GUNNING
¥4^ #4^ ^ ^ 7é\
OTTO FUNCKE.
WAT IK OP REIS LEERDE.
UITGAVE VAN DE VEREENIGING TER BEVORDERING VAN CHRISTELIJKE LECTUUR.
Mf'O
DOOS
AMSTERDAM, HÖVEKER amp; ZOON.
PIOUOTHEEK DER iïIviKSUNiVERSlTÊIT UTRECHT.
Druk van P. Groenendijk.
(in plaats van eene inleiding.)
1. ONHEILZWANGERE WOLKEN.
„Vervul u met den ernst van een geslacht, dat aan den rand van den afgrond wandelt!quot; Zoo heeft eens een Roomsch philosooph een zijner leerlingen toegeroepen. Dit was in den tijd, toen het trotsche rijk der Caesars, door ongeloof en onzedelijkheid verteerd, zijn vreeselijke ineenstorting tegemoet snelde.
En of het ook thans niet noodig is zich te vervullen met den ernst van een geslacht, dat aan den rand van den afgrond wandelt? Donkere, onheilzwangere wolken pakken zich angstverwekkend samen aan alle kanten van den horizont. Doordringende bliksemschichten schieten af en toe onheilspellend naar beneden. Uit de diepte wederom dringt een dof gerommel van den donder tot ons oor. De grond siddert en beeft onder onze voeten. Is het metterdaad zoo, dat de oude wereld ten onder zou gaan?
Het is zonder twijfel in de eerste plaats het sociale vraagstuk, dat een vreeselijke katastrophe in het vooruitzicht stelt. Maar het is, mijns erachtens, niet minder d i t feit, dat de Roomsche kerk, door gedachten van wereldheerschappij be-
vi —
I gt;
' ■::
dwelmd geworden, met groote macht en veel list in het strijdperk treedt. Van boven af kijkt zij verachtelijk op de Evangelische kerk neer. En de heeren der regeering, die zich eerst in een ondoordachte worsteling met Rome, zonder overleg gevoerd, „de vingers hebben gebrand,quot; behandelen haar nu maar al te dikwijls als een reddende macht, terwijl de Evangelische kerk de arme maagd moet zijn, die men alles mag bieden. Het meest beklagenswaardige is evenwel dit, dat de meeste beschaafden en bezitters, die zich Evangelisch noemen, naar niets zoo weinig vragen als naar het Evangelie, maar daarentegen zich in een dollen, tuimelenden dans aan den rand van den afgrond ronddraaien.
Zoo ontbreekt het dan ook niet aan profeten, die ons in woord en schrift voorspellen, dat de thans nog toegesloten afgrond zich binnen weinige jaren zal openen.
Voor mij ligt een goed bedoeld geschrift, dat door honderdduizenden wordt verslonden. Het carton, waardoor het is omgeven, is zwart; daarop staat in bloedroode kleur een doodshoofd en de titel: ,De hemel op aarde.quot; Als dat niet sensationeel en pikant is, dan weet ik niets meer. De schrijver schildert ons de binnen acht jaren komende overwinning der omwentelingspartij. Hij stelt ons beelden voor oogen, die alles, wat de boerenkrijgen of de Fransche revolutie gruwzaams en ontzettends opleverden, als een waar kinderspel doen schijnen tegenover datgene, wat zal komen als de nieuwe eeuw aanbreekt. Hij toont ons, met een loffelijke bedoeling, aan, dat de socialistische „hemel op aardequot; in de werkelijkheid eene hel zou zijn. ')
!) De schrijver bedoelt: Emil Gregovorius: „Der Himmel auf Erdenquot;. (In onze taal: „Het ware volksgeluk.quot; Een verhaal uit het jaar 1912. Naverteld door L. C. Schuilei' tot Peursum.)
VII
Ik ga hierop niet verder in. Maar ik waarschuw mijne lezers ernstig voor deze lectuur. Zij draagt in hart en verbeelding afgrijselijke beelden en voorstellingen in, die niet zoo makkelijk weer zijn te bannen. Hoe ernstig ook onze toestand is, toch houd ik dergelijke voorspellingen voor een vermetel spel. De mannen der omwenteling krijgen daardoor het bewustzijn, dat hun tegenstanders innerlijk reeds geslagen zijn, en worden zeiven daardoor slechts te zekerder van de overwinning en dus machtiger. Dat de nieuwe „hemelquot; metterdaad eene „hel,quot; dat de gedroomde „vrijheidquot; werkelijk snoode slavernij zal zijn, gelooven zij natuurlijk niet. De vrienden der orde echter worden er door ontrust, beangstigd en verlamd.
Men moet tot boete roepen, zoo luid als men maar kan. En met onverminderde scherpte moet dat boetegeroep doordringen tot de hoogte van de tronen der vorsten. Maar men moet zich niet verstouten om te gaan profeteeren. De Heilige in de hoogte heeft zich de toekomst voorbehouden. Hij zit nog altijd in het regiment en heeft wegen te over, om ons geslacht ook uit de tegenwoordige duizendvoudige verwarringen te redden. In den geest en de kracht van Jezus stil te arbeiden, is duizendmaal meer waard dan bang te maken en zich in angsten te krommen.
Het rijk Gods is vrede en vreugde in den Heiligen Geest. Het Evangelie keert zich tot alles, wat heilig en groot is in den mensch, tot het verlangen naar reinheid en vrede, naar vrijheid en harmonie, naar levensvreugd en schoonheid. Het beroep op den angst wordt juist bij de edelste naturen steeds het minst gebezigd. Als de Heiland van de vreeselijke katastrophe gesproken heeft, die over Israel zal aanbreken, dan gaat Hij voort en vermaant de zijnen: „Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zoo ziet omhoog en heft uwe hoofden opwaarts omdat uwe verlossing nabij is.
VIII
„Verlossingquot; is het woord van het Christendom, en dat wel, ook in de donkerste tijdsomstandigheden. Dit woord ,ver lossingquot; den kinderen onzes geslachls door woord en daad te vertolken, is onze Christelijke roeping.
Maar de vijanden van het Evangelie zouden de wereld wel doen gelooven, dat het Christendom een godsdienst is om bang te maken.. Zoo heeft onlangs de bekende afgevaardigde naar den Rijksdag Bamberger in de „Nationquot; de nieuwe schoolwet onderworpen aan een honende en spotlende critiek. Nadat hij op zijne manier uiteengezet heeft, dat de Pruisische regeering met al haar nieuwe wetten tegen het socialisme bankroet geslagen heeft, gaat hij voort en waagt het te zeggen, dat zij nu de booze geesten daardoor aan banden wilde leggen, dat zij het volk den angst voor de eeuwigheid der hellestraf zou inenten. Deze gedachte nu wordt met behagen, ja, met een opruienden en waarlijk dui-velschen hoon naar alle kanten heen verspreid. De beklagenswaardige Jood waagt het, om het Evangelie zoo voor te stellen alsof daarin alles uitliep op bangmaken voor de hel en ellende. Dat waagt hij onzen Heere Christus aan te doen, die aan de wereld heeft geopenbaard, dat God de Liefde is; die aan de woorden erbarmen en vrede, vrijheid en liefde, troost en hoop juist eerst den rechten inhoud heeft gegeven. Het is de oude diabolische Christushaat van het verstokte Israel, die hier zijn venijn uitspuwt. Hoe schrikkelijk dit is, — nochtans wie zou daarnaar vragen, als niet vele van de meest gelezen Duitsche couranten zulke booze en vuile redenen als diepe wijsheid en onwedersprekelijke waarheid afdrukten. Dat is het treurige. Zoover is het gekomen — naar beneden gekomen.
o, Als ik een blik sla op den strijd der geesten, die over de schoolwet is ontbrand, als ik de redevoeringen en brochures en courantenartikelen lees, die daartegen woeden en razen;
IX
dan overvalt mij een kille huivering. Men versta mij niet verkeerd ! Men kan een beslist Christen zijn en toch ernstige critiek op de schoolwet uitoefenen. Het „bekrompen verstand der onderdanenquot; betaamt den Christen allerminst, want hij is een vrij man als geen ander. Hij haast en verfoeit alle Byzantinisme, of hij is geen Christen. Hij kan van meetaf zeer zwaarwichtige bedenkingen hebben tegen eene wet, die slechts door de gunst van de partij der Ultramontanen kan doorgezet worden en die door deze partij met een gejubel der geestdrift wordt begroet. Hij kan vreezen, dat de Roomsche kerk door hare middelen met deze wet een schrikverwekkend machtsbetoon zal gewinnen. Hij zal verder als een vrijheidlievend man tegen eiken gewetensdwang tegenover de dissidenten op de meest besliste wijze protesteeren. Hij zal eischen, dat de predikanten in de bedoelde nieuwe positie in geen geval tegenover de dissidenten tot de positie van een politieagent worden vernederd, enz.
Ik ben er dus verre van af, om de wet, zooals zij daar voor ons ligt, te verdedigen. Maar voor haar kern, dat namelijk voor de school het Evangelie moest behouden b 1 ij v e n, kom ik met lijf en ziel op. Ea wat ieder Christen zoo treurig maakt, is het feit, dat in een groot deel van ons volk juist tegen deze kern zulk een heftige oppositie wordt gevoerd. Dat is een treurig teek en des t ij d s. En alleen deswege spreek ik er hier over. ')
') Naschrift. Zooeven komt de tijding, dat de Minister voor den openbaren eeredienst zijn ontslag heeft ingediend en de wet van de baan is. Niettemin — wat ik geschreven heb, blij ve geschreven ! Het kan op een vrij man geen indruk maken, als de wind bij het hof omdraait. Besture God het zoo, dat deze nieuwe keer slechts een slag beteekent tegen het Ultramontanisme en niet tegen het Evangelie, hetwelk de levende ziel is van iederen staat. Voorloopig is evenwel bij verreweg de meeste Christenen de zorg zeker grooter dan de vreugde.
Wee ons, wanneer het er ooit toe zou komen, dat er in de school in plaats van het Evangelie een vervloeide moraal werd gebracht, eene moraal, die „Jood, Christen en Hottentotquot; evenzeer kunnen huldigen, maar die inderdaad zoowel den een als den ander ijskoud laat. Wie de menschelijke geschiedenis kent, moet weten, dat stellingen op het gebied der moraal, zonder samenhang met het geloof, voor den vrede en de heiliging der menschheid precies zooveel waard zijn als papiersnippers voor een vestingbouw.
Maar de groote massa joelt en jubelt dien redevoeringen het luidst toe, die met den eisch optreden: „Weg met het Christendom uit de school!quot; Dat hel huisgezin aan millioenen van kinderen niets kan aanbieden, weet ieder die het weten wil. En toch — weg met het Christendom? o. Als ik zoo denk, dat in dezen tijd der lijdensweken, waarin ik dit schrijf, onze Heere Christus in de majesteit zijner doornenkroon door het Duitsche land trekt, dan is het mij, alsof ik Hem hoorde klagen: „Wat heb Ik gedaan, mijn Duitsche volk, en waarmee heb Ik u be-leedigd, dat gij Mij aldus veracht? Ja,
2. DAT IS OM BANG TE WORDEN,
dat Jezus Christus aan een groot deel van het „Christelijkequot; Duitsche volk zoo vreemd geworden is, ja, schier vijandig toeschijnt, zoodat talloos velen gelooven dat Hij een hinderpaal is voor de vrijheid en den vooruitgang. Men kan, als men dat indenkt, wel huiveren.
Die brochure „De hemel op aardequot; heeft een vroom slot, of tenminste wil het slot vroom zijn. Nadat namelijk de oude staat van zaken door de militaire vereenigingen — ik zeg door de militaire vereenigingen — weer is hersteld, keert het nuchter geworden volk ook terug tot het verworpen
XI
Glinslendom. De seluijver voerl ons naar een hoog gelegen en schoon gebouwde Sionskerk, die het berouwhebbend volk zijnen God ter eere heeft opgericht. En van uit den gevel der heerlijke kathedraal vlamt in reusachtige letters het opschrift: ,Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten.quot;
Dat is niet kwaad. Inderdaad, dat heet met God spotten, als men den hemel op aarde wil hebben zonder God, ja, ten spijt van God. Zulk een „hemelquot; moet dan met goddelijke noodzakelijkheid al heel spoedig tot eene hel worden.
Maar wordt deze gezindheid — ik bedoel, dat men den hemel wil hebben zonder God — dan uitsluitend aan den kant der socialisten gevonden? Is dat niet onze jammer en ellende, dat de overwegende meerderheid onzer „beschaafden en bezittersquot; geluk, welzijn en vooruitgang zonder God, ja, in tegenstelling met God willen hebben? Men werpe slechts even een blik op de even overmoedige als zinnelijke vergenoegingen, waarin zij zwelgen. Men leere de geestelijke spijze maar eens kennen, die zij zoeken in het tegenwoordig meestal zoo verliederlijkte theater! Men lette maar even op de dagbladpers, hoe die over het algemeen is. Men leze maar eens de meest gelezen en door millioenen verslonden sensatie-romans! Dat is alles zonder God, ja, tegen God. God is eene bespotting!
Kapitaal is macht, beschaving is macht, krijgskunde is macht, sluwheid, kruiperij, streven is macht; maar God? God is in elk geval geene macht. Men weet volstrekt niet, of God is en wat God is, indien Hij er is. „God is eene gedachte, waarbij men zich niets denken kan.quot; De zonde is dan, bij wijze van consequentie, slechts een droombeeld van beangste, onvrije zielen. Zonden vergeving is eene belachelijkheid. Men vergeeft zichzelven de zonde en draagt er dan bovendien nog roem op.
XII —
Maar liet kruis op Golgotha, dat de eeuwen door aan alle edelsten en besten der menschen als de ontsloten troon van de barmhartigheid en heerlijkheid Gods toescheen; dat heilige kruis, van uit welks voet duizend beekjes des levens in deze wereld van jammer afvloten; het moet een spooksel wezen om er schrik meê aan te jagen. En de heilige lichtgestalte van Jezus, die stil en majestueus in Goddelijke hoogheid door het stof dezer wereld heenschrijdt en der mensch-heid openbaart, dat zedelijke verlichting het hoogste ideaal en dat zij de grond van alle gelukzaligheid is, — zij wordt belachen als de gestalte van een dwaas, die in onze „groote eeuwquot; niet meer past.
Zoo is voor een groot deel ons „goed gezelschapquot;, om het even uit den burgerlijken of uit den adellijken staat. En dat waagt het, zich te ontzetten over de Socialisten! En als de militaire vereenigingen in de anarchistische hel weer de oude orde hebben vastgesteld, dan zal — zoo meent men — alleen de arme arbeider er van huiveren, dat hij zoo schandelijk heeft gehandeld. En met geduld zal hij van dit tijdstip af het oude juk torschen. De „bovenste tienduizendquot; zullen daarentegen naar den ouden stijl voortleven. Zij weten alsdan dat het „onbeschaamde volkquot; nu grondig van zijne dwaasheden is genezen.
Zij hebben niets geleerd. Geen woord in genoemde brochure en in dergelijke toont, dat groote omwentelingen altijd en overal door groote en eeuwenlange aanleiding tot wrok van de zijde dergenen, die in het bezit zijn van macht en beschaving, worden tevoorschijn geroepen en dat eenige redding ligt i n eene omzetting van allerlei zin en gevoelen, namelijk in zulk eene verandering, die ook eene tot den wortel doordringende reformatie der wormstekige verhoudingen met zich brengt.
XIII
Neen, als wij — wat God in den hemel verhoede! — als wij, zeg ik, een sociale revolutie zullen hebben, dan zal later niet alles weer bij het oude aankomen. En z ij allen, om het even of zij van hoogen of van lagen stand zijn, die van het pad der goddeloosheid niet willen wijken, z ij zijn het, die de revolutie maken, welke alsdan een verderf voor allen wordt.
3. GODS ZON STAAT NOG VAST.
Hoe ernstig onze toestand ook is, toch mogen wij niet versagen, waar het betreft de wedergeboorte van ons volk dooiden geest des Evangelies. Nog is het Christendom een groote macht in ons midden. Nog weerklinken van de daken en op de markten talloos vele stemmen, die met geest en met kracht verkondigen: „Er is in geen ander heil, dan alleen in Jezus Christus.quot; Naast de millioenen, die zonder God daarheen leven, zijn er ook nog duizenden en tienduizenden, die hunne oogen ten hemel heffen: U, o God! is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid, Amen.quot; En de uwe willen wij zijn in tijd en in eeuwigheid, Amen. En zoo is ons volk, als wellicht nooit tevoren, thans doorwerkt met heilige liefdeketenen zonder tal, met maatregelen en scheppingen der barmhartigheid, die van den hemel is, maar die op aarde duizendvoudig innerlijken en uiterlijken jammer en weedom stilt.
Neen, het volk des Heeren moet niet versagen. Het moet slechts meer eensgezind en eendrachtig worden, moediger, ruimer van hart, werkzamer, meer gezind tot dienen, zich meer verblijdend in de overwinning, o, Sion, maak uwen kandelaar lichtgevend!
Wat daar zooal toe behoort, zal ik thans niet uiteenzetten. Betere lieden hebben daaraan hunne kracht ten koste gelegd, om over dit onderwerp te spreken en te schrijven. Ik wil mijn
XIV
vinger hier alleen op éen punt leggen: „Wij moeten vooralle dingen hen zoeken, die nog te vinden, hen werven, die nog te gewinnen zijn, mits men maar op de rechte wijze tot hen komt.quot;
Tusschen die beide uiterste groepen, die wij zooeven noemden, staan talloos velen, die midden in de Christenheid, het Christendom niet kennen, of die het, zonder boos opzet, miskennen. Zij zien er met afgunst op neer, omdat zij gelooven dat het het ideale leven onderdrukt; dat het de vreugde in het leven verstikt; dat het door een geheel regiment van dogma's den geest aan banden legt, in plaats van hem te bevrijden; dat het onpraktisch maakt voor de aardsche dingen; dat het schijnheiligen, ijzegrimmen en lichtschuwers kweekt. Ik zelf dacht als jongeling jarenlang zoo. En mannen als Wichern en Friedrich Mallet hebben mij inderdaad eene verlossing aangebracht, toen zij mij, niet door hun woord, maar door hun gansche persoonlijkheid het tegendeel bewezen.
Ik hoop dat ook dit geschrift voor zijn zeer bescheiden deel een weinig daaraan zal meehelpen, om hen, die van verre staan, naderbij te brengen. „Een weinig,quot; zeg ik. Maar wie slechts weinig kan aanbieden, is toch een schelm als hij het weinige terughoudt.
Het boekje is, — ja, ik weet zelf bijna niet hoe, ontstaan. Ik zou het niet eens gedroomd hebben, dat ik nog eens reis-portretten zou schrijven. In den herfst van 1891 kwam ik van een heerlijke reis naar Zwitserland frisch en met vreugde terug. Mijn doel was om het tweede deel van „Christus' beeldquot; in de wintermaanden gereed te maken. Maar zooals reeds dikwijls werd nu ook door een onzichtbare hand een dikke streep gehaald door mijne „rekeningen.quot; God wierp mij op een lang en smartelijk ziekbed. Daar had ik ernstige gedachten en overleggingen.
XV
Maar in die dagen vol smart en in die nachten zonder slaap trokken onder anderen al de kleine voorvallen van mijne zomerreis met wonderbare helderheid en levendigheid voor mijne ziel voorbij. En daaraan knoopten zich allerlei vroolijke en ernstige beschouwingen vast. Ik maakte daarvan aanteeke-ningen of, als ik dit niet vermocht, dicteerde ik ze. Nadat ik eenigermate genezen en toch voor mijn eigenlijk ambtswerk nog ongeschikt was, schreef ik datgene neder, wat de volgende bladen brengen.
Zoo is dit overwegend vroolijke boek voornamelijk ontstaan op het leger der smarte. Dit komt mijzelven wonderlijk voor, maar toch is het zoo. God schenkt vroolijke gedachten, als Hij wil, ook al is het temidden van het lijden.
Slechts de drie laatste opstellen zijn reeds vroeger, deels in den „Daheim-kalender,quot; deels in „Pfarrhaus,quot; verschenen. De lezers moeten het zich laten welgevallen, dat ik hen hier uit de hemelhooge bergen van Zwitserland naar de met wouden omkranste oevers der blauwe Oostzee en dan nog een trapje dieper af, in de huisjes van onze „kleinequot; plat-Duitsche lieden voer. Daar zullen zij dan leeren kennen, wat Duitsche humor is. Wie daar geen zin voor heeft, moet het hoofdstuk: Pastorie, „Predikamkt en humorquot; maar ongelezen laten.
Wat ik geef, heb ik zelf beleefd. Ik zeg dit ten spijt van eenige critici, die meenen, omdat zij zeiven niet ondec-vinden, dat ook een ander nooit eenige ondervinding opdoet. Ik laat die heeren aan hun lot over en strijd met hen niet. Maar dat geef ik toe, dat ik mij over 't algemeen eenige vrijheid heb veroorloofd en bijvoorbeeld ter wille van de kortheid é e n mensch liet zeggen, wat feitelijk door twee menschen is gesproken. Overigens zijn de voorvallen zóo onbeteekenend, dat ieder, die veel en met open oogen er ooren heeft gereisd, zich dergelijke gebeurtenissen moet herinneren. Meestal zijn
XVI
het zelfs niet eens voorvallen, maar slechts opmerkingen en beschouwingen. Daar ik het zelf heb ondervonden, was het niet altijd te vermijden, dat ik ook over mijzelven sprak. Dat is zeer zeker een bedenkelijk verschijnsel. Maar als ik „ter wille van de bescheidenheidquot; de kleine voorvallen aan anderen in den mond gelegd zou hebben, dan hadden zij hun beetje bekoring geheel en al verloren.
Maar mijn God weet, waarom het mij bij dit boekje te doen is. Ik ben goedsmoeds, dat den van vooroordeel vrijen lezers uit deze bladen niet alleen de geur der dennen van het hooggebergte en de verkwikkende lucht der Alpen tegen waaien zal, maar ook iets goeds van de hemelsche lucht en den geest der eeuwigheid. De kleine gebeurtenissen worden tot een symbool van grooter dingen, en de vroolijke toon sluit den heiligen ernst niet uit.
Wat men' evenwel heden ten dage opziendbarend, pikant, sensationeel noemt, daarvan vindt men in het volgende volstrekt niets. Wie aan de zucht naar dergelijke genietingen lijdt, die moet zich tot een andere firma wenden of, wat nog beter zou zijn, tot een ernstigen — arts, die hem geneest.
Daarentegen zullen diegenen hun begeeren ontvangen, die zich eens uit het alledaagsche leven in eene wereld der vreugde willen verplaatst zien. Ik acht het volstrekt niet ongepast, dat een prediker des Evangelies ook den humor tot zijn recht laat komen, — tenminste, als hij dien humor in dienst van het Evangelie stelt. Ook ernstige Christenen hebben eene lectuur noodig, waarbij zij af en toe eens hartelijk lachen kunnen. Het hartelijke lachen, de onschuldige vroolijkheid is een kostelijke gave Gods. Men moet den duivel, die een sluiper is, niet het genoegen gunnen dat men ze zich laat rooven.
Voor gemengde kringen zou het voor oogen liggende geschrift bijzonder van pas kunnen zijn. Ik bedoel zulke krin-
XVII
gen, waar niet alleen de ouderdom en de jeugd, maar waar ook besliste Christelijke lieden en zulken, die nog verre van het Evangelie verwijderd zijn, samenkomen. In de eerste plaats heb ik hierbij het oog gehad op onze jeugd. Zij is voor het grootste deel jegens het Evangelie niet vijandig gezind. Maar zij wendt zich af van eene lectuur, waarbij men steeds de handen vouwen of althans ernstig en plechtig vóór zich kijken moet. Zij wil over wat zij leest ook vroolijk worden. En dien man, die haar vroolijk heeft gemaakt, schenkt zij dan ook eer gehoor, als hij aan hun geweten klopt. En daaraan zal het in de volgende bladen niet ontbreken.
D i e lezers echter, die (gelijk mij vele brieven bewijzen) zoo goed zijn, om het tweede deel van „Christus' beeld in z ij n e navolgersquot; te begeeren, moet ik om de genoemde redenen verzoeken, nog een jaar geduld te oefenen. Als God mij bij het leven en de gezondheid bewaart, zal het alsdan verschijnen en, naar ik hoop, bewijzen, dat hetgeen lang wacht, eindelijk goed wordt.
En nu, laat mij hiermee mogen volstaan. Mijn lieve vrienden, vergeten wij toch niet, dat ook in deze donkere en onrustige tijdsomstandigheden de oude God nog leeft en zijn regiment nog niet uit zijne hand heeft gegeven. Laat ons niet vergeten, dat ook heden nog het woord des apostels van kracht is: „Werpt al uwe bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u!quot; en wederom: „Verblijdt u in den Heere te allen tijde; wederom zeg ik: verblijdt u!quot;
Bremen, Maart 1892.
de Schrijver.
WAT IK OP REIS LEERDE.
EEN ENGELENGROET DOOR EEN MORSIGEN STOKER.
1. WAARHEEN GAAT DE REIS?
„Waarheen gaat ditmaal de reis, waarde Dominee?quot; vroeg mij een bevriend heer, toen ik op den dag vóór mijn vertrek mijn rondreisbillet van het station haalde. Mijn antwoord luidde: „Nog eens weer naar het lieve, oude Zwitserland.quot; Hij zette een gezicht als iemand, die wijn verwachtte en nu ziet, dat men hem water inschenkt: „Zoo! M a a r naar Zwitserland ? Ik dacht, dat ge toch eindelijk eens andere landen en volken zoudt bezoeken.quot;
Inderdaad, Zwitserland is in ons „goede gezelschapquot; slechts een „maarquot; meer. Het is nu versleten. Iedere student loopt daar rond en iedere „bakvischquot; komt er op kostschool. Noorwegen is al een hooger nummer; maar dat zal ook niet lang duren. Zelfs de blauwe bergen van Indië en de paradijseilanden der Zuidzee zijn reeds zoo vaak beschreven, dat men nog slechts naschrijven kan, als men er iets over wil schrijven. En eene reis om de wereld beteekent ook al niets meer. Het is bepaald noodig een nieuw aard- of zeedeel uit te vinden of te ontdekken, als men iets nieuws wil berichten. Tegenwoordig is ieder overal geweest of heeft tenminste ieder wat over dat „overalquot;
1
2
gelezen. En dientengevolge zijn reisbeschrijvingen zeer in mis-crediet gekomen.
Vele jaren geleden vierden wij hier een feest van de inwendige zending. Op het programma stond onder anderen mijn naam: „Ds. Funcke zal reiservaringen mededeelen.quot; En dat deed ik ook; maar zoo, dat ik ze op de inwendige zending van toepassing maakte. Den dag daaraanvolgende behelsden onze publieke bladen — zooals dat hier gewoonte is — een uitvoerig verslag. Maar och arme, wat kwam ik er slecht af! De verslaggever schreef namelijk even trouwhartig en edelmoedig als geestig; „Ds. Funcke gaf verslag van zijne reizen. Wijl de spreker evenwel geen onbekende landen heeft bezocht, kunnen wij zijne rede wel met stilzwijgen voorbijgaan.quot; Punt. Daar kon ik het meê doen. In allen gevalle kon ik er hartelijk om lachen. En dat is ook wat waard.
De reporter was zeker het schrijven moe geweest en had wellicht buiten de vergadering een glas bier gedronken. Ware hij aan zijn tafeltje gebleven, dan had hij met beide ooren kunnen hooren, dat ik er in 't minst geene aanspraak op maakte, ook maar iets mede te deelen van een pas ontdekte vuurzee in de Polynesische eilanden, of van eene door mij gevonden bacil tegen de luiheid, of van een nieuw ontdekten aap, die wonderveel op den mensch geleek of eigenlijk den mensch nog overtrof, en dergelijke wonderen. Ook nu ben ik niet tot die hoogte gekomen, ook al werd ik sedert zoowat twintig jaar ouder.
De lezers kunnen zich dus geruststellen; het is mijn doel niet, hen te ontrusten. Het is mijn doel zelfs niet, nieuwe onthullingen te doen omtrent Zwitserland. Wat hier volgt zijn slechts kleine voorvallen met menschen en daarbij allerlei gedachten, die er mij bij invielen, zoowel over het geheele leven in de wereld als over het hemelrijk en, wat mij betreft.
3
ook over het rijk der hel. Ik stem toe, dat ik dezelfde dingen in geheel andere landen even goed had kunnen ondervinden. Slechts de onvergetelijke omlijsting, die Zwitserland steeds biedt, zou dan ontbreken. Ja , ik zeg nog meer. Op mijne studeerkamer en bij de verzorging der mij toevertrouwde zielen krijg ik met veel interessanter dingen te doen. Maar zelden past het, dergelijke zaken aan de „groote klokquot; te hangen. Tweemaal evenwel veroorloofde ik mijzei ven de vrijheid iets, wat in Bremen is geschied, onder mijne reisvoorvallen op te nemen. Dat ik de namen van personen en plaatsen meestal heb veranderd, zal men mij wel niet als vervalsching toerekenen.
Maar nu naar buiten, in de schoone blauwe verte!
2. BENIJDENSWAARDIG.
Het was 17 Augustus 1891, toen ik 's morgens om 8 uur in een kleinen „papendieckquot; — zoo noemt men onze rijtuigen ter eere van den stichter dezer vigelante-maatschappij — naar het station reed. De straten van onze voorstad, waarop zich thans tamelijk weinig volwassenen bevonden, wemelden van kinderen. De lieve meisjes en jongens zagen er maar terneergeslagen uit en de last op hun rug woog hun zwaar. De ransels en school-tasschen drukten hen vandaag buitengewoon. Zij hadden namelijk vijf weken vacantie gehad en vandaag begon de school weer. Ik herinnerde mij, hoe vervelend ook ik in mijn tijd dien dag had gevonden. En vriendelijk beantwoordde ik de weemoedige groeten van het jonge volkje, dat zuchtte onder het juk van den schooldwang en de gelukkige kinderen in Nieuw-Guinea, die altijd vacantie hebben, benijdde. Mijn arme Bremer kinderen moesten naar school en ik mocht voor vier weken naar buiten. Toch gevoelde ik niet, dat ik hiermee onrecht pleegde. Neen, 't was noodig, dat ik ging; en ware ik
4
niet vrijwillig gegaan, dan had men mij spoedig genoeg met dwang weggestuurd.
Hadden de kinderen, wier weg den mijnen kruiste, mij benijd, ik zag iets „bij den slijpmolenquot;, dat mijn hoogste afgunst opwekte. Hier werd namelijk de straat geplaveid. De goede mannen echter, die dit zeer gewichtige werk verrichtten en vermoedelijk al een paar uur bezig waren, namen juist even rust, toen ik hen voorbijreed. Sommigen aten; en hoewel zij zeker reeds voor de tweede maal aten, verslonden zij met verbazenden eetlust hunne boterhammen, met spek belegd en van zulk een reusachtige grootte, dat éen ervan voldoende was geweest tot mijn levensonderhoud voor een ganschen dag. Anderen sliepen; en niettegenstaande zij ongetwijfeld ook in den vorigen nacht goed hadden geslapen en hoewel zij nu op planken en steenen lagen, sliepen zij toch zoo vast, dat het bommen rond hen had kunnen regenen, zonder dat zij wakker werden. „Och!quot; dacht ik, „als toch de goede God mij door deze mijne vacantie eens zulk een eetlust en zulk een slaap wou geven, als deze straatwerkers hebben, — dan, ja, dan mocht het vrij eiken dag regenen.quot; God de Heere heeft dit mijn zuchten niet verhoord. Het heeft niet eiken dag geregend; eetlust en slaap evenwel zijn, ten spijt van alle heerlijkheid en de kostelijke lucht van Engelberg en Graubünden, volstrekt niet zóo geworden, dat ik met de stratenmakers kon wedijveren.
Ten slotte moest ik mij ook schamen over mijnen wensch. Wie niet slechts boven stratenmakers, maar boven verreweg de meeste zijner medemenscben zooveel meer voorrechten heeft, die mag niet zoo onbescheiden zijn, dat hij ook de weinige voorrechten der „minder bedeeldenquot; tot de zijne begeert. En dat allerminst, als het haar reeds begint te grijzen!
3. DE EERSTE ZONNESTRAAL.
„Komt er niet haast een of ander voorval?quot; hoor ik ongeduldige lezers vragen. Zeker, zeker, al is 't ook maar een kleine gebeurtenis. Wij waren immers zoo juist nog „bij den slijpmolenquot; in Bremen en stoomen nu naar Hannover; dus zijn we nog in de buurt. En de meeste menschen zijn van meening dat van reisvoorvallen eerst sprake kan zijn op vijftig mijlen afstands van huis. Andere stijl van huizen en kleederdracht, andere gewoonten, andere uitspraak, andere kookkunst, andere ondeugden zijn in hun oog de eerste voorwaarden voor „voorvallen.quot;
Niets is dwazer dan dit; de menschen zijn overal even interessant en even vervelend. Maar tot Hannover trof mij niets, volstrekt niets, ofschoon ik vreesde, dat mij iets zou treffen. Gelijk de lezers zich herinneren zullen, was het toen de tijd der groote spoorwegongelukken. Nu had ik een voorgevoel, dat mij nu ook zulk een spoorwegongeluk zou treffen. Ik had mij dit in 't hoofd gehaald en het ook meer dan eens uitgesproken. Godlof! er kwam echter niets; de trein raakte zelfs niet uit het spoor, en toch heb ik minstens duizend kilometer afgelegd. Nadien heb ik gedacht en nog denk ik: „Wat een spektakel zou men er wel van gemaakt hebben, als nu toevallig dat voorgevoel eens ware uitgekomen!quot; 'k Wil daarom hun, die het zoo „van tevoren gevoelen,quot; dit mijn waarschuwend voorbeeld voorhouden. Is 't niet zoo ? Als een voorgevoel ééns uitkomt, dan moet het eene wereldgebeurtenis zijn en men maakt er veel drukte over; maar als het honderdmaal niet uitkomt, dan zwijgt men het ook honderdmaal dood. Daarom weg met dat voorgevoel, en er voor in de plaats — kinderlijk vertrouwen op God.
Maar nu mijn klein, lieflijk voorval! Het was op het perron
6
te Hannover en ik had juist veel werk om met mijn handkoffer en andere reisbenoodigdheden uit de coupé te komen. Ik lette niet op een man met een morsig gezicht en vuile handen, die juist vóór mij stond. Hij echter lette wel op mij, ja, hij nam mij mijn koffertje af en pakte mij fiks bij de hand. „Neen, neen, maar nu moet ik me toch verwonderen! Ds. Funcke!quot; Jawel — Ds. Funcke! Zoo'n vriend al hier op Maandagmorgen. Mijn lieve hemel, als dat mijn vrouw 'reis wist! Wis en zeker kwam ze van Linden naar hier gehold. O, Ds. Funcke, U moest toch eens meegaan naar Linden, naar mijne vrouw! Ze zou er zich de wereld te rijk meé achten.quot; Zoo sprak en riep mijn stoker, want die was het. En een zonnetje der grootste en reinste vreugde bestraalde zijn zwarte gezicht. Ik vernam nu, dat de geestdriftvolle vriend een beambte was, die Katzengrau heette en twintig jaar geleden op den „Dammwegquot; in Bremen had gewoond. Toen had ik de jonge lieden getrouwd en de vrouw, die spoedig ziek werd, bezocht en met haar gebeden en haar misschien eenige kleine weldaden bewezen. Achter het beeld van den man bracht ik mij allengs ook het beeld van de vrouw voor den geest. Vooral herinnerde ik mij ook, hoe die twee elkaêr hadden gevonden. De jonge Katzengrau had op zekeren avond eens met eenige makkers staan praten in de Humboldtstraat, toen een jong, frisch dienstmeisje met een korfje aan den arm voorbijging. De overmoedige jonge man, die van Berlijn afkomstig was, zeide tot het meisje: „Ik zou wel gaarne willen trouwen.quot; En zij, rustig verder gaande, antwoordde met dien even drogen als onovertreffelijken humor, welke slechts onze Nederduitschers kennen: „Dat doe je maar!quot; Juist deze rust en deze humor troffen onzen Katzengrau als met een electrischen schok. Hij vond het meisje op een andere plaats terug en — nu ja, eindelijk werden zij een paar, een gelukkig paar.
Bij gelegenheid van de bruiloft vertelden zij mij op mijn
7
desbetreffende vraag, hoe zij elkander gevonden hadden, de hier meegedeelde geschiedenis.
Deze menschen nu waren al zestien jaar uit Bremen weg en leefden tevreden en gelukkig in Linden bij Hannover, doch hadden, naar de man mij oprecht verzekerde, eiken dag in dankbaarheid over mij gesproken, en eiken dag den wensch geuit, dat ze mij nog eens mochten wederzien. O, hoe gaarne ware ik den goeden Katzen-grau naar Linden gevolgd! Maar op den avond van denzelfden dag werd ik nog verwacht in Marburg. Toch was deze gebeurtenis mij als een zonnestraal op mijne reis en nog heden verkwikt ze mij.
Als men lang het ambt heeft bekleed en langzamerhand ouder wordt, ziet en ondervindt men zooveel snoode ondankbaarheid , dat men dikwijls gevaar loopt, zich innerlijk af en in te sluiten, ja zelfs eea weinig bitter te worden. In dat geval kan zulk eene gebeurtenis een machtige werking hebben. Ik zei tot mijzelven: Nooit ofte nimmer hadt ge kunnen vermoeden dat deze Katzengrau's nog in liefde en dankbaarheid aan u zouden denken. Zouden er niet honderden, ja, duizenden zijn, bij wie het eveneens gaat'? Alzoo maar moedig verder! Liefde zaaien en niet moede worden!
Een uur later stoomde ik verder, naar Marburg. In mijn hart was evenwel het zonnetje opgegaan, daarbij kwam nog, dat het ook was doorgebroken aan den aardschen hemel, die eerst schele hoofdpijn scheen te hebben. De stoker gaf mij bij het scheiden nog de verzekering, hoe dikwijls weet ik niet: „Neen, als mijne vrouw dat 'reis wistquot; enz. Hij was overgelukkig, toen ik hem, bij het roerend afscheid, een door mij geschreven boekje voor zijn lieve vrouw meegaf.
--Er zijn toch uitstekende menschen op deze arme wereld.
God zegene de goede lieden en helpe hen en mij, opdat wij eens voor Gods troon met elkander zingen en de harp tokkelen mogen.
Van Bremen naar Hannover had ik alleen gereisd met een jongen man, die er evenwel zeer onjeugdig en daarbij zeer als een nachtbraker uitzag. Het „toevalquot; wilde, dat wij ook onze verdere reis samen en meestal alleen maakten. Overigens had deze heer ook zijne oorspronkelijkheid. In den tunnel namelijk, waardoor we later kwamen, stak hij, ridderlijk van zin, een waslucifer aan om het tooneel te verlichten. Zag hij mij aan voor een verkapten rooverhoofdman, die zich de duisternis ten nutte zou kunnen maken om hem snel met chloroform te bedwelmen, te dooden en uit te plunderen, of op de meest nieuwmodische wijze hem met een dynamietpatroontje in de lucht te doen springen? Ik weet het niet. In elk geval hebben ook mijne vijanden, die ik vele heb, mij nog nooit gezegd, dat ik er als een struikroover uitzag.
Voor mij was deze wijze van zich te beveiligen nog nieuw. De jongeling echter, dien ik lachend daarvan rekenschap vroeg, zeide, dat hij dit „uit principequot; deed, en dat steeds, en dat vele anderen het ook deden. Men kon nooit weten, wat iemand overkwam. Ach ja, er is tegenwoordig een schrikkelijk wantrouwen van menschen tegenover menschen in de wereld verbreid. En geheel ongerechtvaardigd is de angst wel niet, vooral niet.
9
wanneer men gelijk deze jonge man zijne ziel dagelijks spijst met de berichten van al de gruwelen, die in en buiten den spoortrein plaatsgrijpen. En als men alles leest en gelooft, wat de wetenschap ons tegenwoordig van de overal ronddwalende bacillen zegt — diphteritis, — influenza, — longen, — enz. enz. bacillen, — als men met ontzetting leest, hoe deze onzichtbare monsters overal zijn en door een onschuldigen ademtocht in iemands lichaam kunnen komen, — ja, dan moet men wel angstig zijn en zich behoorlijk toebinden, of liever — uit de wereld loopen, want al dat toebinden helpt toch niets, als God niet helpt.
Zoo duidde ik dan mijn reisgenoot zijne voorzichtigheid niet euvel, temeer daar hij een zeer welriekende sigaar rookte. Maar een andere eigenaardigheid kon ik toch niet ongemerkt laten voorbijgaan. Reeds van Bremen tot Hannover had hij, met een ijver, eene betere zaak waardig, zitten lezen in een nummer van de , Bremer Nachrichten,quot; dat reeds twee dagen oud, dus overoud was. Het scheen, dat hij het van buiten wilde leeren. Dit verwonderde mij reeds. Maar mijne verwondering werd ontzetting, toen hij op het tweede gedeelte onzer gemeenschappelijke reis dadelijk en met denzelfden ijver deze lectuur voortzette. Ach, die ongelukkige courantenlectuur is eene der hoofdoorzaken van de oppervlakkigheid en geestelijke teringachtigheid, welke ons geslacht kenmerken!
Achter Göttingen, waar de omgeving zoo kostelijk wordt, begon de jonge man, zonder van die omgeving notitie te nemen, zijne lectuur opnieuw. Toen hield ik het niet meer uit. Ik vermande mij om eene aanmerking te wagen. Immers, zoo dacht ik, zoo langzamerhand word ik al een oud man en gemakkelijk had ik de vader kunnen zijn van mijn reisgezel. Als men reeds een witten baard heeft, dan bezit men een voordeel, dat men zich niet mag laten ontglippen. Men behoeft zich slechts te
10
herinneren, welk een indruk zoo'n baard maakte, toen men zelf nog jong was.
Ik zette mij dus tegenover hem en zei, terwijl ik diep adem haalde; „Mijn beste jonge man, mag ik u niet iets anders ter lezing aanbieden? Ik voor mij tenminste zou bang zijn, dat ik gek werd, als ik zoo urenlang en wederom urenlang een zoo onbeduidend en nietszeggend blad moest lezen.quot; Hij keek mij verwonderd aan en glimlachte in zelfgenoegzaamheid. Daarop zeide hij beleefd, maar met nadruk: „Het komt enkel hierop neer, hoe men leest. De rechte courantenlezer kan uit het kleinste dikwijls het grootste afleiden. Ik vorm mij vaak uit een onbeduidende advertentie een nieuw stelsel van beheer en uit het nietigste bericht van politiéken aard een geheel nieuwen wereldstaat.quot;
Dat was het dus! Ik was vernietigd en veroordeeld. Dus afleiden en daarna weer vormen, — dat is de zaak! Ik had laatst een opstel gelezen, waarin een ongetwijfeld beroemd geleerde uiteenzette, dat hij ergens — ik weet niet meer waar — in eene aardlaag een splinter van een been van een niet meer bestaand vóordiluviaansch beest had ontdekt. Uit dezen beensplinter had de bedoelde professor het geheele been gevormd en uit het eene been het gansche monster, zooals dat voor 600000 jaar geleefd zou hebben. Hij had het ook duidelijk en in fijne kleurschakeering op papier uitgeteekend; het was afschuwelijk om aan te zien en had eene lengte van niet minder dan 22.09 meter. Uit dit reuzenbeest stelde hij toen weder de wereld samen, waarin zulk een monster zich op zijn gemak kon gevoeld hebben. En uit deze reuzenwereld had deze reuzenman toen — niet den Schepper dezer wereld geconstrueerd, — o neen, hij bewees juist omgekeerd, dat geen persoonlijke en levende schepper de stichter dezer wereld kon zijn, maar dat zij zich uit een doode slijmerige grondstof,
11
uit oorspronkelijke cellen en hoe dat vuile goed meer heeten mocht, in een oneindige opeenvolging van oneindig lange tijdruimten langzamerhand zoo had uitgebreid. Was dat niet een fiksche kerel, die zoo maar uit een splintertje het gansche heelal saamknutselen en zelfs den goeden God door zijn bewijs buitensluiten kon? De hoofdzaak is nu maar, of hij gelijk heeft.
Precies zoo, dunkt mij, leiden ook wel af en vormen ook wel de ervaren courantenlezers, waartoe ongetwijfeld ook mijn makker in de coupé behoorde. Als de koning van Rumenië verkouden is, dan spinnen zij aldus verder: Wat nu, als de verkoudheid eens influenza wordt? En als er dan eens eene jicht- of longcatarrh bijkomt en de vorst komt te sterven en de Russen de gunstigste gelegenheid zich ten nutte maken en in het land stroomen. Dan zullen zij al de landen aan den Be-neden-Donau innemen en ten slotte, door een of anderen slink-schen streek, Constantinopel bemachtigen met alles, wat daarom en daaraan hangt, en dan zijn zij de heeren van Europa en dan — ja, dan moge God ons en onzen kinderen genadig zijn! Dan worden wij allen' als zuurkool opgegeten. Hoe? Zou het dan niet der moeite waard zijn vijf en twintig maal te lezen, dat Z. M. de koning der Rumeniërs verkouden is, en tweemaal vijf en twintig maal daarover ernstig na te denken?
Zeker, mijn waarde politicus! Maar wat, als nu Z. M. den volgenden nacht eens uitstekend kan zweeten en morgen weer op de jacht gaat? Of hoe, als de verkoudheid den koning, terwijl hij enkel eens vanwege de zon moest niezen, door een of anderen courantenschrijver maar is toegedicht? Zoudt gij uw tijd dan niet beter besteed hebben, als gij uwe philosofie hadt laten varen? En waarlijk, de courantenlezers worden meestal gevoed met valsche geruchten. Als de couranten niets te berichten hebben, liegen zij van alles bij elkaêr. En het gelogene is in elk geval steeds het „leeuwenaandeel.quot;
12
Ik heb daarbij voorloopig nog niemand ontdekt, die door dat eeuwige courantenlezen slimmer en wijzer was geworden. Diegenen echter, die het tegendeel bewijzen, loopen bij dozijnen rond op alle straten. Niets maakt meer oppervlakkig en bekrompen dan het ijverig lezen der dagbladen, waardoor men zijne ziel volpropt met huiveringwekkende geschiedenissen, leugens en vraagteekens. De zin voor alle edele en diepe lectuur gaat bij zulke arme menschen geheel en al verloren. Dit zei ik dan ook tegen mijn reismakker, toen ik mij van den eersten schrik eenigermate had hersteld. Maar hij bad er volstrekt geene ooren naar. Met medelijden keek hij mij na, toen ik hem in Marburg het rijk alleen liet.
Ik werd evenwel reeds op het perron met open armen ontvangen door mijn ouden vriend. Prof. A. Hij was vroeger als dominee mijn buurman geweest, en de lezers zien, dat hij het verder heeft gebracht dan ik. Ik zei zoo juist, dat hij , mijn oude vriendquot; was. Om de volle waarheid te zeggen, moet ik opmerken, dat wij wel oude bekenden, maar geen oude vrienden zijn. De ware vriendschap dagteekent van later tijd. Vroeger kwamen wij zeer dikwijls met elkander in botsing; want zoowel van natuur als van genade verschillen wij aanmerkelijk. En deze verscheidenheid leidde in den tijd, toen wij nog jonger waren, tot voortdurende botsingen. Zoo bebben wij eens een geheelen avond ernstig gestreden over de vraag, of het beter was, dat de toehoorders onder de preek eens glimlachten of een dutje deden. Hij was voor het laatste, ik voor het eerste. Wij verlieten toen beiden trotsch het slagveld in het bewustzijn: „Ik was de overwinnaar.quot; En zoo ging het bij vele dingen.
Maar „de oude is milder.quot; In verloop van tijd is er een merkelijke ommekeer gekomen. Wij hebben ingezien, dat onze verscheidenheden niet daartoe dienden, dat wij elkander afstoo-t e n , maar daartoe , dat wij elkander aanvullen zouden ,
13
gelijk dan nu ook sedert lange jaren geschiedt. Wij waardeeren nu elkander onderling en bevelen elkanders boeken aan bij de menschen, hetgeen, naar ik hoop, voor de menschen en in elk geval voor ons heilzaam is.
Ik heb verbazend zelden vooruitgang bij mijzelven op te teekenen. ('t Is maar te hopen, dat er vaker vooruitgang is dan ik opteekenen kan.) Maar dien avond in Marburg werden wij het samen hierover eens, dat een objectivist en een subjectivist, een stijve kerkist en een independent — wel verre van eikanker te bestrijden, veeleer voor éen wagen moeten gespannen worden.
En ik voeg dit aanhangsel toe aan de hoofdgeschiedenis, opdat de lezers zich dit groote dogma ook zullen toeëigenen. Daarmede zou veel zijn geholpen in enger en breeder kring; want het is een ver verbreide heillooze dwaling, dat z ij slechts voor ons passen, die op ons gelijken.
, SPOEDIG HEBBEN WIJ HEM DAARBOVEN NIET MEER NOODIG.quot;
Wie van Marburg naar Zwitserland wil reizen — en dat wou ik, — moet eerst van Marburg naar Frankfort gaan. Dit deed ik dan ook, nadat ik mij had losgerukt van mijn goeden professor. De coupé was overvol en de menschen waren bijna allen in een zeer opgewonden stemming. Men wilde de groot-sche electrische tentoonstelling zien in Frankfort, die daar nog nooit was geweest. Ik moet tot mijne , schandequot; bekennen, dat ik er in 't geheel niet aan gedacht had. Nu evenwel besloot ik mijzelven daarmeê te straffen, dat ik de drie uren, die ik toch in Frankfort moest wachten, zou besteden aan het wonder der electriciteit, waarbij ik wel is waar moet bekennen, dat tot dit besluit eene beweegreden medewerkte, die met de electriciteit niets te maken heeft, namelijk: dat men op het tentoonstellingsterrein zeer geschikt een goed en goedkoop middagmaal kon verkrijgen.
Als de lezers uit deze opmerkingen het besluit trekken, dat ik niet buitengewoon ingenomen ben met tentoonstellingen, dan zullen zij in hun oordeel niet falen. Men zou mij kunnen tegenwerpen: „Gij zijt er tegen, omdat gij er niets van begrijpt.quot; Dat zou niet heelemaal misgeraden zijn. Maar ik zou toch ook kunnen bewijzen, dat ik er tegen ben, omdat ik er iets van
15
begrijp, uit ervaring begrijp, dat zulk eene tentoonstelling in elk geval voor de stad, waar zij gehouden wordt, wat betreft de z e d e 1 ij k e en dikwijls ook wat betreft menige andere zijde, heillooze gevolgen heeft. Maar wat vraagt ons geslacht naar zedelijke en godsdienstige gevolgen, als er maar schittering, vermaak en een schijn van vooruitgang is?
En vooruitgang, grootschen vooruitgang op het gebied der electriciteit kon men inderdaad in Frankfort toonen. Van Rauheim af regende het reeds in onze coupé reclamebladen, zoovele, dat wij er den vloer van een kamertje meê hadden kunnen beleggen. En „Groot is de Diana der Efezeren,quot; dat moest men reeds zeggen, eer men haar met de oogen zag. Ik vind daar juist nog een stuk uit zulk een blad; daar leest men:
1) Machines van over de 4000 paardekrachten.
2) Overbrenging van kracht tot op 170 kilometer.
3) Electrische sporen en booten.
4) Groot electrisch theater met balletvoorstelling.
5) Panorama met electrisch licht.
6) Mijnbaun,
7) Overbrenging van muziek van München, Wiesbaden enz.
„Hart, wat wilt ge nog meer?quot; zegt een bescheiden lezer. Ik verzeker hem echter, dat ik hem niet de helft gezegd heb en ook niet zeggen zal. Ik ging er namelijk inderdaad heen, hetgeen ook gemakkelijk te doen was, want de tentoonstelling was dicht bij het station. Maar ik zal er niet veel van vertellen, en dat wel om de eenvoudige reden, dat ik op dit gebied te onwetend ben. Zóóveel merkte ik wel is waar ook, dat hier, ik bedoel in de electriciteit, de krachten sluimeren voor een nieuwe wereldverandering, welke misschien nog grooter is dan die, welke eens door de stoomkracht werd veroorzaakt.
Dit betoogde mij met gloed en vuur een beminnelijk ingenieur,
16
die mij veroorloofde, dat ik mij bij hem voegde. Het deed den jongen man klaarblijkelijk goed, dat een „bestudeerdquot; man zijn onwetende, zich verwonderende en veel domme vragen doende, leerling en hij de alles en nog meer dan alles wetende onderwijzer was. Deze mijn leeraar koesterde de beste verwachting van eene wereld, die binnenkort door middel van de electriciteit ten tooneele zou treden. Toen ik met verwondering de muziek hoorde, die ons van uit München werd gebracht, verklaarde hij op luchthartige wijze, dat men dit genoegen weldra in iedere arbeiderswoning zou smaken. Ik bewonderde de drie tot vijf meter hooge glas-candelabres. Zij bestonden alle uit bloemen, ieder in eigen vorm en kleur, en in eene kelk een electrisch licht De werking was tooverachtig. Hij echter meende, dat deze eeuw niet ten einde zou loopcn, vóór hij en ik in onze werkkamers nog een veel mooier hadden. En hij nam het mij bijna kwalijk, toen ik met ietwat Thomas-ongeloof daarover glimlachte.
Maar ik zal niet verder vertellen, anders mocht mijne onwetendheid in deze zaken ook menigen lezer een glimlach ontlokken. En ik mag mijn beetje autoriteit toch niet te zeer op het spel zetten. Maar ik moet toch nog melding maken van wat mij uit de mededeelingen van den deskundige het aangenaamste was en heden nog is, tenminste als het bewaarheid wordt. Hij zette mij namelijk uiteen, „dat de electrische kracht zoo voor verdeeling vatbaar was, dat men bij ieder, ook bij den kleinsten handenarbeider, bij een wever, een knoopenmaker, een schoenmaker, een kleermaker enz., een stukje ervan voor een spotprijsje in zijne werkplaats zou kunnen aanbrengen. Zoo zou hij dan weer kunnen concurreeren met het groote fabriekswezen, dat nu het handwerk en in het algemeen de kleine nijverheid dreigt te vernietigen. Onder de heerschappij der electriciteit zou de verderfelijke opeenhooping der menschen in de fabrieken als in kazernen ophouden; de welvaart en ook het familieleven der
17
millioenen, die nu in de fabrieken physisch en zedelijk inzinken, zou een ongekende vlucht nemen.quot; Ja, daarop moge God van den hemel zijn amen uitspreien! Dan zou men eindelijk een gat zien in het sociale vraagstuk.
Maar 't zij me nu vergund, mijnen lezers te verzoeken, dat zij met mij en mijnen gids een tochtje maken onder de aarde, waar men een kunstmatige mijngroeve had aangebracht. Natuurlijk bracht een electrische trein ons in de diepte en wel met een duizelingwekkende snelheid. Hier beneden zag men nu allerlei dat bezienswaardig was en bewondering afdwong, bijv. machines, die telkens de slechte, bedompte lucht uit de diepte verwijderen en daarentegen een stroom van frissche lucht aanvoeren kunnen. Zoo zouden dan van nu af de gasluchten, die ontploffingen veroorzaken, en dergelijke onheilen, welke nu nog jaar op jaar aan duizenden bergbewoners het leven kosten, onmogelijk worden. Inderdaad, dat zou heerlijk wezen, als — ach, arme Thomas, die ik ben!
Verder was er nog eene machine, die, dank zij de electriciteit, in den tijd van vijf minuten een drie meter diep gat in het hardste graniet boort; men heeft eenvoudig een dynamietbom door middel van dezelfde machine daarachter te schuiven, en de sterkste rots springt in stukken. Twee mannen volbrengen dan met gemak in vijf minuten, wat vroeger honderd personen in het zweet huns aangezichts nauwelijks in een dag deden.
Dit maakte mij evenwel niet weinig beangst. „Als,quot; zoo zeide ik, „als de machines op die manier den menschelijken arbeid overtollig maken, wat moeten dan ten slotte al de menschen beginnen ?quot; Natuurlijk, zoo werd mij geantwoord, wordt de arbeidstijd steeds minder. Hij is nu reeds veel korter geworden en tot op 1900 zal hij inkrimpen tot hoogstens vier uur per persoon en per dag. „Maar wat moeten de ongelukkige menschen met al dien vrijen tijd beginnen?quot; vroeg ik. Maar mijn
2
18
ingenieur was niet verlegen. Blijkbaar had hij Bebel en Bellamy goed bestudeerd. Hij zeide; „Dan zal de menschheid er eindelijk toe komen om zich in haar leven te verheugen, waartoe zij van den beginne is bestemd. Welk een heerlijke gedachte, dat men van de vier en twintig uren twintig tot zijn persoonlijke beschikking heeft! Sommigen zullen bij een rijkelijke genieting van de vreugde des levens de natuur bestudeeren en allerlei nieuws ontdekken; anderen zullen philosofeeren, dichten, muziek beoefenen, nieuwe kunstwerken voortbrengen; weer anderen zullen nieuwe heilzame uitvindingen en ontdekkingen doen ; want, geloof mij, er sluimeren in ons volk tallooze genieën, die nu niet tot ontwikkeling komen kunnen.quot;
„Alles toegegevenquot;, zei ik. „Maar weet ge, wat naar mijne mee-ning de meeste menschen zullen doen, als zij niets goeds te werken hebben?quot; — „Nu?quot; — „Zij zullen zich volzuipen, zij zullen van louter verveling innerlijk verrotten, met elkaêr gaan vechten, elkaêr doodslaan en de een den ander opvreten. Kortom het beestachtige in den mensch zal op een afgrijselijke wijze worden losgelaten en naar buiten treden.quot;
Menigeen onder mijne lezers zal misschien zeggen, dat ik deze donkere gedachten blijkbaar in de onderwereld zou gehad hebben. En niemand zou zich gelukkiger achten dan ik, als ze zich bewezen donkere gedachten zonder inhoud te zijn, in de „rozigequot; toekomst, die wij tegemoet gaan. Voorloopig moet ik met het weinigje menschenkennis, dat ik bezit, de zaak, helaas, zoo aanzien, vooral wanneer, wat immers in het nieuwe program der toekomst staat, de godsdienst min of meer wordt afgeschaft, üat mijn reismakker ter oorzake van mijn onbeschaafde denkbeelden niet goedgunstiger jegens mij werd gestemd, zullen de lezers begrijpen. Zoo was dan ons afscheid, toen wij het daglicht weer begroet hadden, ietwat koel, en hij nam mijne uit-noodiging om met mij een glas wijn te drinken niet aan.
19
Was deze heer reeds met veel eerbied bezield voor de groote „Diana der Efezerenquot;, toch zou ik op mijne reis naar Heidelberg tot de erkentenis komen, dat het bij anderen nog slimmer was. Twee jonge heeren, beiden door den tijdgeest bedwelmd, zaten met mij in de coupé. Er zaten nog wel meer menschen in, maar die gaan ons thans niet aan. Die twee waren tegenover mij gezeten. Zij waren met elkander in gesprek, terwijl ik las. De een was geheel en al in de wolken over wat hij te Frankfort gezien had. Dat nu de hemel weldra op aarde komen zou, was nog maar een zijner bescheidenste verwachtingen. „Wantquot;, zeide hij, „er komen nog heel andere dingen, zooals wij nu reeds zagen. Ik heb een vriend in Chicago; die is eene uitvinding op het spoor; alleen, hij is er nog niet heele-maal meê klaar, doch er ontbreekt slechts eene kleinigheid, die ook spoedig zal gevonden zijn. En dan zullen wij Hem daarboven niet meer noodig hebben.quot; Ik werd onrustig, doch hield mij nog in. Zijn vriend zocht nu te weten te komen, wat dat toch voor eene uitvinding zijn zou. „Nu,quot; zei de ander grootmoedig, „ik zal het u verraden: het is de kunst, om uit aarde — ik zeg: uit aarde — koste-lijk brood van de hoogste voedingskracht te bereiden.quot; Nu liep mij de gal over. Ik schoof mijn bril in de hoogte en keek den jongen man verschrikt en ontzet aan. Hij gevoelde mijn blik en vroeg toen eenigszins verlegen, of ik het niet geloofde. „Wat ik geloof, is dat ge goed zoudt doen, indien ge uwe hersens eens liet onderzoeken door een knappen gekkendokterquot;, was mijn eerlijk antwoord. „Mijnheer,quot; zei hij,
„hoe komt ge daarbij--?quot; „Met uw verlof,quot; viel ik hem in
de rede, „verkoop dezelfde praatjes, die ge zooeven ten beste gaaft, maar eens aan den gezondheidsraad, dan weet de man, wat hem te doen zal staan.quot;
De toornige uitval, waarop ik mij inwendig had voorbereid.
20
volgde niet. Misschien, omdat een oude heer, die geluisterd had, mij toestemmend toeknikte en ook de vriend van den zwetser zeer ernstig voor zich |keek, genoeg, de jonge man werd niet toornig. Er bleef ook nog genoeg tijd over, eer wij in Heidel-berg waren, dat ik hem eenige hartelijke woorden kon toevoegen, waarbij ik hem naar binnen en naar boven wees. Tot mijne vreugde nam hij de hand, die ik hem daarna toereikte, zeer vriendelijk aan. 't Is maar te hopen, dat hij nu ook den gek-kendokter niet noodig heeft.
Een weinig grootheid en achteloosheid is op zijn tijd dikwijls als een scherpe noordwestenwind, die de lucht van smetstoffen zuivert. „Op zijn tijd,quot; zei ik. Voor mij komt die tijd zelden; naar ik hoop, is dit ook bij den lezer het geval. Maar menigmaal kan het niet anders. Vooral tegenover die lage wereld-vergoding en het ophemelen der beschaving, welker ondeugden tegenwoordig schrikverwekkende vorderingen maken, niettegenstaande het onder de aarde rommelt en dondert zooals nog nooit tevoren, niettegenstaande alle spitsen der aarde rooken en vree-selijke vulkanische uitbarstingen voorspellen. Ach, dat wij toch nuchter werden en al het kleine als klein en slechts het groote als groot wilden erkennen! Dat wij toch wilden komen tot de erkentenis, dat a 1 het vergankelijke klein is en groot alleen het eeuwige!
MEN WIL HET DOEL ZONDER DEN WEG.
(EEN HOOFDSTUK APART VOOR DE LIEVE JEUGD.)
Onder donder, bliksem en plasregen was ik den 18den Augustus in den nacht te Lucern aangekomen. Ik was dus in het hartje van Zwitserland, aan den veelbezongen oever van het Vierwoudstedenmeer. Ook het weder was gunstig geworden. Niettemin voerde mijn eerste weg mij den volgenden morgen niet naar de bergen, maar in een — schoenwinkel. Dit had een droevige oorzaak, waarvan ik bij een andere gelegenheid melding zal maken. Mijn doel voor dezen dag en voor vele dagen was Engelberg. Ik had evenwel, nadat ik nu van schoeisel voorzien was, vóór het vertrek van den trein nog drie uren tijd. Hoe zou ik die besteden en mij ten nutte maken?
Ik vroeg den man, die mij voor geld en goede woorden een paar schoenen had verkocht, om inlichting. Het antwoord luidde : „Daarboven op den Gütsch heeft men een van de prachtigste uitzichten, die er in de wereld zijn. En ge hebt ook nog tijd genoeg. Vijf minuten hiervandaan vindt ge een electrische tram. Die brengt u voor 50 centimes naar boven. En dan is er weer eene lift, die u opheft tot op de tin van den kijktoren. Het kost u geene moeite, geen werk, geen droppel zweet ze Ifs.quot;
22
9
Ik ging voort naar Collin, het eindpunt van den tram, overeenkomstig het woord van den grooten schoenmaker. Dat is te zeggen, ik was er bijna niet gekomen. Niet, dat de weg erheen zoo moeilijk was; maar hij is zoo interessant, dat men niet vooruit kan komen. Eerst moet men over de eeuwenoude houten brug. Deze heeft een schutdak en in de enkele vakken van dit houten dak zijn een menigte beelden geschilderd, welke alle hetzelfde prediken, namelijk: „Bedenk, dat gij moet sterven, opdat gij wijs wordt!quot; Deze prediking vertolkt de man met de zeis op bijzondere wijze aan lieden uit verschillende standen. Zoo treedt op een der beelden de dood tot eenen geleerde, die nu dus sterven moet, en roept hem toe;
„Philosofeeren, altijd studeeren Doet veel geleerden 't goede verleeren,
Daar meer op d'aanvang wordt gelet,
Dan dat m' op 't eind zijn zinnen zet.quot;
Een horlogemaker, die nog midden in zijn werk is,
wordt op de volgende wijze bestraft;
,Horloge en wekker maaktet gij;
En toch ging 't uwen geest voorbij:
Gelijk een klok loopt gij ook af.
Want van natuur gaat gij naar 't graf.
Eu zoo gaat het verder.
Waar ter wereld zou heden ten dage een gemeenteraad op de gedachte komen, om aan een nieuw te bouwen brug zulk eene versiering aan te brengen en daardoor tot hen, die erover wandelen, altijd door zulk een ernstige en aangrijpende prediking te houden? Wee het raadslid, dat zoo'n voorslag zou durven doen. Men zou hem voor waanzinnig, voor razend verklaren. Tegenwoordig moet alles daarover prediken, hoe heerlijk de wereld is en hoe fabelachtig ver wij het hebben gebracht. Niets is aan ons geslacht over het algemeen meer vreemd en stoot meer af dan de herinnering aan dood, gericht en eeuwig-
23
heid. En juist daarom is het zoo arm, zoo vol onrust, zoo zonder vrede. Hem evenwel, die op zijn reis ook Zwitserland doortrekken wil, raad ik, zeer ernstige studiën te maken op de oude Lucerner brug. Die studiën kunnen het kompas zijns harten weer recht zetten, opdat hij bij al het verstrooiende logementsleven zichzelven niet verliest. Het Christendom is wel geen godsdienst om bang te maken, waarvoor onze goede ouden het maar al te dikwijls hebben aangezien. Maar toch moet het bang maken eerst komen; dan vindt het Evangelie eerst zijn waren grondslag.
Het was echter niet alleen de brug, die mij op den weg naar den Gütsch oponthoud veroorzaakte. Neen, het waren ook de woorden van mijn eerzamen schoenmaker: „Het kost u geen droppel zweet om daarheen te komen.quot; Daardoor moest blijkbaar de reis aanbevolen worden. Ik dacht er echter over na of dat werkelijk wel eene aanbeveling was. Maar als ik nadenk moet ik stilstaan, en gelijk men weet, dit brengt niet verder. Niettemin ben ik nog op den Gütsch gekomen en heb er een heerlijk uitzicht genoten en zeer vroolijke menschen aangetroffen. Maar over dit alles spreken wij nu niet, maar wij willen verder hierover nadenken, of het een zegen dan wel een vloek is, als men het doel zoo gemakkelijk bereiken kan, zonder dat men den weg ook maar heeft bemerkt. Want zoo was het bij den Gütsch. Ik was boven eer ik er om dacht. En zoo kan men het in Zwitserland bijna overal hebben. Men rijdt naar den top van den Rigi, van den Bürgenstock, zelfs van den afgrijselijk steilen Pilatus enz. ja, men ontwerpt, naar vertrouwde personen mij mededeelden, een tandradspoorweg op de Jungfrau. Niets is zoo reusachtig, niets zoo onmogelijk, dat nu niet mogelijk gemaakt kan worden.
Ik vraag alzoo: Is dat een voordeel, als men zoo maar tot zijn doel kan komen, zonder de bezwaren van den weg te on-
24
dervinden? Dat het voor zwakke en oude menschen, die toch ook dikwijls nog gaarne wat schoons zien, een voordeel is en dat men er zich om hunnentwil ook over verheugen mag, springt dadelijk in het oog. Ik zelf toch zou, ter oorzake van mijn uitgezette longen, het niet meer gewaagd hebben, den Pilatus te bestijgen, en niettemin heb ik, gelijk wij nog zullen zien, door behulp van den tandradspoorweg een kostelijken dag op zijn top doorgebracht. Maar hoe kostelijk die dag ook was, hij was toch van verre niet te vergelijken met den dag, die zoowat dertig jaren achter mij ligt, toen ik op mijn eigen voeten, met den staf in de hand en overvloedig zweet op het voorhoofd de afschuwelijke en toch zoo heerlijke rotspunt beklom. Nu steekt men onder in den alpnach, waarin men plaats heeft genomen, een sigaar aan, zet zich op zijn gemak aan een venster en kijkt met verrukking (tenminste als men niet duizelig wordt) naar het steeds grootscher wordende landschap, en als de sigaar is opgerookt, luidt het: „Station Pilatus.quot; Precies als station Potsdam. En dan stijgt men uit. Dat is nu wel gemakkelijk, maar erisgeenepoëziebij. Er kwam iets over mij als een gevoel van schaamte. Ik dacht er aan, hoe ik vroeger op die plek was gekomen. Ja, dat was eene daad, een zegenrijke worsteling met het trage, wederstrevige vleesch. Het was een physische en moreele handeling.
Maar de gemakkelijke verkeermiddelen van onzen tijd, niet het minst ook de spoorwegen op de bergen, ontnemen aan onze jeugd de kracht tot handelen; want dwaas genoeg meenen vijf en negentig van de honderd menschen, dat het onzinnig is om te gaan waar men kan rijden, vooral als men kan rijden met een stoom- of electrischen trein. Het bergklimmen was steeds een heerlijke oefening en een goed deel zelfverloochening er bij. Nu slaapt of lacht of rookt men zich op zoo'n berg van 8000 voet naar boven.
Wat zeggen evenwel de oude Grieken? „Degodenhebben
25
voor de deugd het zweet gezet.quot; Daar willen zij dit medezeggen: Zonder ernstige inspanning, zonder een persoonlijken inzet, zonder persoonlijke offers verkrijgt men ook geen degelijkheid en in het algemeen niets noemenswaards. Wat men dus zonder zweet, dat is gemakkelijk en licht, verkrijgt, dat heeft geene waarde.
De lezer bemerkt, dat wij nu volstrekt niet meer alleen noch ook in de eerste plaats spreken over het bergklimmen. Dit, dat men op den top van den berg wil komen, zonder zich in te spannen, dat men het doel wil zonder den weg, dit is een treurig kenteeken van onzen tijd, het kenmerk van een verwelkend ge sl acht. Waar is bijvoorbeeld de bescheidenheid van onze jeugd gebleven ? Laat den jongen Max de zoon zijn van den sociaal-democratischen ketellapper uit een achterbuurt of de zoon van zijne Excellentie uit de Koningstraat, — hij wil voor iets doorgaan, hij wil zich doen gelden, hij wil iets beteekenen en maakt duizend pretentie's en eischen, voor hij iets noemenswaards heeft gedaan, ^schitteren, dat is het woord voor onze jonge knapen en meisjes, schitteren, groot zijn, eene rol spelen. Maar stelt gij prijs op hunnen bijval, spreek hun dan niet veel van stoeren arbeid, vooral niet van zelfverloochening.
Zoo wil men ook rijk worden, snel en zonder moeite. Ja, rijk worden, dat is het wachtwoord, maar liefst in drie maal vier en twintig uren. Vroeger sprak het vanzelf, dat men om rijk te worden zijn leven lang hard moest werken. Tegenwoordig evenwel is de wereld zoo ingericht (maar niet door onzen God!), dat zulks menigeen in een ommezien gelukt. (Natuurlijk kan men ook in een ommezien verliezen, wat vader en grootvader in eene eeuw hebben verzameld.) Slechts snel, snel! het doel zonder den weg. Alzoo speculeert men, men waagt, — — neen, lieve lezer, vraag het aan de beurs maar na, hoe men het maakt. Ik ken al de uitdrukkingen niet voor
24
dervinden? Dat het voor zwakke en oude menschen, die toch ook dikwijls nog gaarne wat schoons zien, een voordeel is en dat men er zich om hunnentwil ook over verheugen mag, springt dadelijk in het oog. Ik zelf toch zou, ter oorzake van mijn uitgezette longen, het niet meer gewaagd hebben, den Pilatus te bestijgen, en niettemin heb ik, gelijk wij nog zullen zien, door behulp van den tandradspoorweg een kostelijken dag op zijn top doorgebracht. Maar hoe kostelijk die dag ook was, hij was toch van verre niet te vergelijken met den dag, die zoowat dertig jaren achter mij ligt, toen ik op mijo eigen voeten, met den staf in de hand en overvloedig zweet op het voorhoofd de afschuwelijke en toch zoo heerlijke rotspunt beklom. Nu steekt men onder in den alpnach, waarin men plaats heeft genomen, een sigaar aan, zet zich op zijn gemak aan een venster en kijkt met verrukking (tenminste als men niet duizelig wordt) naar het steeds grootscher wordende landschap, en als de sigaar is opgerookt, luidt het: „Station Pilatus.quot; Precies als station Potsdam. En dan stijgt men uit. Dat is nu wel gemakkelijk, maar erisgeenepoëziebij. Er kwam iets over mij als een gevoel van schaamte. Ik dacht er aan, hoe ik vroeger op die plek was gekomen. Ja, dat was eene daad, een zegenrijke worsteling met het trage, wederstrevige vleesch. Het was een physische en moreele handeling.
Maar de gemakkelijke verkeermiddelen van onzen tijd, niet het minst ook de spoorwegen op de bergen, ontnemen aan onze jeugd de kracht tot handelen; want dwaas genoeg meenen vijf en negentig van de honderd menschen , dat het onzinnig is om te gaan waar men kan rijden, vooral als men kan rijden met een stoom- of electrischen trein. Het bergklimmen was steeds een heerlijke oefening en een goed deel zelfverloochening er bij. Nu slaapt of lacht of rookt men zich op zoo'n berg van 8000 voet naar boven.
Wat zeggen evenwel de oude Grieken? „Degodenhebben
25
vóór de deugd het zweet gezet.quot; Daar willen zij dit medezeggen: Zonder ernstige inspanning, zonder een persoonlijken inzet, zonder persoonlijke offers verkrijgt men ook geen degelijkheid en in het algemeen niets noemenswaards. Wat men dus zonder zweet, dat is gemakkelijk en licht, verkrijgt, dat heeft geene waarde.
De lezer bemerkt, dat wij nu volstrekt niet meer alleen noch ook in de eerste plaats spreken over het bergklimmen. Dit, dat men op den top van den berg wil komen, zonder zich in te spannen, dat men het doel wil zonder den weg, dit is een treurig kenteeken van onzen tijd, het kenmerk van een verwelkend geslacht. Waar is bijvoorbeeld de bescheidenheid van onze jeugd gebleven ? Laat den jongen Max de zoon zijn van den sociaal-democratischen ketellapper uit een achterbuurt of de zoon van zijne Excellentie uit de Koningstraat, — hij wil voor iets doorgaan, hij wil zich doen gelden, hij wil iets beteekenen en maakt duizend pretentie's en eischen, vóór hij iets noemenswaards heeft gedaan. Ja, s c h i t-teren, dat is het woord voor onze jonge knapen en meisjes, schitteren, groot zijn, eene rol spelen. Maar stelt gij prijs op hunnen bijval, spreek hun dan niet veel van stoeren arbeid, vooral niet van zelfverloochening.
Zoo wil men ook rijk worden, snel en zonder moeite. Ja, rijk worden, dat is het wachtwoord, maar liefst in drie maal vier en twintig uren. Vroeger sprak het vanzelf, dat men om rijk te worden zijn leven lang hard moest werken. Tegenwoordig evenwel is de wereld zoo ingericht (maar niet door onzen God!), dat zulks menigeen in een ommezien gelukt. (Natuurlijk kan men ook in een ommezien verliezen, wat vader en grootvader in eene eeuw hebben verzameld.) Slechts snel, snel! het doel zonder den weg. Alzoo speculeert men, men waagt, — — neen, lieve lezer, vraag het aan de beurs maar na, hoe men het maakt. Ik ken al de uitdrukkingen niet voor
26
die hoogere spitsboeverij. En de staat, de zoogenaamde Christelijke staat, helpt dien zin ook nog voeden. Ik bedoel door zijne 1 o t e r ij e n , ten voordeele van, — ja, van wat niet: van de schatkist, van de arme heidenen zelfs en de slaven in Afrika, eene anti-slavernij-loterij enz. En wat wonder, als de schrijnwerkersgezel Weize, die het aardig goed heeft, denkt: „Ik neem een lot, ook al kan ik een half jaar lang met vrouw en kinderen geen vleesch eten. Win ik behoorlijk wat, dan behoef ik mijn geheele leven niet meer te werken en ga met mijn gezin, heel fijn gekleed, eiken avond naar de muziekuitvoering. Het is zeker wel een goede zaak, anders zou het geene staatszaak zijn.quot; — Overal het doel zonder den weg!
Welk eene verbittering volgt er nu, als het begeerde doel niet wordt bereikt! En nog grooter is het ongeluk, als het wordt bereikt. Let maar eens op hen, die zonder moeite op deze of gene wijze snel rijk geworden zijn. Den goeden niet te na gesproken, zijn het onaangename menschen. „Wat gij van uwe vadren hebt geërfd, verwerf dat, om het te bezittenquot;, zegt een onzer dichters. Hij eischt, dat men eerst zal verwerven, wat men heeft geërfd, dus reeds bezit. Dit is schijnbaar eene ongerijmdheid. Maar de dichter zegt: Uw bezit is geen waar bezit, het verdient dien naam niet, vóór gij het u hebt waardig gemaakt door trouwen arbeid en een beheer overeenkomstig de ordinantiën Gods. Ach, op alle straten onzer groote steden loopen, rijden en pronken die ongelukkige (gelukkig genoemde) erfgenamen van een groot vermogen, die den dichter niet wilden verstaan en meenden, dat zij reeds iets hadden, ja, dat zij reeds iets waren, omdat zij stoffelijke goederen hadden geërfd.
Niet minder dwaas zijn zij, die meenen het doel reeds bereikt te hebben, wijl zij een grooten of goeden naam hebben geërfd. Wee hunner, die meenen, dat zij aan het doel toe zijn, omdat zij reeds in hunne jeugd met „Doorluchtigequot; of zelfs „Koninklijke
27
Hoogheidquot; betiteld worden! Wee hi nner, die meenen, dat hun weg is afgelegd, omdat hun vader etn beroemd of in breeden kring geliefd man was! Zij zijn juist verloren, als zij niet met alle energie den langzamen en moeilijken weg willen gaan, waarop zij zich dezen geërfden naam hebben waardig te maken. De hoogste en beroemdste adel is zonder adel, als hij niet wordt gedragen door een adellijken, deemoedigen, dienst-vaardigen geest. Maar tegenwoordig wil ieder als 't ware een rijpe vrucht van den boom plukken, waartoe immers lange en geduldige arbeid en verpleging noodig zijn.
Onlangs zeide een dokter tot mij: ^Ge zoudt niet kunnen ge-looven, in welk een afgrond van krankzinnigheid ik dagelijks moet blikken. Menschen, die hunne gezondheid hebben verwoest door een onordelijke, dwaze of zelfs onzedelijke levenswijze gedurende een geheel jaar, of zelfs wel tientallen van jaren, zouden in éen enkelen nacht door snel werkende middelen weer gezond willen worden. Zij bijv. die aan slapeloosheid lijden, eischen opium of dergelijke middelen en meenen, dat zoo hunne ellende in een ommezien geheeld wordt. Zegt men hun, dat zij een streng dieet moeten houden, zich des avonds hebben te wachten voor alle prikkelende gezelligheid en allerlei genoegen, flink moeten werken, vaak baden en zich in de frissche lucht bewegen moeten, en dat het dan langzamerhand beter zal worden, — ja, dan keeren zij zich meesmuilend af.v Zoo is het ook hier dezelfde geschiedenis, — men wil het doel zonder den weg.
Zeer waar zegt echter een fijngevoelig man: „Wie voor den tijd verlangt wat eerst van den tijd te verwachten is, die maakt zich den weg tot het doel moeilijker en het doel zelf ontgaat hem licht geheel.quot;
Kan men zich nu verwonderen, waar het met een en ander aldus geschapen staat, dat ons geslacht geen smaak vindt in het Christendom? Ja, het is waar en blijft eeuwig waar, dat het
28
Evangelie eene kracht is tot zaligheid een iegelijk, die het gelooft. Voorts is het ook waar, dat alle menschen zonder uitzondering tot het Evangelie zijn geroepen. In zooverre kan men zeggen, dat de weg tot Christus breed is, want hij is breed genoeg en hij is bereid voor allen. Maar in een anderen zin zegt de Heiland: „De poort is eng, de weg is nauw, en weinigen zijn er, die hem bewandelen.quot; Slechts zij, die ernstig worstelen, bereiken den ingang. En meer dan eens vergelijkt de apostel Paulus het Christen-zijn met een wedloop, evenals bij de Grieksche spelen placht gehouden te worden. Daar verwierf slechts h ij het kleinnood, die zijn lichaam kastijdde, die zich vlijtig oefende, die alles afwierp wat hem hinderde en die de gansche kracht van zijn lichaam en van zijne ziel inspande om het doel te bereiken.
Niet anders is het in betrekking tot het verkrijgen van het eeuwige doelwit. „De vrijheid en het hemelrijk gewinnen geene halven.quot; „Zoo gij uw leven niet als inzet geeft, zult gij ook nooit het leven winnen.quot; Dat zijn ware, ernstige woorden, ook al zijn ze niet ontleend aan den Bijbel en ook niet aan het Gezangenboek, maar aan Schillers „Wallenstein.quot;
Maar wie wil thans nog luisteren naar zulke woorden ? Wie wil iets weten van strijd tegen zichzelven, van arbeid aan zich-zelven, van zelf- en wereldverloochening! Het zaligworden zou wel goed zijn, maar het mag niets kosten. De Christen-dichter evenwel zegt; „Te zijn een Christen k o st z eer vee 1.quot; En Jezus spreekt: „Wie achter mij wil komen, die verloochene zichzelven en neme zijn kruis op en volge mij.quot; Wie zich echter inbeeldt, voor het geval dat er een Heiland en een hemel is, dat hij er dan ook wel meê. doorgesleept zal worden, die is even dwaas als de man, die daardoor op den bergtop hoopt te komen, dat hij zich aan den voet van den berg op het vochtige gras neerlegt en inslaapt. Wie den weg niet wil, zal tot het doel nooit geraken.
Of men met of zonder vrouw zal reizen, dat is de vraag, die ons nu gaat bezighouden. En al is het waar, dat deze vraag nu juist de wereld beroert gelijk het sociale vraagstuk, toch vormt zij een deel van dat sociale vraagstuk. En ze neemt ten tijde van den zomer veler hoofd en hart geheel in beslag. „Zal ik alleen reizen of mijne vrouw meenemen ?quot; vragen honderden mannen zich af. „Of hij mij wel meenemen zal?quot; vragen met kloppende harten duizenden vrouwen.
Op zijn tijd zal dat, wel is waar, gelijk men voorspelt, anders worden. Als het ideaal, dat om een voorbeeld te noemen, de heer August Bebel — in zijn boek „De vrouwquot; — schetst; als, zeg ik, dat ideaal vervuld en verwezenlijkt zal zijn, dan zal het er heel wat anders uitzien. Dan moet de vraag voor 't meerendeel niet meer luiden; „Met of zonder vrouw?quot; maar: „Met of zonder man?quot; Dan is het zoo goed als zeker, dat de vrouw, die thans nog eene „slavinquot; is, volkomen is geëmancipeerd en in alle opzichten even zelfstandig is al de man. Zij verdient evengoed en evenveel als de man; zij heeft haar eigen vermogen, waarover zij naar hartelust beschikt; zij zal in den regel beter sparen dan de man; zij kiest zich misschien ook
26
die hoogere spitsboeverij. En de staat, de zoogenaamde Christelijke staat, helpt dien zin ook nog voeden. Ik bedoel door zijne loterijen, ten voordeele van, — ja, van wat niet: van de schatkist, van de arme heidenen zelfs en de slaven in Afrika, eene anti-slavernij-loterij enz. En wat wonder, als de schrijnwerkersgezel Weize, die het aardig goed heeft, denkt: „Ik neem een lot, ook al kan ik een half jaar lang met vrouw en kinderen geen vleesch eten. Win ik behoorlijk wat, dan behoef ik mijn geheele leven niet meer te werken en ga met mijn gezin, heel fijn gekleed, eiken avond naar de muziekuitvoering. Het is zeker wel een goede zaak. anders zou het geene staatszaak zijn.quot; — Overal het doel zonder den weg!
Welk eene verbittering volgt er nu, als het begeerde doel niet wordt bereikt! En nog grooter is het ongeluk, als het wordt bereikt. Let maar eens op hen, die zonder moeite op deze of gene wijze snel rijk geworden zijn. Den goeden niet te na gesproken, zijn het onaangename menschen. „Wat gij van uwe vadren hebt geërfd, verwerf dat, om het te bezittenquot;, zegt een onzer dichters. Hij eischt, dat men eerst zal verwerven, wat men heeft geërfd, dus reeds bezit. Dit is schijnbaar eene ongerijmdheid. Maar de dichter zegt: Uw bezit is geen waar bezit, het verdient dien naam niet, vóór gij het u hebt waardig gemaakt door trouwen arbeid en een beheer overeenkomstig de ordinantiën Gods. Ach, op alle straten onzer groote steden loopen, rijden en pronken die ongelukkige (gelukkig genoemde) erfgenamen van een groot vermogen, die den dichter niet wilden verstaan en meenden, dat zij reeds iets hadden, ja, dat zij reeds iets waren, omdat zij stoffelijke goederen hadden geërfd.
Niet minder dwaas zijn zij, die meenen het doel reeds bereikt te hebben, wijl zij een grooten of goeden naam hebben geërfd. Wee hunner, die meenen, dat zij aan het doel toe zijn, omdat zij reeds in hunne jeugd met „Doorluchtigequot; of zelfs „Koninklijke
27
Hoogheidquot; betiteld worden! Wee hunner, die meenen, dat hun weg is afgelegd, omdat hun vader een beroemd of in breeden kring geliefd man was! Zij zijn juist verloren, als zij niet met alle energie den langzamen en moeilijken weg willen gaan, waarop zij zich dezen geërfden naam hebben waardig te maken. De hoogste en beroemdste adel is zonder adel, als hij niet wordt gedragen door een adellijken, deemoedigen, dienst-vaardigen geest. Maar tegenwoordig wil ieder als 't ware een rijpe vrucht van den boom plukken, waartoe immers lange en geduldige arbeid en verpleging noodig zijn.
Onlangs zeide een dokter tot mij: „Ge zoudt niet kunnen ge-looven, in welk een afgrond van krankzinnigheid ik dagelijks moet blikken. Menschen, die hunne gezondheid hebben verwoest door een onordelijke, dwaze of zelfs onzedelijke levenswijze gedurende een geheel jaar, of zelfs wel tientallen van jaren, zouden in éen enkelen nacht door snel werkende middelen weer gezond willen worden. Zij bijv. die aan slapeloosheid lijden, eischen opium of dergelijke middelen en meenen, dat zoo hunne ellende in een ommezien geheeld wordt. Zegt men hun, dat zij een streng dieet moeten houden, zich des avonds hebben te wachten voor alle prikkelende gezelligheid en allerlei genoegen, flink moeten werken, vaak baden en zich in de frissche lucht bewegen moeten, en dat het dan langzamerhand beter zal worden, — ja, dan keeren zij zich meesmuilend af.'quot; Zoo is het ook hier dezelfde geschiedenis, — men wil het doel zonder den weg.
Zeer waar zegt echter een fijngevoelig man: „Wie voor den tijd verlangt wat eerst van den tijd te verwachten is, die maakt zich den weg tot het doel moeilijker en het doel zelf ontgaat hem licht geheel.quot;
Kan men zich nu verwonderen, waar het met een en ander aldus geschapen staat, dat ons geslacht geen smaak vindt in het Christendom? Ja, het is waar en blijft eeuwig waar, dat het
28
Evangelie eene kracht is tot zaligheid een iege-lijk, die het gelooft. Voorts is het ook waar, dat alle menschen zonder uitzondering tot het Evangelie zijn geroepen. In zooverre kan men zeggen, dat de weg tot Christus b r e e d is, want hij is breed genoeg en hij is bereid voor allen. Maar in een anderen zin zegt de Heiland: „De poort is eng, de weg is nauw, en weinigen zijn er, die hem bewandelen.quot; Slechts zij, die ernstig worstelen, bereiken den ingang. En meer dan eens vergelijkt de apostel Paulus het Christen-zijn met een wedloop, evenals bij de Grieksche spelen placht gehouden te worden. Daar verwierf slechts h ij het kleinnood, die zijn lichaam kastijdde, die zich vlijtig oefende, die alles afwierp wat hem hinderde en die de gansche kracht van zijn lichaam en van zijne ziel inspande om het doel te bereiken.
Niet anders is het in betrekking tot het verkrijgen van het eeuwige doelwit. „De vrijheid en het hemelrijk gewinnen geene halven.quot; „Zoo gij uw leven niet als inzet geeft, zult gij ook nooit het leven winnen.quot; Dat zijn ware, ernstige woorden, ook al zijn ze niet ontleend aan den Bijbel en ook niet aan het Gezangenboek, maar aan Schillers „Wallenstein.quot;
Maar wie wil thans nog luisteren naar zulke woorden? Wie wil iets weten van strijd tegen zichzelven, van arbeid aan zich-zelven, van zelf- en wereldverloochening ! Het zaligworden zou wel goed zijn, maar het mag niets kosten. De Christen-dichter evenwel zegt: „Te zijn een Christen kostzeervee 1.quot; En Jezus spreekt: „Wie achter mij wil komen, die verloochene zichzelven en neme zijn kruis op en volge mij.quot; Wie zich echter inbeeldt, voor het geval dat er een Heiland en een hemel is, dat hij er dan ook wel meê doorgesleept zal worden, die is even dwaas als de man, die daardoor op den bergtop hoopt te komen, dat hij zich aan den voet van den berg op het vochtige gras neerlegt en inslaapt. Wie den weg niet wil, zal tot het doel nooit geraken.
Of men met of zonder vrouw zal reizen, dat is de vraag, die ons nu gaat bezighouden. En al is het waar, dat deze vraag nu juist de wereld beroert gelijk het sociale vraagstuk, toch vormt zij een deel van dat sociale vraagstuk. En ze neemt ten tijde van den zomer veler hoofd en hart geheel in beslag. „Zal ik alleen reizen of mijne vrouw meenemen?quot; vragen honderden mannen zich af. ,,0f hij mij wel meenemen zal?quot; vragen met kloppende harten duizenden vrouwen.
Op zijn tijd zal dat, wel is waar, gelijk men voorspelt, anders worden. Als het ideaal, dat om een voorbeeld te noemen, de heer August Bebel — in zijn boek „De vrouwquot; — schetst; als, zeg ik, dat ideaal vervuld en verwezenlijkt zal zijn, dan zal het er heel wat anders uitzien. Dan moet de vraag voor 't meerendeel niet meer luiden; „Met of zonder vrouw?quot; maar: „Met of zonder man?quot; Dan is het zoo goed als zeker, dat de vrouw, die thans nog eene „slavinquot; is, volkomen is geëmancipeerd en in alle opzichten even zelfstandig is al de man. Zij verdient evengoed en evenveel als de man; zij heeft haar eigen vermogen, waarover zij naar hartelust beschikt; zij zal in den regel beter sparen dan de man; zij kiest zich misschien ook
30
zelve haar man, en als hij haar niet meer aanstaat, laat zij hem op een vroegen morgen met zijn vermogen of ook wel met zijne schulden zitten. In elk opzicht is de vrouw even zelfstandig als de man; en als zij dat maar eerst is, dan zal de wereld zien, dat zij meer zelfstandig is dan hij. Iets wat alle men-schenkenners begrijpen.
Dat is de rooskleurige tijd van den heer August Bebel en consorten. Voorloopig blijft dit evenwel nog „muziek voor de toekomst.quot; De gouden lentemorgen der volkomen emancipatie is nog niet aangebroken. Nog altijd is „de man het hoofd der vrouw.quot; En al geeft men toe, dat in duizend gevallen de vrouw niet alleen meer hart, maar ook meer hoofd heeft dan de man, — en al leidt ook in duizend maal duizend gevallen het zoogenaamde zwakkere deel het sterkere door talloos vele geheime draden en brengt het daarheen, waarheen men het gebracht wil hebben, — toch beschikt over het algemeen de man nog over de beurs en houdt hij de koorden vast. En helaas, bij het reizen is de beurs eene hoofdzaak.
Wij willen dus, aangezien de „dag der bevrijdingquot; voor-de vrouw nog niet is aangebroken, de vraag „met of ronder?quot; behandelen, niet als eene vraag van macht of recht, maar als een practische en humane vraag. Het gaat dus hierover, wat practischer en verstandiger, heilzamer en humaner is: met of zonder vrouw te reizen.
Wat mij betreft, ik reed bij het begin der reis, waarvan in deze bladzijden sprake is, met een span naar het station. Ik bedoel niet, dat er maar éen paard voor mijn wagentje liep. Neen, in den wagen zat ook maar éen mensch, ik: dus zonder m ij n e v r o u w. Dit was echter tegen mijne totnu-toe gevolgde gewoonte. Principieel reis ik altijd met mijne
31
vrouw. Het is ook volstrekt mijne bedoeling niet, om op mijn ouden dag nog te veranderen van beginselen. Neen, het waren noodzakelijke redenen van onaangenamen aard, die mijn lieve vrouw een anderen weg wezen.
Ik weet niet, of de lezers medelijden met mij hebben of wel mij benijden wegens mijn alleen reizen. De lezeressen zullen wel het eerste doen. En daarin hebben zij ook gelijk; want ieder moet zijn eigen waarde schatten. De 1 e z e r s daarentegen zullen voor het grootste deel wel anders denken. „O gulden vrijheid!quot; zeggen zij; „als men aldus reist. Dan kan men zich vrij bewegen naar hartelust. Al zijne bagage heeft men in een kleinen handkoffer; men vormt en verandert zijne plannen vrij naar lust en luim, naar wind en weer. Men stijgt hier uit en daar weer op, net zooals 't iemand in de hersens komt; men slaat zijne tent even snel op als men ze weer afbreekt.quot; — De vrouw daarentegen, als zij meereist, protesteert en zegt: „Morgen moeten wij daar en daar zijn. Daarheen heb ik de brieven van huis besteld. Ik smacht naar tijding omtrent de kinderen.quot; Ach ja, die brieven, die brieven! Of wel, als men om goede redenen zijn koers wil veranderen, treedt zij in den weg: „Onze koffers zijn daar nog niet!quot; of: „Overmorgen krijgen wij eerst de wasch, die ik gisteren heb laten wegbrengen.quot; Ja, welk eene rol speelt bij eene vrouw de wasch!
„En dan, hoe menigen koenen en dapperen toer kan men maken als de vrouw niet meereist. Zij is daartoe niet instaat. Neemt men ze niet meë, dan vergiet zij tranen in menigte en bederft alzoo iemands genoegen. En neemt men ze meê, dan loopt men gevaar, dat zij 200 meter onder den top van den Parnassus ineenzakt en onder een stroom van tranen uitroept: „Ik kan niet meer!quot; Daar kan men dan zijn maal meê doen! Inplaats van dan daarboven alle schoonheden der wereld te zien kan men beneden blijven zitten, tranen drogen en eau de cologne
32
sprenkelen. — En ten slotte (ik laat nog altijd hen spreken, die het alleen reizen voorstaan,) hoeveel goedkooperis het zonder vrouw. Gij meent, dat het tweemaal zooveel kost, als men zijne vrouw meeneemt ? Dan dwaalt ge zeer! Het kost minstens driemaal zooveel. Men kan geen derde klasse reizen; die barbaarsche koffers kosten een heidengeld, men moet op ieder hobbelig bergpad een paard of een ezel nemen; men moet hotels eersten of op zijn allerminst toch tweeden rang uitkiezen, en dan — wat nog het slimste is — overal, waar zij wat moois zien, willen zij gaan koopen.quot;
Gij arme vrouwen! Hoe zal ik u verdedigen en redden ? Vooraf moet ik als dienaar der waarheid zeggen, dat ik die vrouwen volstrekt niet kan redden, die zoo pedant en kleinzielig, zoo veeleischend en „grootschquot; zijn als die boven werden geteekend; die moeten zich eerst beteren. In het algemeen moet men inderdaad de Duitsche vrouwen aansporen, dat zij zich evenals hun Engelsche zusters, vlijtig oefenen in het m a r-cheeren. Hierin moet men zich reeds evenwel vroeg oefenen, reeds van zijn tweede jaar af. Ik heb in mijn eigen familie ondervonden, dat het alleen op de oefening aankomt, en dan loopen de meisjes tegen den stoersten knaap op. En wat men als meisje geleerd heeft, dat kent men ook als vrouw.
Daarbij moet gij, lieve vrouwen, niet zoo veeleischend, maar bescheiden zijn. Gij moet tusschen de duinen of 4000 voet boven de zee niet het gemak zoeken, waarin gij u tehuis verheugt. Gij moet dus niet duizenderlei dingen en dingetjes meenemen, die men misschien en desnoods eens zou kunnen gebruiken, maar u het paradijs herinneren, waar men niets van dat alles had en toch in het paradijs was. Gij moet dus voor alle dingen geen „groote toilettenquot; maken of u voor
33
iedere mogelijke manier van gezelligheid willen inlichten. Uit deze dolle zucht worden de vele en groote koffers geboren. Dat moet ik eerlijk bekennen, als ik zoo'n monster zie, waarin men desnoods een nijlpaard met al zijn zoontjes en dochtertjes zou kunnen pakken, dan heb ik niet alleen medelijden met de locomotieven , die dit monster moeten voorttrekken, ook niet slechts met de pakjesdragers, die deze arke Noachs moeten rondslee-pen, maar voor alles met den armen echtgenoot, die er zich over ergeren moet en het kan betalen.
Ik sprong dus in wat volgt niet in de bres voor de vrouwen, die zooveel noten op haar zang hebben. Die moeten thuis blijven of, als zij geld hebben, alleen reizen, niet omdat zij vrouwen, maar omdat zij zoo veeleischend zijn.
IV.
Maar gaat het om de echt vrouwelijke, bescheiden en flinke vrouwen, dan raad ik u ernstig aan :Reis met uwe vrouw! Neem haar meê, zoowel om uwent- als om harentwil. En dat wel:
1. Omdat het humaan is. Waarlijk, de man heeft aan ontspanning niet meer behoefte dan zij. Het gansche jaar door komt zij niet uit het gewoel. Misschien heeft de man een zwaarder strijd. Maar de tallooze kleinigheden en verdrietelijkheden des levens zijn als een zwerm muggen, die haar voortdurend omringen en onrust aanjagen. Zij moet zich van 's morgens vroeg tot 's avonds laat kwellen met kinderen, dienstboden en waschvrouwen. lederen morgen, dien God doet komen, vallen, ten spijt van het Evangelie, de vragen: „Wat zullen wij eten? Wat zullen wij drinken? Hoe kan ik al de kousen stoppen? Hoe kan ik hier wat uitsparen en daar wat uitsparen?quot;
3
34
met barbaarschen dwang op haar aan. En als de man na den last en de hitte des daags bij een glas bier zijne pijp aansteekt, dan moet zij nog over Peters gescheurde buis of Frieda's gebroken parapluie gebogen zitten, knoopen aanzetten en rokjes verstellen en lappen. En zulk eene vrouw zou ook niet eene ontspanning behoeven?
2. Neem uwe vrouw meê om ze te vormen. Vaak wordt van de zijde der mannen de klacht vernomen, dat de vrouwen zoo weinig belangstelling koesterenen hen, de mannen, niet weten te volgen in hun „hoogere sfeerenquot;. Ik wil, om niemand te schande te maken, dien verheven mannelijken geesten hier niet vragen, of zij hunnerzijds dan ook in het gewone leven alles doen, om den gezichtseinder van hunne vrouwen te verbreeden. Daaraan hapert het maar al te vaak.
Het lijdt evenwel geen twijfel, dat het gemeenzame reizen de gemakkelijkste en bekoorlijkste gelegenheid aanbiedt tot de vorming en beschaving der vrouw. „Reizen beschaaft.quot; Reizen biedt de beste gelegenheid om de vrouwen eene uitspanning te bezorgen, waarvan men het gansche jaar door voordeel en nut heeft.
3. Neem uwe vrouw meê om weer eens te merken, hoe b e-m i n n e 1 ij k zij is. In het gewone alledaagscbe leven loopt haar menigmaal de gal over. En 't is waar, als men haar eens zoo recht behagelijk wil hebben, dan heeft zij vaak volstrekt geen tijd of gelegenheid, maar is zij geheel en al verloren in kinder-, keuken-, kelder- en linnenkast-aangelegenheden. Brengt gij haar echter in de gouden vrijheid, — o, als men met zijne vrouw op reis gaat, dan is het weer, als ging men op de huwelijksreis, ook dan, als bij de echtelieden de zilverdraad in het haar reeds een beduidende rol speelt — ja, dan leert men elkaêr weer eens goed kennen. Dan krijgen de oogen der vrouw een nieuwen glans en haar spraak erlangt een opgeruim-
35
den toon, en men kan oud en nieuw zoo prettig doorloopen en zich ook eens grondig verdiepen in de karakters der lieve kinderen, die tehuis bleven.
4. Neem haar meê, omdat het niet goed is, dat de man alleen zij: uit egoïsme dus. Wij mannen, inzonderheid zoo wij studeeren, zijn dikwijls zeer verstrooid, onbeholpen en onpractisch. Zoo vergat ik ditmaal in Marburg mijn billet te laten afstempelen, en 't scheelde weinig, of ik was in moeite geraakt. In Bazel zou ik bijna den rechter in handen zijn gevallen, omdat ik zonder te betalen van de avondtafel wegging. Nauwelijks had ik plaats genomen, of ik herinnerde mij, dat mijn rondreisbillet maar tot Bazel reikte en ik een nieuw had moeten koopen. Maar wij stoomden reeds naar Luzern en ik moest boete betalen. In Luzern kreeg ik in een goed hotel toch een ellendige kamer, vlak over de keuken. „Ja,quot; zeide de kellner, toen ik mij hierover beklaagde, „de go ede kamers zijn alle met twee bedden.quot; Had ik dus mijne vrouw maar bij mij gehad! — Den anderen morgen pakte ik mijn tweede paar laarzen uit, want de andere knelden mij, zoodat ik moest hinken. Maar ach, ik pakte er wel twee uit, maar 't was geen paar. Het waren tweemaal de rechter laarzen van mijn tweede en derde paar; de beide linker waren stilletjes in Bremen gebleven. Ik wikkelde dus de twee „rechterquot; in mijn nachthemd en hinkte door de straten van Lucern om een schoenwinkel te zoeken. Ik vond dien en ook laarzen; maar ik moest mijn oude ter verzending naar Bremen en nog 25 francs voor de nieuw gekochte achterlaten. Had ik mijne vrouw meegenomen, dan zou zij ook — wat ik haar nu had verboden — mijne zaken hebben ingepakt en de peperdure domheid was niet voorgekomen. Dit gebeurde alles, omdat mijne vrouw niet bij mij was, en dat nog wel binnen de vier en twintig uur. Wat de volgende vier en twintig dagen nog voor verlegenheden
36
gebracht hebben, zal ik niet uitkramen, om mijzelven niet teveel aan de kaak te stellen.
Maar ook al zou menige man tot mij zeggen: „Jawel, maar zoo dom als gij zijn wij niet;-daarom behoeven wij geene vrouw mee te nemen,quot; dan zal toch ieder eerlijk man, die getrouwd is, toegeven, dat het dikwijls op reis voorkomt, dat hij de vrouw ontbeert en dit gemis hem smartelijk is. Is er een knoop losgegaan, eene kous stuk, een broek door den kellner met vleeschsaus bemerst, — zij weet altijd raad. Verder heeft zij steeds een klein medicament bij eene onpasselijkheid. Past het bed u niet , — zij zal er spoedig verandering in brengen. Met drie, vier grepen, met een weinig verschikken der meubels, maakt zij de kamer prettig, die u eerst vervelend toescheen. Weldra brengt zij veldbloemen op de tafel, smukt den spiegel op met varenkruid, plaatst de portretten der kinderen en de boeken precies waar ze netjes uitkomen, — in éen woord: zij is een ware tooveres!
En heeft men eens eene domheid begaan, een mooie gelegenheid over 't hoofd gezien, een verkeerden weg ingeslagen, een bommeltrein inplaats van den sneltrein genomen enz., — dan wordt de spijt over twee verdeeld of men gaat er eens hartelijk om lachen.
5. Neem haar mee, omdat het goedkooperis. Ik weet, dat deze bewering de heftigste tegenspraak opwekt. „Juist het tegendeel heeft die man bewezen, en onwederlegbaar bewezen, dien gij zooeven liet sprekenquot;, werpt men mij tegen. En inderdaad, als men bloot aan de oogenblikkelijke uitgaven denkt, dan is er ook niet veel tegen te zeggen, ofschoon èene kamer voor twee lang niet zooveel kost als twee kamers voor éen persoon en een wagen voor twee menschen in het minst niet duurder is dan een wagentje voor éen. Ik zou u ook hieraan kunnen herinneren, dat gij, zoo ge met uwe
37
vrouw reist, minder kostbare toeren en andere extravagances maakt. Maar voor alles is het voor uwe gezondheid beter, als zij bij u is. Gezondheid is meer dan geld, en om uwe gezondheid te sterken, geeft gij immers uw geld op de reis uit. Brengt gij dus, omdat uwe vrouw aan uwe zijde is, een betere gezondheid meê thuis, dan hebt gij op de beste wijze gespaard. En het is zoo, zij bevordert uwe gezondheid. Z ij is het, die u afmaant van al te groote inspanning, die u aanspoort tot de gelijkmatige nachtrust; zij werpt u een blik toe, als gij bij het middageten wilt inhakken op de zalm, die gij niet kunt verdragen; z ij waakt voor u, dat gij niet meer drinkt dan noodig is, of als gij de eene sigaar na de andere aansteekt; — „Maar lieve man!quot; Bovenal is het echter haar liefelijke nabijheid zelve, die u welzijn en gezondheid aanbrengt.
Is het geld dus niet toereikend voor een vierweeksche reis met z'n tweeën, reis dan met uw beste vrouw veertien dagen, en het zal u betere diensten bewijzen dan vier weken alleen.
6. Neem uwe vrouw meê, opdat gij geen heimwee krijgt. Ik spreek hier niet van zulke mannen, die ruimer ademhalen, als zij eens bevrijd zijn van het opzicht hunner vrouw. De meeste onzer couranten en humoristische bladen bevatten bij het begin van het reisseizoen meer of minder aardige anec-doten van mannen, die hunne vrouwen wegsturen, opdat deze en zijzelven eens vrij zijn, — vrij zijn om datgene te doen wat het licht niet kan verdragen. Met zulk slag van lieden heb ik hier niets te maken.
Maar is een echt eenigermate zooals hij zijn moet, dan zal het heimwee bij den man, die alleen reist, niet lang uitblijven. Het drukt hem reeds, het komt hem reeds zoo zelfzuchtig voor, dat hij zoo alleen reist en de moeder in bonte verwarring achterlaat. En van die gedruktheid komt hij niet af, aller-
38
minst als hij een biddende man is. En telkens als men iets groots en heerlijks ziet of wat prettigs ontmoet, denkt men: „Kijk, als uw lieve vrouw nu ook hier was, dan zoudt gij u eerst recht verheugen! En als gij in de lange winteravonden ror.d het vuur gezeten, daar nog eens gezellig over kondt praten, dan zou de vreugde altijd nieuw worden. Maar nu —!quot;
En inzonderheid als het regent, hetgeen op reis gewoonlijk dikwijls gebeurt, — hoe geheel anders is het dan, als men met zijn lieve vrouw gezellig kan lezen en praten, inplaats van zich te ergeren en te vervelen. Van zulke gedachten tot het heimwee is geen lange weg. Heimwee is evenwel een scherpe en diepe pijn. Het maakt den hemel donker en de ziel mat. En ik wil gaarne bekennen, dat ik niet maar als het regende, maar ook bij prachtigen zonneschijn en op de mooiste plekjes der aarde (bijv. bij het gezicht op den Matterhorn en den Monte Rosa en tegenover den Morteragletscher) van heimwee naar vrouw en kind bijna ziek ben geworden.
7. Neem uwe vrouw meê, opdat gij niet verwildert. Het is merkwaardig, hoe snel wij, manspersonen, als wij zoo altijd onder ons zijn, een weinig verwilderen, tenminste van buiten: wij veronachtzamen onze kleeding, krijgen hier scheuren en daar vlekken, laten ons bruin branden als mulatten en komen met een huid vol schrammen van onze zomerreis terug. Baard en hoofdhaar maken daarbij een bijkans angstverwekkenden indruk.
Maar nog slimmer is het, dat wij zoo licht in gezelschappen, ik wil nu juist niet zeggen „een beetje ruw wordenquot;, maar toch slechte manieren aannemen. De een komt van zijne vacantie terug en draagt zijn hoed scheef op zijn hoofd; de ander heeft zich aangewend met zijne handen in zijn broek te loopen als een matroos; de derde heeft in het gedurig verkeer met kellners, huisknechts, schippers, ezeldrijvers enz. zoo'n
39
beetje commando-toon aangenomen enz. Men merkt, dat de even zachte als werkzame invloed van zijn lieve vrouw heeft ontbroken. Later kost het haar heel wat moeite om iemand weer geschikt te maken voor de salon. Op reis daarentegen zou een vragende blik, een kleine druk of stoot onder de tafel, of in het allerergste geval een „Maar lieve man!quot; voldoende zijn geweest, om het scheepje voor averij te vrijwaren.
Ik zal het hierbij laten, ofschoon ik inplaats van zeven ook ■wel zeven maal zeven krachtige redenen kon aangevoerd hebben, die alle vermanen: „Neem uwe vrouw mee.quot;
V.
Intusschen heeft het alleenreizen toch éen voordeel. Doch dit komt slechts zeer weinigen ten goede en doet daarom geen afbreuk aan wat tevoren is gezegd. Want het is bekend, dat de uitzondering den regel bevestigt, inplaats van hem te vernietigen. Ik bedoel dit. Wie alleen reist, heeft meer lust, tijd, gelegenheid en aanleiding, ja behoefte, om zich met alle mogelijke menschen in te laten of ze althans te beschouwen en te photografeeren; ik meen daarmee natuurlijk, ze g e e s-t el ijk te photografeeren. Reist men echter met zijne vrouw, dan heeft men aan haar in zeker opzicht reeds genoeg; men wacht zich dan ook, om zich met zulke menschen in te laten, die lichamelijk of geestelijk een stijven indruk maken. Dezen trekken mij, als ik alleen ben, lang niet het minst aan, terwijl ik hen mijd, als mijne vrouw bij mij zit of wandelt, om geene ,scènesquot; te veroorzaken. En zoo was dan ook deze reis naar Zwitserland, waarvan ik nu verhaal, voor mij, die reisportret-ten maak, veel rijker aan voorvallen, omdat ik alleen reisde.
In weerwil van dit alles had ik veel liever mijn lieve vrouw bij mij gehad. En voorzoover ik weet, zijn er zeer wei-
40
nig menschen, die „reisportretten schrijven. Veel knappe en geleerde menschen zeggen ook wel tot mij: „Gij zoudt ook beter doen met de uwe in de prullemand te gooien.quot;
Nu, dat genoegen zal ik hun niet doen, maar zoo aanstonds zal ik verder vertellen. Maar wat ik zeg, is dit: „Om uwszelfs-wil en om den wille uwer vrouw — neem haar mee, als gij ergens naar toe gaat.quot;
En nu, gij lieve vrouwen, die dit leest: Wat schenkt gij mij ervoor, dat ik dit heb geschreven?
Ieder mensch maakt onder de vroeger onbekende menschen, die hij nu voor het eerst ontmoet, een zekeren indruk. Ik zeg niet, dat ieder een indruk wil maken; ofschoon de meesten er maar al te zeer op uit zijn om een indruk te maken, al is het dan ook maar met een schitterende uniform of anders met opzichtige toiletten of met welverzorgde witte vingernagels, die er uitzien als de klauwen van een adelaar en door moeten gaan voor een teeken van voornaamheid, of met hun werke-lyke of vermeende schoonheid, of daardoor, dat zij met een krassende stem roepen: „Kellner, een flesch sek!quot;
Maar om het even of men een indruk maken wil of niet, — steeds als men in een flink bezette spoorwegcoupé of in eene omnibus plaats neemt, of als men komt aan eene tafel in een of ander logement, waar de menschen reeds aanzitten, — men maakt een indruk, een goeden of een slechten, een grootschen of een onbeduidenden. Ook dan, als men zegt; „Die en die heeft in quot;t geheel geen indruk op mij gemaakt,quot; is het alleen een onjuiste wijze van uitdrukking en moest men eigenlijk zeggen: „Die en die heeft den indruk van een onbeduidend of ongevoelig mensch op mij gemaakt.quot; Het kan echter ook
42
gebeuren, dat hij, die zoo oordeelt, zelf een prul is, op wien niets indruk maakt, een nietszeggend mensch, over wien men niets zeggen kan, en die zelf ook over niets wat kan zeggen.
Doch ik dwaal af. Het staat dus vast, dat er een stille of fluisterende criliek over iemand geveld wordt, zoodra hij in een onbekenden kring treedt. Men heeft dan het gevoel, alsof men getaxeerd wordt. En ik beweer daarbij, dat er geen mensch is, (of het moest een menschenhater of een onmensch zijn), wien het om het even is, welken indruk hij op de menschen maakt. Daarvan toch hangt het af, hoe zij hem opnemen en bejegenen, of ook vermijden en mishandelen.
Men kan alzoo een goeden, een slechten, een imponeerenden, een afstootenden, een aantrekkelijken, een geestigen en ik weet niet welk een indruk nog al meer maken. Wat mijn geringen persoon betreft, heb ik, helaas, nog nooit gemerkt, dat ik een voornamen indruk had gemaakt, om van v o r s t e 1 ij k niet eens te spreken, hoewel ik, om eerlijk te zijn, ook nadat ik vele vorsten van nabij heb gezien, nog altijd niet recht weet waarin de vorstelijkheid der vorsten — die hen van eenvoudige, gewone menschen onderscheidt — bestaat. Neen, men heeft mij niet eens voor een b a r o n gehouden, ofschoon men beweert, dat van den baron af naar boven eerst „de menscheen aanvang neemt.quot; Allerminst heb ik de indruk gewekt van een kerkvorst te zijn. En als ik mijn portret hier bij kon voegen, dan zouden mijne lezers dat ook wel begrijpen.
Daarentegen heb ik vrienden — j a, als d i e in een gezelschap ,komen, dat hun vreemd is, dan houdt alles op met spreken. Men kijkt alleen nog, men werpt elkander wederkeerig vragende blikken toe en fluistert geheimzinnig, „wie wel die nieuwe gast mag zijn.quot; En ieder wacht tot het hem behaagt, zijne lippen te openen. Neen, zulk een voornamen of doodenden indruk maak ik niet. Men neemt in den regel weinig notitie van mij, als ik
43
mij laat zien. Men houdt mij ook niet voor een „geestelijkequot; — wat mij, om dit terloops op te merken, zeer aangenaam is. Want duizenden leggen, als zij bij een dominéé zitten, de gedachten huns harten aan een keten en snoeren hunne lippen toe. Ik heb echter gaarne, dat de menschen praten en wel datgene wat zij denken. Al hebben dan ook velen mijner ambtsbroeders medelijden met mij, omdat ik er zoo weinig geestelijk uitzie, ik kan 't in elk geval niet veranderen: God heeft mij zoo geschapen. En zie ik er dan niet geestelijk uit, ik hoop het toch eenigszins te z ij n, en ik heb ook ondervonden, dat de besten in mijn omgeving het spoedig merken. Want iets gunstiger wordt het .oordeel der menschen om mij heen, als ik mijn mond opendoe. Een zekere gave om met den een of ander, onverschillig of hij eene Excellentie of een schippersknecht is, een gesprek aan te knoopen, heeft mij de goede God niet onthouden. Wat evenwel bijzonder dikwijls de harten voor mij ontsluit, en wel tegen al mijne verdienste en waardigheid in, dat zullen de lezers zien in wat volgt.
Welken indruk men maakt, is voor iemand natuurlijk van het meeste belang, als men, gelijk ditmaal met mij het geval was, zonder vrouw en kinderen, vrienden en bekenden reist en voorts komt op eene plaats, waar men geen sterveling kent. Er zijn wel menschen, die het een voorrecht achten, dat men eens heelemaal alleen kan zijn. En ook ik ben gaarne enkele uren 's daags geheel alleen. Maar ik moet ook menschen hebben. In de „Bruid van Messinaquot; lezen wij:
„De wereld is slechts daar volkomen,
Waar nog geen mensch mei zijne kwaal kon komen.quot;
44
Ik zeg in weerwil van Schiller: De wereld met al hare schoonheid kan een gezond menschenhart op den duur niet bevredigen, als het geene menschen vindt, die het liefhebben en wien het liefde bewijzen kan.
In Engelberg evenwel, waarheen ik wilde reizen en waar ik tien dagen dacht te blijven, was niemand, voorzoover ik wist, die mij genegen was. Toch wilde ik er heen. Reeds sedert vele jaren was dit vijfduizend voet hoog gelegen Alpendal, dat naar drie kaii»en heen door sneeuwbergen is omgeven, het doel van mijn verlangen geweest. En ditmaal zette ik mijn wil door, hetgeen mij nooit berouwd heeft.
De zaak liet zich evenwel slecht aanzien. Wel voer ik nog: bij heerlijk weder van Luzern naar Stansstad over het Vier-woudstedenmeer. Maar nauwelijks hadden wij de stoomboot verlaten, of de wolken pakten zich samen op bedenkelijke wijze. Ik kreeg in den postwagen mijne plaats in de zoogenaamde coupé. Dit is een glazen kast onder den hoogen koetsierbok. Een Engelsche dame deelde met mij deze ruimte. Men kon niet zeggen dat die dame jong was, want ik wed, dat zij de vier kruisjes wel was gepasseerd. Zij moest opzicht houden over drie Londensche meisjes, die boven op het „banketquot; waren gaan zitten. Zij waren zoo blij als musschen, omdat de dame bovenop geene plaats meer had kunnen vinden. Hun lustig lachen drong dikwijls naar beneden tot onze ooren door.
Mijne reisgezellin scheen er minder tevreden over te zijn, dat zij zich in deze enge afgesloten ruimte met m ij moest behelpen. Zij behoefde werkelijk niet bang te zijn. Zij was door de natuur zoo veronachtzaamd, dat zij ook van den licht-zinnigsten en meest gewetenlooze lichtmis niets te vreezen had. Daar zij zich echter angstig in een hoekje drukte, was ik zoo barmhartig om haar te zeggen, dat ik een , reverendquot; was. Dit woord heeft bij Engelsche dames altijd een wondere uit-
45
■werking. ,0, is u dominéé, laat mij u mogen groeten!quot; antwoordde zij. Uit dit antwoord bleek mij, dat zij eenigermate Duitsch verstond, wat vervolgens ook nog verder duidelijk werd. Zij was nu zeer vertrouwelijk en liet zich gaarne helpen, toen zij haar overtolligen mantel afdeed en haar tallooze zaken bezorgde.
De rit ging allereerst naar Stans. Maar wat ging dat mijne Engelsche dame aan, wat er onderweg te zien was? Zij las voortdurend in een roman en keek slechts hier en daar eens in haar „Badekerquot;, maar nooit naar buiten in Gods vrije natuur. In Stans hield de wagen stil om aan de reizigers tijd te gunnen het heerlijke Winkelried-gedenkteeken te zien. Ik vroeg haar, of zij ook gebruik wilde maken van deze gunst. Zij antwoordde droogjesweg: „Ik heb het in mijn „Badekerquot; gezien.quot; Maar de jonge meisjes klouterden vlug als gemzen van hun „banketquot; naar beneden en huppelden naar het schoone marmeren beeld. Iets later kon men een waterval zien, die na den langen regentijd, welke wij gehad hadden, zeer grootsch was. Toen ik mijne medereizigers daarop opmerkzaam maakte, antwoordde zij, met een vriendelijk dankje: rEr zijn nog grooterc dan deze!quot; en zij las verder in haar roman, terwijl van het „banketquot; een driestemmig, vroolijk „beautifulquot; weerklonk. Het was mij zeer onaangenaam, met zoo'n dood mensch in een kleine ruimte opgesloten te zijn. En wijl de straat steil opliep en de wagen als een slak zoo langzaam naar boven kroop, gaf ik er de voorkeur aan om te wandelen. Een jonge medicus, die het schrikkelijke spoorwegongeluk in Mönchenstein bij Bazel meê beleefd had, sloot zich bij mij aan en vérhaalde mij dingen, die de haren te berge deden rijzen.
Maar de lezers zullen mij vragen, waarom ik hun niets vertel van de grootsche natuur, die mij nu toch omgaf. Het antwoord is spoedig gegeven. Van den Titlis af hadden zich
46
onheilspellende wolken over het geheele landschap verbreid en spoedig begon het te druppelen en daarop in stroornen te regenen Daardoor moesten wij, mijn medicus in spe en ik, onze gouden vrijheid vaarwel zeggen en weder in de gevangenis van den wagen vluchten. „Ik wist, dat u terug zoudt komen,quot; zeide de Engelsche dame, die zich daarmeê blijkbaar eene profetes wou betoonen. Maar zij was zeer dankbaar, toen ik haar eenige alpenbloemen overhandigde, welke ik aan den weg had geplukt.
Eindelijk kregen wij Engelberg in 't gezicht. Ik dacht aan de woorden van mijn geestigen gids, die mij vóór tien jaren bij een verschrikkelijken sneeuwstorm over den Pasterzenglet-scher voerde: „Waarde heer, hier is het prachtigste gezicht van heel de wereld, als men maar zien kan. Maar vandaag kan men volstrekt niets zien, zooals u ziet.quot; In Engelberg was 't niet beter, o, Hoe heerlijk had ik het mij voorgesteld, den Titlis en zijne gezellen in het purperlicht van den avond te zien vlammen, als ik mijn intocht deed in hel Engelberger dal. Maar hoewel het avond was, er was geen avondlicht. Als dichte zakken lagen de aschgrauwe wolken over de trotsche bergen en de straten stonden tengevolge van den stroomenden regen zoo vol water, dat de eenden er hadden kunnen zwemmen. Daarenboven voorspelde ieder, dat er nog heel andere onweders zouden volgen. De zomerreizigers, die uit alle vensters keken, hadden blijkbaar medelijden met zichzelven en met ons, die aankwamen. Ja, het scheen, als was Engelberg door de engelen verlaten.
In het logement (hotel Müller), waar ik mij had aangemeld, kreeg ik al dadelijk slecht bescheid. Er was nog slechts éen
47
ellendig kamertje onbezet, dat bovendien elk uitzicht op de bergen miste.
Ik stond met mijn handkoffer reeds weder in de huisdeur, toen de waardin mij eenigszins verlegen vroeg, of ik misschien zin had om in het Kloosterhof te wonen; de oude smederij van het klooster was voor dit seizoen aan uitstekende menschen verpacht, en ik kon dan in het hotel mijn eten en drinken krijgen.
Het Kloosterhof trok mij aan; ik ging dadelijk de woning bezien. Zij lag honderd passen van het. hotel, vlak tegenover de ingangspoort van het eerwaardig, achthonderd jaar oude Benedictijnerklooster. De menschen, die hier huisden, eene weduwe met hare dochter Verene, vrome, diep ernstige Roomschen, bevielen mij bijzonder; het uitzicht moest kostelijk zijn, als het maar mooi weer was; kortom, ik vermoedde, dat ik hier veel schoons zou genieten.
Spoedig waren wij het eens over den prijs. Het behendige meisje hielp mij mijn eerste schikkingen treffen en zette een tehuis. Maar nu de menschen? Ik hongerde naar sympa-thetische menschen. Sedert mijn afscheid van Marburg had ik in geen oog geblikt, waarin liefde tot mij woonde. Mijn eerste gebed in mijn nieuw kloosterlijk tehuis was: „o Heere, mijn God, help mij, dat ik menschen moge vinden.quot;
Daar luidde het klokje van het hotel, dat naar het avondeten riep. Ik ging er heen met bijkans kloppend hart. De eetzaal was dicht bezet. Zoowat vijftig personen zaten aan twee lange tafels. Een enkele oogopslag leerde mij, dat noch de kinderen Israels, noch Albions zonen hier eene rol speelden. En dit verheugde mij. Ik ben wel is waar geen anti-Semiet, zelfs heb ik warme vriendschap met sommige Joden, maar zooals de meesten zijn, houd ik hen liefst op eenigen afstand. En de Engelschen? Het is geene grootspraak, als ik zeg,
48
dat ik met de Engelsche natie dweep. Maar Engelschen op reis, de goeden niet te na gesproken, zijn tegen onbekenden meestal zoo stom en stijf als marmerbeelden. Nu zijn marmerbeelden zeker goed. Maar als menschen gelijk marmer zijn, dan zijn ze onmenschelijk. Doch in het hotel Muller hoorde ik, terwijl ik een oogenblik het gezelschap gadesloeg, slechts Duitsch en Zwitsers-Duitsch spreken. Tot mijne vreugde zag ik ook eenige kinderen in den kring. En wat mij nog meer verheugde was, dat men mij mijne plaats d aar aanwees, waar mij drie lus'ige gezichten van kleine meisjes tegenlachten.
Weldra stond de onvermijdelijke, oneindig lange Zwitsersche soep voor ons, waar niets in zit. Ik gevoelde, dat de critiek mijner tafelburen zich op hetzelfde oogenblik, dat ik groette en mij zette, met mij bezighield. Ik gevoelde, dat aller blik op mij rustte. En zeker strekte het in de oogen der Zuidduitschers en Zwitsers, die mij omgaven, niet tot mijne aanbeveling, dat ik de soep wegschoof. In de pauze tot den „eersten gangquot; praatte ik met mij aardig twaalfjarig buurmeisje rechts, die Geertruida heette, en met twee hoogst aanvallige meisjes, die tegenover mij zaten, Ina en Frieda, die op den leeftijd van mijne twee oudste thuis (twintig en achttien) waren.
Spoedig hadden wij een zeer opgewekt onderhoud. Toen ik evenwel zag, dat de beide moeders der kinderen vragende en bijna bezorgde blikken op hunne lievelingen wierpen, stelde ik mij zonder veel omslag voor: „Ds. Funcke.quot; En nu merkte ik, hoe goed de lieve God voor mij had gezorgd. ,Ds. Funcke uit Bremen —?quot; weerklonk het rondom mij. Deze vraag werd gedaan in verschillende tonen en toonaarden, maar in alles was een warme beweging, Zij sprongen op en schudden hartelijk mijne hand. Al deze onbekende menschen kenden mij en hadden mij lief. Op den IQquot;5011 Augustus zegende ik den dag, waarop ik was begonnen boeken te schrijven, den dag, die mij
49
reeds dikwijls om goede redenen een ongeluksdag had geschenen. o Welk een stroom van haat, nijd en verachting is ook over mij heen gevloeid, ter wille van diezelfde boeken!
De lezers zullen mij, naar ik hoop, gunnen, dat ik daar eens menschen aantrof, die mijne boeken waardeerden. Het was wel wonderlijk, dat alle vrienden mijner boeken in Engelberg aan dit gedeelte der tafel waren saamgedrongen. Want in die dagen heb ik geen overlast of verkwikking meer gehad van andere „vereerders.quot; God de Heere had allen, die met mij éen waren, op een hoop saamgepakt, juist daar, waar mijn plaatsje was. God zegene u allen, gij lieve menschen, die nu vele dagen lang mijne tafel- en tochtgenooten zijt geweest! Ook op gevaar af, dat men mij voor hoogmoedig uitmaakt, wil ik zeggen, dat het gelijk hier ook elders meest zeer nette lieden waren, die vrienden van mijne boeken bleken te zijn. Ik bedoel natuurlijk niet, dat zij door het lezen mijner boeken net zijn geworden, maar dat zij lezers van mijne boeken zijn geworden, wijl zij vroeger reeds zoo net waren.
Een der heeren nam nu op zich, om het gezelschap voor te stellen: „Ik ben Welgemoed uit St. Windeck, fabrikant van kantwerk, en dat is mijn betere helft; en die twee meisjes heeten Lili en Lotti en zijn mijne dochters.quot; Zij waren elf en acht jaar oud, die lieve kinderen. Weldra zaten zij op mijn knie en wij hebben wederkeerig elkanders hart gestolen. Of mevrouw Welgemoed werkelijk de betere helft in den echt was, waag ik niet te beslissen. Ik wil geen der beide echtelieden te na komen. Mijnheer Welgemoed voerde zijn naam met recht; een ongestoorde opgeruimdheid bezielde hem en zij verliet hem niet, ook al regende het tien uur lang „bindgaren.quot; Deze opgeruimdheid hield echter zoo goed stand, omdat zij uit een hoogere bron ontsproot. Van mevrouw Welgemoed wil ik niet veel zeggen, om haar niet te vertoornen.
4
50
Maar God geve allen mannen zulk eene vrouw, allen kinderen zulk eene moeder! Altijd was de hemel voor haar open; maar ook voor al het schoone en groote op aarde was haar hart en oog wijd geopend.
Verder stelde de heer Welgemoed voor: „Deze hier is Mijnheer Ernstiggezind, ook uit St. Windeck, mijn zeer lieve vriend en concurrent, dus ook fabrikant van kantwerk.quot; In tegenstelling met zijn vriend en concurrent Welgemoed was hij — in den besten zin des woords — min of meer mystiek aangelegd, wat mij zeer aantrok. Ja, op zijn voorhoofd kon een zeker wolkje van zwaarmoedigheid komen. Geen wonder, want hij was nog jong gezel, eene fout, die hij bij zijne drie en dertig jaren nog verbeteren kan en misschien, als dit gedrukt is, reeds verbeterd heeft. De beide industrieele heeren hadden echter reeds daardoor mijn hart gewonnen, dat zij concurrenten en toch vrienden waren, en nog meer daardoor, dat zij met warme liefde over hunne arbeiders spraken. Zij antwoordden mij alleen met een schelmsch glimlachen, toen ik hun vroeg, of zij ook in hunnen arbeiderskring met de sociaal-democratie hadden te maken.
Voorts werd mij voorgesteld: „Mevrouw Dr. Zedenfijn uit Rheineck en daar, tegenover haar, hare beide dochters, de dames Ina en Frieda, „die u, naar 't mij toeschijnt, reeds beter kent dan ik.quot; Mevrouw Zedenfijn bleef dien avond en ook later mijne buurvrouw aan mijne linkerhand. Zij geleek wonderveel op eene dame uit Bremen, die ik reeds langen tijd zeer liefheb, en daarom was zij mij reeds na een kwartier als eene vriendin. Zij was niet maar toevallig de vrouw van een man, die ervaren was in de natuurwetenschappen; zij had ook zelve een fijn orgaan voor Gods heerlijkheid in de natuur. Zij woonde evenals de anderen, die ik genoemd heb, in Zwitserland, maar van geboorte en naar den aanleg van haren geest was zij eene Duitsche. Over hare dochters sprak ik reeds, en ik voeg er
51
slechts bij, dat het „Hoe langer hoe lieverquot; bij haar van toepassing was, wat lang niet bij alle jonge meisjes het geval is, allerminst bij haar, die schoon zijn. De moeder van mijn klein burinnetje rechts was de vrouw van zekeren bouwmeester — nu, hoe zal ik haar noemen? Laat ons zeggen; Germania, want zij zag er precies zoo uit als de Germania bovenop het Niederwald en had een vroolijk en trouw Duitsch gemoed. Tegenover haar zat een zekere Mijnheer Jansen, een Nederlander, die als hooggeplaatst ambtenaar in Batavia zijne gezondheid en zijn lieve vrouw verloren had. Hij zag er juist uit als iemand, voor wien het heimweeklokje dag en nacht geluid wordt. Ik vermoed, dat hij thans reeds zal zijn heengegaan naar het Vaderhuis hierboven, dat hij gelukkig kende. Zijn beide dochters waren iets opgeruimder, doch werden sterk beschaduwd door den zwaar-moedigen vader. Eindelijk volgde een lieve jonkvrouw uit Kopenhagen, Mejuffrouw Hansen, die mij, den Duitscher, in weerwil der annexatie van Sleeswijk-Holstein, een warmen handdruk gaf en daarbij zeide, dat zij deze mijne hand reeds dikwijls in den geest gedrukt had. Tot ons gezelschap (indien dan ook al niet tot onze tafelronde) behoorde eindelijk nog een specialiteit in oogziekten, Dr. Scherpblik, die zich verstandig genoeg door onzen Heere Christus de oogen had laten openen. Hij had twee uitnemende zoons van achttien en vijftien jaar bij zich, gymnasiasten, die niet bloosden, maar iemand beteekenisvol de hand reikten, als men hun vermaande: „Vliedt de begeerlijkheden der jongheid.quot;
Was dat niet een fijn gezelschap? En al deze menschen omgaven mij met onverdiende en roerende liefde en lieten mij toch ook weder met fijnen tact mijn weg gaan, als ik alleen wilde zijn.
o, Hoe bang was ik in het hotel Muller binnengekomen en hoe rijk en gelukkig was ik, toen ik er uitging! Wel waren
52
mijn nieuwe vrienden, wat een religieus standpunt betreft, volstrekt niet gelijkgezind. Hun catechismus en hunne dogmatiek was zeer verschillend. Er waren er, die nog zochten, en er waren er, die reeds gevonden hadden. Maar in allen woonde een heilige geestdrift voor den Schoonste der menschenkinde-ren. En dat is een goed fondament voor de gemeenschapsoefening. Allen in onzen kring waren menschen, die gaven en namen, en ieder meende, dat hij van de anderen het meeste ontving.
Zoo was het reeds den eersten avond, toen wij na afloop van het maal nog lang in het daghelder electrisch licht met elkander een luchtje gingen scheppen. Overgelukkig ging ik door de kloosterpoort naar mijn kamertje. Mijn verlangen om na den slechten nacht in Luzern eens ongestoord te slapen, werd wel is waar niet bevredigd. Achter de deur, waartegen mijn bed stond, was een zwaarlijvige dame gelogeerd, die gelukkig den anderen dag verder reisde. Ik zeg: gelukkig; want eer ik, arme, kon inslapen, begon zij zóo te snorken, dat ik een olifantshuid over mijne ooren had moeten trekken, als ik mij aan deze muziek had willen onttrekken. En toen zij mij eindelijk rust gunde, begonnen de kloosterklokken te luiden en riepen de monniken naar de eerste vroegmis. Ja, deze klokken hadden een heerlijk geluid, dat zeker tot op den Titlis doordringt. Maar toch zou ik den eerwaarden abt Anselmus zeer dankbaar geweest zijn, als hij ze inplaats van om half vier, half vijf en vijf uur een paar uur later had doen klingelen. Zij waren te dicht bij mij en te krachtig, dan dat ik ze had kunnen weerstaan.
Zoe moest ik dan ook hier weder ervaren, dat geene reis zonder ongemak is. Maar de slapelooze nacht was spoedig vergeten. toen ik des morgens te zes ure mijn venster openstiet. Hoe juichte mijn hart bij den aanblik van die sneeuwbergen,
53
waarop de zon haar stralen schoot. Ja, nu kregen mijne vrienden gelijk, die mij het Engelberger dal met geestdrift hadden geroemd als een paradijs. — Wel bleef ons de lieve zon niet altijd getrouw.
Maar wij, mijn nieuwe vrienden en ik, hebben toch samen heerlijke wegen gemaakt. Daarbij ontbrak het niet aan zang en lied. Toen weerklonk ook vaak het „Zwitsersche heimwee-liedquot;, waarbij mijnheer Welgemoed als voorzanger fungeerde.
De lezers kennen het immers ? Het heeft een oorspronkelijke, krachtige en warme melodie en begint aldus:
„In 'thart van eiken Zwitser leeft Een onuitspreeklijk sterk verlangen ;
Het is geen smart, 't is ook geen vreugd,
Toch blijft in 't oog een traantje hangen!
Zeg toch, wat dat beduiden moet.
Dat weenen en dat sterk verlangen!
Dat weet mijn lieve Zwitser goed
Zijn oog is nat, vol zijn gemoed.quot;
Ik zou gemakkelijk in de verzoeking kunnen komen om van onze vroolijke tochtjes verder melding te maken. Ik kan vertellen van den grootschen Latschbeekwaterval en van de afgrijselijke rots aan het „einde der wereldquot;, van de prettige uitstapjes naar Oberschwand en Unterschwand, voor alles van den Spitzenköpfli, waar men rechtstreeks in het binnenste van den Titlis kijkt en den donder zijner lawinen verneemt. Maar waartoe dat ? Hen, die er nog nooit geweest zijn, zou ik maar doen watertanden; en zij, die er wel zijn geweest, zouden vinden, dat er veel betere schilders van natuurschoonheden zijn. Dus dit laten wij. Mijn doel is bovendien ook niet van de streek, maar van de menschen te vertellen.
Maar zóo kostelijk en machtig was de indruk van het landschap in de Alpen, dat de min of meer roestige snaren mijner harp bewogen werden. Zoo ontstond het volgende lied, dat
54
geene aanspraak kan maken op volledigheid, maar toch openbaart, hoe ik in Engelberg temoede was.
Vooraf zij opgemerkt, dat het „Engelgezangquot;, waarvan in het vervolg wordt gesproken, geacht moet worden te hebben weerklonken van den berg, dien men „de haanquot; noemt. Ik veroorloofde mij op dichterlijke gronden de engelen van den Tit-1 i s af te laten zingen en spelen. — De ridder, van wien hier melding gemaakt wordt, heet Conrad van Solders-buren. Hij kwam uit St. Blasien in het Zwartewoud anno 1121. De rest is vanzelf te begrijpen.
HET ENGELGEZANG IN ENGELBERG.
Voor achtmaal honderd jaren Leefde eens een ridderman,
Die reisde naar den Titlis;
Een kloosterbouw, dat was zijn plan.
En toen hij was gekomen In 't woeste, wilde dal.
Toen glinsterde de Titlis,
Een zonnestraaltje kuste 't al.
En hoor! van Titlis' toppen Weerklinkt der eng'len lied!
Zie, hoe verrukt van vreugde De ridder God zijn hulde biedt.
Lang luistert hij, neerknielend Op Titlis' harden grond.
Dan opent, nader ruisehend.
De seraf hem èn hart èn mond.
„Hier (zwoer bij), „God ter eere,
Kies ik mijns kloosters grond.
En E n g 1 e n b e r g zal 't heeten;
Hier groette mij der eng'len mond.quot;
55
Men zegt: „Dat is maar legende, Een wezenloos gedicht;
Geen engel spreekt tot menschen, (Zoo klaagt men dan) dus 't is verdicht.quot;
Toch kan ik 't zelf getuigen — Ten spijt van 's werelds hoon —
Ik heb ze hooren zingen,
Ikzelf beluisterde hun toon.
Nog was het alom donker.
De rust was ongestoord.
Daar ruiseht bij 't morgenkrieken Het eng'lenheir uit 's hemels oord.
Het „Heilig! heilig, heilig!quot;
Klinkt krachtig en verheugd,
En van de zoete akkoorden Verstomt der aarde smart en vreugd.
Toen drong ik met mijn blikken Door gansch die englenrij;
In biddende verrukking Sloeg mij het hart zoo ruim, zoo vrij.
Toen bij het rood der zonne Des gletschers witte krans,
Der rotsen hoogste toppen Zich baadden in den purperglans;
En toen het kloosterklokje Door 't liefelijk geklank
Met hemelzoet gejubel Kwam nooden tot een stillen dank;
Toen zag ik in een nevel Van wierook 's Heeren troon.
Omringd door de verlosten.
Die reeds verwierven 's hemels loon;
56
Toen zag ik in de verte Een paradijs-gezicht;
'k Zag kristallijnen stroomen, Een tempel vol van 't eeuwig licht!
Ja, wie, ook nu nog, nimmer
In 't Engelberger oord Des hemels klanken hoorde,
Dien trof nog nooit des Heeren woord.
Uit verre, verre landen Groet ik het stille dal.
Waar boven zon en sterren Mij droeg der eng'len juichgeschal.
1. IN HET KLOOSTER.
„Land en liedenquot; is mijn oud-Frankisch reisparool. Bij goed weder behoor ik aan het land, waar ik reis, bij „slechtquot; weder aan de lieden van dat land. Regenachtig weder brengt allerlei zegen, als men het maar weet uit te koopen. Het gaat maar om oefening en geduld en lijdzaamheid. Zulk eene oefening is wel is waar geen gemakkelijke, maar een buitengewoon heilzame arbeid. En het komt iemand, als hij later weer in hef dagelijksche leven met zijne duizenden moeilijkheden en bekommernissen is teruggekeerd, meer ten goede dan de schoonste vergezichten en bergreizen. Regenachtig weder brengt er ons toe, om weer eens behoorlijk iets te gaan lezen en een flinken brief naar huis te schrijven. Daarenboven (en dit is niet het geringste voordeel) moet het daartoe dienen, dat men zijne aandacht wijdt aan de menschen, die zich rondom ons bevinden. Daarmeê bedoel ik niet in de eerste plaats de mannelijke en vrouwelijke collega's onder onze medereizigers. Dat is het „voornaam gezelschapquot;, dat men, tenminste als men in een groote stad woont, thuis precies zoo kan aantreffen. Dit gezelschap is bij regenachtig weder in den regel onuitstaanbaar, gemelijk en vervelend, en daarmeê bewijst het alleen, dat het
58
noch goeden humor noch geloof bezit, dat is: geloof aan het bestuur van God, of liever, wijl het geen geloof heeft, bezit het ook geen humor.
Mij komt het raadzaam voor, dat men de lieden van het land, het mogen dan veldarbeiders of mijnwerkers, kolenbranders of schippers zijn, leere kennen en ze ook in hunne buizen of hutten opzoeke. Natuurlijk niet als „ aanzienlijk heerquot; en „welgeboren mevrouwquot;, die door hun komen in die stulpen een bijzondere nederbuigendheid willen bewijzen. Neen, wie zich eerst nederbuigen moet, die blijve maar op zijn vermeende hoogte staan. Kom als broeder en als zuster, of blijf weg!
Doch ter zake. In Engelberg ontbrak het niet aan regenachtige dagen, en ik heb mij deze te nutte gemaakt, om voeling te krijgen met de lieve bewoners van Unterwald. Dit heeft mij niet berouwd. Nu was mijn poëtische woning in het Kloosterhof — waarheen God mij zonder eenig toedoen mijnerzijds gebracht had — zóo gelegen, dat ik maar aan het venster behoefde te gaan staan, om met verleden en heden, met lang gestorven en met nog levende menschen in aanraking te komen. Immers, rechts naast mij lag het reusachtige Benedictijner klooster. De paters in hun zwarte pijen gingen daar met ernstig gelaat in en uit; de leekebroeders haalden in den moestuin onder mijn venster selderij en dergelijke en brachten het naar den kok. Dikwijls rookten zij daarbij sigaren van niet te noemen kwaliteit ; maar tot mijn troost rookten deze vrome mannen toch ook. De abt Anselmus, een man van kolossale afmetingen, liep dikwijls met zijn vertrouwdsten voor het front van het klooster op en neer. Op levendige wijze spraken zij dan met elkander, óf over de op een wagenrad gelijkende kazen, die in de stallen van het klooster lagen, óf over de terugroeping der Jezuïeten, óf over de eerstdaags te verwachten nieuwe openbaringen uit Rome, óf over het lot zijner tallooze peetkinderen
59
(want hij werd als abt bij elk kind, dat werd geboren, tot peet gevraagd), — dat weet ik niet, want uit beginsel luister ik nooit iets af. Het zingen der monniken drong tot in mijn kamer door vaak reeds gelijktijdig met het eerste hanengekraai. Dikwijls klonk het ernstig en somber, bijkans als een graflied ; dan weer waren het luide jubeltonen.
Mij werd ook de gunst betoond, dat ik het klooster mocht bezoeken. Dit wordt niet ieder vergund. Men moet zich schriftelijk wenden tot den abt, die nog steeds „de genadige heerquot; heet, en toonen een „man van beschaving'quot; te zijn, iemand, bij wien het de moeite loont, dat een van de geleerde broeders een uur aan hem besteedt.
Daar ik geen knecht tot mijne beschikking had, was ik mijn eigen postbode. Om twaalf uur 's middags schelde ik aan de kloosterpoort aan, met mijn verzoekschrift aan „den genadigen heerquot; in mijne hand. Driemaal vergeefs. Eindelijk kwam er een kauwende leekebroeder, die mij met een hoogrood gezicht toeriep; „Maar weet ge dan niet, dat de broeders nu eten ? Hij achtte het blijkbaar een groot vergrijp, dat ik hem stoorde. Nu ja, wie geene vrouw en kinderen heeft en van al het schoone en lieve in de wereld zoo weinig geniet, mag ook wel wat meer gewicht op eten en drinken leggen dan anders geschiedt. Het zou mij anders in Bremen slecht opbreken, als ik de menschen, die mij opzoeken, terwijl ik eet, zoo kwalijk liet vertrekken. Hoe het zij, ik herhaalde mijne boodschap en werd nu des te vriendelijker ontvangen en op des namiddags drie uur besteld. Natuurlijk was ik stipt op het bepaalde uur aanwezig; en het gelukte mij, de heeren Welgemoed en Scherpblik meê naar binnen te smokkelen.
De leekebroeder bracht ons naar een nog jeugdigen, maar zeer geleerden pater, die een Zwaab van geboorte en dus beminnelijk van natuur was. Spraakzaam was hij wel is waar
60
niet en buitendien ook bovenmate voorzichtig. Hij vergunde ons niet een eenige der cellen binnen te treden of ook maar er in te kijken. Waarom niet, dat moet hijzelf weten. Maar de schatten van de bibliotheek, de kerk en de sacristie toonde en verklaarde hij ons met de meeste bereidwilligheid, leder woord, dat hij sprak, verried een fijn gevormd man. Hij was leeraar in de geschiedenis en natuurkunde aan het lyceum, dat met het klooster was verbonden. Eens gelukte het mij toch, hem min of meer in vuur te doen geraken. Ik zeide dat ik eene geschiedenis van het klooster gelezen had, waarin beweerd werd, dat de abten steeds met de bewoners van het dal overhoop hadden gelegen. Toen vloog hij op: „Dat is een geheel valsche en partijdige beschrijving der geschiedenis. De menschen zouden zich nu weer met vreugde onder de heerschappij van den abt stellen. Ik zal binnenkort een boek uitgeven, waarin ik die bedriegers aan den kaak zal stellen.quot; Ik antwoordde natuurlijk, dat dit mij zeer interesseeren zou, of echter het boek van den Benedictijner werkelijk over de Benedictijners, wat betreft hunne deugden en gebreken, heelemaal onpartijdig zal oordeelen, is bij mij noë lang niet zeker. Immers, Goethe kwam zelfs tot de bekentenis: „Ik kan beloven oprecht te zijn, maar ik kan niet beloven, onpartijdig te wezen.quot;
Ik wil niet spreken over de schatten uit vroeger en later tijd, die het klooster herbergt, want dat is alles te lezen in een boekje, dat men in Engelberg kan koopen. Maar er is veel goeds, ofschoon het vuur hier dikwijls schrikkelijk huisgehouden heeft en later de Fransche officieren als katten hebben gemuist. Maar het werd mij toch merkwaardig temoede en oude tijden doemden voor mijnen geest op, toen wij de reusachtige kloostergangen doorliepen. Hier en daar snorde ons eens een der paters, met reusachtige folianten beladen, net als een vledermuis voorbij, terwijl hij onzen groet alleen met een zacht knikken van
61
het hoofd beantwoordde. Anders was het zoo stil als in het graf.
Het is toch tegennatuurlijk, zulk eene massa manspersonen — er zijn nu nog veertig geleerde paters en twaalf leekebroe-.ders — op een hoop saam te pakken. Wat zullen die goede Benedictijners er in hun tijd ook meê te stellen gehad hebben, als zij bedachten, dat op een steenworp van hen af een groot nonnenklooster lag (dat eerst in 1615 naar Sarner is overgebracht). Het is toch niet goed, dat de man alleenzij, en het is ook niet goed, dat zoovele vrouwen zonder mannen saamgedrongen zijn. Het tegennatuurlijke wreekt zich allerwege in de wereld. En die paters — die overigens zeer vlijtig moeten zijn, naar men zegt — kwamen mij tegennatuurlijk voor. Dikwijls, als ik verborgen in het woud lag en het hoopje paters voorbijging, hoorde ik, hoe ze bijkans onmatig lachten. Maar kwam men hen tegen, dan zetten zij een gezicht, als steen zoo stijf en koud. Het geforceerde Christendom en de gemaakte heiligheid zijn niets waard. Niets toch heeft mij in het klooster aangetrokken, ofschoon het heel bekoorlijk door een prachtigen moestuin is omgeven en de schitterende Alpen van alle kanten door de vensters naar binnen lachen. Wat het zout der wereld moet zijn, moet toch midden in de wereld wezen, anders zout het niet.
Dit zeide ik evenwel niej bij het afscheid van den jongen Zwaabschen pater, maar ik noodigde hem uit om mij bij gelegenheid te Bremen te bezoeken, waar ik dan ook gaarne zijn gids en leidsman wou zijn. Dit beloofde hij voor het geval, dat het eens gebeurde. Maar het zal nog een poosje duren. Komt hij evenwel, dan zal hij hartelijk welkom zijn en dan ook met eigen oogen zien, wat een door God gezegende pastorie is met een hartelijke vrouw en zeven zingende, vroolijke kinderen. En volstrekt onmogelijk is zijne komst toch niet, want het Engelberger klooster heeft in Amerika twee groote filialen; en
62
mijn broeder pater zou de rechte man wezen, om die te inspecteeren. Dat nu de beste weg van Zwitserland en heel Duitschland naar Amerika over Bremen gaat, weet de geheele wereld en tenminste ieder beambte van de Noordduitsche Lloyd.
De leekebroeder met zijn groeten sleutelbos had, naar zijn zeggen, reeds op ons „geloerd.quot; Hij nam inderdaad, zonder blikken of blozen, al was 't ook met een grijns, een drinkgeld aan. Vermoedelijk heeft hij er sigaren voor gekocht. Tenminste ik zou niet weten, waarvoor hij anders zakgeld moest gebruiken.
2. BONTE BEELDEN UIT OUDE TIJDEN.
Ik ging naar huis en zette mij aan het venster van mijn kamer bij de oude kloosterpoort. Vervlogen tijden trokken mijnen geest voorbij. Ik zag den edelen, vromen ridder Koenraad von Seldersbüren, hoe hij ter plaatse, waar thans het klooster staat, aanbiddend neerlag in het stof, terwijl hij het gezang der engelen hoog van „den haanquot; af hoorde weerklinken. Ik zag, hoe hij een eenvoudig houten kruis oprichtte en de gelofte deed om hier een klooster te bouwen. Nog geen jaar verder en eenige broeders uit St. Blasius legden den grond. Zij ontgonnen de wilde streek; zij vochten als helden met de wilde beesten; zij bouwden, zonder moede te worden, aan kerk en klooster; zij predikten den wilden menschen, die daar woonden, het woord des kruises. Dit geschiedde van het jaar 1120 af. De twaalfde eeuw was althans diegene, waarin de leerlingen van den heiligen Benedictus het meest geleken op het voorbeeld van Christus. Maar spoedig werd het van heel de wereld afgesloten klooster de lieveling van de geweldigen der aarde. Dit is echter bijna regelmatig de ondergang van een Christelijk genootschap. Dit kan wel den haat, maar niet de gunst der wereld verdragen.
63
Ik zag door de oude poort terzijde van mij keizers en vorsten binnentrekken met schitterend gevolg, en het klooster met het dal werd een eigen rijksgebied, waarin de abt meer zelfstandig regeerde dan de paus in zijn kerkstaat. Ik zag zelfs eene koningin van Hongarije door mijne poort rijden, en de oude kroniek bericht, dat zijj haar schoonste kleed aan de monniken heeft geschonken. Wat zouden die er wel meê gedaan hebben ?
Ik zag, hoe de „genadige heer'quot;, de abt, met zijn valk op zijne hand en ridderlijke „broedersquot; achter hem, door mijne poort uitreed op de jacht, want hem behoorde „de vogel in de lucht, het wild op de bergen, de visch in het water.quot; Maar ik zag ook, hoe de abten en andere eerwaarde mannen over hunne perkamenten gebogen den Bijbel overschreven en met wonderbare, ten deele heerlijke platen versierden. Heden nog ziet men in het klooster zulke werken, waaraan eeuwenlang is gearbeid.
Ik zag, hoe door mijne poort de ruwe bewoners van het dal kwamen, om in het klooster van de vrome broeders onderricht te ontvangen, niet alleen in het maken van kaas, maar in allerlei nuttige hanteering en nijverheid. Ik zag ook, hoe met feestelijken optocht, terwijl het kruis vooruit gedragen werd, de abt met zijne senioren naar een overouden heiligen eik trok, onder welks schaduw driemaal 's jaars gericht werd gehouden voor de „Go ds 1 ie d e n.quot; (Want zoo heetten de bewoners van het dal, wijl zij onderdanen van den abt waren en daarom onder de bijzondere hoede Gods stonden). Maar ik zag ook, hoe deze Godslieden meer dan ééns in wilden aandrang, met hellebaarden, bijlen en morgensterren gewapend, mijn oude poort bestormden. Zij waren lang niet altijd van meening, dat het onder den bisschopsstaf te goed ging om zich van de knellende heerschappij te ontdoen.
Ik zag, hoe in de zestiende eeuw dag aan dag d o o d e broeders door mijne poort gedragen en op het naburig
64
kerkhof ingezegend werden. Huiveringwekkend klonk van vroeg lot laat het gelui der doodsklok; want ach, de pest huisde in het land en had ook ons klooster, in weerwil van alle vrome gezangen en ten spijt van al de heerlijke Alpenlucht, duchtig aangepakt. Ten laatste bleef er een tijdlang éen broeder meer over. Doch steeds meldden zich weder plaatsvervangers aan. Deels zulken, die daartoe gewijd en beloofd waren van den moederschoot aan en er dikwijls met bitteren tegenzin in kwamen. Deels zulken, die ter oorzake van teleurgestelde liefde een afkeer hadden van de wereld. Deels zulken, die met zware zonden beladen in den vromen dienst reiniging en vergeving hoopten te vinden. Deels zulken, die in heilige geestdrift dit leven voor het meest ideale leven hielden en maar al te vaak wanneer het te laat was overtuigd werden, dat zij zichzelven bedrogen hadden. Veel merg en been doordringend zuchten en klagen van zulke bedrogenen drong uit de cellen tot het oor mijns geestes door.
Ik zag, hoe de vlammen uit het kloosterdak flikkerden en hoe spoedig het geheele reusachtige gebouw in den vluurgloed ineenstortte. Driemaal is dit geschied in den loop der eeuwen. Dan trokken later de nonnen twee aan twee uit in de nabijheid en ver weg. Zij moesten door mijne poort, en daar stond de abt en gaf haar den zegen mede op weg. Waar zij kwamen, aan de meren van Zwitserland of aan den Rijn, aan de Donau of aan de Elbe, — overal hebben zij zoo hartroerend voor Engelberg gesmeekt en geleden, dat tegenover haar zelfs de gierigaard een verkwister werd. En zoo steeg het klooster steeds weer als eene phoenix uit zijn asch omhoog.')
') Dat dit alles niet mijue fantasie, maar streng geschiedkundige herinnering is, behoef ik den ervaren lezer zeker niet te zeggen.
be Schrijver.
65
Maar wat is dat? Daar rijden in 1789 Fransche officieren door mijne poort en achter hen een bonte schaar. Want in volkomen tegenstelling met de overige eedgenooten, die de Fran-schen met grimmige vijandschap tegemoet traden, hadden de „Godsliedenquot; hen welkom geheeten. Dat was het loon voor de strenge heerschappij, die de hoogeerwaarden hadden gevoerd ! En ai mij! in ons Kloosterhof wordt een „vrijheidsboomquot; geplant en de Marseillaise weerklinkt en in dollen dans vliegen de Engelbergsche meisjes rond met de Fransche soldaten. Maar de arme monniken werden voor jaren verdreven en natuurlijk werd heel de wereldlijke heerschappij „voor eeuwig en altoosquot; opgeheven. De bevelvoerende Fransche generaal — ik weet niet hoe de boef heette — stelde zeer veel „belang in oude handschriftenquot;. Zoo „leendequot; hij verscheidene manuscripten van hooge waardij uit de kloosterbibliotheek, o. a. een vele eeuwen oud afschrift van de werken van den Jood J o s e p h u s. Of de man die dingen in Parijs heeft bestudeerd, of, wat waarschijnlijker is, heeft verkocht, weet niemand. Maar dit weet men, dat de kostelijke perkamenten nooit weer naar Engelberg zijn gekomen. En daar zij vóór bijna honderd jaren afscheid namen, zullen zij er ook wel niet weder komen.
In het jaar 1803 trok door mijne poort wederom een abt naar binnen, aanvankelijk met weinige broeders. Lands heer was en is hij sedert niet meer, wel echter lands vader. En zijne paters zijn tegenwoordig in het geheele dal bij klein en groot zeer geliefd en verspreiden zonder twijfel veel zegen. Nu zij de wereldlijke heerschappij vaarwel gezegd hebben, of liever, nu zij er van ontheven zijn, is het oude klooster eene plaats des vredes. — Als toch de paus ook eens zoo verstandig was, om in te zien, dat die zoo begeerde wereldlijke heer-schappij hem slechts onheil berokkent! Wel is waar zou hij ook de onfeilbaarheid en nog veel meer moeten afleggen, eer
5
66
er iets Christelijks uit hem zou worden. Ik vrees, dat er voor hem nauwelijks meer hulp noodig is.
3. OP HET KERKHOF.
Tegenover mijne woning, vlak achter den kloostermuur, lag het kerkhof. Ik zag het van uit mijn venster en ik kon zelfs niet naar buiten kijken, zonder deze kleine gravenwereld te zien. Ook dit nam ik aan als eene vriendelijk-ernstige beschikking Gods ; want ik had deze woning immers niet gezocht. Het strekt zeer tot stichting, een kerkhof voor oogen te hebben. En hij, wien bet niet stichtelijk, maar onpleizierig toeschijnt, mag zich-zelven wel afvragen, of het met zijn hart goed gesteld is.
Dat ik het kerkhof spoedig een bezoek bracht, spreekt vanzelf. Ik zag, dat men vlak bij den ingang, op verdraagzame wijze, ook eenige ketters uit de meest onderscheidene landen der aarde, die hier in Engelberg waren gestorven, een rust-plaatje had gegund. Het kerkhof zelf ligt zoo heerlijk, als maar een kerkhof aan den voet van den Titlis kan liggen. En den halven dag lang luiden de kloosterklokken heilbelovend over de graven. In de beide hoog gelegen hoeken van het kerkhof zijn schoone zandsteengroeven aangebracht, die op zeer waardige wijze het sterven en de opstanding van onzen Heiland aanschouwelijk maken, dus geheel Evangelisch opgevat de heilsfeiten toonen. Naar ik hoorde zijn deze beeldhouwwerken ontslaan onder de kunstige handen van een Benedictijner.
Ook voor 't overige was hier alles waardig, — ach, waardiger dan op menig Evangelisch kerkhof! Min of meer komische uitwerking had het wel, dat op vele grafsteenen de photo-g r a p h i e van den afgestorvene onder glas was aangebracht; maar dat is toch onschuldig. Meestal las men treffend gekozen B ij b e 1 p 1 a a t s e n op de monumenten. Zoo vond ik hier, bij
67
mijn weten voor de eerste maal, op een grafsteen het woord: „Waakt, want gij weet noch den dag nochdeure, wanneer de Heere komen zal.quot; Dit schijnt mij zeer navolgenswaardig toe. Het zou uitstekend zijn, indien men dat op ieder kerkhof las. — Treffend was het mij, op zekere zerk het geheele lied van onzen zoo door en door Evangelischen Matthias Claudius te lezen; „Vrede zij rond deze zerkenquot;, enz. Of die goede Roomsche menschen wel weten, dat een Protestant van het zuiverste water dit heeft gedicht? — Aan de vele wijvaten, die hier en daar zoo tusschen de graven verdeeld waren, dat men ze alle kon besproeien, zou menig ijverig Protestant zich ergeren. Mij geeft zoo iets geen aanstoot. Maar wel ergerde het mij, als ik van uit mijn venster zag, hoe de dorpskinderen elkander onderling met het gewijde water nat maakten. Dat hadden zij zeker niet bij de Benedictijners geleerd.
Op zekeren morgen zat ik aan mijne tafel en schreef, toen op een ongewonen tijd en met bijzonder treurig geluid de kloosterklokken luidden. Het gold inderdaad ook iets bijzonders, namelijk eene begrafenis. Een kleine menscheostoet, voor welken uit het kruis werd gedragen, bewoog zich met den geestelijke op het kerkhof. Het lijk werd door éen man evenals eene reistasch met een riem gedragen. Het was dus een kind, dat begraven werd. Natuurlijk was ik meê tegenwoordig bij de plechtigheid, — dat is te zeggen van uit mijn venster. De priester verrichtte de gebruikelijke ceremoniën en wijdde het graf. Alles was snel afgeloopen en snel was het graf gevuld en de kleine heuvel opgehoogd.
De treurige stoet verwijderde zich onder vernieuwd klokgelui. Slechts een jonge vrouw, zonder twijfel de moeder van het kind, bleef terug; en zij neigde haar aangezicht op het graf en bad vurig. Ik bad meê. Ik kon mijn blik niet van haar af-
68
wenden. Wat ging toch wel in dat moederhart om! Ach, misschien was het haar eerste en eenige kindje, dat zij aan de aarde had toevertrouwd, want zij was nog zeer jong.
Eindelijk richtte zij zich op, maakte driemaal het teeken des kruises over den grafheuvel en ging snel en vast, als iemand, die zich met geweld losrukt, naar den uitgang. Maar nog geen tien schreden had zij afgelegd, of zij keerde zich weder om, als door een sterken magneet aangetrokken. En weer knielde zij bij het graf neer, haar gelaat in hare handen verbergend. Tusschen hare vingers druppelden heete tranen.
Na zoo wat tien minuten richtte zij zich opnieuw op en weêr beproefde zij weg te gaan. Zij kwam ook iets verder dan de eerste maal. Maar spoedig herhaalde zich hetzelfde tooneel. Als bij instinct ijlde zij weder naar het graf, dat besloten hield wat haar het liefste was. — Nu kon ik het niet meer uithouden, nam mijn hoed en wou de arme vrouw een weinig helpen, hoe dan ook de Roomsche den Protestant mocht opnemen. Doch toen ik in de kerkhofspoort kwam, zag ik, dat ik te laat kwam. Eene zuster van barmhartigheid trad van achter een pilaar der kerk, waar zij blijkbaar op de leeddragende gewacht had, en ging met zachten tred naar het graf. Zachtkens legde zij haar arm om de jonge vrouw en deze liet haar moede hoofd op de borst der zuster vallen. Het scheen mij toe, dat de zuster het vrouwtje toesprak; en indien dit al niet zoo was, haar doen was welsprekend genoeg. Het duurde niet lang, of beiden richtten zich op en gingen hand in hand naar den uitgang. Het arme moedertje, dat nu geen moedertje meer was, bevond zich in de beste handen. Ik groette eerbiedig en zweeg en zag hemelwaarts.
Ik zou kunnen zeggen — en dan zou ik wat waars zeggen—; het was een beeld om te schilderen, ja, het was een beeld, een groot schilder waardig, zooals de zuster haren
69
arm om de jonge, treurende vrouw aan het graf sloeg. Misschien neemt een scherpzinnig kunstenaar de idee op. (Maar dan moet hij ook het klooster, dat bij het kerkhof ligt, en den Titlis, die over het klooster heen op het kerkhof uitziet, niet vergeten. )
Maar ik wil wat anders zeggen, dat mij toen door de ziel ging en ook heden nog door de ziel gaat. o, Als toch iedere diep bedroefde, verslagen en verlaten ziel in hare uren van angst zulk een trouw hart, minzaam en met medelijden vervuld, ontmoette gelijk dat hier geschiedde! Ach, hoe menig hart bloedt dood of wordt verbitterd in het donkere dal! Niet alsof het dal zoo donker zou zijn ! D a t te zeggen ware zooveel als God aan te klagen. Neen, maar diegenen, die in het donkere dal een warmen, helpenden handdruk moesten bieden, die ontbreken duizendmaal. Dat is eene aanklacht tegen de mensch-heid. Ook niet misschien tegen mij en u, lieve lezer ? Of waagt gij het te zeggen, dat gij u niet licht de gelegenheid zoudt laten ontglippen, om eene verlaten, in smart verloren ziel op te richten ?
o. Dat wij in het heilig jagen naar zulke harten trouwer werden ! Er zou een groot stuk hemelrijk en vreugderijk op deze aan vreugde arme wereld komen, als ook maar allen, die zich op de genade Gods in Christus beroemen, hunne roeping in dit opzicht beter wilden verstaan.
Maar nog eens. Mij zal niemand verdenken, dat ik een verkapte Roomsche ben. Maar wat waar is, moet waar blijven. De Roomsche kerk beschikt over veel meer personen, vooral over vrouwelijke personen, die het helpen, dienen, liefhebben en tranen drogen tot hun eenige levensroeping hebben gemaakt. In onze militaire hospitalen toch zijn slechts Roomsche zusters te vinden. Wat moeten daar de Evangelische soldaten van hunne kerk denken ? In Engelberg alleen — en En-
70
gelberg is maar een dorp — telde ik zes schoolzusters, die natuurlijk buiten de school de lieden uit het dal in liefde en dienstvaardigheid ter zijde stonden. Waar in een huisje of hutje iets smartelijks is, daar zijn zij met een deelnemend gelaat en haar zachte, lenigende hand. Verene zeide tot mij: „De schoolkinderen melden haar, waar ergens krankheid of andere nood is. En dadelijk zijn zij aanwezig. Ja, de kerk is een goede moeder.quot; Ik weet niet, of het overal in de Roomsche kerk zoo is. Waarschijnlijk wel niet. Maar dit weet ik, dat het overal zoo zou zijn in de Evangelische kerk, als de tallooze jongedochters, die nu ledig op de markt staan, zichzelve en de menschheid in den weg loopen en met hun tijd geen raad weten, als zij allen, — neen, als ook maar het derde deel van haar — in den „dienst der liefdequot; wilden treden, om het even of het voorgoed is dan wel voor eene wijle. Daarmee zou de wereld zeer geholpen zijn en misschien hadden de helpenden er nog meer voordeel van.
4. AAN HET „EINDE DER WERELD.quot;
Op den eenigen Zondag, dien ik in Engelberg doorbracht, had ik in de kloosterkerk een voortreffelijke prediking van den pater superior gehoord. Ofschoon hij, gelijk mijne Verene mij in 't geheim verried, vele jaren in Rome had geleefd, was toch zijne prediking echt evangelisch en daarbij op voorbeeldige en meesterlijke wijze populair. Daarover vertel ik op een andere plaats. Thans zou ik ondervinden, hoe in de Roomsche kerk het Evangelie en de menschvergoding elkander moeten verdragen.
Het was een lieflijke morgen, toen ik, een lustig beekje stroomopwaarts volgend, naar het „einde der wereldquot; heenwandelde. Niet, dat ik van mijne voeten had willen vergen, tot aan het einde der wereld te loopen. Waar is toch het einde en waar het begin ? Neen, dit raadsel wordt zeer eenvoudig opgelost.
71
Nauwelijks een uur van Engelberg verwijderd, bevindt zich een gruwzaam woeste en wilde rotspartij, welker wanden bijna loodrecht en hemelhoog opstijgen. Wijl daar nu alles ophoudt en ook de behendigste gems geen pad zou ontdekken om verder te loopen, heeft men deze streek het „einde der wereldquot; genoemd. En hier, waar slechts weinige arme menschen met hunne paar geiten wonen, heeft men toch een kleine kapel gebouwd. Men moet het de Roomsche kerk nageven, dat zij naar het uitwendige voortreffelijk zorg draagt voor de „religieusequot; behoeften harer leden. De kapel ligt zeer bekoorlijk over het ruischend water en haar klokje weergalmt huiselijk over de steile rotswanden. Want als bij den aan sneeuw rijken winter de menschen op het „einde der wereldquot; weken —, ja maandenlang van de gansche menschheid zijn afgesneden, dan moet hun de kapel als een liefhebbende moeder zijn, aan wier hart zij al hunne zorgen en bekommernissen uitstorten.
Zoo dacht ik, toen ik de kapel binnentrad. Maar al wist ik, dat het eene M a r i akapel was, toch zou mijn hart diep bedroefd worden. Naar de prediking van den vorigen dag en vele andere gunstige kenteekenen te oordeelen, hoopte ik, dat hier in Engelberg de Mariavereering niet zoo erg zou zijn, en ik had in mijn hart de Benedictijners daarvoor reeds dank gezegd. Maar ach ! Deze kapel ontnuchterde mij geheel. Wie naar de kleine altaren, wie verder naar de grof geschilderde beelden en inschriften, welke alle wanden van boven tot beneden bedekten. — wie, zeg ik, daarnaar de Roomsche kerk beoordeelen wilde, zou moeten zeggen, dat de Roomïchen geen God, maar eene godin hebben, namelijk Maria.
Zoo ziet men onder de zoldering eene „arkequot; op een door den storm bewogen vloed. De reddende ark is een beeld van Maria. Daarbij leest men: „Ingredere in arcamquot; („Ga in de arkquot;), en daaronder:
72
„Als eens uw laatste ure Op aard voor u zal slaan,
Roept slechts — 't zal niet vergeefs zijn —
Roept slechts Maria aan.quot;
Dan weer wordt Maria geprezen als „aurora in mortis horaquot; („morgenrood in het uur des doodsquot;). Nog heb ik het volgende gebed aan Maria genoteerd:
„Als ons der zonde macht Wil kwetsen en verwonden,
Bevrij dan door een glans Ons allen van de zonden!quot;
Diep bedroefd verliet ik de kapel. Ach, hoe lang zal het nog zijn, eer in de Roomsche kerk eerlijk en eenvoudig het éene en eeuwige Evangelie weerklinkt: „Het heil is in geen anderen, en er is ook geen andere naam dan alleen de naam van Jezus Christus!quot;? Maar dan is zij geene Roomsch-Katholieke kerk meer.
Ik had sedert uren geen woord meer met iemand gewisseld. Nu voelde ik mij tot menschen aangetrokken. Ik ging in de eerste de beste hut binnen. Een meisje met een zeer verstandig gezicht (zij kon zoowat 24 jaar oud zijn) zat aan een weefstoel. Zij was ijverig bezig met het vervaardigen van bonte zijden doeken. Maar zoodra ik binnentrad, sprong zij van hare zitplaats op en vroeg, waarmee ze mij dienen kon. Zij veroorloofde mij, nadat zij mij vuur voor mijne sigaar had gegeven, mij te zetten. Nu vernam ik, dat zij voor eene fabriek in Ein-siedelen werkte en als zij veertien uur vlijtig weefde ongeveer 90 centimes (dus zoowat 45 cent) per dag verdiende. Ik vroeg haar, of zij daarvan leven moest. Dit scheen mij dubbel onmogelijk, daar het er in haar kamertje volstrekt niet bijzonder armelijk uitzag. Het meisje keek mij evenwel verwonderd aan er antwoordde: „Zeker leven wij daarvan, ik en Barbele. Barbele is mijne zuster. Zij is veertien jaar oud.'quot; — Dus zij leefden er
73
van met z'n tweeën. Toen ik mijne verwondering nog niet teboven komen kon, antwoordde zij lachend: „ Mijnheer, u i t een batzen1) komt een franc; men moet de batzen maar niet zoo licht laten glippen; en dan, mijnheer, watmenniet betalen kan, heeft men ook niet noodig. Dat zei mijne nu zalige moeder altijd, en ik heb bevonden, dat zij gelijk had. Geloof mij, mijnheer, wij zijn hier, aan „het einde der wereldquot;, volkomen vergenoegd , ofschoon wij dikwijls maandenlang door de sneeuw van heel de wereld zijn afgesneden en geen geluid hooren dan het geklingel van het klokje op de kapel en het geschreeuw der gieren.quot;
Ik schaamde mij voor het eenvoudige meisje. En had ik op dat oogenblik te beschikken gehad over een professorskatheder voor de nationaaloeconomie, — mijn Zwit-sersch meisje had hem gekregen. Welk eene levenswijsheid ligt er in dat eenvoudig zinnetje: „De batzen maakt den francquot;; en hoeveel bewust of onbewust geloof ook in dat zeggen; „Wat men niet betalen kan, heeft men ook niet noodig.quot; En deze zinnen waren geen bloote woorden, maar zij beheerschten het leven.
Terwijl wij nog aan het praten waren, kwam Barbele binnen. Zij kwam juist uit de kerk in Engelberg, zindelijk en netjes gekleed. Blijkbaar wilde zij hare zuster wat nieuws berichten, maar zij deinsde terug, toen zij den vreemden man daar zag zitten. Ik deinsde echter nog meer terug, ja, ik verschrok van deze schoonheid. Zij was als eene verschijning. De houding van het slank gebouwde meisje was als die eener — vorstin, had ik bijna gezegd; maar ik heb, om het eerlijk te bekennen, nooit eene vorstin gezien, die zulk een vorstelijke houding had als
') Een batzen is een Zwitsersche munt ter waarde van acht cent; een franc = 47'/3 cent. de Vert.
74
dit arme kind. Hare huidkleur was wonderbaar zacht; alleen waren haar handen hard en rood tengevolge van den ruwen arbeid. Haar lichtvolle oogen openbaarden evenveel geestkracht als trouwhartigheid en schalkschheid. Maar genoeg daarvan. Ik ontmoette echter op denzelfden dag een professor uit Marburg met zijne vrouw; die hadden het meisje ook gezien en waren even getroffen als ik. Maar het schoonste was, dat zij blijkbaar niet het minste vermoeden van hare schoonheid had.
Daar het mij wel toelachte, het arme en toch zoo rijke meisje op een goede manier een franc of twee in de handen te spelen, vroeg ik, of zij eene koe hadden en mij een glas melk konden geven. Lachend antwoordde de oudste: „Arme menschen hebben geene koe, maar we hebben wel eene geit.quot; „Enquot; — zoo viel nu bijna hartstochtelijk Bürbele in— „de schoonste die er is. Wilt gij ze eens zien, mijnheer?quot; Natuurlijk wilde ik haar zien en ging met het jonge meisje naar buiten. Zij klapte in de handen en weldra kwam met groote sprongen eene geit aanspringen, inderdaad een schoon dier, dat veel op een gems geleek en bijna geheel wit was. Als eene geit verrukt wezen kan, dan was deze „schoonste aller geitenquot; klaarblijkelijk verrukt, dat ze Bürbele weer zag. Zij scheen te geloo-ven, dat Bürbele het schoonste van alle meisjes was. Het was dus wederzijdsche hoogschatting.
Natuurlijk spraken Barbele en ik in de eerste plaats over de geit, terwijl we binnen in de hut het weefgetouw reeds weer hoorden ratelen. Daar ik echter over geiten al spoedig was uitgepraat, bracht ik het gesprek in een andere richting. Ik wees op den reusachtigen rotswand, die het dorpje naar drie kanten heen omgeeft en zei op luchthartigen toon: „Hier is dus het einde der wereld?quot; Zoodra Barbele merkte, dat er een ander gesprek zou beginnen, gaf zij met onbewusten, doch fijnen takt de geit, met welke zij tot dusver gekoosd had, een lichten slag,
75
waarop deze dan ook wegdraafde. De geit verstond den zachten wenk beter dan, helaas, vele duizenden kinderen de wenken hunner moeders verstaan, als zij eens overtollig zijn. Ja, die geit was opgevoed, hetgeen, helaas, van weinig kinderen geldt.
Op mijn zeggen, dat hier bij deze rots de wereld ten einde was, zeide Barbele: „Ja, maar daar overheen is ook de lieve Godquot;, hetgeen ik natuurlijk volmondig toestemde. „Maarquot;, voer ik voort, „wat zijn dat daar voor diepe gaten in de rotswanden, Barbele?quot; Ik wist wel, wat de sage daarvan vertelt, maar ik wilde hoeren, wat het kind daarvan zeide. En zij vertelde mij met wijd geopende, verbaasde oogen, dat in deze holen groote schatten lagen en dat bi) die schatten een draak de wacht hield. Onnoemelijk lang geleden waren de „Benedigersquot; gekomen en met vele ladders naar de holen geklommen. „Maar toen zij er ingingen, donderde het vreeselijk en werd de geheele rots bewogen. Toen zijn die groote blokken naar beneden gerold, die nu nog hier zijn. Maar de Benedigers zijn nooit teruggekomen; de draak heeft hen verslonden.quot; Zij zag er geheel ontdaan uit, als vreesde zij, dat dezelfde draak ook ons op het eigen oogen-blik een bezoek zou kunnen brengen. Blijkbaar was zij van de gansche geschiedenis zóo overtuigd, als dat zij overtuigd was van het onloochenbare feit, dat de blokken daar lagen. Ik had er ook geen belang bij om haar schoone geschiedenis aan te tasten, doch zeide, om haar op de proef te stellen : „Deze domme Benedigers hebben zich ingebeeld, dat goud en diamanten den mensch gelukkig kunnen maken!quot;
Barbele keek mij ongeloovig en vragend aan en haalde even hare schouders op, als wilde zij zeggen: „Gij hebt goed praten.quot; Doch ik vertelde haar, dat ik vele menschen kende, die groote schatten hadden en zich alles konden aanschaffen, wat er in de wereld te koop is, en die toch tot op den grond van hun hart ontevreden waren. „Maar weet gij, Barbele, het beste kan men
76
niet overal koopen; dat moet de goede God rechtstreeks geven; en dat beste hebt gij : gij en uwe zuster.quot; Wederom antwoordde zij slechts met groote, vragende oogen. „Hebt gij nietquot;, zoo zeide ik, „een tevreden en vroolijk hart? Hebt gij niet een kostelijke gezondheid? Hebt gij niet het zekere geloof, dat de goede God u na dit leven in den schoonen hemel des lichts brengt, als gij Hem in dit leven maar getrouw blijft en de zonde vliedt?quot; De oogen van het kind werden vochtig. Ik reikte haar de hand, die zij hartstochtelijk drukte, en zeide haar nog een en ander op de wijze van: „Wat baat het den mensch, zoo hij de geheele wereld gewint en schade lijdt aan zijne ziel?quot;
Daarop nam ik afscheid van de zusters. Ach, hoe gaarne had ik Barbele ook gewaarschuwd ter oorzake van hare schoonheid. Schijnbaar wist zij daar nog even weinig van als de lelie des velds van hare heerlijkheid. Maar liep ik geen gevaar, deze heilige onwetendheid te vernietigen, als ik haar sprak van de gevaren, die de schoonheid met zich brengt? Ach, ik vrees, dat zij niet lang zullen uitblijven, die het meisje zeggen, dat schoonheid een kapitaal is, waarmee men reusachtigen interest kan woekeren. Behoede u God, gij even bevoorrecht als door gevaren omgeven kind! Wel is waar zal in het Horbisdal, aan het „einde der wereldquot;, niemand u vinden. Anders zou ik deze regelen ongeschreven gelaten hebben, ter wille van zekere lieden, wien mogelijk dit boek in handen zou vallen. Barbele had geen zin om aan den weefstoel geketend te blijven. Zij stond op het punt, om een kleinen dienst te betrekken bij een bekende familie „aan de zeequot;. Niettemin dacht ik op mijne terugreis telkens: o. Gij arm kind, dat zoo schoon zijt, hoe zal uw weg wezen in de wereld ? Als gij maar niet valt in de handen der moordenaars, van de moordenaars der ziel!
Daags tevoren was ik met mijn vriend Welgemoed op den Spitzen stöckli geweest, die 6000 voet hoog boven net
77
Trübmeer ligt. Van hier uit kijkt men zoo heerlijk in het binnenste van den Titlis en hoort den donder zijner lawinen. Maar machtiger nog trok mij een wonderbaar schoone, ongeveer zestienjarige Engelsche aan, die met haar vader alleen reisde. Meer nog dan de rouwkleederen verried de treurigheid en de weemoed, die over den man en zijne dochter lag uitgespreid, dat het schoone kind kort geleden hare moeder verloren had. Maar ofschoon zij in het zwart gekleed was, viel zij door hare schoonheid zoo in het oog, dat ieder haar aankeek; en het was werkelijk moeilijk, haar niet aan te zien. Thans zag ik in mijn geest Barbele en de Engelsche naast elkander. Welk een moeilijken weg, zei ik bij mijzelven, hebben toch schoone meisjes. Ik bedoel dat haar weg zoo zwaar is, als haar hart eenvoudig en r e i n zal blijven. Hoe spoedig, arme kinderen, zullen de vleiers komen, om uw hart te vergiftigen. En hoe zwaar zal het u vallen om hen af te weren, vooral wijl gij beiden een trouwe, wakende moeder mist. De Engelsche loopt wel meer gevaar, aan een rijken of voornamen wellusteling in een ongelukkigen echt verkocht te worden; der arme Barbele dreigen, als God geene wónderen doet, verzoekingen, die zoo mogelijk nog zwaarder zijn.
Het heeft mij dikwijls geërgerd en ook opgehitst tot toornige woorden (waarover ik geen spijt heb), als ik hoorde hoe jonge en oude heeren over vrouwelijke wezens spreken. — Slechts het lichaam kwam in aanmerking, precies als bij raspaarden. Met uitdrukkingen, die haar vergoden, spreekt men van en tot de schoonen, zoolang zij — „bloeienquot;. Zijn zij uitgebloeid, dan zijn zij slechts waard om weggeworpen te worden.
Verdedigt toch uzelven, gij jonge meisjes! Stoot hen allen als uwe vijanden en verraders van u af, die slechts het uitwendige van u op prijs stellen en die u verachten zoodra, ach zoo spoedig! dat uiterlijke zijn glans verliest. Merkt gij niet, hoe deze menschen u vernederen?
78
Maar gij vernedert uzelven, gij treedt op den weg van deze uwe verraders, als gij er nu ook alleen op uit zijt om te behagen en te schitteren. Hoe armzalig, hoe beklagenswaardig is een jonger of ouder meisje, wanneer men het even krampachtige als vergeefsche streven bij haar waarneemt, om door duizend belachelijke en belachelijk makende middelen te schitteren en den indringenden ouderdom te weren. Hoe moet het haar hart verbitteren, als dat alles toch niet helpt en men haar, die vroeger aangebeden werd, verachtelijk laat staan! o, Gij meisjes, om het even of gij schoon of leelijk zijt, jaagt naar onvergankelijke en eeuwige goederen ! Streeft er naar, dat de inwendige mensch des harten een tempel wordt van de liefde en alle schoone deugden van Jezus Christus. Dan zult gij, hoe overigens uw weg ook zijn moge, gelukkig zijn en gelukkig maken. Dan zult gij ook niet uzelven verteren in het ongelukzalige wachten op de hulde van een man, maar uzelven met vreugde Gode en menschen ten dienste stellen en het licht en zout der wereld wezen. Vaarwel, Barbele! God behoede u in genade.
Ik kan dit reisverhaal, dat intusschen zeer ernstig is geworden, niet besluiten, zonder te denken aan een klein voorval, dat eerst een zeer komischen indruk op mij maakte en mij toch veel te denken gaf. Toen ik namelijk van het „einde der wereldquot; weer naar mijn geliefd Engelberg wandelde, ontmoette ik een jongen van 14 of 15 jaar met een boek in de hand. Hij kwam uit de kerk, naar hij mij vertelde, en het boek was een gebedenboek, doorspekt met een zeer ongepasten geïde-aliseerden Mariadienst. Ik vroeg den knaap, wat het boek kostte. Hij antwoordde mij: , Nieuw heeft het een heelen franc gekost.quot; Ik kocht daarop het boek van hem voor een franc, en hij was overgelukkig, op deze wijze in het bezit van een nieuw
79
Ie kunnen komen. Maar ik zou mij niet lang in mijn eigendom verheugen. Toen ik nog, op een boomstam gezeten, in het boek verdiept was, kwam de knaap teruggegalloppeerd, terwijl hij droop van het zweet. „Mijnheer, hier is uw franc, als het u belieft, als het u belieft, geef mij toch mijn boek terug!quot;' Ik was zeer verwonderd en vroeg, waarom hij spijt had van den ruil. „Ik heb er geen spijt vanquot;, zeide hij mij onder tranen, „maar ik weet niet, of de pastoor niet boos op mij zal zijn, dat ik mijn boek aan een vreemden heer verkocht heb.quot;
Natuurlijk stond ik niet op mijn eigendomsrecht. En zoo is mijne bibliotheek een nummer armer en mijne beurs een franc rijker. Maar ik vraag u, waarde lezers, waar is in heel de Evangelische kerk een jongen in de „speeljarenquot;, die zijn dominee zoo hoog acht? Ja, dat moet men zeggen, de Roomsche priesters hebben hunne lieden aan het „lijntjequot; en groot is hunne macht. Gebruikten zij deze nu maar, om grooten en kleinen tot Jezus te leiden!
5. VERENE.
Zoolang ik in het poëtische Kloosterhof te Engelberg woonde, heeft Verene mij bediend. En ik ben heden nog gelukkig, dat z ij voor mij te zorgen had, want werkelijk was zij om mij bezorgd; en dat wel niet alleen om mijn lichaam, maar, zooals wij spoedig zullen zien, ook om mijne ziel. Voor 't overige was ook hier niet alles goud wat er blonk. Aan den eenen kant van mijne kamer had ik een luid snorkende dame, waarvan ik reeds melding maakte; aan de andere zijde woonde, ongelukkigerwijs, de gelukkige bezitter van een speeluurwerk, dat hij aldoor musiceeren liet. als het regende, dus juist als ik thuis moest zijn. En dat was nog niet genoeg! Zoowat twintig schreden van mijne woning af lag het overigens zeer bevelenswaard
80
logement „In den Engelquot;. In eene naar mij toegekeerde kamer stond een schrikkelijk klavier, dat een of ander bakvischje, eveneens altijd als het regende, schrikkelijk bewerkte. De „laatste walsen van een waanzinnigequot; moest ik tusschen den morgen en avond dertig maal hooren. En ook dat was nog niet genoeg! Onder mij was de kloostersmidse, waar 's morgens van vijf uur af een herculische Unterwaldner zijn hamer zóo geweldig hanteerde, alsof hij andermaal Siegfrieds zwaard wilde maken. En dan boven mij de heerlijke kloosterklokken, die, eer nog het morgenrood den hoogsten top van den Titlis kuste, haar melodisch geluid lieten weerklinken, om mij onbarmhartig te wekken, daar ik zeer licht slaap. Wel is waar zeide de huismoeder: „Dat geeft vrome gedachten,quot; en troostte Verene; „Men went aan alles.quot; Maar het gaf mij verdrietige gedachten en er aan gewennen kon ik allerminst.
En toch ben ik blij, dat ik in de kloostersmidse woonde, en wel ter wille van Verene. Zij was een oude jongedochter. Ik schat haar op 35 jaar. Tot de schoonheden behoort zij wel is waar niet, maar zij was een meisje met groote, bruine, verstandige oogen; slank van leest; vertrouwelijk, maar vol beleid; spraakzaam, maar alleen als men haar iets vroeg; netjes, vlug, flink; begaafd met zin voor het schoone, eene vriendin van bloemen, eene Roomsche vol geestdrift, — eilieve, wat wilt gij nog meer?
Dadelijk bij het huren der woning beviel zij mij uitstekend. Ik gaf mijne orders: altijd de ramen open, veel frisch water, ruwe handdoeken enz. en zeide toen ten slotte: „Ziezoo, juffrouw, als ge goed voor mij zorgt, zult gij ook een goede fooi krijgen, dat beloof ik u.quot; Ik dacht, dat zij al lachende er den nadruk op zou gelegd hebben, hoe noodig men in dezen moeilijken tijd het geld heeft. Maar dit was lang niet het geval. Hoog opgericht antwoordde zij: „Dominee, ik doe het zoo goed
81
als ik kan, ook zonder fooi.quot; Dat was het ware! Deemoedig maakte ik mijn compliment voor deze aristocratische en zeide slechts: „Dan doe ik net als gij. Ik doe het ook altijd zoo goed als ik kan, om het even of de menschen mij deswege prijzen of laken. Wij zullen het samen best vinden.quot; Daarop zeide ik haar met mijn blik, dat zij nu kon gaan; maar zij had nog iets op het hart: „Mijnheer, mag ik u verzoeken Ver ene tegen mij te zeggen, maar niet juffrouw. Men moet in zijn stand blijven.quot; Ik drukte haar de hand en dacht daarbij, hoeveel beter het er in de wereld uit zou zien, als alle menschen zoo dachten. Het moest immers vanzelf spreken, dat ieder in zijn stand blijft? Wat is verstandiger dan dat? Maar de wereld is vol fratsen en caricaturen eenerzijds en vol knorrepotten en ijze-grimmen anderzijds, wijl tallooze menschen boven hun stand uit willen en het dan toch niet goed kunnen volhouden.
Overigens bleef de belangstelling van mij voor Verene niet onbeantwoord. Blijkbaar was zij ook mij zeer genegen. Als „leergierigequot; vrouw had zij, als ik afwezig was, de portretten van mijn vele familieleden, die op de tafel pronkten, en evenzoo mijne boeken bestudeerd, zooals zij onbewust in hare gesprekken verried. Een en ander moest wel een goeden indruk op haar gemaakt hebben. Misschien had ik ditmaal zelf ook een goeden indruk gemaakt. Hoe het zij, zij hield zich gaarne bij mij op, bijvoorbeeld als zij mij des morgens mijn ontbijt bracht. Toch zette zij zich nooit, ook niet bij een langer onderhoud, maar op zijn hoogst leunde zij tegen de vensterbank. Nooit schonk zij de thee in, zonder op een warmen toon te zeggen: „God moge 'tu zegenen.quot; En als ik mij 's middags aan tafel begaf en dus het huis verliet, kwam zij steeds — en vaak met haar oude moeder — uit haar kamertje om mij een gezegenden maaltijd te wenschen. En dat doet iemand zoo goed!
De „oude moederquot;, van wie ik zooeven sprak, mag ik toch
6
78
Maar gij vernedert uzelven, gij treedt op den weg van deze uwe verraders, als gij er nu ook alleen op uit zijt om te behagen en te schitteren. Hoe armzalig, hoe beklagenswaardig is een jonger of ouder meisje, wanneer men het even krampachtige als vergeefsche streven bij haar waarneemt, om door duizend belachelijke en belachelijk makende middelen te schitteren en den indringenden ouderdom te weren. Hoe moet het haar hart verbitteren, als dat alles toch niet helpt en men haar, die vroeger aangebeden werd, verachtelijk laat staan! o, Gij meisjes, om het even of gij schoon of leelijk zijt, jaagt naar onvergankelijke en eeuwige goederen! Streeft er naar, dat de inwendige mensch des harten een tempel wordt van de liefde en alle schoone deugden van Jezus Christus. Dan zult gij, hoe overigens uw weg ook zijn moge, gelukkig zijn en gelukkig maken. Dan zult gij ook niet uzelven verteren in het ongelukzalige wachten op de hulde van een man, maar uzelven met vreugde Gode en menschen ten dienste stellen en het licht en zout der wereld wezen. Vaarwel, Barbele ! God behoede u in genade.
Ik kan dit reisverhaal, dat intusschen zeer ernstig is geworden, niet besluiten, zonder te denken aan een klein voorval, dat eerst een zeer komischen indruk op mij maakte en mij toch veel te denken gaf. Toen ik namelijk van het „einde der wereldquot; weer naar mijn geliefd Engelberg wandelde, ontmoette ik een jongen van 14 of 15 jaar met een boek in de hand. Hij kwam uit de kerk, naar hij mij vertelde, en het boek was een gebedenboek, doorspekt met een zeer ongepasten geïde-aliseerden Mariadienst. Ik vroeg den knaap, wat het boek kostte. Hij antwoordde mij: „Nieuw heeft het een heelen franc gekost.quot; Ik kocht daarop het boek van hem voor een franc, en hij was overgelukkig, op deze wijze in het bezit van een nieuw
79
te kunnen komen. Maar ik zou mij niet lang in mijn eigendom verheugen. Toen ik nog, op een boomstam gezeten, in het boek verdiept was, kwam de knaap teruggegalloppeerd, terwijl hij droop van het zweet. „Mijnheer, hier is uw franc, als het n belieft, als het u belieft, geef mij toch mijn boek terug!quot;' Ik was zeer verwonderd en vroeg, waarom hij spijt had van den ruil. „Ik heb er geen spijt vanquot;, zeide hij mij onder tranen, „maar ik weet niet, of de pastoor niet boos op mij zal zijn, dat ik mijn boek aan een vreemden heer verkocht heb.quot;
Natuurlijk stond ik niet op mijn eigendomsrecht. En zoo is mijne bibliotheek een nummer armer en mijne beurs een franc rijker. Maar ik vraag u, waarde lezers, waar is in heel de Evangelische kerk een jongen in de „speeljarenquot;, die zijn dominee zóo hoog acht? Ja, dat moet men zeggen, de Roomsche priesters hebben hunne lieden aan het „lijntjequot; en groot is hunne macht. Gebruikten zij deze nu maar, om grooten en kleinen tot Jezus te leiden!
5. VERENE.
Zoolang ik in het poëtische Kloosterhof te Engelberg woonde, heeft Verene mij bediend. En ik ben heden nog gelukkig, dat z ij voor mij te zorgen had, want werkelijk was zij om mij bezorgd; en dat wel niet alleen om mijn lichaam, maar, zooals wij spoedig zullen zien, ook om mijne ziel. Voor 't overige was ook hier niet alles goud wat er blonk. Aan den eenen kant van mijne kamer had ik een luid snorkende dame, waarvan ik reeds melding maakte; aan de andere zijde woonde, ongelukkigerwijs, de gelukkige bezitter van een speeluurwerk, dat hij aldoor musiceeren liet. als het regende, dus juist als ik thuis moest zijn. En dat was nog niet genoeg! Zoowat twintig schreden van mijne woning af lag het overigens zeer bevelenswaard
80
logement „In den Engelquot;. In eene naar mij toegekeerde kamer stond een schrikkelijk klavier, dat een of ander bakvis chje, eveneens altijd als het regende, schrikkelijk bewerkte. De „laatste walsen van een waanzinnigequot; moest ik tusschen den morgen en avond dertig maal hooren. En ook dat was nog niet genoeg! Onder mij was de kloostersmidse, waar 's morgens van vijf uur af een herculische Unterwaldner zijn hamer zoo geweldig hanteerde, alsof hij andermaal Siegfrieds zwaard wilde maken. En dan boven mij de heerlijke kloosterklokken, die, eer nog het morgenrood den hoogsten top van den Titlis kuste, haar melodisch geluid lieten weerklinken, om mij onbarmhartig te wekken, daar ik zeer licht slaap. Wel is waar zeide de huismoeder: „Dat geeft vrome gedachten,quot; en troostte Verene : „Men went aan alles.quot; Maar het gaf mij verdrietige gedachten en er aan gewennen kon ik allerminst.
En toch ben ik blij, dat ik in de kloostersmidse woonde, en wel ter wille van Verene. Zij was een oude jongedochter. Ik schat haar op 35 jaar. Tot de schoonheden behoort zij wel is waar niet, maar zij was een meisje met groote, bruine, verstandige oogen; slank van leest; vertrouwelijk, maar vol beleid; spraakzaam, maar alleen als men haar iets vroeg; netjes, vlug, flink; begaafd met zin voor het schoone, eene vriendin van bloemen, eene Roomsche vol geestdrift, — eilieve, wat wilt gij nog meer?
Dadelijk bij het huren der woning beviel zij mij uitstekend. Ik gaf mijne orders: altijd de ramen open, veel frisch water, ruwe handdoeken enz. en zeide toen ten slotte: „Ziezoo, juffrouw, als ge goed voor mij zorgt, zult gij ook een goede fooi krijgen, dat beloof ik u.quot; Ik dacht, dat zij al lachende er den nadruk op zou gelegd hebben, hoe noodig men in dezen moeilijken tijd het geld heeft. Maar dit was lang niet het geval. Hoog opgericht antwoordde zij: „Dominee, ik doe het zoo goed
81
als ik kan, ook zonder fooi.quot; Dat was het ware! Deemoedig maakte ik mijn compliment voor deze aristocratische en zeide slechts: „Dan doe ik net als gij. Ik doe het ook altijd zoo goed als ik kan, om het even of de menschen mij deswege prijzen of laken. Wij zullen het samen best vinden.quot; Daarop zeide ik haar met mijn Wik, dat zij nu kon gaan; maar zij had nog iets op het hart: „Mijnheer, mag ik u verzoeken Ver ene tegen mij te zeggen, maar niet juffrouw. Men moet in zijn stand blijven.quot; Ik drukte haar de hand en dacht daarbij, hoeveel beter het er in de wereld uit zou zien, als alle menschen zoo dachten. Het moest immers vanzelf spreken, dat ieder in zijn stand blijft? Wal is verstandiger dan dat? Maar de wereld is vol fratsen en caricaturen eenerzijds en vol knorrepotten en ijze-grimmen anderzijds, wijl tallooze menschen boven hun stand uit willen en het dan toch niet goed kunnen volhouden.
Overigens bleef de belangstelling van mij voor Verene niet onbeantwoord. Blijkbaar was zij ook mij zeer genegen. Als „leergierigequot; vrouw had zij, als ik afwezig was, de portretten van mijn vele familieleden, die op de tafel pronkten, en evenzoo mijne boeken bestudeerd, zooals zij onbewust in hare gesprekken verried. Een en ander moest wel een goeden indruk op haar gemaakt hebben. Misschien had ik ditmaal zelf ook een goeden indruk gemaakt. Hoe het zij, zij hield zich gaarne bij mij op, bijvoorbeeld als zij mij des morgens mijn ontbijt bracht. Toch zette zij zich nooit, ook niet bij een langer onderhoud, maar op zijn hoogst leunde zij tegen de vensterbank. Nooit schonk zij de thee in, zonder op een warmen toon te zeggen: „God moge 'tu zegenen.quot; En als ik mij 's middags aan tafel begaf en dus het huis verliet, kwam zij steeds — en vaak met haar oude moeder — uit haar kamertje om mij een gezegenden maaltijd te wenschen. En dat doet iemand zoo goed!
De „oude moederquot;, van wie ik zooeven sprak, mag ik toch
6
82
ook niet onopgemerkt laten voorbijgaan. Zij was ongetwijfeld een zeer vrome vrouw, maar met haar mond zonder tanden sprak zij een „Zwitserduitschquot;, dat ik met den besten wil niet kon begrijpen. Aan spraakzaamheid ontbrak het haar anders niet. Op zekeren dag liet zij mij behoorlijk verzoeken, of ze met mij een onderhoud over het innerlijke leven zou kunnen hebben. Natuurlijk willigde ik het verzoek in, maar ik verstond slechts zooveel, dat zij steeds over gelatenheid en afsterving sprak. Als ik mijn eerlijke meening mag zeggen, dan was bij de goede oude vrouw de Goddelijke, heilige eenvoud reeds eeni-germate vermengd met dien eenvoud, dien men magbelachen, zonder goddeloos te zijn. Dus blijven wij bij Verene!
Ja, die was helder, door en door. Die was zelfs van plan, mij te bekeeren, natuurlijk tot de „alleen zaligmakende kerkquot;, wat mij begrijpelijkerwijs diep trof. De menschen, die zich om mijne ziel bekommeren, zijn — zelfs als zij het in onverstand doen — mijn beste vrienden; zij zijn dat, niettegenstaande zij toch daarmede op een mij beschamende wijze openbaren, dat ik, naar hun inzicht, nog op den dwaalweg ben.
Reeds den eersten morgen, bij de thee, begon Verene met haren aanval op het Protestantisme. „Ik geloof, dominee, dat ge vroom zijt, maar er zijn weinig vrome Protestantenquot;, zeide zij op beslisten toon. „Zooquot;, zeide ik, „dat hebt ge zeker van de paters geleerd in het klooster?quot; „Neen, dat heb ik in dit huis geleerd!quot; „Hoe dat zoo?quot; „Nu, wij hebben sedert vele jaren altijd zomergasten, die meestal Protestanten zijn. Maar weinigen hebben een Bijbel of een gebedenboek bij zich; daarentegen brengen velen slechte boeken in hunne koffers meê en leggen zelfs portretten op tafel, die een ernstig mensch niet kan aanzien. En in de kerk komt bijna niemand hunner.quot;
Ik schaamde mij zeer over deze woorden, waarin maar al te veel waarheid is, maar toch wilde ik mijn Protestantsch schild
83
niet laten bezoedelen. Ik vertelde haar dus, dat er ook in de Evangelische kerk plaatsen waren, waar des Zondags alles naar het bedehuis optoog, wat maar gaan kon, en dat het voorts ook in de Roomsche kerk niet overal zoo was als in Engelberg. In de groote steden van Frankrijk en Italië bekommerden zich bijna alle menschen even weinig om priester en altaar als de paus om de kaasmakerij in Engelberg. Zij wilde een en ander niet goed gelooven, maar ik verwees haar naar het oordeel van haar veelgeliefde Benedictijners in het klooster, die de wereld ook wel kenden.
Op een anderen morgen was zij zoo eerlijk om te bekennen dat pater Clemens — zoo heet hij, als ik mij niet vergis — mijne uitspraak bevestigd had. „Maarquot;, zeide zij, „dat het er in Frankrijk zoo treurig uitziet, komt daar vandaan, dat de staat daar de kerk vervolgt en zelfs op de scholen volstrekt godde-looze boeken ingevoerd heeft.quot; Ik kon dit slechts gedeeltelijk met haar eens zijn en gaf als mijne meening te kennen, dat het grootste ongeluk van Frankrijk daarin school, dat men daar indertijd het Evangelie te vuur en te zwaard heeft vervolgd. „Hel Evangelie!quot; stoof zij op. „De Kerk, de goede Moeder, zou het Evangelie vervolgd hebben. Meent gij, dat ook wij het Evangelie niet hebben?quot; En nu werd zij zeer welsprekend en ontwikkelde inderdaad een verbazende kennis van de Schrift, zooalsquot; ik ze zelden bij Roomschen (ach, ook zelden bij Protestanten!) heb aangetroffen.
„Voor eenige jarenquot;, zoo sprak zij toen, „was hier in ons huis een zeer lieve, oude dominee uit Bazel, die M i v i 11 e heette. Met hem heb ik precies zoo moeten strijden als met u.quot; „Nuquot;, zeide ik, „juist die predikant is er in persoon en naam een bewijs van, dat de Roomsche kerk het Evangelie en de Evangelischen heeft vervolgd.quot; Ik vertelde haar, dat de Mi-villes eene van de vele duizenden familie's waren, die voor de
84
vervolging vloden; kortom, ik vertelde haar van de gruwelen der vervolging in Frankrijk. „Ochquot;, zeide zij luchthartig, „onder de apostelen was een Judas, en zoo kan er in Frankrijk in den kring der eerwaarde bisschoppen ook wel een Judas zijn binnengeslopen, die zoo slecht handelde!' Toen ik haar evenwel duidelijk maakte, dat het de kerk zelve was, die de vervolging bedreef; toen ik haar verhaalde van den Bartholomeus-nacht en dat de toenmalige paus een Te Deum had laten zingen en een gedenkmunt had doen slaan, uit vreugde over den grooten moord, — toen sloeg zij opeens om en zeide zeer beslist: „Als dat zoo is, dan was het ook goed zoo. De goede Moeder, de Kerk, en de heilige Vader dwalen nooit, ook dan niet, als wij niet verstaan wat zij beschikken.quot; Dit zeide zij met fonkelende oogen. Ja, ik had eene Roomsche voor mij van het zuiverste water. Haar medelijdend jonkvrouwelijk hart woedde tegen de gruwelen, maar ten spijt haars harten koos zij de zijde der kerk. De kerk is de god der vrome Roomschen.
Ik was zoo wreed, om haar te vragen: „Verene, de hand op het hart, als nu morgen de paters verlangen zouden, dat men mij verbrandde, zoudt gij dan meehelpen?quot; Zij werd rood tot achter de ooren en — liep weg. Dien dag zag ik haar niet meer. Ik wist nu, wat ik trouwens nooit betwijfeld had, dat de Roomsche kerk ook heden nog beschikt over honderdduizenden menschen, die Gode een dienst meenen te doen als zij de ketters folteren, verbranden, vermoorden en verdrinken.
Doch op een toon van het meest oprechte medelijden zeide Verene eenige dagen later: „Ziet ge, dominee, gij hebt wel het goede Evangelie, maar om zalig te worden mist gij een voornaam hoofdstuk. „Nuquot;, zeide ik verwonderd, „ik denk, dat men al het noodige heeft, als men Jezus maar bezit.quot; En ik bracht een heele rij van zijne woorden en van apostolische uitspraken bij. Maar zij schudde het hoofd: „Dat is alles goed
85
en wel en het moet ook zoo blijven. Maar de Kerk is de plaatsbekleedster van Christus op aarde; zij moet ons zeggen, hoe zijne woorden moeten verstaan worden en wat wij te doen hebben. En de Kerk is zulk een goede en milddadige moeder! Als ge haar maar wildet kennen, lieve dominee! Maar dat is het stuk, dat u en allen Protestanten ontbreekt. En daarom gelooft de eene Protestant dit en de ander dat, en de meesten gelooven in 't geheel niets. Dat komt ervan, als ieder den Bijbel zelf wil verstaan. Pater Clemens heeft mij gezegd, dat dikwijls op denzelfden Protestantschen kansel de eene predikant precies het tegendeel beweert van wat twee uur tevoren zijn collega heeft gezegd. Ach, als ge toch in de Kerk gelooven wildet!quot; voegde zij er meteen diepen, weemoedigen zucht aan toe.
Nu kan geen verstandig mensch ontkennen, dat pater Clemens mijne Verene zeer juist met den Achilleshiel onzer kerk bekend gemaakt had. Ons gevaar is daarin gelegen, dat de Evangelische vrijheid in willekeur kan omslaan. Ik moet ook bekennen, dat de pater, die onze Verene had onderricht, haar een grondige kennis had doen verkrijgen van het heil, dat in Christus is. En legde zij er steeds scherp den nadruk op, dat het geloof zich in de werken, den wandel en de „kruisiging des vleeschesquot; moest openbaren en anders geene waardij had, dan was daartegen ook niets in te brengen, als men het goed opvat. Over de heiligen, over Maria, de moeder Gods, over reliquieën en dergelijke sprak zij in 't geheel niet. Gingen deze dingen haar werkelijk niet ter harte of had pater Clemens haar ingescherpt, dat zij daarvan tegen de Protestantsche ketters niets moest zeggen? Ik weet het niet. Was dit zoo, dan verstond Verene meesterlijk de kunst, om hare gedachten te verbergen. En nog meesterlijker die, om zich tegenover al mijne argumenten, waarmeê ik haar betoogde, dat hare kerk een
86
wereldsch rijk, ja, eene inrichting voor poppen of zelfs voor slaven was, gesloten te houden, evenals een egel tegenover de liefkozingen van een hondje. Zij bleef er bij: U ontbreekt het voornaamste stuk: de leer van de Kerk. En steeds sprak zij weer met eerlijke en natuurlijke geestdrift over „de lieve, milddadige moeder.quot;
Op zekeren morgen bracht zij een album meê, waarin de portretten der Benedictijner paters de hoofdrol speelden. Voor mij evenwel was iets anders van meer belang. Verene had drie zusters, die alle Benedictijner nonnen waren en in Amerikaansche kloosters in het verre westen, bij de grens der Indiaansche stammen, leefden, baden en werkten. Zij vertelde zeer veel aantrekkelijks van haar werken en leeren. Desgelijks had zij een broeder onder de monniken. De portretten der vier „geestelijkequot; familieleden waren haar trots. En terecht. Denk eens na; uit éen enkele familie vier leden, die het huwelijk en de gansche wereld verzaakten, om met lichaam en ziel de kerk en (ik spreek in haren geest) de menschheid te dienen! Toen wierp ik een blik in de macht der Boomsche kerk; toen zag ik, hoe het mogelijk is, dat zij steeds en overal, waar het noodig en practisch blijkt, over menschen heeft te beschikken, vooral over zusters van barmhartigheid, zooveel zij maar wil; waartegenover wij tienduizenden jonge meisjes hebben, die ledig op de markt staan; waartegenover bij ons de klacht over het gebrek aan diaconessen nooit verstomt!
Vier personen uit éen huis in dienst der kerk! Ik ken oud-Pruisische families, die vijf tot zes zoons aan den officiersstand geleverd hebben. Nu leerde ik, hoe het staande leger der Boomsche kerk, een leger, waarin geestdriftig fanatisme en ijverige discipline gepaard gaan, wordt gerecruteerd. Wij kunnen toch van de Boomsche kerk nog veel leeren.
87
Het was een lieflijke morgen, toen ik van Verene afscheid nam. Do sneeuwbergen en gletschers schitterden met wonderbaren glans en de kloosterklokken weerklonken heerlijk door de morgenstilte. Wij stonden in de deur. „Nu, Verene,quot; zei ik, „wij moeten afscheid nemen; maar ik hoop, dat wij elkander in den hemel eens wederzien.quot; Zij hield mijne hand vast, maar zij keek treurig naar den grond, toen zij antwoordde: „Ik geloof het niet, dominee, gij mist het voornaamste hoofdstuk, de Kerk.quot; Hare meening was blijkbaar niet, dat zij, maar dat ik uit den hemel blijven zou. Maar het oog van het goede meisje was vochtig, toen zij de harde woorden uitsprak, en daarom veroorzaakte zij mij geen leed. Het fanatisme was niet haar innerlijkste wezen; het was haar ingeplant. En in weerwil van de paters en in weerwil van Verene's fanatisme en niettegenstaande mij „het voornaamste hoofdstukquot; ontbreekt, geloof ik toch, dat wij elkander in den hemel zullen weder-vinden.
En nu nog éen verzoek aan de lezers, die misschien eens in Engelberg zullen komen. Wie den hamer van den smid en de al te dichtbij zijnde kloosterklokken ter wille van zijn slaap niet behoeft te duchten, dien raad ik zeer aan, in het poëtische huisje zijn intrek te nemen, waar Verene het bestuur voert. En als hij dan als een Christenmensch trouwelijk met haar omgaat, dan zal hij zien, dat ik haar goed geteekend heb. Maar hij zou verraad plegen aan hare ziel, als hij haar vertelde, dat ik over haar heb geschreven. Dal zou evenwel een ongeluk zijn, waaraan ik geene schuld wil hebben.
9
1. VAN UEN TITLIS NAAR HET ZÜRICHERMEER.
Dat was een smartelijk afscheid, toen ik den 29sten Augustus het schoone Engelberg moest verlaten! Maar het is toch een kostelijk iets, dat Christus' discipelen, als zij van elkander scheiden, mogen zingen en zeggen:
Nu moet gij mij ook goed verstaan,
Als menschen van elkander gaan,
Dan zeggen zij: Tot wederziens.
Ja, zoo spreken zij met troostrijken moed, zelfs wanneer er niet het geringste uitzicht bestaat, dat zij elkander op aarde nog eens in de oogen zullen zien. Nochtans spreken zij aldus en zien in den geest omhoog naar de vele woningen in het hemelsch Vaderhuis. Wel is waar sloten wij, die afscheid namen, ook 'ernstig een verbond, dat wij van onze zijde alles in het werk zouden stellen, om een wederzien op aarde te bereiken. Ja, „van onze zijde.quot; Maar wat wil dat zeggen? Zes weken later lag ik doodziek neer. En het is een bijzondere barmhartigheid Gods, dat ik nog een pen in de hand nemen en deze regelen schrijven kan.
Overigens deden verscheidene vrienden mij nog uitgeleide tot
89
aan het Vierwoudstedentneer en een, mijn vriend Welgemoed, zelfs tot op den Pilatus. Maar dat was slechts uitstellen van de „operatie.quot;
In Stans natnen wij nog eens het gedenkteeken in oogen-schouw, dat hier voor den heldhaftigen Winkel ried is opgericht. De lezers kennen immers de geschiedenis van zijn dood en weten, hoe hij evenals Simson, in vrijwillige zelfopoffering zijn grootste werk heeft verricht. Dit gebeurde reeds vijfhonderd jaar geleden en nog altijd kau de wereld het niet vergeten. Als men bij de kerk van Stans komt, dan ziet men zich in heerlijk marmerwerk voor oogen gesteld, hoe de Zwitsersche held de lansen der vijandelijke ridders in zijn eigen borst boort en zoo voor zijne krijgsmakkers eene bres maakt in de legerschaar der Oostenrijkers. En deze bres werd inderdaad de zegepoort. — Ik kocht ook een photogratie van dit beeldhouwwerk en zag het zooeven nog met innerlijke ontroering. Zij geeft veel te denken. Want gaat het ook in het Godsrijk niet zoo ; gaat het bijvoorbeeld niet zeer dikwijls zoo in de heidenzending, dat er éen en nog éen zijn leven als inzet moet geven en niets mag zien van triomf en overwinning? En toch heeft het bloed derzulken de bres gemaakt voor hen, die nu de zege gewinnen. Zijn zij, die eigenlijk het eerst den voet hebben gezet op het spoor der overwinning, niet even groot als zij, die nu werkelijk de vanen der victorie mogen doen wapperen ? Ik geloof, dat zij in Gods oogen nog grooter zijn! — Het beeld van den stervenden Winkelried, die zijn leven niet te kostelijk achtte, om zijne broederen behulpzaam te zijn tot de overwinning, mocht wel geplaatst worden aan het hoofd van een zendingstijdschrift. Maar ook gij en ik, indien wij met al ons worstelen en strijden voor Gods rijk schijnbaar niets bereiken, mogen niet hopen dat wij misschien voor anderen een weg gebaand hebben ? En dat is voldoende.
Twee uur later reed ik met mijn vriend Welgemoed en vele
90
andere menschen den Pilatus op. Natuurlijk met den tandrad-spoortrein, die hier en daar tegen eene helling van 42 graden moet oploopen. Wie dit niet kan indenken, stelle zich voor een tamelijk steil dak, waartegen een kleine spoortrein opkruipt. Maar hier kwamen er bij nu eens afgrijselijke afgronden en kloven rechts en links en duizelingwekkende bruggen, dan weer donkere tunnels enz. En ofschoon enkele dames bijna het bewustzijn verloren en ook twee heeren in onze coupé op bedenkelijke wijze van kleur veranderden en zoowat van zeeziekte mompelden, toch kon ik niet nalaten te jubelen. Hoe langer hoe meer deed zich de heerlijkheid van het Berner Oberland aan ons voor in schitterende pracht bij het verhelderende licht der Augustuszon. En bijkans had ik gezongen : „Jeruzalem is wèl gebouwd.quot; Want onmiddellijk kwam mij in de gedachte, hoe dat eens zal zijn wanneer men uit het doodsdal op de vleugelen der engelen hemelwaarts gedragen wordt en nu de wereld der eeuwige verheerlijking al meer en meer nadert, die al heerlijker en heerlijker schittert. Misschien is dit wel een zeer zinnelijke voorstelling, maar ik ben zinnelijk genoeg om haar niet te laten varen.
Op den Pilatus dan brachten wij een heerlijken namiddag door en des nachts bleven wij er ook. Wij wilden zonsondergang en zonsopgang genieten. En hoezeer hebben wij beide genoten! De woorden onzer taal zijn hier veel te zwak om een teekening te geven, en het woord „onbeschrijflijkquot; is, gelijk men weet, ook de meest geestdriftvolle beschrijving. Wel is waar, wie licht geraakt is, moet niet naar het hotel gaan, dat men daar op den top van den berg heeft gebouwd. Wij, Bremers, zijn, helaas, aan hooge prijzen gewoon; maar dat was toch ook mij „al te bar.quot; Voor een heel middelmatige kamer moesten mijn vriend Welgemoed en ik zestien francs betalen, en de koteletten die wij duur betaald hadden, waren zoo klein dat men ze eerst
91
met een mikroscoop moest bekijken, wilde men moed krijgen om ze te gaan eten. En ergerlijk was het ook, dat men na het avondeten vanwege het hotel daarboven nog een grootsch vuurwerk ging afsteken. Hoe belachelijk, op de hoogte van den Pilatus een vuurwerk te maken, als men twee uur tevoren geheel het gebergte met zijn gletschers en sneeuwtoppen in den purperen gloed der ondergaande zon gedompeld heeft kunnen zien! Maar dat zijn kleinigheden.
Ik moet er evenwel nog gewag van maken, dat ik op den Pilatus, waar ik opeens zooveel van de wereld zag, als zelden tevoren. — dat ik daar juist merkte, hoe eng en klein de wereld is. Op den „Ezelquot; namelijk (vreemd genoeg heet de hoogste spits van den Pilatus de „Ezelquot;) ontmoette ik een lieven Neder-landschen professor met eene dochter. Drie jaren geleden leerde ik dezen man kennen in het Vogezengebergte, in Miinster, toen had hij echter drie bekoorlijke dochters bij zich. Een jaar later, vonden wij elkander zonder eenige afspraak, in een logement aan tafel weer. Nu had hij evenwel nog maar twee dochters bij zich, want eene was getrouwd. En op den Pilatusezel — ik vertrouwde mijne oogen niet — weer dezelfde professor. Maar nu slechts met eene dochter, want ook de tweede was ondertusschen getrouwd. Hoelang hij de derde nog behouden zal, weet ik niet. Maar is zulk een samentreffen niet merkwaardig ? Menigmaal woont men met vrienden en bloedverwanten in hetzelfde hotel en merkt er niets van, als men toevallig niet de vreemdenlijst opslaat. En dan weer komt men onopzettelijk met dezelfde menschen, die ver van ons af wonen en ons geheel vreemd zijn, samen en weer samen, juist alsof de wereld een klein huis ware, waarin men elkander overal in de armen loopen moet.
Maar nu naar beneden van de Pilatushoogte af! Nadat wij een onvergelijkelijk schoonen zonsopgang hadden aanschouwd,
92
veranderde plotseling het weer. Wij reden in een inderdaad angstwekkenden, even kouden als dikken nevel de circa 6000 voet, die de Pilatus boven de zeespiegel ligt, af. Ik weet alleen nog, dat het vroor en ik in de duisternis huiverde.
Voor 't overige brachten de volgende dagen geene voorvallen van eenige beteekenis. En dientengevolge kan ik daarvan ook niets vertellen. De lezers dus, die meenen, dat ik overal iets bijzonders heb ontmoet, vergissen zich zeer. Misschien hebben zij evenveel ontmoetingen als ik, — alleen, zij vergeten ze weer en vertellen ze niet.
In Brunnen aan het Vierwoudstedenmeer nam ik mijn intrek in mijn geliefden „Adelaar.quot; Daar was alles nog juist als vóór tien jaar. Maar de oude schipper Eberhart, van wien ik vroeger verhaalde, is reeds lang gestorven, en dus trok ik alleen naar den schoonen Rutli. Een rendez-vous, dat hier op den Rutli met allerlei vrienden zou plaats grijpen, bleef achterwege, omdat de anders zoo zekere telegraaf domheden begaan en misverstand veroorzaakt had.
Genoeg, er gebeurde om zoo te zeggen niets. En daarom breng ik de lezers maar dadelijk naar het Zwitsersche „Athene,quot; naar Zurich, waar het zoo heet kan zijn als in Cairo en waar het 's Zaterdagsmiddags, toen ik aankwam, ook werkelijk zoo heet was, dat het mij onmogelijk scheen dat de hitte nog grooter zijn zou. Maar een klein Athene is de stad aan de heerlijke Limath werkelijk, en in sommige opzichten overtreft het zelfs het oude Athene. Een zoo heerlijk logement bijvoorbeeld als het hotel „Baur au lacquot; hebben Socrates, Pericles en Themis-tocles niet tot hunne beschikking gehad. Maar wat mij betreft, ik zou nu toch ook, ofschoon de houders van dit huis uitnemer d lieve menschen zijn, — ik zou toch in weerwil van of ook juist tengevolge van de pracht van dit hotel om voor de hand liggende redenen mijn intrek daar niet hebben genomen, ware het niet,
93
dat een mijner vrienden, die ter wille van zijn stand altijd daar moet wonen, waar liet fijnste en voornaamste is, mij telegrafisch had uitgenoodigd, in het hotel Baur af te stijgen. De naam van mijn vriend verschafte mij dan ook eene kamer eerste kwaliteit, ofschoon Zürich en vooral ons hotel zoo door vreemdelingen werd overstroomd, als eens Bethlehem ten tijde der beschrijving. Maar ach, de ouders van den Heere Jezus vonden geen voornaam man, die hun eene rustplaats verleende, en moesten in den stal hun intrek nemen. Ik gevoelde mij tamelijk gedrukt en onpleizierig bij de gedachte, dat ik het zoo gemakkelijk had. En eerst de overweging, dat ik toch niet alleen veel liefde ontvangen had om Christus' wil, maar ook dikwijls wel smaad had moeten en mogen dragen stelde mij eenigermate gerust. Dat ik mij evenwel des avonds in het wonderschoone, door elec-trisch licht daghelder verlichte park van het hotel op mijn gemak heb gevoeld, kan ik niet zeggen. Het was een overmoedige geldaristocratie, die zich daar op den voorrang vertoonde. Voornamelijk zijn mij eenige zeker zeer schoone, maar op onzinnige wijze opgepronkte Jodinnen in het geheugen gebleven. Zij hadden desnoods wel voor model kunnen zitten, als men ijdelheid, hoovaardij, ijverzucht en behaaglijkheid had willen afmalen. De wijze waarop zij, champagne drinkend, zich het hof lieten maken, was meer dan walgelijk, o. Dacht ik, als in zulk een overmoedig gezelschap eens plotseling de donderslagen van den jongsten dag of ook maar de donderslagen der sociale revolutie binnenrolden, — welk een angstgeschrei zou men hooren!
Maar nu wil ik mijne lezers van de in juweelen schitterende dames brengen naar een armen, kranken, eenzamen jongeling, die allen op het onderdanigst dient en wien toch niemand dank bewijst; wien niemand een blik verwaardigt. Het is een k e 11-n e r , dien ik bedoel. Hij trok reeds des avonds mijne aandacht, maar eerst den anderen morgen zou ik kennis met hem maken.
94
2. DE TERINGACHTIGE KELLNER.
Reeds vroeg wekte mij het zonnetje. Het was Zondag. Ja, het was een Zondag, die zijn naam eer aandeed, Reeds om zes uur was ik in den tuin van het hotel. Langen tijd was ik de eenige bezitter van het heerlijk domein. De voorname wereld toch houdt er van, om den nacht tot dag te maken, en den dag tot nacht, o, Hoe verkwikkend was de kostelijke stilte van den morgen! Van het meer woei een frissche bries, en witte zeilen zweefden over den blauwen, door den zon beschenen vloed. Als lichtende paarlen en diamanten omringden vriendelijke steden, dorpen en landhoeven het bekken van dit paradijs-meer ; het werd daarbij omzoomd door de zacht oploopende, vruchtbare landerijen, die tegen de heuvels op lagen. En nog verder, in de nevelachtige verte, deden zich in zilverglans de altijd witte toppen van het Hooglandsgebergte op. Dat waren de bergen, die ik zoo juist had verlaten, en het was mij, alsof zij mij groetten gelijk een ouden bekende.
En nu verhief zich uit de dorpen rondom het meer een krachtig klokgelui. En de zwellende vloed droeg het in weeke harmonieën tot in mijnen tuin: „Gloria, Halleluja, Amen.quot; Ik neigde mijn hoofd en bad gelijk ik, helaas, maar zelden bidden kan.
Daar groette mij de kellner, die reeds den vorigen avond mijne aandacht had getrokken, en vroeg, of ik ook ontbijt verlangde. Hij zag er onuitsprekelijk treurig uit. Het was een groot, schoon mensch met ravenzwarte oogen en haren. Maar ik ontdekte bij den armen man alle kenteekenen van de tering: angstig uitziende oogen, voorovergebukte houding en een akelige blos op de wangen. Daarbij kuchte hij nu en dan. Een inwendige stem zeide tot mij: „Bemoei u met dien man!quot; Het zou met de meeste mijner lezers precies zoo gegaan zijn als het met mij ging.
95
Kellners hebben te allen tijde mijn grootste medelijden opgewekt. Deze arme menschen, die nooit een werkelijken arbeid en toch ook nooit rust hebben, deze arme menschen, die bijna nooit een dankbetuiging ontvangen, ook al doen zij hun plicht nog zoo goed, maar die zich door iederen kwajongen, die voor een halve mark verteert, moeten laten toesnauwen en toebijten, en dan nog „uw dienaar, mijnheer!quot; moeten spelen! Deze on-gelukkigen, die in de eerste plaats de slaven zijn van den waard, ten tweede van den opperkellner, ten derde van ieder der gasten, — zij moeten alle smakelooze en laffe zwetserijen, ja, alle gemeene, lage en wellustige praatjes der gasten aanhooren-Daarenboven zijn zij ook blootgesteld aan de allergrootste zedelijke gevaren, aan het gevaar van allerlei bedrog, aan het gevaar van drinken, aan het gevaar van allerlei onnoembare heimelijke zonden enz. Zijn straatvegers en kolenbranders niet ware baronnen in vergelijking met kellners? Ach, men moest dezen menschen toch steeds een vriendelijk en goed woord gunnen, waar de gelegenheid zich daartoe voordoet.
Maar deze mijn kellner in het hotel Baur had toch iets over zich, dat in gansch bijzondere mate mijn medelijden gaande maakte. Vlug bracht hij mij mijn keurig ontbijt en even vlug wilde hij weer weggaan. Ik noodigde hem evenwel uit, om zich een poosje naast mij neer te zetten. En daar hem de boomen voor alle menschen verborgen, volgde hij dankbaar mijne uitnoodiging op. „Ik ben zoo doodmoe,quot; verklaarde hij op mijne vraag; „ik ben ziek. En gisterenavond was het éen uur, toen wij ons ter ruste begaven. Eigenlijk was het dus eerst van morgen. En toen kon ik nog niet dadelijk slapen, wijl mijne vijf collega's, met wie ik in éene kamer woon, zooveel herrie maakten, en later hinderde mij het hoesten. Maar om zes uur moest ik weer opstaan. Wij worden hier zeer goed behandeld,quot; zeide hij, als het ware om zijn patroon te ontschuldi-
96
gen. „Maar in het korte seizoen moet het gaan zooals het gaat. En in dezen zomer, nu het in het hoogland zooveel regent, schijnen alle heeren een eed afgelegd te hebben, dat zij hier in Zürich komen wonen.quot;
Daar hij met een zeer vreemd accent sprak, vroeg ik hem naar zijn vaderland en tehuis. Hij was zeer bereid om een en ander te vertellen. „Ik ben uit Moravië en mijn vader was schoorsteenveger in een klein stadje. Beide ouders stierven, helaas, vroeg. En daar zij bijna niets nalieten, werd ik „vanwege de armenquot; bij vreemde lieden uitbesteed. Er werd zeer weinig voor mij betaald, en ik heb vroeg geleerd wat honger is. Ook overigens had ik het hard te verantwoorden. Toen ik opgegroeid was, moest ik mijn eigen brood verdienen. Ach, ik had zoo gaarne een fatsoenlijk handwerk willen leeren! Maar mijne voogden dwongen mij, kellner te worden, omdat ik zoo het best en het gauwst voor mijzelven zou kunnen zorgen. Veel heb ik reeds beleefd. Ik bracht een winter door in Egypte, drie jaar heb ik gevaren op een schip van de Oostenrijksche Lloyd, toen was ik langen tijd kellner in eene restauratie in Weenen en het laatst was ik in het hotel Disch in Keulen. Vandaar ben ik vóór nu twee maanden hierheen gekomen. Als het seizoen in Zwitserland uit is, ga ik naar Algiers, waar een kameraad mij een goede plaats heeft bezorgd. Ik geloof, dat het daar ook goed is voor mijne gezondheid'', voegde hij er met een lichten zucht aan toe.
„Nuquot;, zeide ik, „dan hebt ge al veel van de wereld te zien gekregen.quot; Treurig schudde hij zijn hoofd en antwoordde: „Wij zijn wel midden in de wereld, maar wij zien er toch zoo goed als niets van. Van den trein gaan wij zoo naar het hotel. En een uur later zijn wij reeds midden in ons werk. Wel hebben wij vele dagen vrijen tijd, maar wij mogen niet weg. Wilt ge wel gelooven, dat ik hier nog niet in de stad ge-
97
weest ben?quot; Ik onderzocht, of hij ook wel naar de kerk ging. B Vroeger deed ik het graagquot;, was het treurig antwoord, s maar nu niet meer.quot; — „Waarom niet?quot; — „Mijnheer, toen ik in Keulen was, moest ik eens in de vasten naar de prediking in den Dom. Toen zeide de priester onder anderen; Iedere Katholiek, die gezond van leden is en niet minstens alle drie weken de kerk bezoekt, begaat eene doodzonde, Ziet ge, dat was mijne veroordeeling.quot; Ik zocht hem daaromtrent gerust te stellen en verzekerde hem, dat de geestelijke zeker maar had gesproken van diegenen, die wel in de kerk konden komen, maar niet wilden. Maar droevig en ongeloovig glimlachte hij.
„En dan,quot; zei hij, „worden wij behandeld alsof wij geen men-schen waren. Zoolang ik kellner ben, zijt gij de eerste heer, die tien minuten lang vriendelijk met mij spreekt en voor mijn geringen persoon eenige belangstelling aan den dag legt.quot; — „Och, dat zijt ge wel vergeten,quot; wierp ik tegen. — „Mijnheer,quot; zei hij beteekenisvol, „dat vergeet men niet, als een beschaafd mensch liefdevol met iemand spreekt.quot; — „Maar,quot; voer ik voort, „ik zag toch, hoe gisterenavond zulk een groote, fijne mijnheer met u stond te praten.quot; De kellner kleurde tot ver achter de ooren. Aarzelend zeide hij toen: „Mijnheer, wat die met mij sprak, kan ik niet weergeven. Hij verlangde van mij inlichting omtrent zekere gemeene en vuile dingen. En toen ik hem niet naar zijn wenschen kon dienen en hem naar den portier verwees, zei hij spottend: „Gij schijnt mij nog recht groen toe.quot; Ja, op d i e wijze heeft reeds menigeen een onderhoud met mij gevoerd.quot;
Arme man! Ik verstomde geheel. Wat, zoo dacht ik, zou er van uwe kinderen worden, als zij zoo in de wereld stonden? Als zij nergens een innerlijken houvast vonden, nergens eene ziel, die hun liefde, troost en steun aanbood, maar integendeel overal de zwaarste verzoeking en verleiding? Daar ik
7
98
uiets beters wist te doen en te geven, bood ik hem een klein door mij geschreven boekje aan; de titel is „De weg ten heil.quot; Hij nam het min of meer aarzelend in de hand: „Dat is zeker een Gereformeerd boek? Mijne moeder was ook Gereformeerd, maar ik ben Katholiek. Bij ons moeten alle kinderen Katholiek worden, als een der ouders Katholiek is. Ik zou liever evenals mijne moeder geworden zijn; zij was zoo goed. Maar nu ben ik eenmaal Katholiek.quot; En hij keek mijn boekje bijkans bevreesd aan. Ik stelde hem gerust en kon hem naar waarheid zeggen, dat het noch Gereformeerd, noch Luthersch, noch Katholiek was, maar voor alle Christenen, want dat het den weg wees naar het rechte doel en het eeuwige heil, waartoe wij allen waren geschapen. „Hebt gijquot;, zoo vroeg ik, „dan anders geene boeken?quot; — „Jawel, ik bezit een gebedenboek; maar het ligt heel onder in mijn koffer. Toen ik er eens in lezen wou, hebben de andere kellners mij zoo bespot, dat ik het nu voorgoed heb weggeborgen.quot;
Op dit oogenblik weerklonk de scherpe roep van den opper-kellner; „Philipp.quot; Mijn kellner rilde van schrik, want hij was bedoeld. Snel schoof hij het boekje in zijn tasch en verdween, mij nog een dankbaren blik toewerpend, en ik heb hem in het bonte gewoel later niet weer ontdekt. Het was voor mij ook weldra tijd om ter kerke te gaan, en daarna ging ik naar mijn vriend, die verder aan den kant van het meer woonde naar het oosten. Maar den armen kellner kon ik niet vergeten. En ik wil hem niet vergeten. En de barmhartige God, wiens oogen open waren over de eenzame slavin, toen zij weggeloopen was, over Hagar; die God, die haar een reddenden engel zond in de woeste en eenzame wildernis; Hij zal nog veel minder mijn Philipp, voor wien ik niets doen kan, vergeten.
Het is mij, alsof hij nu niet meer verkeert onder de leven-
99
den in deze wereld. Ik zie in den geest, hoe twee of drie vuile Arabieren een armoedige doodkist op eene kar door de straten van Algiers en naar het kerkhof slepen. Geen mensch volgt de lijkbaar; het is immers maar een kellner!quot; Geen mensch weent bij zijn graf; geen geestelijke bidt of spreekt een woord van zegen over de kist. „Het is immers maar een kellner!quot; Maar de zegenende Christus breidt zijne handen uit over de groeve en ik hoor Hem zachtkens spreken: ,De Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.quot;
Weinige dagen, eer ik Philipp leerde kennen, had ik bij een tochtje over het Vierwoudstedenmeer hoog op eene rots een kruis ontdekt. Op mijne vraag, wat dat beteekende, had de schipper mij geantwoord, dat daar eens „zeker iemandquot; naar beneden gestort was, tot op heden weet men nog niet, wie dat geweest is. Daarover moest ik nadenken. En nu smolt voor mij deze onbekende reiziger, deze „zeker ieman dquot;, samen met den armen kellner, die immers voor de meeste menschen ook niets is dan „zeker iemand.quot; En zoo ontstond het volgende lied, dat ik mij ten slotte veroorloof hieronder te plaatsen.
2. „ZEKER IEMAND.quot;
„Zeg, bootsman, wat beteekent Dat kruis daar op de rots?quot; „O! daar is zeker iemand Gestort in 't golfgeklots.quot;
„Men kon hem niet meer vinden.
Hij werd der visschen buit;
Zijn staf dreef op het water — — Heer, wat die traan beduidt?quot;
100
Ik kan het niet verhelen;
Mijn oog bleef niet meer droog,
Wijl deze „zeker iemandquot;
Mij zwaar op 't harte woog.
Uit 't volle, rijke leven Zonk hij in 't kille graf;
Of hij wel Hem bemind heeft, Die minnend zich hem gaf? —
Eenzaam, heel in de verte Zag ik een moeder staan:
„Mijn zoon, mijn zoon! hoe kondt gij Voor altijd van mij gaan?quot;
Zij zond wel brief en boodschap In stad en land alom;
Maar ach, men zond niet eenmaal Zijn pelgrimsstaf weerom.
Maar tot het uur haars stervens Joeg nimmer nog de wind,
Sprong nooit de huisdeur open, Of 'twas; „Daar is mijn kind!quot;--
Hoog, aan kristallen stroomen.
Waar d' eeuwge palmen staan,
Daar zie ik hand in hand thans Haar met haar zoonlief gaan.
O, waar maar „zeker iemandquot; Zoo gansch verlaten stierf,
Was 'tdat éen heiige droppel Van 'tbloed den zoen verwierf.
Van Davos over den Flüëlapas naar den Engadin, dat was mijn reisplan op den 3den September 1891. Het weder kon niet schooner zijn. De hemelhooge bergen schitterden als kristallen en het was mij ieder oogenblik, als moesten zij hunne stemmen verheffen en de glorie bezingen van hunnen God.
„Benijdenswaardige!quot; hoor ik roepen. Ja zeker, benijdenswaardig en toch ook niet. Want ik was moederziel alleen. Gedurende den postrit van elf uren in een open wagen was ik bijna steeds alleen, en als ik niet alleen was, dan was het nog erger. De Zwitsersche conducteur, die gewoonlijk zeer net is, zette eerst een zeer vriendelijk gezicht, toen ik een klein drinkgeld in zijne hand liet glijden, maar daarmeê was het verder ook uit; na een poosje gepraat te hebben, ging hij weer heen. In het Indal had ik een tandarts tot reisgezel, die voortdurend zulke gezichten trok, als werden hemzelven tanden geplombeerd of getrokken.
En nu kwam ik in St. Moritz-Dörf 1 i in het hotel Badrust, dat zonder twijfel behoort tot de schoonst gelegene en daarbij meest comfortabele logementen der wereld; maar —! Er was in het geheele huis electrisch licht aangebracht; men had er eene lift, fijne kamers, gemakkelijke bedden, een voortreffelijke keuken, een schare van kruipende slaven van het
102
mannelijk en vrouwelijk geslacht, maar — geene men-s c h e n, tenminste geene menschen voor mij!
Het toilet speelde liier een schrikbarende rol, en waar dit het geval is, heerscht de dood voor de gemoedelijkheid. Er was een internationaal gezelschap: ik kon er ook menschen van allerlei godsdienstige richting onderscheiden. Voor alle dingen wemelde het van Joden, Ijskoud, gelijk wezens van verschillende soort, gingen de menschen elkander voorbij. Blijkbaar taxeerden zij elkaar met een critischen, bijkans vijandigen blik. Niemand sprak een woord met een ander, uitgezonderd kleine groepjes, die bij elkander behoorden; die waren evenwel zooveel te meer uitgelaten. De beschaafde moderne mensch is ontzettend voorzichtig en beangst om met een ander een gesprek aan te knoopen. Eerst als hij aan iemand wordt voorgesteld, opent hij misschien zijn mond.
Men hoorde de meest uiteenloopende talen spreken: Engelsch, Fransch, Russisch, Italiaansch en het minst Duitsch. Sommige Duitschers waren zoo patriotisch. om met hun Fransch te pronken.
Vóór het middageten riep ik, daar er geen waard te zien was, den opperkellner bij mij en verzocht hem, dat hij mij eene plaats zou aanwijzen onder Duitschers. Toen hij mij evenwel mijne landgenooten aanwees, waarbij ik zou geplaatst worden, zeide ik: , Doe het dan liever maar niet; zet mij maar waar ge wilt.quot; Zoo kwam ik te zitten met een jongen Yankee links en een ouden Franschman rechts. De Amerikaan stootte mij tegen de borst. Toen er eene vlieg in zijn waterglas viel en haar jeugdig leven inboette, maakte hij tegenover den kell-ner, die ons bediende, een onzinnig schandaal. Precies alsof die arme man het ongeluk had veroorzaakt. En daarbij at hij zooveel en zoo snel, dat hij reeds voor den derden rondgang, „wegens onpasselijkheidquot; de tafel moest verlaten.
103
Zoo had ik nog éen buurman, den Franzoos, die een zeer aangenaam voorkomen had. Ik wendde mij tot hem met de vriendelijke vraag, ofhij ook Duitsch sprak. (In het Fransch ben ik namelijk maar zwak). Hij antwoordde mij in gebroken Duitsch : „Ik spreek een weinig Duitsch, m a a r ik houd niet van de Duitscher s.quot; Daar had ik mijne bekomst! Natuurlijk waren wij weldra „klaar.quot; Maar ik had onder de rondgangen, die bij het eten nog volgden, gelegenheid en tijd genoeg, om er over na te denken, waarom de Duitschers bij de lieden van andere natiën zoo weinig geliefd zijn. Is het, omdat wij over het algemeen meer geleerd hebben en zij ons benijden? Of is het, omdat wij zoo stijfhoofdig en twistziek zijn ? Of is het, omdat wij sinds 1870 dikwijls een zoo grooten nationalen dunk koesteren en aan den dag leggen'? Of vreezen de andere volken, dat zij door het machtige Germanië zullen opgegeten worden? Of is het een kruis, dat God de Heere ons heeft opgelegd? Ik waag het niet, te beslissen.
Na het eten dronk men in de groote, prachtige hal koffie. Van verre weerklonk betooverende muziek. Schoone dames lieten zich het hof maken. Maar meer nog dan de schoonste dame, werd een voornaam en in alles zeer in 't oog loopend Roomsch-Katholiek geestelijke gevleid. De vrouwen verdrongen zich rond hem, en gelukkig wie een zijner vingertoppen mocht aanraken! Ik, arme drommel, zat daar gansch verlaten. Wat zou men er ook om gegeven hebben als ik gezegd had, dat ik een Evangelisch predikant was? Vermoedelijk zou ik nog verlatener dan verlaten zijn geworden. Ja, het is toch schoon, een eerbiedwaardig prelaat te zijn.
Een slapelooze nacht volgde. De ijle lucht van het zes duizend voet hooggelegen Engadin heeft, niet alleen bij mij, maar ook bij vele anderen, de uitwerking dat zij de zenuwen opwindt. Zoo stond ik den anderen morgen op, mat naar het
104
lichaam en bedroefd naar de ziel. Ach, in dit paradijs, waar alles zoo heerlijk was, ontbrak mij alles, want ik ontbeerde een mensch, die mij, mij persoonlijk, liefhad. Sinds twee dagen had geen mensch een vriendelijk woord met mij gewisseld; niemand had mij, voorzoover ik weet, deelnemend aangezien; niemand had mij gevraagd; „Hoe gaat het met u? Hebt gij goede tijding van huis? Heeft het u gesmaakt? Hebt gij goed geslapen? Waarmee kan ik u verheugen?quot; Neen, niemand vroeg dit, en in het hotel Badrust was ik niets dan ,N0. 27.quot; En toch —! Ja, het is waar, men heeft mij veel gehaat in mijn leven. Maar ik was ook altijd zeer door liefde verwend. Ik was gewoon steeds en overal mij liefhebbend te geven en liefde te ontvangen. Slechts zulk een leven geldt bij mij voor een leven. Misschien zegt menigeen, dat dit meer een vrouwelijke dan een mannelijke en sterke natuur verraadt. Daarover wil ik niet strijden, maar ik geloof toch ook eenige mannelijke eigenschappen te bezitten. Genoeg, ik moet geliefd worden; anders kan mij niets troosten. En juist in de laatste dagen, eer ik naar Engadin reisde, was ik door dierbare vrienden — die ik hiermee over berg en dal heen duizendwerf groet — zóo door zachte, vriendelijke, verstandige en zorgvolle liefde verwend als nog maar zelden in mijn leven. En daardoor was nu de tegenstelling zooveel te smartelijker.
Maar hoe treurig men ook gestemd is, men moet toch — eten. „Eten en drinken houden lijf en ziel samenquot;, zegt men in Bremen. En in dit gezegde is wel iets waars. Daarom ging ik naar beneden om te ontbijten. Alles was reeds klaargemaakt. Maar er was nog slechts é e n persoon, die van de schoone gelegenheid gebruik maakte; dat was de prelaat, over wien ik reeds sprak. Ik dacht: „Misschien —? Misschien is hij iemand voor u,quot; Ik zette mij dus vlak tegenover hem en wenschte hem goeden morgen. Hij bedankte beleefd, zeer beleefd; dat is
105
dus vriendelijk en afwijzend; net als wilde hij zeggen: ,,Hiermee is het nu genoeg.quot; Ten overvloede had hij zijn keurig gebonden brevier naast zijn bord gelegd. Hij keek er soms eens in, maar dit belette hem niet, om met een benijdenswaar-digen eetlust zijn ontbijt te nuttigen. Voor ieder moest het duidelijk worden, dat hij een zeer vroom man was.
Mij bracht het „brevierquot; evenwel op een reddende gedachte. Ik liet mij ook een boek brengen, wel is waar geen gebedenboek, maar de lijst der kurgasten. Ik zou dan nu te weten komen, of er zich onder de talrijke vreemdelingen niemand bevond, die mij bekend en lief was. En ziedaar! Onder „St. Moritz Badquot; stond de naam eener hooggeboren, maar mij zeer bevriende dame, die mij nog maar enkele weken geleden in Bremen had bezocht. En verder onder „Pontresinaquot; vond ik den naam van een mijner dierbare vrienden ,Ds. L. uit Bremen.quot; Snel noteerde ik de hotels, mijn ontbijt was afgeloopen, en ik liet den waardigheidsbekleeder met zijne waardigheid, met zijn brevier en met zijn goeden eetlust, waar hij was, en wandelde naar het blauwe meer, met mijn pelgrimsstaf in de hand. De hoop deed mijne zeilen zwellen.
Spoedig was ik in het hotel, dat ik zocht. Met een bijkans kloppend hart vroeg ik naar mijne vriendin. „Het spijt mij zeer,quot; antwoordde de portier, „maar die dame is eergisteren reeds vertrokken.quot; Als mijn vriend L. in Pontresina was, zou ik mij nog altijd kunnen troosten. Ik nam dus mijne voeten maar weer op en wandelde naar Pontresina. Hemel en aarde hadden hun feestkleed aangetrokken en de streek, waar ik mij bevond, is boven eiken roem der pracht verheven. Maar daarvan wil ik u niets vertellen; deels om de lezers, zooals men dat wel eens uitdrukt, niet te doen watertanden, deels omdat ik er dien morgen al heel weinig acht op sloeg en maar aldoor dacht: „Als L. er nu maar is, en als ik hem maar tehuis tref.quot; Want
106
mijn vriend houdt veel van vroeg opstaan en is een hartstochtelijk bergbeklimmer.
Overigens deed ik onderweg toch een goed werk. Daar ik het besefte, hoe eenzaam toch een eenzame ziel is, nam ik mij ernstig voor, geene gelegenheid ongebruikt te laten voorbijgaan, waarbij ik zulk eene ziel zou kunnen oprichten en troosten.
En misschien was deze gelegenheid reeds gekomen, terwijl ik dit dacht. Aan den weg zat namelijk een jonge Italiaansche vrouw wat uit te rusten. Zij was even vuil als bevallig en zag er even treurig uit als zij bont gekleed was. Teneinde een gesprek te kunnen aanknoopen, vroeg ik haar naar den weg. Zij stond dadelijk op, nam een kleinen zak met aardappelen, die totnutoe naast haar had gelegen, met veel gratie op haar hoofd en zeide, meer m et gebaren dan met woorden, dat zij mijne gids wilde zijn.
Ik zei: „meer met gebaren dan met woorden.quot; Niet dat de vrouw stom was; integendeel, zij was verschrikkelijk bespraakt. Maar het ongeluk was, dat zij nog minder Duitsch verstond dan ik Italiaansch. Maar met goeden wil vermag men veel en wij begeerden inderdaad beiden om ons verstaanbaar te maken voor elkander. Zij had er zóo slag van om met haar vingers, oogen en vooral gebaren te spreken, dat zij best in deze kunst les had kunnen geven. Ik daarentegen kraamde maar wat Latijnsche en Fransche woorden uit.
En zoo vernam ik, dat zij niet, zooals ik dacht, een meisje, maar een getrouwde vrouw was en wel een gelukkige. Dit zeiden mij hare oogen en de levendige bewegingen, die zij met de hand op het hart maakte. Zij heette Octavia en was met haar man voor vier maanden uit Bergamo naar Pon-tresina getrokken. Wat de man daar uitvoerde, heb ik niet kunnen begrijpen, maar wel, dat hij slechts anderhalve lire ')
') Een lire is gelijk aan een franc. De Vert.
107
per dag verdiende. Zij strekte namelijk haar wijsvinger uit en zei: „una lira;quot; daarop toonde zij nog een hal ven vinger. Zij herhaalde deze mededeeling dikwijls en zette daarbij een zeer treurig gezicht, als wilde zij zeggen; Wie kan daarvan leven? En als zij niet loog om mij in te palmen, dan was het inderdaad ook schrikkelijk weinig, temeer, daar Ootavia ook reeds twee kinderen had, wier grootte zij mij bij een kleinen beuk nauwkeurig beschreef en van wier eigenschappen zij met moederlijken trots even onverstandig als geestdriftvol sprak.
Ik moest haar ook van m ij n e familie vertellen. Zij ontzette zich blijkbaar, toen ik haar zeide, dat ik vader was van zeven kinderen. En als men met anderhalve lire daags toekomen moet, dan heeft men tot zulk eene ontzetting ook volle recht.
Daar Octavia zoo vriendelijk jegens mij was, had ik een kwartier lang een gevoel, alsof zij de eerste ziel was in Enga-din, die warm voor mij klopte. En ik ademde ruimer. Iets bedenkelijker werd de zaak reeds, toen zij met nadruk over de geringe verdiensten van haar man sprak. Maar volkomen duidelijk werd mij haar „warme deelnemingquot;, toen ik afscheid van haar nam. Zij maakte namelijk met oogen, mond en handen zulke smeekende gebaren, dat ook een blinde had moeten zien: „Zij wil wat hebben.quot; En zelfs een vrek (en een vrek ben ik. Godlof! niet) zou in zijn zak hebben getast. Ik had mij buitendien reeds voorgenomen, om haar iets te geven. Een half dozijn heette kussen brandde, in weerwil van mijn tegenstreven, weldra op mijne hand. Maar de schoone illusie, dat zich iemand voor mij geïnteresseerd had, was vervlogen; waarschijnlijk toch was het mijn geldbuidel geweest, die haar zoo innemend had gemaakt.
Maar nog bleef de hoop gevestigd op mijn vriend L. Spoedig had ik het hotel E n d e r 1 i n, waar hij woonde, gevonden. Ja, wel het hotel, maar niet mijn vriend! Enkele uren tevoren was hij naar Ghur vertrokken.
108
Of ik ook een traan heb weggepinkt, weet ik niet meer. Maar in elk geval overmande mij nu het bitterste heimwee, toen ik door het ruischende Arvenwoud naar den Morteratsch-gletscher wandelde. Hoe grootsch echter het landschap en hoe treurig mijn hart was, kunnen de lezers vernemen uit het volgende heimweelied, want dit ontstond op dezen tocht.
Daar liggen ze, blij pralend In koningseer en pracht,
De Mortrasch en vasallen.
Met goud en zilver rijk bevracht.
De stroom daaronder klatert.
Terwijl 'tin 't Arv-woud ruischt;
Mijn oor hoort met verrukking,
Hoe der lawinen donder bruischt.
De Bergamasker herder
Speelt op de rots zoo schoon;
Der schapen klokjes klinglen;
't Marmotje voegt daarbij zijn toon.
o. Arme streek, aan d' oever
Der Wezer! — Pover land,
Door velden en langs beemden Vliet zij zoo traag naar 't oeverstrand.
o, Had ik thans maar vleuglen.
Ik vloog met arendsvlucht Naar 'tarme, koude noorden,
Want naar de liefde gaat mijn zucht.
In mijn gemoed blijft ruischen
Des heimwee's melodie;
Dra komt die schoone stonde.
Dat 'k vrouw en kindren wederzie.
In miin gemoed blijft ruischen
Nog dieper heimwee-toon;
Wanneer, mijn God! slaat de ure,
Dat ons omstraalt des Heeren troon?
Er zijn, en dat niet alleen onder de kinderen, ook niet alleen onder de „onbeschaafdequot; raenschen; lieden, die het hart op de tong dragen, die iemand ongevraagd alles zeggen, wat men weten, ja, ook wat men niet. weten wil. Al hunne „geheimenquot;, al hun lijden, al hun gelukkige omstandigheden kramen zij met verwonderlijke eerlijkheid en onbeschaamdheid voor iemand uit, evenals een Joodsch marskramer zijn honderden zaken en zaakjes. Na een half uur van samenzijn kent men hun geheele hart of ook wel hun — gemis aan een hart.
Zoo reisde van Heidelberg naar Bazel een heer met mij samen, die zich een groot-industrieel noemde en het, wat mij betreft, ook was. Want onder deze „grootenquot; schuilen zeer kleinen, en de mijne was een van die kleinen. Vermoedelijk, omdat hij mij eene sigaar had aangeboden (die ik overigens weigerde), meende hij het recht te hebben om maar aldoor op mij los te zwetsen, en hij maakte van dit vermeende recht ook overvloedig gebruik, ik weet niet, hoe het kwam, maar genoeg, hij was te weten gekomen, dat ik een Bremer was, en nu deelde hij mij mede, dat alle Bremers eigenlijk —
110
spitsboeven waren, „de goede niet te na gesprokenquot; voegde hij er met een diep „uw dienaarquot; jegens mij aan toe. Deze voor mij geheel nieuwe bewering grondde hij hierop, dat hij door een Bremer, in wiens huis hij gedurende onze groote tentoonstelling woonde, zeer bedrogen was. „Wasquot;, zeg ik, en hij was het ook werkelijk, tenminste als hij niet — loog. In Stuttgart had hij indertijd zijne leerjaren doorgebracht en de ondervinding opgedaan, dat de tienduizenden, die daar nog trouw ter kerke gaan, allen huichelaars waren. Ten bewijze vertelde hij enkele praatjes over den nu zaligen predikant Von KapfT, den „koning der piëtistenquot;, vertelseltjes, die blijkbaar slechts door de slimste boosheid uitgevonden waren. Toen wij Karlsruhe passeerden, maakte hij de opmerking, dat alle Karlsruhers „flikflooiersquot; waren. „De Karlsruher kent maar éene eer, namelijk die, dat hij bij het hof in goede gunst staat; en om dat te bereiken, treedt hij ook zijn eigen broeder in het vuil der straat.quot; Daar konden de Karlsruhers 't voor-loopig meê doen.
De edele man gaf mij eene courant met een artikel over den rok van Trier. Daarbij maakte hij de liefdevolle opmerking, dat alle Roomsche priesters bewuste bedriegers waren. Blijkbaar was mijnheer dus Protestant, — helaas!
Ik zal de lezers niet vermoeien door hun te zeggen, wat ik dien holschedel heb geantwoord. Het was grof genoeg. Maar dit verhinderde hem volstrekt niet, om verder te zwetsen, want er zijn menschen, die praten moeten ook al zou het hun hoofd kosten. De bewoners van de straks genoemde Duitsche steden zullen het mij zeker niet euvel duiden, dat ik een dergelijk oordeel over hen ter algemeene kennis breng. Ik wilde alleen maar met een sterk sprekend voorbeeld toonen, hoe gemakkelijk het is, om vele menschen te leeren kennen. Ik leerde hier wel is waar alleen, lot welk een uitgebranden krater het menschen-
hart, zelfs het hart van een groot-industrieel, worden kan. En daarvoor zijn nog veel meer voorbeelden bij te brengen. „Hij maakt van zijn hart geen moordkuilquot; zegt men spottend van menschen, die hun hart niet, gelijk een moordenaar zijn kuil, vast toegegrendeld hebben, maar integendeel het wagenwijd openzetten, zoodat ieder, die maar wil, naar hartelust kan zien, wat daarbinnen is en wat daarbinnen omgaat. En dat is dan in den regel weinig genoeg.
Over het algemeen genomen kan men er evenwel zeker van zijn, dat niets zoo moeielijk is als inderdaad de menschen te leeren kennen, om er nu niet eens van te spreken, dat slechts weinige menschen ook maar z i c h z e 1-ven kennen. Het is een gewone uitdrukking, dat mijnheer A., als hij aan mijnheer B. wordt voorgesteld, zegt; „Het is mij zeer aangenaam kennis te maken, mijnheer B.quot; Als ik B. ben, denk ik menigmaal, al naar gelang A. is: „De kennismaking zal ii zuur genoeg bekomen, waarde heer A.quot; Maar de meeste menschen hebben van kennismaking een zeer oppervlakkig begrip. Als zij een half uur met iemand gepraat, eenige gemeenplaatsen besproken, ettelijke beleefdheden uitgekraamd en ten slotte ook een glas of twee met hem gedronken hebben, dan verbeelden zij zich hem te kennen. Door een bruidspaar wordt gewoonlijk voor het huwelijk aan den predikant verzekerd, dat zij elkander grondig hebben leeren kennen. Maar dikwijls hoort de zielverzorger eenige weken na het huwe-welijk, uit den mond der jonge echtelieden zeiven dat zij voorheen elkander toch eigenlijk niet kenden. En zulk een treurige bekentenis komt niet zelden zelfs van de lippen der-zulken, die het twijfelachtig geluk hadden om éen of twee jaar verloofd te zijn.
„Ja,quot; onlangs zeide een oude man tegen mij op zijn sterf bed, „in deze mijn laatste ziekte eerst heb ik ondervonden, wat
112
voor een juweel mijne vrouw is. Ach, had ik dat toch eer geweten!quot;
Kortom, een mensch te leeren kennen is geene kleinigheid. Men moet dus met hoogschatting zoowel als met geringachting voorzichtig zijn. In mijn oude geboorteplaats aan den Rijn zegt men: „Men bedriegt zich nooit meer dan met de mensch en.quot; En dat geldt zoowel in den goeden als in den kwaden zin. Ook de Bijbel geeft ons daarvan vele voorbeelden. Wie toch ter wereld zou achter S a u 1 u s, den woedenden vervolger van de gemeente, den grootsten apostel van Jezus Christus vermoed hebben? En toch was hij in hem verborgen. En wie zou, omgekeerd, achter Judas Iskariot. dien zijn eigen medediscipelen voor een zeer vroom man hielden en wien zij zelfs het beste toevertrouwden, wie zou in hem den verrader van Jezus Christus en het kind des verderfs gezocht hebben? Wie onder al Gods kinderen op aarde zou gedacht hebben, dat de diepgezonken Maria M a g d e 1 e n a, dat de overtuigde moordenaar, die naast den Heiland aan het kruishout bloedde, dat die aan de wereld nog eens als groote heiligen en als echte toonbeelden van boetvaardigheid voor oogen zouden gesteld worden ?
Maar reeds heb ik voorbeelden genoeg bijgebracht. Wat ik zeggen wil, is, dat het zeer moeielijk is, om de menschen te doorzien en hen te leeren kennen; en dat men dus met zijn oordeel niet zoo haastig moet zijn en zoo lang mogelijk het beste heeft te hopen.
Op dien dag, waarvan ik boven vertelde, waarop hemel en aarde er zoo kostelijk uitzagen en mijn hart zoo treurig was, zat ik vóór het restaurant op den Morteratschgletscher. Daar
113
bewoog zich een zeer bont gezelschap, dat af en aan stroomde. De belangen en gedachten der enkele personen liepen blijkbaar zeer uiteen. Hier zit aan tafel een Franschman, die planten verzamelt. Hij is zoo ijverig bezig met het sorteeren en onderzoeken zijner bloemen, dat hij zelfs niet merkt, hoe zijne soep koud wordt. En het helpt ook weinig of niets, dat de kellnerin hem twee, of driemaal aanmaant tot eten. „Ja, dadelijk, dadelijk!quot; antwoordt hij en dit „dadelijkquot; is hij ook dadelijk weer vergeten. De handwerksgezel daarginds, met wien ik kennis maakte, is een schoenmaker, gelijk men zien kan uit zijn onderscheidingsteeken; hij reisde van Milaan over Chiavenne en den Maloyapas naar deze plaats. En hij kijkt de verheven, schitterende bergenwereld zóo verwonderd aan, als wilde hij haar opeten. Hij zeide tot mij: „Ik doe dit reisje voornamelijk ter wille mijner bruid, die thuis is, opdat ik haar veel zou kunnen vertellen.quot; De pakjesdragers verderop, die zooeven met eenige gletscherbestijgers teruggekomen zijn en nu hun loon zullen krijgen, fluisteren met elkander. Blijkbaar wordt hun gemoed thans bewogen door de vraag, of de heeren zich mild zullen betoonen. Ziet dat jonge paar daar in die kleine tent! Ongetwijfeld maken zij hunne huwelijksreis. Zij bekommeren zich om hemel noch aarde, voorloopig hebben zij van beide genoeg, als zij met elkaêr koozen. Deze twee knaapjes, zoowat zeven en negen jaar oud, zijn „in den rouwquot; en toch, naar het blijkt, hemelsbreed verwijderd van alle treurigheid. Niet, dat zij verrukt zijn over liet lieflijke landschap, o. Neen, dat is hun, gelijk bijna alle kinderen, geheel om het even. Hun gansche ziel is vol van het kleine marmotje, dat hier onder begeleiding van doedelzak-muziek wonderlijke sprongen maakt. En zij laten hunne moeder, die blijkbaar eene weduwe is, geene rust; zij moet haar eenzame plaats verlaten, zich met hen verheugen en eenige centen offeren voor den
8
114
•man met den doedelzak. Maar het bleek, dat de moeder -zich niet verheugde, ofschoon zij ter wille van haar kinderen; „o, Hoe prachtig; o, hoe heerlijk!quot; riep. Het stond op het gelaat der schoone jonge vrouw geschreven: „Het liefst wilde ik sterven, dan zou het opeens stil zijnquot;, het arme hart namelijk. De volstrekte tegenstelling met deze levensmoede vroaw schijnt de jonge, reusachtige Schot te zijn, die blijkbaar een grooten bergtoer heeft gemaakt. Als zijn makker hem vraagt of hij ook moede is, antwoordt hij niets, maar heft zijn vriend bijna twee meter omhoog van den grond. Maar welk een hart zou deze Hercules wel bezitten? Zie daarginds die kellnerin. Zij bedient eenige „heerenquot; van gebraad. Maar terwijl zij dit doet, knipoogt zij naar een schoon gevormden jongen man, die aan de overzijde aan tafel zit, en zalft ondertusschen eene dame met de saus, die uit de scheef gehouden kom op haar prachtig kleed vloeit. Toen deze het warme vocht op haar schouder voelde, gaf zij een verschrikkehjken gil, en had men gelegenheid om op te merken, hoe snel een lieflijk vrouwengelaat zich kan veranderen in dat eener furie.
En ik? Ja, wie mijne gedachten oogenblikkelijk had kunnen lezen, zou mij ongetwijfeld voor een ergen materialist of althans voor een lekkerbek gehouden hebben. Ik had namelijk ontbeten en wel voor de tweede maal, want in mijn hotel werd eerst 's avonds om zes uur het .middagetenquot; genuttigd. Ik had gevraagd naar forellen, mijn geliefkoosd gerecht. Ze waren ook te krijgen, maar ze moesten de portie vier francs kosten. Dat was mij als vader van zeven kinderen toch te veel, en ik bestelde wat hoen. Het scheen mij daarbij mijne eer wat te na te komen, om nog eens naar den prijs te vragen. Maar ik nam aan als vast, dat het goedkooper zijn zou dan forellen. En dat had het ook moeten zijn, want het was zoo taai, alsof het voor vijf duizend jaar reeds bij Noach in de ark gekakeld
115
had. Maar misschien moest ik juist den ouderdom betalen; althans, het kostte nog een halven franc meer dan de forellen!
Ik was dus misnoegd. Doch ook slechts een oogenblik. Na vijf minuten was ik reeds weer in een ander stadium. Ik verheugde mij bij het vooruitzicht van de pret, welke de vertelling van dit kleine voorval des spaarzamen huisvaders straks tehuis bij mijn gezin zou teweegbrengen en hoe men dan mij en hoe ik dan mijzelven zou uitlachen. Dat de geschiedenis nog in de reisportretten komen zou, vermoedde ik toen niet, want op reis denk ik maar hoogst zelden aan reisportretten.
Hoe het zij, wie op dat oogenblik, toen ik 4'/2 franc voor eene portie hoen betaalde, mijne gedachten gelezen hod en daaruit de gevolgtrekking had gemaakt, dat het innerlijkste van mijn hart zich bij voorkeur om forellen en kiekens bewoog, die zou Godlof, toch geheel zijn doel voorbijgeschoten hebben. In mijn hart regeerde het heimwee, heimwee naar mijne lieven en nog een hooger heimwee!
III.
De innerlijkste gedachten heeten daarom de innerlijkste, omdat zij zelden aan de oppervlakte worden gezien. Men moet derhalve zijn oordeel niet zoo snel vormen naar datgene, wat gemeenlijk wordt gezien. Men moet dus ook de menschen niet voor zoo aardsch- en wereldschgezind houden, als zij naar buiten schijnen.
Sla maar eens op een hagedoorn en zie, hoe er dikwijls onverwachts schoone vogels uitvliegen. Het is gelijk Rückert zegt:
„Sla slechts met een tooverstaf op de rots van 't hart Want in iedren boezem schuilt voor den wijze een schat.quot;
Ach, de meeste Christenen zijn daartoe in den regel te lafhartig of ook te lui. En toch zou er zoo vaak gelegenheid zijn,
116
om licht en troost te verspreiden. Wie door Gods genade een kind Gods geworden is, die mag en moet in alle nederigheid een hoog zelfbewustzijn hebben. Hij moet weten, dat hij iets heeft en iets te geven heeft, wat der wereld vreemd en toch ieder mensch io de wereld als bloed noodig is. „Gij zijt het licht der wereldquot;; „Gij zijt het zout der wereldquot;, zegt de Heiland. En dat wil niet maar zeggen, dat wij licht en zout zijn, maar dat wij het ook willen zijn. Wij moeten ons licht en zout ook doen gelden en niet heimelijk als smokkelwaar verbergen.
Wel is waar, wie op andere harten wil weiken, die moet niet alleen moed en nederigheid hebben, neen, hij moet ook den noodigen tact van God uit den hemel begeeren. De nieuwsgierigheid mag hierbij volstrekt geene rol spelen, neen, men moet moeten, gedreven door medelijden, lust tot dienen en liefde. Ach, aan dezen tact schort hel zooveel moedigen Christenen, terwijl zij, die den tact bezitten, zoo vaak den moed ontberen. Het was in het Siegerland, dat ik eens het volgende onderhoud bijwoonde. Een leerlooier, die inderdaad met zijn hart geloofde, ging voor een oud heer staan, dien hij voor het eerst van zijn leven ontmoette, en vroeg hem, bijna met het voorkomen van een politiecommissaris: „Mijnheer, zijt ge bekeerd?quot; — „Neenquot;, luidde het scherpe antwoord, „en als ik het ook al zou wagen om mij zoo te betitelen, dan zou ik het u niet zeggen.quot; Daarop antwoordde de leerlooier: „Dan beklaag ik u van harte.quot; — „En ik beklaag u om uw gemis aan tactquot;, zeide de ander weer. Het was van beiden jammer; zij waren, de een zoowel als de ander, oprechte discipelen van Jezus Christus, maar van zijne zachtmoedigheid hadden zij beiden nog wel wat kunnen gebruiken. De hoofdfout lag evenwel bij den vrager. Een Christen mag nooit indringerig en zonder tact zijn.
117
Maar men moet steeds de begeerte koesteren om een onbevredigd hart terecht te helpen. Het is waar, soms vergist men zich deerlijk, als men meent: „Daar hebt gij nu een mensch vóór u, in wien de eeuwige behoefte gewekt is en die naar geestelijken troost verlangt.quot; In Saltzkammergut zat eens een heer tegenover mij, die een eerwaardig, maar — naar het mij toescheen — diep treurig uitzicht had. Hij zuchtte opeens zeer diep. Toen hield ik het niet langer uit en jroeg, vol medelijden: „Mag ik misschien ook weten, waarom ge zoo zucht?quot; Hij glimlachte en antwoordde: „Dat wil ik u met zeer veel genoegen zeggen. Ik zucht omdat het station, waar men een goed glas bier kan krijgen, nog zoo ver weg is.quot; Ik was zeer teleurgesteld. Immers, ik had het dorstende hert verwacht, waarvan Psalm 42 spreekt, en nu —! Nu, het staat natuurlijk niet vast, dat in den man, die nu sprak over zijn dorst naar bier, niet een dorstend hert stak. Maar in elk geval was slechts een zeer ordinaire zinnelijke eigenschap naar buiten getreden. En ik was stom gemaakt.
Ja, zoo kan het iemand gaan. Maar daarom blijft het toch' zoo, dat er veel dorstende herten ronddolen. Ach, ook vele, op wier geschrei niemand acht slaat en naar wier droefheid niemand vraagt en die niemand leidt tot de begeerde bron.
De lezers zullen misschien verwachten, dat ik verder vertellen zal, hoe ik op dien dag een dorstende ziel ontdekte en ze uit de hemelsche bron verkwikken mocht. Maar dat kan ik niet, als ik niets verzinnen wil. En ik wil niets verzinnen. Ik voelde mij, wel is waar, sterk aangetrokken tot die dame met de twee knaapjes en ik zou ook wel een gesprek met haar aangeknoopt hebben, ware ik niet, gelijk ik reeds zeide, op den Morteratschgletscher in mijn geest gebonden geweest en in mijzelven verloren, want ik had het heimwee. Maar ik hoorde, hoe de handwerksgezel, toen hij zich onbespied waande, met
118
warmen toon zong: „Wie op den Tioogen God vertrouwt, heeft zeker op geen zand gebouwden ik zag, hoe de reusachtige Schot, die zoo straks nog op zijne kracht scheen te pralen, tien minuten later een Nieuw Testament uit zijn ransel trok, (of was hel een prayerbook?) zich op een afgelegen rotsstuk neerzette en diep aandachtig las. En ik geloof vast, dat hij mij op dezen ganschen gedachtengang gebracht heeft.
Maar anders heb ik dien dag niets ondervonden. Bij andere gelegenheden heb ik evenwel lieflijke ervaringen opgedaan. Vooral in vroeger jaren, toen ik spraakzamer was en meer ondernemen dorst. Het is treurig, dat men met den toenemen-den ouderdom deels gemakzuchtiger , deels voorzichtiger . en door beide terughoudender wordt. Want men moest toch juist, waar het haar grijst en men zelf niet meer zoo lichtgeraakt is, meer durven wagen. En altijd neem ik het mij ook weer voor, om aan de deur van het hart van onbekende menschen aan te kloppen.
En het is mij ook niet altijd gegaan als bij den „biermanquot;, die er zoo verlangend uitzag en toch maar een zinnelijke behoefte had. Zeer vaak trof ik ook menschen aan, die er zeer wereldgelijkvormig uitzagen en zich zeer modern voordeden, en die niettemin de grootste geestelijke ontvankelijkheid in zich droegen. Slechts éen voorbeeld. Ik zat eens urenlang in den postwagen tegenover eene dame, die buitengewoon koket gekleed was en zich dan ook met haar toilet en allerlei beuzelingen aardig wat werk bezorgde. Niettemin ontwaarde ik in haar gelaat een trek van diepen weemoed. Eindelijk, toen zij wat verloren scheen te hebben en daarnaar zocht, vroeg ik haar even vriendelijk als ernstig en nadrukkelijk: „Mag ik u ook vragen, mevrouw, wat ge zoekt?quot; Zij antwoordde: ,0 p het oogenblik mijn eau-de-cologne-fleschje, maar steeds (en hierbij brak zij in tranen uit) den vrede mijner ziel!
119
Dat kan ik u wel zeggen, want ik heb zooeven gezien, dat gij in het Nieuwe Testament zat te lezen.quot;
Nu waren wij in ons vaarwater. Ik zeg nog dit, dat Filippus op den wagen aan den kamerling uit Moorenland geen beter leerling gehad heeft, dan ik aan de dame op ons gemeenschappelijk reisje. En ik heb goede hoop, dat er iets voor de eeuwigheid uit geboren is.
Summa summarum: „Wat zou daar wel achter zijn?quot; dit moet gij niet slechts vragen, als gij voor een neergelaten theatergordijn zit (zit evenwel liever maar ergens anders!); dat moet gij niet slechts denken, als gij voor allerlei omsluierde eindpunten der aarde staat; dat moet gij niet slechts denken, als eene zee van nevelen een onbekende bergenrij voor u verbergt; neen, vóór alle dingen behoort gij zoo te vragen, als gij staat voor een menschenkind. Wat zou daar wel achter zijn; achter den persoon, die zich aan u voordoet? Gij moogt u niet door kerkelijk of politiek standpunt, ook niet door allerlei wereldgelijkvormige uiterlijkheden, door allerlei beuzelingen of doode gezelschapsvormen laten bedriegen en tot de meening doen brengen, als zou „daar niets achterquot; zijn. o. Geloof, dat er nog meer godsdienst en nog meer begeerte naar vrede in de wereld is, dan de meeste vrome menschen denken. Men moet slechts overal en ter rechter tijd en op de rechte wijze „slaan op den hagedoorn:quot; „Wat zou daar wel achter zijn?quot;
1. DE PREDIKERS ONDER DEN KANSEL.
„Weet gij, dominee, wie de slechtste toehoorders zijn in de kerk?quot; vroeg mij een vroom man, die gaarne critiek oefende. „Nu?quot; Antwoord: „De predikanten.quot; De man, van wien hier sprake is, had, terwijl ik godsdienstoefening hield, achter twee dominee's gezeten. Een van die twee was, zooals spoedig bleek, zelfs een lieve vriend van mij. Met hun beiden hadden zij evenwel bedoelden man geheel van zijne aandacht afgebracht, naar hij klaagde. „Nu eens schudden zij hun hoofd, dan weer knikten zij ten teeken van bijval, een andermaal fluisterden zij met elkander, en soms scheen het zelfs, dat zij verbaasd wilden opspringen. Ik zag hen glimlachen, ik zag hen aanteekeningen maken, ik zag, hoe zij in hun Nieuw Testament zochten, en een hunner bromde bijwijlen als een jonge beer.quot; Dit vertelde mij de man, die overigens niet behoorde of behoort tot de moderne dominee-haters. En als ik de waarheid zeggen zal, ik heb reeds vaker iets dergelijks gehoord. Wat dit geval betreft, ontschuldigde ik mijne collega's door te zeggen, dat zij niet gewoon waren te luisteren en dat men zich op oen vreemde plaats altijd wat vreemd voordoet. Ook vergat ik niet op te merken, dat de heeren toch blijkbaar
121
goed geluisterd hadden en niet hadden geslapen, wat helaas, ook wel voorkomt; voorts, dat zij zeer levendig van natuur waren, en ik in mijne preek allerlei had gezegd, dat hun kon opvallen. En nog veel meer zeide ik ten gunste mijner ambtsbroeders, dat ik, helaas, weer ben vergeten en dat dus niet veel te beteekenen had.
Niettemin is het eigenlijk een zwaar verwijt, als men zegt, dat die menschen het minst stil kunnen luisteren, die toch van hunne toehoorders verwachten, dat zij stille lieden zullen zijn, die onverdeeld hunne aandacht wijden aan wat hun wordt gepredikt, en die hongerig zijn, niet naar de critiek, maar naar het Woord des levens. En nu zouden wijzei ven zulke slechte toehoorders zijn!
Neen, ik kan dat zoo in hel algemeen niet onderschrijven; en ik heb toch ook mijne ondervinding; en ik zelf ben ook niet zoo. Voor niets ter wereld wil ik een Farizeër zijn en ik zal mijzelven niet roemen. Er is dan ook niet op te roemen, maar het is iets, dat vanzelf spreekt, dat ik, als ik naar de kerk ga, dat doe als een arm zondaar, die een straal van Goddelijk erbarmen begeer op te vangen. Critisch, ja, toornig word ik eerst, als de man, die op den kansel staat, inplaats van levensstralen uit Gods heiligdom, allerlei dwaallichten uit zijn eigen brein tevoorschijn brengt.
Overigens kan ik ook uit de eenvoudigste prediking van den eenvoudigsten dorpspredikant gesticht worden, als ik maar bespeur, dat de man voor God gestaan en voor God gebeefd heeft, eer hij den mond opendeed.
De opmerkzame lezers merken bereids, dat ik spreek over d ie preeken, die ik op reis heb gehoord. En om het ronduit te erkennen — hier in Bremen kom ik er maar zelden toe, om eene prediking te hooren. Niet, dat er hier geen voortreffelijke gelegenheid toe zou zijn. Maar ik heb geen tijd voor de
122
gelegenheid, daar ik, trots het Sabbatsgebod en toch in overeenstemming met den wil van den Goddelijken wetgever, niet slechts eiken Zondag zelf prediken, maar ook vele en velerlei andere bezigheden verrichten moet: kinderbijbellezing houden, kinderen doopen, vereenigingen bezoeken, enz.
Zoo behoort het dan tot mijn bijzondere verkwikkingen op reis, dat ik dan Zondag op Zondag onder den kansel van een ambtsbroeder of ook (als het niet anders kan) van een Room-schen stiefbroeder mag zitten.
Het zij mij vergund, de ervaringen mede te deelen, die ik verleden jaar gedurende mijne reis naar Zwitserland als bescheiden, dankbaar en — toornig toehoorder heb opgedaan.
2. EEN ROOMSCHE EN EEN EVANGELISCHE PREDIKING IN ENGELBERG.
Wij zijn in Engelberg, in het door en door Roomsche en toch zoo vriendelijke Engelberg, aan den voet van den Tit-lis. Ik heb reeds in een vorig hoofdstuk melding gemaakt van deze plaats, over het land en de menschen sprekend. Ja, er is maar éen Engelberg en dat draagt zijn naam met recht. En daar was ik. En het heden, waarover ik schrijf, was een Zondag, namelijk de 23ste Augustus 1891. Reeds om zes uur in den morgen deed ik het venster open in mijn keurige woning in het Kloosterhof, want ik had vele plannen. Een jubelkreet ontsnapte mijne lippen, want de schoonste dag lachte mij tegen. De blauwe hemel strekte zich heerlijk uit over de reusachtige bergen, die rondom het klooster liggen. Zij hadden hun schoonste Zondagskleed aangetrokken. In den kouden nacht had het zwaar gesneeuwd. En dientengevolge schitterden heden niet alleen de toppen, die met eeuwige sneeuw bedekt zijn,
123
maar ook in het dal daarbeneden waren de bergen in een sneeuwkleed gehuld. Wel is waar smolt de lieflijke, warme morgenzon ze spoedig weg, maar toch had ik als loon voor mijn vroeg opstaan den aanblik nog genoten. Hoog evenwel boven op de toppen der gletschers, dampten geheimzinnige wolken met haar zilveren randen. De bergen waren als rookende altaren, door den Eeuwige en Volheerlijke zelven in de hoogte gebouwd. En nu weerklonk het heerlijk gelui der kloosterklokken, die men hoog op den Titlis nog kan hooren.
Onwillekeurig vouwde ik de handen. Ja, toen viel het gemakkelijk om met den psalmist te spreken: „Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulpe komt!quot; En mijn bidden werd tot zingen. En ik zong ook: „Dit is des Heeren dag.quot; En dat was het inderdaad. Het zou ook dit geweest zijn, al had ik geene of een slechte preek gehoord hebben. Maar ik zou er zelfs twee hooren, en wel twee goede.
Spoedig zag ik de Unterwaldners in hun meer zeldzame dan smaakvolle dracht naar het dal afstijgen. Daar was geen gemzenpad zoo steil, of toch klouterden ettelijke lieden daarlangs naar beneden. De meeste gingen, als zij het dal bereikt hadden, niet in de herberg, maar naar het kerkhof, dat juist tegenover mijne woning lag. Ik zag, hoe zij bij de graven baden, of ook, hoe zij ze met wijwater besprengden, dat in kleine vaten hier en daar op Godsakker stond. Anderen versierden de versche grasheuvels met bloemen. Het was een poëtisch beeld in den besten zin van het woord.
Thans riepen de klokken der Kloosterkerk voor de laatste maal. En ik haastte mij mede kerkwaarts. Men verwondere zich daarover niet! Ik was geworven. Verene, die mij verzorgde, even vriendelijk als vroom (ik vertelde reeds van haar), werd blijkbaar door een vurigen ijver bezield, om mij voor „de alleenzaligmakende kerkquot; te winnen. Zoo had zij ook op zeke-
124
ren Zaterdagavond, toen zij versche alpenbloemen op mijne tafel zette, zeer beschroomd gevraagd, of ik den volgenden dag den „pater superiorquot; niet eens zou willen hooren. „Hij isquot;, voegde zij er met eenigen trots bij, „een zeer groot en heilig man, die ook vele jaren in Rome heeft doorgebracht.quot; Ik veroorloofde mij de opmerking, dat het mij wel verwonderde, dat hij niet verdorven was, als hij zoo lang in Rome had gestudeerd. Het meisje nam mij dit bijna kwalijk, maar werd verzoend, toen ik zeide, dat ik in weerwil van Rome op haar woord den pater wilde hooren.
Ik ging er dus heen. Was het 7 of 8 uur? Ik weet het niet meer. Onder in de huisdeur stond „toevalligquot; (?) de eenvoudige oude moeder en vatte den ketter, dien zij evenwel, naar het bleek, ook al was het goddeloos, liefhad, moederlijk bij de hand en zeide met een zachte stem: „Beste dominee, niet waar, alles komt maar aan op de gelatenheid van gemoed en de kruisiging des vleesches? God geve u vrede en stichting bij de godsdienstoefening!quot;
Ik dankte haar. Misschien vreesde de goede ziel, dat ik meer uit nieuwsgierigheid dan uit honger naar hare kerk ging. En inzooverre had zij recht, als ik van de Roomschen niet veel verwacht, en een pater superior en alles, wat maar superior is, mij van meetaf ietwat verdacht voorkomt.
Ik kwam nog vroeg genoeg in de reusachtige kerk, om een goede plaats tegenover den kansel te krijgen. Geen enkele bank was er verhuurd. Het orgelspel was zeer liederlijk en hoorde eer thuis op eene kermis. Doch ik stichtte mij voor-loopig maar door de kostelijke schilderijen aan den muur, die van Deschwand en andere meesters waren, in oogenschouw l.e nemen, beelden, die saam alleen de groote daden Gods in Christus- en de groote wonderen, welke de Heiland heeft verricht, voorstellen. Spoedig vulde zich het groote Godshuis tot
123
het laatste plaatsje toe. Er waren vele Protestantsche kurgasten in de kerk. leder verwachtte iets bijzonders.
Toen het orgel verstomd was, begon een verbazend klein kinderkoor het feestlied te zingen. Van een gezang der gemeente was nu noch later sprake. Dat was een smartelijk gemis. Ik was dien morgen zoo uitnemend gestemd om te zingen.
Ondertusschen had de broeder Benedictijner, de genoemde pater superior, den kansel beklommen. Het was een man van beduidenden omvang in lengte en breedte. Hij had een leelij-ken mond, dikke wangen en een bijna vierkant gezicht, dat echter hoe langer hij sprak, des te meer in geestdrift geraakte. De doordringende oogen schoten bliksemstralen, en dat wel het sterkst, als hij ze, wat dikwijls geschiedde, voor eenige seconden had gesloten.
Hij las eerst met grooten eerbied en zeer langzaam een gebed voor, doch sprak met zoo zachte stem, dat ik er maar weinig van begreep. Maar zooveel verstond ik wel, dat zeer dikwijls van de verdienste van Christus sprake was.
Nu eerst wendde hij zich tot de gemeente: „In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti. Nemo potest duobus dominis servire.quot; Daarop nam hij een heerlijk versierd Evangelieboek vol eerbied, als met bevende hand, vast, kuste het, opende het en las het Evangelie voor dien dag (Matth. 6 : 24 v. v.), welks grondgedachte — „Niemand kan twee heeren dienenquot; — hij tevoren reeds in hel Latijn had bekend gemaakt. Nu echter las hij Duitsch en duidelijk en zoo schoon en zinrijk, als ik nog maar zelden heb hooren lezen. Daarop kuste hij het heilige boek weder en legde het terzijde. De gemeente werd nu verzocht een stil gebed te doen, „wantquot;, zoo zeide de pater, „mijne lippen en uwe ooren zijn zonder' bijstand des hemelschen Geestes volstrekt onmachtig en onwaardig, om van deze groote dingen te spreken of te hooren.quot; leder boog zich
126
dan ook biddend neer. Tenminste, er onstond een bijna huiveringwekkende stilte in de groote, volle kerk; men zou het gonzen eener mug hebben kunnen hooren.
Thans hief de pater zich van zijne knieën op. Hij zag er uit als een krijger, die wilde komen aanstormen. En hij kwam ook werkelijk aanstormen. Wel is waar had de aanspraak: „In Jezus en Maria, geliefde toehoorders!quot; voor mijn Protestantsch oor iets kwetsends. En dat de apostel Petrus, zoo dikwijls zijne woorden aangehaald werden (en dat gebeurde vaak), steeds „d e eerste pausquot; heette, kwam mij tengevolge van mijne kennis der kerkgeschiedenis min of meer komisch voor. Ook kon ik het met den pater niet eens zijn, toen hij beweerde: „Wie ooit Maria recht diende, die heeft ook steeds God recht gediend.quot; Men zou daaruit de gevolgtrekking hebben kunnen maken : „Dien slechts Maria, dan is alles in orde.quot; Maar, zooals wij spoedig zullen zien, de pater zelf maakte deze gevolgtrekking niet.
Nu heb ik hiermeê ook alles opgesomd, wat mij in de heele preek; die ruim 50 minuten duurde, aanstoot gaf. Maar wilde ik alles noemen, waardoor ik gesticht werd, dan moest mijn verhaal hieromtrent veel langer worden dan het worden mag. Ik wil dus in het algemeen maar zeggen, dat de preek niet slechts met vuur en geestdrift uitgesproken werd, maar dat zij ook naar haar inhoud door en door Evangelisch was.
Ach, op maar al te veel Evangelische kansels klinkt niet zooveel Evangelie. Hoe gaarne had ik bijvoorbeeld den „gereformeerdenquot; dominee, dien ik veertien dagen later in Engadin hoorde, eenige veders uit den vleugel van den Benedictijnschen adelaar gegeven! En anderzijds, hoe gemakkelijk zouden de g e-1 o o v i g e Protestanten het eens zijn met de mannen van de Roomsche kerk, als dezen altijd maar d a t en altijd maar zoo spraken, wat en gelijk deze monnik sprak. Maar inderdaad, dan zou Rome ophouden Rome te zijn.
127
Maar dat moet ik zeggen: de Benedictijner in de Engelberger Kloosterkerk heeft mij dien 23ston Augustus 1891 uitnemend gesticht. Ik zou hem na afloop van de preek gaarne de hand gedrukt hebben, had ik niet gevreesd, dat hij, na zoo vriendelijke begroeting door een ketter, voor zichzelven terugschrikken zon en vragen; „Wat heb ik dan verkeerds gezegd?quot;
Ik zal slechts zeer beknopt den gedachtengang der preek weergeven: le. Wij zijn reeds door de schepping en nog meer door de verlossing Gods eigendom. Wij ontstelen dus Gode onze zielen, als wij een anderen heer dienen, hij mag mammon heeten of wellust, brandewijn of wereldsche eer. 2e. God te dienen is de hoogste eer. Ach, de meeste menschen zoeken hunne eer in de schande. Maar wie God dient, wordt waarachtig geadeld en doordrongen van een geest van edele vrijheid. 3e. God loont, tijdelijk en eeuwig, diegenen, die Hem in eenvoud dienen. Wat kan daarentegen de arme duivel ons geven? Hij heeft niets en liegt ons maar wat voor. Maar innerlijk geluk en stille tevredenheid zijn reeds hierbeneden op aarde het loon van hen, die den Heere dienen. En daarbij komt de heerlijkheid hiernamaals, die heerlijkheid, welke eeuwig blijft!
Deze grondgedachten werden overal met rijkelijke en uitnemend gekozen Bijbelplaatsen en voorbeelden uit de Schrift opgehelderd. Maar ook de voorbeelden uit het dagelijksche leven ontbraken niet. Zoo vertelde de pater met veel gevoel van eene dienstmaagd, die 37 jaar lang hetzelfde huis trouw en onbaatzuchtig gediend had en daardoor langzamerhand van eene dienstmaagd een kind des huizes was geworden. Hij toonde aan, dat deze dienstmaagd den hemelschen Heer gediend had, terwijl zij heur aardschen meester diende. Hoe gaarne had ik den monnik dat fijne gezegde van Luther in de ooren gefluisterd: „Nog nooit is eenig priester zoo heilig ge-
128
weest als mijn oude Lljsbeth met haar bezem.quot; Maar de kansel was te hoog en misschien zou de goede pater ook niet gaarne een woord van Luther gebezigd hebben. Doch het zou zeker van pas geweest zijn en ook den toehoorders wel vreugde veroorzaakt hebben. En Luther zou zich verheugd hebben in heel deze prediking, gelijk hij, die dit schrijft.
Ook het slot der prediking sluit ik van deze erkentenis niet uit, ofschoon dit een volstrekt Roomsche kleur had. De pater stelde ons namelijk de zes „ heiligen11 voor oogen, aan wie de volgende werkdagen hunne namen ontleenden. „Morgenquot;, zoo zeide hij, „is de dag van den heiligen Bartholomeus; aan hem kunt gij zien, wat het beteekent, den Heere in den hemel te dienen. Hij heeft zelfs in een bitteren marteldood zijn leven voor den Heiland gelaten.quot; Op dergelijke wijze werden nu Lodewijk de Heilige van Frankrijk, St. Augustinus, Johannes de Dooper, enz. (de andere „heiligenquot; weet ik niet meer) met enkele forsche trekken geteekend als menschen, die in hun leven hebben bewezen, wat het zegt é e n e n heer te dienen en wel met het gansche hart. Zoo wijdde de pater de geheele week en richtte de oogen zijner hoorders voor eiken dag naar een groot en verheffend ideaal heen. Een hel stralend licht werd over eiken dag der arbeidsweek uitgegoten. Dit was zeer indrukwekkend en stichtelijk.
Nog lang was de pater niet ten einde met zijne rede, toen een priester met tamelijk veel drukte op de doopvont toetrad om het water te wijden. Een ander lichtte het gordijn op, dat tot op dat oogenblik het koor — bijna had ik gezegd: het allerheiligste — afgesloten had gehouden. Mij scheen dit zeer onachtzaam tegenover den prediker. Deze liet er zich evenwel niet door van de wijs brengen; hij was het zeker zoo gewoon. Men ziet echter, dat de verkondiging van Gods Woord voor de Roomsche Kerk niet het eerwaardigste is.
129
Met moeite drong ik door de menigte heen, die nog op de hoogmis en de beroemde kerkmuziek wachtte, naar den uitgang. Maar in weerwil van mijn ernstige gedachten moest ik toch bijna lachen, toen ik aan een pilaar van de anders zoo waardig versierde kerk een klein schild zag, waarop te lezen stond : „Ik betuig den heiligen Jozef m ij nen zeer beleefden dan k.quot; Hoe de brave man heette, die in dat „ikquot; stak, en wat voor aanleiding de heilige Jozef gegeven had om dit te zeggen, weet ik niet. Maar het klonk mij zoo onuitsprekelijk komisch, precies als een kompliment in een gezelschap. Maar het klonk mij ook als een hoon en smaad op het zooeven gehoorde, waardoor zoo krachtig was aangespoord tot de overgave aan den eenigen God en Heiland.
Dat is overal het treurige in de Roomsche kerk — dat mengelmoes van het Goddelijke en het wereldsche, van waarheid en leugen, van echte, diep mystieke vroomheid met kras bijgeloof eenerzijds en duister fanatisme anderzijds. Van dit afschuwelijk fanatisme zou ik nog op deze zelfde reis ondervinding opdoen. Van den belachelijken Mariadienst spreekt een kerkje bij Engelberg door zijne beelden en inschriften met eene duidelijkheid, die de haren ten berge doet rijzen. Ik beveel allen Protestanten, die lijden aan ideën, welke naar het Roomsch-Katho-licisme neigen, een bezoek aan deze kapel aan. Ze ligt in het Horbisdal, aan het ,einde der wereld.quot; Ik verhaalde daarvan reeds in een vroeger hoofdstuk.
En wat de bedriegerij der „massaquot; door de kerk aangaat, zoo moet men slechts aan de tentoonstelling van den „heiligen rok van Jezus G h r i s t u squot; in Trier denken, waardoor bijna twee millioen menschen naar die oude stad gelokt zijn, en dat in het 1891sle jaar na Ghristus' geboorte! En waarom ? Om er eens de proef van te nemen, hoe men de massa's beheerscht en wat men van hen eischen kan. Wereld-
9
130
heerschappij is alpha en omega van de zaak, En aan de massa's, die zich gewillig laten leiden, biedt men daarvoor dan alles aan: een luisterrijken godsdienst, allerlei wonderen, reli-quieën en heiligen zonder tal, aflaat, zeer gemakkelijke voorschriften des levens, zielmissen na den dood, zeven sacramenten in leven en sterven. Men biedt ook voor hen, die zulks verlangen, het zuivere Evangelie aan. Hoe de vrome zielen dit rijmen met al die andere beuzelingen, dat is hunne zaak. De zuivere harten onder de Roomschen, die dieper gevoelen, houden zich dan aan het Evangelie; zij laten het bijwerk bijwerk en de beuzelarij beuzelarij. Dat deze harten ook gevoed worden, had ik heden in Engelberg ondervonden.
En ach, in de kerk des Evangelies worden de Godzoekende zielen niet overal gevoed. Helaas! Ook in Zwitserland niet, om thans ter wille van de liefde niet te spreken van Duitsche plaatsen. Men kan in Zwitserland vaak Evangelische „godsdienstoefeningenquot; bijwonen, na welke de een (niet zonder zeker recht) tot het besluit komt: „Voortaan betreed ik geene kerk meer;quot; de ander: „Ik ga over in het Roomsche legerkamp.quot; Zoo was ik dan ook bang op dien bewusten Zondag in Engelberg, toen ik mij, een uur na afloop der kloosterpreek, op weg begaf naar de Evangelische kerk. Maar Godlof! Ditmaal zou de smart mij gespaard blijven, dat de Roomsche priester het brood Gods, de Evangelische predikant daarentegen stroo opdischte. Al aanstonds was het mij eene voldoening, dat de wel kleine, maar verrukkelijk gelegen Evangelische kapel tot op het laatste plaatsje gevuld was. Dit maakte reeds een goeden indruk en verwekte vroolijke hoop. In het heelal weten de vogeltjes hun voeder te vinden, en waar niets te halen is. daar trekken zij ook niet heen.
Buitengewoon weldadig werkte al dadelijk bij den aanvang het krachtige algemeene koraalgezang, dat een jonge
131
dame begeleidde op het harmonium. Zoo kwam toch mijn zanglust ook nog tot zijn recht. Het beste evenwel was de prediking, die een goed onderlegd predikant uit Zuid-Duitsch-land hield. Hij handelde van de navolging G h r i s t i, en wel 1quot;. hoe moeilijk, 2quot;. hoe zalig zij is. Ik zal daar verder niet over uitweiden, want naar ik hoop hooren zeer vele lezers alle Zondagen eene prediking van dergelijk gehalte. Kortom, het was in ons kerkje een echt Evangelische godsdienstoefening van de beste soort.
Zal ik dezen prediker vergelijken met dien in de Kloosterkerk? Nu, dan sprak mijn ambtsbroeder meer voor reeds bekeerde of toch verwakkerde, minstens voor reeds zoekende menschen. De Benedictijner daarentegen scheen al zijne toehoorders als dezulken te beschouwen, die nog onbekeerd waren en midden in de keuze tusschen God en den duivel stonden. De Protestant sprak inniger, ging dieper en gaf een grondige tekstverklaring. De monnik was meer bespraakt, practischer, plastischer, meer populair. In summa: met hun beiden zouden zij een fijn span gevormd en elkander voortreffelijk aangevuld hebben.
3. IN HET ZW1TZERSGHE PARIJS EN IN ENGAÜIN.
Acht dagen nadat ik op éen morgen die twee preeken gehoord had (en dat nog in het verleidelijk schoone Engelberg) — acht dagen later zat ik in de Frauenmünsterkerk te Zurich. Ik moet bekennen, dat ik te laat kwam. De portier in het hotel Baur, die terloops opmerkte, dat dit in dezen zomer de eerste maal was, dat een Protestant hem naar den kerktijd vroeg, had mij verkeerd ingelicht. Beeds was de tekst afgelezen, toen ik binnenkwam, en, zooals vanzelf spreekt, bleef ik heelemaal achterin, om geene stoornis teweeg te brengen. Jammer genoeg, dat ik daar achter zoo weinig verstaan kon.
132
Wat echter de eerwaardige, zilverharige grijsaard, die op den kansel stond, tot in mijn oor bracht, was van dien aard, dat ik daaruit liet meest gunstig besluit trok voor wat ik niet hoorde en mij dus verborgen bleef.
De prediking scheen mij evenwel — evenals zoovele Prote-stantsche preeken — niet genoeg op het volk aangelegd, niet opwekkend, niet pakkend genoeg. De jongelui, die ik zag, keken dikwijls op hun horloge en zetten onnoozele gezichten. De soldaten, die in de kerk gecommandeerd en „natuurlijkquot;, evenals ik, op den achtergrond geplaatst waren, sliepen bij heele rijen den „slaap des rechtvaardigen.quot; Misschien sterkten zij zich tegen de vermoeienissen, die dadelijk daarop volgden. Want (en dit zeg ik met droefheid) een uur later vond ik hen in de nabijheid van de stad in vollen arbeid. Toen ik voorbijkwam, was het juist inspectie der geweren en ettelijke officieren vloekten al heel on-Zondags in het rond. In Zwitserland schijnt de hooge regeering nog minder dan bij ons te weten, waartoe de Zondag er is. Ik had totnutoe steeds gedacht, dat men in eene republiek humaner handelde met de menschen dan in een monarchischen staat, maar nu —! Of gelooven de veldmaarschalken, dat de kogels van de geweren, die 's Zondags geïnspecteerd zijn, beter treffen? Maar ik dwaal heelemaal af van mijne mededeelingen over preeken en meng mij in militaria. Nu, wie weet, waar het goed voor is.
Doch terug naar de Frauenmünsterkerk. In elk geval was de kerk hier goed bezocht. En bij het uitgaan zag men het velen gezichten aan, dat zij van boven waren toegeademd.
Daarentegen heb ik op mijn derden vacantie-Zondag in A. (ter wille van de liefde noem ik de plaats niet), een liefelijk gelegen plaats in Engadin, eene „godsdienstoefeningquot; bijgewoond, waardoor mij de gansche ellende van een Protestantisme, dat het Evangelie mist en dus ontaard is, voor de ziel trad.
Het was een klein, armelijk, kaal, gereformeerd kerkje, waarvan ik spreek. Aan de wanden las men hier en daar geel geworden Romaansche inschriften. Ik kon ze niet lezen, daar ik geen Romaansch ken. Laat ons aannemen, dat het goed gekozen Bijbelwoorden waren. Iets van smaak was er in de kerk niet, tenminste als men daartoe niet rekent een ouderwetschen zandlooper, die evenwel nog goed werkte. Deze stond op den kansel en gaf ons de troostrijke verzekering, dat hij te zijner lijd de al te vurige bespraaktheid van den prediker zou beteugelen.
Ik zeide, dat de kerk klein was, maar ik wil er dadelijk bijvoegen, dat zij nog veel te groot was. Ik telde drie en twintig personen, den dominee niet, maar zijne familie en den koster wel medegerekend. De gemeente telde echter bijna duizend zielen en er waren ook vele Evangelische vreemden daar ter plaatse. Het „publiekquot; bestond meest uit zeer eenvoudige lieden, die spoedig na het gezang aanstalten maakten om te gaan slapen en dan ook werkelijk sliepen. Zij konden dus van de preek noch voordeel noch schade hebben. En dat was in dit geval een voordeel, gelijk wij spoedig zullen zien.
Het scheen mij toe, dat de meeste menschen ter wille van eene doopsbediening tegenwoordig waren, want toen de veelbelovende, schreiende bondgenoot binnengedragen werd, bemerkte ik, dat de menschen werkelijk oogen om te zien en halzen om te rekken hadden. Ik mag echter niet verzuimen op te merken, dat ook een Engelsch geestelijke in de kerk verdoold geraakt was. Verder zette zich naast mij een heer, met wien ik voor twee dagen in een open postkales door het Inndal was gekomen. Het viel mij op dat jong en oud, voornaam en gering, dezen man, die er toch voornaam noch ook eerwaardig uitzag, zeer eerbiedig groette. Ik dacht: wie zou dat toch zijn? Maar ik kon er niet achter komen. Toen wij evenwel uit
134
de kerk gingen , verbrak ik den ban en stelde mij aan hem voor; hij deed daarop desgelijks: „Tandarts P.quot; Dus de tandarts voor Engadin! Ja, nu ging mij een licht op, waarom ieder hem zoo hoog eerde, want hoe kan een tandarts iemand kwellen als hij wil! En daar moet men zelfs nog voor betalen.
Genoeg over hel publiek. Ik moet nu alleen nog opmerken, dat ik dien Zondag volstrekt niet, gelijk oppervlakkige lezers zouden vermoeden, in een knorrige stemming verkeerde. Neen, neen, zoo slecht ben ik toch niet. Over 't algemeen ben ik hoogst zelden in een knorrige stemming, maar het allerminst wanneer ik ter kerk ga. Maar de omstandigheden kunnen mij in een knorrige stemming brengen. En in dit geval deed de prediker zulks. Daarom spreek ik ook zooveel over het „publiekquot; en wil ik ook nog opmerken, dat er geen orgel was eu alzoo organist en trapper meê ontbraken. Daarentegen bespeelde een liefelijke jonge vrouw het harmonium.
Met een beklemd gemoed kom ik thans tot den predikant. Ik moest mij reeds ergeren over de onnauwkeurigheid. Het gelui der klokken begon eerst zeven minuten na den aangekon-digden tijd en toen duurde het nog minstens vijf minuten, eer de eerwaarden binnentraden. De predikant was nog een zeer jong en bevallig man, die in al zijn doen veel moed en zelfvertrouwen aan den dag legde, — helaas, zonder dat hij er oorzaak toe had. (Ach, wie ter wereld zou daartoe ook oorzaak hebben, als hij den kansel betreedt?)
Ik wil thans niets zeggen van het slechte, sleepende zingen; ik wil niet klagen over het gemis van alle liturgie, niet klagen over het, voor mij althans, smartelijk gemis van een vrij gebed. Misschien volgde mijn ambtsbroeder in dit alles slechts eene orde of onorde, aan welke hij zich gebonden achtte!
Maar ik ontzette mij, toen de jonge man zijn tekst las, n.1. Jozua 10 : 12—14 („Zon, sta stil te Gibeon, en gij maan,
135
in het dal van Ajalonquot; enz.). Ik ben een volstrekt tegenstander van den pericopendwang. Maar op dien bewusten Zondag zou ik ondervinden, tot welke dolheden toch ook de tekstvrijheid kan leiden. Ik maakte noch maak den prediker daarvan een verwijt, dat hij de geschiedenis, zooals zij daar staat, niet w o o r d e 1 ij k kon aannemen. Dit is bij vele beslist ge-loovige en diep ingeleide Christenen het geval, ten minste bij hen, die eenig inzicht hebben in het wezen van het planetenstelsel en die dus weten, wat dat beteekent, als de zon een dag lang stil zou staan of, beter gezegd, als de aarde in haar snellen loop vier en twintig uren werd gestremd en alzoo de zon zou s c h ij n e n stil te staan. Dit zou ongetwijfeld eene ineenstorting van het gansche heelal beteekenen. Daarom zeggen ook geloovige Christenen, dat men moet aannemen, dat God de Heere door een of ander wonderlijk lichteffect den bewusten dag op overeenkomstige wijze heeft verlengd.
Dit laat ik rusten. Hoe dit zij, ik heb in de een en dertig jaren, dat ik predikant ben, nooit gewaagd dezen tekst te kiezen. Maar ik beweer, dat men eene Bijbelplaats, wanneer men ze niet zóo kan aannemen als zij daar staat, moet laten waar ze is, en de toekomstige verklaring moet afwachten, maar in elk geval er niet over moet prediken.
Dat mijn jonge, drieste ambtsbroeder dezen tekst koos, daarvan maak ik hem in de eerste plaats een verwijt. En nu, wat maakte hij ervan? Vooreerst vertelde hij ons dat de natuurwetten haar vasten, geordenden loop hebben en dat alzoo alle gebed met betrekking daarop ijdel en dwaas is. Wij hadden het immers nog dezen zomer ondervonden. Hoeveel was er gebeden tegen het onweder, maar het had niets geholpen. En Lij slot van rekening was het ook goed en heilzaam, dat wij, kortzichtige menschen, den Heere God niet zoo maar konden commandeeren. (Alsof de rechte bidder niet, zoo vaak hij om
136
aardsche dingen bidt, steeds daaraan toevoegt: „Niet mijn, maar uw wil, o Vader, geschiede!quot;)
Zoo benam de jonge man zijnen toehoorders, die tot hun geluk meest sliepen, koelbloedig de blijmoedigheid tot het gebed. Men kon uit zijn betoog slechts deze gevolgtrekking maken, dat men in betrekking tot aardsche omstandigheden volstrekt niets van God mag afbidden. 0, dacht ik, gij arme man, als nu morgen uw lieve, jonge vrouw eens doodkrank neerlag, zoudt gij dan toch niet, als bij instinct, op de knieën zinken en met smeekende stem tot God om hulpe schreien? En of dan dit instinct hem niet beter en zekerder leiden zou dan zijn oppervlakkige kennis van de natuurwetenschap ? Genoeg, de prediker deed alles, om ons van het gebed afkeerig te maken, van het gebed in het algemeen, want hij dacht er niet aan om ons te zeggen, dat op geestelijk gebied de verhooring zooveel zekerder is.
Maar door de manier, waarop hij dit gedeelte des Bijbels behandelde, randde hij ook geheel en al de autoriteit der Heilige Schrift aan. Hij was blijkbaar van meening, dat de wonderverhalen des Bijbels alle verdicht waren.
Ten derde maak ik er hem een verwijt van, dat hij aan zijn tekst allerlei gedachten vastknoopte, die met de stilstaande zon al even weinig te maken hebben als de reis om de noordpool met het tabaksmonopolie van Perzië. Nadat hij namelijk de „geschiedenisquot; grondig afgehandeld had, haalde hij uit de brokken den „ideeënrijken kern.quot; Ja, als het maar een kern geweest was! In elk geval had hij aan duizend andere plaatsen in de Schrift beter dan aan deze tekstgeschiedenis datgene kunnen vastknoopen, wat hij ten beste wilde geven. Verneemt de groote wijsheid! „De zon is het teeken van den dag, de maan dat van den nacht. De dwaze menschen spreken steeds: „Zon, sta stil!quot; en meenen daarmee het aardsche
137
geluk, dat zij aan hun levensweg verbinden willen. De waarachtig vromen echter bedenken slechts dit, dat zij juist God in het har!: dragen, zich in het onvermijdelijke schikken en mild gezind zijn jegens hunne medemenschen. Zoo blijven zij dan in de zon en de zon blijft bij hen. De maan daarentegen, als teeken van den nacht, van het ongeluk, bannen wij, als wij nederig bedenken, dat de Christen door den nacht tot het licht moet heenschrijden.
Dat was de kern: de kern, die geene kern was. In de gan-sche prediking geene gedachte uit de wereld der eeuwigheid; geen woord, dat hemelwaarts wees. Geene aanwijzing daarvan, dat er voor arme zondaren een Heiland en Redder is.
De kunstigheid, waarmee mijn ambtsbroeder zijne „gedachtenquot; uit de arme zon had gesponnen en gepeinsd, verwonderde mij. Nog meer verwonderde ik er mij over, dat hij zijn zeldzame preek van buiten had kunnen leeren. Hij had zich inderdaad (en dat zeg ik in zijn voordeel, en men kan dat, helaas, niet steeds van ieder geloovig predikant zeggen), hij had zich er veel zweet voor' getroost en veel olie over zijnen arbeid verbrand. De rangschikking der stof en de stijl waren voortreffelijk; slechts was de laatste niet populair, misschien omdat de populus ontbrak. Ook droeg de man zijne nieuwigheden met eene geestdrift voor, die een betere zaak waardig was geweest.
Toen hij zag, dat de reeds genoemde Engelsche geestelijke en ik aanteekeningen maakten, steeg zijn ijver op bijkans zorgwekkende wijs. Of hij vermoedde, dat wij critiek oefenden ? Ik weet het niet. Hoe dit zij, ik schreef over zijne preek niet veel, maar (de lezer veroordeele mij niet!) ik maakte slechts een klein gedichtje af, waaraan ik een half uur tevoren begonnen was.
Vóór het hotel namelijk, waarin ik logeerde, was in eene kooi een reusachtige adelaar te zien. Ik had hem, eer ik ter kerk ging, een bezoek gebracht. Hij, de adelaar, was even-
138
wel zoo onbeleefd, om maar aldoor naar het hooggebergte uit te kijken en mij geen blik te verwaardigen. Dat evenwel imponeerde mij juist en wekte mijne geestdrift op. In de kerk hoopte ik dan ook een adelaarsgeest te vinden, die zich zou wenden naar de eeuwige Zon en de bergen der hulpe (Psalm 121); maar ik vond slechts een man, die over de zon van Gibeon een weinig beuzelde. Maar opdat er in deze mededeelingen omtrent preeken eens eenige afwisseling kome, ben ik zoo vrij, mijn klein gedicht hier te laten volgen.
4. DE GEVANGEN ADELAAR.
Treurende aadlaar, die in 't kootje
Nauw de vleugels roeren kunt,
Kop en vlerken laat ge hangen,
Wijl men u geen vrijheid gunt.
Wiegdet ge eens in 't blauwe luchtruim
Met uw trotschen vleugelslag,
Leerdet ge uwe jongen vliegen Waar des afgronds diepte lag, —
Thans ziet vol van medelijden Elke vreemdling op u neer:
„Of gij nog wel ooit in vrijheid Vliegen zult, gelijk weleer?quot;
Maar uil uwen kerker loert gij
Steeds naar gindsche hoogten heen.
Waar, bij 't zilver van de gletschers.
De eerste dag u eens bescheen.
De ijdle wereld ziet met deernis
üp de Godgetrouwen neer; „Wat gij droomt van eeuwig leven, Wat de hoop u ook vermeer'.
139
't Is slechts hersenschim en droombeeld;
Eeuwig blijft uw hemel ver.
Wat hier uitbloeit, moet verrotten;
Over 't graf, daar licht geen ster.quot;
Laat haar spotten! Nochtans leeft een
Aadlaarsgeest in mijne borst;
En er blijft, trots mijnen kerker.
Naar de vrijheid steeds een dorst.
Gij, o Vader aller geesten,
Gaaft mij de eeuwigheid in 't hart En Gij richttet mijn geloofsblik Naar uw troon, bevrijd van smart!
Laat, o laat mij niet verzinken,
Godslam, eens voor mij geslacht! Leid mij tot de bron des levens. En als 't zijn kan — teer en zacht!
5. DE PRIESTER EN IK IN HET INNDAL.
Dat ik met een treurig hart uit mijne „zon- en maanpreekquot; kwam, zullen de lezers licht gelooven. Een stroom van men-schen kwam juist uit de naburige Roomsche kerk, en zij waren blijkbaar op hunne wijze bevredigd; dat zag men hun wel aan. In het voorbijgaan trad ik een prachtige kapel binnen, waaruit mij een krachtig lofgezang had tegengeklonken, dat in driekwartsmaat en een snel tempo werd gezongen. Het was de Engelsche kapel, die propvol was. Godlof! de velen, die hier zaten, waren toch ook Protestanten.
Spoedig daarop wandelde ik eenzaam in het heerlijke Inndal, naar C e 1 e r i n a. God de Heere zorgt er nog steeds voor, dat
140
hongerige harten hun voedsel krijgen. Had de dominee al niet gepreekt zooals gepredikt moest zijn, toch had de adelaar in het hotel X. mij een geloofslied zonder woorden voorgezongen. En nu stond ik voor een huis, welks opschrift mij diep roerde en mijn gemoed hemelwaarts richtte. Dit opschrift luidt aldus :
„Keer in tot mij en blijf alhier,
Zoolang 't u vreugd kan geven ;
Bedenk nochtans, dat zijn geteld De dagen van uw leven.quot;
Het is steeds nuttig, deze vermaning te hooren. De lezers zullen mij echter nauwelijks gelooven, dat het opschrift boven de deur van eene herberg stond en, zoo ik hoop, nog staat. Dat moet een buitengewone waard geweest zijn, die zijnen gasten zoo ernstige gedachten wilde geven, terwijl anders toch alles in de herbergen daarop doelt, dat de menscben maar bij den dag zullen leven, veel, zeer veel drinken, en zich van alle ernstige gedachten ontdoen. Zoo nam ik fluks mijn notitieboek en teekende de curiositeit, op; want had ik mij op mijn geheugen verlaten, dan zouden de lezers er nu niet van profiteeren.
Maar reeds stond, misschien door mijne verwondering opmerkzaam gemaakt, achter mij een ander, die wel niet schreef, maar toch ook las wat daar geschreven stond. Het was een Roomsch geestelijke; een gewichtige verschijning. Het opschrift boven de deur der herberg gaf aanleiding tot een gesprek, en zoo gingen wij met elkander, want wij hadden éen weg en éen doel.
„Het doet iemand toch goed, zoo iets aan den weg te lezenquot;, zeide ik. „Een vinger, die naar de wereld der eeuwigheid heen-wijst, kunnen wij altijd gebruiken.quot; Mijn stiefbroeder zag mij met groote oogen aan en betuigde zijne instemming: „Dat zou ik meenen!quot; Na eene wijle voer hij, onderzoekend, voort: „Wat dunkt u van eene wereld, waarin de religie slechts nog
141
private liefhebberij is, waar geen kerktoren meer ten hemel wijst, geene klok meer naar Gods bedehuis roept, voor levenden en stervenden geen sacrament meer wordt bediend, waarin boven zerk en dood geen woord van hemelschen troost meer weerklinkt, waar op de graven geen kruis meer verrijst?quot; Ik antwoordde; „Gij bedoelt zeker de wereld, zooals de socialisten haar droomen?quot; — „Juistquot; zeide hij, „ik heb gisteren pas het boek van August Bebel, dat hij „De vrouwquot; betiteld heeft en dat feitelijk toch over de nieuwe maatschappij handelt, uitgelezen. Vandaar, dat mij deze gedachten bezighouden.quot;
Ik zeide daarop: „Als de Bebelsche wereld ooit tot stand komt, dan zal zij niet van langen duur zijn. De mcnschenziel kan het zonder God niet uithouden.quot; En ik citeerde de eerste verzen van den 42st(!n Psalm. Ik gevoelde, hoe de oogen van den ouden man onderzoekend op mij rustten; hij vroeg zonder te vragen: „Wiens geesteskind zijt gij?quot; Maar met woorden vroeg hij het niet, en ik gaf er ook de voorkeur aan, om mij voorloopig niet voor te stellen.
„Jaquot;, zeide hij, „de zaak is toch ernstig, zeer ernstig. Er zijn nu twee klimmende machten in de wereld; de eene is het socialisme en de andere is de Katholieke kerk.quot; — „Zeg toch liever: het rijk Godsquot;, wierp ik hem tegen. — „Dat is iden-tisch met onze kerk.quot; — „Maar waar blijft dan het Protestantisme?quot; vroeg ik. „Mijnheer,quot; antwoordde hij, „ik weet niet wie gij zijt; maar een blinde kan zien, dat het Protestantisme in een staat van ontbinding verkeert. Gij kunt hier in Zwitserland van vele, van zeer vele zoogenaamd Evangelische kansels het naakte ongeloof hooren verkondigen; en elders is het niet beter.quot; (Ik kreeg een lichte huivering). „Maar eene kerkquot;, zoo vervolgde hij, „eene kerk, die geene belijdenis heeft, is geene kerk; geestelijken, die aan geene regula fidei (regel des geloofs) gebonden zijn, verdienen hunnen naam niet. Geloof
142
mij, ik ken de Protestanten; ik heb lange jaren geleefd in steden, waar zij de meerderheid vormden. De beschaafdsten onder hen bekommeren zich noch om de kerk, noch om het Christendom, en de vromen vallen den scheurmakers in handen of zij komen tot ons. Weldra zullen zij allen komen. Geloof dat eens van m ij! Bovendien ontbreekt den Protestanten de organisatie, en ieder stukje hunner zoogenaamde kerk heeft weer een bijzondere regeling. Overal is het Protestantsche kerkwezen met den staat geamalgameerd (verbonden) en 't word door den staat verstikt. De verderzienden onder de Protestantsche vorsten zien dat ook zeer wel in, dat in hunne kerk geene macht is. Sedert zelfs een Bismarck naar Canossa heeft moeten gaan, wordt de heilige Vader door alle Protestantsche staatslieden vriendelijk toegelonkt. Nog voor acht dagen trof ik een bisschop aan, die mij vertelde, dat hij in Berlijn aan het Protestantsche hof en door den zoogenaamden oppersten bisschop der Evangelische kerk met zulk eene eer en zulk een huldebetoon ontvangen was, als nog nooit een Protestantsche generaal-superintendent.quot;
Bijna was ik stom geworden door al deze treurige waarheden. Maar ik vermande mij en stelde mij dadelijk voor. Daarover verwonderde mijn reisgezel zich zeer. Maar hij liet mij nu ook rustig spreken. Ik gaf toe, dat er in onze kerk veel verkeerds was en veel anders moest worden. Dat de groote heeren tot het Boomsch-Katholicisme overhelden daarover bekommerde ik mij niet. Het rijk van den Heere Jezus Christus is niet van deze wereld. Dat de landvorsten als zoodanig ook opperste bisschoppen waren, achtte ik een onding. Naar mijne meening waren de dagen van het summepiscopaat geteld. „De groote macht onzerzijds is het Evangelie, dat is overal de eenige blijvende macht in de wereld. Het Evangelie maakt ook steeds weer een nieuwe reformatie mogelijk en zal die ook te zijner
143
tijd bewerken. De Roomsche kerk is, met uw verlof, in men-schendienst, streven naar de wereldheerschappij en traditioneel wezen verstijfd en verhard; hier is eene reformatie onmogelijk, als zij niet van zichzelve wil afvallen.quot;
„Ho, ho!quot; viel hij-mij in de reden. „Ik ben ouder dan gij en heb de menschen langer gadegeslagen. Ik verzeker u, dat alleen de Katholieke kerk het vermogen heeft om de groote massa te bevredigen. Ook de socialisten zullen later met pak en zak tot onze kerk overloopen. Wij zullen ze weten te nemen! Geloof dat eens van mij.quot;
Tot zijne verbazing gaf ik toe, dat ik eene vereeniging van het socialisme en Rome niet voor onmogelijk hield. „In mijne jeugdquot;, zei ik boos (want ik was nu ook driftig geworden) „in mijne jeugd heeft een prentje, dat ik eens bij een piëtistischen wever zag, een onuitwischbaren indruk op mij gemaakt. Het prentje stelde een zwijn voor en daarop reed een kardinaal.quot;
Mijn reisgezel werd bleek van toorn en zei; „Wat zou dat?quot; — „Nuquot;, antwoordde ik, „de wever bedoelde het zoo. Het zwijn is een beeld van het woeste, verdierlijkte, zinnelijke volk. De kardinaal stelt de Roomsche kerk voor (feitelijk zeide de man niet kerk, maar hoer). De dag komt, dat die beiden een verbond maken. Dan wordt het verschrikkelijk op de wereld! Maar dan is het ook de tijd, dat Jezus Christus van den hemel wederkomt en zijne uitverkorenen haastiglijk redt.quot;
„En zijt gij het met dien wever eens?quot; vroeg de priester scherp. „Dat zal ik niet zeggen; ik matig mijzelf het recht niet aan, een profeet te zijn. Maar als dat zal geschieden, wat g ij zegt, dat de socialen naar het kamp der Roomsche kerk zullen overloopen, dan krijgt de wever inderdaad gelijk. Geloof mij, ik betreur diep den jammer onzer Evangelische kerk. Dagelijks bid ik om een nieuwe reformatie. Maar gij moogt God wel danken, dat wij er nog zijn. Zoolang er nog zin voor vrijheid
144
en honger naar waarheid in de mensehenborst is, zal de mensch-heid de tirannie eener alles overheerschende Roomsche kerk niet verdragen. Gij zegt, dat gij de wereld kent. Welnu, dan weet gij ook, hoe het er met het Katholicisme uitziet in die landen, waar het de onbetwiste heerschappij heeft.quot;
Hij liet mij niet verder spreken, maar brak het gesprek af door de woorden: „Gij prijst een schip, dat op het punt staat te verzinken. Van de heerlijkheid der kerk hebt gij geen begrip. Het spijt mij om u. Maar ik moet hier zijwaarts.quot;
En hij ging zijwaarts. Ik zag hem treurig na. Nochtans heb ik hope, dat ik den man eenmaal weer zal vinden in de wereld des lichts, en dan zullen wij elkander beter begrijpen. Al had hij geene hoop voor mij, toch heb ik wel hoop voor hem.
ITALIAANSCHE WIELRIJDERS EN ANDERE MENSCHEN.
Wie door Engadin reist, ook al is het in het hartje van den zomer, mag evenmin zijn pels vergeten als de dunste linnen k 1 e e d i n g, die hij bezit. Want in dit terecht geprezen hoogland kan men dikwijls binnen de vier en twintig uren eene koude beleven, die aan Siberië, en eene hitte, die aan het Nijl-dal doet denken. Daar ik evenwel geen pels of iets dergelijks bij mij had, moest ik 's morgens van den 7den September, toen ik uit St. Moritz over Samaden naar Ponte reed, jammerlijk koude lijden, want een verschrikkelijk koude en dichte nevel bedekte het Inndal, waardoor onze weg leidde.
En naast mij zat in den postwagen een mensch, die mij nog meer koude op het lijf joeg, wijl hij een onmensch was. 't Was een veehandelaar; maar natuurlijk ontzeg ik hem daarom zijn menschelijk karakter niet. Ik weet wel, dat men een veehandelaar en toch tegelijk een heilige zijn kan, ook al kan ik mij op het oogenblik niet herinneren, wie van de talloos vele heiligen der Roomsche kerk een veehandelaar is geweest. Maar vermoedelijk is er ook wel een uit dit genre bij.
Mijn reismakker evenwel had door den langdurigen omgang
10
146
met het lieve vee blijkbaar een beestachtige natuur aangenomen. En dat was zeker niet de schuld van het onschuldig rundvee.
De onmenschelijkheid van mijn reisgenoot bewijs ik echter in de eerste plaats niet daardoor, dat hij zeer slechte manieren en gewoonten had, zóo slecht, dat het onvoeglijk zijn zou, daarover verder uit te weiden. Ook zal ik niet over zijn gezicht spreken, waarin over de ontzettend sterk uitkomende zinnel ij kheid nochtans de doodstrek der geldgierigheid reeds sedert lang gezegevierd had. Hier toch kan men niet eens meer van „beestachtigquot; spreken, want voor zooveel ik weet, komt geldgierigheid bij de dieren niet voor. Het gezicht was dus beneden het vee. Ondertusschen kan men zich, als het om de beoordeeling van physiognomieën gaat, dikwijls geducht vergissen. Ik voor mij tenminste heb te dezen opzichte vele beschamende ondervindingen opgedaan. Maar den T0611 September had ik toch goed geschat.
De man vertelde namelijk, zonder er naar gevraagd te zijn, dat hij gedurende een veertien dagen het Inndal bereisde om ossen op te koopen. Hij scheen dit voor een feit te houden, dat om zijn politieke beteekenis de wereld moest beroeren. Hoe dit zij, hij keek mij na dit groote woord aan, alsof hij een antwoord verwachtte. Om toch wat te zeggen, antwoordde ik hem: „Dat zal wel een moeilijk afscheid geweest zijn van vrouw en kind!quot; Dat woord viel mij zoo uit den mond, omdat ik tijdens mijne reis door Engadin min of meer aan heimwee leed. Do onmensch echter lachte zoo honend en gemeen, dat ik hem zeer gaarne eenige ferme oorvijgen toegediend had. Eindelijk borst hij uit: „Een moeilijk afscheid van vrouw en kinderen? Hahaha! Mijn draak verheugt zich, als zij het rijk alleen heeft, en kinderen — die heb ik. Goddank! niet!quot; „Schaam u wat!quot; wierp ik hem tegen. Maar hij schaamde zich niet, doch ver-
147
volgde; „Kinderen dienen nergens anders toe dan om op te vreten, wat men zuur verdiend heeft. Kinderen brengen iemand niets dan ergernis. Vee is veel beter. Vee brengt wat binnen!quot; „Houd uw mond, booswicht!quot; riep ik hem toornig toe en keek uit het venster naar den nevel, tot wij in Ponte binnenreden. Maar hij lachte nog aldoor voort en grinnikte : „Kinderen een zegen Gods! Hahaha!quot;
Ik zou met den kerel niet langer gereisd hebben, ook al had het mij een extra-post gekost. Maar hij trok verder, zijn vee na, den Inn af. Ik daarentegen ging te voet den berg op. Van Ponte uit namelijk beklimt de straatweg in honderd reusachtige bochten en slangenlijnen de trotsche hoogte van den Albula-pas. De postwagen rijdt daar zóo langzaam, dat een tamelijk goed voetganger even snel naar boven komt, als hij zijn eigen krachten gebruikt. Zoo deed ik dan ook, en dat was zoowel voor mij als voor de postpaarden winst. Hoe gelukkig gevoelde ik mij, dat ik van dat monster af was! Ach, er zijn menschen, bij wie ook het laatste kenmerk van het beeld Gods verdwenen schijnt te zijn. Zij zijn, zij schijnen althans, geheel verdierlijkt. En het is een onuitsprekelijk zielelijden, als men met zulk een mensch in een enge ruimte is opgesloten. Het is als het ware eene verlossing, als men hun adem niet meer in zijne nabijheid gevoelt.
Zoo ging het mij op dien morgen met den beestachtigen veehandelaar. Ik heb dien dag ook volstrekt niets meer ondervonden , al heb ik ook — gelijk de lezer weldra hooren moet — wel wat gedacht. Met natuurschilderingen wil ik niemand kwellen. Ik geef ze op zijn hoogst toe als eene lijst voor mijn kleine voorvallen. Maar lijsten zonder portretten mag ik toch niet geven. Nu moet ik — opdat mijn beminnelijke lezers mij niet al te zeer beklagen en zelfs met mij koude lijden, — nu moet ik nog mededeelen dat de nevel begon te wijken, toen
148
ik den spitsen kerktoren van Ponte onder mij had. De hemel boven mij was reeds diep blauw. En de sneeuwtoppen van Engadin en de Berninaketen zwommen als verlichte kristallen eilanden in de golvende nevelzee, die nog het dal vervulde, tot eindelijk ook in de diepste diepte de vliegende straal der zon binnendrong. In summa: het was een lieflijke verandering, en ik zou niet hebben opgehouden met zingen, ware de weg niet zoo steil geweest. Ik had het dus van binnen goed. Maar met inenschen wilde ik dien dag geen gesprek meer aanknoopen. Ik had voorloopig genoeg aan den eenen, aan den veehandelaar.
II.
Niettemin stelde ik levendig belang in vijf Italiaanse he jongelieden, die, terwijl ik naar boven steeg, nu eens voor mij, dan weer achter mij waren. Het waren bruin gebrande jongelingen en zij hadden spieren als van staal. Niettemin wekten zij in het begin slechts mijn hartelijk medelijden op. Die armen, zij moesten hunne vervoermiddelen, namelijk hunne r ij-wielen, op de hoogte van den pas naar boven rollen. Dal was bij de groote hitte, die middelerwijl op den kouden nevel was gevolgd, een zwaar werk. En het kostte stroomen zweets. Maar deze jonge helden verloren daarom geenszins hun goeden humor.
Ik hoorde later, dat twee heeren zich over de wielrijders onderhielden. En de een vertelde aan den ander, dat het studenten waren, die elkander in Milaan hadden ontmoet tot hun gemeenschappelijke onderneming en nu eene vacantie-reis maakten. Hunne route was: Milaan, Chiavenna, Maloyapas, Engadin, Albulapas, Ghur, Gotthardpas en dan weder naar beneden, het dal in, in Lombardije. Hunne leuze was: nooit ofte nimmer van eenige hulp zich te bedienen; steeds te voet of op het wiel!
149
Wie nu het zooeven geschetste landschap op een goede kaart van Noord-Italië en Zuid-Oost-Zwitserland eens bekijkt en daarbij de hoogteverhoudingen in rekening brengt, die zal voor deze studenten respect krijgen. Hoeveel duizend kilometer moesten zij hun reusachtige rijwielen bergopwaarts slepen! En naar het dal gaat het wel is waar gemakkelijk, maar het zijn toch halsbrekende toeren.
Ik had mijn schik in die krachtige jongelieden, die, trots de inspanning, die zij zichzelven vrijwillig opgelegd hadden, toch zoo vroolijk waren. Want op den Albulapas komt niemand zonder zweet. Maar wie buiten zijn eigen gewicht ook nog een rijwiel heeft te transporteeren, die doet zeer „vochtigequot; ondervindingen op. De ijzeren wilskracht der jongelingen deed mij goed, en (in weerwil van den veehandelaar) had ik gaarne een gesprek met hen aangeknoopt. Maar helaas, zij waren hun Duitsch en ik was mijn Italiaansch vergeten.
Er is altijd eenige verwachting van menschen, d i e h u n vleesch een weinig kruisigen, wat te allen tijde den menschen tegen de borst stuitte, maar in onze eeuw eerst recht tegen de mode is. Het is te verwachten, dat menschen, die hun zinnelijke natuur onder scherpe tuchtoefening stellen en zich, ter wille van een ideaal, offers en moeiten, ontberingen en smarten getroosten, — het is, zeg ik, te verwachten, dat zulke menschen ook voor het Evangelie, als het hun op de rechte wijze gebracht en vertolkt wordt, hun hart zullen openen. Want het Evangelie biedt het ideaal aller idealen: „Ik jaag naar het wit, strekkende mij tot hetgeen vóór is, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.quot;
Ik richtte mijne wandeling zóo in, dat ik ongeveer gelijktijdig met de Italianen op de hoogte van den pas aankwam. Ik verlustigde mij in de even fijne als bescheiden wijze, waarop de-studenten zich voordeden. Toen ik de kleine, overvolle ontvang-
150
kamer in het logement binnentrad, was er voor mij geen stoel meer aanwezig. Terwijl ik nog omkeek naar eene gelegenheid om te zitten, sprong fluks een der jongelingen op, bood mij met veel bevalligheid zijn stoel aan en zette zichzelven op den kant van de tafel. Dat deed mij goed en ik schudde mijnen weldoener hartelijk de hand.
Wat mij evenwel nog meer verwonderde, was de matigheid der jongelieden. De vijf studenten dronken samen slechts éene flesch lichten wijn, dien zij nog met eene drievoudige hoeveelheid water verdunden. Ik vroeg mijzelven — niet zonder een geheim blozen — af, hoeveel flesschen vijf Duitsche studenten zich wel na zulk eene daad hadden laten smaken. Ach, onder onze Duitsche academische jongelingschap zijn er maar al te velen, die het drinken — ja, kon men nog maar zeggen: „het drinken!quot; — als eene kunst beoefenen. En het slimste is daarbij, dat duizenden onzer studenten in deze „kunst,quot; die men niet noemen mag, een afschuwlijke grootheid en een meesterschap zoeken en vinden. Ach, zij zoeken hunne eer — de eer, die zij steeds op den mond hebben — in hunne schande! In de meest beruchte herbergen van de handwerksgezellen wordt niet zoo gezopen, als in vele, ach, zeer vele „kneipenquot; van de studenten.
En dat zijn de lieden, die weinige jaren later als allerlei beambten van beheer en administratie, als rechters, als dokters en als leeraars worden aangesteld en voor het volk zullen gelden als autoriteiten. Het is verschrikkelijk! Wanneer zal dat eens veranderen? Wanneer zal God van den hemel eindelijk een reformator voor onze universiteiten beschikken en verwekken? Ja voorwaar, ook dat is een groot sociaal vraagstuk.
Ik wil niets zeggen van de eindelooze vacantie's dei-studenten, welker duur bijna gelijk staat met den werktijd. Ach, als de „werktijdquot; maar inderdaad werktijd was! Maar
151
talloos vele jonge menschen, die de toekomstige „steunpilaren van het rijkquot; zijn, verkwisten hunnen tijd en verspillen hunne kracht juist in die jaren, waarin zij voor den arbeid het best en het geschiktst zijn. En wat zij dan doen? Nu, men beluis-tere hunne gesprekken, neen, men zie slechts de gescheurde en zevenmaal dichtgenaaide gezichten van vele academici, en men weet, waar bij hen het ,zwaartepunt des levensquot; ligt. En trotsch, als de Indianen op hunne scalpen, zijn zij op hunne htteekens en strepen, juist alsof zij met hun bloed het vaderland hadden gered van den ondergang. ')
Bij mijne Italianen bespeurde ik niets dergelijks, en dit juist maakte mijne gedachten zoo treurig en mij zoo bekommerd. Voorzooveel ik weet, overtreffen op dit terrein der dwaasheid onze Duitschers alle natiën der aarde. De staatswet evenwel behandelt deze dingen, zelfs al leiden zij tot doodslag, als kleinigheden en kinderspel. Of neen, die w e t neemt het er eigenlijk niet zoo licht mede, maar de toepassing en uitvoering der wet ontbreken geheel. En wat zal men ook zeggen, als door de officieren, niet maar door de gewoonte, maar ook door den op de hoogste plaats heerschenden wil, het duel wordt geëischt; als die officier zijn ontslag krijgt, die zich er tegen verzet, omdat zijn geweten hem benauwt; als diegenen, die van tevoren verklaren, dat zij vijanden zijn van ieder tweegevecht, daardoor verhinderd worden in hunne verhooging — ? En toch hebben zij de wet op hunne hand. Ik weet niet, of er nog ergens anders op aarde zulke ongerijmde bepalingen (ik druk mij zacht uit) zijn.
Te zijner tijd heb ik bij zekere gelegenheid daar ook eens
') Het is overbodig te zeggen, dat ik hier niet van alle Duitsche studenten spreek. Ik spreek ook niets eens van de grootste helft; maar wel van hen, die precies overal haantje de voorste spelen en zich als de ware dragers van der studenten geest en wezen voordoen.
150
kamer in het logement binnentrad, was er voor mij geen stoel meer aanwezig. Terwijl ik nog omkeek naar eene gelegenheid om te zitten, sprong fluks een der jongelingen op, bood mij met veel bevalligheid zijn stoel aan en zette zichzelven op den kant van de tafel. Dat deed mij goed en ik schudde mijnen weldoener hartelijk de hand.
Wat mij evenwel nog meer verwonderde, was de matigheid der jongelieden. De vijf studenten dronken samen slechts éene flesch lichten wijn, dien zij nog met eene drievoudige hoeveelheid water verdunden. Ik vroeg mijzelven — niet zonder een geheim blozen — af, hoeveel flesschen vijf Duitscbe studenten zich wel na zulk eene daad hadden laten smaken. Ach, onder onze Duitscbe academische jongelingschap zijn er maar al te velen, die het drinken — ja, kon men nog maar zeggen: „het drinken!quot; — als eene kunst beoefenen. En het slimste is daarbij, dat duizenden onzer studenten in deze „kunst,quot; die men niet noemen mag, een afschuwlijke grootheid en een meesterschap zoeken en vinden. Ach, zij zoeken hunne eer — de eer, die zij steeds op den mond hebben — in hunne schande! In de meest beruchte herbergen van de handwerksgezellen wordt niet zoo gezopen, als in vele, ach, zeer vele „kneipenquot; van de studenten.
En dat zijn de lieden, die weinige jaren later als allerlei beambten van beheer en administratie, als rechters, als dokters en als leeraars worden aangesteld en voor het volk zullen gelden als autoriteiten. Het is verschrikkelijk! Wanneer zal dat eens veranderen? Wanneer zal God van den hemel eindelijk een reformator voor onze universiteiten beschikken en verwekken? Ja voorwaar, ook dat is een groot sociaal vraagstuk.
Ik wil niets zeggen van de eindelooze vacantie's dei-studenten, welker duur bijna gelijk staat met den werktijd. Ach, als de „werktijdquot; maar inderdaad werktijd was! Maar
151
talloos vele jonge menschen, die de toekomstige „steunpilaren van het rijkquot; zijn, verkwisten hunnen tijd en verspillen hunne kracht juist in die jaren, waarin zij voor den arbeid het best en het geschiktst zijn. En wat zij dan doen? Nu, men beluis-tere hunne gesprekken, neen, men zie slechts de gescheurde en zevenmaal dichtgenaaide gezichten van vele academici, en men weet, waar bij hen het „zwaartepunt des levensquot; ligt. En trotsch, als de Indianen op hunne scalpen, zijn zij op hunne litteekens en strepen, juist alsof zij met hun bloed het vaderland hadden gered van den ondergang. ')
Bij mijne Italianen bespeurde ik niets dergelijks, en dit juist maakte mijne gedachten zoo treurig en mij zoo bekommerd. Voorzooveel ik weet, overtreffen op dit terrein der dwaasheid onze Duitschers alle natiën der aarde. De staatswet evenwel behandelt deze dingen, zelfs al leiden zij tot doodslag, als kleinigheden en kinderspel. Of neen, die wet neemt het er eigenlijk niet zoo licht mede, maar de toepassing en uitvoering der wet ontbreken geheel. En wat zal men ook zeggen, als door de officieren, niet maar door de gewoonte, maar ook door den op de hoogste plaats heerschenden wil, het duel wordt geëischt; als die officier zijn ontslag krijgt, die zich er tegen verzet, omdat zijn geweten hem benauwt; als diegenen, die van tevoren verklaren, dat zij vijanden zijn van ieder tweegevecht, daardoor verhinderd worden in hunne verhooging — ? En toch hebben zij de wet op hunne hand. Ik weet niet, of er nog ergens anders op aarde zulke ongerijmde bepalingen (ik druk mij zacht uit) zijn.
Te zijner tijd heb ik bij zekere gelegenheid daar ook eens
') Het is overbodig te zeggen, dat ik hier niet van alle Duitsche studenten spreek. Ik spreek ook niets eens van de grootste helft; maar wel van hen, die precies overal haantje de voorste spelen en zich als de ware dragers van der studenten geest en wezen voordoen.
152
een opstel over geschreven. Het draagt den zeker niet mal-schen titel: „De geadelde moord.quot; Dit geschrift heeft mij van het „beschaafde deel der natiequot; veel smaad en spot bezorgd. Anderen daarentegen vonden, dat ik den spijker precies op den kop geslagen had. Zoo verzocht mij een voornaam vorstelijk persoon de brochure ook te zenden aan onzen waarden, nu reeds lang gestorven keizer Wilhelm en aan vorst Bismarck, onzen grooten kanselier. Ik deed het zonder hoop op antwoord, want ik ken de vooroordeelen in deze kringen maar al te goed. En ik kreeg inderdaad ook geen antwoord. Dat maakte mij natuurlijk niet boos, want vorsten zijn men-schen, en wat het duel-vraagstuk betreft, zijn zij in zeer bijzonderen zin „menschelijk.quot; Toen ik daarom eens de eer genoot, de gast en tafelbuurman van onze edele en minzame keizerin te zijn, heb ik, daar zij mij zelve gelegenheid bood, dit donker gebied betreden. En ik bedekte bij het spreken mijn mond niet met een blad. Wat de voorname vrouw over mijne betoogen dacht, heb ik niet kunnen bemerken, want eene keizerin mag niet zoo vrij en frank van 't hart af praten als een dominee uit Bremen. Genoeg, — het kwaad sleept voort van eeuw tot eeuw. En het is in onze „verlichtequot; negentiende daarmeê nog slimmer dan het was in de donkerste periode der donkerste middeleeuwen. Ik vrees, dat er op dezen weg eerst nog eens, voor het beter wordt, een vreeselijk ongeluk moet plaatsgrijpen, waarover de geheele natie in zak en asch jammert en weeklaagt, eer de wandel wordt veranderd en schande als schande wordt gebrandmerkt.
En waarlijk, het is geen jeugdige vroolijkheid en geen hartelijke opgeruimdheid, vol van humor, die uit zulk drijven ontspruit. Wie zou deze aan de jeugd niet gunnen? Ja, wie zou er zelfs niet naar streven? En ik zou dien jongelieden, die mij dit schrijven thans zeer kwalijk nemen, wel eens in per-
153
soon willen laten zien, dat ik geen „zwaarlioofdquot; ben vol zwartgalligheid, maar door Gods barmhartigheid over een veel grooter mate van humor te beschikken heb, dan de meesten van hen. Ellendige opgeblazenheid is maar al te dikwijls het resultaat van den zoogenaamden „vroolijken studententijdquot; ; vooral, als tot deze vroolijkheid ook nog vroolijk-heden behooren, waarover men niet schrijven mag, zal het witte blad niet rood worden.
Deze gedachten hielden mij bezig, toen ik hoog boven op den postwagen zat en de Italianen voor ons uit in halsbrekende vaart en als in een wedloop met de wilde Albula den berg zag afhollen. Maar ik genoot na de vermoeiende wandeling boven in het „banketquot; een liefelijke rust, waarbij ik met volle teugen de heerlijkheid indronk van het mij omgevende gebergte.
III.
Ik was geheel en al medegesleept en verrukt door de bijna verschrikkelijke schoonheid van deze rotsachtige streek, toen plotseling — wij reden juist door het zoogenaamde „Duivels-dalquot; — mijn blik viel op een eenzamen jongen man, die, met zijn ransel naast zich, was gezeten aan den oever der schuimende Albula. Het was maar een enkel oogenblik, dat ik hem in het aangezicht kon zien; toen vlogen wij weer verder. Maar dit oogenblik was voldoende, om mijne gedachten van de groot-sche natuur op dezen eenigen, kleinen jongeling te richten.
Er lag namelijk iets zoo onuitsprekelijk treurigs en smartelijks, zooveel rouw en heimwee op het jeugdige gelaat uitgespreid, dat het mij bijkans liefdeloos toescheen, om verder te reizen. En nu kon ik urenlang mijne gedachten van dien eenzame maar niet losmaken. Steeds weder moest ik vragen: „Wat dacht die jonge man toch wel? Wat bewoog, ontroerde, benauwde en verduisterde dit jonge hart?quot;
154
Een vernuftig lezer zal mij hier misschien tegenwerpen: „Dat was toch maar een zeer nuttelooze philosophie! Gij kondt immers op uwe vragen toch geen antwoord vinden!quot; Dat is volkomen waar en daar is niets tegen te zeggen. Maar wat zal men doen als men nu aan iemand denken moet? De mensch is toch altijd het grootste en het voornaamste in het heelal, ook al is hij, als men alleen op het uitwendige let, niets dan een luttel stipje. De geniale Franschman Pascal heeft eens gezegd: „Hoe onmachtig is toch de mensch! Het is niet noodig dat het heelal zich wapene, om hem te vernietigen, — éen zuchtje van den wind, éen enkele waterdroppel is voldoende om hem te dooden. Maar al vernietigt het heelal hem ook, toch is de mensch grooter, want de mensch weet dat hij sterft, maar het heelal weet niet dat het hem vernietigt.quot; Dat is zeer schoon en schrander gezegd. Maar wij voegen er bij: „Wijl de mensch weet. dat hij sterft, zoo vraagt hij ook naar leven, naar een leven trots den dood, die hem verslindt, naar een leven aan de andere zijde van den dood. Dit eeuwige leven te vinden is het groote probleem der menschheid. Neen, niet der menschheid; zij zou er zich dood aan wroeten. Het is het probleem, dat God in Christus opgelost heeft. En wie daarvan een weinig heeft verstaan in het geloof, die begrijpt ook, van welke beteekenis en van welk gewicht een mensch is. Hem gaat ieder mensch ter harte.
Alzoo, die kleine mensch in het wilde Duivelsdal nam mijn gansche ziel gevangen en ik liet haar gewillig gevangen nemen. Hij was eenzaam en ik was eenzaam; dat wekte sympathie. „Wat hij toch dacht?quot; zoo dacht ik steeds weer. Of hij bad of treurde zonder te bidden? En waarover hij wel treurde? En of hij wel weer tot de vreugde zou vermogen door te dringen ?
Wij kwamen te Bregün aan, waar de post een uur rust zou nemen. Wij stegen af in het hotel „Piz Aëla,quot; een voormalig
155
Romaansch patriciërs-paleis. Het wondere, ouderwetsche bouwwerk met zijn bonte, internationale schare van zingende en dansende, etende en drinkende toeristen had mij bij een andere gelegenheid zeer geboeid. Maar nu nam ik mijn wandelstok en ging de post alvast vooruit, langs de wilde Albula, door den „Bregüner steen,quot; eene der meest grootsche kloven der geheele wereld. Het schuimende water, waarlangs ik liep en dat, als van heimwee trillend, zich spoedde naar de zee, sprak tot mij van het heimwee van de zielen der menschen naar den levenden God en naar de zalige eeuwigheid.
En toen ik daar boven in het Duivelsdal zoo nadacht over dien eenzamen jongen man, kwam mij een ander jongeling voor den geest. Die was ver van Bregün verwijderd. Hij bevond zich namelijk in het Katholieke Jozefsgesticht te Bremen. En misschien, ja zelfs naar ik hoopte, was hij ook daar niet meer. Maar in genoemd ziekenhuis, waarin ook Protestanten worden opgenomen, had ik onlangs aan zijn leger gezeten, nadat hij, tot verbazing van de artsen, den zwaarsten typhus-' aanval teboven was gekomen. De genezene was evenwel vervuld met diepen weemoed, omdat hij zijn trouwe moeder, die ver weg woonde, zoo snood veronachtzaamd en zoo diep bedroefd had.
Was misschien iets dergelijks het geval met den jongen man, daar boven in het Duivelsdal? Ach, dat God hem dan spoedig een hart en den weg naar het eeuwig huis doe vinden! Genoeg, mijne gedachten en vragen, mijn verlangen en hopen vormden zich tot een klein gedicht, dat ik aan den oever der schuimende Albula, met het gezicht op de bergen, die met hunne kronen van sneeuw den hemel droegen, in mijn notitieboek schreef.
Het moge hier tusschen de reisportretten een plaatsje vinden, ook al is het, van het standpunt der kunst beschouwd, verre van volkomen.
156
„NOOIT SLUIT VOOR ZIJNE MOEDER DE ZOON GEHEEL 'T GEMOED.quot;
Ik nam de bleeke handen,
Die de arme man mij bood,
Hij, die nog kort geleden Schier opstond van den dood.
„Wat weent gij als een kindje? Gij zijt toch haast een man!
Vertrouwt gij mij, zoo zeg mij De reden, — als het kan.quot;
„Het is om mijne moeder; Die heb ik snood onteerd.
Hoe vaak heb ik belachen Wat zij mij heeft geleerd.
En hare trouwe liefde Heb ik zoo stout getart; —
Maar nooit sluit voor zijn moeder De zoon geheel het hart.quot;
Met diep bewogen ziele Verliet ik 'thospitaal;
Er scheen in 't diepst mijns harten Een warme zonnestraal.
„Een zoon wordt van zijn moeder Nooit ganschlijk afgewend.quot; —
En nu: Wie kan zich wenden Van 't eeuwig element?
Hoe dikwijls was ik verre,
o God! van U! Zoover,
Dat bijkans ging verdooven De glans der eeuw'ge ster.
157
Ik zocht wel alles, alles, — Slechts U niet, o mijn God!
Geloof en hoop en liefde Was mij als ijd'le spot.
Maar plotsling greep het heimwee Mij aan, en dat deed pijn:
Heimwee naar 's hemels vrede. Begeerte, in God te zijn.
En plotsling stond Hij voor mij. Erbarmend, heilig, goed; —
Nooit sluit voor zijne moeder De zoon geheel 't gemoed !
En gij, die in den zwijmel Van uwe lusten leeft,
Wien geld, genot en eere Alleen voldoening geeft;
Maak, als gij kun t, uw ziele Los van het eeuwig goed! —
Nooit sluit toch voor zijn moeder De zoon geheel 'tgemoed!
Een nameloos verlangen Woont in der menschen hart;
En cf hij ook al voortleeft In zielevreugd of -smart.
En of hij luidkeels jubelt,
Of hij zich diep bedroeft, —
Ten laatste knielt hij neder Voor Dien, die hem beproeft.
En waarom zoudt gij wachten Tot zijne hand u buigt?
Geef u Hem willig over,
Opdat gij in Hem juicht.
158
o, Ga nog heden tot Hem;
Zijn liefde is eindloos goed! — Want nooit sluit voor zijn moeder De zoon geheel 't gemoed!
IV.
De stroomen vloeien zeewaarts,
Naar hunne moeder toe;
Die hoort ge een klagend ruisehen, Van heimwee, droef temoê. —
Wel zie ik millioenen.
Getrapt door Satans voet, —
Toch sluit nooit voor zijn moeder De zoon geheel 'tgemoed!
HET HOOGTEPUNT VAN MIJN AARDSCHEN PELGRIMSTOCHT.
1. IN DAVOS.
Eene stad, niet minder dan 5200 voet, zegge vijf duizend twee honderd voet, boven de oppervlakte der zee gelegen op een tamelijk onvruchtbaar hoogland, dat door rotsige bergen is omgeven, waarboven echter de sneeuwtoppen en gletschers uitsteken; eene stad van fijne villa's, schitterende hötelpaleizen, prachtige winkels; eene stad, die zoo elegant is als maar ergens eene residentie is te vinden, met straten, die dagelijks op het zorgvuldigst gereinigd en besproeid worden en die zich verheugen in een clectrische verlichting, welke overal ten voorbeeld dienen kan; eene stad, waarin zoomin een theater als wetenschappelijke inrichtingen, meisjesscholen en ziekenhuizen ontbreken; eene stad, die 's winters driemaal zooveel inwoners telt als des zomers, — dat is Davos.
Menschen uit alle landen en volken van Europa, voornamelijk jeugdigen, waaronder in 't oog loopend vele schoone verschijningen, bijna allen behoorende tot de bezittende klasse; allen verbonden door hetzelfde leed van een en dezelfde ziekte, allen in dezelfde angsten verkeerende, allen met een en dezelfde hoop bezield, allen van vroeg tot laat er op uit, om het éene
160
groote geneesmiddel, de frissche lucht, in te zuigen; dit gezelschap , dat uit k fa n k e n bestaat en uit hen, die ze lichamelijk of geestelijk verplegen of ook „amuseerenquot;, van de dokters en dominees af tot de schoenpoetsers en straatvegers, van den theaterdirecteur en gymnasiaaiprofessor tot de keukenmeid en de strijkster toe, — dat zijn de inwoners van Davos.
Ik heb uit de lijst der vreemdelingen opgeteekend, dat er in de zes eerste maanden (van het jaar 1891) 7123 vreemdelingen aldaar hun verblijf hebben gehouden. Daaronder waren slechts 287 doorreizigers. Er waren 2120 Duitschers, 1260 En-gelschen, 2317 Zwitsers, 232 Hollanders, 399 Franschen en Belgen, 133 Amerikanen, 191 Russen en 251, die onder den titel „Diversenquot; waren bijeengebracht en tot alle mogelijke natiën der aarde behoorden. Is dat niet een wonderlijke doereen-mengeling van menschen?
Of het verstandig is zoovele menschen, die aan borst en longen lijden, saam te pakken; of het uit het oogpunt der gezondheid goed is (als tenminste de angst voor uitgeademde en uitgehoeste, overal door de lucht zwevende baccillen eenigen grond heeft); of het nog niet eens tot verwoesting van Davos leiden zal, dat steeds nieuwe kolossen van huizen ontstaan, waarvan telkens het eene lucht en licht beneemt aan het andere; dat alles te beoordeelen, moet ik aan knapper menschen overlaten. Hoe dit ook zij, ik voor mij zou er toch de voorkeur aan geven, om op een kleiner, luchtiger en stiller plaats te wonen.
Verreweg de meeste kranken houden echter juist daarom zooveel van Davos, omdat het „zooveel aanbiedtquot;: een theater, concerten, bals, soirées enz. Men zou zich namelijk zeer vergissen, als men meende, dat dit in meerdere of mindere mate kranke gezelschap zich de vreugde des levens wilde ontzeggen. Te oordeelen naar wat mij vertrouwelijk werd medegedeeld, is bij verreweg de groote meerderheid precies het tegenoverge-
161
stelde het geval. Wil men dan zichzelven over den ernst van den toestand heenlachen en heendansen? Of hoopt men daarmede zijne gezondheid te bevorderen? Nu, vroolijkheid en geruste hoop zijn zeker krachtige hulpmiddelen ter genezing. Maar ik meen, dat deze hulpmiddelen door een gepaste heilzame bezigheid veel zekerder bereikt zouden worden.
Maar dat begrijp ik misschien weer verkeerd. Ook heb ik van het grootsche bedrijf in Davos met mijn twee oogen niets gezien, want het was September, toen ik er was. Eu dan is Davos als uitgestorven; er zijn dan bijkans nog minder men-schen dan huizen.
Allerlei ernstige en dankbare gedachten rezen bij mij op, toen ik aan de zijde van een trouwen gezel van Lanquart uit door het heerlijke Pratigau naar Davos reed. Meer dan eens was er in de jaren, die achter mij lagen, sprake van geweest, of ik niet ter oorzake van mijne gezondheid naar Grauwbun-derland moest reizen. En nu ging ik er als gezond man heen, alleen om lieve vrienden te bezoeken. Ach, hoeveel duizenden, ja, tienduizenden waren sinds veertig jaren denzelfden weg getogen, vervuld van de stoutste hoop, dat zij hun verloren gezondheid in de heerlijke berglucht zouden terugkrijgen. Ja, Davos is de stad der hoop. En Godlof! voor menigeen is zij ook eene stad der vervulling geworden. Maar veel meer menschen nog moesten ook hier spoedig tot de erkentenis komen, dat geene kunst der aarde hun genezing kon verschaffen. Met gebroken kracht en met geknakte hoop sleepten zij zich nog met moeite naar hun huis terug, om daar op moeders schoot het hoofd neer te leggen en te sterven. En velen hadden niet eens de kracht meer, om naar huis te reizen. Het kerkhof in Davos toont grafzerken met namen uit alle mogelijke volken, met op- en inschriften uit alle tongen en talen. Maar hoe onderscheiden ook de volkeren, hoe
162
verschillend ook de talen waren, het was hetzelfde Godswoord, dat aan allen troost geboden had, dat é e n e Godswoord, dat de taal is van het Vaderhuis, dat God heeft bereid voor allen, die Hem liefhebben. Op meer dan éen grafsteen las ik: ,Vader! in uwe handen —Niets meer. Dat greep mij diep aan. Het geloof aan Gods barmhartigheid in Christus is de eenheid van het menschel ij ke geslacht. Zonder deze eenheid valt het in atomen uit elkander.
De lezers zouden zich evenwel vergissen, als zij dachten, dat ik in de Septemberdagen, die ik in Davos doorbracht, voornamelijk met ernstige gedachten vervuld zou geweest zijn. Ernstige gedachten ontbreken inderdaad bij een Christen in zulk een ernstige omgeving nooit. Maar in Davos had mijn leven toch een zoo sterk percentgehalte van vroolijkheid, als zelden tevoren. En dat heb ik te danken aan de dierbare vrienden, wier gast ik was. Die hebben mij op zulk eene wijze met hunne toegenegenheid en vindingrijke liefde verwend, dat. ik licht begrijpen kon, waarom de góede God mij spoedig daarop zulke zware lasten oplegde. Want men wandelt hierbeneden niet ongestraft „onder palmen.quot;
Maar, hoe uitstekend wel ik mij ook te hunnent bevond, toch heb ik mij voor een enkelen dag van hen losgerukt, om den Schwarzhorn te bestijgen. Dat was voor een man van vijf en vijftig jaar, die nu juist niet krachtig is, een recht avontuur, want deze reusachtige hoorn ligt twaalf duizend voet boven den zeespiegel en dus nog zes a zeven duizend vost boven Davos. Zóo hoog was ik nog nooit geweest. En ik wil ook wel bekennen, dat mijne stoutmoedigheid nu voldaan is. Ik heb geene begeerte om nog eens zoo hoog of nog hooger te komen. Moge het nu in Gods naam maar steeds meer naar omhoog gaan! Maar van dezen even vroolijken als moeilijken
163
pelgrimstocht naar het „hoogtepunt mijns levensquot; wil ik nu een weinig gaan vertellen.
2. OP DE HOOGSTE HOOGTE.
Het was 9 September, 's morgen om 6 uur, toen wij in een bescheiden wagentje stegen, om allereerst naar den F 1 u ë 1 a-pas te rijden. Wel was het nog bitter koud, maar geen enkele nevelstreep was aan het gansche blauwe hemelgewelf te ontdekken. De zon was nog niet boven de oostelijk gelegen bergen gestegen, en het dal van Davos lag dus nog in het donker. Maar het majestueuse Pinzerhorn en Piz Bela, Piz Michel en alle andere „Pizzequot; en „Hörnerquot; schitterden reeds in het pur-perlicht der zon, die voor ons nog was verborgen.
Eerst reden wij naar het verrukkelijke Davos-D o r f 1 i aan het blauwe meer. „Maar wie is toch die wij?quot; zullen de lezers vragen. Ja, ik had bijna verzuimd, den lezers mijn tegenwoor-digen reisgenoot voor te stellen. En daarbij zouden zij inderdaad iets verloren hebben. Het was dan de predikant van de „badgemeentequot; in Davos. Hij heet Kind en is ook een kind, namelijk in den zin, waarin onze Heiland zegt: „Wordt gelijk de kinderkens!quot; In jaren is hij een grijsaard, want hij heeft de zeventig reeds achter den rug. En in kracht is hij een man. Wat hem betrof toch, had hij nog liever den ge-heelen weg naar den Schwarzhorn te voet afgelegd. Dus kind, man en grijsaard in éen persoon. Is dat niet eene curiositeit?
Gedurende den drie uur langen, langzamen rit bergopwaarts vertelden wij elkander onze levensgeschiedenis. Die van den lieven grijsaard was meer harmonisch dan bij mij, helaas, het geval is. Maar het kwam toch bij ons beiden hierop neer, dat de eeuwige en almachtige God ons door lief en leed had gezocht en gevonden en aan zijn hart gedrukt. „Ziet, welk
164
eene liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden!quot; dat was het grondaccoord.
Waarlijk, de leidingen Gods met iederen Christen zijn een verheven monument zijner wijsheid en barmhartigheid. De men-schen om ons heen verstaan daarvan maar zelden iets. Wijzel-ven gevoelen er evenwel reeds hier beneden iets van en zien den hemelschen glans door de reten der deur glinsteren. Maar wat zal het eens wezen, als de deurvleugels zich wijd zullen openen en het geloof in aanschouwen wordt verwisseld! Kortom, wij waren beiden in ons wagentje zoo vroolijk tezamen, als alleen dezulken kunnen zijn, die het weten, dat zij op weg zijn naar het Vaderhuis.
En juist deze wetenschap maakt voor iemand dan ook de dingen dezer aarde dubbel schoon. In het begin voerde onze weg ons door een woest en boschrijk dal, rechts van een grooten en hoogst onstuimigen stroom. Hoe hooger wij kwamen, des te meer verdwenen de boomen. Hier en daar nog een eenzame arve, en anders een woeste en ruwe wildernis, met niets dan rotsen. Vóór ons lag de Schwarzhorn, met zijne gezellen, in schitterende pracht: het doel onzer reis. Hoogstens om het half uur zagen wij iets, dat op een menschelijke woning geleek. Anders was deze wereld bijkans uitgestorven. Toch niet geheel; meer dan eens zagen wij een adelaar, die in de blauwe lucht zijne veders wiegde. Eenige vuile Italiaansche vogelhandelaars met vurige oogen, die met hunne ezels en hooge korven naar Davos trokken, kruisten ons pad. Ook ontdekten wij eens een in een schapenpels gehulden Bergamasker, die half droomend van tusschen de rotsblokken zijn hoofd ophief, terwijl zijn bruine schapen voor ons rijtuig verschrikt uit elkander stoven. Anders heerschte echter overal een majestueuse dood: rotsen, niets dan rotsen!
Maar de door de zon verwarmde lucht maakte ons steeds
165
levendiger. En de waterfonteintjes, die uit de rotsen opbruisten, verschaften steeds kostelijker water. En de geur en de kleur der weinige bloemen, die daarnaast wiesen, werd gaandeweg betooverend. Waarom moeten de heerlijkste wateren daar ontspringen, waar niemand ze drinkt; en waarom moeten de lieflijkste bloemen daar bloeien, waar niemand er acht op geeft? Waarom zweven en heerschen de reinste luchtstroomen daar, waar geen mensch woont? Ach, als toch de hooggeprezen wetenschap, die nu van Parijs naar St. Petersburg muziek kan overbrengen en de redevoeringen, die op den Rijksdag worden gehouden, kan „inmakenquot; gelijk men pruimen inmaakt, — als de wetenschap toch ook eens wilde ontdekken, hoe men de alpenlucht bindt en in schaapslederen slangen of zakken veilig verzendt! Welk een genot zou het zijn, als men op een nevelachtigen Novemberdag in zijn werkvertrek, of als was het maar in zijne ziekekamer, in Bremen of Amsterdam zoo'n alpenlucht-slang kon aftappen! Eén druk met de vingers en — doet uwe neuzen en monden open! — de lieflijkste en welriekendste alpenlucht van de zuiverste kwaliteit omgeeft u. En gij doet daarbij zachtkens de oogen dicht en gevoelt alleen en droomt u tienduizend voet hoog tusschen gletschers, weilanden en alpenhutten!
Doch, helaas! zoover zijn wij nog niet. Maar wat niet is, kan nog worden, want Uhland zegt: „De wereld wordt al schooner met den dag; men weet niet, wat nog worden kan en mag.quot; Dus wij geven de hoop nog niet op.
Omgeven door zulke vroolijke muziek der toekomst, hadden wij beiden tegen 9 uur de hoogte van den pas bereikt. Naar luid van het opschrift boven de deur van het logement waren wij daar acht duizend voet boven de oppervlakte der zee. Wie het niet gelooft, dat het zoo hoog is, die kan het, wat mij betreft, nameten.
Thans moesten wij ons rijtuig en onzen brommenden koet-
166
sier verlaten en „per pedes apostolorumquot; de nog restende drie a vier duizend voet bestijgen, iels dat wel heel gemakkelijk klinkt, maar dat toch ook zijne moeielijkheden heeft.
Op den top van den Schwarzhorn komt geen sterveling, die niet goed marcheeren kan. Tenminste, dit is voorloopig nog zoo. Want vooralsnog gaat er nog geen tandradspoor. Er is nog niet eens een rijweg, waarop men den arbeid der longen aan een muildier kan overlaten. Neen, zelfs het voetpad is van dien aard, dat men vaak een bril moet opzetten, als men het wil zien en bovendien meestal zeer steil opstijgend en dan weer voorbij schrikverwekkende afgronden voerend.
De Schwarzhorn is nu juist nog niet veel bekend. Ik voorspel hem wel, dat hij nog eens zoo in de mode komt als de Furka en de Rigi. Maar voorloopig is het nog niet zoo. En zoo komt het, dat men nog weinig gedaan heeft, om den reizigers hunnen weg gemakkelijk te maken.
In 't eerst schreden wij beiden, wel is waar stilzwijgend maar toch opgewekt en vroolijk, voort. De ijle lucht had een dragende kracht. Steeds wijder opende zich de wereld en steeds wijder openden zich onze harten. Spoedig lagen links beneden ons twee gletschers, die, ja, slechts een zeer geringen omvang, maar in plaats daarvan zoo wonderlijke, bijna had ik gezegd aangrijpende kleuren hadden, dal onze blikken er zich niet aan verzadigen konden. Dan weer wandelden wij aan den rand van den Rudinigletscher, dikwijls over een ellendigen hoop steenen, die er 'afgerold waren.
In elk geval, zoover ging het nog. Maar nu kwamen wij op den Scharzhorngletscher, die een zoo steile helling heeft, als het dak eener Gothische kerk. Versch gevallen sneeuw lag over het blauwe ijs uitgespreid. Slechts met de uiterste moeite klauterden wij voorwaarts. Dikwijls kusten wij de witte sneeuw en onze zweetdroppelen vielen rijkelijk naar beneden.
167
Ik wil al dadelijk opmerken, dat het bij den terugweg nog slechter ging. Mijn reisgeleide zette zich, zonder het te willen en zonder veel gratie, neer en zeilde toen, zonder zeil of ander hulpmiddel, met zijn wandelstok sturend en remmend, met de snelheid van een stormwind naar beneden, het dal in. En ik volgde hem op dezelfde manier, zonder dat wij eene afspraak gemaakt hadden. Voor onze wederzijdsche kleedermakers was dit zeker zeer nuttig en gewenscht. Doch ook wij moesten hartelijk lachen, ofschoon onze belangen diametraal tegenover die der zooeven genoemde heeren staan. Aan den voet van den gletscher gekomen, trokken wij onze laarzen uit en schudden daaruit de sneeuw.
Maar wij zijn nog aan het opstijgen. En ik moet bekennen, dat ik daarbij overvallen werd door eene vermoeidheid, die mij slap maakte en bijkans verschrikte. Ik scheen mijzelven een dol en onbezonnen mensch, dat ik deze reis had durven ondernemen. Maar eenerzijds de aanblik van den grijsaard, die met jeugdige vlugheid vóór mij uit ging, en anderzijds het zien op den schijnbaar vlak bij zijnden top van den Schwarzhorn verlevendigde mijne kracht, eerst mijne wilskracht en daarna ook mijn lichamelijke kracht. En dank zij de schaamte, dank zij het verlangen, dank zij den wil, kwam ik, in weerwil van de zwakte mijner beenen, ten slotte toch op den top.
„God zij dank!quot; zei ik, ofschoon ik bijna ineenstortte. En „God zij dank, dat ik daar was!'' zeg ik ook heden nog. Het gezicht, dat ik daarboven aanschouwde, dat schitterende panorama der in een kring rond ons gelegerde Tyroolsche en Zwit-sersche Alpen — ik zal het nooit vergeten, nooit verliezen. Nu nog kan ik dikwijls jubelen in vervoering, als ik — soms in een mijner slapelooze nachten — daaraan denk en in den geest wederom zie, wat de 9de September voor mijne oogen stelde. Toen Paulus in het hemelsche paradijs opgetrokken geweest was.
168
kon hij daarvan later niets mededeelen, dan dat hij o n u i t-sprekelijke dingen had gehoord en gezien. En als men aardsche met hemelsche dingen mag vergelijken, dan ging het mij eveneens, toen ik van den Schwarzhorn weer naar beneden gekomen was. Ik kon mijnen vrienden in Davos slechts dit zeggen met een vochtig oog: „Gaat. ziet, bewondert en zwijgt!quot; — Maar ik bracht hun ook een ruiker meê van verrukkelijke alpenbloemen, die ik daar boven had verzameld. Inzonderheid trof het mij, dat hetzelfde v e r g e e t - m ij - n i e t j e, dat wij in onze weiden aan den oever van den Wezer vinden, ook hier, elf duizend voet boven de oppervlakte der zee, temidden van sneeuw en ijs, ons groette. Alleen toont op deze hoogte — waar in 't hartje van den zomer do zon slechts ondergaat om dadelijk weer uit de nevelen op te duiken — het vergeet-mij-nietje een blauw, waarvan men in de vlakte zichzelf niet eens eene voorstelling droomen kan.
„Zoo ben ik dan op de hoogte mijns levens aangekomen, nooit tevoren stond ik zoo hoog, en nooit zal ik weer zoo hoog stijgen!quot; zeide ik tot mijn reisgezel, toen wij den kalen, smallen top van den Schwarzhorn betraden. En voor het oogenblik wilde ik met deze woorden niets zeggen, dan dat mijn trots om aardsche hoogten te bestijgen nu volkomen was bevredigd. Maar ik kreeg inwendig eene berisping over die woorden, toen ik ze hoorde; en eene stem zeide tot mij: „Gij hebt, evenals wijlen de hoogepriester Kaja-phas geprofeteerd; zonder het te weten. Dertig jaren zijt gij nu predikant; dus uw beste kracht is nu verbruikt. Voortaan gaat het naar beneden, hoe langer boe meer naar beneden, den berg af. Niet alleen uwe oogen en uwe ooren en uwe beenen, maar ook uwe geesteskrachten zullen zwakker worden. Wil u daarop dus inwendig voorbereiden! De tijd nadert, waarop gij zoo langzamerhand ter zijde geschoven en bij het oude ijzer gevoegd
169
wordt. En wat uw geschrijf betreft, wil niet meesmuilen, als het daarmeê eveneens gaat. Want het is, gelijk de wijze prediker Salomo, die veel ondervinding had, zegt; „Alles heeft zijn bestemden tijdquot; — en wel een korten tijd.quot; — Deze stem nu, die ik daarboven op den Schwarzhorn gehoord heb, is mij sedert zeker dikwijls door hart en hoofd gegaan. Zoo dikwijls ik aan den berg denk, wil ik ook aan die stem denken en mij inwendig toerusten, opdat ik het afnemen en klein worden met Christelijke waardigheid moge dragen.
Doch met zoo persoonlijke gedachten mag ik de lezers niet verder ophouden, naardien ik nog eene geschiedenis moet vertellen, die wel is waar zeer prozaisch, maar niettemin nuttig om te lezen is.
Ik heb er geene melding van gemaakt, dat wij gedurende onze drie a vier uur lange wandeling menschelijke wezens ontmoetten. En inderdaad zagen wij geen menschen. Ook kon ik om dezelfde reden geen gewag maken van een hotel op den top van den Schwarzhorn. Er is daar nog het geringste niet gedaan voor de toeristen. Ook ging het gedurende onze reis niet als in het Berner bovenland, dat nu eens iemand een gevangen gehouden waterval laat springen, dan weer iemand een marmotje laat dansen onder begeleiding van eene harmonica, dan weer iemand op eene plaats, waar een echo is, iets onmogelijks uitbrult, alles natuurlijk ten beste der menschheid in het algemeen en tot verkrijging van een drinkgeld voor den „kunstenaarquot;, in het bijzonder. Neen, aan zoo iets doen de Grauwbunderlanders niet.
Maar op den top van den berg zaten toch twee menschen, en zij vertegenwoordigden ook, gelijk wij spoedig zullen zien, eene herberg. Daar bevonden zich namelijk een rijke koopmansjongeling en zijn gids. En was deze laatste een bescheiden en verstandig man, de rijke jongeling was daarentegen
170
des te meer onuitstaanbaar. Hem zou de Heiland om meer dan éen reden toegeroepen hebben: „Ga heen en verkoop alles wat gij hebt; leer een handwerk en leer arbeiden!quot; Doch slaan wij op hem wat meer nauwkeurig het oog.
3. DE SNOEVER.
Nog een honderd meter waren wij beneden den begeerden top, toen wij daarboven den jongen man zagen zitten, die al spoedig nu eens met zijn zakdoek in de lucht begon te wuiven, en dan weer eene flesch in de hoogte hield en ons toedronk. Deze laatste omstandigheid, dat wil ik gaarne bekennen, was ons zeer welkom en vertroostend. Om onszelven niet te belasten, hadden wij niets tot onze verkwikking medegenomen. Maar nu hadden wij eene versterking zeer noodig en werden voornamelijk gekweld door een hevigen dorst. Zoo speculeerden wij er op, dat de onbekende daar in de hoogte nog iets van den. inhoud zijner flesch bewaren zou en ons daarmede zou laven. En deze onze hoop werd ook niet beschaamd. Wel is waar had deze jonge man, die hier troonde, een gezicht, dat mij ongetwijfeld zou weerhouden hebben, om een gesprek met hem aan te knoopen, als hij niet buiten zijn gezicht ook de flesch met wijn bij zich gehad had. Diepzinnige kenners van ons geslacht hebben beweerd en op hunne wijze bewezen, dat ieder mensch eenige overeenkomst met een dier heeft. Dit stem ik niet toe. Maar de groote hoop schijnt dit beweren te billijken. Waarom duidde men anders de menschen zoo vaak aan met ezel, os, schaap, vos, slang, olifant, rundvee, kameel, drommedaris, kruipdier enz.? Alleen van schoone meisjes zegt men wel, dat zij er uitzien als engelen, hetgeen echter niet bewaarheid wordt, als men ze nader leert kennen. Onze jonge heer echter had werkelijk in zijn gezicht een merkwaardige mengeling der trekken
171
van eene koe en van een vos, en bovendien een onbeschrijfelijke opgeblazenheid, die bij de dieren niet voorkomt, de pauw op zijn hoogst uitgezonderd. Aantrekkelijk was de jongeling dus niet, maar ach, de dorst en de wijn!
Nauwelijks hadden wij beiden gegroet, of de jonge heer vertelde ons, dat hij twee flesschen Monlagner en een halven liter cognac meegenomen had, en verzocht ons, hem behulpzaam te zijn bij het ledigen van den inhoud. Wij namen den heerlijken wijn met dank aan. En hij bewees voortreffelijke diensten. Van de cognac had de jongeling zelf reeds gedronken. Het is tegenwoordig bij vele artsen mode, om hen, die aan de longen lijden, — waartoe ook de jonge man behoorde — onder anderen door cognac te genezen. Daarbij gebeurt het maar al te dikwijls, dat de „genezenenquot; onder de hand drinkebroers worden. Zoo drijft men dan den eenen duivel uit door een anderen, die nog erger is. Ja, menigmaal blijft hij, die moest uitgedreven worden, ook nog zitten, en dan heeft men er twee voor éen.
Onze jongeling dan zat daar met een hoogrood aangezicht. Hij was, naar hij vertelde, uit eene zeestad in de provincie Pruisen en de zoon van een koopman. Zijn vader moest „van het noodigequot; wel een overvloed hebben, want de zoon sprak zoo, alsof het er bij hem op een handvol goudstukken niet aankwam. Met eene spraakzaamheid, die aan het brutale grensde, — hij meende zeker, dat wij, om zijne weldaad, nu ook verplicht waren, hem te woord te staan — vertelde hij ons al het mogelijke van zijn doen en handelen. Onder anderen vernamen wij ook, dat hij bijna alle ziekten had gehad, waarvoor een mensch maar vatbaar was. „Maar,quot; zoo voegde hij er trotsch aan toe, „ik ben ze alle teboven gekomen. Voornamelijk was mijne long zeer broos en slecht. Beide toppen waren aangestoken. Vóór ongeveer een jaar kwam ik naar
172
Davos. Ja, iets verstandigers heb ik nooit gedaan. En heden ben ik op deze mijne beide voeten op den Schwarzhorn gestegen, en wel zonder buitengewone moeite. Nu, wat zegt gij daarvan? Waarachtig, dat doet geen mensch mij na!quot; Met dit knaleffect besloot hij, maar om de groote woorden spoedig te herhalen. Men kon merken, dat dit zijn lievelingslied was, dat dikwijls werd gezongen.
Helaas, mijn reisgezel stond een eindweegs verder en liet zich door den gids de namen noemen van de enkele bergtoppen. Anders had ik het antwoord liever overgelaten aan den eerwaardigen grijsaard. Nu moest ik evenwel, bij gebrek aan beter, maar besluiten, om zelf den jongeling een weinig „ophelderingquot; te verschaffen.
„Hoor eens!quot; zei ik rustig. „Gij hebt ons tevoren een dienst gedaan; laat mij er u ook een mogen bewijzen.quot; — „Bijzonder vriendelijk,quot; antwoordde hij, „maar ik rook niet.quot; Blijkbaar meende hij, dat ik hem eene sigaar zou aanbieden, waaraan ik evenwel niet dacht, want ik had er maar éen bij mij, en die brandde reeds. „Neen,quot; zeide ik, „ik bedoel een beteren dienst. Die bestaat daarin, dat ik u duidelijk make, dat gij een even ondankbaar als hoogmoedig mensch zijt. Ik bid u, word niet boos! In de bergen woont de vrijheid. Gij moogt mij straks ook antwoorden wat gij wilt, en wees er zeker van, dat ik het u niet kwalijk nemen zal.
Dus eerst wat uw hoogmoed betreft! Want over uwe onmatigheid in het drinken wil ik niet spreken; daarover zal de arts u wel onderrichten, als gij hem eerlijk opbiecht. Maar uw hoogmoed is grenzeloos en onuitsprekelijk dwaas. Of spreekt gij niet precies zoo alsof uwe genezing u w werk was? En het is toch eenig en alleen de goedheid der menschen en voor alle dingen de barmhartigheid des grooten Gods, die gij hebt te roemen. Gij zeidet zooeven: „Maar het
173
heeft mij ook duizenden gekost, om zoover te komen.quot; Hoe belachelijk! Gij hebt toch in uw gansche leven nog geen mark verdiend. Uwe ouders hebben hunne beurs zoo wijdgeopend, dat gij hier verre heerlijk en in vreugde kunt leven. En daar-meê praalt gij nu! Verder beroemt gij er u op, dat gij nu bij uw tweede ontbijt drie biefstukjes verteren kunt en dan nog 's middags aan de table d' höte de schrik van uwe omgeving zijt, daar gij alle schotels ledigt, die u maar in handen komen. Dat is èf niet waar, óf gij gelijkt verbazend sterk op een tijger. Gij praalt dus met dingen, waarbij gij deels geene verdienste hebt en waarover gij u deels schamen moet.
Maar bovenal zijl gij ondankbaar jegens uwen God. Als gij nu, gelijk bet geval schijnt te wezen, gezond zijt, dan is dat een wonder zijner genade. En weet gij, waartoe Hij u bij het leven heeft behouden? Onze Heere Christus sprak eens tot een kranke, dien Hij de gezondheid had weergegeven; „Zondig voortaan niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.quot; Dat zegt Hij ook tot u. Uw jonge leven bleef u gespaard, opdat gij in deze wereld als een nuttig mensch wat goeds werken en doen zoudt, voornamelijk opdat gij uwer ziele zaligheid zoudt werken. Ach, dat gij toch ten tijde, als God u werkelijk oproept, dat doel bereiken mocht, waarvoor Hij ons allen geschapen heeft.quot;
Ik sprak daarover nog een en ander, zooals het mij werd ingegeven. Toen zweeg ik.
Half verbluft, half spottend, wierp hij mij nu tegen: „Maar mijnheer, u spreekt precies als een dominee!quot; — „Neen,quot; zeide ik, „ik spreek als een Christen en als een oudere broeder met meer ervaring, die u er voor wil behoeden, dat gij in de hel zoudt loopen. Maar al was ik nu een dominee, — moet dan een dominee altijd ongelijk hebben ? Het gaat er hier om, wat waarheid is, en niet wat ik. arme mensch, ben of niet ben.quot;
174
„Nu,quot; zeide hij, „als men eindelijk zijne gezondheid terug heeft, mag men zich toch ook in zijn leven verheugen.quot; — „Ja, zeker!quot; was mijn antwoord. „En geloof mij, ik verheug mij ook in mijn leven. Maar meent gij dan werkelijk, dat zulk een dwaze hoogmoed, als welken gij zooeven hebt geopenbaard, levensvreugde is? Neen, hoogmoed komt vóór den val, en die kan niet veraf zijn, als gij nog verder zoo voortgaat.quot;
Nu kwam de gids. En daar de jonge man zweeg, achtte ik het goed, mijnerzijds ook te zwijgen. Het zou niet wijs geweest zijn, om den hoogmoedigen mensch voor zijn gids te vernederen. Ook maande mijn oude vriend tot den aftocht aan. Wij namen dus met een hartelijken handdruk afscheid van de twee. Ten gunste van den jongen heer wil ik er bijvoegen, dat hij den anderen dag, toen ik hem op de straat van Davos ontmoette, zeer hartelijk, ja, bijna dankbaar groette. Daar wii beiden evenwel in gezelschap waren, hij zoowel als ik, kon ik ons gesprek niet voortzetten. Laat ons het beste hopen en de rest aan den goeden God overlaten!
Maar is zulk een hoogmoed niet ontzettend? Ja, hij zou belachelijk zijn, als hij niet zoo goddeloos was. En vooral op deze verheven hoogte, waar de majesteit en heerlijkheid van den Schepper der wereld zóo voor iemand liggen uitgebreid, dat de mensch daartegenover slechts een stofje schijnt, — ja, hier kwam deze dwaze ijdelheid mij dubbel waanzinnig voor.
Toen ik mijn reismakker mijn wedervaren had verteld, zeido hij: „o, Hoe stuiten ons ijdelheid en hoovaardij tegen de borst bij — andere menschen.quot; Daarmeê sloeg hij den spijker op den kop en bracht ook mijue gedachten in de goede richting. Ja, bij andere menschen dunkt ons de hoogmoed verschrikkelijk. Maar bemerken en vervolgen wij hem ook steeds bij onszelven? Zeker, in een zoo groven vorm dezer ondeugd, als wij bij den
175
rijken jongeling vonden, kan een discipel van Christus niet vervallen. Hij kan inzonderheid den hoogmoed niet bij zich laten wassen en voortwoekeren, zoodra hij hem ontdekt. Maar ach, hoe dikwijls geraken wij in een f ij n zelfbehagen, zelf bespiegelen en grootspreken, zonder dat wij het zelf merken. En de zaak wordt daardoor niet beter, dat wij er sterk den nadruk op leggen: „Het is immers alles genade, niets dan genade!quot;
Waarlijk, ieder, die zijne ziel liefheeft, moest zijnen vrienden bidden, hem onbarmhartig en zonder mededoogen te kastijden, als zij hem op het paardje der ijdelheid daarheen zien draven. En als de lezers met mij aan deze gedachten gevolg geven, dan hebben wij door den betreurenswaardigen kwast, die ons hoog op den Schwarzhorn de lucht vergiftigde, toch nog een zegen ontvangen.
Het gaat in dit leven dikwijls zóo. dat wij ons met vurig verlangen uitstrekken naar iets, dat ons is onthouden, en meenen dat wij wie weet hoe gelukkig zouden zijn, als wij het hebben mochten. En zie, als het ons zeer smakelijk en netjes op het presenteerblad wordt aangeboden, laat het ons koud en ledig. Het tegendeel is. Godlof! ook dikwijls het geval. Wij koesteren vaak angst voor eene zaak of voor eene gebeurtenis, alsof ons leven er meê gemoeid was. Maar als het dan werkelijk gebeurt, dan zijn er zooveel onverwachte en kostelijke toespijzen bij, door God ons beschikt, dat wij slechts loven en danken kunnen. Daarom moet men niet zooveel wenschen en niets vreezen, maar God vertrouwen en Hem de beschikking van ons deel en lot overlaten.
Op een heeten Julidag van het jaar 1876, toen ik hoog bovenop het ,verdekquot; van een omnibus van Sion naar Vispach
') De hier volgende schets sluimerde nu reeds vijftien jaar in mijn donkere schrijfmappe. Nu moet zij er eindelijk uit, om het helle daglicht te zien. Waarvoor zij misschien goed kan zijn, wil ik van tevoren niet bepalen, en naderhand zal mij, naar ik hoop, ook niemand, die haar eenige opmerkzaamheid heeft geschonken, meer daarnaar vragen.
177
reed, werd ik op smartelijke wijs van een dwaling gered. Men kon toen deze streek nog niet per spoor bereizen, wijl dit te dien tijde nog door zijne afwezigheid schitterde. Diegenen onder mijne lezers, die hunne aardrijkskunde nog niet vergeten zijn, weten nu reeds, dat de reis door het Rhone-dal ging, en wel opwaarts van het meer van Genève naar den Simplon heen. o. Hoeveel had ik af en toe van de heerlijkheid dezer streek gehoord! Hoe dikwijls had ik met kwijnend verlangen begeerd, dit overberoemde dal eens te leeren kennen. En toen ik dezen toer werkelijk maakte, had ik maar éen wensch, namelijk dat het — gedaan mocht zijn.
Waarom ik evenwel het Rhöne-dal zoo ongenegen was ? De oorzaak daarvan lag niet hierin, dat het „slecht wederquot; was of dat er niets goeds zou te zien geweest zijn. Integendeel! De hemel was licht en blauw, en — gelijk ik bij een latere gelegenheid overtuigend heb op opgemerkt — het dal was zeer schoon, ot tenminste zeer interessant, al was het maar alleen hierom, dat de oude Romeinen hier geweldige herinneringen aan hun grootsche kunst en beschaving achtergelaten hebben.
Maar op den dag, waarvan ik thans spreek, heb ik van al die heerlijkheden niets gezien. quot;En wel in de eerste plaats niet, omdat ik mijn oogen vast toekneep, en ten tweede niet, omdat wij in een stofwolk waren gehuld, die elk uitzicht zou hebben belet. Onze reiswagen namelijk, met zijn vierspan, die nog gevolgd werd door dergelijke wagens, terwijl andere voor ons uitreden, joeg zulk een dicht en vergiftig kalkstof op, dat ieder, wien zijne oogen lief waren, voor een wijle afstand deed van hun gebruik.
Eindelijk, eindelijk — het was 's middags tegen vijf uur — waren wij in Vispach. Na een verkwikkend bad ging ik spoedig langs den oever van de wild bruisende Visp naar het heerlijke Zermatterdal. Aan mijne zijde wandelde een dikke Zwaab, met
1-2
Het gaat in dit leven dikwijls zoo, dat wij ons met vurig verlangen uitstrekken naar iets, dat ons is onthouden, en meenen dat wij wie weet hoe gelukkig zouden zijn. als wij het hebben mochten. En zie, als het ons zeer smakelijk en netjes op het presenteerblad wordt aangeboden, laat het ons koud en ledig. Het tegendeel is. Godlof! ook dikwijls het geval. Wij koesteren vaak angst voor eene zaak of voor eene gebeurtenis, alsof ons leven er meê gemoeid was. Maar als het dan werkelijk gebeurt, dan zijn er zooveel onverwachte en kostelijke toespijzen bij, door God ons beschikt, dat wij slechts loven en danken kunnen. Daarom moet men niet zooveel wenschen en niets vreezen, maar God vertrouwen en Hem de beschikking van ons deel en lot overlaten.
Op een heeten Julidag van het jaar 1876, toen ik hoog bovenop het ,verdekquot; van een omnibus van Sion naar Vispach
') De hier volgende schets sluimerde nu reeds vijftien Jaar in mijn donkere schrijfmappe. Nu moet zij er eindelijk uit, om het helle daglicht te zien. Waarvoor zij misschien goed kan zijn, wil ik van tevoren niet bepalen, en naderhand zal mij, naar ik hoop, ook niemand, die haar eenige opmerkzaamheid heeft geschonken, meer daarnaar vragen.
177
reed, werd ik op smartelijke wijs van een dwaling gered. Men kon toen deze streek nog niet per spoor bereizen, wijl dit te dien tijde nog door zijne afwezigheid schitterde. Diegenen onder mijne lezers, die hunne aardrijkskunde nog niet vergeten zijn, weten nu reeds, dat de reis door het Rhone-dal ging, en wel opwaarts van het meer van Genève naar den Simpion heen. o. Hoeveel had ik af en toe van de heerlijkheid dezer streek gehoord! Hoe dikwijls had ik met kwijnend verlangen begeerd, dit overberoemde dal eens te leeren kennen. En toen ik dezen toer werkelijk maakte, had ik maar éen wensch, namelijk dat het — gedaan mocht zijn.
Waarom ik evenwel het Rhöne-dal zoo ongenegen was? De oorzaak daarvan lag niet hierin, dat het „slecht wederquot; was of dat er niets goeds zou te zien geweest zijn. Integendeel! De hemel was licht en blauw, en — gelijk ik bij een latere gelegenheid overtuigend heb op opgemerkt — het dal was zeer schoon, ol tenminste zeer interessant, al was het maar alleen hierom, dat de oude Romeinen hier geweldige herinneringen aan hun grootsche kunst en beschaving achtergelaten hebben.
Maar op den dag, waarvan ik thans spreek, heb ik van al die heerlijkheden niets gezien. En wel in de eerste plaats niet, omdat ik mijn oogen vast toekneep, en ten tweede niet, omdat wij in een stofwolk waren gehuld, die elk uitzicht zou hebben belet. Onze reiswagen namelijk, met zijn vierspan, die nog gevolgd werd door dergelijke wagens, terwijl andere voor ons uitreden, joeg zulk een dicht en vergiftig kalkstof op, dat ieder, wien zijne oogen lief waren, voor een wijle afstand deed van hun gebruik.
Eindelijk, eindelijk — het was 's middags tegen vijf uur — waren wij in Vispach. Na een verkwikkend bad ging ik spoedig langs den oever van de wild bruisende Visp naar het heerlijke Zermatterdal. Aan mijne zijde wandelde een dikke Zwaab, met
1-2
178
■wien ik reeds boven op den omnibus vriendschap had aangeknoopt. Als 't maar even mogelijk is, werf ik op mijne voetreizen steeds een Zwaab als mijn medereiziger. Met die men-schen kan ik het doorgaans het beste stellen. Zij zijn grootendeels philosophisch en idealistisch aangelegd, en een goed deel van hen houdt ook nog eenigszins vast aan geloof en Christendom. En in elk geval spreken zij allen Zwaabsch, en dat is in mijne oogen reeds een belangrijk voordeel.
Hij echter, van wien ik thans spreek, behoorde noch tot de philosophisch-ideale, noch tot de vrome Zwaben, want hij vloekte als een ketellapper, bij iedere gelegenheid en zonder eenige aanleiding, om er zelfs niet eens van te spreken, dat er nooit eenige gegronde aanleiding tot vloeken bestaat. Ook had hij geene beschaving, maar was wel wat men een parvenu pleegt le noemen. Aan geld ontbrak het hem in elk geval niet, maar ook niet aan een zekeren humor. Vermoedelijk om dien te onderhonden, knabbelde hij voortdurend aan kleine worsten, die hij naar ik meen, van huis had meegebracht, en die trots al zijn eten toch niet „opquot; raakten, want hij had er zeer veel.
Mijn Zwaab en ik dan wandelden eerst naar het twee uur ver gelegen Stalden, welks hooge, spitse kerktoren ons reeds van verre in den glans der avondzon tegenstraalde. Niet ver van Stalden deed zich het gebergte aan ons oog voor in zijn onbeschrijflijke grootheid en heerlijkheid. Mijn hart jubelde, maai' mijne lippen werden stom bij zulk een aanblik, want mijn reismakker zou toch niet verstaan hebben wat zij zeiden. De Zwaab van zijn kant, ofschoon hij zijn mond vol worst had, riep, bij gebrek aan dieper overwegingen, uit: „ Potz, wat is dat hier hobbelig !quot; (De vloeken laat ik achterwege). Zoo erg zou ik 't mij nooit voorgesteld hebben.quot; En dan weer, na eene pauze: „Wel, wel, wat zou mijne Barbele toch wel zeggen, als zij eens zag,
179
■wat ik zoo al zie!quot; Deze diepzinnige rede scheen hem zelf zeer te imponeeren. Hij herhaalde bij iederen draai van den weg en bij eiken nieuwen aanblik dezelfde woorden.
Toen ik hem (op grond van mijne Baedeker-studiën) iets vertelde van al de heerlijkheid, die in den schoot van het voor ons liggend gebergte sluimerde; toen ik tot hem sprak over Schild-horn en Belferin, Matterhorn en Monte-Rosa, zwoer hij bij hoog en laag, dat hij met mij zou reizen, ook al zou het hem een okshoofd zweet kosten. Niettemin is, om dit hier al dadelijk op te merken, het volbrengen niet op het willen gevolgd, maar achterwege gebleven, iets dat, helaas, niet alleen bij Zwaben voorkomt, maar toch ook bij Zwaben. Toen ik namelijk drie dagen later van het „Riffelhausquot; (waar een der heerlijkste uitzichten van heel de wereld is te vinden) naar Zermat afdaalde ontdekte ik plotseling mijn Zwaab, ongeveer duizend voet boven de vlakte van het dal. Vloekend, hoestend, zuchtend en over God, wegen, menschen, laarzen en bergen klagend, zat hij op het gras, badende in zijn zweet. Natuurlijk hield hij zich bezig met eten en kauwen; wat zou hij ook anders gedaan hebben? Hij had er al lang aan getwijfeld, om den hemelhoogen top te kunnen beklimmen. Wat ik hem ook mocht voorpraten, hoe ik hem ook moed zocht in te spreken, met eene vastberadenheid, een betere zaak waardig, bleef hij er bij: „Ik ga er niet op! Ik wil slechts de bergen van onderen bekijken.quot;
De lezers zagen dus reeds, dat de Zwaab niet in mijn gezelschap was gebleven. Wij namen op de volgende manier afscheid van elkander. Toen wij juist in Stalden wilden binnentreden, ontmoette ons een aanzienlijk heer, die op een muilezel reed. Het was een Engelschman, maar een van de weinige Engel-schen, die fatsoenlijk Duitsch kunnen spreken, en een van hen die nog minder in aantal zijn, die namelijk iemand aanspreken, zonder dat men aan hen voorgesteld is. Hij vroeg ons, of wij
180
van plan waren, om in Stalden te overnachten. Dit beantwoordden wij toestemmend, en wezen op de herberg, die ons zoo vriendelijk wenkte. Hij lachte evenwel bitterlijk, als iemand, die een smartelijke ervaring heeft opgedaan, en waarschuwde er ons ernstig voor, dat wij onzen intrek zouden nemen in dat logement, dat toen ter tijd het eenige was, dat in aanmerking kon komen. Met overreding en in opwinding deelde hij ons meê, dat er in de slaapkamers van dit huis zoo ontzettende rooverbenden huisden, als hij op zijn vele reizen door de wereld nog nooit had aangetroffen. Wat hij daarmee bedoelde, mag ik niet zeggen, zoo ik niet zondigen zal tegen de wetten der aesthetica en die van den goeden smaak. De diepzinnige lezer zal evenwel bij eenige kennis van de wereld, ook zonder Zwaben-profetischen aanleg, de waarheid wel kunnen vermoeden en — sidderen. ')
Trots dit alles verklaarde mijn heldhaftige Zwaab, dat hij daar toch zou blijven, ook al huisde de duivel in levenden lijve met zijne grootmoeder er bij in de spelonk, — „wantquot;, zoo zeide hij, „ik wil avondeten hebben.quot; Ik wist niet wat ik hoorde. De verteerde worstjes, die mij voor eenige dagen zat zouden gemaakt hebben, schenen dan slechts de inleiding tot zijn werkelijk avondeten geweest te zijn! Ja, „ongelijk zijn des levens goederen verdeeld.quot;
Voor mij was 't een moeilijk geval. Dat ik op een goede manier van den worstverdelger afkwam, baarde mij begrijpelijkerwijs geen groot verdriet. Maar wat nu gedaan? Dat
') Ik heb geene gelegenheid gehad , om mij te vergewissen, of de aanklacht van den Engelschman op waarheid berustte. Ik zeg dit, om den waard in Stalden niet te benadeelen. In elk geval, zijn d i e beesten, die toen aldaar huisden, sinds lang niet meer instaat, om de mensehen te kwellen.
181
was de groote vraag, die dadelijk beantwoord moest worden. Het stond bij mij vast, dat ik in de „rooverherbergquot; niet kon overnachten. Al ben ik ook anders juist niet zoo angstig, toch heb ik van kindsbeen af een instinctmatigen en onoverwinne-lijken afkeer gehad van die donkere machten, waartegen men zich niet verweren kan. De vraag, die ik te beslissen had, was deze of ik twee uur terug zou gaan naar Visp, of voorwaarts naar St. Nikolaus. Maar welk eenigszins normaal mensch mag dan teruggaan? Zoo koos ik dus: Vooruit. Dat is nu in het leven evenwel steeds moeilijker dan terug, maar in mijn geval had het zijn bijzondere moeilijkheden.
St. Nikolaus is namelijk drie volle uren van Stalden verwijderd. Het eenzame voetpad (een rijweg was er niet, terwijl er tegenwoordig zelfs wel een electrische spoorweg zal zijn) voerde door het akelig wilde Vispdal. Ik had geen het minste vooruitzicht, dat ik ook maar een eenig menschenkind ontmoeten zou. En al keek voor het oogenblik de zon hier en daar nog eens in het dal rond, toch moest ik tot mijzelven zeggen, dat zeer spoedig, vooral temidden van deze rotsen, de donkere nacht zou aanbreken. Daarbij kwam nog, dat zich na den zwoelen dag donkere onweerswolken saampakten, die mij ook wat te denken gaven.
Nog overlegde ik bij mijzelven, wat mij te doen stond, toen een jongmensch op mij toetrad en mij vroeg, of hij mijn gids mocht zijn. Hij wilde mij en mijn bagage voor vier franc veilig naar St. Nikolaus brengen, Dat gaf den doorslag. De jonge Walliser en ik hadden spoedig den koop gesloten. En heeft men eerst é e n e zwarigheid overwonnen, dan werpt men de andere gemakkelijk van zich af. Ik nam afscheid van den Zwaabschen worsteter, nadat wij eerst nog samen een half fleschje landwijn gedronken hadden. Ik gaf hem daarbij een goeden raad ter oorzake van zijn vloeken, die, naar ik hoop.
182
ook op een goeden bodem gevallen is. Spoedig wandelden mijn nieuwe reisgezel en ik voorwaarts, het donkere dal, den duisteren nacht en de verschrikkelijke bliksemschichten tegemoet.
Nu moet ik echter mijnen lezers eerst mijn geleider voorstellen, want hij is „de held onzer geschiedenis.quot; Ik zie hem nog zoo levendig voor mij, dat ik hem zou kunnen uitteekenen, als ik teekenen kon. Maar dat kan ik, helaas, niet. Mijn gids was iemand uit Wallis, een kleine, maar veerkrachtige snaak, met zwarte haarlokken en zwarte, bliksemde oogen. Zijne huid was geelbruin; zijn gebarenspel uiterst levendig; zijn slecht gelapte kleeding toonde dat hem geene moeder of vrouw of zuster terzijde stond. Ook scheen hij met het water juist niet veel kennis gemaakt te hebben.
In 't algemeen kan ik niet zeggen, dat de jonge man er juist zoo naar uitzag om het vertrouwen te wekken. Hij was wel is waar zeer lustig, maar er is eene lustigheid, waarmee het zoo geschapen staat, dat zij iemand eene huivering op het lijf jaagt. En zoo was het hier. Het jonge mensch had nu en dan zelfs een gemeen en onheilspellend uitzicht. Dat was mij het eerst opgevallen, toen ik in Stalden mijn wijn betaalde en hij met critische, loerende oogen mijne beurs monsterde.
Maar wat te doen? Ik was nu eenmaal in zijne hand, dus moest ik het met hem zoeken te stellen. Bij die gelegenheid moest ik er mij weer eens over verwonderen, dat wij over 't algemeen zooveel geloof slaan aan de menschen. Wij stappen, om een voorbeeld te noemen, zonder te sidderen in den trein. Daarbij rekenen wij er maar getroost op, dat ieder der honderden menschen, die tot het treinpersoneel behooren, en op de gansche spoorlijn, die wij te rijden hebben, tot den laatsten
183
wisselwachter toe, zijn plicht zal doen. Wij vertrouwen er vast
op, ofschoon wij weten, dat het duizendmaal niet zoo geweest
is en er dientengevolge ook ontzettende ongelukken hebben
plaatsgegrepen. Of wij geven, zelfs op een vreemde plaats,
onszelven over aan de handen van een dokter, dien wij nog * ..
nooit hebben gezien. Wij brengen het papiersnippertje, waarop hij zijne hiëroglyphen gekrabbeld heeft, naar de apotheek, en slikken een half uur later de mixtuur, die ons gezonden werd, met goed vertrouwen. Wij gelooven, dat de dokter zijne zaken verstaat, dat hij goed heeft begrepen, waar en wat er ons schortte, en dat hij het juiste middel heeft voorgeschreven. Wij koesteren eveneens het goede vertrouwen, dat de apotheker zijn plicht goed gedaan heeft en niet mistastte in de vele geheimzinnige fleschjes, kruikjes, potjes en mortieren. Wij gelooven dit alles (en wij moeten het ook wel gelooven). ofschoon wij zeer goed weten, dat er onder de dokters genoeg kwakzalvers zijn en ook de besten zich toch nog dikwijls geweldig vergissen ; idem dat de apothekers, ook zonder boos opzet, reeds dikwijls genoeg de patiënten hebben vergiftigd.
En zoo gaat het overal, in gezonde en kranke dagen, te water en te land, in arbeid en in rust. Telkens en telkens weer openbaren wij een reusachtig geloof ten opzichte van de menschen, zooals ik mij dan nu ook weer vrijwillig in de handen gegeven had van dezen wildvreemden mensch met zijn onheilspellend uitzicht in een woeste en onbekende streek en in een duisteren nacht.
Hoe komt het nu, dat wij God, die toch de trouw en de waarheid, de liefde en de wijsheid in persoon is, — hoe komt het, dat wij Hem zoo m o e i 1 ij k vertrouwen, veel moeilijker dan de menschen, die toch zeer dikwijls leugenachtige en misschien nog vaker onmachtige en dwalende wezens zijn? Ja. hoe komt dat? Dat het metterdaad zoo is, — ik bedoel, dat
184
het met het vertrouwen op God zoo slecht geschapen staat, ook bij hen, die het nog het meest bezitten, — dat behoef ik niet eerst te bewijzen. Ook onder de vromen is de klacht algemeen, dat het in den regel niet gaat, als het er op aankomt om niet te zien en toch te gelooven.
Hoe komt dat dan? Zeker, God woont in de duisternis en zijne wegen gaan door diepe wateren. Wonderlijk leidt Hij zijne heiligen en zijne gedachten zijn niet onze gedachten. Maar moet dat ons in de war brengen ! Moest dit niet van meetaf voor ons als vanzelf spreken, daar wij toch zulke verdoolde, gansch en al verdoolde en bedorven schepselen zijn? En winnen wij dan niet door den omgang met Hem een diep gewortelde en zalige overtuiging, dat Hij de zijnen alleen zaligmaken kan en dat Hij alleen recht en goed is, en dat alleen wijs is wat Hij doet ? Bevestigt de ervaring van al Gods kinderen van alle tijden niet, dat zij, die zich door Hem lieten raden en leiden, nooit steenen inplaats van brood ontvangen hebben? Hebben wij het dan ook niet dikwijls zelf ervaren, dat Hij het ten slotte alles op het heerlijkst maakte, terwijl wij meenden dat alles scheef en verkeerd ging? En hebben wij niet, wie weet hoe dikwijls, het besluit genomen en de gelofte gedaan, om ons zonder voorbehoud, onvoorwaardelijk aan zijne leiding toe te vertrouwen en ook in het donkere dal vroolijk te zingen? Ach ja, zoo was het en er blijft ten slotte geen andere grond om ons gemis aan geloof te verklaren, dan de vervreemding van ons hart van God en de halsstarrigheid van ons vleesch, dat over het algemeen niet gelooven, maar zien, smaken, gevoelen en grijpen wil. Daarom is er ook geen beter en noodzakelijker gebed dan hetwelk David reeds voor God bracht (in Psalm 51): „Schep mij een rein hart en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest!quot; En al onze troost bestaat daarin, dat dit gebed, als het eerlijk en alle dagen
185
opnieuw uit een verbroken hart oprijst, ten slotte zekerlijk verhooring vinden zal.
Ik ontschuldig mij niet over deze kleine afwijking, ook al zegt men: „Daaraan merkt men den dominee.quot; Juist, dien moet men ook merken, tenminste den Christen.
Nu wil ik echter niet beweren, dat ik op dien avond in het Zermatter dal dit alles zoo helder heb ingedacht. Het werd mij eerst zoo recht duidelijk, toen de gevaren mijner reis overwonnen waren en ik mij verheugde in het bezit eener veilige slaapkamer in St. Nikolaus. Voorloopig ging ik echter aan de zijde van mijn gids, die den schoonen naam van Polycarpus droeg. Ik vraag namelijk ieder, met wien ik wat langer samen ben, naar zijn naam. En dan noem ik hem ook bij den naam, dien ik te welen gekomen ben, en dus niet: „Koetsier!quot; „Gids!quot; „Knecht!quot; of iets dergelijks. Ik geloof, dat ieder mensch, in wien het goede nog niet ten volle is verstorven, dankbaar zal zijn, als men hem bij zijn bijzonderen naan noemt, waarmeê zijne moeder hem reeds riep. Men moet het evenbeeld Gods zoo mogelijk niet behandelen als een „mensch in het algemeenquot; of zelfs als bloot een stuk goed.
Mijn medereiziger heette dus Polycarpus, juist als de bisschop van Smyrna, de leerling van den apostel Johannes, die in het jaar 165 zijn Christelijk geloof met den dood bezegelde op den brandstapel. Helaas, de tegenwoordige Polycarpus had met zijn wereldberoemden Kalenderpatroon geen andere overeenkomst dan die van den naam, gelijk de lezer spoedig merken zal.
En toch, hij had nog een tweede overeenkomst. Evenals de Klein-Aziatische Polycarpus, had ook deze Wallische eenezeer merkwaardige levensgeschiedenis. Ik verzocht namelijk mijn gids, mij zijne levensgeschiedenis te vertellen. Wie zin heeft voor het kleine of, om het juister te zeggen, wie zin heeft voor het groote, dat in het kleinste ligt verborgen, die
186
vindt iedere levensgeschiedenis interessant. Ook vertelt een ieder gaarne uit zijn eigen leven, want niets gaat den mensch boven zijn leven. In ieder menschenleven, ook in het meest onbeduidende, openbaart zich een bijzonder plan van den grooten God daarboven, een bijzonder plan, dat Hij met dit hart heeft. Maar bijzonder interessante, ik bedoel bonte verhalen van hun levensloop kunnen toch vele Zwitsers ten beste geven, en wel juist de Zwitsers van de zoogenaamde mindere standen. Het Zwitsersche Alpenland ligt, gelijk men weet, op zeldzame wijze ingeklemd tusschen Frankrijk en Oostenrijk, Duitschland en Italië. Vandaar, en ook nog wel om andere oorzaken, zal het komen, dat deze Alpenlanders steeds zooveel in de wijde wereld zijn rondgetrokken. Zij moeten zeer bekwaam en overal bruikbaar zijn, en, tenminste vroeger, golden zij ook voor bijzonder trouw en dapper. Anders zouden de „allerheiligstequot; koningen van Frankrijk en zelfs de wantrouwende pausen in Rome zich niet met Zwitsersche hellebardiers hebben omgeven.
Maar ook anders hebben Zwitsersche schippers, gidsen, ezeldrijvers, banketbakkers enz. meest allerlei gebeurtenissen doorleefd. En als men hun eerst , den mond wat gesmeerd heeftquot; en een hart quot;heeft getoond, dat kan en wil vatten en verstaan, dan loont het zeer zeker de moeite, hen aan te hooren. Wel is waar trachten zij somtijds ook hun publiek allerlei jacht- en moordgeschiedenissen op de mouw te spelden, die feitelijk met de waarheid op zeer gespannen voet staan. Maar ook daaruit kan men leeren, namelijk hoe of wat of waarom iemand liegt.
Zoo durf ik er ook mijn hoofd niet om verwedden, dat alles, wat mijn Polycarpus mij mededeelde, op volle geloofwaardigheid aanspraak maken kan. Maar al is misschien dit of dat gelogen, dan is het bijna nog interessanter, dat de slimme Walli-ser vos het had kunnen verzinnen, dan wanneer het waar was geweest.
187
Eer wij echter zijne geschiedenis hooren, moet ik nog iets zeggen, dat mij tot geringe eer verstrekt: Polycarpus vroeg mij namelijk, of hij Fransch, Duitsch, Italiaansch of , Wallisch dialectquot; moest spreken. Ik koos nadrukkelijk Duitsch, en dat niet om patriottische redenen, maar omdat ik geen andere der genoemde talen voldoende machtig ben. Mijn gids sprak wel, maar al zijne talenkennis, een Duitsch, dat zoo jammerlijk en met vreemde woorden doorspekt was, dat ik hem vaak tweemaal tot driemaal toe in éen zin in de rede moest vallen, om te vragen, of hij zoo goed wilde zijn, om zijn „Duitschquot; in het Duitsch te vertalen, maar ten slotte begreep ik hem toch.
Doch hooren wij den man! „Kunt gij nog den kerktoren daarboven op het weiland zien? Daar ligt een dorp, dat Emd heet. Daar ter plaatse ben ik opgevoed, gelijk men zoo pleegt te zeggen. Eigenlijk ben ik echter in mijne jeugd in het geheel niet opgevoed, want mijne moeder was te bang voor mij, dan dat zij mij een pak slaag zou gegeven hebben, en iemand anders heeft zich om mij niet bekommerd. Of ik in Emd ook geboren ben, weet ik niet, monsieur. En wie mijn vader was, weet ik ook niet. Misschien had ik er ook wel geen!quot; voegde hij er na een kleine pauze met een bitter en onheilspellend gelach aan toe. „Eén ding is toch zeker, dat ik namelijk in Emd de ganzen heb gehoed, en wel reeds van mijn rchtste jaar af. Weet u, monsieur, het dorp ligt zoo steil en scheef tegen den berg op, dat zelfs de ganzen daar sporen moeten dragen, om niet naar beneden te storten. Zoo zegt men tenminste. Maar u, monsieur, wil ik in vertrouwen mededee-len, dat het niet waar is. Ik zal dat toch wel het beste weten. Voor 't overige had ik bij het ganzenhoeden veel meer kortswijl, dan men denken zou. Zoo heb ik ook eens een grooten, prachtigen adelaar, die juist een gansje van mij stelen wilde, met een steen zoo aan zijn kop getroffen, dat het vliegen voor
188
goed bij hem uit was. Ik bracht het doode beest naar den dominéé, die een liefhebber was van opgevulde vogels. Hij betaalde mij voor mijn adelaar éen franc. Maar éen franc! Weet u, de geestelijken betalen altjjd slecht.quot;
Ik kon niet nalaten, glimlachend op te merken, dat ik ook een geestelijke was. „Ja, maar in elk geval een Protestant,quot; bracht Polycarpus ras besloten, in het midden: „Ik spreek natuurlijk alleen van de Katholieke, zooals zij hier in het kanton worden geëerd.quot;
„Dat zou ik u ook maar raden, Polycarpus! antwoordde ik. „Maar nu verder?quot;
„Goed, mijnheer! Mijne moeder, die natuurlijk zoo arm was als Job en zich alle dagen bij vreemde menschen moest afsloven, stierf vroeg. Nauwkeurig weet ik het niet meer, maar 't was in elk geval nog vóór ik bevestigd was. Toen heb ik ook gebiecht, ben naar de heilige communie gegaan, heb een heilig gezicht aangetrokken, — alles zooals het mode is. Maar in Emd hield ik het niet langer uit. Het bruisde daar van binnen bij me, en ik moest er uit, de wijde wereld in. Zoo heb ik toen hier en daar rondgezworven en rondgezwalkt in het land. Toen ik het eindelijk zoover gebracht had, dat ik een fatsoenlijken jas kon dragen, ging ik naar Genéve. Hier bekleedde ik in een fijn hotel den post van huisknecht. Dat was eerst recht een post voor mijn waardig persoontje; want dat moet ik te mijner eigen eere zeggen; ik wist met de heeren om te gaan. Ik kreeg dus drinkgeld genoeg en menig half fleschje te drinken, dat niets kostte, maar weet u, monsieur, de waard kan zijne oogen niet overal hebben.quot;
„Maar het geluk- was te groot en daarom duurde het niet lang. Hoor slechts: Op zekeren avond werd mij opgedragen, een heer te wekken, die 's morgens om vier uur met den vroegsten trein naar Turin wilde reizen. Daar ik een goed ge-
189
heugen had, schreef ik het nummer van de kamer niet op. Maar o, jammer! Toen ik om drie uur nog wat dommelig tengevolge van de genoten dranken opstond, kon ik mij volstrekt niet te binnen brengen, welk nummer het was, ja, ik wist niet eens de verdieping. Monsieur, ook de verstandigste en. slimste heeft zijn domme oogenblikken. Waarlijk, dezen poets had de duivel mij gespeeld en al de heiligen saam boden mij nog geen hulp, monsieur.quot;
„Wat nu gedaan? Ten slotte denk ik in mijne vertwijfeling: Wek maar op goed geluk van nummer 1 af, tot gij bij den rechten man komt. Dus wij slaan vóór de deur van nummer 1. Klop, klop! ,Het is kwart over drie.quot; Antwoord: „Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd? Is er brand uitgebroken?quot; Ik: „Neen, monsieur, maar het is tijd om op te staan. U wou immers gewekt zijn!quot; Antwoord: „Gewekt? Ik? 't Is zelfs in mijn droom niet bij mij opgekomen. En bovendien, ik ben geen
monsieur, gij infame.....!quot; krijschte een scherpe damesstem.
Dat was een slecht begin. Ik beproefde nu mijn heil aan de tweede deur en dan zoo verder. Steeds hetzelfde resultaat. Uit elke kamer werden mij, onschuldige, de boosaardigste verwijten naar het hoofd geslingerd. Nog verschrikkelijker zou het geweest zijn, indien ik de gezichten van de tegen hun wil gewekte heerschappen had moeten zien. Maar zij bleven tot mijn geluk achter de gesloten deuren, en dientengevolge was ik er niet zoozeer over bekommerd.quot;
„Ten laatste waren er in het gansche hótel nog maar enkele personen, die ik niet gewekt had. Maar ik mocht nu toch niet verder kloppen; het oproer werd al te erg. Ook was het toch al te laat voor den trein van vier uur. En zoo geschiedde het dan, dat in dien ongelukzaligen nacht juist diegene niet gewekt was, die gewekt wilde zijn.quot;
„Nu, monsieur, als gij de wereld een weinig kent, dan kunt
190
gij denken, dat er den anderen morgen wat kwam kijken. Dat was een lekkere soep. De heer, die gewekt had willen zijn, maar niet gewekt was, en al de dames en heeren, die zoetjes wilden slapen en niettemin waren gewekt, — met elkander voerden allen tezamen een ware helkomedie op. Zij snauwden den waard toe, wat dat voor een ellendig hotel was, en welke andere lieflijkheden zij nog meer uitkraamden.quot;
„De waard stond daar als 'tware in wanhoop. Als bezeten schelde hij om mij. Natuurlijk was ik eerst niet te vinden; maar eindelijk moest ik toch voor den dag komen. Het slot van de geschiedenis was natuurlijk, dat ik met schimp en schande uit het huis gejaagd werd. Ik moest de zondebok zijn. ,Ja, ziet u, monsieur,quot; zeide Polycarpus met een tragisch-komisch gezicht, „de wereld is slecht, zeer slecht; men kan het nooit iemand naar den zin maken.quot;
Ik dacht evenwel ook het mijne bij de klucht. Onder anderen, dat ik als zielverzorger ook zoo dikwijls sterk had geklopt bij hen, bij wie het nog volstrekt geen tijd was, en anderzijds uit vreesachtigheid of traagheid was voorbijgegaan bij de deuren dergenen, die mij voor het kloppen dankbaar zouden geweest zijn. De lezer, om het even van welken stand hij is, kan zich echter deze les ook ten nutte maken, want voor 't geval, dat hij werkelijk een Christen verdient te heeten. is hij ook voor anderen tot een zielverzorger gesteld. Doch dit terloops! Wij moeten nu weer verder reizen met den on-heiligen Polycarpus.
„Ik stond dus in Genève,quot; zoo verhaalde hij verder, „op straat, of veeleer: ik lag er op, want ik was naar buiten gesmeten. Ik was weer juist zoo arm als Job, want die lomperd
191
van een waard had mijn inkomen teruggehouden, daar ik zijn hotel zoo verschrikkelijk had benadeeld. En ik had ook niets voor mijzelven opgespaard, daar er in Genève zooveel gelegenheid was om zijn geld uit te geven.quot;
„Maar een echte Walliser laat den moed niet zoo dadelijk zakken. Vooral i k niet, want ik was een stoere knaap en had toen ook goede kleeren. Een vriend van me, die ook een ongeluk had gehad, reisde met mij naar Italië. Zoo kwamen wij ook te Rome en lieten ons in de pauselijke armee opnemen. Gij moet namelijk weten, monsieur, dat toentertijd de Heilige Vader nog eene armee had, al was het ook eene ellendige. Het ontbrak ook niet aan hooge soldij, maar deze stond, helaas, alleen op het papier. Slechts hoogst zelden kwam het aan betalen toe. De goede Heilige Vader had daaraan zeker geene schuld; hij kon het niet helpen. Maar allerlei schoften staken het geld, dat voor ons was bestemd, in hun eigen zak. Maar daar wordt men niet door verzadigd, monsieur!quot;
„Eindelijk nam ook deze komedie een einde. De Piemontezen hebben de heilige stad ingenomen en wij moesten, 't geweer bij den voet, werkeloos toezien. Dat was in het jaar '70, toen de Pruisen den Pranschen Louis een hoofd kleiner gemaakt hebben, zoodat hij zijn hem na aan het hart liggenden Heiligen Vader niet kon bijstaan.quot;
„Wij werden nu allen afgedankt, wel te verstaan, monsieur, zonder s o 1 d ij. En sedert dien tijd haat ik de papen en ga niet meer ter kerk. De Protestantsche godsdienst is ook beter, zeg ik maar, beter en vromer.quot; — «Hoe dat zoo?quot; vroeg ik. „Nu,quot; meesmuilde hij, „de Duitschers geven zoo'n armen drommel als ik ben altijd, nog een drinkgeld bovendien, en de Duitschers zijn bijna allen Protestanten. Zij slaan tenminste voor verreweg het grootste deel geen kruis, als zij eene „Moeder Godsquot; of ook een „Godsbeeldjequot; voorbijgaan.quot;
192
Of nu liet gewag maken van het drinkgeld datgene was, wat men „op zijn Latijnschquot; eene captatio benevolen-tiae of op zijn Hollandsch „iemand inpalmenquot; noemt, of dat het slechts de uiting was van een kinderlijk hart vol onschuld, wil ik hier ter wille van de liefde niet nader onderzoeken.
Polycarpus zelf zweeg na deze bewering een poosje, vermoedelijk om de uitwerking zijner rede af te wachten. Ik begon hem te vragen; vooreerst, of hij er nooit aan gedacht had om Protestant te worden, daar hij toch de voorkeur gaf aan de Protestestantsche religie. Over deze vraag, die natuurlijk slechts ten doel had om hem weer tot spreken uit te lokken, verwonderde Polycarpus zich nog meer, dan als ik hem gevraagd zou hebben, of hij nooit voornemens was geweest zijne beenen in vleugels te veranderen. Hij antwoordde mij, dat de Roomsche godsdienst in het kanton mode was, bovendien zou zijn oom in Emd hem onterven als hij wilde overgaan. Maar van iets dergelijks had hij dan ook nog nooit gedroomd, „leder moet blijven waar hij nu eenmaal is! Dat is net zoo als met de huid.quot; Ik vroeg hem, hoe hij dat bedoelde. „Hoe ik dat bedoel?quot; gaf hij mij terug, verwonderd over mijn gering bevattingsvermogen; „wel, dat bedoel ik zoo; ieder mensch heeft zijn huid en die moet hij ook behouden. Wie wit is, moet wit blijven, ook al maakt hij zich voor de aardigheid eens zwart. Begrijpt u mij nu, monsieur?quot;
Ja, zeker verstond ik den gemeenen kerel. Maar ach, denken niet millioenen Protestanten precies zooals deze Roomsche, als zij denken en zeggen: „In onze familie is die schijnheiligheid geen mode. Met bidden, bijbellezen en naar de kerk loopen, heeft mijn vader zich nooit opgehouden, dus — gaat het m ij ook niets aan.quot; Ja, de familiegeest is de eigenlijke religie der meeste menschen. Zij zijn niet zelfstandig genoeg, om met den „ouden wandel naar de wijze der vaderenquot; te breken.
193
Doch waar de familiegeest k e r k e 1 ij k - v r o o m is, — ik bedoel alleen door overerving en landsgewoonten, maar niet op grond van een innerlijke verandering des geestes — daar houdt hij in een van God vervreemde omgeving op den duur ook weer geen stand. Men beleeft het alle dagen, dat die fa-miliën, die uit een kerkelijk-vrome streek naar de straat van een groote stad verhuizen, waarin de onkerkelijkheid „modequot; is, — ik zeg, men beleeft het, helaas, voortdurend, hoe deze lieden spoedig geheel en al in het vaarwater daarheen drijven, dat al de scheepjes om hen heen beweegt.
In summa: de allermeeste menschen schikken zich naar hunne omgeving en zijn dus het tegendeel van origineel. Wel is waar, steekt er in ieder mensch een origineel, maar het sluimert, tot de rechte Meester, Jezus Christus, tot het marmerblok komt. Tot zoolang gaat het, gelijk bij Polycarpus alles „naar de mode.quot;
De arme man was zeker reeds onder de mode gezonken. Toen ik hem vroeg, hoe dikwijls hij naar de kerk ging, glimlachte bij listig en zeide: „Zoo dikwijls als het jaarmarkt is. En in den biechtstoel krijgen de papen mij vooreerst niet meer. In den zomer zeg ik hun, dat ik vanwege de vreemdelingen geen tijd heb; en in den winter troost ik hen door te zeggen, dat het in de kerk voor mij te koud is, om mijn rheumatische aandoeningen. Het zou toch ook een al te lange litanie worden, als ik al mijn zonden uit Genève en uit Rome en later uit het kanton moest opdreunen. Ik zou, op mijn woord, niet weten, waar ik moest beginnen en waar ophouden. Dus in het maar beter, dat ik er niet aan begin, monsieur. Mijn oom in Emd heeft mij ook getroost, want hij zeide: „Wie van den Heiligen Vader nog geld heeft te vorderen, dien kan het vagevuur niet lang kwellen.quot;
Deze „troostquot; had zeer veel vat gehad op den lichtzinnigen
194
knaap, want hij herhaalde de woorden met blijkbaar welgevallen. Maar wat zal men zeggen, als talloos vele menschen uit allerlei stand, die zich Evangelisch noemen, noch aan den paus, priester en biechtstoel op aarde, noch aan den heiligen God in den hemel denken, maar zichzelven gladweg en met lachenden mond de zonden vergeven?
IV.
Ik was langzamerhand stil geworden. En dat niet allereerst tengevolge van lichamelijke vermoeienis, maar omdat ik huiverde in deze eenzaamheid. Daarbeneden in de diepte, in den afschuwelijken afgrond, raasde de wilde Visp; men hoorde alleen het geklots der golven, zien kon men niets dan somtijds het witte schuim. De hemel, waaraan geen enkele ster schitterde, was geheel en al bedekt met donkere wolken. Enkele zware droppels vielen neder, maar de huilende stormwind was oorzaak, dat het niet tot een werkelijken regen kwam. De donder rolde verschrikkelijk tusschen de reusachtige bergen; het was, alsof de eene bergreus telkens weer de wolken met den donder naar een anderen bergreus toeschoof. De duisternis was volkomen, slechts nu en dan verlichtten wit-blauwe, onheilspellende bliksemschichten de streek, waarin geen sterveling viel te bespeuren. Sinds twee uren had geen enkele levende ziel onzen weg gekruist. Het krijschen der roofvogels in de stormachtige lucht was de eenige toon van levende wezens, dien wij hoorden.
Maar in den grond der zaak waren het niet de elementen die mij verschrikt maakten. In dat opzicht ben ik van nature tamelijk onvervaard. Maar dat ik alleen was met iemand, voor wien de woorden: zonde, schuld en verantwoording blijkbaar niet bestonden, dat deed mij huiveren. Een mensch, die geen God heeft, is tot alles instaat en meer te duchten dan
195
het wildste beest. „Zie, hij bidt!quot; zeide de Heere tot zijnen discipel Ananias, die schroomde tot den voormaligen vervolger der Christenen, tot Saulus, te gaan. „Zie, hij bidt! zooals voor God moet gebeden worden, en daarom kunt gij zonder vreeze en beven tot hem gaan. En Ananias ging er heen, zonder vrees. En zonder vrees kunt gij, lieve lezer, overal uw hoofd neerleggen in den schoot van den meest onbekenden mensch, als het ook van hem geldt: „Zie, hij bidt.quot;
Maar ofschoon ik allengskens aardig vermoeid was, had ik toch om alles ter wereld mijn hoofd niet durven neerleggen in den schoot van Polycarpus. Neen, ik rilde, terwijl ik aan zijne zijde ging, omdat hij geen God had. En zeker zou ik mijn wapen gereed gehouden hebben, als ik er maar een gehad had. Ik dacht aan mijne vrouw en kinderen, die tehuis waren, en een lichte huivering overviel mij, toen ik mij voorstelde, hoe licht deze godlooze mensch mij vermoorden, berooven en in den afgrond stooten kon. Wie wilde hem weren? Wie zou ooit zijne schanddaad ontdekken ? En waarom zou iemand met zulke gevoelens zulk een plan niet vormen?
Iets dergelijks scheen ook werkelijk Polycarpus door het hoofd te gaan, want plotseling zeide hij met een ijzingwekkende stem: „Monsieur, als gij daar omlaag neertuimeldet of als ik u bijvoorbeeld bij ongeluk eens naar beneden stootte, dan zoudt gij daar onder in de Visp als zuivere meelpap aankomen. Maar ik geloof, dat ik dan als gids een verwijt zou krijgen, een verwijt, omdat ik u niet beter bewaakt had.quot; Het verwijt scheen hem het eenige ongeluk bij de zaak te zijn.
Ik deed moeite om te lachen, maar er was geen humor bij. Het duurde niet lang, of hij vatte mij weer bij den arm en zeide vriendelijker: „Ziet u, mijnheer, daar, halflinks van ons af, schitteren de lichten van het hotel Nikolaus door het woud heen. Nu zullen wij weldra op de plaats onzer bestemming
196
zijn.quot; Inderdaad, daar schemerde iets. Na een kleine wijle onderscheidde ik ook enkele lichten. Ik dankte God uit den grond van mijn hart. De lichten van St.-Nikolaus schenen mij als het ware een groet toe van den hemel, ja, als een reddende toevluchtsplaats. Nu kon ik met nieuwe kracht flink doorstappen.
En nu, eindelijk, — ja, helaas! nu eerst — dacht ik aan mijne roeping als Evangelist. Ik sprak tot Polycarpus over het hemelsche vaderhuis, hoe dat den waren Christenen eens nog duizendmaal vriendelijker tegenschitteren zal, dan nu de lichten van de herberg ons deden, ik zeide hem in zijn gezicht, dat hij, in weerwil van al zijne luchthartigheid, toch een zeer ongelukkige kerel was en daarbij nog wandelde op een weg langs den afgrond, waaruit niemand hem redden kon. Ik sprak met hem over Jezus, den Heiland, en merkte tot mijne ontzetting, dat hij van Hem nauwelijks iets anders wist, dan dat hij de kleine zoon was van de groote, schoone koningin des hemels. Hij kon zich den Heiland volstrekt niet anders voorstellen dan als een kind.
Het was mij dus een groote vreugde, hem van Jezus te vertellen, van zijn uitgebreide liefdearmen, van zijn geduld, zachtmoedigheid en barmhartigheid, ook jegens hen, die zoover waren afgedoold als de overspelige vrouw, als de moordenaar aan het kruis, en ook als hij — de arme Polycarpus.
Ja, m ij verschafte dat groote vreugde en ten langen leste werd ik er zelfs heelemaal warm bij. Maar Polycarpus scheen er weinig indruk van te krijgen. Hij was en bleef ijskoud en gevoelloos.
Toen ik hem tot beter en verder onderricht een Lukas-evangelie, dat ik in mijne tasch had, aanbood, wilde hij het eerst zelfs niet nemen. De anders zoo brutale man verschanste zich nu daarachter, dat hij niet wist of het een boek was, dat de priesters veroorloofden te lezen. Ik verdenk er hem slechts sterk van, dat hij mij voor een der schraperige heiligen hield, die
197
zich van hunne verplichting om een drinkgeld te geven afmaken door het geven van een traktaatje. Hoe dit zij, hij nam het Lukas-evangelie zonder plichtplegingen aan, toen ik hem op het punt dier groote vraag voor de toekomst gerustgesteld had. Ik gaf hem namelijk in St.-Nikolaus zijn bedongen loon, dus vier franc, daarvoor dat hij mij had begeleid, en nog een franc bovendien daarvoor, dat hij mij niet „bij ongelukquot; in de Visp had doen neerstorten.
Toen ik voor het logement afscheid van hem nam, was hij zeer geschikt en dankbaar; zelfs vond hij, dat wij ons uitstekend hadden geamuseerd. Ik daarentegen had het smartelijke gevoel, dat ik den sleutel tot zijn hart niet gevonden had Was mijn sleutel niet de rechte of was het sleutelgat toen ten tijde nog verstopt? Ik weet hc-t niet, maar hoe 'took zij, ik wil niet gelooven, dat er volstrekt geen sleutel zou zijn, die op dit hart past, of dat er geen sleutelgat in dit hart wezen zou.
Wij moeten een mensch nooit verloren achten. Onze Heiland, die de harten kende, kon wel van enkelen en van velen zeggen: „Zij hebben niet gewild.quot; Maar wat den Kenner der harten geoorloofd was, dat klinkt op onze lippen schandelijk. Ik werd, toen ik in mijn slaapkamertje nog lang wakker zat en over mijn reisje zoowel als over mijn reisgezel nadacht, aangegrepen door een eindeloos medelijden met den armen schelm, met Polycarpus. Zonder vaderliefde, zonder moederliefde, zonder tucht en genegenheid had hij van kindsbeen af een vreeselijken „strijd om het bestaanquot; gevoerd. Niemand had zich ooit ernstig om zijne ziel bekommerd. Door zijne kerk had hij, naar het scheen, slechts een zekere dressuur ontvangen, die den schran-deren mensch tot een walg was. Zware verzoekingen zonder tal hadden hem op al zijne wegen omringd. Maar reddende handen had hij nooit gezien. Wat wonder, dat hij geworden was die hij werd?
198
Wat, zoo vroeg ik mijzei ven af, wat zou er wel van u geworden zijn, als gij in de schoenen van Polycarpus waart opgegroeid? Ik sidderde bij de gedachte. En lofzeggend hief ik mijne handen op tot dien God, die mij altijd door liefgehad en uit loutere goedheid mij tot zich getrokken heeft. Maar ik moest ook een innig gebed opzenden voor den armen Polycarpus. En eer ik eindelijk insliep, werd ik vervuld met de vreugdevolle hoop, dat ik hem wellicht toch nog zou wedervinden aan den kristallijnen stroom.
Gij echter, lieve lezer, ontmoet mijn Polycarpus op al uwe wegen. En al mocht degene, dien gij ontmoet, nog veel dieper gezonken zijn dan mijn reisgezel langs de Visp, vergeet toch nooit, dat uwe ziel kostelijk is in de oogen Gods en dat de Zoon Gods haar waardig geacht heeft, om te haren wille den hemel te verlaten en het vloekhout te dragen. En als g:j dat bedenkt en zoo deze verarmde, verwoeste en verwilderde ziel — hetzij van een man, hetzij van eene vrouw — op de rechte waarde schat, dan zult gij haar ook op de rechte wijze liefhebben en op de rechte wijze behandelen. En dan zullen de engelen in den hemel er zich over verblijden!
1. ONZE KAPEL IN SASZNITZ.
I. OP DEN WEG EX LANGS DEN WEG.
„Een fatsoenlijk mensch kan zich nooit vervelen, want overal kan men menschen, boeken en muziek vinden.quot; Deze woorden heb ik onlangs ergens ('k weet niet meer waar) gelezen. Er is ook wel wat waars in, namelijk dit, dat een fatsoenlijk mensch — of laat ons duidelijker zeggen: een mensch, die een geestelijk leven leidt — zich nooit kan vervelen. Maar toch zou het nog de vraag zijn, of men, om de verveling te overwinnen, nu juist altijd die drie stukken noodig had, namelijk menschen, boeken en muziek.
Ik voor mij was althans de boeken zeer zat, toen ik den 15den Juli 1890 op mijne vacantiereis ging. Zoo mogelijk was ik de menschen nog meer zat. Ik had in den laatsten tijd al te veel gezien en genoten van mannetjes en vrouwtjes, waaronder ook zeer vele mislukte exemplaren. Ik kon daarom den zeer gepasten reisgroet mijner dochter: „ 't Is te hopen, dat wij vele interessante menschen leeren kennen!quot; slechts met een stillen zucht en de bede; „Verschoon mij. Heer! maak 't niet te veel!quot; beantwoorden. Wat ten slotte de muziek betreft, daarnaar heb ik steeds verlangen. Maar het zag er niet naar
200
uit, dat dit verlangen aan het strand der Oostzee zou bevredigd worden. Onze pianino konden wij niet medenemen. En wel had mijn oudste jongen zijne viool bij zich, maar hij is nog in de a-b-c-studiën der edele strijkkunst.
En toch zou onze reis zeer muzikaal worden en ook aanstonds met zang en spel beginnen. Ik zal u vertellen, hoe dat zoo kwam. Wij, — ja, maar wie zijn die ,wij?quot; Ten eerste, mijn lieve vrouw en hare zuster, de teedere, vriendelijke tante L.; ten tweede mijn zeven kinderen van drie tot negentien jaar; ten derde: twee voortreffelijke jonge meisjes, die vriendinnetjes van mijne dochters waren; ten vierde: onze trouwe dienstmaagd en ik, als „vader van de heele boel,quot; — dat is „wij.quot; Samen dertien personen, dus een ongeluksgetal; waarbij ik echter dadelijk opmerk, dat wij heden, 1 Maart 1892, nog allen leven. Wij stegen dan den 15den Juli des morgens om tien uur bij een tropische hitte in den trein, die van Bremen naar Hamburg ging. De beide vrouwen reden met de driejarige tweede klasse, opdat de kleine beter zou kunnen slapen. Maar de anderen gingen in de derde klasse. Waarom? Ik zou met de waarheid in conflict komen, als ik zou zeggen: „Omdat het daar luchtiger is en de menschen er origineeler zijn.quot; Maar dat men er goedkoop er rijdt, dat is zeker.
Men stopte ons in een grooteu waggon met een ruimte in het midden voor vrijen doorgang. Tusschen de veertig a vijftig menschen bestond dus vrije gemeenschap en circulatie. Beeds had ik bijna spijt van mijn zuinigheidsmaatregel, want de medebewoners van deze groote ark schenen van zeer verschillende gading te wezen. Flesschen brandewijn en speelkaarten speelden er een beduidende rol en spoedig hoorde men ook allerlei bedenkelijke stemmen.
Daar zag ik twee militaire muzikanten, een fluitist en een clarinettist, die bij gelegenheid van onze tentoonstelling met
201
anderen in Bremen concerten hadden gegeven. Mijn sigarenkoker werd de brug tot hun hart. Weldra gelukte het mij, de eerst tegenstribbelende lieden er toe te bewegen, dat zij hunne instrumenten uit hun foedraal namen. En nog hadden wij het eerste station niet achter ons, daar klonk het reeds lustig: „Als God ons zijne gunst bewijst;quot; „Duitschland, Duitschland boven alles,quot; enz. Natuurlijk zong mijn volkje mee. En spoedig zong ook de een na den ander uit het gezelschap meê. Ja, de kaartspelers wierpen hunne kaarten terzijde en — hoe het ook zij, als er eenige beesten bij ons in de ark waren, dan hebben zij toch niet gebruld. De lieflijke musica had haar dienst weer eens gedaan en de geesten gebannen. Op deze wijze vergaten wij hitte en stof, floten, clarinett'en en tirilierden onszelven voort van de Wezer tot de Elbe, dat het een lust was. Natuurlijk namen wij van onze virtuozen met een warmen, trouwen handdruk afscheid. Dat was het muzikale begin.
Verder ontmoetten wij voorloopig geene kennissen. Ook in L ü b e c k niet, waar wij vernachtten. Onze vrienden, die daar wonen, waren er nu niet, en die er waren hadden de kramp.
Ook de volgende lange rit met den trein was zeer eentonig. De hemel was grijs en nog eens grijs, en daaronder Mecklenburg en niets dan Mecklenburg! Welk eene eentonigheid! Weinig menschen en weinig dorpen en het een altijd net als het ander. Bij ieder station een adellijke wagen met vette, blanke paarden. Een hoogst onderdanige dienaar met zijn hoed in de hand, die naar eene coupé eerste of tweede klasse ging om mijnheer den baron of mevrouw de barones te ontvangen. Vele menschen, die veel aten en dronken, — dat was alles. En — in weerwil van Fritz Reuter — nergens eenige aanduiding van een „oom Brasigquot; of van een „Carl Hawerman,quot; nergens eenige aanduiding van een „Fritz Friddelfritzquot; of van eene „Fru Pastern.quot; En dan de spoorweg langs de kust van Rostock tot Stral-
202
sund! Waarlijk, een beeld der eeuwigheid, tenminste als men zich onder eeuwigheid — gelijk, dwaas genoeg, de meeste men-schen doen — slechts iets langs, langzaams en vervelends voorstelt. Ik kon er mijn overmoedige jeugd slechts met moeite van terughouden, om er uit te springen en er naast te gaan loopen.
Niettemin kwamen wij eindelijk, eindelijk in het lieve Stral-s u n d in Pommerland. En hier veranderde zich de omgeving en wel tot ons voordeel. Een frissche wind woei ons in 't gezicht, toen wij over den zeearm naar het eiland Riigen stoomden, dat zich hier zeker niet van zijn gunstigste zijde toonde.
Doch nu zou ook de eerste schoone kennismaking komen. In weerwil zelfs van mijne zatheid van menschen. Maar niet ik, doch mijn driejarig dochtertje Irma was het, die haar bewerkstelligde. Een hooggeplaatst officier namelijk, wiens gelaat en geheele wezen van dien aard was, dat hij oogenblikkelijk het hart won, was mede in de coupé tweede klasse gestegen, waar de kleine met hare moeder verblijf hield. Weldra waren de stille oude heer en het spraakzame kleine meisje bevriend, zoodat zij nauwelijks van zijne knie was af te krijgen. In Bergen, waar wij eenig oponthoud hadden, kocht de officier een pakje chocolade en begiftigde daarmede zijn jonge vriendin. Toen wij, namelijk nummer éen tot tien, in Putbus onze proletariërachtige huisvesting verlieten, bracht ik hem, zooals vanzelf spreekt, mijn hartelijken dank en noemde daarbij mijn naam. Daarop noemde hij den zijnen. Ik maakte een diepe buiging, toen ik vernam, dat ik met een „generaal-luitenantquot; sprak. Maar hij was nog blijder, toen hij mijn naam hoorde. Het trof namelijk, dat ik met de gemalin van dezen heer reeds een vriendschappelijke correspondentie had gevoerd, ja, dat zij een prachtig lichtkruis voor mij had gemaakt en mij daarmeê had vereerd; idem dat ik zelf den heer volstrekt niet onbekend was, ofschoon
203
wij elkander eerst op den grond van Rügen in de oogen zagen. Het schrijven van boeken heeft toch ook zijn goede zijde. Kortom, dat gaf een groote vreugde en een hartelijke vriendschap. Wij namen allen in hetzelfde hotel onzen intrek, want onze „generaal-luitenantquot; bleef ook in Putbus, evenals wij. Hij was, zooals hij ons verried, gekomen om de keizerin te begroeten, die den anderen dag een bezoek bracht aan den vorst.
Ik wil den naam van den ouden heer hier niet noemen. Maar als hij dit leest, dan moge hij weten, dat wij allen, grooten en kleinen, hem zeer liefhebben. Ja, zulk eene excellentie is eerst nog wat excellents, iets wat men, helaas, niet van allen „ excel-lentie'squot; kan zeggen. De oude heer had het charisma (de genadegave) der vriendelijkheid, en die kwam evenzeer uit, wanneer hij met zijne officieren, als wanneer hij met een jongen, met den kellner of met mijn dochtertje sprak. In het Pruisische leger zou bezwaarlijk nog een zelfmoord voorkomen, als alle officieren een straal van deze vriendelijkheid jegens menschen in het aangezicht hadden. En als alle koninklijk-keizerlijke „generaal-luitenantsquot; zoo zijn als deze, dan zou ik gaarne met louter „generaal-luitenantsquot; willen reizen, leven, erven, sterven en begraven worden.
Overigens zag het er in Putbus zeer bont uit. En hier zagen mijne kinderen met verrukking voor de eerste maal het zonnige gelaat onzer lieve, bevallige keizerin.
Jammer genoeg ging onze lieve excellentie niet meê naar Sasznitz. Wij reden evenwel den IS611 Juli daarheen. Wij hadden ons met z'n dertienen verdeeld in Bergen in twee landauers, de oudsten en de jongsten in den eersten, de jonge meisjes in den tweeden. Deze reden iets later weg dan wij. Natuurlijk moest er weer een avontuur bij zijn. De eerste wagen met de verstandigste lieden en de onmondigen bereikte wel zonder bijzondere gebeurtenissen zijn doel. Maar de tweede met de zes
204
jonge meisjes ! Die waren met veel gezang en gejubel uit Bergen weggereden. Wij zagen ze ook eens in de verte achter ons, maar dan verdwenen ze weer. Reeds lang waren wij in Sasznitz en wachtten, maar zij kwamen niet. Wij gingen aan tafel, zaten en aten, en zij kwamen niet. Uren verliepen, wij zaten „op heete kolen,quot; of liever: wij konden vanwege de hitte der kolen niet meer zitten. Eindelijk, eindelijk kwamen zij. Wat er dan toch geschied was? Ja, schipbreuk, averij! Een uur achter Bergen was de wagen ingestort, de paarden waren verschrikt, en alle zes meisjes waren pêle-mêle en hals over hoofd in een sloot, die langs den straatweg liep, geslingerd. Dat had slim kunnen worden. Maar toen zij hunne beenderen verzamelden en telden, bleek het, dat er niet een ontbrak.
Terwijl nu de voerman naar Bergen terugreed, om een nieuwen wagen te halen, zaten de zes bij de puinhoopen hunner voormalige huisvesting in de sloot (een schouwspel der wereld), maakten verzen, praatten, zongen, gaven elkander raadseltjes op, speelden dominee enz. Het einde van alles was een vrcolijk glazenklinken in ons nieuw tehuis, de schoone villa Belvedère, waarvan wij op een andere plaats nog meer zullen vertellen.
Om de lezers niet zenuwachtig te maken, wil ik hier al dadelijk opmerken, dat op de gansche reis verdere ongelukken niet zijn voorgevallen, uitgezonderd natuurlijk menige zeeziekte bij zeilpartijtjes, — uitgezonderd natuurlijk (men bedenke, dat er onder mijn gevolg tien dames en dametjes waren) ook menigvuldig verliezen van ringen, broches, armbanden en handschoenen, dat alles evenwel in het eerlijke Rügen in de banden der bezitsters is teruggekeerd.
II. HOE DE MUZIEKANTEN ELKANDER VONDEN EN ZICH VERBONDEN.
Zoodra ons gescheiden hoopje zich weer bij ons had gevoegd legden wij onzen eersten weg af en gingen het land verkennen,
205
dat nu voor vijf weken onze woonplaats zijn zou. Mijn fantasierijke en poëtische vriend R. noemde het eens „het eiland der zaligen.quot; Inderdaad, al is het ook geen „eiland der zaligen,quot; toch is Rtigen een lieflijk eiland, tenminste de oostkust, die den naam Jasmund draagt en op welker schoonste gedeelte Sasznitz ligt. Hier valt de oever steil en verheven honderden voeten diep af in de blauwe zee, die, inzonderheid des morgens en des avonds, in zulke heerlijke kleuren praalt, dat men ook in de wereldberoemde golf van Napels en in die van Genua nauwelijks iets schooners kan zien. Loodrecht stijgen de sneeuwwitte krijtrotsen uit den zeevloed op, en wel vaak in de wildste, wonderlijkste vormen. Want kleine en toch machtige watertjes, die midden op het eiland ontspringen, hebben zich den weg naar den oceaan veroverd en het reuzengesteente langzamerhand doorboord en doorgebroken. Zoo hebben zich geweldige kloven gevormd, die in romantische schoonheid met elkander wedijveren. Hoog op de witte rotsen echter, door de kloven heen tot aan het golvende strand der zee, vertoonen zich de machtigste beukenwouden, die men in Duitschland vinden kan. Moet het daar niet heerlijk zijn? Ja, niets gaat er boven Sasznitz!
Toen ik nog student was, hebben mijn Pommersche vrienden steeds met geestdrift over Rügen gesproken en mij doen watertanden. Zoo zongen zij een lied, waarvan ik nog slechts de volgende woorden weet, die voor ons eiland zeer karakteristiek zijn.
„Witte meeuwen vliegen In de blauwe sfeer;
Witte zeilen wiegen Zich op 't blauwe meer:
Blauwe wouden kronen 't Witte duinenzand. ...
Al mijn zielsverlangen Gaat naar 't vaderland!
206
Zoo zongen zij en wekten mijn reislustig hart zeer krachtig op.
Toen reeds zou ik, ach zoo gaarne, naar het noorden zijn gereisd. Maar het ontbrak mij aan allerlei en wel voornamelijk aan datgene, wat men dwaas genoeg, „het bestequot; noemt, maar wat toch tot reizen in elk geval zeer noodig is. Maar nu was ik er werkelijk, en zelfs wel met vrouw en kinderen. Hoop laat toch ook op aarde niet altijd te schande worden.
Toen wij, (mijn dozijn en ik) onze wandeling hadden geëindigd, trad een heer van hoogen leeftijd en eerbiedwaardige afmetingen op mij toe en zeide; „Niet waar, u is toch dominéé Funcke uit Bremen?quot; Nu heb ik reeds opgemerkt, dat ik de men-schen moè was en voor 't oogenblik eigenlijk alleen m ij n huisgezin eens goed wilde leeren kennen. Dus kwam die interpellatie al dadelijk op onzen eersten weg al zeer ongelegen. Ik antwoordde dan ook tamelijk afbijtend: „Ja, dat kan ik niet heeten liegen!quot; (Ik had het toch zoo gaarne ontkend) De vriendelijke man liet zich hierdoor echter niet van de wijs brengen, maar stelde zich aan mij voor; Mijn naam is Max Reichard.quot; Nu, dat was inderdaad een andere zaak. Dat was niet hetzelfde als dat hij gezegd had: „Dominéé Schuiz uit Vervelingshuizen.quot; Wel is de genoemde een consistoriaalraad en kan men onmogelijk beweren, dat de mensch. die de wereld kent, zich onder een consistoriaalraad iets poëtisch of muzikaals voorstelt. Een groene tafel en actenstof zijn elementen, die zeer gemakkelijk de keel bederven en het hart toesnoeren. Des te opmerkelijker is het, als iemand in deze moeielijke en gevaarlijke roeping toch het oog zoo helder, het hart zoo warm en de stem zoo krachtig houdt, als hier het geval was. „Oom Richard,quot; zooals de kinderen, de grooten en kleinen, hem weldra dorsten noemen, — de „kerkvorst,quot; zooals hij zich door mij moest laten betitelen, had een heerlijke tenorstem, was steeds zanglustig, wekte steeds tot zingen op, dichtte en componeerde,
207
en was dus de geboren kapelmeester voor de kapel, die nu spoedig zou ontstaan. En dat niet alleen. Hij was vergezeld door een bloedverwant, die een zeldzamen, bijkans Grieksch klinkenden naam had benevens een Duitsch hart, dat van warme liefde klopte. Als het waar is, wat mijn nu zalige moeder dikwijls zeide, dat die menschen de besten zijn, tot wie kinderen en honden zich het krachtigst voelen aangetrokken, dan moet mijnheer B. van voortreffelijke kwaliteit zijn. De verhouding der honden tegenover hem heb ik wel is waar niet kunnen waarnemen, want wij hadden er geene bij ons. Maar de kinderen noemden hem spoedig „den li e v e n o o m.quot; Het karakter zijner stem is mij niet zoo duidelijk geworden als zijne stemming, die steeds dezelfde en wel een goede was. Dit weet ik echter, dat de „lieve oomquot;' ook menigmaal medezong. Idem, de zoon van onzen kapelmeester, een student in de medicijnen, die wel wat van zijns vaders tenor en veel van zijn overige deugden geërfd had. Verder wist deze ook eene geleende gitaar uitstekend te bespelen, en het was als het ware een beeld uit de „duizend en éen nacht,quot; als hij in het nachtelijk uur, bij het zilverlicht der maan, op de boegspriet van ons scheepje zat en in hartroerende klanken praeludeerde en den toon aangaf.
Aan den avond van denzelfden dag, waarvan ik thans spreek, zaten wij in Böttchers paviljoen, dat hoog boven de zee is gelegen, en gebruikten ons avondeten. Daar kwamen twee andere lieden, die wij spoedig annexeerden en die zich ook, naar het scheen, gaarne lieten annexeeren. De een was mijnheer K., de voornaamste onderwijzer van onzen prins, mijn lieve jonge vriend. Meer mag ik niet zeggen, maar dit zal hij mij niet kwalijk nemen. Zijn instrument was de cello, zijne stem tenor en wel fortissimo, en in zijn hart waren alle goede geesten. De ander, die geannexeerd werd, was een Franschman. Neen, Franschman wil hij niet zijn; hij is een Fransch-Zwitser.
208
Maar toch een Romaan van het zuiverste water, onrustig (doch alleen uiterlijk], beminnelijk (ook innerlijk), levendig, bedachtzaam. Hij heeft tot taak, met den prins Fransch te spreken en de keizerin in dezelfde taal voor te lezen. Sedert heeft hij zich met een Duitsch meisje verloofd en zal dus ook onze taal nog grondig leeren. Toen ten tijde was zijn Daitsch nog maar koddig. En niet minder koddig was dikwijls het Fransch, waarmee de uitgelaten jeugd hem op zijn verzoek uiteenzette, wat men in Duitschland onder „gemütlichquot; of „schwarmerischquot; of „plii-liströsquot; verstond. Wat de muziek betreft, hij zong een loffelij-ken bas, maar liederen zonder woorden, want den Duitschen tekst kon hij niet onthouden.
Daar wij nu toch bij de buitenlanders zijn, maak ik er nog melding van, dat een gunstig gesternte ons weldra ook de jonge miss A. bracht, die den prins Engelsch leert en ook overigens veel goeds verricht. Spoedig konden wij haar niet meer missen. Zij bezit alle deugden eener Engelsche, zonder de over heel de wereld bekende gebreken van haren stam; daarbij had zij reeds veel loffelijks van de Duitschers overgenomen, maar zooveel ik zag niets slechts. Wat hare stem aangaat, zij schikte zich telkens naar de behoeften van het oogenblik.
Nog een dag — hij zij ons gegroet, want hij was ons een dag van zegen! — daar trad, door den „kerkvorstquot; ingeleid, de familie in onzen kring binnen, die ik „Kunstliefquot; noemen wil. De heer Kunstlief is oorspronkelijk een Sakser, dus met al zijne kinderen zeer muzikaal. Door zijn bijzonderen levensloop is hij thans een Berlijner, maar zonder het trotsche gevoel van den bewoner eener wereldstad. Vooral, ofschoon hij eea groot-industrieel is, is hij klein in eigen oogen. Daarbij is hij werkelijk datgene, wat zijn naam uitdrukt: Kunstlief, een beschermheer der kunstenaars en ook zelf kunstenaar. Eilieve, wat wilt gij nog meer? Deze lieve man nu had twee dochters
209
en twee met heldenmoed en hartelijke liefde bezielde zoons bij zich; en u, gij lieve, stille, „m a an k o p sb 1 o e m,quot; die ik uit de verte groet en van wie ik nu verder niets wil zeggen, opdat heur teedere blaadjes niet al te zeer beven. De beide dochters nu waren zóo, als men bij zulk een vader verwachten kan. Eene van de twee is bereids een jonge doktersvrouw geworden. Toen was zij nog de bruid; maar zij was noch bleek, omdat zij bruid was, noch verstrooid en hemelsbreed ver weg met hare gedachten, omdat zij bruid was. Neen, zij was geheel en al onder ons en voor ons, ook met hare stem, haar heerlijke, hooge sopraan. Zij werd „de nachtegaalquot; genoemd, en dus heb ik niet meer woorden te bezigen. Nog hoor ik den zoeten toon harer stem, zooals die daarheen zweefde van de eene golf der zee tot de andere golf of zooals die de vogeltjes in het woud naijverig maakte.
Wat nu onze Bremer kolonie en dus speciaal mijne familie betreft, ik waag het niet, om hier het photographisch apparaat in beweging te zetten. Ik zou vreezen, dat ik anders in huis onvrede kreeg. Alleen wil ik opmerken, dat mijne kinderen allen van een vroolijken geest zijn, ofschoon hun vader, gelijk men gedrukt lezen kan, een schuw en pessimistisch man is van de zwartste soort. Verder wil ik opmerken, dat alles wat van mij afstamt zeer zanglustig is en ook min of meer aanleg tot zingen heeft, een enkele edele uitzondering nu daargelaten. Er zijn verscheidene alt- en sopraanstemmen onder van verschillenden toon en waarde. Mijn oudste was juist in de criti-sche periode, waarin de stem breekt. Ieder muziekkenner weet echter, hoe onuitsprekelijk goede uitwerking het heeft, als zulk eene stem als een harmonieerende dissonant op de rechte plaats met zijn oorspronkelijke kracht invalt. En wat mijzelven betreft, ik zing gemengden bas, wat mij steeds zeer stichtelijk voorkomt.
14
210
Zooveel over de samenstelling onzer kapel, die niet door een ■concertmeester van den eersten rang, maar door liefde en sympathie saamgebracht was en saamgehouden werd. Van kwalijk nemen was daar geen sprake. En — wat de hoofdzaak was — al waren wij ook in een zeer verschillende en deels zelfs in geen enkele muzikale school gevormd, toch stonden wij op é e n e n gronds des geloofs, der liefde en der hoop.
Menigeen zal zeker over dit zeggen lachen en vragen: „Wat hebben geloof, liefde en hoop met het zingen gemeen?quot; Maar wie zóo spreekt, die redeneert evenals de blinde over de kleuren. Hij moet bij Paul Gerhard ter schele gaan, die vóór 250 jaar midden in den dertigjarigen oorlog gezongen en gesproken heeft:
,Jezus Christus is mijn Heer;
Zijne zonne lacht mij toe!
't Eeuwig heil. door Hem bereid,
't Leven der onsterflijkheid.
Doet mij zingen blij temoê.quot;
Doch ik moet hierover en over andere dingen nog een weinig breeder handelen.
III. ONS ZANGLOKAAL, ONZE NOTEN EN ONS AUDITORIUM.
Als iemand mij vraagt: „Waar hebt gij dan eigenlijk gezongen?quot; dan antwoord ik: „Daar waar wij zaten, gingen en stonden.quot; Wij waren zoo gelukkig en blijde, en daarom moesten wij zingen.
De rotstoppen der „Blaséquot; en van den „Hingstquot; en van den zachten „Linzbergquot; en de wilde klippen van „Stubenkammerquot; weten even goed van onze liederen te spreken als de „Wal-visch,quot; waar wij het afscheidsfeest hielden, en de muziekzaal bij Böttcher, waar wij de bruiloft van onze „nachtegaalquot; vierden.
211
Het heerlijke park van Dwasieden, de bosschen van Stubnitz, de rotshoogte van Arcona, het jachtslot in Granitz, — ze zijn door onze liederen n;et minder gewijd dan de buik van den „Walvischquot; in Exampas en de veranda van onzen kapelmeester. En als ten slotte de zee al de liederen kon weergeven, die wij daarop hebben doen weerklinken bij storm en stilte, bij maneschijn en zonneglans, roeiend, zeilend, stoomend, — dat zou een machtige harmonie geven.
Ik wil bij deze gelegenheid iets mededeelen; wie weet waar het goed voor is. In mijn huls is het namelijk gewoonte, dat er 's morgens bij de godsdienstoefening wordt gezongen. En die gewoonte moet ik prijzen, ook al is het dat ik haar zelf ingevoerd heb. Dit verschaft goeden moed voor het dagelijksch leven, het is een uitstekende band der gemeenschap; het drijft de donkere geesten buiten en is den duivel zeer ergerlijk. Daar wij nu in Sasznitz op de open veranda, naar den zeekant heen, het ontbijt nuttigden, hielden wij hier ook godsdienstoefening. En dus zongen wij hier ook. Wij deden dit dus niet „om getuigenis af te leggenquot; of voor het Evangelie propaganda te maken. Maar wij lieten het ook niet na uit angstvallige vrees voor de een of andere brommerige ziel, die mogelijk in de buurt zou kunnen huizen en zich door een koraal beangstigd kon voelen. Wij bleven eenvoudig bij onze gewoonte. En, merkwaardig, niemand heeft zich ook bij de politie beklaagd over de eiken morgen wederkeerende rustverstoring. Integendeel: de gendarmes, die juist tegenover ons huis de toegangen tot de keizerlijke villa's moesten bewaken, bleven steeds eerbiedig stilstaan en zongen zonder twijfel in hun hart mede, de omwonende lieden, kurgasten en ingezetenen, deden de vensters open, als wij zongen, en luisterden, waarbij mij in 't bijzonder een bleeke Joodsche knaap opviel, die met een diep melancholische uitdrukking vol vurig verlangen zijn groote oogen naar
212
ons richtte. En onze lieve huisheer met de dienstboden er bij verheugden zich eerst dan uitstekend, als het in de morgenlucht weerklonk: „Jehova, Jehova!quot; of „Morgenglans der eeuwigheidquot; of „Prijst nu Gods barmhartigheidquot; enz.
Maar het klonk zeer zeker krachtiger, als onze geheele kapel bijeen was. Het spijt mij, dat wij geen phonograaf (waarin de liederen worden „ingemaaktquot; evenals de vruchten in den herfst) bij de hand hadden; anders zou ik er den lezers gaarne eenige proeven van doen toekomen. Nu moeten zij mij maar op mijn woord gelooven, dat het wonderbaar schoon samenstemde. Die ons hoorden (en wie, die toen in Sasznitz was, zou ons niet gehoord hebben?) ik zeg, die ons hoorden, meenden eerst allen, dat wij eene zangvereeniging vormden, die zich reeds lang geoefend had. En elk en een iegelijk verheugde zich over wat wij deden. Op de stoomboot Rugen mochten wij om niet varen, zoo wij slechts wilden wederkomen en eene muziekuitvoering geven. De kapitein van het reusachtige Deensche stoomschip „Melchiorquot; liet vuurpijlen opstijgen, toen wij eens in de nabijheid van zijn schip zongen. En als deze autoriteiten nog niet genoeg zijn, dan wil ik verraden, dat ook Hare Majesteit onze keizerin grootelijks behagen schiep in ons gezang. Wie het niet gelooft, die kan het haar zelf vragen. Wij hebben haar namelijk zeer dikwijls op het water ouder hare villa Martha eene serenade gebracht.
In summa : overal bemerkte men, dat ons zingen den men-schen vreugde verschafte. Overal drongen zij naderbij, in het woud, op de stoomboot; zij applaudiseerden, vroegen om meer of zongen ook mede, gevraagd of ongevraagd. Toen wij op zekeren avond om 9 uur in de nabijheid van de stoomboot „Rügenquot; kwamen, terwijl er geene passagiers meer op waren, trad de geheele bemanning aan de borstwering van het schip en verzocht ons op roerende wijze, om toch aan boord te ko-
213
men en te zingen, iets dat dan ook geschied is, bij een goed glas bier en onder levendige adsistentie van de manschappen der boot.
De liederen dus vinden hun weg tot de harten van verreweg de meeste menschen. Men moest deze macht veel meer gebruiken. En wie den grond gevonden heeft, die zijn anker eeuwig houdt, wie een dankbaar hart en een vroolijk geweten heeft, dien moet het toch ook om het zingen te doen zijn. Het maakt op lieden, die nog verre zijn van het koninkrijk Gods, een zeer vreemden en zeldzamen indruk, als zij zien, dat de ernstige Christenen vroolijke en ook zanglustige menschen zijn. Eu dat niet ondanks, maar juist te'n gevolge van hun geloof. Toen wij op zekeren avond op de terugvaart van Arcona allerlei geestelijke en andere liederen zongen, informeerden eenige jonge heeren er naar, wie deze vroolijke zangers toch waren. En toen zij hoorden, dat de aanvoerders van dezen troep „geestelijkenquot; waren, en zelfs nog wel „orthodoxe,quot; wilden zij dit in t eerst volstrekt niet gelooven. En toen zij zich overtuigd hadden, hebben zij ons in 't vervolg met eerbiedige, vragende verwondering aangekeken en gegroet, waar wij hen ook ontmoetten.
Ik meen dat wij. Christenen, reeds een goede getuigenis voor onze zaak afleggen, als wij ons vroolijke, vriendelijke en beminnelijke menschen betoonen, als wij in een even vroolijke en dolle als pessimistische wereld bewijzen, dat vroolijkheid en humor op onze zijde zijn. Dat is ook eene prediking, en wel eene prediking, die ieder verstaat. Het menschenhart dorst naar vreugde; ieder menschenhart dorst naar vreugde. Het is door den Schepper zoo aangelegd en houdt het zonder vreugde niet uit. Daarom zien wij ook, dat de menschen zelfs in hospitalen en armenhuizen, ja, zelfs in de gevangenissen, op vreugde zinnen en zich vreugde weten te verschaffen. Wie nu elke deur tot de vreugde ziet toegesloten, die is dood, reeds bij levenden lijve. Daarom moeten de levende Christenen hun, die nog verre
214
zijn van het rijk Gods, toonen, dat het juist het Evangelie is, dat leidt tot ware, blijvende vreugde. Zij moeten het voor alle dingen door hun gansche „lieven en levenquot; openbaren. En daartoe behoort ook het zingen; want zingende menschen zijn vroolijke menschen.
Zoo hebben wij dan ook op onze wijze de zending behartigd, niet alleen als wij bij gelegenheid van het zendingsfeest in de heerlijke woudkerk predikten. Wij hebben de zending behartigd, niet alleen als wij g e e s t e 1 ij k e liederen zongen, bijv.: „De macht der liefde bid ik aan;quot; „Waar vindt mijn ziel?quot;; „Houd vol, mijn zielquot;; „Hoog uit de hemelsche hoogtenquot; enz. Neen, wij hebben ook de zending behartigd, als wij (wat nog vaker geschiedde) „wereldschequot; liederen deden weerklinken, bijv.: „Breede dalen, hooge toppenquot;; „Wie heeft u, o, heerlijk woudquot;; „Zachtkens trekt door mijn gemoedquot;; „Een weinig liefde, een weinig trouwquot; enz.
Het werd ons bij deze gelegenheid weer eens duidelijk, welk een onuitsprekelijke rijkdom van allerlei liederen ons gezegend Duitsche volk bezit. Maar ach, hoe weinig zingt men nog in ons vaderland, aan liederen zoo rijk! Ik vrees dat onze „kapelquot; gedurende die enkele weken in Sasznitz en omstreken meer gezongen heeft dan alle andere kurgasten, die nog bij honderden telden, tezamen genomen. Een enkele maal slechts hoorden wij, dat een ander lied op ons gezang antwoordde, als een echo, tusschen woud en rots.
Waarom is toch het Duitsche volk zoo stom geworden? Waarom klinkt het lied niet meer, evsnals vóór lange tijden, in velden en bosschen en op alle wegen? Ja, waarom? De kinderlijke vreugde vol eenvoud ontbreekt, omdat — nu, laat ons het maar ronduit zeggen, — omdat allermeest het Evangelie en het kinderlijk geloof in het hart ontbreken. Daar ligt de voornaamste kern van allen jammer.
215
Maar er zijn ook nog andere oorzaken. Bijvoorbeeld: d e kunstmuziek heeft ons volksgezang bedorven. Wie zou iets zeggen tegen goede concerten? Ik ben daarvan zelf een groot vriend. Maar als zij daartoe leiden, dat men zich slechts laat voorzingen en voorspelen; dat men zich niet meer toevertrouwt om zijn mond open te doen, wanneer men niets volmaakts tevoorschijn brengt; wanneer men op zijn hoogst nog achter gesloten deuren en vensters zingt, alsof men eene misdaad beging; wanneer, zeg ik, de concerten daartoe leiden, dan zijn zij een verderf. Het „Ik zing zooals de vogel zingt,quot; dat wil zeggen: zooals hij kan en zooals zijn snavel is gegroeid, — juist dit hartverheugende zingen is voor ons verloren gegaan.
Eischt men de menschen voor het zingen op, dan heeft de een geene kennis van noten, en zonder deze gaat het niet; de ander heeft wel noten, maar hij weet den tekst niet; de derde heeft beide (wat overigens zelden voortkomt), maar hij durft het niet wagen om zijn mond open te doen, omdat er — waaraan natuurlijk niet te twijfelen valt — zooveel menschen zijn, die het beter kunnen.quot;
De leden onzer gezegende kapel waren zoo gelukkig, dat zij tekstboekjes noch notenboekjes noodig hadden, daar zij de liederen en de woorden in het hoofd en in het hart hadden. Zij waren ook niet zoo hoogmoedig, om een hoogen cri-tischen maatstaf aan hunne muziek aan te leggen. Neen, zij zongen er God ter eere en zichzelven tot vreugde maar frisch op los. En zoo werd het ook voor vele anderen tot vreugde.
En als deze vroolijke en niettemin ernstige schets er ook maar vijf en twintig lezers toe brengt, om bij de aanstaande zomerverkwikking ook eene kapel te stichten, dan zal het mij in de eeuwigheid nog verheugen, dat ik de geheimen van onze Sasznitzer kapel heb uitgebracht en rondverteld.
216
2. ALS BUURMAN VAN DE DUITSGHE KEIZERIN.
Ben ik niet een benijdenswaardig man? Ik, arme predikant, ■was toch in den zomer van 1890 zoo gelukkig, dat ik de keizerin van Duitschland een kleinen dienst bewijzen kon. Dat was een groote vreugde. Dat was nog meer dan vreugde; dat was een geluk. Ik betreurde het alleen op dat oogenblik, dat ik niet een grooter offer had kunnen brengen. De lezers zullen namelijk aanstonds zien, dat mijn „offerquot; eigenlijk in 't geheel geen offer was.
Er kwam evenwel nog een andere gedachte bij mij op, die ik niet onderdrukken wilde. Ach, dacht ik, als wij. Christenen, er toch zoo eens op uit waren, om den Heere Jezus Christus, den Koning aller koningen, den Heiland aller men-schen, — Hem, voor wien ook keizer en keizerin slechts stof en asch zijn, niets dan onmachtige wezens, die om bescherming smeeken, — ik zeg, als wij er toch eens evenzoo op uit waren om Hem een dienst te bewijzen, Hem een offer te brengen, als wij er naar trachten oen de machtigen der aarde te dienen! En dit groote geluk kan zich ieder verschaffen. Want alzoo zal eenmaal de Rechter der gansche aarde, Jezus Christus, spreken: „Wat gij gedaan hebt aan een mijner geringste broederen, dat hebt gij Mij gedaan.quot; Wij weten, dat Hij eenmaal zoo spreken zal en dat Hij daarnaar eens zal richten en beloonen, want Hij heeft ditzelf aan ons tevoren gezegd, en Hij heeft het ons ook terdege duidelijk gemaakt. (Men leze slechts, wat er staat geschreven in Mattheus XXV : 41—46).
Dat ik nu de keizerin een dienst kon bewijzen, kwam zoo. Reeds in den zomer van 1889 was ik met mijn lieve vrouw in Sasznitz op Rügen. En het schoone eiland met zijn schoone, vriendelijke en beminnelijke menschen had ons zóo bekoord,
217
dat wij besloten om in 1890 met pak en zak en de heele familie voor eenige weken naar ginds te trekken. Wij leerden toen de beminnelijke bezitters van de schoon gelegen villa „Kat hequot; kennen en huurden daarvan eenige kamers voor het zomerverblijf in 1890. Maar toen het besloten was, dat de keizerin met de prinsen hare zomervacantie in Sasznitz wilde doorbrengen, merkte men dat juist onze villa voor het „hof onontbeerlijk was. Met geweld kon men ze niet van ons nemen. En de Hohenzollerns zijn ook de laatsten, die dat zouden doen, indien zij het konden. Vrijwillig gaven wij ons recht prijs. En daarbij bevonden wij ons zeer goed. De beambten der keizerin verschaften ons kamers in de villa „Belvedère,quot; die even schoon en groot en even heerlijk gelegen waren als die, welke wij hadden prijsgegeven. En de menschen in Belvedère, die ik bij dezen hartelijk groet, hebben ons het leven zóo zoet gemaakt dat er niets te wenschen overbleef. Deze villa „Belvedèrequot; lag vlak bij de villa's, welke het hof bewoonde.
Met het voorgaande heb ik reeds hun den mond gestopt, die beweren, dat ik naar Sasznitz gegaan was, omdat de keizerin aldaar heur verblijf hield. Wel is waar zou ik het geene zonde achten, als iemand zou zeggen; „De keizerin gaat dezen zomer hierheen of daarheen, dus daar ga ik ook naartoe, want ik mag haar zoo gaarne zeer dikwijls zien.quot; Maar wat mij betreft, zóo denk ik toch niet. Integendeel, trots mijn hoogen eerbied voor de keizerin, trots mijn sterk verlangen om haar te zien, zou ik wellicht, dank zij de overwegingen van mijn dom verstand, eer weggebleven zijn, omdat zij naar Sasznitz kwam. En hadden mijne kinderen in dit geval niet een aan die van hun vader tegenovergestelde meening gekoesterd, dan was ik ook werkelijk weggebleven.
Wat de vacantie mij namelijk in de eerste plaats moet geven, dat is hoog noodzakelijke lichamelijke sterking. Ik
218
moet deze gewetenshalve zoeken. Nu is evenwel tot herstel der gezondheid groote stilte van het zomerverblijf eene hoofdzaak. Doch men kan onmogelijk beweren, dat het daardoor stiller wordt op eene plaats, dat „de voorname en voornaamste liedenquot; er hun intrek nemen. Dat toch brengt veel blijdschap en beweging, veel bont, verstrooiend gewoel met zich, veel meer dan „de voorname liedenquot; zeiven het wenschen. (Ach, zij wenschen meest tevergeefs, dat daarvan niets aan den dag kwam.)
En dan stuit het mij ook tegen de borst, op alle wegen en aan alle tafels over de vorstelijke personen te hooren praten; hoe de prinsen er uitgezien hebben en wat zij misschien hebben gezegd en gegeten, en of de een er knapper uitziet dan de ander, en of de derde vriendelijker is dan de tweede, en hoe de keizerin heeft gehoest, en of zij een lichtblauw of donkerblauw kleed droeg, en of zij naar rechts vriendelijker heeft gegroet dan wel naar links, en dergelijke dingen meer. Zulk een menschenvergoding stuit mij zeer tegen de borst, en het moet hun, wien het geldt, nog wel meer tegen de borst stuiten.
Niettemin wil ik gaarne bekennen, dat ik later blij was, zelf zeer blij, in Sasznitz geweest te zijn, en niet het minst ook daarom, dat de keizerin met de prinsen daar was, en verder zooveel lieve menschen in hare omgeving, met wie wij in aanraking kwamen. Onze woning lag, zooals ik reeds zei, zeer dicht bij de villa's, die door het hof in beslag waren genomen. De keizerin kon niet uitgaan of uitrijden, zonder voorbij onzen kleinen voortuin te komen. En zoo had ik, èn hierdoor én ook door andere nog gunstiger omstandigheden, veel gelegenheid, om een blik te slaan in het familieleven van het keizerlijke gezin, ja, in het hart der keizerin. Ik wil daarvan verder niets zeggen; alleen dit éene mag ik wel verraden, dat ik ook eens de gast van Hare Majesteit ben geweest. Met kloppend
219
hart ging ik aan den keizerlijken avonddisch en met nieuwe liederen op de lippen verliet ik hem.
De lezers moeten echter niet vreezen of hopen, dat ik zoo onbescheiden zal zijn, om daarover te spreken. Doch éen ding kan ik wel zeggen: dikwijls heeft mijn hart in mij gelachen, en dikwijls heb ik er God in den hemel voor gedankt, als ik — hetzij aan het strand of op het water of in den wagen — deze lieflijke, naar lichaam en ziel zoo uitnemend gezonde keizerin met haar vijf even frissche en kinderlijk vroolijke zonen en zoontjes tezamen zag. Welke familie van eenigen heerscher op aarde zou ons een even lieflijk beeld kunnen toonen? En sedert zijn het van vijf zelfs zes prinsen geworden. God zij dank! Zooveel meer, zooveel beter!
Ik kan en wil niet allerlei romantische of ook maar bijzondere dingen van onze keizerin vertellen. Maar wie ooit min of meer in hare nabijheid is geweest, (hij zij vriend of vijand), die zal toegeven, dat zij een echte Duitsche vrouw is, in den edelsten zin van het woord. Zij bezit eene vereeni-ging van hooge en toch, naar het schijnt, onbewuste waardigheid en van vrouwelijken eenvoud, eene verbinding van oprechte waarheid en ongedwongen kinderlijkheid, die ieders hart inneemt. Wie ooit haar groet heeft ontvangen, die vergeet het zeker zijn levenlang niet. Deze manier om te groeten, de lieftalligheid, de welwillendheid die daarbij zich voordoen, heeft honderdduizenden het hart gewonnen en heeft bijvoorbeeld ook in Elzas-Lotharingen talloos velen der onvrijwillig geannexeerden van morrende en mokkende tot met geestdrift vervulde men-schen gemaakt.
Zulk een groeten kan iemand zichzelven niet geven. Dat is een geschenk des hemels. Maar het is slechts daar mogelijk, waar achter het groetend gelaat een hart vol liefde en vriendelijkheid klopt. Onze keizerin zou al haar landslieden on-
220
derricht kunnen geven in het groeten en in het algemeen in het bewijzen van liefde. Maar dat onderricht zou niet helpen, indien de leerlingen ook niet de bron der liefde en des geluks, welker dochter de vriendelijkheid slechts is, zouden zoeken en zich ten nutte maken. Vriendelijkheid zonder de aan haar ten grondslag liggende innerlijke vreugde, den innerlijken vrede en het innerlijke leven der liefde, is slechts eene carricatuur en nauw verwant aan de onwaarheid.
Maar ik beweer dat een ware vloed van licht en welvaart zich over ons volk zou uitstorten, indien alle Duitsche vrouwen en jongedochters hare medemenschen even vriendelijk wilden aankijken, als de Duitsche keizerin dat doet. Geene oplettendheid, geene bewijs van liefde, al was het nog zoo klein, bleef door haar onopgemerkt. Zoo had een meisje, dat ik zeer goed ken, omdat het mijne dochter is, met nette hand een lief korfje gevlochten van mos. Op den jaardag van den kleinen prins Oscar reikte zij het der keizerin toe in haar wagen en schreef op een aangehecht stukje papier: „Voor zijn jaardag.quot; Maar hoe vroolijk verrast werd mijn kind, toen zij een allerliefste en teedere schriftelijke dankbetuiging ontving, die namens de keizerin was geschreven.
Dergelijke dingen waren er veel te vertellen: kleine teekenen van groote dingen ! Maar dit is het beste, dat de keizerin eene moeder is, zooals eene moeder zijn moet: eene moeder, die met hare kinderen en voor hare kinderen leeft en die daarom ook door hare kinderen wordt bemind met een gloe:ende liefde, vol geestdrift, eene moeder, die in alles wat hare kinderen betreft, in 't lichamelijke, in 't verstandelijke en in 't geestelijke, het hoogste belang stelt; die met hen speelt als een kind, maar die zich ook biddend over hare bedjes neigt, en hen leert spreken met hun Vader in de hemelen; die, zoo dikwijls dat mogelijk is, deelneemt aan het onderricht der
221
kinderen; die verstaat wat het zegt met hen te weenen en te lachen, te zingen en te treuren. Dit nu is een veel hooger lof als dat men zeggen zou, dat zij eene vrouw was, die schitterend door hare geestkracht en iederen dag nieuwe ideeën wist te scheppen.
Dit is echter ook een voorbeeld voor het volk. Stroomen van zegen zouden daaruit voortvloeien, als alle moeders dit ook werkelijk als een voorbeeld wilden aannemen, dat haar gedragslijn bepaalde. Daarop de aandacht te vestigen dat de keizerin een ware moeder is, schijnt mij honderdmaal belangrijker dan te melden, hoe de hooge vorstin bij dit of dat feest van het hof was gekleed, of zij lichtblauwe of donkerblauwe zijde droeg en of zij met deze of gene diamanten was versierd. Met dergelijke beuzelingen kan iedere dame zich tooien, die maar over een goed gevulden geldbuidel te beschikken heeft. Wie evenwel een ware moeder wil zijn, die moet zich dagelijks oefenen in de zelfverloochening. En dat is een moeielijk ding.
W at wij ter wedergeboorte van ons volk in al zijne rangen en standen noodig hebben, dat zijn, bijkans in de eerste plaats, moeders; moeders, zooals die moeten zijn, moeders, die voor hare kinderen leven; moeders, die het hunnen kinderen in een beminnelijken, vredigen levenswandel bewijzen, hoe zalig het is, hoe gelukkig het is, en hoe gelukkig het maakt, een kind Gods te zijn in deze van God vervreemde wereld. In hutten en paleizen wordt het dan eerst beter, als wij vele zulke moeders hebben.
Maar ook al is voor de schamele woning van den daglooner het voorbeeld der arme moeder, die daar woont, even gewichtig als voor het paleis het voorbeeld der keizerlijke moeder, —-toch is dit laatste voor geheel het land en volk van onvergelijkelijk veel grooter beteekenis. God in den hemel moge
222
ons dit voorbeeld nog lang bewaren en het voor het Duitsche volk als een lichttoren doen zijn in de door den storm fel bewogen zee van dezen tegenwoordigen tijd.
Hoe roerend was het om te hoeren, dat de kleine prins Adalbert de hofdame der keizerin — die twee of drie weken vóór den prins afreisde — gebeden had om hem stilletjes in een der groote koffers te pakken; dan wilde hij, als men zóóver van Sasznitz verwijderd was, dat men hem niet meer terug zou kunnen sturen, het deksel van binnen opendoen en zijn mama plotseling om den hals vallen. Ja, het was een roerend afscheid, dat wij ten deele meê doorleefden. Men zag de anders zoo rozeroode en lustige gezichten der prinsen van diepe treurigheid overschaduwd; men zag ook roodgeschreide oogen. En het was ons allen na het afscheid der heerscheres, alsof het eenzaam in Sasznitz geworden was, alsof een goede, zegenende geest was verdwenen.
En de p r i n s e n ! Zij zijn zóo, als men bij zulk eene moeder mag verwachten. Zij zijn, in weerwil van de hoflucht, zoo levenslustige, vriendelijke, bescheiden, frissche en naar lichaam en ziel gezonde kinderen, als ik ze maar ooit heb gezien. En mij dunkt, dat is iets groots. Ach, er werken zoovele omstandigheden samen, om zulke prinsen onkinderlijk, verwaand en vroeg rijp te maken.
Hoe moeilijk moet het zijn, de verpestende invloeden van vleierij en huichelarij verre van de kinderen te houden I Hoe moeilijk wordt het zulken knapen gemaakt, om bij de kinderlijke eenvoudigheid te blijven, als zij overal onder het kijkglas genomen worden, als om zoo te zeggen al hun doen en laten onder het „ontleedmesquot; gaat en aan eene „analysequot; wordt onderworpen, als zij overal met „hoeraquot; en „leef langquot; ontvangen worden!
Diep medelijden vervulde reeds mijn hart, toen ik zag, hoe
223
de keizerin ook op de eenzaamste boschwegen toch niet eenzaam kon zijn, maar zich overal moest laten aangapen, toeroepen en bewonderen. Maar toch is zoo iets nog onpleizieri-ger voor zoo jonge menschen. Zij kwamen mij dikwijls als strafgevangenen voor, als zij met hun roeiboot — tusschen twee haakjes gezegd, roeiden de beide oudsten reeds aardig voorbeeldig! — aan het strand van Sasznitz landden. Dan moest in den regel een gendarme eerst eene opening maken door de dicht op elkaêr gepakte menigte. Dan volgden de prinsen met hun geliefden majoor Van F., de een achter den ander, naar alle kanten heen met hunne stroohoeden vriendelijk groetend. Het Parlement moest eigenlijk wel een bijzondere dotatie voor stroohoeden der prinsen toestaan, want de slijtage daarvan moet enorm zijn, als men hen (ik bedoel de prinsen) steeds zoo omsingelt en tot groeten dwingt als in Sasznitz.
Doch scherts terzijde! Maar het is werkelijk een wonder Gods, als zulke kinderen k i n d e r 1 ij k blijven. En als zij nu ook (wat, naar ik hoop, niet gebeurt) nog eens alles lazen, wat er over hen geschreven wordt! Zoo stond er laatst in alle mogelijke Christelijke bladen een gedicht. De inhoud er van kwam hierop neer. Bij gelegenheid van eene prediking in Kissingen, toen de geestelijke de vraag van den Heiland aan Petrus; „Hebt gij Mij lief?quot; meer dan eens herhaalde, antwoordde de kroonprins luid en duidelijk verstaanbaar: „Ja! ja!quot; — Thans weet ik dat van de heele geschiedenis, hoe vaak ook verteld en bezongen, geen woord aan is.
Is dat niet verschrikkelijk? Waarlijk, zulke „vromequot; leugens, „ter eere Godsquot; verzonnen, zijn een groote zonde. ') En hoe
') Ik moet overigens opinerken, dat, naar ik thans weet, de dichteres de geschiedenis niet heeft verzonnen, maar ze vernomen heeft van, naar zij meende, geloofwaardige getuigen.
224
verderfelijk zouden die eerst werken, als de prinsen ze in een of ander Christelijk tijdschrift voor de jeugd te lezen kregen! Ach, daar zou nog veel, ja, nog veel treurigs zijn te vertellen. Maar het zou niet netjes wezen, om datgene aan de groote klok te hangen, wat iemand vertrouwelijk wordt medegedeeld.
Wat mij troost is dit, dat de opvoeders der prinsen in elk geval met inspanning hunner beste krachten al datgene verre houden van hun hart, wat hen zou kunnen schaden. Godlof heeft de keizerin zich ter opvoeding van hare kinderen menschen gekozen, die hart en hoofd op de rechte plaats hebben zitten. Mijne vriendschap tegenover de genoemden is te warm en te innig, en de gansche zaak te teeder, dan dat ik daarvan nog meer zou mogen zeggen. Maar dat is zeker: onze keizerlijke prinsen worden zeer verstandig opgevoed.
En uit deze gelukkige omstandigheden mag het dan ten deele ook te verklaren zijn, dat de veel bewonderde vorstenzonen nochtans voorloopig zoo onbevangen, zoo onschuldig, zoo natuurlijk, zoo oorspronkelijk frisch gebleven zijn, dat men zich daarover zeer verheugen kan. Zoo heb ik zeer vaak met de drie oudste prinsen tegelijk in zee gebaad. Het is overbodig op te merken, dat de toekomstige heerschers van het machtigste rijk der wereld zich daarbij precies zoo gedragen als andere stervelingen. Alleen, zij waren niet waterschuw en moesten niet, als veel andere knapen, in het golvende sop, dat door den wind werd beroerd, geduwd en gestooten worden. Neen, met gejubel en gejuich sprongen zij er in, alsof het hun liefste element was, zoodra de majoor er hun het teeken toe gaf. (Natuurlijk moesten de kleine heeren dicht bij het strand blijven.) En dan tuimelden zij er in en spatten en duikelden door elkaêr, dat het een lust was. Ik hoor nog het zilveren gelach der kinderen en moet aan mijne schrijftafel nog meelachen, als het mij in de ooren klinkt. Dat ging maar aldoor: „Wilhelm,
225
kom toch eens hier! Hier is het het mooist!quot; — , Fritz, Fritz, pas op, daar komt een zware golf aan!quot; „o, Mijne beenen zwemmen weg!quot; riep eens, bij een stormachtige zee, de kleine Adalbert, toen hij zich niet meer staande houden kon. En dan het gejubel als zij op den arm van den majoor von F. voor het eerst eens mogen probeeren om te zwemmen.
Het kon den jongen heeren niets schelen dat vele badgasten naar hen keken. Zij waren vriendelijk tegen iedereen, doch verder bekommerden zij zich niet om het „lieve publiek.quot; Opmerkenswaardig was slechts de strikte gehoorzaamheid, waarmede zij dadelijk het water verlieten, toen het luidde: „Mijne prinsen, het is genoeg.quot; Menig vader moest zich heesch schreeuwen, eer zijne afstammelingen het eindelijk goedvonden om morrend en mopperend zijne stem te volgen. Ieder der prinsen daarentegen steeg dadelijk uit den lachenden vloed en ijlde op zijne lakeien toe, die dan verder zorgden. Dat is opvoeding bij de Hohenzollerns.
Hoe echt kinderlijk interesseerden zij zich verder voor andere kinderen, van wie zij door hunne opvoeders hoorden. Hoe dankbaar waren zij voor kleine teekenen van liefde en zonden dan weer uit hun voorraad chocolade enz., met een hartelij-ken groet er bij. Roerend kinderlijk is ook het volgende, voor de waarheid waarvan ik insta. Bij de morgengodsdienstoefening, die voor de prinsen gehouden werd, was eens (en wel juist op den dag, dat de arbeidsdecreten des keizers verschenen) het vers aangehaald:
„Hoe zal ons eens het harte slaan,
Als wij Gods Salem binnenbaan,
Die stad der gouden straten....!quot;
„Gouden straten?quot; De kroonprins hoorde op en zeide: „Als ik eens in den hemel ben, dan steek ik al mijne zakken vol goud.quot; — „Waartoe dat!quot; — „o. Dat werp ik dan
15
226
•naar beneden voor de arme menschen inBer-lijn!quot; Is dat ook niet een arbeidsdecreet ? Waarlijk, de arme menschen zullen er niet slecht bij varen, als deze kroonprins eens keizer wordt.
„Maar hebt gij verder niets te vertellen?quot; hoor ik ettelijke lezers met teleurgestelde blikken uitroepen. Neen, verder niets, tenminste, ik wil verder niets zeggen. Ik wil alleen zeggen, dat het lieve, en naar liefde begeerige, vroolijke en hartelijke kinderen zijn, die ook op kinderlijke wijze hunne namen verbeteren. De naam van den vierden prins. Augustus Wilhelm, wordt afgekort tot A u w i, en deze „Auwiquot; noemt zijn jongste broertje Oxar in plaats van Oscar. Ach, dat God in den hemel den kleinen toch nog lang hun onschuldige kinderlijkheid en onbevangenheid moge bewaren ! Van bijzor deren aanleg en buitengewone talenten te spreken, schijnt mij nog veel te vroeg. Zelfs van de eerste dertig levensjaren van onzen Heere Jezus Christus wordt ons — éen enkele geschiedenis uitgezonderd —• verder niets gemeld, dan dat Hij zijnen ouders onderdanig was en toenam in „wijsheid en in grootte en in genade bij God en de menschen.quot; Onder nietige omhulsels en door verborgen hulpmiddelen ontwikkelde zich het hoogste, dat zich ooit ontwikkeld heeft. Het was daarbij toch goed, dat niet zooveel menschen deze verheven plant des hemels bespiedden en verzorgden.
En het zou eveneens goed zijn, als wij onze kinderen stil lieten opgroeien en slechts zorg droegen voor een gezonde aardsche en hemelsche lucht, zooals de Duitsche keizerin dat doet bij hare kinderen. Hoe stiller en eenvoudiger het groeien toegaat, des te schooner en degelijker zal eenmaal zijn hetgeen gegroeid is.
Daarom late men ook af van de kleine prinsen! Men schrijve er geene artikelen over, wat er wel van dezen en
227
genen te verwachten en niet te verwachten is. Dit is toch waar, dat zij voor de toekomst der wereld vermoedelijk van grooter beteekenis zullen zijn dan honderdduizenden van andere menschen bij elkander genomen. Maar deze gedachte moet ons slechts aanleiding zijn, om onze handen ten hemel te heffen en den almachtigen God te bidden, dat Hij hen bij den ootmoed en de eenvoudigheid beware, opdat zij eenmaal iets mogen worden tot lof van zijn eeuwigen naam en tot heil van ons vaderland.
Als wij, die ouders zijn, des avonds zoo eens aan de bedjes van onze kinderen zitten en luisteren naar hun stille ademhaling, of als wij overdag in hun heldere, zorgelooze en van angst nog vrijgebleven oogen blikken, — niet waar, dan vragen wij dikwijls, en dat niet zonder menigen diepen zucht: „Wat zal er van u, mijn lieve kinderen, worden, als gij eerst op eigen voeten staan en uw eigen strijd strijden moet?quot; Maar dikwijls, als ik de prinsen zoo dicht bij hun lieve moeder zag gezeten, of als zij op het water aan het roeien waren, werd ik door angstige en weemoedige gedachten aangegrepen. Wij leven in een tijd van geweldige bewegingen; groote catastrophen, die komen zullen, werpen reeds hare schaduwen voor zich uit. Een nieuwe wereld vormt zich in de oude; en of zij zonder stroomen bloeds en zonder vreese-lijke, verwoestende vuurzeeën kan geboren worden — ? Men waagt het nauwelijks te hopen. Deze kleine, onbezorgde knapen zullen daarbij echter (zoo dacht ik bij mijzelven) hoogst waarschijnlijk een zeer gewichtige, ja, dikwijls beslissende rol te spelen hebben. Wat zullen deze vroolijke oogen — zoo dacht ik dikwijls? — nog zoo al moeten zien? Wat zullen deze kleine handen nog al betasten? Wat al bevelen zullen te zijner tjjd van deze, nu nog kleine, lippen vloeien?
Het werd mij duizelig voor de oogen, toen ik mij in deze
228
vragen verdiepte. En niet eer raakte ik ook van deze duizeling bevrijd, dan toen ik de oogen ten hemel richtte en bad: „Gij, die alles zegenen moet, zal het gezegend en tot een zegen wezen, — zegen Gij uit uw heiligdom de prinsen van den keizerlijken stam der Hohenzollern!quot; en wie daarop biddend en uit den grond van zijn hart zijn Amen hooren doet, die verricht een werk van vaderlandsliefde.
PASTORIE, PREDIKAMBT EN HUMOR.
In de gansche wereld zullen moeilijk huizen te vinden zijn, waar meer wordt gezongen en gebeden, waar vreugde en leed, vroolijke humor en diepgaand medelijden zoo in elkander en door elkander vloeien, als in de echte Evangelische-predikanten-woniugen. Hoe zou dat ook anders kunnen? Alles wat in de gemeente omgaat, onverschillig of het den rijken man of den armen Lazarus, Farizeërs, Sadduceën of Schriftgeleerden betreft en onverschillig, of het beschaafden of onbeschaafden of henj die zich inbeelden beschaafd te zijn, aangaat; of het den gelukkigequot; geldt, die een groot lot gewonnen heeft, of den armen epileptische, wien overigens iedereen voorbijgaat; — alles, alles zendt zijne golfslagen tot binnen in de pastorie. DeechteEvan-gelische pastorie is een eigenaardige wereld op zichzelve. Zij is daardoor eigenaardig, dat zij „in de wereld, maar niet van de wereldquot; is; doch niet daardoor, dat zij van de wereld is afgesloten, integendeel daardoor, dat zij als geen ander huis voor de wereld openstaat en iedereen daar doorheen stroomt als door geen andere woning.
Ik roem dus de pastorie, waar zooveel boeken, zooveel kinderen, zooveel vreugde, zooveel smart is, als niet licht ergens
230
anders wordt gevonden. Hier legeren zich de meest idealistische en de meest triviale belangen even hard als vredig naast elkander. De groote vragen van het rijk Gods, de groote vragen der theologie, maar ook de belangen van alle edele kunst en muziek vinden hier verzorging en beoefening. Doch niet minder worden hier alle harten getroffen, als de oude Lize hare geit door den dood verliest, als de mest van Hanspeter is bedorven, als het beetje aardappelen, dat de oude droomer Kunz nog bezat, bevroren is. Hier — ik bedoel in de pastorie — wonen ook zeer dikwijls r ijk d o m en armoede naast elkander. De armen in de gemeente houden den dominee voor rijk. Hij heeft immers gepolitoerde meubelen, een cylinderhoed, een gouden bril, veel dikke boeken, zelfs een klavier, dat 's morgens en 's avonds zijn vroolijke tonen doet weerklinken, en dan nog, naar men zegt, „onmenschelijk rijke bloedverwanten.quot; Daarom worden ook aan niemand, uitgezonderd den grooten God in den hemel, zoovele eischen gesteld als aan „onzen dominee.quot; In mijn oude gemeente had ik 453 Thlr. 12 Sgr. 3 Pf. ^ inkomen; dat wil zeggen: zooveel stond er op het papier. In mijne kas kwam bij lange na niet zooveel; want hoe kon men van arme menschen emolumenten of buitenkansjes aannemen, waarop toch bij de bepaling van het inkomen gerekend was? Trots dit alles gaven eerbare leden der gemeente mij zeer dikwijls te kennen, dat ik een goede plaats had en nog aardig wat kon opsparen voor mijn ouden dag.
De vette boeren daarentegen houden den predikant voor een armen drommel, en zij hebben ook zeer dikwijls op hunne wijze gelijk. Maar toch ook alleen op hunne wijze. Is de prediker rijk in-God, dan is hij even rijk naar God del ij ken maatstaf, en dat is toch feitelijk rijk zijn. En ook datgene, wat men in de wereld der „beursgrootenquot; armoede noemt,
') In Nederlandsche munt is dit gelijk aan even /' 816.—. De vert.
231
verandert zich dan voor hem in enkel rijkdom; want het moet hem het middel worden om de heerlijkheid, de almacht, de tegenwoordigheid en de uitreddende hulp van den grooten God zooveel te heerlijker te zien. Daarvan weten de kronieken der pastorieën uitnemend melding te maken. Is de prediker rijk in God, dan is hij ook diegene, die allerwege helpt, zegent en geeft, krachtens de volkomenheid der Goddelijke macht. En wie dat nu kan, die is toch rijk, ook al moet hij met een cent tegelijk rekenen. Want wie niet geven kan of mag, die is armer dan een bedelaar, ook al kruipt hij over zijne geldzakken rond, gelijk een van de Rothschild heeft bewezen, die zich een kogel door het hoofd joeg, omdat hij van ongeveer honderd millioen franc ettelijke millioenen had verloren.
Wat ik echter bijzonder veel in echte pastorieën gevonden heb, dat is een gezonde, trouwhartige humor. Ik vond dien nergens zoo weinig als bij de lieden, die er hun beroep van maken om de lachspieren hunner medemenschen in beweging te brengen, bijvoorbeeld bij kluchtspel-komedianten, waaronder ik toch ook een tamelijke „vriendschapquot; heb. Ik vond den humor echter nergens zoo dikwijls en zoo krachtig als bij de dienaren van Christus, die niet maar zoo heeten, maar het ook werkelijk zijn. Zij kunnen wel humor hebben. Immers zien zij in den geest des geloofs den triumf der genadezon over allen jammer en al het harteleed dezer arme wereld. Zeker, dat is bij ieder levend Christen ook het geval. Maar wat inzonderheid den humor van den predikant wekt, dat is dit, dat hij om zoo te zeggen alle tegenstellingen, die er in de gemeente, in de kleine wereld om hem heen, zijn, in zijn hart besluit. Hij draagt al deze verschillende menschen, die hem toevertrouwd zijn, o p het hart, ja, hij vereenigt hen i n zijn hart. En als de antipoden dan op elkander slaan, dan ontstaat de electriciteit, die wij humor noemen.
232
Doch niet alleen in zijn hart, neen, ook lichamelijk en wezenlijk treffen de tegenstellingen samen. Wat een poespas van menschen, van zorg en hoop, van klagen en lachen, van beden en geloften treft men in de „studeerkamerquot; aan in den loop van éen enkelen voormiddag. Hoeveel mogelijke en onmogelijke, verstandige, verstandelooze en onverstandige gezichten worden daar voor iemand gesteld; hoevele nu eens hartroerende, dan weer den lachlust opwekkende vragen worden daar gedaan! En dan de brieven, waarmee vooral de stadspredikant wordt vereerd! Bedelbrieven en nog eens bedelbrieven; brieven van meisjes, wier ontrouwe minnaars men bekeeren moet; brieven van menschen, die naar hunne meening de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven hebben; anonyme brieven van menschen, die de laatste preek „een weinig nauwkeuriger bekijken;quot; brieven van dezulken, die, zooals vanzelf spreekt, van niemand wat kwaads wilden zeggen,quot; maar die in denzelfden adem N. N. zoo zwart teekenen als een duivel. Maar de voornaamste plaats beslaan de bedelbrieven. In weerwil van den leerplicht is de orthographie in den regel van dien aard, dat iemand de haren te berge rijzen. Nog afschuwelijker is de logica dezer scribenten uit het „volk der denkers.quot; En dan die vermenging van Platduitsch en Hoogduitsch, desgelijks van het geestelijke en wereldsche! Om een voorbeeld te noemen: vóór mij ligt de brief van „een diep bedroefde weduwe,quot; zooals zij onderteekent, die aldus begint: „Ik heb drie lieve onechte kinderen, en daar God de Heere mij alzoo gestraft heeft, bid ik U Hoogeerwaarde, mijne ziel te redden en mij met slechts vijf mark te helpen, opdat ik voor de kleinen wat te eten heb en mijn kleed kan terughalen uit de bank van leening, want men wil toch ook gaarne onzen Heere God de eere in zijn Godshuis aandoen.quot; Later meer over de brieven, die tegelijkertijd doen lachen en weenen.
233
Maar hoe worden eerst de menigvuldigste en meest tegengestelde gevoelens opgewekt, als de predikant in de gemeente gaat om zijne ambtsplichten te vervallen! Zijn plicht roept hem vóór alle dingen tot diegenen, bij wie de golven des gemoedslevens in de grootste beweging zijn. Nu eens bidt hij met een kranke of reikt aan een stervende het heilige avondmaal, — een kwartier later zegent hij een jong paar in, dat van vreugde jubelt, en moet daarna bij een glas wijn of ook bij een kopje onschuldige koffie een ernstig-vroolijken toast uitbrengen. Nu eens doopt hij een kindje, welks ouders zich verheugen met beving; dan weer roept de doodsklok hem aan een open graf, waar hij niet slechts voor leeddragenden, maar vaak ook voor lachende erfgenamen „woorden van troostquot; moet spreken. En zoo gaat het voort! Maar overal zijn het de hoogtepunten van het familieleven, waar hij verschijnt. Overal zijn de harten in een bijzondere stemming. En de meeste dezer diepbewogen harten ontsluiten zich voor den predikant, namelijk als hij een goede herder is, zoover als voor geen ander mensch. Waarlijk, als de predikant geen menschenken-ner wordt, dan heeft hij klappen verdiend. Maar als hij het is, dan zal hij duizendmaal in de bewogen gemoederen een dooreenliggen en dooreenwoelen ontdekken van vleesch en geest, van wereld en hemel, van vrees en hoop, van vreugde en beving, van willen en niet-willen, dat, gelijk niets anders, den humor opwekt; wel is waar een met weemoed zeer vermengden humor.
Doch ik kan hier een ernstig „nota benequot; niet onderdrukken, namelijk: wij, predikanten, moeten er toch ernstig voor waken en bidden, dat wij de menschen toch niet beschouwen als interessante objecten voor psychologische studiën. Telkens en telkens weer moet tegenover ieder mensch de gebedsvraag in ons hart leven; „o, Heere! vanwaar zullen wij brood
230
anders wordt gevonden. Hier legeren zich de meest idealistische en de meest triviale belangen even hard als vredig naast elkander. De groote vragen van het rijk Gods, de groote vragen der theologie, maar ook de belangen van alle edele kunst en muziek vinden hier verzorging en beoefening. Doch niet minder worden hier alle harten getroffen, als de oude Lize hare geit door den dood verliest, als de mest van Hanspeter is bedorven, als het beetje aardappelen, dat de oude droomer Kunz nog bezat, bevroren is. Hier — ik bedoel in de pastorie — wonen ook zeer dikwijls r ijk do m en armoede naast elkander. De armen in de gemeente houden den dominee voor rijk. Hij heeft immers gepolitoerde meubelen, een cylinderhoed, een gouden bril, veel dikke boeken, zelfs een klavier, dat 's morgens en 's avonds zijn vroolijke tonen doet weerklinken, en dan nog, naar men zegt, „onmenschelijk rijke bloedverwanten.quot; Daarom worden ook aan niemand, uitgezonderd den grooten God in den hemel, zoovele eischen gesteld als aan „onzen dominee.quot; In mijn oude gemeente had ik 453 Thlr. 12 Sgr. 3 Pf. ') inkomen; dat wil zeggen: zooveel stond er op het papier. In mijne kas kwam bij lange na niet zooveel; want hoe kon men van arme menschen emolumenten of buitenkansjes aannemen, waarop toch bij de bepaling van het inkomen gerekend was? Trots dit alles gaven eerbare leden der gemeente mij zeer dikwijls te kennen, dat ik een goede plaats had en nog aardig wat kon opsparen voor mijn ouden dag.
De vette boeren daarentegen houden den predikant voor een armen drommel, en zij hebben ook zeer dikwijls op hunne wijze gelijk. Maar toch ook alleen op hunne wijze. Is de prediker rijk in God, dan is hij even rijk naar God del ijk en maatstaf, en dat is toch feitelijk rijk zijn. En ook datgene, wat men in de wereld der „beursgrootenquot; armoede noemt,
') In Nederlandsche munt is dit gelijk aan even /' 816.—. De vert.
231
verandert zich dan voor hem in enkel rijkdom; want het moet hem het middel worden om de heerlijkheid, de almacht, de tegenwoordigheid en de uitreddende hulp van den grooten God zooveel te heerlijker te zien. Daarvan weten de kronieken der pastorieën uitnemend melding te maken. Is de prediker rijk in God, dan is hij ook diegene, die allerwege helpt, zegent en geeft, krachtens de volkomenheid der Goddelijke macht. En wie dat nu kan, die is toch rijk, ook al moet hij met een cent tegelijk rekenen. Want wie niet geven kan of mag, die is armer dan een bedelaar, ook al kruipt hij over zijne geldzakken rond, gelijk een van de Rothschild heeft bewezen, die zich een kogel door het hoofd joeg, omdat hij van ongeveer honderd millioen franc ettelijke millioenen had verloren.
Wat ik echter bijzonder veel in echte pastorieën gevonden heb, dat is een gezonde, trouwhartige humor. Ik vond dien nergens zoo weinig als bij de lieden, die er hun beroep van maken om de lachspieren hunner medemenschen in beweging te brengen, bijvoorbeeld bij kluchtspel-komedianten, waaronder ik toch ook een tamelijke „vriendschapquot; heb. Ik vond den humor echter nergens zoo dikwijls en zoo krachtig als bij de dienaren van Christus, die niet maar zoo heeten, maar het ook werkelijk zijn. Zij kunnen wel humor hebben. Immers zien zij in den geest des geloofs den triumf der genadezon over allen jammer en al het harteleed dezer arme wereld. Zeker, dat is bij ieder levend Christen ook het geval. Maar wat inzonderheid den humor van den predikant wekt, dat is dit, dat hij om zoo te zeggen alle tegenstellingen, die er in de gemeente, in de kleine wereld om hem heen, zijn, in zijn hart besluit. Hij draagt al deze verschillende menschen, die hem toevertrouwd zijn, o p het hart, ja, hij vereenigt hen i n zijn hart. En als de antipoden dan op elkander slaan, dan ontstaat de electriciteit, die wij humor noemen.
232
Doch niet alleen in zijn hart, neen, ook lichamelijk en wezenlijk treffen de tegenstellingen samen. Wat een poespas van menschen, van zorg en hoop, van klagen en lachen, van beden en geloften treft men in de „studeerkamerquot; aan in den loop van éen enkelen voormiddag. Hoeveel mogelijke en onmogelijke, verstandige, verstandelooze en onverstandige gezichten worden daar voor iemand gesteld; hoevele nu eens hartroerende, dan weer den lachlust opwekkende vragen worden daar gedaan! En dan de brieven, waarmeê vooral de stadspredikant wordt vereerd! Bedelbrieven en nog eens bedelbrieven; brieven van meisjes, wier ontrouwe minnaars men bekeeren moet; brieven van menschen, die naar hunne meening de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven hebben; anonyme brieven van menschen, die de laatste preek „een weinig nauwkeuriger bekijken;quot; brieven van dezulken, die, zooals vanzelf spreekt, van niemand wat kwaads wilden zeggen,quot; maar die in denzelfden adem N. N. zoo zwart teekenen als een duivel. Maar de voornaamste plaats beslaan de bedelbrieven. In weerwil van den leerplicht is de orthographic in den regel van dien aard, dat iemand de haren te berge rijzen. Nog afschuwelijker is de logica dezer scribenten uit het „volk der denkers.quot; En dan die vermenging van Platduitsch en Hoogduitsch, desgelijks van het geestelijke en wereldsche! Om een voorbeeld te noemen: vóór mij ligt de brief van „een diep bedroefde weduwe,quot; zooals zij onderteekent, die aldus begint: „Ik heb drie lieve onechte kinderen, en daar God de Heere mij alzoo gestraft heeft, bid ik U Hoogeerwaarde, mijne ziel te redden en mij met slechts vijf mark te helpen, opdat ik voor de kleinen wat te eten heb en mijn kleed kan terughalen uit de bank van leening, want men wil toch ook gaarne onzen Heere God de eere in zijn Godshuis aandoen.quot; Later meer over de brieven, die tegelijkertijd doen lachen en weenen.
233
Maar hoe worden eerst de menigvuldigste en meest tegengestelde gevoelens opgewekt, als de predikant in de gemeente gaat om zijne ambtsplichten te vervallen! Zijn plicht roept hem vóór alle dingen tot diegenen, bij wie de golven des gemoedslevens in de grootste beweging zijn. Nu eens bidt hij met een kranke of reikt aan een stervende het heilige avondmaal, — een kwartier later zegent hij een jong paar in, dat van vreugde jubelt, en moet daarna bij een glas wijn of ook bij een kopje onschuldige koffie een ernstig-vroolijken toast uitbrengen. Nu eens doopt hij een kindje, welks ouders zich verheugen met beving; dan weer roept de doodsklok hem aan een open graf, waar hij niet slechts voor leeddragenden, maar vaak ook voor lachende erfgenamen „woorden van troostquot; moet spreken. En zoo gaat het voort! Maar overal zijn het de hoogtepunten van het familieleven, waar hij verschijnt. Overal zijn de harten in een bijzondere stemming. En de meeste dezer diepbewogen harten ontsluiten zich voor den predikant, namelijk als hij een goede herder is, zoover als voor geen ander mensch. Waarlijk, als de predikant geen menschenken-ner wordt, dan heeft hij klappen verdiend. Maar als hij het is, dan zal hij duizendmaal in de bewogen gemoederen een dooreenliggen en dooreenwoelen ontdekken van vleesch en geest, van wereld en hemel, van vrees en hoop, van vreugde en beving, van willen en niet-willen, dat, gelijk niets anders, den humor opwekt; wel is waar een met weemoed zeer vermengden humor.
Doch ik kan hier een ernstig „nota benequot; niet onderdrukken, namelijk: wij, predikanten, moeten er toch ernstig voor waken en bidden, dat wij de menschen toch niet beschouwen als interessante objecten voor psychologische studiën. Telkens en telkens weer moet tegenover ieder mensch de gebedsvraag in ons hart leven: „o, Heere! vanwaar zullen wij brood
234
nemen, opdat wij deze ziel spijzigen?quot; Of „Vanwaar zullen wij kracht nemen, dat wij dezen verzinkende de reddende hand reiken?quot; Zijn wij steeds zoo gezind, dan zullen wij ook het grootste gevaar ontgaan, dat ons dreigt, namelijk, dat wij geestelijke dingen ongeestelijk, mechanisch en bij wijze van een handwerk zouden behandelen. Dikwijls sidder ik voor dit gevaar. Hoe dikwijls geschiedt het, dat Gods Woord tot een klinkende of ook laffe phrase wordt verlaagd, als men den ganschen dag daarmede krachtens zijne roeping moet omgaan. Geene spreuk behoort zóózeer aan den wand der studeerkamer als deze: „Dat ik niet eenigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde.quot; Ja, wat zou het ons baten, zoo wij (om dwaaslijk te spreken) de geheele wereld voor den Heere wonnen en toch schade leden aan onze eigen ziel?
En toch, hoe schrikkelijk moeilijk is het, om in al de wisselende toestanden des levens te raden, te bestraffen, te troosten, te bemoedigen, te verootmoedigen, te zegenen, en bij dat alles steeds in den geest des Heeren te blijven! Ghrysosto-mus, die een machtigen geest had, meende dat slechts weinig priesters zalig worden. Dat is, vooral uit den mond van dezen zachtaardigen bisschop, een ontzettend ernstig woord. Toen ik een kind was, meende ik het tegendeel. De zaligheid der predikanten scheen mij iets toe, dat vanzelf sprak, want ook hunne vroomheid scheen mij vanzelf te spreken, en dat moest zij eigenlijk ook doen. Ik was misschien twaalf jaar oud, toen vroeg mijn boezemvriend Benjamin mij, wat ik wilde worden. Ik bad hem, dat hij eerst z ij o e plannen zou verraden, en hij openbaarde mij, dat hij zijn oom in het eerzame schrijnwerkersgilde wilde opvolgen. Toen kwam ik voor den dag en zeide: „Ik wil het liefst dominee worden, want een dominee komt vast en zeker in den heme 1.quot; Dat was zeer vroom gedacht, maar blijkbaar kende ik noch
235
de wereld noch den hemel. De tijd ligt nu ook ver achter mij, dat ik aldus dacht. Vroeg genoeg leerde ik predikanten kennen, die altijd over inkomen en emolumenten en allerlei kluchten en schandalen uit de gemeente spraken en die, als zij Gods Woord bespraken, allerminst den indruk op mij maakten, dat zij zei ven hongerden en dorstten naar de gerechtigheid. Zij namen uit den Bijbel slechts hel meel, om met meer of minder routine brood voor andere menschen te bakken. Toen was het met mijne betoovering uit. Later kwam ik in den kring van vrome diepzinnige dissenters, voor wie de kerk een B a b e 1 was. Die bewezen mij op een haartje, dat al de „weeën,quot; die onze Heiland te zijner tijd tegen de Farizeërs heeft uitgeroepen, nu op het domineesgilde van toepassing waren. Zij voorspelden dat tooneelspelers. Zigeuners en koorddansers eer in het hemelrijk zouden komen dan de dragers van het geestelijk ambt.
Thans geef ik noch den ietwes ijsegrimmigen Separatisten, noch den groeten Johannes Chrysostomus, noch den kleinen Otto Funcke gelijk. Ik geloof en vertrouw vastelijk, dat ieder in den hemel komt, die er werkelijk door Jezus Christus in wil komen, waarbij ik echter het „wilquot; driemaal onderstreep, want God wil, dat alle menschen (ook de predikanten) geholpen worden, als zij zich maar willen laten helpen. Als dus de predikant niet w i 1, dan helpt het hem niets dat hij predikant is, ja, dan schaadt dit hem. W i 1 hij echter, dan komt hij ook in den hemel, trots Chrysostomus en separatisten en niettegenstaande hij een predikant is. „Ofschoon als door vuurquot; kan hier evenwel ook zijn bijzondere beteekenis hebben.
II.
Ondertusschen willen wij het hoofd niet laten hangen, want de Heere is getrouw. Wij willen den grooten God in den hemel
236
vertrouwen en alle papendom en alle geestelijke vormen evenzeer haten als alle wereldlijk, ongeestelijk en geesteloos wezen. Zoo willen wij den duivel het genoegen niet gunnen, dat wij huilen of meesmuilen, ais God ons eens te lachen geeft. Een hartelijk, onschuldig lachen is een Goddelijke gave en waarlijk geen geringe. Men kan er dikwijls goed gezond van worden, meer nog dan van menig middel tot bevordering van een goede spijsvertering.
Zoo acht ik het ook niet ongepast, kluchtige ervaringen uit het ambtsleven mede te deelen. Deze toch zijn niet alleen kluchtig; ze zijn ook altijd leerzaam; want men leert er de ziel des menschen en de ziel van het gansche volk uit kennen. Zij zijn evenwel dikwijls ook zeer smart elijk, want men moet er maar al te veel door tot de erkentenis komen, dat de „dood in den potquot; der volkskerk is.
Zoo is het zonder twijfel zeer grappig als een overigens brave, burgerlijke vrouw, die er in de verste verte niet aan denkt, om met het heilige den spot te drijven, tot mij zegt, wanneer ik als predikant doopen moet: „Doop umaar droog, beste dominéé!quot; Zij had namelijk, eer de handeling van den doop begon, een kristallen schaal opgezet, maar vergeten er water in te doen. Toen ik nu tot de besprenging wilde overgaan, werd de fout openbaar. Ik wenkte haar toe, maar zij deed alsof zij het niet merkte. Toen ik daarop overluid zeide: „Haal als 't u belieft spoedig wat water!quot; gaf zij bovenstaand klassiek antwoord. Deze moeder (ach! slechts eene uit ontelbaar vele), die haar kind liet doopen, had blijkbaar geen flauw begrip zelfs van wat een Christelijke doop be-teekent. Daar kan men nu wel om lachen; maar wie niet gevoelt dat het ook is om er bij te weenen, die mag er niet om lachen.
Maar nu wil ik een werkelijk vroolijke geschiedenis ten
237
beste geven. In mijn „Abrahamquot; heb ik haar met twaalf woorden aangestipt, maar thans wil ik haar eens op mijn gemak vertellen.
Het was op een Zondagmiddag om half twee, dat ikmoêen mat in den hoek mijner sofa zat. Ik wilde, wijl ik hongerig was, eten, maar het ging mij als den heiligen Petrus, namelijk dat mijn maal nog bereid moest worden (Hand. 10: 10). Maar over mij viel geene „vertrekking van zinnenquot; evenals over Petrus, doch ik was zeer gemelijk. Niet, dat de Zondagsarbeid mij te veel zou geweest zijn, ofschoon iemand ook daarover wel eens treuren kan, dat men nooit eens een goeden Zondag heeft en alzoo ook zijnen huisgenooten het genoegen van den Zondag vergalt. Maar dat kwelde mij thans niet. Ik had om negen uur gepreekt; toen avondmaal gehouden; toen in de kerk, daarna aan de huizen gedoopt, toen twee van onze Zondagsscholen bezocht; en ook ettelijke bezoeken van menschen ontvangen, die, naar zij meenden, op de werkdagen geen tijd hadden om in de pastorie te komen. Maar — het is verschrikkelijk om te zeggen — de godsdienstoefening had mij zoo ontstemd. Niet, dat mijne prediking slechter was geweest dan anders; integendeel, er was eene passage in, die mijns erach-tens zeer krachtig werken zou, en waarvan ik dies een bepaald resultaat verwachtte. Maar zie, juist toen ik midden in mijn vuur was, krijgt een jong meisje een aanval van kramp. Er heerschte een tamelijke verwarring, tot het arme schepsel naar buiten was gedragen, en mijn schoone zin was — in het water gevallen! Langzamerhand verzamelde ik, wel is waar, de verstrooide en afgetrokken geesten weer en kon ik met warmte sluiten. Maar toen nu het gezang beginnen zou, bleek het dat de orgeltrapper zoetjes in slaap was gevallen, zoodat de organist wel tienmaal moest schellen, eer deze zich weer zóóver kon vermannen, dat hij den noodigen wind in het orgel bracht.
238
Had nu tevoren bij de krampen van het meisje de ontzetting de menschen ongeschikt gemaakt, om mijne woorden in zich op te nemen, thans was het de algemeene komiek, die de met moeite gewonnen stichting weer wegnam. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat van de honderd toehoorders vijf en negentig veel te vertellen hebben gehad van de vrouw, die van zichzelve viel, en den orgeltrapper, die was ingeslapen, maar in 't geheel niets van mijne prediking.
Over dit alles nu dacht ik thans in mijne slechtgeluimdheid na. Ik philosopheerde en theologiseerde, of de genoemde gebeurtenissen nu moesten teruggebracht worden op het bestuur der Goddelijke Voorzienigheid of op de werking van den duivel, of op de menschelijke luchthartigheid, of op dit alles tegelijk, of wel op een geheimzinnigen vierden factor. Ik weet niet. of ik reeds zoover was doorgedrongen, dat ik het mijzelven duidelijk maakte, hoe God in elk geval m ij door zulke gebeurtenissen veroot moedigen wilde, — daar hoorde ik een getrippel en getrappel voor mijne deur. En eene mannenstem vroeg aan de keukenmeid; „Is mijnheer, — neen, ik wou zeggen, is de dominee thuis?quot; Ik stond op en zag nu, vanwaar dat trippelen en trappelen kwam. Dat ging uit van een sober gekleeden werkman, die een aanvallig jongske van éen of twee jaar op zijn arm droeg. Het getrippel kwam van een blond-lokkig meisje van drie of vier jaar, dat de vader aan zijne hand hield.
„Goeden morgen, dominee!quot; begon de arbeider. ,U kent mij zeker niet?quot; Toen ik het hoofd schudde, voer hij voort: „Nu, dat neem ik u niet kwalijk; maar ik ken u wel. Weet gij, waar ik u gezien heb ? Onlangs, toen u den kroegbaas N. zijn vrouw zaliger hebt begraven. Dat was mijne buurvrouw. De rede, die gij toen gehouden hebt, beviel mij buitengewoon goed, maar het meest van alles heeft mij toch geamuseerd.
239
toen u zei, dat u niet eer zoudt beginnen te spreken, dan dat wij allen onze sigaren weggelegd hadden. Dat hebben de kerels allemaal gezegd, dat was het beste van de geheele begrafenis geweest.quot; „Goed, goed!quot; zei ik, met moeite mijn lachen weerhoudend, „maar waarmee kan ik u nu dienen?quot; „Ja, dominee, laat u mij nu toch eens uitspreken. Ziet u, mijn naam is Diesker, maar ik ben geen Bremer. Neen, ik ben uit Keulen aan den Rijn, uit het Pitterstraatje. Is u daar al eens geweest.quot; Ik knikte toestemmeud en worstelde met mijn ongeduld. Mijn spraakzame landsman voer voort. „Ik ben natuurlijk Katholiek, goed Katholiek, weet u, dominee. Ik ben zeer gehecht aan mijn geloof. Dat kunt u mij toch niet kwalijk nemen, dominee.quot; „Integendeelquot;, zeide ik en nam het blondlokkige meisje op mijn knie. Dit kind had mij namelijk zeer angstig aangekeken, vermoedelijk, omdat ik mijn toga nog aan had, misschien ook, omdat zij vermoedde, dat er een groote gebeurtenis op handen was.
Ik spoorde nu mijn landsman aan, om toch ter zake te komen. Maar toen kwam ik slecht van de reis. „Jesses Marr Jusep!quot; (Jezus, Maria, Jozef) riep hij, „ik ben er reeds midden in.quot; En dat was inderdaad zoo. Ik zal het maar kort vertellen. Heer Dierkes dan had in zijn jongen tijd naar Amerika willen trekken, maar was er door een bevallig en braaf meisje toe gekomen, om Bremen in plaats van Amerika tot zijn nieuwe woonplaats te kiezen. Natuurlijk had hij de blonde maagd getrouwd. Het gelukkige jonge paar had uitgemaakt, dat de kinderen, die God hun schenken zou, tot é e n e religie moesten behooren. „Maar de domheid was, dominee, dat wij nu vergeten hadden, om uit te maken, tot, welk geloof, tot het Katholieke of tot het Calvinistische,quot; zeide mijn goede Dierkes. In werkelijkheid hadden zij het wel niet vergeten. Beiden hadden de nadere uitwerking van het denkbeeld uitgesteld in de
210
hoop, dat met den tijd ook raad zou komen en met de gebeurtenissen ook de noodige wijsheid. Men wilde den schoonen tijd der jonge liefde niet door een ergerlijk dispuut bederven. Zoo was er voor drie of vier jaar een meisje verschenen. Beiden eischten, dat het in hun „geloofquot; zou gedoopt worden, en daar man en vrouw'eenerzijds vast op hun stuk bleven staan en anderzijds elkander niet met geweld wilden dwingen, was de doop eenvoudig achterwege gebleven. Niet anders was het twee jaar later met het knaapje gegaan, „en zoo komt het, dat deze twee lieve kinderen nog niet gedoopt zijn.quot; Hier wischte de man zich een traan uit het oog, en het kleine meisje weende uit louter sympathie en kinderlijke liefde meê.
Ik werd aan tafel geroepen en verzocht den man, mij nu eindelijk te zeggen, wat hij toch wilde. Maar hij liet zich niet van zijn stuk brengen en haastte zich volstrekt niet. Hij zette mij uiteen, dat de tijden tegenwoordig slecht waren, vervolgens dat zijne vrouw heden haar verjaardig vierde, daarop, dat hij haar tot nog toe op haar verjaardag altijd een geschenk had gegeven, maar dat hem thans tot zijn grooten spijt de middelen daartoe ontbraken.
Mijn geduld was allengs uitgeput en ik merkte op, dat het toch te veel was verlangd, dat ik hem geld zou geven voor een verjaargeschenk voor zijne vrouw. „Herr Jesses Marr Jusep, wie verlangt dat ook, dominee? Dan kent u Dierkes slecht. Neen, neen, gij begrijpt mij niet. Nu, dan zal ik het u maar ronduit zeggen. Ik had gedacht, Dierkes, had ik gedacht: je geeft je vrouw het mooiste verjaargeschenk, als je de kinders stilletjes laat doopen op het Evangelische geloof. En nu weet u, wat ik hier wil, dominee!quot;
- Was dat niet een even schitterend als teeder denkbeeld? Het verjaargeschenk van den Roomschen man aan zijn Evangelische vrouw is de Evangelische doop der kinderen en daarmede
241
de godsdienstvrede. Ik weet niet, of deze geniale gedachte mijnen Roomschen konfraters ook geniaal toeschijnt. Ik weet ook niet, of al mijne Evangelische collega's het goedvinden, dat ik het verzoek van Dierkes inwilligde en de kinderen bij afwezigheid hunner moeder doopte. Maar ik heb het gedaan en mijn geweten klaagt er mij niet om aan. Ik ging met den man in de kerk, die met mijn huis naar oude kloosterlijke wijze saamgebouwd is. Bij de doopvont hield ik, warm van hart, een kleine rede over het credo en in het gebed legde ik ook in het bijzonder het verjaardagskind aan het harte Gods. Deze individueele, persoonlijke manier nu was mijn goede Roomsche Dierkes van zijne kerk wel niet gewoon. Zij scheen hem echter diep aan te grijpen. Veel heete tranen rolden op zijn zwarten baard, terwijl de kinderen den bewogen vader met verbaasde blikken aankeken. Toen Dierkes afscheid nam, drukte hij mijne hand zóo vast, dat ik het bijna uitschreeuwde van pijn, en zeide: „Dominee, al kreeg ik nog vier en twintig kinderen, dan zult u ze allemaal doopen. En ik dank u wel.quot;
Mijn vertraagd middagmaal smaakte mij na dit even stichtelijk als komisch intermezzo uitnemend kostelijk. Eenige dagea latei-bezocht ik het gezin. Het was middag en men zat zeer beha-gelijk rond een echt Bremenschen disch. Ik sprak met de lieden veel over de opvoeding hunner kinderen en vond een gewillige opneming mijner woorden. Ik kon echter niet nalaten, om aan de vrouw te vragen, of zij zich .ook had verheugd over haar verjaargeschenk. Zij glimlachte, bezon zich een weinig en antwoordde: „o Ja, maar dat wist ik wel, dat ik ten laatste mijn kop zou doorzetten.quot; Ik vond dit antwoord nu juist niet zacht en was blij dat het niet mijne vrouw was, die het gaf. Maar wijl de man zich blijkbaar niet beleedigd gevoelde, doch eens gemoedelijk lachte, waarschijnlijk omdat hij zich reeds voorlang aan het zachte juk zijner betere helft had gewend,
10
242
zoo achtte ik het niet raadzaam, om voor het oogenhlik hierop verder te gaan. En sedert zijn de lieden in een ander deel der stad gaan wonen en uit mijne oogen verdwenen. Maar ik hoop hen eenmaal, de kleinen met de grooten, in den hemel weer te vinden. Hoe dit zij, ik zal dezen doop, die een verjaarsgeschenk vertegenwoordigde, niet licht vergeten, maar eer mijn levenlang gedenken. Ik vermoed daarbij, dat dit voorval voor alle tijden in de kroniek der pastorale ervaringen een unicum zal blijven.
III.
Maar thans willen wij van den doop naar de b r u i I o 11 gaan.
Het was nog in den tijd, die — vreemd genoeg! — velen ambtsbroeders een „gouden tijdquot; toescheen en nog toeschijnt, dat de lieden zich kerkelijk moesten laten trouwen, als zij tenminste voor echtelieden gerekend wilden worden. Hier in Bremen, waar wij over 't algemeen aan de spitse der beschaving mar-cheeren, waren wij reeds sedert de dagen van Napoleon mei den „burgerlijken standquot; beweldadigd. De menschen wisten niet beter, dan dat zij naar den P h y 1 a x (daarmee meenen zij den burgerlijken stand) moesten gaan. Maar zij wisten ook, dat de echt „niet volkomenquot; was, als zij niet bij den predikant „den zegen gehaaldquot; hadden. Gelijk een snede brood nog geen boterham is, maar eerst een boterham wordt, als de boter er over is gestreken, zoo ook was het trouwen op den Phylax nog geen rechte sluiting van den echt, vóór men ook tot den predikant „Ja!quot; gezegd had. Zoo wilde het de hooge senaat en zoo behoorde het dus ook.
Toen nu de wet van den burgerlijken stand er kwam en men het volk op allerlei wijze voorzeide en voorfloot, dat de
243
echt „volkomenquot; was ook zonder den zegen van den predikant, maakte dit in onze goede Hanzestad weinig indruk. Men was aan beide wegen gewoon; en wat de Bremers gewoon zijn, daar blijven zij bij. Er waren wel eenige verbitterde sociaal-democraten, eenige „fijnbeschaafdequot;' sigarenmakers, verlichte barbiers en op beroering beluste kleermakersgezellen, die een schouwspel der wereld wilden worden en hunnen medemenschen een voorbeeld der vrijheid wilden geven. Maar toen het publiek hun den verwachten bijval niet schonk, bezonnen zij zich op iets beiers en slopen na jaar en dag in het avonduur naar de pastorie, om alsnog in ootmoed den „zegenquot; te begeeren, dien zij vroeger in hoogmoed hadden versmaad.
Ondertusschen, zoolang de menschen zich kerkelijk moesten doen trouwen, waren er velen, die daarover mopperden; thans, nu zij het niet meer moeten, doen zij het zonder te mopperen. Van zulk een echtpaar, dat mopperde, omdat het zich moest laten trouwen, wil ik thans vertellen.
Het was op zekeren morgen tegen elf uur, dat ik juist mijn rok had aangetrokken, om als zielverzorger huisbezoek te gaan afleggen. De zalige Rieger beveelt aan, dat men, dit doende, zichzelven overluid het woord des apostels zal voorzeggen; „Zoo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid.quot; Dit heb ik mij dikwijls herinnerd. Of het nu juist dezen morgen ook het geval was, weet ik niet. Maar toen zou het in elk geval zeer noodig geweest zijn, zooals de lezer mij spoedig zal toestemmen.
Reeds was ik uit mijne woning gegaan, toen een elegant rijtuig er voor stilstond. De koetsier zelfs had witte boomwollen handschoenen aan zijn plompe handen. Ik zag hoe een
244
echtpaar uit den minderen stand met twee dito begeleiders zich uit het rijtuig worstelde. Zonder twijfel kwamen deze lieden van den Phylax. Op den trouwdag toch rijden hier in Bremen ook de armsten naar den Phylax en naar den predikant, en de wagen moet fijn, zelfs zeer fijn zijn.
Tusschen den burgerlijken en den kerkelijken trouw bezoeken zij dan in den regel den stadskelder, vermoedelijk om door een fleschje ouden Rijnwijn tusschen de beide feestelijke handelingen den zeer zeker hoogst noodzakelijken nexus aan te brengen. Hoe dit zij, de „kleine luydenquot; hebben juist op dezen dag, waarop zij een huisgezin gaan stichten, behoefte om te laten zien, dat ook zij iets zijn en voorstellen. Is dat misschien niet een ietwes wild uitgegroeide herinnering aan het Goddelijk evenbeeld, aan den oorspronkelijker! adel, waartoe wij van den beginne zijn geschapen? Schemert het den menschen bij zulke gelegenheden soms min of meer voor den geest, dat de raensch eigenlijk een koning, maar geen werkdier is; een wezen met opgeheven hoofd, maar niet een beladen, zuchtende creatuur op aarde wezen moet ? 't Mag overigens zijn, zooals het wil, — maar op den trouwdag wil hij toch ook eens wat „gloriaquot; openbaren.
Zoo heb ik ook tegen den fijnen wagen en tegen den fijnen koetsier met zijn witte boomwollen handschoenen geenerlei bedenking in te brengen, zelfs dan niet, als het pas getrouwde paar den dominee bij het afscheid vraagt: „Kunnen wij wel met een bedankje volstaan?quot; of „Wij zullen dat wel goed maken, als er wat te doopen valt.quot; Maar tegen den koninklijken weg in den stadskelder heb ik zeer ernstig bezwaar. De ongewone drank en de slechte lucht van den stadskelder, zoowel als de hoogere stemming, die op zichzelve reeds door de equipage en door de groote „staats-handelingquot; in den Phylax is teweeggebracht, veroorzaken dik-
245
wijls zulk een bedenkelijk zwaaien en zwenken van de hersenen en van de beenen, dat het daardoor zeer twijfelachtig wordt, of de „kerkelijke inzegeningquot; wel een „zegenquot; hebben zal.
Ook de „ingezeteneuquot; van den wagen, waarover ik spreek, hadden den stadkelder nu juist niet in hun voordeel bezocht. Ik had mij weer in mijne studeerkamer teruggetrokken. Weldra klom genoemd gezelschap met veel lawaai den trap op en trad zonder te kloppen in mijne kamer. „Morgen, mijnheer Funcke,quot; zeide de man, „en hier zijn de papieren.quot; „Wat wenscht gij van mij?quot; vroeg ik min of meer kortaf, evenals hij in het plat-Duitsch sprekend. Met de menschen toch, die plat-Duitsch spreken, praat ik ook in die taal. Toen ik van den Rijn naar den Wezer kwam, heb ik het met veel moeite geleerd. Het gaat mij nog niet geheel zonder fouten af, maar toch leert de ervaring mij, dat ik aldus eer het hart der „kleine luidenquot; vind. En zij spreken beter en meer ronduit en van harte, als men in hunne taal met hen spreekt.
„Wat wenscht gij van mij?quot; vroeg ik dan. „Eene copulation,quot; was het trotsche antwoord. „Maar,quot; zei ik, „gij hebt u toch niet aangemeld?quot; Antwoord: „Dat doet er niet toe.quot; Ik: „Als gij eene minuut later waart gekomen, dan hadt gij mij niet eens tehuis getroffen.quot; Antwoord: „Dat doet er niet toe ; dan waren wij naar een anderen dominee gereden. Zij zijn allemaal even goed.quot; Het bloed begon mij toch langzamerhand naar het hoofd te stijgen. De bruidegom, een krachtige timmermansknecht, stond daar, met zijn cylinder op zijn hoofd en zijne sigaar in den mond. De bruid was zoo smakeloos mogelijk opgetakeld, maar overigens een groote, kloeke vrouw met een brutaal uitzicht, zoo eene, die mijn vader „dragondersquot; noemt. Toen ik te kennen gaf, dat ik er wel bezwaar tegen had, om menschen, die in deze stemming verkeerden, te trouwen, antwoordde zij even honend als trotsch: „Dominee, wij moeten ons laten
246
copuleeren en u moet ons copuleeren.quot; Zij had nog geen ongelijk. Ik greep naar mijn talar, bond mijn befje voor en zuchtte naar den dag, dat niemand meer gedwongen zou zijn, om de kerkelijke inzegening te verlangen, maar dat ook de kerk hare parelen niet meer voor de zwijnen zou behoeven te werpen.
Toen ik zag, dat de timmerman nog altijd zijn eindje sigaar in den mond hield, wilde ik toch ook eens mijne macht openbaren en zeide: „Als gij ook maar halverwege een beschaafd mensch waart, dan zoudt gij niet in mijne kamer rooken. Ik kom in elk geval ook niet bij u met een brandende sigaar.quot; Met opzet sprak ik van „beschaafdquot; want dikwijls had ik de ervaring opgedaan, dat den menschen niets meer pijn doet, dan dat men hun de beschaafdheid ontzegt. De hemel mag men hun ontzeggen en den hel toezeggen, dan deert hen niets. Maar als een fatsoenlijk mensch hun de beschaafdheid ontzegt, dan is dit voor hun gevoel toch een fataal iets. Zoo ook hier. Hij, de bruidegom, zette een zeer ontsteld gezicht en zeide verlegen: „Dominee, zij is toch koud,quot; (hij meende zijn sigaar, ofschoon het ook op de bruid gepast had). Maar met vasten tred ging hij naar de kachel en wierp het eindje sigaar er in. In dat opzicht was dus de beschaving aangebracht.
En nu konden wij ter „copulationquot; in de kerk gaan. Maar zelfs op dezen weg hield de bruidegom nog steeds zijn anti-diluviaanschen cilinder op zijn hoofd. Ik dacht dat dit eene vergissing was. „Bruidegom,quot; zeide ik, „ik moet er u opmerkzaam op maken, dat gij uwen hoed nog op uw hoofd hebt.quot; „Dat weet ik wel, dat ben ik zoo gewoon.quot; Nu was mijn gs-duld toch ten einde. „En ik ben gewoon, om slechts bruidsparen te trouwen, die met ontbloot hoofd voor mij staan,quot; barstte ik uit, waarbij ik wil opmerken, dat het zomerdag en zeer warm was. „Ik eisch dus, dat gij uw hoed afzet.quot; Hij (voor zich heen): „Dan kan hij lang wachten.quot; Nu nam ik
247
mijn horloge in de hand en zeide: „Kijk eens hier, ik heb een secondewijzer in mijne hand, als die driemaal rondge-loopen is en gij hebt uw hoed dan niet afgezet, dan trouw ik u niet, ook al deed de Bremersenaat en de koning van Pruisen voorspraak voor u.quot; Hij keek mij trotsch aan. „Dadelijk is het zoover,quot;' waarschuwde ik. Daar rukte de edele bruid haren toekomstigen echtgenoot en meester den hoed van zijn hoofd, wierp dien in de kerk en krijschte hem toe; „Jou domme duivel, je weet toch volstrekt niet, waar je den dominee nog wel voor gebruiken kunt.quot; Dat was dus het „motiefquot; voor de bruid. Zij had er een voorgevoel van, dat er mogelijk dagen konden komen van werkeloosheid en andere ellende, en zij bedacht, dat dan de dominee.nog goed genoeg kon zijn, om in den nood te helpen. Daarom moest men het bij hem niet heelemaal bederven.
Den timmerman scheen dit „motiefquot; ook duidelijk te zijn en te imponeeren. Niet zonder een gevoel van trots keek hij zijne bruid met haar vèrzienden blik en heur vele ervaring aan. Het verdere verliep dan ook, dank zij den bijstand van den vrouwelijken engel, uitnemend. Maar ik heb er niet toe kunnen brengen om, gelijk ik anders doe, een v r ij e t o e s p r a a k tot liet bruidspaar te houden, maar alleen het formulier gebruikt.
De echt duurde zes weken. Of gedurende dezen tijd de man, dan wel de vrouw meer slaag gekregen heeft, waag ik niet te beslissen. Hoe dit zij, hij ging als stoker op eene Lloyd-stoom-boot en bleef toen in de nieuwe wereld hangen. Haar ontmoette ik kort daarna op straat. Zij was min geworden en duwde een sierlijk wagentje voort, waarin een opgeschikt bleek meisje lag. Naar ik hoop, heeft het kleine aristocratenkind van de „dragonderquot; slechts de krachtige lichamelijke constitutie, maar niet het karakter en de gesteldheid haars gemoeds gekregen.
248
Nog beter zou het voorzeker ziin, indien, door een wonder van Gods genade, de moor zelf zijne huid veranderd had.
IV.
„Goeden dag, dominee Funcke!quot; zeide, terwijl zij mijne studeerkamer binnentrad, een plompe, vierkante, sterkgebouwde vrouw van ongeveer zestig jaar. De uitdrukking van haar gelaat was zeer goedig, maar den appel van Paris had de „oude Katrienquot; (want zoo heette mijne bezoekster) ook in haar bloei-endste jeugd niet ontvangen. Maar nu vooral zag zij er zeer hatelijk uit. „Morgen, Katrien!quot; antwoordde ik, „wat heb ik je in lange niet gezien!quot; Zij: „Dat komt uit, dominee. U heeft ook zoo niets meer bij mij te doen. Kinders heb ik, helaas, niet en wat mijn zaligen man aangaat, die mij zoo gekweld heeft, die is nu ook al lang dood. En tehuis vindt u mij ook niet. Ik zit zoo eiken dag, dien onze lieve Heer mij geeft, met mijne groentewaren aan Lahusens apotheek. „En des Zondags?'' vroeg ik. Zij (eenigzins verlegen); „Ja, 's Zondags moet ik toch mijn huisje schoon maken en ik moet toch ook wasschen en strijken. En al zou ik ook in de kerk komen, ik kan toch niets verstaan. U weet immers wel dat mijn trommelvlies niet in orde is?quot; Dat was zoo en ik bulderde daarom voorts tot haar: „Wat verschaft mij dan heden het genoegen, dat gij tot mij komt;?quot; De „oude Katrienquot; trok lang aan den band van haar schort, maar eindelijk keek ze mij met een half beschaamden, half triumfeerenden blik aan en sprak: „Ja, neem mij niet kwalijk, lieve dominee, maar ik wilde weer trouwen.quot; Ik: „Katrien, om Gods wil, dat is u toch geen ernst?quot; Ik herinnerde er haar aan, hoe ongelukkig zij in haar eersten echt was geweest, hoe zorgeloos en tevreden zij sinds in haar
249
huisje leefde; hoe zij eigenlijk loch ook te oud was, om nog eens een „bond voor het levenquot; te sluiten, enz. enz. Zij gaf mij in alles gelijk. Maar evenwel nochtans en desalniettemin was het slot van al haar tegenspreken: „Wal kan ik er aan doen, beste dominee? Hij wil dat nu eenmaal zoo gaarne.quot;
Het was tevergeefs, haar met Goddelijke en menschelijke gronden te bewijzen, dat zij het daarom toch nog niet moest willen, omdat h ij het zoo gaarne wilde; dat het verder onnatuurlijk was, dat een oude vrouw een man trouwde, die dertig jaar jonger was dan zij; tevergeefs was het, haar van stukje tot beetje aan te toonen, dat de jonge man een oude en reeds sedert meer dan een tiental jaren uitgebloeide vrouw moeilijk met zuivere bedoelingen zou nemen, maar dat hij vermoedelijk hare verdiensten en hare spaarpenningen bij zijne keuze meer op het oog zou gehad hebben dan haar persoon. Zij nam niets van dit alles kwalijk, maar ook niets van dit alles maakte eenigen indruk. Amor had zijne pijl afgeschoten, en de goede doove Katrien had den tooverdrank geledigd. Zij bleef er bij: „Maar hij wil het toch zoo gaarne, ik kan 't hem toch niet afslaan,quot; juist alsof de schriftmatige en overigens zoo weinig gevonden gehoorzaamheid der vrouw zich reeds moest uitstrekken tot op de keuze van den toekomstigen gebieder.
Ik erkende dus mijne onmacht en trok mijne zeilen in. Het mugje moest en zou in het licht, of liever en beter: de kameel moest en zou in den poel, gelijk men dat bij ons uitdrukt. Reeds op den vollen terugtocht zijnde, waagde ik nog de vraag: „Katrien, is uw aanstaande man dan ook braaf en vroom?quot; Nu schitterde het over haar gelaat, als kon zij een bevredigend antwoord geven, en zij riep en sprak met luider stemme: „Vroom, dominee, vroom? Hij is nog rneer dan vroom, — hij leest zelfs romans.quot; Triumfee-rend zag de ongelukkige, zich gelukkig wanende, vrouw mij
250
aan. Ik was nu volkomen overtuigd, dat — ik niets meer kon doen. Dit bewijs zijner vroomheid was onwederlegbaar.
Ik noteerde nu het uur van het trouwen en doorliep met Katrien, naast haar aan de tafel gezeten, even het voor ons liggend formulier. Zij was namelijk z ó o doof, dat ik niet zeker was, of zij mij bij het trouwen wel zou verstaan; maar lezen kon zij en zelfs zonder bril. Om een belachelijke scène te vermijden, sprak ik mei haar af, dat zij op een tee-ken, dat ik geven zou, haar „jaquot; zou uitspreken. Ik was dus voorzichtig genoeg geweest, maar niettemin zou al mijne politiek in het water vallen.
De feestelijke dag was aangebroken. Ik vervoegde mij in de nederige woning van het ,jongequot; paar „aan den Punkendiek.quot; De kleine ruimte was gevuld met tabaksrook en wijnlucht, want men had het feest bereids geopend, sinds men van den „Phylaxquot; was teruggekeerd. Ik begon te wachten met de uitoefening van mijne ambtsbezigheid, terwijl ik dadelijk deur en vensters wagenwijd openamp;tiet. Daarop, toen men weer kon zien, bekeek ik de toekomstige „slechtere helftquot; van de doove „oude Katrienquot; wat nader. Hij zag er werkelijk frisch en flink uit; de bruid had gevoegelijk zijne moeder kunnen zijn. Wat aan de handen van den man, die toch metselaar was, ontbrak, dat waren de eeltknobbels. Toen ik hem daarop al schertsend opmerkzaam maakte, verklaarde hij mij de zachtheid zijner handen daardoor, dat hij sedert vier maanden geen werk gehad had. „Arme, arme Katrien!quot; dacht ik. Maar wat te doen? De bal was reeds aan het rollen. Ik vroeg nu,, ol de trouw kon beginnen, of dat er nog gasten werden gewacht. „Alle man is aan boord;quot; zeide de bruidegom in den besten luim. Vermoedelijk had hij, gelijk zoovelen zijner medeburgers, in vroeger jaren eenige zeereizen meegemaakt.
Toen ik nu de trouwrede had gehouden, brak het critische
251
moment aan, waarop het voor hel leven beslissende „Jaquot; gesproken moest worden. De mannelijke helft kweet zich dan ook van dezen plicht met eene energie, die niets te wenschen overliet. Katrien daarentegen scheen te droomen of te philoso-pheeren. 't Is mogelijk, dat zij ook luchtkasteelen of gezichten zag. Misschien werd echter haar geest ook slechts bezig gehouden door de vraag, of de voor het feest aangeschafte boterkoeken toereikend zouden zijn. Hoe dit zij, in elk geval, toen zij „Jaquot; moest zeggen, hoorde zij mijne woorden niet en gaf zij geen acht op het afgesproken teeken, maar staarde slechts verloren voor zich uit in de wereld. Ik versterkte mijn teeken en riep uit al mijne kracht: -„Zoo zeg ja!quot; Toen ook dit niet hielp, nam de bruidegom, die nu immers, nu hij zijn „jaquot; had gegeven, eigenlijk reeds echtgenoot was, tegenover zijne bruid, die er blijkbaar bedenking tegen had om echtgenoote te worden, de taak op zich, om het haar aan het verstand te brengen. Hij stootte haar zeer brutaal met zijn elleboog in de rechterzijde en brulde haar in het oor: „Katrien, zeg j a!quot; Ach, hadde nu nog een goede engel haar getroffen en aanleiding gegeven, om „Neenquot; te zeggen! Maar dit wonder geschiedde niet. Bleek en sidderend riep zij: „Ja, dominee, ja, ik wil alles doen!quot;
Dat was het einde der komedie en het begin der tragedie. Nog twee jaren zat zij aan Lahusens apotheek met hare groentewaren. Toen verdween zij van het tooneel. Ik hoorde, dat zij in veel kommer en leed was gestorven. Dat zij het mij niet mocht klagen, had immers zijn goede redenen. Arme Katrien!
Maar nu wil ik ten slotte ook eens van een gelukkig paar vertellen, dat nu sedert jaar en dag in verre luchtstreken zijn
252
behaaglijk nestje heeft gebouwd. Mijne vertelling heeft echter eigenlijk geene betrekking op het paar zelf, maar op een onderhoud, dat ik op den morgen van den trouwdag met den vader van den bruidegom had. Het was ongeveer een uur voor den bepaalden tijd van het trouwen, toen een oude man „in z'n Zondagsche kleerenquot; eerst voorzichtig zijn hoofd door de deur van mijne studeerkamer stak en daarop zijn volle gedaante liet volgen. „Ik wou eerst maar eens zien, of ik hier ook verkeerd was. Goeden dag, dominee!quot; Ik bood den man een stoel aan en, daar ik juist zelf rookte, presenteerde ik hem eene sigaar. Hij stelde zich nu — natuurlijk zittend — voor: „Ik ben van professie kopermeesler en woon in de Ste-dingerstraat.quot; Zijn naam vergat hij te zeggen. „Dat is mij zeer aangenaam,quot; zeide ik; „wat wenscht ge van mij?quot; Hij; „o. Niets; ik wilde u alleen wat v r a g e n.quot; Met loerende blikken keek hij mij aan en vroeg op den toon van een inquisiteur: „Dominee, heeft u heden voormiddag niet eene copulation in uwe kerk?quot; — „Zeker,quot; zeide ik, „waarom wilt gij dat weten?quot; Hij: „o, Zoo, zoo! — Zeg u mij eens: is de bruid niet eene geboren Lingling?quot; Ik: „Ja wel.quot; Hij: „Dan is de bruidegom mijn zoon.quot; Ik: „Dan heet gij dus Distelmeier?quot; Hij: „Dat heeft u goed gesnapt.quot; Ik: „Waarom vraagt ge mij dan, of uw zoon gaat trouwen ? Dat moet gij toch als vader het beste weten.quot; Hij: „Dat weet ik ook wel, dominee, maar — weet u!quot; en hierbij vloog hij mij zeer dicht op 't lijf en fluisterde mij toe: „Die zoon van me, die wil mij niet bij z'jne copulation hebben.quot;
Ik keek den man eens goed in zijn oog, lette ook eens op zijn neus, en ik kreeg als 't ware eene inspiratie. „Kunt gij de waarheid verdragen, mijnheer Distelmeier, dan wil ik u wel zeggen, waarom uw zoon u niet bij de bevestiging van zijn huwelijk wil hebben,quot; antwoordde ik ernstig. Hij: „Zeg maar
253
alles rechtuit; wat een dominee zegt, dat is Gods woord.quot; Ik: „Dat is, helaas, niet altijd het geval. Maar wat ik u thans wil zeggen, dat is waarheid! Meester, gij drinkt, en uw zoon vreest, dat gij saangeschotenquot; in de kerk komen en stoornis veroorzaken zoudt.quot;') Hij (geheel onthutst); „Drinken!? ik — drinken ? Drinken doe ik natuurlijk, maar matig, dominee, altijd maar een slok.quot; Ik; „Ja, ja, dat geloof ik wel. Ik heb ook mijn leven lang nog van niemand gehoord, die meer dan éen slok opeens nam, maar gij neemt er vele achter elkander, en dat is uw verderf.quot; Deze rede bracht den meester blijkbaar in buitengewone verwarring, en hij kon in het eerst niets anders zeggen dan; „Dominee, u is een Godsman!quot; Na eene pauze voer hij voort: „Ik ben ook al in uwe „Vredeskerkquot; geweest, maar ik had daar zoo'n verduivelde kou aan mijne voeten en daarom ben ik er bij het eerste gezang maar weer uitgegaan, Doch bevestigd ben ik in onzen dom, in den dom van St. Petrus, verstaat u mij wel? Want ik ben Luthersch van mijn geloof. Wezenlijk, — dat was toch een andere snaak!quot; Ik: „Wie heeft u dan bevestigd?quot; Hij; „Bevestigd? mij? dat was de zalige doktor Primariussen Klingenberg! Ja,quot; (ging hij voort, trotsch en vol medelijden van boven af mijn onbeduidende persoonlijkheid monsterend), Ja, mijnheer Funcke, dat was een man !quot; (de armen wijd uitstrekkende) „zoo — zoo — als e e n o s zoo vet. Daarentegen is u maar net als een — vloo! Neem me niet kwalijk, dominee!quot; Ik (lachend): „Neen, dat neem ik u niet kwalijk. Maar het wil mij voorkomen, dat gij uwe bevestiging geheel zijt vergeten, anders zoudt gij niet
') Dit mijn vermoeden bewees zich louter profetie geweest te zijn. De zoon Dislelmeier wist, dat de vader Distelmeier in alle verheven oogenblikken des levens zichzelven moed indronk en dan „zijne ontroering niet meer meester kon worden.quot;
254
aan het drinken gekomen zijn.quot; (Hij (geheel onthutst): „Ik — mijne bevestiging vergeten? Dat moest u toch niet zeggen, dominee. Ik weet alles nog net zoo precies! Zie, hier stond de zalige doctor Primariussen bij het heilige altaar, en hier, zoo in een kring rondom, lagen wij jongens allemaal op de knieën, o zoo plechtig; hier een hoop, daar een hoop, hier een hoop, daar een hoop. En tot den eersten hoop zeide de zalige doctor; „Kweek immer trouw en reedlijkheiden tot den tweeden hoop; „Tot aan het koele, stille grafquot; (hier wischte mijn brave man zich de heete tranen af); en tot den derden hoop: „En wijk geen vingerbreed zelfs af.quot; En bij den derden hoop, daar was ik bij,quot; eindigde mijn kopermeester zeer pathetisch.
Ik maakte er hem opmerkzaam op, dat hij wel is waar geen vingerbreed, maar wel m ij 1 e n ver van Gods wegen was afgeweken. Doch hij sneed een verder onderhoud af door te zeggen: „Wij hebben nu genoeg gepraat. Zegt mij nu kortaf: wilt gij mij bij de copulation door eene achterdeur heimelijk in de kerk laten of niet?quot; Dat was dus het ultimatum en de grondoorzaak, waarom hij van het begin af gekomen was. Ik zocht hem duidelijk te maken, dat bij gelegenheid van een huwelijk het bruidspaar alleen te beslissen had wie in de kerk tegenwoordig zou zijn; overigens wilde ik het verlof, dat hij daar wezen mocht, wel bewerken, als hij mij beloven wilde, om van nu aan tot den trouw toe geen droppel meer te drinken. Deze eisch scheen hem toch zijne eer tena te komen. „Dominee,quot; zeide hij, terwijl hij de deurkruk in zijne hand nam, „dominee, u is een zeèr verduivelde kerel!quot;
Zoo snel was ik dus van een „Godsmanquot; tot een „verduivelden kerelquot; gedegradeerd. Misschien was dit echter in den oogen van den kopermeester eer een avancement. Hoe dit zij, bij het trouwen verscheen hij niet, nuchter noch aangeschoten.
255
Maar wel overviel hem kort daarop de dronkenmanswaanzin en spoedig daarna een einde met verschrikkingen.
Ook thans nog treft mij een gevoel van weemoed, als ik aan dien man denk. Blijkbaar stak er een voortreffelijk materiaal in hem. Hij was in zijn tijd (naar ik later hoorde) ook een trouw man en vader geweest. Maar de duivel van den brandewijn had alles verwoest. En deze eene was en is er slechts éen uit ontelbare velen. Ik wil daarover hier niet uitwijden. Maar tegen deze pest helpt geen kruid of pleister, maar alleen — het Evangelie. Al onze werkzaamheden sluimeren in deze eene: het Evangelie weder als een levend hemelvuur in de harten te brengen.
Geschiedenissen gelijk bovenstaande zou ik nog in grooten getale ten beste kunnen geven. Maar laat het genoeg zijn. Ettelijke vrome zielen zullen buitendien reeds tevoren gezegd hebben: „Genoeg en overgenoeg!quot; Nu, zij behoefden immers niet verder gelezen te hebben. Al moet men ook voor zijn „couvertquot; aan de logementstafei een daalder of twee gulden betalen, daarom is men nog niet verplicht, bij eiken rondgang van het aangebodene te eten. En zoo ook, als men zijn geld voor de „Nieuwe reisportrettenquot; betaald heeft, dan is het, wil men voor zijn geld nu ook genieten, nog niet noodig, alles te lezen wat daar wordt opgedischt.
Andere lezers zullen mij , echter danken. Zij zullen zich verheugen in den humor, dien ons Duitsche volk bezit. En mij dunkt, dat deze humor dubbel humoristisch is, omdat hij volstrekt onbewust is. Ondertusschen is de hoofdzaak, om aan te toonen, hoe het er eigenlijk onder ons volk uitziet. Ik kan voorzeker. Godlof! ook vroolijker ge-
256
schiedenissen vertellen. Maar die, welke ik medegedeeld heb, zijn zeker niet alleen voor onze stad karakteristiek. Wat ons er uit toespreekt, dat is de ernstige waarheid, dat wij ons volk in zijn geheel eerst voor het Evangelie moeten werven en gewinnen, zal hel den naam van „Evangelisch volkquot; met Bijbelsch recht dragen.
Blndz.
Een warme handdruk ten groet (inplaats van eene inleiding), v.
1. Onheilzwangere wolken..........v.
2. Dat is ora bang te worden.........x.
3. Gods zon staat nog vast.........xm.
Een engelengroet door een morsigen stoker..... 1.
1. Waarheen gaat de reis?........ . t.
2. Benijdenswaardig............3.
3. De eerste zonnestraal...........5.
De ijverige courantenlezer...........8.
„Spoedig hebben wij hem daarboven niet meer noodig.quot; . 14. Men wil het doel zonder den weg (een hoofdstuk apart
voor de lieve jeugd)............21.
Met of zonder vrouw?............29.
De eerste avond in Engelberg..........41.
Het Engelgezang in Engelberg..........54.
Allerlei Roomsch-Katholieken..........57.
1. In het klooster.............57.
2. Bonte beelden uit oude tijden.......G2.
3. Op het kerkhof.............66.
4. Aan het „Einde der wereld.quot;.......70.
inhoud.
Bladz.
1. Van den ïitlis naar het Zürichermeer .... 88.
2. De teringachtige kellner..........34.
3. , Zeker iemand.quot;................99.
Vergeten en verlaten! ............ 101.
Wat zou daar wel achter zijn?.........109.
Ervaringen op Zondag............120.
1. De predikers onder den kansel......120.
2. Een Roomsche en een Evangelische prediking
3. In het Zwitsersche Parijs en in Engadin. . . 131.
4. De gevangen adelaar....... ■ • 138.
6. De priester en ik in het Inndal......139.
Italiaansche wielrijders en andere menschen.....l'iS.
,Nooit sluit voor zijne moeder de zoon geheel
't gemoed.quot;..............l^'-
Het hoogtepünt van mijn aardschen pelgrimstocht . . . 159.
2. Op de hoogste hoogte..........163.
3. De snoever..............l'O.
De slimme vos uit wallis...........176.
Schetsen uit Rügen.............199-
1. Onze kapel in Sasznitz.........199.
2. Als buurman van de Uuitsche keizerin . . . 217. Pastorie , predikambt en humor.........229.
De vader der geloovigen. Naar het Hoogduitsch. f 2.50. In stempelband f 3.25.
Grelijk het hert schreeuwti Naar het Hoogduitsch. f 2.40. In stempelband f 3.—
Brood en zwaard. Naar het Hoogduitsch. f 2.40. In stempelband f 3.—.
De geschiedenis van Jozef. Een boek vooral voor jongelieden. Naar het Hoogduitsch. f 2.40. In stempelband /' 3. —.
Levende brieven van Christus. Naar het Hoogduitsch. f 2.40. In stempelband /' 3. —.
quot;Wilt gij gezond worden? Bijdrage tot Christelijke zielszorg. Naar het Hoogduitsch. f 2.25. In stempelband f 2.90.
Beelden en Schetsen uit Engeland. Naar het Hoogduitsch. f 2.25. In stempelband f 2.90.
Het boek Jona. Een school des levens. Naar het Hoogduitsch. Derde druk. / 1.80. In stempelband f 2.40.
Christelijke vraagteekens; of: Hoe zal men altijd den wil Gods weten? Naar het Hoogduitsch. Tweede druk. f 0.76. In stempelband /' 1.25.
UITGAVE VAN DE VEREENIGING TER BEVORDERING VAN CHRISTELIJKE LECTUUI
DUUR VAN 1'. GI10ENE.NDIJK.