rti
V::\v
iM â¢
I
i
GUNNING
G
H
33
JH£üNNIN£J.H;
p|g||si
.
1 i M m i
_________
_________
ms â i
â
mfWmSm^mmÃÃs
â¢S.^'-iH^Viiyi';:-:
HET LAATSTE BIJBELBOEK.
GUNNING i'Mn
HET LAATSTE BIJBELBOEK.
/.
D-lt;-
DOOK
DEN SCHRIJVER VAN
âDE HEERLIJKHEID DEI', NIEUWE BEDEELING !N DE SCHADUWEN DES OUDEN VERBONDSquot;.
N. V. BOEKHANDEL AMSTERDAM voorheen PRETORIA
HÃVEKEK amp; WORMSER.
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0852 0524
1.
INLEIDING. DE GODDELIJKE EN DE SATANISCHE LIJN IN DE WERELDGESCHIEDENIS. VOORWAARDE TOT RECHT VERSTAND DER HEILIGE SCHRIFT.
, Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die hooren de woorden dezer profetie, en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is, want de tijd is nabij.quot;
Met deze woorden opent Johannes zijn profetisch geschrift. Dat leert ons tweeërlei. Vooreerst: dat de inhoud van het grootste gewicht is. En ten andere : dat het boek niet onbegrijpelijk, maar zeer goed verstaanbaar is.
Toch is hel boek gesloten; en men moet den sleutel vinden om het te kunnen openen. Die sleutel ligt in de Heilige Schrift zelve. Gods Woord leert ons welke symbolische beteekenis elk zijner schepselen heeft. Die beteekenis is niet wisselvallig, maar staat vast, zoodat men er zeker op aan kan. Want de verschillende beelden zijn niet willekeurig door menschen genomen, maar de Schepper heeft in karakter, vorm, maat, getal en gewicht zijner stoffelijke schepselen een afbeelding gegeven van geestelijke zaken. Van het grootste belang voor recht verstand der Heilige Schrift is het, dat men zich die symboliek en typiek goed inprent.
1
2 INLEIDING. DE GODDELIJKE EN DE SATANISCHE LIJN IN DE
Reeds uit de eerste twee verzen van het eerste hoofdstuk van 't laatste Bijbelboek kan men zien dat de titel, weiken dat boek in de meeste Bijbeluitgaven heeft, niet deugt. Kr staat: âDe Openbaring van Johannes.quot; Het opschrift van 't boek zelf ecliIer luidt; âDe openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om zijnen dienstknechten te toonen de dingen, die haast geschieden moeten ; en die hij door zijnen engel gezonden en zijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft; dewelke het woord Gods betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft.quot;
Deze inleiding geeft ons reeds geheel te kennen van welken aard de inhoud van het boek is. God heeft aan Jezus Christus eene openbaring gegeven. Jezus Christus treedt hier dus zeer bepaald op als de Middelaar, als het Hoofd der gemeente. In die kwaliteit heeft ook Hij openbaring noodig om âde dingen, die haast geschieden moetenquot; te welen. Het zou geen schepsel geoorloofd zijn dit uit te spreken, indien Jezus Christus zelf het ons niet gezegd had en wel in Markus XIII: 32 : âMaar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.quot;
Eene openbaring van Jezus Christus heeft God aan Jezus Christus gegeven. De loop der zaken, die betrekking hebben op zijn volkomen zegepraal over Satan is voor hem open en bloot gelegd, zoodat hij niet alleen dien loop, maar die zaken zelf kon doorzien. Dat is het karakter van dit boek. Er wordt niet precies in tijdrekenkundige volgorde voorzegd: eest zal dit gebeuren, en dan dat, en dan dat derde enz. tot het einde toe, zoodat ge op een hair kunt nagaan: ânu moet dit ea dat nog komen,quot; maar zonder dat ge begrijpt wat al die dingen en gebeurtenissen beteekenen en welken invloed ze hebben. Neen, juist omgekeerd. Dat zou geen openbaring, maar een soort van altijddurenden kalender zijn. En dat is dit boek niet. Het doel
WERELDGESCHIEDENIS. VOORWAARDE TOT RECHT VERSTAND ENZ,, 3
van dit Bijbelboek is de gemeente te leeren âde teekenen der tijden te onderscheiden.quot; Zoo sprak de Heere. Jezus : âAls liet avond geworden is, zegt gij: âSchoon weder, want de hemel is rood.quot; En des morgens: âHeden onweder, want de hemel is droevig rood.quot; Gij geveinsden, het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de teekenen der tijden niet onderscheiden?quot; Een kenner van het weer ziet aan den hemel dat er een donderbui opkomt: dat die bui heel waarschijnlijk binnen een uur zal losbarsten, of dat ze overdrijft; en we ge-looven hem en reppen ons naar huis. Maar wanneer die man daarbij voorspelde: Nu zal die bui precies twintig minuten lang woeden; er zullen tien bliksemstralen door de lucht schieten, gevolgd door tien donderslagen, en de derde zal daar of daar inslaan, dan zouden we hem niet gelooven. Want dat is aan het aanschijn des hemels niet te onderscheiden; dat openbaart de âdroevig roode hemelquot; niet; dat zou voorspelling zijn en daartoe is het letten op het aanschijn des hemels niet noodig. Het doel van dit boek is dus openbaren en toonen âde dingen, die haast geschieden moeten,quot; op dezelfde wijze als de droevig roode hemel openbaart en toont dat er welhaast een donderbui geschieden moet.
Welke dingen zijn dat nu ? Alle dingen, die tusschen Jezus' hemelvaart en zijn wederkomst moeten geschieden ? Zeker niet. Dat de openbaring door God aan Jezus Christus weid gegeven, bewijst dat dit niet het geval is. Alleen die dingen, die de gemeente van Jezus Christus aangaan. Die dingen, welke zijn wederkomen in zich bevatten, 't Staat daarmee evenals niet de profetieën des Ouden Verbonds. Alleen datgene wat rechtstreeks in verband staat met den strijd tusschen bet âZaad der Vrouwquot; en de Slang en met de eindelijke overwinning door het Zaad der Vrouw te behalen, wordt daarin behandeld. Alleen dat heeft historische en typische beteekenis. Die lijn loopt door tot aan
4- INLEIDING. DE GODDELIJKE EN DE SATANISCHE LIJN IN DE
liet einde der aardsche bedeeling. In groote trekken is ze aldus : God heeft alle dingen om zijns zelfs wil geschapen tot eere zijns naams. Satan heeft zich als een tegengod opgeworpen. God heeft den mensch de roeping gegeven om als Gods onderkoning deze aarde te bebouwen en te bewaren. Satan heeft den mensch van God doen afvallen en aan zich onderworpen. God heeft daarop âvijandschap gesteldquot; tusschen Satan en de menscliheid. Op deze wijze: God verkiest zich een geslacht in Seths nakomelingen om daar zijn naam te bewaren. Satan vermengt dat geslacht onder de kinderen van Kaïn. En evenals in het Paradijs wint de Satan het schijnbaar weer. De zondvloed moet allen verdelgen, uitgenomen éen gezin. Opnieuw vangt God den arbeid aan in Noachs geslacht. En opnieuw weet Satan er tusschen te komen door den afval van Cham. En van nu aan loopen naast elkaêr twee lijnen door de wereldgeschiedenis. De eerste is de goddelijke lijn; de verkiezing van éen man, Abraham; in hem van éen geslacht, Israël; daarin van éen koningshuis: David ; waaruit ontspruit de Messias, wiens koninkrijk geen e'nde zal hebben en die de geheele aarde tot de gehoorzaamheid aan God zal terugbrengen. En daarnaast de satanische lijn: tegenover dat waarachtige koninkrijk zal Satan pogen een wereldrijk te stichten. Dat begint met Nimrod, wiens verschijning een eerste, zwakke, vage, onbeholpen satanische poging is om een antichrist voort te brengen. Daarop volgen de wereldrijken van Egypte, Syrië, Assyrië, Babyion, Perzië, Macedonië, die alle sterk vijandig tegenover Israël staan. De geschiedenis van die wereldrijken wordt ons in de Heilige Schrift alleen en uitsluitend meegedeeld zoover ze in verband staat met die van Israël. Want Gods Woord geeft geen andere historie dan die van den eeren grooten wereldstrijd van quot;t zaad der Vrouw met het zaad der Slang, van Christus met Satan. Al het andere is bijzaak. Alles telt en werkt wel meê, maar niet alles wordt vermeld.
WERELDGESCHIEDENIS. VOORWAARDE TOT RECHT VERSTAND ENZ. 5
Daarom is de geschiedenis niel onvolledig. In den Fransch-Duitschen oorlog werd onder anderen de beslissende slag bij Gravelotle geleverd. Op dienzelfden dag stonden ook nog wel andere kleine legerafdeelingen tegenover elkaêr en hier en daar vielen wel schermutselingen voor. Die waren echter niets anders dan afleidingen om den beiden hoofdlegers de handen vrij te laten. Ze hadden wel oogenblikkelijk, maar niet blijvend betee-kenis. De geschiedenis vermeldt dus alleen de slag bij Gravelotte. Zoo leefden er vele andere volken, niet zonder beteekenis, maar wel zonder wereldhistorische beteekenis. Maar de beslissende gevechten werden geleverd tusschen Assyrië en Israël, tusschen Babel en Israël enz.
In de worsteling tusschen het satanische wereldrijk en Israël, hét goddelijke koninkrijk, gaat Israël er onder. Evenals Christus er onder gaat in zijn strijd met Satan. Maar dat is juist de beslissende nederlaag van Satan. Want in de ontwikkeling der wereldgeschiedenis en in dezen strijd tusschen God en Satan geldt, evenals voor den enkelen mensch, deze tweeërlei regel: âWie zijn leven zal verliezen, die zal het behouden!quot; én âWat baat het een mensch of hij de geheele wereld won, en schade leed aan zijne ziel?quot; Het eerste is de goddelijke overwinning; het tweede de satanische. En nu zult ge a 11 ij d en overal zien dat Christus Jezus en zijn volk beginnen met alles te verliezen en eindigen met alles volkomen te winnen; en Satan en zijn volgelingen juist omgekeerd beginnen met alles te winnen, maar daardoor alles verliezen. Toen Satan Christus de verzenen doorwond had, en Christus schijnbaar geheel overwonnen in het graf zonk, was aan de Slang de kop vermorzeld en was de overwinning op die Slang in beginsel volkomen behaald. Israël wordt ook geheel overwonnen door het Romeinsche wereldrijk, maar juist daaruit ontspruit de Christelijke kerk, die Rome onderst boven werpt.
6 INLEIDING. DE GODDELIJKE EN DE SATANISCHE LIJN IN DE
Het Davidische koningschap was niets waard zonder den persoonlijken Koning, die Davids Zoon en Heere is. Er moest een persoonlijke Christus komen. En zoo ook beteekent voor Satan liet wereldrijk niets, wanneer het niet eenmaal uitloopt en zijn toppunt bereikt in een persoonlijken tegen-Christus, of anti-Christ. Sedert de uitstorting des Heiligen Geestes, die het begin der nieuwe bedeeling is, loopen nu door de wereldgeschiedenis deze twee lijnen evenwijdig. De satanische: werken, zwoegen orn den anti-Ghrist voort te brengen, wat eindelijk gelukken zalen waardoor schijnbaar de geheele wereld weer aan Ghrislus ontnomen wordt, gelijk ze in het Paradijs God uit de hand gerukt werd. De goddelijke lijn: een wederkomen van Christus zoo haastig mogelijk, waardoor Hij eindelijk gelijk met den anti-Christ hier aankomt. Hij vindt dien anli-Christ juist op het toppunt zijner macht, en.... ,verdoet hem door den adem zijns monds.quot; En nu regelt Hij de zaken; straft Satan voor eeuwig, wekt de gestorvenen, spreekt het laatste oordeel, schept den nieuwen hemel en de nieuwe aarde; verheft zijne Bruid tot âVrouwe des Lams;quot; geeft het koninkrijk Gode zijnen Vader weder, en God is alles in allen.
Hoe dat eerste paar lijnen door de wereldgeschiedenis liep tot op het eerste persoonlijk samentreffen van Jezus Christus en Satan, aan het kruis van den Verlosser, zegt ons de profetie des Ouden Verbonds. Hoe het tweede paar lijnen loopt, tot op het tweede persoonlijk samentreffen van Christus en den anti-Christ, toont ons het Boek der Openbaring, 't Zijn echter slechts schijnbaar twee paar lijnen. Eigenlijk is het kruis des Heeren het eerste station en zijn wederkomst het eindstation aan denzelfden weg. En daarom ziet ge de profetie des Onden Verbonds ook veel verder reiken en voorbij kruis en opstanding heen zien tot in de nieuwe bedeeling, ja schemerachtig, heel in de verte, tot aan het einde dezer bedeeling. Maar Openbaring XXI en
WERELDGESCHIEDENIS. VOORWAARDE TOT RECHT VERSTAND ENZ. 7
XXII zijn het eindstation. Daar is de wereldgeschiedenis aangekomen in de zalige eeuwigheid. Er volgt niets meer op omdat dan alles blijvend en onvergankelijk is.
Die dingen moeterr âhaast geschieden.quot; Dat beteekent niet zoozeer dat ze binnen kort zullen geschieden, als wel dat ze haastig, zoo vlug mogelijk zullen plaatsgrijpen. Het doel, waarmee God aan Jezus Christus deze openbaring gaf, was dat Jezus Christus ze aan Gods dienstknechten zou toonen. En daarom heeft Jezus Christus zijn engel gezonden tot Johannes, den discipel, dien Jezus Christus in zijne vernedering met name en buitengewoon liefhad. Die ongel heeft deze dingen aan Johannes te kennen gegeven. En Johannes heeft ze als het woord Gods en het getuigenis van Jezus Christus betuigd; alles wat hij g e-z i e n heeft. Want ze zijn hem niet verteld, maar getoond; hij heeft visioenen gehad.
Nu zou dat alles bitier weinig waarde hebben, wanneer het zoo was dat eigenlijk ten slotte niemand hel begrijpen kon. God doet evenwel niet als de Roomsche priesters, die de blijde boodschap afkondigen in een taal, waar de geheele gemeente geen woord van verstaat, zoodat er even goed een ezel als een mensch bij kan zilten. Maar evenmin verkondigt God zijn heilgeheimen zoo maar, dat ook de ongeestelijkste er dadelijk achter kan komen wat het beteekent. Dit boek is liet laatste der Heilige Schrift. Die Schrift is een geheel. Wie een goed geschreven men-schelijk boek wil leeren kennen, leest niet zoo hier en daar een stuk en plotseling het slot, om dan weer eens het begin in te zien. Wanneer zulk een lezer er geen woord van begrijpt, kan men dat waarlijk niet aan den schrijver wijten. De aandacht en eerbied, die we tegenover ieder menschenwoord hebben in acht te nemen, zijn we oneindig meer verplicht tegenover Gods openbaring. Willen we het laatste boek des Bijbels verstaan, dan behooren we het voorgaande in geregelde volgorde als 't ware
8 INLEIDING. DE GODDELIJKE EN DE SATANISCHE LIJN IN DE
opgegeten te hebben. Dat zal straks blijken wanneer we samen als in vogelvluclit hel boek zullen overzien. Maar aan dat overzicht moet noodzakelijk voorafgaan dat we elkander herinneren welke geestelijke dingen ons Gods Woord afbeeldt in onderscheidene getallen, maten, enz. zijner stoffelijke schepselen. Daarover dus in het volgende hoofdstuk een enkel woord.
II.
DE SYMBOLIEK DER HEILIGE SCHRIFT. BETEEKENIS DER GETALLEN. DE GETALLEN IN HET BOEK DER OPENBARING.
Wie eenigszins in den Bijbel thuis is, woet wel dat voor onderscheidene personen en zaken steeds dezelfde beelden worden gebruikt. Eveneens heeft het hem getroffen, dat sommige getallen telkens wederkeeren. En men gevoelt dadelijk: dat is niet willekeurig.
Ook in het dagelijksch leven gevoelt iemand, die eenigen aanleg voor poëzie heeft, dadelijk wanneer er een v a 1 s c h beeld gebruikt wordt. Zijn taalgevoel komt er tegen op, en hij bemerkt, de gelijkenis gaat niet door.
Hieraan reeds kan men zien dat die gelijkenis door ons slechts ontdekt, maar niet vastgesteld wordt. En daaruit volgt dat ze door den Schepper in de dingen gelegd is. De aardsche schepping is als een album vol photographieën en evenmin als mijn portret ooit uw gelaat kan voorstellen, evenmin kan een schepsel Gods ooit een andere zijner gedachten afbeelden en verduidelijken dan die H ij er in gelegd heeft.
Veel kunnen we er uit leeren, en vele gedeelten van de Heilige Schrift worden ons geheel duidelijk, ofschoon ze vroe-
10 UE SYMBOLIEK DER HEILIGE SCHRIFT. BETEEKENIS DER
ger volkomen onverstaanbaar schenen, wanneer we de betee-kenis der afbeeldingen ons goed in bet hart prenten. Bijvoorbeeld: waarom zegt de Heere Jezus: âIk ben het brood des levens,quot; en: âIk geef het water des levens?quot; En waarom nooit: âIk ben het water;quot; en: âIk geef het brood?quot; Omdat God met de schepping van hel water een geheel ander zinnebeeld in aanzijn geroepen heeft dan met die van het brood. En ge gevoelt dadelijk dat iemand, die zeggen zou dat de Heilige Geest ons voedt en dat de Heere Jezus ons drenkt valsche beelden zou gebruiken; en daardoor evengoed onwaarheid zeggen als de man, die u mijn portret liet zien en daarbij vertelde dat het een anderen persoon voorstelde. Brood is liet portret van den Heere Jezus, die zijn leven geeft voor de wereld. Water is het portret van den Heiligen Geest, die de geloovigen bezielt en levend maakt, reinigt en drenkt. Maar nu maakt ge dadelijk de aanmerking dat niet alle water dien invloed op het menschelijk lichaam heeft. Zeer juist; en daarom is alleen het zoete water (regen, dauw, fonteinen, bronwellen, rivieren) beeld van den Heiligen Geest. Het zoute water daarentegen in beeld van een Gode vijandige macht: van de volkerenwereld buiten God.
Wat de getallen aangaat, zal het zeker geen enkelen Bijbellezer onbekend zijn dat er drie zijn, die den grondslag uitmaken van alle andere samenvoegingen. Dat zijn de getallen drie, vier en tien. Verder vindt men de geheele Heilige Schrift door, nog deze symbolieke getallen: zeven (drie en vier); twaalf (drie maal vier); veertig (tien maal vier); zeventig maai zeven; zeven duizend; twaalf duizend. Het zij hier genoeg te zeggen dat drie het cijfer van den Drieëenigen God is; vier het cijfer van de schepping (naar de vier windstreken) en dat de wijze van samenvoeging van deze getallen (optelling of vermenigvuldiging), aangeeft de verhouding tusschen den Schepper en
GETALLEN. DE GETALLEN IN HET BOEK DER OPENBARING. 1 1
zijn schepsel, welke de Heilige Geest zich gedacht wil hebben in dat bepaalde geval, waarin Hij een dezer getallen gebruikt. Tien schijnt als grondvorm voor het duizendtal symbool van het onvolmaakte te zijn en komt alleen voor: ten eerste op zichzelfstaand, maar dan in ongunstigen zin; of ten tweede in combinatie met vier en dan als voorbereiding voor zeer belangrijke gebeurtenissen. Bijvoorbeeld : wal tien aangaat; het Lam heeft zeven hoornen, maar het beest uit den afgrond tien. En wat het tweede aangaat: Mozes was 4x10 jaren in Egypte; 4 X 10 jaren in de woestijn bij Jetro; 4 X 10 jaren aan bet hoofd van den zwerftocht naar Kanaan. In die d r i e ë r-lei voorbereiding bereikt hij zijn doel, het hemelsche Kanaan; maar het volk nog niet. Voor het volk gelden ook de laatste 4 X 10 jaren van Mozes' leven. Maar bij zijn dood verandert dadelijk de getallensymboliek voor het volk : 1. Het volk beweende Mozes dertig dagen. 2. âBereidt u teerkost want binnen nog drie dagen zult gij over de Jordaan gaan. 3. Zeven priesters dragen zeven ramsbazuinen voor de ark op haar tocht met het volk rorndom de muren van Jericho gedurende z e v e n dagen, en op den zevenden dag na z e v e ndubbelen omgang vallen de muren. Zeven jaren duurde de oorlog, waardoor Israël Kanaan in bezit nam. De getallen duiden aan dat de vervulling is aangebroken. â Vier maal tien dagen gaat Elia den weg naar Horeb, waar God door hem een anderen loop der geschiedenis van de tien stammen regelt. Vier maal tien dagen duurt de voorbereiding van den Heere Jezus in de woestijn voor de verzoeking door Satan. Vier maal tien dagen verloopen tusschen de opstanding en de hemelvaart des Heeren.
En eindelijk moet de aandacht nog gevestigd worden op éen afgeknot, éen half getal, namelijk drie en éen half; drie en een halve dag, drie en een half jaar; of (wat hetzelfde is)
12 DE SYMBOLEN DER HEILIGE SCHRIFT. BETEEKENIS DER
twaalf honderd zestig dagen. Drie en een half heeft sleeds de beteekenis van onverwacht, geweldig afgebroken worden.
Het boek der Openbaring heeft overvloed van zinnebeeldige voorstellingen zoowel in beelden als in getallen. De getallensymboliek komt het eerst in aanmerking, omdat die als 't ware het geraamte van 't boek is.
Johannes schrijft aan de zeven gemeenten; bidt haar toe de genade en vrede van de zeven Geesten. Hij ziet den Heere Jezus wandelen tusschen zeven gouden kandelaren en zeven sterren in zijne rechterhand houden. Zeven brieven moet hij schrii'ven aan de zeven engelen dier zeven gemeenten. Vier dezer gemeenten (de eerste, derde, vijfde en zevende) zijn in een toestand, die eene bedreiging noodzakelijk maakt. Drie zijn beter en ontvangen alleen beloften. In den hemel ziet Johannes vier en twintig ouderlingen op vier en twintig tronen, en den troon Gods gedragendoor vier dieren. Voor den troon staat een Lam met zeven hoornen en zeven oogen, dat een boek zal openen met zeven zegelen. Uit de opening van het zevende zegel volgt het optreden van zeven engelen met zeven bazuinen. Het blazen van de zevende bazuin doet zeven engelen uitgaan om zeven fiolen ledig te storten.
Drie lichttafereelen breken al deze duisternis van oordee-len; het eerste tusschen het zesde en zevende zegel, het tweede tusschen de zesde en de zevende bazuin, het derde na de zevende fiool.
Het openen der zegelen brengt onheilen over een vierde deel der menschen; dat der zeven bazuinen over een derde deel.
De getallen, die bij Satan en den anti-Christ voorkomen zijn drie, zes, zeven en tien, en hebben juist daardoor de diepste beteekenis.
Zoodra de eindoverwinning door Christus Jezus behaald is
GETALLEN. DE GETALLEN IN HET BOEK DER OPENBARING. 13
treedt alleen liet getal twaalf op (als drie maal vier.) Het hemelsche Jeruzalem heeft twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen. Die poorten liggen naar de vier windstreken; in elke streek drie poorten. De stad beeft twaalf fundamenten ; ze is twaalf maal duizend stadiën hoog, breed en lang. De muur is twaalf maal twaalf ellen. De hoorn des levens brengt twaalf vruchten voort, van maand tot maand.
De sleutel voor deze grondgedachte van twaalf, met andere woorden: de reden waarom hier niet van drie, of vier, of zeven, of veertig sprake kon zijn, ligt in Openb. XXI : 3: âZiet de tabernakel Gods is ') bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn en God zelf zal bij hen en hun God zijn.quot; Dat is in cijferschrift: drie maal vier.
'J Dat wil zeggen: âis van nu aan; is nu eerst volkomen.quot;
III.
HET LAATSTE BIJBELBOEK ÃÃN GROOTSCH PANORAMA. DE VERSCHIJNING VAN DEN ZOON DES MENSCHEN. HETGEEN IS EN HETGEEN GESCHIEDEN ZAL.
Na de bespreking, welke in de vorige opstellen onze aandacht bezighield met de algemeene grondtrekken van profetie en symboliek, kunnen we nu overgaan tot de beschouwing van het boek der Openbaring zelf. Nooit mag de aandachtige lezing en beschouwing van dit boek ons leiden tot kleingeestig uitpluizen van iederen trek en van elk lijntje. Door dit uit te spreken wordt nog volstrekt niet gezegd dat men er de hand meê moet lichten en zichzelven een vrijbrief geeft, om maar over te slaan wat niet dadelijk verstaan wordt.
Neen : de zaak ligt zóó. Stelt u eens voor dat Linnaeus en Stanley ieder een reis om de wereld maken en elkaêr ontmoeten op een der Alpen in Zwitserland. Dan zoudt ge hemelsbreed onderscheid opmerken in beider gedrag.
De eerste zou een paar minuten van het schoons uitzicht genieten, maar spoedig, om zoo te zeggen, op handen en voeten ronddwalen om in elk spleetje en hoekje na te vorschen hoeveel soorten van Edelweisz daar groeien en wat de flora hem verder merkwaardigs aanbiedt. Het kleinste grassprietje zou
HET LAATSTE BIJBELBOEK ÃÃN GROOTSCH PANORAMA. ENZ. 15
misschien het meest zijne aandacht trekken. Maai- de ander zou genieten van het grootsche tooneel rondom hem en aan zijn voeten, en onwillekeurig het oog wapenen met zijn monocle, om, ware het mogelijk, door de sneeuwtoppen heen te zien en andere landen en volken te ontdekken. De laatste weet wel dat er geen bosch beslaat zonder afzonderlijke boomen, maar het is hem te doen om den indruk, dien het geheele landschap maakt. De eerste bekommert zich daar niet om, en heeft genoeg aan éen plant van elke soort. De eerste gebruikt het microscoop, de laatste den verrekijker.
Nu eischt het boek der Openbaring zeer beslist van u, wanneer ge het wilt verstaan, genieten en zijn leering in uw hart opnemen, dat ge het microscoop thuis laat en den verrokijker meêbrengt. Ook hierin zijn tijd en plaats, waarin deze Openbaring gegeven werd, symbolisch. Johannes was vervolgd om des geloofs wille; balling, van de wereld en door de wereld uitgesloten; op een eiland, symbool van de men-schenwereld buiten Israël; op de rotsen van P a t m o s, hoog op een standpunt, waar men hemel, aarde en zee overziet, een vergezicht heeft; op den dag des Heeren, den eersten dag der week die ons verkondigt dat het oude is voorbijgegaan en dat de Christus ingegaan is in zijne rust. Groolsch en ruim is alles. Ver van zich af ziet de tnensch, de dichter, de profeet. En nu wordt hem gezegd: âSchrijf hetgeen gij gezien hebt; en hetgeen i s, en hetgeen geschieden zal na dezen.quot; Hiermeê zijn zoo duidelijk mogelijk de twee hoofddeelen van het boek aangegeven.
Hetgeen is. Wat is? âDe verborgenheid van de zeven sterren en de zeven kandelaren.quot; Jezus Christus is heengegaan en komt weder, is gedurig wederkeerende. Onderwijl wandelt Hij tus-schen de zeven kandelaren, de zeven sterren in zijn rechterhand houdende. Wat is wordt gezegd in Hdst. 2 en 3 in de zeven
16 HET LAATSTE BIJBELBOEK ÃÃN GROOTSGH PANORAMA.
brieven aan de zeven gemeenten. Maar Hfdst. 4 begint: âNa dezen zag ik.quot; Daar wordt dus een begin gemaakt met âhetgeen na dezen geschieden za 1.quot;'
Tot Johannes spreekt âEen, den Zoon des menschen gelijk zijnde,quot; Christus Jezus als Middelaar, die als zoodanig als Hoogepriester ingegaan is in het heilige der heiligen en is gezeten aan de rechterhand der majesteit Gods in de hemelen. Deze Jezus heeft gezegd: âIk ga heen om u plaals te bereiden en zoo wanneer ik u plaats zal bereid hebben, kom ik weder en zal u allen tol mij nemen, opdat ook gij zijn moogt waar ik ben.quot; Maar ook: âZiet, ik h e n met u alle dagen, tot aan de voleinding der wereld.quot; Ter vervulling van dat laatste woord âwandelt Hij tusschen de gouden kandelaren.quot; Het eerste wordt zóo vervuld: Hij zit op den troon, staat op en komt weder. Eerst staat het Lara in het midden des t r o o n s, ir het heilige der heiligen. Onderwijl opent het de zeven zegelen. Bij het openen van het zevende zegel schrijdt het voorwaarts naar het gouden reukaltaar. Het reukaltaar stond in het heilige, maar behoorde bij het heilige der heiligen (Hebr. IX : 1). Terwijl het Lam, dat ook de Leeuw is, bij het reukaltaar staat, worden de zeven bazuinen geblazen. Bij de zevende bazuin komt het Lam naderbij en betreedt den tempel en hel voorhof. Dan worden de zeven fiolen uitgestort. En daarna komt het Lam in de stad; het ware Jeruzalem dat met Hem nederdaalt uit den hemel. Nu is de komst geëindigd, want Hij is aangekomen ; niet als Hoogepriester, maar als Koning (Openb. XIX :1G). Naarmate Hij nader komt, komt Hij sneller en duidelijker. Van de zeven zegelen bemerkt men op aarde de opening. Het blazen der zeven bazuinen is te h o o r e n. Het uitstorten der zeven schalen of fiolen wordt gevoeld.
De Zoon des menschen, die tusschen de kandelaren wandelt is âbekleed met een lang kleed tot aan de voeten.quot; Hij is
DE VERSCHIJNING VAN DEN ZOON DES MEN3CHEN. HETGEEN IS, ENZ. 17
Priester. Hij is âaan de borsten omgord met een gouden gordel,quot; Hij is Koning. In Hem is ,de raad des vredes tus-schen die beidenquot; (tusschen priesterschap en koningschap) (Zach. VI : 13). âZijn hoofd en haar zijn wit, gelijk als witte wol, gelijk als sneeuw.quot; Hij is van eeuwigheid. âZijne oogen zijn als een vlam vuurs,quot; Hij is de alwetende. âZijne voeten zijn blinkend koper gelijk en gloeien als in een oven.quot; Hij is de Almachtige. âZijne stem is als de stem van vele wateren.quot; Hij is Profeet, machtig in woorden en werken. Hij âheeft zeven sterren in zijne rechterhand.'1 Hij is het H o o f d zijner gemeente. âUit zijn mond gaat een tweesnijdend zwaard.quot; Hij is het Woord en dc Richter. âZijn aangezicht is gelijk de zon schijnt in hare kracht.quot; Hij is de volkomen Heilige. Hij is âde eerste en de laatste.quot; Hij is het begin de grondslag. het einde van do schepping Gods. âHij leeft en is dood geweest en zie Hij is de levende in alle eeuwigheid.quot; Hij is de Borg, de Zaligmaker, die zijn leven aflegde en weder aannam; de Opstanding en het Leven voor de zijnen. âHij heeft de sleutels der hel en des doods.quot; âHij is de vervulling van Jes. XXII: 20 â25, waar Eljakim de zoon van Hilkia als type van Christus tot de waardigheid van rijkskanselier geroepen wordt voor de dynastie van David.
âSchrijf hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen:
De verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in mijne rechterhand en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten; en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven gemeentenquot;
De verborgenheid van de zeven sterren en van de zeven gouden kandelaren is niet dat ze de engelen der gemeenten en de gemeenten voorstellen. De verborgenheid wordt neergeschreven in de brieven, die aan hen gericht zijn. Daaruit
2
18 HET LAATSTE BIJBELBOEK ÃÃN GROOTSCH PANORAMMA.
blijkt dat dit zevental symbolisch is, en ook dat hetgeen aan die zeven geschreven wordt evenzoo symbolisch is en beteekenis heeft voor de geheele kerk. âWat isquot; dat is de toestand der Gemeente van Christus tot op zijne wederkomst âWat isquot; dat is die gemeente zelve. De gemeente is de nieuwe menschheid. Die alleen bestaat en is. Al het andere rekent niet onder het bestaande mede in het Koninkrijk Gods. De wijnslok i s en de ranken, die in dien wijnstok blijven, zijn. De ranken, die afvallen als verdord, worden vergaderd en in het vuur geworpen en verbrand. âWat is,quot; dat beteekent: Christus heeft de menschheid verlost. Die verloren gaan zijn enkelingen, ook al zouden ze de groote meerderheid der menschen zijn. Maar de menschheid is het lichaam van Christus die het Hoofd is.
Hoe is nu datgene âwat is?quot; Dit leeren ons de zeven brieven. Dat moeten we weten om te verstaan âhetgeen geschieden zal.quot; Die zeven brieven zijn dus niet, zooals ze dikwijls beschouwd worden, een stichtelijke voorrede voer het eigenlijke boek, maar een grondig overzicht van den toestand der gemeente ter wille van welke al hetgeen volgt geschieden zal. Men begrijpt dus van het volgende niets, zonder nauwkeurige bestudeering van die zeven brieven.
IV.
DE ZEVENVOUDIGE KANDELAAR. DE ZEVEN GEMEENTEN. DE ZEVEN STERREN.
In het heilige in den tabernakel, die op Gods bevel door Mozes werd opgericht, stond een hooge kandelaar van louler goud, die zevenvoudig licht verspreidde. Een spriet van den kandelaar ging uit den voet loodrecht in de hoogte en aan weerzijden van dien spriet bogen zich drie armen uit en naar omhoog, zoodat alle zeven de vlammen op gelijke hoogte brandden. De lampen werden met fijne zuivere olijvenolie gevuld, en moesten steeds brandende gehouden worden. Zonder dit licht zou in het heilige volslagen duisternis geheerscht hebben.
Het beeld is duidelijk ; en wordt ten overvloede in het boek der Openbaring zoo verklaard, dat alle twijfel omtrent de be-teekenis ophoudt. De zeven kandelaren zijn de zeven gemeenten. Eigenlijk is er slechts één, maar een zevenv o u d i g e kandelaar. Zeven drukt hier dus als het getal der volheid, samengesteld uit 3 en 4, uit dat de geheele gemeente, de heilige algemeene Christelijke kerk, van alle plaatsen en uit alle tijden, eene geheelheid is, bezield door den Heiligen Geest.
Maar dat zevental geeft ook te kennen dat er ondersciieidene
20 DE ZEVENVOUDIGE KANDELAAR. DE ZEVEN GEMEENTEN.
gestalten en toestanden van de Christelijke kerk zijn. Want de kerk is volmaakt in Hem, die het Hoofd is, maar niet in zichzelve. Ze moet groeien en volmaakt worden. En dus kan de toestand van den eenen arm des kandelaars zeer veel verschillen van dien der andere.
Verscheidene leeringen worden der gemeente in dit e e n e beeld gegeven: De beteekenis van liet zevental wezen we reeds aan. De plaatsing van het zevental is ook ten hoogste merkwaardig.
De zeven gemeenten zijn deze:
1. Efeze; 2. Smyrna; 3. Pérgamus; 4. Thyatire ; o. Sardis; 6. Philadelphia; 7. Laodicea.
Efeze. Tot deze gemeente komt de brief uit naam van Hem âdie de zeven sterren in zijne rechterhand houdt, d e in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt.quot; De gemeente heeft veel goeds, maar ze heeft âhaar eerste liefde verlaten.quot; De belofte voor de overwinnaars is âeten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.quot; Efeze is de m o e d e r g e m e e n t e.
Smyrna. âDit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en levend is geworden.quot; De gemeente is waarlijk rijk. Ze wordt vervolgd door degenen, die zeggen dat zij Joden zijn, maar in de werkelijkheid een synagoge des Satans uitmaken. De belofte is: âWees getrouw tot gedood wordens toe en Ik zal u geven de kroon des levens.quot; Smyrna is de gemeente, verdrukt door het Farizeïsme.
Pérgamus. âDit zegt Hij, die het tweesnijdend scherp zwaard heeft.quot; De gemeente woont waar de troon des Satans is. Ze werd vervolgd en wordt thans verzocht door den Satan. Den overwinnaars wordt het manna dat verborgen ïs en een nieuwe keursteen beloofd. Pérgamus is de gemeente, vervolgd door het Heidendom.
DE ZEVEN STERBEN.
Thyatire. Aan haar schrijft âde Zoon van God,quot; die zijne oogen heeft als eene vlam vuurs, en zijne voelen zijn blinkend koper gelijk.quot; Zij groeit in werken, liefdedienst, geloof, lijdzaamheid, maar ze heeft âde vrouw Jesabelquot; en duldt die Die overwint zal macht ontvangen over de heidenen en de Zoon van God zal haar de morgenster geven. Thyatire is de gemeente, ondermijnd door ketterijen en afgoderijen.
Sardis. âDit zegt Hij, die de zeven Geesten Gods heeft en de zeven sterren.quot;' De gemeenle heeft den naam dat ze leeft maar ze is dood, in elk geval verstervend. Eenige weinige namen slechts hebben hun kleederen niet bevlekt. Den overwinnaars wordt toegezegd dat hun namen niet uit het boek des levens gedelgd, maar voor den Vader en zijne engelen beleden zullen worden. Sardis is de gemeente der d o o d e rechtzinnigheid.
Philadelphia. Tot haar komt het woord van âden Heilig en Waarachtige, die den sleutel Davids heeft.quot; Een kleine, krachtige, levende gemeente, getrouw en standvastig. Die overwint wordt gemaakt tot een pilaar in den tempel Gods. Philadelphia is de gemeente der levende enlevenwekken-d e b e 1 ij d e n i s.
Laodieea. Dit zegt âde Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het begin der schepping Gods.quot; Ze houdt zich voor rijk en helderziend, en is lauw, arm, blind, ellendig. Die overwint zal met Christus in zijnen troon zitten, gelijk Hij heeft overwonnen en met zijnen Vader gezeten is in zijnen troon. Laodieea is de gemeenle die afvalt.
We vinden hier vooreerst: tijdrekenkundige orde.
1. Efeze, de moedergemeente.
2. De gemeenle der eerste Christeneeuwen.
a. Smyrna, door het Jodendom vervolgd.
b. Pérgamus, door het Heidendom vervolgd.
21
22 DE ZEVENVOUDIGE KANDELAAR. DE ZEVEN GEMEENTEN.
3. De gemeenten der volgende eeuwen.
a. Thyatire, door ketter ij en en afgoderijen ondermijnd.
b. Sardis, door doode rechtzinnigheid ondermijnd.
4 De gemeenten der laatste dagen.
a. Philadelphia, b e 1 ij d e n d.
b. Laodicea, afgevallen.
Doch in het type ligt ook opgesloten, dat dit alles niet slechts tijdrekenkundig op elkaêr volgt, maar ook tegelijkertijd plaats vindt. Er staan niet zeven kandelaren naast elkaêr; er is éen kandelaar met zeven armen. Op deze wijze:
|
Laodicea |
Sardis |
«0 s lt;2 Ms |
V |
Smyrna |
«b g |
-si â¢â¢S a. |
|
ïó |
CO |
T-' |
si |
â¢Â£ |
De hoofdarra, waaruit de zes andere ontspruiten is Efeze. Dat blijkt ook uit het beeld waaronder de Heere haar aanspreekt: âHij die de zeven sterren in zijne rechterhand houdt.
DE ZEVEN STERREN.
die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt.quot; Hij die het geheel overziet en regeert. Tot haar wordt in het algemeen gezegd: âIndien gij u niet bekeert.quot;
Rechts staan le Smyrna. i
2e Thyatire. / zonder vermaning tot b e k e e r i n g.
3e Philadelphia.
Links staan
le Pérgamus. âBekeer uquot;. (Openb. II: 16).
2e Sardis. âBekeer uquot;. ( â III: 3). 3e Laodicea. âBekeer uquot;. ( , III: 19).
Eindelijk ligt in het beeld zelf opgesloten op welke andere wijze die verschillende gestalten van de gemeente van Christus voorkomen. Onderling even ver van de moedergemeente verwijderd, zijn :
le Smyrna en Pérgamus. (Eerste Christeneeuwen.) 2e Thyatire en Sardis (Middeleeuwen en Hervorming) 3e Philadelphia en Laodicea. (Laatste tijden).
Zoo blijkt, dat dit zevental brieven de beschrijving is van hetgeen âdat isquot; de gemeente van alle tijden als een doorgaand geheel. Tot de gemeente van Efeze als de moedergemeente en dus als type van het geheele zevental richt zich Christus als degene, âdie de zeven sterken in zijne rechterhand houdt, en die in hel midden der zeven gouden kandelaren wandelt.quot; Al de overige gemeenten ontvangen elk een brief, waarin de Heere zich aandient onder een naam, die bepaald voor haar eigen toestand kenschetsend is; tot die van Efeze richt de Heere zich als degene, die het geheel der gemeenten regeert en eens oordeelen zal. Hij houdt de zeven sterren in zijn rechterhand, en wandelt tusschen de zeven kandelaren.
Om recht te verstaan wat dit beteekent, wordt ons uit den mond des Heeren zelf in het voorafgaande vers (I : 20) gezegd
23
24- DK ZEVENVOUDIGE KANDELAAK. DE ZEVEN GEMEENTEN.
wat de âverborgenheidquot; dier kandelaren en sterren is. Onder licl sterren moet men niet verstaan zeven der hemellichamen, die lie
onze oogen des nachts kunnen aanschouwen indien de wolken iec het niet verhinderen. Immers er zou weinig of geen verband op
zijn tusschen de twee deelen van het éene beeld, want die ne
van sterren spreekt denkt niet aan kandelaars. De zit
zeven sterren zijn de lichtende vlammen op den mond der D;
kandelaars. Een kandelaar zonder olie is een ding, dat geheel oc
en al zijn doel mist. Maar olie in den kandelaar, die niet ont- to
stoken is en brandt, is even nutteloos als een kandelaar zon- ze
der olie. Nu zegt Christus ons in hel aangehaalde vers wat de ir
,verborgenheidquot; is. âVerborgenheidquot; bedoelt hier niet dat er d
een raadsel wordt opgelost, maar dat de diepste beteekenis k
van het beeld wordt blootgelegd. De zeven sterren of vlammen b
zijn de engelen der zeven gemeenten en de zeven kandelaren s
zijn de zeven gemeenten. Wanneer hierdoor nu weer zinnebeeldig was gesproken, dan w a s de verborgenheid niet ver- ^ klaard. Een engel is letterlijk iemand, die een boodschap t brengt; die iets aan den dag brengt namens een ander. De \ zeven sterren kunnen dus onmogelijk, gelijk men dikwijls ge- 1 wild heeft, de opzieners der gemeenten beteekenen. Die zijn zelf een deel van den kandelaar. Is mijn hoofd niet een deel van mijn lichaam? Is de mond van den kandelaar niet een deel van den kandelaar zelf?
De kandelaren zijn de zeven gemeenten. Dat beduidden ze ook in den tabernakel en in den tempel. De olie beteekent de Heilige Geest, die de gemeenten bezielt, gelijk olie den kandelaar vult. De kandelaar is dus gereed. Maar een kandelaar met olie gevuld, doch die niet brandt staat gelijk met een ontstoken kaars, die onder het bed geplaatst wordt. Ze geeft geen licht en is dus een dood ding. Het enkele bezit van opzieners,
van een predikant, van een kerkeraad geeft geen leven of
DE ZEVEN STERREN.
licht. Hier is dus geen sprake van eenig ambt. De sterren of lichten zijn dus gezamelyk voor de zevenvoudige gemeente en ieder op zichzelf voor elk der zeven gemeenten de levende openbaring van de inwoning des Geestes. âLaat uw licht schijnen voor de menschen, opdat zij uw goede werken mogen zien, en mijn Vader die ia de hemelen is mogen verheerlijken.quot; Dat kan niet gezegd worden tot ledige kandelaars, al zitten ze ook nog zoo goed in elkaêr. De vorm alleen is niets. En toch is de juiste vorm een onmisbare voorwaarde voor een zaak om aan haar doel te beantwoorden. De juiste vorm moet gevuld worden met geest. Brandende olie zonder kandelaar .... s t i c h t brand. Brandende olie in een goeden kandelaar geeft licht. De vlam is de engel van de olie. Zij brengt aan het oog, dat door ihaar verlicht wordt, de boodschap van de olie over.
Hoe kan nu tot de openbaring des Heiligen Geestes in de gemeente het woord gericht worden? Dat kan en moet omdat de Heilige Geest in onze heiligmaking zich in dezelfde verhouding tot ons zondaren plaatst als Christus in onze verlossing zich geplaatst heeft. De komst van Christus in het vleesch op zichzelf heeft ons niet verlost. Daartoe moest Hij âzonde gemaaktquot; worden, en een vloek worden voor ons; en onze zonden op zich nemen, zonder zelf eenige zonde te hebben. Even genadig nederbuigend handelt de Heilige Geest met ons na onze verlossing. Hij komt niet wonen in volmaakt heiligen, maar in gerechtvaardigden om hen heilig te maken. Hij komt in donkere, vuile harten om ze te verlichten en te reinigen. Zijne olie komt in kandelaren, die van goud zijn, omdat de verlossing en rechtvaardigma-king hun eeuwige waarde geven. Maar aan de andere zijde in kandelaren die âden Heiligen Geest bedroevenquot; kunnen; ja, die den Geest uitblusschen kunnen. En evenals Christus
25
26 DE ZEVENVOUDIGE KANDELAAR. DE ZEVEN GEMEENTEN.
Jezus de vernedering onderging om één te worden met trage, onverstandige, slapende, tegenstrevende discipelen ; evenzoo laat de Heilige Geest te onzer heiligmaking het zich welgevallen dat zijn onberispelijke olie in onze kandelaars, zwak, flikkerend, onzuiver licht geeft. En gelijk nu tol het lichaam van Christus, dat toch waarachtig z ij n levend lichaam is, allerlei vermaningen gericht worden om te ontwaken, zich te reinigen, naar het doel te streven, slappe handen te versterken, wankelende knieën op te richten, oude leden te dooden; zoo kan tot het licht des Geestes, dat toch waarachtig zijn licht is, de roepstem uitgaan om zuiver te branden en behoorlijk licht te geven. Daarom eindigt iedere brief met de vermaning: âDie
ooren heeft, die hoore â niet wat Christus, maar â wat de
'
Geest tot de Gemeenten zegt.quot;
Christus Jezus heeft gezegd dat niemand zijne schapen uit zijne hand kan rukken. Evenzoo houdt Hij de sterren van de kandelkars in zijne rechterhand. Al is de vlam nog zoo zwak en onzuiver, ze kan er niet zijn zonder echte olie. Daarom houdt Hij haar in zijne rechte rhand, in zijne hand vol almacht.
Maar tusschen de kandelaars wandelt Hij. Voor de vlammen of sterren is Hij de almachtige Behouder; voor de kandelaars is Hij de gestrenge Richter. Hij gaat onophoudelijk tusschen de kandelaars rond en ziet alles. En daarom staat in den eersten brief: Indien gij u niet bekeert (indien de ster van uw kandelaar haar vorige zuiverheid niet bereikt). Ik zal haastelijk komen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren.quot; De ster zal niet gebluscht worden, maar de kandelaar verplaatst.
Ten overvloede wijzen wij er op dat in geen der brieven eenig woord tegen de sterren gesproken wordt. Werden door de sterren feilbare menschen bedoeld, dan zouden ook
DE ZEVEN STERREN.
quot;age, zij bedreigd zijn. Toch zijn alle brieven aan de sterren gelaat richt. De slerren zijn dus het geestelijk leven van de gemeenten ; dief, de openbaring van dat geestelijk leven, gelijk de vlam op den en(j) kandelaar het teeken, de openbaring is van de olie die hij bevat. ;tus, Zout dat smakeloos geworden is, kan men wegwerpen; 't is ma. tot niets anders goed. Een kandelaar zonder licht kan men de deur laar uitzetten; dat ding staat ieder in den weg. Een kandelaar moet nde dus in de eerste plaats goed en ongebroken zijn; in de tweede bet plaats met goede, zuivere olie gevuld zijn; maar in de derde ep. plaats een âsterquot; hebben.
ge- De zevenvoudige kandelaar is dus de gemeente van Christus
Die zoo als zij zich op aarde openbaart. Hij is niet,
dg maar hij bevat de heilige algemeene Christelijke kerk. Hij is de inwoning des Heiligen Geestes ook in die tijdelijke vor-
gt; n men. De sterren zijn de openbaring van het waarachtig gees-
; n telijk leven dier gemeente of kerk van Christus. De zeven
0g sterren zijn éen, evenals de zeven vurige brandende lampen
|e voor den troon, welke zijn de zeven Geesten Gods (Hoofdst.
:d IV ; 5.) éen zijn. Maar die zeven vurige brandende lampen zijn de volle openbaring des Heiligen Geestes in de t r i o m-
T- fee rende kerk, gelijk de zeven kandelaren met zeven zwakke,
3. walmende lichtjes de s t r ij d e n d e kerk op aarde zijn ; de
3. verzameling der heiligen hier op aarde, van welken ook de
n allerbeste (om met onzen Catechismus te spreken) ânog slechts
27
n een klein beginsel van deze toekomende heiligheid in
1
1
V.
DE ZEVEN BRIEVEN.
Zeer der aandacht waardig is liet onderling verband, dat tusschen de zeven brieven bestaat; en niet minder de schoone verhouding tusschen het eigenaardig symbool dat de Heere Jezus zich kiest, den toestand der gemeente aan welke Hij schrijft, en de bedreiging en belofte welke zij ontvangt.
âDie de zeven sterren in zijne rechterhand houdt en in het midden der zeven kandelaren wandelt,quot; weet tot in de fijnste bijzonderheden al het voor en tegen, dat de gemeente te Efeze heeft. Indien die gemeente zich niet bekeert, zal Hij âhaar kandelaar van zijne plaats weren.quot; Een bedreiging, die geheel past bij het beeld, waaronder de Heere zich in den aanvang van den brief aandiende. Maar âdie overwint, ik zal hem geven te eten van den boom, die in het midden van het paradijs Gods is.quot; God de Heere heeft den toegang tot den boom des levens in het aardsche paradijs genadig afgesneden, toen de mensch zich vergrepen had aan den boom der ken-nisse des goeds en des kwaads. Maar in het paradijs Gods, het hemelsche paradijs, groeit en bloeit weer de levensboom (Openb. XXII : 2) in het midden der straat, die langs de rivier van het water des levens loopt, in de stad die geen
DE ZEVEN BRIEVEN.
kandelaren, geen zon en maan meer heeft, omdat het Lam zelf daar de kandelaar is die haar verlicht.
Dat Lam heeft macht om te eten te geven van den boom des levens, want, zoo vangt de (tweede) brief aan den engel der gemeente van Smyrma aan: Hij is ,de eerste en de laatste, die dood geweest is en levend is geworden.quot; Toen de mensch van den boom des levens niet eten mocht, maar uil het paradijs verdreven werd, was dat, zeide God, opdat hij hier op aarde geen duldeloos, eindeloos bestaan buiten zijn God om, voortslepen zou. Daar is voor den gevallen mensch geen behoud dan door den dood heen. Een zalig eten van den waren boom des levens kan hem alleen geschonken worden door éen, die het leven heeft in zichzelven, dat leven als zijn plaatsvervanger aflegt en het wedèr tot zich neemt. Die Eene is de doodvijand van den moordenaar van den beginne; evenals die moordenaar hem op leven en dood bestrijdt. De gemeente, die zijn lichaam is, ontvangt de belofte dat ze voor zijn naam mag lijden, en de opwekking: âZijt getrouw tot den dood (dat is niet totdat ge sterft, maar tot in den marteldood) en ik zal u geven de kroon des levens.quot; Die overwint (getrouw blijft) zal van den tweeden dood niet beschadigd wordenwant Hij die dood geweest is en levend geworden, heeft den dood verslonden ter overwinning. Niet slechts eet de overwinnaar van den boom des levens; maar alle mogelijkheid van sterven is voor eeuwig afgesneden.
Dat eeuwige leven heeft krachten in zich. Hij die dood was en levend werd, noemt zich in den (derden) brief aan Pérgamus, degene, âdie het tweesnijdend scherp zwaard heeft.quot; De gemeente van Pérgamus heeft belijders gehad, die zich door het zwaard des Satans als getrouwe getuigen hebben laten dooden; die getrouw zyn geweest tot gedood wordens toe. Thans zijn er echter, die den Satan wat willen toegeven, en
29
DE ZEVEN BRIEVEN.
Christendom en valschen godsdienst ondereen mengen, door afgodenoffer te eten. Zij worden bedreigd met den eeuwigen dood door het tweesnijdend zwaard zijns monds, (Die zijn leven zal willen behouden, zal het verliezen.) Maar den overwinnaars wordt beloofd : âIk zal hun te eten geven van het manna, dat verborgen is.quot; (Die zijn leven zal verliezen om mijnentwil, die zal het behouden.) De boom des levens schenkt het leven; het manna, dat verborgen is, geeft de voortdurende levenskracht op reis naar het paradijs. En daarbij ontvangt de overwinnaar âeen witten keursteen, waarop een nieuwe naam geschreven is.quot; Aan het einde der reis kan hij zijn vrijgeleide toonen, zoodat de Rechter met het tweesnijdend scherp zwaard hem ontvangt en toelaat gelijk een Koning zijn beminden onderdaan.
Op dien witten keursteen staat de nieuwe naam, âwelken niemand kent, dan die hem ontvangt.quot; âHij die hem geeft.quot; Daarom noemt Christus Jezus zich in den (vierden) brief aan Thyalire: âDe Zoon van God, die zijne oogen heeft als eene vlam vuurs.quot; Die Zoon van God is het, die ânieren en harten onderzoekt;quot; die vlammende oogen doorzien alles. Maar de overwinnaar, die hét vlammend oog doorstaat, ontvangt 1 i c h t. âIk zal hem de morgenster geven.quot; Die Zoon van God heeft âvoeten blinkend koper gelijk.quot; Daarom zal hij de vrouw Jezabel en hare kinderen ombrengen, en geeft den overwinnaar een ijzeren staf om de heidenen daarmee te hoeden en te verbrijzelen als pottebakkers vaten.quot;
De (vijfde) brief aan Sardis wordt geschreven door Hem, die âde zeven Geesten Gods en de zeven sterren heeft.quot; Niet alleen oogen als vuurvlammen heeft Hij; niet slechts Rechter is Hij ; Hij heeft ook de zeven Geesten Gods enj de zevenvoudige uiting van het geestelijk leven der gemeenten. Die de morgenster heeft, is zelf de bewerker en onderhouder van de
30
31
DE ZEVEN BRIEVEN.
zeven sterren, welke de gemeente Hem ter eere vertoonen. Waarvan zijn die zeven sterren liet teeken? Immers van den heiligen wandel der gemeenten. In Sardis zijn er âdie hun kleederen niet bevlekt hebben.quot; (Ziet dan toe hoe gij voorzich-tiglijk wandelt temidden van een krom en verdraaid geslacht.) Welnu: zij zullen bekleed worden met en wandelen in wille kleederen, overmits zij het waardig zijn. De nieuwgedoopten onder de eerste Christenen vertoonden zich zeven dagen (het getal der volheid) in wille kleederen, ten teeken dal ze Christus Jezus hadden aangenomen als âwijsheid van God, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossingquot;' (1 Cor. I : 30.) Ze zullen, indien ze bun kleederen op aarde niet bevlekken, met zijn volkomen heiligheid bekleed worden; voor eeuwig, want hun naam zal geenszins door Hem uitgedelgd worden uit het boek des levens, maar beleden worden voor zijnen Vader en voor zijne engelen.quot;
Hij heeft de macht om namen uit te delgen, want Hij noemt zich in den (zesden) brief aan Philadelphia: De Heilige, de Waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opent, en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent.quot; Hij is de waarachtige Eljakim uil Jesaja XXII : 20â25. Reeds hier op aarde oefent Hij die macht uit door voor de getrouwe gemeente te Philadelphia (dat is broederliefde) âeen geopende deurquot; te geven âdie niemand sluiten kanquot; (Hieraan zal de wereld bekennen dal gij mijne discipelen zijl, zoo gij liefde hebt onder elkander). Welnu die overwint wordt aan Hem gelijk. Aan Eljakim werden alle vaten, groote en kleine, van zijns, vaders huis gehangen. De overwinnaar wordt een pilaar in den tempel zijns Gods. Hij wordt als een der pilaren Boaz en Jachin in den tempel van Salomo; koperen pilaren die den tempel droegen. De gemeenschap der heiligen van de ware Christenen is de steun der gemeente.
lil li
li
mm [ ! â '
lil
â â â p
'L's'-r
li
illlcl Li: I
K I
#4 11
|||i
i ij' t j; â quot; Pl li
Ãtl
DE ZEVEN BRIEVEN.
Maar âde geopende deurquot; wordt alleen gegeven aan hen, die zelf âde deur opendoenquot; voor Hem. Hij die in den (zevenden) brief aan Laodicea zich noemt âDe Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods,'quot; biedt aan de verachterde lauwe gemeente âgoud en kleederenquot; (heerlijkheid en heiligheid) te koop aan en raadt haar de oogenzalf te gebruiken (het Woord Gods), die reeds in haar bezit is. Hij staat kloppende aan de deur. Hij wil binnenkomen en met haar den maaltijd houden. Die overwint zal âmet Hem in zijnen troon zitten gelijk Hij overwonnen heeft en met zijnen Vader is gezeten in zijnen troon.quot;
Zoo beginnen de beloften met eene herinnering aan het paradijs, en eindigen met het wijzen op den troon. En omgekeerd : zoo vangen de namen, die Hij zichzelven geeft, aan met de heenwijzing naar zijn volbracht werk, als die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt, en sluiten met de vermelding van âHemzelven als hel begin schepping Gods.quot;
En onderwijl nadert de jongste dag. Aan Efeze wordt geschreven : Indien niet, ik zal u haastelijk bij komenquot; (onder-stellender wijze.) Hetzelfde aan Smyrna. Aan Thyatiré : âHoudt wat gij hebt, totdat ik zal komen,quot; (De onderstelling is zekerheid geworden). Aan Smyrna: âIndien gij dan niet waakt, zoo zal ik over u komen als een dief.quot; (De zekere komst geschiedt onverwachts.) Aan Philadelphia; âZie, ik kom ha as-te lijk.quot; En aan Laodicea; âZie, ik sta aan de deur en ik klop.quot; (Hij is er reeds; 't is de laatste ure.) Thans is aan de gemeente niets meer te zeggen. âWat isquot; werd geheel ge-teekend. Nu volgt âhetgeen geschieden zal na dezen.quot;
Het innig verband tusschen Hfdst. Ill en IV vraagt thans in de eerste plaats onze aandacht.
32
VI.
DE TROON IN DEN HEMEL.
Hij, die den sleutel Davids heeft, liet aan de gemeente te Philadelphia schrijven (III : 8); âZie, ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten.quot; De deur der zevende gemeente, Laodicea, was echter voor Hem gesloten. Hij moest tot die gemeente het verwijt richten : Zie, ik sta aan de deur en ik klop.quot; (III : 20) Onmiddellijk daarop vangt het tweede deel der Openbaring (IV : 1) aan: âNa dezen zag ik, en ziet, eene deur was geopend in den hemel.quot;
In den hemel is de ware Hoogepriester âgezeten aan de rechterhand van den troon der Majesteitquot;; want Hij is een bedienaar des heiligdoms en des waren tabernakels, welken de Heere heeft opgericht en geen mensch. (Hebr. VIII : 1, 2.) Als Mozes bevel ontvangt om op aarde een tabernakel op te richten, wordt hij vermaand toe te zien âdat hij het alles maakt naar de afbeelding, die hem op den berg getoond is.quot; Want wat hij zal maken is âvoorbeeld en schaduw der he-melsche dingen.quot; (Hebr. VIII : 5). Daar is dus in den hemel der hemelen, met betrekking tot Gods volk op aarde, eene huishouding, waarvan in stoffelijke zaken geen betere afbeel-
3
DE TROON IN DEN HEMEL.
ding kon gegeven worden dan door den Mozaïschen eeredienst. En daarom, wanneer Johannes geopenbaard wordt wat ter voltooiing van het Godsrijk op aarde verder in den hemel en op aarde geschieden moet, past geen ander beeld dan dat van den tempel in den hemel. De tempel van Salomo had een heilige der heiligen, afgesloten van het heilige door een voorhangsel en een deur. Het voorhangsel is gescheurd toen het vleesch van den Middelaar aan het kruis gescheurd werd en Hij daar doorheen binnenging. Thans ziet Johannes de deur geopend. In het ware heilige der heiligen mag hij niet slechts den blik slaan, maar binnentreden en den troon zien, die op aarde algebeeld was door de arke des verbonds. Dat is het uitgangspunt van alles wat nu volgen zal. Later zal hij zien (zooals we reeds vroeger aanstipten) wat bij het reukaltaar en later bij het brandofferaltaar gebeurt. Daarna zal het Lam den tempel verlaten om al nader en nader aan de aarde te komen. En eindelijk zal de tempel op aarde nederdalen en Gods woning bij de menschen zijn.
De troon in den hemel wordt bekleed door âEen die er op zitquot;. Van dien âEenenquot; beschrijft Johannes geene gedaante. Leert zijn eigen Evangelie ons niet: Niemand heeft ooit God gezien ; de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard?quot; Maar het âaanzienquot; van Gods majesteit wordt ons wel beschreven. Dit is gelijk de steenen jaspis en sardius; wit en rood. Dat wil zeggen zonder beeldspraak: âGod is een licht en gansch geene duisternis is in Hem;quot; en âOnze God is een verterend v u u r.quot;
Gods troon is omringd door een regenboog, welke de (groene) kleur van den smaragd heeft. De regenboog is het beeld van Gods trouw aan zijn genadewoord, gegeven aan hen die het verbeurd hebben.
Vier en twintig tronen staan rondom Gods troon. Deze tro-
34
DE TROON IN DEN HEMEL.
nen zijn de zetels voor vier en twintig ouderlingen. Zij vertegenwoordigen de geheele heilige, algemeene Chrisleiijke kerk, welke de Zone Gods zich verzamelt van het begin dei-wereld af. Die kerk is gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, 't welk aangeduid wordt door het dubbele van het heilige getal twaalf. Deze oudsten zijn bekleed met witte kleederen. In het paradijs voegde de naaktheid aan den mensch ; hij had geen dekking noodig, want hij was rein en heilig. Na den val greep hij zich een eigen gevonden bedekking in de vijgenbladeren. Op de verbreking van het werkverbond kon alleen volgen, van zijne zijde: eigengerechtigheid, van Gods zijde : veroordeeling tot eeuwige schandelijke naaktheid of bekleeding met een andere gerechtigheid. Gods genade gaf hem het laatste, symbolisch in de dierenhuiden, welke God hem aantrok, werkelijk in de gerechtigheid van Christus, die, om deze voor den mensch te verwerven, voor aller oog moedernaakt aan het kruis hing. Naakt zijn is voortaan voor den mensch symbool van eigengerechtigheid en dus van verdoemelijkheid voor God. Het kleed is teeken der verzoening. W i t zijn de kleederen als die der pas gedoopten. De kleederen zijn wit gewasschen in het bloed des Lams.
âZij hadden gouden kronen op hunne hoofden.quot; Met Christus zijn ze, volgens de belofte aan het slot van den zevenden brief, gezeten in zijnen troon als overwinnaars, gelijk Hij heeft overwonnen en is met zijnen Vader gezeten in zijnen troon.
Bliksemen, donderslagen en stemmen gingen van den troon uit. Schrikwekkend voor wie van God gescheiden is. Maar aan den aanvang van de mededeeling van alles wat er geschieden zal, troost en moedgevend. Al de beroeringen en oordeelen, die hel aardrijk zullen treffen, gaan uit van den troon Gods. Ze zijn alle samen de donderwolken, welke den wagen vormen, waarop Gods Zoon wederkomt.
35
DE TROON IN DEN HEMEL.
Voor den troon waren zeven vurige lampen, welke zijn de zeven Geesten Gods. De kandelaar van goud, welke als type in het aardsche heilige gevonden werd, die op aarde in de vorige hoofdstukken werd verklaard te zijn de afbeelding van de Christelijke kerk, dooraderd van den Heiligen Geest, staat ook voor den troon in den hemel en wel als antitype. Hij is hier het beeld van de triomfeerende kerk.
Voor den troon is een glazen zee. De afbeelding op aarde van deze zee was het koperen waschvat. Deze zee van kristal is zinnebeeld van de volkomen heiligmaking, welke der kerk ten deel valt in de bezieling door den Heiligen Geest.
De troon rust op vier dierengestalten. Deze zijn in het midden des troons en rondom den troon. Ze zijn hetzelfde als de cherubim, dat is âde levendenquot;, welke Ezechiël zag als dragende den troon des Almachtigen (Ezech. I en verv,). Deze dieren zijn in gelijkenis als een leeuw, een stier (âkalfquot;); het derde met het aangezicht als een mensch, en liet vierde als een adelaar. Zij zijn de symbolen van moed, kracht, verstand en snelheid. Ze vertegenwoordigen de geheele schepping. Zij vormen niet den troon, maar zij dragen hem. Ze hebben elk zes vleugelen, ten teeken van hunne bereidheid om Gods wil te volbrengen. Ze zijn âvan binnen vol oogen,quot; waardoor wordt aangeduid de alles doordringende en bezielende werking van Gods Geest. En rusteloos, nacht en dag, verheerlijken zij God met de woorden: âHeilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, die is, en die was en die komen zal!quot; Ze zingen dus alleen het lied ter verheerlijking van den almachtigen Schepper, die onophoudelijk alle dingen door zijn eeuwige kracht in stand houdt; van het lied der verlossing is hier geen sprake. Dit visioen beteekent dat God de Schepper i m m a-n e n t is; dat wil zeggen dat God niet slechts al wat bestaat geschapen en in orde gemaakt heeft, zooals een horlogemaker
36
DE TROON IN DEN HEMEL.
quot;«li 1
37
een uurwerk in elkaêr zet, waarna het vanzelf loopt; maar dnt Hij alle dingen draagt door het woord zijner macht; dat Hij geen oogenblik er zich aan onttrekt; dat zijn Geest onophoudelijk alles bezielt; dat Hij zich door die schepping als middel openbaart; in éen woord dat wij in Hem âleven, ons bewegen en zijn.quot;
Zonder ophouden stemt de kerk met dit lied der schepping in. Telkens wanneer de diergestalten Hem die op den troon zit, en die in alle eeuwigheid leeft (dat is, Hem die alles regeert en wiens onvergankelijkheid en onveranderlijkheid het voortbestaan van het door Hem geschapene waarborgt) heerlijkheid en eere en dankzegging gaven â dat is dus voortdurend â vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem neder, aanbaden Hem en wierpen hunne kronen voor den troon. Ze zongen daarbij: âGij, Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer en de kracht, want Gij hebt alle dingen geschapen, en door uwen wil zijn zij en zijn zij geschapen.quot; Door voor den troon neder te vallen en God te aanbidden erkennen de ouderlingen den Almachtige. Door hunne kronen voor den troon neder te werpen erkennen zij dat de heerlijkheid, waartoe zij verheven zijn, haar oorsprong in zijn almachtig welbehagen heeft. En met hun lied bevestigen zij het lied der schepping. Wanneer de diergestalten (de schepselen) eere en heerlijkheid en dankzegging Gode brengen, bevestigen de ouderlingen: âGij, Heere, zijt waardig die te ontvangen.quot; De schepping brengt die onbewust. Dat God het waardig is, spreekt de kerk uit.
Van de verlossing is ook in dit lied der kerk geen sprake. Eerst zal de Verlosser (het Lam, staande als geslacht) optreden ; dan eerst kan het lied der verlossing aangeheven worden. Een diepe wenk ligt hierin. Het doel der verlossing in Christus Jezus is niet de zaligheid der verlosten. Die zaligheid is
m ü
i
:5nM ff
IMI
li ! I| f è'l ji;
lil |'
11
'11
Pf
Itl
' K
Ifpil ⢠lil
mh j
If': IK
1
jlilil
Jd
DE TROON IN DEN HEMEL.
38
middel. Doel is de herstelling der schepping, opdat het Koninkrijk Gode en den Vader zij, en God alles zij in allen. De kerk heeft het doel van haar bestaan bereikt wanneer de geheele schepping wedergeboren is. âAlles is het uwe, en gij zijt van Christus, en Christus is Gods.quot;
VIL
HET LAM VOOR DEN TROON. DE BOEKROL MET DE ZEVEN ZEGELEN. HET DRIELEDIGE LOFLIED DES HEELALS TER EERE VAN HET LAM.
In de hand van Hem, die op den troon zat, zag Johannes een boekrol aan beide zijden beschreven en gesloten met zeven zegelen. Deze rol in de hand des almachtigen Gods bevatte zijne raadsbesluiten, door welker tenuitvoerlegging de afgevallen schepping weder hersteld kon worden en geheel aan haar doel beantwoorden. Gods rechtvaardigheid verbiedt het openen van deze zegelen toe te staan zonder dat genoegdoening aan zijn recht gegeven en daardoor de vloek opgeheven is. Zijne barmhartigheid doet het aanbod bij monde van den sterken engel (V : 2), maar niemand in den hemel, of op de aarde,* of onder de aarde is daartoe gerechtigd. Niemand is instaat dien vloek in zich op te nemen en hem zoo te dragen dal hij verdwijnt en dat de drager als overwinnaar overblijft.
En daarom barst Johannes in tranen uit. Niet omdat z ij n e redding nu ook tot de onmogelijkheden behoort, maar omdat God nu niet tot zijne eer kan komen. Het verbreken der zeven zegelen moet niet geschieden ter bevrediging van de nieuwsgierig-
40 HET LAM VOOR DEN TROON. DE BOEKROL .MET DE ZEVEN ZEGELEN.
heid; niet uit eigenbelang. Neen, dat verbreken der zegelen is het openen en ten uitvoer leggen van Gods raad; het lezen van den boekrol is het afkondigen en vervullen van den inhoud.
De kerk van Christus weet beter. Een der ouderlingen, namens allen, wijst Johannes op Een, die de zegelen breken kan. Die eene is de Leeuw uit den stam van Juda. Hij is de wortel Davids. Hij heeft overwonnen om het boek te openen en zijn zeven zegelen te breken. En wanneer Johannes' oog dien Leeuw zoekt, ontmoet het een Lam.
Tweeledig is het karakter van het optreden van Jezus Christus. Hij is een Lam in zijne verhouding van Middelaar Gods en der menschen. Hij is gekomen als offer ter verzoening van de zonden der geheele wereld. Hij heeft voor de zijnen zijn ziel uitgestort in den dood. Hij is een Leeuw in zijne verhouding namens God tegenover den Satan, de macht des kwaads ; van welke het initiatief uitging om Gode zijne schepping en haar naar Gods beeld geschapen onderkoning te ontrooven. Toen het Lam geslacht werd, sneuvelde de Leeuw. Toen God in Christus de wereld met zichzelven verzoende, werd de kop der Slang vermorzeld. Toen het bloed des Lams op het altaar geplengd werd, trad de Leeuw, gansch alleen, den wijnpersbak van den toorn Gods. Toen het Lam moedernaakt aan het kruis hing, toog de Leeuw den overheden en machten hun wapenrusting uit. Toen het Lam opgewekt werd, stond de Leeuw triomfantelijk op. En aangezien hier sprake is van de herschepping waar de geheele schepping in deelt, vestigt de kerk van Christus de aandacht op den L e e u w. Die Leeuw heeft rondgezien of er een helper was; maar er was niemand. En toen heeft âzijn eigen arm Hem heil beschikt en zijne grimmigheid Hem ondersteund. Hij is het dus die in gerechtigheid spreekt en machtig is om te verlossenquot; (Jes. LXI11).
HET DRIELEDIGE LOFLIED DES HEELALS TER EERE VAN HET LAM.
Hij is de Leeuw uit den stam van Juda; niet de Leeuw uit den schoot des Vaders. Zonder zijne vleeschwording was de overwinning onmogelijk. Ook als Leeuw is hij Middelaar. Hij is niet uit den wortel Davids, maar hij is d e wortel Davids ; diens Zoon, maar zijn Heer. Hij bestaat niet omdat David geleefd heeft. Maar David ontleent zijn geheele beteekenis aan Hem. Zonder Hem zou er van David geen sprake zijn.
Dezen Leeuw ziet Johannes als Lam, staande in het midden van den troon, van de vier dieren, van de ouderlingen. Hij is âerfgenaam van alles ; door wien God ook de wereld gemaakt heeft; het afschijnsel zijner heerlijkheid ; het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid (in het midden des troons); die alle dingen draagt door het woord zijner kracht (in het midden dei-vier dieren); die de reinmaking onzer zonden door zichzel-ven heeft teweeggebrachtquot; (in het midden van de ouderlingen) (Hebr. I : 2, 3). Dat Lam staat daar âals geslacht.quot; De belofte is zoo zeker als de vervulling; maar zonder vervulling is de belofte niets. Het Lam, dat geslacht is geworden, (niet dat zich zal laten slachten) heeft daardoor overwonnen om het boek te openen. Die zich liet slachten zoo dat Gods gerechtigheid er door voldaan werd, verwierf daardoor het recht om zijne raadsbesluiten uit te voeren, want de uitvoering van die raadsbesluiten is niets anders dan de voltooiing van het verlossings- en herstellingswerk, waarvan het geslacht worden de aanvang was.
Zeven hoornen en zeven oogen heeft dat Lam; welke zijn de zeven Geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen. Volkomen kracht en volkomen wijsheid heeft dat Lam, nadat het geslacht is, ontvangen; den vollen Geest Gods. Niet voor zichzelven, maar door Hem is die volle Geest uitgezonden in alle landen. Met andere woorden: dat Lam heeft als Hoofd van het lichaam, de gemeente, zijn Pinksterfeest gevierd.
4-1
4-2 HET LAM VOOR DEN TROON. DE DOEKROL MET DE ZEVEN ZEGELEN.
Dit Lam wordt niet door den Troonbekleeder geroepen om het boek te ontvangen. Neen, de oproeping is in het algemeen geschied. En daarop komt het Lam, zelfbewust, niet uit genade toegelaten, maar krachtens zijn goed recht voortredende. Het Lam voldoet aan de voorwaarden. Het neemt het boek uit de rechte rhand Desgenen, die op den troon zit. Dat het boek aan het Lam met de rechterhand wordt overgereikt, toont aan dat het Lam, om zoo te zeggen, als procuratiehouder van den Almachtige zal optreden.
Nu is de gelegenheid gegeven dat al de verschrikkelijke dingen kunnen gebeuren, die de zeven zegelen verborgen houden en waarvan ze zwanger gaan. En juist daarom is er nu geen plaats meer voor geween, maar alleen voor lofzegging en aanbidding. Doch deze volgen nu juist in de omgekeerde orde van Hfdst. IV. Daar, voor den troon Gods, jubelde 3erst de schepping en stemde de kerk meê in. Hier, aan de voeten des Lams, opent, de kerk het reigezang, stemmen de heirscharen der engelen meê in en bekrachtigt de schepping de lofzegging. Naar de orde der schepping wordt Gode prijs en eere gebracht. Naar de orde der herstelling ontvangt het Lam heerlijkheid. De gemeente heeft reeds de eerstelingen des Geestes, terwijl het schepsel nog in barensnood zucht. Onze geest is reeds leven om der gerechtigheid wil, terwijl ons lichaam nog dood is om der zonden wil. Eerst is Christus verrezen; daarna zullen opstaan die in Christus ontslapen zijn; dan volgt de wederoprichting aller dingen.
De ouderlingen zingen: âGij zijt waardig het boek te nemen en zijne zegelen te openen, want gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met uw bloed uit alle geslacht en taal en volk en natie, en gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesters en wij zullen als koningen heerschen op de aarde.quot;
Hun komt de eerste plaats in het koor toe, want zij zelf
HET DRIELEDIGE LOFLIED DES HEELALS TER EERE VAM HET LAM. 43
zijn verlost. Maar niet om hunnentwil zijn ze verlost. Ze zijn G o d e gekocht; ze zijn ter eere Gods tot koningen en priesteren gemaakt, leder atoom van egoïsme, ook in hel verlangen naar de eeuwige zaligheid, is uit den booze. En daarom, wij zullen als koningen heerschen op de aarde, beteekent niet: âzoo heerlijk worden wij!quot; maar: zoo begenadigt God door ons als middel, de schepping.
Ontallijke engelen ziet Johannes daarop rondom den troon, de dieren en de ouderlingen staan. Zij vormen den wijdsten kring. Alleen ter eere van hun Schepper en van hun Hoofd gaat hun de zaak aan; evenals zij bij de grondlegging der wereld vroolijk zongen. Hun jubellied klinkt: âHet Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.quot; Zevenvoudige, dus volkomen, lofzegging ter eere van de volkomen zelfopoffering door het Lam getoond.
En daarop komt de finale van het loflied. Het heelal barst los in éen langen jubeltoon: âHem die op den troon zit en het Lam zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid!quot; De redelijke schepping (de kerk en de engelen) zingen hier den lof van het Lam alleen. Zij kunnen de zaak doorzien. De redelooze schepping kan niet anders beginnen te rekenen dan bij den Schepper, en ze gevoelt in haar barensnood dat het Lam de grond der verlossing is.
âGij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht.quot;
âHet Lam, dat geslacht is.quot;
âHem die op den troon zit en het Lam.quot; Zieldaar de drie motieven van het lied, naar de eigenaardige verhouding, waarin ieder der groepen zangers tot het Lam geplaatst is.
Met een âAmen!quot; bekrachtigen de vier dierengestalten dit lied.
En nu keert alles tot God weder, en vallen de vier en twintig ouderlingen neder, niet meer voor het Lam, maar om
HET LAM VOOR DEN TROON. DE BOEKROL MET DE ZEVEN ZEGELEN.
den Drieëenigen God, âHem die leeft in alle eeuwigheidquot; te aanbidden.
Volkomen is ons in deze beide Hoofdstukken toegelicht wat er volgen zal. Gods raadsbesluit omtrent de wereldgeschiedenis voor zoover ze in rechtstreeksch verband staat met de herschepping der schepping, waarvan Christus de Verlosser is. Het naaste, hoogste, heerlijkste in deze herschepping is het âzichzelven voorstellen van de gemeente als eene Bruid, straks eene Huisvrouw, die geen vlek of rimpel heeft of iets dergelijks, maar die heilig en onberispelijk is.quot;
VIII.
DE ZEVEN ZEGELEN. DE OPENING VAN DE EERSTE VIER ZEGELEN.
Onder het gejubel van de kerk, de engelenwereld en de redelooze schepping had het Lam uit handen van Hem, die op den troon zit en leeft in alle eeuwigheid, het boek van Gods raadsbesluiten genomen, thans zal (in Hoofdst. VI) de opening van het boek plaatsgrijpen. Hetgeen Johannes ziet en hoort bij het openbreken van elk der zeven zegels, wordt volkomen duidelijk wanneer we de groepeering dier zegels en de begeleidende omstandigheden van hunne opening vooraf nauwkeurig gadeslaan.
Duidelijk zijn er twee groepen zegels: en wel v 1 e r en d r i e. De drie zijn weer gesplitst in t w e e en e e n. De vier gaan voorop. Bij de opening van elk dier vier geeft een der dier-gestalten, een der cherubim, die den troon dragen, eene stem als een donderslag van zich. Elk dier diergestalten roept: âKom !quot; In onze vertaling staat: âkom en zie!quot; Maar kenners der oude handschriften, die volkomen vertrouwen verdienen, verzekeren dat die beide woorden âen zie,quot; in de beste handschriften niet voorkomen. Daar is werkelijk alle reden i n de
4-6 DE ZEVEN ZEGELEN. DE OPENING VAN DE EERSTE VIER ZEGELEN.
indeeling van het boek zelf om dit aan te nemen. Immers âkom en zie!quot; zou alleen zin hebben indien het tot den ziener Johannes ware gesproken. Maar reeds in Hoofdst. VI : 1 lezen we dat tot hem gesproken wordt: âKom hier op, en ik zal u toonen wat welhaast geschieden moet!quot; âEn,quot; laat Johannes er op volgen, âterstond was ik in den geest.quot; Het zou dus geen zin hebben wanneer nog eens bij elk zegel tot hem gezegd werd: âkom,quot; want hij was er reeds. Maar wanneer er alleen âkom !quot; staat, wordt de zaak geheel anders. Bij de opening van elk der vier zegels roept een der diergestalten âkom!quot; en dat wel met een stem als een donderslag. Zij roept dat dus vol verlangen den komenden Richter toe. De vier diergestalten vertegenwoordigen de schepping. Welnu âhet gan-sche schepsel is der ijdelheid onderworpen; niet gewillig,quot; maar om onzentwil, die het door onzen val der ijdelheid onderworpen hebben. âHet gansche schepsel zucht in barensnood, en verwacht met uitgerekten halze de openbaring van de kinderen Gods;quot; dat is de opstanding der geloovigen, zoodat ze weer volkomen instaat zijn om als Gods onderkoningen de schepping te regeeren. Zal het daartoe ooit komen, dan moeten de zegelen van het boek opengebroken worden door het Lam, dat daartoe overwonnen heeft. Wanneer dus het Lam werkelijk tot die opening overgaat, roept de gansche schepping vol vreugde, vol verlangen: âkom!quot; Want door dat openen van het boek komt Hij.
Bij het openen van het vijfde zegel roepen zij, op wier openbaring de schepping wacht: âTot hoelange, Heere!quot; Met andere woorden: op het viervoudig âkom!quot; volgt de kreet: âWanneer komt gij?quot;
En wanneer het zesde zegel gebroken wordt schreeuwen zij, die niet in het Lam hunne verlossing hebben gezocht: âDe groote dag zijns toorns is gekomen.quot;
DE ZEVEN ZEGELEN. DE OPENING VAN DE EERSTE VIER ZEGELEN. 47
Hiermee is dus tevens de maatstaf ter beoordeeling van den inhoud der gerichten gegeven.
De vier ruiters, die op de opening der eerste vier zegelen uitrijden, kunnen onmogelijk Romeinsche keizers of voorname ketters of iets dergelijks zijn. Dat de vier diergestalten bij voorkeur haar aandacht op die vier ruiters vestigen, toont aan dat we hier te doen hebben met catastrophen die de schepping treffen. We bevinden ons op het terrein der algemeene genade. Ons wordt geschilderd hoe de komst van het koninkrijk Gods wordt bevorderd in de maatschappelijke toestanden.
De eerste ruiter berijdt een wit paard, houdt een boog in de hand, hem wordt een kroon gegeven, en hij gaat uit overwinnende en opdat hij overvvonne. âDit evangelie des konink-rijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot eene getuigenis allen volken, en dan zal het einde komen.quot; (Matth. XXIV : 14). Het paard is wit en duidt daardoor de heiligheid van den ruiter aan. Met groote snelheid (Ie paard) trekt het Evangelie de wereld door. Een ruiter leidt het paard, waardoor de tempering en beheersching van de snelheid wordt afgebeeld. Dit geldt voor alle vier de paarden. Een boog heeft de .ruiter in de hand; want de strijd is nog niet volslreden. Een kroon wordt hem gegeven, want de overwinning is in beginsel reeds behaald. Hij gaat uit overwinnende en opdat hij overwonne. De gemeente weet in het eerste visioen reeds dat elke schijnbare nederlaag des Evangelies toch eene overwinning is en dal de beslissende zegepraal zeker zal behaald worden. Deze troost zal overvloedig bij de volgende tooneelen tepas komen.
Het tweede paard is rood. Het heeft de kleur des bloeds en der wrake. Hem, die daarop zat, werd gegeven den vrede van de aarde te bannen, en te maken dat de menschen elkander doodden. Hem werd een groot zwaard gegeven. âWant het
46 DE ZEVEN ZEGELEN. DE OPENING VAN DE EERSTE VIER ZEGELEN.
indeeling van het boek zelf om dit aan te nemen. Immers âkom en zie!quot; zou alleen zin hebben indien het tot den ziener Johannes ware gesproken. Maar reeds in Hoofdst. VI : 1 lezen we dat tot hem gesproken wordt: âKom hier op, en ik zal u toonen wat welhaast geschieden moet!quot; âEn,quot; laat Johannes er op volgen, âterstond was ik in den geest.quot; Het zou dus geen zin hebben wanneer nog eens bij elk zegel tot hem gezegd werd: âkom,quot; want hij was er reeds. Maar wanneer er alleen âkom!quot; staat, wordt de zaak geheel anders. Bij de opening van elk der vier zegels roept een der diergestalten âkom!quot; en dat wel met een stem als een donderslag. Zij roept dat dus vol verlangen den komenden Richter toe. De vier diergestalten vertegenwoordigen de schepping. Welnu âhet gan-sche schepsel is der ijdelheid onderworpen; niet gewillig,quot; maar oin onzentwil, die het door onzen val der ijdelheid onderworpen hebben. âHet gansche schepsel zucht in barensnood, en verwacht met uitgerekten halze de openbaring van de kinderen Gods;quot; dat is de opstanding der geloovigen, zoodat ze weer volkomen instaat zijn om als Gods onderkoningen de schepping le regeeren. Zal het daartoe ooit komen, dan moeten de zegelen van het boek opengebroken worden door het Lam, dat daartoe overwonnen heeft. Wanneer dus het Lam werkelijk tot die opening overgaat, roept de gansche schepping vol vreugde, vol verlangen; âkom!quot; Want door dat openen van het boek komt Hij.
Bij het openen van het vijfde zegel roepen zij, op wier openbaring de schepping wacht: âTot hoelange, Heere!quot; Met andere woorden: op het viervoudig âkom!quot; volgt de kreet; âWanneer komt gij?quot;
En wanneer het zesde zegel gebroken wordt schreeuwen zij, die niet in het Lam hunne verlossing hebben gezocht: âDe groote dag zijns toorns is gekomen.quot;
DE ZEVEN ZEGELEN. DE OPENING VAN DE EERSTE VIER ZEGELEN. 47
Hiermee is dus tevens de maatstaf ter beoordeeling van den inhoud der gerichten gegeven.
De vier ruiters, die op de opening der eerste vier zegelen uitrijden, kunnen onmogelijk Romeinsche keizers of voorname ketters of iets dergelijks zijn. Dat de vier diergestalten bij voorkeur haar aandacht op die vier ruiters vestigen, toont aan dat we hier te doen hebben met catastrophen die de schepping treffen. We bevinden ons op het terrein der algemeene genade. Ons wordt geschilderd hoe de komst van het koninkrijk Gods wordt bevorderd in de maatschappelijke toestanden.
De eerste ruiter berijdt een wit, paard, houdt een boog in de hand, hem wordt een kroon gegeven, en hij gaat uit overwinnende en opdat hij overwonne. âDit evangelie des konink-rijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot eene getuigenis allen volken, en dan zal het einde komen.quot; (Matth. XXIV : 14). Het paard is w 11 en duidt daardoor de heiligheid van den ruiter aan. Met groote snelheid (te paard) trekt het Evangelie de wereld door. Een ruiter leidt het paard, waardoor de tempering en beheersching van de snelheid wordt afgebeeld. Dit geldt voor alle vier de paarden. Een boog heeft de .ruiter in de hand; want de strijd is nog niet volslreden. Een kroon wordt hem gegeven, want de overwinning is in beginsel reeds behaald. Hij gaat uit overwinnende en opdat hij overwonne. De gemeente weet in het eerste visioen reeds dat elke schijnbare nederlaag des Evangelies toch eene overwinning is en dal de beslissende zegepraal zeker zal behaald worden. Deze troost zal overvloedig bij de volgende tooneelen tepas komen.
Het tweede paard is rood. Het heeft de kleur des bloeds en der wrake. Hem, die daarop zat, werd gegeven den vrede van de aarde te bannen, en te maken dat de menschen elkander doodden. Hem werd een groot zwaard gegeven. âWant het
48 DE ZEVEN ZEGELEN. DE OPENING VAN DE EERSTE VIER ZEGELEN.
eene volk zal tegen het andere volk opstaan en het eene koninkrijk tegen hol andere koninkrijkquot; (Matth. XXIV ; la).
Het derde paard is zwart, de kleur des hongers. Die daarop zat heeft een weegschaal. âEr zullen zijn hongersnoodenquot; (Matth. XXIV : 76).
Het vierde paard is vaal. Het wordt bereden door den dood en gevolgd door liet doodenrijk. âEr zuilen zijn pestilentiën.quot; (Matth. XXIV : 7c.)
Maar tusschen het uitrijden van het derde en dat van hot vierde paard, wordt eene stem uit het midden van de vier dieren gehoord, die zeide: âEen maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning, en beschadig de olie en den wijn niet!quot; De vier dieren, niet eén der vier, roepen dat op 't gezicht van den ruiter met de weegschaal. Dat duidt aan dal er niet alleen sprake is van hongersnood, die gewoonlijk op de oorlogen volgt, maar van een algeheele verwringing van den maatschappelijken toestand. Dit vers schildert ons in éen trek de sociale kwestie: ophooping van het kapitaal, verarming van de kleinere standen. Een maatje tarwe of drie maatjes gerst zijn maar even voldoende voor een man om er een dag hel leven bij te houden. Een penning is het dagloon van een arbeider in het Oosten. Wanneer de man dien penning alleen noodig heeft, schiet er voor zijn gezin niets over. Maar olie en wijn worden niet beschadigd; de weelde kan zich ongehinderd uitbreiden.
Overwinnende en opdat Hij overwinne rijdt Christus Jezus op het woord zijner waarheid (Ps. XLV) de wereld door. Maar tol eene getuigenis. De wereld bekeert zich niet. Eens zullen zijn vijanden zich geveinsdelijk aan Hem onderv/erpen. En daarom volgen Hem zijne oordeelen : oorlog, honger, pest. Ze zijn oordeelen om zoo mogelijk onderwerping te veroorzaken. In elk geval zijn ze oordeelen, die de wederkomst van
DE ZEVEN ZEGELEN. DE OPENING VAN DE EERSTE VIER ZEGELEN. 4-9
Christus Jezus bevorderen. Ze behooren ons niet te ontmoedigen, maar het woord te herinneren: âIndien gij deze dingen ziet gebeuren, zoo heft uwe hoofden op, wetende dat uwe verlossing nabij is.quot;'
De opening van het vijfde en het zesde zegel vereischt afzonderlijke bespreking. Hun inhoud is van geheel ander karakter dan die van de eerste vier.
4
IX.
HET VIJFDE EN HET ZESDE ZEGEL.
De eerste vier zegelen, wier opening door de vier dierge-stalten werd ingeleid, gaven ons te zien welke catastrophen in de natuur en de maatschappij de komst van het koninkrijk Gods voorbereiden en verhaasten. Het getal vier duidt dat aan. Want â zooals we in een der eerste opstellen herinnerden â de sleutel tot recht verstand der Openbaring ligt voornamelijk in de getallen. Drie zegelen bleven nog ongeopend. Het drietal toont aan dat we hiermee op geheel ander terrein, en wel dat der zichtbare kerk komen. Wat in de eerste vier zegelen wordt afgebeeld behoudt zijn kracht alle eeuwen dezer bedeeling door: snelle maar getemperde verkondiging (daarom nog niet: aanneming) van het Evangelie; oorlogen; hongersnood; kastijdingen door ziekten; en door dat a.les al erger en erger verwikkeling van de maatschappelijke toestanden.
Zal dat alles helpen?
Ja ; in zooverre als God altijd zijn doel bereikt en alles van tevoren bepaald heeft dat het alzoo geschieden zal.
Neen, voor zoover wij, menschen, oordeelen. De volken be-keeren zich niet; en ofschoon het Evangelie de wereld door-
HET VIJFDE EN HET ZESDE ZEGEL.
rijdt, vraagt de Zoon des menschen óf Hij nog geloof zal vinden op aarde wanneer Hij wederkomt ten gerichte.
Dat blijkt bij de opening van het vijfde zegel. Dat opent ons een inzicht in de belijdende kerk. De kerk belijdt en daarom lijdt zij. Toen het Lam het vijfde zegel geopend had zag Johannes onder het altaar âde zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden.quot; En zij riepen met groote stem, zeggende: âHoe lang, o heilige en waarachtige Heerscher, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op aarde wonen?quot; En aan een iegelijk werden lange witte kleederen gegeven, en hun werd gezegd dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hunne mededienstknechten en hunne broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij.quot;
Onder het altaar ziet Johannes zielen. In den hemel is het origineel, waarvan de tempel Salomo's, naar het model van Mozes' tabernakel gebouwd, de afbeelding, of liever het type was. In den voorhof des tempels was een brandofferaltaar. Daarop werd voor alles op den verzoendag geofferd. Verder werd dagelijks daarop het morgen- en het avondoffer gebracht; te negen ure quot;s morgens en te drie ure 's namiddags telkens een lam. Dat lam was de afbeelding van Jezus Christus aan het kruis, die des morgens te negen ure er aan genageld werd en te drie ure den geest gaf. Deze offeranden verzoenden de dagelijksche schuld der uitverkoren gemeente. Alle andere offers werden op die lammeren gebracht: zoenoffers, brandoffers, schuldoffers, dankoffers, drankoffers. Paulus zegt dat hij als een drankoffer wordt geofferd. Een drankoffer verzoende geene schuld; het werd uitgegoten over het brandoffer van de lammeren heen. Zoo verzoende Paulus' bloed, door Nero vergoten, zijne schuld niet. Integendeel, omdat het ware Lam was geofferd, kon Paulus een drankoffer zijn. Anders ha4 sujn olfer
51
HET VIJFDE EN HET ZESDE ZEGEL.
niet eens mogen gebracht worden. Maar nu werd Paulusquot; bloed als 't ware uitgegoten over hel Lam, dat aan het kruis hing, en daardoor Paulus' offer als offer der dankbaarheid, der vrijwillige overgave, aangenaam maakte. Zulk een offerande is elke marteldood.
Onder het brandofferaltaar in den tempel was een diepe put, waarin het bloed der offerdieren samenvloeide. âDe ziel is in het bloedquot; heeft God tot Noach gezegd. Daarom mocht niemands bloed vergoten worden, en zal de mensch het bloed van den moordenaar vergieten. Daarom was den Israëliet het eten van bloed streng verboden. Daarom is dit niet alleen een ceremoniëel verbod, maar bleef het op de Jeruzalemsche synode ook voor de Christenen uit de heidenen gehandhaafd. âDat ze zich onthouden van de dingen, die door afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte en van bloedquot; (Hand. XV : 20). Afgodendienst is afhoereeren van God. Hoererij is een trap van bloedschande. Dingen die van de afgoden besmet zijn, tasten in God aan datgene, waarvan het bloed des men-schen type is. Hoererij onteert het bloed des menschen. Het verstikte kon niet doodbloeden en heeft bedorven bloed in zich. En het bloed der dieren is symbool van âde ziel des Heeren Jezus, die Hij gegeven heeft tot een rantsoen voor velen.quot; Het zijn dus geen vier geboden, maar het is éen vierledig gebod, dat allen Christenen van alle eeuwen gegeven is. Eer. verstrikt hert, een zoogenaamde âbloedbeulingquot; enz. zijn ons verboden.
Onder het altaar in den hemel kan geen bloed samen-stroomen. Maar gelijk onder het aardsche brandofferaltaar het bloed, dat is de ziel der offerdieren bijeenvloeide, zoo worden onder het altaar in den hemel de zielen der martelaren bewaard.
Voor hen, die het vergoten, is het bloed der martelaren
52
HET VIJFDE EN HET ZESDE ZEGEL.
geen offerbloed. Het is het bloed van Abel en allen, die hem in den marteldood gevolgd zijn. Dat bloed ,roept van den aardbodem.quot; Op het ware brandofferaltaar werd Jezus Christus geslacht. God heeft Hem tot een zoenoffer voorgesteld; aangeboden. 't Is het bloed der verzoening en daarom âspreekt het betere dingen dan dat van Abel.quot; Maar het bloed der martelaren is door hen vrijwillig als drankoffer gegeven; doch tegenover de goddeloozen die het vergoten staat het gelijk met dat van Abel. En daarom roept hun bloed, hun leven, hunne âzielenquot; met groote stem: âHoe lang, o heilige en waarachtige Heerscher! oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen ?quot;
âWreekt uzelven niet, beminden,quot; is des Heeren gebod aan de geloovigen. Maar niet omdat wraak duivelsoh is; integendeel, omdat ze niet menschelijk, maar goddelijk is. âWant,quot; zegt God, âMij komt de wrake toe ; 1 k zal het vergelden.quot; Zoodra de zonde ontstond, zou Gods gerechtigheid in ongerechtigheid veranderd zijn, indien Hij geen wrake had genomen op het onrecht. De vraag is nu niet: âZult Ge wreken?quot; maar: âwanneer wreekt Ge?quot; Dat is met andere woorden: âWanneer komt Gij weder? Wanneer eindigt de tegenwoordige bedeeling ?quot; Want alle oor-deelen, die uit het openen der eerste vier zegelen voortkomen, zijn beproevingen, kastijdingen, pogingen der goddelijke lankmoedigheid, maar de wrake zijn ze niet.
De zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods en om de getuigenis die zij hadden, ontvangen lange witte kleederen, maar daarbij de aanzegging dat zij nog een kleinen tijd moeten rusten, totdat ook hunne mededienstknechten en hunne broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden gelijk als zij. De dag der wrake is tevens de dag van de âopenbaring der kinderen Gods.quot; Dezen reizen nog incognito. Hun leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Chris-
53
'h' bi â â¢
w
i ui
| if ⢠f
r
safe
' i''
m
Ei '«tf I
i J)
HET VIJFDE EN HET ZESDE ZEGEL.
tus geopenbaard wordt, worden ook zij geopenbaard. Ze zijn éen met Hem. Daarvan ontvangen ze nu de getuigenis. Hun bloed schreeuwt om wraak; maar den Heere was het eene offerande tol een welriekenden reuk. Zij worden bekleed met de gerechtigheid van Christus; met het kleed der reinheid en der overwinning; met den priestermantel. Maar volmaakt zijn ze niet zonder de overige bloedgetuigen, die nog geofferd zullen worden. Een lichaam is eerst volmaakt als het volwassen is; ook het lichaam van Christus.
De kreet der wrake vindt evenwel verhooring. De dag der wrake vangt aan, en wel in de opening van het zesde zegel. De opening veroorzaakt een groote aardbeving. De aardbeving is in de Schrift het vaste beeld van burgeroorlog en omwenteling. Toen de Heere op Horeb aan Elia verscheen, gingen voor Hem henen een storm, een aardbeving en een vuur. Daarop volgde zachte stilte, waari n de Heere was. Eerst moest Hazaël gezalfd worden, die als een storm van oorlog Israël teisteren zou. Daarna moest Jehu gezalfd worden, die als een aardbeving van burgerkrijg den maatschappelijken toestand zou omkeeren. Voorts moest Elisa gezalfd worden, die als een louterend vuur de ongerechtigheid zou uitbranden. Daarop komt de Heere zelf in de zachte stilte van den waren Gezalfde, die het rockende lemmet niet uitbluscht.
Een groote aardbeving, een omkeering van alle sociale toestanden is de aanvang van den dag der wrake. Alles raakt onderstboven. De beginselen der groote, antichristelijke revolutie werken door. Ze openbaren zich in het âni Dieu, ni maitre,quot; in socialisme, nihilisme, anarchisme en God alleen weet welke satanische werkingen nog volgen zullen. De zon (het zinnebeeld van de Zon der gerechtigheid Christus Jezus) wordt verduisterd ; de maan (het teeken zijner kerk) wordt als bloed; de sterren (de dienaren des Evangelies, de openbaringen van het
54
HEÃ VIJFDE EN HET ZESDE ZEGEL.
geestelijk leven) vallen in den grooten afval uit den hemel. De hemel wijkt weg als een boekrol die toegerold wordt; het platste materialisme stiigt ten troon; er is geen hemel meer, er bestaat alleen stof. Alle bergen bewegen uit hunne plaats; alle godsdienst houdt op, want bergen zijn het beeld van de valsche godsdiensten en de berg Sion is het beeld van de openbaring Gods. Alle eilanden worden uit hunne -plaats bewogen; alle staten en rijken dealen in de omwenteling; want eilanden zijn in de Heilige Schrift het beeld van de volken in hun staatkundige beteekenis; uitgenomen het volk Gods, dat vasteland is. De zee is de volkerenwereld; de eilanden zijn de staten.
Allen, allen ongeloovigen, van den aanzienlijkste tot den geringste, vaart het voorgevoel der naderende wrake Gods door de leden. Allen vluchten en roepen bergen en steenrotsen toe: âValt op ons en verbergt ons van het aangezicht desgenen die op den troon zit en voor deu toorn des Lams.quot;
Zij gevoelen, al willen ze het niet erkennen: God leeft en regeert. Zij gevoelen, al willen ze het niet toestemmen: de naam van Christus Jezus is de kern der wereldgeschiedenis, de spil waar alles om draait. Het Lam staat op en komt van uit het heilige der heiligen bij het reukaltaar. Het doet een grooten stap nader. Zelf is het Lam nog niet gekomen, maar de dag zijns grooten toorns is aangebroken. ?t Is het begin van het einde. Wie zal bestaan?
Neen, de dag zelf is nog niet gekomen, ofschoon al de haters van het Lam in hun vertwijfeling dit meenen. Dit is nog slechts âhel beginsel der smarten.quot;
Wie zal bestaan ? De nieuwe menschheid. De wanhoopskreet is volkomen gerechtvaardigd en zou zelfs den uitverkorenen den schrik om het harte doen slaan. Maar hel vertroostend antwoord wordt gegeven in het lichttafereel in het volgende hoofdstuk.
55
X.
DE WINDSTILTE. DE TWAALF MAAL TWAALF DUIZEND EN DE SCHARE DIE NIEMAND TELLEN KAN.
âWie kan bestaan?quot; Zoo sneed de wanhoopskreet vau alle aardbewoners door de lucht bij de geweldige natuurschokken, die Johannes op de opening van het zesde zegel zag volgen.
Het antwoord op die vraag, die onwillekeurig ook in zijn hart weerklank vond, werd hem onmiddellijk gegeven.
Vier engelen zag Johannes staan op de vier hoeken der aarde, houdende de winden uit de vier hemelstreken, maar gereed ze als orkanen los te laten. Daar zullen dus nieuwe schuddingen en beroeringen volgen; allerlei oorlogen. Maar voordat die losbarsten, komt een engel van het oosten (den opgang der zon, den hemelstreek van het leven) met het zsgel des levenden Gods, en roept met groote stem den vier engelen der winden toe: âBeschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de boomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hunne voorhoofden.quot;
Dit visioen doet ons onmiddellijk denken aan dat, hetwelk Ezechiël (IX en X) had. Het loopt daarmede om zoo te zeggen parallel. Maar het is er niet aan ontleend. Integendeel, het is de volmaking van dat visioen. Zooals de tak aan den boom
DE WINDSTILTE. DE TWAALF MAAL TWAALF DUIZEND 57
groeit, en de twijg uit den tak voorlkomt, en de vrucht uit de twijg ontspruit, zoo staat de Oud-Testamentische profetie tot de Nieuw-Testamentische en de Nieuw-Testamentische tot de vervulling. Babel is het anti-Christelijke wereldrijk in zijn aanvang. Om zijner zonden wil wordt Israël er door ingeslokt. Maar op het oogenblik dat âde opzieners, elk met zijn verdervend wapen in de hand, de stad Jeruzalem naderen, om haar uit te rooien, zendt Jehovah een man met linnen bekleed (in priesterkleeding) met eens schrijvers inktkoker in de hand,quot; om Jeruzalem te doorwandelen en allen, âdie zuchten en uilroepen over de gruwelen, die in haar midden gedaan worden,quot; te teekenen met het teeken Thau (de Hebreeuwsche letter quot;T, den vorm van het kruis) aan hunne voorhoofden. Onderwijl verlaat de Schechina het heilige der heiligen en stelt zich op den dorpel des tempels, met het doel om tempel en stad te verlaten, zoodra deze teekening en de slachting der overigen afgeloopen is. Aan de zes mannen met hun verpletterende wapenen wordt bevel gegeven om dadelijk achter den man met linnen bekleed aan te komen en de overigen, ouden, jongelingen, maagden, kinderkens en vrouwen, te dooden. Dat geschiedt; en wanneer alle voorhoven, ook de voorhof des tempels, door de lijken der omgebrachten vervuld en verontreinigd zijn, vraagt Ezcchiël; âAch Heere Heere, zult Gij al het overblijfsel van Israël verderven?quot; Het antwoord dat hij ontvangt, is min of meer ontwijkend. âMijn oog zal niet verschoonen en Ik zal niet sparen, maar hun weg op hun hoofd geven, want het land is met bloed vervuld en de stad is vol van afwijking.quot;
Of allen zullen omkomen wordt nog niet met zooveel woorden gezegd. Zoodra de man met het linnen kleed verslag doet van zijn opvolgen van Jehovah's bevel, gebiedt God handen vol vuurs van tusschen de cherubs te nemen en over de stad uit te strooien. Dit geschiedt, en onderwijl wordt Ezechiël
58 DE WINDSTILTE. DE TWAALF MAAL TWAALF DUIZEND
in een heerlijk visioen geopenbaard om welke gruwelijke zonden zoo ontzettende plaag over Israël komt. Maar aan het einde van dat visioen ontvangt hij meer dan voldoende antwoord op zijn angstige vraag of a 1 het overblijfsel wordt uitgeroeid. Neen, God zal ze verre wegdoen, maar ook in het vreemde land hun heiligdom nog een weinig zijn. Hij zal hen weder vergaderen; hun het land Israëls teruggeven; alle verfoeiselen wegdoen; hun eenerlei hart en een nieuwen geest schenken, en zij zullen voortaan Hem tot een volk en Hij zal hun God zijn.quot;
Maar Ezechiël ziet het niet; hij moet het g e 1 o o v e n. Want het slot van deze vertroostende openbaring luidt: âMaar welker hart hel hart hunner verfoeiselen en gruwelen nawandelt, derzelver weg zal ik op hun hoofd geven.quot; En onmiddellijk daarop verlaat de Schechina tempel de stad en vertrekt naaiden Olijfberg, om op te varen ten hemel.
Het gezicht eindigt. Ezechiël bevindt zich weder onder de Israëlieten, die bij de eerste belegering van Jeruzalem naar Babel zijn gevoerd, en spoedig volgt de tijding van den alge-heelen val van Jeruzalem.
Dat is als 't ware de tak aan den boom. Als twijg aan dien tak ontspruit de voorzegging van den Heere Jezus omtrent de verwoesting van Jeruzalem door Titus, door de Romeinen, die in hun wereldrijk een grooten stap nader dan Babel zijn tot het wereldrijk van den Antichrist. Parallel met de teekening der getrouwen loopt de vlucht der Christenen uit het Joodsche land naar Pella. Parallel met hel vertrekken van de Schechina uh den tempel loopt het woord van Jezus (den waren Schechina): jZiet, uw huis wordt u woest gelaten. Want ik zeg u; gij zult mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij die komt in den naam des Heeren!quot; Ook dat moet g e-1 o o f d worden; er is niets van te zien. Er zal dus een tijd
EN DE SCHARE DIE NIEMAND TELLEN KAN.
komen, waarin Israël dat zeggen zal: de tijd waarvan Jehovah vertroostend tot Ezechiël sprak.
De vrucht aan die twijg is wat Johannes hier ziet en hoort.
Maar Jeruzalem is aan de heidenen overgeleverd; het volk des Heeren is uit zijn land verstrooid. Er is geen sprake meer van het teekenen dergenen, die nog in de stad zijn; neen, ze bevinden zich over de aarde, over de zee (de volkerenwereld) en tusschen de boomen verspreid. Geteekend worden ze echter.
Daarna ontvangt Johannes tweeërlei openbaring; de eerste omtrent de honderd vier en veertig duizend uit Israël, de tweede omtrent de schare uit alle natiën, geslachten, volken en talen, die niemand tellen kan. Maar die openbaringen zijn onderling zeer verscheiden. Het verschil zit in twee kleine woorden. De eerste hoort Johannes, maar hij ziet niets. De tweede ziet hij. Dat is de sleutel.
âIk hoorde het getal dergenen die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls.quot;
De doorloopende geschiedenis van Israël tot aan het einde der wereldhistorie is, dat men hoort, door het geloof weet maar niet ziet, hoe het behouden blijft. Dit kenmerk vangt aan bij Elia. Het antwoord, dat God hem op zijne klacht geeft, is van wereldhistorische beteekenis.
Elia heeft de Baaispriesters uitgeroeid, en het gevolg daarvan is dat de koningin Isébel zich niet onderwerpt aan Gods wil, maar zijn profeet doet weten: âBinnen vier en twintig uren wordt het doodvonnis ook aan u voltrokken.quot; Dat kon dus zoo maar openbaar geschieden; het volk zou het niet verhinderen. De uitroep: âJehovah is God! Jehovah is God!quot; was dus slechts een stroovuur. Daarom vlucht Elia en klaagt, zoodra hij God ontmoet: âIk ben alleen overgebleven.quot; Maar God verzekert hem: âIk heb Mij zevenduizend in Israël over-
59
60 DE WINDSTILTE. DE TWAALF MAAL TWAALF DUIZEND
gelaten, die de knie niet voor Baal gebogen en hem niet afgodisch gekust hebben.quot;
Jesaia vraagt, bij zijne roeping tot profeet, als de heerlijkheid des Heeren Heeren hem verschijnt: âHoe lang zult Gij eene voleinding maken?quot; en hem wordt gezegd: âHet heilig zaad zal het steunsel zijn,quot; maar evenals een boom des winters, zonder vrucht of blad, schijnbaar dood daar staat en in zijn binnenste de levenskracht heeft, waardoor hij in de lente weer uitbot, evenzoo is Israël. Men moet het van dien boom g e 1 o o v e n en van Israël evenzeer.
Jeremia leeft tijdens den totalen ondergang van zijn volk; maar uit de stikdonkere, van onheil zwangere wolken zijner profetieën schieten zoo nu en dan bliksemstralen, die den nacht verlichten, in woorden als de voorzeggingen omtrent de gedachten van David en Levi, die niet worden afgesneden; omtrent de ordeningen van zon, maan en regenboog, die blijven ; omtrent bet vleezen hart, waarin Gods wet zal gegrift zijn, zoodat eens niemand den ander zal behoeven aan te sporen om God te kennen.
En als eindelijk Paulus in den brief aan de Romeinen bespreekt hoe de waarheid door Israël verworpen en van dat volk verdwenen is, om de heidenen te gaan verlichten, roept hij uit: âHeeft dan God zijn volk verlaten? Dat zij verre! Ik ben ook een zoon van Abraham. Maar wat zegt het goddelijk antwoord lot Elia? âIk heb Mijzelven nog zevenduizend overgelaten, die de knie voor Baal niet gebogen hebben.quot; Zoo is er dan ook in dezen tegen woordigen tijd een overblijfsel naar de verkiezing der gen ad e.quot; Hij vraagt niet: âwat zei,quot; maar âwal zegtquot; hel goddelijk antwoord lot Elia. Hij zegt niet: âEvenzoo is er nu ook een overblijfselmaar hij concludeert uit het antwoord, dat Elia duizend jaren vroeger ontving, dal er in zijn tijd een over-
EN DE SCHARE DIE NIEMAND TELLEN KAN.
blijfsel is. Want dat antwoord is symbolisch. Zeven is het getal der volheid. Duizend wijst op de voortdurende volheid waardoor het uitverkoren volk, door de ware kinderen Abrahams, welke het bevat, onvergankelijk blijft. Het antwoord aan Elia is een antwoord ook voor Paulus' dagen ; ook voor alle tijden. In overvloedige volheid vinden we het in de Openbaring terug. De stammen Israels zijn niet drie en vier, maar drie maal vier. Uit eiken stam worden verzegeld niet drie en vier maal duizend, doch drie maal vier maal duizend. Boven bidden en denken houdt God woord. Elke stam van Israël op zichzelf heeft volkomener vervulling, dan de geheele belofte aan het gezamenlijk Israël kon doen vermoeden.
Maar ten tijde van de groote aardbeving onder het zesde zegel wordt het getal dier verzegelden alleen nog slechts door het geloofsoor vernomen. Het ziet er uit alsof de enkelen alleen zijn overgebleven; want eerst moet de volheid der heidenen ingaan, en dan zal Israël zalig worden. En voordat die dag aanbreekt zal Israël zijn diepste diepte bereiken in het voortbrengen van den Antichrist.
De eerste helft van het antwoord op de vraag; âWie zal bestaan?quot; is gegeven. De kern van Israël blijft bestaan, wanneer alles schokt en omvervalt, en allen vlieden.
Het tweede gedeelte van het antwoord op de vraag, die ook in zijn hart had weêrklonken : â Wie zal bestaan?quot; ziet Johannes. âNa dezen zag ik, en ziet, een groote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon en het Lam.quot; De verloste menschheid zal bestaan wanneer alles het onderst boven gekeerd wordt.
Het tooneel wordt Johannes in den hemel te zien gegeven. Daarin ligt nog niet de ontwijfelbare aanwijzing dat hier sprake
61
62
is van gezaligden. Veeleer ligt er in een bewijs voor de zekerheid der zaak; een schitterende aanduiding van de oorzaak hunner standvastigheid, waardoor zij âvolharden tot het einde;quot; een heerlijke openbaring van den troost der eeuwige uitverkiezing. In den vorm van den tegenwoordigen tijd wordt de toekomstige zaligheid der verlosten te aanschouwen gegeven. Verlosten zijn ze reeds hier; hun roeping en verkiezing ligt vast; ze zijn uit den dood in het leven overgegaan, en van de heiligheid hebben ze hier op aarde in hun hart wel slechts een klein beginsel, maar ze hebben het beginsel, waaruit de volkomen zaligheid zeker zal opgroeien, zooals de machtige eikeboom zich ontwikkelt uit den onaanzienlijken eikel.
De geloovigen zijn bekleed met âlange witte kleederen:quot; ze hebben de gerechtigheid van Christus zonder hun toedoen uit vrije genade verkregen. Maar ze hebben die lange witte talaren wit gemaakt, âgewasschen in het bloed des Lams.quot; Dat is hier dagelijksch werk. Zichzelven konden ze in eeuwigheid niet wasschen, maar eenmaal gewasschen, eenmaal gereinigd zijnde, is hun taak âzichzelven onbesmet te bewaren van de wereld.quot; Hun roeping is voortdurend te gelooven in de kostbare waarheid, die Luther tot volle ruimte bracht; âIk geloof in de vergeving der zonden.quot; Die wassching van het witte kleed is wat Johannes zegt: âIndien iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij den Vader : Jezus Christus den Rechtvaardige.quot;
Eens zullen ze daar staan, volkomen gewasschen en met de palmtakken der overwinning in de handen, en jubelend met groote slem: âDe zaligheid zij onzen God, die op den troon zit, en het Lam!quot; Zaligheid is volheid. Wanneer eenmaal de geheele schaar der verlosten voor den troon jubelt, is de volheid volkomen, waarbij âGod alles is in allen.quot; De gemeente wordt in den brief aan die van Efeze genoemd ; âde vervulling desgenen, die alles in allen vervult.quot; Er is wisselwer-
EN DE SCHARE DIE NIEMAND TELLEN KAN.
king. Jezus Christus als het Hoofd vervult al de leden. De leden gezamenlijk als lichaam maken Hem volkomen. Zij erkennen verlost te zijn niet tol hun eigen genoegen, maar ter eere van God en het Lam, en daarin ligt hun zaligheid besloten.
De engelen, begeerig om in dit heerlijk geheim in te zien, vormen den wijdsten kring en lofzingen; âAmen! De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen!quot;'
Een der ouderlingen vraagt Johannes of hij weet wie deze zaligen zijn. Gelijk met vele punten uit de Openbaring aan Johannes het geval is, heeft men ook dit tafereel maar al te dikwijls zinnelijk opgevat en het uitgelegd alsof een visioen eene photographie instantanée ware. Daardoor is men er toe gekomen om onderscheid te maken tusschen de ouderlingen en de schare, die niemand tellen kan, in dien zin alsof er werkelijk in den hemel vier en twintig bevoorrechte mannen zitten op even zooveel tronen. Het eerste visioen in den hemel heeft ons duidelijk doen zien dat de vier en twintig ouderlingen symbool van de geheele gemeente zijn. Daar zijn echter uitleggingen, die van de openbaring niets dan waarzeggerij maken, en de geestelijke heerlijkheid des hemels om-tooveren in een soort van mohammedaanschen hemel, die geheel berekend is op onze zinnelijkheid. Niets is minder waar dan dat. Het past ons uit het stof op te stijgen tot het geestelijke; maar God heeft niet het geestelijke neergetrokken in het zondige stof. Het antwoord, dat de ouderling Johannes op zijn heilbegeerige vraag: âHeer! gij weet het!quot; geeft, toont ons dat overvloedig.
âDeze zijn het, die uit de groote verdrukking komen ; en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen, en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams.
63
64 DE WINDSTILTE. DE TWAALF MAAL TWAALF DUIZEND
âDaarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in zijnen tempel; en die op den troon zit, zal hen overschaduwen. Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch, eenige hilte; want het Lam, dat in het midden des troons is zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen.quot;
Twee gelijkluidende bijbelplaatsen komen hier in aanmerking. Ze zijn niet âgelijkluidendquot;' omdat dezelfde woorden er in voorkomen, hetgeen voor sommige Bijbellezers genoeg schijnt te zijn, maar omdat de daarin vervatte profetieën blijkbaar de wortel zijn voor deze plaats uit de Openbaring. En ze zijn maar niet de wortel, gelijk enkelen dat dikwijls opvatten, in dien zin dat Johannes deze teksten voor den geest stonden, maar zoo dat de ware, eenige auteur der Heilige Schrift bij Johannes laat zien wat de tweede, de eigenlijke vervulling van deze plaatsen uit het oude Verbond is.
De eerste is Jesaia XXV : 6â8.
âEn de Heere der heirscharen zal op dezen berg allen vol-
!) Een enkel voorbeeld van dergelijke Sehriftuitlegging. In een pas verschenen boek over de Openbaring vonden we de mededeeling, dat de cherubs uit Open. IV verloste menscben zijn. De redeneering is deze: Engelen hebben vleugelen, de cherubs âdierenquot; hebben ook vleugelen. In zijn antwoord op de strikvraag omtrent de zeven broeders, die eene vrouw hebben gehad, zegt de Heere Jezus : âZe zijn als de engelen Gods.quot; De verlosten zijn als de engelen; en zullen dus ook vleugelen hebben (sic!). Ze zijn geen engelen, maar als de engelen. Dus zijn ze deze cherubs.quot; Zoo kan men, onderden schijn van zich âletterlijkquot; aan de Schrift te houden, er van maken wat men wil. Maar dat is de ..letterlijklieid,quot; waarvan Van Koetsveld verhaalt in een zijner oudejaarsavondvertellingen. In een boerengezin wordt het laatste vers van Psalm 90 gezongen, en de knecht zingt ook van harte meê, omdat hij den regel; , En laat uw werk aan uwe knechten blijken,quot; zoo toepasselijk vindt!
EN DE SCHARE DIE NIEMAND TELLEN KAN.
ken een vetten maaltijd maken, eenen maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. En Hij zal op dezen berg verslinden het bewindsel des aange-zichts, waarmede alle volken bewonden zijn, en het deksel, waarmede alle natiën bedekt zijn. Hij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere Heere zal de tranen van alle aangezichten afwisschen; en Hij zal de smaadheid zijns volks van de gansche aarde wegnemen; want de Heere heeft het gesproken.quot;
.lesaja zingt daar een zegelied over de verwoesting van Babel, die honderd twintig jaren later zou plaats hebben, en profeteert in de aangehaalde woorden van de heerlijkheid, die uit de verstoring van deze stad der tirannische volken (van dit wereldrijk, dit symbool van den antichrist) zal rijzen. De ballingschap in Babel is afspiegeling van de âgroote verdrukking.quot; Op âden berg des Heeren,quot; in de voorhoven des tempéls zal God voor alle volken een vetten maaltijd aanrichten; d. i. ze zullen allen komen om hun dankoffer te brengen, dat in de voorhoven des Heeren Hem ter eere werd gegeten onder opheffing van den âbeker der dankzegging.quot;
De tweede plaats is Jesaja XL1X. Daar zegt Jehovah van zijn knecht den Messias, dat het gering is om alleen de stammen van Jakob en de bewaarden in Israël door Hem op te richten. Hij wordt ook gegeven tot een licht der heidenen en om Gods heil te zijn tot aan de einden der aarde.quot;
En daarom verhoort Jehovah Hem in den tijd des welbehagens en helpt Hem in den dag des heils. Hij geeft Hem tot een verbond des volks (Israëls) en om het aardrijk (de overige volken) weder op te richten. En verder : âom te zeggen tot de gebondenen; Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn: Komt tevoorschijn! Zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoo-ge plaatsen zal hunne weide wezen. Zij zullen niet hongeren,
5
65
66 DE WINDSTILTE. DE TWAALF MAAL TWAALF DUIZEND
noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken: want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders der wateren zachtjes leiden.quot;'
Dus; door twee groote daden zegent God zijne schare van verlosten, die niemand tellen kan, zoo dat volkomen verlossing en blijdschap hun deel wordt; en wel le door de verwoesting van het antichristelijk wereldrijk, waarmeê de groote verdrukking ophoudt; en 2e door verhooging van den Messias, die in de diepste diepte van die groote verdrukking bedolven werd en daar den droesem van den beker smaakte, maar heerlijk als overwinnaar er uit verrees. De schare, die niemand lellen kan, voor den troon, is het âzaad dat de knecht des Heeren, volgens Jesaja LUI zien zal als Hij zijne ziel tot een schuldoffer zal gesteld hebben.quot;
Johannes hoort profetisch hoe de volheid van Israël bewaard zal blijven in den grooten afval en de straf Gods die daarop volgt. En hij ziet, evenzeer profetisch, hoe datzelfde geschiedt met de uitverkorenen uit alle geslachten en volken. Johannes ziet het resultaat van hun volharding in visioen.
De ongeloovigen kruipen weg in holen en spelonken en schreeuwen het uit: âWie kan bestaan voor het aangezicht van het Lam?quot; Als logenstraffend antwoord op die vraag der wanhoop slaan jubelend en verheerlijkt hun slachtoffers voor hetzelfde Lam, dat hen overschaduwt, hen spijst en drenkt, hen weidt als de goede Herder, terwijl God zelf als de teederste Vader de tranen van hunne oogen afwischt.
De opening der zeven zegelen brengt de vreeselijkste oor-deelen over de aarde. Maar zoodra het Lam begint ze te openen, juicht de geheele kerk, de schepping en de engelenwereld. Uit de opening van het zevende zegel zullen zeven bazuinen met nog grooter verschrikkingen voortkomen. Daar
EN DE SCHARE DIE NIEMAND TELLEN KAN.
67
opent zich een nieuwe periode. Derhalve wanneer de zes zegelen geopend zijn en hun verwoestende werking hebben uitgericht, volgt een lichttafereel, dat juist door de zesdubbele duisternis der zes zegelen des te sterker op den voorgrond treedt, en doet zien hoe overvloedige reden van dank en jubel er ontstond door het feit, dat het Lam het boek met de zeven zegelen ter opening aanvaardde.
XL
HET ZEVENDE ZEGEL. DE STILTE IN DEN HEMEL.
Hetgeen in het Vile Hoofdstuk beschreven is, behoorde bij de opening van het jzesde zegel. Onmiddellijk na het visioen van de groote schare voor den troon volgt dus de opening van het zevende zegel. Die opening veroorzaakt het optreden van de zeven engelen, die bazuinen zullen. Het bazuinen van den zevenden dier engelen roept de zeven engelen, die, in de fiolen, de zeven laatste plagen hebben, in welke de toorn Gods is geëindigd (Hfdst. XV : 1). In de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij zijnen dienstknechten, den profeten, verkondigd heeftquot; (Hfdst. X : 7). Dit verband toont ons aan dat de geheele inhoud van het boek der Openbaring bestaat, zooals we reeds vroeger opmerkten, uit niet meer dan twee hoofddeelen; 1° wat is; en 2° wat na dezen geschieden zal. Dat laatste ligt geheel opgesloten in zeven zegelen. Alles wat de zeven bazuinen en de zeven fiolen inhouden, is gevolg van de opening van het zevende zegel. Daarom heeft die boekrol zeven zegelen (het getal der volkomenheid), en niet meer, die alleen door het Lam verbroken worden, want de Vader heeft âal het gericht den Zoon overgegeven.quot;
HET ZEVENDE ZEGEL. DE STILTE IN DEN HEMEL.
Het zevende zegel verschilt in meer dan één opzicht van de zes vorige. In de eerste vier gaat de donderstem van de vier diergestalten uit: âKom!quot; Die vier zegelen vormen éen groep. De plagen worden over de menschheid uitgestort, buiten de werkzaamheid der geloovigen om, door middel van de stoffelijke schepping, en treffen ook voornamelijk stoffelijk. Ze zijn als zoovele tuchtroeden te beschouwen, waardoor beproefd wordt of de menschheid zich tot God wil keeren. De opening van het vijfde zegel doet zien dat de straffen, door de eerste vier over de bewoners der aarde gebracht, het doel niet bereikt hebben. Inplaats van bekeering als resultaat te zien, ontmoeten we treurig verrassend ontelbare martelaren, wier vergoten bloed om wraak roept. De geloovigen krijgen dus een werkzaam aandeel aan de verdere ontknooping van de wereldgeschiedenis. Dit wraakgeschrei en het antwoord dat er op volgt bereidt ons voor op veel erger tafereelen, veel vreeselijker straffen dan de eerste vier zegelen brachten. Dadelijk daarop volgt dan ook de opening van het zesde zegel een tooneel van zoo geweldige verwoesting, dat zelfs de ongeloovigen er eene wrake van den Christus in zien, en dat aan Johannes en in hem aan de gemeente een vertroostend en bemoedigend licht-tafereel te aanschouwen wordt gegeven. Dit lichttafereel van de kerk, die staande blijft in de algemeene omkeering, geeft haar echter niet alleen moed, maar verbindt haar ook nauwer aan haar Heer en Hoofd. Hate werkzaamheid is nu niet onzijdig als in 't eerst, niet om wrake roepend als onder 't vijfde zegel; maar wordt gebed. Zij klimt dus op en nadert haar wederkeerenden Heiland, en Hij van zijne zijde komt haar tegemoet.
De eerste zes zegelen opende Hij voor den troon (in het heilige der heiligen,) maar dadelijk na de opening van het zevende zegel treedt Hij aan het wierookaltaar (dus in het
69
HET ZEVENDE ZEGEL. DE STILTE IN DEN HEMEL.
heilige.) Dus komen de laatste tijden nu; de ontknooping nadert met rasse schreden. Wel moet er nog zeer veel gebeuren ; Zooveel dat niet weinigen alles wat onder de eerste zes zegelen is geschilderd, tot de vroegste eeuwen der Christenheid hebben teruggedrongen om plaats te geven aan de Hoofdstukken VIIIâXX; maar men mag niet uil 't oog verliezen dat in Hfdst. VIII ; 1 het laatste zegel reeds geopend wordt en dat er geen zegelen meer volgen zullen. Voorts weet ieder in onze eeuw, dat de menschheid al vlugger en vlugger voortleeft en de wereldgeschiedenis zich al sneller en sneller ontplooit. 't Gaat er mee als met den val van eenig voorwerp, waarvan de snelheid met elke seconde meer dan verdubbelt. De toepassing der krachten van stoom en electriciteit, welke God den menschen in onze eeuw, en niet vroeger, deed uitvinden, heeft beslissen-den invloed op den loop der wereldgebeurtenissen. Een halve eeuw geleden zou de tijding der nederlaag op Lombok zes maanden noodig gehad hebben om Nederland te bereiken. Zes maanden zouden noodig geweest zijn om nieuwe troepen te zenden. En eerst weer zes maanden later zou men bericht van de overwinning in het vaderland ontvangen hebben. Die acht en zeventig weken zijn in onzen tijd tot zes weken ingekrompen. Zooveel leven we dus werkelijk vlugger.
Nu beweer ik volstrekt niet dat dit ook zijn invloed heeft op de gebeurtenissen, die in verband staan met de wederkomst van Christus, maar juist het tegenovergestelde. Boekdrukkunst, buskruit, stoom en electriciteit zijn geen seconde vroeger ot later uitgevonden dan noodig was om den weg te banen voor den wederkomenden Christus. Zijn komst wordt er niet door verhaast, maar Hij versnelt zijn pas en daardoor volgen de gebeurtenissen sneller op elkaêr. Instinctmatig loopt nu ook de Satan vlugger om zijn Antichrist tevoorschijn te brengen ; want alles hangt er zijns inziens van af wie de eerste zal zijn. En
70
HET ZEVENDE ZEGEL. DE STILTE IN DEN HEMEL.
dat doet het ook.... met dien verstande dat de laatste d e b 1 ij v e n d e is en de eerstkomende verdwijnt.
In een enkel woordje geeft het bericht van de opening des zevenden zegels ons ook als 't ware op het hemelsch uurwerk te zien hoe laat het is in de wereldgeschiedenis. Het is de tijd voor het reukoffer; drie ure des namiddags. Voor hen, wie de dag des Heeren zal overvallen als een dief in den nacht is dat de laatste nachtwake. De Heer des huizes zal komen des avonds laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond.quot; later niet. Welnu: âKindekens, het is de laatste ure!quot; We naderen den tijd tus-schen het hanengekraai en den morgenrood. Verdere tijdsbepaling dan Gods Woord zelf aan de handen geeft is niet alleen roekeloos, maar volstrekt ongeoorloofd. Maar de bepalingen, die het meedeelt, mogen niet over 't hoofd gezien worden. Alleen dient steeds in 't oog gehouden dat bij Hem, voor wien duizend jaren zijn als een dag en een dag is als duizend jaren, onze tijdsindeeling niet geldt en daarom het einde dezer bedeeling genaderd kan zijn, terwijl de aarde nog eeuwenlang in haar tegenwoordigen staat blijft bestaan.
Toen het Lam het zevende zegel geopend had, ontstond er in den hemel een stilzwijgen van omtrent een half uur. Kennelijk staat dit stilzwijgen in verband met het te brengen reukoffer. Zoodra het zegel geopend is ziet Johannes âdezeven engelen, die voor God staan,quot; en hun worden zeven bazuinen gegeven. De zeven aartsengelen, die het dichtst bij den troon des Almachtigen geschaard staan om op zijn wenken en bevelen te passen, die in zijne raadszitting zijn door Hem verkoren om de uitvoerders van de verhooring der gebeden van de heiligen te zijn. âZij staan voor God.quot; Gabriël wijst zich-zelven aan als een hunner, toen hij tot Zacharias in het heilige zeide: âIk ben Gabriël, die voor God sta.quot; Op aarde werd
71
â
â 1 1 'i
fcifl |||
It
Sill; iilfi' 11
â¢i.
Ià «]|
II j | J:| !
li
lüf
IH
ii i «fit
iiii 1;
72 HET ZEVENDE ZEGEL. DE STILTE IN DEN HEMEL.
dezelfde plaats ingenomen als door de zeven engelen in den hemel, door Elia, naar zijn eigen woord de eerste maal dat hij tot Achab spreekt. Johannes de Dooper, het antitype van Elia, noemt zich âde vriend des Bruidegoms, die staat en zijne stem hoort.quot; De beide getuigen, van welken Openb. XI handelt zijn âde twee olijfboomen en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan.quot; Deze uitdrukking is dus van bijzondere beteekenis. Ze wijst ons het bijzonder groot gewicht, dat te hechten is aan de verschijning der personen, van welke ze gebruikt wordt.
Ieder dier zeven engelen ontvangt eene bazuin. Daaraan is duidelijk te herkennen wat het bijzonder doel van hun optreden is. âDe Zoon des menschen zal zijne engelen uitzenden met eene bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het eene uiterste des hemels tot het andere uiterste derzelve.quot;
Het beeld van deze bazuinen vinden we onder het Oude Verbond gegeven in de zilveren trompetten, die tot den eere-dienst des tabernakels behoorden. Voornamelijk tweeërlei bestemming hadden deze trompetten. Ze riepen het bondsvolk samen tot den krijg tegen de vijanden des Heeren, en ze leidden het nieuwe jaar in. Zevendubbel was de vreugde wanneer hun klank het aanbreken van het jubeljaar aankondigde. Dan werd door hen uitgeroepen âhet jaar van het welbehagen des Heeren en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten; om den treurigen Zions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikeboomen der gerechtigheid, eene planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde.quot;
De zeven bazuinen kondigen dus het begin van het einde aan; den dag des welbehagens èn der wrake. In de dagen des
i
HET ZEVENDE ZEGEL. DE STILTE IN DEN HEMEL.
zevenden engels âzal de verborgenheid Gods vervuld worden.quot; Dan âzal de Heere zelf met een geroep, met de stem des archangels en met de bazuine Gods nederdalen van den hemel en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet in de lucht, en alzoo zullen wij altijd met den Heere wezen.quot;
Aan het begin van de stilte van een half uur worden de bazuinen aan de zeven engelen ter hand gesteld. Meer niet: zij wachten. Het reukoffer moet voorafgaan. Zoodra dat gebracht is, zullen zij zich bereiden om te bazuinen. En daarna eerst zal elke bazuin op hare beurt weerklinken.
73
1
i:
ill
1
f l f | :l
i al
XII.
HET OFFER DES REUKWERKS IN DEN HEMEL.
Hel eerste, wat Johannes ziet na de opening van het zevende zegel, is de groep der zeven engelen, die voor God staan, en hoe hun zeven bazuinen worden gegeven. Onmiddellijk daarop ziet hij een anderen engel, die aan het reukaltaar staat, met een gouden wierookvat. Het Lam treedt op als Hoogepriester in het heilige. Toen Jezus Christus ten hemel voer, trad Hy als hoogepriester op den grooten verzoendag het heilige der heiligen binnen met zijn eigen bloed, om te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons (Hebr. IX : 24â26.) De verzoening is aangebracht; thans nadert de tijd, dat âHij ten anderen maal, zonder zonden, zal gezien worden van allen, die Hem verwachten tot zaligheidquot; (Hebr. IX : 27â28.)
Hij is reeds uit het heilige der heiligen teruggekomen en brengt nu het reukoffer. Daarop volgde in het Oude Verbor.d het naar buiten komen van den hoogepriester in zijn gouden kleederen, in zijn prachtig ambtsgewaad; welk naar buiten komen de duidelijke voorstelling was van de wederkomst van Christus in heerlijkheid (zonder zonde). Dien geheelen dag had het volk hem nog niet anders gezien dan in het wit, in een staat der vernedering, m e t zonde, doch niet met zijn eigen
HET OFFER DES REUKWERKS IN DEN HEMEL.
zonden, maar met die des volks, en daarom wel vernederd, want hij had zijn âgoudenquot; (dat is, zijn heerlijk blijvende kleederen) niet aan; maar zijn witte (wel vlekkelooze, maar straks af te leggen) kleederen. Hij was dus vernederd, maar niet om zijns zelfs wil, maar ter wille van de zondaren, voor welke hij als priester optrad.
In biddende houding wacht de geheele verzoende schepping zijne terugkomst uit het heilige der heiligen en uit het heilige, waardoor het b e w ij s zal geleverd worden dat de verzoening volbracht is. In biddende houding, want hetgeen straks b e-wezen zal worden, wordt nu geloofd. Vandaar de stilte in den hemel, gedurende het half uur, den tijd dien de engel aan het reukoffer besteedt.
Christus Jezus, de Engel des verbonds, de Heere, die snellijk tot zijnen tempel op aarde komen zal (Mal. 111 : 1) staat aan het reukaltaar. Wat zal Hij offeren ? Hem wordt veel reukwerk gegeven. Dat reukwerk is âde gebeden der heiligen.quot; Dat zal Hij leggen op het gouden altaar, dat voor den troon (voor de arke des verbonds) is. Dat altaar stond in den tabernakel voor de arke des verbonds, zooveel als mogelijk was; het was er van gescheiden door het voorhangsel, maar daar stond het vlak tegen aan. 't Moest dagelijks bediend worden, door alle priesters, ieder op zijn beurt. En het heilige der heiligen met de arke (de troon) was slechts eenmaal 's jaars toegankelijk voor den hoogepriester alleen. De scheiding maakte dus alleen het voorhangsel, dat âhet vleesch van Jezus Christus,quot; zijn menschelijke natuur in den staat barer vernedering, aanduidde en afbeeldde (Hebr. X : 19, 20.) Dus klommen en klimmen de gebeden aller heiligen op lot den Almachtige. De kern van alle waarachtige gebeden is: âUw koninkrijk kome, uw naam worde geheiligd: uw wil geschiede.quot; De Almachtige neemt ze in ontvangst en bewaart ze. Zoodra de Hoogepriester uit het
75
HET OFFER DES REUKWERKS IN DEN HEMEL.
heilige der heiligen terugkeert, worden ze hem gegeven, om ze op te offeren, en onmiddellijk volgt de verhooring.
Het reukwerk bestond uit kleine korrels, vervaardigd uit bepaalde specerijen, die God zelf door Mozes daarvoor had aangewezen. Niemand mocht, op straffe des doods, zulke korrels voor zichzelven vervaardigen ; dat zou aanbidding van het schepsel geweest zijn. Elke korrel stelde een particulier gebed voor; ieder der heiligen komt met zijn eigen smeeking. Maar de korrels worden niet verbrand; ze worden alle tezamen tot een fijn poeder gestooten en dat wordt op het altaar gestrooid. Die gebeden bljiven niet op zichzelf; ze vormen éen geheel. Want alle heiligen samen vormen het éene lichaam van Christus, die het Hoofd is. De gemeenschap der heiligen in Christus werd er door voorgesteld. Zoo maken alle gebeden samen éen groot reukwerk, éen groote universeele bede. Al die gebeden worden den waren Hoogepriester ter hand gesteld, gelijk alle werkzaamheden van het lichaam hun uitgangspunt hebben en zich weer concentreeren in den wil van het hoofd. In iederen heilige afzonderlijk en in allen tezamen bidt de éene Geest.
âDe rook des reukswerks, de gebeden der heiligen, ging op van de hand des engels voor God.quot; Majestueus in eenvoud en duidelijkheid is dit woord.
De verhooring is onverwacht treffend. De hand des engels heeft de gebeden van de heiligen naar God opgezonden; diezelfde hand volvoert de verhooring. Want al wat de Vader doet, doet Hij door den Zoon. Al het oordeel heeft Hij den Zoon overgegeven, en Hij zelf oordeelt niemand. Dit is de verhooring, dat het wierookvat, 't welk de gebeden der hei'igen omsloten heeft gehad, nu door den engel, door Christus Jezus, gevuld wordt âmet het vuur des altaars,quot; en dat Hij dat vuur op de aarde werpt. Dat is het vuur van het brandofferaltaar,
76
HET OFFER DES REUKWERKS IN DEN HEMEL.
want het vuur op het reukaltaar werd onderhouden met kolen van het brandofferaltaar. Dat vuur heeft eens het geslachte Lam, 't welk hier als Hoogepriester staat, als zondoffer verteerd, maar daardoor is het niet uitgedoofd. Neen, het blijft branden tot alle zondaren er door of gered of vergaan zijn en zoo alle zonden vernietigd. Dat vuur is de troon en de gerechtigheid Gods. En de toorn des Lams is dat Hij het vuur, dat Hemzelf verteerd heeft, neemt en werpt op hen, die niet gewild hebben dat het Hem in hunne plaats verleerde. âDie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is aireede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den naam des eeniggeborenen Zoons van God.quot;
De eerste, de tweede en de derrie bazuin brengen in allerlei vorm den brand van Gods toornegloed op aarde. De vierde dooft het weldadige licht. De vijfde en de zesde bazuin veroorzaken brand uit den afgrond. En de zevende bazuin v e r-brandt de groote hoer, die de carricatuur van de bruid des Lams is. Alles wat hel kruislijden van Jezus Christus geestelijk en lichamelijk verschrikkelijks in zich bevatte, saam-geperst in een korte spanne tijds, tot de helsche aanvechtingen en benauwdheden toe, die Hem den kreet: âMijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten !quot; ontwrongen, komt onder de zeven bazuinen over hen, die niet lot hunne verzoening en redding aangenomen hebben dat Hij het doorstond : die niet de hand hebben gelegd op het offerlam, toen het vuur van het altaar Hem aangreep. En daarom is âde toorn Gods daarmede geëindigd.quot; âDezen, die niet hebben gewild, dat Hij koning over hen zou zijn, brengt ze hier en slaat ze voor mijne voeten dood.quot; Zoodra dat geschied is kan de eeuwige bruiloft een aanvang nemen.
Nauwelijks valt het vuur uil hel wierookvat of er âgeschieden stemmen en donderslagen, en bliksemen en aardbeving.quot; In
77
HET OFFER DES REUKWERKS IN DEN HEMEL.
volle kracht herleeft de wet. ,Christus is de vervulling der wet; ja, voor hen, die niet meer onder de wet, maar onder de genade zijn.quot; Maar nu is de hemel als 't ware voor een oogenblik in een Sinaï verkeerd. Deze slemmen, donderslagen, bliksemen en aardbevingen zijn de profetie, het preludium van 't geen de zeven bazuinen zullen brengen. De aarde bemerkt daar niets van. â Johannes, en in hem de gemeente, â is er getuige van, en ziet de verhooring der opgezonden gebeden. Wat op aarde volgen zal is ook zoo verschrikkelijk, dat deze vaste grond om op te staan voor de gemeente noodig is, terwijl zij er getuige van is. 't Is immers zóo dat de Heere Jezus zelf gezegd heeft dat ,die dagen om der uitverkorenen wil zullen verkort worden, want dat anders geen vleesch behouden bleef!quot;
En onderwijl maken de zeven engelen zich gereed om te bazuinen. Ook deze plechtige voorbereiding toont aan hoe vreeslijk en gewichtig de inhoud van de zeven bazuinen zijn zal.
78
XIII.
DE EERSTE VIER BAZUINEN.
Hel eerste dat de aandacht trekt nadat de zeven engelen zich toebereid hebben om te bazuinen, is de ontzettende snelheid. waarmeê de bazuinstooten elkander opvolgen. Alles duidt aan dat de einden der eeuwen ophanden zijn. De verdeeling der bazuinen is evenais die der zegelen in vier en drie. De eerste vier bazuinen treffen: le. de aarde ; 2e. de zee ; 3e. de rivieren ; 4e. de hemellichten. De laatste drie zijn van nog vreeselijker en blijkbaar van geestelijker inhoud. Ze worden ingewijd door een drievoudig âWee!quot; geroep.
Ontelbaar zijn de pogingen om precies met den vinger de gebeurtenissen aan te wijzen, die door het visioen bij elk der bazuinen worden aangekondigd. Aan de eene zijde heeft men alle oorlogshelden en ketters voor de daarin aangeduide voorwerpen en wezens gehouden. Ter andere zijde kwam men, ten einde raad, tot wat men meende een letterlijke opvatting van de geprofeteerde onheilen en meende bijvoorbeeld dat door de werking van de tweede bazuin een meteoorsteen in de Middellandsche zee zal vallen. Bij eenig nadenken zal men moeten toestemmen dat de eisch om âalles letterlijk op te vattenquot; ten. slotte niemand vastzet. Ieder mensch gebruikt da-
DE EERSTE VIER BAZUINEN.
gelijks vele uitdrukkingen, die iedereen âletterlijkquot; opvat en waarvan iedereen weet dat ze niet âletterlijkquot; kunnen genomen worden. Moet men de uitdrukking: âDe zon gaat opquot; letterlijk opvatten? Galilei zei: neen; maar hij werd door de overheden der Christelijke kerk gedwongen om die ketterij te herroepen. Maar niemand denkt er aan om een ander, die in gezonden zin de uitdrukkingen letterlijk opvat, tot de orde te roepen.
Indien dat in het dagelijksch spraakgebruik reeds volkomen gewettigd is, hoeveel te meer in de taal der poëzie. Ieder die leest: De nacht daalt met zijn zwarte vlerken,quot; vat dat letterlijk op in dien zin dat hij weet: het wordt duister, ofschoon de domste er niet uit zal opmaken dat de nacht twee vleugels heeft. In de taal der poëzie kan dat echter nog iets anders he-teekenen, waarin ook niemand zal mistasten. âDe nacht komt, waarin niemand werken kan,quot; sprak de Heere Jezus, en iec'er begrijpt dat Hij van den nacht des grafs sprak. Is zijn woord nu niet âletterlijkquot; te verstaan omdat Hij niet doelde op de wenteling der aarde om haar denkbeeldige as, waardoor zij haar eene halfrond in dier voege van de zon afkeert, dat het zonlicht dat niet meer kan beschijnen.
Een verschrikkelijk ernstig voorbeeld van het gevaar, dat âletterlijkequot; opvatting van de profetieën met zich brengt, levert het Joodsche volk ten tijde van Jezus' eerste komst op aarde. Die âletterlijke opvattingquot; was oorzaak dat men Hem als val-schen Messias kruisigde. Hij kwam immers in geen enkel opzicht met de voorspellingen overeen ?
Slechts ééne soort van profetieën omtrent den Messias kon toen âletterlijkquot; opgevat worden: die van zijn 1 ij d e n. Maar niemand â zelfs zijn trouwste discipelen niet â geloofde d i e âletterlijk.quot; En daar zit het groote gevaar van âletterlijkequot; opvatting. Allle heerlijkheid voor de geloovigen en alle straffen voor de tegenpartij vat men letterlijk op; en alles wat een
80
DE EERSTE VIER BAZUINEN. 81
ernstige roepstem voor de geloovigen is, wordt over 't hoofd gezien. Vóór alles behooren we biddend en ootmoedig te waken dat ten opzichte van de âOpenbaringquot; ons niet het woord treffe: âGa achter mij, Satanas, want gij verzint niet dedingen die Gods, maar die der mensclien zijn;'quot; dat is: die menschen behagen; die zij gaarne willen; maar die daarom nog niet in Gods plan liggen.quot; Letterlijk zal alles vervuld worden; maar er is een lellerlijkheid, waarop het woord van toepassing is, dat Gods wegen hooger zijn dan de onze, en zijne gedachten hooger dan onze gedachten. Hooge hemelsche poëzie is de âOpenbaring,quot; en geen almanak. Ook niet hier en daar poëzie, maar éen geheel, éen dichtstuk van den Heiligen Geest.
Een bewijs legen de verkeerde âletterlijkequot; opvatting is wel 2 Petr. III : 3 â 7. Indien er bazuingeluiden gehoord werden, waarbij een brandende berg in de Middellandsche zee viel, zoodat een derde gedeelle der schepen verging; waarbij door een hagel van bloed en vuur al het gras op aarde en een derde gedeelte der hoornen verbrandde; waarbij een ster op de aarde viel die al het rivierwater en alle welwater bitter maakte, zou ook de hardnekkigsie ongeloovige in elk geval niet kunnen zeggen dat âalle dingen blijven alzoo gelijk van het begin der schepping.quot;
Maar bazuingeklank, dat het geestelijk geoefend oor opvangt en erkent als de verhooring der gebeden van de heiligen, teekenen die hem duidelijk zijn, voorspelt de âOpenbaringquot; ons, want zij is een boek voor de geloovigen geschreven. En daarom zegt de Heere Jezus tot zijne discipelen; âWanneer gij deze dingen ziel geschieden, zoo heft uwe hoofden op, wetende dat uwe verlossing nabij, voor de deur is.quot; Zij zien den dag des Heeren dus reeds van verre, als kinderen des lichts, maar den ongeloovigen overvalt hij âals een dief in den nacht,quot; want voor hen is er geen dag ; zij beminnen de duisternis.
6
DE EERSTE VIER BAZUINEN.
De eerste vier zegelen, door cherubs aangekondigd, melden ons teekenen en oordeelen, die in de aardsche schepping voorvallen, maar alleen voorzoover ze in verband staan met de komst van Gods koninkrijk. De eerste vier bazuinen geven onder het beeld van aardsche plagen te zien wat in de geestenwereld zal geschieden. Het vijfde zegel geeft bij zijn opening een blik op de schare der martelaren onder het altaar. De vijfde bazuin opent een andere diepte, die van den helsehen afgrond, en brengt over de menschen, die niet het zegel Gods hebben, de wrake. De zesde bazuin verdubbelt dubbel de verschrikkingen, die we onder het zesde zegel zagen uitbarsten. En de zevende bazuin begint evenals de opening van het zevende zegel met een lichttafereel. Dat is hoog heilig para-lellisme, dat is de letterlijkheid van de poëzie. Want waarachtige poëzie is de hoogste vorm der waarheid. Alle bombast en hoogdravendheid is niets anders dan haar carricatuur.
Wat nu het rijk des Satans aangaat, hebben we deze l.jn in 't oog te houden. Tot op de opening des zevenden zegels is er sprake van aanloop en toebereiding tot de hoogste openbaring van dat rijk, in den persoonlijken Antichrist; die niet verschenen is, maar van wiens geest Johannes reeds in zijn eersten brief zeide, dat hij aireede in de wereld was. Tot op het slaan der zevende bazuin staat zijn komst vlak voor de deur. De omwentelingen en gerichten, die het gezag ondermijnen en reeds (zie zesde zegel) hier en daar het omverwerpen, zijn in volle werking. Tusschen de zevende bazuin en de eerste fiool is hij verschenen, en de zeven fiolen vernietigen hem. Zoodra de zevende fiool is uitgegoten wordt in den hemel eene stem gehoord: âHet is geschied!quot;
Wie deze leiddraad van het boek, dat het zelf aan de hand geeft, in handen houdt, zal niet voor elke ster of scorpioen den naam van een ketter of een veldoverste kunnen vinden,
82
DE EERSTE VIER BAZUINEN.
want die liggen in hel boek niet. Maar hij zal de wereldhistorie van haar geestelijke ziide kunnen overzien en de teekenen der tijden onderscheiden.
Het bazuinen van den eersten engel veroorzaakt, dat hagel en vuur, gemengd met bloed, op de aarde worden geworpen, en dat daardoor het derde deel der boomen en al het groene gras is verbrand. Onder het Oude Verbond werden meermalen over de vijanden van Gods volk, Israël, zijne oordeelen uitgevoerd door hagelsteenen eu bliksem, die hunne legers vernietigden. Welnu, hier is de aanvang van den strijd op geestelijk gebied. Tegenover deze hagel- en vuurbui staat het gezamenlijk gebed van Gods kinderen, dat door âdeu Vorst van het heir des Heerenquot; tot verhooring gebracht is. Straks zal de verwoede strijd klimmen en het groote teeken gezien worden dat Michaël en zijne engelen den Ouden Draak en diens engelen bestrijden. En eindelijk komt de groote overwinnaar, die een Koning der koningen en een Heer der heeren is, den Antichrist zelf verslaan. Thans zien we bij de eerste bazuin het voorpostengevecht; straks een veldslag; en ten slotte het duel tusschen de beide legerhoofden, dat beslisl. Deze hagel, vuur en bloed verbrandden het derde deel der boomen en al het groene gras. Dat de boomen in de Heilige Schrift, evenals de bloemen, de men-schen beteekenen die door aanleg en positie boven anderen uitmunten, is bekend en wordt bewezen b. v. uit Jesaia X ; 33 â XI : 1, waar de aanzienlijken van Assyrië als cederboomen van Libanon, het leger der Assyriërs als verwarde struiken des wouds en de Messias als het Spruitje uit den afgehouwen tronk van Isaï worden genoemd en tegenover elkaer gesteld. âAlle vleesch is als gras,quot; leert ons Jesaia XL. Daar komt dus â zonder beeldspraak â nadat de beproevingen der eerste vier zegelen vruchteloos zijn geweest een geest der onbe-keerlijkheid, wat Paulus noemt: een oordeel der verharding,quot;
83
DE EERSTE VIER BAZUINEN.
over de onbekeerde menschenwereld, waardoor ze de onge-rechligheid liefhebben.
Het blazen van de tweede bazuin veroorzaakt dat een ding als een groote berg, van vuur brandende, in de zee geworpen wordt, waardoor het derde deel der zee in bloed verandert; liet derde deel der visschen sterft en het derde deel der schepen vergaat. Bergen zijn in Gods Woord het vaste beeld voor ,godsdiensten.quot; Eens âzal de berg des Heeren gesteld worden op den top der bergen,quot; dat is: zijne openbaring, verzinnebeeld in den berg Sion, zal alle valsche godsdiensten ten onder houden en verpletteren. Daarom âmag de berg Bazan met alle heuvelen vrij steigeren, want God heeft den berg Sion tot woning begeerd.quot; De zee â we zagen het reeds â is beeld van de volkerenwereld. Dat de visschen menschen beteekenen, menschen die in de afdeelingen der Kerk worden opgenomen, om aan het einde der eeuwen gesplitst te worden in eene partij, die als goed behouden, en een andere partij, die als onnut weer in zee geworpen wordt, leeren ons de woorden en de gelijkenissen van den Heere Jezus overvloedig. De schepen zijn het zinnebeeld van de groepen, waarin de zichtbare kerk op aarde zich splitst. Zij bevaren de zee, maar worden er niet éen geheel meê. De voorlooper van den' eeredienst van den Antichrist komt in de volkerenwereld als godsdienst van het genie, van de wetenschap. Hij is geen âbergquot; maar als een berg, en volvoert dadelijk zijn zielverwoestende satanische roeping.
Bij het bazuinen van den derden engel valt een groote ster, brandende als een fakkel uit den hemel op het derde deel der rivieren en op de fonteinen der wateren. En de naarr. der ster is Alsem, en het derde deel der wateren werd tot alsem, en vele menschen zijn gestorven door het drinken van de wateren, want zij waren bitter geworden.
84
DE EERSTE VIER BAZUINEN.
In verband met de uitwerking der vorige bazuinen, is het beeld duidelijk. De menschenwereld wordt voorgesteld door de zee, het beeld der rivieren vindt niet minder zijne uitlegging in de Heilige Schrift. âWij zullen niet vreezen, al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën. Laat de wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren door derzelver verheffing. De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.quot; (Ps. XLVI.) De rivieren zijn het beeld van de gechristianiseer-de natiën, die onder de bedauwing des Heiligen Geestes zijn. De fonteinen der wateren, de bronnen van het zoete water zijn de gezinnen, het familieleven van de Christelijke volken. Niet alleen wordt de volkerenwereld vergiftigd en verwoest door den nieuwen eeredienst; ook in de kerk van Christus dringt hij door tot de innigste weefselen, zoodat de âfonteinenquot; door den alsem verbitterd worden. De gezinnen zullen ontkerstend worden, zoodat een derde deel (het getal der volheid voor een onbepaald getal) der kerk op aarde verbitterd wordt en de menschen (geestelijk) sterven door van die wateren te drinken.
Deze verwoesting wordt voltooid door het bazuinen van den vierden engel, waardoor verduisterd worden het derde deel der zon, het derde deel der maan en het derde deel der sterren. Men ziet hieraan dat de beelden natuurlijk niet âletterlijkquot; kunnen opgevat worden. Immers heeft reeds het openen van het zesde zegel tengevolge gehad dat âde zon zwart en de maan als bloed werd en de sterren uit den hemel vielen.quot; Letterlijk opgevat zou er dus geen plaats of gelegenheid meer zijn voor dit nieuwe teeken. De ontkerstening van de gezinnen en de verbittering van de zoete wateren loopt paralel met de verduistering van het licht der waarheid. Naarmate de antichristelijke eeredienst zich verhefl, verduistert op aarde het
85
DE EERSTE VIER BAZUINEN.
86
licht van de Zon der gerechtigheid, de zuiverheid van de belijdenis der gemeente, de kracht van de verkondiging des Evangelies, om zich samen te vatten in de kracht der belijdenis der waarachtige geloovigen. 't Is de tijd van de kerken Philadelphia en Laodicea.
XIV.
âwee! wee! wee!quot; de vijfde en de zesde bazuin.
Zoodra de vierde bazuin is geblazen, ziet en hoort Johannes iets, dat de volgende drie bazuinen van de eerste vier scheidt. Een engel (eigenlijk een arend) vliegt door het midden des ' hemels, en roept met groote stem; âWee! wee! wee!quot; Dit drievoudig wee roept hij uit ten aanzien van âdegenen, die op de aarde wonenquot; en met het oog op de volgende bazuinen.
Hiermede vangt een nieuwe periode aan. Er is geen sprake meer van k a s t ij d i n g e n, gelijk de zes zegelen brachten: of van straffen zooals op de vier bazuinen volgden, maar van weeën. In verband daarmede heeft het bijzonder beteekenis dat een adelaar (zooals er eigenlijk staat) dit wee uitroept. Later zullen alle roofvogels uitgenoodigd worden tot het slacht-maal, dat door de weeën wordt aangericht. Deze adelaar is daarvan de profetie. âWaar het aas is, daar vergaderen de arenden.quot; Er zal spoedig aas zijn. De aarde nadert den tijd, waarvan de dagen voor den zondvloed type waren; den tijd waarin de genadebedeeling ten einde spoedt omdat ze verzon-digd is, en alleen het oordeel plaats vinden kan.
Daardoor krijgt de benaming: âdegenen die op de aarde
88 «wee! wee! wee!quot; de vijfde en de zesde bazuin.
wonenquot; evenzeer bijzondere beteekenis. Dat wil volstrekt niet zeggen; âalle bewoners der wereld,quot; Neen; onder de eerste vier bazuinen is âliet oordeel begonnen van het huis Gods.quot; De zichtbare kerk is getroffen. Een derde deel der gedooplen is (geestelijk) gestorven. Een derde deel der kerkgenootschappen en gemeenten is vergaan. Een derde deel der Ghristenna-tiën en Christengezinnen is verbitterd, zoodat haar wateren dood inplaats van leven brachten aan hen die er van dronken. Een derde deel van zon, maan en sterren is verduisterd. In éen woord : de kerkmassa is gekrompen, de gemeente is gezuiverd; klein maar inwendig rein en sterk staat de belijdende Gemeente, die straks het laatste leger van martelaren worden zal, wanneer de ongerechtigheid zal vermenigvuldigen, omdat âde liefde van velen zal verkond zijn.quot; âDegenen, die op de aarde w o n e nquot; zijn hier de tegenstelling van hen die op de aarde wandelen en tabernakelen als doortrekkenden, die een beter, een hemelsch vaderland zoeken. Alleen over hen, die hier op aarde \v o n e n, komen de volgende weeën. Alleen hen treft de inhoud van de overige bazuinen en van de fiolen. Het bewijs hiervoor wordt geleverd door Hfdst. IX : 4 ; IX: 20 en XI : 18. Bij de vijfde bazuin wordt (IX : 4) gezegd dat alleen beschadigd mogen worden âde menschen, die het zegel Gods aan hunne voorhoofden niet hebben;quot; maar niet het gras der aarde, noch eenig groen, noch eenige boom. Duidelijk blijkt hier ook dat de boomen en het groene gras uit VIII : 7 menschen beteekenen, en dat zij die aan bosschen en weilanden denken door het boek zelf terecht gewezen worden. Na het blazen van de zesde bazuin (IX : 20) wordt gezegd dat de overige menschen zich niet hebben bekeerd van al hun daar met name genoemde goddeloosheden, waarin de afgoderij de voornaamste plaats bekleedt. Indien de oordeelen allen getroffen hadden, zou er uit volgen dat er dan geen enkel
11 WEE! WEE! WEE!quot; BE VIJFDE EN DE ZESDE IMZÃIN. 89
godvreezend mensch meer op aarde was, in lijnrechte tegenspraak met IX : 4. En na de zevende bazuin klimt de lofzang van de vier en twintig ouderlingen op tot God, die zijn toorn heeft uitgestort over de volken, die to o rn i g waren geworden ; met andere woorden, tot God die de eindvervulling van den tweeden Psalm heeft gegeven.
Hieruit volgt met zekerheid dat de weeën g e e s t e 1 ij k moeten opgevat worden. Later zullen we zien dat de stoffelijke gevolgen van de weeën zoowel godvreezenden als goddeloozen treffen. Maar voor de eersten zijn ze geen weeën. Daar is hetzelfde verschil als in den dood van den een en van den ander. Voor den een is de lichamelijke dood de aanvang van den eeuwigen dood, en de ander kan als Paulus juichen: âDood, waar is uw prikkel! Hel! waar is uwe overwinning!quot; Dat de opening der zegelen, het blazen der bazuinen, het uitstorten der fiolen ook stoffelijke gevolgen hebben, zal zeker wel n i e-mand ontkennen; maar het onderscheid tusschen zaak en gevolg tusschen inhoud en uitwerking mag nooit uit het oog verloren. We zullen later zien dat de beelden van het boek zelf dit duidelijk aan de hand geven.
De drie weeën, door de laatste drie bazuinen voortgebracht, zijn verdeeld in twee en een. Het eerste en het tweede wee zijn satanische, uit den afgrond opkomende plagen, voorproeven der verdoemenis; maar ze werken heizelfde uit, wat de Egyptische plagen bij Faraö veroorzaakten. Hij wilde niet hooren, verstokte zijn hart, en werd eindelijk door God verstokt. En deze weeën maken alleen dat de raenschen zich toch niet bekeeren, maar des te venijniger tegen Gods almacht en heiligheid worden. Het derde wee is dat God de heerschappij aanvaardt en â nu niet uit den afgrond â maar uit den tempel die in den hemel is de zeven engelen met de zeven fiolen komen, in welke de toorn Gods geëindigd is.
90 n wee ! wee! wee!quot; de vijfde en de zesde bazuin.
Toen de vijfde engel gebazuind had zag Johannes een ster, die â niet op de aarde viel â maar op de aarde gevallen was.
Dat was dus reeds op onbepaalden tijd vroeger gebeurd. Wie de ster is wordt hier nog verzwegen en blijkt eerst aan het eind der uitwerking van de vijfde bazuin. Het gevolg van het blazen der vijfde bazuin is dat aan die ster de sleutel van den put des afgronds gegeven wordt. De ster kan dus niet meer of minder doen dan haar toegestaan wordt. Haar groo-te tegenstander heeft de sleutelen van graf en dood; Hij opent en niemand sluit, Hij sluit en niemand opent. Maar deze sier, die zich een dubbelganger van den Almachtige waant te zijn, is niets meer dan een geketende slaaf, die doen moet wat zijn meester beveelt, en als zijn werk afgeloopen is, waardoor hij zijn eigen aanbidders moet kwellen, wordt hij weer geketend in den kuil geworpen. Een zijner typen was Sanhe-rib in zijn woeden tegen Israël. Die zei: âWie zal u redden uit mijne hand?quot; en God liet hem weten: âIk heb u doer, komen en u gebruikt als een bijl. Straks wring ik u als een wild beest weer mijn haak door uw neus en sleur u terug in uw eigen land. Ge moogt even komen brullen, maar mijn engel knijpt uw muil toe, zoodat ge niet kunt bijten.quot;
De ster opent den put des afgronds. Zij vergeet natuurlijk dat de sleutel haar gegeven is, zoo wonderwel komt de tijdelijk verleende macht met haar smaak en innigst genoegen overeen. Toch doet ze slechts slavenwerk. Het gevolg is dat rock als van een grooten oven opstijgt uit den put, zoodat de zon en de lucht geheel verduisterd worden. Daar begint de werking van het oordeel der verharding. Zwermen, satanische dwalingen en ketterijen verduisteren geheel wat nog van het licht van de Zon der gerechtigheid is overgebleven. Het dierlijkste materialisme komt in de plaats van humaniteit en van al wat nog aan
nWEE! WEE! WEE'.quot;' DE VIJFDE EN DE ZESDE BAZUIN. 91
iels lioogers doet denken. De mist uit de hel maakt zelfs de luclit onzichtbaar.
Maar nog is er tijd tot bekeering. 't Zijn de voorbereidingen voor het rijk van den antichrist, doch alles is nog rook en nevel, 't Zal gaandeweg gestalte verkrijgen. De verharding vangt aan, maar evenals een eeltzweer voor ze geheel gevormd is, geducht pijn doet en daardoor den lijder vermaant om haar bijtijds te verwijderen, eer ze hard als een steen is geworden en het dus te laat is, evenzoo brengt door Gods lankmoedigheid de satanische rook een zeer pijnlijke plaag. Een ontelbare menigte sprinkhanen slijgt uit den put op, wien âgezegd wordtquot; dal ze niemand zullen beschadigen (geen gras, of groen of eeni-gen boom) dan alleen de menschen, die het zegel Gods niet aan hunne voorhoofden hebben. Dat wordt hun âgezegd,quot; dat is: God laat hun dat toe en belet hun het overige. Dat hier van groen en boomen en van onbekeerde menschen in éen adem gesproken wordt bewijst dat er sprake is van een g e e s-t e 1 ij k e plaag. Stoffelijk zal de laatste tijd dezer bedeeling voor de geloovigen veel zwaarder zijn dan voor de ongeloovigen. Maar de satanische verzoekingen en ketterijen zijn voor Gods verzegelden onschadelijk.
De beschrijving der sprinkhanen heeft tot eindelooze gissingen en vernuftspelingen aanleiding gegeven. Dat ze niet alleen, zelfs in 't geheel niet, tot versiering van het beeld behoort, staat onzes inziens vast. De bijzonderheden, welke Johannes zag, (de gedaante als van paarden, de gekroonde koppen, de menschen-aangezichten, het vrouwenhair, de leeuwentanden, de ijzeren borstwapenen) hebben zeker alle haar bete^kenis. Zou op veel van dergelijke beschrijvingen ook het woord van Jezus tot zijne discipelen toepasselijk zijn: âIk heb het u gezegd, opdat wanneer het geschied zal zijn, gij gelooven moogt?quot; Drie bijzonderheden zijn duidelijk weer te geven, zonder beeldspraak.
92 nwee ! wee! wee!quot; de vijfde en de zesde bazuin.
Ten eerste : deze sprinkhanen hebben macht, niet om de menschen te dooden, maar alleen om hen zoo te pijnigen dat zij den dood â doch vergeefs â zoeken. De ongedierten, welke door de zesde bazuin worden tevoorschijn geroepen hebben macht om te dooden. Daar is opklimming in de verharding der onbekeer-lijken. Ten tweede: hun macht is in hun scorpioenstaarten, dus van achteren. Van voren ziet men prachtige dieren met gouden kronen. Zoodra ze voorbijgetrokken zijn, pijnigen ze met hun staarten. De dieren der zesde bazuin hebben staarten als slangen en aan die staarten hoofden, en dooden zoowel met hun mond als ze met de hoofden hunner staarten dooden. Daar is ontwikkeling en opklimming in de openbaring en in de brutaliteit van den satanischen afval. Het echte antichristendom ontwikkelt zich om straks zijn toppunt in den mensch der zonde te bereiken. En ten derde: de macht om de menschen te beschadigen duurt voor de sprinkhanen vijf maanden. Zoo lang duurt op zijn hoogst de natuurlijke sprinkhanenplaag in de oostersche landen. Ze zullen dus zoolang en zooveel mogelijk woeden.
Hun koning is de engel des afgronds; dezelfde, die op de aarde gevallen is en wien de sleutel van den put des afgronds werd gegeven. Hij viel eens âuit den hemel op de aarde.quot; In het geheele beeld, en dus ook met betrekking tot hem, moet men in het oog houden wat hier âhemelquot; en âaardequot; beteekent. De hemel is de gemeenschap met God, in den zin waarin Paulus zegt: âOnze wandel is in de hemelen.quot; De aarde is de gehechtheid van het vergankelijke. Zij die op de aarde wonen, zijn de menschen, van welken Paulus in den zooeven aange-haalden tekst zegt, dat zij âaardsche dingen bedenken.quot; De engel des afgronds is uit den hemel geworpen door God èn door eigen instinct er uit gestort. Hij is in het âaardschequot;, het vergankelijke, de afgodisch vereerde stof neergeworpen van Godswege è n hij heeft zichzelf er op geworpen als op een nieuw
dwee! wee! wee!quot; de vijfde en de zesde bazuin. 93
levenselement. Die hun vaste woning op de âaardequot; in dien slechten zin des woords vinden, zijn zijne kinderen en vergaan oens met hem, als âde wereld met hare begeerlijkheid voorbijgaat.quot; Zijn naam is Abaddon in het Hebreeuwsch; Apollyon in het Grieksch; Verderver in het Nederlandsch.
âHet eene wee is weggegaan, ziet er komen nog twee weeën na dezen.quot;
Na het bazuinen van den zesden engel komt er eene stem uit de vier hoornen van het gouden altaar, dat voor God was; dus van het reukaltaar. Hoornen zijn het beeld van macht. Een stem uit de hoornen van het reukaltaar kan dus niet anders heteekenen dan dat de offerande der gebeden met nadruk aangenomen, de inhoud dier gebeden krachtig door God verhoord wordt. âEen krachtig gebed des rechtvaardigen Vermag veel.quot; Tot voorbeeld wordt bij dezen tekst door Jakobus gewezen op Elia, die om een zware kastijding van zijn volk bad, en verhooring vond.
De verhooring bestaat onder de zesde bazuin hierin dat de vier engelen, die bij de groote rivier de Euphraat gebonden zijn, en daar bewaard worden tot ure, dag, maand en jaar, dat is tot den van God bepaalden tijd, om het derde deel der menschen te dooden, ontbonden worden. Hfdst. Vil : 1 worden deze engelen staande op de vier hoeken der aarde, nog door Gods machtwoord gebonden tot de verzegeling van zijne dienstknechten afgeloopen is. Thans vindt de lezer hen aan de Euphraat terug. Gelijk de vijfde bazuin de opkomst van den Antichrist voorbereidt, zoo geeft deze bazuin de eerste heenwijzing naar Babyion, de groote hoer. De Antichrist staat tegenover Christus, het Lam ; de hoer tegenover de bruid, de vrouw des Lams. De Euphraat is de rivier aan welke Babyion, de hoofdstad van het antichristelijk wereldlijk, gebouwd was. In het heirleger van twee honderd millioen wangedrochten, die door
9'i- iiwee! wee! wee!quot; de vijfde en de zesde bazuin.
de vier engelen van den Euphraat losgelaten worden, komt dus een plaag van materialistische ketterijen als een orkaan over de menschen, die âop aarde wonen.quot; Dat toont het getal vier. Het derde deel der menschen (een bepaald getal van volheid voor een onbepaald getal) wordt door dat heirleger van âpaardenquot; gedood. Bij de ontwikkeling van het beeld van liabylon zullen we zien dat hier sprake is van âkoophandelquot; in den slechten zin des woords. Die paarden vertrappen de menschen niet, maar dooden hen door het vuur, den rook en den zwavel, die uit hunne monden uilgaan. 't Is dus een geestelijke helsche plaag. Zonder beeldspraak ; de Mammonsdienst (dat is de vergoding van het kapitaal â niet van den rijkdom op zichzelf â) doodt alle geestelijke aspiratiën, alles wat nog zedelijk overgebleven is in de wereldgezinden. Met welk gevolg ? Dat de niet gedooden zich niet bekeeren van de werken hunner handen; van de aanbidding der demonen en gouden, zilveren, koperen, steenen en houten afgoden, van hunne doodslagen, venijngevingen, hoererijen en dieverijen.
't Zal zoover komen dat er niets overblijft dan Antichristendom en Mammonsdienst.
XV.
DE STERKE ENGEL. DE ZEVEN DONDERSLAGEN. HET ETEN VAN DE BOEKROL.
Op het blazen der zesde bazuin volgt niet onmiddellijk dat der zevende. Wel komen er geen lusschentooneelen in de geschiedenis en haar verloop, maar de beide laatste bazuinen zijn in de beschrijving van elkander gescheiden door twee visioenen. Evenzoo is de inhoud van de zevende bazuin in de beschrijving eerst kort saamgevat en daarna nader omschreven in verschillende visioenen. Dat wijst op haar buitengewone belangrijkheid. Zij houdt alles in wat geschieden moet tusschen het bazuinen van den zesden engel en de komst van den Richter der gansche aarde
De beide visioenen tusschen de zesde en de zevende bazuin zijn eigenlijk éen geheel. De splitsing bestaat hierin, dat in de eerste helft Johannes geroepen wordt om te profeteeren aangaande de laatste dingen, en in de tweede helft èn in zinnebeeldige handeling èn in visioen profeteert en dus den hem opgedragen last vervult.
De beschrijving der gevolgen van het zesde bazuingeluid (Hfdst. IX) eindigt met de mededeeling dat de beide weeën van de vijfde en de zesde bazuin vergeefs over de ongeloovigen
DE STERKE ENGEL. DE ZEVEN DONDERSLAGEN.
zijn gekomen. Van al hunne zonden hebben de menschen zich niet bekeerd. Nu staat de laatste uitgieting van Gods toorn, het laatste wee, te komen. Johannes, en in hem de levende gemeente, wordt daarop met opzet gewezen door het visioen, dat in het Xe hoofdstuk medegedeeld is.
Johannes ziet van den hemel een âanderen sterken engelquot;' afkomen. De beschrijving van dien engel laat geen twijfel over of de Zone Gods zelf daardoor bedoeld wordt. Hij komt âbekleed met een wolk;quot; als ten gerichte, want het einde dezer bedeeling nadert. Hij komt âmet een regenboog boven het hoofd,quot; ten troost voor de geloovigen, wien daardoor de eeuwige trouwe Gods verzekerd is. Zijn aangezicht is als de zon, zijne voeten zijn als pilaren van vuur. Reeds alleen daaraan herkent men âeen den Zoon des menschen gelijkquot; uit Hfdst. I : 15.
Johannes zag Hem staan âop de zee en op de aarde.quot; Hij komt de als koper gloeiende voeten zetten op de volkerenzee en op de aarde, in den zin waarin gesproken is van âdegenen die op de aarde wonen.quot; Hij komt ten oordeel. In zijne hand heeft hij een geopende boekrol; de boekrol uit Hfdst. V, dien Hij gesloten aanvaard heeft uit de hand van den almachtigen God, en waarvan de zeven zegelen nu geopend zijn. Alleen het laatste gedeelte van de uitwerking der opening van hel zevende zegel moet nog vervuld worden, maar 't boek zelf ligt reeds geheel geopend.
Toen Hij kwam om deze boekrol Ier opening te aanvaarden, zag Johannes Hem staan als een Lam, dat geslacht was. Maaquot; toen reeds werd Hij den ziener aangewezen als den Leeuw uit Juda's stam. In het karakter van Lam treedt Hij voortaan niet meer voor de z e e en voor de aarde op. Zoodra Hij als Rechter de voeten gezet heeft op zee en aarde roept Hij dat uit met een groote slem, âgelijk een leeuw brult.quot; De verharding, die onder de vijfde en zesde bazuin begon, zal vol-
96
97
komen worden en onmiddellijk door het oordeel worden gevolgd. Zoodra hij als leeuw gebruld heeft, spreken d e zeven donderslagen hunne stemmen. In volle kracht, zevenvoudig, barst het onweder van Gods toorn en wrake los. Telkens bij elk groot keerpunt, dat we tot nu toe ontmoetten, werd donder in den hemel gehoord: eerst uit den troon, toen uit het reukaltaar. Maar thans hangt de verwoestende bui, naderbij gekomen, om zoo te zeggen onmiddellijk boven de aarde. Derhalve gaat ook het onbepaalde: âEr geschiedden donderslagen,quot; over in het bepaalde getal der volheid âde zeven donderslagen.quot;
Zoodra die zeven donderslagen âgesprokenquot; hebben, maakt Johannes zich gereed om ze op te schrijven. Er zijn echter dingen, die âhet niet geoorloofd is uit te spreken.quot; De eind-catastrophe van deze bedeeling is voor ons gehuld in de wolk, waarop de Zoon des menschen als Richter der gansche aarde zal nederdalen. Daniël wordt daaromtrent geboden: âEn gij, Daniël, sluit deze woorden toe en verzegel dit boek tot den tijd van het einde.quot; Met merkwaardige kortheid wordt het beschreven in Openb. X : II â15. En zoo wordt ook hier aan Johannes geboden: âVerzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet.quot; Geen profetie van welken aard ook wordt ons geopenbaard ter voldoening aan onze nieuwsgierigheid. Ook wat in het boek der Openbaring geschreven is, dient om ons ter waarschuwing, ter vermaning, ter vertroosting en ter regeling van ons gedrag te strekken. Dus gaat ons het hoe van de laatste oogenblikken niet aan, vóór ze gekomen zijn.
Daarop hoort Johannes den âsterken engel'' een plechtigen eed zweren. Een eed âbij den Almachtige, dat er geen tijd meer zijn zal.quot; De âtijdquot; dat is de genadebedeeling, is voorbij. Daarom wordt gezworen bij Hem, âdie leeft in alle eeuwigheid.quot; Dal wordt gezworen ten teeken dat deze bedeeling ein-
7
DE STERKE ENGEL. DE ZEVEN DONDERSLAGEN.
digt. Gewoonlijk wordt dat genoemd âhet vergaan der wereld.quot; Strikt genomen is daarvan eigenlijk nergens sprake, in den zin waarin 't gewoonlijk bedoeld wordt. âDe eerste aarde,quot; zoo leert ons Petrus, âis door het water vergaan,quot; maar de hemel en de aarde, die nu zijn, worden âten vure bewaard.quot; Niet om geheel op te branden, maar om uitgezuiverd en geheel gelouterd te worden. De gansche schepping is, niet in stervensnood, maar in harens nood, lezen we in den Brief aan de Romeinen. Zoodra de tijd niet meer is, houdt juist het vergaan ook op. En daarom wordt gezworen bij Hem, âdie den hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is; en de aarde en hetgeen daarin is; en de zee en hetgeen daarin is.quot; Het vergaat niet, maar de lofzang zal juist worden: De koninkrijken der wereld (of het koningschap over de wereld) is geworden onzes Heeren en van zijnen Christus, en Hij zal als koning heerschen i n alle eeuwig hei d.quot;
âDaar zal geen tijd meer zijnquot;; dat is; de tijdsindeeling zooals de aarde die sedert hare schepping kent, staat op 't punt van te eindigen ; want in de dagen des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk hij zijnen dienstknechten den profeten, verkondigd heeft.quot;
Wat is de âverborgenheid Gods,quot; en hare vervulling ? Paulus spreekt van eene verborgenheid, die van eeuwen en geslachten verborgen is geweest en nu de laatste dagen geopenbaard. Die verborgenheid is dat de middelmuur des afscheidsels tusschen het uitverkoren volk en de heidenen verbroken is, en dat er nu vrede tusschen beiden is gemaakt door het bloed des krui-ses. De diepste diepte van die verborgenheid was, dat er nog vrede mogelijk was tusschen God en den gevallen mensch. De eerste lip van den sluier werd opgelicht door de moederhe-lofle, waarin sprake is van een zaad der vrouw en een zaad
98
HET ETEN VAN DE BOEKROL.
der slang. Iets verder werd de verborgenheid opgeklaard door de belofte van Abraham, in wiens zaad alle geslachten der aarde zouden gezegend worden. Verkondigd werd ze aan en door alle profeten, die spraken van een eindelijke herstelling, eene wederoprichting aller dingen. De apostel Paulus zag den scheidsmuur der wet vervallen, vernietigd door Christus, in wiens vleesch aan het kruis het voorhangsel tusschen God en de menschheid scheurde.
En nu staat vervuld te worden wat nog niemand vatten kan: de vereeniging van God en de menschheid, door het voltrekken van het huwelijk zijns Zoons met zijne bruid. Dat is de geheele inhoud van alle profetieën, van heel de Schrift. Dat is de âtoekomende eeuw.quot; Dat zal vervuld worden in de dagen des zevenden engels.
Toen Johannes op Patmos in eenzaamheid nederzat, hoorde hij eene stem die hem opriep om aan de zeven gemeenten te schrijven wat hij zien zou. Nadat hij de zeven brieven aan de gemeenten geschreven had, hoorde hij eene stem, die hem opontbood om in den hemel te komen en te zien wat weldra geschieden zou. Van hoor en was het zien geworden. En thans hoorde hij die âstem, die hij gehoord had uit den hemel,quot; en die hem daarheen geroepen had, tot zich spreken: âGa heen, neem het boekske, dat geopend in de hand des engels is, die op de zee en op de aarde staat.quot; Johannes ging, vroeg en verkreeg het, met het bevel om het op te eten. Van zien wordt het innerlijk in zich opnemen. Zoo naderen de Bruidegom en de Bruid elkaêr voortdurend. Het Lam stond voor den troon, kwam in het heilige bij het reukaltaar en zet nu reeds de voeten op aarde. De Bruid riep ora vergelding, bad mede, en gaat nu medewerken. Want dadelijk na het opeten van het boekske, wordt Johannes een meetsnoer gegeven om zelf handelend op te treden.
99
DE STERKE ENGEL. DE ZEVEN DONDERSLAGEN.
De geopende boekrol was zoet als honig in zijn mond, maar bitter in zijn buik. Zoo zijn Gods gerichten. Het is z o e t dat Christus wederkomt. Ons past âmet verlangen te haasten naar zijne toekomst.quot; Maar naarmate die nadert, zal de gemeente verdubbeld de âoverblijfselen zijner verdrukkingquot; vervullen. Zoo bitter zal de tijd worden, dat indien hij om der uitverkorenen wil niet verkort werd, geen vleesch zou behouden worden.
Na het eten van het boekske moet Johannes âwederom profeteeren voor vele volken en natiën en talen en koningen.quot; Thans moet hij handelend en sprekend het lot van degenen, âdie op de aarde wonen,quot; uitvoerig schilderen.
100
XVI.
HET METEN VAN DEN TEMPEL. GETALLENSYMBOLIEK IN DE VOLGENDE TAFEREELEN.
In het laatste vers van Hfst. X wordt Johannes geroepen om âwederom te profeteeren voor vele volken, en natiën, en tongen, en koningen.quot; Het volgende vers toont waarin dat bestaat. Johannes moet medewerken door een zinnebeeldige handeling. Hem wordt een rietstok, aan eene meetroede gelijk, gegeven om daarmede den tempel Gods, en het altaar en degenen die daarin aanbidden te meten, maar het voorhof, dat buiten den tempel is, er uit te laten.
Nu de komst van Christus zoover gevorderd is dat Hij het heilige der heiligen (den troon) verlaten heeft en aan het altaar in het heilige den dienst van hoogepriester verricht heelt, betreedt Hij den voorhof. Daarmede parallel komt ook op aarde de tempel ter sprake. Het geheele visioen is in vier deelen gesplitst, en wel le troongezicht; 2e altaargezicht; 3e tempelgezicht; 4e stadsgezicht. De handeling van Johannes geschiedt in den tempel, maar raakt de stad (op aarde.)
De eerste vraag, die ons hier bezighoudt, is: wat wordt bedoeld door tempel, altaar, voorhof en stad ? Die vraag wordt
HET METEN VAN DEN TEMPEL. GETALLENSYMBOLIEK
beantwoord door de beteekenis van den tabernakel, door Mozes opgericht ânaar het voorbeeld, dat hem op den berg getoond was.quot;
De tabernakel bestond uit het heilige en het heilige der heiligen, die éen vertrek vormden, slechts gescheiden door het voorhangsel. Hebr. X : 20 zegt ons dat dit voorhangsel type was van âhet vleeschquot; van Christus Jezus, waardoor Hij heengegaan is in het heiligdom- Ons is daardoor de weg geopend om in dat heiligdom binnen te treden. Hieruit volgt dat het heilige der heiligen type van den hemel is. Boven het voorhangsel kwamen de gordijnen samen, die over het heilige der heiligen en het heilige hingen. Juist daarboven, âopdat,quot; zoo sprak God tot Mozes, âmijn heiligdom éen zij.quot; Beneden wel tijdelijk gescheiden, totdat het voorhangsel scheurde, maar boven éen. Het heilige was dus type van de gemeente, de kerk op aarde. Daarom bevatte het heilige der heiligen niets dan de verbondskist met het verzoendeksel, den troon van God. En daarom stond in het heilige de zevenarmige kandelaar als beeld van den Heiligen Geest; de tafel der toonbrooden, waarop de gemeente haar brood en wijn voor Gods aangezicht bracht; en het reukaltaar, waar die gemeente haar gebeden opzond. In den voorhof stonden het brandofferallaar, waar de verzoening werd aangebracht, en het waschvat, waarin de priesters zich reinigden voor zij den dienst verrichtten. De voorhof was dus type van de aarde, waar God zijne woning vestigde met een voorhof voor de gemeente in het heilige. Maar die voorhof was type van de verzoende, de verloste aarde. Alleen het verbondsvolk mocht dien betreden. Het geheel was geplaatst in de heilige stad. Die heilige stad was echter voor ieder toegankelijk.
Deze korte herinnering doet ons zien wat eigenlijk de beteekenis was van de handeling, die Johannes werd opgedragen. Hij moet meten den tempel (heilige en heilige der heiligen),
102
IN DE VOLGENDE TAFEREELEN.
het altaar en degenen die daarin aanbidden. Niet den tempel in den hemel, maar het type daarvan op de aarde. En weer niet den tempel van steen, die in Jeruzalem gestaan had, maar den levenden tempel Gods, want degenen die aanbidden, worden in de meting begrepen. Hij moet opnemen de ware onzichtbare kerk op aarde. Die moet afgezonderd worden van de zichtbare kerk. Deze handelwijze volgde geheel uit den inhoud van de vijfde en zesde bazuin. De oordeelen komen nu over degenen, die op de aarde wonen. Welnu, tot die aarde en hare bewoners behooren ook de leden der kerk, die niet waarachtig leden zijn, de naamchristenen: ja zij in de eerste plaats. Ze zijn heidenen. Hun zijn de stad en de voorhof buiten den tempel gegeven ter vertreding; eigenlijk ter betreding. De uitslag van de opmeting wordt niet medegedeeld; alleen wordt gezegd wat ze beteekent. Zoodra het bevel tot de meting gegeven is gaat de rede over in den toekomenden tijd en deelt mede wat geschieden zal. En wat geschieden zal als gevolg van de meting laat zich samenvatten in éen woord: het opkomen van den Antichrist. In vers 7 van ons hoofdstuk wordt plotseling voor de eerste maal gewag gemaakt van âhet beest, dat uit den afgrond opkomt.quot;
De geschiedenis van dit beest in het middelpunt van 't ge-heele boek. Ze wordt profetisch saamgevat in Hfdst. XI: 1 â12. In vers 13â19 wordt ons vooraf geschilderd welk oordeel daarna de zevende bazuin als laatste wee brengt. In Hfdst. XIl en XIII zien we in kort begrip wat aanleiding is tot het opkomen en heerschen van den Antichrist. Daar tegenover staat weder een lichttafereel in XIV en XV. De inhoud van de zevende bazuin, eerst in korte trekken profetisch geschetst vindt men uitgewerkt in Hfdst. XVI: de zeven fiolen. En in Hfdst. XVII en XVIII wordt uitvoerig de verwoesting van het antichristelijk wereldrijk te aanschouwen gegeven. We hebben
103
HET METEN VAN DEN TEMPEL. GETALLENSYMBOUEK
derhalve in Hfdst. XI een voorverhaal, waarbij men in vogelvlucht aanschouwt wat straks stuk voor stuk zal uitgewerkt worden.
Tot recht verstand van deze profetie hebben we ons vóór alles weder de getallensymboliek te herinneren. In de eerste plaats de verschillende tijdsbepalingen. Er is sprake van ât we e en veertig maanden; twaalf honderd zestig dagen; en een t ij d entijdeneneenhalventijd (drie en een half jaar). Drie en een half is de helft van het volmaakte getal zeven. Het is zeven, midden doorgebroken, 't Is de volmaaktheid, de eeuwigheid, vernietigd op quot;t oogenblik dat ze haar volheid bereiken zal. Drie en een half jaar houden juist twee en veertig maanden, en ook juist twaalf honderd zestig dagen in. De drie uitdrukkingen beteekenen alle d e z e 1 f-de symbolische tijdsbepaling. Ze moeten niet uitgerekend worden als âletterlijkequot; jaren, of als jaarweken, of iets dergelijks, maar even geestelijk opgevat als de zeven Geesten voor den troon, waar niemand uit opmaakt dat er zeven Geesten Gods zijn. We herhalen: 't is symboliek en geen almanak.
Dit wordt bewezen door het gebruik, dat van de verschillende uitdrukkingen gemaakt wordt. Het jaar, de cirkel, is door God gegeven als symbool van de eeuwigheid. Daarom wordt het een tijd (een geheel op zichzelf) genoemd. De d a g werd door Hem gesteld tot teeken van het leven van zijne kinderen op aarde. De maand is de rekening van den tijd naar de vorstin van den nacht: de maan. Het jaar predikt de oneindigheid; de d a g wordt beheerscht door het licht der zon; de maan behoort den nacht. En wat zien we nu ? De heidenen vertreden de heilige stad twee en veertig maanden (XI : 2). Het beest spreekt Godslasteringen gedurende twee en veertig maanden (XIII : 5.) De twee profeten profe-
104
IN DE VOLGENDE TAFEREELEN.
teeren duizend twee honderd zestig dagen (XI :3.) De vrouw wordt in de woestijn gevoed duizend twee honderd zestig dagen (XII: 6). Zij vliedt op arendsvleugelen buiten het gezicht der slang een t ij d en t ij d e n en een hal ven tijd (XII : 14). Wat voor de slang, het beest en de âheidenenquot; in maanden wordt berekend, wordt voor de beide profeten en de vrouw in hare betrekking tot de wereld (haar âvoedingquot;) in dagen weergegeven, en is voor die vrouw onder Gods hoede in jaren geschetst.
Parallei met die drie en een half jaar loopt de lijd dal de profeten dood zijn, drie en een halve dag; een zeer korte tijd, door Gods almacht afgebroken; een dood die niet âden tweeden doodquot; in zich bevat, een tijd die voor de gedooden niet in nachten (het beeld van den eigenlijken dood) maar in dagen wordt genoemd.
Sommigen hebben gemeend dat men in deze tijdsbepalingen den sleutel had voor berekeningen van de toekomst des Heeren. Indien ergens, dan is juist hier alle aanleiding ter bevrediging van de nieuwsgierigheid afgesneden. Het is onmogelijk dat een gedeelte der Heilige Schrift een soort van logarithmentafel zou zijn voor iets waarvan de Heere Jezus ons uitdrukkelijk gezegd heeft: âVan dien dag en die ure weet niemand dan mijn Vader zelf.quot; En Hij alleen.
105
XVII.
DE TWEE GETUIGEN.
De opdracht door den engel aan Johannes gegeven om met de hem toegereikte meetroede den tempel Gods, het altaar en degenen die in den tempel aanbidden, te meten, maar die niet gevolgd wordt door de mededeeling dat de meting werkelijk geschiedt en wat er de uitslag van is, bedoelt alleen in beeldspraak te kennen te geven dat God, naarmate het einde dezer bedeeling nadert, scherper en nauwkeuriger de scheiding tusschen zijne kinderen en het zaad des satans maakt. De tempel Gods, met het altaar der aanbidding en de aanbidders zelf, stelt ons de onzichtbare kerk voor zooals zij hier op aarde als bruid reikhalst naar de komst van haren Bruidegom. Dat dit niet haar eenige werkzaamheid is, leeren de volgende verzen ons.
In dit beeld zijn â de voorhof en de heilige stadquot; de zichtbare kerk op aarde; de gemeenschap van belijders, van gedoop'.en, die daarom nog niet allen geloovigen zijn, ja waarvan de meesten het niet zijn.
De voorhof van den stoffelijken tempel was bestemd voor alle Israëlieten; het heilige, waarin het reukaltaar stond, mocht alleen door de priesters betreden worden. In den aanhef van het boek heeft Johannes zijnen broederen den juichtoon op de
DE TWEE GETUIGEN.
lippen gelegd; âDie ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en zijnen Vader.quot;
Een onderscheid tusscben âgeestelijkenquot; en âleekenquot; is voor de kerk des Nieuwen Verbonds eene uitvinding, rechtstreeks tegen den wil en het gebod van Hem, die ons gezegd heeft: âGij zult niemand vader noemen, want éen is uw Vader die in de hemelen is.quot; En: âGij zult niemand meester noemen op aarde, want éen is uw Meester, namelijk Jezus Christus.quot; De geheele ware kerk bedient onder de nieuwe bedeeling het reukaltaar. Haar leden zijn allen priesters. Zij bedienen dat priesterschap in het heilige, bij het zevenvoudige licht van den gouden kandelaar des Heiligen Geestes. Onderwijl staat de massa der gedoopten, der gedoopte âheidenenquot; in het voorhof en wandelt in de heilige stad, in het schemerlicht der twee en veertig maanden. Want evenals niet allen âIsraëlieten waren, die uit Israël zijn,quot; zoo behooren niet allen tot de ware gemeente Gods, die zich door uiterlijke belijdenis bij de kerk aansloten. Het oude Israël als volk is sedert de uitroeiing van den Messias, âeene synagoge des satansquot; geworden (11:9). Zoo zijnde naamchristenen âheidenen.quot;
Die toestand is door God niet verwekt, maar toegelaten. Dat de ergernissen komen âis noodig om uwentwil.quot; Maar die toestand zal onverwacht temidden van zijn grootsten bloei afgebroken worden, want hij duurt in het profetisch visioen twee en veertig maanden, dat is de helft van zeven jaren.
Onderwijl heeft de ware gemeente, de onzichtbare kerk, ook een andere roeping. Niet alleen den omgang met God, ook den doorgang door de wereld heeft zij nauwgezet te betrachten, naar het gebed van den Heere Jezus: âIk bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze.quot; En daarom geeft de engel, die Johannes opdroeg den tempel en de aanbidders te meten, âzijn twee getuigen.quot; Deze
107
DE TWEE GETUIGEN.
twee getuigen zullen profeteeren duizend twee honderd zestig dagen; juist zoolang als de heidenen den voorhof en de stad vertreden. Want 42 maal 30 is 1260. Zij zullen dat doen âmet zakken bekleed.quot; Die beide getuigen hebben de opdracht om aan het naam-christendom, dat zich straks zal ver-loopen in anti-christendom, te âprofeteerenquot;, dat is Gods Woord te verkondigen en te verklaren; maar nu niet de liefelijke zijde van de blijde boodschap, maar die zijde waarin Christus Jezus wordt voorgesteld als âeen val voor velen in Israël.quot; Maar niet zonder mogelijkheid van herstel, want de tijd der genade spoedt ten einde, doch is nog niet voorbij. De profeten kondigen straf aan, doch vermanen ook tot boete; dat toont hun âbekleed zijn met zakken.quot;
âDezen zijn de twee olijfboomen en de twee kandelarer, die voor den God der aarde staan.quot; In deze woorden geeft; het hoek zelf ons de ondubbelzinnige verklaring, wat door het visioen bedoeld wordt. Ze verwijzen ons rechtstreeks naar de profetie van Zacharia (Hfdst. IV). Tot recht verstand van dezen tekst is het dus noodig Zacharias profetie te lezen niet alleen, maar de geestelijke beteekenis daarvan te verstaan.
De profeet Zacharia keerde met de bannelingen uit Babel naar het Heilige Land terug, en werd door Jehovah bekrachtigd om de steun te zijn van hun beide godvreezende leiders; Zerub-babel, den vorst uit Davids geslacht, en Jozua den hoogepriester. De tempel werd weer gebouwd, zwak en onder groote vreeze en belemmering. Maar gelijk Zacharia's tijdgenoot de orofeet Haggaï namens God mocht verkondigen: âWie is onder u overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft; en hoedanig ziet gij het nu ? Is dit niet als niets in uwe oogen ? De heerlijkheid van dit laatste huis zal grooter worden dan van het eerste. In deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de Heere der heir-scharen zoo mocht ook Zacharia het getrouwe volk bemoedigen.
108
DE TWEE GETUIGEN.
In éen nacht had Zacharia een zevenvoudig visioen (1:7 â VI: 8). Hij zag:
1quot;. een man op een rood paard, gevolgd door roode, bruine en witte paarden. â âMijne steden zullen nog uitgespreid worden van wege het goede, want de Heere zal Zion nog troosten en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.quot;
2quot;. vier hoornen. âDat zijn de hoornen, die Juda verstrooid hebben, zoodat niemand zijn hoofd ophief, maar dezen (het leger uit het visioen onder 1') zip gekomen om die (de hoornen) te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te werpen, welke den hoorn verheven hebben tegen het land van Juda, om dat te verstrooien.quot;
3°. een man met een meetsnoer. âOm Jeruzalem te meten, want Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, van wege de veelheid der menschen en der beesten, die in het midden van dezelve wezen zal.quot;
4n. Jozua den hoogepriester staande voor het aangezicht van den Engel des Heeren, en den Satan aan zijne rechterhand.. Hoor nu toe, Jozua, gij hoogepriester! gij en uwe vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wondorteeken: want ziet. Ik zal mijnen knecht, de Spruite doen komen. Want, ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Jozua, op dien eenen steen zullen zeven oogen wezen; ziet. Ik zal zijn graveersel graveeren, spreekt de Heere der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op eenen dag wegnemen.quot;
5quot;. een geheel gouden kandelaar. En hij zeide lot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelfs
109
DE TWEE GETUIGEN.
hoofd, en zijn zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren. En twee olijfboomen daarnevens, een ter rechterzijde van het oliekmikje, en een tot deszelfs linkerzijde.quot;
âDe handen van Zeruhbabel hebben dit huis gegrondvest, zijne handen zullen het ook voleinden; opdat gij weet, dat dc Heere der heirscharen mij lot ulieden gezonden heeft. Want wie veracht den dag der kleine dingen ? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubba-bel; dat zijn de oogen des Heeren, die het gansche land doortrekken.quot;
6n. een vliegende rol en de vrouw in dee fa. âDit is de vloek die uitgaan zal over het gansche land,quot; en âDeze is de goddeloosheid.quot;
7°. v i e r uitrijdende wagens. Deze zijn de vier winden des hemels; deze zijn uitgegaan naar het Noorder-land, en hebben mijnen Geest doen rusten in het Noorderland.
Dus: 1quot;. Jeruzalem wordt weer in genade aangenomen; 2quot;. hare vijanden worden vernietigd ; 3°. Jeruzalem zal volkomen veilig zijn; 4''. de Messias zal den waren tempel bouwen; 5quot;. zijne gemeente zal hem vrijmoedig belijden; 6'. de Mammon-dienst wordt geconcentreerd in het anti-Christelijke Babel ; 7°. de Geest Gods vervult en heiligt het land. Daarmede is de volkomenheid bereikt, want het visioen is éen, maar zevenvoudig. Al wat het verdere gedeelte van het boek des profeten inhoudt, steunt op en ontwikkelt zich uit dit visiosn als grondslag en wortel. Dit visioen geeft in Oud-Testamentischen vorm als schemerend vergezicht, wat in Johannes' Openbaring klaar en duidelijk van dichtbij gezien wordt. Ontwijfelbaar blijkt dit
110
DE TWEE GETUIGEN.
wanneer men vergelijkt wat Zacharia aangaande de twee olijf-boomen ziet en wat aan Johannes ten hunnen opzichte wordt medegedeeld.
Zoowel de komst van Jezus Christus in ieder menschenhart als zijne komst in de wereld wordt voorafgegaan door tweeërlei profetische bediening: door de wet, die de tuchtmeester tot Christus is; en door de boete, die als heraut den weg voor Hem effent; door Mozes en Elia (Johannes den Dooper.) Zij beiden gingen zijne vleeschwording vooraf; zij vertegenwoordigen de bediening zijner gemeente tegenover de wereld in de nieuwe bedeeling. Hij zendt zijne discipelen om het Evangelie des koninkrijks te prediken tot een getuigenis. Waar die tweeledige stem wordt gehoord en gehoorzaamd, kan de Koning der eere binnenrijden.
Zacharia zag den gouden kandelaar met zijn zeven lampen, uit het heilige. Boven deze lampen een oliekruikje, waaruit de lampen gevuld werden. Terzijde van de lampen twee olijfboo-men, die met de lampen in gemeenschap stonden. Het geheele visioen werd hem gegeven niet ter wille van den kandelaar, maar van die beide olijfboomen. De beteekenis wordt hem aldus uitgelegd: âDit is het woord des Heeren tot Zerubba-bel, zeggende: niet door kracht, noch door geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden, zegt de Heore der heirscharen.quot;
Dat de zevenarmige kandelaar het type van de gemeente is, blijkt uit vele plaatsen der Heilige Schrift, ook in het boek der Openbaring. Dat de olie den Heiligen Geest zelf afbeeldt, leert ons o. a. Psalm 133 en verscheidene teksten, waar van het licht en de zalving des Geestes gesproken wordt. De olijfboomen stellen in dit verband de tweeledige getuigenis en belijdenis der gemeente voor. De olie des Geestes komt door het orgaan van den kandelaar in de olijfboomen vloeien, zoodat deze zelf lichtgevend worden. Op dezelfde wijze als de Heere
111
DE TWEE GETUIGEN.
Jezus, het andere beeld van den Heiligen Geest â bet reine water â uitwerkende, zeide: âHet water, dat Ik bem geven zal, zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.quot; En: âDie in Mij gelooft, stroomen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.quot;
Aan Zacharia wordt zeer bepaald getoond dat deze olie uit de olijfboomen moet invloed hebben op de staatkundige en maatschappelijke verhoudingen van het volk. Niet in verband met de bediening van Jozua, maar met de regeering van Zerubbabel, den vorst, wordt gezegd: Niet door kracht of geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden.quot; Zerubbabel zal zijn werk volbrengen, want de volmaakte wijsheid zal hem geleiden en op hem zegenend nederzien, mits hij zijn werk op aarde niet als aardsche bezigheid opvatte, en in alles â ook in het passen, wegen en meten van hout en stee-nen voor den tempelbouw â den geestelijken ondergrond zie. Daartoe verwekt de Heere de beide voorname getuigenissen van recht en ootmoed, uit het midden der gemeente, die voortdurend het âgoud,quot; de heldere goudgele olijvenolie des Heiligen Geestes, uitgieten. âTot de wet en tot de getuigenis,quot; anders heeft geen enkel volk of mensch âeen dageraad.quot; Deze beide olijfboomen zijn de beide getuigen, welke in Hfdst. XI: 3 beloofd worden.
Zij komen de eere van den God des hemels en der aarde hoog houden en openbaar verkondigen. Eene kerk zonder waarachtig belijden is een valsche, een doode kerk. Uit hun mond gaat een vuur, dat hunne vijanden verslindt. De vorst der duisternis zendt een gansch heirleger, dat doodt me', rook en zwavel. God, die een licht is voor de zijnen en een verterend vuur voor zijne tegenstanders, laat een verterend vuur uit den mond zijner getuigen gaan. Zij zijn niet te wederstaan. Wie zich tegen hen verhardt, schroeit aan hen zijn geweten als met een brandijzer dicht en wordt zoo geestelijk gedood.
112
DE TWEE GETUIGEN.
Zij hebben de machl om den hemel te sluiten, zoodat geen regen regene in de dagen van hun profeteeren (evenals Elia tegenover het Israël van zijn tijd had,) en over de wateren, om die in bloed te verkeeren, en de aarde te slaan met allerlei plagen (evenals Mozes die bezat tegenover Farao en diens volk.) Tegenover naamchristendom en heidendom staat de tweeledige getuigenis der ware kerk als die van Elia en Mozes tegenover de tien stammen en Egypte.
Maar midden in hun arbeid zal hunne getuigenis geëindigd zijn evenals die van den Elia, die als heraut de eerste komst van Christus voorafging. Er komt een beest uit den afgrond op, dat hun den krijg aandoet, hen overwint en hen doodt. Hoe dat geschiedt, wanneer en door wien, wordt nader omschreven in Hfdst. XIII : 15â17. Hier wordt alleen in groote trekken medegedeeld wat onmiddellijk aan de laatste bazuin zal voorafgaan.
Tijdens hunne profetie is de heilige stad zoo volslagen van karakter veranderd, dat ze bij hun dood heet âde groote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is.quot; Het lauwe, meegaande, tegenstribbelende , en eindelijk onverschillige naamchristendom is verbasterd en hervormd tot zelfbewusten afval (Sodoma: een kort begrip van tegen natuurlijke zonden) en werelddienst (Egypte: symbool van aardsche wijsheid en genotzucht.) In die stad is onze Heere gekruist. Niet in de heilige stad. Hij werd niet gekruist in het Jeruzalem, waarvan de psalmist zong: âSchoon van gelegenheid, eene vreugde der gansche aarde is de berg Zion, aan de zijden van het noorden ; de stad des grooten Konings; God is in hare paleizen. Hij is er bekend voor een hoog vertrek (Ps. XLV1II : 3, 4.) Neen, Hij is gekruist in het Jeruzalem waarvan Paulus al weenende moest verklaren; âSina is een berg in Arabië, tot dienstbaarheid barende, die overeenkomt met Jeruzalem, dat nu is en dienstbaar is met
8
113
DE TWEE GETUIGEN,
liare kinderen.quot; En die dat Jeruzalem bewonen, zijn zij die âeens verlicht geweest zijn, de heraelsche gaven gesmaakt hebben, den Heiligen Geest deelachtig geworden zijn, gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, maar geen arbeid der liefde verricht hebben, doch afvallig geworden zijn en daardoor den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken. Dat geschiedt aan en door ieder, die in het verbond opgenomen is en er met opzet uitgaat en het verbreekt. Daaruit zal aan het einde dezer bedeeling de overgroote meederheid bestaan. Die meerderheid zal de getuigenis der ware gemeente tot zwijgen brengen.
Tweeërlei uitwerking heeft de tentoonstelling hunner doode lichamen op de straten der groote stad, bij tweeërlei groep van menschen. Er is sprake van âde menschen uit de volken en geslachten en talen en natiën,quot; die hun doode lichamen âzullen zien en niet toelaten dat ze in graven gelegd worden.quot; En bovendien van hen, âdie op de aarde wonen,quot; en verblijd zullen zijn over hen en vreugde bedrijven en elkander geschenken geven, omdat zij hen die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.quot;
Die twee soorten van menschen zijn kennelijk van elkander onderscheiden. De eersten zijn zij, die niets met het geestelijk leven te maken willen hebben, maar er zich ook niet tegen kanten; die den godsdienst wel goed vinden om de massa in toom te houden; die er geen weg meê weten als de âmindere manquot; van godsdienst ontbloot wordt, en die daarom het lijk van den godsdienst wel heel gaarne als spook en vogelverschrikker laten dienst doen ; menschen van allerlei soort, uit allerlei volken en geslachten. Maar de laatsten zijn zij, âdie op de aarde wonen,quot; de wereldschgezinden, de ti.ateria-listische naturen. Die zijn door de beide profeten gepijnigd ; ze zijn de doodvijanden van Gods getuigenis ; zij geven elkaêr geschenken als de profeten dood zijn.
114
DE TWEE GETUIGEN.
Evenals dat getuigen der beide profeten afgebroken wordt, evenzoo wordt hun dood afgebroken. Hun dood staat lot hunne werkzaamheid in verhouding als een dag tot een jaar. Gods Woord kan niet voor goed gedood worden. De profeten worden opgewekt en ten aanschouwen van hunne vijanden ten hemel opgenomen. De uitwerking daarvan is een groote aardbeving, waardoor het tiende deel der stad Sodoma en Egypte instort en zeven duizend namen van menschen gedood worden. De getuigenis van boete en oordeel neemt een heerlijk einde in de hemelvaart der beide getuigen. Eene ontbinding der maatschappelijke toestanden, waarbij de uitwendige kerk te gronde gaat, is er het gevolg van. De revolutie, door eene aardbeving afgebeeld, doodt haar. Dat er van geen âletterlijkequot; aardbeving sprake is, lijdt geen twijfel, al is het alleen omdat er sprake is van het dooden van namen van menschen. De belijdenis, waardoor men zich bij de uitwendige kerk voegt, is zinnebeeld van het boek des levens, waarin de namen staan van hen die de ware kerk uilmaken. Zeven duizend namen van die mond- en sleurbelijders worden gedood. Het volmaakte getal verduizendvoudigd. Dat is zonder beeldspraak : die toestand houdt op.' De tijd die nu aanbreekt zal voor Gods belijders zoo benauwend zijn, dat niemand zich bij hen voegt of tot hen rekent, dien het niet waarachtig ernst is.
De overigen worden bevreesd en geven den God des hemels heerlijkheid en eere. Zij bekeeren zich niet, maar zij eeren God uit vrees, evenals de menschen onder het zesde zegel de kastijdingen tegen wil en dank als den toorn des Lams erkenden.
Hier eindigt het tusschentafereel, dat vooruitgreep op de uitwerking van de zevende bazuin. Onder de zesde bazuin zijn de barensweeën van deze catastrophe voorbereid en gevoeld. âHet tweede wee is weggegaan, het derde wee komt haast!quot;
115
XVIII.
DE ZEVENDE BAZUIN.
Zooals we zagen is Hoofdst. XâXI : 13 een tusschentoo-neel, dat voorbereidt op hetgeen onder de zevende bazuin zal voorvallen en tot recht verstand daarvan het noodige profetische onderricht geeft. Het 14e vers van XI sluit dus aan IX : 21.
De zevende engel heeft gebazuind en zijn bazuinen heeft tol gevolg eene beweging in den hemel, die parallel loopt met hetgeen volgt op het uitgieten van de zevende fiool. Zoodra de zevende engel bazuint, vangt het slot der wereldgeschiedenis aan. Voor de hemelbewoners is daarmede de beslissing reeds gegeven. Voor zooveel de aarde betreft heeft het blazen der zevende bazuin tengevolge het optreden en de werkzaamheid van de engelen met de zeven fiolen. Zoodra de zevende engel heelt gebazuind, geschieden er groote stemmen in den hemel, zeggende: âHet koningschap der wereld is geworden onzes Heeren en van zijnen Christus en Hij zal als koning heer-schen in alle eeuwigheid.quot; De tempel Gods in den hemel, (wel te onderscheiden van den tempel Gods op aarde, waarvan in XI : 1 sprake is) wordt geopend en de arke des verbonds gezien in zijnen tempel, terwijl bliksemen, stemmen, donderslagen, aardbeving en groote hagel geschieden. En zoodra de
DE ZEVENDE BAZUIN.
zevende engel zijn fiool heeft uitgegoten, komt uit dien tempel van den troon eene groote stem zeggende: âHet is geschied!quot; en wordt gevolgd door stemmen, donderslagen, bliksemen en aardbeving. De beide tooneelen zijn éen, maar in verschillende verhouding; het eerste tot den hemel, het tweede tot de aarde.
Tusschen de schildering van de gevolgen van 't blazen dei-zevende bazuin, in den hemel en die van het optreden der zeven engelen met de fiolen, treffen we twee tooneelen aan, en wel; 1quot;. Hfdst. Xll en XIII waarin met korte, allesomvattende trekken de geschiedenis der kerk van Christus van het Paradijs tot de volle kracht van den persoonlijken antichrist wordt geschilderd ; en 2quot;. Hfdst. XIV, waarin wordt geleekend hoe in den laatsten tijd de ware kerk in volheid bewaard blijft en het rijk van den antichrist wordt vernietigd. Dat tweede visioen wordt nader in bijzonderheden ontwikkeld door de beschrijving van de uitwerking der zeven fiolen. Evenals de tusschentoo-neelen, die de zesde bazuin volgden, toonen deze beide de buitengewone belangrijkheid van de zevende bazuin. Hier ligt de kern van 't boek, evenals de beslissende veldslag een ge-heelen oorlog beheerscht. Zoodra de geheele geschiedenis samenliep tot in de korte spanne tijds, waarin de Vorst des levens en de vorst der duisternis elkander aan het kruis ontmoetten en borst tegen borst streden, evenzoo heeft die geschiedenis zich daarna weder verwijd en verbreed om ten slotte weder in éen punt te eindigen: de tweede ontmoeting, de eindont-moeting, van de beide koningen; van den âChristus onzes Heerenquot; en van zijn carricatuur, den Satan. En gelijk bij de kribbe in Bethlehem reeds, en niet bij het kruis, de hemelsche heirscharen hun krijgs- en zegelied aanhieven: âEere zij God in den hooge, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen!quot; zoo juicht de geheele hemel niet bij den laatsten
117
DE ZEVENDE BAZUIN.
toon van de zevende bazuin: niet bij de zevende fiool, maar zoodra de bazuin geslagen is. In de diepste diepte van den strijd aan het kruis, klonk met groote slem Jezus' woord: âHet is volbracht!quot; En terwijl alle koningen der aarde en der geheele wereld door de geeslen der duivelen tot den krijg van den grooten dag des Almachligen Gods vergaderd zijn, en de engels de zevende fiool uitgiet, klinkt een groote stem van den troon: âHet is geschied!quot;
Groote stemmen weergalmen door den hemel, blijkbaar van de engelen en de vier dierengestalten, die de schepping verle-genwoordigen. Zij roepen hot uit dat de volkomen overwinning is behaald: âHet koningschap over de wereld (niet: de koninkrijken der wereld) is geworden onzes Heeren en van zijnen Christus en Hij (onze Heere) zal als koning heerschen in alle eeuwigheid.quot; Christus heerscht als koning totdat alle vijancen onder zijne voeten gelegd zijn. Hij heerscht als de Zoon des Konings, die het land aan den rebel ontrukt. Nu is de veldtocht geëindigd en het koninkrijk door Hem ingenomen. Nu geeft Hij het koninkrijk over aan God en zijnen Vader, opdat die in eeuwigheid alles in allen zij. Deze lofzang is het kort begrip van hetgeen de Apostel Paulus zegt in 1 Cor. XV; 23-28.
Een afzonderlijke dankzegging spreekt de kerk uit, die nader bij dit grootste aller feiten betrokken is. De vier en twintig ouderlingen, die voor God zitten op hunne troonen en de kerk des Ouden en Nieuwen Verbonds vertegenwoordigen, vallen op hunne aangezichten voor God neder en aanbidden Hem zeggende; âWij danken U, Heere God almachlig, Die is, en Die was, en Die komen zal! dat Gij uwe groote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerscht. En de volken waren toornig geworden, en uw toorn is gekomen, en de tijd der dooden, om geoordeeld te worden, en om den loon te geven
DE ZEVENDE BAZUIN.
uwen dienstknechten, den profeten, en den heiligen, en dengenen, die uwen naam vreezen, den kleinen en den grooten; en om te verderven degenen, die de aarde verdorven.quot;
Uit hunne lofzegging blijkt dal hier van het einde aller dingen sprake is. Zij vermeldt niet het Lam, zooals geschiedde toen het boek met de zeven zegelen door het Lam uit de rechterhand des Almachtigen werd genomen; maar zij onderstelt stilzwijgend dat het koninkrijk aanvaard is uit de handen van het Lam, dat de op zich genomen taak volbracht heeft. De Heere God almachtig, die is, en die was, en die komen zal, heeft zijn groote kracht aangenomen en heeft als koning geheerscht. De volken waren toornig geworden, geprikkeld door den strijd, gezweept door de kastijdingen en straffen; maar nu is Gods toorn gekomen en daarmeè, in éen woord: de tijd voor de dooden om geoordeeld te worden. Dit oordeel splitst zich in tweeërlei. Ten eerste bestaat het hierin, dat de loon gegeven wordt aan Gods dienstknechten. De dienstknechten zijn de profeten, de heiligen, en degenen die Gods naam vreezen, de kleinen en de grooten. A l 1 e n die God in hun aardsche leven gediend hebben, tot den geringsten heilige toe. Ten andere is het verderving van degenen, die de aarde verdierven. Gods dienstknechten hebben als zachtmoedigen en bescheidenen, als gasten en vreemdelingen hier verkeerd: hier, waar ook voor den oversten Leidsman en Voleinder huns ge-loofs geen plaats was waar Hij het hoofd kon nederleggen. De anderen hebben hier huis gehouden alsof ze er alles te zeggen hadden en eeuwig blijven zouden. Zij woonden hier. Zij hebben de aarde âGods koninkrijk â ingericht naar den smaak van hun koning; dat is haar verdorven. Nu worden de eersten beloond en de laatsten verdorven.
Het oordeel gaat over allen. Zoowel als de laatsten veroordeeld moeten worden, is het noodig dat de eersten voor het
119
DE ZEVENDE BAZUIN.
gansche heelal worden vrijgesproken. Hun incognito moet glansrijk voor aller oog opgeheven worden.
Dat noemt Paulus dat âGods kinderen worden geopenbaard.quot;
Maar evenmin als de âeere Gods, de vrede op aarde, het welbehagen in menschenquot; reeds volkomen waren, toen ze om zoo te zeggen, vleeschgeworden in de kribbe te Bethlehem lagen; evenmin is reeds geschied wat de vier en twintig ouderlingen hier zingen. Ze zeggen: â De tijd is gekomen o m dat te doen.quot; Het zal nu geschieden, maar in beginsel is het beslist. Niets staat meer in den weg. En daarop volgt, dat de deuren van Gods tempel in den hemel worden opengeslagen ; dat het voorhangsel wordt weggeschoven; dat de arke des verbonds in het heilige der heiligen wordt gezien, en dat nu het eindoordeel in bliksemen, stemmen, donderslagen, aardoe-ving en grooten hagel losbarst.
120
XIX.
DE VROUW EN DE DRAAK.
Onmiddellijk na het blazen der zevende bazuin ziet Johannes âeen groot en wonderlijk teeken,quot; dat in twee afdeelingen is gesplitst. Hij ziet ten eerste in den hemel eene vrouw en ten tweede op de aarde een beest. Het slottooneel van dit groote en wonderlijke teeken is hetgeen in Hfdst. XIV beschreven wordt. En daarna volgt eerst de uitwerking van het blazen der zevende bazuin. In korte trekken wordt in dit groote wonderlijke teeken een volledig beeld gegeven van de geschiedenis der menschheid, in hare verhouding tot het koninkrijk Gods, van den val tot de wederoprichting.
Eene vrouw, bekleed met de zon, en de maan was onder hare voeten, en op haar hoofd eene kroon van twaalf sterren, ziet Johannes. De vrouw was zwanger en riep in barensnood en in pijn om te baren.
Daartegenover staat een groote roode draak, met zeven hoofden en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden. De draak trok met zijn staart een derde deel der sterren uit den hemel en wierp die op de aarde.
Deze beiden staan vijandig tegenover elkaêr. In dier voege
DE VROUW EN DE DRAAK.
dat de draak zich gereed hield om het kind te verslinden, zoodra de vrouw het zou gebaard hebben.
In hemelsche poëzie zien we hier: âIk zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw; en tusschen uw zaad en haar zaad.quot;
Het menschelijk geslacht, de menschheid, staat in deze vrouw in den hemel voor Gods aangezicht, gevallen maar gered vóór haar val door de offerande van het zaad, dat ze eens zelve zou voortbrengen. Ze staat daar dus omgeven en getooid met de zinnebeelden, die het verbond Gods met de menschheid voorstellen. Zij bezit in het visioen reeds de heerlijkheid, die in den tijd uit haarzelve zou voortkomen door het ware zaad. De zon, type van Christus Jezus, bekleedt haar; de maan, beeld zijner kerk, is liet steunpunt harer voeten; de twaalf sterren, die haar kronen, wijzen op de volheid van Israël, door God uitverkoren als drager en voortbrenger der belofte.
Die menschheid is zwanger van de persoonlijke vervulling der belofte. Vier duizend jaren lang droeg zij den âZoon des menschenquot; onder het harte. Alle barensweeën zijn in dien tijd over en door haar heengegaan, zoodat zij het uitschreeuwde in alle geslachten en talen en volken, bewust en onbewust, tot de volheid des tijds gekomen was. Zij was zwanger van Hem, die het koninkrijk zou ontvangen. En al dien tijd stond tegenover haar de oude draak. Satan, rood van bloeddorst en onheilig vuur; de draak met zeven koppen en tien hoornen ; de Satan, hier zeer beslist geteekend in zijn karakter van koning van het antichristelijke wereldrijk, wachtende om het kind, dat zij baren zou, te verslinden zoodra zij het gebaard had.
Hij heeft als hoofd van dat antichristelijke wereldrijk getracht naren Zoon te verslinden door Hem te maken tot , het beest.quot; âAl deze koninkrijken zal ik u geven, indien gij nedervallende mij zult aanbidden.quot; Aan dien open muil onttrok zich Jezus
122
DE VROUW EN DE DRAAK.
met het woord: âGa weg, Satan, er staat geschreven: âDen Heere uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.quot; En Satan week van Hem voor een tijd. Hij heeft het getracht in de poging der vijfduizend, die Jezus met geweld wilden nemen en koning maken. Maar Hij ontweek hen op den berg om te bidden. Hij heeft het getracht door de woorden van Simon Petrus: âHeer, wees uzelven genadig, dat zal u geenszins geschieden.quot; Maar Hij sloeg het af door de bestraffing; âGa achter mij, Satanas, gij bedenkt niet de dingen die Godes, maar die der menschen zijn.quot; Hij heeft het schijnbaar heel onschuldig getracht toen de Grieken kwamen om Jezus te zien. Maar Jezus verijdelde de poging, door zijn woord: âIndien het tar-wegraan niet in de aarde valt en sterft, brengt het geen vrucht voort. Wat zal ik zeggen? Vader, verlos mij uit deze ure? (Zal ik zonder de ure des kruisdoods de volkeren aan mijne voeten zien ?) Neen! want daartoe ben ik in deze ure gekomen!quot; Hij heeft het getracht in den laatsten vloekwaar-digen kreet van de Schriftgeleerden: âDe Christus, de Zone Gods, kome nu af van het kruis, en wij zullen in Hem ge-looven!quot; Maar Jezus vernietigde de poging door te zwijgen, te sterven en weggerukt te worden tot voor den troon Gods buiten bereik van Satan. En daarom zal die âmannelijke zoonquot; eens al de heidenen hoeden met een ijzeren roede; omdat Hij het kruis heeft verdragen en de schande veracht, zal Hij ook, de heerlijkheid, die Hem voorgesteld was, genieten en hel wereldrijk overwinnen en vernietigen.
Terwijl haar kind wordt weggerukt naar Gods troon, vlucht de vrouw naar de woestijn. Daar heeft God haar eene plaats bereid waar zij duizend Iwee honderd zestig dagen gevoed, in 't leven gehouden wordt. Langer behoeft het niet. Na twee en veertig maanden is liet rijk van den antichrist ten einde. Die maanden zijn voor haar dagen. Na die in haar bloei afge-
123
DE VROUW EN DE DRAAK.
knotte satanische volheid zal de vrouw de aarde erfelijk bezitten, want haar Zoon is wederkeerende en komt terug. Maar tot zoolang is zij verbannen door den Overste der wereld verborgen door God, in de woestijn.
De overwinning, door Jezus Christus in de ontzettende hel-sche diepte van het kruislijden op Satan behaald, toen deze Hem de verzenen vermorzelde, maar Hij der oude slang den kop vermorzelde, laat zich in den hemel geheel anders aanzien dan op aarde.
In den hemel is het een krijg tusschen den aartsengel Michaël (Wie is gelijk God?) mot zijn hemelsche heirscharen, en den draak met diens engelen; het derde deel van de sterren des hemels, die zijn staart heeft medegesleept in zijn ver-doetnelijken afval. Satan wist, naar zijne meening. alles wat God wist. Hij beloofde aan Eva in het paradijs: âGij zult als God zijn.quot; In den hemel wordt hij niet eens door God zelf bestreden. De engel, wiens naam is âWie is als God?quot; komt de overwinning behalen en Satan met zijne engelen uit den hemel neerwerpen op de aarde in het stof; in de wereld, die voorbijgaat.
Daarmeè is in beginsel het pleit beslist. Michaël, de hemelsche veldoverste, trekt met zijn zegepralend leger den hemel weder binnen en nu hoort Johannes het lied der overwinning uit den mond der engelen weergalmen als éen groote stem: âNu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods, en de macht van zijnen Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht, is nedergeworpen. En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams en door het woord hunner getuigenis. en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe. Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen, en gij, die daarin woont! Wee dengenen, die de aarde en de zee bewonen!
12i
DE VROUW EN DE DRAAK.
want de duivel is tot u afgekomen, en heeft grooten toorn, wetende dat hij eenen kleinen tijd heeft.quot;
Uit dezen lofzang blijkt dat in den mannelijken Zoon het geheele zaad der vrouw, dat tegenover het zaad der slang staat, begrepen is. De overwinning van den Zoon des men-schen is de overwinning van allen, die de engelen hun âbroederenquot; noemen. Gelijk zij in Christus Jezus verzoening hebben, zoo hebben zij ook in Hem volkomen overwinning. Want hun overwinning bestaat hierin, dat ook zij evenals hun oversten leidsman en voleinder des geloofs hier geen vaderland, hier geen koninkrijk zoeken, maar verlangen en doortrekken naar het toekomende. En daarom schaamt God zich niet hun God genaamd te worden.
Nu de overwinning behaald is en Satan op âaardequot;' weid nedergeworpen, nu is de kracht en de zaligheid, en het koninkrijk Godes geworden, en nu is Christus alle macht in hemel en op aarde gegeven. Want in die overwinning zijn twee momenten. Ten eerste is de verklager der broederen ter neder gestooten, die zonder ophouden hen voor God verklaagde. Hij stond als een Satan in Zacharia's visioen naast den hooge-priester Josua de aandacht Gods te vestigen op hun vuile kleederen ; op hun zonde en eigengerechtigheid. Die aanklacht is door den dood van Jezus Christus vernietigd. Hun oude kleederen zijn vervangen door reine wisselkleederen en een reinen hoed. Ze zijn gekleed met de gerechtigheid van Christus. En in zijne opstanding hebben zij de levenskracht ontvangen, waardoor ze hun aanklager overwinnen door het bloed des Lams èn door het woord van hun eigen getuigenis. De getuigenis zal hun op aarde het leven kosten, maar daarin ligt juist de overwinning evenals zulks voor het Lam zelf het geval was.
De geheele kerk âgij hemelen en gij die daarin woont,quot; wordt opgeroepen om dit zegefeest te vieren. Maar hun, die de
125
DE VROUW EN DE DRAAK.
aarde en de z e e bewonen; hun die aan het stof geketend zijn en als wederstrevige volksmassa de stof leveren waaruit liet antichristelijk wereldrijk zal opgericht worden, hun wordt âweequot; toegeroepen. Want uit den hemel geworpen komt de duivel tot hen af. 't Is Satan als raenschenmoordenaar van den beginne te doen om menschen te vernielen, onverschillig of die menschen zijn doodvijanden dan wel zijn onderdanige slaven zijn. De overwinning, door Jezus Christus op hem behaald, stelt het geheele zaad der vrouw voor eeuwig buiten hun bereik. Derhalve zal hij thans al zijn moedwil koelen aan hen die de aarde en de zee bewonen. Wat hij komt doen is een dolle poging der wanhoop. Hij weet dat de kop hem vermorzeld is; hij heeft slechts kleinen tijd en daarom juist groo-ten toom.
Maar nog éene poging ter vernietiging van Christus' volbracht werk, waagt de draak; op hoop tegen hoop. De vrouw heeft haar Zoon gebaard, deze Zoon is aan den verslindenden muil van den draak ontkomen; welnu, thans vervolgt hij de vrouw zelve. Maar (een nadere uitwerking van het medegedeelde in vers 6,) de vrouw vlucht op twee groote arendsvleugelen, welke God haar geeft, naar de woestijn, om daar buiten het gezicht der slang een tijd, tijden en een halven tijd onderhouden te worden. Zij vlucht op arendsvleugelen, want 't is een hemelvaart, doch voorloopig door de woestijn heen. Dat eeuwige verlossing in beginsel in deze vlucht beslolen ligt, blijkt daaruit, dat de duur van haar verblijf in de woestijn thans niet gelijk in vers 6 in dagen wordt aangegeven, maar in jaren, die het zinnebeeld der eeuwigheid zijn. Waaraan ontvlucht de vrouw eigenlijk ? Dat wordt ons in het volgende vers gemeld. Ze ontkomt aan een stroom waters, als eene rivier, welke de slang haar achterna spuwt. Hij wil haar niet doen verdrinken, maar haar wegvoeren.
126
DE VROUW EN DE DRAAK.
Nu komt de ,aardequot; de vrouw ter hulp, en opent haar mond om die rivier te verzwelgen. De aarde doet dat niet uit sympathie met de vrouw, maar veeleer omdat het water haar aantrekt. Zij helpt de vrouw, omdat God het zoo beschikt en dat middel gebruikt; niet omdat zij haar helpen wil. Die rivier is niet anders dan de stroom van valsche leeringen, ketterijen, verdraaiingen van Gods getuigenis, antichristelijke beginselen, waarop de Satan de kerk, de ware menschheid denkt te doen afdrijven en weg te voeren. De aarde verzwelgt ze. Straks zullen we ze terugzien als volken, natiën en tongen, waarop een andere vrouw, de groote hoer, zit.
De poging mislukt den draak dus. De vrouw is buiten zijn bereik. Nu gaat hij heen in heete grimmigheid om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben. En onmiddellijk daarna komt een beest op met evenveel hoofden, hoornen en kronen als de draak heeft.
In enkele woorden saamgevat, zonder beeldspraak, leert dit visioen ons dat hel geestelijk verloop van de geschiedenis der menschheid dit is:
Na den val der menschheid opent God den weg der redding in de belofte van Jezus Christus, als overwinnaar van den quot;Satan, die de menschheid ten val bracht.
Daardoor w a s de menschheid reeds in beginsel gered, want de Zaligmaker heeft zich van eeuwigheid opgeofferd.
Satan heeft voortdurend als een rechte draak op de loer gelegen om, wanneer in de volheid der tijden Jezus Christus in het vleesch verschenen was. Hem evenzoo ten val te brengen als dat met den eersten Adam gebeurd was. Indien het gelukken mocht Jezus te verleiden om den dood des kruises te ontgaan en zonder vernedering de heerschappij over de wereld te aanvaarden uit handen van Satan, dan was opnieuw Gods
127
DE VROUW EN DE DRAAK.
schepping vernield, en dan was er geen antichrist noodig, want er zou geen Christus zijn.
Alle mogelijke pogingen zijn daartoe door Satan in 't werk gesteld. Maar zonder kreuk of rimpel bleek het woord des Heilands volkomen: âDe overste dezer wereld komt, maar heeft aan mij niet s.quot;
Na de volledige overwinning door onzen Heer en Heiland op Satan behaald, bleef den laatste niets anders dan te trachten of hij ook de gemeente kon verpesten en aftrekken van haar Hoofd. Mocht dat gelukken, dan werd zij van Bruid, hoer, en het antichristelijk Babyion behoefte niet gesticht te worden.
Christus moest tot antichrist, en zijn rijk tot wereldrijk, zijne bruid tot hoer gemaakt worden. Ook deze poging was volkomen vergeefsch. Van zijne schapen heeft de goede Herder het macht woord gesproken: âNiemand zal ze uit mijne hand rukken.quot;
Mislukt ook deze tweede poging om Gods herschepping te vernietigen, dan blijft alleen het uiterste middel over om alle leden van de gemeente, die maar even onder Satans bereik komen, zoowel lichamelijk als geestelijk, maar vooral geestelijk, te vermoorden. Dus Jezus Christus de âmannelijke Zoonquot; is builen zijn bereik; weggerukt naar den troon Gods. De âvrouwquot; is, door Gods kracht, gevlucht buiten zijn gezicht. Nu moet de krijg aangebonden tegen âde overigen van haar zaad.quot; Daartoe is echter een wapen noodig. En dus eigenlijk tegen wi'. en dank, door Gods wereldbestuur gedwongen, moet de draak een antichrist en een Babyion voortbrengen, die beide wel verschrikkelijk schijnen te zijn, maar waarvan niemand beter dE.n de draak zelf weet dat ze armzalige, mislukte carricaturen zijn, die evenals hij slechts âkleinen tijdquot; hebben. Ze zullen dienen als moordwerktuigen tegen de overigen van het zaad der vrouw
128
DE VROUW EN DE DRAAK.
129
Maar die âoverigenquot; mogen reeds, voordat het beest opkomt, den welkomstzang in de hemelen beluisteren: âZij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams en door het wourd hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.quot; Wel volgt nu een afgrijselijk tooneel van afval en woedende vervolging door den antichrist, maar de uilkomst wordt in een alles overtreffend heerlijk tafereel in Hfdst. XIV geschilderd.
XX.
DE SATANISCHE DRTEÃENHEID.
De draak, op de vrouw vergrimd en daarom heengaande om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, âstond op het zand der zee.quot; Johannes was en bleef in den hemel, waarheen hij Hfdst. IV : 1 opontboden was, en zag vandaar uil wat er geschiedde. De aarde is daarvoor de plaats niet. Sommige handschriften geven te lezen: âEn hij stond op het zand der zee.quot; Wat de draak noodig had moest hij uit de zee, de oproerige, Gode vijandige volkerenwereld, doen opkomen.
En Johannes zag uit die zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen, en op zijne hoornen tien koninklijke hoeden, en op zijne hoofden een naam van Godslastering. Dat beest is het evenbeeld van den draak (XIII : 3). Daarna komt (XIII : 11) uit de aarde een ander beest op, dat twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, heeft en spreekt als de draak. Dit tweede beest wordt (XV : 13) âde valsche profeetquot; genoemd.
Hier is de satanische drieëenheid. Thans heeft Satan zich ten volle ontplooid als de helsche carricatuur van den drie-ëenigen God. Hij zelf is de vader; het eerste beest is de antichrist, zijn zoon, hem evengelijk; de valsche profeet is zijn
DE SATANISCHE DRIEÃENHEID.
geest. In het eerste beest concentreert zich alle macht op aarde. Satan zelf, de valsche vader, blijft zichzelf gelijk zoolang zijn nagemaakte eeuwigheid duurt. Het eerste beest woelt en werkt in de menschheid in elkander opvolgende en vernietigende wereldrijken (koningen) en is ten slotte zelf, persoonlijk, âde achtste koningquot; (XVII : 11). Het tweede beest is de nabootsing van den Geest Gods; 't is het beest dat wonderen doet en tot valschen eeredienst verleidt; 'tis de valsche kerk, die de politieke anti-christ noodig heeft om zich staande te houden. Dat het eerste beest de anti-christ is, steeds komende maar nóg niet gekomen (evenals de ware Christus) zal ons straks uit het teeken, het getal zijns naams (XIII : 18) blijken. Van de zeven hoofden en tien hoornen geeft Hfdst. XVII de uitlegging. Het beest was een pardel gelijk, het had de voeten van een beer en den mond van een leeuw. In eenig opzicht op het Lam te gelijken gaat boven zijne macht; dat moet het zoo goed en zoo kwaad als het gaat, aan het tweede beest overlaten. Hel komt niet om te dienen, veel minder om zich op te offeren. Het komt alleen om te aanvaarden wat Jezus, de ware Christus, met beslistheid als doodelijke verzoeking heeft afgewezen: de macht over de koninkrijken der aarde. Het heeft derhalve in zich vereenigd alle attributen van de verscheurende dieren.
⢠Een van zijn hoofden was doodelijk gewond. Zoo kwam het op uit de zee. Maar toen het opgekomen was, werd de doodelijke wonde genezen. Die wond was een wond des z waards. En evenwel leefde het beest. Wat dit hoofd en zijn wond be-teekent zal ook Hfdst. XVII in helder licht stellen. Over die genezing verwondert zich âde geheele aardequot; (niet de hemel en die daarin wonen). De geheele aarde had gedacht dat de doodelijke wond door den dood zou gevolgd worden. Ze had gedacht dat dit gewonde hoofd âer niet meer was.quot; En het
131
DE SATANISCHE DRIEÃENHEID.
was er ook niet ofschoon het er wel degelijk was. Toen nu bleek dat dit hoofd genas en de belangrijkste rol ging spelen, aanbaden zij (de geheele aarde) den draak, die het beest macht gegeven had, en het beest zelf. Ze zeiden: âWie is het beest gelijk, en wie kan legen hem krijgvoeren?'quot; Een beest, dat na zoo doodelijke verwonding nog krachtig levend bleef, was in hun oogen onweerstaanbaar.
De draak zelf wordt aangebeden, omdat deze Christus zoo volkomen voldoet aan alle wenschen van hen, die geen âZaligmaker van hunne zondenquot; noodig hebben. De draak is uit den hemel op aarde geworpen door âMichaël (Wie is als God?quot;); dat is door Christus Jezus zelf. Welnu, in de oogen van ben die op de aarde wonen, is de overwinning schitterend gewroken door de verschijning van dit beest, en daarom bestaat de aanbidding van het beest in den uitroep, het parool; âWie is gelijk het beest? En wie kan tegen hem krijgvoeren?quot;
Nu ontvangt het beest (van den draak) een mond om groote dingen en Godslasteringen te spreken. Het mag dat doen gedurende twee en veertig maanden, 't Is voor de kerk de aanvang van de eeuwigheid. Voor haar duurt het âeen tijd, tijden en een halven tijd.quot; 't Is voor de Godsgetuigen op aarde dag en licht. Voor hen duurt het twaalf honderd zestig dagen. Maar voor hen die op de aarde wonen, is het nacht; twee en veertig maanden. Welnu, het beest gebruikt die zeer korte spanne tijds zoo druk mogelijk. Het opent den mond tot lastering tegen God zelf om zijn naam te lasteren; en tegen Gods tabernakel, zijne gemeente; en tegen hen die in den hemel wonen; die wel nog op aarde doorreizen, maar in den hemel hun woning, hun vaderland hebben.
Dien laatsten, heiligen genoemd, mag het krijg aandoen. Daartoe liet Satan (XII : 17, 18) het uit de zee opkomen. Meer
132
DE SATANISCHE DRIEEENHEID.
nog: het zal hen overwinnen. Schijnbaar zal de strijdende kerk van Christus uitgeroeid worden. Maar de zegezang in den hemel (XII : 11) heeft haar doen hooren dat zij overwonnen heeft, juist door het bloed des Lams, èn door haar eigen getuigenis, èn daardoor dat ze overwonnen wordt, want ze heeft haar leven niet liefgehad tot den dood toe.
En voorts ontvangt het macht over alle geslacht, en taal en volk. Allen, die op de aarde wonen, aanbidden het beest; niemand uitgezonderd. De verklaring van dit verschijnsel staat er bij ,Hunne namen zijn niet geschreven in het boek des levens.quot; Zij zijn niet uitverkoren. Geen enkele plaats in de Heilige Schrift geeft aanleiding om de uitverkiezing als een soort van noodlot te beschouwen, waaraan alle menschen onderworpen zijn ; en ook deze niet. Er staat niet : hun namen zijn niet geschreven in het boek des levens, en dus spreekt het vanzelf dat zij het beest aanbidden. Integendeel; de tekst leert ons: zij wonen op de aarde en aanbidden daarom het beest, en hieruit blijkt dat hun namen niet in het boek des levens staan, 't Is geen verontschuldiging voor hen die het beest aanbidden, maar een heerlijke troost en zekerheid voor hen, die dat niet doen. De geheele Schrift leert ons de dubbele waarheid : dat niemand door zijn eigen verdienste zalig wordt en dat niemand door Gods schuld verloren gaat.
Zoo ook hier. Dat boek is niet het boek des levens van den souvereinen God, die willekeurig uitkiest, maar het is het b o e k des levens des Lams, dat geslacht is van de grondlegging der wereld. Niet bloot met den val des menschen, maar met de grondlegging der wereld staat het slachten van het Lam in verband. Is 't het boek des levens des Lams dat geslacht is. dan staat rechtstreeks daarmeê in verband het woord dat van dit Lam getuigd wordt: En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet de Zoon des
133
DE SATANISCHE DRIEÃENHEID.
menschen verhoogd worden; opdal een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar liet eeuwige leven hebbe.
Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Want God heeft zijnen Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordeelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.
Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld ; maar die niet gelooft, is aireede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den naam des eeniggeboren Zoons van God.
Dat boek wordt niet ingevuld naarmate zich menschen be-keeren ; neen, het is van eeuwigheid geschreven. Maar dat is een geheim, waarmede geen onbekeerde iels te maken heeft, en een openbaring, waarin ieder bekeerde volle heerlijke verzekerdheid ontvangt. Men zal bij nauwkeurig en onbevangen onderzoek der Heilige Schrift altijd bevinden dat tol de onbe-keerden nooit anders gesproken wordt dan van de verplichting om zich te bekeeren, en dat alleen tot de wedergeborenen van de verkiezing als de grondslag hunner wedergeboorte en bekeering wordt gewag gemaakt.
Het Lam ,d at geslacht is van de grondlegging der wereld.quot; Deze bijvoeging knoopt de voorafgaande mededeeling aan de volgende waarschuwing vast. Hel geslacht worden van het Lam was de onmisbare voorwaarde voor hel schrijven van het boek des levens. Zonder dat zou er geen enkele menschen-naam in dat boek staan. Maar zij die er in opgeschreven slaan hebben daardoor dezelfde roeping als het Lam had. Wie verlost is doordien het Lam zich liet slachten, moet desge-vorderd zichzelf ook laten slachten, maar hij slacht zelf niet. Dal is juist het onderscheid in de openbaring op aarde van den waren Christus en den anti-christus. De eerste wordt ge-
134
DE SATANISCHE DRIEÃENHEID.
slacht, en de tweede slacht zelf al wie hem tegentreedt. Dat is dus ook het onderscheid tusschen beider aanbidders. âDie ooren heeft om te hooren, die hoore!quot; Ooren om te hooren hebben alleen zij die wedergeboren werden en een geestelijk gehoororgaan ontvingen. De anderen hebben dikgeworden harten, oogen om niet te zien en ooren om niet te hooren. Hel eerste wat iemand, die ooren heeft om te hooren, goed verstaat, is; âgij verdiendet zelf geslacht te worden;quot; het tweede is: âhet Lam is voor u geslacht;quot; en het derde; âvervul dus de overblijfselen der verdrukking van Christus.quot; âIndien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal dooden, die moet zelf met het zwaard gedood worden.quot;' Tegen den anti-christ helpt geen aardsch geweld; het mag niet tegen hem gebruikt worden; het helpt, indien het gebruikt wordt, niet zijn tegenstanders maar hemzelf. Dat was juist wat ten opzichte der twee getuigen aan Zacharia getoond werd; âNiet door kracht of geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden.quot; Dat is wat in Hfdst. XIX : 11â16 getoond wordt: Hij wiens naam is Getrouw en Waarachtig, voert den krijg. Zijn leger volgt Hem om de overwinning mee te vieren. Maar alleen uit zijn mond gaat een zwaard; alleen Hij heeft een ijzeren roede ; alleen Hij treedt den wijnpersbak.
Hebben de heiligen dan in 't geheel geen aandeel aan de overwinning? Zeer zeker: âHier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.quot; Hun was immers toegejuicht dat zijzelf den draak overwonnen hebben door het bloed des Lams, èn door het woord hunner getuigenis, èn doordien zij hun leven niet hebben liefgehad tot den dood toe.quot; De draak en zijn Satanskind de anti-christ worden door de heiligen zelf overwonnen, door hun geloof in den zoendood des Lams, waardoor ze niet meer eigendom des Satans maar des Lams zijn.
135
DE SATANISCHE DRIEÃENHE1D.
Voorts: âmet het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, maar met den mond belijdt men ter zaligheid.'' Op het zaligmakend geloof des harten volgt het vrijmoedig woord hunner getuigenis. Eindelijk: zonder werken is het geloof dood. De getuigenis wordt bevestigd door handhaving tot op het schavot. Indien ge mijne discipelen zijt, zegt Jezus, dan zal de wereld ook u vervolgen gelijk zê mij vervolgd heeft, want de dienstknecht is niet meer dan zijn Heer.
Hier is dus de âlijdzaamheidquot; der heiligen. De heiligen zullen moeten lijden en ook moeten willen lijden. Toonen ze dat, dan zal daaruit blijken dat hun geloof echt is. Hier is dus de proef op de som of men een heilige is.
Uit de zee zag Johannes het beest opkomen, dat den draak gelijk was. De beschrijving tot en met vers 6 van Hfdst. XIII schildert wat het beest onmiddellijk na zijn opkomst verricht; verzen 7 en 8 vermelden wat het daarna doen z a 1 en wat hem gedaan zal worden. Het zal den heiligen krijg aandoen en hen overwinnen en het zal door allen die op de aarde wonen, aangebeden worden. Daarvoor is echter een andere macht noodig. Duidelijk wordt ons in verzen 1â6 geteekend welke politieke macht het beest zal bezitten. Maar deze zou geen volkomen uitwerking op de menschenwereld hebben, indien ze niet gesteund en gedragen werd door religieuzen invloed. En daarom ziet Johannes (vers 11) uit de aarde een ander beest opkomen.
Nauwkeurig moet men letten op de beeldspraak en allegorische beteekenis bij elk onderdeel van een visioen uit de Openbaring. De zee is geheel iets anders dan de aarde (het land). De zee beteekent, zooals we reeds meermalen zagen, de
136
DE SATANISCHE DRIEEENHEID,
geheele Heilige Schrift door, de volkerenwereld, ziedende en bruisende legen den Almachtige. De aarde, het vasteland, daarentegen is een ander symbool. Ze is de menschenmassa in haar (valsch) religieuze beteekenis. Deze âaardequot; kwam de ,vrouw'' te hulp toen de draak een rivier naar haar uitspuwde om haar op dien stroom weg te dragen. Deze âaardequot; verzwolg dien stroom van valsche leeringen, ketterijen, verleidingen, Schriftverdraaiingen. Die stroom doet nu zijne werking. De âaardequot; brengt door zijn invloed het beest voort, dat den noodigen godsdienstigen tint aan de heerschappij van den antichrist geven zal.
Dit tweede beest is geheel verschillend van het eerste. Het eerste beest is de volmaking van de verschillende dierengestalten, welke Daniël in visioen als de opvolgende vormen van het anti-christelijk wereldrijk verschenen. Het vat die alle tezamen en heeft dus al de verschillende bestanddeelen van de Grieksche, Assyrische en Perzische wereldtirannie in zich. Ruw, verscheurend, alles bedwingend treedt het op. Maar het heeft, nu duizenden jaren lang ondervonden, dat de gewetens der tnen-schen niet kunnen gedwongen, maar moeten verleid worden. Eh daarom laat de draak een beest opkomen, geboren uit het bijgeloof en ongeloof der afvalligen; een beest met twee hoornen, aan de hoornen des Lams gelijk. Het Lam had (V : 6) zeven hoornen: volkomen macht, en zeven oogen; de volheid des Geestes. Dit beest brengt het natuurlijk niet tot zeven; maar zoover mogelijk bootst het het Lam na. Het is de valsch-heid en onoprechtheid in persoon. Het spreekt als de draak. Dat doet het eerste beest niet. Dat ruwe gedrocht vol kracht lastert God en zijne heiligen en spreekt âgroote dingen.quot; De draak sist verleidingen als: âIs het ook dat God gezegd heeft?quot; en: âGod weet dat ge Hem gelijk zult zijn en dat wil Hij niet.quot; Door zulke vleitaal, die de zelfzucht en den hoogmoed
137
DE SATANISCHE DRIEÃENHEID.
der aardbewoners streelt en prikkelt, oefent het tweede beest al de macht van het eerste in zijne tegenwoordigheid. Het eerste beest kan overweldigen en aanbidding e i s c h e n. Het tweede beest tn a a k t dat de aarde en die daarin wonen liet eerste aanbidden. Daartoe doet het wonderteekenen. Met name laat het voor de menschen vuur afkomen van den hemel. De ware Messias heeft tijdens zijne omwandeling op aarde getuigd dat Hij gekomen was om vuur op de aarde te werpen. Den beiden getuigen, welken God tegenover het beest verwekt, is gegeven met vuur, dat uit hun mond uitgaat, de menschen te dooden. Eens heeft Elia door het vuur, dat hij van den hemel afbad, gansch Israël gedwongen tot de erkentenis dat Jehovah God is. Toen schreeuwden en smeekten de Baaispriesters vruchteloos om vuur. De Elia, die als heraut voor den waren Christus heentrad, heeft als kenmerk van dien Messias opgenoemd dat Hij doopt met den Heiligen Geest en met vuur. Weïnu, dit beest bewijst den menschen dat dit alles bedrog is geweest; hij kan dat alles ook ; hij kan het eerst recht goed. Daardoor verleidt hij de menschen, en haalt hen over om voor het eerste beest, den antichrist, een beeld te maken. Alle eeredienst buiten Gods openbaring is afgoderij. Gaarne gaat ieder, die niet den waren God dient, daartoe over. De menschen maken dat beeld ; en het beest met de lamshoornen voorziet het van een geest, zoodat het spreekt.
Waarlijk atheïst en waarlijk materialist kan niemand zijn. Altijd moet men zich daartoe dwingen. Evenals hij, wien een been geamputeerd is, gedurig zenuwpijnen heeft tot in de tee-nen van het afgezette been, evenzoo gevoelt de atheïst en materialist de pijn des gewetens voortdurend in de schijnbaar genezen wond, waar de laatste vezelen zijn losgescheurd, die hem aan God, de bron zijns levens, verbonden. Die pijn wordt gesust en bedwelmd door het satanisch-mysterieuse. Wie vau
138
DE SATANISCHE DRIEÃENHEID.
hel waarachtige leven zich heeft losgescheurd, zoekt contact met den levenden dood. De Satan brengt den antichrist voorl. De antichrist wordt geschraagd door den valschen profeet. De valsche profeet neemt het spiritisme tehaat. Zonder twijfel zal het spiritisme â de zonde waarvoor in de Mozaïsche wet reeds geen slachtoffer overbleef, â een groote rol spelen in de laatste tijden dezer bedeeling. Het telt nu reeds zijne aanhangers bij millioenen en millioenen.
Dat allen, die op de aarde wonen, het beest aanbidden, is den valschen profeet niet genoeg. Hij âoefent al de macht van hel eerste beest in zijne tegenwoordigheid.quot; En de macht van dat eerste beest is dat het over alle aardbewoners heerscht en den heiligen krijg aandoet. Welnu, wat steeds de prikkel van alle geloofsvervolging was â dat de ware belijdenis van God âstaatsgevaarlijkquot; is, â bereikt nu zijn toppunt. De valsche profeet âmaaktquot; dat allen die het beeld van het eerste heest niet aanbidden, gedood worden. Hij âmaaktquot; dat allen, kleinen en grooten, rijken en armen, vrijen en dienstknechten, in den antichristelijken staat worden ingelijfd door een soort van salanischen doop, door een merkteeken aan hun rechterhand of aan hun voorhoofd. En hij âmaaktquot; dat allen, die dat merkteeken niet hebben, niet mogen koopen of verkoopen; dat ze geheel en al van de samenleving zijn uitgesloten; dat ze worden geboycot. Die zich het merkteeken laat geven, is daardoor onherroepelijk voor eeuwig verloren. Die het weigert eindigt daardoor beslist zijn pelgrimsreize hier beneden onder de guillotine.
Zoo bereiken de valsche godsdienst en de valsche slaat hun volmaking. Eindelijk is het den draak gelukt zijn wereldrijk te stichten. Heeft hij waarachtig zijn doel bereikt? Neen, hij is gekomen zoover hij kan en het is een volslagen mislukking. Vooreerst blijkt dat uit den duur van hel rijk; twee en veertig
139
140
maanden; de helft slechts van zeven. En bovendien toont iedere onderdaan van dat rijk het tegen wil en dank in het merk-teeken op zijn rechterhand of voorhoofd. Dat merkteeken is het getal van het beest, en het is het getal, het naamcijfer van een mensch. Die raensch heeft verschillende typen gehad, evenals de Christus zelf. Nimrod, de Farao van Exodus, Benhadad, Antiochus Epifanes, en al die geweldenaars meer waren flauwe typen van dezen âmensch der zonde.quot; Wie hij is zal Hfdst. XVII ons zeggen. Hier wordt alleen zijn naamcijfer gegeven. En in dat naamcijfer weerklinkt de goddelijke lach, waarvan Psalm II profeteert; âDie in den hemel woont zal lachen, de Heere zal hen bespotten.quot; Dat naamcijfer is (symbolisch) 6. 6. 6. Niet zes honderd zes en zestig, maar 6. 6. 6. âHier is,quot; zegt de Openbaring, âniet een rekensom, die door iederen ongeloo-vige ook op te lossen is, maar hier is âde wijsheid.quot; Om dat naamcijfer te lezen moet het verstand verlicht zijn door de goddelijke wijsheid.
Wat is 6. 6. G. ?
1 . In het oorspronkelijke slaat dat zijn getal, zijn naamcijfer
is
De eerste dezer drie letters, de x (ch) heeft in cijferschrift de waarde van 600; de tweede, de i (chsi) van 60; de derde, de 5 (s) van 6. Verkort wordt de naam Christos in het Grieksch geschreven *-«. Maar het satanische merkteeken verbindt de eerste en de laatste ietter door de letter chsi (het zinnebeeld van de slang). Het merkteeken x;; geeft dus terug: âde valsche Christus, de Slangchristus.quot;
2'. Wanneer men de Goddelijke Drieëenheid in cijferschrift zou weergeven, moest er staan 7. 7. 7. Want 7 is het Goddelijk getal der volheid, samengesteld uit 3 en 4. (God inwerkende op de schepping). 3 en 4 driemaal herhaald, zou aanwijzen dat
DE SATANISCHE DRIEÃENHEID.
deze God, die immanent in de schepping zich openbaart, drieeenig is.
En dan is 6. 6. 6. het naamcijfer van hem die poging doet om 7. 7. 7. te bereiken; er bijna in slaagt, maar er in eeuwigheid niet toe komen kan.
is de Goddelijke drieëenheid 7. 7. 7., dan is de Satanische drieëenheid, zooals ze zich op haar toppunt zal openbaren, om daarna voor eeuwig vernietigd te worden, 6. 6. 6. En is voor het menschelijk geslacht Jezus Christus het aangezicht Gods, het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, de toegang tot den Vader; dan is de antichrist het middel om zich voor eeuwig aan den draak te verliezen. 1).
Alle fabelen van een keizer Nero, die weer van de dooden opstaat, en dergelijke verdwijnen hierdoor. Ook de paus is de antichrist niet. Tot nu toe zijn er slechts âvele antichristen.quot; Zijn âgeestquot; spookt door de wereld. Maar eens zalâdemensch der zonde, der ongerechtigheidquot; komen, die dit merkteeken heeft.
Welk een troost voor de gemeente des levenden Gods, die gebouwd is op de petra: âGij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods,quot; dat zij, wanneer hij eenmaal met zijn satanisch merkteeken, zijn naamcijfer, zijn blazoen, optreedt, in de Openbaring die Jezus Christus aan Johannes gaf, kan zien welk een valsche, mislukte, straks voor goed verdwijnende carrica-tnur hij is, met zijn âvader,quot; den draak, en zijn âheiligen geest,quot; den valschen profeet.
') Men zie uitvoeriger over dit naamcijfer: Prof. Godels Bijbelstudiën over het Nieuwe Testament.
141
XXL
IIET LAM EN DE HONDERD VIER EN VEERTIG DUIZEND. DE DRIE ENGELEN. DE OOGSTEN VAN KOREN EN DRUIVEN.
Het slot van Hfdst. XIII heeft ons de satanische drieëenheid: Draak. Antichrist en Valsche profeet, getoond op het toppunt barer macht. Allen op aarde zijn aan hare tirannie onderworpen of er door vervolgd. Het XIYe Hfdst. geeft ons te aanschouwen hoe de oplossing van dit vreeselijk raadsel zal zijn. Geleidelijk splitst zich dit Hoofdstuk in drie deelen. Ie. Het visioen van het Lam, staande met de honderd vier en veertig duizend op den berg Zion. 2e. De drie engelen, elkander volgende en uitroepende, de eerste dat de ure van Gods oordeel gekomen is; de tweede dat Babyion geoordeeld is; de derde dat de volgers van den Antichrist hun oordeel zullen ontvangen. Dit eerste en tweede visioen behooren bij elkaêr en vormen éen groot onderdeel. Ze zijn van het derde deel van het hoofdstuk gescheiden door het twaalfde vers. Het derde deel stelt ons voor oogen in welken vorm de groote catastrophe over goeden en boozen beiden komt. Daarmede is de beschouwing in vogelvlucht van de laatste tijden, die in Hfdst. XII : 1 een aanvang nam, gesloten.
Op de aarde is geen plaats voor hen, die het merkteeken
HET LAM EN DE HONDERD VIER EN VEERTIG DUIZEND. 143
van het beest niet aan hun voorhoofd of hun rechterhand hebben ontvangen. Zij worden buiten de menschdijke samenleving gesloten, zoodat niemand hunner koopen of verkoopen mag. Ze worden, indien ze volharden in de weigering om het beeld van het beest te aanbidden, gedood. De vraag rijst: waar is hun plaats dan? Ja zelfs: zijn er nog dezulken op aarde overgebleven? Zijn misschien ook a 1 1 en afgevallen of vermoord? Op deze vraag ontvangt de apostel, en in hem de gemeente, een antwoord, dat de bevestiging is van Jezus' belofte; âOp deze petra, de belijdenis dat ik de Christus, de Zoon des levenden Gods, ben, zal Ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.quot;
Johannes ziet weder het Lam. In dit tooneel voegt weer niet de Koning, niet de Hoogepriester, niet de Leeuw; maar het Lam. Op aarde heerscht het pardeldier met berenklauwen en een leeuwenmuil, dat zoekt de schapen te verslinden. Op den berg Zion staat, temidden zijner getrouwen, het Lam, dat de schapen weidt.
Het Lam en zijne volgelingen staan daar. Ze hebben de houding nog niet van overwinnaars, maar van onverwinbaren.
Zij staan op den berg Zion. Op den berg Zion was de burcht, die âde stad Davidsquot; genoemd werd. Niet op den tempelberg Moria staat het Lam, want het verschijnt hier, wèl als Lam, maar na de slachting dus als overwinnaar, die zeker is van het eindresultaat. Het Lam staat in de Koningsstad van zijn grooten voorvader en type David. Evenals David deze burcht innam en vandaar uit eindelijk de geheele stad in bezit kreeg, zoo ook nu het Lam. Reeds is het tot de stad gekomen en heeft de sterke vesting bezet; voorbode van de volslagen uitdrijving der vijanden, die nu nog de stad vertreden.
Het staat daar met honderd vier en veertig duizend. Als tegenhanger van de twaalf maal twaalf duizend uit Israël, wier
144 HET LAM EN DE HONDERD VIER EN VEERTIG DUIZEND.
getal Johannes eenmaal hoorde, ziet hij nu honderd vier en veertig duizend. Hetzelfde getal der volheid, maar in andere evenredigheid. Hier is dus geen sprake van het volk van Israël, want daartoe wordt de aanduiding, die in 12 maal 12000 gelegen is, gemist. Voor de gemeente uit het geheele mensche-lijk geslacht is de beteekenis hier hetzelfde als vroeger voor Israël. Toen was de vraag: Wie zal bestaan voor den troon des Lams ? Johannes hoorde toen : een volheid uit Israël, en zag toen: een vollieid uit de volken. Nu is de vraag: Wie zal bestaan voor de woede van den antichrist ? En Johannes ziet: een volheid uit de uitwendige Christelijke kerk samengesteld waarbij het onderscheid tusschen Israël en de volken voorgoed verdwenen is. Rondom het Lam geschaard, in de onneembare vesting Davids, trots alle vervolging en uitroeiing, staat een volledige kern van onverschrokken en openbare belijders ; profetie van den volslagen ondergang van den antichrist.
Openbare belijders zijn ze. Niet alleen weigerden zij het merk-teeken van den antichrist op hunne voorhoofden of op hun rechterhand te ontvangen: dat is niet genoeg. Neen, zij hebben den naam van den Vader des Lams geschreven op hunne voorhoofden. Aanbidden allen die op aarde wonen den draak, den satanischen vader in de duivelsche drie-ëenheid ; z ij belijden zoo openlijk dat ontkenning onmogelijk is, den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.
Zij zijn de strijdende kerk van de laatste dagen. Zij zijn éen met de triomfee rende kerk, die hen voorging, en die ,zonder hen niet volmaakt is.quot; Hun jubeltonen stemmen samen en vloeien ineen. Johannes hoort eene stem uit den hemel; eene stem veler wateren en als van een grooten donderslag ; eene stem van citherspelers, spelende op hunne cithers. En van de honderd vier en veertig duizend hoort Johannes als een nieuw gezang, naar hetzelfde thema gevarieerd.
DE DRIE ENGELEN. DE OOGSTEN VAN KOREN EN DRUIVEN. 145
De koorzang was het van 't hemelsche lied. Een gezang, dat alleen de honderd vier en veertig duizend leeren konden, die van de aarde gekocht waren. Gelijk iedere heilige zijn eigen ondervindingen, zijn eigen thema voor dankzegging heeft en toch al de heiligen samen voor de éene. groote verlossing éen groot lied aanheffen, zoo heeft de strijdende kerk ten tijde van den antichrist haar eigen reden van lofverheffing voor de geestelijke bewaring en getrouwmaking in deze verzoeking. Die bewaring is echter een onderdeel van de éene groote verlossing; die verzoeking is de laatste aanval van den Satan, welke éen geheel uitmaakt met zijn ganschen strijd legen het âzaad der vrouw.quot; Het lied zingt de geheele kerk; dit refrein kan slechts aangeheven worden door hen, die den tijd van den antichrist beleefden.
, Dezen zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden.quot; De geheele Schrift door wordt de afval van Jehovah een afhoereeren genoemd. Deze âhoererijquot; van den afgodsdienst bereikt haar zelfbewuste toppunt in de aanbidding van den draak, op bevel van den antichrist, door verleiding van den valschen profeet. Die voor deze verzoeking niet bezwijkt, is niet door hoererij bevlekt. Zijne ziel bleef âmaagd.quot; Zij bleef getrouw aan den hetnelschen Bruidegom.
Zij volgen dus het Lam, waar hel ook heengaat.quot; En waar gaat het Lam nu heen? Het gaat naar den tweeden kamp borst tegen borst met den vorst der duisternis. Zij volgen. Uit dien kamp gaat het naar de volmaakte heerlijkheid. Zij volgen. Maar nu volgen zij het Lam op den weg naar het kruis, waarop Hij hen is voorgegaan. Het Lam is eens geslacht ; zij worden nu geslacht. Want er is geen waarachtig volgen van het Lam in de heerlijkheid, dan door de diepte des doods en des grafs heen.
Als eerstelingen Gode en het Lam zijn zij gekocht uit de
10
14-6 HET LAM EN DE HONDERD VIER EN VEERTIG DUIZEND.
menschen, en in hun mond is geen bedrog gevonden, want zij zijn onberispelijk voor den troon. Zij zijn geen âeerstelingenquot; in dien zin, dat zij de eersten zijn, maar door hunne getrouwheid in de bangste aller perioden der wereldgeschiedenis, zijn zij als eerstgeborenen, wien eenmaal ârijkelijk toegevoegd wordt de ingang in zijn koninkrijk.quot;
Drie engelen, ieder met een afzonderlijke hemelsche boodschap, ziet Johannes daarna. De eerste vliegt in het midden des hemels, om een eeuwigdurende blijde boodschap te verkondigen aan allen die op de aarde wonen, uit alle natie, en geslacht, en taal en volk. Die blijde boodschap is dat de ure des oordeels is gekomen. Thans maakt God door zijn oordeel een einde aan alle verzoeking des Satans, wiens macht haar toppunt heeft bereikt, om voor eeuwig verwoest en vernietigd te worden. Dat doet God als souverein, als Schepper van hemel, aarde, zee en alle wateren; als degene die in het heelal gebiedt, die onweerstaanbaar is.
De tweede engel verkondigt: âZij is gevallen! âZij is gevallen! Babylon, die groote stad, omdat zij uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt! Op de aankondiging dat de ure van Gods oordeel is gekomen, volgt onmiddellijk die van den val van Babylon. Want God s p r e ek t en het is er; Hij gebiedt en het staat er. Zijn woord is zijn daad. Is de ure gekomen, dan is het feil, dat volgen zal beslist. Het anti-christelijke wereldrijk is gevallen. Het was een stad: het was een politieke macht, het had wijn der hoererij: het was een aanbidding van Satan als God.
De derde engel, die onmiddellijk den tweeden volgt, verkondigt met groote stem, welk lot den onderdanen van de i antichrist wacht.
Satan en het beest en de valsche profeet zullen later hun verschrikkelijk oordeel ontvangen. Hun tijd is nog niet daar.
DE DRIE ENGELEN. DE OOGSTEN VAN KOREN EN DRUIVEN. 147
Op deze wel beredeneerde, uiterste poging van organisatie eener Satanische drieëenheid zal nog een dolle, blind-woedende aanval in massa tegen het koninkrijk Gods volgen. Eerst daarna komt hun vonnis. Thans is het rijk vernietigd en geldt het oordeel de onderdanen. Die het beest en zijn beeld aanbidden, het merkteeken aan hun voorhoofd of aan hunne rechterhand ontvangen, zullen drinken uit den wijn van den troon Gods, die ongemengd (zonder eenige verflauwing of verzachting) ingeschonken is in den drinkbeker zijns toorns; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor (ten overstaan van) de heilige engelen en voor het Lam. En de rook van hunne pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zoo iemand het merkteeken zijns naams ontvangt.quot;
De straf is in volkomen evenredigheid met de misdaad. De aanbidders van het beest hebben zich dronken gedronken aan den wijn des toorns der hoererij; den wijn waardoor men, legen God schuimbekkend, van Hem afvalt. Hun straf is dat ze eeuwig moeten drinken van den onversneden wijn van G o d s toorn. Ze hebben het beest aangebeden, dat zijn voorlooper in zwavel gehad heeft en uit die helsche elementen is voortgekomen. Hun straf is dat ze eeuwig in het element dat ze aanbaden, zich bewegen moeten. Het levenselement van Gods kinderen is God, die alles in allen zal zijn. En zij die het sulfer aanbaden en het merkteeken van den koning des sulfers droegen, zullen door sulfer gepijnigd worden.
âVoor Gods engelen en voor het Lam.quot;' Het Lam zelf doet het. hun niet aan. God heeft beslist tusschen Christus en Antichristus. God oordeelt en wreekt het Lam.
âHier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus.quot; Zoo eindigde de eerste pericoop van Hfdst. XIV, terwijl ze tevens de tweede
148 HET LAM EN DE HONDERD VIER EN VEERTIG DUIZEND.
opende. Immers, deze tweede afdeeling doet ons in twee for-sche trekken zien welk einde de overheersching van den antichrist neemt. Dat einde bestaat in een zeer geweldige catastrophe, welke alle levenden op aarde treft. Die levenden echter zijn, als van het begin der wereld het geval was, in twee groepen gedeeld: geloovigen en ongeloovigen. Ook in de laatste tijden blijft waar, dat naar het uiterlijke beschouwd, eenerlei lot den rechtvaardige en den goddelooze wedervaart. En daarom hoort Johannes eene stem uit den hemel, die tot hem zegt: âSchrijf, zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten van hunnen arbeid en hunne werken volgen met hen.quot;
Een vreeselijk oordeel zal losbarsten over alle menschen zonder onderscheid. De harten van hen, die standvastig bleven bij alle gruwelen van den antichrist zouden twijfelmoedig worden bij deze beproevingen, die hun type hadden in de verwoesting van Jeruzalem, zoodat âindien die dagen niet verkort werden om der uitverkorenen wil, geen vleesch zon behouden worden.quot; En daarom wordt hun vooraf gezegd, dat zij die in den Heere sterven van stonde aan zalig zijn. Zij die de tijden van den antichrist zullen beleven en doorleven, zullen meer dan ooit de levendige overtuiging hebben, dat de toekomst des Heeren voor de deur is. Zij zouden dus zonder geestdrijverij kunnen verwachten dat zij levend zullen overblijven. En ziet, juist in dat tijdsgewricht volgt een groote, algemeene, geweldige sterfte. Derhalve komt tot hen âvan nu aanquot; het troostwoord van den Geest des Heeren, dat âzalig zijn die in den Heere sterven.quot; Ook op hen is van toepassing wat Paulus aan de Thessalonicensen schreef: âZe zullen niet worden voorkomen'door hen, die levend overblijven;quot; met andere woorden, zij staan in geen enkel opzicht bij dezen achter. Integendeel: zij rusten van hun aardschen arbeid en hun werken worden
DE DRIE ENGELEN. DE OOGSTEN VAN KOREN EN DRUIVEN. 149
niet afgebroken, maar volgen met hen.quot; Het heeft nauwelijks zin om deze woorden toe te passen op alle ontslapene geloo-vigen. Wie op het verband van dezen tekst let, ziet dat ze gesproken zijn van hen, die onder de tirannie van den persoonlijken antichrist leven. Niet in dien zin dat iets dergelijks niet van alle geloovigen waar zou zijn, maar gezonde uitlegging duldt niet deze woorden algemeen toe te passen.
Zoodra Johannes deze woorden gehoord en geschreven heeft, ziet hij een witte wolk, en op de wolk Een gezeten, des men-schen Zoon gelijk, hebbende op zijn hoofd een gouden kroon en in zijne hand een scherpe sikkel. De Zoon des menschen komt ten gerichte, 't Is nog niet het eindoordeel, maar de â¢voorbode daarvan. Hij is des menschen Zoon gelijk.quot; Zijn inenschelijke natuur blijft, ook na zijne opstanding en hemelvaart, maar verheerlijkt. Hij komt als koning gekroond met een gouden kroon. Hij komt als richter en wreker met een scherpe sikkel.
Een andere engel kwam uit den tempel roepende met een groote stem tot dengene, die op de wolk zat: Zend uw sikkel en maai, want de ure om te maaien is gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden.quot; Deze tempel is niet die in den hemel. Uit den tempel op aarde, uit de gemeenschap der geloovigen, in wie de levende verwachting van de aanstaande wederkomst des Heeren woont, komt tot hem de roepstem der eenswillendheid. En die op de wolk zat, zond zijn sikkel op de aarde en de aarde werd gemaaid. Wit om te oogsten zijn nu de velden geworden. Daarom maait des menschen Zoon zijn oogst af. Het koren wordt verzameld in de schuur. Op aarde zou men niet bemerken dat d i t het eigenlijk karakter van de gewelddadige sterfte is, die tot den val van den antichrist medewerkt, 't Schijnt of alles in een groote catastrophe ondergaat. Maar van uit den hemel gezien is deze omwoeling van
150 HET LAM EN DE HONDERD VIER EN VEERTIG DUIZEND.
al het bestaande niets anders dan tweeërlei oogst. Het koren wordt gemaaid en verzameld, en de wijnstok der aarde wordt gesnoeid, zoodat alle druiven in de wijnpersbak worden verzameld. Zij die onthoofd worden onder de regeering van den antichrist en bij zijn ondergang het aardsche leven verliezen, kunnen hier zien dat ze gelijk staan met rijp koren, dat in de hemelsche schuren wordt gebracht.
Zoodra deze oogst is binnengehaald, komt een andere engel uit den tempel, die in den hemel is, hebbende ook zelf een scherpe sikkel. Deze slaat gereed om den oogst van den wijnstok der aarde te maaien. Dit werk doet de Zoon des men-schen zelf niet. âDe Zoon des menschen zal zijne engelen uitzenden, en zij zullen uit zijn koninkrijk vergaderen al de ergernissen en degenen, die de ongerechtigheid doen. Tot de maaiers, vertegenwoordigd door dezen, die uit den hemelschen tempel komt, wordt nu gezegd; âVergadert eerst het onkruid, bindt het in busselen en verbrandt het.quot; Daarom wacht deze engel, totdat een andere engel uitkomt van het altaar; een engel âdie macht heeft over het vuur.quot; De gebeden der heiligen, met het vuur van het brandofferaltaar, werden op de aarde geworpen en veroorzaakten het blazen der zeven bazuinen. Thans komt van hetzelfde vuur de macht voor de sikkel om den wijnstok te besnoeien. Deze snoeiing is een oordeel over het verwerpen van de eenige, algenoegzame zelfofferande van Jezus Christus. Wie niet gewild heeft dat dit vuur van Gods toorn Jezus in zijne plaats op het kruis verteerde, wordt thans zelf door dat vuur aangegrepen. Deze engel des vuurs riep met groote stem: âZend uw sikkel, en snijd af de druiftakken van den wijngaard der aarde, want zijne druiven zijn rijp.quot; Met andere woorden: de ongerechtigheid is volkomen. Het is als in de dagen van den zondvloed, een bepaalden tijd en langer niet droeg God nog den wrevel. Het is als bij Sodcm en
DE DRIE ENGELEN. DE OOGSTEN VAN KOKEN EN DRUIVEN. 151
Gomorra, het geroep is opgeklommen tot de ooren des Heeren. Het is als bij de Kanaanieten, toen Israël het land zou innemen ; de ongerech igheid was vol. Zoo ook nu. De druiven zijn rijp, ze kunnen dus afgesneden worden,
En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van den wijnstok der aarde, en wierp ze in den wijnpersbak des toorns Gods. En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden. Wie treedt dien bak? Hij die van Edom komt met besprenkelde kleederen; Hij die zegt: ,lk heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met mij; en ik heb hen getreden in mijnen toorn, en hen vertrapt in mijne grimmigheid, en hunne kracht (hun bloed) is gesprengd op mijne kleederen en al mijn gewaad heb ik bezoedeld.quot; Daar, uit den mond van Jesaja, klinkt ons de profetie tegen van de overwinning door den Leeuw van Juda op den overste der wereld, toen Hij der slang den kop vermorzelde en de overheden en machten, naakt uitgeschud, aan zijn zegekar boeide. Hier wordt ons geschilderd hoe Hij het leger van den overste der wereld vernietigt.
Buiten de stad wordt de wijnpersbak getreden. De stad is Jeruzalem, waarvan in de vorige hoofdstukken sprake was. Dat Jeruzalem werd van de heidenen vertreden; thans worden zij buiten de poort geworpen en vernield. Er is wisselwerking. Als een onreine, als een zondebok, als de roede koe, die haar asch moest geven ter besprenging van hen, die met den dood in aanraking waren geweest, heeft Jezus buiten de legerplaats geleden, als zondoffer geofferd wordende. Dat heeft de geest van den antichrist Hem aangedaan. Thans worden de vijanden, al de druiven van den wijnstok, buiten de stad geworpen, ver zameld en getreden. Bloed stroomt uit den wijnpersbak, die overloopt. Zelfs tot aan de toomen der paarden.
Deze uitdrukking toont aan dat er sprake is van alles ver-
152 HET LAM EN DE HONDERD VIER EN VEERTIG DUIZEND.
nielende veldslagen. De slachting, zoowel de inzameling van het koren als het treden der druiven, geschiedt door oorlogen, zooals ook het vervolg ons leeren zal.
Duizend zes honderd stadiën ver vloeit het bloed. Duister is deze beeldspraak en in nauw verband met de typographische gesteldheid van het Joodsche land. De breedte van het Jood-sche land tot aan de Doode zee is ongeveer duizend zes honderd stadiën. Ten eeuwigen afgrijzen heeft de Heere de vlakte van Sodom en Gomorra omgekeerd. In de Zoutzee, daardoor ontstaan, vloeit het bloed van de aanbidders van den antichrist. Zonder beeldspraak: het vonnis is onherroepelijk en voor eeuwig.
Maar bovendien geeft deze beeldspraak aanleiding om te denken aan een tweede beteekenis. Vier is hel getal der aarde. Gelijk drie maal vier het getal der voltooiing van de goddelijke heerlijkheid op aarde is, zoo is vier maal vier de volheid van de aarde met zichzelf vermenigvuldigd. Allen âdie op de aarde wonenquot; worden door het oordeel getroffen.
De groote straffen, welke God over de aarde zal brengen, worden in de Openbaring afgewisseld door heerlijke lichtstralen. Hier eindigt de voorbereidende beschrijving van de periode van den antichrist wel niet met een lichttafereel. Maar de wolk, waarop des menschen Zoon verschijnt ten gerichte, brengt duisternis over de geheele aarde, doch is omzoomd met een heerlijke zilveren rand. Die rand is voor hen, die tot het koren behooren, het woord des geestes; âZalig zijn de dooden, die in den Heere sterven van nu aan. Ja, zegt de Geest, want zij rusten van hunnen arbeid en hunne werken volgen met hen.quot;
XXTI.
DE ZEVEN FIOLEN.
Het visioen, waarin de opkomst, de overheersching en de ondergang van den antichrist in groote trekken Johannes voor oogen gesteld waren, was geëindigd in het bloedbad, dat voortkwam uit het treden van den grooten wijnpersbak des toorns Gods. Thans vat de profetie den draad weder op uit Openb. XI : 14. De zevende engel heeft gebazuind. Daarop volgt iu den hemel een groot en wonderlijk teeken: de zeven engelen, die de zeven laatste plagen hebben. Deze plagen zijn de laatste omdat daarin de toorn Gods geëindigd is. Wat na die zeven plagen volgt is de vernietiging van het rijk des Satans op aarde.
Evenals bij de zeven zegelen een ontelbare schare voor den troon van God en het Lam staat, het jubellied aanheffende, zoo ziet Johannes ook bij het optreden der zeven engelen met de laatste plagen hen triomfeerend staan, die in den tijd van den antichrist Gode getrouw zijn gebleven. Hun, die de laatste dagen zullen beleven en doorworstelen, ten troost, wordt hier hun zegefeest reeds profetisch voor oogen geschilderd.
Zij die de overwinning hadden van het beest, en van zijn beeld, en van zijn merkteeken en van het getal zijns naams ; â zij die noch op staatkundig terrein, noch op kerkelijk gebied,
DE ZEVEN FIOLEN.
154
nocli door onderwerping aan de satanische drieëenheid den antichrist hebben gehoorzaamd â staan aan de glazen zee. Deze glazen zee is met vuur gemengd. Ze is hel beeld van de volkerenwereld, die door Jezus getemd en beheerscht wordt. Ze is gemengd met het vuur van Gods toorn, dat eenmaal in haar zal losbarsten, 't Is hetzelfde vuur dat eenmaal het Lam Gods verteerde en dat straks hen zal verslinden, die tot zijne offerande niet de toevlucht genomen hebben. Die zee is voor hen geweest wat de Roode zee voor het uit Egypte trekkende Israël was : de doorgang uit het land der slavernij naar het hemelsch Kanaan. Ze zingen, hun stem met hunne cithers Gods begeleidende, het lied van Mozes en het Lam. Het lied van Mozes, in Exodus XV : 1 â 19 opgeteekend bezingt Jehovah, den God der geslachten, den krijgsheld die Farao en zijn heir in de Roode zee verdronk, terwijl zijn volk onbeschadigd diezelfde zee was doorgegaan. Het profeteert hoe alle omliggende volken ontroerd en van angst saamgekrompen zijn, maar het verloste volk zal doortrekken en komen en geplant worden op den berg van 's Heeren erfenis. Gelijk Mozes de middelaar des Ouden Verbonds type van Jezus Christus was, zoo was het door hem uitgeleide volk type van de karavaan, die onder den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs optrekt door de volkerenwereld, waar ze vreemdelinge is, naar het hemelsch Kanaan. Daarom is het gezang, dat Johannes thans hoort, het lied van Mozes en het Lam Gods. âGroot en wonderlijk zijn uwe werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn uwe wegen, Gij Koning der heiligen. Wie zou U niet vreezen, Heere, en uwen naam niet verheerlijken ? Want Gij alleen zijt heilig: want alle volken zullen komen en voor U aanbidden, want uwe oordeelen zijn openbaar geworden.quot; Een echo van Mozes' lied! Alleen het laatste gedeelte van den OucMestamentischen zang ontbreekt: âTotdat dit volk henen
DE ZEVEN FIOLEN.
doorkome, dat Gij verworven hebt. Die zult Gij inbrengen en planten hen op den berg uwer erfenis, ter plaatse, welke Gij, o Heere, gemaakt hebt tot uwe woning, het heiligdom hetwelk uwe handen gesticht hebben, o Heere!quot; Dit deel mist men hier, want deze schare is niet meer op reis, maar is tehuis gekomen in het huis des Vaders.
Het lied is gezongen. Nu opent zich de tempel des tabernakels der getuigenis in den hemel. Het heilige der heiligen, Gods woning, waar Hij troont, boven den tabernakel, waar de eeuwige verzoening is aangebracht, opent zich om den troon Gods doorgang te laten. De zeven engelen, die de plagen hebben, verlaten den tempel. Ze zijn gekleed als priesterkoningen, in rein, blinkend lijnwaad maar met gouden gordels. Het reine lijnwaad vertoont Gods heiligheid, de gouden gordel, die den heupen kracht geeft, beeldt zijn eeuwige macht af.
Deze zeven engelen ontvangen hun gouden fiolen, of schalen, gevuld met den toorn van God, die in alle eeuwigheid leeft uit de hand van een der vier dierengestalten, die voor den troon zijn en de schepping Gods afbeelden. Hierin wordt ons afgebeeld dat de plagen, waardoor het rijk van den antichrist zal vergaan, oordeelen zullen zijn, die uit het rijk der natuur zullen voortkomen. Een wolk, uitgaande van de heerlijkheid Gods en van zijne kracht, vervult den geheelen tempel, zoodat niemand den tempel kan ingaan totdat de zeven plagen der zeven engelen geëindigd zijn. Toen Salomo den nieuw gebouwden tempel Gode wijdde, vervulde de schechina het geheele gebouw, zoodat de priesters niet konden ingaan. God woont in het verborgene en in de duisternis bewoont Hij een ontoegankelijk licht. Maar de duisternis waarin Hij zich hulde bij de inwijding van Salomo's tempel, was van geheel tegenovergesteld karakter dan deze, die Johannes zag. De Almachtige, tot wien de toegang nog niet geopend was âzoolang het aardsche hei-
155
DE ZEVEN FIOLEN.
ligdom nog stond,quot; nam genadig bezit van den tempel, voor ditmaal het geheele gebouw makende tot heilige der heiligen. Toch ontstond daardoor slechts verplaatsing van de scheiding, die de voorhang maakte. De grenzen verwijdden zich, maar konden van de zijde der menschen niet overschreden worden. Zooals niemand, behalve eenmaal 's jaars de hoogepriester, het allerheiligste mocht binnentreden,- zoo kon toen niemand het heilige ingaan.
Hier echter sluit een wolk van Gods toorn den toegang. In 't geen thans zal geschieden, is Gods toorn geëindigd. Wanneer zijne wolk den geheelen tempel in den hemel afsluit, wordt daarin het ontwijfelbaar teeken gegeven, dat er geen plaats of gelegenheid voor voorbede is. Die het merkteeken van het beest ontvingen, hebben daardoor den tijd der genade verzuimd en verloren. Voor hen blijft niets anders over dan de toorn Gods. 't Is voor hen reeds de vervulling van Jezus' woord : âDezen, die niet hebben gewild, dat Ik koning over hen zou zijn, brengt ze hier en slaat ze voor mijne voeten dood.quot;
Tiians komt de stem uit den hemel tot de zeven engelen; âGaat heen en giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit op de aarde.quot;
De zeven engelen staan gereed hun fiolen uit te storten. De geheele tempel in den hemel is vervuld met de tegenwoordigheid Gods. Thans weerklinkt uit den tempel een groote stem, die dus uit de heerlijkheid des toornenden Gods komt: âGaat henen, en giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit op de aarde !quot;
Met groote snelheid volgen daarop de laatste zeven plagen elkander. Naarmate de aarde het einde harer tegenwoordige bedeeling nadert, beweegt de geschiedenis zich vlugger voorwaarts.
156
de zeven fiolen.
In uitwendige verschijning en dus ook in innerlijke beteeke-nis, houden de zeven fiolen gelijken tred met de zeven bazuinen. De eerste engel giet zijn fiool uit over de aarde, en een Ijoos gezweer ontstond aan de menschen, die het merkteeken van het beest hadden en zijn beeld aanbaden. Het bazuinen van de eerste bazuin heeft brand veroorzaakt, die het dorde deel der boomen en al het groene gras verteerde. De uitwerking van de eerste fiool treft â schijnbaar niet, maar in werkelijkheid wel â zwaarder. De bazuinen waren aankondigingen, voorloopers wier doel was tot bekeering te leiden. Dat blijkt uit de mededeeling dat de menschen zich evenwel niet bekeerd hebben, in Hfdst. IX : 20, 21. Van dergelijk doel is hier geen sprake meer. Bij de zeven fiolen zien we gerichtshandelingen over hen, die als aanbidders van den antichrist den tijd- der genade onherroepelijk verspeeld hebben. De fiool veroorzaakt aan allen (niet als onder de zegelen aan hel vierde deel, of als onder de bazuinen aan het derde deel,) maar aan allen, melaatsohheid; de ziekte die van oudsher het type der zonde en van het verderf door de zonde werd geacht te zijn. De afval van God is rijp.
De tweede engel goot zijn fiool uit in de zee en zij werd bloed als van een doode, en alle levende ziel is gestorven. Toen de tweede engel bazuinde werd bet derde deel der zee bloed. Maar nu wordt de geheele zee bloed als van een doode; niet gezond, stroomend bloed, maar geronnen, inden toestand van ontbinding verkeerend bloed. Nu kan ook geen leven in de zee der volkeren meer overblijven. Scherp van de wereld gescheiden is en blijft de gemeente in den tempel op aarde. Buiten haar is geen leven , in geestelijken zin, meer mogelijk.
De derde engel goot zijne fiool uit in de rivieren en de fonteinen der wateren en de wateren werden bloed. We zagen bij Hfdst. VIII de symbolische beteekenis van fonteinen en wateren
157
DE ZEVEN FIOLEN.
158
(beken en rivieren.) Ze beelden ons het familieleven af. De al toenemende verwaarloozing van Gods vreeze had het oordeel over deze fonteinen en wateren gebracht, dat door de derde bazuin voortkwam, dat ze bitter werden en inplaats van met het water des Geestes de individuen met ketterijen drenkten. Toen de menschen zich niet bekeerden volgde het oordeel der verharding; zoodat er plaats voor de nagemaakte almacht van den antichrist ontstond. En nu worden tot straf door Gods toorn al die fonteinen en wateren in bloed veranderd. Dit vreeselijk oordeel, waardoor te kennen gegeven wordt dat de tijd der genade voorbij is, tenminste voor die geslachten, die den Christus verwierpen en door het oude heidendom heen tot het aannemen van den antichristus kwamen, wordt door âden engel der waterenquot; als-een treffende uiting van Gods rechtvaardigheid vermeld. Daniël doet ons opmerken dat de engelen niet slechts een ontelbaar heirleger rondom den troon Gods zijn, waaruit nu en dan een hunner een bijzondere zending naar de aarde ontvangt, maar dat er veel meer verband tusschen de hemelsche legerscharen en het menschelijk geslacht bestaat, dan wij gewoon zijn te erkennen. Hij spreekt van âden vorst van Perzië,quot; âden vorst van Israëlquot; enz. De Heere Jezus getuigt dat de engelen van zijne geloovigen steeds voor hen tot God bidden, âaltijd zien het aangezicht des Vaders, die in de hemelen is.quot; De schrijver van den brief aan de Hebreen zegt, dat de engelen gedienstige geesten zijn, ten dienste uitgezonden voor degenen, die de zaligheid beërven. In dien zin vermeldt Johannes een âengel der wateren,quot; aan wiens zorge het familieleven der gekerstende volkeren is toevertrouwd. In de laatste dagen zal zijn arbeid schijnbaar vergeefs zijn. Derhalve getuigt hij thans: âGij zijt rechtvaardig, Heere, die is, en die was, en die zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt. Dewijl zij het bloed der heiligen en der profeten vergoten hebben, zoo hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven, want zij zijn
DE ZEVEN FIOLEN.
het waardig.quot; En een andere engel, van het altaar, antwoordt: âJa, Heere, Gij almachtige God, uwe oordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig.quot; Het bloed der martelaren, ja het bloed van Jezus Christus zelf, getuigt van het altaar dat dit oordeel waarachtig en rechtvaardig is. Nog eens: de tijd om door het bloed des geslachten Lams behouden te worden is voorbij.
Als een bliksemstraal verlicht dit tooneel de diepe waarheid der solidariteit. Wat de hoer en het beest gedaan hebben, wordt hier aan de gezinnen der afgevallen Christenheid verweten en geoordeeld. Het beest heeft den krijg tegen de overigen van het zaad der vrouwe gevoerd. De hoer wordt straks gezien dronken van het bloed der heiligen. Maar âz ij,quot; zij die Christus verworpen hebben en zichzelven en hun geslacht ontkerstend, hebben dat bloed vergoten. De hoer had het leven niet verlengd en het beest had niet kunnen regeeren, indien de fonteinen en de rivieren der wateren zich niet het oordeel van alsem worden hadden op den hals gehaald, door hun afval. Want... âdie niet voor mij is, is tegen mij!quot;
Het bazuinen van den vierden engel heeft de gedeeltelijke verduistering der zon veroorzaakt. Het uitstorten van de vierde fiool op de zon geeft haar macht de menschen te verhitten door vuur. En de menschen werden verhit door vuur, en lasterden den naam Gods, die macht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich niet om Hem heerlijkheid le geven. De zon der gerechtigheid, eenmaal opgegaan over hen, die den naam des Heeren vreezen, zoodat zij âgenezing vonden onder hare vleugelen,quot; is voor hen over wie de fiolen worden uitgestort, âeen verterend vuurquot; geworden. Thans begint werkelijk âde toorn des Lams.quot;
De vijfde bazuin heeft de voorhoede van het leger van den antichrist den toegang tot de aarde geopend; de vijfde fiool wordt uitgestort op den troon van het beest.
159
DE ZEVEN FIOLEN.
âHet rijk van het beest is daardoor verduisterd geworden; en zij (de onderdanen van dat rijk) kauwden hunne tongen van pijn; en zij lasterden den God des hemels (in tegenstelling met den god der hel, dien zij vereerd hadden) van wege hunne pijnen en van hunne gezweren, en zij bekeerden zich niet van hunne werken.quot; De vijfde bazuin bracht over hen, die gereed stonden den antichrist ten prooi te vallen de voorhoede van zijn leger, als eerste wee; de vijfde fiool veroorzaakt dat zelfs de verduistering van het rijk, dat zij zelf tevoorschijn geroepen hadden, hun nameloos wee doet. Het is een voorsmaak der hel.
De zesde bazuin riep het eigenlijke leger, dat den antichrist onmiddellijk voorafging, uit den poel des afgronds op, zoodat het derde deel der menschen gedood werd door het vuur, den rook en het sulfer uit de monden der demonische paarden. De zesde fiool brengt verschrikkelijke duivelsche machten over de onbekeerlijken. Het water van de groote rivier de Euphraat wordt opgedroogd, opdat bereid zou worden de weg der koningen, die van den opgang der zon komen zullen. Het oude Babel lag aan de rivier de Euphraat, die midden door de stad stroomde. Na jarenlang de wereldstad vergeefs belegerd te hebben leidde Gyrus het water der rivier af, zoodat zijn leger bij kleine groepen door de waterpoort in de stad kon komen en haar innemen. Heerlijk schoon werd die wereldgebeurtenis profetisch bezongen door Jesaia, twee honderd jaren voordat ze voorviel (Jes. XXI : 1â10.) In dienzelfden nacht hield Bel-zasar zijn godvergeten feestmaal en werd hij door Cyrus' krijgsknechten gedood (Dan. V.) Toen aan de eene zij de slad reeds ingenomen was, wisten de inwoners in de andere helft nog niet wat er geschied was, zoo ondenkbaar groot was de stad, die binnen hare muren geheele weilanden en korenvelden bergde, ten einde een hongersnood door belegering te kunnen doorstaan. Hoe de tijding zich voortplantte toont ons de
160
DE ZEVEN FIOLEN.
profetie van Jeremia (Hfdst. LI : 30â33). Welnu, dat alles is type van hetgeen het antichristelijk wereldrijk zal overkomen. De Euphraat van de groote hoer (het Babel der laatste dagen) wordt uitgedroogd, opdat de koningen, die in dienst van den antichrist zullen treden en de hoer Babyion zullen haten, haar woest maken en haar vleesch eten, onverwachts haar op het lijf zullen vallen. Zoo wordt hun de weg bereid, door middelen, die hier poëtisch worden aangeduid. De aanstaande h i s t o r ie wordt in Hfdst. XVII beschreven. Hier zien we den hemel-schen gang van zaken.
Thans wordt voor een oogenblik tweeledig de uitstorting der fiolen onderbroken. De laatste straffen van Gods toorn zijn uitgegoten over degenen, die de aarde bewonen. Het rijk van den antichrist taant. De weg, 'waarlangs zij zullen komen, die de hoer, Babyion zullen verwoesten, is gebaand. Alles wacht nog slechts op éen tooneel; de verwoesting van de hoer, die de carricatuur van de bruid des Lams is, maar op die verwoesting zal nog éen ding, de laatste vijandelijke aanval, volgen. Beeds vóórdat het oordeel aan de hoer voltrokken wordt, zien we dien laatsten aanval in voorbereiding. De profetie is hier aan de grens onzer bedeeling genaderd. Ook de draak gevoelt dat het nu de beslissende strijd op leven en dood wordt. Zelf veroorzaakt hij wel den val van de hoer, die hij toch draagt, maar zijne bedoeling daarmede is slechts den laatsten schijn van godsdienst uit te wisschen van de aarde; en natuurlijk niet om zelf te vallen. Bij voorraad neemt hij dus zijne maatregelen. Uit den mond van den draak, van het beest en van den valschen profeet gaan drie onreine geesten; uit eiken mond een geest, den vorschen gelijk. Vorschen leven in poelen en stilstaande wateren; zoo ook komen deze onreine geesten uit de vuile poelen van den draak. Ze gaan als een openbaring van de valsche drieëenheid uit om teekenen te doen. De hoer,
11
161
DE ZEVEN FIOLEN.
die op 't punt staat van verwoest te worden, had nog altijd een schijn van godsdienst en goddelijke handhaving van het recht bewaard. Wat zal voor haar in plaats komen? Onbewimpelde satansdienst. Daartoe worden de koningen der aarde, daartoe wordt de geheele wereld bereid door satanische teekenen. Allen worden verzameld tot éen grooten oorlog. Met éen slag, met éen overstrooming van Gode vijandige volken moet het koninkrijk des Lams ingenomen en vernietigd worden ; een wereldstrijd. 't Gaat nu voor Satan er op of er onder. Het bange voorgevoel van onherroepelijke, volkomen nederlaag zegt hem dat de tijd van systematisch handelen voorbij is.
Tot welken krijg worden alle volkeren der aarde vergaderd? Tot den krijg van den grooten dag des almachtigen Gods. Heilige ironie speelt door deze uitdrukking. Terwijl de toebereidselen van Satans zijde gemaakt worden, is het reeds volkomen beslist dat God de almachtige den slag wint. Natuurlijk: 'tis ook de dag van den almachtigen God! De drie onreine geesten vergaderen alle koningen en volken in de plf ats, die in het Hebreeuwsch genaamd wordt âArmageddon.quot;' De profetische naam, âberg van Megiddo,quot; wijst terug op den be-slissenden slag van den koning Josia tegen Egypte, bij Megiddo, waar het rijk van Juda voor goed zijne zelfstandigheid verloor. De naam reeds duidt de nederlaag aan. De Satan zelf drijft zijn leger naar de plaats der nederlagen. Hoe het verloop van dien veldslag zijn zal, zien we ons ontsluierd in Hfdst. XIX : 19 vv.
Midden tusschen deze beschrijving van de laatste poging des Satans en zijner volgelingen, klinkt de stem van den Rechter der gansche aarde tot zijn volk, âZie! Ik kom als een dief in den nacht. Zalig is hij, die waakt en zijne kleederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en men zijne schaamte zie!quot; Meer dan benauwd zal die tijd zijn voor de ware aanroepers zijns naams. Toch zullen er vele voorvallen zijn, die niet doen
162
DE ZEVEN FIOLEN.
vermoeden dat dan juist de toekomst des Heeren nabii, voor de deur is. Het zal nacht zijn; zóó zelfs dat de geloovigen gevaar loopen van niet als kinderen des dags te wandelen. Daarom: âZie, Ik kom als een dief in den nacht!quot; Blijft wakende, het wordt wel zeer laat; het wordt middernacht. Maar dat is juist het teeken van 's Heeren wederkomst. Wie slapen gaat, ontkleedt zich en wikkelt in het Oosten zich in zijn mantel; hij is dus naakt en ontoonbaar. Die wakende blijft houdt zijne kleederen aan. Ziet, midden in dien nacht zal de rust verstoord worden en men zal moeten opstaan en wandelen. Heeft de Bruidegom niet gewaarschuwd dat Hij midden in den nacht kwam? Kan men opgeschrikt uit de sluimering, uit zijn mantel wegspringen en naakt in de bruiloftszaal treden? Zou men zelfs niet reeds vóór de poort in 't heldere fakkellicht van schaamte moeten wegkruipen, wanneer de âschaamtequot; gezien wordt? Laat de volgelingen des Satans zich verzamelen alsof er nog een groote veldslag te winnen ware; maar laat de gemeente bereid zijn, wetende dat het wachten nog slechts enkele minuten kan duren ; want.....
âDe zevende engel goot zijne fiool uit in de lucht, en er kwam een groote stem uit den tempel des hemels, van den troon, zeggende: âHet is geschied!quot;
Plotseling is het einde daar; in éen punt des tijds. Donder, bliksem en aardbeving barsten los. Uit den hemel en uit de volkerenwereld spannen alle krachten en elementen samen. Babyion wordt in drie deelen gescheurd, de steden der heidenen vallen in: Babyion wordt gedrenkt uit den vollen beker van de gramschap Gods. Alle eiland vliedt; geen berg wordt meer gevonden. De afgodendienst wordt vernietigd ; de valsche kerk ontvangt haar loon. Alle maatschappelijke en staatkundige verhoudingen worden omgekeerd. Geen godsdienst, uit 's men-schen brein versierd, houdt meer stand. Alles wordt ten slotte
163
DE ZEVEN FIOLEN.
164
verpletterd door een ongeëvenaarden hagelslag. God strijdt van den hemel gelijk Hij eens deed tegen de Kanaanieten, van wie ook de maat der ongerechtigheid vol was. En de uitkomst van dat alles is dat algemeen God g e 1 a s t e r d wordt vanwege de plagen. Alleen aan God wordt geweten, wat men slechts zichzelven te danken heeft. Is dat niet het voorportaal der hel ?
XXIII.
âDE GROOTE HOERquot;.
Tot op de grens dezer bedeeling kwam de wereldgeschiedenis door het uitstorten der zeven fiolen. Middelpunt van de gebeurtenissen door die zeven weeën tevoorschijn geroepen, was de vernietiging van âde groote hoer.quot; En daarom komt thans een der zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, tot Johannes en spreekt tot hem: âKom herwaarts, en ik zal u toonen het oordeel der groote hoer, die daar zit op vele wateren, met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij.quot;
Johannes ging mede en zag nu in de eerste plaats de hoer zelve en hare verhouding tot den antichrist, en in de tweede plaats welk oordeel over haar voltrokken werd en hoe dat geschiedde. Het eerste gedeelte van dit gezicht wordt ons beschreven in Hfdst. XVII. Daardoor wordt tevens opgehelderd wat in Hfdst. XIII omtrent den antichrist nog raadselachtig was gebleven.
De groote hoer âzit op vele wateren.quot; Zij is de carricatuur van de bruid des Lams, zij is de hoer van den antichrist. Ze is de valsche kerk ; de valsche gemeente, 't Is niet onbegrijpelijk
«DE GROOTE HOERquot;.
dat duizenden en duizenden in dit beeld naar hunne meening de Roomsche kerk hebben teruggevonden; maar toch is het onjuist. Evenmin als de Gereformeerde, of Luthersche of eenige andere kerk d e ware kerk is, evenmin is de Roomsche d e valsche. Geen aardsche groepeering van geloovigen kan zich de kerk noemen zonder aanmatiging en zonder miskenning van millioenen kinderen Gods. Ook heeft geene kerkgemeenschap zich dat ooit officieel veroorloofd, dan door zeer tijdelijke afdwaling en voorbijgaande hartstochtelyke verblinding. Alle kerkgemeenschappen erkennen elkanders doop. Hiermede is gezegd dat geen enkele de andere volstrekt voor d e valsche kerk houdt. Maar wat is dan de valsche kerk ? Deze, die niet den waren Koning der kerk alleen erkent, maar de koningen der aarde met zich laat hoereeren.
Grondtrek voor de ware kerk is het woord des Heeren Jezus: âMijn koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars voor Mij gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is mijn koninkrijk niet van hier.'quot; âGeen aardsche macht begeeren wij! Ons staat de rechte Held ter zij!quot; zong Luther als orgaan der ware kerk. De valsche kerk is zelve even onzichtbaar als de ware; ze kan zich belichamen evenals de ware; maar kan dat evenmin als de ware geheel zuiver doen. leder, wiens wandel in de hemelen is, die Jezus Christus als zijn algenoegzamen Zaligmaker voor tijd en eeuwigheid heeft aangenomen, is een lid der ware kerk. Ieder, die met bewustzijn wil dat zijn koninkrijk van deze wereld zijn zal, is een lid der valsche kerk.
Rij voorkeur en voornamelijk heeft de valsche kerk haar orgaan gevonden in de inrichting der Roomsch-Katholieke kerkgemeenschap. Maar zoo deze d e valsche kerk ware, dan zou nooit uit haar éen geloovige kunnen uittreden; dan ware
166
nDE GROOTE HOERquot;.
een kerkhervorming onmogelijk geweest; ja dan ware het onzin dat woord te gebruiken; dan zouden de Evangelische kerken zich doodelijk bezondigen door haar doop te erkennen. Neen, overal, waar het clericalisme den kop opsteekt en de vrijheid der kinderen Gods belaagt door hun koning- en priesterschap te bestrijden; overal waar consciëntiedwang de teugels tracht te grijpen; overal waar men polilieken invloed in den dienst der kerk wenscht te stellen, loert de valsche kerk door de reten. Hoe dichter de menschheid bij de eindbeslissing komt, hoe meer dat zal openbaar worden; totdat eindelijk de overmacht van de valsche kerk alle menschelijke scheidingen tnsschen Gods kinderen zal afbrokkelen en wegvagen, en de laatsten dwingen zal zich te groepeeren tot de 144000 op den berg Zion rondom het Lam en alleen rondom het Lam.
Zijn dus de kerkgemeenschappen overbodig of min verkieslijk ? In geenen deele. Is de schutting overtollig zoolang het paleis nog niet volbouwd is ? Maar moet ze niet wegvallen wanneer hel buitenwerk is afgeloopen ? Is de peulschil zonder waarde zoolang de erwten nog niet rijp zijn ? Maar wordt ze niet weggeworpen zoodra deze laatste volwassen zijn?De schutting beveiligt juist den bouw, en de peulschil sluit juist de kwade invloeden buiten, maar blijvend zijn ze niet.
De hoer is het antitype van Israël aan den voet van Sinaï. Toen Mozes op den berg vertoefde sprak het volk: âMaak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die ons uitgeleid heeft, wij weten niet wat hem geschied zij!quot; Zoo spreekt de hoer: âDeze Jezus, zonder gedaante of heerlijkheid, die door zijn slavendood voor de wereld spoorloos verdwenen is, gaat niet voor ons aangezicht heen. Hij geeft geen brood; Hij verlost niet van de aardsche vijanden. Indien Hij opgestaan is, dan is het eenige wat Hij nu reeds sedert eeuwen en eeuwen doet, vertoeven te komen. Geef ons een Christus dien we
167
rDE GROOTE HOERquot;.
zien kunnen, met macht en heerlijkheid!quot; De bruid wacht op de bruidegom; de hoer haakt naar een boeleerder, dien zij des noodig ook wel wil huwen. En daardoor leeft de bruid, ook gescheiden van haar bruidegom, in nauwe gemeenschap met hera ; maar de hoer is alleen in âde woestijnquot; te zien. Een hoer, ook met honderden boeleerders om haar heen, zit eenzaam. Ze geeft zich aan allen, en behoort dus aan niemand. Een bruidegom heeft ze in geen geval.
Johannes zag eene vrouw âzittende op een scharlakenrood beest, dat vol was van namen der Godslastering, en had zeven hoofden en tien hoornen.quot; 't Was het beest dat Johannes in Hfdst. XIII : 1 uit de zee zag opkomen; de zoon van den draak, die ook zijn helsche kleur heeft. Dat beest draagt haar, totdat zijn hoornen zulks moede worden. Het beest heefl als antichrist een soort van godsdienst noodig, totdat het masker kan afgeworpen worden en de antichrist zich openbaren kan als antichristelijk wereldrijk. De hoer steunt op het beest. Zonder het beest kan ze evenmin bestaan, als de bruid een oogen-blik buiten Christus kan.
âDe vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud en kostelijk gesteente en paarlen.quot; Inwendige versiering, zooals heilige vrouwen en dus vooral der bruid van Christus betaamt, is haar ten eenenmale vreemd. Haar bestaan is, dat ze aanziet wat voor oogen is en daardoor ook aantrekt. âIn hare hand had zij een gouden drinkbeker, vol van gruwelen en van onreinigheden harer hoererij.quot; Met haar macht, haar hiërarchie, haar schijnvertoon verleidt zij allen wier wandel op de aarde is.
Gelijk de bruid den naam haars Bruidegoms, den naam van zijnen Vader en den naam van het nieuwe Jeruzalem draagt, zoo slaat op haar voorhoofd geschreven: âVerborgenheid, het groote Babyion, de moeder der hoererijen en der gruwelen op
108
nDE GROOTE HOERquot;.
aarde.quot; Een mysterie is deze hoer; tweeslachtig is ze. Ze wil de eene hand aan den hemel en de andere aan de hel geven. Zij is het wereldrijk en ze wil er toch niet toe behooren, maar hoereert er slechts mede. Allen die vroom willen wezen zonder schuldbelijdenis en heiligmaking, zijn uit den vader den duivel en hebben haar tot moeder. Moeder is zij van alle gruwelen, want alle gruwelen komen voort, niet uit godsdienst, maar uit anti-godsdienst. En daarom is de vrouw ,dronken van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus.quot; Geen druppel bleeds van Gods heiligen en van Jezus' getuigen is op aarde vergoten, of het is geschied door het beginsel dal de valsche kerk tot aanzijn riep. Zij is het wereldrijk; en de getuigen van Jezus zijn gedood omdat de wereld hunner niet waardig was. Waarom haat de wereld de discipelen van Jezus? Er is slechts éen reden voor. âOmdat Ik u uit de wereld heb uitverkoren, en niet gij Mij uilverkoren hebt.quot; Zulk een Christus kan de valsche kerk niet hebben. Zij wil juist hel tegendeel; zij wil haar Christus verkiezen, maar niet door Hem verkoren worden. Dat is ook de geschiedenis van den Heere Jezus zelf op aarde. Hij is aan het wereldrijk, toen Rome, overgeleverd ten kruisdood, door de valsche rechtzinnigheid, door de aardsche kerk, door hen die alleen naar hel vleesch Abrahams kinderen waren; door de farizeën en schriftgeleerden. Op dal geslacht, zeide onze Heiland, komt al hel rechtvaardige bloed, dat op de aarde vergoten wordt. De Christushaat, die zich voordoet als godsdienst, is de groole, de eenige vervolger van Christus en zijn discipelen. Dat geslacht zegt: âHij is niet onze koning, wij hebben geen koning dan den keizer; dan het hoofd van het thans bestaande antichristelijke wereldrijk!quot;
Die vrouw zit âop vele wateren.quot; Volken, scharen, natiën en tongen dragen haar. Niels komt zoozeer in 't gevlei van alle menschen als een kerk, een godsdienst, die den hemel er buiten
169
nDE GROOTE HOERquot;.
laat. Dal is een heiligheid die in den smaak van alle onbekeerden valt. Zoozeer, dat alle koningen met haar hoereeren, en allen die de aarde bewonen dronken worden van den wijn harer hoererij. Van dien gemakkelijken wereldgodsdienst drinken ze volop. Afsterving van de zonde, zelfverloochening en al dergelijke dweeperij is daar contrabande en toch is men godsdienstig. Wie de god is die gediend wordt doet niet ter zake, men dient een god; men leeft niet in de wereld, maar in gemeenschap met een valsche bruid. Allen die de aarde bewonen verkiezen dat zonder bedenken.
Als Johannes haar zag, verwonderde hij zich met groote verwondering. Niet dat Johannes nu voor het eerst iets zag, dat hem volstrekt nieuw was. Hij wist ook wel hoe het kwam dat hij in ballingschap op Patmos zat terwijl velen zijner broederen reeds door het zwaard gevallen waren. Maar hij verwonderde zich er over dat hier met ongekende duidelijkheid werd getoond dat er slechts éen grenslijn is; dat er nooit ergens iets tusschen schapen en bokken te vinden is; dat all es zich splitst in bruid van Christus en hoer van den antichrist. In dezen éenen trek zag hij thans â en daarover verwonderde hij zich â de ge-heele wereldgeschiedenis sedert den val. A 11 e maatschappelijke toestanden, alle politieke verhoudingen, alle geestelijke geschillen hebben slechts twee zijden; een hoer steunende op den antichrist en de bruid van Christus, aan welker bloed de hoer zich dronken drinkt. Totdat de hoer woest gemaakt en door haar eigen boeleerders met vuur verbrand wordt, de boeleerders zelf vernietigd worden, en de bruid ten bruiloftsmaal ingaat.
Thans volgt de uitlegging uit den mond des engels.
170
XXIV.
âDE VERBORGENHEID DER HOER EN VAN HET BEEST''.
Terwijl Johannes met verwondering toeziet, spreekt de engel hem aan met de woorden: âWaarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid der vrouw en van het beest dat haar draagt, hetwelk âde zeven hoofden heeft en de tien hoornen.quot;
âHet beest, dat gij gezien hebt.quot; Johannes ziet dus niet meer. Het visioen is voor 't oogenblik voorbij; de uitlegging volgt. Dat beest âwas en is niet en zal opkomen uit den afgrond en ten verderve gaan.quot; De nadere aanduiding van deze woorden volgt in de verzen 10 en 11. Hier wordt alleen gezegd dat op dit beest, terwijl het is, èn terwijl het niet is, èn terwijl het opkomen zal, voortdurend de hoer zit. Dat beest is alzoo het principe dat haar draagt; niet alleen een historisch verschijnsel, maar het beginsel dat alle daarmede verwante historische verschijnselen bezielt. Het beest heeft zeven hoofden, die zeven koningen zijn, en bovendien is het zelf de achtste of laatste koning. De zeven hoofden hebben echter ook een tweede beteekenis. Ze zijn niet alleen zeven koningen, maar ook zeven bergen.
Over dit beest zijn allen âdie op de aarde wonenquot; verwonderd. Ze verwonderen zich , ziende het beest, dat was en niet
172 JlDE VERBORGENHEID DER HOER EN VAN HET BEESTquot;.
is hoewel het is.quot; We zien hieruit dat dit beest hetzelfde is, waarvan Hfdst. XIII gewag maakt; dat werd aangebeden door allen die op de aaide wonen. Een vreeselijke toelichting wordt hier gegeven tot de uitdrukking: âallen, die op de aarde wonen.quot; Dat beteekent: âzij, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld.quot; Geen der uitverkorenen Gods zal er toe verleid worden zich over dat beest in dien zin te verwonderen of het te aanbidden. De dienst van den antichrist is alleen voor hen die verloren gaan de plaatsvervanger van den godsdienst. Dat deje uitlegging geen zweem of schaduw van ânoodlotquot; of eenzijdige praedestinatie-leer in zich bevat, leert ons Hfdst. XX : 12. Dat ze op de aarde wonen is hun verkiezing; hun eigen schuld. Van hunne zijde gezien is daarvan het noodzakelijk gevolg dat âhun namen niet zijn geschreven in het boek des levens.quot; Wel is dat boek geschreven âvan de grondlegging der wereld;quot; maar nergens ia de geheele Heilige Schrift vindt men eenige poging hoegenaamd om Gods wegen te doen overeenstemmen met onze logica. De menschelijke blik op de dingen Gods is altijd eenzijdig. Wat een schoon geheel is moet ik met mijn menschelijke beperktheid in vele deelen bezien om de schoonheid op te merken. Wanneer iemand met het aangezicht naar mij gekeerd voor mij staat, kan ik niets van zijn rug zien, tenzij ik om hem heen loop of hij zich omkeert. Den g e h e e 1 e n mensch kan ik nooit opeens zien. Zoo is de heerlijke waarheid van Gods uitverkiezing en 's m e n s c h e n schuld van verloren gaan of 's m e n-s c h e n bekeering éen geheel, maar waarvan de mensch, terwijl hij de eene zij beziet, de andere ge 1 o o v e n moet. Van voren ziet ge dat zij die verloren gaan âop de aarde wonen.' Van achteren blijkt dat âhun namen niet geschreven stonden in het boek des levens van de grondlegging der wereld.quot; Maar dit was iets dat zijzelven ook niet zagen en dat hun dus niet
«DE VERBORGENHEID DER HOER EN VAN HET BEESTquot;. 173
aanging. Tot niemand wordt gezegd: ,Bedroeft u er over dat uw naam er niet instaatmaar wel vermaant de Heere Jezus zijn jongeren: âVerheugt u omdat uw namen er in staan.quot; Wilt ge de zekerheid hebben dat uw naam er in staat, bekeer u dan! blijf dan niet op de aarde wonen.
âHier is het verstand, dat wijsheid heeft.quot; Een dergelijk woord vinden we in Hfdst. XIII: 18: âHier is de wijsheid, die het verstand heeft.quot; Daar werd gezegd 'dat alleen de geloovige, die niet zich in zijn engen kring opsluit maar een open oog heeft voor de wereldhistorie, het naamcijfer en blazoen van het dier geestelijk kan lezen. Hier zegt de engel, dat alleen de man met een open oog voor de maatschappelijke en politieke toestanden, maar dat geheiligd is door godsvrucht, dit teeken der tijden zal kunnen verstaan.
En thans volgt de uitlegging van het visioen. Maar geen plat prozaïsche uitlegging, zoodat ieder ontwikkeld ongeloovige haar ook kan volgen; neen, eene uitlegging voor âhet verstand dat wijsheid heeft.quot;
De vrouw zit op een beest; ze wordt gedragen door de antichristelijke macht. Dat beest heeft zeven hoofden. Deze hoofden hebben tweeërlei symbolische beteekenis; ze zijn zeven bergen en zeven koningen. De âzeven bergenquot; zijn de voornaamste aanleidingen geweest, waardoor men in de stad Rome, die op zeven heuvelen gebouwd was, uitsluitend de hoer Babyion heeft wedergevonden. Bij die beschouwing van een profetisch dichtstuk als de Openbaring moet men echter in 't oog houden dat hier geen aardrijkskundige aanwijzingen worden gegeven, evenmin als er wereldgeschiedenis in den uitwendigen gewone n zin des woords wordt gedoceerd. Alles is symbolisch; in de geestelijke openbaring van de stad der zeven heuvelen concentreert zich de anti-christelijke macht, tot op de komst van den persoonlijken antichrist. Rome heeft sedert eeuwen op kerkelijk
174 bDE verborgenheid der hoer en van het beest.quot;
terrein, dus als zoogenaamde âgodsdienstigequot; macht, hetzelfde gedaan, wat Jeruzalem na de uitwerping van den waren Messias op maatschappelijk gebied deed. De godsdienst der eigengerechtigheid en de bemoeiing van den nationalen Christushaat gaan hand aan hand. Dronken van het bloed der heiligen is de geestelijke wereldmacht, die zetelt in de stad aan den Tiber. Vol van haat tegen Christus is het afvallig Jodendom, dat zijn symbool vindt in Jeruzalem âdat dienstbaar is met hare kinderen.'' Gezamenlijk vervullen zij Ps. 11:1â3; Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken (de stammen Israels) ijdelheid? De koningen der aarde stellen zich op en de vorsten beraadslagen tezamen tegen den Heere en tegen zijnen Gezalfde: Laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen!quot;
Symbolisch zit de vrouw op zeven heuvelen. âDe berg Basan en alle heilige bergen verheffen zich tegen Zionquot; (Ps. LXVI11). Maar eens zal de berg des Heeren verheven zijn boven de heuvelen, en vastgezet op den top der bergenquot; (Micha IV â . 1). Deze zeven bergen zijn het beeld van de gezamenlijke valsche godsdiensten, die allen samen de dubbele grondgedachte hebben: zelfgerechtigheid en pantheïsme. Zij zijn de hoofden van het beest; hoofden vol godslastering; groote dingen sprekende tegen den Gezalfde Gods. Ze zijn de geestelijke onzichtbare zijde van het rijk van den antichrist, zoolang de wereld bestaat, nog vóór zijn persoonlijke komst.
Maar ook zijn die zeven bergen: âzeven koningen.quot; Zonder aardsche macht kan die valsche geestelijke macht niet bestaan. We zagen dat al het pogen van den Satan zich concentreert in het belichamen zijner anti-goddelijke idée. Zooals God om de menschheid te redden uit Satans klauwen zich belichaamt in den Messias, die Koning is en die voorafgescha-duwd wordt door David en zijne dynastie; zoo wil Satan, om
»de verborgenheid der hoer en van het beestquot;. 175
de menschheid te rukken uit de handen Gods, zich belichamen in den antichrist, z ij n zoon, voorafgegaan door de wereldrijken, die een anti-christeiijk karakter hebben. Deze wereldrijken zijn de koningen, waarop de hoer zit. Zij zijn de pogingen van Satan om door de politieke macht het rijk van Hem, die geen aardsche macht begeerde of noodig had, te overwinnen; tot eindelijk het beest zelf als achtste koning, die uit de zeven voorgaande is, de zeven in zichzelf concentreert en de persoonlijke antichrist wordt. Van deze zeven zijn ten tijde waarop de engel tot Johannes spreekt er vijf reeds gevallen, en de eene is, en de andere is nog niet gekomen; en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven.
De voorname oorzaak, waarom de gansche aarde zich verwonderde achter het beest, was dat een zijner hoofden doodelijk verwond was door het zwaard, maar dat die doodelijke wond toch was genezen. (XIII : 3). Uit XIII; U blijkt dat dit hoofd het voornaamste hoofd was, want daar staat kortweg dat het andere beest tot degenen die op de aarde wonen zegt, dat zij het beest (niet het hoofd dat de wonde des zwaards had en weder leefde) een beeld zouden maken, welk beeld door allen moet aangebeden worden. Het beest, dat de achtste koning is, is dus het gewonde hoofd zelf; in elk geval trekt het beest in dat hoofd al zijne macht samen. De vraag is dus: welke wereldrijken worden hier genoemd? En dan hebben we natuurlijk te letten «lleen op die wereldrijken, die in nauw verband met het rijk Gods hebben gestaan, of staan, of zullen staan.
De opvolging van de wereldrijken, waarin de antichristelijke macht trachtte zich te openbaren, wordt ons door de profeten des Ouden Verbonds ondubbelzinnig geleerd en getoond. Ie. Egypte, de verdrukker van Gods volk, dat valt, â zoover het met de vrijheid van Israël in verband staat â door het verdrinken van Farao en zijn leger in de Roode Zee. 2e. Assyrië-
176 nDE VERBORGENHEID DER HOER EN VAN HET BEEST.quot;
Babylonië, dat het volk Gods in ballingschap wegvoert; Assyrië de tien stammen en Babyion Judea; maar dat in éen punt des tijds door Gyrus, den knecht Gods, wordt vernietigd. 3e. Perzië-Medië, dat over de geheele aarde voorzoover ze in betrekking staat tot de heilsgeschiedenis, éen wereldrijk wil oprichten; 4-e. de Grieksch-Macedonische heerschappij, gesticht door Alexander de Groote; deze vloeit samen in de Romeinsche heerschappij, welke echter voorzoover het koninkrijk Gods aangaat, daardoor nog niet wereldmacht wordt. Van wereldhistorische beteekenis volgt op de Grieksch-Macedonische heerschappij het Joodsche volk. Als politieke macht was het niets beteekenend, maar tegenover het koninkrijk Gods openbaarde het meer dan alle voorgaande zijn antichristelijk karakter door de verwerping van den waren Christus. Die godsdienstig-polilieke macht van het Joodsche volk is de vijfde koning. Zij is het hoofd dat de doodelijke wonde ontving, toen Vespasianus en Titus het volk als volk zijn bestaan deden eindigen door de verwoesting van Jeruzalem. Sedert dien tijd bestaat het Joodsche volk als natie niet meer, ofschoon het bestaat. Anders gezegd; het beest dat is, en niet is, ofschoon het is.
Deze vijf zijn gevallen: Egypte, Babyion, Perzië, Macedonië, het Joodsche volk. âEn de een is; dat is de zesde regeert nu. Dat afvallige Joodsche volk, dat zich als antichristelijke macht openbaarde, toen het zijn eigen Christus verwierp, werd opgevolgd door het wereldrijk, waardoor het vernietigd werd, ofschoon het bleef bestaan, door Rome. Het Bomeinsche rijk nam de antichristelijke taak over om den Messias uit te roeien. Het ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van zijn zaad.quot;
Wel viel het Romeinsche keizerrijk als zoodanig, reeds eeuwen geleden; maar niemand zal ontkennen dat we nog volkomen in het Romeinsche leven. De geheele maatschappij, voorzoover ze door het licht van het Christendom bestraald wordt, en in
quot;DE VERBORGENHEID DER HOER EN VAN HET BEESlquot;. 177
Westersche beschaving deelt, wordt geregeerd door en leeft naar uitsluitend Romeinsche wetgeving. Deze toestand nadert echter haar einde. Het begin van het eind werd gegeven in de groote Fransche Revolutie aan het einde der vorige eeuw. Ieder, die een open oog heeft voor de teekenen der tijden, erkent dat de geheele negentiende eeuw een tijdperk van barensweeën is op elk gebied. Wie zal voorspellen hoe de geboorte, die staat te komen, zijn zal? Maar zooveel ziet ieder die meeleeft, dat we g.ekomen zijn in het tijdperk, waarvan Paulus schrijft in 2 Thess. 11:3â9. De mensch der zonde, de antichrist is komende. De verborgenheid der ongerechtigheid wordt aireede gewrocht. Alle ongerechtigheid is zoude, zegt Johannes in zijn eersten Zendbrief. Maar alle zonde is in dien bepaalden zin des woords nog geen ongerechtigheid. De ongerechtigheid hier bedoeld is bepaald ongebondenheid, volslagen wetteloosheid. Daardoor zal âhij die hem wederhoudt tot nu toequot; uit het midden weggedaan worden. De Romeinsche welgeving, waaronder alle volkeren leven, zal door die âongerechtigheid,quot; door dat âgeen God, geen meesterquot; weggedaan worden. Die eene, die zevende, is nog niet gekomen. De vrucht van socialisme en anarchie moet voldragen worden. Maar ze zal rijp worden. Ze zal het Romeinsche recht âuit het middenquot; wegdoen. De naaste toekomst is voor het socialisme in den slechten zin des woords. Wanneer die eene, die zevende, zal gekomen zijn, moet hij âeen weinig tijdsquot; blijven. Maar dan wordt hij opgevolgd door het rijk en den persoon van den antichrist. Afschaduwing daarvan hebben we gezien in de beteugeling en breideling van de woeste Fransche revolutie door Napoleon, die wel aan de regeeringloosheid een einde maakte, maar daarvoor eene regeering met een ijzeren schepter in de plaats gaf, welke de voldragen vrucht van diezelfde revolutie was. Evenzoo zal de antichrist het anarchisme verdoen, maar alleen om het in zijn eigen persoon te concenlreeren en te verscherpen.
12
178 wDE VERBORGENHEID DER HOER EN VAN HET BEESTquot;.
De achtste koning is de antichrist, het beest zelf. Het beest is het hoofd dat de doodelijke wonde ontving. Voordat Israël, naar den vleesche, zijn heerlijke roeping vervult van ook in zichzelf een zegen voor alle volken te zijn, zal het zijn diepste diepte bereiken, door het voortbrengen van den antichrist. Israël naar den vleesche is de achtste koning, het achtste wereldrijk. Het was, en is niet, toch is het en het zal opstaan. De doodelijke wonde is niet ten doode. Het âuit de zeven.quot; De ,zevenquot; zijn pogingen geweest om den antichrist voort te brengen, den achtsten zal het gelukken. Het ligt eigenlijk voor de hand dat de antichrist een afvallige Jood zal zijn. Antichrist is natuurlijk niet alleen hij, liever niet volkomen hij, die zich alleen slechts tegenover Christus stelt. In dien zin, zegt Johannes, âzijn er reeds vele antichristenen in de wereld.quot; Maar antichrist in den vollen zin des woords is hij, die ook âChristusquot; wil zijn, maar een principiëel-andere Christus. De eerste voorwaarde daartoe is, dat hij niet uit de volken maar uit de Joden voortkomt. Onbewust is dat door de Joden uitgesproken in hun moordkreet: Wij hebben geen koning dan den keizer! âWij aanbidden de antichristelijke wereldmacht 1quot;
XXV.
HET OORDEEL AAN DE HOER VOLTROKKEN.
Ten tijde als de ,achtste koningquot;, de antichrist, persoonlijk in het wereldrijk regeerende en dat waarlijk tot wereld rijk makende, âden zevenden koningquot; die slechts korten lijd zal blijven, vervangt, staan ook tien koningen op, die echter meer den naam dan wel de werkelijke macht van koningen hebben. Ze zijn eigenlijk vasallen van den antichrist, onder welken hij zijn rijk verdeelt. Zij ontvangen macht als koningen; ze zullen van eenerlei meening zijn met het beest en al hunne kracht en macht het beest toewijden. Het slot van hunne regeering zal zijn dat zij tegen het Lam zullen krijgen, en dat het Lam hen zal overwinnen en die met het Lam zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en geloovigen. In een punt des tijds zal die overwinning plaatsgrijpen zooals nader Hfdst. XIX ons leert. Maar vóór dien alles beslissenden strijd zullen de tien koningen iets anders doen, waarbij ze eenvoudig onwetend werktuigen in de hand Gods zijn. Kort en alles wegvagend zullen deze gebeurtenissen zijn; dat wordt aangeduid door de herhaalde uitdrukking âéene ure.quot; In éene ure ontvangen zij met het beest koninklijke macht (XVII : 12). In éene ure wordt door hen Babylon verwoest (XV111: 10, 16, 19). Er is geen sprake meer
HET OORDEEL AAN DE HOER VOLTROKKEN.
van jaren (tijden), maanden, dagen en nachten, maar van uren. Blijkbaar is er sprake van de laatste oogenblikken dezer bedoeling; van den tijd waarvan de Heere Jezus zeide: âIndien hij niet verkort werd, zou geen vleesch behouden worden, maar om der uitverkorenen wil zullen die verkort worden.quot;
âDe wateren die gij gezien hebt,quot; zoo spreekt de engel tot Johannes, âwaar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën en tongen. De hoer is dus wat de draak de vrouw des hemels uit Hfdst. XII trachtte te maken: eene weggevoerde, eene ge-dragene door de rivier uit zijn muil. De bruid des Lams vliegt op arendsvléugelen; de hoer des Satans drijft op de wateren. De eerste wordt gedragen door den almachtigen God; de laatste door de van den Satan verleide menschheid.
De tien hoornen, de met koninklijke macht bekleeden, ontvangen van God eenerlei meening in hunne harten. God gebruikt hen om zijne oordeelen uit te voeren. Die trekken zich samen in een groot oordeel: de voltrekking der straf over de hoer. Wel draagt de antichrist het valsch-kerkelijk en godsdienstig beginsel, maar alleen voor zoover en voor zoolang het hem dienstig is. En daarna komen zijn tien satellieten, haten de hoer, vallen op haar aan, maken haar woest en naakt, eten haar vleesch en verbranden haar met vuur. Het masker van godsdienst, onder den naam van volkskerk, of religie, of wat men ook wil, kan nu veilig afgeworpen worden. Hoererij is niet meer noodig; de menschheid is genoeg van den satanischen afval doordrongen. Derhalve wordt die soort van wereldgodsdienst door de aanhangelingen van den antichrist zelf verwoest. En daarin ontvangt ze haar rechtvaardige vergelding van Gods wege. De tien koningen geven daarna hun koninkrijk aaa het beest. Thans wordt de antichrist op zijne wijze âalles in allen.quot; Daarmee is het laatste tijdperk dezer bedeeling aangevangen: want dit houdt stand âtotdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn.quot;
180
HET OORDEEL AAN DE HOER VOLTROKKEN.
Moet men bij deze âtien koningenquot; denken aan tien verschillende regeeringen? Men heeft het ontelbare malen getracht en zelfs in de landkaart van Europa de rijken ingedeeld. Meestal geschiedde dat door Engelschen en Amerikanen. Merkwaardig is het dat dan juist Engeland buiten de tien rijken bleef liggen en, aangezien ze in Europa moeten ontstaan en gegroepeerd rondom het tegenwoordig Rome, was er dan van Amerika in 't geheel geen sprake. Zeer bescheiden kennen zulke uitleggers hun eigen natie de fraaiste rol toe; onder anderen door te beweren dat in Engeland of Amerika de tien verloren stammen Israels wonen en teruggevonden zullen worden.
Evenals alle getallen in de Openbaring aan Johannes is ook hier het getal tien symbolisch. Tien in de Heilige Schrift duidt voorbereiding aan. We herinnerden zulks bij de bespreking van het eerste hoofdstuk. Tien koningen teekenen hier de naaste voorbereiding voor het onverholen optreden van den antichrist. Deze tien koningen zijn zij, wier weg door de uitstorting van de zesde fiool is'voorbereid. Daar (XVI: 12) wordt de rivier de Euphraat opgedroogd door het uitstorten eener fiool uit den hemel. Hier wordt ons gezegd dat deze uitstorting beteekent dat God hun harten eenerlei meening, en wel'zijne meening geeft.
âDe vrouw, die gij gezien hebt, is de groote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde.quot;
Zij is de ,groote stadquot; die voor de eerste maal vermeld is in Hfdst. XI: 8, waar de lichamen der beide vermoorde getuigen ten toon lagen. Zij is als alle valsche eeredienst, dienstbaar aan duivelsche staatkunde en door die staatkunde gesteund, samengevat in éen beeld.
De vermelding van de stad brengt de wereldgeschiedenis een belangrijken stap nader aan haar doel. We hebben het Lam gezien in den tempel in den hemel; le in het heilige der hei-
181
HET OORDEEL AAN DE HOER VOLTROKKEN.
ligen, voor den troon (Hfdst. V); 2e in liet heilige; bij het reukaltaar (Hfdst. XI). Thans treedt Hij uit den tempelen komt in de stad. Later zal de hemelsche stad op aarde nederdalen en ten slotte de geheele aarde tot éene stad worden, terwijl dan de geheele stad tempel, de geheele tempel troon wordt.
Een tweede parallellisme, dat we niet ongemerkt mogen voorbijgaan, is dat tegenover de hoer in Hfdst. XVII, de b r ui d, in Hfdst. XXI, en tegenover B a b y 1 o n in XVIII, Jeruzalem in XXI en XXII staat. Derhalve gaat nu het beeld over van de vrouw der hoererijen in de stad Babyion. De vrouw is de groote stad; ons wordt nu de verwoesting der s t a d geschilderd.
Een andere engel met groote macht, van wiens heerlijkheid de aarde verlicht wordt, komt af van den hemel en roept krachtig met groote stem: âZij is gevallen, zij is gevallen, het groote Babylon, en is geworden eene woonstede der duivelen, en eene bewaarplaats van alle onreine geesten en eene bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte.quot; Hetgeen door Jesaia (Hfdst. XIII) over het historische Babel voorspeld wordt, komt hier symbolisch over het antitype van die oude wereldstad.
De oorzaak waarom dit oordeel haar treft, wordt door den engel aldus genoemd; âDewijl uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken gedronken hebben, en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk geworden zijn uit de kracht harer weelde.quot;
Drievoudig is dus de reden waarom God deze âgroote stadquot; met verwoesting straft. Ten eerste heeft zij de volken laten drinken uit den wijn des toorns harer hoererij. Zij heeft de menschheid in haar geheel verleid tot afval van God. Met name in eigengerechtigheid en eigenwilligen godsdienst heeft zij de volken gewikkeld. Voorts hebben de koningen der aarde met haar gehoereerd. Haar valschen godsdienst deed zij voorkomen als het waarachtig Evangelie van Jezus Christus, en zóo heeft
182
HET OORDEEL AAN DE HOER VOLTROKKEN.
183
ze hem misbruikt tot staatkundige doeleinden. Alle koninklijke, alle staatkundige machten hebben haar op 't schild geheven en zij heeft in ruil daarvoor de tirannie der koningen met haar quasi-heiligheid gedekt. En ten derde zijn de kooplieden der aarde rijk geworden uit de kracht harer weelde. Zij gaf, onder den schijn van verloochening, het voornaamste en krachtigste voedsel aan de wereldschgezindheid. Die groote stad is dus op geestelijk gebied de moeder van den afval van God geweest; op staatkundig terrein was zij de voedster van het misbruik dat de grooten der aarde van de hun verleende macht maakten; en in maatschappelijk opzicht trad zij op als de bewerkster van de ontzettende ellende, veroorzaakt de schreeuwende tegenstelling van ondenkbaar rijk en naakt-arm. Die driedubbele ongerechtigheid heeft zich tegenover Gods volk geopenbaard in onafgebroken vervolging ; zoodat de hoer het bloed der heiligen als wijn gedronken heeft. Want die heiligen leefden in haar midden. De volken die den wijn der hoer dronken en het volk Gods waren steeds ondereen gemengd. Op den akker der wereld groeiden tarwe en looze tarwe dooreen. Eerst als de oogst rijp is kan door der zake kundige maaiers het onderscheid gezien worden. Dat oogenblik breekt nu aan. Derhalve klinkt een andere stem uit den hemel: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij aan hare zonden geene gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt. Want hare zonden zijn haar gevolgd tot den hemel toe en God is harer ongerechtigheden gedachtig geworden.quot; En thans komt de ure der wrake. Als Lot uit Sodom scheidt de ware gemeente zich uit deze wereldkerk af; en haar wordt gezegd; Vergeldt haar gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar hare werken; in den drinkbeker waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel.quot; Wel wordt het oordeel door Gode vijandige machten uitgevoerd, maar deze machten geven hun oordeel over aan
HET OORDEEL AAN DE HOER VOLTROKKEN.
den antichrist, die eigenlijk niet anders is dan eerst de grondslag en later de eerste voorzetting van liet beginsel dat zich in de hoer belichaamt. In den grooten veldslag, in Hfdst. XIX beschreven, krijgt de gemeente haar werkdadig aandeel aan de voltrekking van het vonnis ovor Babyion.
De groote stad heeft zich steeds gevleid : âIk ben koningin; nooit zal ik weduwe, dat is verlatene zijn; nooit zal ik rouw zien!quot; En daarom komen op éen dag al haar plagen : dood, rouw, honger en verbranding. Want ze wordt door den Almachtige gericht.
De voltrekking zelve van het oordeel ziet Johannes niet, maar hij hoort de beschrijving. De koningen der aarde, alle politieke machten, staan van verre, uit vrees van in hare pijniging te zullen deelen indien ze te dichtbij komen, en beweenen haar. Zij doen dat, haar rechtstreeks aansprekende: âWee, wee, de groote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in éene ure gekomen!quot; Zij zijn met haar het meest eigen. De kooplieden en de stuurlieden met hun scheepsvolk spreken niet tot haar, maar over haar, in hun jammerklachten. Deze kooplieden en stuurlieden worden door louter eigenbelang gedreven. Ze weeklagen omdat âniemand hare waren meer koopt.quot; Alle mogelijke koopwaren worden opgesomd; alles wat weelde slechts bedenken kan; en daaronder, bij wijze van climax, aan het einde, lichamen en zielen van menschen. Onderdrukking en gewetensdwang zijn haar onderscheidend kenmerk. De kooplieden treuren, omdat ze door haar rijk geworden waren. In al haar laagheid van grof materialisme onder den dekmantel der huichelarij stelt deze uitdrukking haar ten toon. Dezelfde weeklacht hoort Johannes uit den mond der stuurlieden, al het volk op de schepen, de bootsgezellen en allen die ter zee varen, de ondergeschikten der kooplieden. In éen woord, allen die âop de aarde wonenquot; worden door haar oordeel onherstelbaar getroffen.
184
XXVI.
DE HEMELSCHE FEESTVIERING OVER DEN VAL VAN RABYLON.
De geschiedenis van de groote hoer is. Johannes verhaald, nadat haar beeld hem in visioen geloond is. Hij heeft vernomen hoe algemeenen rouw haar plotselinge val en verwoesting bij alle aardbewoners verwekken zal. Thans wordt hem medegedeeld in goddelijke woorden en in verheven gezichten welken indruk deze catastrophe in den hemel maakt.
De engel, die Johannes het oordeel liet zien en verhaalde, gaat voort : âBedrijft vreugde over haar, gij hemel en gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld.quot; Thans wordt het bloed der zielen onder het altaar gewroken. Hun oordeel, de straf voor den op hen ge-pleegden moord, wordt door den Almachtige gericht. Dat is een oorzaak van vreugde. Een naklank van deze uitdrukking geeft de Geloofsbelijdenis in art. 37, waar gejubeld wordt dat Jezus Christus weer zal komen en al zijne en m ijne vijanden voor eeuwig oordeelen zal. Want hetgeen den martelaren overkwam was gemeenschap aan zijn lijden. Mede-erfgenamen van Christus zijn zij ook in zijne vreugde over de behaalde overwinning.
186 DE HEMELSCHE FEESTVIERING OVER DEN VAL VAN BABYLON.
Een sterken engel ziet Johannes een steen als een molensteen opheffen en in de diepte der zee slingeren, met de woorden: âAldus zal de groote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden.quot; Over haar gaat hetzelfde oordeel dat eerst door haar aan Jeruzalem voltrokken werd. Volkomen eenzaamheid en onherroepelijke verwoesting worden haar deel. Geen vreugdemuziek zal meer in haar straten weerklinken ; geen kunsten zullen er beoefend worden; hel gewone maatschappelijk leven binnen in haar houdt op ; in duisternis zinkt zij weg en het blijde familieleven wordt vernietigd. En dat alles âomdat hare kooplieden de grooten der aarde waren en alle volken door hare tooverij verleid zijn geweest.quot; In hare veste is de handel in louter Mammonsdienst ontaard en heeft algemeene afgoderij de plaats der Godsvereering ingenomen.
Na hare verwoesting wordt ze doorzocht. En wat wordt gevonden ? Het bloed der profeten en der heiligen, en al dergenen die gedood zijn op de aarde. Dat laatste is een nieuwe trek aan de beschrijving toegevoegd. Alle onschuldig vergoten bloed, ook al schijnt het niet te zijn gestort of al is het niet gestort om de belijdenis van Jezus Christus, wordt in haar gevonden. Al wat maar zweemt naar toenadering tot God, naar verzaking van zonde, is bij haar doodelijk gehaat. Instinctmatig moordt zij het uit. Draagt haar niet de draak, die een menschenmoorder is van den beginne ? Is niet alle tirannie en onderdrukking opsïand tegen God?
De oproeping aan de gemeente des Heeren door den engel gericht, wordt in den hemel beantwoord. De stem eener groote schare in den hemel hoort Johannes: âHalleluja! de zaligheid en de heerlijkheid en de eer en de kracht zij den Heere, onzen God, want zijne oordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig, dewijl Hij de groote hoer geoordeeld beeft, die de aarde verdorven heeft met hare hoererij, en Hij heeft het bloed van zijne
DE HEMELSCHE FEESTVIERING OVER DEN VAL VAN BABYLON. 187
dienaren van hare hand gewroken.quot; Als een refrein weerklinkt nogmaals het âHalleluja!quot;
âEn haar rook gaat op in alle eeuwigheid.quot; Haar worm sterft niet, haar vuur wordt niet uitgebluscht; haar knersing der tanden duurt eeuwig. De geheele gemeente van alle eeuwen deelt in de vreugde en brengt Gode haar lof. De vier en twintig oudsten vallen neder op hun aangezichten en aanbidden God, die op den troon zit. Ja de geheele schepping, in de vier dier-gestalten, herhaalt aanbiddend het: âAmen, Halleluja!quot; Want de schepping is der ijdelheid onderworpen om diens wil die haar onderworpen heeft; ze is door den mensch in zijn val meêgesleept. Zou ze dus niet mede juichen ? Door de hoer werd zij op allerlei wijze misbruikt. De koophandel, waarvan zij het voorwerp was, is Gode een gruwel geweest en zij heeft er onder geleden. De tijd moet komen dat naar de voorspelling van Jesaia : âde rammen van Nebajoth met welgevallen Jehova's altaar beklimmen;quot; dat ze â in stoute persoonsverbeelding gesproken â gaarne als dankoffer van den verlosten, heiligen onderkoning der schepping dienen.
Uit den troon des Almachligen zelf klinkt de opwekking tot lofverheffing. Het hoofd der verloste menschheid zelf geeft den toon aan: âLooft uwen God, gij, al zijne dienstknechten en gij, die Hem vreest, beiden klein en groot!quot;
En het gewillige antwoord volgt. De stem eener groote schare, de stem als van vele waleren, de stem als van sterke donderslagen getuigt dat het einde dezer bedeeling en de aanvang der eeuwige heerlijkheid gekomen zijn. De beslissende slag is geleverd. Wat nu nog volgen moet is wanhopige tegenstand eener-zijds, voltooiing van de zegepraal aan den anderen kant. Maar overigens: âHet is geschied !quot; âHalleluja!quot; zoo ruischt de lofzang van de gemeente des Heeren : âwant de Heere, de almachtige God, heeft als koning geheerscht! Laat ons blijde zijn en
188 DE HEMELSCHE FEESTVIERING OVER DEN VAL VAN BABYLON.
vreugde bedrijven, en Hem heerlijkheid geven, want de bruiloft des Lams i s gekomen en zijne vrouw heeft zichzelve bereid ; en haar is gegeven dat ze bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad!quot; Ook in dezen lofzang wordt duidelijk te kennen gegeven dat de oude bedeeling eigenlijk reeds geëindigd is. De bruid wordt hier de vrouw des Lams genoemd. Zij heeft zichzelve bereid en haar is gegeven bekleed te worden met rein en blinkend fijn lijnwaad. Die twee zijden heeft de heiligmaking. Ze is niet lijdelijk; wien gegeven wordt dat hij bekleed worde die bereidt zichzelven. Dit fijn lijnwaad, leert Johannes ons, zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen. âWerkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven, want het is God, die in u werkt beide het willen en het volbrengen naar zijn welbehagen.quot; Het vaste fondament Rods, waarop onze eeuwige zaligheid gebouwd is, heeft een tweeledig zegel: âDe Heere kent degenen die de zijnen zijn.quot; Zeker! maar ook: âEen iegelijk die den naam des Heeren noemt, sta af van de ongerechtigheid!quot;
Eene bemoediging, eene belofte, eene waarschuwing laat God door zijnen engel Johannes verkondigen met bepaalden last om haar der gemeente van alle tijden voor te houden: âSchrijf: Zalig zijn zij die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams!quot; Wie is waarachtig in dezen zin geroepen? En waaraan zal hij weten dat hij zoo geroepen is ? Hij die een lid is van de bruid, die zich bereidt; die het fijne lijnwaad, dat hem toegereikt wordt, aantrekt. In éen woord, hij die niet alleen naar de vreugde van de bruiloft, maat ook naar het bruiloftskleed verlangt, én niet wil binnensluipen zonder bruiloftskleed. Een hartelijk leedwezen over de zonden, een smachtend verlangen naar de heiligheid zijn de voorwaarden en de kenteekenen. Die de aarde bewonen vreezen voor de g e-volgen der zonde ; die tot de bruid behooren beven voor de zonde zelve. âDeze zijn de waarachtige woorden Gods.quot;
DE HEMELSCHE FEESTVREUGDE OVER DEN VAL VAN BABYLON. 189
Zoo overstelpend heerlijk is deze openbaring dat de apostel Johannes nederzinkt aan de voeten van den engel om hem te aanbidden. âZie,quot; zegt deze tot hem, âdat ge dit niet doet, want ik ben uw mededienstknecht en de mededienslknecht uwer broederen, die de getuigenis van Jezus hebben.quot; Eén groot gezin vormen heiligen en engelen samen. Allen samen âaanbidden Godquot; en Hem alleen. âWant de getuigenis van Jezus is de geest der profetie.quot; De waarachtige zuivere uitlegging der Heilige Schrift (de profetie) is geen werk van ons verstand, maar het uitvloeisel van de rechte gesteldheid des harten. De vrijmoedige getuigenis van Jezus geeft opening zijner woorden. Die opening geeft licht. Een recht verstand komt voort uit een oprecht hart.
XXVII.
DE BESLISSENDE OVERWINNING.
Het oogenblik is thans gekomen dat de Koning der koningen op aarde komt om het rijk voor zijnen Vader in bezit te nemen. Want wanneer Hij alle heerschappij en kracht en macht, die zich tegen God verzet, zal teniet gedaan hebben, zal Hij het koninkrijk aan God en den Vader overgeven.
Johannes ziet âden hemel geopend.quot; De deuren des hemels worden opengeslagen en Hij wiens naam is âGetrouw en Waarachtigquot; rijdt uit. De wijnpersbak waarvan in Hoofdst. XIV gesproken is: zal nu getreden worden. De macht des aartsvijands wordt gebroken en hoewel hij later nog enkele oogenblikken vrij krijgt om zijn uiterste krachten te beproeven, zullen die pogingen niets anders zijn dan korte stuiptrekkingen van mach-telooze woede.
Hij wiens naam is âGetrouw en Waarachtigquot; rijdt op een wit paard. De zekerheid zijner overwinning wordt daardoor aangeduid. Zijn naam zegt dat Hij âoordeelt en krijg voert in gerechtigheid.quot; Zijn oordeel gaat over vriend en vijand; over den een ter glorierijke vrijspraak, over den ander ter verdoemenis.
Zijn uiterlijk kenmerkt hem als dezelfde, die aan Johannes verscheen ter inleiding van deze openbaring.
DE BESLISSENDE OVERWINNING.
Als een vlam vuurs zijn de oogen van Hem, die harten doorzoekt en nieren proeft. Vele koninklijke hoeden zijn op zijn hoofd; Hij regeert over alle sferen, over alle rijken. Niemand kent zijn naam, dan hijzelf, ofschoon hij dien naam âgeschreven heeft,quot; dat is: openbaar draagt. De naam ,Getrouw en Waarachtigquot; is voor ieder leesbaar. Ook wordt zijn naam genoemd âHet Woord Gods.quot; Maar de kern zijns naams, het wezen zelf kent Hij alleen. Wie geheel en al in bijbelschen zin iemands naam kent, die kent en begrijpt volkomen den naamdrager. De naam is de uitdrukking van het wezen. Welk geschapen wezen kent in dien zin den naam van Gods eengeboren Zoon? Zijn kleed is met bloed geverwd. Hij is de almachtige held, die de wijnpersbak alleen treedt en op wiens kleed het druivensap, de kracht en het bloed zijner tegenstanders spat, ten teeken van zijn volkomen overwinning en hun algeheele vernietiging; de held van wien Jesaja profeteerde in Hoofdst. LXII1. En daarom staat op zijn kleed en op zijne dij deze naam geschreven: Koning der koningen en Heere der heeren.quot; Zijn kleed is het teeken zijner koninklijke macht, zijne dije is de zetel zijner kracht. Uit zijn mond gaat een scherp zwaard, opdat hij de heidenen daarmee slaan zou. En hij zal hen hoeden met een ijzeren roede, en hij treedt de wijnpersbak van den wijn des toorns en der gramschap des almach-tigen Gods. Dit is de dag der wrake en van den toorn des Lams.
Hij is niet alleen. De heirlegers in den hemel volgen hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad. Aan dien laatsten trek zien we dat hier geen sprake is van de heirscharen der engelen. Het rein fijn lijnwaad toont aan dat deze heirlegers de verlosten des Lams zijn. Ze zijn zijne medeerfgenamen, gelijk ze in zijn lijden gedeeld hebben. Zijne overwinning is de hunne.
Hij rijdt uit en heeft reeds overwonnen. Van den veldslag
191
DE BESLISSENDE OVERWINNING.
zien we niets dan het resultaat. Toen de vijfde engel zou bazuinen, vloog een arend door den hemel om het âWee, wee!quot; over degenen, die op de aarde wonen, uit te roepen. Nu ziet Johannes een engel in de zon staan, die met een groote stem alle vogelen, die in den hemel vliegen, uitnoodigt tot het avondmaal des grooten Gods. Zoo zeker is de overwinning. âKomt herwaarts, en vergadert u tot het avondmaal des grooten Gods, opdat gij eet het vleesch der koningen, en het vleesch der oversten over duizend, en het vleesch der sterken, en het vleesch der paarden en dergenen die daarop zitten, en het vleesch van alle vrijen en dienstknechten en kleinen en grooten.quot; Van allen, in éen woord, die aan de aarde gekluisterd waren en in opstand tegen God verkeerden. Want allen komen op om in hun woedende verblindheid den krijg te voeren met het beest, den antichrist, aan het hoofd.
De drie geesten als vorschen hebben hun rampzalig ver-leidingswerk volbracht. Grooten en kleinen, koningen en dienstbaren, allen die God verzaakt hebben komen, door hen verleid, op om krijg te voeren tegen hem die op het paard zit en tegen zijn heirleger. Aan het hoofd van die ongestelde bende staat het beest, de antichrist. Hij gevoelt, voor hem gaat het nu: er op of er onder.
Majestueus, evenals alle profetieën voorzoover hun vervulling betreft, is het verder verloop van het verhaal. Van den veldslag wordt ons niets beschreven dan het resultaat. Het beest en de valsche profeet worden krijgsgevangen gemaakt. Levend worden zij ter helle gezonden, in den poel des vuurs, die met sulfer brandt. Maar de draak zelf, die de oorzaak is van de geheele catastrophe, ondergaat nog niet hetzelfde lot. Thans worden alleen zijn twee satellieten voorgoed onschadelijk gemaakt. En het leger, dat door hen aangevoerd werd, wordt vernietigd. Zij worden gedood door het zwaard desgenen, die op het paard
192
DE BESLISSENDE OVERWINNING.
zat, hetwelk uit zijnen mond ging. Aan dezen trek erkent men dat hier niet van een gewonen oorlog sprake is, maar dat we ook met beeldspraak te doen hebben. Daarmee is niet gezegd dat men in de huishouding op aarde geene beroeringen en omwentelingen zal bemerken, wanneer deze groote gebeurtenis plaatsgrijpt, maar alleen dat deze aardsche gebeurtenissen de bui ten zij van de zaak zijn, waardoor zij die âop de aarde wonenquot; nog geen begrip krijgen van de hooge beteekenis der zaak. Die zaak en haar verloop zelve zijn hemelsch en geestelijk, zoodat alleen de âkinderen des lichtsquot; de beteekenis begrijpen. Ook de aarde, maar vooral en met name geestelijk worden de zelf bewuste ongeloovigen vernietigd, zoodat alle vogelen van hun vleesch verzadigd worden.
Onmiddellijk na afloop van dezen beslissenden slag ziet Johannes een engel van den hemel afkomen, hebbende den sleutel des afgronds en een groote keten in de hand; welke den draak, de oude slang, den duivel en Satanas greep, en voor den tijd van duizend jaren bond, hem in den afgrond wierp, daarin opsloot en dien boven hem sloot en verzegelde, opdat hij gedurende den bovengenoemden vastgestelden tijd de volken niet meer verleiden zou. Daarna moet hij voor een kleinen tijd ontbonden worden. De eindoverwinning over den Satan wordt niet door een der engelen behaald, en daartoe is thans zijne ure nog niet gekomen. Voorloopig wordt hij thans slechts onschadelijk gemaakt. Een tijd van betrekkelijke rust en heiligheid zal over de aarde aanlichten. De zonde zal niet verdelgd worden, de zondaren worden niet bekeerd ; maar een beslag wordt gelegd op de openbaring der ongerechtigheid, omdat de verleidende oorzaak tijdelijk door Gods hand buiten werking wordt gesteld. Dit geschiedt door een engel; God zendt daartoe zijn bode. Eens is aan een engel, onder het beeld van een ster, die uit den hemel op aarde gevallen was, de sleutel
13
193
DE BESLISSENDE OVERWINNING.
een oogenblik gegeven om dien put te openen teneinde de helsche gedrochten uit te laten. Deze engel of ster was, zooals we toen zagen, de Satan die daar slechts als cipier dienst deed. Thans wordt hijzelf in deze gevangenis geworpen.
Gelijk het geheele boek der Openbaring onverstaanbaar is en tot de grofste zinnelijkheid verwrongen wordt, indien men uit het oog verliest dat we hier met goddelijke poëzie te doen hebben en dat alle figuren, getallen, maten, kleuren en tijdruimten typisch en symbolisch zijn ; zoo ook hier.
De komst van Christus Jezus in het vleesch was geen doel, maar middel. Het doel zijner komst is het koninkrijk geheel en volkomen aan God den Vader te hergeven, opdat God alles in allen zij. Zoo zal ook de verschijning van den antichrist, in alles de tegenvoeter van den waren Gezalfde, geen doel maar middel zijn of willen zijn. Het doel is alles aan Satan te onderwerpen. De overwinning op den antichrist behaakl, kan dus ook niet het einde zijn. De Heere Jezus getuigde steeds dat Hij al wat Hij van den Vader gehoord en gezien had, verrichtte; dat Hij het gebod vervulde 't welk zijn Vader Hem gegeven had. Evenzoo heeft elke daad van den antichrist een hooger of liever een nog lager, nog helscher drijfkracht en achtergrond. De zege op het leger van den antichrist wordt behaald door den Christus. De Satan, die gelijk God, die een tweede God wil zijn, zal zijn leger verdelgd zien door vuur, dat van God uit den hemel daalt. Maar tusschen die beide gebeurtenissen in wordt op aarde het overwinningsfeest van den Koning der koningen gevierd. Na de overwinning door God uit den hemel op Satan zelf behaald, volgt de bruiloft des Lams.
194
XXVIII.
DE BRUILOFT DES LAMS. DE âDUIZEND JARENquot;.
De bruiloft des Lams â geheel iets anders dan het huwelijksleven dat in de nieuwe bedeeling geschilderd wordt â vindt haar type in de bruiloft van den Oud-Testamentischen vredevorst Salomo. Daarom is Psalm XLV een Messiaansche psalm.
Zeer eigenaardige trekken geeft deze psalm te aanschouwen. Hij begint met de glorierijke beschrijving van den koning. âVeel schooner dan de menschenkindcren is Hij; genade is op zijne lippen uitgestort.quot; En onverwacht volgt daarop; Gord uw zwaard aan uwe heup, o Held! uwe majesteit en uwe heerlijkheid. Rijd voorspoedig op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid. Laat uwe rechterhand u vreeselijke dingen leeren ! Uwe pijlen zijn scherp ; volken zullen onder u vallen. De pijlen treffen in het hart van des konings vijanden.quot; âUw troon,'quot; zoo gaat de gewijde zanger voort, âo God, is eeuwiglijk en altoos; de schepter uws koninkrijks is een rechte schepter. Gij hebt rechtvaardigheid lief en haat goddeloosheid. En daarom heeft u, o God, uw God gezalfd met olie der vreugde boven uwe medegenooten.quot; Dan eerst volgt de heerlijke beschrijving van de uitverkorene bruid.
196 DE BRUILOFT DES LAMS. DE nDÃIZEND JARENquot;.
Zoo ook bij het antitype Christus. âDe bruiloft des Lams is gekomen en zijne bruid heeft zichzelve bereid.quot; De hemel wordt geopend en wat ziet Johannes ? Een bruiloftsmaal ? Neen, maar een heirleger van rechtvaardigen met den koning âGetrouw en Waarachtigquot; als heirtoger, uitrijdende met scherpe pijlen, die in het hart van des konings vijanden treffen, zoodat de volkeren onder Hem vallen. En na de overwinning, waarin antichrist en valsche profeet krijgsgevangen worden gemaakt, het teeken dat de vorst gerechtigheid en gericht liefheeft en ongerechtigheid haat. Na de vernietiging van het leger van den antichrist de regeering van den Christus: de âduizend jaren.quot;
âEn ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus en om het Woord Gods, en die het beest en zijn beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteeken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hunne hand; en zij leefden en heerschten als koningen met Christus, de duizend jaren.
Maar de overigen der dooden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.
Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zullen met Hem als koningen heerschen duizend jaren
En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satanas uit zijne gevangenis ontbonden worden.quot;
Duizend jaren wordt de duivel, de satanas, (d. i. tegenstander) gebonden en heerscht Christus op aarde. Indien ergens, dan hebben we hier te doen met hooge, heilige symboliek. Het jaar op zichzelf, zoowel als het getal duizend, is symbool van de eeuwigheid. Het offer op den verzoendag werd gebracht
DE BRUILOFT DES LAMS. DE nDUIZEND JARENquot;. 197
onmiddellijk na den aanvang des jaars, afschaduwing van de heerlijke waarheid, dat Christus door éene offerande in eeuwigheid verzoend heeft degenen die door Hem geheiligd worden. Voor God zijn duizend jaren als éen dag en is éen dag als duizend jaren.1' Millioenen kent de Heilige Schrift niet, maar duizenden en tienduizenden vermeervoudigd. Van den sabbath en het werk des Vaders geldt wat Ten Kate zoo schoon zong in ,De Schepping:quot;
âGeen zevenden avond heeft de Godsman neer zien varen. Al rekte ook zich zijn baan.
Des Heeren sabbathdag duurt zes maal duizend jaren En houdt nog immer aan.quot;
Ook ligt er diepe beteekenis in het geloof der oude rabbijnen en kerkvaders, dat na zes dagen, elk van duizend jaren arbeids, der aarde een zevende dag van duizend jaren als sabbathdag zou aanbreken. Alleen wachte men zich, de heerlijke poëzie ook hier in het hedendaagsche stof der proza te halen, en de dagen te gaan tellen.
Het vrederijk van Salomo duurde veertig jaren als type van voorbereiding. Het vrederijk van Christus is de volmaakte vervulling en daarom wordt het duizend jaren lang afgebeeld. De waarheid, van haar beeldspraak ontdaan is, dat er na den hangen, hangen tijd van den antichrist een tijdperk van verademing voor het aardrijk zal aanbreken, een voorspraak van de eeuwige zaligheid te proeven zal gegeven worden. De macht des duivels (die met groote beteekenis toch nog , tegenstanderquot; genoemd wordt) zal gebonden zijn. Het vuur zal ontbreken, maar de brandstof blijft voorhanden liggen. De vijanden zullen zich geveinsdelijk onderwerpen. Maar waarachtige bekeering van menigten zal nooit gezien worden. Een kleine kudde temidden der wolven blijft de gemeente, maar de wolven zullen tijdelijk gemuilband zijn.
Johannes zag tronen. Al dadelijk merken we op, dat hij
198 DE BRUILOFT DES LAMS. DE n DUIZEND JARENquot;.
niet zegt waar hij die tronen zag. Men heeft â alsof quot;t er in zooveel woorden stond â er bijgevoegd, dat hij die tronen op aarde zag, maar de geheele voorstelling pleit eer daar tegen dan er voor. Johannes is steeds, gedurende het geheele visioen, in den hemel en vermeldt duidelijk en nauwkeurig, wanneer hij iets op aarde ziet gebeuren. De tronen stonden in den hemel. Vandaar uit wordt de aarde geregeerd.
âZij zaten op dezelve en het oordeel werd hun gegeven.quot; Deze âz ij,quot; nader te omschrijven, regeerden en heerschten met Christus. Maar ons wordt geen enkel woord gezegd, dat ook Christus zelf op een der tronen zit. Christus heerscht en heerschte reeds, temidden zijner vijanden. Daar is slechts een zeer korte spanne tijds, de tijd zijner vernedering en van zijn leven op aarde, dat Hij niet heerschte. Toen was Hij niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Moar nauwelijks was Hij uit het graf verrezen of Hij sprak : Mi; is gegeven alle macht in hemel en op de aarde.quot; Thans gedurende de âduizend jarenquot;, is het eenige onderscheid, dat ook zijn getrouwe discipelen tot heerschappij komen met Hem, zoodat Hij niet meer alleen heerscht. Al de martelaren zyn geoogst. Geen bloed zal meer het zaad der kerk zijn. In de tegenwoordige bedeeling is dat, recht beschouwd, voor de aarde geen zegen, maar een straf.
Op die tronen zitten zij, en wordt het oordeel gegeven aan hen, die om Jezus' wil hun leven verloren hebben. Johannes ziet de âzielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus en om het Woord Gods, en die het beest en zijn beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteeken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hunne hand.' Reeds dat woord âde zielenquot; dwingt ons om afstand te doen van alle vleeschelijke en aardsche verwachting, alsof er een tweede rijk van Salomo aanstaande ware.
DE BRUILOFT DES LAMS. DE n DUIZEND JARENquot;. 199
De zielen onder het altaar, die met witte kleederen bekleed werden en tot welke gezegd was dat ze geduld moesten hebben totdat ook hunne broederen, die nog gedood moesten worden om de getuigenis Gods, voleindigd waren, die zielen verkrijgen thans de verhooring hunner gebeden.
We zagen dat âzielenquot; in Hfdst. VI een symbolische uitdrukking is, welke beteekent het gestorte offerbloed, saamge-stroomd in den put onder het brandofferaltaar. Dat bloed moet gewroken. De wrake Gods werd uitgesteld tot het laatste offer geslacht was en de laatste martelaar als slachtoffer van den antichrist was gevallen. De tijd is nu aangebroken. De macht om Gods volk te vermoorden zal Satan nooit meer verkrijgen. Wel zal hij nog eenmaal alle volken samenzweepen tot een dollen aanval tegen het koninkrijk van Christus, maar volkomen schadeloos. Dus nu is de geduldsproef voor de zielen onder het altaar voleindigd. âOp dit geslacht,quot; had de Heere Jezus gezegd, âzal komen a 1 het rechtvaardig bloed dat op aarde vergoten is.quot; In Babylon was gevonden al het bloed der profeten en der heiligen en a 1 dergenen, die gedood zijn op aarde.quot; Thans wordt het gewroken ; het gaat duizend jaren heerschen.
De uitdrukking âzielen der gen en die onthoofd warenquot; dwingt ons, â tenminste indien we alle phantasie willen laten varen en ons aan de eenvoudige letters van Gods Woord houden â hier niet te gelooven aan een afzonderlijke opstanding, waardoor ook de lichamen weder op tronen zitten. De uitdrukking zelf gebiedt te denken aan den staat der afgescheidenheid van geest, ziel en lichaam,
Deze heerschappij wordt uitgeoefend door de zielen van hen, die onthoofd zijn om de getuigenis van Jezus èn van hen, die het beest en zijn beeld niet hebben aangebeden. Scherp wordt hier afgesneden de menschelijke en aardsche phantasie.
DE BRUILOFT DES LAMS. DE nDUIZEND JAREN'quot;.
die van het martelaarschap iets bijzonders maakt in dien zin, dat God alleen den uitnemendsten heiligen dat voorrecht verleent en daarvoor als een soort van belooning tot in eeuwigheid bijzondere voorrechten toestaat. Men heeft gedroomd en en droomt nog van allerlei opstandingen van geloovigen en van allerlei rangen en standen onder de geloovigen, en zoo langzamerhand van de eeuwige gelukzaligheid een soort van Christelijk-Mahomedaansch paradijs gemaakt. Het blijkt hier â nuch-teren bezien â dat er niets van aan is. Er zijn immers tijden, dat de grootste heilige, met den besten wil, geen martelaar in den letterlijken zin des woords kan worden. Gaat de aardsche opvatting door, dan zijn â om slechts enkelen te noemen â Johannes zelf, Augustinus, Luther, Calvijn, geen martelaren en dus minder geloovigen en minder bevoorrechten. Neen, deze voorstelling is een overblijfsel van den ouden Roomschen zuur-deesem, die een âAllerheiligendagquot; en een âAllerzielendagquot; in de wereld bracht; â in de wereld, maar niet in de ware Christelijke kerk! Op de tronen zitten zij, die om Jezus' getuigenis onthoofd zijn, maar niet minder allen die standvastig bleven in hun onverholen belijdenis, om 't even hoe hun lot op aarde was.
Duizend jaren leefden en heerschten zij met Christus als koningen. Die dit zoogenaamd âletterlijkquot; opvat, moet er uit opmaken, dat ze na die duizend jaren weer stierven, want ze leefden âduizend jaren.quot;
Maar de overigen der dooden werden niet weer levend totdat de duizend jaren geëindigd waren.quot; Enkele verzen lager zien we echter alle dooden staande voor den troon van God; een bewijs, dat hier niet sprake is van eene opstanding des vleesches.
âDeze is de eerste opstanding. Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding, over dezen heeft de tweede
200
DE BRUILOFT DES LAMS. DE ïlDUIZEND JARENquot;.
dood geene macht.quot; Allen sterven den eersten dood. Zelfs zij, die levend overblijven tot de toekomst van Christus zijn niet minder den lichamelijken dood onderworpen dan de anderen die sterven en wier lichamen begraven worden. Alleen zij worden in éen punt des tijds veranderd, en deze verandering duurt bij de overige jaren of zelfs jaarduizenden. Aan deze opstanding hebben echter alleen zij macht en deel, die op geenerlei wijze zich lieten inlijven in het anti-christelijk wereldrijk, dat bestaat sedert de intrede der zonde in de wereld en eerst vernietigd wordt door de wederkomst van Christus. Die aan deze eerste opstanding deel heeft, zal ondervinden dat tegenover hem de tweede dood machteloos staat.
De Heilige Schrift leert ons in vele teksten opzettelijk en in haar geheel doorloopend, dat in geen geval de opstanding der dooden, na de opstanding van Christus zich in meer dan twee deelen splitst: de opstanding der rechtvaardigen en die der onrechtvaardigen. De opstanding der enkelen, als de herrijzing van sommigen onder de Oude bedeeling en van hen die door Jezus en zijne apostelen zijn opgewekt, was eenvoudig profetie. Maar de eersteling uit de dooden (niet uit den dood, doch van tusschen de dooden uit) is Christus. Daarop verrijzen zij, die in Christus ontslapen zijn, en daarna zal het einde zijn.
De âtweede doodquot; is de eigenlijke dood. Adam stierf den dood ten dage dat hij van den verboden boom at. Eerst eenige eeuwen later trad de uitwerking, welke dit sterven op de verhouding van geest, ziel en lichaam onderling had, naar buiten in zijn lichamelijk sterven. Zoo is de dood doorgegaan tot alle menschen, omdat allen in hem gezondigd hebben. Dezen dood heeft Jezus door zijn dood overwonnen. Al zijne geloovigen deelen in z ij n dood en opstanding. Wie niet gelooft blijft dood en sterft eeuwig. Wie gelooft zal niet sterver, al ware hij ook gestorven. Het vonnis ten jongsten dage, dat
201
202 DE BRUILOFT DES LAMS. DE «DUIZEND JARENquot;.
volgt op de verwerping van Jezus' zoendood, is de eigenlijke, de âtweede,quot; de onherroepelijke dood. Zij die de duizend jaren met Christus heerschen, dat is a 1 zijn geloovigen, hebben daarin het bewijs dat zij reeds door den dood zijn overgegaan in het leven en dat dus over hen de tweede dood geene macht heeft.
Priesters zijn zij voor God en voor Christus, en met Hem heerschen zij duizend jaren als koningen.
Hun regeering is ten zegen voor de aarde, ook al zou die zegen alleen bestaan in het bedwingen en binden van ongerechtigheid. De regeering beslaat voornamelijk daarin dat het recht Gods op aarde triomfeert; dal zijne kerk zich ongehinderd kan ontplooien tot een waarachtig Philadelphia. Het gestorte martelaarsbloed is gewroken en wordt nu ten zegen.
Maar ook deze toestand is voorbereiding en dus tijdelijk.
XXIX.
SATAN GEVONNISD. HET OORDEEL OVER ALLE DOODEN.
Slechts gedurende den van God vooraf bepaalden tijd duurt de voorloopige regeering over de aarde van de âzielenquot; der martelaren en overige getrouwe belijders. De aarde moet vernieuwd eer hier de duurzame vrede Gods wonen kan. De overwinning over den Satan moet volkomen zijn, maar God verplettert niet onmiddellijk â ofschoon ten slotte plotseling â het kwaad. Hij toont zijne almacht juist daarin dat het kwade zijn volle kracht kan ontplooien en te werk stellen, om ten slotte zelf te zien en te erkennen dat het tekort komt.
Aan het einde der duizend jaren wordt de Satan ontbonden. Reeds hieraan blijkt hem, beschamend, dat hij nooit verder kan komen dan zijn meester wil. En hieraan kan de gemeente tot haar troost zien dat alle machtsontwikkeling van haar groo-ten tegenstander toch niet meer is dan hem toegelaten wordt. Wat zal Satan doen na zijne vrijlating? Zijn plannen zijn onherstelbaar vernield. Eerst werd hemzelf de kop vermorzeld. Daarna leed hij nederlaag op nederlaag juist in zijn schijnbare overwinningen. Eindelijk, toen hij na eeuwen van uitputtende werkzaamheid zijn twee machtige werktuigen voortbracht die bleken niet anders dan verschrikkelijke carricaturen te zijn, zag
204 SATAN GEVONNISD. HET OORDEEL OVER ALLE DOODEN.
hij deze op het toppunt hunner macht gegrepen en in de eeuwige verdoemenis geworpen. Zijn organen ontbreken hem dus; organisatie is derhalve onmogelijk. Hij kan niet anders dan een universeel volksoproer tegen den Koning der koningen verwekken. Hij gaat uit om de volken der aarde te verleiden; uit zichzelf zouden ze niet komen. Hij verzamelt den Gog en den Magog, de beide geheimzinnige volksmachten, waarvan Ezechiël reeds geprofeteerd heeft. Al wat God niet vreest, over de lengte en breedte der aarde, komt op; wordt krankzinnig van woede tegen den heiligen en almachtigen God gemaakt, en als zand der zee komen ze op om de legerplaats der heiligen en de heilige stad te omringen.
De heiligen hebben dus hier hun blijvende plaats nog niet, ze verloeven in een legerplaats. Alles is nog voorbereiding geweest. De kerk bes'aat nog; een verloste menschheid woont nog niet op aarde. De geliefde stad, de afspiegeling van het aanstaande hemelsche Jeruzalem, wordt omsingeld. 'tWerd eens vertreden, 't werd toen nagenoeg uitgemoord ; maar vergeefs. Thans wordt het omsingeld om het met éen slag te vernietigen.
De heiligen behoeven niet te strijden. Vuur daalt neder van God uit den hemel en verslindt de horden des Satans. En de duivel, die hen verleidde (thans niet meer Satan: tegenstander genoemd, want nu wordt de tegenstand voor eeuwig verbroken) wordt gegrepen en geworpen in den poel van vuur en sulfer, waar reeds de antichrist en de valsche profeet zijn en hem wachten, om gezamenlijk gepijnigd te worden tot in alle eeuwigheid.
Verrassend kort wordt hier het einde der aardsche bedeeling beschreven. Alles geschiedt âin éen punt des tijds.quot; De wereldbrand barst los terwijl de geheele aarde in volslagen oproer tegen God is. Hoe verdwijnt hier als rook de droom van vele Christenen, van vele zendingsvrienden, die zich niet gewennen
SATAN GEVONNISD. HET OORDEEL OVER ALLE DOODEN. 205
kunnen aan het denkbeeld dat het Evangelie allen volken tot een getuigenis moet verkondigd worden, en meenen dat al meer en meer de kennis Gods zich zal uitbreiden, zoodat liet koninkrijk Gods al verder veld winnen zal. Neen, de Zoon des menschen, wederkomende, zal nauwelijks geloof vinden op aarde. Alles zal gaan, niet zooals dweepers zich voorstellen, zoo dat ieder wel moet denken aan de ophanden zijnde wederkomst van Christus, maar zooals vlak vóór den zondvloed: alsof er nooit verandering in den aardschen toestand komen zal. Juist als alle volken in hun verblindheid denken : nu is het laatste oogenblik der gemeente gekomen, eindigt deze bedeeling voor en met hen.
Onmiddellijk volgt de oordeelsdag, in groote, nauwkeurige, majeslueuse trekken beschreven.
Johannes ziet een grooten troon. De omvang van den troon duidt de macht van den troonbekleeder aan. Wit is de troon, ten teeken van de onbevlekkelijke heiligheid van Hem, die er op zit. God, de Drieëenige, gaat richten. God zal de wereld oor-deelen door een man, dien Hij daartoe bestemd heeft. Al het oordeel heeft Hij den Zoon overgegeven. Voor âden Zoon des menschenquot;' zullen alle volken vergaderd worden en Hij zal ze van elkander scheiden gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. Van Gods aangezicht vlieden hemel en aarde. Gods aangezicht is Christus Jezus. God is onzichtbaar ; Hij bewoont een ontoegankelijk licht en heeft gezegd dat Hij in de duisternis woont. God is een licht en gansch geene duisternis is in Hem. Maar gelijk voor Hem onze nacht een licht is, zoo is voor ons zijn licht duisternis. Het volle zonlicht verscherpt niet het menschelijk oog, maar verblindt het. Daarom vlieden hemel en aarde voor Hem; ze kunnen die ontzaglijke, verblindende heiligheid niet verdragen. Brandende vergaan de elementen ; ïoodat er geen plaats voor hen gevonden wordt.
206 SATAN GEVONNISD. HET OORDEEL OVER ALLE DOODEN.
En de dooden, klein en groot, staan voor God. Ze staan op in hel vleesch. De zee, de dood en de hades geven hun dooden, die in hen zijn. De volkerenwereld (de zee) houdt niemand die in haar besloten is terug. Ook de levenden sterven, maar herleven oogenblikkelijk. De dood, in machtige persoonsverbeelding, komt als cipier zijne gevangenen uitleveren. En de hades, de plaats van de zielen in hun afgescheidenheid van het lichaam, houdt niets terug van 't geen hem toevertrouwd is. Allen staan voor den ontzaglijken troon. De dood en de hel, de hades, gevolgen van de zonde, knechten des Satans, worden in den eeuwigen poel des vuurs geworpen. De zee niet; die ledigt zich.
Het eindoordeel besluit het tafereel. Neen, âde wereldgeschiedenis is het wereldgericht niet. Alles in deze bedeeling is voorloopig ; ook de straf die vaak de zonde op den voet volgt. Alle van Adam afstammenden worden ten slotte voor den rechterstoel van Christus gedagvaard en niemand blijft achter. De boeken worden geopend.
Welke boeken? Zeer zeker de boeken der consciëntiën, waarin ieder zelf lezen kan en moet wat hem beschuldigt of ontschuldigt. Maar de boeken worden niet alleen elk voor zijn eigen belanghebbende geopend; doch ook zoo dat het heelal ze lezen kan. Geen daad gaat spoorloos voorbij. De schepping bewaart de gedachtenis niet alleen, maar ook de getrouwe herinnering aan alles wat onder de zon geschiedt. Het licht photografeert ook zonder dat de mensch er de kundige hand in heeft. In het oogvlies van den vermoorde kan men de afbeelding van den moordenaar wedervinden. Nog pas geleden heeft een Italiaansche geleerde van de Xstralen een voor de menschheid nieuw gebruik gemaakt. Hij laat een straal van het bedoelde licht in het oog vallen, waardoor het oog zelf het werktuig wordt dat het licht door andere lichamen boort
SATAN GEVONNISD. HET OORDEEL OVER ALLE DOODEN. 207
en het inwendige van die lichamen ziet. De krachten van electriciteit en zonlicht zijn voor 't grootste gedeelte nog geheimen voor ons, menschen. Al onze daden blijven bewaard; gephotografeerd door het licht. Het licht is het leven; niet alleen in geestelijken zin.
Ieder der dooden wordt geoordeeld naar hetgeen in de boeken geschreven staat. Ieder wordt geoordeeld naar zijne werken. We zullen behouden worden of verloren gaan naargelang onze namen al of niet in het boek des levens staan opge-teekend; maar dat boek des levens is niet het richtsnoer voor het oordeel; dat gaat over ons naar onze werken. Er zijn trappen in den toestand der veroordeeling evenals in den toestand der zaligheid. Die den wil des Heeren geweten en niet gedaan heeft, ontvangt vele slagen; maar die hem niet geweten en niet gedaan heeft, wordt met weinige slagen gestraft. God zal een iegelijk vergelden naar zijne werken. Die, met volharding in goeddoen, heerlijkheid en eer en onverderfelijkheid gezocht heeft, dien vergeldt Hij het eeuwige leven. Maar den twislgie-rigen. die der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden. Die zonder de wet gezondigd heeft, zal zonder de wet verloren gaan. Die onder de wet gezondigd heeft, zal door de wet geoordeeld worden. Wie Gods openbaring kent, heeft daardoor zooveel zwaarder verantwoording dan hij, die niet van God gehoord heeft zijn leven lang. Maar den laatste is zijn geweien de wet. Het geloof moet vruchten dragen of hel is dood. Maar die den wil van God wil doen, zal âvan deze leer bekennen dat zij uit God is.quot; God alleen weet, hoe menige naam in het boek des levens staat, die naar onze gestereotypeerde, versteende misvatting van zijn Woord daar onmogelijk in staan kan, en hoevelen er gemist worden, die wij zouden verzekerd hebben dat er stellig in stonden! Daar i s geen onderscheid
2Ã8 SATAN GEVONNISD. HET OORDEEL OVER ALLE DOODEN.
van Jood en Griek; van Christen of Heiden. En terwijl de mond der waarheid het den kinderen Israels aanzegt dat men verwonderd zal zien hoe de kinderen des koninkrijks buitengesloten worden, laat dezelfde Rechter door Johannes te boek stellen dat eens in de aanstaande eeuwige bedeeling de bladeren van deu boom des levens zullen zijn tot genezing der heidenen.
Hier ziet ge âdat het geloof zonder de werken dood is, en dat men uit de werken gerechtvaardigd wordt.quot;
Evenwel ter andere zijde, wordt geen enkel Adamskind behouden omdat in zijn boek genoeg goede werken staan aange-teekend. Een ander boek, onafhankelijk van de eerste, wordt opengeslagen, het boek des levens, der eeuwige uitverkiezing. En wie niet geschreven slaat in het boek des levens, die wordt geworpen in den poel des vuurs. Zelfs niet voor het allergeringste gedeelte hangt onze zaligheid van onszelven af. 't Is niet uit de werken; opdat niemand roeme. Indien het ook slechts eenigszins uit de werken ware, de genade zou geen genade meer zijn; want hem, die werkt, wordt loon uitbetaald, waar voor hij niet behoeft te danken maar dat de werkgever hem schuldig is.
Onze zaligheid is genade; genade voor de volle honderd percent; zonder eenige verdienste hoegenaamd.
Hier ziet ge dat de rnensch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken, maar uit het geloof.
Zijn deze beide waarheden niet in openbare tegenspraak met elkander? Niemand zoeke dat te bewimpelen of goed te praten. Het is een volkomen tegenstrijdigheid. Juist het goedpraten heeft de harten en zinnen verward en de menschen öf eigengerechtig of fatalist gemaakt. Wij kunnen dit niet begrijpen; veel min pasklaar maken. Maar zooveel hooger als de hemel is dan de aarde, zooveel hooger zijn Gods gedachten dan de
SATAN GEV0NN1SD. HET OORDEEL OVER ALLE DOODEN. 209
onze; en zooveel hooger en voortreffelLjker is dus ook zijn logica dan de onze. Wat meer is: die deze b ei d e waarheden als onzinnig en Godslasterlijk verwerpen, hebben hun geheele aardsche bestaan Je danken aan eenzelfde combinatie op natuurlijk gebied. Kan iemand éen dag, éen uur zonder water ? En waaruit bestaat water? Uit twee grondstoffen, die elk op zichzelf doodelijk vergif zijn, zoodat de geringste hoeveelheid voldoende is om den mensch onmiddellijk te doen sterven. Zoo ook deze beide waarheden, ieder afzonderlijk, dooden onze ziel. Maar vereenigd, door God vereenigd, zijn ze het levenswater dat ons drenkt ter eeuwige behoudenis.
Wanneer de Joden meenen Jezus niet noodig te hebben en zelf wel den Vader te kennen, klinkt zijn ernstig woord : N i e-mand kan tot mij komen, tenzij de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke.
Maar wanneer zijne discipelen hem vragen; âHeere, zijn er ook weinigen die zalig worden?quot; hooren zij niets dan de vermaning : âStrijdt g ij 1 i e d e n om in te gaan door de enge poort.quot;
Wie goede werken verricht om te leven, blijft in den dood. Wie in het boek des levens staat, doet daardoor goede werken.
14
XXX.
DE NIEUWE HEMEL EN DE NIEUWE AARDE. DE VROUW DES LAMS: HET NIEUWE JERUZALEM.
Van het aangezicht desgenen, die op den troon zat, zijn hemel en aarde weggevloden, zoodat er geen plaats voor hen gevonden is. Alle stervelingen zijn geoordeeld en hebben hun eindbestemming gekregen. De bedeeling, waarin wij leven, is afgeloopen ; geheel voorbij.
âEn ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde.quot; Geen van Gods werken wordt vernietigd. Zijne schepping is niet eenvoudig slechts materie, stof; zij is de uitdrukking van eeuwige gedachten. Wij verstaan door het geloof dat de dingen die men ziet niet geworden zijn uit dingen die gezien worden. Er is geen eeuwige stofwisseling, zoo maar buiten God om, door een soort van ingeworteld noodlot, maar de dingen die gezien worden zijn de openbaring van dingen die niet gezien worden. Gods aardsche schepping wordt dus niet vernietigd, en zeer oneigenlijk spreken we van het vergaan van hemel en aarde. Paulus zegt dat de gansche schepping in barensnood is. Barensnood onderstelt natuurlijk de wording van een nieuw leven, en is juist het tegenovergestelde van dood.
Ook treedt men buiten het gebied van Gods openbaring in
DE NIEUWE HEMEL EN DE NIEUWE AARDE.
de Heilige Schrift door de stelling dat met âhemel en aarde'' het heelal bedoeld wordt. Hier, evenals in Genesis 1 is sprake alleen van den bol dien wij bewonen. De hemel is de dampkring zonder welken de aarde voor ons menschen onbewoonbaar zou zijn. De bijbel is geen leerboek van sterrekunde of eenige aardsche wetenschap. Het bewijs voor deze waarheid ligt in het vers zelf dat we bespreken: âde zee was niet meer.quot;' Johannes ziet onder aardsche beelden, ontleend aan onze bedeeling, de aanstaande heerlijkheid van Gods nieuwe schepping, met dien verstande dat ook hier en vervolgens de geestelijke beteekenis van de voorstelling moet gezocht worden. Niet dat de beelden moeten vergeestelijkt worden, maar de geestelijke beteekenis moet verstaan. De schepping op zichzelve is als de letters van het a. b. c. Alleen hij, die lezen kan en begrijpt wat hij leest, heeft er iets aan. Voor ieder ander zijn ze aardige grillige figuurtjes zonder zin of beteekenis.
Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde in geestelijke beteekenis is een aardbol, die volkomen gereed is voor een verheerlijkte menschheid. Dan zou de zee, in haar tegenwoordige geestelijke beteekenis, een ontstellend beeld zijn. Geen ongeordende, woelige volksmassa, die Gode vijandig voortbruist, mag het heilige beeld onteeren en verderven. De zee is het onvolmaakte water, dat getuigt van het wordingsproces der aarde; ze is het overblijfsel van den chaos. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn volmaakt; alles wat aan wording herinnert beslaat niet meer. Het laatste proces is doorgemaakt; de aarde is volwassen.
Daarom daalt van God uit den hemel (een geheel andere hemel dan die in vers 1 genoemd wordt) de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem neder, toebereid als eene bruid die voor haren man versierd is. Eene stad is een stede, een vaste plaats. God komt nu op aarde bij de menschen wonen; Hij
211
DE NIEUWE HEMEL EN DE NIEUWE AARDE.
maakt een vaste plaats voor zich en zijn volk gereed. De stad zooals wij haar kennen is evenals de kleeding uit de zonde geboren. Kaïn bouwde de eerste stad, om zich tegen God en menschen te beschermen, evenals Adam en Eva zich kleeding maakten uit vijgebladeren om zich voor God en elkander te verbergen. Daarom zoeken de oude heiligen zich hier geen stad, want God heeft hun eene stad, een vaste, veilige woonplaats bereid. Zij zwerven rond in tenten, evenals God in een tent onder zijn volk komt wonen. Maar de stad wordt door God geheiligd en in zijn plan opgenomen, evenals de kleeding. Oorspronkelijk zijn beide uitingen van het gevoel van weerloosheid en onveiligheid, dat den gevallen mensch bezielt. En ten laatste worden beide typen van de bedekking en beschu.ting den weer opgerichten mensch van Godswege in Christus Jezus geschonken. Evenwel verandert het denkbeeld van stad geheel van beteekenis. De stad van Kain en alle steden, die naar dat eerste voorbeeld zijn gebouwd, zijn versterkte plaatsen, waar de mensch achter wallen, torens en muren veilig en bestendig hoopt te kunnen wonen, de stad der profetie is een plaats waaruit men niet verdreven wordt, maar waar geene verdedigingsmiddelen noodig zijn. De profeet voorzegt als teeken van de heerlijklieid der Messiasregeering : âJeruzalem zal dorps-ge w ij z e bewoond worden.quot;
De stad die Johannes ziet nederdalen is het nieuwe Jeruzalem, de heilige stad. âWoning des vredes'' is deze stad; het Jeruzalem dat boven is âhetwelk is onzer aller moeder.quot; In haar bruidsgewaad daalt Jeruzalem neder; in eene heerlijkheid boven alle beschrijving. Wat dit beteekent wordt Johannes aangezegd in de volgende woorden: âZiet, de tabernakel Gods is bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen en hun God zijn. En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen; en de dood
212
DE VROUW DES LAMS: HET NIEÃWE JERUZALEM. 213
zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn: want de eerste dingen zijn weggegaan.quot;
De beste uitlegging wordt aan deze heerlijke woorden gegeven indien men niet tracht ze uit te leggen. Ze zijn als de straten der stad; goud, doorzichtig als kristal voor elk men-schenoog dat op den tocht door de woestijn opgezien heeft naar zijn God, zijne tranen tot spijze gehad heeft dag en nacht en ondervonden heeft welken scheur in het leven de dood veroorzaakt.
Hij die op den troon zit, de Drieëenige God, spreekt tot Johannes, en in hem tot de geheele gemeente, verscheidene woorden, met een uitdrukkelijken last om ze op te schrijven en tot aan de einden der eeuwen te bewaren tot troost voor al Gods kinderen. âZiet, Ik maak alle dingen nieuw!quot; Dal is âde wedergeboorte aller dingen.quot; Dat was het doel van de komst des Verlossers: vrijmaking van het geheele schepsel uit de ijdelheid, waaraan het door des menschen val onderworpen was. ,Waarachtig en getrouw zijn deze dingen.quot; Johannes heeft een visioen; maar een visioen is geen droombeeld, doch profetie. âHet is geschied.quot; De eeuwigheid is aangebroken. Eeuwigheid heeft geen verleden en geen toekomst; ze is een onafgebroken en nimmer eindigend heden. Maar geen heden van star conservatisme; ze is een heden van eindelooze ontwikkeling. De mensch, in de zonde dood, heeft enkel een verleden. De wedergeborene vergeet hetgeen achter is en heeft enkel een toekomst. De geheel verloste heeft verleden noch toekomst, maar evenals zijn God, een eeuwig heden. âDe Alfa en de Omega, het begin en het eindequot; is God. Het begin; zelf heeft Hij geen begin, maar Hij is het begin van al wat bestaat. En het einde? Hij die geen einde heeft, veroorzaakt ook geen einde voor wat in Hem bestaat; âeindequot; is hier âvolkomenheid.quot; âIk zal den dorstige geven uit de fontein van het
DE NIEUWE HEMEL EN DE NIEUWE AARDE.
water des levens om niet.quot; Volop en voortdurend worden zij, die dorstten naar de gemeenschap Gods, gedrenkt met het water des Heiligen Geestes; en voor den verlosten zondaar is en blijft eeuwig het zoete van die teuge dit, dat het genade, dat het âvoor nietquot; is. âDie overwint zal alles beërven.quot; In één trek wordt dat âallesquot; geschetst: âIk zal hem een God zijn en hij zal mij een zoon zijn.quot; Erfgenamen Gods en mede-ërfgenamen van Christus zijn wij. âDe Zoon blijft eeuwig in het huis,quot; heeft de Heere Jezus gezegd. ,A1 het mijne is het uwe,quot; spreekt zelfs de vader, die, ofschoon boos, zijnen kinderen weet goede gaven te geven, hoeveel te meer de Vader in de hemelen. In het vaderschap en het zoonschap ligt in een letterlijken zin des woords âalles beërvenquot; besloten.
Doch daar zijn er die deze heerlijkheid niet zullen deelen; ze worden categorisch opgenoemd. Het zijn de vreesachtigen, de ongeloovigen, de gruwelijken, de doodslagers, de hoereerders, de toovenaars, de afgodendienaars en de leugenaars. Hun deel is in den poel die daar brandt van vuur en sulfer; hun deel is de tweede dood. Daar is hun vaderland, daar is hun element, dat is hun deel. Aangrijpend ernstig worden eerst genoemd zij, die door ons wellicht geheel gepasseerd zouden zijn in deze vreeselijke opsomming: de vreesachtigen. âDie niet met mij is, is tegen mij,quot; sprak de Heere Jezus. Bevreesd zijn om God te belijden brengt de afval en verloochening. Bevreesd te zijn om den almachtigen God, van wien men overtuigd is dat Hij alleen daarom verborgen blijft, omdat het Hem niet behaagt zich te vertoonen, te belijden is de grootste belee-diging, die men Hem aandoen kan. En daarom zal de Heere Jezus eens voor zijnen Vader en diens heilige engelen belijden alleen wie Hem hier voor de menschen beleden heeft. Maar wie zich zijns geschaamd heeft, diens zal Hij zich ook schamen. Is dat zoo vreemd? Is het niet veeleer natuurlijk dat een bijbelboek.
214
DE VROUW DES LAMS: HET NIEUWE JERUZALEM. 215
't welk zoo zijne heerlijkheid en almacht in 't licht stelt, eindigt met de bedreiging dat de âvreesachtigen'quot; buitengesloten zullen zijn, wanneer Hij in zijne heerlijkheid komt ?
Een engel komt Johannes de stad, het hemelsche Jeruzalem, t o o n e n. De apostel had reeds gezien hoe de stad nederdaalde; thans worden hem de bijzonderheden gewezen en de beteekenis van die bijzonderheden, zoodat hij ook begrijpt hetgeen hij ziet. Die engel is een van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen. De keuze Gods juist van een dier engelen tot leidsman van Johannes om de aanstaande heerlijkheid te zien, is van groote beteekenis. Die zeven laatste plagen zijn uitgestort over het rijk van den antichrist en de hoer. Zij zijn de voleinding der verlossing geweest. Die zeven engelen waren om zoo te zeggen de persoonlijke vijanden van den valschen Messias en zijne hoer; een hunner treedt op als bruidsjonker van den waren Messias en zijne bruid. Hij noemt de bruid âde vrouw des Lamsquot; want alles âis geschied,quot; het huwelijk is voltrokken.
En in den geest wordt Johannes weggevoerd naar een groo-ten hoogen berg, vanwaar het uitzicht onbelemmerd is. Daar ziet hij âde groote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel.quot; We zien hieraan hoezeer zij dwalen die aan eene stad denken, in den zin van de steden die wij, menschen, in onzen gevallen toestand kennen. Die stad is de bruid, de vrouw des Lams. Thans wordt ten volle het woord vervuld : De zachtmoedigen zullen het aardrijk beërven. Deze aardbol is niet âmaar stof!quot; waar God het hart niet op zet; neen, ze is een zijner kroondomeinen. En al is ze als een stipje, een enkel nauw noemenswaard atoom onder de millioe-nen zonnen en zonnestelsels; een speldeknop aan een der uiteinden des heelals; geestelijk is haar beteekenis van on-
DE NIEUWE HEMEL EN DE NIEUWE AARDE.
eindig gewicht. God heeft haar bestemd voor den naar zijn beeld geschapen mensch ; ze zal aan hare bestemming beantwoorden.
Tweeledig is het visioen van Johannes. Ten eerste wordt hem getoond de bouw en de inrichting der stad ; ten tweede ziet hij hare bevolking. Wat zal, in het beeld eener stad overgebracht, de inrichting, de heerlijkheid van de verloste mensch-heid zijn? Hoe zal haar huishouding wezen? Deze twee vragen vinden haar typische beantwoording in het gezicht dat Johannes tebeurtviel.
De verloste menschheid is eene stad. Ze verdwijnt niet weder van de aarde; ze dient Gode en het Lam ter blijvende woonplaats. âZe heeft de heerlijkheid Gods.quot; Ze is de uitstraling, de openbaring van zijne heiligheid ; want heerlijkheid in den waren zin des woords is niet anders dan het naar buiten treden en zichtbaar worden van innerlijke voortreffelijke eigenschappen. âHeilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen, de gansche aarde is zijner heerlijkheid vol!quot; hoorde Jesaia de cherubim roepen. De stad heeft en geeft licht; duisternis is haar vreemd. Haar licht is den allerkostelijksten steen, den jaspis gelijk. Een edelgesteente is niets anders dan een zeer gewoon, onaanzienlijk, waardeloos stuk verkoold hout, maar verzadigd van zonnegloed en zonneglans, en daardoor lichtgevend en duurzaam gemaakt. Kan men beter beeld voor de verloste menschheid vinden ? Is ze in zichzelve iets anders dan zwarte duisternis, verkoold door den brand van Gods toorn, verheerlijkt en met eeuwig leven dooraderd door de Zon der gerechtigheid ?
De stad had een grooten en hoogen muur. Van dien muur zullen de bijzonderheden later worden opgesomd: hier wordt hij alleen vermeld om de volkomen veiligheid van de menschheid tegen vernieuwde aanvallen van Gode vijandelijke machten aan te duiden. In den muur waren twaalf poorten; zooals
216
DE VROUW DES LAMS: HET NIEUWE JERUZALEM.
we reeds bij het begin dezer bespreking opmerkten; hier treedt dadelijk het getal twaalf op den voorgrond. Hier hebben we de vervulling, dat is drie (God) maal vier (de schepping.) De muur duidt volkomen beschutting aan, de poorten, twaalf in getal, wijzen op volkomen vrijheid. Elk dezer poorten heeft een engel tot poortwachter. Hier komt eerst tot vervulling dat de engelen gedienstige geesten zijn ten dienste van hen die de zaligheid beërven. Ieder der poorten heeft een naam, en wel den naam van een der geslachten van de kinderen Israëls. Het twaalfledig geslacht van het uitverkoren volk des Heeren is type van den toegang tot de verlossing. Onder de oude be-deeling kon men niet in de voorrechten van Gods openbaring deelen indien men niet door het teeken des verbonds opgenomen was in het verbondsvolk. Dat was type van het: âIn u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.quot; Die waarheid, dat âde zaligheid uit de Jodenquot; is, vinden we hier weergegeven in het beeld dat de twaalf toegangen tot de heilige stad de namen van de twaalf geslachten Israëls dragen.
Deze poorten zijn verdeeld naar de windstreken: drie ten noorden, drie ten zuiden, drie ten westen, drie ten oosten. De stoffelijke schepping deelt in de heerlijkheid die ons zal geopenbaard worden. Geen woord over de schepping in de Heilige Schrift, of het toont ons dat de opstanding des vleesches een zeer natuurlijke werkelijkheid is. Evenals ons lichaam en omdat ons lichaam deelt in de verlossing, deelt ook de overige schepping op aarde er in. Daarom vinden we hier het getal vier maal drie.
De muur der stad had twaalf fondamenten en in die fondamenten de namen van de twaalf apostelen des Lams. De toegang tot de stad gaat door de namen van de twaalf geslachten Israëls heen: de zekerheid der stad is gebouwd op de namen der twaalf apostelen des Lams. Waarom dat laatste ? Omdat
217
218 de nieuwe hemel en de nieüwe aarde.
de eeuwige zekerheid der verlossing rust in het v o 1 b r a c h t e werk des Lams. Niet op de besnijdenis, niet op den doop, maar op der apostelen belijdenis : âGij zijt de Christus, de Zoon des levenden God,quot; heeft Christus Jezus zijne gemeente gebouwd, zoodat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen. Die belijdenis 'is de petra, de rotssteen. Daarom rust de muur onwankelbaar op de namen der apostelen.
De engel heeft een gouden rietslok in de hand om de stad, haar poorten en haar muur te meten. Zooals thans de stad gemeten wordt, zoo blijft ze eeuwig, want de rietstok is van onvergankelijk metaal. Uit de maat zal blijken, dat de stad volkomen is, want de stad lag vierkant. Ze was een kubiek, haar lengte, haar breedte en hare hoogte waren evengelijk. Elk dier maten is twaalf duizend stadiën, dat is drie maal vier maal duidend stadiën. Goq immanent in zijne schepping, eeuwig-lijk. In oneindige afmeting is de stad wat het heilige der heiligen in den tabernakel was. Dat mat tien bij tien bij tien ellen; ook een kubiek. Daar heerschte echter het getal tien, aanduiding dat de toestand niet volkomen maar slechts type was. Treffend komt dat uit in het gebed van Salomo bij de inwijding des tempels. Hij zegt: âDe Heere zeide tot David: uw zoon, die uit uwe lenden zal voortkomen, die zal mijnen naam
een huis bouwen.quot; Maar.....âZie de hemelen, j^ de hemel
der hemelen zouden U niet begrijpen (dat is omvatten) hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb.quot; En verder telkens: Als iemand tot u m dit huis bidden en smeeken zal, âhoor Gij dan in den hemel.quot; Dat heilige der heiligen, waar Gods heerlijkheid woonde, was de afschaduwing van de volkomenheid. Maar die verloste menschheid, de stad van twaalf duizend stadiën hoog en breed en lang i s de woning Gods. Zelfs in dien volmaakten zin dat âde Heere, de almachtige God, haar tempel is en het Lam.quot;
DE VROUW DES LAMS I HET NIEUWE JERUZALEM.
Ook haar muur mat de engel, en bevond dien le zijn honderd vier en veertig ellen, (drie maal vier maal drie maal vier.) Zoo was niet de hoogte maar de breedte van den muur. Daardoor wordt de volkomen veiligheid van de stad aangeduid, 't Is alsof er gezegd wordt: God zelf beschermt zichzelf. âGod zelf is een vurige muur rondom zijn volk. Jeruzalem zaldorps-gewijze bewoond worden, want Jehovah zelf is haar muur. Onverstoorbaar is die muur, want hij is gebouwd van jaspis, het kostelijkst edelgesteente, dat in de stad zelve zijn licht geeft.
Zuiver, doorzichtig goud is de stad. Volkomen heilig en daarom klaar als kristal; onvergankelijk en daarom goud.
Van de fondamenten des muurs is reeds gezegd dat en waar-Om ze dragen de namen van de twaalf apostelen des Lams. Thans wordt vermeld waarmede ze versierd zijn; met allerlei kostelijk gesteente. Ze zijn in het groot, in de volkomenheid, de borstlap des oudtestamentischen hoogepriesters. De hooge-priester droeg op de borst, voor het aangezicht des Heeren, twaalf edelgesteenten waarin de namen der twaalf stammen gegraveerd waren. En op elk der schouderen droeg hij een plaat met edelgesteenten, beneden met dezelfde namen; op eiken schouder zes. Zoo droeg hij Israël priesterlijk op het hart en hief hij het koninklijk in den hooge. Diezelfde borstlap, waarin zijn volk zijne sterkte vond, zijne voorbidding en zijne majesteit, wordt hier ten grondslag voor de beveiliging der stad gelegd. Na al deze beelden en hunne toelichting is het duidelijk waarom elke poort uit een parel bestaat, en waarom de straat der stad zuiver goud, gelijk doorluchtig glas is.
Geen tempel in de stad: God en het Lam zijn haar tempel.
âEn de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is hare kaarsquot;.
Waar zijn menschelijke woorden om te beschrijven wat dit
219
DE NIEUWE HEMEL EN DE NIEUWE AARDE.
2-20
beteekent? âHet is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen!quot; De toelichting heeft de Heere Jezus ons zelf gegeven in het hoogepriesterlijk. gebed :
âOpdat zij allen éen zijn, gelijkerwijs Gij, Vader! in mij, en ik in ü, dat ook zij in ons éen zijn; opdat de wereld geloove, dat Gij mij gezonden hebt. En ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij mij gegeven hebt ; opdat zij één zijn, gelijk als wij éen zijn ; ik in hen, en Gij in mij; opdat zij volmaakt zijn in éen, en opdat de wereld bekenne dat Gij mij gezonden hebt en hen liefgehad hebt, gelijk Gij mij liefgehad hebt. Vader, ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt; opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij mij gegeven hebt, want Gij hebt mij liefgehad voor de grondlegging der wereld.quot;
/
XXXI.
DE BEVOLKING VAN HET NIEUWE JERUZALEM.
â Uitvoerig en bovenmate heerlijk is de beschrijving, welke Johannes van de heilige stad op de nieuwe aarde zelve gegeven wordt; wat nu volgt schetst ons de bevolking van deze eeuwige woningen. De volken die zalig worden zullen in haar licht wandelen en de koningen der aarde brengen hunne heerlijkheid en eere in haar. Eeuwige dingen kunnen slechts bij benadering beschreven worden in de taal der stamelende klanken, die ons in deze gebrekkige en bezoedelde bedeeling ten dienste staat. Wat de eeuwige heerlijkheid betreft: Paulus had haar aanschouwd, maar zelf kon hij niet zeggen of het werkelijk, dan wel in visioen door hem gezien was. En wat hij gehoord had, was den menschen ongeoorloofd uit te spreken. Hij kon het niet verhalen, want God heeft den mensch hier beneden het vermogen om dat onder woorden te brengen en dus ook het vermogen om het te verstaan niet geoorloofd, dat is onthouden.
Ook bij deze beschrijving hebben we er ons dus wel voor te wachten dat we het beeld voor de werkelijkheid zouden nemen, en dus het hemelsche neertrekken in het aardsche. De schilderij moge zoo uitnemend gelijkend mogelijk zijn; toch
222 DE BEVOLKING VAN HET NIEUWE JERUZALEM.
geraakt ze geheel in de schaduw en op den achtergrond zoodra het origineel verdwijnt; en blijkt ze dan geheel iets anders, slechts flauwe omtrek en afschaduwing te zijn.
De vernieuwde menschheid, de vrouw van Christus woont niet in, maar i s de stad. Dat staat op den voorgrond ; dan ziet men onmiddellijk dat alles wat verder gezegd wordt beeldspraak is. Dat de nieuwe menschheid als s t a d, als vaste woning wordt voorgesteld, duidt aan haar onveranderlijkheid. De bedeeling der eeuwigheid is aangebroken. Dat is de kern der zaak, gelijk ook blijkt uit het slot van deze schildering (XXII : 3â5). Welnu, alles staat der gemeente ten dienste en draagt bij tot hare verheerlijking. Niet beter kan men dat vergelijken dan bij eene hoofdstad waar alles samenstroomt en onwillekeurig medehelpt om haar grootheid en invloed te vermeerderen.
De gedachte aan verschillende trappen in de eeuwige heerlijkheid der gezaligden is daarbij niet buitengesloten. Integendeel, in de geheele sehets blijkt daarvan duidelijk; âDe leeraars nu zullen blinken als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen gelijk de sterren eeuwiglijk en altoos.quot; Terwijl daar tegenover staat, dat degeen, die op het fundament Jezus Christus niets dan hout, hooi en stoppelen gebouwd heeft, op den dag der dagen, al zijn werk in de vlammen ziet opgaan als nietswaardig, en zelf wel behouden wordt, maar alzoo als door vuur; door de oordeelen Gods heen; als een brandend hout dat nog bijtyds uit het vuur gerukt wordt. Ook daar zal zijn wat hier op aarde wordt afgebeeld door de verhouding van vorsten (niet regeerders, maar voorsten, eersten,) en volken.
De poorten der stad worden niet gesloten des daags (dagelijks) want âdagelijksquot; bestaat niet meer; er is geen nacht, waar God zelf tempelt. God die geheel licht is, daar kan de
DE BEVOLKING VAN HET NIEÃWE JERUZALEM.
nacht, het beeld der onvolmaaktheid, de afschaduwing der zonde, het type van den dood, niet zijn.
Nogmaals wordt gezegd dat ze de heerlijkheid en de eer der volken daarin brengen zullen. Even verkeerd als het is om van de hemelsche gelukzaligheid een zinnelijk paradijs té maken, even onwaar is de voorstelling alsof ze geheel zou opgaan in een aangename, onafgebroken godsdienstoefening in den zin van een verheerlijkten kerkgang. De geheele aardsche schepping is door het bloed des Lams verlost, en de openbaring der kinderen Gods, namelijk de verheerlijking van onze lichamen in de zalige opstanding heeft als onmiddellijk gevolg de verlossing van het gansche schepsel uit de dienstbaarheid der ijdelheid waarin het thans zucht. De grootheid des konings is de heerlijkheid zijner onderdanen; de verheffing der mensch-heid is de verlossing der schepping, waarvan de mensch door God tot onderkoning gesteld is.
Niets komt in de stad dat ontreinigt, of gruwelijkheid doet, of leugen spreekt. De satan is de verpersoonlijkte onheiligheid de menschenmoorder en de leugenaar van den beginne. Doch allen die geschreven zijn in het boek des levens des Lams, zullen er inkomen. Dat is het boek des levens, waarnaar zich het oordeel regelde, maar het is het boek des levens des Lams. Zonder den dood van het Lam ware dat boek eeuwig ledig gebleven. Allen, die het eeuwige leven ontvingen, hebben dat omdat ze de schapen zijn van het Lam dat de goede Herder is, en Hij hun het eeuwige leven gaf.
Die stad is de gemeente, het lichaam waarvan Christus het Hoofd is. Ze is dus vol des Heiligen Geestes, die zonder mate op Hem als den Middelaar is uitgestort en door het hoofd het geheele lichaam doorstroomt gelijk de heilige zalfolie van Aarons hoofd zelfs den uitersten zoom zijner kleederen doortrok. Daarom vloeit uit den troon van God en het Lam eene rivier van
223
DE BEVOLKING VAN HET N1EÃWE JERUZALEM.
zuiver water des levens, klaar als kristal, door de geheele stad. Aan beide zijden dier rivier loopt een straat, een weg, beplant met den boom des levens, die de geheele stad met zijn groen versiert en met zijn vruchten verkwikt. Twaalf malen des jaars brengt deze boom nieuwe vruchten voort, van maand tot maand. We zagen reeds vroeger hoe het jaar in de Heilige Schrift de eeuwigheid afbeeldt. Wij menschen kunnen ons niets voorstellen dan afgemeten in tijd en ruimte. Zoo moet ook de eeuwigheid en de oneindigheid voor ons verzinnebeeld worden door tijden en grenzen. Onuitputtelijke groeikracht is den boom des levens bedeeld; het eeuwige leven is den be-woneren der stad gewaarborgd.
âDe bladeren des booms waren tot de genezing der heidenen.quot; Heidenen zijn de volkeren buiten de openbaring Gods. Gelijk er in de verloste menschheid vorsten en eerstelingen zijn, zoo zijn er ook ontijdig geborenen, en zuigelingen die als zuigelingen binnenkomen. Daar leven en sterven millioenen, die op aarde nooit van den Middelaar vernamen, en âhoe zullen ze gelooven zonder die hun predikt?quot; Verloren gaat die âniet geloofd heeft in den naam des Zoons van God;quot; âniet geloofdquot; zeer actief opgevat als een daad. âDie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden.quot; Er staat niet âdie niet geloofd zal hebben en niet gedoopt zal zijn.quot; Wie gelooft of zegt te gelooven, moet belijden door zich te laten doopen. Daar slaat tegenover niet het volslagen onkundig zijn, waardoor geloof onmogelijk is, maar âniet gelooven.quot; In allen volke is die Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam. De crisis voor ieder is het oogenblik waarop hij kiezen moet voor of tegen Christus. Wanneer voor ieder persoonlijk dat oogenblik aanbreekt is uitsluitend Gods geheim en in geen enkel opzicht onze wetenschap. We lezen hier zoo duidelijk, dat alleen dog-
224
DE BEVOLKING VAN HET NIEUWE JERUZALEM.
raatisme (niet dogmatiek) het tegenspreken kan dat er âheidenenquot; zijn voor wie genezing weggelegd is in de aanstaande bedeeling van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, en buigen dankbaar voor deze genade Gods.
âGeene vervloeking zal er meer tegen u zijn.quot; Het woord âiemand,quot; in onze vertaling tusschengevoegd, mogen we rustig weer verwijderen. Tegen die nieuwe schepping, tegen dat hemelsche paradijs is geene vervloeking meer. De mensch was en is niet vervloekt. De vloek, het oordeel, wordt uitgesproken ten jongsten dage, maar onmiddellijk na den val van Adam en Eva was het aardrijk vervloekt om hunnentwil. Dat zal niet weder geschieden. Waarom niet? Het antwoord ligt voor de hand: omdat de oorzaak van die vervloeking onmogelijk is geworden ; omdat niemand Gods uitverkorenen uit de hand van Jezus Christus rukken kan. In die nieuwe schepping âstaat de troon van God en het Lam.quot; Ze is de zetel zijner heerschappij; dus kunnen de poorten rustig en veilig openstaan. Het onderscheid tusschen dit paradijs en het aardsche Eden was, dat in het laatste God wandelde en de satan toegang kon verkrijgen, en in het eerste God troon t terwijl satan voor eeuwig geboeid is.
Het slot der verheven schilderij bemoeit zich met de eigenlijke inwoners der stad. âZijne dienstknechten zullen Hem dienen en zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hunne voorhoofden zijn. En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geene kaars noch licht der zon van noode hebben : want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heerschen in alle eeuwigheid.quot;
In den tempel zijn Gods dienstknechten de priesters, die het lofoffer der schepping Hem toebrengen. Ze zijn zijne vertrouwde raadslieden, zijne vrienden, die zijn aangezicht zien, die tot zijn onmiddellijke tegenwoordigheid zijn toegelaten; ze zijn âde
15
225
DE BEVOLKING VAN HET NIEUWE JERUZALEM.
reinen van hart.quot; Zijn naam is op hunne âvoorhoofden.quot; Zijn eigendom zijn ze, zijne priesters, zijn naam dragende zooals eens de hoogepriester de uitdrukking van dien naam in goud gegraveerd op zijn voorhoofd droeg. Geen zonlicht of eenige andere verlichting behoeven zij om te kunnen zien, want de Heere God verlicht âniet alles rondom henquot; maar âhenzel-ven.quot; zoodat het licht uit hen straalt en zij zelf licht geven. Zoo beloofde de Heiland dat die in Hem gelooft stroomen des levenden waters uit zijn binnenste zullen vloeien, waarmede hij zelf andere dorstigen drenkt. Evenzoo verlichten zijn heilige dienstknechten de stad, want God verlicht hen.
âEn als koningen heerschen zij in alle eeuwigheid. Zij dienen als priesters, verlichten als profeten, r e g e e r e n als koningen. De liefde die hen bezielt en als priesters der schepping doet optreden, geeft hun het licht waardoor ze die schepping doorzien en de macht verkrijgen om Gods stedehouders te zijn. Wat God Adam gaf, komt hier eindeloos verheerlijkt en onvervreemdbaar âin alle eeuwigheidquot; op den voorgrond.
De openbaring van Jezus Christus is hiermede gegeven en voltooid. Johannes treedt terug in de nog strijdende kerk. Het slot des boeks ademt het onuitsprekelijk verlangen naar die toekomst, van den discipel, die nog zijn Heiland in heerlijkheid verwacht.
226
XXXII.
HET SLOT DES BOEKS.
De engel (een der zeven die de laatste fiolen van Gods toorn over de aarde hadden ledig gestort,) had Johannes alles getoond wat een sterfelijk, door Gods Geest verlicht oog kan zien van de eeuwige dingen die aanstaande zijn. Het visioen is geëindigd. Kort saamgedrongen maar rijk aan inhoud is het slot van het boek. Zoodra Johannes alles getoond is, spreekt de engel tot Johannes; âDeze woorden zijn getrouw en waarachtig, en de Heere, de God der heilige profeten, heeft zijnen engel gezonden om zijnen dienstknechten te toonen hetgeen haast moet geschieden. âZiet,quot; vervolgt hij als uit den mond des Heeren, âik kom haastelijk; zalig is hij die de woorden der profetie dezes boeks bewaart.quot;
Daar was aanleiding tot deze vermaning. Of ware het onmogelijk geweest dat Johannes en gedurende eeuwen na hem de gemeente, deze visioenen, voorzoover de werkelijkheid van hun inhoud aangaat, betwijfeld zou hebben? En hebben niet duizenden en duizenden zich min of meer laten meêslepen door de gedachte der wereld: âWaar is de belofte zijner toekomst? Alle dingen blijven gelijk zij geweest zijn?quot; Hebben niet velen de meest dwaze en zinnelijke verwachtingen gekoesterd en ge-
HET SLOT DES BOEKS.
openbaard, zonder oog voor de goddelijke beeldspraak en poëzie, alleen gedreven door wat zij noemden: letterlijke opvalling? En hebben niet ontelbare anderen bij wijze van reactie, de eersten chiliasten genoemd, zich afwendende van hel heerlijke bijbelboek, als bevatte het onzin, en Johannes wijtende wat slechts de schuld was van de verkeerde opvatting, die sommigen zijner lezers beheerschte ? âGetrouw en waarachtigquot; zijn deze woorden; maar het komt er op aan den zin van deze woorden te verslaan, want de Heere, de God der h e i 1 i ge profeten, heeft ze u doen verkondigen, doen âtoonen.quot; En profetie in deze beleekenis van het woord, is geen chronologie voor de toekomst, maar is de vorm waarin alleen aan Gods dienstknechten getoond wordl wat welhaast geschieden moet. Zalig is hij die de woorden dezer profetie bewaart en ze als zijn kompas gebruikt op de levenszee, want de Heere komt haastelijk; de slorm, de aardbeving en de bliksemstraal gaan als van ouds voor zijne schreden.
Johannes zijgt neder om den engel zijne hulde te brengen, heigeen hem onmiddellijk belet wordt met de woorden : âZie, dat gij dat niet doel; ik ben slechts u en uwer broederen mededienstknechl.quot; Onderling mogen Gods dienstknechten in rang en heerlijkheid verschillen; voor God staan ze allen even hoog of even laag. Hij alleen is de verhevene. Hij alleen moei aangebeden worden.
Een nieuw bevel van Gods wege komt uit den mond des engels tot den apostel. Niet voor hemzelven zond de Hee^e Jezus hem deze heerlijke openbaring, maar ten nutle der gemeente. Daarom mogen de woorden dezes boeks niet âverzegeldquot; worden. Zoodra Johannes de boekrol beschreven heeft, mag hij haar niet oprollen en verzegelen, zoodal ze niet geopend kan worden. Ze moet ieder ter lezing gegeven, want âde tijd is nabij.quot; Al zijn sedert achttien honderd jaren voorbijge-
228
HET SLOT DES BOEKS.
gaan, toch scheiden ons slechts eenige oogenblikken van de wederkomst des Heeren. Hij is het âdie was, die is en die komende is.quot; Niet plotseling staat Hij op om te komen. Sedert zijn heengaan komt hij voortdurend om eindelijk plotseling voor ons te staan. Waarom geschiedt dat niet dadelijk? Omdat God een God van orde is, en alles zijn bestemden lijd heeft gegeven. Kruid en onkruid moeten tezamen opgroeien. Eerst als ze volwassen zijn en gerijpt komt de sikkel en maait de oogst. De wereld moet rijpen tegen den oordeelsdag. Het kwade heeft gelegenheid tot ontwikkeling zoowel als het goede, want God is niet zwak maar almachtig, en niets kan Hem ontwassen. Ook de woorden dezes hoeks zullen tot de rijping van den oogst bijdragen. Geen quot;bokquot; ter linkerzijde zal Gode eenig verwijt kunnen doen; geen âschaapquot; aan de rechterhand, of het zal van ganscher harte erkennen dat âalleen genade die eereplaats verwierf.quot; En daarom: die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; die vuil is, dat hij nog vuil worde. Die zichzelven verhardt, wordt eindelijk verstokt. Maar ook âdie rechtvaardig is, dat hij nog (niet rechtvaardig maar) gerechtvaardigd worde, en die heilig is dat hij nog (niet nog heiliger, maar) geheiligd worde. Het slechte doen we zelf, het goede in en aan ons doet God.
Nogmaals laat de Heiland aan Johannes als in kort begrip hooren wat de kern des hoeks is. Naarmate het einde der tijden nadert, treedt de vraag: âWat dunkt u van den Christus?quot; meer beslist, snijdend en scheidend op den voorgrond. Christus of Antichristus? Die tweesprong is het middelpunt van deze geheele openbaring. En daarom; âIk ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde. âZalig zijn dus zij die z ij n e geboden doen; â geboden waarvan Johannes bij ondervinding getuigd heeft dat ze niet zwaar zijn. Die ontvangen macht van den boom des levens en hebben vrijen
229
HET SLOT DES BOEKS.
toegang tot de stad. Volkomen deelgenootschap aan het lichaam van Christus tot in eeuwigheid zal hun erfenis zijn. De erfenis van hen, die zich laten rechtvaardigen en heiligen. Want de âhondenquot;, toovenaars, hoereerders, doodslagers, afgodendienaars en leugenaars blijven eeuwig buiten. âBuiten,quot; is buiten de de stad. Maar de stad vervult de aardsche schepping. âBuitenquot; is dus afgevallen van de menschheid ; overgegaan in een andere orde. die der duivelen; in een ander element: den toorn Gods. Wie zijn de âhonden?quot; Wie anders dan de ketters? âZiet op de honden, ziet op de kwade arbeiders^ ziet op de versnijding,quot; vermaande Paulus de gemeente te Filippi. Het onreine dier, dat âtot zijn uitbraaksel wederkeert is het beeld van hem die, door vleeschelijke begeerlijkheid verleid, alles wat geestelijk is hoort, leert, zoo mogelijk geniet; maar niet verwerkt, niet tot zijn harl laat komen, niet den onlzaglijken eiscli van heiligheid erkent en inwilligt, en ten slotte den Zoon van God wederom kruisigt. Niet hij die dwaalt door misverstand, maar hij die misverstaat door meer of min bewusten afkeer van heiliging, is een ketter, een onreine, een hond. Want alle ketterij is âzondedes vleesche s.quot; (Gal. V: 19,20.)
De woorden van dit boek zijn niet voor ieder geschreven. âIk Jezusquot; heb mijn engel gezonden om u deze dingen te getuigen in de gemeente. Ze zijn geschreven voor de geloo-vigen. Gelijk Israël bestond om de komst in het vleesch van den Messias mogelijk te maken, zoo bestaat de gemeente ten dienste van zijne wederkomst. Daarom heeft Hij âdie Je wortel en het geslacht Davids is. Hij die de blinkende morgensterquot; is, deze woorden doen betuigen. De eerste naam, dien Hij zich geeft, spreekt van zijn wortelen in de historie; van zijn aannemen en deelachtig worden van het âvleesch en bloed der kinderkens.quot; De tweede naam getuigt van de toekomst. De nacht verdwijnt; dat dus de morgenster opga in uwe harten.
230
231
Hij, Jezus, betuigt deze waarheden aan zijne gemeente. De gemeente heeft een andere roeping. Zij betuigt ze niet nog eens aan zichzelve. Neen: de Geest en de bruid roepen naar buiten: âkom!quot; De Geest is de bezieling der gemeente. De Geest is âde zeven Geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.quot; De roeping van den Geest en van de Bruid op aarde is te roepen tot ieder : âkom!quot; En ieder die het hoort, dat is die dit woord verstaat en ter harte neemt en zelf nadert, roepe op zijne beurt: âkom!quot; Ja, ook roepen zij het woord waarmede Johannes zijn boek besluit: Ja kom, Heere Jezus!quot; Doch eerst deelen ze van harte in de lankmoedigheid des Heeren, die verwacht, en roepen: âkom!quot; âkom tot ons en zoo tot Hem!quot; terwijl het nog in 't heden der genade is. De Geest en de Bruid en ieder die bet hoort, houden zich niet op met de verborgen dingen, die voor den Heere onzen God zijn; vragen niet of er ook weinigen uitverkoren zijn, maar roepen een ieder, overtuigd als ze zijn dat God âalzoo lief de wereld had, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een i e g e 1 ij k die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe.quot; Zeker: wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. âHet doel moet niet zijn eigen redding, maar Gods eer. Doch tot de onbekeerden gaat de roepstem uit: Haast u (niet om Gods wil, maar) om u w s levens wil!quot; Het komen is voor ons noodzakelijk, derhalve wordt ons met de sterkste bewoordingen betuigd dat het te doen is om onze redding, leder die de woorden der profetie dezes hoeks hoort, wordt betuigd: Wie tot de woorden dezes boeks toedoet. God zal over hem toedoen de plagen die in dit boek geschreven zijn. En wie er afdoet, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens en uit de heilige stad en uit hetgeen in dit boek geschreven is. Is dan het boek des levens niet van eeuwigheid geschreven? Ja maar alle dogmatisme is Gods Woord
HET SLOT DES BOEKS.
eeuwig vreemd. God heeft geen raenschelijke stelsels. Ook hierin zijn zijne gedachten eeuwig hooger dan de onze. En aan quot;s menschen zijde kan de naam afgedaan worden uit het boek des levens!
Een heerlijk troostwoord besluit de openbaring van Jezus Christus: âJa, ik kom haastelijk, Amen!quot; Wat anders zal de gemeente vragen? Waarvoor anders zal zij leven?
âJa kom, Heere Jezus!quot;
âDe genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen!'' Die zij met ons, ook en vooral daarin dat wij dit boek bestudeeren, biddend lezen en herlezen, met Johannes van heimwee vol uitroepen; âKom, Heere Jezus !quot; Deze genade is de dood voor alle zelfzucht, die ook in de geestelijkste dingen ons aankleeft. Zij leert ons het hoofd opheffen, wetende dat onze verlossing nabij is. Zij leert ons dat we reeds door den dood in het leven z ij n gegaan; dat die in Hem gelooft het eeuwige leven heeft. Zij leert ons dat we niet verlost zijn om ons zelfs wil, maar ter eere Gods, en dat dus het doel van ons leven niet is een zalig sterfbed, maar een zalig leven tot in alle eeuwigheid ter eere des drieëenigen Gods!
232
inhoud.
Bladz.
I. Inleiding, de goddelijke en de satanische lijn
in de wereldgeschiedenis. voorwaarde tot recht verstand dek heilige schrift .... 1 II. de symboliek der heilige schrift. beteekenis der getallen. de getallen in het boek der openbaring............. 9
III. het laatste bijbelboek één grootsch panorama.
de verschijning van den zoon des menschen. hetgeen is en hetgeen geschieden zal ... 14
IV. de zevenvoudige kandelaar. de zeven gemeenten.
de zeven sterren....................19
V. de zeven brieven...........28
VI. de troon in den hemel.........33
VII. het lam voor den troon. de boekrol met zeven zegelen. het drieledige loflied des heelals
ter eere des lams..........39
VIII. de zeven zegelen. de opening van de eerste vier
zegelen..............45
IX. het vijfde en het zesde zegel..............50
X. de windstilte. de twaalfmaal twaalf duizend
en de schare die niemand tellen kan. ... 56
XI. het zevende zegel. de stilte in den hemel . . 68
INHOUD.
Bladz.
XII. HET OFFER DES REDKWERKS IN DEN HEMEL. . . 74
XIII. DE EERSTE VIER BAZUINEN ...............79
XIV. n WEE ! WEE ! WEE !quot; DE VIJFDE EN DE ZESDE BAZUIN. 87 XV, DE STERKE ENGEL. DE ZEVEN DONDERSLAGEN. HET
ETEN VAN DE BOEKROL........95
XVI. HET METEN VAN DEN TEMPEL. GETALLENSYMBOLIEK
IN DE VOLGENDE TAFEBEELEN......101
XVII. DE TWEE GETUIGEN..........107
XVIII. DE ZEVENDE BAZUIN..........116
XIX. DE VROUW EN DE DRAAK ........ ISil
XX. DE SATANISCHE DRIEÃENHEID.......130
XXI. HET LAM EN DE HONDERD VIER EN VEERTIG DUIZEND.
DE DRIE ENGELEN. DE OOGSTEN VAN KOBEN EN
DRUIVEN.............142
XXII. DE ZEVEN FIOLEIs...........153
XXIII. nDE GROOTE HOERquot;..........165
XXIV. iiDE VERBORGENHEID DER HOER EN VAN HET BEEST 171 XXVquot;. HET OORDEEL AAN DE HOER BABYLON VOLTROKKEN 179
XXVI. DE HEMELSCHE FEESTVIERING OVER DEN VAL VAN
BABYLON.............185
XXVIL DE BESLISSENDE OVERWINNING.......190
XXVIII. DE BRUILOFT DES LAMS. DE jïDUIZEND JARENquot;. . 195
XXIX. SATAN GEVONNISD. HET OORDEEL OVER ALLE DOODEN. 203 XXX. DE NIEUWE HEMEL EN DE NIEUWE AARDE. DE VROUW
DES LAMS. HET NIEUWE JERUZALEM . . . . 210
XXXI. DE BEVOLKING VAN HET NIEUWE JERUZALEM. . . 221
XXXII. HET SLOT DES BOEKS..........227
1 1 . 1 ⢠, ...... ââ
i
. - - (
X
oJlU. h UtJijS fa libLluLu