âquot;â¢y** â¢*?.
V- â¢Â¥ U ét
, V ^ ' * '
^ *v
# gt;.-f
â *\
v J ,
W'-k ; V ' â¢- *
â Sr'ï**iu «â¢.
â¢5rM .'v J. '
».!
L, r W
f x:%^: *F' *é£ lt;
, ^7 ^
^s-Vj»^ â quot;jLI* ^ â *quot;
rïtamp;Aï.
. -i ^ '«\ J Tl.~
a V ' ik l 4
^ / â I J V , % - V quot;V \* : ! ^
, s%^r /quot; i' «.V 1 *\*êamp;tS
tKJ
- '*...4?*' iU'
quot; â â¢'⢠» ' quot;quot; I?
â¢c- ': . â â -â w , â¢%â
w â¢gt; - _ % * â £ - s
, -T r-^ «J
K ftlt;vC' |5U ,â ' â *-, i ' .^. â , v gt; .
â¢' v ,⢠gt; ;Vr '
..#-#«â '« â.â¢# tt vquot;quot;- â . hui W
'amp;*gt;% . gt; £ ^:
gt;quot; ' *gt; ; â â ' » ^ . V~gt; â v'
^ ^ ^ i âV»
y.- - ^^V-,'v5^v.
.. quot;Sz*' '.'⢠⢠, â lt;*
1 i .4 â '-
r M- fr, â¢- ;
w lt;7 fjLVquot; H Sfe
A ^
DE CANWDATUUR-TAN BOMMEL.
BLIJSPEL IN 3 BEDRIJVEN.
3)g Candidatuur-Van Bommel.
T
Vak 10
/M
BLIJSPEL IN 3 BEDRIJVEN
DOOR
DOCTOR JUIUS.
Met teekeningen van JOH. BRAAKENSIEK.
V 1
â
/ I
li
If I
nil
'i
DERDE DRUK.
AMSTERDAM. â S. L. VAN LOOY. 1898.
P E II S O N E N.
Mr. HERMAN VAN BOMMEL.
Mevr. JULIA VAN BOMMEL.
LISE VAN BOMMEL.
LUCIE VAN BOMMEL.
DONKER, zijn zwager.
FERD. VAN AALST, stiefzoon van Donier.
Ds. LANGELAAN.
FRITS, zoon van Ds. Langelaan.
SCHREUDER, Notaris.
Mr. AUGUSTUS VALERIUS, Adv. proc.
BECKER, Voorzitter der Idesvereeniyim/ âVoorwaarts.''
MEEUWISSEN, Sea-. â
ROELTJES, Voorzitter dei- kiexvereeniginu âOns Belang.quot; VAN BATENBURG, Voorzitten- van âSic Semper.quot; HENDRIK, huisknecht.
(Het stuk speelt in een provinciestad, Juni 1897.)
EERSTE BEDRIJF.
HUISKAMEB MET SERRE.
(De knecht brengt een brief binnen. Mr. Van Bommel opent den brief' en leest).
v. B. âdat mijn principaal mij gemachtigd heeft U te doen weten, dat IJ de voorkeur is toegestaan, gedurende drie weken, voor het buitengoed Berkenhof, verstrijkende deze termijn IS» Juni aanst.quot; {Hij legt den brief neer). Ziezoo, dat is dus in orde!
(Notaris schreuder komt binnen).
Schr. Bonjour, v. Bommel!
v. B. Aha Schreuder, je komt alsof je geroepen waart.
Schr. En dat is ?
v. B. Ik ontvang daar juist bericht van je collega te Zeist, dat ik Berkenhof tot 15 Juni in optie heb; krijg ik Rijnzicht niet, dan ben ik toch altijd klaar met Berkenhof.
Schr. Je besluit om ons te verlaten staat dus wel vast!
v. B. Als een muur!
6
Schr. Je wacht niet eens af of ,je dit perceel voor een goeden prijs van de hand kunt doen ...
v. B. 't Gaat aan den paal, â weg er mêe.
Schr. Ze begrijpen er niets van ...
v. B. Ze ? Wie ?
Schr. Wie ik maar spreek; je hebt hier meer vrienden dan je denkt.
v. B. Werkelijk!
Schr. Een ramp voor Veenenburg noemen ze hot.
v. B, Kom, kom, zooveel beteekent mijn zijn hier niet.
Schr. Dat moet je niet zeggen. Je bent toch een van de rijkste en voornaamste burgers: Lid van het bestuur van het Nut, de Spaarbank, de Schoolcommissie, de Sociëteit...
v. B. Xu ja, bestuurslid had ik van alles wel kunnen worden, ik zou ook in den Raad zitten, als ik gewild had. Maar ik heb dat gekeerd. Ik houd niet van al die drukte; ik ben gelukkig niet ambitieus.
Schr. Neen, ambitieus ben je zeker niet; maar weet je wat den lui zoo onbegrijpelijk voorkomt, juist omdat ze je kennen als een bezadigd, kalm man ?
v. B. Neen. Wat ?
Schr. Pat jij met jou fortuin nu niet in Veenenburg wilt begraven worden is geen wonder; maar dat je opeens, onverwachts, hals over kop inrukt, alsof je vluchten moest voor iemand, die je op de hielen zat, dat vinden ze onverklaarbaar.
7
v. B. Ei, pi-aten ze daarover! Je vat wel, dat ik geen lust heb hun dat aan den neus to hangen; â Veenenburg zou nog wel gaan, als daar (hij wijst in die richting) die verschrikkeliike Donker niet woonde.
Schr. Kom wat kan het je schelen of een gewezen zwager boos op je is ?
v. B. Dat mag je zeggen, maar toch, 't is een be roerde historie, v. Aalst, zooals je weet, een vóórkind van zijn eerste vrouw, was de lieveling van mijn zuster. Ze had zelf geen kinderen en hechtte zich aan het ventje, dat wezenlijk een aardige jongen was en ook gebleven is. Zoo kwam Ferdinand van zijn jeugd af hier als kind aan huis.
Schr. En nu heeft Donker hem je huis verboden ?
u. B. Neen, dat niet. Die jongen heeft met takt, met ontzettend veel takt, er tot dusver voor gezorgd, dat hij tusschen Donker, zijn zoogenaamden vader, on injj, z\jn zoogonaamden oom, staande, do relaties mot ons kon aanhouden: hij loopt hier in en uit. ..
Schr. Ik hoor, dat hij op jo dochter Lise verliefd is â en dus moet je je over dien takt niet zoo erg verwonderen.
v. B. Verliefd, dat is te voel gezegd; maar hij zou verliefd kunnen worden, en dan zou ik weer op alle manieren met dien Donker te doen krijgen, â dat wil ik voorkomen.
Schr. Is daar nu zoo'n haast b|j ?
v. B. Haast of geen haast â ik kan hem niet langer zien ...
8
Schr. Een verstandig man als jij!
v. li. Stel je voor, dat je een overbuur hebt met wien je overhoop ligt, en die niet anders doet dan door je ramen te gluren. Ik kan niet voor mijn venster staan of hfl komt voor het zijne, en nu weet je, of misschien weet je het niet, dat ik de gewoonte heb aan mijn knevel te draaien en, als ik in gedachte ben, zoo met mijn tanden op mijn onderlip te bijten; en wat doet nu de vent V Als hij maar denkt, dat ik het zien zal, bootst hij me na...
Schr. Onwillekeurig misschien ...
v. B. Dat kan je begrijpen! Die nijdas! (Hij staat op en rjaat voor 't cjlas staan). Wacht maar, ik wil wedden, dat hi] aanstonds verschijnt.
Schr. Maar waarom verhuis je dan niet ?
v. B. {nog voor H glas staande), 't Zou ine niet helpen.
Schr. Dan zag je hem toch niet zoo dikwijls ...
v. B. Hij zou in staat zijn dadelijk weer tegenover me te huren of te bouwen. Toevallig, nu komt hij juist niet! En weet je, wat hij zich verder permitteert ? Dan maakt hij de mimes van iemand, die uit zijn ecne hand geld in de andere telt, en haalt hij zijn schouders op.
Schr. Maar dan is hij niet wijs !
v. B. (Terugkomend van 't raam), 't Mocht wat!
Schr. En kan je vermoeden waarom hij dat doet ?
v. B. Omdat een tante hem onterfd heeft, en hij mij daar de schuld van geeft.
Schr. Och die erfenisssen, â er moesten geen erfenissen zijn!
v. B. Neen, daar moesten geen treiterachtige individuen wezen, die alleen een fatsoenlijke facie hebben gekregen, om den duivel te verlokken zich eens extra met hen te bemoeien, en die dan ook niet worden losgelaten vóór ze den een of ander ongelukkig hebben gemaakt, zooals dio judas mij ! (Sellrender lacht) Waarom lach je, is 't niet erg genoeg ?
S'chr. Ik moet lachen als ik een flegmaticus zich zoo zie opwinden.
v. Ji. Ja, iemand als ik ben!
Schr. Zoo vredelievend van aard ...
ü. B. Dat is het 'm juist! (Hij doet een paar stappen in dc richtinjj van het raam, kijkt even en keert weer terug) zooals je zegt: ik ben te vreedzaam van natuur; ik heb het land aan passies en emoties, daarom laat ik alles over mijn kant gaan; mijn karakter neigt naar het stille, intieme.. zoo is mijn leven altijd geweest; als een heldere waterplas..... onbewogen; dat is het hoogste wat
ik bezit Schreuder, en dat zal ik verdedigen tegen eiken aanval ... juist omdat ik de rust lief heb, Enfin, nu be-grijp je, waarom ik zoo'n haast maak.
S'chr. Maar ze zullen je niet laten gaan.
v. B. Ze kunnen me toch niet tegenhouden.
S'chr. Heb je er nog niets van gehoord? Ze willen je candidaat stellen voor de Tweede Kamer.
v. B. Mij, candidaat voor de Tweede Kamer â wie wil dat ?
S'chr. Ik weet het van niemand minder dan van Meeu-wissen zelf. Eerst hebben ze ©p een ander het oog gehad.
10
Vandaag zal hij je nog komen spreken met Becker den president.
v. B. Dat kunnen ze wel laten.
Schr. Ja, dat heb ik hem ook gezegd.
v. B. Ik ben daar volstrekt geen man voor.
Schr. Juist wat ik beweerde.
v. /lt;'. Niet dat ik het beetje bekwaamheid zou missen, wat er voor noodig is .. .
Schr. Allerminst.
v. B. Maar 't zou niet strooken met mijn karakter.
Schr. Als je ambitieus waart... ^
v. B. Zeker, als, ik iets zocht en van een eeuwigdurend gekibbel hield, maar liet tegendeel is hot geval.
Schr. Dat zei ik ook tot Meeuwissen: v. Bommel behoeft het nergens om te doen ; een titel of naam heeft niets bekoorlijks voor hem; hij verlangt geen anderen zetel als zijn fauteuil in het hoekje van den haard, en dan zou je denken, dat hij bereid was om in dien mal-lenmolen te stappen en dag aan dag zijn ooren te laten verscheuren door een paar draaiorgels en een turksche-trom!
v. B. En wat antwoordde Meeuwissen daarop ?
Schr. {opstaande). Hij gevoelde wel, dat ik gelijk had, maar wilde toch een poging wagen. Om wat je daar zegt, notaris, repliceerde Meeuwissen, zou hij ons juist het liefst zijn. Huwbare dochters, die zelf zoo graag aan den man willen, zijn in den regel het minst begeerd, en jonge meisjes afkeering van krakeel worden de beste huis-
11
vrouwen; zoo is het met do candidaten ook, zc moesten allen als van Bommel wezen.
v. B. Dat klinkt niet onaardig.
Schr. {onder 't naar de deur (jaan). Maar Je begrijpt wel, dat hun hoofdmotief is, je hier te houden. En al zou ik je nu ook niet graag zien vertrekken, ik geef je volkomen gelijk, dat je je niet laat lijmen voor die Haagsche kermis. Je was wel gek als je het deedt.
v. IS. Dank je voor je opinie. Adieu Schreuder, â ik behoef je niet zeggen, wat ik je verteld heb was in vertrouwen.
Schr. Natuurlijk, (o^ zich zelf wijzend) als een testament !
{af door de serredeur).
v. B. {alleen) Lid van de Tweede Kamer! Hoe komen ze op 't idee! En dat om mij hier te houden !âEnfin, ik doe het niet. Ik denk er niet aan. Wat zou ik er aan hebben 1 Intussehen hot aanbod zelf verheugt me, omdat het can waardeering yetuUjt â (Hij doet een stap naar het raam). Wat zal die daar zeggen als hij 't hoort! Donker-tje, Donkertje, wat zal eerstdaags de gal je door 't bloed loopen! Wacht maar! Opmerkelijk, nu zie je hem weer niet. Van middag heeft hij zich ook al niet vertoond, â hij is toch thuis. Zou hij lont hebben geroken en bezig zijn mjj lagen te leggen!
(Lisc en Van Aalst komen binnen).
Lise. Papa! Papa! weet u het al, u wordt lid van de Tweede Kamer! {Zij omhelst hem en geeft hem een kus).
12
v. B. Kom, geen malligheid meid!
Lise. Neen, maar 't is zoo.
v. Aalst. Zc willen u candidaat stellen.
v. B. Praatjes !
v. Aalst. Maar ik weet het zeker.
Lise. Ja Papa, Oom Donker heeft het hem verteld.
v. Aalst. En 't staat in de krant.
v. B. Oom Donker... de krant, welke krant V
(Mevrouw komt binnen met de krant in de hand, gevolgd door Lucié).
Mevr. Xn Bommel, daar staat je iets te wachten, hoor! (Zif leest) âNaar men ons uit Veenenburg schrijft zal de can-didatuur waarschijnlijk worden aangeboden aan Mr. H. v. Bommel, wiens populariteit in het district, wiens hartelijke verkleefdheid aan de vrijzinnige beginselen, gepaard aan groote activiteit en gematigdheid, hem tot den meest begeerlijken candidaat maken tegenover de pogingen van de krachtige anti-liberale coalitiequot; â Zoo zie je, de deugd wordt toch altyd beloond.
Lucie. Dat had u niet gedacht, papa!
Lise (tot Lucie). Neen, en jij ook niet, evenmin als Mama. Aardig hé, dat Ferdinand het alweer het eerst geweten heeft, nog eer dan papa zelf.
v. B. Dat is de vraag, kind; want om je de waarheid te zeggen, ik had er al iets van gehoord. Mijnheer Schreu-der heeft het me juist verteld....
Mevr. En wat dacht Schreuder, â datje het doen moest ?
13
v. B. Hij zei, je zoudt wel gek wezen, als je het aannam.
Lise. Maar papa! Wie zou beter lid van de Kamer kunnen worden dan u ?
LucAe. En wat komt dat goed uit, nu u juist verhuizen wil...
v. Aalst. Papa zei precies hetzelfde als Lise en Lucie 't Is het eenig middel om je oom hier te houden; vreemd dat hij nu voor 't eerst wordt genoemd. Hij is voor kamerlid de aangewezen man.
v. B. Ei-ei! zou papa Donker me zoo ongaarne zien vertrekken ?
Lise {tot Mevrouw) U gelooft toch ook niet-waar, dat papa niet weigeren mag!
Mevr. Ik, kind, ik heb daarover geen opinie.
Lise (luid lachend). U zou geen opinie hebben, neen maar!
Mevr. Je weet wel, ik zal nooit invloed oefenen op je papa's oordeel over zaken, die hem alleen aangaan ...
Lise. Alsof U ook niet in de eer deelde, wanneer papa lid van de Kamer werd.
Mevr. Zeker, als je papa afgevaardigde van Veenen-burg wordt, zal dit een eer zijn voor hem zelf, voor mij en voor juilie ook, â toch zou ik geen millioenste part van de verantwoordelijkheid voor zijn besluit willen dragen. Je papa moet het zelf weten â geheel alleen. Hij is oud en wijs genoeg.
v. B. Gelukkig ja, en je mama is ook oud en wijs genoeg om te begrijpen, dat ik dat ben; en daarom zeg
14
ik je eens cn voor goed, je behoeft er niet op te hopen, dat ik mij daarvoor zal laten vinden. Wij gaan naar Rijmicht, en als dit mislukt, naar Herkenhof â op 't Binnenhof krijgen ze mij niet.
{Hendrik komt binnen).
Hendrik. Mijnheer Meeuwissen met nog een Mijnheer vragen U te spreken.
v. B. Goed, laat de heeren hier komen. (Tot Mevrouw) Daar heb je 't al! (Tot Lise, Lucie en v. Aalst) Maak jullie, dat je weg komt! (Het drietal verlaat haastig de kamer). (Tot mevrouw.) Bestuursleden van de kiesver-eeniging.
(Meeuwissen en Becker).
Meeuwissen. Bonjour Amice : (Een buiging voor Mevrouw, die haar hand toesteekt).
Becker (buigend) Mevrouw ! Mijnheer v. Bommel!
v. B. (beiden de hand gevend). Welkom Mijneheeren, gaat zitten.
Mevr. (beiden nog staande). Nu zal ik ook mijn biezen maar pakken.
Meeuwissen. Als U wist wat wij kwamen doen, zou u blijven.
Becker (wijzend op Meeuwissen). De Secretaris, en (vnj-zend op zichzelf) de president van de Kiesvereeniging Voorwaarts, Mevrouw, die de eer hebben zich tot Mijnheer uw echtgenoot te wenden.
v. B. Vergeefsche moeite. Mijnheer Becker!
Meeuwissen. Neen, neen. Bommel!
v. B. Vlei je maar niet, Meeuwissen.
15
Meemvissen. Begrijpt ü nu Mevrouw, waarom ik II gaarne bij ons onderhoud aanwezig zou zien 'r1
Mevr. In 't minst niet. De heeren doen aan politiek, en daarin spelen de dames nog geen rol...
Mecuwissen. Dat is iets te veel gezegd, nietwaar ? Al van de dagen van Delila af, U weet wel ...
Mevr. O, bedoelt U het zoo! U zou dus willen, dat ik de hand leende, om mijn man aan de kiezers over te leveren ?
Becker. Wat zegt u dat minachtend. Mevrouw. Aan de Kiezers dat is heel iets anders dan aan de Phüistifnen !
Mevr. Best mogelijk... maar ik abstineer me. Dag Heeren. Ik laat II met Simson alleen. (Mevr. af.)
Meemvissen. Je moet er aan gelooven v. Bommel, daar helpt niets aan. Goedschiks of kwaadschiks; je gaat voor ons naar 't Haagje, we slepen je er heen, al zou 't ook zijn op de manier van den Sabijnschen maagdenroof!
v. li. Kalm, Meeuwissen... ik laat me niet overrompelen.
Becker. Neen, Mijnheer v. Bommel, daar heeft u gelijk aan. Onze vriend Meeuwissen is wel wat onstuimig voor een diplomaat. Sta mij toe meer geregeld met U de zaak te bespreken.
v. B. Zoo U wil; â maar het is tijdverlies, Mijnheer Becker.
Becker. In elk geval loont het de moeite U er van te overtuigen, dat het van onzen kant geen onberaden stap was, ons het eerst tot U te begeven.
16
v. B. Maar ik denk er niet aan CJ van lichtzinnigheid te beschuldigen; ik begrijp, dat, als U een candidaat hier in het district zoekt...
Becker. Nietwaar, uwe richting is geheel de onze.
v. B. Zeker! mijn politieke denkwijze stemt overeen met het program van Voorwaarts: vrijzinnig, geavanceerd, liberaal, democratisch. Met het conservatisme heb ik nooit iets te maken gehad. Al vóór twintig jaar begreep ik, dat we de bakens moesten verzetten; je herinnert je Meeu-wissen, ik heb toen mee den stoot gegeven tot de oprichting van Burgerrecht; dat weten ze hier ook wel.
Meemvissen. Of ik het nog weet. Het was altoos je zeggen, dat het schip van staat al veel te lang een zeilschip was geweest.
v. ,B. Juist â ik beweerde, dat het ook stoomvennogen moest hebben. Daarover kan geen verschil bestaan, mijn richting is die van de Heeren: Voor-uit-strevend.
Meeuwissen. Nu, Becker?! Wie niet streeft, die niet leeft, is altijd v. Bommels en mijn devies geweest. En daarom ...
Becker (vriendelijk glimlachend tot Meeuwissen). St! St! â (tot v. B.) Uw richting gaf ons liet recht aan U te denken â en vervolgens: uwe bekwaamheid.
v. B. AVat dat betreft...
Meeuwissen. Neen, geen vijfen en zessen. Zeker, je extra-buitengewone bekwaamheid. Bommel!
Becker. U begrijpt, menschen van onze richting zijn er genoeg, maar als de bekwaamheid ontbreekt, of, wat
17
dikwijls voorkomt, als men zelf meent bekwaamheid te bezitten, waar zij inderdaad afwezig is ...
v. B. Dit punt, dunkt me, moesten wij laten rusten.
Becker. Zooals ü wil â niets heeft ook minder toelichting noodig. Mijnheer v. Bommel.
Meeuwissen. Uitstekend gezegd, Becker! Je behoeft de zon niet bij te lichten, ga door ...
Becker. Verder uw onafhankelijkheid.
v. B. Mijn onafhankelijkheid, dat is zoo, ik ben gelukkig mijn eigen heer en meester.
Becker. In 't bijzonder bedoel ik uwe onafhankelijkheid van geest... uwe denkbeelden.
v. B. Jawel, â zonder onbescheiden te schijnen, kan ik dat beamen. Ik ben zoo zeer gewoon mij zelf te zijn, en zoo weinig gewoon tegengesproken te worden ...
Meeuwissen. Natuurlijk, dat doen je je bekwaamheid en je eloquentie.
Becker. En dan uw goede naam ...
Meeuwissen (tot Becker). En zijn aangename manieren !
Becker. Ook uwe bekendheid bij de kiezers ...
Meeuwissen. Je rondborstigheid, je hulpvaardigheid, je bescheidenheid..
Becker. De schat van vrijen tijd, waarover U beschikken kan.
Meeuwissen. Je bezadigdheid, je wijze van optreden ...
Becker. Uwe verdraagzaamheid jegens andersdenkenden.
2
18
Meemvissen. En vooral je karakter, Bommel, dat ontsluit je elke loopbaan ...
v. B. De heeren overschatten me. Wezenlijk juilie zien meer in me, clan ik ben. Maar al was ik nu zoo, als je je dat voorstelt, mijn ambitie drijft me niet dezen kant uit; ik kan, ook zonder in^de Kamer te zijn, in bescheiden kring nuttig werkzaam wezen, terwijl er zoo velen zijn, die je met een candidatuur gelukkig kondt maken.
Becker. Ja, die zijn er genoeg. Uit den Haag hebben ze ons een heel lijstje van aftredende kamerleden gestuurd, wier herkiezing gevaar loopt, en die gaarne, bij het verliezen van den slag, een district als Veenenburg tot reduit achter zich zonden vinden, maar vreemden hebben hier geen kans.
Meemvissen. En al hadden zij kans, ik zie niet in v. Bommel, dat ons district dienst zou moeten doen als een Vereeniging tot redding van drenkelingen. Wij willen een eigen man hebben, die nog niet verongelukt is,... en dat ben jij, jij alleen!
v. B. Maar jij zelf dan, of Mijnheer Becker, of...
Meemvissen. Praat me daar niet van ! Wij kunnen niet, en Kramer, de eenige die wel kan, en erg graag zou willen, lusten wij niet.
v. B. Kramer, dat advokaatje! Knap genoeg, geloof ik....
Becker. Knap genoeg om de heele wereld te helpen ... en zichzelf het meest!
Meemvissen. Juist jou tegenbeeld. Bommel! Wij hebben dat ventje al lang in de gaten. Dat begon met het secre-
19
tariaat van de Tentoonstelling; daarna werd hij president van Volksvermaak, oprichter van de Vereeniging tot Nut van den Werkman; voorzitter van de arbeidersmeetings; later weêr kwam hij met zijn plan van de zwemschool-, toen heeft hij dien strijd tegen Eigen-hulp gevoerd, om de winkeliers aan zich te verbinden; en dan zie je voortdurend stukken van hem in de krant, laatst nog over de gasprijzen en de onder wij zerstracteinenten; het had maar weinig gescheeld of hij was lid van den Eaad geworden ...
v. B. Jawel â dat is de manier!
Becker. Een van die menschen. Mijnheer v. Bommel, zooals wij ze in onzen tijd maar al te veel hebben. Het is of zij steeds op den uitkijk staan om te zien of zij ook iets voor de lui doen kunnen, maar ondertusschen gluren zij voortdurend over de hoofden heen, om te zien of er ook voor hen zelf iets te halen valt...
Meeuwissen. Van die apen, die onophoudelijk met hun poot gereed staan een nieuwe sport te grijpen, om zich naar boven te werken ...
v. B. En die, terwijl ze jou en een ander als een ladder willen gebruiken, in den regel niet hooger kunnen klimmen dan noodig is, om aan het publiek hun leelijke billen te laten zien ...
Meeuwissen. Juist, v. Bommel; maar zoo'n man krijgt kans, als jij blijft weigeren.
Becker. En dat is 't ergste nog niet; â als Kramer candidaat wordt, gaat het district voor de partij verloren ...
Meeuwissen. Daar kun je op rekenen, want ze stemmen hem niet.
20
Becker. En Veenenburg, Mijnheer v. Bommel, mag niet vallen.
v. B. (nadenkend). Neen, dat is waar.
Becker. Het moet behouden blijven. En verbeeld U nu, dat U de oorzaak is, dat onze partij de meerderheid ontgaat; dat het wordt 50 tegen 50, in plaats van b.v. 51 tegen 49. Door uw onthouding. Mijnheer v. Bommel, zou er dus geen vooruitstrevend Kabinet kunnen komen, zouden wij op het doode punt worden gebracht, ik zeg: op het doode punt: van politieke actie geen sprake, de wetgeving verland, de volksbelangen verwaarloosd, de ontevredenheid nieuw voedsel gegeven; Mijnheerv.Bommel het lot van het Vaderland ligt in uw hand!
Meeuwissen. Zoo is het!
v. B. (afwijzende beweging. Hij houdt zijn rechterhand voor zich uitgestrekt), 't Lot van het Vaderland in mijn hand, â dat is wat veel gezegd; maar natuurlijk, iets daarvan, een deel, een deelt/e... geloof me, ik ben niet onnadenkend genoeg om de betrekkelijke juistheid van uw woorden te ontkennen, en kon ik. Mijnheer Becker ... dat weet Meeuwissen ook wel...
Becker. En nu komen we niet zoo-maar. Mijnheer v. Bommel; zelfs niet alleen namens het bestuur van Voorwaarts. Het bestuur van de Werklieden-kiesvereeni-ging Ons Belang heeft ons de toezegging gedaan, geen candidaat te zullen stellen, als U het mandaat aanvaardt. Ds. Langelaan, de leider der Synodalen, staat er voorin, dat de zijnen zich bij ons zullen aansluiten; van de Loge, het Nut en de Societeit is U zeker; U waagt U dus met ons niet op ijs van één nacht...
21
Meeuwissen. Neen Bommel, daar liggen balken onder; als je wilt...
v. B. Hoort eens Mijneheeren â ik ben niet ongevoelig voor zooveel vriendelijkheid en vertrouwen; ik begrjjp dat U me niet een wisselvallige candidatuur aanbiedt, maar den Kamerzetel zelf; waarachtig het spijt me, dat mijn bezwaren onoverkomelijk zijn, maar daar is zoo veel, en onder dat vele het een en ander... het zou ook niet helpen U daar uitleg van te geven... ik ga Veenenburg verlaten, ik heb bijna al gekocht... Bovendien mijn aard, mijn aanleg...
Meeuwissen. Wat je daar zegt zal ik niet beantwoorden. Je kunt en je wilt, óf je kunt en je wilt niet, dat is jou zaak. Morgen ochtend dienen we je besluit te weten, je moogt je dus nog beraden. Maar doe ons één pleizier. Ds. Langelaan en een commissie van het bestuur van Ons Belang zitten ons te wachten. Ga nu meê, al is 't maar een kwartiertje, om te zeggen watje tegen ons aanbod hebt.
v. B. Als je dat wenscht. ..
Meeuwissen. Ja, daaraan zou mij veel gelegen zijn.
Becker. En mij niet minder. Mynheer v. Bommel. Er gaat in zulke zaken niets boven het woord van den man zelf.
v. B. (schelt). Dus je zoudt wenschen, dat ik persoonlijk mijn besluit aan de heeren kenbaar maakte?
(Hendrik komt binnen).
(Tot Hendrik). Zeg aan Mevrouw, dat de conferentie is afgeloopen, en ik even met de Heeren uitga.
Hendrik. Jawel, Mijnheer. (Hendrik af.)
22
v. B. Maar dat bezoek aan die heeren, Meeuwissen, is toch geen hinderlaag?
Meeuwissen. Met het karakter ven Voorwaarts is elke hinderlaag, al wat voetangels en klemmen heet, in strijd.
v. B. Want, ik zeg je nog eens, ik neem de candidatuur niet aan. Daarom, is 't dan toch maar niet beter, dat ik hier blijf?
Meeuwissen. 't Is een beleefdheid tegenover Langclaan, en die mannen van Ons Belang, den meesterknecht van den loodgieter en den kruier bij 't spoor; wij hebben die lui in deze dagen zoo noodig.
v. B. Wat de tijden veranderen !
Meeuwissen. Nietwaar; jij hebt nu jc stoompijp niet alleen op het schip van Staat gekregen, maar ook op de schuit van de Maatschappij. Fas maar op, Bommel!
(Mevrouw komt binnen).
Mevr. Pardon, ik meende, dat de heeren al vertrokken waren. Xu, heeft Simson zich gevangen gegeven? (Becker en Meeuwissen schudden van neen). X een ? dat dacht ik ook wel.
Becker. U kent Mijnheer.
Mevr. Als v. Bommel eens neen zegt, is er niemand, die hem er toe zou kunnen brengen op zijn woord terug te komen.
Meeuwissen. Toch één ...
Mevr. Wie dan ?
Meeuwissen. U.
23
Mevr. Xeen, zelfs ik niet... en al zou ik dat kunnen, ik zou het niet willen in dit geval.
Meeuwissen. Waarom juist niet in dit geval ? Dat moet U me eens vertellen, Mevrouw.
Mevr. (tot Meeuwissen). Is dat kamerlidmaatschap nu iets voor iemand zoo gemakzuchtig als mijn man?
v. B. (geprikkeld). Gemakzuchtig! gemakzuchtig! dat is het woord niet. Zeker, ik haal niet meer werk over huis dan ik af kan â maar gemakzuchtig ben ik volstrekt niet; als ik eenmaal weet, dat er een plicht te vervullen is en mijn krachten daartoe toereikend zijn, zal ik mij nooit onttrekken. Adieu! (hij geeft Mevrouw de hand) tot straks ...
(Becker maakt een buiging. Meeuwissen geeft haar een hand).
Meeuwissen (tot Mevrouw), Hij wil het niet hooren, maar U heeft gelijk. Mevrouw. Ja, Rommeltje, (hrj slaat hem onder '£ heengaan op den schouder) 't is waar, je bent een beetje gemakzuchtig, ja, ja, en een beetje erg ook! {Meeuw. af).
Mevr. (alleen). Hij is in staat te bedanken. Door recht-streeksche vleierij krijgen ze hem er niet gemakkelijk toe. Zijn ijdelheid eischt een negatieve behandeling, en je moet hem in den waan brengen, dat hij heelemaal zelf zijn besluit neemt. Hij schiet alleen vooruit, als je hem achteruit trekt. Maar aannemen zal liij; het begint mij ook hier te vervelen, en den Haag en Scheveningen zyn voor een deel van 't jaar heel wat amusanter dan Veenen-burg, Rijnzicht of Berkenhof.
(TAse en Lucie komen binnen.)
Lise. Heeft u papa nog gesproken, mama ?
24
Mevr. ' Jawel, even.
Lucie. En ? (Mevrouw haalt de schouders op).
Lise. Toe mama, u weet iets..... zeg 't ons eens.
Mevr. Je papa is niet van besluit veranderd.
Lise. Hé, dat spijt me!
Mevr. Waarom ? Je begrijpt toch wel, dat jc je papa, als hij verkozen werd, 't halve jaar zoudt missen.
Lise. Neen, dat is 't ook niet, maar dan bleven wij hier.
Mevr. Juist. Jij om Ferdinand en zij om Frits Langc-laan; denk je dat ik 't niet vat ? Als 't van jou afhing stuurde je je papa naar Den Haag en je Mama er bij. Wanneer je papa eens wist, dat jullie half en half geëngageerd waart, zou hij in staat wezen voor goed zijn toestemming te weigeren.
Lise. U heeft er plezier in ons bang te maken.
Mevr. Neen, ik hield mijn hart vast, toen ik jullie zoo onnatuurlijk sterk hoorde aandringen.
Lucie. Onnatuurlijk sterk?
Mevr. Ja, ik verzeker je, dat ik aan zijn gezicht kon
zien, hoe die aandrang hem pijnlijk aandeed____ zijn
antwoord klonk ook niets vriendelijk.
Lise. Och, dat heeft U zich verbeeld!
Mevr. Neen, je moet niet vergeten, wanneer iemand als je papa zoo'n besluit neemt, dan denkt hij daarbij niet aan zichzelf, aan vrouw of kind; zijn eenige vraag is: wat eischt het landsbelang ?
Lise. Hé, wat neemt u dat ernstig op 1
Mevr. Niet zwaarder dan noodig is. De mannen zijn
25
in die dingen veel serieuzer dan juilie, meisjes, begrepen kunt.
Lise. Dan mag ik wel blij zijn; dat ik maar een meisje ben!
Mevr. Het spreekt van zelf, het was al hard voor je papa te moeten erkennen, dat het landsbelang hem als zijn plicht voorschreef van een candidatuur af te zien â en in plaats van hem te sparen, laat je hem nog dieper gevoelen hoe jammer het is, dat hij zich niet waardig moet achten voor dat ambt....
Lucie. Wat hebben wij ons dan gek aangesteld !
Mevr. Daar is misschien in zijn heele leven geen moment geweest, waarop je papa meer medeleden verdiende, dan juist nu ...
Lucie: Had ik dat maar geweten!
Mevr. ... waarop hij meer behoefte gevoeld zal heb. ben aan een kieschc bejegening door zijn vrouw en kinderen.
Lucie. Maar dan zullen wij onze fout herstellen!
Lise. Daar ben ik nog niet aan toe....
Lucie. Ik wel. Ik zal tegen papa zeggen zoodra hij thuis komt: papa, als u om de een of andere reden niet geschikt is om afgevaardigde te worden____
(Hendrik komt binnen).
Hendrik. Mijnheer van hierover vraagt of hij belet doet.
Mevr. (verschrikt). Zeg, dat mijnheer niet thuis is ...
Hendr. Dat weet hij al Mevrouw .. .
26
Mevr. Wou liij dan mij spreken ?
Hendr. Ja, mevrouw.
Mevr. Laat mijnheer binnenkomen ...
Use. Ah mama, dat doet me plezier!
Mevr. Je oom is in geen maanden hier geweest â hooge ruzie met je vader....
Lucie. Ja, ik wil hem niet zien; hij heeft papa zoo slecht behandeld (gaat de serredeur uit, den tuin in).
(Donker komt binnen, Lise hem te c/emoet).
Lise. Dag oom, ((geeft hem de hand) hoe vaart U ?
Donker. Best, en jij ook? â (hij treedt een paar pas nader tot den stoel, waarop Mevrouw zit) v. Bommel is niet thuis, hoor ik, en misschien is dat ook maar beter, (hij ziet om naar Lise, die juist de deur uitgaat). Een oogenblikje alleen met jou, geeft mij de gelegenheid te zeggen, waarom ik hier gekomen ben, want mijn verschijning zal je een weinig verrassen.
Mevr. Verrassen? Ja en neen! 't Verrast me, omdat je drie dagen geleden nog de impertinente hebt geluid mijn man na te apen.
Donker. Pardon Juli*, je man na te apen dat zou onmogelijk wezen; daarvoor is hij te veel mensch.
Mevr. Nu! geen grapjes alsjeblieft.
D. Toevallig heb ik gehoord hoe hij meent, dat ik aan mijn knevel draai, omdat hij aan zijn knevel draait; alsof ik dat niet wel al twintig jaar gewoon was te doen, en er van de honderd inenschen in 't bezit van een knevel
27
ar niet minstens vijftig op dezelfde manier mee manoeuvreeren als v. Bommel en ik....
Mevr. Zoo, kwam je dat vertellen ?
D. Onder andere.
Mevr. En dan is het zeker ook niet waar, dat je verleden week nog geld in je hand hebt geteld, met een beweging van je schouders, als wilde je zeggen: Herman, waar blijft toch het kapitaal, dat je van mij hebt opgestoken?
D. Neen, dat is waar.
Mevr. Wat beteekendo dat dan?
1). Eenvoudig een vraag, waarop je Herman, als fatsoenlijk man, had moeten antwoorden: met 't uithalen van zijn portemonnaie en een invitatie met zijn wijsvinger, wat zooveel had kunnen beteekenen als: kom maar hier oude jongen, we zullen die zaak uit de wereld helpen; â en daartoe ben ik van mijn zij nog altijd bereid.
Mevr. Dat wil ik wel gelooven! â Ha! Ha! bereid om ons het geld af te nemen, dat we geërfd hebben, dat ons wettig toekomt. Foei Donker, wie had ooit kunnen denken, dat jij zoo inhalig en haatdragend zoudt zijn? Ik geloof zeker dat Jetje in den hemel is; dat zal jij ook gelooven, en stel je nu eens voor, dat zij vandaaruit ziet hoe jij tegen Herman handelt: wat moet je ze daarboven nog een verdriet doen!
D. Je hebt een mooi praatje over je, Julia, maar over die geldquaestie zal ik met jou niet verder redeneeren. Of jij 't goed vindt of niet, die erfenis blijft een uitgestelde schuld; ik kom hier nu weer bij je aan huis; zooals
28
Je ziet, van m\j gaat de toenadering uit.... maar ik-houd-de-pretentie.
Mevr. Zoo! dan was 't maar beter, dat je de rest ook hield. Of denk je, dat Herman verlegen is om een vriend' die hem voor een dief aanziet?
D.... en zjjn vrouw voor diefjesmaat.
Mevr. (driftig opstaande). Best, ons gesprek is geëindigd.
D. Neen, 't begint pas . ..
Mevr. Indien je die insolentie terugneemt en er geen tweede op laat volgen â anders zal ik niet hooren....
-D. Ga eerst zitten.
Mevr. Niet in jou presentie alleen; â dan onder getuigen.
D. Eén getuige heb ik meêgebracht.
Mevr. Wie dan ...?
D. De Waarheid.
Mevr. Die zegt dat ik een dievegge ben ... Die Waarheid is wel het leugenachtigste schepsel, dat hier ooit den drempel heeft overschreden.
D. Het leugenachtigste schepsel!?____Voorzichtig Julia;
ten opzichte van leugenachtige vrouwen bestaat er wel een comparatief, nog nooit heeft iemand den superlatief gevonden. â Je bent maar gewoon onwaar. â 't kan nog veel erger! {Mevrouw (jaat wei fiend weer zitten). .Juilie gaan hier vandaan, nietwaar?
Mevr. Dat wil zeggen, mijn man kan hier niet langer blijven, omdat jij hem zco hebt getaquineerd; hij heeft geen rust, vóór hij buiten je bereik is....
29
D. (het oog gerïdit op den ledigen stoelj. Wat zegt mijn getuige daar nu van? Wil ik haar het woord eens geven ? (Hij wijst op den stoel).
Mevr. Schei nu uit niet die laftigheid!
D. Voor die onzichtbare derde in ons gezelschap behoef je toch niet bang te wezen .... De Waarheid heeft mij verteld, dat je man het hier niet langer kan uithouden, omdat hij zich zoo schaamt als hij mij ziet; hij weet wel, dat hij een gemeenen streek heeft uitgehaald, iets wat weinig bij zijn karakter past.... en hij schaamt zich te meer, omdat hij door een ander zich daartoe heeft laten verleiden.
Mevr. Door mij zeker!
D. en nu heb je van zijn kwaad geweten gebruik gemaakt, om hem er toe te krijgen, dat hij wil gaan verhuizen ____
Mevr. Dus daar zie je mij ook al op aan.
D. Ja, als de Waarheid het niet zei, zou ik het niet gelooven, maar die verzekert me, dat alles, wat hier in huis gebeurt, jou bestel is; dat Herman, al lijkt het ook nog zoo'n heer, door jou als een touwtje om je vinger wordt gewonden.
Mevr. Allemaal leugens!
D. En nu zou ik je raden dit alles aan je Herman maar riet over te vei tellen. Zeg hem alleen, dat ik hier geweest ben om hem te laten weten, dat hij om mij niet behoeft te verkassen, aangezien ik met October een woning ga betrekken aan den Buitencingel. We moeten niet in openbare vijandschap leven, het is niet goed voor ons zelf
âWat zegt mijn getuige daar nu van? Wil ik haar het woord eens geven?quot;
(Bladz. 29.)
31
en de kinderen. Zeg hem dat dadelijk, maar verzwijg hem niet: ik-houd-de-presentie! â Dag Julia! Zal ik nu die dame uit den leêgen stoel weer met mij meênemen? Ja hè! Wat zou jij met haar doen? Kom juffrouw Waarheid, wij gaan samen de deur uit.... het zou U hier bij mijn schoonzuster niet bevallen.... U hoort hier niet thuis, (hij vcnvijdert zich langzaam, sprakeloos ziet Mevr. v. li. hem na tot hij bijna bij de deur is en dan gilt zij;)
Mevr. Jou waarheid is de laster! .. afschuwelijke laster!!
D. (even omziende, kalm). Dat zal ik haar vertellen, hoor, maar vergeet niet aan je man te zeggen: Donker wil niet, dat je om hem verhuizen gaat, maar hij houdt zijn pretentie. (af).
Mevr. (alleen). Die buffel!! Zoo een vrouw te behandelen met wie hij alleen is! Ongemanierd als een keeshond! Zoo'n Blauwbaard, die drie lieve vrouwen versleten heeft, en de vierde al lang onder de aard zou hebben, als hij er een had kunnen krijgen ..
(Lise komt binnen door de serredeur).
Li se. Ik zag oom daar heengaan. Wat had hij te vertellen, mama; is 't weer vrede en vriendschap ?
Mevr. Vrede? Neen. Wapenstilstand of zoo iets; en vriendschap wordt het nooit, reken daar maar op.
Lise. Dat is treurig genoeg, Mama, â ook voor Ferdinand, dien hindert het zoo ....
Mevr. Ja, was 't niet om jou en Ferdinand, dan zou ik hem niet ontvangen hebben.... want het is een akelige man.
Lise. Hij is toch altijd heel aardig voor me.
32
Mevr. Ik zou me maar alvast voornemen het met Ferdinand iets minder druk aan te leggen; want zoo lang je oom Donker leeft en Ferdinand van hem afhankelijk is, kan er van een huwelijk onmogelijk iets komen.
Lise. Mama!!
Mevr. Ik meen wat ik zeg....
Lise. En u had me beloofd, dat van den zomer ons engagement publiek zou worden ....
Mevr. 't Kan wel wezen... (Lise begint te huilen). Zoo, komen de waterlanders nu al.... en dat zou zich bekwaam achten een man te regeeren!
Lise. Ik wil Ferdinand niet regeeren, zoo min als u dat papa doet____
Mevr. Ondertusschen wil je mi), je moeder, al regeeren . .. met je traantjes.
Lise. Waar denkt u toch aan! ik schrei, omdat ik zooveel van Ferdinand houd....
Mevr. 't Mocht wat! Omdat je zooveel van je zelf houdt. â Huilerige meisjes zijn altijd tyranuetjes.
Lise. 't Kan me niet schelen! ik laat Ferdinand mij niet ontnemen, U mag doen wat U wil.... ik trouw hem toch! (verwijderd zich boos). (af).
Mevr. 't Is wat moois!... Die houdt ook hamp;m-pretentie!
(Mr. van Bommel komt binnen.)
Mevr. Ah daar is hij alweer! (tot v. B.): Zoo je hebt het niet lang gemaakt.
v. B. Neen, 't is daar te gevaarlijk. Langelaan was zoo onstuimig en dringend, 't leek wel of ik den hemel er een
33
dienst meê zou doen â en daarover waren allen het eens, gekozen werd ik zeker.... ik was precies de man, dien zij hebben moesten....
Mevr. Maar je denkt er niet aan....
v. B. Niet aan denken? â Je moet er wel aan denken, als ze je er zoo toe pressen willen â maar denken is geen doen.
Mevr. Xu ja, lieve, dat bedoel ik ook : je doet het toch niet. â Intusschen heb ik hier ook een conferentie gehad____en met wien ?
v. B. Nu?
Mevr. Met Donker.
v. B. Met Donker!!
Mevr. Met niemand anders dan je zwager Donker.
v. B. En wat moest die? Kwam hij schuld bekennen, wou hij weer vriendschap sluiten?
Mevr. Hij vond het noodig ons meê te dcelen, dat hij met October verhuizen gaat naar den Buitencingel en dat jij dus niet om hem van hier behoefde te vertrekken, maar, dit voegde hij er uitdrukkelijk aan toe: wat de geldquaestie betrof; hij hield de pretentie.
v. B. Wat je zegt! Die draait dus bij !
Mevr. Ja. Van mijn kant komt de toenadering, zei hij, ïnaar ik houd de pretentie.
v. B. Xu die pretentie kan hij op zijn buik schrijven!
Mevr. Dat denk ik ook.
v. B. Eu had hij nog meer te vertellen?
3
34
Mevr. Niet veel; over je candidatuur sprak hij geen woord; hij vond dat zeker niet belangrijk genoeg.
v. B. Toch zal zijn bezoek daarmee in verband staan.
Mevr. Op welke manier, meen je ?
v. B. Het is verwonderlijk wat de lui in zoo'n kamerlidmaatschap zien. â Wil je wel gelooven, dat Donker alleen van batterij veranderd is, in de hoop van weldra te kunnen bluffen op âzijn Zwager 't Kamerlid.quot; Een Kamerlid in de familie te hebben is al een eer, en nu denkt hij, als ik me na zijn verkiezing met hem verzoenen moet, staat dat zoo mal.
Mevr. Ik geloof Herman, dat je daarin je vergist----
v. B. Zoo, zie jij dat niet in! Jij ziet ook nooit iets in, wat ik zoo bijzonder duidelijk vind en wat ieder ander
inziet;--het kamerlidmaatschap is in 't oog van alle
gewone menschen de maarschalkstaf; â¢â â dat is het, al begeer ik hem niet.
Mevr. Dus je zoudt denken, dat ik en de kinderen, als je verkozen was, een Maarschalk in je zouden zien!
v. B. Iets bijzonders ? Zeker â zelfs jij!
Mevr. Mijn beste, laat nu naar je kijken! Wij weten hier allen heel goed, dat je, al had je naar den Haag willen gaan, daar niets meer zoudt geworden zijn, dan je nu bent....
v. B. Dat is?
Mevr. Je was voor ons eenvoudig Mr. v. Bommel gebleven; iemand die eiken dag anderhalve flesch wijn, een stuk of wat glazen bitter en een ontzettende sloot
35
thee opdrinkt; die minstens tweemaal zooveel eet als voor het onderhoud van zijn lichaam noodig is; die één uurtje per dag iets uitvoert, dat op werken gelijkt; een halven middag in de Societeit zit, en de rest van den tijd doorbrengt binnen of buiten de deur, als een slak in of bij zijn huisje....
v. B. Ei, is dat mijn portret! Dan had je Dominé Langelaan zoo pas maar eens moeten hooren ....
Mevr. Langelaan! Je weet zeker niet, dat die je vleit!
v. B. Wat ben je weer kwaaddenkend!
Mevr. En waarom heeft Schreuder, zooals je zelf me verteld hebt, het je dan zoo afgeraden ?
v. B. Schreuder als notaris nogal een onpartijdig getuige!.... die vraagt natuurlijk niet anders dan, hoe krijg ik zijn huis in de veiling?
Mevr. En nu ben jij zeker niet kwaaddenkend! Ik heb het je al zoo dikwijls gezegd, jü steltje de menschen voor, zooals je dat in je kraam te pas komt. Je vindt me niets aardig, maar waarom zou ik je niet eerlijk opbiechten hoe het met de zaak staat? Onder vier oogen mag dat immers wel!
v. B. Doe het gerust...
Mevr. Gerust, ja dat zeg je, maar je ziet nu al niet erg vriendelijk... en toch spreek ik even oprecht als vertrouwelijk ...
v. B. Nu goed, laat mij dan eens hooren, wat je op het hart hebt!
Mevr. Wel, niets bijzonders. Wij zijn het nog nooit beter met elkaar eens geweest, dan juist nu, ten opzichte van
36
je weigering voor die candidatuur. Ik geef je gelijk, dat je je niet laat overhalen, en ik zeg dit nu eerst, omdat ik niet op je besluit hebt willen influenceeren.. .
v. li. En waarom doe ik dan in jou oogen zoo verstandig ?
Mevr. Allereerst, zou ik zeggen, omdat je voor kamerlid te lui bent, beste; je bent heelemaal geen man om iets onder handen te nemen, je ergens voor in te spannen. {Hij wendt zijn gèzicht van haar af), Neen. is 't niet zoo V
v. B. Jij zegt het.
Mevr. Bij je indolentie komt een volslagen gebrek aan geestdrift... Je gemiddelde opgewektheid is die van iemand tusschen zijn diner en zijn dutje. Jawel, je hebt je oogen open, maar zoo heelemaal open om ergens naar te kijken, is een uitzondering, nietwaar?... {v. B. gooit zich om in zijn stoel) Nietwaar?....
Dat neem ik je niet kwalijk, want je hebt er het geld voor; je behoeft je voor niets te interesseeren.
't Spreekt van zelf, je hebt je studie niet bijgehouden; en nu weet je niet veel. Daarover zal ik je ook allerminst hard vallen. Niemand heeft het recht je er een verwijt van te maken. Maar mijn lieve Herman, nu ben je bang om in de Kamer te komen. Je ziet er tegen op, je vreest dat je je daar zult verpraten, ik begrijp het volkomen!
v. /gt;'. Je begrijpt er niets van!
Mevr. Neen, toon nu geen gevoeligheid. Ik meen het goed met je... Je durft niet.
v. B. (staat op uit zijn stoel), Wat!
Mevr. Ik zou het niet zeggen, als er iemand bij was; je voelt zelf wel, en het is gelukkig dat je het gevoelt.
37
mijn oude jongen, dat je tegen die heeren daar niet bent opgewassen; je vreest dat ze een loopje met je zullen nemen; in elk geval, dat ze je zullen overtroeven, en daarom geeft het me zoo'n gerustheid, dat je bedankt...
v. B. Schei maar uit!!
Mevr. Neen, hoor me nu eens kalm aan. Ik weet zeker dat je in je hart mij gelijk geeft; toon geen valsche schaamte aan iemand die je zoo liefheeft als je vrouw. Waarom zou je 't mij niet bekennen, dat er nog een verhevener motief voor je besluit bestaat? Je bent een beetje huiverig voor het Haagje. Je leeft hier sedert zooveel jaren in een landelijke, onschuldige, reine omgeving, geregeld en soliede, maar nu vrees je, dat, als je je blootstelt aan de verleidingen van die groote stad, je oude natuur weer zal boven komen en je de verzoeking niet zult kunnen wêerstaan; je wilt jezelf bewaren voor 't gevaar, dat van Bommel opnieuw van Boemel zal moeten heetcn â en je hebt alweer gelijk; daar in den Haag en te Sche-veningen gebeurt nogal iets! Je voelt je zwak, maar zich te zwak gevoelen is voor een verstandig man de grootste sterkte, en voor mij is het bezit van zulk een man de hoogste eer. (Zij steekt hem de hand toe). Dat je je zelf niet vertrouwt Herman, maakt je het meeste vertrouwen waard...
v. B. Houd je lofspraken voor je! â Ik wilde niet, ik had vast besloten te bedanken, maar nu ik weet hoe jij over mij denkt, â â ik ga!
Mevr. Wat zeg je daar ....! Kun je dan zóó weinig tegen de waarheid!.... Moet alleen het feit, dat je die
âIk wilde niet, ik had vast besloten te bedanken, maar nu ik weet hoe jij over my denkt, ââ ik ga!quot; (Bladz. 37.)
39
uit den mond van je eigen vrouw komt te hooren, je ongelukkig maken... ben je zoo zwak!
v. B. Zwijg alsjeblieft! Ik zal toonen, dat ik sterk ben; ik laat my niet verder miskennen, ik ben een man!quot;
Mevr. Weet wat je doet, Herman! Het is voor je eigen verantwoording, ik ...
v. B. Ik draag de verantwoordelijkheid â ik alleen.
Mevr. En ik wasch mijn handen in onschuld; â watje doen gaat, verwijt het mij nooit!
(af.)
v. B. (alleen, zenuwachtig.) Neen, als het zoo wordt uitgelegd, ben ik verplicht de candidatuur te aanvaarden, â mijn eer als man, als echtgenoot, als vader eischt het....
[Hij loopt door de kamer).
Ah! wat is dat wreed!.. Byna vijf en twintig jaargetrouwd, en je eigen vrouw begrijpt nog niets van hetgeen er in je omgaat!....
Ik zou niet durven!!.... Die vrouw is een van de verstandigste vrouwen van de wereld â en haar eigen
man is voor haar een gesloten boek!____Een boek met
zeven zegels !.... De man, die boven haar staat, haar
heer en meester, is in haar oogen een kind!quot;.....Mjjn
verdiensten zijn de heele wereld openbaar, alleen z\i heeft die niet ontdekt....
Lucie komt binnen, schuchter en neerslachtig.
I
Lucie. (zacht) Dag papa!
v. B. (zonder zich om te keer en.) Lise !
40
Lucic. neen, niet Lise; Lucie papa.
v. B. (voor zich heen ziende, Lucie nadert hem schoorvoetend.)
Lucie. Scheelt u iets papa?
v. B. Neen!
Lucie. U is bedroefd, geloof ik.
v. B. Waarom dacht je dat?
Lucie. U weet zelf niet hoe vreemd u er uitziet. v. B. Zoo ... zoo....
Lucie. Maar ik begrijp wel wat u verdriet doet. v. B. Wat dan ?
Lucie. 't Spijt me zoo, wjj hebben u zeer gedaan . . v. B. Jullie ... neen ! juilie....
Lucie. Zeg papa, als u om de een of andere reden u niet geschikt acht candidaat te zijn, zullen wij daarin berusten... wij zullen daarom niet minder van u denken, evenveel van u houden ...
v. B. Wie zegt jou, dat ik mijzelf niet geschikt acht!
Lucie. Neen papa, maar als u afslaat, wat ieder zoo graag hebben wil, moet er toch iets zijn, dat u tegenhoudt....
v. B. Daar houdt mij niets tegen!... Ik ga.
Lucie. O, papa! Wat maakt dat mij gelukkig! U gaat ! ! (roept door de open deur) Mama !! Mama ! ! Papa wordt wel candidaat...!
Mevr. (komt binnen). Ben je daar nu zoo blij om ? Je
41
papa wordt candidaat, maar daarom nog geen kamerlid ..
v. B. Zoo ... en waarom zou ik niet verkozen worden ?
Mevr. Moet ik je dat nu ook zeggen, Herman ? (v. Bommel knikt herhaalde malen, driftig) moet ik ?
o. B. {woedend). Ja-a-a... zeg op !!
Mevr. Omdat je voor het candidaatschap niet deugt, lieve; je bent daarvoor te leuk.
v. B. Te leuk ?! Ik te leuk!! Dat zullen wc dan eens zien!
TWEEDE BEDRIJF.
DE KAMER VAN VAN BOMMEL.
(Van Bommel met eenige kranten voor zich, die hij de een na de ander opemlaat.)
v. B. Niets â neen, geen woord. â (neemt een tweede op) Eenvoudig een bericht! (een derde) Men schrijft uit Veenenburg. {hij leest cursorisch) v. Bommel â candidaat
â meeting â gisterenavond â in 't breede zijn staatkundig program uiteengezet â van ganscher harte als vryzinnig democraat aangesloten bij het program van de kiesvereeniging Voorwaarts â herhaalde hetgeen hij reeds vóór twintig jaar in datzelfde locaal, zij 't ook niet van dezelfde plaats, had uitgesproken, âdat het schip van Staat tot dusverre een zeilschip was geweest, maar van nu af, voor zoover het van hem afhing, voorzien zou zijn van stoom-vermogen en de reis zou worden voortgezet full spead en bij noodweer alle hens op dek. (luid langdurig applausf1.
â Ja, dat is waar, hij had gerust kunnen schrijven: stormachtige toejuichingen. â Bestrijding van conservatisme.
43
van kerkelijke draverij, van protectionistisch streven .... hè, waar blijft bestrijding van socialisme ? Dat heeft die man vergeten.... Jammer.... wat staat dat mal. Nu zullen ze nog denken, dat ik dien kant uitga... dat kost me stemmen. Wat moet ik daaraan doen!
(Ds. Langelaan komt binnen).
v. B. Zoo, dominé, gaat het goed?
Ds. L. En u mijnheer den Candidaat ?
v. B. Druk, drukker dan ooit!
Ds. L. Dat wil ik gelooven. U moet zoo 't gevoel hebben van een jong veulentje, dat voor 't eerst voor den wagen gespannen is ... ongewone toestand!
v. B. Ja, ik lees daar juist in de krant het verslag van mijn redevoering van eergisteren-avond.
Ds. L. En is dat varslag nogal in extenso en op de hoofdpunten ad verbum?quot;
v. B. Hier en daar is het woordelijk, Dominé â maar verbeeld U, daar heeft die reporter vergeten te vermelden, dat ik me ook tegen het socialisme heb verklaard.
Ds. L. Wat U zegt! Dat zou schandelijk moeten heeten, indien het met opzet ware geschied.
v. B. Ja, wie weet welke bedoeling er achter steekt.
Ds. L. De omissie kan echter ook toevallig zijn, zooals mij eens is wedervaren, toen ik sprak op een vergadering van Matigheid. De reporter, een jeugdig, tamelijk gezet, weluitziend heer, lei op eens zijn potlood neer, li aaide een zakkammetje te voorschijn, streek dat
44
door zijn knevel, dronk een teug uit zgn glas, stak een sigaar op, en juist ten opzichte van hetgeen ik op dat moment gesproken had, bevond zich een lacune in zijn verslag â en ik, of juister gezegd, de lezer, was mijn beste argument kwyt. Aan zulke dingen sta je als redenaar bloot. (v. B. haalt zijn sigarenkoker te voorschijn en presenteert) â Gaarne! â
v. B. Maar U kostte dat geen stemmen...
Ds. L. Neen, daar heeft U gelijk in. Er is echter iets anders, dat ik met U bespreken wou, juist met het oog op uw redevoering. U moet weten, ik ontving zoo even een brief van collega v. Druten te Willigendam, die met een weinig ongerust maakt...
v. B. Toch geen onraad ?
Ds. L. Onraad, neen, maar 't noopt tot voorzichtigheid en overleg.
v. B. Nog meer voorzichtigheid ?
Ds. L. Voorzichtigheid, mijn waarde heer, is de moeder der porceleinkast en van het parlement. Er bestaat meer overeenkomst tusschen de kamerleden en de lange lijzen, dan U misschien denkt. Van Druten had de volgende opmerking, â ik kan het U in zijn eigen woorden laten hooren. (haalt den brief' te voorschijn). âDe candidatuur v. Bommel ontmoet in mijnen kring eenig wantrouwen. Men vraagt zich af, of men zich niet te zeer heeft laten verleiden door Uwe warme aanbeveling van den candidaat, die ongetwijfeld als mensch aller achting waardig is, maar zich voor do beginselen onzer partij tot dusver nimmer verdienstelijk heeft gemaakt.quot;
45
v. B. Nu â wat willen ze dan van me ?
Ds. L. âDat gebrek aan vertrouwen is nog vermeerderd, nu hij op de eergisterenavond gehouden meeting, met geen enkel woord verzekerd heeft, dat hij zal pal staan voor de uitkeering der subsidies, het behoud der tractementen en emolumenten. Ook heb ik hooren mompelen, dat hij zelfs nooit ter kerk komt...
v. B. Dat laatste kan U beslist tegenspreken. Verleden jaar ben ik op oudejaarsavond nog onder uw gehoor geweest...
Ds. L. Maar vooral op het eerste dient gelet: de subsidiën.
v. B. Ongelukkig, dat ik dat vergeten heb, ik achtte die volstrekt niet bedreigd ...
Ds. L. Zeker, doch men kan niet weten ...
v. B. Xu, overmorgen spreek ik juist te Willigendam, â dat komt terecht...
Ds. L. Als er dan geen reporter is, die zijn zakkammetje uithaalt, zijn dorst lescht, en een sigaar opsteekt...
v. B. Ja, dat is een gevaar.
Ds. L. Daar kunnen wij echter voor zorgen, â ik stuur mijn Frits er heen. Want daar mag geen tweede fout begaan worden. Ik heb de leiding nóg in handen, maar er doen zich twee stroomingen voor in de partij... _
v. B. Xu, Doniiné, de zaken staan dan toch bij langen na niet zoo mooi, als u en de anderen mij verzekerd hebben vóór ik de candidatuur aannam.
Ds. L. Zoo mooi! â maar dat zou ook al te mooi zijn. Heb geen vrees, wij komen er wel.
46
v. B. Ja, dat zegt u....
(Mevr. v. Bommel komt binnen).
Ds. L. Lieve Mevrouwtje, hoe vaart u?
Mevr. Best dominé â en Marianne ? Ik hoor van Frits dat zij 't huis moet houden ...
Ds. L. Ja, en dat spijt haar zeer; ze zou zoo gaarne u nu eens opzoeken, want het zijn voor u ook moeie-lijke dagen. (tot v. B.J Zoo ooit, dan zal u thans ondervinden, dat de vrouw eene hulpe is tegenover den man! Van ochtend sprak Marianne nog, wat is het nu heerlijk voor mijnheer v. Bommel, dat hij zulk een vrouw heeft!
Mevr. En wat zei U toen ?
Ds. L. Ik? Wat is het heerlijk voor zulk een vrouw, dat zij zulk een man heeft! (v. Bommel applaudisseert). Ja, want daar mag u ook wel eens aan denken: een man, die met eere candidaat is voor zulk een gewichtig ambt; die zich in den strijd tegen verdachtmaking en verguizing waardig gedraagt... die, getrouw aan het vaandel, met de in gouddraad geweven beginselen, den kamp waagt, grijpende alleen naar eerlijke wapenen â zulk een man ....
Mevr. Maar mijn goede dominé, steek hem nu niet zoo in de hoogte! Dat is niet noodig, alles gaat immers van een leien dakje ....
v. B. {onrustig) Zeker! â alles gaat van een leien dakje! â we winnen het, daar behoef je niet aan te twijfelen!
Ds. L. Ah, wat een moedig man. Mevrouw 1 Hij kent geen gevaar; zoo iemand moet slagen, {tot v. B. Nu ik
47
stuur Frits, (tot Mevr). Dag Mevrouwtje, het goede!
Mevr. Adieu Dominé, groet Marianne, ik kom spoedig eens kijken.
v. B. Ik zal u uitlaten ... (Ds. Langelaan af.)
Mevr. {alleen) 't Gaat niet zoo vlot, als zij gedacht hadden. Ik laat me niets wijs maken. Aan zijn luidruchtigheid kan je al merken dat het niet pluis is â (zij neemt de krant op, kijkt er in, v. Bommel komt haastig binnen).
v. B. Zoo, lees je dat verslag, Julia?
Mevr. (Zij werpt de krant neer). Neen ; â wat kwam Langelaan hier doen?
v. B. Spreken over mijn speech van overmorgenavond.
Mevr. Er komt nog al oppositie tegen je candidatuur, dunkt me.
v. B. Oppositie, volstrekt niet! dat wil zeggen, niet meer oppositie, dan waarop wij rekenden; en je zei zelf zoo pas, 't gaat van een leien dakje...
Mevr. Zeker, 't hangt er maar van af, hoe. Van een leien dakje rol je zoo gemakkelijk naar beneden ... (zij gaat heen). Enfin we zullen het wel zien! In elk geval : ik sta hier buiten, de zaak gaat mij niet aan ... (Mevr. af.)
v. B. (alleen). Ik begin zoo'n gevoel te krijgen, alsof het mis zal loopen. Had ik alles geweten ... (Hij neemt een andere krant op, scheurt de strook) Wat is dat voor een blad ? De Vrije Pers; nooit gezien! Ah, een blauwe potloodstreep. De verkiezing in het district Veenenburg. Dat is over den tegencandidaat, v. Dapperen. âZonder
48
antecedenten in de politiek als volksmanquot;; âdat's juist! ânaar luid van die hem kennen, conservatief, tot in zjjn nierenquot;; â dat is zoo! âonderscheidt zich door een groote mate van schrielheidquot;; âjawel! âiemand van geen eigen oordeelquot;; â neen, oordeel heeft hij niet; â âmeer geschikt om directeur van een oudemannen- en vrouwenhuis te worden, dan om werklieden te vertegenwoordigen!quot; â God beware me, daar kan hij mee toe! Pak aan maar! Wat doe je in de kou! (Hij slaat het eerste blad om). Zoo, het is nog niet uit; daar hebben ze 't over mij. (leest over luid) âWaartoe zouden we onze stem geven aan den candidaat aanbevolen door de kiesvereeniging Voorwaarts ? liet is waar, hij wordt ons voorgesteld als een vrijzinnig democraat, maar met welk recht? Vrijzinnig en democraat noemt zich tegenwoordig alles. Bourgeois satisfait, voldaan burger, ziedaar zijn ware naam. Neen, dat nog niet eens. Deze vrijzinnige democraat is niets anders dan een aristocraat, een van de ergste soort; of wat is ons meer vijandig dan de bourgeois-aristocraat, die op zijn tonnetjes van rijksdaalders en tientjes zit, als op een gouden troon met zilveren voeten ? Mijnheer v. Bommel, de democraat ! Men behoeft hem maar aan te zien, om te weten, wat hij voor den minderen man gevoelt; men heeft hem slechts te zien passeeren in zijn rijtuig, lui liggende, gedoken in de zachte kussens, met zijn hoogen grijzen hoed op, welke hem altijd iets te zwaar is, om dien voor ons te lichten; en als dat nog niet voldoende is, men moet maar eens bij hem aanschellen, om door zijn huisknecht in livrei te worden opengedaan, en op de vloermat te blijven wachten tot deze loonslaaf U heeft aangediend bij zijn meester, den democraat! Zouden wij hem stemmen, verraad
49
plegen aan onze partij ? (hij gooit driftig zijn sigaar neer en de krant op den grond.)
Bah ! wat oen manier van schrijven! (hij geeft De Vrije Pers een schop) Neen! (hij raapt haar weer op en sluit haar weg in zijn bureau). Ik mag wel oppassen, dat Julia dat ding niet ziet. Zij neust alles na. â Daar gaat al weer een deel van de stemmen, die ik hoog noodig heb. Langelaan en Meeuwissen hebben zich ook in die lui vergist! Dat wordt een mooie boel! (Er wordt getikt). Ja!
(Hendrik komt binnen, reikt hem een brief over).
Hendrik. Mijnheer, hoe laat zal Janus van middag inspannen ? U moet immers naar Duivendiep .. ?
v. B. Neen, Hendrik... 't is mooi weer, ikgaloopen.
Hendrik. Mijnheer moet het weten, maar het is haast l'/a uur heen, en l'/o uur terug.
v. B. Jawel, dat 's me bekend.
Hendrik. En dan wou ik U vragen, zal ik uw grijzen hoed meenemen om te laten repareeren; de band is los?
v. B. Niet noodig, Hendrik; de bruine flambard bevalt me met den zonneschijn beter, {hij ziet Hendrik aan).
Hendrik. Heeft U nog wat. Mijnheer?
v. B. {blijft Hendrik aanzien)... daar is iets, waar ik al lang over gedacht heb...
Hendrik. Wat dan. Mijnheer!
v. B. Die witte das, jongen, moest je afleggen....
Hendrik. Maar mijnheer! vier jaar geleden heeft Mevrouw mij gepermitteerd hem te dragen, als een bewijs, dat ze over mijn werk tevreden was. We willen je in rang verhoogen,
4
50
zei Mevrouw, en je /quot;25 meer toeleggen voor je kleeding. Die knoopen en die das, Mijnheer, zijn voor mij een eere-teeken, en als ik 's morgens de schoenen poets, de messen slijp of de hond wasch, denk ik dikwijls bij mezelf: in heel Veenenburg zijn er maar twee of drie die dat doen mogen, net als ik, in een livereihuisjasje en met een witte das ...
v. B. 't Kan wel zijn, Hendrik. Niet je te verlagen, integendeel, je te verheffen is mijn doel. Maar je verschijnt niet meer onder mijn oogen, dan in gewone bnrgerkleeding.
{Ei' wordt gescheld).
Hendrik. Ik zal maar gaan opendoen!
v. R. {alleen). Wat zal Julia een spectakel maken! Aan die witte das hing haar ziel en zaligheid! â Waar moet dat heen? 't Is van daag pas de 9e, ze kunnen me nog zes dagen lang afbreken!....
(Schreüder komt binnen).
v. B. Notaris! (geeft hem de hand).
Schr. Candidaat!
v. B. {wijst op een stoel, â beiden gaan zitten).
Schr. Toch bezweken!
v. B. Bezweken, niet voor de verleiding; het kan me werkelijk niet schelen of ik verkozen word; bezweken voor den drang van mijn plichtsgevoel. . .
Schr. Ongelukkige! â En hoe heb je het nu?
v. B. Wat zal ik zeggen?
Schr. {doet alsof hij v-. Bommel den â pols voélt). Jawel 39.5____midden in de verkiezingskoorts
âDie knoopen en die das, miinheer, zijn voor mij een eereteeken.quot; Bldz. 50.
52
v. B. Kom! ihem afwerend). Houd je handen thuis ....
Schr. Jii, die daar rustig in je paradijsje leefde... er uitgejaagd! â en je kunt niet eens zeggen als Adam: dat heeft me die vrouw gedaan!
v. B. Neen, daar heb je gelijk in'; het was mijn eigen besluit. Julia heeft met dit geval niets uit te staan. In zooverre was 't geheel mijn vrije wil...
Schr. Van Bommel uit vrijen wil slachtoffer van de politiek ! Verkocht aan den Booze ! Ter plaatse, waar eens zijn hart zat, groeien nu de vergiftige paddenstoelen van zijn ambitie!
v. B. {lachend). Nu overdrijf je toch wel een beetje.
Schr. Een beetje... misschien!
In de politiek! â Waarom ga je niet liever opium schuiven, dan heb je ten minste nog wellustige droomen; maar wat heeft een schepsel nu aan de hallucinaties van zijn eerzucht? Of, als je dan toch op een pleizierige manier ongelukkig wilt zijn, waarom je niet aan den drank verslaafd ? Dat gaf je in elk geval de zekerheid van iets te doen in het algemeen belang, daar je je deel zoudt opbrengen in den accijns op het gedistilleerd. Maaide politiek, dat dobbelspel met valsche steenen!
v. B. Mijn beste Schreuder, je begrijpt van de geheele zaak niets.
Sdir. Neen, maar toch wel zóó veel, dat je nu al je persoonlijk belang voor het landsbelang wilt uitgeven; dat de eenige vraag voor je is, hoe zal ik maken, dat ik verkozen word, en het weldra zal wezen: hoe moet ik spreken en doen, opdat ik herkozen word. Ben je
53
eenmaal in eenig emplooi op cle verkiezingsmarkt, je wordt, of je wilt of niet, een Charmeur de Serpents of oen Charlatan.
v. B. Wat sla je wêer door, zijn dat nu onze kamerleden!
Schv. Xiet allen. Daar zijn er krachtig genoeg om een aanval der ziekte te doorstaan. Maar de gewone lui, zooals jij en zoovelen, ... je krijgt al de leegloopersmanieron van de habitués van 't Binnenhof. Luiheid is des duivels oorkussen, en hoeveel duiveltjes liggen daar niet te droomen in de nabijheid van don troon!
v. B. Zoo spreek je, omdat je niet van onze partij bent!
Schr. Denk je soms, dat de eene partij in dit opzicht beter is dan de andere? â De menschelijke natuur blijft onder alle richtingen dezelfde.
v. B. Je kunt van alles wel een caricatuur maken!
Schr. Een Caricatuur? Neen. Wil je een portret van je zelf zien als kamerlid in actie?
Je zit te geeuwen op je plaats; je slentert door de zaal; je neemt een opfrissching in dc koffiekamer; je kijkt naar een spreker, die je verveelt, en doet alsof je naar hem luistert; je babbelt wat met je buurman; je maakt van je papier een prop, die je niet durft wegschieten; je verlangt, dat het tijd wordt om te dejeuneeren ; je boemelt naar de Besognekamer; je drentelt naar de Witte; je dineert waar het lekker is; je leert alle wijnkaarten van buiten ! Best, geloof me maar niet! Wij spreken elkander nader. Je meent nu candidaat te zijn voor het lidmaatschap der Tweede Kamer, om afgevaardigde te worden van het Xederlandsche volk, nietwaar? En weet je watje wordt?
54
/
v. B. Nou ?
Schr. Professor in het lanterfanten en in de lijfsver-zorgingskunst.
Maar waartoe zou ik daar verder over spreken! je zit in den trein, je kunt er niet meer uit, je moogt zelfs niet aan den noodrem trekken. En 't mooie van de zaak is, dat de reden, waarom ze je candidaat wilden stellen, vervallen is, nu je niet langer behoeft te verhuizen.
v. /). Zoo, weet je Jat al ?
Schr. Ik heb Donker gesproken; hij heeft me gezegd, dat hij weer bij jullie aan huis is geweest; zoo begreep ik dat het met die ruzie zoo goed als uit was...
v. B. Ja, geheel onverwacht. â Is hij je dat komen vertellen ?
Schr. Neen, hij had mij iets op te dragen.
(Meeuiüissen komt binnen).
Meeuw. Bonjour Heeren! Twee vliegen in één klap! Ik moest je juist hebben, Schreuder; je pachters en de lui, die hypotheek van je kregen, zal je toch aanschrijven om op v. Bommel te stemmen, of heb je het al gedaan?
Schr. Neen, aan zoo iets heb ik nog niet gedacht. â Is dat noodig, v. Bommel ? â {v. B. haalt zijn schouders op).
Meeuw. Noodig, dubbel en dwars; â de tegenpartij spant zich zoo in; werkt in 't geniep, gebruikt allerlei gemeene middelen, koopt de lui haast om.
Schr. Maar daarom behoeven jullie dat nog niet te doen.
M. Dat is 't; daarvoor zijn wij te fatsoenlijk.
v. B. Onze richting gedoogt zoo iets niet.
55
M. Juist, daardoor hebben die schobbejakken zooveel op ons voor, dat wij geen enkel eerlijk middel ongebruikt mogen laten. â Je doet het, nietwaar Notaris ? (hij haalt eenige stukken uit zijn Jaszak) kijk eens hier; van ochtend ontvangen: le Circulaire van de firma Boekenveen te Amsterdam, 'ie prijscourant, 3e eenige modellen; hij wil zich verbinden alleen voor onze partij te werken, als wij hem met de leverantie belasten; wij hebben de pré.
(v. B. en Schr. lezen in 't prospectus.)
Schr. Aanplakbiljetten van 0.75 tot 2 meter; in alle kleuren.
v. B. De breedte wordt niet opgegeven.
Meeuw, {in de prijscourant ziende.) De grootste komen op f 5,00 de honderd. Jammer dat wij van die offerte niet kunnen profiteeren, (tot v. B.) Van ons biljet krijg je straks een exemplaar.
Schr. (leest.) âde biljetten zijn op dusdanige wijs gegomd, dat zij nimmer loslaten, en zullen zij aan de voorzijde-geglansd worden, zoodat daarop geenerlei kleurstof houdt.quot; â Dat noem ik nu het volmaakte biljet!
Meeuw. Dat is meer voor de groote steden.
c. B. [leest) âKleine nette tonnetjes exprcssclijk voor het doel vervaardigde zwartsel, met kwast aan twee meter langen steel, die in elkaar geschoven als wandelstok kan gebruikt worden.quot;
Schr. Niet kwaad, dan kun je al wandelende je tegenpartij zwart maken!
Meeuw. Ik moet zeggen, die man is énorm gesorteerd!
56
Zie je {hij wijst in de prijscourant): â Etui's voor stembrieven met toepasselijk opschrift; âStembus-rijmpjes geschikt voor ulevelletjes ter verspreiding op de scholenook niet slecht! âSpeldenkaartjes voor do dames, met in goud â n letters op de voorzijde: âzorg dat manlief stemtquot;: â maar dit is verduiveld aardig! hoor: âeen scheurkalendertje voor de 14 dagen, voorafgaande aan den dag der stemming, met één politieke gedachte van den candidaat zelf voor eiken datumquot; ...
Schr. Dat is de beste reclame, die ik van mijn leven nog gehoord heb.... Een kalendertje! Alleen jammer, dat je kiezers die veertien denkbeelden van je zullen moeten verscheuren, v. Bommel!... Zoodra er zoo iets van je uitkomt, krijg ik er een, en wat de kosten betreft, de helft draag ik er van..
(Meeuw, tot v. B.). Wat is hij gul hé!
Schr. Ik zal juilie van je ernstige bezigheden niet afhouden; Adieu hoor, â neen, ik kom er wel uit! (Schrendcr af.)
Meeuw. Gek hè, aan dien Schreuder weet je eigenlijk nooit wat je hebt!
v. B. Nooit? â Altijd ... een notaris!
Meeuw. Zou hij iets voor je doen ?
v. B. Ik geloof er niets van!
Meeuw. En toch zou het nuttig zijn .. wij kunnen geen stem missen ...
v. B. Xeen, 't begint onder de werklui, op wie juilie zoo vast rekenden, ook te spoken!
Meeuw. Je las zeker de Vrije Pers'/
57
v. B. Ik zag hem even door.
Meeuw. Over de oppositie van dien kant zou ik me niet ongerust maken. Zulke taal heeft op de weldcnken-den geen vat; maar ik had je iets anders te zeggen, en daarom deed het me plezier dat Schreuder aftrok. Ik sprak gisterenavond een van de onderwijzers hier, die zei, ik heb met genoegen v. Bommel gehoord; dat is me niet tegengevallen, wat den vorm betreft, â maar is hij wel vooruitstrevend? Over de ondenvijzersbelangen geen woord; alleen ter loops iets over leerplicht. Zou hij zóó vooruitstrevend zijn, dat hij ook zal ijveren voor verhooging der onderwijzerstracteinenten V
v. /)'. En wat antwoordde je toen ?
Meeuw. Ik maakte er me van af met een grapje en zei: ja, dat is een lastig geval; of je ondermeester, bovenmeester, of burgemeester heet, als je eenmaal meester bent, wil je altijd meer verdienen! Maar hij bleef ernstig en vervolgde nijdig: als lid van de schoolcommissie heeft van Bommel nog niet zoo lang geleden verklaard, dat z. i. de school op te weelderigen voet was ingericht; daarom staat hij slecht bij vele van ons aangeschreven, en je zult het zien, verscheidenen stemmen hem niet.
v. B. Maar je hadt hem niet boos moeten maken.
Meeuw. Xeen, in verkiezingsdagen mag je wel twee wachters voor je lippen- zetten ... eén, om de booze woorden terug te jagen, en één, om de vriendelijke woorden er uit te lokken, maar hoe gedisciplineerd ook .. .je blijft toch altijd mensch !
58
v. A. Intusschen, 't is goed, dat ik het weet! Dat gaat een gangetje! de dominé's, do werklui, de schoolmeesters ...
Meeuw. Maar daar tegen over staat, dat een deel van de katholieken, die niet gediend zijn van den anti-revo-lutionnairen candidaat, je stemmen zullen ...
v. B. Ja â als 't maar waar is!!
(v. Aalst komt binnen).
v. A. Dag oom! dag Mijnheer Meeuwissen!
v. B. en Meeuw. Jongen! â Dag Mijnheer v. Aalst!
v. A. Oom, ik heb een heele boel menschen gesproken, die u stemmen zullen; ze zeggen allemaal dat u het wordt....
Meeuiv. Hoor je nu wel v. B., ik geloof het ook, onze kansen staan nog zoo slecht niet....
v. A. Als er geen bedrog, verdachtmaking of laster in het spel komt....
Meeuw. Als alles eerlijk toegaat!
v. B. Dat is het juist â als alles eerlijk toegaat, maar zullen er niet zijn, die oneerlijke middelen gebruiken om mij ten val te brengen ? ...
Meeuiv. Ja, als zoo iets gebeurt, daar is niemand tegen bestand.
v. .4. Ik heb toevallig iets gehoord, dat Mijnheer Meeuwissen ook wel mag weten.
v. B. Wat dan? Zeker alweer een Jobstijding!
v. A. Dat uw vroegere huisknecht, die hier van de trap was gevallen en zijn ribben gebroken had...
59
v. B. Jacob ...
v. A. Ja, dat Jacob Duiraelaar niet anders doet dan aan iedereen vertellen, dat U hem toen heeft weggestuurd, zonder ook maar eenigermate voor zijn toekomst te hebben gezorgd...
v. li. Wat zeg-je!
Meeuw. Zoo'n beroerde kerel!
v. B. Ik heb hem zes weken salaris gegeven en medische hulp, en ik zou nog meer aan hem ten koste hebben gelegd, maar toen begon de vent te zaniken, te doen alsof hij recht had op een pensioentje; dat nam me tegen hem in; in plaats van het als een gunstbetoon te beschouwen, wou hij er aanspraak op maken; nu, wie zou dat kunnen dulden? en toen heb ik gezegd: best, ben je niet tevreden, zie dan maar dat je meer krijgt.
Meeuw. En nu wreekt hij zich.
v. A. Dat is gevaarlijk, want hij lieert een aantal vrienden onder de kleine burgerij en de werklui.
Meeuw. Hoeveel denk je dan wel ?
c. A. De man, die 't mij vertelde, sprak van minstens honderd stemmen, want het volk gelooft zulke lui zoo licht.
Meeuw. Natuurlijk, 't was beter dat hij zijn mond hield, maar wanneer het tien stemmen scheelt, is het veel. Als je op al die praatjes zou letten, had je dagwerk; (hij staat op) dat heett geen ernstige gevolgen. Zeg v. Bommel zouden wij nog iets doen met dat prospectus ? Wat zou je denken van die ulevelletjes! Zie je, al de kinderen
60
komen er mee thuis ... 't is een verdoemd mooie reclame! (lt;;. Bommel, in gedachte schudt zijn hoofd) Xeen hó ? Nu; je hebt misschien gelijk, daar is een kantje aan; we zijn tot nu toe netjes gebleven; â 't is beter dat we zoo doorgaan; â {tot v. Aalst) denk aan je ooms pachters en leveranciers hè! Bonjour v. Bommel! Dag v, Aalst! â Straks krjjg je een exemplaar van 't aanplakbiljet, 't Is prachtig hoor! â 't Strooibiljet is in de maak!
{Meeuwissen af).
v. B. Dat zou nog het ergste zijn, wat me overkomen kon â den voet gelicht door je ouden huisknecht! Daar moeten we wat aan doen, jongen.
v. A. Oom, ik heb al iets gedaan; ik heb hom opgezocht, met hem gesproken en hem het onbehoorlijke van zijn gedrag onder 't oog gebracht.
v. B. Zoo, wat zei hij?
v. A. Al had mynheer hem maar een douceurtje gegeven, honderd gulden of zoo iets; hij noemde dat bedrag wel tweemaal, honderd gulden of zoo iets; dan zou hij nu ook zijn best voor mijnheer hebben gedaan, want hij mocht U anders wel lijden. Maar u had hem veraffronteerd, en hadden anderen hem niet geholpen om een winkeltje op te zetten, U zou hem hebben laten doodhongeren.
v. B. Ik iemand laten doodhongeren! Dat kan je be-grijpen.
v. A. Dat zei ik ook; dan ken je Mijnheer v. Bommel niet! Ik houd het er voor, dat je zelfs nu, ofschoon je't niet meer zoo noodig hebt, nog wel â/' 100 of zoo ietsquot; van hem zoudt kunnen krijgen.
61
v. A. En toen ?
v. R. Wy praatten nog even over koetjes en kalfjes, en daarop begon ik weêr over 't zelfde, waarop hij zei: nou jongeheer dat verandert de zaak.
v. B. {haalt een bankbiljet van f 100 uit). Maar Ferdinand, zou je wel op hem aan kunnen? Zal hij 't niet aan de groote klok hangen ?
v. A. Laat u dat nu maar eens aan mij over... ik zal, dat varkentje wel wasschen. â Tot straks, oom!quot;
v. B. Goed, maar je vertelt het niet aan je tante .... alles wat ongunstig Is voor mijn candidatuur verzwijg je ... ze kan daar niet tegen ...
v. A. Neen, Oom.
v. B. 't Maakt haar zoo zenuwachtig ...
v. B. {alleen). Die jongen is in een aangelegenheid als deze geld waard. Altijd zijn oogen open, vol ijver en takt! Zonder hem kwam ik er niet! Wat doen nu de ande-ren, die zich zooveel moeite gaven om mij candidaat te maken? Je ziet ze haast niet (hij neemt den brief op, dien Hendrik gebracht heeft, opent hem en leest). âMijnheer met de grootste belangstelling heb ik in het verslag van Uwe rede gelezen, u een warm voorstander van eene ver-scherping der bepalingen onzer drankwet zijt daar, zooals u zeide, de gematigdheid het kenmerk behoort te zijn van ons gedrag in het huiselijk leven, gelijk in staat en maatschappij. Vooral deed mij dat genoegen, omdat u lid is van de societeit Sic Semper, terwijl het maar al te goed bekend is, dat de naam Sic Semper beteekent: borrel altijd door! Wij mogen dus nu verwachten, dat
62
u dat gezelschap wilt verlaten en van heden af met ons een verbond zult sluiten tegen den drankduivel, wiens leus juist die is van Uwe Sociotcit. Een geheel-onthouder.quot;
Als die man zich ook maar van hot schrijven van zulke insinuaties onthield! (hij gooit den brief op de tafel). Verdraaid handschrift! Anoniem! Bah! â Ben je eens candidaat geworden, je staat als een koe op de markt; ze betasten je, slaan je op je schoften, voelen je onder den staart, 't Is haast geen positie voor een fatsoenlijk mensch. Als candidaat moest je verplicht zijn, tot aan den dag der verkiezing uit logeeren te gaan!...
(Mevrouw v. B. komt binnen, qaat zitten hij de tafel, ivaar de brief ligt, neemt dien op en leest... v. B. ziet haar met eenige ongerustheid aan).
v. B. Mooi, nietwaar !
Mevr. Nou, steek dien maar in je zak. Herman.
v. B. (Hij neemt den brief en verscheurt hem). Dat vod, ik wou liever ...
Mevr. Neen, ik bedoel, wat er in staat. Een geheelonthouder! â 't Is toch niet waar? Sic Semper beteekent immers niet: borrel maar altijd door ?
v. B. Sic Semper wil zeggen: altijd net eender, altijd even gezellig en vriendschappelijk!
Mevr. Foei, wat een mensch dan, om er dat van te maken!
v. B. Ja, 't heele briefje is hatelijke laster.
Mevr. Je trekt het je toch niet aan ?
v. B. Dat kan je begrijpen! 't Iaat me volkomen koud!
63
Mevr. Daaruit kun je nu weer zien, dat jij een man bent; als mij zoo iets gebeurde, zou ik er 's nachts niet van kunnen slapen, maar jij, je leest het, en daarmee uit...
v. B. Natuurlijk!
Mevr. Maar daarom vrees ik nog altijd, dat je niet verkozen wordt. Je moest, dunkt me, hemel en aarde bewegen, en je doet letterlijk niets; je bent zoo leuk, zoo onverschillig, je mist alle temperament...
v. li. {Lacht hoog). Ja lieve, maar meer dan onbezonnen ijver, zooals jij zoudt willen, zijn scherp waarnemen, koel nadenken, kalm handelen ...
Mevr. Iets heb je toch gedaan.
v. B. Iets, zeg je ?
Mevr. Ja^ je hebt Hendrik zyn livrei doen afleggen ; hij ziet er uit als een kip in den ruitijd, 't Huilen staat hem nader dan 't lachen. Tk begrijp, dat je dat in het belang van je verkiezing noodig acht; ik heb hem daarom neergezet, want zoomin als ik op je besluit heb willen influenceeren, zal ik je nu ook tegenwerken ...
v. B. Dat 's lief van je ...
Mevr. Maar ik zie daaraan, dat het begint te spannen.
v. B. Neen, dat moet je niet denken ; dat heeft met mijn verkiezing niets te maken, dan alleen in zooverre, ik voel me meer dan vroeger democraat; dat is in de politiek in hooge mate het geval: je krijgt eerst langzamerhand, heel langzaam, inzicht in de consequenties van je systeem. Maar spannen, neen, ik gevoel me zoo rustig als een rentenier, die tot tijdpasseering wat zit te hengelen.
64
Mevr. Nu, dat doet me genoegen voor je; alleen â je moet me niet kwalijk nemen... dat je het wordt, geloof ik niet. â Zou je het aanbod van Valerius niet aannemen; als zoo'n beroemd advocaat voor je candida-tuur komt spreken, krijgt ze meer beteekenis. Nu hooren ze alleen jou, altijd hetzelfde, dat moet ze vervelen, nietwaar ?
v. B. Neen. Geen hulp van buiten! Ik wil er komen door eigen kracht.
{Hendrik komt binnen met ee/i rol).
II. Compliment van Mijnheer Meeuwissen, Mijnheer !
v. B. Dank je, Hendrik. af.
(Lucie verschijnt met Frits Langelaan.)
Mevr. (tot Lucie.) Zoo snoes, wat kom jij hier doen ?
Lucie. Frits moest papa even spreken en ik kom hem aandienen.
Frits. Dag Mijnheer, papa heeft mij gezonden om u uit zijn naam te vragen, of het niet beter was, dat ik vooruit excerpt van uwe redevoering maakte, en wat u (hij reikt een papier over) van deze toevoeging dacht.
v. B. Aanstonds, jongen, laten wij eerst het aanplakbiljet eens zien.
(Mevrouw grijpt de rol en ontrolt die langzaam over den rug van een stoel).
Mevr. Geel papier, en wat een koeien van letters, â 't lijkt wel of je geveild moet worden! âKiest Mr. Herman
v. Bommel.... bekwaam, ijverig, eerlijk, onafhankelijk, vooruitstrevend democraat.quot;
65
Daar komt nu geen enkel jokkentje in voor!
Lucie {leest verder) âkiezers, brengt uw stem uit op dezen waardigen medeburger, in wiens handen uw belangen veilig zijn.
Bedenkt het, uw stem kan beslissend wezen.
Het Bestuur der kiesvereeniging' ,, Voorwaarts.quot;
A. Becker, President.
P. Meeuwissen, Secret.
Namens het bestuur der âArbeiderskiesvereenigingquot; ,,Ons Belangquot;.
C. Koeltjes Jr. Voorzitter.
B. Bak Pz. Secret.
Namens het bestuur der kiesvereeniging ,,Troon en Altaarquot;.
Ds. E. Langelaan, Praeses.
Ds. L. v. Druten, Scribaquot;
Mevr. {tot Lucie en Frits) Ziezoo kinderen, leerenjuilie dat nu maar van buiten! â Frits, je blijft kofliedrinken hè ? â
Frits. Graag Mevrouw {kijkt op zijn horloge). Over een uurtje ?
Mevr. (knikt) Tot straks.... {Mevr. af.)
v. B. {op een afstand, naar het biljet kijkend, dat half op den grond ligt) Prachtig inderdaad. Meeuwissen heeft niets te veel gezegd! (tot Lucie). Waar is Lise ?
Lucie. In den tuin,, denk ik, â ik zal haar roepen!
v. B. {tot Frits). Over die toevoeging spreek ik met je papa wel eens.
Frits. Maar u vindt het zeker goed, dat ik hier vast een verslag van uw redevoering maak ?
66
v. B. {de redevoering in de hand). Als je mijn handschrift kunt lezen____
Frits ('t stuk in ziende). Da t is niet gemakkelijk! Zulke groote denkbeelden in zulke kleine lettertjes!
Lucia {teruggekomen.) Ik zie Lise niet.
v. B. Ja, je dient daar hulp bij te hebben... Wacht, misschien kan Lucie je assisteeren. (tot Lucie). Zeg, zou je Frits niet kunnen helpen mijn lezing te ontcijferen V
Frits. Je kent je papa's hand beter dan ik...
Lucie. Als ik u een dienst kan bewijzen, heel graag.
v. B. Dan doe .jij ook iets voor de verkiezing...
(v. Aalst en Lise komen binnen).
v, Aalst, 't Is in orde, oom.
v. B. Zoo, dank je wel.
Lise (tot Lucie). Och, zal jij Frits lezen leeren, dat is wel aardig. Ik dacht niet dat je zoo dom was. Frits!
v. B. {tot Lise). Zich dom te weten is dikwijls de hoogste wijsheid, kindje ; laat jij Frits maar begaan; ik ben er zeker van, dat hij met Lucie het er veel beter afbrengt dan een reporter van professie. {Lucie en Frits af.)
v. B. {tot Lise). Maar om te beginnen bewijs jij me met Ferdinand nog een anderen dienst...
Lise. Wat wou u?
v. B, Gaat met je beiden eens ergens opstaan, en houdt dat aanplakbiljet zóó hoog, dat ik het goed zien kan in Zijn geheel, zoo (hij wijst)
{Lise en Ferdinand schuiven twee stoelen naast elkaar,
67
gaan daarop staan en houden het biljet uitgerold voor zich, zoodat zij zelf voor v. B. onzichtbaar zijn, en alleen Ferdinand's rechterhand en Lise's linkerhand boven uitkomen.)
Lise. Kan u 't zoo zien, papa ?
v. A. Een kolossaal biljet, oom!
v. B. Buitengewoon. Ze hebben er eer van! Ik liad het zóó niet gedacht!
v. A. [slaat zijn arm om Lise.) 't Is het mooiste biljet, dat ik in mijn leven nog gezien heb.
Lise. En zoo breed, papa!
v. B. 't Is haast een kerkgordijn!
v. A. 't Lijkt wel een theaterscherm. â
v. B. Ja, jullie zouden er comedie achter kunnen spelen.
v. A. En wat stevig papier, U kan er ons zeker niet doorheen zien.
v. B. Als een plank! liet bestaat uit twee stukken aan elkaar ge .... {hij gaat kijken).
v. A. Gesmeed â als twee zielen, gloeênd aaneengesmeed ....
v. B. Neen, geplakt... of gelijmd... geplakt, geloot'ik. v. A. {zij kussen elkaar) Ja, oom, geplakt, dat is het! v. B. {leest) âKiest!quot;
Lise. Ik heb al gekozen, papa!
v. B. Goed, kind; in je hart, ja; jij zou me wel kiezen als je mocht, (hij leest verder: âbekwaamquot; enz). Die drie besturen er onder, dat is ook niet min ...
68
Lise. Maar, die drie zijn toch nog niet zooveel waard, als de kiesvereeniging, die er achter staat...
v. A. Wat bedoel je, meid?
Lise. Ik denk aan de genegenheid, die U niet ziet. v. B. Daar heb je gelijk in. Aardig gezegd, hoor! Drommels aardig! Komt er nu maar weer af!
Lise. Als U nog een poosje zien wil, mij verveelt het niet.
v. A. Wij zijn nog niet moê.
v. B. Neen, meer mag ik niet van jelui vergen.
{Beiden springen van den stoel).
Lise. {tot van Aalst) houd jij eens even vast, zoo â {zij legt zijn hand op de plaats, waar de hare het papier heeft gehouden) wacht een moment, {zij gaat haastig heen).
{af.)
v. B. {tot v. A.) Zeg, hoe ben je bij Duimelaar geslaagd? Wou hij 't geld hebben ?
v. A. 't Viel hem mee. Op de volle honderd had hij niet gerekend. Neen, zei ik, dat wil ik gelooven, maar, als je op een goeden voet met mijn oom staat, is hij altijd royaal.
v. B. Daaraan heb je niet te veel gezegd; â maar kunnen wij hem vertrouwen ?
v. A. Hij rekende op minstens vijftig stemmen, die anders verloren zouden zijn gegaan... en 't was noodig, want de werklui waren erg verdeeld en begonnen van de kiesvereeniging afvallig te worden ...
(Hendrik verschijnt met de trap; Lise), v. B. Waarachtig! Je kunt dan ook nergens staat op maken!
69
v. A. {tot Lise). Ah! nu begrijp ik het! Uitstekend! Ja Hendrik, hang ji) dat papier daar eens tegen het behang. {Hendrik plaatst de trap en neemt het boveneind van het aanplakbiljet).
v. B. Maar zou dat niet te gek staan ?
Lise. Neen papa, U behoeft U daarover niet te schamen â het is niet een getuigschrift, maar een bewijs van goed gedrag!
v. A. U kan 't immers dadelijk weer laten wegnemen, als 't u niet bevalt...
Lise (tot Hendrik op de trap), hier heb je punaises, {tot v. B.) 't is maar voor een oogenblikje....
v. B. Dat is zoo....
(Lise en v. Aalst spelden het beneden vast.)
v. B. Zoo iets is hier in Veenenburg nog nooit vertoond !... Het is langer dan twee meter, zou ik haast zeggen ....
{Hendrik neemt de trap tveg. v. Aalst en Lise treden iets achteruit):
Lise. Nu, papa, voldoet het zoo niet nog veel beter?
v. B. Ja kind, uitmuntend ... Wat komt zoo'n ding in een kamer goed uit!
Lise. Wat zeg jij, Hendrik? {Hendrik antwoordt niet).
Scheelt je iets ? Wat zie je er raar uit van daag, je lykt wel in den rouw !
Hendrik. Och, juffrouw, wat zal ik zeggen ! Mij hebben ze uit- en Mijnheer hebben ze aangekleed; Mijnheer staat
70
in liverei ... en ik in een zwarten jas ... (fe; veegt met zijn mouw zijn oogen uit en gaat met de trap heen).
Lise. Maar, Hendrik, is 't je in je brein geslagen ?
Hendrik {even zwijgend). Mij niet juffrouw, mij niet...
{Lise gaat hem achterna). {beiden af.)
v. A. {tot v. B). Ik heb nog wat gehoord bij Duimelaar. In den Oosthoek zal U veel stemmen krijgen, maar te Watergouw geen enkele; zoo had hem iemand van daar verteld; omdat U twee Watergouwers, die de pacht niet konden opbrengen, van hun plaats had gezet en door lui van hier vervangen. Ze moeten erg boos op U zijn.
v. B. Welzeker, die boeren denken dat je je pachters voor je pleizier houdt. Dat vee, je moest ze met den stok naar de stembus ranselen!
v. A. Nu ziet U eens hoe dom zulke lui zjjn in de politiek.
v. B. Natuurlijk, een boer en het achterend van een koe! En hoeveel kiezers zijn er te Watergouw ?
v. A. Zoowat 250, Oom!
v. B. Ei, zooveel nog!
v. A. Er moesten maar wat van die biljetten worden aangeplakt.
v. B. Daar zeg je zoo iets!
v. A. Ds. v. Druten, de scriba van Troon en Altaar, heeft er gestaan.
v. B. (zenuwachtig). Goed, spreek er Meeuwissen over, maar dan dadelijk! â Toe, haast je wat! Maak dat je er bij bent, vóór ze zijn verplakt!... {v. Aalst af).
71
(v. B. alleen).
Jo wordt hot toch niet, zoi Julia ... zij kon wel gelijk hebben! Van wien ben je zeker?! Wat oen tobberij! Wat een tobberij!!
Ik, die zoo rustig leefde, is hot uiot of zo een zwerm nikkers op me losgelaten hebben, om me te porren, te prikken, te priemen! (Hij kijkt in den spiegel) Ik geloof, dat ik er al mager van begin te worden !
Goddank, over vijf dagen is het uit â als ik tenminste niet in herstemming kom. Dan duurt het van nu af nog 15 dagen! Ik kwam net zoo lief op don brandstapel... En dan, kan ik het nog heelemaal afleggen... Brr! Enfin dan onttrek ik mo aan den boel; maar waar ik óok heenga â Julia verhuist meê!
(Hij gaat in, zijn stoel zitten tegenover het aanplakbiljet, de armen gekruist).
Dat is toch aardig! Je vindt dit nu aan alle hoeken van de stad. Dat mogen ze lezen; ook de lui, die het land aan je hebben. Die victorie heb je dan toch behaald, zelfs als je de nederlaag lijdt. Bekwaam, ijverig, eerlijk, onafhankelijk ... de waardige medeburger in wiens handen uw belangen veilig zijn. â Mij zal dat geon kwaad doen, maar als dit nu eens iemand van zichzelf moest lezen, die aanlog had tot pedanterie! Met het oog op de zwakken mochten zij zich wol wat matigen in dergelijke uitspraken... Zouden ze dat nu van Kramer ook geschreven hebben, als die in mijn plaats candidaat was geworden, â of van Meeuwissen, â of van den meesterknecht van den loodgieter .... ?
âMij zal dat geen kwaad doen, maar als dit nu eens iemand van zichzelf moest lezen, die aanleg had tot pedanterie!quot;
(bladz. 71.)
73
{Hij hoort iemand aan den knop van de deur, keert haastig zijn stoel om, en doet alsof hij zit te lezen).
{Donker komt binnen).
D. Ik stoor je niet?
v. B. Neer... ik heb niets te doen, althans niets dringends; ga zitten...
D. {een stoel nemend) Dus je hebt een half uurtje ?
v. B. Als 't noodig is... .
D. {ziet het aanplakbiljet). Dat had ik al gelezen ... je bent er op vooruitgegaan, sinds wij mekaar de laatste maal gesproken hebben ...
v. B. Hoe bedoel je dat?
1). (wijzend op 't biljet). Het lykt hier wel de tempel van Delphi, met het opschrift: ken U zeivenquot;
v. B. Nu, dat is maar een grapje.
D. Als ik jou was, ik zou het voor ernst houden !
v. B. Neen, ik meen, dat dat ding daar hangt is maar een grapje; dat hebben de kinderen gedaan â 't gaat er aanstonds weer af.
D. Dat zou ik je niet raden â daar valt heel wat uit te leeren; â wil je wel gelooven, dat ik het nog niet eens wist ?
v. B. Begin je weer met je hatelijkheden! Wat doe je dan hier? Maandenlang heb je mij achtervolgd met je uittartende houding, en nu je begrijpt, dat je daardoor de sympathie van je medeburgers zoudt verliezen en je toch ook wel een beetje zult willen bluften op je zwager het kamerlid, kom je kwanswijs vrede sluiten, maar denk je
74
onder vier oogen hot spelletje voort te zetten, en mij hier in mijn eigen kamer te kunnen sarren. â 't Is nu genoeg, hoor!
D. Kalm, Zwager!
v. B. 't Ontbreekt er nog maar aan, dat je ook hier aan je knevel begint te draaien en over je pretentie gaat spreken. Hoor eens, laat ik je dat zoggen, wil je je verzoenen, goed! ik zal vergeten wat er gepasseerd is, maar dan ook van nu af geen geharrewar, geen steken onder water, geen aardigheden op mijn karakter; â en wil je dat niet, al heet je dan ook honderdmaal Donker, â daar is de deur!
D. Jawel, dat zie ik, daar is de deur... maar, in jou eigen belang, die deur zal ik niet uitgaan, vóór ik mijn plan heb volvoerd ...
v. B. Wat wou je dan? Zeg op!
D. Nog eens, kalm, Herman; â ik ben gekomen om je een dienst te bewyzen ...
v. B. Welke dienst?
D. Om je te maken â (hij wijst op het biljet) tot een eerlijk man.
v. B. {springt op uit zijn stoel). Nu geen woord meer of....
D. Ja, wat zou je dan doen ? Julia roepen ? Die mag er bij zijn. Haal ze maar â {v. Bommel gaat toeêr zitten) Nu, zou je ze niet laten komen?
v. B. Julia heb ik niet noodig; als man behandel ik mijn eigen zaken, zonder hulp van mijn vrouw.
75
(Donker haalt zijn portefeuille uit, neemt daaruit een gezegeld stuk, geeft het aan v. Bommel).
v. B. (leest). âDe ondergeteekende verklaart bij dezen schuldig te zijn aan M. Donker, de somma van twaalfduizend gulden, en verbindt zich die uittebetalen den lOen dezer ten kantore van den Heer Schreuder, notaris alhier, die als gemachtigde voor voornoemden M. Donker zal quitteeren.quot;
D. Zie je, dat is de pretentie. Toeken nu maar, en wij zijn quitte.
v. B. (stuift op). Zoo, is dat de dienst, dien je me bewijzen wilt! {h ij verfrommelt het papier tot een prop) Daar____
{gooit het Donker in het gezicht).
D. {raapt de prop op)... Door dat te ondertecken kan je weer worden een eerlijk man.
o. B. Een eerlijk man! {Hij strekt zijn hand naar Donker uit). Er uit vlegel! Er uit!! of ik ...
D. (wijst op het biljet). â Waardig medeburger in wiens handen uwe belangen veilig zynquot; â houd die handen thuis â als je niet gered wilt worden, zal ik wel gaan ...
v. B. Voort dan ! toe !! (hij geeft Donker een duw) ga.. ! er uit!!
D. {langzaam heengaand) maar ik neem met me dit ander biljet; (hij laat een plakaat zien en leest) âKiezers, kiest niet Mr. Herman van Bommel; hij is geen eerlijk man, geen waardig medeburger, in wiens handen uw belangen veilig zijn.quot;
âDoor laster heeft hij zich een erfenis weten te ver-
76
werven, die een ander toekwam; de bewijsstukken daarvan liggen ter inzage by den ondergeteekende
M. Donker.quot;
Morgen staat dit te lezen op schuttingen en muren door de heele stad â
v. B. {terug naar zijn stoel). Welke bewijsstukken zjjn dat dan?
D. Ze zitten hier (wijst op zijn zak). Bewijsstukken, die jij niet noodig hebt; een brief, waarin je schrijft wat Julia je heeft ingestoken, en een brief van tante zelf... jij weet wel hoe je me hebt onterfd. En er is maar één ding in de wereld, waartoe ze me nooit zullen krijgen; te berusten in onrecht en me te laten bestelen zonder verzet!
v. B. Al ware dat zoo, is het niet nog schandelijker dan diefstal zelf, misbruik te maken van deze gelegenheid om my te dwingen?
D. 't Zou schandelijk wezen, indien het misbruik was; ik maak gebruik alleen. Mijn biljet zal de waarheid zijn, tegenover de leugen, dat -ding dat daar hangt â jou eerlijke, waardige man! {Hij ontvouwt het verfrommeld papier, strijkt het glad) Hier, teeken nu maar!
v. B. Twaalf duizend gulden! â Ik heb ze niet ter beschikking.
D. Dat behoeft ook niet, Schreuder heeft ze wel.
v. B. Laat me den tijd er over te denken ...
D. Daar is geen denken noodig â je teekent heden, â nu...
77
v. B. Twaalf duizend gulden! â Geet me een dag uitstel.
D. Neen, geen uur! â Wil je, of wil je niet?
v. B. {hij neemt het papier in de hand). Dan trek ik liever mijn candidatunr in ...
]). Doe dat! â maar mijn pretentie geef ik niet prijs; -die blijft...
v. B. {hij grijpt de pen ... weifelt. .. werpt haar weer neer), Donker!
D. Nu?
v. B. Wij kennen elkaar al zoo lang; mijn zuster,jou vrouw en ik, hielden zooveel van elkaar, â en wij zelf, tot vóór die erfenisgeschiedenis hebben wij nooit wat met elkaar gehad ... hoe kan je op eens zoo wreed zijn!... We moesten de zaak bijleggen, maar op een andere manier ....
D. Geloof me, dit is de eenige manier.
v. B. Twaalf duizend gulden ...
IJ. Ja, maar twaalf duizend gulden, die je niet toekwamen, dit moet je niet vergeten; ik vraag je dus geen cent, â niet eens rente.
v. B. Twaalf mille ... die ik dan toch ontvangen heb...
D. Als ik wreed was, zou ik je boete opleggen en 15 duizend eischen.
v. B. En zal niemand dat te weten komen?
D. Geen sterveling, behalve Schreuder die dit schreef.
v. B. Ik kan er dus op rekenen, 't blijft heelemaal onder ons?
78
D. Geheim â als 't graf.
v. B. Niemand komt het te hooren? ... Ook Julia niet?
D. Dat hangt van je zelf af...
v. B. Twaalf duizend gulden!... (hij neemt de pen â weer op).
D. Die .je alleen getoucheerd hebt, om ze mij weer over te geven... (v. B. weifelt nog even, hij teekent). Proficiat! Wel bekome het je! (Donker steekt hem de hand toe; v. B. draalt... eindelijk neemt hij haar aan) ik feliciteer je, lees nu je biljet maar, eerlijk, waardig man!
Haal nooit weer zoo iets uit. Herman! Doe je zaken naar je eigen geweten, en laat daarbij Julia thuis .... Adieu. (af).
v. B. (ziet hem na.)
Zoo'n verkiezing! â wie heeft dat uitgevonden? O, die Julia!... die vervloekte vrouw !!
â Twaalf duizend gulden of je Kamerlidmaatschap /quot; dat stuk speelt in de Hel! (Hij scheurt -woedend het aanplakbiljet stuk,- trapt er op). Laat ze nu nog eens zeggen, dat ik leuk ben! (Slaat zich tegen het hoofd). Twaalfduizend gulden! Twaalf duizend gulden!!
DERDE BRDUTJF.
SALON MET BALCON.
(Mijnheer v. Pi., Mevr., Use, Lucie en Frits aan de theetafel).
Mevr. v. li. Hoeveel stemmen zijn er ook te Willigendam uitgebracht ?
lAse. 886. â Waar blijft Ferdinand?
v. B. Ik begrijp er niets van, dat hij juist nu niet hier is, â hij weet toch, dat ik telegrafisch bericht zou ontvangen.
Lucie. Hoe staat het nu precies, papa?
v. B. (een papiertje en een potlood in de hand). Hier te Veenenburg hebben van de 2106â1447, te Willigendam van de 1052â886, en te Duivendiep hebben van de 301 â229 gestemd, dat is van de 3459 kiezers 2562.
Frits, (ook met papier en potlood in de hand). En van die 2562 zijn er op U uitgebracht 1326 tegen 1236 op van Dapperen.
80
Lucie. U is dus DO stemmen voor.
Mevr. Ik zou maar niet rekenen, er is nog niets van te zeggen ...
Lise. Papa heeft toch de meeste kans, mama!
Frits. U heeft gelijk. Mevrouw, laat ons nog even geduld oefenen...
v. B. Heel lang zal dit niet behoeven te zijn.
(Wordt gescheld).
Lucie. Daar zal er wel weer een wezen. {Lise vliegt naar de deur. Frits volgt haar, Lucie komt tot midden in de kamer. Lise terug met het telegram in de hand, gevolgd door Frits, zij leest) Watergouw, uitgebracht 174 stemmen, â v. Dapperen 159, v. Bommel 15.
Frits. Hoe is 't mogelijk!
Lise. Wat is dat daar slecht volk, papa!
Mevr. Dat heeft iets van een koud waterstraal, Herman ...
v. B. 't Valt me nog meê.
Meeuw. Dan ben je gauw tevreden van avond, lieve... (v. Aalst komt binnen).
v. A. Hoe staat het, oom?
v. B. Watergouw kwam daar juist... hoeveel denk je?
v. A. Voor U ? â 10 stemmen, oom, 2 van uw pachters.
v. B. 15, jongen ...
v. A. Dan heeft dat aanplakbiljet toch gewerkt!
(Wordt gescheld â Lise, Lucie, v. Aalst en Frits naar de deur)
81
Mevr. (tot v. R). Popelt nu ,je hartje no^ niet?
v. B. Evenmin als liet jouwe ...
Lucie ('t eerst in de deur). Barenbroek en de Oosthoek !
v. A. Leve de Oosthoek!
Lise {telegram in de hand). Uitgebracht 825 stemmen, Mr. v. Bommel 572, v. Dapperen 253, Hoera! Papa wordt het!
{Lise en Lucie vallen hem om den hals).
Mevr. Stil kinderen! â Hoe ver zijn wij nu ?
v. B. Eerst was ik 90 voor; toen 54 in de minderheid.
Frits. 572 en 253 geeft U een voordeel van 319.
v. B. Daar gaat af 54.
v. A. Rest dus 265.
Lucie. Ja, dat haalt van Dapperen niet meer ...!
Mevr. Voorzichtig ! Xu komt nog Benedenkerk.
Lise. {leest van 't papiertje van v. Aalst). Benedenkerk 803 kiesgerechtigden. Zoo weinig maar!
Frits. Er is geen twijfel aan, Mijnheer, U wordt verkozen â nu mag ik U toch wel feliciteeren. {v. B. afwijzend). Weet U wat? papa en mama zijn zoo nieuwsgierig, ik ga het hun gauw vertellen, ik kom dadelijk terug.
Lise. (danst naar de piano en slaat even aan).
Allen. St.! St.!
v. B. Anders kunnen we de schel niet hooren.
Lise. (terug naar de theetafel), 't Komt er niet op aan â we weten er al genoeg van ...
v. A. Maar wat jij nog niet weet, en U en tante niet
6
82
weten ... ik ben vandaag 12000 gld. rijker geworden ...
Use. Wat zeg je, jongen? Twaalfduizend gulden.! Je houdt ons voor den gek !
v. B. (keert zich half om en herhaalt zacht). Twaalf Mille!
Mevr. Is 't waar, Ferdinand, â hoe kreeg je die dan ?
v. B. Zijn ze je thuis gebracht? (hij staat op).
v. A. Juist toen ik hierheen wilde gaan, kwam er een boodschap van Notaris Schreuder, of ik zonder uitstel bij hem wou komen, (hij staat ook op en plaatst zich hij v. Bommel). Ik ben zoo pas teruggekeerd. {Lise voegt zich bij hen en weldra de overigen). Mijnheer Schreuder overhandigde mij ter inzage een trommeltje, dat hem ter hand was gesteld voor mij, met geen ander bijschrift dan: âeen cadeautje van iemand, die niet genoemd wil worden, voor den heer Ferdinand v. Aalst, hem over te reiken op den dag van zijn huwelijkquot; ...
v. B. En wat zat er in dat trommeltje?
v. A. De twaalf mille: altemaal stukken Ned. Werk. schuld ; â zeker van een ouderwetschen oppotter, zei papa.
Mevr. Wie kan dat wezen?
v. A. Dat zou ik onmogelijk weten te bedenken....
v. B. Het is natuurlijk een aangename verrassing voor je â maar er is toch ook iets onaangenaams aan het geval.
Lise. Hoe dan, papa?
v. B. Ferdinand zal van nu af altijd den persoon zoeken, dien hij er voor danken moet----
Mevr. Ja, dat kan tot veel vergissingen aanleiding
83
v. A. Dat is het ergste niet, tante....
Mevr. Wat dan?
v. A. Nu moet ik ine engageeren, of ik wil of niet.. (hij neemt Lise's hand).
Mevr. Wat beteekent dat? â Foei Lise, (tot v. A.J. is dat nu een manier oin een meisje te vragen ?
v. B. Een manier â dat laat ik nog daar! â maar is dit nu een moment. ..! (Line vlijt haar hoofd tegen v. A. aan; er wordt gescheld)- Daar kan het bericht zijn! Kinderen daar komt de uitslag ! Wie haalt het ?
Mevr. Toe, Lucie ! (Lucie gaat niet, v. Bommel zelf naar de deur) (Mevrouw tot v. Aalst en Lise) ik geloof niets van die twaalf mille... 't is een foefje, O jullie deugnieten!!
(Hendrik opent de deur â komt binnen).
Hendrik. Een telegram, Mijnheer!
v. B. (opent het telegram, zenuwachtig ; leest) uitgobraclit 712 stemmen, v. Dapperen 480, mr. v. Bommel 232...
Mevr. Dan is 't mis !!
v. B. (tot v. A). Je hebt daar de cijfers, kijk eens...
v. A. 232 van de 480 is 248. â II was v. D. 265 vooruit â U is 't dus oom! gefeliciteerd! gefeliciteerd tante, gefeliciteerd Lise! (hij geeft haar een kus; tot v. B.) 't mocht immers wel! (Lucie verdwijnt onopgemerkt).
Mevr. Nu ook mijn gelukwensch, Herman, {zij steekt hem de hand toe) de uitkomst heeft liet bewezen, jij hadt alweer gelijk !
v. B. (koeltjes) Dnnk je.
84
Mevr. Maar, [zij ivijst op Lise en v. A) hoe moet dat nu?
v. B. Ja, dat is een verovering met den stormpas, zonder voorbeeld; daar is mijn overwinning niets bij. â Maar ik wil je eerlijk bekennen, dat het voor mij niet geheel onverwacht komt.
Mevr. Waar lijk!
v. B. Zelfs Schreuder had er al iets van gemerkt.
Mevr. Dan had je mij toch ook wel eens kunnen inlichten...
v. B. Nu, jongelui, 't is goed â maakt mêkander maar gelukkig! {hij reikt hun de hand).
Lise {geeft v. Bommel een kus) Papa!
Mevr. {tot Lise) O jou tyrannetje ! (Tot Ferdinand) Pas maar op Ferdinand!
(Frits komt binnen).
Frits. Oom, ik hoorde 't al, U is verkozen met 17 stemmen meerderheid, (hij geeft allen een hand) Is Lucie niet hier?
v. B. Ja, waar is Lucie?
{Lucie komt binnen).
Frits {haar de hand toestekend). Geluk gewenscht! Wat is er ? Heb je gehuild ?
v. B. Tranen op dit oogenblik! Hoe komt dat ?
Lise. Dat zal ik u wel zeggen, papa. Lucie en ik hadden afgesproken, dat wij op één dag ons engageeren zouden...
Frits {tot Lucie). Zijn zij dan ... ? {zij knikt).
85
v. B. Welk een onvoorzichtige belofte!
Mevr. Je zoudt evengoed kunnen afspreken op één dag begraven te worden.
Use. Ik met Ferdinand en zij met Frits, en nu denkt zij, dat ik mijn woord niet gehouden heb: maar dat is niet waar, hoor!
Mevr. Kind, laat er nu toch een grens zijn aan de dwaasheid!
Lise. Och mama, de liefde is de eenige dwaasheid, die geen grens kent, dat weet U ook wel...
Mevr. Hoor eens !!
Lise. en nu wou ik papa zeggen. Frits en Lucie houden evenveel van elkaar als Ferdinand en ik, â U zal dus van avond uw toestemming nog eens moeten geven.
{Lucie lacht en geeft Lise een hand).
Lucie. Ja, toe, papa, dat moet U.
Frits. O, Manheer ... ik . ..
v. B. Maar mijn beste jongen, je overvalt me!
Lise. Och papa... daar is immers niets tegen, wat zegt u. Mama ?
Mevr. Kindlief, dat weet je wel, ik zeg niets; â in zulke zaken moet je papa zelf beslissen.
v. B. En al heb ik geen bezwaar, hoe denkt je eigen papa ei1 over ... heb je zijn volmacht Lucie te vragen ?
Frits. Volmacht?! {Haalt zijn schouders op).
Lise. Kom, zeg maar ja !
v. B. In zulk een zaak zijn je papa en mama toch de
86
personen, die zieh met liet aanzoek tot ons moeten wenden en dan .. daarna.
Mevr. Zeker! {tot Frits) dat 's al een slecht begin, een meisje te vragen, zonder je ouders daarin te kennen, â je keert de orde in de natuurwetten om !
Frits. Och, Mevrouw, maar in deze aangelegenheid ben ik toch wel numero 1 en Luoie numero 2
Lise. Lucie numero 1 en jij numero 2, meen je...
Frits. Nu dan, zijn Lucie numero 1, ik numero 2 en U en Mijnheer en papa en mama numero...
Mevr. Numero nul, wou je zeggen . ..
v. B. Nu, Frits, bij mij persoonlijk en bij Mevrouw, vermoed ik, bestaan geen bezwaren, maar zoolang jij geen consent van je papa en mama hebt, mogen wij je onze dochter niet geven.
Lise. Lucie geven ? ... wij laten ons niet geven.
Mevr. Tuut, tuut!
Lise. Wij laten ons nemen alleen, dat is vrouwenrecht.
Frits. Maar papa komt dadelijk hier...
v. B. Des te beter.
(Frits neemt Lucie's arm en wil haar een kus geven).
v. B. {trekt hem terug.) Neen. je bent nog niet verloofd;
v. A. Maar oom, dat was de afspraak, we zouden op één dag ons engageeren ... tegelijk.
v. B. Daarvoor is 't nu toch al te laat, dat kan niet meer . . .
Lise. En om U de waarheid te zeggen, ze waren, zonder dat U het wist, allang geengageerd!...
87
{Frits staat achter v. B. trekt Lucie naar zich toe en c/eeft haar 'n zoen âdat 't klaptquot;.)
Mevr. {de handen voor de oogen). Mij dunkt, Herman ik hoor daar iets!
v. B. {even omziende). Als de zaken zoo staan, ga dan .jelui gang maar... Wat een avond! Wat een avond!!
(Meeuwissen komt binnen.)
Meeuw. Bonjour! Je bent er!! Mijn gelukwenschen v. Bommel, Mevrouw, jongelui!!
v. B. (Jianddrukkend.) Dank je; dank je voor alles wat je gedaan hebt; zonder jou ...
Meeuw. Ja, ja, zeg liever zonder je beide adjudanten {hij wijst op v. A. en F.) zou je er niet gekomen zijn ; maar 't werd tijd, je begon er beroerd uittezien... bleek... is 't niet waar. Mevrouw ?
Mevr. U heeft gelijk, v. Bommel is bleeker dan gewoonlijk â ook iets magerder geworden, 't loop in 't oog ...
v. B. Geen groote meerderheid hè â 't, heeft maar weinig gescheeld.
Meeuw. Dat doet er niet toe â het vaderland is gered!
Mevr. Maar ik ben de helft van 't jaar mijn man, en de kinderen zijn hun vader kwijt.
Meeuw. En wij zijn genoeglijk gezelschap ! Maar ieder moet zijn offer brengen op 't altaar der gemeenschap Mevrouw ! â Nu, Bommel, zorg er maar voor, dat zij daar in 't Haagje wat harder stoken â enfin, we praten daar later nog wel eens over! Ik wou je alleen zeggen, dat we je straks een serenade komen brengen. Voorwaarts, Ons Belang, en het Bestuur van Sic Semper. â
88
v. B. Dat hadden juilie nu maar moeten laten.
Mevr. Wanneer zal dat zijn, Mijnheer Meeuwissen V
Meeuw. Over een half uurtje, Mevrouw ...
ü. b. Dan mogen wij ons daarop wel prepareeren.
Mevr. {tot Lise). Schel Hendrik even...
Meeuw. Xu ... tot straks ...
v. B. en Mevr. v. A. Adieu!.. Bonsoir Manheer Meeuwissen ! {af).
v, B. {tot Mevr.) Laat hem champagne uit zetten voor hier boven, en rooden wijn voor de muziekanten!
{Hendrik in livrei).
v. B. Wat zie ik, Hendrik ?
Hendrik. Ik feliciteer U wel. Mijnheer ...
v. B. Dankje ...
Hendrik. Neem u me niet kwalijk. Mijnheer, Mevrouw had me gezegd, dat, als u verkozen was, ik ter uwer eere mijn witte das moest aandoen, want dat een Edel-Vermogende recht had op meer dan gewoon.
v. B. 't Is goed, Hendrik. Mevrouw heeft je wat te bestellen. Denk er om tijdig de lichten aan te steken, , maar getemperd, niet te hoog ...
Hendrik. Jawel Mijnheer . ..
{Mevr. wenkt Hendrik en verwijdert zich met hem).
v. B. {tot de heide paren). Hoort eens, nu zal je me één pleizier doen: van avond bij de serenade houdt juilie je kalm, je laat aan niemand merken, dat je geëngageerd bent.
89
Lise. Ook aan mekaar niet ?
v. B. Neen, zelfs niet aan mekaar.
Lucie. Wat zullen ze staan te kijken, als zc liooren, dat wij beiden tegelijk verloofd zijn!
Lise. Heel Veenenburg op stelten!
Frits. We gaan niet ons vieren uit wandelen, dc stad door, de markt over. Sic Semper voorbij !
v. A. Ja, Oom, en dan U en tante vooraan!
Lise. Een engagementsoptocht â dat is nog nooit hier vertoond!
v. A. Jammer, Frits, dat je Mama niet wel is, anders konden jou oudelui ook daarbij.
Frits. En dan papa Donker, v. Aalst.
v. B. Die is voor een paar dagen de stad uit.
Lise. En tot heksluiter notaris Schreuder met de moppentrommel onder zijn arm. â Hoe vindt U dat papa V!
v. B. Hè, wat zijn juilie opgewonden!...
Lise. U dan niet ? â 't Zou wat moois zijn, als U nu nog sip keek; f 12.000 meer in de familie, twee dochters geëngageerd, tot kamerlid verkozen ...
{Mevrouw opent de deur.)
Frits. Dat zal papa zijn! {Mevrouw komt binnen), yeen, nogal niet.
{Mevr. gevolgd door Hendrik, den koetsier, den tuinman, de meiden, met bloemen en heesters.
Mevr. Toe, help juilie even, Frits en Ferdinand.
Frits. Hier bij 't balcon, een halve cirkel. ..
90
v. .4. En daar vóór den hoek een taoschaadje, dan komt de buste van Dante daarbovenuit en tusschendoor...
Lise. Ja, dat zal leuk staan !
Frits, {tot Mijnh. v. A.) Hoe komt u toch aan die Dante, Mijnheer; het heeft hier in huis niets van een verloren paradijs of een hel?
v. B. Tentoonstelling-loterij 188o, jongen!
Lucie. Papa is altijd gelukkig!
Mevr. (tot v. Aalst.) Knap zoo, heel knap, maar die hooge moest meer hier staan.
v. A. (met anderen den heester verplaatsend). En moet het baleon zelf ook versierd worden, tante?
Lise. He ja, aan weerskanten iets hoogs, een paar palmen bijvoorbeeld ....
Mevr. Neen, kind, een paar laurieren, dat 's meer toepasselijk.
Lise. Toepasselijk, mama?
Mevr. Ja, als je papa misschien het volk zal moeten toespreken...
v. A.' U heeft gcl^k, de overwinnaar tusschen de laurieren.
Lucie. Maar dan niet te veel naar voren, anders kan het publiek papa niet zien.
v. B. Xu, zoo kan 'ttoch waarlijk wel â {tot Hendrik en de overigen) ga juilie nu maar heen; â straks komt Hendrik hier boven bedienen en Jacob zorgt beneden voor de muzikanten: royaal hoor, je ziet niet op een glaasje! quot; (af).
91
(Ds. Langelaan komt binnen, de bloemen enz. ziende, met opgeheven armen en uitgestrekte handen).
Ds. L. O, welk een paradijs treed ik hier binnen! â Als in een toovei'land lachen het gebloemt en de loovers me toe!
{Met uitgestrekte hand gaat hij tot Mevrouw v. B. die vooraan staat.) Dag Mevrouwtje, hartelijk, hartelijk geluk-gewenscht!
Mevr. Dank je wel, dominé.
Ds. L. Mijn waardige vriend v. Bommel, neem dezen handdruk voor mijn woorden. Zoo ziet ge dan al uwe vreeze beschaamd! en juilie, lieve kinderen (hij geeft de rechterhand aan de eene en de linker- aan de andere). O, ik begrjjp het, juilie deelen in het geluk, dat je vader is beschoren ...
Lise. Dat kon wel iets meer wezen, dan het is, dominé.
Ds. L. Wat zegje meid? Kon dat wel iets meer wezen?
Lise. (grijpt v. A's arm.). Ja, ziet u, want wij zijn zoo juist geëngageerd.
Ds. L. Maar hoe heb ik het nu? (tot Mevrouw) Spreekt deze de waarheid?
v. B. Ja, Dominé â 't is haast ongelooflijk; op hetzelfde moment, dat ik verkozen werd voor de Tweede Kamer, hebben ook die twee hun keus gedaan.
Ds. L. Dat het een onberouwelijke zij! O, nu versta ik nog beter de taal van die bloemen daar, zij zeiden veel meer dan ik dacht...
Frits. Ja, papa, en nog veel meer dan u nu denkt.
92
Mevr. Dat is een nieuw raadseltje, dominé.
v. II. En dat je niet gauw zult oplossen, Langelaan.
Ds. L. Maar dan moet ik U toch eerst weêr felici-teeren!
Lise. Neen, wacht nog even, dominé!...
Frits. {Lucie voor Ds. L. leidend) Papa, als u en mama het goed vinden, zijn ook wij geëngageerd.
Ds. L. Jongen!! hoe kan dat?
Frits. Ja, cds u het goed vindt,
Ds. L. Maar wat zou ik beter vinden, dan dat die lieve Lucie jou gelukkig wil maken, en mijn schoondochter wordt!
v. B. Dan schiet er alleen nog over, de toestemming van je mama te vragen. Frits.
Ds. L. Die toestemming kan ik hem wel geven. Juist Marianne zag met zooveel genoegen, dat Frits hier aan huis kwam en vertrouwde mij meer dan eens haar liefste en intiemste gedachte toe, dat daaruit eenmaal een verhouding zou mogen ontstaan, waarin als vanzelf de band tusschen hen wordt geweven, die voor dit en het volgend leven onverbrekelijk is. Maar dat nu reeds! Heden avond! De hemel bespoedigt uw geluk. Mijnheer v. Bommel, uw geluk, mevrouw, uw geluk, jongelui, jou geluk. Frits en mijn geluk ... dat is te veel op eens. {Hij haalt een zakdoek uit en veegt een traan weg, allen treden op hem toe, geven hem een hand; Lucie een kus). O dat is om van te duizelen ... dat grenst aan het wonderbare .. .
Frits. Ziet U nu wel, dat die bloemen nog meer te zeggen hadden, dan u dacht...?
93
J)s. L. Ja, Frits {hij gaat en plukt twee rozen, geeft ei-een aan Lucie en een aan Lisc); daar kinderen, dat zijn nu de eerste bloemen, die je als verloofden sieren, laat ze geuren heel het leven door____
Frits {wijzend op v. Aalst). Voor ons.
Ds. Ij. Neen jongen, zeg liever: door ons ... {tot v. B). O, v. Bommel nu weet ik toch waarlijk niet, hoe ik me gevoel, â 't Is mij zoo vreemd! En hoe het IJ en Mevrouw thans te moede moet zijn, ik dnrf het niet te gissen. Het geluk heeft U om zoo te zeggen overweldigd. Toen Jacob met zijn hoofd op den steen lag te rusten en hij droomde, zag hij den hemel geopend en langs de ladder de engelen zich bewegen; doch u ziet als het ware den hemel geopend en tot u nederdalen, niet in den droom, maar in de werkelijkheid; Mijnheer overwinnaar in den strijd ; twee dochters, die zich voorbereiden om met den man harer keuze in den echt te treden....
Use. Ja, dominé, en dan weet n nog niet eens, dat van Aalst 12.000 gld. gekregen heeft, en dat dit de aanleiding is geweest tot het engagement op heden, zoowel van Frits als van hem.
Ds. L. Wat hoor ik! /12.000! Zoo maar?
Lise. Van een onbekende.
Ds. L. Maar dat is mysterieus ... dat is miraculeus!... v. Bommel, de wonderen vermenigvuldigen zich aan uw huis. Het is te begrijpen ... ik kan het je aanzien â f' 12.000! je bent er verslagen van ,
Mevr. En dan, dominé â als u nu heelemaal op de hoogte wil zijn â over een half uurtje wacht ons hier een serenade !
94
Ds. L. Een serenade! AVat wil u nog meei'? Nu moet ik toch ook even zitten, {de meestert nemen plaats), dat wordt me wezenlijk te machtig. Hier spreekt alles één en dezelfde taal: de bloemen glanzen, de oogen glinsteren, de lippen beven van geluk, en daar straks zullen de accoorden ten hemel rijzen, als een dank- en jubellied.,.
Lise. Ja dominè, en welbeschouwd verschaffen ons nu 17 boeren dat genot!
v. B. Zeventien boeren ?
Ds. L. Ze wil zeggen, dat zonder die meerderheid van stemmen de avond geheel anders zoude zijn. Nietwaar ? (Lise knikt). Maar groote dingen ziet men vaak als het gevolg van kleine middelen .. .
Lise. 't Grootste middel in deze is Ferdinand geweest, is het niet, papa?
v. B. Frits heeft ook zijn best gedaan, me geholpen zooveel hij kon.
ÃMcie. Om mij!
v. B. Maar het moet gezegd worden, Ferdinand kon in den verkiezingsstrijd meer doen, en ik gevoel behoefte hem voor hetgeen hij deed openlijk te bedanken; {hij steekt hem de hand toe) je takt, je ijver....
Lise {tot v. A.) Toe, jongen, neem aan, of heb je aan mijn hand al genoeg?
Mem. Wat heeft Ferdinand dan eigenlijk gedaan?
v. A. U mag het wel weten. Tante. â Jacob, die hier van de trap is gevallen... de oude Duimelaar, werkte Mynheer tegen; ze zeiden, dat hij hem wel honderd stem-
95
nion kon benadeelen, en toen ben ik naar hem toegegaan en heb hem overgehaald vóór mijnheer te werken; dat zou minstens 50 stemmen schelen, en wat denkt u dat dit nu gekost heeft... ?
Frits, (hij grijpt v. Aalst bij den arm). Maar Ferdinand!!
v. A. Och kom, voor tante behoeft dat geen geheim te zijn : honderd gulden ! {Frits springt verschrikt op). Wat scheelt je ?
Frits. Neem die woorden terug, Ferdinand!
v. A. Waarom, we zijn hier onder mekaar ?
Frits. De zuiveringseed ! De zuiveringseed ! .. Wat moet daarvan worden!!
v. B. Je begrijpt, ik kon me toch niet beentje laten lichten door een afgedankten knecht....
I)s. L. Zonderling, als men overreden zal worden, is het bijna altijd door een.... kar.
Mevr. Die Jacob, dominé, is een heel andere dan zijn naamgenoot, die den hemel geopend zag!
Ds. L. Inderdaad! â {tot Frits) maar wat zei je daar van den zuiveringseed ?
v. A. Nu ja, die zuiveringseed is natuurlijk alleen gericht tegen gemeene omkooperij.
v. B. Zeker, het verbod van de grondwet heeft met dit geval niets te maken.....
Frits. Mijnheer, u vergist u....
v. B. Lise, haal de Grondwet eens âje weet wel, dat wetboek....
96
Frits. Verboden is: âdirect of indirect gaven te gevenquot;.
v. A. Kom, juridisch candidaat, Je zuigt maar wat uit je duimpje!
Ds. L. Ja, lees het ons liever voor uit de grondwet zelve....
{Lise komt terug met een oud Wetboek).
Ds. L. Mijnheer v. Bommel, wat heeft u daarin gestudeerd ! 't Boek vertoont er de sporen van! Niet voor niets doctor utriusque juris!
Frits, 't Is de oude grondwet, maar dat doet er niets toe ; dat artikel bleet ongewijzigd, (hij leest:) Art, 83 âIk zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geene personen, hetzij in of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb, noch beloven of ge ven zalquot;.
Ds. L. Dat artikel is onbedriegelijk duidelijk gesteld. â (tot v. B.) Neen, u had die /quot;100.â niet mogen geven... .
Mevr. Nu, dominé, dat zijn mijn mans zaken, â daarmee zullen wij ons maar niet bemoeien, nietwaar!
Ds. L. U niet; neen â maar ik... in mijn verhouding tot Mijnheer, in mijn qualiteit van voorzitter van Troon en Altaar, in mijn betrekking als predikant en ook als aanstaande schoonvader van uw dochter, mag hem niet verhelen, dat hij zich is komen te ontgaan. Onwetend, kan ik niet onderstellen, maar onnadenkend zeer zeker... .
Frits. Ziet u. Mevrouw, Mijnheer zal geroepen worden om te zweren....
97
Ds. L. Te zweren, Mevrouw!
Frits. Dat hij geen f' 100; dat hij zelfs niets gegeven of beloofd heeft...
v. A. Ja, Ferdinand, daaraan hadden wij behooren te denken, die zuiveringseed ...
Frits. Daaraan kan U niet ontsnappen.
Lucie. Kom, houd nu maar op Frits ...
v. B. Ja, zijn dat nu praatjes voor vanavond â wat kan ons die Grondwet schelen ?
Mevr. Dat zou ik ook zeggen, maar dominé hecht nog meer aan de Grondwet, geloof ik, dan aan het Evangelie.
Ds. L. Pas op. Mevrouwtje, het geval is ernstiger dan [T schijnt in te zien.
v. B. U heeft gelijk, dat wordt een verdoemd lastige quaestie.
Ds. L. Een zeer lastige quaestie is het. Mijnheer v. Bommel.
Mevr. Dat wil zeggen, .U, Frits en de overigen kunnen er dat van maken....
v. B. Jij hebt mooi praten, jij behoeft niet te zweren.
Ds. L. Ziet U, mijnheer moet zijn vingers opsteken en voor God verklaren, dat hij niemand een gift of gave gegeven heeft... en als mijnheer dat doet. .. ja, denk U eens even na ... als mijnheer dat doet... dan begaat hij een meineed ... een meineed. Mevrouw !
Mevr. Nu ja! [zij haalt de schouders op).
v. B. En daar waag ik me niet aan.
Mevr. {opstaand). Dus dan zou je niet naar de Kamer gaan ?...
7
âEen meineed Mevrouw!quot; (blz. 98).
99
Lise. {huilend, tot v. A) Wat behoefde jij dat ook te vertellen ?
Lucie (tot Frits). Had jij die wetgeleerdheid maar voor je gehouden!
Lise {tot Frits). Je begint nu al de familie, waar je in komt, te scandaliseeren....
Frits, (tot Lise). En jou jongen zou zijn eigen schoonvader naar den strafrechter brengen, als ik niet oppaste.
v. A. {tot Lise en Lucie.) Bemoei juilie je met je eigen zaken !
Lise. {tot v. A.) Dat kan je begrijpen, hé.
Lucie. Ja, dat zouden juilie wel willen... om ons gelukkig te maken, beginnen juilie met papa in 't ongeluk te storten ...
Ds. L. Kinderen ! Kinderen !
v. A. {tot beiden). Geen ruzie vóór je getrouwd bent.
{Mevrouw loopt gejaagd door de kamer).
Mevr. Maar je behoeft niet te zweren Herman ; je kunt ook verklaren; ik heb 't zelf gezien, {neemt 't wetboek): âik zweer, (verklaar).quot;
v. A. Neen, dat is hetzelfde.
Mevr. Is dat hetzelfde : zweren of verklaren ?
Ds. L. Verklaren doen alleen de Godloochenaars ...
Mevr. Nu goed!
Ds. L. En zou U dan willen, dat Mijnheer Godloochenaar was ! Neen, dat kan niet; mijnheer, die verkozen is op aanbeveling van Troon en Altaar ! U begrijpt toch, ü zelf zon mij dwingen tot een protest, en dan zou ik het moeten uit-
100
brengen, dat Mijnheer v. Bommel niet heeft kunnen zweren.
v. B. Hoor eens, Dominé, bespaar je al die uitleggingen ... ik doe geen verklaring, en ik zweer geen meineed ; daar krijgen ze mij niet toe !
Mevr. Zoo, krijgen ze je daar niet toe !!
v. B. 't Is beroerd, dat het zoover geloopen is; ik heb mij vergist... goed, â maar de heele zaak hangt me de keel uit. Ik heb er genoeg van. Wat kan mij die Kamer bommen? Je bent er al bah van vóór je er inkomt ! Ik walg van den boel! Lise is geëngageerd, Lucie is geëngageerd... ik kan het daar best meê doen ... ik ga verhuizen ... ik bedank.
Lise. Maar, papa, dat kan U niet!
v. B. Straks komt de serenade !
Mevr. (tot v. B.) Meen je dat ? !
v. B. Waarom zou ik het niet meenen ? Vóór 14 dagen kon het me nog niets schelen, en Jou kon het gisteren nog niets schelen, en wie kan het eigenlijk wel wat schelen ? Denk je, dat ik, bij alles wat het me gekost heeft, er nog een meineed voor over heb ?
])s. L. {op eenigeri afstand). Een ontmoeting met den strafrechter nu ... en later .. . {hij tvijst met den duim naar boven.)
Mevr. Eend dat je bent! â Waarom heb je mij die f 100 niet laten voorschieten ?
v. B. Jou!
Mevr. Ja mij! Dan had/t}'kunnen zweren. â Bedanken voor de Kamer! Jou leukert f.. Een meineed! Net alsof dat je eerste zou wezen.
101
v. B. Zoo ...
Mevr. Ja, je eerste was toen je me trouwde; j e tweede
bij de successie van grootpapa,----- Neen, je moogt
niet bedanken, al zou het je twaalf meineeden kosten, â Je kunt niet bedanken; je maakt ons ridicuul....
Herman, hoor eens, ik wil het, je zult...
v. B. Neen, ik ...
Mevr. Toe, je vrouw {zij valt hem om den hals) vraagt het je; ik bid je ... ik en je kinderen!
Lise en Lucie. Och papa! papa!
Lise. Wat zullen de menschen er wel van zeggen, ze zullen denken dat er iets gebeurd is ...
v. A. Aanstonds komt de serenade!
v. B. (rukt zich los). Laat er komen wat er wil, ik ben me zelf; ik doe, wat ik meen dat mijn plicht is... ik ga dadelijk de stad uit.. ..
Lucie. Papa, blijf toch !
Lise. Papa!
v. B. En zeg maar, dat ik . .. zeg maar wat je wilt...
v. A. Mijnheer laat u verbidden!
Frits. We zullen er wel wat op vinden!
Mevr. Luister dan toch naar je kinderen !
v. B. Adieu, tot over enkele dagen.
Mevr. Als je nu gaat, ga dan voor goed, â kom nooit weêr onder mijn oogen. {Mevr. valt in een stoel).
v. B. {tot Lucie en Lise) Kinderen hebt elkander lief.... en doet nooit wat tegen de grondwet! Ia H voorbijgaan geeft hij een hand aan Ds. Langelaan. (v. B. af)
102
Ds. L. Welk een karakter! Welk een karakter!! {tot Mevr.) O, wat is U overspannen; de zenuwen hebben U geheel in de macht! Wat U daar zeidö, vernam ik... . en geloof me. ik vergat het weêr. Het is als had ik het nooit gehoord ... U sprak, en U wist niet wat U spraakt... Tracht een weinig te bekomen. {Mevrouw gaat zonder te antwoorden heen).
Lise {tot Mevrouw, die zich verwijdert): O Mama, probeer nog eens papa van zijn besluit terug te brengen.
{Mevr. af).
Ds. L. {tot Frits). Ge ontvangt een schoonvader, mijn jongen, â één uit duizenden, één uit tienduizenden; van een adel des geestes als in het vuur beproefd! {tot de anderen). Wilt ge wel gelooven, ik had een voorgevoel van iets smartelijks. Zoo is het altijd in deze wereld, het geluk was te groot. Nietwaar, wij duizelden allen te samen, en nu zijn wij weer tot het meer normale teruggebracht, ofschoon: twee verlovingen op één avond, 't blijft altoos iets zeer buitengewoons â en dan daar by een voorbeeld van zoo hooge plichtsbetrachting, dat heeft toch nog iets van de wonderschittering des hemels in een arabischen nacht.
Frits. Maar hoe moet het nu met de Serenade ?
Lise. Die dient afgezegd ...
v. A. {op zijn horloge ziende). Ze kan over een kwartiertje hier zijn.
Ds. L. Ja kinderen, daar moet raad geschaft.
Frits. Maar hoe ?
v. A. Als jij eens naar Mijnheer Meeuwissen ging...
103
Ds. L. Wat zou h\) dien dan kunnen zeggen ?
[Mevrouw komt iveêr binnen).
Lisc. Nu, mama?
Mevr. Je papa is voor geen rede vatbaar. Hij gaat aanstonds naar Utrecht; hij wil zich onttrekken aan alle huldebetoon en zal ons van daar doen weten, hoe wij verder hebben te handelen.
üs. L. Laat ons dan zeggen, dat er onverwachts een telegram is gekomen, en Mijnheer zonder uitstel de stad moest verlaten.
Lise. Uitstekend, dan weet niemand nog iets,
Lucte. 't Kan niet beter.
Mevr. Maar dominé, dat is een .... leugen.
Ds. L. Een leugentje om bestwil, mevrouw, waarvoor vergeving te vinden is â⢠als de zonde van een kinderzieltje .... maar een meineed!!
Mevr. En als nu een volwassen mensch ook eens een meineed deed, met een zieltje niet grooter dan van een zuigeling ....!
(Hendrik komt binnen, een kaartje in de hand).
Hendr. Mevrouw, deze Mijnheer vraagt of er geen belet voor hem is.
Mevr. {leest). Mr. Aug. Valerius! itot Hendrik) Laat mijnheer hier komen! {tot de anderen) Valerius! Valerius! v. Bommels trouwe vriend uit den studententijd. Alsof hij geroepen was! Valerius de groote rechtsgeleerde.
Ds. L. Is dat Valerius, die dat proces tegen den Staat heeft gewonnen?
Mevr. Dezelfde.
104
(Valerius komt binnen).
Valerius. Mevrouw!
Mevr. Mijnheer Valerius!
Valerius. Mijnheer?! geen plichtplegingen s. v. p. Ik moest toevallig juist te Veenenburg wezen en besloot een trein over te blijven, nu ik begreep, dat mijn vriend v. Bommel verkozen kon zijn. Ik wil hem even gelukwenschen en ook U; gaat het U goed bij voortduring ?
Mevr. Mij, ja, mij gaat het goed.
(Zij stelt de anderen aan Valerius voor, zonder vermelding van relatie).
(Valerius en de anderen buigen).
Val. Aangenaam! (tot Mevr.) Mij, zegt U, gaat het goed, maar uw man is toch ook welvarend... op een dag als deze ?
Mevr. Ah, Valerius !
Val. Hij is immers thuis ?
Mevr. Het rijtuig is daar juist vertrokken om hem naar 't spoor te brengen.
Val. Wat zegt U, zoo gepresseerd, op den avond van zijn verkiezing!
Mevr. Laat ik je, als vertrouwd vriend van v. Bommel, maar dadelijk inlichten. Herman is verkozen, we zitten gezellig te praten en daar vertelt hier neef v. Aalst, dat mijn man hem honderd gulden gegeven heeft, om een ouden huisknecht van ons, die de candidatuur tegenwerkte, te bewegen van houding te veranderen, en voor v. Bommel zijn best te doen, en nu heet het, dat hij de benoeming niet kan aanvaarden zonder...
105
Val. Ik begrijp U ; zonder zich aan den zuiveringseed te branden.
Ds. L. Juist, Mijnheer, zonder valseh te zweren, en zijn geweten met een meineed te bezwaren.
Val. Mevrouw, ik hoor de boodschap wel, alleen 't geloof ontbreekt me! Een man als mijn vriend v. Bommel kan zich niet vergrepen hebben aan de grondwet, allerminst aan artikel 87. Dat noem ik bij voorbaat onmogelijk, en al kwam hij hier zelf verklaren, dat het zoo is, zoodat de heele wereld zou zeggen: habemus ream confitentem, zonder eenig onderzoek zou ik durven volhouden, dat is een vergissing, hij kan niet schuldig zijn ...
Mevr. {tot Lucie). Kind, haast je, daar is het kaartje van Mr. Valerius, en zeg je papa, dat hij dadelijk hier komt... toe, voor het te laat is.
Ds. L. Mijn zoon, de Candidaat in de Rechten, denkt daar anders over, miinheer Valerius ...
Val. Laat mij nu eens geheel correct de toedracht hooren ____
Frits. Mevrouw heeft het U naar waarheid verteld. Hier Mijnheer v. Aalst is naar dien huisknecht gegaan heeft met hem gesproken, hem honderd gulden beloofd en ook gegeven, nietwaar v. Aalst ?
v. A. Nu ja, gegeven heb ik het.
Val.. Ik moet reeds opmerken, dat dus niet Mr. v. Bommel zelf, maar deze mijnheer gehandeld heeft; wil je dat ad notam nemen !
Frits. Maar dat is dan toch indirectelijk ga ven geven.
Val. Daarover zullen we 't straks hebben (tot c. Aalst).
106
Aangenomen dus, U heeft honderd gulden van Mijnheer v. Bommel ontvangen en aan dien knecht uitgereikt, â heeft U hem dat ter hand gesteld onder de uitdrukkelijk overeengekomen voorwaarde, dat hij persoonlijk mijnheer v. Bommel stemmen zou ?
v. A. Neen, dat niet. 't Ging zoo pratende voort...
lraL Of nam die knecht de verplichting op zich een bepaald aantal personen, in het belang van Mijnheer v. Bommel, naar de stembus te voeren?
v. A. De verplichting niet; hij bleef natuurlijk vrij.
Val. O, zoo! Er bestond aldus geen overeenkomst in den zin der wet; evenmin een mondeling als een geschreven contract.
v. A. Wel neen, want toen ik thuis kwam, zei Oom nog: zouden we wel op hem kunnen rekenen ? â
Val. {tot Frits) Maar jongmensch, waar praat U dan over? Tot v. Aalst). En de handeling zelve â nader te karak-teriseeren â greep zij plaats onder getuigen? Valt â dit is in rechten een hoofdzaak, mijnheer de candidaat â valt het bewijs, het wettelijk bewijs te leveren van eenigc ongeoorloofde daad ?
v. A. Wij waren met ons beidjes ...
Val. Sta mij toe, U nog een vraag te doen. Hoe kwaamt U aan dat bedrag van honderd gulden; een bedrag immers veel en veel te groot om het vermoeden te wettigen, dat iemand enkele stemmen heeft willen koopen ?
v. A. Duimelaar achtte zich voor die som benadeeld door Oom. Dit kwam hem, meende hij, toe, omdat Oom hem vijf jaar geleden bijstand onthouden had.
107
Val. Wat hoor ik! Mijn vriend v. Bommel heeft een fout, een kleine fout, hersteld; zich van een schuld, die in confesso was, gekweten, en daarvoor, doininc, zou U hem het kamerlidmaatschap willen ontnemen. C'est un comblo van averechische rechtstoepassing! (tot Frits) Foei, schaam U wat! En daartoe beroept TJ zich op art. 87 der Grondwet...
Frits, ^.rtikel 83 der oude Grondwet, maar hot bleef onveranderd, nietwaar...
Val. Hoe heb ik het nu? De lezing van de nieuwe wet is U vreemd! Weet U dan heusch niet, dat de woorden ..aan geene personen, hetzij in of buiten het bestuurquot; veranderd zijn in; vaan geen persoonquot; en de toevoeging: ânog beloven of geven zalquot;, geheel is weggevallen?
Ds. L. Maar dat bracht geen wijziging in de bedoeling van het artikel, zou ik meenen.
Val. Neem me niet kwaljjk, wat 11 zou meenen. Do-miné, kan hier niet van invloed zijn. Aan U de tien geboden uit te leggen â aan mij over de Nederlandsche Staatswetten te spreken, in alle bescheidenheid zij het gezegd, met hetzelfde gezag, waarover U op den kansel beschikt.
Mevr. O, wat doet het me een genoegen, dat mijnheer Valerius gekomen is; ik heb er dadelijk over gedacht als U.
Val. Dat kan ik begrijpen. Mevrouw! dat pleit voor de liefde, die U van Bommel toedraagt; voor uwe kennis van zijn nobel karakter; maar het getuigt bovenal van het gevoel voor recht, dat de vrouw van nature eigen is. Ook Justitia nietwaar, is vrouw!
108
Frits. Mijnheer zou dus volgens U wel den zulverings-eed kunnen afleggen.
Val. Vraag je dat nog!
Mevr. Nu Frits ! !
Val. Is voorts al wat wetsinterpretatie heet je volstrekt onbekend gebleven?
Frits. Maar dat artikel...
Val. Dat artikel en de grondwet in haar geheel schijnt U gelezen te hebben zoo inslikkenderwüs, gelijk men een roman verslindt. Van nadenken, vergelijken, ontleden, van studie geen spoor!
Niets heeft U gevoeld van de moeilijkheden in ditépi-neus artikel vervat! Ah^ wat mij betreft, gelijk de groote meesters, die ons zijn voorgegaan, ik hecht aan een breede opvatting; al wat chicane heet is bij mij veracht. Maalais ik lees âaan geen personenquot; zal het geoorloofd zijn giften of gaven te geven, rijst immers van zelf de quaes-tie: wil men daarmede verbieden, de gave aan eenig individu, of strekt het verbod zich ook uit tot eene ver-eeniging van individuen? TI gevoelt het verschil, hoop ik. Dan âonderwat naam of voorwendsel ookquot;; zijn naam en voorwendsel hier synoniemen, of slaat het ânaamquot; op den persoon en het âvoorwendselquot; op de zaak in quaestie; en zoo ja, hebben wij bij voorwendsel te denken alleen aan het leugenachtige, het fictieve, ofâ vooral II had dit behooren te overwegen â kan daaronder worden begrepen, het reëele â b. v. een boetedoening voor een gepleegd onrecht, het afbetalen eener schuld? Ik vraag verder: âeenige giften en gavenquot; â ik zweer, dat ik niet eenige giften of gaven gegeven heb, eenige_, dat is pluralis nietwaar? Waartoe dat meervoud? In de onderstelde grond-
109
wetsschennis van Mijnheer van Bommel zon deze slechts één gift, één gave hebben gesehonkon, en zon hij niet alleen reeds op dien grond vrijgesproken moeten worden?
(Lise klapt in de handen, v. Aalst steekt Mevrouw de hand toe, als om haar geluk te ivenschen.)
Val. Ja wel, U ziet me wantrouwend aan Dominé, evenals Uw zoon, mijnheer de Candidaat; maar ik verzeker U, ter beoefening der rechtsgeleerdheid, tot het doen van uitspraken in de praktijk, behoort eenige meerdere voorbereiding dan het aankoopen van een Corpus juris, een paar commentaren en het van buiten leeren vau een dictaat. De mathesis heeft in haren eenvoud tot symbool de rechte lijn; de theologie, haar hemelsche zuster, verheft zich op den cirkel, het zinnebeeld der oneindigheid ; maar de juridische wetenschap verkoos zicli de onregelmatig gebogen lijn, die nu eens verticaal, dan weêr horizontaal, transcendentaal en infernaal zich voortbewegende, in hare kronkelingen en bochten haar liefste geheimen verborgen houdt. â Dat eischt studie, Mijnheer!
v. A. (tot Mevrouw). Welk een taal. Tante, en wat een wetenschap !
Mevr. Ja, had je Oom dat maar mogen hooren!... Waar blijft Lucie, zij had allang terug moeten zijn,
Lise. Zou ze papa niet meê kunnen krijgen V
v. A. St! Hoor ik daar geen muziek ?!
Lise, (en de overigen, verschrikt). De Serenade! De Serenade!!
Mevr. Eu je papa is er nog niet... Hoe moet dat?!
110
Val. Maak u niet ongerust, Mevrouw... ik zal den heeren wel te woord staan ...
Mevr. O, Valerius... ü is een reddende engel!
v. A. Neen... luister! 't is de Serenade niet...
Lise. 't Is een harmonica .. .
Mevr. Ja... â ik hoor 't nu duidelijk.
Ds. L. 't Heeft, dunkt mij, meer van een draaiorgel!
Val. (op zacht verwijtenden toon). Dat het straatrumoer ons niet aftrekke van ernstiger overleggingen! [tot Frits). Jongmensch, laat mij U dit nog zeggen: ik heb de wetenschap te lief om mij niet te bedroeven, nu ik zie, hoe een harer adepten haar compromitteert. Gij zijt nog jong, maar de methode, die men aan uwe universiteit volgt, heeft bij U reeds wrange vruchten gedragen..
Ds. L. Mijnheer Valerius, hier Mijnheer mijn zoon zal schoonzoon worden van mijnheer v. Bommel...
Val. Val me niet in de rede Dominé, â laat mij alsjeblieft uitspreken!
Maar ... ware herstel nog mogelijk â en onmogelijk acht ik dat geenszins, dan, lettende op de soberheid van zijn taal, op de klaarheid van zijn verdediging en bovenal op de cordaatheid, waarmee hij niet geschroomd heeft, zij 't dan ook in dwaling, zijn aanstaanden schoonvader een schrikbare waarheid te onthullen, zie ik hem opgroeien tot een sieraad van de balie! Mevrouw, een hartelijke gelukwensch met de verhouding, waarin uwe dochter .... deze ? ...
Mevr. Neen, de andere ...
Val. tot mijn tegenpartij van zooeven is komen te staan.,..
Ill
Mew. Dankje, Valerius ...
Val. Ik ben er zeker van, opgenomen in dezen lieven kring moet hij terecht komen, en nu ... {hij steekt Frits de hand toe): zoo is ons métier: de waarheid bovenal, en voorts, sans rancune !
Ds. L. Het zij mij vergund. Mijnheer Valerius, ter bevestiging van u vertrouwen, ook te wijzen op den kring, waaruit mijn zoon is voortgekomen.
Val. Jawel, Mijftheer, ware ook die kring niet zeer buitengewoon, hoe zou Uw zoon, in dezen kring, zijn opgenomen? Van huis uit, men bemerkt het dadelijk, heeft hij iets verdienstelijks ...
(Lucie en v. Bommel komen binnen).
Lucie. Hier is papa ! Hier is hij ...
(Lise wil hem een kus geven).
v. B. Valerius! Valerius!!
Val. Mijn Bommel! Wat een geval! Moest ik hier komen om je aan een noodlottig misverstand te onttrekken?
v. B. Er bestaat dus volgens jou geen bezwaar tegen het afleggen van den zuiveringseed ?
Val. Niet het minst. (Hij legt zijn hand op v. B's schouder). Jij zou de wet kunneu schenden, die het fondement is van ons aller staats-leven ? Ik ben geen psycholoog geboren, maar ik vraag de heele wereld: kan jou gezicht het aanschijn van een leugenaar of bedrieger wezen! Wie is er hier, die daaraan nog durft denken ! hij spreke!... v. Bommel delinquent!
v. B. Och, ik was heusch wat in de war. Die uitslag der verkiezing, die twee engagementen ...
113
Lise. En dan die 12.000 gld...
v. B. maakten mij zenuwachtig, beletten mij kalm te redeneeren, zooals je weet, dat mijn gewoonte is...
Val. 't Doet er niet toe ; in je afwezigheid hebben loi] voor jon geredeneerd! â Maar wat zeg je daar,... op één avond twee engagementen!
Lise. Niet minder dan twee tegelijk, Mijnheer; bovendien nog voor v. Aalst en mij 12.000 gld.
Val. En onder dat alles heb je maar één dwaasheid begaan! â Wat ik daar hoor, verklaart alles. Op eenmaal is het pikdonkere luce clarius geworden. Waarom, Mevrouw, me dat niet terstond gezegd? Ik had mijn betoog kunnen sparen... Ja, Bommel, ik heb mij voor een oogenblik door een bitter gevoel laten vermeesteren; 't overkomt me niet gemakkelijk ...
v. li. De gedachte, dat ik schuldig zou zijn, moest je ontstemmen.
Val. Neen, dat niet. Wat mij griefde was, dat er nog één denkend brein bleek te zijn, waarvoor het mogelijk scheen, dat onze grondwet, die, in hoofdzaak, de proef haast eener gansche eeuw schitterend heeft doorgestaan; die zijn sanctie ontvangen heeft van eenige honderden der fijnste en diepzinnigste geesten, â een verbod zou kunnen bevatten, om een te lang gepleegd verzuim te doen eindigen, een fout te herstellen, gelijk door jou ten opzichte van dien knecht was geschied. Nietwaar, reeds dit argu-mentum ex absurdo had hem moeten weerhouden je lastig te vallen.,.
v. B. Nu, dat heb ik hem vergeven. Hij meende het goed...
113
Val. Zeker, ook ik, maar ...
Mevr. {tot Val.) Ik moet U even in de rede vallen. Je hebt ons zoo gelukkig gemaakt, ons allen, maar zou je nu voor het moment het verdere van je beschouwingen ons niet sparen tot straks ? -â De Serenade komt... Herman zal nog wat toilet dienen te maken, en zich willen prepareeren.
Ds. L. Na zooveel geestesberoering zal een oogenblik van afzondering geen kwaad kunnen.
Val. Pardon, Mevrouw, waar het hart vol van is loopt de mond van over. Dit eene moet ik nog even zeggen ...
(Lise en v. Aalst, die zich verwijderd hadden, komen terug.)
v. A. Ze vertellen beneden dat de Serenade in aantocht is...
( Val. wijst met de hand, verzoekt te zwijgen. Mevr. loopt naar de deur, maar durft niet heengaan.
Lucie neemt v. Bommel den hoed, dien hij nog in de hand houdt, af, en biedt hem ter sluiks een zakkammetje aan. v. Bommel gaat, evenals v. Aalst, naar het balc.onraam).
v. A. Xeen, ze komen nog niet.
v. B. Houd Hendrik gereed! En staat Jacob op post ? {van het raam terugkeer end) 't kan niet lang meer duren...
FöZ. Wat mij het meest bedroefde was nog niet eens deze beneveling van de glorie der wetenschap, maar de bedreiging van het prestige der kamer zelve en van de eer des vaderlands ...
{Hendrik komt met een instrument om de lichten aan te steken.)
Val. {tot Hendrik plechtig) Nog even geduld, mijn vriend...
{Mevrouw wenkt hem de kamer te verlaten).
114
Nog nooit toch heeft in het Nederlandsche parlement iemand gezeten, die directeAijk: of indirectdijk giften of gaven had geschonken, om stemmen zich te vei-werven. Het artikel, reeds aanwezig in de Grondwet van 1815, en toen misschien op zijn plaats, had thans daaruit verwijderd knnnen zijn; in het ontwerp der commissie van'48 kwam het al niet meer voor. En terecht. Want de verdenking, erin vervat, ligt verre beneden het peil onzer volksbeschaving ; de presumptie van omkooperij getuigt van een wantrouwen in de deugd onzer eerste standen, misschien oorbaar onder Japanners, Chineezen of Turken ... (Tèteretèt â Tèteretèt...)
Lise en v. Aalst, {die onder deze speech iveér naar de balcondeur zijn gegaan, tot Mcvrouiv met de hand aan den deurknop:) â Daar zijn ze! â Ik hoor de trompet! {Lisa trekt de balcondeuren open)
O, ik zie ze al bij den hoek van de straat! (Mevr. af.) v. A. Kijk die fakkels eens!
Frits. Wat een massa volk ! â
v. B. [tot Valerius) Ga daar zoolang zitten. Ds. L. (tot v. B.) Kan ik U ook van dienst zijnquot;? v. B. Neen, dank je â houd U mijnheer Valerius maar gezelschap...
Mevr. (komt terug). Is Hendrik hier nog niet? Lucie roep hem dan toch! {Lucie af).
v. A. {tot v. B.). Nietwaar hier, zoo in een hal ven cirkel, zullen wij de besturen plaatsen â en U daar als het middenpunt. â
v. B. Goed, de dames hier links dan met Mijnheer
115
Langelaan en Mijnheer Valerius, en .jij en Frits aan dien kant, om te zien of Hendrik niet in gebreke blijft.
(LjUcie en Hendrik komen op).
v. B. (tot Hendrik). Nu dadelijk de lichten aan, â waar zijn je witte handschoenen ?
Hendr. Direct, mijnheer, ik heb ze bij ine.
Ds. L. {tot Valerius). Als ik U vragen mag, U is een tijdgenoot van v. Bommel?
Val. Dat wil zeggen... ik ben drie jaar na hem aangekomen, maar wij zijn in één week gepromoveerd...
Ds. L. O, zoo ...
v. !). (tot de beide heer en). En hebben de heeren geen sigaar ... neen ? (tot Lise) Waar zijn de sigaren ?
Mevr. â Daar staan ze, lieve .. .
c. B. (Een kistje openend) steekt eens op heeren! â (zich wéér tot Hendrik wendend) en nu kom je direct met je blad, zoodra de heeren mij toegesproken hebben, vóór ik het woord neem ...
v. B. {tot Mevr.) De trompet heeft weer opgehouden.
Lise {bij 't balcon). Maar zij zijn nu dicht bij. O wat een drukte, en menschen voor alle ramen!
Allen komen kijken bij het balcon ... men hoort yedruisch, en daarop muziek nog op kleinen afstand.
v. B. {zenuwachtig heen en weer loopend voor het balcon, tot de dames en de beide heeren) Nu, juilie hier alsjeblieft, â en Frits en Ferdinand daar â en Frits, vóór ik spreek Champagne. â en na ik gesproken heb weer ... Julia ... (hij plaatst zich voor haar) zeg, zit mijn das en mijn over-
116
hemd goed____ Juilie hebt cr zoo aan getrokken ....
(Hendrik opent de deur en laat de heer en binnen; de muziek speelt nog. Allen huigen. Becker en Meeuwissen met drie bestuursleden van Voorwaarts; drie bestuursleden van dc Arbeiderskiesvereeniging, en drie bestuursleden van Sic Semper; door v. B. wordt hun een plaats gewezen, De muziek zwijgt).
Becker. Hooggeachte Mijnheer v. Bommel. Op dezen gedenkwaardlgen dag, nu Veenenburg de eer en het voor-recht heeft in U een harer burgers tot liet lidmaatschap der Tweede kamer te zien verkozen, was het 't bestuur van Voorwaarts een behoefte, begeleid door de kapel de Harmonie, U namens de leden der kiesvereeniging onze gelukwenschen te komen aanbieden, en de hulde U te brengen zoo ruimschoots verdiend. Aangewezen hierbij dc tolk der overigen te zijn, bezwaart mij de gedachte, dat waardiger dan ik behoorde voor te gaan.
Mevr. {fluisterend tot Lite) Zooals Mynheer Valerius bjj voorbeeld, als die eens mocht...
Becker. Want waar bekwaamheid, karakter, onafhankelijkheid, toewijding, werklust schitteren, en geavanceerdheid de richting wijst, past het geenszins mij, mar van geringe hoedanigheden, de loftrompet te steken, die men zoo gaarne aan geen mindere dan de Faam zelve zou zien toevertrouwd.
Wees dus tevreden met een kort, maar hartelijk woord...
Gij hebt U gegeven aan ons district met uw geheele ziel, van ganscher harte. Dat het U nooit berouwe! Hooge plichten hebt gij aanvaard, en wij twijfelen er niet aan, gij zult die vervullen. Wat ons betreft, wij beloven U de
117
samenwerking daartoe vereischt. Wij kennen uwe edelaardige gevoelens; geluk dus met het arbeidsveld U thans geopend. Wees er voorspoedig op! Onder de lievelings-leus, de Zemis-leus van U en ons te saamgekomen, roepen wij U toe: Voorwaarts f ... Mr. v. BommelHeil! ! ! {v. B. buigt).
(Luid bravo-geroep en applnudissement.)
(De muziek buiten valt in.)
(Meeuimssen op 't balcon.) St! St!! (De muziek zwijgt.)
{Hendrik komt met Champagne en wordt terruggewezen.)
Roeltjes. (namens de werkliedenkiesvereeniging ,,0ns belangquot;).
Mijnheer, ik heb daar niet veel aan toe te voegen. Wij kennen U niet zoo, als de Heeren daar; maar ze hadden ons veel goeds van U verteld, en wat wij U zelf hadden hooren zeggen, beviel ons wel; daarom vonden wij U een geschikt candidaat. Wij, werklui, koopen meestal een kat in den zak; de heeren beloven ons veel en als 't op stuk van zaken komt, doen ze heel weinig, maar wij hopen, dat het met U anders zal wezen, en dat we U over vier jaar weer nemen kunnen ...
v. B. {glimlacht en knikt; in de kamer heel zachte tikjes van applaudissement.)
v. Batenburg, {voor Sic Semper, treedt een pas naar voren; de, eene hand in zijn vestzak.) v. Bommel, je weet wel. Sic Semper doet niet aan politiek; toch hebben we allemaal je gestemd, wat voor verschillende gevoelens de leden ook mogen zijn toegedaan ; want boven de politiek staat de vriendschap, de gezelligheid, de jovialiteit, de
118
welwillendheid en de weldenkendheid; de weldenkende welwillendheid en de welwillende weldenkendheid. â 't Zal ons een kruis zijn je 's middags te moeten missen, maar zoo is 't ook voor je vrouw en je kroost. Als je nu bedenkt, dat wij allen dat offer voor je over hebben, moet je toch zeggen, dat wij fldeele jongens zijn, die meer aan 't Vaderland afstaan dan de meesten! Maar op een dag als van daag wil je wel een ernstig woord, en daarom sluit ik mij aan bij den geachten voorzitter van zooeven, en zeg met Becker: onder de leus Voorwaarts v. Bommel heil! Sic Semper ! ! hou, je maar stevig ! ! !
v. B. {buigt plechtig.) Luide applaudissementen. Muziek Wien Neer lands bloed. Champagne gepresenteerd.
Ds. Langelaan heft mee 't volkslied aan en zingt voor in dolle geestdrift. Aan de open kamerdeur verzamelen zich dienstpersoneel en bekenden des huizes â nu en dan komen vrienden des huizes, dames en heeren, daaronder een oude dame met stokje en horentje, de kamer binnen, plaatsen zich in de nabijheid van Mevrouw; enkelen gaan meer verwijderd zitten. De muziek eindigt.)
v. B. Mijnheeren, ik ben diep getroffen door de vriendelijkheid, de hartelijkheid en het vertrouwen mij betoond.
Dit is de schoonste avond mijns levens ! â Ik herhaal: de schoonste avond mijns levens ! {Applaudissement)
U weet, ik meende aanvankelijk mij te moeten onttrekken.
Ik heb het ambt niet gezocht. Integendeel.
Meen,wissen. Ja, dat weten Becker en ik.
De anderen. Stil... geen interrupties !
119
v. B. Maar eenmaal mijn besluit genomen, ken ik niets wat de streeling van liet streven te bovengaat. Bravo! Bravo!/)
In de gestelde plichtsvervulling krijgt men genoegen ; men haakt er naar, men gaat er in op! Wat een wellust is het zoeken... het zoeken naar de verbetering der maatschappelijke toestanden, en na het zoeken? het zich inspannen om te bereiken! Ik gevoel het: veel is er te doen, en ik zou niet durven aanvaarden, mocht ik niet rekenen op u aller medewerking.... {Zeker! Zeker!!)
De belastingen dienen te worden verlaagd \ in de arbeidersbehoeften moet onbekrompen worden voorzien. De landbouwbelangen eisehen algeheele behartiging, en niet minder die van Handel, Scheepvaart en Nijverheid. Het vergunningsrecht vordert een mildere toepassing; het drankmisbruik beloof ik te zullen tegengaan. Bij behoud van de leus: scheiding van Kerk en Staat worden de hooge belangen van den godsdienst geenszins uit het oog verloren, en rake men dus niet aan de subsidies voor geestelijke doeleinden. De salarissen der onderwijzers vragen verhooging, terwijl leerplicht worde ingevoerd, en als middel ter volksbeschaving de algemeene dienstplicht daaraan worde toegevoegd: in éen woord: aan het werk ter stoffelijke, verstandelijke en zedelijke verheffing dei-natie moge nu eens voor goed de hand worden geslagen; en als het mij vergund is, mijn program in een beeld af te spiegelen: het schip van Staat, weldra zeile het niet alleen, maar spoede zich met stoomvermogen, tegen wind en baren, naar de veilige haven ! (hij neemt een glas in de hand) Mijneheeren, veroorlooft mij, dat ik, dankzeg-
120
gend, drink op U, als mijne helpers bij dit heerlijk werk!
(Hoera1 s. Applaudissement). v. Batenburg. Dat is mooi gezeid ! Dat is mooi gezeid ! Val. (dringt naar voren.) Van harte geluk met die schoone woorden .. .! (Anderen drukken Mevrouw de hand. Een kring om v. B. heen, waar Lucie zich door heen tracht te werken, om hem te feliciteer en).
Lucie. O, papa, zoo heb ik U nog nooit gehoord! Rumoer buiten en geroep : v. Bommel! v. Bommel!! v. Bonnnel! !!
Meeuw. Ze willen je zien ....
v. Batenburg. Toe, ga eens kjiken.
v. B. Zou ik ? ...
Becker. Zeker, dat hebben ze wel aan ü verdiend. â v. B. (gaat naar 't balcon en staat te buigen, onder luid gejuich).
Dank je wel menschen, dank je wel...! t
{Geroep om Mevrouw v. Bommel).
v. B. (keert zich om, en roept zelf) Mevrouw v. Bommel! Mevr. Och neen, hè ...
v. B. Tie roepen om je, Julia!
Mevr. Me dunkt, ze hebben nu aan jou wel genoeg. (Lise, Lucie en v. A.) Kom, mama! Toe, Mevrouw ! Val. Ja, mevrouw, geen Julia zonder een balconscène!
(v. B. komt de kamer binnen, biedt haar een arm aan, en beiden vertoonen zich ; luid en lang gejuich.)
Ds. L. Wat een brave gemeente, welk een goede geest daar heerscht!
v. B. Wat wil je Valerius?
Val. Als iemand niet geheel misdeeld is gebleven van de gave der taal, is dat zeker geenszins om te zwijgen bij een gelegenheid als deze ! (Bladz. 121.)
122
(v. R. en mevrouw komen de kamer weder binnen, en Valerius springt op een stoel voor het halcon â v. Bommel tracht hem tegen te houden.)
v. B. Wat wil jc Valerius?
Val. Als iemand niet geheel misdeeld is gebleven van de gave der taal, is dat zeker geenszins om te zwijgen bij een gelegenheid als deze!
Val. (met een stem als een orcaan). Gelukkige burgers van Veenenburg! Ik, Mr. Augustus Valerius, advocaatprocureur. Keizersgracht 517 te Amsterdam, ik mag niet zwijgen, waar gij mijn vriend huldigt. Ik heb hem gekend, Mr. Herman van Bommel, van de dagen af, dat hij te Leiden zich aan de wetenschap is gaan wijden, en ik weet welke verwachtingen op hem waren gebouwd. Hij heeft die niet beschaamd!
Thans zal hij U in de residentie gaan vertegenwoordigen, en, indien ik U iets benijd, dan is het juist, dat Mr. v. Bommel daar voor Veenenburg zal zitten, en niet voor het zesde district van Amsterdam! Maar wat mij weder troost, is, dat gij hem daar heen hebt geroepen, niet als vertegenwoordiger van U alleen, maar van het geheele Nederlandsche Volk, en dus ook van mij, zijn ouden vriend en studiemakker! Geluk met Uw keus! Ik weet het, gij draagt hem op de handen, hij is dat waard! â en de Hemel heeft dit ook begrepen: heden toch, tot kamerlid verkozen, bezit gij in hem den gelukkigen vader, die op een dag zijn beide dochters ziet verloofd ! !
[Handgeklap binnen en buiten â Algemeen gelukwenschen in de kamer; geroep: Lucie! Lise ! Handdrukken en kussen â huiten luid gejuich en geroep: de dochters! !)
123
Val. (gaat voort). Ik ben de bevoorrechte, die U dit mag aankondigen, en gij zijt de gelukkigen, die het aanschouwen inoogt; en als ik aanstonds op den trein naar Amsterdam zit, denkt dan maar, dat Mr. Augustus Valerius, met TT allen, met gansch Veenenburg in zijn hart, reist!
[Geroep buiten). De dochters! de dochters! v. Bommel en zijn dochters!!
(Lucie en Li se geven elkander een arm. Zij gaan naar 't balcon. Hendrik presenteert opnieuw Champagne ... Toejuichingen van de zijde van het publiek. De muziek valt in:
Du, Du liegst mir im Herzen Du, Du liegst mir iin Sinn enz).
Schreuder, de notaris, verschijnt en plaatst zich bij Dominé L. voor op het tooneel. Hij schudt het hoofd en heft zijn handen in verbazing op. Heel het gezelschap zingt mêe.. Meeuwissen en v. Batenburg ieder met een glas in de hand tegenover elkaar, v. Aalst tegenover Use, Frits tegenover Lucie, Mevrouw tegenover v. Rommel, en de oude dame, met het stokje op den grond de maat slaande, zingt alleen; ter. wijl de later gekomenen zich ook in paren groepeeren, de he er en meest met een glas in de hand.
De muziek eindigt).
Ds. L. (tot Schreuder). Hemelsche goedheid, wat een gezellige pan!
1
'
iifaf . ;« i-^v »
I
wkmm --: I -
â IMi H
â M , â ,
â MM
^ÃÃ^HH
v---tyfif-/''Ifc '1; s-^.f.j'
f }?;â â ''â lt;v 1 '.fi'-wS!' ' 'â¢
âM
;