ocr page 1
ocr page 2

GUNNING 8 c

29

mzLimmzini

cx-m

iüEfWTEEKÜsFZttn I

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

Goddelijke stemmen üit babïlon.

ocr page 8
ocr page 9
ocr page 10
ocr page 11

GUNNING ó.f.ïx:

^)o66eftjfte emmert wtf ^SaBtjfort,

De voorzeggingen van den profeet Daniël,

uitgelegd door

ü.r. #. ^ f amp; .®j .

Sehpijvet» van „De komende Chiristusquot;.

Vertaald door THEODORE.

BIBUOTHEEK OER

»?IJKSü«N»V6r7.|TS}T

U T R E C H T.

UITGAVE

BUREEL DE VREDEBODE,

DORDRECHT.

ocr page 12
ocr page 13

EEN WOORD VOORAF.

De in Zwitserland en Duitschland zoo bekende Ernst Mtlhe, Dompredtker in Naumburg a. d. Saaie, zegt o. a. van dit boek: „ Wetenschappelijke degelijkheid, klaarheid der voorstelling, aantrekkelijke schildering, hartaangrijpende practische toepassingen zijn in dit boek te zamen aanwezig. Ren goede vertaling vcïti het boek Daniel met taalkundige zorgvuldige hand en voortreffelijke bewerking is voor de christenheid een groote aanwinst.

Waarom? Door zorgvuldige betrachting van het profetische woord vergaderen de „wijze maagdenquot; olie in de vaten van hunnen geest en hunner ziel Daardoor verkrijgt de christen volgens i Petr. 4 : 7, 8 w 2 Petr. 3:13 kracht tot heiligmaking ter beoefening der christelijke eigenschappen. Daardoor ontvangt de christen volle bevrediging van het vei langend hart en helder licht over de donkere wegen der anti-christelijke wereldmacht.

De gemeente der geloovigen heeft een heilig onbetwistbaar recht op de onderwijzing der toekomende dingen, want deze behooren tot het Evangelie, dat is tot de Blijde Boodschap, die onverkort gepredikt moet worden Zonder de profetie dei-laatste dingen is de prediking geen vol Evangelie, en zoowel de wereldgeschiedenis als de heilsgeschiedenis ware zonder haar als een lichaam zonder hoofd.

Een geloovige uitlegging van Daniel, zooals die hier gegeven wordt, is een heilzame tegenweer tegen de zelf gedachte en dweepziek gemaakte toekomstbeelden. Nuchtere christenen zullen daardoor gelijk Daniel zelf {Dan. 8 : 27) slechts bekwamer en nauwgezetter in hun aardse he roeping worden, hoe nader zij de ure der rekenschap zien komen.

ocr page 14

Gelijk een reiziger, die op zijn tocht acht geeft op de stations en aan zekere teekenen erkent, dat zijn doel bereikt is, niet meer slaapt, maar zich gereed maakt en houdt, om ter rechter tijd uit te kunnen stappen, zoo worden de christenen door de leer der laatste dingen bekwaam gemaakt, de van God gegeven teekenen en stations der wereld- en kerkgeschiedenis te kennen om ter rechter tijd voor uit- en overstappen klaar te zijn.

Met hei oog op dezen grooten zegen, die mij gelukmakende. genade en kracht verleende, bij mijn meer dan ^-jarige bestudeering van het profetische woord, heb ik mij voor de beoordeeling en aanbeveling van dit werk gaarne laten vindenquot;.

ocr page 15

INLEIDIJSTG.

Babylon is de naam van de oudste stad op aarde en van het eerste en beroemdste wereldrijk. Het bekleedde eene voorname plaats in de eerste geschiedenis van de tegenwoordige wereld en zal ' misschien in de laatste tijden weder eene groote rol spelen. In de oorspronkelijke taal beteekent de naam (Bab-El) „de poort Godsquot;.

De poorten waren bij de oostersche volken de plaatsen waar recht gesproken werd. Hier had de overheid haren zetel, hier werden wetten en bevelen afgekondigd en twistvragen beslecht. Ook profeten en wijzen maakten van deze plaatsen van samenkomst gebruik om hunne uitspraken aan het volk mede te deelen. Het is opmerkelijk, dat de groote profetie aangaande de opeenvolgingquot;, het beloop en het einde der wereldheerschappij afkomstig is uit het oorspronkelijke eerste wereldrijk en uit zijne aanzienlijkste hoofdstad, wier naam „Godspoortquot; is.

Evenzeer treft het ons, dat de heilige profeet, door wien deze goddelijke besluiten en voorzeggingen geopenbaard werden, niet alleen een beroemd geleerde en beambte aan het hof in deze „Godspoortquot; was, maar ook dat zijn naam (Dan-i-ël) beteekent: „God is mijn Rechterquot;. Zoo vinden wij door een samenloop, die niet toevallig kan zijn, in de „Poort Godsquot; den „Rechter Godsquot;, die de plannen en raadsbesluiten des Heeren aangaande den

ocr page 16

2 f-€—

loop der heerschappij op aarde verkondigt. Over deze goddelijke stemmen uit de Poort Gods door den Rechter Gods handelt dit boek. De groote beteekenis, die zij voor onze dagen en voor het tegenwoordige geslacht hebben, wanneer zij duidelijk en goed verklaard worden, kan niet te hoog geschat worden. Augustinus spreekt gelijk alle christenen van den ouden tijd, en gelijk alle profetische geschriften, wanneer hij zegt: „Naarmate de wereld haar einde nadert, naarmate meer dwalingen openlijk verkondigd worden, zal de goddeloosheid toenemenquot;, en Daniël is vooral de godsgezant, die het geloovige hart in moeilijke tijden onderrichten en versterken kan. Dat was de dienst, dien hij in zijn leven aan Gods verbannen volk bewees; dat was de zegen, die in den tijd van Seleucidische bedriegers en tyrannen van zijne voorzeggingen uitging; en dezen zegen kan zijn boek ook aan ons brengen, nu de schaduwen van het naderend oordeel zich over de wereld uitbreiden.

Nergens, tenzij in de Openbaring, blinkt de wonderbare geest der profetie duidelijker uit dan hier. Nergens vindt men verrassender bewijzen, hoe zeer de macht, de voorzienigheid en de tegenwoordigheid Gods in de geschiedenis van den mensch ingrijpen. Door verbazende wonderen, die met hemelsche en geestelijke lessen doortrokken zijn, wordt de aandacht gevestigd op de uitspraken van den profeet, en door de nauwkeurige vervulling zijner voorspellingen in den loop der tijden worden deze wonderen meer en meer bekrachtigd.

Men kan zich geene goddelijke openbaring voorstellen, die meer geschikt is om het volk Gods in deze laatste dagen te stichten, te versterken en tegen de heerschende materialistische en bedriegelijke wereldbeschouwing te wapenen.

Versterking van het geloof alleen stelt ons in staat

ocr page 17

hgt;- 3 •lt;—

om weerstand te bieden aan de antichristelijke stormen die onheilspellend nader komen. Zij alleen geeft ook den lijdenden vrome de kracht om, over alle oogenblik-kelijke tegenspoeden en verzoekingen heen, naar dat hemel-sche licht en die eeuwige rust uit te zien, die den geest van den profeet staande hielden en eenmaal weder op deze lijdende en dwalende aarde zullen wonen. Helaas! men heeft deze stemmen uit Babyion niet zooveel gehoor verleend als zij wel waard zijn. De nieuwere theologie is over het algemeen zoo ver van het oorspronkelijke en echte geloof aan Gods Woord afgeweken, dat de geest van dit boek haar vreemd is en niet aantrekt, ja zelfs tot vijandschap stemt. In plaats van te beproeven zijn verheven inhoud duidelijk te maken, heeft zij veeleer geijverd om ongegron-den twijfel aan zijne echtheid op te wekken, zijne uitdrukkingen en beelden met hare eigen oppervlakkige, alle-daagsche vooroordeelen te vergelijken en door wetenschappelijk gewaande bewijzen het alle waarde als bijbelboek te ontzeggen. Zelfs ernstige, geloovige christenen lieten dit boek zelden recht wedervaren, doch behandelden het oppervlakkig en eenzijdig, en in plaats van het in eere te houden, stelden zij het achteraf. Hunne opvatting was dikwijls zoo vijandig en meesterachtig, dat alle eigenlijk gezegde verklaring daarop afstuitte; of zij was zoozeer in den geest van het ondiepe rationalisme der aanbidders van den menschelijken vooruitgang, dat al de verhevenheid, die in de hooge voorstellingen van den profeet heerscht, naar beneden getrokken werd. Wat de wereld en de Gemeente ten aanzien van dit boek noodig hebben, is de bevrijding en losmaking uit alle dergelijke banden en hindernissen, opdat men den grooten Daniël zelf hoore spreken met de majesteit van zijn eigen door God ingegeven woorden. Want de verheven voorzeggingen, die hij in den naam

ocr page 18

-3gt;- 4

van zijn God uitsprak, moet men zoo verstaan, als zij van den beginne af bedoeld worden, en de onweerstaanbare macht van het Godswoord, dat Daniël sprak en dat eenmaal het heidensche hart van Nebucadnezar overwon, moet ook over den hoogmoedigen, Gode onge-hoorzamen geest van dezen boozen tijd zegevieren. De beschouwing dezer heilige stemmen in de volgende voorlezingen wijkt daarom zeer ver af van de meeste verklaringen en verhandelingen over dit onderwerp. Hoewel wij het beste van de moderne critiek en uitlegkunde over Daniël geraadpleegd en veel goeds daaronder gevonden en overgenomen hebben, was dit ons hoofddoel; den inhoud van het boek in zijne oorspronkel ij ke beteekenis te herstellen, en zoo de oude en juiste opvattingen der gemeente van Christus aangaande deze heerlijke profetieën te doen herleven en ingang te doen vinden.

Het staat vast, dat alle uitspraken, die het gezag van de Heilige Schrift voor ons zullen hebben, bij slot van rekening op de spraakkunst der talen, in welke de heilige openbaringen gedaan zijn, moeten berusten. Wat tegen de wetten en gewoonten dier talen zondigt, kan nooit door den Heiligen Geest zijn ingegeven.

Men kan daarom de taal- en geschiedkundige critiek niet missen, wanneer men de uitspraken der bijbelsche schrijvers wil vaststellen. Elke goede verklaring van het Woord Gods is noodzakelijk daaraan verbonden. Geene enkel theologische of overgeleverde bewijzen zijn voldoende om een geloofsartikel vast te stellen, of om een volzin te wederleggen, die voor een geloofsartikel wil doorgaan, wanneer zij niet helder op een taalkundig duidelijk: „Dit zegt de Heerquot; gegrond zijn. Deze eisch is derhalve behoorlijk in acht genomen. Maar er wordt nog iets geeischt, dat even onmisbaar noodig is bij elke

ocr page 19

J

-5* 5

goede verklaring der Heilige Schriften: „Geene profetie der Schrift is van eigene uitlegging,quot; 2 Petr. I : 20.

Evenals zulk eene profetie niet van den eigen wil of de eigenwijsheid des schrijvers uitgaat, is de samenhang waarin zij gegeven wordt niet iets dat op zichzelf staat en afzonderlijk kan worden behandeld. Daar de heilige mannen allen door denzelfden Geest geleid werden, zijn hunne verschillende werken metterdaad de deelen van één groot geheel. Ofschoon ieder van hen zijn eigen standpunt, zijne eigenaardige omstandigheden, zijne bijzondere roeping had, wat men nooit uit het oog mag verliezen, moet men toch nooit hunne persoonlijke voorstellingen afscheiden van hetgeen anderen over hetzelfde onderwerp hebben geschreven. De rechten van den een mogen niet tegenover dis van den ander worden gesteld, evenmin mag de een ten koste van den ander te hoog geplaatst worden; maar men moet allen beschouwen als met hetzelfde gezag en dezelfde waardigheid bekleed en elkander wederkeerig ophelderend. Er is in alle deelen der leer eene gemeenschap, eene overeenstemming, een innerlijke samenhang, eene harmonie van de Schrift met de Schrift, die, wanneer zij werkelijk op eene plaats vaststaan, van iedere andere plaats antwoord en bevestiging verkrijgen, en zoo eene helderheid van overtuiging teweeg brengen, die alles overtreft, wat zelfs de grondigste onderzoekingen kunnen geven.

Eene verklaring, die niet geheel met alle plaatsen, die hetzelfde onderwerp behandelen, overeenstemt, kan ook niet van den Heiligen Geest afkomstig zijn. Np.ar deze methode zal onze verklaring te werk gaan, op dezen grond bouwen wij voornamelijk ons vertrouwen, den inhoud der goddelijke openbaringen waarlijk te begrijpen. Dat is voor ons van grooter gewicht dan alle mogelijke onderzoekingen van de tekstcritiek of kunstige gebouwen van leerstelsels.

ocr page 20

—gt;• 4 •lt;-

van zijn God uitsprak, moet men zoo verstaan, als zij van den beginne af bedoeld worden, en de onweerstaanbare macht van het Godswoord, dat Daniël sprak en dat eenmaal het heidensche hart van Nebucadnezar overwon, moet ook over den hoogmoedigen. Gode onge-hoorzamen geest van dezen boozen tijd zegevieren. De beschouwing dezer heilige stemmen in de volgende voorlezingen wijkt daarom zeer ver af van de meeste verklaringen en verhandelingen over dit onderwerp. Hoewel wij het beste van de moderne critiek en uitlegkunde over Daniël geraadpleegd en veel goeds daaronder gevonden en overgenomen hebben, was dit ons hoofddoel: den inhoud van het boek in zijne oorspron-kelijke beteekenis te herstellen, en zoo de oude en juiste opvattingen der gemeente van Christusaangaandedezeheerlijkeprofetïeën te doen herleven en ingang te doen vinden.

Het staat vast, dat alle uitspraken, die het gezag' van de Heilige Schrift voor ons zullen hebben, bij slot van rekening op de spraakkunst der talen, in welke de heilige openbaringen gedaan zijn, moeten berusten. Wat tegen de wetten en gewoonten dier talen zondigt, kan nooit door den Heiligen Geest zijn ingegeven.

Men kan daarom de taal- en geschiedkundige critiek niet missen, wanneer men de uitspraken der bijbelsche schrijvers wil vaststellen. Elke goede verklaring van het Woord Gods is noodzakelijk daaraan verbonden. Geene enkel theologische of overgeleverde bewijzen zijn voldoende om een geloofsartikel vast te stellen, of om een volzin te wederleggen, die voor een geloofsartikel wil doorgaan, wanneer zij niet helder op een taalkundig duidelijk; „Dit zegt de Heerquot; gegrond zijn. Deze eisch is derhalve behoorlijk in acht genomen. Maar er wordt nog iets geeischt, dat even onmisbaar noodig is bij elke

ocr page 21

-3m 5

goede verklaring der Heilige Schriften: „Geene profetie der Schrift is van eigene uitlegging,quot; 2 Petr. I ; 20.

Evenals zulk eene profetie niet van den eigen wil of de eigenwijsheid des schrijvers uitgaat, is de samenhang waarin zij gegeven wordt niet iets dat op zichzelf staat en afzonderlijk kan worden behandeld. Daar de heilige mannen allen door denzelfden Geest geleid werden, zijn hunne verschillende werken metterdaad de deelen van één groot geheel. Ofschoon ieder van hen zijn eigen standpunt, zijne eigenaardige omstandigheden, zijne bijzondere roeping had, wat men nooit uit het oog mag verliezen, moet men toch nooit hunne persoonlijke voorstellingen afscheiden van hetgeen anderen over hetzelfde onderwerp hebben geschreven. De rechten van den een mogen niet tegenover die van den ander worden gesteld, evenmin mag de een ten koste van den ander te hoog geplaatst worden; maar men moet allen beschouwen als met hetzelfde gezag en dezelfde waardigheid bekleed en elkander wederkeerig ophelderend. Er is in alle deelen der leer eene gemeenschap, eene overeenstemming, een innerlijke samenhang, eene harmonie van de Schrift met de Schrift, die, wanneer zij werkelijk op eene plaats vaststaan, van iedere andere plaats antwoord en bevestiging verkrijgen, en zoo eene helderheid van overtuiging teweeg brengen, die alles overtreft, wat zelfs de grondigste onderzoekingen kunnen geven.

Eene verklaring, die niet geheel met alle plaatsen, die hetzelfde onderwerp behandelen, overeenstemt, kan ook niet van den Heiligen Geest afkomstig zijn. Np.ar deze methode zal onze verklaring te werk gaan, op dezen grond bouwen wij voornamelijk ons vertrouwen, den inhoud der goddelijke openbaringen waarlijk te begrijpen. Dat is voor ons van grooter gewicht dan alle mogelijke onderzoekingen van de tekstcritiek of kunstige gebouwen van leerstelsels.

ocr page 22

6 • lt;-■

Zoo wordt nu dit na lange overweging voltooide boek den lezers aangeboden met het ernstige gebed, dat het door God worde gezegend tot onderwijzing en stichting van vele zielen en tot eer en roem van Zijnen «Tooten en nooit volprezen Naam.

ocr page 23

HOOFDSTUK I.

De opleiding van den profeet, of Daniël op de Hoogeschool des Konings. Daniël 1 ; 1—21.

Uitspraken van de bisschoppen Wordsworth cu Newton en van Sir J. Newton. — Drie Daniëls. — Daniels leertijd. — De ramen van hem en zijne drie vrienden worden veranderd, maar hun karakter niet. — Zij weigeren des konings spijze en wijn. — Daniëls onthouding en voorspoed. — Daniël een voorbeeld voor jongelieden.

Een aantal van de grootste geesten uit onzen tijd, die evenzeer uitmunten door geleerdheid als door innige vroomheid, hebben een deel van hunne beste krachten gewijd aan de studie van het boek Daniël en eenstem-mig getuigenis gegeven van zijne voortreffelijkheid en geleerdheid en van zijne waarde als sleutel tot het inzicht in de goddelijke oogmerken met den voortgang der wereldgeschiedenis.

Vele bedillers hebben den geheelen voorraad hunner geleerdheid en veel zoogenaamde wetenschap aangevoerd, om te bewijzen, dat Daniël in het geheel niet de schrijver van dit boek is, maar met hst gevolg, dat de echtheid en geloofwaardigheid van het boek en de overtuiging, dat het door God ingegeven is en goddelijke openbaringen aan het menschdom bevat, steeds helderder geworden en vaster gegrond is. „Het is een geluk voor dezen tijd,quot; zegt bisschop Wordsworth,

ocr page 24

—gt;■ 8 'lt;—

„dat de pijlen der afbrekende critiek, welke voor eenige jaren bij gansche zwermen op het boek Daniël werden afgeschoten, bijna op schijnen te zijn. De koker schijnt uitgeput. De aanvallen, met zooveel ijver en inspanning op dit boek gedaan, hebben geloovige strijders doen opstaan, en zoo zijn de aanvallen des ongeloofs het middel geworden om ons geloof aan de echtheid, de geloofwaardigheid en de goddelijke ingeving van het boek Daniël te versterken. Want zij hebben aan de gemeente die geestelijke zegeningen gebracht, welke de ernstige bestudeering van zijn' inhoud schenkt. Het is mogelijk dat er in den tekst eenige plaatsen zijn geslopen, die betwijfeld kunnen worden, maar zij zijn nauwkeurig aan te wijzen. Wanneer wij ze weglaten, lijdt er geen enkel gewichtig punt schade; integendeel de grootsche en edele voorstellingen van den grooten profeet en staatkundige van Babyion, naar wien het genoemd is, worden dan veel verstaanbaarder, samenhangender en belangrijker. In weerwil van al wat eene vijandige critiek en eene valsche wetenschap tegen dit boek hebben ingebracht, houden wij ons aan hetgeen bisschop Newton zegt; „Welk eene verbazende profetie, die zoovele verschillende gebeurtenissen behelst, en zich door zoovele achtereenvolgende eeuwen uitstrekt, van het ontstaan van het Perzische rijk, 500 jaar vóór Christus, tot aan de algemeene opstanding! Waar vindt men krachtiger, meer overtuigend, door goddelijke openbaring bewezen, zoowel dat God de lotgevallen der wereld bestuurt en ingrijpt in haren loop, als dat Daniël een profeet was, vervuld met den Heiligen Geest!quot;

Niemand kan de tijden en de jaren zoo aanwijzen als Hij, Die ze in Zijne macht heeft. Daarom heeft sir Isaac Newton, die in onvermoeide vlucht het heelal doorvorschte en de loopbanen der sterren bekend maakte,

ocr page 25

-gt;* 9 .lt;-

gevoeld, dat hij heiliger grond betrad en zich tot grooter hoogte verhief, toen hij zich aan de ernstige studie van dit boek wijdde, om de bedoeling van den Geest Gods, Die daaruit spreekt, aan minder begaafde zielen te verklaren. Dan k^n het gewis niet beneden onze waardigheid zijn, noch eene verspilling van tijd en kracht, wanneer wij ons in bijzondere mate wijden aan hetgeen God hier tot onze onderwijzing heeft doen schrijven; want het einde der wereld nadert. Het is veeleer een dure plicht en een groot voorrecht. Dat Daniels God ons bij deze poging moge ter zijde staan en helpen!

Sommige lieden beweren, dat wij bijna niets van Daniël, den Hebreeuwschen gevangene en balling, aan wien dit boek wordt toegeschreven, weten. Juist niet omdat het aan getuigen ontbreekt — maar men wil liever niets met deze getuigen te doen hebben. Want als men ze voor waar houdt, erkent men tevens, dat er wonderen, goddelijke openbaringen en voorspellingen zijn, en dat willen velen liever niet. „De hoogmoedige geest van den ongeloovige wordt door een geheim ongeneeselijk wantrouwen beheerscht.quot; Zoo sprak de twijfelaar Gibbon, wanneer hij geen uitweg zag om aan de erkenning van een feit of van een openlijk wonder te ontkomen. Daarmede sprak hij eene ernstiger waarheid uit, dan hij misschien zelf wist. Deze argwaan, dien alleen de Heilige Geest kan vernietigen, dit willekeurig gesloten zijn voor eene onwelkome waarheid, — dit vooraf onmogelijk verklaren van een wonder of eene door God ingegeven profetie, deze opstand van een aanmatigend rationalisme tegen alles wat in zijne oogen te hoog staat, zijn de bronnen van al de vijandige critiek op dit boek, en deze maken het zoo moeielijk, tot de rechte kennis van den profeet Daniël te komen.

Inderdaad weten wij meer van hem, dan van Adam,

ocr page 26

10 ilt;~

Noach of Job, evenveel als van Jozef, Jesaja, Ezechiel of Herodes den Grooten, en bijna evenveel als van Mozes, David, Paulus of Napoleon.

In de Heilige schrift komen drie Daniels voor. De eerste was een zoon van David, geboren te Hebron van \ Abigail, de Karmelietische, vermeld 1 Kron. 8 :1 De tweede, een zoon van Ithamar, toog na de Babylonische ballingschap met Ezra op; wij lezen van hem Ezra 8 : 2 en Nehemia io : 6.

De derde is „de groote Daniël,quot; de profeet, die een zeer eigenaardigen en buitengewonen levensloop had en een van de gewichtigste en merkwaardigste Bijbelboeken schreef. Over dezen laatste alleen wenschen wij hier te spreken. Daniel behoorde tot eene der aanzienlijkste Joodsche familien in den laatsten tijd der Hebreeuwsche monarchie. Waarschijnlijk uit koninklijken bloede gesproten en in de dagen van Jeremia te Jeruzalem geboren, was hij onder de gevangenen, welke Nebukadnezar, de Babylonische veroveraar, uit Juda naar de Chaldeeuwsche hoofdstad aan den Eufraat wegvoerde. Hij was toen een knaap van omstreeks veertien jaar en onderscheidde zich lichamelijk en geestelijk boven, alle Joodsche jongelingen, die evenals hij werden weggeleid.

Zonder gebreken, welgemaakt, goed onderwezen, met veel verstand, had hij daarbij een vlug begrip en groote talenten. En daar het bij Oostersche vorsten gewoonte was, de uitnemendsten hunner krijgsgevangenen in hun persoonlijken dienst te nemen, was het natuurlijk, dat Daniels koninklijke geboorte, zijne beschaving en zijne groote hoedanigheden naar lichaam en geest de aandacht op hem vestigden. Om hem voor den dienst aan het hof op te leiden, werd hij met nog drie Hebreeuwsche Jongelingen onder de hoede van Babylonische hovelingen

ocr page 27

-s^ 11

gesteld. Hier moest hij zich drie jaren aan eene bijzondere opleiding onderwerpen. Jesaja had het aan Hiskia voorzegd: „Daarbij zullen zij van uwe zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis des konings van Babel.quot; In Daniël werd, gelijk Josephus ook bevestigt, deze voorspelling vervuld, en door lijden en ontbering werd hij voorbereid om de plaats in te nemen, die hij met ' zooveel eer heeft bekleed. «

Door zijn' naam te veranderen, wilde men beproeven,

zijne Joodsche vooroordeelen en begrippen te wijzigen. Daniëls innemend uiterlijk en zijne kennis behaagden den koning van Babyion wel; maar zijn godsdienst stond hem tegen. De kinderen der wereld genieten gaarne van de wetenschap, de welsprekendheid en de talenten van christelijke predikers; maar de altijddurende eischen aan het geweten en de vermaningen om het Evangelie aan te nemen zouden zij wel willen missen. Zoo wilde de koning van Babyion wel Daniel's wijsheid en talenten gebruiken, wanneer hij slechts alles wat op Daniëls God betrekking had kon verwijderen. Daniëls naam, evenals die zijner drie Joodsche makkers, wezen op Jehova. Dat dit hen voortdurend aan den godsdienst hunner vaderen herinnerde en een protest tegen de goden en de afgoderij der Chaldeërs was, mishaagde den trotschen koning en daarom werden hun andere namen gegeven. Daniël beteekent „Rechter Godsquot;; nu werd zijn naam veranderd in Belsazar, dat beteekent Baalsvorst of degene,

wien Baal, de voornaamste god van den Babylonischen eeredienst, begunstigt of verhoogt. Hananja beteekent geschenk van Jehova, daarom veranderde men dezen naam in Sadrach, dat wil zeggen: des konings vriend.

Misael beteekent: de voortreffelijkheid Gods; dit werd veranderd in Mesach, dat is: de zachte, of hij, wien de

ocr page 28

f^odin Aschera genegen is. Azarja beteekent: Jehova is onze hulp ; daarvan maakte men Abed-nego, dat is; de dienaar van de planeet of den God Mercurius.

Al deze vier namen werden dus geheel heidensch gemaakt, daar men er afnam al wat betrekking had op den God van Israël, en daarvoor in de plaats stelde hetgeen wees op de heidensche goden van Babyion.

Men denkt misschien : aan een naam is niet veel gelegen; maar daarmee heeft men ongelijk. Een gelukkige of ongelukkige naam kan veel invloed hebben op de geschiedenis van dengene, die hem draagt. Reeds de klank van den naam, waarmede men altijd genoemd wordt, heeft invloed en moet eenigszins een gunstigen of wel ongunstigen indruk op ons maken. Dikwijls zijn geheele geschiedenissen en diepzinnige gedachten aan een' naam verbonden, en nooit moest men namen zonder beteekenis geven. De beste zijn zeker die, welke edele gedachten, voorbeelden of herinneringen vertolken. Ouders kunnen door de namen, die zij hun geven, het lot hunner kinderen bepalen en invloed op hun geheele leven uitoefenen. Wij hebben reden om te gelooven, dat in den Hemel de namen met het wezen der dingen overeenkomen.

God wilde dat Zijn Zoon den naam ,Jezusquot; ontving, omdat Hij Zijn volk van hunne zonden verlossen zoude. Toen het Babylonische hof de herinnering aan hunne voorvaderen en de vereering van den God Israels uit het geheugen dezer Hebreeuwsche jongelieden wilde uitwisschen, was het eerste wat men deed om dit doel te bereiken, de verandering hu'nner namen. Maar in dit geval trof het middel geen doel. Babyion kwam te laat bij deze jongelieden. Hunne namen werden veranderd, maar hunne beginselen bezweken niet voor deze verzoeking. Wat men in zijne kindsheid heeft ge-

ocr page 29

-gt;• IB •lt;-

leerd, verlaat men niet gemakkelijk. De indrpkken der kindsheid zijn de duurzaamste van alle. Zij drukken hun stempel op de gansche ontwikkeling van den mensch, zij geven vormen aan ons bestaan. Zij gelijken woorden, die men in een fluistergang uitspreekt; die worden misschien niet gehoord, waar zij gesproken worden, maar in later jaren worden zij vernomen en in de moeilijkste levensomstandigheden weerklinken zij. Het hart van een kind is kneedbaar; maar heeft men het eens een vorm gegeven, dan is het bijna niet meer te veranderen.

De jongelieden waren opgevoed in de kennis en aanbidding van den waren God, onderwezen in Zijn woord en Zijne wet, en zij hielden vast aan hetgeen zij geleerd hadden, tegenover al de listige verzoekingen van een heidensch hof. Zij lieten zich de hun gegeven nieuwe namen aanleunen, want zij konden zich er niet tegen verzetten. Die namen waren naar hunne meening leugens; maar zij moesten zich onderwerpen, evenals in alle tijden de braven en vromen genoodzaakt zijn den slechten naam, dien de wereld hun geeft, te dragen. Het is onmogelijk voor Gods volk, aan den smaad der goddeloozen te ontkomen. Paulus werd een razende, en Christus zelfs een vraat, wijnzuiper en van den duivel bezetene genoemd. Beiden verdroegen het zachtmoedig, in het zalig bewustzijn, dat het grove leugens waren. Zoo namen ook deze Hebreeuwsche jongelingen de lage namen, die hun door de heidensche overwinnaars toebedeeld werden, aan; maar in weerwil van deze lasterlijke benamingen bleven zij trouw aan het geloof hunner kindsheid. Hunne namen kon een tyran veranderen, maar hunne harten bleven aan den God hunner vaderen toebehooren Onderwijst uwe kinderen in de vreeze des Heeren en in de waarheden der openbaring, van hunne eerste jeugd aan! Zelfs wanneer zij

ocr page 30

14 flt;-

die nog niet geheel verstaan kunnen, prent ze hunnen, jeugdigen zielen in; en in later jaren, wanneer gij er niet meer zijt om hen te leiden, zullen zij er door geleid worden als de zeeman, die den onmetelijken Oceaan bevaart, door het kompas. Het schijnt soms, of gij uw zaad op het water werpt; maar iets ervan zal eene plaats vinden en groeien, om te veredelen en te zegenen, lang nadat uwe stem door den dood verstomd is.

Het duurde niet lang, of er deed zich eene gelegenheid voor, waarbij bleek, hoe vast de heilige waarheden wortel geschoten hadden in de harten dezer jongelieden. Om hen nader te brengen tot hunnen koninklijken meester en hen aan hem te verbinden, beval deze, dat men hun dagelijks eene zekere hoeveelheid vleesch van zijne tafel en wijn, dien hij zelf dronk, zoude geven. Dit was een teeken van bijzondere gunst en welwillendheid — eene koninklijke grootmoedigheid, die ten doel had, hunne harten te winnen en bewondering, dankbaarheid, en liefde voor hunnen heer in te boezemen. Een schrijver beweert, dat het wilde zeggen : ,,Wanneer gij priesters van onzen tempel wilt worden, zullen wij u van staatswege doen onderhouden.quot; Het was in elk geval een bewijs van gunstige bevoorrechting, dat hun toonde, hoe goed de vorst was, en wat zij van hem konden verwachten, wanneer zij trouw waren aan zijn persoon en aan zijne regeering.. Het was een zeer verleidelijk beroep op de eerzucht der jonge mannen. In des konings school, uitverkoren tot des konings dienst, gespijsd en onthaald van des konings tafel met de spijze en den wijn, die hij zelf gebruikte, — was er wel iets meer geschikt om de eergierigheid van hunne jonge harten te prikkelen ? Wat mochten zij niet hopen, die dus van den troon af opgemerkt en geëerd werden? Maar hoewel zij deze koninklijke gunst gevoelden en

ocr page 31

-5-i 15

naar waarde schatt'en, „nam Daniël voor in zijn hart, dat hij zich niet zoude verontreinigen met de stukken van de spijze des konings, noch met den wijn zijns dranks.quot;

Deel te hebben aan dezen koninklijken maaltijd, streed tegen zijnen godsdienst en zijn geweten. Het was bij de heidenen een overgeleverd gebruik, wanneer zij zich aan den maaltijd begaven, een deel van de spijzen en dranken den goden aan te bieden. In plaats van ons gebed voor het eten, brachten zij een dankoffer aan hunne huisgoden. Paulus doelt hierop, en verbiedt, naar christelijke beginselen, het deelnemen aan maaltijden, waarbij aan de goden geofferd wordt. De Joodsche wet was nog strenger en verbood sommige soorten van spijzen geheel en al, en andere ook, wanneer zij niet op de voorgeschreven wijze toebereid waren. Daniël kon niet gerust zijn, of niet door elke bete, die hij van de spijze des konings genoot, de wetten van zijn God overtreden werden. Dus was het voor hem de vraag, wat hij hooger stelde: zijn geweten of zijn vleeschelijk genot; of hij zijn godsdienst wilde verlaten en gemeene zaak maken met de afgodendienaars ; wat hij liever deed: zijn Schepper dc gehoorzaamheid opzeggen, ol de goede verstandhouding met den koning, die hem wenschte te begunstigen, op het- spel zetten.

Ware hij een van de oppervlakkige christenen uit onzen tijd geweest, die altijd klaar staan om zich te verontschuldigen met eenig wereldsch genot, eenige winst of gemak, wanneer zij de eischen en geboden van den godsdienst verwaarloozen, dan zouden wij van geen bezwaar tegen deze zaak hebben gehoord; maar dan hadden wij ook nooit den verheven Daniël bezeten. De stof, waaruit heiligen, profeten en vrome vorsten gemaakt worden, moet harder zijn dan die der oogluikende, onverschillige, zich overal thuis gevoelende menschen.

ocr page 32

-gt;• 16 ^

Abrahams geweten liet hem niet toe, in Ur te blijven, ofschoon hij niet wist, waarheen hij geleid zoude worden. Mozes' geweten veroorloofde hem niet, de kroon en de schatten van Egypte aan te nemen, maar zond hem veertig jaren als balling in de woestijn. Paulus wilde niet met vleesch en bloed te rade gaan, wanneer het zijn plicht was, al het aardsche te verzaken. Wie God waarlijk wil dienen, moet liever alles, zelfs het leven, willen verliezen, wanneer het geweten en de duidelijke wil van God het eischen. De wijzen dezer wereld noemen het bekrompen en bespotten het als overdreven, dat Daniël besloot, zich niet met de spijze van des konings tafel te verontreinigen. Maar het was de sterke grondslag van zijne grootheid. Beginselen zijn nooit klein. Zij zijn juist grooter, wanneer zij in kleinigheden uitkomen, dan in zaken, die zoo ernstig zijn, dat men nauwelijks aarzelen kan. En wie in het kleine getrouw is, is het ook in het groote. Wie den stuiver niet eert, is den gulden niet waard. De onafhankelijkheid der Vereenigde Staten van N. Amerika heeft ons geleerd, dat er verband bestaat tusschen eene machtige omwenteling en de schepping van een groot en roemrijk volk, en eene theekist en de vraag, of men daarvoor belasting moet betalen.

Daniël verklaarde zich voor God, geweten en recht, ook in geringe zaken, zooals eten en drinken, en legde daardoor den grond tot een karakter, dat gedurende een staatkundig leven van zeventig jaren onbevlekt en ongedeerd gebleven is, afgunst, ijverzucht en koningshuizen overleefde, en tot op dezen dag als het schitterendste in de geschiedenis der menschheid uitblinkt. Wanneer wij zijne roemrijke loopbaan gadeslaan, worden wij met verbazing en eerbied vervuld. Reeds in zijne jeugd belast met het oppertoezicht over alle geleerde

ocr page 33

-gt;■ 17 K-

scholen van Babyion, tot rechter, daarna tot hoofd van al de vorsten van het machtige rijk aangesteld, bleef hij onder drie opeenvolgende koningen onaangerand door al de kuiperijen, die onafscheidelijk zijn van het Oostersche despotisme. Hij werd geëerd gedurende de géheele veertigjarige regeering van Nebucadnezar; des konings aangelegenheden werden hem toevertrouwd onder den overmoedigen. wellustigen Belsazar ; de Medo-Perzen achtten hem hoog; hij was de steun en beschermer van zijn volk onder elk bestüur gedurende de treurige jaren der ballingschap, en daarenboven leefde hij te midden van de aanzienlijksten in de zondigste, grootste en machtigste van alle heidensche steden. Geene ijverzucht, geen afgunst van intrigeerende satrapen konden hem deren, onbevlekt bleef hij tot aan het einde, een dienaar van Jehova aan een hof en in een land van afgodendienaars. Het leven van Daniel is alls het ware één lofzang van geloofs- en zielskracht. Het vertoont ons een beeld, zooals men zelden een tweede onder de menschen zal vinden. Maar de grondslag van dit alles was het besluit, dat hij in zijne jeugd nam, zich niet met de spijze des konings te verontreinigen.

Josephus is van meening, dat Daniel slechts een vegetarisch dieet wilde volgen om beter te kunnen studeeren; maar Josephus wilde niet uitweiden over de afgoderij der vorsten, omdat hij naar hunne gunst stond en hun wenschte te behagen. Als hij een zweem van Daniel's vroomheid en oprechtheid had bezeten, zou hij nooit zoo iets ongerijmds hebben gezegd. Het was hier niet de vraag, welk voedsel het beste voor geleerden was, maar of hij de eischen en geboden van God zou opvolgen in zaken, die met afgoderij besmet waren en tegen de wet streden. Het gold hier niet onthouding

Goddelijke Stemmen. 2

ocr page 34

-gt;■ 18 •lt;—

van dierlijk voedsel of wijn, maar het gold de trouw aan zijn' Schepper, zijn geweten en de bevelen des hemels. Het was geene kwestie van dieet, maar de kwestie van godsdienstige beginselen en plichten. Al had Daniel zijn leven lang van het gezaaide gegeten en water gedronken, daardoor zou hij niets beter geworden zijn dan Josephus ; maar hij kende de wetten van Jehova en bleef daaraan getrouw.

Daarom werd hij gezegend bij het eenvoudige voedsel, daarom was hij zulk een gelukkig man in al zijn streven en verkeerden zijne gebreken in voordeden, zijne zwakheid in kracht, zijne wederwaardigheden in roemrijke zegepralen. Spijs of drank maken den mensch niet gelukkig, wijs en groot. Niet het eten, dat men van de tafel des konings ontvangt, ook niet de onthouding van spijzen, maar ernstige, zelfverloochenende overgave aan een heilig beginsel vormt mannen als Daniël en Hananja, vormt edele leeraars en heiligen in Gods dienst. Maar deze jongelieden weigerden de spijze des konings niet met beleedigende laatdunkendheid. Vroomheid, die zichzelve op den voorgrond stelt, is niet uit God. Echte vroomheid is altijd beleefd, bescheiden en geneigd, onnoodige ergernis te vermijden. Bij al hare standvastigheid is zij steeds beminnelijk en vriendelijk.

Vele menschen schijnen te denken, dat zij geen ge-loovigen kunnen zijn zonder anderen te krenken, dat het niet mogelijk is, trouw aan God te zijn zonder hardheid tegen de menschen. Hier echter vinden wij de schoonste vereeniging van bescheidenheid en beleefdheid van een beschaatden geest, de grootste wellevendheid van een volleerden hoveling en de standvastigste vroomheid, die zich in groote oprechtheid doet kennen en in haren eenvoud de toekomstige grootheid van den man aankondigt. Daniël maakte zich niet boos. Hij ijverde

ocr page 35

niet op leelijke, hartstochtelijke wijze voor zijn' godsdienst en zijn' God. Hij rekende zich niet beleedigd door het aanbod des konings, al streed' dit tegen zijne inzichten en zijn gevoel. Noch vertoon, noch aanmatiging, noch hoogmoed werden in hem gezien. Die zouden hem en zijne zaak zeker geen goed gedaan en zijn toestand slechts moeilijker gemaakt hebben.

Met echt mannelijke bescheidenheid, met de vereischte inachtneming der omstandigheden en met den nederigen geest, die de rechten en gevoelens van anderen ontziet, zonder van de trouw aan eigen beginselen in het minste af te wijken, herleidde hij het geheele geval tot een vriendelijk verzoek, dat men hem en zijnen drie vrienden zou toestaan, van het gezaaide te eten en water te drinken, vooreerst als proef gedurende tien dagen. Hij stelde zijn vertrouwen op Gods genade aan hen, die Zijne wetten eeren, zoodat hij gewillig besloot, alles aan te nemen, wat na verloop van dien tijd beslist werd, wanneer hij en zijne vrienden niet zoo welvarend zouden zijn als hunne studie-genooten, die zonder bezwaar van des konings tafel aten. In al zijn woorden komt de standvastige, reine, godvreezende gezindheid van dezen man uit, de zedelijke grootheid, die Daniël tot een der edelste en invloedrijkste mannen gemaakt heeft. Welk een verheven voorbeeld hebt gij hier, jongelieden! Gij hebt ve'.e dwaze en onrustige droomen van aanzien, eer en grootheid in de wereld gekoesterd. Gij zoudt gaarne iets goeds en edels voor uzelf en uwe medemenschen verrichten. Gij maakt vele plannen, gij bedenkt, hoe gij uwe dagen gebruiken, hoe gij uw werk het beste beginnen, hoe gij de gunst der fortuin veroveren, belangrijke betrekkingen bekleeden en na voleindigde loopbaan een gezegende herinnering nalaten zult. Deedt gij het niet, dan zou ik niet veel van

ocr page 36

~5-- 20

uwe toekomst verwachten. En bij het denken over alles wat gij doen zult en wat er van u worden zal, ontwikkelen zich al de warmte en de ijver van uwe jeugdige natuur. Maar ik raad u ernstig : maakt geen plannen voor de toekomst zonder ernstig gebed tot God in den naam van Zijn geliefden Zoon, blijft er dan ook bij, al doen zich bezwaren op en Iaat ze niet los. Anders komt er niets van u terecht. Goede en groote menschen, gewichtige, eervolle daden zijn niet bij toeval ontstaan. De groote voorwaarde tot geluk en zegen in het leven is eene diep gewortelde, onveranderlijke overgave aan ware, godsdienstige beginselen. Daaraan heeft de geschiedenis een' Daniël, Paulus, Luther, Washington te danken. Wie bij zijne plannen en voornemens geen rekening houdt met zijne ziel, zijn' God en het jongste gericht, werpt de zaadkorrel weg, waaruit de echte grootheid en het echte geluk ontkiemen. Gij houdt misschien niet van dergelijke beschouwingen. Gij denkt, dat ik maar zoo spreek, omdat ik een geestelijke ben. Gij vindt het mannelijk en onafhankelijk, alle diergelijke beperkingen en banden af te werpen en te minachten, alsof zij u slechts hinderden. Maar ik zeg u, dat het ware geluk, de ware eer van uw leven er ten sterkste aan verbonden is. Gij begaat eene treurige vergissing, wanneer gij meent, zonder haar uwe schoone levensdroomen te kunnen verwezenlijken. Alleen voor het sterfelijke lichaam zorgen, en zijne begeerten bevredigen, terwijl men de ziel met hare hoogere behoeften laat hongerlijden en omkomen, dat is geen leven. Het is niet het ware leven, wanneer men de aarde bebouwt, hare bergen met vee bedekt, en hare akkers met het gejuich der maaiers vervult, terwijl het gebied van den onsteifelijken geest woest en ledig wordt gelaten. Het is ni ;t het

ocr page 37

-gt;. 21

ware leven, huizen, steden en spoorwegen te bouwen den gevangen stoomgeest te ontketenen, metale.i op te delven en hun vormen te geven, terwijl de zedelijke natuur aan het toeval of den dood overgegeven, verwaarloosd, bedolven en vernietigd wordt met hare hoogere schatten. Rijkdom, roem of geleerdheid be-teekenen niets, waar God en de onsterfelijkheid worden veracht. Wat baat het, met den grootsteu roem de weinige levensjaren te leven, wanneer aan het einde eeuwige duisternis en vertwijfeling liggen? Dan klinkt ons de onbeantwoorde vraag van de) Heer aller wijsheid: »Wat baat het, eenen mens.:h, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel?quot; als eene krachtige en bestendige w.iarschu wing in de ooren. Getroost u liever duizend teleurstellingen, offert liever alles op, dan dat gij beproeft, een leven zonder God, zonder hoop in Chri tus en zonder vooruitzicht op den hemel te leiden; Niemand waagt dit ongestraft. Het zal uw onderganj zijn. Het zal uw leven in een niets, in een eeuwigd.irenden vloek doen verkeeren. Gij vindt het onafhrnkelijk, waardig en edel; maar het is niets anders da i naast een verterend vuur te leven. Jongelieden bekc nmeren zich het meest om kapitaal. Zij meenen, dat zij heel wat zouden uitrichten, als zij slechts geld hadden. En dat kunnen zij ook, wanneer zij het woord in de goede beteekenis nemen. Zij verstaan daaronder gevulde zakken; maar kapitaal is niet eene hoeveelheid bankbiljetten, schuldbekentenissen en pandbrieven. Het echte kapitaal is een helder hoofd; bezit gij dat, dan zijt gij voorbereid voor alle levensomstandigheden en gesc hikt, er zooveel mogelijk voordeel uit te trekken, zonder te kort te doen aan hooger dingen. Wanneer het hoofd slechts in orde is, en iemand zijn gezond verstand heef

ocr page 38

22 ^

W:»-...!,!,. j..i.

bezit hij kapitaal en kan zeker zijn, dat het hem wel gaat. Maar een mensch, die niets van God weet en de goddelijke wetten en rechten minacht, heeft het ware verstand niet. Hij verknoeit zijn leven, hij verlaagt zijne waarde als mensch, hij verkleint den adel van zijne natuur; hij verwerpt hetgeen den geest versiert, hij stoot het kapitaal van zich, dat hem alleen voorspoed kan aanbrengen. Een mensch, die de waarheid niet kent, gevoelt en over zich laat heerschen, wien het rechte vertrouwen op zijn' Schepper ontbreekt, die zijn leven laat besturen door de ingevingen van het oogenblik, zonder een vast geloof en een vast doel, dat beantwoordt aan zijne plaats in de wereld, kan onmogelijk de wijsheid en het gezond verstand aan zijne zijde hebben. Hij is meer of min krankzinnig;

zijn hoofd is niet goed. Hij is in zekeren zin een zwakkeling, een onmachtige, een zedelijk gebrekkige, ^

een dwerg naar den geest, onbekwaam tot de edelste werkzaamheid van een degelijk man; en groot zal hij nooit worden. Wat de menschen noodig hebben om groote mannen te worden, is een vast vertrouwen op God, eene bescheiden, oprechte en standvastige gehechtheid aan de zedelijke wetten en eene vroomheid, die ten allen tijd liever met een goed geweten van brood en water leeft, dan met eene bevlekte ziel aan des konings tafel aan te zitten. Bij zulk een kapitaal maakt het niet uit, of een mensch velerlei tegenspoed ondervindt. De wetten des heelals zijn hem genegen. Geene stormen of omwentelingen kunnen zijn geweten doen schipbreuk lijden. Des Hemels troon is voor zijne veiligheid borg.

En aan gene zijde der bergen, welke nu onzen horizon begrenzen — aan gene zijde der sterren, die zoo liefdevol nederzien op ons nachtelijk lijden — aan gene zijde van alle eischen, twijfelingen, worstelingen, smarten

ocr page 39

23 Hg-

en verliezen — wanneer de glans dezer wereld vergaan is, hare vreugde voorbij is, hare bezittingen de waarde verloren hebben, hare smart geleden is — dan blijft er een rijk van licht, van schoonheid, van zegepraal en van roem, waar zij, die in Christus hebben geloofd, eeuwig met Hem zijn, en waar zij, die in den Geest gezaaid hebben, van den Geest het eeuwige leven zullen maaien.

ocr page 40

HOOFDSTUK II.

Het gezicht van de rijken, of: de droom van Nebucadnezar.

Daniël 2 : 1—35.

De tijd van den zondvloed, 2800 jaar vóóc Christus. — Nitnro 1. — De grootheid van Babyion. — Het paleis van Nebucadneiar. — Zijne werken. — Het profalische beeld, dat hij aanschouwde. — De Babylonische Magiërs en sterrenwichelaars. — Hunne onmacht om den droom des konings te verklaren. — Hunne onwetendheid toont het ( nvoldoende der mensche-lijke wetenschap. — Wijsheid wordt slechts gevonden bij mannen die, zooals Daniël, van God vervuld zijn.

Het is zeer opmerkelijk, dat de drie gewichtige gebeurtenissen in de eerste geschiedenis der menschheid verbonden zijn aan de samenvloeiing van twee rivieren, een zeer beroemden berg, waaruit zij ontspringen en eene zeer beroemde vlakte, die door hare wateren wordt besproeid. Waar de Eufraat en de Tigris zich vereenigen, bloeide het Paradijs, daar werd de mensch geschapen, daar volgde zijn ontzettende val. Een der -bergen, waaruit zij ontstaan, is de Ararat, waar Noach met de ark aankwam, toen de zondvloed alles had bedolven. De vlakte, door welke zij naar de zee stroomen, is de vlakte van Sinear, waar de menschen na het verlaten der ark zich [het eerst vestigden, en zich voornamen den grooten toren te bouwen, tot de Heer tusschen beiden trad en de spraak der menschen verwarde en he

ocr page 41

25 *s-

over de geheele aarde verstrooide. Er is veel gestreden en geschreven over het tijdstip van den zondvloed. Vergelijken wij de overleveringen met elkander, nemen wij in aanmerking, wat de geschied- en bouwkundige nalatenschap der oudste volken ons mededeelen, of de teekens, die in de groote pyramide van Gizeh gegrift staan, dan komen wij ongeveer op 2800 jaar vóór Christus dus nu vóór 4695 jaar. Het was in het zesde geslacht na Noach, ongeveer 300 jaren na den zondvloed, dat de groote verstrooiing van zijne afstammelingen plaats had; want in de dagen van Peleg werd de aarde verdeeld. Maar twee geslachten vroeger dan Peleg vinden wij reeds de stad en het koninkrijk vermeld, waarmede de geschiedenis van Daniël verbonden is, en die hun hoogsten bloei bereikten onder Nebucadnezar. Men kent geene oudere stad, geen ouder koninkrijk dan Babyion. In het tiende hoofdstuk van Genesis lezen wij, dat Kusch, de zoon van Gham, Nimrod gewon, dat hij „begon geweldig te zijn op de aarde, dat hij was een geweldig jager voor het aangezicht des Heeren,quot; dat zijne daden in later tijd tot een spreekwoord werden, en dat „het beginsel zijns rijks was Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.quot; Gen. 10 :8 —10. De naam en de roem van dezen Nimrod, onder wiens regeering het bouwen van den toren, werd begonnen vervullen geheel Mesopotamië en leven nog in de overleveringen van het volk, welks voorouders hem als een god aanbaden. Vele der merkwaardige muren en ruïnen van dit land dragen zijn' naam. De oude Chaldeeuwsche sterrenkundigen plaatsten hem aan den hemel als het sterrenbeeld Orion. De tegenwoordige inwoners der landen, die tot zijn gebied behoorden, noemen zijn' naam slechts met eerbied en vrees. En tot op den tijd, dat het tiende hoofdstuk van het eerste boek van

ocr page 42

26 Hs-

Mozes werd geschreven, kende men geen voorbeeld van grootheid en macht, waarop de menschen zich liever beriepen, dan op dat van „Nimrod, den geweldigen jager voor het aangezicht des Heeren.quot; Terwijl de vreeselijke spraakverwarring den bouw der stad deed staken, liet zij het koninkrijk, dat deze man gegrondvest had, ongedeerd. In de laatste vijf en twintig jaren heeft men de namen van niet minder dan 26 Babylonische koningen opgegraven, waarvan de eerste bijna tot den tijd der spraakverwarring gaan. Volgens deze laatste ontdekkingen blijkt nu, dat in het jaar 1861 vóór Christus een zekere Ismi-Dagon op den Chaldeeuwschen troon zat, en dat vóór hem nog ten minste vier koningen zijn geweest, wier namen men insgelijks heeft gevonden. De oudste van deze is Urukh, wiens gebied zeer groot en wiens regeering zeer lang schijnen te zijn geweest; want zijn naam staat op de fondamenten der grootste gebouwen in drie of vier der aanzienlijkste oude steden van het land. Zelfs zijn eigen zegel heeft men gevonden. Zijn zoon Ilgi en vele andere vorsten regeerden na hem, waaruit het bestaan van een Babylonisch rijk bewezen wordt van Nimrod tot aan Nabopolassar, den vader van Nebucadnezar, die in het boek Daniël zoo vaak voorkomt.

Tijdens de verovering van Jeruzalem, toen de Joden in ballingschap weggevoerd werden, was Nebucadnezar eigenlijk nog geen koning van Babyion. Daniël geeft hem dien naam reeds in het begin van zijn boek, maar loopt daarmede de geschiedenis een weinig vooruit, daar hij eerst twee jaar later, na den dood zijns vaders, koning werd. Wel is waar was hij toen reeds mederegent van zijn zwakken vader, daar hij met koninklijk gezag de legers bestuurde, die zoo veel roem behaalden. Daniël was twee jaren op de hoogeschool des konings geweest, toen Nabopolassar stierf; en twee jaar na diens

ocr page 43

h* 27 •lt;--

dcxxi, in het tweede jaar van Nebucadnezars alleenheerschappij, hadden de gebeurtenissen plaats, die in het tweede hoofdstuk worden verhaald. Het tweede jaar van Nebucadnezars alleenheerschappij zou dus het vierde zijn, dat hij deelnam aan de regeering. Zoo vervallen alle moeilijkheden en spitsvondigheden, welke gemaakt zijn tegen de opvolging dezer gebeurtenissen. De grootheid van Babylon en van het Babylonische rijk wordt door alles bevestigd. In dit hoofdstuk heet het niet alleen het hoofd van alle wereldrijken, maar zelfs het „gouden hoofd,quot; tegenover de andere rijken, die slechts zilver, koper, ijzer en leem zijn. Vóór Nabopolassar was het een tijdlang schatplichtig aan het Assyrische rijk, waarvan Ninevé de hoofdstad was; want Nabopolassar was eerst slechts onderkoning van dat rijk. Maar hij bewerkte een' opstand, die met hulp dèr Meden slaagde, vernielde de groote en prachtige stad Ninevé, en vereenigde Assyrië met Babylonië. De veroveringstochten van zijn zoon breidden de Babylonische heerschappij nog verder uit tot aan de einden der aarde. Toen Edom en Moab, Ammon en Tyrus en Sidon zich met den koning van Juda tegen Nebucadnezar wilden verbinden, verklaarde God door Zijn profeet, dat al deze pogingen vruchteloos waren ; Jeremia 27 ; 5-8. „Ik heb gemaakt de aarde, den mensch en het vee, die op den aardbodem zijn, door Mijne groote kracht en door Mijnen uitgestrekten arm, en Ik geef ze aan welken het recht is in Mijne oogen. En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebucadnezar, den koning van Babel, Mijnen knecht; zelfs ook het gedierte des velds heb Ik hem gegeven, om hem te dienen. En alle volken zullen hem, en zijnen zoon, en zijns zoons zoon dienen, totdat ook de tijd zijns eigenen lands kome; dan zullen zich machtige volken

ocr page 44

28 K-

en groote koningen van hem doen dienen. En het zal geschieden, het volk en het koninkrijk, die hem, Nebu-cadnezar, den koning van Babel, niet zullen dienen, en dat zijnen hals niet zal geven onder het juk des konings van Babel; over dat volk zal Ik, spreekt de Heere, bezoeking doen door het zwaard, en door den honger, en door de pest, totdat Ik ze zal verteerd hebben door zijne hand.quot;

Alle volken, ook Egypte, waarheen de Israëlieten zich om hulp konden wenden, worden met deze woorden aangeduid. Zelfs Arabië, Kedar en Hazar waren niet zoo ver afgelegen, of de overwinnende legers van Nebucadhezar kwamen daarheen. De Indiërs berichten ons zijne macht en zijne veroveringen in het Oosten. Lybië en Iberië werden door hem onderworpen. Als Ezechiël den ondergang van Egypte voorspelt, zegt hij tot Farao, dat hij in het graf ontmoeten zal: „Assur met haren ganschen hoop, Elam met hare gansche menigte, Mesech en Tubal met hare gansche menigte; daar is Edom, hare koningen en al hare vorsten, ja daar zijn de geweldigen van het Noorden en alle Sido-niërs, die met de verslagenen zijn nedergedaald door het zwaard van deze onweerstaanbare macht.quot;

De verovering van Tyrus en Sidon had ook die van de Phoenicische koloniën in Afrika en Spanje tengevolge, zoodat Philostratus zegt, dat Nebucadnezars rijk zich uitstrekte tot aan „de zuilen van Hercules.quot; Hij onderwierp Egypte en gaf het een koning, die hem onderdanig was. Mesech en Tubal en al de Noordelijke volken worden genoemd als aan hem onderworpen; zijne heerschappij breidde zich uit tot aan den Kaukasus en over de landen aan de Zwarte zee en de zee van Azof, over de vlakten van den Don en den Dnieper; zij omvatte een groot gedeelte van het tegenwoordige

ocr page 45

29

keizerrijk Rusland en van Europeesch Turkije. 'De grootsche openbare gebouwen, die door hem zijn opgericht, bevestigen voldoende deze berichten aangaande zijne overwinningen, zijne hulpbronnen, en zijn uitgestrekt gebied. Hij verfraaide Babylon met eene pracht, die het tot de waardige hoofdstad van zulk een machtig rijk maakte. Hij bouwde een muur om de stad, zoo groot en dik, dat hij meer metselwerk bevatte dan de Chinetsche muur. Zijn omvang was niet minder dan 130 vierk. mijlen. Deze muur had honderd poorten met zware deuren van massief koper. Binnen de muren waren twee paleizen, meesterstukken van bouwkunst en versiering, kunstmatige bergen en trotsche tempels, waarvan de ruïnen alleen eene hoogte van 140 voet bereiken. Nabij deze stad maakte hij een waterbassin, 138 mijlen in omvang en 20 vademen diep, waarin de stroom geleid werd en het water bewaard. Hij richtte aan de Perzische golf groote muren op tot bescherming tegen de zee. Hij groef verscheidene bevaarbare kanalen, waarvan er nog een bestaat, dat „de koningsstroom,quot; wordt genoemd. Hij beveiligde de oevers van den Eufraat, zijn geheelen joop tot aan de zee, wierp hooge dijken op, van welke nog eenige zichtbaar zijn. Hij herbouwde al de groote steden van Opper-Babylonië, verrijkte ze met prachtige tempels, en richtte vele gebouwen op, die nog heden de oudheidkenners van hem doen gewagen. Nadat Nebucadnezar al deze veroveringen had gemaakt, toen hem de alleenheerschappij over het groote Babylonische rijk ten deel \vas gevallen, en hij zich gevestigd had als de verheven meester van dit rijk, deze rijkdommen, deze macht en dezen roem, begon hij over zijne eigen omstandigheden na te denken. Hij was een schrander, ernstig man, die grondig over den staat der zaken en de bestemming van deze heer-

ocr page 46

-5-- 30 -lt;-

schappij nadacht, hoe hij er toe geraakt was, wat er ia opgesloten lag en wat de verdere geschiedenis en het einde daarvan zouden zijn. Hij was nog jong. De geheele bekende wereld lag aan zijne voeten en was hem onderworpen.' Hij was zeldzaam gelukkig geweest en had eene duizelingwekkende hoogte bereikt. Zijn roem en,zijne heerschappij waren onovertroffen. Wat zou hij er mee doen? In welke haven zou het schip van dezen reusachtigen staat binnenloopen, wanneer hij er eens niet meer was? Wat zou er na hem komen? Dit waren de gedachten, die hem bezig hielden, zelfs wanneer hij zich ter ruste begaf. Zelfs zijn slaap werd gestoord, wanneer hij zoo de onbekende en ondoorgrondelijke toekomst bepeinsd had. Wij weten niet, of hij misschien niet iets dergelijks ondervond als Richard III, wien Shakespeare de woorden in den mond legt: „Het scheen mij dat de zielen van allen, die ik vermoord had, in mijne tent kwamen, en eike ziel dreigde met wraak, morgen , op het hoofd van Richard ; maar het is zeer waarschijnlijk. Wij kunnen vrij zeker ge-looven, dat deze voortdurende gedachten betrekking hadden op de veiligheid en de toekomst van zijn troon en van hem zeiven, en op al de geheimzinnige moeilijkheden, die zulk een bestuur medebracht. Ten gevolge van deze gedachten had God hem een droombeeld over deze zaken gezonden, dat hem nog steeds verontrustte, toen het morgen werd, ofschoon hij zich het niet duidelijk genoeg herinnerde om het te beschrijven. Eeti groot en heerlijk beeld stond voor kem met de gestalte en de gelaatstrekken van een man. De gedaante was schitterend en vreeselijk. Het hoofd was van zuiver goud. De borst en de armen waren van glanzend zilverc de buik en de dijen van gloeiend koper. Zijne schenkels waren van ijzer, en zijne voeten eensdeels van ijzer eu

ocr page 47

-gt;• 31 ^

eensdeels van leem. Een vreemde steen, die van zelf bewoog, viel van een berg naar beneden en sloeg het beeld aan zijne voeten, en vermaalde het gansche beeld als kaf, dat de wind wegneemt, terwijl de steen tot een grooten berg werd, alzoc dat hij de geheele aarde vervulde. Het was het beeld van de wereldheerschappij, van haar ontstaan, door alle lotswisselingen heen tot aan het einde der tijden en tot de Hemelsche macht, die dan in hare plaats zal komen. Toen de koning ontwaakte, was hij niet instaat het droomgezicht te beschrijven. Toen zijn bewustzijn terugkeerde, verdween het, zooals het gekomen was, toen hij in den onrustigen slaap verzonk. Maar de angst, die het veroorzaakt had, bleef hem bij. Het stond in zulk een wonderbaar nauw verband met zijne gedachten, en scheen zoozeer een bovennatuurlijk antwoord op zijne vragen te zijn, dat hij er hevig door ontroerd werd. Wanneer eenig mensch de macht had, dit gezicht weder op te roepen, zoo nam hij zich voor, zou het opgeroepen worden en zijne beteekenis onderzocht. Het was niet louter nieuwsgierigheid, die hem zoo deed handelen, maar nadenkende ernst. Ik kan niet nalaten zijne ernstige opvatting van deze zaak te bewonderen. Het is juut die ernst, die • bij eiken jongeling hart en geweten behoort te vervullen, ' wanneer hij de zorgen en de verantwoordelijkheid van het leven aanvaardt. Maar vooral wordt hij vereischt, wanneer onze inspanning met grooten voorspoed, met eer en macht wordt bekroond. Wij behooren te bedenken, waar wij zijn, hoe het ons gaan zal, welke klippen en maalstroomen wij nog op de levensreis kunnen ontmoeten, welke afgronden en gevaren ons bedreigen, hoe wij ons scheepje het best beveiligen en hoe wij moeten sturen om eervol en gelukkig het doel te bereiken. Het is de ware mannelijkheid, die aan

ocr page 48

-Sh 32 x-

iedereen past, zich met zulke gedachten bezig te houden, en veel daaraan te hechten. Velen worden in deze wereld geboren en leven en sterven en nemen zelfs een werkzaam deel aan haar bestuur, zonderdat zij ooit tot zelfbewustheid komen, of nadenken, waar zij vandaan komen, wat zij zijn, of wat er zal worden van hen zeiven en van de zaken, waarmede zij het zoo druk hebben. Al bezoekt God hen met menige heerlijke verschijning, menigen bedreigenden droom en menig woord van nuttige vermaning, zij doen, of dit hun niets aangaat. De eeuwige Wijsheid verwaardigt zich, de verhevenste waarheden tastbaar onder hun bereik te brengen-, maar zij bekommeren zich niet om hetgeen zij zijn of wat de toekomst zal brengen. Dat deze heidensche koning hun groven zin mocht berispen en tot schaamte opwekken! Al zijne eer, grootheid en macht konden hem niet ontrukken aan de ernstige gedachte, wat de toekomst zou baren. Op zijn koninklijke legerstede keert hij tot zichzelven in en denkt ernstig na. Hij denkt en peinst en vorscht en tracht het einde te doorgronden. En als hij geheimzinnige goddelijke wenken ontvangt, rust hij niet, eer hij de beteekenis van deze openbaring te weten komt. Alle leeraars der heilige wijsheid worden geroepen om hem de hemelsche aanwijzingen te verklaren. Het was edel van hem en bewees de gezindheid en de waardigheid van een echten man, die in wijsheid wil toenemen, en daarmede veroordeelt hij diegenen, die nooit eene gedachte wijden aan den ernst des levens, noch trachten na te gaan, wat God voor hen heeft gedaan om hun eene zalige toekomst te bereiden.

Maar zij, tot wie de • koning zich wendde om zijn droom te vertellen en te verklaren, waren slecht voor hunne taak berekend. Het was een gebruik bij de

ocr page 49

33 na

vorsten der oudheid, de beste vertegenwoordigers der wijsheid en wetenschap, die er waren, om zich te vereenigen. Het verhoogde den glans van hunnen troon. Vooral in Babyion werden de orden der wijzen, priesters en wichelaars door den staat beschermd en in eere gehouden. Ons verhaal noemt hen „de toovenaars en de sterrenkijkers, en de wichelaars en de Chaldeërs.quot; Het zou noodeloos zijn, de betrekking en de plichten van deze verschillende personen op te sommen.

Genoeg is het, te weten, dat zij de erkende bezitters der hoogste wijsheid en de bekwame middelaars van alle geheime krachten waren, de mannen' die de openbaringen en den wil der goden verklaren en bekend maken moesten, de wijze leeraars in alle zaken, die betrekking hadden op het bovennatuurlijke, het heilige, onzichtbare en goddelijke. Zij wendden voor, den wil der goden te kennen, lotgevallen en gebeurtenissen in de sterren te lezen, orakels van de onzienlijke machten uit te leggen, droomen, gezichten en voorteekens te verklaren, geesten te bezweren, ziekten te genezen en bovennatuurlijke hulp en tusschenkomst te bewerken. Zij hadden hunne wetenschap in stelsels, regels en methoden samen gebracht, waardoor zij meenden groote wonderen te kunnen doen. De boeken van dergelijke toovenaars te Efeze, die zij na hunne bekeering door i'aulus' prediking in het openbaar verbrandden, werden op 50.000 zilveren penningen geschat. Al deze wijzen, priesters, waarzeggers en vertegenwoordigers der wetenschap en geestelijke macht zette de koning aan het werk om zijnen droom te verklaren. En hij was zoo ernstig en vastberaden, dat hij het voor hen tot eene zaak van leven of dood maakte. Hij begeerde, dat zij iiem zouden bekend maken, wat hij in zijn' droom had gezien, of zij zouden in stukken gehouwen en hunne Goddelijke Stemmen. 3

ocr page 50

~gt;: 34

huizen verwoest worden. Te vergeefs antwoordden zij, dat hij te veel van hen eischte, en hunne wetenschap en macht op eene te sterke proef stelde. Hij werd door hunne uitvluchten en hun talmen slechts ongeduldiger en toorniger, en gaf het bevel, dat zij allen zouden worden gedood. Men heeft dit in Nebucadnezar zeer afgekeurd, en het hard, onredelijk en willekeurig genoemd.

Het valt niet te ontkennen, dat zijn aard eenigszins eigenzinnig en onmenschelijk heerschzuchtig was. Ook niet, dat hij in dit geval zijne wreedheid toonde. Maar Oostersche alleenheerschers waren altijd wreed en tot op dezen tijd ziet men bij Perzische, Indische en Turk-sche vorsten dezelfde karaktertrekken. Ik verdedig hem niet, maar ik ben ook niet van meening, dat hij zijne macht zoo erg te buiten ging. Het is waar, dat de eisch buitengewoon was, dat geen koning, geen dweper zelfs, ooit te voren iets dergelijks had verlangd, dat geen wijze, toovenaar of sterrenkijker ooit zulk een raadsel opgelost had, als hij van deze grootsprekers eischte, en dat niemand dan God kon doen, wat hij vroeg. Maar zij gaven in andere zaken voor, uit naam van hunne goden te spreken. Zij wendden voor, den geest, den wil en de plannen der eeuwigen te kunnen raden. Zij behielden hun waardigheid, eer en onderhoud door het geloof, dat zij in verbinding stonden met bovenaardsche machten. Zelfs bij deze gelegenheid beweerden zij, zeer goed te kunnen uitleggen, wat de droom beduidde, wanneer de koning hem slechts kon medcdeelen. En stonden zij werkelijk in verbinding met de goden, en konden zij zonder fout zeggen, wat de droom beduidde, dan konden zij even gemakkelijk door dezelfde gaven zeggen, hoe de droom was geweest. Zoo redeneerde de koning en hij had volkomen gelijk.

ocr page 51

35 ^

Wanneer de goden hen niet in staat stelden, den droom te weten, vermoedde hij met recht, dat zij ook niet zouden kunnen zeggen, wat hij beduidde. Met andere woorden, zij stonden vóór hem als een hoop ontmaskerde bedriegers, wier voorgewende macht slechts list en bedrog was en wier aanspraken op leugens gegrond waren. Was dit zoo, dan verdienden zij zijn hevigsten toorn en de strengst mogelijke straf. Het vonnis was, hoewel bloedig en streng, op rechtvaardigheid gegrond. Waren misschien enkelen dezer mannen te goeder trouw, hun ambt was toch leugen en bedrog, inzoover zij beweerden eene goddelijke macht uit te oefenen. Ik ben het daarom eens met 's konings opvatting van de zaak. Toonde hij al eene gruwzame hardheid, hij toonde tevens eene juiste redeneering en een gezond oordeel. De zaak, waarvoor hij hen had geroepen, behoorde tot hun vak. Dat zij er niet voor berekend waren, benam hun het recht op hunne hooge waardigheid en invloed. Wat zij mogen geweest zijn, gezanten der goden, middelaars van heilige krachten waren zij niet, en daarom waren zij bedriegers en was het rechtvaardig, dat zij gestraft en gedood werden. Nog één dag, en het was met hen gedaan geweest, zonder den jeugdigen Daniël, die optrad als de ware profeet zijns Gods, het verlangen des konings bevredigde en het leven dezer bedriegers van beroep redde. Wanneer lieden niet kunnen doen, hetgeen zij beweren te kunnen, en waarvoor zij betaald en geëerd worden, moeten zij straf ontvangen; en de regeering, die hen niet straft, handelt verkeerd. Maar de zaak heeft ee«e veel dieper en ingrijpender beteekenis. Zij bewijst het onvoldoende van alle bloot menschelijke hulpbronnen, wijsheid en macht, om den geest en den wil Gods te verstaan, zonder Zijne eigen openbaring.

ocr page 52

~gt;i 36 Hs-

Hier vinden wij een heidendom, dat sedert meer dan duizend jaren beschaafd is, de vereenigde kracht en wijsheid van de aanzienlijkste, beroemdste scholen. Wat er buiten Israël en de dienaars van den waren God bestond van kunst en wetenschap bij priesters, wijzen, sterrenkijkers of heksenmeesters, geleerden of toovenaars, was hier samengekomen. Wanneer deze mannen tekort schoten, dan had alle menschelijke wijsheid, macht en kennis niets te beteekenen.

De koning stelde hun een rechtmatigen eisch, dien zij niet konden geringschatten, ontduiken of uit den weg gaan. Niet alleen de eer van hunnen stand, zelfs hun leven en hunne huizen werden bedreigd.

Iedere voorwaarde was aanwezig om hen te nopen, het beste wat zij hadden te voorschijn te brengen. Want het mislukken van deze schoone taak kon alleen daardoor worden veroorzaakt, dat de mensch niet in staat is, den zin, den wil en het voornemen van God te doorgronden. Daartoe baten hem geene geheime kunsten, noch macht over orakels, bezweringen en priesterlisten, noch berekeningen uit de sterren, ondervragingen van levenden of dooden, booze of goede geesten, noch iets anders, dat binnen zijn bereik of zijne macht ligt. Het mislukte hun en zij bekenden hunne onmacht voor het geheele rijk. „De Chaldeërs,quot; de beroemdste en voornaamste orde van Babylonische wijzen, „antwoordden voor den koning, en zeiden; Daar is geen mensch op den aardbodem, die des konings woord zoude kunnen te kennen geven; want de zaak, die de koning begeert, is te zwaar, en er is niemand anders, die dezelve voor den koning kan te kennen geven, dan de goden, welker woning bij het vleesch niet is.quot; Dan. 2 : IO, li.

Ik zie deze eerwaardige menigte van wijzen, geleerden,

ocr page 53

H5H £7 ^

priesters, waarzeggers en denkers en stel mij voor, hoe veel hooger zij stonden dan andere heidenen, hoe Phoeniciërs, Egyptenaren, Grieken en Romeinen hunne leer overnamen, zich hunne wetenschap eigen maakten en hunne kunstgrepen en onderwijs navolgden. In hen zie ik de zon, waaraan alle schatten van godgeleerdheid, wijsheid, godsdienst en wetenschap der gehetle heidenwereld hun licht ontleenden. Als ik deze woorden lees, cie uit aller naam plechtig en treurig voor de hoogste aardsche majesteit uitgesproken werden, als het eenige wat hun te doen stond om het dreigende oordeel af te wenden, dan zie ik, dat een donkere sluier alle men-schelijke wetenschap, alle menschelijke kracht en wijsheid bedekt, en die aanblik doet mij sidderen. In een enkelen volzin ontdek ik, dat alle sterrenkijkerij, zwarte kunst, orakels, droomen en waarzeggerij der geheele heidenwereld gedurende 6000 jaren niets dan leugens zijn geweest. In deze korte mededeeling zie ik het bewijs, dat alle menschelijke godsdiensten, kunsten, ontdekkingen, krachten en wetenschappen, vergeleken bij de door God bezielde profeten en den eenigen Christus, ijdel en nietig zijn, wanneer het geldt de ware en juiste kennis van de voornemens en den wil van Jehova of van de toekomst der menschheid te verkrijgen. In deze weinige woorden van droevige vei twijfeling wordt bewezen, dat alle geleerde onderzoekingen van hen, die zich wijzen noemen, van de Babylonische too-venaars af tot Hobbes, Herbert en Voltaire in de vorige eeuw en de materialistische ongeloovigën en pantheïsten onzer dagen, waardeloos en leugenachtig zijn, wanneer zij met de openbaringen, die de Almachtige aan Zijne uitverkoren profeten heeft gegeven, in strijd zijn. De hoogmoedige wereld moet toch bij een' eenvoudigen Daniël, een' nederigen Nazarener terecht komen om den

ocr page 54

38

waren God te leeren kennen en Zijn' wil en doel te vernemen. Op hen steunt de menschelijke wijsheid toch in weerwil van hare zelfverheffing, wanneer zij niet in stukken gehouwen en van de aarde uitgeroeid wil worden. Zonder hen ligt eene ondoordringbare duisternis over alle onderzoekingen naar het lot der wereld en zelfs de wijsten en besten zien niets dan dood en vertwijfeling.

Mijne vrienden, ik vrees, dat wij niet half genoeg den onuitsprekelijken schat waardeeren, dien God ons in de Heilige Schrift heeft gegeven. Ik vrees, dat zelfs de eerbiedwaardigste, vroomste geloovigen zich niet voorstellen, hoe troosteloos de wereld voor ons zou zijn, wanneer de profeten en evangelisten niet getuigd en geschreven hadden. Hebt gij ooit nagedacht, wat er gebeuren zou, wanneer deze heilige getuigenissen werden vernietigd met al hetgeen op haar rust of van haar is afgeleid ? Hebt gij u ooit voorgesteld, met welk eene totale vernietiging van alle geestelijk en zedelijk leven der menschheid dit verlies zou gepaard gaan ? Hebt gij er ooit aan gedacht, dat dan ieder prediker van rechtvaardigheid en zaligmaking tot zwijgen gebracht zou zijn, doordat zijn ambt en zijne getuigenis vernietigd werden; dat dan ieder werk van barmhartigheid en menschlievendheid, dat de wonden der lijdende menschheid tracht te heelen, verstoord zou zijn; en elke zalige hoop op eene wedergeboorte van onze arme wereld, op de opstanding onzer dooden, en, wanneer dit nietige leven voorbij is, op een tehuis in den hemel zou uitge • bluscht worden ? Wee mij!

Denkt den bijbel en zijn' inhoud weg, en de op de onstuimige zee heen en weer geslingerde zeeman ziet geen ster aan zijn' hemel; geen kompas om zijne onzekere vaart te leiden, geen bekende haven of dierbaar

ocr page 55

-$-* 39 Ka

strand, waarheen hij kan sturen. Denkt den bijbel en zijn' inhoud weg, en de laatste toevlucht van de onderdrukten en vervolgden, de laatste hinderpaal tegen het j recht van den sterkste, de laatste band van den verdorven mensch, zijn vernietigd, voor altijd vernietigd, en elke lust en elke dierlijke hartstocht heeft vrij spel, zonder verandering, zonder grenzen, zonder einde. Denkt den bijbel en zijn' inhoud weg, en alle licht en troost verdorren als Jona's wonderboom, en laten den mensch in eene hopelooze eenzaamheid voortgaan, terwijl de jaren elkander opvolgen, en dan zich nederleggen om te sterven en te vergaan als de dieren. Denkt den bijbel en zijn' inhoud weg, en wanhoop en ellende zullen in aller harten heerschen, zooals in de overwonnen Chal-deeuwsche wijzen bij het bevel van hunnen onverbid-delijken koning.

Ach, wilden de menschen het slechts verstaan, dat geen schat ter wereld de getuigenissen evenaart, die God ons door Zijne heilige profeten heeft gegeven. Waardeert ze dan als heilig. De bijbel is het boek der boeken.

ocr page 56

HOOFDSTUK III.

De opeenvolging der koninkrijken,

of: de vier groote wereldheerschappijen. Daniël 2 ; 36—4:5.

Daniëls uillegging van Nebucadnezars droom, 1. Daniël beschouwde den droom als van God gezonden. 2. als zeer gewichtig. 3. Hij omvatte de geschiedenis en de uitkomst van alle aardsche heerschappij. 4. Voortdurende achtir-uitgang van het staatsbestuur.

Wij hebben vernomen, dat de groote Nebucadnezar, de koning van Babyion een' droom had gehad. Het was een droom zoo eigenaardig en beteekenisvol, als er ooit iemand een gehad heeft. De koning was er buitengemeen van vervuld en verschrikt. Maar hoewel hij er hevig door ontroerd was, kon hij toch den droom niet in zijn geheugen terugroepen, noch iets er van zeggen. Overtuigd, dat hij iets zeer buitengewoons beteekende, en dat hij eene mededeeling van Godswege bevatte, verzocht hij de dienaren van den godsdienst en de mannen, die het meest in wijsheid en goddelijke zaken ervaren waren, de toovenaars, sterrenkijkers en Chaldeeërs, om hem dien weder op te roepen en de juiste uitlegging er van te geven. Maar geen van hen was in staat hem te helpen. En hoewel hij dreigde hen in stukken te laten houwen en hunne huizen te laten verwoesten, wanneer zij hem niet zeiden, welken droom hij had gehad en wat deze beduidde, waren zij toch genoodzaakt te bekennen, dat al hunne wetenschap en

ocr page 57

-3-- 41 HS-

macht onvoldoende waren om deze taak te volbrengen. Door deze bekentenis van onvermogen in eene zaak, die tot hun gebied behoorde, tot woede gebracht, gaf hij het bevel, dat allen gedood en hunne huizen verwoest zouden worden, en zoo ver strekkend was dit gebod, dat Daniël en zijne drie vrienden er ook onder waren begrepen.

Toen Daniël dit wreede bevel vernam, verwonderde hij zich, dat de koning zoo snel handelde zonder verder te onderzoeken. Ofschoon hij en zijne vrienden in het vonnis begrepen waren, had men hen toch in het geheel niet geraadpleegd, en waarom moesten zij lijden voor het bedrog en de zonde der anderen ? Daniël voelde zich tot Nebucadnezar aangetrokken, omdat deze werkelijk een groot man was en over het algemeen juist en rechtvaardig oordeelde; maar hier was zijne uitspraak klaarblijkelijk onrechtvaardig, ten minste voor zoover hem, Hananja, Misacl en Azarja betrof. Daarvan begreep hij niets. Daarom hield hij ook bij den koning aan — tot wien hij, naar het schijnt, gemakkelijk toegang kon verkrijgen — en verzocht op bescheiden wijze om uitstel, daar het vonnis te haastig zou uitgevoerd worden, en verbond zich, den koning alles te zeggen, wat hij wenschte te weten. Dit was zeer stoutmoedig van Daniël, want tot dat oogenblik toe was hem geheel onbekend, wat de koning gedroomd had en wat het gezicht beduidde. Het blijkt ook, dat hij zelf hevig verschrikt was, toen hem duidelijk werd, wat hij op zich had genomen. Het zou als overgroot zelfvertrouwen kunnen worden beschouwd, en het zou zeker verkeerd zijn, hem onder soortgelijke omstandigheden te willen navolgen. Het herinnert ons den jeugdigen David, die uitging om den reus Goliath van Gath te bestrijden, voor wien alle sterke helden uit het leger van Saul

ocr page 58

42

terugdeinsden. Maar in deze beide gevallen erkennen wij de goddelijke leiding, waarbij menschelijke gevolgtrekkingen en menschelijke moed bijzaken zijn. Daniël vertrouwde op de wijsheid en den bijstand van God, op Zijne eeuwige almacht. Hij had persoonlijke ondervinding van het zegenende Godsbestuur, en erkende de hand van zijn' God, die hem geleidde naar de hooge betrekking, waarvoor hij bestemd was. Het was duidelijk, dat des konings droom door God gezonden was, en dat het derhalve met Gods bedoeling overeenkwam, alles in het licht te stellen.

De eer van God en Zijne belijders stond zoozeer op het spel tegenover de goden van Babyion en hunne priesters en dienaars, dat er veel reden was voor de hoop, dat de Almachtige niet zou nalaten degenen te hulp te komen, die hun vertrouwen op Hem hadden gesteld.

Opdat de goddelijke hulp hem niet zou ontbreken in dezen dringenden nood, besloot Daniël de zaak aan den Heer voor te leggen, en spoorde zijne drie vrienden aan, zich met hem in het gebed te vereenigen, dat God hem genadig zou zijn en hem in staat stellen, zijne belofte aan den koning te vervullen en daardoor hem en zijne metgezellen uit het dreigende gevaar te redden. Niets evenaart het gebed! Het is het altijd vaardige hulpmiddel der heiligen in eiken nood en heeft altijd den gezegendsten uitslag. De christelijke dichter stelde zijne waarde en zijne kracht niet te hoog, toen hij zeide; „Het gebed beweegt de Hand, Die de wereld beweegt. Ook bij deze gelegenheid bleek het krachtig te zijn, want: „Toen werd aan Daniël in een nachtgezicht de verborgenheid geopenbaard.quot;

De droom, die uit 's konings geheugen verdwenen was, opdat de machteloosheid en de bedriegerijen der

ocr page 59

-5gt;» 43 hs-

heidensche profeten geopenbaard en de dienaren van Jehova geëerd zouden worden, bleek aldus te zijn geweest:

Vóór hem stond een groot beeld, gelijk aan eene menschelijke gestalte, welks „glans uitnemend,quot; maar welks „gedaante schrikkelijk was.quot; Het hoofd van dit beeld was van goud, zijne borst en zijne armen van zilver; zijn buik en zijne dijen van koper, zijne schenkels van ijzer, zijne voeten van ijzer met leem vermengd. Terwijl hij dit beeld aanschouwde, zag hij een' geheim-zinnigen steen op bovennatuurlijke wijze van den berg rollen en op de voeten van het beeld vallen, deze tot kaf vermalen en het geheele beeld vernielen, zoodat ijzer, leem, koper, zilver en goud werden gelijk kaf van de dorschvloeren des zomers en de wind nam ze weg. Maar de steen werd tot een' grooten berg, alzoo dat hij de geheele aarde vervulde.

Nu stond de schitterende droom den koning weder duidelijk voor den geest, en hij was zoo overtuigd van de ware en juiste voorstelling van Daniël, dat hij voor hem op zijn aangezicht viel en hem eerbiedig als een profeet des Allerhoogsten erkende.

Nu willen wij de verklaring van dezen droom beschouwen.

I. Gij bemerkt, dat Daniël den droom voor eene mededeeling van God hield. De Almachtige verkeert dikwijls op deze wijze met den mensch. Job. 33 : 15 —17; In den droom door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger, dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hunne kastijding, opdat Hij den mensch afwende van zijn werk, en van den man de hoovaardij verberge. Num. 12 : 6. En Hij zeide: Hoort nu Mijne woorden! Zoo er een profeet onder u is, Ik de Heer

ocr page 60

-5-i 4-1: K-

zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door eenen droom zal Ik met hem spreken. Aan Jakob werd zijn erfdeel in een droom beloofd. Aan Jozef werd zijne latere verhooging in een droom getoond. In een droom verscheen God aan Salomo, en zeide hem, te bidden hetgeen hij begeerde. En zoo zijn er honderden voorbeelden, zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament.

Velen gelooven, dat dergelijke openbaringen nog steeds plaats hebben. Ik wil het ook niet ontkennen. Er is eene goddelijke belofte aangaande de laatste dagen, dat God Zijnen Geest op alle vleesch zal uitstorten, en dat de jongelingen gezichten zullen zien, en de ouden zullen droomen droomen. Hand. 2 : 17. „De droom komt door vele bezigheid.quot; Pred. 5 : 2- ^00 zÜn er voorbeelden, waar wij reden hebben te gelooven, dat God nog altijd droomen als middel gebruikt om menschen te onderwijzen, te waarschuwen en te vermanen. Wij moeten niet naar licht van deze zijde verlangen, omdat wij de Heilige Schrift hebben, die ons den weg wijst; ook moeten wij niet tegen Gods Woord in, onze droomen gelooven of opvolgen. Men kan daarin licht bijgeloovig te werk gaan, en wij kunnen onszelven en anderen ernstig benadeelen, door te veel op teekens, voorgevoelens en gewaande openbaringen te letten. Maar in dit geval kwam de droom van den Heer. Daniël zegt er van: „God in den hemel heeft den koning Nebucadnezar bekend gemaakt, wat er geschieden zal in het laatste der dagen.quot; Dan. 2 128. De droom was oorspronkelijk door God aan den koning gezonden, en toen hij zich dien niet kon herinneren, was het God, Die ook aan Daniël den droom openbaarde.

Het behoeft ons niet te vewonderen, dat God een heidenschen koning tot het werktuig van zulk eene

ocr page 61

-gt;i 45 Hg-

gewichtige openbaring verkoos. Op soortgelijke wijze was Farao het middel om te waarschuwen voor den hongersnood, die over Egypte zoude komen, en beide gevallen leveren het bewijs, dat slechts de door God gezonden tolken in staat waren de droomen uit te leggen.

Het bezit van staatkundige macht en heerschappij brengt ook in nauwe betrekking met den Almachtige. Groote heerschers zijn, wat hun persoonlijk karakter overigens zij, in zekeren zin Gods helpers, dienaars en gekozen bestuurders. „De machten, die er zijn, zijn van God verordend.quot; Rom. 13 : 1. En het is niets ongerijmds, dat een alles beheerschende monarch, wien de hoogste glans van het eerste wereldrijk bestraalde, den voortgang en het einde der wereld-heerschappij zag, vooral daar deze zaak hem na aan het hart lag; het was ook niets ongerijmds, dat Gods uitverkoren profeet den toovenaars en blinden leidslieden der heidenen eene beslissende nederlaag toebracht.

II. Gij zult ook opmerken, dat Daniël den droom beschouwde als zeer gewichtig in zijne gevolgen. Toen die hem werd geopenbaard, barstte hij uit in lofzin-gende aanbidding, niet slechts, omdat hij de geleerde dienaar was, wien de droom werd bekend gemaakt, maar veelmeer, omdat de beteekenis ervan zoo gewichtig was. Hij was zoo hoog boven al het aardsche verheven, er vertoonde zich daarin een besluit aangaande het verloop van alle menschelijke heerschappij en eene macht om alle tijden en krachten te handhaven en te besturen, dat hij bijna buiten zichzelve geraakte, toen het geweldige gezicht hem opeens ontsluierd werd. Zijn geheele wezen ontvlamde in geestdrift. Hij dankte en prees den God zijner vaderen, dat Hij zijne gebeden verhoord en hem zoodanige wijs-

ocr page 62

-5-i 46 'lt;~

heid gegeven had, maar vóór alle dingen, in de eerste plaats voor de openbaring van den droom zelf. Verheven is de lofzang, dien hij aanhief: „De naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijne is de wijsheid en de kracht. Want Hij verandert de tijden en stonden, Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen, Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen die verstand hebben, Hij openbaart diepe en verborgene dingen, Hij weet, wat in het duister is; want het licht woont bij Hem.quot; Dan 2 ; 20-22.

Dat hij zich zoo uitdrukte, kwam daardoor, dat hij de beteekenis van den droom begreep. Hij had nu een nieuw gezicht op de heerlijkheid en wijsheid van God en van Zijne leiding der aardsche zaken. Hij zag nu eene kracht en majesteit in de plannen van Jehova en een bevredigend einde van alles, die hem vroeger onbekend waren. Eene nieuwe gedachten wereld was voor hem ontsloten en hij zag den geest, de kracht, de berekening, de werkzaamheid en de rechtvaardige en gezegende bedoelingen van Jehova in alle bijzonderheden duidelijker, dan hem vroeger mogelijk was. Gelijk Thomas, toen hij tot de overtuiging kwam, dat hij den opgestanen Christus aanschouwde, in den Heiland eene heerlijkheid erkende, die hij nooit had weten te waar-deeren, zoo erkende Daniël hier de majesteit van den levenden God, die hij nog niet recht begrepen had, tot hij haar aanschouwde in het profetische gezicht van Nebucadnezars droom. Wij hebben ook niets meer noodig dan zijne eigen door God ingegeven verklaring van den droom om zijn jubelenden lofzang zeer natuurlijk te vinden.

III. Gij zult bemerken, dat hij een overzicht geeft van de geschiedenis en de bestemming van alle aardsche heerschappij van Nebucadnezar af, tot aan het einde

ocr page 63

-gt;, 47 ^

der tegenwoordige wereld. De verschillende metalen, waaruit het groote beeld samengesteld was, beteekenen eene opeenvolging van wereldrijken. Hiervoor hebben wij het gezag der profeten.

Het hoofd was van „zuiver goudquot;, en Daniël zeide tot Nebucadnezar: „Gij zijt dat gouden hoofd.quot; Het staat daarom ontwijfelbaar vast, hoe men dit deel van het gezicht heeft te verklaren. Babylon was het eerste en grootste rijk, en Nebucadnezar was zijn uit-nemendste koning. Daarom begint het gezicht bij hem. Hoe groot en verheven hij en zijn rijk waren, ziet men reeds daaraan, dat hij het hoofd van het beeld voorstelt. En ook daaraan, dat dit hoofd van goud is en dat de profeet van hem zegt: „Gij o koning, zijt een koning der koningen: want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht en sterkte, en eer gegeven, en overal waar menschenkinderen wonen, heeft Hij de beesten des velds en de vogelon des hemels in uwe hand gegeven, en Hij heeft u gesteld tot een heerscher overal dezelve; gij zijt dat gouden hoofd.quot; Dan. 2 : 37, 38.

De borst en de armen van dit beeld waren van zilver. Op het edelste metaal volgt een van geringer waarde. Het zilver vervangt ket goud. Het groote rijk van Nebucadnezar wordt opgevolgd door een minder schitterend. Het valt ons niet moeilijk, dit rijk aan te wijzen. Daniël noemt het „een ander koninkrijk,quot; hetwelk onmiddellijk na het Babylonische zou komen. De wereldgeschiedenis leert ons, welk rijk dit was; maar wij kunnen ons aan de bijbe'sche geschiedenis houden om het te vernemeo. In het laatste hoofdstuk van het tweede boek der Kronijken staat geschreven, dat Nebucadnezar de Joden, die aan het zwaard ontkomen waren, naar Baby Ion voerde, „en zij werden hem en zijnen zonen tot knechten, tot aan het regeeren des koninkrijks

ocr page 64

-gt;. 48 ^

van Perzië.quot; 2 Kron. 36 : 20. Ja, ook in het boek Daniël zelf, in de verklaring van het schrift aan den wand bij Belsazars maaltijd, wordt gesproken van de macht der Meden en Perzen. Dat waren de twee natiën, die de beide armen van het beeld vertegenwoordigen, en die in Cyrus, den machtigen veroveraar, werden vereenigd. Zij maakten het rijk uit, in de geschiedenis als het Medo-Perzische bekend, de tweede groote wereldheerschappij.

De veroveringen van Cyrus, den vertegenwoordiger van dit rijk, waren alleen door die van Nebucadnezar overtroffen geworden. Herodotus schrijft, dat „geene macht ter wereld Cyrus kon weerstaan.quot; Xenophon bericht dat „hij over de Meden regeerde, de Syriërs, Assyriërs, Arabieren, Cappadociërs, Phrygiërs, Lydiërs, Cariërs, Babyloniërs, Joden, Phoeniciërs, de Aziatische Grieken, de Cypriërs, de Egyptenaren overwon en allen zoozeer met vrees en ontzetting vervulde, dat zij het niet waagden hem aan te vallen. Hij onderwierp het Oosten, Westen, Noorden en Zuiden aan zijne heerschappij.quot;

De dynastie van Nebucadnezar regeerde 7° jaren, tot, onder zijn wellustigen kleinzoon Belsazar, Cyrus Babylon veroverde en het groote Medo-Perzische rijk stichtte. Dit rijk duurde ongeveer twee honderd jaren en wij behoeven slechts de koningen Cambyses, Darius Hystaspes en Herxes te noemen, om ons zijne uitgestrektheid, welvaart en macht voor den geest te roepen. Maar het moest ook ondergaan en door een ander worden vervangen.

De buik en de dijen van het beeld waren van koper en beteekenden volgens de verklaring „een derde koninkrijk, hetwelk heerschen zal over de geheele aarde.'

In het gezicht in Daniël 7gt; veel gelijkenis met

ocr page 65

49

dit heeft, vernemen wij, welk rijk hier bedoeld is, namelijk „de koning van Griekenland,quot; of het Grieks ch-Macedonische rijk van Alexander den Groot e. De onrustige staten van Griekenland hadden meer dan 800 jaren een zelfstandig bestaan geleid, toen Philippus van Macedonië, in weerwil van den weisprekenden Demosthenes, hen bij zijn koninkrijk inlijfde. Alexander, zijn zoon, bracht, met bewonderenswaardige kracht en genie, zijne veroveringsplannen ten uitvoer. Omstreeks 330 jaar vóór Christus ondernam hij zijne tochten naar het Oosten, overwon de Meden en Perzen, nam Babyion in bezit, vergrootte zijne eigen macht met de puinhoo-pen en overblijfsels van de wereldheerschappijen, die aan hem waren voorafgegaan, en weende toen, dat er geen volken meer overbleven om te onderwerpen. De heerschappij van Alexander werd voornamelijk opgelost in de rijken der Seleuciden en der Ptolomeërs. Deze worden dus voorgesteld door de dijen van het beeld. Het is opmerkelijk, dat de wereldgeschiedenis den tijd der Perzische en Macedonische rijken als den schitterendsten beschouwt. Toen leefden de grootste en beroemdste helden, dichters, schilders, redenaars, staatslieden, geschiedschrijvers en wijsgeeren van alle tijden. Maar terwijl de geschiedschrijvers dezer wereld haar als eene gouden eeuw beschouwen en niet genoeg kunnen zeggen om hare grootheid te verheerlijken, noemt God het een koperen eeuw, eene eeuw van glans en schijn, maar van weinig innerlijke waarde — en wijdt de Heilige Schrift er de minste plaats aan.

Toen Paulus in Athene predikte, doelde hij op deze eeuw vol glans en pracht en noemde haar „de tijden der onwe tendheid,quot; en zoo wordt zij door woorden of door stilzwijgen in alle deelen van Gods woord genoemd. God weet, dat het slechts koper is; wat deze wereld voor goud aanziet.

Goddelijke Stemmen. 4

ocr page 66

50 Hs-

Maar het beeld had nog voeten en deze waren van ijzer, met leem vermengd.

Deze, zegt Daniël, beteekenen het „vierde koninkrijk, hard gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en vergruist gelijk nu het ijzer, dat zulks alles verbreekt, zal het vermalen en verbreken.quot; De eigenlijke naam van dit rijk wordt niet in het Oude Testament genoemd, want het ontstond eigenlijk na den tijd van het Oude Testament, en zijn voortgang heeft hoofdzakelijk plaats gedurende het Nieuwe Testament. In Lukas 2 en 3 lezen wij van een rijk, dat aanspraak maakte op de wereldheerschappij, van een gebod van den keizer Augustus, dat de geheele wereld beschreven zoude worden, en van den „keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judea.quot; En wanneer wij vervolgens lezen, hoe onder de regeering der keizers vernield en verwoest werd, hoe men de volken vermaalde, Gods heiligen Zoon kruisigde, de heilige stad geheel verwoestte, de Apostelen des Heeren doodde; wanneer wij verder lezen van de tien groote vervolgingen, die het geheele Romeinsche rijk met martelaarsbloed bevlekten en dat overal en in alle opzichten de wereld door het ijzeren despotisme van Rome onderdrukt, verbroken en vertreden werd, dan bestaat er geen twijfel, of met het onderste gedeelte van het beeld het Romeinsche rijk wordt aangeduid. Dit rijk had twee groote deelen, een Oostelijk en een Westelijk, gelijk aan de beide beenen. Het strekte zich over de geheele wereld uit, gelijk de drie wereldrijken, die waren voorafgegaan. Het was de machtigste staat, dien de aarde ooit aanschouwd had, en van alle zijden wordt het bij voorkeur bij een ijzeren koninkrijk vergeleken. Toen zijne legers de Britsche eilanden bezett'en, zeide de Schotsche veldheer Galgacus: „Naardien de geheele aarde niet groot

ocr page 67

51 *5-

genoeg was voor hunne eerzucht, hebben deze wereldveroveraars ook de zee beroofd., Tegenover een' rijken vijand zijn' zij hebzuchtig; tegenover een' armen eergierig. Het Oosten kan hen niet verzadigen, en evenmin het Westen. Plunderen, moorden en rooven is hun leven. Geweld plegen heet bij hen regeeren, en waar zij eene treurige wildernis gemaakt hebben, noemen zij het vrede.quot;

Gibbon gebruikt ten opzichte van de natiën, die één voor één door de ijzeren ma:ht van Rome verbroken werden, juist het beeld van onzen tekst en zegt dan, dat „het rijk der Romeinen de wereld beheerschte, en toen dit rijk onder het bestuur van een enkel man kwam, de wereld eene uitgestrekte en droevige gevangenis voor zijne vijanden werd. Weerstand bieden was gevaarlijk, en ontvluchten onmogelijk.' „Waar gij ook zijt,quot; zeide Cicero, „denkt er aan, dat gij altijd in de macht van den overwinnaar zijt.quot;

Na het Romeinsche rijk is er geen rijk over de ge-heele aarde meer geweest, gelijk de vier groote wereldheerschappijen. Nadat het keizerlijke Rome zijne zending volbracht had, werd zijn land en zijne heerschappij in verscheidene rijken gesplitst. Bij hunne vorming bleef wel iets van het ijzer over, maar verbonden met de brozer grondstof van gebakken leem, waarvan de vormen en de vastheid onzeker waren. Hoe juist dit voorspeld is, zegt ons de geschiedenis tot op onzen tijd. In deze verdeelde, veranderlijke gedaante „ten deele hard en ten deele broos,quot; duurt het Romeinsche rijk nog voort. Wij leven nog onder zijne wetten, vermengd met de zwakke .wilsuitingen der geregeerden, en zoo zullen de volken leven tot aan het einde der tegenwoordige wereld, tot de „steen zonder handen afgehouwen,quot; in beweging komt en een einde maakt

ocr page 68

52 •lt;-

aan alle menschelijke heerschappij en in hare plaats „een koninkrijk verwekken zal, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden, het zal al de koninkrijken vermalen en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.quot; Dan. 2 ; 44, 45.

IV. Gij zult ook een voortdurenden achteruitgang opmerken in de aardsche regeeringen, die van het begin tot het einde dezer profetie worden genoemd. Staathuishoudkundigen en geschiedschrijvers beweren, dat de wereld gedurende al deze eeuwen in wijsheid en voortreffelijkheid is toegenomen, en dat de, machtige rijken een bewijs van dezen vooruitgang zijn. En in zeker opzicht zijn er vorderingen te bespeuren. Het groote beeld is in den loop der tijden een geheel geworden. De ondervinding en de waarnemingen der menschen zijn toegenomen. De vorderingen door den mensch gemaakt- in de kennis van de aarde, haar bestaan, hare betrekkingen en grondstoffen en zijne heerschappij over de natuurkrachten zijn verbazend. Maar in Gods oog is er een voortdurend wegzinken geweest, een bestendige vermeerdering van zvvakle, een toenemend nederbuigen in het stof, waaruit wij zijn geschapen. Het begin was van goud, de volgende trede zilver, de derde koper, de vierde ijzer, en daarna kwam ijzer met leem vermengd, en nu hebben wij veel meer „slijkquot; dan metaal. Baby-Ion, het hoofd, was eene volstrekte autokratie (alleenheerschappij), en wat de regeering betreft, vergelijkt God het met goud. Perzië was eene monarchale oligarchie, waarin de adel alles te zeggen had, en in alles met den koning gelijk stond, zijne waardigheid uitgezonderd; en als regeering vergelijkt God het met zilver. Griekenland was inderdaad eene aristokra-tie, niet oorspronkelijk, maar door aangeleerde verhevenheid van geest en heerschappij; en God vergelijkt

ocr page 69

53 ■lt;—

het als regeering met koper. Rome was een demo-kratisch keizerrijk — eïne militaire regeering, die afhankelijk was van de keuze des legers en der vrijgeboren burgers, en naar krijgswetten werd geregeerd; en als regeering vergelijkt God het met ijzer, dat sterk, hard en scherp is, maar veel geringer waarde heeft dan goud, zilver of koper. En wanneer dit dan ten slotte is opgelost in constitutioneele monarchieën of meer republikeinse he regeering s-vormen, wordt het vergeleken met modderig leem, dat onvolledig met ijzer is vermengd.

Er is ook nu geèn rijk op aarde, dat niet uit dit samengestelde pottenbakkers materiaal bestaat. De volgende periode of de vijfde wereldheerschappij uit het gezicht moet de door God geschapen steen uit de rots zijn, waaraan al deze andere metalen en stoffen waren ontleend, het steenen koninkrijk van den Schepper aller dingen. Daarom bevat dit gezicht de geheel e wereldgeschiedenis. Merkt er in op, dat al de verschillende personen, werkingen en krachten, die de geschiedenis der menschheid uitmaken den raad van Jehova vervullen. Wat ook de redenen zijn, die hen aansporen, de begeerten die hen beheerschen, al is hun leven vrij en onafhankelijk, zij volbrengen toch het plan, dat God lang te voren heeft aangekondigd. Wij zien de helden, veroveraars, staatslieden en aanvoerders uit vroeger tijd met hunne eerzuchtige plannen te voorschijn komen, groote daden volbrengen, hunne namen vereeuwigen, tronen, gedenkteekenen, schatten en roem voor zichzelven en hun geslacht verzamelen, ieder met zijne eigen belangen vervuld en toch zonder het te weten alleen datgene volbrengend, wat duizend jaar te voren door den Almachtige besloten was. Wij zien, dat Hannibal, die nooit iets van de

ocr page 70

-$-i 54 rlt;~

goddelijke profetie had gehoord, den strijd tegen Rome aanvaardde, en daardoor de Romeinen tot wereldveroveraars vormde. Wij zien Scipio, Marius, Pompejus en Caesar ieder de plaats bekleeden, die hun toegedacht was; wij zien hen strijden, bezwijken of overwinnen zóó dat zij van Rome datgene maken, wat Daniël had aangekondigd, dat het zou worden. Wij zien de welsprekendheid van Cicero, de poëzie van Virgilius, de oden van Horatius, de jaarboeken van Tacitus, de bijtende satiren van Juvenalis, de geschiedenis van Gibbon alle naar e'én doel streven en gebeurtenissen in het leven roepen, die zij zelf niet begrepen, maar die aan eene twijfelende wereld bewijzen, wat de profeet Daniël in Chaldea sprak en zong — namelijk, dat God de tijden en stonden verandert, dat Hij koningen afzet en bevestigt, dat Hij weet wat in het duister is, want het licht woont bij Hem ! Al deze personen namen op den bepaalden tijd hunne plaatsen in, en terwijl zij meenden slechts voor hunne eigen plannen te leven, werkten allen mede aan de vervulling der goddelijke profetieën. Zij waanden zich beeldhouwers, die een beeld naar hun eigen ontwerp uitvoerden, en zij waren slechts werktuigen in de hand des grooten Beeldhouwers, die, zonder het te weten of te bedoelen, Zijne verheven plannen volbrachten.

Het schijnt, of de geschiedenis gemaakt wordt naaide meening der menschen en door een' samenloop van gelukkige omstandigheden. De meest onbeduidende en alledaagsche zaken bepalen vaak het lot van eeuwen. Het schijnt vaak, of toevalligheden de geschiedenis uitmaken. Een bliksemstraal, die een jongeling in Duitsch-land doodsloeg, was de oorzaak, dat Luther in een klooster ging en zoo de machtige hervormer werd: „wiens ja of neen het rad der eeuwen bewoog, die

ocr page 71

-3H 55 •lt;-■

Europa door een' enkelen ademtocht beroerde.quot; Het gansche ontstaan van Rome hing af van het lot van twee pasgeboren knapen, die veroordeeld waren, in de wildernis om te komen. Eenmaal hing zijn lot aan het zwaard van een zijner Patriciërs. Een anderen keer werd het kapitool gered door het snateren der ganzen, die daar bewaard werden. Zulke zaken schijnen zeer toevallig, en schijnen het bewijs te leveren, dat de geheele geschiedenis toeval is. Maar wie de toekomst had willen voorspellen, zou ook deze toevallige zaken moeten in rekening brengen. Dei halve behooren zij evenzeer in de vervulling der profetie als de zegepralen van Cyrus, de veroveringen van Alexander of de heldendaden vnn den grooten Caesar. De kleinste zaken zijn voor Jehova evenveel waard als de gewichtigste en worden zonder ondeischeid in Zijne allesomvattende raadsbesluiten opgenomen. Dat de wolvin Romulus en Remus niet verscheurde, maar hen voedde; dat het zwaard van Camillus ter rechter tijd van Rome afgewend werd; dat de domme en plompe vogels daar waren om door hun geschreeuw te waarschuwen voor den heimelijk naderenden vijand, — was alles even noodig om Daniëls profetie te vervullen en dus evenzeer door den goddelijken Geest vooruit berekend, toen Hij dezen droom aan Nebucadnezar zond, als de veldtochten der beroemdste veldheeren, de tochten der machtigste legers en de uitslag der gewichtigste veldslagen. Zonder deze toevalligheden had de geschiedenis een' anderen loop gehad, en dan zou deze droom niet waar geweest zijn. Daaruit volgt, dat alle menschen op aarde, soldaten en senatoren, dichters en redenaars, priesters en profeten, heiligen en zondaars, eene plaats in Gods gedachten hebben en een bepaald deel uitvoeren van Zijn raad. „O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid

ocr page 72

56 flt;5-

en der kennis Gods! hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oor-deelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen!quot; Merkt verder op het feit van de mededeeling van den Geest Gods en de zekere waarheid van bovennatuurlijke openbaringen van God aan den mensch. Dit is een van de zaken, die onze nieuwere wereld eene ergernis zijn. De volken der oudheid namen het niet slechts als waarschijnlijk aan, maar als in alle opzichten zeker en gelukkig, daar zij niet anders van hunne goden ge'oofden, dan dat deze steeds gezind en bereid waren, in alle gewichtige zaken met de menschen te spreken. Zij waren hiervan zoo stellig overtuigd, dat zij gaarne alles aannamen, wat slechts in de verte naar eene openbaring geleek.

In de tijden van het goud, het zilver, het koper en zelfs van het ijzer gaf dit geen moeilijkheden. De leer, dat het ongerijmd is, aan goddelijke openbaringen te gelooven, was weggelegd voor den tijd van aarde en leem. Zij is pas ontstaan met de hoogere ontwikkeling van den menschelijken geest, waardoor hij rlles, zich-zeiven ook en zelfs de Godheid, uit slijk en leem laat ontstaan. Dat was de wijsheid, die den mensch overbleef, toen hij van zijne hoogte afdaalde, den hemelwaarts gerichten blik afwendde, en stoffelijke krachten, verbindingen, elementen en belangen als het voornaamste gebied der gedachte en van den arbeid ging beschouwen. Zij is een deel van de geroemde, hoogste wetenschap, die geput wordt uit de werking, de krachten en bewegingen van het slijk. Maar alle dergelijke wijsheid is slechts ij dele waan. Het vleesch kan er behagen in scheppen, maar de geest moet er bij verhongeren. Zij wil alles uit feiten afleiden. Welnu, hier zijn feiten, en zij spreken van een' levenden God, zij zijn ondubbelzinnige mededeelingen van Hem. Hier zijn de profe-

ocr page 73

-gt;* 57 ^

tieën van Daniël, die door niemand later gesteld worden dan den tijd der Makkabeën, en die toch de geheele maatschappelijke en staatkundige geschiedenis der men-schen gedurende tweeduizend jaren daarna onthullen. Maar zij zijn ouder dan de Makkabeën. Zij waren bekend en onder de heilige boeken opgenomen, toen Alexander leefde, en Perzië nog een machtig rijk was.

Josephus getuigt, dat zij den Macedonischen veroveraar te Jeruzalem werden voorgelegd, bij het begin van zijn' tocht door Azië, en dat de hoogepriester hem in persoon mededeelde, dat daarin de komst van een' Griek was voorzegd, die het Perzische rijk ten onder zou brengen, en dat hij zoo verheugd en aangemoedigd was door deze duidelijke aanwijzing van hemzelven, dat hij besloot Judea niet aan te valllen en den Joden alle gunstbewijzen, die zij vroegen, toe te staan. De geschiedkundige feiten bevestigen, dat Alexander in dien tijd in Palestina geweest is, dat hij eene samenkomst met den hoogepriester en andere aanzienlijke Joden had, dat de Joden zich vrijwillig aan hem onderwierpen, en dat hij hen niet onderdrukte, noch hun schatting oplegde. Dit was meer dan anderhalve eeuw vóór Antiochus Epiphanes, en daar deze berichten toen reeds in den bijbel stonden, moeten zij wel gebracht worden tot den tijd en den schrijver, wiens naam zij dragen.

Ezechiël was een jongere tijdgenoot van Daniël, en hij vermeldt hem tweemaal met bijzondere achting als een uitstekend leeraar, profeet en dienaar van God. Ezechiël 14 : 14 en 28 : 3.

Christus zelf spreekt van het boek, als zijnde het werk van „Daniël den profeet,quot; en niet dat van een' onbekenden vervaardiger uit den tijd der Makkabeën. Matth. 24 : 15.

Wij hebben dus gegronde reden het boek Daniël,

ocr page 74

-5-i 58

ten minste in zijn' hoofdinhoud, aan . te nemen voor hetgeen het wil zijn. En zien wij dan in dit boek de geheele staatkundige en maatschappelijke geschiedenis der wereld grootsch en naar waarheid geschetst, juist zooals zij zich van die dagen tot op den tegenwoor-digen tijd heeft ontwikkeld, wat kunnen wij dan anders gelooven, dan dat God, de Almachtige en Alwetende, door Daniels mond spreekt?

Wanneer wij zulk eene eenvoudige profetie vergelijken met eene reeks van zoo gewichtige en onweerlegbare feiten, die geene menschelijke wijsheid kon vooruitzien, moeten wij wel tot de slotsom komen, dat er een alwetend God is. Die Zich verwaardigt verborgenheden te openbaren. Zou het anders juist zoo zijn geschied ? Hoe zou een jongeling als Daniël, nog weinig bekend met de groote onderwerpen der staatkunde, in Babyion hebben kunnen spreken op een' tijd, toen hare machtige heerschappij voor lang scheen gevestigd te zijn? Hoe zou hij den koning, voor wiens schepter zonder tegenspraak de gansche bekende aarde bukte, hebben kunnen verzekeren, dat zijn rijk weldra zou eindigen, zijne heerlijkheid vergaan, en deze weergalooze heerschappij de buit worden van een ander rijk, dat weder voor een derde zou wijken, dit derde voor een vierde, en dat dit vierde in tien verdeeld zou worden en dan onder veelvuldige en altijd noodlottige veranderingen het einde van alle menschelijke heerschappij tegemoet gaan? En hoe was het mogelijk, dat alles, voor zoover de geschiedenis ons bekend is, juist zoo gebeurde, als hij had gezegd, wanneer hij niet op wonderbare wijze door de ingeving van den Eeuwige was geholpen en door haar verlicht geworden ? Dat zou zeker een nog grooter wonder zijn, dan eene openbaring.

ocr page 75

—gt;■ 59 gt;lt;-

Maar de feiten spreken. Die kan men niet loochenen. Daartegen zijn spot en tegenspraak machteloos. Men zou 2500 jaren der wereldgeschiedenis moeten uitwis-schen om ze kwijt te raken. De mensch heeft zonder hen geene geschiedenis. Hier heeft men het onbetwistbare bewijs, dat Daniël de gebeurtenissen nauwkeurig zóó vooruitzag en voorzegde, als zij plaats gehad hebben en de geschiedschrijvers ons berichten. Hoe kwam hij tot deze kennis? Hoe kon hij weten en verklaren, wat naar alle menschelijke berekening zoo onwaarschijnlijk was, wat de menschelijke wijsheid onmogelijk kon voorzien? Hij zegt ons, dat God, de levende God, Die alle koninkrijken en lotgevallen bestuurt. God, voor Wiens alwetendheid alles open en bloot ligt, hem deze dingen openbaarde, en het zegel van deze getuigenis is onveranderlijk op de geheele geschiedenis der volgende eeuwen gedrukt.

Kunnen wij nu wel eene andere uitkomst vinden, dan deze: dat de openbaring een feit is, dat er een alwetend God in den Hemel woont. Wiens Woord op aarde is gekomen, dat Zijne heilige profeten geen leugenaars waren, toen zij Zijne woorden voor de menschen uitspraken en opschreven, dat er zoo iets bestaat als goddelijke openbaring? Mijne broeders, laten wij niet ons zeiven misleiden. Er is een God in de geschiedenis, en Hij heeft profeten, die Hij gezonden heeft om Zijn' wil en Zijn woord te verkondigen. Deze levende getuigen zijn waarlijk de Zijne. En wie ooren heeft om te hooren, die hoore!

)

ocr page 76

HOOFDSTUK IV.

Het laatste rijk of het koninkrijk van den steen.

Daniël 2 ; 34, 35, 44—49.

Nebucadnezars profetische droom stelt de vier wereldrijken, Babyion, Ptrzië. Griekenland en Rome voor. — De Romeinsche wet. — Wat er bedoeld wordt met het koninkri-k van den Steen. —- Beschouwingen van Tilhnghass en Dr. Btrg. — De kenmerken van dezen steen. — Hij is niet de Amsrikaansche Republiek. — Ook niet de Christeliike godsdienst. — De steen wijst op Christus Zelf, Die p-rsoonlijk en zichtbaar gedurende het duizendjarig rijk op aarde zal heerschen.

Het blijkt uit Daniels verklaring van Nebucadnezars gezicht, dat het de geschiedenis der wereldheerschappij van zijn' tijd af tot aan het einde voorstelt. Eén beeld was hiertoe voldoende. Wanneer men de geschiedenis en den gang van de rijken dezer wereld nauwkeurig beschouwt, beantwoorden zij aan dit beeld van een' grooten man met een hoofd van goud, borst en armen van zilver, buik en dijen van koper, schenkels van ijzer en voeten van ijzer met leem vermengd. De verschillende metalen beteekenen zijne verschillende veranderingen en zijn' gestadigen achteruitgang; maar zij be-hooren alle tot hetzelfde beeld en dezelfde geschiedenis, die het geheele bestaan der wereld omvatten, van het eerste groote rijk tot op den tijd dat de mensche-lijke heerschappij ophoudt, en de regeering van verdorven stervelingen voor eeuwig heeit afgedaan.

ocr page 77

-gt;1 61 ^

Beginnen wij met Nebucadnezar als het gouden hoofd, dan zijn de andere deelen het Medo-Perzische rijk, het Grieksch-Macedonische rijk, en het Romeinsche rijk; het laatste werd verdeeld in talrijke deelen en verschillende koninkrijken, die nog heden bestaan. In deze verschillende rijken duurt de Romeinsche heerschappij nog voort, beperkt door het element der volksregeering: het „modderige leem.quot; Dit moge vreemd klinken in de ooren van moderne demokraten en republikeinen, maar het is eene geschiedkundige waarheid. Ofschoon het meer dan duizend jaar geleden is, dat het keizerlijk Rome onderging, „is de wereld van de regeering van Caesar Augustus tot het merkwaardige jaar 1806, toen de Duitsche keizer den titel aflegde — gedurende meer dan achttien eeuwen — nooit zonder Romeinsch keizer geweest.quot; Het is ook een feit, dat iedereen, die de wetten kent, zal bevestigen, dat nog heden alle koninkrijken, republieken en beschaafde natiën op aarde geregeerd worden volgens de wetboeken, pandecten en oorkonden, die dit ijzeren rijk uitgevaardigd heeft. De geschiedenis van het recht levert hiervoor het bewijs. Wat de omwentelingen der vijfde en zesde eeuw ook veranderd hebben,, „het Romeinsche recht hebben zij niet vernietigd.quot; Bij de nieuwe orde van zaken, die in de wereld kwam, bleef de Romeinsche wet bestaan als de verpersoonlijkte voorstelling van het recht. De Ger-maansche overwinnaars roeiden de Romeinen niet uit, en legden hun ook geene nieuwe wetten op. Waar ergens de Romeinsche heerschappij krachtig geweest was, zooals in Gallië, Spanje en Italië, bleven de overblijfselen van Romeinsche voorschriften, wetten en meeningen bestaan, en toen de maatschappij zich weder begon te vormen, werden zij aangenomen als de grondslag der wetgeving voor de nieuwe staten. De grond-

ocr page 78

-5-! 62 in

stellingen, voorschriften en regels der Romeinsche wetten vormden het rechtsgevoel van Europa. In de twaalfde eeuw had Bologna eene groote rechtsschool, voor de studie en de verklaring der Pandecten, het wetboek, dat den hoofdinhoud der burgerlijke wetten van Rome bevatte, en dat zijnen invloed in Europa deed gevoelen en de rechtsbetrekkingen van het gan-sche werelddeel wijzigde. Zoo werd de Romeinsche wet de algemeene wet van Europa en de wet van alle regeeringen, die daarna zijn ontstaan. Zij is het ijzer van het ijzeren koninkrijk, waardoor het nog voort-bestaat en zijnen invloed over de geheele aarde uitoefent, hoewel zijn laatste keizer reeds lang niet meer regeert. Wij weten ook, dat er een paus te Rome is, die aanspraak maakt, het hoofd der Katholieke kerk te zijn, en die aan de geheele wereld het canoniek recht voorschrijft. Maar het is een Romeinsch keizer je wees t, die hem met dit hoogste gezag bekleedde. Heden ten dage is de paus voor bijna honderd millioen menschen in alle werelddeelen de hoogste macht op aarde en vertoont aldus onder kerkelijke vormen eene afschaduwing van het oude rijk. Waar wij onze blikken ook wenden, ontdekken wij nog iets van de ijzeren heerschappij, die min of meer alle tegenwoordige regeeringen vervult. Geen ander rijk heeft in zijne plaats de opperheerschappij kunnen veroveren, en zal het ook niet kunnen, zoolang de regeering in menschenhanden berust. Het Romeinsche recht is, vermengd met het leem, d. i. den wil des volks, het element, waaruit alle bestaande staatsbesturen gevormd zijn. De vaste stof van hunne wetten en regeeringsvormen is het ijzer van het oude Rome, dat op deze wijze voortduurt, in weerwil van alle veranderingen, omwentelingen en afwisselende bewegingen in het politiek leven der mensch-

ocr page 79

63 H®-

heid. Maar nu wij de dagen van de vermenging van ijzer en leem bereikt hebben, terwijl de schijnbaar sterke en toch zoo broze moderne staatsvorm zich beijvert, door allerlei verbonden en vereenigingen, die soms van korten duur zijn, staande te blijven en zich eene toekomst te verzekeren, „staan wij aan de grens van de merkwaardigste voorvallen in de geheele geschiedenis der menschel ij ke heerschappij.quot; Het is het lot der tegenwoordige staten, dat alle rijken der aarde plotseling een einde zullen nemen en niet meer zijn. Beschouwen wij slecht? de beschrijving van den profeet, „Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden, en dat koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan. Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een steen zonder handen is afgehouwen geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de groote God heeft den koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal.quot;

Hier hebben wij eene eenige en onvergelijkelijke macht en heerschappij. Waarop heeft die betrekking? Wat beduidt zij? Hoe hebben wij haar te verstaan? In de eerste plaats wil ik doen uitkomen, dat zij inderdaad een zichtbaar, lichamelijk koninkrijk is, eene uitwendige regeering, eene werkelijke opperheerschappij en macht op aarde. Alle voorstellingen en uitdrukkingen in de beschrijving bewijzen dit. Zij wordt een koninkrijk genoemd. Zij vervult al de verplichtingen en bekleedt al de betrekkingen van eene opperste staatsmacht. Zij valt andere regeeringen aan, vernietigt ze, en treedt in hare plaats op. Zooals Tillinghass,

ocr page 80

64 ilt;-

een oud Schotsch geestelijke, gezegd heeft: „Het is een even werkelijk bestaand koninkrijk, als de koninkrijken, die door het groote beeld werden voorgesteld : dat wil zeggen, het is uitwendig, evenals zij uitwendig zijn.quot; Dit blijkt;

1. Uit het eigenlijke oogmerk der profetie, die uitwendige koninkrijken behandelt. Al de eerste vier rijken zijn lichamelijk; dit is onloochenbaar. Waarom zou dan de Heilige Geest, van het vijfde en laatste sprekend, zoover van het doel afwijken, dat Hij opeens van een lichamelijk koninkrijk tot een geestelijk overging? Wie dit wil beweren, moet er gegronde bewijzen voor aanvoeren, anders zijn zijne woorden niet meer dan praatjes.

2. Een zuiver geestelijk koninkrijk kan niet op die wijze de aardsche machten vernietigen, als hier van den steen wordt gezegd, die het groote beeld in stukken vermaalt, en geheel en al vernielt. Het geestelijk rijk van Christus kan inderdaad door Zijn licht en leven te verspreiden, lichamelijke koninkrijken reinigen en veredelen. Maar wanneer het er op aankomt, te verbreken en in stukken te slaan, dat wil zeggen, koninkrijken omver ie werpen, hunne grondslagen weg te ruimen en hun gansche bestaan te vernietigen, zooals hier met de koningen der wereld wordt gedaan, zou God een wonder moeten doen (waardoor toch ook iets lichamelijks wordt teweeggebracht) of wij zien behalve de geestelijke, nog eene andere hand, die het werk uitvoert.

3. In de wereld is geene ledige ruimte; daarom neemt de steen onmiddellijk de plaats in, die tot dusver door het groote beeld werd vervuld. Want evenals het beeld, zoolang het bestaat, de geheele aarde regeert, wordt de steen, wanneer dit verbroken is, tot een' groo-

ocr page 81

65 ^

ten berg, die de geheele aarde vervult; daarom moet het rijk van den steen een soortgelijk rijk zijn als dat van het beeld was — dus een uitwendig koninkrijk; anders zou zijne verschijning niet de plaats van het verbrokene aanvullen.quot;

Dr. Berg, die deze meening uitspreekt, beschouwt het als „logisch, dat de natuur dezer vijfde heerschappij, in overeenstemming met de voorafgaande, 1 i c h a m e 1 ij k en niet louter geestelijk is.quot; Ook ik kan niet inzien, hoe wij de beschrijving van den profeet getrouw kunnen blijven, als wij haar niet zoo opvatten. Bestonden er geene tegenstrijdige beschouwingen, dan zouden wij nooit op eene andere gedachte gekomen 5:ijK als dat dit koninkrijk van den steen een even werkelijk koninkrijk is als de rijken van Babyion, Perzië, Griekenland of Rome. Een ander punt, waarop ik de aandacht wil vestigen, is dat dit steenkoninkrijk, hoewel metterdaad uitwendig en zichtbaar, toch geheel bovennatuurlijk is. Het is een koninkrijk door „den God des hemelsquot; verwekt. God had ook het ontstaan der andere koninkrijken gewild, want er gebeurt niets zonder Hem. Maar daar wordt het anders nitgedrukt. Daniël zeide tot Nebucadnezar: „de God des hemels h e e f t u een koninkrijk, macht en sterkte, en eer gegeven,quot; dat wil zeggen : God gaf hem talenten, Hij schiep de omstandigheden, waaronder hij leefde, en den uitslag van veldslagen en staatsbestuur, waardoor de wereldheerschappij tijdelijk in hem een middelpunt vond. God gaf hem het koninkrijk door zijne geboorte, zijn' geest e.\ zijne wapenen. Maar in het andere geval is er geene zoodanige medewerking van menschelijke handelingen, lotgevallen en veroveringen. Hier is geene bijkomende werkkracht, geen overgeven aan een ondergeschikt handelenden persoon. Al wat van dien aard is, is geheel terzijde

Goddelijke Stemmf.n. 5

ocr page 82

66 f-s-

gezet, en „de God des hemelsquot; Zeif is onmiddellijk en uitsluitend de oprichter van dit koninkrijk. Barnes zegt terecht; „Ofschoon de andere koninkrijken, waarover hier gehandeld wordt, van het Godsbestuur afhankelijk waren en bestemd om eene gewichtige rol te spelen, door de wereld op dit rijk voor te bereiden, zijn zij toch niet zoo ontstaan, dat, zij hunnen oorsprong onmiddellijk van den hemel hadden. Zij werden gesticht evenals andere aardsche rijken, maar dit moest een' hemelschen oorsprong hebben.quot; Er wordt uitdrukkelijk van gezegd, „dat het uit den berg zonder handen afgehouwen is geworden. Geene menschelijke medewerking heeft het in het leven geroepen of zijne werking bevorderd. Het is door eene onzichtbare, bovennatuurlijke kracht voortgebracht. Het begint zijn werk zonder hulp van eenige andere macht, dan die aan zijn geheimzinnig wezen eigen is, waardoor het ook zichzelven een vorm gaf. Sommigen denken, dat de berg, waaruit het gehouwen wordt, geene bizondere beteekenis heeft. Maar daardoor komt een der verhevenste denkbeelden in de geheele voorstelling niet tot zijn recht. Ik ben het niet eens met Augustinus, dat deze berg het Joodsche volk, het bergland van Judea, beteekent. Dergelijke opvattingen er bij te sleepen, verraadt eene bekrompenheid in de verklaring, die door geen grooten naam mag worden aanbevolen. Wanneer wij met eene beschrijving, zooals hier wordt gegeven, aan den „bergquot; denken, komen wij tot de verheven en eeuwige oorzaak van al het bestaande, tot de hoogte, de zwaarte en het eeuwige wezen der onsterfelijke Godheid. Bergen verkondigen altijd de Godheid en hare onwankelbare almacht. En daarvan komt de steen zonder toedoen van geschapen handen. Hij komt zelve — bewogen door het altijddurende graniet der eeuwige hoogten, om ons te too-

ocr page 83

-gt;■ 67 *lt;-

nen, dat hij onafhankelijk en sterk, bovennatuurlijk, hemelsch en goddelijk is. Hij doet alle menschelijke heerschappij te niet. Hij zweeft er plotseling boven en treedt in hare plaats. Eene populaire verklaring zegt, dat zijne werking op de koninkrijken der aarde niet is een oogenblikkelijk geweld, maar een onafgebroken voortdurend verval,quot; dat zich over eeuwen uitstrekt. Hetzelfde wordt herhaald in een onlangs uitgegeven boek met voorlezingen over deze profetieën. Maar het is weer een van die menschelijke verklaringen, die aan het goddelijk woord opgedrongen worden, om eene onhoudbare rationalistische theorie te verdedigen. Toen Nebucadnezar het gezicht aanschouwde, „sloeg de steen het beeldquot; — hij sloeg het, zooals een man met zijne hand slaat — hij sloeg het, zoodat het ijzer en leem, waarop het viel, „werden vermalenquot;, zooals een aarden pot vermorzeld wordt, wanneer eene rots er op valt, — hij sloeg het, zoodat alle deelen van het groote beeld werden „vermalenquot;, „en zij werden' gelijk kaf van de dorschvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geene plaats voor dezelve gevonden.quot; Wanneer dit geen „oogenblikkelijk geweld,quot; is — dit slaan tot geheele verwoesting, die snelle en totale vernietiging van het voorwerp, dat getroffen is, — dan heeft de menschelijke taal er geene woorden voor. Het geheele beeld, van het hoofd, tot de teenen, wordt tot stof vergruisd, tot poeder vermalen, in den wind verstrooid en er blijft geen spoor van over. En daar dit beeld alle sterfelijke heerschappij in zich vereenigt, moet het koninkrijk, waardoor het vernietigd wordt en dat in zijne plaats treedt, van boven zijn, en is evenmin door sterfelijke handen gevestigd, als het er door wordt geregeerd. Dit koninkrijk is bovennatuurlijk in zijne eigenschappen. Het is onvervreemdbaar en eeuwig, wat

ocr page 84

-3-i 68 Te

niet van gewone koninkrijken kan worden gezegd. Het vervult de geheele aarde, wat ook niet met aardsche rijken het geval is, al is hun gebied nog zoo uitgestrekt. Nooit heelt een van deze de geheele „aardequot; vervuld. Het blijft ook bestendig in dezelfde hand. Menschelijke heerschappij gaat gedurig van den eenen vorst op den anderen, en van het eene volk op het andere over. Koningen sterven als alle menschen, en hun rijk komt aan hunne opvolgers. De opperheerschappij blijft nooit aan één volk behooren. Het kan haar langen tijd behouden-, maar dan zijn andere volken tot ontwikkeling gekomen en maken zich van de heerschappij meester, zonder dat iemand het hun kan beletten. Dit steen-koninkrijk echter „zal aan geen ander volk overgelaten worden.quot; Het kan niet aan zijn' bezitter worden ontnomen. De handen, die het van den beginne vasthouden, houden het voortdurend. Derhalve moet het in handen van een volk zijn, waarover de dood geene macht heeft. Want was het aan den dood onderworpen, dan kon er niet gezegd worden, dat het koninkrijk nooit aan een ander volk zou komen. Hoe stevig de vorsten dezer wereld hun schep ter vasthouden, bij den dood moeten zij hem loslaten, en met hunne heerschappij is het gedaan; maar dit rijk zal nooit eindigen en moet derhalve aan onsterfelijken behooren. De duur van menschelijke rijken is begrensd. Al het aardsche neemt een einde. De rijken, die het langst hebben bestaan, verzwakken en vergaan. Er is geene aardsche heerschappij of zij neemt een einde. Maar dit steen-koninkrijk is zonder einde. De profeet zegt ervan: „Het zal in alle eeuwigheid bestaan.quot; Daar het op de aarde heerscht, en een werkelijk, zichtbaar koninkrijk en eene werkelijke, zichtbare regeering i ■, moet het natuurlijk zijn. Het is op

ocr page 85

-5-i 69 rlt;5-

en over de aarde, want het vervult de aarde en treedt in de plaats van hetgeen nergens anders dan op de aarde bestond; en toch is het niet uit de aarde, noch van aardschen oorsprong, noch aan aardsche toevalligheden of wisselingen onderworpen, noch afhankelijk van het lot van een sterfelijk mensch of een vergankelijke regeering. Wat hebben wij dan te verstaan onder dit vijfde of — steen-koninkrijk ? Hoe treurig is het, dat er nog eenige moeilijkheid of verschil van meening bestaat aangaande dit voorname deel van het gezicht des konings, waarop alles uitloopt! Maar er is veel verschil van meeningen en dientengevolge eene menigte van ongezonde en valsche begrippen onder de uitleggers. Sommigen zeggen, dat met dit steen-koninkrijk de Vereenigde Staten worden bedoeld ! Een geleerd, onlangs overleden professor aan een theologisch seminarium beweerde stoutmoedig, dat naar zijne meening; „het niet mogelijk is de krachtige bewijzen te weerleggen, dat het steen-koninkrijk hetzelfde is als de groote Noord-Amerikaansche republiek.quot; Met evenveel recht had hij kunnen zeggen, dat het het keizerrijk Rusland of de republiek Liberia is. De republiek der Vereenigde Staten is in den eigenlijken zin des woords geen koninkrijk. Ook heeft God zich niet onmiddellijk met hare stichting bemoeid, evenmin als met die van Babyion, Perzië, Griekenland, Rome of eenig ander rijk, dat op aarde bestaan heeft, Israël uitgezonderd. Zij heeft meer dan honderd jaren bestaan en is nog niet op de voeten van het groote beeld gevallen, zooals Daniel voorzegt, zij heeft ook geen koninkrijk ter wereld verbroken of vernietigd, noch aanleg vertoond om andere regeeringen ten onder te brengen. Zij kan niet eens hare groote steden met behoorlijk gezag regeeren, en hoe zou zij dan de heerschappij der geheele aarde op zich nemen?

ocr page 86

-5h 70 HS-

Zij is zelf ontstaan uit het modderig leem en het ijzer, waaruit de voeten van het beeld bestaan, die de steen zal vermalen, en hoe kan zij dan de steen zijn, die vermaalt ? Zij is zeker niet uit den berg zonder handen afgehouwen, maar menschelijke regeeringen hebben koloniën gesticht en doen bloeien, en de revolutie en menschelijke wapenen en hartstochten hebben daarvan een onafhankelijk volk gemaakt. Uit het gewone leem der menschheid, door den gewonen ontwikkelingsgang der regeeringen is zij ontstaan en levert met ieder jaar het bewijs, dat de machten van verval en ontbinding de overhand verkrijgen over de macht tot instandhouding. In plaats dat zij onvervreemdbaar en eeuwig is. gaat hare macht gedurig van de heerschers van den dag op anderen over. Waar zijn de presidenten, afgevaardigden en kiezers van honderd jaar geleden'7 In alles, wat met hare regeering in verband staat, heerscht de sterfelijkheid. Inderdaad, er is geen trek in de ge-heele profetische beschrijving, die niet in strijd is met deze meening. „Meeningquot; zeg ik, want eene verklaring is het in het geheel niet.

Meer algemeen wordt geleerd en geloofd, dat dit steen-koninkrijk het Christendom is. Dit is nader bij de waarheid, maar nog niet juist. De steen komt niet te voorschijn dan in den tijd der teenen van het groote beeld, die van ijzer en leem zijn. Als hij op den kolossus valt, valt hij op deze teenen. Juist in de dagen van die koninkrijken der teenen komt hij en vermaalt ze. Maar het Christendom ontstond in volle kracht ruim vierhonderd jaar vóór het Romeinsche rijk onderging, en dus lang eer deze teenen zich ontwikkelden, die nog ten deele tot de toekomst behooren. Het christendom is een godsdienst, een stelsel van waarheden en zede-leer — eene wijze van godsvereering, maar het is geen

ocr page 87

-5* 71 •lt;--

staat. Wie er eene politieke macht van wil maken, bederft het. Ook ligt het niet in zijne natuur, de aardsche machten te verslaan en te vernietigen en de plaats der burgerlijke overheid in te nemen. Het heeft nooit honderdjarige heerschappijen verslagen en vermalen, het heeft nooit eenig koninkrijk vernietigd. Al zijne belijders zijn, zoolang deze tegenwoordige wereld bestaat, verplicht, aan de overheid te gehoorzamen, zich aan de koningen en heerschers te onderwerpen en voor het welzijn der gestelde machten te bidden. Wanneer zij het zwaard nemen, dreigt hun de straf, dat zij door het zwaard zullen vergaan. Zij kunnen de regeeringen matigen en verzachten door hunne leer en hunnen geest, maar die te willen onderwerpen, zou verraad zijn aan hunnen Heer en aan hunne eigen zaligheid. In het gezicht werd de oprichting van het steen-koninkrijk dadelijk gevolgd door de volkomen vernietiging van het beeld der tijdelijke heerschappij; maar het christendom bestaat nu langer dan 1800 jaren en heeft nooit eenige menschelijke heerschappij of men-schelijken staat benadeeld. Het koninkrijk van ijzer hield nog 400 jaren zijne macht en eenheid staande. Zijne verdeeling in ijzer en leem werd niet door het christendom veroorzaakt. En het leeft door zijn invloed nog voort onder andere vormen, en evenmin als vroeger loopt het gevaar door de macht des Evangelies verslagen en vernietigd te worden. Hoe kan dan het christendom dit steen-koninkrijk zijn, dat alle andere koninkrijken te niet doet? Neen, het christendom is volstrekt geen uitwendig koninkrijk en het was nooit zijne roeping, wereldlijke koninkrijken te vernietigen of te vervangen. Zoo heeft zelfs een der verdedigers van deze gebrekkige verklaring gevraagd: „Wanneer het betrekking heeft op de menschwording van Chris-

ocr page 88

72 •lt;-

tus, hoe kac men dan zeggen, dat Jezus een' vorm van het Romeinsche rijk aanviel, die nog niet bestond ? En hoe is het vermalen van het beeld overeen te brengen met den vrede brengenden aard van Zijne komst en den bedaarden voortgang van Zijn' godsdienst?quot; Tevergeefs heeft de man getracht zijne eigen vragen te beantwoorden. Geene instelling, geen bevel, geen voorschrift van het christendom, zooals wij nu hebben, dat niet een einde zal nemen. Door hunne eigen voorwaarden zijn zij alle aan den tijd gebonden en gaan te niet bij de wederkomst van den Heer Jezus. Zij zijn in geen enkel opzicht eeuwig.

Maar het steen-koninkrijk is onbegrensd en oneindig. Het zal „in alle eeuwigheid bestaan.quot; Daarom kan het onmogelijk het christendom zijn, zooals het nu is.

Wat is dan dit steen-koninkrijk? Het zou zonderling klinken, wanneer wij, na de verschillende graden der wereldheerschappij zoo duidelijk en beslist te hebben herkend, den laatsten graad voor een visioen moesten verklaren, dat niet voor uitlegging vatbaar is. Maar ik zie niet, waarom een eerlijk onderzoeker der Schrift tot zulk eene treurige uitkomst behoeft te geraken. De geheele bijbel, van de eerste hoofdstukken van Genesis, tot aan de laatste woorden der Openbaring, is vol van dit steen-koninkrijk. Zooals men zegt, dat er in Engeland geen weg is, die niet naar Londen ieidt, zoo is er bijna geene plaats in bet heilige door den Geest ingegeven boek, die ons niet tot dezen Steen leidt, en tot de zaken, die hier zoo duidelijk zijn aangegeven en die op Hem betrekking hebben.

Emanuel Lacunza kon in zijn tijd zeggen; „Alle uitleggers der Schrift zeggen ons, voor zoover ik het heb kunnen onderzoeken, dat de steen waarvan in deze

ocr page 89

73 x-

profetie wordt gesproken, zonder twijfel de Messias Te«us Christus zelve is, de Zoon van God en de Zoon der maagd. Deze algemeene stelling is gewis en niet tegen te spreken.quot; Onze Heer noemt Zichzelven „De Steenquot;— „de steen, dien de bouwlieden hebben verworpenquot; — de steen, waarop zal verpletterd worden wie er op valt; en die zal vermorzelen dengene, op wien hij vlt;quot;lt. Profeten en apostelen spreken van Hem onder dezelfde benaming; en wij hebben alle reden. Hem als den Heer van dit steen-koninkrijk in Nebu-cadnezars droom te beschouwen. Als „de Steenquot; treedt Christus, op drie verschillende wijzen, op tegenover de verschillende menschen. Voor het volk Israël wordt Hij, zegt Jesaja: „tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen Israels, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. En velen onder hen zullen struikelen en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.quot; Jesaja 8 : 14, 15. Wij weten uit het Nieuwe Testament en uit de geheeie verdere geschiedenis, hoe dit is vervuld geworden. Den Joden was Hij „een steen des aanstoots en eene rots der ergernis, — dengenen, die zich aan het woord stooten, ongehoorzaam zijnde, ' zegt Petrus. Alzoo viel het Joodsche volk op „dezen steen,quot; en werd „verpletterd.quot; Dit is de eerste werking van den steen; maar die wordt in de profetie, die ons bezighoudt, niet bedoeld. Voor de gemeente van Zijne geloovigen werkt Hij anders. Hij is ook „de Steenquot;; maar hij heelt in dit geval een geheel andere bestemming. Petrus beschrijft die, waar hij zegt van de geloovigen, dat zij tot den Heer komen „als tot eenen levenden Steen, van de menschen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar;quot; en hun zegt, dat zij op Hem „tot een geestelijk huis gebouwd zijn,

ocr page 90

74 K-

tot een heilig priesterdom,quot; ja „een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volkquot; zijn zij. i Petr. 2. Terwijl afkeerige Joden en ongeloovigen op dezen steen verpletterd worden, is hij de „uiterste Hoek steenquot;, waarop degenen, die Hem aanhangen, zijn gebouwd. Door Hem aan te nemen zijn de geloovigen met Hem en met elkander vereenigd tot één lichaam en céne toekomst. Maar noch het verbroken wordtn door ongeloof, noch het opgebouwd worden door geloof en gehoorzaamheid, werd aan Nebucadnezar getoond. Dat geschiedde bij Zijne komst op aarde en duurt al deze eeuwen door, totdat Hij wederkomen zal.

Maar de steen heeft nog eene andere werking. Christus Zelf en Zijne apostelen gewagen daarvan. Dat is Zijn verpletteren en vermorzelen van alle machten, die Hem tegenstaan, wanneer Hij ten tweeden male zal komen. Bij Zijne eerste komst en gedurende den gan schen tegenwoordigen tijd der genade is Zijne houding als het ware lijdelijk geweest. Hij is het zachtmoedige Lam, de goede Heiland, de medelijdende Verlosser, Die over de verstoktheid der menschen weent en zelfs het gekrookte riet niet verbreekt. De menschen stooten zich in hun ongeloof aan Hem en worden verpletterd, maar Hij valt niet op hen om ze te verpletteren. Hij draagt geduldig alle ondankbaarheid, versmading, belee-diging en vervolging en wreekt Zich niet. Maar Hij heeft alom bekend gemaakt, dat er een tijd zal komen dat de maat van lijden, zwijgen en vergeven vol is; dat deze Steen tot Rechter wordt, wanneer de Heer zal komen als een Held. Van dezen tijd spreken de profeten, dat is „de dag, brandende als een oven; dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de Heer der heirscharen, Die

ocr page 91

—5gt;- 75 •lt;-

hun noch wortel noch tak laten zal. Maleachi 4:1.

Toen deze Steen uit den hemel, de Zoon der maagd, uit de stille, nederige woning van Jozef trad, deed Hij niemand kwaad. Wanneer later velen op Hem stieten, lag de schuld bij henzelven; „want de Zoon des men-schen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden.quot; Maar overal in de Schrift wordt van een tijd gesproken, wanneer „Hij komen zal uit den hemel, met Zijne hei'ige engelen en met vuur wraak zal nemen op degenen, die God verachten en het Evangelie ongehoorzaam zijn,quot; wanneer Hij „de wijnpers van Gods toorn,quot; treedt, wanneer Hij Zijl e groote macht en heerschappij in handen neemt en wanneer Hij, „dien, die overwint, zal geven met Hem te zitten op Zijnen troon, gelijk Hij overwonnen heefr en is gezeten met Zijnen Vader op Zijnen troon,quot; Ook valt er niet aan te twijfelen, dat wij hier het vijfde koninkrijk uit Nebucadnezars droom hebben. Hier is een wonderbare steen, die uitdrukkelijk „de Steenquot; wordt genoemd, zonder handen van den berg der eeuwige Godheid afgehouwen, weliswaar langen tijd lijdelijk en verdragend, maar Zich daarbij tot een heerlijk koninkrijk ontwikkelend, een groot volk vergaderend, dat, door Zijnen Geest vervuld en onderwezen, op geheimzinnige wijze met Zijn persoon wordt vereenigd en dan als een sterk en groot Rijk in onoverwinnelijke macht en majesteit zal geopenbaard worden.

Babyion, Medo-Perzië, Macedonië en Rome hadden elk vele jaren noodig om dat te worden, wat zij in den droom voorstellen. Voor elk rijk zijn deze tijdperken van voorbereiding en geleidelijke vorming in de profetie aangenomen en erkend. Zoo is dus ook het geval met het steen koninkrijk. De tijd van de uitbreiding der gemeente en het één worden van de levende steenen

ocr page 92

^ 76 K-

met den uitersten Hoeksteen, beantwoordt geheel aan ■de ontwikkelingsperioden der vier rijken-

En daar in den droom de rijken slechts in den toestand en de werking van rijpe en gevormde heerschappijen optreden, hebben wij dit steen-koninkrijk ook niet te zoeken in den tijd zijner ontwikkeling, maar in zijne rijpheid, die eerst een aanvang neemt, wanneer het getal der uitverkorenen vol is, en allen op hunne plaats zijn om te verrichten, wat het koninkrijk als zoodanig zal doen en teweegbrengen. Christus is de wonderbare Steen, zooals Nebucadnezar het wonderbare gouden hoofd was, in wien de koning het geheele rijk vertegenwoordigt. De macht, de heerschappij en de gansche bevolking van Babyion als staat, vereenigden zich in Nebucadnezar als hun hoofd en plaatsbekleeder. Zoo hebben alle christenen in Christus deel aan Zijne heerlijkheid en aan Zijne toekomst. Maar op dit oogenblik is alles nog geestelijk. Christus was de geboren Koning en hiertoe kwam Hij in de wereld; maar tot nu toe is Hij „een man, die reist in een vergeleken land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keeren.quot; Dit koninkrijk verkrijgt hij langzamerhand. Zoodra de menschen „uit water en Geest geborenquot; worden, worden zij bij een groot geestelijk rijk ingelijfd. Het is nu nog onzichtbaar, evenals zijn Hoofd uit de oogen der menschen werd weggenomen. Maar de Heer blijft niet immer verborgen. Wanneer het getal Zijner uitverkorenen vol is, zal Hij wederkomen, Zijne heiligen medebrengend. Bedekt en verborgen terwijl Zijne gasten verzameld worden, zal Hij dan in macht en heerlijkheid, geopenbaard, gezien en gekend worden. De Zijnen zijn eveneens nog verborgen. Niemand kent hen met zekerheid, en het grootste aantal van hen is niet in de wereld te vinden. Maar de kinderen Gods

ocr page 93

zullen eveneens „geopenbaardquot; worden. Wanneer hun koninklijk Hoofd in heerlijkheid zal komen en op den troon Zijner heerlijkheid zitten, dan zullen zij ook met Hem verheerlijkt worden. Alle beschrijvingen van dezen tijd komen overeen met hetgeen hier van den Steen wordt gezegd. In Hem worden de koninklijke waardigheid en heerschappij van het christendom voleindigd en verwezenlijkt. Hij sticht een waar en eeuwig konink rijk. In Hem zijn alle geweld en macht der wereld vereenigd. Alle aanranders van Zijnen troon, allen die Zijne wetten overtreden, alle tegenstanders zal Hij verslaan, verbreken en van de aarde verdelgen. Zijn volk is heilig en onoverwinnelijk, en niet door menschelijke krachten, maar door den onzichtbaren Geest Gods vereenigd. Het bestaat uit onsterfelijken. Het zal zich uitbreiden van zee tot zee, en van de rivieren tot aan de einden der aarde. Het zal het aardrijk bezitten en aan zich onderwerpen, verlost en gekocht met het bloed van den grooten Heiland, Die in eeuwigheid Koning is. Niets, wat Hem weerstand biedt, zal in Zijn heerlijk rijk worden geduld. Het zal niet van zijne bezitters wijken, nooit op een ander volk overgaan. Zijne heerlijkheid en zijn vrede nemen geen einde. Het is het koninkrijk van den Steen, den eeuwigen vertegenwoordiger van den eeuwigen God. En van eeuw tot eeuw, alle eeuwen door zal het blijven en groeien en zich uitbreiden, zonder ooit te verminderen of op te houden! Zoo is er maar een koninkrijk; en het is het toppunt en de vervulling van alle profetie, de kroon der genade, het groote doel van de plannen van Jehova met onze wereld. Van dit koninkrijk profeteerde Jesaja, toen hij den lofzang aanhief.

„Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijnen schouder, en men noemt

ocr page 94

78 •lt;-

Zijnen naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst; d^r grootheid dezer heerschappij en des vredes -zal geen einde zijn op den troon van David en in Zijn koninkrijk; om dat te bevestigen, en dat te sterken met gerichte en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. Jes. 9 : 6, 7.

Datzelfde verkondigde Gabriel aan Maria met de woorden:

„Wees gegroet, gij begenadigde! de Heer is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen. Zie, gij zult bevrucht worden, en eenen Zoon baren, en zult Zijnen naam Jezus heeten. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genaamd worden I en God de Heer zal Hem den troon Zijns vaders Davids geven, en Hij zal over het huis Jakobs koning zijn in eeuwigheid, en Zijns koninkrijks zal geen einde zijn.quot; Luk. 1 : 28, 31-33.

Dat is het, wat de groote stemmen in den hemel dankend loven, die aan het einde hunne zegevierende halleluja's doen weerklinken zeggende: „De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en Zijns Christus, en Hij zal als koning heerschea in alle eeuwigheid.quot; Openb. 11 : 15.

En evenwel verkondigt een doctor uit dezen tijd aan de wereld, dat het niet zoo kan zijn, daar „in het gezicht, dat aan Nebucadnezar werd gegeven, volstrekt geene aan wij zing van het allergewichtigste feit in de geschiedenis der menschheid — van de men schwo rding — te vinden is!quot; Dwaze hardnekkigheid! Alsof het niet van zelf sprak, dat een koning, die optreedt en onbeperkt regeert, geboren werd! Alsof de verhevenste voleinding en bekroning van een werk niet de beste getuigenis ware voor den aard en het wezen van zijn' Uitvoerder. Zoo zouden wij evenzeer kunnen op zijde zetten, wat het

ocr page 95

-gt;* 79 flt;-

gezicht ons van Nebucadnezar, Cyrus en Alexander zegt, „omdat daarin volstrekt geene aanwijzing,quot; te vinden is, hoe. of waar of onder welke omstandigheden deze machtige veroveraars werden geboren. Hoe kan onder zulke omstandigheden het gezicht betrekking hebben op Caesar, daar „volstrekt geene aanwijzingquot; te vinden is, dat Caesar op eene bijzondere wijze ter wereld kwam! Ik sta verbaasd en verwonderd, wanneer ik zie, door welke zwakke en dwaze redeneeringen de aangewezen leeraars van Gods Woord zich van zijn verheven inhoud afwenden en zich laten overhalen tot de verloochening van vele zijner duidelijkste en helderste deelen. Maar zulke redenen kunnen de letterlijke vervulling van den droom niet in den weg staan. Tweeduizend vijf honderd jaren hebben hun zegel gedrukt op de waarheid en helderheid der profetie — voor zoo ver betreft de vergankelijke rijken dezer wereld — en hoe zou zij dan falen in dat grootste, belangrijkste en hoogste deel, dat betrekking heeft op de onsterfelijke eeuwige heerschappij, die wel haast in hunne plaats zal komen? Wat onwaardig ongeloof of wederspannige trouweloosheid mogen zeggen, laat ons denken aan de woorden van den profeet, dat „de droom gewis, is, en zijne uitlegging zeker.quot; Ons kibbelen, twijfelen en redeneeren zal de eeuwige raadsbesluiten des Hemels niet veranderen of verhinderen. Van het eerste aardsche rijk-af heeft Jehova de komst van een koninkrijk aangekondigd, dat alle andere koninkrijken vermalen en verteren zal en dat eeuwig zal duren — een koninkrijk, welks Hoofd en Koning Christus zijn zal, welks macht in de handen van onsterfelijken zal berusten en welks oprichting in onze wereld de volmaking der verlossing zal zijn, waarop alle beloften doelen en alle eeuwen wachten.

ocr page 96

HOOFDSTUK V.

Het gouden Beeld van Nebucadnezar.

Daniël III.

Karakter van Nebucadnezar. — Verschillende gefoelens, wie het beeld voorstelde. — Gevoelens van Dr. Gill en van Joodsche uitleggers over de aanleiding tot zijne oprichting. — Gevoelens van Dr. Seiss. — Weigering van Sadrach Mcsach en Abednego om het gouden beeld te aanbidden. — Toorn des konings. — Zij worden in den gloeienden oven geworpen. — Door hft vuur niet (jede'rd. — Antwooid aan d* kritiek, die het wonder betwijfelt. — Het gebod van Nebuca Inczar.

Ik beschouw Nebucadnezar als grooter, diepdenkender en edeler dan Napoleon Bonaparte. Hij was een even groot veldheer en als keizer veel grooter. Hij was een man met meer geest, minder zelfzucht en veel grootmoediger en ernstiger gezindheid. Hij was somtijds te haastig en volgde zijne eerste opwelling, dan was hij zelfs wreed, maar zijne opwellingen waren niet enkel hartstochten en berustten meestal op juiste redeneeringen. Hij nam snel een besluit en volhardde in de uitvoering ervan. Hij sprak en handelde als koning naar zijne eigen overtuiging en bekommerde zich er niet om tegen wien of wat hij optrad. Hij was een heidensch vorst, die met onbeperkte macht regeerde, maar hij had een diep godsdienstig gevoel en liet zich daardoor leiden. Onder alle heidensche koningen, die wij kennen, was hij er het naaste aan toe om een dienaar van den waren God te zijn. Wanneer hij bewijzen voor de

ocr page 97

tegenwoordigheid en de almacht van God te zien kreeg, merkte hij ze op, nam ze ter harte en richtte er zijne daden naar. Hij had een geweten en een ernstig begrip van eer, recht en plicht. Wanneer hij zijn woord gegeven had, hield hij het^. Wanneer hij leugen en bedrog zag, velde hij daarover een streng vonnis. Zag hij de hand Gods, dan boog hij zich voor haar neer en gebruikte zijne koninklijke macht en koninklijke voorrechten om aan anderen den zegen mede te deelen, dien hij zelf had ondervonden. Was hij overtuigd, dat gezanten des Allerhoogsten voor hem stonden, dan eerde hij hen. onderwierp zich aan den God des hemels, en schaamde zich niet, voor alle menschen uit te spreken, wat hij met zijn hart geloofde. Hij zondigde menigmaal te midden van zijne heerlijkheid en pracht, en matigde zich eerbewijzen aan, waaruit zijn overmoedige trotschheid bleek; maar wanneer hij daarvoor werd gestraft, bekende hij schuld en riep voor het gansche rijk uit, dat alle menschen den God des hemels moesten kennen en vreezen.

Hij liet den afgodendienst, waarin hij was opgevoed, nooit geheel varen, maar hij erkende tevens de oneindige meerderheid van God, den God des hemels, boven al de afgoden van zijn koninkrijk. Hij was geen heilige, maar hij geleek er meer op, dan velen, die den waren godsdienst belijden en meer aanmoediging en minder hinderpalen hebben dan hij. Wij gevoelen niets dan bewondering voor zijne eerbiedige vrijmoedigheid en waardeering der bewijzen van Gods majesteit, barmhartigheid en hulp, bij gelegenheid van zijn droom. Ofschoon hij het vereerde hoofd van het grootste rijk der wereld was, hield geene valsche schaamte hem terug, maar wierp hij zich voor den jeugdigen profeet neder, als een teeken van zijn geloof aan den eÊnen almachtigen God en aan den jongen Daniël als Zijn profeet. Hij beval. Goddelijke Stemmen. 6

ocr page 98

-5* 82 i-^-

dat aanstonds heilige plechtigheden zouden gevierd worden, natuurlijk volgens zijne heidensche opvoeding en begrippen. Onze tegenwoordige wijzen en wetgevers schijnen te denken, dat de staat geen voordeel trekt uit de leeringen en den raad van hen, die de meening en den wil van God verkondigen, en dat daarom het onderwijs in de goddelijke openbaring liever van de openbare scholen moet verwijderd blijven, en dat het beter voor de maatschappij is, wanneer de aanhangers van het Bijbelsch Christendom zoo weinig mogelijk met het onderwijs, de wetgeving en de rechtspraak in aanraking komen.

Zoodanigen vinden het natuurlijk eene zwakheid in Nebucadnezar, dat hij dacht en geloofde, dat een man, die met den Hemel in betrekking stond en in staat was, de rechten en voornemens van den Koning der koningen te doorgronden, de geschikte persoon was om door den vorst verheven, geëerd en tot raadsman, rechter en bestuurder benoemd te worden, ja dat hij hem zelfs met het toezicht over alle instellingen van onderwijs en scholen der wijzen belastte. Dat God hem het gouden hoofd van een gouden koninkrijk noemde, legt bij de wijzen van onzen tijd weinig gewicht in de schaal. Want daar hij niet in hunne wijsheid onderwezen was, zullen zij niet toegeven, dat hij een heider-denkend wijsgeer was. En toch geef ik hem gelijk en houd vol, dat hij als denker gezond verstand, als koning wijze staatkunde en als mensch waar gevoel toonde, toen hij zhh met aanbidding voor den geest der openbaring boog. Hij erkende de macht en majesteit van den God, Die Zich aan hem openbaarde, en verhief tevens den man, die daarvan de tolk was geweest tot „heerscher over het gansche landschap van Babelquot; en tot overste „over al de wijzen van Babel.quot; De feiten, die ons in het derde hoofdstuk worden medegedeeld,

ocr page 99

83

beschouwt men gewoonlijk als eene leelijke vlek op het karakter van dezen vorst. Ik wil zijne daden ook niet verdedigen, maar zij zijn licht te verklaren uit het karakter, dat ik hem toeschrijf, en bewijzen volstrekt niet, dat hij afweek van zijne erkenning van den almach-tigen God, noch dat hij een willekeurig, bloeddorstig dwingeland was. Hij liet een reusachtig beeld oprichten in een dal nabij de stad Babyion ; hij had daarvoor veel zorg en kosten over, hij beschouwde het met bijzonderen eerbied, en beval, dat het met veel feestelijkheden zou worden ingewijd; dit zijn feiten, die uitdrukkelijk worden medegedeeld. Het is ook waar, dat hij alle ambtenaren van zijn rijk liet bijeenroepen, om aan het beeld de eer te bewijzen, die hij meende, dat daaraan verschuldigd was, en dat hij met straf bedreigde allen, die zouden weigeren zijne wenschen en bevelen na te komen. Maar bij de vraag, wat het beel l was, wien het voorstelde, wat de koning met zijne oprichting beoog'de, en waarin de eerbe wij zingen bestonden, die men het moest toebrengen, zijn er bijna evenveel verschillende meeningen als uitleggers, van welke velen slechts in het wild hebben geraden.

Eenigen denken, dat het de afbeelding was van zijn vader Nabopolassar; anderen, dat het een beeld van hemzelven was; anderen, dat het Baal, den grooten god van Babel voorstelde; weder anderen, dat het een nieuwe door hem uitgevonden god was, terwijl professor Stuart het houdt voor eene obelisk of eenvoudige zuil met op den top een bol, die de zon voorstelde. Er wordt ook zeer verschillend geoordeeld over de aanleiding, waarom dit beeld werd opgericht. Dr. Gill geeft de gewone veronderstellingen vrij beknopt weder in deze woorden: „Het was misschien uit hoogmoed en ijdelheid, en om de heerlijkheid en kracht van zijn rijk te verhoogen,

ocr page 100

84 ^lt;-

als zijnde niet alleen het gouden hoofd, maar een geheel beeld van goud, en om de uitlegging van zijn' droom tegen te spreken en de toekomst van zijn rijk, die daardoor was aangeduid, af te wenden. Of om zich te zuiveren van de verdenking, die bij zijne onderdanen was opgerezen, dat hij den godsdienst zijner vaderen had verlaten, omdat hij den God Israëls zoo hoog stelde en aan de Joden aanzienlijke ambten verleende; of om op den raad zijner edelen eenheid van godsdienst in zijn rijk in te voeren en de toenemende macht der Joden te breken; of om Daniel en den zijnen een' strik te spannen.quot; Behalve al deze meeningen bestaat nog die van de Joodsche uitleggers, dat de koning hierdoor opnieuw het doel trachtte te bereiken, dat Nimrod had met den torenbouw, die door de spraakverwarring werd gestaakt.

Van deze gissingen is de eene evenveel waard als de andere; want in het verhaal wordt geen woord gevonden om ze te bewijzen. Terwijl ik uit de geschiedenis een nieuw en onafhankelijk oordeel zoek te vormen, schijnt het mij toe, dat elke verklaring, die dit beeld voor een van de goden van Babyion houdt, met het verhaal van Daniël in strijd is. Nergens wordt er gezegd, dat het een Babylonischen of anderen heidenschen god voorstelde. De Chaldeeuvvsche godheden hadden hunne afzonderlijke priesters en eeredienst, maar zij staan niet in verband met de eigenaardige en ongewone plechtigheid waarmede dit beeld werd onthuld. Driemaal in het verhaal (Dan. 3 ; 12, 14, 18) — eerst door „Chaldeeuvvsche mannenquot;, dan door den koning zelf, en dan door de drie Hebreeuw-sche aangeklaagden, wordt onderscheid gemaakt tusschen het eeren van de erkende goden des lands en de aanbidding van het beeld, zooals die was bevolen. De opheldering „het gouden beeld, dat de koning heeft opgerichtquot;, wijst onmiddelbaar op het vorige hoofdstuk,

ocr page 101

-5h 85 gt;lt;-

hetgeen met de aangenomen meeningen van vele uitleggers zoo slecht overeenkomt, dat zij eene tusschenruimte van misschien wel 16 jaren van het tweede tot het derde hoofdstuk veronderstellen, om den koning tijd te geven, zijn droom te vergeten, en van zijne overhalf-Joodsche denkwijze weder geheel tot den geest en het leven der Chaldeeuwsche afgodendienaars terug te keeren. Maar bij de lezing van het verhaal schijnt mij dit „gouden beeldquot; en de buitengewone wijze, waarop het werd ingewijd, in nauw verband te staan met den droom des konings en veel meer te wijzen op den éénen almachtigen God van Daniël, dan op de eene of andere Chaldeeuwsche godheid. Het was de oorspronkelijke gedachte van Nebucadnezar, hem ingegeven door de openbaring, waarmede Jehova hem had begunstigd.

Het moest een openbaar en nationaal gedenkteeken zijn voor dien Koning der koningen en Kenner der verborgenheden. Die hem den aard, de opeenvolging en de toekomst van alle aardsche rijken had getoond. In plaats dat het een gevolg was van omkeer in zijn denken en gevoelen, of eene afwijking van zijne overtuiging, gelijk die in het vorige hoofdstuk wordt beschreven, was het veeleer de dadelijke uitwerking van deze overtuiging en de wijze, waarop hij, naar zijne heidensche afkomst, een vorm gaf aan hetgeen hem zoo diep had getroffen. Zooals verhaald is, had God hem een groot, schitterend en schrikkelijk beeld getoond. Hij had van den onmiskenbaren profeet Gods vernomen, dat het een goddelijk zinnebeeld was van Gods wijsheid, macht en voorzienigheid in de wereld, en van Zijn eigen rijk tot aan het einde der dingen. Het was op zich zelf zoo merkwaardig, in alle opzichten zoo verheven en heilig, ook door den indruk, dien het op hem maakte, dat hij het onmogelijk kon vergeten. Het lag

ocr page 102

86 •lt;—

voor de hand, dat hij een gedenkteeken er voor wilde oprichten, vooral omdat het allereerst betrekking had op hem en zijn eigen rijk; hij had gevoeld, dat het hem betaamde, zich neder te buigen voor den almach-tigen Geest, Die zich had geopenbaard in zijn' droom en in den profeet, die den droom verteld en verklaard had. Waarom zou hij niet alle grooten van zijn rijk oproepen om dit met hem te doen ? Het was juist hetgeen wij van een krachtigen heidenschen geest bij dergelijke ervaringen en denkwijze zouden verwachten-, het was de natuurlijkste handelwijze van een groot, oprecht en oorspronkelijk denker, onder deze omstan digheden. Hij wenschte eene nieuwe godheid te vereeren, verhevener en aanzienlijker dan alle Chaldeeuwsche goden. Het beeld, dat hij oprichtte, was niet God, maar het was de belichaming van het wonderbare beeld, dat God hem had getoond en dat het zinnebeeld was van Zijne goddelijke macht en voorzienigheid op aarde. Heiden als hij was, beval hij, dat de macht van Jehova in Jehova's eigen beeld zou worden voorgesteld, waarvan hij zelf en zijn rijk door de goddelijke uitspraak als het gouden hoofd was aangewezen. Aldus vereenzelvigd met de macht van Jehova, gelijk hij in den droom had gezien, was het zeer natuurlijk, dat hij zijn geheele rijk door de aangewezen vertegenwoordigers „de stadhouders, de overheden en,de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheeren, de ambtlieden en al de bewindvoerders der landschappenquot; liet uitnoodigen (of verzamelen) om getuigen te zijn van de inwijding van het beeld en om de plechtigheid van het nedervallen en aanbidden van het beeld te volbrengen, evenals hijzelf voor den Geest Gods, Die uit Daniël sprak, in aanbidding was nedergevallen. Deze beschouwing der geschiedenis verklaart voldoende alle bijzonderheden in

ocr page 103

~s* 87

de Schrift en veroorlooft ons aan te nemen, dat geene verlagende, vergeetachtige afvalligheid den verstandigen koning bezielde, maar dat de indruk, dien de openbaring op hem maakte, tot eene levende kracht in zijn binnenste werd, die zijn' grooten en ondernemenden geest aandreef om zijn gansche rijk door een godsdienstigen band met zich te vereenigen. Het was noch het werk van een • dweepzieken ijveraar voor Belmerodach, noch dat van een werktuig van nijdige afgodspriesters, noch dat van een dwingeland, die eigenzinnig den godsdienst van zijn land wil veranderen, noch dat van een willekeurigen, zichzelf vergodenden egoïst, noch dat van een zwakken vorst, die door hebzuchtige Chaldeeuwsche priesters geleid werd. Integendeel, het was het werk van een groot, diepdenkend, oprecht, voorzichtig, edel, koninklijk man, die eene ware, verheven en onmiskenbare openbaring van den God des hemels had gehad.

Het was het werk van een vorst, die door de vrome en krachtige gewaarwordingen, welke hem bezielden, weliswaar nog niet geheel van zijne heidensche denkwijze genezen was, maar die zijne groote macht en zijne schatten aanwendde om een naar zijne meening geoorloofd bewijs van eerbied te geven aan Jehova, Wiens macht hem was geopenbaard. Zoo ontstond dit reusachtige gouden beeld, dat in een dal opgericht werd, op grooten afstand van de Chaldeeuwsche tempels. Daarom droeg zijne inwijding een bijzonder, eigenaardig, zeer nationaal karakter. Daarom hadden nieuwe plechtigheden bij die gelegenheid plaats, en beval de vorst, dat op een gegeven teeken alle staatsbeambten daarvoor nedervallen zouden en het aanbidden. En daarom ook werd de gestrenge straf aangekondigd, waarmede een ieder werd bedreigd, die zoude weigeren den machtigen Jehova onder het zinnebeeld, dat hij in den droom aan-

ocr page 104

-gt;• 88

schouwd had, te erkennen en te aanbidden. Wanneer wij de zaak zoo beschouwen, zien wij ons niet slechts genoodzaakt den koning zachter te beoordeelen, en hem veel hooger te stellen, dan wai neer men de gewone opvatting volgt; maar zelfs de gestrengheid, waarmede hij zijne geboden wilde doen gehoorzamen, schijnt ons bijna gerechtvaardigd te worden. Bij het heldere, volle licht der openbaring en der goddelijke geboden, die Nebucadnezar niet kende, zien wij duidelijk genoeg, dat hij eene fout beging, die niet door bijbelsche redeneeringen te rechtvaardigen of . te verontschuldigen is. Maar de fout zat in de wijze van uitvoering, niet in de beweegredenen. Zij was het gevolg van gebrekkige kennis, niet van boos opzet. Hij bedoelde eerlijk den God des hemels, Die Zich zoo duidelijk aan hem had geopenbaard, te erkennen en te verheerlijken.

Hij wilde, dat de gezamenlijke vertegenwoordigers van zijn rijk dezen God zouden vereeren in de zichtbare gestalte van het beeld, dat hem in den droom was verschenen. Zijne innig godsdienstige natuur, zijne ondervinding en overtuiging deden zich gelden en maakten hem de handhaving van hetgeen hij uit oprechte vroomheid had bevolen tot plicht. Moest niet de God aller goden en de Heer aller koningen. Die Zijne groote macht en Zijne voornemens zoo duidelijk had getoond, boven alle heeren en vorsten eerbiedig gehuldigd worden ? Was dit beeld niet het nauwkeurig afbeeldsel van dat, waardoor Jehova Zijne goddelijke macht en voorzienigheid had doen kennen? Was het den koning niet schitterend bewezen geworden, dat deze God de God der goden en de Heer der koningen is ? Was het derhalve niet rechtvaardig, dat alle beambten des rijks het bevel ontvingen. Hem eerbiedige hulde te bewijzen ? En wanneer wij dit beeld voor eene voorstel-

ocr page 105

-5-i 89 t-

Jing van het groote beeld in den bekenden droom des konings houden, heeft het bovendien eene heilige be trekking op hem en zijne heerschappij. Overeenkomstig de uitspraak van den profeet, stelde het gouden hoofd van het beeld Nebucadnezar en zijne door God bekrachtigde regeering en macht voor. Aan zijne bevelen ongehoorzaam te zijn, was dus verraad en opstand, niet slechts tegen het gezag van Nebucadnezar, maar ook tegen dezen God, Die Zijne heerschappij op zoo wonderbare wijze bekrachtigd had. Ongehoorzaamheid aan zijn ernstig en door godsdienstzin ingegeven bevel, moest hij derhalve als iets zeer slechts beschouwen — als een verzet tegen zijne van God gegeven macht, als eene verwerping van het gouden hoofd aller heerschende koningen, als eene minachting van de ernstigste en heiligste onderneming van zijn leven, als eene misdadige geringschatting van alle heilige ervaringen, meeningen en vrome doeleinden van zijne koninklijke majesteit. Onder deze omstandigheden zou hij geen man zijn geweest, die opgewassen was tegen de eischen van het oogenblik, noch in staat om heerschappij te voeren, zoo hij geene strenge straf op de verachting zijner bevelen had gesteld, of wel de overtreding ervan door de vingers had gezien. Zijn beginsel was niet goed, maar zijne gevolgtrekking was juist. Van zijn standpunt was het slechts rechtvaardig en niet willekeurig hard, dat hij besloot degenen streng te straffen, die de hulde, welke hij voorschreef, zouden weigeren. Zijne fout was niet gelegen in dezen eisch, maar in de heidensche dwaling, goddelijke zaken lichamelijk te willen voorstellen. De Chaldeërs konden het zeer goed met hun geweten overeen brengen, het koninklijk bevel te gehoorzamen, daar zij aan eene menigte goden geloofden en gewoon waren, deze in standbeelden, zinnebeeldige

ocr page 106

-sh 90 ^

voorstellingen en gegraveerde spreuken te vereeren. Het nedervallen voor dit nieuwe beeld, zelfs wanneer het was ter eere van een nieuwen en hoogeren God, was voor hen geene zeer gewichtige zaak, daar het niet gepaard behoefde te gaan met het verlaten der oude goden of met afwijking van den nationalen godsdienst-Zelfs Nebucadnezar schijnt niet gemeend te hebben, dat de God des hemels alleen en met uitsluiting van alle andere goden moest worden aangebeden, evenals de Atheners een altaar oprichtten voor den onbekenden God naast de altaren hunner andere goden. Hoewel hij den God van den profeet erkende als den eeni-gen, almachtigen Jehova, ging hij niet zoover, den dienst der nationale of beschermgoden niet meer te eeren. Zoo was er niets, dat de heidensche staatsdienaars verhinderde, voor dit beeld te knielen, evenals voor eenig ander heidensch afbeeldsel, en vooral nu hun leven er mede gemoeid was. Maar voor Sadrach, Mesach en Abednego was het iets anders. Hun was het niet geoorlootd, andere goden te dienen, noch eenig afbeeldsel te aanbidden van iets, dat in den hemel of cp de aarde is. Zij zouden dus tegen hunnen godsdienst en hun geweten hebben gehandeld, wanneer zij waren nedergevallen om het beeld te aanbidden, zooals de koning beval. Zelfs wanneer het Nebucadnezar's bedoeling was geweest, het gezag van Jehova door Zijn volk te doen erkennen, dan had hun godsdienstplicht hun toch verboden, voor het beeld te knielen. De wet van Sinaï en alle inzettingen van Mozes verboden evenzeer een afbeeldsel van den waren God te maken als afgoden te aanbidden. Een vroom en recht-geloovig Jood kon evenmin knielen voor een beeld, dat God, op welke wijze dan ook, trachtte voor te stellen, als voor de afgoden van Babyion. Daarom bleven deze

ocr page 107

-gt;. 91 •lt;-

mannen staanquot;, toen alle overige vergaderde edellieden en ambtenaren op het geluid der muziek aanbiddend voor het gouden beeld nedervielen. Zij dienden de valsche goden hunner overwinnaars niet, en wilden zich ook niet bezondigen aan eene valsche vereering van den waren God. Deze jongelingen waren aan eene zware verzoeking blootgesteld, wanneer het doel des konings was, hierdoor een nationalen Jehova-dienst in te stellen. Was het niet eenigermate hulde bewijzen aan den God Dien zij dienden ? Werd hier niet, als door een wonder, een heidensch koninkrijk aan den Gods des hemels onderworpen? Was het beeld niet eene navolging van het gezicht, dat God zelf hem had getoond ? Was het goud niet de goddelijke voorstelling van den koning en zijne regeering, waaraan zij als goede onderdanen gehoorzaamheid schuldig waren? Had de koning hen niet zeer goed en edelmoedig behandeld? Ook waren zij vreemdelingen, die door velen werden benijd, en waarom behoefden zij om zulk eene kleinigheid zoo bijzonder te zijn en gevaar loopen, bij hunnen heer beschuldigd en in den oven geworpen te worden? Terwijl zij leefden, konden zij hunne medeballingen van dienst zijn; maar wanneer zij zich den toorn des konings berokkenden, zou dit dan niet slechts hun eigen leven op het spel zetten, maar ook vervolging brengen over degenen, die met hen denzelfden God beleden ? Waarom moesten zij dan zulke gewichtige belangen door hunne ongehoorzaamheid aan den weiwillenden koning in gevaar brengen? Hadden zij niet met hunne gedachten den waren God in den hemel kunnen dienen, al bogen zij zich voor dit beeld ter aarde? Tegenover al deze over-wegingen stond niets dan het eenvoudige gebod: ,,G ij zult u voor die niet buigen.quot; Maar het was een gebod van God, Die boven alle koningen verheven is,

ocr page 108

hgt;. 92 ^

en geene redeneering, geen aardsch goed, geene spitsvondige uitlegging kon hen bewegen, dit te verachten. Hunne vijanden konden hen aanklagen; de koning kon hen straffen als ondankbaren, verraders, oproerlingen, ja zelfs als tegenstanders van hun eigen God; hij kon hen van hunne ambten berooven, hun zijne gunst onttrekken, hen in de gevangenis werpen of in zijne ovens braden, — zij waren standvastig, hun besluit was genomen; zij wilden Gode meer gehoorzamen dan den menschen, al zouden zij ook tot asch verbrand worden, vóór er een uur verloopen was. Zij bleven staan, terwijl gansch Babyion nederviel en aanbad. Zij waren helden en voorbeelden voor alle jongelingen en ouderen, wanneer gewetensvragen en trouw aan God en aan de waarheid op het spel staarf. Een eerlijk man zal nooit zijn plicht, voor welken prijs ook, verzaken. Hij is niet te koop voor goed, ambten of eerbewijzen. Geene geschenken kunnen hem verleiden, geene spitsvondigheden hem bedriegen, geen gloeiende ovens hem tot omkeeren bewegen. Zijne ziel is ée'n met den Almachtige en niets kan zijne reinheid bezoedelen. Was het godsdienstig karakter dezer jongelingen van de broze stof geweest, die heden ten dage zoo licht voor vroomheid doorgaat, dan hadden wij nooit hunne namen in dit heilige boek gelezen. Maar zij hadden een geloof van goed gehalte, dat hen tot schitterende voorbeelden voor hunnen en voor onzen tijd maakte. Wij vernemen niet, waar Daniël bij deze gelegenheid was. Misschien was hij ziek, zooals hij dikwijls was, en kon hij niet tegenwoordig zijn. Misschien had hij in een ander deel des rijks plichten te vervullen, waarvan hij zich niet kon verwijderen. Misschien kon hij om zijne hooge waardigheid wegblijven, daar alleen ambtenaren des rijks tot deze plechtigheid

ocr page 109

93 ^

waren opgeroepen. Was hij tegenwoordig geweest, daarvan kunnen wij zeker zijn, dan had hij dezelfde keus gedaan, die zijne drie edele vrienden deden. Natuurlijk kon hij niet anders handelen. Zelfzuchtige en eergierige lieden vinden zelfs biddende en op de knieën nog gelegenheid, anderen te bespieden. Ja het gebeurt vaak, dat zij, die zich het meeste laten voorstaan, de ergsten en onbarmhartigsten zijn. „Chaldeeuwsche mannen,quot; •— juist zulke, die gaarne voor vroom werden gehouden, — keken naar deze Hebreeuwsche jongelingen en onder den schijn van bijzondere vroomheid traden zij te voorschijn om hen van oneerbiedigheid en goddeloosheid te beschuldigen. Geen oprecht godsdienstig mensch is ooit veilig voor deze extra-vrome lieden. Nebucadnezar werd zeer vertoornd, toen hij vernam, dat Sadrach, Mesach en Abednego aan zijne bevelen ongehoorzaam waren geweest, niet alleen omdat hij hen zoo met gunst en eer overladen had, maar ook, omdat hij allerminst van hen eene weigering verwacht had, aan eene plechtigheid deel te nemen, die de eer huns Gods bedoelde. Dat iemand in zijn rijk het waagde, zijn koninklijk gebod zoo openlijk en zelfs in zijne tegenwoordigheid te verachten, was eene onvergefelijke beleediging. Maar dat hij die van hen ondervond, wekte des konings toorn in de hoogste mate. Hij liet hen vóór zich komen. Hij toonde hun zijne ontevredenheid. Hij sprak hen met harde woorden aan. Hij wilde de plechtigheid nogmaals doen plaats hebben om hunne gehoorzaamheid op de proef te stellen. Hij verzekerde, dat hij hen terzelfder ure in een vurigen oven zou laten werpen, wanneer zij weigerden het huldebetoon, dat hij eischte, te brengen. Hij waarschuwde hen, dat zelfs God hen niet voor zijne wraak zou kunnen behoeden. Maar hun rustig, standvastig antwoord luidde :

ocr page 110

-gt;: 94 'lt;~

„Wij hebben niet noodig u op deze zaak te antwoorden, enz.' Daniël 3 : 16—18.

De teerling was geworpen, des konings toorn was ten top gestegen. De oven werd met de grootste hitte gestookt en Sadrach, Mesach en Abednego werden aan handen en voeten gebonden er in geworpen. Zoo sterk was de hitte, dat de mannen, die hen er in wierpen, door de vlammen gedood werden. De schrijver van den brief aan de Hebrefin verhaalt van sommigen in den ouden tijd, die „door het geloof de kracht des vuurs hebben uitgebluscht.quot; Hier vinden wij zulk een voorbeeld. De touwen, waarmede deze mannen gebonden waren, verbrandden aanstonds, maar verder werd er niets aan hen verbrand. De koning zag hen los wandelende in het midden des vuurs zonder eenig letsel. Neen, hij zag nog meer; drie waren er in geworpen, en zie! een vierde was bij hen en zijne gestalte en aangezicht waren zoo heerlijk, dat hij den koning „gelijk een' zoon der godenquot; scheen. De woede van den vorst maakte aanstonds plaats voor verwondering. Hij liet een luiden uitroep hooren. Hij wilde zijne eigen oogen niet gelooven, maar terwijl hij de deur van den gloeienden oven naderde, riep hij den mannen toe: „Gij Sadrach, Mesach en Abednego, gij knechten des allerhoogsten Gods, gaat uit en komt hier!quot; En zij kwamen uit het midden des vuurs. Toen vergaderden „de stadhouders, de overheden en de landvoogden, en de raadsheeren des konings,quot; en zij bezagen hen met verwondering en overtuigden zich, dat aan het lichaam dezer moedige mannen geene enkele brandwond of blaar was, „en dat het haar huns hoofds niet verbrand was, en hunne mantels niet verbrand waren, ja dat de reuk des vuurs daardoor niet gegaan was.quot;

ocr page 111

-sh 95

Dien dag was er een groot en merkwaardig wonder door den God Israels in Baby Ion geschied, en alle beambten en edellieden en stadhouders des rijks werden er de getuigen en herauten van. De twijfelende critiek heeft met dit alles den spot gedreven: het was al te wonderbaar om te kunnen worden geloofd. Maar voor den Almachtige is het eene wonder niet meer dan het andere. Hij kan even goed eene stralende zon aan den hemel maken als een madeliefje op de weide. Sommigen hebben met nadruk verkondigd, dat het der Godheid niet waardig is zulke wonderen te doen. Maar wie zal beslissen, wat al of niet aan zulk een Wezen past, Wiens gedachten ondoorgrondelijk zijn ? Maar wij moeten ons herinneren, dat millioenen van Zijn uitverkoren volk toen in dat rijk in slavernij leefden; dat het hoofddoel van hun verblijf was, het land van zijne afgoderij te bekeereiv, dat hiervoor geen geregelde prediking plaats kon hebben; dat hier een groot en machtig volk be stond, dat God niet kende en dat geene middelen had om met Zijne verheven majesteit en macht bekend gemaakt te worden, en dat bij deze gelegenheid al zijne vorsten en oversten vergaderd waren, die dus in staat waren de teekenen van God te zien en in alle deelen van het machtige rijk de getuigen en herauten van het wonder te worden. Zoo is er waarlijk reden genoeg, juist hier en nu de grootste wonderen door den God des hemels te doen bewerken. Wie kan beweren, dat het niet eene geschikte gelegenheid was voor zulk eene openbaring der eeuwige Almacht. En ziet ook de uitwerking. Zij was zoodanig, dat het witgloeiende vuur; dat deze godsmannen niet aantastte, een heerlijk licht over de geheele wereld hielp verspreiden. De koning hief zijne handen op en zeide: „Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abednego, Die Zijnen

ocr page 112

96 st

engel gezonden en Zijne knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben.quot;

Een bevel ging van zijnen troon uit „aan alle volk, natie en tong,quot; dat het wonder verhaalde, de majesteit van Jehova verkondigde en op straffe des doods verbood „lastering te spreken tegen den God van Sadrach, Mesach en Abednego.quot; Deze mannen werden van toen af in het gansche rijk verhoogd en geëerd als de waarachtige getuigen van den levenden God. Dit verhaal bevat vele lessen voor ons. Bovenal leest men in letters van schitterend goud, „dat er is een almachtig, levend en onafhankelijk God, niet aan natuurwetten gebonden en niet beperkt door natuurkrachten; Wiens woord geschreven staat in Zijn boek, Wiens oog op Zijne geloovige dienaren is, en Die degenen, die hun vertrouwen op Hem stellen, nooit zal vergeten noch verlaten.quot;

Op den diepsten bodem van het verhaal ligt de waarheid, dat wanneer een of ander koning of hoog kerkvorst, of voorschriften van kerk of staat tegen de wetten van Jehova strijden of gehoorzaamheid eischen tegen Z'ijn woord in, of zich in de plaats van 's menschen geweten willen stellen, geen oprecht kind van God hen mag gehoorzamen,. Hij zal ook geene schade lijden door zijne trouw, welke straffen hem ook worden opgelegd. Van alle zijden verneemt ieder weldenkend jongeling, hoe goed het hem voor het oogenblik moge gaan, waarschuwende stemmen om zich op tijden van vervolging voor te bereiden. De wereld wordt door dwalingen geregeerd, en maakt dikwijls de ergste fouten, wanneer zij het goede voorheeft. Afgunst en boosaardigheid loeren ook en beijveren zich hunne eigen vroomheid te toon en door u aan te klagen en in ongelegenheid te brengen. De weg der trouw gaat dikwijls door

ocr page 113

-gt;. 97 flt;-

den gloeienden oven, zevenmaal sterker verhit om u te verteren.- Bereidt u derhalve voor op tijden van verdrukking en verwondert u niet, wanneer 2ij aanbreken. En dit staat eeuwig vast: de beste voorbereiding is onwankelbare trouw aan uwe overtuiging. Het is niet noodig, dat gij er dadelijk de vruchten van plukt. God zal in het eind alles wèl maken voor hen, die de stem van recht en plicht volgen en aan Christus getrouw blijven. Zij zijn toch de ware helden en hun loon zal niet uitblijven.

Goddelijke Stemmen.

ocr page 114

HOOFDSTUK VI.

De groote man vernederd, of: des konings waanzin.

Daniël i : 1—37.

De koning profetisch gewaarschuwd. — Hij ontbiedt de wijzen. — Daniels verklaring van den droom. — Nebucadnezars overtreding. — Zijne straf een soort van waanzin, eene tegenstelling van zijne overtreding. — Zijne genezing en wedeioprichting; beschouwing van Dr. Browne over de ziekte des konings. — H t oordeel vernederde den hoogmoed van Nebucadnezar. — Zijne koninklijke tracht wordt hem na een bepaalden tijd teruggegeven.

Wij hebben gezien, dat het den God des Hemels behaagde, Nebucadnezar te verkiezen tot het middel van eene merkwaardige openbaring aangaande de geschiedenis en het einde der wereldheerschappij. Het behoeft ons derhalve niet te verwonderen, dat hij ook de schrijver van een hoofdstuk uit het heilige Boek is. Het lange verhaal, welks belangrijkheid wij nu zullen aantoonen, is inderdaad van hem afkomstig. Zoo hij het niet eigenhandig schreef, heeft hij het gedicteerd en als zijn geschrift en zijne bekentenis doen versprei den. Het is ook een der merkwaardigste gedeelten van dit boek. Het is het eenige volledige staatsstuk, dat uit die verre tijden tot ons is gekomen. Het bevat een verhaal van hetgeen een zeer groot koning heeft onder vonden; de openlijke bekentenis van zijn overtreden door ongepaste zelfverheffing. Het verhaalt de waarschuwing, die hem ten deel viel vóór het gebeurde; de vreeselijke

ocr page 115

99 ^

straf en vernedering, die hem toen aangreep, en de wijze zijner genezing en wederoprichting. Het is de koninklijke prediking, die een beroemd vorst van zijn' troon af openbaar maakt om aan zijne onderdanen de majesteit en heerschappij van den almachtigen God en Zijn recht op den eerbied, de vereering, de aanbidding en de gehoorzaamheid van alle menschen te leeren. Het was niet de eerste afkondiging van dezen merk-waardigen _koning, die de eer van Jehova bedoelde, maar het was de volledigste en belangrijkste. Ongetwijfeld had zij plaats lang na de gebeurtenissen, in het voorgaande hoofdstuk verhaald. Nebucadnezar regeerde ongeveer 43 jaar en uit zijn schrijven kan men opmaken, dat hij toen ter tijd de vele grootsche bouwwerken, die zijne regeering onderscheidden en waarvan de ruïnen nog zijn te vinden, voltooid had. Het stuk zelf schijnt door Daniël uit het rijksarchief nageschreven en daarna in zijn boek ingelascht te zijn.

Er zijn vier voorname punten daarin, waarop ik uwe opmerkzaamheid wensch te vestigen.

I. Des konings profetische waarschuwing.

II. Zijne Godslastering.

III. Zijne straf.

IV. Zijne genezing en wederoprichting. Moge God ons in staat stellen om daarover tot nut en stichting na te denken.

I. De ouden hechtten zeer veel aan voorspellingen en voorteekens. De neiging om op zulke zaken te letten is de menschelijke natuur aangeboren en is een bewijs te meer, dat een godsdienstige ader het geheele menschelijk geslacht doorloopt. Vandaar is het grofste en meest ingewortelde bijgeloof ontstaan en niets is ooit in staat geweest, dit uit te roeien.

Is bijgeloof over het algemeen slecht, afgodisch, on-

ocr page 116

100 X-

heilbrengend, vernederend en dus door ieder goed mensch te verafschuwen, toch is het een feit, dat God zich somtijds ervan bedient om in het leven van den mensch in te grijpen, hem voor gevaar en zonde te waarschuwen in gevallen, waar andere middelen niet zouden baten. Voor den christen is Gods Woord het voorname, onfeilbare richtsnoer. Daarop moet hij altijd zien en daardoor moet hij zich altijd tevreden en gehoorzaam laten leiden. Het is de opgeheven Godsvinger, die ons den weg van recht, van veiligheid en van vrede toont.

Het is zeer zeker zonde en wantrouwen tegenover God, wanneer wij naar eene andere leiding rondzien, of ons aan een' anderen gids toevertrouwen. En toch is het niet te ontkennen, dat bijzondere voorgevoelens en voorteekens gedurig in het menschelijk leven voorkomendie het bestaan der Voorzienigheid bewijzen, en dat er gelegenheden zijn, waarbij de hand van den steeds ge-nadigen Jehova zich op buitengewone wijze vertoont.

Buitengewoon groote gevaren of beproevingen worden dikwijls voorafgegaan door een geheimzinnig gevoel, dat de menschen vermaant, op hunne hoede te zijn. Zoo was het ook met Nebucadnezar. De koning had weder een' verontrustenden droom. Ditmaal kwam hij geheel onafhankelijk van zijne eigen gedachten en zonder eenige bijzondere aanleiding. Hijzelt bericht aldus: „Ik, Nebucadnezar, gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende, enz.quot; Hij was gelukkig geweest in zijne oorlogen en in zijne gansche regeering. Hij had al zijne vijanden onderworpen, en zijn rijk was voorspoedig. Het was hem gelukt. Babyion tot een van de wonderen der wereld te maken. Alles, wat hij aangevangen had, was gelukkig uitgevallen. Hij behoefde niets meer te wenschen om zijne menschelijke eerzucht te bevredigen of zijn' roem van groot en

ocr page 117

101

wijs koning te vermeerderen. Terwijl hij dus gerust was in zijn hui -, en in zijn paleis voorspoed genoot, had hij dezen droom; „Daar was een boom in het midden der aarde, en zijne hoogte was groot. De boom werd groot en sterk; en zijne hoogte reikie aan den hemel, en hij werd gezien tot aan het einde der gan-sche aarde. Zijn loof was schoon, en zijne vruchten vele, en er was spijze aan denzelven voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden in zijne takken en alle vleesch werd daarvan gevoed.quot; Dan. 4 : 10—12. Een der geheimzinnige wachters des hemels verscheen „roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt af dien boom, en kapt zijne takken af, stroopt zijn loof af, en verstrooit zijne vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogelen van zijne takken, enz.quot; Dan. 4 : 14—16. Verder werd nog door den geheim-zinnigen spreker gezegd, dat „deze zaak is in het be sluit der wachters, en deze begeerte is in het woord der heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der menschen, en ze geeft aan wien Hij wil.quot; Dan 4 : 17.

Ofschoon de koning in het geheel niet begreep, wat deze droom beduidde, ziet men toch uit zijne woorden, dat hij hem hield voor eene ernstige waarschuwing en vermaning tegen hoogmoed en zelfverheffing, daar hij verklaart, dat alle bezit, macht en grootheid gaven Gods zijn, die Hij naar Zijn welbehagen uitdeelt, en die Hij door ons als zoodanig wil doen erkennen. Tegelijkertijd vertoonde de droom de plotselinge vernedering van degenen, die zichzelven de eer geven van hetgeen zij hebben of volbrengen, of waarin zij zich verblijden. Zoo legde de profeet het ook uit, die den koning aankondigde, dat deze droom betrekking op hem had, dat hij

ocr page 118

102 ^lt;-

eene goddelijke voorzegging was van het lijden, dat hem zou ten deel vallen, en dat de eenig mogelijke weg om eraan te ontkomen was, dat hij zich voor God vernederde, zijne zonden naliet, rechtvaardig werd en in plaats van ongerechtigheden den ellendigen genade bewees. Zie vs. 27.

Men heeft zich erover verwonderd, dat hij weder „de Chaldeërs en de waarzeggers ontbood, nadat zij bij eene vorige gelegenheid zoo jammerlijk waren tekort geschoten. Maar men herinnere zich, dat sedert langen tijd Daniël hoofd en leeraar dezer orde was, en dat de koning, door hen op te roepen, hem mede insloot en waarschijnlijk dit juist bedoelde. Men bemerkt ook, dat in dit verhaal Daniël niet afzonderlijk wordt ontboden. Dat hij kwam, was om te voldoen aan hetzelfde bevel, dat de anderen opriep. Maar hij zond hen vooraan en hield zich op den achtergrond, tot zij hunne wijsheid beproefd en hunne machteloosheid getoond hadden. De koning zegt van al deze „wijzen van Babel,quot; dat hij hun den droom verhaalde, „maar zij maakten mij zijne uitlegging niet bekend.quot; Waagden zij het al, iets te zeggen, dan was dit toch niet in staat den koning te bevredigen. „Totdat ten laatste,quot; zegt de koning, „Daniël voor mij kwam, wiens naam Belsazar is, in wien de geest der heilige goden is; en ik vertelde den droom voor hem.quot; Wat nu volgt, is een schitterend getuigenis van hartelijk gevoel en trouw aan zijn' vorst, dat de koning aangaande Daniël aflegt. Nadat hij hem den droom had verteld, „ontzette zich Daniël bij een uur lang, en zijne gedachten beroerden hem.quot; Ook sprak hij geen woord, dan nadat de koning hem had aangemoedigd, niet te aarzelen, maar zonder vrees of ongerustheid de gansche verklaring te geven. Daarop antwoordde de trouwe profeet: „Mijn heer! de droom

ocr page 119

-gt;* 103

wedervare uwen hateren, en zijne uitlegging uwen weder-partijdersen dan vervolgde hij met de verklaring van de vreeselijke, persoonlijke ellende, die God op deze wijze voorzegd had, en met de vermaning aan den koning, die plichten te vervullen, die het dreigende onheil nog konden afwenden. Nebucadnezar was alzoo volkomen gewaarschuwd. God had hem door den droom en de oprechte verklaring van den profeet getoond, wat de gevolgen zouden zijn, wanneer hij, trotsch en overmoedig, den almachtigen God, den verheven Bestuurder der volken, en den Oorsprong, Gever en Behoeder van al wat de mensch bezit, niet wilde erkennen noch aanbidden.

II. Wij zouden veronderstellen, dat zulk eene heilige en indrukwekkende waarschuwing en vermaning zeker een heilzamen indruk zou achterlaten. Maar niets is zoo onbetrouwbaar en bedriegelijk als het arme bedorven menschelijk hart.

Nebucadnezar nam zich ongetwijfeld voor, den ontvangen raad op te volgen. Hij stelde het grootste vertrouwen in de wijsheid en godsvrucht van den profeet. Hij had alle reden, het geheele voorval als van God gezonden te beschouwen. Ook lag het niet in den aard van dezen vorst, eene zoo klaarblijkelijke aankondiging van de Godheid, Wier teekenen en wonderen hij aanschouwd had, gering te achten. Maar het is moeilijk voor rijken en aanzienlijken te midden van heerlijkheid en pracht, gevleid en vol zorgen, voor allen die hen kennen waar en getrouw te zijn, plichtmatig en rechtschapen te gevoelen, te spreken en te handelen. Onze Heer en Zijne Apostelen hebben het menigmaal gezegd, hoe zwaar het voor dezulken valt, in het koninkrijk der Hemelen in te gaan. En Nebucadnezar maakte daarop geene uitzondering. Was er ooit een mensch,

ocr page 120

104 lt;lt;-

die aanleiding had, zichzelf te verheerlijken en trotsch op zijne daden te zijn, dan was het deze koning, en wanneer ooit iemand in zijne omstandigheden voor deze zonde bewaard werd, dan was dit alleen mogelijk door* de wonderbare macht van Gods genade. Ik heb eenige der groote regeeringsdaden van Nebucadnezar vermeld. Nooit was er een voorspoediger veroveraar. Nooit was er een machtiger koning op aarde. Nooit was er een heerlijker rijk, dan hetwelk hij verzamelde en stichtte. Nooit was er zulk een onbeperkt heerscher over de menschen als hij. Nog tot op dezen dag spreekt het gansche land, dat Babyion uitmaakte, het Noorden, het Zuiden, het Oosten en het Westen, van hem en getuigt van de allesovertreffende grootheid zijner regeering. Babylon was reeds vóór hem eene aanzienlijke stad. Ninus en Semiramis hadden veel gedaan om haar beroemd te maken. Maar het Babylon van Nebucadnezar was tienmaal zoo groot, evenals het Rome van keizer Augustus meer was dan het oude Rome der republiek, en het Parijs van Napoleon meer was dan het Parijs der revolutie. Het oude Babylon was aan de eene zijde van den stroom gelegen. Nebucadnezar verfraaide het daar en breidde het tot dezelfde grootte aan de overzijde uit. Beide deelen verbond hij door schoone bruggen, beschermde den stroom door muren en poorten en omringde het geheel door machtige vestingwerken, zooals misschien nergens elders hebben bestaan. Hij bouwde een tweede paleis, een waar kunstwerk, welks daken met de beroemde gemaakte bergen en hangende tuinen bedekt waren, die aan zijne Medische gemalin de vader-landsche bergen moesten vergoeden, die zij in de vlakke omgeving van Babyion zoozeer betreurde.

Maar dit was slechts een klein deel van zijne werken. Onderzoekers verklaren, dat de ruïnen van Babyion 200

ocr page 121

105 k~

vierkante mijlen beslaan en dat 9/10 der tegels, die op deze oppervlakte gevonden zijn, met den naam van Nebucadnezar zijn gestempeld. Sir Henry Rawlinson schrijft: „Ik heb op de plaats zelve de tegels onderzocht, die misschien tot wel honderd steden en dorpen in den omtrek van Bagdad behooren, en ik heb nooit een ander opschrift gevonden dan dat van Nebucadnezar, zoon van Nabopolassar, koning van Babyion.quot; Een ander dier onvermoeide oudheidkenners schrijft: „Het is niets te veel gezegd, dat zonder Nebucadnezar de Babyloniërs geene plaats in de geschiedenis bekleed zouden hebben. Zij hebben hun aanzien bijna geheel aan dezen vorst te danken, die bij de krijgsmanstalenten van een bekwaam veldheer eene groote kunstkennis en eene liefde tot de bouwkunst bezat, die hem op gelijke hoogte stellen met de grootste stedenstichters der oudheid.quot;

Bedenkt men, hoeveel hij onder handen had, hoe al zijne gedachten en vermogens beziggehouden werden, dan verwondert men zich niet, dat zijne aandacht werd afgeleid van zijn' droom en diens waarschuwingen, en dat zijn hart zeer opgeblazen werd om zijne groote daden. Waar is heden de staatsman, die met zoodanige heerlijkheid zou kunnen bekleed worden, zonder dat hem het hoofd op hol raakte, en zijn eigenwaan zich tot in de wolken verhief?

Er was een vol jaar verloopen, sedert Nebucadnezar de uitlegging en de vermaning van den profeet had gehoord. Hij wandelde op het dak van zijn paleis, dat zes vierk. mijlen in omtrek besloeg en met tinnen en torens was versierd. In het rond en beneden hem lag de stad, met hare groote wegen en honderd sterke poorten. Hij bewonderde haar en sprak. „Is dit niet het grooteBabel, dat ik gebouwd hebtot

ocr page 122

-$-i lOG x~

een huis des koninkrijks, doordesterkte mijner macht, en tereeremijnerheerlijk-h e i d !quot; Zooals de menschen gewoonlijk denken en spreken, schijnt zulk eene uitspraak niet zooveel verkeerds te bevatten. Het was voor de menschen „zijn werk.quot; Babylon was een groote, prachtige stad, en hij had haar grootendeels gemaakt tot hetgeen zij was. Zooals de menschen hun werk en daden beschouwen, zouden wij van een ieder kunnen verwachten, dat hij zich op deze wijze zoude uitdrukken. Ik ken niemand, die niet onder dezelfde omstandigheden op dergelijke wijze en met dergelijke gevoelens zoude spreken. Maar dit bewijst alleen, niet dat Nebucadnezar onschuldig was, maar dat het geheele menschdom verdorven en verdwaald is. Zij zouden God op zijde zetten, wanneer zij slechts konden. Zij vertoonen met veel pronk hun eigen geringe persoon, hunne macht en werken, wanneer de gelegenheid zich er toe aanbiedt. Zij stellen gaarne in het licht, wat zij hebben gedaan. Wanneer zij zich in het een of ander gunstig onderscheiden van de groote menigte, verheugen zij zich daarover inwendig, roemen op hunne meerderheid en denken er niet aan, Wie het is, Die de gaven verschillend uitdeelt, en Wien alleen eer en roem in alles toekomt.

Nebucadnezar verviel in de gewone, beleedigende en dwaze fout, die den natuurlijken mensch steeds aankleeft. Terwijl hij zijne hooge eer en zijne werken overziet, denkt hij juichend aan zichzelven — aan zijn eigen geest, zijne kracht, zijne wijsheid — en vergeet de eeuwige Voorzienigheid, zonder Welke hij toch niets meer zou zijn dan de geringste bedelaar in zijn koninkrijk. Hij had het zelf erkend, dat Jehova inderdaad de God der goden en de Heer der koningen is. Hij had eerst van de hemelsche „wachtersquot; en toen van

ocr page 123

^ 107 ,lt;-

Daniël gehoord, dat hij, als alle menschen, verplicht was, te weten en te erkennen, dat de Allerhoogste regeert in de koninkrijken der menschen en ze geeft aan wien Hij wil. Maar in zijne oogenblikkelijke blijdschap over alles, wat door zijn toedoen verricht was, vergat hij dat en zag in alles slechts zijne macht. Hij wist beter, zooals iedereen, die dergelijke dingen doet, beter weet. Maar toen hij de pracht der stad beschouwde, die hij zoo vergroot en verfraaid had, behaalden zijn hoogmoed en zijne grootspraak de overwinning op de vermaningen van den geest Gods, en zijne Tiel begon te jubelen over zijne eigen wijsheid en macht.

De genadige God in den hemel, van Wien hij dat wat hem van de andere menschen onderscheidde, verkregen had, zonder eigen verdienste of waarde, werd door hem niet meer geteld. En zoo baadde hij zijne ziel en zijn verstand in een ellendigen „atheïstischen hoogmoedquot;, die wel zijne hoofdzonde is geweest, — de hoofdzonde van alle menschelijke grootheid en allen menschelijken voorspoed — die haar toppunt bereikte, toen hij tusschen de torens en tinnen van zijn prachtig paleis wandelde en sprak.

III. Maar onze God is een ijverig God en Hij wil niet, dat Zijne eer aan een' ander wordt gegeven. Degenen, die zich hoogmoedig verheffen, kan Hij ook vernederen, zooals Nebucadnezar weldra met smart ondervond. „Houwt dien boom af tot op den stam; zijn hart worde veranderd, dat het geens menschen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan,quot; had de „wachterquot; gezegd. Twaalf maanden van afwachting en gelegenheid tot bekeering waren hem gegeven. God heeft geduld bij de uitvoering Zijner bevelen en is lankmoe-

ocr page 124

~gt;i 108

dig om ons te behouden. Maar wanneer de maat der zonde vol is, komen Zijne oordeelen met ontzettende snelheid. Zoo ook hier. „Terwijl dit woord,quot; het woord waardoor God gelasterd werd, „nog in des ko-nings mond was, viel er eene stem uit den hemel: U, o koning Nebucadnezar! wordt gezegd: Het koninkrijk is van u gegaan. En men zal u van de menschen verstoeten, en uwe woning zal bij de beesten des velds zijn, men zal u gras te smaken geven als den ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken der menschen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft aan wien Hij wil.quot; En terzelfder ure werd het aan Nebucadnezar vervuld. Waarin deze straf eigenlijk bestond, kunnen wij niet met zekerheid zeggen; maar wanneer wij de wetenschap der geneeskunde raadplegen, kunnen wij ons toch eenigszins eene voorstelling daarvan vormen. Men moet aannemen, dat zij eene soort van krankzinnigheid was. Als hij zijne genezing verhaalt, zegt de koning: „mijn verstand kwam weder in mij,quot; wat niet wel iets anders kan beteekenen, dan dat hij in meerdere of mindere mate krankzinnig was geweest. De waanzin openbaart zich in vele en zonderlinge vormen. Onder anderen heeft men eene zekere zwaarmoedige ledigheid van den geest, v/aardoor de lijders zich verbeelden, dieren te zijn, en als deze handelen en leven. Er zijn gevallen reeds in oude tijden opge-teekend, en zij komen nog voor, waarin de menschen geloofden, dat zij wolven, honden, leeuwen, katten, hanen, enz. waren, en in zichzelven de eigenschappen dezer dieren meenden waar te nemen. Virgilius schijnt op een dergelijken geestestoestand te doelen in zijn' zesden herderszang, waarin personen worden voorgesteld, die als runderen loeien, die naar hunne hoornen voelen

ocr page 125

-gt;■ 109 ^

en vreezen voor den ploeg gespannen te worden, die in de ongebaande bopschen rondzwerven als werkelijke dieren. De uitdrukkingen van Nebucadnezar, dat zijn hart geens menschen hart meer was, dat hem eens beesten hart werd gegeven, dat zijne woning was met het gedierte des velds, dat hij gras at als de ossen, geven wel eene voorstelling van zijn lijden, die vee gelijkt op deze soort krankzinnigheid. De verdere beschrijving stemt ook overeen met dien ziektetoestand. En hoewel deze zelden voorkomt, mogen wij niet uit het oog verliezen, dat het bij hem een vooruit aangekondigd en bijzonder Godsgericht was, waardoor de geheele voorzegging vervuld werd.

In dit geval komt het er ook niet op aan, of de ziektetoestand geheel natuurlijk was, of da.t bij een gewoon verloop der ziekte na zeven jaren nog genezing kon volgen. De ziekte moest buitengewoon zijn, en dat zij tot eene categorie van gewone ziekten behoorde ofschoon met eigenaardige verschijnselen, heeft een tweeledig doel, nl. om te toonen, ten eerste, dat zij niet onwaarschijnlijk, en ten tweede, dat zij toch niet enkel een natuurlijke krankheid was. Zij stond ook in lijnrechte tegenstelling met de overtreding, waarvoor zij de straf was. Des konings zelfverheerlijking was in den grond eene onttrooning der Godheid, en de vergelding daarvoor zou men eene ontmensching van den mensch kunnen noemen. Hij stelde zich en zijne eigen kracht boven den Heer der koningen of in Zijne plaats, en God stelde hem in de plaats van een dier, ja vernederde hem beneden het dier. Hij had zijn eigen geest onmatig hoog verheven en God veranderde dezen geest in het instinct van een' os, die gras eet, zoo hulpeloos en laag, als ware hij nooit een mensch geweest. De geheele beschrijving vertoont ons eene der treurigste en

ocr page 126

110 ilt;—

vreeselijkste ziekten, die een menschelijk wezen kunnen overkomen, en nu overviel zij een' wereldheerscher als Nebucadnezar.

Ziet den koning, den beheerscher der aarde, het grootste genie van zijn tijd, die zijn' naam had vereeuwigd door veroveringen en gebouwen, waarvan de wereld nog gewaagt, ziet hem, gelijk hij dien dag op de muren van zijn paleis wandelde, de meest geëerde en gelukkige man, die er leefde, het gouden hoofd van het gouden rijk in de gouden eeuw, — ziet hem, zooals hij van den opgang der zon tot waar zij ondergaat alle volken telde, die zij bescheen en die zijne onderdanen en schatplichtig aan zijn rijk waren, — en ziet dan dit wilde dier.

Daar is te midden van het vee de gestalte van een' man, die zeven jaren lang van de menschen verstooten was. Ziet, hoe hij zich als de ossen met het jonge gras voedt, met hen in de weide loopt, loeit als zij en zich als huns gelijke beschouwt. Ziet de nagels, die zich om zijne teenen krommen, en zijne vingers als arendsklauwen. Let op zijne naaktheid, zijn woeste haren en baard, de vederachtige en borstelige huid. Beschouwt zijne verstompte gelaatstrekken, zijne men-schenschuwheid, zijn afkeer om iets te hooren of te beantwoorden, wat een mensch tot hem spreekt. Ziet zijn woest dierlijk voorkomen en dierlijke gewoonten en navolging van de levenswijze der dieren. Met welke hardnekkigheid weigert hij onder een dak te komen, wat is hij met zijn' dierlijken staat en het gezelschap der dieren volkomen tevreden, en hoe vast is zijne overtuiging, dat hij zelf een dier is, en dat alle menschen ver van hem moeten blijven. Is dat een mensch? Zoudt gij hem een' koning noamen? Schijnt hij u een machtig veroveraar, wien alle volken vreezen ? Zoudt gij

ocr page 127

-$* 111 HS-

denken, dat dit de groote koning van Babylon, de stichter van hare rijkdommen en wereldwonderen was? Kan zulk een wezen den schepter over bijna de geheele wereld voeren ? Zou het ooit in u opkomen, dat dit het verheven en ongeëvenaarde gouden hoofd van alle menschelijke heerschappij is? Kan dit de groote Nebu-cadnezar zijn? Ach ja! hij is het; en dit is de straf, die de Almachtige hem opgelegd heeft, omdat hij hoogmoedig zijn Schepper gelasterd, en de eer, die alleen aan Jehova toekomt, zich toegeëigend heeft.

Waarlijk; „het is vreeselijk te vallen in de handen van den levenden God.quot; „Zeven jarenquot; moest deze ontzettende vernedering van den trotschen koning duren. Wij behoeven er niet naar te vragen, of zulk eene ziekte in een gewoon geval nog genezen kan na zulk een lang tijdsverloop. Zij was een bijzonder Godsgericht, en haar duur werd bepaald door de werking derzelfde kracht, waardoor zij over hem was gekomen. Genoeg is het, als wij weten, dat de koning genas, dat hij tot zijn volk terugkeerde en dat hij aan zijne onderdanen de omstandigheden van het voorval mededeelen en ze voor alle eeuwen opteekenen kon. Of de koning gedurende dit lijden zijne innerlijke bewustheid behield, kunnen wij niet bepalen. Voorname geleerden vermelden soortgelijke gevallen van deze ziekte, waarin bewustzijn en geheugen niet ernstig verduisterd waren, ofschoon de lijders beweerden dieren te zijn, en zich verwonderden, dat men hen niet als zoodanig beschouwde. Dr. Browne, een uitstekend lid van het bestuur der krankzinnigengestichten in Schotland, geeft als zijne meening over de behandeling van geestelijk kranken, die hij door eene ondervinding van 30 jaren verkregen heeft, dat „de voorstelling van hun persoonlijk bestaan slechts zelden verzwakt is, en dat zij nooit geheel ver-

ocr page 128

-gt;S 112 *5-

loren gaat.quot; Hij zegt: „Al de engelen, duivels, hertogen, keizers en koningen en velerlei goden, die ik onder mijn toezicht heb gehad, bleven wat zij waren, eer zij engelen, hertogen, enz. werden. Ik heb een' man ge zien, die verklaarde de Heiland te zijn, en zich James Thomson noemde en geregeld de godsdienstoefening bijwoonde, alsof hij die inbeelding nooit had gehad.quot; En in betrekking tot de geschiedenis, die ons nu bezig houdt, zegt hij: „Ik houd het voor waarschijnlijk, dat Nebucadnezar, gedurende den geheelen tijd zijner vernedering, de bewustheid, dat hij Nebucadnezar was, heeft behouden. Van den ganschen tijd is het niet zeker te weten, maar hij had het op het eind der ziekte.quot; Zijn ongeluk overkwam hem, terwijl eene stem uit den hemel tot hem sprak, en toen zijn verstand wederkwam, hief hij ook zijne oogen naar den hemel op. Zelf zegt hij: „Ten einde dezer dagen nu hief ik mijne oogen op ten hemel.quot; Hij wist nu, dat een zwaar lijden hem had getroffen en zag smeekend om ontferming en hulp uit naar omhoog, vanwaar zij alleen kon komen. Het was een blik van aanbidding van den God des hemels en tevens een gebed om barmhartigheid. Maar het was een gezegende blik. Hij zeide met vreugde en dankbaarheid: „Mijn verstand kwam weder in mij, en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte den Eeuwiglevende, omdat Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, en Zijn koninkrijk is van geslacht tot geslacht, en al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijnen wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijne hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: „Wat doet gij?quot;

Hij had een zeer opmerkelijk gericht ondervonden, doch het had ten goede op hem gewerkt. Het verne-

ocr page 129

-rgt;- 113 lt;-

derde zijn' hoogmoed. Het bracht hem tot de oprechte erkenning van den waren God. Het leidde hem er toe, al wat in zijn vermogen stond aan te wenden om Jehova te dienen en te verheerlijken. Het verwijderde uit zijn hart alle valsche schaamte, die hem zou verhinderen, zijne zonde te bekennen en de rechtmatigheid der straf, die hij daarvoor ondergaan had, in te zien. Het maakte hem tot een boetvaardig geloovige en een koninklijk zendeling van den waren God. Nu wijdde hij geen gouden beeld, maar zijne eigen koninklijke positie, zijn teruggekeerd verstand, zijn verteederd hart, zijne vorstelijke pen, zichzelven met al zijne macht en heerlijkheid aan den Oneindige, Wiens majesteit hij beleedigd. Wiens bestraffing hij ondergaan had, en Wien alle menschen moeten vreezen, aanbidden en gehoorzamen. Hij maakte zijn' troon tot een kansel en zijne staatsstukken tot predikatiën, opdat zijne dwalende onderdanen de wonderen van den Almachtige zouden vernemen, en daardoor bewogen worden, dien verheven God te eeren, en dat door Zijn' naam vrede in het rijk zou heerschen. Hij had „ondervonden, dat de Heer regeert,quot; en nu was het zijn wensch, dat alle volken, natiën en tongen, die op de aarde woonden, hetzelfde mochten erkennen, zonder voorat' zulk eene beproeving te ondergaan, als hem overkomen was. Hij was door diepe wateren aan de overzijde gekomen en nu zong hij zijn' koninklijken lofpsalm ter eere van den „Koning des hemels, omdat al Zijne werken waar heid, en Zijne paden gerichten zijn.quot;.

Hij waardeerde nu de „teekenen en wonderen, die de allerhoogste God aan hem gedaan had,quot; en hem vervulde een gezegende zendingsijver, die altijd op de ervaren genade volgt. Nu wenschte hij, dat alle menschen den Almachtige zouden aanbid-Goddelijke Stemme.v. 8

ocr page 130

~gt;; 114 ,lt;~

den en vereeren, Die alle hoogmoedigen vernederen kan.

Men heeft er over getwist, of Nebucadnezar geheel en inderdaad bekeerd was, of niet. Het schijnt mij toe, dat alles wat men onder deze omstandigheden kon ver wachten, werkelijk heeft plaats gehad. Zijn geheele schrijven verraadt zulk een' kalmen, oprechten, ern stigen en schoonen geest, dien ik niets anders weet te verklaren, dan door hem toe te schrijven aan eene vol ledige omkeering van zijn hart, die slechts door Gods genade kon worden bewerkt. De overmoedige trots van den heidenschen alleenheerscher maakte plaats voor boetvaardige nederigheid, die openlijk hare zonden erkent, en de Hand, Die ze bestraft, zegent. De oorlogsheld wenscht nu aan alle menschen de zegeningen des vredes. De hand, die het zwaard voerde met zulke vreeselijke gevolgen, strekt zich nu uit om te zegenen. De woeste en roofzuchtige leeuw is een lam geworden. Hij, die de gruwelijke bevelen gaf, menschen in stukken te houwen of in gloeiende ovens te verbranden, vermaant en waarschuwt nu als een van God gezonden profeet. Al is zijne taal en spreekwijze nog niet geheel zuiver van heidensche bestanddeelen en niet in alles overeenkomstig die der heilige mannen uit Israël, zoo ontdekken wij toch duidelijk daarin de ziel van een oprecht aanbidder en dienaar van den Allerhoogste. Ook weet ik niet, om welke reden iemand hem eene plaats zou kunnen v/eigeren in de heilige gemeente van hen, die God kennen en deel hebben aan Zijne zaligmakende genade.

In dit hoofdstuk hooren wij voor het laatst van dezen beroemden koning. Na zijne groote belijdenis valt de sluier en alles blijft verborgen tot op den grooten dag des oordeels. Het is een veelbeteekenend feit, dat het laatste beeld dat het heilige boek van hem geeft, hem

ocr page 131

115 ,lt;~

voorstelt in eene edele houding, terwijl hij openlijk alle volken aanspoort, den machtigen God te vreezen, Wiens teekenen zoo groot, en Wiens wonderen zoo machtig zijn, jubelend, prijzend, verheffend en eerend den Koning des hemels. Dit bewijst eene groote, voor God en heiligmaking gewonnen ziel.

Dat, na zulk eene langdurige volslagen ongeschiktheid om te regeeren, zijn koninklijk gezag toch ongeschonden bleef, had hij eveneens te danken aan de bijzondere voorzorg en de barmhartige genade van God, Die voorzag, welke heilzame verandering de vreeselijke ziekte zou teweegbrengen. Wij kunnen het met rtden groo-tendeels toeschrijven aan zijne grootmoedigheid en zijne staatsmanswijsheid, waardoor de koning Daniël en de andere drie Hebreërs' aan het hoofd van alle staatszaken had gesteld. Getrouw als zij aan hunnen God waren, wilden zij hunnen koning niet ontrouw worden, noch dulden, dat men van zijn' treurigen toestand gebruik maakte om een' ander in zijne plaats te zetten. Deze mannen wisten, dat het lijden slechts een bepa.-l-den tijd zou duren en dat de koning daarna'beter dan te voren zijn verstand zou wederkrijgen. Zoover hun aanzien en invloed zich uitstrekten, wilden zij het koninkrijk voor hem bewaren, gelijk de Chaldeërs het na den dood zijns vaders hadden gedaan.

Aldus kon hij getuigen, dat toen zijn lijden geweken was, zijne raadsheeren en zijne gewe'digen hem zochten, en hij in zijn koninkrijk bevestigd werd en hem grooter heerlijkheid werd toegevoegd.

Wanneer men de tuchtroede van God erkent en zich onderwerpt, is men altijd zeker van Gods genade. Zie daarom toe, denk na en leer wijsheid uit Gods woord, dat ons alleen voor de zaligheid kan bereiden. Wien treffen de goddelijke vermaningen niet, die waarschuwen

ocr page 132

—gt;• 116 Hg-

voor dreigende oordeelen en herinneren aan de noodzakelijkheid om de zonde te laten en de gerechtigheid na te jagen, de liefdeloosheid af te leggen en barmhartigheid aan te kweeken? Ziet op Nebucadnezar en laat u door hem aansporen, den wil Gods te doen. Al zijt gij gerust in uw huis en denkt niet aan den dag des kwaads, het naderende ongeluk heeft zich vertoond en de stem des „wachtersquot; is gehoord.

Terwijl gij van eene gelukkige toekomst droomt, zijn verborgen krachten aan het werk om uwe hoop teleur te stellen en al uwe gewaande rust te verstoren. Vreest bovenal een' hoogmoedigen en zelfverheffenden geest. Gij zegt tot uwe verontschuldiging, dat gij u slechts verheugt over uw geluk; maar terwijl gij uw' aange-namen toestand beziet, en u op uwe daden verheft en u beroemt op hetgeen uwe hand gedaan of uw geest veroverd heeft, wordt in den hemel uw val voorbereid en nadert het uur der ontzettende vernedering. Het schijnt u geen groot kwaad, trotsch te zijn op uwe talenten, uwe geleerdheid, uw aanzien, uwe schoonheid, uwe kennis — met bewondering te zien op de goederen, die gij verworven, de huizen, die gij gebouwd, den roem, dien gij verkregen, het vermogen, dat gij verzameld hebt, — zelfvoldoening te gevoelen over hetgeen gij van uw leven hebt gemaakt. Maar terwijl de eigen waan zich in uw hart nestelt, kunt gij niet vermoeden, hoe spoedig het Godsgericht, nadert om al uwen hoogmoed in het stof neder te werpen. Schoonheid, waardigheid, geestigheid, verstand, vrijheid, — eer, roem, invloed en genot, -— deze kostbare bezittingen, die u zoo hoog boven de groote menigte verheffen, kunnen alle, eer er een uur verloopen is, verloren en vergaan zijn. Het is onverdiende genade van God, dat gij ze een' enkelen dag bezit, en toch zoudt

ocr page 133

117

gij, om uwe ijdelheid te voldoen, Hem vergeten en verlaten ! De mensch kan zooveel bezitten; maar zijn recht daarop is niets meer dan een spinneweb, dat ieder oogenblik kan vernield worden. Eene aanraking van Gods hand deed al de grootheid van Nebucadnezar te niet en vernederde hem zoo diep, dat wij er nauwelijks aan kunnen denken, zonder tranen van medelijden te storten. En niemand is tegen een dergelijk lot verzekerd. Er is geene vernedering zoo diep, als die door krankzinnigheid, en evenwel kan geen groot verstand, geen helder geheugen, geen groote geest, geene positie in de wereld, geene geboorte, geene afkomst, geen deugd, geenerlei invloed, zelfs niet die van den godsdienst een' sterveling daarvoor bewaren. En zelfs wanneer wij door Gods goedheid daaraan ontkomen, moeten wij het grootste aardsche geluk en de grootste aardsche heerlijkheid beschouwen, als hadden zij nooit bestaan. Wij vertoeven hier slechts korten tijd, en dan komt de dood en brengt ons oneindige rampzaligheid, wanneer wij niet als verloren zondaars tot Christus zijn gekomen. Die gezegd heeft: „Wie tot Mij komt, dien zal Ik geenszins uitwerpen.quot;

ocr page 134

HOOFDSTUK VIL

Het gericht over de misdaad, of Belsazar's Maaltijd.

Daniël 5 : 1—30.

Karakter vau Belsazar. — De maaltijd. — Beschouwingen over de aanleiding daartoe. — De ontwijding der heilige vaten. — De uitwerking van het schrijven aan den wand. — Onmacht der aterrekijkers, het te lezen. — Op raad van de koningir.-moeder wordt Daniël ontboden. — Zijne verklaring. — Belsazar wordt in dien nacht gedood.

Dit hoofdstuk leert ons eene nieuwe persoonlijkheid kennen, die in de geschiedenis bijna niet wordt genoemd, behalve met betrekking tot de gebeurtenissen, die hier vermeld worden. Nebucadnezar wordt zijn „vaderquot; genoemd, maar hij was slechts in het tweede geslacht een zoon van Nebucadnezar, zooals Jezus „de Zoon Davidsquot; was in nog verderen graad. In het Hebreeuwsch of het Chaldeeuwsch is geen woord voor grootvader of oom. Uit aanteekeningen, die in het jaar 1854 in de ruïnen van Um Ghier (het Ur der Chaldeeën, waar Abraham geboren was) gevonden zijn, blijkt, dat Belsazar de zoon en mederegent van Nabonnetus was, die waarschijnlijk met eene dochter van Nebucadnezar was gehuwd, en door eene samenzwering koning van Babyion werd. Toen Nebucadnezar stierf, beklom zijn eenige zoon, Evilmerodach, den troon. Maar hij had slechts twee jaren geregeerd, toen hij door zijn zwager Neriglissar werd vermoord, die vier jaren regeerde. Na hem werd zijn zoon, nog een knaap, tot koning uitgeroepen. Hij

ocr page 135

-gt;■ 119 .lt;-

behield zijne waardigheid slechts negen maanden en viel toen als slachtoffer van de samenzwering van Nabonnetus. Deze en zijn zoon Belsazar, dien hij als mederegent aanstelde, waren de laatste koningen van Babyion.

Terwijl vader en zoon het bewind voerden, had de Medo-Perzische inval plaats. Nabonnetus bevocht Cyrus aan het hoofd van zijn leger, doch werd in den strijd verslagen. Hij zocht eene schuilplaats in den tempel van Borsippa en werd daar door het Medo-Perzische leger omsingeld, tot hij zich overgaf. Hem werd een eervolle aftocht vergund naar Karmenia, waar hij stierf. Terwijl de vader het leger aanvoerde, was het bestuur over de hoofdstad aan den zoon overgelaten. Daar hadden de gebeurtenissen, in dit hoofdstuk vermeld, plaats, en kwam plotseling een einde aan zijn leven en aan d; Babylonische heerschappij.

Deze Belsazar was een jong, losbandig en nietswaardig vorst. Een schrijver van den nieuweren tijd zegt van hem, dat „hij aan de laagste ondeugden overgegeven was en niet de minste zelf beheers ching in acht nam bij de vervulling zijner begeertenquot;. Daarbij bezat hij een grenzeloozen eigenwaan, die geene bemoeiing met zijne plannen verdragen en zich aan geene terechtwijzing onderwerpen wilde. De gestrenge straf, die Jehova zijn grootvader met diens geheimzinnige ziekte had opgelegd, werd door hem niet geacht, en hij daalde steeds lager als om te toonen, dat hij voor God noch menschen ontzag had.quot; Daniël toont tegenover hem niets van de gehechtheid, die hij voor Nebucadnezar gevoelde. Zelfs de heidensche geschiedschrijver Xenophon noemt hem een „goddeloosquot; man en weet van zijne hartstochtelijke wreedheid te verhalen, hoe hij een zijner edellieden doodde, omdat deze op de jacht vóór hem het wild had getroffen, en hoe hij bij een feestmaal een hoveling in het aangezicht trof,

ocr page 136

120 ^

omdat eene der aanwezige vrouwen hem schoon had gevonden. De wijze, waarop hij zich bij de volgende gebeur tenissen gedroeg, was wel met dit karakter in overeenstemming.

Terwijl zijn vader gevangen, zijn leger verstrooid en hij zelf inges'oten was in het belegerde Babyion, en hij niet wist, wanneer hij en zijn rijk zouden ondergaan, gedroeg hij zich met de grootste verblindheid, daar hij zulke uitspattingen bedreef, als die den laatsten nacht zijns levens kenmerkten. Een wellusteling is altijd onvatbaar voor ernstige gedachten, zoolang hij nog gelegenheid vindt om zijne luimen en hartstochten te bevredigen. Wij lezen, dat „de koning Belsazar een grooten maaltijd maakte voor zijne duizend geweldigenquot;. Men heeft allerlei vermoedens geuit over de aanleiding tot dezen maaltijd. Enkelen zien er eene uitdrukking van overmoedige minachting tegenover Cyrus en zijn leger in. Anderen gelooven, dat het de verjaardag van de geboorte of van de kroning des konings is geweest, of van eene overwinning, waarop hij trotsch was, of de dag der stichting van het rijk, en weer anderen gelooven, dat het een vastgesteld godsdienstig feest ter eere van de goden was, gelijk het Joodsche Purimfeest ofde Romeinsche Saturnaliën. Van dit alles geloof ik niets. Belsazar was niet zoo ernstig vroom of vaderlandslievend om zich veel te bekommeren over historische overleveringen of om gedenkdagen te vieren.

De Schrift zegt: „hij maakte een' maaltijd.quot; Hoogst waarschijnlijk was het eene ingeving en uitdrukking van zijne willekeurige, niets ontziende en pralende zinnelijkheid, die, slechts aan verkwisting en genotzucht denkende, alle gezond verstand en voorzichtigheid wegwierp. Daniël zegt; „hij maakte dien voor zijne duizend geweldigen,quot; en wij kunnen aannemen, dat het meer

ocr page 137

121 lt;-

eene beleefdheid des konings tegenover hen gold, dan eene eerbewijzing aan de goden. Bij alle heidensche feestmalen werd aan de goden geofferd. Het zou Cyrus zeker ter oore komen, het mocht dan een godsdienstig of ten staatkundig feest zijn, of slechts een gril van den genotlievenden koning. Belsazar maakte wel met opzet „een grooten maaltijd,quot; waarvan natuurlijk de voorbereiding evenals de viering zeer luidruchtig was. Het was eene aanleiding tot algemeene bandeloosheid en woeste drinkgelagen, van het hof des konings af tot in de laagste klassen der stad. Chabrias, die in het leger van Cyrus was, zeide, toen het bevel tot den heimeüjken aanval werd gegeven: „Het zou mij niet verwonderen, wanneer de poorten van het paleis nu open stonden, want de geheele stad schijnt dezen nacht zich aan het vermaak over te geven.quot; (Xenophon) Cyrus had bericht ontvangen, dat in Babyion door den koning een groot feest zou worden gegeven. Hij veronderstelde dus, dat de nacht in ('rank en spel zou worden doorgebracht. De uitkomst bewijst, dat hij zich niet bedrogen had. Dergelijke uitspattingen op zulk een' tijd zijn een teeken van de grootste lichtzinnigheid en volkomen verblinding. Men kan ze sl chts verklaren door de oude spreuk: „Wien de goden willen verderven, dien treffen zij met blindheid.quot; Zulk een koning verdiende van den troon gestooten te worden, en zijne dwaasheid verdiende al ^e ellende, die zij opgeroepen en waartoe zij den weg gebaand had. De zonde ligt juist niet in een feest, want maaltijden en feestdagen behoeven niet slecht te zijn, ofschoon zij gemakkelijk aanleiding geven tot uitspattingen. De groote maaltijd wordt hier niet voorgesteld als zoo geheel en vreeselijk goddeloos, dat hij door zulk een streng gericht moest gevolgd worden.

ocr page 138

-3H 122 Ho

rnaar meer om daaruit den geest en het karakter van den man te leeren kennen.

Zooveel is zeker, dit was de laatste druppel, die den beker deed overloopen, de laatste trek, die het beeld voltooide van Babylons onmatige losbandigheid, verdwaasdheid en goddeloosheid. Op zijn zachtst uitgedrukt, was het een zeer ontijdige en ongepaste feestelijkheid. Wat baatte het, dat de muren der stad dik en hoog waren en hare poorten versterkt? Wat baatte het, dat er nog voor 20 jaar voorraad was? Het leger was vernietigd, de vader des konings door den vijand gevangen, en de stad werd belegerd door de Medo-Perzische veroveraars, die vast besloten waren, haar tot de overgaaf te dwingen; het was waarlijk niet de tijd voor zulk eene tentoonspreiding van koninklijke weelde. Zulke geweldige slagen hadden een anderen weerklank moeten vinden dan luidruchtig gejuich en opgewonden vroolijkheid. Geen mensch met gezond verstand en fijn gevoel zou bij zulk een staat van zaken de gelegenheid tot eene dergelijke feestviering hebben opengesteld.

Maar hier was alle fijngevoeligheid uitgestorven en vervangen door eene dwaasheid van geest en hart, die geene plaats overliet, voor vorstelijke deugden, en door eene onbegrensde slechtheid en buitensporigheid, die getuigde van den ergsten zedelijken waanzin.

De „groote maaltijdquot; werd een tooneel van de laagste zinnelijkheid, waarbij de koning voorging. Het was geen gebruik, dat koningen met hunne onderdanen aten en dronken; maar hier werd niet op oude gebruiken acht gegeven. De waardigheid van den vorst ging geheel onder in woeste uitgelatenheid.

Veel drinken was het voornaamste doel, en Belsazar sloot zich ongedwongen bij zijne duizend gasten aan,

ocr page 139

-gt;• 123 .lt;-

om hun de eer van zijn gezelschap te bewijzen. En „hij dronk wijn voor die duizendquot; en ging met drinken voort, tot de wijn zijn raadgever werd en zijn hoofd met woeste denkbeelden vervulde. Toen hij dronken was, begon de booze geest zijn werk. Hij wenschte aan het prachtige feest, aan zichzelf, aan zijn gezelschap, aan zijne goden nog meer glans en eer bij te zetten, en gaf het bevel, dat zijne misdaden ten top voerde en over het lot van Babyion besliste. In de schatkamers van een der goden had men de heilige vaten geborgen, die eenmaal in den tempel te Jeruzalem gebruikt waren. Zij waren alle aan den Almachtigen God gewijd. Die nooit afstand doet van hetgeen aan Zijn' naam is gewijd. Nebucadnezar had ze geroofd bij de inneming van Jeruzalem, had ze medegevoerd en bewaard, maar hij beschouwde ze altijd als heilig, en had nooit toegestaan, dat zij, met welk doel ook, gebruikt werden. Maar wat gaf Belsazar, opgewonden door den wijn, om den eerbied van zijn' grootvader voor het aan Jehova gewijde? Hij wilde zijne onafhankelijkheid, zijne minachting van Israels God toonen en alle bedenkingen ter zijde stellen, die andere men-schen zouden terughouden, toen hij deze gouden vaten liet brengen om aan zijne drinkende gasten eer te bewijzen. „En de koning en zijne geweldigen,quot; en al de vrouwen, die hij met verachting der zeden, aan dezen schandelijken maaltijd liet deelnemen, „dronken daaruit.quot;

Mocht al bij den een of ander het geweten zich doen hooren, in de tegenwoordigheid des konings moest die stem gesmoord en onderdrukt worden. Dus „dronken zij den wijn en prezen de gouden en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de steenen goden.quot; Niet alleen hunne ontijdige vroolijkheid, hunne belee-diging van alle vormen en hunne dronkenschap, maar

ocr page 140

124 ^lt;-

ook hunne overmoedige en godslasterlijke beleediging van den hoogen God, wordt door eene schijnbare vroomheid bedekt en vergoelijkt. De menschelijke verbeelding en waanzinnigheid konden wel moeilijk verder gaan. Het was meer dan de hemelsche Machten konden dulden. De goddelijke wraak barstte oogenblikkelijk los. „Ter zelfder ure kwamen er vingers van eens menschen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, op de kalk van den wand van het koninklijk paleis.quot; Het oogenblik van den ondergang naderde, en hier was het geheimzinnige schrift, dat het vonnis uitsprak. Daarbij was geene tooverkunst, geen bedrog in het spel. „En de konin^ zaj? het deel der hand, die daar schreef.quot;

DO '

Hij volgde haar met zijne oogen, terwijl zij daar, waar geene menschenhand kon reiken, de raadselachtige letters teekende. Hij zag de zwarte trekken, die hem dreigend van den wand aanblikten. Hij zag de ontzetting der mannen en hoorde het gegil der vrouwen. Hij kon de letters niet lezen, noch hare beteekenis ontcijferen, maar zijn geweten werd onrustig en liet zich niet tot bedaren brengen. Al zijn moed, zijne dapperheid en trotsche ijdelheid begaven hem. „Toen veranderde zich de glans des konings, en zijne gedachten verschrikten hem, en de banden zijner lenden werden los, en zijne knieën stieten tegen elkander aan.quot;

Ach, wat beteekenen de waardigheid en moed van hen, die het laag, kleingeestig en laf vinden. God te vreezen! Zij houden het voor mannelijk, de aarzelingen van een teeder geweten en de vrees voor Gods oordeelen te onderdrukken; maar hunne voorname zekerheid houdt geen stand, wanneer de vergelding aanbreekt. Niets is zoo verachtelijk als de latheid, die volgt op den weerspannigen moed van degenen, die Gods geboden verachten en zich beroemen, dat zij alle tucht en

ocr page 141

-5-- 125 Ho

orde onder hunne voeten vertreden. Toont mij iemand, die het voor groot en heldhaftig houdt, de perken van godsdienst en eerbied voor het heilige te overtreden, en die niet in den grond van zijn hart een lafaard is! De stoute en lasterende koning Belsazar is van schrik verlamd en weet geen raad bij het zien van het schrift, waarvan hij den zin niet kan begrijpen.

Naar de „sterrekijkers, de Chaldeërs en de waarzeggers,quot; is nu de vraag van den bevenden en verschrikten vorst. „En hij zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met eene gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerscher in dit koninkrijk zijn.quot; Arme, bange ziel! Waarom had hij niet de wijzen geraadpleegd, eer hij door zijne lichtzinnigheid dit vreeselijk oogenblik had in het leven geroepen? De kreet: ,,Solon I Solon, Solon!quot; komt te laat, wanneer de brandstapel, die het oordeel zal voltrekken, reeds is aangestoken. De sterrekijkers verschenen en zagen in sprakelooze verwondering naar het schrift, maar zij konden het niet lezen, „noch den koning deszelfs uitlegging bekend maken.quot;

De ontsteltenis vermeerderde nog door hunne aanwezigheid en onbekwaamheid. „Toen verschrikte de koning Belsazar zeer, en zijn glans werd aan hem veranderd, en zijne geweldigen werden verbaasd.quot; Wat stond er te gebeuren ? Jaren van vreeselijke afwachting werden in een enkel uur doorleefd.

De koningin-moeder bevond zich in het paleis. Zij had geen deel aan den maaltijd genomen. Haar gemaal, de koning, was in Borsippa gevangen en zij was eene dochter van Nebucadnezar. Hoogstwaarschijnlijk had zij het geheele feest afgeraden. Zij wist, wat haar vader indertijd ondervonden had en tot welk geloof hij

ocr page 142

-5H 126 .lt;-

vóór zijn dood was bekeerd. Zij vereerde zijne nagedachtenis, de overtuiging, die hij zoo openlijk had uitgesproken, den God, Dien hij had leeren vreezen en eerbiedigen, en de edele mannen, die hij om hunne groote diensten zoozeer had begunstigd, en zij zag met ontevredenheid dit goddelooze en onbehoorlijke gedrag van haren losbandigen zoon.

Ik vestig nog eens de aandacht op het feit, dat, wanneer de boozen in nood zijn, zij zich meestal wenden tot degenen, wier waarschuwingen en raadgevingen zij in den wind geslagen hebben. De ruwe godslasteraar 7^1, wanneer zijne zonden hem ten onder gebracht heb ben, het eerst naar den predikant vragen, dien hij te voren haatte en minachtte. Zoo wendt ook Belsazar zich tot zijne moeder, op wier welmeenende vermaningen hij in zijn' hoogmoed geen acht had geslagen.

Ofschoon de man niet meer te redden was, deed zijne moeder; wat zij kon, en dat was meer dan zijne geweldigen, raadsheeren en wijzen vermochten. Wat bezit eene rechgeaarde vrouw veel vrijmoedigheid, offervaardigheid en zelf beheersching, wat is zij vernuftig om hulpbronnen tg vinden! Alle koningen en alle mannen zullen wijs handelen, wanneer zij in goede en kwade dagen op haar steunen. Nauwelijks had de koningin moeder het voorgevallene vernomen, of zij herinnerde zich de dagen van haren vader, en den profeet, die hem zoo trouw had gediend. Terwijl zij den toestand overdacht, wist zij tegelijk, wat haar te doen stond.

Welk eene tegenstelling is haar beeld bij dat van deze verbaasde, bleeke en radelooze geweldigen en dezen ontroerden en bevenden koning! Met welke kalme rust betrad zij. de zaal, die kort te voren nog van de luidruchtigste vroolijkheid weergalmde, en nu in eene plaats van angstig zwijgen was veranderd I Aanschouwt

ocr page 143

—127

de koninklijke majesteit, waarmede zij de verbleekende lafaards zoekt te bedaren! Is eene vrouw soms door kleinigheden licht ontroerd, wanneer eene groote ramp dreigt, heeft zij meer geestkracht dan duizend geweldigen, — meer verstand en zelfbeheersching dan alle mannen. Hare fijnbesnaarde natuur doet haar dieper gevoelen en des te meer onder de gevolgen lijden; maar wanneer eene verschrikkelijke crisis plaats heeft, staat het sterke geslacht bij haar achter.

Het eerste, wat deze koninklijke vrouw sprak, was een woord van terechtwijzing aan den koning om zijne machtelooze ontsteltenis. Hare moederlijke toespraak moest hem zijne zelfbeheersching teruggeven en hem moed inboezemen. Zij kende iemand, die het schrift voor hem kon lezen, want in hem was licht en verstand en wijsheid gelijk de wijsheid der goden is. Hij had haren doorluchtigen vader getoond, dat hij een onvergelijkelijk openbaarder van geheimen, uitlegger van droomen en oplosser van twijfelingen was, en zij dacht stellig, dat zijne profetische gave ook in dit geval zou kunnen dienen. Daarom zeide zij; „Laat nu Daniël geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven.quot; Ditmaal werd de moederlijke stem gehoor gegeven, en na eenige minuten stond Daniël voor den verschrikten koning. Ofschoon hij tot dien tijd met onverschilligheid was bejegend geworden, vergat hij toch niet zijn' plicht jegens zijn' meester — jegens een' meester als Belsazar. Ofschoon men hem verwaarloosde, verwaarloosde hij des konings werk nht (8 : 27) en toen hij werd geroepen, verscheen hij aanstonds. Hij kon den rampzaligen woesteling niet redden, maar hij kon hem de uitspraak der vertoornde Almacht doen lezen, en har^ meening verklaren.

In afgebroken zinnen verhaalde Belsazar het voor-

ocr page 144

-s* 128 'lt;-

gevallene, wees op de dreigende teekenen aan den wand en beloofde den edelen profeet eene groote be looning, wanneer hij het schrift kon lezen en verklaren. Daniël wees de belooning dadelijk af, maar hij verklaarde zich bereid bet schrift te lezen en uit te leggen. Het was een groot wonder, dat een maaltijd, die met de grootste minachting van Tehova begon, eindigde met eene prediking, die al deze geweldigen en zelfs de overmoedige koning gewillig en gaarne aanhoorden. En het was eene heerlijke prediking! Zij ving aan met de grootsche en aandoenlijke herinnering aan Nebucadnezar. In scherpe tegenstelling teekende zij de zwakheid en goddeloosheid van Belsazar. Met nauwkeurigheid schetste zij de onvergefelijke en uitdagende boosheid van den voornaamsten toehoorder. Met ernstige en standvastige oprechtheid verklaarde zij het vonnis, dat God had geschreven en maakte zij den ondergang bekend, die nu onmogelijk te ontvlieden was. Met ingehouden adem vernemen wij de krachtige woorden, die uit den mond des profeten stroomen. Het gewicht van dit tooneel verplettert ons bijna.

Verplaatst u met uwe gedachten in des konings zaal en hoort toe.

Daar staat de groote, eerbiedwaardige profeet. Men bespeurt aan hem niets van den onderdanigen hoveling. Hii heeft geen woord van deelneming voor den koning, die dezen vreeselijken toestand aan zichzelf te wijten heeft. Zijne stem, zijn aangezicht, zijne woorden, zijne rustige houding en zijn ernst zijn vol van den geest, die deze teekenen had geschreven, en getuigen van het verschrikkelijk oordeel, dat daardoor werd uitgesproken. Het einde van den goddeloozen lasteraar des Almach-tigen was daar. Daniël wist, dat hij de laatste woorden sprak, die de koninklijke zondaar ooit op aarde

ocr page 145

-s* 129 Hs-

zou hooren. En hij sprak juist zóó, als het op dit oogenblik noodig was. Terwijl hij de oogen vestigde op den bleeken en bevenden schuldige, die nu rijp voor het verderf was, sprak hij afgemeten: „O koning! de allerhoogste God heeft uwen vader Nebucadnezar het koninkrijk en grootheid, en eer, en heerlijkheid gegeven en van wege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natiën en tongen voor hem; dien hij wilde, doodde hij, en dien hij wilde, behield hij in het leven, en dien hij wilde, verhoogde hij, en dien hij wilde, vernederde hij. Maar toen zijn hart zich verhief, en zijn geest zich verhardde ter hoovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestooten, en men nam de eer van hem weg. En hij werd van de kinderen der menschen verstooten, en zijn hart werd den beesten gelijk gemaakt, en zijne woning was bij de woudezels; men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels natgemaakt, totdat hij bekende, dat God de Allerhoogste heerscher is over de koninkrijken der menschen, en over dezelve stelt wien Hij wil.

En gij Belsazar, zijn zoon! hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wel geweten hebt, maar gij hebt u verheven tegen den Heer des hemels, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij en uwe geweldigen, uwe vrouwen, en uwe bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch hooren, noch weten, hebt gij geprezen, maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uwe paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.

Toen is dat deel der hand van Hem gezonden, en dit schrift geteekend geworden. Dit nu is het schrift, dat daar geteekend is: M e n e, M e n e, T e k e 1,

Goddelijke Stemmen. 9

ocr page 146

-Ö-i 130

Upharsin. Dit is de uitlegging dezer woorden:

Mene; God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het voleind.

Tekel; gij zijt in weegschalen gewogen, en gij zijt te licht bevonden.

Peres; uw koninkrijk is verdeeld, en het is den Meden en den Perzen gegeven.

Hierna was er niets meer te zeggen. Aan zulk een oordeel was niet te ontkomen. Wij vernemen niet, hoe de veroordeelde koning het aannam; alleen weten wij, dat hij beval, zijne belofte aan Daniël te vervullen. Maar „in dienzelfden nacht werd Belsazar, koning der Chaldeërs, gedood.quot;

Mijne vrienden en broeders! deze dingen staan geschreven tot onze onderrichting en waarschuwing. Zij herinneren ons op nieuw de ernstige waarheid, die niemand ooit behoorde te vergeten, dat er eene groote onzichtbare Macht bestaat, boven alle heerschers en koningen verheven, Die alle handelingen der menschen gadeslaat en rechtvaardig beoordeelt. Een alziend Oog zag Nebucadnezar in zijn' hoogmoed en eene groote vernedering kwam over hem, tot hij erkende, dat de Allerhoogste regeert.

Hetzelfde alziend Oog zag Belsazar, die, verre van zich aan het verschrikkelijke oordeel te spiegelen, zich tegen den Heer verhief, Zijne waarschuwingen versmaadde, moedwillig de heilige aan Hem gewijde vaten verontreinigde, de gouden, zilveren, koperen, ijzeren, houten en steenen goden, die niet zien, noch hooren, noch weten, aanbad en het almachtige Wezen, Dat hem het leven en den adem schonk, verloochende. Zoodanige goddeloosheid en slechtheid konden niet ongestraft blijven. De zonde heeft eene stem, die in den hemel wordt gehoord. De menschen hooren haar dikwijls niet;

ocr page 147

H3* 131 -lt;-

maar God teekent ze in Zijn boek op, en schrijft daarin elke overtreding. De Schrift verzekert ons overal, dat „de Heer een alwetend God is, en de daden door Hem worden gewogen.quot; Salomo zegt: „Alle wegen des mans zijn zuiver in zijne oogen, maar de Heer weegt de geesten.quot; Hij legt Belsazar, evenals ieder ander, in Zijne weegschaal, weegt elke ziel, teekent elke dwaasheid aan, merkt iedere goede daad en iedere tekortkoming op. Elke verzuimde gelegenheid, elke in den wind geslagen waarschuwing, elk gevoel van ondankbaarheid, waaraan wij ons schuldig maken, elke opwelling van hoogmoed, waaraan wij toegeven, alle misbruikte macht, alle onheilige woorden en dade*, elke verwaarloozing of krenking van gezanten van Jehova, elke verzuimde plicht, elke poging om ernstige gedachten door zinnelijk genot te onderdrukken, elk wegzenden van Gods dienaren om op een gelegener tijd terug te komen, elke minachting van den Bijbel en van degenen, die daarin gelooven en zich erdoor laten leiden, elke gedachte en elke hartstocht, elk ijdel woord, dat wij spreken — dit alles, op zichzelf en te zamen genomen, wordt gade geslagen en gewogen en in d;n hemel opgeteekend tot op den dag van het laatste oordeel en zal straf brengen over hen, die zich aan deze zonden hebben schuldig gemaakt, wanneer zij niet afgewasschen worden door het bloed van Jezus Christus, dat „reinigt van alle zonde.quot;

Wanneer de kinderen van de wereldliefde, den hoogmoed en het ongeloof in werkelijkheid zagen, zouden zij eveneens een dreigend schrift van eene geheimzinnige hand bespeuren, dat hun hunne goddeloosheid en het over hen uitgesproken vonnis openbaart. Het is ontzettend, zoo iets te zien, maar het is waar; en hoe eer

ocr page 148

132

onze tegenwoordige Belsazars, sensualisten, materialisten, pantheïsten en atheïsten het vernemen, hoe beter het voor hen en voor anderen is.

Duidelijk en veelbeteekenend zijn ook de hier gegeven aanwijzingen, welke zaken in deze hemelsche weegschaal den mensch het zwaarste worden toegerekend. Belsazar had zijne waardigheid en zijne positie als koning schandelijk verwaarloosd en misbruikt. Hooge waardigheden zijn niet daar tot roem en genoegen van hen, die ze bekleeden, maar om ernstig en trouw de gemeenschap te dienen, die ze heeft ingesteld. God oordeelt hen het strengste, wie Hij macht heeft gejeven. Wie een ambt bekleedt, heeft grooter verantwoordelijkheid dan een gewoon sterveling. De menschen denken juist andersom, maar in Gods oog is de zonde grooter voor hen, die hooger geplaatst zijn. Ouders hebben meer verantwoordelijkheid dan kinderen, een prediker meer dan zijne toehoorders, een rechter of regent meer dan een eenvoudig onderdaan. Waar macht wordt uitgeoefend, groeit met deze macht de verantwoordelijkheid aan. En de slechtheid van Belsazar was des te erger en werd des te strenger gestraft, omdat hij koning was. Een ambt is eene gewichtige zaak. Men kan het niet straffeloos misbruiken en er mede doen, wat men wil. Daarvoor geldt het woord; „Wie hier binnentreedt, zij op zijne hoede, want hier woont een ijverig God.quot; De zonden der heerschers zijn de allerzwartste zonden. Misbruik van ambt en positie verdient zwaarder straf dan alle andere misbruiken. En Jehova's vreeselijkste oordeelen zijn die, waarmede hij ontrouwe vorsten en slechte staatsdienaren straft. Vooral haat God zinnelijkheid, losbandigheid, overdaad en dronkenschap. Het is de vleeschelijke gezindheid, die Hij haat. Het is de verdierlijking van het vleesch en van den geest, die Hij

ocr page 149

het allermeest verafschuwt, en die Hij met de zwaarste straffen bedreigd heeft. Dit leven voor vreugde en vermaak — deze voortdurende bevrediging van het vleesch en zijne begeerten, — dit verkeeren der ziel in het stof van vleeschelijk genot, — dit verafgoden van onzen smaak en onze hartstochten, die, het koste wat het koste, moeten bevredigd worden, — dit was juist het kenmerk van Belsazars leven, wiens uiteinde wij vernomen hebben.

Nog eene schuld van hem was zijne geheele terzijdestelling der dreigende waarschuwingen van God. Dit wordt hem vooral door den profeet als zijne grootste zonde voorgehouden. God had Zijn' afkeer van alle grootspraak en zelfverheffing tegenover den Almachtige getoond in de verschrikkelijke vernedering, die Hij over Nebucadnezar deed komen. Dit alles wist Belsazar. Het was in de rijksarchieven opgeteekend, en door den berouwvollen koning in alle deelen des rijks openlijk bekend gemaakt. Het was te zichtbaar, klaarblijkelijk en algemeen bekend, dan dat Belsasar het niet zou hebben geweten, dan dat het hem niet esne krachtige waarschuwing had moeten zijn tegen het leven, dat hij leidde. Maar hij lette er niet op, en verachtte het. Zonder Nebucadnezars genie en majesteit te hebben, was hij hoogmoediger en weerspanniger dan zijn groote voorvader was geweest. Hij had een voorbeeld van de afschuwelijke slechtheid en de zekere, vreeselijke straf van zulk eene zelfverheffing voor zich, en ging toch opzettelijk voort, zich om de gevolgen niet bekommerend. Hij had eene ernstige waarschuwing gehad, maar hij trok er geen voordeel van. God wil, dat wij door de geschiedenis leeren en dat wij de lessen van Zijne voorzienigheid ter harte nemen. Zijne woorden en handelingen zijn opgeteekend, opdat wij ze opmer-

ocr page 150

^ 134 he-

ken en ons daardoor laten leiden. Wanneer de men-schen hunne oogen sluiten voor alles, wat Hij hun aanwijst, Zijne vermaningen in den wind slaan, en weigeren den raad, dien Hij geeft, aan te nemen, wordt het in Zijn boek opgeteekend om tegen hen te getuigen. Deze verwaarloosde prediking en geminachte waarschuwingen zullen eens als donderslagen weerklinken om den schrik des oordeels te vergrooten.

Maar wat aan de schuld van dezen losbandigen vorst de kroon opzette, was zijne opzettelijke en lichtzinnige ontheiliging der vaten van Gods huis. Zij waren niet noodig bij den maaltijd. Er bestond geen reden om hunne langdurige, eerwaardige verborgenheid te verstoren, om ze tot zulk een doel voor den dag te halen. Het was slechts eene daad van lage, overmoedige en opzettelijke boosheid. Daarom wordt zij bijzonder vermeld als zijne voornaamste schuld, die het komende gericht tegen hem verhaastte. Het zou voor de men-schen van onzen tijd gelukkig zijn, wanneer zij zich niet voor deze zonde hadden te verantwoorden. In denzelfden uiterlijken vorm bestaat nu natuurlijk geene gelegenheid tot die ontheiliging; maar de zonde van Belsazar is niet aan den tijd van Belsazar gebonden. Wanneer de kostbare schatten der heilige gemeente Gods genomen en gebruikt worden, om eene partij of secte te tooien of te verheerlijken, ot om de bekrompen inzichten van eenige machthebbers te dienen, wat is dat anders dan eene ontheiliging van gewijde dingen? Wanneer de doop, de geloofsbelijdenis of het heilig avondmaal onzes Heeren gebruikt wordt om het burgerrecht te verkrijgen, om voor eene staatsbetrekking in aanmerking te komen, om vrienden genoegen te doen, om gunst te verwerven, of om eer en aanzien in de wereld te gewinnen, wat is dat anders dan mis-

ocr page 151

-3* 135 Kr-

bruiken van heilige vaten tot een onheilig doel? Wanneer de christelijke prediking en de eer en wijding van het leeraarsambt gebruikt worden om zichzelf op den voorgrond te stellen, zich te doen opmerken en naam te maken, om meeningen te verspreiden, die in strijd met het Evangelie zijn, wat is dat anders dan eene ontheiliging van hetgeen ran den Heer gewijd is? Wanneer de menschen een heiligdom binnentreden, aan de godsvereering deelnemen, zich vereenigen met hen, die daar aanbidden en het uiterlijk en de houding van christenen aannemen, alleen om hunne heimelijke misdaden te verbergen, en voor deugdzaam door te gaan, opdat zij des te beter hunne zelfzuchtige oogmerken kunnen bereiken, wat is dat anders dan eene overgave van Gods heiligdom aan lage schijnheiligheid ? Wanneer de geschiedenissen en uitdrukkingen van Gods woord, zijne reine en heerlijke waarheden, zijne verheven en ontzagwekkende leeringen worden aangehaald om eene woordspeling te maken, een grap, eene bittere spotternij te voorschijn te brengen, gelach te verwekken, aanleiding tot spot te geven, wat is dat anders dan wederom Belsazar, die heiligschennend de gewijde vaten neemt om een' goddeloozen maaltijd luister bij te zetten ?

Er is reeds meer gezegd, dat iets dergelijks plaats heeft, wanneer de verheven beschrijvingen van het aanstaande oordeel, de geschiedenis van het lijden onzes Heeren, of dé grootsche geschiedenis der openbaring als muzikale voordrachten gegeven worden, wanneer de heiligste woorden tot kunstuitingen gemaakt worden, om het gevoel te versterken, zijne uitwerking dieper te maken, het publiek te behagen en aan kunstenaars toejuiching te verzekeren. Nog erger heerscht deze geest van godslastering daar, waar het hart, tot God

ocr page 152

—136 Af

geschapen j wordt veranderd in een' zetel van den Mammon, van begeerte en hebzucht, waar de liefde, waarop God recht heeft, slechts op het aardsche wordt gericht, waar de gaven, die de Almachtige verleende, slechts in den dienst van het eigen ik en van den duivel besteed worden, waar de zielen, die bestemd waren om in het schoone Vaderhuis te schitteren en te leven, tot vaten van vernederenden hartstocht en boosheid worden gemaakt. Wij keuren deze ontheiliging in Bel-sazar af, maar zijne zonde leeft ook onder ons in vele vormen.

Hebben wij niet reden genoeg, er met onrust aan te denken, hoe wij in het boek des levens aangeschreven staan, wanneer wij zien, hoe het dezen man ging? Hij was een heidensch vorst en had onze kennis en openbaring niet. Wij zijn als kinderen van een chris lelijk land en christelijke gezinnen opgegroeid bij het gelui der kerkklokken en van onze jeugd af met het heilige bekend. Hij had slechts één groot voorbeeld, om hem te bekeeren en te leiden, wij hebben er duizenden en de genadebewijzen van vele eeuwen. De vaten, die hij ontheiligde, waren in den oorlog veroverd en 's konings eigendom geworden. Een heiden kon het voor geoorloofd houden, dat hij ze gebruikte, waarvoor hij wilde. Van de heilige zaken, die wij hebben, weten wij, dat zij aan den Heer behooren, en wij weten ook, dat Hij voor haar rechtmatig gebruik en Zijne rechtmatige eer ijvert.

En als nu een zoo plotseling en vreeselijk einde Bel-sazar voor zijne ontheiliging kwam straffen, wat hebben velen van ons dan te vreezen? Wanneer hij in Gods rechtvaardige weegschaal zoo licht werd bevonden, hoe zal het dan met hen gaan, die in strafwaardigen trots en overmoed op het Evangelie en den gekruisten Hei-

ocr page 153

-gt;* 137 flt;-

land neerzien en al de heilige lessen en waarschuwende vermaningen verachten, die hun tegenkomen ? Wanneer een heiden in eene heidensche omgeving veroordeeld werd, hoe zal het dan den heidenen gaan, die heidenen zijn gebleven in weerwil van alle beter weten en van den machtigen invloed der volkomen openbaring en der reine kennis van God ? Wanneer het „mene, mene,tekel, Upharsinquot; voor den heidenschen Belsazar werd geschreven, wat zal er dan nu geschreven worden voor hen, die hunnen plicht zoo goed kennen, en dien toch niet doen?

Mijne vrienden, in deze vragen ligt iets zeer verontrustends. Eene wereld van veelbeteekenende voorgevoelens wordt ons ontdekt. Het schijnt mij, als zag ik het tooneel des gerichts voor mij, wanneer de toorn des almachtigen Gods over de luid jammerende zielen komt, die kinderen der barrrihartigheid waren en voor wie geene hulp of redding meer is. Onder hen zijn velen, die ik ken, voor wie ik gepredikt en met wie ik gesproken heb. Ik vraag•: „Zal dit werke 1 ijk zoo zijn?quot; Ja, lieve vrienden, dat moet gij beslissen. Zooals het nu met velen gesteld is, kan het ook eens met u worden. Wanneer ik zie, hoe licht velen het opnemen, hoe onverschillig en dood velen voor deze gewichtige zaak zijn, met welk een trotsche minachting men zich daarvan afwendt als van eene onbeduidende kleinigheid, dan vraag ik nog des te meer: „Moet weder eens zoo iets gebeuren, wellicht even plotseling als de dood van Belsazar ?quot; Goddank, dat het nog niet zoo ver is gekomen! Het gericht wordt nog uitgesteld. Hoe lang het op den verharden zondaar wacht, weet God alleen. Moge niemand uwer mij onverschillig aanhooren of met de dierbare belangen zijner ziel spelen, terwijl de zon der genade hem nog beschijnt. Zoekt uwe toe-

ocr page 154

138

vlucht bij de verlossing van Jezus Christus, Die zegt „Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en I k zal urustgeven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij.dav Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uwe zielen.quot;

ocr page 155

HOOFDSTUK VIII.

De Medo-Perzische Rijkskanselier, of het geloof van Daniël op de proef gesteld. Daniël 6 : 1—24.

Doodstraf bij de ChaHeërs en de Perzen. — Veranderie regeering in Babylon. - quot;Voorliefda van den koning Darius v.or Dan;e.. — Eigin-aardigheid van het b (u i sn Daniël als kanselier. — Zijne grooi 'ii verwekt afgunst en gemor bij dc ondergeschikt imbten.— Samenzwering om hem ten v?.l te brengen. — De koning vaardigt eene gewichtige wet uit. — Daniël in den leeuwenkuil geworpen, maar niet beschadigd.

Het gedeelte, dat wij nu gaan behandelen, toont ons duidelijk de veranderde regeering in Babylon, die in het vorige hoofdstuk werd aangekondigd. Bij de Chal-deërs was de doodstraf door verbranding gewoonte. Door de Perzen, die vuuraanbidders waren, werd dit als iets afschuwelijks beschouwd, en zij doodden hunne veroordeelde misdadigers door hen voor de wilde dieren te werpen. De leeuwenkuil, die den brandenden oven vervangt, wijst ons op eene volkomen omkeering in de wetten en het bestuur des rijks. Die bemerken wij ook uit de verdeeling van het rijk in provinciën en de aanstelling van een afzonderlijk bestuurder of vorst over elke provincie, terwijl boven deze nog drie ministers werden gesteld, waarvan één als de voornaamste het ambt van kanselier of grootvizier bij den koning bekleedde. Wij zijn dus onder een geheel ander bestuur dan bij Nebucadnezar, wiens geslacht met zijn' rampzaligen kleinzoon Belsazar onderging.

ocr page 156

-Tgt;i 140 HS-

Er wordt ons bericht, dat „Darius de Meder het koninkrijk ontving, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde.quot; Navorschers, geschiedschrijvers en oudheidkundigen loopen ver uiteen in hunne gissingen, wie deze koning mag zijn geweest. Er zijn drie verschillende beschouwingen over dit onderwerp, en voorzoover onze tegenwoordige kennis reikt, schijnt het onmogelijk uit te maken, welke de juiste is. Gelukkig is het niet noodzakelijk, dat men deze vraag beantwoorde om te begrijpen, wat ons hier geleerd wordt. Alle feiten en uitspraken blijven precies dezelfde, of wij zeggen kunnen, wie deze Darius de Meder was, of niet. Waarschijnlijk was hij dezelfde, die als Astyages bekend is, en aan wiens hof Cyrus, de veroveraar, werd opgevoed. In ieder geval belichaamde en verwezenlijkte hij /de Medo-Perzische heerschappij over Baby Ion, na de verovering door Cyrus.

Toen hij, na den val van Nabonnetus en Belsazar, Babylon had veroverd, vestigde hij zijne opmerkzaamheid bijzonder op Daniël, niet slechts omdat deze gedurende eene lange reeks van jaren aan het hof had verkeerd, maar vooral om zijne verklaring van het geheimzinnige schrift aan den wand, zijne voorzegging van Belsazars ondergang en zijne uitstekende wijsheid gedurende de regeering van den grooten Nebucadnezar. Natuurlijk kwam de wensch in hem op, zich van de diensten en talenten van dezen wijzen, ondervindingrijken en rechtschapen man te verzekeren. Toen hij met hem in aanraking kwam, leerde Darius zijne buitengewone talenten en uitstekende bekwaamheid kennen, die hem zoo geschikt maakten, hulp te bieden bij de inrichting en het bestuur van het zoo aangegroeide rijk.

Hoewel Darius zelf een tamelijk zwak, flauwhartig en

ocr page 157

-5-i 141

besluiteloos mensch schijnt geweest te zijn, had hij toch veel ervaring als regent en wist met menschenkennis en wijsheid vertrouwbare en bekwame mannen voor gewichtige betrekkingen te kiezen. Zelfs zwakke en slechte lieden hebben gaarne brave en trouwe dienaren en geven de voorkeur aan hen, die beter beginselen volgen dan zijzelven. Het is eene hulde aan de deugd, al volgen zij haar niet altijd na. Wat voor gebreken Darius ook bad, hij was wijs genoeg om den besten en bekwaamsten man in Babyion tot zijn' eersten minister te maken. Hij benoemde Daniël tot den eersten van drie ministers, die boven alle andere vorsten en stadhouders stonden, die onder de Medo-Perzische heerschappij het rijk bestuurden.

Zulk een man in zulk eene positie, die de zaken met strenge nauwgezetheid en onpartijdigheid beheerde, die zelf volstrekt eerlijk was, en geene oneerlijkheid en bedrog in anderen duldde, die steeds rees in de achting des konings en de gunst des volks, kon, zooals het in de wereld nu eenmaal gaat, niet ontsnappen aan de afgunst en de boosaardigheid van degenen, die hem niet konden evenaren, en wier inhalige eerzucht hij in den weg stond. Het is eene eigenaardigheid in den verdorven mensch, dat hij afkeurend en vijandig tegenover de voortreffelijkheid en de verdiensten van anderen staat. Hij erkent niets, dat hem overtreft.. Het ligt in de natuur van den duivel, dat hij de aanklager is dei-vromen en van degenen, die om hunne verdiensten ge-eerd worden; en zijne kinderen gelijken daarin op hun vader. Zij worden door de grootheid of het fortuin van degenen, die boven ben staan, gekrenkt, vernederd, verontrust en met vijandige gevoelens vervuld. Zij genieten, wanneer zij hen kunnen vernederen, die meer voorrechten hebben dan zij. Wanneer zij hun in enkele

ocr page 158

142 ^

opzichten hunne achting moeten schenken, beijveren zij zich, eene oorzaak te vinden om deze te kunnen terugnemen.

Zij moeten toegeven, dat Job een oprecht en god-vreezend man was, doch zij ontdekken een „maarquot; in zijne beweegredenen, dat aan dezen een' schijn van eigenbelang geeft.

Vooral heeft dit plaats in het openbaar leven. Intriganten en eerzuchtigen schijnen geboren te worden met de zucht om iederen hooggeplaatste, die eerlijk zijn plicht wil doen en zich beijvert in het staatsbestuur rechtvaardigheid te doen heerschen, te vervolgen. Weinigen betreden dit strijdperk zonder duistere, zelfzuchtige oogmerken, en wanneer een aanzienlijke niet in hunne plannen tot zelfverheffing instemt, hunnen trots niet vleit, niet voor hunne oneerlijkheid de oogen sluit en zijn geweten niet wil verkrachten, zal hij zeker hunne prooi worden. Men zal beschuldigingen tegen hem verzinnen, hem lagen leggen en listige plannen bedenken om quot;hem in verwarring te brengen, te onteeren of ten val te brengen. De grootste persoonlijke vijanden sluiten gaarne een verbond tegen een' man, die het karakter en den moed heeft, pal te staan tegenover hunne zelfzucht, hunne onderdrukking, hunne inhaligheid en hunne valsche eerzucht. Al zijn zij de ijverigsten geweest om hem te verheffen, zij zullen hem belasteren, wanneer zij niet kunnen deelen in zijn' voorspoed, of wanneer hij hunne lage oogmerken niet wil dienen.

Zoo ging het ook hier. Daniël was een man van eer en een eerlijk man. Zijne grootheid wees hem aan als den geschiktsten man voor de plaats, die hij bekleedde. Hij vervulde zijn' plicht naar de vaste grondstellingen van rechtvaardigheid en deugd. Als mensch en als staatsdienaar was zijn gedrag onberispelijk. De belan-

ocr page 159

143 h$-

gen des konings leden geen schade onder zijn bestuur. Hoe meer deze hem leerde kennen, hoe meer hij zijne buitengewone bekwaamheden waardeerde. Daarom „dacht de koning hem te stellen over het geheele koninkrijk.quot;

Dit konden de Medo-Perzische beambten niet verdragen. Het kwam niet met hunne plannen overeen, en verstoorde hunne lage bedoelingen. Het beteugelde hun omkoopen en onderkruipen, de gewoonste ondeugden der Oostersche, misschien ook der Westersche, dienaren van den staat. Het baande den weg tot reinheid van zeden en eerlijkheid in zaken, waarmede laaghartige , ondergeschikten nooit ingenomen zijn. Vandaar de samenzwering der vorsten en stadhouders om Daniël te doen afzetten en ondergaan. Wat gaven zij om de wijze waarop zij dit deden? Het doel was hem uit den weg te ruimen, en dit doel was hun gewichtig genoeg om alle middelen te rechtvaardigen. De overmacht was aan hunne zijde. Wat een of twee niet zou kunnen doen, zou men met vereenigde krachten uitvoeren.

Zoo togen zij met hunne gansche boosaardige scherp zinnigheid aan het werk, om den edelsten man en den eerlijksten staatsman, die ooit in Babyion het bewind had gevoerd, te doen vallen en ondergaan. Zij legden zich er op toe, hem te bespieden. Koelbloedig onderwierpen zij eiken trek en elke daad aan een nauwkeurig microscopisch onderzoek. Zij dachten aan zijn' gevorderden leeftijd — of zij niet konden laten doorschemeren, dat hij de jaren te boven was om zulke moeilijke plichten te kunnen waarnemen. Zij bedachten, dat hij in de oorlogen en veldtochten, waardoor dit rijk veroverd was, aan de zijde der Babyloniërs en niet aan die der Medo-Perzen had gestaan — of zij niet op dezen grond hem het recht konden ontzeggen, onder den overwinnaar zulk een hoogen rang te bekleeden.

ocr page 160

-gt;■ 144 f-s-

Zij spoorden zijne gangen na, in de hoop van hem op eene oneerlijkheid te betrappen en daarvan aan te klagen. Had hij slechts de geringste fout begaan, zij zouden die ontdekt hebben.

Misschien was nooit iemand op aarde het voorwerp van zulk eene waakzame bespieding, die tot doel had, hem ten val te brengen, als die waaraan Daniël door deze afgunstige en gewetenlooze vorsten en stadhouders der Medo-Perzen onderworpen was. Er zijn niet veel staatslieden, die de proef van zulk een smeltkroes zouden kunnen doorstaan.

Maar zie, wat de ware godsvrucht van eenen mensch maakt. „Zooals de bergen rondom Jeruzalem zijn, zoo is de Heer rondom degenen, die Hem vreezen.quot;

Hoewel deze kwalijkgezinden vast besloten hadden, Daniël ten val te brengén, konden zij geen' misslag van hem ontdekken. De vroomheid zat bij hem diep geworteld en had eene reinheid, waardigheid en rechtschapenheid van leven en karakter geschapen, waartegen de lastertongen niets konden inbrengen. Zij konden geene aanklacht tegen hem staande houden, noch tegen zijn gedrag, noch tegen zijn bestuur. Zijne handen waren niet door omkooping verontreinigd, zoo min als zijn hart door het loon der ongerechtigheid. Met geduld en onpartijdigheid onderzocht hij alle klachten, sprak recht, en bestrafte het kwaad.

Hij beschermde allen met rechtvaardigheid en billijkheid. De raadgevingen, die hij zijn' meester gaf, waren zóó verstandig, dat zij den koning steeds geluk aanbrachten. Zijne staatkunde bleek altijd wijs en goed te zijn. Zijn bestuur der inkomsten was vlekkeloos, zijne berekeningen waren juist, zijne ontvangsten en uitgaven door en door eerlijk. Hij hield er geene gunstelingen op na, had geene zelfzuchtige bedoelingen,

ocr page 161

145 f«-

Hij beschermde allen met rechtvaardigheid en billijkheid. De raadgevingen, die hij zijn' meester gaf, waren zóó verstandig, dat zij den koning steeds geluk aanbrachten. Zijne staatkunde bleek altijd wijs en goed te zijn. Zijn bestuur der inkomsten was vlekkeloos, zijne berekeningen waren juist, zijne ontvangsten en uitgaven door-en-door eerlijk. Hij hield er geene gunstelingen op na, had geene zelfzuchtige bedoelingen, geene oneerlijke gangen of verdachte hande' ingen, waarover men hem rekenschap had kunnen afvragen. Zijne godsdienstigheid maakte hem waar in al zijn leven, en getrouw in alles wat hem toevertrouwd was. Hij bedroog niemand, onderdrukte niemand, deed zelf geen kwaad, en duldde geen onrecht.

Zijne beginselen en daden waren zoo rein en edel, dat zelfs de diepgezonken samenzweerders bij alle moeite die zij deden, hem te vernederen „geene gelegenheid noch misdaad konden vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijp noch misdaad in hem gevonden werd.quot; Tegen hun zin moesten zij bekennen: „Wij zullen tegen dezen Daniël geene gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in de wet zijns Gods,quot; Nooit is wel een in het openbaar leven geplaatst man zoo rechtvaardig, gegrond en volkomen geprezen geworden als Daniël door deze gewetenlooze Medo-Per-zische vorsten. Zelfs de haat moest getuigenis afleggen van zijn' eerbied voor dengene, dien hij vervolgde. Het karakter van Daniël wordt daardoor boven elke verdenking en elke blaam verheven.

Zoo doorstond hij deze proef, (evenals zijne drie vrienden door den oven van Nebucadnezar waren gegaan, zonder dat hun één haar werd verzengd, of de reuk des vuurs door hunne kleederen gegaan was,) te midden van een heidensch volk, aan het hoofd van

Goddelijke Stemmen. 10

ocr page 162

-gt;i 144 Hg-

Zij spoorden zijne gangen na, in de hoop van hem op eene oneerlijkheid te betrappen en daarvan aan te klagen. Had hij slechts de geringste fout begaan, zij zouden die ontdekt hebben.

Misschien was nooit iemand op aarde het voorwerp van zulk eene waakzame bespieding, die tot doel had, hem ten val te brengen, als die waaraan Daniël door deze afgunstige en gewetenlooze vorsten en stadhouders der Medo-Perzen onderworpen was. Er zijn niet veel staatslieden, die de proef van zulk een smeltkroes zouden kunnen doorstaan.

Maar zie, wat de ware godsvrucht van eenen mensch maakt. „Zooals de bergen rondom Jeruzalem zijn, zoo is de Heer rondom degenen, die Hem vreezen.quot;

Hoewel deze kwalijkgezinden vast besloten hadden, Daniël ten val te brengén, konden zij geen' misslag van hem ontdekken. De vroomheid zat bij hem diep geworteld en had eene reinheid, waardigheid en rechtschapenheid van leven en karakter geschapen, waartegen de lastertongen niets konden inbrengen. Zij konden geene aanklacht tegen hem staande houden, noch tegen zijn gedrag, noch tegen zijn bestuur. Zijne handen waren niet door omkooping verontreinigd, zoo min als zijn hart door het loon der ongerechtigheid. Met geduld en onpartijdigheid onderzocht hij alle klachten, sprak recht, en bestrafte het kwaad.

Hij beschermde allen met rechtvaardigheid en billijkheid. De raadgevingen, die hij zijn' meester gaf, waren zóó verstandig, dat zij den koning steeds geluk aanbrachten. Zijne staatkunde bleek altijd wijs en goed te zijn. Zijn bestuur der inkomsten was vlekkeloos, zijne berekeningen waren juist, zijne ontvangsten en uitgaven door en door eerlijk. Hij hield er geene gunstelingen op na, had geene zelfzuchtige bedoelingen.

ocr page 163

-sh 145 Hé-

Hij beschermde allen met rechtvaardigheid en billijkheid. De raadgevingen, die hij zijn' meester gaf, waren zóó verstandig, dat zij den koning steeds geluk aanbrachten. Zijne staatkunde bleek altijd wijs en goed te zijn. Zijn bestuur der inkomsten was vlekkeloos, zijne berekeningen waren juist, zijne ontvangsten en uitgaven door-en-door eerlijk. Hij hield er geene gunstelingen op na, had geene zelfzuchtige bedoelingen, geene oneerlijke gangen of verdachte hande ingen, waarover men hem rekenschap had kunnen afvragen. Zijne godsdienstigheid maakte hem waar in al zijn leven, en getrouw in alles wat hem toevertrouwd was. Hij bedroog niemand, onderdrukte niemand, deed zelf geen kwaad, en duldde geen onrecht.

Zijne beginselen en daden waren zoo rein en edel, dat zelfs de diepgezonken samenzweerders bij alle moeite die zij deden, hem te vernederen „geene gelegenheid noch misdaad konden vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijp noch misdaad in hem gevonden werd.quot; Tegen hun zin moesten zij bekennen: „Wij zullen tegen dezen Daniël geene gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in de wet zijns Gods,quot; Nooit is wel een in het openbaar leven geplaatst man zoo rechtvaardig, gegrond en volkomen geprezen geworden als Daniël door deze gewetenlooze Medo-Per-zische vorsten. Zelfs de haat moest getuigenis afleggen van zijn' eerbied voor dengene, dien hij vervolgde. Het karakter van Daniël wordt daardoor boven elke verdenking en elke blaam verheven.

Zoo doorstond hij deze proef, (evenals zijne drie vrienden door den oven van Nebucadnezar waren gegaan, zonder dat hun één haar werd verzengd, of de reuk des vuurs door hunne kleederen gegaan was,) te midden van een heidensch volk, aan het hoofd van

Goddelijke Stemmen. 10

ocr page 164

-gt;• 146 ilt;-

oneerlijke, naijverige en eerzuchtige beambten en ten prooi aan al de 'verzoekingen, waaraan de toegevendheid van een welwillend meester hem blootstelde. Het wonder, waardoor hij werd gered, was niet geringer dan de bewaring zijner vrienden. Zoo is de eerlijkheid eene groote beschermende en verheffende macht, en de ware gerechtigheid een schild der vromen. De samenzweerders hadden de dwaasheid van hun streven om Daniël ten val te brengen, moeten inzien, toen zij zoo overtuigd waren van zijne onberispelijke rechtschapenheid. Nu zij zijne bekwaamheid, zijne reinheid en waarde hadden erkend, verwachten wij eenige blijken van schaamte en berouw over het ongelijk, dat zij hem hadden aangedaan. Plato geloofde, dat wanneer de vol maakte deugd en waarheid uit den hemel nederdaalden en haren luister op aarde verspreidden, alle menschen voor haar zouden knielen om haar te aanbidden. Maar hij kende de diepte der menschelijke verdorvenheid niet. De volmaakte waarheid en deugd z ij n uit den hemel nedergedaald in Jezus Christus en hebben jaren lang in vlekkelooze schoonheid en reinheid voor de oogen der menschen gestaan, maar de kinderen der wereld, de aanzienlijken en het volk riepen; „Weg met Hem! en

kruisigden Hem.

Wanneer de booze geesten van zelfzucht, afgunst en boosaardigheid het hart in bezit nemen, zijn geene deugd, geen goedheid, geen onschuld, geen verdienste in staat, hunne macht te breidelen. Hoe onweerlegbaarder de bewijzen van Stephanus werden, hoe sterker zijn aangezicht met engelen-heerlijkheid scheen, des te meer verhardden zijne kwaadaardige vervolgers zich, eischten zijn leven en verhaastten zijn martelaarschap. Zoo ging het ook in het geval, dat ons nu bezighoudt. Hoe meer deze mannen zich van Danifels

ocr page 165

147 k~

deugd overtuigden, des te vaster stond hun besluit om hem ten onder te brengen.

Op e'éne zaak wisten zij, dat zij konden rekenen. Zij zagen zijne oprechtheid en onbuigzaamheid in al wat zijn' godsdienst betrof, en wanneer zij slechts een plan konden bedenken om hem te noodzaken, de trouw aan zijn' God te breken of te sterven, dan waren zij zeker van den uitslag. Daarop legden zij zich nu toe met verdubbelden haat, veinzerij en huichelarij.

Beschouwen wij een oogenblik de listige gemeenheid van hun plan.

Om Daniël ten val te brengen, was het noodig, dal het koninklijk gezag bedreigd scheen te worden. Zij waren overtuigd, dat elke poging om hem aan te klagen, zou mislukken en hen zelf in gevaar brengen. Daarom besloten zij Daniël in het geheel niet te noemen, en diepen eerbied voor den koning te veinzen, alsof zij zeer bezorgd waren voor het aanzien van zijn persoon en de erkenning van zijne goddelijke grootheid. Het was voor Oostersche vorsten niets ongewoons, als plaatsvervangers der godheid, door hunne onderdanen te worden aangebeden, üe geschiedkundige gedenk teekenen leeren ons, dat het voor een der voornaamste plichten werd gehouden den koning, als een God te vereeren en te aanbidden.

Het gedrag der samengezworenen moest nu bewijzen,, hoe hoog zij de eer van hunnen meester stelden, en hem overhalen, een koninklijk bevel uit te vaardigen, dat zijne goddelijke waardigheid in het licht stelde en hem de eerbiedige hulde verzekerde, waarop hij aanspraak had. De Meden en Perzen hielden hunne wetten voor onveranderlijk, omdat zij aannamen, dat de koning' eene godheid en dus onfeilbaar was. Deze mannen beweerden nu, dat hun aan deze goddelijkheid des konings

ocr page 166

-gt;. 148 *lt;-

zeer veel gelegen was en dat die aan alle onderdanen van het gansche rijk moest worden ingeprent. Zij wisten geen verstandiger en praktischer wijze om dit te bereiken, dan dat de koning eene ordonnantie teekende en liet afkondigen, „dat al wie in dertig dagen een verzoek doen zal van eenigen God of menschquot; — een gebed uitspreken of eene daad van aanbidding verrichten, behalve aan hem — „die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden,quot; d. w. z. ter dood veroordeeld worden.

Dit was dus het listige voorstel, waarmede zij tot Darius kwamen. Zij ondersteunden het met breedvoerige verzekeringen van hunne eigen aanhankelijkheid, en van hunne heilige overtuiging, dat ieder onderdaan op straffe des doods den koning de verschuldigde eer moest bewijzen. Wij behoeven ons niet over dezen voorslag te verwonderen, wanneer wij nagaan, dat zelfs in onze dagen eene algemeene vergadering van de hoogste waardigheidsbekleders der kerk, welke aanspraak maakt de eenige ware te zijn, overeenkwam, aan een zwak, bejaard man in Rome het bezit van goddelijke onfeilbaarheid toe te kennen.

Wanneer de paus te Rome er genoegen in vindt, zulk eene ongerijmde eer in naam van den Allerhoogste en van Zijne ons verlichtende waarheid aan te nemen en uit te oefenen, is het ook geen wonder, dat de raadgevingen der Medo-Ferzische „vorsten, overheden en stadhouders, raadsheeren en landvoogdenquot; den hoogmoe-digen heidenschen koning, die toen den troon bekleedde, voortreffelijk toeschenen. De geschiedenis zegt ons ten minste, dat deze sluipmoordenaars hun doel bereikten, en dat zij den gevleiden en onnadenkenden koning bewogen, een gebod te geven en het geschrift, dat zij hem voorzegden, te onderteekenen, „dat het niet ver-

ocr page 167

-Sn 149

anderd werde,quot; maar voor altijd verbindend was als een goddelijk koninklijk besluit „naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden.quot;

Dit was het snoode plan en zijne uitvoering. Schijn-0 baar diende het om den koning te eeren en te verheer

lijken, in werkelijkheid echter om den man te vermoorden, die de eerste na hem was en die meer van het goddelijke in zich had dan alle koningen, vorsten en stadhouders van Medo Perzië te zamen. De grondslag was eene heidensche leugen, eens monsterachtige huichelarij, en het was niet? anders dan een koelbloedige moordaanslag op den grootsten, besten en reinsten man in het land. Wij mogen ons wel verbazen, dat met rede begaafde menschen zoo boosaardig en valsch konden zijn, zoo alle waarheid konden minachten, en zoo misdadig en huichelachtig tot de uitvoering van zulk een laag plan konden overgaan. Maar het was zoo, en zoo diep kunnen menschen zinken, wanneer zij eenmaal van recht en geweten zijn afgeweken. Wee u, die met overtuiging en beter weten een spel drijft! Laat u waarschuwen voor het groote gevaar, dat u bedreigt, wanneer gij u door uwe hartstochten laat beheerschen tegen de stem van rechtvaardigheid en deugd in. Het is een zeer groot waagstuk, al is het voor een enkelen keer en in kleinigheden, rede, recht en eerlijkheid op te offeren aan zelfzucht en haat. Niemand kan weten tot welke vreeselijke zonden het leidt of onder welke verderfelijke macht het hem zal brengen.

Laat ons zien, hoe deze schandelijke zaak afliep. Darius genoot de twijfelachtige eer, dat men hem huichelend als een God vleide. De naijverige en listige grooten hadden de voldoening, dat het aanzien van den vorst hun borg bleef voor de uitvoering hunner moordplannen. En het scheen, dat er geene hoop meer over-

ocr page 168

150 H$-

bleef voor den godvreezenden Daniël: hij moest zijne .plichten tegenover Jehova verzaken, of sterven. Wat zou hij doen? Hij kende de hem vijandige stemming. De nieuw ingevoerde maatregelen hadden zijne aandacht getrokken. Klaagde hij deze mannen aan, dan zou hij bijna alle ambtenaren des rijks daarbij betrek ken, en zijn eigen ondergang veroorzaken door zich tegen de overmacht te verzetten. Bij den koning iets tegen het gebod in te brengen zou partijdig schijnen tegenover het nationaal geloof, en hem tot een oproermaker stempelen, die trachtte de hoogste overleveringen en de heiligste politieke leerstellingen der Meden en Perzen op zijde te zetten, en hem doen voorkomen als een trouweloos tegenstander van de eer en waardigheid des konings. Zijn ambt nederleggen en de vlucht nemen zou laf geweest zijn en bood hem ook weinig kans op een gunstigen uitslag.

Ja, hij was zoo aan alle zijden omringd, dat hem niets overbleef dan als een trouw dienaar van Jehova, zich in zijn lot te schikken, zijne dagelijksche gebeden te blijven doen, en den uitslag nederig aan God over te laten. Toen Daniël dus vernam, „dat dit schrift ge-teekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijne opperzaal open vensters naar de zijde van Jeruzalem), en hij knielde drie malen daags op zijne knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijnen God, ganschelijk gelijk hij vóór dezen gedaan had,quot; Hij wist, dat het zonder een wonder onmogelijk was aan de handen dezer bloeddorstige samengezworenen te ontkomen. De leeuwenkuil en daarin door de wilde dieren verscheurd te worden, scheen zijn onvermijdelijk einde.

Maar hij wist ook, in Wien hij geloofde. Wanneer God hem van dezen dood wilde redden, was hij gerust, dat geene woede van menschen of dieren hem iets kon

ocr page 169

doen, en wanneer het Gods wil was, dat zijn aardsche leven op deze wijze zou eindigen, waarom zou hij dan iets anders begeeren? Hij wist, dat God met hem was en dat zonder Diens wil hem geen haar gekrenkt kon worden. Hij kon terugzien op een leven van onberispelijke vroomheid en hij had altijd de bijzondere genade van Jehovah ondervonden, wat konden dan men-schen hem doen ? Al zouden ook weldra de leeuwen aan zijn gebeente knagen, kon hij zijne laatste levensdagen door een lafhartigen afval enteeren ? Daarom laat hij in zijne kalme berusting, die hem in het aangezicht des doods bijna nog verhevener toont dan onder de plichten des levens, niets na van hetgeen hij gewoon was te doen, en neemt ook geene maatregelen om zich voor de boosaardige bespieding zijner vijanden te verbergen. Groot is inderdaad de kracht van een levend geloof. Het kan over ellende en gevaar heenzien. Het stelde de eerste Christenen in staat, ketenen, slagen, gevangenis en dood te verachten. Het verhief Paulus zoozeer boven het lijden der wereld, dat hij zelfs in de verdrukking roemde. Het deed Polycar-pus de vlammen, die hem moesten verteren, beschouwen als een goddelijk middel om hem in de eeuwige heerlijkheid op te voeren. Het gaf Daniël kracht om zoo kalm te blijven als de sterren aan den hemel, ofschoon hij den volgenden dag aan de wilde dieren zou voorgeworpen worden. Niets ter wereld kan zoo zegenen, verrijken, geruststellen, en veredelen als de ware godsvrucht.

De droefheid des konings was groot, toen hij vernam, wie door zijn ongelukkig gebod werd getroffen. Maar hij verweet zich nu te vergeefs zijne goddelooze dwaasheid. Hij had gaarne het gebod herroepen, maar bij had uitdrukkelijk verklaard, dat dit niet kon ge-

ocr page 170

^ 152

/

beuren. Hij had de rol van een dwaze gespeeld. Onwetend had hij het doodvonnis onderteekend van den getrouwsten man, den waardigsten dienaar in zijn rijk. Hij was een werktuig van listige moordenaars geworden. Hij had zich verbonden, den man uit den weg te ruimen, dien hij het bestuur over zijn gansche rijk gegeven had. Zijne ijdelheid had hem tot een' stap verleid, die hem zijn besten vriend zou ontnemen. En met reden „was hij zeer bedroefd bij zich zeiven, en stelde het hart op Daniël om hem te verlossen,quot; en beijverde zich berouwvol de noodlottige gevolgen van zijne onvoorzichtigheid af te wenden. Maar het was vergeef-sche moeite. Zij, die niet nadenken en overwegen eer zij handelen, moeten voor hunne fouten boeten.

Volgens de Medo Perzische wetten was Daniël niet te redden. De vijandige grooten eischten luide de handhaving van het gebod. Het was duidelijk, dat de' benijde kanselier, tegen het gebod, tot zijn' God had gebeden. De straf tegen deze ongehoorzaamheid was bepaald. Dezelfde mannen, die onlangs den koning tot eene godheid verhieven, ontzagen zich nu niet, hem met verderf te dreigen, wanneer hij niet liet uitvoeren, wat hij had onderteekend. Hovelingen en vleiers zijn altijd in hun hart tyrannen. Wanneer zij machtig worden, zijn het onderdrukkers. Met eene onderwerping, die ons pijnlijk aandoet, gaf de arme koning het bevel: „En zij brachten Daniël voor en wierpen hem in den kuil der leeuwen.quot; En voor alle zekerheid „werd er een steen gebracht, en op den mond des kuils gelegd-, en de koning verzegelde denzelven met zijn' ring, en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zoude veranderd worden.quot;

Dit zou nu het uiteinde van den edelen stadhouder zijn — een treurig einde voor zulk een groot, trouw.

ocr page 171

153 ^s-

goed man! Zijne haters verheugden zich over den goeden uitslag van hun moordplan en rekenden nu hun fortuin gemaakt. Maar „de zege der boozen is kort van duur, en de vreugde des huichelaars is voor een oogen-blik.quot; God had Zijn' dienaar niet verlaten, en hooger Macht dan die van Darius had besloten, dat Daniël niet op deze wijze door zijne vijanden zou uit den weg geruimd worden. Jehova beteugelt met Zijne hand de aanslagen der menschen en de woede der wilde dieren. Hij kan den haat der grooten onschadelijk maken en den muil der leeuwen toesluiten, en Hij deed het eene zoowel als het andere.

ocr page 172

HOOFDSTUK IX.

De wereldrijken, of het gezicht der vier dieren.

Daniël 7 : 1—28.

Eenc nieuwe afdeeling van het boek. — Daniels droom van de vier groote dieren uit de zee. — De wereldheerschappij uil het gezichtspunt van den profeet beschouwd. — Babyion, de gevleugelde leeuw. — Medo-Perzië, de be-'r. — Alexanders heerschappij, de vierhoofdige luipaard. — Rome, het verschrikkelijke onbeschrijfbare. — Het oordeel. — Goeden en boozen. — Het korren van den Zoon des mtnschen. — Het koninkrijk der toekomst. — Het heerlijk erfdeel dtr heiligen.

Het boek Daniël bestaat uit twee voorname afdee-lingen — het geschiedkundige deel en het profetische deel. Het eerste deel, waarover wij tot nu toe hebben gehandeld, bestaat uit eene aaneenschakeling van verhalen met betrekking tot de persoonlijke geschiedenis van den profeet en van degenen, met wie hij in aanraking kwam, terwijl het tweede deel, dat met dit hoofdstuk aanvangt, eene verzameling bevat van zijne eigen profetische gezichten uit verschillende tijden van zijn leven en de verklaring daarvan door hemelsche Machten. In de vorige hoofdstukken vindt men eveneens profetische gezichten; maar die had Daniël niet gezien, ofschoon hij werd geroepen om ze te verklaren. Zoo vindt men ook in de latere hoofdstukken enkele persoonlijke bijzonderheden; maar deze dienen alleen tot aanwijzing van den tijd en de omstandigheden, waar-

ocr page 173

155 :lt;-

onder de gezichten plaats hadden. Hoofdzaak is van hier af de profetie.

Als tijdsbepaling voert dit hoofdstuk ons terug onder de regeering van Belsazar, koning van Babylon. In het eerste jaar der regeering van dezen vorst had Daniël dit gezicht. Het verscheen hem in den nacht; want het was een tijd van groote duisternis en beproeving voor het volk Gods. Het verscheen hem in de gedaante van een' droom, terwijl hij op zijn leger rustte; want hoe minder deze wereld onze gedachten en opmerkzaamheid vervult, des te beter zijn wij toegankelijk voor heilige ingevingen uit eene andere. Hij teekende ook alles zorgvuldig op.

Wat Daniël zag, was „de zeequot;, misschien de Middel-landsche zee, in elk geval eene „groote zee.quot; Zij was niet kalm, maar door storm bewogen. De winden des hemels waaiden uit de tegenovergestelde richtingen hevig op haar aan, haar woest bewegende en heen en weder drijvende. En toen hij toekeek, klommen er vier dieren uit de zee. Zij kwamen niet alle tegelijk, maar één voor één. Het eerste was als een leeuw en het had arendsvleugels. In de natuur kent men zulk een dier niet, maar dit was het gezicht van den profeet. Terwijl hij de loopbaan van dit dier volgde, zag hij, dat zijne vleugels uitgeplukt werden. „En het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld als een mensch, en aan hetzelve werd eens menschen hart gegeven.quot; Dan. 7 : 4.

Na dezen gevleugelden leeuw klom een tweede dier op, forsch en plomp gelijk een beer, maar forscher en grooter aan de eene zijde dan aan de andere. Het had drie ribben van een verscheurd dier tusschen zijne tanden en men zeide aldus tot hetzelve: „Sta op, eet veel vleesch.quot; Na dezen beer kwam een derde dier, nog

ocr page 174

-5-i 156 tlt;-

vreeselijker dan de vorige geweest waren. Zijne gedaante was over het geheel als een luipaard of panter; maar het had vier hoofden, en vier vleugels eens vogels op zijn' rug. Aan hetzelve werd eveneens de heerschappij gegeven. Na .dezen vierhoofdigen en viervleugeligen luipaard kwam een vierde nog verschrikkelijker dier. De profeet geeft het geen naam en schijnt niet te hebben geweten, waarmede het te vergelijken; maar hij beschrijft het als „schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk.quot; Het had groote ijzeren tanden en klauwen van koper en tien horens, en at, en verbrijzelde en vertrad het overige met zijne voeten. Het geleek op geen der dieren, die vóór hetzelve geweest waren. Na verloop van tijd kwam tusschen de tien horens nog een hoorn te voorschijn, en rukte drie der andere uit, waarvoor hij in de plaats kwam. Hij was eerst klein, maar werd weldra groot en sterk, de voornaamste en de eerste der overige horens. Hij had oogen als menschenoogen (vol wijsheid) en een mond, die groote dingen sprak, vol aanmatiging, trots en godslastering. Dit dier en deze laatste hoorn wekten vooral verwondering bij den profeet. Het was bijzonder het middelpunt van zijne opmerkzaamheid en verwachting. Maar terwijl hij deze schepselen uit de bewogen zee zag komen en de onderscheiden loopbanen dezer monsters beschouwde, trad hem nog meer voor de oogen.

Terwijl het laatste dier zijn elfden hoorn voortbracht, zag Daniël, dat er tronen gezet werden in de wolken alsof zij nader aan de aarde werden gebracht en dat de Eeuwige Zich nederzette in de gansche ernstige majesteit Zijner almacht.

Hij was bekleed met het lange golvende gewaad der macht en der koninklijke heerschappij, zoo wit als sneeuw, zoo rein en heerlijk; en het haar Zijns hoofds

ocr page 175

-5* 157 ^

was als zuivere wol. Hij scheen op een vurigen troon te zitten, die op raderen van vlammen rustte. Eene vurige rivier vloeide en ging van vóór Hem uit. Duizendmaal duizenden dienden Hem, en tienduizendmaal tienduizenden stonden vóór Hem. De beteekenis dezer verschijningen was niet twijfelachtig. Hef was het groote oordeel der eeuwigheid, dat beslist over het lot en de toekomst dezer dieren, vooral over den godslasterlijken elfden hoorn van het laatste. Daniël erkende het gericht en zag, dat de boeken werden geopend. Hij zag dus met gespannen verwachting toe, om te weten, wat er-zou gebeuren met eene macht, die zulke grenzenlooze en weerspannige godslastering gesproken had. Hij bleef niet lang in onzekerheid. Het dier werd gedood en zijn lichaam overgegeven om verbrand te worden. Den overigen dieren werd de heerschappij ontnomen en zij leidden' slechts een ellendig leven tot den vastgestelden tijd. Maar de profeet haJ nog eene andere verschijning, als een deel van hetzelfde gezicht. Hij zag Een als eens menschen Zoon, met de wolken des hemels komen en Hem werd door den eeuwigen Vader heer schappij en eer en het koninkrijk gegeven, dat Hem alle volken, natiën en tongen eeren zouden, en dat zijne heerschappij niet vergaan zoude. Dat is de beschrijving van hetgeen de profeet aanschouwde. Het was alles zoo geheimzinnig en vreeselijk, dat hij diep ontroerd en zijn geest verschrikt werd bij de gedachte, wat dit kon beteekenen. In den droom vroeg hij het aan een der hemelsche geesten, die om den troon stonden, en deze antwoordde het volgende; „Deze groote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen.quot; Het vierde dier zal het „vierde rijkquot; op aarde zijn, en uit dat rijk zullen tien koningen opstaan. Na hen zal een ander opstaan, de wederspannigste van

ocr page 176

158 ^

allen; hij zal „woorden spreken tegen den Allerhoogste, en hij zal de heiligen Gods verstoren, en hij zal meenen de tijden en de wet te veranderen.quot; Hij z;'l zich eene macht aanmatigen, die eerst op den dag des oordeels vernietigd wordt, wanneer de heerschappij zal gegeven worden aan het volk der heiligen Gods in een nieuw eeuwig hemelsch rijk.

Na deze verklaring door den engel is het duidelijk, dat het gezicht een beeld is van de wereldgeschiedenis van het eerste ontstaan der wereldheerschappij tot op den dag des oordeels en hetgeen dan in hare plaats zal treden. Het overziet dus juist dezelfde tijdruimte als de droom van Nebucadnezar, die in het tweede hoofdstuk medegedeeld en verklaard wordt. De vier metalen van het groote beeld, dat Nebucadnezar zag, beteekenen dezelfde heerschappijen als de vier dieren, die Daniël zag, met het onderscheid, dat de eerste ze als een wereldsch vorst van buiten beschouwde, en den indruk weergaf, dien zij op een' staatsman moesten maken, terwijl de tweede als een van God gezonden profeet, ze inwendig beschouwde, zooals zij in het licht der eeuwige waarheid worden gezien. Wat de koning van zijn aardsch standpunt als een .heerlijke, krachtige menschelijke gedaante zag, verschijnt aan Daniël, den man Gods, als eene opeenvolging van monsterachtige dieren, woest, wreed, despotisch en onmenschelijk. Maar in beide gevallen is het dezelfde wereldheerschappij, slechts in viervoudig verschillende ontwikkeling en openbaring, van den aanvang van het eerste wereldrijk tot aan het einde, wanneer het laatste vervangen wordt door de verheven, eeuwige en onveranderlijke regeering van het hemelsch Koninkrijk. Bijna alle uitleggers komen daarin overeen, dat het eerste dier het Babylonische rijk voorstelt, dat ten ondergang neigde, toen

ocr page 177

-gt;• 159 ^

Daniël het gezicht zag. Het wordt hier voorgesteld als de koning der dieren met vleugels van den koninklijken vogel, evenals het aan zijn' verheven vorst was verschenen als het edelste deel van het menschelijk lichaam, uit het edelste metaal gevormd. De Schrift vergelijkt op andere plaatsen Nebucadnezar bij een' eeuw en zijn leger bij een' arend (Jerem. 4 : 7, 13; Ezech. 17 : 3, 12), en de in het oog loopende kenmerken van zijn rijk waren groote, wilde kracht, heerlijkheid en alles overwinnende zegepralen. Het was een leeuw met arendsvleugels. Maar zijn aanvallen verflauwden weldra, zijne vleugels werden uitgeplukt en zijne zegetochten geëindigd. Door de onderwijzingen, die God aan zijn' grooten koning had gegeven, werd het uit de lage houding van een roofdier opgeheven en op de voeten gesteld als een mensch, terwijl aan het -zelve het zwakke en teedere hart eens menschen werd gegeven. Door de ondervindingen, die Nebucadnezar had, werd zijn woeste en wreede natuur omgekeerd. Zoo beantwoordt iedere trek aan de beschrijving der medegedeelde feiten, die deze heerschappij betreffen.

Evenmin is het moeilijk, overeenstemming te vinden tusschen het tweede dier en het Medo-Perzische rijk, dat Babyion overwon en de wereldheerschappij aan zich trok. Het plompe dier is gelijk aan de sterke borst van Nebucadnezars beeld. De beide zijden, waarvan de eene grooier was dan de andere, slaan op dit rijk, dat uit twee deelen samengesteld was. De drie ribben in den muil van het dier behooren er ook toe. Zij zijn Lydië, Babylonië en Egypte, die door het Medo-Perzische rijk werden veroverd en vastgehouden. Het bevel om veel vleesch te eten werd evenzeer vervuld door de groote verspilling van menschenlevens, welke de krachtige aanvallen dezer macht kenmerkte, die nooit

ocr page 178

de snelheid en de behendigheid van een gevleugelden leeuw bezat, maar zich altijd bewoog met de groote zwaarte en de logge kracht van het plompe dier, waardoor zij hier wordt vertegenwoordigd. Zelfs bij kleine krijgstochten telden de Medo-Perzische legers een derde tot een geheel millioen manschappen. Darius trok door de woestijnen van Scythië met 700,000 man, behalve eene vloot van 600 schepen, die nog eene bemanning van honderdtwintigduizend hadden. Xerxes trok met twee en een half millioen strijdbare mannen naar Griekenland. Artaxerxes bracht tegen zijn' broeder Cyrus den Jonge een leger van 900,000 man op de been, met een reserve-leger van 300,000 man, die niet tijdig genoeg aankwamen. Door geen ander rijk werden zulke aanzienlijke menschenmassa's naar het slagveld gevoerd als door deze Medo-Perzische heerschappij, die alzoo eiken trek verwezenlijkte van het profetisch gezicht, dat plaats had, eer het rijk n^g was ontstaan.

Het derde dier was het zinnebeeld der volgende heerschappij, die na de Medo-Perzische kwam en geene andere was dan het Macedonische rijk,'zooals het door de overwinningen van Alexander uitgebreid en bevestigd was.

De luipaard is niet een der edelste of grootste dieren, toch komt hij nader aan den leeuw dan aan den beer. Hij is een woest en wreed dier, dat in de Schrift vaak wordt aangehaald om zijne vlugheid, zijn listig en opmerkzaam loeren op den buit en zijn plotseling bespringen van hetgeen hij wil aangrijpen. Maar deze luipaard had bovendien vier vleugels, die zijne snelheid zeer bevorderden. Dit slaat nauwkeurig op de veroveringen van Alexander. Van hem wordt geschreven dat hij „onstuimig en haastig in zijne krijgstochten was, als een panter die naar buit uitgaat, en zijne vijanden aanviel met eene snelheid, alsof hij een dubbel paar vleugels

ocr page 179

—gt;■ 161 !lt;-

had.quot; Hij begon zijne veroveringen op zijn twintigste jaar en met zijn twee en-dertigste had hij de wereld aan zijne heerschappij onderworpen. Volken en tronen waren zijn speelbal. En in nadrukkelijke en bijzondere beteekenis was de heerschappij hem gegeven. Met betrekkelijk geringe middelen behaalde hij de gewichtigste overwinningen. Leest zijne geschiedenis en gij: zult u verbazen, dat zulk een machtig rijk als het zijne kon gevormd worden. Maar hij leefde niet lang genoeg om ervan te genieten, of het in een geschikten en duur-zamen vorm te brengen. Hij had ook geen wettigen opvolger om dit te volbrengen. Het werd verdeeld onder zijne vier voornaamste veldheeren, die het op vier verschillende plaatsen bestuurden, daarom werd de gevleugelde luipaard voorgesteld met vier hoofden. Het was hetzelfde rijk, maar op vier plaatsen door vier koningen geregeerd — Lysimachus in Thracië en Bithynië, Seleucus in Syrië en in het Oosten, Ptolomeus Soter in Egypte en Cassander in Macedonië —- tot eindelijk alles verzwolgen werd door de Romeinsche veroveraars. Hoewel noch Alexander, noch zijn vader waren geboren, toen Daniël schreef, hebben wij hier eene nauwkeurige profetie van hem en van zijne heerschappij.

Het vierde dier echter trof het meest de aandacht van den profeet, en hij was het begeerigst om daarvan de loopbaan en de bestemming te leeren kennen. Dat het een rijk, eene regeering of wereldheerschappij moest voorstellen, evenals de andere drie dieren, verzekert ons de engel, die aan Daniël de verklaring gaf, met deze woorden: „Deze groote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen die uit de aarde opstaan zullen — en het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn.quot; Maar ofschoon de beschrijving van dit dier de uitgebreidste, duidelijkste en nauwkeurigste in het geheele verhaal is

Goddelijke Stemmen. 11.

ocr page 180

162

en reeds eenigermate door het voorafgaande bevestigd wordt, is juist hier de verscheidenheid van meeningen onder de uitleggers het grootst, en naar mij dunkt, zonder dat daarvoor reden bestaat.

Beschouwen wij dit dier, volgens de verklaring van den engel, als eene bijzondere staatkundige wereldmacht, dan bemerken wij verscheidene bijzonderheden, die, mijns inziens, zijne beteekenis onvermijdelijk en duidelijk bepalen. Ten eerste volgt het onmiddellijk op de drie groote wereldheerschappijen. Ten tweede is het een groot algemeen rijk en geen gedeelte of overblijfsel van rijken, die vroeger bestaanhebben. Ten derde duurt het zichtbaar voort in de eene of andere gedaante tot aan het einde der tijden — tot aan de komst van den Zoon des menschen als den bestemden Koning en Rechter dei-wereld. Met andere woorden, het is de eenige groote wereldheerschappij van het einde van het vierhoofdige Macedonische rijk, tot aan het einde van alle aardsche koninkrijken. Wie nagaat, hoe het Macedonische rijk ondergegaan is, en wat de staatkundige geschiedenis van het menschdom van dien tijd tot den tegemvoor-digen is geweest, kan niet twijfelen welke de eenige groote heerschappij of regeering is, waarop deze profeti sche beschrijving past. De geschiedenis der menschheid is er onafscheidelijk aan verbonden. Een blik op de voornaamste geschiedkundige gebeurtenissen'van den val van het rijk van Alexander tot op heden, overtuigt ons dat wij te doen hebben met de merkwaardigste, duurzaamste en duidelijkst geteekende staatkundige macht, die ooit deze wereld bestuurde, want alles beantwoordt , nauwkeurig aan het beeld, dat Daniël voor meer dan tweeduizend jaar aanschouwde.

De vierde groote wereldheerschappij, die het rijk, door Alexander gesticht, veroverde en in zijne plaats

ocr page 181

■ 163

trad en door alle tijden heen hare wetten en regeerings-vorm deed gelden, is ongetwijfeld het groote Romeinsche rijk. Het steeg uit de woelende wereldzee naar boven en bracht het eene land na het andere onder zijne ijzeren heerschappij, tot het inderdaad over de geheele wereld regeerde. Wanneer wij van het vierde dier lezen, dat het „onderscheiden was van al de anderequot;, dat het ijzeren tanden en koperen klauwen had, dat het schrikkelijk en gruwelijk en zeer sterk wasquot;, dat het „at en verbrijzelde en het overige met zijne voeten vertradquot; — dan hebben wij een kort begrip van hetgeen de geschiedenis zegt van het Romeinsche rijk. Macht was zijn eigenaardige karaktertrek. Duurzame onderwerping en bestuur naar algemeene rechtsbeginselen waren zijne voornaamste, kenmerken en daardoor onderscheidde het zich van alle voorafgaande rijken Anders dan vorige regeeringen bediende het zich van de verschillende gedaanten om eene eeuwige macht en heerschappij te vestigen. Htt vloog niet als een wervelwind over de aarde, verwoestend, met geweld onderwerpend en schatting eischend, zonder het wezen der dingen te veranderen, neen, het vervormde onbarmhartig al het bestaande om het onder zijne wetten te brengen, die nu na verloop van meer dan tweeduizend jaar, nog in volle kracht zijn. Alle staten op aarde zijn inderdaad nog Romeinsch, en in hunne wetten en wetboeken leeft het oude Romeinsche recht nog voort, en zal blijven leven zoolang de menschelijke regeeringen duren. Dit vierde dier kan derhalve niets anders beteekenen dan de Romeinsche heerschappij en het Romeinsche rijk.

Wat de tien horens betreft, die uit dit dier groeien, kan men geneigd zijn om ze in het verledene te zoeken, wanneer men den godslasterenden elfden hoorn voor het pausdom houdt. Maar deze veronderstelling kan toch

ocr page 182

-g* 164 te

niet bekrachtigd worden door het reeds gezegde. Het dier was niet met de tien horens geboren, zoomin als met den elfden, die na de andere opkwam. Zij warea alle ontwikkeld toen het dier zijne loopbaan in de geschiedenis volbracht. Ook waren er niet zoovele onder-deelen der Romeinsche heerschappij, noch gelijktijdig, noch na elkander. Ook kan men niet alles wat van den elfden hoorn wordt gezegd, op het pausdom toepassen. Het beeld mag er in het algemeen op gelijken, maar niet alle bijzonderheden stemmen er mede overeen, en geene enkele is geheel nauwkeurig. De elfde hoorn is godloochenend, dat is het pausdom nooit geweest. De elfde hoorn vervolgt en onderdrukt het volk Gods, dat . in zijne hand overgegeven is voor een bepaalden tijd, die eerst eindigt op den dag des oordeels met den ondergang van het dier. Maar nog niet de helft der Christenheid staat onder den paus, en de Oostersche kerk heeft hem nooit toebehoord. Zijne wereldlijke heerschappij is geëindigd, en daarmede zijne macht om te vervolgen, en de dag des oordeels is nog niet gekomen. Het pausdom ontstond vóór de verdeeling van het Romeinsche rijk in verschillende deelen, die door sommigen voor de tien horens worden gehouden, maar volgens het gezicht van Daniël, kwam de elfde hoorn eerst na de tien overige.

Wanneer men aan de woorden vasthoudt, duurt de godslasterende en vervolgende heerschappij van dert elfden hoorn slechts drie en een hall jaar, maar het pausdom heeft langer dan twaalfhonderd jaren en langer dan twaalfhonderd zestig jaren bestaan, wat velen lezen uit „eenen tijd, en tijden en een gedeelte eens tijdsquot;. Zoo past ook de tienvoudige verdeeling van het Romeinsche dier, waarop de godslasterlijke hoorn met zijne kortstondige heerschappij volgt, juist op de vernietiging,

ocr page 183

165 h$-

die het dier voorgoed doet verdwijnen — dat wil zeggen de komst des Heeren om de wereld te richten. Maar de voorafgaande verdeelingen, die men voor deze tien horens houdt, zijn reeds lang weder te niet gegaan en heden telt men niet meer tien zulke koninkrijken. En bovendien behoorden zij alle tot de Westelijke helft van het Romeinsche rijk en had de uitgestrekte Oostelijke helft er geen deel aan. De tien horens beantwoorden dan aan de tien teenen van het groote beeld, maar deze bevonden zich toch zeker niet alle aan eenen voet.

Om deze en andere even overtuigende redenen geloof ik, dat dit deel van het gezicht in de toekomst moet worden gezocht en beschouwd als eene profetie van den staatkundigen toestand in den allerlaatsten tijd vóór den oordeelsdag. Het groote dier Rome moet zich nog op de eene of andere wijze in tien koninkrijken verdee-len, die, zooal niet de geheele aarde, dan toch het gebied van het oude rijk omvatten. In den tijd van deze horens zal een elfde hoorn opkomen, eerst klein, maar in macht en heerschappij toenemend, die drie dezer tien koninkrijken met den wortel zal uitrukken en eene zoodanige godslastering, verachting van allen godsdienst, vervolging en onderdrukking der heiligen Gods zal doen heerschen, als sedert het begin der wereld niet is gezien. De Schrift spreekt overal van deze macht, evenzoo van alle kerk vaders, van den tijd van den apostel Johannes af. Zij noemt baar den Antichrist der laatste dagen, die alles in de wereld verdelgen en verwoesten zal en zijne vree-selijke heerschappij drie en een half jaar lang zal uitoefenen, tot hij eensklaps wordt overwonnen door de verschijning van Jezus Christus op den grooten dag des oordeels.

Dit is alzoo een overzicht der wereldgeschiedenis, zooals het den profeet getoond werd, terwijl het eerste

ocr page 184

-$* 166 •lt;—

groote wereldrijk nog bestond. In hetgeen sedert dien tijd voorgevollen is, zien wij hoe waar en juist de profetie was. Wij zien dat zij alleen kan zijn ingegeven door Hem, die van de schepping aan het einde der dingen weet en het met vaste hand doet naderen, zoodat alles wat nu nog niet vervuld is van het gezicht, eenmaal tot in het geringste deel zal worden vervuld. Onder deze profetische aanwijzingen rekenen wij in de eerste plaats het groote oordeel, dat de menschelijke heerschappij vernietigen en in hare plaats de gezegende en eeuwige heerschappij van den Vredevorst zal vestigen. Eén vers verhaalt elk der drie eerste koninkrijken, e'én vers bevat de verklaring daarvan, maar verder handelen het gezicht en de uitlegging er van geheel over het groote gericht. Verheven en indrukwekkend is het beeld, dat de profeet aanschouwde.

Op aarde is de laatste hoorn van het dier, de heerschappij van den gevallen mensch, vol van de grootste listen en de hoogmoedigste aanmatiging. Het is een mensch, toegerust met al de macht des duivels, die met de koningen, zijne bondgenooten, uitdagend den Almachtige wederstaat, de heiligen Gods verstoort en doodt, een nieuwen godsdienst en nieuwe wetten aan de wereld wil geven, terwijl alles voor een bepaalden tijd in zijne hand is gegeven.

De Hemel ziet dit evenwel niet onverschillig aan. De profeet ziet de hemelsche machten aan het werk — den Eeuwige op Zijnen troon, omringd van duizend maal duizend hemelsche wezens, wier zaligheid is Hem te behagen en Zijn wil te volbrengen. Hij ziet, dat het gericht aanvangt, dat de boeken geopend en alle zonden en misdaden der menschen geopenbaard worden, dat het rechtvaardig en onherroepelijk vonnis wordt uitgesproken en het godslasterende dier aan het vuur over-

ocr page 185

-gt;lt; 167 •lt;-

gegeven wordt. Het is dezelfde gebeurtenis, die Paulus bedoelt, waar hij spreekt van de vernietiging van den ongerechtigen „wiens toekomst is naar de werking des Satans, in alle kracht, en teekenen, en wonderen der leugen en in alle verleiding der onrechtvaardigheidquot;. (2 Thess, 2 : 8—10). Het is dezelfde gebeurtenis, die Johannes beschrijft in zijn verhaal van den krijg van den groeten dag des almachtigen Gods als „het beest werd gegrepen en met hetzelve de valsche profeet, die de teekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had; deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs die met zwavel brandtquot;. Het is dezelfde gebeurtenis waarvan de psalmist spreekt: „De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den Heer en tegen Zijnen Gezalfde. Laat ons hunne banden verscheuren, en hunne touwen van ons werpen. Die in den hemel woont, zal lachen, de Heer zal hen bespotten. Dan zal Hij tot hen spreken in Zijnen toorn, en in Zijne grimmigheid zal Hij hen verschrikken .... Gij zult hen verpletteren met een ijzeren schepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.quot; Ps. 2.

Om ons duistere redenen, laat God toe, dat de zonde in onze wereld leeft en werkt en voortgaat met hare dwaze en onedele plannen tot zij het toppunt van ongerechtigheid heeft bereikt. Maar dit heeft niet plaats, omdat Hij geene macht tegen haar heeft, of omdat de menschheid Hem onverschillig is, of omdat Hij de misdadigers niet ter verantwoording roept. Van den beginne aan heeft Hij verkondigd welke wreede monsters de aarde zouden onderdrukken, verwoesten en vernielen, en welke weerspannige, godslasterende en bloedige heerschappij zich zou ontwikkelen uit den geprezen vooruitgang der wereld. Het menschdom moet het aanschouwen en

ocr page 186

-5-i 168

ondervinden, wat er voortkomt uit den opstand tegen Zijne gezegende heerschappij en welke gruwelen hunne gewaande betere wijsheid en vrijheidsideeën met zich brengen. Tegelijk openbaarde Hij Zijn misnoegen daarover en welke vreeselijke straffen de opruiers en aanvoerders van zoodanig verzet wachten.

De menschen denken, dat zij de wereld naar hunne eigene philosophische en atheïstische meeningen en voorstellingen kunnen inrichten, maar ten slotte brengen zij daarmede de hel op aarde en slepen alles mede in den ondergang door de onoverwinnelijke macht van den vertoornden Hemel. God kan wachten en alles laten gebeuren. Hij is lankmoedig, omdat Hij eeuwig is. Maar Hij slaapt niet. Hij heeft Zijne uitverkorenen niet verlaten, Zijne bedreigingen niet vergeten. Zijne almacht niet verloren. De rekening staat in Zijn boek geschreven. Hij wreekt zich nog altijd, wanneer Zijne waarheid en Zijne eer vertrapt worden, al houdt Hij de straf nog in. De donderslagen van het gericht zijn gereed om hun werk te doen, wanneer de bepaalde tijd aanbreekt. Het vuur is ontstoken om te verteren en de gloed van zijn verdelgenden toorn wordt steeds heeter tot op het oogenblik, dat de vlammen hunnen buit zullen bespringen, naar welken zij met klimmend ongeduld eeuwen lang hebben gewacht. En de groote en vreeselijke dag des Heeren komt gewis, wanneer Zijn toorn als vuur zal uitbreken, wanneer de goddeloozen als kaf zullen vergaar., en de aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden. (2 Petr. 3.) Maar de profetie bevat niet slechts vergelding. Tegelijkertijd zag de profeet Eenen als eens menschen Zoon — als een mensch, maar niet slechts als een mensch, als meer dan een mensch — komende op de wolken des hemels. Hij ontving van den Oude van dagen heerschappij, en eer, en het koninkrijk; opdat

ocr page 187

-gt;• 169 ^

alle volken, natiën en tongen Hem eeren zouden en den zegen der goddelijke en eeuwige heerschappij over de aarde met Hem zouden deelen. Wat Nebucadnezar zag als den steen, die zonder handen uit een berg was afgehouwen, wordt hier den profeet geopenbaard als Jezus Christus, den Koning der heerlijkheid en den Heer der verlossing, Die van boven komt als de eenige rechtmatige Heer der wereld, die Hij met Zijn bloed verlost heeft.

Gij herinnert u, hoe vaak de Heiland zich den Zoon des menschen noemt, wanneer Hij van Zijn verlossingswerk spreekt. Dat wijst Hem aan als het „beloofde Vrouwenzaadquot;, dat den kop der slang vermorzelen zal. Het bevestigt Zijne menschelijke natuur en de verwezenlijking der menschheid in Hem als haar waar beeld. Het wijst Hem aan als het Hoofd der verloste, gelijk Adam het hoofd der natuurlijke en gevallen menschheid was. Het wijst op Hem als den Koning-Messias. Evenzop zijn u uit de Evangeliën de woorden „Koninkrijk der Hemelenquot;, „Koninkrijk Godsquot;, gemeenzaam bekend, — het „Koninkrijkquot; waarvan Christus de koning is. Gewoonlijk, en met recht, verstaat men daaronder het Godsrijk van Christus, dat door den Heiligen Geest in de harten der geloovigen is gesticht. Maar dat is Zijne verborgen gedaante, zijne inwendige voorbereiding. Het moet nog naar buiten uitgebreid en bevestigd worden in de verandering, verheerlijking en eeuwige heerschappij met Christus en met al de Zijnen. Het is het hoogtepunt van alle genade en liefde voor de menschheid, gelijk de Zoon des menschen het hoogtepunt en de belichaming van de verlossende en zaligmakende werkzaamheid van God is. In de geheele wereld en in de beloften Gods heeft niets grooter waarde, dan wat ons met deze bekende woorden wordt gegeven. En wat het grootste wonder

ocr page 188

hsh 170 HC-

is, zij komen uit Babyion en door den droom en het geschrift van een Babylonischen staatsdienaar. Hunne overneming in het Nieuwe Testament en in de latere theologie, vereert en onderscheidt Daniël en zijne profetiën op eene wijze, die slechts door weinigen wordt opgemerkt en vereenzelvigt zijne profetische gaven met de ware kracht van alle vertroostingen des Evangelies.

Het komen van den Zoon des menschen, waarvan hier sprake is, was niet Zijne komst toen Hij eerst als een kind in Bethlehem en later als de nederige leeraar van Nazareth verscheen. Het was ook niet Zijne verheerlijking door Zijne opstanding en hemelvaart, gelijk velen hebben geleerd. Want de tien horens van het vierde dier bestonden toen nog niet, en de verwoesting door den godslasterenden, vervolgenden hoorn, die na de tien opkomt, moet nog komen, evenals de dag des oordeels nog niet is verschenen. Eerst wanneer het gericht is gehouden en het vierde dier is gedood en overgegeven aan het eeuwige vuur, ontvangt de Zoon des menschen dit Koninkrijk en regeert dan met Zijne heiligen. Ook is de Zoon des menschen nog niet „met de wolken gekomenquot;, zooals Hij hier is gezien, en zooals Hij zelf heeft beloofd en alle apostelen en evangelisten hebben herhaald.

Er is dus een komen van den Zoon des menschen in de toekomst, dat niet anders kan zijn dan eene letterlijke en persoonlijke openbaring. De menschen kunnen vragen en twisten en verklaren en de schouders ophalen en vuur en vlam spuwen, wanneer wij hun prediken, dat deze zelfde Jezus, die op Golgotha stierf en van den Olijfberg ten hemel voer, eerlang zal wederkomen met de wolken des hemels, zooals de jongeren Hem ten hemel zagen varen. Het is toch de vaste grondslag en de ziel vrn alle christelijke hoop, het middelpunt van

ocr page 189

-gt;* 171 -lt;-

alle goddelijke uitspraken der heilige profeten van het begin der wereld aan. Naar hunne schriften zijn het slechts „spotters, die naar hunne eigene begeerlijkheden wandelenquot;, — „droomers, die het vleesch dienenquot;, — „waterlooze wolken, die van de winden omgedreven wordenquot;, — „wilde baren der zee, hunne eigen schande opschuimendequot;, — „dwalende sterren, voor welke de donkerheid der duisternis in eeuwigheid bewaard wordtquot;, — die ons verachten en zeggen: „W aar is de belofte Zijner toekomst?quot; Want van dat de vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen alzoo gelijk van het begin der schepping. 'Judas en 2 Petr. 3.) Ja, „Nog een zeer weinig tijds, en Hij die te komen staat, zal komen en niet vertoeven.quot; Hebr. 10 : 37. 1 Thess. 5 : 3.

Dit koninkrijk, waarvan hier wordt geprofeteerd, is niet slechts een geestelijk en onzichtbaar rijk zonder uitwendig en tastbaar bestaan, dat evenzeer onder de heerschappij der dieren (de wereldrijken) kan bestaan als zonder deze. Naar dit gezicht komt het niet, noch wordt zijne komst voorbereid, vóórdat ook het allerlaatste koninkrijk geheel weggenomen en vernietigd is. Er wordt duidelijk gezegd, dat het in hunne plaats zal komen, en de heerschappij van satanische gruwelen vervangen door vrede en zegen, Er wordt uitdrukkelijk gezegd, dat het koninkrijk over alle volken, natiën en tongen regeeren zal — „het rijk en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder den ganschen hemelquot;, het koninkrijk, dat alle heerschappijen zullen eeren en gehoorzamen, het eenige rijk dat dan op aarde zal zijn.

Het moet dus, in de letterlijke beteekenis, een koninkrijk zijn, even tastbaar als de rijken, welke het wegdoet en vernietigt. Johannes zag in den geest zijne eindelijke verwezenlijking, en hij hoorde de groote stemmen in den hemel het prijzende als de regeering der wereldj

ocr page 190

172 ^

die nu aan het verderf ontrukt is en in de hand onzes Heeren en Zijns Christus gelegd wordt, die het als Zijn rijk eeuwig blijft regeeren. Zij, die twijfelen aan eene letterlijke en werkelijke heerschappij van Jezus Christus op aarde, — gelijk wij aannemen dat Adam die nu zoude bezitten en uitoefenen, wanneer hij niet gezondigd had en gestorven was, — miskennen de duidelijkste plaatsen der heilige Schrift, verkleinen de bestemming en de rechten van den Zoon des menschen, verengen en verflauwen de Bijbelsche verlossingsleer en ontnemen aan het volk Gods van alle eeuwen een gewichtigen geloofstroost en de hoop voor tijd en eeuwigheid.

Verbonden met dit koninkrijk der toekomst worden ook hier groote en heerlijke dingen als het erfdeel der heiligen voorzegd. Ofschoon zij in vernedering, onderdrukking, verzwakking en grooter of kleiner vervolging en ellende al de lange en moeilijke jaren van de heerschappij der dieren zijn doorgeworsteld, „zullen zij het zien wanneer de goddeloozen worden weggenomen'^. — Wanneer het laatste en eeuwige koninkrijk, of de heerschappij van den Zoon des menschen, eenmaal is tot stand gebracht, zullen zij ook in al zijne voorrechten en zegeningen deelen. Want wat in het 14e vers gezegd wordt aan den Zoon des menschen te zijn gegeven, zal volgens het 27e vers den volke der heiligen des Aller-hoogsten gegeven worden.

Jezus is één met Zijn volk. Zij hebben met Hem deel aan al Zijne deugden, werken en eerbewijzen, als hun Hoofd, Heiland en Plaatsvervanger. Zij zijn Gods kinderen, omdat Hij Gods Zoon is, gerechtvaardigd door Zijn dood, zijn zij medeërfgenamen van alles wat Hij erft en verkrijgt als de Zoon des menschen. Zijn volk heeft met Hem vrijen toegang tot den Vader.

Want zij, die met Hem het kruis gedragen hebben,

ocr page 191

173 flt;-

en te midden van den afval en de ontrouw der wereld de belijdenis van Zijn naam zijn trouw gebleven, zullen eveneens „de heerschappij, de macht en het koninkrijk onder den ganschen hemelquot; met Hem deelen, wanneer Hem de heerschappij, de macht en de eer „der toekomstquot; gegeven is, opdat alle volken, en natiën en tongen en alle geslachten Hem zouden eeren.

Wij zijn bestemd om koningen en medeheerschers met onzen verheven Heer te zijn in eeuwige koninkrijken „Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordeelen zullen'?.... Weet gij niet, dat wij de engelen oordeelen zullen ?quot; i Cor. 6,. Heeft de Heer niet zelf gezegd: „Voorwaar, Ik zeg u, dat gij die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten van Israël ?quot; Matth. 19:28. Hebben wij niet Zijn goddelijk woord: „En die overwint en die Mijne werken tot het einde toe bewaart. Ik zal hem macht geven over de heidenen.quot; — „Die overwint, Ik zal hem geven, met mij te zitten in Mijnen troon ?quot; Openb. 2 : 26 en 3 ;2i. Is het niet een der verh^venste liederen, dat de heiligen in de heerlijkheid zingen, wanneer zij de laatste vervulling tegemoet zien en daarop wachten; „Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, en Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen heerschen op de aarde ?quot; Openb. 5:9, IO.

O mijne broeders, de gemeente verstaat niet half de buitengewone, groote en kostelijke beloften, die God aan de oprechte en trouwe volgelingen van Jezus heeft gegeven en gewaarborgd, hoewel zij als heldere juweeien schitteren in alle uitspraken en aanteekeningen Zijner heilige profeten. Wij dienen God geenszins om niet.

ocr page 192

-$-• 174

Hij vraagt niet van ons dat wij de vele moeilijkheden dezer vijandige wereld zullen doorstaan, zonder ons rijk te beloonen, wanneer de strijd zal zijn gestreden, ^ij hebben niet alleen het eeuwige leven, maar tronen, en kronen en koninkrijken, waarvan alle aardsche heerlijkheid slechts eene zwakke schaduw is. Laat ons derhalve niet moede en mat worden onder den last, die nu ons drukt. Hij zal ons weldra worden afgenomen, en wij ontvangen in de plaats een eeuwig, hemelsch koninkrijk.

ocr page 193

HOOFDSTUK X.

De Wereldheerschappijen en Israël,

of de Rarrij de Geitenhok en de kleine Hoorn. Daniël 8 : 1—27.

Tweede gezicht van Daniël. — Nog eeus dszalfde heerschappijen. — O vere-nsternrningen. — Drie verschillende gejichtspunten op dezelfde zaak. — De Wereldmachten in betrekking lot het Joodsehe volk, — veranderde zinnebeelden. — Medo-Perzië. — Alexander en di Joden. — Verdeeling van zijn rijk. — De kleins hoorn. — Antiochus Epiphanes. — Duur zijner vervolging van Israël. — Zijn ellendig uiteinde. — H t beeld van een verdrukker, die nog kom-n zal. — Zijne loopbaan, een waarschuwend b .-eld van dan Antichrist. — Afval der Joden. — Teakenen van soortgelijke gezindheid iu onze daijer. — Indruk van het gezicht op Daniël. — De studie der profetische boeken.

Nu komen wij aan het tweede gezicht van Daniël, dat hem verscheen, twee jaren na dat, hetwelk wij in het vorige hoofdstuk hebben behandeld.' Op dien tijd waren de legers van Cyrus in Babyion, en daar Daniël zich in de stad bevond, toen die werd veroverd, is dit waarschijnlijk het tijdstip van zijn visioen. De mede-deeling, dar hij „in den burg Susan, in het landschap Elam was aan den vloed Ulai, wijst op de plaats, waarheen hij in het gezicht gevoerd werd, — waar hij scheen te zijn met hetgeen hij zag, waar hij in den geest was, — zonder aan te duiden waar hij jich lichamelijk bevond. Zoo schijnt Johannes in de gezichten der Openbaring op verschillende plaatsen te zijn, nu op

ocr page 194

176 ^

aarde, dan in den hemel, dan op een zeer hoogen berg, terwijl hij lichamelijk steeds op het eiland Patmos bleef. Een gezicht of een droom kan ons naar geheel andere plaatsen leiden, dan die waar wij inderdaad zijn, en zoo was Daniël in een gezicht te Susan, ofschoon hij werkelijk waarschijnlijk in Babylon was. Het gezicht had plaats in het paleis te Susan, omdat daar de zetel was der wereldmacht, waarmede het aanvangt, en het uitgangspunt der geteekende gebeurtenissen was.

Een enkele blik op de bijzonderheden van dit gezicht toont ons, dat wij hier weder te doen hebben met eenige der wereldheerschappijen uit het vorige hoofdstuk en uit den droom van Nebucadnezar. Verwondert iemand, zich over deze herhaling, dan herinnere hij zich, dat de vier Evangeliën alle hetzelfde onderwerp van Christus' leven op aarde behandelen, of dat Jesaja op vele plaatsen, de verovering door de Assyriërs beschrijft, en dat de profetieën aangaande de verwoesting van Babyion, Tyrus, Egypte, Moab en andere landen zoo veelvuldig herhaald worden. Het ligt in de natuur der goddelijke openbaring om „trek voor trek, en regel voor regelquot; te geven, opdat zij duidelijk te voorschijn trede cn een dieperen indruk make. De herhaling is een zeer krachtig middel om ons gewichtige waarheden in te prenten. Eene zaak moet in het geheugen teruggebracht, telkens en telkens en van verschillende zijden beschouwd worden, om grondig te worden verstaan en in de ziel binnen te dringen. Wij zijn zoo gemaakt en ons begripsvermogen werkt meestal zoo langzaam, dat één blik niet voldoende is. Wij moeten gedurig terugkeeren en de zaak opnieuw bezien, en dan zien wij soms nog gewichtige waarheden over het- hoofd. Wat ons op het eerste gezicht eene herhaling toeschijnt, is het echter dikwijls niet. Eene behandeling van hetzelfde onderwerp, behalve dat zij

—

ocr page 195

177 »-$-

dient om bijzonder de aandacht op dit onderwerp te vestigen, geeft altijd nieuwe bijzonderheden. Door een ander standpunt verschijnt het in een nieuw licht, en wij ontdekken een bijzonder doel en samenhang, eene bedreiging of belofte. Is het onderwerp echter eene profetie, dan heeft de herhaling steeds ten doel, haar op andere omstandigheden of doeleinden toe te passen. Om deze reden heb ik weinig op met zoogenaamde overeenstemmingen, die trachten in een enkel verhaal weer te geven, wat door den Heiligen Geest op verschillende plaatsen mede gedeeld is. De menschen denken door deze overeenstemmingen het bericht meer geloofwaardig te maken, maar in de meeste gevallen verzwakken en belemmeren zij den indruk. Het is even onzinnig als wanneer men zou beproeven, eenige photographieën van hetzelfde voorwerp, van verschillende zijden en afstanden gezien, tot ééne afbeelding te vereenigen door afzonderlijke stukjes ervan :bij elkander te plakken. God heeft dit niet bedoeld, en het zal den menschen nooit gelukken. Elk beeld op zichzelf, op zijn eigen standpunt en met zijne eigen kenmerken, dient ons om een duidelijk, begrip te verkrijgen, want ofschoon in drie verschillende gezichten hetzelfde onderwerp wordt behandeld, is het toch alleen mogelijk een volledigen indruk daarvan te ontvangen, wanneer men elk op zichzelf beschouwt, zonder het eene door het andere te halen, zooals velen hebben gewild. Ook valt het niet moeilijk, de verschilpunten in de drie gezichten te ontdekken.

De droom van Nebucadnezar geeft een algemeen overzicht van de wereldgeschiedenis, zooals zij wordt waargenomen door den vorst van een wereldrijk, die haar naar het uiterlijk beoordeelt. Daarom dit heerlijke beeld in menschengedaante, waarbij het koninkrijk Gods

Goddelijke Stemmen. 15.

ocr page 196

-gt;: 178 -lt;7-

bijna orbeduidend wordt voorgesteld, „als een steen.quot; Het eerste geziclit van Daniël geeft eene' eenigszins duidelijker schets van dezelfde wereldheerschappij, maar uit het oogpunt van den., profeet Gqds, en met betrekking tot de zedelijke waarde. Daarom zijn er woeste, verscheurende dieren in. plaats der edele metalen, terwijl het koninkrijk Gods in zijne echte waardij verschijnt als de kroon der menschheid, namelijk Gods Zoon, Die uit den hemel nederdaalt, bekleed met de hoogste waardigheid der eeuwige heerschappij.. Nebucadnezars droom vermeldt niet den elfden hoorn, waarin de zonden der menschelijke heerschappij ten , slotte, haar toppunt bereiken en het groote gericht .ten. gevolge hebben.

Het beeld van Nebucadnezar is eenvoudig de wereldheerschappij in het algemeen, in hare verschillende ge stalten tot aan het einde, uit een wereldsch oogpunt beschouwd. In het gezicht.van Daniël is de elfde hoorn de hoofdzaak, ■ daar hij de ruwe verdjerlijking, welke aan de heerschappij van den gevallen mensch eigen ist vertegenwoordigt, en het doel van het gezicht is deze te doen kennen. Daarom ook de groote oordeelsdag van God, Die ten laatste deze regeering der dieren vernietigt, en waarvoor in de meer uitwendige voorstelling der gebeurtenissen, die Nebucadnezar ten deel viel, geene plaats en geene aanleiding was.

Ofschoon het- voor ons liggende gezicht ten derde male dezelfde zaken behandelt, heeft het weder bijzondere eigenaardigheden, die zijne verschijning rechtvaardigen.

In de twee voorgaande gezichten verschenen de wereldheerschappijen ieder als een geheel, zonder dat er onderscheid werd gemaakt tusschen Joden en heidenen. Daarin werd de menschelijke heerschappij en hare geschiedenis tot in de verre toekomst — eerst uitwendig

ocr page 197

-gt;• 17!) *lt;-

beschouwd, later van binnen bezien en ten slotte door het koninkrijk Gods vervangen. Daarom is ook de taal dezer openbaringen tot het hoofdstuk, dat wij nu 'behandelen, de toen algemeen verspreide wereldtaal en niet het Hebreeuwscb, terwijl dit gezicht en al wat er vérder volgt in het boek, in de taal der Joden is geschreven. Hetgeen bier aan Daniël getoond wordt van dëze vormen der wereldheerschappij, ziet en hoort hij ■niet slechts als een man Gods, maar vooral als een Jóodsch profeet, en zoover het betrekking heeft op het Joodsche volk. Daarom wordt het Babylonische rijk geheel niet vermeld, want het was zijnen ondergang nabij en had geen' invloed meer op de lotgevallen der joden.

Daarom wordt ook niets gezegd van het vierde dier, wanneer men ten minste niet aanneemt, dat het met het derde vereenigd voorkomt; de tien koninkrijken worden alleen in zooverre vermeld, als zij in den kleinen hoorn der laatste tijden voorgesteld of begrepen worden. 'In plaats hiervan lezen wij over het heir des hemels en zijn' Vorst, —• over het gedurig offer, het heiligdom en het sierlijke of heilige land, — waarover in de vorige gezichten niets te vinden is. Het is de wereldheer-•schappij onder verschillende gedaanten, waarover dit gezicht handelt, maar nu met vooropzetting van hetgeen bijzonder het Joodsche volk aangaat; het overige wordt slechts terloops, of niet, vermeld. Het gezicht is daarom op zichzelf duidelijk en kan alleen verklaard worden, wanneer men opmerkt, met welk bijzonder doel het werd gegeven.

Wat Nebucadnezar zag als de zilveren borst en armen van het groote beeld, en wat Daniel in het vorige gezicht onder de gedaante van een' loggen beer aanschouwde, verschijnt hier als een ram met twee horens.

ocr page 198

-$gt;• 180

De verandering van het zinnebeeld wijst op de betrekking van het gezicht tot het Joodsche volk. Medo-Perzië was in zijne houding tegenover Israel niet gelijk een verscheurend, wild dier, maar doorgaans eene vriendschappelijke mogendheid, die op godsdienstig gebied deze Semieten en hunne Godsregeering erkende.

Het was deze mogendheid, die de Joden na hunne zeventigjarige ballingschap verlof gaf terug te keeren, en hen op allerlei wijze bij den opbouw des tempels en de herstelling van hun eeredienst begunstigde. Vele Joden bleven nog lang naderhand in Medië en Perzië, bekleedden aanzienlijke betrekkingen en hadden veel invloed, zooals wij in het boek Esther zien. Als wereldmacht in het algemeen beschouwd, was deze heerschappij een woeste, verslindende beer, maar in betrekking tot Israël geleek zij meer op een tammer en onschadelijker dier.

De ram op zichzelf beteekende de eenheid van dit koninkrijk, en de twee horens wezen op de twee volken, waaruit het ontstaan was en die zijne grootste kracht vertegenwoordigden. Medië was een onafhankelijk koninkrijk, lang voor dat Perzië zelfs eene provincie ervan uitmaakte. Maar toen Cyrus op den troon kwam, werd het Perzische deel van het rijk verreweg het grootste. Dit was in het gezicht voorzegd, daar de tweede hoorn, die het laatst opkwam, veel hooger werd dan de eerste.

Daniël zag dezen ram „stootenquot; — met den kop cp iets aanvallen — dat beteekent oorlog voeren. Van Susan uitgaande wordt gezegd, dat hij tegen het Westen en tegen het Noorden en tegen het Zuiden stiet.

Het Oosten wordt niet genoemd, want in die richting hebben de Perzen geene belangrijke of duurzame ver-overingcn gemaakt. Doch in het Westen veroverden

ocr page 199

-gt;• 181 K-

zij Babylonië, Syrië en Klein-Azië, in het Noorden Armenië en de landen aan de Kaspische Zee; en in het Zuiden Egypte, Lybië, enz. De geschiedenis bevestigt alzoo de profetie. Wat Nebucadnezar zag ais buik en dijen van koper van het groote beeld, en Daniël in zijn eerste gezicht als den vierhoofdigen en viervleu-geligen luipaard, wordt hier voorgesteld in de gedaante van een' geitenhok. Het is buiten twijfel, dat deze het Grieksch-Macedonisch rijk voorstelt, en zijn groote hoorn Alexander den Groote. De engel zegt het in duidelijke woorden: „Die harige bok nu is de koning (of de heerschappij) van Griekenland; en de groote hoorn welke tusschen zijne oogen is, is de eerste koning.quot; Zelfs in het wapen van dit rijk vond men deze gedaante. Als wereldheerschappij in het algemeen heeft het al de woeste hoedanigheden van den luipaard, maar voor de Joden was het veeleer eene zachte, weldoende macht, dan een roofdier, en wordt daarom hier als een geiten-bok voorgesteld.

Josephus verhaalt, dat Alexander op zijn' tocht naar het Oosten met al den trots van een zegepralend overwinnaar in Palestina kwam en zijn leger op Jerusalem wilde laten aanrukken, maar dat hij een merkwaardigen droom had, en de hoogepriester eveneens een, hetgeen hem bewoog, vriendschappelijk te onderhandelen, wat voor het Joodsche volk een zeer gunstige uitkomst was. Toen de veroveraar den hoogepriester ontmoette en op zijn gouden voorhoofdsband den heiligen naam van Jehova zag, boog hij zich daarvoor neder en reikte den hoogepriester zijne rechterhand. Toen hij binnen Jerusalem was gekomen, liet hij uit zijn' naam offers brengen, terwijl de priesters hem het boek Daniël brachten, en hem ditzelfde hoofdstuk voorlegden, waarin de heilige profeet de verschijning van een' Griekschen

ocr page 200

—gt;• 182 ■lt;—

veroveraar, die de Perzische heerschappij zou overwinnen en vernietigen, aankondigt. Daar hij met recht deze profetieën op zichzelven kon toepassen, werd Alexander er zoo door verblijd en verzekerd van de overwinning, dat hij zich verbond, den Joden toe te staan, wat zij zouden wenschen. Zij verzochten hem om de gnnst, dat zij de wetten en voorschriften hunner vaderen mochten volgen én in de Sabbatjaren geene belastingen behoefden op te brengen. Dit verzoek willigde hij in en beloofde, dat het ook voor al de Joden zou gelden, die nog in Babylonië en Medic vertoefden, wanneer zijn krijgstocht hem daarheen voerde.

Het is duidelijk, dat eene macht, die den Joden zoo genegen was, niet door een woest roofdier kon worden voorgesteld, daarom de verandering van het zinnebeeld van een' panter in een' geitenbok. De profeet zag dezen geitenhok uit het Westen komen, want de Macedonische macht had haren oorsprong ver ten Westen van Perzio. Zij trad met verwonderlijke snelheid en doortastendheid op, en het scheen alsof zij bovennatuurlijke hulp had. Zij stiet den Medo-Perzischen ram, verbrak zijne beide horens, vertrad hem en nam zijne heerschappij weg.

Plet kostte meer dan één veldslag om dit uit te voeren, maar het werd uitgevoerd, zooals wij in de geschiedenis zien. Maar op het toppunt van zijne macht en zegepralen werd de groote hoorn van den geitenbok verbroken — niet in den strijd gelijk de horens van den ram, maar door den vroegtijdigen en plotselingen dood van Alexander. Terwijl hij zich aan grenzenlooze uitspattingen overgaf, werd hij door de koorts overvallen en stierf te Babyion op zijn drie en dertigste jaar, 323 jaar voor Christus. Zijn rijk bleef echter bestaar.

De groote hoorn brak af, maar in zijn plaats kwamen vier andere horens. In naam volgde zijn zoon hern op,

ocr page 201

-gt;• 183 he

inaar deze heeft nooit den troon bestegen. Ue veld-heeren die hij in de overwonnen landen had laten regeeren, twistten onderling en streden jarenlang, tot eindelijk na den val van Antigonus, het rijk in vier rijken werd verdeeld overeenkomende met de vier hoofden van den luipaard en de vier horens van den geitenhok.

Uit één van deze vier deelen van het Macedonische rijk zag de profeet „een kleinen hoorn voortkomen, •— een tak van een der vier, — welke uitnemend groot werd tegen het Zuiden, tegen het Oosten en tegen het sierlijke of heilige land en zelfs tegen het heir des hemels, — de priesters van den tempel, waarvan hij eenigen ter aarde wierp en vertrad. Hij verhief zich zelfs boven den Vorst des heirs (God), schafte het gedurig offer af, verwoestte de woning Zijns heiligdoms, verontreinigde den tempel, verving de hemelsche inzettingen door eene menigte eigen bevelen en deed de godslasterlijkste en gruwelijkste dingen tegen Jehova, Zijne waarheid en Zijn volk.

De meeste uitleggers zien hier op den rampzaligen Antiochus Epiphanes.

loden en Christenen hebben bijna zeventien eeuwen deze uitlegging geloofd, ten minste als kiem en voor-looper van de latere geheele vervulling. Zij hebben het ook niet zonder reden gedaan. Van alle koningen en regenten, die er sedert Daniël zijn geweest, beantwoordt Antiochus Epiphanes zeker het meest aan het profetisch beeld. Hij kwam uit een der vier deelen, waarin het rijk van Alexander was verdeeld, uit het geslacht der Syrische koningen, toen dit rijk reeds op het punt was, voor de aangroeiende macht van Rome te bukken. Zijne veroveringen en rooftochten waren zóó, als rr.en ze in het gezicht vindt beschreven. Vooral zijne mishandeling der Joden, zijne ontheiliging

ocr page 202

-S-i 184

van den tempel, zijne wreedheid tegen de getrouwe aanbidders van Jehova en zijne lasterende aanmatiging tegenover God zeiven, komen wel overeen met hetgeen van dezen hoorn wordt gezegd. De geschriften van Josephus en jde boeken der Makkabeecn verhalen zijne daden, waarvan men niet lezen kan zonder diep medegevoel voor de ellende, waarin hij zijn volk stortte, geheel en wonderbaar in overeenstemming met het woord van den profeet.

De tijd zou ons ontbreken, wanneer wij al zijne gruweldaden slechts vluchtig wilden schetsen. Het is genoeg, dat deze lichtzinnige man op de gedachte kwam om overal in zijn koninkrijk, Palestina eronder begrepen, de vereering van Jupiter Olympics in te voeren, en terwijl hij zich met dien god vereenigd voorstelde, daardoor zijne eigen persoon te laten aanbidden. In blinden ijver en hoogmoed trachtte hij elke andere Godsver-eering en bovenal den eeredienst van Jehova te Jerusalem uit te roeien. Onder de Joden zelfs waren vele afvalligen bereid, zijne afgodische plannen te begunstigen. Hij kocht deze verraders, verkocht het hoogepriesterlijk ambt aan den meestbiedende, zette voor goud den een in plaats van den ander, beroofde gedurig weder den tempel van alle gouden en zilveren voorwerpen, die daar werden gebruikt, en doodde zonder erbarming, wie het waagde, zich hier tegen te verzetten. Door schandelijk verraad en bedrog kwam hij in het bezit van Jerusalem overviel de inwoners, benam koelbloedig duizenden het leven, plunderde en verwoestte de huizen, voerde vrouwen en kinderen in slavernij, versterkte de stad en liet er de slechtste menschen wonen om eiken oprechten aanhanger van den God Abrahams, die daar kwam om Jehova te dienen, te vervolgen en te vermoorden. Hij bezoedelde het heiligdom met onschuldig bloed, verbood

ocr page 203

-3H 185 H$-

de besnijdenis op straffe des doods, schafte den tempeldienst af, zoodat het onkruid groeide in de verlaten voorhoven van het Godshuis, en plaatste het beeld van zijn' afgod op het altaar van den Almachtige, bracht als eene uitgezochte beleediging van den God Israels offers van varkensvleesch, en noodzaakte alle Joden, die getrouw aan den godsdienst hunner vaderen wilden blijven, naar de bergen en woestijnen te vluchten, als zij hun leven wilden behouden. Dit alles bedreef hij of liet het toe, en verontrustte het uitverkoren volk door in vredestijd en met verzekeringen van vrede duizenden van het leven te berooven. In opstand tegen den God van Israel en door allerlei verraders geholpen, verjaagde hij de wettige priesterschap, verbrandde de heilige boeken met het doel, beide de Wet en de Profeten te niet te doen en de Joden en hunnen godsdienst in de laagste heidensche gruwelen te doen ondergaan.

De tijd, dien de engel bepaalde voor den duur der vervolging van het heiligdom door dezen hoorn, komt eveneens uit met de geschiedenis van Antiochus. Het geheele gezicht van de verstoring van het gedurig offer wordt „het gezicht van avond en morgenquot;, genoemd, en wanneer er gevraagd wordt „tot hoe lang zal dat gezicht zijn?quot; luidt het antwoord, waarvan de waarheid nog bijzonder bevestigd wordt: „Tot tweeduizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.quot;

Er wordt hier niet gedoeld op den avond en den morgen als gedeelten van den dag, maar op het verstoorde offer, dat eiken morgen en avond werd gebracht. Fweeduizend driehonderd dezer offers zou de maat der verstoring zijn, elke avond werd voer één geteld en elke morgen. Dan wijst het antwoord des engels op elf honderd vijftig dagen, of drie jaren en een deel van

ocr page 204

-gt;• 180

een jaar. Naar de berichten in de boeken der Makka-beeën waren drie jaren verloopen van den dag, waarop het eerste afgodische ofler onder Antiochus op het altaar Gods werd gebracht, tot den dag, waarop weder de eerste heilige offers gebracht werden, terwijl de bevelen des konings, die het gedurig ofter verboden, afge kondigd werden eenige maanden vóór het orfer aan Jupiter op Jehova's altaar. Nemen wij echter de tweeduizend driehonderd „avonden en morgens, voor zooveel dagen, dat is iets over de zes jaar, dan hebben wij het tijdvak van de eerste berooving van den tempel door Antiochus tot de wederinwijding van het heiligdom onder de Makkabeeën.

De ellendige dood van dezen hoogmoedigen en wieeden godslasteraar beantwoordt ook aan het einde, dat den kleinen hoorn voorzegd wordt.

De engel zeidei „hij zal zonder hand verbioken worden,quot; hetgeen wijst op zijne uitroeiing door eene bovennatuurlijke kracht, en zooclan g was het einde van Antiochus Epiphanes.

Toen hij een' inval in Ferzië deed en den tempel te Ely ma is plunderde, werd hij door een opstand onder het volk verdreven. Bijna ie gelijkertijd ontving hij het bericht van de nederlaag zijner troepen in 1 alestina en de wederinvoering van den tempeldienst. V an woede kokend, was hij voornemens het Joodsche volk te vernietigen. Daarop werd hij plotseling door eene vieese-lijke ziekte bezocht, gelijk aan die van lieiodes. Ond_i onuitsprekelijk lichaams- en zielelijden ging hij zijn einde tegemoet, hetgeen door hemzelven en door alle ooggetuigen een openlijk oordeel Gods over zijne zonden van heiligschennis en godslastering werd beschouwd. Polybius zegt, dat hij „waanzinnig stierf,quot; en bedoelt daarmede den waanzin veroorzaakt, door ondragelijke

ocr page 205

-3gt;- 187

lichaamspijn en knagende gewetenswroeging. Zoo stierf hij ellendig, maar niet door menschenhanden, en de tijd van den verwoestenden hoorn was afgeloopen.

Josephus zegt zonder er iets bij te voegen, dat dit alles geschiedde ter vervulling van het achtste hoofdstuk van Daniel, Uit het overzicht zijner geschiedenis wordt duidelijk genoeg bewezen, dat de loopbaan van Antiochus Epiphanes ten minste eene voorafgaande of voorbeeldige vervulling van dezen hoorn is.

Maar wij mogen daarom niet de gevolgtrekking maken, dat de geheele zin en de voornaamste beteekenis van dit gezicht vervuld is en nu tot het verledene behoort. Altijd weder komt de diepzinnige opmerking van Lord Bacon tot haar recht: „De goddelijke profetieën bezitten naar den aard van haren Oorsprong een omvang en eene uitgebreidheid, waarbij duizend jaar zijn als één dag, en daarom worden zij niet alle in eens vervuld, maar dragen in zich eene kiem van langzame vervulling door alle tijden heen, ofschoon zij in eene bepaalde eeuw haar hoogtepunt bereiken.quot; En zoo kunnen wij meer overeenkomstige trekken vinden tusschen dezen kleinen hoorn en Antiochus Epiphanes en , wellicht andere antichristlijke wereldheerschers na hem, terwijl de ,,geheele verwezenlijkingquot; der profetie nog op hare vervulling wacht. De geschiedenis is eene voortdurende herhaling en vooral geldt dit de verschijnselen in de geschiedenis, die in Gods woord bijzonder beschreven en vooraf aangekondigd worden. In dit hoofdstuk vindt men enkele bijzonderheden, die tot doel schijnen te hebben, de gevolgtrekking tegen te spreken, alsof het gezicht vervuld zou kunnen zijn op een anderen tijd, dan die, welke onmiddellijk voor den grooten oordeelsdag komt, Gabriel ontving den last, Daniel te doen verstaan, „dat dit gezicht zal zijn tot den tijd

ocr page 206

188 ^

van het einde.quot; Hij maakt dus onderscheid tusschen eene eerste en eene latere vervulling, en bedoelt het laatste deel met „den tijd van het einde.quot; Hij zegt, dat het gezicht zich over een lang tijdperk uitstrekt, en dat „te bestemder tijd het einde zal zijn.quot; Hij zegt, dat het optreden van een' overmoedigen en listigen koning zal plaats hebben „naquot; de groote wereldheerschappijen, die beschouwd worden als tot den dag des oordeels te blijven bestaan.

De tijd voor de geheele vervulling van het gezicht zal ook zijn, zooals er gezegd wordt; „als het de afvalligen op het hoogste zullen gebracht hebbenquot; — bij de laatste uitbarsting van allen opstand en alle boosheid, — hetgeen altijd betrekking heeft op den tijd des oordeels. De eigenaardigheden en de werken van dezen hoorn komen eveneens overeen met den mensch der zonde, waarvan Paulus spreekt en met het groote beest uit de Openbaring, welke zonder twijfel zullen bestaan tijdens de verschijning van Jezus Christus als Rechter der wereld. Daarom is het zooals Luther zegt: „Deze hoofdstukken van Daniël hebben, gelijk alle uitleggers eenpari j verklaren, betrekking op Antiochus en op den Antichrist der laatste tijden, waarin wij nu leven.quot; Christus zelf zeide van de Joden, die Hem verwierpen, dat een ander zou komen, niet in den naam des Vaders, maar in zijn' eigen naam, en dat zij dien zouden aannemen. Om dezen satanischen valscheh heiland uit de laatste booze tijden dezer wereld zullen zich vooral de Christus verwerpende Joden scharen, en in hem zullen alle gruwelen en duivelsche boosheden op aarde haar toppunt bereiken, gelijk wij zien in den kleinen hoorn, die zoo groot werd. Wanneer alles, wat nu nog in den weg staat, is verwijderd, wanneer de oprechte en lijdzame kinderen Gods opgenomen zijn in de wo'ken, den

ocr page 207

-■gt;- 189 ;lt;5~

Heer tegemoet in de lucht, dan zal die ongerechtige geopenbaard worden, wiens toekomst is naar de werking des Satans, in alle kracht, en teekenen, en wonderen der leugen en in alle verleiding der onrechtvaardigheid, die allen, welke de waarheid niet lief hebben, gevangen neemt. Niets anders dan deze laatste, krachtige tuchtroede der wereld, welke de Heer zal verstoren en vernietigen met de heerlijkheid van Zijn eigen verschijning, beantwoordt volkomen aan het beeld van dezen nood-lottigen hoorn, zooals het in dit gezicht wordt getoond.

Zelfs de Joden ten tijde van Hiëronymus waren, zooals hij ons mededeelt, van meening, dat dit gezicht nog later zou vervuld worden in een' toekomenden koning gelijk Antiochus, in wien de boosheid der aarde ten top zou stijgen en wiens val op den grooten oordeelsdag van den almachtigcn God zou plaats hebben. „Dit,quot; zegt Hiëronymus, „is ook hetgeen w ij onder den Antichrist verstaan, wiens schaduw reeds zoolang te voren is gezien.quot; Uit dit oogpunt beschouwd, zijn de lessen en waarschuwingen, die de prediking in onze dagen uit den inhoud en de gedeeltelijke vervulling van dit hoofdstuk kan putten, buitengewoon gewichtig. Gelijk Antiochus Epiphanes en zijne werken en straf in dien tijd met de profetische beschrijving overeenstemden, kunnen wij uit zijne geschiedenis leeren, hoe het in de laatste dagen zal zijn. De menschen denken en spreken veel erover, wie de laatste Antichrist zal zijn, en hoe hij zal komen. De Christelijke oudheid antwoordt als uit éénen mond ; „Hij is Antiochus Epiphanes, opnieuw komende in grootscher afmetingen en met verhoogde werkzaamheid onmiddellijk vóór den grooten dag des Almachtigen.'' Wanneer wij letten op de wijze en de oorzaak, waarom de zware vervolgingen van dezen Grieksch-Syrischen koning over de Joden van den ouden

ocr page 208

190 =lt;~

tijd kwamen, kunnen wij nagaan, hoe en wanneer de laatste Antichrist zal komen.

Gewis kwamen de rampen, door Antiochus veroorzaakt, niet enkel door zijne slechtheid en geweld. De ware oorzaak heeft men te zoeken in den afval en de zonde van het Joodsche volk zelf en voornamelijk van zijne priesters en voorgangers. Zij lieten zich maar al te gemakkelijk verleiden door de listige vleierijen en de fraaie redeneeringen van dezen bedrieger ; zij geloofden al te gewillig zijne beloften van gunsten, en werden te spoedig verblind door zijne kwistige vrijgevigheid. Zij hoopten weder van hem eer, gewin en volksgunst te verkrijgen door verkeerde inschikkelijkheid en omkoo-perij. Een voornaam kenmerk van dien boozen tijd was de invoering van het wereldsche in de kerk. Zij richtten in Jerusalem heidensche gymnasiën op, waar de Hebreeuwsche jongelingen op Helleensche wijze werden opgevoed. Zij namen in alles Grieksche gewoonten en gebruiken over, en beijverden zich, de zeden van het volk Gods op heidensche leest te schoeien. Buiten-landsche reizen, handel, Grieksche wijsbegeerte, letterkunde, g-odsdienst en kunst brachten nieuwe en vreemde

gt; o

elementen aan, waarvoor de wetten van Jehova het veld moesten ruimen. Vele Joden loochenden zelfs de besnijdenis. Twee hoogepriesters — zekere Jezus, die door omkooperij zijn' ouderen broeder uit die waardigheid had verdrongen, en zekere Onias, die zich in de . plaats van Jezus stelde — veranderden hunne namen in de Grieksche Jason en Menelaüs. De opvolger van dezen laatste, Joachim, nam den Gnekschen naam Alci-mus aan en werkte op alle wijzen den ijver en de pogingen van den heldhaftigen strijder voor den God zijner vaderen. Judas Maccabeus, tegen, ja wilde hem zelfs aan zijne heidensche vijanden overleveren. In één woord

ocr page 209

■ -V,;1 vv^-^ ff -

quot;W

1'Jl -lt;-

vrijheid en vooruitgang waren in den geest des tiids, en alles werd aangekweekt en voortgeholpen wat kon medewerken om van Jerusalem eene Grieksche stad te maken, een Athene, Alexandrie of Antiochie, .— tot al wat dc Joodschc. kerk onderscheidde, slechts in vormen en namen leefde. Vele priesters verloochenden den godsdienst der vaderen, werden afvallig van het geloof van Mozes en de profeten en werden .zoo volgzame handlangers van het heerschende en vervolgende ongeloof. Men had God verlaten, en nu onttrok Hij Zijne genade en bescherming, nam de geestelijke voorrechten, die zoo geminacht en verwaarloosd werden, weg en leverde het gansche volk over aan zijne heidensche vijanden. Zij ontwijdden eerst het heiligdom en Hij verliet het. De trouweloozen maakten Jerusalem tot eene heidensche stad en II ij verliet haar Het heilige der heiligen was niet langer de woning van den levenden God, die zich daar eenmaal op Zijn' genadetroon had geopenbaard. Toen hield Hij op te verdedigen en te beschermen. En de tempel zelve, gebouwd op de plaats, .waar Abrahams geloof zoo heerlijk overwon, en waar David dén enge! des Heeren zag, werd een heiligdom van den olympischen Jupiter. De hoogepriester zond zelf een gezantschap naar de spelen te Tyrus ter eere van Herkules. In plaats van de gewijde omgangen der palmdragers en Hosanna-zangers, die eens in de straten v; n Sion tijdens het Loofhuttenfeest dc heilige liederen zongen, zag men lieden met klimopbekranste thyrsen rondgaan, terwijl zij liederen ter eere van Bacchus zongen. Ln in plaats van het water, dat in gouden vaten uit de bron Siloam werd geput, bracht men offers van onreine dieren op Jehova's altaar voor het beeld van Jupiter Olympios. De gruwel der verwoesting was gekomen, en werd alleen teweeggebracht door de

ocr page 210

192 ^

lafhartigheid, de eerzucht, de hebzucht, de onderlinge afgunst, het verraad en den afvrl der gezalfde priesterschaar.

Ook voor ons bereikt het Boek Daniël zijn doel niet, wanneer wij er niet eene ernstige waarschuwing in zien voor de kerk van onzen tijd en van alle tijden, die nog zullen komen, namelijk, dat wij ons hebben in acht te nemen voor betooverende vleierij, voor wereklsche middelen en voor eene toegevendheid, die onder den zelf-behagenden schijn van menschlievendheid, vrijzinnigheid en twijfelzucht ons wil verleiden, onzen goddelijken oorsprong en onze hemelsche bestemming te vergeten. Wij staan te midden van eene wereldbeschouwing, die er op uit is, aan de kerk hare heilige voorrechten te ontnemen, de haar overgeleverde bediening te niet te doen, en haar tot eene louter burgerlijke uitwendige instelling te verlagen. De menschen noemen het vrijheid en vooruitgang, wanneer onze christelijke scholen en leerstoelen in plaatsen van wereldlijke beschaving er. wetenschap worden veranderd. Er is een geest, die de heilige geschriften beschouwt als louter menschelijke getuigenissen van vrome mannen uit den duisteren voortijd, die het geopenbaarde geloof tot eene schepping van menschelijk onderzoek en nadenken maakt en het met het verstand wil verklaren; die de heilige sacramenten oplost in plechtige gebruiken en schaduwen zonder leven of kracht, en het predikambt berooft vf.n het recht daaraan door God zelf verleend, om aan de verloren menschheid vernieuwing en heiligmaking, de verlossende genadegift van Jehova, te brengen.

Dat is de geest van den Antichrist. Meer en meer verheft deze geest zich, tot hij zijn werk heeft voltooid. Paulus zegt uitdrukkelijk, dat in de laatste dagen de menschen de reine leer niet zullen verdragen, maar zich

ocr page 211

-s* 193 .lt;-

leeraars kiezen naar hunnen lust, die zoodanige dwaalleer verkondigen. Geloof, catechismus en alle bijzondere belijdenisschriften, gelijk alle wettige instellingen der kerk, bovenal de sacramenten, zullen zij verbieden en met voeten treden. Velen, wier ambtelijke plicht het is, tot eiken prijs deze zaken te verdedigen, zullen de eersten zijn om die te verraden. Meer en meer zullen de menschen de boeien van ware vroomheid en gods-dienstan afschudden en aanbidders van hun eigen Ik worden, hoogmoedige godslasteraars, vermetele kwaadsprekers, dienaren des vleesches, verachters van het goede, die zich eene godheid maken, maar haar alle kracht ontzeggen. Jezus heeft zelf gezegd: „Wanneer de Zoon des menschen komt, zal Hij geloof op aarde vinden?quot; Aldus zal door de zonde, de verkeerde toegevendheid, den afval en de ontheiliging der kerk door de bewaarders van het geloof, de laatste volkomen gerijpte Antiochus komen als een rechtvaardig oordeel van den almachtigen God over degenen, die hem den weg gebaand en de deur voor hem geopend hebben.

O mijne vrienden, vele der tegenwoordige kerkgenootschappen en hunne hoofden zaaien een' oogst van ellende, waarvan zij nog niets vermoeden. In het licht der heilige profetie en door de natuurlijke opvolging van oorzaak en gevolg, zie ik van alle kanten als een verdelgende stroom aanrollen. Verleid door den waan van hun geloof en leven, door hunne huichelarij om zich nog met den heiligen Christennaam te noemen, struikelen en vallen duizenden en versterken de gelederen van het erkende ongeloof. Door de voorspiegeling van vrede en algemeene broederschap op de lippen van hen, die wanen strijders in het leger des Heeren te zijn, worden duizenden en duizenden verleid om bittere ontgoocheling en namelooze ellende op aarde te vinden Goddelijke Stemmen. 13.

ocr page 212

—gt;• 194 *s-

en misschien eeuwige wanhoop hiernamaals. Wat zijn er vele voorbeelden, dat zelfs de hoogepriesters des tempels zijne heiligste schatten prijs geven om de gunst van den bedriegelijken en onverzadelijken hoorn der wereldheerschappij te verkrijgen, terwijl zij zich zeiven en de hun toevertrouwde heilige goederen aan den grooten verleider verkoopen! Hoe vaak laten zij zich overhalen, zijne partij te kiezen tegenover een' Mattathias, een' Eleazar, een' Maccabeüs, die de verleide schare weder tot rede willen brengen en om de eeuwige banier verzamelen. Kan het anders, dan dat de door den duivel geregeerde wereld, naar welker gunst zij dingen en aan welke zij op deze wijze het erfdeel Gods overleveren, werkelijk zal toonen, dat zij de macht heeft om te bevelen, tot op de inbezitneming van den tempel Gods, hare verheffing boven alle goden en den belee-digenden eisch, haar als de eenige godheid te aanbidden ? Daar kunnen de heiligen Gods niet blijven. Zij verbergen zich in de woeste gebergten en wildernissen der aarde, tot de toorn des Heeren vervuld, de maat der zonde vol is, en de dag van den almachtigen God aanbreekt met zijne vernietigende donderslagen.

Gij zult het verklaarbaar vinden, dat Daniël door dit gezicht en zijne uitlegging hevig ontroerd werd, wat wel niet anders kon. Hij viel in onmacht en was eenige dagen krank. Velen houden dit voor eene bijzondere bezoeking, die den profeet overkwam, opdat hij zich niet zou. laten voorstaan op deze gewichtige openbaringen, maar daarvoor bestaat niet de minste reden. Hij kreeg de ongehoorde rampen van zijn volk, zijn land en zijn' godsdienst te zien, en dat greep hem aan. Het was niet Gods hand, die hem nederigheid moest leeren, maar de openbaring van de vreeselijke dingen, die zouden gebeuren met hetgeen hem het dierbaarst was. De

ocr page 213

H3* 195

innerlijke ontroering, die hem vervulde, werkte op zijn lichaam en verzwakte zijne kracht. Dit noemt bisschop Newton „een onomstootelijk bewijs, dat de vervolgingen onder Antiochus onmogelijk de hoofdinhoud en de eenige bedoeling dezer profetie kunnen zijn.quot; Het openbaart eveneens het groote verschil tusschen de wijze v/aarop de heilige mannen van den ouden dag zoodanige profetie beschouwden, en die waarop het meerendeel der geloovigen in onze dagen haar aanneemt. Petrus zegt ons dat zij „ondervraagd en onderzocht hebben, onderzoekende, op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus die in hen was, beduidde en te voren getuigde het lijden, dat op Christus komen zoude, en de heerlijkheid daarna.quot; De ziel van Daniël werd bijna verteerd door zijn overmatigen ijver in de beschouwing van Gods woord, in vasten en bidden, in overdenking van toekomende dingen. Maar hoe gedragen de tegenwoordige godgeleerden zich tegenover deze zaak ? De algemeene opinie is, dat iemand niet geheel toerekenbaar is en het hem aan verstand ontbreekt, wanneer hij het waagt, zich op de eene of andere wijze met onvervulde profetieen bezig te houden. Ofschoon God zich verwaardigd heeft, ons veel mede te deelen, wat nog moet gebeuren, waarschuwen velen ons daarvoor als voor een gevaarlijk terrein. Zij beweren, dat wij onrechtmatig in de geheimen van den Almachtige indringen, wanneer wij daarmede bezig zijn, of er bepaalde verwachtingen aan vastknoopen. Het gewone geloof is, dat de profetische schriften eerst dan zullen worden verstaan, wanneer zij vervuld zijn, dat het vermetel is daarop eene leer te gronden, — en dat alleen een overprikkeld brein in staat is zich daarmede op te houden. Volgens de meening van deze priesters der rede waren de profeten zeer dwaze menschen, dat zij

ocr page 214

-sh 196 *5-

zich leenden, te profeteeren wat hun werd geopenbaard, eh was Daniël bijzonder dwaas, omdat hij zich liet verontrusten door deze gezichten van gebeurtenissen in de verre toekomst. Maar dat is juist het verschil tusschen de ware en erkende dienaren van God, en hen, die in onze dagen voorgeven hunne broeders, opvolgers en plaatsvervangers te zijn. Door de vaderen werd alles wat de Heilige Geest van de toekomende dingen ontsluierde, gewaardeerd en onderzocht als het kostelijkste goed; zij verdiepten zich met grooten ijver erin en vereerden het als een van God gezonden licht in de duisternis der wereld. Maar de meesten der nieuwere theologen houden het voor hooge wijsheid en ware vroomheid om hetgeen van de toekomst geschreven staat, dood te zwijgen en te vermijden. Wanneer zij toevallig dit onderwerp behandelen, is de inhoud van hunne rede, dat het misschien wel dit of dat kan beteekenen, of wel dat wij het geheel niet kunnen ontcijferen. Zoo wordt een uitgebreid, levenwekkend en boeiend gedeelte der openbaring Gods ontzenuwd en metterdaad als een nutteloos aanhangsel der heilige Schrift beschouwd. Jehova zegt: „Schrijf dit gezicht op en schrijf het duidelijk, opdat wie het leest, ontvlieden mag,quot; ofschoon het een gezicht geldt, dat ons heden nog niet verklaard is. Maar de menschen zijn wijzer geworden dan hun Schepper, en weten beter wat een verstandig godgeleerde en goed prediker betaamt. Wij moeten het boek sluiten en er over zwijgen, of verdragen, dat men ons dwazen noemt. Wee over de heerschende godsdienst van onzen tijd!

Waarde broeders, willen wij navolgers der heilige profeten zijn, dan moeten wij een oog, een oor, een hart hebben voor hun heilig woord en voor hetgeen eerlang zal plaats hebben. Iedere uitspraak van den

ocr page 215

-gt;• 197

Heer is kostbaar, en vooral ieder woord, dat over de toekomst handelt, die wij tegemoet gaan. Wilt gij veilig zijn in deze verschrikkelijke en verwarde tijden en bereid voor hetgeen op aarde zal komen, vreest dan te verachten, wat God tot uwe onderwijzing heeft laten schrijven, opdat u niet, zoo gij in de duisternis blijft, de groote dag overvalle als een dief in den nacht!

ocr page 216

HOOFDSTUK XI.

Toekomst van het uitverkoren Volk,

of de zeventig Weken.

Daniël 9 ; 1—27.

Het innerlijk leven van den profeet. — Zijn gebedsijver neemt toe door het onderzoek van nog onvervulde profetieën. — Zijn groot gebed. Gods antwoord daarop. — Gabriël gezonden om de waarheid bekend te maken. — De profetie van de zeventigmaal zeven. — Zij heeft uitsluitend betrekking op de toekomst van Israel. — Wat die zeventigmaal zeven zullen brengen. — Vorst Mesiias. — Duur der profetie van de herbouwing van Jerusalem tot Zijne verschijning in Israel. — Zijn sterven. — De gevolgen daarvan voor het Joodsche 'colk. — De laatste weken. — De laatste Antichrist. — Korte herhaling van den inhoud vaa dit hoofdstuk.

Dit hoofdstuk toont ons meer van het innerlijk leven des profeten dan eenig ander in het boek. Het leert ons, dat Daniël, hoe beroemd hij ook was om zijne wijsheid in zijne openbare betrekkingen, niet minder uitmuntte door geestelijke kennis en ernstig gebedsleven, terwijl het aantoont, dat de eerste grootendeels een gevolg van het laatste was. Echt geloof en levende vroomheid maken groot en wijs. Want innige persoonlijke gemeenschap met God en onbepaald vertrouwen op Hem zijn de bronnen van de hoogste waardigheden en de schitterendste daden der menschen. Daniël had ook niet kunnen zijn wie hij was, zoo geëerd als staatsman, zoo wijs als profeet, noch zulk een uitverkorene desquot;Hemels, als hij niet zulk een geloovig bidder was

ocr page 217

-3-i 199

geweest. Zouden wij gaarne iets weten van den aard en den inhoud zijner gebeden, die hij driemaal daags van zijn naar Terusalem gelegen venster ten Hemel zond, hier hebben wij een door hemzelven geschreven voorbeeld, juist zoo als het gedurig van zijne gewijde lippen stroomde. Wanneer ambtenaren in onzen tijd dagelijks in dergelijke woorden hun hart voor God uitstortten, zouden zij ware vaderlandsliefde toonen. Maar daarvan weten zij ongelukkig maar weinig, ofschoon zij er veel van spreken. Dan zoude de politiek niet langer een aanstoot en eene ergernis van het volk, en eene bekommering van vele welgezinde burgers zijn. Zeker heeft nooit iemand beter eene staatsbetrekking vervuld dan Daniël, die drie verschillende koningen dienende, zelfs door hen, die hem het ergst haatten, in zijne grootheid erkend werd.

De eigenlijke oorzaak daarvan was, dat noch bezigheden, noch listen of verdachtmaking, noch verleiding van menschen hem vermochten af te trekken van zijne gebeden en zijne plichten jegens God. In dit hoofdstuk worden wij in staat gesteld, aan het open venster te luisteren naar. zijn vurig gebed. Een vroom schrijver heeft ervan gezegd: „Ik ken in den ganschen Bijbel geen verhevener gebed, dan deze ernstige, schoone en toch eenvoudige bede.quot; Gelukkig zij, die door denzelfden Geest tot gelijke warmte en teederheid aangevuurd worden.

Het is de moeite waard na te gaan, door welke studie deze bijzondere vurigheid en diepte van aanbidding ontstoken en gevoed werd. Het blijkt uit de eerste verzen, dat Daniël profetieën en wel onvervulde profetieën onderzocht, en vooral de getallen en tijden, zooals zij in de Heilige Schrift staan opgeteekend. Hij bevlijtigde zich om „het getal der jaren,quot; die het profetenwoord aan-

ocr page 218

200 flt;5-

duidde, en den tijd waarin Gods woord zou worden vervuld, te doorgronden.

Velen houden deze studiën en onderzoekingen voor de onvruchtbaarste en gevaarlijkste, waarmede wij ons kunnen ophouden. Het is algemeen de overtuiging, dat wij daartoe niet geroepen zijn, ja zelfs geen recht hebben, onvervulde profetieën en in het bijzonder, onvervulde profetische getallen te willen doorgronden. Er wordt zelfs in naam van het Christendom beweerd, dat het de echte vroomheid afbreuk doet, en alle goede christelijke werkzaamheid en gebed verhindert, wanneer men die zaken onderzoekt en er van spreekt. Maar Daniël had eene andere overtuiging en een' anderen geest. Hij bestudeerde de geschriften der profeten, en zocht in hetgeen daar werd gezegd „het getal der jaren, van welke het woord des Heeren geschied wasquot; te doorgronden. Verre daarvan, dat het zijne vroomheid verminderde of hem voor de praktische eischen van het leven onbruikbaar maakte, toont hij het aan als de voorname oorzaak en kracht van zijne ijverige werkzaamheid — als iets, dat hem de verhevenste openbaringen heeft leeren kennen, maar hem daarom niet verhinderd heeft „des konings werkquot; met behoorlijke opmerkzaamheid te verrichten. Het ligt voor de hand, dat de oppervlakkigheid der tegenwoordige Christenen daardoor veroorzaakt wordt, dat het volk Gods niet meer verstaat en gelooft, wat de profeten hebben geschreven, en dat het onwillig is, de toekomende dingen, die God ons geopenbaard heeft, te onderzoeken, of er iets van te hooren. Wanneer men bestudeerde, wat Daniël heeft bestudeerd, en het geheele plan vau Gods wereldbestuur wilde leeren kennen, zooals Jehova het ons in Zijn woord heeft geteekend, zouden wij weldra meer van Daniël geest, wijsheid en ijver bemer-

ocr page 219

^ 201

ken. Hij putte zijn geloot meerendeels uit de boeken der profeten, en wij moeten tot dezelfde bron komen met dezelfde gezindheid, wanneer wij ons werkelijk tot dien heiligen geloofsijver voor God willen verheffen, waarvan dit hoofdstuk gewaagt. Hoe vaster ons vertrouwen is op hetgeen God heeft voorzegd en hoe zekerder wij de vervulling ervan tegemoet zien, des te dringender en gelooviger zullen onze gebeden zijn, dat Hij haastig kome en Zijne zegenrijk werk voleindige.

De inhoud van dit gebed zal ons rijke winst opleveren, wanneer wij ons erin verdiepen. Daniël bidt eerbiedig, nederig en met zelfbeproeving. Hij holt niet voort als een razend paard in den slag. Hij stelde zijn aangezicht tot God, den Heer, overwoog eerst het onderwerp, den inhoud en den vorm zijner beden, en door vasten, en zak, en asch bereidde hij zich om voor God te staan. Wiens tuchtroede over de zonden van hem en zijn volk was opgeheven. Wij hebben het evenzeer van noode, ons onder de machtige hand van God te verootmoedigen.

De namen en eigenschappen der Godheid, die in dit gebed worden genoemd, zijn vol beteekenis en gewicht. De grootheid en macht der eeuwige Majesteit gaan gepaaid met ondoorgrondelijke goedheid en getrouwheid, en toonen ons „den grooten en geduchten God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijne geboden houden,quot; Wiens almachtige hand alles op aarde en in den hemel bestuurt, en Wiens wegen gerechtigheid en waarheid zijn.

Het gebed is vol van de belijdenis der zonde, als oorzaak van Israels lijden. De uitdrukkingen van berouw zijn ongedwongen en vrijmoedig. Met innige zielesmart herhaalt de profeet het sombere register van Israels overtredingen. Niets wordt weggelaten, niets

ocr page 220

202

verkleind, niets achtergehouden, niets verschoond, want zoolang de mensch zijne zonden verontschuldigt, ot nalaat ze met waar berouw en oprechte smart te be lijden, kan hem geen vergeving worden geschonken. Het was niet alleen een smartkreet onder de gevolgen der zonde, maar eene vrijmoedige belijdenis der aan haar verbonden boosheid en strafwaardigheid en eene volkomen onderwerping aan Gods straffende rechtvaardigheid.

Hoofddoel van dit gebed was niet, dat de ellende werd afgewend, maar dat de tempel en de instellingen van God hersteld en eene ware geestelijke ontwaking van het volk tegeweeggebracht werd, want het baat weinig, of wij de straf der zonde kwijt zijn, wanneer hare inwendige oorzaak niet is weggenomen.

Dit is de toon van dit gebed, de ware en alleen doeltreffende — geene verdienste van den mensch, geene rechten of aanspraken van den zondaar, maar enkel en alleen de barmhartigheid van God en de eer Zijns grooten naams.

Een hartroerende gloed bezielt het. Welk eene overstrooming van alle gewaarwordingen en krachten van zijn innerlijk wezen wordt uitgedrukt in het Kyrie elei-son, waarmede de profeet eindigt!

„O Heer, hoor!

„O Heer, vergeef!

„O Heer, merk op en doe het, vertraag het niet!

„Om Uws zelfs wil, o mijn God!

„Want Uwe stad en Uw volk is naar Uwen naam genoemd.quot;

Zulk een gebed, belijdenis en smeeking moesten xot het genadige oor van den eeuwig barmhartigen Jehova doordringen. Terwijl de profeet nog sprak, werd de en ^el Gabriël van God gezonden, om Daniël te verze-

ocr page 221

-s* 203 ro

keren, dat hij verhoord was en hem tegelijk eene nauwkeurige voorstelling te geven van alles, wat in de toekomst met zijn volk zou gebeuren. Deze profetie is nauwgezet, waardig en gewichtig en ik verzoek u, haar nu met bijzondere opmerkzaamheid te beschouwen.

Dat zij niet gemakkelijk te verstaan is, bemerken wij voldoende aan de groote verscheidenheid van meeningen onder de uitleggers. Maar zij stemmen ten minste daarin overeen, dat zij van het allergrootste gewicht is en veel waarde heeft. Ik kan echter niet nalaten te gelooven, dat de grootste moeilijkheid van het verstaan niet ligt in de profetie zelve, maar in de onjuiste en eenzijdige voorstellingen, waarvoor de uitleggers haar pasklaar willen maken. Boekdeelen bij boekdeelen, vol diepe geleerdheid en nauwgezette kritiek hebben de menschen aan dit onderwerp gewijd, en toch is tot op den huldigen dag de groote massa der Christenen nog altijd in het onzekere over hetgeen God den engel Gabriel bijzonder voor ons heeft opgedragen. Wanneer wij meer naar Gabriel wilden hooren, dan naar de zwaartillende en verzwakkende meeningen van menschen, zouden wij misschien beter gaan verstaan wat aan Daniël werd geopenbaard. Wat beteekent dan nu de goddelijke openbaring van de zoogenaamde „zeventig weken ?quot;

i. De eerste aanmerking, die ik heb te maken, is dat het geen „wekenquot; zijn in de gewone beteekenis van het woord. Als wij van eene „weekquot; spreken, bedoelen wij een tijdvak van zeven dagen, maar Gabriël zegt niets van dagen. Hij spreekt van een tijdvak van zeventigmaal zeven, zonder te zeggen of het zeven dagen, of jaren, of eeuwen zijn. Maar wanneer wij op het begin van het hoofdstuk terugzij, en ons herinneren wat Daniël had onderzocht, en nagaan waarop

ocr page 222

204 Hg-

in zekeren zin deze mededeeling een antwoord van God was, dan wordt ons duidelijk, wat met deze zeventigmaal zeven bedoeld wordt.

De profeet had de voorzeggingen aangaande den duur der Babylonische ballingschap onderzocht.

Gelijk hij zegt, had hij uit de heilige schriften „het getal der jarenquot; bepaald, en dat „het vervullen der verwoestingen van Jerusalem zeventig jaren was,quot; zooals de Heer gesproken had.

Daar hij dit wist, bad hij God in het bijzonder, hem te willen voorlichten aangaande deze tijdsbepaling. De zending van Gabriel was het antwoord van de zoogenaamde „zeventig weken. Maar hier moet het oorspronkelijke t ij d e n door jaren worden vertaald, namelijk zeventallen van jaren. Dat was de meening en de inhoud der rede, van het begin af, en het is daarom onverantwoordelijk, aan iets anders dan aan jaren te denken. — Zeventallen jaren en wel zeventig zeventallen jaren hebben wij uit den geheelen samenhang te verstaan. Hier is geen profetisch nemen van dagen voor jaren, zooals velen beweren, — geheel geene beeldspraak, maar eene eenvoudige voortzetting der bekendmaking van de dagen en tijden in Israels geschiedenis, heeft men in diezelfde uitdrukkingen te verstaan, die in het begin dubbel waren uitgesproken. Geen gewone „wekenquot; of zeventallen van dagen, moeten wij hier verstaan, maar zeventallen van jaren — niets meer en niets minder.

2. Deze zeventallen van jaren zijn in drie verschillende volzinnen duidelijk vermeld — in de eerste eene vermenigvuldiging van zevenmaal zeven, in de tweede eene vermenigvuldiging van zevenmaal twee en zestig, en in de derde een enkele zeven. Zij vormen eene reeks, die bestaat uit 49 jaren, 434 jaren en zeven jaren —

ocr page 223

hsh 205 :lt;-

te zamen tienmaal zeven zeventallen van jaren, die het gansche tijdvak omvatten, waarin de vervulling van hetgeen deze profetie bevat van het begin tot het einde begrepen is. Er wordt niet bepaald gezegd of deze verschillende tijdvakken altijd onmiddellijk aansluiten, zoodat wanneer het eene ophoudt, het andere begint, en dit moet door andere deelen der profetie worden bepaald. Het eerste en tweede tijdvak, de 49 jaren en de 434 jaren verschijnen ongetwijfeld in samenhang, daar zij beiden eene bijzondere en zeer gewichtige tijdsbepaling aangeven. Maar dit schijnt niet het geval te zijn met het derde tijdvak, daar er wordt gezegd van dingen, dat zij „naquot; verloop der 483 jaren geschieden, die naar haren aard niet in het laatste zevental behooren, maar dat voorbereiden, hetgeen wijst op een zekeren afstand tusschen het tweede en het derde tijdvak. Om redenen, die in de openbaring zelf liggen, is de duur daarvan niet aangegeven.

3. Wat in deze zeventig zeventallen van jaren, die door den engel, zooals wij hierboven gezien hebben, verdeeld zijn, zal vervuld worden, heeft uitsluitend betrekking op de lotgevallen van Israel als volk, op zijne stad en zijn' staat. Dit is in het begin uitdrukkelijk door Gabriel medegedeeld, als sleutel tot de rechte kennis van den inhoud dezer profetie. Hij zegt, dat deze zeventigmaal zeven jaren uit alle andere tijden zijn bestemd „over uw volk en over uwe heilige stad,quot; en slechts hiertoe gebruikt mogen worden. Daarmede wordt ongetwijfeld het Israëlitische volk en zijne hoofdstad bedoeld. Dit is het hoofdpunt, dat men bij al het volgende in het oog moet houden, of men past de profetie verkeerd toe. Men mag deze beschrijvingen in geen enkel opzicht op een ander volk, eene andere stad of andere gebeurtenissen toepassen dan op

ocr page 224

-3H 206 •lt;—

de Joden en Jerusalem. Al kan de geheele wereld of een gedeelte ervan, buiten de afstammelingen van Abraham, door hetgeen hier vermeld wordt, gezegend of aangedaan worden, de zaak als geheel, zooals zij door Gabriël wordt blootgelegd, betreft slechts Abrahams geslacht en Jerusalem als vertegenwoordiging daarvan. Hier is niet aan de eene zijde de Jood en Jerusalem, en de Christen en de kerk aan de andere zijde. Het is de Jood en Jerusalem ten eerste, ten tweede en ten laatste, niets dan de Jood en Jerusalem en wat daarbij behoort. Wanneer dit niet waar is, heeft Gabriël de waarheid niet gesproken, want hij spreekt van deze tijd vakken der zeventigmaal zeven jaren en van het geheel, en van alles wat ermede in verband staat, als door God bedoeld voor de maagschap en het volk van den profeet, toentertijd nog in ballingschap, en voor hunne heilige stad, die toen nog in puin lag, maar weldra weder opgebouwd zou worden. Wanneer wij dit vooropzette^ laten wij eene massa scherpzinnige verklaringen en geleerde onderzoekingen eenvoudig liggen, daar zij volstrekt niet kunnen helpen bij de juiste aanwijzing dezer profetie. Zoo banen wij ons den weg tot een goed begrip ervan, dat wij anders te vergeefs zoeken te verkrijgen.

4. Een algemeen overzicht van hetgeen in deze zeventig weken zal vervuld worden, is het eerste wat door den engel wordt gegeven. Vers 24. Op de vraag, waarom deze tijdvakken zoo verdeeld zijn, bekomen wij hier het antwoord; 1. „O m de overtreding te sluiten,quot; — zij zal geëindigd, tot stilstand gebracht worden, daarna zal men er niets meer van bemerken. 2. „Om de zonden te verzegelen,quot; — in den afgrond te sluiten om nooit meer los te komen. 3. „Om de ongerechtigheid te verzoenen,quot; — zij wordt

ocr page 225

207 Kr-

door evenredige voldoening geboet, uitgevvischt, verborgen. 4. „Om eene eeuwige gerechtigheid aan te brengen,quot; den mensch in de rechte betrekking tot God te plaatsen en zijn leven te doen overeenkomen met Jehova's wil en wet; eenen toestand van zedelijk recht te scheppen, die nooit weder verbroken zal worden, maar al de eeuwen door zal duren. 5. „Om het gezicht en den profeet te verzegelen,quot; — om door de vervulling te bekrachtigen en te bevestigen alles, wat God door den mond Zijner heilige profeten sedert het begin der wereld heeft gesproken. 6. „Om goed te maken en in der daad en in waarheid te voltooien de heiligheid der heiligheden,quot; aldus luidt letterlijk de vertaling dezer laatste woorden. Men heeft ze willen toepassen op den doop van Jezus, op de hernieuwing van den tempel en op verscheidene andere zaken. Het eene is even onmogelijk als het andere, wanneer men de beteekenis der woorden juist nagaat. Het kan niets minder bedoelen dan de geheele voltooiing der verlossing als eene eindelijke, als de kroon der genade en voorzienigheid, waarvan al de profeten spreken. Zacharia bezingt dit „Allerheiligste,quot; als hij zegt: „Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: De heiligheid des Heeren. En de potten in het huis des Heeren zullen zijn als de sprengbekkens voor den altaar; ja, al de potten in Jerusalem en in Juda zullen den Heer der heirscharen heilig zijn.quot; Zach. 14:20,21 en ook Jes. 11 : 4—9. Het is niet de heiliging van ééne persoon, één altaar of één huis, maar de heiliging van het gansche volk en van al wat ertoe behoort. Wat ooit aan Israel beloofd en voorzegd is, of ooit voor Israel gehoopt werd, is alzoo rijkelijk vervuld in hetgeen deze zeventigmaal zeven zullen brengen. Door den engel is gezegd, dat zij tot de „voleindingquot; duren en tot de

ocr page 226

-3H 208 Hg-

vervulling van iedere schrift en profetie, die ook de „nieuwe schepping,quot; de „herstelling aller dingenquot; wordt genoemd.

5. Nadat de engel zoo de laatste gedaante der dingen voorgesteld had, verklaarde hij verder de bijzondere tijdvakken en gebeurtenissen, die in de verschillende deelen dezer zeventigmaal zeven zijn begrepen.

Het groote, eerst aangekondigde deel zijn de 62 maal zeven, vereenigd met zevenmaal zeven of 483 jaren, die den Vorst Messias toebehooren. Met het Nieuwe Testament in de hand, valt het eenen Christen niet moeilijk, te beslissen, wien hij te verstaan heeft onder dezen Vorst Messias. Voor het eerst in den Bijbel vinden wij hier het woord Messias uitdrukkelijk genoemd. Jesaja bezigt het van Cyrus om hem aan te wijzen als het uitverkoren werktuig van God voor de bevrijding van Zijn volk uit de langdurige gevangenschap, maar slechts als een zinnebeeld van den grooteren Verlosser, die van den beginne beloofd en door de ge-loovigen van alle tijden tegemoet gezien is. In den tijd van Jezus' verschijning op aarde sprak het Israëlitische volk steeds van den toekomstigen verlosser als van den Messias, en bedoelde daarmede dengene, die komen zou als uitverkorene en gezant van God, om de eeuwige verlossing in Israel teweeg te brengen. (Zie Joh. 4 : 25, 41; Matth. 2:4; Luk. 2 : 26; 3 : 15; Joh. 1 : 20, 3 : 28, 7 : 26, 10 : 24.) Op dezen beloofden en verwachten verlosser moet het hier gezegde betrekking hebben. Dat de Messias een koning, een heer-scher zou zijn, Die met koninklijke macht regeerde, was eveneens bedoeld, al wordt het in al de profetieën die Hem betreffen, niet onmiddellijk uitgesproken. Onder het Joodsche koningschap werd Hij voortdurend vermeld als de Vorst uit het huis van David. Daarom wordt

ocr page 227

209

Hij hier de Vorst Messias genoemd en het Nieuwe Testament schrijft aan Jezus van Nazareth overal het koningschap toe, als behoorende tot Zijne Messiaswaar-digheid. En tot op Jezus, den Koning Messias, moesten deze 483 jaren duren.

Op welk tijdstip van Christus' leven doelt dus de engel? Velen zeggen, op Zijne geboorte. Maar Jezus was toen nog niet aan het Joodsche volk als vorst of koning voorgesteld, ofschoon de wijzen Hem den „Koning der Jodenquot; noemden. Velen zeggen, het doelt ojd Zijn' doop of op Zijne zalving met den Heiligen Geest onmiddellijk daarna, of op beiden. Maar toen werd er met geen woord aan het volk gezegd, dat Hij koning was, alleen dat Hij Gods Zoon was. En gedurende meer dan drie jaren van Zijn optreden, in al Zijne schoone redenen, bij al Zijne wondervolle werken verklaarde Hij nooit zich als een koning. Integendeel, het volk zou Hem met blijdschap tot koning hebben uitgeroepen, maar Hij weigerde stellig die eer of dien titel aan te nemen. Doch er kwam een tijd, dat Hij als de wettige Koning der Joden optrad, en zich als zoodanig op een der groote godsdienstige feesten door het Joodsche volk lie- erkennen. Het geschiedde weinige dagen vóór Zijn lijden, en was een der voornaamste aanleidende oorzaken van Zijne veroordeeling en kruisiging. Voor het eerst gedurende Zijne loopbaan zien wij Hem als een' Koning, Wien de schare koninklijke eer bewijst en Dien zij als den Vorst uit het huis van David met Hosanna begroet. Te midden van de treffendste toejuichingen als Koning van Israel, reed Hij in zegepraal Jerusalem binnen, ging in den tempel, verjaagde allen, die daar handel dreven, wierp de tafels der wisselaars en de zitstoelen dergenen die duiven verkochten om en openbaarde Zich in al de macht en majesteit van den Goddelijke Stemmen. 14,

ocr page 228

-3H 210 K-

wettigen Koning en Heer van Zijn uitverkoren volk, tempel en rijk. Den Farizeërs, die deze openbaringen en vooral de kreten, die Hem als den gezegenden Koning, den Zoon Davids begroetten, zochten te verhinderen, antwoordde Hij: „Ik zeg ulieden, dat zoo deze zwijgen, de steenen haast roepen zullen.quot; Luk. 19 : 40. Hij moest aan het volk als Zijn wettige en gezalfde Koning worden voorgesteld, en dit geschiede hier. Wij dwalen niet met dit te zeggen. Het was een oud profetisch woord, dat de Koning-Messias naar Jerusalem zou komen, gezeten op een' ezel, ja op het veulen eener ezelin, en krachtens den Heiligen Geest wordt in het Nieuwe Testament hetzelfde verhaald en geleerd: „Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende; Zegt der dochter Sions; Zie uw Koning komt tot u.quot; Matth. 21 : 4en 5. Dat was de eerste keer, dat Jezus zich uitdrukkelijk als den Vorst-Messias aan het Joodsche volk voorstelde. Alleen op deze gebeurtenis uit Zijn leven hebben de woorden des engels duidelijk en nauwkeurig betrekking, want toen eerst kwam Hij als heerscher, als koning.

Op deze wijze vinden wij nauwkeurig het einde der 483 jaren van den engel.

Wanneer wij nu ook het begin daar van kunnen vinden, zóó dat het eveneens aan de beschrijving van den engel beantwoordt, hebben wij aanstonds een krachtig bewijs voor de waarheid en den goddelijken oorsprong van het boek Daniel, voor zoover het het Messiasschap van Jezus van Nazareth betreft.

De engel is zeer klaar en duidelijk in zijne uitdrukkingen. Hij spreekt van een bevel, opdracht of last „om te doen wederkeeren en om Jerusalem te bouwen,quot; vandaar tot op de verschijning van den Vorst-Messias moesten 483 jaren verloopen. Goedbegrepen ken dit

ocr page 229

211

bevel of deze opdracht alleen van een' Medo-Perzischen koning komen, onder wien de Joden hun zelfstandig bestaan herkregen. In de Heilige Schrift vinden wij drie dergelijke opdrachten, met betrekking tot den terugkeer der Joden — een van Cyrus, om den tempel weder op te bouwen (Ezra i); een Van Artaxerxes, in het zevende jaar zijner regeering, aan Ezra om de Joodsche wetten en den Joodschen eeredienst te herstellen, en een van denzelfden Artaxerxes, in het twintigste jaar zijner regeering, aan Nehemia (Nehem. 2).

Van deze betrof alleen het laatste de herbouwing der stad. Het eerste heeft slechts betrekking op den tempel; het tweede op de inrichting van den tempel, maar dit laatste bepaaldelijk op de stad: hare straten, muren en versterkingen als hoofdstad en middelpunt van het Joodsche volk en den Joodschen staat. Van deze drie opdrachten is de laatste verreweg de gewichtigste. Zij geeft aan de Joden hun zelfstandig bestaan terug en duidt bovenal het tijdstip aan der herstelling van Israels nationaal bestuur. Aan de wijze waarop de engel den tijd der herbouwing beschrijft, bemerkt men eveneens, dat de laatste opdracht bedoeld is. De herbouw zou plaats hebben in benauwdheid der tijden, onder grooten nood en vijandelijke aanvallen. Dat was bovenal het geval na het derde, aan Nehemia gegeven bevel,, dat aanmerkelijken tegenstand ondervond, vanwege de daaruit voortvloeiende meerdere onafhankelijkheid der Joden. Wanneer wij het boek Nehemia lezen, zien wij welke moeilijkheden en hinderpalen hij ontmoette, en hoe bij het bouwen der stad het zwaard ter verdediging in de eene hand werd gehouden, terwijl de andere het werk deed. Ik neem daarom dit bevel, aan Nehemia gegeven door Artaxerxes, koning van Perzië in het twintigste jaar zijner regeering, als uitgangspunt van de

ocr page 230

-5* 212 ^

483 jaren, die volgens de woorden des engels tot aan de verschijning van den Vorst Messias moesten ver-loopen. Nu werd de Heiland, voor zoover de voornaamste geschiedvorschers dienaangaande zekerheid hebben verkregen, omtrent 4 jaar vóór onze gewone tijdrekening geboren. Alzoo komt de intocht van Christus in Jerusalem als koning in of dichtbij het jaar 29 naar onze rekening.

Rekenen wij alzoo naar Christus' geboorte vierhonderd drie en tachtig jaren terug, dan komen wij op het jaar 454 vóór Christus of bijna op den tijd „van den uitgang des woords, om te doen wederkeeren, en om Jerusalem te bouwen!quot; En dat was, volgens aartsbisschop Ussher, Tregelles en anderen, juist het jaar, dat aangeduid wordt als het twintigste regeeringsjaar van Artaxerxes, koning van Per zie. De nauwkeurige tijdrekening is zoo ingewikkeld en staat zoo weinig vast, dat het niet mogelijk is, aangaande de datums uit een zoo ver verleden geheele zekerheid te verkrijgen. Maar dit twintigste jaar van Artaxerxes kan met meer overeenstemming en grooter zekerheid als eenig ander uit dien tijd worden aangenomen. Hengstenberg, die dit geheele onderwerp met eene nog door niemand overtroffen kennis en grondigheid heeft behandeld, wijkt van Ussher en Tregelles slechts één enkel jaar af. Mahan kwam langs een anderen, geheel onafhankelijken weg bijna op denzelfden datum. Een der beste onder de nieuwere onderzoekers op dit gebied uit den jongsten tijd, (Hengstenbergs Christologie III 223) neemt aan, dat al de bovengenoemde berekeningen geen tien jaren van elkander afwijken, wanneer men den nauwkeurigen tijd van het twintigste regee-ringsjaar van Artaxerxes, namelijk 483 jaren vóór den intocht van Christus in Jerusalem, wil bepalen. Zulk

ocr page 231

213

eene nauwkeurige overeenstemming over een zoo verwijderd tijdstip uit de geschiedenis van het Oosten, zonder dat men zich van astronomische berekeningen kan bedienen, vindt haars gelijke niet. Alle tegenwerpingen, die men ons hierover kan maken, vernietigen wij met de profetie van den engel, die het jaar, de maand en den duur des tijds aanwijst, die moest ver-loopen tusschen het bevel van Artaxerxes om Jerusalem te herbouwen, en de intrede van den Vorst-Messias als gezalfde Koning in deze zelfde stad.

6. De engel voegt dan nog eenige nadere en uiterst gewichtige bijzonderheden toe, welke volgen op het einde dezer 62 zeventallen, maar hij roert daarbij het laatste zevental niet aan.

Ofschoon Christus als Messias tot de Joden kwam, erkenden zij Zijne waardigheid niet, verwierpen Hem, veroordeelden Hem en lieten Hem kruisigen. „Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.quot; En de engel zeide : „na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden. Niet in de helft der laatste week zooals velen zeggen, maar eenvoudig „naquot; het einde der twee en zestig zeventallen, zonder vermelding van het laatste zevental. Hoe lang „daarnaquot; werd niet gezegd, maar alles wijst daarop, dat de verwerping aanstonds na de voleinding der 483 jaren en het optreden van den Messias als Vorst zou geschieden. Inderdaad geschiedde zij binnen zes dagen. Deze verwerping van Christus vinden wij op de aangrijpendste wijze beschreven. De oudsten van Israel veroordeelden Hem en stieten Hem uit de gemeenschap van Gods uitverkoren volk. De Romeinsche landvoogd leverde Hem aan de handen Zijner vijanden over en onttrok Hem zijne bescherming. De soldaten kruisigden Hem met toestemming der Joodsche en der

ocr page 232

-s-i 214

Romeinsche machthebbenden, en roeiden Hem zoo uit, uit het land der levenden. De langbeloofde, langverwachte, van God verkoren Vorst Messias was dood, gekruisigd, door den rechter veroordeeld en het woord van den engel was letterlijk in vervulling gekomen. Hierdoor wordt het feit eener goddelijke ingeving en de werkelijkheid van eene [wetenschap, die alleen van God kan komen, bewezen.

De onderzoekers hebben zich zeer veel moeite gegeven voor de uitlegging van den korten door den engel bijge-voegden zin (Dan. 9 ■ 2ö)gt; dien Luther niet geheel juist heeft vertaald met Je woorden „en niet meer zijn. Deze kleine zin vormt echter een keerpunt in de profetie des engels, waarop zijne eigenlijke, juiste beteekenis over de verwerping van den Messias volgt. Terwijl geene twee geleerden het eens kunnen worden over deze weinige en toch zoo veelbeteekende woorden in het oorspronkelijke, houden de orthodoxe uitleggers zich aan de algemeene beteekenis. De leer van Christus' plaats-bekleedend lijden, hoe waar ook, wordt op deze plaats ongetwijfeld niet bedoeld. Zij betreft niet den aard van het sterven van den Messias, maar het feit Zijner verwerping en de daaruit volgende rampen van het Joodsche volk. Wij mogen het uitleggen, zooals wij willen, de eigenlijke zin blijft, dat zij tot wie de Messias als Koning kwam, door Zijne verwerping (alsof Hij voor hen zonder waarde d. w. z. zoo goed als niet bestaande was) zichzelven buitensloten van Zijne genade en bescherming, die hun zou geschonken zijn indien zij Hem als hunnen Koning hadden erkend. Als volk verwierpen zij hunnen Messias en daarmede kozen en verkregen zij hunne verwerping als Zijn volk. Toen zij hunnen Koning doodden, waren zij niet langer Zijn volk en stelden zich op dezelfde lijn met de heidenen, behaive

ocr page 233

-51 215 HS-

dat zij nog met de schuld en de schande beladen waren van hunnen Messias te hebben vermoord. Aldus sprak de engel: „En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, en niets meer zijnquot; — voor het volk dat Hem uitroeide en nu niet langer Zijn volk was in de beteekenis waarmede Hij hun Vorst Messias was en moest zijn. Met andere woorden: de engel zegt hier tot Daniël, dat onmiddellijk aan het einde van een bepaald aantal jaren, Zijn volk zijn Vorst Messias verwerpen zoude en dientengevolge zou ophouden Zijn volk te zijn, daar het in Hem zijn' Koning verwierp. De volgende woorden des engels bevestigen deze verklaring. Hij weidt uit over de verwoesting der stad, en 'de ellende, die over de Joden zou komen. Zoo zegt de engel, dat hunne stad en tempel verwoest zullen worden, dat eene vreeselijke belegering en vervolging over hen zoude komen, dat hunne straf zeven jaren „tot de voleindingquot; d. w. z. de herschepping aller dingen en den grooten dag van het jongste gericht, zou duren, en dat zelfs nog de laatste helft dezer zeven jaren het lijden zou hernieuwen, dat hunne vaderen onder Titus en Vespasianus verduurd hadden.

Hoe juist dit alles tot heden vervuld is, is bekend; Jerusalem is gevallen onder krijg en gruwelijke verwoestingen. Langer dan 1800 jaren liggen de heilige gebouwen des tempels te Jerusalem in puin, door de heidenen vertreden, en het volk is tot aan de einden der aarde verstrooid, en met voorbeeldelooze gestrengheid aan het oordeel Gods overgegeven.

7. Maaar behalve alles wat er volgt op het einde der twee en zestig weken en de uitroeiing van den Messias, blijft er nog een gedeelte van de zeventig over, dat nog niet aangeraakt is. De engel zegt het nu in het zeven en twintigste vers. Men ziet, dat hij zich

1

ocr page 234

-gt;■ 216 !lt;-

aansluit bij de „voleindigingquot;, wanneer de groote verwoester zijne straf ontvangen zal. Hiermede kan niet bedoeld zijn het einde der tegenwoordige wereld, de groote oordeelsdag, die eindigt met „de herstelling van alle dingen.quot; Deze laatste zeven jaren moeten dus worden teruggeteld van dit merkwaardige tijdstip, zooals de andere moesten voortgeteld worden van de uitvaardiging van het bevel om Jerusalem op te bouwen. Daarom kan men bij hare berekening niet uitgaan van het einde der twee en zestig. Want dit tijdvak is voor meer dan 1800 jaren afgesloten, en „het eindequot; is nog niet gekomen. Gelijk de oordeelsdag nog in de toe komst ligt, moeten deze zeven jaren, die met het oordeel eindigen, eveneens toekomstig zijn, zooals de voorvaderen ook eenstemmig aannamen en vele der degelijkste onder de tegenwoordige bijbelkenners bevestigen.

In deze laatste zeven der zeventig weken, waarvan de engel gewaagt, wordt bovenal de tegenwoordigheid en het werken van den laatsten Antichrist, of van den vorst, van wien op andere plaatsen veel geprofeteerd is, behandeld. Hij wordt hier beschreven als de laatste belichaming der macht, waardoor Jerusalem en de tempel, na de uitroeiing van den Messias, werden verwoest. De zeven jaren beginnen met de oprichting van een verbond tusschen dezen vorst en velen uit hetjoodsche volk, dat hij na de eerste helft van dezen tijd verbreekt, om dan zijn werk der verwoesting voort te zetten gedurende de laatste drie en een half jaar tot aan zijn plot-selingen en eeuwigen ondergang.

Derhalve wordt met deze profetie van den engel de hereeniging van het Joodsche volk uit zijne tegenwoordige verstrooiing in zijn eigen land met den wederop-gebouwden tempel en den herstelden eeredienst bedoeld. Van de heerschappij van dezen verwoestenden vorst

ocr page 235

-gt;* 217 H5-

wordt gezegd, dat „in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden,quot; dat hij in de andere helft de verschrikkelijkste heiligschennis en goddeloosheid zal bedrijven en den „gruwel der verwoestingquot; oprichten zal, waarvan de Heiland spreekt (Matth. 24). Dit alles veronderstelt de verzameling van Israel, het bestaan van den tempel en de herovering van zijn volksbestaan. Deze afval zal in dit antichrist-lijk Jodendom misschien met nog meer ontrouw plaats hebben, als die welke het volk reeds kenmerkt, sedert het zijnen Messias heeft gekruisigd. Want het zal terugkeeren en zich verbinden met eene macht, die de godslasterlijkste en wreedste zal blijken, die er ooit heeft bestaan.

Israel zal een vorst hebben, maar deze vorst zal de Antichrist zijn. \ olgens de woorden des engels zal er een tweede Caesar opstaan — die tegelijk een valsche Christus en een Antichrist is. Hij zal komen, niet in Zijne eigen kracht, maar in die des duivels. Naar de woorden des Heilands zullen de Joden als volk hem aannemen en zich met hem als hunnen wettigen IVXessias verbinden tegen Jezus, Dien hunne vaderen gedood hebben.

Maar vreeselijk zal hun het geschonken vertrouwen berouwen. Degene, in wien zij wanen hun besten vriend en helper te zien, zal zich openbaren als hun wreedste onderdrukker en verwoester. Hij zal voor hen een tweede Antiochus zijn, die hen berooft en uitplundert, hun godsdienst vervolgt en hen dwingt, te offeren aan een afgod, dien hij oprichten zal. Hij zal weder hun tempel ontheiligen, velen in gevangenschap voeren of in de woestijn jagen, het geheele land wreed verwoesten, zoozeer, dat alleen de groote dag van den almachtigen God hem tot stilstand brengen en onschadelijk maken kan.

ocr page 236

H3* 218

Ziehier in het kort den inhoud van dit zeer gewichtige hoofdstuk. Tegen het einde der zeventigjarige Babylonische ballingschap hield Daniël zich bezig met het bestudeeren der profetieen aangaande den tijd, die komen zou. Door zijne onderzoekingen kwam hij tot de slotsom, dat de tijd van Israels bevrijding nabij was. Om de voorwaarde te vervullen, waarop God had beloofd zich weder de zaak van Zijn volk aan te trekken, wendde hij zich met de geheele belijdenis zijner zonden, tot den Heer met een boetvaardig gebed, dat eeuwig als het grootste en verhevenste voorbeeld van berouwvolle schulderkenning zal gelden. In antwoord daarop zond God hem door den engel Gabriël de verzekering, dat zijn gebed was verhoord, en dat het toekomstig lot van zijn volk aan hem zou worden geopenbaard. In zeven zeventallen van jaren gerekend van het geven van een koninklijk bevel, dat Jerusalem weder opgebouwd en hersteld moest worden, zou de vt rnieuwing voltooid zijn. Na nog 62 zeventallen zou de Vorst-Messias, Wiens beloofde verschijning gedurende duizenden jaren gehoopt en afgebeden werd, komen en onmiddellijk daarna zou Hij door het uitverkoren volk, welks Koning Hij was, verworpen en uitgeroeid worden. Maar door zich van Hem los te rukken, stortte het volk zich in nog veel dieper en grooter ellende, dan zijn vorige afval had veroorzaakt.

Na deze zware bestraffing, waarvan de grenzen niet zijn aangegeven, wordt een eenig en afzonderlijk zevental genoemd, dat naar Gods raad voor het volk des profeten en zijne stad was bestemd. Het einde van dezen tijd wordt met bijzonderen nadruk gezegd te komen met de „voleindigingquot; en onmiddellijk vóór het groote oordeel over den verwoester. Gedurende de eerste helft dezer laatste zeven jaren zal het volk des

ocr page 237

219 ,lt;-

profeten onder de bescherming staan van „den vorst die komen zal,quot; den laatsten Antichrist, die het zal bedriegen en verraden, en zich als zijn wreedste onderdrukker vertoonen, die den eeredienst, nadat hij geholpen heeft, hem te herstellen en beloofd te beschermen, evenwel doet ophouden en zijn eigen beeld in den tempel van Jehova opricht, die eene reeks van gruwelen en ontzettende goddeloosheden zal doen komen, alsof de hel zelve was losgelaten.

Maar zijne gruwelen zijn niet van langen duur. Na drie en een half jaar zullen zij ophouden. Dan komt „het eindequot; als alles, wat voorzegd is, over den gruwe-lijken verwoester zal uitgestort worden. Met zijn' ondergang zijn de zeventigmaal zeven voleindigd, wanneer de overtreding gesloten en de zonde verzegeld, de ongerechtigheid verzoend, de eeuwige gerechtigLJd aange bracht en het gezicht en de profetie werkelijkheid geworden en Gods reine heiligheid tot de alleenheerschappij gekomen zal zijn.

Groote, ontzettende, ver reikende openbaring! Welk een licht verspreidt zij over alle tijden! Welk eene waarheid tot in de geringste bijzonderheid van hetgeen van den bepaalden tijd reeds vervuld is! Welk een verheven en onomstootelijk bewijs levert zij voor de waarheid der openbaring, de goedheid en rechtvaardigheid van God, het Messiasambt van Jezus, de schuld van Tsrael in Zijne verwerping en de onfeilbare waarheid van het woord van Jezus. Waarom willen dan de menschen niet gelooven aan de waarheid en den goddelijken inhoud van de boeken, die met zooveel bewijskracht tot ons komen ?

En wederom, waarom volharden de menschen in hunne weigering om Jezus Christus te erkennen, daar toch de heilige profetieën in Hem zoo wonderbaar zijn vervuld»

ocr page 238

-gt;• 220 .lt;-

en de treurige gevolgen Zijner verwerping ons dagelijks voor oogen staan in iederen Jood, dien wij ontmoeten, en in elke gedachte die wij aan Israel en Jerusalem wijden!

Ja, waarom zijn de menschen zoo blind en zoo traag om te gelooven hetgeen geschreven staat, en waarom blijven zij bij hunnen twijfel aan de profetieën, ofschoon deze duidelijk geschreven staan in dezelfde boeken der openbaring, die reeds zoo dikwijls letterlijk zijn vervuld geworden.

ocr page 239

HOOFDSTUK XH.

Het Gezicht aan de Hiddekel.

Daniël 10 : 1-21, 11 : 1-35.

De Grieksche vertaling van dit boek. — Vragen betreffinde gedeelten van de hoofdstukken 10 en 11. — Pjging;n om de heilige boeken te vtrbeteren. — Wanneer men de bestreden deelen dezer hoofdstukken uitlaat, wordsn geen levensvragen aangeraakt. — Groote vasten van Danië'. — Hit daarop volgende gezicht. — Lijden van den profeet na dit gezicht. — De prijs der goddelijke opanbaringen. — Waardigheid ei werk der engelen. — Strijd met geestelijke machten. — Opvolging der koningen van Perzië. — Schatten van Xerxes. — Verval der Perzische heerschappij na da slagen van Marathon en Salamis. — Alexander en zijn rijk. — »De koning van het Zuiden» en »de koning van het Noorden.» — God met Zijn volk, — Da engelen, Zijne dienaren. — Nietigheid van aardsche schatten en eer.

Het gedeelte van het boek Daniël, dat wij nu gaan bespreken, is door rationalisten en twijfelaars het meest betwist: zoover dat zij zijne echtheid voor onmogelijk hielden. Maar al moeten wij zelf toestemmen, dat enkele deelen dezer twee hoofdstukken sporen van een' lateren oorsprong vertoonen, volgt daaruit nog niet, dat het boek als geheel niet is, wat het beweert te zijn.

Het is algemeen bekend, dat dit boek in de Grieksche vertaling veel heeft bevat, dat sedert lang door de kritiek en de kerk is verworpen. In het begin kwam de apocriefe geschiedenis van Susanna en de ouderlingen; het derde hoofdstuk bevatte den apocriefen lofzang der drie mannen in den vurigen oven; en aan het eind bevond

ocr page 240

-•gt;4 222 ?lt;r-

zich het apocriefe verhaal van Bel en van den Draak. Op goede gronden zijn deze mededeehngen, als niet behoorende tot het oude, echte boek Daniel, uitgeworpen. En het is lang niet onmogelijk, gelijk ook door eenige geloovige onderzoekers wordt aangenomen, dat zelfs de tegenwoordige Hebreeuwsche tekst, vooral in deze hoofdstukken zooals wij ze nu bezitten, eenige plaatsen bevat, die zeker niet door Daniël zijn geschreven.

Men heeft de vragen gesteld: Waarom bevat dit boek zooveel overbodige, uitvoerige herhalingen van de voorstelling der Grieksche heerschappij in Syrië en enkel van dezen tijd? Hoe komt het, dat deze tot in bijzonderheden afdalende beschrijving den gewonen stijl van menschelijke geschiedschrijvers heeft? Waarom houdt deze nauwkeurige schildering der gebeurtenissen zoo plotseling op met den tijd der Makkabeeën ? Waarom is het verdere, profetische gedeelte van het boek zoo grootsch en indrukwekkend, en waarom moeten deze twee hoofdstukken zoo geheel andeis zijn? Een nieuw beschouwer van het boek Daniël (Bosanquet) vindt, dat wij de kritiek der twijfelaars moeten danken, dat zij de opmerkzaamheid op deze merkwaardige verschijnselen heeft gericht, en tot de slotsom is gekomen, dat de gedeelten van dit boek, die den meesten twijfel hebben opgewekt, slechts randschriften waren, die de betrekking tusschen Daniëls profetieën en den tijd van Antiochus Epiphanes aanwezen, en die dan toevallig door een afschrijver, die niet bemerkte of niet begreep, dat zij geene deelen van het oorspronkelijke waren, in den tekst

werden opgenomen.

De betwiste plaatsen zijn in hoofdstuk 10, vs. i en 15—21 en in hoofdstuk 11, vs. 1 en 5 35- Laat men deze plaatsen weg, dan bezitten wij pas het zuivere, oorspronkelijke boek Daniel, vrij van de vele bezwaren

ocr page 241

223 ^

die het ongeloof tegen zijne echtheid heeft ingebracht, en in duidelijken, samenhangenden, geheel zelfstandigen vorm. Daar deze plaatsen inderdaad geena gewichtige uitspraken bevatten, en hare weglating op geenerlei wijze de duidelijkheid, verhevenheid en waarde dezer profetieën zooals de kerk ze heeft aangenomen, vermindert, houden wij het ervoor dat er geene reden bestaat, zich hieraan te ergeren, wanneer slechts bewezen wordt, dat deze bijzondere gedeelten van eene andere hand afkomstig zijn, dan van die van den hemelschen wijze en kanselier van Babyion en Medo-Perzië.

Het eerste vers van hoofdstuk 10 is gewis de verklaring van een of anderen uitlegger. Het valt niet te ontkennen, dat het onderwerp, de stijl en de vorm gelijken op de beschouwing van iemand, die zijne eigen meening over Daniels gezicht neerschrijft. De volzin luidt ongeveer zóó als de opschriften in onze bijbels, die zeker van zuiver menschelijken oorsprong zijn, terwijl het daarop volgende geheel anders klinkt. De wijze, waarop Daniël zich gewoonlijk uitdrukt, vindt men niet weder in dezen volzin, die ook niet overeenstemt met andere opgaven in dit boek. Daniels leven duurt hier tot „in het derde jaar van Koresquot;, terwijl aan het einde van het eerste hoofdstuk wordt gezegd, dat hij „bleef tot het eerste jaarquot;; verder staat er, dat Daniël „die zaak verstondquot; terwijl Daniël zelf (Dan. 12 : 8) zegt; „Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet.quot; Hier wordt gezegd „die zaak is de waarheidquot;, wat natuurlijk moet beduiden, dat de gebeurtenissen zijn gekomen, zooals zij voorzegd waren, evenals de Joden dit later ook van andere profetie zeiden, wanneer zij van meening waren, dat die in den tijd en het leven van Antiochus Epiphanes vervuld was geworden. Maar Daniël kon zoo niet van zijne profetie spreken, omdat

ocr page 242

-5* 224 HS-

hij hare vervulling niet heeft beleefd. Hij gebruikt ook nergens anders die uitdrukking, ofschoon de engel herhaaldelijk zeide, dat hij gekomen was om hem de waarheid te toonen. Door dit gezicht onder de regeering van Cyrus te verplaatsen, ontstaat de moeilijkheid om de vier elkander opvolgende koningen van Perzië in overeenstemming te brengen met het in hoofdstuk 11 vs. 2 — 4 vermelde, en deze moeilijkheid vermijdt men, wanneer men dit vers doorhaalt. Ook bestaat er een innerlijk verband tusschen de beschrijving, die er op volgt, en de bijzonderheden, die in het vorige hoofdstuk gegeven zijn, welk verband door dit vers wordt verbroken. Het onderzoeken, vasten en de uitdrukking „woordenquot; waarop de engel in hoofdstuk IO wijst, kunnen zeker beschouwd worden als dezelfde, die in hoofdstuk 9 worden gevonden. Daniël spreekt daarin van zijne boetedoeningen, bij het begin waarvan hij de openbaring der zeventigmaal zeven had, die over zijn volk en de heilige stad handelde, en hij schijnt ons hier te willen zeggen, dat zijn vasten en bidden drie weken duurde, aan welker einde hij de verdere openbaring had, die vervolgens in het boek wordt medegedeeld. En wanneer de engel zegt (vs. 12) „Van den eersten dag aan, dat gij uw hart steldet, om te verstaan en om u zeiven te verootmoedigen voor het aangezicht uws Godsquot;, schijnt hij juist de bijzonderheden te bedoelen, die in hoofdstuk 9 : 2—4 zijn behandeld.

Wederom wordt het gedeelte van het 15e vers tot het einde van het hoofdstuk, met vers 1 van hoofdstuk 11, als eene voortzetting van deze ingeschoven aantee-keningen beschouwd. Er heerscht een profetische toon in, maar die was bij de latere Joden algemeen, wanneer zij aan hunne woorden gewicht en heiligheid wilden verleenen, terwijl de beschrijvingen eene opvolging van

ocr page 243

225

bijzonderheden geven, die een zeer flauw karakter hebben, gelijk de inhoud ook eenigszins zonderling is. Hetzij zij van Daniël of van een' ander zijn, het zijn meerendeels herhalingen van hetgeen reeds elders is gezegd. Er wordt ook eene soort van samenspraak opgevoerd, die men alleen hier vindt.

Het gedeelte, dat de verzen 5—35 van het elfde hoofdstuk omvat, was van den tijd van Porphyrius af de groote steen des aanstoots in dit boek. Het draagt de sporen van een meer alledaagschen schrijftrant, die niet met het verdere heerlijke werk overeenstemt. In weerwil van alle uitvoerigheid vernemen wij niets over het onderwerp der profetie, wat niet reeds vollediger in de hoofdstukken 7 en 8 en later in 12 wordt medegedeeld. De stijl is vrij nuchter en weinig stichtelijk, vergeleken bij de stellig door Daniël geschreven profetieën. Er wordt slechts gehandeld over de omstandigheden en daden van een paar onbeduidende koningen, koninginnen en enkele opstanden, die meerendeels noch in de algemeene, noch in de gewijde geschiedenis vermeld worden. Dat deze pl iatsen betrekking hebben op de Ptolomeeën en de Seleuciden, vooral op den vorst uit het geslacht der Seleuciden, Antiochus Epiphanes, staat vast. Maar het heeft allen schijn of zij door iemand zijn geschreven, die profetieën n a de gebeurtenissen maakt, en of zij slechts eene soort omschrijvende verklaring van de echte profetieën van Daniël zijn. Dit is de juiste uiteenzetting van den strijd over deze zaak.

Ik voor mij moet bekennen, dat ik weinig opheb met de critische geesten, die zoogenaamd werken om dien tekst te verbeteren en te zuiveren, dien de kerk sedert eeuwen als een hoofdbestanddeel van hare heiligste boeken heeft beschouwd. Ik vind veel van hetgeen in dit opzicht geschiedt, vermetel, ongegrond en in de hoogste mate

Goddeli/kk Stemmen. ^

ocr page 244

-g-- 226 Hé-

oneerbiedig. In de meeste gevallen staat de twijfelzieke hoogmoed en de zelfzucht van het menschelijk hart in den dienst van eene of andere dwaalleer; die Gods Woord naar hare verkeerde menschelijke gedachten zou willen veranderen. De theologische critiek heeft recht van bestaan en moet vlijtig worden beoefend.

Zij kan ook nu en dan dienen om de kerk over enkele bijzonderheden in te lichten, die inderdaad niet zoo zijn, als algemeen wordt geloofd. Ook moeten wij zorg dragen voor een zuiveren tekst en eene juiste lezing van de heilige boeken, anders kunnen wij niet vaststaan in ons geloof. Maar daarbij loopt men gevaar van niet te veel, maar te weinig te behouden, en zich te gewennen met woorden te spelen en zonder noodzaak aan den tekst te knutselen. Deze overdrijving van wat men „den zin der critiekquot; noemt, die aanspraak maakt om zelfstandig te beslissen wat in den Bijbel behoort, en wat niet; deze aanmatiging om naar welgevallen uit te laten of bij te voegen, alsof men zich nooit kon vergissen, zijn niet wat wij in deze dagen van ongeloof noodig hebben. Tegenover zulk een geest doet men best, hem als goddeloos en dwaas ai te weren.

Voor eenige jaren vond men een kort gedicht op een wit blad vai een oud afschrift der werken van Milton in het Britsch Museum. Het was duidelijk ,,J. M.quot; geteekend. Het werd uitgegeven als waarschijnlijk van Miltons hand, en tallooze navorschers gingen aan het werk om naar den maker te onderzoeken. Geleerden en kenners noemden het een echt werk van Milton en waren het eens, dat alleen Milton „de verheven melodiequot; dezer regels kon hebben vervaardigd. Anderen, die even wijs en geleerd waren, ontzegden het alle waarde en verklaarden, dat Milton zoo iets hoogstens met een door ouderdom verzwakten geest kon hebben geschreven.

ocr page 245

^ 227 ^

......

...... quot;^ ~

Zoo streden de geleerden over en weer, en de strijd duurt nog voort, zonder uitzicht dat al de „zin der critiekquot; in de geheele wereld dit vraagpunt zal uitmaken. Hoe groot is daarom het zelfvertrouwen en de eigenwaan van eene zekere school van taalgeleerden, navorschers en uitleggers, die beweren alleen door ingeving en inwendige overtuiging nauwkeurig van ieder hoofdstuk en ieder vers in de heilige Schrift te kunnen bepalen, wie de schrijver is. Terwijl zij met moeite in spraakkunst en woordenboek de verdroogde overblijfsels van doode talen opzoeken, en ofschoon zij totaal onbekwaam zijn, één woord ervan juist uit te spreken, verbeelden zij zich, dat zij alle verschil van zinswending, van uitdruk king of van denkwijze, die eiken schrijver kenmerkt, kunnen voelen en opsporen. Daarop vermeten zij zich, de heilige Schrift te verbeteren en dit of dat heilig boek, deze of gene plaats uit den Bijbel te verwijderen, zonder daartoe een ander recht te hebben dan dat hun door den „zin der critiekquot; wordt verleend. Maar van een eenvoudig gedicht, in eene bekende taal — een gedicht, dat ten tijde van John Milton in Londen werd geschreven — zijn zijne landgenooten, die dezelfde stad bewonen, die met eiken regel, dien hij schreef bekend zijn, geleerden, uitleggers, zelfs dichters, niet in staat te zeggen of John Milton het heeft vervaardigd, of niet! Weg met de pogingen om onze heilige boeken te verbeteren en te herzien, die door alle tijden hunne echtheid hebben bewezen. Wanneer de beste critiek dei-beste Engelsche geleerden niet uit innerlijke overtuiging kan bepalen of een gedicht in hunne moedertaal van

Milton is of niet, schijnt het dan niet meer dan belachelijk,

ja goddeloos, wanneer menschen Gods Woord willen verbeteren? Nemen wij ons steeds in acht, op deze wijze om te gaan met hetgeen wij alle reden hebben

—i

ocr page 246

228 k-

te eeren en te vreezen, namelijk het waarachtige en levende Woord Gods.

In dit geval zal het aan den werkelijken inhoud dei-wondervolle openbaring weinig veranderen, dat wij de ■o-enoemde plaatsen behouden of weglaten. De eenige

Ö . •' C

vragen, die daarbij in aanmerking komen, zijn. i. oi Daniël tot het derde of slechts tot het eerste jaar van Cyrus heeft geleefd; 2. of het visioen aan de Hiddekel heeft plaats gehad na de boetedoening van Daniël, van welke in Dan. 9 : 3, 4 sprake is, of na eene dergelijke handeling omstreeks vier jaar later; 3- of de bedriegei Pseudo-Smerdis door den profeet tot de Perzische koningen gerekend wordt of niet, en 4. of al de onbeduidende bijzonderheden die aan het tijdvak der Makkabe;ön grenzen, of alleen de groote omtrekken daarvan in de oorspronkelijke profetie van Daniël voorkwamen. Had men niet te vreezen, dat met de twijfelachtige deelen ook een echt gedeelte van het boek van den profeet Daniël verloren kon gaan, en dat eene zoodanige handelwijze aanleiding tot misverstand kon geven, dan zou het op zich zelf niet veel beteekenen, wanneer men erkent dat hier en daar iets in den tekst opgenomen is, dat niet uit Daniels pen kwam. Of wij de aangeduide verzen weglaten of behouden, de heilige inhoud en het gewichtigste deel van het boek blijven dezelfde.

De profeet spreekt hier van een' langen tijd van vasten en bidden, die hem opgelegd was. Hij bericht, dat die „drie wekenquot; duurde, dat hij „in die dagenquot; geene begeerlijke spijze at en vleesch of wijn niet in zijn' mond kwam, en hij zich niet zalfde zooals anders; en dat hij aan het einde dezer drie weken op den vier en twintigsten dag der eerste maand aan den oever der groote rivier Hiddekel was, nu Tigris genoemd. Of hij liier uit zijne verblijfplaats aan het hof kwam, of dat

ocr page 247

-gt;• 229 ^

hij zich hier eene stille woning voor zijn vastentijd gezocht had, kan men niet uit de geschiedenis opmaken. Het waarschijnlijkste is, dat hij zich daarheen begaf voor de groote boetedoening, waarvan hij spreekt. Hij was dus aan den oever der groote rivier, ver van het gewoel van het hof, toen de drie weken van zijne vasten ten einde waren.

Toen hij zijne oogen ophief, had hij een treffende verschijning. Vóór hem stond eene gedaante als van een man met linnen bekleed, en zijne lenden waren omgord met fijn goud. Zijn lichaam was gelijk een turkoois — als een blauwgroen stralend licht. Zijne oogen waren gelijk vurige fakkelen. Zijne armen en zijne voeten waren gelijk de kleur van gepolijst koper, en zijne stem was gelijk de stem eener groote menigte. De beschrijving gelijkt zooveel op de verschijning van den Heiland in het eerste gezicht der Openbaring van Johannes, dat velen gelooven, dat het Gods Zoon zelf was, Die zich hier aan den profeet openbaarde. Het is de verschijning van Christus, zooals Saul van Tarsus Hem zag, ook met de overeenkomst, dat alleen Daniël het gezicht zag, terwijl de mannen, die bij hem waren, het niet zagen, hoewel zij met vrees en verschrikking vervuld werden, en vloden om zich te verbergen, den profeet alleen latend. Verzwakt door zijn lang vasten en niet op zoo iets voorbereid, was Daniël geheel overweldigd door de hem plotseling geopenbaarde heerlijke majesteit van het gezicht. Hij verloor alle kracht. Zijne geheele persoonlijkheid bezweek, en hij verviel in een toestand, bijna gelijk aan den dood.

Dit leert ons, hoe genadig God is, dat Hij de geestenwereld voor ons lichamelijk oog verborgen houdt. Als de sluier werd opgelicht, dan zou het vleesch en bloed onmogelijk zijn om de „volheid der heerlijkheidquot;

ocr page 248

-g* 2S0

te dragen. De verschijning bracht Daniël den dood nabij. Hij hoorde de woorden der schitterende gedaante die voor hem stond, maar hij lag in onmacht „in een' diepen slaapquot; met zijn aangezicht ter aarde. Hij kon zich ook niet opheffen, eer hij door de krachtige hand des hemelbewoners aangeraakt werd, en deze hem beval op te staan. Zelfs toen hij weder rechtop stond, beefde hij van schrik. Wij verlangen menigmaal naar zulk eene openbaring als de profeten hadden, wij wenschen de gezichten te zien, die zij hebben gezien en beschreven, maar wij nemen te weinig in aanmerking het lichaams-en zie'.elijden dat door deze openbaringen ten deel viel aan hen, die ze ons hebben medegedeeld. Wij denken aan de heerlijkheid, van hetgeen zij aanschouwden, hoorden en gevoelden, maar vergeten, dat de vreeselijkste overspanning van hun aardsche lichaam de prijs was dezer gezichten. Het is eene genade, dat wij er de vruchten van plukken, zonder het lijden te moeten dragen, dat eraan verbonden was. Denkt eraan hoe Mozes vreesde en beefde; hoe verschrikt Jakob te Bethel was, toen hij gewaar werd wat hem daar verschenen was; hoe Jesaja krachteloos nederviel en moest roepen gelijk iemand die vreest vernietigd te worden door de heerlijkheid, die hij beschrijft; hoe Paulus blind, krank en machteloos werd door de verschijning van Christus, en Johannes als dood nederviel op de stem van den Zoon des menschen, die hem bij den aanvang der Openbaring tegemoet klonk! Met welke vreeselijke verschrikkingen en ontroeringen naar lichaam en geest werden deze wonderen der openbaring aan deze door den Hemel begenadigde mannen geschonken!

Daniël had misschien het leven verloren, zoo de hand des Hemels hem niet had bewaard, zoodat hij den drukkenden last van hetgeen hij aanschouwde, kon

ocr page 249

231 ilt;~

dragen. In plaats van deze bevoorrechte mannen te benijden, moeten wij vervuld zijn met dankbaarheid aan God, dat Hij ons al het nut van deze wonderbare mededeelingen wil schenken, zonder ons de verschrikking te doen ondervinden, welke zij gevoelen, die haar ontvangen.

Het doel van dit gezicht was, aan Daniël een nog uitvoeriger bericht van de lotgevallen zijns volks „in de laatste dagenquot; te geven, alzoo in die geheimzinnige toekomst, die zich uitstrekt tot aan het einde der tegenwoordige bedeeling. Aan deze openbaring is het geheele laatste gedeelte van dit boek gewijd.

Wanneer Daniël „in het derde jaar van Koresquot; zooals het opschrift van dit tiende hoofdstuk zegt, dit gezicht had, waren er toen reeds twee jaren verloopen sedert het gebod werd uitgevaardigd, waarbij den Joden werd toegestaan terug te keeren en hunnen tempel weder op te bouwen. De reden waarom Daniël niet met zijne landgenooten medeging, wordt gewoonlijk gezocht in zijn' hoogen leeftijd, en daarin dat zijne aanwezigheid in Perzië meer nut deed dan in Jerusalem, wanneer hij den Joden het terugkeeren naar het Heilige Land wilde gemakkelijk maken. Hij kon gewis als eerste minister en raadsman des konings meer voor zijn volk doen, wanneer hij de zaken der regeering onder welker bescherming zijne broederen terugkeerden, bestuurde, dan wanneer hij zijn' post verliet om met hen mede te trekken. Hij was toch in elk geval ernstig en innig met de toekomst van zijn volk vervuld, en daarom kwam deze heerlijke verschijning als een antwoord op zijne vurige smeekbeden.

Terwijl de hemelbode aan Daniël het doel zijner komst verklaart, geeft hij zeer belangrijke aanwijzingen over de waardigheid en werkzaamheid der engelen.

ocr page 250

-3* 228 ^

te eeren en te vreezen, namelijk het waarachtige en levende Woord Gods.

In dit geval zal het aan den werkelijken inhoud dei-wondervolle openbaring weinig veranderen, dat wij de genoemde plaatsen behouden of weglaten. De eenige vragen, die daarbij in aanmerking komen, zijn: i. of Daniël tot het derde of slechts 'tot het eerste jaar van Cyrus heeft geleefd; 2. of het visioen aan de Hiddekel heeft plaats gehad na de boetedoening van Daniël, van welke in Dan. 9 : 3, 4 sprake is, of na eene dergelijke handeling omstreeks vier jaar later; 3- bedriegei

Pseudo-Smerdis door den profeet tot de Perzipchc koningen gerekend wordt of niet, en 4. of al de onbeduidende bijzonderheden die aan het tijdvak der Makkabe;ën grenzen, of alleen de groote omtrekken daarvan in de oorspronkelijke profetie van Daniël voorkwamen. Had men niet te vreezen, dat met de twijfelachtige deelcn ook een echt gedeelte van het boek van den profeet Daniël verloren kon gaan, en dat eene zoodanige handelwijze aanleiding tot misverstand kon geven, dan zou het op zich zelf niet veel beteekenen, wanneer men erkent dat hier en daar iets in den tekst opgenomen is, dat niet uit Daniëls pen kwam. Of wij de aangeduide verzen weglaten of behouden, de heilige inhoud en het gewichtigste deel van het boek blijven dezelfde.

De profeet spreekt hier van een' langen tijd van vasten en bidden, die hem opgelegd was. Hij bericht, dat die „drie wekenquot; duurde, dat hij „in die dagenquot; geene begeerlijke spijze at en vleesch of wijn niet in zijn' mond kwam, en hij zich niet zalfde zooals anders, en dat hij aan het einde dezer drie weken op den vier en twintigsten dag der eerste maand aan den oever der groote rivier Hiddekel was, nu Tigris genoemd. Of hij hier uit zijne verblijfplaats aan het hof kwam, of dat

ocr page 251

229 ^

hij zich hier eene stille woning voor zijn vastentijd gezocht had, kan men niet uit de geschiedenis opmaken. Het waarschijnlijkste is, dat hij zich daarheen begaf voor de groote boetedoening, waarvan hij spreekt. Hij was dus aan den oever der groote rivier, ver van het gewoel van het hof, toen de drie weken van zijne vasten ten einde waren.

Toen hij zijne oogen ophief, had hij een treffende verschijning. Vóór hem stond eene gedaante als van een man met linnen bekleed, en zijne lenden waren omgord met fijn goud. Zijn lichaam was gelijk een turkoois — als een blauwgroen stralend licht. Zijne oogen waren gelijk vurige fakkelen. Zijne armen en zijne voeten waren gelijk de kleur van gepolijst koper, en zijne stem was gelijk de stem eener groote menigte. De beschrijving gelijkt zooveel op de verschijning van den Heiland in het eerste gezicht der Openbaring van Johannes, dat velen gelooven, dat het Gods Zoon zelf was, Die zich hier aan den profeet openbaarde. Het is de verschijning van Christus, zooals Saul van Tarsus Hem zag, ook met de overeenkomst, dat alleen Daniël het gezicht zag, terwijl de mannen, die bij hem waren, het niet zagen, hoewel zij met vrees en verschrikking vervuld werden, en vloden om zich te verbergen, den profeet alleen latend. Verzwakt door zijn lang vasten en niet op zoo iets voorbereid, was Daniël geheel overweldigd door de hem plotseling geopenbaarde heerlijke majesteit van het gezicht. Hij verloor alle kracht. Zijne geheele persoonlijkheid bezweek, en hij verviel in een toestand, bijna gelijk aan den dood.

Dit leert ons, hoe genadig God is, dat Hij de geestenwereld voor ons lichamelijk oog verborgen houdt. Als de sluier werd opgelicht, dan zou het vleesch en bloed onmogelijk zijn om de „volheid der heerlijkheidquot;

ocr page 252

-3* 2S0 slt;-

te dragen. De verschijning bracht Daniël den dood nabij. Hij hoorde de woorden der schitterende gedaante die voor hem stond, maar hij lag in onmacht „in een' diepen slaapquot; met zijn aangezicht ter aarde. Hij kon zich ook niet opheffen, eer hij door de krachtige hand des hemelbewoners aangeraakt werd, en deze hem beval op te staan. Zelfs toen hij weder rechtop stond, beefde hij van schrik. Wij verlangen menigmaal naar zulk eene openbaring als de profeten hadden, wij wenschen de gezichten te zien, die zij hebben gezien en beschreven, maar wij nemen te weinig in aanmerking het lichaams-en zielelijden dat door deze openbaringen ten deel viel aan hen, die ze ons hebben medegedeeld. Wij denken aan de heerlijkheid, van hetgeen zij aanschouwden, hoorden en gevoelden, maar vergeten, dat de vreeselijkste overspanning van hun aardsche lichaam de prijs was dezer gezichten. Plet is eene genade, dat wij er de vruchten van plukken, zonder het lijden te moeten dragen, dat eraan verbonden was. Denkt eraan hoe Mozes vreesde en beefde; hoe verschrikt Jakob te Bethel was toen hij gewaar werd wat hem daar verschenen was: hoe Jesaja krachteloos nederviel en moest roepen gelijk iemand die vreest vernietigd te worden door de heerlijkheid, die hij beschrijft; hoe Paulus blind, krank en machteloos werd door de verschijning van Christus, en Johannes als dood nederviel op de stem van den Zoon des menschen, die hem bij den aanvang der Openbaring tegemoet klonk! Met welke vreeselijke verschrikkingen en ontroeringen naar lichaam en geest werden deze wonderen der openbaring aan deze door den Hemel begenadigde mannen geschonken!

Daniël had misschien het leven verloren, zoo de hand des Hemels hem niet had bewaard, zoodat hij den drukkenden last van hetgeen hij aanschouwde, kon

ocr page 253

-5^ 231 in

dragen. In plaats van deze bevoorrechte mannen te benijden, moeten wij vervuld zijn met dankbaarheid aan God, dat Hij ons al het nut van deze wonderbare mededeelingen wil schenken, zonder ons de verschrikking te doen ondervinden, welke zij gevoelen, die haar ontvangen.

Het doel van dit gezicht was, aan Daniël een nog uitvoeriger bericht van de lotgevallen zijns volks „in de laatste dagenquot; te geven, alzoo in die geheimzinnige toekomst, die zich uitstrekt tot aan het einde der tegenwoordige bedeeling. Aan deze openbaring is het geheele laatste gedeelte van dit boek gewijd.

Wanneer Daniël „in het derde jaar van Koresquot; zooals het opschrift van dit tiende hoofdstuk zegt, dit gezicht had, waren er toen reeds twee jaren verloopen sedert het gebod werd uitgevaardigd, waarbij den Joden werd toegestaan terug te keeren en hunnen tempel weder op te bouwen. De reden waarom Daniël niet met zijne landgenooten medeging, wordt gewoonlijk gezocht in zijn' hoogen leeftijd, en daarin dat zijne aanwezigheid in Perzië meer nut deed dan in Jerusalem, wanneer hij den Joden het terugkeeren naar het Heilige Land wilde gemakkelijk maken. Hij kon gewis als eerste minister en raadsman des konings meer voor zijn volk doen, wanneer hij de zaken der regeering onder welker bescherming zijne broederen terugkeerden, bestuurde, dan wanneer hij zijn' post verliet om met hen mede te trekken. Hij was toch in elk geval ernstig en innig met de toekomst van zijn volk vervuld, en daarom kwam deze heerlijke verschijning als een antwoord op zijne vurige smeekbeden.

Terwijl de hemelbode aan Daniël het doel zijner komst verklaart, geeft hij zeer belangrijke aanwijzingen over de waardigheid en werkzaamheid der engelen.

ocr page 254

232 !-§-

Laten wij ook weg, wat in het laatste deel van het hoofdstuk wordt gezegd over den strijd tusschen deze geestelijke wezens, dan vinden wij toch dezelfde beschouwing der zaak in hetgeen deze engel tot Daniël zegt om de reden van zijn oponthoud te kennen te geven.

Op den achtergrond der wereldgeschiedenis vindt men steeds de werkzaamheid der hemelsche machten. De Schrift kent overal aan de engelen een groot aandeel in het Godsbestuur, in den gang der aardsche gebeurtenissen, toe. Er z ij n beschermengelen, die, meer dan wij vermoeden, zich bezighouden met hetgeen ons overkomt. Bij deze onzichtbaar werkende machten heerscht dikwijls strijd tusschen de goede en de booze.

Hier worden ons eenige engelen voorgesteld, die aan het hoofd van bijzondere rijken staan. Onder hen staat Michael, een der eerste en voornaamste vorsten der engelen, aan het hoofd van Israels Godsregeering. Met hem verbonden, en strijdende tegen de geesten der wereld, is een andere engel, dien iemand den goeden geest der heidenwereld heeft genoemd, wiens roeping het is, de verwezenlijking van Gods heilsbedoelingen met de heidenen te bevorderen.

Het was natuurlijk, dat deze engel werd gezonden om Daniël het lot te verkondigen, dat door de wereldheerschappij aan Gods volk was bereid. Deze laat hier den profeet een' blik slaan in den onzichtbarcn strijd der engelen. Hij toont hem wie van hen een' beslis-senden invloed op den wereldheerscher zal uitoefenen, — de aan God vijandige geest dezer wereld, of de goede geest, wiens taak het is, het Godsrijk te dienen.

Wij spreken wel in beeldspraak van den strijd tusschen goed en kwaad in den mensch, maar de heilige Schrift leert ons, deze als werkelijk bestaande te beschouwen. (Zie I Sam. 16:13 —15; 1 Kon. 22:22}.

ocr page 255

S33 •lt;-

De satanische werkingen, die wij door de woorden van Jezus en Zijne apostelen kennen, zijn in aard niet onderscheiden van hetgeen hier is gezegd. De heerlijke engel, die aan Daniël verschijnt, had drie weken gestreden met den boozen engel aan het hoofd van het Perzische rijk, en alleen door den bijstand van Michael overwon hij hem en verkreeg grooteren invloed op den Perzischen koning. Hem wachtte ook nog een strijd van denzelfden aard met den engel-vorst van Perzië. Daarna moest hij den engel-vorst van Griekenland bevechten, waarbij hij niet veel geluk zou hebben, zelfs niet met hulp van Michael. Hiermede wordt te kennen gegeven, dat de koningen van Perzië, en misschien ook de Grieken, Israel genegen waren, maar dat dit spoedig eene andere wending zou nemen.

De engel gaat dan voort, den loop der zaken in groote trekken te schetsen. Na den tijd, waarop Daniël dit gezicht had, zouden nog vier koningen over Perzië heerschen, tot op den tijd, dat de macht in andere handen overging.

Heeft Daniël in het derde jaar van Cyrus deze openbaring ontvangen, dan zijn de drie Perzische vorsten, die onmiddellijk op hem volgden, zooals zij in Ezra 4 staan opgeteekend : 1. „Ahasverosquot; de zoon van Cyrus, die in de algemeene geschiedenis Cambyses heet; 2. „Arta-xerxes — niet de door Nehemia vermelde, maar de door de Magiërs opgeworpen pretendent, de valsche Smerdis, die bij afwezigheid van Cambyses zich van de regeering meester maakte, maar slechts zeven maanden later een schandelijken dood vond; 3. Darius Hystaspes, de zoon van Cambyses, dezelfde die in het twintigste jaar zijner regeering aan Nehemia verlof gaf, Jerusalem weder op te bouwen. Wanneer het eerste vers van het tiende hoofdstuk als eene later bijvoegsel wordt be-

ocr page 256

234 gt;lt;~

schouwd, dan valt de tijd van dit gezicht in het eerste jaar van Darius den Mediër, den Astyages der algemeene geschiedenis. Op deze wijze wordt de korte onwettige regeering van den valschen Smerdis bij de opnoeming der Perzische koningen niet gerekend, wat het waarschijnlijkste is. Dan volgen zij aldus: i. Cyrus, 2. Cam-byses, 3. Darius Hystaspes. Dan is toch de berekening in orde der drie koningen, die gelijk de engel zeide, nog in Perzië zouden opstaan na den tijd, waarop Daniël dit gezicht had.

Maar er wordt nog een vierde genoemd, boven de anderen uitstekend, en vermeld als degene, die eene krachtige poging tot onderwerping van Griekenland zou in het werk stellen. Er staat geschreven: „De vierde zal verrijkt worden met grooten rijkdom, meer dan al de andere; en nadat hij zich in zijn' rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.quot;

Het staat vast, dat dit op niemand anders betrekking heeft dan op Xerxes, den zoon van Darius Hystaspes, die de vierde Perzische koning was, na Darius den Mediër, wanneer men de regecring van Pseudo-Smerdis overslaat, en de vierde na Cyrus, wanneer men dien overweldiger meetelt.

Xerxes, de gemaal van koningin Esther, was verreweg de rijkste aller koningen van Perzië. Justinus zegt van hem, dat ofschoon zijn leger talrijk genoeg was om eene rivier leeg te drinken, zijn rijkdom niet werd uitgeput. In dit opzicht komt hij, en hij alleen, de profetie nabij. En wanneer dan verder van dezen vierden koning wordt gezegd: „Nadat hij zich in zijn' rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland,quot; zoeken wij te vergeefs een' anderen koning van Perzië, op wien dit toepasselijk

ocr page 257

235

is, terwijl in Xerxes alles letterlijk werd vervuld. Zijn vader Darius Hystaspes had zich met trots „koning van het vastelandquot; genoemd, maar zijn eerzuchtiger zoon wenschte koning over de geheele aarde te zijn. In eene zitting van zijn' staatsraad werd besloten, „geheel Europa door te trekken, en de aarde tot één rijk te maken.quot; Met de voorbereiding tot deze onderneming gingen vier volle jaren (drie na de verovering van Egypte) heen. Van geheele natiën werden krijgslasten geheven, en eene menigte van voetvolk, ruiters, wagens, oorlogschepen en transportmiddelen te land en ter zee werden verzameld en uitgerust — het grootste leger, dat ooit door een' sterveling werd aangevoerd. Misschien waren niet minder dan vijf millioen menschen aan deze reusachtige onderneming verbonden, allen gekocht door den rijkdom des konings en op weg naar Griekenland gevoerd, om van daaruit Europa te veroveren. De slagen van Marathon, de Thermopylen en Sakmisver-hinderden dit, en brachten de macht van Perzië ten onder. Van dien tijd af begon het te dalen tot aan zijn eindelijken val.

Zoover werden de woorden van den engel juist vervuld. De Perzische heerschappij bereikte haar toppunt, en toen begon zij achteruit te gaan. Verder gaat deze profetie niet in op de geschiedenis van Perzië.

Terwijl de engel bij Xerxes de Perzische geschiedenis verlaat, kondigt hij tevens aan, dat een andere koning zal opstaan, „die met groote heerschappij heerschen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen.quot; Er wordt niet gezegd, waar hij zijn, en vanwaar hij komen zal, alleen dat het geen Perzische koning zal zijn. Maar daar er juist is gesproken van den grooten veldtocht der Perzen naar Griekenland, waarvan de uitslag niet wordt vermeld, daar hier de draad der geschiedenis van Perzië afbreekt,

ocr page 258

-gt;• 2R6 ^

ligt het vermoeden voor de hand, dat deze nieuwe, machtige veroveraar uit Griekenland moest komen. Wij vinden hem inderdaad in den persoon van Alexander den Groote, die uit haat en wraak over den inval van Xerxes, hoewel lang naderhand, „liet Perzische rijk veroverde van den Hellespont tot den Indus, en van de oase Amnion tot aan de woestijn van den Jaxartes.quot; Hierover zijn alle geschiedschrijvers het eens.

De profetie slaat duidelijk op den grooten Macedoni-schen veroveraar. „Als hij zal staan,quot; zegt de engel, „zal zijn rijk gebroken worden,quot; en dat werd het machtige Macedonische rijk door den dood van Alexander, toen hij den hoogsten top van zijn' roem had bereikt. Zijn rijk werd in de vier winden verstrooid en in vier monarchieën verdeeld. Het kwam niet aan zijne nakomelingen, maar aan vier zijner veldheeren, wier onderlinge oorlogen het verontrustten en verzwakten, zoodat het niet meer bestond „naar zijne heerschappij, waarmede hij heerschte.quot; Het zou ook niet eens in deze vier deelen bewaard blijven. De engel zeide, dat het zou uitgerukt worden en in het bezit van anderen overgaan, wat ook vervuld werd door de aanvallen en veroveringen dei-Romeinen. Het is waarlijk een wonder, zoo nauwkeurig als de geschiedenis dit met weinige trekken geteekende beeld heeft bevestigd, dat aan Daniel werd geopenbaard, toen menschelijke wijsheid en berekening onmogelijk konden vooruitzien, wat er zoude gebeuren.

Nadat de draad der geschiedenis zoo meesterlijk is afgewonden tot op den tijd der verdeeling van het Macedonische rijk, verliest het verhaal zich in onbeduidende bijzonderheden over „den kojiing van het Zuidenquot; en „den koning van het Noordenquot; en hunne twisten, oorlogen en gruwelen, welke zoovele beoordeelaars hebben geérgerd, en waarvan de uitleggers zoo

ocr page 259

-gt;• '237 *lt;-

weinig hebben kunnen maken. Deze namen beteekenen eene reeks van vorsten der beide staten ten Noorden en ten Zuiden van het Heilige Land — Syrië en Egypte — waartusschen de Joden langen tijd als tusschen twee molensteenen werden vermalen.

„De koning van het Zuidenquot; (vs. 5) is Ptolomeus Lagus van Egypte. De vorst, die sterker zal worden dan hij en wiens heerschappij groot zal zijn, is Seleucus Nicator, een der satrapen van Ptolomeus, die „de koning van het Noordenquot; wordt. Hunne opvolgers en deze oorlogen worden in de boeken der Makkabeeen beschreven. De geheele geschiedenis, die nu voor ons ligt, heeft op hen betrekking. In den loop van het verhaal is het niet altijd dezelfde vorst, die als „de koning van het Noordenquot; of de koning van het Zuidenquot; wordt aangewezen, maar het zijn de vorsten die te dien tijde over Syrië of Egypte regeerden. Deze onder-deelen van het rijk van Alexander waren bijna altijd in oorlog gedurende de honderd-vijftig jaren van hun bestaan. Zij sloten verbonden en huwelijkscontracten, die echter meestal weder verbroken werden of mislukten. De Joden werden intusschen begunstigd, beroofd of meermalen in den oorlog betrokken, verdrukt en verjaagd, tot aan het goddelooze bestuur van Antiochus Epipha-nes, wiens geschiedenis en daden wij reeds hebben besproken.

Maar onder alle rampen, welke in die booze tijden het volk des profeten zouden overkomen, hield God het bestuur in handen en gedoogde niet hunnen ondergang, noch liet Hij hun allen troost in het lijden ontberen. Om hunne zonden, hun afval, hunne ontrouw zou de hand der gerechtigheid tegen hen worden opgeheven. Door verdrukkers zouden zij geregeerd worden; door vleiers misleid en bedrogen; door roovers uitgeplunderd

ocr page 260

Hgt;: 238

worden, en de goddeloozen zouden hunne priesters tot onderwerping brengen, hun tempel ontheiligen, hunne offers verbieden, hunne kinderen in slavernij voeren en hen op allerlei wijze mishandelen. Velen van hen zouden hun heilig verbond breken, de gewijde vaten tot eiken prijs wegdoen en verkoopen en met het leger der vijanden tegen hun eigen vleesch en bloed eene verbintenis aangaan.

Velen zouden door het zwaard omkomen, met vuur verbrand of in onbeschrijfelijke ellende de woestijn ingedreven worden. Maar toch zou Gods oog over hen gaan, en het goede de overwinning behalen. De boosheid van velen zou de anderen volmaakter doen zijn.

Het vuur der beproeving zou de getrouwen en oprechten reinigen en louteren, en de overtreders pijnigen en verteren. Nog eenigen zouden hunnen God dienen en tot groote daden in staat gesteld worden. De alge-meene ontrouw zou beter onderwijs noodig maken, opdat de waarheid niet geheel zou uitsterven. In den langen donkeren nacht hunner rampen bleef de belofte en de hoop van een' beteren morgen over.

Wanneer God de goddeloozen hun eigen weg laat gaan, geschiedt dat tot hun verderf. Maar wanneer Hij de Zijnen tuchtigt, doet Hij het om hen te heiligen en vrij te maken.

De uitverkorenen Gods staan ook niet alleen in den strijd tegen het kwaad en in de beproevingen van dezen tijd. De eeuwige Vader maakt engelen tot Zijne dienaren voor de erfgenamen der verlossing. Met liefdevolle deelneming en onuitputtelijk geduld staan de hemelvorsten waakzaam en opmerkzaam de bezitters der aardsche macht ter zijde en verrichten hun geheimzinnig werk, om de raadsbesluiten der heerschers te verzachten en te verbeteren en de slechte gedachten der verdruk-

ocr page 261

—s-f 239 fa

kers te verhinderen en te dwarsboomen, ten dienste van de getrouwen van Jehova. Zij strijden tegen booze geesten en banen zich een' weg om boodschappen van troost, versterking en hoop aan boetvaardigen te bren gen, de oneindige grootheid en majesteit van onzen God te leeren kennen, licht in de schaduwen der duisternis te werpen, en aan de getrouwen en oprechten een zalig sterven te verzekeren.

De wagens des Heeren zijn duizendmaal duizend engelen, en gelijk de bergen rondom Jerusalem zijn, zijn deze gelegerd rondom hen, die God vreezen. Michael en alle heerlijke vorsten der onzichtbare wereld staan aan de zijde der vromen en strijden voor de kinderen des verbonds, en hoe sterker de stroomen der ellende aanrollen, hoe krachtiger zij hunne werkzaamheid toonen.

Hoe vergankelijk zijn daarentegen de rijkdommen, de macht en de heerlijkheid der goddeloozen. De rijkdom en pracht, de grootheid en macht door Xerxes tegen Griekenland in het veld gebracht, smolt weg voor de zelfopoffering van eenige dappere verdedigers van een vrij land! Hoe spoedig verdwenen zijne legerscharen van den aardbodem! En de fabelachtige overwinningen van Alexander? Welke winst brachten zij hem aan? Hoe spoedig werden zij door de kleingeestige twisten van zijne opvolgers verslonden!

Lieve broeders, er is geene blijvende bezitting als rijkdom in God —• de schatten van geloof, gehoorzaamheid en vertrouwen op Hem „Alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als eene bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijne bloem is afgevallen ; maar het woord des Heeren blijft in eeuwigheid.quot; Wie op het woord van God bouwt, heeft een' eeuwigen grondslag. Zijn geluk is onsterfelijk. Zijne zege is voor de eeuwigheid.

ocr page 262

HOOFDSTUK XIII.

De Heerschappij van den Antichrist of de wederspannige Koning.

Daniël 11 : 33—45.

Een Autlclirist die nog mo:t komen. — Schildering van hem in den Bijbel. — De kerkvaders ovir dit onderwerp. — »De koriaf.» — De laatste dierhjerschappij op aarde. — Een bepaalde persuor. — Beschouwingen, vanwaar hij zal kom .n. — Hoogmoed zijn voornaamste k;rak-tertr.-k. — Zijne grenzenlooze zelfverheffing. — Hij beschermt een' afgod. — Zij ie onrechtvaardigheid en misbraiUte macht. — Zijn einde. — Teekenen, die zijne komst aankondigen. — De tijdgeest, ide mensch d^r toekomst.quot; — Bedrogen vf.rwachting'ii.

Een voornaam nog levend kenner van het boek Daniël zegt: „Wij Christenen verwachten, dat er nog een Antichrist moet komen. De Heer heeft ons voor hem en zijn bedrog gewaarschuwd. Paulus beschrijft hem, gelijk Daniël van hem spreekt. Jesaja heeft van hem en zijne verwoesting geprofeteerd. Goed en kwaad zijn zoolang de wereld duurt tezamen opgewassen, al wat goed is leidt tot den Heer en Zijn koninkrijk, dat alleen volmaakt goed is, en al wat kwaad is, bereikt zijn toppunt, nadat verschillende voorloopers de ontwikkeling van het kwaad hebben bevorderd, in den persoon en de heerschappij van den Antichrist, die God en het goede tot het uiterste bestrijdt. Afgezien van de openbaring die ons daarvan gegeven is, ligt het reeds vanzelf in de menschelijke natuur en den aard der dingen, dat, gelijk het goede zich uitstrekt tot eene volmaakte goedheid,

ocr page 263

zoo ook het kwaad naar een volkomen vorm van boosheid streeft.quot;

De wereld bestaat uit licht en schaduw, die altijd elkander vergezellen. Wanneer het licht toeneemt, worden de schaduwen donkerder, totdat, als de Koning der heerlijkheid komt om het goede te kronen en Zijne heerschappij te vestigen, de koning der boosheid tegen Hem zal optreden. Deze vervult, wanneer hij het toppunt van boosheid en vijandigheid heeft bereikt, zijne onvermijdelijke bestemming.

Van hem schrijft Johannes: „Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de Antichrist komt, zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen dat de laatste ure is. Deze is de Antichrist,

die den Vader en den Zoon loochent......En elke

geest, die niet belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den Antichrist, welken gij gehoord hebt, dat komen

zal, en hij is nu alreeds in de wereld...... Want

er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is. Deze is de verleider en de Antichrist.quot; I Joh. 2: 18,22; 4:3:2 Joh. 7.

Evenzoo schrijft Paulus aan de Thessalonicensen ; „Dat u niemand verleide op eenigerlei wijze: want die (de dag van Christus) komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs; die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zich zeiven vertoonende, dat hij God is. Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? En nu, wat hem wederhoudt, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tüd, weet gij. Want de verborgen-

Goddei.ijke Stemmen. 16-

ocr page 264

--

^ 242 -lt;-

heid der ongerechtigheid wordt alreeds gewrocht; alleen, die hem nu wederhoudt, die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, dien de Heer verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst; hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des Satans, in alle kracht en teekenen en wonderen der leugen; en in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan; daarom dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden.quot; 2 Thess. 2 : 3 —10.

Eene nog uitvoeriger mededeeling over dit laatste monster wordt in de Openbaring van Johannes gegeven, waar Johannes van de laatste dingen, die in deze wereld zullen geschieden, zegt: „En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijne hoornen waren tien koninklijke hoeden, en

op zijne hoofden was een naam van lastering......

En de draak gaf hem zijne kracht, en zijnen troon, en groote macht...... En de geheele aarde verwonderde zich achter het beest. En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk ? wie kan krijg

voeren tegen hetzelve?..... En het opende zijn'

mond tot lastering tegen God, om Zijnen naam te lasteren, en Zijn' tabernakel en die in den hemel wonen. En aan hetzelve werd macht gegeven om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen, en aan hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal en volk. En allen die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, wier namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, dat geslacht is van de grondlegging der wereld. Indien iemand ooren heeft, die hoore.quot; Bij

ocr page 265

-$-i 243 ■lt;--

dit beest is nog een ander beest dat „groote teekenen doet, zoodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde, voor de menschen; en verleidt degenen die op de aarde wonen, door de teekenen, die aan hetzelve te.doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest; zeggende tot degenen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest een beeld zouden maken. En aan hetzelve werd macht gegeven, om het beeld van het beest een' geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zoude spreken, en maken, d.-t allen die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden. En het maakt, dat het aan allen, kleinen en grooten, rijken en armen, vrijen en dienstknechten, een merkteeken geeft aan hunne rechterhand, of aan hunne voorhoofden; en dat niemand mag koopen of verkoopen, dan die dat merkteeken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams.quot; Openb. 13.

Wat zoo in bijzonderheden in het Nieuwe Testament wordt geschetst, was ook in het Oude geheel voorzegd. Overal vinden wij een beeld of eene profetie van deze groote booze macht, die tegenover de profetieën van het vrouwenzaad en den Messias van het uitverkoren volk staan. In eiken moorddadigen vervolger of zoon van Belial, die in de geschiedenis vijandig optrad tegen de kinderen Gods, van Kaïn af tot Nimrod, Pharao, Amalek, Midian, Goliath en de koningen van Babyion en Assyrie, zagen de heilige profeten altijd eene verdere en volko-mener belichaming van den vijand van God. Juist zooals zij in Mozes, Jozua, Gideon, David, Salomo, Cyrus en anderen de voorgangers en beelden zagen van den grooten, laatsten, volmaakten en eeuwigen Heiland, Verlosser en Overwinnaar van de hel en den dood, Die ons gegeven is in de persoon en de heerschappij van den gezalfden en gekroonden Koning Jezus van Nazareth.

ocr page 266

-gt;■ 244 .lt;-

Wij zien steeds, dat de algemeene uitdrukking hunner profetieën het beeld en de kleur van den laatsten tijd aanneemt, wat ook het oogenblikkelijk doel hunner voorstelling moge zijn. Alzoo zijn de wilde dwalende geesten der laatste tijden, die de regeering en haar gezag verachten en belasteren, slechts de tot voltooiing gekomen navolgers van Kaïn en Bileam, waarover het wereldgericht ontzettend wordt uitgestort. Zij zijn de laatste belichaming van den zoon des verderfs en zijn reeds begrepen in de profetieën van Henoch, vóór den zondvloed. (Zie den brief van Judas.) De hoogmoedige dwingeland Lucifer, in Jes. 14 genoemd, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven, die in de hel wordt nedergestooten, „aan de zijden van den kuil,quot; en Assur uit Jes. 30, op wien de vlammen van Gods toorn als een verterend vuur vallen, ja „de koningquot; voor wien de hel bereid is, verschijnen veel meer gelijk de laatste Antichrist dan een zijner voorgangers onder de vroegere onderdrukkers van Israel. Eveneens de slechte herder uit Zach. 11, die, terwijl hij voorgeeft Gods kudden te hoeden en te weiden, hun vleesch eet en ze in stukken scheurt. Eveneens het goddelooze en weerspannige verbond van de koningen der aarde in den tweeden Psalm, dat de Heer zal bespotten en met een ijzeren schepter als een pottenbakkersvat zal ,in stukken slaan, opdat Hij Zijnen Koning zalve over Sion, den berg Zijner heerlijkheid. Ofschoon veel van deze woorden der Schrift reeds zijn vervuld, doelen zij toch alle en vele andere, die men zou kunnen aanwijzen, in hunne volle grootte en beteekenis op dit schepsel vol boosheid uit den laatsten tijd dezer bedeeling, dien de Heilige schrift den bijzonderen naam van Antichrist toekent, die alle andere Antichristen in zijn persoon vereenigt, en wiens einde daar is, bij de laatste komst

ocr page 267

-s-' 245

van Christus op aarde. Alle kerkvaders hebben stellig geloofd, dat er nog eene openbaring en belichaming van het Antichristlijke moet komen, vreeselijker dan de vorige die op aarde zijn geweest, en die slechts door den grooten dag van den almachtigen God zal vernietigd worden. Zoo schreef Barnabas, over „de tijd des boozen, dien de Zoon Gods zal verwoesten, wanneer Hij komen zal om de goddeloozen te richten.quot; (Epist. 15). Irenaeus beschouwde het als een bijzonder deel van het christelijk geloof, dat .,de Antichrist, met alle kracht des duivels toegerust, zal komen, niet als een rechtvaardig of wettig koning, door God aangesteld, maar als een goddelooze, onrechtvaardige en wettelooze, als een afvallige en moordenaar, als een roover, in wien Satans afval verpersoonlijkt wordt. Hij zal de goden uitroeien om zichzelven tot god te maken en zich tot den eenigen god verheffen, alle leugens der andere goden in zich vereenigen, opdat zij, die anders den duivel in allerlei vormen aanbaden, hem den eenigen afgod mogen dienen, nadat hij zich eigendunkelijk als god in den tempel te Jerusalem zal hebben gevestigd. Deze zal, wanneer onze Heer komt, vernietigd worden.quot; Hetzelfde zeggen Origenes en Lactantius en de kerkvaders over het algemeen. De groote Augustinus zegt: „Wie de :Schrift half slapende leest, moet toch gewaar worden, dat het rijk van den Antichrist de kerk hevig, hoewel voor korten tijd, zal aanvallen, tot het laatste oordeel van God den heiligen het eeuwige leven zal verzekeren.quot; (Civ. Dei tom. 20, 23.)

Deze Antichrist wordt ons ook hier beschreven. Ongeveer driehonderd vijftig jaar na de apostelen, schreef Hièronymus daarvan; „Ons volkquot; — de Christenen van zijn' tijd — „verstaat al deze dingen als te zijn gezegd van den Antichrist, die in de laatste tijden zal komen.quot;

ocr page 268

246 ^

Luther zegt: „Deze profetie wijst bepaaldelijk, zooals alle uitleggers eenparig verklaren, op den Antichrist, wiens geest de paus, maar wiens lichaam een ander is, die de gemeente des Heeren lichamelijk verdrukt, verwart en vervolgt.quot; Vele nieuwere uitleggers gelooven, dat Daniels profetie alleen op Antiochus Epiphanes moet toegepast worden, maar Kliefoth heeft zeer juist aangemerkt: „Wat hier van den koning wordt gezegd ■overtreft in alle opzichten de daden van Antiochus.quot; Men kan wel toestemmen, dat deze dwingeland en vervolger der Joden in deze beschrijving opgesloten is. Maar het verband tusschen Antiochus en „den koningquot; op welk woord hier de nadruk wordt gelegd, is niet grooter dan dat tusschen Cyrus en Christus, of tusschen de verwoesting van Jerusalem door de Romeinen en het vergaan der wereld. De een is eenvoudig de voorbeeldige voorstelling van den ander. Dat het beeld alleen op Antiochus doelt, is werkelijk niet aan te nemen, daar wij hem niet kunnen verplaatsen in den toekomstigen tijd van de opstanding der dooden, die zoo uitdrukkelijk met de verschijning van den booze gepaard gaat.

Wie deze koning ook zij, en vanwaar hij komen mag, in elk geval is hij de laatste vertegenwoordiger van de heerschappij der dieren die op aarde regeert. De beschrijving door den engel, vooral zooals zij in het volgende hoofdstuk wordt voortgezet, bevestigt dit ten stelligste. „Hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij — tot de bezoekingen van Gods toorn over de Joden voor hunne zonden afgeloopen en voor altijd uitgeput en geëindigd zijn — wat nu zeker nog niet het geval is. In het negende hoofdstuk had de engel gezegd, dat „de verwoestingen besloten zijnquot; — die „tot het einde toequot; zullen verwoesten. Hier zegt hij, dat dfeze koning voorspoed zal hebben, omdat hij doen

ocr page 269

247 ^

zal „wat besloten is.quot; Zijn voorspoed moet derhalve tot aan het einde duren. In het volgende hoofdstuk wordt zijne komst uitdrukkelijk bepaald [tegelijk met den tijd der groote benauwdheid, — dat is het tijdstip, waarop het lijden van het volk des profeten voor eeuwig is geëindigd, dat al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek, verlost zal worden, dat vekn van hen, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dat alle profetie vervuld is, — „de tijd van het eindequot; -— „in het einde der dagen.quot; Het wezen, dat dezen koning wordt toegeschreven, en de wijze waarop de engel van hem als van „den koningquot; spreekt, stemmen overeen met het beeld van den kleinen hoorn, die in het eerste gezicht na de tien koningen komt (Dan. 7 : 23—26), en met dat van den „overmoedigen en listigen koningquot; in het tweede geziiht Dan. 8 : 21 — 25, en met den „vorst die komen zalquot; die met velen een verbond maakt voor zeven jaren, in de helft der zeven het verbreekt en den tempel gruwelijk ontheiligt, gelijk in het derde gezicht wordt getoond. (Dan. 9 : 26, 27.) Maar de macht van welke in elk dezer voorbeelden wordt gesproken, breidt zich uit tot aan het einde van alle aardsche heerschappij, — tot aan het oordeel — tot den tijd, dat de overtreders toegenomen zijn, — „zelfs tot aan het einde.quot; Derhalve zal hij werkelijk de laatste vertegenwoordiger dezer aardsche heerschappij zijn.

Nog eens, wie deze koning ook zij, en vanwaar hij kome, hij is een wezenlijk persoon, evenals Cyrus, Cambyses, Darius Hystaspes, Xerxes of Alexander; want hij is juist op dezelfde wijze door denzelfden engel in dezelfde opeenvolgende mededcelingen beschreven. Ook in de voorgaande gezichten worden hem persoonlijke trekken en hoedanigheden toegeschreven, die aan een enkel man moeten toebehooren. Het is onmogelijk,

ocr page 270

-gt;* 248 ^

dat het de eigenschappen van eene reeks van vorsten zijn. Hij wordt uitdrukkelijk genoemd „de-vorst, die zal komen,quot; in onderscheiding van het koninkrijk of het volk waarover hij regeert en dat hij vertegenwoordigt. Ook kan niemand hier of elders de mede-deelingen over hem lezen, zonder den indruk te ontvangen, dat hij werkelijk eene afzonderlijke eenige persoonlijkheid is.

De woorden, waarin de duur van zijne heerschappij wordt bekend gemaakt, die eene eerlijke verklaring niet langer dan zeven jaren kan uitrekken, maken het zeer helder, dat het onderwerp der profetie één man en niet eene reeks van mannen is.

De Antichrist bestaat echter nu nog slechts als een werkzame geest, wiens laatste optreden en volkomen belichaming nog niet bereikt is. Daarom kon Johannes zeggen, dat er in zijn' tijd reeds „vele Antichristenquot; waren geweest. Daarom zegt Paulus, dat ook in de dagen toen hij getuigde „het geheim der ongerechtigheidquot; het hoofd opstak. Zoo is hij alle eeuwen door bezig geweest in valsche leeringen en in het wederstaan van Jehova's almacht, rijk en woord. In deze betee-kenis waren de heidensche vorsten van den ouden tijd door hunne verwoesting en onderdrukking van mede-menschen Antichristen, evenzoo zijn pausdom, Mohammedanisme, alle dwaalleer, alle ongeloof, alle goddelooze wereldsche wijsheid, alle overheden, die de waarheid van God en van Jezus Christus, den eenigen Heer en Heiland der menschen, tegenstaan, Antichristen. Maar zij zijn niet de Antichrist, behalve in den geest, als symbool in verzachte en nog niet volkomen gerijpte gestalte. Evenals Christus in de eeuwen, vóór Hij geboren werd, reeds leefde in de instellingen, in de hoop en in den geest van het geloovige volk Gods, en Hij nu in 'jn

ocr page 271

-gt;i 249

met Zijne gemeente is, reeds vóór de volmaakte toekomende openbaring van Zijne heerlijkheid, majesteit en macht. Maar gelijk Christus persoonlijk zal verschijnen om met Zijne heiligen zich voor aller oogen in zichtbare gestalte te vertoonen, zegt Paulus ons, dat de mensch der zonde, de zoon des verderfs door eene even zichtbare verschijning zal geopenbaard worden. Dan zal de tegenstand tegen God, Zijn' Christus, Zijne waarheid, Zijn volk en Zijn koninkrijk zich ten laatste bekend maken in een eenigen persoon, namelijk de belichaming van den duivel en van alle zonde, die het vleesch geworden Woord, Jezus Christus, onzen koning zoekt tegen te werken en uit te roeien. Zoo beschouwden de eerste gemeenten allen de zaak, en zoo spreken ook de Joodsche uitleggers van het Oude Testament over den Anti-Messias. Er zijn vele en voorbeeldige Antichristen, maar de Antichrist is eene bepaalde persoonlijkheid.

Vanwaar deze koning zal komen, kan misschien bij den tegenwoordigen staat der bijbelsche uitlegkunde, niet worden vastgesteld. Eenigen gelooven, dat hij eet Jood zal zijn uit den stam van Dan, omdat Dan „eene slang aan den wegquot; wordt genoemd, en omdat geen van de 144.OOO verzegelden, die de Openbaring van Johannes vermeldt (Openb. 7) uit dm stam Dan zijn genomen. Anderen gelooven vast, dat hij in het algemeen een Oostersch vorst zal zijn, en in een der vier deelen van het rijk van Alexander zal opstaan. Velen, verzekeren, dat hij op het Romeinsche keizerrijk zal volgen, daar van hem wordt gezegd (Openb. 17) dat hij „de achtstequot; zal zijn, terwijl het zevende hoofd van het laatste beest Rome voorstelt, en de afzonderlijke hoofden van dit beest koningen of rijken vertegenwoordigen. (Openb. 17 : 7—11.) Weer anderen meenen,

ocr page 272

~ï* 250 ■lt;-

dat een van de groote bedrijvers van zonden door de macht van Satan uit de dooden opgewekt zal worden, daar van hem gezegd is „dat hij zal opkomen uit den afgrond,quot; dat hij eene doodelijke wond heeft ontvangen, waardoor zijn leven ophield, en waarvan hij toch werd genezen. (Openb. 13 : 3, 12; 17 : 8.; Het is moeilijk om tusschen deze beschouwingen te kiezen en het is ook niet onmogelijk, dat zij alle op waarheid gegrond zijn. Zeker is het, dat hij geene gewone persoonlijkheid, maar een in hooge mate met bovennatuurlijke list, macht en kracht van Satan toegerust wezen zal zijn. Paulus zegt uitdrukkelijk dat bij „naar de werking des Satans in alle kracht en teekenen en wonderen der leugenquot; zich zal openbaren (2 Thess. 2:9); en Johannes zag zijne verschijning met „groote teekenenquot; gepaard gaan, zoodat hij zelfs vuur uit den hemel zou laten komen en aan een metalen beeld leven en spraak zou verleenen. (Openb. 13 : 13 —15.) Zijne kracht, zijne groote macht zijn hem, zooals bepaald gezegd wordt, door den draak gegeven (Openb. 12 ; 9, 13:2), gelijk de engel tot Daniël zeide: „Hij zal sterk worden, doch niet door zijne kracht.quot; (Dan. 8 : 24.) Zoo bood Satan aan Christus „al de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheidquot; aan. Jezus wijst den verzoeker af, maar de duivel vindt werkelijk iemand, die de door hem gestelde voorwaarden aanneemt, en zoo komt de Antichrist om de schuldige wereld te tuchtigen en allen die zijne zaak aanhangen, hopeloos in het verderf te storten.

Houden wij ons nu bezig met de uitvoerige schildering van dit monster en zijne loopbaan, gelijk wij die vinden in deze plaats.

De engel noemt het alleen „de koning.quot; Even kort en met dezelfde woorden stelt Jesaja het op twee verschillende plaatsen voor (Jes. 30 ; 33 ; 57 : 9.) Daaruit

ocr page 273

^ 251

blijkt niet slechts, dat de Antichrist als een aardsch vorst zal regeeren, maar ook, dat hij de bestuurder van alle aardsche heerschappij, de eenige beheerscher der geheele wereld zal zijn, die van alle andere koningjn zoo duidelijk onderscheiden is, dat hij onmogelijk met hen kan verward worden. Hij is de koning die als de vertegenwoordiger van alle aardsche machten optreedt en tot aan zijne laatste voleindiging het alge-meene profetische beeld der wereldmacht voorstelt.

„En die koning zal doen naar zijn welgevallen.quot; Dit is eene uitspraak van het grootste gewicht. Eigenzinnigheid is het wezen en de ziel der zonde. ' Eigenzinnigheid was van den beginne af haar karakter. Eigenzinnigheid was de zonde der gevallen engelen en van Adam. De volledigste ontwikkeling en uitbreiding der zonde kan niet verder gaan dan dit handelen naar eigen welgevallen. Het wordt hier aangegeven als de hoofdtrek in het karakter van den mensch der zonde. Wij willen deze uitspraken liever niet voor ons laten verloren gaan. Alle menschen zijn vol eigenzinnigheid. Zij too-nen haar van de eerste kindsheid tot aan hunnen dood. Velen bewonderen haar zelfs als mannelijkheid en deugd. Maar niets is zoo antichristlijk — geene menigte of grootte van misdaden, die erger is dan zij. De belichaming aller zonde handelt slechts naar eigen welgevallen. De duivel zelve doet niet meer. Wanneer de menschen vrij denken en vrij handelen willen, en geene andere wet erkennen dan hunne eigen natuurlijke verkiezing en hun genot, dar. doen zij juist hetgeen den Antichrist tot Antichrist maakt. Zoo stempelen zij zich tot leden van zijne goddelooze kudde. Maar de wet van den Christen is niet zijn eigen wil, maar Gods wil — Gods wil alleen, altijd en in alles, hij onderwerpt aan Christus elke gedachte. Wanneer het met ons niet zoo gesteld is.

ocr page 274

-gt;* 252 ^

behooren wij niet aan Christus maar aan den Antichrist. Want de onmetelijke schuld van dezen booze bestaat in niets anders, dan in het volgen van zijn' eigen wil. Tegenwoordig laat God den wil der menschen niet geheel vrij. Zijne voorzienigheid houdt hen terug en belet hen om zekere grenzen te overschrijden. Ware dat niet zoo, dan zou de menschheid weldra aan het grootste verderf ten prooi zijn. Maar er komt een tijd, dat alle hinderpalen uit den weg worden geruimd en het den verachters der waarheid vrij staat, in alles naar hun eigen onverstand te handelen. Zij zullen het bedrog van Satan verkiezen boven het heilige en rechtvaardige bestuur van Jehova, en God zal hem veroorloven al zijne listen ten uitvoer te brengen, opdat hij de menschen tot het einde toe bedriege. Wanneer de door de hel ingeblazen eigenzinnigheid des menschen ten troon verheven is, dan is de Antichrist voleindigd.

De gevolgen liggen voor de hand. De koning zal zich zeiven verheffen. De leer van de aangeboren menschenvvaarde en het redeneeren over de groote bekwaamheden en krachten der menschelijke natuur zul en de wereld verwoesten. Het koninkrijk is voor de armen van geest. De zachtmoedigen zullen het aardrijk beërven. De koninklijke weg tot hoogheid is nederigheid. Wat daarvan afwijkt is de Antichrist, en de Antichrist is zeker verderf! Wie hoogmoedig is en zichzelven verheft, voegt zich daardoor bij den Antichrist en erkent hem. Wanneer de zelfzuchtige hoogmoed eenmaal in het hart vastzit, kent hij geene grenzen meer, als hij niet door andere machten wordt belemmerd.

De engel zegt van dezen koning: „hij zal zich groot maken,quot; niet slechts boven de menschen, maar „boven allen god.quot; Zelfs den „God der goden,quot; den grooten Jehova Zelf komt hij met lastering en verzet tegemoet.

ocr page 275

-3- 253 :lt;—

Velen hebben den Antichrist voor een' atheïst gehouden, maar het is niet zoozeer, dat hij het bestaan van God ontkent, als dat hij zichzelven uitgeeft voor grooter dan God, voor den beheerscher der natuurkrachten, den mededinger der Almacht. Reeds de gedachte aan deze zelfverheffing doei ons sidderen. En toch leidt de tr'ot-sche eigenzinnigheid des menschen tot zulke afgronden van aanmatiging en leugen. Niet den God zijner vaderen, niet dien alleen Heilige, wiens moeder te zijn vierduizend jaren lang de wensch van elke vrome vrouw was, geen' God en niets goddelijks kan dezen eigendunkelijken man vereeren, „want hij zal zich boven alles groot maken.quot; O gij ongeloovigen en godsdienstloozen, die den eeredienst veracht, en heilige dingen haat; gij die het versmaadt, den God uwer vaderen te eeren, en die u niet aan de eeuwige Macht stoort; ziet, met wien gij u gelijkstelt, wiens zaak het is, die gij bevordert, en waarheen uw gebrek aan godsdienst u leidt! Maar met al zijn' afkeer van God is deze koning toch een beschermer van een' godsdienst. De mensch kan nu eenmaal niet zonder godheid leven. In plaats van God zal hij den god Maüzzim eeren — de geestelijke machten, die de daden der boozen besturen, — en alle oorlogen en verdrukkingen bewerken, — een god, dien zijne vaderen niet gekend hebben, — eene macht wier belichaming en vertegenwoordiger hij wenscht te zijn en ook inderdaad is. Het is wonderlijk, zelfs de aller-goddeloosten hebben hunne vroomheid! Menschen, die allen godsdienst voor bijgeloof houden en derhalve er niet van willen weten, laten zich toch door het allergrofste bijgeloof beetnemen. Zij verloochenen God, Die hen geschapen heeft, en Gods Zoon, die voor hen gestorven is; verheffen zich boven al wat God heet, — en dan dienen zij goden, die zij zelve maken. De

ocr page 276

—gt;! 254 Hg-

Antichrist verzet zich tegen de aanbidding van den Vader en den Zoon, stelt zichzelven boven Beiden, en toch heeft hij een' god, een god van zijn eigen maaksel, dien hij in de plaats van Jehova zet, dien hij eert met goud, en met zilver, met edelsteenen en kostbare zaken, een' god, wiens tempels vestingen zijn en wiens apostelen rechters en hoofdlieden met zwaard en brandijzer, om den naam van hunnen heer den menschen in het vleesch te branden en dengenen, die weigeren te gehoorzamen het hoofd af te slaan. Zoo zal hij met zijn' vreemden god doen. De erkende vernieler van het bijgeloof wordt de beschermer der duivelsaanbidding, en gebruikt den rijkdom en het zwaard der heerschappij om de meest godde-looze gruwelen die ooit deze wereld onteerden en bedroefden, teweeg te brengen. Dergelijke godmakers en duivelsaanbidders zijn allen, die het bijgeloof noemen om den Heer, Die alles heeft geschapen, te aanbidden. Zij zetten Jehova als eene fabel op zijde en richten altaren op om de zichtbaar geworden hel te dienen.

Na de goddeloosheid en godslastering van dezen mensch noemt de engel ook zijne onrechtvaardigheid, verwoesting, vervolging en duivelsche edelmoedigheid. Evenals hij zijn' boozen god met goud, zilver, edelsteenen en kostbare zaken eert, zal hij naar zijn welbehagen met de schatten des lands handelen, en daar hem de macht des Satans terzijde staat, degenen die zijne godheid erkennen en belijden eer, rijkdom en macht geven. Alleen zij, die de macht des duivels aanbidden, zullen in zijn' tijd in aanzien staan.

Landen zullen veroverd en onder hen verdeeld worden; heerschappij, eer, ambten zullen zij als belooning voor hunne afschuwelijke aanbidding ontvangen. Zoo zal de slechte herder het vette zijner kudde eten, die hij moest beschermen, hij zal vrede en orde van de aarde verjagen

ocr page 277

255 K-

en het onmogelijk maken om in zijn rijk te leven, zonder zijne vreeselijke gruwelen aan te nemen.

De menschen kunnen het moeilijk gelooven, maar wanneer de ware godsdienst met voeten getreden en veracht wordt, verheffen zich geweld en wanorde. Terwijl zij het koninkrijk der hemelen afbreken, stellen zij de wanorde der hel daarvoor in plaats. Afvalligheid voert tot den Antichrist, en de regeering van den Antichrist is de ondermijning der grondvesten, waarop de maatschappelijke orde der wereld rust. Hij veroorzaakt een' toestand van ellende, zoo groot als er nog nooit is geweest. Oorlogen, geweldenarijen en bloedige onlusten zullen die dagen kenmerken. Van het Zuiden en van het Noorden zal het eene volk tegen het andere verpletterd worden, en het eene land na het andere in den alles meesleependen stroom van geweld en vernieling ondergaan. Omdat de menschen de eenige waarheid die redt, verwerpen, zal listig bedrog hen in het verderf storten, dat reeds zal beginnen, terwijl zij nog in deze wereld leven en handelen. De geesten der duivelen vervangen den Geest Gods en „treden de koningen der aarde en van de geheele wereld tegemoet, om hen te verzamelen voor den slag van den grooten dag des almachtigen Gods,quot; wanneer de toorn Gods zal woeden, dat het bloed tot aan de toornen der paarden komt, duizend zeshonderd stadiën ver! (Openb. 14 : 17, 20; 17 : 14-, 19 : 11—21.)

Ach! Wat denken de menschen weinig aan de verschrikkingen, die zij over de wereld brengen, wanneer zij God, Zijn woord. Zijn' Zoon, Zijne geboden en Zijn' dienst verloochenen en hardnekkig in plaats van Zijne heilige openbaringen satanische wereldwijsheid zetten! Eerst wanneer het te laat is om het verschrikkelijke onheil te verhoeden, zullen zij hunne dwaasheid inzien.

ocr page 278

—gt;• 256 ^lt;—

Hoezeer wij ook smeeken en vermanen, dat de mensch heid zich niet zoo late verleiden, heeft de groote menigte zich reeds aan den duivel verkocht, hebben zij zich aan alle heilige invloeden onttrokken en het verbord met den Hemel opgezegd. Er blijft alleen hoop over voor de weinigen, die zich als brandhouten uit het vuur laten rukken.

Maar het is niet mogelijk, dat zulke ongehoorde vermetelheid en zonde lang zou regeeren. Ofschoon hij de tenten van zijn paleis geplant heeft tusschen de zeeën aan den berg des heiligen sieraads, en in den tempel Gods zit also! hij de Almachtige zelf ware „zal hij tot zijn einde komen, en zal geenen helper hebben.quot; Zijn god Maüzzim verlaat hem dan. Er is een machtiger God, die alleen recht heeft om te heerschen, en die heerschen zal. Hij op Wiens gewaad en lendenen de naam geschreven staat: HeerderheerenenKoning der koningen, zal in den grootsten nood zich openbaren, met al de zalige scharen Zijner heiligen, en zal vuur en zwavel doen regenen op de legers Zijner tegenstanders, terwijl de hel haren mond openspert om den grooten bedrieger te verslinden, die levend in den vuurpoel valt. Zacharia verhaalt het nog omstandiger: „En de Heer zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. En Zijne voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jerusalem ligt, tegen het Oosten; en de Olijfberg zal in twee gespleten worden...... En de Heer zal tot Koning over de

gansche aarde zijn.quot; Zach. 14. Dan zal de ongerech-tige verslagen worden, „dien de Heer verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst.quot; 2 Thesp. 2 : 8.

Bestaan er dan eenige teekens of kenmerken, waaraan

ocr page 279

—257

wij met reden het naderkomen van een zoodanigen toestand dezer wereld hebben te herkennen? Ik geloof, dat zij er zijn, en niet weinig en zeer duidelijk. Duizenden gelooven en verkondigen, dat de eeuw, waarin wij leven, de heerlijkste en hoopvolste is, die er nog geweest is. Zij denken, dat wij op den drempel staan der gouden eeuw van algemeene beschaving, broederschap en vrijheid, waarin de droomen van vele eeuwen door den onophoudelijken vooruitgang der menschheid zullen vervuld worden. Uit dezelfde omstandigheden, waarop deze hoopen verwachting gegrond zijn, voorzie ik de komst van den Antichrist.

Deze geest beroemt zich op zijn onderzoek en behandeling der lagere elementen, die zooveel invloed hebben verkregen, dat eindelijk ook in de toongevende kringen de beschouwing gangbaar is, dat alles uit het slijk afstamt, zonder den wil van een' persoonlijken God of de noodzakelijkheid Zijner openbaringen te erkennen. Dit is de heerschende geest van wijsheid en onderzoek, de algemeene denkwijze over opvoeding, staatsbestuur en wetgeving, — de rumoermakende pogingen om de kwalen der menschheid zonder het woord en de geboden van Jehova te willen verbeteren, — en vele der meestge-liefde geloofsovertuigingen, die er trotsch op zijn, het oude geloof te hebben overwonnen, en die den levenden inhoud der gezonde leer ondermijnen.

Wij hebben slechts in de inwendige kern van het hedendaagse he denken en gevoelen door te dringen en dan vinden wij als den geest der eeuw in meerdere of mindere mate de heerschappij eener leer, die den vooruitgang als de schoonste hoop der wereld ten troon verheft, vereert en aanbidt. Zij neemt aan, dat de mensch steeds vooruitgaat, en dat deze ontwikkeling alleen een machtigen schat van wijsheid, vrede en zegen

Goddelijke Stemmen. 17.

ocr page 280

-5»- 258 Ho

over de wereld uitstort, zonder dat daartoe de medewerking van Gods almachtige hand noodig is.

Dit is de slotsom der wetenschappelijke leerstellingen, der wijsheid van de regeering en wetgeving en dei-godsdienstige begrippen van het volk.

Zelfs het geloof der meeste belijders van Christus is slechts eene verzameling van afwisselende gewaarwordingen, waarbij altijd de oude weggeruimd en nieuwe opgenomen worden, liever dan zich te houden aan de vastgestelde woordelijke openbaringen Gods, die voor alle eeuwen dezelfde zijn. Met andere woorden, het hart, het leven en de heerschende gedachten van onzen tijd vertoonen juist al de teekenen van de afscheiding of den „afvalquot; die Paulus reeds heeft aangekondigd als voorlooper, begin, geest en oorzaak van den mensch der zonde. Het zaad is uitgestrooid, het ontkiemt en groeit en vindt in onze eeuw alle gunstige voorwaarden om snel te ontwikkelen en vroeg rijp te zijn. Dientengevolge hooren wij ook overal, onder alle rangen en standen spreken over „den mensch der toekomst.' Deze gedachte wordt eenigermate schertsend behandeld, maar zij is niet enkel eene hersenschim, of een sprookje, of een woordenspel. Zij drukt iets uit, dat opgesloten ligt in de uitspraken en grondstellingen, die in den een of anderen vorm het denken en de verwachtingen dei-menigte beheerschen. De meest alledaagsche zoowel als de meest verfijnde overtuiging komt tot de slotsom, dat niets zeker is; dat de groote raadselen van het menschelijk leven, daaronder begrepen de maatschappij, het staatsbestuur, de wijsbegeerte, de godsdienst, nog niet zijn opgelost; dat hetgeen nu voor geweld gehouden wordt, eigenlijk geen geweld is; dat eene degelijke hervorming in alle aardsche dingen anders dan van den grondslag af, waarop de menschheid in vervlogen eeuwen

ocr page 281

259 ^

heeft gebouwd, kan plaats hebben, en dat eene nieuwe orde der maatschappij moet komen met nieuwe leidersde krachten, die op elk gebied des levens nieuwe bestaansvormen te voorschijn roepen. Heden geschiedt alles, wat de meerderheid beveelt en bepaalt. Maar wanneer „de mensch der toekomstquot; verschijnt, kan hij geen ander zijn dan juist deze mensch der zonde, de wette-looze, de Antichrist, voorspeld en aangekondigd door de heilige profeten. Want de laatste, zekerste vrucht van den menschelijken vooruitgang, losgemaakt van de eerbiedwaardige wetten en instellingen van Jehova, is de Antichrist. Wat kan uit deze onvermijdelijke richting van het handelen en leeren der tegenwoordige wijzen ontstaan, daar zelfs vele van de aanzienlijkste belijders der kerk eene hersenschim als de hoop van het men-schelijk geslacht begunstigen, maar niets willen weten van Christus, onzen Verlosser, en met hunne wijsheid den Vader en den Zoon verloochenen ? Wij zien hierin eene wegbereiding voor den Antichrist en een zeker teeken van de nadering zijner openbaring. Datgene, waarnaar de leiders der menschheid zoo in vereeniging streven en waaraan zij arbeiden, moet komen als het einddoel der wereld — en misschien veel eer dan zij zelve vermoeden. 'Maar die gebeurtenis zal de zwaarste verdrukking zijn, die ooit over de aarde is gekomen. Want zij zal al de verwoesting van den laatsten grooten val medebrengen. Grondstellingen hebben ook een eigen leven en openbaren zich in hare gevolgen. Nu wij die in alle kringen der menschenmaatschappij zien ingeworteld, kunnen wij zeker zijn van hetgeen komen zal. Alleen eene tusschenkomst der goddelijke Almacht kan het verhinderen, en daar God vooraf heeft aangekondigd, dat Hij deze laatste krachtsinspanning van het afvallig geslacht niet dwarsboomen, dat Hij weleer alle hinder-

ocr page 282

260

palen uit den weg ruimen zal, vervalt alle twijfel aan de naderende vervulling van hetgeen de profeten hebben voorzegd over de laatste jaren der tegenwoordige wereld. Het is niet noodig, in bijzonderheden te treden, waar de hoofdzaken zoo vaststaan, zoo ernstig geloofd en zoo algemeen opgevolgd worden.

Ja, broeders, God zal met de aarde handelen zooals Hij nooit te voren met haar heeft gehandeld, en alles wordt rijp voor den dag der benauwdheid. De men-schen houden zich bezig met hunne plannen en meenen door hunnen arbeid gewichtige uitkomsten te verkrijgen. Zij geven zich over aan de hoop, dat zij de wereld spoedig in orde gebracht en alle maatschappelijke en godsdienstige vraagstukken door hunne toenemende wijsheid eervol opgelost zullen hebben. Zij gelooven vroo-lijk, dat over korten tijd al het verkeerde verwijderd en al de ellende, waaronder de groote menigte lijdt, geëindigd zal zijn, alles door steeds verbeterde opvoeding, kennis, beschaving, vrijheid en wetgeving naar den geest des volks. Zij bedoelen het goed en willen het meestal van harte. Maar hunne hoop rust op een onvasten grond. Hunne wereldbeschouwing is verkeerd. De eenige wedergeboorte der wereld, waarvan de Schrift spreekt, is van anderen aard en komt op eene andere wijze. Alle philanthropische pogingen, die Gods Woord verdraaien en trachten het in overeenstemming te brengen met menschelijke wenschen, met het vertrouwen op de verbeteringen, werkzaamheden en uitvindingen der menschen, zullen schipbreuk lijden. Het is deze handelwijze, die aan de wereld een' heiland geeft, die niet de Christus is, maar de Antichrist. De menschen keuren haar goed en wijden zich aan haar als den waren geest des Evangelies. Maar zij is de bcoze geest van onzen tijd, waardoor Satan, als hij kon. zelfs de

ocr page 283

261 •lt;-

uitverkorenen zou bedriegen. Ver van de verwachte zegepraal van het goede te brengen, zal hij zich i n één groot hoofd vertoonen en dit tot zijn' verdediger verkiezen, drt den Christus verdringt en al de anarchie en wanorde der hel op aarde brengt. Het is de geest, die zichzelvcn wil verlossen, die zich met des Heilands naam noemt, en zich des Heilands rechten aanmatigt, terwijl hij inderdaad Hem en Zijne wederkomst verwerpt en de menschen door de voorspiegeling van een paradijs op aarde in een hopeloos verderf stort. Het is de groote val, waarin hij deze wereld wil lokken, en dit zal hem gelukken tot aan haren ondergang. Het is de laatste groote verzoeking, die het volk Gods ondervindt, waardoor duizenden en duizenden voor eeuwig schipbreuk lijden. Dit is de Antichrist, van wien gij hebt gehoord, dat hij zal komen 1 Moge de Heer ons voor Zijne listen bewaren!

ocr page 284

HOOFDSTUK XIV.

De laatste Tijd, of het Einde der Dagen. Daniël 12 : 1—13.

Verkeerde begrippen aangaande het verbergen en verzegelen dezer gezicht r. — De ware bedoeling des engels. — De tijd van den Antichrist, een tijd van voorbeeld looze ellende. — D Joden ondtr hem. — Duur rijner rege rint . — Optreden van Michad. — Wat dit b t ekent. — Het einde van »de lijden der heidenen.c — Em tijd van gezegende opstandingen. — Het rijk dt-s doods. — Verwoesting van hetzelve. — De eeuwige belooningen. — Voorwaarden, waarvan zij afhangen.

Wij naderen nu het einde van dit wondervolle boek, Een grootsch panorama van wereldrijken, omwentelingen, verdrukkingen, bevrijdingen, misdaden, straffen en bijzondere inmenging van Hemel en hel, — eene voorstelling van al de groote geheimenissen der voorzienigheid van Jehova in alle tijden, — is aan ons voorbijgegaan, en nu komen wij aan de laatste gebeurtenissen, aan den laatsten tijd, aan de groote voltooiing van het geheel.

Bij elk voornaam keerpunt in den voortgang der profetie hebben wij een vluchtigen blik op het einde geslagen. Want bij Gods daden ziet men bij het begin reeds op het einde, daar alles wat voorafgaat, tot het einde leidt. Maar nu zal onze aandacht geheel cp deze voleinding zelve worden gevestigd.

Ongelukkig staat dit hoofdstuk niet in zeer nauw verband met hetgeen daaraan onmiddellijk voorafgaat, daar het niet zoozeer eene voortzetting der woorden van denzelfden bode is, dan de uitvoering en verwezen-

ocr page 285

~gt;i 263 ^

lijking van hetzelfde onderwerp. De tegenwoordige verdeeling van den Bijbel in hoofdstukken en verzen is grootendeels het werk van latere uitgevers, niet van de door God bestuurde schrijvers, en dikwijls is daaruit verwarring ontstaan. Dit gedeel e moest liever met het einde van het derde vers beginnen, en niet hier. De eerste verzen van dit laatste hoofdstuk brengen het daaropvolgende in te nauw verband met hetgeen in het laatste gedeelte van het vorige hoofdstuk wordt verhaald. Daar hoorden wij van de toekomst van den Antichrist, en wat wij hier aantreffen, behoort alles tot den tijd zijner verschijning.

Velen meenen, dat het den mensch niet gegeven is, deze profetieën te verstaan. In het achtste hoofdstuk (vs. 26) beval de engel aan den profeet „om het gezicht toe te sluiten,quot; daar hij wist, dat het voor een' tijd was bestemd, die nog in de verre toekomst lag. Evenzoo zegt de engel in liet vierde vers van dit laatste hoofdstuk, nadat hij zijne aankondiging der toekomende dingen heeft geéindigd: „En gij, Daniël! sluit deze woorden toe en verzegel dit boek tot den tijd van het eindequot;, en nog eens in vers 9; „Deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde. Daardoor is men op de gedachte gekomen, dat de profeet de aan hem geopenbaarde dingen voor zich moest behouden en ze tot aan den tijd der vervulling voor aller menschen oogen moest verbergen. Maar terwijl een volmaakt verstaan van deze profetieën niet vóór hare vervulling kan worden bereikt, is de beteekenis van deze opdracht juist het tegendeel van hetgeen velen daaronder verstaan. Als het bevel zoo had geluid, dat deze dingen onbekend moesten tlijven, dan zou het onbegrijpelijk zijn, waartoe de geheele mededeeling noodig was. Ook bestaat er eene verklaring van dit toesluiten en

ocr page 286

^ 264 lt;-

verzegelen, die in plaats van de kennis der profetie te verhinderen, alleen haar moest bewaren, opdat de men-schen over hare beteekenis nadenken, en zoo hunne kennis en geloof er door vergrooten zouden. Want dit is de ware zin van de woorden: „Velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.quot; Wanneer het toesluiten en verzegelen der profetie bestond in haar te verbergen voor de oogen der men-schen, dan zou dit toenemen der wetenschap juist door de profetie, eene onmogelijkheid zijn. Wij moeten daarom naar eene andere beteekenis van dit toesluiten en verzegelen zoeken, die beter bij de omstandigheden van dit bericht past. Gelukkig bemerken wij, datjesaja (8 : 16) eene dergelijke uitdrukking gebruikt, waarvrm de zin juist het tegendeel van verbergen of verduisteren is. Daar zegt God; „Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder Mijne leerlingen.quot; Maar de volgende verzen bewijzen, dat dit toebinden en verzegelen de bekrachtiging was van de getuigenis en de wet van God, als de eenige ware zijde, vanwaar de menschen wijsheid konden ontvangen, gelijk ook gezegd wordt: „Tot de wet en tot de getuigenis! zoo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn dat zij geen' dageraad zullen hebben.quot; (vs. 20.) Het toesluiten en verzegelen van wet en getuigenis was niet om die onverstaanbaar te mak;n, maar de bevestiging van hunne ware bedoeling, beteekenis en waarde als vaststaand bewijs der gerechtigheid en ware wetenschap.

Van dien aard was ook het toesluiten en verzegelen, dat de engel aan Daniël opdroeg. Omdat het waarheid was en van God kwam. moest het oplettend bewaard, nauwkeurig weergegeven, als een echt woord uit den hemel voor alle tijden opgeteekend worden, opdat de menschen het later konden raadplegen en onderzoeken

ocr page 287

265

en daardoor in de kennis der goddelijke plannen en voornemens opwassen. De beteekenis der woorden van den engel was dat de geheele zaak nu volkomen bevestigd en waar, boven alle verandering verheven was, en dienovereenkomstig moest worden behandeld. Juist zooals gewichtige staatsstukken, die de nakomelingschap moeten leiden en onderwijzen, zorgvuldig en ongeschonden bewaard worden. Aldus moest Daniël de woorden van dit boek toesluiten en verzegelen. Het was niet de bedoeling, dat niemand ze mocht verstaan, maar dat wij ze in hunne volle kracht zouden bezitten, verzekerd van hunnen goddelijken inhoud, en daarin de ware kennis van de openbaringen Gods zouden vinden. Aan Daniël werd opgedragen, het boek toe te'3 sluiten en te verzegelen, dat er niets bijgevoegd of uitgelaten kon worden, dat het in geenerlei opzicht veranderd werd maar voor alle tijden heilig en onaantastbaar bleef, als eene echte openbaring van God. De menschen moesten deze door en door onderzoeken en daardoor steeds meer de oogmerken van den Almachtige leeren kennen. „De verborgen dingen zijn voor den Heer, onzen God,quot; en wij mogen ons niet vermeten daarin door te dringen, „maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.quot; (Deut. 29 : 29.)

Niemand late zich derhalve verleiden om tegelooven, dat hetgeen wij door juiste redeneering uit deze profetieën hebben opgemaakt, slechts ijdele menschelijke hersenschimmen zijn en niet de waarachtige openbaring van den Heef. Voor ons staat er te veel op het speL dan dat wij niet gretig zouden luisteren naar hetgeen Jehova in Zijne genade tot onze onderwijzing heeft gegeven. Ook is de wereld niet zoo rijk aan licht en gidsen, dat wij ons kunnen behelpen zonder hetgeen

ocr page 288

—gt;■ 266 Ks-

ons zoo duidelijk door den Almachtige gezonden is.

I. Gaan wij nu over tot ons eigenlijk onderwerp, dan zien wij allereerst, dat de tijd van den Antichrist een tijd van ongehoorde ellende z.il zijn. Wij lezen in den lekst: „Als het een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dien tijd toe.quot;

Jeremia zegt ervan: „Die dag is zoo groot, dat zijns gelijke niet geweest is ■, en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.quot; (Jer. 30 : 7.)

De Heiland spreekt ervan, waar Hij zegt: „Want alsdan zal groote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.quot; Matth. 24 : 21.)

Deze verdrukking zal alle dan op aarde levende men-schen meer of minder treffen, maar de mededeeling betreft ook neg uitsluitend het volk van den profeet, het zaad Abrahams, welks lot de engel, zooals hij gezegd heeft, (10 : 14) komt bekend maken. Daarom zegt Jeremia uitdrukkelijk: „een tijd van benauwdheid voor Jakob.quot; Het voornaamste tooneel der verdrukking is „de heilige stad,quot; dat is Jerusalem. De Antichrist komt in het „beloofde land,quot; plant de tenten van zijn paleis tusschen de zeeën aan den „heiligen berg,quot; neemt het gedurig offer weg en richt den gruwel der verwoesting in een gedeelte van den tempel op. Dit alles wijst op Palestina als het middelpunt der verdrukking.

Maar het veronderstelt ook, dat het Joodsche volk daar dan weder zal gevestigd zijn, met zijn' tempel en eeredienst. Dit is eene zaak, die door velen wordt betwijfeld, maar de heilige profetie spreekt er zoo duidelijk over als maar eenigszins mogelijk is. Dit geslacht van zwervelingen, dat nu achttienhonderd jaren onder

ocr page 289

-3* 267 ^

andere volken verstrooid en verdreven bestaat, leeft nog even krachtig als toen Aaron zijn hoogepriester of David zijn koning was. Het heeft in geen enkel land eene blijvende woonplaats, en overal wordt in de Schrift gezegd, dat het voor Palestina, en Palestina voor het volk bestemd blijft. Vooral gedurende de eerste drie en een half jaar der regeering van den Antichrist zal deze terugkeer en herstelling van de Joden en hun vroe-geren eeredienst plaats hebben. Zeven jaren zal de Antichrist regeeren, het laatste zevental van de zeventig zeventallen, die voor Daniels volk en de heilige stad zijn bestemd. Dit tijdvak begint met het sluiten van een plechtig verbond tusschen hem en velen der Joden (zie Dan. 10 : 27) — een vriendschapsverbond om elkander wederkeerig bij te staan en te beschermen, — een verbond waarbij het Joodsche volk zich bereid verklaart, hem als zijn' machtigen beschermer, koning en messias te erkennen, opdat het woord des Heeren worde vervuld: „Ik ben gekomen in den naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan; zoo een ander komt in zijn' eigen naam, dien zult gij aannemen.quot; (Joh. 5 : 43.) Op grond van dit verbond zullen de Joden terug-keeren, hunnen tempel weder opbouwen en de oude instellingen weder invoeren, die zoolang stilgestaan hadden. Deze eerste drie en etn half jaar van den Antichrist of den valschen messias zullen derhalve zeer voorspoedig voor de Joden zijn, ten minste uit een wereldsch oogpunt beschouwd. In grooten getale zullen zij met hunne bezittingen en hunnen ondernemingsgeest vol geestdrift naar het land hunner vaderen en hunne heilige stad optrekken. Met nooit gezienen spoed zullen de grootste hervormingen in Palestina en in Jerusalem tot stand komen. Wanneer men let op de hulpmiddelen van onzen tijd en op de veelomvattende hulpbronnen

ocr page 290

268 -lt;-

van dit volk, kan men gemakkelijk inzien, dat wanneer hunne leidslieden zullen aankondigen, dat de Messias is gekomen met groote kracht, macht en teekenen, in weinige jaren de stad Davids het middelpunt van verkeer, welvaart en invloed der geheele wereld zal worden. En het woord van den profeet verzekert uitdrukkelijk, dat het zoo zal zijn.

Maar de aangebeden herder van dit verleide volk zal spoedig blijken de wreede verwoester te zijn, door wien het in grooter ellende komt, dan het nog ooit heeft ondervonden. Als Messias aangenomen, zal hij beweren God te zijn, hij zal den dienst van Jehova afschaffen, hoewel hij geholpen heeft, hem te herstellen. Hij zal den tempel in b'jsiag nemen voor de aanbidding van zijn eigen beeltenis. Landen zal hij veroveren om ze aan zijne ongeloovige aanhangers te geven als belooning dat zij zijnen God Maiizzim erkehd hebben, hij zal niemand veroorloven te regeeren, eigendom te bezitten, te koopen of te verkoopen, behalve degenen, die zich aan hand en voorhoofd met het merkteeken van zijne helsche godheid laten branden.

Zij, die zich hebben laten verleiden, hem als hun Heiland aan te nemen, zullen aan het eind van de eerste drie en een half jaar van dit verbond met de hel en den dood, volkomen hulpeloos overgegeven zijn in de handen van den afschuwelijksten dwingeland, die er ooit is geweest. Zij moeten vrijwillige en openlijk geteekende aanbidders van den duivel worden, of zij verliezen eiken duimbreed grond, die hun toebehoort, elk ambt, dat zij bekleeden, alles wat zij tot hun levensonderhoud noodig hebben, alle bescherming van hetgeen hun dierbaar is, alle bezitting, die de willekeur hun kan ontnemen, het leven zelfs, tenzij zij zich verbergen in de woestijnen en eebereten en het niet wagen een der uitverkorenen

o O i-gt;

ocr page 291

269 ;lt;$-

van de duivelsche macht, die dan zal regeeren, onder de oogen te komen. Deze toestand zal niet slechts eenige dagen, weken of maanden duren, maar ten volle drie en een half jaar. Op niet minder dan zes verschillende plaatsen en op bijne evenveel verschillende wijzen is dit in de profetieën van het Oude en het Nieuwe Testament verkondigd. Het is voor een' tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds. (Dan. 7 : 25.) Het zal „een' bestemden tijd, bestemde tijden en eene helft duren.quot; (Dan. 12 : 7.) „en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden.quot; (Openb. 11 : 2.) „De vrouw vluchtte in de woestijn, duizend tweehonderd zestig dagenquot; — „eenen tijd, en tijden, en een' halven tijd.quot; (Openb. 12 : 6, 14.) — „en aan hetzelve werd macht gegeven om zulks te doen twee en veertig maanden/' (Openb. 13 ; 5.) Al deze plaatsen hebben betrekking op een en hetzelfde tijdperk van verdrukking en ellende onder den Antichrist en in ieder voorbeeld is drie en een half jaar de aangewezen tijd, die wordt gerekend van het verbreken van liet verbond en het wegnemen van het gedurig offer tot aan den val van het monster door de wederkomst van Jezus Christus. Onze Heer verrichtte Zijn verlossingswerk op aarde gedurende drie en een half jaar, en de Antichrist zal zijn satanisch bedrijf gedurende een even langen tijd uitfoenen.

De uitwerking van al deze bittere ondervindingen wordt ook door den engel verkondigd. Het is de oude geschiedenis. De menschelijke natuur blijft dezelfde, in welken tijd of onder welke regeering wij ook leven. De menschen denken, wanneer er dit of dat gebeurde, zou de waarheid zich van aller harten meester maken, en niemand zou zoo slecht zijn, zich tegen haar te verzetten. Maar dit is slechts een droombeeld. „Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zoo zullen zij ook,

ocr page 292

-amp;■! 270 ré-

al ware het, dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen.quot; In alle tijden en gedurende bijzondere plagen worden wel aan velen de oogen geopend,, dat zij hunne harten tot den Heer mogen wenden. Maar de groote menigte blijft blind en onbekeerd. Zoo zal het ook gedurende de groote benauwdheid zijn. Velen zullen gereinigd en gelouterd en als ware kinderen Gods erkend worden. De nood wordt gezonden om het geloof op de proef te stellen en aan het licht te brengen. Het goud wordt in de smeltkroes gezuiverd en gelouterd. Maar de groote menigte der menschen wordt door den nood niet bekeerd. Wij zien in onzen eigen tijd wat die uitwerkt. Ieder klaagt over den slechten toestand der zaken, en der tijdsomstandigheden in het algemeen. Wij worden onophoudelijk met klachten lastig gevallen. Allerlei nooden en kwalen nemen toe. Maar hebben de menschen zich gebeterd? Leven zij niet, zooals zij altijd hebben geleefd ? Is de menigte niet veeleer slechter geworden ? Ziet de plaatsen van openbare vermakelijkheden! Worden zij niet meer dan ooit bezocht? Beschouwt op een' Zondag onze wandelingen en uitspanningsplaatsen, en ziet, hoe de dag des Heeren door alle standen wordt ontheiligd. Zelfs belijders van het Christendom hebben, ofschoon zij niets voor de zaak van Christus kunnen missen, rijkelijk genoeg om hunne zinnen en hunne ijdelheid te streelen en zijn verkwistender en gevveten-loozer in de bevrediging hunner wenschen, naarmate de tijden moeilijker worden. De groote menigte verhardt in de boosheid, in plaats van zich berouwvol te vernederen. Zoo zal het ook zijn, wanneer de groote benauwdheid, de nood van het oordeel Gods komt. „De goddeloozen zullen goddelooslijk handelen,quot; en zullen nog slechter en lichtzinniger zijn en hunne oogen, ooren en harten nog meer voor de waarheid gesloten

ocr page 293

-gt;: 271

houden. Zij zullen „het niet verstaanquot;, daar zij te veel op hebben met zichzelven en hunne verkeerde wegen, om voor beter leering vatbaar te zijn. Zij trotseeren liever de eeuwige straffen, dan dat zij afstand doen van de geringste zonde, totdat de groote verschrikking van den toorn des Almachtigen hen voor immer aangrijpt. Hier verlaten wij dezen tijd der benauwdheid.

2. De tijd van den Antichrist is de tijd, dat Michael, de groote vorst, die voor de kinderen van het volk des profeten staat, ter hunner verdediging zal opstaan. Velen denken, dat hij de Heer Jezus zelve is. Is dat het geval, dan kan de heerlijke verschijning waarvan de profeet in hoofdstuk IO verhaalt, niet de Zoon Gods zijn. Maar dit zijn vragen, die wij niet behoeven te beantwoorden. Michael is een der machtige engel-vorsten, die in de wereld het Godsbestuur ten dienste staan. Hij is een der eersten dezer heilige machten. Judas noemt hem „den aartsengel.quot; Johannes zag hem in den grooten strijd met den draak, toen hij de engelen aanvoerde. Hij is klaarblijkelijk een der verhevenste hemelsche wezens, misschien de hoogste na de eeuwige Godheid. Aan hem is vooral opgedragen de leiding der omstandigheden die in betrekking staan tot het Joodsche volk, van het begin tot aan het einde. Vandaar het verhaal van zijn' twist met den duivel over het lichaam van Mozes, terwijl hij hier in de laatste dagen verschijnt als de groote vorst, die opstaat voor de kinderen van het volk des profeten, in het bijzonder voor degenen, die het geloof en den geest van den profeet zijn getrouw gebleven, en niet slechts uit Israel, maar het ware Israel zijn.

Dit optreden van Michael heeft bij verschillende gelegenheden plaats, die hier niet zijn vermeld. Op andere plaatsen, vooral in de Openbaring van Johannes, worden zij beschreven. Daar lezen wij in dien belangrijken tijd

ocr page 294

van een' engel, opkomende van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods, waarmede hij honderd vier en veertig duizend uit de geslachten der kinderen Israels verzegelde. (Openb. 7.) Deze waren voortaan vrijgesteld van de plagen, waarmede de van God afvallige menschenkinderen zouden worden bezocht. (Openb. 9 : 4.) Verder lezen wij van bijzondere hemel-sche betrekkingen, van getuigenis geven, en het meten van den tempel Gods en het altaar en degenen die daarin aanbidden. (Openb. 10 : li, 12 : i, 2.) Tot dezelfde soort van openbaringen behooren de profetische loopbaan en daden der twee getuigen, die voor drie en een half jaar proleteeren. In een ander werk heb ik twee hemelsche persoonlijkheden bekend gemaakt, Elia en Henoch, zooals zij door de eerste gemeente werden verstaan, die dan alleen van alle aardbewoners in staat zullen zijn, om den afschuwelijken Antichrist te bestrijden. (Zie Openb. 11 : 3—13.) Zoo is er ook eene bepaalde goddelijke openbaring voor degenen, die in de woestijn moeten vluchten, omdat zij het beeld niet willen aanbidden of zijn merkteeken aannemen. God heeft eene plaats voor hen beschikt en zorgt ook in hunne afzondering op wonderbare wijze voor hen, tot de verwoester zijn einde bereikt. Tegelijk worden anderen, die door deze vreeselijke benauwdheid gelouterd en gereinigd zijn, aan God toegewijd. Ook de krijg tegen Satan, waarin hij uit den hemel geworpen wordt. (Open. 12 ; 7 —13.) Maar vooral de vervulling van hetgeen den profeet in het eerste gezicht werd getoond. (Dan. 7 : 9 —12), — namelijk het begin van het oordeel, het openen der boeken, en het overgeven van het dier aan de vernielende vlammen, dat alles en nog veel meer is voor de kinderen van het volk des profeten verbonden aan de verschijning van Michael, of staat in onmiddellijke

ocr page 295

273 *lt;-

betrekking tot zijn optreden. Naar het woord des engels zal dan ieder, wiens naam in het boek des levens gevonden wordt, verlost worden. Dat is de eenvoudige samenhang der toekomende gebeurtenissen, bij welker uitvoerige mededeeling al deze bijzonderheden eene plaats vinden.

Het is daarom eene volkomen door de Schrift bekrachtigde waarheid, dat Gods plannen met het Joodsche volk nog niet zijn geëindigd. Zoo lang de tegei woordige tijd der genade duurt, is het voorzeker in een' staat van onterving. Wij beleven nu „de tijden der heidenen.quot; De Jood heeft nu geene voorrechten meer of minder dan andere menschen. Wil hij zijne zonden betreuren, zijne dwaling en zijne eigengerechtigheid opgeven om te gelooven in den Heer Jezus Christus, den eenigen Heiland der menschen, dan kan hij evenals ieder sterveling zalig worden. Maar hij heeft geen ander recht en geenerlei voorrecht boven de heidenen, op wie hij met zooveel spot en minachting nederziet. Maar wanneer „de tijden der heidenen vervuld zijn,quot; en de tegenwoordige tijd dt r genade afgeloopen is, dan zal hij om zijner vaderen wille weder vooraan staan. Michaël, de aartsengel zal voor hem optreden. Wie van zijn bloed en geslacht zal gevonden worden in het boek van Jehova te staan, zal eene verlossing deelachtig worden, die nooit meer verbeurd kan worden. Want „zoo zegt de Heere Heere; zie ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land, en Ik zal ze maken tot een eenig volk in het land, op de bergen Israels, en zij zullen allen te zamen eenen eenigen koning tot koning hebben; en zij zullen niet rreer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee konink rijken verdeeld zijn. En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hunne afgoden en hunne verfoeiselen

Goddelijke Stemmen. 18.

ocr page 296

274 lt;-

en met al hunne overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hunne woonplaatsen in welke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zoo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een' God zijn. En Mijn knecht David zal koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen éénen herder hebben; en zij zullen in Mijne rechten wandelen, en Mijne inzittingen bewaren en die doen. En zij zullen wonen in het land dat Ik Mijnen knecht Jakob gegeven heb, waarin uwe vaders gewoond hebben ; ja daarin zulhn zij wonen, zij en hunne kinderen, en hunne kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David zal hunlieder vorst zijn tot in eeuwigheid. En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn ; en Ik zal ze inzetten, en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn 'heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hur. tot een' God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de heidenen zullen weten dat Ik de Heer ben, die Israel heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.quot; (Ezech. 37 : 21—28.)

Een geweldige stroom van ellende en oordeelen, tranen, zonden en bestraffingen scheidt Israel nog van dat land van vrede en heerlijkheid. Dit volk heeft bij God eene schuld wegens hunne goddeloosheden, die eerst door hen erkend en tot het laatste toe afbetaald moet worden. „Sion zal met gerichten verlost worden, en die van haar terugkeeren, met rechtvaardige bezoekingen.quot;

God zal hen in den smeltkroes reinigen en louteren als zilver, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver: dan zullen zij den Heer spijsoffer toebrengen in gerechtigheid. Door het vuur eener ongehoorde verdrukking zal Hij. ze van alle slakken bevrijden, en het tin uit hen verwij-

ocr page 297

-3H 275

deren, opdat Hij hun richters en raadslieden gelijk in den beginne geve en alles volkomen vervuld worde, wat de engel gezegd heeft, namelijk, dat de zeventigmaal zeven over dit volk bestemd zijn. (Dan. 9 : 24.) Dertig, of op zijn hoogst vijfenzeventig dagen na den val van den Antichrist zal al deze zegen bereikt en de voleindiging voor Israel gekomen zijn.

3. Ziet nu in de derde plaats, hoe de tijd van den Antichrist ook een tijd van gezegende opstandingen zal zijn. Men heeft meermalen beweerd, dat het oude volk Gods weinig of niets van de opstanding des vleesches wist, maar di; is eene groote dwaling. Paulus zegt, dat de Joden in zijn' tijd eene opstanding der dooden, beiden rechtvaardigen en onrechtvaardigen, erkenden. Hij verklaarde voor Agrippa, dat dit de groote, nooit uit-gebluschte hoop van alle godsdienstigen uit de twaalf stammen Israels geweest is, om tot de opstanding der rechtvaardigen te komen. Hij verzekert ook, dat sommigen, die in vroegere eeuwen om hun geloof werden vervolgd, den marteldood weigerden te ontgaan opdat zij „eene betere opstanding deelachtig mochten worden.quot; In het geheele Oude Testament vinden wij talrijke en duidelijke aanwijzingen. over de opstanding dergenen, die in de macht van dood en graf zijn geraakt. En hier vernemen wij de stem uit Babylon, die door den engel Gods aan Daniël den profeet verklaart, dat in hetzelfde tijdperk waarin de Antichrist zal worden geopenbaard „velen van hen die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken.quot; Het is niet eene zinnebeeldige op standing, waarvan gesproken wordt, want zij is „ten eeuwigen leven.quot; Het is geene geestelijke opstanding, maar eene opstanding der lichamen, want geesten slapen niet in het stof der aarde. Het is geene algemeene opstanding van allen, maar van enkele uitverkorenen.

ocr page 298

-gt;• 276 •lt;-

want er wordt slechts gezegd „velen,quot; — velen van die, — hetgeen anderen uitsluit, van wie dit niet wordt gezegd. Deze „velenquot; zijn, gelijk Rabbi Saadiah zegt, «enige weinigen, een betrekkelijk klein getal, zooals wanneer gezegd wordt: „velen brachten gavenquot;, velen ^uit de inwoners des lands werden Joden,quot; „velen zullen om de gunst des vorsten smeeken.quot; De plaats schijnt te beteekenen, dat alle dooden eens in een of anderen vorm weder zul'en opstaan, maaiquot; dat eerst een deel van hen, die in de aarde slapen, zal ontwaken. Zoo spreekt ■de Openbaring van eene „eerste opstanding,quot; namelijk dergenen, die priesters van God en Christus zijn en over welke de tweede dood geene macht heefl, terwijl „de overige der dooden niet weder levend worden, totdat de duizend jrren geëindigd zijn.quot; Daarom vertalen velen der beste geleerden dit vers alzoo: „en velen van hen, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, deze (de velen die ontwaken,) ten eeuwigen leven, en gene (de overige slapenden die eerst op een anderen tijd ontwaken,) tot versmaadheden en tot eeuwige afgrij-zing.quot; Dit kan waar zijn of niet. De woorden wijzen op eene lichamelijke opstanding van velen, die in het stof der aarde slapen, voor wie dit ontwaken eene groote en gezegende onderscheiding is. Wanneer het al niet in den tijd vóór de opstanding der goddeloozen komt, waarvan ik wel overtuigd ben, is het daarvan toch in de wijze onderscheiden. Het is namelijk eene opstanding ten eeuwigen leven, terwijl de andere tot eeuwige versmaadheid en rampzaligheid is.

Groot en verschrikkelijk is de heerschappij van den dood! Wie is in staat om te doorgronden al den rouw en de smart, vrees en stervensangst, tranenstroomen en gebroken harten, bedrogen verwachtingen en verstoorde plannen, sprakeloos lijden en gekrenkt verstand, eenzame

ocr page 299

^gt;- 277

woningen en bloedende harten, somberheid, ellende en duisternis, die zich bij het ontzettende woord — Dood aan ons opdringen ?

Overal en in alles is de dood - de onverwinnelijke^ duistere, alles gelijk makende dood. Zijne onderdanen rusten in den bodem van alle werelddeelen en liggen opgehoopt in de verborgen diepten van alle zeëen. Bijna 200 geslachten zijn met al hunne macht onder zijne sombere heerschappij gekoaien, zonder één enkel lid achter te laten. Elke klokslag, gedurende alle uren, en dagen en nachten en weken en maanden en jaren zonder ophouden, is de doodsklok van ontelbare stervelingen, die van hunne vrienden en uit hunne huizen worden weggerukt naar de stille wereld van degenen, die in het stof der aarde slapen.

Maar deze slapende menigte zal niet altijd slapen. Er zal nog een bazuingeschal weerklinken, waarvoor zelfs de dood nedervallen en al zijne banden losmaken zal. Grafgewelven en rotskloven, ofschoon vóór eeuwen verzegeld en aan de levenden onbekend, alle diepe voren in den „Godsakker,quot; en alle verborgen plaatsen, waar liefhebbende handen hunne dooden hebben gelegd, zullen zich openen en hunne bewoners vrijlaten. Alle sombere grafdeuren zul'en uit hunne hengsels gelicht worden en allen die daarin zijn, geroepen worden om voor altijd het verderf en de vochtigheid van dat donkere rijk te verlaten. Want dit zegt de apostel P.iulus: „Do'-h broeders ! ik wil niet dat gij onwetende zijt aangaande degenen die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk de anderen die geen hoop hebben. Want indien wij gelooven dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzoo zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus, weder-

brengen met Hem.......Want de Heere zelf zal

met een geroep, met de stem des aartsengels, en met de

ocr page 300

-gt;• 278

bazuim Gods nederdalen van den hemel, en die in Christus gestorven zijn zullen eerst opstaan ; daarna wij die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heer te gemoet, in de lucht; en alzoo zullen wij altijd met den Heer wezen. Zoo dan, vertroost elkander met deze woorden.quot; (i Thess. 4 : 13 —18.)

Het groote ontwaken en de verheerlijking der heiligen zal zelfs aanvangen eer de Antichrist de gruwelen zal plegen, die de groote benauwdheid veroorzaken. Velen zullen, omdat zij niet waken en bereid zijn, met de goddeloozen en ongeloovigen lang op de aarde moeten blijven en iets van den nood der verdrukking ondervinden, tot zij hunne gebreken genezen en hunne met het aardsche bevlekte kleederen hebben wit gemaakt in het bloed des Lams. (Openb. 7 ; 9-—17.) Maar er zijn eenigen, wien de Heer beloofd heeft: „Omdat gij het wcord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de geheele wereld komen zal.quot; (Openb. 3 : 10.) Toen hij nog op aarde was, gaf Hij het gebod met 'de belofte: „Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des menschen.quot; (Luk. 21 : 36.) Wat de openbaring van den Antichrist belemmert, is de tegenwoordigheid der gemeente van Christus, in welke de kracht des Heiligen Geestes is. Om harentwil en om hare gebeden te verhooren, houdt de voorzienigheid van Jehova de macht van Satan en de woede der goddeloozen in toom. Eerst wanneer deze verwijderd is, „zal de ongerechtige geopenbaard worden.quot; (2 Thess. 2 : 7, 8.) Vragen wij hoe deze verwijdering zal geschieden, dan geeft de Heer zelf ons het antwoord: „In dien nacht zullen twee op één bed

ocr page 301

279 »lt;-

zijn, de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. Twee vrouwen zullen te zamen malen; de eene zal aangenomen en de andere zal verlaten worden. Twee zullen op den akker zijn; de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden.quot; En als de jongeren vraagden waarheen deze zouden gaan, luidde het antwoord: „Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden dat is, zij gaan tot Christus, met Wiens lichaam de heiligen gevoed worden, en Die dan in den hemel zal zijn, waar, gelijk Paulus zegt, de heiligen Hem te gemoet zullen gaan. (Luk. 17 : 34—37.)

4. Ten vierde zien wij, dat dan de menschen hun eeuwig loon zullen ontvangen. Het woord van den engel luidt: „De leeraars nu zullen blinken als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwig.quot; Wij bevinden ons nu slechts in den voorhof van ons leven. Er is een ander en eeuwig leven, waartoe het leidt. Dit leven is niet louter een leven van den geest, maar een opstandingsleven, een leven, dat volgt op den slaap in het stof der aarde. Het wederopstaan van onze doode lichamen of eene groote omkeering, die daarmede gelijkstaat, moet eerst plaats hebben, eer de kinderen Gods in de heerlijkheid ingaan. Daniel moest zijn' weg gaan naar den gewonen gang van menschelijke plichten en ondervindingen, en vreedzaam in zijn graf rusten tot „het einde' zou komen en eerst „in het einde der dagenquot; zou hij opstaan; hij zou verhoogd worden en zich verblijden in zijn lot. Zoo schreef Paulus op het einde zijner loopbaan aan zijn' zoon Timotheus: „Want ik word nu tot een plengoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden, voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid.

ocr page 302

bazuim Gods nederdalen van den hemel, en die in Christus gestorven zijn zullen eerst opstaan; daarna wij die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heer te gemoet, in de lucht; en alzoo zullen wij altijd met den Heer wezen. Zoo dan, vertroost elkander met deze woorden.quot; (i Thess. 4 : 13 —18.)

Het groote ontwaken en de verheerlijking der heiligen zal zelfs aanvangen eer de Antichrist de gruwelen zal plegen, die de groote benauwdheid veroorzaken. Velen zullen, omdat zij niet waken en bereid zijn, met de goddeloozen en ongeloovigen lang op de aarde moeten blijven en iets van den nood der verdrukking ondervinden, tot zij hunne gebreken genezen en hunne met het aardsche bevlekte kleederen hebben wit gemaakt in het bloed des Lams. (Openb. 7 : 9—17.) Maar er zijn eenigen, wien de Heer beloofd heeft: „Omdat gij het wcord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de geheele wereld komen zal.quot; (Openb. 3 : 10.) Toen hij nog op aarde was, gaf Hij het gebod met quot;de belofte: „Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des menschen.quot; (Luk. 21 : 36.) Wat de openbaring van den Antichrist belemmert, is de tegenwoordigheid der gemeente van Christus, in welke de kracht des Heiligen Geestes is. Om harentwil en om hare gebeden te verhooren, houdt de voorzienigheid van Jehova de macht van Satan en de woede der goddeloozen in toom. Eerst wanneer deze verwijderd is, „zal de ongerechtige geopenbaard worden.quot; (2 Thess. 2 : 7, 8,) Vragen wij hoe deze verwijdering zal geschieden, dan geeft de Heer zelf ons het antwoord: „In dien nacht zullen twee op één bed

ocr page 303

-gt;! 279 i-s-

zijn, de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. Twee vrouwen zullen te zamen malen; de eene zal aangenomen en de andere zal verlaten worden. Twee zullen op den akker zijn; de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden.quot; En als de jongeren vraagden waarheen deze zouden gaan, luidde het antwoord : „Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd wordendat is, zij gaan tot Christus, met Wiens lichaam de heiligen gevoed worden, en Die dan in den hemel zal zijn, waar, gelijk Paulus zegt, de heiligen Hem te gemoet zullen gaan. (Luk. 17 : 34—37.)

4. Ten vierde zien wij, dat dan de menschen hun eeuwig loon zullen ontvangen. Het woord van den engel luidt: „De leeraars nu zullen blinken als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwig.quot; Wij bevinden ons nu slechts in den voorhof van ons leven. Er is een ander en eeuwig leven, waartoe het leidt. Dit leven is niet louter een leven van den geest, maar een opstandingsleven, een leven, dat volgt op den slaap in het stof der aarde. Het wederopstaan van onze doode lichamen of eene groote omkeering, die daarmede gelijkstaat, moet eerst plaats hebben, eer de kinderen Gods in de heerlijkheid ingaan. Daniel moest zijn' weg gaan naar den gewonen gang van menschelijke plichten en ondervindingen, en vreedzaam in zijn graf rusten tot „het einde'' zou komen en eerst „in het einde der dagenquot; zou hij opstaan; hij zou verhoogd worden en zich verblijden in zijn lot. Zoo schreef Paulus op het einde zijner loopbaan aan zijn' zoon Timotheus: „Want ik word nu tot een plengoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden, voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid,

ocr page 304

-s*1 280

welke de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in dien ^ dag geven zal.quot; (2 Tim. 4 : 6—8.)

Het is eene dwaling, dat Christenen wanneer zij sterven, dadelijk hunne belooning ontvangen. De plaats is nog niet voor hen bereid en zal het niet zijn, tot Christus wederkomt in de heerlijkheid van Zijn geopenbaard koninkrijk. En zij zijn ook nog niet voor dit loon bereid. De zielen der afgestorven heiligen zijn wel in de rust van het paradijs en in bewuste zaligheid, maar in een lichaamloos bestaan, en daarom niet in de uitoefening van al hunne levenskrachten, waartoe de aanwezigheid van het lichaam noodig is. Daarom is de leer van de opstanding des vleesches van zooveel gewicht bij alle voorstellingen van het christelijk geloof. Alles wacht op „de verlossing onzes lichaams,quot; en alles hangt van haar af. (Rom. 8 : 23.) Deze heeft echter niet plaats tot Christus bereid is om Zijne heerschappij te aanvaarden. Daarom schrijft Petrus aan de vervolgde heiligen: „En als de overste Herder verschenen zal zijn, zoo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.quot; (l Petr. 5 : 4.) Wanneer de heiligen vóór dezen tijd zouden gekroond worden, zou hij het hebben gezegd. Wanneer Christus, ons leven, zal verschijnen, dan zullen wij ook met Hem in heerlijkheid verschijnen. Groot zal dan het deel der getrouwen en oprechten zijn.

Er wordt zeer weinig gezegd van het lot der godde-loozen. Het is niet noodig, dat wij veel van dit onderwerp weten. Gezegend zullen zij zijn, die nooit ondervinden hoe het daar is. Evenwel wordt het ons duidelijk genoeg met een paar woorden gezegd. Zij zullen ook uit hunnen slaap in het stof der aarde ontwaken, maar het zal eene opstanding tot versmaadheid, niet tot heerlijkheid zijn en de gansche eeuwigheid van hun bestaan afgrijzen en verachting. Hoe schitterend en

ocr page 305

verblijdend is daarentegen het beeld, dat ons het lot der vromen en getrouwen vertoont!

Beschouwt dezen helderen blauwen hemel boven ons, die zijn' schoon-jn cirkel om de gansche aarde heeft uitgespannen, voordat de mensch geschapen werd. Hoe schoon is hij des morgens in de schemering, rood getint door de blijdschap des dageraads als hij de dagvorstin begroet! Hoe verheven des middags, wanneer van horizon tot horizon alles licht is, één groote dom, wiens gewelven zich van eeuwigheid tot eeuwigheid schijnen uit te strekken, om de zon tot eene tent te zijn. Hoe rustig en liefelijk bij zonsondergang, eene zee van vloeibaar glas en goud, die den zachten glans harer heerlijkheid aan de aarde mededeelt! Hoe onuitsprekelijk betoove end en plechtig is hij in de middernachtelijke stilte, gelijk aan eene reusachtige stad in de verte, die door duizenden lampen verlicht wordt, en met onsterfelijk vuur schittert! Kan er iets heerlijkers, schooners, verkwikkenders, volmaakters zijn ? Zesduizend jaren heeft hij zoo bestaan. Dikwijls hebben wolken zijn aangezicht bedekt, maar zij hebben het niet gedeerd. Damp, rook en stof zijn telkens en telkens tot hem opgestegen van deze aarde vol strijd en omwentelingen, maar hij is er niet door besmet. Eeuwen zijn over hem heengegaan, maar zij hebben geen rimpel, geen teeken van verval achtergelaten. Stormen en onweersvlagen zijn met hunne woede over hem getrokken, maar zij hebben hem niet verscheurd. Allerlei veranderingen zijn overal in gemaakt, maar hier is alles standvastig gebleven. Hij welft zich heden nog even schoon, even liefelijk en zegenend over ons, als toen God hem geschapen had en „zag dat het goed was.quot; Zoo heerlijk zal het erfdeel der heiligen zijn. „Zij zullen blinken als de glans des uitspansels.quot; Hun vaderland zal daar-

ocr page 306

282 k:-

boven zijn. Zij zullen onveranderlijk, vreedzaam, schoon en volmaakt zijn, als waren zij altijd kinderen des hemels geweest. Hunne zachte, stralende heerlijkheid zal gelijk aan die des hemels de aarde eeuwig met zegen vervullen. Ieder oprecht kind van God is een kind des lichts. Jezus noemt de Zijnen „het licht der wereld.quot; In dit leven wordt hun licht vaak verduisterd. Schaduwen, wolken, bergen en heuvelen belemmeren dikwijls zijn schijnsel, menigmaal ook brandt de vlam flauw, alsof zij op het punt was uit te gaan. Maar deze treurige schemering is de voorbode van den middag, die alle belemmeringen te boven komen en alle schaduwen verdrijven zal, als de glans van hemelsche helderheid zijn' stroom van vredige heerlijkheid altijddurend uitgiet.

Beschouwt nog eens de fonkelende lichten, die als edelgesteenten aan het firmament boven ons schitteren. Hoe schoon is hun licht, en hoe veelvoudig hunne pracht! Wat trekken zij onze oogen tot zich en schijnen in onze harten een overeenkomstigen gloed te ontsteken! Hoe boeien en betooveren zij ons als de kroonjuweelen van het heelal! Zoo hebben zij al deze eeuwen voor het aangezicht van God gestraald. Bloemen verwelken, de regenboog verdwijnt, maar zij verliezen nooit hunne onsterfelijke schoonheid en blijven zoo nieuw en schitte-rend, als toen zij te zamen het groote scheppingslied der wereld zongen. Zij vervolgen hare baan, maar zij houden niet op te schijnen. Geene schokken kunnen ooit de eeuwige rust hunner schoonheid verstoren. Zelfs wanneer „de krachten des hemels bewogen zullen worden,quot; zal hunne reine heerlijkheid ongedeerd, hunne helderheid onverminderd en hun glans eeuwig blijven. En zoo zullen zij, die er velen rechtvaardigen, zelve blinken ,.g elij k de sterren, altoos en eeuwig.quot; De mannen en

ocr page 307

283 Hg-

vrouwen, die in eene duistere wereld het licht van God hebben verspreid, zullen eeuwig bij Hem schijnen. De roem en de heerlijkheid van apostelen en profeten, evangelisten en martelaren, hervormers en belijders en de eer van hen, die, in welke eeuw ook, voor de waarheid Gods standvastig bleven, spraken en leden, zal nooit verminderen, nooit vergaan. Alle wonderbare omkeeringen op den dag des oordeels zullen hunne grootheid slechts vermeerderen en hunne namen des te schitterender maken. Ieder prediker, zendeling, leeraar, ieder werktuig tot redding van gevallenen en verlorenen, zal, wanneer hij op aarde getrouw is geweest, voor eeuwig plaats in den hemel hebben, licht als de sterren, voor altijd ontheven aan alle wisselvalligheden en rampen van den tijd.

Welk eene heerlijkheid, welke onuitsprekelijke waardigheid en eer zullen de nederige, zelfverloochenende leeraars der zaligheid beërven! Door Gods eigen hand in Zijnen hemel te worden geleid ! Als onveranderlijke sterren te schijnen! Als schitterende diamanten, aan Jehova's firmament te fonkelen. Dragers Zijner eeuwige heerlijkheid te zijn! Zijnen glans in de hemelruimte te verspreiden 1 Gods onvergankelijke hemellichten. Zijne sterren altoos en eeuwig te zijnl Welk een erfdeel, dat voor arme, zwakke aardbewoners is weggelegd 1 Hoe gering is hierbij vergeleken, alles waarnaar de menschelijke eerzucht streeft! Hoeveel arbeid, lijden en zelfverloochening is het niet waard! Wat zijn vreugde, gemak, eer, rijkdom en genot in dit korte aardsche leven, wanneer wij het zalige voorrecht hebben, die aan zulk een vooruitzicht op te offeren! Een stukje, een klein deel, een atoom in het firmament des Heeren te zijn, is reeds een zaligheid, die alles waard is. Maar als eene eeuwige ster aan den hemel te schijnen, een edelsteen in het

ocr page 308

-gt;. 284 -lt;-

rijk des lichts te zijn, dat is eene mate van heerlijkheid» waarbij alle andere grootheid niets is!

Het zijn geene harde voorwaarden, waarop men deze hoogten der menschelijke bestemming kan bereiken. Er wordt ware wijsheid toe vereischt.

Het zijn „de leeraarsquot; alleen de leeraars, diealzoo zullen blinken. Veel gaat voor wijsheid door, dat het in werkelijkheid niet is. De menschen noemen hen wijs, die geleerd zijn in natuurwetenschappen, wijsbegeerte, staatkunde, wetgeving, financiën, handel en menschelijke kennis. Wanneer dit alles is, moeten zelfs de wijsten „dwazenquot; worden, opdat zij wijs worden. Wetenschap is geen wijsheid, vooral wanneer het slechts wereldsche wetenschap is. Wetenschap is slechts een middel tot wijsheid, en aan alle denken, alle verlichting, die slechts met aardsch gewin en aardschen vooruitgang bezig zijn, ontbreekt de ware wijsheid. De menschen kunnen veel weten en zelfs Gods werken en wezen kennen, en toch kan hunne ziel in diepe onwetendheid verkeeren. Wijsheid is de wetenschap van het hart, die van God zelf komt. „De vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.quot; Om „wijsquot; te zijn moeten wij de zonde en ons eigen ik laten varen en leeren God boven alles te vreezen, te beminnen en te vertrouwen. Niemand is wijs, die op vergankelijke dingen vertrouwt. Niemand is wijs, die zich niet voor de eeuwigheid bereidt. Niemand is wijs, die den Heer, zijn' Schepper buiten rekening laat, die Zijne wettige plaats en macht in het heelal betwist. Ware wijsheid en eeuwig leven is dit: God en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft, te erkennen. Aan _ deze wijsheid is eeuwige heerlijkheid verbonden. God wil, dat wij deze wijsheid zullen bezitten. Hij heeft het ons gemakkelijk gemaakt om haar te verkrijgen.

ocr page 309

^gt;: 285 'lt;-

Hij heeft gesproken, opdat wij van Hem leeren en Zijn licht aannemen zouden. In de gemeenschap Zijns Gees-tes zullen wij, als Mozes op den berg, als Stephanus in zijne laatste oogenblikken, ja als Christus bij Zijne verheerlijking, in hemelschen glans blinken en stralen van de heerlijkheid, die nooit zal vergaan. Hij wil, dat alle menschen hun gansche hart tot Hem en Zijne verlossende waarheid in Jezus Christus keeren, en zich inspannen om anderen tot Hem te brengen. Hij verlangt, dat allen, die Hij geroepen en verlost heeft, werkzaam zijn om de dwalenden en verlorenen tot hetzelfde licht en dezelfde heiliging te brengen. Waar deze wijsheid en vroomheid is, zal de heerlijkheid, waarvan de engel spreekt, zeker volgen.

Ach ja, mijne vrienden, naar dat wij in deze wereld leven en werken, zal onze eeuwige toekomst zijn. Ons toekomend leven zal goed en zalig of slecht en ongelukkig zijn, naardat ons tegenwoordig leven zich tot de waarheid keert of zich van haar afwendt. Door de richting, die wij aan ons leven geven, bepalen wij onze eeuwige toekomst. Door de daden, die wij hier volbrengen, vormen wij de omtrekken en kenmerken van het lichaam, dat wij in de eeuwigheid zullen dragen. Juist zooals wij onszelven op aarde maken, bereiden wij kiemen voor onze graven, die de opstanding zal veranderen, hetzij in d'ï helderheid van het firmament en de heelijkheid der eeuwige sterren, hetzij in eene afschuwelijke, alle schepselen verschrikkende leelijkheid. Machtige, ontroerende gedachte! Hoe moest zij in onze zielen doordringen en ze wakker schudden 1 Houdt haar bij u, en wanneer gij de onsterfelijke zaligheid wenscht, laat haar dan nooit vergeten worden. God, die deze verbazende wonderen heeft geopenbaard, wilde haar tot eene levende waarheid in ieder hart maken, om ons in alle omstan-

ocr page 310

-gt;- 286

digheden des levens te helpen en te geleiden, opdat wij met Daniël in het einde der dagen onze heerlijke bestemming mogen bereiken!

En nu ten slotte: „Hem Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden heeft gewasschen in Zijn bloed en ons tot koningen en priesters Gode Zijnen Vader gemaakt heeft, Hem zij de eer en de heerschappij tot in eeuwigheid. Amen.quot;

/V

ocr page 311

Bij den Uitgever dezes is mede verschenen :

Üpbanas en zijne Vtnenden.

Door Mrs. E. PRENTISS,

met een woord vooraf van Dr. F. van Gheel Gildemeester. MET 6 PLAATJES.

Prijs ingenaaid f 1.95, gebonden £2.50.

JVIozes, de Gods.

Door Rev. F. B. MEYER°

met een woord vooraf van Dr. A. J. Th. Jonker. Prijs ingenaaid fi.75, gebonden f2.25.

Het Uied van den Goeden fietrdep.

Door Rev. F. B. MEYER.

Prijs ingenaaid f045, gebonden f0.75.

t)e Êfief aan de Efezen.

BIJBELSTUDIE.

Door Rev. F. B. MEYER.

Prijs fo.75.

Uitgave van

„De Vpedebodequot;.

Christelijk Weekblad voor alle Standen. Volksblad tot bevordering van het Bijbelsch Christendom. Prijs per jaar f 3.- Voor het Buitenland f4.10 fr. p. p. Voor on- of minvermogenden f 1.50 per jaar.

tgt;e Olijftak, „Onze kleine VePtfoostetrquot;.

Christelijke Scheurkalender voor het huisgezin.

ocr page 312
ocr page 313
ocr page 314
ocr page 315
ocr page 316