die hij verlangt. (L.O. 28, öi)

Elk hunner doet jaarlijks vóór 1°. Mei een beredeneerd verslag van den toestand van liet onderwijs in zijn district aan den inspecteur toekomen en zendt daarvan afschrift aan Gedeputeerde Staten der provincie.

77. De inspecteurs trachten, zoo door schoolbezoek als door mondeling en schriftelijk overleg met de districts-schoolopzieners en ar-rondissements-sclioolopzieners, plaatselijke commissien en gemeentebesturen, de verbetering en den bloei van het lager schoolwezen te bevorderen; zij lichten Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, voor omtrent alle onderwerpen, waarover hun oordeel gevraagd wordt; zij vervaardigen uit de jaarlijksche verslagen der districts-schoolopzieners en uit hunne eigene aanteekeningen jaarlijks een beredeneerd, verslag omtrent den toestand van het onder-

281

ocr page 310

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

wijs in de provincie of provinciën en zenden dit vóór 1°. July aan Onzen Minister voornoemd. (L.O. 68.)

78. De inspecteurs, districts schoolopzieners en arrondissementsschoolopzieners hebben toegang tot de vergaderingen van alle plaatselijke commissien binnen hun ambtsgebied en knnnen zoodanige vergadering beleggen.

In de vergadering hebben zij eene raadgevende stem. (L.O. 74.)

79. Bij het ontbreken eener plaatselijke commissie kunnen burgemeester eu wethouters, in overleg met den arrondissements-sc.hool-opziener, geschikte personen, buiten hun collegie gekozen, met het doen van schoolbezoek belasten.

■'Op zoodanige gecommitteerden is de eerste zinsnede van art. 73 toepasselijk.

TITEL VI.

VAN BEVORDERING VAN HEI SCHOOLBEZOEK.

Art. 80. Jaarlijks vóór 1°. February zenden de hoofden der openbare en bijzondere scholen, waar lager onderwijs gegeven wordt, aan burgemeester en wethouders der gemeente eene lijst der bij hen op 1°. Januarij schoolgaande kinderen van boven de zes en beneden de twaalf jaren.

Die lijst bevat de namen der kinderen met bijvoeging der voornamen, ouderdom en woonplaats.

Gelijke opgave wordt vóór gelijk tijdstip aan burgemeester en wethouders gedaan door de huisonderwijzers omtrent de kinderen van dien leeftijd, die van hen onderwijs genieten.

81. Burgemeester en wethouders maken eene lijst op der kinderen boven de zes en beneden de twaalf jaren, welke zich op 1°. Januarij van het loopende jaar in de gemeente bevonden.

Van de zoodanigen, welke niet gevonden worden op de lijsten, bij het vorig artikel bedoeld, en waarvan het niet bekend is, dat zij zich niet meer in de gemeente bevinden, maken zij vóór 1°. Maart een staat op.

Die staat wordt ter secretarie ter lezing gelegd.

Ouders cf verzorgers van op dien staat voorkomende kinderen verkrijgen geene ondersteuning, geneeskundige hulp uitgezonderd, van wege de gemeente, tenzij zij aantoonen, dat hunne, kinderen ten on-regte op dien staat zijn gebragt of het niet schoolgaan van deze aan hen niet is te wijten.

82. De gemeenteraad kan, voor zooveel dit niei bij de wet is geschied, verbodsbepalingen omtrent het arbeiden van kinderen beueden de twaalf jaren vaststellen. (Wet 5 Mei 1889, Stsbl. no. 48.)

Door het uitloven van openbare belooningen en eereblijken kan het getrouwe scliool bezoek van wege het gemeentebestuur worden aangemoedigd. (L.O. Ui, 3e.)

282

ocr page 311

WET OP HET LAGER ONDERWIJS

Ten einde de aanspraak op die belooningen en eereblijken te kunnen beoordeelen, kan aan de hooiden der openbare en bijzondere scholen het invoeren van schoolboekjes, waarin van het schoolbezoek aanteekening gehoudea wordt, bij plaatselijke verordening worden voorgeschreven.

TITEL VIL

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 83. Allen, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, wettig in betrekking zijn als onderwijzers of kweekelingen, of als voorzitters of leden quot;an plaatselijke commissien behoeven geene herbenoeming of erkenning om hunne betrekking te blijven beklee-den.

84. Tot 1°. January 1883 kunnen kweekelingen, op den voet der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad no. 103), worden aangenomen.

Ten behoeve van deze en van de kweekelingen, die er op het tijdstip van het in werking treden dezer wet zijn, blijven de bepalingen van laatstgenoemde wet toepasselijk tot lu. Januarij 1886.

De toelagen voor genoemde kweekelingen, die aan openbare scholen zijn verbonden, worden in dat tijdvak tot geen minder bedrag geregeld, dan waarop zij hij het in werking treden dezer wet waren vastgesteld. De toelagen voor kweekelingen, die in het bij deze wet toegestaan overgangstijdperk aan openbare scholen worden geplaatst, worden door den gemeenteraad geregeld; zijn besluit wordt aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen.

85. Gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56 dezer wet onder «, geeft die van hulponderwijzer en hulponderwijzeres na 1°. Januari 1858 en de akte van algemeene toelating van den derden rang vóór dat tijdstip verkregen.

Gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56 dezer wet onder b, geeft die van hoofdonderwijzer of hoofdonderwijzeres na lu. Januarij 1858 en de akte van algemeene toelating van den eersten en tweeden rang vóór dat tijdstip verkregen.

Hetzelfde geldt van de akte als schoolhouderes, vóór 1°. Januarij 1858 verkregen, doch alleen binnen de gemeente of provincie, waar zij is afgegeven.

Zij, die in het bezit zijn eener akte van huisonderwijzer of huis-onderwijzeres, na 1°. Januarij 1858 verkregen voor liet geheele Rijk, of vóór 1°. Januarij 1858 binnen de gemeente, behouden de bevoegdheid, welke zij op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, bezitten.

De vóór dit tijdstip op de akten van bekwaamheid tot het geven van schoolonderwijs gestelde aanteekenir.gen wegens het met gunstig gevolg afgelegd examen in een of meer der vakken, vermeld

283

ocr page 312

SSi WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

onder k—p van art. 1 der wet van 13 Augustus 1857 {Staatsblad no. 103), geven gelijke bevoegdheid met opzigt tot die vakken als de bijzondere akten, vermeld in art. 5(1 onder c.

*De vrijstelling, bedoeld in de laatste zinsnede van art. 61, geldt ook voor hen, die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid of aanteekening voor het vak vermeld onder o van art. 1 der wet van 13 Augustus 1857 {Staatsblad no. 103). (Wet 1889, art. VUL)

86. Alle op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, dienstdoende openbare onderwijzers en onderwijzeressen bljjven, zoolang zij hunne betrekking bekleeden, in liet genot eener jaarwedde minstens gelijk aan die, welke op dat tijdstip aan hunne betrekking verbonden was, vermeerderd met de door hen genoten wisselende inkomsten. Ter bepaling van het bedrag dezer inkomsten wordt tot grondslag genomen het gemiddeld cyfer van hetgeen in de laatste vijfjaren, voorafgaande aan het jaar, waarin deze wet in werking treedt, of voor de onderwyzers of onderwijzeressen, die korter in dienst zijn geweest, over het kortere tijdvak, jaarlijks uit dien hoofde is genoten.

üe bij art. 29 der wet van 13 Augustus 1857 {Staatsblad no. 103) bedoelde vergoedingen, die bij het in werking treden dezer wet nog over eenig aan dat tijdstip voorafgegaan tijdvak verschuldigd zyn ol worden, blijven na dat tijdstip invorderbaar.

87. Bij den algeineenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 4 dezer wet, worden tevens de noodige voorschriften gegeven omtrent de lokalen, welke bij het in werking treden daarvan voor het geven van lager onderwijs in gebruik zijn.

gt;88. De termijn tot het in werking brengen van de voorschriften van art. 24 dezer wet toegestaan, eindigt voor de openbare school op 1 Jan. 1892.

De termijn tot het in werking brengen van de voorschriften van art. 23 dezer wet eindigt voor de byzondere scholen die voor de Kijksbydrage bedoeld bij art. 54to in aanmerking komen op 1 Januari 1891, en die tot liet in werking brengen der voorschriften van art. 24 der wet eindigt voor deze scholen op 1 Januari 1899.

Voorschriften ter verzekering der gelydelijke uitvoering worden door O.as gegeven, (K.B. 18 Apr. 189U, Stsbl. no. (54.)

89. De bestaande bepalingen omtrent de examens en vergelijkende examens blyven gelden, tot dat die onderwerpen overeenkomstig deze wet op nieuw zullen zijn geregeld, doch niet langer dan 1quot;. January 1883. (Wet 1889, art IX.)

90. Thans genoten subsidien, welke na het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, niet meer voor het eerst zouden kunnen worden verleend, kunnen na dat tijdstip nog gedurende tien jaren, doch tot geen hooger bedrag, noch op andere voorwaarden, worden genoten. (Wet 1889, art. VII.)

91. Onderwijzers, niet in het bezit van den hoofdonderwijzers-

ocr page 313

WET OP HET LAGER ONDERWIJS. 285

rang, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, uit kracht van de artt. 20 of 51 der wet van 18 Augustus 1857 [Staatsblad no. 103), wettig aan het hoofd eener school staan, blijven bevoegd die betrekking waar te nemen.

92. De districts-schoolopzieners en de inspecteurs, die op het in art. 93 vermelde tijdstip in betrekking zijn, worden door het in werking treden dezer wet van regtswege eervol ontslagen.

De inspecteurs, die op dat tijdstip den ouderdom van vijf en zestig jaren liebhen bereikt, behouden levenslang hunne volle wedde als wachtgeld; de inspecteurs die op dat tijdstip dien ouderdom niet hebben bereikt, hebben aanspraak op wachtgeld volgens de bepalingen van Ons besluit van 21 Julij 1869 {Staatsblad no. 142).

93. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. (Wet 1889, art. X.)

Behoudens de voorscl riften van dezen titel vervallen met hare invoering de wet van 13 Augustus 1857 {Staatsblad no. 103) en alle andere het lager ouderwijs betreffende algemeene, provinciale en plaatselijke verordeningen, voor zoover zij met de voorschriften dezer wet in strijd zijn.

OVERGANGSBEPALINGEN

der wet van 8 December 1889 [Staatsblad no. 175).

Art. quot;V. De wijziging, bij deze wet gebracht in artikel 45 der wet van 17 Augustus 1878 [Staatsblad no. 127), zooals dat artikel luidt, volgens de wet van 11 Juli 1884 [Staatsblad no. 123), wordt voor het eerst toegepast op het dienstjaar 1891.

Over de voorafgaande dienstjaren blijft artikel 45, zooals dat thans luidt, van kracht, met dien verstande evenwel dat over het dienstjaar 1890 1°. in de kosten wegens het stichten, verbouwen of aan-koopen van schoollokalen, eene Bijksbijdrage van vijf en twintig ten honderd zal worden uitgekeerd; 2°. de kosten wegens het stichten, verbouwen of aankoopen van onderwijzerswoningen en die wegens het aanschaffen van noodzakelijke schoolmeubelen voor eerste inrichting van nieuwe schoollokalen bij de vaststelling der Bijksvergoeding niet in aanmerking komen, ten ware de bestekken voor den bouw en verbouw van scholen en onderwijzerswoningen vóór 24 September 1889 aan de bij artikel 50 der wet van 17 Augustus 1878 [Staatsblad no. 127), zooals dat artikel luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 [Staatsblad no. 123), gevorderde goedkeuring zijn onderworpen, in welk geval dertig ten honderd van het bedrag dier kosten zal worden vergoed. (K.B. 23 Dec. 1889, Stsbl. no. 189.)

ocr page 314

WET OP HET LAGER OUDERWIJS.

Indien de bijdrage in de jaarwedden van onderwijzers, volgens het bij deze wet gewijzige art. 45 der wet van 17 Augustus 1878 {Staatsblad no. 127), over eenig dienstjaar voor eene gemeente minder mocht bedragen dan de som der Rijksvergoeding in de kosten van het lager onderwijs, niet medegerekend die voor het stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het aanschaffen van noodzakelijke schooltneubelen bij eerste inricliting van nieuwe lokalen, waarop die gemeente krachtens evengenoemd wetsartikel, zooals dat luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 {Staatsblad no. 123), over 1889 aanspraak kon doen gelden, zal liet Rijk aan zoodanige gemeente in plaats van de bijdrage in de jaarwedden van onderwijzers, hierboven vermeld, nitkeeren het bedrag, waarop zij, naar den regel van het aangehaalde art. 45 der wetten van 1878/S4, als Rijksvergoeding in de kosten van het lager onderwijs, niet medegerekend die voor het, stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het aanschaffen van de noodzakelijke schooltneubelen bij eerste inrichtingen van nieuwe lokalen, over dat dienstjaar aanspraak zoude hebben gehad, doch in geen geval tot een hooger bedrag dan haar dienovereenkomstig over 188!) toekwam.

De uitkeering dezer vergoeding geschiedt met inachtneming van het gestelde maximum en behoudens aanvulling of terugbetaling, na vaststelling der gemeenterekeniug, bij wijze van voorschot op den grondslag der goedgekeurde begrootiugscijfers.

Zoodra over eenig dienstjaar de bepaling van het derde lid op eene gemeente niet behoeft toegepast te worden, houdt zij voor die gemeente op voor den vervolge te gelden.

Artikel 54to wordt voor het eerst toegepast op het dienstjaar 1890, doch met dien verstande dat indien over dat jaar het aantal onderwijzers aan de school verbonden niet voldoet aan de eisehen voor de openbare scholen gesteld in de artt. 23 en 24, het 3de lid uitgezonderd, de aanspraak op de Rijksbijdrage voor de aan die scholen verbonden onderwijzers daardoor niet verloren gaat. Over de jaren 1891 tot en met 1898 gaat wegens het niet voldoen aan het voorschrift van art. 54fó,9, sub 4quot;., de aanspraak op de Rijksbijdrage eerst dan verloren wanneer de bijzondere scholen ten aanzien van het onderwyzend personeel niet voldoen aan art. 23 of, voorzoover art. 24 betreft, niet voldoen aan de door (Jus krachtens art. 88 der wet te geven voorschriften.

Met afwijking van het bepaalde bij het voorlatiste lid van art. 24, zooals dat artikel bij deze wet wordt gewijzigd, geldt, voor de bij het in werking treden dezer wet bestaande bijzondere lagere scholen die voor de Rijksbijdrage bedoeld bij art. 54^'s in aanmerking komen, voor het jaar 189U, tot grondslag voor de toepassing van art. 24, het aantal kinderen dat op 31 December 1B89 als werkelijk schoolgaande bekend stond.

286

ocr page 315

WET OP HET LAGER ONDERWIJS, 287

Het aantal onderwijzers bij het in werking treden dezer wet aan de gemeentescholen verbonden mag niet worden verminderd, behoudens voor zoover het volgens het bij deze wet gewijzigd art. 24 gevorderd aantal is ovsrsclireden.

Voorschriften omtrent de uitvoering van dit artikel worden door Ons gegeven bij algemeenen maatregel van bestuur.

VI. Het bij deze wet bevolen onderwijs in het vak, genoemd in art. 2 onder y, wordt verplichtend op 1 Januari 1893.

Gedurende de zes jaren, volgende op dat tijdstip, kan door Ons telkens voor ten hoogste twee jaren, ontheffing worden verleend aan bepaalde scholen van de verplichting tot het doen geven van dit onderwijs.

Zij, door wie vóór of op 1 September 1889 overeenkomstig art. 15a en art. iibis der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), zooals die is gewijzigd bij de wet van 11 Juli 1884 [Staatsblad no. 123), onderwijs gegeven werd in het vak in art. 2 vermeld ouder lit. s. kunnen met het geven van dat onderwijs voortgaan op den voet, waarop het door hen werd gegeven.

Zij, die vóór het in werking treden dezer wet, de akte, vermeld in art. 56 onder a of b hebben verkregen of in het bezit zijn der daarmede gelijkgestelde akten of toelatingen, zijn bij het afleggen van bet in art. vermelde examen in bet vak j vrijgesteld van

het in art. 65lt;«r daarvoor bepaalde examengeld.

VII. Subsidiën thans genoten krachtens art. 3, 3de lid, der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), kunnen nog na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt doch tot geen lioo-ger bedrag, noch op andere voorwaarden worden uitgekeerd.

Andere subsidiën welke onder de werking der wet van 17 Augustus 1878 [Staatsblad no. 127) door gemeenten zijn verleend, doch na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt niet meer verleend kunnen worden, kunnen nog gedurende vijf jaren na dat tijdstip, doch tot geen honger bedrag noch op andere voorwaarden worden uitgekeerd. (L.0 3e.)

VIII. Onderwijzeressen, welke de akte, vermeld in art. 55, onder a, der wet van 17 Augustus 1878 [Staatsblad no. 127), of die, vermeld onder b van dat wetsartikel, vóór het in werking treden dezer wet hebben verkregen of in het bezit zijn der daarmede in art. 85 der wet van 17 Augustus 1878 [Staatsblad \\o. 127) gelijkgestelde akten of toelatingen, behouden de bevoegdheid tot het geven van huis- en schoolonderwijs in het vak, genoemd onder k in art. 2 dier wet, binnen den kring waarin zij die bevoegdheid bezaten.

Allen, die de akte, vermeld in art. 50, onder der wet van 17 Augustus 1878 [Staatsblad no. 127) vóór het in werking treden dezer wet hebben verkregen of in het bezit zijn der daarmede in art. 85 der wet van 17 Augustus 1878 [Staatsblad no. 127) gelijkge-

*

i

ocr page 316

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

stelde akten of toelatingen, behouden de bevoegdheid tot het geven van huis- en schoolonderwijs in het vak, genoemd onder p in art.

2 dier wet, binnen den kring waarin zij die bevoegdheid bezaten.

De akte, vermeld in art. 50, onder a, der wet van 17 Augustus 1878 • {Staatsblad no. 127), vóór het in werking treden dezer wet verkregen, geeft, tot bet geven van huis- en schoolonderwijs in de eerste oefeningen van het bandteekenen, gelijke bevoegdheid als de akte,

vermeld in art. 56, onder a, zooals dat artikel bij deze wet is ge- 'Va wijzigd.

IX. De bestaande bepalingen omtrent de examens, ter verkrijging der akten van bekwaamheid, vermeld in art. 56 onder a en b, en omtrent de vergelijkende examens blijven gelden, totdat die onderwerpen overeenkomstig deze wet opnieuw zullen zijn geregeld, doch niet langer dan 1 Januari 1891 en met dien verstande dat de voorschriften in art tSöter met het tijdstip van het in werking treden dezer wet voor alle in dat artikel bedoelde examens van kracht zijn. _

X. Deze wet treedt in werking op 1 Januari 1890. reP ''

0 r scho

2. open O ten, zijn A vine waai Ons Bi

bare stige i3. dan

4. bezi' zede

V van

5. a.

onde ; b.

1 ~

het I

2 dei SI

288

ocr page 317

WET

HOUDENDE REGELING VAN HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

(Vastgesteld den 2den Mei j863, Stsbl. no. 50, uitgegeven den 19den Mei d.a.v. Gewyzigd by de wet van 28 Juny 1876, Stsbl. do. 143, 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 9 Mei 1890, Stsbl. no. 78.

Aangevuld by de wet van 25 April 1879, Stsbl. no. 87.)

é

TITEL 1.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. I. Tot het middelbaar onderwijs worden gerekend te beboeren alle vakken, welke volgens deze wet onderwezen worden aan de scholen, waarover zij zich uitstrekt. (M.O. 12 volg.).

2. De scholen van middelbaar onderwijs worden onderscheiden in openbare en bijzondere.

Openbare scholen zyn die, opgericht en onderhouden door gemeenten, provinciën en het Rijk, afzonderlijk of gezamenlijk; de overige zgn bijzondere. (L.0. 3.)

Aan bijzondere inrigtingen kan van wege de gemeente, de provincie of het Rijk subsidie worden verleend, onder zoodanige voorwaarden als door het gemeentebestuur, het provinciaal bestuur of Ons noodig zal geacht worden.

Bijzondere inrigtingen, aldus gesubsidieerd, zijn, gelijk de openbare scholen, voor alle leerlingen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid, toegankelijk. (L.0. 3rf.) ')

3. Middelbaar onderwijs, gegeven aan jongelieden van niet meer dan drie gezinnen gezamenlijk, wordt als huisonderwijs beschouwd.

4. Niemand mag middelbaar onderwijs geven, die niet in het bezit is der bij deze wet gevorderde bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid. (M.O. 25 volg.: G. 192; L.0. ü.)

Vreemdelingen behoeven bovendien Onze vergunning. (G. 5; Wet van 4 Juny 1858, Stsbl. no i6.)

5. De bepalingen van het voorgaande artikel zijn niet toepasselijk:

a. op hen, die aan de kinderen van slechts één gezin middelbaar onderwijs geven; (L.0. la.)

b. op hen, die, van het geven van middelbaar onderwijs geen

1) De 5de en 6de alinea van art. 2 zijn vervallen door de intrekking der wet op het L. O. van 1857 by art. 93 der wet op het L. O. van 1878. Zie thans artt. 1 en 2 der wet houdende Aanvul. M. O, van 25 Apr. 1879, Stsbl. no. 87, hierachter.

STAATSWETTEN. 19

T

ocr page 318

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

beroep makende en zich zonder geldelijke belooning daartoe bereid verklarende, van Ons vergunning hebben verkregen tot het geven van zoodanig onderwijs. (L.O. 1b.)

6. Afgeschaft bij art. 3d der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. (zie thans art. 436 Wetb. v. Strafrecht) behoudens de volgende bepaling, uit de 2de alinea: Hiervan (van de betr. strafbepaling) zyn uitgezonderd de onderwijzers en onderwijzeressen aan inrigtingen van middelbaar onderwijs, die bij het bestaan eener vacature of bij ontstentenis van een ambtgenoot eenige lessen tijdelijk waarnemen, mits die waarneming niet langer dan zes maanden dure.

7. Vervallen bij art. 17 der wet ïan 15 April 1886, Slsbl. no. 64.

8. De bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs vervalt voor hem, die by een eindvonnis is veroordeeld;

а. Afgeschaft bij art. 'id der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

б. tot eene der straffen omschreven in art. 28, nos. 4 en 5, van het Wetboek van Strafrecht. ') (L.O. 10.)

By ergerlijk levensgedrag of wanneer hij, bij het geven van onderwijs, leeringen verspreidt strijdig met de goede zeden of aansporende tot ongehoorzaamheid aan de wetten des lands, kan de onderwijzer door Ons worden verklaard zijne bevoegdheid tot het geven van onderwijs verloren te hebben. (L.O. 29 volg., 33, 53.)

9. Hij, die de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs verloren heeft, kan haar niet terugkrijgen.

In het geval, omschreven in het laatste lid van het voorgaande artikel, kan zij door Ons worden teruggegeven. (L.O. 11.)

10. Van elk besluit, krachtens deze wet door Gedeputeerde Staten genomen, kan bij Ons in beroep worden gekomen. (P. 168; L.O. 14.)

11. Deze wet is niet toepasselijk op inrigtingen van onderwijs der zee- en landmagt, noch op de onderwijzers, by die inrigtingen aangesteld. (L.O. 15.)

Zij is, voor zooveel de bevoegdheid tot het geven van onderwijs aangaat, evenmin toepasselijk op de scholen voor doofstommen of blinden, welke nogtans onderworpen zijn aan het toezigt, vermeld in art. 46.

Bij geschil, of eene school, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, tot de inrigtingen van het lager, het middelbaar of het hooger onderwijs heaoore, wordt daarover door Ons beslist.

TITEL II.

VAN HET OPENBAAR MIDDELBAAR ONDERWIJS.

Art. 12. Openbaar middelbaar onderwijs wcrdt gegeven in:

a. burgerscholen; (M.O. 13 en 14.)

4. hoogere burgerscholen; (M.O. 15—18.)

c. landbouwscholen; (M.O. 19, 20.)

290

d. de polytechnische school. (M.O. 39 volg.)

1) Aldus gewyzigd by art. 17 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 319

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE BURGERSCHOLEN, HOOG ERE BURGERSCHOLEN EN LANDBOUWSCHOLEN.

§ 1. Van de scholen.

Art. 13. De burgerscholen, voornamelijk bestemd voor aanstaande ambachtslieden en landbouwers, zijn dag- en avondscholen.

De burgerschool is vat een tweejarigen cursus.

Aan de burgerdagschool wordt onderwijs gegeven in: (L.O. 2.)

a. de wiskunde;

b. de eerste beginselen der theoretische en toegepaste mechanica en der kennis van werktuigen;

c. die der natuur- en scheikunde;

d. die der natuurlijke historie;

e. die der technologie of der landbouwkunde;

f. de beginselen der aardrykskunde; j (Wet houdende Aanvul.

g. die der geschiedenis; j M.0.1879, Stsbl.no. 87,

h. die der nederlandsche taal; ) art. 3.)

i. de eerste gronden der staathuishoudkunde;

k. het hand- en regtlijnig teekenen;

l. de gymnastiek. (M.0. 16, 17.)

De gemeenteraad bepaalt, of de beginselen der feclmologie, dan wel die der landbouwkunde onderwezen zullen worden; hij kan ook bepalen, dat in beide vakken onderwijs gegeven zal worden. Hij kan ook bij de opgenoemde vakken van onderwijs dat in het boetseren en in eene of andere vreemde taal voeren.

De raad bepaalt mede, welke van de in dit artikel genoemde vakken aan de avondschool onderwezen zullen worden. (L.O. 17.)

14. In elke gemeente, waar de bevolking tien duizend zielen te boven gaat, wordt door het gemeentebestuur ten minste ééne burgerschool, dag- en avondschool opgerigt. Zij kan aan eene openbare lagere school verbonden worden. (L.O. 1'ia.)

Mogt de bevolking eener gemeente van boven tien duizend zielen zóó ver uiteenwonen, dat op bezoek eener burgerschool weinig te rekenen ware, of in de behoefte op andere wijze voorzien zijn, dan kan zoodanige gemeente door Ons van het voorschrift der eerste zinsnede van dit artikel vrijgesteld worden.

Blijkt het, dat door eene burgeravondschool in de behoefte eener gemeente voldoende wordt voorzien, dan kan van de verpligting tot het oprigten eener burgerdagschool door Ons, doch telkens slechts voor een bepaald getal jaren, ontheffing worden verleend. In dit geval is het onderwijs der avondschool over een tweejarigen cursus verdeeld, en bepalen Wij, den gemeenteraad gehoord, welke der in het vorig artikel genoemde vakken het onderwijs zal omvatten.

15. De hoogere burgerscholen worden onderscheiden in hoogere

291

19*

ocr page 320

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

burgerscholen met vijfjarigen, en in hoogere burgerscholen met driejarigen cursns.

16. Aan de hoogere burgerscholen met driejarigen cursus wordt onderwijs gegeven in:

a. de wiskunde;

b. de eerste beginselen der natuur- en scheikunde;

c. de beginselen der plant- en dierkunde;

d. die der staathuishoudkunde;

e. die van het boekhouden;

f. de aardrijkskunde;

g. de geschiedenis;

h. de nederlandsehe taal;

i. de franscbe taal;

k. de engelsche taal;

l. de hoogduitsche taal;

»2. het schoonschrijven;

n. het hand- en regtlijnig teekenen;

0. de gymnastiek. (M.O. 13.)

17. Aan de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus wordt onderwijs gegeven in:

a. de wiskunde;

b. de beginselen van de theoretische en toegepaste mechanica, van de kennis van werktuigen en van de technologie;

c. de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen;

cl. de scheikunde en hare voornaamste toepassingen;

e. de beginselen der delfstof-, aard-, plant- en dierkunde ; /. die der kosmographie;

g. de gronden van de gemeente-, provinciale- en staatsinrigting van Nederland;

h. staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen;

1. de aardrijkskunde;

k. de geschiedenis;

l. de nederlandsehe taal- en letterkunde;

wj.de franscbe taal- en letterkunde;

n. de engelsche taal- en letterkunde;

o. de hoogduitsche taal- en letterkunde;

p. de beginselen der handelswetenschappen, daaronder die der warenkennis en het boekhouden;

q. het schoonschrijven;

r. het hand- en regtlijnig teekenen;

s. de gymnastiek. (M.O. 13, 16.)

18. Er zijn althans vijftien Kijks-hoogere burgerscholen, te vestigen in daarvoor meest gelegene gemeenten in de onderscheidene oorden van het land. Daaronder zijn ten minste vijf met vijfjarigen cursus. (L.O. 16.)

292

*

ocr page 321

I

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS. 293

t drie-

19. Er is eene Rg ks-, andbouwschool, indien in de behoeften aan wordt landbonwonderwijs niet op andere wijze wordt voorzien. (M.O. J34=i.)

Aan bijzondere landbouwscholen kan Rijkssubsidie worden verleend.

20. Het onderwys aan de Rijks-landbouwschool omvat:

a. staathuishoudkunde.

b. toegepaste wiskunde, als landmeten, waterpassen en inhoudsbe-rekeningen;

c. de werktuigkunde, toegepast op den landbouw en kennis van landbouwwerktuigen;

d. de zatnenstelling en inrigting der gebouwen voor den landbouw en de veeteelt;

e. het regtlijnig teekenen, toegepast op de bouwkunde en werktuigen ;

f. de natuurkunde, scheikunde en weerkunde, toegepast op den landbouw;

g. de landbouw-technologie;

vordt de delfstofkunde en aardkunde, toegepast op den landbouw;

i. de algemeene bijzondere plant- en dierkunde;

k. de ontleedkunde en natuurkunde der planten en dieren; , van ^ de kennis van de uiterlijke vormen, rassen, ziekten en geneesleer der huisdieren;

m. den algemeenen en bij zonderen landbouw, — akkerbouw, wei-debouw, warmoezerij, tuinbouw en hout- en ooftboomteelt;

n. de veeteelt, daaronder begrepen pluimvee- en bijenteelt, en zuivelbereiding ;

;ting 0- het landbouw-boekhouden;

p. den praktischen landbouw, houtteelt en behandeling der huis-land dieren daaronder begrepen;

q. den kolonialen land- en boschbouw. (M.O. 13, 16, 17.)

21. Voor burgerscholen, hoogere burgerscholen of landbouwscholen, door provinciën, gemeenten of bijzondere personen, met of zonder Rijkssubsidie tot stand gebragt, kan het plan van inrigting van onderwijs, zoo als het aan de verpligte gemeentescholen en de Rijksscholen in artt. 13, 16, 17 en 20 is voorgeschreven, naar de omstandigheden gewijzigd, ingekrompen of uitgebreid worden. (L.O. 164.)

wa. De inrigting van middelbare scholen voor meisjes, door gemeentebesturen, provinciën of bijzondere personen met of zonder subsidie te stichten, wordt aan de stichters overgelaten, behoudens voorwaarden, aan verleende subsidiën te verbinden. (M.O. 230,

22. ') Al hetgeen de toelating tot de Rijks-hoogere burger- en land-ïsti- bouwscholen, de verpligtingen van den directeur en de leeraren en oor- de regeling van het onderwijs betreft, wordt, voor zooverre het niet

gen --

1) Zie omtrent de uitvoering van dit art. de K.B. van 30 Aug. 1864-, Stsbl. no. 91,13 Aug. 1873, Stsbl. no. 131, 9 April 1879, Stsbl. no. 55 en 23 Juli 1884, Stsbl. no. 181.

*

ocr page 322

294 WET OP HET MIDDELBAAR ONDEKWIJS.

door deze wet is geregeld, bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.

§ 2. Van de onderwijzers.

Art. 23. De onderwijzers aan de openbare burgerscholen, de hoogere burgerscholen en de Rijks-landbouwschool dragen den titel van leeraar.

Aan het hoofd van elke dier scholen is een der leeraren geplaatst, die den titel draagt van directeur. (L.0. 23.)

24. Het getal der leeraren voor de gemeentescholen, alsmede het bedrag hunner jaarwedden, wordt door den gemeenteraad vastgesteld.

De besluiten van den gemeenteraad, daartoe betrekkelijk, worden voor de scholen, tot wier oprigting de gemeenten krachtens deze wet verpligt zijn, aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten, voor die, welke door het Rijk worden gesubsidieerd, aan de goedkeuring van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken onderworpen. Gelijke goedkeuring wordt gevorderd met betrekking tot scholen, door eene provincie met Rijkssubsidie opgerigt. (L.0. 26.)

25. Om tot leeraar aan eene burgerschool benoemd te kunnen worden, wordt gevorderd, behalve een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door het dagelijksch bestuur der gemeente of gemeenten, waar men gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond; (M.O. 4, 84 volg.; L.O. 27.)

«. voor de vakken, vermeld onder a—d van art. 13, en voor de technologie, het bezit eener acte van bekwaamheid A, vermeld in art. 70, of voor elk dier vakken afzonderlijk het bezit van eene der acten, vermeld in art. 76;

b. voor de landbouwkunde, het bezit eener acte A voor dat vak, afgegeven krachtens art. 73;

c. voor de vakken, vermeld onder f—h van art. 13, het bezit eener acte, vermeld in het eerste lid van art. 74, of voor elk dier vakken afzonderlijk, het bezit van eene der acten, vermeld in art. 76;

d. voor de eerste gronden der staathuishoudkunde, het bezit eener acte, vermeld in het tweede lid van art. 74, of van de acte voor dat vak, vermeld in art. 76;

e. voor het teekenen en de gymnastiek, het bezit eener acte voor die vakken, vermeld in art. 77.

Tot het geven van onderwijs in de vakken, vermeld onder /—h van art. 13, zyn tevens bevoegd zij, die in het bezit zijn eener acte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer voor het lager onderwijs; tot het onderwijs in wiskunde en levende talen zij, die eene acte voor dat onderwijs bezitten, afgegeven krachtens art. 47 der wet van den 13den Augustus 1857 [Staatsblad no, 103). (Thans krachtens art. 56i L.0.1878; zie Aanv.w. M.O. v. 1879, artt. 3 en 6.)

26. Om tot leeraar aan eene hoogere burgerschool met driejarigen cursus benoemd te kunnen worden, wordt vereischt, behalve

ocr page 323

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

bestuur het in het voorgaand artikel vermeld getuigschrift: (M.O. 4, 34 volg.; L.O. 27.)

a. voor de vakken, vermeld onder a—c van art. 16, het bezit eener acte van bekwaamheid A, vermeld in art. 70, of voor elk

en, de dier vakken afzonderlijk, het bezit van eene der acten, vermeld in n titel art. 76;

b. voor de beginselen der staathuishoudkunde, het bezit eener ilaatst, acte, vermeld in het tweede lid van art. 74, of van de acte voor dat

vak, vermeld in art. 73;

ide het c- voor de beginselen van het boekhouden, het bezit eener acte, esteld. vermeld in het eerste lid van art. 7 5, of van de acte voor dat vak, t-orden vermeld in art. 76;

s deze d- voor de vakken vermeld onder ,f—h van art. 16, het bezit i, voor eener acte, vermeld in het eerste lid van art. 74, of voor elk dier surinc vakken afzonderlijk, het bezit van eene der acten, vermeld in art. 76; relijke e- voor de vakken, vermeld onder «, i, /, n en o van art. 16, het r eene bezit der acten voor die vakken, afgegeven krachtens art. 77.

27. Om tot leeraar aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen jnnen cursus benoemd te kunnen worden, wordt, behalve het in art. 25 id ze- vermelde getuigschrift, gevorderd: (M.O. 4, 84 volg.; L.O. 27.) icente a- voor de vakken, vermeld onder lt;/ en ^ van art. 17, het bezit ft ge- eener acte van bekwaamheid B, vermeld in art. 70 of in art. 71 ;

b. voor het vak, vermeld onder c, het bezit eener akte B, vermeld or de in art. 71;

ld in c. voor het vak, vermeld onder c?, het bezit eener acte B, ver-e der meld in art. 72;

d. voor de vakken, vermeld onder e eny, het bezit eener acte A, vak, vermeld in art. 70;

e, voor de vakken, vermeld onder y en h, het bezit eener acte, bezit vermeld in het tweede lid van art. 74, of van de acten voor die

dier vakken, afgegeven krachtens art. 76;

i. 76; ƒ■ voorde vakken, vermeld onder i—l, het bezit eener acte, ver-;ener meld in het eerste lid van art. 74, of voor elk dier vakken afzonder-• dat lijk. het bezit van eene der acten, afgegeven krachtens art 76;

1/. voor de vakken, vermeld onder m—o, r en i, het bezit van de voor acten voor die vakken, afgegeven krachtens art. 77;

h. voor het vak, vermeld onder /j, het bezit eener acte, vermeld f—ft. in het eerste lid van art. 75, of van de acte voor dat vak, vermeld ener in art. 76.

der- 28. De directeuren en leeraren der Rijks-hoogere burgerscholen

eene en der Rijks landbouwschool worden door Ons benoemd, geschorst der en ontslagen.

lans 29. De directeuren en leeraren der gemeentescholen worden be-

i 6.) noemd door den gemeenteraad, die vooraf eene aanbevelingslijst van ari- benoembaren ontvangt, door burgemeester en wethouders, na ver-ilve hoor van den inspecteur, opgemaakt. (L.O. 28.)

295

ocr page 324

296 WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

Zij kunnen door burgemeester en wethouders worden geschorst. 34

Deze geven zoo spoedig mogelijk rekenschap van hun besluit aan no. 7 den gemeenteraad.

Zij worden ontslagen door den gemeenteraad, burgemeester en wethouders en den inspecteur gehoord. Ai

Is Schorsing naar inzien van den inspecteur noodig, en zijn bur- ui®* '

gemeester en wethouders nalatig of weigerachtig daartoe over te fonds gaan, dan kan de schorsing door Gedeputeerde Staten geschieden.

Is ontslag naar inzien van burgemeester en wethouders of van schol

den inspecteur noodig, en is de gemeenteraad nalatig of weiger- b.

achtig daartoe over te gaan, dan kan het ontslag door Gedeputeerde schoc

Staten geschieden. (L.O. 29.) zoovi

30. De schorsing van een directeur of leeraar geschiedt hoogstens e-voor drie maanden. d.

Het besluit tot schorsing bepaalt, of zij geschiedt met behoud, dan wcA

wel met gedeeltelijk of geheel verlies der bezoldiging. (L.O. 29.) e-

31. Voor de directeuren en leeraren der Rijks-hoogere burger- en f-m landbouwscholen komt, met opzigt tot hunne aanspraak op pensioen, 3i als diensttijd mede in aanmerking de tijd, dien zij krachtens eene drag vaste aanstelling, van Ons, van Onzen Minister van Binnenlandsche O Zaken of van een gemeentebestuur ontvangen, als onderwijzer hij niet eene openbare inrigting van onderwijs hebben doorgebragt.

32. Aan de directeuren en leeraren der gemeente-burgerscholen, D tot welker oprigting de gemeenten verpligt zijn, wordt ten laste den van den Staat pensioen verleend in de gevallen, naar de regelen en de 1 onder de voorwaarden, voor burgerlijke ambtenaren bij de wet vast- H gesteld of nader vast te stellen, een en ander overeenkomstig de v001 bijzondere bepalingen, in dit en de drie volgende artikelen vervat. (Gel

Voor de toepassing dier regelen worden de genoemde directeuren E

en leeraren als burgerlijke ambtenaren beschouwd. Zij behooren tot OTe)

de deelhebbenden in het voor die ambtenaren by de eerste afdeeling E der wet van den 9den Mei 1846 {Staatsblad no. 24) ingestelde pen-

sioenfonds. (Wet 9 Mei 1890, Stsbl. no. 78.) lam

Voor hen komt, behalve den diensttijd in de bij het eerste lid 's I

van dit artikel vermelde betrekkingen, en dien, welke voor andere 3

burgerlijke ambtenaren geldig is, als zoodanig mede in aanmerking sc|i:

de tijd, dien zij, krachtens eene vaste aanstelling, van Ons, van nm

Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken of van een gemeentebe- gai

stuur ontvangen, als ouderwijzer bij eene openbare inrigting van doo

onderwijs hebben doorgebragt. '

De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op directeuren vai

en leeraren, die als onderwijzers eener openbare lagere school aan- aai

spraak op pensioen kunnen doen gelden. '

33. De bijdragen, ingevolge het voorgaande artikel door de directeuren en leeraren verschuldigd, worden door de zorg der gemeente- — besturen geïnd en aan het Rijk verantwoord. (H.O. 21.) 1

ocr page 325

I

WET OP HET MIDDELEAAR ONDERWIJS. 297

)rst. 34 en 35. Vervallen bij art. 41, 5°, der wet van 9 Mei 1890, Stsbl. aan no. 78.

§ 3. Van de konten.

ret-

Art. 36. De kosten der gemeente-burgerscholen, voor zooverre zij iur- niet komen ten laste van anderen of uit bijzondere daartoe bestemde te fondsen kunnen worden bestreden, door de gemeente te dragen, zijn: len. «. de jaarwedden van de directeuren, leeraren en bedienden dier ran scholen;

;er- b. de kosten van het oprigten en in stand houden of het huren der rde schoollücalen en der woningen van de directeuren of leeraren, voor

zooveel die het geuot van vrije woning mogten hebben; ens c. die van verlichting en verwarming der schoollocalen;

d. die van het aanschaffen en onderhouden der schoolmeubelen, an werktuigen en verdere hulpmiddelen voor het onderwijs;

e. de bijdrage der gemeente tot het pensioen der onderwijzers; en f- de kosten der plaatselijke commissie van toezigt. (L.O. 43, 44.) 3n, 37. Ter tegemoetkoming in de kosten de scholen kan eene bij-me drage van iederen leerling' gevorderd worden. (L O. 40.)

he Deze bijdrage kan voor de gemeentescholen, die art. 14 vordert,

bij niet hooger worden gesteld dan op twaalf gulden 's jaars, en voor de Rijks-hoogere burgerscholen niet hooger dan op zestig gulden 's jaars. m, De bepaling der bijdrage geschiedt voor de gemeentescholen door

ite den gemeenteraad, voor de provinciale scholen door de Staten, en voor en de Rijks-scholen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, it- Het invoeren, wijzigen en afschaffen van schoolgelden geschiedt,

ie voor de gemeentescholen, met inachtneming van artt. '232—236 der it. (Gem.) wet van den 29sten Junij 1851 (Staatsblad no. 85). jn De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening

ot overeenkomstig de bepalingen van artt. 258—262 dier wet. (L.O. 34. j ig De invordering der schoolgelden voor de Rijks-hoogere burger-

i- scholen geschiedt op de wijze, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vast te stellen. De opbrengst dier gelden wordt in id 's Ryks schatkist gestort.

re 38. Ieder die als kweekeling eener Rijks-landbouwschool is inge-

g schreven, stort, bij den aanvang van elk studiejaar, eene som van n minstens f 40 en hoogstens f 100. Hij verkrijgt daardoor den toe-s- gang tot alle lessen der school. De bepaling der bijdrage geschiedt n door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken. ')

Zij, die slechts enkele lessen wenschen te volgen, kunnen daartoe n van den directeur vergunning bekomen. Zij betalen, mede bij den aanvang van elk studiejaar, voor lessen, die gegeven worden: eenmaal 's weeks f 5,00;

tweemaal 's weeks ƒ 10,00;

1) Aldus gewyzigd bij de wet van 28 Juny 1876, Stsbl. no. 143.

ocr page 326

298 quot;WET OP HEI MIDDELBAAR ONDERWIJS.

driemaal 's weeks f 15,00; z

viermaal of meermalen 's weeks / 20,00. bar

De in dit artikel vermelde gelden worden in 's Rijks schatkist 4

gestort. soh

TWEEDE HOOFDSTUK. Hij

i

TAN DE POLYTECHNISCHE SCHOOL. der

§ 1. Van de school.

Art. 39. De polytechnische school is bestemd voor de opleiding: ( 1°. van aanstaande industriëlen of technologen, die eene grootere mate van theoretische en technische kennis verlangen dan aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus kan verkregen worden; ges 2°. van hen, die verlangen zich te bekwamen tot:

a. civiel ingenieur;

b. architect of bouwkundig ingenieur;

e. scheepsbouwkundig ingenieur; scl

d. werktuigkundig ingenieur;

e. mijnen-ingenieur.

40. Het onderwijs aan de polytechnische school omvat:

a. de hoogere stelkunde;

b. de bolvormige driehoeksmetingen de analytische meetkunde;

c. de beschrijvende meetkunde en hare toepassing;

d. de differentiaal- en integraalrekening;

e. het landmeten, waterpassen en de geodesie;

de theoretische mechanica;

g. de toegepaste mechanica;

h. de kennis van werktuigen;

i. de mechanische technologie en de werktuigbouwkunde; k. de toegepaste natuurkunde;

l. de toegepaste, de praktische en analytische scheikunde;

OT.de scheikundige technologie;

n. de kennis van het hedendaagsche fabriekwezen;

o. de delfstofkunde en de aardkunde; te p. de toegepaste aardkunde en de mijnontgi.ming;

q. de metallurgie; 2 r. de waterbouwkunde, den aanleg van gewone wegen en spoorwegen en den bruggenbouw; d s. de burgerlijke bouwkunde; d t. de scheepsbouwkunde;

u. het regtlijnig en handteekenen, met toepassing op de verschil- h

lende vakken; g ». praktische oefeningen met gereedschap en draaibank;

w. het maken van modellen van werktuigen; v

x. de staathuishoudkunde; v

y. het handelsregt; t

ocr page 327

WEI OP HET MIDDELBAAR OKDERWIJS.

z. het administratief regt in betrekking tot den waterstaat, de openbare werken, het mijnwezen en de nijverheid. (M.O. 13, 16, 17, 2U.) atkist 41. leder, die als kweekeling der polytechnische school is ingeschreven, stort bij den aanvang van elk studiejaar eene som van / 200. Hij verkrijgt daardoor den toegang tot alle lessen der school.

Zij, die slechts enkele lessen wenschen te volgen, betalen, mede bij den aanvang van elk stadiejaar, voor lessen, die gegeven worden: eenmaal 's weeks ƒ 10;

tweemaal 's weeks f 20;

ding: driemaal 's weeks ƒ 30;

)otere viermaal of meermalen 's weeks f 40.

eene De in dit artikel vermelde gelden worden in 's Rijks schatkist len; gestort. (M.O. 38.)

§ 2. Van de leeraren.

Art. 42. De hoogleeraren en andere leeraren der polytechnische school worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

Op hen is mede van toepassing de bepaling van art. 31.

§ 3. Van het lest uur.

[(je. Art. 43. Het bestuur der polytechnische school is opgedragen

aan eenen door Ons te benoemen directeur en eenen raad van bestuur zamengesteld uit de hoogleeraren der school.

De werkkring en bevoegdheid van den directeur en van den raad van bestuur, hunne betrekking tot het overige onderwijzend personeel en de inwendige regeling der school worden, voor zoover die niet door deze wet zijn bepaald, bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.

TITEL III.

VAN HET B IJ ZONDEK, MIDDELBAAR ONDERWIJS.

Art. 44. Om onderwijs in bijzondere scholen of huisonderwijs te kunnen geven, wordt vereischt het bezit van:

a. eene acte van bekwaamheid, volgens deze wet verkregen; (M.O. 25, 27, 84 volg.)

oor- b een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door het

dagelyksch bestuur der gemeente of gemeenten, waar de bezitter gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond; (M.O. 25.)

c. een bewijs, dat beide deze stukken door burgemeester en wet-hil- houders der gemeente, waar het onderwijs zal gegeven worden, zijn gezien en in orde bevonden. (M.O. 25; L.ü. 51.)

45. Omtrent de afgifte van het bewijs, vermeld onder c van het voorgaand artikel, wordt uiterlijk binnen vier weken, te rekenen van den dag, waarop de aanvraag daartoe is geschied, door burgemeester en wethouders beslist.

299

ocr page 328

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

Van die beslissing, of wanneer binnen dien termijn de beslissing niet is kenbaar gemaakt aan hem, die het onderwijs wenscht te geven, wordt beroep toegelaten op Gedeputeerde Staten.

Na afwijzing door Gedeputeerde Staten, of indien binnen den tijd van zes weken hunne beschikking niet aan den belanghebbende is kenbaar gemaakt, kan bij Ons in beroep worden gekomen. (L.O. 52.)

TITEL IV.

VAN HET TOEZIGT.

Art. 46. Het toezigt op de openbare en bijzondere scholen van middelbaar onderwijs is, onder het oppertoezigt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, opgedragen aan:

a. plaatselijke commissiën, door den gemeenteraad te benoemen;

b. inspecteurs, onder welke een bijzonderlijk met het toezigt op de landbouwscholen, Rijks- en bijzondere scholen, is belast. (L O. 67.)

47. Het getal der inspecteurs wordt door Ons bepaald.

Zij worden door Ons benoemd en ontslagen.

Zij genieten uit 's Rijks kas eene jaarwedde, benevens vergoeding voor reis- en verblijfkosten.

De bepaling van art. 31 is mede op hen toepasselijk.

Zij bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze toestemming.

48. De inspecteurs worden eenmaal 's jaars door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken bijeengeroepen, ten einde onder zijne leiding de belangen van het middelbaar onderwijs te overwegen en te bevorderen.

49. De leden der commissiën van toezigt en de inspecteurs leggen, bij de aanvaarding hunner betrekking, den eed of de belofte af, dat zij haar naar behooren en getrouw zullen waarnemen.

De eedsaflegging of belofte geschiedt door de leden der commissiën van toezigt in handen van den regter van het kanton, waarin zij wonen; door de inspecteurs in handen van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken. (L.O. 71.)

50. De leden der commissiën van toezigt en de inspecteurs zijn bevoegd van de overtredingen dezer wet en der verordeningen op het middelbaar onderwijs proces-verbaal op te maken. (L.O. 72.)

51. De scholen, vermeld in art. 46, zijn steeds toegankelijk voor de leden der commissiën van toezigt en voor de inspecteurs.

De onderwijzers zijn gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent de school en het onderwijs. ')

300

52. De plaatselijke commissiën houden toezigt op de middelbare scholen in de gemeente en bezoeken die ten minste tweemalen 's jaars.

1) De strafbepalingen welke aan art. 51 waren toegevoegd, zyn vervallen door art. 3ti der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64. Zie thans art. 184, Wetb. v. Strafrecht.

ocr page 329

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

Zij zien toe, dat de algemeene verordeningen op het middelbaar onderwijs en de bijzondere reglementen voor de openbare burgerscholen en hoogere burgerscholen stipt worden nagekomen. Zij houden aanteekening van het onderwijzend personeel, het getal der leerlin-

fen en den staat van het onderwijs; zij deelen den inspecteur de elangrijke veranderingen mede, die hebben plaats gehad in de scholen, in de gemeente gevestigd, en geven hem alle inlichtingen, die hij verlangt; zij doen zoowel aan den gemeenteraad als aan Onzen Minister van Binnenlaadsche Zaken de voorstellen, die zij in Let belang van het onderwijs noodzakelijk achten.en en den staat van het onderwijs; zij deelen den inspecteur de elangrijke veranderingen mede, die hebben plaats gehad in de scholen, in de gemeente gevestigd, en geven hem alle inlichtingen, die hij verlangt; zij doen zoowel aan den gemeenteraad als aan Onzen Minister van Binnenlaadsche Zaken de voorstellen, die zij in Let belang van het onderwijs noodzakelijk achten.

Zij doen jaarlijks, vóór den Isten Maart, aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het aan hun toe-zigt toevertrouwd middelbaar onderwijs in het vorige jaar en zenden daarvan afschriften aan Gedeputeerde Staten en aan den inspecteur of de inspecteurs, met het toezigt op die scholen belast.

53. De inspecteurs zorgen door schoolbezoek voortdurend bekend te blijven met den toestand der scholen, waarvan hun het toezigt is opgedragen; zij trachten door overleg met de gemeentebesturen en met de onderwijzers den bloei van het middelbaar onderwijs te bevorderen; zij hebben toegang tot de eind-examens der burgerscholen en der hoogere burgerscholen; zij lichten Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken voor omtrent alle onderwerpen, waarover hun berigt wordt gevraagd, en doen hem alle zoodanige voorstellen, als zij in het belang van het middelbaar onderwijs noodig achten.

Zij doen jaarlijks vóór den Isten Mei aan Onzen voornoemden Minister een beredeneerd verslag van den staat van het onderwas aan de scholen, aan hun toezigt toevertrouwd. (Gr. 192e; L.O. 77.)

54. De inspecteur van het landbouwonderwijs waakt voor de getrouwe naleving van de bepalingen dezer wet en van alle andere door of van wege Ons vastgestelde verordeningen, die op de landbouwscholen betrekking hebben. Hij houdt toezigt op den gang van het onderwijs aan die scholen, alsmede aan de burgerscholen, waar onderwijs in de landbouwkunde wordt gegeven; op deze laatste echter alleen voor zooveel dit onderwijs aangaat; hij tracht door overleg met de gemeentebesturen en met de onderwijzers den bloei van het landbouwonderwijs te bevorderen; hij heeft toegang tot de eindexamens der landbouwscholen en der burgerscholen, waar onderwijs in landbouwkunde wordt gegeven; hij licht Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken voor omtrent alle onderwerpen, waarover zijn berigt wordt gevraagd, en doet hem alle zoodanige voorstellen, als hij in het belang der scholen noodig acht.

Hij zendt jaarlijks vóór den Isten Mei aan Onzen voornoemden Minister een beredeneerd verslag van den staat van het landbouwonderwijs. (G. 192e.)

301

ocr page 330

WET OP HEI MIDDELBAAR ONDERWIJS.

TITEL V. voorg

VAN DE EINDEXAMENS. ^11 ^

a. I

Art. 55. Aan hen, die aan eene openbare burgerschool, hoogere meett

burgerschool met vijfjarigen cursus, landbouw- of polytecbniscbe b. *

school het onderwijs hebben bijgewoond, wordt eenmaal 's jaars gele- c.

genheid gegeven om ten gevolge van een examen een getuigschrift of van ■

een diploma te verkrijgen. d-

Tot die examens worden ook toegelaten zij, die het onderwijs aan e.

die scholen niet hebben bijgewoond. ƒ.

De examens worden in het openbaar gehouden. (K.B. 10 Mrt. 1870, g.

S. 49, gewijz. bij K.B. 10 Mrt. 1883, S. 31 en 22 Mrt. 1885, S. 73.) h.

56. Het eindexamen voor de burgerscholen wordt afgenomen door en d eene commissie, zamengesteld uit een lid der commissie van toezigt, i. door haar zelve aan te wijzen, als voorzitter, den directeur der school 61, en de leeraren in de vakken, waarover het examen loopt. art.

Het examen betreft de vakken, welke op de in de gemeente geves- van

tigde school worden onderwezen, met uitzondering van de gymnas- H

tiek. Worden landbouw en technologie beide aan de school onder- ff.

wezen, dan kan hij, die het examen aflegt, kiezen, over welke dier b.

beide vakken het zal loopen. c.

57. De eindexamens voor de hoogere burgerschool met vijfjarigen d. cursus en die voor de landbouwscholen worden afgenomen door com- e. missiën, jaarlijks te benoemen door Onzen Commissaris in iedere /• provincie, waar zoodanige scholen aanwezig zijn. g

De leden genieten uit 's Bijks schatkist vergoeding voor reis- en dig«

verblijfkosten, benevens vacatiegelden. h

Het eindexamen voor de hoogere burgerscholen betreft de vakken, i-

vermeld onder a—p en r van art, 17. kun

Het diploma van landbouwkundige wordt verkregen ten gevolge I

van een examen, waaruit blijkt, dat de geëxamineerde de kundig- a

heden bezit, waarin aan de school onderwijs gegeven wordt. (K.B. tuij

10 Maart 1870, Stsbl. no. 49.) l

58. De eindexamens der polytechnische school worden afgenomen door commissiën, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken te benoemen. De leden genieten uit 's Rijks schatk.st vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden.

59. Zij, die naar het diploma van technoloog, civiel, bouwkundig, scheepsbouwkundig, werktuigkundig, of mijnen ingenieur dingen,

leggen een eerste examen A af, van gelijken omvang als het in art. 57 voorgeschreven eindexamen voor de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus.

Van dit examen zijn vrijgesteld zij, die het getuigschrift bezitten, verkregen na aflegging van zoodanig examen voor eene der in dat artikel genoemde commissiën.

60. Het diploma van technoloog wordt door hen, die het in het ne

302

ocr page 331

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

voorgaand artikel vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de bolvormige driehoeksmeting en de beginselen der analytische gere meetkunde;

sche b. de beginselen der oeschrijvende meetkunde;

;ele- c. die der theoretische en toegepaste mechanica, en van de kennis

ft of van werktuigen;

i. die der mechanische technologie;

aan e. de toegepaste natuurkunde;

f. de toegepaste en analytische scheikunde;

i70, g. de scheikundige technologie;

3.) h. de bouwkunde, voor zooveel betreft de kennis van bouwstoffen

loor en de zamenstelling van eenvoudige gebouwen;

igt, i. het hand- en ornamentteekenen.

looi 61. Het diploma van civiel ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge 'es- van nog twee examens.

las- Het tweede examen B betreft:

Ier- a. de hoogere stelkunde;

lier b. de bolvormige driehoeksmeting en de analytische meetkunde;

c. de beschryvende meetkunde;

jen d. de diiferentiaal- en integraalrekening;

im- e. de toegepaste natuurkunde;

ere ƒ. de analytische scheikunde met betrekking tot de bouwmaterialen;

g. de kennis van bouwstoffen, gebruikelijk zoowel voor bouwkun-en dige als waterbouwkundige werken;

h. de constructie van onderdeel en van gebouwen;

en, i. het vervaardigen van eenvoudige bouwkundige en waterbouw

kundige teekeningen en het handteekeneu.

Ige Het derde examen C betreft:

ig- a. de theoretische en toegepaste mechanica en de kennis van werk-

.B. tuigen;

b. de waterbouwkunde, omvattende:

len 1°. den aanleg van gewone wegen en spoorwegen en dien van

te bruggen;

)or 2°. den aanleg van zeeweringen;

3°. de kennis der rivieren als afwateringsmiddelen en in betrek-ig, king tot de scheepvaart;

;n, , 4°. den aanleg van kanalen, sluizen, havens en maritime werken; rt. 5°. de hydrographie van ons land, kennis van polders en bema-

let lingen;

c. de burgerlijke bouwkunde, omvattende:

in, 1°. de constructie van eenvoudige gebouwen;

at 2quot;. de beginselen der schoone bouwkunst;

d. het situatie-, ornament- en handteekenen, benevens het teekeiet nen van voorwerpen, tot de waterbouwkunde behoorende;

303

ocr page 332

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

e. het maken van ontwerpen, bestekken en begrootingen;

f. de beginselen der geodesie en het praktisch landmeten en waterpassen ;

g. het administratief regt in betrekking tot den waterstaat en openbare werken.

62. Het diploma van architect of bouwkundig ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B is hetzelfde als het examen B, vermeld in het voorgaande artikel.

Het derde examen C betreft:

a. de vakken onder a en e van het examen C, vermeld in art. 61;

b. de burgerlijke bouwkunde, de schoone bouwkunst in haren geheelen omvang daaronder begrepen;

c. de waterbouwkunde, voor zooveel betreft den aanleg van verschillende bestratingen, het bouwen van bruggen, sluien en kaaijen;

d. het theoretisch en praktisch landmeten en waterpassen;

e. het bouwkundig, ornament- en handteekenen;

f. het administratief regt, in betrekking tot openbare werken.

63. Het diploma van scheepsbouwkundig ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermelde examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B betreft:

a. de vakken onder a—e van het examen B, vermeld in art. 61;

b. de analytische scheikunde in betrekking tot de materialen voor den scheepsbouw;

c. de kennis der bouwstoffen, bij den scheepsbouw in gebruik;

d. de beginselen van het scheepsteekenen en het handteekenen.

Het derde examen C betreft:

a. het vak a van het examen C, vermeld in art. 61;

b. het teekenen van werktuigen;

c. de scheepsbouwkunde en het scheepsteekenen;

d. de waterbouwkunde en het waterbouwkundig teekenen, voor zooveel betreft werken, die tot de scheepvaart betrekking hebben.

64. Het diploma van werktuigkundig ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B betreft:

a. de vakken a—e van het examen B, vermeld in art. 61;

b. het vak ff, vermeld in art. 60;

c. de analytische scheikunde in betrekking tot de materialen voor werktuigen.

Het derde examen C betreft;

«. het vak a van het examen C, vermeld in art. 61;

b. mechanische technologie en werktuigbouwkunde;

c. het vak h, vermeld in art. 60;

304

ocr page 333

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

water- handteekenen en het leekenen van werktuigen;

e. het administratief regt in betrekking tot fabrieken en werkvat en tuigen.

65. Het diploma van mijnen-ingenieur wordt door hen, die het in wordt art- 5-' vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge elegd, vai1 n0o twee examens.

Het tweede examen B betreft:

eld in quot;• ^e vakken a—e van het examen B, vermeld in art. 61;

6. de delfstofknnde.

Het derde examen C betreft:

t. 61; het vak a van het examen C, vermeld in art. 61;

(laren het vak h, vermeld in art. 60;

c. het vak d van het examen C, vermeld in art. 62;

, ver- d. de aardkunde en de toegepaste aardkunde;

ijen ; e- de mijnontginning;

f. de doeimasic;

y. de metallurgie;

h. het teekenen van werktuigen;

door i- het administratief regt in betrekking tot het mijnwezen, ver- 66. Wanneer een der in de voorgaande artikelen vermelde examens naar genoegen der commissie is afgelegd, wordt door haar aan den geëxamineerde een getuigschrift of een diploma afgegeven, vol-il j geus het model, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken voor vastgesteld.

Getuigschriften worden afgegeven voor goed volbragte eindexa-j mens der burgerscholen en hoogere burgerscholen, alsmede voor

het eerste examen A voor technoloog, en het eerste en tweede examen A en B voor civiel, bouwkundig, scheepsbouwkundig, werktuigkundig en mijnen-ingenieur; diploma's worden afgegeven voor goed volbragte eindexamens als landbouwkundige, technoloog, civiel, bouwkundig, scbeepsbouwkundig, werktuigkundig en mijnen-roor ingenieur.

De getuigschriften worden kosteloos afgegeven; voor het diploma hen, wordt betaald eene som van veertig gulden. Deze gelden worden in igen 's Kijks schatkist gestort.

67. De commissicn, bedoeld in art. 56, zenden een verslag van hare werkzaamheden aan den gemeenteraad en een afschrift daarvan aan den inspecteur of de inspecteurs, met het toezigt op de burgerscholen belast. (M.O. 48, 53.)

oor De commissiën, bedoeld in art. 57, zenden een verslag van hare werkzaamheden aan Onzen Commissaris in de provincie, en een afschrift aan den inspecteur of inspecteurs, met het toezigt op de hoogere burgerscholen of op de landbouwscholen belast.

De commissiën bedoeld in art. 58, zenden een verslag van hare werkzaamheden aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.

| (M.O. 52.)

STAATSWETTEN. 20

__

305

ocr page 334

WET OP IÏET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

TITEL VI.

VAN DE ACIEN VAN BEKWAAMHEID.

Art. 68. De acten van bekwaamheid tot het geven van schooien huisonderwijs worden verkregen ten gevolge van het afleggen van examens. (M.O. 25, 27; L.O. 55.)

69. Ieder jaar worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken commissiën benoemd, aan welke wordt opgedragen hen te examineren, die eene acte van bekwaamheid voor het middelbaar onderwijs wenschen te verkrijgen.

De plaatsen, waar deze commissiën hare zittingen houden, worden telkens door Onzen voornoemden Minister aangewezen.

De examens worden in liet openbaar gehouden, met uitzondering van die voor onderwijzeressen. (L.O. 5Srf, 62rf.)

De leden der commissiën ontvangen uit 's Rijks schatkist vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden.

70. Er zijn twee acten van bekwaamheid voor het schoolonder-wijs in de wis- en werktuigkundige wetenschappen.

De eerste acte A wordt verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de rekenkunde, de stelkunde, de meetkunde, de platte en bolvormige driehoeksmeting, de beginselen der beschrijvende en der analytische meetkunde;

b. de beginselen der theoretische en toegepaste mechanica, der kennis van werktuigen en der technologie;

c. de beginselen der natuurkunde, der scheikunde en der kosmo-sraphie;

d. de beginselen der delfstof-, aard-, plant- en dierkunde.

De tweede acte B, welke alleen verkregen kan worden door hen, die reeds de in dit artikel vermelde acte A bezitten, wordt verkregen ten gevolge van een examen in;

e. de beschrijvende en analytische meetkunde, de differentiaal- en integraalrekening;

de theoretische en toegepaste mechanica.

71. Er zijn twee acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de natuurkunde.

De eerste acte A is dezelfde als de acte A, vermeld in art. 70.

De tweede acte B, welke alleen kan verkregen worden door hen, die reeds de bovengemelde acte A bezitten, wordt verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de analytische meetkunde;

b. de differentiaal- en integraalrekening;

c. de theoretische mechanica;

d. de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen;

e. de meteorologie;

ƒ. de scheikunde. (M.O. 25, 2fl, 27.)

306

ocr page 335

WEI OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

72. Er zijn twee acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de scheikunde.

De eerste acte A is dezelfde als de acte A, vermeld in art. 70.

De tweede acte B, die alleen kan verkregen worden door hen, die hooi- reeds de bovengemelde acte A bezitten, wordt verkregen ten gevolge i van van een examen in:

a. de algemeene, de toegepaste en de analytische scheikunde; Ische 'i® scheikundige technologie;

3n te c- de natuurkunde. (M.O. 25, 26, 27.)

Ibaar '3. Er zijn twee aoten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de landbouwkunde.

)rden De eerste acte A wordt door den bezitter der acte A, vermeld in art. 70, verkregen ten gevolge van een examen in de beginselen van ïring 'i611 landbouw.

De tweede acte B wordt verkregen ten gevolge van een examen •goe- a's hetgeen ter verkrijging van het diploma van landbouwkundige wordt gevorderd.

ider- 74. Voor het geven van schoolonderwgs in de nederlandsche taal en letterkunde en de geschiedkundige wetenschappen wordt de acte i in: vai1 bekwaamheid verkregen ten gevolge van een examen in: bol- quot;■ de nederlandsche taal- en letterkunde;

(jer /gt;. de geschiedenis;

c. de wiskundige, natuurkundige en staatkundige aardrijkskunde. (jer Voor het geven van schoolonderwijs in de staathuishoudkunde ten gevolge van een examen in:

smo- a- d6 staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van Ne

derland en van zyne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen;

b. de gronden van de gemeente-, provinciale en Staatsinrigting |leu van Nederland.

]jre. 75. Voor het geven van schoolonderwijs in de handelswetenschap

pen wordt eene acte van bekwaamheid verkregen ten gevolge van [. en een examen in:

a. het boekhouden;

Ij. de beginselen der handelswetenschappen, omvattende het han-wijs delsregt, de handelsgeographie, de statistiek van nijverheid en handelsverkeer, de kennis van het finantiewezen der staten en de beginselen der warenkennis.

hen. Voor het geven van schoolonderwijs in de zeevaartkunde wordt

ten ('e acte verkregen ten gevolge van een examen in;

a. de lagere wiskunde, de bolvormige driehoeksmeting daaronder begrepen;

h. de beginselen der sterrekunde;

c. de kennis der verschijnselen in den dampkring en op den oceaan;

d. de kennis der werktnigen bij de waarnemiugen op zee gebruikelijk.

76. De in art. 09 vermelde commission zyn bevoegd om, na afgelegd examen, afzonderlijke acten van bekwaamheid af te geven voor

307

20*

ocr page 336

WET OP HET MIDDELBAAK ONDERWIJS.

elk der vakken, vermeld in artt. 70 en 74, en voor het boekhouden.

77. Door de in art. 69 vermelde commissiën worden, na afgelegd examen, afzonderlek acten van bekwaamheid uitgereikt, voor schoolonderwijs in:

а. de fransebe taal-en letterkunde; i/wi-i, j » ,, „

b de enffelsche taal en letterkunde- (Wet toud-Aanvul], M.O.

б. de engeisclie taal en letterkunde 1879, Stsbl. no. 87,art. 4.)

c. de hoogduitsche taal-en letterkunde;) ' ' '

d. het handteekenen, het regtlijnig teekenen en de perspectief;

e. het schoonschrijven;

f. het boetseren;

g. de gymnastiek.

Om onderwijs in de vakken onder e en ƒ genoemd, te kunnen geven, behoeft men evenwel niet in het bezit eener acte van bekwaamheid voor die vakken te zijn.

Gemelde commissiën zijn eveneens bevoegd tot het na afgelegd examen uitreiken van eene acte van bekwaamheid voor schoolonder-wijs in andere levende talen. (M.O. 88.)

78. Tot het verkrijgen van eene der acten van bekwaamheid voor schoolonderwijs, vermeld in artt. 70—76, en in levende talen, wordt bovendien vereischt een examen in de theorie van onderwijs en opvoeding, hoofdzakelijk in betrekking tot het middelbaar onderwijs.

Zij, die in het bezit zijn van eene dier acten, zijn by het examen ter verkrijging eener andere acte voor middelbaar schoolonderwijs vryge-steld van een nieuw examen in de theorie van onderwas en opvoeding.

De acte, vermeld in art. 45 der wet van den 13den Augustus 1857 (Stsbl. no. 103), maakt bevoegd tot het geven van het aldaar omschreven onderwgs aan middelbare scholen voor meisjes. (Wet houdende Aanvull. M.O. 1879, Stsbl. no. 87, art. 7.)

79. Eene acte van bekwaamheid voor het huisonderwijs wordt verkregen door een gelyk examen als dat ter verkrijging eener acte voor schoolonderwijs, met weglating van het examen in de theorie van onderwijs en opvoeding.

De acten van bekwaamheid voor schoolonderwijs gelden ook voor het huisonderwijs.

80. Wanneer het examen naar genoegen der commissie, met het afnemen belast, is afgelegd, wordt door haar aan den geëxamineerde de verlangde acte uitgereikt, waarvan het model door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken wordt vastgesteld.

81. De acte van bekwaamheid voor middelbaar schoolonderwijs wordt uitgereikt tegen betaling van:

twintig gulden voor eene der acten B, vermeld in artt. 70, 71, 72 en 73;

vijftien gulden voor eene der acten A, vermeld in artt. 70, 71 en 72, of voor eene der acten, vermeld in artt. 74 en 75;

tien gulden voor de acte A, vermeld in art. 73, of voor eene der acten, vermeld in artt. 76 en 77.

308

ocr page 337

WET OP HET MIDDELBAAÜ OUDERWIJS. 309

De acte van bekwaamheid voor middelbaar huisonderwijs wordt uitgereikt tegen betaling van zeven gulden, wanneer zij geldt voor een vak en van tien gulden, wanneer zij geldt voor twee of meer vakken.

De opbrengst van de voor de acten betaalde gelden wordt, na aftrek van de kosten der vergadering van de commissie, waaronder echter niet gerekend worden de reis- en verblijfkosten en vacatiegelden der leden, in 's Rijks schatkist gestort. (H.O. 89.)

82. leder, die krachtens deze wet of krachtens vroegere verordeningen hier te lande een diploma van technoloog, civiel ingenieur, architect of bouwkundig ingenieur, scheepsbouwkundig ingenieur, werktuigkundig ingenieur, mijnen-ingenieur, veearts of landbouwkundige verkregen heeft, is bevoegd onderwijs te geven in de technische wetenschappen, waarin hij ter verkrijging van zijn diploma een examen heeft afgelegd. Hij behoort echter daartoe in het bezit te zijn van het getuigschrift van goed zedelijk gedrag, vermeld in art. 25.

TITEL VII.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 83. Ieder, die op het tijdstip van het in werking treden dezer wet aan eene openbare of bijzondere inrigting van middelbaar onderwijs, zonder in strijd met bestaande verordeningen te zijn, onderwijs geeft, waartoe volgens deze wet eene acte wordt vereischt, behoeft, om met zijn onderwijs aan die inrigting voort te gaan, geene herbenoeming of erkenning.

Hij kan ook in gelijke betrekking bij eene openbare school, volgens deze wet opgerigt, worden aangesteld.

84. De acte van algemeene toelating van den eersten rang, verkregen krachtens de wet van den 3den April 180fi, geeft gelijke reg-ten als de acte van bekwaamheid A, vermeld in art. 70, en de acte van bekwaamheid, vermeld in liet eerste lid van art. 74.

85. De acte van bekwaamheid, krachtens art. 72 der wet van den 13den Augustus 1S57 {Slaatablad no. IU3) uitgereikt voor het verder voortgezet onderwijs in de levende talen en in de wis- en natuurkunde, als ook de daarmede gelijkstaande acten, verkregen krachtens de wet van den 3den April ISUfi, geven gelijke regten als de acten van bekwaamheid voor die vakken, krachtens artt. 70 en 77 dezer wet uitgereikt.

86. Zij die, vóór de invoering dezer wet, aan eene van 's Rijks hoogescholen een akademischen graad verkregen hebben, behouden de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de vakken, waarin zij krachtens het hun verleend diploma de bevoegdheid hadden onderwijs te geven.

De graad van doctor in de wis- en natuurkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte B, vermeld in artt. 70, 71 en 72.

De graad van candidaat In de wis- en natuurkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte A, vermeld in art. 70.

ocr page 338

WET OP HET MIDDELBAAR ONDEKWIJS.

De graad van doctor of van candidaat in de letteren, geeft gelijke akadi bevoegdheid als de acte vermeld in het eerste lid van art. 7 . word

De graad van doctor in de regten geeft gelijke bevoegdheid als de 94 acte voor de staathuishoudkunde, vermeld in art. 74. met

87. Gelijke bevoegdheid, als in het voorgaande artikel, wordt toe- te ge gekend aan hen, die na de invoering dezer wet de genoemde graden nisch van doctor of candidaat zullen verkrijgen, totdat de wet tot regeling De van het hooger onderwijs anders zal hebben beschikt. (H.O. 122.) a.

88. Het getuigschrift, vermeld in art. 3 van het Koninklijk be- b. sluit van den 13den April 1S17, no. 22, geeft, wanneer het vóór de c. invoering dezer wet verkregen is, gelijke regten als de acte van be- d. kwaamheid voor het onderwijs in het teekenen, uitgereikt krachtens e. art. 77 dezer wet. f.

89. Zij die, hoewel niet in het bezit van een diploma van ingenieur, D( in quot;s Lands dienst deze betrekking bekleeden of hebben bekleed, zijo, de p onder de aan het slot van art. 82 gestelde voorwaarde, bevoegd tot het 95 geven van onderwijs in de technische wetenschappen, waarvan de ken- Bt nis tot het vervullen der betrekking van ingenieur wordt vereischt. len i

Onder dezelfde voorwaarden zijn zij, die aan eene der Rijksinstellingen tot opleiding van ingenieurs en officieren der land- en zee-magt den cursus hebben ten einde gebragt, bevoegd tot het geven van onderwijs in de technische wetenschappen, waarin zij gedurende dien cursus onderwijs hebben ontvangen.

90. Gedurende de eerste zes jaren na het in werking treden dezer HO wet kan door Ons aan Nederlanders en vreemdelingen, die buiten

's lands de bevoegdheid om in een of meer der in deze wet vermelde vakken onderwijs te geven verkregen hebben, gelijke bevoegdheid hier te lande verleend worden.

91. Gemeenten, die krachtens art. 14 dezer wet tot het oprigten en onderhouden van burgerscholen gehouden zijn, voldoen aan diei verpligting binnen een termijn van uiterlijk, zes. jaren, te rekenen van het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, of waarop de bevolking der gemeente boven het cijfer van tien duizend geklommen is. A

92. Dein art. 18 vermelde Rijks-hoogere burgerscholen worden 17 .

feopend binnen de eerste vijf jaren na het tijdstip van de invoering oude ezer wet. gesueopend binnen de eerste vijf jaren na het tijdstip van de invoering oude ezer wet. gesu

93. De lessen aan de polytechnische school worden geopend binnen 2. een jaar na het in werking treden dezer wet, blad

De kweekelingen der akademie ter opleiding van burgerlijke inge- schc nieurs te Delft, die op het t^dstip dier opening tot de lessen van het van 3de of 4de studiejaar der akademie voor de ingenieurs wetenschappen of het mijnwezen zijn toegelaten, worden vrijgesteld van het examen A, vermeld in art. 59. De kweekelingen, die op dat tijdstip tot de lessen van het 1ste of van het 2de studiejaar zijn toegelaten, worden bij het afleggen van dat examen vrijgesteld van het onderzoek in de vakken, waarover zich het examen ter toelating tot die

310

opzi

uit

aam

l) reide den lt;

ocr page 339

WET OP HET MIDDELBAAK ONDERWIJS.

gelijke akademie heeft uitgestrekt, of waarin aan de akademie geen onderwijs wordt gegeven.

als de 94. Zoolang nog geen voldoend getal hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus in werking is, wordt een deel van het aldaar it toe- te geven onderwijs, als voorbereidend tot den cursus der polytech-;raden nische school, aan deze gegeven.

geling Dat voorbereidend onderwijs omvat:

i22.)j a, wiskunde;

jk be- 6. natuurkunde;

5or de c. scheikunde;

m be- d, beginselen der plant- en dierkunde;

ihtens e. boekhouden en beginselen der handelswetenschappen;

f. hand- en regtlijnig teekenen.

nieur, Door Ons wordt bepaald, wanneer dit voorbereidend onderwas aan

ziju, de polytechnische school zal ophouden. ')

othet 95. Deze wet treedt in werking vóór of op den Isten Julij 1863. e ken- Bestaande voorschriften betreffende middelbaar onderwijs verval-iischt. len met de invoering dezer wet.

nstel-

i zee- —-

geven

irende E T

dezer HOUDENDE AANVULLING DER WET VAN 2 MEI 1863

juiten (STAATSBLAD No. 50), TOT REGELING VAN HET

rnP| fjp

dheid MIDDELBAAR ONDERWIJS.

(Vastgesteld den 25sten April 1879, Stsbl. 110. 87, uitgegeven den oden Mei d.a.v.)

rigten m die

n van _

be vol-

n is. Art. I. Het tweede en derde lid van art. 33 der wet (L.O.) van orden 17 Augustus 1878 {Staatsblad no. 127) zijn van toepassing op de )ering1 onderwijzers van middelbare scholen, van overheidswege opgerigt of gesubsidieerd.

311

innen 2. De artt. 4 en 5 der wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127) zijn van toepassing op de lokalen, waarin middelbaar inga- schoolonderwijs gegeven wordt, met dien verstande, dat de inspecteur quot; 1 -1 van het middelbaar onderwijs in de plaats van den districts-school-opziener en dat in den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, uit kracht van genoemd art. 4 vast te stellen, uitdrukkelijk wordt aangewezen, welke der daarin opgenomen regelen van toepassing zijn

m het chap-n het jdstip laten, inder-ot die

1

Bij Kon. Besl. van 31 Mei 1865 (Stsbl. no. 57) is o.a. bepftftld, „dat het voorbereidend onderwijs aan de polytechniscbe school zal ophouden met liet einde van den enrsus 18G5/1866.quot;

ocr page 340

AANVULLINGSWET MIDDELB. ONDERW.

op de verschillende lokalen, waarin middelbaar schoolonderwijs gegeven wordt. (K.B. 4 Mei 1883, Stsbl. no. 41.)

3. De bezitter der acte van bekwaamheid, bedoeld in art. 56, letter i, der wet (L.0.) van 17 Augustus 1878 {Staatsblad no. 127), is bevoegd tot het geven van onderwijs in de vakken, vermeld in art. 13 der wet (M.O.) van 2 Mei 1803 (Staatsblad no. 50) onder f— aan de aldaar bedoelde scholen.

4. Twee afzonderlijke acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de Fransche, Duitsche en Engelsche taal worden, met wijziging van art. 77 der wet (M.O.) van 2 Mei 1803 (Staatsblad no. 50), verkrijgbaar gesteld; de eerste, acte A, ten gevolge van een examen in de taal, omvattende grondige kennis van de taal, van hare uitspraak en hare spraakleer; de tweede, B, ten gevolge van een examen in de taal en hare letterkunde.

5. De bezitter der acte van bekwaamheid, bedoeld in art. 56, letter a, der wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), is bij het afleggen van het examen voor de acte A, in het voorgaand artikel vermeld, vrijgesteld van het examen in de theorie van onderwijs en opvoeding. (M.O. 784.)

Gelgke vrystelling geniet de bezitter der acte, bedoeld in art. 56, letter b, der wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), bij het afleggen van het examen voor de acte B, in het voorgaand artikel vermeld.

6. De bezitter der acte A, in art. 4 vermeld, is voor het vak waarvoor zij is uitgereikt, bevoegd tot het geven van schoolonderwijs aan alle scholen van lager en middelbaar onderwijs, met uitzondering der hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus; de bezitter der acte B, in art. 4 vermeld, heeft gelijke bevoegdheid als aan den bezitter der acte, ingevolge art. 77 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50) verkregen, bij die wet of andere wetten isi toegekend.

7. De bezitster der acte, hedoeld in art. 56, letter i, der wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), heeft de bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan middelbare scholen voor meisjes in de vakken, waarin het derde lid van art. 78 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50) gelijke bevoegdheid geeft aan de bezitster der acte, vermeld in art. 45 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad no. 103).

8. Deze wet treedt in werking tegelijk met de wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127).

312

ocr page 341

WET

TOT REGELING VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

(Vastgesteld den 28sten April 1876, Stsbl. no. 102, uitgegeven den Cden Mei d.a.v. Gewijzigd by de wet van 7 Mei 1878, Stsbl. no. 33; van 28 Juny 1881, Stsbl. no. 107; 15 Juny 1883, Stsbl. no. 75; 23 Juli 1885, Stsbl. no. 141; 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 9 Mei 1890, Stsbl. no. 78.)

TITEL I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. I. Hooger onderwijs omvat de vorming en voorbereiding tot zelfstandige beoefening der wetenschappen en tot het bekleeden van maatschappelijke betrekkingen, waarvoor eene wetenschappelijke opleiding vereischt wordt.

2. De scholen van hooger onderwijs worden onderscheiden in openbare en byzondere.

Openbare scholen zijn die, opgerigt en onderhouden door gemeenten en het Rijk, afzonderlijk of gezamenlijk; de overige zijn bijzondere scholen. (L.O. 3; M.O. 2; H.O. 99.)

3. Tot het geven van hooger onderwijs aan gemeentelijke of bijzondere scholen behoeven vreemdelingen Onze vergunning. (Wet van 4 Junij 1858, Stsbl. no. 4G.) ')

TITEL II.

VAN HET OPENBAAR HOOGER ONDERWIJS.

Art. 4. Openbaar hooger onderwijs wordt gegeven aan:

gymnasia; (H.O. 5—32.)

het Athenaeum Illustre te Amsterdam; (H.O. 32—35.)

universiteiten. (H.O. 35—99.)

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE GYMNASIA.

§ 1. Ftf» de scholen.

Art. 5. Gymnasia zijn instellingen, voorbereidend tot universitair onderwijs.

1) Het 2de lid van dit art. is afgeschaft by art. 3cZ der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64. Zie thans S.R. 436.

STAATSWETTEN. 21

ocr page 342

WET TOT REGEL. VAN HET HOOGEK ONDERWIJS.

Aan de gymnasia wordt onderwijs gegeven in:

a. de grieksche taal en letterkunde;

b. de latijnsche taal en letterkunde;

c. de nederlandsche taal en letterkunde;

d. de fransche taal;

e. de hoogduitsche taal;

f. de engelsche taal;

g. de geschiedenis;

h. de aardrijkskunde;

i. de wiskunde;

k. de natuurkunde;

l. de scheikunde;

m.de natuurlijke historie.

Aan de gymnasia kan ook onderwijs gegeven worden in;

n. de hebreeuwsche taal;

o. de gymnastiek.

6. In elke gemeente, waar de bevolking twintig duizend zielen te hoven gaat, wordt door het gemeontebestunr een gymnasium opgerigt of naar de voorschriften dezer wet ingerigt en in stand gehouden.

In andere gemeenten kan een gymnasium opgerigt worden.

Mogt in eene gemeente van boven twintig duizend zielen op bezoek van een gymnasium weinig te rekenen zijn, dan kan zoodanige gemeente door Ons van het voorschrift der eerste zinsnede van dit artikel vrijgesteld worden. (H.O. 114; M.O. 14.)

7. Het onderwijs aan de gymnasia wordt gegeven in eenen zesjarigen cursus in overeenstemming met een algemeen leerplan, door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld, regelende den omvang van het onderwijs en de grondtrekken van den cursus.

Het staat aan de besturen van gemeenten, waar de bevolking minder dan twintig duizend zielen bedraagt en, met Onze toestem ming, aan die der in het eerste lid van art. 6 bedoelde gemeenten vrij, gymnasia met vierjarigen cursus op te rigten, die den naam van progymnasia dragen en waarvan het algemeen leerplan op gelijke wijze als dat der gymnasia door Ons wordt vastgesteld.') (M.O. 15—17; K. B. 21 Juni 1887, Stsbl. 105.)

8. Aan de gemeenten kan ten behoeve van hare gymnasia uit 's Rijks kas subsidie worden verleend. (H.O. 123; L.0.3, 49; M.O.23.)

De gemeenten, dusverre in het genot van Rijkssubsidie ten behoeve barer latijnsche scholen of gymnasia, blijven in dat genot, voor zooveel die instellingen aan de vereischten dszer wet voldoen. (H.O. 124.)

314

9. Om als leerling aan een gymnasium te worden toegelaten, wordt het afleggen van een examen gevorderd.

1) Aldus gewjjzigd by de wet van 7 Mei 1878, Stsbl. no. :

ocr page 343

WET TOT REGEL. VAN HEI HOOGER ONDERWIJS.

Dit examen, afgenomen door een of meer leeraren onder toezigt van curatoren, betreft voor de toelating tot het eerste studiejaar: het lezen, schrijven, rekenen, de beginselen der nederlandsche taal, der aardrijkskunde en der geschiedenis. (H.O. 25.)

Waar de plaatselijke ooistandigheden het raadzaam maken, kan de gemeenteraad bepalen, dat liet examen zich zal uitstrekken tot de beginselen der wiskunde en die der fransche taal of tot een van deze vakken. '}

Voor de toelating tot een hooger studiejaar betreft het examen hetgeen in het voorgaande studiejaar is onderwezen aan het gymnasium, tot hetwelk de toelating wordt verlangd.

Geen leerling van een gymnasium wordt tot een hooger studiejaar bevorderd, dan ten gevolge van een hij het einde van het studiejaar door leeraren onder toezigt van curatoren te houden overgangsexamen, waaruit blijkt dat hij voldoende kundigheden bezit om het onderwijs in dat hooger studiejaar te kunnen bijwonen.

Bij verschil van gevoelen tusschen leeraren en curatoren omtrent den uitslag van een examen beslist liet collegie van curatoren.

10. Al hetgeen de toelating tot de gymnasia, de verpligtingen van den rector en de leeraren, de regeling van het onderwijs en de vacantiën betreft, wordt, voor zooverre het niet door deze wet is beslist, door den gemeenteraad geregeld. (H.O. 14 volg.)

11. Aan de leerlingen der gymnasia met zesjarigen cursus, die het onderwijs tot aan het einde hebben bijgewoond, wordt eenmaal 's jaars gelegenheid gegeven, om, ten gevolge van een mondeling en schriftelijk examen, een getuigschrift te verkrijgen, dat zij bekwaam zijn tot de studie aan een universiteit over te gaan in de faculteit in het getuigschrift vermeld.

Dit examen, voor zoo verre het mondeling is, in het openbaar te houden, wordt afgenomen door de leeraren van het gymnasium, ten overstaan van een of meer gecommitteerden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aan te wijzen. Bij verschil van gevoelen tusschen de leeraren en den gecommitteerde of de gecommitteerden omtrent het verleenen van het getuigschrift, beslissen laatstgenoemde.

Het programma van dit examen wordt door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld. (H.O. 85, 117 ; K. B. 21 Juni 1887, Stsbl. 106.)

12. Aan alle anderen dan de bij art. 11 vermelde, wordt eenmaal 's jaars gelegenheid gegeven, om, hetzij door deelneming aan het daar bedoelde eindexamen bij een gymnasium te hunner keuze, hetzij ten gevolge van gelijk examen als in dat artikel, bij eene door Ons te benoemen commissie, gelijk getuigschrift te verkrijgen.

De tijd en de plaats der vergaderingen dezer commissie worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken bepaald. Hare leden ge-

1) Aldus aangevuld hy de u-et van 7 Mei 1878, Stsbl. no. 33.

315

21*

ocr page 344

316 WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

nieten uit 's Rijks kas vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden. (H.O. 86.)

13. Zij, die het eindexamen van de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus of het examen A, bedoeld bij art. 5!) der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50), met goed gevolg hebben afgelegd, worden bij de in artt. 11 en 12 omschreven examens alleen geëxamineerd in de vakken waarin zij bij het door hen afgelegd examen niet zijn geëxamineerd. (M.O. 55.)

Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur wordt door Ons bepaald, van welke vakken zij, die andere van Staatswege ingestelde en gedeeltelijk dezelfde vakken omvattende examens met goed land gevolg hebben afgelegd, bij de in artt. 11 en 12 omschrevene exa- den mens zullen zyn vrijgesteld. sten

§ 2. Fan de onderwijzers. '

Art. 14. De onderwijzers aan de gymnasia dragen den titel van T

leeraar. /, g

Aan het hoofd van elk gymnasium is een der leeraren geplaatst, vooi

die den titel draagt van rector. goec

Een der leeraren wordt aangewezen om den rector bij verhinde- T ring te vervangen; hij draagt den titel van conrector. (L.ü. 23^;

M.O. 23.) van

15. Het getal der leerai'en voor de gymnasia, alsmede het bedrag vak, hunner jaarwedden, wordt door den gemeenteraad vastgesteld. V

De besluiten van den gemeenteraad, daartoe betrekkelijk, wor- de 1

den voor de scholen, tot wier oprigting de gemeenten krachtens kun

deze wet verpligt zijn, aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten, wor

voor die, welke door het Rijk worden gesubsidiëerd, aan de goedkeu- lï

ring van Onzen Minister van Binnenlaudsche Zaken onderworpen, tera

(M.O. 24,) dooi

16. Om tot leeraar aan een gymnasium benoemd te kunnen wor- den den, wordt gevorderd, behalve een getuigschrift van goed zedelijk D gedrag, afgegeven door het hoofd van het bestuur der gemeente of subs gemeenten, waar men gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond : nenl

a. voor de grieksche en latijnsche talen en ktterkunde de graad Z van doctor in de klassieke letterkunde; (H.O. 835«.) Dez

b. voor de nederlandsche taal en letterkunde de graad van doctor den in de nederlandsche letterkunde; (H.O. 835c.) Z

c. voor de fransche, hoogduitsche en engelsche talen het bezit eener weti acte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in 1: die vakken. (M.O. 17, Vig, 77.) gem

d. voor de geschiedenis de graad van doctor in de klassieke let- gaai terknnde of die van doctor in de nederlandsche letterkunde; (H.O. Ii 835a, lt;;.) | -

«. voor de aardrijkskunde de graad van doctor in de nederlandsche i) letterkunde of die van doctor in de wis- en natuurkunde; (H.O. 834i.) ,

/•

de i (H.(

9-

834e h. delfi

in d (H.( T

ocr page 345

WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGEE ONDERWIJS.

f. voor de wiskunde en de natuurkunde de graad van doctor in de wis- en sterrekunde of die van doctor In de wis- en natuurkunde; (H.O. 83%, i.)

g. voor de scheikunde de graad van doctor in de scheikunde; (H.O. 83%.)

h. voor de natuurlijke historie de graad van doctor in de aard- en delfstof kunde of die van doctor in de plant- en dierkunde; (H.O. 83%, t.)

i. voor de hebreeuwsclte taal- en letterkunde de graad van doctor in de godgeleerdheid of die van doctor in de semitische letterkunde. (H.O. 83', 5/5.)

Tot het geven van dit onderwijs zijn ook benoemhaar de Neder-landsch-Israëlitische en Portugeesch-Israiüitische godgeleerden van den eersten en tweeden rang en godsdienstonderwijzers van den hoog-sten en middelsten rang;

k. voor de gymnastiek het bezit eener acte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in dat vak. (M.O. 17«, 27y, 77.)

Tot het geven van het onderwijs, hierboven vermeld onder «, i, e, ƒ, g, h en i, zijn ook benoembaar zij, die het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van den doctoralen graad, met goed gevolg hebben afgelegd. (H.O. 97.)

Tot het geven van het onderwijs, hierboven vermeld onder b, d, eifi 9 611 ^11 00k benoembaar zij, die in het bezit zijn van acten van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in die vakken aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus.

Voor de reetoren en conrectoren wordt de graad van doctor in de klassieke letterkunde gevorderd. Conrectoren van pro-gymnasia kunnen tijdelijk door Ons van het bezit van den doctoralen graad worden vrijgesteld. (H.O. 14.)

17. De leeraren der gymnasia worden benoemd door den gemeenteraad, die vooraf eene aanbevelingslijst van benoembaren ontvangt, door curatoren, na verhoor van den inspecteur, wiens advies aan den gemeenteraad wordt overgelegd, opgemaakt.

De benoemingen bij scholen, welke door het Rijk worden gesubsidieerd, behoeven de goedkeuring van Onzen Minister van Bin-nenlandsche Zaken. ')

Zij kunnen door burgemeester en wethouders worden geschorst. Deze geven, zoo spoedig mogelijk, rekenschap van hun besluit aan den gemeenteraad.

Zij worden ontslagen door den gemeenteraad, burgemeester en wethouders en den inspecteur gehoord.

Is schorsing naar inzien van den inspecteur noodig, en zijn burgemeester en wethouders nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan de schorsing door Gedeputeerde Staten geschieden.

Is ontslag naar inzien van burgemeester en wethouders of van

sche 1) Aldus aaogevuld lü de wet vau 7 Mei 1878, Stsbl. no. :

W.)

317

ocr page 346

WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

den inspecteur noodig, en is de gemeenteraad nalatig of weiger- Ai

aohtig daartoe over te gaan, dan kan het ontslag door Gedeputeerde burei

Staten geschieden. (L.Ü. 29, 31; M.O. 29.) 26

18. l)e schorsing van een leeraar geschiedt hoogstens voor drie min; maanden. deni

Het besluit tot schorsing bepaalt, of zij geschiedt met behoud, H

dan wel met gedeeltelijk of geheel verlies der bezoldiging. in li

Schorsing of ontslag wordt niet uitgesproken dan nadat de be- tebei langhebbende is gehoord of geroepen. (L.O. 29; M.O. 29, 30.)

19. Van de besluiten, krachtens art. 15, 2de lid, en artt. 17 en 18 door Gedeputeerde Staten genomen, kan bij Ons in beroep worden gekomen door den belanghebbende en voor zoo ver ieder in vori het ongelijk is gesteld, door burgemeester en wethouders, den ge- ovei meenteraad en den inspecteur. (M.O. 24.) 2'

20. Aan leeraren der gymnasia, tot wier oprigting de gemeenten ()aï verpligt zijn, wordt ten laste van den Staat pensioen verleend in mee de gevallen, naar de regeling en onder de voorwaarden, voor burger- L lyke ambtenaren bij de wet vastgesteld of nader vast te stellen, njet een en ander overeenkomstig de bijzondere bepalingen, in dit en reis de drie volgende artikelen vervat. (H.O. 115.) zon

Voor de toepassing dier regelen worden de genoemde leeraren 2

als burgerlijke ambtenaren beschouwd. Zij behooren tot de deelheb- in 1

benden in het voor die ambtenaren bij de eerste afdeeling der wet of (

betreifende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bg die nen

van 21 Mei 1873 (Staatsblad na. 64) ingesteld pensioenfonds. (Wet, 2

van 9 Mei 1890, Stsbl. no. 78.) en

21. De bijdragen, ingevolge het voorgaande artikel door de leer- vee aren verschuldigd, worden door de zorg der gemeentebesturen ge- gt;[.( ind en aan het llijk verantwoord. (M.O. 33.) ;

22 en 23. Vervallen bij art. 41, 6° der wet van 9 Mei 1890, Stsbl. | ont

no. 78.) dei § 3. Van de kosten.

Art. 24. Ter tegemoetkoming in de kosten der gymnasia kan van gy

iederen leerling eene bedrage gevorderd worden, die ecliter het be- dé

drag van f 100 's jaars voor alle lessen niet te boven gaat. (L.O. na

46; M.O. 37.) we

Het invoeren, wijzigen en afschaffen van dez3 bijdrage geschiedt Mi met inachtneming van de artt. 232—236 der 'Gem.) wet van 29 Junij 1851 (Staatsblad m. 85). De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258—262 dier wet.

§ 4. Van het bestuur en het toezigt.

Art. 25. Bij elk gymnasium is een collegie van curatoren, door den gemeenteraad benoemd.

318

zake H vede

ocr page 347

WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGEK ONDERWIJS. 319

Aan dit collegie wordt jaarlijks uit de gemeentekas eene som voor bureaukosten toegelegd.

26. Het collegie vau curatoren zorgt voor de getrouwe nakoming dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen.

Het deelt den inspecteur de belangrijke veranderingen mede, die in liet gymnasium hebben plaats gehad, en doet aan het gemeentebestuur de voorstellen, die bet in het belang der instelling nood-zakelijk acht. (H.O. 27; L.O. 74; M.O. 523.)

Het doet jaarlijks vóór 1 Maart aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het gymnasium in het vorig jaar, en vóór 1 September aan den inspecteur gelijk verslag over het afgeloopen studiejaar. (M.O. 52i5.)

27. Het toezigt op de gymnasia is, onder het oppertoezigt van Onzen Minister van Binneulaudsche Zaken, opgedragen aan een of meer inspecteurs. (L.O. 67; M.O. 46.)

De inspecteurs worden door Ons benoemd en ontslagen. Zij genieten uit 's Rijks kas eene jaarwedde, benevens vergoeding voor reis- en verblijfkosten. Zij bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze toestemming. (L.O. 68; M.O. 47.)

28. De inspecteurs leggen, bij de aanvaarding hunner betrekking, in handen van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, den eed of de belofte af, dat zij haar naar behooren en trouw zullen waarnemen. (M.O. 49.)

29. De inspecteurs zijn bevoegd van de overtredingen dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen, voor zoo veel de gymnasia betreft, proces-verbaal op te maken. (L.O. 72; M.O. 50.)

30. De inspecteurs hebben den vrijen toegang tot alle gymnasia onder hun toezigt geplaatst. De curatoren en rectoren zijn gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent de school en het onderwijs. (M.O. 51.) •)

31. De inspecteurs zorgen door bezoek bekend te blijven met de gymnasia onder hun toezigt, geplaatst; zij trachten door overleg met de gemeentebesturen, de curatoren en de rectoren den bloei der gymnasia te bevorderen; zij lichten de regeering voor omtrent alle onderwerpen, waarover hun berigt wordt gevraagd, en doen aan Onzen Minister van Binnenlandscne Zaken de noodige voorstellen.

Zij doen jaarlijks vóór 1 November aan Onzen voornoemden Minister een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het onderwijs aan de gymnasia onder hun toezigt geplaatst. (M.O. 58; G. 192e.)

1) De strafbepaling welke aan deze alinea was toegevoegd, benevens de 3de en ode aliuea van art. 30 zyn vervallen door art. Sd der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64. Zie thans artt. 184 en 51 Wetboek van Strafrecht.

ocr page 348

WET IOT REGEL. VAN HET HOOGEB ONDEKWIJS.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAK HET ATHENAEUM ILLUSTKE TE AMSTERDAM.

Art. 32. Het Athenaeum Illustre te Amsterdam is eens gemeentelijke instelling van universitair onderwijs. De bepaling der vakken daar te onderwijzen, de regeling en omvang van het onderwys, de wijze van aanstelling der docenten, benevens al hetgeen eene behoorlijke inrichting verder vereischt, worden aan het gemeentebestuur overgelaten. (H.O. 4, 36.)

De daartoe betrekkelijke besluiten worden aan Ons medegedeeld en niet ten uitvoer gelegd vóór dat gebleken is, dat daartegen geen bedenking bestaat. Dit laatste wordt geacht het geval te zijn, indien binnen twee maanden na ontvangst der besluiten door Ons niet is beslist, (öem. 201.)

33. Het gemeentebestuur van Amsterdam doet jaarlijks vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsohe Zaken een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het Athenaeum Illustre in het afgeloopen studiejaar. (G. 192e; H.O. 38.)

34. Op de bijdragen in de kosten van het Athenaeum Illustre zijn toepasselijk de artt. 232—236 der (Gem.) wet van 29 Junij 1851 {ütaatsMd no. 85). De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258—262 dier wet.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE UNIVERSITEITEN.

§ 1. Algemeene bepalingen.

Art. 35. Er zijn drie Rijksuniversiteiten, gevestigd te Leiden, te Utrecht en te Groningen.

36. Aan de gemeente Amsterdam wordt toegestaan het Athenaeum Illustre tot universiteit in te rigten, mits deze voldoe aan al de eischen, kracitens de wet ten opzigte van den omvang van het onderwijs, de pomotiën, de examens en de toelating daartoe voor de Rijksuniversiteiten gesteld, en bovendien de aanstelling der hoogleeraren aan Onze bekrachtiging worde onderwerpen. (H.O. 4, 32.)

Bij voldoening hieraan heeft deze universiteit ten aanzien van de door haar teverleenen doctorale graden en af te nemen examens gelijke regten als de Rijksuniversiteiten.

37. De besluiten van den gemeenteraad, waarbij het Athenaeum Illustre wordt ingerigt, op den voet in het voorgaande artikel bedoeld, worden aan Ons medegedeeld en niet ten uitvoer gelegd vóórdat gebleken is, dat daartegen geen bedenking bestaat. Dit laatste wordt geacht let geval te zijn, indien binnen twee maanden na ontvangst van het besluit door Ons niet is beslist. (H.O. 33.)

320

ocr page 349

WET TOT EEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

38. Het gemeentebestuur van Amsterdam doet jaarlijks vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een beredeneerd verslag omtrent den toestand der gemeentelijke universiteit in het afgeloopen studiejaar. (H.O. 33.)

39. Met het toezigt cp de gemeentelijke universiteit te Amsterdam is belast een collegie van vijf curatoren, waarvan de burgemeester lid en voorzitter is, twee leden door Ons en twee door den gemeenteraad worden benoemd en ontslagen.

De werkzaamheden van dat collegie en de aftreding der leden worden geregeld bij besluit van den gemeenteraad, op het welk art. 37 toepasselijk is.

40. Op de bijdragen in de kosten van de gemeentelijke universiteit te Amsterdam zijn toepasselijk de artt. 232—236 der (Gem.) wet van 29 Junij 1851 {Staatsblad no. 85). De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258—202 dier wet. (H.O. 34.)

41. Elke der universiteiten bevat de navolgende faculteiten:

a. de faculteit der godgeleerdheid;

b. „ „ der regtsgeleerdheid;

c. „ „ der geneeskunde;

d. „ „ der wis- en natuurkunde;

e. „ „ der letteren en wijsbegeerte.

§ 2. Van het onderwijs aan de Rijksuniversiteiten.

Art. 42. Aan elke universiteit, wordt onderwijs gegeven;

1°. In de faculteit der godgeleerdheid:

a. in de encyclopaedie der godgeleerdheid;

b. in de geschiedenis der leer aangaande God;

c. in de geschiedenis der godsdiensten in het algemeen;

d. in de geschiedenis van de Israëlitische godsdienst;

e. in de geschiedenis van het Christendom;

f. in de Israëlitische en oud-Christelijke letterkunde;

g. in de uitlegging van het Oud en Nieuw Testament;

h. in de geschiedenis der leerstellingen van de Christelijke godsdienst ;

i. in de wijsbegeerte van de godsdienst;

k. in de zedeknnde.

2°. In de faculteit der regtsgeleerdheid:

a. in de encyclopaedic der regtswetenschap;

b. in de wijsbegeerte van het regt;

c. in het Eomeinsche regt en zijne geschiedenis;

d. in het oud-vaderlandsch regt en zijne geschiedenis;

e. in bet burgerlijk- en handelsregt;

f. in de burgerlijke regtsvordering;

g. in het strafregt;

321

ocr page 350

WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

h. in de strafvordering;

i. in het staatsregt;

h. in het volkenregt;

l. in het administratief regt;

m.m de staathuishoudkunde;

n. in de statistiek;

0. in de staatkundige geschiedenis.

3°. In de faculteit der geneeskunde:

a. in de ontleedkunde;

b. in de physiologic;

c. in de ziektekunde en de ziektekundige ontleedkunde;

d. in de geneeskunde;

e. in de heelkunde;

f. in de verloskunde;

g. in de kennis der geneesmiddelen en geneesmiddelleer;

h. in de gezondheidsleer en de geneeskundige politie;

1. in de geregtelijke geneeskunde.

lquot;. In de faculteit der wis- en natuurkunde:

a. in de wiskunde;

b. in de mechanica;

c. in de natuurkunde;

d. in de sterrekunde;

e. in de physische aardrijkskunde;

f. in de geologie;

g. in de mineralogie;

h. in de botanie;

2'. in de zoölogie, de vergelijkende anatomie en de physiologic; k. in de scheikunde;

l. in de artsenijhereidkunde;

m. in de toxicologie.

5°. In de faculteit der letteren en wijsbegeerte:

a. in de grieksche taal- en letterkunde;

b. in de latijnsche taal- en letterkunde;

c. in de hehreeuwsche taal- en letterkunde;

d. in de nederiandsche taal- en letterkunde;

e. in de Israëlitische, grieksche en romeinsche oudheden;

f. in de algemeene geschiedenis;

(j. in de vaderlandsche geschiedenis;

h. in de politische aardrijkskunde;

i. in de geschiedenis der wijsbegeerte ;

k. in de logica;

l. in de metaphysica;

m. in de zielkunde.

43. Aan minstens ééne universiteit wordt bovendien onderwijs gegeven:

1°. In de faculteit der godgeleerdheid:

322

ocr page 351

WET TOT REGEL. VAN HET HOOSER ONDERWIJS. 323

a. in de Christelijke archaeologie.

2°. In de faculteit der regtsgeleerdheid:

a. in het Mohammedaansche regt en de overige volksinstellingen en gebruiken in Nederlandsch Indië;

b. in het staatsregt en de inrigting van 's Rijks koloniën en cver-zeesche bezittingen;

c. in het internationale privaatregt.

3°. In de faculteit der geneeskunde:

а. in de psychiatrie;

б. in de oogheelkunde;

c. in de oorheelkunde;

d. in de tandheelkunde.

4°. In de faculteit der wis- en natuurkunde:

a. in de meteorologie.

5°. In de faculteit der letteren en wijsbegeerte:

a. in de archaeologie;

b. in de taal- en letterkunde der semitische volken;

c. in de taal-, letter-, land- en volkenkunde van den Oost-Indi-schen achipel;

d. in de fransche, de engelsche en de hoogdnitsche taal- en letterkunde ;

e. in de aesthetiek en kunstgeschiedenis;

f. in het sanskriet en zyne letterkunde;

g. in de oude talen en letterkunde der germaansche volken.

44. Aan eene of meer der universiteiten kunnen, wanneer Wij het noodig oordeelen, leerstoelen worden gevestigd voor vakken in art. 42 en art. 43 niet vermeld.

45. De lessen worden gegeven in het latijn of in het nederlandsch; met vergunning van curatoren ook in andere talen.

46. Het studiejaar vangt aan den derden Dingsdag der maand September.

Er zijn drie vacantiën; eene van den tweeden Zaterdag der maand July tot den aanvang van den volgenden cursus; eene van den laat-sten Zaterdag vóór Kersmis tot den derden Dingsdag daaraanvolgende, en eene van tien dagen, beginnende den laatsten Woensdag vóór Paschen.

47. Het programma der lessen, in het latijn te stellen, wordt voor elk studiejaar door den senaat der universiteit, na goedkeuring door curatoren, in de maand Junij vastgesteld. Het vermeldt welke lessen in een haltjarigen, welke in een langeren cursus worden gegeven, en hoeveel uren in de week voor elke les zijn bestemd.

§ 3. Van de hulpmiddelen voor hel onderwijs, de prijsvragen en de beurzen aan de Rijksimiversiteiten.

Art. 48. Tot aanbouw, onderhoud en verbetering der gebouwen.

ocr page 352

WET TOT KEGEL. VAN HET UOOGER ONDERWIJS.

voor het meubilair en tot aanvulling en uitbreiding der verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs worden jaarlijks de ver-eischte gelden van Rijkswege beschikbaar gesteld.

Het beheer en gebruik dier verzamelingen en hulpmiddelen wordt door Ons geregeld, curatoren gehoord.

49. Elk jaar worden, beurtelings aan iedere universiteit, tien prijsvragen uitgeschreven, twee in elke faculteit. Voor het meest voldoende antwoord van een der studerenden aan eene nederland-sche instelling van universitair onderwijs, dat de faculteit, die de vraag stelde, der bekrooning waardig keurt, wordt een gouden eerepenning toegekend.

50. Er kunnen aan elke universiteit zes beurzen van Rijkswege worden verleend, ieder van / 800, ter ondersteuning van onvermogende studenten van buitengewonen aanleg.

Deze beurzen worden door Ons toegekend, curatoren gehoord.

ij 4. Van de docenten en beambten aan de Rijksuniversiteiten.

Art. 51. De hoogleeraren worden door Ons benoemd en ontslagen. (M.O. 28, 24.)

Voor elke te vervullen plaats wordt door curatoren, de faculteit gehoord, eene met redenen otnkleede aanbevelingslijst aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangeboden. Ontslag wordt niet verleend dan op eigen verzoek, of nadat curatoren zijn gehoord; deze geven deswege, den belanghebbende gehoord of opgeroepen, hun advies. (M.O. 2'.).)

52. De jaarwedde der hoogleeraren bedraagt minstens f 4000.

53. Elk hoogleeraar wordt benoemd tot het onderwijs van bepaalde vakken, in zijne aanstelling uitgedrukt. Deze kunnen door Ons worden verminderd of gewijzigd.

Tegen zijnen wil kan een hoogleeraar niet met het onderwys in andere vakken worden belast.

54. Het staat iederen hoogleeraar vrij om, met goedkeuring van curatoren, behalve de hem opgedragene, nog andere lessen te geven. Deze worden dan op de gewone wijze aangekondigd.

De besluiten van curatoren tot het verleenen of weigeren dier goedkeuring worden aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken medegedeeld en kunnen door Ons vernietigd worden.

55. Aan hoogleeraren kan met Onze goedkeuring worden toegestaan, de hun opgedragen vakken van onderwijs met elkander te verwisselen.

56. De hoogleeraren bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze toestemming.

Hoogleeraren het lidmaatschap van eene der beide Kamers van de Staten-Generaal aanvaardende, blijven, zoolang hun lidmaatschap

324

ocr page 353

WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

duurt, in het genot der helft van hunne jaarwedde als verlof-tracte-ment. (G. 90.)

57. Behoudens kostelooze behandeling van lijders in zieken-inrig-tingen aan hunne zorg toevertrouwd en in hunne woningen, het uitoefenen van consultative medische praktijk eu het geven van regts-geleerde adviesen, oefenen de hoogleeraren noch medische, noch regts-praktijk uit. (H.O. 72.)

58. Met het einde van het studiejaar, waarin een hoogleeraar den ouderdom van zeventig jaren hereikt, wordt hem ontslag verleend.

59. Lectoren worden door Ons benoemd en ontslagen. Zij genieten eene jaarwedde uit 's Rijks kas.

60. Tot het geven van hooger onderwijs aan de universiteiten kunnen doctoren als privaatdocenten door Onzen Minister van Bin-nenlandsche Zaken, curatoren gehoord, tot wederopzeggens toe worden toegelaten.

De senaat kan de aankondiging hunner lessen op het programma, vermeld in art. 47, toestaan. Bij weigering beslist, curatoren gehoord, Onze Minister van Binnenlandsche Zaken.

Van de inrigtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs kunnen curatoren, onder door hen te stellen voorwaarden, aan privaatdocenten het gebruik vergunnen. (H.O. 48.)

61. Bij verhindering of ontstentenis van een hoogleeraar of lector, en in het geval, bedoeld in het 2de lid van art. 56, worden door Ons tijdelijke maatregelen tot voorziening bevolen, indien het belang van het onderwijs dit vordert.

62. De beambten bij de universiteiten worden benoemd en ontslagen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, die bevoegd is deze taak, wat de lagere beambten betreft, op te dragen aan curatoren. Eene lijst der beambten wordt door Ons vastgesteld.

De werkkring en de verpligtingen der beambten worden door Onzen voornoemden Minister, curatoren gehoord, bepaald.

§ 5. Vun het bijwonen der lessen aan de Rijksuniversiteiten. ')

Art. 63. ïer zake van het onderwijs der hoogleeraren en lectoren is voor elk studiejaar door hem, die dit onderwijs een of meermalen bijwoont, eene som verschuldigd van f 200, die in 's Rijks schatkist gestort wordt.

Terugbetaling dier gelden geschiedt uitsluitend indien door overlijden vóór den aanvang der lessen van deze geen gebruik is gemaakt en alsdan op aanvrage der erfgenamen.

Behalve voormelde f 200 wordt terzake van het onderwijs door hoog-leeraren en lectoren geenerlei betaling gevorderd. (L.O. 46; M.O. 37.)

325

64. Het regt tot het bijwonen van het onderwijs wordt verkregen

1) Deze § aldus gewyzigd by de wet Tan 28 Junij 1881, Stsbl. 110. 107.

ocr page 354

«TET TOT REGEL. VAN HET HOOGBK ONDERWIJS.

door inschrijving bij den rector-magnificns, behoudens het bepaalde bij art. 66.

De inschrijving geschiedt kosteloos; de reetor-magnificus geeft daarvan een door hem onderteekend bewijs af in den vorm door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen; zij geldt voor liet studiejaar waarin zij is geschied en geeft voor dat jaar regt op toegang tot alle lessen aan elke Rijksuniversiteit zonder onderscheid, alsmede tot alle inrigtingen en verzamelingen der universiteiten, behoudens het bepaalde bij het tweede lid van de arlt. 48 en 82.

De rector-magnificus gaat niet over tot de inschrijving tenzij hem het bewijs is vertoond dat de belanghebbende de gelden bedoeld bij art. 63 of 106, tweede lid, heeft betaald, of tot de promotie is toegelaten, bf eene Rijksbeurs geniet, of ter zake van het onderwijs der hoogleeraren en lectoren eene som van f 800 heeft betaald.

Voorde studenten en kweekelingen, bedoeld in art. 106, bedraagt deze som f 400.

65. Hij die zonder daartoe geregtigd te zijn eens of meermalen het onderwijs aan eene Rijksuniversiteit bijwoont, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste ƒ 250 voor de eerste maal; bij herhaling met eene geldboete van ten hoogste f 300, en vervolgens telkens met eene geldboete van ten hoogste f 500. ')

66. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken; de daartoe door hem aan te wijzen personen; curatoren, hoogleeraren, lectoren, beambten der universiteiten en de in art. 60 bedoelde privaat-docenten zyn ten allen tijde bevoegd alle lessen aan elke universiteit bij te wonen.

Hoogleeraren en lectoren zijn, ieder voor zooveel hunne lessen betreft, bevoegd gedurende enkele uren aan personen, die volgens art. 64 niet zijn ingeschreven, toegang tot hunne lessen te verleenen.

67. Hij die tot de in art. 84 bedoelde promotie is toegelaten; óf eene Rijksbeurs geniet; óf de f 800 of ƒ 400, oedoeld aan het slot van art. 64, heeft betaald, is van de betaling bij art. 63 of 106 voorgeschreven, vrijgesteld. Niettemin is hij na de bij art. 64 bedoelde inschrijving geregtigd tot toegang tot de inrigtingen en verzamelingen, bedoeld in het tweede lid van art. 64, onder het daarbij vermelde voorbehoud.

326

Aan hem die ten hoogste twee lessen van hoogleeraren of lectoren wenscht te volgen, kan daartoe door curatoren der universiteit telkens voor één studiejaar verlof worden verleend. In dat geval is ter zake van dit onderwijs eene som verschuldigd van f 30 voor iedere les, en zoo de les in een halfjarigen cursus gegeven wordt f 15, welke gelden in 's Rijks schatkist gestort worden. Het tweede en derde lid van art. 63 zyn op deze gelden van toepassing.

1) Aldus gewyzigd by art. 11 dep wet van 15 April 188G, Stabl. no. 64.

ocr page 355

WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS. 327

Het regt tot het bijwonen van dit onderwijs wordt verkregen door inschrijving bij den rector-magnifious, die daartoe niet overgaat tenzij hem het bewijs is vertcond dat het bedoelde verlof van curatoren verkregen is en de voormelde gelden betaald zijn.

De rector-magnifious geeft van die inschrijving een door hem onderteekend bewijs af in den vorm door Onzen Minister van JBin-nenlandsche Zaken te bepalen.

Curatoren verstrekken hem op vertoon van dat bewijs eene verklaring tot welke der inrigtingen en verzamelingen in het eerste lid van dit artikel vermeld hij mag worden toegelaten, behoudens liet bepaalde bij het tweede lid van de artt. 48 en Sü.

§ 6. Van het beheer en het toezigt aan de Rijksunioersiteiten.

Art. 68. Aan iedere aniversiteit is een eollegie van Curatoren, bestaande uit minstens drie en hoogstens vijf leden. Zij worden door Ons benoemd en ontslagen.

Om de twee jaren treedt een hunner af; de aftredende is weder benoembaar.

Het beheer, door curatoren te voeren, en hun overige werkkring worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld, met inachtneming van het in deze wet bepaalde.

Elk eollegie van curatoren stelt een huishoudelijk reglement voor zijne werkzaamheden vast en onderwerpt het aan de goedkeuring van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken. (H.O. 25.)

69. Curatoren worden bijgestaan door een bezoldigden secretaris, die zijne vaste woonplaats heeft in de gemeente, waar de universiteit is gevestigd; hij wordt door Ons benoemd en ontslagen. Van de bepaling omtrent de woonplaats kan door Ons, curatoren gehoord, ontheffing worden verleend.

Curatoren zenden ter zijner benoeming eene aanbevelingslijst van twee personen aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.

De secretaris treedt om de vijf jaren af en is weder benoembaar.

Voor bureaukosten wordt hem een jaarlijks abonnement toegestaan. Hij ontvangt vergoeding voor reis- en verblijfkosten. (H.O.

70. Curatoren genieten geen jaarwedde. Zij ontvangen vergoeding voor reis- en verblijfkosten.

71. Curatoren waken voor de getrouwe naleving dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen, voor zooveel de universiteit betreft.

72. Maken hoogleeraren, lectoren of beambten bij de universiteit zich aan pligtverzuim of wangedrag schuldig, dan nemen curatoren de vereischte maatregelen van spoedeischenden aard, waaronder schorsing hoogstens voor zes weken, en doen aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken de noodige voorstellen, zelfs tot ontslag.

ocr page 356

328 WET TOT KEGEL. VAK HET HOOGER ONDERWIJS.

73. Curatoren doen jaarlijks vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche .Zaken een uitvoerig verslag van den staat der universiteit gedurende den afgeloopen cursus en zenden hem vóór 15 Junij eene begrooting der uitgaven voor het volgend burgerlijk jaar. (G. 192e.)

74. De gezamenlijke hoogleeraren vormen den senaat der universiteit.

De hoogleeraar, die het voorzitterschap bekleedt, draagt den titel van rector-magnificus.

Hij wordt voor den duur van elk studiejaar door Ons benoemd uit eene door den senaat opgemaakte voordragt van drie hoogleeraren, waarbij de aftredende rector-magnifious buiten aanmerking blijft.

75. Bij den senaat is een secretaris.

Elk hoogleeraar is op zijne beurt, volgens een rooster door den senaat vast te stellen, gedurende een jaar met deze betrekking belast.

Hij treedt af op hetzelfde tijdstip als de rector-magnificus.

76. De rector-magnifious en de secretai'is ontvangen ieder voor de waarneming hunner betrekking eene toelage, door Ons te bepalen. Uit die van den secretaris worden tevens de bureaukosten bestreden.

77. De rector-magnificus wordt in zijne werkzaamheden, waar het noodig is, bijgestaan door vier assessoren. Zij worden door den senaat benoemd voor den tijd van een jaar en treden af op het in art. 75 vermelde tijdstip; de aftredenden zijn weder benoembaar.

Bij verhindering of' ontstentenis van den rector-magnificus worden zijne werkzaamheden door den oudste in jaren der assessoren waargenomen. Bij verhindering of ontstentenis van den secretaris treedt zijn laatste aanwezige voorganger op.

78. De senaat stelt een reglement vast voor zijne vergaderingen, de werkzaamheden van den secretaris en die van rector-magnificus en assessoren.

De hoogleeraren van iedere faculteit kiezen bij volstrekte meerderheid van stemmen uit hun midden een voorzitter en een secretaris, die na vier jaren aftreden. Zij zijn niet dadelijk weder benoembaar.

79. De senaat, de rector-magnificus en elk hoogleeraar in het bijzonder geven aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken en aan curatoren alle noodige inlichtingen en berigten.

80. Bij den aanvang van het studiejaar draagt de rector-magnificus zijne waardigheid in het openbaar aan zijren opvolger over en geeft dan een verslag van de lotgevallen der universiteit in het afgeloopen jaar.

81. De handhaving der tucht onder de studenten is opgedragen aan den rector-magnificus.

82. Bij overtreding der tucht of bij wangedrag waarschuwt of berispt de rector-magnificus.

ocr page 357

WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS. 329

In buitengewone gevallen, ter beoordeeling van den senaat, alsmede indien een student bij den rector-magnificns of bij den rector-magnificus en assessoren ontboden, moedwillig niet versch^nt, is de senaat bevoegd den overtreder den toegang tot de universiteit voor een tijdvak van minstens een jaar en hoogstens vijf jaren te ontzeggen.

Van de uitspraak des senaiits kan door belanghebbenden bg Onzen Minister van Binnenlandsohe Zaken in hooger beroep worden gekomen.

VIERDE HOOEDSTÜK.

VAN BE WETENSCHAPPELIJKE GRADEN.

Art. 83. Aan dc universiteiten zijn de volgende doctoraten verkrijgbaar :

1°. in de faculteit der godgeleerdheid:

in de godgeleerdheid;

2quot;. in de faculteit der regtsgeleerdheid:

a. in de regtswetenschap;

b. in de staatswetenschap;

3°. in de faculteit der geneeskunde:

a. in de geneeskunde;

b. in de heelkunde;

c. in de verloskunde;

4°. in de faculteit de wis- en natuurkunde:

«. in de wis- en sterrekunde;

b. in de wis- en natuurkunde;

c. in de scheikunde;

d. in de aard- en delfstof kunde;

e. in de plant- en dierkunde;

f. in de artsenij bereidkunde;

5n. in de faculteit der letteren en wijsbegeerte:

a. in de klassieke letterkunde;

b. in de semitische letterkunde;

c. in de nederlandsche letterkunde;

cl. in de taal- en letterkunde van den Oost-Indischen archipel;

e. in de wijsbegeerte. (H O. 123, 125.)

84. De in het voorgaande artikel genoemde doctoraten worden verkregen door het afleggen van de examens en het voldoen aan de voorwaarden, door Ons vast te stellen bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, na ingewonnen gezamenlijk advies van de senaten der rijksuniversiteiten.

Bij Ons bedoeld besluit worden de inrigting, omvang en duur der examens en promotiën, de tijdstippen waarop zij worden gehouden en al wat verder daarop betrekking heeft, geregeld.

STAATSWETTEN. 22

ocr page 358

WKT TOT KEGEL. VAN HET HOOGBR ONBERWIJS.

Voor het geven van hun advies wordt aan de senaten door Ons een termen van ten minste drie maanden gesteld, aanvangende met den dag, waarop zij, op uitnoodiging van Onzen Minister van Bin-nenlandsche Zaken, zijn vergaderd.

Alvorens Ons besluit te wijzigen, worden de senaten der Rijksuniversiteiten, doch ieder afzonderlijk, gehoord. ')

85. Tot het afleggen der examens wordt ieder, onverschillig waar hij de daarvoor vereischte kundigheden heeft opgedaan, toegelaten, mits hij in het bezit zij van een der getuigschriften, vermeld in artt. 11 en 13.

Met het getuigschrift in art. 11 vermeld, wordt gelijk gesteld dat, hetwelk door bestuurders van instellingen, voorbereidend tot universitair onderwijs, in de koloniën en overzeesche bezittingen van het Rijk, aan hen die het onderwijs aan zoodanige instellingen tot het einde toe hebben genoten, wegens met goed gevolg afgelegd examen is uitgereikt, voor zoo verre dit voorregt door Ons aan die instellingen is toegekend.

85dis. Vreemdelingen; meerderjarige Nederlanders, geen ingezetenen van het Rijk zijnde; en minderjarige Nederlanders, wier ouders of voogd geen ingezetenen van het Rijk zijn of ter zake van 's lands dienst in een vreemd land wonen, kunnen tot het afleggen der in art. 84 bedoelde examens worden toegelaten op vertoon van getuigschriften van bekwaamheid, afgegeven door buitenlandsche instellingen van onderwijs of onderzoek, mits de eischen, voor het verkrijgen van die getuigschriflen gesteld, ongeveer overeenstemmen met die van het programma, bedoeld in het derde lid van art. 11.

Door Ons worden by besluit, den Raad van State gehoord, na ingewonnen advies van ieder der senaten van Rijksuniversiteiten, de bedoelde buitenlandsche instellingen aangewezen, alsmede de getuigschriften omschreven, welke vereischt worden voor die toelating.

Deze aanwijzing kan ten allen tijde op gelijke wijze worden ingetrokken. •1) (Kon. Besl. 30 Juli 1886, Stsbl. no. 125.)

86. Zij, die gedurende den loop hunner universitaire studiën van studievak veranderen en examens wenschen af te leggen in eene andere faculteit dau die, waarvoor zij ingevolge artt. 11 of 12 het getuigschrift verwierven, zijn verpligt, naar gelang hunner studiën aan de faculteit der letteren en wijsbegeerte of aan die der wis- en natuurkunde, de bewijzen te geven, dat zij voldoende kennis bezitten van hetgeen, waarin zij bij het verkrijgen van het getuigschrift niet zijn geëxamineerd.

87. Alle examens aan de universiteiten worden afgenomen door de faculteiten.

88. De toekenning van den doctoralen graad geschiedt door den

330

1

Art. 84 aldus gewijzigd b\j de wet van 7 Mei 1878, Stsbl. no. 33.

ocr page 359

WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGEK ONDERWIJS, 331

senaat en ten overstaan van dat ligchaam of van eene comnsissie uit zijn midden, volgens regelen in den bij art. 84 bedoelden algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld.

89. Voor het afleggen van de examens, vermeld in art. 12, voor zooveel deze door de aldaar vermelde commissie worden afgenomen, en in art. 86, wordt esne som van f 10 betaald.

Voor het afleggen van elkander examen aan eene Rijksuniversiteit wordt eene som van f 50 betaald.

In geval van afwijzing wordt voor de eerste herhaling van een examen geene betaling gevorderd.

Deze gelden worden in 's Rijks schatkist gestort. (M.0. 81.)

De toekenning van den doctoralen graad geschiedt kosteloos.

90. De senaten hebben het regt om, op voordragt der faculteiten, wegens zeer uitstekende verdiensten, aan Nederlanders of vreemdelingen, het doctoraat honoris causa te verleenen.

91. De graad van doctor geeft in het algemeen de aan dien graad bij deze en andere wetten verbonden bevoegdheid tot het geven van onderwijs en tot het uitoefenen van ambten en bedieningen. (H.0.16.)

92. De graad van doctor in de regtswetenschap geeft de bevoegdheid, zich, met inachtneming van de overigens daaromtrent bestaande bepalingen, als advocaat te doen inschrijven en om benoemd te worden tot de regterlijke betrekkingen, waarvoor volgens de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie de graad van meester in de regten gevorderd wordt, zoomede tot de betrekkingen van ambtenaar bij de regterlijke magt of bij de burgerlijke dienst in 's Rijks koloniën en overzeesche bezittingen, behoudens nadere vereischten in bijzondere wetten of verordeningen voor ieder van die betrekkingen gevorderd.

Voor zooveel Nederlandsch Indië betreft, geeft de voormelde graad onder hetzelfde voorbehoud de bevoegdheid om bij de regterlijke magt of de burgerlijke dienst te worden benoemd, aan hem, die bij de betrokken faculteiten een door Ons, ingevolge art. 84 te regelen examen in de vakken, vermeld in art. 43, sub no. 2, litt. a en £, en sub no. 5, lit. f, heeft afgelegd.

Hij geeft voorts de bevoegdheid, middelbaar onderwijs te geven in de gronden van de gemeente-, provinciale en staatsinrigting van Nederland. (M.0. 74, 86«.)

93. De graad van doctor in de staatswetenschap geeft de bevoegdheid, middelbaar onderwijs te geven in de staathuishoudkunde, de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, en in de gronden van de gemeente-, provinciale en staatsinrigting van Nederland.

94. De doctoren in de geneeskunde en zij, die tot de promotie in dit vak zijn toegelaten, zijn bevoegd de geneeskunst in haren geheelen omvang uit te oefenen, na aflegging van het practisch exa-

22*

ocr page 360

332 WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

men, bedoeld in art. 5 der wet van 1 Junij 1865 (Staatsblad no. 59), gewijzigd door die van 8 July 1874 (Staatsblad no. 97). ')

95. De graad van doctor in de wis- en sterrekunde en die van doctor in de wis- en natuurkunde, geven gelijke bevoegdheid als de acte B, vermeld in de artt. 70 en 71 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50).

De graad van doctor in de scheikunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte B, vermeld in art. 72 van genoemde wet.

De graad van doctor in de aard- en delfstofkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte A, vermeld in art. 70 van genoemde wet.

De graad van doctor in de plant- en dierkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte A, vermeld in art. 70 van genoemde wet.

96. De doctoren in de artsenijbereidkunde, en zij, die tot de promotie in dit vak zijn toegelaten, zyn bevoegd de artsenijbereidkunst in haren geheelen omvang uit te oefenen, na aflegging van het practisch examen, bedoeld in B van art. 9 der in art. 94 vermelde wet.

97. De gi-aad van doctor in de nederlandsche letterkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte, vermeld in het eerste lid van art. 74 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50).

Het getaigschrift van voldaan te hebben aan het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van genoemden doctoralen graad, geeft gelijke bevoegdheid als de acte, vermeld in het eerste lid van art. 74 van genoemde wet. (H.O. 16^.)

98. Zij die, na voldaan te hebben aan een of meer examens ter verkrijging van liet doctoraat in de wis- en sterrekunde, de wis-en natuurkunde, de scheikunde of de aard- en delfstofkunde, tot de polytechnische school wenschen over te gaan, zyn vrijgesteld van het examen A volgens art. 59 der wet (M.ü.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50).

TITEL III.

VAN HET BIJZONDER HOOGER ONDERWIJS.

Art. 99. Het staat aan ieder Nederlander, ieder vreemdeling, die de bij art. 3 bedoelde vergunning bezit, elke erkende vereeniging en ieder kerkgenootschap vrij, eene bijzondere school voor hooger onder-wijs te openen, onder voorwaarde dat de oprigter vooraf daarvan kennis geve aan het gemeentebestuur en aan Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken, met overlegging van de reglementen of statuten.

Worden die reglementen of statuten gewijzigd of ingetrokken, dan doet liet hoofd of' het bestuur der school, gelijke mededeeling van de wijziging of intrekking.

100. Tot het openen eener bijzondere school van hooger onderwijs, gesticht bij uiterste wilsbeschikking, wordt Onze goedkeuring ver-

1) Vervangen door de wet van 25 Dec- 1878, Stsbl. no. 223. Zie biz. 3S9 volg.

ocr page 361

WET TOÏ REGEL. VAN HET HOOGEK ONDERWIJS. 333

eischt. Bij het daartoe strekkend verzoek wordt door de erfgecamen, executeurs of administrateurs, het testament overgelegd, f M .0. 44.)

101. Het bestuur van elke bijzondere school voor hooger onderwijs zendt jaarlijks vóór 1 Maart aan het gemeentebestuur een beredeneerd verslag omtrent den toestand der school in het vorig jaar, en vóór 1 November aan Onzen Miaister vau Binnenlandsche Zaken gelijk verslag over het afgeloopeu studiejaar. (Gr. 192e.)

102. Het verzuim der kennisgevingen en van het doen van het verzoek en der verslagen, gevorderd bij artt. 99, 100 en 101, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste f 25 en bij herhaling van ten hoogste/quot; 100. Bij de derde overtreding wordt bovendien by reg-terlijk vonnis de sluiting der school bevolen. ')

103. De bij het in werking treden dezer wet bestaande kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leeraren voor eenig kerkgenootschap of kweekelingen voor den geestelijken stand, blijven, zoo lang zij bestaan, in het genot der subsidiën, beurzen, toelagen en verdere ondersteuningen uit 's Rijks kas, door hen op dat tijdstip genoten.

104. Indien, na het in werking treden dezer wet van wege het hervormd kerkgenootschap tot het opleiden van leeraren voor dat kerkgenootschap een of meer leerstoelen of scholen van hooger onderwijs worden gevestigd, kan ten behoeve dier opleiding jaarlijks van Rijkswege zoodanig bedrag beschikbaar worden gesteld als blijken zal voor dat doel noodig te zijn.

De bepalingen of reglementen betreffende die opleiding worden vooraf ter Onzer kennis gebragt. De wijze van benoeming der docenten wordt daarin vermeld.

Art. 99, tweede lid, en art. 102 zijn ten deze toepasselijk.

105. Hoogleeraren aan de instellingen, bedoeld in artt. 103 en 104, gevestigd in gemeenten waar een Rijksuniversiteit is, hebben bij plegtigheden der universiteit rang en zitting nevens die der universiteit.

106. De studenten of kweekelingen der instellingen, bedoeld in de artt. 103 en 104, gevestigd in gemeenten waar een Rijksuniversiteit is, hebben toegang tot al de lessen harer hoogleeraren en tot de weten-scliappelijke instellingen en verzamelingen. (H.O. 48.)

Zy die daarvan wensclien gebruik te maken, betalen de helft der sommen in de artt. 63 en G7 vermeld.

Zij worden door den rector-magnificus ingeschreven op de wijze in art. 04 bepaald. Hij gaat hiertoe niet over dan nadat zij, of zijn zij minderjarig, hun vader of voogd, zich schriftelijk hebben verbonden tot betaling van ƒ 200 ingeval de ingeschrevene tot eenig examen by eene faculteit, die der godgeleerdheid uitgezonderd, zal

1) Art. 103 aldus gewijiigd door de artt. 3 en 11 der wet van 15 April 1886, StsM. no. 61.

ocr page 362

334 WET TOT BEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

zijn toegelaten, en wel vóór het afleggen van dat examen. Bij gebreke dier inschry ving zijn zij niet geregtigd tot den toegang hierboven vermeld. •)

107. Van bestaande makingen ten behoeve eener theologische faculteit of van theologische studiën, alsmede van bestaande stichtingen van beurzen of leenen ten voordeele van studerenden in de theologie aan eene van 's Rijksuniversiteiten, wordt, indien eene regeling zoo als in art. 104 is bedoeld, tot stand is gekomen, door Ons, den Raad van State gehoord, de voortdurende bestemming aangewezen op de wijze, die het meest met het doel der erflaters en stichters overeenkomt.

TITEL IV.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 108. Ieder, die op het tijdstip van het inwerking treden dezer wet, aan eene inrigting van hooger onderwas, zonder in strijd met bestaande verordeningen te zijn, onderwijs geeft, heeft de bevoegdheid met onderwijzen voort te gaan. (M.O. 83.)

109. Op het in art. 108 vermelde tijdstip worden aan de dan bij de hoogescliolen te Leiden, Utrecht en Groningen in dienst zijnde hoogleeraren, die den leeftijd van zeventig jaren nog niet bereikt hebben, door Ons de vakken aangewezen, waarin zij onderwijs zullen geven. (H.O. 58.)

Zij, die tegen de aanvaarding der hun toegewezen vakken bedenkingen hebben, welke door Ons gegrond worden geacht, behouden de door hen op gemeld tijdstip genoten jaarwedde als wachtgeld tot hun zeventigste jaar. (H.O. 58.)

Dit wachtgeld vervalt, zoodra zij eene landsbediening aanvaar den, tot eene betrekking van Staatswege worden benoemd, waarvan de bezoldiging met het bedrag van het wachtgeld gelijk staat of dat overtreft, of zoodanige betrekking, hun niet van Staatswege opgedragen, aanvaarden.

By aanvaarding eener betrekking niet van Staatswege opgedragen, waarvan de bezoldiging lager is dan her, wachtgeld, wordt dit verminderd met het bedrag van die bezoldiging.

De tijd, gedurende welken wachtgeld wordt genoten, rekent mede voor aanspraak op pensioen.

Geen wachtgeld gaat de som van ƒ 3000 's jaars te boven.

110. Aau de hoogleeraren, vermeld in het 1ste lid van art. 109, die aantoonen, dat hunne inkomsten aan jaarwedde, collegiegelden en verdere emolumenten, in de vijf laatste jaren aan het in art. 108 vermelde tijdstip voorafgegaan, of, voor zooveel zij korter in dienst zijn geweest, over dat kortere tijdvak, gemiddeld, jaarlijks,

1) Aldus gewqzigd by de wet van 28 Jung 1881, Stabi. no. 107.

ocr page 363

WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS. 335

meer hebben bedragen dan de jaarwedde, hun krachtens deze wet toe te leggen, kan eene personele toelage ten bedrage van hetgeen zij in hunne nieuwe betrekking minder ontvangen, worden verleend. Deze toelage wordt, voor zooveel de aanspraak op pensioen betreft, niet als wedde of belooning beschouwd. (H.O. 52.)

Aan de hoogleeraren, die, op het in art. 108 vermelde tijdstip gepensioneerd krachtens art. 4 van het Koninklijk besluit van 7 Mei 1837 [Staatsblad no 20) in het genot zijn der emolumenten, vermeld in art. 13é, no. 1 en 2, van liet organiek besluit van 2 Augustus 1815, kan, ter vergoeding van het, gemis dier emolumenten, eene personele toelage worden verleend, ten bedrage van hetgeen zij in de vijf laatste jaren aan het in art. 108 vermelde tijdstip voorafgegaan, of, vcor zooveel zij korter in dat genot zijn geweest, over dat kortere tijdvak, gemiddeld, jaarlijks, aan emolumenten hebben genoten.

Gelijke personele toelage kan ook worden verleend aan de op het in art. 108 vermelde tijdstip in dienst zijnde hoogleeraren, wanneer zij op zeventigjarigen ouderdom worden gepensioneerd.

Op deze personele toelagen is art. 30 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 \Staatshlad no. 64), niet van toepassing.

111. De hoogleeraren, vermeld in het eerste lid van art. 109, worden op hun verzoek vrijgesteld van de bijdrage voor pensioen ingevolge art. 15(5 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 (Staatsblad no. 64), wegens de verhooging hunner wedde verschuldigd. Indien echter die verhooging meer bedraagt dan het gemiddeld bedrag hunner collegiegel-den en verdere emolumenten, berekend op den voet in het vorig artikel bepaald, blijft van dat meerdere de bijdrage voor pensioen verschuldigd.

Het gedeelte der wedde, waarover aldus de bijdrage voor pensioen niet wordt betaald, blijft bij de bepaling van den grondslag voor de latere regeling van liet pensioen buiten aanmerking.

112. Zij, aan wie, vóór het in art. 108 vermelde tijdstip, de titel van hoogleeraar is toegekend, blijven dien behouden.

113. De bestemming der gelden en archieven, behoorende tot het bij elk der hoogescliolen te Leiden, Utrecht en Groningen bestaande akademisch fonds, ingesteld bij Koninklijk besluit van 13 October 1836, wordt door Ons geregeld.

114. De gemeenten, die krachtens art. 6 dezer wet tot het oprig-ten of volgens hare voorschriften inrigten en onderhouden van gymnasia gehouden zijn, voldoen, voor zoo verre haar niet de bij het derde lid van dat artikel vermelde vrijstelling is verleend, aan die verpligting binnen een termijn van uiterlijk drie jaren, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip. (M.O. 14, 91.)

Zoolang binnen dezen termijn eene bestaande latijnsche school of

ocr page 364

336 WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGER ONDEKWUS.

een bestaand gymnasium in wezen blijft, gelden, wat betreft hot onderwijzend personeel, de vakken waarin onderwijs wordt gegeven en de inrigting, de bepalingen van het organiek besluit van 2 Augustus 1815 en die tot aanvulling of wijziging daarvan vastgesteld.

Gelijke termijn wordt toegestaan aan gemeenten, wier bevolking blijkens de alsdan laatste tienjarige volkstelling, boven het cijfer van twintig duizend is geklommen en aan welke bovengemelde vrijstelling niet wordt verleend.

113. Aan de leeraren bij de gymnasia, in het 1ste lid van het voorgaand artikel bedoeld, die op het in art. 108 vermelde tijdstip bg eene latijnsche school of een gymnasium geplaatst waren, wordt vrijheid gelaten van de aanspraak op pensioen bij art. 20 toegekend, afstand te doen. In dit geval zynde artt. 20—23 niet op hen toepasselijk.

116. Gedurende vier jaren, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip, gelden, met betrekking tot de toelating tot de examens aan de universiteiten de bepalingen van het Koninklijk besluit van é Augustus 1853 (Staatsblad no. 31).

117. Van het bezit der getuigschriften, vermeld in artt. 11 en 12, zijn vrijgesteld zij, die tot op het in art. 108 vermelde tijdstip als studenten aan eene Nederlandsche hoogeschool zijn ingeschreven, voor zoo verre de inschrijving is geschied na overlegging van het bewijs, vermeld in het 1ste lid van art. 1 van Ons besluit van 4 Augustus 1853 {Staatsblad no. 31), of na aflegging van het examen, vermeld in het 2de lid van dat artikel.

118. Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bepaald, welke bewijzen van bekwaamheid zij, die vermeld zijn in de beide voorgaande artikelen, behooren te geven, alvorens tot de examens, bedoeld by art. 84, te kunnen worden toegelaten. (Kon. Besl. 23 Sept. 1878, Stsbl. no. 139.)

119. Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bepaald, van welke der examens, bedoeld bij art. 84, zijn vrijgesteld zij, die, op het in art. 108 vermelde tijdstip, aan eene Nederlandsche hoogeschool den graad van candidaa; verkregen hebben. (Kon. Besl. 17 Juli 1877, Stsbl. no. 160.)

120. Wij behouden Ons voor, geheele of gedeeltelijke vrijstelling van de bijdrage, in art. 64 vermeld, voor het eerste studiejaar na het in art. 108 vermelde tijdstip toe te kennen aan hen, die voor dat jaar reeds de collegiegelden betaald hebben.

121. Zij die, vóór het in art. 108 vermelde vijdstip, het laatste examen in eenige faculteit hebben afgelegd, worden nog gedurende den tijd van twee jaren na dat tijdstip, overeenkomstig de bepalingen van het organiek besluit van 2 Augustus 1815 en die tot aanvulling of wijziging daarvan vastgesteld, tot de promotie toegelaten.

122. Zij die, vóór het in art. 108 vermelde tijdstip aan eene Nederlandsche hoogeschool een akademischen graad verkregen hebben, behouden de bevoegdheid tot het geven van onderwas in de vak-

ocr page 365

WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS. 337

ken waarin zij, krachtens het hun verleend diploma, de bevoegdheid hadden onderwijs te geven.

De graad van doctor in de godgeleerdheid geeft gelijke bevoegdheid als de graad van doctor in de godgeleerdheid en in de semiti-sche letterkunde, vermeld in art. 83.

De graad van doctor juris romani et hodierni geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de regtswetenschap eu in de staatswetenschap, vermeld in art. 83.

De graden van doctor in de genees-, heel- en verloskunde geven dezelfde bevoegdheid als de graden van doctor in dezelfde vakken, vermeld in art. 83.

De graad van doctor in de wis- en natuurkunde geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de wis- en sterrekunde, in de wis- en natuurkunde, in de scheikunde, in de aard- en delfstof-kunde en in de plant- en dierkunde, vermeld in art. 83, of naar gelang van den inhoud van het verkregen diploma, gelijke bevoegdheid als één of meer diei' graden.

De graad van candidaat in de wis- en natuurkunde, voorbereidend voor het doctoraat in die wetenschappen, geeft gelijke bevoegdheid als het getuigschrift van voldaan te hebben aan het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van een der doctorale graden in de faculteit der wis- en natuurkunde, vermeld in art. 83.

De graad van doctor artis pharmaceuticae geeft dezelfde bevoegdheid als de graad van doctor in de artsenijbereidkunde, vermeld in art. 83.

De graad van doctor in de bespiegelende wijsbegeerte en letteren geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de klassieke letterkunde en in de nederlandsche letterkunde, vermeld in art. 83.

De graad van candidaat, voorbereidend voor het doctoraat in de bespiegelende wijsbegeerte en letteren, geeft gelijke bevoegdheid als het getuigschrift van voldaan te hebben aan de examens, laatstelijk voorafgaande aan die ter verkrijging van den doctoralen graad in de klassieke en in de nederlandsche letterkunde, vermeld in art. 83.

Voor elk der in dit artikel genoemde doctoraten wordt de daarbij vermelde bevoegdheid ook toegekend aan hen, die krachtens art. 121 het doctoraat hebben verworven. (M.O. 80, 87.)

123. De gemeenten, dus verre in het genot van Rijkssubsidie ten behoeve barer latijnsohe scholen of gymnasia, en die, niet aan de vereischten dezer wet voldoende, overeenkomstig art. 8 dat subsidie zouden verliezen, blijven niettemin in het genot daarvan gedurende één jaar, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip.

124. Binnen zes maanden na het in art. 1US vermelde tijdstip leggen de bestuurders van de op dat tijdstip bestaande bijzondere scholen van hooger onderwijs de reglementen of statuten dier scholen over aan het gemeentebestuur en aan Onzen Minister van Bin-

STAATSWETTEN. 22fl

ocr page 366

338 WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

nenlandsche Zaken, aan welke insgelijks mededeeling wordt gedaan van latere wijziging of intrekking dier reglementen of statuten.

Het verzuim dezer kennisgevingen wordt gestraft op de wijze vermeld in art. 102.

(25. De Rijksinstelling van onderwijs in Indische taal-, landen volkenkunde, opgerigt ten gevolge der wet van 10 Junij 186'i {Staatsblad no. 71), wordt op het in art. 108 vermelde tijdstip opgeheven.

Op de hoogleeraren is art. 109 toepasselijk.

126. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. (H.O. 108.) ')

Alsdan vervallen, behoudens de tijdelijke uitzonderingen in dezen Titel bepaald, het organiek besluit van 2 Augustus 1815, en alle verdere algemeene verordeningen betreffende het hooger onderwijs.

Hetgeen ter voorbereiding van het in werking treden dezer wel en tot hare behoorlijke uitvoering noodig is, wordt door Ons geregeld.

Voor het vervullen der bij haar gevorderde leerstoelen aan de Eijksuniversiteiteu wordt eene tijdsruimte van tien jaren na haar in werking treden toegestaan. -)

1) Hij besluit van G Mei 1877, Stsbl. no. 101, is dit tijdstip bepaald op 1 October 1877.

2) Aldus gewijzigd by de wet van 15 Jun\j 1883, Stsbl. no. 76.

ocr page 367

WET,

HOUDENDE REGELING DER VOORWAARDEN TOT VERKRIJGING DER BEVOEGDHEID VAN ARTS, TANDMEESTER, APOTHEKER, VROEDVROUW EN APOTHEKERS-BEDIENDE.

(Vastgesteld den aösten December 1878, Stsbl. no. 223, uitgegeven den Sisten Dec. d.a.v. Gewyzigd by de wet van 28 Juny 1881, Ststl. uo. 103, 36 Oct. 1869, Stsbl. no. 137 en 13 Dec. 3893, Stsbl. no. 361.) 1)

Art. I. De titel vau arts verleent de bevoegdheid tot uitoefening der geneeskunst in haren vollen omvang en wordt verkregen door het afleggen van het praktisch arts-examen.

2. Bi] het praktisch arts-examen worden voldoende bewijzen gevorderd van praktische kennis aan het ziekbed en van bekwaamheid in het verrigten van lieel- en verloskundige kunstbewerkingen en het gereed maken van recepten.

Het wordt gesplitst in een algemeen geneeskundig en een heel- en verloskundig gedeelte.

Voor de toelating van het eerste gedeelte moet de verklaring worden overgelegd van een hier te lande bevoegd geneeskundige, dat de kandidaat gedurende minstens twee jaren de genees- en heelkundige behandeling van zieken gevolgd heeft, en voor de toelating tot het tweede gedeelte het bewys, dat hij, in tegenwoordigheid van een bevoegd verloskundige, hier te lande minstens tien gewone en twee buitengewone verlossingen verrigt heeft.

Ingeval niet beide gedeelten gelijktijdig met goed gevolg worden afgelegd, wordt aan hem, die hij het eerste gedeelte voldaan heeft, hiervan een bewijs uitgereikt, tegen overlegging waarvan hij tot het tweede gedeelte afzonderlijk wordt toegelaten.

3. Tot het afleggen van het praktisch arts-examen zijn alleen bevoegd zij:

a. die bedoeld zijn in art. 94 der wet van 28 April 1876 {Staatsblad no. 102) tot regeling van het hooger onderwijs of volgens de bepalingen dier wet met de zoodanigen gelijk staan;

1) De met * gemerkte artikels en zinsneden zijn gewijzigd of toegevoegd volgens art. 1 der wet van 13 Dec. 1892, Stsbl. no. 261, in werking tredend 1 Januari ISÖ-t. STAATSWETTEN. 22^

ocr page 368

340 WET VOOEW. VERKRIJGING BEVOEGDH. VAN ARTS,

b. die achtereenvolgens met goed gevolg de twee natuurkundige en het theoretisch geneeskundig examen, bedoeld in artt. 4, 5 en 6, hebben afgelegd, of met de zoodanigen gelijk staan.

*Zij die in een ander Rijk of in eene der Nederlandsche koloniën of overzeesche bezittingen na afgelegd examen het regt tot uitoefening der geneeskunst in haren geheelen omvang verkregen hebben, kunnen geheel of gedeeltelijk vrijstelling genieten van het theoretisch geneeskundig en de daaraan voorafgaande examens en van de overlegging van de verklaring en het bewijs bedoeld in het derde lid van artikel 2.

*Door Ons wordt by algemeenen maatregel van bestuur, na ingewonnen advies van de senaten van de Rijks-universiteiten, aangewezen, welke getuigschriften of diploma's aan de bezitters vrijstelling verleenen en hoe ver die vrystelling strekt.

4. Het eerste natuurkundig examen betreft;

a. de natuurkunde;

b. de scheikunde;

c. de plantkunde.

*Tot het afleggen van dit examen zijn alleen bevoegd zij, die in het bezit zijn van het getuigschrift verkregen door het met goed gevolg afleggen van het eindexamen voor de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus, bedoeld in artikel 57, of van het examen A, bedoeld in artikel 59 der wet van 2 Mei 1863 {Staatsblad no. 50), houdende regeling van het middelbaar onderwys.

5. Het tweede natuurkundig examen betreft:

a. de ontleedkunde;

b. de physiologic en weefselleer;

c. de algemeene ziektekunde;

d. de pharmakognosie.

6. Het theoretisch geneeskundig examen betreft:

a. de ziektekundige ontleedkunde;

b. de pharmakodyuamie;

c. de bijzondere pathologie en therapie;

d. de gezondheidsleer;

e. de theoretische heelkunde;

f. de theoretische verloskunde.

7. Bevoegd tot het afnemen der examens in artt. 4, 5 en fi bedoeld, en tot het uitreiken van het getuigschrift aan hen, die zoodanig examen met goed gevolg hebben afgelegd, zijn:

a. wat betreft het examen van art. 4, de faculteiten der wis- en natuurkunde aan de nederlandsche universiteiten;

b. wat betreft de examens van artt. 5 en 6, de faculteiten der geneeskunde aan die universiteiten.

Voor het afleggen van elk dezer examens wordt in handen van den voorzitter der faculteit, welke het examen afneemt, eene som van vijftig gulden betaald. (14.)

ocr page 369

TANDM., APOTII., VROEDVR. EN APOTHEKERSBEDIENDE. 341

In geval van afwijzing wordt voor de eerste herhaling van een examen geene betaling gevorderd.

De opbrengst der gestorte gelden strekt tot presentiegeld voer de leden der faculteit, door wie bet examen wordt afgenomen.

8. De titel van tandmeester verleent de bevoegdheid tot het Kit-oefenen der tandheelkunst, waaronder verstaan wordt de plaatselijke behandeling van ziekten der tanden, der tandkassen en van het tandvleesch.

Die titel wordt verkregen door bet met goed gevolg afleggen van een praktisch examen, waarbij voldoende bewijzen gevorderd worden van praktische kennis van de operatieve tandheelkunde en van het inzetten van kunsttanden en gebitten.

9. Bevoegd tot het afleggen van het praktisch examen als tandmeester zijn alleen zij, die met goed gevolg het theoretisch examen in de tandheelkunde hebben afgelegd.

Dat examen betreft:

a. de ontleedkunde var de tanden, de tandkassen en het tandvleesch ;

h. de physiologie dezer deelen;

c. de gezondheids-, ziekte- en geneesleer dezer deelen, daaronder begrepen de onderkenning der ziekten van de tanden, de tandkassen en het tandvleesch, waarvan de oorzaak algemeen is of in andere deelen zetelt;

d. de geneesmiddelleer en de recepteerkunde, voor zooveel noodig tot het voorschrijven van de plaatselijke geneesmiddelen bij de ziekten der genoemde deelen.

Van het examen in de vakken, onder letters « en A vermeld, zijn vrijgesteld zij :

1°. die met goed gevolg aan eene nederlandsche universiteit het examen naastvoorgaande aan dat ter verkrijging van den doctoralen graad in de faculteit der geneeskunde hebben afgelegd, of, voor zooveel die faculteit betreft, vermeld zijn in art. 119 der wet van 28 April 1876 (Stsbl. no. 102), tot regeling van het hooger onderwijs;

9°. die voldaan hebben aan bet ttceede natuurkundig examen, bedoeld in art. 5, of niet de zoodanigen gelijk staan.

*Bevoegd tot het afleggen van het theoretisch examen in de tandheelkunde zijn alleen zij, die bevoegd zijn tot bet afleggen van de examens, bedoeld in artikel 84 van de wet van 28 April 1876 [Staatsblad no. 102) tot regeling van het hooger onderwijs, en zij, die bevoegd zijn, tot het afleggen van het eerste natuurkundig examen.

*Zij die in een ander Rijk of in eene der Nederlandsche koloniën of overzeesche bezittingen na afgelegd examen bet regt tot uitoefening der tandheelkunst verkregen hebben, kunnen geheel of gedeeltelik vrijstelling genieten van het theoretisch examen in de tandheelkunde en de daaraan voorafgaande examens.

-Door Ons wordt by algemeenen maatregel van bestuur, na in-

ocr page 370

342 WET VOORW. VERKRIJGING BEVOEGDE. VAN ARTS,

gewonnen advies van de senaten van de Rijks-universiteiten, aangewezen, welke getuigschriften of diploma's aan de bezitters vrijstelling verleenen en hoe ver die vrijstelling strekt.

10. Tot het afnemen van het theoretisch examen als tandmeester en het uitreiken van het getuigschrift aan hen, die dat examen met goed gevolg hebben afgelegd, zijn bevoegd de faculteiten der geneeskunde aan de nederlandsche universiteiten.

Voor het afleggen van dit examen wordt in handen van den voorzitter der faculteit, die het examen afneemt, eene som van vgf en twintig gulden betaald.

De twee laatste zinsneden van art. 7 zijn ten deze toepasselijk.

11. De titel van apotheker verleent de bevoegdheid tot uitoefening der artsenij bereidkunst en wordt verkregen door het afleggen van het praktisch apothekers-examen.

Bij dat examen worden voldoende bewijzen van praktische kennis gevorderd der artsenij bereidkunst en der scheikundige analyse, zoo in de apotheek, als in het laboratorium.

Voor de toelating tot het examen moet worden overgelegd de verklaring van een hier te lande bevoegd apotheker, dat de candidaat gedurende minstens twee jaren de uitoefening der artsenijbereidkunst onder de leiding van zulk een bevoegde gevolgd heeft.

12. Bevoegd tot het afleggen van het praktisch apothekers-examen zijn alleen zij:

«. die bedoeld zijn in art. 96 der wet van 28 April 1876 {Staatsblad no. 102), tot regeling van het hooger onderwijs of volgens hare bepalingen met de zoodanigen gelyk staan;

b. die het theoretisch apothekers-examen, in art. 13 bedoeld, met goed gevolg hebben afgelegd.

13. Het theoretisch «^o^êiars-examen betreft;

ff. de artsenijbereidkunde;

b. de toxicologie;

c. de analytische scheikunde.

14. Bevoegd tot het afnemen van het theoretisch apothekers-examen en tot her. uitreiken van het getuigschrift aan hen, die dat examen met goed gevolg hebben afgelegd, zijn de faculteiten der wis- en natuurkunde aan de nederlandsche universiteiten.

De drie laatste zinsneden van art. 7 zijn ten deze toepasselijk.

15. Bevoegd tot het afleggen van het theoretisch apothekers-examen zyn alleen zij, die met goed gevolg het eerste natuurkundig examen hebben afgelegd, in art. 4 bedoeld, of met de zoodanigen gelgk staan en bovendien bewezen geleverd hebben van kennis der beginselen van de natuurlijke geschiedenis van dieren en delfstoffen.

16. De bevoegdheid tot het verleenen van verloskundigen raad en bijstand als vroedvrouw wordt verkregen door het afleggen van een theoretisch en praktisch examen in de verloskunde.

Voor de toelating tot dit examen moet het bewijs worden overge-

ocr page 371

TANDM., APOTH,, VROEDVR. EN APOÏHEKERSBEDIENDB. 343

legd, dat de kandidaat, als leerling-vroedvrouw, onder de voorwaarden, door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur te bepalen, by een geneeskundigen inspecteur is ingeschreven en daarna minstens tien gewone verlossingen in tegenwoordigheid van een bevoegd verloskundige hier te lande verrigt heeft.

17. Als apothekersbedienden met gelijke bevoegdheden en verplig-tingen, als volgens de bestaande wetten en wettelijke verordeningen die zijn des hulpapothekers, kunnen worden toegelaten zij, die na volbragten achttienjarigen leeftijd met goed gevolg een examen hebben afgelegd, waarbij genoegzame bewijzen gevorderd worden van kennis en geschiktheid, noodig tot het gereedmaken van recepten.

18. *De examens in artt. 2, 8 en 11 bedoeld, worden afgenomen door commission, wier voorzitters, leden, leden-plaatsvervangers en secretarissen, jaarlijks door Ons benoemd worden.

De voorzitters, leden, leden-plaatsvervangers en secretarissen dier commissiën genieten reis- en verblgfkosten en presentiegeld, door Ons te bepalen.

De examens worden in het openbaar gehouden, met uitzondering van die aan het ziekbed, in het scheikundig laboratorium en die in de verloskunde, welke alleen kunnen bijgewoond worden met vergunning van den voorzitter der examinerende commissie.

quot;■Voor het afleggen van elk dezer examens wordt in handen van den voorzitter der commissie, welke het examen afneemt, eene som van vijf en twintig gulden betaald.

*In geval van afwijzing wordt voor de eerste herhaling van een examen geene betaling gevorderd.

19. *Aan ieder, die aan het examen voldaan heeft, wordt een diploma uitgereikt, dat hem het regt geeft om den titel te voeren:

a. in het geval van art. 2, van arts;

h. in dat van art. 8, van tandmeester;

c. in dat van art. 11, van apotheker.

*20. De examens in artikelen 1(3 en 17 bedoeld worden afgenomen door commissiën, samengesteld uit een voorzitter en twee leden.

Onze Minister, met de uitvoering dezer wet belast, wijst den geneeskundigen inspecteur of adjunct-inspecteur, binnen wiens dienst-kring het examen wordt afgenomen, of een lid of plaatsvervangend lid van den geneeskundigen raad als voorzitter der commissie aan en benoemt de leden der commissie en hunne plaatsvervangers.

Het lid of plaatsvervangend lid van den geneeskundigen raad, als voorzitter fungeerende, en de leden der commissie en hunne plaatsvervangers genieten reis- en verblijfkosten en presentiegeld door Ons te bepalen.

Voor het afleggen van elk dezer examens wordt in handen van den voorzitter der commissie, welke het examen afneemt, eene som van vijf gulden betaald. In geval van afwyzing wordt voor de eerste herhaling van een examen geene betaling gevorderd.

ocr page 372

344 WET VOORW. VERKRIJGING BEVOEGDH. VAN ARTS,

Aan de vroedvrouw of aan den apothekersbediende, die aan het examen voldaan heeft, wordt hiervan een getuigschrift uitgereikt.

21. Zij, die voldaan hebben bij het examen als arts, tandmeester, apotheker, vroedvrouw of apothekersbediende, leggen, voordat zij als zoodanig worden toegelaten, in handen van den voorzitter der examinerende commissie den volgenden eed (of belofte) af;

„Ik zweer (beloof), dat ik de genees-, heel- en verlos- (tandheel-, „artsenijbereid-, verlos-)kunst, volgens de daarop wettelgk vastgestelde bepalingen naar mijn beste weten en vermogen zal uitoefenen en „dat ik aan niemand zal openbaren wat in die uitoefening als geheim „mij is toevertrouwd of ter myner kennis is gekomen, tenzij mijne „verklaring als getuige of deskundige in regten gevorderd of ik „nnderzins tot het geven van mededeeling door de wet verpligt worde.

,,Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig.quot; („Dat beloof ik.quot;)

22. Tot het afleggen der in het voorgaande artikel bedoelde examens wordt minstens tweemaal 's jaars gelegenheid gegeven.

Onze Minister, met de uitvoering dezer wet belast, bepaalt de plaatsen waar en den tijd waarop de examinerende commissiën bijeenkomen.

De door de candidaten gestorte gelden worden na aftrek van de kosten van vergadering der commissie, waaronder echter niet mede-gerekend worden de reis- en verblijfkosten en vacatiegelden, in 's Rijks schatkist gestort. (M.O. 81.)

*De examens worden in het Nederlandsch gehouden.

Al hetgeen verder tot de regeling dier examens betrekking lieeft, wordt door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld.

23. Benoembaar tot militaire artsen zijn alleen zij, die volgens de wet bevoegd zijn tot uitoefening der geneeskunst in haren vollen omvang in het geheele Koningrijk; tot militaire apothekers zij, die volirens de wet de bevoegdheid van apotheker hebben verkregen. ')

23a. Wij behouden Ons voor de bevoegdheid van apotheker te verleenen aan Nederlanders, die als militair apotheker een eervol ontslag hebben bekomen uit den kolonialen dienst, voor zoover zij die bevoegdheid krachtens de bepalingen dezer wet niet bezitten. 1)

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 24. Ieder, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, bevoegd is tot uitoefening van genees-, heel-, verlos-, tandheel-.

1

Art. 23a is toegevoegd door de wet van 26 Oct. 1889. Stsbl. no. 137.

ocr page 373

TANDM., APOTH., VROEDVE. EN APOTHEKERSBEDIENDE. 345

of artsenijbereidkunst cf tot uitbreiding zijner bevoegdheid door het afleggen van een aanvullings examen, behoudt die bevoegdheid.

Ieder, die op bedoeld tijdstip door het afleggen van eenig examen de bevoegdheid verkregsn had tot liet afleggen van een ander examen of tot het genot van eenigerlei vrijstelling bij dergelijk examen, behoudt die bevoegdheid met opzigt tot de gelijksoortige examens, af te leggen volgens deze wet.

25. Wij behouden Ons voor aan nog in dienst zijnde officieren van gezondheid, die vóór de invoering der wet van 1 Junij 1865 {Staats-blad no. 59) zijn aangesteld, alsmede aan hen, welke dien rang hebben verkregen ingevolge het bepaalde in art. 19 van die wet, vergunning te verleenen tot uitoefening der genees- en heelkunde bij niet-militairen.

Deze bepaling is ook van toepassing op de officieren van gezondheid, die bij de invoering der aangehaalde wet in koloniale dienst waren, wanneer zij zich met verlof' hier te lande bevinden. ')

26. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. 2)

Alsdan vervallen de wet van 1 Junij 1865 {Staatsblad no. 59), regelende de voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid van geneeskundige, apotheker, hulp-apotheker, leerling apotheker en vroedvrouw, gewijzigd bij de wet van 8 Julij 1874 {Staatsblad no. 97), en de artt. ]—6 van de wet van 24 Junij 1876 [Staatsblad no. 117), houdende regeling van de voorwaarden tot verkrijging der afzonderlijke bevoegdheid, tot uitoefening der tandheelkunst en van de uitoefening dier kunst, en alle uit die bepalingen voortgevloeide algemeene verordeningen.

Artikel 2 der wet van 12 Dec. 1892, Stsbl. no. 261.

Deze wet treedt in werking op 1 Januari 1894.

Zij, die vóór dat tijdstip de bevoegdheid hebben verkregen tot het afleggen van het eerste natuurkundig examen, behouden die bevoegdheid.

1) Dit artikel is bygevoegd door de wet van 28 Junij 1881, Stsbl. no. 103. 3) liy besluit van 12 February 1879, Stabl. no. S3, is dit tijdstip bepaald op ] Augustus 1879.

ocr page 374

quot;WET

TOT REGELING VAN HET ONDERWIJS VAN 'S RIJKSWEGE IN DE BEELDENDE KUNSTEN.

(Vastgesteld den 26steu Mei 1870, Stsbl. no. 78, uitgegeven den 4den Juny ü.a.v.)

Art. I. Er is eene Rijks Akademie van beeldende kunsten, tot hoogere opleiding van kunstenaars bestemd.

2. Aan de Akademie wordt onderwijs gegeven in:

a. liet teekenen naar het mensehenbeeld (antiek en levend model);

b. de beeldhouwkunst;

c. de schilderkunst;

d. de graveerkunst;

e. de wetenschap van het schoon (aesthetica), vooral in betrekking tot de genoemde kunsten en de bouwkunst;

f. de kunstgeschiedenis;

g. de ontleedkunde, vooral die van den mensch, in betrekking tot de kunst;

h. de doorzigtkunde.

3. Elk, die de lessen wil volgen in de vakken, vermeld onder a—d van art. 2, moet vooraf voldoende blyken geven van bedrevenheid in het teekenen.

Dit examen wordt afgenomen door eene commissie, zamengesteld uit een lid der commissie van toezigt, door haar zei ven aan te wijzen, als voorzitter, den directeur der Akademie en de onderwijzers in de vakken, vermeld onder a—d van art. 2.

4. Behoudens het bepaalde bij het eerste lid van art. 3, heeft elk het regt om de lessen der Akademie bij te wonen. Zy, die alle lessen wenschen te volgen, betalen bij den aanvang van elk studiejaar eene som van f 100; zij, die slechts enkele lessen wensclien te ; volgen, betalen, mede bij den aanvang van het studiejaar, voor lessen, die gegeven worden:

eenmaal 's weeks /quot;10;

tweemaal 's weeks f 20;

driemaal 's weeks f 30;

vier- of meermalen 's weeks f 40.

De in dit artikel vermelde gelden worden in 's Rijks schatkist gestort. (H.O. 63.)

ocr page 375

WET OP HET OS-DERWIJS IN DE BEELDENDE KUNSTEN. 347

5. De onderwijzers worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen. Zij voeren den titel van hoogleeraar en genieten uit 's Rijks kas eene jaarwedde. (H.O. 51.)

Een der hoogleeraren is, met den titel van directeur, met het bestuur der Akademie belast.

6. Aan den directeur en de hoogleeraren der Akademie wordt ten laste van den Staat pensioen verleend, in de gevallen, naar de regelen en onder de voorwaarden, voor burgerlijke ambtenaren bij de wet vastgesteld of nader vast te stellen.

Zij behooren tot de deelhebbenden in het voor die ambtenaren, bij ile eerste afdeeling der wet van 9 Mei 1S4Ü (Staatsblad no. 24) ingesteld pensioenfonds. (M.O.32; H.O.20; Wet9 Mei 1800, Stsbl.no. 78.)

De diensttijd, krachtens eene vaste aanstelling in eenigerlei Rijksbetrekking, alsmede die bij eene openbare inrigting van onderwijs krachtens eene vaste aanstelling van een gemeentebestuur doorge-bragt, is daarbij voor hen geldig.

7. De beambten der Akademie worden door Onzen Minister van Binnenlandsohe Zaken benoemd, geschorst en ontslagen.

Al hetgeen hunnen werkkring, bevoegdheid en verpligtingen betreft, wordt, voor zooverre het niet door deze wet is bepaald, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld. (H.O. C2.)

8. Het toezigt op de Akademie is, onder het oppertoezigt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, opgedragen aan eene oommissie van vijf leden, door Ons te benoemen. (H.O. GS.)

9. De lessen en verzamelingen der Akademie zijn steeds toegankelijk voor de leden der commissie.

Üe directeur en de hoogleeraren zijn steeds gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent al wat de Akademie betreft.

10. De commissie ziet toe, dat de bepalingen de/.er wet en die, bedoeld bij art. 10, stipt wordt nagekomen.

Zij doet Ons, jaarlijks vóór den Isten Maart een beredeneerd verslag omtrent den toestand der Akademie in het vorig jaar. (H.O. 73.)

Dit verslag wordt aan de Staten Gcneraal medegedeeld. (G. 192e.)

De commissie is bevoegd aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken de voorstellen te doen, die zij in het belang van het onderwijs noodzakelijk acht. (M.O. 52.)

11. Jaarlijks wordt aan de Akademie gelegenheid gegeven tot het afleggen van een examen in de vakken vermeld onder e—h van art. 2.

Dit examen wordt ten overstaan der commissie van toezigt in het openbaar, onder leiding van den directeur, afgenomen door examinatoren, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aan te wijzen.

12. Die hel examen, in art 11 vermeld, met goeden uitslag heeft afgelegd, wordt toegelaten tot een wedstrijd in een of meer dei-vakken, vermeld onder h—d van art. 2.

STAATSWETTEN. 23

ocr page 376

348 WET OP HET ONDERWIJS IN DE BEELDENDE KUNSTEN.

Hij, die een examen heeft afgelegd in de vakken, vermeld onder e, f en h van art. 2, en het bewijs levert, dat hij voldoende bekwaamheden bezit in de bouwkunst in het algemeen, wordt tot een wedstrijd in de schoone bouwkunst toegelaten.

13. In elk der in het voorgaande artikel genoemde vakken kan telken jare een prijs en een accessit worden toegekend, bestaande de eerste uit een gouden, het tweede uit een zilveren eerepenning.

14. De zilveren eerepenning kan in hetzelfde kunstvak slechts eenmaal aan denzelfden persoon worden toegekend.

Die den gouden eereprijs heeft weggedragen, wordt in hetzelfde kunstvak tot geene mededinging meer toegelaten.

15. Zij, die den gouden eereprijs zijn waardig gekeurd en blijken hebben gegeven van groot talent en buitengewonen aanleg, kunnen, op gemotiveerde aanbeveling van de commissie van toezigt, door Ons hoogstens gedurende vier achtereenvolgende jaren met een jaargeld van f 1200 worden begunstigd, ten einde hen in de gelegenheid te stellen zich in hunne kunst te volmaken. Die ondersteuning wordt telkens voor een jaar verleend.

In de Slaalscourant geschiedt mededeeling van Ons daartoe strekkend besluit, zoowel als van de aanbeveling der commissie.

16. De verpligtingen van den directeur en de hoogleeraren en de voorschriften omtrent het onderwijs, de examens, de prijskampen en de vierjarige toelage worden, voor zooverre die niet in deze wet zijn omschreven, bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. ')

17. Deze wet treedt in werking op het door Ons te bepalen tijdstip. '1)

De bestaande voorschriften betreffende de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten vervallen met de invoering dezer wet.

1

Bij K.B. is dit tydstip bepaald op den eersten Maandag van October 1870.

ocr page 377

WET

TOT REGELING VAN HET MILITAIR ONDERWIJS BIJ DE LANDMACHT, VOOR ZOOVER DAARBIJ DE OPLEIDING VOOR DEN OFFICIERSRANG EN DE HOOGERE VORMING VAN DEN OFFICIER ZIJN BETROKKEN.

(Vastgesteld den Sisten Juli 1890, Stsbl. no. 126, uitgegeven den 2den Augustus d.a.v.)

EERSTE HOOFDSTUK.

INRICHTINGEN VAN MILITAIR ONDERWIJS.

Art. I. De opleiding voor den officiersrang bij de Landmacht, ook — voor zooveel die opleiding in Nederland plaats heeft — ten behoeve van den dienst in de Koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen, geschiedt:

a. voor de Infanterie, de Cavalerie, de Artillerie en de Genie, aan de Koninklijke Militaire Academie; (23 volg.)

b. voorde Infanterie en de Militaire Administratie, aan den Hoofdcursus. (12.)

2. Voorbereidend onderwijs wordt gegeven;

a. voor toelating tot de Koninklijke Militaire Academie: aan de Cadettenschool; (13 volg.)

b. voor toelating tot den Hoofdcursus: aan eenen Cursus bij het Wapen der Infanterie. (12, 20 volg., 33 volg.)

3. Er is eene Hoogere Krijgsschool, bestemd tot vorming van officieren:

a. in algemeen krijgskundige richting; alsmede voor de hoogere troepenleiding en voor den dienst bij den Generalen Staf;

b. voor den Intendance-dienst. (40 volg.)

Door Ons worden in het belang van de hoogere vorming van officieren — bepaaldelijk ook in technische richting — nog andere voorzieningen getroffen. (12.)

4. De Hoogere Krijgsschool is gevestigd te 's Gravenhage; de Koninklijke Militaire Academie te Breda; de Hoofdcursus te'Kampen.

23*

ocr page 378

350 WET OP HEI MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

Bij Algemeenen Maatregel van Bestuur worden aangewezen:

a. de plaats waar de Cadettensohool wordt gevestigd; ')

b. de korpsen van het Wapen der Infanterie, waarbij een Cursus als onder b van art. 2 bedoeld, wordt ingesteld. (K.B. 22 Sept. 1893, Stsbl. no. 222.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 5. A an de vakken, waarin, volgens de bepalingen dezer Wet, aan de bij de artt. 1, 2 en 3 bedoelde Inrichtingen onderwijs wordt gegeven, kunnen bij Algemeenen Maatregel van Bestuur andere vakken worden toegevoegd.

De omvang van het leerplan; de wijze waarop het over de verschillende studiejaren wordt verdeeld; de eischen, waaraan bij den overgang naar een hooger studiejaar moet worden voldaan; en de regelen, welke bij de overgangs-examens behooren te worden in aclit genomen, worden vooral de bij de artt. 1, 2 en 3 bedoelde Inrichtingen door Onzen Minister van Oorlog bepaald.

Voor zooveel een en ander de opleiding voor den officiersrang en de hoogcre vorming van den officier, ten behoeve van den dienst in de Koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen betreft, wordt door dien Minister daaromtrent met Ouzen Minister van Koloniën overleg gehouden.

Aan de leerlingen van de bij de artt. 1 en 2 genoemde Inrichtingen wordt gelegenheid gegeven, overeenkomstig het verlangen en de keuze der ouders of voogden, onderwijs in den godsdienst te bekomen.

6. Jaarlijks wordt door Onzen Minister van Oorlog het aantal leerlingen bepaald, die aan de Hoogere Krijgsschool, de Koninklijke Militaire Academie, den Hoofdcursus en de Cadettenschool kunnen worden toegelaten en dat wel voor zooveel meer bepaaldelijk betreft den dienst in de Koloniën en bezittingen van het Egk in andere werelddeelen, na gehouden overleg met Onzen Minister van Koloniën.

Daarbij wordt vastgesteld, hoeveel van de opengestelde plaatsen ter beschikking komen :

a. bij de Hoogere Krijgsschool:

voor de officieren van elk Wapen of Dienstvak;

b. hg de Koninklijke Militaire Academie:

voor elk der beide categoriën van adspiranten, bedoeld onder I en onder II van art. 25 en wel voor elk Wapen afzonderlijk; en met dien verstande, dat het gezamenlijk aantal voor eerstgemelde

1) Bij K.B. 18 Juli 1891, Stsbl. no. 149, is bepaald dat de Cadettenschool wordt sreveslisd te Alkmaar.

ocr page 379

WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

categorie beschikbaar te stellen plaatsen gelijk zal moeten wezen aan het aantal te verwachten adspiranten van deze categorie;

c. bij den Hoofdcursus:

voor de Infanterie en voor de Militaire Administratie, met dien verstande, dat, behoudens buitengewone omstandigheden, voor de Infanterie het aantal opengestelde plaatsen niet meer bedraagt dan ongeveer de helft van het aantal plaatsen, voor dat Wapen aan de Koninklijke Militaire Academie opengesteld.

Het aantal en de verdeeling dier plaatsen worden in de Staatscourant bekend gemaakt. Voor zooveel de Koninklijke Militaire Academie en de Cadettenschool aangaat, worden daarbij tevens de eischen medegedeeld, waaraan bij het toelatings-examen voor deze Inrichtingen moet worden voldaan.

7. Bij Reglement worden vastgesteld:

a. de inwendige regeling van de Hoogere Krygschool, van de Koninklijke Militaire Academie, van den Hoofdcursus en van de Cadettenschool, daaronder begrepen de werkkring en de bevoegdheid van de hoofden dezer Inrichtingen, en, voor zooveel de Koninklijke Militaire Academie betreft, van den bij art. 46 genoemden Raad van Bijstand;

b. de voorschriften, volgens welke de toelatings- en de eindexamens aan de Koninklijke Militaire Academie en aan den Hoofdcursus, en het toelatings-examen aan de Hoogere Krijgsschool en aan

!de Cadettenschool worden afgenomen; zoomede de wijze van samenstelling der Commissiën, ten overstaan van welke die examens plaats hebben. (16.)de Cadettenschool worden afgenomen; zoomede de wijze van samenstelling der Commissiën, ten overstaan van welke die examens plaats hebben. (16.)

8. De toelatings- en de eindexamens worden in het openbaar afgenomen.

Omtrent den loop en de uitkomsten dier examens wordt, voor zoover zij op de Koninklijke Militaire Academie, den Hoofdcursus en de Cadettenschool betrekking hebben, een verslag opgemaakt, hetwelk in de Staatscourant wordt medegedeeld.

9. Leerlingen van eene der in art. 8 genoemde Inrichtingen, mogen niet langer dau twee jaren in hetzelfde studiejaar doorbrengen.

Van deze bepaling kan worden afgeweken ten gunste van hen, die wegens ziekte verhinderd waren het onderwijs geregeld te volgen.

Overigens worden bij Reglement bepaald de regelen, waarnaar de leerlingen:

a. wegens hunne gedragingen als anderszins van bedoelde Inrichtingen verwijderd kunnen worden;

h. van de overeenkomstig de artt. 18, 30 en 37 aangegane dienstverbintenis ontheven kunnen worden.

10. Tot tegemoetkoming in de kosten van de Cadettenschool en van de Koninklijke Militaire Academie wordt jaarlijks, voor lederen leerling eene door Ons vast te stellen som — het bedrag van

351

ocr page 380

352 WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

vierlionderd galden niet te boven gaande — bijgedragen, welke in 's Rijks kas wordt gestort. Van het betalen dier bijdragen kan door Ons gebeele of gedeeltelijke vrijstelling worden verleend, volgens bij Reglement vast te stellen regelen.

11. De onderofficieren van den Hoofdcursus en de leerlingen der Koninklijke Militaire Academie — deze laatsten wanneer zij dienst bij den troep verrichten — worden in eiken graad gevoerd boven de organieke sterkte, voor elk korps vastgesteld.

12. In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art. 185 der Grondwet, kan door Ons het onderwijs aan een of meer der in de artt. 1, 2 en 3 genoemde Inrichtingen worden geschorst, en over de leerlingen, alsmede over het aan die Inrichtingen verbonden militair personeel beschikt worden in het belang van 's Lands verdediging.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN HET VOOHBEUEIDBND ONDERWIJS TOT OPLEIDING VOOR DEN OFFICIERSRANG.

ij 1. Van de Cadettenschool.

Art. 13. Aan de Cadettenschool wordt onderwijs gegeven in;

a. de wiskunde;

b. de beginselen der theoretische en toegepaste mechanica;

c. de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen;

d. de scheikunde en hare voornaamste toepassingen;

e. de beginselen der cosmographie;

ƒ. de Nederlandsche taal- en letterkunde;

g. de Fransche taal- en letterkunde;

h. de Hoogduitsche taal- en letterkunde;

i. de Engelsche taal- en letterkunde;

k. de aardrijkskunde;

l. de gronden van de gemeente-, provinciale- en staatsinrichting van Nederland;

m. de staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne Koloniën en bezittingen in andere wereld-deelen;

n. de geschiedenis;

o. het hand- en het rechtlijnig teekenen;

p. de infanterie exercitiën;

q. de gymnastiek, het schermen, het dansen en het zwemmen.

14. Het leerplan wordt verdeeld over twee studiejaren.

15. Nederlanders en zoons van Europeesche of daarmede gelijk gestelde ingezetenen der Koloniën of bezittingen van het Rijk in

ocr page 381

WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT. 353

andere werelddeelen, hebben het recht aan het toelatings-examen voor de Cadettenschool deel te nemen, wanneer zij:

a. op het tijdstip van den aanvang van het eerstvolgende leerjaar, den vollen ouderdom van vijftien jaren bereikt en dien van achttien jaren niet overschreden hebben;

b. zich, onder overlegging der bij Reglement aangewezen bescheiden, bij Onzen Minister van Oorlog, vóór het door dien Minister te bepalen tijdstip, tot Let afleggen van het examen aangemeld hebben. (19.)

Zij, die aan de onder a of h gestelde eischen niet voldoen, mogen aan het examen niet deelnemen.

Wij behouden Ons nochtans voor, jongelieden, geen Nederlander en geen zoon van een ingezetene der Koloniën of bezittingen van het Kijk in andere werelddeelen zijnde, bij uitzondering tot het volgen van de lessen aan de Cadettenschool toe te laten. (25.)

16. Het programma van het bij art. 15 genoemde toelatings-examen omvat:

a. de reken-, de stel- en de meetkunde;

b. de eerste beginselen der natuurkunde;

c. de aardrijkskunde;

d. de geschiedenis;

e. de Nederlandsche, de Fransche, de Hoogduitsche en de Engel-sche taal.

liedrevenheid in het teekenen strekt tot aanbeveling.

De eischen van kennis, volgens vorenvermeld programma te stellen, worden, bij de in art. 7, onder bedoelde voorschriften, nader omschreven en toegelicht.

17. Voor zoover de adspiranten, voor den militairen dienst bij geneeskundig onderzoek geschikt zijn bevonden, en blijkens de uitspraak der examen-commissie, aan het examen hebben voldaan, komen zij voor toelating tot de Cadettenschool in aanmerking.

Indien het aantal dier adspiranten grooter is dan het aantal beschikbare plaatsen, geschiedt de toelating naar de rangorde, die zij bij het examen, blijkens de uitspraak der examen-commissie, hebben verkregen; met dien verstande, dat hij, wiens vader in den dienst van den Staat gesneuveld of, binnen één jaar ten gevolge van in dezen dienst voor den vijand bekomen wonden overleden is, op grond hiervan eene beschikbare plaats inneemt. (28.)

18. Hij, die tot de Cadettenschool wordt toegelaten, is, te rekenen vau het tijdstip waarop zijn verblijf aan deze Inrichting een aanvang neemt, verbonden om den Staat gedurende den tijd van negen jaren als militair te dienen.

V an deze negen jaren behoort hij er vier in den rang van officier te dienen, zoodat, wanneer de officiersrang niet In vijf jaren wordt bereikt, de dienstverbintenis stilzwijgend met den langeren duur van den opleidingstijd wordt verlengd.

ocr page 382

WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

Deze verbintenis verplicht hem tevens, om — voor zooveel hij daartoe niet reeds uit anderen iioofde mocht gehouden zijn — na het verlaten van den werkelijken dienst nog vijf jaren, of zoo veel minder dan vijf jaren, als hij langer dan vier jaren als officier heeft gediend, als reserve-officier te Onzer beschikking te blijven.

Wij behouden Ons nochtans voor van de verplichting, bij het vorige lid bedoeld, geheel of ten deele ontheffing te verleenen. (9.)

19. Hij, die tot de Cadettenschool is toegelaten en bij de in art. 15, onder 4, voorgeschreven aanmelding kennis heeft gegeven van zijn verlangen om het voorbereidend onderwijs voor toelating tot de Koninklijke Militaire Academie elders dan aan genoemde school te volgen, wordt daartoe, naar bij Reglement te bepalen regelen, in het genot van groot verlof gesteld.

Hij staat, voor de toepassing dezer Wet, gelijk met hem die het onderwijs aan de Cadettenschool geniet, doch is gedurende zijnen verloftijd vrijgesteld van het betalen der bijdrage bedoeld bij art. 10.

Het Crimineel Wetboek en het Keglement van krijn-stucht voor het krijgsvolk te lande zijn op hem niet toepasselijk, zoolang hij zich in het genot van groot verlof bevindt.

§ 2. Van eenen Cursus.

Art. 20. Aan eenen Cursus wordt onderwijs gegeven in;

a. de wiskunde;

b. de Nederlandsche taal;

c. de Fransche taal;

d. de aardrijkskunde;

e. de geschiedenis;

f. de dienst- en de exercitie-reglementen benevens de dienstvoorschriften.

21. Het leerplan wordt verdeeld over twee studiejaren.

22. De wijze van toelating tot eenen Cursus, de regelen waarnaar de leerlingen tijdelijk of voor goed daarvan kunnen worden verwijderd, zoomede de inrichting en het bestuur van eenen Cursus, worden door Onzen Minister van Oorlog vastgesteld.

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN DE OPLEIDING VOOR DEN OFPICIERSRANG. ij 1. Van de Koninklijke Militaire Academie,

Art. 23. Aan de Koninklijke Militaire Academie wordt onderwijs gegeven in:

a. de wiskunde;

b. de toepassingen der natuurkunde op militair gebied;

354

ocr page 383

WET OP HET MILITAIR OUDERWIJS LANDMACHT.

hij c. de toepassingen der scheikunde op militair gebied; , het d. de mechanica en hare toepassing op bouwkundige constructiën nin- en werktuigen;

: ge- e. het landmeten et waterpassen en de geodesie;

ƒ. de Maleische taal;

het g. de land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië; (9.) h. de militaire aardrijkskunde;

art. i. de hoofdbegrippen der strategie en de krijgsgeschiedeiiis;

van k. de tactiek;

t de /. de oorlogsgebruiken;

il te m. het militair strafrecht;

het n. de artillerie-wetenschap;

o. de pionier- en de versterkingskunst;

het p. de burgerlijke, de militaire en de schoone bouwkunst;

nen q. de waterbouwkunde en de hydrographie van Nederland;

10. r. de wetten en de voorschriften betreffende de uitvoering van

foor genie-werken;

zich ; s. de paardenkennis; de rij- en de africhtingskunst;

t. het rechtlijnig en het topographisch teekenen;

u. de dienst- en de exercitie-reglementen, benevens de dienstvoorschriften en de militaire wetten;

v. de militaire administratie;

w. de exercitiën eu de verdere practische oefeningen; x. de gymnastiek, het schermen, het zwemmen eu het paardrijden.

24. Het leerplan wordt verdeeld over drie studiejaren.

25. Het recht, om aan het toelatings-examen voor de Koninklijke Militaire Academie deel te nemen, wordt verleend aan:

)or- I. alle leerlingen der Cadettenschool, die het onderwijs aan deze

Inrichting geheel hebben gevolgd.

II. Nederlanders en zoons van Europeesche of daarmede gelijk aar gestelde ingezetenen der Koloniën of bezittingen van het Rijk in vij- andere werelddeelen, die;

'or- a. op het tijdstip van den aanvang van het eerstvolgende leerjaar

den vollen ouderdom van zeventien jaren bereikt, en dien van een en twintig jaren niet overschreden hebben;

b. zich, onder overlegging der bij Reglement aangewezen bescheiden, bij Onzen Minister van Oorlog, vóór het door dien Minister te bepalen tijdstip, tot het afleggen van het examen hebben aangemeld. (29.)

Zij, die, hetzij aan het onder I of aan het onder II gemelde niet voldoen, mogen aan het examen niet deelnemen. Ier- Wij behouden Ons nochtans voor jongelieden, geen Nederlander

en geen zoon van een ingezetene der Koloniën of bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen zijnde, bij uitzondering tot het volgen van de lessen aan de Koninklijke Militaire Academie toe te laten. (15.)

355

ocr page 384

WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

26. Het programma van het bij art. 25 genoemde toelatingsexamen omvat:

а. de reken-, de stel- en de meetkunde, de gonio- en trigonometrie en de beginselen der beschrijvende meetkunde;

б. de beginselen van de theoretische en toegepaste mechanica;

c. de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen;

d. de scheikunde en hare voornaamste toepassingen;

e. de beginselen der cosmographie;

f. de gronden van de gemeente-, provinciale- en staatsinrichting van Nederland;

g. de staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne Koloniën en bezittingen in andere werelddee-len;

h. de aardrijkskunde;

i. de geschiedenis;

k. de Nederlandsohe, de f ransche, de Hoogduitsche en de Engel-sche taal- en letterkunde;

l. het hand- en het rechtlijnig teekenen.

Bedrevenheid in het exerceeren uit de recrutenschool strekt tot aanbeveling.

De eischen van kennis, volgens vorenvermeld programma te stellen, worden bij de in art. 7, onder 4, bedoelde voorschrifteu nader omschreven en toegelicht.

27. Alle leerlingen der Cadettenschool, die voor den militairen dienst bij geneeskundig onderzoek geschikt zijn bevonden en, blijkens de uitspraak der examen-commissie, met goeden uitslag het bij art. 25 vermelde examen hebben afgelegd, worden tot de Koninklijke Militaire Academie toegelaten voor den dienst, waarvoor zij meer bepaaldelijk bestemd zijn.

Zij worden, zooveel mogelijk, bij het Wapen hunner keuze ingedeeld, voor zoover zij daartoe in aanmerking komen in verband met:

a. den uitslag van het zooeven gemelde geneeskundig onderzoek;

Ij. het aantal plaatsen, ingevolge het bepaalde bij art. (i jaarlijks, ten behoeve dier categorie, voor de onderscheidene Wapens opengesteld;

c. de rangorde, welke zij bij het examen, blijkens de uitspraak der examen commissie, hebben verkregen; daarbij gelet op hetgeen, krachtens het laatste lid van art. 20 is voorgeschreven ten aanzien van de eischen van kennis in de wiskundige vakken, voor eene plaatsing bij het Wapen der Artillerie of bij dat der Genie.

28. De jongelieden bedoeld onder II van art. 25, die, blijkens de uitspraak der examen-commissie, aan het examen hebben voldaan, komen voor toelating tot de Koninklijke Militaire Academie en voor indeeling bij het Wapen hunner keuze in aanmerking, voor zoover zij, voor den dienst bij dat Wapen, bij geneeskundig onderzoek ge-

356

ocr page 385

WET OP HET MILITAIR ONDEKWIJS LANDMACHT. 357

schikt zijn bevonden, en, ingevolge het bepaalde bij art. (!, ten behoeve dezer categorie, plaatsen bij de verscliillende Wapens zijn opengesteld.

Overtreft het aantal adspiranten voor eenig Wapen dat der daarvoor beschikbaar gestelde plaatsen, dan geschiedt de toelating naar de rangorde, door die adspiranten blijkens de uitspraak der examencommissie, bij het examen verkregen, met inachtneming, voor wat de indeeling bij het Ws.pen der Artillerie of bij dat der Genie betreft, van dezelfde eischen, als waarvan by c van art. 27 sprake is, en met dien verstande, dat hij, wiens vader in den dienst van den Staat gesneuveld, of binnen één jaar ten gevolge van in dezen dienst voor den vijand bekomen wonden overleden is, op grond hiervan, des verlangd, eene beschikbare plaats voor het Wapen der Infanterie inneemt, wanneer hij volgens voormelde rangschikking niet voor eene benoeming tot cadet bij het Wapen zijner keuze in aanmerking kan komen. (17.)

29. Ingeval sommige der voor de leerlingen van de Cadettenschool opengestelde plaatsen aan de Koninklijke Militaire Academie, niet mochten worden vervuld, kan daarover worden beschikt ten behoeve van de jongelieden, bedoeld onder II van art. 25.

30. Hij, die overeenkomstig art. 28 tot de Koninklijke Militaire Academie wordt toegelaten is, te rekenen van het tijdstip waarop zijn verblijf aan deze Inrichting een aanvang neemt, verbonden, om den Stiiat gedurende zeven jaren als militair te dienen.

Van deze zeven jaren behoort hij er vier in den rang van officier te dienen, zoodat, wanneer de officiersrang niet in drie jaren wordt bereikt, de dienstverbintenis stilzwijgend met den langeren duur van den opleidingstijd wordt verlengd.

Het derde lid van art. 18, zoomede het voorbehoud, bij de slotalinea van dat artikel gemaakt, zijn ook voor hem van toepassing. (9.)

31. De leerlingen der Koninldijke Militaire Academie worden, in het belang van hunne practische vorming, volgens bij Reglement vast te stellen regelen, gedetacheerd bij het Wapen, waarvoor zy worden opgeleid.

32. De leerlingen der Koninklijke Militaire Academie worden door Ons tot tweede-luitenant benoemd bij het Wapen, waarvoor zij zijn opgeleid — ook al mocht er geene vacature in gemelden rang bij dat Wapen bestaan — indien zij :

a. volgens de uitspraak der examen-commissie aan het bij Reglement voor het eind examen vastgestelde programma hebben voldaan; j h. naar het oordeel van die commissie — gegrond ook op de kennisneming van de te hunnen aanzien uitgebrachte rapporten — voldoende practische geschiktheid en bruikbaarheid bezitten en van goed gedrag zijn;

c. voor den militairen dienst bij geneeskundig onderzoek geschikt zijn bevonden. (39.)

1

ocr page 386

WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

§ 2. Fan den Hoof deurs

tenai 36 aan

Art. 33. Aan den Hoofdcursus wordt onderwijs gegeven in:

a. de wiskunde;

b. de natuurkunde; exats

c. het landmeten en waterpassen; cursi

d. de Nederlandsclie taal; ^

e. de Fransche taal; geste

f. de Hoogduitsche taal; Oi

g. de Maleisobe taal;

h. de land- en volkenkunde van Nederlandscli-Indië; spira

i. de wis-, natuur- en staatkundige aardrijkskunde en de gronden men der militaire aardrijkskunde van Nederland; diem

k. de gescliiedeuis; i11 ^

l. de tactiek; gr.011

m. de oorlogsgebruiken; Dier

n. het militair strafrecht; mer]

o. de wapenleer; _

p. de pionier- en de versterkingskunst; ls —

q. het rechtlijning en het topographiscli teekenen;

r. de warenkennis;

s. het boekhouden;

t. de dienst- en de exercitie-reglementen, benevens de dienstvoor schriften en de militaire wetten;

u. de militaire administratie;

v. de exercitiën en de verdere practische oefeningen;

to. de gymnastiek, het schermen en het zwemmen.

34. Het leerplan wordt verdeeld over twee studiejaren.

35. Aan onderofficieren van het Wapen der Infanterie wordt,! ongeacht zij al dan niet de lessen op eenen Cursus hebben gevolgd,1 vergund het toelatings-examen tot den Hoofdcursus, volgens het daarvoor bij Reglement vastgestelde programma, af te leggen, wanneer zij:

a. op het tijdstip van den aanvang van Let eerstvolgende leerjaar, den vollen ouderdom van negentien jaren bereikt, dien van vgf en twintig jaren niet overschreden hebben: drie jaren als militair gediend hebben en minstens één jaar den graad van onderofficier hebben bekleed;

b. door practische geschiktheid, gedrag en dienstijver, naar door Onzen Minister van Oorlog te stellen regelen, daarvoor in aanmerking kunnen komen;

c. voor den militairen dienst, by geneeskundig onderzoek, geschikt ^

zijn bevonden. (32.)

Aan onderofficieren der overige Wapens, die aan de onder a, b en c omschreven eischen voldoen, wordt eveneens de vergunning yerleend bedoeld examen af te leggen, wanneer zij tot tweede-lui-

358

ocr page 387

WET OP HET MILITAIR ONBERWIJS LANDMACHT. 359

tenant bij de Militaire Administratie wenschen te worden opgeleid.

36. De onderofficieren, die, ingevolge het bepaalde bij art. 35, aan het examen hebben deelgenomen, en blijkens de uitspraak der examen-commissie, daaiaan hebben voldaan, worden tot den Hoofdcursus toegelaten, voor zoover daarbij, in verband met het bepaalde by art. 6, ten behoeve dier onderofficieren, plaatsen zijn opengesteld.

Overtreft het aantal adspiranten dat der beschikbaar gestelde plaatsen, dan geschiedt de toelating naar de rangorde door die ad-spiranten, blijkens de uitspraak der examen-commissie, bij het examen verkregen; met dien verstande, dat hij wiens vader in den dienst van den Staat gesneuveld of binnen één jaar ten gevolge van in dezen dienst voor den vijand bekomen wonden overleden is, op grond hiervan eene beschikbare plaats inneemt voor het Wapen of Dienstvak, waarvoor hij krachtens het bepaalde bij art. 35 in aanmerking komt. (17, 28.)

37. Een onderofficier, die tot den Hoofdcursus wordt toegelaten, is — onafhankelyk van den duur van zyn loopend dienstverband — verbonden, na zijne benoeming tot officier, den Staat gedurende vier jaren in dien rang te dienen, onder gelyke verplichting als in de 3de alinea van art. 18 is omschreven.

Het voorbehoud, bij de slot-alinea van art. 18 gemaakt, is ook voor hem van toepassing. (9.)

38. De onderofficieren van den Hoofdcursus worden, in het belang van hunne practische vorming, gedurende een bij Reglement te bepalen tijd by korpsen van het Leger gedetacheerd. (31.)

Wij behouden Ons daarbij voor, deze detacheering te doen achterwege blijven voor de onderofficieren, die voor den militairen ad-ministratieven dienst in de Koloniën en bezittingen van het Rij k in andere werelddeelen worden opgeleid.

39. De onderofficieren van den Hoofdcursus worden door Ons tot tweede-luitenant bij het Wapen of Dienstvak, waarvoor zij zgn opgeleid, benoemd—-ook al mocht er geene vacature in gemelden rang bij dat Wapen of Dienstvak bestaan — indien zij voldoen aan de eischen, overeenkomende met die, in art. 32 voor de leerlingen der Koninklijke Militaire Academie omschreven.

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN DE HOOGERE KRIJGSSCHOOL.

Art. 40. Aan de Hoogere Krijgsschool wordt — voor zoover toepasselijk ook in verband met Nederlandsch-Indische toestanden — onderwijs gegeven in:

a. de natuurkunde;

h. de scheikunde;

ocr page 388

WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

c. de geodesie;

d. de Pransche taal;

e. de Hoogduitsche taal;

f. de Engelsche taal;

g. de Maleische taal;

h. de Javaansche taal;

t'. de land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië; h. de militaire aardrijkskunde en statistiek;

l. de strategie en de krijgsgeschiedenis;

OT.de tactiek;

n. de leer van het krijgswezen, den stafdienst en de legerverple-

ging;

o. de leger-administratie, ook in verband met de wetten des Rijks; p. den dienst der Militaire Administratie in tijden van vrede en van oorlog;

q. de militaire gezondheidsleer;

r. de warenkennis (mechanische en chemische technologie daaronder begrepen);

s. de oorlogspolitiek en de oorlogsgebruiken; t. de staatswetenschappen;

u. het staats- en administratief reclit van Nederlandsch-Indië;

v. het Mahomedaansch recht;

w. de artillerie-wetenschap;

x. de versterkingskunst;

ij. de practische oefeningen;

z. het paardrijden.

41. Het leerplan voor de studiën bij art. 3, onder a en h, bedoeld, wordt verdeeld over drie jaren.

Volgens bij Reglement vastgestelde regelen worden de leerlingen, in het belang van hunne practische vorming of voor het volgen van bijzondere studiën, met dat leerplan verband houdende, bij korpsen en burgerlijke of militaire instellingen gedetacheerd. (31, 3S,)

42. De vergunning om aan het toelatings-exarnen voor de 3oo-gere Krijgsschool, volgens het daarvoor bij Reglement vastgestelde programma, deel te nemen, wordt verleend aan officieren, die:

a. op het tijdstip van den aanvang van het eerstvolgende leerj aar minstens vijf jaren in dien rang hebben gediend;

b. naar door Onzen Minister van Oorlog, zooveel noodig, in overleg met Onzen Minister van Koloniën, te stellen regelen — ook -wat practische geschiktheid, gedrag en dienstijver betreft — daarvoor in aanmerking kunnen komen.

Wij behouden Ons voor aan officieren der Zeemacht — het Korps Mariniers daaronder begrepen — en, bij uitzondering, ook aan officieren van vreemde legers, te vergunnen, de lessen aan de Hoogere Krijgsschool te volgen.

43. Ten aanzien van de officieren, die hunne studiën aan de

360

ocr page 389

WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT. 361

Hoogere Krijgsschool hebben voleindigd, wordt jaarlijks, door com-missiën, door Onzen Minister van Oorlog te benoemen aan dien Minister een verslag uitgebracht.

ZESDÊ HOOFDSTUK.

HET TOEZICHT, HET BESTUUR EN DE LEERAREN.

Art. 44. Het toezicht op de in deze Wet genoemde Inrichtingen van Militair Onderwijs, is aan een' Opper- of Hoofdofficier opgedragen. Hij voert als zoodanig den titel van Inspecteur van het Militair Onderwas, en staat onmiddellijk onder de bevelen van Onzen Minister van Oorlog.

De werkkring en de bevoegdheid van dien Inspecteur worden bij Algemeenen Maatregel van Bestuur vastgesteld. (K.B. 25 Mei 1891, Stsbl. no. 98.)

45. Het bestuur over ie Koninklijke Militaire Academie is aan eenen Gouverneur opgedragen.

Aan het hoofd van elk der andere in art. 6 genoemde Inrichtingen staat een Directeur.

46. Aan de Koninklijke Militaire Academie wordt door Onzen Minister van Oorlog een Raad van Bijstand benoemd uit officieren en leeraren dier Inrichting.

47. Het onderwijs aan de in deze Wet genoemde Inrichtinsen van Militair Onderwijs wordt gegeven door:

a. officieren;

b. burgerleeraren;

c. personen niet behoorende tot het vaste leeraarspersoneel.

De onder b bedoelde leeraars worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen; die onder « en c vermeld, worden door Onzen Minister van Oorlog aangewezen.

48. De reglementaire bepalingen, bedoeld bij de artt. 7, 9, 10, 15, 19, 25, 31. 32, 35, 38, 39, 41 en 42, worden, voor elk der daarbij bedoelde Inrichtingen, by Algemeenen Maatregel van Bestuur vast-

, gesteld. (K.B. 14 Sept. 1891. Stsbl. no. 170; 22 Sept. 1892, Stsbl. no. 221.)

ZEVENDE HOOFDSTUK.

OVERGANGSBEPALINGEN.

A.rt. 49. Wij behouden Ons voor, op den grondslag van de in I deze Wet voorkomende bepalingen, zoodanige overgangsmaatregelen te treffen, als Wij in het belang van het Militair Onderwijs, van de aanvulling van het officierskorps en van de betrokken personen nuttig en noodig achten. Daarbij zal rekening worden gehouden met de verkregen rechten van hen, die op den dag van het in

ocr page 390

362 WET 01' HET MILITAIR ONDERWIJS LAKDMACHT.

werking treden dezer Wet zijn toegelaten tot eene Inrieliting van Militair Onderwijs ter opleiding van officieren.

50. Deze Wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Op dat tijdstip vervallen de Wet van 30 Mei 1877 (Staatsblad no. 141), gelijk deze is gewijzigd bij de Wetten van 11 Juli 1882 {Staatsblad no. 100), van 25 December 1887 (Staatsblad no, 217), van 4 Augustus 1888 (Staatsblad no. 107) en van 28 Augustus 18s9 (Vquot;st (Staatsblad no. Ill), en voorts alle besluiten, verordeningen eu voor- d-i schriften betreffende het Militair Onderwijs, voor zoover daarbij de opleiding voor den officiersrang en de hoogere vorming van den officier zijn betrokken.

A

te b D B volt

! ziju { schr,

2.

te b D proi ' in I

r

de ' ; ven i in 1

I VOO

of 1 aretr 3 gen | ciaa

Ider ges(der ges(

1)

i de w 2) den lene

S

ocr page 391

quot;WET

BETREKKELIJK DE NATIONALE MILITIE.

(Vastgesteld den 19den Augustus 1861, Stsbl. no. 72, uitgegeven den SOsten Aug.

d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 1 Mei 1863, Stsbl. no. 44; 32 April 1864, Stsbl. no. 22; 11 Juli 1882, Stsbl. no. 92; 24 April 1884, Stsbl. no. 70; en 15 April 1886, Stsbl. no. 64.) 1)

Tgdelyk gewijzigd bij de wet van 4 April 1892, Stsbl. no. 56,

uitgegeven den 12den April d.a.v.) 2)

EERSTE HOOFDSTUK.

ALGBMEENE BEPALINGEN.

Art. I. [De sterkte der militie craat het getal van 55000 man niet te boven.]

De militie wordt zooveel mogelijk uit vrijwilligers zamengesteld.

Bij gebrek aan genoegzame vrijwilligers vcor de militie wordt zij voltnllig gemaakt door loting uit de ingezetenen, [die hun 20ste jaar z^n ingetreden] die voor de ligting van het volgend jaar zijn ingeschreven. (G. 181.)

2. Jaarlijks geschiedt eene ligting, het getal van II 000 man niet te boven gaande.

De hoegrootheid van elke ligting en van het daarin door elke provincie te dragen aandeel wordt jaarlijks door Ons bepaald bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit.

Dit aandeel wordt bepaald in evenredigheid tot het getal der in de provinciën in het [vorig] loopend jaar voor de militie ingeschreven, voor zoover zij op den 31sten JDecember] Augustus van dat jaar in leven waren. Daarbij worden niet in rekening gebragt zij, die vóór hunne inschrijving bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen in dienst getreden zijn en zich nog daarin bevinden. (G. 181,183.)

3. Het door elke gemeente in liet aandeel der provincie te dragen gedeelte wordt door Gedeputeerde Staten bij een in liet provinciaal blad te plaatsen besluit bepaald, in evenredigheid tot het getal der in de gemeente, in het [vorig] loopend jaar voor de militie ingeschrevenen, voor zoover zij op den Sisten [December] Augustus

1) De niet * gemerkte zinsneden en artikels zyn aldus gewjjzigd of toegevoegd bij de wet van 24 April 1884, Stsbl. no. 70. uitgegeven 1 Mei 1884.

2) De tydelyke wijzigingen volgens deze wet, geldig tot 1 Mei 189 5, zyn in den tekst der betreffende artt. cursief gedrukt, terwijl het tijdelijk hierin verval-lene tusschen [ ] is geplaatst.

STAATSWETTEN. 24

^ van

ocr page 392

WET BETKEKKLLIJK DE NAT, MILITIE.

van dat jaar in leven waren. Daarbij worden niet in rekening ge-bragt zij, die vóór hunne inschrijving bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen in dienst getreden zyn en zich nog daarin bevinden.

Ter bepaling van dat aandeel kunnen, zoo noodig, twee of meer gemeenten, voor elke ligting afzonderlijk, door Gedeputeerde Staten worden zamengevoegd.

4. Het staat elk vrij, zijn dienst bij de militie, volgens de bepalingen dezer wet, door een ander te doen waarnemen. (Mil. (iO.)

5. Een deel van elke ligting kan voor de dienst ter zee worden bestemd.

Het wordt door Ons bepaald en bedraagt niet meer dan zeshonderd man. (Gr. 183.)

6. [Voor] Behoudens de uUzonderingen bij de wel yemaakl, duurt de dienst ooor de ingelijlden bij de militie te land [duurt de dienst vijf] zeven, voor die bij de militie ter zee [vier] oijf jaren.

Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden, zoo kan eene wet, jaarlijks te vernieuwen, hen tot langere dienst verpligten. (G. 183, 185.)

7. In elke provincie is een militie-raad en een militie-commissaris.

In zeer bevolkte of uitgestrekte provinciën kunnen twee of meer

militie-raden en militie-commissarissen zijn. (Mil 76 volg., 106-volg.)

8. Hij, die op den Isten Januarij van het jaar zijn 19de jaar was ingetreden, maar zijn 40ste niet had volbragt, wordt niet tot het aangaan van een huwelijk of van eene verbindtenis tot uitoefening van de buitenlandsche zeevaart toegelaten, dan na te hebben bewezen, tot op het tijdstip van de aangifte tot het aangaan van een huwelijk of van eene verbindtenis voor de buitenlandsche zeevaart, zyne pligten ten aanzien van de militie te hebben vervuld, of tot geene dienst bij de militie gehouden te zijn of geweest te zijn.

Op de bij de militie ingelyfden zijn bovendien de artt. 128, 12!), 136, 156 en 157 toepasselijk.

9. Elk, die voor de militie is ingeschreven, en ieder, die daarbij is ingelijfd, kan, behoudens de uitzondering in art. 74, overeenkomstig de daaromtrent bestaande voorschriften, tot eene vrijwillige verbindtenis voor den tijd van zes jaren of langer worden toegelaten hij de zeemagt, het corps mariniers hieronder begrepen, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk, dienende in 's Kijks overzeesche bezittingen.

Hij, die bij het aangaan van zoodanige verbindtenis reeds bij de militie is ingelijfd, of daartoe later wordt opgeroepen, strekt altijd in mindering van het aandeel in de ligting, te dragen door de gemeente, binnen welke hij is ingeschreven.

10. Met uitzondering van de overeenkomsten van vervanging in de dienst, zijn alle volgens deze wet over te leggen stukken vrij van zegel-, registratie- en legalisatiekosten. (Mil. 72.)

364

ocr page 393

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE VRIJ WILLIG EKS BIJ DE MILITIE.

Art. II. Om vrijwilliger bij de militie te zijn, moet men ongehuwd of kinderloos weduwnaar en ingezeten wezen, voorts ligchamelijk voor de dienst geschikt, ten minste 1,56 el lang, op den Isten Januarij van het jaar der [optreding] toelating als vrijwilliger, het [20ste] \(.)(Je jaar ingetreden zijn en het 35ste jaar niet volbragt hebben, tot op het tijdstip der [optreding] toelating aan zijne verpligtingen ten aanzien van de militie, zoover die te vervullen waren, voldaan en een goed zedelijk gedrag hebben geleid.

Het bezit van die vereischten, met uitzondering van de ligchame-lijke geschiktheid en van de gevorderde lengte, wordt bewezen door eeu getuigschrift van den burgemeester der woonplaats.

Dat getuigschrift is ingerigt in den door Ons te bepalen vorm.

12. Hij, die voor de militie is ingeschreven, wordt slechts als vrijwilliger toegelaten voor de gemeente, in welke hij ingeschreven is, tenzij hij geeue verpligtingen ten aanzien van de militie meer te vervullen hebbe.

13. Hij, die bij de zeemagt, bij het leger hier te lande, of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen heeft gediend, wordt niet als vrijwilliger bij de militie toegelaten, tenzij hij bij het verlaten van de dienst, behalve een bewijs van ontslag van den bevelhebber, onder wien hij laatstelijk heeft gediend, eeu getuigschrift hebbe ontvangen, inhoudende, dat hij zich gedurende zijn diensttijd, goed h^eft gedragen.

Hij kan, heeft hij dit ontvangen, totdat zijn 40ste jaar volbragt is, als vrijwilliger bij de militie worden toegelaten.

14. De vrijwilligers strekken in mindering van het aandeel in de ligting, te dragen door de gemeente, voor welke zij optreden. (Mil. 3.)

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE INSCHRIJVING VOOK DE MILITIE.

Art. 15. Jaarlijks worden voor de militie ingeschreven alle mannelijke ingezetenen, die op den Isten Januarij van het jaar hun 19de jaar waren ingetreden.

Voor ingezeten wordt gehouden:

lu. hij, wiens vader, of, is deze overleden, wiens moeder, of, zijn iü de beiden overleden, wiens voogd ingezeten is volgens de wet op het • i • Nederlanderschap en het ingezetenschap. (Slotbepaling der wet van 12 Dec. 1892, Stsbl. no. 2ó8; (j. 6.)

2°. hij, die, geen ouders of voogd hebbende, gedurende de laatste, jn aan het in de eerste zinsnede van dit artikel vermelde tijdstip voor-0, afgaande, achttien maanden in Nederland verblijf hield;

3quot;. hij, vau wiens ouders de langstlevende ingezeten was, al is zyn voogd geen ingezeten, mits hij binnen het Rijk verblijf houdt.

365

24*

ocr page 394

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

Voor ingezeten wordt niet gehouden de vreemdeling, belioorende toteenen Staat, waar de Nederlander niet aan de verpligte krijgsdienst is onderworpen, of waar ten aanzien der dienstpligtigheid het beginsel van wederkeerigheid is aangenomen.

16. De inschrijving geschiedt:

ln. van een ongehuwde in de gemeente, waar de vader, of, is deze overleden, de moeder, of, zijn beiden overleden, de voogd woont; (B.W. 78.)

'2°. van een gehuwde en van een weduwnaar in de gemeente, waar hij woont;

3quot;. van hem, die geen vader, moeder of voogd heeft of door dezen is achtergelaten, of wiens voogd buiten 's lands gevestigd is, in de gemeente waar hij woont;

4°. van den buiten 's lands wonenden zoon van een Nederlander, die ter zake van 's lands dienst in een vreemd land woont, in de gemeente, waar zijn vader of voogd het laatst in Nederland gewoond heeft.

17. Voor de militie wordt niet ingeschreven:

1°. de in een vreemd Rijk achtergebleven zoon van een ingezeten, die geen Nederlander is;

2°. de in een vreemd Rijk verblijf houdende ouderlooze zoon van een vreemdeling, al is zijn voogd ingezeten;

3°. de zooa vau den Nederlander, die ter zake van 's lands dienst in 's Rijks overzeesche bezittingen of koloniën woont. ')

18. Élk, die volgens art. 15 behoort te worden ingeschreven, is verpligt zich daartoe bij burgemeester en wethouders aan te geven tusschen den Isten en den 31sten Januarij.

Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis is zijn vader, of, is deze overleden, zijne moeder, of, zijn beiden overleden, zijn voogd, tot liet doen van die aangifte verpligt.

De wijze, waarop van het doen van de aangifte blijken moet, wordt door Ons bepaald. (K B. 17 Dec. 18()1, Stsbl. no. 127, tijdelijk gewijzigd bij K.B. 22 Juli 1892, Stsbl. no. 170.)

19. Jaarlijks, in den loop der maand December, geschiedt, ten minste twee malen, door burgemeester en wethouders eene openbare kennisgeving, waarbij de verpligting tot het doen van de aangifte in de volgende maand Januarij wordt herinnerd.

20. Hij, die eerst na het intreden van zijn 19de jaar, doch vóór het volbrengen van zijn 20ste, ingezeten wordt, is verpligt, zich, zoodra dit plaats heeft, ter inschrijving aan te geven bij burgemeester en wethouders der gemeente, waar de inschrijving, volgens art. 16 moet geschieden.

Daarbij gelden de bepalingen der 2de en 3de zinsnede van art. 18.

Zijne inschrijving geschiedt in het register van het jaar, waartoe hij volgens zijnen leeftgd behoort.

1) Deze slotbepaling is aan dit artikel toegevoegd by de wet van 1 Mei 1863, Stsbl. no. 44.

366

ocr page 395

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

21. Hij, wiens aangifte ter inschrijving verzuimd is, wordt door rende burgemeester en wethouders, zoo zij het ontdekken, ambtshalve in-lienst geschreven. Zij geven daarvan terstond aan liem of aan zijn vader legin- of voogd kennis.

22. Hij, die zich na den Sisten Januarij, doch vóór den Sisten [December] Augustus ter inschrijving aangeeft, wordt alsnog inge-

; deze schreven.

oont; 23. Hij, die teregt in een gemeente is ingeschreven, blijft tot de voor de militie ingeschrevenen van die gemeente behooren, al verwaar andert hij van woonplaats.

24. Behoudens de bepalingen in art. 18, zenden bestuurders van lezen krankzinnigen-, doofstommen-, blinden- en bedelaarsgestichten, die in de der koloniën van weldadigheid, van Kijkswerkinrichtingen en van

gevangenissen jaarlijks, vóór den lüden Januarij, eene opgave van de r, die daarin opgenomen jongelingen, die op den Isten January hun 19de jaar :ente, zijn ingetreden, aan Onzen commissaris in de provincie, in welke de ;ft. inschrijving van die jongelingen voor de militie moet plaats hebben.

De opgave betreffende de gevangenen vermeldt het strafbaar feit, ;eten, dat hun is ten laste gelegd of waarvoor zij veroordeeld zijn. 'j

25. Het register van inschrijving wordt jaarlijks op den Sisten i van Januarij voorloopig en op den Sisten [December] August us voor goed

gesloten, op beide dagen des namiddags ten 4 ure. (Mil. 22.)

ienst Na de sluiting, die op het register vermeld en door de onderteeke-ning van den burgemeester en den secretaris bekrachtigd wordt, wor-in, is den geene personen meer ingeschreven dan de in art. 20 bedoelde, even 26. Het register wordt met eene daaruit opgemaakte alphabetische naamlijst, vóór den 7den [JanuarijJ September van het jaar [volgende of, is op dat] der inschrijving, door den burgemeester gezonden aan Onzen )Ogd, commissaris in de provincie, die deze stukken onderzoekt, zoo noo-dig verbetert en vóór den 22sten [Januarij] September aan den bur-rordt gemeester terugzendt.

i ge- Registeren lijst worden daarna, uiterlijk den 27sten [Januarij] September, gedurende ten minste acht dagen, op de secretarie der gemeente ten voor elk ter lezing nedergelegd. (Mil. 2?.)

ibare Van die nederlegging geschiedt openbare kennisgeving.

gifte Tegen register en lyst kan binnen den tijd der nederlegging op de wijze, in art. 99 vermeld, bezwaar worden ingebragt bij Ónzen com-vóór missaris in de provincie, die daaromtrent ten spoedigste eene uitspraak zich, doet.

iees- VIERDE HOOFDSTUK.

ar^ VAN DE LOT KLING KN.

.18. § 1. Van de toting.

irto6 • /

367

Art. 27. De loting der [in het vorige] vóór den \sten September

1863,

1) Art. 24 aldus gew ijzigd door art. 10, no. 17 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 396

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

van het jaar voor de militie ingeschrevenen geschiedt [jaarlijks] tus-schen den 7den [Fchruarij] October en den 7den fMaart] November.

28. Onze commissaris in de provincie bepaalt de plaatsen, dagen en uren voor de loting.

Hiervan geschiedt in elke gemeente door burgemeester en wethouders. twee malen vóór den bepaalden dag, openbare kennisge-ving.

Tusschen de eerste en tweede openbare kennisgeving moeten ten minste drie dagen verloopen en de tweede ten minste drie dagen vóór den dag der loting plaats hebben.

29. Van wege de gemeente, waar de loting plaats heeft, wordt zorg gedragen voor een daartoe geschikt vertrek. (Mil. 85.)

30. De loting geschiedt ten overstaan van den militie-commissaris of van een van de militie-commissarissen in de provincie, voor elke gemeente afzonderlijk. (Mil. 83.)

Gemeenten, krachtens de slotbepaling van art. 3 zamengevoegd, worden voor ééne gemeente gehouden.

De burgemeester of een lid van den raad van elke gemeente is tegenwoordig, wanneer er voor zijne gemeente wordt geloot.

De burgemeester of raadsleden, die zich tot het bijwonen van de loting buiten hunne woonplaats begeven, genieten reis- en verblijfkosten uit 's Ryks kas, volgens het door Ons te bepalen bedrag.

De secretaris van den militieraad is tot bijstand van den militiecommissaris bij de loting tegenwoordig. (Mil. 78.)

De militie-commissaris is bevoegd, tot handhaving der orde bij de loting, de sterke hand in te roepen. (Mil. 100.)

31. Bij de loting zijn voorhanden de inschryvingsregisters en alphabetische naamlijsten van al de gemeenten, waarvoor wordt geloot. (Mil. 26.)

32. De militie-commissaris telt in het openbaar zooveel nummers of loten voor, als het getal der ingeschrevenen bedraagt.

Hij doet die nummers vervolgens in eene bus, waarvan de vorm en de wijze van plaatsing door üns worden voorgeschreven.

33. De ingeschrevenen in alphabetische orde op te roepen, trekken zeiven hunne nummers.

Voor den ingeschrevene, die niet is opgekomen, kan het nummer getrokken worden door zijn vader, moeder of voogd.

Is ook deze niet opgekomen, dan geschiedt het trekken door den burgemeester of liet lid van den raad der gemeente, waar de loteling is ingeschreven. (Mil. 30.)

Nadat het getrokken nummer door den militie-commissaris overluid is voorgelezen, wordt het den loteling teruggegeven.

34. De opgekomen ingeschrevene wordt dadelijk na het trekken van zijn nummer gemeten, en geeft de redenen van vrijstelling op, die hij meent te hebben. (Mil. 47 volg.)

Het opgeven van deze redenen kan door zijn vader, moeder of

368

ocr page 397

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE. 369

voogd geschieden, zoo deze tegenwoordig en de ingeschrevene niet opgekomen is.

De geslachts- en voornamen van iederen loteling, de dag, de maand, het jaar en de plaats zijner geboorte, zijn beroep, de namen zijner ouders of, zoo ziine ouders overleden zijn, die van zijnen voogd, de uitslag der loting, de lengte van den loteling en de opgegeven redenen van vrijstelling, worden in een daartoe bestemd loticgs-register vermeld. Elk getrokken nummer wordt onmiddellijk bij den naam van deu loteling, wien het geldt, op de alphabetische lyst ingevuld. (Mil. 2G.)

35. Gedurende vijf dagen, te rekenen van den dag, waarop de loting heeft plaats gehad, kunnen tegen de wijze, waarop zij is geschied, bij Gedeputeerde Staten bezwaren worden ingebragt door belanghebbende lotelingen, of door hun vader of voogd. De twee eerste zinsneden van art. 99 zijn hierbij van toepassing.

36. Gedeputeerde Staten onderzoeken de bij hen ingebragte bezwaren zonder uitstel en doen ten spoedigste eene uitspraak, met redenen omkleed, hetzij tot handhaving, hetzij tot vernietiging van de plaats gehad hebbende loting, naar gelang eene gepleegde onregelmatigheid op den uitslag der loting al dan niet van invloed heeft kunnen zijn. Hunne uitspraak wordt terstond medegedeeld aan burgemeester en wethouders der betrokken gemeente, aan den militie-commissaris en aan hen, die de bezwaren inbragten.

Strekt de uitspraak tot vernietiging van de loting, dan beveelt Onze commissaris in de provincie het houden eener nieuwe loting. Hierbij gelden de artt. 2S—34.

37. Van de uitspraak van Gedeputeerde Staten kan gedurende vijf dagen, te rekenen van den dag, waarop de uitspraak ter kennis van de belanghebbenden is gebragt, bij Ons in beroep worden gekomen door belanghebbende lotelingen, of door hun vader of voogd. Hierbij geldt art. 104.

De uitvoering van de uitspraak van Gedeputeerde Staten, waarvan bij Ons in beroep is gekomen, blijft tot aan Onze beslissing geschorst.

38. De kosten van de gedrukte registers, van de lengtematen en van hetgeen verder by de loting noodig is, komen ten lasle van 's Rijks kas.

ij 2. Pan de na loting.

Art. 39. Ter naloting wordt toegelaten:

1°. hij, die door verzuim van de betrokken overheid of van de in art. 24 bedoelde personen aan de gewone loting geen deel heeft genomen; (Mil. 33.)

Squot;. hij, die, nadat de in art. 28 bedoelde tijd der loting is verstreken, ingeschreven is volgens art. 20.

Is de ligting, waarvoor de sub 1quot;. bedoelde persoon volgens zijnen leeftijd had moeten loten, niet meer in dienst, dan loot hij niet na.

ocr page 398

WET BETREKKELIJK DE SAT. MILITIE.

maar wordt door den militieraad, of, zoo de zittingen van dien raad Is

zijn afgeloopen, door Gedeputeerde Staten van de dienst vrijgesteld. com

40. Het houden van eene naloting wordt bevolen door Onzen O commissaris in de provincie. G

41. De naloting geschiedt op de wijze, in de artt. 28—SI bepaald. nits

42. Nadat door of voor hem, die naloot, uit al de nummers, welke te \ in de loting der betrokken gemeente en van het jaar, waarvoor de 4 naloting geschiedt, zijn begrepen geweest, er een is uitgetrokken, ing( worden op nieuw twee biljetten in de bus gedaan, ieder vermeldende in i hetzelfde nummer, dat getrokken is, doch van elkander onderschei- \ den door A en B. woi

Daarvan wordt door of voor hem, die naloot, er wederom een

uitgetrokken tot aanwijzing van de volgorde van oproeping. Het woi

nummer, gemerkt A, wordt gerekend het laagste der beide gelijke opr

nummers te zijn. wai

43. Tegen de wijze, waarop de naloting is geschied, kan bezwaar me( worden ingebragt bij Gedeputeerde Staten en van de uitspraak van voc Gedeputeerde Staten bij Ons in beroep worden gekomen. De artt. 35, I 3() en '61 zijn hierbij van toepassing. dat

44. Hij, die nageloot heeft en redenen van vrijstelling meent voe te hebben, brengt die, zoo de zittingen van den militieraad zijn af- wel

geloopen, in bij Gedeputeerde Staten van de provincie, binnen welke is ingeschreven.

*Gedeputeerde Staten doen daaromtrent en in het algemeen omtrent het al of niet aanwijzen voor de dienst van hem, die nageloot heeft, ten spoedigste eene uitspraak. Verkeert hij in een der gevallen in art. 56 vermeld, dan wordt, voor zoover hij niet krachtens de laatste aai zinsnede van art. 39 van de dienst moet worden vrijgesteld, de behandeling van zijne zaak aangehouden tot na zijne invrijheidstelling of tot dat de tijd verstreken is, waarvoor liem het regt werd ontzegd ou om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen.

Hunne uitspraak wordt terstond medegedeeld aan burgemeester en of wethouders der gemeente, waartoe hij, wien de uitspraak geldt, behoort. 'Mil 36.) mi

Strekt de uitspraak tot vrijstelling of uitsluiting van de dienst, dan of geven burgemeester en wethouders daarvan dadelijk kennis aan den lo- ge teling, die dien ten gevolge zal worden opgeroepen, of, reeds ingelijfd zijnde, niet uit de dienst wordt ontslagen, of aan zijn vader of voogd.

Indien een geneeskundig onderzoek noodig is, worden Gedeputeerde vo Staten bijgestaan door een burgerlijk geneeskundige en een officier de van gezondheid. (Mil. 80.)

De burgerlijke geneeskundige wordt door Onzen commissaris in ze de provincie en de officier van gezondheid Hoor den chef van de o\ geneeskundige dienst van de zee- of van de landmagt aangewezen.

Zij leggen in handen van Onzen commissaris den in art. 81 be- ee doelden eed of belofte af. ee

370

ocr page 399

WET BETEEKKELIJK. DE NAT. MILITIE.

Is geen officier van gezondheid beschikbaar, dan wijst Onze commissaris een tweeden burgerlijken geneeskundige aan.

Op de burgerlijke geneeskundigen is art. 82 van toepassing.

Gedeputeerde Staten zijn niet verpligt, in het doen van hunne uitspraak het gevoelen der burgerlijke en militaire geneeskundigen te volgen.

45. Tegen de uitspraak van den militieraad kan bezwaar worden ingebragt bij Gedeputeerde Staten, op de wgze en door de personen, in de artt. 97—üü bedoeld.

Van de uitspraak van Gedeputeerde Staten kan bij Ons in beroep worden gekomen. Hierbij gelden de artt. 103—105.

*46. Hij, die nageloot heeft en voor de dienst is aangewezen, wordt, indien het door hem getrokken nummer in de termen van oproeping valt, ingelijfd ten behoeve van de ligting [van het jaar, waarin] voor welke hij had moeten loten, of, is deze ligting niet meer in dienst, ten behoeve van de ligting van het jaar, waarin hij voor de dienst is aangewezen.

Is de ligting, in mindering waarvan hij komt, reeds afgeleverd, dan wordt, by zijne inlijving, de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nummers uit de gemeente, voor welke de naloting plaats had, ontslagen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN VRIJSTELLING VAN DE DIENST.

Art. 47. V rijstelling van de dienst bij de militie wordt verleend aan den loteling:

1°. die kleiner is dan 1,55 el; (Mil. 11.)

'2°. die door ziekelijke gesteldheid of gebreken voor de krijgsdienst ongeschikt is; (K.B. 2 Nov. 1883, Stsbl. no. 151.)

8°. die eenige wettige zoon is, onverschillig of de ouders in leven of overleden zijn;

4°. die vóór den Isten January van het jaar, waarin hy voor de militie werd ingeschreven, bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in's Kijks overzeesche bezittingen in dienst is getreden en zich nog in dienst bevindt;

5°. die adelborst oi' kadet is op eene van 's Rijks militaire scholen;

(iquot;. die van Rijkswege of in eene van 's Rijks inrigtingen, hetzy voor de militaire geneeskundige dienst, hetzij tot militairen paardenarts wordt opgeleid;

7Ü. die vijf jaren in een lageren rang dan die van officier bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen als vrijwilliger gediend heeft.

48. Vrijstelling van de dienst bij de militie wordt insgelijks aan een loteling verleend, wanneer zijn wettige broeder of halve broeder in een lageren rang dan dien van officier dient of gediend heeft, hetzij

371

ocr page 400

WET BETKEKKELIJK DE NAT. MILITIE.

bij de militie, hetzij als vrijwilliger bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen.

49. üe vrijstelling wordt zoo verleend, dat van een even getal broeders de helft en van een oneven de kleinere helft diene.

Eene bij deze wet gevoegde tabel wijst aan, hoe de vrijstelling wegens broederdienst wordt verleend, wanneer vier of meer zonen in een gezin aanwezig zijn.

Moet van twee of meer broeders, die in hetzelfde jaar geboren zijn, aan één of meer vrijstelling worden verleend, dan wordt, tenzij zg onderling anders overeenkomen, hij, die het laagste nummer heeft getrokken, voor de dienst aangewezen.

50. De vrijstelling wegens broederdienst wordt slechts verleend, wanneer de broeder:

l0. alsnog in dienst is;

2quot;. gedurende vijf jaren, hetzij bij de militie te land, hetzij als vrijwilliger bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen gediend heeft; (G. 183; Mil. (i.)

3U. aedurende vier jaren bij de zeemilitie gediend heeft; (Cr. 183; Mil. G.)

4°. wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, door de dienst bekomen, ontslagen of gedurende zijn diensttijd overleden is;

5quot;. na drie jaren te hebben gediend, wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, niet door de dienst bekomen, is ontslagen;

6°. na drie jaren bij de militie te hebben gediend, ten gevolge van eene uitspraak van den militieraad of van Gedeputeerde Staten, uit de dienst is ontslagen;

7°. [zijnen vijfjarigen diensttyd] eenen diensttijd van ten minste vijf jaren heeft doen volbrengen of aanvullen door plaatsvervanging of een plaatsvervanger heeft gesteld, die in een van de gevallen verkeert, omschreven sub l0-, 4-quot;., 5°. en 6quot;. van dit artikel.

51. Als broederdienst komt niet in aanmerking;

1°. die vóór het voleindigen van het zestiende levensjaar;

2°. die van adelborst of kadet bij de zee- of landmagt;

3°. die van adjunct-administrateur of scheepsklerk bij de zeemagt;

4°. die van kweekeling voor de militaire geneeskundige dienst;

5°. die ter opleiding tot militairen paardenarts;

6quot;. die van plaatsvervanger of nummerverwisselaar;

7°. die van den loteling, welke, krachtens art. 127, gedurende meer dan twee jaren van de werkelijke dienst ontheven is geweest;

8quot;. die van den loteling, welke op het oogenblik, dat de militieraad omtrent zijnen broeder uitspraak doet, krachtens datzelfde artikel van de werkelijke dienst is ontheven.

52. Worden twee of meer broeders in hetzelfde jaar dienstpligtig, dan wordt alleen de helft van hun getal, of, is dit oneven, de kleinere helft voor de dienst aangewezen volgens den regel, gesteld in de laatste zinsnede van art. 49.

372

ocr page 401

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE. 373

53. Om vrijstelling wegens eigen militaire dienst of die van broeders te verkrijgen, moet men overleggen een paspoort of ander bewijs van ontslag, of een uittreksel uit het stamboek, of een bewijs van werkelijke dienst.

Ter bekoming var vrijstelling wegens broederdienst moet men bovendien overleggen een getuigschrift, van den burgemeester, waaruit het getal zonen, tot het gezin behoorende, blijkt.

Vrijstelling als eemgen wettigen zoon wordt verleend op overlegging van een getuigschrift van den burgemeester, waaruit blijkt, dat men eenige wettige zcon is.

Deze getuigschriften zyn ingerigt in den door Ons te bepalen vorm. (K.B. 8 Mei 1862, Stsbl. no. 40 en 17 Febr. 1870, Stsbl. no. 34.)

54. Elke reden van vrijstelling moet bestaan op liet tgdstip, waarop zij wordt aangevraagd.

Vrijstelling, aangevraagd wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, of wegens gemis aan lengte, wordt niet verleend, wanneer de loteling, die haar vraagt, niet, voor den militieraad is verschenen, behoudens het geval, bedoeld in art. 89,

ZESDE HOOFDSTUK.

VAN UITSLUITING VAN DE DIENST.

Art. 55. Tot de dienst bij de militie wordt niet toegelaten de loteling:

*1quot;. die veroordeeld is tot de doodstraf, tot eene onteerende slraf, tot kruiwagenstraf of tot de straf van cassatie met ontzetting van het regt om ooit weder bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, of die als eerlooze schelm weggejaagd of van den militairen stand of van de betrekking van militair geëmployeerde vervallen verklaard is, al heeft hij gratie verkregen;

'2°. die, krachtens de wet van den 'iSsten Junij 1854 (Staatsblad no. 90), of op grond van het reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande, met een briefje van ontslag uit de dienst bij de zee-of landmagt is weggezonden;

3°. die tot eene gevangenisstraf van één jaar of langer onherroepelijk is veroordeeld. ')

56. Tot de dienst bij de militie wordt voorloopig niet toegelaten de loteling;

1°. die zich in verzekerde bewaring bevindt en omtrent wiens zaak, bij het sluiten van de laatste zitting van den militieraad, bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak niet is beslist; ')

2°. die wegens een strafbaar feit is veroordeeld en zich bij het sluiten van de laatste zitting van den militieraad nog in verzekerde bewaring bevindt; ')

1) Art. 55, no. 3 toegevoegd en art. 56, nos. 1 en 2 aldus gewyzigd door art. 10, no. 17 der Met van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 402

WET BET KERKELIJK DE NAT. MILITIE.

*3°. wien tijdelijk het reg't is ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, voor zoover de tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken, bij het sluiten der laatste zitting van den militieraad niet is verstreken.

57. Hl ij, die in een van de gevallen, in het voorgaande artikel bedoeld, heeft verkeerd, verschijnt binnen acht dagen nadut hij in vrijheid is gesteld of nadat de tijd is verstreken, waarvoor hein liet ragt werd ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, voor den burgemeester der gemeente, voor welke hij heeft geloot, en geeft de redenen van vrijstelling op, die hij vermeent te hebben. Van dit verschijnen wordt hem een bewijs afgegeven.

De burgemeester geeft daarvan dadelijk kennis aan Onzen commissaris in de provincie, die den loteling ten spoedigste voor Gedeputeerde Staten doet verschijnen.

Gedeputeerde Staten doen omtrent het al of niet aanwezen van den loteling voor de dienst ten spoedigste eene uitspraak.

De acht laatste zinsneden van art. 44 en art. 45 zijn hierbij van toepassing.

58. Is de loteling krachtens het voorgaand artikel bij de einduitspraak voor de dienst aangewezen, en zou het bij de loting voor hem getrokken nummer zijn opgeroepen geweest, dan wordt hij, welke ook zijn leeftijd zij, voor [ vijf] zecen jaren ingelijfd. (Mil. li.)

Hij komt in mindering van de ligting |van het jaar, waarin] voor welke voor hem is geloot, of', is die ligting reeds ontslagen, in mindering van de ligting van het jaar, waarin hij voor de dienst is aangewezen.

Is de ligting, in mindering waarvan hij komt, reeds afgeleverd, dan wordt, bij zijne inlijving de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nummers uit de gemeente, waartoe hg behoort, ontslagen. (Mil. 40.)

De loteling echter, bedoeld bij de eerste alinea van art. 5f), zal, zoo hij werd vrijgesproken of van vervolging ontslagen in elk geval worden gerekend te behooren tot de ligting [van het jaar, waarin] voor welke hij geloot heeft, en met deze worden ontslagen. De dienst, alzoo door hem volbragt, wordt voor de toepassing van art. 50, 2°, voor vijfjarige dienst gerekend.

59. *lndien het blijkt, dat een loteling die in het geval van art. 55 verkeert, tot de dienst is aangewezen, of wanneer een tot de dienst verpligt loteling na zijne aanwijzing tot de dienst en vóór zijne inlijving bij de militie in dat geval is geraakt, dan wordt dit terstond ter kennis gebragt van Gedeputeerde Staten der provincie, binnen welke hy voor de militie is ingeschreven.

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daaromtrent ten spoedigste eene uitspraak, en brengen die terstond ter kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe hij, wien de uitspraak geldt, behoort. (Mil. 44, 56.)

Burgemeester en wethouders geven van de uitspraak dadelijk ken-

374

ocr page 403

WEÏ BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE. 375

nis aan den loteling, die ten gevolge daarvan zal worden opgeroepen, of aan zijn vader of voogd.

Van die uitspraak kan bij Ons in beroep worden gekomen. Hierbij gelden de artt 103—105.

Is de loteling, in de eerste zinsnede van dit artikel bedoeld, ingelijfd en wordt bij by de einduitspraak van de dienst uitgesloten, dan wordt hij terstond daaruit weggezonden.

*Geschiedt die wegzending vóór den 15den December van het jaar, [waarin] waartoe de ligting behoort, boot welke ^ is ingelijfd, dan wordt de houder van het aan de beurt liggende hooger nummer der ligting van dat jaar en van de gemeente, voor welker aandeel hij is opgetreden, onverwijld ter inlijving opgeroepen. Is den houder van dat nummer tijdelijk het regt ontzegd om by de gewapende raagt of als militair geëmployeerde te dienen, dan wordt de oproeping uitgesteld tot na afloop van den tyd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

VAN DE VERVAKGING.

Art. 60. Een loteling kan zijne dienst doen waarnemen door een plaatsvervanger. (G. ISO, 1S1.)

Om plaatsvervanger bij de militie te zijn moet men de vereisehten bezitten, in de eerste zinsnede van art, 11 vermeld, en niet jonger dan quot;21 jaar wezen.

Ten aanzien van den plaatsvervanger geldt hetgeen in de tweede en derde zinsnede van art. il en in art. 13 omtrent den vrijwilliger is bepaald.

61. De loteling is gedurende één jaar voor zijn plaatsvervanger aan-sprakelyk, te rekenen van den dag, waarop deze is ingelijfd. (Mil. 120.)

Zoo de plaatsvervanger binnen dien tijd ontbreekt, dan stelt de loteling een nieuwen plaatsvervanger, of treedt zelf in de dienst op.

Het stellen van een nieuwen plaatsvervanger of het optreden wordt niet gevorderd, wanneer de plaatsvervanger wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, door de dienst bekomen, ontslagen, of gedurende zijn diensttijd overleden is, of wel zich als vrijwilliger by het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen heeft verbonden.

62. Onze commissaris in de provincie, tot wier aandeel in de ligting de vervangene behoort, zorgt, dat deze, wanneer hij er toe verpligt is, een nieuwen plaatsvervanger stelle of zelf in de dienst optrede.

Dit een of ander geschiedt binnen zestig dagen na den dag, waarop de vervangene van het ontbreken van den plaatsvervanger is verwittigd.

*Is binnen dien tijd geen nieuwe plaatsvervanger voor den vervangene ingelyfd en is dezen laatste tijdelijk het regt ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, dan wordt zijne indienststelling aangehouden tot na afloop van den tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken.

ocr page 404

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

63. Is een plaatsvervanger, die deserteert, binnen zestig dagen na zijne desertie vrijwillig teruggekeerd of aangehouden, dan behoeft in zijne plaats geen nieuwe plaatsvervanger te worden gesteld.

Kan echter de gedeserteerde plaatsvervanger, ten gevolge van een regterlijk vonuis, niet tot verdere dienst worden toegelaten, dan geldt de tweede zinsnede van art. 61.

64. Wordt een gedeserteerde plaatsvervanger weder in dienst gesteld, dan wordt de vervangene die zelf in dienst optrad, of de reeds door hem gestelde nieuwe plaatsvervanger, uit de dienst ontslagen.

65. Een loteling kan zijne dienst insgelijks doen waarnemen door een ander loteling, mits deze tot dezelfde ligting en dezelfde provincie behoore, op het tijdstip der nummerverwisseling niet verpligt zij te dienen en voor de krijgsdienst geschiktheid bezitte.

Ten aanzien van den nummerverwisselaur geldt hetgeen in de eerste zinsnede van art. 13 is bepaald.

66. De loteling, die met een ander van nummer heeft verwisseld, geniet den vrydom van dienst, die aan den houder van dit nummer toekwam.

67. De nummerverwisseling wordt nietig en de loteling is dien ten gevolge verpligt zelf in dienst te treden, wanneer de opgetreden nummerverwisselaar:

1quot;. krachtens art. 68 uit de dienst wordt ontslagen;

2°. krachtens art. 117, binnen den daar gestelden termijn, uit de dienst wordt ontslagen.

68. Een ingelijfde plaatsvervanger of nummerverwisselaar wordt, zoodra blijkt, dat hij in strijd met de wet is aangenomen, uit de dienst ontslagen.

69. De loteling, die, volgens artt. 46, 58, 115, 117 of 174 moet worden ingelijfd, is bevoegd, binnen dertig dagen na zijne oproeping of aanwijzing, een plaatsvervanger of nummerverwisselaar te stellen.

70. Den loteling, die reeds bij de militie is ingelijfd, en hem, die volgens art. 165 zonder loting moet wordea ingelijfd, kan door Ons, in bijzondere gevallen, liet stellen van een plaatsvervanger worden vergund.

De kosten, vallende op het onderzoeken van der als plaatsvervanger aangeboden persoon, worden in dat geval door hem, wien de vervanging is vergund, gedragen.

71. Het onderzoeken van hen, die krachtens de beide voorgaande artikelen als plaatsvervangers of nummer ver wiss klaars worden aangeboden, geschiedt, zoo de zittingen van den militieraad zijn afge-loopen, door Gedeputeerde Staten, (Mil. 86.)

Gedeputeerde Staten worden in dat onderzoek bijgestaan door een burgerlijk geneeskundige en een officier van gezondheid.

De vijf laatste zinsneden van art. 44 zijn hierbij van toepassing.

72. Het stellen van een plaatsvervanger of nummerverwisselaar geschiedt bij overeenkomst, die bij notariële acte wordt verleden.

376

ocr page 405

WET BKTKBKKELIJK DE NAT. MILITIE.

Voor het opmaken, het verlijden en de uit te geven afschriften van de acte, wordt in het geheel, behalve de zegel- en registratiekosten, niet meer dan vier gulden in rekening gebragt. (Mil. 10.)

De acte is aan een vast registratieregt van dertig gulden voor eiken dienstpligtige onderworpen. ')

73. De loteling, die de met zijn plaatsvervanger of nummerver-wisselaar gesloten overeenkomst niet naleeft, wordt, zoo die overeenkomst door een regterlijk vonnis, in kracht van gewijsde gegaan, is vernietigd, tegen ontslag van zijn plaatsvervanger of nummerver-wisselaar zelf in dienst gesteld.

*Hij wordt daartoe onmiddellijk of, is hem tijdelijk het regt ontzegd om bij de gewapende raagtof als militair geëmployeerde te dienen, zoodra de tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken, verstreken is. opgeroepen, en voldoet hij niet aan die oproeping, dan zijn art. 172 en de twee eerste zinsneden van art. 173 van toepassing, doch geschiedt de inlijving slechts voor den nog onvervulden diensttijd.

Wordt de loteling voor de dienst ongeschikt bevonden, dan belet dit het ontslag van den plaatsvervanger of den nummerverwisselaar niet.

74. Plaatsvervangers worden gedurende den tijd der aansprakelijkheid van de vervangenen niet als vrijwilligers bij de zeemagt of het corps mariniers toegelaten.

Worden zij bij het leger hier te lande als vrijwilligers aangenomen, dan ontheft dit de vervangenen van de iu art. lt;il bedoelde aansprakelijkheid.

75. Afgeschaft bij art. 'id der wet van 15 April 1886, Staatsblad no. ()4, Zie thans artt. 376 en Séc Wetb. v. Strafrecht.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

VAN DEN MILITIERAAD.

§ 1. Van de zumenslelling van den militieraad.

Art. 76. De militieraad is zamengesteld uit:

een lid van de Provinciale Staten, niet tot de Gedeputeerde Staten behoorende, als voorzitter;

een lid van den raad van eene van de onder het regtsgebied van den militieraad behoorende gemeenten;

een hoofdofficier van de landmagt, of, ingeval geen hoofdofficier beschikbaar is, een officier van minderen rang.

Aan den militieraad wordt een secretaris toegevoegd. (Mil. 7.)

77. De voorzitter en de leden van den raad worden jaarlijks door Ons benoemd.

Tevens wordt door Ons benoemd een lid van de Provinciale Staten, niet tot de Gedeputeerde Staten behoorende, om den voorzitter, een raadslid om het raadslid, en een officier om den hoofdofficier,

1) Deze «linea aldus gewijzigd by art. 18 der wet van 11 Juli 1883, Stslil. uo. 93.

377

ocr page 406

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

ingeval van ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis te vervangen. (Mil. 36, 44, 59, 97 volg.)

78. De secretaris wordt jaarlijks door Onzen commissaris in de provincie benoemd. (Mil. 30.)

79. De militie-cominissans heeft zitting in den raad en eene raadgevende stem. (Mil. 106 volg.)

80. De militieraad wordt bijgestaan door een burgerlijk geneeskundige en een officier van gezondheid.

De burgerlijke geneeskundige wordt door den raad en de officier van gezondheid door den chef van de geneeskundige dienst van de zee- of van de landmagt aangewezen.

Is geen officier van gezondheid beschikbaar, dan wijst de militieraad een tweeden burgerlijken geneeskundige aan.

De burgerlijke geneeskuudigen worden zooveel mogelijk dagelijks afgewisseld.

81. De burgerlijke geneeskundigen en de officieren van gezondheid leggen, eenmaal voor elke ligting, alvorens hunne werkzaamheden bij den militieraad aan te vangen, in handen van den voorzitter van den raad een eed of belofte af, volgens een daarvan door Ons te geven voorschrift. (K.B. 25 Maart 1862, Stsbl. no. 34.)

82. De voorzitter en het burgerlijke lid van den militieraad en de in art. 80 bedoelde burgerlijke geneeskundigen genieten voor elke vergadering, die zij bijwonen, een door Ons te bepalen presentiegeld en de secretaris eene jaarlijksche bezoldiging.

Zij ontvangen voorts, zoo zij zich ter behandeling der zaken van den militieraad buiten hunne woonplaats moeten begeven, reis- en verblijfkosten uit 's Kijks kas, volgens het door Ons te bepalen bedrag.

5; 2. Kan de werkzaamheden en de bevoegdheid van den militieraad.

Art. 83. Zoo Wij noodig achten, dat in eene provincie meer dan één militieraad zij, wordt het regtsgebied van eiken van die raden door Ons bepaald. (Mil. 7; K.B. 21 Dec. 1861. Stsbl. no. 130—136; K.B. 29 Sept. 1864, Stsbl. no. 98; K.B. S Mei 1862, Stsbl. no. 46, tgdelijk gewijzigd bij K.B. 22 Juli 1892, Stsbl. no. 179.)

84. De militieraad vergadert in de hoofdpkats der provincie, of bestaat er in de provincie meer dan één militieraad, in de daartoe door Ons aangewezen gemeente. (Mil. 7i.)

Hij kan in meer dan ééne gemeente vergaderen, indien Wij dit noodig achten.

Zijne vergaderingen worden in het openbaar gehouden.

De voorzitter van den militieraad is bevoegd tot handhaving van de orde bij de vergaderingen de sterke hand in te roepen, en, ingeval die orde op eenigerlei wijze wordt gestoord, hen, die dit doen, het vertrek te doen verlaten. (Mil. 76, 108.)

85. Van wege de gemeente, waar de militieraad vergadert, wordt

378

ocr page 407

WEI MEÏKEKKELIJK DE NAT. MILITIE.

zorg gedragen voor een daartoe geschikt vertrek, voor de noodige schrijfbehoeften en voor eene bewaarplaats van het archief, zoomede dat er in een afzonderlijk vertrek gelegenheid zij tot het geneeskundig onderzoek van de manschappen. (Mil. 29.)

86. De militieraad houdt twee zittingen.

De eerste wordt geopend den tweeden Maandag in [Maart] December, de andere den tweeden Maandag in [AprilJ Januarij.

[Bij het invallen van eenen Cliristelijken feestdag op den tweeden Maandag in April wordt de tweede zittins den volgenden Dines-dag geopend.)

De werkzaamheden worden dagelijks gedurende ten minste zes uren, zoolang personen te onderzoeken of zaken te behandelen zijn, voortgezet, uitgezonderd op Zon- en algemeene Christelijke feestdagen. (Mil. 27.)

87. Ten minste acht dagen vóór liet openen van eene zitting van den militieraad, geschiedt door burgemeester en wethouders van elke betrokken gemeente eene openbare kennisgeving, waarbij de tijd en de plaats der zitting worden vernield.

Die tijd en plaats worden, ten minste drie dagen vóór het openen van de zitting, bovendien aan eiken loteling bekend gemaakt.

Dit geschiedt door burgemeester en wethouders door middel van een aan zijne woning o: aan die van zijn vader of voogd te bezorgen biljet. (Mil. 28.)

Het niet-ontvangen van dit biljet ontheft niet van de verpligting tot het verschijnen voor den militieraad of tot het indienen van de tot staving der redenen van vrijstelling gevorderde bewijsstukken.

88. Voor den militieraad moet verschijnen:

1°. de vrijwilliger voor de militie; (Mil. 11.)

2°. de loteling, die vrijstelling verlangt wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken of gemis van de gevorderde lengte; (Mil. 47.)

Bquot;. hij, die voor een loteling als plaatsvervanger of als nummer-verwisselaar verlangt op te treden. (Mil. GO, 65.)

89. De loteling, die wegens ziekte of gebreken buiten staat is voor den raad te verschiinen, wordt onderzocht op de plaats, waar hij zieh bevindt. (Mil. 54.)

Dit geschiedt door een daartoe door den militieraad aan te wijzen burgerlijk geneeskundige en door den aan den raad toegevoegden officier van gezondheid, te zamen of afzonderlijk. De burgerlijke geneeskundige en de officier van gezondheid zenden elk een door hem onderteekende, omstandige verklaring omtrent den toestand van den loteling aan den voorzitter van den raad.

De burgerlijke geneeskundige legt, indien hij den in art. 81 bedoelden eed of belofte nog niet heeft afgelegd, dien alsnog mondeling of schriftelijk in handen van den voorzitter af.

90. De loteling, die buiten de provincie, waarin hij voor de militie heeft geloot, verblijf houdt, kan, met goedvinden van Onzen

STAATSWETTEN. 25

379

ocr page 408

380 TVET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

commissaris in die provincie, verschijnen voor den militieraad, onder wiens regtsgebied hij verblijf houdt.

91. In de eerste zitting van den militieraad wordt uitspraak gedaan omtrent:

de versohenen vrijwilligers voor de militie;

de lotelingen, die redenen van vrystelling hebben ingediend;

de lotelingen in de artt. 55 en 56 bedoeld;

alle overige lotelingen. (Mil. 86.)

92. In de tweede zitting van den militieraad wordt uitspraak gedaan omtrent alle in de eerste zitting niet afgedane zaken en omtrent hen, die als plaatsvervanger of nummerverwisselaar verlangen op te treden. (Mil. 86.)

93. Alle besluiten van den militieraad worden bij meerderheid van stemmen genomen.

De voorzitter en de leden onthouden zich van medestemmen over zaken, waarin personen, hun in bloed- of aanverwantschap, tot den derden graad ingesloten, bestaande, betrokken zijn.

Tol, het doen van uitspraak in zoodanige zaken worden hunne plaatsvervangers opgeroepen. (Mil. 77.)

94. Omtrent eiken loteling wordt afzonderlijk eene uitspraak gedaan; zij luidt:

óf: vrijgesteld wegens (de redenen daarachter bij te voegen); (Mil. 47 volg.; K.B. 8 Mei 1862, Stsbl. no. 46.)

óf: tot de dienst aangewezen;

óf: voor altijd uitgesloten, volgens art. 55 der wet;

óf: voorloopig uitgesloten, volgens art. 56 der wet.

De uitspraak wordt in het lotingsregister achter den naam van den loteling, wien zij geldt, opgeteekend en elke uitspraak staande de zitting door de handteekening van den voorzitter gewaarmerkt. (Mil. 34.)

Verklaart de loteling een plaatsvervanger of nummerverwisselaar te zullen stellen, dan wordt daarvan insgelijks achter zijn naam melding gemaakt.

95. Dé militieraad is niet verpligt, in het doen van zijne uitspraken, het gevoelen van de geneeskundigen, die hem bijstaan, te volgen. (Mil. 80 volg.)

96. De voor den geregelden loop der werkzaamheden van den militieraad noodige voorschriften worden door Ons gegeven.

§ 3. Van het beroep van de uitspraken va-.i den militieraad.

Art. 97. Gedurende tien dagen, te rekenen van den dag, waarop de militieraad eene uitspraak beeft gedaan, kunnen tegen die uitspraak bij Gedeputeerde Staten bezwaren worden ingebragt:

1°. door den loteling, omtrent wien de uitspraak is gedaan, of door zijn vader of voogd; (Mil. 35, 44.)

2°. door den loteling, wiens nummer ten gevolge van de uitspraak zou worden opgeroepen, of door zijn vader of voogd;

ocr page 409

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

3°. door den reeds ingelijfden loteling, die ten gevolge van de uitspraak niet uit de dienst zou worden ontslagen, of door zijn vader of voogd;

4°. door den betrokken militie-commissaris.

98. Geene bezwaren kunnen worden ingediend tegen eeoe uitspraak, waarbij:

1quot;. een loteling voor de dienst is aangewezen, zonder dat door hem eenige reden van vrijstelling was ingebragt;

2°. vrijstelling van dienst is verleend of geweigerd op grond van het niet of al bezitten van de gevorderde lengte; (Mil. 47.)

3°. een plaatsvervanger of nummerverwisselaar, wegens gemis van de gevorderde vereischten, niet is toegelaten. (Mil. 61.)

99. De bezwaren worden bij Gedeputeerde Staten ingediend door middel van een door de noodige bewijsstukken gestaafd verzoekschrift op ongezegeld papier, onderteekend door hem, die ze inbrengt. (Mil. 10.)

Deze brengt het verzoekschrift in, tegen bewijs van ontvang, bij den burgemeester zijner woonplaats, die het terstond aan Gedeputeerde Staten opzendt.

De militie-commissaris dient zijne bezwaren in door een brief aan Gedeputeerde Staten.

100. Gedeputeerde Staten onderzoeken de bij hen ingebragte bezwaren zonder uitstel en doen omtrent elke zaak afzonderlijk ten spoedigste eene uitspraak met redenen omkleed. Hunne uitspraak wordt terstond medegedeeld aan burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe de loteling, wien de uitspraak geldt, behoort, en aan hem die de bezwaren inbragt. (Mil. 44, 56, 59.)

Strekt de uitspraak tot vrijstelling of uitsluiting van de dienst, dan geven burgemeester en wethouders daarvan dadelijk kennis aan den loteling, die dien ten gevolge zal worden opgeroepen, of aan zijn vader of voogd.

101. Ingeval de bezwaren zijn ingebragt op grond van het al of niet verleenen van vrijstelling wegens ziekelyke gesteldheid of gebreken, doen Gedeputeerde Staten geene uitspraak, dan na den betrokken loteling voor zich te hebben doen verschijnen en geneeskundig onderzoeken. (K.B. 25 Maart 1862, Stsbl. no. 34.)

Gedeputeerde Staten worden in dat onderzoek bijgestaan door een ander burgerlijk geneeskundige en een ander officier van gezondheid dan die den militieraad bij het doen van de uitspraak, waartegen bezwaar is ingebragt, hebben bijgestaan. (Mil, 80.)

Daarbij geldt hetgeen in de vijf laatste zinsneden van art. 44 is bepaald. Gedeputeerde Staten kannen den loteling, die wegens ziekte of gebreken buiten staat is voor hen te verschijnen, doen onderzoeken op of de plaats, waar hij zich bevindt.

Dit geschiedt op de in art. 89 voorgeschreven wijze.

102. Wanneer een loteling weigert aan de, krachtens art. 101, door Gedeputeerde Staten gedane oproeping te voldoen, wordt hij, op last

381

25*

ocr page 410

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

van Onzen commissaris in de provincie, door den burgemeester zijner woonplaats onder verzekerd geleide naar Gedeputeerde Staten opgezonden.

103. Van de uitspraken van Gedeputeerde Staten, met uitzondering van die betreffende het al of niet verkenen van vrijstelling wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, kan gedurende tien dagen, te rekenen van den dag, waarop de uitspraken ter kennis van de belanghebbenden zijn gebragt, bij Ons in beroep worden gekomen: (Mil. 37, 45, 97.)

1°. door den loteling, wiens bezwaren door de uitspraak niet zijn weggenomen, of door zijn vader of voogd;

2°. door den loteling, wiens nummer ten gevolge van de uitspraak van Gedeputeerde Staten zou worden opgeroepen, of door zijn vader of voogd;

3('. door den reeds ingelijfden loteling, die ten gevolge van de uitspraak van Gedeputeerde Staten niet uit de dienst zou worden ontslagen, of door zijn vader of voogd;

ïquot;. door Onzen commissaris in de provincie.

104. Onze beslissing, zoo spoedig mogelijk nadat het beroep is gedaan, hij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord, te nemen, wordt gezonden aan Onzen commissaris in de provincie, die voor de uitvoering zorgt.

105. De uitvoering van de uitspraak, waartegen bezwaren zijn ingebragt, blijft tot aan de einduitspraak geschorst.

NEGENDE HOOFDSTUK.

VAN DEN MILITIE-COMMISSARIS.

Art. 106. De militie-commissaris wordt door Ons benoemd en ontslagen.

Niemand is tot militie-commissaris benoembaar dan die Nederlander, in het volle genot der burgerij ke en burgersohapsregten is en den leeftijd van dertig jaren heeft vervuld.

107. De militie-commissaris heeft de rang van luitenant-kolonel, tenzij hij een hoogeren rang als gepensioneerd officier mogt hebben.

Hij heeftzijne vaste woonplaats in de door Ons aan te wijzen gemeente.

108. Hij begeeft zich tot het onderzoeken van de met onbepaald verlof gezonden manschappen van de militie te land naar de daartoe aan te wijzen plaatsen.

Hij is bevoegd, tot handhaving van de orde, bij dat onderzoek de sterke hand in te roepen. (Mil. 30/'.)

109. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den militie-commissaris wordt hij, zoodra noodig, vervangen door een door Onzen commissaris in de provincie aan te wijzen persoon.

110. De bevoegdheid en de werkzaamheden van den militie-com-missaris worden door Ons, in overeenstemming met deze wet, geregeld. (K.B. 8 Mei 1862, Stsbl. no. 4(1, passim.)

382

ocr page 411

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE. 383

TIENDE HOOFDSTUK.

VAN HET 0PR03PEN EN HET AFLEVEREN VAN DE BIJ DE MILITIE IN TE LIJVEN MAKSCHAPPEN.

Art. III. *De voor de dienst aangewezen lotelingen worden tot het voltallig maken van liet aandeel van elke gemeente in de ligting opgeroepen naar de volgorde der door of voor hen getrokken nummers, te beginnen met het laagste; met dien verstande, dat ten aanzien van hen, aan wie tijdelijk het regt is ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geömployeerde te dienen, de oproeping wordt uitgesteld tot na afloop van den tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken. (Mil. 3.)

Elke loteling, in dat aandeel begrepen, en elk vrijwilliger voor de militie ontvangt, ten minste vyf dagen vóór den dag, waarop hy zal worden afgeleverd door tusschenkomst van den burgemeester zyner woonplaats, van Onzen commissaris in de provincie een brief van oproeping, vermeldende den dag, bet unr en de plaats, voor de aflevering bepaald.

■*112. Behoudens de uitzonderingen bij de wet gemaakt, geschiedt jaarlijks tusschen 1 en 15 |Mei] Maart de aflevering van de [in dat jaar] tot de dienst aangewezen en in de ligting vati het jaar begrepen lotelingen, van hunne plaatsvervangers of nummerverwisselaars en van de vrij willigers voor de ligting van dat jaar. (K.B. 8 Mei 1862, Stsbl. no. 46, art. 45 volg., tijdelijk gew^zigd.)

113. De aflevering geschiedt aan de daartoe door Ons aan te wijzen militaire autoriteit door of van wege Onzen commissaris in de provincie, die daarvoor dag, uur en plaats bepaalt.

114. De burgemeester van elke gemeente zorgt voor het verzamelen van de tot het aandeel zijner gemeente beboorende manschappen en voor hunne overbrenging naar de voor de aflevering bestemde plaats.

Algemeene voorschriften omtrent het verzamelen en de overbrenging worden door Onzen commissaris in de provincie gegeven.

115. Onze commissar s in de provincie zorgt, dat, ter vervulling van de plaatsen der manschappen, die op den Isten Augustus van het jaar der aflevering aan het aandeel van elke gemeente in de ligting ontbreken, de houders van de aan de beurt liggende hooge nummers onverwijld ter inlijving worden opgeroepen.

*Ten aanzien van hem, wien tijdelijk het regt is ontzegd om by de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, wordt de oproeping uil gesteld tot na afloop van den tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken.

116. Wanneer een loteling binnen vier maanden na zijne aflevering, blijkt voor de dienst ongeschikt te zijn, wordt, zijne herkeuring bij Gedeputeerde Staten der provincie, voor welke hij heeft geloot, aangevraagd.

Binnen veertien dagen na die aanvraag doen Gedeputeerde Staten

.

ocr page 412

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

den loteling voor zich verschijnen en, is de herkeuring aangevraagd wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, door geneeskundigen onderzoeken.

Daarbij geldt betgeen in de twee laatste zinsneden van art. 71 is bepaald.

Van de uitspraak van Gedeputeerde Staten, krachtens dit artikel te doen, is geen beroep toegelaten.

117. Indien de loteling, in het voorgaand artikel bedoeld, door Gedeputeerde Staten wordt afgekeurd, wordt hij uit de dienst ontslagen.

*Geschiedt die afkeuring vóór den löden December van het jaar [waarin] waartoe de ligting behoort, voor welke hij is ingelyfd, dan wordt de houder van het aan de beurt liggend hooger nummer der ligting van dat jaar en van de gemeente, voor welker aandeel hij is opgetreden, of, was hij nummerverwisselaar, de loteling, voor wien hij in dienst was opgetreden, onverwijld ter inlijving opgeroepen. Hierbij geldt het tweede lid van art. 115. (Mil. 111.)

118. Het overbrengen en afleveren van hen, die bij de uitspraak van Gedeputeerde Staten of in hooger beroep voor de dienst zgn aangewezen, en in het algemeen van alle na het tijdstip, bedoeld in art. 112, in te lijven manschappen, geschiedt overeenkomstig de artt. 111, 113 en 114.

119. Zoodra de manschappen, die ter aflevering worden opgezonden, hunne woonplaats verlaten, komen de kosten van hunne reis, voeding en huisvesting en de reis- en verblijfkosten hunner geleiders ten laste van 's Rijks kas. (K.B. 8 Mei 18Ö2, Stsbl. no. 4(5, art. 88 volg.)

ELFDE HOOFDSTUK.

VAN DE DIENST, HET VEKLOF EN HEI ONTSLAG DER BIJ DE MILITIE INGELIJFDEN.

§ 1. Van de dienst.

Art. 120. De afgeleverde voor de militie te land bestemde manschappen worden, volgens de door Ons te geven voorschriften, bij de corpsen van het leger ingelijfd. (K.B. 8 Mei 1862, Stsbl. no. 40, art. 53.)

Vrijwilligers bij de militie worden, voor zoover zij daartoe geschikt bevonden zijn en er gelegenheid toe bestaat, ingelijfd bij het corps hunner keuze.

121. De bij de militie te land ingelijfden dienen te gelijk met en op dezelfde wijze als de vrijwilligers by het leger.

Voor zooveel er bij het Limburgsch bondscontingent militie wordt ingedeeld, worden daartoe alleen manschappen genomen, afkomstig uit dat gedeelte van het hertogdom Limburg, waarop verpligtingen jegens het Duitsche verbond rusten. (K.B. 5 Junij 1867, Stsbl. no. 54, art. VI.)

384

ocr page 413

■VVET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

tagd De lotelingen en de vrijwilligers bij de militie te land mogen on- echter niet, dan met hunne toestemming, naar de koloniën en bezittingen van het Eijk in andere werelddeelen gezonden worden. (G. 184.) ;. 71 122. De bij de militie te land ingelijfden worden tot eerste oefening gedurende het geheele eerste jaar van hun diensttijd onder de ;ikel wapenen gehouden, tenzij Wij zulks niet noodig achten.

123. Behalve de ligting, die voor het eerst dient, kan steeds een ede- zevende van het geheele bedrag der [yïtf~\ jongste vijf ligtingen van de in. militie te land onder de wapenen worden gehouden of' geroepen, jaar Dat zevende wordt zamengesteld uit de manschappen:

dan 1°. die krachtens art, 1()5 zonder loting zijn ingelijfd en hun der eerste dienstjaar hebben volbragt;

ij is 2U. die krachtens de artt. 171 en 173 zijn in dienst gesteld en vien hun eerste dienstjaar hebben volbragt, voor zooverre omtrent hen pen. is beslist, dat zij gedurende twee of vijf jaren onder de wapenen

zullen worden gehouden;

•aak 3°. die krachtens art. 177 in dienst zijn gesteld en hun eerste zijn dienstjaar hebben volbragt;

oeld 4°. die, na hun eerste dienstjaar te hebben volbragt, verlangen j de onder de wapenen te blijven of te worden geroepen.

124. Is het in het vorig artikel bedoelde zevende deel niet op de zon- daar bepaalde wijze voltallig te maken, dan wordt het in de hier-reis, onder volgende orde aangevuld:

;lei- 1°. door de niet voor hunne broeders opgetreden plaatsvervangers, art. die hun eerste dienstjaar hebben volbragt;

2°. door de overige manschappen die hun eerste dienstjaar hebben volbragt;

3°. door de niet voor hunne broeders opgetreden plaatsvervangers, die hun tweede dienstjaar hebben volbragt;

4quot;. door de overige manschappen, die hun tweede dienstjaar hebben volbragt.

Is slechts een deel van eene van deze soorten van manschappen ter lan- aanvulling noodig, dan wordt dat deel aangewezen door loting, op bij de door Ons te bepalen wijze te houden. (K.B. 8 Mei 1862, Stsbl. 4C, 46, art. 61.)

125. [De militie te land komt] Be manschappen der militie te land ge- die niet in icerkelijke dienst zijn en hun vijfde dienstjaar niet hebben het volbragt, komen in gewone tijden jaarlijks eenmaal te zamen om gedurende niet langer dan zes weken in den wapenhandel te worden

; en geoefend, tenzij Wij het raadzaam mogten oordeelen, dat zamen-

komen geheel of gedeeltelijk achterwege te laten.

)rdt 126. Aan de bij de militie te land ingelijfden, die verlangen na

stig volbragten oefeningstijd minstens voor zes maanden onder de wape-gen nen te blijven of te komen, zonder zich als vrijwilliger te verbinden, no. wordt zulks vergund.

127. Aan de geestelijken en bedienaren van de godsdienst bij de

385

ocr page 414

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

erkende kerkgenootschappen en aan de studenten in de godgeleerdheid, die daartoe aan erkende inrigtingen van onderwijs worden opgeleid, wordt door Ons, op hunne aanvrage, telkens voor één jaar, ontheffing van de werkelijke dienst verleend. (K.B. 8 Mei 1862, Stsbl. no. 46, art. 69 volg.)

Ook in andere bijzondere gevallen kan door Ons aan de overige bij de militie ingelijfden ontheffing van de werkelijke dienst worden toegekend. Van deze ontheffing wordt telkens mededeeling gedaan in de Staatscourant, met opgave van de redenen, die daartoe geleid hebben.

quot;Wordt de ontheffiug niet op nieuw verleend en heeft de ingelijfde nog niet, kniehtens art. 122, zijn eersten oefeningstijd volbragt, dan is hij daartoe alsnog verpligt.

Indien, krachtens art. 51, ten gevolge der ontheffing, een broeder van dengene, aan wien zij verleend was, bg de militie was ingelijfd, dan wordt die broeder uit do militie ontslagen, zoodra de ontheffing niet wordt vernieuwd.

128. De bij de militie te land ingelgfden worden niet tot bet aangaan van een huwelijk toegelaten zonder schriftelijke toestemming van wege Onzen Minister van Oorlog.

Die toestemming wordt in gewone tijden niet geweigerd aan hen, die hun vierde dienstjaar hebben volbragt.

129. De bij de militie te land ingelijfden worden niet tot bet aangaan van eene verbindtenis voor de buitenlandsche zeevaart toegelaten zonder schriftelijke toestemming van wege Onzen Minister van Oorlog.

Die toestemming wordt slecbts verleend aan de lotelingen, die reeds vóór hunne inly ving bij de militie hun beroep van de buitenlandsche zeevaart maakten en die zich overeenkomstig art. 150 voor de zeemilitie hebben aangeboden, doch daarbij niet hebben kunnen worden aangenomen.

130. Het Crimineel Wetboek en het Reglement van krijgstucht voor het krygsvolk te lande zijn op de manschappen der militie te land, die zich onder de wapenen bevinden, van toepassing, en, met opzigt tot de verschillende gevallen van desertie, op al de bij de militie te land ingelijfden. (G. 150; Wet v. 20 Juiy Dgt;14, Stsbl no. 85; 28 Junij 1854, Stsbl. no. 96; 4 Junij 1858, Stsbl. no. 45. Wetten v. 14 Nov. 1879, Stsbl. nos. 191—194, en 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Die manscbappen worden geacht onder de wapenen te zijn;

1°. zoo lang zij zich bij hun corps bevinden;

:in. gedurende den tijd, dien het in art. 138 bedoeld onderzoek duurt;

3°. in het algemeen, wanneer ze in uniform zijn gekleed.

§ 2. Va7i het verlof.

Art. 131. De bij de militie ingelijfden worden, wanneer zij niet meer krachtens de artt. 122, 123, 124 en 153 in werkelyke dienst behooren te blijven, met verlof huiswaarts gezonden. (K.B. 8 Mei 1862, Stsbl. no. 46, art. 76 volg.)

386

ocr page 415

WET 3ETKEKKELIJK DE NAT. MILITIE.

eerd- 132. De verlofganger geniet gedurende zijn verloftijd geene soldij, )rden noch toelage uit 's Rijks kas.

jaar, 133. Hij meldt zich binnen dertig dagen na den dag, waarop hem .862, de verlofpas is uitgereikt, bij den burgemeester zgner woonplaats

aan, ten einde deze zijne verlofpas voor gezien teekene.

:e bij 134. De verlofganger, die zicli in een andere gemeente gaat ves-toe- tigen, geeft daarvan kennis aan den burgemeester zijner woonplaats, u de Binnen dertig dagen na den dag, waarop hg komt in de gemeente, )ben. waarin hij zich vestigt, meldt hij zich aan bij den burgemeester dier ijfde gemeente, ten einde deze zijn verlofpas voor gezien teekene. dan 135. De burgemeester van elke gemeente, houdt een afzonderlijk register van de in zijne gemeente gevestigde verlofgangers en teekent ^eder daarin aan, wie van hen de gemeente hebben verlaten of overleden zijn. !ijfd, 136. De verlofganger van de militie te land mag zich zonder toe-ïïng stemming vau Onzen Minister van Oorlog niet langer dan gedurende

vier weken buiten 's lands begeven.

ian- 137. De verlofganger, die artt. 133,184,136 of 156 niet naleeft, wordt img in werkelijke dienst opgeroepen en gedurende drie maanden gehouden.

138. De verlofgangers van de militie te land worden jaarlijks ten ben, minste eenmaal op den door Ons te bepalen tiid door den militiecommissaris onderzocht.

lan- 139. Onze commissaris in de provincie bepaalt de plaatsen, dagen iten en uren, waarop liet onderzoek zal plaats hebben, log. Hiervan geschiedt in elke gemeente door burgemeester en wethou-die ders, ten minste tien dagen te voren, openbare kennisgeving, ten- 140. De verlofganger verscliijntbij het onderzoek in uniform gekleed,

roor en voorzien van de kleediug en uitrustingstukken, hem bij zijn vertrek nen met verlof medegegeven, van zijn zakboekje en van zijne verlofpas.

141. Behoudens het bepaalde in art. 130, kan een arrest van twee icht tot zes dagen, te ondergaan in de naastbij gelegen provoost of het e te naastbij zijnde huis van bewaring of arrest, door den militie-com-met missaris worden opgelegd aan den verlofganger;

mi- 1°. die zonder geldige reden niet bij het onderzoek verschijnt;

85; 2°. die, daarbij verschenen zijnde, zonder geldige reden, niet voor-

iv. zien is van de in liet voorgaand artikel vermelde voorwerpen; gt;4.) 3quot;. wiens kleeding- of uitrustingstukken bij het onderzoek niet in

voldoenden staat worden bevonden;

40. die kleeding- of uitrustingstukken, aan een ander behoorende, irt; als de zijne vertoont.

142. Is de verlofganger, wien krachtens het voorgaand artikel arrest is opgelegd, bij bet onderzoek tegenwoordig, dan kan hij dadelijk onder verzekerd geleide in arrest worden gebragt.

iet Is hij niet tegenwoordig en onderwerpt hij zich niet aan de hem

nst opgelegde straf, dan wordt hij, op schriftelijke aanvrage van den lei militie-commissaris, te rigten aan den burgemeester der woonplaats van dien verlofganger, aangehouden en onder verzekerd geleide naar

387

ocr page 416

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

de naastbij gelegen provoost of het naastbij zijnde huis van bewaring of arrest overgebragt.

143. Onverminderd de straf, in art. 141 vermeld, is de verlofganger verpligt, op den daartoe door den militie-commissaris te bepalen tijd en plaats, en op de in art. 140 voorschreven wijze, voor hem te verschijnen, om te worden onderzocht.

144. De verlofganger, die zich bij herhaling schuldig maakt aan het feit, sub. 4quot;. van art. 141 bedoeld, of niet overeenkomstig art. 143 voor den militie-commissaris verschijnt, of, aldaar verschenen zijnde, in het geval verkeert sub 2°. en 3°. van art. 141 vermeld, wordt onder de wapenen geroepen en van drie tot zes maanden gehouden.

145. De verlofganger der militie, die niet voldoet aan eene oproeping voor de werkelijke dienst, wordt als deserteur behandeld.

§ 3. Van het o/itslag.

Art. *146. Elk bij de militie te land ingelijfde ontvangt, [vijf] zece.u jaren na den dag zijner inlijving, een bewijs van ontslag uit de dienst. (Mil. 6.)

147. Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden op den tijd, waarop den ingelijfde bij de militie het bewys van ontslag moet worden uitgereikt, en wordt het door Ons noo-dig geacht hem langer in dienst te houden, dan wordt de afgifte van dat bewijs geschorst, totdat omtrent de bij de Staten-Generaal ingediende voordragt van wet, die hem tot langer dienst verpligten zou, beslist is. (G. 185; Mil. 153.)

148. Het bewijs van ontslag wordt gezonden aan den burgemeester der woonplaats van den ingelijfde en aan dezen door hem uitgereikt.

Bevindt de ingelijfde zich op het tijdstip van zijn ontslag in werkelijken dienst, dan wordt hem het bewijs door zijn bevelhebber uitgereikt.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

VAN DE ZEEMILITIE IN HET BIJZOSDER.

Art. 149. De zeemilitie wordt zamengesteld uit lotelingen en vrijwilligers voor de militie, die zich vrijwillig hebben aangemeld om bij de zeemilitie te dienen. (G. 183.)

150. Jaarlijks, in den loop der maand [Maart] Januari] geschiedt door burgemeester en wethouders in elke gemeente eene openbare kennisgeving, waarbij de lotelingen, die verlangen bij de zeemilitie te dienen, worden nitgenoodigd zich daartoe vóór den Isten [April] February bij hen aan te melden.

Burgemeester en wethouders zenden vóór den lOden [April] Fe-bruarij eene opgave van het getal der lotelingen, die zich vrijwil-

388

ocr page 417

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

lig voor de zeemilitie hebben aangemeld, aan Onzen commissaris in de provincie. ')

151. De voor de zeemilitie bestemde manschappen worden by de aflevering, in art. 113 vermeld, aan eenen daarvoor aangewezen zeeofficier overgegeven. (K.B. 8 Mei 1862, Stsbl. no. 46, art. 52.)

152. De zeemilitie wordt bestemd tot de bemanning van de verdedigingsvaartuigen voor de binnenlandsche dienst en langs de kusten.

Zij wordt niet naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen gezonden, tenzij, in geval van zeer buitengewone omstandigheden, eene nadere wet daartoe niagtiging verleene. (ö. 183 )

153. De manschappen der zeemilitie worden tot de eerste oefening gedurende het geheele eerste jaar van bun diensttijd in werkelijke dienst gehouden, tenzij Wij zulks niet noodig achten.

Ingeval van oorlog of andere buitengewone omstandigheden, kan de zeemilitie, hetzij geheel, hetzij ten deele, door Ons buitengewoon worden byeengeroepen.

Tenzelfden tijd roepen Wij de Staten-üeneraal bijeen, opdat eene wet het zamenblijven der zeemilitie, zooveel noodig, bepale. (G. 185; Mil. 147.)

154. Aan de manschappen der zeemilitie, die verlangen, na vol-bragten oefeningstijd, in werkelijken dienst te blijven of te komen, zonder zich als vrijwilliger te verbinden, wordt zulks vergund. (Mil. 126.)

155. Het Crimineel Wetboek en het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te water, zoomede de wet van den 28sten Junij 1854 (Staatsblad no. 96), zijn op de manschappen der zeemilitie, die zich in werkelijke dienst bevinden, van toepassing en, met opzigt tot de verschillende gevallen der desertie, op al de bij de zeemilitie ingelijfden.

Te hunnen aanzien gelden bij toepassing van stralFen de regels voor het vaste corps matrozen bij de zeemagt.

De manschappen worden geacht in werkelijken dienst te zijn van het oogenblik af, dat zij zijn overgenomen door den daartoe aangewezen zeeofficier, tot dat zij met groot verlof van boord vertrekken, (zie ad Mil. 130.)

156. De manschappen der zeemilitie, die zich met verlof bevinden,

1) Bij de wet van 23 Apr. 1864, Stsbl. no. 22 is, tot uitbreiding van de wet van 19 Aug. 1861, Stsbl. no. 72, betreffende de Nat. Mil., het volgende bepaald:

Eenig artikel. De loteling, die zich overeenkomstig art. 150 der wet van den 19(len Augustus 1861, Stsbl. no. 72, heeft aangemeld of doen aanmelden om bij de zeemilitie te dienen, doch aan de oproeping, in art. 111, ot aan die, in art. 174 bevolen, niet heeft voldaan, en volgens art. 173 in dienst moet gesteld worden, kan voor [vier] vijf jaren bij de zeemilitie worden ingelijfd, tenzij het cijfer, in art. 5 als maximum bepaald, voltallig ware.

Hiervan is uitgezonderd de loteling, omtrent wien Gedeputeerde Staten hebben beslist, dat geene omstandigheden, van zijn wil onafhankelijk, hem hebben belet aan de oproeping te voldoen.

389

i

ocr page 418

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

mogen zich zonder toestemming vau Onzen Minister van Marine niet langer dan gedurende vier weken buiten 's lands begeven.

Hun wordt in gewone tijden vergunning tot uitoefening van de buitenlandsche zeevaart en visseherij verleend. (Mil. 129.)

Zonder die vergunning worden zij niet tot eene verbindtenis tot uitoefening van de buitenlandsolie zeevaart toegelaten.

157. De manschappen der zeemilitie worden niet tot het aangaan van een huwelijk toegelaten, zonder schriftelijke toestemming van Onzen Minister van Marine. (Mil. 128.)

Die toestemming wordt in gewone tijden niet geweigerd aan hen, die hun derde dienstjaar hebben volbragt.

*158. Elk bij de zeemilitie ingelijfde ontvangt [vier] in^j aren na den dag zijner inlijving een bewijs van ontslag uit de dienst. (Mil. 6, 146.)

159. Aan hem, die na volbragten diensttijd uit de zeemilitie is ontslagen en daarbij een bewijs van goed gedrag heeft bekomen, wordt, wanneer hij binnen één jaar na zijn ontslag eene vrijwillige verbindtenis by de vaste zeemagt aangaat, voor den graad, waarin hij is aangenomen, eene premie toegekend, de helft hooger dan die, voor de gewone vrijwilligers bepaald.

160. De loteling, die zijn diensttijd bij de zeemilitie heeft volbragten een behoorlijk paspoort heeft bekomen, is in tijd van vrede van de dienst bij de schutterijen vrijgesteld. (Wet van 11 April 1827, Stsbl. no. 17, art. Sm.)

De van hem in tijd van gevaar en oorlog te vorderen dienst wordt door de wet op de schutterijen geregeld.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

VAN HET VEHZUIM VAN INSCHRIJVING, VAN HET NIET-VËUSCIUJNEN

VOOR GEDEPUTEERDE STATEN, VAN HET NIET VOLDOEN AAN DE OPROEriNG TER INLIJVING EN VAN VRIJSTELLING, OP VALSCUE BEWIJSSTUKKEN VERKREGEN.

Art. 161. Hij, wiens aangifte ter inschrijving voor de militie in het jaar en in de gemeente, waarin zy had moeten geschieden, verzuimd is, wordt, zoodra het wordt ontdekt, voor Gedeputeerde Staten der provincie, binnen welke de inschrijving had moeten plaats vinden, gebragt. (Mil. 15, 21.)

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daaromtrent ten spoedigste uitspraak.

*Is den in de eerste zinsnede van dit artikel bedoelden persoon tijdelijk het regt ontzegd om bij de gewapende raagt of als militair geëmployeerde te dienen, dan wordt de behandeling zijner zaak uitgesteld tot na afloop van den tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken.

162. Indien bij, wiens aangifte ter inschrijving verzuimd is, zoo deze had plaats gehad, vrijstelling van dienst had kunnen erlangen, kan die hem alsnog worden verleend, mits de reden van vrijstelling

390

ocr page 419

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

tij zijn verschijning voor Gedeputeerde Staten nog besta. (Mil. 54.)

163. Hij, die niet verkeert in het geval, in het voorgaand artikel bedoeld, wordt, is hij voor de dienst geschikt bevonden, daartoe zonder loting aangewezen.

164. Gedeputeerde Staten brengen hunne uitspraak terstond ter kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe hij, wiens aangifte ter inschrijving is verzuimd, behoort.

Strekt die uitspraak tot vrijstelling of uitsluiting van de dienst, dan geven burgemeester eu wethouders daarvan dadelijk kennis aan den loteling, die dien ten gevolge zal worden opgeroepen of, reeds ingelijfd zijnde, niet uit de dienst wordt ontslagen, of aan zijn vader of voogd.

Van de uitspraak kan bij Ons in beroep worden gekomen. Hierbij gelden de artt. 108—105.

165. De in art. 161 bedoelde persoon, die bij de einduitspraak voor de dienst is aangewezen, wordt, behocdens de bepaling van art. 70, welke ook zijn leeftijd zij, voor [vijfj zeve/i jaren ingelijfd en gedurende de twee eerste jaren onder de wapenen gehouden.

*Is hem na zijne aanwijzing tot de dienst tijdelijk het regt ontzegd om bij de gewapende mugt of als militair geëmployeerde te dienen, dan wordt zijne inlijving uitgesteld tot na afloop van den tyd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken.

Hij komt in mindering van de ligting [van het jaar, waarin] voor welke hij had moeten loten, of, is die ligting reeds ontslagen, in mindering van de ligting van het jaar, waarin hij voor de dienst is aangewezen.

Is de ligting, in mindering waarvan hij komt, reeds afgeleverd, dan wordt, bij zijne inlijving, de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nnmmers uit de gemeente, waartoe hij behoort, ontslagen.

166. Op hem, die vroeger is ingeschreven dan in het jaar, waarin zijne inschrijving had moeten geschieden, zijn de artt. 161—165 niet van toepassing.

Hij blijft behooren tot de ligting van het jaar, waarvoor hij heeft geloot.

167. *De, in art. 57 bedoelde persoon, die verzuimt, binnen den in dat artikel vermelden tijd, voor den burgemeester te verschijnen of aan de oproeping om voor Gedeputeerde Staten te verschijnen te voldoen, wordt, zoodra het wordt ontdekt, voor die Staten gebragt.

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daaromtrent ten spoedigste uitspraak. (Mil. J70, 164.)

*168. Indien de in het voorgaande artikel bedoelde persoon, ware hij binnen den gestelden tijd voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten verschenen, vrijstelling van dienst had kunnen erlangen, dan kan hem die alsnog worden verleend, mits de reden van vrijstelling bij zijn verschijnen voor Gedeputeerde Staten nog besta. (Mil. 54,162.)

169. Hij, die niet verkeert in het geval, in liet voorgaand artikel

391

ocr page 420

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

bedoeld, wordt, is hij voor de dienst geschikt bevonden, daartoe aangewezen.

170. Op de uitspraken, krachtens art. 167 te doen, is art. 164 van toepassing.

171. De in art. 167 bedoelde persoon, die bij einduitspraak voor de dienst is aangewezen, wordt, indien het voor hem getrokken nummer opgeroepen zou zijn geweest, welke ook zijn leeftijd zij, overeenkomstig art. 58 voor [vijf] zeven jaren ingelijfd.

De aldus ingelijfde wordt gedurende de twee eerste jaren onder de wapenen gehouden, tenzy hlijke, dat omstandigheden, van zijn wil onafhankelijk, hem hebben belet voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten te verschijnen. (Mil. 165.)

172. De vrijwilliger voor de militie en de loteling, die niet aan de in art. 111 bedoelde oproeping of aan die, in art. 174 vermeld, heeft voldaan, wordt, zoodra het wordt ontdekt, voor Gedeputeerde Staten der provincie, tot welker aandeel in de ligting hij behoort, gebragt.

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daaromtrent ten spoedigste eene uitspraak en brengen die terstond tot kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe de achtergeblevene behoort. (Mil. 180.)

*Is den in de eerste zinsnede van dit artikel bedoelden persoon tijdelijk het regt ontzegd om by de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, dan wordt de behandeling zijner zaak uitgesteld tot na afloop van den tyd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken.

173. Is hij voor de dienst geschikt bevonden, dan wordt hij, welke ook zijn leeftijd zy, voor [vijf] zeven jaren ingelijfd. ')

De aldus ingelijfde wordt gedurende [dien ganschen tijd] de eerste vijf jaren onder de wapenen gehouden, tenzij Gedeputeerde Staten hebben beslist, dat omstandigheden, van zijnen wil onafhankelijk, hem hebben belet aan de oproeping te voldoen.

Bij zijne inlijving wordt de houder van het nummer, dat ten gevolge van zijn achterblijven mogt zijn in dienst gesteld, daaruit ontslagen.

Is de ligting, waarvoor hij is opgeroepen geweest, reeds ontslagen, dan komt hij in mindering van de ligting van het jaar, waarin zijne inlijving geschiedt.

Is die ligting reeds afgeleverd, dan wordt bij zijne inlijving de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nummers uit de gemeente, waartoe hij behoort, ontslagen.

*174. De loteling, die een plaatsvervanger of nummerverwisselaar heeft gesteld, wordt, indien zijn plaatsvervanger of nummerverwisselaar niet is opgekomen, terstond ter inlijving opgeroepen. Hierbij geldt het tweede lid van art. 115. (Mil. 61.)

392

175. De plaatsvervanger of nummerverwisselaar, die niet ter in-

1) Zie noot bij art. 150.

ocr page 421

WET EET REKKELIJK DE NAT. MILITIE. 393

lijving is opgekomen op den in art. 111 bedoelden tijd, wordt overeenkomstig art. 172 behandeld.

176. Hebben omsUndiglieden, van zijn wil onafhankelijk, hem belet op te komen, is hij voor de dienst alsnog geschikt, en is de ligting van het jaar, waarin hij had moeten optreden, nog niet ontslagen, dan wordt hij, indien de loteling, jegens wien hij zich had verbonden, dit verlangt, tegen ontslag van dezen of van den nader door dien loteling gestelden plaatsvervanger, in dienst gesteld en te gelijk met de manschappen van die ligting ontslagen.

177. Hij wordt, zoo hij niet is opgekomen, zonder dat omstandigheden, van zijn wil onafhankelijk, liet hem hebben belet, is hij voor de dienst alsnog geschikt, voor [vijf] zenen jaren ingelijfd en gedurende [dien ganschen tijdj de eerste vijf jaren onder de wapenen gehouden.

Is de loteling, jegens wien hij zich had verbonden, of de nader door dezen gestelde plaatsvervanger nog in dienst, dan wordt deze bij zijne inlijving onstlagen.

178. Hij, die, door het overleggen van een valsch of vervalscht attest of hewgsstuk, eece vrijstelling van de dienst heeft verkregen, wordt, na voorafgaande toepassing van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en, is hem straf opgelegd, na die te hebben ondergaan, voor Gedeputeerde Staten der provincie, binnen welke hij is ingeschreven, gebragt.

Gedeputeerde Staten doen ten zijnen opzi^te ten spoedigste eene uitspraak tot aanwijzing voor of wel tot vrijstelling of uitsluiting van de dienst en brengen die terstond ter kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe hij behoort.

Is hij voor de dienst geschikt bevonden, dan wordt hij, welke ook zijn leeftijd zij, voor [vijf] zeven jaren ingelyfd en gedurende de twee eerste jaren onder de wapenen gehouden.

De inlijving geschiedt overigens overeenkomstig de tweede en derde zinsneden van art. 58.

179. Voor het geneeskundig onderzoek gelden de twee laatste zinsneden van art. 71.

180. Op de uitspraken van Gedeputeerde Staten, krachtens de artt. 173, 175 ea 178 te doen, zijn de artt. 103 en 104 toepasselijk.

De uitvoering dier uitspraken wordt door liet beroep niet geschorst.

181. De ambtenaren, belast met het opsporen van strafbare feiten en alle verdere beambten van politie zijn belast met de opsporing van hen:

1°. die niet overeenkomstig art. 15 ter inschrijving zijn aangegeven;

2U. die niet overeenkomstig art. 57 voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten zijn verschenen;

3°. die niet aan de in de artt. Ill en 174 bedoelde oproeping hebben voldaan.

ocr page 422

394 WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

Deze nalatigen kunnen gearresteerd en voorloopig in verzekerde bewaring gehouden worden. ')

182. Hebben de personen, in de artt. 16], 167, 172, 175 en 178 bedoeld, den leeftijd van veertig jaren volbragt, dan worden zij van de dienst vrijgesteld.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

STRAFBEPALINGEN.

Art. 183. Met boete van vijftig cents tot f 100 wordt gestraft de overtreding van artt. 18 en 24. ')

184. Met boete van vijftig cents tot ƒ 100 of hechtenis van een dag tot ééne maand, wordt gestraft: ')

1°. hij, die niet overeenkomstig art. 57 voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten is verschenen;

2°. hij, die niet aan de oproeping, bedoeld in de artt. 73, ill en 174, heeft voldaan.

185. Afgeschaft. Zie thans art. 206 Wetb. v. Strafrecht.

186. Afgeschaft. Zie thans art. 192 Wetb. v. Strafrecht.

187. Met boete van vijftig cents tot ƒ 200 wordt gestraft:

lo de ambtenaar van den burgerlijken stand, die in strijd handelt

met art. 8, 128 of 157;

2°. de ambtenaar, belast met de monstering van scheepsofficieren en scheepsgezellen, of de schipper, die in stryd handelt met art. 8, 129, of de laatste zinsnede van art. 156. 4de g

188 en 189. Afgeschaft. 2) .

OVERGANGSBEPALINGEN, 5de!

Art. 190. Hij, die bij het in werkring treden van deze wet van die de militie tijdelijk is vrijgesteld, wordt:

zoo hij zijn twintigste jaar heeft volbragt, voor altijd vrijgesteld;

zoo hij zijn twintigste jaar nog niet heeft volbragt en krachtens deze wet regt op vrijstelling heeft, voor altijd vrijgesteld, zoo hij 'de s het niet heeft, voor de dienst aangewezen, en, ingeval het hem in ^ het vorig jaar ten deel gevallen nummer in de termen van oproeping vr: is gevallen, ingelijfd. st® ■:

191. Deze wet treedt in werking met den Isten Januarij 1862. ^

üde s de; 10de Al of 11de Al vr 12de Al

WEG GR

1ste s wo: he« 2de g wo dat 3 de 2 die

tig 6de a

1) Artt. 181, 183 en 18i aldus gewijzigd Iiij art. 10, no. 17 en art. 11 der «et van 15 April 1880, Stsbl. no. 61. Artt. 185 en 186 afgeschaft bij art. Srf (lezer wet.

2) Art. 187 aldus gewijzigd, en 187 3o, 188 en 189 afgeschaft bij de wet van 15 April 188G, Stsbl. no. G4-.

ocr page 423

ekerde

TABEL

m 178 ;ij van

estraft m een iter of .11 en

WEGENS HET TOEKENNEN VAN VRIJSTELLINGEN OP GROND VAN DE DIENST VAN BROEDERS, BEDOELD BIJ ART. 49 DER WET OP DE NAT. MILITIE.

FAMILIE VAN VIEJ1 ZONEN.

1ste geval; A is dienstpligti^. Als hij dient of gediend heeft, dan wordt B vrijgesteld, C is dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt D vrijgesteld.

2de geval: A is dienstpligtig. Als hij dient of gediend heeft, dan wordt B vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig.

eieren gt;5lt;le geval: A is dienstpligtig. Als hij dient of gediend heeft, en B art. 8, dient of gediend heeft, dan worden C en D vrijgesteld.

4de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt D vrijgesteld. 5de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B Jt van dienstpligtig. Als deze dient of gediend heel't, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig.

teld; 6de geval: Zijn A en B beiden vrijgesteld, dan zijn C en D dienst-ihtens pligtig.

oo hij 7de geval: Als B dient of gediend heeft, dan wordt A vrijgesteld, em in C is dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt D ieping vrijgesteld.

jSste geval: Als B dient of gediend heeft, dan wordt A vrijgesteld, 862. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig. 9de geval: Als C dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als

deze dient of gediend heeft, dan worden B en D vrijgesteld. 10de geval: Als C dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt D vrijgesteld.

11 de geval: Als C dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig.

12de geval: Als D dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden B en C vrijgesteld.

indelt

et van et.

van 15

23^

ocr page 424

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

13de geval: Als D dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt C vrijgesteld.

14de geval: Als D dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig.

15de geval; Als B en C dienen of gediend hebben, dan worden A en D vrijgesteld.

IGde geval: Als B en D dienen of gediend hebben, dan worden A en C vrggesteld.

17de geval: Als C en D dienen of gediend hebben, dan worden A en B vrijgesteld.

PAMILIE VAN VIJF ZONEN.

1ste geval: A is dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt B vrijgesteld, C is dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden D en E vrijgesteld,

2de geval: A is dienstpligtig. Als hij dient of gediend heeft, dan wordt B vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrygesteld, dan is D dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, wordt E vrijgesteld.

3de geval: A is dienstpligtig. Als hij dient of gediend heeft, dan wordt B vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienstpligtig.

4de geval: A is dienstpligtig. Als hij dient;of gediend heeft en B dient of gediend heeft, dan worden C, D en E vrijgesteld.

5de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden D en E vrijgesteld.

6de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gedienc. heeft, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt E vrijgesteld.

7de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienstpligtig.

8ste geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is D dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt E vrijgesteld.

9de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is D dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienstpligtig.

396

ocr page 425

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

10de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan zijn D en B dienstpligtig. 11de geval; Als B dient of gediend heeft, dan wordt A vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden D en E vrijgesteld.

12de geval: Als B dient of gediend heefl, dan wordt A vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt E vrijgesteld.

13de geval: Als B dient of gediend heeft, dan wordt A vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienstpligtig. 14de geval: Als C'dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig.

Als deze dient of gediend heeft, dan worden B, D en E vrijgesteld. 15de geval: Als C dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden D en E vrijgesteld.

16de geval: Als C dient, of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt E vrijgesteld.

17de geval: Als C dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienstpligtig.

18de geval: Als I) dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig.

Als deze dient of gediend heeft, dan worden B, C en E vrygesteld. 19de geval: Als 1) dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden C en E vrijgesteld.

20ste geval: Als D dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt Ë vrijgesteld.

21ste geval: Als D dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienstpligtig.

22ste geval: Als E dient of gediend heefl, dan is A dienstpligtig.

Als deze dient of gediend heeft, dan worden B, C en D vrijgesteld. 23ste geval: Als E dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden C en D vrijgesteld.

24ste geval: Als E dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt

397

ocr page 426

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt D vrijgesteld.

25ste geval: Als B dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig.

26ste geval: Als A en B dienen of gediend hebben, dan worden C, D en E vrijgesteld.

27ste geval: Als A en C dienen of gediend hebben, dan worden B, D en E vrijgesteld.

28ste geval: Als A en D dienen of gediend hebben, dan worden B, Ö en E vrijgesteld.

29ste geval: Als A en E dienen of gediend hebben, dan worden B, C en D vrijgesteld.

30ste geval: Als B en C dienen of gediend hebben, dan worden A, ï) en E vrijgesteld.

31ste geval: Als B en D dienen of gediend hebben, dan worden A, C en E vrijgesteld.

32ste geval: Als B en E dienen of gediend hebben, dan worden A, C en I) vrijgesteld.

33ste geval: Als C en D dienen of gediend hebben, dan worden A, B en E vrijgesteld.

34ste geval: Als C en E dienen of gediend hebben, dan worden A, B en D vrijgesteld.

35ste geval: Als U en E dienen of gediend hebben, dan worden A, B en C vrijgesteld.

398

ocr page 427

WET,

HOUDENDE OPKIGTING VAN SCHUTTERIJEN OVER DE GEHEELE UITGESTREKTHEID DES RIJKS.

(Vastgesteld den llden April 1827, Stsbl. no. 17, uitgegeven den 18den April d.a.v. Gewyzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

„Art. 203. (G. 1815) Het dragen der wapenen, tot handhaving „der onafhankelijkheid van den Staat en de beveiliging van deszelfs „grondgebied, blijft, overeenkomstig 's lands oude gewoonte, den geest „der pacificatie van Gent, en de grondbeginselen, bij de Unie van „Utrecht aangenomen, een der eerste pligten van alle ingezetenen „van het Rijk.quot;

„Art. '213. In alle gemeenten, welker bevolking binnen den besloten kring of omtrek der gebouwen 2,500 zielen en daarboven „bedraagt, worden, als van ouds, schutterijen opgerigt, tot behoud „der inwendige rust; deze schutterijen dienen, in tijden van oorlog „en gevaar, tegen de aanvallen van den vijand In andere gemeen-„ten worden, in tijd van vrede, rustende schutterijen ingesteld, welke, „ingeval van oorlog, gezamenlijk met de vorengemelde, dienen als „een landstorm, tot verdediging des vaderlands.quot;

„Art. 214. De bepalingen, welke door den Koning, zoo omtrent „het getal en de inrigting der militie, als opzigtelijk hetgeen de „schutterijen en den landstorm betreft, noodig geoordeeld worden, „zyn het voorwerp eener, door hem voortedragen, wet.quot;

Gezien de wet op de schutterijen van den 27sten Februari 1815 (staatsblad no. 20), alsmede Onze besluiten van den 13den April en 28 Juni daaraanvolgende (journal oi'ficiel no. (i en 20);

En al verder in overweging nemende, dat de wet op de schutterijen van den 27sten Februari 1815 (staatsblad no. 20), alsmede Onze besluiten van den 13den April en 28 Juni daaraanvolgende (journal offlciel no. 0 en 20), geene, voor liet geheele Rijk gelijk werkende, maatregelen behelzen, en dat het van belang is, om algemeene bepalingen op de schutterijen daar te stellen, geschikt om aan het oogmerk der grondwet te voldoen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,

Hebben goedgevonden en verstaan, vast te stellen, gelijk Wij vast-

26«

ocr page 428

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

stellen by deze, dat er schutterden zullen worden opgerigt over de

feheele uitgestrektheid des Rijks, welkeeheele uitgestrektheid des Rijks, welke dienstdoende zullen zijn in e gemeenten, waarvan de bevolking, binnen den besloten kring of omtrek der gebouwen, 2,500 zielen en daarboven bedraagt, en rustende in alle de overige; alles op den voet en onder de verdere bepalingen, bg de volgende artikelen vastgesteld.

EERSTE AFDEELING.

Bepalingen, tot de schutterijen in het algemeen,

zoowel dienstdoende als rustende, gelyke-lijk betrekking hebbende.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE VEKPLIGTING EN BEVOEGDHEID TOT DE SCHüTTERLIJKE DIENST.

Art. I. Teder ingezeten van het Rijk, die op den Isten Januari van elk jaar zijn 25ste jaar zal zijn ingetreden en zijn 34ste niet voleindigd zal hebben, zal, ingevolge de bepalingen dezer wet, daartoe opgeroepen zijnde, verpligt wezen de sehutterlijke dienst uitteoefenen.

2. Als ingezetenen worden, met betrekking tot de toepassing dezer wet beschouwd:

a. Alle Nederlanders, binnen het Rijk hun gewoon verblijf houdende.

b. Alle vreemdelingen, binnen het Rijk woonachtig, welke hun voornemen om zich aldaar te vestigen, zullen hebben aan den dag-gelegd, hetzij door eene uitdrukkelijke verklaring, hetzij door het werkelijk overbrengen van den zetel van hun vermogen en de hoofdmiddelen van hun bestaan.

De tijdelijke uitoefening van een bedrijf of handwerk in eenige ondergeschikte betrekking, gelijk die van leerling, knecht, enz., kan op zich zelve niet beschouwd worden als een bewijs van het voornemen om zich in dit Rijk te vestigen. (Mil. 15.)

3. Van deelneming in de dienst der schutterijen worden vrygesteld;

Onvoorwaardelijk.

a. Die met ongeneeslijke ziekten of gebreken zijn behebt, waardoor zij tot den wapenhandel duurzaam buiten staat zijn. (K.B. 2 Nov. 1883, Stsbl. no. 151.)

i. Die kleiner zijn dan ee/ie Nederlandsche el, en vijf honderd zeventig strepen.

Voorwaardelijk.

c. Die met ziekten of gebreken zijn behebt, waardoor zij tijdelij k

400

ocr page 429

\r£T op DE SCHUTTKRIJEN.

tot den wapenhandel buiten staat zijn, voor zoolang deze verhindering raogt voortduren. (K.B. 2 Nov. 1883, Stshl. no. 151.)

d. De geestelijken van alle gezindheden, zoolang zij niet van stand veranderen.

e. De professoren en lectoren aan de hoogescholen, aan de athenasa en de semenariën.

f. De studenten in de godgeleerdheid.

g. Die den rang van officier in dienst van den Staat, te lande of ter zee, hebben bekleed, en door eervol ontslag die dienst verlaten hebben of gepensioneerd zijn, zoolang zij niet in eenen gelijken of hoogeren rang, by de schutterijen kunnen worden aangesteld.

h. Die wegens verandering van woonplaats, eervol uit de schutterij zijn ontslagen in den rang van officier, voor zooverre zij in hunnen vori-gen of in eenen hoogeren rang niet weder kunnen worden aangesteld.

i. Die in militaire dienst ter zee of te lande zijn.

te. De broeder van bem, die in persoon voor zich zeiven bij de schutterij dient, met dien verstande, dat van een gelijk getal broeders altijd de helft en van een ongelijk getal slechts de kleinste helft tot de dienst zal worden geroepen; strekkende deze bepaling zich echter niet uit tot zoodanige broeders, die, om welke reden ook, niet meer bij hunne ouders rnwonen.

Het staat eenen broeder vrij voor zijnen broeder in dienst te treden, mits hij de hoedanigheden in zich vereenigt, welke bij deze wet zijn voorgeschreven.

I. Zij, die tot de dienst der nacht- of brandwachten, en tot die der brandspuiten zijn aangesteld, worden, zoolang zij met die werkzaamheden zijn belast, in tijd van vrede niet tot de waarneming van de dienst bij de schutterijen opgeroepen. (Sch. 24.)

m. Dit zelfde zal ook in tijd van vrede het geval zijn: (Sch. 24; Mil. 159.)

1quot;. Met lijf- en huisbedienden, voor welke, als dienstboden, de personele belasting wordt betaald; waaronder echter niet zullen worden verstaan werkboden of zoodanige bedienden, die ter uitoefening van iemands heroep of bedrijf zijn benoodigd.

2°. Met lien, die voortdurend uit armenkassen bedeeld, of in de armengestichten opgevoed of onderhouden worden: met dien verstande evenwel, dat wanneer het getal der op deze wijze vrijgestelden meerder dan een tiende der gevorderde sterkte eener schutterij mogt uitmaken, alsdan zooveel hoogere nommers voor de werkelijke dienst zullen worden opgeroepen, als dat meerdere bedraagt.

4. Tot de deelneming in de dienst der schutterijen zullen nimmer worden toegelaten; zij die bij een vonnis door geen nadere uitspraak of beslissing krachteloos gemaakt, tot eene volgens de wet onteerende straf of tot eene gevangenisstraf van een jaar of langer zgn verwezen; alsmede die, welke in gelijker voege gevonnisd zijn wegens eenig misdrijf, hetwelk den gevonnisden als onbevoegd tot de dienst

STAATSWETTEN. 26

401

ocr page 430

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

in de schutterijen moet doen beschouwen, en zulks ter beslissing van Gedeputeerde Staten der provinciën, op voordragt van het plaatselijk bestuur. •)

5. Gevangenen, in de termen van dienstpligtigheid vallende, zullen gedurende hunne gevangenschap buiten alle oproeping worden gehouden.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE INSCHRIJVING, TjOTING EN BEOORDEELING DEE REDENEN VAN VRIJSTELLING EN UITSLUITING.

Art. 6. Elk jaar, vóór den eersten Juni, zullen de ingezetenen, welke op den Isten Januari van het jaar hun 25ste jaar van ouderdom zullen zijn ingetreden, zonder onderscheid of' zij vermeenen mogtcn1al of niet tot de vrijgestelden of uitgeslotenen te behooren, verpligt zijn zich bij het bestuur der gemeente, in welke zij wonen, voor de schutterij te doen inschrijven. (Sch. 3—5 ; K.B. 21 Maart 1828, Stsbl. no. 6.)

7. Zij, die in meer dan eene gemeente hun gewoon verblijf houden, of den zetel van hun vermogen hebben gevestigd, zullen tot de inschrijving verpligt zijn, binnen die gemeente, alwaar eene dienstdoende schutterij aanwezig is.

Bijaldien in die verschillende gemeenten alleen dienstdoende of alleen rustende schutterijen bestaan, zullen zij zich doen inschrijven in de gemeente, alwaar zij voor de personele belasting zijn aangeslagen; en de ambtenaren in die gemeente, alwaar zij ambtshalve verpligt zijn hun verblijf te houden.

8. Die van hunnen ouderdom geen voldoend bewijs geven, zullen door het plaatselijk bestuur worden ingeschreven, naar deszelfs oordeel, onverminderd de bevoegdheid van den ingeschrevene, om van zijnen juisten ouderdom nader te doen blijken.

9. Die bevonden zullen worden zich n et vóór den Isten Juni te hebben doen inschryven, zullen door het plaatselijk bestuur ambtshalve ingeschreven worden, en door den na te melden schut-ters-raad worden verwezen tot eene geldboete; terwijl zij, daarenboven, zonder loting bij de schutter^ zullen worden ingelijfd, indien het zal blijken, dat er, tijdens de verzuimde inschrijving, geene redenen tot uitsluiting of vrijstelling te hunnen aanzien bestonden. (Sch. 63 volg., 61.)

402

10. Vóór den Isten Juli, op den tijd, ten minste acht dagen te voren door het plaatselijk bestuur openlijk daartoe aantekondi-gen, zal er over al de ingeschrevenen binnen de gemeente eene lo-

1

Art. 4 aldus gewijzigd bg art. 10, no. 4 der wet van 15 April 1886, Stsbi. no. 64.

ocr page 431

WET OP DE SCHÜTTEKIJEN.

ting plaats hebben door middel van welke uit de ingeschrevenen het benoodigd getal personen voor de schutterij zal worden getrokken. (Sch. 6.)

11. Deze loting zal plaats hebben in het openbaar, door de zorg van het plaatselijk bestuur en onder het opzigt van een commissie uit hetzelve, door hetzelve benoemd. De ingeschrevenen kunnen zelve hunne nommers trekken, of zulks door gemagtigden laten doen; voor hen, die persoonlijk afwezend blijven mogten, of die zich niet door eenen bij de commissie uit het plaatselijk bestuur bekenden ge-magtigde zullen hebben doen vertegenwoordigen, zal door een der leden van die commissie worden getrokken.

12. Op gelijke wijze zal voor diegenen, welke, tot de loting ver-pigt zijnde, buiten hun toedoen niet onder dezelve mogten zijn begrepen geworden, eene naloting plaats hebben.

13. Zij, die tot schutters zullen zijn aangewezen, zullen, voor zooverre zij niet in eene der vrijstellingen of uitsluitingen, bij het vorig hoofdstuk vermeld, mogten vallen, in hunne gemeente op de algemeene rol der schutterij, hetzij dienstdoende, hetzij rustende, worden gebragt. (Sch. 3—5; K.B. 7 Sept. 1828, Stsbl. no. 55.)

14. Op de voorgeschreven rol zullen door de commissie, by art. 11 vermeld, naar volgorde der nommers worden gebragt en vervolgens worden opgeroepen;

a. De ougehuwden en weduwenaars zonder kinderen;

h. De gehuwden en weduwenaars, één of meer kinderen hebbende.

Uit de tweede klasse zal echter geene oproeping voor de dienst mogen geschieden, vóórdat al de in de termen van dienstpligtig-heid vallende manschappen der eerste klasse («) tot de dienst zijn opgeroepen.

Van het oogenblik af, dat aan iemand door de genoemde commissie kennis zal zijn gegeven, dat hij op deze rol is gebragt, wordt hij als lid der schutterij beschouwd, en onderworpen aan al de verplig-tingen, daaraan verbonden.

15. Tot het onderzoeken van, en het beslissen omtrent de redenen van vrijstelling eu uitsluiting, zal er elk jaar over iedere gemeente, of, des voldoende geacht wordende, over eenige onderscheidene gemeenten, die slechts weinig schutters opleveren mogten, bij zamen-voeging, eene commissie worden aangesteld, uit twee of meer leden des plaatselijken bestuurs of der onderscheiden plaatselijke besturen, en uit den kommandant der schutterij of een der kommandanten van de onderscheiden schutterijen zamengesteld, welke commissie door eenen of meer genees- en heelkundige personen, daartoe aan te wijzen, zal zijn bijgestaan.

De wijze van benoeming der gezegde commissie, en die van der-zelver raadpleging, het uitoefenen des voorzitterschaps, en de vervanging bij tijdelijke verhindering, gelijk verder alle reglementaire bepalingen, welke de inschrijving en loting vorderen, zullen nader

403

26*

ocr page 432

404 WET OP DE SCHUTTERIJEN.

door Ons worden vastgesteld. (K.B. 28 Juni 1828, Stsbl. no. 42; 21 Mei 1868, Stsbl. no. 68 en 6 Sept. 1868, Stsbl. no. 124.)

16. Aan hen, die zich door de beslissingen der gemelde commissie mogten bezwaard achten, wordt de bevoegdheid gegeven om deswege bij Gedeputeerde Staten der provincie schriftelijk, en wel op ongezegeld papier en zonder eenige kosten, in hooger beroep te komen, welke, naar bevind van zaken, de gedane uitspraken handhaven of verbeteren zullen. (Sch. 72.)

Die van deze bevoegdheid zullen verkiezen gebruik te maken, zullen zich binnen 14 dagen, na de uitspraak der commissie, moeten aanmelden, wanneer de bezwaren het niet toestaan van vrijstelling of uitsluiting, door hen zelve gereclameerd, mogten betreffen, en binnen drie maanden, indien de bezwaren uit hunne designatie, ten gevolge van verklaarde vrijstelling of uitsluiting van anderen, mogten voortspruiten.

DERDE HOOFDSTUK.

OVER DE NOMMEKVERWISSELING.

Art. 17. Aan lien, die, tot de persoonlijke dienst geroepen zijnde, van de waarneming van de dienst wenschen te zgn bevrijd, zal het geoorloofd zijn ieder jaar van noramer te verwisselen met iemand, die een hooger noramer is te beurt gevallen.

18. Deze nommerverwisseling zal alleen plaats hebben tusschen inwoners van ééne en dezelfde gemeente, en zich ook slechts tot lotelingen onderling bepalen; zullende hij, die alzoo in de plaats van eenen anderen treedt, al de vereischten in zich moeten vereenigen, welke volgens deze wet gevorderd worden om lid eener schutterij te kunnen zijn.

19. Hij, die verlangt van het voorregt van nommerverwisseling gebruik te maken, moet binnen acht dagen, nadat de loting heeft plaats gehad, daarvan kennis geven aan de commissie, bij art. 15 vermeld, met opgave van den persoon, die hem zal vervangen, en van het nommer, door denzelven getrokken; door welke commissie alsdan zal worden onderzocht, of de alzoo optredende volgens het voorgaande artikel al dan niet voor de dienst kan worden geadmitteerd; zoo ja, zal behoorlijk aanteekening daarvan op het lotings-register worden gedaan. (Sch. 11, 13.)

20. Ingeval de optredende persoon door de gemelde commissie niet tot nommerverwisselaar mogt kunnen worden geadmitteerd, zal het den bij art. 17 bedoelden vrijstaan om binnen acht dagen, nadat hij van die afwijzing behoorlijk is geïnformeerd, anderen tenzelfden einde aan te geven; deze echter, insgelijks afgewezen moetende worden, wordt de gevraagde nommerverwisseling gehouden voor vervallen, tenzij de commissie het, ter zake van bijzondere omstandig-

ocr page 433

WET OP DE SCHUTTERIJEN. 405

heden, voegzaam oordeelen mogt, nog een uitstel van acht dagen toe te staan.

21. Die zijn nommer tegen een hooger heeft verwisseld, bekomt daardoor geene verdere vrijstelling dan waarop hy, vóór de plaats gehad hebbende ruiling, aanspraak had volgens deze wet.

Die bij nommerveiwisseling optreedt voor een lager nommer, iep te wordt geacht volkomen te hebben afgezien van alle redenen van vrijstelling voor zich zeiven, waarop hij anderzins, op grond dezer wet zoude hebben kunnen aanspraak maken; na verloop van een jaar echter, zal hij dezelfde aanspraak op tusschenbeide opgekomen redenen van vrijstelling hebben als welke aan andere leden der schutterij, die op hunne eigene nommers zijn ingelijfd, toekomt.

22. Hij, voor wien een hooger nommer in de dienst is opgetreden, zal, voor deze aan hem verleende gunst, eene jaarlijksche contributie aan de gemeente-kas betalen, welke op niet minder dan tien en op niet meerder dan vijf en twintig guldens zal mogen worden gesteld, ter beslissing der hiervoren gemelde commissie, en zal hij bovendien verpligt zijn, zijuen plaatsvervanger te kleeden. ^Sch. 11, 21a.)

Deze contributie zal ophouden op het oogenblik, dat het hoogere nommer zal worden opgeroepen om voor zich zeiven te dienen.

VIERDE HOOFDSTUK.

OVER DE STERKTE, DEN DIENSTTIJD, HET JAARLIJKSCH ONTSLAG EN DE WEDERA AN VULLING.

Art. 23. De schutterijen zullen sterk zijn twee man van iedere honderd zielen in elke gemeente. De werkelijke diensttijd derzelve is op wzj/jaren bepaald, na welke vijfjarige dienst de manschappen nog vijf jaren op de stamboeken zullen worden gevoerd eu in reserve blijven; zullende, echter, zoodanige tot de reserve opgeschrevenen in tijd van vrede, zulks verlangende, noch tot het dragen van wapenen, noch tot eenige andere schutterlijke dienst verpligt, of in de sterkte der schutterijen begrepen zijn. (G. 181.)

24. Zij, die volgens art. 3, litt. I en m voorwaardelijk worden vrijgesteld, zullen dadelijk bij de reserve worden opgeschreven, en daarbij opgeschreven blijven gedurende tien jaren, of zooveel korter als zij in de termen van voorwaardelijke vrijstelling mogen blijven verkeeren. (Sch. 'ic volg.)

25. De plaatsen van hen, die, na vijf jaren bij de schuttery te hebben gediend, overgegaan zijn tot de reserve, alsmede de plaatsen, welke in den loop van het jaar door overlijden, verandering van woonplaats, opgekomen vrijstellingen als anderzins, zijn opengevallen, zullen eenmaal jaarlijks worden aangevuld uit de lotelingen,

- volgens de artt. 13 eu 14 op te roepen.

'

ocr page 434

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

Zij, die gedurende vij/' jaren bij de reserve hebben gestaan, zullen, zulks verlangende, jaarlijks finaal worden ontslagen.

26. Zij, die, bij de reserve geplaatst zijnde, hun 34ste jaar zullen hebben voleindigd, zijn, zulks verlangende, van regtswege onder het getal der jaarlijks finaal ontslagen wordende manschappen begrepen.

Op dit ontslag, hetwelk altijd door den Voorzitter des plaatselijken bestuurs zal zijn onderteekend, zal melding gemaakt worden van de aanvrage, daartoe gedaan.

27. Die van woonplaats veranderen gedurende den tijd, dat zij tot eene schutterij bebooren, zijn daardoor niet ontslagen, maar, na alvorens van dit hun voornemen kennis gegeven te hebben aan het bestuur der door hen te verlaten gemeente, verpligt, om het overige van hunnen diensttijd te volbrengen bij de schutterij van derzelver nieuwe woonplaats.

Binnen acht dagen na hunne aankomst in de nieuwe gemeente, zijn zy verpligt, aan het plaatselijk bestuur aldaar, bij behoorlijk bewijs aan te toonen, in welke betrekking zij zich tot de schutter^ in derzelver vorige woonplaats bevonden. Daaraan nalatig blijvende, zullen zij, onverminderd dezelver verpligting om het bewijs als nog te bezorgen, door den schutters-raad verwezen worden in eene geldboete,

28. De verdere formatie der schutterijen tot kompagniën, bataljons of afdeelingen, alsmede de reglementaire bepalingen, daai'toe betrekkelijk, zullen door Ons worden vastgesteld; en zal bij deze organisatie van het beginsel worden uitgegaan, dat bij ieder korps keurkompagniën zullen worden opgerigt, bestaande uit de bij hunne inlijving ongehuwden en gehuwden zonder kinderen; deze kompagniën zullen eventueel den eersten ban van den landstorm uitmaken. (K.B. 4 October 1830, no. 61 ; K.B. 23 November 1831, no. 3:2.)

De overige schutters zullen in een tweeden en derden ban worden verdeeld, en bij den tweeden ban geplaatst worden zij, die met minder talrijke familiën belast zijn en door hu.men stand, hun bedrijf of andere omstandigheden, voor hunne familiën meer misbaar worden gemaakt. De overige schutters bebooren tot den derden ban, en zullen de laatste sectiën der overige kompagniën uitmaken; terwijl die van den tweeden ban bij de eerste sectiën dier kompagniën zullen worden geplaatst.

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER DE OFFICIEKEN EN ONDER-OFFICIEREN.

Art. 29. Alle hoogere en lagere officieren bij de schutterijen zullen door Ons worden aangesteld, en door Ons alléén ontslagen kunnen worden. (G. 60.)

406

ocr page 435

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

Tot officieren tij de schutterijen zullen ook, met hunne toestemming, kunnen worden aangesteld de zoodanigen, die, alleen uit hoofde van hunnen ouderdom, niet meer tot de waarneming van de schut-terlgke dienst zijn verpligt, doch, overigens de vereischten daartoe bezitten.

De aanstelling der kommanderende officieren zal geschieden zonder voorafgaande voordragt; die der verdere, na voordragt van het kollegie van dagelijksch bestuur, met overleg van den komman-dant der schutterij, welke voordragt drie kandidaten zal moeten bevatten.

30. De hoofd-uificieren zullen in handen van den Grouverneur der provincie, en de overige officieren in handen van den Voorzitter van het plaatselijk bestuur, moeten afleggen den navolgenden eed (of de volgende belofte):

„Ik zweer (belove) te zullen zijn getrouw aan den Koning, en

„dat ik mij stiptelijk naar de bepalingen der wet op de schutterijen

„zal gedragen.

„Zoo waarlijk helpe mij God almaytig!quot;

Van deze eeds-aflegging zal op het afschrift van het besluit van benoeming aanteekening worden gedaan.

31. De onder-officieren en korporaals zullen door de kapiteins der kompagniën worden aangesteld, onder goedkeuring van den kom-mandant der schuttery ; of door den laatstgemelden alleen, indien zy aan den staf der schutterij zijn verbonden.

32. Leden der schutterijen, tot den rang van officier bij dezelve wordende benoemd, of, zij, die volgens ij g tnh van art. 3 tot eene voorwaardelijke vrijstelling zijnde toegelaten, in hunnen vorigen of in eenen hoogeren rang bij de schutterijen worden geplaatst, en zonder wettige redenen, door den schutters-raad te beoordeelen, daarvoor bedankende, zullen gedurende den vijfjarigen diensttijd, door hen nog niet volbragt, eene jaarlijksche contributie betalen van f 100 tot f 200, ter bepaling door de commissie, bij art. 15 vermeld, en niettemin hunnen overigen aetiven diensttijd als gewoon schutter moeten volbrengen.

Die tot onder-officieren of korporaals benoemd zynde, zonder wettige redenen, ter beoordeeling als voren, bedanken mogten, zullen gedurende het overige van hunnen diensttijd eene jaarlijksche contributie betalen van / 15 tot / 30, te bepalen als voren, en mede hunnen overigen diensttijd als gewoon schutter moeten volbrengen.

33. Wij behouden Ons voor, om aan officieren, onder-officieren en verdere leden der schutterijen, die zich zulks door aanhoudend onbe-rispelyk gedrag en langdurige diensten, of wel door uitstekende daden mogten hebben waardig gemaakt, zoodanige eereteekenen toe te kennen, als daartoe nader door Ons zullen worden bepaald, en zulks onverminderd andere onderscheidingen, waarop zij, uit dien-

407

ocr page 436

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

zelfden hoofde mogten aanspraak hebben, mitsgaders de billijke voorkeur, welke hun, hij het begeven van zekere ambten en bedieningen zal kunnen worden gegeven boven personen, die noch bij de staande B armee noch bij de nationale militie hebben gediend. (K.B. 5 Deo. 1851,

Stsbl. no. 149, gewijz. bij K.B. 2 July 1886, Stsbl. no. 117; K.B 30 Deo. 1806, Stsbl. no. 244; K.B. 7 Maart 1867, no. 51.)

ZESDE HOOFDSTUK.

OVER DE MIDDELEN TER BESTRIJDING DER KOSTEN EN HET VERDERE EINANClëLE DER SCHUTTERIJEN.

Art. 34. Elk jaar zal er voor iedere gemeente, waar zulks mogt kunnen te pas komen, door den schutters-raad worden opgemaakt en aan den Raad der gemeente ter goedkeuring of nadere wijziging aangeboden, een staat van begrooting van hetgeen er berekend wordt, aan onvermijdelijke kosten der schutterij, over het volgend jaar te zullen noodig zijn.

Deze staat wordt door den Raad der gemeente, zoodanig als die door denzelven voorloopig zal zijn vastgesteld, gezonden aan het kol-legie van Gedeputeerde Staten der provincie, ten einde zoo als die is liggende, of met de noodige wijzigingen, door dezelve definitivelijk te worden vastgesteld; zullende echter deze schutterlijke begrooting, altijd een gedeelte moeten uitmaken vau de gewone begrooting, welke jaarlijks voor de algemeene behoefte in elke gemeente wordt opgemaakt en gearresteerd. (Gem. iOó.r.)

35. Voor geene andere onderwerpen, dan die op den voorschreven staat van begrooting zijn vermeld, en tot geen hooger bedrag voor ieder derzelve respectivelijk, dan daarbij zal zijn vastgesteld, zullen er eenige belastingen mogen plaats hebben, dan op bijzondere autorisatie van Gedeputeerde Staten voornoemd, terwijl ook door deze kollegien, ieder in den zijnen, de noodige voorschriften ter verantwoording van het gebruik der gelden zullen worden gegeven.

Er zullen jaarlijks door het Departement van Binnenlandsche Zaken een zeker aantal van deze begrootingen worden opgevraagd en onderzocht, en van de bevinding derzelven aan Ons rapport worden gedaan. (Gem. 213.)

36. De kosten, op de dienstdoende schutterijen vallende, zullen gevonden worden:

1°. Uit de boeten, de bijdragen en contributiën, bij deze wet bepaald, door de schutters-raden in te vorderen en aan de gemeentebesturen te verantwoorden; (Sch. 32,61.) en

2n. Uit eene toelage uit de gemeente-kas.

408

ocr page 437

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

TWEEDE AEDEELING.

Bepalingen tot de dienstdoende schutteryen in het byzonder betrekkelyk.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE WAPENEN, ONDERSCHEIDINGSTEEKENEN EN KLEEDING.

Art. 37. De schutterijen zullen met geweren van hetzelfde kaliber als bij het leger, worden gewapend, en van patroontasschen, alsmede nogt van het, tot derzelver wapenrusting benoodigd lederwerk worden aakt voorzien.

ging De onder-officieren, korporaals en tamboers zullen sabels bekomen, srdt. Voor zoo verre deze wapenen en wapenrustingen niet voorhanden ir te zijn, zullen dezelve voor de eerste maal van 's lands wege worden verstrekt.

i die 38. De onder-officieren en overige leden der schutter^, van min-kol- deren rang, zullen de van het land of van de gemeente ontvangene : die wapenen en wapenrustingen te hunnen koste moeten onderhouden, elijk en die bij het eindigen van hunne dienst in goeden staat moeten ting, terug geven. (Sch. 56.)

'elke Ingeval echter deze voorwerpen in de dienst of bij de wapen-pge- oefeningen mogten worden beschadigd, zal door het gemeentebestuur

daarin worden voorzien.

even 39. De ammunitiën, zoo voor de gewone dienst als anderzins be-voor noodigd, zullen, op voorstel der schutters-raden, door den Gouverneur illen der provincie aan het Departement van Oorlog worden aangevraagd, into- en door hetzelve voor 's lands rekening worden verstrekt.

deze 40. Voor de leden der schutterijen, de officieren daaronder begre-roor- Pen, zal door Ons eene uniforme kleeding worden bepaald.

De erkenningsteekenen der officieren, onder-officieren enz., zullen : 7,a- dezelfde zijn als die bij het leger in gebruik.

d en 41. Elke schutter zal verpligt zijn, zich zeiven te kleeden; inge-rden val, echter, van onvermogen, zal hij zich tot het bestuur zijner gemeente kunnen wenden, ten einde, het zij geheel of gedeeltelijk, in illen zijne kleeding of kleedingskosten uit de gemeente-fondsen te worden te gemoet gekomen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE WAPENOEFENINGEN, DE DIENST-VERRIGTINGEN, DE VERHOUDING TOT DE MILITAIRE MAGT.

Art. 42. De schutterijen zullen jaarlijks van den Isten April tot den Isten October, op gezette dagen in het schieten naar de schijf

409

ngen ande 851, i. 30

ocr page 438

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

zelfden hoofde mogten aanspraak hebben, mitsgaders de billijke voorkeur, welke hun, bij het begeven van zekere ambten en bedieningen zal kunnen worden gegeven boven personen, die noch bij de staande armee noch bij de nationale militie hebben gediend. (K.JB. 5 Deo. 1851, Stsbl. no. H'J, gewijz. bij K.B. 2 Julij 1886, Stsbl. no. 117; K.B. 30 Dec. 1866, Stsbl. no. 244; K.B. 7 Maart 1867, no. 51.)

ZESDE HOOFDSTUK.

OVER DE MIDDELEN TER BESTRIJDING DER KOSTEN EN HET VERDERE FINAKOlëLE DER SCHUTTERIJEN.

Art. 34. Elk jaar zal er voor iedere gemeente, waar zulks mogt kunnen te pas komen, door den schutters-raad worden opgemaakt en aan den Eaad der gemeente ter goedkeuring of nadere wijziging aangeboden, een staat van begrooting van hetgeen er berekend wordt, aan onvermijdelijke kosten der schutterij, over het volgend jaar te zullen noodig zijn.

Deze staat wordt door den Raad der gemeente, zoodanig als die door denzelven voorloopig zal zijn vastgesteld, gezonden aan het kol-legie van Gedeputeerde Staten der provincie, ten einde zoo als die is liggende, of met de noodige wijzigingen, door dezelve definitivelijk te worden vastgesteld; zullende echter deze schutterlijke begrooting, altijd een gedeelte moeten uitmaken van de gewone begrooting, welke jaarlyks voor de algemeene behoefte in elke gemeente wordt opgemaakt en gearresteerd. (Gem. 205.r.)

35. Voor geene andere onderwerpen, dan die op den voorschreven staat van begrooting zijn vermeld, en tot geen hooger bedrag voor ieder derzelve respectivelijk, dan daarbij zal zijn vastgesteld, zullen er eenige belastingen mogen plaats hebben, dan op bijzondere autorisatie van Gedeputeerde Staten voornoemd, terwijl ook door deze kollegiën, ieder in den zijnen, de noodige voorschriften ter verantwoording vaa het gebruik der gelden zullen wordei gegeven.

Er zullen jaarlijks door het Departement van Binnenlandsche Zaken een zeker aantal van deze begrootingen worden opgevraagd en onderzocht, en van de bevinding derzelven aan Ons rapport worden gedaan. (Gem. 213.)

36. De kosten, op de dienstdoende schutterijen vallende, zullen gevonden worden:

lquot;. Uit de boeten, de bijdragen en contributiën, bij deze wet bepaald, door de schutters-raden in te vorderen en aan de gemeentebesturen te verantwoorden; (Sch. 32, 61.) en

2°. Uit eene toelage uit de gemeente-kas.

408

ocr page 439

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

TWEEDE AEDEELING.

Bepalingen tot de dienstdoende schutterijen in het bijzonder betrekkelijk.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE WAPENEN, ONDERSCHEIDING STEEKENEN EN KLEEDING.

Art. 37. De schutterijen zullen met geweren van hetzelfde kaliber als by het leger, worden gewapend, en van patroontasschen, alsmede van het, tot derzelver wapenrusting benoodigd lederwerk worden voorzien.

De onder-officieren, korporaals en tamboers zullen sabels bekomen.

Voor zoo verre deze wapenen en wapenrustingen niet voorhanden zijn, zullen dezelve voor de eerste maal van 's lands wege worden verstrekt.

38. De onder-officieren en overige leden der schutterij, van minderen rang, zullen de van het land of van de gemeente ontvangene wapenen en wapenrustingen te hunnen koste moeten onderhouden, en die by het eindigen van hunne dienst in goeden staat moeten terug geven. CSch. 56.)

Ingeval echter deze voorwerpen in de dienst of bij de wapenoefeningen mogten worden beschadigd, zal door het gemeentebestuur daarin worden voorzien.

39. De ammunitiën, zoo voor de gewone dienst als anderzins benoodigd, zullen, op voorstel der schutters raden, door den Gouverneur der provincie aan het Departement van Oorlog worden aangevraagd, en door hetzelve voor 's lands rekening worden verstrekt.

40. Voor de leden der schutterijen, de officieren daaronder begrepen, zal door Ons eene uniforme kleeding worden bepaald.

De erkenningsteekenen der officieren, onder-officieren enz., zullen dezelfde zijn als die bij het leger in gebruik.

41. Elke schutter zal verpligt zijn, zich zeiven te kleeden; ingeval, echter, van onvermogen, zal hy zich tot het bestuur zijner gemeente kunnen wenden, ten einde, het zij geheel of gedeeltelijk, in zijne kleeding of kleedingskosten uit de gemeente-fondsen te worden te gemoet gekomen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE WAPENOEFENINGEN, DE DIENST-VERRIGTINGEN, DE VERHOUDING TOT DE MILITAIRE MAGT.

Art. 42. De schutterijen zullen jaarlijks van den Isten April tot den Isten October, op gezette dagen in het schieten naar de schijf

409

ocr page 440

WET OP DB SCHUTTERIJEN.

worden geoefend, bij welke gelegenheid tevens eene verdere oefening zal plaats hebben, zooveel zulks voor de gewone dienst onontbeerlijk is te achten.

De oefeningen zullen telkens, in tijd van vrede, hoogstens twee nren mogen duren, en altijd een half uur vóór zonne ondergang moeten zijn afgeloopen; zij zullen niet spoediger op eikanderen mogen volgen, dan van 14 tot 14 dagen en bij voorkeur des zondags, zoo veel mogelijk na het afloopen van alle godsdienst-oefeningen, plaats hebben, doch in geen geval vóór des middags ten vijf uren aanvangen.

De schutter, die de noodige bekwaamheid bezit of heeft verkregen, zal dadelijk van het bijwonen dezer oefening worden vrijgesteld.

43. Er zullen jaarlijks twee of drie wapenschouwingen in de gemeente plaats hebben, op welke ook de zoodanige zullen verschijnen, die, overeenkomstig het slot van het voorgaande artikel, van alle verdere wapenoefeningen zijn verschoond.

Allen, die bij deze revue bevonden worden de onontbeerlijke bekwaamheid niet te bezitten, voor de dagelijksche dienst, zullen door den sohutters-raad kunnen worden verwezen om de exercitiën weder te moeten bijwonen.

44. De komraandanten der schutterijen zullen steeds op last der plaatselijke besturen (dien zij, echter, gelyk ook in alle andere gevallen, schriftelyk kunnen vorderen), hunne onderhebbende manschappen onder de wapenen doen komen, en in alles naar de, bij dien last ontvangene, bevelen moeten handelen.

Bij gelegenheid van brand, en wanneer er alarm wordt geslagen, zal elk lid der schutterij zich dadelijk naar de voor hem bestemde loopplaats begeven; in dringende gevallen, zullen de kommandanten der schutterijen op eigen gezag hunne onderhebbenden kunnen doen onder de wapenen komen, en al die maatregelen van voorzorg moeten nemen, welke hun naar de omstandigheden zullen toeschijnen, noodig of dienstig te zijn; mits verpligt zijnde, om daarvan onverwijld aan het. plaatselijk bestuur kennis te geven. (Gem. 184— 187, 189.)

45. De schutterijen zullen geene parades betrekken, en geene wachten, noch eere- of andere posten bezetten, dan voor zooverre die posten voor Ons, of voor het Koninklijk gezin mogten plaats hebben, of, ten gevolge der bepalingen, bij deze wet gemaakt, door het plaatselijk bestuur volstrekt noodig mogten worden geacht, en door den Gouverneur der provincie zijn goedgekeurd.

46. Zij zullen, wat de gewone dagelijksche dienst betreft, niets gemeens hebben met het militaire garnizoen.

In buitengewone omstandigheden, echter, en zoodra er binnen de gemeente alarm voor de militaire bezetting wordt geslagen, zullen al de leden der dienstdoende schutterij aldaar zich ordelijk en in

410

ocr page 441

WEI OP DE SCHUTTERIJEN.

volle wapenrusting naar de voor hun aangewezen alarm- of loopplaatsen moeten begeven, ten einde de aan hen te geven bevelen aldaar af te waoliten en vervolgens na te komen.

In de laatstgemelde gevallen, zulllen de schutterijen door de plaatselijke besturen onder het bevel van den militairen kommandant worden gesteld.

47. De kommandanten der schutterijen zullen aan de militaire kommandanten, binnen hunne gemeenten aanwezig, moeten kennis geven van alle verzamelingen van gewapende manschappen, onder hunne bevelen staande, ten zij dat dezelve op gezette dagen of uren plaats hebben; als wanneer het voldoende zal zijn, zulks bij den aanvang daarvan eens voor al, ter hunner kennis te brengen.

48. De momentaneie hulp der schutterijen door de militaire autoriteiten wordende gevraagd, zal dezelve in zeer dringende gevallen door het plaatselijk bestuur op eigen gezag, en in alle andere gevallen niet dan onder goedkeuring van den Gouverneur der provincie kunnen worden verleend.

In de eerstgenoemde gevallen, echter, moet de Gouverneur dadelijk door het plaatselijk bestuur daarvan verwittigd worden. (Gem. lö-tó.)

49. Wanneer in eene naburige gemeente de rust mogt worden bedreigd of gestoord, zullen de dienstdoende schutterijen uit andere gemeenten, op vordering van den Gouverneur der provincie, en in dringende gevallen op last zelfs van den voorzitter des plaatselijken bestuurs, hulp moeten verkenen; behoudens, in de laatstbedoelde gevallen, de verpligting van dien Voorzitter, om onverwijld den Gouverneur daarvan berigt te geven.

De gemeente, welke de hulp heeft noodig gehad, zal de kosten deswege dragen; zullende echter geene schutterij geheel of gedeeltelijk kunnen worden gebezigd buiten de provincie, tot welke zij behoort, tenzij op Onzen bijzonderen last.

50. In de gemeenten, alwaar eene militaire bezetting aanwezig is, zal het parool en contrasein door den kommandant derzelve aan dien der dienstdoende schutterij aldaar worden medegedeeld. Bij ontstentenis van militaire bezetting, zal het parool en contrasein door den kommandant der dienstdoende schutterij gegeven, doch ook door hem aan den Voorzitter van het plaatselijk bestuur moeten worden opgegeven.

51. De officieren der schutterijen en die van het leger zullen elkander in hunne respective rangen erkennen, de gewone eerbewij-zingen doen geven en elkanders rondes en patrouilles doen eerbiedigen, zonder, echter, elkanders wachten of posten in oogenschouw te mogen nemen of te onderzoeken. Blijvende, nogtans, de militaire kommandant en de plaats-majoor in de gemeente in allen gevalle tot het voorschreven onderzoek bevoegd.

52. Bij zoodanige zeldzame gelegenheden, in welke de schutterden met de marechaussee of het militair garnizoen vereenigd of gezamen-

411

ocr page 442

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

lijk mogten onder de wapenen komen, zullen de schutterijen altijd den regtervleugel bezetten.

DERDE HOOEDSÏÜK.

OVER DE SCHUTTERLIJKE TUCHT EN DE REGTSPI.EGING.

Art. 53. De leden der schutterijen, van welken rang ook, zullen in alles wat de dienst betreft, aan hunne meerderen gehoorzamen, en zich overeenkomstig de, bij deze wet gemaakte, bepalingen moeten gedragen.

54. Die zicb gedurende de dienst, of ter gelegenheid van dienstzaken, door woorden of met daden tegen hunne meerdere verzetten, zullen met degradatie, of, des noods, met wegzending uit de schutter^ gestraft worden. (Sch. 62.)

55. Schutters, die eenen hun toevertrouwden post, en officieren en onder-officieren en korporaals, die eenen zoodanigen post, of wel een aan hunne zorg overgelaten detachement verlaten, zullen gestraft worden:

De eerstgemeldeu, met geldboete of wegzending uit de schutterij; en

De laatstgenoemden met geldboete, en bij verzwarende omstandigheden, met degradatie of wegzending uit de schutterij. (Sch. 62.)

56. Zij, die de bekomen wapenen of wapenrustingen, of andere voorwerpen, zonder onderscheid, welke hun in derzelver betrekking van leden der schutterij, tot een bepaald gebruik, als zoodanig worden toebetrouwd, mogten bederven of onbruikbaar maken, verzetten, verpanden, verkoopen, of op eenige andere wijze afhandig maken, zullen, onverminderd derzelver verpligting tot vergoeding dei-waarde, met geldboete worden gestraft, voor zooverre de omstandigheden niet van dien aard zijn mogten om hen, wegens moedwillig misbruik van vertrouwen, te dezer zake, voor den burgerlijken reg-ter te doen te regt staan, en als zoodanig (,e straffen.

57. Die tot eenige dienst geroepen zijnde, te laat komen, zich te vroeg verwijderen, of in het geheel niet verschijnen, alsmede de zoodanigen, van welken het blijken mogt, dat zij, na tot eenige dienst te zijn geroepen, zonder voorkennis hunner superieuren, of ook slechts ter ontduiking van de dienst, de gemeente hebben verlaten, zullen met geldboete worden gestraft. (Sch. 61.)

58. Alle pligtverzuim of gedrag tegen de ondergeschiktheid, waaromtrent bij deze wet geene bijzondere bepalingen zijn gemaakt, alsmede alle misbruiken van gezag tegen onderhebbenden, zullen, naar bevind van zaken, worden verbeterd of gestraft met zoodanige boeten of straffen, als niet te boven zullen gaan die, welke by deze wet zijn bepaald. (Sch. 61, 68.)

59. Alle officieren of zoodanigen, die, uit hoofde van hunnen rang, eenig gezag uitoefenen over andere leden der schutterij, zullen

412

ocr page 443

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

het regt hebben om onderhoorigen, die zich gedurende de dienst aan eenig vergrijp mogten schuldig maken, dadelijk te doen ontwapenen en provisioneel te verwijderen; zij zullen, echter, daarvan onverwijld moeten kennis geven aan den-kommandant der schutterij.

60. Die, ingeval van oproer, zich ouder de wapenen wederstrevig tegen de orders huunsr meerderen gedragen, zich feitelijk tegen dezelve verzetten, of de muitelingen door gebaren, woorden of daden, aanmoedigen mogten, zullen als medepligtigen worden beschouwd. In deze gevallen, gelijk mede in alle andere, waar de vergrijpen tegen de ondergeschiktheid mogten gepaard gaan met verzwarende omstandigheden, welke bij het Wetboek van Strafregt onder de misdrijven worden gerangschikt, zullen de schuldigen aan den burgerlijken reg-ter worden overgeleverd. ')

61. De geldboeten, waartoe ingevolge de wet zal kunnen worden verwezen, zullen, voor zooverre zulks bij dezelve niet in het bijzonder anders mogt zijn bepaald, de som van vijftien guldens, telkens, niet mogen te boven gaan; in de gevallen, wanneer de schutterden bij brand, bedreigde of reeds gestoorde rust, of wel, buiten hunne gemeente moeten dienst doen, kunnen deze boeten tot een som van honderd guldens worden verhoogd.

Op het verzwarende, uit die omstandigheden ontstaande, zal steeds, by de bepaling der hoegrootheid van de boeten, moeten worden acht gegeven.

62. Die uit de schutterij zullen worden weggezonden, zullen tevens onder goedkeuring des plaatselijken bestuurs, worden verwezen in eene boete, die, bij wijze van contributie, over hunnen nog overigen v^fjarigen diensttijd zal worden omgeslagen, en waarvan het jaarlijks bedrag niet minder dan vijftig cents, en niet meerder dan f 150 zal kunnen beloopen. (Sch. 54, 55.) -)

63. Bij de dienstdoende schutterij in elke gemeente, of, by de dienstdoende schutterijen over eenige gemeenten, die slechts weinig schutters opleveren mogten, te zamen genomen, zal een schuttersraad bestaan, aan welken, behalve de verdere attributen, bij deze wet gegeven, het beoordeelen van en de uitspraak doeu omtrent alle verzuim en overtreding, in zaken van de schutterij, en mitsdien ook het opleggen der straffen en boeten, bij de wet vastgesteld of vrygelateu, zal zijn opgedragen, voorbehoudens hetgeen bij art. 05 zal worden bepaald.

In zeer bevolkte gemeenten zal, met Onze toestemming, behalve den schutters-raad, nog een raad van administratie, uit andere leden bestaande, kunnen worden opgerigt, alleen belast met de geldelijke administratie der schutterijen in die gemeente. (K.B. 25 Mei 1829, •Stsbl. no. 38, gewijz. bij K.B. 26 Mei 1885, Stsbl. no. 122.)

1) Aldus gewijzigd door art. 10, no. 4 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

2) Aldus gewijzigd door art. lid der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

413

ocr page 444

414 'WET OP DE SCHUTTERIJEN.

64. Deze schutters raden zullen gewoonlijk zijn zamengesteld uit eenen officier van eiken rang by de schutterij, eenen onder-officier, ,

eenen korporaal en eenen schutter; deze zullen echter elkander niet ... tot in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap mo- •) ' gen bestaan. m^'

65. Van de vonnissen der voorschreven schutters-raden. welke ..'•j degradatie, wegzending uit de schutterij of beboeting van meer dan zgna zes guldens inhouden, zal men zich, uiterlijk binnen den tijd van Illet veertien dagen na het kennis bekomen van die vonnissen, schrif- als ' telijk kunnen beroepen op Gedeputeerde Staten der provincie, die eerst deze vonnissen zullen kunnen handhaven, verbeteren of te niet

doen. b?de

Mogten dezelve vonnissen de degradatie of wegzending uit de §lnS schutterij inhouden van officieren, zullen dezelve onverwijld aan ve™ Ons ter bekrachtiging worden ingezonden: terwijl wanneer daarop we' binnen zes weken na die inzending (van welke in allen gevalle ^11 zal moeten blijken), geene dispositie ter contrarie van Ons, of Onzent- 1

wege mogt zijn ingekomen, de sententie alsdan zal worden aange-merkt als door Ons te zijn goedgekeurd. quot;

De officieren, tegen welke zoodanige sententie is geslagen, zullen hangende Onze overweging zijn gesuspendeerd.

66. Bij elk der schutters-raden zal door Ons een auditeur worden aangesteld, die met de vervolging van alle verzuimen en overtredingen, de dienst en de ondergeschiktheid der schutters betreffende, zal zijn belast.

Een der leden van dien raad zal tevens als secretaris bij denzei ven fungeren.

67. De kommandanten der schutterijen zijn verpligt, van al de hun bekende verzuimen en overtredingen, door de onderhoorigen begaan, in zooverre, namelijk, dezelve door feitelijkheden, openbaren onwil, het bieden van tegenstand, opzettelijke weigering, of moedwillige nalatigheid, zijn gekenmerkt, dadehjk kennis te geven aan de auditeurs, met bijvoeging der bewijzen, en met opgave zooveel mogelijk der personen, die als getuigen zullen kunnen dienen.

68. Alle fouten, door schutters begaan wordende, welke alleen aan onachtzaamheid of slordigheid zijn toe te schrijven, alsmede kleine of geringe vergrijpen tegen de orde en ondergeschiktheid, zullen door de kommandanten zelve met de oplegging eener boete kunnen worden gestraft, welke, voor de officieren, de som van f 3, en voor de onder-officieren en verdere leden der schutterij die van f 1, niet zal mogen te boven gaan. (Wet 16 Dec. 1886, Stsbl. no. 213.)

69. De auditeur door den bevelvoerenden officier, ingevolge art. 67, kennis bekomen hebbende van pligtverzuim of wangedragingen, zal, daartoe termen vindende, tegen de overtreders moeten handelen,

en, na ingewonnen berigten, de beschuldigden voor den schuttersraad doen hooren. Indien hij vermeent, dat er geene termen tot ver

volgi daar(

twee 71

legd dag( len

ocr page 445

quot;WET OP DE SCHUTTERIJEN.

volging bestaan, zal hij de aanklagt aan den raad overhandigen, die daarop beslissen zal.

Indien zij, voor den raad ontboden zijnde, niet verschijnen op den tijd, bij de oproeping bepaald, welke niet korter dan na drie volle dagen mag worden gesteld, nullen zij bij verstek kunnen gevonnisd worden.

70. Leden der schutterij, die, voor den schutters-raad opgeroepen zijnde om getuigenis der waarheid te geven, zonder wettige reden niet verschijnen op den bepaalden tijd, welke dezelfde zal moeten zijn als die, in het laatst voorgaande artikel vermeld, zullen voor de eerste maal door den raad verwezen worden tot geldboete; voor de tweede maal niet voldoende aan de oproeping, zullen zij door den bode van den schutters-raad, op een schriftelijk bevel van medebren-ging, door dien raad algegeven, voor denzelven worden gebragt, onverminderd de toepassing van dezelfde boete voor eene tweede maal, welke echter de som van f 6 niet zal mogen te boven gaan.

Indien de opgeroepene getuigen geene leden der schutterij zijn, zal er te dezen opzigte gehandeld worden overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de regtspleging bij de landmagt, bij Ons besluit van 20 Julij 1814 (no. 85) gearresteerd, en wel in den tweeden titel het tweede hoofdstuk, art. 92 tot 98, is voorgeschreven.

71. Bekeurde of gevonnisde leden der schutterijen de hun opgelegde straffen of vergoedingen bij deze wet bepaald, binnen acM dagen na de bekeuring of na het vonnis niet hebbende betaald, zullen door de boden der schutters-raden tot die betaling worden aangemaand of geïnsinueerd; welke aanmaning of insinuatie, bij verder in gebreke blijven, van ac,ht tot acht dagen, nog twee maal zal worden herhaald. Het verschuldigde alsdan binnen 48 uren, na deze laatste aanmaning of insinuatie niet zijnde voldaan met de kosten, zal de bekeurde of gevonnisde daartoe kunnen worden geconstringeerd door middel van provoost-arrest, onder goedkeuring van het plaatselijk bestuur op te leggen, en welk arrest insgelijks ten koste van den bekeurden of gevonnisden zal zijn, doch den tijd van veertien dagen niet zal mogen te boven gaan. (Wet 16 Dec. 1886, Stsbl. no. 213.)

72. De citatiën, en andere akten van vervolging aan leden der schutterij door den schutters-raad, de vonnissen, daarop volgende, alsmede de akten, welke ter inning der by die vonnissen bepaalde hoeten en kosten strekken, zoowel als die, welke ter inning der by art. 68 aangewezen boeten mogten noodig zijn; gelijk mede alle geschriften, welke een lid der schutterij in deze zijne betrekking mogt noodig hebben, zullen vrij van zegel en registratie-regten zijn.

DERDE AFDEELING.

Bepalingen tot de rustende schutterijen in het bijzonder betrekkelijk.

Art. 73. Wij behouden Ons voor, om de rustende schutterijen te

415

ocr page 446

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

doen wapenen op dezelfde wijze, als ten aanzien der dienstdoende bij deze wet is bepaald, en zulks, naar mate 's Rijks aangelegenheden dat zullen vorderen.

74. De rustende schutterden kunnen in tijd van vrede, tot geene diensten worden opgeroepen, dan die tot derzelver instandhouding worden vereischt, onverminderd, echter, dat, wanneer een plaatselijk bestuur oordeelen mogt, voor de bewaring der publieke rust of de veiligheid dier gemeente de tijdelijke medewerking dier schutterij te vorderen, dezelve alsdan daartoe zullen kunnen worden opgeroepen, en zij tevens gehouden zullen zijn daaraan te gehoorzamen. (Soh. Gem. 1S4.)

75. Bij elke der rustende schutterijen, of, bij zamenvoeging, over eenige onderscheidene, zal insgelijks een schutters-raad bestaan, gewoonlijk zamengesteld als bij art. 64 omtrent de dienstdoende schutterden is gezegd, en een auditeur, als bij art. 66 voor de dienstdoende schutterijen is bepaald; terwijl insgelijks een der leden van dien raad tevens als secretaris bij denzelven zal fungeren.

Zij zullen dezelfde attributen en verrigtingen uitoefenen, als aan de schutters-raden en auditeurs bij de dienstdoende schuttergen volgens deze wet zijn opgedragen, daar, alwaar Wij zulks zullen noodig oordeelen; behoudende Wg Ons voor, om het vastgestelde bij deze wet, ten aanzien der tucht en regtspleging bij de dienstdoende schutterijen, ook op de rustende schutterijen toepasselijk te verklaren, naar mate de omstandigheden zulks noodzakelijk zullen maken.

76. De officieren en verdere leden der rustende schutterijen zijn, in tijd van vrede, niet tot het dragen van montering gehouden; zulks verkiezende, is liet echter aan ieder hunner geoorloofd; in welk geval dezelve geheel overeenkomstig aan die der dienstdoende schut-terijen zal moeten zijn-

VIERDE AFDEELING.

Over den landstorm.

Art. 77. Zoodra in de gevallen, bij art. 209 der grondwet (v. 1815) voorgeschreven, de geheele militie zal zijn bijeengeroepen, zal de mogelijke vereeniging der dienstdoende eu rustende schutterijen (de reserve daaronder begrepen) kunnen worden voorbereid, en zullen deze schutterijen onverwijld in den wapenhandel worden geoefend, zoodanig en zoo dikwijls, als Wij zulks ter bevordering van de verdediging des vaderlands zullen noodig achten. (Sch. 23 volg.)

78. Tegen de aanvallen van den vijand zullen, aanvankelijk en in de eerste plaats, worden bestemd en opgeroepen;

1°. Zoodanige leden der schutterijen, welke zich vrijwillig tot dat einde zullen hebben aangeboden;

2°. De ongehuwde en, bij een dringend gevaar, de verdere leden van den eersten ban;

416

ocr page 447

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

3°. De tweede ban. (Sch. 28.)

Terwijl, eindelijk, de overige leden der schutterijen, en bij het dringendst gevaar al de overige ingezetenen, geschikt om de wapenen te dragen, naar aanleiding van art. 203 der grondwet (v. 1815; den derden of laatsten ban vaa den landstorm zullen uitmaken. (Gr. 180.)

79. De oproeping van den landstorm zal, indien de Staten-Gene-raal niet vergaderd zgn, gepaard gaan met een buitengewone bijeenroeping van dezelve, ten einde van het verrigte opening te geven en de verdere daartoe betrekkelgke maatregelen met de Vergadering te beramen. (G. v. 1815, art. 209; G. 185.)

80. De plaatsvervanging zal in tijd van oorlog, aan ieder der tot ien landstorm opgeroepenen geoorloofd zyn, onder voorwaarden, door Ons nader te bepalen; waarbij van het beginsel zal worden uitgegaan, dat dezelve in het belang van nuttige beroepen zoo min mogelijk drukkende zij, en aan den anderen kant, niet tot prejudicie strekke van derden, en in geen geval meer bezwarend zij dan die, welke bij de wet op de nationale militie is toegestaan. (K.B. 23 November 1831, no. 32.)

81. De inrigting van den landstorm, en meer bepaaldelijk deszelfs verdeeling in kompagnicn, bataljons, regementen of legioenen, zal door Ons worden bevolen.

82. Dat gedeelte van den landstorm, hetwelk aanvankelijk tegen de aanvallen van den vijand moet dienen, zal worden beschouwd een gedeelte der legermagt van het llijk uit te maken en diensvolgens op denzelfden voet behandeld worden, en onder dezelfde verpligtin-gen staan. Hetzelve zal ook op gelijke wijze worden verpleegd en bezoldigd als het leger van den Staat, en zullen al de inrigtingen, welke ten behoeve van dat leger bestaan, als dan ook op den landstorm van toepassing zijn, welke mitsdien, op eene gelijke verzorging en belooning ten volle zal aanspraak hebben.

83. In geen geval zal de landstorm buiten de grenzen van het Rijk mogen worden gevoerd of gebruikt.

VIJFDE AFDEELING.

Over de eerste daarstelling' der schutterijen op den voet dezer wet en verdere transitoire bepalingen.

Art. 84. De eerste oprigting der schutterijen, overeenkomstig deze wet, zal achtereenvolgende plaats hebben op zoodanige tijdstippen, als Wij daartoe het meest geschikt zullen oordeelen, en binnen twee jaren tot stand zijn gebragt.

Tot deze eerste daarstelling zullen zich alle ingezetenen, welke op den Isten Januarij van het jaar der oproeping hun 25ste jaar zullen zijn ingetreden en hun 34ste jaar niet zullen hebben voleind bij het bestuur hunner woonplaats doen inschryven, ten einde vervolgens.

417

ocr page 448

WET OP DB SCHUTTERIJEN.

bg gelijksoortige loting, als bij de artt. 10, 11 en 12 is bepaald, en op den verderen voet dezer wet, het vereischte getal manschappen tot de eerste daarstelling daaruit worde getrokken.

85. Zij die, bij de eerste daargestelde schutterijen geplaatst zijnde, hun 34ste jaar mogten voleinden alvorens gedurende tien jaren tot de schutterij te hebben behoord, zullen, des verkiezende, jaarlijks worden ontslagen.

86. In plaatsen, alwaar reeds schutterijen zijn georganiseerd, blijven dezelve zoo lang bestaan, tot dat de nieuwe verordening, bij deze wet voorgeschreven, overeenkomstig art. 84 zal zijn ingevoerd.

De thans bij de schutterijen dienende manschappen zullen de vijfjarige dienst, waartoe de schutters volgens deze wet verpligt zijn. by de nieuwe schutterden volbrengen; en zullen zij, die langer dan vijf en minder dan zeven jaren hebben gediend, of, in plaats van die persoonlijke dienst, gedurende vijf jaren of langer eene verhoogde contributie hebben betaald, overgaan tot de reserve; terwijl zij, die hun 34ste jaar hebben volbragt of door zevenjarige dienst aan de vroegere wet- op de schutterden hebben voldaan, des verkiezende, finaal zullen worden ontslagen.

87. Er zal door het tot worden beslist, welke manschappen van de eerste daargestelde schutterden respectivelijk zullen behooren tot het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde gedeelte, hetwelk van jaar tot jaar tot de tweede hoofdafdeeling of de reserve zal overgaan; gelijk mede, in welke volgorde het jaarlyks ontslag bij de reserve der eerste daargestelde schutterijen zal plaats hebben. (K.B. 18 Juli 1839, Stsbl. no. 52.)

88. De eerste aanstelling der officieren bij de onderscheidene schutterijen zal door Ons, zonder uitzondering, buiten voorafgaande voor-dragt geschieden.

SLOT ARTIKEL.

Alle wetsbepalingen en verordeningen, welke ten aanzien der schuttergen, burgerwachten en burgermilitii'n, tot hiertoe in de onderscheidene gedeelten van het Ryk hebben bestaan, zijn met de afkondiging dezer wet ingetrokken en vervallen.

418

ocr page 449

WET

TOT REGELING DER JAGT EN VISSCHERIJ.

(Vastgesteld den l:iden Juny 18S7, Stsbl. no. 87, uitgegeven den •34sten Junü d.a.v. Geivyzigd b« de wetten ïkh 14 April 1886, Stsbl. no. 61 en 15 April 1886, Stsbl. no. 64) 1}

Art. 1. leder die zijn eigen grond of water, of de gronden of wateren van anderen, waarop hij jagtregt heeft of' waarin hij tot vissollen geregtigd is, bejaagt of bevischt, moet voorzien zijn van eene daartoe betiekkeliike acte, op de eerste vordering te vertoonen aan de met het toezigt op de jagt en visscherij belaste ambtenaren. (B.W. 641; 20, 36, 40/5.)

2. Om eens anders grond of jagt- of vis^h water hij vergunning, huur, of pacht te kunnen bejagen of bevisschen, moet men daarenboven voorzien zijn van een schriftelijk bewijs van den eigenaar of regthebbende, overeenkomstig liet vorig artikel te vertoonen. f36 40/j.)

Deze bepaling is niet toepasselijk, wanneer het jagen of visschen plaats grijpt in gezelschap van den eigenaar of regthebbende, noch ook op pachters of huurders, ten ware het jagt- of visohregt bij de overeenkomst van pacht of huur zij voorbehouden.

Ten aanzien van de gronden en wateren, vermeld in artt. 577 en 579 van bet Burgerlijk Wetboek, wordt de Staat als regthebbende beschouwd.

Tot het visschen in deze wateren, met den hengel in de hand, wordt noch acte noch vergunning vereischt. (IZc.)

Het schriftelijk bewijs, in het 1ste lid bedoeld, is, even als de verdere in deze wet gevorderde schriftelijke vergunningen van eigenaar of regthebbende, vrij van zegel en registratie.

3. Het jagt- en vischregt, dat derden op gronden of wateren van anderen hebben, kan door dezen worden afgekocht, al ware het tegendeel uitdrukkelijk bedongen.

Het bestuur der domeinen is tot dien afkoop bevoegd op de voorwaarden, door Ons vast te stellen.

1) De met • gemerkte alinea's en artikels zijn toegevoegd, gehandhaafd of aldus gewijzigd door de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64,

STAATSWETTEN. 27

i, en ppen

ocr page 450

420 WET TOT REGELING DER JAGT EN VISSCHERIJ.

Bij geschil over den af koopprijs, wordt deze door de regtbank vau het arrondissement, waarin de gronden of wateren zijn gelegen, na verhoor van deskundigen, bepaald.

Bij vervreemding kan het jagt- of vischregt niet van den eigendom van den grond of het water worden afgescheiden.

4. Behoudens de regten van derden, wordt aan Ons de beschikking opgedragen over de jagt:

der heerlijkheden het Loo en Borculo, van Naaldwijk en den Oranje-Polder, zoolang de afkoop vau het jagtregt, waarop art. 3 toepasselijk is, niet zal zijn geschied; en voorts op de volgende domeingronden ;

a. de zeeduinen van den hoek van Holland tot aan het dorp Noordwijk aan Zee;

b. de Kroondomeinen.

5. De jagt- eu vischacten worden, bij verzoekschrift op ongezegeld papier, aangevraagd aan Onzen Commissaris in de provincie, waarin de verzoeker woonachtig is, en door dien Commissaris, volgens het door Onzen met de zaken der jagt en visscherij belasten Minister vastgesteld model, uitgegeven.

Voor minderjarigen worden de verzoekschriften ingediend door hunne ouders of voogden.

De acten gelden van den Isten Julij tot en met den 30sten Juny van het daarop volgend jaar eu zijn voor geheel het Rijk van kracht.

6. Onverminderd het zegelregt volgens de wet, hetwelk, ook bij niet-afhaling der eenmaal aangevraagde acte, ten laste dos verzoekers blijft, wordt betaald:

voor eene groote jagtacte tot alle geoorloofd jagtbedrgf, dertig gulden; (8.)

voor eene groote jagtacte als boven, met uitzondering van de lange jagt en de valkenjagt, vijftien gulden ;

voor eene kleine jagtacte tot de jagtbedrijven in art. 15, litt. e, ƒ en ^ genoemd, vijf gulden;

voor eene groote vischacte tot het gebrc.ik van alle geoorloofd vischtuig, vijf gulden; (8.)

voor eene kleine vischacte tot het gebruik van één geoorloofd vischtuig, in de acte te vermelden, een gulden en vijftig cents.

Het blijft aan Onzen Commissaris in de provincie voorbehouden, aan daglooners of arbeiders voor de uitoefening van het jagtbedrijf, vermeld bij art. 15 lit. y, en aan kennelijk onvermogenden voor de uitoefening der visscherij met één vischtuig, kostelooze vergunning te verleenen, mits van het onvermogen voldoende blijke, en door belanghebbenden de schriftelijke toestemming der eigenaren worde overgelegd, waarvan in de vergunning melding wordt gemaakt.

ocr page 451

WET TOT REGELING DER JAGT EN VISSCHERIJ.

De kostelooze vergunning wordt aan de ambtenaren, met het toe-zigt belast, op de eerste vordering vertoond. (36.)

7. Eene acte dient alleen voor hem, op wiens naam zij is afgegeven.

De meester kan echter ook eene acte bekomen ten behoeve van zijn jager of visscher.

Inwonende zonen beneden den ouderdom van achttien jaren mogen, zonder acte op eigen naam, hunnen vader of diens jager jagende vergezellen.

8. Eene groote jagt- of groote vischaote geeft de bevoegdheid tot uitoefening van alle ja^t of visscherij, niet verboden bij deze wet of bij de verordeningen, bedoeld in de beide volgende artikelen.

9. Voor zooverre daarin niet reeds voorzien is, wordt voor elke provincie door de Staten, onder Onze goedkeuring, een reglement op de uitoefening der jagt en visscherij vastgesteld tot aanwijzing:

a. van de plaatsen voor de uitoefening der afzonderlijke jagten op waterwild;

i. van den tijd, waarop het jagen op grofwild zal zijn toegelaten;

c. van de soort der vischtuigen en de grootte van de mazen der vischnetten; en

d. van de breedte, vereischt voor de grachten bedoeld bij artt. 12 en 13. (40.)

10. De wijze van uitoefening der zalm- en elftvisscherij wordt door Ons, na Gedeputeerde Staten gehoord te hebben, bij algemee-nen maatregel van inwendig bestuur geregeld. ') (K.B. 21 Julii 1886, Stsbl. no. 123.)

1) Art. 10 aldus gewijzigd bij art. 1 der wet van 14 April 1886, Stsbl. no. 61.

Artt. 2 en 3 van deze wet luiden als volgt:

Art. 2. Met wijziging dier wet (wet Jagt en Visscherij 13 Jnnij 1857) worden de straffen gesteld op de overtredingen van de verordening, bedoeld in artikel 10, in de gevallen bij art. 40 voorzien, bepaald op eene boete van ten minste vijftig cents en ten hoogste txceehonderd gulden; in de gevallen van artikel 41 op eene boete van ten minste vijftig cents en ten hoogste vierhonderd gulden of gevangenisstraf van ten minste één dag en ten hoogste drie maanden; in de gevallen van artikel 42 op eene boete van ten minste vijftig cents en ten hoogste zeshonderd gulden of gevangenisstraf van ten minste één dag en ten hoogste vier maanden, met verdubbeling overeenkomstig het laatste lid van artikel 42.

Van den eersten September 1886 af worden dein dit artikel bedoelde feiten beschouwd als overtredingen en wordt de daarop gestelde gevangenisstraf vervangen door hechtenis van gelijken divur.

Art. 3. Deze wet treedt in werking op 1 Juni 1886.

421

27*

ocr page 452

WET TOT REGELING DER JAGT EN V1SSCHEEIJ.

11. Gedeputeerde Staten bepalen jaarlijks den tijd van opening en sluiting der jagt en visscherij, mitsgaders de dagen in de week, waarop de korte of de lange jagt mag worden uitgeoefend, en Onze Commissaris in de provincie doet daarvan aankondiging, ten minste acht dagen vóór de opening en sluiting.

Op gelijke wijze bepalen zij, naar mate de wildstand of plaatse-Igke omstandigheden zulks vereischen, of de jagt op eenige wildsoort, alsmede of eenige visscherij niet geopend dan wel beperkt moet worden, hetzg in de geheele provincie, hetzij in bepaalde plaatsen, alsmede hoevele stukken grof wild van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, en hoevele hazen op éénen dag door één jager, en bij klop-of drijfjagten door alle jagers te zamen, mogen worden geschoten of gevangen; en voorts den tijd gedurende welken de kooi-eenden door den kooiman moeten worden opgesloten of gehokt. (40.)

12. Geene jagtacte noch buitengewone magtiging wordt vereischt:

a. voor het jagen door den eigenaar of regthebbende in lust- of bouwhoven of buitenplaatsen, door muren, schuttingen, rasters of grachten geheel afgesloten;

b. voor het schieten van schadelijke vogels in tuinen of fruitboomgaarden. door of op last van den eigenaar of regthebbende.

13. Geene visohacte wordt vereischt:

a. voor hen die den houder eener vischacte, daarbij zelf tegenwoordig, behulpzaam zyn in het hanteren van een vischtuig, dat door één persoon niet kan worden beheerd, de zalm- en prik visscherij, alsmede het visschen met schakels of wargarens daaronder begrepen;

b. voor het bevisschen door den eigenaar of regthebbende van vischwater, dat met geen ander in verbinding staat, of van visch-water gelegen in buitenplaatsen en lust- of bouwhoven, door muren, schuttingen, rasters, of grachten, geheel afgesloten; de gracht van afsluiting zelve onder zoodanig vischwater begrepen; (19, 27.)

e. voor het visschen met den hengel in de hand. (2rf.)

14. Jagtacten worden geweigerd aan:

a. maréchaussées beneden den rang van officier, beambten van 's Rijks middelen, niet boven den rang van commies; dienaars van justitie en politie, de laatsten, voor zooverre zij bezoldigd zijn, behoudens de bevoegdheid der ambtenaren van rijkspolitie tot het schieten van schadelijk gedierte overeenkomstig art. 29;

b. personen onder curatele gesteld, ten ware zij tot het vragen van acte door hunnen curator zijn gemagtigd ;

c. personen beneden de achttien jaren;

d. personen, aan welke bij de wet of bij regterlijk gewijsde het regt om schietgeweer of wapenen te dragen is ontzegd;

e. personen, die een onteerend vonnis hebben ondergaan, zoolang zij niet zijn gerehabiliteerd;

422

ocr page 453

WET TOT REGELING DER JAGT EN VISSCHEEIJ.

*/. personen die tot eene gevangenisstraf van drie jaar of langer zijn veroordeeld, indien nog geen vijf jaren zijn verloopen na het ondergaan der straf.

De personen, vermeld onder d en e, kunnen echter worden toegelaten tot de jaglbedrijven genoemd in art. 15, litt. e,f,gvah.

Binnen de twee eerste jaren, te rekenen van den dag di\t eene veroordeeling wegens jagen zonder acte of wegens eene der overtredingen, strafbaar gesteld in art. 41 of 42 dezer wet, kracht van gewijsde heeft verkregen, kan eene acte aan den veroordeelde worden geweigerd.

15. Onder jagen wordt in deze wet verstaan de uitoefening van een der volgende geoorloofde jagtbedrijven:

a. met valken of havikken, mits zonder honden;

b. met windhonden (lange jagt), mits zonder schietgeweer en met niet meer dan vijf honden;

c. met geweer en net of zonder staande honden of brakken;

d. het schieten van waterwild;

e. het weispel van kwartelen met steekgaren of vliegnet;

f. het vangen van vvaterwild, aangeduid in art. 17, met slagnetten ;

(j. het vangen van houtsnippen met laat-, war- of valflouwen;

h. het vangen van eendvogels in eeue eendenkooi of daarmede gelgkstaanden toestel.

Alle andere pogingen of middelen om wild op te sporen, te be-magtigen of te dooden, als met zoogenaamde afdraaijers, stokge-weren, pistolen of andere verborgene wapenen, tirassen, lange netten, damnetten en wild- of koniinenstrikken, zijn verboden. (41e, 45r;.)

Het is insgelijks verboden zich met die voorwerpen in het veld te bevinden buiten openbare wegen of voetpaden.

16. Het brengen van staande honden voor het wild in het veld, gedurende den gesloten jagttijd, het houden van klopjagten, op grof wild en schadelijk gedierte ook op spoorsneeuw, het opvangen en vervoeren van fazanten en korhoenders, kan geschieden na bekomen consent, kosteloos af te geven door Onzen Commissaris in de provincie.

De aanvrage om consent, zoowel als het consent zelf, zgn vrij van zegel.

Het consent wordt op de eerste vordering aan de met het toezigt belaste ambtenaren vertoond.

17. Onder wild wordt verstaan:

grof wild: herten en reeën;

klein wild: hazen, fazanten, korhoenders, patrijzen, houtsnippen en kwartels;

423

ocr page 454

424 WET TOT REGELING DER JA6T EN VISSCHERIJ.

I: eenden, duikers, waterhoenders, watersnippen, schrieken, kemphanen, strandloopers, wulpen en plevieren.

18. Het is verboden te jagen:

a. op Zondag;

b. vóór zonsopgang en na zonsondergang, met uitzondering van de uitoefening der jagtbedrijven vermeld onder litt. e, f, g en h van art. 15, en van het schieten van eenden, alle welke jagtbedrijven geoorloofd zijn een half uur vóór zonsopgang en een half uur na zonsondergang;

c. op spoorsneeuw met uitzondering van de klopjagten in art. 16 vermeld, van het schieten van waterwild aan het zeestrand en aan de oevers van rivieren, meren en plassen; voorts van de jagtbedrijven vermeld ouder litt. g en h van art. 15;

d. bij hoog water, dat is daar waar de grond, met uitzondering van de hoogten waarop het wild schuilplaats vinden kan, onder water staat;

e. op andere dan in art. 15// bedoelde wijze, binnen den kring eener geregistreerde en afgepaalde eendenkooi, zelfs aan den eigenaar of bruiker, of ten gevolge van door hen verleende vergunning; (30 volg.)

f. op korhoenders uit zoogenaamde loerhutten of dergelijke schuilhoeken of hinderlagen, anders dan bij drijfjagten, en om pogingen te werk te stellen om dat wild op die wijze te bemagtigen.

Binnen den in lit. e bedoelden kring is het bovendien verboden op eenigerlei wijze buiten noodzakelijkheid geraas te maken of iets te verrigten waardoor de eenden in den kring verstoord of verjaagd kunnen worden.

19. Het is verboden te jagen of te visschen in gesloten jagt- of vischtgd.

In open jagt- ol' vischtijd mag niet anders worden gejaagd en gevischt dan met inachtneming van hetgeen bij deze wet en bij de reglementen en verordeningen, in de artt. 9, 10 en 11 bedoeld, is voorgeschreven.

Dit artikel is niet van toepassing op eigenaren of regthebbenden van vischwater, dat met geen ander in verbinding staat. (135, 27.)

-20. Hij, die zonder de vereischte jagtacte of in gesloten jagt-tijd, zonder het consent, in art. 16 of de buitengewone magtiging in art. 26 bedoeld, in het veld eenige poging doet om wild op te sporen, te bemagtigen of te dooden, is volgens art. 40, 1ste lid, strafbaar.

Daaronder is begrepen zoo hij zich met geladen schietgeweer in het veld bevindt, of niet de behoorlijke zorg draagt om te beletten, dat de hond of de honden, die hij bij zich heeft, wild opsporen, drijven of grijpen.

ocr page 455

WET TOT REGELING DER JAGT EN VISSCHEE1J. 425

21. Het is verboden:

«. kievitten te schieten of te vangen;

b. nachtegalen te vangen en hunne nesten te verstoren;

e. nachtegalen te vervoeren;

d. de strikken tot het vangen van lijsters lager te stellen dan minstens één el boven den grond;

e. lijsters, leeuwrikken of vinken op gronden van derden te vangen, anders dan met schriftelijke vergunning of in gezelschap van den eigenaar of regtheb benden.

Om zeer bijzondere redenen kan door Onzen met de zaken der jagt en visschery belasten Minister vergunning tot het vervoer van nachtegalen worden verleend.

Nachtegalen, bij bekeuringen aangehaald, worden, zoodra zij niet meer ten behoeve van het regtsgeding noodig zijn, in vrijheid gesteld.

22. Het is verboden de eijeren van wild te zoeken of te rapen, te verkoopen, te koop uit te stallen of te vervoeren.

Dit verbod is niet roepasselijk op de eieren van berg-eenden, noch, gedurende de maanden February, Maart, en April, op de eijeren van waterwild, in art. 17 genoemd, en van kievitten, mits het zoeken of rapen op gronden van derden plaats hebbe in gezelschap van den eigenaar of regthebbende, of met diens schriftelijke vergunning, op de eerste vordering aan de ambtenaren, in art. 36 bedoeld, te ver-toonen.

Het verkoopen, te koop uitstallen of vervoeren van kievits-eijeren wordt tot en met den 5den Mei toegelaten.

23. Houders van acten, gronden moetende overgaan, waarop zij niet bevoegd zijn te jagen, zijn verpligt hunne honden vast te houden.

quot;Wanneer honden op zoodanigen grond wild zoeken of vervolgen, is de actehouder verpligt hen terug te roepen of op te halen.

In het laatste geval is hij, met het geweer jagende, verpligt het af te leggen, alvorens zich op eens anders grond te begeven.

24. Door visschen wordt verstaan liet te water brengen, ligten of oplialen van vischnetten, korven of andere vischtuigen, alsmede het bezigen van alle andere middelen om visch te vangen of te dooden.

25. Behalve in de wateren, bedoeld in art. 13i, is het verboden:

ff. kuit van visch op te vangen;

b. raet de zegen visschende, den kuil uit het water te halen alvorens dien in het water te hebben omgekeerd;

c. te visschen elders dan in rivieren, stroomen, meren en plassen, wanneer het water met ijs bedekt is, tenzij met toestemming van Onzen Commissaris in de provincie.

.

ocr page 456

é26 WET 101 REGELING DEK JAGT EN VISSCHERIJ.

d. visch te vangen door vergif of bedwelmende middelen;

e. door keernetten, of andere daarmede gelijkstaande middelen, den visch den doortocht te beletten, hieronder begrepen het gebruik van visohnetten tot keering van visch. Deze bepaling is niet van toepassing op het gebruik van val- of digtnetten ter verlenging der vleugels van de fuiken, gesteld tot het vangen van aal en paling;

f. te visschen met den harpoen of met strikken.

26. Tegen de nadeelen, uit te groote vermenigvuldiging van wild of schadelik gedierte ontstaande, worden door Onzen met de zaken der jagt en vissoherij belasten Minister maatregelen verordend.

Hy is bevoegd, buitengewone magtigingen tot het schieten of op andere wijze bemeesteren van wild of schadelijk gedierte in gesloten of open jagttijd te verleenen of te laten verleenen, met toekenning der bevoegdheid om honden te gebruiken.

De aanvragen ter bekoming van zoodanige magtigingen, zoowel als de magtigingen zelve, zijn vrij van zegel.

De laatste worden aan de ambtenaren, met het toezigt op de jagt en vissoherij belast, op de eerste vordering vertoond.

27. Het verkoopen, te koop uitstallen, vervoeren van wild of visch in gesloten jagt- of vischtijd is verboden, maar wordt nog gedurende veertien dagen na die sluiting toegelaten. (22.)

Ook iu open jagttijd is vervoer van wild verboden, in het veld en buiten openbare wegen en voetpaden, tenzij de vervoerder zelf of degeen, welken hij vergezelt, voorzien zij van eene jagtacte, of tot den vervoer door liet hoofd van het bestuur der gemeente, waar de vervoerder woont, eene kostelooze magtiging zij verleend, op de eerste vordering aan de met het toezigt op de jagt en visscherij belaste ambtenaren te vertoonen.

Wild of visch, vervoerd uit eene provincie waar de jagt en vissoherij is geopend, naar of door eene provincie waar die is gesloten, wordt gedekt door eene verklaring van oorsprong, ook bij splitsing, af te geven door het hoofd van het bestuur der gemeente, waar de afzender woonachtig of waar het wild geschoten of de visch gevangen is.

Het vervoer van visch, afkomstig uit vischwater dat met geen ander in verbinding staat, vermeld in art. 13, lit. b, wordt op dezelfde wijze gedekt. (19.)

Wild of visch van buiten 's lands in- of iiet Rijk doorgevoerd, wordt gedekt door een buitenlandsch of transito-paspoort.

De aanvragen ter bekoming van zoodanige verklaring van oorsprong of van liet paspoort, alsmede die stukken zelve, zijn vrij van zegel.

Laatstbedoelde worden bij de eerste vordering aan de met het toezigt op de jagt en visscherij belaste beambten vertoond.

ocr page 457

WET TOT REGELING DEK JAGT EN VISSCHEEIJ.

In den gesloten jagt- of vischtijd zijn de beambten, vermeld in art. 36 dezer wet, mits, met uitzondering der maréchaussee, voorzien van hunne aoten van aanstelling, bevoegd de middelen van vervoer en de goederen die gedragen worden te onderzoeken, en na te gaan of er wild of visch of eijeren vervoerd of verkocht worden in strijd met de wet of de verordeningen, in artt. 9, 10 en 11 bedoeld.

*(De 9de alinea van dit artikel is afgeschaft. Zie thans art. 184 Wetboek van Strafrecht.)

28. Het vangen van vossen, dassen, marters, fluwijnen, bunsings, wezels, verwilderde katten, otters en roofvogels, met klemmen, vallen of stappen, en van konijnen door middel van fretten en buidels, zoomede het uitgraven of delven van het genoemd, daarvoor vatbaar gedierte is geoorloofd, mits op eigen grond of met schriftelijke toestemming van den eigenaar of regtaebbende, op de eerste vordering der met het toezigt belaste beambten te vertoonen. Zoodanige schriftelijke toestemming wordt echter niet vereischt wanneer de handeling plaats grijpt in gezelschap van den eigenaar of regtheb-bende.

Door deze bepaling wordt niet verminderd de bevoegdheid van waterschapsbesturen om ten aanzien van dat uitgraven of delven, in het belang van de waterkeering verordeningen vast te stellen.

29. Voor schadelijk gedierte, gedood op eigen grond of op een grond waar men bevoegd is te jagen of het gedierte te dooden, mits deze gronden in Nederland zijn gelegen, kan Onze met de zaken der jagt en visscherij belaste Minister, wanneer deze het hoofd van het gemeentebestuur gehoord, de vermelde omstandigheden voldoende bewezen acht, de navolgende premiën toekennen:

voor eene moervos............ƒ 1,50

„ een rekel vos............- 1,00

„ „ niet-volwassen moer- of rekelvos .... - 0,75 „ „ marter, een fluwyn, een bunsing, een hermelijn, een wezel..........- 0,30

„ „ arend.............- 1,00

„ „ valk, een havik, een sperwer, een wouw, een

buizerd............- 0,30

De premiën worden niet toegekend dan voor zooverre het gedood schadelijk gedierte vertoond is aan het hoofd van het gemeentebestuur, die daaraan een kennelijk teeken geeft.

De premiën kunnen op gelijke wijze door Onzen voornoemden Minister worden toegekend aan de ambtenaren van rijkspolitie voor schadelijk gedierte, door hen met toestemming van den eigenaar of regthebbende gedood.

Voor het viervoetig gedierte, met uitzondering van de hermelijnen en de wezels, worden de premiën slechts genoten voor zoover

é27

ocr page 458

WET TOT REGELING DER JAGT EN VISSCHERIJ.

het is gedood tussohen den Isten Mei en den Isten November, en voor moer- en andere vossen, volwassen of niet volwassen, tnsschen den Isten Maart en den Isten November van ieder jaar.

30. Ter verzekering van zijn regt is de eigenaar eener zwanendrift, van eene erkende eendenkooi en van eene erkende duiventil verpligt, die, behoudens de regten van derden, jaarlijks te doen registreren bij Onzen Commissaris in de provincie, waarin de drift, kooi of til gelegen is.

Op het nalaten dezer registratie zijn de strafbepalingen dezer wet niet toepasselijk. De eigenaar der zwanendrift, eendenkooi of duiventil wordt alsdan gerekend van zijn regt afstand te doen, gedurende den tijd der nalating van registratie. (18e.)

31. Van de registratie wordt door Onzen Commissaris in de pro vincie een kosteloos bewijs afgegeven.

32. Om de bescherming dezer wet te genieten moet:

a. de eigenaar eener zwanendrift deze doen registreren, en moeten de zwanen gemerkt zijn met een merk, bij de registratie aan te geven;

b. de eigenaar eener eendenkooi deze doen registreren en op den afstand, door de Provinciale Staten vastgesteld, doen afpalen met palen, ten opschrift hebbende; „Eendenkooi van , met regt van afpaling op ellen, gerekend uit het midden dei-kooi.quot;

33. Door duiventil wordt verstaan elk toestel, waarop zoogenaamde tilduiven of veldvlugters worden gehouden.

34. Behoudens het 2de lid dezes artikels is het aan elk ander dan den eigenaar eener geregistreerde zwanendrift of duiventil verboden, binnen haren kring eenige daartoe behoorende zwanen, tilduiven of veldvlugters te schieten, te vangen of op eene andere wijze te dooden, eijeren te rapen van zwanen tot die drift behoorende, of broedende zwanen te verstoren.

Des eigenaars knecht is mede bevoegd tot de hiervoren vermelde handelingen, mits in gezelschap zijns meesters of voorzien van diens schriftelijke toestemming, op de eerste vordering aan de in art. 3() bedoelde ambtenaren te vertoonen.

35. Geene zwanendriften, eendenkooijen of duiventillen worden opgerigt zonder Onze toestemming, en zonder bewilliging van de eigenaren der betrokken gronden, de Gedeputeerde Staten vooraf gehoord.

Ten aanzien van duiventillen zijn betrokken gronden, die ingesloten worden door den kring, op een afstand van 1500 ellen beschreven om de plaats, waar de til zal worden opgerigt.

In het bewijs van toestemming wordt het getal paren duiven, het welk op de til kan worden gehouden, vermeld.

428

ocr page 459

■

WET TOT KEGELING DER JAGT EN VISSCHEBIJ.

De regter, eene veroordeeling wegens overtreding van dit artikel uitsprekende, gelast tevens de opruiming, ten koste der overtreders, van hetgeen buiten Onze toestemming is opgerigt.

36. De beambten der rijkspolitie zijn belast met het toezigt op de jagt en visscberij, zoowel in het algemeen, als diegenen in het bijzonder, welke daartoe door Onzen met de zaken der jagt en visscberij belasten Minister bepaaldelijk zullen worden aangesteld.

Zij waken tegen de overtredingen van deze wet en der in artt. 9, 10 en 11 bedoelde verordeningen.

Tot gelijke waakzaamheid zijn de maréchaussée, de dienaars van justitie en gemeentelijke politie, de beambten der Rijks- en plaatselijke middelen verpligt.

Onze met de zaken der jagt en visscberij belaste Minister stelt, op verzoek der eigenaren van of regthebbende op gronden en wateren, en in hun belang, ook onbezoldigde beamMen van Rijkspolitie aan en ontslaat hen des noodig.

Tot het opsporen en staven van overtredingen dezer wet en der in artt. 9, lü en 11 bedoelde verordeningen zijn alle voormelde beambten bevoegd alle gronden, behalve die in art. 12a genoemd, te betreden.

37. De in art. 36 vermelde beambten, met uitzondering der maréchaussée, zijn verpligt bij bekeuringen of andere ambtsverrigtingen, hanne acte van aanstelling, des gevorderd, te vertoonen.

38. De beambten, in art. 36 opgenoemd, doen van de overtredingen dezer wet en der in artt. 9, 10 en 11 bedoelde verordeningen blijken bij schriftelijke relazen of processen-verbaal, die op heeter-daad, immers zoo spoedig mogelijk, worden opgemaakt op den eed bij den aanvang hunner bediening afgelegd, of wel binnen twee maal vier en twintig uren na de sluiting worden beëedigd voor den kan-tonregter of voor het hoofd van het gemeentebestuur, hetzij ter plaatse waar de daad gepleegd is, hetzij waar de beambten, of één hunner, wonen.

De overtredingen kunnen, ook zonder zoodanig verbaal, door de bewijsmiddelen, in het Wetboek van Strafvordering vermeld, worden gestaafd.

39. De opgemaakte relazen of processen-verbaal worden aan den officier van justitie bij de regtbank van het arrondissement, waarin de daad gepleegd is, opgezonden.

slndien de zaak niet in liet geval en op de wijze, in art. 74 van het Wetboek van Strafrecht vermeld, wordt afgedaan, zendt de officier het relaas of het proces-verbaal aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongeregt, onder welks regtsgebied het feit gepleegd is, ten einde volgens het Wetboek van Strafvordering te worden behandeld en vervolgd.

429

1

ocr page 460

WET TOT KEGELING DER JAGT EN VISSCHERIJ.

Stelt echter de overtreding slechts daar bet jagen of visschen op eens anders grond of water, of wel het vangen van lijsters, leeuwerikken en vinken, het zoeken of rapen van kievitseijeren, zonder de schriftelijke vergunning van den eigenaar of regthebhende, bedoeld in art. 2, 1ste lid, art. 21« of art. 22, zoo kan de beklaagde de regts-vervolging voorkomen of stuiten door het indienen eener schriftelijke, ongezegelde verklaring van den eigenaar of regthebbende, dat deze wegens het feit, den beklaagde ten laste gelegd, geene vervolging verlangt.

Deze verklaring moet, met betaling der reeds gemaakte regtskos-ten, op straffe van verval, den officier van justitie worden ingeleverd binnen veertien dagen na de bekeuring.

*40. De overtredingen dezer wet en der verordeningen in artt. 9 en 11 bedoeld, ') worden, behoudens het bepaalde in de twee volgende artikelen, gestraft; de jagtovertredingen met eene boete van vijftig cents tot twintig gulden, de visscherij-overtredingen met eene boete van vijftig cents tot tien gulden. dan

Indien de overtreding enkel bestaat in het niet op de eerste vorde- Di ring vertoonen van de reeds verkregen acte, kostelooze vergunning, artih het consent of de buitengewone magtiging, wordt eene boete opgelegd van vijftig cents tot drie gulden in zake van jagt, of van vijftig cents tot één gulden in zake van visscherij.

De verbeurdverklaring van het geoorloofde jagt- of vischtuig en andere voorwerpen, in art. 45 c opgenoemd, wordt in de gevallen van het tweede lid van dit artikel niet toegepast.

quot;41. Het dubbel der bij het vorig artikel bedreigde boeten, of iste hechtenis van ten hoogste zeven dagen, wordt opgelegd, wanneer de overtreding is begaan: ^ a.

a. door een der beambten, in art. 30 vermeld;

b. des nachts, waardoor verstaan wordt meer dan een uur vóór zonsopgang of meer dan een uur na haren ondergang;

c. bij feitelijken wederstand tegen de bevoegde beambten, onverminderd de ter zake van dien wederstand ingevolge het Wetboek van Strafregt op te leggen straf;

d. terwijl tijdens het plegen der overtreding nog geen twaalf maanden zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding der verordeningen op de jagt en visscherij onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald; — deze bepaling is niet toepasselijk op de gevallen van het 2de lid van art. 40;

430

of an konij vang

/■ Vèb.

De bekei werp

*4 tenis

a. of op heeft

b. rasse

*4 *4

dezel ééne fen ; H

of d verb van b. jage gewi tijd, gum 16 ( van gehlt; c. eijei verc

r

nem

e. met behulp van zoogenaamde afdraaijers, stokgeweren, pistolen

1) De verwijzing naar art. 10 is vervallen by art. 3 der wet van 14 April 188G, Stsbl. no. 61; zie noot bij art. 10.

ocr page 461

quot;WET TOT REGELING DER JAGT EN VISSCHEKIJ.

of andere verborgene wapenen, lange netten, damnetten, wild- of konijnenstrikken, of middelen om den visch door bedwelming te vangen;

f. op de gronden of wateren, omschreven bij art. 12 a en art. 134.

Dezelfde straf wordt opgelegd wanneer de overtreder tijdens de bekeuring bevonden wordt bij zich te hebben een of meer der voorwerpen, bedoeld onder lit. e van dit artikel.

*42. Eene geldboete van vijftig cents tot zestig gulden of hechtenis van één tot veertien dagen, wordt opgelegd:

a. wanneer de overtreder tijdens de bekeuring vermomd, zwart of op eenigerlei wijze onkenbaar gemaakt is, of een valschen naam heeft opgegeven;

b. wegens het bezigen of in het veld by zich hebben van tirassen ;

c. wanneer de overtreding is begaan bij vereeniging van meer dan vier personen.

De straf wordt verdubbeld in de gevallen van het voorgaand artikel.

*43. Vervallen.

*44. Bij zamenloop van meerdere door denzelfden persoon of dezelfde personen gelijktydig begane overtredingen wordt slechts céne straf toegepast, en wel de zwaarste, indien verschillende straffen zijn bedreigd.

Het vorenstaande is niet toepasselijk op de overtreding van art. '2, 1ste lid, welke altijd afzonderlijk wordt gestraft.

*45. Zijn ten behoeve van 's Eijks schatkist verbeurd;

a. het jagt- en vischtuig, waarvan het gebruik, volgens deze wet, of de verordeningen, bedoeld in artt. 9 en 10, niet geoorloofd is, de verborgene en andere wapenen en voorwerpen, in de slotbepaling van artt. 15 en 41e opgenoemd, daaronder begrepen;

i. het geoorloofd jagt- en vischtuig, in het bezit van iemand, jagende of visschende, of in strijd met art. 20 met geladen schietgeweer zich in het veld bevindende, in gesloten jagt- of visch-tijd, of zonder de vereischte jagt- of vischacte, de kostelooze vergunning, het consent of de buitengewone magtiging van artt. 6, 16 of 26 te hebben verkregen; wordende het schietgeweer, waarvan de overgave ter onderzoeking wordt geweigerd, voor geladen gehouden;

e. het wild, de visch, de konijnen of ander schadelijk gedierte, en eijeren onwettig gevangen of geraapt, verkocht, doch nog niet geleverd, te koop gesteld, uitgevent of vervoerd.

De beambten, in art. 36 bedoeld, zullen die voorwerpen in beslag nemen of de geldswaarde daarvan bepalen, waarvan alsdan in het

431

en op inwe-er de doeld •egts-lijke, deze

'ging

ocr page 462

432 WET l'OT REGELING DER JAGT EN VISSCHERIJ.

relaas of proces-verbaal melding wordt gemaakt. De regter daartoe termen vindende, kan deze geldswaarde veranderen.

Tirassen, lange netten, damnetten en wild- of konijnenstrikken worden niet gewaardeerd, maar altijd in beslag genomen. () 51.)

De door de bevoegde beambten in beslag genomen jagt- en visch-tnigen en andere voorwerpen worden binnen vier dagen na de bekeuring door die beambten gewaarmerkt en ter griffie van het kan-tongeregt, onder welks regtsgebied de bekeuring plaats had, over-gebragt, hetzij door de beambten zeiven, hetzij door tussohenkomst van den burgemeester hunner woonplaats.

Zoo geene in-beslag-neming of waardeering ingevolge het 2de lid des artikels van de hiervoren vermelde voorwerpen heeft kunnen plaats hebben, of de bedoelde beambten zulks mogten hebben verzuimd, wordt de waarde dier voorwerpen bij de veroordeeling door den regter bepaald.

De veroordeelde wordt tot betaling der ingevolge het 2de lid, of in het geval van het laatstvoorgaande lid bepaalde geldswaarde, bij gebreke eener latere uitlevering dier voorwerpen, verwezen.

De in strijd met litt. «, i en c van dit artikel in beslag genomen voorwerpen worden op bevel des regters, of, zoo de zaak niet wordt voortgezet, op bevel van den officier van justitie, aan den vroegeren houder teruggegeven.

Onder jagttuig zijn in dit artikel de valken, havikken en honden niet begrepen.

46 De jagt- of vischtuigen en andere voorwerpen, door onbekende overtreders achtergelaten, verblyven aan 's Rijks schatkist ingeval zij niet binnen den tgd van drie jaren daarna zijn teruggevorderd door dengene, die bewijst, dat zij hem ontstolen of door hem verloren zgn.

47. De in beslag genomen of later uitgeleverde jagt- en vischtuigen, waarvan het gebruik volgens deze wet en de in artt. 9 en 10 bedoelde verordeningen niet geoorloofd is, werden vernield.

De regter beveelt de vernieling, wanneer het feit aan zijne kennisneming is onderworpen.

*ïea aanzien van niet verboden jagt- en vischtuig is het onder art. 12 der wet van 15 Januari 1886 (StaatMad no. 5) voorkomende art. 221ee (Wetb. v. Strafv., art. 219) van toepassing. ')

48. In beslag genomen wild, visch, eijeren, konijnen en ander schadelijk gedierte worden aan de ambtenaren van het openbaar ministerie bij het kantongeregt, onder welks regtsgebied de aanha-

1

baar feit, kan in het vonnis worden gelast.

ocr page 463

WET TOT REGELING DER JAGI EN VISSCHEEIJ.

ling geschied is, zoodra doenlijk uitgeleverd en op diens magtiging verkocht.

De geldelijke opbrengst big ft, zooveel bekende overtreders betreft, onder hem berusten tot dat de zaak bij regterlgke uitspraak of anderzins is afgedaan, en wordt, wat onbekende overtreders aangaat, ter griffie van het kantongeregt overgebragt.

49. De beambten, in art. 36 vermeld, kunnen de bekeurden, die hun onbekend zijn, aanhouden en naar den naastbij zijnden officier van justitie of hulp-officier geleiden, om in bewaring te blijven tot dat de officier of de regter de in-vrijheid-stelling zal hebben gelast, of tot dat borgtogt zal zgn gesteld voor de boete en de waarde der voorwerpen aan verbeurdverklaring onderworpen, of die voorwerpen zullen zijn uitgeleverd. Het bedrag van den borgtogt wordt bepaald door den officier.

De officier, daartoe termen vindende, vaardigt binnen twee maal vier en twintig uren een bevel van voorloopige aanhouding uit. Dit bevel wordt door de regtbank binnen zes dagen na de aanhouding, ingevolge het 1ste lid de3 artikels, bekrachtigd, bij gebreke waarvan de beklaagde van regtswege, en zonder eenigen anderen vorm, in vrijheid wordt gesteld.

Zoodra de redenen tot aanhouding vervallen, wordt de onmiddellijke in-vrijheid-stelling gelast.

Is het bevel van voorloopige aanhouding nog niet door de regtbank bekrachtigd, de in-vrijheid-stelling wordt bevolen door den officier, is het reeds bekrachtigd, door de regtbank.

50. Aan de in art. 30 vermelde beambten kan op de wijze en tot het bedrag, nader door Ons te bepalen, eene premie worden toegekend voor elke bekeuring, welke de in-beslag-neming of latere uitlevering heeft ten gevolge gehad van jagt- of vischtuig, waarvan het gebruik volgens deze wet of de daarbij bedoelde verordeningen niet geoorloofd is, de verborgene en andere wapenen en voorwerpen, in de slotbepaling van art. 15 en in art. 416' opgenoemd, daaronder begrepen. (K.B. 20 Junij 1857.)

*51—54. Afgeschaft.

55. In zaken de jagt en visscherij betreffende zijn alle de in art. 30 bedoelde beambten, behalve de maréchaussée, bevoegd, en, met uitzondering der onbezoldigde beambten, verpligt tot het kosteloos doen van exploiten en alle verdere geregtelijke verrigtingen, die anders door deurwaarders worden gedaan.

56. Op de overeenkomsten van pacht of huur, vóór de afkondiging der wet van 6 Maart 1852 [Staatsblad no. 47) gesloten, is het 2de lid van art. 2 der tegenwoordige wet zonder invloed.

De beklemde meijer evenwel, wiens overeenkomst vóór de afkondiging der eerstbedoelde wet was gesloten, en die noch uit de over-

433

ocr page 464

*

434 WET TOT REGELING DER JAGT EN V1SSCHERIJ.

eenkomst noch uit anderen hoofde het genot der jagt en visscherij op den beklemden grond bezit, kan zich dat genot voor den duur der overeenkomst verschaffen tegen een prijs, op de in art. 3 omschreven wijze te bepalen.

57. Vervallen bij de wet van 24 Jnnij 1863, Stsbl. no. 73. *58. Vervallen.

59. Deze wet treedt in werking den Isten July 1857.

HC

(V.

j

beli gur hij

(

bed I

var ver dri in zijr J

ver

r

4

gen i i

0P

i

op

i e

ver 1

den seli s

ocr page 465

WET,

HOUDENDE WETTELIJKE BEPALINGEN TOT REGELING VAN DEN KLEINHANDEL IN STERKEN DRANK EN TOT BETEUGELING VAN OPENBARE DRONKENSCHAP.

(Vastgesteld den 28sten Juni 1881, Stsbl. no. 97, uitgegeven den oden Juli d.a.v. Gewijzigd bg de wetten van 23 April 1884, Stsbl. no. 54 en 16 April 1885, Stsbl. no. 78. Nader bekend gemaakt bij Koninkl. besluit van 10 Mei 1885, Stsbl. no. 118, en gewijzigd bij de wet van 15 April 1886,

Stsbl. no. 64.)

Art. I. Hij die sterken drank in het klein verkoopen wil, vraagt, behoudens de uitzonderingen in art. 15 vermeld, daartoe vooraf vergunning aan burgemeester en wethouders der gemeente binnen welke hij dat bedrijf wenscht uit te oefenen.

Onder verkoop in het klein wordt verstaan verkoop bg hoeveelheden van minder dan twee liter.

Het verzoekschrift om vergunning bevat eene nauwkeurige opgave van de localiteiten, waar men sterken drank in het klein wenscht te verkoopen, en van de namen, voornamen, ambten, beroepen en bedrijven, zoowel van den verzoeker als van hen, die het huis, waarin de localiteiten zijn of waarbij die behooren, bewonen en ouder zijn dan zestien jaren.

De vergunning wordt alleen geweigerd in de gevallen bij de wet vermeld.

2. Het aantal te verleenen vergunningen mag niet meer bedragen dan:

in gemeenten met meer dan 500ÜÜ zielen, 1 op 500 inwoners; in gemeenten met meer dan 20000 en ten hoogste 50000 zielen, 1 op 400 inwoners;

in gemeenten met meer dan 10000 en ten hoogste 20000 zielen, 1 op 300 inwoners;

in de overige gemeenten 1 op 250 inwoners;

een en ander met dien verstande dat toeneming der bevolking geene verlaging van het maximum meebrengt.

Door Ons kan, Gedeputeerde Staten gehoord, en op voorstel van den betrokken gemeenteraad, naar aanleiding van bijzondere plaatselijke omstandigheden, eene verlaging of verhooging van het maxi-SIAiVTS WETTEN. 28

ocr page 466

WET TOT REGELING VAN DEN

mum der volgens de eerste zinsneden van dit artikel in eene gemeente te verleenen vergunningen, worden vastgesteld. Deze vaststelling geschiedt voor een bepaalden termijn, die, desgevorderd, op gelijke wijze kan woi'den verlengd.

Vergunningen boven het vastgestelde maximum kunnen in bijzondere gevallen door burgemeester en wethouders eener gemeente, na machtiging van Gedeputeerde Staten, worden verleend bij gemotiveerd besluit, in de Staalscourant te vermelden. Zy worden, zoodra zich daartoe de gelegenheid voordoet, binnen de grenzen van het maximum teruggebracht.

By plaatselijke verordening kan de gemeenteraad, onverminderd zyne bevoegdheid krachtens art. 135 der gemeentewet:

1°. wijken, buurten of straten aanwijzen waar verkoop van sterken drank in het klein niet of niet dan onder zekere voorwaarden mag worden vergund;

2°. eischen stellen voor de localiteiten waar verkoop van sterken drank in het klein mag worden vergund.

3. de in art. 1 bedoelde vergunning wordt geweigerd:

1°. wanneer door het verleenen der vergunning in strijd zou worden gehandeld met de bepalingen van art. 2 of met eene in dat artikel bedoelde plaatselijke verordening;

2°. wanneer de vergunning wordt gevraagd voor eene localiteit, die voor de openbare dienst wordt gebruikt, of die met zoodanige localiteit binnen 's huis gemeenschap heeft;

3°. wanneer de verzoeker tot eene gevangenisstraf van een jaar of tot eene zwaardere straf onherroepelijk is veroordeeld en er nog niet vijf jaren zyn verloopen nadat hij zijne straf heeft ondergaan;

4U. wanneer de verzoeker binnen de laatste twee jaren tweemaal wegens overtreding van eene strafbepaling dezer wet, met uitzondering van die van art. 23, of wegens een der feiten, omschreven in art. 184, voor het geval het feit betrekking heeft op een bevel of eene vordering, krachtens deze wet of de by deze wet bedoelde plaatselijke verordeningen gedaan, of in de artt. 252, 426, 453 en 454 van liet Wetboek van Strafrecht onherroepelijk is veroordeeld, of wanneer hij van de uitoefening van zijn beroep is ontzet, zoolang die ontzetting voortduurt; ')

5°. wanneer de verzoeker het genot van zijne burgerlijke of burgerschapsrechten krachtens een onherroepelijk strafvonnis geheel of gedeeltelijk heeft verloren, zoolang het gemis van dat genot voortduurt ;

6°. wanneer het verzoek strekt tot drankverkoop in bordeelen;

436

7°. wanneer binnen de laatste vijf jaren eene vroegere vergunning, den verzoeker verleend, werd ingetrokken- krachtens art. 9, no. 3;

1) Deze alinea is aldus gewijzigd bij art. 10 uo. 44 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 467

KLEINHANDEL IN STERKEN DEANK ENZ.

8°. wanneer de vergunning wordt gevraagd voor eene localiteit waarin eene andere winkelnering wordt uitgeoefend of loten worden verkocht in de Nederlandsche Staatsloterij, of die met zoodanige lo-caliteiteu binnen 's huis gemeenschap heeft.

Onder andere winkelnering wordt niet verstaan het bedrijf van slijter in sterke dranken, wijnen of bieren, restaurateur, sociëteit-, billard-, kolfbaan-, kegelbaan- en opentafelhouder, koffiehuis-, wyn-huis- of bierhuisbouder;

91'. wanneer de verzoeker of een bewoner van het huis waarin hg sterken drank in het klein wenscht te verkoopen, tolgaarder, brugwachter, brugwaker, sluiswachter, slnismeester of sluisknecht is, of wanneer de verzoeker eenig openbaar ambt bekleedt;

100. wanneer de verzoeker is de tusschenpersoon voor iemand, die in een der onder nos. 3, 4, 5, 7 en 9 vermelde gevallen verkeert.

4. Van het verbod, vervat in art. 3, uo. 2, kan vrijstelling worden verleend, voor zooveel betreft gebouwen, tot de Rijks- of provinciale dienst gebruikt, door Ons; voor zooveel betreft gebouwen, tot eene andere openbare, dienst gebruikt, door Gedeputeerde Staten. Voor de localiteiten tot de openbare dienst der gemeente gebruikt, wordt geen vrijstelling verleend.

Op voordracht van burgemeester en wethouders kan door Grede-puteerde Staten vrijstelling worden verleend van het verbod, vervat in art. 3, no. 8, voor kommen van dorpen, voor gehuchten of voor afzonderlijk gelegen buurten, waar op niet meer dan twee plaatsen sterke drank in het klein wordt verkocht.

Van het verbod, vervat in art. 3, no. 9, kan vrijstelling worden verleend, voor zooveel Rijksambten of bedieningen betreft door Ons, voor zooveel andere ambten of bedieningen aangaat door (-iedepu-teerde Staten, in beide gevallen burgemeester en wethouders gehoord.

5. Het in art. 1 bedoelde verzoekschrift om vergunning wordt, zoodra het is ingekomen, door burgemeester en wethouders op de in de gemeente gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebragt.

Binnen eene maand, nadat deze bekendmaking geschied is, wordt op liet verzoek schriftelijk beschikt.

6. Onverminderd de bepalingen der wet van 21 Mei 1819 (Staatsblad no. 34), heeft de vergunning, in art. 1 bedoeld, geene kracht vóór de betaling van een gemeentelijk vergunningsrecht, door den gemeenteraad vast te stellen.

Als grondslag voor de berekening van het vergunningsrecht wordt aangenomen de jaarlijks te schatten huurwaarde, die de localiteit, in verband met den omvang van het bedrijf, waarvoor de vergunning strekt, kan geacht worden te bezitten.

Dit vergunningsrecht mag niet lager zijn dan vijf gulden en niet hooger dan twaalf gulden vijftig cents voor elke vijftig gulden huurwaarde of gedeelte daarvan, met dien verstande dat het recht voor eene vergunning tot 30 April 1890 niet lager dan vijftien gulden,

437

38*

ocr page 468

WET TOT REGELING VAN DEN

van 1 Mei 1890 tot 30 April 1895 niet lager dan twintig gulden en daarna niet lager dan vijf en twintig gulden zij.

Het bedrag wordt met vijf en twintig ten honderd verminderd voor de localiteiten waar geen sterke drank verkocht noch geschonken wordt tusschen Zaterdagavond te zes en Maandagochtend te zes ure.

De regeling van dit vergunningsrecht geschiedt met inachtneming van de artt. 232 tot 23G der (Gem.)wet van 29 Juni 1851 (Staats-blad no. 85).

7. De vergunning wordt verleend voor één jaar, loopende van 1 Mei tot 30 April. Zij kan ook tussclientijds worden verleend; alsdan loopt de eerste termijn tot 30 April daaraanvolgende; voor dit tijdvak wordt het vergunningsrecht bij kwartalen berekend en geldt een gedeelte van een kwartaal voor een geheel.

De vergunning wordt telkens geacht weder voor één jaar te zijn verlengd, indien vóór het eindigen van den termijn het verschuldigde vergunningsrecht voor den volgenden termijn is betaald en burgemeester en wethouders art. 9 van deze wet niet hebben toegepast.

8. De vergunning geldt uitsluitend voor de daarin vermelde localiteiten. Zij geldt, behoudens de uitzonderingen in het tweede lid van dit artikel vermeld, uitsluitend voor den persoon des verzoekers.

Bij overlijden of tijdelijke onbevoegdheid of verhindering van den gerechtigde tot uitoefening van het bedrgf, kan dit gednrende het loopende vergunningsjaar, zonder nadere vergunning worden voortgezet, in het eerste geval door de erfgenamen of een of meer hunner, in liet tweede geval door hen die, hetzij krachtens de wet, hetzy krachtens opdracht van den gerechtigde, daartoe bevoegd zijn.

9. De vergunning wordt door burgemeester en wethouders ingetrokken :

1°. wanneer omstandigheden zich voordoen op grond waarvan, waren ze vroeger aanwezig of bekend geweest, zij krachtens art. 3, nos. 2—10 zou zijn geweigerd;

2°, wanneer van eene verleende vergunning gedurende drie maanden achtereen opzettelijk niet wordt gebruik gemaakt;

3°. wanneer zich in de localiteiten ten gevolge van dronkenschap feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de voortduring der vergunning een gevaar zou opleveren voor de openbare orde of veiligheid.

10. Afwijzende beschikking op het verzoek, alsmede intrekking der vergunning is met redenen omkleed en wordt den belanghebbende in gesloten omslag gezonden.

11. Tegen de weigering of de intrekking der vergunning kan de belanghebbende, en tegen het verleenen der vergunning of het weigeren der intrekking de burgemeester in hooger beroep komen bij Gedeputeerde Staten, en wel de belanghebbende binnen veertien dagen nadat de beschikking van burgemeester en wethouders te zijner ken-

438

ocr page 469

KLEINHANDEL IN STERKEN DRANK ENZ,

nis is gebracht, en de burgemeester binnen veertien dagen na dag-teekening van de beschikking of weigering tot intrekking.

De beslissing van Gedeputeerde Staten wordt genomen bi] een met redenen omkleed besluit, binnen drie maanden nadat het beroep is ingesteld, ten ware zij vooraf bij afzonderlijk besluit mocht verdaagd zijn.

Hangende de termijnen tot en de behandeling van het hooger beroep blijft de vergunning of hare intrekking buiten werking.

Wordt het besluit van Gedeputeerde Staten door Ons vernietigd, dan hebben deze opnieuw over de zaak uitspraak te doen, met inachtneming van Onze beslissing.

12. Burgemeester en wethouders zenden jaarlijks aan Gedeputeerde Staten eene opgave van het getal der gedurende het vorige jaar verleende en ingetrokken vergunningen, van den daarvoor betaalden prijs, alsmede van de in de gemeente bestaande inrichtingen waar, krachtens vergunning, sterke drank in het klein wordt verkocht.

Deze opgaven worden opgenomen in het provinciaal verslag en : in de Staatscourant.

13. In elke inrichting waar krachtens vergunning sterke drank in het klein wordt verkocht, moet een door den gemeentesecretaris gewaarmerkt afschrift der vergunning, alsmede een gedrukt exemplaar van de wettelyke bepalingen tot regeling van den kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap, duidelijk leesbaar zijn opgehangen. Tevens moet boven of ter zijde van de buitendeur, die toegang geeft tot de inrichting, met duide-lijke letters te lezen zgn:

1«. de naam van hem, aan wien de vergunning is verleend;

2 o. het woord „ Vergunning'quot;;

3°. voor de localiteiten, in de vierde zinsnede van art. 6 bedoeld, de tijd gedurende welken daarin geen sterke drank verkocht noch geschonken wordt.

Binnen acht dagen moet liet in het eerste lid bedoelde afschrift, in geval van het vervallen of intrekken der vergunning, aan burgemeester en wethouders worden teruggezonden en het woord Ver-gunning worden weggenomen.

14. Wanneer zonder de vereischte vergunning sterke drank in het klein wordt verkocht, verbieden burgemeester en wethouders het voortzetten van dien verkoop en doen zij dien desnoods beletten.

15. De artt. 1—14 zijn niet van toepassing:

1°. op drankverkoop in logementen aan logeergasten;

2°. op drankverkoop aan boord van vaartuigen aan de opvarenden ;

3°. op drankverkoop door marketentsters aan militairen op marsoh, in legerplaatsen of localiteiten aan het militair gezag onderworpen, door diegenen aan wie dit door de militaire overheid wordt toegelaten.

439

ocr page 470

WET TOT REGELING VAN DEN

STRAFBEPALINGEN. ')

Art. 16. Onverminderd de straffen wegens overtreding der wetten op het patent of wegens het houden van een huis van hazardspel, wordt met hechtenis van één tot een en twintig dagen of geldboete van vijftig cents tot honderd gulden gestraft:

1°. bij die zonder de vereischte vergunning sterken drank in het klein verkoopt, te koop aanbiedt of ten verkoop in voorraad heeft;

?0. hij die in eene voor het publiek toegankelijke localiteit, waarvoor geen vergunning is verleend, sterken drank schenkt of in het klein toedient;

3°. by die in eene localiteit waar sterke drank in het klein ver kocht wordt, op eenigerlei wijze aan koop van sterken drank eene kans op winst verbindt;

4quot;. by die eene der handelingen in de drie vorige nummers omschreven, in zijne woning toelaat.

17. Met hechtenis van één tot een en twintig dagen of geldboete van vijftig cents tot honderd gulden wordt gestraft;

1quot;. Afgeschaft. Zie thans art. 454 Wetb. v. Strafrecht.

2°. de verkooper of zgn vervanger die by gelegenheid van eene openbare verkooping den kooper of gegadigde om niet sterken drank toedient of doet toedienen.

18. De in artt. 1G en 17 bedreigde straffen van hechtenis kunnen met een derde worden verhoogd, indien, tydens het plegen van iiet feit, nog geene twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens een der in die artikelen of in art. 252, 2quot;. en 3quot;., van het Wetboek vau Strafrecht omschreven feiten onherroepelijk is geworden.

(9—22. Afgeschaft. Zie thans artt. 253, 42G en 453 Wetb. van Strafrecht.

23. Met geldboete van vijftig cents tot vijftien gulden wordt gestraft de overtreding van elk der bepalingen van art. 13.

Indien de vergunning is verleend aan eene vennootschap onder eene firma of naamlooze vennootschap of een zedelijk lichaam of aan het bestuur van deze, is voor de hierbedoelde overtredingen aan-sprakelgk degene aan wien de verkoop van sterke drank in het klein is opgedragen, en bij gebreke van zoodanig persoon ieder der behee-rende vennooten of bestuurders. (S.R. 51.)

24. Afgeschaft. Zie thans art. 184 Wetb. v. Strafrecht.

25. Met het opsporen van de overtredingen dezer wet en van de bij deze wet bedoelde plaatselijke verordeningen zijn, behalve de by art. 8 van het Wetboek van Strafvordering !) aangewezen personen,

1) De artt. der Strafbepalingen aldus gewijzigd by art. 3d, art. 10 no. 44 en art. 11 der wet van 15 April 188G, Stsbl. no. 64.

2) De verwijzing naar het art. Wetb. v. Strafv. aldus gewyzigd bij art. 2 der wet van 31 Deo. 1887, Stsbl. no. 265.

440

ocr page 471

KLEINHANDEL IN STERKEN DRANK ENZ.

belast de marécliauEsée en alle ambtenaren van de Rijks- en gemeentepolitie.

De voormelde ambtenaren hebben ten allen tijde vrijen toegang tot alle loealiteiten waar sterke drank in het klein wordt verkocht. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien des noods met inroeping van den sterken arm.

Is de localiteit tevens eene woning of alleen door eene woning toegankelijk, dan treden zij deze tegen den wil van den bewoner niet binnen, dan op schiiftelijken last van den burgemeester.

Van dit binnentreden wordt door hen binnen tweemaal vier en twintig uren proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezetene, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 26. Voor de loealiteiten, waarin op 1 Mei 1881, zonder strijd met wet of verordening, sterke drank werd verkocht, kan, zoolang aan die loealiteiten de bestemming om voor verkoop van sterken drank in liet klein te worden gebruikt niet door eene daad van den eigenaar of gebruiker is ontnomen, de vergunning, tenzij in de gevallen bedoeld bij art. 3, nos. 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 10, niet geweigerd worden:

a. aan hem, die op voormeld tijdstip daarin het bedrijf uitoefende, zoolang hij leeft;

b. aan anderen gedurende de eerste twintig jaren na voormeld tijdstip.

Na 30 April 1S85 wordt, tenzij de vergunning verleend is op grond van eene vrijstelling krachtens het tweede lid van art. 4, de vergunning voor de bovengemelde loealiteiten, waarin eene andere winkelnering wordt uitgeoefend of die met zoodanige localiteit binnen 's huis gemeenschap hebben, bij tijdige betaling van liet vergunningsrecht slechts geacht verlengd te zijn onder voorwaarde:

1quot;. dat de verkoop van sterken drank geschiede in gesloten fles-schen, kannen of kruiken;

2°. dat in de voor het publiek toegankelijke loealiteiten geen aangebroken vaten, flesschen, kannen of kruiken, sterken drank inhoudende, aanwezig mogen zijn; en

Squot;. dat het drinken van sterken drank in die loealiteiten niet worde toegelaten.

Vergunningen, bedoeld in het vorige lid, waarvan de termijn afloopt tusschen 1 Mei 1884 en 1 Mei 1885, worden geacht onder de in dat lid bedoelde voorwaarden verlengd te zijn, indien de betaling van het vergunningsrecht tot 1 Mei 1886 geschiedt vóór 1 Juni 1885.

27. De niet-inachtneming der voorwaarden, genoemd in het voorlaatste lid van art. 26, wordt gestraft met geldboete van vijftig cents

441

ocr page 472

DKANKWUT.

tot vijf en twintig gulden. De vergunning van dengeae, die te dezer zake onherroepelijk is veroordeeld, wordt ingetrokken.

28. Tot 1 Mei 1887 kan van het verbod, vervat in art. 3, no. 2, vrijstelling worden verleend door Gedeputeerde Staten voor zooveel betreft gebouwen tot de openbare dienst van een of meer gemeenten gebruikt.

29. De termijn van alle vergunningen, die in het jaar aanvangende met 1 Mei 1885 verlengd worden, wordt geacht op 30 April 188fi te eindigen.

Van het vergunningsrecht voor dezen termijn wordt zooveel twaalfden betaald als de termijn maanden bevat. Een gedeelte van eene maand geldt voor een geheele.

30. Alle plaatselijke verordeningen, regelende het heffen van vergunningsrecht, worden overeenkomstig de bepalingen dezer wet herzien vóór 1 Januari 1886; de thans geldende blijven niet langer dan tot 1 Mei 1886 van kracht. Ar

sing a.

§ 26 der wet van 16 April 1885, Stsbl. no. 78.

De tegenwoordige wet treedt in werking op den dag barer af- h. kondiging. (Deze wet is afgekondigd op 1 Mei 1885.)

c.

d.

e.

ĥ

.9-

Eei heel ' in aa Rijk, bind! binne

2. neesk stedei an dei de to genee De de gt 3. noem na in dere te scl

442

(Vast'

Ü.H.

St

i) i Stsbl.

ocr page 473

dezer

WET,

TOT VOORZIENING TEGEN BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

(Vastgesteld den -Iden Deoember 1872, Stsbl. no. 131, uitgegeven den lilden Dec. a.a.T. Gewijzigd bg de wetten van 3 Dec. 1874-, Stsbl. no. 188; 38 Maart 1877, Stsbl. no. 3«; 15 April 1886, Stsbl. no, 64 en 8 April 1893, Stsbl. no. 64)

Art. I. De besmettelijke ziekten, waa.rop deze wet van toepassing is, zijn:

«. Aziatische cholera; (10.)

h. typhus en fcbris typhoidea;

c. pokken (variolae en varioloïdes); (16—18.)

d. roodvonk;

e. diphtheritis;

f. mazelen;

cj. dysenterie. ') (11.)

Een algemeene maatregel van inwendig bestuur kan deze wet geheel of gedeeltelijk ook op andere ziekten voor een bepaalden tijd in aan te wijzen gemeenten, in deelen van het Rijk of het geheèle Rijk, van toepassing verklaren. Die maatregel is niet langer verbindbaar dan gedurende een jaar na zijne afkondiging, tenzij hij binnen dat tijdperk door de wet bekraclitigd zij.

2. De burgemeester is bevoegd, na ingewonnen advies van een o-e-neeskundige, lijders aan eene besmettelijke ziekte, die zich in slaapsteden of logementen bevinden, naar eene openbare inrictinc of andere verblijfplaats ter verpleging te doen overbrengen, wanneer de toestand van den lijder overeenkomstig de verklaring van den geneeskundige zulks gedoost.

De kosten van de overbrenging worden, des noodig, ten laste van de gemeente gebragt. (9.)

3. De burgemeester is bevoegd in de in het vorige artikel genoemde slaapsteden of logementen maatregelen tot ontsmetting en, na ingewonnen advies van den geneeskundigen ambtenaar, ook andere maatregelen ter voorkoming van verspreiding der ziekte voor te schrijven en, zoo noodig, te doen uitvoeren. (19.)

1) Lit. is aan deze Igst toegevoegd volgens de wet van 3 December 1874. Stsbl. no. 188.

STAATSWETTEN. 29

no. 2, )oveel enten

ivan-April

(-aalf-eene

i ver-her-r dan

ocr page 474

444 WET, TOT VOOKZIENING

Bij verzet tegen de volgens dit en het voorgaande artikel te nemen maatregelen, wordt de slaapstede of het logement door den burgemeester, na ingewonnen advies van den geneeskundigen ambtenaar, gedurende een door hem te bepalen tijd gesloten verklaard.

4. De burgemeester is bevoegd, na ingewonnen advies van den ambtenaar, in het vorig artikel vermeld, of van een in de gemeente praktiserend geneeskundige, huizen, keeten en vaartuigen, die brandpunten van besmetting zijn of dreigen te worden, geheel of gedeeltelijk, ten koste van de gemeente te doen reinigen en ontsmetten.

5. De burgemeester is bevoegd besmette of van besmetting verdachte voorwerpen ten koste van de gemeente te doen ontsmetten, of na voorafgaande onteigening te doen vernietigen. In zyn daartoe te nemen besluit worden de goederen, die onteigend moeten worden, met opnoeming van de namen der eigenaars, aangewezen, en wordt daarin wijders melding gemaakt van de schriftelijke verklaring van een geneeskundige, waaruit van de noodzakelijkheid der onteigening blijkt. Het besluit wordt op de gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebragt. De in het besluit ter onteigening aangewezen goederen worden door den burgemeester onmiddellijk in beslag genomen.

Artt. 70, 71 en 72 van de wet van 28 Augustus 1831 {Slaais-ilad no. 125) zyn op deze onteigening toepasselijk.

6. Bij bet verschijnen of dreigen van besmettelijke ziekten kunnen burgemeester en wethouders ten koste van de gemeente verzamelingen van mest en ander vuil, waar die zich ook bevinden, doen opruimen of onschadelijk maken, goten en slooten doen reinigen en andere voorzieningen tot bevordering der openbare reinheid treffen. Dit geschiedt niet dan nadat hij, dien het aangaat, in de gelegenheid is gesteld, binnen een door hen te bepalen tijd, daarin op eigen kosten te voorzien.

7. In iedere gemeente, waar dit door Gedeputeerde Staten der provincie wordt bepaald, is het gemeentebestuur verpligt eene gelegenheid tot afzondering en verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten in te rigten. Zij bevelen tevens of die inrigting van tijdelyken dan wel duurzamen aard'zal zijn.

Besturen van nabij elkander gelegen gen eenten kunnen zich omtrent die inrigting, volgens artt. 121 en 122 der gemeentewet, met elkander verstaan.

8. Het is verboden, lijders aan eeue besmettelijke ziekte te vervoeren of te doen vervoeren, behalve in de gevallen in deze wet aangewezen; zich, daaraan lijdende, naar eene andere plaats te begeven; voorwerpen, die in aanraking waren met lijders of overledenen aan eene besmettelijke ziekte of daarvan afkomstig, te vervoeren, te doen vervoeren, ten geschenke of in gebruik te geven of te doen geven, te nemen of te doen nemen, tenzy na ontsmetting volgens art. 25; door onvoorzigtigheid of achteloosheid gevaar van

ocr page 475

TEGEN BESMETTELIJKE ZIEKTES.

besmetting, dat voorzien kon worden, voor anderen te doen ontstaan. (30.)

9. Vervoer van lijders aan eene besmettelijke ziekte naar een ziekenhuis of naar hunne woning is geoorloofd volgens de daarvoor bij plaatselijke verordening te stellen voorschriften.

In bijzondere gevallen, kan vervoer van lijders aan eene besmettel gke ziekte door den burgemeester worden toegestaan onder door hem te geven voorschriften.

Dit vervoer met gebruik van openbare vervoermiddelen is verboden. (31.)

Voer- of vaartuigen, waarmede het vervoer heeft plaats gehad, moeten onmiddellijk daarna door de zorg en ten koste van den eigenaar worden ontsmet. (30.)

Indien het vervoer naar eene andere gemeente geschiedt, geeft de burgemeester der gemeente van vertrek onmiddellijk aan den burgemeester der gemeente van bestemming kennis van de verleende vergunning en van de daartoe gegeven voorschriften. (2, 11.)

Vervoer van voorwerpen, naar de plaats voor ontsmetting bestemd, is, met inachtneming van de door den burgemeester te geven voorschriften, geoorloofd.

10. Onverminderd de wettelijke bepalingen tot wering van besmetting door uit zee aankomende schepen, zgn schippers van vaartuigen, waarin zich een lijder aan een der ingevolge art. 1 dezer wet als besmettelijk aangeduide ziekten bevindt, of waarin iemand in de laatste 14 dagen aan een dier ziekten geleden heeft of gestorven is, gehouden vóór of bij het binnenvaren van eene gemeente, waar zij willen vertoeven of aanleggen, kennis van bovengenoemde omstandigheden te geven aan den burgemeester. Zij zijn verpligt met hun vaartuig de door liem aan te wijzen ligplaats in te nemen en aldaar zonder gemeenschap met den wal of met andere vaartuigen te blijven, totdat ontsmetting overeenkomstig art. 25 heeft plaats gehad.

Het verbod van gemeenschap met den vasten wal of met andere vaartuigen brengt mede, dat geen der opvarenden het vaartuig mag verlaten en dat niemand zich aan boord daarvan mag begeven, met uitzondering van den loods, de geneeskundigen met het gezondheidsonderzoek en de personen met de ontsmetting belast, en van de geneeskundigen of geestelijken, belast met het verleenen van geneeskundige of geestelijke hulp aan de lijders, en van de Rijksambtenaren der belastingen tot uitoefening hunner functiën, alsmede van ambtenaren van justitie en politie, wanneer hunne ambtsverrigtingen dit vereischen; dat geen goederen gelost mogen worden en geen andere goederen aan boord gebragt mogen worden, dan die, welke voor het levensonderhoud der opvarenden of ter verpleging der lijders noodig zijn, met bepaling dat de personen, met het overbrengen belast, zich niet aan boord mogen begeven. De kleederen van

415

29*

ocr page 476

\

446 WET, TOT VOORZIENING

de personen, die krachtens de vorige zinsnede aan boord worden toegelaten, worden onmiddellijk na het verlaten van het schip op de krachtens art. 25 voorgeschreven wijze ontsmet. Zij, die zich in strijd met het verbod van gemeenschap aan boord hebben begeven, worden onder de opvarenden gerekend en zijn aan dezelfde bepalingen als deze onderworpen, onverminderd de straffen tegen de gepleegde overtreding bedreigd. ') (31.)

11. Overledenen aan Aziatische cholera, typhus of febris typhoï-dea, pokken, roodvonk, dysenterie ot' diphtheritis mogen niet worden vervoerd naar andere dan de voor de ingezetenen der gemeente gebruikelijke, algemeene of bijzondere begraafplaatsen.

Het vervoer mag niet plaats hebben in voer- of vaartiugen voor levenden bestemd en moet langs den kortsten weg geschieden. (13,30 v.)

Art. 11 der (Begrafenis-)wet van 10 April 1809 (Staatsblad no. 65) blijft van toepassing. 1)

12. Bij elke begraafplaats wordt, uiterlijk binnen een jaar na het in werking treden dezar wet, een locaal ingerigt voor tijdelijke bewaring van overledenen aan eene besmettelijke ziekte. Bij verzuim wordt, zoo het eene algemeene begraafplaats is, door de zorg van Onzen Commissaris in de provincie, ten koste van de gemeente, en zoo het eene byzondere begraafplaats is, door de zorg van burgemeester en wethouders, ten koste van hen aan wie die behoort, ten spoedigste zoodanig lokaal ingerigt.

13. Onverminderd art. ti der (Begralenis-)wet van den 10 April 18M (StautMad no. 65) ^2) kan de burgemeester, indien de zorg voor de gezondheid van de bewoners van het sterfhuis of' van de bevolking dit vereischt, des noodig ten koste van de gemeente, onmiddellijk vervoer naar het lijkenhuis gelasten van overledenen aan eene besmettelijke ziekte.

14. Bewoners van huizen of vaartuigen, waarin eene besmettelijke ziekte voorkwam, mogen geen scholen bezoeken, dan na verloop van

1

Tijdens het heerschen eeuer besmetteigke ziekte kan het vervoer van lijken uit eene gemeente, op wier grondgebied eene of meer begraafplaatsen zyn, door Ons worden verboden of slechts worden toegestaan onder door Ons te stellen voorwaarden.

2

Art. 10 aldus gewijzigd by de wet van 28 Maart 1877, Stsbi. no. 30.

ocr page 477

TEGEN BESMETTELIJKE ZIEKTEN. 447

8 dagen nadat de ziekte, volgens schriftelijke verklaring van eenen geneeskundige, uit die huizen of vaartuigen geweken is.

Het verbod wordt opgeheven, zoodra ontsmetting overeenkomstig art. 25 dezer wet heeft plaats gehad.

üp scholen, uitsluitend bezocht door leerlingen boven de twaalf jaar, is, bij het voorkomen van mazelen en diphtheritis, het bepaalde in de eerste zinsnede van dit art. niet van toepassing. (30.)

15. Hoofden of bestuurders van de in het vorig artikel genoemde inrigtingen mogen de daarby vermelde personen, zoolang het verbod duurt, niet tot die inrigtingen toelaten. (30.)

16. Onverminderd de kennisgeving aan den geneeskundigen inspecteur in art. 6 der wet van den 1 Junij 1805 {Staatsblad no. 60) voorgeschreven, geeft de geneeskundige, die een lyder aan Azia tische cholera of aan pokken waarneemt, daarvan binnen 24 uren kennis aan den burgemeester van de gemeente, waarin de zieke is aangetroffen. (30.)

De burgemeester zendt van die kennisgeving onverwijld een afschrift aan den genees-kundisen ambtenaar. ')

17. Onderwijzers, onderwijzeressen of leerlingen, die niet, blijkens verklaring van een geneeskundige, met goed gevolg of meer dan eens de inenting der koepokken hebben ondergaan, of aan de natuurlijke kinderpokken [variolae) hebben geleden, worden in de scholen niet toegelaten. (30.)

De vorm, de plaats, de wijze van inlevering, bewaring en teruggave dier verklaringen worden bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld. (K.B. 28 i'ebr. 1873, Stsbl, no. 35 en 27 Mei 1873, Stsbl. no. 70.)

18. In elke gemeente wordt door de zorg van het gemeentebestuur minstens eenmaal in elke drie maanden gelegenheid gegeven tot kostelooze inenting en herinenting. Die gelegenheid wordt minstens eenmaal 's maands gegeven, wanneer Onze Minister van Binnen-landsche Zaken ter algemeene kennis heeft gebracht, dat de pokken in eenig deel van het Rijk epidemisch verbreid zijn en minstens eenmaal 's weeks, wanneer in de gemeente pokken voorkomen. ïgd en plaats voor de inenting wordt bij openbare aankondiging ter algemeene kennis gebragt.

Tot het verleenen van subsidiën ter tegemoetkoming in de kosten van inrigtingen, welke bevordering dier kunstbewerking ten doel hebben, wordt jaarlijks eene som op de Staatsbegrooting uitgetrokken.

19. Het hoofd van een gezin, de houder of houderes van eene slaapstede of een logement, de schipper van een in eene gemeente vertoevend vaartuig, de bestuurders van gestichten van weldadigheid, in artt. 1 en 2 der wet van 28 Junij 1854 {Staatsblad no. 100) vermeld, van gevangenissen, van Rijksopvoedingsgestichten, van

1) Dit 2de lid is aan art. 16 toegevoegd volgens de wet van 8 April 1893, Stsbl. no. 64.

ocr page 478

WET, TOT VOORZIENING

Rijkswerkinrigtingen, van bedelaars- en krankzinnigengestichten geven, wanneer daarin eene besmettelijke ziekte voorkomt, hiervan binnen 24 uren, nadat hun het feit ter kennis is gekomen, mededee-ling aan den burgemeester. ')

Gelijk voorschrift geldt voor de kommandanten van legercorpsen of oorlogschepen in iiavens, van de onder hun toezigt staande kazernen, schepen of andere lokalen. (3, 81.)

20. Huizen en vaartuigen, waarin eene besmettelijke ziekte voorkomt, worden onmiddellijk en uiterlijk binnen 24 uren na de aangifte door de zorg vau den burgemeester, ten koste der gemeente, voorzien van een van buiten duidelijk zigtbaar kenmerk, zoo noodig van meer dan één, de woorden „besmettelijke ziektequot;, en den naam der ziekte vermeldende. (25.)

Het kenmerk moet aldaar verblijven, tot dat door eene verklaring van eenen geneeskundige is gebleken, dat het gevaar van besmetting geweken is.

21. Zoodra de epidemische verschijning van eene besmettelijke ziekte in eene gemeente den geneeskundigen ambtenaar is gebleken, geeft deze daarvan kennis aan den burgemeester, welke daarop bij openbare aankondiging bekend maakt, dat die ziekte in de gemeente epidemisch voorkomt.

Van dit tijdstip af, maakt de burgemeester wekelijks, de week gerekend van zondag tot en met zaturdag, bekend:

bij Aziatische cholera, typhus of febris typhoïdea, pokken, roodvonk, dysenterie en diphtheritis, het aantal der aangegeven aangetasten en dat der aan die ziekte overledenen; 1)

bij mazelen, dat der aan die ziekte overledenen.

22. Wanneer Aziatische cholera, pokken of roodvonk in eene gemeente epidemisch zyn waargenomen, worden aldaar geene kermissen noch jaarmarkten gehouden. Zij worden in dat geval van gemeentewege geschorst.

23. Bij epidemische verspreiding van besmettelijke ziekten kan het houden van kermissen en jaarmarkten, waar zij niet van gemeentewege geschorst zijn, door Ons verboden worden in aan te wijzen gemeenten, in deelen van het Rijk of het geheele Rijk.

24. Wanneer in eene gemeente Aziatische cholera voorkomt, maakt de burgemeester, onverminderd het bepaalde in het 2de lid van art. 21, dit onmiddellijk aan de ingezetenen bekend. Vervolgens maakt hij dagelijks bekend, hoevele personen in de verloopen 24 uren zijn aangegeven als overleden aan Aziatische cholera. :i)

4éS

1

Deze zinsnede is met het woord „dysenteriequot; aangevuld volgens de wet van 3 December 1874, Stsbl. no. 188.

ocr page 479

TEGEN BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

25. De regelen omtrent het verbranden of op andere wijze vernietigen van voorwerpen, volgens deze wet onteigend, het ontsmetten van besmette en van de bij art. 8 genoemde voorwerpen, de ontsmetting van gebouwen, voer- of vaartuigen en de onsciiadelijk-making van mestvaalten en andere verzamelingen van vuil, de in-rigting en plaatsing van het in art. 20 vermelde kenmerk, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld. (K.B. 26 Juli 1885, Stsbl. no. 167 en 24 Juli 1891, Stsbl. no. 153.) i)

26. Van hetgeen door hem krachtens deze wet is verrigt, geeft de burgemeester onmiddellijk berigt aan den geneeskundigen ambtenaar. (3.)

Indien den geneeskundigen ambtenaar blijkt, dat door den burgemeester van eene tot zijnen dienstkring behoorende gemeente geen of geen voldoend gebruik wordt gemaakt van de hem bij deze wet toegekende bevoegdheid tot het nemen van maatregelen of het verordenen van voorschriften, geeft hij daarvan, met aanhaling van dit wetsartikel, aan dien burgemeester schriftelijk kennis, met opgave van de door hem noodzakelijk geachte maatregelen of voorschriften en van den termijn, binnen welken die maatregelen of voorschriften naar zijne meening behooren te zijn genomen of verordend. Te gelijker tijd zendt de geneeskundige ambtenaar een afschrift van deze kennisgeving aan den Commissaris der Koningin in de provincie. Zoo spoedig mogelijk, uiterlijk terstond na afloop van den termijn, door den geneeskundigen ambtenaar in zijne kennisgeving genoemd, is de burgemeester verpligt aan den Commissaris der Koningin schriftelijk kennis te geven, dat aan het advies van den geneeskundigen ambtenaar is gevolg gegeven, of, zoo niet, welke bezwaren het nemen of verordenen van de door dien ambtenaar noodzakelijk geachte maatregelen of voorschriften hebben belet. Van deze kennisgeving zendt de burgemeester te gelijker tijd een afschrift aan den geneeskundigen ambtenaar. 2)

27. Onverminderd art. 5 der wet van den 1 Junij 1865 (Staatsblad no. 58) zijn, bij het verschijnen van besmettelijke ziekten, de geneeskundige ambtenaren, de leden en plaatsvervangende leden der geneeskundige raden, mits voorzien van eene magtiging van den geneeskundigen ambtenaar, bevoegd tusschen zonsop- en ondergang, in den kring waarvoor zij zijn aangesteld, de woningen der ingezetenen huns ondanks binnen te treden, doch niet dan in byzijn van den kantonregter, of wel van het hoofd of een der leden van het gemeentebestuur.

Van het binnentreden en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt door hem, die krachtens bovenstaande bepaling daarbij tegenwoordig is geweest, binnen tweemaal 24 uren proces-verbaal

l) Deze besluiten zyn achter deze wet gedrukt.

3) Dit 2de lid is aan art. 26 toegevoegd volgens de wet van 8 April 1893, Stsbl. no. G4.

449

ocr page 480

WET, BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

opgemaakt en aan hem, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.

28. De burgemeester, alleen of vergezeld van de door hem daartoe noodig gekeurde en aangewezen personen, is bevoegd de woningen der ingezetenen huns ondanks tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden, ter uitvoering van de bepalingen dezer wet of van de krachtens deze wet uitgevaardigde besluiten.

29. Provinciale en gemeeutebesturen behouden de bevoegdheid tot het vaststellen van reglementen of verordeningen tot voorkoming, wering of beteugeling van besmettelijke ziekten, voor zoover zij niet in strijd zijn met de bepalingen dezer wet.

Strafbepalingen. ')

Art. 30. Met eene boete van f 0,50 tot f 25 of met hechtenis van één tot drie dagen, wordt gestraft:

1°. Afgeschaft;

2°. overtreding van artt. 1], le en 2e lid, 14, 15, 16 en 17.

Wegens het in de school zenden van kinderen in de gevallen, voorzien bij artt. 14 en 17, zijn de ouders of voogden dier kinderen strafbaar.

Wegens overtreding van art. 17 zijn verder strafbaar de hoofden of de bestuurders der scholen, die de onderwijzers of onderwijzeressen hebben toegelaten, en de onderwijzers en onderwijzeressen zalven, die onderwijs op de scholen hebben gegeven;

3quot;. overtreding van artt. 8 en 9, 4de lid, indien de overtreder met den aard van de ziekte bekend was.

31. Met eene boete van f 0,50 tot f 100 of met hechtenis van één dag tot eene maand, wordt gestraft:

1quot;. Afgeschaft;

2°. overtreding van artt. 9, 3de lid, 10, 11. 2de lid, indien de overtreder met den aard van de ziekte bekend weis, en van art. 19;

450

3°. Afgeschaft.

32. Afgeschaft.

33. Afgeschaft.

Slotbepaling.

Art. 34. Deze wet treedt in werking vóór of op den Isten Mei 1873.

1) Artt. 30 en 31 aldus gewijzigd en artt. 33 en 33 afgeschaft volgens de wet van lö April 1886, Stsbl. no. fi4. Zie thans ook Wetb. v. Strafr. art. 18-t.

ocr page 481

BESLUIT,

HOUDENDE REGEBES, OP TE VOLGEN BIJ VERBRANDING OF VERNIETIGING VAN ONTEIGENDE VOORWERPEN, ONTSMETTING VAN BESMETTE VOORWERPEN, GEBOUWEN, VOER- OF VAARTUIGEN, EN ONSCHADELIJKMAKING VAN MESTVAALTEN EN ANDERE VERZAMELINGEN VAN VUIL.

(Vastgesteld den 26sten Juli 1885, Stshl, no. 167, uitgegeven den 13 Aug. d.a.v. Wat de Regelen betreft, gewyzlgd by K.B. van 24 Juli 1891, Stsbl. no. 153.)

Art. I. Moet volgens de wet van 4 December 1872 {Staatsblad no. 134) verbranding of vernietiging van onteigende voorwerpen, ontsmetting van besmette en bij art. 8 van die wet genoemde voorwerpen, gebouwen, voer- of vaartuigen of onsohadelijkmaking van mestvaalten en andere verzamelingen van vuil plaats hebben, dan jgeschiedt dit met inachtneming van de regelen bij dit besluit gevoegd.

2. Het kenmerk in art. 20 der wet vermeld, bestaat in een wit papier, waarop de woorden „besmettelijke ziektequot; en de naam der ziekte zwart gedrukt zijn. De letters, die den naam der ziekte vermelden, zijn ten minste drie centimeters hoog en twee centimeters breed; de dikke lijnen der letters zijn ten minste één centimeter breed.

3. Dit kenmerk wordt bevestigd op eene van buiten in het oog vallende plaats op of vlak boven de straatdeur en evenzoo by eiken anderen ingang; bij winkels wordt het bevestigd aan den post van de deur of deuren; in eik geval een en een lialven meter boven den drempel.

4. Het wordt, geplakt op een houten bord, gehecht:

a. bij vaartuigen met hooge verschansing: aan de valreep van stuur- en bakboordszijde;

b. bij vaartuigen met lage verschansing: aan de buitenzijde van het want, een meter boven boord, aan stuur- en bakboordszyde;

c. bij elke andere soort van vaartuigen en bg vlotten: aan een paal of staak, ter hoogte van twee meters boven het vaartuig of vlot.

5. De artt. 1, 2 en 4 van dit beslnit worden des noodig toegepast op alle buitenlandsche en binnenlandsche vaartuigen en vlotten, met uitzondering van vreemde oorlogschepen.

6. Ons besluit van 17 April 1873 {Staatsblad no. 43) met de daarbij aangehaalde voorschriften, is ingetrokken.

7. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien der afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

chrift

ocr page 482

452 BESLUIT, HOUD. REGELEN ONTSMETTING ENZ.

REGELEN, op te volgen bij verbranding of vernietiging van onteigende voorwerpen, ontsmetting van besmette voorwerpen^ gebouwen, voer- of vaartuigen, en onscha-delijkmaking van mestvaalten en andere verzamelingen van vuil. ')

De ontsmettingsmiddelen in deze regelen genoemd, zijn:

1°. Verzadigde stoom op atmospherischen druk of daarboven.

2°. Kokend water.

3°. Oplossing van sublimaat met chloorwaterstofzunr. Deze is eene oplossing van 1 deel sublimaat (chloretum hydrargyricum) in 10Ü0 deelen water, waarbij gevoegd zijn 5 deelen chloorwaterstofzuur (acidum hydroobloricum). Waar die oplossing gebruikt wordt, moeten de flesschen door een apotheker of anderen deskundige met de door hem zelve bereide oplossing worden gevuld. Die flesschen moeten, verzegeld en voorzien van het opschrift „Vergiftquot;, in een gesloten kast worden bewaard.

De oplossing van sublimaat kan ook versch bereid worden door 1 deel sublimaat en 1 deel keukenzout in 100U deelen water op te lossen.

4°. Oplossing van phenol met chloorwaterstofzuur. De oplossing wordt bereid door 10 deelen phenol (phenylzuur) in 200 deelen water en 1 deel chloorwaterstofzuur (acidum hydrochloricum) op te lossen.

5°. Creoline. Hieronder wordt verstaan steenkoolteerolie, die de tnsschen 200° en 300° Celsius destilleerende gerectificeerde hoogere phenolen, maar geen karbolzunr bevat en door eene eigenaardige bewerking in een toestand is gebracht, waarin zij met water een zeer fijne vermenging vormt. Deze vermenging moet zich terstond vormen en blijven bestaan.

0°. Creoline-mengsel. Hieronder wordt verstaan eene vermenging van 3 deelen creoline met 100 deelen water.

7°. Kalkmelk. Tot bereiding neme men 1Ü0 gewichtsdeelen onge-bluschte kalk en giete daarop langzaam 60 gewichtsdeelen water om ze te blusschen. Het verkregen poeder worde met 4 volumendeelen water tot kalkmeel aangeroerd en onmiddellijk in flesschen geschonken die, daarmede geheel gevuld zijnde, goed gesloten moeten worden.

8quot;. Chloorkalk (hypochloris calsicus) in poedervorm. Deze moet ten minste 20 percent werkzaam chloor bevatten en in goed gesloten, donkere flesschen bewaard worden.

§ 1. Algemeene regelen.

Verbranding of vernietiging van onteigende voorwerpen geschiede

1) Bij K.B. yan 24 Juli 1891, Stsbl. no. 153, is tevens bepaald dat deze Regelen ook worden gevolgd bij toepassing van art. 5 van bovenstaand besluit.

i

ocr page 483

BESLUIT, HOUD. KEGELEN ONTSMETTING ENZ. 45li

op eene of meer door den burgemeester daartoe aan te wijzen plaatsen, zoodanig dat de algemeene gezondheidstoestand daardoor geen gevaar kan lijden en geen brandgevaar kan ontstaan.

Waar eene algemeene plaats voor het verzamelen van mest en ander vuil, verwijderd van woningen bestaat, kan aldaar de verbranding of vernietiging geschieden. Ook begraafplaatsen kunnen tot dat einde dienen.

Ontsmetting van besmette of van besmetting verdachte en van de bij art. 8 der wet van 4 December 1872 (StaalMad no. 134) bedoelde voorwerpen van lijken, van gebouwen of vertrekken, van voer- of vaartuigen geschiedt, onder onmiddellijk toezicht van den burgemeester, door personen die hij daarmede belast en bij voorkeur door daartoe aangestelde deskundigen, zooveel mogelijk in de uitvoering van deze regeling onderricht en geoefend. Üeze ontsmetters geven eene verklaring af, dat de ontsmetting is geschied volgens deze regelen.

Deze verklaring kaï; ook afgegeven worden door geneeskundigen indien de ontsmetting onder hun onmiddellijk en voortdurend toezicht heeft plaats gehad, voorts door burgemeesters, commissarissen van politie, directeuren van ziekenhuizen, militaire gebouwen of gevangenissen en commandanten en gezagvoerders van zeeschepen.

Zonder deze verklaring wordt de ontsmetting geacht niet te hebben plaats gehad en kan zij geene wettelijke gevolgen hebben.

Wegens de vergiftige eigenschappen van het sublimaat moet met de sublimaat-oplossing zeer voorzichtig worden omgegaan.

De ontsmetting geschiedt, wat de vervoerbare voorwerpen aangaat, en behoudens later aan te wijzen uitzonderingen, op eene door den burgemeester daarvoor aangewezen plaats zoodanig dat de algemeene gezondheidstoestand daardoor geen gevaar kan lijden. Zij kan echter onder goedkeuring des burgemeesters ook binnenshuis of op het erf, waar de te ontsmetten voorwerpen aanwezig zijn, plaats hebben.

Goederen, die naar een ontsmettingsoven worden vervoerd, moeten voorzichtig (d. i. zonder veel te roeren of uit te kloppen) in met sublimaat-oplossing of, is deze niet dadelijk voorhanden, met water bevochtigde zakken en daarna in goed gesloten kisten gepakt worden. Men drage daarbij zorg, dat goederen, die met bloed of faecaliën besmet zijn, worden nat gemaakt met 1 deel bleekwater (hypochloris natricus) op 8 deelen water en in afzonderlijk gemerkte zakken worden gepakt; dat tapijten doelmatig opgerold worden en dat men zich overtuige, dat zich geene voorwerpen in de zakken der kleeding-stukken bevinden.

§ 2. Regelen omtrent het ontsmetten van besmette of van besmetting verdachte voorwerpen.

Kleedingstukken, beddengoed, bedden, matrassen, tapijten en alles

ocr page 484

454 BESLUIT, HOUD. REGELEN ONTSMETTING ENZ.

van dien aard, wat met den lijder in aanraking is geweest, of door hem tgdens de ziekte gebruikt is, worden in een ontsmettingsoven door verzadigden stoom op atmospherischen druk of daarboven, ontsmet.

De tijd, gedurende welken de voorwerpen in den ontsmettingsoven moeten verblijven, hangt af van hunne afmetingen, hunne dikte, dichtheid en de meer of minder gemakkelijkheid, waarmede zij zich door stoom laten doordringen en van de constructie van dien oven en zal daarom verschillen van een half uur tot twee uren.

Zoo zal bij voorbeeld voor de inwerking van stoom op linnen ol' katoenen lakens en ondergoed een half uur voldoende zijn, terwijl kleederen van andere stoffen, wollen dekens, enz. drie vierden van een uur en bedden, matrassen en tapijten soms twee uur zullen behoeven.

Bij de ontsmetting door stoom zorge men steeds dat de goederen zoo los op en tegen elkander liggen dat de stoom tot elk gedeelte er van toegang heeft.

Alles wat niet in den oven ontsmet kan worden als leder, bont, caoutchouc, gebonden boeken moet met sublimaat- of phenol-op-lossing of met creoline-mengsel worden afgesponst. Gewaste tijk-van bedden moet afzonderlijk ontsmet worden, terwijl de inhoud in een zak overgestort, eveneens ontsmet wordt.

Stoffen, die zonder nadeel kookhitte kunnen verdragen als linnen, katoen enz. kunnen ook gedurende een half uur in een grooten, van een deksel voorzienen geëmailleerd ijzeren pot met water, waarin men een paar handen vol keukenzout heeft gedaan, gekookt worden of gedurende drie uur in sublimaat-oplossing of gedurende 24 uur in creoline-mengsel of phenol-oplossing gedompeld worden.

Stoffen die niet gekookt, maar gewasschen kunnen worden als wol, flanel, veeren, kapok, paardenhaar, kunnen ook gedurende een half uur in sublimaat-oplossing of 24 uur in creoline-mengsel of phenol-oplossingen worden gelegd en daarna gewasschen en gedroogd. De met creoline behandelde stoffen moeten ter dege met zeep gewasschen en goed gedroogd worder.. Bedvulsel van weinig of geen waarde zooals stroo, duil, zeegras, varen, doppen, verband-stoft'en enz. worden verbrand. Zoo er geene gelegenheid toe is, worden zij in met sublimaat-oplossing bevochtigde zakken vervoerd naar de door den burgemeester aangewezen plaats voor verbranding.

Springmatrassen worden met sublimaat-oplossing ter dege afgesponst.

Meubelen, huisraad en dergelijke voorwerpen. Deze worden met sublimaat-oplossing ter dege at'gewasschen en vervolgens met lappen nauwkeurig afgewreven, welke lappen daarna worden verbrand.

Voorwerpen, die voor deze behandeling niet vatbaar zijn, zooals voorwerpen van metaal, worden met creoline-mengsel of phenol-oplossing behandeld.

Heel-, verlos- en ontleedkundige werktuigen en ander gereedschap

ocr page 485

BESLUIT, HOUD. REGELEN ONTSMETTING ENZ.

worden, zoo zij van metaal zijn, ontsmet door ze zorgvuldig te reinigen en daarna gedurende een half uur in water te koken of wel eenige malen door eene vlam te halen. Is dit niet doenlijk, dan worden ze door oplossing van phenol ontsmet.

Voorwerpen van caoutchouc vervaardigd, worden gedurende een uur in sublimaat-oplossing gelegd en daarna met zuiver water afge-wasschen.

Voorwerpen bij lijken gebruikt. De schragen en roeven worden met sublimaat-oplossing afgewasschen. De dekkleeden en rouwmantels worden, nadat de begrafenis is afgeloopen, op de begraafplaats onmiddellijk met de sublimaat-oplossing afgesponst, daarna gedroogd, uitgeklopt en afgeborsteld.

§ 3. Regelen vcor het onschadelijk maken van lijken.

De lijken van overledenen aan eene besmettelijke ziekte worden, geheel gehuld in een met sublimaat-oplossing gedrenkt laken, zoo spoedig mogelijk gelegd in eene kist, waarvan de bodem bedekt is met eene eenige centimeters dikke laag houtzaagsel, turfmolm of tuinaarde en zoo spoedig mogelijk uit de woning naar het lijkenhuis overgebracht.

Het plaatsen van een open schotel met chloorkalk in het lijkenhuis verdient aanbeveling.

§ 4. Regelen omtrent het ontsmetten van gehouwen of vertrekken en van vaar- of voertuigen.

Nadat uit het te ontsmetten ziekenvertrek alles verwijderd en op de bovengenoemde wijze ontsmet is, snijdt men, overeenkomstig de grootte van den ontsmettingsoven, de banen van het tapijt zoodanig los, dat men dit kan oprollen; vervolgens bespuit men om het stuiven tegen te gaan. den vloer met creoline-mengsel, sublimaat- of phenol-oplossing. Daarna wordt het behangsel al naar zijn aard ontsmet, hetzij door middel van groote sneden versch en goed doorbakken brood, waarmede langs het behangsel gestreken wordt, hetzij door middel van een verstuivingstoestel met sublimaat-oplossing of creoline-mengsel. Wanneer sublimaat gebruikt is, moet men eene oplossing van 1 deel koolzure soda op 100 deelen water worden nagespoten. Wanneer creoline gebruikt is, met gewoon water.

Glad behangsel of bontwerk kan met sublimaat oplossing afgesponst worden. Gekalkte muren en zolderingen worden opnieuw gewit. De gebruikte lappen en kruimels worden verbrand.

De vloer wordt opgeveegd en gewasschen met sublimaat- of phenol-oplossing of creoline-mengsel.

Houtwerk en vloeren, met sublimaat behandeld, moeten worden afgenomen met eene oplossing van 1 deel koolzure soda op 100 deelen water.

455

ocr page 486

BESLUIT, HOUD. KEGELEN ONTSMETTING ENZ.

Op gelijke wijze als met vertrekken in huizen, wordt gehandeld met kajuiten en andere scheepsruimten, waarin een Igder aan eene besmettelijke ziekte of het Igk van een daaraan overledene is geweest.

Het kielwater van zulke vaartuigen wordt ontsmet door het te bedeelen met zooveel sublimaat-oplossing, dat eene verhouding van 1 op 3U00 deelen kielwater naar gissing wordt verkregen. Na verloop van een uur wordt dit uitgepompt. Daarna wordt weder water ingelaten, dat nogmaals wordt uitgepompt. Rijtuigen, karren, kruiwagens, sleden, draagbaren, alsmede kisten en manden, gebruikt tot vervoer van een lijder aan eene besmettelijke ziekte of van het lijk van een daaraan overledene of van besmette goederen, worden na elk zoodanig vervoer van binnen met sublimaat oplossing goed afge-sponst en daarna goed gereinigd.

Gevulde zittingen worden met sublimaat-oplossing bespoten en, na gedroogd te zijn, uitgeklopt; lederen zittingen worden daarmede afgesponst.

Sj 5. Regelen omtrent hel onschadelijk maken ■can door zieken langs verschillende wegen ontlaste stoffen.

A. Bij lijders aan Aziatische cholera, darmtyphus en dysenterie.

In de potten of flessehen, waarin de darmontlasting, het braaksel

of de urine wordt opgevangen, worde vooraf 200 gram (een bierglas) kalkmelk of 80 gram (een wijnglas) creoline-mengsel gedaan. Nadat de potten of flessehen gebruikt zijn en geledigd, worden zij met kalkmelk of creoline-mengsel omgespoeld.

Waar door de zorg van het gemeentebestuur gekenmerkte tonnen, uitsluitend bestemd tot het opnemen van de uitwerpselen der lijders, worden verstrekt, wordt de inhoud der potten of flessehen en de kalkmelk of creoline-mengsel, waarmede zij zijn omgespoeld, daarin geledigd. In die tonnen moet vooraf 500 gram kalkmelk worden gegoten. Zij moeten, alvorens zij na lediging weder aan huis worden bezorgd, met kalkmelk of creoline-mengsel worden omgespoeld.

Waar geen zoodanige tonnen worden verstrekt, kan de inhoud der potten of flessehen in een privaat worden geledigd, mits dit dagelijks op de hierna in § 6 op te geven wijze wordt ontsmet.

B. Bij lijders aan roodvonk of dyphtheritis.

Zijn de uit neus- of keelholte afgescheiden stoffen opgevangen op lapjes of zakdoeken, dan worden de eerste verbrand en de zakdoeken telkens wanneer zij door schoone vervangen worden, in eene phenol-oplossing of creoline mengsel gedompeld, waarin zij gedurende 24 uur blijven liggen.

Worden die stoffen opgevangen in potten, spuwbakjes en dergelijke, dan wordt daarmede gehandeld als voor de uitwerpselen van lijders aan Aziatische cholera, darmtyphus en dysenterie is voorgeschreven. De urine wordt behandeld zooals in § 5 A is aangegeven.

456

ocr page 487

BESLUIT, HOUD. REGELEN ONTSMETTING ENZ.

§ 6. Regelen omtrent het onschadelijk maken van tot ontsmetting gebruikt waschwater en van verzamelingen van vuil en omtrent het ontsmetten van privaten en urinoirs.

Waschwater wordt behandeld op de wijze in § 5 aangegeven.

Verzamelingen van vuil. Wanneer gedurende het heerschen van Aziatische cholera, typhus of dysenterie nog niet opgeruimde verzamelingen van mest of ander vuil worden ontdekt, wordt na de geheele wegruiming daarvan, de bodem waarop zy hebben gelegen, naarmate van de uitgestrektheid, met eenige emmers kalkmelk of creoline-mengsel begoten of met chloorkalk ontsmet.

Wanneer wegruiming niet mogelijk of niet raadzaam is, bedekke men de vuilnishoop of mestvaalt of het verspreide vuil nret een laag houtskool, turfmolm of aarde of wel met plaggen.

Goten of andere waterlossingen, van welke men vermoeden kau dat daarin uitwerpselen van lijders aan Aziatische cholera, darm-typhus of dysenterie zijn of worden geworpen, worden ontsmet op dezelfde wijze als de privaten.

Privateu. Algemeene privaten en urinoirs, privaten en urinoirs in logementen of slaapsteden, in scholen en andere publieke gebouwen en in 't algemeen alle privaten, die niet uitsluitend door personen uit één en hetzelfde huisgezin worden gebruikt, alsmede die privaten en urinoirs, welke wel alleen voor de leden van één huisgezin bestemd zijn, maar in welke uitwerpselen van lijders aan Aziatische cholera, darmtyphus of dysenterie zyn of worden geworpen, worden dagelijks ontsmet door er eene ruime hoeveelheid kalkmelk, chloorkalk of creoline-mengsel in te gieten. Ook de trechters worden met eene behoorlijke hoeveelheid bedeeld. De zitting van het privaat wordt met sublimaat-oplossing of met creoline-mengsel afgesponst.

Bij het ontsmetten van privaten wordt als maatstaf aangenomen dat 10 liter kalkmelk, 5 kilo chloorkalk of 5 liter creoline-mengsel voldoende zijn voor 1 kubieke meter faeoaliën. Bij het ruimen van privaten verdient het aanbeveling, daarin vooraf chloorkalk te storten.

Straatvuil in straten, stegen, sloppen, gangen of poorten wordt na wegruiming behandeld volgens de regelen voor vuilnishoopen. Daarna worden de plaatsen, waar het vuil gelegen heeft, met kalkmelk of creoline-mengsel begoten en geschrobd.

Wanneer graven of begraafplaatsen moeten ontsmet worden, bedekke men ze met eene ten minste één decimeter (palm) dikke laag kool, turfmolm of asch, waarover aarde wordt geworpen of plaggen of graszoden gelegd worden.

Wanneer aarde gebruikt wordt, bezaaie men deze met een snelgroeiend gewas.

457

ocr page 488

WET,

HOUDENDE BUITENGEWONE MAATREGELEN TOT AFWENDING VAN EENIGE BESMETTELIJKE ZIEKTEN EN TOT WERING HARER UITBREIDING EN GEVOLGEN.

(Vastgesteld den 26sten April 1884, Stabl. uo. 80, uitgegeven den 1 Mei d.a.v. Aangevuld en gewijzigd bij de wetten van 20 Juli 1884,

Stsbl. no. 164: en 15 April 1886, Stsbl. no. ö-i.)

Art. I. Bij het bestaan, binnen of buiten 's lands, van Aziatische cholera, pest, gele koorts of pokken, kan door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur in-, door- en vervoer van lompen, gebruikte kleedingstukken, ongewassehen lijf- en beddegoed, onbewerkte wol en haar, huiden, bontwerk en andere voor het overbrengen van besmetting vatbare voorwerpen voor den tijd van ten hoogste een jaar verboden worden. Op gelijke wijze kunnen door Ons bepalingen vastgesteld worden omtrent het onderzoek, de afzondering en de ontsmetting van personen en goederen, het vervoer van personen en goederen en de middelen, zoo openbare als bijzondere, waarmede dat vervoer geschiedt, een en ander onverminderd de bepalingen der wet van 4 December 1872 {StaalMad no. 134), aangevuld bij die van 3 December 1874 (Staatsblad no. 188) en de wetten van 28 Maart 1877 {Staatsblad nos. 35 en 36). (K.B. 13 Juli 1892, Stsbl. no. 177 en 4 Sept. 1892, Stsbl. no. 215, gewijz. bij K.B. 25 Mrt. 1893, Stsbl. no. 50.)

2. Onverminderd de toepassing van bij andere wetten bedreigde straiten, zoo daartoe termen zijn, worden gestraft met hechtenis van een dag tot een jaar of geldboete van ƒ 0,50 tot / 2000:

1quot;. hij, die een der voorschriften, door Ons krachtens het voorgaande artikel gegeven, overtreedt; ')

2quot;. en 3quot;. Afgeschaft. Zie thans art. 184 Wetb v. Strafr.

3. Indien tijdens het plegen van het strafbare feit nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden, kunnen de in art. 2 bepaalde straften met een derde worden verhoogd. ')

1) Art. 2, 1° en art. 3 aldus gehandhaafd en gewyzigd volgens artt. 19 en 11 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

ocr page 489

WET, HOtTD. BUITENGEW. MAATREGELEN BESM. ZIEKTEN. 459

4. Hetgeen in strijd met Onze in art. 1 bedoelde voorschriften ingevoerd, doorgevoerd of vervoerd is en alle voer- of vaartuigen en andere voorwerpen, die gebruikt zijn tot het invoeren, doorvoeren of vervoeren of tot het plegen van eenige handeling, die bij art. 3 strafbaar is gesteld, worden in beslag genomen en kunnen door den rechter in geval van veroordeeling verbeurd verklaard worden.

Echter heeft verbeurdverklaring der voer- of vaartuigen, die gebruikt zijn tot het invoeren, doorvoeren of vervoeren, alleen dan plaats, zoo het strafbare feit door den vervoerder is gepleegd. ')

Voor zooveel in het belang der gezondheid of ter wering van besmetting noodig is, worden de in beslag genomen voorwerpen, op last van den burgemeester, vernietigd of onschadelijk gemaakt.

Vernietiging geschiedt niet dan na waardeering door een deskundige, te benoemen door den kantonregter van het kanton, waarin de inbeslagneming heeft plaats gehad; de deskundige legt in handen van den kantonregter een eed (verklaring) af, dat hij de hem vertoonde voorwerpen naar zijn beste weten naar waarheid heeft gewaardeerd.

De geldsom vertegenwoordigende de waarde van hetgeen vernietigd is, wordt, in geval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, of indien de verbeurdverklaring niet is uitgesproken, aan den eigenaar van de vernietigde voorwerpen ten laste van 's Rijks schatkist uitgekeerd.

Wanneer de in beslag genomen voorwerpen niet zijn vernietigd, worden zij, in geval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, of wanneer de rechter geene termen tot verbeurdverklaring heeft gevonden, aan den eigenaar teruggegeven in den toestand waarin zij zich bevinden.

De bewaarde onschadelijke of onschadelijk gemaakte voorwerpen die verbeurd verklaard zijn, worden ten bate van 's Kijks schatkist in het openbaar verkocht.

5. Het in beslag genomen voer- of vaartuig met zijnen inventaris wordt tegen zekerheid ontslagen volgens regelen, die bij alge-meenen maatregel van inwendig bestuur door Ons worden gesteld. -) (K.B. 15 Jan. 18S5, Stsbl. no. 5.)

6. Met het opsporen van de overtredingen van deze wet en de door Ons ingevolge art. 1 uitgevaardigde algemeene maatregelen van inwendig bestuur zijn, behalve de bij art. S van het Wetboek van Strafvordering 1) aangewezen personen, belast de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen, alle ambtenaren en beambten van de

1

De verwyziug naar het artikel van het Wetboek van Strafvordering, aldus gewijzigd volgens art. 2 der wet van 31 December 1887, Stsbl. no. 2G5.

STAATSWETTEN. 29 ö

ocr page 490

460 WET, HOUD. BUITENGEW. HAATKEGELEN BESM. ZIEKTEN.

Rijks- en gemeentepolitie en zoodanige andere personen, als bij de bedoelde besluiten daartoe zullen worden aangewezen.

De in het eerste lid van dit artikel bedoelde personen hebben te allen tijde vrijen toegang tot voer- of vaartuigen, waarmede zij vermoeden, dat voorwerpen, waarvan de in-, door- en vervoer tijdelijk verboden zijn, worden vervoerd, alsmede tot de winkels en bergplaatsen, waar zij vermoeden, dat die voorwerpen worden verkocht of bewaard. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien, desnoods met inroeping van den sterken arm.

Woningen en bewoonde vaartuigen treden zij tegen den wil van den bewoner niet binnen, dan op schriftelijken last van den burgemeester.

Van dit binnentreden wordt door hen binnen tweemaal vier en twintig uren proces-verbaal opgemaakt en aan den bewoner in afschrift medegedeelt.

7. Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging.

ocr page 491

quot;WET,

HOUDENDE BEPALINGEN TOT HET TEGENGAAN VAN OVERMATIGEN EN GEVAARLIJKEN ARBEID VAN JEUGDIGE PERSONEN EN VAN VROUWEN.

(Vastgesteld den oden Mei 1889, Stsbl. no. 48, uitgegeven den ICden Mei d.a.v.)

§ 1. Inleidende bepalingen.

Art. I. Onder arbeid verslaat deze wet alle werkzaamheden in of voor eenig bedrijf, behalve; 1°. werkzaamheden in of voor de bedrijven van landbouw, tuinbouw, boschbouw, veehouderij of veenderij ; 2°. werkzaamheden buiten fabrieken en werkplaatsen in of voor het bedrijf van hem, bij wien degene die ze verricht inwoont, voor zoover die werkzaamheden ook buiten eenig bedrijf in eene huishouding of stalling plegen voor te komen.

2. Onder fabrieken en werkplaatsen verstaat deze wet alle zoowel open als besloten ruimten, waar in of voor eenig bedrijf pleegt gewerkt te worden aan liet vervaardigen, veranderen, herstellen, versieren, afwerken of op andere wijze tot verkoop of gebruik geschikt maken van voorwerpen of stoifen, of waar in of voor eenig bedrijf voorwerpen of stoffen eene daartoe strekkende bewerking plegen te ondergaan.

Keukens en soortgelyke inrichtingen, waar spijzen en dranken voor onmiddellijk verbruik bereid worden, benevens apotheken, zijn hieronder niet begrepen. (24.)

§ 2. Van den arbeid van jeugdige personen en van vrouwen.

Art. 3. Het is verboden een kind beneden twaalf jaren arbeid te doen verrichten. (23.)

4. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt door Ons, hetzij onvoorwaardelijk, hetzij voorwaardelijk, verboden een persoon beneden zestien jaren en in fabrieken en werkplaatsen eene vrouw bepaalde soorten van arbeid te doen verrichten, op grond van de gevaren voor de gezondheid of het leven, welke die soorten van arbeid, hetzij in het algemeen, hetzij bij niet inachtneming van zekere voor-

STAATS WETTEN. 30 (Z

ocr page 492

IP

462 ARBEIDSWET.

waarden, door de wgze waarop zij verricht worden of door de verwerkt wordende stoffen, voor een persoon beneden de zestien jaren of voor een vrouw opleveren. (17; K.B. 15 Jnli 1891, Stsbl. no. 147, zooals nader gewijzigd.) ')

5. Het is verboden den arbeid van een persoon beneden zestien jaren of van eene vrouw in fabrieken en werkplaatsen vroeger te doen aanvangen dan te 5 uren des voormiddags of later te doen eindigen dan te 7 uren des namiddags, met dien verstande, dat het aantal uren, gedurende welke die arbeid wordt verricht, niet meer dan elf per etmaal bedrage.

Voor bepaalde bedrijven kan door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur worden vergund hetzij in het algemeen, hetzij ten opzichte van bepaalde gemeenten, den arbeid van personen beneden zestien jaren en van vrouwen op andere dan de in het vorige lid bepaalde uren te doen aanvangen en te doen eindigen onder zoodanige voorwaarden als zullen noodig blijken, met dien verstande dat het aantal uren, gedurende welke die arbeid wordt verricht, niet meer dan elf per etmaal bedrage. Voor personen beneden veertien jaren of vrouwen mag het begin van dien arbeid niet vroeger dan te 5 uren des voormiddags eu het einde niet later dan te 10 uren des namiddags worden gesteld. (22; K.B. 9 Dec. 1889, Stsbl. no. 176, zooals nader gewijzigd.) ')

In bijzondere omstandigheden kan door Onzen Commissaris in de provincie schriftelijke vergunning worden gegeven om in eene daarin genoemde fabriek of werkplaats den arbeid van personen beneden zestien jaren en van vrouwen gedurende niet langer dan zes achtereenvolgende werkdagen, of om den anderen dag niet lan-

fer dan gedurende veertien dagen, hoogstens twee uren vroeger te oen aanvangen of hoogstens twee uren later te doen eindigen of wel een uur vroeger te doen aanvangen en een uur later te doen eindigen dan in het eerste lid van dit artikel of bij algemeenen maatregel van bestuur, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, is bepaald, met dien verstande dat het aantal uren, gedurende welke die arbeid wordt verricht, niet meer dan dertien per etmaal bedrage en voor personen beneden veertien jaren of vrouwen het begin van dien arbeid niet vroeger dan te 5 uren des voormiddags en het einde niet later dan te 10 uren des namiddags worde gesteld. In spoedeischende gevallen kan, voor niet langer dan twee achtereenvolgende werkdagen, gelijke vergunning worden verleend door den burgemeester, die daarvan binnen 24 uren mededeeling doet aan Onzen Commissaris in de provincie; door dezen kan die vergunning tot een duur van zes achtereenvolgende werkdagen worden verlengd. Voor dezelfde fabriek of werkplaats geldt geene der genoemde vergunningen, alvorens sedert het eindigen van eene vorige, voor dezelfde klasse van personener dan gedurende veertien dagen, hoogstens twee uren vroeger te oen aanvangen of hoogstens twee uren later te doen eindigen of wel een uur vroeger te doen aanvangen en een uur later te doen eindigen dan in het eerste lid van dit artikel of bij algemeenen maatregel van bestuur, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, is bepaald, met dien verstande dat het aantal uren, gedurende welke die arbeid wordt verricht, niet meer dan dertien per etmaal bedrage en voor personen beneden veertien jaren of vrouwen het begin van dien arbeid niet vroeger dan te 5 uren des voormiddags en het einde niet later dan te 10 uren des namiddags worde gesteld. In spoedeischende gevallen kan, voor niet langer dan twee achtereenvolgende werkdagen, gelijke vergunning worden verleend door den burgemeester, die daarvan binnen 24 uren mededeeling doet aan Onzen Commissaris in de provincie; door dezen kan die vergunning tot een duur van zes achtereenvolgende werkdagen worden verlengd. Voor dezelfde fabriek of werkplaats geldt geene der genoemde vergunningen, alvorens sedert het eindigen van eene vorige, voor dezelfde klasse van personen

1) Dit Kon. Besl. is achter deze wet gedrukt.

ocr page 493

AEBKIDSWET.

geldende, ten minste acht dagen zijn verloopen, tenzij na goedkeuring van Onzen Minister met de uitvoering van deze wet belast. ') (17, 22, 23.)

6. Hij die een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw arbeid doet verrichten in fabrieken en werkplaatsen is verplicht te zorgen, dat die arbeid ten minste worde afgewisseld door één rusttijd van één uur tusschen 11 uren des voormiddags en drie uren des namiddags.

quot;Voor bepaalde fabrieken en werkplaatsen kan door of vanwege Onzen Minister, met de uitvoering van deze wet belast, onder zoodanige voorwaarden als zullen noodig blijken, wijziging of vermindering van dien rusttijd worden toegestaan, met dien verstande, dat daardoor het aantal uren, gedurende welke aldaar arbeid wordt verricht door de in dit artikel bedoelde personen of vrouwen, niet groo-ter worde dan in art. 5 is veroorloofd.

Hij die bedoelde personen of vrouwen arbeid doet verrichten is verplicht te zorgen, dat deze gedurende voormelden rusttijd niet verblijven op eene besloten plaats, waar alsdan arbeid wordt verricht.

7. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw op Zondag arbeid te c'oen verrichten in fabrieken en werkplaatsen.

Voor personen, behoorende tot een kerkgenootschap, dat den weke-lijkschen rustdag niet op Zondag viert, treedt in de plaats van dit verbod dat om hen arbeid te doen verrichten in fabrieken en werkplaatsen in het etmaal, door hun kerkgenootschap als wekelijksche rustdag aangenomen, indien zij aan het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming hun verlangen hebben te kennen gegeven om in dat etmaal geen arbeid te verrichten, waarvan achter hunnen naam op de in art, 11 bedoelde lijst melding moet worden gemaakt.

Voor bepaalde bedrijven kan door Ons bij de algemeene maatregelen van bestuur, bedoeld in het tweede lid van art. 5, worden vergund den arbeid van mannelyke personen tusschen veertien en zestien jaren op Zondag te doen voortduren tot uiterlyk te 0 uren des voormiddags.

Waar in eene fabriek tot herstel of reiniging van eenen aldaar in gebruik zijnden stoomketel de arbeid van een manneüjken persoon beneden zestien jaren onontbeerlijk mocht zijn, kan de burgemeester der gemeente waar de fabriek gelegen is daartoe schriftelijke vergunning voor eenen bepaalden Zondag verleenen. (17.)

8. Het is verboden eene vrouw arbeid te doen verrichten in fabrieken en werkplaatsen binnen vier weken na hare bevalling.

9. Wanneer een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw in

1) Ingevolge K.B. 29 Nov. 1892, Stsbl. no. 257, is de uitvoering der Arbeidswet en van de daaruit voortvloeiende besluiten, met ingang van Uan. 1893, van het Depart, v. Justitie overgebracht naar het Depart, v. Waterstaat, Handel en Nyverheid; nader vastgesteld by K.B. 3 Febr. 1893, Stsbl. no. 47.

STAATSWETTEN. 30

463

ocr page 494

ARBEIDSWET.

de werkuren aangetroffen wordt op eene besloten plaats waar arbeid wordt verricht, die niet tevens een woonvertrek is, en wanneer een persoon beneden zestien jaren aangetroffen wordt aan boord van een vaartuig, dat niet bestemd is tot het vervoer van reizigers en aan boord waarvan die persoon niet woont, wordt die geacht aldaar zelf arbeid te verrichten, tenzij het tegendeel blijke.

10. Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene onderneming, waarin of waarvoor een persoon beneden zestien jaren arbeid verricht in fabrieken en werkplaatsen, moet in het bezit zijn van eene kaart, houdende opgave van den naam, de voornamen, den dag en de plaats van geboorte van dien persoon, van den naam en de woonplaats van het hoofd des gezins waarbg of van het gesticht waarin die persoon inwoont en van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming. Deze is verplicht die kaart aan de bij art. 18 bedoelde ambtenaren op aanvrage te vertoonen.

Die kaarten worden ingericht naar een door Ous vast te stellen model en worden geteekend en afgegeven door of van wege den burgemeester der gemeente, binnen welke de jeugdige persoon arbeid zal verrichten.

De kaarten en de daarvoor noodige geboorte-extracten worden kosteloos verstrekt.

Binnen tweemaal vier en twintig uren na het eindigen van de arbeidsbetrekking tusschen den jeugdigen persoon en hem, die dezen arbeid deed verrichten, is het hoofd of de bestuurder van het bedrijf of de onderneming verplicht de betrekkelijke kaart, na daarop den dag van opneming en van ontslag te hebben vermeld, terug te bezorgen bij den burgemeester, door of vanwege wien zij werd afgegeven. (23 ^.)

11. Het hoofd of de bestuurder van een bedrgf of eene onderneming, waarin of waarvoor een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw arbeid verricht in fabrieken en werkplaatsen, is verplicht te zorgen, dat in zijne fabriek of werkplaats, op eene plaats, waar arbeid wordt verricht, steeds op eene zichtbare wijze is opgehangen eene door hem onderteekende en door of vanwege den burgemeester gewaarmerkte lijst, vermeldende de namen en de voornamen van dien persoon of die vrouw en voor ieder in het bijzonder den aanvang en het einde van den werktijd, de werkuren en het etmaal bestemd tot wekelijkschen rustdag.

Voor bepaalde bedrijven kan door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur vrijstelling verleend worden van de verplichting, om op de bedoelde lijst de werkuren te vermelden. (K.B. 9 Dec. 1889, Stsbl. no. 176, achter deze wet gedrukt.)

Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene onderneming, bedoeld in het eerste lid, is verplicht te zorgen dat een afschrift of uittreksel van de bij dat lid vermelde lijst steeds op eene zichtbare wijze is opgehangen in elk arbeidslokaal, daartoe

464

ocr page 495

ARBEIDSWET.

door of vanwege Onzen Minister, met de uitvoering van deze v^et belast, aangewezen, (la, 23i.)

ij 3. Toezicht.

Art. 12. Onder de bevelen van Onzen Minister, met de uitvoering van deze wet belast, wordt het toezicht op die uitvoering opgedragen aan ten hoogste drie door Ons te benoemen inspecteurs, wier werkkring en bevoegdheden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur worden geregeld. (18 volg.; K.B. 21 Pebr. 1890, Stsbl. no. 27, gewijz. hg K.B. 3 Febr. 1893, Stshl. no. 47.)

13. De hoofden en bestuurders van bedrgven en ondernemingen en de daarin werkzame personen zijn verplicht aan den bevoegden inspecteur de verlangde inlichtingen te geven omtrent zaken en feiten, de naleving van deze wet betretleude.

14. Het is aan de inspecteurs verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan bedrijven of ondernemingen van fabrieks- of ambachtsnijverheid. (17.)

15. Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene onderneming, die in eene fabriek of werkplaats arbeid doet verrichten, is verplicht van elk aan een persoon ter zake van den in dat bedrijf of die onderneming verrichten arbeid overkomen ongeluk binnen tweemaal vier en twintig uren schriftelijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente, waar het ongeluk plaats had. Heeft de persoon, wien het ongeluk is overkomen, binnen den bedoelden termijn den arbeid hervat, dan vervalt de verplichting tot kennisgeving.

De vorm dezer kennisgeving wordt vastgesteld door Onzen Minister, met de uitvoering van deze wet belast.

De burgemeester deelt binnen vier en twintig uren de kennisgeving mede aan den bevoegden inspecteur. (17.)

De burgemeester stelt een onderzoek in naar de oorzaken en gevolgen van het ongeluk en deelt den uitslag daarvan aan den inspecteur mede, die bevoegd is, zoo hem dit noodig voorkomt, een nader onderzoek in te stellen. (17.)

16. De inspecteurs vervaardigen jaarlijks een beredeneerd verslag over hunne ambtsbezigheden en zenden dit vóór lü Mei aan Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast.

Deze verslagen worden hetzij in hun geheel, hetzij gedeeltelijk aan de Staten-Generaal overgelegd. (17, 23.)

t? 4. Strafbepalingen.

Art. 17. Overtreding van een der bepalingen dezer wet, — behalve die van art. 5, 3de lid, en art. 15, 3de en 4de lid, door den burgemeester, die van art. 14 en art. 16 door den inspecteur, en die van art. 20, — van een der bepalingen van de algemeene maatregelen

465

30*

ocr page 496

466 ARBEIDSWET.

van bestuur, overeenkomstig art. 4, art. 5 of art. 7 dezer wet uitgevaardigd, alsmede van een der voorwaarden, waaronder wijziging of vermindering van den rusttijd overeenkomstig het tweede lid van art. 0 dezer wet is toegestaan, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke of eene andere overtreding dezer wet, behalve die van art. 2U, of van een der bepalingen van de in het vorige lid van dit artikel bedoelde algemeene maatregelen van bestuur of van een der voorwaarden, waaronder wijziging of vermindering van den rusttijd overeenkomstig het tweede lid van art. 6 dezer wet is toegestaan, onherroepelyk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld.

Een afzonderlijke straf wordt opgelegd ten opzichte van eiken persoon met welken of ten aanzien van welken overtreding is gepleegd en voor ieder etmaal in den loop waarvan die overtreding is gepleegd.

18. Met het opsporen van de overtredingen van deze wet en van de bepalingen van de algemeene maatregelen van bestuur overeenkomstig art. 4, art. 5 of art. 7 dezer wet uitgevaardigd en van de voorwaarden, waaronder wijziging of vermindering van den rusttijd overeenkomstig het tweede lid van art. 6 dezer wet is toegestaan, zijn, behalve de bij art. S van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de marechaussee, alle ambtenaren van Rijks- en gemeentepolitie, alsmede de in art. liJ bedoelde inspecteurs.

Ten aanzien van de inrichtingen, bedoeld bij art. 24 der wet van 2 Juni 1875 {Staatsblad no. 95), zijn uitsluitend met deze taak belast de in art. 12 bedoelde inspecteurs en de door Onzen Minister van Oorlog op grond van het tweede lid van genoemd artikel 24 der wet van 2 Juni 1875 {Staatsblad no. 95) aangewezen ambtenaren en officieren.

Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel'is niet van toepassing op de Rijks-werkplaatsen en -fabrieken. Aldaar wordt voor de toepassing der wet het toezicht geregeld door de hoofden der betrokken Departementen van Algemeen Bestuur.

19. De in het eerste lid van art. 18 bedoelde ambtenaren hebben toegang tot alle plaatsen waar arbeid verricht wordt of pleegt verricht te worden, met uitzondering van de llijks-werkplaatsen en -fabrieken en de inrichtingen bedoeld bij art. 24 der wet van 2 Juni 1875 {Staatsblad no. 95), waartoe, behoudens uit anderen hoofde aan anderen toekomende bevoegdheid, alleen toegang hebben de bij art. 12 bedoelde inspecteurs.

De veld- en boschwachters, de beambten der marechaussee, niet zijnde hulpofficier van justitie, en de ambtenaren van Ryks- en

ocr page 497

ARBEIDSWET.

gemeentepolitie beneden den rang van commissaris behoeven daartoe, voor zoover hun de toegang niet uit anderen hoofde vrijstaat, een schriftelijken bijzonderen last van den burgemeester of van den kantonrechter.

Wordt aan de bij art. 18 bedoelde ambtenaren de toegang geweigerd, dan verschaiFen zij zich dien desnoods met inroeping van den sterken arm.

In plaatsen waar arbeid wordt verricht of pleegt verricht te worden, die tevens woningen of alleen door eene woning toegankelijk zijn, treden zij tegen den v/il van den bewoner niet binnen dan op vertoon van eenen schriftelijken bijzonderen last van den burgemeester of van den kantoarechter. Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt en binneu tweemaal vier en twintig uren aan dengenen, in wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.

20. De by art. 18 bedoelde ambtenaren zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen waar arbeid wordt verricht of' pleegt verricht te worden omtrent het daar uitgeoefend wordend bedryf is bekend geworden, voor zoover het niet in strijd is met de bepalingen dezer of eener andere wet.

Hij die opzettelijk de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten te bekleedeu. (21.)

Hy, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (21.)

Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming.

21. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, behalve de feiten, strafbaar gesteld bij het tweede en derde lid van art. 20, die als misdrijven worden beschouwd.

§ 5. Overgangs- en slotbepalingen.

Art. 22. Het voorschrift van het tweede lid van art. 5, dat voor personen beneden veertien jaren of vrouwen, en dat van het derde lid van art. 5, dat voor vrouwelijke personen van eiken leef-tijd het begin van den arbeid niet vroeger dan te 5 uren des voormiddags en het einde niet later dan te 10 uren des namiddags mag worden gesteld, gelden niet gedurende de eerste twee jaren na het in werking treden van deze wet.

23. Op arbeid in of voor het schippers- of visschersbedrijf, aan boord van vaartuigen verricht, zij a niet toepasselijk de artt. 5, 6, 7, 9, 10, 11 en 15 en evenmin, voor zooveel betreft aan boord wonende kinderen of pupillen van den schipper, art. 3.

467

ocr page 498

468 ARBEIDSWET.

Op arbeid, verricht in of voor een bedrijf, in de eigen woning van het hoofd of den bestuurder daarvan, die het aldaar zonder hulp van anderen dan zijn echtgenoot, bloed- of aanverwanten, tot den vierden graad ingesloten, en pupillen uitoefent, zijn de artt. 10 en 11 niet toepasselijk.

24. Deze wet is niet van toepassing op arbeid in ambachtsscholen en vakscholen, 's Rijks opvoedingsgestichten en werkinrichtingen en gevangenissen, noch op werkzaamheden in militairen dienst verricht.

25. Alle stukken, verzoekschriften en beschikkingen, ten gevolge van § 2 van deze wet opgemaakt, zijn vrij van het recht van zegel en van de formaliteit van registratie en worden kosteloos uitgereikt.

De bij art. 10 vermelde kaarten worden van 's Rijks wege kosteloos aan de gemeentebesturen verstrekt.

26. Deze wet treedt iu werking den Isten Januari 1890.

Op hetzelfde tijdstip vervalt de wet van lü September 1874

{Staatsblad no. 130).

BESLUIT

tot vaststelling van eenen algemeenen maatkegel van bestuur als bedoeld bij de ARTIKELEN 5, 7 en 11 der (ARBEIDS)WET van 5 Mei 1889 (Staatsblad no. 48).

(Vastgesteld den 9den December 1889v Stsbl. no. 176, uitgegeven den 12den December d.a.v. Gewijzigd bij K.B. van 30 Oct. 1890, Stsbl. no. 158, 17 Oct. 1891, Stsbl. no. 172, 10 Juni 1892, Stsbl. no. 136 en 3 Febr. 1893, Stsbl. no. 47.) 1)

Art. I. Voor de hieronder genoemde bedrijven worden de bij ieder vermelde afwijkingen vergund en vrijstellingen verleend van bepalingen Ier boven aangehaalde wet onder de voer ieder gestelde voorwaarden, met dien verstande, dat het aantal uren, gedurende welke door personen beneden zestien jaren en door vrouwen arbeid wordt verricht, niet meer dan elf per etmaal bedrage, behoudens liet bepaalde bij art. 5, derde lid, dier wet, en dat de arbeid van perso-

1) K.B. 3 Febr. 1893, Stsbl. no. 47, bepaalt dat de uitvoering der Koninkl. beslui- 1

ten betreffende de Arbeidswet, door bet Depart, v. Justitie wordt overgedragen aan ; 2 het Depart, v. Waterstaat, Handel en Nyverheid. Sts

ocr page 499

BESL. BEDOELD BIJ ABIT. 5, 7 EN 11 ARBEIDSWET. 469

nen beneden zestien jaren en van vrouwen in elk geval worde afgewisseld door een rusttijd van ten minste een uur tusschen 11 uren des voormiddags en 3 uren des namiddags.

I. Botvisscherij, 'J

1°. Het is vergund in het tijdvak van 1 Juli tot 1 December den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene vrouw, bestaande in het schoonmaken, l et spieeten of het azen van hoekwant, te doen eindigen op zijn laatst te 10 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur rust worde gegeven;

2°. wordt vrijstelling verleend voor het tijdvak van 1 Juli tot 1 December van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, voor zooveel betreft die personen beneden zestien jaren en vrouwen, wier arbeid bestaat in het schoonmaken, het spieeten of het azen van hoekwant.

1«. Brood-, beschuit- eu koekbakkerijen. 2)

Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon tusschen veertien en zestien jaren te doen aanvangen op zijn vroegst te 2 uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat het aantal uren, gedurende welke de betrokken persoon arbeid verricht, daaronder begrepen het door hem buiten de werkplaats verrichte loopwerk, niet meer dan elf per etmaal bedrage, en dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem ten minste een half uur rust worde gegeven.

II. Courantdrukkerijen.

1°. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon beneden zestien jaren, voor zoover die strekt tot hulp bij het drukken of vouwen van een dag- of weekblad, te doen eindigen, behoudens het sub 2°. bepaalde, op zijn laatst te 10 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat het aantal uren, gedurende welke de betrokken persoon arbeid verricht, daaronder begrepen het door hem buiten de werkplaats verrichte loopwerk, niet meer dan elf per etmaal bedrage, en dat na een werktijd van ten hoogste vijl' uren hem ten minste een half uur rust worde gegeven.

2U. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon tusschen veertien en zestien jaren, voor zoover die strekt tol hulp bij het drukken of vouwen van een dag- of weekblad, op Zondag te doen voortduren tot uiterlijk te 0 uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat het aantal uren, gedurende welke de betrokken persoon arbeid heeft verricht, daaronder begrepen het door hem buiten de werk-

ilui- 1) Deze bepalir.g is toegevoegd volgens K.B. van 17 Oct. 189], Stsbl. no. 172.

aan 2) Het volgcyfer van deze bepaling is veranderd in 1«. by K.B. van 17 Oct. 1891,

Stsbl. no. 172.

ocr page 500

470 BESL. BEDOELD BIJ ARTT. 5, 7 EN 11 ARBEIDSWET.

plaats verrichte loopwerk, ia het etmaal, aan het einde van zijn arbeid op Zondag voorafgaande, niet meer dan elf hebbe bedragen.

III. Gecondenseerde melk. [Fabrieken van)

Het is vergund in het tijdvak van 1 April tot 1 October den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene vrouw, voor zoover die strekt tot het bewerken van de melk of tot het vullen of het sluiten van de bussen, te doen aanvangen op zijn vroegst te 4 uren des voormiddags, en dien arbeid te doen eindigen op zijn laatst te 8 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur ruste worde gegeven.

Deze vergunning oin den arbeid te doen aanvangen op zijn vroegst te 4 uren des voormiddags geldt voor dien van personen beneden veertien jaren en van vrouwen slechts tot 1 Januari 1892.

IV. Gistpakkerijen.

1°. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon tus-sclien veertien en zestien jaren te doen aanvangen op zijn vroegst te 4 uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat zijn arbeid niet later eindige, behoudens het sub. 2°. bepaalde, dan te 0 uren des namiddags, en dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem ten minste een half uur rust worde gegeven.

2°. Het is vergund den arbeid van een maunelijken persoon tus-sohen veertien en zestien jaren op Zondag te doen voortduren tot uiterlijk te 6 uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat het aantal uren, gedurende welke de betrokken persoon arbeid heeft verricht in het etmaal, aan het einde van zijn arbeid op Zondag voorafgaande, niet meer dan elf hebbe bedragen.

V. Glasblazerijen.

1°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden zestien jaren, die bij smelt- of koelovens werkzaam is, voor wat betreft vrouwelijke personen alleen voor zoover zij daarbij op 31 December 1889 arbeid verrichten, op zoodanige uren te doen aanvangen en te doen eindigen als het bedrijf eischt, onder voorwaarde, indien die uren andere zijn dan de in art. 5, eerste lid, der wet genoemde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur rust worde gegeven, en dat, waar met afwisselende dagen nachtploeg wordt gewerkt, dezelfde personen slechts om de andere week in de nachtploeg arbeid verrichten, alles met. dien verstande, dat na 30 April 1891 de arbeid van mannelijke personen beneden veertien jaren en van alle vrouwelijke personen is verboden tusschen 10 uren des namiddags en 5 uren des voormiddags.

2°. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon tusschen veertien en zestien jaren op Zondag te doen voortduren tot

ocr page 501

BESL. BEDOELD BIJ ARTT. 5, 7 EN 11 ARBEIDSWET. 471

uiterlijk te 6 uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat hem na het einde van dien arbeid ten minste vier en twintig uren rust worden gegeven.

3°. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, voor die glasblazerijen, waar met één ploeg wordt gewerkt.

VI. Naaisters, breisters, borduursters, passementwerJesters, modemaaksters of vervaardigsters van vroutcelijke handicerke.i. {Werkplaatsen van)

Het is vergund den arbeid van eene vrouwelijke persoon boven veertien jaren te doen eindigen op zijn laatst te 8 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat haar arbeid niet vroeger aanvange dan te 8 uren des voormiddags.

VII. Nettenboeterijen.

1°. Het is vergund in het tijdvak van 1 Juni tot 1 Januari den arbeid van eene vrouwelijke persoon boven veertien jaren te doen eindigen op zijn laatst te 10 uren des namiddags, onder voorwaarde dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren haar ten minste een halt' uur rust worde gegeven.

2°. Wordt vrijstelling verleend voor het tijdvak van 1 Juni tot 1 Januari van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, onder voorwaarde, dat op die lijst vermeld worden de tijden, gedurende welke in gewone omstandigheden rust wordt gegeven.

VIII. Steendrukkerijen.

Het is vergund in het tijdvak van 1 October tot 1 April den arbeid van een maunelijken persoon beneden zestien jaren, voor zoover die strekt tot hulp bij het kleurendrukken, te doen eindigen op zijn laatst te 8 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat zijn arbeid niet vroeger aanvange dan te 7 uren des voormiddags.

IX. Steen- en pannenfabrieken en tegelfabrieken, de laatste voor zoocer zij met een der eerstgenoemde fabrieken vereenigd zijn.

a. werkende met één ploeg:

1°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene vrouw te doen aanvangen op zyu vroegst te 4 uren des voormiddags, en dien arbeid te doen eindigen op zijn laatst te 9 uren des namiddags, beide onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur rust worde gegeven.

Deze vergunning om den arbeid te doen aanvangen op zijn vroegst

ocr page 502

472 BESL. BEDOELD BIJ ARTT. 5, 7 EN 11 ARBEIDSWET.

te 4 uren des voormiddags geldt voor dien van personen beneden veertien jaren en van vrouwen slechts tot 1 Januari 1892.

3U. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de werk- -uren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, voor zooveel betreft die personen beneden zestien jaren en vrouwen, wier arbeid bestaat in het op den kant zetten en het van de steenplaatsen naar de stapels brengen van de ongebakken steenen, en achter wier namen op die lijst is vermeld dat zij dien arbeid verrichten.

3°. Wordt gelijke vrijstelling als sub 2°. verleend voor de overige personen beneden zestien jaren en vrouwen, onder voorwaarde, dat op de bedoelde lijst vermeld worden de tijden, gedurende welke hun in gewone omstandigheden rust wordt gegeven.

b. werkende niet afwisselende ploegen:

1°. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon beneden zestien jaren te doen aanvangen op zijn vroegst te 3 uren des voormiddags, voor wat betreft personen beneden veertien jaren tot 1 Januari 1892, en den arbeid van een mannelijken persoon beneden zestien jaren, te doen eindigen, behoudens bet sub 2°. bepaalde, op zijn laatst te 10 uren des namiddags, beide onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf nren hem ten minste vier uren rust worden gegeven, en dat het aantal uren, gedurende welke de betrokken persoon arbeid verricht, niet meer dan tien per etmaal bedrage.

2°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene vrouw, bestaande in het op den kant zetten en het van de steenplaatsen naar de stapels brengen van de ongebakken steenen, te doen eindigen op zijn laatst te 9 uren des namiddags.

3°. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, voor zooveel betreft die personen beneden zestien jaren en vrouwen, wier arbeid bestaat in het op den kant zetten en het van de steenplaatsen naar de stapels brengen van de ongebakken steenen, en achter wier namen op die lijst is vermeld dat zij dien arbeid verrichten.

Al de voor deze bedrijven toegestane afwijkingen en vrijstellingen gelden alleen voor het tijdvak van 1 April tot 1 November.

X. Verduurzaamde leoenmiddelen of van vruchtensappen.

{Fabrieken van)

1°. Het is vergund in het tydvak van 1 Mei tot 1 November den arbeid van een mannelijken persoon tusschen veertien en zestien jaren en van eene vrouwelijke persoon boven veertien jaren te doen eindigen op zijn laatst te 10 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem ol' haar ten minste een half uur rust worde gegeven.

2°. Wordt vrijstelling verleend voor bet tijdvak van 1 Mei tot 1 November van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, onder voorwaarde, dat op die lijst

ocr page 503

BESL. BEDOELD BIJ AKTT. 5, 7 EN 11 ARBEIDSWET. é73

vermeld worden de tijden, gedurende welke in gewone omstandigheden rust wordt gegeven. ')

XI. Vischrookerijeti, -drogerijen en -zouterijen.

1°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene vrouw, bestaande in werkzaamheden om het bederven van visch te voorkomen of hetgeen daarmede in onmiddellijk verband staat, te doen eindigen op zyn laatst te 10 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vyf uren hem of' baar ten minste een half uur rust worde gegeven.

2quot;. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, voor zooveel betreft die personen beneden zestien jaren en vrouwen, wier arbeid bestaat in werkzaamheden cm het bederven van visch te voorkomen of hetgeen daarmede in onmiddellijk verband staat.

Xi«. Wasch- en hleehinrichtingen. -)

Het is vergund in of voor dit bedrijf, indien het zonder krachtwerktuig wordt uitgeoefend en daarin of daarvoor niet meer dan vijf personen beueden zestien jaren of vrouwen arbeid verrichten, den arbeid van eene vrouw boven zestien jaren te doen eindigen in het tijdvak van 15 September tot 15 Maart op zijn laatst te 8 uren des namiddags en in het tijdvak van 15 Maart tot 15 September op zijn laatst te 9 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vier uren haar ten minste een half uur rust worde gegeven,

XII. Wind- of waterkracht. [InriclUingen gedreven door)

1°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene vrouw te doen eindigen op zijn laatst te 10 ureu des namiddags, voor zoover het gemis van voldoende wind- of waterkracht hem of haar heeft belet in het te 7 uren des namiddags geeindigde etmaal gedurende elf uren arbeid te verrichten, en onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur rust worde gegeven.

2°. Wordt vrystelling verleend van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in art. 11 der svet bedoelde lijst, onder voorwaarde, dat op die lijst vermeld worden de tijden, gedurende welke aan personen beneden zestien jaren en vrouwen in gewone omstandigheden rust wordt gegeven.

XIII. Ijzergieterijen.

Tot 1 Juli 1890 is het vergund den arbeid van een mannelijken

1) Ingevolge K.B. 30 Oct. 1890, Stsbl. no. 158, werd aan het slot van art.l, X een bepaling toegevoegd, die slechts lot 1 Jan. 1892 geldig was en daarom hier niet is opgenomen.

3) De bepaling onder XIo is toegevoegd volgens K.B. 10 Juni 1892, Stsbl. no. 136.

ocr page 504

■47é BESL. BEDOELD BIJ ABTT. 5, 7 EN 11 ARBEIDSWET.

persoon beneden zestien jaren te doen eindigen op zijn laatst te 8 uren des namiddags.

XIV. Zijden nischnetlen. {Fabrieken van)

Tot 1 Juli 1896 is het vergund den arbeid van een mannelijken persoon tusschen veertien en zestien jaren op zoodanige uren te doen aanvangen en te doen eindigen als het bedrijf eischt, onder voorwaarde, indien die uren andere zijn dan de in art. 5, eerste lid, der wet genoemde, dat na een werktijd van ten hoogste 5 uren hun ten minste een half uur rust worde gegeven en dat, waar met afwisselende dag- en nachtploeg wordt gewerkt, dezelfde personen slechts om de andere week in de nachtploeg arbeid verrichten. ')

2. Voor elk bedrijf, waarin werktuigen, toestellen of gereedschappen worden gebruikt, die reiniging behoeven, is het vergund eene meerderjarige vrouw, die geene andere werkzaamheden in of voor dat bedrijf verricht, die voorwerpen te doen reinigen gedurende één uur na het eindigen van de andere werkzaamheden in of voor dat bedrijf, met dien verstande, dat dit reinigen niet plaats hebbe tusschen 10 uren des namiddags en 5 uren des voormiddags.

3. Tot 1 Juli 1890 wordt voor een niet in art. 1 genoemd bedrijf vergund den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene vrouw, voor zoover die daarin op 31 December 1889 arbeid verrichten, op andere dan de in art. 5, eerste lid, der wet bepaalde uren te doen aanvangen en te doen eindigen, en den arbeid van een mannelijken persoon tusschen veertien en zestien jaren op Zondag te doen voortduren tot uiterlijk te 0 uren des voormiddags, indien vooraf ten genoege van Onzen met de uitvoering van de wet belasten Minister, blijkens door dezen afgegeven schriftelijke verklaring, is aangetoond, dat de zorg voor liet levensonderhoud van den betrokken persoon, het jaargetijde in aanmerking genomen, zulks eischt; met dien verstande, dat het aantal uren, gedurende welke door dien persoon arbeid wordt verricht, niet meer dan elf per etmaal bedrage, behoudens het bepaalde bij art. 5, derde lid, der wet.

1) Deze bepaling is aldus gewijzigd bij K.B. van 10 Juni .1893, Stsbl. no. 136.

ocr page 505

BESLUIT

tot vaststelling van eenen algemebnen maatkegel van bestuur, als bedoeld bij ARTIKEL 4, der (ARBEIDS)WET van 5 Mei 1S89 (Staatsblad no. 48.)

(Vastgesteld den loden Juli 1891, Stsbl. no. 147, uitgegeven den 17den Juli d.a.v. Gewyzigd bij K.B. van 11 Aug. 1893, Stsbl. no. 199. Nader bekend gemaakt bij K.B. van 29 Sept. 1892, Stsbl. no. 229, en gewijzigd by K B. van 3 Febr. 1893, Stsbl. no. 47.) 1)

Art. I. Het is verboden in fabrieken en werkplaatsen:

A. een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw:

a. arbeid te doen verrichten aan drijfwerk dat in beweging is, als:

1°. smeren, reinigen, onderzoeken, herstellen;

2°. drijf-riemen, touwen of kettingen inkorten of herstellen;

3°. drijf-riemen, touwen of kettingen opleggen of afnemen, tenzij voor wat drijfriemen betreft, deze niet breeder dan 55 m.M. zijn en het opleggen en afnemen geschiedt zonder dat de daaraan werkzame persoon den vloer verlaat;

b. arbeid te doen verrichten in een werklokaal, waarin niet voldoende beschut gevaarlijk drijfwerk aanwezig is;

Ais niet voldoende bescliut gevaarlijk drijfwerk wordt beschouwd hetgeen als zoodanig door den bevoegden inspecteur van den arbeid is aangewezen.

c. aan in gang zijnde werktuigen arbeid te doen verrichten, welke gevaar kan veroorzaken, als: smeren, reinigen, onderzoeken, herstellen ;

Als arbeid, welke gevaar kan veroorzaken, wordt beschouwd:

1°. die, welke als zoodanig door den bevoegden inspecteur is aangewezen ;

t te 8

2°. die, -welke verricht wordt door personen beneden zestien jaren of door vrouwen, dragende wijde mouwen, hals- of hoofddoeken met loshangende slippen, mutsen met loshangende slippen of banden of losse boezelaars;

1) K.B. 3 ï'ebr. 1893, Stsbl. no. 47, bepaalt dat de uitvoering der Koninkl. besluiten betreffende de Arbeidswet, door het Depart, v. Justitie wordt overgedragen aan het Depart, v. Waterstaat, Handel en Nijverheid.

ocr page 506

BESL. BEDOELD BIJ AUT. 4 ARBEIDSWET.

d. aan in rust zijnde werktuigen arbeid te doen verrichten, welke de vei gevaar kan veroorzaken, als: smeren, reinigen, onderzoeken, herstel- belast leu, zoolang het drijfwerk, waardoor die werktuigen plegen te wor- gegev den in beweging gebracht, nog in gang is. Ou

Dit verbod geldt evenwel niet, indien de werktuigen behoorlijk werk( afgekoppeld of zoodanig vastgezet zijn, dat zij alleen door eene on- ting voorziene omstandigheid in beweging kunnen komen.

Ten aanzien van het afkoppelen en het vastzetten kan de bevoegde inspecteur voorschriften geven, welker niet-inachtneming met niet behoorlijk afkoppelen of niet op de boven omschreven wijze vastzetten wordt gelijk gesteld.

e. arbeid te doen verrichten bij werktuigen, waarvan sommige deelen gevaar kunnen veroorzaken, zooals; tandraderen, spieën, stel-schroeven, krukken, uitstekende zuigerstangen, vliegwielen, laag liggende riemschijven en dryf-riemen en -touwen; bij waterraderen; bij drijfwerken, waarvan de onderkant minder dan 1.60 M. van den werkvloer is verwijderd; bij weefgetouwen, waarvan de spoelen kunnen uitschieten; tenzij een en ander behoorlijk beschut is, voor zoover het bedrijf zulks toelaat, volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur;

f. bij werktuigen, waarvan snijdende, snelloopende of plettende deelen gevaar kunnen veroorzaken, arbeid te doen verrichten, die hem of haar met de gevaar veroorzakende deeleu in aanraking kan doen komen, tenzij die deelen volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur zooveel mogelijk van veiligheidsmiddelen voorzien zijn;

Tot deze werktuigen behooren in de eerste plaats cirkel- en lintzagen, frees-, steek-, schaaf- en snijmachines der houtbewerking;

voorts stroosuijwerktuigen, lompensuijders, papiersnywerktuigen, hakmeswerktuigen, metaalscbaren, duivels (wolven) der spinnerijen, kalanders en walsen en verder die, welke door den bevoegden inspecteur worden aangewezen.

g. arbeid te doen verrichten in een werklokaal, waarin werktuigen worden in beweging gebracht door een krachtwerktuig, tenzij telkens vóór het in gang zetten van dit laatste een in dat werklokaal duidelijk waarneembaar sein worde gegeven;

h. arbeid te doen verrichten in een werklokaal, waar aanwezig is een onder druk werkend en volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur bij ontploffiug gevaar opleverend kook- of ander toestel of droogcilinder, tenzij een of ander op verzoek van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming volgens art. 10, eerste lid, der wet van 28 Mei 1869 [Staatsblad no. 97) door de ambtenaren van het stoomwezen is onderzocht en goedgekeurd en voorts telkens na eene belangrijke herstelling en in elk geval niet langer dan twee jaren nadat het laatste onderzoek heeft plaats gehad, inwendig of op andere wijze onderzocht en opnieuw goedgekeurd is, steeds van

476

ocr page 507

BESL. BEDOELD BIJ ART. 4 ARBEIDSWET.

de vereischte, goed werkende veiligheidsmiddelen voorzien is en de belasting van de veiligheidskleppen in overeenstemming is met de gegeven voorschriften.

Omtrent de wijze van onderzoek, het bewijs van de toegestane werkelijke drukking, de vereischte veiligheidsmiddelen en de belasting van de veiligheidskleppen worden voorschriften gegeven door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

i. arbeid te doen verrichten bij vaste kuipen of bakken, met heete vloeistof of gesmolten metaal gevuld, en bij onbedekte grond-kuipen, die gevaar kunnen veroorzaken en niet door voldoende heiningen of gordingen omschut zijn, alles volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur;

k. arbeid te doen verrichten in overdekte ovens of andere besloten ruimten, waarin de temperatuur meer dan 32° Celsius bedraagt;

I. arbeid te doen verrichten bij, volgens liet oordeel van den bevoegden inspecteur, onvoldoende verlichting van het werklokaal;

Als onvoldoende verlichting van een werklokaal wordt ook beschouwd die door middel van kunstlicht gedurende den tgd tnsschen 9 uren des voormiddags en 3 uren des namiddags, tenzij de bijzondere weersgesteldheid het gebruik van kunstlicht noodzakelijk make.

Door of van wege den Minister met de uitvoering van dit besluit belast, kan voor fabrieken en werkplaatsen, in werking zijnde vóór 1 November 1891, vrijstelling van een of meer der sub e, h en / gestelde voorwaardelijke verbodsbepalingen worden verleend, uiterlijk tot den Isten Mei 1895. gt;)

B. een persoon beneden zestien jaren:

a. als zelfstandige machinist of stoker arbeid te doen verrichten bij krachtwerktuigen of stoomketels;

b. arbeid te doen verrichten bij het vervaardigen of verwerken van ontplofbare stoffen, tenzy volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur zooveel mogelijk maatregelen tegen ontploffing genomen zijn.

II. Het is verboden een persoon beueden zestien jaren of eene vrouw ouderaardschen arbeid te doen verrichten in mijnen.

III. Het is verboden, tenzij met inachtneming van de na te melden voorwaarden, een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw arbeid te doen verrichten;

A. in die gedeelten van fabrieken en werkplaatsen waarin:

1. Kwik-verfoeliesel verwerkt wordt of sublimaat of kwikhou-dende verfstoffen bereid worden;

2. Arsenicumverbindingen bereid worden;

3. Loodwit, loodsuiker, menie of chromaatverfstoffen bereid worden ;

477

4. Zinkwit bereid wordt;

1) Art. I A aldus gewijzigd bij K.B. van 11 Aug. 1892, Stsbl. no. 199.

ocr page 508

BESL. BEDOELD BIJ ART. 4 AKBEIDSWET.

5. Spaansch-groen of Schweinfnrter-groen bereid wordt;

fi. Witte Phosphorus verwerkt wordt;

7. Zwaveligzuur, zwavelkoolstof, kooloxyd, nitreuse dampen, vrije ammoniak, chloor of fluor-waterstof gebruikt wordt of ontstaat;

B. in fabrieken en werkplaatsen of gedeelten daarvan, waarin de dampkringslucht verontreinigd wordt met stof.

Deze fabrieken of werkplaatsen of gedeelten daarvan zgn de volgende:

1. Vlaszwingelarijen.

2. Hennephekelarijen.

3. Jutekaarderijen.

4. Lompensorteerderijen.

5. Kuwmolens.

(i. Viltmakerijcn.

7. Schorsmolens.

8. Kalk-, cement-, tras-, krijtmalerijen en -zeefterijen.

9. Specerij malerijen en -zeefterijen.

10. Slijperijen, langs den drogen weg, van metalen, glas of aardewerk.

11. Bronserijen in letter- en steendrukkerijen.

12. Sigarenmakerijen. ')

13. Lettergieterijen.

14. Letterzetterijen.

IV. ') De in artikel III bedoelde voorwaarden zijn:

a. voor alle in artikel III bedoelde bedrijven;

dat het hoofd of de bestuurder van het bedrijf of de onderneming binnen vier weken na eene daartoe strekkende schriftelijke en ge-dagteekende vordering van den bevoegden inspecteur, dezen eene geneeskundige verklaring vertoone, waaruit blijkt, dat de lichamelijke gesteldheid van den jeugdigen persoon of van de vrouw, bij die vordering aangewezen, niet van dien aard is, dat de arbeid voor hem of voor haar bijzonder gevaar oplevert.

b. voor de sub A van artikel III bedoelde bedrijven;

dat, volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur, zoo noodig na overleg met den geneeskundigen ambtenaar, geen gevaar van vergiftiging bestaat of, indien dit bestaat, daartegen voldoende maatregelen genomen zijn.

c. voor de sub B, n's. 1 tot en met 12, van artikel III genoemde fabrieken of werkplaatsen;

dat, volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur, voldoende maatregelen zijn genomen tot verwijdering of tegen het verspreiden van stof.

d. voor de sub B, ni3. 12 tot en met 14, van artikel III genoemde fabrieken of werkplaatsen;

1) Art. Ill B, no. 13 en art. IV, aldus gewijzigd by KB. van II Aug. 1892, Stsbl. no. 199.

478

ocr page 509

BESL. BEDOELD BIJ ABT. 4 ARBEIDSWET.

1°. dat de werklokalen voor iederen aldaar arbeid verrichtenden persoon ten minste 7 M3 vrije luchtruimte opleveren;

2°. dat de hoogte dezer werklokalen tusschen den vloer en de zoldering ten minste 3 M. bedrage;

3°. dat in deze werklokalen door personen beneden zestien jaren fof door vrouwen niet geschaft worde;

jn de l0- dat de vloeren dezer werklokalen ten minste éénmaal per week geschrobd worden.

e. voor de sub B, nis. 4, 11, 13 en 14, van artikel III genoemde fabrieken of werkplaatsen, dat aldaar binnenshuis, in of zeer nabij de werklokalen, eene volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur goede gelegendheid aanwezig zij, waar de arbeid verrichtende personen zich de handen kunnen wasschen en afdrogen.

Door of van wege den Minister met de uitvoering van dit besluit belast, kan voor fabrieken of werkplaatsen, in werking zijnde vóór 1 November 1891, vrijstelling van een of meer der sub c en sub d, nis. 1, 2 en 3, gestelde voorwaarden worden verleend, voor wat betreft die sub c en sub d, no. 3, uiterlyk tot den Isten Mei 1895.

V. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren als zelfstandige machinist of stoker arbeid te doen verrichten op een locomotief of een stoomschip.

VI. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren arbeid te doen verrichten, bestaande in het trekken, duwen of dragen van een last, welke kenlijk de krachten van dien persoon te boven gaat.

VII. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren arbeid te doen verrichten, bestaande in werkzaamheden tot het uitoefenen van gevaarlijke kunstverrichtingen.

VIII. Indien het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene onderneming aan den bevoegden inspecteur verklaart, bezwaar te hebben tegen een door dezen ingevolge artikel I of IV gedane aan-w^zing, gegeven voorschrift of uitgesproken oordeel, geeft die inspecteur van die aanwijzing, dat voorschrilt of dat oordeel eene schriftelijke en gedagteekende mededeeling aan dat hoofd of dien bestuurder.

Dat hoofd of die bestuurder kan zijne bezwaren binnen veertien dagen schriftelijk inbrengen bij den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Deze stelt het bezwaarschrift met het daarop ingewonnen rapport van den bevoegden inspecteur om advies in handen van de Kamer van Koophandel en Fabrieken in de gemeente waar de fabriek of werkplaats is gelegen, en bij gebreke van zoodanig college in handen van burgemeester en wethouders dier gemeente.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid beslist daarna of en in hoever de ingebrachte bezwaren gegrond zijn. Worden zij geheel of gedeeltelijk gegrond bevonden, dan treedt 's Ministers beslissing in de plaats van de aanwijzing, het voorschrift of het oordeel van den inspecteur.

479

ocr page 510

480 BESL. BEDOELD BIJ ART. 4 ARBEIDSWET.

Van 's Ministers beslissing wordt afschrift gezonden aan het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming.

Gedurende den termijn van veertien dagen, gesteld in het tweede lid van dit artikel, en, indien een bezwaarschrift, als daar bedoeld, is ingebracht, zoolang niet aan het vorige lid van dit artikel is voldaan, volgt uit de aanwijzing, het voorselirift of het oordeel van den inspecteur geenerlei verplichting voor het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming. ')

IX. V oor de toepassing van dit besluit ten aanzien van de Rijks-werkplaatsen en -fabrieken wordt hetgeen daarbij is opgedragen of overgelaten aan den bevoegden inspecteur, geacht te zijn opgedragen of overgelaten aan den ingevolge het laatste lid van artikel 18 der wet van 5 Mei 1889 {Staatsblad no. 48) door het hoofd van het betrokken Departement van Algemeen Bestuur aangewezen ambtenaar.

1) Art. VIII aldus gewijzigd bij K.B. v. 11 Aug. 1892j Stsbl. uo. 199.

ocr page 511

WET,

REGELENDE HET TüEZIGT OP HET GEBRUIK VAN STOOMSÏOESTELLEN.

(Vastgesteld den 28sten Mei 1869, Stsbl. no. 97, uitgegeven den 4den Junij d.a.v. Gewyzigd b\i de wet van 15 ipril 1886, Stsbl. no. 64.)

TITEL I.

VAN VERGUNNING TOT HET IN WERKING BRENGEN VAN STOOMTOESTELLEN.

Art. I. Het is niemand geoorloofd een stoomltetel, onverschillig tot welk einde, in werking te brengen, zonder voorafgaande vergunning van of namens Onzen Minister van Binnenlandsohe Zaken. ')

IEen stoomketel is elke toestel, ingerigt om uit eenige vloeistof stoom voort te brengen, die tegen de wanden eene grootere drukking dan die van den dampkring uitoefent.Een stoomketel is elke toestel, ingerigt om uit eenige vloeistof stoom voort te brengen, die tegen de wanden eene grootere drukking dan die van den dampkring uitoefent.

Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bepaald, welke opgaven de aanvrage van den belanghebbende moet bevatten. (K.B. art. 1.) 1)

2. De vergunning wordt niet verleend, dan nadat de stoomketel van regeringswege is beproefd en de veiligheidstoestellen waarvan hij voorzien is, zijn onderzocht.

De wijze der beproeving wordt door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld. (K.B. 3, 4.)

3. Door Ons worden benoemd de ambtenaren, belast met het toe-zigt en de beproeving van stoomketels, alsmede de leden der commissie, aan welke, in de gevallen bij deze wet aangewezen, handelingen en uitspraken van gemelde ambtenaren ter beoordeeling worden onderworpen. (K.B. 5, 6.)

4. Deze commissie bestaat uit vijf leden, van welke één, door Ons aan te wijzen, het voorzitterschap bekleedt.

loofd

reede oeld, ;el is 1 van tuur-

n de ;dra-zijn van ■ het aan-

1

Het Kon. besl. in deze wet aangehaald, is dat van 24 Sept. 1869, Stsbl. no. 154, achter deze wet gedrukt.

STAATSWETTEN. 31 a

ocr page 512

WEI OP HET GEBRUIK VAN STOOMTOESTELLES.

De leden treden, volgens een door Ons vast te stellen rooster, om de vijf jaren af, maar zijn op nieuw benoembaar.

5. De leden der commissie, alsmede de ambtenaren in art. 3 bedoeld, leggen bij de aanvaarding hunner bediening, eerstgenoemden in handen van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, laatstgenoemden in handen van Onzen Commissaris in de provincie, waar zij krachtens hunne aanstelling verblijf houden, den eed of de belofte af, dat zij de pligteu hunner bediening getrouw zullen vervullen.

6. De gebruikers van den stoomketel stellen ter beschikking van den beproevenden ambtenaar zoowel de werklieden als de werktuigen, die voor de beproeving noodig zijn. Zij zelve, alsmede één of twee door hen aan te wijzen personen, zijn bevoegd bij de beproeving tegenwoordig te zijn. (244.)

Onder gebruikers van een stoomketel worden verstaan zij, die het bestuur uitoefenen over het bedrijf of de inrigting, waarbij de stoomketel gebruikt wordt. Strekt dit toestel, waartoe de ketel behoort, uitsluitend tot huiselijk gebruik, zoo wordt het hoofd van het gezin voor den gebruiker gehouden.

7. De nadeelige gevolgen eener beproeving zijn voor rekening van den eigenaar van den stoomketel, ten ware die beproeving niet met het noodige beleid zij bestuurd. In het laatste geval wordt de schade uit 's Eijks schatkist vergoed.

8. De vergunning wordt geweigerd;

a. wanneer de beproeving van den stoomketel onvoldoende uitkomsten heeft opgeleverd; (K.B. 5.)

b. wanneer de stoomketel niet is voorzien van de veiligheidstoestellen, gevorderd door de verordeningen, krachtens deze wet uitgevaardigd. (K.B. Ilde Hoofdstuk.)

Heeft het onderzoek een dezer gebreken aangetoond, dan deelt de ambtenaar zijn aan den Minister in te zenden verslag te gelijk in afschrift aan den belanghebbende mede. Deze kan daartegen binnen veertien dagen zijne bezwaren bij den Minister indienen. Geschiedt dit, dan stelt de Minister de zaak in handen van de in art. 3 bedoelde commissie, die één of meer leden tot het doen van een nieuw onderzoek of beproeving aanwijst.

De gebruikers van een ketel dragen de kosten van dit onderzoek of beproeving, zoo de commissie in haar verslag aan den Minister, 't welk den belanghebbende in afschrift medegedeeld wordt, de ingediende bezwaren ongegrond verklaart. Deze kosten worden berekend naar een door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vast te stellen tarief.

Op de beproevingen der commissie zgn de artt. 6 en 7 dezer wet van toepassing.

9. Elke beschikking op aanvragen om vergunning of herhaling van onderzoek wordt den belanghebbende binnen den kortsten tijd schriftelijk en kosteloos medegedeeld.

482

ocr page 513

WET OP HET GEBRUIK VAN STOOMTOESTELLEN.

10. Wanneer de gebruikers van een stoomtoestel aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken schriftelijk hun verlangen te kennen geven, dat buiten den ketel met toebehooren eenig ander deel van hun toestel door een der in art. 3 vermelde ambtenaren onderzocht of beproefd worde, geeft de Minister daartoe last.

De kosten van dit onderzoek of van deze beproeving, te berekenen naar een door gemelden Minister vast te stellen tarief, worden door de gebruikers gedragen.

11. In het belang der publieke veiligheid worden door Ons, bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bepalingen vastgesteld omtrent:

a. de veiligheidstoestellen, waarvan de stoomketels voorzien moeten zijn; (K.B. Ilde Hoofdstuk.)

b. de regelen, die bij het gebruik van stoomketels in acht genomen moeten worden; (K.B. lilde Hoofdstuk.)

e. de wijze, waarop het ruim, in hetwelk de stoomketels der stoomvaartuigen geplaatst zijn, ingerigt moet wezen. (K.B. 18, 32, 36, 37, 53, 50.)

TITEL XL

VAN HET TOEZIGT OP DE IN GEBRUIK ZIJNDE STOOMTOESTELLEN.

Art. 12. Alle in gebruik zijnde stoomketels met toebehooren blijven aan een voortdurend toezigt van Regeringswege onderworpen.

Het toebehooren van een stoomketel omvat den vuurhaard, de rook-en vunrgangen, de veiligheidstoestellen en al wat dient om gelijkmatigheid in de werking des ketels te verzekeren.

13. Het toezigt, vermeld in art. 12, wordt, naar regelen, bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur door Ons overeenkomstig deze wet vast te stellen, uitgeoefend door de ambtenaren, bedoeld in art. 3. (K.B. 43 volg.)

14. De in art. 3 bedoelde ambtenaren hebben ten allen tijde vrijen toegang tot de plaatsen, waarde stoomketels en toebehooren zich bevinden.

Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien, des noods met inroeping van den sterken arm.

Zijn de stoomketels of hun toebehooren enkel door eene woning toegankelijk, dan is de ambtenaar bevoegd die woning, ook ondanks de bewoners, binnen te treden, mits voorzien van een schriftelijken last van den burgemeester, en in het bijzijn van den kantonregter, of van een der leden van het gemeentebestuur, of van een commissaris van politie.

Door hem, die krachtens de bepaling van het voorgaande lid bij het binnentreden tegenwoordig is geweest, wordt binnen twee maal 24 uren proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezeten, wiens woning is binnengetreden, in alschrift medegedeeld. (G. 158; 24c.)

STAATSWETTEN. 31

483

ocr page 514

WET OP HET GEBRUIK VAN STOOMTOESTELLE».

15. De in art. 3 bedoelde ambtenaren zijn op de wijze, in de gevallen en onder de waarborgen, bij den maatregel van bestnnr van art. 13 te omschrijven, bevoegd de stoomtoestellen op nieuw te onderzoeken en de ketels te beproeven. (K.B. 43, volg.)

Zij kunnen gelasten, zoo zij het voor het onderzoek noodig achten, dat het metselwerk van een ingemetselden ketel geheel of gedeeltelijk worde weggenomen.

Zy zgn bevoegd alle door hen noodig geachte inlichtingen en opgaven betreffende de stoomtoestellen te vragen. De gebruikers der toestellen voldoen terstond aan die aanvraag. (24rf, g.)

16. Indien de gebruikers van een stoomketel, in strijd met de meening hun door den dienstdoenden ambtenaar te kennen gegeven, vermeenen, dat er geen voldoende reden bestaat, hetzij voor een bui-tentyds in te stellen beproeving of onderzoek, bij welke de ketel buiten werking moet worden gesteld, hetzij voor het geheel of gedeeltelik wegnemen van het metselwerk van den ingemetselden ketel, geven zij van hunne bezwaren schriftelijk kennis aan den ambtenaar. (K.B. 46.)

Deze zendt het bezwaarschrift onmiddellijk aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, die de zaak stelt in handen van de in art. 3 vermelde commissie.

De oommissie wijst daarop drie harer leden aan tot het doen van een plaatselyk onderzoek.

Blijkt uit het door de commissie aan den Minister in te dienen verslag, hetwelk den belanghebbende in afschrift wordt medegedeeld, het ongegronde van het bezwaarschrift, dan gelast de Minister, dat tot de handeling, waartegen bezwaar was gemaakt, zal worden overgegaan. In dit geval is het voorlaatste lid van art. 8 van toepassing.

Indien uit het onderzoek blijkt, dat de onderzochte voorwerpen in goeden toestand waren, zijn de kosten van herstel voor rekening van den Staat.

17. Indien de ambtenaar by het onderzoek van een ketel en diens toebehooren bevindt dat de verordeningen, onder a, b of c van art. 11 vermeld, niet zyn opgevolgd, maakt hy daarvan proces-verbaal op, hetwelk hij onverwyid aan den officier van justitie in het arrondissement zendt.

Kan het verdere gebruik van den toestel dadeiyk gevaar opleveren, zoo brengt hij zulks ter kennis van den burgemeester, die door verzegeling zorgt, dat de toestel onmiddeliyk buiten dienst gesteld worde.

Op schrifteiyke aanvrage van den belanghebbende draagt de Minister een nieuw onderzoek of beproeving op aan de in art. 3 vermelde commissie, die daartoe drie harer leden aanwyst. De kosten van dit onderzoek of beproeving zijn, volgens het voorlaatste lid van art. 8, ten laste van den gebruiker van den toestel, indien de commissie het oordeel van den ambtenaar bevestigt.

484

ocr page 515

WET OP HET GEBRUIK VAN STOOMIOESTELLEN.

De artt. 6 en 7 zijn van toepassing op de onderzoekingen of beproevingen, vermeld in dit en de beide vorige artikelen.

18. Van elke ontploffing van een stoomketel geven de gebruikers binnen vier en twintig uren kennis aan den burgemeester.

Heeft de ontploffing plaats gehad aan boord van een stoomvaar-tnig in zee of in een binnenwater, zoo geschiedt de kennisgeving in het eerste geval aan den burgemeester van de eerste Nederlandsche havenplaats, waar het vaartuig binnenloopt, en in het tweede geval aan den burgemeester der gemeente, waarin het vaartuig het eerst stil houdt. (2tó, 31.)

19. Is door de ontploffing aan den persoon of de goederen van een derde schade gedaan, dan brengt, de burgemeester, onverschillig of hij de mededeeling ontvangen hebbe dan niet, het gebeurde binnen zoo korten tijd als mogelijk, ter kennis van den ambtenaar, belast-met het toezigt in de provincie. (25, 31.)

Door dezen wordt ten spoedigste een onderzoek ter plaatse ingesteld.

20. Het onderzoek heeft voornamelijk ten doel te bepakn:

1°. of de ontploffing aan een onvermijdelijk toeval te wijten zij;

2°. of de gebruikers van den stoomketel zich aan verzuim, nalatigheid of' niet-inachtneming der verordeningen omtrent het gebruik van stoomketels hebben schuldig gemaakt. (24z, 31.)

21. Van dit onderzoek wordt door den ambtenaar op zijn ambtseed proces-verbaal opgemaakt, bevattende zoo mogelijk, eene duidelijke en bepaalde verklaring de oorzaak omtrent van het ongeluk. (31.)

Afschrift van dit proces-verbaal wordt onmiddellijk aan den officier van justitie van het arrondissement gezonden, en is voor iederen belanghebbende te zijnen koste op aanvrage verkrijgbaar.

22. De burgemeester zorgt dat, zoolang het onderzoek van den ambtenaar niet is afgeloopen, ter plaatse waar het ongeluk is voorgevallen, alles, tenzij hij oordeele, dat daaruit gevaar kunne rijzen, in onveranderden toestand blijve. (25, 31.)

23. De uit het burgerlijk regt voortvloeiende verantwoordelijkheid voor de schade aan personen of goederen, veroorzaakt door de ontploffing of eenig ander ongeval van een stoomketel rust:

а. zoo de toestel dient voor een bedrijf, op hen voor wier rekening het gevoerd wordt; (26.)

б. zoo de toestel dient tot huiselijk gebruik, op het hoofd van het gezin;

c. zoo de toestel tot wetenschappelijke onderzoekingen dient, op hem, door wien de onderzoekingen verrigt worden;

d. zoc de toestel onder het beheer staat van een departement van algemeen bestuur, op den Staat; van een provinciaal bestuur, op de provincie; van een gemeentebestuur, op de gemeente; van een waterschap, op het waterschap; van regenten van een gesticht, op het gesticht. (B. W. 1401, 1405; 31.)

485

31*

ocr page 516

WET OP HET GEBRUIK VAN STOOMTOESTELLEN.

TITEL III. i)

STRAFBEPALINGEN.

Art. 24. De gebruikers van een stoomketel worden gestraft:

a. zoo zij een stoomketel in werking brengen, zonder de in art. 1 bedoelde vergunning verkregen te hebben, met eene boete van vijftig cents tot drie honderd gulden of hechtenis van één tot dertig dagen.

b—d. Afgeschaft. Zie thans art. 184 Wetb. v. Strafrecht.

e. zoo hun stoomketel op het tijdstip, waarop een nieuw onderzoek of eene nieuwe beproeving moet plaats hebben, in een daarvoor niet gescbikten toestand verkeert, met eene boete van vijftig cents tot honderd gulden;

/mg. Afgeschaft. Zie thans art. 184 Wetb. v. Strafrecht.

h. zoo zij niet binnen den termijn, in art. 18 bepaald, aan den burgemeester kennis van de ontploffing van hunnen stoomketel geven, met eene boete van vijftig cents tot drie honderd gulden of hechtenis van één tot dertig dagen;

i. Afgeschaft. Zie thans art. 158 Wetb. v. Strafrecht.

25. Afgeschaft. Zie thans artt. 200 en 184 Wetb. v. Strafrecht.

26. De bediende, die op uitdmkkelijken last van zijnen meester, gebruiker van een stoomketel, een der strafbare feiten begaat, in deze wet omschreven, wordt niet gestraft. De straf, op die strafbare feiten gesteld, wordt den lastgever opgelegd.

27. Wanneer tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald, kunnen de boete en straf van hechtenis worden verdubbeld.

28. Afgeschaft.

29. Met het opsporen van de overtredingen dezer wel en der verordeningen, door Ons, krachtens deze wet, uit te vaardigen, zijn mede belast alle ambtenaren, bevoegd tot het opsporen van strafbare feiten.

TITEL IV.

UITZONDERINGEN EN O V E K G A N (5 SB E P A LI N G E N.

Art. 30. Deze wet is niet van toepassing op de locomotieven van spoorwegen, waarvan het gebruik geregeld blijft door de wet van den Sisten Augustus 1859 (Staatsblad no. 98) en de krachtens die wet uitgevaardigde verordeningen.

31. Deze wet is mede niet van toepassing op oorlogschepen.

1) Titel III aldus gewyzigd by art. 3, art. 10 uo, 25 en art. 11 der wet ran 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

486

ocr page 517

WEI OP HET GEBRUIK TAN STOOMTOESTELLEN.

Met mtzondering van de artt. 18, 19, 20, 21, 22 en 23, is deze wet mede niet van toepassing by:

a. Stoomketels, uitsluitend dienende tot huiselijk gebruik, en waarvan de inhoud vermenigvuldigd met de drukking, die de stoom tegen de wanden uitoefent, niet overschrijdt eene grens, door Ons by alge-meenen maatregel van inwendig bestuur aan te geven. (KB. 51.)

b. Stoomtoestellen, uitsluitend dienende tot wetenschappelijke onderzoekingen. (23c.)

Onder stoomtoestel wordt verstaan elke toestel, waarin stoom voorhanden is, die tegen de wanden eene grootere drukking dan die van den dampkring uitoefent. (2A.)

c. Stoomketels, onder het beheer van een der departementen van algemeen bestuur gesteld.

d. Stoomketels vau vreemde stoomvaartuigen, wanneer de reizigers aan boord niet uitsluitend van eene plaats in Nederland naar eene andere plaats, mede in Nederland gelegen, vervoerd worden, en de gebruikers van het vaartuig bewijzen, dat voldaan is aan de bepalingen omtrent het stoomwezen, van kracht in het land, waar het vaartuig te huis behoort.

32. Den gebruikers van stoomketels, die, op het tijdstip van het in werking treden dezer wet, in het bezit zijn van akten van vergunning tot gebruik dier ketels, wordt, om deze overeenkomstig de bepalingen vermeld onder a van art. 11 in te rigten, een termijn verleend van een jaar, te rekenen van het tijdstip van de nitvaardi-

fing dier bepalingen. Tot zoolang blijft het Koninklijk besluit van en 26sten September 1833ing dier bepalingen. Tot zoolang blijft het Koninklijk besluit van en 26sten September 1833 [Staatsblad no. 58) op die ketels van toepassing.

i)e voormelde gebruikers blijven overigens de bevoegdheid behouden om, met inachtneming van het eerste lid van dit artikel, hunne ketels te gebruiken onder de voorwaarden, uitgedrukt in hunne akten van vergunning.

33. Een termijn van twee jaren wordt, onder dezelfde voorwaarden, verleend aan de gebruikers van stoomvaartuigen, om het ruim, in hetwelk de stoomketels geplaatst zijn, in te rigten overeenkomstig de bepalingen vermeld onder c van art. 11.

34. Deze wet treedt in werking op den Isten October 1869.

487

ocr page 518

BESLUIT

TOT UITVOERING DER WET VAN 28 MEI 1869 (STAATSBLAD No. 97), REGELENDE HET TOEZIGT OP HET GEBRUIK VAN STOOMTOESTELLEN.

(Vastgesteld den 24sten September 1869, Stsbi. no. 154-, uitgegeven den 253teu Sept. d.a v. Gewijzigd bij Besluiten van (23 Augustus 1870, Stsbl. no. 155); 30 Januarjj 1873, Stsbl. no. 25; 12 Sept, 1873, Stsbl. no. 128; 26 February 1876, Stsbl. no. 44; 19 November 1876,

Stsbl. no. 232; 4 December 1877, Stsbl. no. 199.)

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE VERGUNNING TOT HET IN WEKKING BRENGEN VAN STOOMKETELS.

Art. t. Ieder, die de vergunning tot het in werking brengen van een stoomketel wenscht te verkrijgen, wendt zich met eene schrifte-lijke aanvraag tot Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken. ')

Deze aanvraag behelst eene opgaaf van:

a. den naam en de woonplaats van den vervaardiger;

b. de zelfstandigheid waaruit de ketel, benevens de kookhuizen, vnurgangen en vlampijpen vervaardigd zijn;

c. den vorm, de afmetingen en de wanddikte van den ketel en van de onder b genoemde deelen;

d. de uitgestrektheid van het oppervlak dat verhit zal worden;

e. de veiligheidskleppen en hare afmetingen;

f. de toestellen, dienende om het waterpeil waar te nemen en op de behoorlijke hoogte te houden;

g. de toestellen, dienende om een ontstaan watergebrek aan te kondigen;

h. de grootste werkelijke drukking, uitgedrukt in kilogrammen op den vierkanten centimeter, die men voornemens is den stoom in den ketel te laten uitoefenen.

1) Lees hier en verder in dit Besluit voor Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken: Onzen Minister van Waterstaat, Handelen Ny verheid. Zie noot 1 by art. 1 der Wet Stoomtoestellen, blz. 481.

ocr page 519

BESL. OP HET GEBRUIK V. STOOMTOESTELLEN. 489

De werkelijke drukking is het verschil tusschen de drukking, welke door den stoom en die, welke door den dampkring tegen de wanden van den ketel wordt uitgeoefend.

2. De stoomketels worden beproefd ter plaatse door de belanghebbenden opgegeven.

De eerste beproeving geschiedt voor dat de ketels ingemetseld of op eene andere wijze bekleed zijn.

3. De beproeving geschiedt onder eene werkelijke drukking, die een veelvoud is der grootste werkelijke drukking, waaronder men den stoom zal laten werken.

Bij de eerste beproeving is dit veelvoud:

a. anderhalf voor pijpketels, volgens de methode van Belleville vervaardigd;

b. twee voor gewone pijpketels, zoo zij geplaatst zijn op stoom-vaartuigen voor het vervoer van reizigers bestemd, anderhalf in de overige gevallen;

c. twee voor gewone ketels.

Echter zal in geen geval het verschil tusschen de werkelijke drukking, waaronder de ketel beproefd wordt, en die, waaronder hij zal werken, minder zijn dan een half kilogram op den vierkanten centimeter, noch grooter dan vier kilogrammen voor de ketels, vermeld onder a en 4, en zes kilogrammen voor die, vermeld onder c.

4. De beproevingen geschieden door middel van waterpersing. Zij duren zoo lang als noodig is om de verschillende deelen van den ketel behoorlek te kunnen onderzoeken.

5. De met de beproeving belaste ambtenaren zgn bevoegd de uitkomst der beproeving onvoldoend te verklaren, zoo de ketel gedurende de beproeving eene zigtbare vervorming heeft ondergaan, zoo de toestel na de beproeving zijne vorige afmetingen niet heeft herkregen, of zoo er anders belangrijke gebreken aan den dag zijn gekomen.

6. Is de beproeving gunstig afgeloopen, zoo stempelt de dienstdoende ambtenaar de aan den ketel vastgehechte metalen plaat, waarop gegraveerd zijn de cijfers, die aanwezen de grootste werkelijke drukking in kilogrammen op den vierkanten centimeter, waaronder de ketel zal werken, alsmede het jaartal der eerste beproeving.

Hetgeen verder op die plaat en het stempelen er van betrekking heeft, wordt door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken bij al-gemeene instructie geregeld.

7. Zijn daarenboven de veiligheidstoestellen in behoorlijke orde bevonden, zoo wordt door den dienstdoenden ambtenaar aan den gebruiker, namens Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, eene voorloopige akte van vergunning uitgereikt.

8. Kan hetgeen gebleken is aan den ketel te ontbreken geen da-

ocr page 520

é90 BESL. OP HET GEBRUIK V. STOOMTOBSTELLEN.

delyk gevaar opleveren, zoo is de voornoemde ambtenaar bevoegd, namens Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, eene tijdelijke voorwaardelijke akte van vergunning nit te reiken. Deze akte vermeldt den termijn, binnen welken aan de gestelde voorwaarden voldaan, en het berigt daarvan door den gebruiker aan den genoemden ambtenaar moet zijn medegedeeld.

9. In de door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken uit te reiken akte van vergunning wordt vermeld:

a. de naam en woonplaats van den persoon aan wien de akte is uitgereikt;

b. de vorm en de afmetingen van den ketel;

c. de uitgestrektheid van het verwarmingsoppervlak;

d. het aantal en de voornaamste afmetingen van de veiligheidstoestellen waarvan de ketel voorzien is;

e. de grootste drukking, uitgedrukt in kilogrammen op den vierkanten centimeter, die op de veiligheidskleppen mag worden uitgeoefend, en zoo de ketel van eene opene veiligheidsbuis voorzien is, de overeenkomstig de belasting der veiligheidskleppen te berekenen vertikale afstand tusschen de bovenste opening der buis en den gemiddelden waterstand in den ketel;

f. of Onze voormelde Minister al dan niet de artt. 35 en 55 van dit besluit heeft toegepast, en zoo ja, in hoeverre.

(0. Hij, die tijdelijk in werking wenscht te brengen een aan een derde toebehoorenden vervoerbaren stoomtoestel (locomobile), waarvan de ketel vroeger beproefd en goedgekeurd is, geeft daarvan kennis aan den burgemeester der gemeente, waarin de toestel zal werken. Deze verleent den belanghebbende namens Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken eene tijdelijke vergunning, zoo:

a. hem is overgelegd een getuigschrift, afgegeven door den ambtenaar, die den toestel het laatst heeft onderzocht, en houdende de verklaring dat de ketel bij dit onderzoek in orde is bevonden;

b. het bedoelde onderzoek niet langer dan één jaar geleden heeft plaats gehad; (43.)

c. op den toestel is aangebragt eene plaat, waarop op eene zigtbare wijze den naam van den eigenaar en, zoo deze meer soortgelijke toestellen bezit, een volgnummer gegraveerd zijn. (6.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE VEILIGHElDSTOESTELLEgt;f. (Wet llc.)

Art. II. Elke stoomketel is voorzien van minstens twee veiligheidskleppen of van ééne veiligheidsklep en ééne aan beide uiteinden opene veiligheidsbuis. (19.)

De veiligheidskleppen worden op den ketel zeiven of op den stoom-houder aangebragt.

ocr page 521

BESL. OP HEI GEBRUIK V. STOOMTOESTELLEK. 49 i

De veiligheidsbnis strekt zich uit tot tien centimeters beneden den gemiddelden waterstand.

12. De kleinste waarde, te nemen voor de middellijnen van de openingen der kleppen en veiligheidsbnizen, wordt berekend volgens de formule:

c?= 2.6 1/-

p -j- 0.621 kte is waarin voorgesteld wordt door:

d. de middellijn in centimeters;

p. de werkelijke drukking in kilogrammen op den vierkanten centimeter;

leids- w. het verwarmingsoppervlak in vierkante meters, waaronder, met uitsluiting der van den ketel afgescheiden toestellen, dienende vier- tot het oververhitten van den stoom, gerekend wordt te behoo-

litge- ren al het oppervlak, dat met de producten der verbranding

bh is, in aanraking komt.

:enen De bovengenoemde middellijn zal echter nooit kleiner dan twee q ge- centimeters kunnen zijn, en zal voor eene werkelijke drukking, groo-

ter dan zes, niet kleiner dan voor zes mogen zijn. ') • van 13. Zijn aan een stoomketel meer dan twee veiligheidskleppen voorbanden, zoo is de som van de gezamenlijke doorsneden der kiep-i een openingen minstens gelijk aan de som van de doorsneden, die de raar- openingen moeten hebben, wanneer slechts twee veiligheidskleppen ken- aanwezig zijn. (11.)

rken. 14. Voor ketels, die eenen gemeenschappelijken stoomhouder heb-van ben, niet afzonderlijk gebruikt kunnen worden en toereikende gemeenschap hebben, zyn twee veiligheidskleppen voldoende. De door-imb- snede der klepopeningen wordt alsdan volgens het gezamenlijk ver-Ie de warmingsoppervlak der ketels berekend.

15. De zittingen of randen der kleppen zijn vlak en uit een doeltreffend metaal of metaalallooi vervaardigd.

De breedte der zittingen bedraagt hoogstens het twintigste gedeelte van de middellijn der openingen, doch mag in geen geval vier millimeters overschrijden,

16. -) De veiligheidskleppen der stoomketels worden door ge-wigten gedrukt hetzij regtstreeks, hetzij door middel van een hefboom.

Wordt eene klep door meer dan een gewigt gedrukt, dan hebben die gewigten den vorm van schijven met gelijke middellijn.

De lange arm van dezen hefboom is hoogstens zes malen langer dan de andere.

Bij het berekenen van de op de kleppen aan te brengen drukking

1) Deze alinea aldus vastgesteld by K.B. van 13 Sept. 1873, Stsbl. no. 128. 3) Art. 16 aldus gewyzigd by K.B. van 4 December 1877, Stsbl. no. 199.

ocr page 522

492 BESL. OP HET GEBRUIK V. STOOMTOESTELLEN.

wordt voor de middellyn der opening de werkelijke, met twee millimeters vergroot, aangenomen.

Uitzonderingen ten opzigte der belasting met gewigten zijn toege laten:

a. voor locomotieven, stoomwerktuigen van zeestoomschepen en stoombrandspuiten, bij welke het geoorloofd is de veiligheidskleppen, onder door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te bepalen voorwaarden, regtstreeks door middel van veren te drukken;

b. voor vervoerbare stoomwerktuigen (locomobielen), bij welke één der veiligheidskleppen door middel van eene veer, doch niet regtstreeks, mag worden gedrukt. (21.)

17. Een der kleppen is afgesloten en alleen voor deu gebruiker van den ketel toegankelijk. De doorsnede dier klep voldoet altijd aan de bepalingen van art. 12.

Die toestel is zoodanig ingerigt, dat de stoker de klep gemakkelijk kan opliglen.

18. Al de veiligheidskleppen zijn zoodanig op den ketel geplaatst, dat zij gemakkelijk, wanneer de ketel in werking is, onderzocht kun nen worden.

19. Voor ketels die niet met een stoomtoestel verbonden zijn, waarvan de inhoud kleiner is dan zes honderd kubieke decimeters, en waarin de werkelijke drukking van den stoom niet meer bedraagt dan een half kilogram op den vierkanten centimeter, is ééne veiligheidsklep of veiligheidsbuis voldoende. Artikel 17 is alsdan niet van toepassing. (11.)

20. De kleppen zijn zoodanig ingerigt, dat zij zich gemakkelijk kunnen bewegen.

Worden de kleppen door middel van veren gedrukt, dan is de werking dezer veren zoodanig, dat de kleppen minstens vier millimeters kunnen stijgen en twee millimeters opgeligt kunnen worden, vóór dat de spanning der veren met één kilogram op den vierkanten centimeter toenerae.

Geschiedt de drukking door gewigten, dan moeten de kleppen opgeligt kunnen worden tot eene hoogte, minstens gelijk aan een vierde van de middellijn der opening.

21. Het is niet geoorloofd bij veiligheidskleppen gebruik te maken van gewigten, veren of hefboomen, die niet door een ambtenaar, met het toezigt belast, zijn onderzocht en overeenkomstig hetgeen in de akte van vergunning wordt vermeld, zijn goedgekeurd.

22. Is er aan een stoomketel geen opene veiligheidsbuis aanwezig en bedraagt de grootste werkelijke arukking door den stoom uit te oefenen niet meer dan een half kilogram op den vierkanten centimeter, dan is de ketel voorzien van een luchtklep of anderen toestel, waardoor de buitenlucht toegang tot den toestel verkrijgt,

ocr page 523

BESL. OP HET GEBUUIK V. STOOMTOESTELLEN. 4Ö3

zoodra de drukking van den stoom kleiner dan ééne atmospheer geworden is.

23. Elke ketel is voorzien van een manometer, die de drukking van den stoom duidelijk en juist aanwijst.

Die toestel moet minstens een halve dampkringsdrukking voor kwikmanometers en eene dampkringsdrukking voor metallieke manometers meer kunnen aanwijzen dan de drukking, welke beantwoordt aan de in de akte van vergunning toegestane hoogste belasting der veiligheidskleppen.

De manometer is regtstreeks met den ketel verbonden. Het is niet geoorloofd hem aan te brengen aan eene buis, waardoor stoom wordt afgevoerd.

De manometer wordt zoo geplaatst, dat de stoker hem gemakkelijk kan raadplegen.

Het notnmer der schaal, dat door den wijzer niet mag worden overschreden, is duidelijk gemerkt. De manometer moet door een ambtenaar, met het toezigt belast, zijn onderzocht en goedgekeurd.

Heeft een vroeger goedgekeurde manometer opgehouden de drukking van den stoom juist aan te wijzen, zoo is de ambtenaar, met het toezigt belast, bevoegd de vervanging er van te gelasten. (43 volg.)

24. Is de aanwezige manometer geen opene kwikmanometer, dan is de ketel of de manometer voorzien van eene kraan met flens, waardoor een manometer van den dienstdoenden ambtenaar met den ketel in verbinding gesteld kan worden.

25. Voor ketels, die eenen gemeenschappelijken stoomhouder hebben, niet afzonderlijk gebruikt kunnen worden en toereikende gemeenschap hebben, is één manometer voldoende.

26. Er wordt geen manometer vereischt voor ketels, die van eene opene veiligheidsbuis voorzien zijn.

Artikel 24 is alsdan niet van toepassing.

27. Elke ketel is voorzien:

a. van een waterpeilglas met doorblaaskranen;

b. van twee proef kranen;

c. van een zelfwerkend middel, waardoor watergebrek in den ketel onafhankelijk van eenige onderstelde oplettendheid van den stoker of machinist wordt kenbaar gemaakt. Daartoe kan onder anderen dienen eene stoomfluit door eene waterflotter werkende, of, zoo de inrigting van den ketel zulks toelaat, een prop waarin zich een metaal of allooi bevindt, dat bij eene bepaalde temperatuur smelt en daardoor den stoom een voldoenden uitgang verschaft.

Heeft de ketel inwendige vuringen, zoo is in eiken vuurgang zoodanige prop aanwezig.

28. Het onder b in het voorgaand artikel voorgeschrevene is, zoo de prop, onder c van hetzelfde artikel vermeld, aanwezig is, niet van

ocr page 524

494 BESL. OP HET GEBRUIK V. STOOMTOESTELLEN.

toepassing op stoomketels, waarvan de inbond niet grooter dan zes honderd kubieke decimeters is.

29. Het hoogste punt van den ketel, vuurgangen, vlamkast of vlampijpen, dat met de producten der verbranding in aanraking komt, is op het voorste gedeelte van den ketel door eene sterk gekleurde lijn aangegeven.

30. De onder c in art. 27 vermelde prop wordt op de hoogte der in het voorgaand artikel vermelde lijn aangebragt.

Heeft de ketel inwendige vuriugen, zoo wordt de prop, die in el-ken vuurgang aanwezig is, op het hoogste punt er van aangebragt.

31. Alle stoomketels zijn met minstens een zelfwerkend voedingstoestel verbonden.

Deze bepaling is niet van toepassing op stoomketels, waarvan het verwarraingsoppervlak minder dan vijf vierkante meters bedraagt. Voor die ketels is eene handperspomp voldoende.

32. Ketels, op stoomvaartuigen geplaatst, zgn met minstens twee der in het voorgaand artikel genoemde toestellen verbonden. Een er van moei, wanneer het werktuig stil staat, in werking kunnen blijven. Ook moet een dier toestellen, tenzij er een afzonderlijke handperspomp aanwezig zij, met de hand gedreven kunnen worden.

Is bet verwarmingsoppervlak der in dit artikel bedoelde ketels minder dan vijf vierkante meters, zoo zijn een zelfwerkende toestel, die, wanneer het werktuig stil staat, in werking kan blijven of ge-bragt worden, en eene handperspomp voldoende.

33. Elk der in artt. 31 en 32 bedoelde zelfwerkende voedingstoestellen, en handperspompen moet in staat zijn, alleen werkende, den ketel de genoegzame hoeveelheid vloeistof aan te voeren.

34. De voedings-inrigting van eiken stoomketel is voorzien van:

a. eene zelfwerkende klepkast met kraan aan den ketel bevestigd,

althans niet verder verwijderd dan noodzakelijk is; worden verschillende ketels door één voedingstoestel gevoed, zoo is elke ketel, van zoodanige klepkast voorzien;

i. van een metalen pakkings-spnikraan, aangebragt aan den ketel hetzij onmiddellijk, hetzij door eene metalen buis, echter niet in aanraking met het metselwerk.

35. Zijn aan een stoomketel andere veiligheidstoestellen dan de iu dit besluit voorgeschrevene aangebragt en voldoen die even goed aan het oogmerk, zoo kunnen die door Onzen Mirister van Binnenland-sche Zaken, op voorstel van den dienstdoende ambtenaar of van de in art. 3 van de wet van 28 Mei 1809 {Staatsblad no. 97) bedoelde commissie, worden goedgekeurd.

36. Het ruim, waarin aan boord van stoomvaartuigen, voor het vervoer van reizigers bestemd, de stoomketels geplaatst zijn, is door ijzeren schotten afgesloten van de vertrekken waarin de reizigers vertoeven. (56.)

ocr page 525

BESL. OP HET GEBRUIK V. STOOMTOESTELLEN. 495

De voorgaande bepaling is niet van toepassing op stoomvaar-tuigen, die van geen dek voorzien zijn.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE REGELEK, BIJ HET GEBRUIK VAN STOOMKETELS IN ACHT TE NEMEN.

Art. 37. De gebruikers der stoomketels dragen zorg:

a. dat de ketels met toebehooren in behoorlijken staat van onder-iioud verkeeren;

b. dat er een of meer glazen buizen ter vervanging van het waterpeilglas aanwezig zijn; (27.)

c. dat, behalve tijdelijk op stoomvaartuigen, zoo men op geene andere wgze grooter gevaar kan ontkomen, de werkelijke drukking van den stoom nooit overschrijde het maximum, vermeld in de akte van vergunning, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken afgegeven; (Wet !)«.)

d. dat het waterpeil gehouden worde op minstens een decimeter boven de in art. 29 vermelde lijn. Aan boord van stoomvaartuigen moet die hoogte voor pijpketels minstens veertien en voor kistketels achttien centimeters bedragen.

De bepalingen, onder c vervat, zyn niet toepasselijk:

1°. op de van den ketel afgescheidene toestellen, die dienen om den stoom te oververhitten en geen water bevatten;

'2°. op betrekkelijk weinig uitgestrekte oppervlakken, die zelfs bij het sterkst stoken van het vuur, niet gloeijend kunnen worden;

3°. op andere deelen, die eene te geringe hoeveelheid water bevatten dan dat eene scheuring vau het metaal ernstige gevolgen kunne hebben.

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN HET OP STOOMTOESTELLEN UIT TE OEFENEN TOEZIGT.

Art. 38. ') De ambtenarer, belast met de beproeving van en het toezigt op de stoomtoestellen, dragen den titel van hoofdingenieur, ingenieur, adspirant-ingenienr en opzigter voor het stoomwezen.

Het toezigt op de dienst wordt onder Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken opgedragen aan een hoofdingenieur.

De opzigters zijn werkzaam onder de bevelen van den hoofdingenieur, de ingenieurs ol' adspirant-ingenieurs. Zij ontleenen de bij de wet van 2S Mei 18G9 (Staatsblad no. 97) en het Koninklyk

1) Art. S8 aldus gewijzigd by K.B. van 26 February 1876, Stsbl. no. 44.

ocr page 526

496 BESL. OP HET GEBRUIK V. STOOMTOESTELLEN.

besluit van 24 September 1869 (Staatsblad no. 154) aan de genoemde ambtenaren toegekende bevoegdheid, voor elk bijzonder geval, aan een schriftelijken last van den hoofdingenieur, den ingenieur of ad-spirant-ingenieur, onder wiens bevelen zij gesteld zijn.

Zij worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

Zij bekleeden geene ambten of bedieningen dan met Onze toestemming.

39. ') Om benoembaar te zijn tot ingenieur wordt de leeftijd van drie en twintig jaren, en tot adspirant-ingenieur die van twintig jaren vereisoht.

Niemand wordt tot ingenieur of adspirant-ingenieur benoemd dan na een in het openbaar afgelegd examen.

40. ') Het in art. 39 bedoeld examen omvat:

a. grondige kennis van de Nederlandsche taal;

b. de wiskunde, zoo ver als deze gevorderd wordt bij het examen B, art. 64 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 [Staatsblad no. 50);

c. de beginselen van de theoretische en toegepaste mechanica, waaronder ook de leer van den wederstand der bouwstoffen;

d. de natuur- en scheikunde en hare voornaamste toepassingen, inzonderheid de leer der dampen;

e. kennis van werktuigen, bijzonder theoretische en praktische kennis der stoomketels en stoomwerktuigen;

/. theoretische en praktische kennis der materialen, waaruit stoomketels gemaakt worden;

g. het werktuigkundig teekenen, bijzonder het teekenen van stoomketels ;

h. kennis van de wet, regelende het toezigt op het gebruik van stoomtoestellen en van de verordeningen, ter uitvoering daarvan.

41. De twee voorgaande artikelen zijn niet van toepassing op de bij het in werking treden van dit besluit in dienst zijnde ingenieurs of adspirant-ingenienrs.

42. Heeft een in het tweede lid van art. 39 bedoeld examen niet zoodanige uitkomsten opgeleverd, dat de openstaande plaatsen vervuld kunnen worden, zoo wordt door Ons in de behoeften van de dienst door het aanstellen van tgdelgke itgenieurs of adspirant-ingenieurs voorzien. Deze hebben dezelfde bevoegdheden als de gewone ingenieurs en adspirant-ingenienrs.

43. 1) De met het toezigt belaste ambtetaren zijn verpligt ten minste éénmaal in de twee jaren een inwendig onderzoek omtrent de deugdelijkheid van eiken in werking zijuden stoomketel in te stellen, waarbij de ketel buiten werking gesteld moet worden en, zoo zij dit noodig oordeelen, den ketel op nieuw te beproeven.

1

Artt. 39 en 40 aldus gewyzigd by K.B. van 30 January 1873, Stsbl. no. 25.

ocr page 527

BESL. OP HET GEBRUIK V. STOOMTOESTELLEN. 497

Bij stoomketels ten dienste en aan boord van stooni vaartuigen geschiedt dat inwendig onderzoek ten minste eenmaal 's jaars.

Aan de gebruikers der ketels wordt schriftelijk kennis gegeven drie maanden te voren van de maand en vier weken te voren van den dag, waarop dit onderzoek zal plaats hebben.

Bestaat er bij de gebruikers bezwaar tegen het tijdstip, waarop het onderzoek zal plaats hebben, dan wordt dit bezwaar minstens drie weken te voren schriftelijk ter kennis van den dienstdoeuden ambtenaar gebragt. Meent deze geen anderen dag te moeten aanwezen, dan kunnen de belanghebbenden zich tot Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken wenden, die alsdan beslist.

44. Meent een dienstdoend ambtenaar dat het noodig is, binnen de in art. 43 bepaalde termijnen, het onderzoek van een stoomketel, waarbij de toestel buiten werking gesteld moet worden, te herhalen of dien te beproeven, dan brengt hij dit schriftelyk ter kennis van de gebruikers. ')

Hij bepaalt tegelijker tijd den termijn, die ecliter niet korter mag zijn dan veertien dagen, binnen welken zij hem het in art. 16 der wet van den 28sten Mei 1869 {Staatsblad no. !)7) bedoelde bezwaarschrift, zoo zij zijne zienswijze niet deelen, hebben in te zenden.

45. Onder de gevallen, waarin eene herbeproeving noodig is, be-hooren de volgende:

a. dat de wanddikte van eene of meer platen aanmerkelijk is afgenomen en de gebruiker weigert ze door nieuwe te laten vervangen ;

h. dat de ketel eene belangrijke herstelling heeft ondergaan;

c. dat de ketel gedurende een lang tijdsverloop buiten werking is geweest.

46. De kennisgeving aan de gebruikers van een stoomketel, dat het metselwerk van hunnen ketel geheel of gedeeltelijk moet worden weggenomen, geschiedt schriftelijk. (Wet 16.)

Het tweede lid van art. 44 is hier van toepassing.

47. Moet er, hetzij van wege een met het toezigt belast ambtenaar, hetzij van wege de in art. 35 genoemde commissie, een onderzoek plaats hebben, waarbij de stoomketel buiten werking gesteld moet worden, zoo dragen de gebruikers zorg:

a. dat al de deelen van den ketel zoo van binnen als van buiten, alsmede de den ketel omringende rookkanalen, voldoende gereinigd zijn;

ó. dat de ketel genoegzaam afgekoeld zij, om de gezondheid van hen, die met het onderzoek belast zijn, niet in gevaar te brengen.

48. Het in het voorgaand artikel onder a bepaalde is mede van toepassing wanneer de stoomketel herbeproefd moet worden.

1) De late alinea van art. 44 aldus gewijzigd by K.B. van 19 November 1876, Stsbl. no. 332.

ocr page 528

498 BESL. OP HET GEBRUIK V. STOOMTOESTELLEN.

49. Is een stoomketel eenmaal beproefd en goedgekeurd, zoo geschieden de latere beproevingen onder eene werkelijke drukking, die altijd het anderhalfvoudige is van de in de akte van vergunning toegestane werkelijke drukking. Op deze herbeproevingen is het laatste lid van art. 3 van toepassing.

Moet de herbeproeving ten gevolge eener herstelling aan den ketel plaats hebben, en is de dienstdoende ambtenaar van meening dat de herstelling van dien aard is geweest, dat de ketel als een nieuwe beschouwd en als zoodanig beproefd moet worden, zoo deelt hij zulks den gebruiker schriftelijk mede.

Het tweede lid van art. 44 is hier van toepassing.

50. Blijkt bij het onderzoek van een vroeger goedgekeurden stoomketel, dat de toestel niet meer onder de toegestane drukking veilig kan werken, en zgn de gebruikers ongezind de noodige hernieuwingen aan te brengen, zoo is de met het toezigt belaste ambtenaar bevoegd hun mede te deelen de mindere werkelijke drukking, waarbij hij kan toestaan dat de toestel voortwerke. Wordt het aanbod aangenomen, zoo wordt de vroegere akte van vergunning ingetrokken en een nieuwe uitgereikt.

Tevens wordt de vroegere stempelplaat, bedoeld in art. 6, vervangen door eene andere, waarop die mindere drukking is aangewezen, en die door den dienstdoenden ambtenaar op de gewone wijze wordt gestempeld. (58.)

51. Onder de gevallen, waarin een stoomketel geacht kan worden dadelijk gevaar op te leveren, behooren:

a. dat van gegoten ijzer vervaardigd is:

1quot;. de geheele ketel;

Squot;. de kookhuizen;

3°. de stoomhouder;

4(l. aan boord van stoomvaartuigen, de verbindingspijpen van den ketel met het stoomwerktuig;

b. dat de deksels der man- en slijkgaten niet inwendig zijn aan-gebragt;

c. dat bij eene beproeving:

1°. scheuren zijn ontstaan;

2°. de ketel eene vervorming heeft ondergaan;

3(,. deelen van den ketel eene blijvende verandering hebben ondergaan ;

d. dat de steunbouten aanmerkelijk in dikte zijn afgenomen. (5.)

52. ') De hoofdingenieur, de ingenieurs en aspirant-ingenieurs zijn bevoegd de stoomketels, waarover hun het toezigt is opgedragen, mits die toestellen daarbij niet behoeven stil te staan, ten allen tijde te onderzoeken of te doen onderzoeken.

53. De akten van vergunning moeten ten allen tijde, ter inzage

1) Art. 52 aldus gewijzigd bij K.B. van 26 Febriwry 1876, Stsbl. no. 44.

ocr page 529

BESL. OP HET GEBRUIK V, SIOOMTOESTELLEN.

vau de met het toezigt belaste ambtenaren, aanwezig zijn, voor vaste stoomketels op eeue zigtbare plaats in de nabijheid dier ketels, voor ketels van stoomvaartuigen in een der kajuiten.

De gebruikers van vervoerbare stoomtoestellen dragen zorg dat zij, die met het besturen er van belast zijn, de akte van vergunning, op aanvrage der bovengenoemde ambtenaren, onmiddellijk kunnen ver-toonen.

54. Al wat verder op het voortdurend toezigt betrekking heeft, wordt door voornoemden Minister bij algemeene instructie geregeld.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BEPALINGEN EN DITZONDEBINGEN.

Art. 55. Zoo, na onderzoek van een stoomketel, de dienstdoende ambtenaar of de in art. 35 genoemde commissie aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken te kennen geeft, dat, om den kleinen inhoud of de bijzondere inrigting van dien ketel en ook aan boord van stoomvaartuigen, om den bijzonderen bouw van het vaartuig, de wijziging van één of meer der in dit besluit voorkomende bepalingen wenschelijk is, of wel de toepassing er van, hetzij gedeeltelijk, hetzij geheel onnoodig is, zoo kan voormelde Minister die bepalingen zoowel wijzigen als ze, hetzij gedeeltelijk, hetzij geheel, van geene toepassing verklaren.

Is daarentegen aan den Minister door voornoemden ambtenaar of voornoemde commissie berigt, dat, ten gevolge eener bijzondere inrigting, het gebruik van den ketel eigenaardige gevaren oplevert, maar dat die gevaren voorkomen kunnen worden door maatregelen, welke door dit besluit niet worden voorgeschreven, zoo kan voormelde Minister de aangevraagde vergunning, onder voorwaarde dat deze maatregelen genomen zullen worden, verleenen.

De voorgeschrevene maatregelen worden in de akte van vergunning vermeld.

56. Het eerste lid van art. 36 is niet van toepassing op de met het tijdstip van het in werking treden van dit besluit in de vaart zijnde stoomvaartuigen, zoo het ruim, waarin zich de stoomketels bevinden, door houten schotten van de vertrekken, waarin de reizigers vertoeven, zijn afgesloten. Het is voldoende dat de schotten, die zich op een kleineren afstand dan één meter van de wanden van den ketel bevinden, met ijzeren platen bekleed zijn.

57. Dit besluit, alsmede de meermalen boven aangehaalde wet, zijn niet van toepassing op stoomketels, uitsluitend dienende tot huiselijk gebruik, wanneer de inhoud, nitgedrukt in kubieke decimeters, vermenigvuldigd met de drukking die de stoom tegen de wanden uitoefent, uitgedrukt in atmospheren, het cijfer zes honderd niet overschrijdt. (Wet 31«.)

499

ocr page 530

500 BESL. OP HEI GEBB.UIK V. STOOMTOESÏELLEN.

58. De bepalingen van het eerste lid van art. 6, alsmede die van het laatste lid van art. 50, zijn niet van toepassing op stoomketels, vóór den Isten April 1870 goedgekeurd.

59. Zoo een stoomketel voor het in werking treden van dit besluit van regeringswege bij eene lagere drukking, dan die thans is voorgeschreven, is beproefd en goedgekeurd, zoo wordt die toestel nooit, tenzij de gebruiker het tegendeel verlange, onder een hoogere drukking beproefd.

60. Dit besluit treedt in werking den Isten October 1869.

TOT

V.

(Vasl

A

hind

beho meen 2. I

11

1) ! no. 6^

ST

ocr page 531

e van :etels,

WET

TOT REGELING VAN HET T0EZ1GT BIJ HET OPRIGTEN VAN INRIGTINGEN, WELKE GEVAAR, SCHADE OF HINDER KUNNEN VEROORZAKEN.

(Vastgesteld den 2den Jung 1875, Stsbl, no. 95, nitgegeven den lOden Juny d.a.v. Gewijzigd bij de wetten vsn 19 December 187G, Stsbl. no. 256 en 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Art. I. Het is verboden inrigtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken, op te rigten zonder vergunning, welke, behoudens de bij deze wet gemaakte uitzonderingen, door het gemeentebestuur wordt gegeven.

2. De in art. 1 bedoelde inrigtingen zijn: (26.)

I. die, bij welke stoom, gassen of dampen van booge spanning worden gebezigd; met name de inrigtingen, gedreven door stoom- en paskrachtwerktuigen en door werktuigen met vloeibare koolzuur; die tot voortbrenging van ijs of koude door ammoniak, aether of zamengeperste lucht, en die tot vervaardiging van koolzuurhoudende wateren.

Hiervan zijn uitgezonderd:

a. De stoomwerktuigen in vaartuigen, de locomotieven, de zoogenaamde locomobielen tot tijdelijk gebruik bij de uitvoering van bouwwerken en by den landbouw, de stoomkra-nen, stoombrandspuiten en dergelijke vervoerbare stoomwerktuigen ;

b. die inrigtingen, by welke de spanning door stoom, gassen of dampen te weeg gebragt, in verband met den inhoud van het daartoe gebezigd werktuig, eene grens niet overschrijdt, door Ons bij maatregel van inwendig bestuur aan te geven; (Zie K.B. 28 Julij 1875, aan het slot dezer wet.)

II. die, bestemd tot vervaardiging, verwerking en bewaring van buskruid en andere ontplofbare stoiïen (fulminaten, picraten, chloraten en de zoogenaamde nitroverbindingen, met name schietkatoen, pyroxilin, nitro-glycerine, dynamiet en dualin).

Hiertoe behooren de fabrieken en bewaarplaatsen van vuurwerken; (24.) ')

1) Zie wet 26 April 1884, Stsbl. no. 81. geuyz. by wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64; en K.B. van 15 October 1885, Stsbl. no. 187, art. 68.

STAATSWETTEN. 32

it beans is oestel •ogere

ocr page 532

502 WET TOT REGELING VAN HET TOEZIGT

III. die, bestemd tot vervaardiging van chemicalia, met name die tot bereiding van koolzure, dubbel-koolzure en zwavelzure soda, soda hydraat; zwavel-, zout-, salpeter-, zuring- en arsenig-zuur; ammonia en ammoniakzouten; bleekpoeders en bleek wateren; de lood-, zink- en kwik verbindingen (waaronder begrepen zijn de lood- en zinkwitfabrieken), de cyaan-verbindingen (waaronder begrepen zijn de bloedloogzouten); en van phosphorus (waaronder begrepen is de lucifersfabri-catie);

IV. die, bestemd tot verkrijging, verwerking en bewaring van vlugtige producten, met name alcohols, aethers, vlugtige oliën, zwavelkoolstof, vlugtige koolwaterstoffen (waaronder begrepen zijn de benzine, steen-olie of petroleum en petroleum-naphta);

V. die, bestemd tot de drooge distillatie van plantaardige en dierlyke zelfstandigheden en de verwerking van de daardoor verkregen producten, met name de gasfabrieken; de been- en ivoorzwartbranderijen, de zwartsel- en drukinkt-fabrieken, de steenkolencoaks-, turfcoaks- en houtskoolbranderijen; de fabrieken van gasolie, turfolie, photogeen, solarolie en creosoot (waaronder begrepen zijn de inrigtingen tot creosoteering van hout, de teer- en asphaltkokerijen); de fabrieken van kleurstoffen uit de producten der drooge distillatie, de zoogenaamde anilinekleureii; ')

VI. die, bestemd tot de bereiding der vetten en harsen, met name de vetsmelterijen, de kaarsenfabrieken, de zeepziederijen, de olie-, traan-, verw-, vernis-, harpuis- en lakkokerijen, de patentolie- en harsoliefabrieken, de fabrieken tot het ontvetten van wol en van de residus der olieslagerijen;

VIL die, bestemd tot bewaring en verwerking van afval, met name asch, vuilnis, bagger, roet, bloed, beenderen, hoornen, lompen, guano, mest en meststoffen (waaronder begrepen zijn de poudretten en kunstguano's), zoomede de bloeddroogerijen en lij mfabrieken;

VIII. de mouterijen, brouwerijen, branderijen, distilleerderijen, azijn-fabrieken en likeurstokerijen;

IX. de beetwortelsuikerfabrieken, suikerraffinaderijen, stijfsel-, aardappelmeel-, aardappel- en vruchtenstroopfabrieken, en bakkerijen;

X. de slagterijen, vilderijen, penseryen, droogerijen, rookerijen en zouterijen van dierlijke stoffen (met name vleesch, visch, huiden, darmen, lebben); de leerlooijerijen en bewaarplaatsen van huiden en vellen;

n

1) Aldus aaugevuld by de wet van 19 December 1876, Stsbl. no. 255.

ocr page 533

BIJ HET 0PR1GTEN VAN INEIGTINGEN ENZ.

XI. de poroelein- en aardewerkfabrieken, steen-, pannen-, plavuis-en tegelbakkergen, glasblazerijen, kalk- en gips-branderijen en kalkblusscherijen, beneven de bewaarplaatsen van onge-bluschte kalk;

XII. de metaalsmelterijen, gieterijen, smederijen (anker-, grof-, kagohel-, hoef-, sloten- en andere); de metaal-klopperijen, pletteryen, stoomketel- en andere ketelmakerijen; machinefabrieken; 3e geschutgieterijen en boorderijen en geweer-fabrieken, koper- en blikslagerijen, alsmede de affineerderijen van goud en zilver;

XIII. de eesten tot verschillende doeleinden (waaronder begrepen zijn de meestoven en droogerijen van sigaren);

XIV. de koren-, cacao-, mout-, pel-, schors-, grut-, tras-, houtzaag-en oliemolens;

XV. de klopperijen van visch, katoen, wol, haar, vederen, huiden, schors en tapyten;

XVI. de orseille- (lakmoes) en garancine-fabrieken, verwerijen, katoendrukkerijen en wascherijen en snelbleekerijen;

XVII. de scheepstimmerwerven, steenhouwerijen en zagerijen, molenmakerijen en kuiperijen;

XVIII. de schietinrigtingen. (22.)

3. Wij behouden Ons voor, zoo noodig, de aanwijzing der inrig-tingen in art. 2 bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan te vullen.

Zoodanige maatregel van inwendig bestuur vervalt, indien de daarbij bepaalde aanvulling niet binnen een jaar na de afkondiging van dien maatregel, bekrachtigd is door de wet.

Wanneer een voorstel van zoodanige wet binnen het jaar bij de Staten-Genei-aal is aanhangig gemaakt, kan door Ons deze termijn eenmaal met zes maanden worden verlengd.

4. Bij plaatseiyke verordening kan de gemeenteraad:

1°. wijken, buurten of straten aanwijzen, waar een of meer uitdrukkelijk genoemde inrigtingen, in art. 2 bedoeld, zonder voorafgaande vergunning kunnen worden opgerigt;

2°. in het belang der openbare orde, veiligheid of gezondheid, eene bepaalde plaats of gedeelte der gemeente aanwijzen voor het oprig-ten, hebben of gebruiken van eene der in art. 2 genoemde inrigtingen, met verbod om elders in de gemeente het bedryf of de bedrijven uit te oefenen, waartoe de oprigting of het gebruik van die in-rigting vereischt wordt. Deze bevoegdheid strekt zich evenwel niet uit tot de inrigtingen, die onder geen ander nummer dan I van art. 2 vallen. (22.)

Plaatselijke verordeningen, in dit artikel bedoeld, gelden voor een bepaalden daarin genoemden tijd, die 20 jaren niet mag te boven gaan.

Zij kunnen, voor dat die tijd is afgeloopen, telkens worden hernieuwd.

503

32*

ocr page 534

WET TOT REGELING VAN HET TOEZIGT

5. Bij het verzoek om vergunning worden overgelegd:

1°. een naauwkeuriee beschrijving, in dubbel, van de plaats waar de inrigting zal worden gesteld, eene opgave van hetgeen in de inrigting zal worden verrigt, vervaardigd of verzameld, benevens van de beweegkracht die daarbij wordt aangewend;

2°. een plaftegrond-teekening, in dubbel, op eene schaal van minstens een op twee honderd vijftig, aanduidende de uit- en inwendige zamenstelling der inrigting en toebehooren;

3». een uittreksel uit de kadastrale leggers, aanduidende de gebouwen of localen, bestemd tot ziekenverpleging, uitoefening der openbare eeredienst of scholen, binnen een kring van twee honderd meter van het gebouw of locaal der inrigting gelegen. (27.)

6. Van elk verzoek om vergunning tot oprigting van een inrigting, in art. 2 genoemd, geeft het gemeentebestuur ten spoedigste schriftelijk kennis aan de eigenaars en gebruikers van elk der perceelen onmiddellijk grenzende aan dat, waar de inrigting zal worden opgerigt, en van de gebouwen of localen, bedoeld in art. 5, sub. 3.

Het verzoek, met de bijlagen, genoemd in dat artikel, wordt ter visie gelegd op de secretarie en het gemeentebestuur geeft, daarvan gelijktijdig op de in de gemeente gebruikelijke wijze, alsmede door aanplakking op het terrein voor de inrigting bestemd, kennis aan het publiek.

Valt een gedeelte van een gebouw of locaal binnen den kring bedoeld in art. 5, sub 3°., dan wordt het geheele gebouw of locaal gerekend binnen dien kring te liggen.

Strekt de kring zich in andere gemeenten uit, dan geschiedt ook daar openbare aankondiging. (27.)

7. Op den veertienden dag na de openbare kennisgeving wordt op de daarin aangewezen plaats en uur gelegenheid gegeven om, ten overstaan van het gemeentebestuur of een of meer zijner leden, bezwaren tegen het oprigten der inrigting in te brengen.

Daarbij worden zoowel de verzoekers als zij, die bezwaren inbrengen, in de gelegenheid gesteld de bezwaren mondeling en schriftelijk toe te lichten.

Van het op de zitting voorgevallene wordt proces-verbaal opgemaakt. (27(;.)

Zoowel de verzoeker als zij die bezwaren inbrengen, kunnen gedurende drie dagen vóór het tijdstip in het eerste lid van dit artikel bedoeld, op de secretarie der gemeente van de ter zake ingekomen schrifturen kennis nemen. (27.)

8. Binnen eene maand na het in art. 7 bedoelde onderzoek beslist het gemeentebestuur over het verzoek, en geeft daarvan onmiddellijk aan den verzoeker en gelijktijdig door aankondiging, aan het publiek kennis.

Kan de beslissing binnen den in het eerste lid van dit artikel

504

ocr page 535

BIJ HET OPKIGTEN VAN INBIGTIKGEN ENZ.

bepaalden tijd niet genomen worden, dan wordt zij, bij een met redenen omkleed en af te kondigen besluit, verdaagd, hetwelk aan den verzoeker wordt medegedeeld.

Het gemeentebestuur zorgt, dat in de gevallen, bij art. fi laatste lid voorzien, de beslissing ook in de andere gemeenten worde bekend gemaakt.

9. De vergunning wordt schriftelijk verleend, en gesteld ten name van den verzoeker en zijne regtverkrijgenden.

Aan de vergunning wordt een exemplaar van de in art. 5, sub 1 en 2 bedoelde stukken van wege het gemeentebestuur gewaarmerkt, gehecht. (-27.)

10. Indien er binnen den afstand van 100 meter van bet gebouw of locaal, waarin het bedrijf, waarvoor de inrigting bestemd is. zal worden uitgeoefend, geene perceelen aan anderen, dan de aanvragers toebehoorende of bij anderen in gebruik, en binnen den afstand van 200 meter, bedoeld in art. 5, no. 3 geene gebouwen of localen van aldaar bedoelde soorten zijn, wordt deze omstandigheid eenvoudig door het gemeentebestuur verklaard aanwezig te zijn, en op het verzoek beschikt, zoo als bevonden wo.'-dt te behooren. (27.)

11. In geval van weigering der vergunning worden de redenen die daartoe geleid hebben, in het besluit vermeld.

Tot weigering kunnen alleen leiden de bezwaren, ontleend aan vrees voor:

a. gevaar;

b. schade aan eigendommen, bedrijven of de gezondheid;

c. hinder van ernstigen aard, waartoe behoort het ter bewoning ongeschikt maken van woonhuizen of gedeelten van woonhuizen, het belemmeren van het gebruik van de locaien en gebouwen in art. 5, 3°., bedoeld, ieder overeenkomstig de bestemming, die het gebouw of locaal, tijdens het verzoek werd gedaan, had, en het verspreiden van vuil of van walgelijke uitdampingen.

Vrees voor mededinging in eenig bedrijf, door belanghebbenden geuit, kan geene redenen tot weigering zijn. (27.)

12. Indien door het stellen van voorwaarden aan het bezwaar van gevaar, schade of hinder kan worden tegemoet gekomen, wordt de vergunning voorwaardelijk verleend.

Indien, na het verleenen eener voorwaardelijke vergunning, blijken mogt, dat de naleving der gestelde voorwaarden niet noodig mogt zijn, kan het gemeentebestuur den concessionaris geheel of gedeeltelijk daarvan ontslaan, na aan belanghebbenden, ten wier behoeve de voorwaarden zijn gesteld, gelegenheid te hebben gegeven, hunne bezwaren in te brengen.

Evenzoo kunnen Wij den concessionaris geheel of gedeeltelyk ontslaan van de naleving van voorwaarden, welke bij eene door Ons verleende vergunning zijn opgelegd. Belanghebbenden worden alsdan vooraf gehoord, na op Onzen last door den burgemeester te zijn opgeroepen.

BÜ5

ocr page 536

(7ET TOT KEGELING VAN HET TOEZIGT

Kan over de gevolgen eener inrigting, tijdens de aanvrage om vergunning, niet met voldoende zekerheid worden geoordeeld, zoo wordt eene vergunning voor een bepaalden proeftijd verleend. Van de aanvrage om verlenging van proeftijd, of om definitive vergunning na afloop van den proeftijd, wordt de in art. 6 vermelde kennisgeving en openbare aankondiging gedaan, en vervolgens het onderzoek, in art. 7 bedoeld, herhaald. (27.)

Art. 8 is op dit geval van toepassing.

13. Bij de vergunning wordt een termijn gesteld, binnen welken de inrigting voltooid en in werking gebragt moet zijn. Bij niet inachtneming van den termijn vervalt de vergunning, tenzij het bestuur, dat haar verleend heeft, haar nog eenmaal, vóór het verstrijken van den termijn, met een nieuwen termijn heeft verlengd. (27.)

14. Eene nieuwe vergunning is noodig, om:

1°. de inrigting uit te breiden of eene andere wijze van bewerking, welke verandering van den aard der inrigting ten gevolge heeft, in te voeren;

2°. eene inrigting, welke vier jaren heeft stil gestaan, op nieuw in werking te brengen;

3U. eene inrigting, welke door eenig onheil, dat het gevolg is van den aard of het gebruik maken der inrigting, is verwoest, te herstellen. (27, 29.)

15. Van de beslissing, ingevolge de artt. 8, 12 en 14 genomen, staat beroep bij Ons open binnen veertien dagen na de afkondiging bij artikel 8 bedoeld. Tot dat beroep zijn geregtigd de verzoeker en de belanghebbende, ieder voor zoover hij in het ongelijk is gesteld.

Hij die het beroep instelt, geeft daarvan gelijktijdig kennis aan het gemeentebestuur, hetwelk zorgt voor de onverwijlde openbare kennisgeving. Zoo het beroep wordt ingesteld door een ander dan de verzoeker, moet aan dezen bij exploit worden kennis gegeven van het beroep. (21.)

Onze beslissing wordt, na verhoor van den Raad van State (af-deeling geschillen van bestuur), binnen drie maanden nadat het beroep is ingesteld, bij een met redenen omkleed besluit genomen, ten ware zij vooraf bij afzonderlijk besiur: mogt verdaagd zijn. (17, 21, 27c, d.)

16. Indien eene inrigting, voor welker oprigting vergunning ver-eischt wordt, in twee of meer gemeenten eener provincie zal liggen, dan wordt de vergunning door Gedeputeerde Staten, de besturen dier gemeenten gehoord, verleend of geweigerd. Van die beslissing van Gedeputeerde Staten staat beroep bij Ons open. Liggen de gemeenten in verschillende provinciën, dan wordt de beslissing door Ons genomen, na Gedeputeerde Staten te hebben gehoord.

Alvorens advies uit te brengen, handelen Gedeputeerde Staten en de gemeentebesturen overeenkomstig het bepaalde bij de artt. 6 en 7.

Ten opzigte der beslissingen, door Ons en Gedeputeerde Staten te

506

ocr page 537

BIJ HET OPRIGTEN VAN INRIGTINGEN E-NZ.

nemen, zoo mede van het beroep tegen de door Gedeputeerde Staten genomen beslissingen, geldt hetgeen voor die gevallen bij de artt. 8—15 ten aanzier, der gemeentebesturen is bepaald.

17. Het bestuur, dat de vergunning geeft, kan aan den concessionaris nieuwe voorwaarden opleggen, indien de ondervinding de noodzakelijkheid daarvan mogt aantoonen.

Geene nieuwe voorwaarden worden opgelegd dan bij een met redenen omkleed besluit, nadat de concessionaris is gehoord of behoorlijk opgeroepen.

Van het besluit van een gemeentebestuur of van Gedeputeerde Staten kan de concessionaris, binnen 14 dagen nadat het hem is bekend gemaakt, bij Ons in beroep komen.

Artt. 15 en 16 zijn op dit beroep toepasselijk.

18. Het gemeentebestuur houdt, behoudens de uitzonderingen in art. 24 vermeld, toezigt dat aan de voorwaarden, bij de vergunning of later gesteld, worde voldaan. (2, II.)

19. De leden van het gemeentebestuur en de door dat bestuur aan te wijzen gemeente- en politie-ambtenaren hebben, behoudens de uitzonderingen in art. 24, ten allen tijde vrijen toegang tot de in-rigtingen, bedoeld in art. 2. Zij hebben de bevoegdheid van de overtredingen dezer wet proces-verbaal op den ambtseed op te maken. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien des noods met inroeping van den sterken arm.

Is de inrigting enkel door eene woning toegankelijk, dan treden zij deze, tegen den wil van den bewoner, niet binnen, dan op schriftelijken last van den burgemeester. (G. 158.)

Hiervan wordt door hen binnen tweemaal vier en twintig uren proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezeten, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.

Zij die krachtens dit artikel, eene inrigting binnentreden, zijn, op verzoek van den concessionaris, verpligt tot geheimhouding van hetgeen het daarin uitgeoefende bedrijf betreft, voor zoo verre dit niet met de naleving der gestelde voorwaarden in verband staat.

20. Worden de gestelde voorwaarden niet opgevolgd, dan kan het gemeentebestuur de vergunning intrekken, indien de vergunning verleend is door Ons of door Gedeputeerde Staten, geeft het gemeentebestuur aan het gezag, dat de vergunning verleend heeft, kennis van de niet-naleving der voorwaarden en beslist dit, na onderzoek, over de intrekking. (22i5.)

Van het besluit tot intrekking, door het gemeentebestuur of door Gedeputeerde Staten genomen, kan de concessionaris binnen veertien dagen aan Ons voorziening vragen. Hierbij gelden de artt. 15 en 16.

Hangende Onze beslissing kunnen de werkzaamheden van de inrigting op Ons bevel worden geschorst. (22«.)

21. Het voortzetten der werkzaamheden in eene inrigting wordt door het gemeentebestuur verboden, en des noods wordt de inrigting

507

ocr page 538

508 WET TOT REGELING VAN HET TOEZIGI

gesloten of worden de daarin aanwezige werktuigen verzegeld, wanneer de inrigting zonder de vereischte vergunning in werking is.

De belanghebbende kan hiertegen binnen veertien dagen aan Ons voorziening vragen.

Het tweede en derde lid van art. 15 zijn hierbij van toepassing. (22a.)

22. Het hoofd der onderneming wordt gestraft:

a. met eene geldboete van vijftig cents tot twee honderd gulden of hechtenis van één tot zestig dagen, indien hij zonder de vereischte vergunning of op eene andere plaats dan in de vergunning is aangewezen, eene in art. 2 omschreven inrigting in werking brengt of houdt, in strijd handelt met het verbod, bedoeld in art. 4, sub 2, of in een der gevallen, vermeld in art. 20 (3de lid) en 21, met de werkzaamheden voortgaat;

b. met eene geldboete van vijftig cents tot honderd gulden of hechtenis van een tot veertien dagen, indien hij in strijd met de gestelde voorwaarden handelt.

Bij de ontdekking van een der in dit artikel genoemde strafbare feiten kunnen de aanwezige gevaarlijke of schadelijke stoffen in beslag worden genomen, en bij het veroordeelend vonnis kan vernietiging of onbruikbaarmaking van die stoffen worden bevolen. (G. 160.) ')

23. Afgeschaft. Zie thans art. 272 Wetb. v. Strafrecht.

UITZONDERINGEN EN OVEKGASGSBEPALINGEN.

Art. 24. De inrigtingen, bedoeld sub II van art. 2, daaronder niet begrepen de fabrieken en bewaarplaatsen van vuurwerken, staan onder het toezigt van Onzen Minister van Oorlog.

Genoemde Minister wijst de ambtenaren en officieren aan, op welke de bepalingen van art. 19 van toepassing zijn, en die, krachtens deze aanwijzing, de bevoegdheid verkrijgen van de overtredingen dezer wet, ten aanzien van de in dit artikel bedoelde inrigtingen, procesverbaal op te maken.

Door Ous kunnen bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur plaatsen worden aangewezen, waar inrigtingen in het eerste lid bedoeld, kunnen worden opgerigt en in werking gebragt, zelfs zonder vergunning der betrokken gemeentebesturen of collegiën van Gedeputeerde Staten.

De wetten van 26 January 1815 [Staatsblad no. 7) en 9 Julij 1855 {Staatsblad no. 68) en het Koninklijk besluit van 21 Maart 1815 (Journal officiel, no. 5) blijven van kracht, totdat nader zal zijn voorzien in de daarbij geregelde onderwerpen.

I) Art. 22 aldus gewyzigd en art. 23 afgeschaft by art. 3, art. 10 no. 31 en art. 1

11 der wet van 15 April 1886, Stabl. no. 64. Zie thans ook art. 184 Wetb. v. Strafrecht. We

ocr page 539

BIJ HET OPRIGTEN VAN INEIGTINGEN ENZ. 509

25. In de gevallen, bedoeld in de artt. 20 en 21, ten opzigte van de in het vorig artikel genoemde inrigtingen, zendt Onze Minister van Oorlog het proces-verbaal der gepleegde overtreding aan den Minister van Binnenlandsch Zaken, ') die het betrokken bestuur tot uitvoering van de bij die artikelen voorgeschreven maatregelen uitnoodigt.

26. Inrigtingen, bedoeld in art. 2, kunnen door een departement van algemeen bestuur met Onze goedkeuring worden opgerigt, zonder vergunning van het gemeentebestuur.

Het hoofd van het departement zendt in dat geval de stukken, in art. 5 genoemd, aan het gemeentebestuur, dat voor de naleving van art. 6 zorgt.

Binnen eene maand na de openbare kennisgeving wordt op vooraf aan te wijzen plaats en uur gelegenheid gegeven om, ten overstaan eener commissie uit Gedeputeerde Staten, bezwaren tegen het oprig-ten van de inrigting in te brengen.

Van die bezwaren wordt proces-verbaal opgemaakt, hetwelk, met het advies der commissie, aan het departement wordt toegezonden. Over aangevoerde bezwaren wordt door Ons, den Raad van State (afdeeling voor de geschillen van bestuur) gehoord, beslist.

Bij Onze beslissing, krachtens dit artikel te nemen, behoeven plaatselijke verordeningen, in art. 4, sub no. 2 bedoeld, niet te worden in acht genomen.

27. Voor het oprigten van eene inrigting, bedoeld in art. 2, door het bestuur eener gemeente of van een waterschap wordt de vergunning van Gedeputeerde Staten; voor het oprigten van zoodanige inrigting door eene spoorwegmaatschappij, door een provinciaal bestuur of door het bestuur van een waterschap, dat in meer dan ééne provincie is gelegen, Onze vergunning gevorderd.

In beide gevallen zijn de artt. 5—7 en 9—14 van toepassing.

Het proces-verbaal, in art. 7 bedoeld, wordt onverwijld aan Onzen Commissaris in de provincie gezonden, de stukken in art. 9 vermeld door den genoemden Commissaris gewaarmerkt, en de ontheffing van voorwaarden, in art. 12, 2de lid, bedoeld, wordt door Ons of Gedeputeerde Staten verleend, naar gelang de vergunning aan Ons of aan Gedeputeerde Staten is gevraagd.

Van de beslissing door Gedeputeerde Staten volgens het eerste lid van dit artikel genomen, staat hooger beroep aan Ons open. Artt. 15 en 16 zgn daarbij van toepassing.

28. Het Koninklijk besluit van 31 January 1824 [Slaalsblad no. 19) en andere Koninklijke besluiten, die omtrent het daarbij geregelde onderwerp hebben gegolden, zijn afgeschaft.

Niettemin wordt op de verzoeken om vergunning, bij het in werking treden dezer wet ingediend, voor zoover die vergunning ingevolge deze

art. 1) Lees Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Zie noot l bjj art. 1 der

echt. Wet Stoomtoeatellen, blz. 481.

ocr page 540

510 WET TOT REGELING VAN HET TOEZIGT ENZ.

wet wordt vereischt, door het bestuur, hetwelk daartoe volgens de tot dasver van kracht zijnde Koninklijke besluiten gevoegd was. beslist.

Daarbij wordt tevens bepaald, binnen welken termijn de inrigtingin werking moet zijn gebragt, op straffe van het vervallen der vergunning.

29. Op inrigtingen, tot welker oprigting krachtens de vóór het in werking treden dezer wet geldende Koninklijke besluiten vergunning is verleend, zijn de artt. 14,17,18,19, 20 en 21 van toepassing, en ten aanzien van overtredingen van die artikelen gepleegd, art. 22. ')

30. Vergunningen tot oprigting van inrigtingen, krachtens de vroeger geldende Koninklijke besluiten verleend, vóór het in werking treden dezer wet, vervallen, zoo zij niet binnen één jaar na de afkondiging dezer wet in werking zijn gebragt, ten ware in de vergunning een langere termijn was gesteld of het gezag, dat de vergunning verleend heeft, vóór den afloop van den termijn een nieuwen termijn toestaat.'

31. Algemeene bepalingen vóór het in werking treden dezer wet bestaande, waarby in eenige gedeelten van gemeenten of plaatsen het \ uitoefenen van bedrijven of het hebben van inrigtingen is vrijgelaten : zonder bijzondere vergunning, blyven van kracht gedurende vijf jaren neeiw na het in werking treden dezer wet, ten ware zij vóór dien tijd worden Lja^ei vervangen door plaatselijke verordeningen krachtens art. 4 dezer wet ljn jje uit te vaardigen.

32. Door deze wet wordt geeue verandering gebragt in de bestaande wetten en verordeningen omtrent mijnen, steengroeven en daarmede in verband staande fabrieken en werkplaatsen, omtrent bet bouwen in en langs rivieren, op en aan dijken en andere waterkeerende werken, en op het onderhouden en instandhouden van wegen, vaarten en wateringen, omtrent het hebben van magazijnen of nederlagen op onvrij territoir, omtrent het bouwen, planten en maken van werken op zekeren afstand van vestingwerken, noch ook omtrent het gebruik van stoomtoestellen.

1) Aldus gewgzigd bij art. 10 no. 31 der wet vaa 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

BESLUIT VAN DEN 28STEN JÜLIJ 1875, Stsbi.. NO. 141.

De vergunning, bedoeld in art. 1 der wet van V, Juny 1875 (Staatsblad no. 95), wordt overeenkomstig art. 2, no. 1, sub b, dier wet niet vereischt voor het oprigten van de hierna genoemde inrigtingen, als: die, gedreven door stoomwerktuigen, by welke het product van den inhoud van den stoomketel en de spanning tegen zgne wenden het getal twee honderd (200) niet oversciirydt, of van een vermogen van niet meer dan een (1) paardenkracht; — die, gedreven door gaskrachtwerktuigen, van een vermogen van niet meer dan een vierde gedeelte (1/4) van een (1) paardenkracht; — die, tot voortbrengbig van ijs of koude door ammoniak, aether of zamengeperste lucht; en — die, tot vervaardiging var. koolzuurhoudende wateren, bij welke het product van den inhoud van den daartoe gebezigden toestel en de spanning tegen zijne wanden het getal zes honderd (600) niet overschrijdt.— Voor de toepassing van bovenstaande bepaling wordt de spanning uitgedrukt in atmosphe-ren en de inhoud in kubieke decimeters. — Onder paardenkracht wordt verstaan de arbeid, vereischt om een last van vyf en zeventig (75) kilogram, in eene (1) seconde, een (1) meter hoog op te heffen.

en zii

Me elke i maler gevor

a. drage

b. schap

c.

Bij

arbei op d« dong-Te hebb

3. naanr ook omsli ande artik steld

4. antei

ocr page 541

de tot leslist.

Jning. quot;WET,

bet in

nning HOUDENDE BEPALINGEN TOT REGELING VAN ea ten

i) HET AUTEURSRECHT.

ins de irking tondi-ig een rleend istaat.

ïr wet ;n het elaten

§ I. Begrip en omvang van het auteursrecht.

orden :r wet

;taan-■mede uwen weren en jn op erken bruik

o. 95), irigten 2n, by i zyne n van ui gen, paarser of ?w, by span-ior de )sphe-rstaan ne (1)

Art. t. Het recht om geschriften, plaat-, kaart-, muziek-, too-Ja''e^ neelwerken en mondelinge voordrachten door den druk gemeen te maken, alsmede oin dramatiscli-muzikale werken en tooneelwerken in het openhaar uit- of op te voeren, komt uitsluitend den auteur en zynen rechtverkrijgenden toe.

Met eene uit- of opvoering in het openhaar wordt gelijk gesteld elke uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen, toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd wordt.

2. Met auteurs worden gelijk gesteld:

a. ondernemers van in art. 1 vermelde werken, gevormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders;

b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en vennootschappen, ten opzichte van de door hen bezorgde werken;

c. vertalers ten opzichte van hunne vertaling.

Bij werken gevormd door bijdragen van onderscheidene medearbeiders behoudt bovendien ieder mede-arbeider het auteursrecht op de door hem geleverde bijdragen, voor zoover niet anders is bedongen.

Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde rechthebbenden blijft het tweede lid van art. 13 buiten toepassing.

3. Bij werken, zonder naam van auteur of onder een verdichten naam door den druk gemeen gemaakt, wordt de uitgever en, zoo ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt, totdat een ander zich als rechthebbende heeft doen kennen op den voet in de artikelen 10 en 11 bepaald, met uitzondering van den in art. 10 gestelden termijn van inzending.

4. Behalve in de door Ons te bepalen gevallen bestaat er geen auteursrecht van wetten, besluiten, verordeningen en van hetgeen

(Vastgesteld den 28sten Juni 1881, Stsbl. 110. 124, uitgegeven den llden Juli d.a.v. Gewijzigd by de wet van 15 April 1886, StsM. no. 64.)

ocr page 542

WET OP HET AUTEÜRSRECHT.

verder in woord of schrift, door of van wege eenige openbare macht ter algemeene kennis gebracht is.

5. Tot het recht van den auteur behoort het uitsluitend recht om door den druk gemeen te maken vertalingen van:

a. zijne niet door den druk gemeen gemaakte werken, daaronder begrepen zijne mondelinge voordrachten;

b. zijne door den druk gemeen gemaakte werken, indien hij zich bij de oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag van het werk, dit uitsluitend recht voor een of meer bepaald genoemde talen uitdrukkelijk voorbehoudt, en zijne vertaling binnen drie jaren na de oorspronkelijke uitgave door den druk heeft gemeen gemaakt.

Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan, wordt deze termijn voor elk deel of elke aflevering afzonderlijk berekend.

6. By gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in onderscheidene talen wordt slechts ééne uitgave als de oorspronkelijke aangemerkt en gelden de overige als vertalingen.

De auteur is bevoegd op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag aan te wgzen, welke uitgave hij als de oorspronkelijke beschouwt.

Bij gebreke van zoodanige aanwijzing wordt de uitgave in de moedertaal des auteurs als de oorspronkelijke aangemerkt.

7. Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken belet niet., dat daaruit ter aankondiging of heoordeeling, aanhalingen in andere werken worden opgenomen.

Mits de bron genoemd worde, staat het vrij, berichten of opstellen uit dag- en weekbladen verder door den druk gemeen te maken, tenzij het auteursrecht aan het hoofd van zoodanig bericht of opstel uitdrukkelijk is voorbehouden en voorts gehandeld wordt overeenkomstig art. 10.

8. Het auteursrecht van mondelinge voordrachten belet niet dat verslag gegeven worde van hetgeen in eene openbare bijeenkomst verhandeld is.

9. Het auteursrecht wordt beschouwd als eene roerende zaak.

Het is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht en gaat

over bij erfopvolging.

Eet is niet vatbaar voor beslag.

§ 2. Voorwaarden tol uitoefening van het auteursrecht op door den druk gemeen gemaakte werhen.

Art, 10. Het auteursrecht op een door den druk gemeen gemaakt werk vervalt zoo niet de auteur, uitgever of drukker twee exemplaren van dat werk, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig onderteekend, met opgaaf van zijne woonplaats

512

ocr page 543

WET OP EET AUTEURSRECHT.

en van het tijdstip der uitgave, binnen eene maand na de uitgave inzendt bij het Departement van Justitie, voor zooveel vertalingen betreft met inachtneming van den in art. 5 A gestelden termijn.

Bij de inzending moet worden overgelegd een door den drukker onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt. (7.)

11. Het Departement van Justitie geeft aan de inzenders een ge-dagteekend bewijs van ontvangst af.

Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening uittreksel of afschrift kan ontvangen.

Van de ingezonden werken en vertalingen wordt maandelijks eene opgave gedaan in de Nederlandsche Staatscourant.

12. De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of tooneelwerken uit- of op te voeren, gaat verloren zoodra die werken door den druk zijn gemeen gemaakt, tenzij de auteur bij de oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag van het werk, zich die bevoegdheid uitdrukkelijk voorbehoudt.

§ 3. Duur van het auteursrecht.

Art. 13. Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken duurt vijftig jaren na de eerste uitgave, te rekenen van de dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 11.

Indien de auteur dezen termijn overleeft en zijn recht nooit aan een ander heeft overgedragen, behoudt hij dat recht levenslang. (230.)

14. Het auteursrecht van niet door den druk gemeen gemaakte werken, mondelinge voordrachten daaronder begrepen, duurt tijdens het leven van den auteur en dertig jaren na zijn dood.

15. De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of tooneelwerken uit- of op te voeren duurt:

1°. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken tijdens het leven van den auteur en dertig jaren na zijn dood;

2°. voor door den druk gemeen gemaakte werken, waarbij die uitsluitende bevoegdheid werd voorbehouden, gedurende tien jaren sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van ontvangst.

16. 'De uitsluitende bevoegdheid tot het door den druk gemeen maken van vertalingen duurt;

lü. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken, mondelinge voordrachten daaronder begrepen, zoolang daarop auteursrecht bestaat;

2(l. voor door den druk gemeen gemaakte werken gedurende vijf jaren sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van ontvangst.

17. Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen

53.3

ocr page 544

WET OP HET AUTEUKSKECHI.

bestaan, wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering afzonderlijk berekend.

§ 4. Handhaving van het auteursrecht.

Art. 18. Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering, voortvloeiende uit elke inbreuk op het auteursrecht, wordt hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten hoogste twee duizend gulden.

De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de den schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het plegen van het misdrijf gedieud hebben, worden ten behoeve van den Staat verbeurd verklaard. ')

19. Hij die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt, wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten hoogste zes honderd gulden.

De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren worden ten behoeve van den Staat verbeurd verklaard. ')

20. De misdrijven in de artt. 18 en 19 bedoeld, worden niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn. ')

21. De ingevolge de artt. 18 en 19 (art. 'iiQbis en ter Wetb. v. Strafr.) verbeurd verklaarde exemplaren worden aan den auteur of zijn rechtverkrijgenden afgegeven, indien deze zich daartoe ter griffie aanmelden binnen acht dagen nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke daarvan worden deze exemplaren vernietigd.

Heeft de rechter te beslissen over een burgerlijke rechtsvordering tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den rechthebbende afgegeven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.

22. Auteurs of hunne rechtverkrijgenden kunnen in beslag nemen en afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren, die in strijd met hun uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt.

Dit beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze tot eigen gebruik hebben verkregen.

De artt. 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.

514

23. Bij opheffing van het beslag kan de arrestant worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.

1) Voor Nederland (vgl. artt. 27 en 28) zyn de artt. 18—20 afgeschaft by art. 3cZ der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64, en vervangen door artt. 349 bis—quater Wetb. v. Strafrecht.

ocr page 545

WET OP HET AÜTETJKSRECHT.

§ 5. Overga

Art. 24. Kopijrecht of eenig ander recbt van dezen aard verkregen onder een vroegere wetgeving blijft gehandhaafd, mits de

ferechtigde, binnen één jaar na het in werking treden dezer wet, aaromtrent eene verklaring inzendt bij het Departement van Justitie.erechtigde, binnen één jaar na het in werking treden dezer wet, aaromtrent eene verklaring inzendt bij het Departement van Justitie.

De artt. 18—23 dezer wet zijn op dat recht van toepassing.

25. Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet door den druk gemeen gemaakt werk, dat volgens de vroegere wetgeving niet voor recht van kopij vatbaar was of omtrent hetwelk de destijds vereischte formaliteiten niet behoorlijk zijn in acht genomen, kan worden uitgeoefend, tenzij de auteur, uitgever of drukker binnen één jaar na het in werking treden dezer wet twee exemplaren, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig onderteekend, inzendt bij het Departement van Justitie, met opgaaf van zijne woonplaats en van het tijdstip der oorspronkelijke uitgave.

Dit tijdstip strekr, tot aanvangspunt bij de berekening van den duur van het auteursrecht, behoudens tegenbewijs.

Het in dit artikel bedoelde auteursrecht kan niet worden ingeroepen tegen werken, die reeds vóór het in werking treden dezer wet zijn aangevangen of voltooid en destijds geoorloofd waren.

26. Het Departement van Justitie geeft aan de in de artt. 24 en 25 bedoelde inzenders een gedagteekend bewijs van ontvangst af.

Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening uiltreksel of afschrift kan ontvangen.

Van de ingezonden verklaringen en werken wordt maandelijks eene opgave gedaan in de Nederlandsche Staatscourant, met vermelding van het door den inzender opgegeven tijdstip der oorspronkelijke uitgave van de ingezonden werken.

i; 0. Slotbepalingen.

Art. 27. Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Ne-derlandsch Indië gedrukte en door den druk gemeen gemaakte werken, op niet door den druk gemeen gemaakte werken afkomstig van in Nederland of in Nederlandsch Indië woonachtige auteurs, daaronder begrepen in Nederland of in Nederlandsch Indië gehouden mondelinge voordrachten.

28. Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch Indië.

De aldaar door den druk gemeen gemaakte werken behooren te worden ingezonden aan den directeur van justitie, door wiens zorg daarvan opgaaf gedaan wordt in de Javasche Courant, en op wien verder de verplichtingen rusten, bij deze wet aan het Departement van Justitie opgedragen.

515

ocr page 546

WET OP HET AUTEDESKECHT.

De Nederlatidsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.

In het geval, bedoeld in art. 22, zijn voor Nederlandsch Indië van toepassing de gelijksoortige bepalingen van de aldaar geldende reglementen, met inachtneming van het verschil dat bestaat tusschen de wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijk gestelden en die voor de inlanders en met deze gelijk gestelden.

Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet in Nederlandsch Indië door den druk gemeen gemaakt werk kan worden uitgeoefend, tenzij ten opzichte van dat werk gehandeld wordt overeenkomstig art. 25.

29. Alle vroegere wettelijke bepalingen betreffende het recht van kopij, van vertaling, van uit- en opvoering zijn ingetrokken.

30. Deze wet treedt in werking den Isten Januari 1882.

516

A:

Azië naan den (G. f Ie Gou1 en h 2. dom H waai zond

3.

hebt slag aan^ H koop H minlt; noch

4. Luit

ST

ocr page 547

WET,

HOUDENDE VASTSTELLING VAN HET REGLEMENT OP HET BELEID DER REGERING VAN NEDER-LANDSCH INDIË.

(Vastgesteld den 2den September 1854, Stsbl. no. 129, uitgegeven den Itdeu Sept. d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 9 April 1870, Stsbl. no. 71; 21 Julij 1870, Stsbl. no. 13G; 7 Mei 1878, Stsbl. no. 40 en 4 Dec. 1881, Stsbl. no. 182.)

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DB ZAMENSTELLIKG VAN 3E REGERING VAN NEDERLANDSCH INDlë.

Art. I. De regering der koloniën en bezittingen van het Rijk in Azië, uitmakende het gebied van Nederlandsch Indië, wordt in naam des Konings uitgeoefend door eenen Gouverneur-Generaal, op den voet en onder de bepalingen van het tegenwoordig reglement. (G. 61.)

Ieder, die zich in Nederlandsch Indië bevindt, is verpligt den Gouverneur-Generaal te erkennen als des Konings vertegenwoordiger, en hem als zoodanig te eerbiedigen en te gehoorzamen.

2. De Gouverneur-Generaal moet Nederlander zijn en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebben.

Hij wordt door deu Koning benoemd en ontslagen en mag zijne waardigheid niet nederleggen, noch Nederlandsch Indië verlaten, zonder magtiging van den Koning. (G. 5; R.R. 4, 8.)

3. De Gouverneur-Generaal raag regtstreeks noch zijdelings deelhebber zijn in, noch borg zijn voor eenige onderneming, ten grondslag hebbende eene met de Indische Regering om winst of voordeel aangegane overeenkomst.

Hy mag geene schuldvorderingen ten laste van Nederlandsch Indië koopen.

Hij mag geen deel hebben, regtstreeks of zijdelings, in ondernemingen van handel en scheepvaart in Nederlandsch Indië gevestigd, noch aldaar eigenaar of huurder van landerijen zijn. (R.R. 9, 51.)

4. De Koning kan aan den Gouverneur-Generaal toevoegen eenen Lui tenant-Gouverneur-Generaal, bestemd om hem voorloopig op te

STAATSWETTEN. 33

lemen

)ver.

Indië

iende

schen

3n en

r wet : kan vordt

t van

ocr page 548

REGL. OP HET BELEID DER REGERING

volgen, en om inmiddels zoodanig werkzaam te zijn, als door den Koning of door den Gouverneur-Gceneraal zal worden voorgeschreven.

Het bepaalde bij de eerste alinea van art. 2 en bij art. 3 is toepasselijk op den Lui tenant-(jouverneur-Generaal. (R.R. 6, 7.)

5. De Gouverneur-Generaal legt in banden van den Koning, of op 's Konings magtiging, in eene vergadering, zamengesteld overeenkomstig art. 15, den volgenden eed (verklaring en belofte) af:

„Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot Gouverneur-Generaal over „Nederiandseli Indië benoemd te worden, directelijk of indirectelijk, „aan geene personen, hetzij in of buiten het bestuur, onder wat „naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of ge-„geven heb, noch beloven of geven zal.

„Ik zweer (beloof) dat ik, om iets in deze betrekking te doen „of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschen-„ken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.

„Ik zweer (beloof) dat ik den Koning gehoorzaam en getrouw „zal zijn.

„Ik zweer (beloof) dat ik de welvaart van Nederlandsch Indii1 „naar mijn vermogen bevorderen zal.

„Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet; dat ik het „Reglement op het beleid der regering van en alle andere voor „Nederlandsch Indië geldende verordeningen steeds zal onderhou-„den en doen onderhouden, en dat ik mij in alles zal gedragen zoo „als een braaf en eerlijk Gohvernenr-Generaal betaamt.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat verklaar en „beloof ik.quot;)

6. De Luitenant-Gouverneur-Generaal legt, in handen des Konings of van den Gouverneur-Generaal, den volgenden eed (verklaring en belofte, af:

„Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot Luitenant-Gouverneur-Gene-„raal over Nederlandsch Indië te worden benoemd, directelijk of „indirectelijk, aan geene personen, hetzij in of buiten het bestuur, „onder wat naam of voorwendsel ook. eenige giften of gaven be-„loofd of gegeven heb, noch beloven of geven zal.

„Ik zweer (beloof) dat ik, om iets in deze betrekking te doen „of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschen-„ken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.

„Ik zweer (beloof) dat ik den Koning en den Gouverneur-Gene-„raal, als des Konings vertegenwoordiger, gehoorzaam en getrouw „zal zijn.

„Ik zweer (beloof) dat ik de welvaart van Nederlandsch Indië „naar mijn vermogen bevorderen zal.

„Ik zweer (beloof) dat ik mij met naauwgezetheid en ijver zal „kwijten van alle verrigtingen, welke de Koning of de Gonverneur-„Generaal mij zal opdragen; dat ik het Reglement op het beleid „der regering van en alle andere voor Nederlandsch Indië geldende

518

ocr page 549

VAN NËDERLANDSCH INDlë.

„verordeningen getrouwelijk zal nakomen, en dat ik mij in alles „gedragen zal zoo als een braaf en eerlijk Luitenant-Gouverneur-„Generaal betaamt.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat verklaar en „beloof ik.quot;)

7. Er is een Raad van Nederlandsob Indië, bestaande uit eenen vice-precident en vier leden. (R.R. 12, 14.)

Hij wordt bijgestaan door eenen secretaris. l)e Gouverneur-Generaal kan het voorzitterschap van den Raad opdragen aan den Luitenant-Gouverneur-Generaal en kan het zelf bekleeden, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelt. Zij hebben alleen eene raadgevende stem. (R.R. 28 volg. 34, 35, 52, 75.)

De Gouverneur-Generaal kan, in bijzondere gevallen, andere ambtenaren, alsmede officieren der zee- of landmagt, gelasten de vergaderingen van den Raad by te wonen, tot het geven van mondelinge inlichtingen.

Het reglement van orde voor 's Raads vergaderingen wordt door den Koning vastgesteld. Het behelst de verpligting tot geheimhouding, in zoover het algemeen belang dit vordert.

8. De vice-president en de leden van den Raad van Nederlandsch Indië moeten Nederlanders zijn en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebben. (G. 5; R.R. 2, 4.)

Zij worden door den Koning benoemd en ontslagen. Bloedverwantschap of zwagerschap, tot den vierden graad ingesloten, mag niet bestaan tusschen den Gouverneur-Generaal, den Lnitenant-Gouverneur-Generaal en den vice-president of leden van den Raad, noch tusschen den vice-president en de leden onderling.

Die na zijne benoeming in den verboden graad van zwagerschap geraakt, kan zijne bediening niet behouden zonder vergunning van den Koning.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (R.R. 18.)

9. De vice-president en de leden van den Raad van Nederlandsch Indië mogen geene andei'e staatsambten bekleeden.

Het bepaalde bij art. 3 is op hen toepasselijk.

10. Tot het vervullen eener opengevallene plaats in den Raad van Nederlandsch Indië wordt door den Gouverneur-Generaal, na overleg met den Raad, binnen dertig dagen, eene met redenen omkleede aanbeveling van minstens twee personen, aan den Minister van Koloniën gezonden.

Indien de belangen van 's Lands dienst dringend vorderen, dat de opengevallene plaats inmiddels worde vervuld, draagt de Gouverneur-Generaal aan een der aanbevolenen de waarneming op van het lidmaatschap van den Raad.

Dusdanige tijdelijke waarneming heeft altijd plaats, wanneer bij gebreke daarvan het getal der dienstdoende leden van den Raad

519

33*

ocr page 550

REGL. OP HET BELEID DER REGERING

de vice-president daaronder begrepen, minder dan drie zou bedragen.

11. De vice-president en de leden van den Raad van Nederlandsch Indië leggen, vóór de aanvaarding hunner bediening, in handen van den Koning of van den Gouverneur-Generaal, den volgenden eed (verklaring en belofte) af:

„Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot vice-president (lid) van den „Raad van Nederlandsch Indië benoemd te worden, directelijk of „indirectelijk, aan geene personen, hetzij in of buiten het bestuur, „onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven be-„loofd of gegeven heb, noch beloven of geven zal.

„Ik zweer (beloof) dat ik om iets in deze betrekking te doen of „te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken „aannemen zal, directelijk of indirectelijk.

,.Ik zweer (beloof) getrouwheid aan den Koning, eerbied voor „en gehoorzaamheid aan den Gouverneur-Generaal, als des Konings „ vertegenwoordiger.

„Ik zweer (beloof) dat ik door mijne daden en raadgevingen, „naar mijn vermogen zal medewerken tot bevordering van de welvaart van Nederlandsch Indië.

„Ik zweer (beloof) dat ik liet Reglement op het beleid der regering „van en alle andere voor Nederlandsch Indië geldende verorde-„ningen getrouwelijk zal nakomen, en dat ik mij in alles zal gedragen zoo als een braaf en eerlijk vice-president (lid) van den „Raad van Nederlandsch Indië betaamt.

„Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!quot; („Dat beloof en ver-„klaar ik,quot;)

Deze eed wordt mede door den waarnemenden vice-president en de waarnemende leden van den Raad van Nederlandsch Indië afgelegd.

12. Wanneer bij het openvallen van het ambt van vice-president van den Raad van Nederlandsch Indië, de benoeming van den opvolger niet geschied, of in Nederlandsch Indië niet bekend is, of de benoemde in de spoedige aanvaarding zijner waardigheid verhinderd wordt, draagt de Gouverneur-Generaal de waarneming daarvan op aan het oudste lid in benoeming van den Raad.

13. Wanneer ziekte of afwezendheid van den Gouverneur-Generaal eene voorziening noodzakelijk maakt, kan h ij het dagelijksch beleid der zaken tijdelijk opdragen aan den Luitenanï-Gouverneur-Generaal; bij ontstentenis van dezen, aan den vice-president, en deze niet aan-wezend zijnde, aan het oudste lid in benoeming van den Raad van Nederlandsch Indië; een en ander op zoodanigen voet, als de Gouverneur-Generaal zal noodig oordeelen.

14. Wanneer de waardigheid van Gouverneur-Generaal openvalt en de benoeming van den voorloopigen of definitiven opvolger nist geschied, of in Nederlandsch Indië niet bekend is, gelijk mede wan-

520

ocr page 551

VAN NEDEKLANDSCH INDlë.

neer de benoemde in de dadelijke aanvaarding wordt verhinderd, treedt de door den Koning benoemde vice-president van den Eaad van Nederlandsch Indië op als waarnemend Gouverneur-Generaal. (R.R. 19, 40.)

15. Wanneer, in het geval bij het voorgaand artikel voorzien, geen door den Koning benoemde vice-president van den Raad van Nederlandsch Indië aanwezig is, wordt aan een der leden van den Raad de tijdelijke waarneming der waardigheid van Gouverneur-Generaal opgedragen, in eene vergadering, waartoe worden te zamen-geroepen ;

de ter plaatse aanwezige leden van den Raad;

de bevelhebber der zeemagt;

de bevelhebber der landmagt;

de president van het Hooggeregtshof;

de procureur-generaal bij het Hooggeregtshof;

de directeuren der departementen van algemeen bestuur, en

de president der Algemeene Rekenkamer.

De vergadering wordt binnen tweemaal vier en twintig uren bijeengeroepen en voOTgezeten door den oudste in benoeming van de aanwezige leden van den Raad.

üe voorzitter en de leden der vergadering leggen den eed (belofte) af; „dat zij hunne sten zullen uitbrengen op het lid van den Raad „van Nederlandsch Indië, dien zij in gemoede het meest geschikt „achten voor de tijdelijke waarneming der waardigheid van Gouver-„neur-Generaal.quot;

De algemeene secretaris en de secretarissen van het Gouvernement wonen (le vergadering bij. Een hunner voert de pen, de overigen zijn stemopnemers.

De benoeming geschiedt bij volstrekte meerderheid van stemmen, door middel van ongeteekende stembriefjes.

De stembriefjes worden, na door de medestemmenden in eene bus te zijn gestoken, door de stemopnemers overluid voorgelezen.

Niet ot' niet behoorlij k ingevulde stembriefjes worden, tot bepaling der meerderheid, afgetrokken van het getal der aanwezige leden der vergadering.

Wanneer bij de eerste stemming geene? volstrekte meerderheid is verkregen, wordt tot eene tweede vrije stemming overgegaan.

Indien ook bij deze stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft er eene derde stemming plaats over de twee personen, die bij de tweede de meeste stemmen op zich veree-nigd hebben. Deze onthouden zich van verdere deelneming aan de stemming.

Wanneer bij de tweede stemming meer dan twee personen een gelijk aantal stemmen op zich vereenigen, wordt door voorafgaande stemming beslist, wie hunner niet zullen behooren tot het bij de vorige alinea bedoelde tweetal.

521

be-

ocr page 552

EEGL. OP HET BELEID DER REGERING

de vice-president daaronder begrepen, minder dan drie zou bedragen.

11. De vice-president en de leden van den Raad van Nederlandsch Indië leggen, vóór de aanvaarding hunner bediening, in handen van den Koning of van den Gouverneur-Generaal, den volgenden eed (ver-Maring en belofte) af:

„Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot vice-president (lid) van den „Raad van Nederlandsch Indië benoemd te worden, directelijk of „indirectelijk, aan geene personen, hetzij in of buiten het bestuur, „onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven be-„loofd of gegeven heb, noch beloven of geven zal.

„Ik zweer (beloof) dat ik om iets in deze betrekking te doen of „te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken „aannemen zal, directelijk of indirectelijk.

,,Ik zweer (beloof) getrouwheid aan den Koning, eerbied voor „en gehoorzaamheid aan den Gouverneur-Generaal, als des Konings „vertegenwoordiger.

„Ik zweer (beloof) dat ik door mijne daden en raadgevingen, „naar mijn vermogen zal medewerken tot bevordering van de welvaart van Nederlandsch Indië.

„Ik zweer (beloof) dat ik het Reglement op het beleid der regering „van en alle andere voor Nederlandsch Indië geldende verorde-„ningen getrouwelijk zal nakomen, en dat ik mij in alles zal gedragen zoo als een braaf en eerlijk vice-president (lid) van den „Raad van Nederlandsch Indië betaamt.

„Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!quot; („Dat beloof en ver-„klaar ik.quot;)

Deze eed wordt mede door den waarnemenden vice-president en de waarnemende leden van den Raad van Nederlandsch Indië afgelegd.

12. Wanneer bij het openvallen van het ambt van vice-president van den Raad van Nederlandsch Indië, de benoeming van den opvolger niet geschied, of in Nederlandsch Indië niet bekend is, of de benoemde in de spoedige aanvaarding zijner waardigheid verhinderd wordt, draagt de Gouverneur-Generaal de waarneming daarvan op aan het oudste lid in benoeming van den Raad.

13. Wanneer ziekte of afwezendheid van den Gouverneur-Generaal eene voorziening noodzakelgk maakt, kan hy het dagelijksch beleid der zaken tijdelijk opdragen aan den Luiterant-Gouverneur-Generaal; bij ontstentenis van dezen, aan den vice-president, en deze niet aan-wezend zijnde, aan het oudste lid in benoeming van den Raad van Nederlandsch Indië; een en ander op zoodanigen voet, als de Gouverneur-Generaal zal noodig oordeelen.

14. Wanneer de waardigheid van Gouverneur-Generaal openvalt en de benoeming van den voorloopigen of definitiven opvolger niet geschied, of in Nederlandsch Indië niet bekend is, gelijk mede wan-

520

ocr page 553

VAN NEDEKLANDSCH INDlë.

neer de benoemde in de dadeliike aanvaarding wordt verhinderd, treedt de door den Koning benoemde vice-president van den Eaad van Nederlandscb Indië op als waarnemend Gouverneur-Generaal. (R.E. 19, 10.)

15. Wanneer, in het geval bij het voorgaand artikel voorzien, geen door den Koning benoemde vice-president van den Raad van Nederlandsch Indië aanwezig is, wordt aan een der leden van den Raad de tijdelijke waarneming der waardigheid van Gouverneur-Generaal opgedragen, in eene vergadering, waartoe worden te zamen-geroepen;

de ter plaatse aanwezige leden van den Eaad;

de bevelhebber der zeemagt;

de bevelhebber der landmagt;

de president van het Hooggeregtshof;

de procureur-generaal bij het Hooggeregtshof;

de directeuren der departementen van algemeen bestuur, en

de president der Algemeene Rekenkamer.

De vergadering wordt binnen tweemaal vier en twintig uren bijeengeroepen en voorgezeten door den oudste in benoeming van de aanwezige leden van den Raad.

De voorzitter en de leden der vergadering leggen den eed (belofte) af: „dat zij hunne stem zullen uitbrengen op bet lid van den Raad „van Nederlandscb Indië, dien zij in gemoede het meest geschikt „achten voor de tijdelijke waarneming der waardigheid van Gouver-„neur-Generaal.quot;

De algemeene secretaris en de secretarissen van het Gouvernement wonen de vergadering bij. Een hunner voert de pen, de overigen zijn stemopnemers.

De benoeming geschiedt bij volstrekte meerderheid van stemmen, door middel van ongeteekende stembriefjes.

De stembriefjes worden, na door de medestemmenden in eene bus te zijn gestoken, door de stemopnemers overluid voorgelezen.

Niet ot' niet behoorlijk ingevulde stembriefjes worden, tot bepaling der meerderheid, afgetrokken van het getal der aanwezige leden der vergadering.

Wanneer by de eerste stemming geene? volstrekte meerderheid is verkregen, wordt tot eene tweede vrije stemming overgegaan.

Indien ook bij deze stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft er eene derde stemming plaats over de twee personen, die bij de tweede de meeste stemmen op zich veree-nigd hebben. Deze onthouden zich van verdere deelneming aan de stemming.

Wanneer bij de tweede stemming meer dan twee personen een gelijk aantal stemmen op zich vereenigen, wordt door voorafgaande stemming beslist, wie hunner niet zullen behooren tot bet bij de vorige alinea bedoelde tweetal.

521

ocr page 554

B.EGL. OP HET BELEID DER REGEKING

Bij het staken der stemmen is de ondste in benoeming de verko- ji;eil zene. Na den afloop der werkzaamheden worden de stembriefjes in /q gg tegenwoordigheid der leden verbrand. 18.

Van de verrigtingen der vergadering wordt een naauwkeurig jn„es], proces-verbaal in dubbel opgemaakt en door al de leunn en de sefretE secretarissen onderteekend. Een der dubbelen wordt gezonden aan Qn(jeri den Minister van Koloniën. (R.R. 5, 17.)

16. Het bepaalde bij art. 15 is ook toepasseiyk op het geval, dat _asse| de door den Koning benoemde vice-president van den Raad van Ne- |g derlandsch Indiö, hoewel in Indië aanwezig, echter niet in staat is ^epag' de waardigheid van waarnemenden Gouverneur-Generaal dadelijk te aanvaarden. Zoodra de verhindering ophoudt, treedt hij van regtswege

op als waarnemenden Gouverneur-Generaal.

17. Wanneer er vermoeden bestaat, dat de Gouverneur-Generaal door krankzinnigheid buiten staat is zyne waardigheid te blijven uitoefenen, belegt degene die hem zou moeten vervangen, of, als deze niet bekend of afwezend is, de oudste in benoeming der aanwezige leden van den Raad van Nederlandsch Indië, eene vergadering van dien Raad, ten einde te onderzoeken of er gronden aanwezig zijn om het bestaande vermoeden als juist aan te nemen.

In die vergadering worden de ambtenaren, die dagelijks met den Gouverneur-Generaal in aanraking zyn, geroepen om inlichtingen te geven.

Zoo daartoe redenen bestaan, wordt vervolgens eene commissie benoemd, om den Raad te dienen van berigt omtrent den toestand van den Gouverneur-Generaal.

Die commissie bestaat uit het hoofd van de geneeskundige dienst, den oudste in rang van de ter plaatse aanwezige officieren van gezondheid en den stads geneesheer te Batavia.

Zij is bevoegd om den gewonen geneesheer van den Gouverneur-Generaal in haar midden te roepen.

Bevestigt dit nader onderzoek liet bestaande vermoeden, dan wordt de vergadering belegd, omschreven in art. 15.

Die vergadering roept als getuigen voor zich degenen die over de zaak licht kunnen verspreideu, en beslist vervolgens by meerderheid van stemmen of er redenen zijn om den Gouverneur-Generaal,

onder 's Konings goedkeuring, te ontheffen van de uitoefening zijner waardigheid.

Wanneer de vergadering tot de ontheffing besluit, is de Gouverneur-Generaal, uit kracht dier verklaring, van de uitoefening zijner waardigheid ontheven en wordt, naar mate der omstandigheden, in de voorloopige vervulling voorzien, overeenkomstig het bepaalde bij art. 14 of 15. \

Van elk gedeelte des onderzoeks worden nauwkeurige processen-verbaal in dubbel opgemaakt, en door al de leden en de secretarissen onderteekend.

522

ocr page 555

VAN NEDERLANDSCH INDlë. 523

erko- jjigjj (jg,. dubbeleii wordt gezonden aan den Minister van Koloniën. Jesm (G. 38 volg.)

18. Bloedverwantschap of zwagerschap tot den vierden graad ^eimg ingesloten, mag niet bestaan tnsschen den Gouverneur-Generaal en de 'n 6 secretarissen van het Gouvernement, noch tusschen die secretarissen ' aan onderling.

Het bepaalde bij de twee laatste alinea's van art. 8 is hier toe-passelijk.

19. Al wat in dit reglement omtrent den Gouverneur-Generaal is ... bepaald, is toepasselijk op hem, die de waardigheid tijdelyk uitoe-y fent, met uitzondering van het vastgestelde bij art. 18.

wege

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE BEVOEGDHEID EN DE PLIGTEN VAN DE REGERING VAN NEDERLANDSCH INDlë.

Art. 20. De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, met inachtneming van de bepalingen van dit reglement en van 's Konings bevelen, algemeene verordeningen vast te stellen omtrent alle onderwerpen, waarvan de regeling niet door de wet is geschied of moet geschieden, waarin niet door een Koninklijk besluit is voorzien, of waarvan aan den Koning de regeling niet is voorbehouden.

21. Onverminderd het geval, voorzien bij art. 43, is de Gouverneur-Generaal in dringende omstandigheden bevoegd, om, onder nadere bekrachtiging door de wet of goedkeuring van den Koning, algemeene verordeningen vast te stellen omtrent onderwerpen waarvan de regeling door de wet moet geschieden of aan den Koning is voorbehouden, zoolang die regeling niet heeft plaats gehad.

Zoodanige maatregel wordt, wanneer het een onderwerp geldt waarvan de regeling door de wet geboden is, door den Koning onverwijld gebragt ter kennis van de Staten-Generaal. (G. 61; R.R. 22, 26, 29.)

22. De Gouverneur-Generaal kan om gewigtige redenen, onder nadere bekrachtiging door de wet of goedkeuring van den Koning, de afkondiging of uitvoering uitstellen van wetten of Koninklijke besluiten en bevelen.

Van deze handelingen wordt, wanneer zij eenc wet betreffen, door den Koning onverwijld kennis gegeven aan de Staten-Generaal. (G. 61rf; R.R. 25, 26, 29.)

23. Onverminderd het geval voorzien bij art. 43 en behoudens de bepalingen van dit reglement, is de Gouverneur-Generaal bevoegd om in dringende omstandigheden voor geheel Nederlandsch Indië of voor bepaalde gedeelten daarvan, onder nadere bekrachtiging door de wet, bij algemeene verordening, wetten geheel of gedeeltelijk buiten werking te stellen.

ocr page 556

524 3EGL. OP HET BELEID DEK EEGEBING

Van deze handeling wordt door den Koning onverwijld kennis W

gegeven aan de Staten-Generaal. (R.R. 26, 29.) Gene

24. De Gouverneur-Generaal beeft, onder de nadere goedkeuring der 1 des Konings, gelijke bevoegdheid als hem bij art. 23 is geschonken. 29 ten aanzien van verordeningen door den Koning, of in Zijnen naam onve door Commissarissen-Generaal vastgesteld of goedgekeurd. gev0

Bij de toepassing van dit artikel worden als door den Koning intre vastgesteld beschouwd de bestaande organisatiën der verschillende dend takken van bestuur en de aangenomen gewigtige beginselen van regering, ook die het stelsel der belastingen betreffende, hoezeer niet uitdrukkelijk door den Koning bekrachtigd.

25. Wanneer de Gouverneur-Generaal gebruik maakt van de magt hem bij art. 22 verleend, en zijne handeling wordt afgekeurd, is hij tot afkondiging of uitvoering verpligt dadelijk na ontvangst van den daartoe strekkenden last des Konings.

26. Wanneer de algemeene verordeningen door den Gouverneur-Generaal afgekondigd, in de gevallen bedoeld bij de artt. 21, 23 en 24,

door de wet of door den Koning niet bekrachtigd worden, afgekeurd worden, of wanneer, in het geval bedoeld bij art. 20, het onderwerp inmiddels in Nederland is geregeld, blijven die verordeningen desniettemin in Nederlandsch Indië hare verbindende kracht behouden,

totdat hare intrekking door den Gouverneur-Generaal is afgekondigd.

27. De Gouverneur-Generaal zorgt voorde uitvoering der algemeene verordeningen en vaardigt de daartoe noodige bevelen uit.

De algemeene verordeningen zijn op die gedeelten van Nederlandsch Indië, alwaar liet regt van zelfbestuur aan de inlandsche vorsten en volken is gelaten, slechts in zoo ver toepasselijk, als met dat regt bestaanbaar is.

28. De Gouverneur-Generaal vraagt het advies van den Raad van Nederlandsch Indië over alle zaken van algemeen of bijzonder belang,'

waar hij dit noodig oordeelt.

Tot die raadpleging is hij verpligt ten aanzien van:

a. alle instructiën en reglementen het algemeen of gewestelijk bestuur betreffende, op zijnen last ontworpen;

h. de toepassing van art. 44 van dit reglement en in het algemeen van elke regeling der staatkundige betrekkingen met Indische vor-'

sten en volken;

c. de algemeene begrooting van ontvangsten en uitgaven;

d. de algemeene strekking der maatregelen door het burgerlijk gezag genomen of te nemen in geval van oorlog of opstand;

e. buitengewone maatregelen van gewigtigen aard; en

/. benoemingen tot gewigtige ambten, ter aanwijzing van den

Koning.

De Gouverneur-Generaal alleen beslist en geeft van zijn besluit kennis aan den Raad.

ocr page 557

VAN NEDERLANDSCH IKDlë.

kennis Wanneer de Kaad van Nederlandsch Tndië door den Gouverneur-Generaal is gehoord, wordt daarvan melding gemaakt in den aanhef tearing der besluiten.

lonken, 29. Overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië wordt, a naam onverminderd in de gevallen uitdrukkelijk in dit reglement genoemd, gevorderd voor de vaststelling, wijziging, uitlegging, schorsing en Koning intrekking door den Gouverneur-Generaal van alle algemeen verbin-illende dende verordeningen, gelijk mede voor het uitstellen harer afkondi-sn van ging. (R.R. 21—H, 45, 75.)

loczeer 30. Wanneer de Gouverneur-Generaal, in de gevallen waarin overeenstemming wordt gevorderd, zich niet vereenigt met het advies e magt van den Raad van Nederlandsch Indië, wordt de uitspraak des , is hij Konings door hem ingeroepen.

st van De Gouverneur-Generaal kan, zonder die uitspraak af te wachten, de door liem noodig gekeurde maatregelen op eigen gezag en verant-:rneur- woordelijkheid nemen, wanneer hij oordeelt, dat langer verwijl de en 24, veiligheid of de rust van Nederlandsch Indië of andere gewigtige ïkeurd algemeene belangen zou in gevaar brengen.

xwerp Alvorens die maatregelen worden genomen, deelen de Gouvernenr-n des- Generaal, de vice-president en de leden van den Raad elkander schrif-)uden, telijk hunne gevoelans mede. Het onderwerp wordt daarna op nieuw ;ekon- aan eene beraadslaging in den Raad, onder het voorzitterschap van den Gouverneur-Generaal, onderworpen. De Gouverneur-Generaal meene stemt in dit geval mede en heeft, bij staking, eene beslissende stem.

Ter deelneming aan deze beraadslaging worden de leden van den feder- Raad opgeroepen, die ingevolge art. 3G afwezend zijn, en zich op dsche de eilanden Java en Madura bevinden. Zy zyn gehouden onverwijld 3 met aan die oproeping te voldoen.

31. De algemeene verordeningen, vastgesteld, hetzij door de wet-i van gevende magt in Nederland (wetten), hetzij door den Koning alleen ilang, (Koninklijke besluiten), hetzy door den Gouverneur-Generaal (ordonnantiën), worden door den Gouverneur-Generaal afgekondigd, en door den algemeenen secretaris, of een der secretarissen van het k be- Gouvernement gewaarmerkt.

Die afkondiging wordt gerekend geschied te zijn door plaatsing meen . in het Staatsblad van Nederlandsch Indië. Zij is, in geldigen vorm vor- geschied, de eenige voorwaarde der verbindbaarheid.

De algemeene verordeningen werken terstond nadat hare afkondiging kan bekend zijn.

irlijk Wanneer geen. ander tijdstip is vastgesteld, wordt de afkondiging gerekend bekend te zijn, op Java en Madura op den dertigsten dag, en in de overige koloniën en bezittingen op den honderdsten dag, na den dien der dagteekening van het Staatsblad van Nederlandsch Indië,

waarin de verordening is opgenomen. (R.R. 33, 34.)

sluit 32. De Gouverneur-Generaal, het bevel tot afkondiging van eene

wet of van een Koninklijk besluit ontvangen hebbende, zorgt voor

525

ocr page 558

REGL. OP HET BELEID D£R REGERING

de plaatsing daarvan in het Staatsblad van Nederlandsch Indié met het navolgende onderschrift:

„En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, beveelt de „Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië (den Raad van Neder-„landsch Indië gehoord) dat deze in het Staatsblad van Nederlandsch „Indië worde geplaatst en dat daarvan, voor zooveel noodig, verta-„lingen in de inlandsclieen Chinesche talen worden aangeplakt. Gelast „verder alle hooge en lage collegiën en ambtenaren, officieren en jus-„ticieren, ieder zooveel hem aangaat, aan de stipte naleving van de „bovenstaande wet (Koninklijk besluit) de hand te houden, zonder „oogluiking of aanzien des persoons.quot;

„Gedaan te......den......quot;

(Handteekeningen van den Gouverneur-Generaal en van den alge-meenen secretaris of van een der gouvernements-secretarissen.)

33. Het formulier van af kondiging der ordonnantiën, is als volgt: „In naam des Konings!

„De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië,

„Den Kaad van Nederlandsch Indië gehoord,

„Allen, die deze zullen zien, of hooren lezen, salut! doen te weten.quot;

(Hier volgen de beweegredenen en de inhoud der ordonnantie en daarna de woorden:)

„En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, zal deze „in het Staatsblad van Nederlandsch Indié geplaatst, en, voor „zooveel noodig, in de inlandsche en Chinesche talen aangeplakt „worden.

„Gelast en beveelt voorts, dat alle hooge en lage collegiën en „ambtenaren, officieren en justicieren, ieder voor zooveel hem aangaat, „aan de stipte naleving dezer de hand zullen houden, zonder ooglui-„king of aanzien des persoons.

„Gedaan te......den......quot;

(Handteekeningen van den Gouverneur-Generaal en van deu alge-meeneu secretaris of van een der gouvernements-secretarissen.)

34. x\lle collegiën en landsdienaren, geene uitgezonderd, zijn ver-pligt aan den Kaad van Nederlandsch Indië, op zijne aanvrage, inlichtingen te geven omtrent de feiten, wier kennis vereischt wordt voor de adviezen, door den Gouverneur-Generaal van den Raad gevraagd.

35. De Raad van Nederlandsch Indië heeft het regt aan den Gouverneur-Generaal voorstellen te doen.

Wanneer de Gouverneur-Generaal, na onderzoek, vermeent een voorstel van den Raad buiten gevolg te moeten laten, geeft hij daarvan, met opgave zijner bezwaren, kennis aan den Minister van oloniën.

Hij brengt tevens zijn besluit ter kennis van den Raad.

36. De Gouverneur-Generaal kan aan de leden van den Raad van

526

ocr page 559

VAN NEBERLANDSCH INDlë.

Nederlandsch Indië bijzondere commissiën opdragen en hen mat zendingen in Nederlandsch Indië belasten, mits, behalve de vice-president, twee leden ter hoofdplaats aanwezig blijven. (R. R. 30.)

37. De Gouverneur-Generaal is, met opzigt tot de uitoefening van zgne waardigheid, verantwoordelijk aan den Koning, onverminderd het regt tot vervolging bij art. ]59 (164) der Grondwet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toegekend.

38. De Gouverneur-Generaal is strafbaar:

a. wanneer hij uitvoering geeft of doet geven:

1°. aan Koninklijke besluiten of beschikkingen, niet voorzien van de vereischte mede-onderteekening van een der hoofden van de ministeriële departementen;

2°. aan Koninklijke besluiten of beschikkingen, waarvan hem de uitvoering niet is opgedragen door den Minister van Koloniën;

b. wanneer hij opzettelijk nalaat of grovelijk verzuimt uitvoering te geven of te doen geven aan voorschriften van dit reglement en van andere voor Nederlandsch Indië verbindende wetten en verordeningen, alsmede aan Koninklijke besluiten of beschikkingen en aan geslotene verdragen, voor zoover die uitvoering door den Minister vau Koloniën aan hem is opgedragen;

c. wanneer hij beschikkingen neemt of bevelen geeft, waardoor hij wist of weten moest, dat bepalingen van dit reglement, van andere voor Nederlandsch Indië verbindende wetten of algemeene verordeningen, of van geslotene verdragen worden geschonden.

39. De straffen bij de wet regelende de verantwoordelijkheid van de hoofden der ministeriële departementen tegen de daarbij omschreven misdrijven bedreigd, zijn toepasselijk op den Gouverneur-Generaal, in de gevallen by het voorgaande artikel vermeld. (Wet min. verantw. 32 Apr. 1855, Stsbl. no. 33; Verg. artt. 355, 35ö en G Wetb.v. Strafrecht.)

40. Ingeval van vervolging, hetzij naar aanleiding van art. 159 (164) der Grondwet, hetzij ter zake van andere misdrijven of overtredingen, legt d» Gouverneur-Generaal, op ontvangen bevel van wege den Koning, zijne waardigheid neder in handen van den daartoe door den Koning of door dit reglement aangewezen opvolger. (R.K. 14 volg.)

41. De Gouverneur-Generaal is opperbevelhebber van de in Nederlandsch Indië aanwezige zeemagt, behoudens hare administrative betrekkingen tot het Departement va,n Marine. Hij beschikt over de schepen en vaartuigen en derzelver manschap in overeenstemming met de door den Koning gegeven voorschriften, zoo ala hij meest oorbaar acht voor de belangen van Nederlandsch Indië.

42. De Gouverneur-Generaal is opperbevelhebber van de in Nederlandsch Indië aanwezige landmagt.

In Nederlandsch Indië worden de officieren door den Gouverneur-Generaal benoemd. Zij worden door hem bevorderd en ontslagen op den voet by algemeene verordening bepaald.

527

ocr page 560

BEGL. OP HET BELEID DER BEGEBING

De regelen omtrent het toekennen van pensioenen en gagementen worden bij algemeene verordening gesteld. (R.R. 58.)

43. Ingeval van oorlog of opstand, neemt de Gouverneur-Generaal de maatregelen, die hij in het belang van het Rijk en van Nederlandsch Indië noodzakelijk acht, ook de zoodanige waartoe anders 's Konings magtiging vereischt wordt.

Bepaaldelijk heeft hij alsdan de magt om Nederlandsch Indië, geheel of gedeeltelijk, in staat van oorlog of beleg te verklaren, wetten en bepalingen van dit reglement te schorsen en autoriteiten tgdelijk op te heffen.

De Gouverneur-Generaal kan in bezittingen buiten Java en Madura de burgerlijke of militaire gezaghebbers magtigen tot het nemen van voorloopige maatregelen van den bij dit artikel bedoelden aard. (R.R. 21, 23, 24, 85.)

44. De Gouverneur-Generaal verklaart oorlog aan en maakt vrede-en andere verdragen met Indische vorsten en volken, alles met inachtneming van de bevelen des Konings.

Van den inhoud dier verdragen wordt door den Koning mededee-ling gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal, zoodra Hij oordeelt dat het belang en de zekerheid van het Rijk en van Keder-landsch Indië zulks toelaten. (G. 58, 59; R.R. 1, 28^.)

45. Aan personen, niet in Nederlandsch Indië geboren, die gevaarlijk worden geacht voor de openbare rust en orde, kan het verblijf aldaar door den Gouverneur-Generaal, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië, worden ontzegd.

Het daartoe strekkend besluit wordt, wanneer het Nederlanders geldt, met redenen omkleed.

Het besluit bepaalt een redelijken tijd, die den betrokken persoon gelaten wordt voor het orde stellen op zyne zaken.

De Gouverneur-Generaal kan, bij een door hem onderteekend bevel, gelasten dat de betrokken persoon, in afwachting van eene gelegenheid tot verwijdering, in hechtenis worde genomen.

Het besluit tot verwijdering en het bevel tot inhechtenisneming worden aan den betrokken persoon bij geregtelijke acte be-teekend.

De Gouverneur-Generaal brengt het besluit tot verwijdering, met de verdere stukken, onverwijld ter kennis van den Minister van Koloniën.

Van bet besluit tot verwijdering wordt, wanneer het Nederlanders geldt, door den Koning kennis gegeven aan de Staten-Generaal. (R.R. 46—48, 85, 105.)

46. Aan personen, niet in Nederlandsch Indië geboren, kan door den Gouverneur-Generaal, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië, in het belang der openbare rust en orde, het verblijf in bepaalde gedeelten van Nederlandsch Indië worden ontzegd. (R.R. 29.)

528

ocr page 561

VAN NEDEBXANDSCII INDIe. 5'29

quot;Wanneer de maatregel iemand betreft, niet tot de inlanders be-ineraal t1001611^6. wordt het besluit met de verdere stukken onverwijld ge-indsch ter kennis van den Minister van Koloniën.

anincs ^ an den maatregel wordt, wanneer het Nederlanders geldt, door 0 den Koning kennis gegeven aan de Stateu-Generaal. (R.R. 45, 47, 48.)

47. De Gouverneur-Generaal kan, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië, aan personen, binnen Nederlandsoh Indië geboren, in het belang der openbare rust en orde, eene bepaalde plaats aldaar tot verblijf aanwijzen, of het verblijf in bepaalde gedeelten van Nederlandsoh Indië ontzeggen. (R.R. 29.)

De Gouverneur-Generaal kan, bij een door hem onderteekend bevel, gelasten, dat de betrokken persoon, in afwachting van eene gelegenheid tot verwijden ag, in hechtenis worde genomen.

Het besluit tot verwijdering en het bevel tot inhechtenisneming worden aan den betrokken persoon bij geregtelijke acte beteekend.

Wanneer de in dit artikel bedoelde maatregelen iemand betreiïen, niet tot de inlanders behoorende, wordt gehandeld overeenkomstig het voorlaatste lid van het voorgaande artikel.

De bepaling, vervat in het laatste lid van het voorgaand artikel is mede toepasselijk wanneer het Nederlanders geldt. (R.R. 85.)

48. In de gevallen, bedoeld in de artt. 45, 46 en 47, wordt door den Gouverneur-Generaal niet beslist dan nadat de betrokken persoon in zijne verdediging gehoord, of daartoe behoorlijk opgeroepen is. Van het verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt.

49. Behoudens de uitzonderingen by dit reglement bepaald, worden de ambtenaren benoemd, ontslagen en op pensioen gesteld door den Gouverneur-Generaal, overeenkomstig regels, bij algemeene verordening gesteld. (K.B. 29 Ang. 1883, Stsbl. no. 133, aangev. bij K.B. 16 Apr. 1892, Stsbl. no. 87, gewijz. bij K.B. 23 Deo. 1892, Stsbl. no. 286.)

50. De Gouverneur-Generaal regelt het bedrag der bezoldigingen en soldijen, voor zoover het niet door den Koning vastgesteld is. Bezoldigingen en soldijen bij Koninklijke besluiten bepaald, of be. grepen in eene goedgekeurde begrooting, kunnen door den Gouverneur. Generaal zonder magtiging des Konings niet worden verhoogd. (G. 61a, 63; Ind. Comp. passim.)

51. Het bezoldigen der ambtenaren geschiedt naar het beginsel, dat, behalve de toe te leggen jaarwedde, geene andere dan de uitdrukkelijk toegestane voordeden uit het ambt mogen worden getrokken.

Die voordeelen worden door den ambtenaar alleen genoten wanneer het genot daarvan hem bij zijne benoeming uitdrukkelijk is vergund.

Spillagiën of overwigten worden nimmer beschouwd als voordeelen aan de ambten verbonden, maar slechts als middelen om verliezen, buiten de schuld der ambtenaren ontstaan, te vergoeden.

Het bepaalde by art. 3 van dit reglement kan bij algemeene verordening, geheel of gedeeltelik, op ambtenaren worden toepasselijk gemaakt.

52. De Gouverneur-Generaal heeft, na gehoord advies van het

ocr page 562

530 REGL. OP HET BELEID DER REGERING

Hooggeregtshof, liet regt van gratie van straffen, door regterlijke vonnissen in Nederlandsch Indië opgelegd, zoolang de veroordeelden zich aldaar ophouden.

Voor zooveel inlandsche vorsten en hoofden hetreft, heeft hij ook, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië, het regt van amnestie en abolitie. (G. 68; R.R. 1.)

53. De Gouverneur-Generaal heeft de magt om dispensatiën te verleenen, in de gevallen bij de algemeene verordeningen omschreven; voor zooveel regtszaken betreft, na gehoord advies van het Hooggeregtshof.

De Gouverneur-Generaal kan ook, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië, en na gehoord advies van het Hooggeregtshof, dispensatie verleenen van eene bepaalde ordonnantie, in de gevallen daarbij niet vermeld. (G. 69; R.R. 29.)

54. De Gouverneur-Generaal verleent in naam des Konings zeebrieven aan schepen en vaartuigen, op de Europesche wijze getuigd. Vaartuigen, op de inlandsche wijze getuigd, worden van jaarpassen voorzien; een en ander overeenkomstig reeds vastgestelde of nader vast te stellen algemeene verordeningen.

55. De bescherming der inlandsche bevolking tegen willekeur, van wien ook, is een der gewigtigste pligten van den Gouverneur-Generaal.

Hij zorgt dat de besturende ambtenaren de daaromtrent bestaande of nader uit te vaardigen verordeningen stiptelijk nakomen, en dat den inlanders overal gelegenheid gegeven worde om vrijelijk klagten in te leveren.

56. De Gouverneur-Generaal houdt de op hoog gezag ingevoerde cultures, zooveel doenlijk, in stand, en zorgt in overeenstemming met de bevelen des Konings;

1°. dat die cultures niet in den weg staan aan de teelt van genoegzame voedingsmiddelen;

2°. dat, voor zoover die cultures plaats hebben op gronden door de inlandsche bevolking voor eigen gebruik ontgonnen, de beschikking over die gronden geschiede met billijkheid en met eerbiediging van bestaande regten en gebruiken;

3°. dat bij de verdeeling van den arbeid, dezelfde regelen worden in acht genomen;

4°. dat de belooning der betrokken inlanders, met vermijding van schadelijke opdrijving, zoodanig zij, dat de gouvernements-cultures hun, bij gelijken arbeid, ten minste gelijke voordeelen opleveren als ( de vrije teelt;

5°. dat zooveel doenlijk opgeheven worden de bezwaren die, na een opzettelijk onderzoek, mogten bevonden worden ten aanzien van die cultures te bestaan; eu

6°. dat alzoo worde voorbereid eene regeling, steunende op vrijwillige overeenkomsten met de betrokken gemeenten en personen, als

ove zal

1

wet ver 5

stei 1

gen 1

van uitz 1

plai

2

inla het reg voo

Gei

i

dru

bes bill l

bet

dit

(

sch i

de fab

(

de

j

wo

VO( de des tel

hel

wo

ocr page 563

VAN NEDERLANDSCH INDlë.

overgang tot eenen toestand, waarbg de tusschenkomst des Bestuurs zal kunnen worden ontbeerd.

In het verslag, bedoeld bij bet 1ste lid van art. 60(62) der Grondwet, wordt jaarlijks opgave gedaan van de maatregelen door den Gouverneur-Generaal naar aanleiding van dit artikel genomen. ^

57. In elk gewest worden de aard en duur der persoonlijke diensten, waartoe de inboorlingen verpligt zijn, de gevallen waarin en

1) Bij art. 1 der wet van 21 Julij 1870, Stsbl. no. 136, is het volgende bepaald:

Ten aanzien van de op hoog gezag ingevoerde suikercultuur wordt art. 56 van het reglement op het beleid der Regering van Nederlandsch Indië, met uitzondering van de laatste alinea, vervangen door de volgende bepalingen:

1°. Nieuwe invoering van de suikercultuur op hoog gezag heeft niet plaats.

2°. Waar zij bestaat, eindigt de beschikking over gronden} door de inlandsche bevolking voor eigen gebruik ontgonnen, met den aanplant van het jaar 1890. Na den aanplant van het jaar 1878 wordt, behoudens de regten bij het in werking treden van deze wet verkregen, die beschikking voor elke onderneming jaarlijks trapsgewijze verminderd.

3°. Bij de regelingen en overeenkomsten ter zake, neemt de Gouverneur-Generaal in acht:

a. dat geene onderneming op hoog gezag worde voortgezet, waar de druk voor de bevolking, in verband met de voorschriften van deze wet beschouwd, overschrijdt hetgeen het finantiëel belang van den Staat in billijkheid vorderen mag;

b. dat gelijktijdig over niet meer dan een vijfde der velden van elke betrokken dessa worde beschikt, tenzij de bevolking zelve afwijking van dit voorschrift verlange;

c. dat de bevolking voor de afgifte van den grond behoorlijk worde schadeloos gesteld en voor haren arbeid behoorlijk betaald;

d. dat de tusschenkomst des bestuurs tot beplanting met suikerriet van de bij 2°. bedoelde gronden, zoo spoedig doenlijk, in overleg met den fabrikant, ophoude;

e. dat de middelen tot verwerking van het riet geëvenredigd zijn aan de uitgestrektheid van den aanplant;

ƒ. dat voor het drijven der molens of andere toestellen niet beschikt worde over water, benoodigd voor den eigen landbouw der bevolking;

g. dat tot het verkrijgen van arbeiders en verdere hulpmiddelen, zoo voor het snijden en vervoeren van het riet, voor werkzaamheden in en bij de fabriek, voor den afvoer van de suiker, als anderzins, de tusschenkomst des bestuurs aan de ondernemers niet verleend worde buiten volstrekte, telkens te bewijzen onmisbaarheid;

h. dat aan den lande eene billijke cijns verzekerd worde, zoowel over het product van den vrijen, als over dat van verpligten aanplant;

i. dat elke overeenkomst en elke wijziging, beide terstond na de sluiting, worde openbaar gemaakt in het officiële nieuwsblad.

531

ocr page 564

EEGL. OP HET BELEID DER REGERING

de wijze en voorwaarden waarop zij kunnen worden gevorderd, door den Gouverneur-Generaal geregeld, in overeenstemming met de bestaande gebruiken, instellingen en behoeften.

De verordeningen, die persoonlijke diensten betreffende, worden in elk gewest, om de vyf jaren, door den Gouverneur-Generaal herzien met het doel om daarin trapsgewijze de verminderingen te brengen, bestaanbaar met het algemeen belang.

In het verslag, bedoeld bij het 1ste lid van art. 60 (62) der Grondwet, wordt jaarlijks opgave gedaan van den staat, waarin zioh de voorgeschreven regeling der hier bedoelde diensten bevindt.

58. De Gouverneur-Generaal zorgt, dat in Nederlandsch Indië geene belastingen geheven worden dan die bij algemeene verordeningen zijn bepaald. (G. 174.)

59. De Gouverneur-Generaal zorgt, dat overal, waar de lundretite geheven wordt, volgens den gemeentelijken of dorps-aanslag, daarmede voorloopig worde voortgegaan.

De grondslagen voor den aanslag in de landrente worden bij algemeene verordening vastgesteld.

In het verslag, bedoeld bij het 1ste lid van art. 60 (62) der Grondwet, wordt jaarlijks opgave gedaan van de maatregelen naar aanleiding van dit artikel genomen.

60. De Gouverneur-Generaal zorgt dat aan nuttige bedrijven geene noodelooze belemmeringen in den weg gelegd worden of blijven.

Behoudens verkregen regten worden op de markten (passars) geene belastingen geheven. ')

61. De Gouverneur-Generaal vestigt zijne bijzondere aandacht op de bosschen van djatti-hout. Hij zorgt dat de regten van eigendom des Rijks op alle dusdanige bosschen, niet bij verkoop of op eenige andere wijze aan bijzondere personen afgestaan, worden gehandhaafd; en dat het in stand' houden of uitbreiden dier bosschen en de houtkap in dezelven door doeltreffende maatregelen worden geregeld.

62. De Gouverneur-Generaal mag geene gronden verkoopen.

In dit verbod zijn niet begrepen kleine stukken gronds, bestemd tot uitbreiding van steden en dorpen en tot het oprigten van inrig-tingen van nijverheid.

De Gouverneur-Generaal kan gronden nitgeven in huur, volgens regels bij algemeene verordening te stellen. Onder die gronden worden niet begrepen de zoodanige, door do inlanders ontgonnen of, als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde, tot de dorpen of dessa's behoorende.

Volgens regels, bij algemeene verordening te stellen, worden gronden afgestaan in erfpacht voor niet langer dan vijf en zeventig jaren.

532

De Gouverneur-Generaal zorgt, dat geenerlei afstand van grond inbreuk make op de regten der inlandsche bevolking.

1) Art. 60 aldus gengzigd bfl art. 2 der wet van 31 Julü 1870, Stsbl. lio. 136.

ocr page 565

VAN NEDBRLANDSCH INDlë,

Over gronden, door inlanders voor eigen gebruik ontgonnen, of als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde tot de dorpen be-hoorende, wordt door den Gouverneur-Generaal niet beschikt dan ten algemeenen nutte, op den voet van art. 77 en ten behoeve van de op hoog gezag ingevoerde cultures volgens de daarop betrekkelijke verordeningen, tegen behoorlijke schadeloosstelling.

Grond, door inlanders in erfelijk individueel gebruik bezeten, wordt, op aanvraag van den regtmatigen bezitter, aan dezen in eigendom afgestaan onder de noodige beperkingen, bij algemeene verordening te stellen en in den eigendomsbrief uit te drukken, ten aanzien van de verpligtingen jegens den lande en de gemeente en van de bevoegdheid tot verkoop aan niet-inlanders.

Verhuur of in-gebruik-geving van grond door inlanders aan niet-inlanders geschiedt volgens regels, bij algemeene verordening te bepalen. ')

63. Op de eilanden van den Oost-Indischen Archipel worden geene nieuwe gouvernements-vestigingen daargesteld zonder magti-ging des Konings.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN HET ALGEMEEN BESTUUR.

Art. 64. De verschillende takken van het algemeen burgerlijk bestuur worden, onder de bevelen en het oppertoezigt van den Gouverneur-Generaal, beheerd door directeuren, wier getal, werkkring en bevoegdheid worden bepaald door den Koning.

65. De hoofden der aldus ingestelde departementen van algemeen bestuur vereenigen zich tot een Raad van Directeuren, telkens wanneer de Gouverneur-Generaal hunne zamenwerking beveelt.

66. Er is eene Algemeene Rekenkamer, belast met het toezigt over het beheer der koloniale geldmiddelen en over de verantwoording der rekenpligtigen.

De zamensteliing der kamer en hare instructie worden door den Koning vastgesteld, in overeenstemming met de wet op de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen. (G. 62X; Ind. Comp. wet van 23 April 1864, Stsbl. no. 35, gewijz. by de wetten van 23 April 1SS0. Stsbl. no. 72; 28 Juni 1S81, Stsbl. no. 122 en 30 Dec. 1882, Stsbl. no. 246.)

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN DE GEWESTELIJKE EN PLAATSELIJKE BESTUREN.

533

Art. 67. Zooveel de omstandigheden het toelaten, wordt de in-

34

1) Art. 62 aldus aangevuld met de 6 laatste alinea's door de wet van 9 April 1870, Stsbl. no. 71.

STAATSWETTEN.

ocr page 566

534 KEGL. OP HET BELEID DER REGERING

landsche bevolking gelaten onder de onmiddellijke leiding van hare eigene, van regeringswege aangestelde of erkende hoofden, onderworpen aan zoodanig hooger toezigt, als bij algemeene of bijzondere voorschriften door den Gouverneur-Generaal is of zal worden bepaald.

68. De indeeling van het grondgebied van Nederlandsoh Indië in gewesten geschiedt door den Koning.

In de gewesten wordt, in naam van den Gouverneur- Generaal, het bestuur uitgeoefend door hoofd-ambtenaren, onder zoodanige ambtstitels als zijn of zullen worden bepaald.

De Gouverneur-Generaal stelt de instructiën dier hoofd-ambtenaren vast en regelt hunne betrekking tot de verschillende collegiën en ambtenaren, tot de militaire gezaghebbers en tot de bevelhebbers van 's Rijks schepen van oorlog.

Het burgerlijk gezag is, zoolang niet anders is bepaald, het hoogste. (R.R. 70.)

69. üe verdeeling der gewesten in regentschappen geschiedt dooiden Gouverneur-Generaal.

In elk regentschap wordt, onder zoodanigen ambtstitel als de inlandsche gebruiken medebrengen, een regent aangesteld, door den Gouverneur-Generaal uit de inlandsche bevolking gekozen.

De instructiën der regenten en hunne betrekking tot de Europesche ambtenaren worden door den Gouverneur-Generaal vastgesteld.

Bij het openvallen der betrekking van regent op het eiland Java wordt, behoudens de voorwaarden van bekwaamheid, ijver, eerlijkheid en trouw, zooveel doenlijk tot opvolger gekozen een der zonen of nabestaanden van den laatsten regent.

70. De regentschappen worden, waar hij dit noodig acht, door den Gouverneur-Generaal verdeeld in districten.

Elk district wordt bestuurd door een inlandsch hoofd, onder zoodanigen ambtstitel als de inlandsche gebruiken medebrengen.

De instructiën der districtshoofden en hunne betrekking tot de Europesche ambtenaren worden door den Gouverneur-Generaal vastgesteld.

71. De inlandsche gemeenten verkiezen, behoudens de goedkeuring van het gewestelijk gezag, hare hoofden en bestuurders. De Gonver-neur-Generaal handhaafd dat regt tegen alle inbreuken.

Aan die gemeenten wordt de regeling harer huishoudelijke belangen gelaten, met inachtneming der van den Gouverneur-Generaal of van het gewestelijk gezag uitgegane verordeningen.

Waar het bepaalde bij de alinea's 1 en 2 van dit artikel niet overeenkomt met de instellingen des volks, of met verkregene regten, wordt de invoering daarvan achterwege gelaten.

72. De ambtenaren, met het hoogste gewestelijk gezag bekleed, zijn bevoegd tot het maken van reglementen en keuren van politie. Zij kuunen tegen de overtreding daarvan straffen bedrei

gen

den leid I

VOO

J

het reg i

bui ver bes 1

der die de

1

gel hef dei ins

ziji di^

VO(

de: ke bu

pe:

fei u pl; zej leiei u pl; zej lei

St£

ar

ge

ocr page 567

VAN NEDERLANDSCH INDlë.

gen, overeenkomstig regels bij algemeene verordening te stellen.

73. Vreemde Oosterlingen, in Nederlandsch Indië gevestigd, worden zooveel doenlijk in afzonderlijke wijken vereenigd, onder de leiding van hunne eigene hoofden.

De Gouverneur-Generaal zorgt dat die hoofden van de vereischte voorschriften worden voorzien.

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN DE JUSTITIE.

Art. 74. Overal waar de inlandsche bevolking niet is gelaten in het genot harer eigene regtspleging, wordt in Nederlandsch Indië regt gesproken in naam des Konings. (G. 149.)

75. Voor zooveel de Europeanen betreft, berust de regtspraak in burgerlijke en handelszaken, alsmede in strafzaken, op algemeene verordeningen, zooveel mogelijk overeenkomende met de in Nederland bestaande wetten.

De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië, de daarvoor vatbare bepalingen dier verordeningen, des noodig gewijzigd, toepasselijk te verklaren op de inlandsche bevolking of een gedeelte daarvan.

Behoudens de gevallen waarin zoodanige verklaring heeft plaats gehad, of waarin inlanders zich vrijwillig hebben onderworpen aan het voor de Europeanen vastgestelde burgerlijke en handelsregt, worden door den inlandschen regter toegepast de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der inlanders, voor zoover die niet in strijd zgn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en regtvaar-digheid.

Naar die wetten, instellingen en gebruiken wordt, onder gelijk voorbehoud, ook door den Europeschen regter gevonnisd in zaken der aan zijne regtspraak onderworpen inlandsche hoofden en bij de kennisneming in hooger beroep van door den inlandschen regter, in burgerlijke en handelszaken, gedane uitspraken.

Op die wetten, instellingen en gebruiken wordt door den Europeschen regter, bij zijne regtspraak naar de voor Europeanen vastgestelde wetgeving, zooveel mogelijk acht gegeven, wanneer inlanders, buiten het geval waarin de bij het 2de lid bedoelde verklaring heeft plaats gehad, of het geval van vrijwillige onderwerping aan gezegde wetgeving in de bij wettelijke bepalingen aangewezene gevallen, als verweerders in burgerlijke of handelszaken voor hem te regt staan.

Bij de regtspraak over inlanders, in het 3de en éde lid van dit artikel bedoeld, neemt de regter de algemeene beginselen van het burgerlijk en handelsregt voor Europeanen tot rigtsnoer, wanneer het

34*

5S5

ocr page 568

REGL. OP HET BELEID DER REGERING

de beslissing geldt van zaken, die bij de hiervoren bedoelde godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken niet geregeld zijn.

76. De militaire strafregtspleging berust op algemeene verordeningen, zooveel mogelgk overeenkomende met de in Nederland bestaande wetten.

77. Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten alge-meenen nutte, op de wijze bij algemeene verordening bepaald, en tegen voorafgaande schadeloosstelling.

De verklaring dat het algemeen nut onteigening vordert geschiedt door den Gouverneur-Generaal, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië.

De vereisohten van overeenstemming met den Raad en van voorafgaande schadeloosstelling kunnen niet worden ingeroepen, wanneer oorlog, brand, watersnood, aardbeving, vulkanische uitbarsting of andere dringende omstandigheden eene onverwijlde in-bezit-neming vorderen.

Het regt van den onteigende op schadeloosstelling wordt daardoor niet verkort. (G. 151.)

78. Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvorderingen of andere burgerlijke regten, behoo-ren bij uitsluiting tot de kennis van de regterlijke magt.

Evenwel blijven de tusschen inlanders ol' tusschen met deze ge-lijkgestelde personen van denzelfden landaard gerezen burgerlijke geschillen, welke volgens hunne godsdienstige wetten of oude herkomsten ter beslissing staan van hunne priesters of hoofden, daaraan onderworpen. (G. 153.)

79. De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regters, bij algemeene verordeningen aangewezen.

80. Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van den regter, dien algemeene verordeningen hem toekennen. (G. 156a.)

81. Alle tusschenkomst van de Regering in zaken van justitie, niet bij dit reglement toegestaan, is verboden.

82. De zaken, welke uit haren aard of krachtens algemeene verordeningen ter beslissing staan van het administratief gezag, blijven daaraan onderworpen. (R.R. 132.)

Geschillen over bevoegdheid tusschen de regterlijke en administrative magt worden door den Gouverneur-Generaal, in overeenstemming met. den Raad van Nederlandsch Indië, beslist volgens regels, bij algemeene verordening te stellen. (G. 156,4.)

83. Geschillen over bevoegdheid tusschen de regtbanken en de inlandsche priesters en hoofden, als ook tusschen den burgerlijken en militairen regter, worden op den voet en de wij ze, bij het vorig artikel bepaald, door den Gouverneur-Generaal beslist.

84. Het verlof van den Gouverneur-Generaal, of buiten Java en Madura van den hoogsten gewestelijken gezaghebber, is noodig tot het instellen van burgerlijke regtsvorderingen en van vervolgingen

536

ocr page 569

VAN NEDERLANDSCH INDlë.

tot straf tegen inlandsche vorsten en hoofden, bij algemeene verordening aangeduid.

85. Buiten de gevallen bij de artt. 43, 45, 47 en 86 voorzien, mag niemand in hechtenis worden genomen dan op bevel van het daartoe, ingevolge de algemeene verordeningen op de strafvordering, bevoegd gezag en op den voet en de wijze daarbij omschreven.

, 86. Wanneer ienand, niet behoorende tot de inlandsche bevolking, in buitengewone omstandigheden, buiten het geval voorzien bij de artt. 45 en 47, door het politiek gezag is in hechtenis genomen, is hij, op wiens bevel zulks plaats heeft gehad, gehouden daarvan terstond kennis te geven aan den officier van justitie bij de Europesche regtbank, binnen wier regtsgebied de inhechtenisneming is geschied.

87. Het geheim der aan den post of andere instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen bij algemeene verordening omschreven. (G. 159.)

88. Niemand mag tot straf vervolgd of daartoe veroordeeld worden dan op de wijze en in de gevallen bij algemeene verordening voorzien.

89. Geenerlei straf heeft den burgerlijken dood of het verlies van alle burgerlijke regten ten gevolge.

90. Op geen misdrijf of overtreding mag als straf gesteld worden de verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebehoorende. (G. 160.)

91. Alle vonnissen vermelden de gronden waarop zij rusten, en in strafzaken, behalve het misdrijf of de overtreding, de stellige wetsbepalingen waarop /ij zijn gegrond.

Algemeene verordeningen regelen, met betrekking tot den inland-schen regter, de noodige wijzigingen van het voorschrift, dat de vonnissen met redenen moeten omkleed zijn.

De teregtzittingen zijn openbaar, behoudens de uitzonderingen, bij algemeene verordening aangewezen.

De vonnissen worden in het openbaar uitgesproken, behoudens de uitzonderingen, bij algemeene verordening aangewezen. (G. 161.)

92. Het geval van verklaarden staat van oorlog of beleg uitgezonderd, kan nergens, waar in naam des Konings wordt regt gesproken, een doodvonnis ten uitvoer worden gelegd, zonder magtiging van den Gouverneur-Generaal, na gehoord adv ies van den hoogsten burgerlijken of militairen regter.

De beschikking, waarbij de ten-uitvoer-legging is geweigerd, wordt door den Gouverneur-Generaal ter kennis gebragt van den Minister van Koloniën.

De hoogste gezagvoerders in de bezittingen buiten Java en Madura zijn bevoegd, ingeval de dadelijke uitvoering van een doodvonnis

537

ocr page 570

EEGL. OP HET BELEID DER REGERING

febiedend noodzakelijk is, deze te gelasten, na gehoord advies van en regter, die het vonnis heeft gewezen.ebiedend noodzakelijk is, deze te gelasten, na gehoord advies van en regter, die het vonnis heeft gewezen.

Van hunne heschikking geven zij onverwijld kennis aan den Gouverneur- Generaal.

93. Het hoogste regterlijk collegie in Nederlandsch Indië is gevestigd te Batavia en draagt den naam van Hooggeregtshof van Nederlandsch Indië. (G. 162.)

94. De president van het Hooggeregtshof van Nederlandsch Indië wordt door den Koning benoemd en ontslagen.

Hij kan alleen met zijne toestemming door den Koning in eene andere ambtsbetrekking worden overgeplaatst.

De vice-presidenten en de leden van het Hooggeregtshof kunnen alleen met hunne toestemming door den Gouverneur-Generaal in andere ambtsbetrekkingen worden geplaatst. ') (G. 166.)

95. Behoudens de in het vorig artikel bedoelde overplaatsing en ontslag op eigen verzoek, kunnen de president, de vice-presidenten ') en de leden van het Hooggeregtshof van hun ambt niet worden ontslagen, dan wanneer zij wegens misdrijf tot gevangenisstraf veroordeelden staat van kennelijk onvermogen verklaard, wegens schulden gegijzeld, onder curatele gesteld zijn, of de waardigheid van hun ambt uit het oog verliezen, gelijk mede bij gebleken wangedrag, onzedelijkheid, merkelijke achteloosheid, ongeschiktheid door ouderdom, of aanhoudende ziels- of ligchaamsziekte.

Wanneer de Gouverneur-Generaal, den Eaad van Nederlandsch Indië gehoord, oordeelt, dat het ontslag om eene der bij de vorige zinsnede vermelde redenen behoort plaats te hebben, zendt hij zijne daartoe strekkende voordragt met alle ter zake betrekkelijke stukken aan den Minister van Koloniën, vergezeld van eene schriftelijke verantwoording van den betrokken ambtenaar, wien tot dat einde de tegen hem bestaande bezwaren worden medegedeeld.

De Gouverneur-Generaal is bevoegd, om, in afwachting van 's Ko-nings beschikking, den betrokken ambtenaar, onder toekenning van wachtgeld, in zijn ambt te schorsen en voorloopig in de waarneming daarvan te voorzien.

De betrokken ambtenaar wordt, des verkiezende, door toekenning van verloftractement en vrijen overtogt in de gelegenheid gesteld om zich in Nederland te gaan verantwoorden.

De Koning verleent of weigert het ontslag.

95«. Aanvraag van verlof buiten Nederlandsch Indïé door den president, de vice-presidenten en de leden van het Hoog Geregtshof wordt, behoudens het bepaalde in de voorlaatste alinea van het voorgaand artikel, geacht tevens in te houden het verzoek om ontslag uit hun ambt.

538

Gedurende hun verloftijd en ook daarna, zoolang zg niet overeen-

1)

1) Aldus gewijzigd bij de wet van 7 Mei 1878, Stabl. no. 40.

ocr page 571

VAN NEDERLANDSCH INDlë. 539

komstig de bepaling der volgende alinea van dit artikel in eenige betrekking zijn aangesteld, mogen zij niet uit 's Lands dienst worden ontslagen, dan op eigen verzoek of om een der redenen, vermeld in de artt. 95 en, Sf.

Van verlof in Nederlandscli Indië teruggekeerd, worden zij, met inachtneming van het tijdstip hunner terugkomst, en, bij geliiktijdigen terugkeer, met inachtneming van de dagteekening hunner oorspronkelijke benoeming ia het Hoog Geregtshof, bij de eerste vacature in dat oollegie weder in hun vorigen rang benoemd, wanneer zij niet reeds vóór het ontstaan der vacature met hunne toestemming in eene andere betrekking mogten zijn aangesteld.

Zij genieten inmiddels het gewone wachtgeld. ')

96. Het verkenen van een bevel tot gevangenneming van een regterlijk ambtenaar brengt, behoudens het bepaalde bij art. 100, van regtswege schorsing in zijn ambt te weeg.

97. In het vonnis, waarbij een regterlijk ambtenaar tot eene lijf-of onteerende straf is veroordeeld, wordt tevens zijne afzetting uitgesproken.

98. Het Hooggeregtshof oordeelt in burgerlgke zaken in eersten aanleg;

1°. over alle regtsvorderingen waarin de Gouverneur-Generaal als gedaagde wordt aangesproken;

3°. over alle regtsvorderingen, uitgezonderd die, welke de belastingen en pachten betreffen, tegen den lande.

Niettemin moeten alle zakelijke regtsvorderingen voor den gewonen regter gebragt worden.

99. De vice-president en de leden van den Raad van Nederlandsch Indië, en zoodanige andere ambtenaren als algemeene verordeningen aanduiden, staan teregt voor het Hooggeregtshof, wegens misdreven en overtredingen gedurende den tijd hunner functiën begaan.

; (G. 164.)

100. Met uitzondering van het geval van voorloopige aanhouding bij ontdekking op heeterdaad, kan tegen de ambtenaren, in het vorig artikel bedoeld, geen bevel van gevangenneming worden ten uitvoer gelegd, en, in het geval van ambtsmisdrijf, geene vervolging plaats hebben, dan nadat daartoe door den Gouverneur-Generaal, op den voet en de wijze bij algemeene verordening omschreven, magtiging is verleend.

101. De Gouverneur-Generaal en Luitenant-Gouverneur-Generaal staan wegens misdrijven of overtredingen in Nederland te regt: wegens ambtsmisdrijven voorden Hoogen Kaadder Nederlanden; wegens andere misdrijven of overtredingen ter plaatse, waar de zetel der Regering in Nederland is gevestigd, voor den regter, die, naar de Ne-derlandsche wetgeving, bevoegd is over het onderwerp te oordeelen. (G. 164; R.R. 99.)

1) Artikel 95« is toegevoegd door de wet van 7 Mei 1878, Stsbl. no. 40.

ocr page 572

540 REGL. OP HET BELEID DER REGERING

102. Het Hooggeregtshof heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten en andere algemeene verordeningen bij alle regtbanken en geregten.

Het kan regterlijke handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten en andere algemeene verordeningen strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen, volgens de daaromtrent gestelde regels. (Gr. 165.)

103. Algemeene verordeningen bepalen de gevallen waarin de arresten van liet Hooggeregtshof in burgerlijke zaken onderworpen zijn aan hooger beroep bij den Hoogen Raad der Nederlanden, en de wijze van regtspleging ten aanzien van dat beroep te volgen.

104. Vonnissen, door den regter in Nederland gewezen, en bevelen door hem uitgevaardigd, mitsgaders grossen van authentieke acten aldaar verleden, kunnen in Nederlandsch Indië worden ten uitvoer gelegd.

Zoo ook kunnen vonnissen en bevelen, door den regter in Nederlandsch Indië gewezen of uitgevaardigd, alsmede grossen van authentieke acten aldaar ten overstaan vau Europesche openbare ambtenaren verleden, aan welke gelijke kracht als aan de vonnissen is toegekend, in Nederland ten uitvoer gelegd worden.

ZESDE HOOFDSTUK.

VAK DE INGEZETENEN.

Art. 105. Met uitzondering van de personen van 's Rijkswege naar Nederlandsch Indië gezonden, mag niemand zich van elders aldaar vestigen zonder schriftelijke vergunning, op Java en Madura van den Gouverneur-Generaal, elders van den hoogsten gewestelijken gezaghebber.

De voorwaarden der toelating van Nederlanders en vreemdelingen worden bij algemeene verordening geregeld.

Aan Nederlanders, welke de bovenbedoelde vergunning verkregen hebben, kan niet dan in het geval en op de wijze bij art. 45 vermeld het verblijf in Nederlandsch Irdië worden ontzegd.

106. Ingezetenen van Nederlandsch Indië zijn, behalve de inboorlingen des lands, allen die, op den voet bij het vorig artikel bepaald, hun verbluf binnen Nederlandsch Indië gevestigd hebben.

107. Onder Nederlanders worden in dit reglement verstaan, die het zijn volgens de wetten van het Koningrijk. (G. 6; Wet van 12 Dec. 1892, Stsbl. no. 268.)

108. Allen die zich op het grondgebied van Nederlandsch Indië bevinden hebben aanspraak op bescherming van persoon en goederen. (G. 4.)

I

woi I

mef der hei I

son 1

en

1

inli gei nir

bel ]

vai in

I

ver doi lat bel ore

bel vei I

wa lm dai fG

ma in

on lig ge' zaï

of pei wc or(

1

ocr page 573

VAN NEDEBLANDSCH INDlë.

De regelen, bij uitlevering van vreemdelingen in acht te nemen, worden vastgesteld bij algemeene verordening. ')

109. De bepalingen van dit reglement en van alle andere algemeene verordeningen, waarin sprake is van Europeanen en inlanders, zijn, waar bet tegendeel niet bepaald is, toepasselijk op de met hen gelijkgestelde personen.

Met Europeanen worden gelijk gesteld alle Christenen en alle personen, niet vallende in de termen der volgende zinsnede.

Met inlanders worden gelijkgesteld Arabieren, Mooren, Chinezen, en allen die Mohammedanen of heidenen zijn.

De inlandsche Christenen blijven onderworpen aan het gezag der inlandsehe hoofden, en met opzigt tot regten, lasten en verpligtin-gen, aan dezelfde algemeene gewestelijke en gemeentelijke verordeningen en instellingen, als de inlanders die het Christendom niet belijden.

De Gouverneur-Generaal kan, in overeenstemming met den Raad van Nederlandseh Indië, uitzonderingen maken op de toepassing der in dit artikel gestelde regels.

110. Het toezigt der Regering op de drukpers wordt bij algemeene verordening geregeld, in overeenstemming met het beginsel, dat het door de drukpers openbaren van gedachten of gevoelens en het toelaten van elders dan in Nederland gedrukte stukken, geene andere belemmering mogen ondervinden dan tot verzekering der openbare orde gevorderd wordt.

In Nederland gedrukte stukken worden onbelemmerd toegelaten, behoudens ieders verantwoordelijkheid, volgens regels bij algemeene verordening te stellen. (G. 7.)

111. Vereenigingen en vergaderingen van staatkundigen aard, of waardoor de openbare orde wordt bedreigd, zijn in Nederlandseh Indië verboden. Tegen de overtreding van dit verbod worden zoodanige maatregelen genomen als de omstandigheden vorderen. (G. 9.)

112. Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt, zoowel in Nederland als in Nederlandseh Indië, schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meer worden onderteekend, welk laatste alleen kan geschieden door of van wege ligchamen, wettelijk zamengesteld of als zoodanig erkend, en in dat geval niet anders dan over onderwerpen tot hunne bepaalde werkzaamheden behoorendc. (G. 8.)

541

113. De ingezetenen zijn verpligt om op den voet, reeds bepaald of nader te bepalen, deel te nemen aan schutterijen of andere gewapende vereenigingen, welke door den Gouverneur-Generaal noodig worden geoordeeld tot bewaring van rust en orde. Algemeene verordeningen bepalen welke ingezetenen, bij de schutterijen ingelijfd.

1) Deze alinea is toegevoegd bg de wet van 4 Dec. 1881, Stsbl. no. 183.

ocr page 574

5é2 REGL. OP HET BELEID DER EEGEEING

kunnen geroepen worden om mede te werken tot de handhaving van het Nederlandsch gezag in Indië. (G. 180 volg.)

114. In Nederlandsch Indië worden geene Europesche titels van adeldom erkend, dan die door den Koning zijn verleend.

Vreemde ordesteekenen, titels, rangen of waardigheden mogen door de ingezetenen van Nederlandsch Indië niet worden aangenomen zonder het bijzonder verlof des Konings. (G. 65, 67.)

115. Uiterlijk op den Isten Januarij 1860 is de slavernij in geheel Nederlandsch Indië afgeschaft.

De maatregelen tot voorbereiding en geleidelijke trapsgewijze uitvoering van die afschaffing, zoo mede de vergoedingen, welke daarvan het gevolg kunnen zijn, worden bij algemeene verordening vastgesteld. (R.R. 116 volg.)

In het verslag, bedoeld bij het 1ste lid van art, 60 (62) der Grondwet, wordt jaarlijks opgave gedaan van het verrigte naar aanleiding van dit artikel.

116. De slavenhandel, de invoer en de openbare verkoop van slaven zijn verboden.

De als slaven van elders aangevoerde personen zijn vrij, zoodra zij zich op het grondgebied van Nederlandsch Indië bevinden.

117. De regten en verpligtingen der meesters ten aanzien der in Nederlandsch Indië aanwezige slaven worden bij algemeene verordeningen geregeld.

118. Op Java en Madura blijft het nemen van pandelingen tot zekerheid van schuld verboden.

Dit verbod wordt door den Gouverneur-Generaal toegepast op die gedeelten van de bezittingen buiten Java en Madura, waar de maat-sch appel ij ke toestand het gedoogt.

De algemeene verordeningen, het pandelingschap regelende, waar het nog niet kan worden afgeschaft, hebben de strekking om die afschaffing te bevorderen.

Het pandelingschap gaat niet over op de kinderen des schuldenaars.

Het vervoeren van pandelingen over zee is verboden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

VAN DE GODSDIE1IST.

Art. 119. Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der algemeene verordeningen op het straf-regt. (G. 167.)

120. Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, voor zoover die geene stoornis aan de openbare orde toebrengt.

Tot openbare godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen wordt het verlof des Bestuurs vereischt. (G. 170.)

ocr page 575

VAN NEBBELANDSCH INDlë.

121. De Gouverneur-Generaal zorgt dat alle godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de algemeene verordeningen. (G. 172.)

122. In de bestaande inrigting en het bestuur der Christelijke kerkgenootschappen wordt geene verandering gebragt dan met we-derzijdsch goedvinden van den Koning en het bestuur van het betrokken kerkgenootschap.

123. De Christen-leeraars, priesters en zendelingen moeten voorzien zijn van eene door of namens den Gouverneur-Generaal te ver-leenen bijzondere toelating, om hun dienstwerk in eenig bepaald gedeelte van Nederlandsch Indië te mogen verrigten.

Wanneer die toelating schadelijk wordt bevonden, of de voorwaarden daarvan niet worden nageleefd, kan zij door den Gouverneur-Generaal worden ingetrokken.

124. De priesters der inlanders, die het Christendom niet belijden, zijn geplaatst onder het oppertoezigt der vorsten, regenten en hoofden voor zooveel betreft de godsdienst, die elk hunner belijdt.

Deze zorgen, dat door de priesters niets worde ondernomen strijdig met dit reglement, en met de door of uit naam van den Gouverneur-Generaal uitgevaardigde verordeningen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

VAN HET ONDERWIJS.

Art. 125. Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg van den Gouverneur-Generaal.

De inrigting daarvan wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, bij algemeene verordening geregeld.

Het verslag, bedoeld bij het 1ste lid van art. 60 (62) der Grondwet, doet den staat van het openbaar onderwijs, ook dien van de scholen voor de inlandsche bevolking bestemd, jaarlijks kennen. (G. 192.)

126. Het geven van onderwijs aan Europeanen of daarmede gelijk gestelde personen is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid der onderwijzers.

127. Overeenkomstig regels, bij algemeene verordening te stellen wordt, voldoend openbaar lager onderwijs gegeven, overal waar de behoefte der Europesche bevolking dit vordert en de omstandigheden het toelaten. (R.R. 128.)

128. De Gouverneur-Generaal zorgt voor het oprigten van scholen ten dienste der inlandsche bevolking.

NEGENDE HOOFDSTUK.

VAN DEN HANDEL EN DE SCHEEPVAART.

Art. 129. De tarieven van in-, uit- en doorvoer worden vastge-

543

é

ocr page 576

Sét REGL. OP HEI BELEID DEB BEGEBING NED. IKDlë.

steld door de wet. (Wet van 17 Nov. 1872, Stsbl. no. 130, gewijz. bg de wet van 16 April 1886, Stsbl. no. 72.) ')

Alleen in dringende omstandigheden is de Gouverneur-Generaal bevoegd die tarieven tijdelijk te wijzigen, onder nadere bekrachtiging door de wet.

Van zoodanige wijziging wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld kennis gegeven.

130. De havens van Nederlandsch Indië, geopend voor den alge-meenen handel, zijn toegankelijk voor de schepen van alle volken, met welke het Koningrijk der Nederlanden in vriendschap is, behoudens de naleving der algemeene en plaatselijke verordeningen.

In andere havens worden alleen toegelaten inlandsche vaartuigen en die tot de kustvaart geregtigd zijn.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 131. Het tegenwoordig reglement wordt in Nederlandsch Indië afgekondigd op de wyze bij art. 31 vastgesteld.

De tijd waarop het aldaar in werking treedt wordt door den Koning bepaald. 1)

132. Alle op het bij het vorig artikel bedoelde tijdstip verbindende wtttelijke verordeningen, reglementen en besluiten worden gehandhaafd tot dat zij door andere zijn vervangen. (G. Add. II.)

Bepalingen, voorkomende in de verordeningen vermeld in de eerste zinsnede van art. 82, die in strijd zijn met het voorschrift der eerste zinsnede van art. 78, behouden slechts kracht gedurende twee jaren na het in werking treden van dit reglement.

1

Bij K.B. 15 Oct. 1854, Stsbl. no. 136, is dit tijdstip bepaald op 1 Mei 1855.

ocr page 577

ALPHABETISCH REGISTER.

A.

filadz.

Afkondiging (Wet, houdende regeling der) vau algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat.....144®

Apotheker en Apothekersbediende. Zie Arts.

Arbeidswet...............461

„ (Besluit bedoeld bij Artt. 5, 7 en 11 der) . . 468

» ( „ „ „ Art. 4 der).....475

Armbestuur. (quot;Wet tot regeling van liet).....243

Arts, (Wet houdende regeling der voorwaarden tot verkrgging der bevoegdheid van) Tandmeester, Apotheker, Vroedvrouw

en Apothekers-bediende..........339

Auteursrecht, (Wet tot regeling van het).....511

B.

Bank. (Wet, houdende voorzieningen omtrent de Nederlandsche) 236 Beeldende Kunsten. (Wet tot regeling vau het onderwijs in de) 346 Besmettelijke ziekten. (Wet, tot voorziening tegen) . . . 443 „ „ (Wet, houdende buitengewone maatregelen tot afwending van eenige)......458

Betrekkingen, (Wet tot aanwijzing van de hooge en gewichtige

openbare) bedoeld in art. 90 van de Grondwet. ... 46

Bronzen pasmunt. (Wet tot vervanging der koperen door) . 230

D.

Departementen. (Wet, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële) .... 197 Dijk- en Polderbesturen enz. (Wet betrekkelijk de Regtsmagt

der hooge en andere Heemraadschappen,).....166

Drank (Wet tot regeling van den Kleinhandel in sterken) en tot beteugeling van openbare Dronkenschap.....435

E.

Enquête. (Wet tot regeling van het regt van) .... 161

ocr page 578

ALPHABETISCH REGISTKR.

G.

Gemeentewet.....

Geneeskundigen. Zie Arts. Gouden standpenning. . . Grondwet......

166 313

H.

Heemraadschappen, (Wet betrekkelijk de Regtsmagt der hooge

en andere) Dijk- en polderbesturen enz......

Hooger onderwijs. (Wet tot regeling van het) ....

517 1444

Ned

501

Ned

419

One

222

89

33

One

57

Onl

24

230

Ont

346

Pas

257

Pla

349

-V

Pol

a

144«

Pro

289

V

311

Pro

349

d

Indië. (Wet, houdende vaststelling van het reglement op het

beleid der Regering van Nederlandsch).....

Ingezetenschap. (Wet op het Nederlanderschap en het) . Inrigtingen, (Wet tot regeling van het toezigt bij het oprigten van) welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken.

J.

Jagt en visscherij. (Wet tot regeling der).....

K.

Kerkgenootschappen. (Wet tot regeling van het toezigt op de

onderscheidene)...........

Kiesdistricten, (Wet, houd. regeling van de verdeeling der pro vinciën in) ter benoeming der leden van de Provinciale Staten

Kieswet..............

„ (Tabel bedoeld in art. 99 der).....

Koningin. (Wet betreffende het gebruik der benaming) . Koperen (Wet tot vervanging der) door bronzen pasmunt. Kunsten. (Wet tot regeling van het onderwijs in de Beeldende)

L.

Lager onderwijs. (Wet op het)........

Landmacht. (Wet op het Militair onderwijs bij de)

M.

Maatregelen (Wet, houdende regeling der afkondiging van

algemeene) van inwendig bestuur van den Staat. . Middelbaar onderwijs. (Wet houdende regeling van het)

„ „ (Wet houdende aanvulling der wet op het)

Militair (Wet op het) onderwijs bg de Landmacht.

Mil

101

Mil

V

229

Min

V

Mm

1

ocr page 579

ALPHABETISCH KEGISTEK.

Militie. (Wet betrekkelijk de Nationale).....363

Militie. Tabel wegens het toekennen van vrijstellingen op grond

van Broederdienst............395

Ministeriële (Wet, houdende regeling der verantwoordelijkheid

van de Hoofden der) Departementen.......197

Muntwezen. (Wet tot regeling van het Nederlandsche) . . 225 „ (Wet tot nadere tijdelijke voorziening omtrent

het Nederlandsche)........229

„ (Wet tot vervanging der koperen door bronzen

Pasmunt)...........230

„ (Wet machtiging versmelting Rijksdaalders). . 233

„ (Wet, nopens de uitgifte van Muntbiljetten). . 234 N.

Nationale militie. (Wet betrekkelijk de)......363

Nederlanderschap (Wet op het) en het ingezetenschap . . 1443

Nederlandsche Bank. (Wet, houdende voorzienigen omtrent de) 236

O.

Onderwijs. (Wet op het Lager)........257

„ ()gt;),» Middelbaar)......289

„ ( „ houdende aanvull. der wet op het Middelb.) 311

„ ( „ op het Hooger).......313

„ ( „ „ „ ) in de Beeldende Kunsten . . 346 „ ( „ „ „ Militair) bij de Landmacht v.officiersrang en hoogere vorming.........349

Onderzoek. (Wet tot regeling van het regt van) . . . 161

Onteigening (Wet regelende de) ten algemeenen nutte. . . 177

„ (Wet tot Verevening van sommen betr.) . . 196 Ontsmetting enz. (Besluit houdende regelen voor) . . .451

P.

Pasmunt. (Wet tot vervanging der koperen door bronzen) . 230 Plaatselijke verordeningen. (Wet tot verzekering der uitvoering

van sommige voorschriften van).......144

Polderbesturen (Wet betrekkelijk de Regtsmagt der hooge en

andere Heemraadschappen, Dijk- en) enz......166

Provinciale Staten# (Wet regelende de zamenstelling en magt

van de)..............65

Provinciën (Verdeeling der) in Kiesdistricten ter benoeming der leden van de Provinciale Staten......89

89 33 i 57 ! 24; 230 346

ocr page 580

ALPHABETISCH REGISTER.

R.

Raad van State. (Wet houdende regeling der zamenstelling

en de bevoegdheid van den).........200

Reglement (Wet, houdende vastelling van het) op het beleid der Regering van Nederlandsch Indië.....517

Rekenkamer. (Wet houdende instructie voor de Algemeene) 209

„ (Aanvulling der instructie voor de Algemeene) 221

S.

Schutterijen. (Wet op de) . . •.......399

Staten. (Wet regel, de zamenstell. en magt van de Provinciale) 65

Stoomtoestellen. (Wet, regel, het toezigt op het gebruik van) 481

„ ''Besluit regel, het toezigt op het gebruik van) 488 T.

Tandmeester. Zie Arts.

Toelating (Wet tot regel, der) en uitzetting van vreemdelingen. 149

tr.

Uitlevering (Wet ten aanzien van de) van vreemdelingen. . 152 Uitzetting (Wet tot regel, der toelating en) van vreemdelingen. 149

V.

Verantwoordelijkheid (Wet houdende regeling der) van de

Hoofden der Ministeriële Departementen......197

Vereeniging en vergadering. (Wet tot regeling en beperking

der uitoefening van het regt van)......158

Verordeningen. (Wet tot verzekering der uitvoering van sommige voorschriften van plaatselijke)......144

Visscherij. (Wet tot regeling der Jagl: en).....419

Vreemdelingen. (Wet tot regel, der toelating en uitzetting van) 149 „ ( „ ten aanzien van de uitlevering van) . 152

Vroedvrouw. Zie Arts.

W.

Waterschapsbesturen. (Wet betrekkelijk de Regtsmagt der) . 166 Waterstaatsbelangen. (Wet tot voorloopige voorziening in

sommige).............172

Z.

Ziekten. (Wet, tot voorziening tegen besmettelijke) . . . 443 „ (Wet, houdende buitengewone maatregelen tot afwending van eenige besmettelijke)........458

ocr page 581

144.

419 149 152

166

172 ' f-

ocr page 582
ocr page 583

——I